VERKLAREND HANDWOORDENBOEK
DER
NEDER LA NDSCHE TAAL.
(TEVEXS WOORDENTOLK).
/?? /^/
VERKLAREND HANDWOORDENBOEK
io\
TE GKOOTNGEN BIJ J. B. WOLTERS.
DEK
NEDERLAND8CHE ÃAAL,
(TEVENS WOORDENTOLK)
VOORAL TEN DIENSTE VAN HET ONDERWIJS,
BEVATTENDE
NAGENOEG 60 DUIZEND WOORDEN EN UITDRUKKINGEN OP ALLERLEI GEBIED, EIGENE EN VREEMDE; VERKLARING VAN EIGENLIJKE EN FIGUURLIJKE BETEEKENISSEN, VAN ZEGSWIJZEN, SPREEKWIJZEN, VOOR- EN ACHTERVOEGSELS ENZ.i AANHALINGEN UIT ONZE DICHTERS EN PROZASCHRIJVERSi EEN AANHANGSEL IN ZEVEN AFDEELINGEN,
STOOMDRUKKERIJ VAN J B. WOLTERS
VOORBERICHT.
Een âHandwoordenboekquot;' moet vóór alles een handig boek zijn.
Dit wevl.je vraagt een bescheiden plaatsje op de studietafel van Leerlingen van gymnasia, //. B. S. en kweekscholen van onderwijzers en onder.cjzeres-sen. Ook op den kantoorlessenaar kan het van dienst zijn â en verder overal. waar men iets heeft op te slaan over de beteekenis, het geslacht, de spelling, het meervoud, de vervoeging van eenig woord, eigen of vreemd.
Bij liet stellen kan de lijst van synoniemen dienst bewijzen, en de verdere rubrieken van het Aanhangsel komen het nauwkeurig schrijven ten goede.
Absolute volledig.ieid bezit het werkje zeker niet, en als wetenschappelijke vraagbaak wil het niet fungeeren. Met voordacht zijn uitgelaten: l0. allerlei afleidingen en samenstellingen bij werkwoorden, zelfst. nw. enz., die door niemand ooit gezocht worden, 2°. die woorden en uitdrukkingen, welke in de beschaafde spreek- en schrijftaal zelden of nooit gehoord worden. De opengevallen ruimte is gebruikt tot het verklaren van woorden en uitdrukkingen, ook in overdrachtelijken zin, van zegswijzen^ spreekwoorden, enz.
Verder zijn de gangbare vreemde of nitheemsche woorden in ruime mate opgenomen en verklaard: hun getal bedraagt duizenden, zoodat het werkje ook in dit opzicht als tolk kan dienen.
Voor het gebruik zij verder verwezen naar den Sletdel op de eerstvolgende bladzijden.
Dit werkje geeft alzoo op zeer breede schaal, wat in mijn Verklarend Zakwoordenboekje in het klein is te vinden.
Maastricht, 1897. m. .t. KOENEN.
VOOR DEN TWEEDEN DRUK.
Deze tweede druk van het Verklarend Handivoordenboek is niet zorg voorbereid. Ik vlei mij, dat het boekje merkbaar gewonnen heeft in volledigheid en juistheid. Tal van eigene en uitheemsche woorden werden ingevoegd. ook Indische of Maleische benamingen. Het gestelde bestek mocht echter niet te ver overschreden worden, en een betrekkelijke volledigheid was daarom slechts te bereiken.
Niettemin is het mijn overtuiging, dat het boekje met vrucht geraadpleegd zal kunnen worden en hun, voor wie het bestemd is, zal kunnen voorlichten op velerlei gebied.
Dankbaar voor de goede ontvangst en het debiet van den eersten druk, 'zend ik dezen herzienen en vermeerderden druk met vertrouwen de wereld in en hoop , dat het werkje in Noord en Zuid velen van dienst zal mogen wezen.
Voor welwillende op- en aanmerkingen houd ik mij aanbevolen.
K.
STOOMDRUKKERIJ VAN d B. WOLTER3
VOORBERICHT.
Een âHandwoordenboekquot;7 moet vóór alles een handig boek zijn.
Dit werkje vraagt een bescheiden plaatsje op de studietafel van leerlingen van gymnasia, H. B. S. en kweekscholen van onderwijzers en ondetwijzeres-sen. Ook op den kantoorlessenaar kan het van dienst zijn â en verder overal, waar men iets heeft op te slaan over de beteekenis, het geslacht, de spelling, het meervoud, de vervoeging van eenig woord, eigen of vreemd.
Bij liet stellen kan de lijst van synoniemen dienst bewijzen, en de verdere rubrieken van het Aanhangsel komen het nauwkeurig schrijven ten goede.
Absolute volledigheid bezit het werkje zeker niet, en als wetenschapiiehjke vraagbaak wil het niet fungeeren. Jlet voordacht zijn uitgelaten: '1°. allerlei afleidingen en samenstellingen bij werkwoorden, zelfst. nw. enz., die door niemand ooit gezocht worden, 1°. die woorden en uitdrukkingen, welke in de beschaafde spreek- en schrijftaal zelden of nooit gehoord worden. De opengevallen ruimte is gebruikt tot het verklaren van woorden en uitdrukkingen, ook in overdrachtelijken zin, van zegswijzen, spreekwoorden, enz.
Verder zijn de gangbare vreemde of uitheemsche woorden in ruime mate opgenomen en verklaard: hun getal bedraagt duizenden, zoodat het werkje ook in dit opzicht als tolk kan dienen.
Voor liet gebruik zij verder verwezen naar den Sleutel op de eerstvolgende bladzijden.
Dit werkje geeft alzoo op zeer breede schaal, wat in mijn Verklarend Zakwoordenboekje in bet klein is te vinden.
Maastricht, 1897. M. .1. KOENEN.
TOOR DEN TWEEDEN DRUK.
Deze tweede druk van het Verklarend Handwoordetiboek is met zorg voorbereid. Ik vlei mij, dat het boekje merkbaar gewonnen heeft in volledigheid en juistheid. Tal van eigene en uitheemsche woorden werden ingevoegd, ook Indische of Maleische benamingen. Het gestelde bestek mocht echter niet te ver overschreden worden, en een betrekkelijke volledigheid was daarom slechts te bereiken.
Niettemin is het mijn overtuiging, dat het boekje met vrucht geraadpleegd zal kunnen worden en hun, voor wie hot bestemd is, zal kunnen voorlichten op velerlei gebied.
Dankbaar voor de goede ontvangst en het debiet van den eersten druk, zend ik dezen herzienen en vermeerderden druk met vertrouwen de wereld in en hoop , dat het werkje in Noord en Zuid velen van dienst zal mogen wezen.
Voor welwillende op- en aanmerkingen hond ik mij aanbevolen.
K.
SLEUTEL VOOR DEN GEBRUIKER.
I. VERKOKTIXGEX,
|
aardi*. â aardrijkskande. aid. â aldaar. alg. â algebra. liet. â beteekent, beteekenis. Bij Ij. - Bijbel. bij uitbr. â bij uitbreiding. V)n. â bijvoeglijk naamwoord. boekdr. â boekdrukkunst. b.v. â bijvoorbeeld. bw. - bijwoord, bijw. uitdrukking. cosmogr. â cosmographie. dicht. â dichterlijk. d\v. â tegenwoordig deelwoord. eig. â eigenlijk, eigenlijke beteekenis. enz. â en zoo voort. tab. â tabelleer of mythologie. fig. â figuurlijk, figuurlijke beteekenis. geneesk. â geneeskunde, geneeskundig. gesch. â geschiedenis, geschiedkundig. gew. â gewestelijk of provinciaal. grnv. â geen meervoud. gmz. â gemeenzaam, tot den genieenen spreektrant behoorende. godg. â godgeleerd, godgeleerdheid. H. - Heilig, Heilige. Hand. â Handel. Herv. â Hervorming, Hervormde godsdienst. Ind. â Indië, Indisch. inz. â inzonderheid. ir. â ironisch. Isr. â⢠Israëlieten, Israëlietisch. jagerst. â jagersterm. kooph. â koophandel. krijgsw. â krijgswezen. L:it. â Latijn. m. â mannelijk. meetk. â meetkunde. mil. â militair, militie, krijgswezen. muz. â muziek, muziekleer. mv. â meervoud. myth. â mythologie, fabelleer. N. â Noord, Noorden of Noordelijk. nl. â namelijk. O. I. â Oost-Indië, Oostindisch. o. - onzijdig. onr. â onregelmatig. oorl. â oorlog, oorlogswezen. oorspr. â oorspronkelijk. O. â Oost of Oostelijk. oudt. â oudtijds. plantk. â plantkunde. pleon. â pleonasme, pleonastisch. Protest. â Protestant, Protestantsch. I\. K. â Roomsch-Katholiek, tot den K. K. eere- dienst behoorende. rechtst. â rechtsterm, tot het rechtswezen behoorende. rekenk. â rekenkunde, rekenkundig. |
sarc. â sarcasme, sarcastisch. scheepst. â scheepsterm, schippersterm. scherts. â schertsend, scherts. schimpn. â schimpnaam, scheldnaam. spotn. â spotnaam. spraakk. â spraakkunst. spreekt. â spreektaal. spreekw. â spreekwijze, spreekwoord. telw. â telwoord. tw. â tusschenwerpsel. t. w. â te weten. typ. â typographie, typographisch (boekdr.). uitdr. â uitdrukking. v. â vrouwelijk. vd. â verleden deelwoord. verg. â vergelijk. vero. â verouderd. VI. â Vlaamsch of Vlaamsche. vnw. â voornaamwoord. vgw. â voegwoord. vz. â voorzetsel. w. â wederkeerend. wat. â waterstaat, waterbouwkunde. w. g. â weinig in gebruik, weinig gebruikelijk. \V. â West, Westen of Westelijk. wisk. â wiskunde. ' w. w. â wederkeerig werkwoord. zeew. â zeewezen, tot de zee behoorend. zgw. â zegswijze. zie aid. â zie aldaar. zn. â zelfstandig naamwoord. Z. - Zuid of Zuiden, Zuidelijk. v. Beers. â Uit een gedicht van Van Beers. Bild. â Uit een gedicht van Bilderdijk. Bogaers. â Uit een gedicht van Bogaers. Busk. H. â Uit een werk van Busken Huet. Conscience. â Uit een werk van Conscience. C. O. â Uit de Camera Obscura. Da Costa. â Uit een gedicht van Da Costal De Gen. â Uit een gedicht van De Genestet. Geel. â Uit een werk van Jacob Geel. Hofd. â Uit een gedicht of werk van Hofdijk. Jonath. â Uit Waarheid en Droomen van Jonathan. .lust. v. M. â Uiteen werk van Justus van Maurik. Koetsv. â Uiteen werk (Pastorij) van Koetsveld. Langend. â Uit een gedicht van Langendijk. v. Leun. â Uit een gedicht of werk van Jacob van Lennep. Max H. - Uit Max Havelaar. v. d. P. â Uit een werk van Van der Palm. Potg. â Uit Proza van Potgieter. Veth. â Uit Java van P. .1. Veth. Wolf en D. â Uit een werk der dames Wolf en Deken. enz. enz. |
JJ. TE EKENS.
â vervangt in uitdrukkingen het titelwoord, b.v. Dunk: een yoeden â. een slechten â van iets hébben.
â vervangt bij verbuiging liet titelwoord, b.v. lgt;riikkoiilt;l: âbelastinyen.
â vervangt in afleidingen en samenstellingen van zelfst. nw. en bijv. nw. den stam of het grondwoord, b.v. ]gt;i*iiikoii, âer. â liic1oiii|iellt;gt;ii. â ing;: ISlik. â : Alleman. â sg:ek, âs vriend.
â vervangt bij de ww. het voorvoegsel of wel het eerste lid. b.v. Herdenken, ik heb âdacht; Inlialen. ik heb âgehaald.
-en, â.s, â's, âeren. âei's, achter zelfst. nw., duidt de vorming van het meervoud nan. âje. âpje. âtjr, âetje duidt, hier en daar, de vorming van het verkleinwoord aan.
Opmerkingen. 1°. Van de ongelijkvloeiende of sterke w.w. zijn twee vormen var de vervoeging opgegeven, idem voor de onregelmatige zwakke en sterke w.w. Van de regelmatige zwakke w.w. is alleen hot verleden deelwoord opgenomen. De inrichting is alzoo deze:
zinoen â ik zong â heb gezongen.
órewjen â ik bracht â heb gebracht.
i eer en â ik heb geleerd.
straffen â ik heb gestraft.
20. Samengestelde w.w. zijn dan alleen opgenomen, als het om de verklaring der beteekenis noodig was: dus zoeke men in dit boek niet; aanbedelen, aaneengroeien, aanlocren, belijmen, bemodderen, enz. enz. Werkwoorden, afgeleid met de voorvoegsels be-, er-, {je-, her-, ont- en ver- zijn telkens opgenomen, als dit om de beteekenis of het gebruik wenschelijk bleek.
3°. Van de werkwoorden op -eeren, als: studeer en, sonpeeren, wier vervoeging natuurlijk regelmatig zwak is: ik studeerde, heb gestudeerd, is kortheidshalve niets van de vervoeging vermeld.
40. Van de verkleinwoorden is alleen het allernoodigste aangeduid; - idem van de trappen van vergelijking.
50. Achter de grondwoorden zijn in den regel slechts enkele afleidingen en samenstellingen vermeld: maar deze vormen een afzonderlijk artikel, zoo er een of andere reden voor bestond (b.v. om spelling of verklaring): overigens had groepeering plaats, waar dit kortheidshalve noodig bleek.
6°. Ook de voor- en achtervoegsels kregen een plaatsje, hun beteekenis werd door voorbeelden toegelicht.
70. De beteekenis vindt men beknopt achter elk woord gevoegd; de fig. beteekenis en het taalgebruik blijken uit de niet karig opgenomen uitdrukkingen en haar verklaringen. (Zie Oog, Oor, enz. enz.).
80. Van duizenden uitheemsche woorden vindt men de beteekenis opgegeven, en waar het noodig was, één of meer voorbeelden ter toepassing.
90. In de lijsten der Verkortingen is het meest gangbare vermeld.
A.
|
A, v. 's. â Eerste letter van hei aliiliabet, eerste hoofdstuk van een woordenboek, (teen a voor een h kennen, ei^enl. het ahc niet kennen,fig. niets geleerd hebben, oliedom zijn; van â tot z kennen, van het begin tot het einde; ivie â zegt, moet ook b zeggen, wie eenmaal iets heeft aangevangen (gezegd), moet er mee voortgaan (moet alles zeggen); cte â in dat woordenboek loopt over 400 kohnnnicn. de gezamenlijke woorden of namen, met A beginnende; â (alg.) aanduiding van de eerste der bekende grootheden; â (muz.) zesde toon in de gamme van c, ook fa: â (scheepst. Lloyd) aanduiding van een scheepsromp dei-eerste klas; in Latijnsche opschriften bet. A öOO, met een streepje er boven (a), 5000. A of A0. â Anno, in den jare, ten jare. A. â AA. tot AAAAAA. merken van de vroeger beroemde Zeeuwsche chocolaad. üi*n mooie partij Zeeuwsche chocolade van duizend A s (d O.). A. a, verkort voor ana (op recepten), d. i. vun A. a. a.. amalgama. Zie aid. [elk evenveel. A. a. C'. â Anno ante Christum, in het jaar vóór Christus. A. of A0 aer. vuig'. â Anno aerae vulgaris. in het jaar der gewone tijdrekening. Abl. â Ablativas. Zie aid. A. It. â A urea bulla, de gouden bul. A. soms A. Xi â Anno Christi. in bet jaar van (of na de geboorte van) Christus. A. C. â Anno curroite of Anni carrenlis, in of van het loopende jaar. A. C. X. â A. dir. X. â Anh' Christum nat am, vóór Chr. geboren was. Acalt;l. â Academia. Zie aid. Ace. â Accepi, ik lieb genomen. Aec. â Accusativus. Zie aid. a. lt;1. â a dato, van den dag (der uitvaardiging) af. a. â¬l. â antediem, vóór den (vastgestelden) dag. A. IK â Anno Domini, in het jaar des Heeren. A. E. â Archi-Kpiscopus, aartsbisschop. A. P. â Anni f'utnri. van het toekomende jaar. afb. â afbeelding. a I'd. â af deeling. afl. â aflevering. a. li. w. â als het ware. A. 1. â Anni incarnationis, van hel jaar der vleeschwording (van Chr.). A. Ij. M. â Artium liberal'non magistrr. meester in de vrije kunsten. a. in. â Amicu manu (op adressen van brieven) door vriendenhand (bezorgd, overgebracht). A. IH. â Anno mundi, in het jaar der wereld, a. JI. of Iff. a. â Artium Magister, meester ' der kunsten, d. i. doctor in de letterkunde | en wijsbegeerte. A. M. ]gt;. O. â Ad nmjorem Dei gloriam, l tot meerdere eer van God. koenen, Verkl. Handwdb. d. Ned er l. taal. |
A. ei O. â \lphu et Omega, het begin en het einde. A. O. r. - Ab or be condi to, van (dat) de wereld geschapen (is), van de schepping der wereld. A. O. K. - Anno orbis redenili, ir; het jaar van de verlossing der wereld. A. I*. â Anxsterdamsch peil. A. of A0. P®. â Anno passato, in liet afgeloopen jaar. A. 1*.C. â Anno jwst Christ am, ianrniiCbï'ifitus. A. |gt;i*. â Anni praesentis, van het tegenwoordige jaar. A. pra«'C. of A. praot. â Annipraecedentis of Anni praeteriti, van bet vorige jaar. A. p. K. «â¢. - Ann*' post Hornam conditatn, in bet jaar, na(dat) Home gesticht (is). arroiKl. â arrondissement. A. IC. â Academiae rector, bestuurder {voor een Jaar) van een hoogeschool. A. r. â antirevolutionair. A. r. â Anno regni, in het jaar der regeering. A. IC. S. â Anno restaaratae (recaperatae) sal at is, in het jaar van het herstelde of herwonnen heil. Art. â Articulus uf Artikel. Zie aid. A. S. S. â Acta Sanctoram, de Handelingen of Levens der Heiligen. A. ii. b. - als quot;t u belieft. Zie S. v. p. A. I'. 1'. â Anno urbis conditae, in het jaar dor stichting tier stad (Home). â Ook: Ab orbe condita, na de stichting der stad (Home). A. ii. k. â Action ut supra, verhandeld (of gedaan) als boven (n.1. op den datum als boven), op akten. A. (tuater, riviertje), v. â's. De Westerwold-sche de li ui tenâ; de Dommel en de â. A. vz. Dit meubel zul 25 a 30 galden kosten. Het zal rijf a zes minuten daren; op rekeningen : 5 M. a f 6 = f 30. Aalquot;. Ave (het gat in het middelstuk van een wiel), v. aven. Ook Xaaf. Aaf (vrouwennaam), \., â je. o. â is dood, de kan is leeg, de drank is op. Aatseli {afwaarts gekeerd, verkeerd), bn. Fig. slinksch, listig: âe streken, vero. Aatf't i vrouwennaam, vei korting van Agathe), v. âje (ook Aajrje), o. Nieuwsgierig âje {can Enk huizen),scherts, nieuwsgierige vrouw. Aa^t (Engelsche kroon appel), v. âen; âappel. m. âs en âen; ook Aa$£jâ¬kKappel, m. âs en âen. Aai {diernaam, luiaard), m. âen. Zie Al. Aal (liefkoozing, streeling), m. âen; â tje. Een zachte â. Nog een âtje geven. Ir. gevoelige slag of kneep: Hij ontving eenige gevoelige âen. Aaien (streelen, Gtrooken), ik heb geaaid. Zij (Hen riet te) aaide Coco over den kop. (C. O.) 1 |
AAK-AALSTREEP.
|
b'iy. \lcion; Ir. iüin. aanrnKin^; opzotlc-lijk pijn doen: Hij zon n in zijn drift gevoelig -ingf, v. Aak {groot, pl'ilhoomd hoog ojtgebneid Insl-schip op den Beneden-Hijn), v. akon. Een KeuIsche â, een kolenâ (tot liet vervoer van steenkolen). Aak (kleine ahorn of eschdoorn), m. aken. Ook: SpafDische eik geheeten. Aak», Aakse {zware bijl met langen steel), v. aaksen. Aakster {oudere vorm voor ekster), v. â s. w.g. Maer snatert hg te veel, hg is gelyk een aexter. (Vondel). Aal (vrouwennaam, verkorting van A li da of van Adelheid), v. â Ije. v. Aaltje, de zuinige keukenmeid. Zegsw. Van mooi Aaltje zingen, scherts, in vroeger tijd, voor drinken, feestvieren (met blijkbare zinspeling op (bier). Aal {priem, spits stalen werktuig met houtrn hecht, els), v. alen. vero. Aal, Aalt {gier, mestvocht), v. gmv. Aal (moutdrank of Engelsch bier, zoetig van smaak), o. gmv. Van mooi âtje zingen, zie bij Aal voor Alida. Aal {slangvormige visch), m. alen. Een vette â, een gladde â. Wat een groote â! Zegsw. Hij is zoo glad als een â, men heeft geen vat op hem; hij is listig, sluw: hij is te vangen als een â bij den staart, hij is zoo beweeglijk en onrustig, dat men hem nooit bedaard te spreken kan krijgen: een â bij den staart hebben, zich bezighouden met eeri zaak of onderneming, die denkelijk uit de hand ontglippen of mislukken zal. Spreekw. Aan een goed visscher ontglipt wel een â, aan een bekwaam mensch kan wel iets mislukken of ontgaan; (als stofnaam), v. Er is veel â in dien vijver. Eet niet van die vette â. Spreekw. â is geen paling, er moet onderscheid gemaakt worden, het mindere staat niet met het meerdere gelijk, âglad {zeer glad. lig. listig, slim), bn.; â -kast (vischticig om â te vangen), v. âen: â kubbe ('f nauwe achtereinde van een aalfuik), v. â n; â imm1! (stilstaand water, waarin zich â bevindt), m. âen: -râ¬M»|» {zetlijn voor â of palingvangst), m. âreepen; âs-liuid {vel van den aal), v. âen; âskrnik (ook: âkubbe); v. âstal (afsluiting in een water met een opening, waarvoor men fuiken of korven zet om aal te vangen), m. âlen: â «vel (ook: âhuid). Zegsw. Hij is koopman in aalsvellen, doet zaken van geringe waarde. Aalbes. Aalboxio {vruchtdragende heester: de roocle, witte of zwarte bes), v. âbessen, âbeziën. In 't dagelijksch leven zegt men veelal voor r/a/bessen, eenvoudig bessen (bv. bessensap, bessennat); â seblad, o.; â se-boompje. o.; â sestrnik, m. Aalbessen jenever (jenever op zwarte aalbessen getrokken), v. gmv. Ook: roodejenever of rood geheeten; ânat (bessensap), o.; â -rist (getakt rankje, van de bessen ontdaan, ook het trosje zelf), v.; âsap (bessennat), o.- â saus {saus van aalbessennat), v.; âtros {rist met de bessen er aan), in.; âvla {des-sertkoek, met bessengelei bedekt; nagerecht), v. â vlaas; âwijn {gegist bessennat, bessenwijn), m. Aalbesaelitigen. v. mv. In de plantk. familienaam van de roode en witte en zwarte aalbes, alsmede van de kruisbes. |
AuUiezie. v. â bc/.ii'ii. Zie ook voor de samenstellingen: Aalbes. Aalfuik {trechtervormige korf met zak om aal te vangen), v. âen. Aalgeer, m. âen. vero. Zie Elger. Ook: (tal-schaar, aalspeer, aalsteker, aalvork, paling- Aalglad, bn. Zie bij: Aal. [steker. Aalgrondel {kleine, aalvorndgevisch), m. â s. Aalkaar (met gaten doorboorde houten kist om aal levend in 7 water te bewaren; v. â -karen. Zie liaar. Aalkast, v. âen. Zie bij: Aal. Aalkorf (korf of mand, waarin aal gevangen of verzonden wordt), m. âkorven. Hij is bang voor zijn â, d. i. voor zijn gezondheid, lichaam. Aalknbbe. Aalknb, v. â kubben. Zie bij: Aal. Aalkwabbe, Aalkwab {visch, die veel op een aal gelijkt, ook aalpuit of puitaal geheeten), v. âkwabben. Aalmoes {liefdegift aan een behoeftige), v. â moezen. De man vroeg om een â; zegsw. hij moet van âmcezen leven, is doodarm; âmoezen geven verarmt niet, om wel te doen is niemand te arm. Fig. bitter karige belooning; gunst of weldaad, op krenkende wijze bewezen. Aalmoezenier (/{. K. geestelijke, belast met het verrichten van huiselijke godsdienstoefeningen, het bezoeken van zieken, het uitdee-len van liefdegaven), m. â s en âen. üe â van een hospitaal, van een gevangenis, van een regiment. Voor den veldslag sprak de â een gebed uit. Ook: veldprediker; âster {liefdezuster), v. â s. Aalmoezenierslinis {liefdehuis voor behoeftige kinderen, ouden van dagen, enz.), o. âhuizen; âkamer {hetgezamenlijk bestuur van een â). v. In enkele steden bv. Utrecht het burgerlijk armbestuur; â weeslinis(voo/' vondelingen), o. âhuizen; â weeze, v. De gesmade âiveeze. (Potg.). Aaloud, aloud {zeer oud, ouderwetsch), bn. vero. De âe zeden {met het bijdenkbeeld van ivoor treffelijk); de âe deugd; -held, v. De grijze âheicl. Aalpoel, m. âen. Zie bij: Aal. Aalpnit {aalkwabbe), m. âen. Aalraainnet {vischtuig om aal te vangen), o. ânetten. Aalreep, m. âreepen. Zie bij: Aal. Aalseliaar {groote vork .net drie of vier platte ta)iden om aal testehen), v. âscharen. Ook: Aalgeer, Klger. Aalseliolver {zwemvogel, pelikaanachtige vogel, in N. Drab. rotgans), m. â s. Ook: Sehollevaar. Aalsgeweer {vischnet voor aal- of paling-vangst), o. âgeweren. Aalslmid. v. âen. Zie bij; Aal. Aalskrnik, v. âen. Zie bij: Aal. Aalspeer, v. âsperen. Ook: Aalgeer. Aalspeet {dun stokje, met mootjes gebakken aal er aan), v. âspeten. Vergelijk: spitjes. Aalsial, m. âlen. Zie bij: Aal. Aalsteek (het steken van aal, ook het recht daartoe), m. gmv. De âpachter. Aalsteek {de plaats waar men aal steekt), v. âsteken. Aalsteker, m. â s. Ook Aalgeer, Klger. Aalstreep {donkere ruggestreep van den aal), v. -strepen. |
AALSVEL-AANBIDDEN.
3
|
AuImvoI ((Ktlöhnidh u. âIon. Zie bij: Aal. Een â is een bindmiddel bij dorschulegels. Aalszuk (vischnet om aal nf paling te van-van yen), m. âken. Aalt (het vocht dat uit de koemest sijpelt), v. gmv. Zie: Aal (flier, mestvocht). Aaltje, o. Zie bij: Aal (vrouwennaam). Van mooi â zingen, t'. i. drinken, feestvieren. A-al-tolletje {zeskant been en tolletje, gemerkt met de letters A, li, D, X, S en J' ooi zeker kansspel te spelen), u. â s. A bet. alles] B (bij), D (dubbel), N (niet), ü (zet), T (trek). Aalvormi^ (den vorm van een aal hebbend), bn. Pieren zijn âc diertjes. Aaltvaardig-, aalwari^' (onbezonnen, dartel, overmoedig), bn.; w. g. â v. Aalwaritf', bn. Zie Aalwaardig vero. Aam (oade wijnmaat, ook oliemaat, vier ankers of 1.552 H.L.), o. amen. In België is een - 142 L. Aambeeld, o. -en. Zie Aanbeeld. Aambei (knobbelachtige zwelling van aders in den endeldarm), v. âen; ook Aanbei. Aambeienkriiid (geneesmiddel), o. gmv. Ook: helm- of speenkruid. Aamborstig' (asthmatisch, engborstig), bn. Gij reist met een dikken, âen heer, die at les open wil hebben. (C. 0.); - beid. v. Aamt (zuchtige zwelling), v. gmv. â Ijff, bn. De uier eener koe is soms â ig. Aan, vz. en Iav. Kloppen â de deur, â boord gaan. De landen â de Oostzee. Denken, ge-looven, twijfelen â iets. Lijden â tering; bw. Het vuur is De boot is Trek u w jas Hij keek mij â. Aanaarden (rondom ophoogen of aanvullen met narde), ik heb aangeaard; eenen boom â, de aardappels â; â injï, v.; âploeg', m. Aanademen (den adem over iets heen laten gaan), ik heb aangeademd. Het goad â. (boekbinderij», het bladgoud doen kleven. Aanarbeiden (voortmaken met den arbeid), ik heb aangearbeid. Gij moet wat Aanbaften (door blaffen bedreigen), de hond beeft aangebaft. Fig. scherp, dreigend toespreken. Aanbaren (scheepst. alle zeilen bijzetten), \ ik heb a»ngebaard. vero. 0lt;»k; Aanbèren. AanbaKKen (door bassen of blaffen bedreigen). de hond heeft hem aangebast. Fig. schelden, razen tegen iem.; hem scheldend, tierend bedreigen. Zie Aanballen. Aanbeeld (ijzeren blok, waarop het gloeiend ijzer gehamerd wordt), o. âen. Zoo zwaar als een zeer zwaar: steeds op hetzelfde â slaan, altijd op dezelfde zaak terugkomen; hij heeft zoo lang op hetzelfde â geslagen, tot hij eindelijk zijn zin heeft, zoo lang op dezelfde zaak aangedrongen. Aanbeeldsbeen (gehoorbeentje), o. âen. Aanbeeldsblok (houten blok. waarop het aanbeeld staat of rust), o. âblokken. Aanbeenen (snel voortstappen), ik heb aangebeend. Zijt ge al terug? Nu, ge hebt goed aangebeend, d. i. vlug geloopen. Aanbeft'in (allereerste aanvang), o. gmv. vero. Des levens -. Aanbebooren (iem. eigendom zijn, tot iets behooren), het heeft aanbehoord. De goederen terug te geven aan wie ze â. Een pachthoeve met âde schuren. Aanbei. v. âen. Zie Aambei. |
Aainbelanden (ergens aankomen, meestal toevallig om tiaar te vertoeven of te blijven), ik ben (in dit dorpje) aanbeland. Na veel zwerrens is zij hier aanbeland. Aanbelaug- (groot belang, rijkheid aan invloed en gevolgen), o. gmv. Een zaak van â , een gebeurtenis van â, een omstandigheid van groot â. Aanbelangen (aangaan, betreffen); alleen in den 3en persoon enk. van den onvolt. te-genw. tijd der aant. wijs. Wat, zooveel, voor zooveel, zoover (ze), voor zoover (ze) hem aanbelangt. Wat die zaak, wat dit, dat, u,haar, hun aanbelangt. Aanbellen (aan de deurschel trekken), ik heb aangebeld. Ook: Aanschellen. Aanberen (scheepst. alle zeilen bijzetten), ik hebaangebeerd. vero. Zie: Aanbaren, vero. Aanbernien (den voet van een dijk versterken door er een berm tegen te leggen), ik heb aangebermd; âfns, v. De afgeslagen plaats van den oever is voorzien door een â berming. Aanbesteden (de a it voering van eenig bouwwerk aan een aannemer volgens inschrijving opdragen), ik heb aanbesteed. Een karwei â. Een school en het leveren der bouwstoffen â: â«teller, in.; âsteeling, v. Eene openbare âsteding; eene onderhandse he â -steding. Aanbesterven (bij erfenis als eigendom krijgen), het bestierf aan, is aanbestorven. Dat riddergoed zal hem â bij den dood zij na ooms-, â ing, v. Aanbestoelen (een stak dijk in onderhoud aanwijzen), ik heb aanbestoeld. Dit deel van den dijk is hem âbestoeld, hij is de onder-hoiidplichtige. Aanbetreflen (op bijzondere wijze bet re tfen, d. i. raken, aangaan), alleen in den 3en pers. enk. van den on volt. tegenw. en verleden tijd, na het vnw. wat. Wat mij, wat dat aanbetreft. Wat de hoofdzaak aanbetrof. Verg. Aanbelangen. Aanbetrouwen (met vertrouwen ter bewa-ring geven, iets opdragen), ik heb aanbetrouwd. Iem. een gewichtige boodschap die gelden werden u aanbetrouwd. Aanbevelen (in de gunst bevelen aan), ik beval aan, heb aanbevolen. Iem. bij den Minister -; die jongeling beveelt zich zelf aan door zijn goede manieren; zijne ziel aan God aanbevelen, d. i. Gods ontferming inroepen in doodsgevaar; iem. voor een betrekking â; iem. of zich â in iem. aandenken, vriendschap, liefde', ik kan u die manier vati reizen â; lt;lat boek beveelt zich (tan door zijn helderen stijl: de schrijver houdt zich aanbevolen voor op- en aanmerkingen', iemand de leiding van een rechtsgeding â, opdragen', iem. een modelijk werk â, toevertrouwen', een collecte â, aanprijzen', â swaardig (aanbeveling verdienende), bn. Aanbeveling(ttef/aalt;/ van aanbevelen),\. -en. Een mondelinge â, een schriftelijke Aanbevelingsbriei' (brief van recommandatie), m. âbrieven. Hij bracht mij een â van een oud vriend. Aanbidden (m den gebede aanroepen, als goddelijk wezen vereeren), ik aanbad, ik bad 'aan, ik heb aangebeden (aanbeden). Den waar-achtigen God -. Wij - IJ, o Heer, en loven U! Afgoden â, fig. hartstochtelijk vereeren; |
1'
AANBIDDING - AANDRAGEN.
4
|
Zijn leerlingen aanbaden hem; uw door mij aanbeden dochter, doch ook: Een veldheer, door zijn soldaten aangebeden. Zij liegen voor den ivind naar de aangebeden stranden ! (Tollens): â dol ijk (tot aanbidding a i t-lokkend), bn. Gods âe wijsheid: âswaard. â swaarditf {verheven, 'uitstekend): âder (iem. die fig. aanbidt), in. Aanbifldiii^- (godsdienstige vereering), v. In â verzonken, in â neerzinken, fig. innige, eerbiedige bewondering: Wij blijven op uw â moed met dankbre â staren. (Heliners). Aanbieden, ik bood aan, beb aangeboden. Iem. een betrekking, een ambt, een irerk-kring â. Er biedt zich weldra een gelegenheid aan, d. i. voordoen, âbieder, m. â -bieding-, v. Aanbinden {aanhechten, vastmaken) ik bond aan, lieb aangebonden. Leiboomen een touw wat vaster â ; fig. Een onderhandeling, een strijd â. aanknoopen, beginnen; de kat de bel den eersten stap doen tot een gevaarlijke onderneming; kort aangebonden zijn, geen scherts verstaan, gauw boos zijn; âbinder, in. âbinding, v. Aanblafien {bluffend bedreigen), de hond heeft hem âgeblaft. Zie Aanbaflen, Aam-bassen. Aanblazen {door blazen doen branden), ik blies aan, heb aangeblazen. Het vuur ^aanwakkeren; een twist, de hartstochten â, aanzetten; den burgeroorlog â, opstoken; mijnheer, met een oogopslag van een aangeblazen dichter (C. O.), d. i. bezield, âblazer, m.: â blazing {goddelijke ingeving, bezieling), v. Een toon van ingeving en âblazing. Aanblik {uitzicht, gezicht op iets), m. gmv. Schoon is de morgen, lieflijk haar â. (Van Beers); voor uw â, o Heer, siddert de booze; bij den eersten â. Aanblikken {aanzien, aanschouwen), ik heb aangeblikt. Hij blikte mij veeIbeteekenend aan. Wat blikt uw starend oog mij aan! (Lenn.); De sterren blikken mij aan. Aanblinken {tegenblinken), het blonk aan, heeft aangeblonken; fig. aanlachen, toelachen, de oogen streelen, in de oogen schitteren. Aanbod {het aanbieden), o. gmv. (aanbiedtn-gen). Rechtst. â van gereede betaling. Hand. de marktprijs regelt zich naar vraag en â. Ook: het aangebodene; komt mijn â u verwerpelijk voor! Een voordeelig Aanboegen {in de richting naar iets zeilen of varen), ik heb en ben aangeboegd. Zij hadden een uur aangeboegd, toen zij van richting veranderden; we zijn een aardig eindje aangeboegd, d; i. genaderd. Aani»oeken (In het dagboek inschrijven), ik heb aangeboekt. Zijn alle posten aangeboekt? Aanboeten (feller doen branden), ik heb aangeboet. Het vuur â. Aanbouw {het gebouwd worden), rn. gmv. Dit huis is in â ; âbouwer, m.; -bouwsel, o. Aanbraak {het aanbreken, het begin), v. De â van den morgen, dicht. A an brassen (scheepst. de brassen aanhalen of doorhalen), heb aangebrast. Aanbreek, in.gmv.; hetzelfde als Aanbraak, Aanbreken (beginnen, met iets beginnen), de dag brak aan, is aangebroken; ik brak (iets bv. een flesch) aan, heb (iets) aangebroken. â breking, v. |
Aanbrengen {ergens heen voeren, dragen), onr. w.w. ik bracht aan, heb aangebracht. Fig. verklikken, verraden, âbrenger, m.; â -brengiug, v.; â brengsi, v. Aanbruisen {bruisend naderen)., heeft en is aangebruist. De golven, de vlammen kwamen ⢠â. Fig. onstuimig bejegenen; met een opgezet zeil aankomen. Aandaelit {oplettendheid, overdenking, bepeinzing, godsvrucht), v. gmv. Aandaehtig {opmerkzaam), bn.; âe toehoorders, een â gehoor, een âe lezing', â lieid, v.; âlijk, bw. Aandaninien (wat.), ik heb aangedamd. â damming, v. Grond â -, een veenachtigen bouwgrond â, d. i. er een dam langs leggen. Aandeel {deel, gedeelte, bewijsstuk, effect), o. â en. â aan iets hebben, d. i. zoowei ten goede als ten kwade aan iets meegewerkt hebben; â hebben in een zaak, affaire, fabriek; ik heb mijn spoorwegaandeelen verkocht. Aandeelliebber {bezitter van een of meer aandeelen), m. â s. De. â in een reeder ij, fabriek, vennootschap. Ook: Aandeelhouder. Aandenken {gedachtenis, voorwerp, da tons aan iets of iemand herinnert), o. gmv. In gezegend â voortleven. Aandichten {toeschrijven, te laste leggen), ik heb aangedicht. Men heeft heu'i allerlei verkeerdheden aangedich I. Aandienen {aanmelden), ik heb aangediend. Zich laten â; â diening, v. Aandiepen (zeew. loodende en peilende het land naderen), ik heb aangediept; âdieping, v. Aandikken {dikker maken, aan vetten van letters b.v.), ik heb aangedikt. Een letter, zonder aandikken niet goed te krijgen. (C.O.) â «likking, v. Aandisselien {den disch bereiden), ik heb aangedischt. De bedienden hebben aange-discht; de spijzen waren aangedischt, d. i. op den disch gezet; â dissehing, v. Aandoen (aantrekken^ zich kleedenmet), onr. w.w ik deed â, heb âgedaan; b.v. Doe nog een jus aan; zij is tietjes aangedaan. Ook, in een haven vallen: Een of andere haven â, er kort vertoeven; iemand verdriet, last, schande â, veroorzaken: iemand een proces â, gerechtelijk aanspreken, vervolgen. Aandoening' {ziekelijkheid, weemoed, droefheid), v. âen. Een â der longen, der hersenen. Ik kan er zonder â niet aan denken. Ook; een â (aanval i van koorts. Aandoenlijk (treffend, roerend), bn. Een â verhaal. Ook ; een â gemoed, week, licht geroerd; â lieid, v. Aandossen {plechtgewaad, staatsiekleeren aantrekken); beb aangedost. Het zijden overkleed werd alleen op hoogtijden aangedost. Aandraaien {dichter bijeen doen komen door te draaien), ik heb en het is aangedraaid. Een schroef â, verder door draaien. Fig. Iemand een neus, een wassen neus â, foppen, om den tuin leiden; ik zul hem dat -vel â, (gmz.) aansmeren, aan zijn broek doen houden; daar komt zij weer â, (gmz.) aandrentelen, langzaam vooruitgaan. Aandragen (naar een persoon of een plaats dragen), ik droeg aan, heb aangedragen. Daar komt Jantje weer met een stoof â. Fig. Je moet niet alles komen â, aanbrengen, verklikken; â drager {klikspaan), m. âs. |
AANDRANG-AANGOHDEN.
5
|
Aandrang- (yedrany. fig. (uinsporiny, nadruk hij het doen van een verzoek}, m. gmv. Een yrootè â van mensehen. Ik zal komen op â van mijn vader. Ik vraag het n met Aaiilt;trilgt;t»eleii (met kleine, vlugge pasjes naderen), ik ben âgedribbeld. Daar komt ons kindje â! Aandrift (neiging der natuur, vuur), v. gmv. Ik deed het uit vije â; â der kunst. Aandrij ven (vlottend naderen, aanspoelen). het dreef aan, is aangedreven. Op een str jo-lüisch komen â, naakt en berooid uit den vreemde aankomen; ook: doen voortgaan, voortdrijven: De koeien â; de bouten en schroeven â, aanzetten. lem. â, tot het kwaad. â drijver, m^ âdrijving', v. Aandringen {samenpakken, fig. aanzetten), ik drong â, bob en ben âgedrongen. Op iets â, d. i. met nadruk vragen, sterk aanhouden. AandrinkcMi. ik dronk â, heb âgedronken. Zich een roes â, iemand een roes â. Aandnidon {verklaren, am wijzen), ik heb âgeduid; âduider, m.; âduiding', v. Aandurven, ik durfde of dorst â, heb â -gedurfd. Iemand wel of niet â, d. i. zich al of niet opgewassen voelen tegen iemand. Aandweilen (reinigen), ik heb âgedweild. Meisje, dweil de gang wat aan. Aaneen (bij elkaar, samen), bijw. Dit bijw. vormt met w.w. samenstellingen, als: aaneen-binden, aaneengroeien, a a neenk two pen, enz. Aaneengeboren. bn. De twee â Siameesche broeders; twee â kalveren. Aaneeng-4'seliakeld (met schakels verbonden), bn. Fig. Ken â verhaal-, eene âe opvolging. (C. 0.) Aaneengesloten (nauw verbonden), bn. Aaneenwellen (door smeden of soldeeren verbinden, b.v. Zweedseh ijzer), ik heb âgeweld; â welling, v. Aanerven (bij erfenis ontvangen, fig. b.v. talenten, deugden, enz.), ik heb âgeërfd; âerving, v.; ook, onpers. w.w. liet erfde â, ! is âgeërfd. Aanllniten (tegen iets {luiten), ik lloot â. heb âgefloten; lig. uitjouwen, bespotten, be- |. schimpen. Aanfluiting: (het bespotten), v. âen. Ook voorwerp van bespotting: Ik zal hem maken tot een â onder al de volken. (Bijbel.) Aanfokkeu (dieren aankweeken, grootbren-ge)i van vee), ik heb aangelokt. Paarden, j runderen, honden â. Aangaan, ik ging aan, heb en ben âgegaan. | Op een huis, een persoon â, in de richting ; gaan; zeew. op een eiland â, er heen sturen; | bij iemand â. aanloopen; op iets of iem. staat maken, rekenen; het vuur, de kaars, de I lamp kan â, ontbranden; de kerk, de school kan â, beginnen; zoo iets gaat niet aan, is niet geoorloofd; een dronkaard kan â, leven, geraas, getier maken; â als een Turk; tegen j iem. â, opspelen, schelden, razen ; een werk â, beginnen (Hooft); een overeenkomst, een verbond, een verbintenis sluiten, treilen; een huwelijk sluiten, voltrekken; wat gaat u aan:' wat overkomt u; waf. mij aangaat, betreft, raakt, aanbelangt. Aangaande (betreffende, rakende), dw. en vz. De berichten, hem â, luiden niet gunstig; vz. de berichten â zijn toestand; een meening â dien persoon, d. i. nopens, omtrent. |
Aangaug (nadering), m. âen. Scheepst. â maken, voortzeilen, voortmaken; zegsw. Op den â komen, juist van pas komen, onverwachts er bij komen: Ik kwam juist op den â , en zag hoe hij het kind mishandelde. Aangapen (met open mond aanstaren), ik heb âgegaapt; -gaping*, v. Aangebedene (hoogvereerde, beminde), m. en v. â n. Aangeboren (van nature eigen), bn. De dichtkunst was Vondel â. Aangedaan, vd. en bn. De familie was tot schreiens d. i. bewogen. Aangeërfde (eigenaar van grond, gelegen aan een dijk, een weg, een wetering), m. en v. â n. De ân van dezen dijk zijn verplicht hem te onderhouden. Aang-eliaald (in beslag genomen), bn. Een â e koe, d. i. door de kommiezen aangehouden. Zie Aanlialen. Aangehuwd (doorhuwelijk vermaagschapt)^ bn. Een âe tante, oom. Aangeklaagde, m. en v. â n. De - droeg zijn eigen verdediging voor, de bij het gerecht beschuldigde. Aangeland (ergens te land gekomen; ook met zijn eigendom aangeërfd), bn. w. g. Aansïèlegen, bn. De â akkers, nl. aan de rivier. Aangelegenheid(zar//r v.gewicht), v. -heden. Aangemerkt (aangezien, omdat), vw. Zijn handelwijs verdient lof, â hij nog zoo jong is. Aang-enaain (prettig, genoeg lok, behaaglijk liefel k), bn. en bw. Een â gezelschap, o. Een âe wandeling, v. Een â verhaal, o. Een â gevoel, o. Zich bij iem. â maken, zijn gunst weten te verwerven; bw. â bij elkander zijn, wij hebben â gewandeld; â heid, v. Aangenonien (ondersteld), vw. â, dat gij slaagdel, wat hebt gij dan nog? â, hij ware een 'gierigaard, wat 'zou zijn broeder er tegen doen? d. i. gesteld (dat), indien, bijaldien. Aangenonien, vd. en bn. Een â kind; een â werk (bij aanbesteding). Aangespen, ik heb âgegespt; âgespiug^v. Den detjen â, gaan strijden; het harnas â. A angel eekend (ondertrouwd), bn. Zij zijn â; een âe brief, een â pakket (bij de postadministratie verzekerd). Aangetogen, vd. van het veroud. w.w. aan-tieën, d. i. aantrekken. Aangelrouwd (aangehuwd),\)w. -e kinderen. Aangeven, ik gaf -. heb -gegeven. Den toon â, fig. de eerste zijn in zijn kring; zich. of zijn goed zich melden, reisgoed aan de grenzen declareeren; in hoofdtrekken iets â, d. i. aanduiden, âgever, m. Aangezet, vd. en bn. Een â mes, d. i. gewet, gescherpt; de wijn is â, vervalscht. Aangezieht (delaat), o. â en. Ook Aauxielit ; iemand van â kennen, d. i. hem persoonlijk kennen ; de waarheid in het aanzicht slaan, de waarheid krenken, d. i. brutaal liegen. Aangezielifskenner (.gelaatkenner), m. â s; â kunde, v.; âkundige, m. â n; -pijn (gelaatspijn), v. -en. Aangezien (dewijl, vermits, omdat), vw. Aangifte of âgift, v. âgiften; â doen, d. i. kennis geven, bij den bevoegden ambtenaar melden, b.v. de geboorte van een kind. Aangluipeii, ik heb aangegluipt. Iem. â, geniepig of steelswijs aanzien. Aangorden, ik heb aangegord, liet harnas â, |
i
AANOKAUWEN - AANKLEEF.
6
|
aantrekken, fig. den strijd V)eginnen; zich â, gereedmaken, toerusten. ïem. de wapenen â. hem er mede uitrusten. Aangramven (norsch bejegenen), ik iieb aangegrauwd; -grauwer, m.; â grrau-wing-, v. Aandraven (dour te graven, verhinden), ik groef â, heb âgegraven; âgraving, v. Aangreep (aanval), m. gmv. Aangrenxend. (belendend), dw. en lm. Een â land, naburig. Aangrijnzen (dreigend, valsch aankijken), ik heb âgegrijnsd; âgrijnzing, v. Aangrinniken (tergen door een half onderdrukt spottend gelach), ik heb aange-grinnikt. Aangroei (aanwas, toename), m. gmv. â van macht. Aangroeien (toenemen), het is âgegroeid. De spruit groeit aan tot een boom, het knaapje tot een krachtig en jongeling, (v. d. Palnl.) -groeiing, v. Aangroenen (groener worden), de weide is â gegroend. Aaniiaken (met een haak vasthechten), ik heb aangehaakt. Een waggon â. Aaniialen, ik heb aangehaald. Haal de schuit wat aan, naar zich toe trekken; een knoop, de teugels â, stijver aantrekken; fig. den band der vriendschap vast â ; scheepst. de brassen, de schooten doortrekken, strakker maken; de wind haalt aan, wordt sterker; steenen, water â, aansleepen; er is geen â aan, er is altijd meer noodig; fig. iem. â, aanlokken; goederen â, in beslag nemen; een gezegde, een volzin â, vermelden; een schrijver â, woorden van hem vermelden; een plaats â, met een potloodstreep merken; de letters â, aandikken: âhaler, m. âs; âhaling (vermelding, in beslag neming), v. Aanhalingsteeken (spraakk. â quot;), o. â s. Aanhalig (vriendelijk, innemend), bn.; â -heici, v. Aanhang (partij, handlangers), m.; -eling (partijgenoot), ni. en v. Aanhangen, ik hing aan, heb aangehangen. De japon hing er zoo los aan, slordig zitten of passen; scheepst. Hang aan, d. i. trek den* kabel aan; fig. iem. â, verkleefd zijn, liefde toedragen: de man zal zijn vrouw â ; het volk hing hem â; het roer â, een deur, een l'iik â, aanhechten; âIt finger (par tijgenoot), m. âs; Hij behoort tot de âs van de nieuwe leer, d. i. volgelingen. Aanhangig (nog niet beslist), bn. De zaak is - (rechtst.). Aanhangsel, o. â s, âen. Deze spraakkunst geeft de leer der spelling in een â. Aanhankelijk (verknocht), bn.; â heid, v. Aanhehhen (dragen,gekleed zijn in), onr. w.w. ik had â, heb âgehad. Fig. een'roes, een laars, een buis â, dronken zijn. gmz. Aanhechten {verbinden), ik heb âgehecht; â hechter, m.; â hechting (anneowto?), v.; â hechtingspiint, o. Aanhechtsel, o. â s. Dat is keurig genaaid, van de âs kan men niets zien. Aanhef' (begin, inz. bij gedichten of muziek en zang), m. gmv. Eenschoone, gepaste, wonderlijke â . AanhefTen, ik hief â, heb âgeheven. Een lied â, inzetten, gaan zingen. â heiTer- m.; â heffing, v. |
Aanhijgen (hijgend toeademen), ik hijgde â, heb âgehijgd. Ãen laatst vaarwel â. Aanhitsen (opstoken, aanvuren), ik heb â -gehitst. Een hond. een paar vechtersbazen â. âhitser, m.; âhitsing, v. Aanhoeven, het heeft âgehoefd. De overjas hoeft niet aan; de kachel hoeft niet aan; de. lamp hoeft nog niet aan, d. i. het is niet noodig, ze aan te trekken, ze aan of op te steken. Aanhooren. ik heb âgehoord; âhoorder, m.; âhooring, v. Een enkele maal is aan onscheidbaar: Men aanhoore mijn verdediging! Vrienden, aanhoort mijn lied! Men schrijft ten aanhooren van, niet ten aanhoore. Aanhoorig, bn. Een kasteel met âe landerijen, d. i. aanbehoorende; een kasteel met âe rechten. â heid (wat tot eenig goed behoort), v. Een boerderij met alle âheden. Aanhoud (plaats waar men ophoudt, rustplaats, halte), m. âen. vero. Aanhouden (volhouden), ik hield â, heb â gehouden; âhouder, m.; â houding, v. Op iets â, zeew. koers zetten. Aanhoudend (voortdurend), bn. en bw. Een âe regen; hij schreeuwt â : âheid, v. Aanhiiwen, ik heb âgehuwd. Hij heeft met die vrouw een groot aantal neven en nichu n aangehuwd; een âgehuwdeoom; â huwing, v. Door âhuiving tal van verwanten verkrijgen; de betrekking door âhawing ontstaan. Aanjagen, ik jaagde of joeg â, heb âgejaagd: Iemand schrik â, d. i. veroorzaken; daar komt de koerier â, snel rijden. Aanjager (werkt, zuig- of perspomp eener brandspuit), m. â s. Aankalken (met krijt aanschrijven), ik heb â gekalkt; âkalking, v. Aankanten (zich) (zich verzetten), ik hel» mij âgekant; âkanting (verzet), v. Aankap, m. gmv. In Indië het Lappen of vellen van hout om den voorraad te vermeerderen. Aankappen (houtkappen, boomen vellen), ik heb aangekapt. De voorraad hout raakt op; men zal weer moeten â. Aankerven (aanteekenen), ik korf of kerfde â, heb âgekorven; âkerving, v. vero. Aankijken, ik keek â, heb âgekeken. Iem. met schele oogen â, d. i. benijden; iem. niet â, d. i. kleinachten, niet tellen. Aanklacht (beschuldiging bij den bevoegden ambtenaar), v. âen; ook Aanklage. Aanklagen, ik heb aangeklaagd. Iemand bij den rechter, de rechtbank, het gerechtshof â, een beschuldiging wegens misdrijf tegen hem inbrengen; iem. wegens laster, moord, diefstal â ; fig. mijn geweten zal mij â, beschuldigen; â klager, m. â s. Een valscheâklager; de openbare âklager, de ambtenaar van het Openbaar Ministerie, officier van justitie. Aanklanipen (scheepst. aanhaken, enteren), ik heb âgeklampt. Fig. iem. aanspreken en zicli bij hem aansluiten. A an klauwen (opharken van pnden), ik hel» â geklauwd. Hij laat alle Zaterdagen zijn buitentje â. Aankleeden, ik heb âgekleed. Een aangekleed e aap, saiv. een foeileelijk persoon; een â e boterham, een boterham met vleesch of zoo iets; een âe pijp, avondbezoek, waarbij gerookt wordt. Aankleef (toevoegsel, aanhooriglieid), m. Met. |
AANKLEM MEN-AANM EK KING.
|
dm aankleve van, d. i. met alles, wat er toe behoort: De schoonmaak met den â van dien. Aanklemineii (aanschroeven, sterker doen klemmen), ik heb aangeklemd. Fig. nrder met bewijzen staven. Aankleven, ik bel» âgekleefd. Fig. eigen zijn, b.v. Dat gebrek kleeft hem aan. Iemand aankleven, trouw aanhangen; â kleviiift- (nat. adimesic), v. Aankloppen, ik heb âgeklopt. Fig. Hij iern. â, iem. iets verzoeken. Aanknoopen. ik heb âgeknoopt. Fig. Een (jesprek, vriendschap, betrekkingen â, beginnen, tot stand brengen. Aankomelin^- (nieuweling), m. en v. âen: voor het v. ook Aankonielïnge. AankoiiK'ii (een plaats bereiken), ik kwam â, ben âgekomen. De stoomboot is reeds â -gekomen. Met iets â, d. i. voor den dag komen. Kom nergens aan, d. i. handen thuis. Er is geen aankomen aan, d. i. bet is niet of alleen voor grof geld te Krijgen. Aankomend (aanslaande, toekomstig, toekomend; groot wordend), bn. âe week; âe jongens. AankoniMt, v. gmv. De â van den trein. Aankondigen (bekend maken), ik heb âge-kondigd; â konclig-er, m.; - kondig-in^, v. Aankooien (typ. den vorm vastslaan), ik heb â gekooid. Den vorm â. Aankoop, m. âen. Door â, d. i. door te koopen. Aankoopen, onr. w.w. ik kocht â, heb âgekocht; â kooping-, v. Aankrijgen, ik hel' aangekregen, ik kan die jas niet â, aan bet lijf krijgen; ik kan dat vu ar niet â, aan bet branden krijgen. Aankrnien (snel voort kruien), ik kruide (krooi) â, heb âgekruid ( â(gekrooien). Het ijs is âgekruid, d. i. opeengeiloopt. Aankunnen (baas kunnen, berekend zijn voor), onr. w.w. ik kan â,wij kunnen â,ikkonde of kon â, heb âgekund. Hij kan den knaap niet aan. Zij kan de taak niet aan. Ik kanzoo'n biefstuk niet aan. Hij kan heel wat aan. Aankweek (aanplanting), m. gmv. Fig. ontwikkeling: â van vaderlandsliefde. Aankweeken (opvoeden, opfokken), ik heb -gekweekt; â kweeker, m.; âkweeking, v. Aanlaeiien (toelachen), bet lacht aan, lieett aangelachen. Het geluk lachte (loeg) mij aan; de fortuin lacht hem aan, d. i. is hom gunstig. Aanlanden (aan land komen), ik ben aangeland. Fig. Waar zijt gij aangeland, d. i. terecht gekomen? âlanding, v. Aanlandig, bu. De wind is â, d. i. waait landwaarts. Aanlangen (aanreiken, reikend geven), ik heb aangelangd. Iem. een boek â. Aanleeren (door leer en eigen maken), ik heb of bet is aangeleerd. Ken vreemde taal, een kunstje, een ambacht â. Aanleg, m. gmv. â hebben tot, d. i. natuurlijke vatbaarheid, b.v. â voor muziek, voor teekenkunst; de â van een dijk, van een plantsoen, park, »1. i. het plan, ook het aanleggen; rechtbank van den eersten â, een lagere rechtbank. Aanleggen, ik legde of leide (lei) â, heb â gelegd of âgeleid; De boot zal bij Dordt ivel â, stoppen. Willen, wij in dfit café eens |
rusten en wat gebruiken, âlegger, m.; -legging, v.; âlegplaats (haven), v. Aanleidend (veroorzakend), dw. en bn. Wat was de âe oorzaak? d. i. de grond, de bron. Aanlcnen, zie Aanleunen. Aanlengen (verdunnen), ik heb -gelengd; -lenging, v. Den wij}:, de saus, de soepâ. Aanleunen (schuin tegen iets rusten), ik heb âgeleund (âgeleend). Fig. Ik laat mij dit niet â, d. i. toeschrijven, welgevallen; â -leuning, v. Aanlieliten (beginnen te lichten of te schijnen), de dag is âgelicht. Aanliggen (bij een maaltijd, op de wijze der Ouden), ik lag aan, heb aangelegen. Aanliggend (aangrenzend), bn. âliggende hoeken (wisk.). Aanlijken (zeew.), ik heb âgelijkt. Een lijk â, een omboordsel maken rondom in het zeil. Aanloeven (scheepst. dichter lij den wind houden), ik heb âgeloefd; âloeving, v. Aanlokkelijk (verleidelijk), bn. â heid, v. Aanlokken (bekoren, verleiden), het heeft aangelokt. Het aas zal den vos â. Aanloksel (verleidsel), o. â s of âen. De â en der zonde. Aanlonken (vriendelijk aanzien), ik heb â gelonkt. Aanlooden (scheepst. peilende de kust naderen), ik heb âgelood. De kust â. Aanloop, m. âen. Een â nemen, d. i. een korte loop. Fig. feen inleiding maken. Hij heeft veel â, d. i. bezoek. Aanmaak (vervaardiging van iets in voorraad), m. gmv. Aanmaken (voortmaken, aansteken), ik heb -gemaakt; âmaking, v. Sla â, bereiden. Aanmanen (aansporen, aanzetten, opwek-keti), ik heb âgemaand. Iem. tot spoed, tot voorzichtigheid â. Aanmaren (een schip voor en achter vastleggen), ik heb âgemaard, vero. Zie Aanmeren. Aanmarseh (optocht, aantocht), m. gmv. De troepen zijn in -, d. i. op komst. Aanmatigen (xiéh), ik heb mij âgematigd; â matiging (het tegengestelde van bescheidenheid), v. Zich een recht â. Aanmatigend (eigendunkelijk, trotseh), bn. en bw. Aanmelden (aandienen), ik heb aangemeld. Zich laten - ; zich -, d. i. zich bekendmaken om iets te verzoeken, teeischen, te ontvangen, enz. Er hebben zich honderd sollicitanten aangemeld, d. i. opgegeven als mededingers naar een betrekking. Aanmennen (paarden met een toom besturen), ik hel» -gemend, vero. Aanmeren (hetzelfde als Aanmaren), ik heb âgemeerd. Aanmerkelijk (belangrijk), bn. en bw. âe sommen, voordeden, verliezen Het water was â gewassen, in groote mate. Aanmerken (beschouwen; afkeurend opmerken), ik heb âgemerkt. Ik zal dit altijd als mijn plicht -. Hij heeft altijd wat aan te merken. De strengste vit ter zon. niets kunnen â. Aanmerking (a fkeu ring,bedenking),v. â en. Er zijn allerlei âen op dat werk gemaakt. Verder: In â komen, de aandacht trekken: voor eenig baantje in â komen; in â ne-: men, het laten wegen, belangrijk achten; uit' |
AANMINNELIJK-AANROEPEN.
8
|
â van (wegens, ter oor zake van, om), v. Pie ter, die, uit â van den snijbal, voor {/een geld ter wereld hem maken 'wilde (nl. den biljartbal). C. O. Aaiiminlijk. - miimolijk {(ianminnUj),\)ï\. en bw.; â lieid of â ininni^iieid. v. Aanininiii» {bevallig, lief), lm.; -lieifl. v. Aanmopcli^cii {aansporen, oiiwekken, moed inspreken), ik lieb aangemoedigd. Aanmoeren (aanschroeven), hol» â gemoerd. Aanmoeten, â¢â¢nr. w.w. hot moest â, beeft â -gemoeten. De jas moet aan, nl. a;in bot lijf; het vuur moet aan, nl. moet branden. Aanniogen, om. w.w. hot mocht 't vd. is niet in gebruik. Mag ik dat kleedje aan:' Mag de kachel wel aan. d. i. branden! Aaiimoiidiii$gt;-, v. De wijze, waarop men een blaasinstrument aan den mond zet (Fr. em* bouchure), mnz. âen. AaiimanMtcren (scheepst. in dienst nemen), ik heb âgemonsterd; â nioiiMtering-. v. Aaiimunieii {nieuwe mant slaan), ik heb â gemunt; â miiiifv. Aaiinagele» (vastspijkeren), ik heb -genageld; â najroliny, v. Aannemelijk (niet te verwerpen), bn. Op âe voorwaarden; een â voorstel; een â baantje. Aannenien. ik nam aan, heb aangenomen. Neem dit bord eens aan, aanvatten; Jan, â! toeroep tot den korfiehnisknecht; een boodschap â, overnemen; die jongen is vlag van -, aanleeren, begrijpen; geld, giften, geschenken -, vrijwillig ontvangen. Zegsw.' Een nit-noodiging, een raad, een waarschawing, een uitdaging â; een /tost, een bediening, een beroep â ; een voorstel - ; een leer, een godsdienst â, omhelzen; â, dat b.v.een vertaling juist iSf onderstellen, ânemer (bouwer van huizen bij inschrijving), m. -s; -neming:, v. -en; een gebouw bij -neming maken; een groote âneming. A an nopen (aansporen, aanzetten, dringend nopen), ik heb âgenoopt. Aanopperen (in oppers zetten van hooi), ik heb âgeopperd. Aanpalend (aangrenzend), bn. De -e gewesten; de âe straten. Aanpassen, ik heb aangepast. Een kleed-, laarzen â; iem. een rok â; de naaister zal u de japon â. Aanpeil (opneming van den voorruad sterken drank), m.; âpeiling, v. Aanpennen {voortmaken met schrijven), ik ⢠heb âgepend. Aanplakken, ik heb jiangeplakt; -plakker, m.; âplakking-, v.; - plakbil jeU o. Aanplant (teelt), m. De - van koffie, katoen. Aanplanten, ik heb aangeplant. Jange eiken , en dennen â ; kool â, d. i. bij plan ten ter i aanvulling; een bosch â. vergrooten; gij moet ' ivat â, d. i. wat voortmaken mot planten; â planting, v. Aanplempen (door het storten van zand 1 een gracht, vaart enz. aanvullen, dempen), ik ' heb âgeplempt; â plemping. v. Aanploegen, ik heb -geploegd. Hij heeft er 1 een lap grond bij -geploegd, d. i. verbinden | door beploeging. -ploeging. v. Aanpoten (aanplanten), ik heb -gepoot; 1 â poter, m.; âpoting, v. Aanpraaien (scheepst. een schip uati- of toeroepen), ik heb âgepraaid. |
Aanpraten, ik heb aangepraat. Hij heeft mij dat aangepraat, d. i. door mooie praatjes verkocht. Aanpreeken (aanpraten), ik heb âgepreekt Iem. een kleedingstuk â, zoolang praten tot hij het koopt. Aanpressen (at nul ring en), ik heb -geprest. Aanprijzen (aanbevelen), ik prees -, heb -geprezen; -prijxer, m.; -prijzing. v. Aanprikkelen, ik heb -geprikkeld. Fig. aanzetten, aansporen : de hoop, de eerzucht, een begeerte, enz. âprikkeling, v. Aanpnnten (de punt verscherpen), ik heb aangepunt; â piinter, m.; â pnnting, v.; â pnntring. m. of -pnntscliijf (om spelden te punten), v. Aanraden, ik raadde of ried -. heb -geraden; -rader, m.; -rading, v. Aanraken, ik heb aangeraakt. Ik zal die geschenken niet â, aanroeren; âraking v. âHw wonde doet bij de minste âraking pijn; ik heb steeds alle âraking met hem vermeden, omgang; in âraking komen, zijn, brengen (met iem. of iets): Ik zal u met die familie in âraking brengen, d. i. u met haar doen kennis maken. Aanrakingsplint, o. -en. Hier is het der twee cirkels, meetk. raakpunt. Aanranden (aantasten, overvallen), ik heb â gerand; -rander (roover). m.; âranging, v. Aanransen-(wmmncten), ik heb âgeranst; â ranser, m.; â ransing. v. vero. Aanrazeeren (bouwk. aanvullen), ik heb -gerazeerd; -razeering. Ook: Aanvlakken. Aanrecht, o. -en; hetzelfde als -bank. Aanrecht bank. v. -en. Zet dit bord op de â. Aanrechten (opdisschen), ik heb âgerecht; -rechting. v. Ook: Een'feest -, geven. Aanrecht kenken, v. -s. Naast de kook-keuken ligt in dat hotel een 'groote â, d.i. waaide spijzen opgeschept worden en het keuken-gerief wordt bewaard. Aanrechttafel (keukentafel, ook -bank). v. âtafels. Aanreiken (onder 7 bereik brengen, aangeven), ik heb aangereikt. Iem. een boek, een schotel, een inktkoker - ; ik zal u het boek morgen â, ter hand stellen: âreiking, v. Aanrekenen (op rekening stellen^ fig. toeschrijven), ik heb aangerekend. quot;Aanrennen (rennend naderen), ik ben en heb aangerend. De huzaren kwamen -. Aanrichten (veroorzaken), ik heb âgericht. Een bloedbad, schade, verwoestingen, enz. â. d. i. doen ontstaan; -richter, m.; -richting, v. Aanrijden (rijdend aanraken, rijdend naderen), ik reed â, heb en ben âgereden. Aanrijgen, ik reeg -, heb -geregen. Koralen, paarlen â; iemand aan den degen rijgen, d.i. doorsteken. Aanristen (aanrijgen), ik heb-gerist. Uien. vinken â; âristing, v. Aanrit (aanval der ruiterij), m. gmv. Aanritsen (auns/xtren). ik heb âgeritst, vero. Aanritsgeld (handgeld), o. -en. vero. Aanroep (bede, smeeking), in. gmv. Aanroepen, ik riep â, heb âgeroepen. De schildwacht riep den vreemdeling aan; God â, !⢠om hulp, bijstandsmeeken. âroeper, m.; âroeping, v. |
AANROER E N - A A N STA AN D K.
9
|
Aanroeren (aanraken), ik heb âgeroerd. Gij moet die snaar niet â, d. i. van die teei e zaak niet spreken. Aanrookeii (even aansteken), ik heb âgerookt. Ken âgerookte sigaar. Aaiiriikken (mil. naderen ran troepen), ze zijn âgerukt. Laat nog een /lesch â, ophalen, brengen. AanMcliafTen (aankoopen), ik heb âgeschaft. Zich iets â, zich voorzien van. Aanseliendcn (aantasten), ik schond â, heb â geschonden. Ook Aaiiselieiinon: O, schen zijn macht niet aan. (Tollens.) Aanseliicten, ik schoot â, heb âgeschoten (jagerst.) Een haas, een patrijsâ, raken doch zóó, dat het wild nog verder loopt; een âgeschoten stuk wilo, even getroffen; fig. hij is aangeschoten, in lichten graad van dronkenschap; een kleedingstak â, snel. schielijk aantrekken; het harnas â, den krnisrok (dicht.) vleugels â, aandoen: zijn verbeelding schoot vleagels aan, verhief zich hoog; er kwanten heel wat menschen â, toesnellen ; een groote hond kwam op hem â ; (zeew.) de zee schoot machtig aan, aanhoudend toenemen in hoogte en onstuimigheid. Aan sell ij n (gedaante, aangezicht, gelaat), o. gmv. In het - van den dood; in het zweet zijns âs; het â Gods. Aanscliomv (gezicht, blik), m. gmv. Met den eersten â; in â nemen, d. i. in overweging nemen. Aanschouwbaar (zichtbaar), bn. en bw. Aanschouwelijk (duidelijk, helder), bn. en bw.; â held, v. Ook. Aan*«ehoiiwlijk, â onderwijs. Aanschouwen (zien, waarnemen), ik heb â schouwd; ten â van\ â schouwer, m.; â -schouwing (voorstelling, zielebeeld), v. XnnscUrceuwen (iegt;n. toeroepen), ik heb --geschreeuwd; âschreeuwing-, v. Aanschrelen. ik heb -geschreid, lem. om hulp â, schreiend smeeken. Aanschrijden (met groote stappen naderen), ik schreed â, ben âgeschreden. Aanschrijven (schriftelijk bevelen), ik schreef â, heb âgeschreven. Fig. Bij ietn. goed âgeschreven staan, in de gunst staan. Amisijielen (fluitend, sissend, schuifelend naderen), de slang- kwam aangesijfeld. Aanslaan, ik sloeg â. heb en het is aangeslagen. Een toets â ; voor Jem. â, d. i. iem. groeten (mil.); een huis â, ten verkoop aanbieden; iets hoog â. waardeeren; uuk in de belasting taxeeren; de ruiten waren aangeslagen, d. i. bewasemd. Aanslag (bedrag der belasting), m. âen. Aanslag* m. Een goeden â hebben op een pianino, volkomen heerschappij der vingers. Aanslag, m. -en. Een â op iemands leven, poging tot moord. Aanslagbiljet (belastingbiljet), o.; âten. Aansleepen (voorttrekken, fig. brengen), ik heb aangesleept. Met een woordenboek komen â. Aanslenteren (slenterend naderen), ik ben âgeslenterd. Daar komt mijn vriend ook â. Aanslepen (slepend, sleepvoetend naderen), het is aangesleept, liet vette vee zagen we â. Aanslibben (slibbend vol maken), het is â -geslibd. Het âgeslibde land. Aanslijiiien {vu){ worden), het geweer |
slijmde â, is âgeslijmd, d. i. van binnen aangeslagen door kruitslijm; â slijming-, v. AansloHen (sleepvoetend naderen), ik ben â gesloft. De oude meid kwam â. Aanslnikeii (smokkelend waren invoeren), ik slook â, heb âgesloken. Jenever â. Aansluipen, ik sloop â, ben âgeslopen; Daar kwam de kat â; âsluiping-, v. Aansluiten, ik sloot (mij) â, heb (mij) â -gesloten. De gelederen â. Aansluiting-, v. âen; â sluitingsplaats. v.; âen; â slaitingspunt, o.; âen. Aansmeren (met sinter bestrijken, met kalk. enz.), ik heb de dakpannnen âgesmeerd; â sniering-, v. Ook: lem. iets â, foppen met iets. Zie Aandraaien. Aanwnieulen (sterker smeulen en ontvlammen), het smeulde â, de turf is âgesmeuld Aaiisiiaiiwen (norsch toespreken), ik hel* âgesnauwd. Aansnede, Aansnee (houtzagersterm), v. â sneden. Aansnoeren (door een snoer verbinden), ik heb âgesnoerd. Een harnas â. Aansnorren (met een snorrend getuid naderen), het is â gesnord. De patrijzen, dt pijlen, de kogels kwamen â. Aanspannen (aanbinden), ik heb en ben â gespannen. Jan, span de paarden â ! Een snaar wat â, d. i. sterker spannen; âspanner. m. Aanspelen .{het eerst spelen, opspelen bij 't kaarten), ik heb âgespeeld. Aanspieën, Aanspijen (door aandrijven der spieën de dee ten van ren werktuig vaster doen aansluiten), ik heb âgespied' (âgespijJ). Aanspoelen, liet heeft en is âgespoeld. De zee heeft drie lijken -gespoeld. aan land-geworpen; de rivier heeft al dien gromt hier aangespoeld, d. i. gevormd door aanslibbing;. ik -zie de golven â, spoelend het strand bereiken; gisteren is daar een lijk aangespoeld,. op strand geworpen; het spoelt hier sterk aan. aanslibben; âspoeling- (aanslijking, aanwas)^. â en; âspoelsel (aanslibsel), o. Napole n beschouwde Holland als een aanspoelsel der F ranse he rivieren. Aansporen (opwekken), ik spoorde â, heb â gespoord, lem. tot een daad â aanzetten; hij spoorde zijn paard d. i. aandrijven. â spoorder, m.; âsporing, v. Aanspraak (toespraak), v. âspraken; een â houden, doen; een â richten tot; een vergadering met een â openen; de â van den voorzitter; ik heb hier nog al â, bezoek; â op iets maken, d. i. beweren recht te hebben 0Pgt; â of aanspreking, aangesproken persoon, (vocatief). Aanspraaklijk en â sprakelijk (verantwoordelijk), bn. Zich voor iets â stellen, d. i. zich verbinden om mogelijke schade te vergoeden. â heid. v. Aanspreken, ik sprak â, heb âgesproken. Hij heeft zijn beurs duchtig aangesproken: even zoo de Pesch, de koekjestrommel, enz., d. i. er ruim gebruik van gemaakt, âspreker (doodbidder), m.; âspreking, v. Aanstaan (bevallen), het stond â, heeft â -gestaan, hie jongen, die taal. dat antwoord staat mij niet (uni. Ook:: De dear staat aan, is half open. Aanstaande (toekomend), bn. De â iveek\ |
10 AA NSTAA NDK-A AN VAL.
|
den ân Zondag, het â jaar, mijn â vrouw, de â verloving, het â vertrek, enz. AuiiNtaaiide [verloofde), in. en v. â n. Aansf alt«s v. â n. Hij waakt â (n) tot de fjroote reis, d. i. voorbereidende maatregelen voor de oplianden reis; de noodige â(n) tot de feestviering van overmorgen malen; hij maakte â00 om heen te gaan, d. i. liij stond op, trok de handschoenen aan en nam zijn hoed. Aanstaren (strak aankijken), ik heb âgestaard; âstaring, v. AaiiNtekelijk {besmettelijk), bn. Een âe ziekte \ â lieid, v. Aansteken (vaststeken, doen ontbranden, besmetten), ik stak â. heb en het is âgestoken. Een zool, een gesp even â, aanhechten; de tabak â, vasthechten aan houten spijlen; een vat bier â, openslaan; die peer is aangestoken, een âgestoken perzik, een insect heeft eu aan geknaagd; de kaars, een sigaar â, aan het branden brengen; een kandelaar, een kroon, een pijp â, een. mijn â, doen branden, ontploffen; vuar, licht â ; die tgphns-lijder zat ai de anderen â, hun de ziekte mededeelen; zoek de rotte appels uit, eer ze tie andere â, bederven. Spreek w. Een schurftig schaap kan een heele kudde â, één slecht mensch kan velen bederven. Dut bijgeloof, die dweepzucht, die luiheid zal velen â, besmetten, zich mededeelen aan velen. Aanstekeml (besmettelijk), bn. Een âe ziekte. Roodvonk en pokken zijn Verrotting is â. Bijgeloof, dweepzucht en geestdrijverij zijn â. Aanstellen (benoemen), ik heb âgesteld. Men stelde hem aan '-ui de orde te betvaren; iem. â als (tot) burgemeester; arbeiders, opzieners, wakers â: âstelling: (benoeming), v. Aanstellen (zieli), ik heb mij âgesteld. Zich belachelijk, dom, vreemd, als een gek gedragen, met het bijdenkbeeld van afkeuring; âstellerij (blufferij), v. gmz. Aansterken (sterker worden), ik ben âgesterkt. De zieke sterkt zachtjes aan. Aansterven. Dat huis is mij âgestorven, d. i. door erfenis mijn eigendom geworden. Ook: Aanbesterven; âsterving- (erfenis). Aanstijven (stijver, steviger worden), de stroop stijfde â ; fig. de wind is âgestijfd. Aanstijven (stijver maken, b.v. linnen), ik steef â, heb âgesteven. Stijf het wat aan! Aanstippen (terloops aanwijzen), ik heb âgestipt. Fig. Iets â, even aanroeren. âstip-pin{?, v. Aanstoffen (losjes bij vegen), ik heb âgestoft; â stofling*, v. Aanstoken (vuur aanwakkeren), ik heb â -gestookt. De kachel, den oven, den haard â. Fig. opruien, aanhitsen. Iem. â tot opstand, muiterij, verzet, verraad, wreedheid, enz. Aanstonds (terstond, dadelijk), bw. Aanstoot (pijnlijke stoot, fig. ergernis), m. gmv, In 7 gedrang lijdt men veel â, vero.; â geven, ergernis geven; steen des âs (bijbel), (ig. oorzaak of reden van ergernis; â lijden, hebben, aangevallen worden, vijandige bejegening ondervinden. Aanstootelijk (ergerlijk, hinderlijk), bn. en bw. Een âe verwaandheid, gematiktheid. Zich â gedragen, -held, v. |
Aanstooten. ik stiet (stootte) â, heb â ge-stooten; âstooting:, v. Aanstormen (stormend naderen), ik heb en ben âgestormd; âstorming:, v. Aanstort (veenderij), o. âen. Aaiistonwen (samenpakken), ik heb âgestouwd. Hetzelfde als Aanstmven. Aanstralen (stralen op iets werpen), het licht heeft âgestraald. Aaiistnwen (aanduwen, een lading vast in elkaar werken\, ik heb âgestuwd. Zie: Aanstonwen.' Aantaal (aanspraak in rechten, gerechte-telijke eisch), v. gmv. vero. Aantal, o. â len. Een â merischen, paarden, boeken. Aantasten (aanvall n), ik heb âgetast; â tasting' (schending), v. A anteeken boek. o. âen; â g:eld, o. âen. Het âgeld bedraagt 10 cents. Aanteekenen (merken, opschrijven), ik heb âgeteekend; âteekening: (noot), v. Aanteekening-sparlij (bruidspartij), v. -en. Aantelen (aankweeken), ik heb âgeteeld. Aantieliten (aanwrijven, beschuldigen), ik heb â gelicht. Alle schuld werd Item â geticht. \nntijsen(bes}chuldigen),ik teeg â, heb âge-tegen, ook:ik tijgde â, heb â getijgd; â tijg-er, m.; âtijging: (beschuldiging), v. Aantoelit (nadering), m. gmv. In â zijn, naderen, op komst zijn. Aantoonen (aaniuijzen, doen zien), ik heb â getoond; â tooner, m.; â tooning-, v. Aantoonend, bn. De âe wijs (werkelijkheidswijs). Aantrede, aantree, v. âtreden, âtreeën, (bouwk.) Al de ân van een trap moeten even groot zijn, plank waarop men den voet zet. Aantreden (mil. zich verzamelt'}!, in 't gelid gaan staan), ik trad â, heb en ben âgetreden; âtreding:, v. Aantretlen, ik trof â, heb -getroffen, /cm. ergens â, ontmoeten (bij toeval); een goed. gezelschap cTgens â ; de menschen, die wij in de koffiehuizen in een roman allerlei uitheemse he woorden â; men zal van dien tekst td Ier lei verklaringen â, vinden. Aantrek (aanhang), m. w. g.; âking, v. Aantrekkelijk (gevoelig), bn.; â beid, v. Aantrekken, ik trok â, heb en ben âgetrokken; -trekker, m.; âtrekking-, v.; scheikundige âtrekking, verwantschap; magnetische â, electrische â; âtrekking-s-kraelit (natuurlijke neiging der lichamen, om tot elkaar te naderen), v. Aan trouwen (door huwelijk verwant worden), ik heb âgetrouwd; een âgetrouwde nicht, neef, otm, enz. âtromving:, v. Aanturen (turendaanzien), ik heb ^getuurd. Aanvaarden (aannemen, beginnen), ik â -vaardde, heb â vaard. Een reis, een tocht, een opdracht â; het bevel â, het bewind â ; â -vaarder, m.; â vaarding-, v. Aanvaart, v. gmv. De aan- en afvaart van schepen. Aanval, m. â vallen, (mil.) Een â afwachten, afweren, afslttan, een vijandig aantasten; een looze â, geveinsde beweging; in het dagblad stond een â op zijn redevoering, bestrijding; een â doen tg) iem. liefdadigheid, mildheid, edelmoedigheid, krachtige poging, aandrang |
A A N VALLICN - A A N /1K N.
|
om iets gedaan te krijgen; een â van beroerte, van koort*, razernij, woede, drift, plotselinge, meestal kortstondige, aandoening. Aanvallen (aantasten, aangrijpen), ik viel â, ben en heb âgevallen; â vallei*, m. AanvallentlerU'ijK en â wijze, b\v. Onze troepen gingen â te werk. Aanvallig: {lief, aanminnig), Ln.; â lieifl, v. Aanvalsfront (mil.), o. âen; âkolonne, v. â n en â s; âkreet, m. âkreten; â -plan, o. ânen; â|mnt,o. âen; âsein,o, â en; â teekeii-, o. â s. Aanvang (begin), m. gmv. Aanvangen, ik ving â, heb en ben âgevangen; â vanger, m.; â vangspunt, o. Aanvankelijk (beginnend), hn. en hw. Ihl â leesonderwijs, â cenige winst behalen, d. i. in den beginne. Aanvaren (tegen iets varen), ik voer â, ben en heb âgevaren; âvaring (botsing van schepen), v. Aanvatten (aanpakken), ik vatte â, hel) â gevat; 7 Is geen katje om zonder handschoenen aan te vatten, 't is een korzelig, lichtgeraakt persoon, die om zich kraht en bijt. âvatter, m.; âvatting, v. Aanveehten (aanvallen), ik vocht â, hel» â gevochten; de waarheid kan miskend en aangevochten worden; de slaap kan ons â. â vèeliting' (bekoring), v. Ken omveer staan-bre âing om hun das los te maken. (C. O.) Aanvegren, ik hebâgeveegd. Veeg den vloer wat aan. Aan versterven (hij erfenis toevallen), het verstierf â, is âverstorven; âverstorven goederen; âversterving:, v. Aanvertromven (toevertrouwen), ik heb â vertrouwd. Iets aan iem. â, ter bewaring geven. Aanveruant (bloedverwant), m. âen. Aanverwant, bn. Hij is mij â. Het Duitsch is een âe taal; de geneeskunde en âe vakken. Aanverwante (bloedverwant), v. â n. Aanverwantseliap (zwagerschap), v. gmv. Aan vetten, ik heb en het is âgevet. Gij moet de assen, de tappen wat â, met vet bestrijken. Le'ters â, dikker maken. Aanvlakken (bouwk. hvt metselwerk glad pleisteren, vullen), ik heb âgevlakt; âvlakking:, v. Zie: Aanraderen. Aanvletten (aanvoeren van grond met een vletschuit), ik heb âgevlet. A an voelt;len (aankweeken), ik bob âgevoed. Aanvoegen (aanhechten), ik heb âgevoegd. Er zal aan die plank een stak âgevoegd moeten worden. Een bijzin aan een hoofdzin â , âing-, v.; âsel, o. Aanvoegend (conjunctief), bn. De âe wijs. Aanvoer (het aanvoeren), m. âen. Ue â va a bout 'materialen, de â van slaven, de â van katoen; een 7'ai me, aanzienlijke â; herhaalde âen van levensmiddelen. Aanvoerder (mil. bevelhebber), in. âs. Aanvoeren, ik heb âgevoerd. Een rottier-bende â, de troepen â, geleiden, bevel voeren over, ergens heenvoeren; de legermacht, welke Napoleon aanvoerde, d. i. kommandeerde; hout, stern, kalk â, overvoeren, aanbrengen; iets als bewijs bijbrengen; allerlei redenen â, vermelden; een tekst â, ter staving te pas brengen, â ing'. v.; - pijp, v. ârol, v. |
Aan vonken, ik heb âgevonkt. Het smeulend vuur begint weer aan te vonken, dc knol z(d wel weer â, vonken schieten en eindelijk aan het vlammen raken. Aanvraag: en â vrage, v. â vragen; â doen verzoeken; zijn â is verworpen, quot;L verzoek is van de hand gewezen.quot; Aanvrag'en (verzoeken om iets), ik vraagde of vroeg â, hel» âgevraagd; â vrag'er. m. Aanvriezen, het vroor â, heeft en is -gevroren. Het vriest maar (die dagen aan, het ijsveld wordt uitgestrekter. Aan vullen (het volmaken van iets), ik hel» â gevuld; -vulling-, v.; â viilling:stroe-pen. m. mv.; â vnlsel, o. Aanvuren (aanwakkeren), ik heb â gevuurd; â vnring*. v.; â vimrder. m. Aanwaaien, het waaide (woei) â, heeft en is âgewaaid, he kennis zal u niet â, d. i. zonder studie komt gij er niet. Aanwas (toeneming), m. âsen; - vangrond, recht van â. Aanwassen (aangroeien), het vies â, is â gewassen; âwassing-, v. Aan wellen (aaneensmeden), ik hel» -geweld. Aanwenden (ergens heen wenden), ik hel» âgewend; â wending:, v. Fig. gebruiken, besteden. Aanwennen (gewend maken), ik heb (mij) âgewend; âwenning-, v. Aanwensel (gewoonte, hebbelijkheid), o. â s en âen. Aanwerven (van troepen), ik wierf â, heb â geworven; â werver, in.; âwerving-, v. Aan wetten (door netten scherp maken), ik heb âgewet. Een mes â. Aanwezen (het bestaan), o. gmv. Zie: Aan* asijn. Aanwezend. bn. Eerstaanwezend ingenieur. hoofdingenieur, directeur. Overigens: Aanwezig:. Aanwezig- (tegenwoordig), bn. â lieid, v. Aanwijzen, ik wees â, heb âgewezen; â -wijsster, v.; â wijzer, m.: â wijzing:, v. Aanw ijzend, bn.; een â vnw, bv. die, deze. Aanwinnen (toenemen, vergrooten), ik won â, heb âgewonnen; âwinning:, v. Aanwinst (toename), v. âen. Aanwrijven (wrijven tegen), ik wreef â. heb âgewreven. Fig. te laste leggen, tue-dichten, beschuldigen: Ik laat mij zoo iets niet â. Aanzakken (fig. langzaam naderen), ik ben â gezakt. Aanzeg, m. gmv. âging. v. âen. Gerechtelijke â (dagvaarding). Aanzeggen (bekend maken), ik zeide â, heb â gezegd ( âgezeid). Fig. Den dood â (aankondigen); den oorlog â (verklaren); wien zou het hem niet â, het van hem niet denken. Aanzeilen (zeew. zeilend naderen), ik hel» en ben âgezeild. Fig. waggelend van dronkenschap aankomen; âzeiling- (botsing van twee zeilende schepen), v. Aanzetsel (aanzetstuk), o. â s. Aanzetten (vast zetten naast), ik heb en ben âgezet. Fig. aansporen: tot het k i ade â. Aanzeulen (aansleepen), ik heb en het is â gezeuld. Decs â leeftocht aan. (Tollens.) Aanzieht, o. âen. Zie Aangezielit, Aanzieliten (iemand een zeker voorkomen geven), het âzicht. Ãe tijden met hebben zijn niet in gebruik. Hoe aanzicht me dit hoedje'.' Aanzien (aankijken), ik zagâ, heb âgezien. |
A A NZIK \ - A A R LA N DER V KK NSC II.
12
|
lem. met, den nek, over den schouder â; â doet gedenken', zonder â des persoons. Aanzieiu o. In â zijn, staan, geacht worden; een man van â, gewicht, invloed; ten â van, niet betrekking tot. Aanzieiul {wapenkunde), bn.; tivee âe leeu-tven, d.i. met de beide oogen naar den beschouwer gekeerd. Aanzienlijk (uoornaani), bn. en bijw.; â -hcifl, v. Aanzijn {bestaan, leven), o. gmv. Aanzitten, ik zat aan, bel» âgezeten, d. i. aan den disch, aan den maaitijd. Wij zijn aangezeten, wij zitten aan tafel, aan den disch. Aanzoek (verzoek, h quot;ivelijksaanzoek).o. âen. Aanzweepen {voortdrijven), ik heb âgezweept. Aap {vierhandig dier), rn. apen. Apen van de Oade Wereld, als: nrangs. gorilla's, chim-panses; van de Nieuwe Wereld, als: brul-, nacht-, eekhoorn-, vos-, enz. Fig. dom, leelijk, ondeugend schepsel: Je bent een rechte â. Iemand voor den â honden, voor den gek houden; de â kwam uit de mouw, de heimelijke bedoeling bleek. In den â gelogeerd zijn, bedrogen uitkomen. Ook wel: schot, buit, erfenis. Aar (korenaar), v. aren. Een rijpe, volle â. Aftr (ader), v. aren. Aar (samentrekking van ander), vnw. If ij sprak van 't een en het aar. (gew.) Zie Ãlkaar. Ma Ikaar. Aar (achtervoegsel), als in : bedelaar, man die bedelt; lasteraar; beukelaar, schild; doezelaar, werktuig; lepelaar, vogel; Antwerpenaar, persoon uit Antw.; zondaar, persoon die zonde doet; martelaar, voor marteraar\ toovenaar, voor too ver aar', moordenaar, voor m oordera ar ; mv. met -s of -en. Aar (laar) is een achtervoegsel in: appelaar, hazelaar, mispelaar, rozelaar, perelaar, namen van boomen. Aard (nataurlijke gesti'ldheid), m. gmv. Aard, v. verkorting van Aarcïe. Aaril (achtervoegsel), als in: grijs-aard, lafaard, gierig-aard: grijn-zaard, vein-zaard (personen, die in hooge mate dat zijn of doen wat de stam uitdrukt, met ongunstige bijbe-teekenis), mv. met s, alleen Spanjaard heeft -s en -en. Aardaker (aardnoot), m. â s. De â groeit op de klei landen van ons land. Ook: Aard-muis. Aardamandel (een soort van aardvrucht). v. â s. Aardan^-ei (onkruid), v. gmv. Aardappel (eetbare knol uit Mexico), m. â en en â s. Je bent maar een â, d.i. zeer nietig van persoon; een niensch is geen â, | ieder wil zijn genoegen. Aardbei, v. âen, ook: Aardbezie. Aardbei (boschbezie), v. âsen. AardbeseiiriiviiiK' (geographic), v. âen. Aardbeving* (golvende beweging van den bodem), v. âen. Aardbezie ( â bei), v. âbeziën ( â beien); ' â plant, v. âen; -struik, m. âen. Aardbodem, m. gmv. Over Gods â. Aardboi»!* (werktuig om den grond te onderzoeken), v. âboren. Ook: Grondboor. Aardbrand (onderaardsche brand, bv. in mijnen), m. âen. A^rde., v. Hemel en â bewegen, alles in j |
't werk stellen; het heeft veel voeten in de â, het kost veel moeite. Aardeling- (aardbewoner), m. en v. âen; voor het v. ook âe. Ook: Aardschgezinde. Aarden (den aard hebben), ik heb geaard. Ken knap kind, dat naar zijn vader aardt, lijkt op zijn vader. Aardewerk (pannen, schotels, enz. van aarde), o.; gewoon â, terra cotta, f igènce, enz. Aardgeest (aardmannetje), m. -én. Aardglobe (aardr. in tegenstelling van hemel- of sterrenglobe), v. â s, â n. Aardgordel (aardr. êën der vijf zonen of luchtstreken), m. â s. De keerkringsgordel, de twee gematigde, de twee koude gordels. Aardhars (donkerbruine zelfstandigheid), v. en o. â is br. asphalt, aardpek, bergteer, jodenlijm, naphtha, enz. Aardig (lief, mooi), bn. en bijw.; âlieid, v. Aardkorst (hard omhulsel der aarde), v. gmv. De â bestuut nit ± 00 stol feu. Aardkrekel (molkrekel), m. âs. Aardkunde (kennis der aardkorst), v. gmv. Aardkundige, m. en v. â n. Aardmannetje (kabouter), o. âs. Aard pimpernoot (pruldragende, kruidachtige plant uit Z. Amerika), w ânoten. De vrucht der â heet ook aardnoot. Aardrijk, o.; â sbe sell rij ver, m. â s; â s-beselirijving, v. âen; âskunde, v.: staatkundige â, iviskundige natuurkundige â; âkundig, bn.; â sknndige, m. en v. â n. Aardroering (rechtst. aanvaarding), v. â en. vero. \i\ri\vi*\(landb. werkt ui g),\r. âlen; â rolling. Aardrook (duivenkervel), rn. gmv. [v. Aardseligezind (aan het aardschegehecht), bn.; â lieid, v. Aardslak (naakt weekdier), v. âken. De roode â, de zwarte â. Aardster (zwam of sterrenzwam), v. âren. De â is een soort van paddenstoel. Aardvarken (dasvormig tanden loos zoogdier), o. â s. Het â wordt vooral aan de Kaap gevonden. Aardvast (rechtst.), bn. â nagelvast. Aardveil (hondsdraf, kruip-door-den-tuin), o. gmv. Het â wordt als geneesmiddel en als soepgroente gebruikt. Aardverseliuiving (afschuiving der bovenste losse aardlaag in bergachtige streken), v. âen. Aardvloo (springend bladk'vertje of tor), v. â vlooien.^ ygt;* â is een zeer schadelijk insect. Aardwas (steenkuIk, fossiele paraffine), o. gmv. â vindt men in Moldavië. Aardwerk (uitgraving van (jrond), o. âen. â er (gronddeIver), m. Aarduind (werktuig in verticalen stand om te tuinden), m. âen. Aardw4»lf* (wolf in Z. Afrika, kleine gestreepte hgena), m. âwolven. Aarciworin (ringworm, pier), m. âen. Hij overdracht: de mensch in betrekking tot God: Kunt gij, â, 7 oogmerk van uw Schepper bevroeden? Aardzak (mil. zak met aarde gevuld tot dekking tegen i ija adel ijk vuur), in. âken. Ook: Zandzak. Aarlanderveenseli, aarleveenseli (on-derwetsch, eenvoudig), bn. Op zijn oud â, boersch, onbedreven, plomp. De bewoners var» |
AARSâABONNE.
13
|
hot afgelegen Z. Hollurulscii dorp haddon oudtijds den naam van onbehouwen te zijn. Aars (nnfiers), bw. gew. Dat moet juist â om. w. g. Aars (achterste), in. aarzen; oj; zijn â vallen; â vin (achterste vut bij visschen), v. Aarstor, -ares (achtervoegsel), als in: bnh- be laars ter (vrouw die gaarne babbelt), van babbelaar; bedelaarster (bedelares). Aarts (voorvoegsel), als in âbisschop, â eiujel, â hertoff, d. i. eerste, voornaamste; evenzoo: â booswicht, -broederschap, âdeken, â deugniet, â diaken, âdief, verder: âdom. 'xn hooge mate, evenzoo* âgierig, -lui. Aartsbedrieger 'geslepen bedrieger), m. â s. Aartsbisdom (kerkelijk gebied van een aartsbisschop), o. âmen. Het â Utrecht, Keulen, enz. Aartsvader (patriarch; ook grijsaard), m. â s en âen. De âs Abraham, Izaiik en J/i-cob. Hij zat daar als een â tusschen de zijnen, âlijk, lm. Met âlijke deftigheid, â lijke zeden, âlijke eenvoud. Aarzelen (achteruitgaan, schromen, weifelen), ik heb geaarzeld. â iets te doen, niet recht durven handelen uit vrees voor de ge-volgeo; iets âd dooi, d. i. niet met volle gezindheid; â ing- (talming, draling), v. âon; zonder âing; jjeâ (getalm), o.; â in^s, 'ow. âings gaan. vero. â niaaiifl (October), v. vero. October heet âmaand, omdat dan de dagen merkbaar achteruitgaan of korten. Aas (voedsel voor dieren), o. gmv. De vogels zoeken het â voor hun jongen; ons lichaam wordt den wormen tot â. De visch beet in het â, lokspijs; een stinkend â, dood dier. kreng. Aas (eenheid van maat, gewicht, muntspecie), o. azen. Fig. kleinigheid, geringe waarde, li' â , ile eenheid in 't kaart-, dobbel- en dominospel: hartenâ, twee azen werpen, âblank. Wie heeft het â(lt;'. O.), d. i. moet het eerst spelen? Een â, de eenheid van 'tonde gewicht = 0.047 dG. Ken ons had 2U engels en een engel 32 azen. Hij uitbreiding: grein, greintje. Hij heeft geen âje verstand, ge-du hl, enz. Aasdom (rechtst. recht door de buren onder leiding van den schout gewezen), o. en m. gmv. vero. Aasdomsreelit (oude rechtsbedeeling in de Friese he gewesten), o. gmv. Het â werd gaandeweg door het schepenrerht verdrongen. Aasdier (kleine gier in Europa, Azië en Afrika), m. âen. Aaskever, m. â s. Zie: Aastor. Aasraaf' (zwarte raaf met willen bek in Afrika), v. âraven. De â voedt zich met het vlecsch van doode diereu. A ast or (kreng tor, doodgraver), v. âtorren. Ook: doodgraver, krengtor, in Vl. grafmaker. XiXHxllefs: (blauwe of 'grijze vleeschvlieg), v. â en. Aan (tweeklank), v.; ook t\v.: â, wat brand ik mij! AK otquot; ABC (alphabet), o. A lis, ABC's. Fig. Het â der wetenschap, de eerste beginselen. ; Aba (grove wollen stof), v. gmv. Ook: kiel zonder mouwen uit â vervaardigd. Ahab (Turksch matroos, bootsgezel), m. â s. j A ba ba (klaproos, wilde papaver), \. â's. Abaea (manillahennep, vezels van de banaan), v. gmv. |
Abaeins (rekentaf et der oudheid, tel raam, speeltafel), m. abaci. AIxKla (een Aziatische neushoorn), v. â's. Abaliënatie (rechtst. vervreemding, afstand, verstoot ing), v. â s of â tiën. Abaliëneeren (vervreemden, ontvreemden, afval Hg maken). Abandon (volledige overgave, afstanddoening), o. gmv. Abandonneeren (laten varen, prijsgeven, verloren geven). Abaiidonnenient (afstand, achterlating, het overlaten van schip en lading aan de assuradeurs), o. âen. Abat-Jonr (keldervenster, val'icht, reflector, ook lampek'ip en zonneblind), o. âs. Abattoir (openbaar slachthuis;, o. â s. Abattn (vermoeid, afgemat, moedeloos), bn. Abat-vent (windscherm, mat tot dekking van boomen), o. â s. Abba. Abbas (vader, leeraar), m gmv. AB-bank, v. â en; âboek,o. âen⢠âbord. o. âen. Abbë (wereldlijk geestelijke, in Fraakr.), in. Al»berdaan, of liever iLabberdaan (zou-tevisch, uit Ie I^abonrd [Bayonne]), v. gmv. Abees {ettergezwel), o. âsen. Ook Absees. Abd-Allali. knecht van God; Abd-eJ-Ka-der, knecht van den machtigen God. Abderiet (bewoner van het oude Abdera, lig. onnoozele hals), m. âen. Abdieatie (vrijwillige afstand van troon, ambt of goederen), v. â s, âtiën. Alxlieeeren (afstand doen van ambt of goederen). Ook Abdiqueeren. Abdij (klooster), v. âen. Ab«lis (kloostervoogdes), v. âsen. Abeeedarinin (eerste spelboekje), o. â s. Abeel (witte populier), m. âen. Abel (bekwaam), bn.; âe spelen, drama-matische, ernstige stukken uit de Middeleeuwen, als Esmoreit, Gloriant, Lanceloot; â -lieiil. v. vero. Aberraties (afdwaling, afwijking van het licht), v. â s, âtiën. A b li o r r ee re n ( vo â¢afsch uwen, ver foe ien ). Abimeeren (in den grond bederven, ten ondergang brengen). Ab intestato (zonder testament), bw. Abjudieatie (gerecidelijkeontzegging), v. â s. Abjnratie (herroeping, afzwering), v. âs. Ablativns (I ^at. spraakk. zesde naamval), m.; ook: Ablatief, m. âieven. Able^aat (Pauselijk afgezant), m. âaten. Ablnt ie (reiniging, handwassching), v. â lü-n. Abmirm (afwijkend van den gewonen vorm of toestand, onnatuurlijk), bn. Abnormaal (tegen den regel), bn. en bw. Abnormiteit (afwijking van den gewonen vorm of toestand, misvormdheid), v. âen. AlM»litionist (voorstander van de afschaffing vooral van den slavenhandel), m. en v. âen. Abominabel (vcrfoeielijk, schandelijk), bn. Ik heb dat boek van Zola â gevonden, (v. Deyssel.) AlK»niinatie (gruwel, vervloeking, verwen-sching), v. â s, âtiën. Abondanee (overvloed),\. gmv. Ook: Abon-dantie. Abondant (overvloedig), bn.; ook: Abundant. Abonnë, m. â's. Zie Ab4»iim'iit. |
ABONNEEREN - ACCOMMODATIE.
w
|
.VEfcOiiiK'i'i'Cii {i'uor ren luisti'. soin zich het recht verzekeren om gebruik te maken van een of' ander, bv. spoor of tram, enz., inteekenen op een tijdschrift, enz.). AbonneiiK'iit (inteekeniny, betaling ineens bij uitkoop), o. âen. Ken â nemen op een krant, voor een theater, enz. Abonneiit (inteekenaar, geabonneerde), m. en v. âen. Ook: Aboinu». m. AlMgt;rlt;la^-e {het aanstooten of enteren van schepen; iemand aanspreken), v. gmv. AR»oi*flcereii {landen, enteren, iemand aanspreken). Aboiielieercn (nvt icm. ergens over spreken). Aboiicliemeiit (bespreking, mondgesprek, onderhond), o. âen. A bout portaut (schieten, van zeer nabij). Abracadabra (too ver woord), o. gmv. Fig. zinledige taal, onzin. Abrcviatie (verkorting), v. â s, âtiën. Abreviatiircii (afkortingen in schrift), v. mv. Snelschrijvers maken veel â. A breviceren ( verkorten ). Abrikoos, in. voor den boom; v. voor de vrucht; âkozen. Abrikoxcboom. m. âen; âblad. o. â e- ren; ââmcIiü, v. âlen; âstam, m. âmen; -tak, m. âken. Abrikozentaart, v. âen. Abroffatie (afschaffing, opheffing), v. -s, -tiën. Abro^eeren (afschajfen, opheffen, buiten werking stellen). Abrupt (plotselijk, afgebroken), bn. en bw. AbriitiNoeren (dom als een beest of beestachtig maken, verdierlijken, verstompen). AbriitiKNciiient (geestverstomping), o. gmv. Absccs (ettergezwel), o. âsen. Ook Abces. Absent (afwezig), bn., als zn. m. en v., mv. Absenten. Absenteeren (xieli) (zich verwijderen). Absenten (afwezigen), m. en v. mv. Absentie (afwezigheid, vei'Strooidheid), v. â s, âtiën. Absint (elixer op alsem getrokken), o. gmv. Absolutie {vrijspraak, kwijtschelding), v. â s en âtiën. Absolutisme (al wat onbeperkt is, onbepaalde heerschappij), o. gmv. A bsolii t ist (aanhanger of voorstander der onbepaalde alleen-heerschappij), m. en v. âen. Absoluut (volstrekt-, onvoorwaardelijk), bn. Absoliuitlieid (onbeperktheid, onbepaaldheid), v. gmv. Absol veeren ( vrijspreken, kwij tscheldi ng geven aan). Absorbeeren (opslorpen,inzuigen, verteren). Absorptie (opslorping, inzuiging), v. gmv. Abstineeren (zich onthouden). Abstinent (onthoudend, matig), bn. Abstinentie (onthouding, matigheid), v. Abstinentie-dag'en (vastendagen), m. mv. Abstract (afgetrokken), bn.; âe begrippen, â e wetenschappen, bv. wiskunde. Abstractie (u fgetrokkenheid; verstrooidheid; de vorming van een algemeen begrip), v. â s, âtiën. Abstracto, in, bw. In het afgetrokkene, in het algemeen beschouwd. Abstraiieeren (aftrekken, afleiden, in gedachte afzonderen). Absurd (ongerijmd, dom, onverstandig), bn. Absurditeit (ongerijmdheid, onzin, bespottelijkheid), v. âeii. |
Abt (kloostervoogd), m. âen. 'Aoo tie â, zlt;gt;o de monniken, zoo heer, zoo knecht! Abuis (misvatting, ve-gissing), o. abuizen. Abundant (overvloedig, rijkelijk), bn. en bw. Abiindaiitie (overvloed, weelde), v. gmv. Abuseeren (zich vergissen, dwalen, misbruik maken). Abusief (verkeerd) bn. en bw. Abusievelijk (bij vergissing), bw. Ac acia (vlinderbloemige boom), m. â's. Acadeniia. academie (hoogeschool, school voor kunsten of wetenschappen), v. â miën en âmies: De militaire â te Breda; een teekenâ, een schilderâ, een â voor beeldende kunsten. Academiscii. bn. Het â onderwijs, eene âe-opleiding, een â proefschrift. Accableeren (overladen, overstelpen, belasten, nederdrukken). Accablement (hnrtzeer, neerslachtigheid), o. Accedeeren (toetreden, bijvallen). [gmv. AccelerancU» (muz. met toenemende snelheid in de maat), bw. Accelereeren (verhaasten, bespoedigen). Accent (toon der stem; klemtoon; toontee-ken), o. âen. Aeventnntieï toonbuiging,klemtoongeving),\'. Accentueeren (toon leggen op, klemtoon, geven aan). Accepisse (bewijs van ontvangst), o. â s. Accept (schriftelijke verbintenis tot betaling onder een wissel), o. âen; ook Acceptatie- Acceptabel (aannemelijk), bn. Acceptant (ondei'teekenaar van een Accept of van een Acceptatie), m. âen. Acceptatie (orderbriefje, d. i. ivisselverbin-tenis tot betaling van een zekere som; ook Accept), v. â s, âtiën. Accepteeren (aannemen; met zijn hand-teeïening voor geldig erkennen). Acceptie (aanneming: zin, be teekenis' van een woord), v. â s, âtiën. Acces (toegang tot iets, verlof), o. âsen. Accessibel (toegankelijk, genaakbaar), bn. Accessit (loffelijke vermelding), o. â s. Het â bekomen bij een prijsvraag. Accessoir (bijkomend, bijbehoorend), bn. Een bijbehoorend iets; de accessoir en, het bijbe-hoorende op een tooneel, of schilderij, zn. o. mv. Accessoriën (bijbehoorende zaken, aanhangsels), v. mv. Accident (toe- of voorval, ook lichamelijk letsel), o. âen. Accidenteel (toevallig), bn. Accijns (belasting op levensmiddelen, verbruiksbelasting), m. accijnzen; âbrief, m. â brieven; â goederen, o. nr v.; â kantoor, o.âkantoren; â plicliti^.bn.; â wet,o. âten. Acclamatie (algemeene toejuiching), v.; bij aannemen, onder gejuich, hindgeklap, eenparig goedkeuren in een vergadering. Acclimatatie (gewenning aan een luchtstreek), v. gmv. Acclimateeren (aan een luchtstreek gewennen). Acclimatisatie (gewenning, ook van dieren, aan een luchtstreek), v. Ook: Acclimatatie. Acclimatiseeren (aan een luchtstreek gewennen). Ook: Acclimateeren. Accolade (omarming; ridderslag; haakje inde algebra), v. â s. Accommodat ie (sch ikkinq, inseh ikkelijk-heid), v. gmv. |
ACCOM MODEEREN - ACHTERBAKS.
15
|
Accoiiiiiiod^oreii {sc/iikkcn, ten tidiil.l.ii 'j treffen met, in orde brengen, aanpassen, vereenigen, verzoenen). Ac'coiiipai^'iicc'reii (begeleiden op een instrument; samen zingen of spelen). Ai*eoiii|mK'iic*iiieiit (begeleiding), o. âen. Avcoinpa{;-iifct (begeleider op een 'nistra-ment), m. en v. âen. Accompli ( voltoo id, voleindigd), bn.; fait zaak die onherroepelijk haar beslag heeft. AccoiiipliNNcnicnit (vervalling, voltrekking), o. Accoord (overeenstemming van tonen, ook: verdrag, vergelijk), o. âen. Zie Akkoord. Accordcercn (overeenstemmen, schikken; bewilligen, toestaan). Accor«lcoii (muz. een soort van handharmonica), o. â s. AccoKtccren (op zijde komen, aanspreken). Accoiiclienicnt (bevalling), o. âen. Accouchcur (vroedmeester), in. â s. Accouchciisc (vroedvrouw), v. â s. Accountant {verantwoordelijk boekhouder), Accontiiniceren (gewennen). [m. âs. Accrcditeercn (crediet, vertrouwen verschaffen', als gevolmachtigde doen erkennen), een geaccrediteerd gezant, (J. i. een officieel toegelaten of erkend gezant. Accres (aanwas, aangroeiing, toename), o. â sen. Accrcssccren (aanwassen, aanbesterven, te beurt vallen). Accretic (aanwas, aangroeiing, toename), v. Accroclieeren (aanklampen). Zich â aan, zich vastklampen aan. Accucil (onthaal, ontvangst), o. gmv. Accncilleeren (onthalen, ontvangen, verwelkomen). Accnninlatie (opeenstapeling, aangroeiing, ophooping), v. â s, â tiën. Accuraat (zorgvuldig, nauwkeurig), bn. Accuratesse (juistheid, stiptheid), v. gmv. Accusatie (beschuldiging, aanklacht), v. â s. âtiën. Accusatief (vierde naamval), m. â tieven. Ook: Accusativus. Accuseeren (beschuldigen, aanklagen', bericht van ontvangst geven van). Acerbiteit (bitterheid, wrangheid), v. gmv. Acerra (kastje voor reukwerk bij het offeren), v. â's. A cetometer (lt;iz ij n meter,geha Itemeter), m. â s. Acetyleen (kleurloos koolwaterstof), o. gmv. Acli (uiting van droefheid, medelijden, pijn),Uw Acli (weeklacht, geklaag), o. â s; âje, o., âjes. Men hoorde niets dun â en wee! A charge (ten laste, in het nadeel), bw. Achates (trouwe vriend, wapenbroeder), m. Ook: Achaat. Acheron (myth, de Ujdensstroom der onderwereld), m. Ook: de onderwereld. Acliilles (scherts, aanspreker, lijkbidder). m. âen. Acliilles-liiel (kwetsbare plaats van eenig stelsel), m. âen. Acliillespees (sterke en dikke hielpees), v. â pezen. Aciiorclion (muz. instrument lijkend op een piano-forte), o. â s. Aclironiatiscli (kleurloos, ongekleurd, van kijkglazen), bn. De âe verrekijker. Aciit (rechtst. gerechtelijk vonnis, keizerlijke ban), v. -en. |
lolw. bv. IIij h-zil â luiisjra] het kind is â jaar. Aclit. tehv. zelfst. /gt;* helft van zestien is â; de appels kasten tien cent de ze zijn met hun âen; een gezelschap van âen; de goede lieden van âen, college van rechters of raadsheeren, gekozen uit de gilden; iets in âen deel en ⢠het is al na âen : met den trein van âen; hoofdstuk â, rl. het achtste; op â December. Acht (cijfer, getalmerk), v. âen. Ken mooie â, schrijf eens twee âen; een kaart of dominosteen met â oogen. Aciitann (een soort v. inktvisch), m. âen. Achtbaar (eerwaardig, eerbiet'waardig), bn. Het â dorpsbestuur; een â man; eenâbare gewoonte; een â gebruik; âheul. v. Achtbeeni^' (achtpootig), bn. De spin is een â insect. Achtlt;lubbel (achtvoudig), bn. en bw. De â e waarde. Iets â vergelden. Achteliall'. achthalf (zeven en een half), tehv. Het kost âhalven stuiver; ik kocht â pond koffie. Achfel (oude korenmaat, ± 4 D.L.), o. â s. Acliteliii^' (het achtste deel eener maat), m. âen. Achteloos (zorgeloos, onverschillig), I n. en bw. â loozer, âloost. Een â mensch, een â -looze houding, hij zit er â bij; â werken; zich â kleeden, onachtzaam, slordig; -beid (onoplettendheid), v. gmv. Achten (acht geven op, letten op; meen en, wanen), ik heb geacht. Een vermaning nirt â , in aanmerking nemen; een goeden raad hoog â, een mededinger, een vijand niet â; iets beneden z'ch â; iets verkeerd â: mijns âs, naar mijn gevoelen; iets gering, klein, hoog, belangrijk â, rekenen, schatten; iem. â , achting toedragen, hoogschatten: een geacht man, een geachte firma; geachte hoorders, vergadering, als beleefdheidsterm. Achteiuleel (een achtste deel), o. âen. Zie: Achteling'. Achtenderti^er, in. â s. Hij is een â, man van 88 jaar; ook in 1838 geboren; dit is nog â , wijji van '38. Achtentwintig (zilverstuk van 28 stuivers), m. â s. Ook: goudgulden, zilveren florijn, zilveren gulden geheeten. vero. Acbtentwintiger, m. -s. Zie: Achten-dertifjer. Achtentn intigste (-28 Aug., feestdag in stad Groningen), m. Naar den â gaan, dat feest bijwonen. Aeiiter, vz. en bw. â elkaar loopen, zetten, plaatsen; een tuin â het huis; â de groene tafel; â een heg staan; fig. ze â den mouw hebben; â de schermen blijven: â een zaak zijn, bw. De klok loopt â; daar schuilt iels â; de tuin is voor breeder dan â. In samen-gest. w.w. aaneeivte schrijven, als: âblijven, âgaan, âhalen, âhouden, enz. Achteraan (aan den achterkant of het achtereind), bw. â in de kast, in de lade. In samengest. w.w. aaneen te schrijven, als: â -blijven, âkomen, enz. d. i. de laatste zijn. Achteraf (in een afgelegen hoek, ook na afloop van zekeren tijd), bw. Dat huis ligt â . Zoo iets laat zich â makkelijk zeggen. Achteraf (ge/uim gemak, sekreet), o., â fen. Achterbaks (verborgen), bw. eig. Iets â houden, achter den rug houden, verbergen; |
ACHTERBAKSCH - ACHTERSTALLIG.
|
zich â houden^ zich verschuilen, zich achteraf houden. Aclit«rbakKcli (s/i/, geheim), lm. Een ach-terbnksche briefwisseling, gmz. Aeliterbank {de achterste bunk), v. âen. Op de â zitten in school', de â eener diligencegt; Aeliterbel {bel (tan de achterdeur), v. -len. Men schelt lt;inn de â. Acliterbentle (mil. achterhoede), v. â n. vero. AeliterbeslaK' {beslag aan de achterpooten), o. âbeslagen. (.aal het â vernieuwen. Aeliterblijven {blijven waar men is, toeven, uitblijven, achter anderen blijven), ik bleet' â, ben â gebleven. Fig. blijven leven; de weduwe bleef' met drie kinderen â; â -blijver, m. AcIiterbuiirC {afgelegen wijk of buurt), v. â buurten. Manieren uit de Acliterdoclif {argwaan, mistrouwen, ver~ denking), v. gmv. â hebben, voeden, koesteren, opvatten, krijgen op of omtrent ient,; -igf, bn.; De liefde maakt â ig; v. âigheid verraadt zwakheid. Af'hlerdot't (scheepst. achterste roeibank), v. âdoften. Achtereen {onafgebroken, ook van tijd), bw. Een boek â uitlezen. Jaren, maanden, weken â . Aelitereeiivoltfencl {zonder tusschenpoo-zen), bn. âe rampen', âe opstanden. ActhtereenvolgeiiM {na elkander), bw. Vergeefs beproefdet gij â alle huismiddelen. {C.0.) Aeliteren {len, naar of van â), bw. Achtererve, m. en v. â n. {Alleen in het rnv. gebruikelijk: nazaat, nakomeling), vero. Achterg-rond, m. âen. Fig. Op den â treden, wijken, verdwijnen, vergeten worden. Acliterlialen {inhalen), ik heb â haald. Fig. verschalken, ontmaskeren. Achterliand (in het kaartspel), v. gmv. Wie zit op de â ? Achterliande {van acht soorten), bn. â wijn. Achterhoede {achterste gedeelte van leger of vloot), v. â n. Achterhoofd, o. -en. Achterhouden {verbergen), ik hield â, heb â gehouden; â houding {verzwijging), v.gmv. Achterhoiidend {geneigd om te verzwijgen), bn.; â heid, v. Achterin, bw. Ken plaats â, d. i. op de achterste bank. Achterkamer {kame)' in het achterhuis), v. â s. Ken â met een hoog licht. (C. O.) Achterkant (nl. tegenover den. voorkant), m. âen. Ãe â van een tuin, bosch. Achterklap {kwaadsprekendheid), m. gmv. Achterkleindochter {dochter van een kleinkind), v. -s, âen; âkleinkind, o.; -kleinzoon, m. Achterkonsi;; {wantrouwend, ergdenkend), bn..; âheid, v. vero. Achterkroost (nakroost, nageslacht), o. gmv. Achterlader {modern geiveer), m. â s. Achterlaten {laten op de plaats waar men of iets is), ik liet â, hebâgelaten. Zij lieten hem op dat eiland â. Fig. stervende iem. nalaten: Ken weduwe met zes kinderen â; iem. in treurige omstandigheden â; verder: Bij zijn vertrek schulden â; een last, een bevel, een voorschrift â, de mensch moet stervende alles â; wonden, litteekens, striemen â, doen achterblijven. â in^r. v. Met â ing van vier dooden. |
Achterleen {leen uit de tweede hand), o. â leenen. Zeeland Bewester-Schelde was een â des Keizerrijkst âneer, m. âen. âman {houder van een achterleen), in. âmannen. Achterlei {van acht soorten, achterliande), bn. Er was â gebak. Achterliggen {achterin liggen), ik lag â, heb â gelegen. In een ledikant of bed -. Fig. bij iem. achterstaan, achtergesteld worden: Al zijn broers moeten bij dezen Benjamin â. Achterlijf {het achterste de)' drie lichaams-deelen van insecten), o. âlijven, üe klasse der gekorven dieren of insecten, wier lichaam in kop. borststuk en â verdeeld is. Achterlijk {ten achter zijn de), hn. â heid, v. Achterloopen {te langzaam gaan), het liep â, heeft â geloopen. Die klok heeft altijd â -geloopen. Achterlooper (jagerst, een achterpoot), m. â s. De haas was gekwetst aan de heide âs. Achtermade {etgroen, nagras), v. gmv. gew. Achterman (mil. de man in het tweede gelid), m. âlui. Achtermast {de achterste mast), m. âen. De â van een kof; op driemastschepen is de bazaansmast de â. Achtermiddag' (het laatste deel van den middag, ook namiddag), m. âdagen. Achterna {na a/loop van), bw. Hij kwam â nog met dat voorstel aan. Ook: iem. â -loopcn, âreizen, âsnellen, âvliegen, enz., d. i. hem volgen op zekeren afstand. Achternazetten {in aller ijl achtervolgen), ik heb achternagezet. De ruiterij zal den vijand â. Achterneef {verre neef), m. â neven. Achternicht {nicht in den vierden of vijfden graad), v. âen. Achternoen {nanoen, namiddag), m. âen. vero. Achterom {straat, steeg, weg), o. gmv. Achterom {langs den achterkant), bw. â -varen, langs Schotland en Ierland naar Indië varen. Achteronder (scheepst. achterruim, ruimte achter in 'f onderschip), o. gmv. Achterop, bw. De knecht zat â (rijtuig). Achteropkomen {nakomen, inhalen), ik kwam â, ben â gekomen. Achterover, bw. Hij viel Achterplaats («(j/iftr het huis, laatste plaats), v. âen. De kinderen speelden op een â. Ik kon slechts een â bekomen. Achterplecht {het dek achgt; er op een klein vaartuig), v. âplechten. Ook: Stuurplecht. Achterplein {plein aan de achterzijde), o. â pleinen; âpoort, v.âen; âpoot,m.âen. Achterraad {kleinere raad van vertrouwelingen), m. âraden. De â van Margareta van Panna, ook de Consulta ge heet en. Achterraam {raam aan de achterzijde), o. âramen; â rad, o. â raderen; âriem (staartriem), m. âen; â rnim (scheepst.), o. gmv. Achterschip {het achterste schip), o. âschepen; zegsw. In het â raken, achteruitgaan in zaken; in het â zijn, in benarde omstandigheden verkeeren. Achterst {het meest naar achter), bn. De achterste jongen, d. i. de laatste. Achterstaand (hierachter volgend), bn. Achterstal {achterstand, schuld), m. âlen. Achterstallig (onbetaald, onafgedaan), bn.; |
ACROAMATISCH.
ACHTKHSTKâ
17
|
â 6* belas ting, schuld; â werk: âe landpacht. Achterste {achtereinde, van iets), o. gmv. Achterste (laatste), m. en v. â n. Ik was de â. Achterstel {de achterwielen metas),o. âlen. Het â van een rijtnifi, van een kinderwagen. Achterstellen (gerinfier schatten), ik heb â gesteld; âstelling;- ({ferinnschattiny), v. Achtersteven (scbeepst. achtereind vaneen schip), m. â s; âstraat (derinfie, afgelegen straat), v. âstraten; â streng*, v. âen; â -stuk, o. âen; âtalie (scheepst. lakei, ka-trohuerk achter een st'/kgeschut), v. âtalies; â tand. rn. âen; â touw, o. âen; âtrap. v. âpen; âtroep (mil. het achterste deel der achterhoede), in. âtroepen; â tni^ (scheepst. blokken, touwwerk op het achterdeel van 7 schip), o. gmv.; âtuin (tuin achter een anderen), m. âen. Achteruit (achterivaarts, rugwaarts). b\v. Ga wat â, âglijden, âkruipen, ârollen, â -rukken, âspringen, enz.; âdeinzen, âgaan, â krabbelen, âloopen, â umr cheer en, enz. Achteruit (afgesloten open jjlaats of tuintje achter een huis), o. âuiten. Aan dit huis is geheel geen â. Bij uitbreiding: achterdeur, lig. uitvlucht. Achternitzeilen (zeevv. terugzei len), ik ben â gezeild. Fig. in zaken teruggaan. Achtcruitzetten (doen achteruitgaan), ik heb âgezet. Laat die tafel wat â, d.i. naar achteren plaatsen; een klok, horloge â, de wijzers achterwaarts plaatsen; fig. ie ut. â, hem terugzetten; die speculatie heeft hem âgezet, zijn zaken verachterd; de koorts heeft den zieke âgezet, zijn toestand verergerd; de ziekte heeft den knaap in 't leven âgezet; die maatregel zal den handel â, in bloei of welstand doen afnemen. Achtervertrek (achterkamer), o. âken; â vierendeel (ook âviertel, âveertel), o. 1 âen, een â van een slachtbeest, d. i. een achterpoot met het daaraan belendende gedeelte. Achtervoegen (er achter bijvoegen), ik heli â gevoegd. In het woord iemand is een d -gevoegd', de âgevoegde sch in schuinsch maakt geen verschil van opvulling met schuur, â voeffinjf, v. Zie l*jirag-o$;-e. Achtervoegsel (letter of lettergreep, die men achter een woordstam voegt), o. â s. lu gracht is de letter t een â; in teugel is el een toonloos â; -dom en -heid zijn zelfstandige â s; -es, -in* -ier zijn onzelfstandige âs. Achtervolgen (ran achteren'd.». op eenigen afstand volgen), ik heb en ben â volgd. leut â, nl. oir» hem in te halen; de honden hebben den haas âvolgd', de dief is tot in de sla / door de politie âvolgd. Achtervolgrens (na elkander, één vooreen), bijw. vero. (Liever: achtereenvolgens). Achterwaarts (rugwaarts), b\v. â gaan, kruipen, enz. Achterwaart sell, bn. Een âe beweging. Achterwege, bw.; â laten, weglaten; â blijven, wegblijven van personen; â houden, achterhouden. Achterwiel (achterrad), o. âwielen. Een der âen van zijn rijtuig is gebroken. Fig. scherts, benaming van oen rijksdaalder (grootste muntstuk). Achterwijk (achterbnart), v. âwijken; â -wimpel (op het achterschip), m. â s; â -xaal (in het achterhuis), v. âzalen; âxak (achter in de jas), m. âken; âzeil (aan de koenen, Verkl. tlandwdb. d. Nederl. taal. |
bezaansmast), o. âen; âzijde (achterkant), v. â n; âzolder (achterste zolder), m. â s. Achthelniif? (acht helm- of meeldraden hebbende), bn. De erica of heidebloem is een âe plant. Ook: Achtmannig. Achthoek (meetk. plat vlak ingesloten door acht zijden), m. âen. Ken regelmatige Een tegel, in den vorm van een â. Een koepel in den vorm van een â. AchtlHM'kig' (met acht hoeken), bn. Een âe piramide, een â prisma. Zie Achtkant. Aclithonderd, telw. â khider-'n: â gulden; deel vier, bladzijde H0()\ in het jaar 800 werd Karei gekroond. Achtig' (achtervoegsel), b.v. in: dwergâ,boerâ, gelijkende op. iets hebbende van; houtâ, water-, overeenkomende met; blauwâ, bruinâ: zoutâ, zoetâ; oudâ, rotâ. (Hier valt overal de klem op den stam, bv. dwerg'achtig). Aolitiji (achtervoegsel), b.v. in: deelâ, twijfelâ. vrees-, woon â , d. i. hebbende, houdende, bevattende. (Kier valt de k!em op ach'tig, dat verwant is met -haftig). Achting- (waardeering. eerbied), v. gmv. Iemands â genieten, iem. â toedragen, iem. zijn â schenken, â hebben voor iemand. Acht iiig'swaarfi. Achtenswaard (achting verdienende), bn. Een â man, een â burger. Ook: âwaardig. Achtkant (achthoekig), o. âen; bn. DU zo-merhuis is â. Achtkant (stevig gebouwd, fig. plomp), bn. Een âe boer. Achtkantig:, bn. Een â latje. Zie Achtkant. Acht man nig-, lm. Zie Achthelmig'. Achtponder (kogel, brood), m. â s. Een â is een kogel; een brood va nacht pond; ook een kanon, waaruit )nen kogels van acht pond schiet. Achtpootigrtrtc/itamp;eemV/),bn. Despinnen zijnâ. Achtregelig-, bn. Een â couplet. Achtste. I â¢n. De â maand; als zn. o. â n. Achtstijlig-, bn. ook: Aehtwijvig. Achttal, o. âlen. Een â verhalen, kinderen. Achttien, telw.; âde (ranggetal), bn. Achtvlak (meetk.),o. âken; -kig:, bn. Een â kig lichaam. Achtvoetig- (tellende acht voeten), bn. Een â vers; een gedicht in âe jamben. Achtvoiul. i». âen. 24 is een â van 3. De boete bedroeg het â der aangerichte schade. (In de spreektaal: Achtdubhel.) Achtvoudig, bn. en bw. Een âe vergoeding van schade. Iets â vergoeden. Acht werf (achtmaal), bw. Aehtwijvig- (met acht er. bloemdeelen of stampers), bn. Verg. Achthelmig-. Achtzijdig- (met acht zijden), bn. Een â prisma. Een âe piramide. A condition (op voorwaarde), bw. Aconiet (boterbloemachtige; monnikskap of stormhoed), v. â en. De gewone â, met blauwe bloemen; de bonte â. de gele â (alle zijn giftplanten). Ook: Akoniet. Aconiet (giftzuur), o. gmv. A conto (geldsom, die men op rekening of mindering ontvangt), bw. A contre coeur (met tegenzin), bw. Acquisitie (aanwinst), v. âs, - tiën. Acquit (kwijtbrief, quitantie, ontvangbewijs; vaste plaats voor den gemaakten bal op het biljard), o. gmv. Spreek uit: Akkiet. Acre (morgen lands), v. â s. Acroaiuatisch (hoorbaar), bn.; âe leervorm, 9 |
ACROBAAT-ADERLIJK.
18
|
samenhangende voordracht, waarbij de leerling slechts heeft te luisteren. Acrobaat (koordedanser, koord ed a riser es), m. en v. âhaten. Acropolis {rotsvesting), v. acropolen, âpolissen. De â van Athene. Acrosticlion {gedicht, tv a ar van de begin-of eindletters een naam of spreuk vormen), o. â s. Zie het Wilhelmus. Acte {handeling, bedrijf van een tooneelspel), v. â s, â n. Actcur {tooneelspeler, komediant), m. â s. Actic {aandeel in ren maatschappij of onderneming-, handeling', gevecht of schermutseling', rechtsvordering), v. â tiës, â tiën;lt;/e â handel, windhandel (1720). Actief {werkzaam, dienstdoend), hn. en nis zn. {iverkelijk bezit), o. gmv. Zie Passief. Actionaris (aandeelhouder, deelhebber), m. â sen. Actioiieeren {aanklagen, in rechten betrekken). Activiteit {werkzaamheid, werkijver), v. «iinv. Actrice (tooneelspeelster, komediante), v. âs. Actualiteit {werkelijkheid, het wezenlijk bestaande). v. ginv. Actiielt;gt;l {werkelijk. tegenwoordig, huidig), bn. Zijn â geluk prijzen (C. O.). Actum {gedaan, gemaakt)-, â in senatu, ge-daan in den raad; â ut supra, gedaan als boven, nl. op den datum als hoven, b.v. op akten. enz. Zie A. u. s. Acustiek {(gehoor-, grluid-, klankleer), v. gmv. Aciitus {scherp, spits, snijdend), hn.; accen- tus â (scherp toon teel,en). Acuut (scherp), bn.; in de geneeskunde: snel verloopend. Alt;1 {ten, bij, mei), vz. Commiitsie â hoe, d. i. met een bepaald onderzoek belast; â interim, voorloopig, tusschentijds; â libitum, naar welgevallen, naar goedvinden: â notam nemen, in gedachten honden, npinerken; â patres gaan, sterven; â rem, ter zake, juist, gepast; â usum, ten gebruike; â vitam, voor het leven (benoemd, aangesteld). Adagio {langzaam en zacht), hw. muz. (Ook muziekstuk van dien aard), o. â's. Adam {mansnaam), m.; âsappel {vooruitstekend deel van het strottenhoofd), m. â s en âen; in âskostuum {naakt), o.; met de âsvorken eten, d. i. met de vingers eten. Adat (Ind. gebruik, wijze van doen met rechtskracht), v. De Chineesche â. De â regelt bij elk feest alles tot in de kleinste bijzonderheden. A dato {van heden af), bw. Ad calendas grraecas {met St. Jutmis, nooit), bw. Ail docrótnm {volgens besluit), bw. Addeeren {optellen, samentellen, vermeerderen). Afldenda {bijlagen, aanhangsels, toevoegsels), o. mv. Adder {giftslangetje onzer veenstreken), v. â s en âen. Kig. Er schuilt een â in het gras, er is een gevaar onder fraaien schijn, er is bedrog; een â in den boezem kweekeu, iem. weldaden bewijzen, die ze met gruwelijker» ondank zal vergelden; âbeet, m. âlieten; â enbroed, o.; âemiest, o.; âgebroed (ook; addrengebroed), o.; -kruid, o.; ânest, o.; â poel, m. âen; -slan^r. v. â en; â spo|£, o. gmv. |
Adderactitig- (fig. verraderlijk), bn. vero. Adderkrnid {gemeene pijlkruid onzer sloo-ten, slangenwortel), o. gmv. Addertong- {een snort van varen,speerkru 'u^, v. âen. Additie {optelling,samentelling), v. âs, âtiën. Adilitioneel {toegevoegd, aanhangend, bij-, komend), bn. âe artikelen. A décoii vert {open en bloot, onbeschut). Uw. Adel {adeldom, adelstand), m. gmv. Geërfde, gekochte â; oude, grijze â; de Hooge Raad van â, college van toezicht op de rechten van den adelstand; van â zijn, iem. van -; de â van Nederland, de Fransche, de Pruisische â. de Geldersche â, de Stichtsche nl. de gezamenlijke edellieden; -brief (öm?/' van adeldom), m., âbrieven; âdom, in. Iem. âdom verleenen, zijn â bewijzen. Adelaar {arend), m. âlaren of âlaars. De familie der âs telt dertig soorten, als: de edele â, de zeeâ, de vischâ, de slangenâ, enz. Zie: Arend. Fig. veldteeken: de keizerlijke â, d. i. legerstandaard; ridderorde; de Pruisische â, de Witte â {een Russische orde). Adelaarsvaren (randvaren), v. â s. De â is een zeer verspreide soort van varen. Adelborst {cadet bij de marine), m. âen. Adelen {in den adelstand verheffen), ik heb en ben geadeld. Kig. veredelen, zedelijk verhellen. Adelijk, adellijk {onfrisch, bedorven), hn. Ken â haas. Adellijk {tot den adel behoorende), hn. Een â heer, een âe jonkvrouw, âe titels, - e geslachten; een â huis, kasteel, slot; -stand, m. Tot den erfelijken â geraken; iem. in den â verheffen, tot den â verheffen. Adem. aam {levenslucht), m. gmv. (In de spreekt, asem). Een zuivere â, heete â, een koude â, âhalen, âscheppen, fig. uitrusten, weer op zijn verhaal komen; den â inhouden; naar den â hijgen; zijn â over iets laten gaan, zich er van nabij mee bemoeien; een spreker van langen â, die het lang uithoudt, lig. langwijlig is; een werk, een gedicht van langen â, groot van omvang; den laatst en - uitblazen, sterven, ontslapen; de â der lente, een liefelijk lentekoeltje; de â Gods, de bezielende kracht van God uitgaande. Ademen (ademhalen), ik heb geademd; bij dichters amen; in de spreektaal asemen. Ruimer â, lig. zich van een bezwaar ontheven gevoelen; hier ademt men niets dan liefde, in zich opnemen; haar ziel ademt enkel deugd, openbaren; zijn woorden â waarheid en oprechtheid, doen blijken. Ademhalen, ik heb âgehaald; âlialing-, v. A demi {ten halve), bw. Ademtocht {ademhaling), m. âen. Tot den la at sten â; fig. Op den â der winden. ; Adept {ingewijde, wonderman, vinder van \ den steen der wijzen), rn. en v. âen. Adequaat {passend, toepasselijk, geévenrc-! digd), bn. Ader {aar, bloedvat, vliezige buis in 't dier-i lijk lichaam), x. âs, âen. Bij uitbreiding; Een â van goud, van zilver, van steeenzout. Een rijke Marmer zonder âm, bochtige, kronkelende streep. Aderlaten, ik heb âgelaten; âlater, in.; â lating-, v.; -latinkje, o. i Aderlijk, bn.; â bloed (ontl.). |
A DESSEIN - ADVOCAAT.
10
|
A dessein (opzettelijk, met oogmerk), bw. A deux maiiiN (voor, met beide handen), liw. Adhaesie {kracht van onderlinge aantrekking der lichamen),gmv. Zie ook: Adhesie. Adhereeren {aanhangen, navolgen, iemands gevoelen aankleven). Adherent {aanhangend), bn.; â mm (een geheel vormend met, onafscheidelijk behoo-rend bij) en als zn. (aanhanger), m. ènv. âen. Adhaesief {aanklevend, fig. aanhangend. toetredend), bn. Adhesie {toetreding, goedkeuring, mede-instemming), v. gmv. Ook: Adhaesie. Adhippatti (Ind. ambtstitel, op een na hoogste titel van een Inlands'-h vorst op.lava), in. â's. Ook Radhen â, rijksljostuurder in Soe-rakarta en Djokjokarta. Ook: Adipati. Ad hoe (desbetrelfend), bw. Een commissie â, een tot die znak benoemde commissie; â antwoorden, rechtstreeks antwoorden. . A «li {na zicht), bw. op wisselbrieven. Adieu {vaarwel!), tw. als zn. o. {het afscheid). Ad interim {voor een tijd lang, vuorloopig, tot nader order), bw. A discretion (zooveel als men slechts verlangt', op genade of ongenade), bw. Adjectief {bijvoeglijk naamw.), o. â tieven. Adjonrneeren (uitstellen. verschuiven). Adjudant {toegevoegd officier, ook idem onderofficier), m. âen. Adjndieatrie {toewijzing), v. âs. â tiën. Adjndiceeren {toekennen, gerechtelijk toewijzen). Adjunct {ambtenaar, die aan een ander is toegevoegd als hulp in zijn betrekking), m. -en. Adjiinct-adniinistratenr, in. â s. Adjiinct-coinniies. m. â iezen. Adjnnjfeeren {toevoegen als helper in ambt of bediening). Adjustabel (sport, verstelbaar), bn. Ad libitum {naar verkiezing), bw. Ad manns {in handen, ter hand), bw. Administrateur {beheerder, voogd, waar- , nemer), m. â s. Administratie {beheer, bcheervoering, za-kenbeheer), v. â s, âtiën. Adm i u istra t ief (beh eer end, be heer V( teren d), bn. Administreeren (beheeren, waarnemen). Admiraal {opperste vlootvoogd), in. â s en â ralen. Vroeger: Amiraal. Admiraalschap(ï'anf/t'(maf/gt;/itra«Oi0.gmv. Admiraalschip {vlaggeschip), o. âschepen. Alt;lniiraalvlinder {fraaie bruinzwart gekleurde dagkapel), m. -s. Admiraaïxeilen {een speeltocht doen onder een verkozen admiraal); w.w., als zn. o. \*lmirahel{bewonderensiuaardig). bn. en bw. AilmirnhHiteit{bewonderenwaardigheid),\. Admiraliteit {zeeraad, college van toezicht), v. âen. AdmiraliteitscoileK-e, o. â s; De vijf âs waren: de Admiraliteit van de Maas, van Amsterdam, van Zeeland, van Friesland en van het Noorderkwartier; âhof. o.; -hamer, v. Admirateur {bewonderaar), m. â s. Admiratie {bewondering), v. gmv. Admireeren (bewonderen). Admissibel (aannemelijk, toe te laten), bn. Admissibiliteit (aannemelijkheid, vatbaarheid om toegelaten te worden), v. gmv. |
Admissie (toelating, vergunning), v. â s, Admitteeren (toelaten, inwilligen). [âsien. Ad notam nemen (opmerken, in gedachte houden), w.w. Adolescent (aankomend, opgeschoten), bn. als zn. (jongeling), m. âen. Adonis (scherts, mooie jongen, jonkman vol behaagzucht, pronker), m. âsen. Adonis (plant uit de familie der boterbloem. ofranonkels),\. â sen. Het kooitjevuur is een â. Adoniseeren (zich) (beeldschoon maken, opschikken). Adopteeren (aannemen, inzonderheid, als kind). Adoptie (aanneming, inz. tot kind), v. -s, Adoptiet' (aangenomen), bn. fâtiën. Adoratbel (aanbiddelijk, hoogst be mini ijk), bn. Adorateur (aanbidder), m. â s. Adoratie (aanbidding), v. â s, âtiën. Adoreeren (aanbidden, vergoden). Adoxa (muskusplant), v. â's. Ad patres ^aan (tot de vaderen gaan, d. i. sterven), w.w. Ad perpetuam menioriam (tot eeuwig aandenken, ter eeuwige gedachtenis), bw. Ad pios usus (tot een vroom of godsdienstig gebruik, tot liefdadige bedoeling), bw. Ad rem (gepast, gevat, ter zake, ter snede), bw. Adres (aanwijzing, opschrift eens briefs), o. â sen; â boek,o.; â haart. v. â hantoor,o. Adressant (briefsch rijver; verzoekschrift-indiener), m. âen. Adresseeren (het opschrift schrijven op; aan iemand iets zenden, zich tot iemand wenden. Adsistent-Kesident (Ind. Onder Resident op Java), m. âen. Ook: Assistent-Res. Adspirant (dinger naar of aanspraakmaker op een ambt), m. âen. Ook: Aspirant. Adspirant-in^enienr,m.-s.Ook:A8/gt;?mniâ. Adstrin;;eeren (samentrekken); adstrin-geerende middelen {genessk.), samentrekkende middelen. Adstrin^ent (samentrekkend), bn. Adstrin^entia (samentrekkende geneesmiddelen), v. mv. Ad siimmam (in 't geheel, samen), bw. Ad summum (opzijn hoogst, ten uiterste), bw. Ad uitereereu (echtbreken; bederven, ver-el i 'aa i en, ver va Ischen). Ad iiniini omnes (allen zonder uitzondering; zou één, zoo allen), bw. Ad usiim (ten gebruiké), bw. Advenant (voorkomend, vriendelijk, aardig), bn.; naar â, naar evenredigheid, naar omstandigheden. Advent (H. K. de laatste vier weken vóór Kerstmis), m. gmv. Het woord bet. komst id. van Christus. Adverbiaal (bijwoordelijk), bn. en bw. Adverbium {bijwoord), o. â s, â bia. Adversiteit (tegenspoed), v. âen. A«lverteeren (bekendmaken in de courant, berichten). Advertentie (openlijke bekendmaking, aankondiging), v. â s, âtiën. Advies (bericht, oordeel, mededeeling), o. â zen. Adviesboot, v. âen; âfregat, o.; -jacht (vaartuig, dat betichten overbrengt), o. Adviseeren (advies geven, als deskundige zijn gevoelen over iets mededeelen). Ook: Aviseeren. Advocaat (rechtsgeleerde, doctor in de rech- |
A D VOCAAT-G K N KI {A A L - A V DA L K N.
20
|
ten), m. âeaten. De â pleit voor zijn cliënt', spreken als een â, gevat en welbespraakt zijn; een â van kwade zaken, die verkeerde handelingen verdedigt; zijn eigen â zijn. zijn zaak zelf verdedigen; â des D ivels oi' Duivelsâ, de kardinaal, die ambtshalve twijfelingen opwerpt aangaande de drie wonderen, die tot heiligverklaring vereischt worden, âje (rjlaasje brandewijn met geklopte eieren), o, â s. Aclvocaaf-^'oiioraal, in. advocaten-generaal. Aclvocatonliorrel. v. gmv. zie Alt;lvoeaafje; â streelt (sluwe trek, list), m. âstreken. Advocaterij (scherts, minaehtende hena- miny van het beroep eens advocaats), ook advocatens11'eek), v. gmv. .Kolusliari» (muz. harp die door den laeht-strooni geluiden geeft), v. âen. gt;Eqiiaai (gelijk), lm.; icqnnles, tijdgenooten. .Kqnatie (vergelijking, evening), v.; â-aar-werk (werktuig ter bepaling van den waren en middelharen zonnetijd), o. âen. .Eciiialor (evenachtslijn, linie), in. â s. .K4iiiat4»riaalHtrlt;M»iii (aardr. golfstroom bezniden Kaap de Goede Hoop in den Atl. Oceaan), m. gmv. Equilibrist (koordeda nser, kunstrijder), m. âen. .Equilibriuni (evenwicht), o. gmv. .Kqninoetiiini (dag- en nachtevening), o. â s, â tia, â tiën. .Kqtiivalenl (vergoeding, schadeloosstelling, iets dat legen iets anders opweegt), o. âen. JEra. (tijdrekening, jaartelling), v. â's. Aëro^raplue (lachtbeschrijving), v. gmv. Acroliet (la-cht-, meteoorsteen), m. âen. Aerometer (l'ichtmeter), in. -s. Aëronaut (luchtreiziger), m. âen. Aërostiek (de lacht vaar tkanst), v. gmv. .Estlietiea (schoonheidsleer), v. gmv. .Estlietiscli (smaakvol, met schoonheidszin en kunstkennis), lm. .Ether (vluchtige vloeistof met doordringenden reuk), m. â s. .Kthusa (hondspe terse lie), v. gmv. Af, bw. Er varen hier veel booten â, richting; de kalk valt van hel plafond â, verwijdering; hij sprong van den stoel â, hij wist er niets â; hij spreekt van. zich â, neem den hoed â; zegsw. op den man â, rechtstreeks vragen zonder omwegen: dat was een vraag op den man â; â en aan, d. i. beweging heen en weer; â en toe, nu en dan; van dit oogenblik â, tijdpunt; van een kind â, van jongs â, van heden â, van nu â; van iern. â zijn, van hem ontslagen zijn; daar wil ik â zijn, dat weet ik niet zeker; goed, slecht, beter, wel â zijn, verkeeren in dien toestand; op goed â spelen (C. O.), zijn bal in veiligheid brengen op het biljart; hij heeft zijn werk â, gereed; de koorts was zoo goed als â, ten einde. Af (voorvoegsel = niet, zonder), bv. in afgod, afgrond, afgunst. Zie aid. Aflgt;aar«leii {.schelpdieren ontdoen van den baard), ik heb âgebaard; â baarder. m. Af baarzen (de baarzen wegvangen), ik heb â gebaarsd. Fig. iets afhandelen, afpraten: Kr an tennieu wtjes â. Afbakenen (met bakens afzetten), ik heb â gebakend; ook: een vaarwater â, d. i. met merken of tonnen bezetten. Fig. den weg aanwijzen, de grenzen aanduiden: de leerstof |
Af basten (ontbolsteren, van den bast ontdoen), ik heb en liet is afgebast. Noten â. Afbeelden, ik heb âgeheeld. Fig. schetsen, nateekenen; â beeldin;?, v.; â beeldinkje, âbeeldsel, o. Afbeenen (een afstand snel afleggen), ik heb â gebeend. Af betten (voorzichtig reinigen, b.v. een wond), ik heb âgebet. At'benken, ik heb âgebeukt. Fig. afrossen, afranselen. Afbenk'n (uitputten, afmatten), ik heb (mij) afgebeuld. Afbidden (door bidden verkrijgen), ik bad â, heb -gebeden. Ken afgebeden kind. (dicht.) Afbijten, ik beet â. heb âgebeten. Het spits â, zich op de gevaarlijkste plaats stellen; ion. het spits laten â; zijn woorden â, kort, nijdig spreken. Af biljoenen (timm. de scherpe kanten wegnemen), ik heb â gebiljoend. Afbinden (losmaken), ik bond â, heb âgebonden; â binder, m.; â binding: (/teeMvm-dige bewerking), v.; âen. Af blokken (xieb) (inspannend studeeren), ik heb mij en ben âgeblokt. Afboeken (alles boeken, wat er te boeken valt), ik heb âgeboekt. Afboeten (door boeledoening geheel uitwisse hen), ik heb âgeboet. Af bonken (afsteken van de bovenste veenlaag), ik heb âgebonkt, Ai'boonien (een vaartuig door middel van een boom voortduwen), ik heb en het is â -geboomd. Afbooinen (door middel van een sluitboom afsluiten), ik heb âgeboomd. Af borgen (op crediet nemen), ik heb âgeborgd. Fig. ee)i gedachte â. overnemen. At'bottelen (bier in flesschen aftappen), ik heb âgebotteld; âbotteling-, v. Afbouwen (voltooien), ik heb âgebouwd. Afbraak (puin), v. gmv. Ken huis voor â verkoopen, om gesloopt te worden. Afbraken (zieli) (zich overwerken), ik heb (mij) âgebraakt. Hij is geheel âgebraakt. Afbrassen (zeew. de brassen aanhalen, wegzeilen), het is âgebrast. Afbreken (stuk maken, stuk gaan), ik brak af, heb en het is afgebroken. Fig. een stelsel â, te niet doen; een ivoord â, zijn rede â, een gesprek â, eindigen. Afbrengen, onr. w.w., ik bracht â, heb â -gebracht. Ken schip â, vlot maken, â brenger, m.; â brenging*, v. Afbreuk (schade), v. gmv. â doen. nadeel doen, â lijden, ondergaan. Afbrijnen (van zout water ontdoen), ik heb â gebrijnd. Stoom w. een ketelâ, het bovenste zoutachtige water laten wegloopen. Afbrokkelen, ik heb en liét is âgebrokkeld; â brokkeling, v. Afbruien (afrossen), ik heb en ben âgebruid. Afbuigen, ik boog â, heb en het is âgebogen. Buig dien tak wat â, nl. verder van den stam af. Afbuitelen, ik heb en ben âgebuiteld. Pas op, ge buitelt nog van de trappen af. Afdagen, ik heb âgedaagd; dicht. Gods straf uitdagend afroepen. Afdak (laag. af hellend dak), o. âen. Afdalen (van een hoog gelegen plaats langs een helling naar beneden gaan), ik benafge- |
AFDAMMEN-AFGEDOKTERD.
21
|
duulii. Hen bciy â, d. i. lungs een helling en min of meer langzaam en gelijkmatig; in ean (jracht â ; de tcnr/ nu ar dat dorp rjaat schuins afloopen; van (lod moet alle (joed â. op aarde komen; lig. U)t den laayxtenramj â; tot iem. â, zich jegens iem. van lageren rang gemeenzaam iietoonen; tot zijn letrlingen â, zich naar hun bevatting richten; in de geschiedenis opklimmen of' tot het heden â; â daling;', v. At'dsuimieii (door een dam afsluiten), ik heb â gedamd. â «laininin^. v. De âdamming tier Schelde. Afdanken (het a/'scheid geven), ik heb â -gedankt; troepen een schip â, buiten dienst stellen; iem., b.v. een vrijer, een minnaar bedanken; â danking;. v. Atdeelen {verdeden), ik heb âgedeeld; â -deoling-, v.; deze maatschappij, deze hond lelt honderd afdeelingen. Afdeinzen (achteruitgaan, mil. den aftocht blazen), ik ben âgedeinsd. Afdingen (minder bieden), ik dong â, heb â gedongen, op den koopprijs â. Fig. opdat werk is veel nf te dingen, d. i. af te keuren, -dinner, m.; âdinging-, v. Afdoen (wegdoen, verwijderen), ik deed â, heb âgedaan. Een schuld â, betalen, kwijten; den kerfstok alle schulden betalen; â -doend. bn. Een âdoend bewijs, voldingend, beslissend; âdoener, m.; âdoening, v. Tot âing van zaken, schulden, afdoen, voldoen, afbetaling. Afdokken (b et alen, afschuiven), ik heb â -gedokt, gmz. Afdomven (afdmuen), ik douwde (duwde) â, heb âgedouwd ( â geduwd). Afdraaien, ik heb en het is âgedraaid. Bij hel tolhek moet ge â, een zijwaartsche richting nemen. Harriet draaide het hoofd af (C. O.), afkeeren, afwenden; âdraaier, in.; -draaiing-, v. Afdragen (naar beneden dragen, afslijten), ik droeg â, heb âgedragen; â drager, m. Afdreigen (geld afpersen), ik heb en ben -gedreigd. Afdrift (zeew. het afdrijven van den koers), v. gmv. Afdrijven, ik dreef â, heb en ben âgedreven. Fig. met den stroom â, met de mode meegaan. Geneesk.: wormen â, uit het lichaam verwijderen. Afdrijvend (geneesk. afdrijvende middelen), bn. Een lintworm door een â middel kwijt raken. Afdrinken, ik dronk â, heb âgedronken. Fig. zich onder een glas verzoenen met. Afdruipen, het droop â, is âgedropen. Het zweet droop hem van 7 aangezicht af, druppelend neervallen; iets laten â, het vocht er af laten loopen; de hond droop af, druipstaartend, d. i. met ingetrokken staart wegsluipen; hij is stil afgedropen, zich ongemerkt verwijderen, zich stilletjes wegpakken. Afdruk (nadruk), m. âken. Afdrukken, ik heb âgedrukt. Een zegel in was, een cachet in lak â; een koueren plaat zuiver â; âdrukking, v.; âdruksel, o. Afdrii|» (het drops wijze neervallen van eenig vocht), m. gmv. De â van de daken. Afdnippelen, het is -gedruppeld. Deregen, die van de bladeren -druppelde- â drnp|Kk-ling, v. |
Afdrnppen (dicht, afdrappelen), het is â -gedrupt. De tranen, die â van haar lief gelaat. Afduwen, ik heb âgeduwd. Een vaartuig â, de boot is âgeduwd. Afdwalen, ik ben âgedwaald Van den tekst â , afwijken, den draad verliezen; âdwaling, v. âen. Alfabel (spraakzaam, vriendelijk), bn. Aflabiliteif (spraakzaamheid, minzaamheid), v. gmv. Affaire (zaak, verrichting, voorval, gevecht), \ v. â s. Affameeren (uithongeren). Afleef (hartstocht, ontroering), o gmv. Afteetafie (gemaaktheid, gekunsteldheid), v. ; âs, â tiën. Afleefeeren (voorwenden, den schijn (tan-nemen). Affectie (genegenheid welwillendheid,gunst, liefde), v. â s, âtiën. AflertneiiK (hartelijk, vriendschappelijk, in-j nemend), bn. Affettiioso (teeder, aandoenlijk), bw. .nuz. Afliehe (aankondigingsbiljet, tjoneelbericht), o. en v. âs. Aflieheeren (aanslaan, aanplakken). Affiliatie (aanneming als kind, 'opneming als medelid in een genootschap), v. gmv. Afliliëeren (als kind aannemen-, als medelid opnemen). Zie Adopteeren. Aflineeren (verfijnen, zuiveren, louteren). Goud, zilver â, dooi* zwavelzuur afscheiden. Affiniteit (maagschap, verwantschap), v. Zuurstof heeft een groote â tot ijzer (roest), zwavel tot kwik (vermiljoen). Aflirnieeren (bevestigen, beamen, bekrachtigen). Aflixa (aanhangsels, toevoegsels), o. mv. Afflietie (hartzeer, droefheid), v. â s, âtiën. Allligeeren (bedroeven, krenken). Affodil en Affodille (le He vorm ig gewas, g ra/lelie der Grieken, heilige plant aan dc dooden gewijd), v. alfodillen. Aflolen (tot het uiterste plagen), ik heb â -gelooid. De boer werd door den vijand -ge-foold, door langdurige en grove kwellingen, rooverijen enz. uitgeput. A tl rens(o)? t zettend, versch rik kei ijk), bn. en l»w. Affront (hoon, smaad, eerrooving), o. âen. Affronteeren (stout onder de oog en treden, smadelijk bejegenen, beschimpen). Affuit (houten onderstel ran een kanon), v. en o. âen. Er zijn wal-, belegerings-, veld-, scheefsâen-, âas, v.: âbalk. m.; âboom. m.; âhaak. m.; -kist. v.; âloods. v. \ff ntage (a//'uitwerk, onderste van het geschut), v. gmv. Alfntselen (ontfutselen), ik heb âgefutseld, gmz. Wordt alleen van kleinigheden gezegd. Afgaan, ik ging â, heb en ben âgegaan. Op iets, op iem. in de richting gaan van; op iem. woorden â, rekenen ; zeew. âd water, vallend water; die verf gaat af, laat los; in V â van het leven, in de jaren des ouderdoms. Afgang (ontlasting), m. gmz. Afgebliksemd, Afgeblikseinslt;*liu'/7/^)or/p male), bw. gmz. Het is â koud. Afgedieft. bw. Een â aardig mutsje, een zeer aardig mutsje; een â moeilijk geval. gmz. Afgedokterd (erg, in hooge mate), bw. gmz. Hij heeft hem â de les gelezen. Zij is â ge-(drie)dokterd leelijk. |
N
22 AFGEDRÃEDUIVEKATERDâAFGRIJZEN.
|
Af^edriediiivekaf«rlt;l (inhooye mate), bw. gmz. Het verzcnlijmen (jaat thans â snel. Afgeduiveld, bw. gmz. Hen â lastige kerel. Aff^eeren {schuins loupen), heeft afgegeerd. De sloot geert af. loopt schuins. Afgehageld {erg,zeei%\ bw. gmz. Zij hebben hem â toegetakeld. Wel â ! Afgeknot, bn. Ken â te kegel, piramide (de top er af), wisk. Afgelasten {afgelasten, af kommandeeren), ik heb âgelast. De parade is afgelast. Afgeleefd (oud), bn. Een zwakke en âe grijsaard, door hoogen ouderdom krachteloos geworden; â held, v. Afgelegen {eenzaam), bn. on bw. Een â ourd, een straat, een â pastorie; â wonen; â held, v, Afgeloopen {verstreken, verleden), bn. Het â jaar; in de â eeuw; de â dag; in den â nacht; in den â zomer. Afgemat {zeer vermoeid), bn. Het geblakerd gelaat van een â dik man. (C. O.); â lieid. v. Afgemeten {afgepast), bn. en bw. Met -tred; een â houding, d. 1. niet vrij, los; -spreken, op stijve wijze; â lieid {deftigheid), v. Afgepast {volgens juiste maat), bn. âe servetten, tafellakens, op maat geweven; met âe stappen gaan; een âe beleefdheid; âheld {berekende regelmaat), v. Afgerazend {erg, zeer, in hooge mate), bw. gmz. Hij heeft het â druk. Afgericht {bekwaam, bedreven), bn. Ken â paard, een â strijder, een â leerling; fig. slim, listig, doorslepen. Het âe volk steekt stroppen door het hout. (Tollens); een âe gauwdief, een âe booswicht: -held. v. Afgescheidene {lid van de Christ. Gereformeerde gemeente), m. en v. â n. Afgesloofd {afgetobd), bn. De soldaten waren vermoeid en â van den veldtocht; â held, v. Afgesloten {gesloten, afgezonderd), bn. Een â kring, een â bijeenkomst; in een â toestand komen; â held {staat van afzondering), v. Afgestampt {erg, zeer), bw. gmz. 't Spijt me â. Afgestompt (hetzelfde als Afgestampt), bw. Afgestorvene {doode), m. en v. â n. [gmz. Afgeteerd {vermagerd, ontvleesd), bn. Een â lichaam. Afgetobd {uitgeput), bn. Een âe lijder; â door het voortdurend waken; het âe lichaam, de âe leden; âheld, v. Afgetrapt (versterkingswoord voor erg, zeer), bw. gmz. Hij werd â kwaadaardig. Afgetrokken, bn. en bw. â denkbeelden, abstracte begrippen; hij redeneerde erg â. Afgevaardigde {afgezondene, vertegenwoordiger van een gewest, district), m. en v. â n. Afgevallene, m. en v. â n. {uitgeput door het vasten), bn. Daar is de vader zelf, zoo bleek en â! (Vondel). Afgeven {uit de hand geven), ik gaf â, hel) â gegeven. Zijn geld â, een brief â. Fig. op iem. d. i. iem. laken, berispen. Afgewonden {neerslachtig, gedrukt), bn. Hij was vermoeid en â ; âheld, v. Afgezaagd {tot vervelens toe gebruikt, over-gebruikt), bn. Een â liedje, een â onderwerp, d. i. te lang gezongen, behandeld. Afgezant {door den vorst gezondene), m. âen; -gezante, v. â n. |
Afgezien, vd. â nog van dekasten, durf ik die reis niet meemaken, omdat ze mij te vermoeiend is, d. i. zonder de kosten nog in aanmerking te nemen. Afgezonderd {afgescheiden, verwijderd, afzonder lij k),hn. Een â stuk land; demelaatsche woonde in een â huis; zij leeft stil en â, eenzaam. Afgieren, het is afgegierd. Het schip was door den storm een heel eind afgegierd, in schuine richting zwenken of afwijken, (scheepst.). j Afgieten {gietend verwijderen), ik goot â, heb âgegoten. Het water van de rijst, van de aardappelen â; de aardappelen â, de boonen â. d. i. ze ontdoen van het kookwater; munten, penningen in zwavel â, ze nabootsen, ze afbeelden door gieten; houtsneden in metaal â, een buste â; âgieter, in. â s; â gieting, v.; âgietsel {afbeeldsel),o. âen. \fgietseldiertje {microscopisch diertje), o. â s. Infusoria of Infusie-diertjes. Afgifte {het afgeven), v. gmv. Ook: Afgifl. De â van een getuigschrift, een paspoort, ' een postwissel. Afglijden {omlaag glijden), ik gleed â, ben â gegleden. Langs een dak, een ladder â ; fig. de baan des levens â, zijn einde naderen. Afgluren, ik heb âgegluurd. Iem. {vaniem.) een kunst, een handgreep â, d. i. ter sluik afkijken, heimelijk afzien. Den goochelaar een handgreep â; de heer Bruis vond het goed de laan eerst eens af te gluren (C. O.), glurend afloeren, d. i. met halfgesloten oog, maar met scherpen blik. Afgod {valsche godheid), m. âen. Van zijn ; buik een â maken, zich overgeven aan lekkerbekkerij; âgodje, o. â s. Afgodeer en {afgoderij plegen), ik heb ge-afgodeerd. Fig. dwepend vereeren: een persoon' of zaak â; een kunst â. Afgodendienaar, m. âs of âen; âdienares, v. âsen. Afgoderij {godsdienst der heidenen), v. âen. Afgodisch, bn. en bw.; âe plechtigheden, \ âe vereering, âe liefde; iets â vereeren. Afgodist (afgodendienaar), m. âen. Afgodsbeeld, o. âen. Afgodslang {slang, die als afgod wordt vereerd), v. âen. Ook: reuzenslang, boa. Afgoeden {een voor kind zijn deel uitkeeren). ik heb âgegoed; â goefling {uitkeering), v. Afgolven, het heeft en s âgegolfd. Zweetdroppels kunnen â, golvend neerstrooinen; het licht kan â; los afhangende kleederen, tooisels, hoofdharen kunnen â, in golvende , beweging afdalen; een heuvel kan â, rijzend en dalend zich naar beneden uitstrekkemdichtA Afgrauw {snauw, bits woord), m. gmv. Afgranwen {norsch bejegenen), ikhebâge-grauwd; -grauwer, m.; â granwing. v. Afgraven, ik groef -, hen âgegraven. Ken slak land van een akker â, een stuk hei afzonderen, afscheiden; een heuvel hei duin â, d. i. gravend verwijderen; een heuvel wat â, hem lager maken; âgraving. v. Afgrazen (het gras afeten), zij heelt âgegraasd. Een weide â; âgrazing, v. Afgreppelen {met greppels afscheide..), ik heb âgegreppeld; âgreppeling, v. Afgrijselijk en Afgrijslijk {afgrijzen wekkend. vreeselijk), bn.; -lieifl, v. Afgrijzen {groote afkeer), o. gmv.; -grijzing. v. |
AFGRISSEN-
AFKEUREN.
23
|
Afgrrissen (afkajmn) ik hel» âgegrist, gmz. i Affirrond {(jrondeluozc diepte), ni. âon. In een â vallen; een â van ellende, d. i. do i onpeiibaarheid der ellende. Afgrunst {nijd, wangunst), v. gmv. Afganstijc (a/V/Mgt;isf voedend), lm. en l»\v. Hij is â op zijn buurman; de liefde is niet â ; een â karakter, âe blikken, afgunst toonend; iets met âe oogen aanzien, met onverholen nijd en spijt; â naar iets of tem. zien: -held, v. Afhandelen {afdoen, regelen), ik hel» âgehandeld; -handeHn^ v. Af liandi{f, lm. lern. iels â Diaken, d. i. ont-j nemen, afkapen. Afhangeling; {onderworpene, on dei-ge- j schikte), m. âen. Slaafsehe âen van Napoleon. Afhangen, ik hing â, heli âgehangen. Kig. van iem. â, de ondergeschikte zijn van; iels laten â van, de regeling afhankelijk stellen van; het hangt er van af, d. I. van de um-standigheden; alles hangt af van die eène zaak, alles draait op die ééne zaak. Afhankelijk en Afhanklifk. lm. en bw. Iem. van zich â maken; â heid, v. Afharen {het haar verliezen, ran de huiden doen), ik heb, het is âgehaard. Een /W.s kan â. \fhaspelen, ik hel âgehaspeld. Katoen, sajet, wol â. d. i. op een haspel afwinden; zijde â, d. i. van do cocons der zijderupsen ai haspelend afwinden; de cocons â, een klos â ; tig. Laat mij die zaak nu eens â, in orde brengen, regelen, schikken; die knaap gaat zijn huiswerk weer â, met moeite af-knoeieri. Nu, dat mogen de geleerden â, ten einde brengen, uitmaken. Afhebben {gereed hebben), ik heb, ik had â gehad. Zijn werk â; een brief -. Afheinen (met een heining afsluiten), ik heb â geheind; -heiitin^'. v. Afhellen, het heeft âgeheld. De oever gaat hier â; de weg, het to meel kan d.i. naar beneden loopen; -liellinft,« v. âen. De â -ling van een heuvel. Af hoeven, het heeft âgehoefd; b.v. Die taak hoeft niet uf. het is niet noodig, dat ze gereed is. gmz. Afhooren {afluisteren), ik heb â gehoord. Een vertrouwelijk gesprek â; de spion had het parool âgehoord. Afbonden {verwijdei'd houden), ik hield â, heb âgehouden; zeew. Van den wal â,den wal mijden; âhouder, m.; âhouding-, v. Afhouwen {door hakken afscheiden), ik hieuw â, heb âgehouwen. Ken vijand het hoofd, een arm â ; een tak â, van den boom hakken; âhouwer {afkapper), m.; âhouwing-. v. Afhuiven {de huif of kap afzetten, bij valken b.v.), ik heb âgehuifd. Atjacht {ruw bescheid), v. gmv. Iem. een â geven, d. i. hem afsnauwen, gmz. Afjachten {norsch afschepen, afsnauwen), ik heb âgejacht, w.g. Afjagen {we/,jagen), ik jlt;»eg â, heb âgejaagd. Een bedelaar het erf â; kinderen den zolder â; een paard â, te veel uitputten. Zich â, zich zwaar vermoeien. |
Afjagen (nl. op of door de jacht), ik jaagde af, heb âgejaagd. De stroopers hebben dien heer heel wot hazen âgejaagd. Het âgejaagde hert, door jacht afgemat; dat veld is reeds geheel âgejaagd, van wild ontdaan; wij zullen die heide geheel â, jagend doorkruisen, naspeuren; .laromirs blik jaagt den kring rondom hem zoekend af. (Staring). Af jaklieren {afjagen, afrossen), ik heb â -gejakkerd, fem. â, vinnig afsnauwen, gmz. een paard â, te lang en 'e hard doen rijden. Afjapen {afsnijden), ik heb âgejaapt. Iem. den neus â. gmz. Afkaatsen (m andere ruhting slaan), ik heb en het is âgekaatst; â kaai sing, v. Afkabbelen {ondcrmijnoi), ik heb en het is âgekabbeld. Den oever â, d. i. ondergraven door den golfslag; de oever is âgekabbeld, d.i. afgebrokkeld. Al'kaden {y^uwV.. afsluiten), ik heb âgekaad. Den polder â; â kaïding. v. Afkalken {run kalk ontdöen), ik heb en het is âgekalkt. Een muur afbikken; âkalking. v. Afkalven (/ iet losschuiren van aat dwerken), het is âgekalfd. De beide kanten der nieuwe sloot zijn erg âgekalfd; {afbrok keling), v. Afkamnien, het beeft âgekamd. IJ;' borstwering werd door het vuur van den vijand erg -gekamd, haar kruin werd vernield; â -kamming {beschadiging), v. Af kantelen, liet heeft en is âgekanteld. Ik heb die kist de helling âgekanteld, kante.end naar beneden gebracht; het beeldje is van het voetstuk -gekanteld, afgevallen, afgestort. Af kanten, ik heb -gekant. De sprei wordt âgekant, een kant of rand wordt er omgezet; de kous is op het â klaar, den uitersten kant afsluiten. Afkanten {de scherpe hoeken wegnemen), ik heb âgekant. Een steen wat â; â kan-ting, v. Afkapen {ontstelen), ik heb âgekaapt. Afkappen, ik heb âgekapt, boomtakken, houtwerk, kabels â, afhakken; (spraakk.) een tetter â. weglaten, b.v. in: ik hoor (hoore); -kapping {apocope), v.; â kappingstee-ken (weglatingsteeken, apostrophe), teeken in den vorm van een komma, b.v. 's voor des), o.; âkapsel, o. Afkeer {afschrik, weerzin, walg), m. gmv. Ken â hebben van leugentaal, van dwingelandij; een â hebben van iem.; een â gevoelen. opvatten voor iets; â toonen, aan den dag leggen; â opwekken, verwekken, inboezemen; â keerig {wars. ongezind), bn.; - keerigbeid. v. gmv. Afkeeren {afwenden), ik heb âgekeerd. Het hoofd â. de oogen â. de blikken â; een stoot â. d.i. afweren; zich van iets of iem. â, den rug toedraaien. Afkeilen {naar beneden keilen), ik heb â -gekeild. Hij zal borden en glazen nog van de tafel â, zóó afgooien, dat ze eerst evenwijdig blijven aan t tafelvlak. Afkerven (den kerfstok effen maken), ik kerfde of korf â, heb âgekorven; -kerver. m.; âkerving {afsnijding), v. Afketsen (afwijzen, doen mislukken), ik heb en het is âgeketst. Een voorstel â. gmz. Afkeuren (niet goedkeuren), ik heb âgekeurd. Een adspirant â, geleverde goederen â, bouwstolfen â, een uitdrukking â, een handelwijze â, maten, gewichten, munten â. â keurder, m.; â kenrster, v.; - keuring, v.;âkeurenswaard,l m.;âkeureuswaar-dig. bn. |
-AFLOOGEN.
24
AFKIJKEN
|
Al kijken, ik keek â, heb âgekeken. De , jongen heeft zijn werk â(jekeken, d. i. afge- ! zien; het mooie, het nieuws, do aardigheid ' ergens er zoo lang op kijken, dat men voor dat alles geen gevoel meer heelt; â kijker, m. Af kijven (afgrauwen, afgrommen. afsnauwen), ik keel' â, hel) âgekeven. Wat kan zij haar meid â ! die appelwijven hebben weer I luat âgekeven, veel, aanhoudend kijven. Af kladden {knoeierig afmaken), ik heb â -geklad. Die jongens gaan hun huiswerk weer â : gij moet die teekening zoo niet â. Afklaji'en (zich moe klagen), ik heb mij en ben â geklaagd. Af klaren {zuiveren), ik heb en het is âgeklaard; suiker, siroop â, het schuim er van : verwijderen; een rekening vereffenen. Afkleiiiiiien {door klemmen afscheiden), | ik heb âgekiemd; hij heeft een vingerlid afgeklemd. Afkleppen, ik heb âgeklept. De exercitie der schutterij is van morgen âgeklept, door het luiden eener kleine klok afzeggen, aflasten; -klepper, m.; â kleppin;»-. v. Afkluiven {kluivende afeten), ik klooiquot; â, heb âgekloven; ook: ik kluifde â, hel) âge-kluil'd. Het vleesch van het been â; de hond heeft alles afgekloven. ' -kluiver, m.; â -kluivin^. v. Afknabbelen, ik heb âgeknabbeld. De muizen hebben hier het houtwerk âgeknabbeld', â knabbeliiig-, v. Afknagen, ik heb âgeknaagd. De wormen hebben de wortels der plant âgeknaagd. â -knager, m.; âknaging-, v. Afknakken {knakkend afbreken), ik heb en het is âgeknakt. Ken tak â, de peretak is afgeknakt. Af knarpen {afknagen), ik heb âgeknarpt. Een been â, d.i. knarsend afpluizen; fig. van een zaak iets â, er inhalig munt uit slaan; iemand iets â, een kleinigheid met list ontnemen. Afknevelen {afpersen), ik heb âgekneveld. Jem iets â, door onbillijke vorderingen afdwingen; Alva ging door het zwaard den tienden penning â; âkneveling-, v. Afknotten {afstompen), ik heb âgeknot. Een wilg â, den stam afstompen; een tak â ; rem. leden een hout, balk, rib, paal â; zie Afgeknot. Afkoelen {verlagen van warmtegraad), ik heb en het is âgekoeld; âkoeling, v. Afkoken {in water bereiden), ik heb âgekookt. Groenten â, snijboonen â; âkoking-. v.; âkooksel, o. Afkonieling- {afstammeling), m. en v. âen, ook: â e, v. â n. Afkomen, ik kwam â, ben âgekomen. De koeien kunnen niet van het eilandje â; zij konden niet van dien bedelaar â; op iem. â, \ hem naderen; op iets zich in die richting | l)ewegen; van een berg, een heuvel â ; de trap â; de lawine kwam donderend den j berg af; een rivier, een stroom â; het schip I kwam den Donau af; een weg â ; hij kon j niet van zijn waren â, van de hand doen; hij kan niet van zijn woorden â ; gerucht komt af van roepen, d. i. er van afstammen; waar mag toch dat gebruik van â ? zijn oorsprong aan ontleenen. Afkomst {oorsprong, geboorte), v. gmv. Hij is van goede â, geboorte, familie; â i|ff, bri. |
Afkondigen {openbaar bekend maken), ik heb â gekondigd; âkondig-er, m.; â kon-dig-iug. v ; het â der geboden (huwelijk). Afkoop {het vrijkoopen), m. -en; â van tienden, renten, enz. Afkoopen.onr. w.w.ik kocht af, heb afgekocht; zich laten â, zich met geld laten overhalen af te zien van eenige aanspraak, eenig recht. Af krooien {de bovenste veenlaag verwijderen), ik heb â gekrooid; â krooier, m.; â -krooiing. v. Afkruien {wegvoeren), ik kruide of krooi â, heb en het is âgekruid of âgekrooien; â krtiiing', v. Afknnnen {kunnen afdoen), onr. w.w. ik kou af, konde (kon) af, heb afgekund. /Ajn taak onmogelijk â; gij kunt dat werk met twee knechten best â. Aflaat (R. K. kwijtschelding of vermindering van kerkelijke straf), m. â \i\ien.{[nd ulgentia.) Aflandig (zeew. van het land af, zeewaarts), bn. De wind is â. Aflaten {iets omlaag laten), ik liet â, heb â gelaten; âlater, fn.; -lating', v. Aflaveeren (scheepst. stroomafwaarts la- vee ren), ik hel) en ben âgelaveerd. Afleeren {verleeren), ik heb en ben afgeleerd. Wij zullen hem dat wel â, dwingen na te laten. Afleggen, ik heb âgelegd en âgeleid. Een kleedingstuk â, de wapenen â, een gewoonte â . Hij heeft het âgelegd, is gestorven. Aflegger, m. âs. iem. die een doode aflegt; een student, die hét aflegt, d. i. de hoogeschool verlaat zonder zijn studiën volbracht te hebben ; spade, waarmede men oude akkers aflegt, d. i. afgraaft; een afgedragen kleedingstuk, b.v.: Die jongen moet de âs van zijn oudsten broer dragen. Afleiden {naar een andere plaats leiden), ik heb âgeleid; âleider, m.; â leiding (on/-spanning),y.; â leiiiU.utule {woordvorm ing), v.; â leidkundig. bn.; -kundige, m. eri v. Afleidsel {een afgeleid woord), o. â s. Het woord brok is een â van breken. Aflenxen (scheepst. met weinig of geen zeil voor wind en stroom drijven), ik heb â -gelensd. Afleveren {ter hand stellen, gereed hebben), ik heb âgeleverd; âlevering {evenmatig deel van eenig groot boekwerk), v. âen. Aflezen, ik las â, heb âgelézen. Iem. de koorts â, door het lezen van een bezweringsformulier afnemen; een brief â, ten einde; deze boeken zijn âgelezen in het gezelschap rond geweest: een lijst van namen â, hardop in de rij voorlezen; de hoeken â, in vereischte orde oplezen (nat. en sten-enk.); een verordening, een bevel, een kennisgeving â, een proclamatie â, bekendmaken, afkondigen; -lezer, m.; âlezing, v. Aflijvig {gestorven), bn.: â worden, overlijden; â zijn, dood zijn; iem. â maken, doodèn. Afloeren {afspieden, afkijken), ik heb âgeloerd. Iem. een gelegenheid, een kans, een voordeel â, ze in stilte oplettend afwachten; â loeriler. m.; â loerster, v.; â lolt;?ring. v. Af lonken (dicht, vriendelijk omlaag zien), ik heb âgelonkt. Aflooden {een water afpeilen), ik heb âgelood. De baai iverd âgelood en in kaart gebracht; â looding, v. Afloogen {het vet of schuim verwijderen), |
AFLOOP-AFPERSKX.
|
ik heb -geloogd. Tinnen schuLcls /e door loogen reinigen; â looK'inj^. v. Afloop, m. âon. De â van oen mater, ren rivier, fjoot, uitmonding: bij den â der i6e eeuw, laatste gedeelte; den â van iets afwachten, het einde; na â der plechtifjheid; de â van het gevecht, uitslag; de koorts had een uereyelden â, beloop; een rjootsteen met een â, loospijp. AIIooim^ii. liet liep â. heeft is â geloopen. Van zijn plaats, post, werk- â, zich verwijderen; de markten â, loopend bezoeken; voor den wind â, met behulp van den wind wegzeilen; op iem. â, recht toeloopen; het mie! zal â, loslaten; de haspel was âyeloo-pen, het touw was op; het zandglas is âgeloop en, het horloge is âgeloopen; een hen rel, een berg â ; het vet zal van die kaars â. afvloeien; de pomp is âgeloopen, is lens, geeft geen water meer; de weg gaat hier steil â; de. kermis gaat â, raakt teneinde; zegsw. het loopt af met den zieke, hij gaat sterven; hel feest is ordelijk âgeloopen, geëindigd; zegsw. met een sisser â, onbeduidend eindigen; het avondje liep verder vroolij ken gezellig â (C.O); âik kan wel zien dat het examen goed âgeloopen isquot;, zei de hospita (C. O.); hij liet het met een: âhè, vindje dat?quot; â . alles zou in de beste orde â; schoenen, laarzen â, verslijten; een weg â, ten einde loopen, afleggen; terugzien op den âgeloopen levensweg', zegsw. de huizen, den boer, iem. de deur â. rondgaan langs, aankloppen bij; de soldaten liepen de dorpen â, doorkruisen om te rooven, te plunderen; een schip â, bespringen, plunderen, bemachtigen; iem. afmatten door te lang te loopen; ik heb mij gisteren te veel âgeloopen: -looper, m.; â looping {de â van het water), v. vero. Aflorspii {afleen en, afhandig maken), ik heb â gelorst. vero. AfloHMeii {vervangen), ik heb -gelost. De wacht â; een kapitaal â,afdoen; â lo*iKiii$;.v. Afliiidcn {afzeggen door middel van klok gele lep), ik heb âgeluid; de parade is âgeluid. Aflnfcleren, ik heb âgeluisterd. Een gesprek â, er met opzet naar luisteren; âlni*-leraar, m.; â liiiKt^rin;:'. v. Afmaaien, ik heb âgemaaid. Een korenveld â ; de dood zal ons aller leven â; âmaaier, m.; â maaiiiiff. v. Afmaken {voltooien; ook dooden), ik heb â gemaakt; âmaker, m.; âmaking-, v. Afmalen {allen voorraad door den molen laten gaan), ik heb âgemalen. Afmalen {afschilderen), ik heb âgemaald; personen, tafercelen â, schilderen. Afmarelieeren {wegtrekken), ik ben âgemarcheerd; de troepen marcheeren â, gaan vertrekken; â marscli, m. Afmartelen {door marteling uitputten), ik heb âgemarteld; âmarteling-, v. Afmatten (krachteloos maken), ik heb â -mat; een ziekte, het spel, de koorts kun iem. â. Afmeten {geheel meten), ik mat â, heb â -gemeten. Een kamer â, een stuk linnen â, iets met de oog en â, versregels â, d. i. scan-deeren; den tijd â, den duur bepalen; iem. macht â ; zijn tijd â, verdeden: âmeter, m. Afmeting- (meetk. een der drie hoofdrichtingen, waarin een lichaam zich uitstrekt), v. âen. Een lijn heeft maar eéne â; een vlak heeft twee âen. |
Afmijnen {bij afslag verkoopea), ik heb â -gemijnd; â mijner, rn.; âmijning-, v. Afnaasten (benaderen ran onroerend goed), ik heb âgenaast. Men trilde hou zijn huis â. Afnomen, ik nam â. heb âgenomen. Een boek van een plank â, opnemen en verwijderen; iem. iets â, afhandig maken; zij nam Suzette een toegespeld pak af (C. O.), uit de hand nemen: een gevangene de boeien hem er van bevrijden; een fabrikant de waren â. afkoopen; iem. de l.oorts, de kiespijn â, wegnemen, hem bevrijden; iem. een examen â, doen ondergaan; iem. een verhoor â ; iem.een eed, een gelofte â. doen afleggen; iem. de belijdenis â ; iem. de biecht â ; den hoed â; een kind van de school â; zegsw. den hoed voor iets â, toonen, dat men er respect voor heeft; van den voorraad iets â, ;.'fscheiden; iets van een jas, ren japon, een plank, een lat â ; het eten. het ontbijt â, wegruimen van tafel; de slof â, verwijderen, van stof of vuil reinigen; inden schoonmaak schilderijen en spiegels â, losmaken; de kooien â (scl.eepst.) d. i. de hangmatten uit de verschansing nemen; het verband â, verwijderen; bij het kaartspel â; iem. zijn beurs, geld, horloge â, ontnemen; zegsw. iem. het woord â, hem ooen zwijgen; iem. den wind â, hem dien onderscheppen; de bevolking zal in den oorlog verminderen; de maan is aan het â; de wind gaat â, minderen in kracht; ânemer, m.; âneming {de â van 't kruis, door Hubbens), v. Afnenxen {nieuwsgierig afkijken), ik heb â geneusd. Iem. een kunstje â; â nenzer, m.; â nenxing, v. Afnommeren, Afnumnieren {alles van een nummer voorzien), ik heb âgenommerd ( â genummerd). Een straat, de huizen â. th' boeken â. â noninieriiig en â niimiiK'-ring, v. Afparliten {in huur nemen), ik hei» âgepacht. Ik heb u die weide afgepacht. Afpalen {met palen afzetten), ik heb âgepaald; een weide, een akker laten â; âpaler, m.; âpaling, v. Afpassen, ik heb âgepast. De lengte ran een terrein â, afmeten; een weg, een haan â, d. i. met den pas afmeten; iets netjes â, geld de cipier zal elk zijn afgepaste portie 'toedeelcn. (C. O.). Afpeil {peilen ' run zekeren voorraad)-, m. gmv. Zie Aanpeil. Afpeilen, ik heb âgepeild. Een kolk â, de diepte meten; een afgrond. â. ren vaarwater â en in kaart brengen, op alle plaatsen peilen; ambtenaren, belast met het â van de vaten jenever, door meten de hoeveelheid bepalen; âpeiling, v. Afpeinxen {veel peinzen), ik heb âgepeinsd. De professor heeft in zijn leven heel wat â -gepeinsd; zich â, zich denkend afmatten; het hoofd, de hersenen, den geest â, afsloven. Afpelen {een huid van het haar ontdoen), ik heb âgepeeld; âpeling, v. Afpellen {de pel of schil verwijderen), ik heb âgepeld; noten, eieren, garnalen â ; â peller, m.; âpeiling, v. Afperken {afbaken), ik heb âgeperkt; een terrein â, een plaats â, een weg â; een tijdruimte â; âperking, v. Afpersen (uitpersen), ik heb âgeperst; iem. |
AFPIJXEX - AFROEPEN.
26
|
tranen, een zucht â ; â |Mir»er. in.; â per-Mingp, v. Afpijiien (zich), (tl. i. zich aftobben), ik heb mij âgepijnd. Den f/eest. het lichaam â; zich â; â pijnin^. v. Afpijnigen (door pijn doen bekennen), ik heb âgepijnigd, lem. iets iem. â, afmartelen op de pijnbank; -pyniging-. v. Afpingelen {kleingeestig afdingen), ik heb âgepingeld. Afplatten {iets platter maken), ik heb â -geplat; âplatting-, v., de â der aarde. Af plooien (in geleedheid brengen), ik heb â geplooid. Gij moet deze muts eerst Afpluizen (bij pluisjes afplukken), ik ploos â, heb âgeplozen; het vleesch van een been â, een karkas van een hoen â. Afpluizen (pluisjes wegnemen), ik hel» en het is âgepluisd; een rok, een jas â; kom hier, ik zal je eens â. Afplukken (afhekken, afbreken), ik heb â gepinkt. Bloemen, vruchten, bladen â ; een tros druiven, bessen â. âplukker, m.; â -plukking-, v. Af poetsen (schoon poetsen, reinigen), ik heb â gepoetst. Laat uw laarzen een geweer â . Het zilverwerk Afpolderen (indijken), ik heb â gepolderd. Landerijen â; â polclering*, v. Af ponden (afwegen), ik heb â gepond. Zorg er voor, goed wat rijst af te ponden, d. i. in pondsbnilen af te wegen. Afprachen (afbedelen), ik heb â gepracht; iem. een aalmoes â, d. i. smeekend afvragen; â praeher, m.; - praching, v. Afprakkezeeren (zich moe peinzen), ik heb â geprakkezeerd. gmz. Zijn hoofd â. Af pressen (dicht, voor afpersen), ik heb â -geprest; â pressing-, v. Zich een belofte laten â. Af priegelen (afranselen), ik heb âgepriegeld. gew. Afpunten (de tippen afsnijden), ik heb â -gepunt. Een paal â. Zich het haar laten â. â punter, m.; âpunting, v. Afrabbelen (met overhaasting opzeggen, lezen enz.), ik heb âgerabbeld; zijn les, zijn gebed â. Afraden, ik ried of raadde â, heb âgeraden. Iem. â iets te doen, hem den raad geven het niet te doen; ârader, m. Af rafelen (ontdoen van de rafels), het is â gerafeld. Die doek begint af te rafelen, de rafels of losse draden laten los; ârafeling, v. Afraffelen (slordig afmaken), ik heb -geraffeld. Het schoolwerk â; hij ralfeit bij het lezen de akte maar af, d. i. slordig en onhoorbaar lezen. Afragen (het spinrag met den raagbol wegnemen), ik heb âgeraagd. Raag den zolder eerst af. Afraken, ik bon âgeraakt. Van iets of iem. â, afkomen; in 't gedrang zijn we van elkaar afgeraakt, verwijderd raken; van den weg (der deugd, der waarheid) â, op een dwaalspoor komen; van zijn onderwerp â, onwillekeurig afwijken; van een gewoonte â, ze laten varen; van zijn stuk, van de wijs â, tie kluts kwijt raken; het schip zal bij vloed wel van die bank â; hoe is dat oortje van dat kopje afgeraakt? tl. i. gescheiden geraakt; het nieuwtje zal er gauw â, ophouden te bestaan; van zijn waren â, koopers vinden; |
het engagement is afgeraakt, ontbonden; het werk zal eindelijk ivel gereed komen. Aframmelen (afrossen, slaan), ik heb - gerammeld; â rammeling (een pak slaag), \. Aframmelen (afrabbelen, veel te snel oplezen of opzeggen), ik heb âgerammeld. Die dame heeft dien avond wat afgerammeld. Lessen, gebeden, formulieren â. Afranselen (gevoelig slaan), ik heb âgeranseld. Een hond â, afrossen, afkloppen. Af raspen (wegschrapen), ik heb âgeraspt. Oneffenheden â. Een korst kaas, een broodje â; ârasper, m.; ârasping, v. Afrasteren (met rasterwerk afsluiten), ik heb âgerasterd; het feestterrein gaat men â, de ijsbaan zal men wel â; ârastering, v. Afreeden (afwerken), ik heb -gereed; vlai--, hennep, wol, papier â. Afreehekel (werktuig bij de vlas- of hennepbereiding), m. â s. Afreis, Afreize (vertrek, afvaart), v. gmv. Afreizen, ik heb en ben âgereisd. Met iem. â, vertrekken; ik reis naar Londen af; ergens op â, reizen met eenig doel; hij zal heel Holland âreizen, alle plaatsen bezoeken; hij heeft alle musea er voor âgereisd; zich â, d. i, zich al reizende erg vermoeien. Afrekenen (d? rekening effenen), ik heb â gerekend; ârekening (vereffening in den handel), v. Afrennen, ik heb en ben âgerend. De ruiters zag men hel plein â; op iem. â. recht op iem. toesnellen; van een heuvel, een hoogte â, met snelle vaart naar beneden rijden; een baan â, d. i. rennend afloopen; zich â, zich uitputten, afmatten. Af repelen (knotten; vlas ontdoen van de knoppen), ik heb âgerepeld; ârepeling, v. Afrieliten (leeren. bekwamen voor eenig doel), ik heb âgericht. Een hond â, een valk â, een knaap â, voor een examen â, soldaten â (dresseeren). Afrij (het afrijden), m. gmv.; (helling bij 't afrijden), v. âen. gmz. Afrijden, ik reed â, ben en heb âgereden; voor het stadhuis â; de wagen moet zoo â, vertrekken; de ruiters reden de dorpen af, nl. om te stroopen; een paard â, al rijdend eenigermate vermoeien; ârijder, m. Alrijgen. ik reeg â, heb âgeregen. Een keurs, een gordel â, losmaken; paarlen, kralen van den draad afdoen; â rijger, m.; -rijging, v. Afrijten (losscheuren, schelden), ik reet â, heb âgereten; -rijting, v. Afrijzen (afvallen), ik rees â, het is âgerezen ; als men korenschooven te ruw oplaadt, zal er veel zaad â ; â ryzing, v. Afrikaan (zekere sierplaat uit Mexico [donkerbruin met geel]), v. âkanen. Afristen (van de rist afstroopen), ik heb â gerist; bessen, uien, vinken â. Afrit, m. gmv. De â zou om zes uurplaats hebben, het afrijden. Afritsen (afperken), ik heb âgerist. Een weg, een sloot, een lijn â, met de spade een kielspit voor de richting of den omvang uitsteken; â ritsing, v. Afroepen, ik heb âgeroepen, lem. van zijn werk â, een soldaat van zijn post â, hém roepen om elders te komen; hij werd te jong van zijn post, zijn arbeid, zijn levenstaak âgeroepen, door de zeis des doods getroffen; |
AFROFFELEN - AFSJORREN
|
iem. van het dak. doi zolder nuur lgt;eiio-den roepen; de leden der veryadering werden een roor een âijeroepen; zuh â (zich al roepende afmatten)', â roep, 111.; â roe|M»r, 111. Afroffelen, ik liel» âgerodeld. Planken, halken â, d. i. ze ontdoen van de ruigste orf-elTenheden; fig. gij moet dien luiaard eens duchtig â. eens term doorhalen, een flinke scliroheering yeven; die jongen gaat zijn huistverk weer d. i. afknoeien, slordig afmaken. Afrollen (naar beneden rollen), ik ben en heb âgerold; een kaart â; van een heuvel â. Afroiiâ¬lâ¬kii (de hoeken wegnemen), ik hel» â gerond; â roiidi»i$amp;'. v. Af ronselen, ik hel» âgeronseld. Soldaten, matrozen iem. â, ze op listige en bedrieglijke wijze tot desertie verleiden. Afrooien, ik heb âgerooid. Gronden, erven, gebouwen afscheiden, afpalen van de aangrenzende perceelen. Afroomen (van den room ontdoen), ik hel» â geroomd; ârooming v. Afrooven (ontrooven). ik heb âgeroofd; â rooi'injf, v. Afrossen (roskammen, reinigen, ook slaan), ik heb âgerost; ârosser, in.; -róssing-,v. Af roven (van 't rootje of korstje ontdoen), ik heb âgeroofd. Afrukken (met een ruk ontnemen), ik hof) en ben âgerukt; - rnkker, m.; ârnk-king, v. Afseliaafsel (krullen, af vijlsel), o. â s. Afseiiadnwen (afschetsen, flauwelijk afbeelden), ik heb âgeschaduwd; â seliadiiwing-(afbeelding), v. Afst'liaffen (doen ophouden, buiten gebruik stellen), ik heb âgeschaft; â schalfer, m.; â sehafiing, v. Afsciiafting-s-genootseliai» (bond tot be- strijding van 't alcoholisme), lt;». âpen. Afschaven (door schaven wegnemen), ik heb âgeschaafd; âsehaving, v. Afscheep (het verzenden per schip), m. gmv. De gunstige ligging der mijn voor den â van het erts. Afscheid, o.gmv. Een hartelijk â, een koel â; â nemen; tot â, ten Afscheiden (scheiden van), ik heb en ben â gescheiden; âscheiding,, v.; âschei-dinkje, o. Afscheid nemen (het vaarwel zeggen),quot;, gmv. â is een moeielijk ding. (C. O.). Geen nopen tot â baat. (Staring); â neining; (het af-scheidnemen), v. âen. Afscheidsbrief, m. âbrieven; âgroei, in. â en; âkns. m. âsen; âschrift (mil. p/w-poort), o. âen. Afschelferen (afschilveren), het is â ge-schelferd. Ken oude gangmuur gaat Afschenken (afgieten), ik schonk â, hel) â geschonken; al de thee â. de room van de melk â. Afschepen (per schip verzendfn), ik heb â -gescheept. Fig. iem. â. met bits bescheid wegzenden; -scheper, m.; âscheping, v. Afscheppen, ik heb âgeschept; den room van de melk â; âschepping, v. Afscheren (afknippen), ik schoor â. heb â geschoren; âscheerder, m.; âschering, v. Afschetsen (nateekenen), ik heb âgeschetst; â schetser. m.; âschetsing, v. |
Afscheuren, ik heb en ben âgescheurd; â scheurder, m.; â schcuriiig, v. Afschieten, ik schoot af, heb âgeschoten; een boog, een geweer, een kanon â ; lig. j zegsw. Pijlen op iem. â, nl. van den laster; toornige blikken â; den papegaai â. nl. van de stang, waarop hij geplaatst is; de voor-i poot was den haas âgeschoten', de wacht zeew. door een schot afkondigen, dat de nachtwachten worden betrokken; een arend schoot van den top der rots â ; de beek schiet van den berg â. Afschijn (dicht, glans, afschijnsel), m. gmv. Afsc'hilderen (met kleuren nabootsen), ik heb âgeschilderd; âschildering, v. Afschilferen (in schilfers of plaatjes afvallen). het is âgeschilferd; deze muur is geheel âgeschilferd, de wit kalk of het pleister is er afgevallen. Oof:: Afschelferen. Afschilfering (roos, huidziekte), v. âen. Afschillen (de schel of schil van ieU afdoen), ik heb âgeschild; de schors van een hoorn â; een appel, een aardappel â. Afschoffelen (met de schoffel losmaken), ik heb â gescholleld; âschoffeling, v. Afschoonen (opklaren), het is â geschoond; de lucht begint af te schoonen, is aardig af-geschoond; -schooning, v. Afschot (afloop, helling), o. gmv. Afschrift, o. âen. Van het contract werden drie âen gemaakt, navolging, kopie; â van een brief, testament, vers, opstel enz.; â van iets vragen, verzoeken, ei se hen; in â, bij â; dit rekest werd in of bij â aan alle schoolopzieners gezonden, in tegenstelling van het oorspronkelijke; voor eensluidend â, verklaring van den ambtenaar, dat de inhoud hem gebleken is overeen te komen met het oorspronkelijke. Afschri|ven, ik schreef â, heb âgeschreven; -schrijfgeld, o.; -schrijfloon, o.; â -schrijving, v. Afschrik (afkeer, innerlijke schrik), m. gmv. Afschrikken, ik heb â geschrikt; â schrik- ker, m.; âschrikking. v. Afscliiiinicn, ik heb en het is âgeschuimd. De bergstroom, die van de rotsen âschuimt, d. i. schuimend neerstroomt; het vet van den ketel, het vuil van gesmolten suiker â, afscheppen; vleesch, visch â; een stoomketel â, het schuim door de schuimkraan laten alloopen; âschiiiincr, m ; â schuiniing. v. Afschnincii (schuin afsteken), ik heb â -geschuind; âschuining. v. Afschuiven, ik schoof â, heb -geschoven; geld â, afdokken; âschuiving, v. Afschuren (reinigen), ik heb âgeschuurd; | iem. den bolster â, hem beschaven; â schniir-j der, m.; -schuring, v.; â schuursel, o. Afschutsel (heining, afsluiting), o. â s. Afschutten (afscheiden door een heining), ik heb âgeschut; âschutting, v. Afschuw (afkeer, walging), m. gmv. A f sch li wel ij k. Afschuwlijk (verfoeid ijk), bn. en bw. Een â gedrocht, een âe vloek, een - e kleederdracht, die rok staat u â; â heid.v. Afseinen, ik heb âgeseind. Een trein â, ; ga die pas ontboden locomotief â, den scheepsraad â, door te seinen afzeggen. Afsijpclen (druppelsgewijze afvloeien), het I is âgesijpeld; âsijpèling, v. Afsjorren (het touwwerk losmaken), ik heb ; â gesjord. |
3
28 A FSL A AN - AFSPHI NO EN.
|
Afslaan {vcijayeii, vcrdi ijueit, can de Uund i wijzen), ik sloeg â, heb en ben âgeslagen;' den vijand â. een aanval â, een storm â, 1 een eisch â, een aanbod â ; de bajonet ; van het geweer nemen; de prijzen zullen wel â, verminderen. Afslag' {vermindering), m. gmv.; â van straf, van schuld; â van visch (verkoop), de â, plaats waar men visch verkoopt. AflNlatfvr (openbare verkooper, vendumees- \ Ier), m. â s. AfKlavon (d. i. zich aftobben), ik hel» mij âgeslaafd. Hij staaft zich â voor zijn hinderen; dr landman was âgeslaafd door zijn arbeid, uitgeput. Aftilwliton {metalen gladhameren), ik heb, het is âgeslecht; â sleclilliaiiK'r {planeer-hamer), m.; â Klcclitin^ V. A{aftrekken), ik heb âgesleept. De booten sleepen een vlot de riviei' â; â â sleeper, m.; â Kleepin^;, v. AfsleiM'ii {afhangen), het heeft âgesleept. Een japon met af slepende strooken. Af'sliei*lt;'ii {afglijden), ik ben âgeslierd. De jongens slierden van de duinen â. Afslijpen {door slijpen wegnemen), ik sleep â, heb âgeslepen; âslijper, m.; -«lijping:, v.; âslijpsel, o. Al'slonxen {kteedij slordig dragen), ik heb â geslonsd; âslonzer, m.; âsïonxing:, v. Af'slo«»ten {door een stoot omringen), ik hel' â gesloot; ik zat dat stuk land laten â; â sloot ink', v. Atslorpen, At'slnrpen, ik heb âgeslorpt (-geslurpt); den room van de melk â, het ; vet van den bouillon â. Afslorpinjf en âsliirpin$r, v. âen. Afsloven (xicli), ik heb mij â gesloofd; zich dag aan dag â, zwaar vermoeien. Tot âs toe. j Afsluiten, ik sloot â, heb âgesloten; een i tuin, een buiten â ; een kast, een latafel â ; â slnitdijk, m.; âsluit«lam, m.; âsluiting'. v. Af sluit ingsdeelen (scheepst. al wat dient ; om een schip waterdicht te houden), o. mv. Afsmallen, ik heb â gesmald. Een plank, een rand â. d. i. smaller maken. w. g. Afsmeeken {afbidden), ik heb âgesmeekt; â smeeker, in.; â sineeking:, v. Afsnauw {norsch woord), m. gmv. Afsnauwen {iem. hits iets zeggen), ik heb â gesnauwd; â snauwer, m.; â snauwingyv. Afsnede, Afsnlt;ke, v. -sneden. Afsniiden {door snijden afscheiden), ik sneeil â, heb âgesneden. Een tak, een tros, ! een bloem â; de dood zal eens ons leven â; iem. het haar, den baard â; zegsw. Wie zijn neus âsnijdt, schendt zijn aangezicht, die 1 van kinderen of verwanten kwaadspreekt, | onteert zich zeiven; een draad, een koord â; van een rol timten eenige ellen â; fig. iem. j levensdraad {ook levensdagen, dagen) â, hem doen sterven; een boek zuiver â, de randen er afnemen met den boekbindersploeg; | iem. den weg, het pad, den toegang, den aftocht, den terugtocht, de gemeenschap â, j versperren; iem. den pas â, hem den weg afsluiten; den toevoer van levensmiddelen â, beletten, verhinderen; krijgsw. een legercorps â, scheiden, zoodat de verbinding belet is; scheepst. een schip van den wal â, het beletten aan wal te komen, door zich tusschen den wal en het schip te plaatsen; iem. rede, woorden â, hem beletten voort te gaan; iem. verwachting, hoop, uitzicht â, er voorgoed een eind aan maken; een gezegde, een vraag, een gesprek â, ze plotseling voorkomen; de aanleiding, gelegenheid tot iets â, ineens voorkomen; vriendschap, verkeer, omgang met iem. â; âsnijder, m.; â snijdings', v.; âsnijdsel, o.; âseiiaar (glasblazerij, schaar waarmede men de overtollige dee ten wegsnijdt), v. |
Afsnipperen, ik heb âgesnipperd. De ongelijke kanten van een papier â, wegnemen; een uur voor liefhebberijstudie â, afnemen; â snipperiiitt', v. Afsnoeien, ik heb âgesnoeid; âsnoeier, m.; âsnoeiing, v.; âsnoeisel, o. Afsnoepen {behendig ontfutselen), ik heb -gesnoept. Een gebakje van een schial â; iem. iets de jongens hebben mij de lekkerste peren -gesnoept. Afsnuiten, ik snoot â, heb â gesnoten. Een kaars â; â snuitsel. o. Afsnuiten {een stuk hout van de scherpe punt ontdoen), ik heb âgesnuit; â snui-tinsr, v. Afspannen {een trekdier losbinden), ik heb â gespannen; âspanner, m.; â spaiining-{herberg, stalhouderij), v. Vlaamsch. Afspelen {ten einde spelen, geheel vertoonen), ik heb en het is âgespeeld; het dominospel â, een blijspel â. Afspieden {afloeren), ik heb âgespied; een strui/croover, die den weg afspiedt-, âspieder. m.; â spiecling, v. Afspiegelen {terugkaatsen), ik heb âgespiegeld. Het meer, dat de maan -spiegelde-, het water, dat hoornen en huizen âspiegelt; {zich) in de letterkunde spiegelt zich de geest des tijds af; âspiegeling, v. Afspinnen. ik spon â, heb âgesponnen. Een pond vlas, een bundel hennep â; een rokken â; een draad van groote lengte â; tien levensdraad â; zijn levensdraad is afgesponnen, zijn einde is daar. Afsplijten (spinters verliezen), het spleet â. bet is âgespleten; -splijting, v. Afspiinteren, ik heb en het is âgesplinterd; â splintering. v. Afspoelen, het heeft en is âgespoeld. Al het waschgoed is van de bleek âgespoeld-, het eiland, waar de zee elk jaar een brok van âspoelt; de zee spoe't de duinen daar geweldig af', het stof van zijn handen â; de zorgen, bekommeringen, aandoeningen â, verwijderen; de kopjes, de glazen â, spoelend reinigen; âspoeling, v. Afspraak {mondelinge overeenkomst), v. â spraken. Een â met iem. maken-, in â staan met iem.; zich aan een â houden', volgens â; tegen de gemaakte â; dat was de â; bij â. Afspreken {bepalen, mondeling overeenko-men, beramen), ik sprak â, heb âgesproken. Met iem. iets â; dit blijft dan zoo âgesproken, bepaald; iets voor afgesproken houden; zooals âgesproken is; alsof het âgesproken is; âgesproken wei'k, spel, vooraf beraamd om een ander te verschalken. Afspringen {zich met een sprong verwijderen), ik sprong â, ben en heb âgesprongen. Fig. De onderhandeling is afgesprongen, d. i. plotseling geëindigd; âspringer, m.; â springing, v. |
A KST A A N - A K T I {K i\ K K N.
|
Afstaan (afstand doen van), ik stond â, heb âgestaan. Af Kt a in mc li n;;' (afkomeliny, bloedverwant in nederdalende lijn), m. en v. âen; v. ook At'staniimkliiiK'lt;gt;. At'staiiimlt;kii (zijn oorsprong ontleenen), ik hen âgestamd; â staiiiiiiin^-, v. Afstand, m. âen; â doen, opgeven, laten varen; een groote â, een â a{leggen, op eerbiedigen â blijven] de â van twee lonen, \ tusschenruimte; iem. op â honden, terughouden. AfstaiKlsinetin^:, v. â en; â ivijzor,m. â s. Afstappen, ik heh en hen âgestapt. Van een stoep â, een ladder â; hij htcam zijnerf \ â; fig. Van iets â, het opgeven, laten loopen of varen; laten wij ran dit gesprek â; in een herberg â, zijn intrek nemen; bij iem. â , bij hem eenigen tijd vertoeven. Afsteken, ik stak â, heh en ben â gesto- ; ken; een schip doen â, afvaren; de randen â, wegsteken, verwijderen; âsteker, iu.; â steking, v. Afstek o. gmv. Van uitstel komt â, door uit te stellen kornt van een plan ten laatste niets, i Afsteinnien. ik heb âgestemd. Een voorstel, een wet â, bij stemming te niet doen; â â¢steinniin£'. v. Afstenipeh'ii. ik heb âgestempeld. Postzegels â, coupons â, d. i. stempelend vernietigen; â stempeliiii;-.. v. Afsterven, het stierf â, is -gestorven; â sterving', v. Afstijgen, ik steeg -, ben âgestegen. Een trap, een ladder, een paard â: â stijging;', v. Afstoifen (reinigen van stof), ik heb âgestoft. Een koffer, een lessenaar â; â stof-tiiifr, v. Afstompen (stomp maken), ik heb âgestompt. De horens van den stier â; âstomping, v. Afstooten, ik stiet en stootte â, heb â ge-stooten; âstooting', v. Afstootemle kracht (nat. tegenstelling der aantrekking), v. gmv. Afstorten (doen nederstorten), ik heh eti ben âgestort; -storting', v. Afstraifen (de noodige straf toedienen, oid* den mantel uitvegen, doorhalen), ik heh â -gestraft; âstratting, v. Afstroopen (door afstrijken verwijderen), ik heb âgestroopt; een haas het vel â; een paling Afstuiten (met een stoot teragspri)igen), het is âgestuit. De pijlen, slagen, schichten zullen â op schild, harnas, enz.; al de beschuldigingen zullen â op haar deugd; âstuiting', v. Afstuiven (wegstuiven), ik stoof â, ben â i -gestoven; â stniving', v. Afsturen (doen heengaan), ik heb â gestuurd. | Afsnllen, ik ben â gesuld. Zich langs een ladder, een dak laten â, afglijden; van de stoep â; van zijn stoel de jongens waren bezig van den heuvel af te â. Aftakelen (scheepst. ontdoen van zijn want), ik heb en het is âgetakeld. Dat schip ziet er deerlijk âgetakeld uit. heeft veel schade geleden aan het tuig. Fig. hij is heel wat âgetakeld, d. i. achteruitgegaan in gezondheid. Aftanclig (oud, afgeleefd), bn. Een oude âe : vrouw. vero. |
Aftamlsch (van het tanden krijgen af), bn. | met het zevende jaar is een paard gewoonlijk â. Aftap {de daad van aftappen), in. gmv. De â van wijn, bier, gietijzer; â kraan. v. Een â kraan openen. Aftappciu, ik hebâget;-pt. Wijn. bier, azijn â , door een tap nit hot vat in flesschen laten loopen; iem. bloed â, aderlaten; iem. het bloed â, hem uitputten; het water van een stoomketel â, laten weglcopen; het water door duikers, buizen, jnjpev â, (wat.) laten afvloeien; gesmolten metaal door het steekof gietgat laten uitvloeien; terpentijn uil denneboomen â: dit vat moet van de weel; afgetapt worden: ik zal dien lijver laten â, ledigen; âtapper, m. die kuiper is tevens â tapper van wijnen; âtapping', v. Af tarnen (aftornen), ik heb âgetarnd. Een strook ran een japon â. Afteekenen, ik heb âgeteekend. Een bloem naar het leven â. Het kwaad â, schetsen; â teekenaar, m.; â leekening, \. Aftellen (afnemen), ik heb âgeteld. Ik heb van dat geld tiengulden -geteld; âtelling-, v. Aftieg-en, ik toog â, heb en ben âgetogen. /cm. van iets â, aftrekken, met geweid verwijderen; iem. een masker, een ring, eer klee-dingstuk â; die bui zal wel â. vero. Aftobben, het heeft -getobd. Zorgen die de z iel â. Ook ; zich â (zich overmatig inspannen). Af toelit (het wegtrekken, af mar cheer en, heen â zeilen), m. âen. De â der Franschen, hst vertrek; den â slaan of blazen. Fig. iem. een veiligeïi â bezorgen, in veiligheid brengen. Aftonnen (met zeetonnen voorzien), ik heb â getond. Men mocht de baai tvel â; eeii stapel turf â. afmeten per ton; âtomiing, v. De âtonning van het vaarwater. Aftoomen (o}Udoen van den toom), ik heli â getoomd. De paarden werden âgetoomd en op stal gezet; âtooming:, v. Aftoppen (ontdoen va}}, den top), ik heb â topt. Hoornen, takken wat â topping-, v. Aftornen (aftarnen), ik heh âgetornd; â -torning-, v. Aftorsen (torsend verwijdere}i), ik hel» â -getorst. Eiste}i, boeken, balen va}} den zolder â. Aftouwen (afrunsele}}), ik heb âgetouwd. fem. of iem. lijf â, hem afrossen, w. g. Aftreil (het afstappen), m. gmv. Hij den â van het tooneel, d. i. bij het verlaten. Aftreden, ik trad â, heb en hen âgetreden. Hij ie}}}. â. g:ian vertoeven; in een winkel â: fig. van het staatstooneel â, het verlaten; het Ministerie gaat zeker â, ontslag nemen. Aftrek, m. gmv.; â hebben, â vinden (koo-pers vinden); na â van de onkosten (in mindering). Aftrekken, ik trok â, heh en ben âgetrokken. Een kanon â, afschieten; de hand van iem. â, hem aan zijn lot overlaten; de oog en van iem. of iets â, afwenden; het hart, de}i geest, de zinnen van ie}}), of iets â; iem. aandacht va}i iets â, afleiden; ik wil u nog geen oogenblik van priktol of hor-pel â (('. Ã.), verwijderen; iei}}. het masker â, afrukken; de schade, van iem. huur â, afnemen; iem. tien galden van zijn rekening â ; de. jonge}i leert goed, is al aan het â, rekenk. bewerking; een haas de huid â, afstroopen; kruiden in kokend water â; de thee laten â ; iem. de ladder â, naar beneden trekken; het leger gaat afrukken; |
A FTK KKKER - AFW A AI EX.
30
|
met de stille trom â, zich stilletjes verwijderen; die bui zal wel â, wegdrijven; het leger trok op Leiden â, er heen trekken; af- en aantrekken, beurtelings heengaan en weeromkomen. Aftrekker, in. â s. De â van een kanon. werktuig om het te ontladen; de â way niet (jrooter zijn dan het aftrektal, rekenk. Aftrekking-, v. âen. â door prikkelende middelen: na â der huid; de â van kruiden, een â maken. Zie Aftrekken. Aftreksel, o. â s. Jenever is een verderfelijk â; een â van lindebloesem. Aftrekvijl {af njlrasp, rjroote vijl met groven rasphouw), v. âen. Aftroeven (in het kaartspel), ik hel» âgetroefd. lem. â (met woorden), hem de les lezen, afsnauwen; â troever, m.; â troe-vinis*, v. Aftroggelen (door mooie praatjes zien te krijgen) ik heli â getroggeld; â troggelingvv. Aftrommelen {trommelend afkondigen), ik heb âgetrommeld. Een bevel op cfr? hceken der straten â. Fig. een muziekstuk â, het haas tel ijk op de piano afspelen. Aftroonen, ik hebâgetroond. lem. van zijn post â, met mooie praatjes hem daarvan aflekken; iem iets â, het op behendige wijze van hem zien te krijgen; iem. een bekentenis â, zien te ontlokken. Aftrotsen, ik heli âgetrotst. Iem. iets â, afpersen door terging, tarting, bedreiging, vero. Aftruggelen. Zie Aftroggelen. Aftuigen (ontdoe.I van tuig), ik heb âgetuigd. Een paard, een ezel, een bok â. Aftuimelen (van een hoogte tuimelend neervallen), ik ben âgetuimeld; âtuimeling, v. Af tuinen (afheinen, afschutten), ik heb â -getuind. Een koolveld â ; âtuining, v. w. g. Afturen, ik heb âgetuurd. Een weg â, turend afkijken. Aftweernen, ik heb âgetweernd. Zie Af-twynen. Aftw^nen, ik heb âgetwijnd. Is dit garen al âgetwijnd, het geheel, ten einde toe twijnen. Zie Twijnen. Afvaardigen, ik heb âgevaardigd. Ie)n. naar Engeland â, d. i. hem met een bepaalden last als afgezant daar heen zenden; hij is door de af dee ling naar de algemeene vergadering âgevaardigd, afzenden en machtigen, mét of zonder bepaalden lastbrief; â -vaardiging, v. Afvaart (vertrek van schepen), v. âen. Afvagen {afvegen) jk heb âgevaagd. Vlaamsch. Afval (het losgaan, scheiden), m. gmv. De â der bladeren, w. g. Afval (het afvallen), m. gmv. De â der elf provinciën', de â van vele voorname steden; tot â overhellen', iem. â veroorzaken; iem. â verhoeden, voorkomen, tegenhouden; iem. tot â brengen, hem tot verzaking van God of godsdienst brengen; er is in die werken een geest van â, godsdienstverzaking. Afval (het afgevallene), o. gmv. Er was op de fruitmarkt niets dan â; de â op den dorschvloer, verstrooide graankorrels, stroo, kaf; het â van den timmermanswinkel, d. i. kleine stukjes hout, krullen, spaanders, enz.; het â in de goud- en zilverbewerking; het â in de spinnerij en weverij; hel â van de vleeschbank; hei - in den landbouw, de varkens worden er gemest met het â; het |
â van den disch, van een maal, enz. overschot, kliekjes; van den of het â leven, zijn levensonderhoud vinden in hetgeen een ander van zijn overschot ten beste geeft; graan â , o.; koren-, o.; tarwe â , o.; bankâ, o.; haard-, o.; groenteâ, o.; plantenâ, o. Afvallen, ik heb en ben âgevallen. Van een bank, een stoel â, naar beneden vallen; die steen is van den muur âgevallen; een mantel, een reisdeken kan ergens (van het Hjf) â i 'ig- die steen is hem van het hart âgevallen, wat hem drukt, knelde, is weg; de wijngaardbladeren gaan â, op den grond vallen; gordijnen, die in breede plooien â, nederwaarts hangen; wat zijt ge âgevallen, vermagerd; van den wind â, (zeew.) van den wind afwijken; iem. â, tegenvallen; iem. of van iem. â, hem ontrouw worden, zijn zaak verloochenen; God â. zich tegen Hem verzetten; de âgevallen Engelen; van den godsdienst, het geloof, de kerk â. er ontrouw aan worden. Afvallig (ontrouw), bn. De âe provinciën; â hcid, v. Afvallige (verzaker van zijn geloof), m. en v. -n. Afvaren, ik voer â, heb en ben âgevaren. Van den wal, een eiland â, wegvaren; de boot zal om een uur â, vertrekken; op iem. of iets -, er naar toe varen; een rivier â ; wij zijn dé Waal een heel eind âgevaren; open â , stroomop- en stroomafwaarts varen. Afvegen (ontdoen van stof, reinigen), ik heb â geveegd; -veegsel, o.; âveger, in.; â -veglng. v. Afvergen (eischen), ik heb âgevergd; â -verging, v. Afvieren (scheepst. een touw geheel ten einde toe vieren of laten schieten), ik heb âgevierd. Vier â den fokkeschoot! Afvleien (door vleien verkrijgen), ik heb â gevleid; âvleier, in.; âvleiing, v. Af vlieten, het vloot â, is âgevloten; â -vlieting, v. Af vlijmen (afsnijden), ik heb âgevlijmd. Een gezwel voorzichtig â ; het leder bij het boekbinden op de kanten â: â vlljmlnig, v. Afvloeien, liet heeft en is âgevloeid. Het overtollige water zal wel zich vloeiend verwijderen; een aan- en afvloeiende stroom van kunstbeschouwers (C. O.), d. i. langzaam komend en gaand; het water dat de bergen â vloeit; een bede, die van de lippen âvloeit; de haren, de baard, die â naar beneden, afgolven; â vloeiing, v. Af voederen (afvoeren, b.v. het vee), ik heb â gevoederd ( â gevoerd); â voedering, v. Afvoeren (wegvoeren), ik heb âgevoerd; â voercler, m.; âvoering, v.; -voerkanaal, o. Afvorderen (afeischen), ik heb âgevorderd; â vorderaar, in.; âvordering, v. Afvragen, ik vraagde (vroeg) â, heb âgevraagd. Iem. rekening â; iem. iets â; zegsw. zoo vraagt men den boer de kunst af, zoo komt men van onnoozele lieden het geheim te weten; â vraging, v. Afvuren (doen ontbranden), ik heb âgevuurd; â vuring, v. Afwaaien, het woei of waaide â, heeft en is âgewaaid. De sneeuw begint het dak af te waaien. |
A F WA ARTS-
AFZIJGKN.
31
|
Afwaarts (neder ivo arts), bw. De wen liep â ⢠Afwachten (lunchten op iets of iem.). ik heb -gewacht; âwachter, m.; -wach-tiniC) v. Af walken, ik hel» âgewalkt. Wollen, katoenen, vilten stoffen of voortver pen â. met slaan, stooten, duwen gereed maken, bereiden. Zie: Walken. Afwannen, ik hel âgewand. Wij zullen het koren maar eei'st â, alles afdoen, wat er te wannen is. Af wasschen (door ivasschcn reinigen), ik wiesch â, hel» -gewasschen; -waschster, v.; â wasschingk v. Afwateren (water afvoeren), het heeft âgewaterd. Huur mans land watert af op onze sloot; â watering, v. Af weeken (door weeking los maken), ik heb en het is âgeweekt; â weekin^, v. Afwejf (zijweg), m. âen. gmv. Afwegen, ik woog â, heb âgewogen; â â weger, m.; âweging', v. Afweiden (kaal grazen), het vee heeft âgeweid; â weiding-, v. Afwenden (een andere richting geven), ik heb -gewend; -wender, m.; - wending, v.; â wendHter, v. Afwennen (afleggen, b.v. een slechte gewoonte), ik heh âgewend; âwenning, v. Afwentelen, ik heb âgewenteld; den steen van het graf â; âwenteling, v. Afweren (afkeeren, op afstand houden), ik heb â geweerd; â weerder, m.; â wering, v. Afwerpen, ik wierp â, heb âgeworpen; â werper, m.; âwerping, v. Afwezen (er niet zijn), o.; â wezend, bn.; â wezendheid, v.; -wezig, bn. Af wezenden (de niet tegenwoordig zijnde personen), m. en v. mv. Afwezigheid (niet-tegenwoordigheid),v.gxn v. Afwijken (in andere richting gaan of /00-pen),ik\\eek â, ben âgeweken; -wijker,m. Afwijking, v. -en. - van het lichl, â van de magneetnaald. Afwezen (van de hand wijzen), ik wees â, heb âgewezen; â wijzing, v. Afwinden, ik wond â. heb âgewonden; â winder, m.; âwinding, v.; -windster, v. Afwinnen, ik won â, hel» âgewonnen. Den vijand een stad. een provincie, een veldslag â, d. i. door strijd van hem winnen; hij won hem al het geld â, d. i. al spelende; iem. in een wedstrijd een prijs â; iem. een voordeel, een goede kans iem. dr loef â, d. i. door sneller varen afsteken; het iem. of van iem. â; het de zon â, opzijn vóór zonsopgang. Afwisschen, ik heb â gewischt. Een vlek, bloed, zweet â, met doek ot hand vegende wegstrijken; tranen â; iem. tranen lig. hem troosten; een schuld, een misdaad, een zedelijke smet van iem. â, er hem van zuiveren; een smaad, een hoon in of met bloed â, nl. door den heleediger te dooden; een smaad met zijn bloed â, zich dooden; â wis-scher, m.; â wissching, v. Afwisselen (op zijn beurt vervangen), ik ben en heb â gewisseld; âwisselend, bn. en bw. â wisseling, v. Afwreven (schoonwrijven), ik wreef â, heb â gewreven; âwryving, v. Afwringen (loswringen), ik wrong â, heb â gewrongen; âwringing, v. |
Afzadelen (ontdoen van het zadel), ik heb â gezadeld; âzadeling. v. Afzagen (met een zaag afsnijden), ik heb â -gezaagd. Fig. een afgezaagd liedje, onderwerp, enz. d. i. te lang gezongen of behandeld; de afgezaagde voordeden van een trekschuit opsommen. (C. O.) Zie Afgezaagd. Afzakken (naar beneden zakken), ik ben eti hef is â gezakt; âzakker, in.; â zakkertje (borrel), o.; âzakking, v. Af zanden, ik heb âgezand. Een heuvel een duin â, ze door afgraving verlagen; â â zandery. v.; âzanding, '. Afzanen, ik heb â gezaand. De melk â,*deii room er afscheppen; âgezaande melk. VI. Afzeggen (afwijzen, bedanken voor), ik hel» â gezegd of â gezeid; â zegger, m.; âzegging, v.; -zegster, v. Afzeilen, ik heb en ben âgezeild. Van een eiland â, een vaartuig gaat â, wegzeilen, onder zeil gaan; op iets â, zijn koers richten naar dat punt; op iem. â, recht op hem afgaan met vijandelijke bedoeling; een rivier â; stroomafwaarts zeilen; dat schip heeft al wat âgezeild; vrij wat zeetochten gemaakt. Afzenden, ik zond -, heb -gezonden. Een jongen van den winkel â, verwijderen, wegzenden; een schip van de vloot â; een knecht, een bediende â, uitzenden; een troep ruiiers â , zenden met bepaalden last; een gezant naar eenig hof â; Alva zond een leger tegen Lode wijk â; koopwaren â, aan een bepaald adres zenden; een brief, een circulaire â; kogels op een fort, een schip, de wallen â ; een hagelbui van steenen op de politie â; â gezant, (zie aid.) m. âen; âzentler. m.; âzending, v. Afzender, m. â s. De â vayi koopwaren. expediteur; de â van een brief moet dezen frankeeren. Afzon ge 11, ik hel» âgezengd. Veer en van een vogel, haar van een huid â; een vogel de veeren^ een paard de manen â; âzenging. v. Afzet (verkoop), m. gmv. Afzetbaar, bn. Een â ambtenaar, d. i. die ontslagen kan worden; de rechterlijke macht is niet â; -heid, v. Afzetten, ik heb âgezet; -zetsel (loot, stek), 0.; âzetter, m.; âzetterij (bedrog), v. Afzetting (kunstmatige afsnijding, amputatie), v. gmv. De â van een hand. Afzichtelijk, bn. en bw. â ongedierte, een âe bedelaar, d. i. onoogelijk, wanstaltig, foei-leelijk; zijn handen waren â zwart; -heid, v. Afzichtig, bn. en bw. Een âe wonde, d. i. afzichtelijk. Afziedsel (afkooksel), 0. â s. vero. Afzien, ik zag -, heb âgezien. Van iets of iem. â, laten varen; iem. doen â van een gezindheid, meening, enz., hem die laten opgeven, hem er af brengen; van een eisch, een aanspraak â; van een oorlog, een beleg, een storm, een tweegevecht â; van de wraak â; van het woord â; iem. een voordeel â, afwinnen; den besten meesteren de kunst â (Vondel), d. i. afspieden; die jongen is gewoon zijn huiswerk af te zien, afkijken; de kans â, afwachten; âzienbaar, bn. een nauw â bare vlakte', âzienbaarheid, v. Af zijgen, het zeeg â, is en henft -gezegen. Van een stoel, een bank afzakken, neerzinken; de waterdeelen van geronnen melk |
A l'ZI.IN âA.IASZES.
|
â. door doorzijgiug alscheiden, afzonderen; âsel, o. Afzijn (afweziijheid), o. gmv. Na een â van acht dagen; zij zullen zich aan aio â fje-ivennen. Af'zijpelen, liet is en heeft âgezijpeld. Het bloed ziet men langs zijn wangen â, traag neervloeien. Thans: Afzonderen {afscheiden, verwijderen, ik heb â gezonderd; zich â; âzonderin;;', v. Afzonderlijk, lm. en b\v. Een âe slemp kamer, afgescheiden, vrij; de kinderen zaten â, d.i. niet bij de volwassenen. Afzweren (bij rede verwerpen), ik zwoer â, hol» âgezworen; âzweerder. in.; â zwe-ring-, v. de o fzwering van Philips II (1581). Afzweren {afet ter en), de pink zwoor â, is âgezworen; â zwerinjf. v. A^-aat {edelsteen vol k Ie ar scha keeri ng), m. agaten; o. voor de stof. Bandâ, brokken â, mosâ, koraal-, regenboogâ, enz. Een armband van Agraeeeren {opwinden, sarren, tarten] aanvaren, belast maken). Ajjaeerie {terging, sar der ij, tarting), v. gmv. A^alniatolief {delfstof, speksteen), o. gmv. Chineesch â, beeldjes, pagoden van Ook: Pagodiet. Ajfanm {diktongige hagedis), m. agamen. A^ami {trompetvogel, Z. Amerika), m. â's. A^ape {liefdemaal der eerste Christenen), v. â n. A^ar-a^-ar {CeiIon-mos, eetbare zeewier, geleiachtige wier), v. gmv. Agaten {van agaatsteen), bn. Een â armband. A^atliolo^-ie {leer van het fjoede), v. gmv. Aft-ave {Mexicaansche plant), v. â n. Ag-e {achtervoegsel van Franschen oorsprong), h.v. lekkage, v.; strijkage, v.; slijtage, v. (zelfstandig gedachte werkingen); pakkage, v.: plantage, v.: pluimage, v.; tuigage, v.; bosschage, o. d.i. verzameling; stellage (steiger-werk), v. d. i. werktuig. Ageeren {handelen, tr. werk gaan)', legen iem. â, hem gerechtelijk aanklagen. Agenda {getijdenboek) dagboek), v. â quot;s. Aftent {zaakbezorger), m. â en; âesse of es, v. âsen; âseliap. o. âpen. Aftent de eliaiifte {wisselaar, wisselmaker), m. agents de change. Aftent van politie {gerechtsdienaar, diender), m. agenten van politie. Aftfter, m. gmv. De â komt op, plotselinge rijzing van het zeewater bij eb op de Zeeuw-sche kust. Aftftiustaniente {stipt, zeer nauwkeurig), bw. muz. Aftftiomeratie {samenhooping, opeen hooping). v. â s, â tiën. Aftftloniereeren (zieli) (zich ophoopen, grooter worden; ophoopen, dicht bij elkander bouwen). Aftftlutinatie (nereeniging door hechtende of klevende middelen), v. gmv. Aftftravatle {bezwaring, verzwaring, b.v. van een straf), v. gmv. Aftftraveeren (verzwaren, verergeren). Aftftrefteeren (toevoeggt;'n, ergens in opnemen). Aftlel (behendig, vaardig, gezwind), bn. Aftilileit {vlugheid, behendigheid), v. gmv. Aftio (opgeld bij 't wisselen), o. gmv. Aftiotafte {.actiehandel, speculatie in den elfectenhandel), v. gmv. |
Aftiotenr {actiehandelaar; geldwisselaar), m. â s. Aftitatie (gisting, ivoeling, onrust, opgewondenheid), v. â s, âtiën. Aftitator (volksmenner, opruier), m. âs. Aftiteeren (bewegen, verontrusten; vervolgen, in spanning brengen). Aftnaten (naaste bloedverwanten van vaders zijde, zwaardmagen), m. mv. Aftnoseeeren {als echt erkennen, voor geldig verklaren). AftnostieiiK (ongeloovige, letterk. onwetende), m. â tici. Ag-nns Igt;ei (Lam Gods; R. K. eerste woorden van een gebed in de Mis; ook muziek op die woorden gemaakt), m. en o. gmv. Aftonie {doodstrijd), v. gmv. AftoniHeer«?n( z ieltogen, o]) het u iterste liggen). Aftrandissenient (vergrooting), o. âen. Aftrapliie (verlies van het schrijf vermogen), v. gmv. Aftrariseli (den akkerbouw of de akkers be-tre/fende), bn. De âe wetten der Romeinen. Aftrariseli socialisme, o.; wil enkel de onroerende goederen (akkers) als staatseigendom. Aftrariselie wet (akkerwei, graanwet), v. Aftreëeren (aangenaam zijn, gunstig aun- of opnemen). Aftrementen (sieraden, garneersel), o. mv. Aftressief (aanvallend), bn. en bw. Een â ieve houding'. Griekenland ging â te werk. Aftrienltiinr (land-, akkerbouw), v. gmv. Aftrinionia (zeker bitter kruid, leverkruid. boeIkenskruid), v. gmv. Aftronoom. Aft-rononiist (wetenschappelijk gevormd landbouwer), m. ânomen. â -misten. AftiirU (soort van kleine komkommer), v.; â en. Ook: Atiftiirk. Ah, tw. Het woord Ah! is een uitroep van droefheid, van toorn, van walging, enz. Verdubbeld: Ah, ah, daar zijt gij! Aha, tw. Het woord Aha! is een uiting van aangename verrassing, van goedaardige scherts, van terechtwijzing, enz. Aha, is u bang voor koud water? Ahorn (eschdoorn), m. âen. In ons land vindt men den gemeenen â (Schotsche lindeboom) en den kleinen â (ook Spaansche aak of eik); âboom, m. Ahornen (ahornhouten), bn. Een â tafelblad, o.; een â ham er steel, m.; een â boog, m.; een â rekstok, m. Ai, tw. liet woord Ai! is een uiting van smart en verdriet, inzonderheid van pijn: â, wat stoot ik mijn knie daar! Ai, Aai (lu iaard, viervoetig dier in Brazilië en op (leiIon, aldus geheeten naar het geluid dat het voortbrengt), m. â's. Aide (hulp, bijstand; helper, handlanger), m. âs. Aide de eamp (generaal-udjudant), m. aides de camp. Aimabel {beminnenswaaraig, lieftallig), bn. Air (schijn, uiterlijk, houding), o. â s, Zich airs geven, d. i. zich grootsch aanstellen. Aisanee (ongedwongenheid in manieren, gemakkelijkheid, welgesteldheid), v. gmv. Aise (gemak, welbehagen), v. gmv. Op zijn â zijn, d.i. ergens op zijn gemak zijn. AJaszes. AJasses, tw. Het woord is een uitroep van tegenzin, afkeer, walging (platte volkstaal), b.v. â, wat vuile handen! |
A J ER BLAND A - A LBEST L' U R.
33
|
A jer blanda {m ineraa I water), o. Een flesch â. A jour (doorschijnend, niet openingen), b\v. A journeeren (ver day en, tot een andei'en day verschuiven). Ajiiin {ook ni of siepel), m. âen. De â bloeit in de maanden Juni en Juli. A justeer en (yelijkmaken, aanpassen; zich yereedma ken). Akant (plant in Z. Europa, berenklauw), in. âen. Akelietje. o. â s. Een mooi, een lekker, een pleiziei'iy â, ir. een naar, vuil werk. Akelei (ranonkelachtiye plant), v. âen. Akelig (naar, treurig), l)n. en bw. Een â doodshoofd, een â duister, een â yeruisch, een âe stilte; âe gedachten; âe nachten; een â gedicht; een â gezicht zetten; â worden of zijn van iets; het gezicht van Piet er stond â bedroefd. (C. O.); â lieid, v. Aker (vrucht van den eik), m. â s. \v. g. Fig. voorwerpen in den vorm van een aker of eikel: Zilveren pijpedoppen in palmhouten â tjes. (C. O.) Aker (koperen of ijzeren emmertje), m. â s. Een â bij den regenbak. Akerboom (eikeboom), m. âen. vero. Akerspek {van een met eikels gevoed varken), o.; âvarken, o. Akevietje, Akkefietje, o. Zie Akefietje. Akker (bouwland), m. â s. Den â ontginnen, toebereiden, ploegen, bebouwen, zuiveren, enz.: fig. de â des Woords, de â der poëzie; de - der dooden, Gods 's li eer en U. 1. het kerkhof; Gods water over Gods â laten stroome7gt;, zicii ter wereld niets aantrekken; â aarde, v.; âboterbloem (ha-nevoet. kroon), v.; âbouw, in.; âbrem (plant), v.: âkamille (onkruid), v.; -kers. v; âklis, v.; âkool (hazen lat uw), v.; â -land (bouwland), o.; âleeuwerik, m.; -man (landman), m.; âmuis, v.; - viooltje, o.; â vrucht, v.; âwerk, o. Akkeren, ik heb geakkerd. Het bouwland â, beploegen; vruchten telen, kweeken. w. g. Akkennaal (grens des akkers), o. gmv. â â sboseli (jong eiken hakhout als akkergrens), o.; â sliout (eiken opslag als zoom om akkers), o. Het âshout wordt om de zeven jaar gekapt. Akkerwet, v. âten. De â ten (in Home) van de Gracchussen. Akkerwinde (slingerplant), v. â n. De â heeft roode of paarse bloemen. Akkevietje, o. Zie: Akelietje. Akkoord (overeenkomst, vergelijk), o. âen. Tot â komen, geraken, het eens worden: tot â brengen; een â maken, sluiten, treffen, \ aangaan; een zwijgend â; zijnschuIdeischers ! een â aanbieden (rechtst.); een â aanslaan, (muz.) samenklank van drie of meer tonen; zoete, reine, volle, heerlijke âen! Akkoord: Nu zijn we â; die rekening is â; alles is â bevonden; juist â zijn! bw. uitdrukk. doelende op overeenstemming, juistheid. , Akolei (bloem), v. âen. Zie: Akelei. Akolei. Fig. de benaming van verschillende voormalige rederijkerskamers: De Witte Aco-leijen te Leiden (als zinnebeeld van ootmoed en liefde). Akoniet (ranonkelachtige giftplant), v. en o. â en. Tot de âen behooren de monnikskap koenen, Ver LI. Handwdb. d. Neder l. taal. |
(met blauwe) en de wolfswortel (met gele bloemen). Aks (bijl met langen steel en twee sneden), v. âen. In gebruik bij hoathakkers; voormalig strijdwapen: strijdbijlen en aksen. Ook: Aaks, Aakse, Akst (strijdbijl). Akst (groote en zware strijdbijl der middeleeuwen), v. âen. Akte, v. â n en â s (spreektaal); een treurspel in vijf ân, bedrijven, handelingen; een â opmaken, overschrijven, voorlezen, wettig bewijsschrift; een authentieke -, d. i. in wet-telijken vorm verleden; een onderhandsche â, een notarieele â, een â van den burgerlijken stand, betreffende geboorten, huwelijken. overlijden, enz.; een â van bekwaamheid, een â van hoofdonderwijzer; een â voor de wiskunde, het Fransch, enz. bewijs van bevoegdheid: â voor de jacht of vis-seherij, bewijs der overheid; â eragen (/echtst.) opteekening vragen van eenige verklaring; â verleenen, dat verzoek inwilligen; â nemen, nota nemen. Een --ejcamen, d. i. voor het verkrijgen eener akte als onderwijzer; -re-Sïister, o.; â seiirijver, m. Al, telw. en bn. Met â zijn macht, geheel- â het volk; â zijn best; âle man, d. i. elr.e; in âle geval; inâlen opzichte; âlegedierte; â le angst, âle goed; ik heb âle verwachting, do hoogste; âle uur een lepel, elk; â le dag, âle week; ten âlen tijde, te âIer ure; â uw moeite, â het gevogelte; âle mannen; het lot âIer menschen, âle drie, â le beide. Al, zn. en telw. Het â (heelal, alles). God schiep het â; âler óogen wachten op U, tot â Ier verbazing, wij gaven â len hun loon, roep âlen. Al, bw. Al te goed (bw. van graad); hij was er al, reeds; zeg het â of niet, wel; gij kunt â of niet gaan\ het kind huppelt â door de kamer, voortdurend; hij praat â maar door, gedurig; â doende leert men. A la baisse (op daling), bw. Speculeeren â. A la bonne lieure (het zij zoo! goed!) bw. A la lettre (letterlijk, naar de letter), bw. A la minute { dadelijk, opstaanden voet), bw. Alan^-alan^'. (tnd. reuzen- of prairie-gras), v. gmv. De âvelden bestaan uit een eentonige zilverwitte graszee. Alaut (geneeskrachtige plant), m. gmv. â s- w or tel, m. Alarm (wapenkreet, noodkreet), o. gmv. â slaan. â blazen, â luiden, een loos â, op het eerste â, een valsch â; âblazer, m.; â flBuit. v.; â{jeklep, o.; âgeschrei, o.; â kanon, o.; âklok, v.; âkreet, m.; â -seliot, o.: -sein, o.; â teeken, â¢gt;.; âtoestel, o.; âtrom, v.; âtrompet, v. Alarmant (verontrustend),bn. Een â bericht. Alarmeeren (opschudding maken, onrust maken, schrik aanjagen). Albast (kalkachtige delfstof), o. gmv. Er is kalkâ en gipsâ. Albasten (van albast), bn. Een â vaas. Albatros (stormvogel), m. âsen. Albe (miskleed, koorhemd), v. â n. Ook: AWa. Albedil (albeschik), m. en v. âlen. Albedrijt' (persoon), m. en v. âbedrijven. Albedril (pe rsoon), m. en v. âlen. Albehoeder (de Godheid), in. gmv. Albesehik (persoon, moeial), m. en v. âken. Albestuur (het opperbestuur Gods), o. gmv. Ook: âbestier. 3 |
3i ALBIKOOR
ALLEMAAL.
|
Albikoor {zeemakreel, boniet), m. -koren. Albino (mensch of dier zonder eenige kleurstof in huid, oogappels, haar, enz.), m. en v. â's. Albion {oude [en tegenwoordig dichterlijke] naam van Engeland), o. gmv. Albnca (familie der lellen), v. -'s. De -'s (froeien in Z. Afrika. Album {portretboek, vriendenrol), o. â s. Albuinine {eiwitstof), v. gmv. Alcalde {vrederechter in Spanje), m. -s. Alcali (loogzout), o.; potasch en keukenzout zijn âliën; âscli (loogzouthoudend), lm. AÃcliimie (goudmakerij), v. gmv. Ook: Alchemie. Alcliimist (zoogenaamde goudmaker), m. âen. Alcoliol (gezuiverde ivijngeest, door gisting ontstane prikkelende vloeistof), quot;m. gmv. De â is de'kanker onzer maatschappij; -iscli (- bevattend), bn. -e dranken. Alcoliolisatie, -iseering' {het onderhevig zijn of maken van een volk aan het alcoholmisbruik). v. Ue - van de Negers door de Europeanen. Alcoholisme (leer van de waarde of onwaarde van den alcohol, misbruik van alcohol). o. Alcoholist (misbruiker of n iet-best rij der van den alcohol), m. âen. Al corso (naar den wisselkoers), b\v. Alderman (eig. oudste, d.i. overheidspersoon in de sted 'n van Engeland), m. â nen. Aldinen ( Venetiaansche incunabplen), v. mv. Ale (Engelsch ongehopt, lichtkleurig bier), o. Lees: eel. Zie Aal. Alert {vaardig, wakker, vlug), bn. Alevel (al-evenwel), bw. Toen hij - opsprong (Potg.), desondanks, niettemin, eciiter. toch. Alexandrijn (versregel, bestaande uit 6 jambische voeten, dus uit 72 of iS lettergrepen met een ca*uur na den derden voet), m. â en. Alexanilrijnsch, bn. âe verzen, b.v. de 25-jaren van Da Costa. Ali', m. alven. Zie Elf. Alfabet, o. -ten. Zie Alphabet. Alfoeren (oorspronkelijke bewoners van Celebes, de Molakken, enz.), m. mv. Alfrank {elfrank, slingerplant), v. âen. Al fresco (schildering op verse he pleisterkalk), bw. Alft (elft, zekere visch), m. -en. Algebra (stelkunde), v.; -ïsch, bn. Dat is â voor mij, daarvan versta ik niets. Algemeen (het geheel, de gansche omvang), o. gmv. De maatschappij tot nut van 't â, d. i. van iedereen; in Æ â of over 7 â, in 't geheel genomen: wat heeft het â er mede te maken!-{C. O.), d. i. het publiek. Algemeen, bn. en bw. De âe geschiedenis, d.i. van alle volken der aarde; het âe stemrecht; de -e dienstplicht; een âe opstand, d.i. der gansche bevolking; een âe vergiffenis of amnestie; het âe welzijn; een â gesprek; een âe stemming; met âe stemmen; zij is â bemind, hij is â bekend, bij iedereen; dat wordt â geloofd; â heid, v. Algemeene staten (gesch. vergadering van gevolmachtigdeafgevaardigden,vertegenwoordigende het geheele volk), m. mv. Algen (wiersoorten, lersch mos, zeegras), v. mv. |
Algenoegzaam, bn.; â held. v. Algoed. bn. en als zn. Algoede, voor God, m.; âheid, v. Alhambra {voormalige burcht der Ka li f en, bii Granada), o. gmv. Alias (anders, anders gezegd), bw. Kamacho met zijn muts of â een helm. (Langend.) Alias (toenaam, spotnaam), m. âsen. Haar â zal voortaan Mietje wezen. Een â voor dat heer! (Potg.) Alibi (aanwezigheid elders), o. â's. Zijn â bewijzen, in rechten aantoonen, dat men quot;elders was op 't oogenblik van zeker misdrijf. Aligueeren (volgens een rechte lijn afmeten, op een rij plaatsen). Alikruik (kleine, eetbare zeeslak), v. âen. Aliment (voedsel), o. âen. Alimenteeren (onderhouden, verplegen). Alinea (van de linie af, nieuwe regel), v. â's. Alismacea (waterweegbree), v. â ceën. De groote â onzer slooten en wateren. Alizarine (klaprood, kleurstof uit den wortel der meekrap), v. gmv. âinkt (donker-blauwachtige inktsoort), m. Alizariu'ortel (meekrap), m. gmv. Alk (zwem- en duikvogel in het Noorden), v. âen. Alkali, o. Zie Alcali. Al kan na (roode kleurstof), v. gmv. Alkoof (afgeschoten gedeelte van een kamer; slaapplaats), v. âkoven. Ook: Alkove. Al koran {wet- en geloofsboek der Turken), m. gmv. Ook Koran. Alia breve (nog eens zoo schielijk), muz. bw. Allah (naam van het Opperwezen bij de Turken), m. gmv. âoe akbar. God is groot! Alledaagsch (gewoon), bn. Mijn âe bezigheden. een â mensch, dichter, kunstenaar; -heid, v. Allle (laan, wandelpad), v. In de omstreken van Zwol gebruikelijk voor: weg. Alleen (niet vergezeld, buiten ander gezelschap), bn. Ik wil â zijn; een ongeluk komt zelden â; hij was â met zijn vader; iem. â spreken, zien, ontmoeten; ik bleef den lt;je-heelen avond â; iem. â laten; â staan; â zitten; -handel, m.; -heerschappij, v.; â heerscher. m.; âspraak, v.: âzaligmakend, bn. Alleen (slechts, enkel, blootelijk), bw. Ik wil u â waarschuwen; op die wijze â ; het was maar â om eens te kunnen lachen; wij wandelen â des Zondags. Alleenig (buiten gezelschap, zonder getuige))), bn. en bw. Zij waren â in de kamer. Zij leefden â voor elkander, slechts. Alleenlijk, bw. Ik heb - gevraagd naar bewijzen. Allegaar (a lieg ader, altegader), bw. gmz. Allegaartje {mengelmoes), o. â s. Allegeeren (aanhalen van Schriftuurplaatsen enz.; ze aanvoeren). Allegorie (zinnebeeldige voorstelling, plastische beeldspraak), v. â ën. De â is een uitgewerkte metaphoor. Allegorisch (zinnebeeldig, verbloemd), bn. en bw. Allegramente (haastig, vr ooi ijk), muz. bw. Allegro (vroolijk, levendig, snel), muz. bw. Alleluja, o. en v. â's.Zie Halleluja. Allemaal (al-te-maal, al te zamen), bw. Meheer weet wel, dat we daar â arm zijn. (C. O.) â gekheid, zei de heer Kegge. (C. O.) |
ALLEM AN - ALPEN.
|
Alleman (iedereen), vnw.; Jan en âsyading, geschikt voor iedereen; âsufck, m.; âs-vriend, m.; â svriendseliap, v. Allengs en Allcn^Kkeus (langzamerhand)bw. Allentlialvc (van alle kanten, overal), bw. Fig. In ieder opzicht, volstrekt: Het zou â van geen nut zijn. \v. g. Aller (Ze nv. van j'.l als zelfst. vnw.), bw. â ciiarmanfNt (C. O.); â iiitereKKantst (C.O.); â senfimeMfeelst (C.O.) (/nhooge, iwoye mate). Allerbest (in de hoogste mate goed), bn. âe vader, broeder, vriend; het âe werk; de âe godsdienst; bw. Hij heeft â geantwoord. Allerbest! uitdrukking van instemming; op zijn â : hij heeft on zijn â geschreven; ten â e, tot iem. bestwil. Allereliristelijkst (titel der Fransche koningen), bn. Allerliamle (van alle soort), soortgetal en bn. â koek. â Allerliamle (kleingoed, koekjes), o. gmv. AllerlieilijU'en, m. âdas*, m.; âfeest, o. (gedachtenis aan alle Heiligen in de li. K. kerk. I Nov.). Alleriioo^-st, bn. en als zn. Allerlioo^sle. d. i. God, m. Allerlei (van alle soon), soortgetal en bn. als zn. o. Allermeest, bn. en bw. Op zijn â, zoo hoog mogelijk genomen. Allerminst, bn. en bw. De âe bediende; op zijn â, er waren cp zijn â vijftig leerlingen; het â; zij die het meest lijden klagen het â. Alleruiterst (het hoogste in zijn soort), bn. âVaren0.quot; vroeg Pi eter op den toon der âe verbazing. (C. O.) Allerwegen (overal), bw. â was vreugde. AllorzU'len. â daft-, m.; âfeest (gedachtenis aan alle overledenen in de Jt. K. kerk, 2 November), o. Allerxijds, bw. 7 Volk groet haar â, van alle kanten ; â komt men aanqeloopen. Alles (de gezamenlijke hoeveelheid, â samen), o. gmv. Ik zal â betalen; â gekheid en leugens : ik verbeef u â ; schrijf mij â ; bij uitbreiding, de heele natuur: â juicht, â was in lenteclos! Ook verzamelnaam: Er ontbreekt van â; hij bemint n boven â, voor â ; hij kreeg â; â afdoen, hopen; dat is niet â ; â en â, b.v. â en â zal de erfenis ongeveer f 9000 gulden beloopen. Allesbelialve, bw. Ik ben â tevreden over u. Alleszins (in elk opzicht), bw. â tevreden zijn. Allez (komaan, loop heen), tw. Alliage (legeering, metaalmengsel; samensmelting, toevoegsel), v. â s. Alliantie (verbond, verbintenis, bondgenootschap), v. â tiën en â s. Allieeeren {tot zich lokhen). Alli^atie (menging, legeering), v. âs, âtiën. â rekening. Alligator (Am. krokodil, kaaiman), m. â s. Alliteratie (stafrijm, eigen aan de oud-Germaansche poëzie), v. â s, âtiën. De â onderscheidt zich door gelijkheid van beginletter der betoonde lettergrepen, b.v. Leonoor, mijn lieve licht! Verder overblijfsels als: man en muis, kind noch kraai, geld of goed, bont en blauw, enz. Ook: Allitteratie. |
Allo (gauw, toe), tw. Alloentie (aanspraak van den paus tot de kardinalen, troonrede); v. â s, âtiën. Allodiaal (eigen geërfd, niet leenplichtig), bn. Allodiiini (eigen bezitting, zonneleen, vrijen onvervreemdbaar erfgoed), o. â diën. â dia. Allong-e (verlengstuk), v. â s; âpruik (staartpruik), v. Allons'eeren (verlengen, uittrekken, langer maken). Allons (komaan; voorwaarts, laten ivij gaan /), tw. Allooi (gehalte van munten), o. gmv. Allooieeren (op het juiste gehalte brengen). Allo|»aatli (voorstander der allopathie), m. â pathen; -tliiseli. bn. Allopathie (geneeswijze met middelen, die de ziekte tegenwerken), v. Zie: llonneo-pathie. AH' ottava (octaafsgewijze, acht Urnen hoo-ger), muz.bw. Allndeeren (toespelen, stekelig zinspelen, spotten). AH* iiniKono (eensluidend, gelijkluidend), muz. bw. Allure (gang, pas, uiterlijk en manieren; voetstel van puurden), v. â s. Hij neemt de âs van een groot heer aan. Allusie (toespeling, zinspeling, wenk), v. â s, â siën. Alluviaal (aangeslibd), bn. âviale gronden, b.v. verzandingen; âviale vormingen, b.v. gorzen, kwelders. Alluvie (aanspoeling, aanslibbing van zand of klei), v. gmv. Alluviiim (aangeslibde grond), o. gmv. Zie Alluvie. Alma (de voedende, de grootbrengend e), bn. Alma mater (de voedende moeder, de aarde; een eerenaam voor de hoogeschool), v. â s. Almaelit (alvermogen), v. gmv. De Godheid. Almaeliti^-. bn. en bw. en als zn. Almaeli-ti^e, voor God, m. Almanak (dagwijzer, jaarboekje), m. âken. Mijn hoofd is geen â. ik kan niet alles onthouden. Liegen als een â. Een â, een leugenzak. De dood kent geen â, d.i. stoort zich niet aan menschelijke berekeningen; de â voor het Schoone en Goede; â voor blijgees-tigen; hij schrijft verzen in âken. Al mareo (naar het gewicht der munten), bw. Almogend, lm. en als zn. Almogende, voor God, m.; â held, v. Aloë (le Uracil tig lütlundsch gewas), v. â's. Spreek uit: a'-lo-ee. Aloen-AKoen (Ind. vierkant grasplein met waringinhoonvn in het midden der Javaan-sche hoofdplaatsen), v. â s. Alom (overal), bw.; âtegenwoordig, bn. als zn. Aloiiite$;'envi'oordi$?e. voor God, m.; â tegenwoordigheid, v. Alomvattend (alles in zich sluitend), bn. Gods âe macht; een âe geest; het â oog Gods. Aloud (zeer oud), bn.; â lieid, v. Alp (berg), m. âen. De overtocht van een hoogen â. (Geel.) Alpen (bergen, gebergte), m. mv. De â van Zwitserland. De Zwitsersche â. âbloem, v.; â «lal, o.; âherder, m.; âhoorn, m.; â -hut, v.; âjag:er,m.; âkruilt;l,o.; âlied,o.; â roos, v.; -rnjff. m.; â stok, m.; â top, m.; -viooltje», o.; â wejjf, m. |
3*
ALPENHOORN-AMBACHT.
36
|
Alpenhoorn, â horen {de hoorn der Alpenherders), m. â s. Alpenroos {donkerroode bloem, in de hooge streken der Alpen onder de sneeuw lijn tierende), v. ârozen. Alpenstok (lange slok met ijzeren punt, kiimstok), m. -ken. Alphabet (het abc), o. - ten; - iseh, bn. en b\v. Alpha et onie^a (de of' eerste en ca of laatste letter van het Grieksche alphabet; fig. het begin en het einde: de Almachtige). Alpimto (nauwkeurig), inuz. bw. Alreede en Al ree (al klaar), bw. Alreeds, bw. De zon was â onder. Al rigore lt;li tempo of Al tempo (in de juiste tijdmaat), muz. bw. Alruin (zekerslaapverwekkend kruid), v. gmv. Als, vw. Wit â sneeuw, zooals, evenals (vergelijkend); hij regeert - koning, in de hoedanigheid; dè brief' luidt - volgt; er zijn zeven kleuren, â rood, groen, enz. (verklarend); het gesihiedde, - zij in 't veld waren (tijd); eerst â het vacantie is moogt ge thuis komen (geval, voorwaarde); hij schrijft mij, â dat zijn broeder overleden is (ophelderend, aanvullend). Alsdan (op dien tijd), bw. w. g. Al segno (van het U-eken af), muz. bw. Alsem (kruid met onaangenamen reuk en bitteren smaak), m. gmv. Â¥\%.bitterheid,smart. Zijn pen in gal en â doopen, scherpe, bittere taal schrijven; de hoop kan de â des levens verzoeten; -aehtig, bn.; -blad, o.; -knop. m.; -kruid, o.; -plant, v.; â -stengel, m.; -tak, m.; -aftreksel, o.; â bier, o.; - bitter, o.; â sap, o.; -wijn,ni.; â beker, m.; âdrank, m.; âdronk, m.; â drup. m.; âkelk, v.; -kroes, m.; â -teug, v. Alsmede (gelijk mede, zooals ook), vw. Drie koeien â een geit kwamen inde vlammen om. Alsnog' (nu nog, toen nog, dan nog), bw. Dat gebruik is â niet verouderd. Ik zal u â die vraag doen. Voorâ moet dit geheim blijven. Alsof, vw. Hij sprak, - hij er alles van wist, d. i. op die wijze; het was mij, â ik droomde, liet had er den schijn van. Alt (tweedezangstem),\. -en; -sleutel.m.; â stem, v.: â viool (ook Alt, tweede viool), v. Wtmw (offertafel.taf eivormige verhevenheid), o. altaren. Zie Autaar on Outer. (In dichterlijken en hoogeren stijl ook m.). Wiehrt â bedient, moet van het leven, het is billijk, dat een geestelijke een behoorlijk inkomen heeft; iets offeren op het - des vaderlands, gewillig aan het vaderland ten olTer brengen; een vrouw naar het â geleiden, haar huwen; troon en â, vorstelijke regeering en kerk; haardstede en â, het huis, het vaderland en al wat ons daarbij dierbaar is; strijden voor haardstede en â; onheilig vuur op het -brengen, branden, ontsteken, zich in 't kerkelijke laten leiden door wereldsche belangen; -geheim, o.; âgeheimenis, v. en o.; --stuk (schilderstuk boven het â), o.; -tafel (het dekblad), v. Altegader (allen of alles te zamen). bw. Altemaal (allemaal, al te zamen), bw. liet is mij â goed. Goud, â goud! Alteiiiet (soms, somtijds, bijgeval), bw. Hij deed er - andere zaken bij. (v. Lenn.) Kunt ge mij ook â helpen? Zou uw broeder de |
afspraak â vergeten zijn? Weet ge â een goeden jachthond voor mij ? Al tempo, bw. Zie Al rigore enz. muz. Alteratie (verandering, ontsteltenis, ontzetting, ontroering, schrik), v. â's, â tiën. Altereatie (woordenwisseling; twist), v. âs. Altereeren {veranderen, ontroeren). Alter ego (tweede ik; fig. plaatsvervanger), m. en v. gmv. Alternatief (gedwongen keuze), o. â tieven. Alternatief (afwisselend), bn. Alterneeren (om beurten afwisselen). Altesse (Hoogheid, Doorluchtigheid), v. â s. Althans (ten minste), bw. Altijd, bw.; âdurend (onafgebroken), bn. Een âdurende onzekerheid. Altimeter (hoogtemeter, werktuig), m. âs. Altimetrie (hoog te-meet kunde), v. gmv. Altoos, bw.; âdurend, bn. Een âdurende almanak. Altruïsme (het tegengestelde van egoïsme), o. Aluin (een samentrekkend zout), v. gmv. â water, o. Alvermogen (almacht), o. gmv. Alvorens, bw. en vw. Kom â bij mij; denk, â gij spreekt. Alweder en Alweer (opnieuw), bw. Zijt ge â op reis? Alwetend, bn. en als zn. Alwetende, voor God, m.; â heid, v. Alwijs. bn. en als zn. Alwijxe, voor God, m. gmv. Alzegenaar (de Godheid), m. gmv. Alziend, bn. en als zn. Alziende, voor God, m. Alzijdig, bn.; âe vorming, âe beschouwing. Alzoo. bw. en vw. Denkt ook gij niet â, op die wijze. Wij hebben â gezien, dat lucht gewicht heeft, aldus; â de haven ongelegen was om te overwinteren, zeilde men naar elders, daar, omdat. Alzoodanig, bn. en bw. â zijn de men-schen; â sprak hij. vero. Alzulk. vnw. âe mirakelen, vero. Amabile (liefelijk, beminnelijk, teeder), muz. Amabiliteit (lief'talligheid,vriendelijkheid).\. Amalgama (mengsel van metaal en kwik, lig. mengelmoes), o. â's. Amalgameeren (met kwik bestrijken, innerlijk verbinden, vermengen, samensmelten). Ainandel (boom), m. âs; (vrucht), v. âs en -en; â aehtig, bn.; âbrood (gebak), o.; â drank, m. Amanuensis (handreiker bij het onderwijs in natuurkunde enz.; hersteller enz. van de werktuigen), m. âsen. Amarant (purperkleurige herfstbloem), v. â en. De kattestaart is een â. Amaril (polijststeen), v. gmv. Indische â. Amasseeren (ophoopen). Amateur (liefhebber, kunstvriend), m. â s. Amazone (strijdbare vrouw der oudheid: heldin ; ook dame te paard), v. ân. Amazonenkleed (rijkleed voor dames), o. â en. Ambaeht (bediening, beroep, werkkring, handwerk), lt;». âen. Hij is verzenmaker van zijn â. (M. Hav.) Het timmeren is een â : â snian {werkman, die met handenarbeid den kost verdient), m. â slieden. 't Is met hem twaalf âen en dertien ongelukken, spott. hij slaagt in niets. Ambaeht (heerlijkheid, rechtsgebied, grond- |
I
AM BAC HTSH EER - AMP E R.
37
|
ijebied), o. -en. liery Hendrik-1 do â. Later Ambt, als in: Ambt-Almeloo; hij woont in het Ambt, niet in de stad; Ambt-Delden; Ambt- Vollenhoven. .Ambaclitsheer {edelman, die den vorst als rechter en znakbezoryer vervinq), m. â en. De jacht paal van den â van Bergen viel Teun 'in het oog. (C. O.); âvrouw, v.; -schout, m.: Zij (de Waarheid) kreeg een plaats van den â, maar 'tkost haar een dakaat (Biltl.): â klerk, m.; âhuis (rechthuis), o.; - lieer-lij klicilt;l {adellijk goed), \. De â lijkheid Bergen telt Borsseleny, Brederodes en Nassau's onder haar vroegere oezitters. (C. O.) Aniba^as {omwegen, w ij dl oo pig heden), v. mv. Aiiibas»»a«le {gezantschap), v.; ainUassa-tleur, m.; ambassadrice {afgezan',e), v. â s. A1111»er {welriekende, wasachtige stof, uit zee opgevischt), m. gmv. Gele â. AmberlMHim {boom, uit wiens bast welriekende hars of balsem vloeit, in het Oosten), m. â hoornen; â bosrli {bestaande uit am-herboornen), o. Aiiiberlt;lro|gt;, m. âpen; â«Imp, âdruppel, m.; âgeur, ni.; â liars, v. en o.; â -lurlit, v.; âreuk, m.; â riekeiid, bn.; â steeu (barnsteen), m.; âstruik, m.; â -vaas, v.; -vernis {uit barnsteen bereid). o.; âwasem, m. Anibieereii {streven, staan naar). Auibigeereu {weifelen, aarzelen, besluiteloos zijn). Auibig-u {dubbelzinnig), bn. Dat antwoord is â. Ambiguïteit {dubbelzinnigheid), v. -en. Ambitie {eerzucht, eergevoel; eergierigheid. ijver), v. gmv. Ambitieus {eerzuchtig, vol werkijver), bn. Ambitioueereu {aanmoedigen, iemands eerzucht of eergevoel opwekken). A mblyopie (ver: wakking gt;'an gezicht),v.gmv. Ambroos. v. en m. vero. Zie Ambrozijn. Ambrosia {ambroos), v. gmv. Ambrozijn (fab. godenspijs), o. Ambt {rechtsgebied, buitengemeente), o. âen. Zie Ambaciit {heerlijkheid). Ilet drostâ, het schout â , hel rent â . Ambt {bediening, betrekking), o. âen. Het â van minister, van schoolopziener, van rechter, enz. In eens anders â treden, zich met eens anders zaken bemoeien; â bejajrer. m. â s; âbrief, m.; âelijk, bn.; âeloos. bn.; -geld, o.; âjfeuoot, m.; âmau, m.; âs-bedieiiiu^-. v.; â sbekleeilin^, v.; â s-beslommeriiiK', v.; âseed, m.; â shalve, v.; eereâ, o. Het burgemeesterschap is een eereâ. Ambtenaar {die een ambt of post heeft), m. â s of ânaren; â sleven, o. Ambulanee {veldhospitaal), v. â s. Anibulant {rondtrekkend), bn. Een â'hoofd der school, die geen eigen klas heeft. Anibuleereii {wandelen, rondtrekken, afwisselen). Ameclitig {onmachtig, afgetobd, uitgeput), bn. en bw.; âbeid {machteloosheid), \. Ameli^iratie {verbetering), v. âs, â tiën. Amelioreeren (verbeteren). Amen, bw. en tw. (als zn. o. beteekenende: het zij zoo). Het is zoo waar als â, ontwijfelbaar; â zeggen, spreken, roepen, galmen, prevelen, fluisteren, d.i. instemming betuigen; Ja en â op iets zeggen, er geheel mee instemmen; ja en â spelen, iem. naar den mond praten; van eeuwigheid tot â, scherts, steeds, onafgebroken; â zeg^er, m. |
Amendabel {voor wijziging vatbaar; strafschuldig), bn. Een â wetsontwerp. Amendeeren {wijzigingen voorstellen op een wet). Amende lionorable (openlijke verklaring, dat men verkeerd gehandeld, d. i. gedwaald heeft, openlijke schuldbekentenis), v. â doen. Amendement {wijzigingsvoorstel), o. âen. A me rij {korte poos), v. Een â nog geduld! In een âtje, in een korte poos. Amersf'oordor {ihlandsche tabak uit Amersfoort), v. Hij rookt echte â in zijn neus-warmertje. A merveille {voortreffelijk, opperbest), bw. Amethist {een violetkleurig edelgesteente), m. âen; als stof, o. Anitioen {naam van het heulsap of opium in O.-Indie), o. gmv.; -kit {publiek huis, waar â geschoren wordt), v.; âschuiver {ârooker), m. Zie ook: Opium. Amiant {steen- of bergvlas, draad of vezelsteen, welke zich laat spinnen en door vuur niet verteert), u. gmv. Ook: Asbest. Amiraal {vriendschappelijk), bn. en bw. Amiealiteit {vriendschappelijkheid), v. -er*. Amice {vriend!), m. âs. Als aanspreking. Amieissime {allerbeste vriend!), Aniiritia {vriendschap), v. gmv. Lid worden van â, sociëteit van dien naam. Amicus {vriend), m. Amnielaken, Amelaken, Amlaken {tafellaken), o. â s. vero. Amnioniak {vlugzout, vluchtig loogzout), m. gmv. Ainnionslioorn {versteende zeeslak in den vorm van een ramshoren), m. âen. Ook: Ammoniet. Aniniunitie {krijgsvoorraad), v. â tiën; ook: Munitie. Amnestie {kwijtschelding van straf), v. â ën. Ainnestieeren {kwijtschelding verleenen aan). Amok (Ind. toestand van woede of razernij van een inlander, verbijstering), o. gmv. â maken, â roepen, â schreeuiveu, â spuwen; â slaan. d. i. het sein geven, quot;twelk de l»e-woners of de personen, die op weg zijn. waarschuwt. Amoom (Ind. specerijachtig gewas), v. en o. amomen. Een wasem {geur) van amomen. Amoroso {teeder), muz. bw. [(Bild.) Amortisatie {schulddelging, schuldvernieti-ging), v. âtiën en âties. Amort iseeren {staatsschuld delgen door aflossing ; voor ongeldig of nietig verklaren, uitwisschen). Aniotie {afbraak, het afbreken), v. gmv. Tot â verkoopen. Amourette {minnarij, minnehandel), v. â n, â s. Anioureus {verliefd, minziek), bn. Een â lied. Amours {minnarijen), v. mv.; â maken, liet hof maken. Amoveeren {afbreken, wegnemen; ontvreemden, ontzetten). Ampel {omstandig, breedvoerig), bn. en bw. Amper {ternauwernood), bw. H: heb â zelf genoeg. Hij is â den kinderschoenen ontwassen. |
AM PER-ANGST.
38
|
Amper (zuur. wrang, scherp, bijtend van smaak), bn. âe wijn; âe bier: sommige vruchten zijn â van smaak; bw. Gij moet niet â zien, zuur kijken. Ampliibie (tiueeslach tig dier, op het land en in het water levende, b.v. een kikvorsch, een salamander), v. â biën. Ampliibiolo^-ie {beschrijving van de tweeslachtige dieren; amphibiekunde), v. gmv. Ampliif lieafâ¬kr (kring- of' ovaalvormig schouivtooneel; in schouwburgen de rij zitplaatsen boven tegenover het tooneel), o. â s. Ampliitlieaters$;-lt;gt;wijze (m een halfrond, schuin oploopend), bw. Genua is â gebouwd. Ampliilr.yon (gulle gastheer of on thai er), m. â s. Amphora (groot aarden vat met nauwen hals 01 twee handvatsels), v. â's. Ampliafie (uitbreiding, verdaging van een rechtsgeding), v. â tiën. AmpIÃM'roai (aanvallen : uitstellen, verschuiven b.v. een rechtzaak). Ampliiiratie (uitbreiding, uiteenzetting), v. â s, âtiën. Amplifiroeren (uitbreiden). AmpliKsimiiM (Hoogaanzienl., Hoogedel), bn. Amplitudo (boog die uitdrukt, hoeveel graden een hemel lichaam buiten het O. opkomt en builen het W. ondergaat), v. gmv. Ampul (K. K. klein schenkkannetje in de Mis gebruikt), v. â len. Ampulla (aarden of glazen kruik met twee handvatsels), v. â quot;s. Ook Ampul. Amputatie {afzetting vaneen lichaamsdeel), v. â s, âtiën. Amputeereii (afzetten van ledematen). Amulet {tooverkrachtig voorwerp, voorbehoedmiddel tegen tooverij, gevaren en ziekten), v. âten. Amusant (vermakelijk, tijdkortend), bn. Een â geval, een â verhaal. Amuseereu (aangenaam bezighouden, vermaken, verlustigen). Zich Amiisemeut (vermakelijkheid), o. âen. Am.yliim (zetmeel), ü. gmv. Anabaptisme (wedérdooperij), o. gmv. Anabaptist (wederdooper), m. en v. âen. Anabasis (veldtochtsbeschrijving\ v. gmv. De â van Arrianus over Alexander den Grooten. Auaelioreet (kluizenaar), m. âreten. Anaelir4»nisme. Anaelironisnius (fout of verschuiving in de tijdrekening), o. â n. Ansemie (geneesk. bloedeloosheid), v. gmv. Amestliesie (geneesk. gevoelsverlamming, â verdooving), v. gmv. Anagram (letterverzetting, wissel woord. b.v. neger on regen), o. -men. Analeeta (bloem lezing uit een of meer schrijvers), v. â ?s. Ook: Analecten. Analeptiea (geneesk. opwekkend geneesmiddel), o. â's. Analogie (overeenstemming), v. â ën. De werking der â in de taal. \ni\\un%((ivereenstemmend,ge'êvenredigd\\m. Analyse. Analysis (ontleding, oplossing), v. Analyseeren (ontleden-, oplossen). Analytiseli (ontledend, ontbindend), bn. Anamorpiiosen (schijnbeelden, droombeelden), v. mv. Ananas (een ZuiO-Amer. fijne dessertvrucht), v. âsen. Ani\rvUie(regeering loosheid,wanorde),\'.gm\. |
Anareliisme. Anareliismus (revolution-nair socialisme), o. gmv.; wil alle productieve goederen in handen geven aan van elkaar onafhankelijke arbeiderssecretariaten, leert, dat deze verandering met geweld (bommen, b.v.) moet verkregen worden; wil geen staatsbestuur. Anareliist (woelgeest, onruststoker), m. âen. Anareliist isvh(regeering loos),hn.Eenâblad. Anathema (vervloeking, banvloek, kerkban), o. â's. Auathematiseeren (vervloeken, in den kerkban doen). Analoeisme. Aiiatoeisiiius (rente-woeker, interest van interest), o. gmv. Anatomie (ontleedkimde), v. gmv. Anatomiseli (ontleedkundig), bn. Ken â kabinet. Anatomiseereii (ontleden, vooral van het menschelijk lichaam). Anatoom. Anatomist (ontleedkundige), m. â tomen, â isten. Aneh* io sou pittore (ook ik ben schilder). Uitroep van Correggio bij het beschouwen van een schilderij van Haphaël. Aneienniteit (voorrang naar dienstouder-dom, dienstjaren), v. gmv. Aneora (zooveel als da eapo. d. i. nog eens van voren af aan), muz. bw. Andante (gematigd snel), muz. bw. Andantino (eenigszins langzaam), muz. bw. Ander (tweede, niet dezelfde), telw.; â -daa^seh (de âe koorts), bn.; -deels, bw.; â half' lt; âhalve), bn.; âmaal. bw.; â -werf, bw. Andermans (eens anderen, wat een ander behoort), vnw. De voelen onder â tafel moeten steken, bij vreemden moeten dienen. 7 Is goed riemen snijden van een â leer. Anders, bw.; â denkend (nl. op 't gebied van den godsdienst), bn.; âom, bw.; âzins, bw. Andijvie (tuingewas, groente), v. gmv. Andoren (lipbloemplant), m. âs. Androïde (mechaniek menschenbeeld, ledepop. automaat), v. â n. Audrophaa;;- (menscheneter), m. â phagen. Anekdotes A needot e (geestig verhaaltje, treffend of geestig gezegde, nieuwtje), v. â n en â s. Aiieim»lo^ie (leer van het ontstaan, de richting, enz. van den wind), v. gmv. Anemoon (ranonkelachtige bloem), v. â mo-nen. De bosch â, de weide-. Anerie (ezelsstreek, domheid, ongeschiktheid), v. â ën. An^el (wapen der bijen en wespen, ook haak of hoek om visch le vangen), m. â s. Daar is een â onder verborgen, daar schuilt eenig gevaar onder; âriet, o.; âroede, v.; â -snoer. o. Antf'laise (Engelsche vro nv, Engelsch meisje; ook Engelsche dans), v. âs. An^lieaaii (lid der AngUcaansche kerk in Engeland), m. en v. âcanen. An^'lieisme (woord of uitdrukking aan het Engelsch eigen en in een andere taal gebezigd), o. â n; b.v. De trein stopt daar! An^'lomaan (naaper of prijzer van al, wat Engelsch, is), m. en v. âmanen. Anglomanie (naaperij of verheerlijking van al, wat Engelsch is), v. An^st (benauwdheid), in. âen. De â des doods; de â maakte laar sprakeloos; â |
ANGSTIG-ANTICRITÃEK.
31)
|
doorstaan, uitstaan; de â bekruipt hem, d. i. maakt zich gaandeweg van hem meester; vol â, er van vervuld; een doodelijkc, naain-looze, onuitsprekelijke â; krimpen, ineenkrimpen van â; van â; uit â; met â; zijn â verbergen; in duizend âen; -grebons (hartgeklop), o.; âgrelmil, o.; am nier, o.; â jyeki'rm, o.; âgeklop, o.; â ^lt;kkrijt. o.; âgeluid, o.; âgeroep, o.; âgeschrei, o.; âgesnik, o.; âgesteen (het kermen van angst), o.; âgevoel, o.; âgeween, o.; â geziiclit, o.; âgil {luide kreet), m. Angstig (beangst, bevreesd), bn. eh bw. Een â zwijgen; zij keek haren man â aan; -lieici, v. Angstvallig (angstig gestemd, vreesachtig) bn. en bw.; â heid. v. Angnlair (hoekig), bn. An.vl (indigoplant in V.-Indie), m. gmv. Anijs (zeker gewas, ook drank), m. gmv. Anijs {schermbloernig gewas), m. gmv. Ook verkorting van Anijszaad en Anijslikeur. In de volksuitspraak Annijs. Anijsuppel (kleine gele appel), m. -s; â -balseni, m.; â bcselinit, v.; â melk, v.; âolie, v.; âsuiker, v.; âwater, o.; â -zaad. o. Aniline [prachtig blauwe verfstof), v. gmv.« Animalisrli (dierlijk), bn. â voedsel. Animato (bezield, levendig), muz. bw. Animeeren (bezielen, aanvuren). Aniniisme {godsdienst der geesten bij natuurvolken).' o. gmv. XtximnHiiiiit (vijandschap,verbittering,haat), v. gmv. Animoso (bezield, aandoenlijk), muz. bw. Anisette (anijslikeur), v. gmv. Anjelier (sierplant), v. âen. De Chineesche â, de kleine â, enz. Anjer (enkele anjelier, nagelbloem, giroJfel), v. â s. Anker (wijnmaat, 74 aam, Vc. okshoofd. 4:1 flesschen), o. â s. Anker, o. â s. Ergens zijn â gooien, werpen, er zijn intrek nemen; hij ligt voor zijn laatste â het is slecht met hein gesteld; zijn â kappen, zich overhaast uit de voeten maken; hij ligt voor twee âs, is er goed en veilig; Jiij heeft klaar â, zijn zaken staan goed; het â is het beeld dei' hoop, het â der hoop. Anker (ijzeren houvast, klauw), o. âs. Een balk met âs in den muur bevestigen. Ankeren (het anker werpen), ik heb geankerd; âing, v. Ankloeng (Ind. muziekinstrionent: roosterachtig toestel met bekkens, die op een gespannen koord liggen), v. â s. Anna (vrouwennaam), v. â's, Annual je. St. Anna, de echtgenoote van Joachim en de moeder der II. Maagd Maria. Spreekw. Zij zit al in St. Anna's schapraai, zij is al een bedaagde juffer; zij blijft nog in St. Anna's schapraai; daar loopt wat ran St. Anna onder, de zaak is niet pluis, niet oorbaar voor kiesche ooren; de orde van St. Anna, Kuss. ridderorde. Annalen (jaarboeken), v. mv. Annexuin. Annex (aangehecht, bijbehoo-rend, verbonden), bn. Annexatie (aanhechting van veroverd land), v. â s, â tiën. Annexeeren (aanhechten., bijvoegen). Anniliileeren (voor nietig verklaren). |
Anniversariën (jaarlijkscheplechtigheden), v. mv. Anno, A0, (in het jaar, ten jare), â lib er-tatis Batavae 10, d. i. he1, 10e jaar van de Bataafsche vrijheid, of 1805. Annonee (aankondiging, advertentie), v. â s. Aniioneeereii (aankondigen, berichten, bekendmaken). Annotatie (aanmerking, opteekening), v. â tiën. Annoteeren (aanmerken, aanleekenen). Annueel (wat een jaar duurt, vmt jaarlijks terugkomt). Annuïteit (jaar lij ksche aflossing), v. âen. Annulata (ringwormen), v. mv. Ringwormen zijn â of anncliden. Annulleeren (vernietigen, opheffen). Annuneialie (Muria-BQOdsciiap, li. K. feestdag op 25 Maart), v. gmv. Am»malie (onregelmatigheid, afwijking van den regel), v. â lieën. A non ie in (ongenoemd, naamloos), bn. Een â artikel. Anonimiteit (naamsverzwijging), v. gmv. Anou.vinus (een ongenoemde), m. âsen. Anorganiscli (onbewerktuigd, onbezield)^ bn. Anormaal (abnormaal, afwijkend van den regel), bn. Ansjovis (klein vischje), v. âsen. De â der Zuiderzee; Bergsche â. Ant (voorvoegsel), b.v. in Antwoord, met de bet. van tegen, weder. Antagonisme (tegenwerking, bestrijding), o. gmv. Antagonist (tegenwerker, bestrijder), m.en v. Ante (uitstekende pilaster), v. â n. [âen. Antieeâ¬klt;leerlt;kn (voorafgaan, den voorrang hebben). Anteeedent (voorafgegane zaak, vroegere gedraging), o. âen. Iemands âen, iem. vroeger leven, doen en laten. Anteeessor (ambtsvoorganger), m. â s. Antedateeren, Antidateercn (een vroegere dagteekening geven aan). Antediïnviaanseli (van voor den zondvloed; doodoudenvetsch), bn. Antedilnvianen (d' menschen of dieren van voor den zondvloed), m. mv. Anterienr (eerder, vroeger), bn. en bw. Antliologie (verzameling of keur van gedichten en^ prozastukken), v. âün. Antliraeiet (ijzerzwarte steenkool), o. gmv. â verbrandt zonder vlam of rook. Antliropologie (menschkunde, natuurleer van den mensch), v. gmv. Antliro|»oloog, m. âlogen. Autliropophaag (menscheneteikanibaal), m. en v. â phagen. AntUmitUigt;hie(nienschenschuwheid),y.giny. Antieliainbre (voorkamer, wachtkamer), v. â s. Antieliambreeren (wachten in een voorkamer, eer meu toegelaten worat). Anlielirist (bestrijder of verwoester van het Christendom), m. âen. Xntiviimtio (voorui t neming,vooru itloopi ng), v. â s, âtiën. Antieipeercn (vooruitnemen of genieten b.v. van zijn inkomen; voornitloopen). Autieonstitiitioneel (strijdig met de grondwet: tegen de gevestigde staatsregeling), bn. Antieritiek (wederlegging van een boek- of kunstbeoordeeling), v. âen. |
ANTIDOTUM - APOSTILLE.
|
Antitlotiini (tegengif, behoedmiddel tegen gift), o. â clota. Antiek {oud, volgens den smaak of den trant der oudheid), bn. Een âe kroon, âe kunst. Antilope {zoogdier, herkauwer), v. ân. De â n leven in Middel- en Z.-Afrika, troepsge-wijze. Geitachtige ân, hertachtige ân, enz. Antimoiiiiiin (spiesglas), o. gmv. Antinationaal (strijdig met de belangen of met den geest der natie), bn. Antinoniie (strijd tusscken artikelen der wet), v. mieën. Antipathie (natuurlijke afkeer, tegenzin), v. Antipiiona (wisselgezang, beurtzang), v. â's. âphonen. Antipode (tegenvoeter, fig. tegenstrever), in. â n. De aardmiddellijn van ons voetpunt uitgaande, wijst de woonplaats onzer ân aan. XntifiWixixr (oudheidkenner,oudheidminnaar, handelaar in oudheden), m. âquaren. Antiquiteit (oudheid; overblijfsel der oudheid), v. âen. Antirepnblikeinseli(tegen6tert*p//W/e/t),bn. Antirev4»liitie (tegenomwenteling), v. âs. Antirevolutionnair (tegen omwenteling gezind', naam van een lid dier partij in den lande), bn. Als zn. m. âen. Antiseptfceli (bederfwerend), bn. âe middelen. Antithese (stijlfiguur der tegenstelling), v. â s. Een hoofd vol kreuken, een geweten zonder rimpel. (Vondel). Ook : Antithesis. Antithesis (tegenstelling), v.âtheses. Antonins-viinr (geneesk. boosaardige ontsteking), o. gmv. Antonoinasia (stijl, troop der naamwisseling). v. â's. De held van St. Quintijn, d.i. Eg mond; de koning der dieren, het schijf der woestijn, enz. Ook: Antonomusie. Antwoord (bescheid, wederwoord), o. âen. â op een verzoek, op een brief, enz. Taal en â, toespraak en mondeling bescheid; â geven; â zenden; iets zonder â laten; het â op iets schuldig blijven; een â afwachten; tot (ten, te) â geven, schenken, krijgen, bekomen, ontvangen; in â op, ter beantwoording van; een toestemmend, bevredigend, afwijzend â : een ontwijkend â: spreekw. Een zacht â stilt den toorn. Antwoorden, ik heb geantwoord, lem. op een vraag â, d. i. mondeling of schriftelijk bescheid geven; âder,m. âs; â «Ister,v. â s. Aoristus (Grieksche geschiedkundige werktv. tijd), m. gmv. Ook: Aorist. m. âen. Aorta (ontl. groote hartslagader), v. â's. Apanage (jaargeld van jonge prinsen), o. âs. Apana^'eeren (een prins met jaargeld begiftigen). Apart (bijzonder, afzonderlijk, voor zich, ter zijde), bn. en bw. Iets â leggen, zetten. Apartenient (vertrek, kamer in een hotel), o. âen. Ook: Appartement. Apathetiseh (bedrieglijk, valsch), bn. Apathie (ongevoelighèid, onverschilligheid, lusteloosheid), v. gmv. A peg-a pen (sterven), hij ligt op â, hijgt naar den laatsten adem. gmz. Ap- en dependentiën (al wat er bij behoort), v. mv. Apenbakhuis (apentronie), o. âbakhuizen; â bakkes, o. âen; âbek, m. âken; â jje-zieht, o. âen; âkop (kwajongen), m. |
â pen; âknur (gril), v. âkuren; âliefde (dwaze ouderliefde), v. gmv.; â spel, o. â len. Ape Apenbroodboom (uitheemsche boom, W. Apc Afrika en Amerika); m. â boomen. De eet- ken bare vrucht van den â heeft den vorm van Apc een komkommer of kalebas. voo Apendans (dans door apen uitgevoerd), m. spr â dansen. Aim Apendans (naam van een straatje in den Ap« Haag, verbasterd uit Appendances), v. gmv. (vr Aper^n (kort overzicht, schets, ontwerp), o. â 's. â s Apert (open, openbaar, onverholen), bn. Ap* Aperij (belachelijke nabootsing), v. âen. Aplt; Aphaeresis (weglating aan 't begin), v. gmv. rai bv. '£ voor het, 's voor des. i v. i Aphasie (verlies van het spraakvermogen), Ap] v. gmv. ku Aplielinni (verste afstand eener planeet van -ra de zon), o. gmv. Ap] Aphorisnien (korte spreuken, regels, stel- sch lihgen), v. mv. Ap A igt;iaeer«' (naar welgevallen), bw. muz., Ap voor te dragen naar het goedvinden des spelers. ko. Apin (wijfjesaap), v. â nen. Ap Apis (Egyptische heilige stier), m. âsen. wo Den os gelijk: » Weldra voor â aangebedene, Ap gelijk hij meent. (Staring). holt; Apiiini (schermbloem, selderij), v. gmv. Zie na: Kppe. do Aplaneeren (gelijkmaken, slechten, elfenen). Ap Aplomb (loodrechte stand: vastberadenheid zu van taal, handeling, houding), o. Met â, nu zonder weifeling, zonder haperen, meesterlijk. ha Apoeal.ypsis (Openbaring aan Joannes), bO' v. gmv. va Apoeal.yptiseh (duister, te zinnebeeldig, on- Afi verklaarbaar, raadselachtig), bn. go A poen» a poeo (een weinig, allengs, lang- A|i zamerhand), muz. bw. A|i Apoeo|»e (afkapping), v. als in: ebbe (eb), ; m, hebt-je (heb-je). A|i Apoeriel'(wrrfic/if, van een onbekenden schrij- A\\ ver, niet geloofwaardig), bn. De âe boeken, ke bijbélschriftiiren, door de Kerk niet erkend. A| Apodietiseh (onwederlegbaar, afdoend, vol- â dingend), bn. Een â bewijs, nl. zoo een, dat A| de ongerijmdheid aantoont van het bestaan lu van het tegenovergestelde. A| Apodosisgt;(»iCfs/n eener periode), v. âsen. A| Apologeet (lofredenaar, verdediger, bescher- A| mer), m. â geten. st A p4»l4»g'ie (verdedig i ng, ver weer sch ri ft), v. -ë n. Ai Apopleetiseh (onderhevig aan beroerten, m beroerte-achtig), bn. A] A|Mgt;pllt;kxie (beroerte), v. gmv. k Aposiopesis (figuur Oer verzwijging), v. Ai gmv. De Belgen.....maar wij vergeven het !!â hun! % A Apostaat (geloofsvei'zaker, afvallige), m. en Aj v.; â taten. : n Apostasie [afval, geloofsverloochening), v. A] Apostel (Godsgezant), m. âen. Dq Hande- A] ling en der âen, een der boeken van het A] Nieuwe Testament; een vreemde,rare, lastige â¢s' â (snuiter); komen met âpaarden (te voet); A] daar komen mijn âen aan, nl. mijn jongens, g kinderen. A] Apostelsehap ( â ambt), o. gmv. A Apostelxalf (zalf uit twaalf verschillende A bestanddeel en), v. âven. A A posteriori (van achteren, aan de er va- u ring ontleend), bw. Zie A priori. A A post file ( kan t tee ken i ng, naschrift in brieven), v. â n. I |
APOSTOLISCH - ARCADIA.
41
|
Apostolisdi (komend van de Apostelen), bn. Apostrophe (uerkortinas- of weglatingstee-ken; aanspraak, toesprekïng), v. -n. A post roplieeren (van weglatingsteekens voorzien, met bijnamen bestempelen, aanspreken). Apotheek (artsenijwinkel), v. â tlieken. Apotheker (artsenijbereider), m. âs; âse (vr. apotheker), v. â n; â sJon^en. m. â s; âsknecht, m. â s. Apothema (wisk. zekere loodlijn), o. â's. Apotheose {vergoding, het plaatsen in den rang der goden van keizers of helden, enz.), v. gmv. Apparaat (toestel, toerusting, kunstige scheikundige middelen of werktuigen), o. â -raten. Apparent (waarschijnlijk, schijnbaar,oogen-schijnlijk), bn. Apparent ie (waarschijnlijkheid), v. gmv. Apparitie (verschijning), v. ZV â van een kotneet. Appartement (vertrek, gedeelte van een woonhuis), o. âen. Zie Apartement. AppM. o. (in rechtzaken), beroep op een hoogere rechtbank; (in het krijgswezen), naamsafroeping: â blazen, â slaan; een â doen aan, een beroep doen op. Appel (boomvrucht), m. -enen âDooreen zuren â bijten, van den nood een deugd maken; voor een â en etn ei, zeer goedkoop, haast om niet; de â valt niet ver van den boom, het kind heeft een aartje naar zijn vaartje (in ongunstige opvatting). Appel (oogappel, ronde knop aan het gevest, gouden bal aan de torenspits), m. â s. Appelaar (dicht, appelboom), m. â s. Appelbloesem (bloem van den appelboom), m. â s. Fig. licht rozeroode kleur. Appelflauwte (lichte, flauwte), v. â n. Appelg-ramv (grauw met appelronde plekken), bn. Een âe schimmel. Ap|»ellant (in hooger beroep gekomene), m. â lanten. Appelleeren (zich op een ander of op een hoogere rechtbank beroepen). Appelpent (appelprol of âbol), v. âen. Appendix (aanhangsel, toevoegsel), o. â dices. Appereeptie (waarneming, opvatting, voorstelling met bewustheid), v. âs, âtien. Appetijt (eetlust, graagte, honger, trek), m. âen. Applaudisseeren (toejuichen, zijn goedkeuring door handgeklap geven). Applandissement (algemeene bijvalsbetui-ging, h.v. door handgeklap), o. âen. Ook: Applaus. Ken daverend â. Applieatie (toepassing, aanwending ten nutte; naarstigheid, ijver, vlijt), m. -s. -tiën. Applieatnnr (muz. vingerzet ting), v. Appoint (pasmunt, saldo, remise), o. â s. Appointement (gerechtelijk bescheid, beslechting, bezoldiging), o. -en. Apporteeren (brengen, halen, b.v. door een gedresseerden hond). Appositie (bijstelling), v. â s, âtiën. Appreeiattie (schaUing, waardeering), v. -ën. Appreeieereii (achten, waardeeren). lem. â. Appreh(kndeeren (duchten, gevangennemen, grijpen, vasthouden). Apprehensief (vreesachtig, beschroomd),bn. Appreteeren (toebereiden, laken enz. glanzen, katoen pappen). |
Approbatie (goedkeuring, vergunning), v. â s, â ën. Approeheeren (naderen, aanraken). Approviandeeren (mil. een vesting of fort van levensmiddelen voorzien), Approximatie (raming, benadering, begrooting), v. â s. Approximatief' (begrootenderwijze, bij raming), bn. en bw. Een âlieve waarde. Approximeeren (ramen, schatten, benaderen ). Appni (steun, draagpunt), m. â's. Appnyeeren (een voorstel ondersteunen, op iets aandringen, den toon of nadruk aan woorden geven). April (grasmaand), m. â len. â doet wut hij wil, het weer is veranderlijk; een droge Maart, een natte â : op den eersten verloor Al va zijn bril (1512). Aprilgek (iem. dien men fopt o/gt; l \pril) m. âken. -heid (wispelturigheid), v.: âs-kiiKl (wispelturig mensch), o. Aprilviseh (fopperij op i April), m. â -visschen. A prima vista (op het eerste gezicht), muz. A priori (van voren af, vooraf, te voren), bw. Zie A posteriori. A proportion (naar evenredigheid), bw. A propos (bw. ter rechter ure. te gelegener tijd, juist van pas: tw. zeg eens). Apsis (halfcirkelvormige nis als plaats voor het altaar), v. apsiden. Apteeren (van pas maken, aanpassen). A4|na (water), v., mv. aquae. Aqnaduet (waterleiding), o. âen. Aquamarijn (zeegroen), bn. en al? zn. (edelsteen van een zeegroene kleur), m. âen. A 4| na rel (teekening of schilderstuk in waterverf), v. âlen. Aqnarliini (kunstmatige waterkom tot het levend bewaren van visschen, schelpdieren, planten enz.), o. â s, âia. Aquarius ( Waterman, teeken van den dierenriem), ni. gmv. A qnatiH' mains (muz. voor of met vier handen), bw. Ar (winterslede voor vermaak, door ren of meer paarden getrokken), v. âren. Ar (verbolgen, verstoord, toornig), bn. vero. In âren moede, in gramschap. Arabesk (Arabische versiering, die meest uit figuren van planten, bloemei), struiken enz. samengesteld en opgelegd of geschilderd wordt), v. â n. Bontkleurige âen. Arabië, o.; â bier, m. âbieren; â biseh, bn. Araeometer, m. âs. Zie Areometer. Arak (rijstbrandewijn), v. gmv. Arbeid (werk, inspanning), m. gmv. Arbeiden, ik heb gearbeid; âer (werkman), m. Arbiter (scheidsman, scheidsrechter), m. âs. Arbitrage (scheidsrechterlijke beslissing; vergelijking der gelden, wisselwaarde), v. gmv. Arbitrair (willekeurig, eigenmachtig, naar goeddunken), bn. en bw. Arcade (booggewelf rustend op pilaren), v. â n, â s. Areadia (het klassieke land der herders en herderinnen in Griekenland), o. gmv.: (ontleende benaming van een reeks romantische werken in de 16eâ18e eeuw), v. â's. Joan |
ARCADISCH-ARM.
42
|
van Heemskerk gaf in 1637 zijn Batavische â. AreadiM'li (herderlijk, landelijk), bn. enbw. Arcaiiiim (fieheim; yeheimmiddel), o. âna. Arceeren. Zie: Harcecren. âring:, v.; â sel, o. AreliaiKiue (verouderde zegswijze of taalvorm). o. â n. B.v. kuischen, reinigen, rechte-voort. enz. \rvUi\n^:cl(aartsengel). m. â en. Michaël de â. AreluMriog-ic (oudheidkunde), v. gniv. Arclieolo^ist'li (oudheidknnclig). bn. Een â museum. Arclieoloo^* (oudheidkundige), m. âlogen. Ar^lii (voorvoegsel), den lioogsten trap aanduidende in samenst.: ar chid uc, aarts-, eerste of opperliertog, enz. Arcliiof (bewaarplaats van belangrijke ge-schriften, verzameling van oorkonden), o. âchieven. Ar«*lii|K'l (eilandenzee), ni. âs. De Griek-sche Arcliitoel (bouwmeester), m. âen. Arcliitcetoiiiscli (bouwkunstig), bn. Arcliitecrtiiraal (den schoonen bouwstijl kenmerkend), bn. Arcliiteetinir (bouwkunst), v. gmv. De oude Duitsche â. Arcliif raat' (bovenbalk van een kozijn, hoofdbalk van kroonwerk), v. âtraven. Archivaris (bewaarder van een archief), m. â sen. Archoiif (heerscher, gebieder), m. âen. De â en in Athene. Ariliiin (hardsteen uit de Ardennen', zerk-steen). in.; (stof), o. Are (vlaktemaat, 100 Mquot;, DM'-), v. â n, â s. Areca (Ind. palmboom), v. â's. De ânoot. Zie: Betel. Arena (worstelperk, kampplaats), v. â's. Arend (adelaar, valkachtige roofvogel), m. â en. De â nestelt op hooge toppen van steenrotsen. Met het oog eens âs, zeer scherp oog; een â vangt geen vliegen, een groot of edel mensch strijdt niet tegen onbeduidende personen; veldteeken: de âen der Jxomeinsche legers: wapenkunde: in blauw een opvliegende zilveren arend: sterrenkunde: sterrenbeeld (in den melkweg) met rl4C zichtbare sterren; g. w. mannetjesduif; mansnaam in de volksspraak uit Arnoud, dat tot Aarrid en daarna tot Arend vervormd werd: â van Amstel, de broeder van Gijsbrecbt. âbuizerd (roofvogel), m.; â^lilden (oude Geld. munt d- f 0.50), m.; â plaeft- (lichte ploeg zonder raderen), m.; ârijksdaalder (oude Duitsche munt, 1568â1583 te Nijmegen geslagen, met den dubbelen rijksarend), m.; â sblik (scherpe blik), m.: â sjong-, o.; âskieken, o.; â sklanw, in.; â skop, m.; âsneb, v.; â snest,o.; âsneus (ki'omme, hakigeneus), m.; -soos*, o.: â spen, v.: op âpennen, d. i. dichterlijk, in hooge stoute vlucht; âsplnim, v.; âspoot, m.; â sseliaeiit, v.; â ssteen, m.: âsvaren (randvoren), v.; â sveder, v.; â svlerk. v.: âsvleugel, m.: spreekw. De dwaasheid heeft âsvleugelen, maar uilsougen; de tijd vliegt met âsvleugelen voorbij; â s-vliK'lit. v.; â swiek, v.: op âwieken, d. i. zinnebeeldig met snelle vlucht. AW^npalni {Ind. boom, die suiker en palm-rvijn levert), m. âen. Ook: Arèn, Arènga. Areometer (dichtheidsmeter van vloeistoffen), m. â s. Ook Araeometer. |
Areometrlé (dichtheidsmeting), v. gmv. Areopagus (gesch. hoogste gerechtshof te Athene), ra. gmv. Arg- (boos, kwaad, slecht; ook slim, listig, doortrapt), bn. en bw.. arger, argst. âdenken (achterdocht voeden), w.w.; â denkeml (achterdochtig, argwanend), bw.; âdenker (achter doe) Ui ge), m.; â elijk, bn. Al deze sa-menstell. zijn thans vero. Arg-denkend (kwaad denkend), bn. vero. Argeloos (onschuldig, te goeder trouw), bn. en bw.; â heid, v. Argentaan (metaalmengsel of legeering, nienwzilver), o. gmv. Argentijn (zilverkleurig), bn. Argeren, het is geargerd. d. i. erger, slechter geworden; het heeft geargerd, d. i. iem. deren of aanstoot geven; in deze bet. vero. (thans ergeren); âlijk, bn.: â nis, v.; âheid, v. vero. Arglist (booze trek), v. gmv. Arglistig (boosaardig, valsch), bn.; â heid, v. Argonanten (Grieksehe zeelieden, die het Gulden Vlies uit Colchis gingen halen), ra. mv. fab. Ook zeeslakken (papiernautilus). Argot (dieventaal), o. gmv. Argument (bevüijsgrond, betoog), o. âen. Argumentatie (bewijsvoering, aanvoering van bewijsgronden), v. gmv. Argnmenteeren (bewijsgronden aanvoeren voor een betoog). XvjSns (waakzaam mensch),m.; â oog (scherpziend oog), o. âen. Argwaan (achterdocht, kwaad vermoeden), m. gmv. Zonder â ; â krijgen, hebben, voeden, kweeken; â geven, wekken, verwekken, baren; iem. â instorten. Argwanen (wantrouwen, achterdocht koesteren), ik heb geargwaand; âwanend, bn. b.v. Een âd bediller; een âde blik; een âd oog; â wanig (ergdenkend, achterdochtig), bn.; thans vero. Aria (gezang, lied voor een stem), v. â's. Arianen (aanhangers der leer van Ariaan, d. i. loochenaars van de Godheid van Christus, een kettersche sekte in het Oosten, 317 na C.), m. mv. Ariërs (stamouders der Indo-Germanen). m. mv. Aristocraat (lid of voorstander der regeering van aanzienlijken), m. â craten. Aristocratie (de aanzienlijke familiën des lands, ook de regeering der aristocraten), v. gmv. De â van het stadje, de burgemeester-lij ke â , de â der geboorte, de geldâ. Aristocratisch (eigen aan de aristocratie), bn. De âe macht; de âeheerschzucht; deâé partij: de âe regeeringstorm; ook: geneigd tot de denk wijze der aristocraten, b.v. Willem I was eer burgerlijk dan â; verder: overeenkomst, b.v. âe vormen, gewoonten, denkbeelden, sgmpa thieén. Arithmetica (reken- of cijferkunst), v. gmv. Arithmetiscli (rekenkunstig), bn. Ark (vaartuig van Noach; woonschip voor opzichters of werklui bij waterbouwk. werken, enz.; huis met een overgroot aantal bewoners), v. âen. Ook: Arke. Arm (lichaamsdeel), m. âen. Iem. de âen binden, hem machteloos maken; lange âen hebben, d. i. verregaande macht bezitten: een slag om den arm houden, d. i. zich niet onherroepelijk en stellig vodi* iets vorklaren: met zijn ziel onder den â 'oopen, leegloopen. |
ARM-ARSIS.
43
|
zich vervelen; iem. met open âen ontvangen, d. i. zeer hartelijk, zeer voorkomend; een at erken â hebben, d. i. macht bezitten; de wereldlijke de wereldlijke macht; de âen eener balans, van een weegschaal, van een gaskroon, enz. Arm {behoeftig), bn.; eene âe vrouw. Armada (gesch. onoverwinlijke vloot 15SS), v. gmv. Armadil. m. â len. Zie Oordoldier. Armatniir (wapenrusting, bewapening, bekleeding), v. -turen. Armazolt;'ii {uitrusting voor de waloisch- vaart), o. gmv. vero. Armband {platte armring van edel metaal', bracelet), m. âen. ArmlM^deeliiifr (ondersteuning), v. âen; â -bestuur,o. âbesturen; âbestuurder, m.; â bezoek, o.; -bezorger, m.; -buidel (armenzakje), m.; -bus, v.; -elijk {op armoedige wijze), bn.; -hartig- {kleingeestig, schriel, onaanzienlijk), bn.; âmeester, m.; âzalig (ongelukkig), bn.; âzielig {armhartig), bn. Armborst {soort van groote voet- of' handboog), m. âen. vero. Aniie {persoon), m. quot;on v. â n. Armee {leger, heir, groote menigte), v. â ën'. Armeekorps {legerafdeeling), o. âen. Armeeren {wapenen, uitrusten). Arme-buiszitteiimeester (regent van het huiszittenhuis), m. âmeesters, vero. Armc^-kiiiflerliuis {zeker weeshuis), o. â -huizen, vero. Arme-kimlersebool {armenschool), v. â -scholen, vero. Armeluiskiiid, o. âkinderen, gmz. Armenbelasting {ten behoeve der urmen), v. âen, vero.; -buurt, v.; â eoniinissie, v.; âdireetie, v.; âdokter, m.; âfonds, o.; â gelcl,o.; â geneesheer, m.; â gestieht,o.; â goed {eigendom der diaconie),o. â goederen: â inrieliting, v.; -instelling, v.; âkas (kas van 't armbestuur), v. â kassen; â praktijk {eens geneesheers), v.; â rekening {der diaconie), x.; âschool, v.âscholen; âstaat ^armenstand), m.; âtax {belasting), v.; â -verzorger,m.: â verzorging, v.: â voogtl {lid van het armbestuur); âwet {van i Juni '1810), v.; âwijk {buurt), v.; âzakje, o.: â zorg {verzorging), v. Armen iërst een {groene of lichtblauwe steen, lazuursteen), m. âen. Armgesmijde {gouden of zilveren armsie-raden), o. gmv. w. g. Arniliartig {ellendig), bn. â kruimelwerk, â heid, v. Arininiaan {aanhanger van Arminius, Remonstrant), m. âanen; âsell, bn. Armlastig (ten laste eener gemeente als arme), bn. Die bedelaar is â te Utrecht. Armoede (ellende, ongeluk, gebrek), v. gmv. â zoekt list; â maakt onbeschaamde lieden', als de â binnenkomt, vliegt de liefde het venster uit; het zeegat of â is zijn voorland, d. i. matroos worden of gebrek is zijn toekomst; '/ is daar â troef, vóór alles heerscht daar nooddruftigheid; een bittere â, diepe â : fatsoenlijk'' â , vergulde â, van hem, die in betrekkelijk hoogen stand moet loven, hoewel hij er de middelen niet toe heeft: de â bestrijden, lenigen, verzachte),; â dragen, lijden. |
verduren; â van macht, â van verstand. Zie Pauperisme. Armoedig (ellendig, behoeftig, schamel), bn. en b\v. Een â vertrek; een âe kleeding; een âe boerenstulp; een â gewaad; de bijna âe dak- en studeerkamer (B. H.); een â leven slijten; zijn kunst is â; een âe taal: hij leeft â ; een â gekleede knaap. Armoriaal (wapenboek), o. âalen. Armozijn (dunne, weinig glanzende zijden taf), o. gmv. A rm plaat (deel der wapenrusting),^. â platen: â ring (nng voor den arm), m.; âsieraad, o.; âspier, v.; âstoel. m. Armsgat (in een kleedingstuk), o. âen. Armvol, o. armen vol. Een â hooi, twee armen vol hooi. A rmzalig (gering, slecht, ellendig); â heid.v. Arnlienimer, m. âs. Hij is een â. Ook als bn. De â courant. Aroma {geurigheid, specerijachtige geur), o. â quot;s. Het â van koffie. Aromaliet (welriekende steen, specerijsteen, mirresteen), m. âen. Aromatiseh (aroma hebbende), bn. âe middelen, b.v. kalmus, gember, vanille, kaneel, saffraan. Aronsbaard (soort van aronskelk), m. âen. Aronskelk (bloem), m. âen. De â behoort in de keerkringslanden thuis. Arraelieeren (uitrukken, afrukken). Arrangeeren (inrichten, schikken, zaken in orde brengen). Arrangement (schikking , inrichting), o. â en. Arre (zie Ar), v. â n: âslede of âslee, v. â sleden of - sleeën. Vroeger: Narreslede. Arren (of Xarren), ik heb geard. Arre ra ges (achterstallige vertraagde betalingen), v. mv. Arrest (hechtenis van pei'sonen, beslag op goederen, rechterlijk gewijsde, uitspraak, vonnis), o. âen. Arrestant (gevangene), m. âen. Arrestatie (inhechtenisneming), v. âs, âtiën. Arresteeren (in hechtenis nemen, aanhouden, in beslag nemen; vaststellen,goedkeuren, bekrachtigen b.v. van notulen). Arriëre {achterste of laatste), o. gmv. Arri^re (achterstand, achterstalligheid), o. â s. Arri?*re-garde (achterhoede), v. â s. Arriëre-pensée (bijoogmerk), v. â s. Arriveeren (aankomen, gebeuren). Arrivement (aankomst), o. gmv. Arrogant (verwaand, laatdunkend, aanmatigend), bn. en bw. Arrogantie (verwaandheid, trots, aanmati-ging), v. gmv. Arromleeren (afronden, staten in onafgebroken samenhang brengen). Arrondissement (gedeelte eener provincie), o. âen. Arrondissenients-reelitbank. v. âen. Arroinlissennknts-seln»olopziener. m. Arroseeren {besproeien, begieten). Arrowroot (geneesk. pijlwortelmeel), lt;â¢. gniv. Arseaiaal (wapenmagazijn, tuighuis), o. â na len. Arsenieum (rattenkruit), o. Ook: Arsenik. Arsis (ilichtk. verheffing van toon, betoonde lettergreep in een versvoet), v. arsen. |
ARTE R1K N - ASSISTEN TIE.
|
Arteriën (slagaderen, polsaderen), v. mv. Arfcsisehe put (cjeboorde welput, aldus yeheeten naar hei voormalige Franse he graafschap Artois, waar zulke patten in 't begin der 18de eeuw geboord werden), m. Arthur (stichter der Ronde tafel), m. gmv. Arlicnlntie (duidelijke uitspreking', geleding), v. â s, â tiën. Artificieel (kunstig, kunstmatig), bn. Artikel (afdeeling, handelswaar, lidwoord), o. âen, â s. Artikelbrief (een in artikelen afgedeeld reglement voor knnjgsiieden), in. âbrieven. Artillerie (militair korps, een der legeraf-deelingen; grof geschut), v. gmv. â construc-tiewinkel. m. Artillerie-oflicier, m. âen; â paard, o. âpaarden; â park. o. âparken; âse* fiool. v. â scholen; âtrein. m. âtreinen; â vuur, o. gmv. Artiilerist (kanonnier), m. âen. Artis (dierentuin te Amst.), v. gmv. Artisjok (eetbare distel, in Z. Europa en N. Afrika in '£ wild), v. âken. Artist (uitoefenaar van eenig kunstvak), v. âen. Ook: Artiest. Artiste (kunstenares), \. âen. Ook: Artieste. Artistiek. Artistiseli {volgens de kunst), bn. Arts (geneesheer), m. âen; lijfâ, tandâ, neeâ, enz. Artsenij (geneesmiddel), v. âen. Artsenijbêreider, m. â s; â kuiKfle, v. gmv.; â nieiiger, m. âmengers; -winkel, m. âwinkels. As (va)i een wiel, enz.), v. âsen. Per â vervoeren. Asbest (steenvlas, vlassteen, amianl), o. gmv. Aseeet (vrome ijver aar), m. asceten. Aseeiulent (overwicht, meerderheid), o. Zie ook Asceuflenten. Ascendenten (bloedverwanten in de opgaande lijn : vader, grootvader, enz.), m. mv. Asceten (bijzondergodsdienstigeu, fijnen), mv. A.scetiscfi (streng vroom), bn. Ken âe levenswijze: âe boeken. Ascli (overblijfsel bij verbranding), v. Turfâ, steenkolenasch, v.; een huis in de â leggen, het verbranden; voor iets geen vinger in (lesteken, letterlijk niets doen; tusschen twee stoelen in de â raken, zitten, niet weten te kiezen in twee gevallen, niets uitrichten; uit zijn â verrijzen, gezegd van den wondervogel Phoenix en bij vergelijking van al, wat verin-and is en daarna nog schooner wordt opgebouwd; in zak en â zitten. Bijb. scherts, in rouw gedompeld zijn: âacliti^. bn.; â bak, m.; âbelt (hoop), v.; âbus (lijkurne), v.; â hoop, m. âhoopen; âkar, v.; âkleur,v.; â kolk, v.; âkruik, v.; â man, m.; âpot, m.; âput, m.; âschop, v. Asch (laatste overblijfsel van een gestorvene, stoffelijk overschot), o. asschen. â van Xapo-Iron, wat brengt ge aan Frankrijk? (DaCosta); iem. â met die van iem. anders vergaderen, d. i. de twee overledenen bij elkaar begraven. Eer 't graf mijn â bij dierbre asschen ga-der. (Staring); zijn assche ruste in vrede! Vrede zij zijn assche! moge zijn stoffelijk overschot niet worden ontheiligd, moge men zijn nagedachtenis eeren! Aschda^ (R. K. aschwoensdag, de eerste dag der groote vasten), m. gmv. |
Aschgrauw (nschkleurig), bn. De wegen waren â van het stof. Aschkruicl (kruidachtige plant), o. gmv. Het moerasâ groeit in onze venen. Asem (beter Adem), m. âs. Gebrek aan â. Asmodeus (opperste duivel, twistduivel)* m. gmv. Asmodi (de booze geest, satan), m. â's. Ook AsnuMtae. Aspect (aanblik, uitzicht, voorteeken), o. â en. Asperge (plant), v. â s. Asper$?eiibed, o. âbedden. Aspersie (bij de Ji. K. besproeiing, besprenkeling met wijwater), v. gmv. Asphalt (aard- of berg pek, jodenlijm), o. gmv. Aspli.yxie (schijndood, onmacht, stikking), v. gmv. Asphyxieeren (doen stikken. Ook: schijndood maken). Aspirant, m. Zie Adspirant. Aspirator (luchtzuiger, werktuig), m. âs. Aspireeren (naar iets dingen). Aspis-slang (kleine, zeer vergiftige slang), v. âen. Aspunt (pool), o. âpunten. Assaai. Assaieeren, Assaieur. Zie: Ks-saai, Kssaieeren, Kssaieur. Assagaai, Assegaai (houten werpspies met ijzeren punt in Afrika), v. âgaaien. Assaisoniieâ¬kren (kruiden, toebereiden, smakelijk maken). Assaut (schermgevecht, stormloop), m. â s. Asschepoesfer (verstooteling), v. â tje, o. Zie l*oesten. Assenibh^e (verzameling, voornaam of schitterend gezelschap), v. âen. Assenteeren (toestemmen, inwilligen). Assereeren (beweren, betóogen). A sser me n te eren (be'éedigen). Assertic» (bewering, het beweerde), v. âtiën. Assertorisch {verzekerend, als zeker aan te nemen), bn. Asserveeren (bewaren). Assessor (bijzitter, hij die in de vergadering den voorzitter de besluiten helpt regelen', wethouder bij een dorpsgemeenteraad), m. â en, â s. vero. Assidu (volhardend, onverpoosd), bn. Assiduïteit (volharding, vlijt), v. gmv. Assiënto (vaststelling, verdrag), m. âquot;s. Assiette (kleine schotel, bord), v. â n. Hij is niet in zijn gewone â. hij mist zijn gewone kalmte, gemoedsrust. Assignaat (aanwijzing op vaste staatsgoe-deren, vervallen Fransch papieren geld: van April 1790â1706), o. assignaten. Assignatie (schriftelijke aanwijzing ter betiding), v. â s, âtiën. Assigneeren (een aanwijzing op betaling geven). Assimitatie (gelijkmakinc; van medeklinkers, als in: balling [baniing], metierdaad. [met-der-daad]). Assimiiccren (ve)'eenzeivigen, gelijkvormig maken). Assises (zitdagen van een gerechtshof), v. mv.; Hof van â (hoog gerechtshof). Assisteeren (bijstaan, helpen). Assistent (helper, toegevoegde), m. âen. Ook: Adsistent. Assistentie (hulp, bijstand), v. gmv:. |
ASSOCIATIE - ATTESTATIE.
|
Associatie (uereeniginy, verbinding^ ven-( nootschap), v. â s. â tiën. Dc geest van Associceren (xicli) (zich cerbindcn tot gemeenschappelijke uitnefening van een ie- drijf). Assonantie (dichtk. gelijkheid van klank). v. âen, b.v. Goed et) bloed, wijd en zijd. Assortecrcii {uitzoeken, schikken; wel voorzien). Assortiment {voorraad van goederen, verscheidenheid), o. âen. Asstimeereii {aan- of bijnemen). Assmntie (Maria-Hemelvaart, feestdag bij de li. K. op 15 Augustas), v. Assiiratlenr (waarborger, verzekeraar), m. â en, â s. Assnrant {met zekerheid, eigendunk), bn. Bij uitbreiding: astrant (brutaal), bn. Assurantie {waarborg tegen schade van brand, hagelslag, enz. verzekering; zelfvertrouwen, eigendunk), v. â s, âtiën. Assureeren {verzekeren, waarborgen). Aster {sterrenbloem uit China), v. âs. Asteroïden {kleine planeten), v. mv. Ook: Planetoïden. Astliâ¬knie {zwakheid, uitputting), v. gmv. Asthma {engadenligheid, benauwdheid op de borst), o. gmv. Astlimatiscli {aamborstig, benauwd op de borst), bn. Een â best je. Astraal-lielit (schemerachtig sterrenlicht), o. Astrant {vrijpostig), bn. Een â kind. Zie: Assnrant. Astringent, Aclstring'ent, samentrekkend, bindend (geneesmiddel), bn. Astro$fnosie {sterrenkennis), v. gmv. AstiH^-rapliie {sterrenbeschrijving), v. âs, â iën. ' Astrolabimn {werktuig om de hoogte der sterren te meten-, graadboog, hoekmeter), o. âs. Astrologie {sterrenivichelarij), v. gmv. Astroloog {sterrenwichelaar), m. âlogen. Astronomie (sterrenkunde), v. gmv. Astronomisrli {sterrenkundig), bn. en bw. Astrono4»ni (sterrenkundige), in. ânomen. Astrneeren, Adstrneeren (bijbouweri, bijvoegen, bevestigen, beweren). Asyl (vrijplaats of toevluchtsoord, wijkplaats voor vervolgden en misdadigers', gesticht, verpleeghuis), o. âen. Asymmetrie (wanverhouding, onevenredigheid), o. As.ymmetriseli (onevenredig, ongelijk), bn. en bw. Asyndeton (niet-verbinding door voegw.), v. asyndeta. Atap {dakbedekking met alang-alang). v. gmv. Atavisme. â inns (wet der erfelijkheid van sommige eigenaardigheden des lichaams of van den geest), o. gmv. Atelier (werl,plaats van een kunstenaar), o. â s. A tempo (muz. in de rechte of voorafgaande tijdmaat), bw. A tempo $ffiiisto (muz. in zelf gekozen tact of tijdmaat), bw. Aterling' (ontaard wezen, onverlaat, slecht mensch), m. en v. âen. Atermoyeeren (den betalingstermijn verlengen, een verdrag met zijn schnIdeischers maken). |
Atheïsme. Atheïsmns (ongodisterij, god- loochening), o. gmv. Atheïst (godloochenaar, ongodist), m. âen. Athene (stad in Griekenland), o. Athener, m. Atheenseh. bn. Athena'iim {school voor hooger onderwijs), o. atheneums, athenea. Athleet (kampvechter, worstelaar, for sch gebouwd man), m. â leten. Athletiseh (kampvccht- of worstelkmidig: sterk in de vuisten; forseh (gebouwd), bn. Een âe gestalte', de âe stammen der Indische boomen. Athopie (gezichtszwakie), v. gmv. Atjar (Ind. in zuur ingelegde plantaardige zelfstandigheden), v. gmv. â hamhoe (in azijn ingelegde spruiten tan het bamboeriet), v. gmv. Atlantische Oeeaan (een der vijf wereldzeeën: ten W. van Europa,, m. gmv. Atlas (een boek met kaarten, met afbeeldingen), m. âsen. Atlas (gladde satijnen stof met eigenaardi-gen glans), o. gmv. Atlas-vlinder (Ind. grootste bekende nachtvlinder), m. â s. Atlasvogel {satijnvogel in Australië), m. âs. Atmometer (verdampingsmeter), m. â s. Atmosfeer (luchtkring, dampkring), v. atmosferen. Atomisme (leer der stofdeeltjes), o. gmv. Atomist (voorstander van de leer der stofdeeltjes), m. âen. Atonie (verslapping, verzwakking der zenuwen, zwakte des lichaams), v. gmv. Atoom (deeltje, onverdeelbaar stofje, zonnestofje, vezeltje), o. atomen. A tort et s\ travers (in het honderd, in het wild', met alle geweld), bw. A tont prix (tot eiken prijs, het koste wat het wil), bw. Atrahilair en Atrahilens (galzuchtig, zwartgallig), bn. Atramentsteen (inktsteen), m. en o. âen. Atrinm (voorste zaal in een liomeinsch huis), o. atriën, atria. Atroee (wreed, afschutvelijk), bn. Atroeiteit (wreedheid, gruwzaamheid), v. â en. Atropine (geneesk. doodkruid), v. gmv. Attache (onbezoldigde leerling-diplomaat), m. â quot;s. Hij is â bij ons gezantschap. Attacheeren (aankleven, genegen zijn, aanhangen). Attachement (genegenheid, gehechtheid), o. -en. Attaque (aanval, toeval), v. âs. Attaqneeren (aanvallen, aangrijpen). Attela^e (aanspanning van trekdieren), v. Attendeeren (letten op, acht geven). Attendrisseeren (bewegen, het gevoel op-wi'kket i, verteedi â¢/'en). Attent (opmerkzaam), bn. en bw.; â -heid. v. Attentaat (gewelddadigheid, misdadige aanslag), o. âaten. Attentie (oplettendheid), v. â s. Attermineeren ( uitstellen). Attest (getuigschrift),o. â en. Ook: Attestatie. Attestsitie (verklaring), v. âtiën, âties; â di vita, verklaring van in leven zijn: â de â tnorte, akte van overlijden. |
ATTESTS EREN - AVE N ANT.
|
Attesteeren (verklaren, getuigen, hekraehti-qen). Attisoh (schoon, sierlijk, smaakvol] vernuftig, geestig, zinrijk, fijn), bn.; â zout. geest. AttitiKle {houding, Iichaamsstand), v. â s. Attorney (gevolmachtigde, procureur in Engeland), m. â s. Attouchciiieiit (aanraking, bevjeling), o. -en. \ttri\v\iü(aantrekking,aant rekkende kracht), v. â s, âtien. Attrait (bekoorlijkheid, aanlokkelijkheid), m. â s. Attrape (valstrik, misleiding), v. âs. Attrapeeron (betrappen, vangen). Attribueereu (toeschrijven, toeëigenen, toevoegen). Attributief (als attribuut dienend), bn. en b\v. Attribiiiat (zinnebeeldig ken tee ken. kenmerkende eigenschap), o. âbuten. \ttrâ¬tu\wereiHsamenscholen, te hoop loopen). Aubaile (ochtendbegroeting als eerbewijs met muziek of zang), v. â s. Au contraire (integendeel), bw. Au eourant (op de hoogte), bw.; â zijn. Auetie (veiling, openbare verknoping bij opbod van boeken), v. â tiën en âties. Aiietionaris (veiler, verkoo/tinghouder), m. â sen. Audieiitie (plechtig gehoor), v. â s, âtiën. Auilieiitieblari {door den griffier opgemaakt proces-verbaal vanjiet behandelde bij de terechtzitting), o. âen. Aiicliteiir-iuilitair (ambtenaar van het openbaar ministerie bij den krijgsraad en in den schuttersraad), m. auditeuren- en auditeurs-militair. Aiuliforium (de gezamenlijke toehoorders, het gehoor), o. -riën. Bij overdracht: de gehoorzaal. Auerlioeii (zeer groote hoensoort), o. â ders. Aueros. m. â s. Zie Oeros. Au lait (bekend met een zaak, op de hoogte), bw. Au toiKl (in den grond, in het wezen der za ïk), bw. Au^ias-stal, (fab.) beestenstal, (lig.) vuil, moeielijk werk. Den â reinigen, misbruiken uitroeien, een verwaarloosden boel redderen. Au;fmeiifatie (vermeerdering, toename), v. â s, âtiën. Au^meiitatief' (vermeerderend), bn. en bw. Aiijfiiieuteereu (verhoogen, vermeerderen, versterken). Augurk, v. âen. Zie A^urk. Augustiju (monnik van de orde der Augustijnen), m. âen. Augustus (Oogstmaand), m. Aula (groote gehoorzaal een er academic), v. â la's, â lae. Au porteur (aan den houder, aan toonder), bw. Aurea bulla (gouden bulle), v. gmv. Zie ook onder A. B. Aure4»ol (licht- of stralenkrans om het hoofd van Christus of Maria), v. â olen. Aurora (tab. dageraad, morgenrood), v. gmv. A nso (naar wisselgebruik), bw. Ook: a usance. Austraal (zuidelijk), bn. âlauden (aardr. landen bezuiden den zuidpoolcirkel), o. mv. Australië (het vijfde werelddeel), o. gmv. |
Australiseli (zuidelijk, zuidwaarts), bn. De âe eilanden, tot het vastland Australië (Nieuw-Holland) behoorende. Autaar (olfertafel), o. â taren. Ook: Outer. Auteur (opsteller, schrijver; dader, leider, hoofdpersoon), m. â s. Autlientieiteit (geloofwaardigheid,echtheid, iets dat gezag heeft), v. gmv. Autlientiek (rechtsgeldig, geloofwaardig, echt), bn. Aiitlientiseeren (in den 'rechtsgeldige a vorm bekrachtigen). Autobio^rapliie(e/^i levensbeschrij ving),\. Autobi4»^-rapliiseli (door den schrijver zeiven geschreven), bn.; een â geschrift, bevattend lt;le levensbeschrijving des schrijvers zelf. Autoelillianen (gesch. of fab. oorspronkelijke d. i. uit de plaats zelve ontstane bewoners van Griekenland', van elk ander land), m. mv. Autoeraat (alleenheerscher), m. âcraten. Autocratiseh (onbeperkt), lm. Auto-lt;ia-te (daad van geloof, plechtige herroeping der dwaling] terechtstelling, rechtsdag [dei' inquisitie]), o. autodafé's. Autodidaet. Autodidact us (iem. die een wetenschap of kunst dour zelfoefening geleerd heeft), m. âen; âsen. Alitor raat' (manuscript, eigen handschrift), v. -graten. Autocraat' (cop i'éer- mach i ne, zelf schrijver, eigenhandig geschrift), v. âgraten. \ntnffri\\*Msi:li(eigenhandiggeschreren),hn. Automaat (een zich zelf bewegend men-schenbeeld: S'-h ertsen der tv ijs, ietnand die werktuiglijk doet unit anderen hem laten doen, speelpop of stroopop), m. â maten. Van der Hoogen herhaalde dezelfde beweging met' al de bevalligheid van een â. ((_'. O). Autonomie (zelfwetgeving, eigen staatsregeling; vrijheid van wil), v. gmv. Autopsie {lijkopening, lijkschouwing), v. gmv. Autorisatie (volmacht; wettelijke goedkeuring, machtiging), v. gmv. Autoriseeren (machtigen, vólmacht geven). Autoriteit (gezag, waardigheid: gestelde macht), \. âen (overheidspersonen), v. mv. Auxiliair (tol hulp verstrekkend, hulp), bn. Aval (wissel borg tocht), o. gmv. Avance (winst in den handel; toenadering, voorschot), o.; âs maken, de eerste schreden of stappen doen. Avanceeren (voorwaarts gaan, bevorderen; voorschieten). Avancenient (bevordering), o. âen. A vantage (voordeel, winst, overhand), o. â s. Av anta^eus (voordeelig, winstgevend), bn. Avant-jfarde (voorwacht, voorhoede), y. (mv. avant-gardes). Avant-scëne (voorgrond van het tooneel), v. (mv. avant-scènes). Avarij. v. Zie Averij. Avcelzaad (raapzaad, waaruit men olie slaat), o. gmv. Avegaar (groote boor), m. â s en âgaren. Avelin^ (poldergrond langs den dijk), v. â lingen. Ave Maria (gebed bij de li. K., het Wees Gegroet!), o. â quot;s. Avenant (naar â), bw. d. i. in overeenstemming, in evenredigheid. Ook: Advenant. |
AVENUE- BOVENST.
47
|
Avenue (laan, oprijlaan, toegang), v. â s. Aver (kind, nakomeling), m. âs. vero. lem. kennen van â te (tot) van het ééne geslacht op het andere, van ouder tot ouder. In de volkstaal: van haver tot haver, later van haver tot gort. Averechts (verkeerd), b\v. Hij doet alles â. AvereelitKeli (verkeerd), bn. De âe zijde. Averij (schade, verlies aan een schip of aan de lading), v. âen. Avers (beeld- of voorzijde van munten en medailles), v. âen. Aversie (tegenzin, afkeer, walging), v. gmv. Avertisseineiit (aankondiging, bericht, kennisgeving). o. âen. Averuit (een altijd groene plant, ook wel Averoen genoemd, citroenkruid), v. gmv. Aven (toestemming', bekentenis), o. â s. Avienltiira (kunst om vogels te kweeken), v. gmv. De vereeniging A vista (op zicht, op vertoon), bw. Avltailleeren (proviandeeren, van leuens-midflelen voorzien). Avoeasserie (reehtsverdraaiing, advoca ten-streek), v. â s, â rieën. Avoeeeren (terugroepen, afvorderen', berichten). Avoes (Fr. a vous), tw. Uitroep bet. Op uw gezondheid. Avoezen. Avoiizlt;kii (drinken op iem. gezondheid), vero. Avond. A vend, in. -en. liet is, het wordt â; het loopt ten de â valt; tegen het vallen van den â; des âs, Js â s; te â, hedenavond: te â of morgen, in de naaste toekomst; bij bij avondlicht; hij â en ontij, op ongepaster! tijd; in den in den loop van den avond; tegen den â; voor den â; ilezen hedenavond; den ganschen â; alle â en; een schoon e zomersche â; goeden â (wenschen); spreekw. Gendag en genavond weegt geen pond, beleefdheid kost niet veel; den â of het avondje doorbrengen, passee-ren, slijten. Avondmaal, o. Het heilig â des Heer en. Avondrood (purpertint bij zonsondergang in het \V.), o. gmv. Avondsciienifr. m. gmv. Avondselienierin$£ (zwak zonnelicht na zonsondergang), v. âen. IS. v. b's; â Tweede letter van het alphabet, de eerste van de medeklinkers. In de muziek de naam van den zevenden toon, si genoemd. In Romeinsche opschriften beteekent B 3Ã(J, en met een streepje er boven (aldus B), 3Ã00. H. â Basso (muziek). it. â Bachelor, d. i. candidaat (Engelsch). IS. â Beatus of Beata, de zalige. ISar. of Bnii. - Baron. ISat. rep. â Bataafsche republiek. IS. IS. â Bene bene, zeer goed. IS. C. â Basso continuo, doorgaande bas (muz.). B. e. Igt;. â Bono cum, Deo, met den goeden God, met Gods genade. |
Avontnren (wagen, op 't spel zetten),'ikhéb geavontuurd. Zich â, zijn leven wagen. Avonturier (gelukzoeker), m. â s; âster, v. â s. Avontuur (zeldzaam geval, zonderlinge gebeurtenis), o. âturen; âtje. o. Op â uitvaren. uitzeilen zonder bestemming; op â uitgaan, lotgevallen opzoeken. Avontuurlijk (vreemd, wonderlijk), bn. Een â leven, d. i. vol lotgevallen. Avoué (procureur, pleitbezorger), m. â's. Avoueeren (erkennen, toestemmen, belijden). A vous (mijn dienst aan u, op uw gezondheid!), hw. A vue, op zicht (betaalbaar), bw. â zingen, lezen. Awalen (speelseh wezen, dartelen), ik heb geawaald. vero. âiff, bn. d.i. speelsch. Axioma (onbetwistbare grondstelling, klaarblijkelijke waarheid), o. â's en axiomata. Azalea (sierplant), v. â's. Axaxel (booze geest), m. Azen (zijn voedsel zoeken), iic heb geaasd. Op iets â, gretig zijn op. Aziaat (bewoner van Azië), m. -aten. AziatiM'li. lm. Een â vorst. Azië (het grootste werelddeel), o. gmv. Aziff. ook Azinff (Friesche ivetvertoiker of rechter), m. azigen, azingen. vero. Azijn {znre vloeistof, azijnzuur). »â¢. gmv.; âsetlier, m.; â fabriek, v.; â ffistiiiff. v.; â liout, o.; âmaker, m.; âmoer (schimmelplant). v.; âplaats (werkplaats), v.; â -stok (boompje), m.; âzuur, o. Azijnaaltje (draadworm in den azijn), o. â s. Azijnen (met azijn begieten), ik heb (de sla) gen zijnd. Azimuth (toppuntshoek, boog van den horizon). o. gmv. Azinff (Friesche rechter), m. âen. ZieAzig. Azotum (stikstof, stikgas), o. gmv. Azuren (azuurkleurig), bn. Een â veld, wapen; een â lucht; de â trans des hemels, de blauwe hemel. Azuriff {azuurkleurig), bn. vero. Azuur (hemelsblauw), o. Het â des hemels: -kleuriff. bn.; âsteen, o.; âtint, v.; golfâ, luchtâ, stroom â , westerâ. Ook: Lazuur. ISeo. â Banco, bank. IS. Igt;. IK H. â Hon is diis deabasque. aan de goede goden en godinnen. ISeff. â beginselen. Bel. â belasting, beleening. Bibl. â Biblia, de Bijbel, de Heilige Schrift. Bijl. â Bijlage. ISijz. â Bijzonder. Biniienl. â Binnenlandsch. IS. L. â Benevole Lector, toegenegen of welwillende lezer. BI., blz.. bladz. â Bladzijde. IS. 31. â Beata; memorite, zaliger gedachtenis. Bovenst. â Bovenstaande. |
BK. - BABBELGUIGJE.
48
|
I5r. â Broeder; â breedte. Br. vrijin.. Br. â Broeder vrijmetselaar. Blo. â Bruto. Burg'. â Burgemeester; â hxruerUjk. B. V. â Beata Virgo, de gelukzalige Maagd. B.v. of Bijv. â Bijvoorbeeld. B. W. â Burgerlijk Wetboek. Ba (foei), tw. Hij zei boe noch â, geen woord. Baadje, ook Baaitje (Ind. kleedingstuk (zie Batljoo). o. Een Ma Icier met een lang. paars-kleurig â. (J. t. Br.) Op zijn â krijgen, slaag krijgen, er van langs krijgen; iem. op zijn â komen, hem slaag toebrengen, ook oneig. Baai (wollen stof), v. âen. Baai (zeebodit, kleine zeeboezem), v. âen. Baai (wijn), v. gmv. Boude â. Baai (tabak), v. gmv. Beste, fijne heer en â. Baaierd (mengelklomp, warrelklomp, warboel), m. gmv. God schiep den â. Baai-tabak. v. gmv. Baaivaiigeu (sierlijk op schaatsen rijden). Alleen geltruikelijk in de onbepaalde wijs. Baaivanger (een sierlijk rijder op schaatsen, ook zwierbol, doordraaier), m. â s; â vaug*-»ter. v. -s. â ' Baak (tmi, teeken, vast merk tot aanwijzing van het vaarwater), v. baken. Een kusilicht, een ankerboei* een toren, een paal is een â (baken). Zegsw. Een vuur als een â, een helder vuur; de baken(s) zijn verzet, de toestand is veranderd; als het tij verloopt, verzet nien de baken(s), men moet zich richten, vooral financieel, naar de omstandigheden. â gekl. o.; â lielit. o.: âmeester, m.; â -stok. m.; âton. v. Zie ook: Vraagbaak en Vimrlmak. Baak (wat. en krijgsw. staak of paal tot aanduiding van een richting), v. baken. Zie Afbakenen en Vitbakenen. Baal. v. halen. Een â koffie. Een â papier. Baal (afgod, heer), m. Ook Bal. Bel. Bellis, âpriester, m. lig. ontrouwe leeraar. Baan (glad vlak, gladgemaakte uitgestrektheid), v. banen. Een ijsâ, een gij â , een beugelâ, een kegelâ, een kolfâ ; een gladde â; zijn âtje schoon vegen (maken); de â is schoon. d. i. de gelegenheid is gunstig: Een een loopend klarini tiist zag de â schoon om ook zijn talenten te doen hoor en. (C. O.); de â was schoon voor het hernieuwen der vriendschap. (C. O.); het katje van de â. haantje-de-voorste; de â vegen, alles uit den weg ruimen. Baan(«r//, loopbaan.aangelegde ?m/).v.hanen. Die voerman is dag en nacht op de â ; ruim â maken, ruim â geven; op de lange â schuiven, onbepaald uitstellen; dlt;' â der planeten'. dezonneâ, (ecliptica); âbreker (wegbereider). m. â s. Baa mier lieer (banierheer), m. âen. De â had het recht een eigen banier te voeren. Baantje (gemakkelijk postje, betrekkinkje), o. â s. Een â dat juist niet rijk is aan schitterende vooruitzichten.(C.O.) Ir.7 Is meeen â. een lekker â, in toepassing op het redderen van onaangename zaken, minachtend. Baar (golf. waterweg, onefjenheid), v. baren. Een land, ontwoekerd aan de baren; dicht. de zilte baren, de ziltige baren; geen â is hem te hoog, hij is voor niets vervaard. Baar (staaf goud of zilver), v. baren. '/Alver aan baren; in de wapenkunde: zilveren band, die uit den linkerbovenhoek naar den rechterbenedenhoek van het schild loopt en een derde deel daarvan moet bestaan; een schild met twee baren. |
Baar (bloot, naakt, ongedekt), bn. De bare duivel, d. i. zonder eenige vermomming; â geld, contant geld; de bare zee, ruw. Baar (draagtoestel, berrie), v. baren. ï4jk-, de lijkâ staat te wachten vlak bij het kerkportaal. (^De Genest.); draagâ ; voor de â nitgnan, den sleutel op de kist leggen, in de Middeleeuwen ten teeken. dat de weduwe afstand deed van den boedel ten voordeele der schuldeischers. Baar (spotn. groentje, nien weling), m. baren. Een zeeman, die voor 7 eerst de linie passeert, heet â ; ook ieder, die pas in Ind ié komt. Ik help altijd de baren; met de baren lachen (.). t. Br.); bij uitbreiding: iem. zonder men-schenkennis, b.v. een jong soldaat, een pas aangekomen cadet of adelborst. Zie Oroen. -Baar (achtervoegsel: geschikt tot dragen, dragende), b.v. vrucht â , dankâ, kostâ; ook verdragende: strijdâ, reisâ; verder achter transitieve stammen: brandâ, eetâ, kunnende ondergaan (passief); achter intrans.stammen: vloei â. ontplofâ-, kunnende doen (actief). Baarblijkelijk (klaarblijkelijk, duidelijk), bn. en bw. âe hulp (Brandt): de ware oor--zaak van die mistastin/ is â (van Effen); de ezel had â voor om zijn recht ran over-ireiden ook tot den hofgrond uit te breiden (Staring). Baard (kinhaar), m. âen. Spelen om 's keizers â , om niets spelen; in den â varen, aanvallen, tegen iemand opvliegen; âen van korenaren, visschen, oesters (w.at op een â gelijkt); den â in de keel hebber}, de stem gaat breken; âeloos. bn. âelooze knapen: â ig. bn. Een âig man; -scheerder (barbier), â sclirapiK^r. m. â s. Baardgicr (lammengier), m. âen; âgras, o. gmv.; âmannetje (boardmees), o. âs. Baarlijk (wezenlijk), bn. De âe duivel. Baarmoeder, v. â s. Baars (zoetwatervisch), m. baarzen. Als stofnaam v.: Houdt ge van Baarseli (Ind. als van een baar), bn. Hooggele handschoenen volmaken zijn â voorkomen (J. t. Br.); zich â gedragen, bw. Baas (meester in eenig ambacht), m. bazen. Hij is â timmerman waar is de â? bij uitbreiding, heer: den â spelen, heerschen; de vrouw is er de â, heefter alles te zeggen; hij is mij de â af. overtreft mij; het is een â van een snoek, een groote visch; een â van een jongen, grof van stuk; âJe (ventje, mannetje), o. â s; â sellap. o. gmv. Zij twisten orn het âschap. Baat (nut, voordeel, winst), v. baten. Dat zal â doen; lot iem. â; te â komen, d. i. van pas; te â nemen, aanvaarden; abaat(baatjes) helpen, vele kleintjes maken één groote; solui â. v. d. i. voor- en nadeel wegeji tegen elkaar op; â¬kigen â, zie Figenbaat; batig (gunstig, in iem. voordeel), bn.; bateloos (nutteloos, ijdcl), b.v. batehtoze zwakheid van ziel (Bild.); âgierig, bn.; âmiddel, o.; â jenelit, v.; -xuelitig (belust op voordeel), bn.; âziek (tuk op winst), bn. Babbelen (snappen), ik heb gebabbeld; âaar, m.; â arij (gesnap), \. Babbelgnigje (jdelepraat), o. â s; -kous (ijdcle snapster), v. âen; âmoer, v. â s. |
RABUN-BAKTROG.
|
Kabijii (fiarrnklos). v. âen. Rabijnon (op klossen winden), ik hel» ge-baliijnd; babifner. m. Ka bi o Ie ii {ki ndiTxpi'i'lijiU'd, lig. beuzrlintien). v. mv. Itaboe (Ind. inlandscln'kindermeid), v. â s. Itabok {lomperd), m. -ken; âkig:. bn. en bw. vero. Babouclw* (soort ran Turksehe mailen), v. mv. Ook: iiahoesjes, Ba bosjes. ISalt;*lt;*alaiirlt;'aat (laaijslr aeademisrhc graad of ivaardUjheid), o. gmv. ltac*lt;*alaiiroiis (////r die dien graad vii'kregen heeft), in. âsen. Ifiacchaiialiëii (drinktjelayen aan Barchas ijeivijd), v. mv. Ifiaccliantcii (zivervi-ndestudenten der !4i -l6e eeuw), m. mv. liaeliaracb (aan den Rijn, wijnstapelplaats), o. gmv. Bacil ( mieroseopisrh diertje), v. âIon. Ook: Baeeil. Bacterio (bacil), v. â s ol' -riën. Bad. o. âen. Etn doucheâ, een stuifâ, een druipâ. een stort â , een i*ii)ierâ, een zeren/.. Een â nemen; de âen gebruiken; een warm â, een koud â. enz. Baden, ik lieb gebaad; baflci*. m.; baadxter. v.; badin^-. v. Balt;l i na^'e (korts wij I, vrodijke schert*).v.g;m v. Bafline (dun rottinkje), v. â s. Batlineeren (kortswijlen, schertsen). Bairen (bassen), de hond beeft gebaft; -Ier. m. vero. Bag*. Ba«»â â¢;lt;» ^steen in een ring), v. âgen. Bagage { reisgoed), v. -s. Bagatel (kleini gheid), o. â len. Bagger (modder, derrie), v. gmv. Baggeren (slijk, modder uithalen), ik heb gebaggerd. Fig. Door de modder â. Baggerman, m. â lieden en â lui; â molen, m. â s; ânel. v. âten; â selinit. v. âen. Bagno (slavengevangenis in Turkije, Tunis, Algiers; galeistraf, gevangenis voor dwangarbeid in Frankrijk), o. â quot;s. Baguette (stokje), v. -n. BaigneiiKe (b idamtsje; baadster), v. â s. Baignoir (badkuip: plaats onder de loges in het theater), v. â s. Bajadère (Ind. dansmeisje), v. â s. Ook tot liet middel afhangend uit gitten bestaand halssnoer als dracht der Ind. dansmeisjes. Bajonet (geweerdolk, in '1063 te Bayonne vervaardigd), v. âten. Bak m. âken. âje (drinkbeker, nap. kopje), o. b.v. Een â koffie, thee; verder bewaarplaats; regen â ; scheepst. houten balie, waaruit de schepelingen de \v;irme spijs oplepelen: aan den â eten; lig. scheepskost. Aan voertuigen: het deel van de kar. waarin de vracht geladen wordt, vandaar bakje, rijtuig, o. gmz.; kattenâ, toestel achter aan een rijtuig als zitplaats voor één of twee personen; in den schouwburg: middelruimte gelijkvloers (thans parterre): de kronen vielen m den â. (Brand van den Amsterdamschen schouwburg). Bakbeest (lomp gevaarte), o. âen. Een â van een wagen, kachel, tafel, schip enz. Bakboord (linkerboord,'rugboord), o. gmv. Aan â, ergens links van liet schip; over â liggen, met den wind aan stuurboord zeilen; over â gieren, afwijken naar links; â het roer! breng de roerpen naar bakboordzijde; haal op aan â, roei daar harder! iem. van â naar koenen, Ver ld. Handwdb. d. Neder l. taal. |
stuurboord zenden, d. i. van Pontius naar Pi-latus, van het kastje naar den muur. Bakbooi'd.suaclit (de helft der manschap, huizend nl. aan bakboordzij), v. gmv. Bakboordzijde (linkerzijde van het roer af gezien), v. gmv. Wij staken de riemen aan â in den grond. (C. O.) Bakelaar (laurierbezie), v. âaren. vero. Baken. o. â s. Zie Baak. Een schip (of een wrak) op strand, een â in zee, men leert zich in acht nemen door het ongeluk van anderen te zien; vuur aan wal. altijd geen â. schijn bedriegt; - geld. o.; â kwartier (der'eelen, waarin een water wordt verdeeld ten opzichte van de bebakening), o.; âmeester, m.; â wezen. o. (Er bestaat geen verschil van bet. tusschen Haak en Haken.) Bakenen (oiet bakens afzet'en. bakens stellen), ik heb gebakend. Zie; Afbakenen. Baker (bakermoeder), v. â s. Bakeren (e/'rwarmen, koesteren van een pas geboren kind), ik heb gebakerd. Een z-ige-ling â : beet. haastig gebakerd zijn. driftig, voortvarend zijn; zich â in de zon. Bakermand { vuurmand der baker), v. âen. Bakermat (langwerpige hooge mand. zitplaats der bake*), v. â ten. Vhn de â af, d. i. sinds de vroegste jeugd; bij uitbreiding: hel land, de omgeving waar men opgegloeid is: Engeland moet uw wieg, Frankrijk uw â. Duitsehland uw leerschool geweest zijn (E. Wolff); ook plaats van wording: Engeland, de â der nieuwere industrieele richting; het Vind dat de â der vrijheid was. Bakerrijm. lt;». âen. Ned. baker- en kinderrijmen (Van Vlotenquot;); â selielling(/ooia'm de baker), m. âen; âspeld (groote speld), v. â en; âsprookje (kinderachtig vertelsel). o. â s; âstoel (gebruikt toen bakermat verdween), m. âen. Baklinis (bakkes, aangezicht; ook bakplaats, bakkerij), o. âhuizen, gmz. liakkebaard (haard langs de bakken of wangen), m. âen; âje. o. â s. Bakkeleien (rechten, voornamelijk met handen). ik heb gebakkeleid. Scherts, in toepassing op den strijd tnsschen verschillende meeningen: U7/ hebben te samen over het geloof, een heldertjes gebakkeleit (Burgerhart). Bakken, ik heb gebakken. Een poets â, iem. heet hebben; zoete broodjes â. trachten goed te maken; hij is bakkeraan, d. i. hij is aangebakken of gesnapt, bekeurd, in boete vervallen, heeft 't spel verloren. Bakken (quot;/gt; 't triktrakbord spelen), ik heb gebakt. Bakker, m. â s; âij. v. âen. Bakkersgild. o. âen; â kneelit. m. âen; â leerling, m. âen; âoven. m. â s; â -seliotel. in. âs; - wagen, m. - s; âwinkel. m. â s. Bakkes (aangezicht), o. âen. Iem. op zijn â geven. gmz. Bakloon, o. âen: âoven. m. â s; âpan. v. â nen. Baksel. âs; âtje. o. âs.. Bakslagerij {recht partij), v. âen. Bakstag (scheepst. touwwerk aan een rondhout), o.; â skoelte. v.; â swind. m. Baksteen {gebakken steen), m. âen. '/.waar als een â, zeer zwaar; hij zonk als een â. Baktand (kies), m. âtanden. Bakt rog. m. âtroggen. |
BAK VISCH - BALLOTEEREN.
50
|
HakviM'li (allerlei kir ine visch om te hakken, lig. aankomend m( is je), v. ISakzeillialcn (scheepst. de zeilen achter uil-halen). ik hel» bakzeilgehaald. Fig. achteruit krabben, niet op zijn stuk blijven staan: Toen ik hem eens t/oed de tvaarheid zei. haalde hij bakzeil. Kal {hol. kofiel). m. â len. Een leeren â. een 'gomelastieken â, met den â spelen; boivor-mig voorwerp: deuouden â als uithannteekrn: rondo verhevenheid: de â van de hand. van den voet. Zegsw. Hij loopt voor zijn â. d. i. hij is te vroeg in de weer (kolfspel); wen nioet nooit achter zijn vrijen â h-open, d. i. men moet als vader niet afhankelijk worden van zijn kinderen; de kolf na den â werpen, het spel gewonnen geven; die kaatst moet den â verivaehten, wie aanvalt moet rekenen op tegenweer; elkander den â toewerpen. d.i. helpen; den â Aremi, opvangen en terugslaan; tig. iets afwenden; den â missen, misslaan. het mis hebben, bezijden de waarheid zijn. niet het goede inzicht hebben; den â treffen; â leljc». o. â s. Een â opgooien van iets. door een eerste woord een gesprek over iets aan den gang maken; een sneeuwâ, een Homâ, een suikerâ. Kal (danspartij), o. â s. Een tjemaskerd â, een â (jeven, het â openen; morden is het â hij den (jeneraal. (C. O.): -boekje, o. â s; -kleeft, o. âeren; âtoilet, o. âten. Kalaneec'ren (in rvemvieht houden; lig. be- j sluiteloos zijn). Kalanceerines (deel van een balans), o. I â sen; â«tok. m. âken. KalaiiK (weerisehaal. boom der ivrer^ehaal). v. ! â en. In â houden, evenwicht; bnifrâ (bas- \ enle). v. In den koophandel: vergelijkende staat van ontvangsten en uitgaven: zijn â opmaken; de â sluit; een zuivere â (hier tegenover staat een geflatteerde â); âboek. waarin de koopmansâ wordt ingeschreven. Kaldaad (booze daad), v. âdaden. vero. Kaldadig- (onbesehaamd, brooddronken, roekeloos), bn. Een âe knaap; een troep âe werklieden; âe straatjonaens. Kaldakijn (bouwk. sierlijke hernel boven een troon, een beeld, enz.), o. en m. â s of âen. Kalfleren (bulderen), de wind heeft gehal-derd. Het -d weer. (Tollens), vero. Kaleli-Kaleli (Ind. rustbank van bamboe), v. -s. Ook: Kal^-Kal^. (Veth.) Kalein (veer krach tine stof, baard van den walvisch), o. gmv. Kalein (voorwerp, laruje reep), v. âen. Een paraplu met âen; een korset zonder âen. Kalg- (buik. lichaam), m. âen. gmz. Kalie {tobbe, kuip), v. -s en â liën. liet lin-nenr/oed in een â wasschen; âmand { (jrootc. platte, wijde mand), v. âen. Ralie (scheepst. spijsbak), v. âsen âliën. Zie Verseliebalie. Kalie (hekwerk, leuning, balustrade), v. â s en âliën. De â van een brug; de â van een windmolen, galerij. Kalie (ruimte, waarbinnen bij rechtzittingen de pleiters hun plaats hebben, lig. de orde der advocaten en procureurs), v. â s en -liën. Hij was een sieraad der â ; de oudste zoon was bestond voor de â ; âwelsprekendheid. Kallen (het water uit het ruim hoozen met een balie of bak), ik heb gebalied. Ook: Uit-Imllën. |
Kaliekluiver (leeghmpcr, badraaf die over de balie een er brug gaat hangen), m. â s; de vereerende naam ran âs. (C. O.); âmolen (windmolen )net galerij of zwichtstelling), in. âs. Kalije (onder af deeling van het rechtsgebied der Duitsche orde), v. â n. De Duitsche orde: de â van Utrecht wordt hersteld. (Wet van S Aug. 1H15). Kaliiieezen (bewoners van het'Oostindische eil'ind Bali), in. niv. Kalistiek (leer der loopbanen van een geworpen lichaam), v. gmv. KaljiMV (hoofdschout, dros'.), m. âen of âs; â sehap, o. âpen. vero. Kalk (prismatisch stuk hout), m. âen. De â en van een gebouw; ei* zijn âen ondei' het ijs, het is stevig; tot de âen springen, d. i. zeer hoog van blijdschap; iets aan den â schrijven, d. i. aari de zoldering, b.v. in een kerk. zoodat het telkens in het oog valt; het niet Over den â gooien, niet verkwistend zijn met het veevoeder, fig. met zijn geld: ik wil om de keur van den â niet vallen, d. i. ik hel» geen voorkeur; â in de wapenkunde: de benaming voor het middelste deel van een schild, wanneer dit door horizontale lijnen in drie deelen is verdeeld, ook dwarsbalk ge-heeten. Zegsw. Een â in zijn wapen voeren, niet van echten adel zijn, een bastaard zijn; (de linkerschuinstreep, d. i. de balk in de geringst mogelijke breedte alleen is een vast kenmerk van onechte geboorte): Vloeken, die een â in hun wapen voeren ((.'.O.), d. i. bastaardvloeken: muz.: samenstel van vijf evenwijdige lijnen, waarop muzieknoten geschreven worden (verkorting van notenbalk); Bijl». Hij ziet den splinter in'toog uws broeders, maar den â die in uw oog is merkt gij niet. eigen groote gebreken niet zien. maar wel de kleine fouten bij een.ander. Kalken (schreeuwen als een ezel), ik heb gebalkt; â er. m., â s.; -ster, v. â s. Kalkenbrij (zekere spijs), v. gmv. De â wordt in den slachttijd bereid uit meel, stukjes vet en vleeschnat. Kalkon (bouwk. uitbouw aan den voor- of achtergevel), o. â s of â nen. Een houten â, een stecnen â, een ijzeren â; een Veneti-aansch â, een Moor sen â; een â met carg-athiden, een â met baldakijn. Ook: Ba Icon. Kallade (oorspr. danslied, thans episch gedicht in strop hen net of zonder refrein), v. â n. De â behandelt een onderwerp uit het volksgeloof of de volkspoëzie. Kallast (scheepst. slechte lading, bv. stee nen, zand, enz.), in. âen. Kallasten (met ballast bezwaren), ik heb geballast, b.v. een schip. Kallen, ik heb gebald. De vuist â, tot een bal vormen. Kallet (toonceldans, reidans), o. -ten. Railing' (uitgehannene), in. âen. Als â rondzwerven, leven; Hugo de Groot was â 's lands; â schap, v. gmv. Vrijwillige âschap; in â -schap gaan, zwerven. Kallista. v. â's. Zie Rlijde. Ralion (luchtbol, tuindbal), m. âs. Rallot (haal, koopwaren), v. â s. Rallota^e (stemming, stemuitbrenging door middel van een witten bal voor of een ge-kleurden bal tegen), v. â s. Ralloteereii (door balletjes of boontjes zijn |
BA L MASQUK - BANKBILJET.
51
|
stem uitbrcnijen. daardoor als lid van een (jezelschap of sociëteit kiezen of afatijzen). Bal masqué {gemaskerd bal), o. bals inasquês. Baloorig* (ki tieloarig. amvi iliu), lm.; â hoMl.v. Balsem {reakiuerk). m. âs, Kig. troost, opbeuring. â in het lijflen; âaeliti^, lm. Balsemboom {kleine hoorn in Arable), m. â en. De â levert den Mokkabalsem. Balsemen (eer' lijk met bederf werende stoffen bewerken), ik heb gebalsemd; -ingr. v. Balsemiek {geurig), lm. en Inv. Balsemien (sierblonn). v. âen. Bals|M'l {gymnastisch spel), o. âen. Biljarten, kegelen, kolven en het crocketspel zijn âen. Balsturig {weerspannig), bn. Een â paar ezelinnen (Potg.), d. i. ongezeglijk, eigenzinnig, grillig; -lieiU. v. Balustrade {leuning om een balkon: hekwerk. hek), v. â n of â s. Bamboelieereu (rinkelrooien, pierewaaien). Bamboe (O. /. riet), o. gmv. Bamboes wandelstok), m. âzen. Bamis (bamisse, baafmisse), v. gmv. Met â mi test de boer de pacht betalen, d. i. op 1 Oct. den feestdag van St. Bavo. Ban (oorspr. bekendmaking, oproeping b.v. ten oorlog), m. Den â slaan, den â openen, liot signaal geven op de trom; de ie, quot;Je en Se â der schutterij; op â en boete, geldstraf; de â des graven, uitbanning; H. K. iem. niet den ban slaan, hem uit de gemeenschap der kerk sluiten (zie Kxeommunieeereii); derechts-ban van een dorp rechtsgebied; zijn Gast. hapt, eer 't hem de â belet de sleutels weg, formule Ier bezwering van duivelen of booze geesten; (hij hoort) d'aanvang van d'onweer-staanbren â, (Staring); -bevel. o. -en; â -bliksem, m. âs; kerk â , ui. Bemaal (alledaagsch, ordinair), bn. en bw. Banaat (grensgewest in Hongarije),o. â naten. Banaliteit (gemeenplaats, alledaagsche bewering), v. -en. Banaan (Ind.: in O. I. ook pisang, soort van palmboom), v. bananen. Bami (reep Ihinen of katoen, leer. enz.), m. â en. Ook kluister, boei: Builen pijn en âen iets bekennen; de â des bloeds, van vriendschap, van godsdienst, des huwelijks, betrekking; â en van eer; de âen des vredes; in den â houden, bedwingen; van den â laten. loslaten; uit den â springen, zich niet houden aan tucht en regel; de â van een boek. een haar-, iets dat samenhoudt; (voor de stof), o. Zij verkoopt garen en -. Bami. m. Door den â, d. i. door elkaar genomen. gemiddeld. Niet: door de bank. Hij wint door den â 20 %. Bandagge (bindsel, heel kundig verband), v. â s. Bamlelier (riem, dwars over de schouders gaande), m. â s of âen. Aan den â werden de kruitmaatjes door de musketiers gedragen. Hun (der ridders) breede âen. beschilderd met de naald (Bild.), d. i. over den schouder gaande sjerpen; hij draagt als â een leeg en zak. (Staring). Bandeloos (niet in banden gehouden, onbeteugeld), lm. en bw. Het was âlooze lof. «1. i. uitgelaten, ongetemperd; âlooze wreedheid. â geweld, d. i. niet beperkt door eenig beter gevoel; hij holt toomeloosen â voort'. âlieid. v. De âheid tuin het Engelse he hof. Bandelotten (oorhangers), v. mv. |
Banderol (scheepswimpel; ruitervaan; trompetkwast), v. â len. Ook: Baanderol. Zij zag de baanderollen van graaf en koningskind. (Rild.) Bandiet (iem. ('ie gebannen is, struikroover in Itaiië), m. âen. De reizigers werden door â en overvallen. Bandijk (rivierdijk, geschikt out de hoogste waterstanden bij ópen rivier te keeren), m. âen. Bandjir (Ind. stortvloed, geweldige watervloed), m. â s. Ook: Bandjer, Banjer. Bandrekel (kettinghond), m. âs. Fig. een kwaadwillige jongen, een l.andelooze knaap. Bandworm (lintworm. ingewandsworm), m. âen. Banen (effenen, vlak maken), ik heb gebaand. Den tueg â, alle hindernissen uit den weg ruimen, een doortocht maken- een gebaande weg, het gebaande pad door de sneeuw, b'ig. een toegang tot iets verschaffen, alle moeie-lijkheden opruimen: zich den weg tot aanzien, tot grootheid â. Bang- (benauwd, drukkend, angs'ig), bn. Mij is bange, ik bon beangst, vero.; uw afzijn valt mij â (Hooft); het iem. â maken. iem. in het nauw brengen; een âe droom, een â vjoruitzicht; hij is zoo â als een wezel; â voor iem. zijn, zich zijn mindere gevoelen; â erik. m. âmaker. m. Banier {vaandel der baanderhecren). âen. Met vliegende, golvende, wapperende â en; een â ontplooien, opsteken, planten; de - van een vereeniging, van een processie, enz. Fig. de â van het Evangelie, de â vatt Chris'us; â draper, m.; â seliilcl (uier'kant schild), o.; kerkâ, krijg-s â. v. âen. Banjer (banjerheer), m. â s. gmz. Banjer lieer (pronker, pocher; man. die rijk leeft), in. âen. Zie: Baanderheer. Bank. v. âen. Een schoolâ, een tuin â , een kerkâ; de â der beschuldigden, recht. Zegsw. Iets niet onder âen of stoelen schuiven, er niet geliPimzinnig mee wezen, het niet verbergen; iem. van de â drinken, d. i. onder tafel drinken; een gezel van der â. een lustig gezel, vero.; de schepen â , zetel van rechtsmacht in de Middeleeuwen; de volle â, de volledige schepenbank; de â spannen, recht gaan doen, spreken; pijn â , folterwerktuig; toon â , waarop de koopwaar wordt gelegd: vleesch-. waarop het vleesch gehouwen en verkocht wordt; achter de â liggen, raken, werpen, schuiven, in onbruik zijn, raken; iets verwerpen, ter zijde stellen, eig. van waren, die niet meer in trek zijn. Bij uitbreiding: houten werkbank der bankwerkers; in de aardrijkskunde: laag van zand of steen; in de veenderij: veenakker. in evenredige stukken afgestoken; op zee: door de natuur gevormde ondiepte; weerkunde: donkere streep van wolken aan den horizon. Bank (crédie tins tel ling), v. âen. De Neder-landsche â ; de Amsterdamsche â ; dat is zoo vast als de (Amsterdamsche) â, d. i. daarop is vast te vertrouwen; hij is zoo goed, solide als de â. Bij overdracht het gebouw, waarin een â is gevestigd: Hij woont vlak bij de â. In het hazardspel: De â van Monte-Carlo; de â laten springen, hem, die de â houdt, alles afwinnen. Bankaard (onecht kind), m. âen on â s. Bankbiljet, o. âten. Een â van /quot;25, /'40, f (50, f 100 enz. |
4*
bankenâBarometer.
52
|
Banken (op de bierbank zitten, feestvieren), ik heb gebankt. Bij uitbreiding: vertoeven, ergens verblijven, b.v. Ergens niet lang â, liet niet lang maken, volhouden. iSankeii (scheepst. op een hank komen om daar te visschen), ik heb daar gebankt, llankeii ( hazardspel, waarbij een der spelers de bank houdt), ik heb met hem gebankt. ISaukeroot. o. âen. âier. Zie: Bankroet. Banket (feestmaal), o. âten. Een â geven, honden; op (tol) een â gaan, komen, onthalen, noodigen. De kinders ivorden op bandeel en brug lof ten genood (Vondel); ook: lekkernijen van het nagerecht, b.v. suikergebak; -bakker, m. âs; â deeg:, o.; â liam(een fijn hammetje, als bijzonder voor feestelijke gelegenheden geschikt); âletter (Ier gelegenheid van St. Nico laas); boseli-â, feest, samenkomst in een bosch), feest--, o. Banket (mil. voetpad onder langs de borstwering), o. âten. Banketeeren (smullen, brassen, feestmaal honden)), ik heb gebanketeerd. Bankier (bankhouder, kassier), m. â s: â s-linis, o. âhuizen; â skantoor. m. Banknoot (bankbiljet), v. ânoten. Bankroet (bankbreuk), o. âen; ook bn. â gaan, zijn, spelen. Een bedrieglijk reebtst. frauduleus; âje (kleinigheid, die men aan iem. te kort komt), o. âs. Ik zal mij dat âje getroosten. Fig. lJut is een leelijk â. teleurstelling. misrekening, gmz. âier (ie,n. dieâ slaat), m. â s; â ieren (â gaan); een staatsâ. Banliene (rechtsgebied, fig. naaste omgeving) v. â s. Banneling' (balling), m. on v. -en. Bannen, ik heb gebannen. Gesch.: De vierschaar â, op plechtige wijze bijeenroepen: de schouiu â, de schouwing over wegen, rivieren en waterleidingen aankondigen; iem. uit of ïn iets â, bij vonnis iem. iets toewijzen of ontzeggen. Dicht. Het zwaard indescheede â. Verder: fem uit zijn gezelschap â, verdrijven, verjagen; zijn vrees â, de herinnering aan iels â; den winter uit zijn woning â, verwijderd houden; -neling; (zie Balling m. âen. BannisKeinent (verbanning uit het land), o. âen. Banpaal (grenspaal), m. -palen; âvloek (het vonnis van den ban beschouwd als een vervloeking), m. âen: Den âvloek over iem. uitspreken; âvonnis (vonnis, waarbij iem. gebannen wordt), o. âvonnissen. Bamis (Hongaarsch markgraaf), m. âsen. Een â staat aan het hoofd van een banaat. Baptisten (doopsgezinden), m. mv. De Britse he â , de Amerikaansche â. Bar. bn. en bw. barder, barst. Met âre voeten, naakte; â gronden, stranden, heiden, dor, kaal, naakt, onvruchtbaar; âre rotsen, kale; â weer, guur, akelig, koud; het ziet er â uit, de toestand is bang; fig. 't is een â heer, norsch, stuursch; de âre dorheid van sommige poëten; die âre plakkaten, vreeselijke. Iets klinkt â ; 't is - koud vandaag; hij is â conservatief; twee neven, die zich â verveelden. (De Gen.), d. i. erg, in hooge mate. Bar (bulfel, bierhuis), v. âs. Lees: Baar. Barak (houten soldatenteni), v. âken. vero. De choleralijder werd naar de â gebracht, |
gebouw, geschikt tot het afzonderen van lijders aan een besmettelijke ziekte. Barbaar, o. âbaren. De elkaar voortstuwende â baren van het Europa der vijfde eeuw (C.O.), d. i. onbeschaafde volken, niet-Grieken, niet-Romeinen; bij uitbreiding: wreedaard, d. i. persoon, ontoegankelijk voor zachte en edele aandoeningen. Barbaarseli (ruw, hard, wreed, onmensche- lijk), bn. en bw.; â heid, v. Barbarisme (woord afgezegde, verkeerdelijk naar een uitheemsc.h, b.v. Fransch, Duitsch, Engelsch voorbeeld gevormd), o. â n. Barbeel (zekere riviervisch of karper met baarden aan den bek), m. -en. Barbot (mil. geschutbank, verbreeding van den wal), o. âten. Barbette (brits, slaapbanh), v. â s. Barbier (baardscheerder, scheerder), m. âsen â en; âsjouwen, m. âs; âswinkel, m. âs. Barbieren (den baard afnemen, scheren), ik heb gebarbierd. Zich â. Barbonilleeren (kladschilderen, opsmeren, opkletsen). Fig. bazelen, wauwelen. Barearolle (bootje om te spelevaren; Itali-aansch spelevaartlied), v. â s. Bard (ranfl»*?/* en dichter bij de Kelten), m. â en. Bardenzan;? (heldenlied), u\. âen. Bardexaan (voormalige brcede hellebaard), m. â zanen. vero. Barege (doorschijnendejapogt;istof),\.en o.gmv. Baren (ter wereld brengen), ik heb gebaard. De tijd baart rozen, de tijd brengt alles terecht; dit baart mij verdriet, veroorzaakt mij leed. Barensteel (in de wapenkunde hetzelfde als lambel). m. âstelen. Baret (muts; doctorale hoed), v. âten. Barg {gesneden zwijn), m. âen. Barge (trekschuit), v. â s. Ook: Bargie. Bargoenseli (onverstaanbare boeventaal; koet er waalsch; kramerslatijn), o. gmv. Bariton (lichte bas), v. gmv.; (ook lichtc-baszanger), m. â's. Hij zingt Hij is een goede ââ Bark (zeilschip met drie masten), v. âen. Barkan (zekere elfen stof, geweven uit geitenhaar. en wol), o. Ook: JJarakaan. Barkas (groote sLep), v. âsen. Barkoen (scheepst. balk, rondhout), o. â s. Bami (barbeel, baardvisnh), m. âen. Ook: Berm. Barniliartig (medelijdend,ngt;ededoogeiirf),⢠gt;n. bw. De âe Samaritaan (Bijb.); God is â, genadig; âe broeders en zusters, pleegbroeders en zusters; -lieid, v. Met âheid bewogen; iem. âheid doen; een werk, een daad van âheid; de berg van âheid, d. i. de bank van leen in g. Barmte (aardhoop, hoogte, heuvel), v. â n. Barnen (/yrrmctew), het heef ter gebarnd. vero. In het â van den nood. der gevaren, als de nood ten top is gestegen. Barnsteen (brandsteen, harsstof), o. gmv. Een mondstuk van â; een pijpje van â; â -visscherij, nl. aan de Oostzee; het delven van â ; âolie. v.; -vernis, o.; â znur. o. Barnsteenen { van barnsteen), bn. Een â pijpje; een rotting met â kno/gt;. Barnsteenkraelit (electnciieil), v. gmv. Barok (scheefrond; fig. zonderling, wonderlijk, grillig, belachelijk), bn. en bw. Barometer (luchtzwaartemeter, weerglas), m. â s. |
RARON-BAZAAR.
53
|
Karon (vrijheer), m. â s of â nen. Den â spelen, den groeten heer uithangen; âes. v. â sen. Ilnronet {hoogste erfelijke titel van den kleinen adel in Engeland), m. â s. Itaronic (vrije heerlijkheid), v. â ën. fn de â van Breda. llaroplionus (bassist, die een zware stem heeft), m. muz. Jlnroucliette (licht rijtuig op vier wielen), v. âten. Ik heb de schimmels voor de â laten zetten. (C. O.). Karquerolle {klein last vaartuig; kleine Ita- Uaansche bark), v. â s. Ook: Barcarolle. Barre voet broeder (ongeschoeide monnik), in. â s. Ook: Barrevoeter. IJarrevoets. bw. Hij liep blootsvoets. ISarrieade (straatversperring bij stedelijk oproer), v. â n. Hij stierf op de Karrieadeeren (verschansen, de straat afsluiten door allerlei voorwerpen, b.v. ledige vaten; versperren). Itarriere (slagb'jom, tolhek, grens), v. â s. Harriere-tractaat (in -1715), o. â taten. ISarseh (onvriendelijk, ruw), bn. en bw.; â -heid, v. Rar.st (breuk, spleet), m. âen. Ook: Berst. Karsten (scheuren, splijten), het barstte, is gebarsten. Itaryton (hooge-baszanger), in. â s. Zie Ba-lias (baszanger), ti. âsen. [riton. lias (speeltuig et baspartij, de diepe zangstem), v. âsen. Itasalt (zeer harde vulkanische rotssoort), o. gmv. Een rivierbeschoeiing van âblokken. Een zuilenvorrn van echt Basalten., bn. Een â beschoeiing, d. i. van basaltblokken. Baseule (werktuig om te wegen; brug balans; wip: zwengel; fig. weifeling, onbestendigheid), âs; âstelsel (het draaien met alle winden, weifelende staatkunde), v. Baseeren (gronden, grondvesten, bevestigen). Basement (voetstuk voor beelden of zuilen), o. âen. Basiliea (stiftkerk, domkerk, kathedraal), v. â ca's. Ook: Basiliek, v. âen. Basiliens (fab. draak, hagedisachtig dier), m. â cussen. Zie: Basilisk, m. en o. Basiliek (hoofdkerk, in Borne een rechth. gebouw met zuilenrij), v. âen. Basilisk {zekere hagedis; hersenschimmig gedrocht), m. en o. âen. Ook: Basilicus. Basis (grond, grondslag, voetstuk), v. âsen of bases. De â van een driehoek, grondlijn. Bas-reliëf (half verheven bee ld houw werk of gietwerk), o. â s. Bassa (pasja, regent eener provincie in Turkije of eeretitel van Turkse he ambtenaren), m. â's, soms Bassen. Bassen (blaffen), de hond heeft gebast. In spijt van Satans â. (Bild.) Bassethoorn en â horen (clarinet/worn), ni. â s. Bassetspel (zeker dobbelspel), o. gmv. vero. Bassin (kom, bekken, dok; een door natuur of kunst gevormde haven), o. â s. Bassist (baszanger of basspeler), in. âen. Basso eontinno (generale grond- of hoofdbas), muz. Zie B.*1. Bast (schors,schil), m. âen. Kina â; kaneelâ. Basta (klaverenaas in het omber- en quadrillespel), v. â's. |
Basta (genoeg! halt! houd op!), t\v. Bastaard, Basterd (onecht kind), m., bastaarden en bastaards of basterds. Bastaardij (onweitige geboorte), v. gmv. Bastaardvloek (verzachte of verdraaide vloek), m. âen. lew. eenige âen achterna werpen. (Koetsveld.) Bastaardwoord (uiiheemsch woord, dat in spelling en klemtoon aan een inheemseh woord gelijk is geworden), o. âwoorden. Horloge, dame, tante zijn âen. Basterdnaelite^aal, n». â s en âgalen. Basterdsuiker (niet gezuiverde suiker), v. gmv. Bastiaan (mansnaam, op slavenplantages kleurling, diquot;, onder den blank-officier, over de slaven gesteld is), m. â s Bastion (uitspringend gedeelte van een vestingwal, in den vorm van een onregelmatige n vijfhoek), o. â s. Bastonnade (stokslagenstraf), v. âs. Bastonneeren, BiUonneeren (met st d,-ken e.verceeren, vechten, afrossen). Bataaf (Nederlander), m. Bataven. Bataafseli. bn. De âe Bepubliek (1795â180(5 gt;. Bataille {veldslag, strijd, gevecht,, v. â s. Batailleeren (vechten, sabelen; lig. zwetsen). Bataljon (deel van een regiment), o. â ^ Bataven, m. mv. De burgers der Bataafiche republiek heetten â. Batavier (gesch. oudste bewoner van ons laud), m. âen. Komst der Batavieren (100 v. C.). Batavieren (aloude Germanen in de Betuwe, ± 100 v. C.), m. mv. Het eiland der â , de opstand der â. Baten (voordeelig zijn), het heeft gebaat. Wat zal het â, helpen; het zal niet â, dienstig zijn. Bathometer (werktuig om de diepte der zee te peilen), m. â s. Bath-orde {laagste der vier Engelschc ridderorden), v. gmv. Batig* ( voordeelig), bn. Een â slot. Zie Baat. Batikken (Ind. kleuren, beschilderen van weefsels op Java), ik heb gebatikt. Ik zal spinnen en â, en heet vlijtig zijn. (M. Hav.). Batist (kamerdoek, fijnst linnen van Kame-rijk), o. gmv.; batisten, bn. Een â zakdoek. Batraehiet (vorsch- of paddesteen), o. gmv. Batseh (trotsch), bn. en bw. âheid, v. Batterij (kanonlaag), v. âen. Een â opwerpen. maken; de âen laten spelen, de kanonnen losbranden; een electrische, een galvanische â, vereeniging van eenige eleetr. of galvanische elementen. Battoir (stampei'; palet in het kaats- of beugelspel), m. â s. Battolo$£-ie (ijdel gesnap, nuttelooze omhaal van woorden), v. gmv. Bauwen (galmen), ik hel) gebauwd. De echo bauwt de geluiden na. Bavardage (gezwets, snorkerij), v. â s. Baviaan (aap), m. â anen. Big. neger. Bayadere (Indische danseres of tooneelspeel-ster; halssieraad met gekleurde afloopende strepen), v. ân of â s. Een bejaarde dame .....met die â van gitten. (('. O.). Bazaar, soms Bazar ( Turksche marktplaats; groote winkel, afgedeeld in vakken naar deti verschillenden aard der koopwaren; winke', waar alle waren denzelfden prijs gelden), in. â s en bazaren. Liefdadigheidsâ, schel-lings-. |
BAZELEN-BEDIJEN.
|
Itazelen {wartaal spreken), ik hel» gebazeld. Kazin (meesteres), v. â nen. llaziiin (zware hoorn), v. âen. De â steke)!, op de â blazen. Kaznineii (de bazuin blazen), ik hel» gebazuind. Fig. den lot' verkondigen. Kclellinni (gomhars, myrachtUj van geur), o. gmv. Zie Onyx. lie (voorvoegsel bet. bi, bij), als in: âhalve, âhendig, âneden, ânoorden, âzijden, âzuiden; â zien, d. i. van alle kanten, rondom; â schouwen, d. i. rondom bezien; âdijken, âplanten, d. i. voorzien van; ânauwen, â -vuilen, âzwaren, d. i. in den toestand brengen; âdaagd, â faamd, âklant, d. i. hebbende, bezittende. ISoaarden (met aarde bedekken', li. K. begraven), ik heb beaard; -din;;- (begrafenis), v. Kcambte (ambtenaar van lagere bediening), m. en v. â n. D ⢠â van een bibliotheek; de â n aan een spoorwegstation. IScamcn (uit: beamenen, amen zeggen op iets, instemmen, goedkeuren), ik heb beaamd. tem. redeneeringen, stellingen, meeningen â. Iteang-st (benauwd), bn. en bw.; â lieilt;l9 v. Keaiit^vnorlt;lcii (antwoord op iets geven), ik heb beantwoord. Een vraag â, een brief â; een beleediging met stilzwijgen â; iem. liefde â, d. i. met wederliefde vergelden; een slag met een nog krachtiger â: de heer Bruis merkte geen enkel geluid binnen de woning, dat zijn gelui âde. (C. O.). Aan zijn bestemming â, voldoen; Maria heette zij, en âde geheel aan het beeld, dat die naam omvillekeurig voor den geest roept. (Jonathan); â flin^, v. Ifeantwoordcr (hij die antwoordt), m. â s. De â van een prijsvraag zal die zwarigheid misschien oplossen. (Geel). ISearbeiden (bewerken), ik heb bearbeid. Iteatisino (schijnheiligheid), o. gmv. ISoan (minnaar, begeleider), m. mv. beaux. Ileaii-niondc (de eerste standen), in. gmv. Hij begon met hem eenig nieuws uit den â te vragen. (J. t. B.) Bcan-sexc (het sehoone geslacht), in. gmv. Beauté (schoonheid), v. â's. Zij is een â. Itobed (Ind. sarong der Javanen), v. â s. Itcblaard (vol blaren), bn. Met âe vingers. llebloenien (met bloemen sieren), ik heb en het is bebloemd. Fig. Zij, die zoo trouw zijn lgt;ad bebloemde. Meest als vd.: De bebloemde beemden, zoomen, twijgen', het bebloemde veld. Fig. De bebloemde weg der ondeugd. Kebocten (in de boete slaan), ik heb beboet; -bocting-, v. Kebon wen (den grond bewerken), ik heb bebouwd; - bouwer, m.; â bomving*, v. fieeijferen (narekenen), ik heb becijferd; â eijfering, v. lied (ligplaats, leger voor mensehen), o. âden. Het â houden, ziek zijn; rechtst. scheiden van tafel en â, tijdelijk gescheiden leven; iem. van â op stroo helpen, hem achteruithelpen ; op het â van eer sterven, in den oorlog sneuvelen; zich niet uitkleeden, voor men naar bed gaat, zijn goed niet wegschenken vóór zijn dood; aardr. het â eener rivier, bedding, stroombed; tuinb. een â met rozen, met tulpen, enz. d. i. een afgeperkt stukje gronds in ovaal- of cirkelvorm; kermisâ (een bed op den vloer gespreid), o.; ziekâ, rivierâ, stroomâ, o.; asperge-, bloemâ, o. Bedaagd (bejaard), bn. Een â meid; â -lieilt;l. v. |
Bedaard, bn. en bw.; â held, v.; âelijk. bw. Bedaelitzaain (omzichtig), bn.; â hieid. v. Bedanken, ik heb bedankt; â«lanking. v.; âdankje. o. Bedaren, ik heb en ben bedaard; âdaring, v. Bedauwen (bevochtigen), ik hel» bedauwd; -danwing, v. Beddedeken, v. â s; â fleseh, v. â fles-schen; âgoed. o.; âjak, o. âjakken; â -kleed. o. âkleeden; âkussen, o. âs; â -laken.o. âs; â pan (verwarmer), v. â nen; -tijk (overtrek), v. â cn. Bedding (rivierbed), v. âen. Beddenkooper, m. â s; âmaker, m. â s; â winkel, m. â s. Bede, v. ân; âdag. m. âen; -linis, o. â huizen; âstond, in. âen; âvaart (reis naar een plaats om er te bidden), v. âen; â vaartganger, m. â s. Bede (gesch. verzoek des draven aan de steden om geld), v. â n. Bedeelen (een deel geven van), ik heb bedeeld; â deeler, m.; âdeeling. v. Fig. Hij is rijk bedeeld, bezit veel gaven, talenten; de fortuin heeft hem goed bedeeld, hij is zeer rijk. Bedeesd (verlegen), bn. en bw.; â lield. v. Bedekken, ik hel» bedekt; -dekking (mil. beveiliging, bescherming), v.; âdeksel, o. Bedekt ((geheim, geveinsd), bn. en bw.; â -dektelijk. bw. Bedelaarsgestieliten (inrichtingen lot fnuiking van bedelarij), o. mv. Ommerschans en Veenhuizen zijn â. Bedelen, ik heb gebedeld; âaar. m. Een bedelde ken, deken, overtrokken met lapjes katoen van alle kleur en soort, bij vriend en kennis bijeengescharreld; evenzoo: bedelarmband. d. i. met zilveren aanhangseltjes. Bedelaarsdeken (een veelkleurige lappendeken), v. â s. Bedelarij (herhaald bedelen), v. gmv. Bedelbrief. m. âbrieven; -staf', in.; â -zak. m. âkeu. Beilelnionnik (mendicanten, lid eener bedelorde), m. âmonniken. Dc Francis kanen of Capucijnen zijn âen. Bedelorde (monnikenorde), v. â n. Bedelven (begraven), ik bedolf, heb bedolven; â delving, v. Bedenkdag (beden!,tijd), m. âen. Beflenkelijk, bn. en bw. Een âe ziekte, erge, gevaarlijke ziekte; hij is â ziek, d. i. erg ziek; â heid. v. Bedenken, onr. ik bedacht, heb bedacht; â denker, m.; âdenking, v. Bederf, o. gmv.; -elijk, bn.; â elijklieid, v.; âwerend, bn. Zout is âwerend. Bederven (onbruikbaar maken), ik bedierf, wij bedierven, heb en ben bedorven; âderver, m.; âderving, v. Bediende, m. en v. â n. Een w'nlel â . Bedienen, ik heb bediend; âdienaar, m.; â diening. v. Het geschut â; het Evangelie, het altaar â, een stervende â, d. i. in de R. K. kerk de sacramenten der stervenden toedienen. Bedijen {dijen, gedijen, vrucht dragen; slagen, voorspoed aanbrengen), het is bedijd. |
BKDI.IKKN âBKKLTENIS.
|
Keclijkcn {met een dijk omringen), ik heb bedijkt; âdijker, m.; -dijkin^. v. Bedilal {a!beschik), in. en v. â len. lledillen (bevitten), ik heb bedild; âdiller, in.; â dilling-, v.; -flilzueht. v. ISedilxiek. lm. Een â vrouwtje. Beding (voorwaarde), o. âen. Beding-en, ik bedong, heb hedon^en; â lt;liii-tfiiitt {voorwaarde), v. IKMlisseieii {met den dissel bewerken), ik heb bedisseld; â diKseling:, v. Fig.: in orde brengen, regelen. Bedlam {{/root krankzinnigen-hospitaal in Londen), o. â s. Een â vol ideoten. (C. O.). Bedlegerig? {ziek), bn.; â lieid. v. Bedoelen {op het oog hebben), ik heb bedoeld; â doeliitg:. v. Bedoen (zieli) {zich bevuilen), ik bedeed mij, heb mij bed lan. Bedoeinen {zwervende Arabiereti in de woestijn), m. mv. Bedonipt {duf. donker, benauwd), bn. Een âe kamer-, â lieul, v. Bedotten {misleiden, ergerlijk foppen), ik heb bedot; â flotter, m.; -doKins'. v. Bedrag (so»??) o. âen. Tot een â van, d. i. een som van; ten bedrage van. Bedragen {een som uitmaken\ het bedroeg, heeft bedragen. Die schuld bedraagt f lü. Bedreigen, ik heb bedreigd; mrt boete, roet straf â; âdreiging, v. Bedreinniellt;l {beteuterd), bn.; âfield, v. Bedreven {geoefend, ervaren), bn.; â lieilt;l, v. Bedriegen, ik bedroog, heb bedrogen: â -drieger, m.; âdriegerij, v. Belt;lrieglijk {leugenachtig), bn. en b\v.; â -heid, v. Bedrijf {beroep, handwerk, daad), o. âven. Bedrijfal {aldoener), m. en v. âlen. Becirijven {doen, volvoeren), ik bedreef, heb bedreven; âdrijver, m.; âdrijving, o. Bedrijvend {doende, verrichtende), bn. en dw. Een â werkwoord, d. i. een overgankelijk w.w. Bedrijvig {werkzaam), bn. en b\v. Een âe huismoeder, het âe Amsterdam. Bedrilal {bedrijfal), m. en v. âlen. Bedrinken (zich), bij bedronk zich, heeft zich bedronken, d. i. zich dronken drinken. Bedroefd {treurig, droevig), bn. en bw. Een âe vrouw, zij ziet er â uit, een â beetje, zeer weinig; âheid, v. Bedroeven {dr oei heid veroorzaken), ik heb bedroefd; â droeving (bedroefdheid), v. Bedrog {bedriegerij), o. gmv.; â plegen, bedrieglijk handelen. Bedroppelen. Blt;'driiigt;|gt;elen {droppels-ge wijze natmaken), ik heb bedroppeld (bedruppeld). Belt;lrni|»en {bevochtigen met droppels), ik bedroop, heb bedropen; lig. hij kan zich â. eigen kost winnen. Bedrukken (voldrukken). ik heb bedrukt; een vel papier â; âdrukking, v. Bedrukt {bedroefd, neerslachtig), bn. en bw.; â heid, v. Beilrnppeien. Zie: Bedroppelen. Bednetit {bekommerd), bn.; â zijn voor iets, iets vreezen; â lieiil, v. Beduiden {aanwijzen) ik heb beduid; â -duider, m.; â«lui«lenis, v.; âduiding, v. |
Beduinielen {door aanraking met de vingers bevlekken), hij heeft beduimeld. Wat hebt gij «Hen brief beduimeld! Bèdiiivelen {overbluffen, ompraten), ik heb bedui veld; â duivePing, v. Bedunken {mijns, zijns, onzes âs), o. gmv. Bedwang, o. /?? â houden, in zijn macht hebben; onder â zijn, beheerscht worden door. Beduelnifl {duizelig. ve.'ward),\gt;i\.; âlieiil.\. Bedwelmen (duizelig maken, benevelen), ik heb bedwelmd; -dwelming. v. Bedwingen {in bedivang houden), ik bedwong, heb bedwongen; âdwinger, m. Beëedigfii {den eed laten afleggen), ik heb beëedigd; â eedigiug, v. Een beëcdigd schatter, klerk. Beefaal {sidderaal), m. âalen. Beek {snialle rivier), v. beken; âje, o. â s. Bec^ld {gelijkenis), o. âen; âje, o. âs. Beelden, ik het» geheeld; beeldenaar, m. De âde kunsten (teeken-, graveer-, schilderen beeldhouwkunst). Beeldenaar {mantslaij op de voor- 01 keerzijde onzer munten), m. â s. De â is op de voorzij het borstbeeld der koningin, igt;p de keerzijde het wapen des rijks. Beeldenbreker {beeldstormer), m. âs, ven». â dienaar, m. â s; â «lienst, m. gmv.; --storm (Aug. -1566), m.; -stormer {zie Beeldstormer), m. â s. Beelderig {fraai, lief, beeldschoon), bn. en bw. Een â hoedje] â schoon e figuren. Beeldgieter {fabrikant van beelden), m. -s; â gieterij {de handcHny of de werkplaats), v. Beeldliouwen {het maken van beeldwerk in steen of hout), ik heb gebeeldhouwd; â houwer {kunstenaar), m. â s; -iiouwerij {de handeling of de werkplaats), v.; -houw-kunde {de leanst zelve), v. gmv.. ver»»; â -houwkunst, v. gmv.; âhouwwerk. (». â en. Beeldig {zeer schoon, allerliefst), bn. en bw. Eene âe teekening; ecu â Japonnetje', d it staat haar â mooi. Ook: Beelderig. Beeldjeskoop {venter van beelden), m. gmv. Een Italiaansche â. Beeldmooi {zeer mooi), bn. Annet was -. (Staring). Beeldrijk (rijk ami beelden), bn. De âc taal der Oosterlingen. Beeldsehilder {schilder van kerkbeelden), m. â s. Beeldsehoou {van ideale s'hoonheid), bn. Een â kind. Beeldsehrift {schrift in afbeeldingen, hiërogliefen), o. gmv. Hel â op de Egijptische obelisken. Beeldsnijder {werker in ho.it of ivoor), m. âs. Ifieeldsnijkunst {de kanst van den beeldsnijder), v. gmv. Beeldspraak {het sprei, en in beelden, fig. voorstelling), \. De dichter drukt zich gaarne in â uit. Beeldstorm (Aug. 1566, vijandige aanvul tegen de beelden in de kerk), m. âen. Ook: Beeldenstorm. Beeldstormer {vernieler van beelden, phni-deraar), m. âs; âstonnerij. v. gmv. Beeldwerk {beeldhouw- en bee Ids n ij werk), o. âen. Htl[-verheven â; ook: laag-verhe-ven â, bas reliëf. Beeltenis {beeld, afbeelding), v. -sen. |
BEÃLZEBUBâ
515
BEETPAKKEN.
|
Kcëlzebub {afgod der Filistijnen, duivel), m. gmv. Iteemd (laalt;i wei land, dicht, bebloemd veld, vlakke landstreek), m. âen. Grazige âen. De kneuzende oorlogsvracht beploegde Vlaan-drens âen. (Tollens); â g-ras, o. gmv.; â klaver, v. gmv. ItceniKtcr (polder in N.-Holland), v. gmv. Keen {bot, knook), o. âderen. liet opdelven van â deren \ een â afkluiven, afknagen-, spreekw. Geen been â in iets vinden, geen bezwaar in iets vinden; door merg en -dringen, van doordringende geluiden; in merg en b.v. H / ivas aristocraat in merg en â; hij klaagt steen en â, heftig; het vriest steen en â. Ifieen (menschelijk lichaamsdeel}, o. âen. Ik kan niet meer op mijn âen staan; die man heeft een stijf â; een houten â; zegsw. Met het verkeerde â uit bed stappen, slecht gehumeurd zijn; het zijn sterke beenen, die weelde dragen, in voorspoed gaat men zich allicht te buiten; op zijn eigen âen {kannen) staan, zonder hulp of toezicht van anderen (kunnen) leven; niet één â in het graf staan, geen lang leven meer voor zich hebben; zijn beste âtje voorzetten, zijn best doen; i -mand âen maken, hem wegjagen; iem. op de â helpen; vlug ter â zijn; hij raakt, is van de â; fig. De âen van een passer, van een tang; de âen van een hoe!:, van een driehoek. Iteenbrenk {het gebroken zijn van een been), v. âen. Iteeiicleraseh. v. gmv. âgestel {hetsamenstel der beenJeren), o. gmv.; â Imis {knekel-li uis op een kerkhof), o. â huizen; â ig* (bcenig, knokig), bn. b.v. Met âige vingeren; een â ig voorhoofd; âkool (heenzwarl),v.gmv.; âlijm (uit beenderen bereide lijm), v. gmv.; âmeel (poeder van gemalen beenderen als krachtige meststof), o. gmv.; âmest (beenderenmeel als mest), m. gmv.; âolie (uit beenderen verkregen olie), v., âvet, o. gmv. (Deze sa-menstell vindt men ook met Beenderen als eerste lid.) Iteendrootf- (kurkdroog), bw. Een âdroge muur. w. g. Beenen (gemaakt van been), bn. Een â knoop, een â kam. Iteenen (loopen,marcheeren), ik heb âbeend. Ik heb nog ivat te â, eer ik er ben. Beeneter (bederf in 't been, verzwering), in. âs. Beenhakker (vleeschhouwer, slager), m. -s. gew. Beenigf (uit been bestaana, been in zich hebbend), bn. Een âe uitwas; een â stuk rund-rleesch; een â voorhoofd, nl. waarvan de beenderen sterk uitkomen. Beenkleed (bedekking), o. âeren; -kneu-'sAng. v. âen; -knobbel (gezwel), o. âs; â Ktuk (deel van een harnas), o. âken: een âstuk reikte van de knie tot den enkel; â -vlies (dun en zeer gevoelig vlies om de beenderen), o. âvliezen; âwond. v. âwonden. Beenzwart (beenderenkool, poeder), o. gmv. Beer (sterrenbeeld), m. gm . De groote en de kleine â. |
Beer (verscheurend dier, zool gait gei'), m. beren. Er zijn ijsbwen en landberen. Zegsw. De â is los, er is ontsteltenis; spreekw. De huid van den beer verkoopev, eer hij gevangen is, bftschikken over een winst, die nog behaald moet worden; den beer in 't lijf krijgen, beginnen te brommen, kwaad wórden; tig. Eoi ongelikte â, plomp mensch; een â op sokken, iem. op lompe, platte voeten; overlast van bei-en hebben, schuldeischers; dik in de beren zitten, schulden; iets koopen op den â, op rekening; er kwam een â uit het couvert, rekening, nota. Beer (volwassen mannelijk zwijn, er er), m. beeren. Gevechten van beeren en honden. Beer (waterkeering van hout of steen), m. beeren. Ook: vierkant opgemetselde stut aan den buitenkant van muren, van kerken, enz.; alsmede: ijzeren heiblok. Beer (menschendrek, sekreet mest), m. gmv. Den â uithalen, den â ruimen; âput, m.; â tobbe. v. Beerenbijt (gevecht van beeren tegen honden, als volksvermakelijkheid), m. gmv. Inden â zijn af raken, in de benauwdheid; ook: herberg bij Amsterdam: Een dolprettig dine aan den â. (C. 0.) Beer marter (zoolganger), m. â s. De â leeft op Java, Sumatra en Malakka. De â lijkt op den waschbeer. Beërven (door erfenis verkrijgen), ik heb beërfd; geld â, de zaligheid â; â ërvinjf. v. Beerwortel {tuilde venkel), m. gmv. Beest (redeloos dier), o. âen. Het â en spel \ -enmarkt; zegsw. De â spelen, zich als een â aanstellen, opspelen; âje (klein dier of insect), o. âs. Fig. Een â van een man, een slecht mensch; â zijn, in't kaartspelen, geen enkelen slag halen. Beest (bakker-aan, zuur), bn. Jongen, blijf af, als de diender je ziet, ben je â. Beestaelitijï (als een beest. I cel ijk), bn. Wat een â lawaai! â beid (dierlijkheid, laagheid), v. âheden. Beestelijk (wreed, ruw, brutaal), bn. en bw. een â antwoord; hij doet â; â lieid, v. Beestenboel' i va nor del ijke, l i ede r lij ke herrie), m. gmv. gmz. Beestenliaar (harig beestenvel), o. gmv. Wal doen de jaren tot een stuk â! (C. O.) Beestenkoopman (veehandelaar), m. â -kooplui of âkooplieden; âmarkt. v. âen; â vel (dierenhuid), o. âvellen; âvoeder, o. gmv. Beestenspel (tent, waarin wilde dieren te kijk zijn), o. â len; âtemmer, m. â s. Beestig (zoo als aan beesten eigen is), bn. en bw. Een woest en â leven, ruw, onhebbelijk; een âe rommel; âe dronkenschap, dierlijk. Een â lange brief, erg; wat was zij â mooi gekleed: hij is â lui; hel is â koud; â lieid, v. Beet (hap), m. beten. Een â in iels, in een appel doen (C. O.); een zure â ; iem. de beten uit den mond kijken; âje(hapje,stukje, lig. kleinigheid), o. â s; een hartig âje; een âje geduld. Beet (biet, bietekroot), v. beeten. Er zijn roode en witte beeten. Beetliebben. ik heb beetgehad (bij 't vis-schen). Fig. iem. â, d. i. foppen, bedotten. Beetje (kleit.e hap, klein stuk), o. âs. Beetkrijgen, ik kreeg beet, heb beetgekre-gen. Fig. iemand te pakken krijgen. Beetnemen (iem. bedotten), ik nam beet, heb beetgenomen. Fig. iem. bedriegen. Beetpakken (de handen slaan aan, vastpakken), ik heb beetgepakt. |
BK KT WORTEL â KEG ROOTING.
|
Beetwortel {hictckrool), m. â s ot' â en; â Niiikâ¬ki% v. âs; âsuikerfabriek, o. âen; â Miikerfabrikant, m. -en; â suiker-fabrieag-e. v. ginv.; â suiker-industrie». \. gmv. lleëuiijereii (hchekscn, betooveren), ik liel» â eunjerd. vero. Zie Euiijer. Bef (halslapje), v. âfen. Domineesâ : de -aandoen, gmz. zich op zijn Zondagsch kleeden. Befaamd {beh'end, vermaard), bn.; â lieid. v. Befloersen {met een fiers bedekken), ik heb befloerst. Een U'floerste trom. Begaafel (talentvol), bn. Ken â dichter, spreker^ zanger, redenaar, schrijver enz.; â -beid. v. Begaan, ik beging, heb en ben â. Een diefstal â, een moordâ, d. i. plegen. Ik benmet hem â. ik heb medelijden met hem. Begaanbaar, bn.; â lieid. v. Een â imd. Begaffelen (bedisselen, in orde maken), ik heb â gafleld. Laat mij die zaak maar eensâ. Begeeren (ver I an yen), ik heb begeerd. Kosters, die een fooi bcgeei'clen. (C. O.); wat begeert gij van mij? Begeerig (verlangend, gretig), bn. en bw. Hij is â naar gezag en invloed', â zijn om iets te weten', 7net â oog tiaar iets zien; bw. Iets â opvangen; âlieid. v. Begeerlijk (begeerig, aan lol, kei ijk), bn. en bw. De jongen is erg â, vero.; een â ambt; een âe werkkrif.g; deugd is een â goed; de â uitgestrekte vingers. Begeerte (verlangen, wensch, '.vil), v. âen. Begekken (voor den gek houden, bespotten), ik heb âgekt. lem. â. w. g. Begeleiden (vergezellen), ik heb begeleid; â geleider, m.; âgeleiding, v. Begenadigen (kwijtschelding schenken), ik heb â genadigd; â genadiging, v. Begeven (schenken, bededen), ik begaf, heb â; een ambt â; -gever, m.; -geving, v Begeven, zijn vrienden â, d. i. verlaten; zijn ixTachten â hem, verlaten hem. Begeving (het begeven van ambten, enz.), v. â en. De â van ambten, van beurzen. Begieten (met waier besproeien), ik begoot, heb begoten. Ken bloembed â ; âgieting. v. b.v. De âgieting van pot- en tuingewassen. Begiftigen (beschenken met), ik heb begiftigd; â giftiger, m.; âgiftiging. v. Begijn (klopje), v. âen. Ook: I ia gijn. Begijnenliof (gemeenscha ppelijl. e woe.n-plaats of woning van begijnen) o. -hoven; â koek. m. âen. Begin (aanvang), o. In den âne; van den â ne aan; alle â valt zwaar. Beginnen (aanvangen), ik begon, heb en ben begonnen. Men begint een werk; men begint aan een werk; men begint een akker om te spitten; âginner, m. Iteginsel (grondregel,grondslag), o. âen. âs. Begluren {bespieden), ik heb begluurd; â -gluring, v.; âgluurder, m. Begonia (sierbloem), v. âquot;s. De â is van Ceilon afkomstig. Kr zijn bol- en bladâ's. Itegooobelen (bedriegen, de oogen verbruiden), ik heb âgoocheld. lem. â, inpakken, veroveren; âgooebeling. v. Ilegraafplaats (kerkhof), v. âen. Kegraasd (met gras bedekt), bn. âeduinen. Blt;kgrafenis (ter-aarde bestelling), v. âsen. De dag der â ; een eerlijke â, waarbij aan ⢠len doode de verschuldigde eer wordt bewezen; bedienaar der âsen, aanspreker, iem. noodigen ter â ; ren noodiger ter â ; â bielder (aanspreker), m. âs; â fonds, o. âen; |
â kosten, m. m v.; â onderneniing. v. â en; â wet, v. âten. Regrauwen (torgramven, bekijven), ik heb begrau vd. Ken ondeugend kind â. lSegravlt;gt;n. ik begroef, heb â. Ken leger â. verschansen. Die bij Maastricht â, bevreesde mij geweld (Wilhelmuslied): zijn talenten â, verbergen; iem. â, ter anrde bestellen; hier ligt hij â ; een lijk â, ren doode'â; hij is dood en â. onherroepelijk van de aarde verdwenen; hij tverd in alle stilte â. Fig. Zijn zo(-n ligt in zijn hart â ; zich in de boeken â ; -graving, v. Kegraxen (afweiden), zij hebben begraasd. Ik heb die weide laten â, liet gras laten afeten. ItegreuKen (van een grens voorzien), het is begrensd. Ons land is ten U7. begrensd door de Noordzee; meetk. een lichaam wordt begrensd door een vlak, een vlak door lijnen; een vlakte, door heuvelen en Losse hen begrensd; â grenxing, v. Begrijpelijk (.verstaanbaar), bn. â maken. Begrijpen (beseffen, i)izien), ik begreep, heb begrepen. Daar heeft hij het niet op begrepen, d. i. daar is hij een vijand van. Hegriminen (dicht, zich dreigend tegenover iem. of iets gedragen), ik heb âgrimd. Iem. eer â; de gure winterdagen â de velden. ISegrinden (met grind bedekken), ik heb begrind. Ken weg, een plein â; ' et âe voetpad; â grinding. v. Zie Ifcgrinten. Kegrinten unet grint beleg,en, b.v. een weg), ik heb begrint; âgrinting. v. Ooi:: Begrinden. Itegrip (denibeeld, voorstelling),o. âpen. Kr zijn bijzondere en algemeene âpen; enkelvoudige en samengestelde âpen; verwarr'ng vaji âpen. Begrip (verstandelijk vermogen), o. gmv. Hij had een fijn â ; dat verbaast het â ; dat gaat mijn â te boven, het gaat boven mijn â ; zij is vlug van â, oordeel. Kegrip (korte of beknopte inhoud, uittreksel), o. âpen. Een kort â der christelijke leer; ziehier drie korte âpen der algemeene (geschiedenis. Itegripsbepaling*. v. âen; De â van Jis-titia en Usks fructus. (C. 0.) begripswoord (rededeel dat geenvormwoord is), o. âen. Het werkwoord, het zelfstandig naamwoord, het bijvoeglijk naamwoord is een â. Itegroeien, het is âbegroeid. Een oude met klimop begroeide toren; de wild begroeide weide, de begroeide dalen; âgroeiing. v. Begroeten, ik heb begroet. Iem. gaan â, zijn opwachting komen maken; een stad, een fort. â, een saluut met geschut brengen; de held werd door duizend hoera's begroet, bejegend, ontvangen; â groetenis, v.; âgrâ¬gt;e-ting. v. ISegroinnien {beknorren), ik heb begromd. Zij hoedt er van haar dienstboden te ISegrooten (bij schatting bepalen, taxeeren), ik hel) âgroot. De kosten â; het getal der' gesneuvelden â : men âgroot het getal der dooden op vijftig. Begrooting (voorloopige raming van uitgaven), v. âen. De minister dient een â in; |
BK(ilil lZKN-BEHl WEN.
|
de gemeenteâ; elke â is verdeeld in hoofdstukken. Begruizen {bevuilen, bemorsen), het is â -gruisd. Zijne handen, zijn (je Ut at â. ISeg^iiielielen (misleiden), ik heb âguicheid. Zie Kegooelielen. Begiinsti^eii (bevoordeelen, iem. iets r/un-nen), ik heb âgunstigd. Iem. â met iets; een koopman â ; het lot, de fortuin, de kans, de omstandigheden kunnen iem. â; hij ont-vluchtte, âgunstigd door den nacht; âgrni-stiger. m.; v. Beliaaglijk {aangenaam), bn.; â lieirt. v. Zich â maken; zich â uitstrekken; zich â gevoelen. lieliaa^ziek {roquet), bn. Eenâ, jdelding; de âe portretten van mijnheer en mevrouw. (C. O.) Beliaa^ziielit (verlangen om te behagen), v. gmv. Lieftalligheid, die geen â wordt. (Vuyl-steke). JSeliaaiMl (met haar begroeid), bn. Fig. âe vruchten, zaden, bladeren; â lieid. v. Reliaglt;kii (goedvinden, bevallen), ik lieb behaagd. Ook onpers. w.w.: lu-t behaagt mij, ik begeer het; het beha ge u; het behage den goeden God! Behalen (erlangen, ver werven), ik heb behaald. Prijs, roem, lof â; een prijs, den prijsâ; een voordeel, een succes â ; buit â ; een quot;verwinning â; een triomf âhaling, v. Behalve (uitgenomen, buiten, zonder), vgw. Geef allen een prent â aan Piet; er waren tien personen â de hinderen. Behandelen (hanteeren, be (verken, afdoen), ik heb â handeld. Hij weet den degen te â ; een onderwerp â ; een vraagstuk, een (juaestie â ; op een les of college een geschied punt â ; zijn dienstboden goed â; een zieke â; de jeugd moet voorzichtig en eerbiedig âhandeld worden; iem. uit de hoogte â. met voornaamheid bejegenen; â hamleling, v. Behang (leder of papier als behangsel), o. gmv. De kleur van het -. gew. Behangen (iets ophangen aan of tegen), ik â hing, heb â. De huizen waren met festoenen â ; de wanden zijn er met schilderijen â ; de wanden der hcrtogszaal waren met tapijten â ; de ju ff rouw was als met goud â ; gij moet deze kamer met licht papier laten â; â hanger, m. Behangsel, o. â s. Het goud leer en â der achterkamer. (C. O.) Behangselpapier, o. âen. fk kocht tien rollen van dal â. Beharen. ik heb âhaard. Een strijkstok â, d. i. van haar voorzien. Behartigen (tei% harte nemen, verzorgen), ik heb behartigd; â hartiger. m.; â harti-ging, v. Beheer (bestuur), gmv. Hel â der zeezaken; het â over iets voeren; het â der penningen, administratie. Beheeren (geld en goed administreer en), ik heb beheerd. De staat -lieerde de kerkelijke goederen; de slecht âde financiën van dat gewest; â heertler (iem. die iets bestuurt), 'in.; â heering. v. Beheersehen, ik heb beheerscht. Ue Staten â heerschten het land, bewind voeren over; iem met zijn oogen â. in zijn macht honden; zich â, zijn driften in toom honden. Beheerseher (een machtig vorst), m. â s. |
De sultan is de â der geloovigen; Alexander, de â der oude wereld; âes. v. Beheersehing {afhankelijkheid), v. Er is een rechtstreekse he en een middellijke â, (taal). Beheien (palen inheien op een bouwterrein), â heiing. v. Beheksen (betooveren), ik heb behekst. Men heeft dat kind behekst, gmz. Behelpen (zieh). ik behielp mij, heb mij beholpen. Hij behielp zich met die sum, hij wist rond te komen. Behelzen (bevatten), het heeft behelsd, veelal gebruikelijk in den 3clen persoon: Dit bericht behelst dat...; dit boek behelst veel nieuws. Beheniot (Bijb. groot viervoetig dier, d. i. olifant of nijlpaard), m. gmv. Daar is de â, reus aller diereu. (Ten Kate.) Behendig (vlug, fig. listig), bn. en bw.; â -heid. v. âheden; âlijk. bw. Behept, vroeger Behebt en Behebd. vd. Lijdende aan een zedelijk gebrek: Met lichtge-loovigheid â zijn; met vooroordeelen â zijn; met allerlei kleine ondeugden â zijn. Behoeden (het vee oppassen; ook beschermen. verzorgen), ik heb behoed; âhoeder, m.; â hoeding. v.; â hoedniiddel. o. Behoedzaam (voorzichtig), bn. en bw.; â -heid. v. Behoef', o. vero. Ten âve van, ten nntte van. Behoefte (gebrek, nood\ v. â n. â woont daar bij de Vlijt. (Staring.) Behoeftig (arm), bn.; een â gezin; âheid.v. Behoeven (noodig hebben), ik heb behoefd. Het behoeft niet, liet is niet noodig. In de spreektaal hoeven. Behooren (toebehooren), het heeft behoord. Dat boek behoort mij. Dat behoort zoo, passen, eischen, betamen. Behoorlijk (betamelijk), bn. en bw.; een â loon; zich â kleeden; âheid. v. Behoud ('â gt;et in stand houden of blijven), lt;gt;. gmv. Tot â der volksrechten; tot â van den ouden godsdienst; het â van arbeidsvermogen; met â van salaris; de mannen van het â , conservatisme; bidden voor het â van een kind, leven; die wending was zijn â. redding. Behouden (niet verliezen of kwijtraken), ik behield, heb â. Parma wist steden te winnen en te â; iem. iets laten â; scheepst. een zelfden wind blijven â; dezelfde vaart â ; mil. het veld â, meester blijver.; zijn eer, macht, invloed â; geef mij het portret, al het andere moogt gij â ; oom was zeer âd in staatkunde; een â reis, terugkomst, aankomst; in â haven komen, zijn, veilig; -houfler. m.; -houding, v. Behoudenis (redding, zaligheid), v. gmv. Tot â der zielen. Behoudens (behalve), vz. Alles is verloren â de eer. Behondsman (conservatief), m. -lieden. Behouwen (door kappen geschikt maken), ik behieuw. heb â ; â homving. v. gmv. Behuisd, bn. Goed â zijn, goed wonen. Behulp (bijstand), o. gmv. Een meisje tot â der huismoeder. Behulpzaain. bn. Zij tv as in den winkel â ; â heid. v. Behuwd (aangetrouwd), bn.: âbroeder, m.; â dochter, v.; âmoeder, v.; âvader, m.; â zoon. m.; âzuster, v. Behuwen (door huwelijk verwerven), ik heb behuwd. Een aardig vermogen â, |
BKI-BKKLAGKN.
59
|
Kei (bezie, hes), v. âen; alleen gebruikelijk in samenstellingen, als: aardbei, moerbei', gew. De âen van aardappels. Iteiaard (klokkenspel, euriHon), m. â s, âen. Hei, Key (rorst, prins), m. De â van Tunis. Keide (twee), tehv. Hij is blind aan â ooyen. Zij â n waren hier', â mijn leerlingen zijn (jeslaaijd: ons âr vriend. Keiden (wachten), ik heb gebeid. Ons beidt een treurig lot; kom zonder â, talmen. Keiderlei, â liande (van beide soort), lm. Keitlerzijils (tan weerskanten), bw. J)e schelmen wisselden â een blik; â zijdscli. bn. Keieren (naam van het land ), o.; Keierseli, bn.; Beiersch bier; Beier (een man uit â), m. Beieren. Beierschen, mv. ICeierlt;kii (op de klokken of den beiaard spelt n). ik heb gebeierd; met de beenen -, slingeren; beieraar, m.; beieriiig1, v. Keijveren (zieli) (zich bevlijtii/en), ik heb mij beijverd; â ij veraar, in.; â ij ver in s*. v. Iteijzeld, vd. De âe akkers, met ijzelbedekt; een âe winter. Keis (muisvaal, vaalzwart), bn. Dat zijn âe koeien. Keitel (timm. werktuig), m. âs. Ken steekâ, een kant â , een kromme â. Keitelen (met den beitel maken of bewerken), ik heb gebeiteld. Namen in marmer â een beeld. â ; âaar (heeldh juwi'r), m.; â boor.v. â boren; -kunNl, v.; -slag1, m. -slagen; â viseli (zeebrascn ), m. Keitsen (metaal of hout behandelen meteen bijtmiddel), ik hel» gebeitst. Door â een kleurverandering in hel hout aanbrengm. Kejaard (hoog van jaren), bn.; â lieid, v. Kejaën (bevestigen met ja), ik heb bejaad. Kejag (het streven of jagen naar iets), o. gmv. Een valsch - van natuurlijkheid. (Beets); vuil â, dom â ; winstâ, geldâ. Kejagren (streven naar), ik bejoeg of bejaagde. heb bejaagd; âjager, m.; -jaging, v. Kejamineren (jammeren over), ik heb be-jammerd. Iets â. Kejegenen (tegenkomen, ontmoeten, behandelen), ik hei) bejegend. Wat is u bejegend:' iem. op onwaardige wijze â : iem. }net onderscheiding â; geen smaad zal ons dan â; leeren wij door hetgeen hem bejegend /«(Beets); âjegening. v. IClt;'k (snavel van vogels), m. âken. Vogels met spitse âken; de â van een kemphaan; bij uitbreiding, mond, muil van andere dieren : De â van een leeuw, een tijger, een hond, paard, enz.: ook van denmensch: zijn â houden; een grooten â opzetten; iem. den â snoeren; veel âs hebben, praats, gmz.; bij werktuigen: de â van een pen, van een kraan, van een bankschroef, van een gasbrander, enz. Kekaaid (bedorven, slecht), bn. en bw. Er â afkomen, gmz. er slecht of verkeerd afkomen. Kekaden (bedijken), ik heli bekaad; een uiterwaard â ; - kading. v. Kekaf (bek af, d. i. doodmoe), bn. â zijn. Kekamen (het met kaam bedekt worden van wijn, bier, enz.), is bekaamd. Kekampen (bestrijden), ik heb bekampt; iem. of iets -; -kaïnping, v. Kekeeren {tot inkeer brengen, tot het rechte geloof brengen), ik heb bekeerd. Men wil de |
heidenen â ; zich â ; dat de goddeloozen tijd krijgen om zich te â; zij mag dan â keerd zijn; hij is een âkeerde; âkeering, v. Kekeering.Hijver, rn.; âznelit, v. Kekeerling (proseliet), m. en v. âen; v. ook â e. Dat loon is den â weggelegd. (Staring.) Kekend. bn. Hij staat â als de bonte hond. Kekende. m. en v. ân. Een mijner ân. Kekendlieid (het bekend zijn), v. gmv.; - met een zaak, met een geheim; de â van een professor, naam, reputatie. Kekendmnken, ik heb âgemaakt; âmaker, m.; âmaking, âwording, v. Kekennen (erkennen, belijden), ik heb bekend; â kenner, m.; âkenning, v.; â -kentenfc. v. Keker (kelk), m. â s. Een drinkâ, een goochelâ, een dobbelâ. Iem. den - reiken; van den â houden. Kekermos (korstmos), o.; soorten, âsen. Gewoon â, rendierâ. Kekerplant(nepenthes),v. â en. De â draagt aan den top een gesteelde urn, die meestal met een deksel half gesloten is. Kekerzwain (schijfdragende zwam), v.; soorten, âmen. Kekenren (beboeten), ik heb bekeurd; â keurder, m.; -keuring, v. Kek ijk, o. gmv. Veel âs hebben. Inkijken, ik bekeek, heb bekeken; âkijker, m.; -kijking, v. Kek ij ven (uitvaren tegen iem.), ik âkeef, heb âkeven. Iem. over iets â ; hij werdâkeven; de jongen lacht als rwn hem -kijft: â k ij ver, m,; âkijving, v. Kekje (liefje, meisje), o. âs. Zij is geen onaardig â . Keetje, het netst besneden â.((,'. O.) Kekken (bah, schotel), o. âs. Een koperen â, een zilveren â; het - van een fontein; het â van een omroeper; aan het â zijn of verkocht worden, bij âslag in veiling aangekondigd worden: muz. de âs slaan, twee ronde geelkoperen of zilveren schijven; barbiersâ, braadâ, doop â , scheerâ, water; âklank, â slag. m. Kekken (komvormig beenderenstel, omvattend de buikholte), o. âs. Kekkeneel (hersenpan), o. âen. KekkeNiiijden (elkaar met messen te lijf gaan). Geen kermis, of men hoort in Friesland van â; âsnijder, m. Kekkig (fig. brutaal), bn. De meid is wat â, een grooten mond hebbende, brutaal. Keklaag'baar (beklagenswaard), bn. Een â -bare moeder, w. g. Kekiaaglijk (te beklagen, te bejammeren). bn. De âste gevolgen; een â schouwspel; een â uiteinde. Keklaelit, v. en o. vero. Zie Keklag. Kekladden (bevlekken, bemorsen), ik heb beklad. Dat kind is bezig het papier te â ; fig. iem. â; iem. goeden naam â; iem. nagedachtenis â , bezoedelen; wat is er voor die zaak al papier beklad; â kladding. v. Keklag (het klagen, treuren), o. gmv. Met groot â iets gaan verhalen; recht vin â: reden van â ; zijn â doen over iets, zich beklagen over; een meewarig woord van â (C.O.); in â zijn. medelijden opwekken; âbrief', in.: rouwâ, o. Keklagen (klagen over), ik heb beklaagd. Laat uw hart zijn bloedig eind â. (Bild.); iem. â, troostwoorden toespreken; hij is waard |
BE K L AGENSW A AR DIG - BELEG.
(iO
|
beklaagd tc worden', gij zijl te â ; â felnag-de {beschuldigde), m. en v. â n. zich â; de patient, die zich âklaagde, dat zijn arts hem voor alle ivisjewasjes een visite aanschreef. (C. O.); hij heeft geen reden zich over n te â. Kekla^eiiKivaardi^' (verdienende bellangd te worden), bn. Een â slachtoffer der partijen. Ook: Ifiekla^enswaaril. Ifieklanipen (voorzien van klampen), ik heb heklampt. Een zwakke deur â ; â klam-ping1, v. âen. Itcklaiit (klanten hebbende), bn. Een handelszaak, een nering is â; een welbeklante winkel. lkkkleclt;leii (bedekken), ik heb bekleed; â -kleeder, in.; â klecdiii$r9 v.; â klecdsc^l, o. Fig. een ambt â, vervullen. IS^klemd (benauwd, beangst), vd. en bn.; â lieid (angst), v. lIcklenniK'ia (drukken, persen, benauwen), ik heb beklemd; â klenimin^ (fig.erfelijke huur), v. Itcklenirocht (erfelijk recht van huur van landerijen, huizingen, enz.), o. gmv. IU'klijvlt;'ii (gedijen, duren), het heeft beklijfd. De h'erstof doen -; âklijvin^r* v. Ileklinkeii (vastklinken), ik beklonk, heb beklonken. Fig. regelen, schikken, in orde brengen. Een zaak â. Hekliiikin^, v. -en. Zio Inkliiikin^. ISckiiibbelen (nauw bidingen), ik bob beknibbeld; â knihbelaai*. m.; â kuibbe-ling:, v. Itcknopt (kort samengevat), bn. en bw. Een â overzicht] iets â toelichten', âelijk, bw.; â lieid, v. ISckocht. vd. en bn. â zijn, te duur gekocht hebben; ik ben er aan â, ik ben bedrogen. Rekonieii (bijkomen, herleven), ik bekwam, heb en ben bekomen; -koniinif, v. Bekommerd (vol zorg), bn.; â heid, v. Bckoininercii (ongerust maken), ik heb bekommerd. Bekommer u daar niet over, maak u niet bezorgd; -koinmerin^ (angst), v.; â kommernis, v. Kokomst (verzadiging), v. Ik heb er mijn â van, ik heb er genoeg van. Ik^koopen (boeten), ik bekocht, heb bekocht. Hij heeft het met den dood bekocht. Bekoorlijk (aanlokkend, schoon), bn en bw.; een â gezicht', â lu-id, v. Bekoren (aanlokken), ik heb bekoord; â -koorder, m.; â korin^-. v. Bi'korten (korter maken), ik heb bekort. Zich â, het kort maken met zijn rede; â -korting', v. BekoKtigen (betalen), ik heb bekostigd: â -koslijrer. m.; -kosliging, v. Bek rack ti gen (wettigen, bevestigen), ik heb bekrachtigd; een belofte met eoi eed â: â â¢kraelitiger, m.; â kraehtiging*, v. Bekraniining ( d ij A be iel eed i n g met stroo-matten), v. âon. Bekransen (meteen of meer kransen sieren), ik heb bekranst; âkransing, v. Bekreiinen(zi('li), ik heb mij bekieund. Zich niet â over, rich niet bekommeren. Bekrijgen (beoorlogen), ik heb bekrijgd. Bekrijten (beschreien), ik bekreet, heb bekreten. Met bekreten oog en. Bekrimpen (zieli). ik bekromp mij, heb mij bekrompen; âkrimping (6epeW./m/), v. Bekrompen (eng, beperkt), bn. en bw. |
een â woning; een â verstand', â denkbeelden', â over iets denken', â lield, v. Bekronen (een kroon opzetten', fig. den eereprijs toekennen), ik heb bekroond; een kunstwerk â; met den eersten prijs â. Een boterham met aardbeien zou allesâ. (C. O.); â kroner, m.; -kroning, v. Bekruipen (kruipendebereiken), ik bekroop, heb bekropen; de lust bekroop tuij, kwam in mij op; â krniping, v. Bekuipen (inkuipen), ik heb bekuipt. Fig. Eenambt -, listig verkrijgen; -kniping, v. Bekwaam (geschikt), bn. en bw.; - lieid. v. Bekwamen (bekwaam maken), ik heb bekwaamd. Zich tot iets -; â kwaming, v. Bekwijlen (bezeeveren), ik heb bekwijld. Bel (schel, klokje, waterblaasje), v. â len. Belabberd (naar, ziek. niet in orde), bn. en bw.; âbeid, v. gmz. Belaelielijk (bespottelijk), bn. en bw.; â -lieid. v. Belaehen (bespotten), ik belachte of beloeg, heb belaehen; -laeher, m.; âlaeliing. v. Belaiicleren (met ladders beiilimmen), ik heb beladderd. De vestingmuur werd beladder d. Beladen (bevrachten), ik heb beladen; een ivagen â, een schip â; âlading, v. Belagen (strikken leggen aan), ik heb belaagd. De onschuld â; de boer belaagt de vooglen met zijn net. (Vondel); de krokodillen â in stilte hun prooi', âlager, m.; âlaging. v. Belakken (belasteren), ik heb belakt; â -lakker, m.; -lakking. v. gmz. Bâ¬klanâ¬len {aanlanden), ik ben beland. Waar zal ik â? terecht komen; âlanding, v. Belang, o. âen. Een zaak van â, gewicht. Belangeloos (zonder eigenbaat), bn. en bw.; â ze hulp; iets â doen; â lieid. v. Belangen (M/vV/Wï), het belangt. Wat mijn boeken belangt, zie ik op geen kleinigheid. Belangende (aangaande), vz. Iels â Jezus. Belanghebbende, m. en v. â n. Hij is er â bij, er geldelijk bij betrokken. Belangrijk (gewichtig), bn.; â heifl, v. Belangstellen (deelneming toonen), ik heb belanggesteld; âlangstelling, v. Belangstellend, bn. Een â toehoorder. Belangwekkend, bn. Een â verhaal. Belastbaar, bn.; een â inkomen; â lieid. v. Belasten (een last opleggen), ik heb belast. Belast en beladen; iem. â met, iets opdragen. Belasteren, ik heb belasterd; âlastering, v. Belasting (verplich'e bijdrage in de lusten), v. âen; âbiljet, o. âten; â selinklige, m. en v. ân. Directe en indirecte â; be-drijfsâ, vermogens-, grondâ, enz.; âstelsel, o. â s. Beleedigen (hooner, fig. kwetsen), ik heb beleedigd; â leediger, m.; âleediging, v. Beleefd (vriendelijk), bn. en bw.; â lieid.v. â elijk, bw. Bele(Milt;kn (crediet verleenen). ik heb beleend ; âleener, m.; -leening. v.; -leenbank, v. I5eleg (staat van â), o. Toestand in oorlogstijd, oproer, waarbij het oppergezag is in banden van den militairen kommandant, de krijgsraad vonnist. Beleg (mil. insluiting eener vesting), o. Het â slaan om; het â opbreken. |
MLKGKN-BK-MOL.
CA
|
Kele^en. I»n.; â hier, â Knap. â w/yquot;)?, d.i. oud. Belegeren, ik hel) hélegenl; â legeraa^m. Kele^crin^' (mil. bdcu). v. âen. Ue â van Sebastopol; â s^escliiif, o. gmv.; â skmisf. v. gmv.; â sspcl (kindersjje' on tie ivijze van hei (lains/jel),o. âlen; â swcrKtuis'. o. âen. (dekken met), ik hel) belegd (of heleid); âle^fger, m.; â Ic^-^ing'. v.; â -leisel, o.; â l«'^slnk. o. Gelden op interest zetten; een venjaderimj â, samenroepen. IS^leid (quot;verleg), o. Met â handelen. Moed. Irouiu en â, devies der Mil. Willemsorde, llvleidcu {besturen), ik hel) beleid; âleider. m. vero. Keleiiimeren {storen, hinderen), ik heb belemmerd; â lemmersmr. m.; â leiiime-rintf. v. lieleniiiieten {vers teen in gen van onbel.ende weekdieren in tui'.te krijtmeryel). m. mv. De â in de zand nier(j el van den St. Pietersbenj. Ifieleiiflen {(grenzen aan), het heeft en het is helend; âlendin:;', v. ISel-eMprit {schrander hoofd, rjeest'nj schrijver-. m. (mv. beaux-esprits). Ilelet {verhindering), o. â hebben; â vragen; â geven. Kel-^tagre {eerste verdieping), v. â s. Iteletsel {hindernis), o. âen, â s. Ken â uit den ii'pg ruimen. Ifieletten {verhinderen), ik heb belet; âletting;', v. \v. g. Beleven {teven tot aan, ondervinden), ik heb beleefd. Droevige tijden â. Itelexâ¬kn, ik belas, heb heiezen. Zich laten â. (â¢verhalen. Ot laat zich niet dat hij den s tra len kroo n va n Wo lf' ver lo i 'en gee va Staring.*, -lezer, m.: -lezing, v. Itolezc^n. hn. Een â man, die veel gelezen heeft; â lieitl. v. ISeltf-iei.mne ( Vlaamsche nitdr d.king), o. -n. â telden (zich), ik heb mij gebelgd. Het beige a. niet. d. i. make u niet boos; âsrinji-. v. Belgziek {driftig, ojtloü/iend), bn. Belliamel {ram igt;f lannel niet een bel om). m. âs. Fig. roervink, raddraaier. Belial (hellevorst), m.; âskind (duivelskind), o. itelielianien {concreet voorstellen), ik heb belichaamd; ten denkbeeld â; â lielia-â nin^. v. Beliegen, ik beloog, hel»heiogen; â liever, m. Believen, ik heb beliefd; als zn. o.; âliever. m.; âlievin^ {gedienstigheid), v. Itelifden {bekennen â¢. ik beleed, heb beleden; een godsdienst â lijdeni*., v.; â lijiler. m. Belijnen (»vm lijnen voorzien), ik heb be-lijnd; â lijnin^', v. Fig. schetsen, in beeld brengen. Belladonna {eXg.schoone vrouw\ wolfskers: doodkruid: vergift), v. -donna's. ItellcMi {aan de schel trekken), ik heb gebeld. BeElen-lettres {fraa:e letteren, letterkunde), v. mv. Bellettrie (/ raaie letterkunde), v. gmv. Bellettrist {een vriend of kenner der fraaie tetteren), in. âen. BellettriMtiseli {letterkundig), bn. Het â leesboek. Bellevne en Belvedl^re {een /dttils, een turen met schoon uitzicht), o. âs. Beloeren {begluren), ik heb beloerd; â loerder, m.; â lolt;krin^-. v. |
Belofte (toezeggingquot;), v. â n. Het land van â. i Kanaiin; â maakt schuld. Bel4»ken. vd. en bn. van het oude Beluiken. â Pasdien, de eerste Zondag na Paschen. Belomnieren {beschaduwen), ik heb belom- i merd: - lominerins- v. B«^lonken. ik heb belonkt. De Englenrij nam het pareltje (Margareetje) in haar macht, I belonkte en kuste 7 zacht. (Smits); -Ion-UiiiS. v. Beloonen. ik heb beloond; â looner. m.; â loonin^- {tuchtmiddel), v.; â looninkje. o. â s. Beloop {gang), o. Iets op zijn â laten, iets zijn gang laten gaan; naar â van zat,en handelen; dat is werelds â. Beloopen. ik beliep, heb beloopen. Een pad â, begaan; de schade beliep duizend gulden, ! bedroeg. Beloven {toezeggen), ik heb beloofd; âlover. m.; -loviisjf, v.; â lofte. v. â n. Belroos (huidziekte), v. gmv. Belt {aschbelt), v. âen; een vuilnisâ. Belniflen (beluien), ik heb behiid Een lijk, een doode â, de doodsklok trek kor. Beluiken (sluiten, eindigen); slechts het vd. beloken (zie aid.), is gebruikelijk. Beluisteren, ik heb heluisterd; 'â¢em. â. atluisteren; -luisteraar, m.; â !niste-riiii;. v. Belust {begeerig), bn. en bw.; â lieid. v. B«»lvedere en Bellevne (schoon uitzicht, kleine toren), o. â s. Bemaeliti^-en {in zijn macht krijgen), ik heb bemachtigd; âniaeliti^in^-. v. Bemalen (met den watermolen het water ',n een polder enz. op peil houden), ik heb â. Bemalen (beschilderen), ik heb bemaald. Zij (Hlanka) zag hun wapens blinken, Met kleuren groots bemttald. (Bild.) BeinaliiiK' {h^t malen met een watermolen), v. âen. Een polder onder â brengen. Bemannen {van manschap voorzien), ik heb bemand. Een schip â ; âmanning-, v. Bemantelen, ik heb bemanteld; -mante-lin$?. v. Fig. bedekken, bewimpelen, vergoelijken. Bemerken {zien, waarnemen), ik heb bemerkt; â inerking:, v. (Men bezige niet He-merking voor Aanmerking). Bemesten, ik heb bemest; âmestin^'. v. Bemiddeld {welgesteld), bn.; â lieid. v. Bemiddelen (bevredigen), ik heb bemiddeld. Een geschil â, bijleggen; âmiddelaar, m.; â middelend, bn. en bw. «Orh. ik vind Ind neg al vroolijk», zei ik â, (C. O.), vergoelijkend; â middeling (tussciienkomst), v. Bemimle {geliefde), m. en v. â n. Bemiiineii (liefhebben), ik heb bemind; â â minnaar, m. ânaren en ânaars. Zie: Be m inner. Beminner, m. âs. Ook Heminnaar, b.v. van schoone kunsten, lectuur, enz. Bemoedigen {aanmoedigen), ik heb bemoe; digd; â moelt;li^in^:. v. Bennieial. in. en v. -len. Deze dame is een echte Bemoeien, ik heb bemoeid (ook ik bemoeide mij, heb mij bemoeid); â inoeienis. v.; â -moeiiiiK'. v.; â inoeiznelit. v. Benio«'ilijken (lastig maken), ik heb bemoeilijkt; â inoeilijking-. v. Be-mol (de zachte toon; be-moIsleatel), m. muz. |
B KMORSKN - RERCEAt J.
|
ISeniorsen (bevuilen), ik hel» lièmorst; â -morsing'. v. Iteniost {met mos begroeid), lm. /â¢gt;gt;/ - dale. Ben (hengelkorf), v. â nen. I-Jen uisrhâ. lleiiaarKtigen (zicli) {zich loei eggen op), ik heb mij benaarstigd; â naarstijror. m.; -â¢naarst ig-inv. Itenaastcn {benaderen van góederen ), ik heb benaast; ânaasting, v. lU^nacleclen (schade beroklcenen). ik heb benadeeld; â nadeelcr, m.; â nadc^ling. v. Itcnaderen (beslag leggen op), ik lieli benaderd; â naclering. v. BJ â 'mg. ongeveer. Itcnaniing, v. âen. Onder - wm, d.i. onder den titel, naam van. Ifienard. bn.; â v. Zie: ISonarron. IScnarren (angstig maken), ik heb benard. Benarde omstandigheden, d. i. lastige, moeilijke omstandigheden. Itanamvil (eng, nauw, drukkend). \gt;n. en b\v.; âlieicl, v. Benauwen, ik heb benauwd; ânauwer, in.; ânanwing. v. Bende (troep), v. â n. Een â roovers. dieven. Bendie (Ind. sjees, tilbury), v. â s. Ook : Uendi. \ Benelt;len (omlaag, onder), bw. en vz. â wonen, â komen: â den grond, â iem. staan, ondergeschikt aan iem. zijn; dat is â mij, d. i. mijner onwaardig. Benedenlinis. o. âhuizen; âkamer.v.âs; â swinds (lijzijde), bw.; â waarts, bw. Benedictie ('zegening, zu li ijs preking).- ti ën. Benedictijn (monnik van de orde van St. Benedictus, in 524 gesticht), m. -s. Benefice (voordeel-, een uit gunst verleend ambt, voorrecht), o. â s. Benelicceren (be voordeel en, gunst betoonen). Beneficiant (tooneelspeier. ten wiens voor-deele de voorstelling wordt gegeven), m. â en. Beneficiante, v. â n. Beneficinin (goed onder recht van vruchtgebruik aan de kerk afgestaan), o. â s. Benefiet (voordeel', voorstelling in den schou w-burg ten voor dee le van een bijzonder persoon), o. âen, â s. Benemen (ontnemen), ik benam, hel» benomen; â nemer, m.; -neming, v. Beneigt;en (benauwd), bn. en bw.; â lieid. v. Benevelen (verduisteren), ik heb beneveld; het verstand â, de waarheid â; -neve-ling. v. Benevens {met, en ook, als ook), vz. Bengaalscii vuur (heldervlammende stof in allerlei kleur tol feestelijke verlichting van straten en pleinen), o. gmv. Bengel (k'ok, klepel), m. â s. Fig. levenmaker, lomperd, kwajongen. Bengelen (luien), ik heb gebengeld. De klokken â, heen en weer slingeren. Bengelkrnid (bingelkruid), o. gmv. Zeker gewas of graskruid. Benieuwd (nieuwsgierig, verlangend om te hooren, om te zien, om te weten), bn. Benieuwen, het heeft benieuwd. Het â t mij, d.i. ik ben nieuwsgierig. Benijden, ik heb benijd. Beter benijd dan beschreid; â nijder. m.; â nijding. v. Ben ij pen (beknelh n).'\k beneep, heb benepen. Benoemen, ik heb benoemd Tot een ambt d.i. aanstellen; ânoemer, m.; ânoeniiiig. v.; â noemingsbrief'. m. Benoodigd (noodig), bn.; iels â hebben', -held. v. |
ISenoorden (ten noorden van), bijw. en vz. Bent (club), v. Een letterkundige de schildersâ. vero. Renting (Ind. Atjineesch fort je met versperringen), v. â s. ISeiinl (besef, begrip), o. gmv. Ook: Belui. Benzine (naphta. licht ontvlambaar), v. gmv. Benzoïne (Ind. reukhars), v. gmv. -boom (Ind. matig hooge boom. uit wiens sap men de benzo'i)ie verkrijgt), m. âen. Beoefenen (lestudeeren), ik heb beoefend; -oefenaar, m.; âoefening, v. Beoliën (met olie bestrijken), ik heb beolied. Beoogen (bekijken), ik heb beoogd; âoo-ging. v. Fig. bedoelen, doelen op. Beoordeelen (een oordeel vellen), ik heb beoordeeld; â oordeel aar. m.; â oordee-ling, v. Beoorlogen, ik heb beoorloogd; -oorlo-ger. m.; âoorloging, v. Beoosten (ten oosten van), bw. en vz. Beowulf (Oud-Angelsaksisch heldendicht). m. gmv. Bepaald (vastgesteld), bn. en bw. Een âe tijd. prijs, afspraak, belofte enz. Bepalen (begrenzen, regelen, vaststellen), ik heb bepaald; âpaler, m.; âpaling, v.; â â¢palinkje. lt;». Beparelen (met parels siei'en), ik heb be-pareld. Met dauwdroppels â. BJepeinzen (overdenken), ik heb bepeinsd; -peinzing. v. Beperken (bepalen, afsluiten), ik heb beperkt; â perker. m.; âperking. v. Beperkt (eng. be krom} ten), bn.; â lieid. v. Beplakkeen, ik heb beplakt; âplakker, in.; âplakking. v.- âplaksel, o. Beplanten (wet jdanten bezetten), ik heb beplant; -planteer, m.; -planting, v. ISepleisferen (met witkalk, cement beplakken), ik heb bepleisterd: âpleistering. v. Bepleiten, ik heb bepleit; -pleiter, in.: â pleifing, v. Een zaak met woorden verdedigen. Beploegen, ik heb beploegd: een akker â; de zee bevaren: âploeging. v. Bepluisd (met pluizen bedekt), bn. Bepoten (met boonen, enz. beplanten), ikbe-pootte, heb bepoot; â poting. v. Bepraten {zich laten overhalen), ik heb bepraat; â prater, m.; âpirating', v. Beproef«l (op de proef gesteld, deugdelijk). bn. Hij is zwaar â, hein troffen veel ongelukken; â e trouw, echte, degelijke trouw. Beproeven, ik heb beproefd; âproever, m.; âproeving (tegenspoed), v. Beraad (overleg, nadenken), o. Na rijp Beraadslagen (overleggen, le rade gaan). ik heb beraadslaagd; âslager, m.; -sla-ging, v. Beraden (bedachtzaam, bezonnen), bn.; â -lieid. v. Beraden (zich), ik beried of beraadde mij, heb mij beraden; ârading (overleg), v. Beramen (ontwerpen), ik heb beraamd. Een plan â; â ramer. m.: âraming, v. Berapen (bepleisteren), ik hel» beraapt; een muur â ; âraping, v. Berberis (zeker struikgewas), v. -sen. De gemeene â of zuurdoorn. Bercan (stof van wol en geitenhaar), o. Berceau (prieel, boomgewelf', een wieg), o. berceau's. |
BERD- BKSCHEIDEN. fÃ
|
Berd ^bord). o. Fig. Te âc brengen (komen), ter sprake brengen (komen). Zie ook: Brei. Korecliteii (R. K. de laatste kerkercchten of' sacramenten toedienen), ik heb berecht; ârecliter, m. â s, â rc^cliting-. v. lS4kredlt;leiaeu (m orde brengen), ik heb beredderd; â redderaar, m.; â reclcloring:. v. vd. en bn. Een â officier, die dienst te paard doet; een â ruiter, d. i. geoefend. Beredeneerd, bn. Een â d. i. die goed kan redeneeren; een âe up lossing in de rekenkunde, d. i. verklarende; een â verslag, d. i. met aanduiding der gronden. Beredeneeren {hespreken), ik heb beredeneerd. Bereiden (gereed ma hen), ik heb bereid; â -reider. m.; â i-eidin^, v. Bereids (reeds), bw. BereiflYaartli^-. bn. en bw.; â heid, v. Bereidwillig, bn.; â lieid. v. Bereik, o. Onder hel â van, kunnende bereikt worden. Bereiken, ik heb bereikt; zijn doel â: â -reiking-. v. Bereisd, bn. Ken â man, die veel gereisd heeft. Bereiden, ik heb bereisd. Ãe kermissen â. Berekenen, ik heb berekend; ârekenaar, m.; â rekenin;;'. v. Berenlinitl. v. -cn; âjong', lt;â¢. âen; â -klauw (Klauw van een beer), m. â cn. Berenklauw (schermbl. plant), m. âen. Berennen (mil. omsingelen of insluiten van een fort of vestiru,), ik heb berend; ârenner, m.; â renninsquot;, v. 15er^- (aanzienlijke hoogte, meer dan iOO M.), m. âen. Ken vuurspuwende â. Bergamot (ronde peer middelmatig van grootte), v. âten. Bergamot-olie (etherische olie uit de schil van een Hal. âcitroen), v. gmv. Ber^iilanw (schilderverf, koperlazuur), o. gmv. Berden (wegleggen, redden), ik borg. heb geborgen; â â¬Â»1*. in.; â ins', v. Ber^erae (Fransche wijn), m. gmv. Bergère (herderin; leuningstoel met een voetbankje), v. â s. Ber^-^roen (Hongaarsch groen, kopergroen), o. gmv. Ber^-kalk (donkergrijs kalkachtig gesteente), v. gmv. Bergkristal (waterhelder kwarts), o. â len. Het â is ook fraai geel, Boheemsch topaas; ook brain, rook-topaas, of zwart, morion. Ber^-meel (wit, grijs of geel aardachtig kiezelgesteente), o. gmv. Ber^talk (berg was, natuurlijke para If ine, vetaarde), v. gmv. Berg-verseliniving- (het losgaan of zich ver/)laalsen van bergwanden), v. âen. Berielit (tijding),o. â en. Ken telegraphisch â. Berieliteii (doen weten), ik heb bericht; â -rieliter, m. Berieken (beruiken), ikberook, heb beroken. Berij^len. ik bereed, heb bereden; een paard â ; ârijder, m; â rijdinjr, v. Berijmen (op rijm zetten), ik heb berijmd; â rijmer, m.; â rijminy. v. Beril (zeegroen'' steen), m. âlen; (st gt;f), o. Berin (wijfjesbeer), v. â nen. tlevinpelijlt (laakbuar), bn. en bw.; â lieid. v. |
Berispen (beknorren), ik heb berispt; â -risjier. m.; â rispin^. v. Berk (woudboom), m. âen; âeboom, m. âen; âenbast, in. âen; âenliont, o. I5«gt;rkemeier (beker uit een tak of mei van den berk), m. â s. Bij 7 schuimen van den â . Berkenwijn (drank uit sap van den berk door gisting bereid), m. gmv. \ievKwin(dwarsbalk,schoor),T(\.Zie Barkoen. Berlijnseli-blamv (/;/'/lt;lt; M-v'A-tewvrto/),o. gm v. Berline (lichte koets voor vier puurden). v. â n. Berm (hooge rand langs een dijk of weg), m. âen. Bernatfie (zeker bladgewas), v. â s. Beroemd (vermaard), bn.; âlieid. v. Beroemen (xieli). ik heb mij beroemd. Zich â op, trotsch zijn op; âroemer, m.; â roe-min;;'. v. Beroep (bedrijf, ambacht), o. âen. Ken â uitoefenen; een â doen op, zich gronden op; in hoog er â komen (rechtst.), niet berusten bij een vonnis van een lagere rechtbank. Beroepien. ik beriep, heb beroepen (ook w.w. ik beriep mij, heb mij beroepen); âroeper, m.; âroeping;? v. Beroerd (/K/a/*, ellendig), bn. en bw; â lieid. v. Beroerdeling' (ellendeling), m. âen. gmz. Beroeren (verontrusten), ik heb beroerd; â roerder, m.; âroering, v. Beroerte (beslag), v. â n (onlusten). Berokkenen (veroorzaken), ik heb berokkend; â rokkenaar. m.; â rokkeniiij;. v. Berooid (arm. kaal. bn. en bw.; â lieicJ. v. Berooven (door roof ontnemen), ik heb beroofd; â roover. m.; â rooving. v. Ber4»nw (leedwezen), o. gmv. Berouwen, het heeft berouwd. Die daad zal u â. Berrie (draagbaar), v. â s. Ook Durrie. Bersn^lilt;'ri (Hal. corps scherpschutters of jagers), m. mv. Berst. m. â en.Zie: Barst. Bersten, het borst, is geborsten. Zie: Barsten. Bernelit (slecht befaamd), bn. en bw.: â -lieid. v. Beruiken (ook berieken), ik berook, heb beroken. Berusten, ik heb berust. Fig. in iets -, vrede hebben met; de heele zaak berust oji hem. komt op hem neer; ârusting:, v. Bes (bezie), v. âsen. Aalâ, boschâ, kruisâ. Beseliaal'lt;l (ontwikkeld, welgemanierd), bn. en bw. Ken â volk; âlieid. v. Beseliaamd (verlegen), bn. en bw.; â -lieid, v. Beseliadigen (benadeelen, in waarde doen minderen, schenden); ik heb beschadigd: â -seliadijfer. m.; â seliadiging-, v. Bes«*liadnwen (belommeren), ik heb beschaduwd; â seliadiiwing. v. Beseliamen. ik heb beschaamd; â selia-min^-. v. Fig. teleurstellen, lem. hoop â. Beseliansen (van schansen voorzien), ik heb beschanst; â seliansinjff, v. Beseharen (ontfutselen), ik heb beschaard; â sehaarder. m. Besehaven (glad maken met de schaaf), ik heb beschaafd; â seliaver, m.; â seha-ving', v. Fig. verbeteren, ontwikkelen, redelijker maken. Beselieid (antwoord, bewijsstuk), o. âen. Beselielden (ontbieden), ik heb bescheiden. |
m
BESCHEIDEN - BESTAAN.
BeNclieidon (nederig), bn.; â lieid. v.; â 1
â lijk. bw.
Be scheren (loebedeelen), ik beschoor, heb ] beschoren: âselieriii^ {afscherimj). v. lleseltermen (hesclndicn), ik heb beschermd; ]
â seliermer. in.; â seller min k:, v. Itescliermeu^el (I». K. ewjel bewaarder, ]
yoede genius), m. âen; â ft'eeHt, m. âen; 'âgod, m. âen; â g-oclin. v. -innen: â â¢lieer. m. âen; âvrouw. v. âen; â liei-lifye {schutspatroon), m. âen.
KeMeliieteii (met plankwerk bekleeden), ik beschoot, heb beschoten. Wij zullen het dak met planken â.
Hoseliieteii (helpen, balen), het beschoot, heeft beschoten. Een paar gulden zul er niet aan â.
Bescliiefen, «le vijand beschoot, heeft beschoten. Een vesting â, d. i. er kogels, boni-men in werpen.
BeM'liik (beschikking, bestel, regeling), o. gmv. Kescliikal (persoon), m. en v. âlen. KeNi'liikl»aai* (over wien of' wat beschikt kan worden), bn. De 0. I. ambtenaar met verlof houdt zich -; -lieid, v. gmv.
IteKcliikkeii (regelen', ik heb beschikt; â -KCliikker. m.; scliikUin^. v. Itescliilderen (kleuren), ik heb beschilderd;
â MCliiUlerin^. v.
IteM'liininield. vd. en bn.; â lieid. v. lUvscliiniineleii. het is beschimmeld; â
-Neliimmeiiiig:. v.
Iles4*liim|gt;eii (Uooncn), ik heb beschimpt;
â Ndiimper. m.; â seliimpin^, v. Besclioeieii (een wuterkunt met hout of
steen bekleeden), ik heb beschoeid; â selioei-iuy. v.
KeNlt;*lilt;mk(kii (dronken), vd en bn.; â lieid. v. Beselioren (toebedeeld), bn. Dat lot is mij â. Bcseliot (afscheiding), o. âten.
Beseliot (opbrengst), o. gmv. Een goed -opleveren (in den oogst).
Bcseliouwen (bezien), ik heb beschouwd;
-selionwer. m.; â selitmwinjr, v. Besclireicn.ik hebbeschreid; â schreier, m, Beselirijden (b.v. schrijüelings op een paard gaan zitten), ik beschrced, heb beschreden. Beselirijven. ik beschreef, hel» beschreven. amp; Een blad papier â; âsell rij ver, in.; â â¢schrijviiitf:. v.; -schrijviiigsbiljet, o. Beseliroomd (bung), bn. en bw.; âlieid, v. Beschuit (tweebak), v. âen.
Beschuldigde (aangekl-tagde), m. en v. ân. BeschultliK'eii (aanklagen), ik heb beschuldigd; â schuldiger, m.; â schuldisiiijr (ten laste-legging), v.
Beschutsel (al wat cig. beschut), o. â s. Beschutten (beschermen), ik heb beschut; -schutter, in.; â schuttiu|ï (bescherming), v.
Besef (begrip), o. Geen â van iets hebben, denkbeeld, idee, bewustzijn; zijn - kwijt zijn, verstand, begrip.
Bêsétieii (grondig inzien), ik heb beseft;. â seiliiig', v.
Beslaan (bekleeden, bedekken), ik besloeg, heb en het is beslagen. Een paard â, een rad â; beslagen (d. i. goed toegerust) ten ijs quot;komen: fig. bevatten: dit werk beslaat acht-''honderd bladzijden', innemen: die plaat beslaat de gehcele tafel, enz.
Beslag (neerslag van damp, bezin king), o. gmv. Beslag' (bekleedsel), o. gmv. Het hoefâ.
Beslechten (een geschil vereffenen), ik heb beslecht; âslechter, m.; â slechtiiifï, v. Beslissen (beslechten, vonnis vellen), ik heb beslist; -slisser, m.; -slissing:, v. Beslommeringr (lig. zorg, drukte), v. -en. Zich in allerlei âen steken.
Besloten (gesloten, ingesloten), bn.; âlieid. v.; â jacht, een â vergadering', een â terrein. Besluit, o. -en. Een â nemen, een â trekkamp;n. Besluiten (omsluiten, omvatten), ik besloot, heb besloten; -sluiting:, v. Fig. Een besluit nemen, afleiden.
Besmettelijk (aanstekelijk), bn.: â lieid, v. Besmetten (bemorsen, bezoedelen), ik heb besmet; âsmetter, in.; âsmetting (het overbrengen of overgaan van een ziekmakende stof), v.
Besnaren (muz. van snaren voorzien), ik heb besnaard. Een viool â.
Besnauwen (toegrauwen), ik heb besnauwd. Besneden, bn. Een fijn â beeld, bewerkt; een keurig â deurpaneel.
Besneeuwd (met sneeuw bedekt), bn.; de -e stralen; fig. grijs, wit van haar: een âe kruin.
Besnijden, ik besneed, heb besneden; --snijder, m.; âsnijding:, v.; â snijdenis
(godsdienstig Isr. gebruik), v.
Besnoeien, ik heb besnoeid; â snoeier, m.;
âsnoeiing:, v. Fig. tem. mucht â, inkorten. Besog:ne (arbeid, omslag, bezigheid), v. â s. Besogneeren (zaken behandelen). Besommen (opbrengen), ik heb besomd. Besparen (uitzuinigen, uitwinnen), ik heb bespaard; âspaarder, m.; âsparing, v. Bespatten (bevlekken), ik hel) bespat; â
-spatting, v.
Bespelen, ik heb bespeeld. Het tooneel â. een viool â, d. i. spelen op.
Bespeuren (bemerken), ik heb bespeurd;
-speurder, m.: âspeuring, v. Bespieden (beloeren), ik heb bespied; â -spieder, m.; âspieding, v.
Bespiegelen (fig. beschouwen, overpeinzen), ik heb bespiegeld. De âde wijsbegeerte, in tegenstelling van de proefondervindelijke; â spiegeling, v. âen. Allerleiâingen over de tuereld en den mensch. (Koetsveld). Bespotten (den spot drijven met), ik heb bespot; âspotter, rn.; âspotting. v. Bespraakt (vlug ter tnul), bn.; -lieid, v. Besprek (mondelinge onderhandeling), o. In â zijn over iets met iem., d. i. onderhandelen.
Besprengen (besprenkelen), ik hebbesprengd (besprenkeld): -sprenging, (-sprenkeling), v.
Besprenkelen (met ivaterdruppels bespikkelen), ik heb besprenkeld. Het linnengoed-. Besproeien (bouw- of weiland kunstmatig van ivater voorzien), ik heb besproeid; â -sproeiing, v.
Bessehoom, m. âen; âstruik, m. âen. Bessengelei, v.-en; -jenever, v.;-nat,
o.; âsap (het sap van bessen), o. (als toebereide drank), v.; âtros, m. âsen; âvla. v. â vlaas.
Best. bn. en bw. (overtr. trap van gned). Best (oude vrouw), v. âen; hestje, o. âs. Bestaan (ondernemen), ik bestond, heb bestaan. Wie zou dat - ? d. i. wagen, durven doen; de mensch bestaat uit zielen lichaam: zijn vermogen bestaat in huizen; hij moet
BESTAANBAAR - BKT.IOEND.
|
van een klein pensioen â, d. i. leven; in den bloede â, verwant zijn; zoo beslaat hij fniet, zóó is hij niet van aard. ISestaanbaai* {kunnende bestaan-, tig. ver-eemgbaar met), bn.; â liciil. v. ItestaiKl (Luapenschorsimi), «â¢. Het Uvaalfja-rig (1609â1621). ItCKtand {kunnende weerstaan), bn.; â zijn tegen. Kestanddcel {samenstellende stof), o. âen. Er zijn phgsische â, rhemüche â, wezenlijke â, toevallige âen. lièstcclclin^ {weeskind, verlaten kind), in. en v. âen; v. ook âe; âslmis, o.âhuizen. ItoKteflen {uitgeven, betalen), ik heli besteed; â sterter, m.; â«terting-, v. Besteedster {verhuurster van dienstboden), v. â s. ISestek {duidelijke omschrijving van een ontworpen werk), o. âken. In (ironingen maat van turf in het veen. Ilestekamer (sekreet), v. âs. Een binnenplaats }net een â. (C. O.) Kesteken (steken op, overleggen), ik bestak, heb bestoken; âsteker, m.; âsteking:, v.; â steekbanrt (overstekende rand), m.; â stecksel (geschenk op een verjaardag), o. Kestel (bestuur, leiding), o. Vertrouwen op Gods â. Ifiestel (dubbele beschuit), v.; â len. Ifiestel^'oed (reisgoed, dat direct bij aankomst besteld moet worden), o. âeren. Ifiestellmis (depot, verzamel plaats), o. - huizen. Het â i'an den boekhandel. Ifiestellen, ik heb besteld; âsteller, m.; â -stelling, v.; â stellinkje, o. liestelpen (overladen), ik lieli bestelpt. Met werk â. ISestemaat (vriend), m. â s. Ze zijn âjes. Ilesteinmen, ik hel» bestemd; â stemminjff, v. Ter plaatse zijner â; dat was zijn d. i. lot. Ifiesteinoer (grootmoeder), v. â s. ISestenipelen, ik heli bestempeld; â steni-peling-. v. Met een naam â. â Sestendig' (duurzaam, aanhoudend*, bn. en bw.; â lieid, v.; âlijk, Inv. IClt;gt;steii«li^-eii {duurzaam maken), ik hob bestendigd; â stendi$?in$£, v. Ifiesteri'en, ik bestierf, ben bestorven. Ik zal dat â, d. i. sterven van; het u oord bestierf op zijn lippen, hij dorst of kon het niet uitbrengen; bestorven vleesch, visch, d. i. niet al te versch. Kestevaar (grootvader), ook naam, dien de matrozen aan den luitenant-admiraal De Kuyter gaven, m. â s. liestiaal (dierlijk, beestachtig), bn. en bw. Ilestialiteit (dierlijkheid, beestachtigheid), v. âen. Restier, o. Zie Bestuur. Kestieren (regeeren over), ik heb bestierd; â stierder, m.; â stier in jj, v. â lestijden (beklimmen, op iets stijgen), ik besteeg, lieb bestegen. Een paard â, een berg â. Hlestoken (aanvallen, beschieten), ik heb bestookt: â stoker, m.; âstoking, v. ISestornien (mil. storm loopen op), ik heb bestormd; âstormer, m.; âstorming-, v. Ifiestorven. vd. bn. Een â kind, een weeskind; er â uitzien, bleek van kleur zijn; eeri onâ weduwe, een vrouw, die door haren man is verlaten. koenen, VerkL Handwdb. d. Nederl. taal. |
Bestoven (met stof bedekt, fig. half dronken), vd. en bn. Een â schoorsteenmantel; een - studentje. Bestratren (berispen, straf opleggen), ik hel) bestraf.'.; âstraffer, m.; -strafling', v. Bestralen, ik heb bestraald; âstraling:,v. Bestraten, ik heb bestraat; â strati 11^ (bevloering), v. Een bestrate weg, een bestraal pad, d. i. geplaveid. Bestrijden (strijden tegen), ik bestreed, heb bestreden; âstrijder, n;.; -strijding, v. Bestrijken (.strijken over), ik bestreek, heb bestreken. Met zalf â: dit kanon bestrijkt den weg. Bestrooien (strooien over), ik heb bestrooid; â strooier, ia.; -strooiing;*, v. Bestuiven, ik bestoof, heb en ben bestoven. Bestoven boeken, d. i. met slot bedekt: hij is bestoven, half dronken. Besturen (beheeren), ik lieb bestuurd; â -stnring;, v. Bestuur (beheer, bewind), o. besturen. Betaalmeester (ambtenaar, di ⢠de rijks-gelde.1 uitbetaalt in de hoofdsteden der provinciën), m. â s. Betalen (in geld enz. voldoen), ir, lieb betaald; â taler, m.; âtaling:, v. Fig. het gelag â, voor anderen boeten, den to1 â aan de natuur, d. i. sterven; iem. iets betaald zetten, zicli wreken over; met gelijke munt â , op gelijke wijze vergeiden. Betamelijk (zedelijk, voegzaam), bn. en bw.; â lieid. Betamen (voegen, passen), het heeft betaamd. Betasten (bevoelen), ik heb betast; âtasting:, v. Bete (hap), v. â n. Een â broods. Zie Beet-Beteekenen, ik heb beteekend: âteeke-ning', v. Een vonnis â, het bij deurwaar-dersexploit ter kennis brengen van de tegenpartij. Beteekenis (zin, beduidenis), v. âsen. Betel' (Ind. pruim, beslaande uit sir ie, pi-nangnoot en gambier, vermengd met tabak en kalk), v. gmv.; ânoot (zie: Areca), v. â noten; âpalm (Ind. boom), m. âen; â -peper, v. gmv. Beter (meer dan goed), bn. en bw. Beteren (beter worden), ik heb en ben gebeterd; heb mij gebeterd; â ing, v.; ânis, v.: - seliap, v. Beteren {met teer besmeren), ik heb beteerd. Beterhand v. gmv. De zieke is aan de â, d. i. herstellende. Beteng:elen (bedwingen), ik heb beteugeld; â teng-eling:, v. Beteiiniebloem {lipbl. plant), v. âen. ifieteiitc^rfl (verlegen), bn. en bw.; âlieid, v. ISetieliten (beschuldigen), ik heb beticht; â tieliter, m.: -tieliting-, v. ISetijen (alleen gebruikelijk in deonbep. wijs); laten betijen, d.i. laten begaan. Laat hem â, laat hem zijn gang gaan, meng er u niet in. Be'ting* (scheepst. sterke staander voor tlrn fokkemast), v. â s. De âs zijn dooreen zwaren dwarsbalk verbonden. De âs dienen om er ankertouwen of kettingen aan rast te leggen. Bétise (zotternij, dommigheid), v. âs. Betitelen (noemen, een titel geven), ik heb betiteld; -titeling-, v. Betjoegil (sluw, listig), bn. gew. Ook: Be-tjoekt. Betjoenlt;l {behekst, betooverd), bn. gew. 5 |
BETOGEN-BEVESTIG END.
m
|
Betogen {overdekt), vd. en bn. Beton' {metselspecie, een soort van mortel), o. gmv. â blolt (in waterwerken), o. Betonen {den toon of klemtoon leggen), ik hel) betoond; â toning, v. Betonie (lipbloemige plant), v. â s. In ons land groeit de gewone Ook: lletennie. Betonnen {van de noodige tonnen of bakens voorzien), ik heb betond; -toniiin«: {afbakening of aanduiding van het vaarwater), v. Betoog: {bewijs), o. âen. Een â leveren. Betoogen {breedvoerig bewijzen), ik heb betoogd: â tooger, m.; -tooling-, v.; -â¢foo^roiKl, m.; -too^trant, m. Betooinen {in toom houden), ik heb betoomd: Zijn hartstochten -, beteugelen; -toomer, m.; âtooming-, v. Betoon {betooning), o. gmv. Betoonen {doen blijken), ik heb betoond. Hulp â; âtooning, v. Betooveren (fig. verrukken), ik iieb betoo-verd; âtoovering, v. Betoudovergrootnioeder, v. -s: âvader. m. â s. Betonwen {een schip van touwwerk voorzien), ik hel) betouwd. Betovergrootmoeder, v. â s; âvader, m. â s. Betraand {vol tranen), bn. Met âe oog en. Betraeliten {in acht nemen, doen), ik heb betracht; -trachter, m.; - tracht ing, v. Betraliën, ik heb betralied. Ken kooi â. Betrappen (treden op, ontdekken), ik heb betrapt. lem. op herter daad ion. op een logen -: -trapper, m.; -trapping*, v. Betreden, ik betrad, heb betreden; â tre-ding, v. Het pad der deugd Betreflen {aangaan, raken), het betrof, heeft hetrolTen. Dat gezegde betreft mij. Betretlende {aangaande, belangende), vz. Opmerkingen â de bedrijfsbelasting. Betrekkelijk (naar evenredigheid), bn. en bw. Dit boek is â goedkoop. Betreuren {treuren over), ik heb betreurd; -trenrder, m.; -treuring, v. Betrokken, bn.; de â ambtenaar, d. i. die met de zaak belast is. Betrokkene (persoon), m. en v. â n. Betten {bevochtigen), ik heb gebet; â ting, v. Betuigen (verklaren, verzekeren), ik heb betuigd: â tniging, v. Betuinen (omtuinen met een heg), ik heb betuind: âtuining. v. Betweter (wijsneuf'), m. âs; âerij (pedanterie). v. Betwijfelen (in twijfel trekken), ik heb betwijfeld; -twijfeling, v. Betwisten, ik heb betwist; -twister, m.; â twisting. v. Beu (afkeerig), bn. Iets â zijn, er een walg van hebben, gmz. Beng (groot kabeljauwnel), v. âen. Bengel (ring. band), m. â s. Dat kan niet door den â, dat is niet naar behooren. Beugelbaan (klosbaan), v. -banen. Beugelen (in de beugelbaan spelen), ik heb gebeugeld. Beuk (loofboom), m. âen; beuk (heukenoot), v. âen. Beuk (zijgewelf naast het schip eener kerk), m. âen. BcMik (slag of stool), m. -en. I-Jen - hebben, mal zijn. |
Beuk {gril, nuk), v. âen. Beukeblad, o. -eren, âen; -boom, m. â en. Beukelaar (rond schild, rondas), m. âs. Beuken (kloppen, rammeien, slaan), ik heb gebeukt: -er, m.; -erij, v.; -ing-, v. Beukenbast, m. âen; â boseb, o. -bos-schen; âlaan, v. âlanen. Beul (scherprechter), m. âen. Y\\*. wreedaard. Beulen (hard werken, zwoegen), ik heb gebeuld. Beuling (worst), m. â en. Beun (vischkaar), v. âen. Visch levend houden in de â. Benn (zolder), v. -en. ISeunliaas (onbevoegde), m. âhazen. Bennliazen (op allerlei werk azen), ik heb gebeunhaasd; â hazerij, v. Beuren (geld ontvangen), ik heb gebeurd; â tier, m.; âing, v. Beurs (geldzakje), v. beurzen. Beurs (in groote handelssteden het gebouw voor samenkomst van kooplieden), v. âzen; â klok, v. âken; â knecht, m. âs; â -plein, o. -en: -prijs. m. -prijzen; --tijd, m.; âuur, o. Benrsch (buikziek), bn. â heid. v. Die peer is â; een âe peer. Beurt, v. âen. - om â, bij âen, te â vallen. Beurtelings (bij beurten, bij afwisseling), bw. Beiirtelingsch (beurt om beurt), bn. Een âe opvolging. Benrtman {schipper), m. -nen. Beurxig (aangestoken van vruchten), bn. â heid, v. Zie Beursch. Benzelen (bezig zijn met nietige, onbeduidende dingen), ik heb gebeuzeld: âaar, m.; -arij, v.; -ing, v. Beuzelachtig (nieiig,gerwu), bn.; âheid. v. Beuzelpraat (kinderpraat), m. gmv. Bevallen (behagen), het beviel, is bevallen. Bevallen (baren), ik beviel, ben bevallen; â valling (verlossing), v. Bevallig {lief), bn. en bw.; âheid (gratie), v. Bevang (omvang), o. gmv. vero. Bevangen, ik beving, heb bevangen. De slaap heeft mij â. Ik werd toen zonderling â. (v. Deyssel.); âvanging, v. Bevaren, ik bevoer, heb bevaren; de zee â, een rivier â; â varing, v. Bevaren, bn. Een â matroos, met ondervinding. Bevattelijk (schrander, vlug), bn. en bw.; -heid, v. Bevatten (begrijpen), ik heb bevat; â vatting, v.: â vattingsvermogen (aanleg), o. Beveiligen (in veiligheid stellen), ik hob beveiligd; -veiliger, m.; -veiliging, v. Bevel (gebod, commando), o. âen. Bevelen, ik beval, heb bevolen; - veler, m. Bevelhebber, m. â s; âschap, o. Beven, ik heb gebeefd; â van schrik: beving, v. Bever (zeker knaagdier, vooral in Amerika), m. â s; (zekere stof), o. Bevergeil (olieachtige stof), o. gmv. Beverig (koortsig), bn.; âheid, v. Bevernel (zekerschermbloem.gewas), v. gmv. Beversch (van bever), bn. Een â borstrok. Bevestigen (bekrachtigen), ik heb bevestigd; â vestiger, m.: âvestiging, v. 18evestigenlt;1 (toestemmend), bn. en bw. Een â antwoord; hij antwoordde |
BEVIND-BEZIELEN.
(57
|
Bevind (bevinding), o. Naar â van zaken. Bevinden, ik bevond, lieb bevonden; âvinding?, v. Ik bevind mij wel, d. i. gevoel. Bevlijtigen (zieli), ik helgt; mij lgt;evlijtigd; â vlijtiffing:, v. Bevoclitiffen (nat maken), ik lieb bevochtigd; âvoelitiffinff, v. itevoeffd (geschikt, gemachtigd, gerechtigd), l)n. en bw.; â lieid, v. Bevolken (voorzien van volk), ik heb lie-volkt; â volkinjy (gezamenlijke in- of be-woners van stad of knul), v. Bevolkt, bn. Een dicht âe stad; â lieid. v. Bevoordeelen (voordeel aanbrengen), ik heb bevoordeeld: â voordeelinff, v. Bevooroordeeltl (kortzichtig, vol vooroor-dcelen), bn.; een â mensch; âlieid, v. 15evoorrechten, ik heb bevoorrecht; â â voorreek tin ff, v. Bevorderen (begunstigen, bespoedigen), ik hel) bevorderd; â vorderaar, m.; âvorder in ff, v. Bevorderlijk, lm; â aan, fof, gunstig voor; -lieid. v. Bevrcdiffen (tevreden stellen), ik heb bevredigd. Zijn lusten â, zijn nieuwsgierigheid â; iem. door geschenken â, verzoenen. Bevreemden (meest gebruikelijk in den 3den pers.), het heelt bevreemd; â vreeiiKlinff {verwondering), v. Bevreesd (bang), I n.; â zijn voor, iem. â maken; âlieid, v. Bevriend, bn. Zij zijn â, d. i. vrienden; de â e mogendheden; ven âe zijde. Bevriezen, ik bevroor, l»en en heb bevroren (bevrozen): â vrieziiiff. v.: ook; onp. w. het he vroor, heeft en is bevroren (bevrozen). Bevrijden (vrijmaken), ik heb bevrijd; â -vrijder. m.; â vrijdinff, v.; â vrijdiiiffs-olt;»rloff. in. Bevroeden (beselfen, inzien, begrijpen), ik heb bevroed; â vroedinff, v. 15«''vne (misgreep, abuis, vergissing), v. â s. I5et%'aarliei«len, âlieden (traur maken, bevestigen), het â heidt (zich), het heelt (zich) â heid. ISewaarseliool (inrichting tot opvoeding van 2âO-jarige kinderen), v. âscholen. Bewaken (waken over), ik heb bewaakt; â waker, m.; â wakinff, v. ISewaren (behoeden, verzorgen), ik heb bewaard; â waarder, m.; â wariiiff, v. Bewassen {begroeien), het bewast, het bewies, is bewassen. Het hoofd is ïnet haar Beweeffffrond, m. -en; âreden, v. âen. Beweefflijk (druk, haastig), bn. en bw.; â -heid, v. Fig. Een â gemoed. Beweenen (weenen over), ik heb beweend; â weener, m.; â weeninff. v. Bewegen (fig. roeren, treffen), ik bewoog, heb bewogen; â weffer.m.; â weffinff(verandering van plaats), v. Beweren (volhouden, als zeker aanvoeren), ik heb beweerd; â weerder, m.; -werinff, v.; â weersehrifl (ter verdediging), o. Bewerkelijk (arbeid kostend), bn.; â lieid, v. Bewerken, ik heb bewerkt; âwerker, m.; â werking-, v. Bewerkstelliiiffen (uitvoeren, volbrengen), ik heb bewerkstelligd; â werkstelliffinff, v. Bewerktniffd (van organen voorzien), bn. Een â lichaam, de âe wereld (dieren- en plantenrijk). |
Bewerktnigen (voorzien van organen), ik heb bewerktuigd; â werktniging (organisme). v. Be werp (ontwerp, schets), o. vero. Bewesten, vz. â Gibraltar, d. i. ten westen van. Bewierooken (wierook toezwaaien), ik heb bewierookt; -wierooker, m.; âwierooking-, v. Fig. vleien, uitbundig prijzen. Bewijs (grond of middel ter staving), o. â wijzen. Het â van een stelling. Bewijs (blijk, tee ken), o. bewijzen. Een â van eerbied, van ontvangst. Bew'ijs (kleine hoeveelheid), o. gmv. -je, o. Een schrupeltjen â van balsem uit het paradijs (Staring); doe er nog een âje zout bij. Bewijsgrond (argument), m. âen; â -kraeht, v.; âplaats, v. âen; âstuk, o. â ken. Bewijzen (aantoonen), ik bewees, heb bewezen. Een stelling lig. eer, vriendschap â, betoonen. Bewilligen (toeslaan, v. rgunnen), ik heb bewilligd: âwilliger, m.; â williffinff, v. zijne â williging tot iets geven. Bewimpele#» (bedek/,en), ik heb bewimpeld; â wimpeling, v. Fig. ontveinzen, verbloemen; de waarheid een misslag â. Bewind (beheer), o.; âhebber, m. âs; âs-man, m. âslieden; âvoerder, m. â t*. Bewonderen, ik heb bewonderd; âwon-deraar, m.; âwondering, v. Bewonen (wonen in), ik heb bewoond; â -woner, m.; -woning, v. Bewoording (term, uitdrukking), v. âer.. Het contract is vervat in de volgende âen. Bewust (bekend, wetende), bn., â heid, v. Bewusteloos (buiten kennis), bn.; â heid. v. Bey (prins, heer, gebieder), m. â's. Zie Bei. Bezaan (achterzeil van een schip), v. bezanen. Bezaansmast (achterste mast of kruis mast), m. âen. Bezadigd (bedaard), bn. en bw. Eoi â )nan. een â gedrag, â handelen; âheiii(kalmte), v. Bezeeren (pijn doen), ik heb (mij) bezeerd; â zeering. v. Bezegelen (een zegel drukken op), ik heb bezegeld; âzegeling, v. Fig. bevestigen; met een eed â. Bezeilen, ik heb bezeild. Er is geen haven met hem te â. hij is altijd aan't dwarsdrijven. Bezem. m. â s. Nieuwe âs vegen schoon (van dienstboden enz.), in quot;t begin doen zij hun best. Bezemkrnid (vlinderbloemigeplant),u.£\n\. Bezemschoon (ruw, enkel met den graven bezem geveegd), bn. Een huis â verlaten. Bezending (hoeveelheid), v. âen. Een â kaas, papier. Bezet, bn. Mijn tijd is â. Het was na âten tijd, d. i. na het sluitingsuur der herbergen; -heid, v. Bezeten (dol, razend, dwaas), âe (persoon), m. en v. âen. Gij tiert als een âe. Bezetten, ik heb bezet; âzetting (garnizoen). Bezichtigen (nauwkeurig bezien), ik heb bezichtigd; â zichtiger,m.'; -ziehtiging-, v. Bezie (bes, bei), v. beziën. Bezield (vol vuur), bn. Een â spreker, dichter. Bezielen, ik heb bezield. Hij weet zijn hoor-dsi's te â, op te wekken, in geestdrift te brengen; â zieling, v. |
BEZI EN - BIJ BRENGEN.
H8
|
Itezien {van alle kanten bekijken), ik bezag, heb bezien. Iets van nabij â. Itezig1 {doende, aan 7 werk), bn. en b\v.; â -hcid, v. (gebruiken, besteden), ik heb gebezigd; bezitter, rn. -s. \v. g. Itczi^lioiKlen. ik hield bezig, heb beziggehouden. lem. aan den gang houden. Kczijden (nnast), vz. â het kasteel, d. i. ter zijde van; fig. Dat is - de waarheid, niet waar. Kezinken {doorzakken), het bezonk, i^ bezonken. Bier, wijn, azijn doen â, helder doen worden door stilstaan; âzinking, v. âen; â ziuksel, o. âs. ISeziiinen {uitdenken), ik bezon, heb bezonnen ; ook: ik bezon mij, lieb mij bezonnen; ! â ziiiniiitt* v- ISezit. o. gmv.; -neniing:, v.; -rcolli, o. Bexitten {zitten op, in bezit hebben), ik bezat, heb bezeten; âter, m.; â tinjy. v. ISczotlen {met zoden beleyyeii), ikhebbezoud. Een perkje â. een plaatsje â. llezoedelen {besmetten, vuil maken), ik heb bezoedeld; -zoecleling*, v. lU'zlt;»(kk. o. -en. Een - brengen, afleggen. Kezoeken, onr. ik bezocht, heb bezocht; â â¢zoeker, in.; -zoekiiiff {beproeving), v. Kezolcligen (betalen), ik heb bezoldigd. Een bezoldigd veldwachter', een bezoldigd ambt. Bezoldi$;'gt;quot;$* (bezolding), v. âen. Bezonlt;lig:en (zieh), ik heb mij bezondigd; â zondigriiitt- v. Itezoiiiien (beraden, voorzichtig), bn.; een â jongmensch; -lieid, v. Itezor^d (vol zorg, onrust), bn.; -Iieilt;l. v. Bezorgen (bestellen, afgeven), ik heb bezorgd; -zorger, m.; - zorging. v. Beziiilt;leii. vz. â het Kanaal, d.i. ten zuiden van. Bezuinigen (uitsparen), ik heb bezuinigd: -zuiniger, m.; -zuiniging. v. Bezuren (boeten), ik heb bezuurd. Ik zal dat wel â. Bezwaar (last, moeielijkheid), o. â zwaren. Bezwaard (bezorgd), bn.cn. b\v.; â lieid. v. Bezwaarlijk (moeilijk), bn. en bw. Ik kan het â gelooven: âlieid. v. Bezwaarnis (overlast), v. âsen. Bezwaarseliril't (beklag, opsomming van grieven tegen een beslissing of een besluit), o. âen. . , s Bezwaelitelen (met zwachtels omwinden), ik heb bezwachteld; â zwaeliteling*, v. Bezwadderen (bezoedelen), ik heb bezwadderd. Fig. belasteren. Bezwalken (bezoedelen), ik heb bezwalkt; -zwalker, m.; âzwalking:, v. Bezwaren (beladen), ik heb bezwaard; â zwaarder, m.; âzwaring, v. Bezweren (met eede bevestigen), ik bezwoer, heb bezworen. Fig. verbidden: iem. â, den storm â, een boozen geest â. Bezwering (oproeping van bovennatuurlijke krachten tot wering van den of het booze), v. âen. Bezweringsboek. o. âen; â formulier, o. âen; âvoorschrift, o. âen. Bezwijken, ik bezweek, ben bezweken. Voor de verleiding â ; onder een ziekte â ; âzwijking. v. Bezwijnien (in onmacht vallen), ik beu bezwijmd, ook: ik bezweem, ben bezwemen; â zwijniiug. v. |
Bibberen (rillen, b.v. van kou), ik heb gebibberd; â in^, v. Bibit '(Ind. zaailing van rijst voor de sawah), v. âs. Bibliograaf (boekbeschrijver, boekenkun-dige), m. -graten. KihlinsrnpUie (boekbeschrijving),x. â s, -ën. Bibliographiscli (boekbeschrij ven d, boekkundig), bn. Biblióniaan { overdreven minnaar van boeken, boekengek), m. âmanen. Bibiionianie (boekenzncht, hartstochtelijke liefhebberij voor boeken), v. gmv. Bibliopliik1^ (boekenvriend), m. â n. Bibliotlieearis (opziener eener boekerij), m. âsen. Bibliotlicek (boekverzameling, boekerij), v. â theken. Ook de kamer zelve: Ik trad de â binnen. (C. O.) Biblist (bijbelkenner), m. âen. Biblistiek (bijbelkennis), v. gmv. Biceps (tweehoofdige armspier), m. âen. Bicycle (tweewieIer, fiets), v. â s. Bi4llt;len (een gebed doen, smeeken, vragen), ik bad, heb gebeden; âder, m. Bieelit (U.K. belijdenis), v. âen. Bieelaten (zijn zonden belijden), ik heb gebiecht; â cling (hij, die biecht), m. en v. Bieclitkind. o. âeren; âstoel. m. âen; â vader (geestelijke), m. â s. Bieden (een bod doen), ik bood, heb geboden; â er, m. âs. Biefstuk, m. en o. âs. Ook: Bief, o. bieven. Bier (bekende volksdrank), o. âen (soorten). Beiersch â: winterâ, zomerâ, (lagerbier). Bierbuik (dikkerd, bierdrinker), in. en v. â en. Biersteker (bierverkooper), \\\. â.s. Bierstekerij (bierkelder «»/ bier handel), v. â en. Bies (oevergewas), v. biezen. De veen â , dc mattenâ, de veld â . Zijn biezen pakken, er 1 van door gaan. Fig. rolronde reep. Biest (eerste melk), v. gmv. Bietebauw (bullebak), m. -en. Fig. sp gt;ok. Biezen (dicht, sissen, blazen, sijfelen), zij : heeft gebiesd. De slangen, draken â. Big, Bigge (jong varken), v. - gen; - get je, ( | Bigamie (dubbele echt), v. gmv. Bigar (bont, veelkleurig, gespikkeld), bn. Biggelen (afrollen van tranen), de traan ⢠heeft geliiggeld. I Bigot (bijgeloovig, overdreven vroom), bn. Bigotterie (overdreven vroomheid, Ijijgeloo-vigheid), v. gmv. Bij. vz. Hij woont - de school, in de nabijheid van; het is - twaalf; - zijn leven, d.i. tijdens; â monde, enz. Bij (insect), v. âen; â tje. o. Bijaldien (ingeval), vw. Bi|bel (het Woord, de H. Schrift), m. â s. Bijbelgenoot schap (vereeniging tot verspreiding van de boeken der II. Schrift), o. âpen. Bijbelsch (tot den Bijbel in betrekking staande), bn. Een â woordenboek-, â eaard-r i j ksk unde, âe gesch i eden i s, â e o udheidkund e. Bijbelvast (bedreven in bijbelteksten), bn. Bijblad (bijvoegsel), o. âen; âblaadje, o. Bijbrengen, onr. ik bracht bij, heb bijgebracht. Wat kunt gij ter uwer verontschuldiging -, d. i. aanvoeren? -brenger, m.; -brenging, v. |
BIJDEHAND - BILJOEN.
|
Bijclcliancl, ISijderliaKKl {vlug, schrander), bn. Die jongen is â; een bijdehante jongen. ltijdâ¬kliaiilt;lKc*li {het paard Vnks) en Kijlt;1er- liaiKlsi'li. bn. Hi t âe paard. Kijdraaien (zeew. tegen den ivind wenden), ik heb en ben bijgedraaid. Hij ztil wel weer â. zijn toorn vergeten, goede vrienden worden; â draaier, m.; âdraaiing', v. |{ifdrav. â n. Een geldelijke â, letterkundige â, aanvulling, toevoegsel; â tot de kenr-As der geschiedenis, enz. Itifdra^-eii ( helpen, steunen), ik droeg bij, heb bijgedragen; âdrager, m.; âilraging:. v. Ilijeen {te zamen, vereenigd). bw. Kijeenbreng'eii.. onr. ik brachtâ, hebâgo-bracht; â brengiiig'« v. ISijeenxameleii. ik heb âgezameld. Giften, sprokkels â ; â xstineling. v. Kijeenzijii (samen zijn), ik was â. ben â -geweest. Als zn. o. Kijenangel, in. âs; â cel. v. -len; -eter {vogeltje), m. â s; âhouder, m. â s; â koning, m.; âkoningin, v.; âkorf', m. Itifgaand {ingesloten), bn. Met â briefje. Itijgelegd {in der minne geschikt), bn. Iti jgelegen {aangrenzend), bn. Een â akker. Bijgeloof (r/ waas,kinderachtig geloof), o. gmv. Ilijgenaamd {een toenaam hebbend), bn. Itijgeval {indien), vw. Kifgevolg {dus, daarom), bw. Kijiioorig (behoorende tot), b-. âe weiden. Bijiiotiden {bijblijven), ik hield bij. heb bijgehouden; â houding', v. Bijkaart {kleine kaart), -en; (kaartspel), kaarten buiten de troeven. Bijkans {bijna), bw. Hij is â klaar. Bijker {bijenhouder, ijmker), m. â s. Bijkomen {ergens bij passen, inhalen, tot zich zelf komen), ik kwam bij, ben bijgekomen; â komend,bn.; â koniMt {herleving), v. Bijl. v. â en. Er met de grove of ruwe â inhouwen, grol' verteren, ruw aanpakken ut' te werk gaan; de â aanleggen, afbreken, vellen. Bijlage {toegevoegd stuk), v. â n. Ri}lnnt\er{ platboomd binnenvaartuig), m. âs. Bijlandig (naburig, aangrenzend), bn. Bijleggen, ik heb bijgelegd of bijgeleid. (lelden â , d. i. bijdragen tot een gezamenlijken inleg; een twist â, vereffenen. Bijleman (bijldrager, oud Amst. schutter), m. ânen en âs. Bijloop {toeloop), m. gmv. Onder â van 7 volk. Bijmaan {luchtverschijnsel, afspiegeling der maan zelve), v. âmanen. Bijna {ten naasten bij), bw. Hel is â avond. Bijnaam {toenaam, ook spotnaam), ni. â -namen. Lodewijk de Vrome. Baas Ganzen-donk had den â van baron. Bijou {kleinood, juweeltje, lusthof), o. â's. Bijouterieën {allerlei kleine sieraden van goud, zilver, staal, ijzer enz.), v. mv. Bijschrift {opschrift onder een plaat of portret), o. âen. Bijslag {bijkomend voordeel), m. Een aardig âje, winstje. Bijsmaak {vreemde smaak), m. âsmaken. Bijspreuk {leenspreuk), v. âen. Bijstaan {ondersteunen, helpen), ik stond bij, heb bijgestaan. Bijstand {hulp, ondersteuning), m. Een commissie van â. |
Bijstander {helper), m. â s. Bijstelling {hulpstellage; appositie in de spraakk.), v. âen. Bijster {verdwaald), bn. Men was heispoor, d. i. den rechten weg, â. Bijster {buitensporig, zeer), bw. â schuw, niet â groot. Bijsterxinnig {gek), bn. â heid. v. Bijt {opening in het ijs gehakt), v. âen. Bijten {happen), ik beet, ik heb gel toten. Zich op de tanden â, zijn spijt verkroppen; iem. iets in het oor â, toesnauwen; in het stof â, 'allen, sneuvelen; blaffende houden â niet, harde schreeuwers durven weinig doen; doode Ponden â niet, voor de dooden geen vrees! Bijten {een bijt hakken), ik bijtte, heb gebijt. Bijteml {grievend), bn. âe spot. Bijtijds {vroeg), bw. Ue koetsier was er â. Bijtoon {niet de volle nadruk), m. âtonen. Bijval (toejuiching), m. -len; â letje {winstje), o. KM voegen {bijdoen), ik heb bijgevoegd; -voeger, m.; -voeging, v.; â voegsel. «â¢. «ij voegend, bn. De âe wijs, d. 1. aanvoegende wijs (conjunctief). Bijvoeglijk, bn. Een â naamw. (adjectief). Bij voet {St. Janskruid, gemeene alsem), in. Bijwagen {hulpwagen), m. â s. Bijweg {zijweg, zijpad), m. âen. Fig. slinkse he weg. Bijwezen {bijzijn), o. In het â der )noeder, d. i. tegenwoordigheid. Bijwijlen {soms), bw. Bijwijzen, ik wees bij, heb bijgewezen. M- t den vinger, met een stokje -. Bijwonen (getuige zijn van), ik hel» bijgewoond; â wouer {persoon, vrouw), âwoning. v. Bijwoord {adverbium), o. âen; âelijk, bn. Bijzaak, v. âzaken; âje. o. âs. Bijzetten {plaatsen bij), ik heb bijgezet. Fig. AUe zeilen â, alle krachten inspannen; een lijk â, in den grafkelder zetten; âzet. m.; â zetter, m.; âzetting, v. Bijziend {kortzichtig), bn.; â heid {mi/op-sie), v. Bijzijn {tegenwoordigheid), o. gmv. Bijzin {zin, die een deel is van een anderen). m. âzinnen. Onderwerpsâ, gezegdeâ, voorwerpszinnen zijn âzinnen; ook bijv. en bijiv. zinnen zijn âzinnen. Bijzonder {aj zonder lijk, vreemd, zeldzaam), bn. en bw.; âheid. v. Lees: Bizonder. â Sikkel {speelgoed), m. â s. Zoo hard als een â, d. i. /.eer hard. Bikkelen, ik heb gebikkeld; bikkcJspel. o. Bikken (uithakken), ik hel) gebikt. Fig. Er is hier niet veel te â, d. i. eten; â ker, m.; â king, v.; âhamer, m.; âsteen, m. Bil {lichaamsdeel), v. âlen. Bilateraal {tweezijdig), bn. Een âcontract, wederzijdsche overeenkomst. Bilbouquet {balvanger, vangstokje; tuime-laartje, lig. een lichtzinnig mensch), m. âs. Bilhamer {molenaarshamer), m. âs; --ijzer. o. â s. Biljart, o. âen; âkeu {stok), v. â s, âen. Biljarten (spelen op het biljart), ik heb gebiljart. Biljet (briefje, bewijs), o. âten; âje. o. Biljoen (slee/de munt; zilver van gering ge-halte, tot versmelting geschikt), o. gmv. |
BILLEN - BLADGROEN.
70
|
Billen (bikken, molensteenen scherppn, uitkanten), ik heb gebild. ISillijk (rechtmatig, eerlijk, redelijk); â -heid. v. Billijken (goedkeuren), ik heb gebillijkt; âing, v. Billioen (millioen van den tweeden rang of iö1quot;), o. âen. Bilzenkrnid (giftplant, dolkruid), o. gmv. Bimbeloterie (speelgoedwinkel, speelgoed), v. Binden, ik l)on(l, heb gebonden Fig. lem. iets op het hart â, op zijn geweten drukken; de handen â, belemmeren; gebonden zijn aan, zedelijk verplichting hebbend; âend. âer. m.; â ing*, v.; â sel, lt;gt;. Bindgaren, o. â s; ârij*, lt;â¢.; â«pier, v.; -touw, o. âen; âweefsel (vezelachtige stof tot verbinding van organen), o. âs. mt\ts;e\\LT\\\ii(wol fmelkarhtige p lanl),o.g\\\\. In ons land groeit het eenjarige â (vergiftig). Bink(/ompm/),m. âen. üe}i â sfeAvw, schoolverzuim plegen. Binnen, bw. en vz. Naar â gaan; hij werd â geroepen; dat is â, verdiend; het schip is â, in de haven; zich iets te â brengen, herinneren; â de muren, â de perken, â den tijd van acht dagen, d. i. omsloten door. BinneiKlijks (liggende binnen den dijk), bw. Binnengaats (in het land, binnen de zeegaten), bw. Binnenkoorts (sluipkoort*), v. âen. Binnenkort (aanstonds, binnen eenigen tijd), bw. Binnenlandseli (in het land),hn. âe zaken, d.i. het inwendig bestuur rakende; â beheer: â e oorlog, d. i. burgeroorlog. Binnensliiiis, bw. De klucht speelt â. (De Gen.) Binnenskaniers (binnen de wanden der kamer), bw. Binnenslands (binnen in het land), bw. Binnensnionds, bw. â praten, prevelen. Binnenste, o. Het â van een huis; in ons â. Binnenstijlt;ls, bw. De knecht is â ontslagen. Binnenvallen (in de haven vallen, ook onverwachts binnenkomen), ik viel â, ben â -gevallen. Binnenvetje (een persoon, die meer is dan hij toont), o. â. Ook: voordeeltje, buitenkansje. Binnenwaarts, bw.; â waart sell, bn. Binocle (tooneelkijker, met twee glazen), v. â s. Ook: Jumelles. Binoeulair-teleseoop (dubbele verrekijker, met twee glazen, voor de oogen), m. âcopen. Binoniiiiaal (met twee namen of termen), bn. Binominni (alg. twee ter mi ge vorm), o. â s. Het â van Newton. Bint (bouwk. dwarsbalk), o. âen. Biograaf {levensbeschrijver), m. â grafen. Biograpliie (levensbeschrijving), v. â ën. Biograpliiseli (levensbeschrijvend), bn. Een â woordenboek. Biologeeren (door biologie bewerken, van alle wilskracht berooven, belooveren). Ook: Biologiseeren. Biologie (beneveling; kunstbewerking, waardoor de wilskracht van den mensch terzijde wordt gesteld, geneutralizeerd), v. gmv. Bioloog (levensleerkundige, zenuwbeheer-scher), m. -logen. Ook: Biologist. Bionietrie (berekening van den gemiddelden levensduur van den mensch), v. gmv. Biped (tweevoetig dier), m. bipeden. |
Bipediseh (tweevoetig), bn. Biquadraat (het dubbel vierkant, de vierde macht eener grootheid), o. âaten. Birkwortel (priemkruid), m. â s. Bis (tweemaal, nog eens), bw. Bisbille (geschil, twist, gehaspel), v. â s. Biseuit (beschuit, tweebak; deeg, waarvan porselein en ander aardewerk gebakken wordt), o. â s. Bisdom (gebied van den bisschop), o. âmen. Bisette (geringe kant soort, van garen gemaakt), v. gmv. Bismntli (spiegeltin, aschtin, een enkelvoudig lichaam [element']), o. gmv. Bison (Amerik. buffel der prairieén en savannen), m. â s. Bisschop (kerkvoogd, hoofd der Jt. K. geestelijkheid m een bisdom), m. âpen. Bisschop (drank, e.rtract), v. gmv. Bistonri (geneesk. een krom nies), v. â's. Bit (gebit), o. âten. Bit (paardestang), o. âten. Bits (scherp, onvriendelijk), bn. en bw.; â -heid. v. Bitsig (bijtachtig), bn. en bw.; âheid. v. Bitter, bn. en bw. Een âe amandel; een â beetje, d. i. zeer weinig; â heid, v. Bitter (aftreksel op spiritus van citroen- of oranjeschillen), o.; â tje (borreltje), o. â s. Bitterkers (tuinkers, kruisbloem), v. gmv. Bit ter water (kleurloos mineraalwater vol zwavelzuur^ o. gmv. Bitninen (aardhars, aardpek, asphalt), o. Bivonak (bij- of nachtveldwacht, onder den blooten hemel), o. en m. âken. Ook: Itivak. Bivonakeeren (onder den blooten hemel slapen, zonder tenten legeren). Ook: llivak-keeren. Bizar (zonderling, grillig), bn. Bizarrerie (zot gedrag, grilligheid), v. âën. Bizon (bultos of bu/fel in N.-Amerika), m.-s. Blaag (lastig, stout kind), m. en v. gew. Blaam (smet), v. Er kleeft een â op hem; 1 iem. een â aanwrijven. Blaar (witte plek), v. âblaren. Een koe met een â. Blaar (blein), v. blaren. Een â aan den voet, een brandâ. Blaas (vliezige zak), v. blazen. De galâ, de zwemâ der visschcn. Blaasbalg (gmz. blaasbalk), m. âen. Blaaslioren. Blaashoorn (blaasinstrument), m. âhorens of âhoornen. Blaaskaak (pocher, opsnijder, bluffer), m. â kaken; âkakerij (snoeverij), v. Blaaspijp (pijp om het vuur aan te blazen), v. âen. De â der goud- en zilversmeden. Blaasroer (Ind. doorboorde houten cilindcr, 1 waardoor de Dajaks pijltjes blazen, zelfs op ! een afstand van 150 passen en meer), o. âen. Blad (van boomen en struiken), o. âeren, â ers, blaren; blaadje, o. â jes, bladertjes. Blad (van bloemen en in alle andere bet.), o. â en; blaadje, o. â s. Het â van een roos, van een tulp; het â van een tafel; een â muziek; een dagâ; een presenteerâ; het â van een zaag; âgoud; goud in âen; van het â zingen, d. i. op het eerste gezicht of a vue zingen. Bladeren, ik heb gebladerd. In een boek â, d. i. blaadjes omslaan. Bladgroen (kleurstof in planten en bladeren), o. gmv. |
BLADKEVER-BLIKVUREN.
71
|
Blaclkever, m. â s.; âluis, v. âzen; â wesp, v. âen; âzuigers (insecten), m. âs. Bladneus (uleerm nis in Z.-Amerika), v. âzen. Rlafi'en (haffen, bassen van honden), hij lieeft geblaft. Tegen de maan â, liet onmogelijke willen; âer, m. HlafTer, Blafferd (register), m. â s. Bla^iieur (opsnijder, pocher), m. â s. Blaken (branden, gloeien), ik heb geblaakt. â van toorn; in âden welstand. Blaker (lagekandelaar), m.âs; âtje,o. âs. Blakeren (zengen, schroeien), ik heb geblakerd. Blameeren (een blaam werpen op, belaste-teren; laken, berispen, afkeuren). Blanc-maiijffer (nagerecht, soort van podding gelei), o. gmv. Met eigen mevrouwelijke hand het â bereiden. (C. O.) Blanco (oningevuld, opengelaten), bw. In â teekenen. Een âwissel, o. âs; âcrediet, o. gmv. Blank (wit), bn. en bw.; â lieid, v. Klank (oudt. een denkbeeldige munt van zes duiten), m. âen. Klankbek (melkmuil, vlasbaard), m. âbekken. Itlanketsel (kleurstof voor het aangezicht van zangeressen, danseressen, enz.), o. â s. lilankeften, ik heb (mijn aangezicht) ge-hlanket. Fig. vernissen, opschikken. Klaren (binten, bulken, schreeuwen), ik heb geblaard. Ook: Bieren. Schai jn, kalveren, geiten â. Klasplienieeren (gods laster i ngen u i tbr aken). Klasplieinie (godslastering), v. âën. Klaten (blaren van schapen), het heeft geblaat. Klaun', bn. en bw. (en als zn. o.). Bont en â: een âe Maandag, korte tijd; â heid, v. Klauwbaard (wreedaard, monster), m. Klauwbekken (koude lijden), ik heb geblauwbekt. Ik sta hier te â. Klamvblauw bn. â laten, d. i. het laten zooals het is. Ook: Blauw-blauw. Klamve boeken (In Engel, de rapporten der regeering aan het Parlement), o. mv. Klamve Maandag (ledige Maandag bij de ambachtslui), m. âen. Hij is daar een blauwen â in de leer geweest, d. i. bijzonder kort. Klauwen (blauw worden), liet heeft geblauwd. De duinen â reeds, d. i. worden zichtbaar; het lamplicht gaat â, d. i. verduistert; (gew.) de melk â, d. i. wasschen, vermengen met water. Klauwen (kleurlingen in Indië, Z.-Amerika, enz.), m. mv. Klauwkiel (boer, een Belgisch koopman), v. âen. Klamvkous (spotnaam voor een vrouw, die voor geleerd wil doorgaan), v. âen. Klauwlakenseh, bn. Een âejas, van blauw laken. Klamvsel (blauw poeder), o. gmv. Klauwtje, o. â s. Een â loopen, door een meisje afgewezen worden. Klauwvoet (steenvalk), m. âen. Klanwzueht (ziekte in den bloedsomloop), v. gmv. Ook: Blauwziekte. Klauwzuur (Pruisisch zuur, vergift), o. gmv. Klazen, Ik blies, heb geblazen. lent, iets in het oor â, iets influisteren; glas â, al blazende maken; den aftocht â, het sein tot den aftocht geven. |
Blazer (visscherspink), m. â s. Blazoen (banie)', adellijk wapenschild), o. â en. Bleek, bn. en bijw. Een âe kleur, mat, flauw; â lieid, v. Bleek (bleekveld), v. -en. Bleeken, ik heb gebleekt; het linnen â; â -er, m. Bleekerd (zekere Bijnw'jn), m. gmv. BleekeriJ (inrichting tot het bleek en van goed), v. âen; -sliond. m. âen; â swa-gen, m. â s; -sloon, o. âen; â sfer, v. â s; âveld, o. âen. Bleekziekte (witte koorts), v. gmv. Bleekzuebf (ziekte in het b'oed), v. gmv. Blei, blik, bliek (zekere visch), v. âen. Blein (blaar, puist, uitslag), v. âen. Blende (zwavehnetaal), o. gmv.; blenden (soorten), mv. Bles (witte plek), v.; (paard), m. âsen. Blesseeren (wonden, kwetsen). Blessuur (wond, verwonding), v. â suren. Bleu (bloo, schroomvallig), bn.; âbeid, v. Bliek, blei (witvisch), v. âen. Blij, Blijde (verheugd), bn. De â Boodschap, het Evangelie; de â Inkomst (la joyeuse entrée), de plechtige intocht van een nieuwen Brab. hertog in Brussel; â lieid, v. Blijde (werpgeschut der Romeinen), v. â n. Blijde (verheugd), bn. Zie Blij. Blijdsebap (vroolijkheid), v. Blijgeestig (levenslustig), bn.; âlieid. . Blijk (bewijs), o. âen. Een â van eerbied. Blijken (duidelijk zijn), het bleek, is gebleken. Blijkens (zooals blijkt uit), vz. â den uitslag. Blij mare (blijde tijding), v. â n. Blijmoetlig' (opgeruimd, getroost), bn. en bw.; â iieid. v. Blijspel (vroolijk tooncelspel), o. âen. Blijven, ik bleef, ben gebleven. Achterwege â; in den strijd of op het slagveld â, sneuvelen; het schip is op de klippen gebleven, d. i. gestrand, vergaan; bij iets â, volharden. Blik (opslag der oogen), m. âken. Klik (dun ijzerblad, ook een stuk keukengereedschap), o. âken; âje, o. â s. Klik (geplet metaal), o. gmv. Er is ijzerâ, wit â, koperâ, messingâ, zinkâ. Klikken (nwt de oogleden knippen, zien), ik heb geblikt. Klikken (de schors aftrekken), ik heb geblikt. Fig. villen. De boomen â. Klikken (bleek worden), ik heb geblikt. Hij weet van â noch blozen, is hoogst onbeschaamd. Blikkeren (flikkeren, glinsteren), zijn oog heeft geblikkerd; -ing, v. Blikoogen (het oogwit laten zien), ik heb geblikoogd. Bliksem (electrisch verschijnsel), m. â s. Zoo snel als de -; hij stond als door den â getroffen. Bliksemafleider, m. â s. Bliksemen (nnweeren, fig. vloeken), ik heb en het heeft gebliksemd. Bliksems (een bastaardvloek), bw. en tw. Bliksemseli, bn.; âe jongen, d. i. ondeugende jongen, gmz. Blikslager (werker in blik), m. âs. Bliktanden (de tanden laten zien), ik heb gebliktand. Fig. dreigen. Blikvuren (scheepst., seinen geven met blikvuur), ik heb geblikvuurd. |
BLIKVUURâBLOS.
72
|
Klikviuir (los kruit, dat op het dek ont-brand wordt nis signaal), o. âvuren. Klind. lm. en l»\v. Fig. ken âe klip (onder water), een âe muur (d. i. zonder vensters), ren âe kaart (zonder namen), een âe steeg j (zonder uitgang), de âe darm (zakvormige uitstulping in het darmkanaal). Itliiul {een luik), o. âen. Sluit de âen. ISliiKla^c (overdek kina, he kleed ine/), v. â s. Itlinddoclicii, ik hel» geblinddoekt; â doo-kiii^'. v. Fig. m is lei drn. Illiiide (persoon), m. en v. â n. Itlindecreii (met een ondoordrinWare huid hekieeden; koijelerij nm'^rn); -deering, v. Kliiidelin^s. Inv. Hij morst â gehoorzamen. \ Klindeinaii. in. ânehen âs; â uelje,o. â s. lUinden (blind mi ken), ik heb geblind. Vinken -, de oogen uitbranden. IHind^-ehorene, in. en v. â n. ISlindlieid (volkomen ontbreking van gezichtsvermogen), v. gmv. Ifiliiidliokken (blinddoeken), ik lieb geblind-hokt; een valk -; -liokUer, m.; -Iiok-king', v. Hliiidslan^ (hazelworm, soort van hagedis). v. âen. Klink (schoensmeer), m. gmv. gew. Itlinken (schitteren), ik blonk, heb geblonken. If( t is niet alles goad wat blinkt, schijn bedriegt. Klinkerd (hooge duintop), m. -s. Iliinkworm (glimworm), rn. âs. Ifiloe-nnteN (bundel witte blaadjes), v. mv. Itloed (ruvde vloeistof in het dierlijk tichaam). o. Het â kruipt, waar het niet gaan kan, het verwantschapsgevoel is sterker dan alle redeneering; ook: de aard en afkomst verloochenen zich nooit. Het blauwe â, de adel; â braking-, v.; âbruiloft (in Parijs 1572), v.; -doop (marteldood), m.-, âgeld ('tivelk de moordenaar betalen moest), o.; âbond (groote Engclsche dog, gedresseerde slavenjager), m.; âniest (meststof, waarin verdund dierlijk bloed), m.; âvin (bloedzweer), v.; â vlek, v.; âvloeiing, v. ISloed (sukkel, hals), m. âen. Itloeflen, ik heb gebloed. Fig. Mijn hart bloedt, nog treur ik; hij zal hier moeten â, d. i. veel betalen; â ing, v. Illoederig (vol bloed), bn. Een â stuk vlrcsch; een â doek. Ifiloedig. lm. en V»w. Ken âe wonde, een diepe wonde; een â gevecht, een hevig gevecht. lUoedMnnlooi» (omloop van het bloed in het lichaam van rnensch en dier), m. gmv. Kloedspu«ving, v. âen. lUoedsteen {vezelig rood-ijzererts), m. âen. Kioetl ver wa nt se ba p (famil i ebet rekking), v. gmv. Ifiloednraak (het vervolgen van den moordenaar op leven en dood), v. gmv. De â bestond bij de (Jermaansche stammen. Kloedzniger (ringworm, zuig worm), m. âs. ISloei (het bloeien), m. In den â des levens. Kloeien (bloei dragen), het heeft gebloeid; -niaand, v.; -sel. o.; -tijd, m. ISloei wijze (rangschikking der bloemen op een as), v. â n. Een tros, een katje, een scherm, een tuil enz. heet â. Kloein (bloem kroon, voortp la n t i ngswerktu ig ), v. âen; âpje, âetje. o. âs: âbekleefl-selen (bijkelk, kelk, kroon, dek), o. mv. |
IHoemenbandel (gesch. windhandel in bloembollen, iGZG-'Sl), m. gmv.; -maken (het vervaardigen van kunstbloemen)^, gvnx.; â siielen (gesch. xuedstrijden in 't dichten in Z. Frankrijk), o. -en; -taal (zinnebeeldige taal der bloemen), v. als: de roos, liefde; de lelie, onschuld; de lauriertak, roem; dr palmtak, overwinning; de eikentak, kracht; het viooltje, bescheidenheid; de ridderspoor, eer; de cgpres, rouw, enz. Bloemig (melig), bn.; âe aardappelen. Bloemist (bloemkweeker), m. âen. Itloemisterij (kweekerij), v. âen. Bloemkroon (inwendige, gekleurde krans-vormig geplaatste blaadjes), v. âkronen. Bloenilêzing (verzameling van proza- en dichtstukken), v. -en. Bloempot (roode, onverglaasde aarden pot), m. âten. Blocmscliildcren (afdeeling der schilderkunst), o. gmv. Bloesem, m. -s; -pje, o. â s. Blok (stuk steen of hout), o. -ken. Een -marmer', een â hout; zijn hoofd op het â moeten leggen, onthoofd worden; scheepst. katrol, schijf, mv. bloks; lig. een kind als een een zwaar kind; een â aan het been hebben, getrouwd zijn. Blokbnis (mil. houten wachttoren-, in Amerika huis van opeengetaste boomstammen)^ o. âhuizen. Blokkade \lhslaUing, omsingeling), v. -s. Blokkeeren (omsingelen, insluiten). Een stad, een haven â; âkeering, v. Blokken (hard studeer en), ik heb geblokt; blokker (werker), m. Bloksberg (hoogste top in den llartz), m. gmv. In den Walpurgisnacht viert de duivel niet alle heksen den sabbath op den â; iem. op den â ivenschen (Potg.) d. i. naar de Mookerheide. Bloksebip (afgetakeld linieschip, wachtschip), o. âschepen. Blom (bloem), v. -men; -nietje, n. -s. Blond, bn. Een -e vlecht-, -beid, v. Blonde (fijne zijden kant), v. â n of -s. Blondine (blond meisje, blonde vrouw), v. - s. Blondje (meisje), o. -s. Bloode (vreesachtig, bedeesd), bn. en bw. Bloodaard (lafaard), m. -s. Bloobartig (angstig, bang), bn.; -beid. v. Bloobeid (beschroomdheid), v. gmv. Bloot (naakt), bn. en bw. Fig. Dit is een -vermoeden, d. i. loute ⢠een vermoeden: âe-lijk (alleen lijk, slechts), bw.; - beid, v. Blooten (de huiden in de looierij ontharen), ik heb gebloot. Ook: Plooten. Blootgeven (zieb), ik gaf mij -, heb mij â gegeven. Blootleggen (openbaren, tgonen), ik heb -gelegd en -geleid; -legging, v. Bloot liggen, ik lag -, heb -gelegen. Het land lag â voor den vijand. Blootshoofds (met ongedekten hoofde), bw. Blootstaan (blootgesteld zijn aan), ik stom! â, heb âgestaan. Aan allerlei gevaren â. Blootstellen, ik heb âgesteld. 7Ach aan iets niet op zijn hoede zijn. Blootsvoets (met bloote voeten), bw. Blos (roode kleur op de wangen), m. gmv. De â der jeugd, de â der schaamte, de â der gezondheid. |
B L O U S E - BO E R E N B K D R T E G E R.
73
|
Blouse, Bloes (niinuicplooide blauwe kiel of jacket), v. blousen, bloesen, lilouses. ICIonwel (hennepbraak), n». â s. Blouwen (hennep ontbolsteren), ik hel» ge-blomvd. Bloxen (een blos kriJueu), ik lieli gebloosd; Gij doet mij â insquot;, v. niiif (grootspraak), m. âten. Ken â slaan. Blufleii (pochen, snoeren), ik heb geblnff; â er, m.; â erij, v. Blunder (almhi, misgreep), m. â s. l-'cn â maken, en abuis begaan. Bltisclmiiddel (al tuut dient tot brandblns-schinij), o. âen. Blnsselien (iri blooren van bra ml), ik heb gebluscht; âer, m.; â injf. v. ifilnt of Blntseli (alles in het spel rerluren hebbende), bn. Ik ben ⢠n â. Fig. arm, berooid. Bluts (gezwel, ba I. bloar, denk), v. âen. Itliitsen (kneuzen, denken), ik bel» geblutst: --in;?, v. Blufskoorts {scharlakenkoorts), v. âon. Boa (reuzenslang, slangvor.v.ige halsbekl e-ding van bont), v. â's. B^miier^'es, m. Hij is een â, man vol heftigheid. Bijb. B«iaz. m. Hij is zon rijk alsâ, zeer rijk. Bijb. Kohhel (waterbel, bloar bult), m. âs. Kohbelen {m?t bobbels opkoken), het hoeft gebobbeld; â ing;, /. |{ol»beli$; (hobbelig), bn. Het ijs is hier â. K4»lil»ertl. Bobber (lomperd), m. â s. Bobijn (garenklos), v. âen. Ifiobijnen ((jaren opwinden), ik heb gebobijnd; Koebel (bn'lt), m. -s. ISoebelen (naarstig arbeiden), ik hei» go-bocheld: fig. Wat kan 7 mij d. i. schelen. Koelieljoen (spotn. gebochelde), m. âen. Ifioebt, v. In de â springen voor iem., d. i. zich voor iem. in gevaar begeven, hem helpen, redden, ook financieel. ISoelit (buiging', inh-nn, baai), v. âen. Ken weg met âen; zich in alle âen tvringen, zich van allerlei praktijken bedienen, geveinsd zijn; de â van Guinea. Boebt (slechte waar), o.; â van wijn, van sigaren. Boebtig-(/.rojj/.Wrm/), bn.; â beid, v. Ken â pad; een â dal. (Poot.) lioekbier (Beiersch bier), o. âen. Itod (aanbod), o. Een â doen', het hoogste â. Itode (boodschapper, bediende), m. on v. â n. IbMle'g-a ^wijnkelder, wijnhuis), v. â s. ISodeni (grond, aardkorst, schip, onderste vlak), m. âs; âpje. o. âs. Fig. Aan iets den â inslaan, het met geweld 'vernietigen. ICodenierij (scheepst. beleening van schip of lading tegen raste premie), v. -en. Bodesebap (bodeambt), o. gmv. ISodin (vrouw, bode), v. -non. ISoeddliaïsme (godsdienst van Boeddha in In die, in de 6e eeuw voor dir.). o. Boedel (nalatenschap), m. â s. Ken â aanvaarden; een â verstooten; een â scheiden; een â redderen, d. i. regelen. Boedelbeselirijving- (inventarisopmaking door een notaris), v. âen. Boef (deugniet), m. boeven. Boeg- (voorste ronding van een schip), m. âen. Fig. Het over een anderen â wenden, d. i. het schip over (op) een andere zijde leggen en dus van streek, van koers veranderen, ook: iets op andere wijze beproeven. |
Boegren (koers zetten, sturen), ik heb geboegd. Boegineexen (Ind. bewoners van /..W. Celebes), m. mv. Boegkrnisen(laveeren), ik heb geboegkruist. ISoegseeren (een schip bij stil weder aan een of )tteer lijnen al roeiende voorttrekken), ik heb geboegseerd; -ing, v.; -lijn. v. Boegspriet (zeew. een over den voorsteven uitstekend ro)idhoutX m âen. De - vormt den hoofdsteun van het tuig. Boeba (ceel drukte, leren), m. on o. Boei (kluister), v. âen. In âen klinken. Boei (drijvend baken), v. -en. Ken kleur als een â, d. i. vuurrood. Boei (reddingswerktuig, leeren gordel met kurk gevuld), v. âen. Boeien (de zijden van een schip ophoogen), ik heb geboeid; âplank, v.; â seK o. Ibieien, ik heb geboeid. De 'tandacht â, d. i. kluisteren; de toehoorders â, d. i. hun aandacht trekken. Boeier (soort van pleziervaartuig^, m. â â¢. it4»ek (leesboek), o. -en; â je (ook -ske t'n â sken), o. â s. Boek (pupiermaat, fy't vel)9 o. âen. Boc^kanier (zeeroovo . kaper in Z.-A ;nerika), m. âen, â s. Boekbinden, n. gmv.: âbinder, n. âs; â biinU^rij, v. âen. Iktekdrnkken, o. gmv.; âdrukker, m. â s; -drukkerij, v. âen. Beekdi'iikknnst (tgpographie, de kunst â¢'an drukken), v. gmv. De uitvinding der â. Boekei (haarkrul), m. âs. Boeken (in het boek opschrijven), ik heb geboekt; âer, m.' â ing. v. ISoekerij (bibliotheek), v. âen. Boekbonclen (het aanteekenen van debet en credit), o. gmv. Tot het â behoort een memoriaal, een journaa l, het grootboek, het reken ing-courant-boek, het inventaris- of balans-boel:. Boekbonder. m. â s. Boekstaven (te boek stallen, opschrijven ), ik heb geboekstaafd. itoekweit v.gmv. Er is zand-en veen-. ISoel (menigte), m. âen. Boel (bijzit), m. en v. âen. Boelagê (minnarij, overspel), v. gmv. vero. Bnelvcrvn (overs/tel bedrijven), ik bob geboeleerd; â der. m.; âing. v. ISoeiliiiis (vend'diuis), o. âhuizen. Boelkenskrnid (leverkruid), o. gmv. Boeman (kinderschri:.), m. â nen. Boender (werktuig), m. âs. Ibieneai (reinigen, oppoetsen), ik heb geboend. II: zal hem â, wegjagen; boener(///««), m.; â sel, o.; âster, v.: â was. o. Boer (landbouwer; eig. gi buur), in. âon. Een boer heet naar de plaats waar bij woont: duinâ, kleiâ, veen â , zandâ, heiâ; met de namen van vee: geiten â , schaap-, bieâ, vogelstruisâ (/. Afrika); met den naam van zijn hoofdproduct: kaasâ, zuivel-, aardappel-, en bij uitbreiding: boterâ, melkâ, en nog ruimer: turfâ, vischâ. Boerclerij (boerenhoeve), v. âen; â tje. âs. Boeren (den landbouw drijven), ik heb geboend. Boert'iiarbeider. m. â s; â bedrijl'. o.; --draebt. v.; âbolstede, v. ân; -kool (moesko(d), v. âen; âmeid. v. Boerenbedrieger, m. âs.; -bedrog. «».; â innziek. v.; â latijn. o.; âscherts, v. |
BOERENJONGENS - BOMBARDEEREN.
74
|
Boerenjongreiis {brandewijn met rozijnen). m. mv. Boeren krijt, o. gmv. Met â schrijver), op de toonbank met wit krijt met streepjes en Romeinsche cijfers rekenen. ISoeren-oorlog? (gesch. in Duitschlai?f/, 1525, teyen den adel), m. gmv. Ko(kreiiselirooni {gezelschapsspel met dob-belsteenen), m. gmv. Boerin (lig. lompe of dikke vrouw), v. â nen. Boerinnen jak (kort hleedi ngsta /i), o. â ken; â kap, v. âpen; â klee«liii^. v. gmv.; â -muts. v. âon; â stem, v. Een goede, ronde, vroolijke âstem. (C. 0.) Boerrieliter (lid van een marke of een waterschap), m. â s. gew. Itoersoli {als een boer, lomp), bn.; â lieid, v. Boert (scherts), v. Iets voor â opnemen. Boerten (schertsen), ik heb geboert; â lt;»r, m.; âerij. v. Boerteml (op schertsenden toon), bn. Een â gesprek. Bolt;gt;rtenlt;ler*vijs, -wijze (al schertsend), b\v. Boertig (grappig), bn.; â lieid, v. Boeskool (witte kool), v. âen. gew. Boeten (vergoeding, herstel), v. â n. Boetedoening, v. -en. Boeteling, m. en v.; v. ook Boetelinge. Hoeten (herstellen, boete doen, voldoen), ik heb geboet. Een net een ketel â, d. i. herstellen; hij zal voor dat verraad d.i. lijden; zijn lasten â, zijn gouddorst â, bevredigen; zijn leeslust - (Bild.); -er, m.; -ing, v. Boetpsalmen (li. K. gebeden en gezangen om verzoening met God):- m. mv. De â van David. De zeven â Boet see re ii (fatsoeneeren, een behoorlijken vorm geven), ik heb geboetseerd. Bij uitbreiding: formeeren, scheppen: God boetseerde al den aardkloot. (Vondel); âder, m.; âing:, v.; âkunst- v. Boetvaardig1 (gezind tot boete),hnr, â lieid,v. Boezelaar (voorschoot), m. â s. Boezem (borstholte, fig. inborst, hart, gemoed), m. â s. Een eerlijk hart in den â dragen\ een luensch in zijn â koesteren', een adder in den â kweeken, een verrader weldoen, zijn vijand grootbrengen; â vriend, m.; -vriendin (hartsvriendin), v.; âdrift, v.; -toelit, m. Boezem (het geheel van plassen, kanalen, tochten, slooten, waarin het polderwater uitloopt), m. -s. De â van Rijnland', een vrije â; â kade, v.; âland. o.; âpeil, o. Boezem (kring v tn bijeenbehoor en de personen), m. gmv. Uit den â van het bestuur; het voorstel kwam uit den â der vergadering; verdeeldheid in eigen â. Boezeroen (een kleedingstuk), o. âen, â s. Bol' (slag, stoot), m. -fen. Bollen (geluk hebben in zijn examens, promotie of z'iken), ik heb geboft; -Ier, m. Bollerd, Boller (pocher), m. â s. gew. Bo^en (roenvn, trotsch zijn), ik heb geboogd; â op zijn geboorte; â op zijn talenten; â op ervaring. Bolia (getier), tw. en als zn. m. Een groot en â maken; âmaker, m.; âmakerij, v. Bojaar (vrijheer in Slavonic), m. âjaren. Bok (mannetje der geit), m. â ken. Een her te-, gems-, reebok. Fig. hij is een â, een stuursch mensch; een â schieten, een domheid begaan; |
hij maakt den eenen â over den anderen, d. i. fout, misslag. Bok (werktuig; ook zitplaats van den koetsier), m. âken. Bokaal (rjroote beker), v. bokalen. Bokkenlefler, âleer (boksleer), o. Bokkerijder (Hd eener rooversbende in illü in Z. Limburg), m. â s. Bokkesprong* (grillige sprong), m. â en. â e)i maken, losbandig leven, grof verteren. Bokkig (lomp, stuursch), bn. en bw. â -tieid. v. Bokking (gerookte haring), m. âen. lem. een â geven, gmz. d.i. scherp berispen; âkink je. o. â s. Boksbaard (jore/V^o/w,gt;7 jor^/ensfrv^m.gmv. Boksen (vuistvechten), ik heb gebokst; âer (vuistvechter), m. Boksvoet (sater, boschgod), m. âen. Bol (bal, omwentelingslichaam; ook broodje), m. â len. Warme âlen, broodjes; pijn in den â , het hoofd; hij is een â, een'zeer knap mensch; â letje, o. â s. Bol (opgezet, bolrond), bn. en bw.; â lieid, v. Bol (onderaardsch deel der bolgewassen), m. â len. Een tulpenâ, een hgacinten â; het â lenhuis (broeikas). Bolderen (dof geraas maken), de wagen heeft te veel gebolderd, w. g. Bolderik (kruid met roodachtig blauwe bloem), v. gmv. De gewone â, onkruid in 't koren. Bolderwagen (boerenwagen niet op riemen), m. â s. Bollro (ronde Spaansche hoed), m. â s. Bolgewas (plant met onderaardsch stengelgedeelte), o. â sen. De lelie, de tulp, de hyacint behoort tot de âsen. Bolk (wijting, een soort schelvisch), m. âen. Bollandisteii (Jezuïeten, voortzetters van het werk door pater Jan Bolland, i596-1065, begonnen over de Levens der Heiligen), m. mv. Bolleboos (knap mensch), m. â boozen. Bollebuis (dikke, tvelgedane knaap), m. â -buizen. Drie stevige, goedige âbuizen. (C. O.) Bollen (voor den kop slaan), ik heb gebold. Een os â, ook dollen. Bollen (behagen, streden), het heeft gebold. Dat bolde hem zeer. gew. Bolrond, bn. Onze aarde is Bolster (kaf), m. âs. Ook: Hulster. Bolsteren (ontbolsteren), ik heb gebolsterd. Bolus (zegelaarde; artsenijballetje; slikbrok; zeker rond gebak), m. âsèn. Bolvormig, bn.; â licid, v. gmv.; âe-drie-iioeksmeting, v. gmv. Bolwerk (hoog bastion, hoofdwerk), o. âen; âje, o. â s. De grondwet is een â der vrijheid. Bolwerken (versterken), ik heb gebolwerkt. Hij zal het wel -. d.i. klaarspelen. Bolworm (hersenworw, ziekte der schapen), m. âen. Fig. De - steekt hem, hij is in slecht humeur. Bom (ontplofbare holle kogel), v. âmen; â -metje. o. â s. Bom (platbodemde vischschuit), v. âmen. Bombamiiieii (de klok luiden, dof galmen), ik heb en het heeft gebombamd. Bombarde (steengeschat; het sterkste bromwerk in orgels), v. â n. Boinbardeeren (mil. beschieten met bommen), ik heb gebombardeerd; â deerder, m.; â dement, o.; -«leering, v. |
BOMBARIE-BOOM.
|
Bombarie (beweging, opschudding), v. gmv. gmz. Bombast {opgeblazen en hoog dravende stijl, opgeschroefde en ijle volzinnen), m. gmv. Bombazijn {gekeperde, bruine, goedkoope stof voor arbeiderskleedij), o. âen. Bombeen {een opgezet been), o. âen; â sjat. o. âen; âijs (ijs dat hol ligt), o. Bombeeren (hol maken, opvullen). De ruggen dier stoelen zijn gebombeerd. Bomgat {spongat, ronde opening inden buik of den bodem van een vat), o. âen. Bommel {prop), m. â s. De â brak los, alles lekte uit van den bedrieglijken toeleg. Bommen {galmen), het heeft gebomd, f.eege vaten â het hardst, leeghoofden hebben de meeste praats. Bomvrij {bestand tegen een bombardement), bn. Een âe kelder, een â fort. Bon {goed, wel), t\v. Bon {schriftelijk bewijs, dat goed en geldig is voor de daarin uitgedrukte som of waarde), rn. â s. Bona fide {ter goeder trouw, op goed geloof), bw. Bonbon {suikergoed, allerlei suikerballetjes), o. â s. Een âdoosje. Bond {verbond, ver e enig ing, gilde), m. âen. Een statenâ, een arbeidersâ, een onderwijzersâ, een slagersâ, een taalâ. Bondgenoot, m. -en. Bond$;enootseiia|tgt;. o. âpen; â pelijk,bn. Bondig {goed verbonden), bn. âe kost, m.; âe krachten, d. i. stevig, sterk; een â oordeel, deugdelijk, degelijk; een âe vrede. m. bestendig; een âe belofte, v. onverbrekelijk, verbindend; een â antwoord, o.; een âe stijl, pittig, gespierd, krachtig; -heid. v.; â lijk, bw. Bondkist (Bijl). Arke des Verbonds), v. gmv. j Bongerd {boomgaard), m. â s. gew. Bonlienr {geluk, buitenkansje), o. Par â. bij geluk; â du jour, fraaie kast. Bonliomie {goedhartigheid), v. gmv. Bonis (in) zijn {gegoed zijn, in ruime omstandigheden verkeeren). Bonjour {goeden dag), o. â s. Bonjouren {afschepen, wegzenden), ik heb | gebonjourd. Bonk {stuk, schonk), m. âen. Fig. oud paard, j ook zeeman: een ruwe zeeâ. Bonken {afrossen), ik heb gebonkt. Bon-mot {kwinkslag), o. bon-mots. Bonne (kinder j u/fro uw, belast met de verzor- ; ging van kleine kindwen), v. âs.. Bonnefooi {te goeder trouw). Op de -, op goed geluk af. Bonnet {muts, kap; voorlaag bij verse ha n- 1 sing en), v. âten. Bons {slag), v. bonzen. D.' â krijgen, zijn afscheid krijgen; â, daar ligt hij, tw. Bonsoir {goeden avond; goeden nacht), o. â s. 1 Bont {gekleurde en geruite katoenen stof), o.; Friesch â, Schotsch â; âjes, o. mv.; â -g-oed. o. Bont {zacht harig bewerkt dieren vel), o. gmv. Het â der bevers, marters, enz.; een jas met â gevoerd; in't â gekleed; âje (halskraagje van â), o.; âkist, v.; âwerk, o.; beverâ* marterâ, vossen â . Bont {gespikkeld, gevlekt, veelkleurig), bn. Een â e vogel, m.; een âe ekster, v.; een âe vlinder, m. Hij is zoo bekend als de âe hond. |
overal ongunstig bekend; men noemt geen koe â, of er is een vlekje aan, d. i. voor een algemeen slecht gerucht omtrent iemand bestaat altijd wel eenige grond; ion. â en blauw slaan : Hij {Goliath) sloeg de kindren â en blauw. (Tollens.) Bonton' {spreekmanier van ivelopgevoede lieden; goede levens toon), m. gmv. Bontwerker (fabrikant van bontwerk, turn pelzen), m. â s; -skne«*bt, m. âen; â s-winkel, m. â s. Bonvivant {een vroolijke Frans, een doordraaier), m. bonvivants. Bonzen {stooten, hard kloppen), ik heb gebonsd. Een deur open â; mijn hart ging â. ISonzen {Japansche priesters van Boeddha). m. mv. Bonzing: (roofdier), m. Zie Bionzing. Boodsehap. v. âpen. Een kind om een â sturen, een te lage kaart inleggen of opspelen. Boodsebappen {berichten), ik heb geboodschapt; âper, m.; âster. v. Boo;;' (wapen-, speeltuig), m. bogen. Den â spannen, de pees achteruithalen; den â ontspannen, de pees weer in rust brengen; met pijl en â gewapend; hij vloog als een pijl uit den zeer snel; meer dan één vijl op zijn â hebben, verschillende argumenten hebben; de â kan niet altijd gespannen zijn, men dient ook eens rust te nemen; den luiaardsâ afschieten, d. i. zich al geeuwende uitrekken. Boog (bouwk. kromming, bocht, gewelf), ni. bogen. Een â boven deur of venster; een brug met drie bogen; een triomfâ, een eereâ. Boog* (wisk. deel van den omtrek eens cirkels), m. bogen. Een â van 90°; de hoek aan V middelpunt is gelijk aan den â, waarop hij staat. Boog-erd( boomgaard), m.âs.Ook: Boogaard. Booglamp {electrische lamp), v. âen. Boogswijze, âwijs. bw. Boom (gewas met stevig oprijzenden stam), m. âen. Eenhoogstammige, laagstammige â; de â der kennis des goeds en des kwaads, Bijb.; de â des levens; de â des kruises; de appel valt niet ver van den â, het kind gelijkt den vader in doen en laten; aan de vruchten kent men den â, d. i. aan zijn werken kent men den man; hooge âen vangen veel wind, d. i. personen in hooge ambten staan vooral bloot aan beoordeeling, haat. nijd, laster, vervolging; spreeuwen willen wel kersen eten, muur geen â en planten; een â, die gedurig verplant wordt, gedijt niet; met vele slagen valt de â; de â valt niet met den eersten slag, d. i. een zware taak kan niet opeens volvoerd worden; de kat uit den â kijken, een afwachtende houding aannemen; van den hoogen â afteren, d. i. op zorgelooze wijze zijn geld verkwisten, zijn kapitaal opeten; de âen beletten hem het bosch te zien, d. i. allerlei kleinigheden of bijzonderheden belemmeren hem in 't overzicht van eenig onderwerp; â pje, o. âs. Kleine âpjes worden groot, d. i. kinderen; eer het âpje is groot, is h t plantertje dood; de Boompjes, naam van een vanouds met boomen beplant gedeelte van den Maasoever te Rotterdam. Boom (slagboom), m. âen. Bolt;gt;m (samentrekking van bodem), m. âen. 't Is botertje tot den â, er heerschen geluk en voorspoed; ook: de onderlinge verstandhouding is uitstekend. |
BOOMGAARD- BOSQUET.
70
|
noom^aard. m. âen. Een kersenâ, een notenâ\ âm.; âs; -man, m. Itoomkikvorseli {kruipend dier, levend op hoornen), m. âen. Koonilooperl.jc {'irijs. vogel:je met spitsen hek), o. â s. Gok: âkruipertje, insecteneter. o. âs. 1 Kooinmarfei* (edelmnrter, fjroote wezel). ! in. âs. Booinolio {olijfolie), ginv. â toomvaren (keerkrinusplunt, varen in den vorm van een hoont), v. â s. Hoon⢠wol (katoen), v. gmv. Hoon (peulc,ewas, zaad der peulvracht), v. , â en. Een stokâ, een sla â , ren paarden â , i een duiven â , een tain â . Hij is inde âen,h\y\ U in de war, lii.i is aan quot;t malen, aan't sullen; | honger waakt rauwe âen zoet, iionger geeft ; den waren eetlust; voor spek en âen er {ergens) hijloopen, meeloopen, bijzitten, enz., d. i. hij eenig work overtollig zijn, toekijken zonder een werkzaam aandeel te nemen; iets niet een -tje waard ach ten; â tje, o. -s. - tjes uit\ het water eten, sober te gast gaan, /.'utU schraal | voeden; zijn âtjes op iets te weeken leggen of in de week leggen, d. i. vast op iets staat maken, zijn maatregelen nemen; zijn hart is geen âtje groot, hij verkeert in angst, in | spanning; ik mag een -tje wezen, als't waar is, scherts, om kracht hij te zetten aan een gezegde, bewering, enz.; âtje komt oni zijn loontje (ook omgekeerd gebezigd), hij krijgt zijn verdiende loon; â aUker, m. -s; âen-bloe»em9 m. â s; â krnid, o. gmv.; â laml (akker), o. Koor (tinnn. werktuig), v. boren; -bank. v. -en; -beitel, m. -s; -kever, m. -s. Een spijkerâ, een center-. Itooril {bovenste rand of kant), m. âen. Een glas tot den - vol schenken (zie Boorde-volletje); de â van een rivier, oever; deâ van een woud, zoom. Iloord Cscheepst. rand van een schip, het schip zelf), o. Kom aan â over â werpen, uit liet schip verwijderen; over â raken, in zee vallen; een schip aan â krijgen; ietn. aan â krijgen; iem. aan â klampen, hem aanhouden^ over iets aanspreken, de les lezen; een hik over â zetten, in zee begraven; iem. niet iets aan â komen, hem een voorstel doen; de schepen liggen â aan â. vlak naast elkaar; het roer aan â leggen, de roerpen zoover mogelijk naar de eene of andere zijde brengen. Koorden {een boord of rand maken aan, quot;//?roo///e/lt;)-'k heb geboord: âer, m.; âsel,o. KoordeV4»l. bn. Ue tobbe is â. Een glas â schenken. Koordevolletje {een glas tot aan den rand vol), o. â s. Koos {kwaadaardig, nijdig), bn. en bw.; â -lieid. v. Koosdoener {snoodaard), m. â s; âster,v.-s. Koos wie lit {boosdoener, misdadiger), m. â en. Koot {vaartuig), v. -en. Een roeiâ, een zeilâ, een stoom-, een kanonneer-. Koot {halssieraad), v. âen. Een juiveelen â. Kootsfje^el {matroos), m. â len; âman {die het toezicht heeft over het tuig), m. âlieden, â lui, âmansllwit {waarmede de bootsman zijn bevelen geeft), v.; â mansinaat {onderbootsman), m. â s Itooze {de duivel), m. gmv. |
Kora. Kor ra {N.O. wind, scherp en droog, in de Adriatische Zee), v. gmv. Koraeiet {zeldzame delfstof in llolstein), o. Korat {brat, zekere wollen stof), o. gmv. K4»rd, o. âen. Fig. Een â voor het hoofd hebben, onbeschaamd zijn; de âjes zijn verhangen, er is een andere richting aan de orde; te borde (berde) brengen, ter sprake brengen. Korde an x-w i| n (Fransche wijn, departement Gironde), m. âwijnen. Kordeel {huis van ontucht), o. âen. Korderel (briefje; lijstje, uittreksel uit een rekeningboek), o. âlen. Ktn'des (hovge stoep met afdak), o. âsen. Ifiordi^- (hard), bn. â lieid, v. Kordin^s. Kordin^en (kleine platte vaartuigen, ook lichters genoemd), v. mv. Kordpapier {kartonpapier), o. gmv. -en. bn. Een âen doos. Kordnren, ik heb geborduurd; â dnnrder, m.; â tlnnrsel, o.; â dnnrster. v. Koreaal (noordelijk), bn. K^ireas (noordenwind), m. gmv. Korek (Ind. geel smeersel, pommade), v. gmv. Koren, ik heb geboord. Fig. Een schip in den grond â, doen vergaan; iem. iets door den neus â, door list doen verliezen; hoorder, m.; boring-, v. Korg (persoon, die zich aansprakelijk stelt, ook: onderpand).m. â en. Welke zijn uw âen'/ ik blijf er â voor; zich â stellen; een â van f Ã00. Korden (crediet geven), ik heb geborgd; -er (hij, die leent), m.; â ing, v. Korgtoelit (verbintenis door een derde, zeker-heidsstelling), m. âen. Korn (bron), v. âen. vero. Korneeren (begrenzen, beperken); geborneerd (beperkt, kortzichtig, onnoozel), bn. Korrel (bobbel, slokje), m. â s. Korrelen (slokjes drinken, opwellen), ik heb en het heeft geborreld; âing, v. Korst {lichaamsgedeelte), v. âen. Korst (jongelhig, flink jonkman), m. âen. Korstei (schuier, ook een varkenshaar), m. âs. Korstelen (schuieren, reinigen), ik heb ge-1 borsteld. Korstkrniden (Ierseh mos, zoethout, enz.), o. mv. Ifiorstvlies (vliezige zak om longen en hart). ! o. gmv. Ontsteking van het â (pleuritis, 1 pleuris). Zie aid. Korst weer (borstbeschnt t i ng ), v. âweren. Korst wering (mil. hoogte op een stadswal), i v. âen. Kos (bundel), m. âsen. Een âje sigaren. Kos (hos), v. âsen. Koscli (woud), o. bosschén-; â gens. m. â -geuzen. Ikisehjesnian. Kosjesman (een in holen en bosch wonend inboorling van Z.-Afrika), m. â nen. âs. Koselikoraal (gezang der vogels in het bosch), o. âalen. 't Lied der âalen. (De Oen.): 't zich vervangend â. (Hofd.); den wildzang der veld- en âalen (Bild.). Koselineger (afstammeling van weggeloo-1 pen slaven in Suriname), in.quot; â s. Koselivaren (bladachtige varen), v. â s. Kosquet (lust- of k'(nstboschje), o. âten; i -jo, o. -s. |
BOSSCH AC JE - BO l' W K X.
|
Itosschag-c {klein yebuomte), o. â s. Bossc (huil, bochel, knobbel; vlak verheven beeld- of boetseerwerk), v. â n. Bosselceren (gedreven werk in goud of zilver maken). Itoston (zeker kaartspel), o. gniv. Rostoiineii (bostonspelen), ik heb gebostoinl. Kot (zekere platvisch), v. âten. b* â vergal-â len, de viscli (fip:. de zaak) bederven; â vun-wgen, vergeefs naar iem. z(»eken, een vergeet-[sclien gang of reis doen. Hij is een âje zonder gal, een onschuldige bloed; far â , v.; ; heilâ, v. Hot (knop, sche it, idtspruitsel), v. âten. Bot (been, knook), o. âten. Pijti in de â len, gmz. onlekker, rl eumatiscli zijn; een â in 't been hebben, scherts, verontschuldiging om niet te gaan. Itot (eind touw, vliegertouiv), â¢gt;. gtnv. â geven, â vieren, ruimte geven, inwilligen, toegeven. Kot (stomp, dom), bn. en bw. /â gt;gt;lt; â mes, een âte schaar; â lieid, v.; â liooflt;l, o.; â muil, m. Kotaniciis (Icruidkundige), m. botanici. Ook : Kotanist. Kofanie (krnidktnide, plantkunde), v. ginv. KotanlKcli (kruidkundig), lm.; âe tuin, plantentuin (b.v. te Buitenzorg). Kotaniseeren (planten zoeken of onderzoeken). |{4»taiiist (plantkundige), m. âen. Koter (het vet uit de melk), v. grnv. Zoo glad als â : zijn hart werd zoo week als â, â bij de visch, contante betaling; 't is â aan de galg gesmeerd, tevergeefs; â tje tot den boom, weivaart, overvloed. Itoterbiesje (koekje), o. â s. Koterbloem (ranonkel, gele weiblocm), v. â en. De gewone â, de vroege â of het speenkruid, de akkerâ, de water-. Koterliain. v. âmen. Hij ziel er uit als een, afgelikte â, deerniswaard, neerslachtig: een Meniste â, d. i. met een beschuit belegd; ce» aangekleede â, d. i. met vleesch belegd. Kotonm^lU (karnemelk), v. grnv. Koloruiijii (afslagplaats van boter), v. âen. I^tervlootje (bakje voor boter), o. â s. Kotei'W'g-, âge (wigvormige kluit boter), v. âgen, â n. Kotje (oude munt = 21/2 ct.), 0. â s. Botje bij â doen, leggen, elk zijn evenredig aandeel bijdragen. Kotiuuil (lomperd, domkop), 111. en v. âen. Kots (slag, stoot), v. âen. Kotsen (stooten, bonzen), ik hel» gehotst; â iiiSquot;. v. Klt;»ttel (flesch), v. â s; bottel (vruchtje van de roos gt;, v. â s. KottelariJ (wijn- of bierkelder), v. âen. Kotteleii (op jlesschen uflappen), ik heb ge-hotteld. Kotteller (keldermeester), m. âs en âen. Kotten (uitloopen, uitschieten), lt;le boomen gaan â. Kotter (visscherspink op de Zuiderzee), in. âs. De â is voor de vangst van haring, hot, ansjovis, aal en garnalen. Kotterik (lomperd), m. -en. Kottine (lage laars met elastieken sluiting). v. â s. |
Kotuit (zonder omwegen), bw. Hij zei het â. Kot vieren (lig. inwilligen) ik heb botgevierd. De hartstochten â, de speelzucht â, de zangdrift â, de verbeelding â, zijn wrevel â, ondeugd en moedwil â, den Weedom â. Aan een gedachte â, d. i. er den vrijen loop aan laten. ItotueK* (botuit), bw. Iets â vragen. Konelierie (slachterij: bloedbad), v. â s. Konele (haarkrul), v. âs. Ook: Koekei. Kond (vol vertrouwen op eigen kracht, kloek, lier), bn. en bw. Hij sprak â; stout en â iets verrichten, tegen den vijand optrekken, in den nacht reizen; hij was te â, handelde le â; â wejff, bw. d. i. op onbewimpelde wijze: hij zei â, dat hij het niet deed. Kondeeren (pruilen,- mompelen, pruttelen). iSoiiderie (kwalijk verborgen wrevel), v. Koudoir (du meszit ver trekje, kleedkamertje). o. â s. Koiiflante (langwerpige gebreide wollen dus om den hals), v. â s. Konlle (grappig), bn. Opera â, kluchtspel. Konflon (potsen- of grappenmaker, komiek), m. â s. Kon^'ie^ (kunstkaars van uitgestoomd vet). Kon 1 Ui (gekookt rund vleesch), 0. Kotiillie (vleeschv. gmv. Konilloir (schenkketel), v. âs. Konillon (vleeschnat; boordsel aan Kleederen; samengestelde goud- of zilverdraden), m. â s. Klt;»tilevai*lt;l (singel, walgang als wan del-plaats aangelegd; b ree de moderne stract), m. â s. De âs van Parijs, van Brussel. Konleverseeren (liet onderste boven keer en Konlt;|iiet (bloemruiker; wijngeur), o. âten. KoiiimIoii (zware bas van een orgel, sterk brommend pijpwerk), m. â s. muz. Konrjfo^'ne-uijn (Frarische wijn van de Haute-l^jire), rn. âwijnen. K4»iii*tt'lt;'oisie (de gezeten burgerklas in Frankrijk), v. gmv. Kont (ijzeren staaf, heen, enz.), m. âen. Kont (eendvogel), m. -en. Kontade (wonderlijke inval; vreemde kuur 0f steek onder water), v. âen. Konti^' (stevig), bn. Een âe knaap. Kontiqne (winkel; werkplaats), v. âs. ISonton (knoop, knop), m. â s. Konn' (het houwen, de samenstelling, hel ge-houw), m. Konwen (vrouwenhovenrok), m. âs. ven». Kon wen (telen, kweeken. verwerken, het verbouwen), ik heb gebouwd. (Iruan {rogge, garst, haver), vlas, honig â. Tor we, boekweit â . Koren, hooi â. d. i. het binnenhalen van den oogst. Het volk geneert zich met â. d. i. liet boerenbedrijf uit te oefenen. Bij uitbreiding: kalk â, tras â, d. i. mengen, bewerken; een huis â, een kerk â. Gebouwde eigendommen, d. i. huizen, stallen, schuren: Keulen en Al,'en zijn niet op een dug gebouwd, alle (groote) dingen gaan langzaam; van dieren: de bijen â cellen; de wespen â kamers: koraaldieren â rijf en; bevers â huizen; vogels â nesten. Fig. Kasteelen in de bwht â, vervuld zijn van ijdele droombeelden, van hersenschimmen; â op: doen steunen, gronden, grondvesten: op zand â, op beloften â: zijn hoop â op iem. of iets; men kan huizen op hem â, vast op hem vertrouwen; op zijn eigen grond â, voor eigen rekening en verantwoording iets doen. |
78
|
Bouwkunde {de theoretische wetenschap van het bon wen), v. gmv. RouwkuiKlig', lm. Een â leerling', âe bijdragen; â ingenieur (architect). Bouu-kumlig-e (bouwkundig ingenieur), m. â n. Itouwkiinst (practische bekwaamheid in het bouwen), v. gmv. De â der dieren; de Griekse he â; de Homeinsche â; de monu-mentale â; de burgerlijke â; de geschiedenis lt;h r â; de Oosterscfie â; de Christelijke â. Iloiiwkuusfeiisiai* (architect), m. â s. Scheepsâ ; haarâ (C. ().). Bouulaiul {akkerland), o. âen. hJen stuk â, geen grasland. Itomvmaii (akkerman, boer), m. âlui, âlieden. Zoo ik geen â was, ik wou wel de eerste wezen. (Staring); â swoiiiii$? (boerderij), v. âen. Komvineester (bouwkundige, architect), m. â s. Scheepsâ. ISoiiwineestcrljci (witte kwlkstaart),o. â s. Itounorde (bouwstijl), v. â n: âplaats (boerderij, ook ruimte om er te bouwen), v. â en; â«teen (materiaal, ooksteenen blokje uit een bouwdoos), in. âen; âstijl (stelsel van bouwen), m. âen; âstof (materialen, fig. gegevens), v. â fen; âtrant (bouworde), m. gmv.; âval (puinhoopen, ruïne), m. â len. Komvvallig (oud, vervallen), bn.: â lieid, v. Boven, vz. en bw. Een on weder hangt â de stad, de lamp â d? tafel: iem. â het hoofd groeien; zich â water houden, â aarde staan, b.v. het lijk stond â aarde; â Am-sterdamsch peil; Alkmaar ligt â Amsterdam: de kleine Antillen liggen deels â den wind, d. i. meer noordelijk dan de N. O. passaat; â allen lof verheven; christendom â geloofsverdeeldheid; â de wet; iem. â de wolken verheffen, hem hemelhoog prijzen; de stoomkracht â aller kmchten maat (Staring); dit gaat â zijn begrip, verstand; hij is â zijn bier, zijn theewater, dronken; â iem. gaan, staan, zijn; spreekw. De natuur gaat â de leer; bw. het kleed is â te nauw; ergens â uitsteken; van â komen; naar â gaan; van onder tot â vol slijk zitten; alle moeielijkheden te â zijn: â op een paard zitten; ergens â over gaan; â in 't huis; â wonen; op een schip â blijven, op het dek; een jongen naar â doen klimmen, amp;.\. in den mast of het tuig; mijn buurman hier â ; daar â; alle goed komt van â, nl. van God; een schip dat van â komt, nl. uit Duitschland aan den Rijn; als â (nl. genoemd); laat mevrouw maar â komen: â aan, bw.; âal, bw. ilovenarin (bovendeel van den arm), m. â en: â s, bw. Hij gooit of werpt â s; het gaat er â s, zonder matigheid. Bovenbedoeld (waarvan zoo even sprake ivas, bovengemeld), bn. Men vindt die zinspreuk op âen gedenkpenning. Bovenbeen (bovendeel van het been), o. â en. Een schot in het â. Bovenbeschreven (zoo even beschreven), bn. De â stulpjes. (C. O.). Bovendek (bo venbekleedsel een er brug, de rijvoering), o. âken; sciieepst. het dek boven het onderdek. Bovendien (behalve dat of daarenboven), bw. Geld en gezondheid% wat verlangt ge â ? |
Bovendrijven (zweven op een vloeistof), het dreef â, het heeft âgedreven. Olie drijft altijd â; lijken komen na eenige dagen â; fig. de bovenhand krijgen en behouden. De deugd zal eeuwig â; â d. de âde partij, richting, d. i. heerschend, zegevierend. Boveneinde (het hoogste einde), o. â n. Het â van een paal. Fig. de meer eervolle plaats, als: De gast zat aan het â der tafel. Boveng-emeld (eenige regels honger genoemd), bn.; â jfenoeind, â ,,n-Bovenliand (overhand), v. gmv. De â hebben, krijgen, het winnen. Bovenhands, bw. Hij werpt, gooit â; â â handseh. bn. Een âe worp. Bovenhouden (boven water houden), ik hield â, heb â quot;gehouden; Pieter hield het beslikte gelaat niet dan met moeite â. (C.O.). Het hoofd â, fig. in den strijd des levens niet ondergaan. Bovenhuis, o. âhuizen; wij bewonen een â. Bovenkaak (het bovenste onbewegelijke kakebeen), v. âkaken. De â van den mensch, het paard, den hond, enz. Bovenkanier (kamer op een bovenverdieping), v. â s. Hij woont op een â; fig. scherts, hersenen, verstand: Het scheelt hem indeâ. Bovenkant (de bovenste kant), m. âen. De â en onderkant van een boek; de â eener rivier, de bo venrivier. Bovenkleed (opperkleed), o. âeren. Zich van zijne âeren ontdoen. Bovenkomen (boven water komen), ik kwam â, ben â gekomen. Een drenkeling komt driemaal â; lig. de bovenhand krijgen, in iem. gemoed opwellen: De droefheid kwam telkens weer â. Bovenlaag (opperste laag), v. âlagen. De â dezer hei bestaat uit Kiezel. Bovenland (hooger, d. i. verder landwaarts in gelegen streek), u. âen. Het â van lia-venstein: de Pa dan g se he âen; West falen, Oost-Friesland, Oldenburg enz. heet het â. Bovenlander (bewoner der hoog er gelegen berglanden, veelal der binnenlanden), m. â s. Inz. West faling o/quot; (met den schimp naam mof of poep). Bovenlandseh (uit West fa len, Oost-Friesland, Oldenburg, Holsteiv), bn. Een âe aak: een lied in â dialect; goede âe paarden (Holsteiners). Bovenlast (scheepst. lading op het dek), m. â en. Een turfschip met veel â. Bovenlieht (licht dat van boven invalt), o. Een museum met fraai â; de photografen werken bij voorkeur met â: een binnendeur met een â, venster boven de deur. Bovenliggen, ik lag â, heb âgelegen. In 7 worstelen lag de kh'insf^ jongen â, de baas zijn, zijn partij te sterk af zijn; fig., van eon persoon, een partij, een leger, een volk uf land. Bovenloop (loop eener rivier door het bergland), m. âen. Men onderscheidt bij hoofdrivieren een boven-, midden- en benedenâ; de â van ilen Rijn eindigt bij Schaffhausen. Bovenmannaai (het bovenste handklavier eens orgels), o. âmanualen. Bovenniate (in buitengewone, bijzondere mate), bw. Hij werd â gezegend. Bovenniensehelijk (buitengewoon, onge-meen), bn. en bw. Een âe inspanning, hij deed âe pogingen, zich â inspannen. |
BO VEN N AT L' URKUNDE - BK AN D BIJ T.
79
|
Ito ven ii at mi r k u u cle (besp iegelen de ivijsbe-(j eer te), v. gmv. Zie Metaph.ysiea. Ifioveiiiiatnurlijk (horen ile natuur liuuend, (loddelijk), bn. âe o/wnhnriny. Inz. âe krachten, spokerij, tooverij, spiritisme, enz. ISovononi (rondom het bovendeel), bw. Een stok tnet een tailtje tdaemen â. ISovcnop (op de boeenzijde), bw. Een eere-poort tnet vee! vlaggen â. llovenover (mi)i ae boeenzijde neer iets hern), bw. De spoortrein (linr/ jaist â. Laten we â (/(tan. Itovenrivier (het ni'ter stroomopieaarts gelen en deel een er rieier), v. âen. ISoveiiKt (het hoogst (jetegen), bn. De â e lade', de âr knoop', de âe tgt;'((]gt;; ilr âe rniten. lfiovciiKtalt;l (honger gelegen deel eener stad), v. âsteden. De â ran Nijmegen, de â van Brussel. Koventoon (toon die dour hoogte of sterkte boven dr andere uitklinkt), m. âtonen. Fig. Den â voeren, hebben, in 't gesprek het hoogste woord hebben. ltovâ¬kiiiiit (buiten het hoogste igt;unt zich rer-heffend), bw. De molen was fraai versierd en â wapperde de vlag. Zijn stem klonk overal â. KovenverdicpiiiK' (eerste, tweede verdieping), v. âen. Hij woont daar op de â. Fig. scherts. 7 Scheelt hem in zijn â, hoofd of hersenen. Koven vernield (hetzelfde als bovengemeld), lm. In âen brief. Itovenvlak (het hoogegt;' gelegen rlak), o. â ken. Het â van een dijk; het â van een prisma', het â van een brolgt; marmer. ItovemvaarfK (naar omhoog), bw. w. g. lgt;o ven water (water ((an de oppervhtkte), o. â en. Het koude â der poolzee; ook: opper-water, nl. dat van den boven- en middelloop, b.v. In de Waal had men veel last van het â. Itovemvind (hooge windlaag), m. âen; â -woning:, v. âen: âxaal, v. âzalen: â zeil. o. âen; âzieltje (vrouwenklèedlng-stuk), o. âs; âzijde (bovenkant), v. ân. Kovenzinnelijk (niet ivaarneembaar, on-xtoffelijk), bn. Hespiegelingen over âe zaken. Kowl (ronde kom of schaal meer diep dan mijd), v. â s. Een â punch; bij uitbr. De â is op, de drank zelf. Itoyeotten (uitsluiten, dood verklaren); iem. â, een ivinkelier â. ISraadaal (speehnd, nl. geschikt om gebraden te (vorden), m.; (als stofnaam), v. Kraat' (gehuurde moordenaar), m. braven, vero. Zie Itravo. Kraaf (dapper, stoutmoedig), bn., bw. Een â officier, krijgsman, een br((ve held, een brave borst, i\. i. Ãinke jonge vent; fig. deugdelijk, degelijk, voortreffelijk: Een brace moeder, een bru'.'e dochter, een â geslacht; brave menschen, deugdzaam; hij is â en eerlijk. bw. Dal is â gesproken, flink; â zoo! hij heeft â geërfd; â hcid, v. Kraak (tverkt((iig tot breking der vlas- en hennepstengels), v. braken. Kraak (inbraak, breking), v. Diefstal niet â. Kraak {onbebouwd), bn. Die akker ligt â. Kraakloop (geweldige diarrhee, roode loop). m. gmv. Kraaknoot (kraanoog, za((d van zekeren O. I. boom), v. ânoten. Kraakpoeder en âpoeier, o, â s. |
Braakwijnsteen (zeker dubbelzout), v. gmv. De â is het zachtste der braakmiddelen. Kraakwortel (wortel eener Braziliaansche plant), m. â s. âplant, v Kraam (doornstruik, waaraan brummels of beien groeien), v. bramen. Ook de vrucht zelve. De kinderen gingen I.rumen plukken. Kraam bei, v. âen: âbes, v. bessen; -bezie», v. â s of â ziën: â bos«*li (dooreenge-groeid doornig struikgewas), o. âbosschen: â rank (twijg, tak), v. âen; âsluiper (soort van grasmuseh), m. â s; âstruik, m. -en. Krabanvoniie (het Belgische vjlkslied), v. gmv. Krabanfler, Krabanter (iem. geboortig uit X. Brabant), m. â s. De Spaansche hoofdpersoon uit Bredero's l)ekend tooneelstuk. ISrabbel. v. gmv. In 'Ie â zijn, raken, brengen, maken. Krabbelen {vencard spreken), ik heli gebrabbeld; -aar. m.; âinsquot;, v.; âtaal, v. Kraeelet (armband), m. âten. Kraeliylogie (stijl: ineengedrongenkort'ue'ui), v. gmv. b.v. Veni, vidi, vici, ik kwam, zagen overwon. Kraga (Germ, god der dichtkunst), m. gi.iv. Ook naam van een tijdschrift op rijm (18V2 en 1843); Bragiaantjes, gedichtjes uit Jirag.i. Kraden (r((UU' vleesch bereiden op een hec' vuur), ik heli gebraden. Fig. Een gebraden dui f, onverwaclit gelid?: den gebraden h((((n uithangen, een pronker zijn, den grooten heer spelen. Krageeren (pralen, geur maken); met of op iets â. blulfen, pochen. Krag'oen (smal, geplooid boordsel, opnaaisel), v. âen. vero. Krjiiima (godheid der Hindoes), m. Kralinianen (Ind. priesters of leerlingen ran Brahm((), m. mv. Ook: Kraliniinen. Krak (jachthond, drijfhond), m. âken. Een snuffelende â. Krak (straatjongen, bengel, deugniet), m. â ken. Die jongen is een echte â. Krak (zoutachtig, zilt), bn. Een âke poel. â water, een âke grond: bij uitbr. âke melk, goor, zuur: â aehtig*, bn.; â lieilt;l. v. Krak. Karak (kermistent: kazerne), v. â ken. Kraken (breien van vlas- en hennepstengels), ik heb gebraakt; âer, rn.; -in^. v. Kraken (spuuwn, overgeven), ik heb gebraakt, â er, m.: âking-, v. Krallen (dicht, pochen, pralen, pronken), ik heb gebrald; â op de overtuinning. Kram (bnnnzeil), m. âmen. Fig. Hij is een rechte â, blulïer, windbuil; hij is een heele â , hij hangt den grooten lieer uit. Kraneanl (draagberrie, âmat), m. â s. Kranelie (tak. zijlinie, familietak), v. â s. Kraml. m. -en; â in het koren, een ziekte (parasiet) in de korrels; moord en â schreeuwen, vreeselijk schreeuwen; in den â zitten, erg in verlegenheid zijn. Krandaar (aar door korenbrami ((angelast), v. âaren. Krandaris (vuurtoren, schee pst a n ta(( rn), m. â sen. vero. Kramlassiirantie(m,rc/1v'r/gt;/-7 tegen brand). v. â s of â tiën: â genootsebap. o. âpen; â maatseliappij, v. âen; âpolis, v. â sen. Krandbijt (gat in het ijs), v. -en; -blus- |
RKANDEMOHISâ BRKKD.
so
|
selling, v. gmv.; âbrief {Imlreiylwj h\et hrandstirhtinfi), m. âbrieven: fig. bedelbrief, maanbrief: -deur (njodilcnr). v. âen; â -einiiier. m. â s. ISrandenioris (hrnmli'irijit), in. vero. Ifiranden (in rnnr 01 rlmn stiian^, het heeft gebrand. \V'// z-njni een molen â; dat hrcimlt nis vet. nis olie', die turf teil niet mijn ootjen â, mijn hnnden â; mijn hoofd hrnndt. gloeien b.v. van een koortslijder; de zon hrnndt met heeten (jloed; /le/ier hrnndt o/t de lomj; lig. De rrnnn hrnndt mij o/i de lijiiien: irij â enn nieiiirsijieriiiheid: \evAcv (in rnnr en ehun iloni o/ii/fKin): Uont, steeitholeii â; h'-t eren ivieroolt spreokw. Mrn hrnndt hier horens, liet is er niet uit te houden van den stank; â 'â¢// hlnl.vn, moorden m â: lig. zieh â mm iets. zich vergrijpen; hij is hnnij. ilnt hij zieh nnn 1,'oiid irnter znl kinderachtig bevreesd; glns â. een der wijzen van glasschilderen; iiorselehi, aarde, steenen, te-i/els â, bakken; /ra/A- â, uit schelpen kalk bereiden; koffie â, roosteren; teer â. jene-eer â, distilleeren: een wonde â. schroeiend reinigen; een merk. op ren rat ISrander (bek eenrr lam/i), m. â s; ook: (sehip neladen im't ont/dofhare stoffen), in. â s, vero.: verder: (jeneeerstoker), m. â s. Ilrandcri^:. bn. Ern âe lurht, riekende naar rook; dit paard is mat â. koortsig. ISranderij (jeneeerstokerij). v. âen. Sc hie-datn had 2S4 âen. Kraiidcwijn (drinkhnre aleoholisehe rloei-stof), in. gmv. Fransehe Itrand^vcl (steenen zijtje vet, die lot den nok wordt opijetrokken), rn. â s. ItraiKltfieris' (aartsfiieria), bn. Een â nd-eocaat. (Busken Huet). ICraiKl^las (lens, holi/eslepen i/las), o. âglazen. Zijn pijp met een â aansteken. ISrandlieldcr (huitenijeiroon helder), bn. Het rrmnrtje ziet er â nit. Itrandlioiit (hont om op Ie stoken), o. gmv. Een vaam Spreek \v. â roor de hd, god-delooze zondaren. ISrandiii;; (sehniniend opstniren der nolven), v. gmv. Een sehip in de â; dr â stnnl op de knst: fig. In de â aeraken. in verlegenheid. Itrandka'Kt (hrandrrije ijzeren l:asl). \. âen. Hij is zoo ijesloten nis rm â, erg achterhoudend. Krandklok (ijroote klok, die hij brand iji'-Inid wordt), v. âken. D' â wordt ook bij. ander dreinend ijevaar ijelnid. ISrandko^'el (lgt;'gt;!ilt;'l, dienende om brnnd te stichten), m. âs. Er zijn âs roor In't kanon en voor In't tjeweer. Itraiidkorcii (koren door brandziekte aan-netast), o. gmv. Itrandkraiin (ijroote kraan der ivaterlei-d'mij, meestal op straat), v. âkranen. ISraiilt;lkriii«l (hanrroet, jenkkraid), o. gmv. Ifirandladdcr {Jtrandblnsrhijereedsrhap). v. â s: â liK'ht (seherpe Inrht enn brnnd). v. gmv.; âmeester (ambtenaar, belast mrt het bestuur der brandblnssebiwj), rn. â s: âmerk (teeken, rjebrand nn't een (jloeiend ijzer), o. â en. Kraiidiiierken (een mrrk inbranden), ik heb gebrandmerkt. Inz. Een misdadiger â; fig. iem. een onuitwischbare blaam aanwrijven en als geschandvlekt aanwijzen. |
Brandmuur (blinde mnar tussehen tivee hnizen of erven), rn. âmuren. Itraudnetel (welbekend onkrnid), v. â s. Fig. 0/gt; â.s* zitten, in de benauwdheid zitten. Kraiulnieuw (fonkelnieuw, ijloednienw), bn. w. g. Kraiidoller (uffer ran dieren of ernrhten, bestemd om eerbrnnd te ivorden). o. â s. ISrandpaal (pant ran den brandstapel), m. â palen. Rraiulpijl (''enrpijl, bestemd om brand Ie stiehlen), in. âen. BSraiilt;l|»iket (afdeelinn ran ijnrnizoen of sehntterij om bij brand behnlpzaam te zijn). o. âten. Ook bij de zeemacht in dergelijke toepassing. Eiraiidpiint (/quot;'»/, waar zieh de zonnestralen, door de lens gebroken, rereeniijen), o. â en. Fig. bron, uitgangspunt. Parijs is eeiiâ enn hese ha v bui; elke universiteit is een â ran wetensehaji. ICraudscliatteu (ijedwomjen sihattimj op-le'Kjen in oorloijstijd), ik heb gebrandschat; â tiu^'. v. SSraiidslt;*liillt;lereii (in 'I rnnr renjnlden), ik heb gebrandschilderd; âskunst, m. Kraiid*«pie{ffel (holle spieijel, die als brand-ijlas werkt), m. â s. ïfirandspuit (persspuit metslamjen), v. âen. Een atoom â . ICraudslapol (Irjutstapel), m. âs. Iem. tot den â eer oordeel en. Itraiidsteeu (helsehe steen), m. â n; als stofnaam, v. Kraudstieliten (in bram! steken), o.; âer, m. -s; -ins:» v. ISrandstof (h'rf. steenkool, hont, tdir, en/..), v. â fen. Er zijn raste en rloeibare â fen. ISraiKlverf (email), v. liet schilderen mvt ISraudwaarhor^ (brandrerzekerimj), in. Ktraii«l\vaelit (b}\indpiket),\'. â en; (/persoon), in. âen. ISraiKlweer (corps van brandblnsschers), v. gmv. |{raiidu'4»iidâ¬^ (woml door bramlen ontslaan), v. â n. Met ân overdekt. Itrani (pochhans), m. â's. Den â uitlunvjen. BSras (scheepst. de lonwen. wnarmede men de raas omhaalt), m. âsen. ISrasdaft' (slempdan), rn. âen: âmaal. o. â malen; -partij, v. âen: â peiiniii^ (oude munt van 6l/4 'â 'â¢)? 111 ⢠âen. ISrasem (riviereisch, soort van karper), m. Krassen (slempen), il: heb gebrast; â ser, in.; âerij, v. Krassen (scheepst. de zeilen riehlen), ik heb gebrast. Scherp bij dm wind â. Krat, Borat (zekere sl gt;f), o. gmv. Kravade (pocherij, sm.rkerij), v. â s. Kraveeren (trotseeren, spotten nict-y larlcn). Bravissimo (nitmnnlend, voortreffelijk, heerlijk), tw. Bravo (een ijchnnrde moordenaar in Ilali'c), in. â's, ook bravi. Kravo ('joed zoo!), tw. Bravour-aria (muz. groot aria, aria dat slechts door een meesterlijk talent kan ivorden uezonuen*, o. âaria's. nri\\mire(dapperheiil,onverscln'okkenheid),v. ISrazilie-liout (donkerrood of bruingeel verfhout), o. gmv. Ook Fe 'nnmbuk-hont. Breed (ruim, grout), bn. en bw. Wie hel â |
BREEDSPRAKIG - BROEDERSC HAP.
81
|
heeft, laat het â hanrjen; â opgeven van iets; iets in het âe verhalen, d. i. uitvoerig. ISreedsprakig* (lamidrad'nj), l»n. on bw.; â -heifl. v. Een âe. stijl. lSreelt;lte (aardrijkskand'vje â, nieetkandir/e â. sterrenkundif/e â), v. â n. O/) hooge â n, d. i. zeer noordelijk. Kreedtecirlcel {meridiaan), m. â s. llrceclteg'raad (V-jo van den evenaar en een der polen), m. -graden. Itreedvoerig: (omstandig), bn. en bw.; âe hesp re kin gen', â lieid, v. Kreotok {een groot, breed zeil), v. âken. ISreeuwen (kaIf'aten), ik hel» gebreeuwd; â er, m. Mijn vader is geen breeaiver (verbast. tot Bremer), d. i. ik laat mij het werk niet uit de hand nemen. Ifireidcl (loont, tengel), m. â s. Ifireidelen (heteugelm), ik heb gebreideld; â in;:', v. Zijn hartstochten â. ISreidclloos (fig. toomeloos), bn.; âv. JSreien (een kous maken), ik heb gebreid; â er. m.; â sel, o. Itreiii (de hersenen), o. Fig. het verstand. Itrekebecn (sukkelaar), m. âen. Kreken (stak maken), ik brak, heb en ben gebroken. Zijn woord â, niet houden;//*'/ ijs â, iets moeilijks aanvangen; zich het hoofd â, zijn hersens kwellen; nood breekt ivet; . men kan geen ijzer met handen aan het onmogelijke is niemand gehouden. JSreker (scheepst. hooge golf), m. â s. De deining brak met Inide âs op de kast. 'lirekespel (ruziemaker), m. en v. â len. Itreking- (het breken), v. Lichtâ, v.; straal- â , v. Itresn (pekel, zoutwater), v. Zoo zout als â. JSrem (heideplant, vlinderbloemige heester), v. gmv. ISremraap (woekerplant), v. ârapen. De ^ groote â, de welriekende â, de blauwe â, de takkige â. ISrems, Bremze (paardenvlieg), v. âzen. ISren^en, onr. ik bracht, heb gebracht. Fig. Aan het versland â, doen begrijpen; tot stand â, doen ontstaan; tot den bedelstaf â,aan den man â, van de hand doen; onder het oog â, vermanen; âer, m.; â ing-, v. I5res (opening), v. âsen. â schieten; in de â springen, fig. helpen. ISret (bord, uithangbord), o. âten, gew. Bretel' (draagband), v. âs en âlen. Breuk (geneesk. lichaamsgebrek, uitzakking), v. âen. Breuk (oppervlakte van een doorbroken stuk delfstof), v. gmv. Een schelfachtige â, een glasachtige â, een korrelige â. Breuk (gebroken getal), v. âen. Brevariuni (uittreksel uit een groot werk, kort begrip), o. â s. Breve (pauselijke brief), v. â n. Brevet (koninklijke gunstbrief. aanstelling, vergunning; ook octrooi, patent), o. âten. Breveteereu (een brevet of octrooi geven aan). Brevier (gebedenboek der R. K. geestelijken), o. Brieoleereu (in het biljartspel, op den band spelen en, door den terugstoot, een bal raken; lig. omwegen gebruiken). Brief. m. -ven. Ambtsâ, handelsâ, felicita- enz.; -kaart, v. âen. Bries (zacht windje), v. gmv. Een frissche â. Brieselien (hinniken, ook brullen), het paard, . de leeuw heeft gebriescht; â ing1, v. koenen, VerJJ. Handwdb. d. Néderl. taal. |
Brievenpost (bode), m. âen. Brievenpost (posterij), v. âen. Bris'afie (legcrafdeeling), v. âs en â n. Een â infanterie, een â cavalerie, v. Brigadier (korporaal bij de ruiterij), m. âs. Brigand (straalroover), m. â s. Brigantijn (vaartuig niet laag boord), v. âen. Brij (een soort van pap), v. âen. Veel koks bederven de â, te veel bemoeiallen doen een zaak schade. Brijn (zoutwater, pekel), o. gmv. Brijxel (kruimel, scherf), v. â s. Brijzelen (klein maken), ik heb gebrijzeld; â in;;', v. Brik (klein zeeschip met twee masten), v. â ken. Oorlogsâ, handelsâ. Brik (baksteen, metselsteen), m. âken. Brik (soort van rijtuig), v. âken. Briket (brandstof, kunstmatig ^geperst uit kool, hars en pek), v. â ten. Bril, in. âlen. [cm. een â opzeilen, bedriegen; twee Joden weten wat een â kost, zijn aan elkaar gewaagd. Briljant (een geslepen diamant), m. âen. Een liorloge met âen omzet. Brillsint (schitterend, glinsterend), bn. en bw. Brilleeren (glinsteren, schitteren). Fig. uitmunten. Brillen (een bril dragen, ophebben), ik heb gebrild. Knapen, die al â. Brillenliuisje (doosje voor den bril), o. â s. Brilslang (zeer giftige slang), v. âen. Ook: Na ja of Cobra. ISrink (grasveld in de kom van 7 dorp, als markt dienende, vooral in Drente), m. âen. Briquet, v. âten. Zie Briket. Brits (bank als slaapplaats), v. âen. Britsen (scheepst. staan), ik heb gebritst. Briittannië (Engeland), o.; â niseli, bn. Broeaat (zware zijden stof met een schering van zilver en gouddraad of met ingeweven gouden en zilveren bloemen en andere figuren), o. gmv. Ook: Brocade. Broeanteur (kunst kooper of rui Ier in schilderijen), m. â s. Broelie (doekspeld),v. âs. Eendiamanten â. Broelieeren (innaaien van boeken : bloemen, met levendige kleuren, in zijden en wollen sto/fm weren). Broeliure (vlugschrift; blauwboekje), v. âs. Broeken, de, Duitsche naam van den Blaks-bersr- Broddelen (/. noeien, bederven), ik heb gebroddeld; â aar, in.; â arij, v.; âwerk, o. Brodden (slordig werken, knoeien), ik heb gebrod. w. g. Brodeeren(o//sie)'en, opsmukken, cergrooien). Broderie (borduurwerk, borduursel), v. âs. Hroed (broedsel), o. gmv. Broeden (hi't warm houden der eieren door de vogels), de kip heeft gebroed. Fig. Kwaad â , willen berokkenen; op iets zitten te â, te peinzen. Ook: Broeien. Broeder, m. âs en âen; de âgemeente, v. gmv. d. i. de Moravische broeders of Hernhutters (Zeist): â seliap (vrome vereeni-ging), v. âschappen. Broeder .lonatlian (schertsoule naam voor de N.-Amerikanen), m. Broederlijk (als broeders), bn. en bw.; een âe raad; â samenwonen; â lieid, v. Broederseliap (de betrekking), o. gmv.; (vereeniging van broeders), v. âpen. G |
BROEDERTJE-BUFFET.
82
|
]ir4gt;cgt;lt;1lt;ki*tje (liofp'i'tjt')-: o. â s. IfiroedcrtjoKkraani. v. âkramen; âpan, v. ânen. ISr4»o«lM'li (hrocizicl,), bn.; â lieid, v. Die hen is â. ItroodMel (het fichrocil). o. â s. Ook: ISimkmI. Itrocibak (Lnwekhal,). in. âken. Ifiroeien. He kip heelt gebroeid; âcrij, v.; âSfans. v.; â lion, v.: â inj^. v. ISroeim'st. o. âen. Fig. Een â van allerlei L'ivaad. Ifir4»4kis('l (hroedsrl. broed), o. â s. Ifiroek (l.lei 'liinjslali). v. âen. Ifiroek (ïHoerassiij la ml), o. âen. Itroekinp: (scheepst. zauiar toaie a el der de (icschatlaati), v. âen. Ifiroer (Iin ieder), m. â s. ISrok (slid,-, afuchriil.en deel), m. âken. Ifirokkolen (in stid.jrs hrel.en), ik hel) gebrokkeld; â inji' (slakje), v. Ifirokken (in stal.jes bre/a-n), ik lieb gebrokt. Itroinmen Ojnnnna'n, zawar I.-linken), ik heb gebromd. Moeder zal den heelen dan quot;/' je â ; het â der hijen; het â der Ijasstenmien; â nier. m.; â iniii^-. v. Ilroininort jâ¬k (laquot;;/ rijta'aj), o. â s. vero. Itromvliesr ('jroote elieij). v. âen. ]Si*4»n (wel), v. ânen. Dit is de â ran (d mijn lijden, d. i. oorsprong: ijesrhieilâ, boeken, archieven. Brons (niet(adinen;isel ran Loiter en tin, ook zink), o.; bronzen (soorten). Bronst (tochtigheid ran de dieren), V. gmv. Bronstig: (toehiin), bn.; âlieid. v. BronMt(i|lt;l (tijd der paring), m. gmv. Bronxcn (een bronskienr ileren), ik heb gebronsd. Ken borstbeeld â. Bronxon. bn. Een bronzen beeldje, kandelaar. Bi'onzino (soort van manner, dat, als men er tenen slaat, een klank 'jeeft), o. Brootl. o. âen. Zijn â verdienen; het lt;baje-lijksch â; hij heeft daar rijk zijn â, d. i. onderhoud; ik kreeri dat üji mijn men verweet mij dat. Broodboom (Ind. de vrucht wordt als brood (jebraikt), m. âen. Brooddronken (overmoedig), bn. en bw. Een â ineniijte. dartel; â heid. v. ISr4»os (tooneellaars), v. brozen. Br4»OK (zieal:, breekbaar), broozer, broost, bn. en bw.; het broze leven: â lieid. v. Bros (brokkeHtj), bn.; brosser, brost; een âse taart korst; â lieid. v. Bronillooren (oneen'm maken; oneen i(j worden). Zich met iem. â. Bronillon (kladboek; nnee schets), o. âs. Brouwen (bier bereiden), ik brouwde, heb gebrouwen; âer. in.; â erlj, v.; â sel. v. BiM»n\veii (kieaad berokkenen), hij heeft dat gebrouwd. De leunen kan reet kwaad â. veroorzaken. Wat kan de blinde staatzuch t â! (Vondel.) Brouwen (ile r in de keel uitspreken), ik heb gebrouwd. Brn$? (verbind'nuj van twee oevers), v. âgen. Een raste een draai â , een ophaal â , een rol â , een wip â , een schip-, een (jierâ, een spoorâ. Brn^balans (bascule, weiyinstrument), v. â en. Brn$£$;'eiilioofd (rast (jedeelte der brmj), o. âen. Ook: LandhoofO. |
Brui (slag, stoot), m. Ergens den â van geven, zich niet bekommeren om; daar is nu ai de â, alles samen. Bruid (eer looft Ie in ondertrouw), v. âen. Brnide^oni, Brnigoni. m. â s. BrnidHtranen (feestpartij ten huize der bruid), m. mv. Brnien (staan,sniijten). ik heb en ben gebruid. He zal hem van de trappen â ; wat bruit het mij, wat geef ik er om; gij moet mij zoo ⢠niet â. plagen, malen, zaniken. Bruikleen (het om niet tijdelijk in gebruik geven), o. âen. Bruiloft (trouwfeest), v. âen. Zilveren â gouden â. Bruin (bruin paard), m. âen. Bruin {bruine kleur), o. Zij was in 't effen â. Brnin (op een schilderij de schaduw), o. Hel licht en â. Brnineeren (bruin maken, koper met een laaggje bruinsel inwrijven), ik heb gebruineerd. â der. m.: â ing, v. Bruinen (bruin worden of maken), ik heli en ben gebruind. Het vleesc/i â. Bruinet, zie Brunette. Brninkolen (delfstof), v. mv. Bruinsteen (mangaan, glasblaze.rszeep), o. Brninviseli (een walrischacldigdier, de kleinste der dolfijnen), m. â vissclien. Bruis (schuim), v. en o. gew. Ook: Broes. Bruisen (schuimen, zieden, borrelen), het heeft gebruist; â injr. v.; âter. v. Bruispoeder, âpoeier, o. â s. Brulaap (plat- of breedneuzige aap), m. - -apen. Het geweldige geluid run den â. Brullen (.sv7/mvm'/'/ó, ik heb gebruld; âIer. m.; -1111}?. v. Bruniaire (2'' d. i. rijp- of nevelmaand, van 23 Oct.â20 Nov.), v. gmv. Brunimel (braambes), v. â s. Brunette (vrouw of meisje met donker of bruin haar), v. âten. Ook: BruiM^t. Brusque (opvliegend, barsch, grof, onbescheiden; eensklaps, onverhoeds), bn. en bw. Ook: Brusk. Brusqueeren (onheusch bejegenen, afsnauwen). Een zaak â, doordrijven. Brusquerie (opvliegendheid, driftigheid. ruwheid), v. â ën. Brutaal (onbeschoft, onwellevend), bn. Brutaliseeren (onwellevend of grof bejegenen). Brutaliteit (grofheid, onbeschoftheid), v. â en. Bruto (in den handel', het gew'wld der waren met het omslag; onzuiver), bn. en bw.; âbedrag, het beloop zonder aftrek der onkosten. Bucentaur (stiermensch; een monster, half stier, half mensch), m. âen. Bueepliaal. Bueeplialus (lievelingspaard van Alexander den Grooten), m. Buekskin (gekeperde, sterig gewevene luken-stof), o. gmv. Ook: Bukskin. Budget (begrooting der jaar lijksehe uitgaven-, staatsbegrooting), o. âten, â s. Buflel (een soort van rund), m. âs. Fig. Een â run een vent, een dom, brutaal man. Buft'elen (onmatig eten), ik hel» gebuffeld. BuH'els (zekere Italiaansche vaartuigen om de uit zee komende schepen den stroom Oji te. brengen), m. mv. Buffer (stootkussen aan spoorwagens), m. â s Buffet (tapkast, schenk- of aan recht ia fel), o â ten; âjuffrouw, v. âen. |
BUGEL-BUTSKOP.
83
|
r al lintei {koperen hlaasinstniment), m. â s. Itui (ri'iji'iirhtdii), v. âen; âtje, o. âs. Buidel. Buil. m. â s, âen. Mrt drn â uaan, met het kerkzakje collecteeren; In-ht t/e wat der in den â ? (gew.), hebt ge geld liij u? Buideldier {zooift li er in Australia lt;'n Z. Atnc-liil. v; rikü), o. âen. Zio liau^oeroe. Hct vlicuende het â ; de â tvolf. de ârat. zoo ⢠Buien (mjenen, waaien), het heeft gebuid. Buigen (kronunen), ik boog, heb en ben ge-aik i bogen; âiiiff. v. Buii^r, bn. Het weer is â ; â lieid, v. â Buik {lichaamsdeel), m. âen; âje (zwaar- lij ei [ie), o. â s. Buikloop (geneosk. diarrhee), m. gmv. â. Buikspreken, o. Hij doet aan â. Het Buikspreker, m. â s. Buil ((/ezwel), v. âen. Zich een â rallen, een Buil (meelbuil), m. âen. ïrd. Builen (ziften met den Imilmolen), ik heb gebuild; âer of âder. m. belt Buis (koker), v. buizen. Een ijlazen, koperen Buis (kleedimjstnk), o. buizen. Een l/lauw â. Buis (harinyhais), v. buizen. Buiskool (hoeskool), v. Zie: Kaluiiskool. o. Buisxwaui (parasiet op henkenstamuien), v. 'in- gmv. De â (jeeft na bereiding het bekende brandzwarn. Buit, m. gmv. Iets â maken, op den vijand het veroveren; o/t â earen, als kaper varen. Buileleu (tunnelen), ik heb en ben gebuiteld; â aar, m.; â ing-. v. â Buiten bw. en vz. He woon â, niet in de stad; naar â ijaan; van â leer en, kenne,t; Ier. vz. â de dear, het huis, de sehoOl: hij kan niet â a, zonder; â ijeeaar; â tieijfel; â eau iemand om; â westen zijn, zijn verstand niet hebben; â eenvaehtinii, boven; â den waard rekenen, in zijn voordeel rekenen. ⢠of Buiten (bait maken), ik hebgebuit; âer, m. Buiten (lastplaats, landgoed), o. âs. dn - Buitengaats (in zee, buiten het zeegat), bw. bw. De schepen zijn â. Buitengemeen (zeldzaam), bn. en bw. Hij af- is â verstandig. Bui ten gewoon, bn. en bw. Een â talent, fid. ' zeldzaam; â tevreden. Buitenkansje (oneoorziene winst), o. â s. Biiitenlandseli, bn. Een âe reis, iu het ieje- buitenland; minister van âe zaken. Buitensporig' (onmatig), bn. en bw.; een â v. gi'lt;lrag, losbandig; â veel geld verkwisten; â lieid. v. wen Buitentijds, Buitenst ijds. bw. -be- Biiitiiiaken (veroveren, winnen), ik heb â ten. -gemaakt. half Buizerd (roofvogel, valk), m. â s. Bukken (den rag krommen), ik hel» gebukt. Htnl â ingT, v. Fig. onderdoen, b.v. â voor geweld. Buks (korte snaphaan), v. âen. \-en- Bukskin, o. âs. Zie Buekskin. Bul (stier), m. â len. ven; . Bul (oorkonde, vooral uitgevaardigd door den Paus), v. âlen. Een Bulderaar (schreeuwer, tierder), m. âs; -ster, v. -s. ld. Bulderbast, Bulderbas (bulderaar), m. oni âen. i oji Bulderen (razen, tieren), de wind heeft gebulderd. â fi Bulliond (kettinghond), m. âon. ), o Bulken (loeien can rundvee), de koe heeft gebulkt; âer, m.; â ing', v. |
Buil (Jolm). Hans Stier (spotnaam voor fu t Engelsche volk), in. Lees: Boel. Bullebak (schrikbeeld), m. âkon. De â zal je bijten, gezegd tot kinderen, die dicht bij 't water komen. Fig. schreeuwer. Bullepees (geseltuig), v. âpezen. Bulletin (bericht, I, ortebul of bekendmaking), o. â s. Bulster (beddegoed), v. â s. Men draagt de â in. (Tollens.) Bult (bochel, verhquot;venbeid), m. âen. Bultenastr (gebochelde), m. â s. Bultos (bison, N. Amer. os), m. âson. Bumper (zeer groot drinkglas), m. | s. Bun (eischl, 'aar), v. â nen. Bulidgras (grassoort), o. gmv. Het - groeit op schralen grond. Ituiiflel (bos, pak), m. -s. Bunder (landmaat, H.A.), o. â s. Bundelen (schommelen, sli}ngeren), hot heeft gebungeld. Bnnxiiif;'* Iknizinsquot; ( 'miandsch roofdier), m. -s. Gew. UIk. Bureht (kasteel), m. -en. Bureau (schrijftafel, schrijfkas, schrijfkamer; vertrek eoor ambtsuwrkzaamheden), o. â's of âx. Bureaueratie (amhtenaursh eer si 'happ ij, groote ineloed der ambtenaren op de regeering), v. gmv. Bureel (kantoor), o. âen. Ten âe. Bureelist (klerk, beambte), m. âen. Buran. Boeran (geweldige sneenujacht in de Russische steppen), m. gmv. Buren (baarpraatjes maken), ik heb gebuurd. Bur$£ (kasteel, slot), m. âen. Burgemeester, mi â s; âlijk. bn. en bw. Burger (stedeling), m. -s; âes, v. âessen. Burgerij (de gezamenlijke burgers), v. âen. Bur^-erkroon (in V oude Rome een hoog eerbewijs), v. âkronen. Burgerlijk (eenvoudig, tot den burgerstand behoorenil), bn. en bw.; â lieid, o. Burgerlijke stand (bureau can boekhouding betref'ende geboorten, sterfgevallen, huwelijken, in elke gemeente), m. gmv. Hij is ambtenaar van den Burgerseliap (burgerij), v.; â sreeht. o. Burgerseliap (staat van burger), o. Burin (graeeerstift, (graveernaald), o. â s. Burles4|iie. Burlesk (Koddig, wonderlijk, grappig), bn. (als zn. het laag-kom ieke), o. Burrie (b'rric), v. â s. Bus (blikken trommeltje), v. âsen. Bushel (Engelsche korenmaat, ± 30.0 L.), m. â s. , Buskruit (mengsel can salpeter, zwavel en houtskool), o. Hij vliegt op als â. Bussel (bundel, bos), m. â s. Vlaamsch. Busselen (in schooeen binden), ik heb gebusseld. Bussen (in bussen pakken), ik heb gebust. Buste (borststuk of borstbeeld), v. âen, â s. Lees: Ruuste. Bul (houten flapkan, ook draagkorf), v. â ten. Bnt (doel, oogmerk), o. Dit tras zijn â. Lees: Runt. But oor (/liloor; roerdomp, moerasvogel), m. bu toren. Buts (deal,), v. âen. Butskop. Botskop (een soort dolfijn), m. -koppen. |
6*
BUUR - C A JOLEEREN.
84
|
Buur, m. buren. Beter een goede â, dan een verre vriend. ItiiiirscJiap (huurt), v. âpen; (hetrekkinfj als huur), o. gmv. ISuiirf. v. âen. In de â iconen, diclitliij wonen; uit de â, veraf. |
Buurten (o/gt; he zoek r/aan hij huren; in de huurt hekend maken), ik hel) en het is gebuurd. Buvard (vloeihoek), o. â s. B,v%aiitijn*lt;'li (de stud Byzantium [Constan-tinopef] of' het O. B. rijk hetrejl'ende), bn. âe kunst] âe munten; het âe rijk. |
c.
|
â¬% v. c's. De derde letter van het alphabet wordt in het Nederlandsch alleen gebruikt in ch, en in aan vreemde talen ontleende woorden. â In de muziek is de c de benaming van den eersten toon, da genoemd. â In het Romein-sche cijferschrift heeft C' de waarde van 100; in de natuurkunde is C = Celsius. C'.A. â Cum anne.cis, met den aankleve van dien, met het bijbehoorende. fa. â Circa, ongeveer, omtrent, rondom. C\ a lt;1. â C'est a dire, dat is te zeggen, dat is, dat beteckent. Oaud. of4'. â Candidatus,Ci\n(\]6fiiit; iemand, die naar een ambt dingt. ('aiilt;l. Mi be. â Zie i'. 91. ('aut. â Cantor, zangmeester, voorzanger, fap. of C'. â Caput, hoofd, hoofdstuk. Car^. â Cargadoor, scheepsreeder. lt;'cnt. â Centum, honderd. fert. â Certificaat, getuigschrift. C'ef. â Cetera, het overige. C. Ex. â Cum ex pens is, met de kosten. C.Ij. â Citato loco, op de aangehaalde plaats. C'.HI. of lt;'aii4l. Min. â Candidatus niinisterii, candidaat tot den heiligen dienst. â¬.1». - Currentiis mensis, in de loopende I maand. Vo. â Conto, rekening. lt;'0. â Compagnon. Cod. â Codex, wetboek; ook handschrift, oorkonde. C'oll. â Col lat is, vergeleken zijnde, na vergelijking, nagelezen. ('onimeiii. â Commontarius of Commentatio, verhandeling of uitlegging. i'oiup. of Cie. â Compaynie. Coiii'. of Cf. â Conferatur, men vergelijke. ! â Consul. Coup. â Coupon, rentebewijs; ook staal of monster. C. X. â Cum not is, met aanteekeningen. C. lt;|. â Casu quo, in welk geval. C. B. â Civus Bomanus, Romeinsch burger. Cred. â Credit, Zie Creduut. Cresc. â met toenemende of klim mende sterkte. C.S. â Cum suis, met de zijnen, of rum sociis met zijn deel- of lotgenooten. Crt. â Courant, krant. Ook Ct. t1!. â Cent of Centime. Ct. â Courant, krant. Ctr. â Centenaar. Cts. â Cents of Centen. Cab (licht, Emjelsch, huurrijtuig), v. âs. i'abaal (geheim verhond: cerraderij; sluwe tegenwerking), o. âbalen. Ook: Kabaal (lawaai, rumoer'). |
Cabalcereu (samenspannen). Cabalcur (samens/ianner), m. âs. Cabaue (hut of stulp; schecpskooi), v. ân. Cabotage (kusthandel, kustvaart), v. gmv. Cabretlcder, âleer (leder van het jong een er geit. inz. voor handschoenen), o. gmv. Cabriolet (lichte wagen met twee wielen en een paard), v. âten. Cabriool. Capriool (luchtsprong, kunstsprong, hokkesprong), v. â olen. Cacao (de vruchten of vettige, hoonen van den cacao-hoom, die, fijn (jemaakt, dienen (on er chocolade-poeder van Ie hereiden), v. Lees: ka-kou. Caclieereu (verhergen, verheten, geheimhouden). Caelielot (potvisch), m. âten. Carlicinier (zacht gekeperde and ten stof), o. gmv.; â en. bn. Ken â vest. Caclieiiex (zijden winterdas), m. (mv. ook cache-nez). Caelict (zegel, signet, zegelstempel), o.; âJe, o. â s. Caclieteereu (verzegden met een cachet). Caeliol4»ii^' (edelsteen, melkwit of roodachtig wit), o. gmv.; (bewerkte steen), m. âen. C'aeliot (donker gevangenhok, provoost), o. â ten. Caco^rapliie (gebrekkige spelwijze; opstel met fouten ter verhetering voor de scholieren), v. â ën. Cactus (fakkeldistel, uit Anferika afkomstig), v. âsen. Cadaueeereu (afmeten, afronden). Cadans (muz., de stemvalling, dans-of zangmaat; toonval; juiste overeenkomst der dcelen eener rede in de redekunst), v. âen. Cadaver (Hjk, dood lichaam, aas), o. â s. Cadavereus (lijkkleurig, ingevallen en hl eek, ook vermagerd, als een lijk), bn. Cadeau (klein vriendschaps- of gelegenheidsgeschenk), o. â's. Cadet (militair kweekeiing), m. âten, âs. Cadre (schilderlijst, rand, enz.), o. â s. Zie Kader. Cadue (houwvallig, hroos, vergankelijk), bn. Cadueiteit (houwvalligheid, broosheid, vergankelijkheid), v. gmv. Caesuur (dichtk., vers-snede; de stemrust in een versregel), v. â suren. Café (koffiehuis), o. â quot;s; â eliantant, o. Caftan (Turksch opperkleed), m. â s. Cahier (schrijfhoek, aantal samengevoegde vellen papier), o. â s. Lees: Ka-jê. Caisson (kruitwagen, leger kist, proviandwagen, kistje onder den hak van een rijtuig), v. â s. Cajoleeren (liefkoozet , flikflooien). |
CALAMITEITâCANTINE.
85
|
Calamiteit (ongeval, aIgemeenc nood, ellende, landplaag), v. âen. Calamiteus {ellendig, rampzalig, rampspoedig, in nood ver keer end), bn. en bw. CaïaiKlo (muz. afnemend, wegsmeltend). ('alaiulrono {li. maziekinstrament), v. âs. Caian^'o (hekeuring, aanhaling van smokkelwaren), v. â s. C'alaii^ceren (hekearen, aanhalen, ni rechten betrekken). «'aR'inatie (gloeiing, verbranding), v. gmv. Calciiieeren (door oxydeering tot kalk of stof maken; metalen in sterkwater oplossen). Vnleium (I iehtgeel metaal, kalkmetaal), o.grnv. C'aK'iii (rekening, berekening), in. âs. i'alciilatcur (rekenaar, rekenmeester),m âs. C alculatie (berekening), v. -ën. C'alciileeren{rekenen, berekenen, uitrekenen ). t'al^clie (een lichte, open wagen of koets), v. â s. Ook: Kale*». Caleidoscoop (kleurenkijker of schoonheidskijker), m. â copen. Calemboiir^ (woordspel, dubbelzinnigheid, geestige naamspeling, kwinkslag), in. âs. t'aleiKlae (eerste dag der maand), v. Betalen ad ralendas graecas, altijd scliuklig blijven, t'alicot (gele of witte katoenen sto[\ ook cassa geheeten). o. â s. Ook: Calico. Calli^raaf (schoonschrijeer), in. â grafen. Calli^'rapliie (schoonschrijfkunst, schoonschrift), v. gmv. CalliU^ie (kunst van fraai spreken, welsprekendheid), v. gmv. Calliope (muze van het heldendicht), v. Caliii(gt;â¬*reii (verzachten,stillen,geruststellen). Calomel (dikwijls gelouterd kwikzilver), o. gmv. Calorie (warmtehoeveelhi'id, dienend om i L. water een graad C. te verwarmen, warmte-eenheid), v. âs, âriën. Caloriiere (warm tel eider, verwarmingstoestel voor een gansch gebouw), m. â s. Calorimeter (warmtemeter), m. âs. Calotte (platte muts, priestermutsje), v. ân. Cal4|iieereii (doortrekken, nateehenen). Calumet (vredespijp der Indianen), v. âten. Het van mond tot mond gaan der â bekrachtigt een overeenkomst. Caliimnie (laster), v. gmv. Caliimniorcii (lasteren, kwaad spreken). Calville (appel, kantig of geribd), v. âs. De ronde â, de witte â zijn fijne tafelappels. Calvinisme (de leer van Calvijn), o. gmv. Calvinist (protestant, gereformeerd!'), m. en v. âen. Calvinistiseli, bn. De âe leer. Cal.yptra (hoofddeksel der Grieksche geestelijken, die geen monniken zijn), v. â's. Canialt;*lilt;'s (knoop- of overkousen, slobkousen), v. mv. Camaraderie (kameraadschap, bent,kliek), v. Camarilla (regeering tloor geheime kuipe-rijen; heerschzuchtige kliek, die in het geheim werkt), v. â's.' Cambiaal-recht (wisselrecht), o. âen. Cambieren (tuisselen of wisselhandel drijven). CamUii» (wisselbrief, wissel), o. â quot;s. Cambrai (kamerdoek, batist), o. Ook: Cam-briek. Caméo (kostbare steen met verheven beeldwerk), v. â ën. Camelia (Chineesche of Jajiansche roos), v. â's. |
Camelotte (van kemelshaar vervaardigde stof), o. gmv. Camera (kamer), v. â's. Camera elara (heldere of lichte kamer), v. Camera illneicla (misleidende, bedrieglijke kamer), v. â's. Camera Incida {heldere kamer), v. Camlt;gt;ra obsenra {duistere hamer van een photograpliietoestel), v. Camisside (onvoorziene aam al van den vijand of vijandelijke inval in het dnislcr), v. â n. Campagne (landgoed, buitenpiaats; veldtocht; in smeltovens: de tijd van het onafgebroken werken), v. â s. Campêelieliont (verfhout, roode verfstof), o. gmv. Campus Martins (het veld ven Mars, waar in Home de wapenoefeningen plaats hadden) Canaille (laag gesjnns), o.; (ho)ulsrot, glt;-meene vrouw), v. â s. Gok; Hanalje. Canaillens (schandelijk, gemeen, scheln,-achtig, verachtelijk), bn. en bw. Canapé {rustbed, sljapstoel, rustbank, u, -senbank), v. â's. t'aneelleeren (in een hekwerk besluit, n, omheinen; doorschrappen, uitvegen). Can«lelaber (arm- of kroonluchter; kroor-kandelaar), v. â s. Ook: Candelabre. Canlt;li4laat (iem. die gerechtigd is om naar een ambt te staan), m. âdaten. Candidaats-examen. o. â s, âexamina. Candidatniir (het dingen naar een antbt),\-. Canevas (sport, grof linnen bij reparatie can wielbanden, lees: ken'res), o. gmv. Canevas (zwarte, sterk glimmende voering; ook grof weefsel), o. gmv. Ook: Cam-fas. Canna (sierplant uit Amerika), v. â quot;s. Caiineleeren (uitholen, van groeven of ribbeltjes voorzien). Cannelures (goot- of gleufvormige uithol, lingen in de schacht der Grieksche zuilen), v. mv. Cannibaal (woest en wreed mensch, men-scheneter), m. âbalen. Ook: Kannibaal, t'annibaalseli (wild, woest, wreed, bloeddorstig), bn. Cano (kanoe, uit een boomstam vervaardigd vaartuig der wilden, Indiaansch bootje), v. â's. Camm (regel, richtsnoer, wet; kettinggezang, waarin de melodie, door alle stemmen herhaald wordt; verzameling van Bijbelsche boeken), rn. â s. Canoniens (domheer, kanunnik), m. âsen. Canoniek (volgens kerkelijke wetten, geloofwaardig), bn. âe boeken, Bijbelboeken met volle geldende bewijskracht; â recht, 1?. K. kerkrecht. Ook: Canonisch. Canonisatie {heiligverklaring), v. âtien. Canoniseeren (heiligsprekcn, iemand in den canon [lijst] der heiligen opnemen). Cantabel, eantabiïe (zingbaar, zangerig), muz. Cantaloep (wratmeloen), v. âen. t'antatc^ (za)ugdichtstuk), v. ân, â s. Cantatriee (kunstenares in het zingen), v. â s. Cantliariden (Spaansche vliegen), v. mv. Cantille (goud- en zilverdraad voor /tasse-mentwerk), v. âs. Ook: ('antielfe. t'aiitine (verkoopplaats van veruerschingen, inzonderheid voor het leger te velde, ook in kazernes, werk- en verbeterhuizen), v. âs |
CANTINIKH KâCASUAL I ST.
m
|
('antintore {lt;-a nthi c-li oudst er, marketentster), v. â s. t'anto (yezanfi), o. â's. muz. 4'aiitor (zatiner, voorzanger, leer aar in den zang), rn. â s. C'aoiitcliouc (yom-elnstit'L), o. gmv. Capabel (pekiuaam, geschikt, rathaar), hn. i'apsK'itoit (in hondsgrootte; heka'aamheid, geschiktheid), v. âen. C'jiimï (pelerine, sehonderstuk), v. â n. Lees: Keep. Capillaire l»iiizlt;kii {haarhuizen), v. mv. Capillair-NteKel (haarratenstelsel), o. gmv. Capillarifcit (haarhniskracht), v. gmv. C'apifatie (hoofdelijke omslag), v. gmv. Capitool (sterkte of harcht in Rome; fig. het hoofd, de hersenkas), o. Capitiilaria (gesch. geschriften, waarin verordeningen ran vorsten of bisschoppen vervat zijn), v. mv. Capitulatie (onderhandeling of overeenkomst hetrelfende de hoofdpunten ran overgave eener resting), v. â tiën, âtics. Capitiileeren (een rerdrag betrclfende de overgave aangaan; zich op zekere voorwaarden orergeren). t'apt» (begin), m.; da â, van het begin af. muz. Capote (dameshoedje; sohlutoijas), v. â n, â s. C'aprice (eigenzinnigheid, luim, gril; een schielijke en bijzondere inval eens kunste-naars), v. âs. Caprieiens (eigenzinnig, grilziek, wispelturig), l»n. t'apsule (zaadhuisje; huls van metaal), v. â n. â s. Capteeren (Injagen, rut ten, verstrikken). t'aptie (verrassing; aanmerking; bedenking), v. âtiën, â s. â maken, ruzie zoeken, t'aptief (gevangen, in slavernij), bn. Captiveerc»!! (gevangennemen, vasthouden; inpakken, inrekenenen, boeien, rerrakken). Capnce (kap, kraag- of mantelkap), ni. â s. Ook: Capuchon, m. Capiieijiien (monniken der Franciscaner orde), m. mv. t'sKliieteereu (snappen, snoeren, kakelen). Caralm» (de markies ran â), d. i. de gelaarsde kat; fig. kale pocher. Caraeara (valk in Z. Amerika), m. â's. Caracole (groote huisjesslak), v. â s. CarambolaKC (het raken ran twee ballen door den spelenden biljartbal), v. â s. Carambole, v. âs. Zie Carambola$;e. Caramboleeren (twee biljartballen raken niet den spelenden bal). t'arainel (tot hardheid gekookte rietsuiker, horst-ulevelletje), v. â len. Carariscli (uit danijnen ran Car ara, Italië), bn. Een schoorsteen mantel ran â marmer, zuiver wit. Ook: CarrariNch. Cara veile (snelzeilend schip), v. Ook: Ka-ranelle. Carbol (vloeistof uit tecrolie gestookt), m. â -zuur. o. gmv. Carbonari (kolenbranders, in Italië leden van een geheim genootschap), m. mv. Carbouisatie (rerkoling), v. gmv. Carbouiseereii (verkolen)' Ctirdiiiaal (voornaamste; wat tot de hoofdzaak behoort), bn. Het cardinale pant, liet punt, waarop de zaak eigenlijk neerkomt; cardinale deugd, hoofddeugd. |
Cardinaal. m. â nalcn. Zie Kardinaal. Caresseeren (troetelen, liefkoozen; vrijen). Caret-Kcliildpad (groote schildpad der keerkringszeeën), v. âden. Carjja (lijst der lading, scheepslading), \. â quot;s. Car^adolt;»r (scheepsmakelaar of -bevrachter), m. â s. Ook: Car^o. C'arica (meloenboom in Brazilië), v. â's. Carii'aturiseeren (belachelijk maken, in een bespottelijk daglicht stellen; bij wijze van spot af beelden). Caricaturist (spotprentteekenaar), m. âen. Caricatuur (een spotprent; belachelijke voorstelling in een tee kening, prent of schilderij; overdrijving van het gebrekkige), v. âturen. Carillon (een klokkenspel, beiaard), o. â's. Carlisten (aanhangers van Don Carlos in Spanje), m. mv. Carmagnole (Franseh, patriottisch volkslied met tlans in '1102), v. Carnajfe (bloedbad, slachting), o. â s. Carnal ie (vleeschkleur; nabootsing van het vleesch in de schilderkunst), o. gmv. Carnaval {vastenavond, ook vastenavond-prct), o. â s. lt;/arnivoreii (vleeschetende dieren), m. mv. Carojfiie (ondeugende, lastige vrouw), v. Carotte (bundel snuiftabak), v. ân, â s. Caroussel (rinqrijden; mallemolen), o. âs. Carr^ (vierhoek, vierkant, rierhoekigc slagorde), o. â s.. Carrière (loopbaan, levensloop, levenswandel, levensweg; steengroeve), v. âs. Zijn â maken, zijn â eindigen. CarroiiNSel (plechtig ridderspel, te paard of met rijtadg; ringsteken; rijbaan of rijschool; mallemolen), o. â s. Zie Caroussel. Carte (kaart, wijnkaart, spijskaart), v. â s. Carte blanclie (vrij spel, 'de handen ruim, algeheele volmacht), v. Men gaf mij â. Cartel (verdrag tot uitlevering, vergelijk; uitdaging tot tweestrijd), o. â s. Carton (modelblad voor schilders, tapijtwerkers enz.), o. â s. Caryatiden (vrouwelijke beelden in een lang gewaad, dienende als zuilen), v. mv. Cascade (waterval, die uit verscheidene kleine vallen bestaat), v. â n. Casco (de eigenlijke bodem of de romp van een schip), m. â's. Casimir (halflakett, gekeperde wollen stof), o. Casino (een huisje; raam van een lust- en gezelschapshuis; aangeuame win ter-avondbijeenkomst, besloten gezelschap), o. â quot;s. Casque (helm, stormhoed), v. â s. Cassa (geldkas, geldvoorraad), v. gmv. Per â, tegen gereed geld. Cassatie (vernietiging, tenietdoening; ontzetting van een post), v. Illt;gt;f van â, hoogste gerechtshof, dat de vonnissen, door andere rechtbanken geveld, kan vernietigen. Casseeren (opheflen. ifzetten, vernietigen, te niet doen). Een soldaat â, afdanken; iets â, van de hand wijzen. Cassette (een koffertje, geldkistje, bijzondere schat des konings), v. â n. Castagnetten (muz. klaphoutjes in den vorm van noleschelpen, duim klep pers), v. mv. Castel (kleine vesting, kasteel, slot), o. âlen. Castellaan (slotvoogd, kastelein), m. âanen. Castijffeeren (kastijden, tuchtigen). Casti (bij toeval). In â, in dit geval. Casualist (iemand die de leer, dal alles van |
ij
CASUALITK1TâCKNTHALISATIK.
87
|
em bloot, toeval afliamjt, is toerjedaan), m. -en. ⢠('asiialiteit (tot'rcillinhcid), v. -en. C'aKiiarineii (Ind. soort van nanldboomen o/t Java en andere O. I. e'Uanderi), in. rnv. ('aMiieol (toevallin, bij (jeU'genheid). bn. enbw. 4'asiiïst (beslisser van uea'etenszaken), m.âen. Casuïstiek (de leer oai voor alle ijewetens-? vratjen, die zich voordoen, raad te nieten en (ilh' inijewikkebte vraaijpanten op te lossen), v. Casu 4|iio (in welk yeval ook, in allen lt;je-. valb'). 4'asiis (toeval, r/eval; in de taalkunde: naamval), rn. Een â eritieas, een kritiek geval; cru â belli, een aanleiding tot oorlog. C'iitocombe (onderaardsi-he t/eawlfde betp-aaf-plaats, bewaarplaats van doodsbeenderen in Parijs), v. â n, â s. Cataloft'iNeeren (in vvt, catalogus beschrijven). Ook: Catalosfeeren, ratalo^iis (lijst, naamlijst van boeken, munten, schilderijen, enz.), m. âsen. t'ataloo^'. i'aIapuit (oorlofjstvei ptu 'nj der oijtrn), v. âen. 1'ataraet (waterval in een (jroote rivier), v. â en; de âen can de)} Nijl, den Ganges, enz. ('atarrliaal (zinkingachtiij), bn. âale koortsen, zinkingkoortsen. t'atarrlie (zinking, aandoening va)i het slijmvlies), v. gmv. lt;'afasti*4»i»lilt;k (ontknooping van een treurspel; ieder treurig einde eener zaak, groot onheil, volksramp), v. âs, â n. ('afwlietiek {methode, waarbij de leerlingen (tn!woorden op enigen), v. gmv. I'atcc'lietiscli (vraagswijze; inden vorm van een gesprei,), bn. â onderwijs. 4'afceliisaiii (iemand, die de cateehisati'èn hij woont), m. en v. âen. ^'alec'liisalic (onderuijs in de godsdienst-l; leer), v. â tiën, ties. t'aU'C'liisecrc'ii (onderwijs in den godsdienst geven bij vragen en antwoorden). i'alceliiseerineester {onderwijzer in den I 'rotestantschen godsdienst), m. â s. 4'allt;M*liiKiiiUM (vragenboek), m. âsen. i'att'eliiimeen (leerling eener catechisatie), m. en v. âmenen. lt;quot;aae^orie (klas, afdeeling), v. âën. lt;'alo^-lt;gt;rislt;*li (bepaald, onvoorwaardelijk, | zonder ouiwegoi), bn. Een â antwoerd. lt;'allilt;Mllt;'r (leerstoel, lessenaar), m. âs. Ook: Katheder. t'alliolieiNine. o. /ie KaïtlioliHsme. 4'afliolilt;kk. liafliolit'k. m. âen. t'ansa (oorzaak, aanleiding,gerechtelijkehan-â 'l 'leling), v. â's. i'nuHi\Hteit(oorzakelijkheid,rerband tussehen 1 oorzaal: cn gevolg), v. gmv. 4'aiisaUevi'ii (w.w., die een dorn uitdrukken), o. mv. Drenken, zetten, /'â¢.'/;/'*// zijn â. t'ause (opzienbarend rechtsgeding, geruchtmakende zaak), v. Causerie (gepraat, gekeuvel, gekout), v. -ën, -s. 4'aiiKlt;kiiKâ¬gt; (sofa voor twee personen), v. â s. t'aiitoriseoreii (uitbranden, doodbranden). ('aiif ic (borgstelling, onderpand, borgtocht), v. lt;'aiit ioniM'oreii (zich borg stellen^ voor iem. borg blijren). lt;'a vallt;'alt;llt;' (prachtige optocht te paard, schitterende raileroptocht), v. âs. Cavalerie (ruiterij, paardenvolk), v. gmv. C|a vtilerlst (k)'ijgsnum te paard, ru iter), m.-en. Cavalier (ridder, begeleider eener dame), m. |
Cavalfrreiiient (ruiterlijk, los en vrij), bw. t'avatiiK' {korte aria uit een opera), v. âs. Ca vee re li {borg of aansprakelijk blijven, zich in de bres stellen voor). ('aviaar (ingezouten kuit van steur en andere eisschen, in Rusland), v. gmv. Cavileit (holte, holligheid), v. âen. i,a,veiiiie-igt;e|K'r(/^7gt;t'/*///7 Era 11 sch Gn ga na), lt;'edeereii (afstand doen van, afstaan). |v. ('etlel, Ceêl {lijstje, briefje, huurcontract), v. cedelen, cedels, ceèlen. C'etler (groote naaldboom), m. âs: â lioiif, o.; â \v«nilt;l (op den I Aba non). IVdiile (haakje onder de letter e [rj, ingeval die letter als s uitgesproken wordt), v. âs. Ceêl, v. âen. Zie Cedel. Ceintuur (gordel, lendenband), v. âturen. Cel {kamertje, bokje), v. â len; â letje.o. â s. Cel (zeshoekig vakje eener honigraat), v. âlen. Celebreereu (vieren, kerkelijk of feestelijk gedenken). De Mis opdragen. Celebriteit (vermaurdheid, beroemd persoon, uitstekend tatent), v. âen. Cj'lerileit (gezivindheid), v. gmv. IVlibaat (de ongehuwde staat, echtelocs-beid), o. I'eliist (bespeler ran de violoncel), m. âen. Cellulair veelvormig, met cellen, eenzaam), lm. âe gevangenis, eenzame opsluiting. CelfiM'li. bn. Zie Keltisi'li. Ceiueut (tras, mortel, metselkalk), o. âen. Cemeiiteeren (met cement bepleisteren). Fig. de martelaren, wier bloed het â der kerk is, (C. O), band, verbinding. t'eiiotaiiliiuiii (gedenkteeken tereere van een, overledene), o. âs, â phia. Ceuseereu (oordeelen, beoordeclen, berispen). Censor (beoordeelaar), m. âen, â s. Censor (in Home een magistraatspersoon, belast met het toezicht op de zeden, de belastingen en de openbare wei'ken), m. âen. Ceitsureeren (uit de kerkelijkegemeenschap sluiten: afkeuren, wraken). Census (belasting, aanslag in de belasting), m. lt;'ensiiur (onderzoek, beoordeeling, toezicht op de drukpers), v. gmv. Cent (bronzen mant, f 0.01). m. â cn, â s. Cent (pro of |»er) (van of ten honderd). Centaur (myth, paardmensch), m. âen. Centeiijiar {gewicht can honderd halve ponden of 51) E.G.), m. â s. Centerboor (timm. boor voor groote gaten), v. â1 toren. Centiare (M-, honderdste deel der vierkante roede), v. â n, â s. Conti^'rain [ honderdste dee! can een wichtje ol' O.CM 1001 K.G.), o. âmen. Centiliter (vingerhoed, honderdste deel der I kan of 0.01 i^.), m. â s. Centinilt;k (honderdste deel van een frank, eent nagenoeg), v. â n, âs. Ccntinietor (duim, honderdste deel van een M., 001 M.). m. -s. Centraal (tot het middel/unUbehoorend), bn. âAmerika, d. i. Middon-Amorika; «'m â bestuur, d. i. van (''('â¢n liool'd of leider uitgaande; een â punt, een middelpunt; centrale verwarming. CentraaiKon (vaste ster, rondom welke alle vaste sterren van een sterrenstelsel zich bewegen), v. â ncn. Centralisatie (sa ment rekking der macht, vereeniging in een punt), v. gmv. |
CENTRALÃSEERENâCHAUSSEEREN.
88
|
C'entrallseoreii (hijnnntrekken, vereeniffen in een punt). Een âd staatshestnio'. lt;'eiitrc'lgt;osirlt;l (schip met ronden bodem), v. â en. (Vntrifn^nal (middelpuntschuwend), bn. â -machine) âpomp, v.; ârecjulntor, m. Centriim (middelpunt, punt van vereeni-giny), o. â s, âtra. C'enliirie (schare of yet al van honderd),\. -'ér\. C'enturion (hoofdman over honderd), m. â s. Ceplialiile (gehaakte of gebreide damesoor-warmer), v. â s. Het hoofdsiersel van een roode en blauwe â. (C. O.) Ceigt;liaio|M»lt;la (koppootigen), v. mv. De sepia of inktvisschen zijn ('erainick (kans) om voorwerpen uit klei stof te maken), v. gmv. CcramiKcli. bn. De âe kunst bloeide reeds 2500 v. C. in China. Cercle (een gezelschapskring, kransje), m. en o. â s. vero. I'erealiën (gewassen met melig zaad, granen: in Rome de akkertnnut'feesten), v. mv. lt;Vrel»raal-Kt«lNcl (in het dier lijk lichaam de hersenen als deel van het zenuwstelsel), o. Ceremonie (plechtigheid, hof- of kerkgc-Itruik), v. â ën, ânies. Ceremoniëel (het geheel der gebruiken bij feesten of openbare plechtigheden] drukte, omslag), o. gmv. CereinoiiiemeeKter (bestuurder of leider van feestelijkheden), m. âs. Ik nam de taak van â op mij. (C. O.) rereinonieiis (vol plichtplegingen), bn C'erneeren (mil. insluiten, omsingelen). Certificaat (verklaring, bewijs,getuigschrift), o. âeaten. C'ertilieeeren (verzekeren, door een certificaat of getuigschrift bevestigen). C'ervelaat worst (gekookte en gel: ruide hersen- of vleeschworst), v. âen. 1'esseeren (ophouden, een einde nemen, wegvallen). Cessie (afstanddoening, afstand), v. â siën. Cetaeeën (walvischachtige dieren), mv. Cetera (voor het overige, hetgeen er meer vólgt). Cliajs'riju, âleer (fijn leder met korrelige oppervlakte), o. Een band van â. Ook: Se- tfrijii. Ciia^rin (kommer, verdriet), o. gmv. Ook: Chagrijn. Clia$£'riiieereii (bedroeven, krenken, kwellen). VUaine (keten,kett i ng;de kelt ingdans;de boeien, schering op het weefgetouw), v. â s. Cliais (gewoonlijk sjees), v. -en. Chaise lon^iae (ruststoel, slaapstoel), v. Cliale (omslagdoek voor dames), v. â s. Clialet (alpenhut), o. â s. Cliainade (teeken op de trom, als de belegerden wenschen te kapituleeren), v. â s. Clianibertin (beroemde Bourgogne-wijn), m. Chanipa^ne-wijii (mousseerende wijn uit het departement van dien naam, spuittvijn), m. âen. Champêtre (landelijk, wat tot het bind behoort), bn. Bal â, danspartij in een tuin, buiten; garde â, veldwachter. Champigfiion (eetbare paddenstoel, woekerplant; fig. snel rijk geworden mensch, opkomeling), m. â s. Champion (strijder, voorvechter, kampioen), m. -s. |
Chamsin (gloeiende Z. W. ivoestijnwind in Egypte), m. gmv. Change (wissel, ruiling), v. â s. Changeant (veranderlijk, met een weerschijn), bn. Changeant (weefsel van zijde, wol of katoen, dat verschillende kleur toont), m. Chang-eeren (veranderen, verwisselen, verkleuren). Chanson (lied, zang), v. â s. Chantage (geldafpersing, gel da fdreiging), v. gmv. Chaos (de vormlooze klomp of baaierd, waarin alle hoofdstoffen, vóór de schepping der wereld, onder elkander vermengd waren; fig. ordelooze massa, ivanorde, verwarring, warboel), m. gmv. Welk een aangename â van vragen en verhalen en uitroepingen! (Koetsv.) Chaotiseh (wanordelijk, verward), bn. en bw. Chapean (hoed; fig. heer, begeleider eener dame), m. â's. Chapean bas (onderdanig, blootshoofds), bw. Chaperon (hoofddeksel, kapje, beschermend geleide eener jonge dame), m. â s. Chaperonneeren (een jonge dame tot beschermend gelei-Je verstrekken). Ook: Cha-pronneeren. Chapitre (hoofdstuk; onderwerp van een gesprek), o. â s. Char-si-hanes (lange en open bankwagen, met zitplaatsen langs de zijden), chars-a-bancs. Charade (lettergrepenraadsel), v. âs. Charge (last; lading bij schietgeweer en; bediening; eerepost), v. âs. Pas deâ, storm-of looppas; getuigen a â, getuigen ten nadeele van den beschuldigde. Char;;-*1 d'allaires (zaakgelastigde), m. mv. cbargi's d'affaires. Cliarj^eeren {belasten, bezwaren, overladen; bij de cavalerie: een aanval doen op; ook de. kanonnen laden). Charitahel (milddadig, weldadig), bn. Cliaritë (liefdadigheid, christenliefde), v. gmv. Charivari (verward geraas, ge klank met ketels, enz.; geschreeuw, twist; ketel muziek; een stel kleinoodiën aan een horlogeketting), o. â's. Charlatan (kwakzalver; windbuil, snoeshaan), m. â s. ilUarlntannerie(kwakzalverij, snoeverij, pocherij), v. Charniant (bekoorlijk, zeer aardig),hn. en bw. Charme (aanlokkelijk,'teid, welbehuyen),\. â s. Ciiarnieer«'n (bekoren,betooveren,verr ukken'). Charta magriia (eigenlijk een groot papier of blad; de grondwet der Engelschen van 1-215), v. Charte-partij. Zie Clier te-part ij. Charter (oorkonde, handvest, grondwet), o. â s. Chartreuse (likeur der monniken v. h. Kartuizerklooster te Nancy), v. gmv. Een glaasje â. Chart nlaria (bewaarplaatsen van oorkonden, documenten, enz.), v. mv. Chassinet (gazen raam met een of ander opschrift), o. âten. Cliatonille (gi'bl- of juweelkistje; de huisschat of privaat kas van een vorst), v. -s. Chaussëe (straat- of steenwey, kunststraat), v. â s. Chaiisseeren (kousen en schoenen aantrekken, schoeien; plaveien). |
CHAUVINISMEâCICHOREI.
|
('haiivinismc {dweepzieke staatkunde), o. gmv. i'liaiiviiiist (politiek dweper, dwepend partij-uancier), m. âen. I'heck (kassiersbriefje), v. â s. (/lief (hoofd, aanvoerder, hevel hebt gt;er), m. â s. Chemicaliën (scheikundiy bewerkte waren, artsenijen), v. mv. CliciiiiciiN (scheikundige), m. â mici. i'iicinie (scheikunde, oplossinrjs- of ontb'n^ dinrjskunst), v. Ook: Chymie. (liemisc'ii (scheikandig),\m. Een â preparaat. i'hc'mise (hemd), v. â s. i'iieinisette (halfhemdje), v. â s. ('liemiMt (chemicus), m. âen. riienille (ruig zijden band, dat op een ruige rups gelijkt, als belegsel, boordsel, enz.), v. en o. ('Iiertc-partij (zeev.*. vrachtbrief, vrachtcontract), v. âen. 4'licriib. m. â s, hetzelfde als i'licriibijii (vlammenbode; benaming run hemelgeesten of engelen van den 2den rang, die Gods troon omringen), m. âen; â tje. o. ^'lievalier (ridder), m. â s. ('iievalier lt;l*iiilt;liistrie (bedrieger,oplichter, fortuinzoeker, reizende, goochelaar), m. mv. chevaliers cTindustrie. lt;quot;liilt;*aiie () 'echtsverd ra a ling, boos opzet, haar-klooverij), v. âs. âs maken. l'iiicaneerc^ii (haarkllt;lt;oven, spijkers op laag water zoeken, bedillen, villen). riiieaneiir (haarkloover, albedil, lastig schepsel), m. â s. CliicaiK'iiri^' (haarklonverig, bedillerig, lastig; vasthoudend), bn.; sikkeneurig, gew. ^'Iiiek (smaakvol, zwierig), bn. lt;11 if Ion (vodje, nest er ij), o. âs. i'liiironneereii (frommelen, in wanorde brengen, kreuken, ontrusten). niiliomifrre (lu den kast, hooge latafel), v. â s. Clii^non (bundel valsch nekhaar), m. â s. C'liijl (spijsbrij, sap dat door de spijsvertering bereid wordt en dan uit de maag in het bloed overgaat), v. gmv. Ook: ChyliiK. niiliasnie. â mus (het duizotdjarig gods-rijk op aarde), o. gmv. Du Costa geloofde aan het lt;'iiiBiuera (fab. ivanstaltig monster), v. gmv. CBiiin^re (ongerijmd verdichtsel; droombeeld, hersenschim), v. â s. I'iiimeriek (hersensehiunuig, ingebeeld), bn. ^ iiinipaiisf' (groote aap, de Afrikaunsche orang-oetan), in. â's. ^'iiiiiaasappel, m. âs, âen. Zie Sinaasappel. ^'Iiineliilla (knaagdiertje in Z. Amerika), v. â's; (boni- of pelswerk van dien naam), o. gmv. Een mofje van â. (C. O.) diinees (inboorling van China), m.Chineezen. riiineescli (de taal), o.; ook bn. De âe zijde; het âe schrift; âe kleederdracht; de âe letterkunde. driro^rammatomantie (kunst om uit een handschrift het karakter van den schrijver te bepalen), v. gmv. C'iiiroloKie (handen- of vin ge/'spraak), v. ('hiroinantie (de kunst van waarzeggen uit de lijnen der hand), v. gmv. t'iiinir^ (heelmeester), m. âen. Ook: C'lii-rurgrus. i'liirnr^-icaal (heelkundig), bn. âcale hulp. Chirurgie (heelkunde), v. gmv. |
Cliirnrg'ijn (heelmeester), m. âs. Ook: Ui i ru r^-. Chloor (zoutzuur), o. gmv. i'iiloorealciiim (zoutzure kalk), o. gmv.; â lood. o. gmv.; â metalen.o. mv.; âopaal, o. gmv.; â spaat, o. gmv.; -stikstof, v.; â â¢waterstof', o.; âzilver, o. gmv.; âzink, o.; âzuur, o. gmv.; âzwavel, v. gmv. C-liloral (geneesk. slaapmiddel), o. gmv. t'liloroform [zeker geuoelverdoovend middel), v. C'iiloroformiKeeren (in een toestand van g evoels ver do o ving brengen door middel van chloroform). Ook: â formeeren. lt;iil«»roKe (geneesk. bleekzucht), v. gmv. t'lii^eohxle (voedingsmiddel bereid uit suiker en cacao), v.; â laa«lje (koekje), o. â s. Cholera (besmettelijke braakloop), v. gmv. 'Ue Aziatische of grigt;ote Cholera niorhus (Aziatischebraakloop), v. Choleriek (galachtig, driftig,.opvHegquot;nd), bn. Cholerine (een lichte graad van cho'era), v. lt;'holerislt;'h (warmbloedig,galachtig, toornig», i»n. Het â temperament. Choquant (hinderlijk; beleedigend, stuitend), bn. en bw. Choqueeren (ergernis geven, aanstootelijk zijn, beleedigen). Choro$;ra|»hie (aardr. beschrijving van een bepaalde streek), v. gmv. Chrestoniathie (bloemlezing, verzameling van de beste stukken van dichters en prozaschrijvers). v. â ën. Lees: Krestoma-tie. Chrisma (R. K. zalfolie, bij de wijding van bisschoppen, het inzegenen van klokken, het wijden van kerken, doopvonten, kelken en altaren), o. gmv. Christelijk, bn. âe deugden'. âheid, v. Christen (belijder der leer van Jezus), m. âen. ChristeiniUnn (de Chr. leer), o. gmv. Christenheid (de gezamenlijke christenen), v. gmv. In den eersten kruistocht stond de heele â onder de wapenen ; â mensch, m. â en; âvrouw. v. âen; âland, o. âen. Christin (belijdster der chr. leer), v. â nen. Chromatiek (kunst der kleurenmenging), v. Chro'natiseh (mnz. in halve tonen opgaand en afdalend), bw. âe tonen. Chromium. Chroom (enkelv. stof, metaal), o. gmv.; -geel, o. gmv. Chr4»molitho^'raphie kleurensteendruk\\. Chroniek. v. âen. /ie: Kroniek. Chroniseh (langdurig, sleepend), bn. âe ziekte, sleepende ziekte. t'hroiio^ram (ju ar talvers), o. âmen. Chronologie (tijdrekenkunde, tijdleer), v.-ën. ChroEi4»l4»^-islt;'h (tijdrekenkundig), bn. en bw. Een â overzicht der geschiedenis; een tijdvak â behandelen. Chroiiometer (tijdmeter, zee-uurwerk ter bepaling der ge gt;graphische lengte; timekeeper bij de Ãngelschen), m. â s. t'hr.vsaiBthemuni (ganzebloem, sumenge- steldbloemige plant; sierplant), v. âs. Chr.vso^raphie (goudschrijfkunst), v. gmv. Chr.vsoliet (goudsteen, delfstof), m. âen. Chylus. Zie Chijl. t'h.vinie. Zie Chemie. Ciborie (R. K. kelk met deksel), v. â ën. â s. Cicerone (geleider, wegwijzer in Home), m. â s. De tuinman is de vervelendste aller âs. (Potg.) Cicliorei (ook suiker ij), v. gmv. |
âCLINIST.
CICISBKO
|
^'iciMb^o (damesgeleidoâ¢), â's. I'it'iita (watersc/ieerlinf^tsrhennhlueni^y. â's. C/i«l (heer, vorst), m. De â, eeretitel van een S/K krijgsheld uit de iie eeuw. ('ifler (appeldrank), m. gmv. ri-devant (voorheen, voormaliy, ook: aristocraat van eóór de revolutie). Cijfer ((jetalteeken), o. â s. IIij is daar een nnl in 't â, d. i. heeft daar niets te zeggen. C'i foren, ik hel) gecijferd; rijferaar, m.; c jferiiitf-, v.; âklinkt, v.; âmeester, m. t'i iis (belastimi, schattinfi), in. cijnzen, t'i nsbaar (sehntplichtig), lm. â lieid, v. t'i inder (zuil, rol, rolrond nieetk, lichaam', hooye hoed), m. âs. Zie Cyliiifler. t'imlmal. Cimbel (muz. klankhekken), v. cimbalen, cimliels. tlii^iilnm (U. K. gordel met kwasten), o. â s. Cinnaber (vermiljoen, zekere roode verf), o. Cipier ((jeounyenheivaarder), m. âs. Cipres (slanke naaldüuom), in. âsen. Ook: Cyint's. Cirea (mnsh â erks, ongeveer, bijna), bw 4'ireiilair (kring- of ringvormig), bn. Cirenlaire (rondgaande brief), v. â s. Circulatie {omloop, kringloop), v. Df â rail het bloed, van het geld, Circiileeren (omloopen, in omloop zijn, in een kring bewegen). Cireiimferenlie (omvang, omtrek), v. Di'â van het lichaam. (C. O.) Cireiimtiev (verlengingsteeken, kapje; een houw, een schram), m. Ook: â flex us. tlreiimlneiitic (omschrijving met woorden), v. âlies, â tiën. Cirenmpoljiir (zich bewegend in de nabijheid van de hemelpool] niet op- en ondergaand), bn. Op onze breedte is Cassiopeia â. Cireinnspeetie (omzichtigheid, behoedzaamheid), v. gmv. Cirenmsfantie (gesteldheid, omstandigheid), v. CireimiKtantieel (omstandig, breedvoerig), bn. en bw. Ciren.s (renperk, worstelperk, ook paardenspel), m. en o. âsen. Cirkel (regelmatige kromme lijn, ook het vlak), m. â s; âlijn, v.; -omtrek, m. Cis (aan deze zijde), bw. Cisalpijnseli (aan deze zijde der Alpen), bn. Ciseleeren (graveeren, steken, met de stift of den beitel bewerken, op zilver drijven', met bloemen insnijden). Ciseleur (gruveur van drijfwerk), m. â s. Citaat (aanhaling, aangehaalde plaats), o. citaten. Citadel (kleine vesting: hoofd fort), v. â len. Citeeren (aanhalen, vermelden, gewag maken van). Citer (snaarinstrument met zes of meer snaren), v. â s; âspel, o.; âspeler, m. â s. Cl to (gezwind, snel, haastig), bw. Citroen (vrucht van den citroenboom), m. â en. lem. knollen voor âen verkoopen, d. i. bedriegen, om den tuin leiden; âliont, o. gmv.; âkruid, o.; â znnr, o. Civetkat (roofdier in Azië en Afrika, zooi-gang er)^ v. âten. Civiel (burgerlijk; billijk, matig, goedkoop), bn. Een â ambtenaar; een âe prijs. Civiele lijst (jaargeld, toelage aan den regeerenden vorst toegekend voor de hof huishouding en op den staat van begrooting als vaste post uitgetrokken), v. âen. |
Civiel-ing-eiiienr (burgerlijk bouwkundige), m. civiele-ingenieurs. De Pol g technische School leidt (tp tot â. Civiel reelit (burgerlijk recht), o. gmv. Civilisatie (beschaving, verzachting der zeden), v. Civiliseeren (beschaven, verlichten, de zeden verzachten). Civiliteit (wellevendheid), v. âen. Cladonia (korstmos, bekermos), v. gmv. Clairet (bleekroode Fransche wijn), m. gmv. Clair-obsenr (schilderkunst: licht-donker), o. gmv. Rembrandt was een meester in het â. Clair-vo.vant (iem. door den magnetise hen slaap in âen toestand gebracht of te brengen), m. âen. Ook als bn. Clair-vo.vante {vrouw of meisje, die door den magnetischen slaap in ân toestand gebracht is of kan worden), v. â n. Clan (in Schotland een stam), m. â s. Clandestien (heimelijk, bij de wet verboden), bn. Claque (de gehuurde troep toejuichers in een theater), v. gmv. Claqueur (gehuurde handklapper in schouwburgen, gehuurde toejuicher), m. âs. Clarinet (scheljluil), v. âten; â tist (âS])e-ler), m. Clarissen (orde v. d. H. Clara, 1212), v. mv. t'lassieaal (volgens klassen), bn.; (bij de Hervormden: hei â bestuur), o. Classiek (uoortreffelijk, voorbeeldig, als richtsnoer dienende), bn. Ook: Classisch. Classieken (dicht- of prozawerken van den eersten rang), v. mv. De werken van Vondel Hooft en li uggens behooren tot de Ned. â. Classitieatie (rangschikking), v. gmv. Classis (Merv., eenige hervormde gemeenten vormen een ring; eenige ringen vormen een â ), v. classes, dassen.quot; Clansa (cel, kluis), v. â's. Clausule (beding, voorwaarde, bepaling, voorbehouding; toevoegsel), v. â s. Clausuur (afsluiting, insperring). v. -suren. Claves (toetsen op het klavier), v. mv. muz. Claviatuur (toetsenbord), v. âturen. Claviger (sleuteldrager, portier), m. â s. Clavis (sleutel, notensleutel, toets), v. muz. Clematis (rationdelachtige pkuit, met hemelsblauwe bloemen), m. âsen. Clementie (genade, (goedertierenheid), v. Cleresie. Cleresij, Clerexie (geestelijkheid), v. Ook: Clerus. Cleriaal (aanhanger of voorstander der geestelijkhfid), m. clericalon. Clerieaal (priesterlijk, geestelijk), bn. De âcale kleeding, âcale titels. Clerus (geestelijkheid), m. ^mv. Clielrf (houtsneeafdruksel of âvorm), o. â quot;s. Cliënt (iem. die zich door een advocaat, in rechtszaken, laat bedienen), m.; â e, v. âen. Cliënteele (al de klanten), v. gmv. Climax (opeenvolging van telkens meer zeggende uitdrukkingen: klimming van slem of toon in de rede), m. Cliniek (praclisehe geneeskunde), v. gmv. Cliniseli (heelkundig), bn. âe les, geneeskundige les bij 't ziekbed. Clinist (beoefenaar der clinischegeneeskunde, leeraar en ook leerling der clinische school), m. âen. |
CLOAKâCOM BIN ATI K.
91
|
Cloak (luijdc manteljas), m. âen. (Iwkji', bestekamer), o. â s. Clot lire (slnitiny; afsluitiny), v. âs. 4'lo\« ii (hansworst, yrappenmaker), m. â s. Club (besloten gezelschap), v. â s. Coactlc (divany, fjeivclddadigeaanranding),v. Coa«IJiitor (ambtshelper, toekomstig opvolger), m. -s of â cn. â¬oa$triileereii (stollen, stremmen). i'oalitie (vereeniging van twee tot dusverre tegenovergestelde partijen), v. â s, â tiën. ('oati (zoolganger, na (sheer in Ca li fori tie), m. â's. De â's zijn woeste kleine dieren met harige staarten en groote koppen. Cobra (Ind. brilslang), v. â's. I'ora^iKN v. Het land van â, luilekkerland. Coea^ncmast (klimmast met prijzen), m. â en. Ook: Kokanjemast. Cocarde (lint of' rozel van bepaalde kleur, als partijteeken), v. â s. lt;'oc*ii(^iiiIlc. ook: Ii4»ii%eiiiel je (scharla-kenlais; schildluis (Mexico); daarvan bereide scharlakenverf), v. Colt;*lioiiiilt;krie {zwijnerij, vuile taal), v. Cocon (weefsel, waarin de larven der nachtvlinders zich inspinnen en verpoppen), m. â s. De â van de zijderups. Code (wetboek, oud handschrift), m. âs. Code Napoleon (wetboek door Napoleon I ingevoerd), m. Code civil, burgerlijk wetboek; Code penal, wetboek van strafrecht. Codex (handschrift, manuscript), m. codices; â argenteus, handschrift van de Gotische bijbelvertaling door bisschop Ulfilas in de 'ie eeuw, (thans te Upsala in Zweden). Codex (verzameling van wetten), m. codices. Codicil (aanhangsel of bijvoegsel tot een testament), o. â len, âli. Codificatie (het samenbrengen cn schiften van wetten), v. gmv. Codille (verlies in het omberspel), v.; als bn.; verb wen, bedorven, geru'i neerd. Coëlliciënt (alg. vermenigvuldiger), rn. âen. i'oelibaat, o. Zie Ccdibaat. Coërceeren (in toom houden, bedwingen). VoëTvitiet(bedwingend), bn. â lieve middelen. i'o^nac (uit wijn gedistilleerde brandewijn uit de stad Cognac), m. gmv. Cii^natie (bloedverwantschap), v. gmv. Cognitie (kennisneming, erkenning, onderzoek), v. gmv. Co^iioNMenient (zeevrachtbrief), o. âen. lt; )⢠tk: Connossement. Cohserent (samenhangend), bn. t'oliaesie (kracht van samenhang als eigenschap bij vaste lichamen), v. gmv. Cohorte (krijgsbende van 'M) man, bij dc liomeinen Vio legioen), v. â n. Coitfeeren (kappen, het haar opmaken). Coiftenr (kapper), m. âs. Coiffure (kapsel), i». -s. Coïncideeren (in elkander vallen, op hetzelfde uitkomen). Cokes (gaskolen), v. mv. Col (insnijding in den bergkam der Alpen), m. â s. Colbert (korte ronds iuitende heer en jas), m. CoiiKcinti (groote schouwburg in oud Rome, amphitheater), o. â s, colisea. Het â van Julius Cesar (44 v. C.); â van Vespasiaan is thans het Coliseum. Moet gij een spel hebben, herstel het molmend â. (C. O.) |
Collaborateur (medewerker), m. â s. Collaboreeren (medearbeiden, gemeenschappelijk werken, b.v. aan een tijdschrift). Collateraal (zijdelingsch), bn. âe verwanten, nevenverwanten, zijverwanten. Collatie (vergelijking can geschriften, recht om een pred-kants- of onderwijzersplaats te begeven, te verlcenen of te doen bezetten), v. â tiën en âties. Collation (maat van kmid vleesch, gebak, enz.; verfrisschingsntaal), o. â s Clt;»llati4»nneeren (schriften of boeken doorzien, vergelijken). Collator (die een predikantsplaats begeeft), m. âen. Collë (vast onder den band), m. fcen â bal, op het biljart; âdat wordt een â, mijnheerquot;, riep de pikeur. (C. O.) Collectant (inzautelaar), m. âcn. Collecte (Inzameling', het verzamelde geld), v. â n en â s. Collecteeren (inzamelen van giften). Collectie (verzameling, aantal, menigte), v. â gt; of âtiën. Collectief, Collectieve (verzameld, g^za-tnenlijk), bn. en bw. Collectieven (verzamelnamen),o. mv. Leger, zwertn, troep zijn C'olk^a (ambtgenoot, mcdelecraar, medeonderwijzer), m â's. College (vereeniging van verscheiden personen tot zekere doeleinden; lichaam, corporatie, voorlezing of les op hoogeseholcn), o. âs. Collegiaal (ambtsb roei ter l ij k), bn. en bw. Colli (pak, kist, baal, stukgoed), o. â's. Col lideeren (tegen elkander stooten, botsen; in den weg treden). Collier (halsband, halssnoer), rn. â s. Collisie (lx ttsing; lig. nood. beklemdheid), v. Collo (pak, kist), v.; ook: Colli. Collo4|iiinni (samenspnaik, mondeling onderzoek). o. â (jnia. C4»lonibine (duifke; minnares van harlekijn), v. Colonia (volksplanting), v. â agrippina, Keulen. Colonnade (zuilenrij; rond gebouw, op zuilen rustende), v. â s. Colonne (kolom, zuil, pilaar] dansfiguur, opstelling van troepen), v. â n of âs. Colorado-kever (bladkever, azend op aardappelloof), m. â s. Coloqnint (bitteraugurk), v. âen. Colorjitmren (muz. kunstige toonwotdingen, trillers, roulades bij den solozang), v. mv. Coloreeren (kleuren, met verven dekken; lig. verbloemen, bewimpelen). C4»lori4^t (kleurntenging, kleursehakeering), o. Collt;»rist (kleurgever, kleunnenger), m. âen. Colossenni (autph it heater in 't oude Home), o. âs, âsea. Zie: Coliseum. Colossus (reuzenbeeld in de oudheid aan den ingang der haven van lihodus), m. Ook: Kolos. Colportage (rondventing van boekot), v.gmv. lt;quot;«»l|Mn*teeren (rondventen van geschriften). t'olportenr (reiziger in boeken, verzamelaar van inteekenaren; iettt. die loterijbriefjes rondbrengt), m. â s. Coliinina Trajana (zuil van Trajanus in Riune, met 184 treden), v. gmv. Combinatie (samenvoeging, vereeniging, verbinding), v. âtiën, âties. |
COMBINEER ENâCOMPILEEREX.
66
|
('ombineeren (verbinden, vereenigen; ver-ge lij leen, berekenen). ('«mibiistihclcii (brandstollen), o. mv. Combust ie {verbranding; fig. opsehndding, oproer), v. â tiën. C'Oincclle (blijspel), v. â diën, âdies. Zie: lioineflie. Combeien (eetwaren), o. mv. Ook: -li-bels. Comfort; (levensgemak in woning en omgeving), o. â s. Comfortabel (gemakkelijk, behagelijk, huiselijk ingericht), bn. en b\v. Comaqiie (Ihstig, grappig, aardig), bn. Com Haat (graafschap of district in Hon-ifrge), v. â tatcn. ^'oMtit^ (vereeniging; raad; bestaar), o. âs. Commandant (bevelhebber, bijzonder van een stad of vesting), m. âen. liomman-dnnt. Comniamleeren (bevelen, gebieden, aanvoeren). Kominandeeren. Cominandenient (bevel, gebod, oppergezag), o. âen. Comnianderie (het gebied eener ridderorde), v. Commanditair (met vennooten, die bloot als geldschieters deel in de zaal: hebben), bn. He! âe kapitaal, de âe vennooten. Commandite (vennootschap, die voor rekening van anderen gedreven wordt), v. â s. Commando (het gebod, bevel, tie aanvoering; recht om te bevelen), o. â's. liom-mando. Commemoratie (aandenken, herinnering, aanroeping der heiligen), v. âties, âtiën. Commensaal (dischgenoot, kostganger), m. âsalen. Commentaren, C'oniinentariën (ophelderende bijschriften, uitleggingen), rn. mv. â zijn overbodig, de zaak is duidelijk uit zich zelf. Comnienteeren (uitleggen, ophelderen, verklaren). Commeree of Coniniereie (koophandel; verkeer; ook zeker kaartspel), v. en o. gmv. Commereieel (handels-, koopmans-), bn. (peetmoei;b((bbt'lkoas), v. â s. Commer.sen (het connnersspel spelen). 4*omiiiersspel9 o. âspelen. Commies (ambtenaar aan een ministerie, de post enz.), m. âzen. Zie: Koniniies. CiMiimissariaat (bureau), o. âriaten. Commissaris (gevolmachtigde; hij, tuien de intvoering van zekeren last opgedragen wordt), m. â der Koningin, â van politie. Commissie (vohnacht, last; vergadering tot onderzoek), v. â siën, â .'â ies. âboek, bestel-boek ; âgoed, âhandel, d. i. verkoop tegen percenten. Commissionair (commissie-handelaar; die tegen provisie voor een patroon werkt), m. â s; â in effecten. Commissoriaal (van of voor een coni-missie), bn. Iets â maken. Commis-voya^enr {handelsreiziger, reizend handelsbediende), rn. â s. Commit tent (lastgever), m. âen. Conimodatiim (bruikleening), o. Ook: â -daat. Commode (kastje met bovenla), v. â s. I'oinmoditeit (gemak), v. âen. Commodore (gezagvoerder over een eskader |
of smaldeel in Engeland, zeeofficier van /wogen rang), m. â s. Commoner (in Engeland aanzien lijkburger), m. â s. Conminn (gemeen, gemeenschappelijk), bn. en als zn. o. Coniiniinaal (gemeentelijk), bn. Cominiinard (lid der Par. commune), m. â s. Ook: Conimiinist. Conimnne (gemeente, gemeenschap), v. âs; ook in IS?! in Parijs het bewind der communisten. Coininnnieant (H. K. avondmaalvierder), m. en v. âen. Cor.kiinaiieatie (mededeeling; gemeenschap, kennisgeving), v. âtiën, âties. Commiinieec^ren (mededeelen; ook: li. J\. het heilige avondmaal vieren). Comiii;c;aie (bij de Katholieken de benaming voor avondmaalviering), v. â s, â iën. Comniiiniee(kren (ter communie gaan). lt;'onimBinisme (stelsel of leer van gemeenschap van goederen), o. gmv. Comnmnist (aanhanger of voorstander van het communisme, d. i. verdeeling der goederen, m. en v. âen. Comninnistis(*l'i (volgens de leer der communisten), bn. en bw. Compaet (onderlinge vereeniging tegen zeeschade), o. âen. Compaet (dicht, vast ineengedrongen), bn. Een âe bevolking. Compa^Biie (vennootschap, handelmaatschappij, vereeniging van onderscheiden personen tot koophandel; af deeling soldaten), v. â ën. De Oostindische â. Zie Cie. Compa^iiiesrliap (vennootschap), v. âpen. Conipa;»-non (hulp, deelgenoot, metgezel, vennoot), m. â s. Zie Co. Comparant (hij die verschijnt), m. âen. Comparatie (vergelijking, v. âs, âtiën. Comparatief. â tivns (de vergelijkende trap), m. â tieven. Wijzer is de â van wijs. Compareeren (vergelijken, ergens verschijnen, voor het gerecht verschijnen). Comparitie (opkomst voor het gerecht, bijeenkomst, vergadering), v. -tiën, âties. Compartiment (afdeeling, coupe), o. âen. Compassie (medelijden, medegevoel, mede-doogen), v. gmv. Compatibel (vereenigbaar, gevoeglijk), bn. Compatriot (landsman, landgenoot), m. en v. âten. Compendium (beknopt uittreksel van een wetenschap of leer; handleiding, leiddraad), o. â s, âdia. Compensatie (vergoeding, vereffening), v. â tiën, âties; -slinger üfiens zivaartepant niet door tem per at aar verschil daalt of rijst), m. âs. Compenseeren (vergoeden, vereffenen, uitdelgen, samen betalen). lt;'ompeteeren (toekomen, volgens recht behoor en, voegen, betamen). Competent (bevoegd, rechtmatig, geldig, passend, behoorlijk), bn. De âe rechter. Competentie (bevoegdheid), v. âtiën, âs. Compilatie (samenvoeging; een boek, uit verschillende schrijvers bijeengetrokken), v. â tiën, âties. Compilator (verzamelaar, samensteller), m. â s. Compileeren (verzamelen, samenbrengen). |
COMPLEET-CONDENSATOR.
93
|
Compleet (rolledig, voltallig), hh.; â pleter; -lieid, v. ^ onipleineiit (meetk. aanvulsel tot crn rechten hoek), o. âen. Complementair (aanvullend), bn. âe kleuren, die bij vereeniging wit worden, l'ompleteeren (voltallig, volledig uf volkomen maken). t'omplex (samengesteld, ingewikkkeld), bn. C'Omplexie (lichaams- of gemoedsgesteldheid, temperament; gelaatstint), v. gmv. t'omplicatie (ingewikkeldheid, ver wikke- Hut;, invlechting), v. â tiën, âties, t'oinpiiee (medeplichtige), m. en v. â s. i'ompliceereii (ingewikkeld maken). Complieiteit (medeplichtigheid), v. gmv. Coiiipliment (groet, plichtpleging), o. âen; -je (lof), -s. Complimeiitatie (befp-oelinrj), v. âs, âtiën. i'oiiiplimeiiteeren (hegroeien, vleiend toespreken, verwelkomen). CoinpliiiK'iiteiis (plichtplegend, vol complimenten), bn. ('oiiipliqiieeren (verwarren, vele zaken bij elkander voegen, ingewikkeld maken), beter: Compiiceeren. Complot, o. âten. Zie liomplot. i ,oiiip4»iieereii (muziekstil leken vervaardigen, toond ichten). CoinponiKt (vervaardiger van muziekstukken, toondichter), m. âen. Donizetti, Rossini en Bellini zijn beroemde âen. CompoKitae (familie der samengesteldbloe- migen), v. mv. Ook: Compositen. i'ompositie (samenstelling; metaalmengsel] ordening eener schilderij; toonzetting; muziekstuk), v. âtiën, âties. Compost (mestvaalt, allerlei afval als mest, mengbult), m. âen. Compote (ingelegde gestoofde vruchten), v. â n. Ook: Compot. o. âten. CompreM (lap of ander belegsel op wonden of lijdende lichaamsdeelen), o. âsen. Compres (vast, samengedrukt), bn. en bw. Een âse druk, een â gedrukt boek. Comprimceren (samendrukken, persen; beteugelen). Compromis (minnelijke schikking, overeenkomst door beslissing van scheidslieden), o. âsen. Compromittant (aan onaangenaamIvden of gevaar blootstellend; in een ongunstig licht stellend), bn. en bw. i.\nnpromittiitie(in-gevaar-hrenging,blootstelling aan gevaar of aan onaangenaamheden), v. -tiën, âties. Coinpromitteeren (mede in een zaak verwikkelen, aan onaangenaamheden uf gevaar blootstellen, in gevaar brengen). Comptabel (rekenp licht ig, verantwoordelijk), bn. Een â ambtenaar. Comptabiliteit (verplichting tot rekenschap, rekenplichtigheid, verantwoordelijkheid; de rekenkamer), v. gmv. Comptant, Contant (in gereed geld). Kon-tant. Con amore (muz. met liefde, met innigheid, met ingenomenheid). Voncnnf (uitgehold, holrond),bn. Een concave lens, aan den rand dikker dan in 't midden. Coneatenatie (aaneenschakeling, samen-strenge ling), v. -tiën, â t.es. Coneedeeren (bewilligen, toestaan). |
Concerto (ik stem toe, het zij zoo!). 1 Coneentratie (samentrekking op een punt),\. Coneentreeren {samentrekken, op een punt \ vereenigen; verdichten, versterken). Concentriseli (gelijkmiddelpuntig), bn. Twee âe cirkels, hebbende hetzelfde middelpunt. Concept (ontwerp, ruwe schets; begrip, gevoelen), o. âen. Concerneeren (betreffen, aangaan). Concert (samenwerking van verscheiden toonkunstenaars op verschillende instrumenten, muziekuitvoering), o. âen. Concerteeren (wedijveren in het spelen of zingen; ook: bespreken, afspreken, beramen). Concessie (vergunning), v. âsiën, âsies. Concessionaris {vergunninghebber of -er-langer), m. âsen. De â van een spoorweg. Concessioneeren (vergunnen van wege de regeering, toestaan, bevoorrechten). Concba (schelp, mosselschelp), v. concha1. Concliitera (tweeschalige weekd.), v. mv. Conchy liën {schaaldieren, tweeschalige weekdieren), o. mv. Boer have hield er een verzameling â o/) na. (C. O.) Concierge (bewaarder of portier van 'ten hijzonder huis, een school, enz.), m. âs. Concierg'erie (cipiers- of portierswoning), v. Concilistnt {verzoenend, bemiddelend), bi;, en bw. t'oncilie (R. l\. kerkvergadering), o. â liën, â lies. Concilieeren (verzoenen, bevredigen). Concipieeren (ontwerpen, opstellen; een concept maken, neder schrijven). Conclave (besloten vertrek der kardinal -n; vergadering der kardinalen ter verkiezing van een nieuwen paus), o. â s. Conclnrteeren (besluiten, gevolgtrekkingen maken). Conclusie (besluit, slotsom; eindvoorstel), v. â siën, âsies. Tot een â komen. Concorrtaat (verdrag tusschen wereldlijke vorsten en den paus, over kerkelijke zaken), o. âdaten. Concorrtstnt (overeenstemmend), bn. Concorrtantie (overeenstemming; alphabe-tisch register van alle in den Bijbel voorkomende woorden en spreuken, met opgave van de plaats, waar zij staan), v. âtiën, â s. De Nederlundsche â van Trom m i ns ( IGtiö). t'onciirrteeren (overeenstemmen). Concordia (eendracht), v. gmv. â res par-vie crescu.nt, door eendracht groeien kleine dingen. Concours (samenloop, samenkomst van schuIdeischers, ter indiening van hun vorderingen; wedstrijd naar een prijs), o. âen. Concours-li ippiqne (sport, wedstrijd te paard, rij wedstrijd), o. concoursen-hippiques. Concreet (gemaakt van stof, werkelijk bestaand), bn. Een â zelfst. nw. Concnrreeren (wedijveren, mededingen). Concnrrent (mededinger), m. âen. Vot\e\\rret\t*s (mededingende vrouw), v. â n. Concurrentie {mededinging, wedstrijd, wedijver), v. gmv. De â drukt thans den handel. Conciissie (botsing; geldafpersing, knevelarij). v. âsiën, âsies. Condemnatie (veroordeeling), v. âtiën, âs. Condemueeren (veroordeelen, afkeuren). Vmn\enHittie(verdichting,samendring ing),w Condensator (werktuig om de verstrooide electrieke stuf te vereenigen), m. â s. |
CONDENSEERENâCONQUÃTE.
94
|
^'oiKlcnseoreii (verdicht mi, samenpersen). CoiifU'iisitcit {dichtheid), v. gmv. Vm\lt;iitie(;vooriU(iarde,bcdinij-,bedienw(j,post), v. â tiën, âties. C'onditie (in â komen, d. i. sport, op streek komen), v. Vvgt;ni\itiomi\is(i'o(gt;rivn(trilelijkewi}s),\u.}zn\v. CoiKlitoiiwl (voorwuardelij/c), bn. en bw. t'oiiflitionceri'ii {voorwaarden stellen, he-dimjen). Dit huis is (joed yeronditioneerd, d. i. in goeden staat. Conditio sine Qua non (onvermijdelijk vereisehte), v. Venei I der de haren en strakke blikken, die de dichters mij als de â der wanhoop hebben leeren voorstellen. (C. O.) Condoloaiitie (roiurbeklag), v. âtiën, âs. Condoleaiitiebricl' (brief v. rouwbeklag), m. lt;,on«lâ¬Â»lcer4^ii (beklagen, deelneming tounen; /'oawbeklag aanbieden). i'ondikr (grijpgier, een der grootste roofvogels), m. â s. ('ondotifrrc (hoofdman eener krijgsbende), m. â s. Onductenr (leidsman; geleider, begeleidend beambte op spoortreinen, diligences, omnibussen, enz.), m. âen, âs. i'oiKlnclor (geleider aan een electriseer- machine; bliksem afleider), m. â s. t'oiKluitc (gedrag, handelwijze), v. â lijsten, gedraglijsten (bij het leger). lt;*onflW*tic (voleinding, rolt rekking; vervaardiging ran kleeding stukken), v. âmagazijn, â winkel. Confederatie (statenbond, bondj3noot-schap), v. âties, âtiën. Confedereeren (verbinden, een verbond aangaan). De geeon federeerden, de verbondenen. lt;'onfereeren (beraadslagen, vergelijken). Vot\faret\tie(beraadslaging,samenkomst van personen, mondeling onderhoud w gens za-ken), v. âtiën, âties. i. 'on I essie (beker i ten i s,ge loofsbe l ij den is,bi ech t \ v. â siën, â s. De Aagsbargsche â (1530). Confessioneel (de geloofsbelijdenis betreffende), bn. Confessor (belijder des geloofs), m. â s. Ednard de -. (1002-1066). Ctnifetti (kh 'ine gekleurde papiertjes, waarmede men elkaar op carnaval werpt), v. enk. en mv.; ook: confetti's. Confidentie (vertrouwen; vertrouwlijke me- dedeeling), v. âtiën, âties. Confidentiëel (vertrouwelijk), bn. Confiëeren {toevertrouwen, aanvertrouwen). Confineeren (huis- of stadsarrest geven, gevangenzetten', belenden, palen aait). Confinement (gevangenschap), o. gmv. Confirmatie (bevestiging, bekrachtiging, inzegening; bij de R. K. het vormsel), v. Confirmeeren {bevestigen, bekrachtigen, inzegenen). Confiscatie (verbeurdverklaring, gerechtelijke inbeslagneming), v. âtiën, âties. Confisenr (banketbakker), m. â s. Confis4|iielt;kren (gerechtelijk in beslag nemen, ver be urd \ gt;erk la rei /). Confitnrier (banketbakker), m. â s. Confitiinr (in suiker ingelegde vrucht), v. âturen. f'onfliet (botsing, gedrang; strijd, gevecht), o. âen. VAgt;uttueercn(samenvloeien,samenstroomen). Conlluentie (samenvloeiing van wateren), v. |
Conform (overeenkomstig), bn. Conformatie (het gelijkvormig maken), v. Conformeeren (overeenkomen, overeenstemmen, toestemmen). Conformist (lidmaat der Eng. kerk), m. â en. Conformiteit (gelijkvormigheid, overeenstemming), v. Confrater (medebroeder, ambtgenoot, medeordesgezel), m. â s. Confrontatie {vergelijking; getuigenverhoor), v. âtiën, âties. Con fronteeren (tegen elkander over stellen, getuigen hoor en). Confiielus (wetgever in China, ööO v. C.), m. Conf nndeeren (verwisselen, verwarren; verb Ik/Jen, besehamen). Confusie (verwarring, ontsteltenis; verlegenheid), v. âsiën. â sies. Conf nt at ie (wederlegging), v. âtiën, âties. Confnteeren (wederleggen). Confuus {verward, verlegen, verbluft), bn. en bw. Con^ë (afscheid), o. gmv. lem. zijn â geven, afdanken, uit zijn dienst laten gaan. Con^ediëeren (afscheid geven aan. ants'(tan, wegzenden). Congestie (ophooping ran bloed, aandrang; verstopping, samenvlueiirug van kwade vochten naar het hoofd), v. âtiën, âties. Conglomeraat (samenhooping), o. gmv. Congratnlatie (gelukwensching), v. âtiën, â s. Conji'ratnleeren (begroeten,gelukivenschen). Con g-ravita (met waardigheid), muz. Con ^razia (met bevalligheid), muz. Congregatie (vergadering; li. K. geestelijke broederschap of kloosterorde), v. âtiën, âties. Congres { samenkomst tot gemeenschappelijke beraadslaging [tusschen vorsten of hun gezanten, ook van geleerden en letterkundigen]), o. âsen. Het 2öe taalâ. Congruent (meetk. gelijk en gelijkvormig), bn. âe figuren. Congruentie (gelijk- en gelijkvormigheid van figuren), v. gmv. De â van twee driehoeken. Coniferen (kegeldrngende gewassen), v. mv. Conlseli {kegelvormig), jn. Conjectureeren {vermoeden, gissen, veronderstellen). Conjeetuur (vermoeden, gissing, onderstelling), v. âturen. Conjugaal (echtelijk), bn. Conjngatie (vervoeging vaneen werkwoord), v. âtiën, âties. Conjngeeren (vervoegen). Conjunetie (vereeniging, samenkomst; in de taalk.: voegwoord; in de sterrenk. samen-stand in denzclfden ineridiaan),\. â tiën, âs. Conjunetief. Conjiinetivus (bij- of aanvoegende wijs), m. â tieven. ConJiinetiinr {tijdsomstandigheid; samentreffende omstandigheden in het algemeen), v. âturen. Conjnratie (samenzwering), \'. â tiën, âties. Conjiireeren (samenzweren, complot smeden). Connetable (weleer: de opperveldheer der Fransche kroon), m. â s. t'onnexie {verbinding, verbond, samenhang), v. â nexiën. â s aanknoopen. Conquête (verovering), v. â s. |
CONRECTORâCONSULAlU.
95
|
Conrector (onder-directeur vmi een gymnasium), m. âen, â s. C'onrectoraat (ambt van conrector), o. â raten. Conscientie (geweten; inuerlijl.e overtui-ging\ gemoedelijkheid), v. â tiën, âties. Consciëntieus (gtnnoedelijl:; nauivgezet; oi'ereenkomstig iemands geweten), bn. ('onseriptie (opsc/irijring, loting can mau-schappen cour den dienst), v. gmv. Conserit (loteling, milicien), m. âs. Consecratie {H. K. wijding, zegening), v.gmv. Consecreeren (li. K. wijden, inwijden, inzegenen, hei ligen). Consecutief (achtereenvolgend), bn. en bw. C4»ns4'il (raad, raadsvergadering, raadgeving), o. â s. Consent (toestemming), o. âen. Met â van. Consent biljet (geleibriefje bij belaste yoe-deren), o. âten. CoiiKenteeren (toestemmen, inwilligen). Wie zwijgt, consenteert, wie niets zegt, stemt toe. Consequent (zich zeiven gelijl, blijvend), bn. Consequentie (gelijl,blijving aan zich zei-ven; het getrouw blijven aan beginselen), v. â tiën, âties. Conserf (mmoa/w/), o. -ven. Ook: Conserve. Conservatie (behoud, instandhouding), v. gmv. â van levensmiddelen, verduurzaming. Conservatief (behoudend, instandhoudend), bn. In de staatk. uit beginsel vasthoudend aan beslaande staatsvormen en maatsrhai)-pelijhe toesta ndet i. Conservatief, m. âieven. Zie vorig artikel. Conservatieven (aanhangers van het oude; behoiidsmannen), m. mv. Conservatisnie (leer van het stelsel van behoud), o. gmv. Conservatoire, Conser vat orinni(//Ofgt;'/ere muziekschool), o. âs, âaria. Het â van Parijs, Brussel, Keulen, Amsterdum, enz. ^'«inservat^^r (bewaarder, opziener),w. âen. Conserve (afkooksel), o. â n. Zie t'onserf. Conserveeren (behouden, instandhoudun). Clt;»iisi4llt;gt;r:(l»el (aanzienlijk, gewichtig, achtbaar), bn. Consilt;ierans (beweegredenen, overwegingen; inleidende gronden die een besluit voorafgaan), v. gmv. Consideratie (overweging; hoogachting), v. â tiën. âties. ConsHlereeren (beschouwen, overwegen, hoogschatten). Consignatie, v. De â der troepen, bevel om zich gereed te houden in tijden van onrust en opstand. Consignatie (bewaargeving), v. âtiën, â ties. Consigne (parool; bevel, instructie), o. â s. ConsiK-neeren (teekenen. opteekenen; regelen; aan iem. opdragen, gelasten; in bewaring geren). Ken schildwacht â, hom op zijn post stellen met de noodige voorschriften; soldaten in de kazerne â, hun verbieden de kazerne te verlaten. Consistentie (dichtheid, vastheid, lijvigheid van vloeistolfen, stevigheid, duurzaamheid), v. Consistoriaal (tot den kerkeraad behoo-rend), bn. Consistorie (Herv. kerkeraad, (geest el ijk gerecht; kerkekamer), \. â riën, â ries. Consol (bewijs van Eng. staatsrente), o. â s. Consolant (troostend% geruststellend), bn. en bw. |
Consolatieprijs (prijs voor den inzender, die eigenlijk buiten de bekroning valt), m. â prijzen. Console (bouwk. uitspringend versiersel om b.v. een ba Icon te dragen; steunsel van schoorsteenmantels, ma art a feitjes, enz.), v. âs. Consolidatie (dekking voi staatsschuld, verzekering), v. gmv. Cons4»li«leereii (vestigen, verzekeren, dekken). Consonant (medeklinker), v. âen. Consorten (deelnemers, aanhangers, medewerkers), m. mv. Consortinm (vereeniging van bankiers- en handelshuizen, b.v. tot het aannemen wm een leening), o. âs. Cons|»irateiir (samenzweerder, saamgezwo-rene), m. â s. Conspiratie (samenzwering, samenspan-uimi), v. -ties, â tiën. Conspireeren (samenzweren, sauwns/ta)!-nen). Constahel (kanonnier, stal,-meester op schepen; Engelsche politiedienaar), m. â s. Ook: Konstabel. Constant (alg. vast, onveranderlijk, bepaalde waarde vertegenwoordigend, voorgesteld door een letter), bn. Hel getal 71 heeft een âe waarde, is Constant (standvastig, bestem lig, volhardend ; erf,end. heer schend), bn. en bw. ^'onstantie (standvastigheid), v. gmv. Constateeren (bevestigen, bekrachtigen, staven). Een feit â, staven, d. i. met bewijzen waar maken. Constellatie (sterrenbeeld), v. âtiën, âties. Consternatie (verlegenheid, verslagenheid, ontsteltenis), v. âtiën, âties. Consterneeren (met verslagenheid of ontsteltenis vervullen). Constipeeren (hardlijvig maken); â at ie. v. Constituante (Kr. nationale vergadering, quot;«Jl), v. gmv. Const it neeren (vaststellen, verordenen). De â de Vergadering, de grondwetgevende (1795). Constitutie (staatsgesteldheid, staatsrege- ling, grondwet; lichaamsgesteldheid), v. â tiën, â s. Constitutioneel (grondwettelijk), bn. en bw. Constructeur (bouwmeester, inzonderheid van schepen), m. â s. Constructie (meetk. samenvoeging van lijnen of vlakken tot vorming van een figuur, die aan bepaalde gegevens voldoet), v. âs, â tiën. Constructie (vaste of vastgestelde woord-schikking), v. â s. Const met ie-winkel (mil. werkplaats Ie Delft voor wapens enz.), m. âwinkels. Constrneeren (bouwen, oprichten; meetkunstige figuren samenstellen). Consul (gesch. in 't oude Home een der twee hoogste staatsambtenaren), m. â s. Consul (van rijkswege benoemd handelsbeschermer; agent, gevolmachtigde; opperste bewindsman in sommige republieken), m. âs. Coiisiilaat (consuls-ambt; consuls-waardigheid; consuls-woning), o. âlaten. Consulaat (gesch. in Krant,rijk de regeering der drie consuls, onder wie Napoleon de eerste was [1799-1804]), o. Consulair (betre/fende den consul of het consuls-ambt), bn. De âe waardigheid, waardigheid van consul. |
CONSULAIR AGENT-CONTRKMINE.
OT)
Consulair a^cnt (v(tn rijkswege in een ander land anngesield handelsbeschermer met minder bevoegdheden dan een consul), m. âen.
CoiiKiilecron (om raad vragen, raadplegen). Consulent (deslcnnditi raadgever), m. âen. C'OiiKiil-tf'eneraal {algemeen consal), m. consuls-generaal.
Consult (beraadslaging, raadpleging, b.v. van doctoren), o. âen.
Consullalie (raadpleging, beraadslaging), v.
â tiën, âties.
lt;'4»nsullepreu (raadplegen, te rade gaan). t'onsunii^eren (verteren, nuttigen, verbruiken).
ConsuiiK'iit (verbrniker, afnemer), m. -en v. âen.
C'onsuninieoi^n (voleinden, voltooien). Consuinliis Consumptie (verbruik van
levensmiddelen), v. âtiën, âties.
Contact (aanraking, botsing), o. gmv. Contaji'ie (besmetting), \. gmv.
t'onta^'ieus (besmet lelijk, aanstel,et ijk), lm. Conta^'iuni (besmetting, smetstof), o. â gia. Contant (in gereed geld), Itn. Ook: Conip-tant en Kontaul; als zn. o. âen. Contemplatie (beschouwing,bespiegeling), v. Contemplatief' (beschouwend, bespiegelend), i bn. Het âlieve teven.
Contemporair (gelijktijdig), lm. Contenanee (tegennutordigheid van geest),
hondmg, bedaardheid), v. gmv.
Content (tevreden, vergenoegd), bn. Contenteeren (bevredigen, tevredenstellen, betalen).
Contentement (tevredenheid), o. gmv. Conterfeiten (afbeelden, nitschibieren). Conterfort (steenen beer, stat, steanmaar), o. âs, âen. Ook: hielbelegstak. Homtoort. Contestabel (strijdig, betwistbaar), bn. C'ontestabiliteit (strijdigheid, behvistbaar-heid). v. Ook; Contestatie.
Contesteeren (bestrijden, betwisten). Context (inhoad, samenhang der gedachten, redekoppeling), o. gmv.
Continuïteit (aanpaling van grensscheidingen; gemeenschappelijke grens van twee raimten), v.
Continent (het Vasteland), o. gmv. Continentaal (ivat tot het vasteland behoort), bn. Het â stelsel, afsluiting van En-gelands handel door Napoleon 1. (21 Nov. iSOT». ) Contingent (bijdrage, plichtmatig aandeel), o. âen.
Contingent (mil. bedrag aan miliciens volgens de conscriptie te leveren), o. âen. Continuatie (voortzetting; voortduring, aanhouding), v. gmv.
Continiieel {voortdurend, gestadig, aanhoudend), bn. en bw.
Coutiniieeren (vervolgen, voortzetten, voortduren).
Continuo (aanhoudend, voortdurend), muz. Conto (rekening; gewin, voordeel), v. â's; a conto, op rekening; conto corrente, loo-pende rekening; conto fmto, gefingeerde rekening; conto a meta, voor halve rekening. Contoui* (omtrek eener teekening, de buitenste lijnen, uiterlijke vorm), o. en m. â s. tantra, tegen.
t'ontrabancle (smokkelwaar, invoer van
munitie), v. Zie Contrebande. Coiitrabantlist (smokkelaar), m. âen.
Contrabas (basviool, groot strijkinstrument), v. âbassen.
Contraboek (aanteekenboek of tegenboek. in alle opzichten gelijk aan het grootboek; ook: boek, waarin de uitgelote nummers der staatsloterij en van preniieleeningen worden aan geleekend), o. âen.
Contract (verdrag, verbintenis, overeenkomst), o. âen.
Contraetant (iemand die zich bij contract verbindt of verbonden heeft, deelgenoot), m.
â en.
Contraeteeren (zich bij contract verbinden, bij contract overeenkomen).
Vontri\ctie(sa men trekking,ineenkrim))i ng),\\
Contradieeeren (tegenspreken, weerleggen).
Contradictie (tegenspraak; tegenstrijdigheid), v. âtiën, âties.
Contradictoir (tegenstrijdig), bn. Ook: â -torisch.
Contralieeren (samentrekken, vereenigen).
CiMitrainte (dwang, geweld), v.
Contralto (alt, tweede stem), v. muz.
Contra-uiijn (mil. tegen-mijn), v. âen.
Contrapunt (lu;t zetten van harmonie; toevoeging van begeleidende stemmen), o.
Contra-remonstrant (Gomarist, tegen-; stander van Arminius), m. âen.
Contrarie (tegenovergesteld, tegenstrevend), ' lm. en bw.
Contrarieeren (wederstreven, tegenwerken, j dwarsboomen).
Contrasigne (mede-onderteekening), o. â s.
Contrasig-neeren (medeonderteekenen. b.v. een koninklijk besluit door een verantwoordelijk minister).
Contrast (tegenstelling; hoogste trap van onderscheid), o. âen.
Contrasteeren (verschillen, tegen elkaar sterk afsteken).
Contravenieeren (overtreden van wet, verordening of verdrag).
Contraventie (overtreding), v. â tiën, â ties.
Contravisite (tegenbezoek), v. â n, âs.
Contreadmiraal (schout-bij-nacht, onderadmiraal, onder-vlootvoogd), m. â s.
Contrebande (sluikgoed, smokkelwaar), v.
Contrebas (de groote bus of tegenbas, groote basviool), v. âsen, muz. /Ae Contrabas.
Contrebaxuin (een diepe basstem in het orgel), v. âen, muz.
Contreclt;eur (tegenzin, weerzin), o. A â, met tegenzin, noode.
Contrecoup (weerstuit, weeromstuit; tegenspoed, ongeluk), m. â s.
Cont redans (wissetdans, rijendans, waar de paren twee aan twee over elkander staan), m. âen.
Vttntrefort (steunpilaar; 'egenmuur of heer; steunstuk in een schoen), m. âen. Conterfort.
Contrei (omtrek, omstreek; landstreek, oord), v. âen.
Contremandeeren (afzeggen, tegenbevel geven).
Contremarque (het tweede kaartje, dat men in den schouwburg, enz., na afgifte van het eerste ontvangt, om weer binnengelaten te hunnen worden). \. â s; contremarkje, o. â s.
Clt;»ntremarscli (rugwaartsche tocht), m.
â en. Ook: Contra â .
Contreniine (tegenmijn; tegenlist), v. In de
COXTRE-ORDER-CORPUS.
07
|
een tegenovergestelden \vil of zin hebbend, tegenwerkend, dwarsboomend. C ontre-order (tegenbevel), v. â s. Ook: Contra â . C'ontrescarp (tcfiemval, bolwerk; buitenste' steile rand of helling der gracht), v. âen. C'ontrc-sig'iiaal {wedersein), o. âsignalen. C'oiilre-teinpH {tegenspoed* ontijdig voorval, weder jy aardig heden), o. enk. en mv. Contrilmabel (belastingplichtig), bn. C'oiitribiiant (bijdrager), m. âen; âante, v. C'ont ri Inieeren (bijdragen, opbrengen, medewerken). Contributie (schatting, geldelijke bijdrage, opbrengst, belasting), v. â tiën, âties. t'oat vülc (toezich t, opzicht, narekening),\. â s. Controlecrcn (nagaan, toezicht honden op). t'oiitrolenr (ambtenaar, belast met het toezicht), m. â s. ('oiif roli'ur (hevelbarometer), rn. -s. i 'lt;Mit roverse (geloofsstrijd, strijdvraag), v. -n. t'onl rover sist (geloofstwister), m. âen. rontiiberiiaal (huisgenoot, mede-inwoner), m. ânalen. t'ontmnaeie (weerstreving of weerspannigheid', het niet verschijnen voor het gerecht), v. Bij â, bij verstek. t'oiitiiniaeielinixen (gebouwen, waarin de vreemdeli mg en uit besmette landen vooraf cenigen tijd moeten verblijven), o. mv. C'oiitinnax (weerspannig;, bn. t'ontusie (kwetsing, kneuzing, lichte verwonding), v. â siën. Von\i\leseent{genezend,herstellend),hn.;(aan de beterhand zijnde persoon), m. en v. âen. t'onvaleseentie (genezing), v. gmv. lt;'lt;Mivenalgt;el (gepast, raadzaam,geschikt), bn. C'onvenance (gepastheid, voegzaamheid), v. ('onveniëeren (overeenkomen, aanstaan, geschikt zijn). lt;'4»iiveniënt (gelegen komend* geschikt, possend), bn. Convent (samenkomst, bijzondere rijks- of staatsvergadering; plaats van vergadering, klooster), o. âen. Conventie (overeenkomst, verdrag; vergadering)^. -tiën, -ties. De nationaleâ , Aq nationale vergadering in Frankrijk, 1792â'95. Conventioneel (gebruikelijk; volgens zede engebruil,; afgesproken, overeengekomen), bn. en b\v. C'onverg-eeren (gestadig naderen); âde lijnen; âde lichtstralen. t'o ii verdeer en (tot elkaar naderen), b.v. Een âde reeks, wier leden telkens kleiner worden, ('onversatie (gesprek, onderhoud, omgang), v. âtaal, de taal van het dagelijksch levenj de omgangstaal. Ik had nu geen andere -dan Mevrouw. (C. O.) i quot;on ver seer en (een gesprek voeren, verkeer en). t'onversie (verwisseling, verandering in de rente der effecten; bekeering), v. â siën, â sies. t'onverteeren (verwisselen: herscheppen). C'onvex (bol, afgeslepen), bn. Een âe lens, dun afloopend naar den rand. Convictie (overtuiging), v. â s, âtiën. Convineeeren (overtuigen, overreden). Convive ((/ast, genoodigde), m. en v. â s. lt; onvoeatie (samenroeping), v. âtien, â ties. Con voeeeren (sa mei iroepet\). Convooi (geleide; begeleid wordend getal schepen, enz.), o. âen. koenen, Verkl. Handwdb. d. Nederl. taal. |
Convoyeeren (begeleiden, van bedekking voorzien). Convnlsie (stuiptrekking), v. âsiën. -sies. Convulsief (stuiptrekkend, hrampachtig), bn. Coöperatenr (medewerker, helper), m. â s. Coöperatie (medewerking), v. gmv. Coöpereeren (medearbeiden, helpen). Copal (harde, eenigszins gele, barnsteenachtige, doorzichtige hars), o. gmv. Copalvernis (uitmuntend vernis, uit copal-hars bereid), o. âsen. Copie (afschrift), -. â ën. Copilt;klgt;oek (koopmansboek), o. âen. Copiëeren (ofschrijven, nateekenev, naschilderen); â inaeliine., v. â s. Clt;»piens (overvloedig, rijkelijk), bn. en b\v. Een â diner; â eten. Copiïst, Copist (naschrijver, enz.), m. âen. Copnla (voegwoord, verbinding), v. â's. CopnIe4kren (same)ivoegen; vruchtboomen door enting veredelen; uithuwelijken). Coquet (behaagziek, nuffig, pronklievend), bn. Coquette (behaagzieke juffer, nuf), v. â s. Coq net teer en (behaagziek zijn, trachten te behagen). Coqnetterie (ij de Ie behaagzucht; n u ff er ij). v. â ën. Henriet te zag hem met de meest mogelijke â in de oogen. (C. O.) Coqnin (schelm, schurk, fielt), m. â s. Coralline (scharlakenroodr verfstof), v. gmv. Corbeille (verzameling van bruidsgeschenken), v. â s. Cor4iaat (kloek, wakker), lm. Cordelier (monnik, Eranciskaner monnik), m. â s. Cordeliers (geschied, club der Jacobijnen, Dantonisten), in. mv. Cordiaal (hartelijk, vertrouwelijk), bn. Cordialiteit (hartelijkheid, vertrouwelijkheid), v. Cordon (band, snoer; grensketen of grensbezetting, verweerlinie), o. â s. Cordnaan (Spaanseh bokken- of geitenleer uit Cordova), o. gmv. De fiere rossen, met â getoomd. (Bild.) Ook: Marokijn. Conneraan (aalscholver, zeeraaf, zwemvogel), rn. â anen. Ook: Corinoraan. Cornae (olifantsoppasser), m. â s. Kornak. CnriK'i (vroege)' de officier-vaandeldrager), m. âs. Zie ook: Kornet. Cornet (mw/.. blaasinstrument), v. â ten. Een â a piston, trompet met twee of drie kleppen. Ook: Kornet. Cornielie (vooruitstekend deel aan het kroonwerk eencT kolom), v. â s. Corn4»reii* (ambtenaar der Britsche kroon. lijkschouwer, strandvonder), m. â s. Corporale (R. K. linnen, waarop de geconsacreerde hostie rust), v. âalen. Corporatie (broederschap, gild, erkendever-eeniging), v. âtiën. âties. Corpor4'lt;kl (lichamelijk), bn. âe straffen. Corps (lichaam, vereen i /ing, a fleet i mg), o. â en; â de garde, hoofdwacht, wachthuis; â de reserve, spaarbende, noodcorps; â diplomatique, de gezamenl. gezanten aan een hof. Corpulent (zwaarlijvig, gezet, dik), bn. Corpnlontie (zwaarlijvigheid, dikheid), v. Corpus (lichaam; dikte eener lettersoort), o.; â delicti, voorwerp, dat getuigenis geeft van een begane wetsovertreding: â juris, het Wetboek der Romeinen, door keizer Justini-anus in de 6e eeuw bijeengebracht. |
CORRECT-CREATUUR.
98
|
Correct (nauwkeurig, juist, zonder fouten of gelreken, wat voldoet aan de eischen der kunst uf der wetenschap), bn. C'Orrccllieiil (taalk. juistheid, nauwkeurigheid), v. gmv. Correctie (eerbetering van drukwerk, terechtwijzing', straf, tuchtiging), v. â tiën. âties. 1'Orrectief (verbetermiddel), o. â tieven. Correctioneel (verbeterend, niet onteerend), bn. âe straffen, niet onteerende straffen voor lichtere misdrijven. Corrector (verbeteraar van drukproeven), m. â s, âen Correlatief (wederzijdsch; voeling houdend), bn. Corresponcleereii (briefwisseling houden', in betrekking staan met). Clt;»rrlt;'S|M»ii«l«'iit (briefwisselingvoerder; berichtgever', medewerker), m. â en; -ente, v. Clt;n*r«'S|gt;oiilt;lciit ie (briefwisselitig), v. - tiën, â ties. Corridor (doorloop, tusschengang; bedekte weg), m. â s. Corrigeeren (verbeteren, nauwkeurig maken; straffen). Corrmii|M»erlt;»ii (verderven, vervalsehen; om-koopen, misleiden). Corruptie (bederf, verwoesting, verleiding), v. Corsikaan. m. âkanen. De Napoleon I. C'orso {renbaan, optochtsbaan), v. â's. De â te Homo, plaats van den wandelrit van prachtige equipages; bloemen â , wedstrijd met versierde rijtuigen. Cortege (stoet, gevolg), v. â s. Cortes (landstenden in Portugal en Spanje), m. mv. Corvee (leendienst; beurtwerk der soldaten; onaangenaam werk, moe iel ij ke taak), v. â ën. Corvet (oorlogsvaartuig, driemaster, klein fregat), o. âten. Coryphee (voorganger op 't gebied van kunst of wetenschap, koorleider), m. en v. â ën. Cosecans (wisk. lijn), v. âen. CoKiniiK {sinus v.'h. complement), m. âsen. Cosmetiek (middel tot het glanzend maken van het haar), v. âen. Cosino^-onie (leer der wereldschepping), v. gmv. (,o!sni4»^rapliilt;k (wereldbeschrijving), v. gmv. Cosmologie (wereldleer), v. gmv. Cosmopoliet (wereldburger), m. âen. C'0Siii0iK»litaaii9 beter: Cosmopoliet. m. cosmopolitanen. Clt;»siii4»politisclt (als een of van een wereldburger), bn. Cosmopolitisme (wereldburgerschap), o. gmv. CoMiiioraina (draaibaar panorama, wereld-schilderij), o. â's. Cosmos (sieraad; wereld, heelal), o. De â van Alexander von Humbolt, beschrijving van het heelal. Costi (a) (ten uwent, in uwe stad), bw. Goederen a â, d. i. in uw woonplaats. Costiimeii (oude gebruiken, kleed ij), v. mv. Zie ICostinim. Cotangens (wisk. snijlijn), v. âen. C'otelet, v. âten. Zie Kotelet. Coterie (kransje, besloten gezelschap), v. â ën. Cotillon (Fransehe gezelschapsdans in de dagen van Lodewijk XIV; onderrok), m. Cotiseeren (aanslaan, schatten, de hoeveelheid van elks bijdrage bepalen). |
Cottag-e-stelsel (in Engeland het stelsel om 't grondbezit ook in handen van kleine boeren te brengen), o. gmv. Conclie (laag, b.v. in mijnen), v. â s. Conclie! (zwijg stil! bij honden), tw. Conjonnerie (schelmstuk; verachtelijke br-handeling,kwellerij,plagerij), v. â rieën, â ries. t'otilant {vlietend; vlot, zonder haperen), bn. en bw. Coulisse (tooneelscherm; blind), v. â n. Coup (slag, stoot, trap, streek, enz.), m. â s. â d'essai, proefstuk; â dehasard. waagstuk: â de main, overrompeling; â depied, schop; â si filet, gefluit; â de vent, windvlaag; â de soleil, zonnesteek. Coupe (snit, snede van een kleedingstuk), v. -s. Conp^ {afgescheiden voorste gedeelte van een waggon), v. â's. Conpeeren (afzonderen; voorkomen; afsnijden, bekorten). Coupeur (snijden', kleermaker; voorsnijder), m. â s. Coiiplt;kiise (snijdster, kleermaakster, knip-ster), v. â e. Zié: Coupe en C4»iipciir. Couplet ('j'ecl van een lied of een aria), o. â ten; âzanger, m. âs. Coupon {interestbewijs, rentebewijs), v. â s. Coupon (restant, lapje of snipper), v. â s. i'oiipnre (snede, insnijding, geul), v. â s. t'our {hof, gerechtshof), v. Conraye (moed), m. gmv. Coiiragens (moedig), bn. en bw. courageu-zer, courageust. Courant (loopend, gangbaar), bn. â geld. Courant (grove zilvermunt), o. gmv.; ook: (krant, nieuwspapier), v. âen. Courantier (uitgever van of schrijver aan en krant), m. â s. Courtage (makelaarsloon, provisie), v. â s. Court ine (mil. wal, die twee bastions verbindt), v. â s. Courtisan (hoveling; vleier; beminnaar der schoon e sekse), m. â s. Courtiseeren (op vleiende wijze huldigen, het hof maken). Courtoisie (hoffelijkheid, beleefdheid jegens vrouwen), v. gmv. Cousin (neef; titel, welken keizers en koningen aan mindere vorsten geren), m. â s. Couteus (kostbaar, duur), bn. Convenant (verdrag der Schotsche protestanten), o. âen. Couvert (omslag om iets; tafelstel voor een persoon, d.i. servet, bord. mes, lepel en vork),o.-s. Couverture (bedeksel, dekkleed), v. â s. Crack (sport, uitstekend wielrenner), m. â s; lees: krek. Cranerie (dolle streek, uitzinnig gedrag), v. Craniologie (de schedelleer), v. gmv. ('rank (sport, kruk van de trapas van een fiets), o. â s; lees: krenk. Crauk-bracket (sport, trapas-stuk), o. â s. Crapule (gemeen gespuis, janhagel; zwelgerij), v. Crapuleus (liederlijk, laag), bn. Crates (gedrocht, misvormd mensch), m. âen. Cravate (das, halsdoek), v. â n. ('rayon (stift waarmede men teekent; ziuart- krijt), o. â s. Creancier (schuldeiseher), m. â s. Creatie (schepping), v. -tien, âties. Creatuur (schepsel; begunstigde; voortkruie-ling), o. âturen. |
J*
CRECHE âCURIEUS.
|
Crèche {bewaarplaats voor zuigelingen), v. -s. 4'rlt;gt;lt;lict, o. gmv. Zie Krediet. â iiiHtelliiig- (bank van voorschol), v. âen; â vereeni-ging:, v. âen. Credit {heeft te goed', in liet boekhouden: de rechterbladzijde, waarop men aanteekent, wat men ontvangen heeft, het tegendeel van debet), o. mv. credunt. C'rertiteeren (pp vertrouwen geven, borgen, ltvneu; op de credietzijde boeken). Crediteur (schuldeiseher), m. âen, âs. Credo (ik geloof; het eerste woord der Apostolische geloofsbelijdenis, welke h ierdoor wordt . aangegeven', ook inhoudende de geloofsbelijdenis der li. K.), o. gmv. Creduliteit (lichtgeloovigheid), v. gmv. Crlt;gt;4liiiit (zij hebben tegoed), mv. Zie Credit. Creëeren (maken, voortbrengen; benoemen, aanstellen; op het toonee! voor het eerst een rol scheppen). Crematie (lijkverbranding), v. gmv. Crème (room ; fig. voor het puike gedeelte eener zaak), v. gmv. Cremor tartari (room van wijnsteen), m. Creool (Amerikaan, afstammende van Eu-ropeesche ouders), m. creolen; â ole, v. CreoolM'iK'. v., ook Creole, v. Maar â als ze scheen, Westindische als ze was. (Potg.) CreoM^ot (bederfwerend middel bij vleesch, bout enz., ook: bekend middel tegen tandpijn), o. gmv. Creosoteeren (door middel van creosoot tegen bederf bewaren). Crêpe (krip, rouwfloers), v. â s. Crepeeren (omkomen, sterven; springen van bommen). CrcKcendo (toenemend, wassend; muz. trapsgewijze sterker wordende tonen), o. â's. Cresus (zeer rijk koning, schatrijk man), m. â sen. Cretenxeii (inboorlingen of burgers van't eiland Creta), m. mv. Cretium (kropmenschen, idioten in de berg-; streken van Europa), m. en v. mv. Criant (schreeuwend), bn. en bw. Crimen (misdaad), o. Ook: Crime, v. ân. Crimen Isesse majostatis (misdaad van hoogverraad of gekwetste majesteit), o. Criminalist (leeraar of kenner van het lijfstraffelijk recht), m. âen. Crimineel (lijfstraffelijk; schandelijk, misdadig), bn. Crinoline (hoepelrok), v. -s, -n. Crisis (beslissend oogenblik eener zaak; bedenkelijke toestand; ziektehoogte, keerpunt), v. crises. Criterium (ken teek en, kenmerk, richtsnoer), o. criteria. Criticaster (vitter, muggenzifter), m. âs. Criticus (streng beoorileelaar; bediller), m. critici. Critiek (beoor dee ling, toetsing), v. Beneden â, alle beoordeeling onwaardig; deyi toets der â kunnen doorstaan; het tegenwicht der â. Critisch (oordeelkundig, streng en grondig beoordeelend), bn. lt;'ritiseeren (naar den eisch der kust beoordeel en; schertsende bevitten, bedillen, hekelen). Crocus (bo lp I ant), m. âsen. Krokus. lt;quot;roiseeren (kruisen, snijden). Croque-niort (lijkbezorger, scheldnaam voor aanspreker of lijkdrager), m. â-morts. C roquet (dun, hard gebakken koekje), v. â ten. |
Croquis (eerste ruwe ontwerp van een schilderstuk, vluchtige schets, ontworpen volgens oogmaat), o. Croup (keelontsteking, luchtpijpontsteking), v. Ook: Kroep. Croupier (oppasser bij openbare speeltafels: zij halen 't gewonnen 'geld binnen en betalen de winsten uit), in. â s. Cru (ruw; ongerijmd), bn. en bw. Cruciferae (familie der kruisbloemigen), v. Crucifix (kruisbeeld), o. âen. [mv. Cruditeit (ruwheid; ongerijmdheid), \. âen. Cruel (wreed), bn. en bw. Crusado (Portug. munt in zilver en goud, a /1,20 en /quot; 3,00), v. â's. Crypt (onderaardsche kapel, krocht), v. â en. Cr.yptomainen (bedektbloeienden), v. mv. Een beukeboom dicht met â begroeid.(Hordijk). t'uisinier (kok), m. â s. Cuisiniere (keukenmeid; koksvrouw; ook: kookkachel), v. â s. Culbutckeren (buitelen; een luchtsprong maken; den vleugel eener armee overho gt;p werpen). Cul lt;le sac (nauwe straat zonder tiilgang, blinde steeg), o. (mv. culs de sac). Culinair (tot de kookkunst behoorende), bn. C'iilminatie (grootste hoogte, doorgang der sterren door den meridiaan), v.; âpunt, hoogste standpunt eener ster. Ciilmineeren (zich op den hoogsten top bevinden; van sterren: door den meridiaan gaan). Culminatieplint (waar een ster culmineert), o. âen. Culotte {korte broek), v. â s. Culpabiliteit (schuld; strafbaarheid), v. gmv. Cultiveeren (be- of aanbouwen, beoefenen; vormen, verbeteren; veredelen en verfijnen van geest en levenskracht). Culture, v. âs. Zie: Ciiltuur. Cultus (godsdienst, eerediens t), m. (mv. culten). Cultuur (Ind. teelt van tropische producten voor de Europeesche markt), v. cultures. Koffieâ, rijstâ, suikerâ (Java); peperâ (Soematra); tabaksâ (Borneo); kruidnagelâ (Ambon); â van muskaatnoten (Banda). Ciiltnur-stelsel (Ind. samenstel van verordeningen, door het Ned. staatsbestuur uitgevaardigd om thee, indigo, tabak, peper, suiker door de Inlandsche bevolking ten behoeve van het Moederland te doen telen, 1830), o. gmv. Cumuleeren (ophoopen, opstapelen; verscheiden ambten tegelijk bekleeden). Cupido {minnegod), m.; âdootje, o. 4'urabel (geneeslijk, heelbaar), bn. Curasao (drank of likeur), m. gmv. Lees: Ku-ra-sau'. Curas (ijzeren of stalen borstharnas, harnas), o. âsen. Ook: Kurais. Curateele (toezicht, voogdij van een curator), v. lem. onder â stellen, hem het beheer zijner zaken ontnemen. Curator (voogd; toezichthouder, beheervoer-der, boedel redder), m. â s en âen. Ciireeren {verzorgen, beter maken, genezen). Curie (het hof; een domhuis), v. De Room-sche â, het pauselijke hof, de pauselijke regeering, de pauselijke beambten. Curieus (nieuwsgierig; zeldzaam, merkwaardig), bn. curieuzer, curieust. Dat is â.' |
7*
CURIOSITEIT-DAAR.
100
|
t'uriositoit {zeldzaamheid), v. âen. Cursief (schuinsche drukletter), o. â sieven. t'ursoi'iscli {achtereen voortgaande), bn. en bw. i'ursus {loop, leergang, reeks van lessen), m. â sen. Custos {koster, kerkwachter), m. custodes. Cyclisch {tot een Cyclus behoorend), bn. Cycloïde {radlijn, eWptischc gebogen lijn), v. âen. Cyclometcr (sport, afstandsmeter), m. â s. Cycloon {kringstorm in den Atl. Oceaan bij ih' \V. I. eilanden), m. â onen. Cycloop (fab. eenoogige reus, knecht van Vnlcnan), m. cyclopen. Cyclorama {schilderij, tuelke een voorstelling geeft van een geheelen horizon; ook van de opvolgende gebeurtenissen van een zeker tijdvak), o. â's. Cyclus {periode, tijdkring; reeks van sagen, volksoverleveringen, h istorische verdichtselen), m. âsen. In onzeMiddelned. letterkunde heeft men twee âsen van romans, de Karei-en de Arthnrromans. IK v. d's. Vierde letter van het alphabet. Ook benaming van den tweeden toon in de klankladder, re genoemd. II, als Romeinsch getal = 500; DC = »gt;00. enz. D, met een streepje er boven is 5000. In de scheikunde het. IJ vitriool. Igt;.A. â Dicti anni, van het gezegde jaar. â dagelijks, eiken dag. dat. â datum, gegeven, uitgevaardigd, dag-teekening. â In de spraakk. datief, :ie nvl. d.a.v. â daar-aan ol' daar-op volgend. Igt;.C. - Da Capo, van het begin af (in de muziek). «I.d. â De dato, van of op den dag der uitgifte. Igt;.Igt;. â Domini, Heeren, Predikanten, deb. debet, debent. Zie aid. Wee. of lgt;cb.. Igt;cbr. â December, wintermaand. Ilecl. â Declinatie, verbuiging. Ook: afwijking (kompasnaald). lgt;el. â Deiineavit, hij heeft het geteekend (op kunstplaten); ook Deleatur, schrap uit, neem weg (op drukproeven). denz. â denzelven, denzelfden. liep., lgt;ept. â Departement, afdeeling (van bestuur). Igt;eut. â Deuteronomium, naam van Mozes' vijfde boek. II.F. â Deo favente, onder begunstiging van God, of zoo God het begunstigt. igt;.0. - Dei Gratia, door Gods genade. dj;l. â deraelijke. Igt;.II. â Doorluchtige Hoogheid, titel van d.h. â dat heet. ' [een Prins. d.i. â dat is. «tien., dr. â dienaar. lt;1. J. â dezes ja ars. â Doctor juris utriusque, meester of doctor in de beide rechten. |
Cylinder (meetk. omwentelingslichaam, rolrond lichaam), m. â's. Cylinder {ronde zuil, rolsteen', rol), m, â .s. -bureau, o. -'s; -horloge, o. â s. Cynibel, Cymbaal {muziekinstrument, twee holle bekkens), v. âbels, âbalen. Cynisch {schaamteloos), bn. Dat is âe taal Ook: Cinick. Cynisme {onwelvoeglijk, onbeschaamd gedrag), o. gmv. Ook: Cyniek. Cypersch, Cyprisch, bn. De â e kat van tante Stastok, een soort van groote grijszwarte kat, stammend van 't eiland Cyprus. Cypres {altijd groene naaldboom in Europa en in Arte), m.âsen; â boom{gewo)ir ril pres in het Mississippi-dal), m. âen; --senhout. o. gmv.; â senlaan, v. âlanen. Cyprus {eil. in de Middelt. Zee), o. â prioten {bewoners of inboorlingen van â). Cxaar {keizer van Rusland), m. Czaren. Ook: Tsaar. i'xarc^uitsj {zoon des Russ. keizers; troonopvolger), in. Ook: TsarewitsJ. [Ook: Tsarina. | Czarina {keizerin van Rusland),x. ârinnen. Igt;iusd. â Dinsdag. IHsc. â Disconto. Zie aid. IHsp. â Dispositie, beschikking. Igt;istr. â District, afdeeling b.v. eener schoolinspectie. Igt;iv. â Dividend. Zie aid. IK^I. â Doctor medicirute, doctor in de geneeskunde. d.m. â dezer maand. do. â dito, wat reeds gezegd is. lgt;octors â Doctorandus. IMgt;.M. â Deo optimo ma.rimo, aan den besten en hoogsten God. ]gt;oud. â Donderdag. Igt;r. â Doctor. Igt;r. phil. â Doctor philosophiae, doctor in de wijsbegeerte. lgt;r. th. â Doctor theologiae, doctor in de godgeleerdheid. l»s. â Dominus, lieer, predikant. 1gt;.S. â Dal Segno, van het teeken af te spelen (muziek). duiz. â duizend. dv. â dienstvaardig. dw. â dienstwillig. llaad, v. daden. lem. met raad en â bijstaan, met .'ille middelen steunen. Igt;aa$;-s {per dag, iedercn dag, een dag), bw. Hij verdient een gulden â; â schijnt de zon , hij kwam â te voren, den dag te voren. Igt;aa$£sch, bn. Een âe jas, voor den werkdag; een âe hoed. Haarster (rechtst. eischeres, klaagster), v. -s. Haal {buis in een scheepspomp), v. dalen, llaahler {oud-Holl. munt van f 1.50), in. â s; â splaats {de eerste rang in den Amst. schouwburg, fig. beste plaats), v. âen. Haar {op die plaats), bw. Uw hoed ligt â aan, âachter, -beneden, âbij, - |
DAARLATEN - DANK.
101
|
-boven. â enteren, âheen, -toe. â -voor, enz. Daarlaten (Inlen rusten), ik liet daar, heb daargelaten. Dit daargelaten, d. i. niet in aanmerking genomen. Daarzijn. o. Het â van, liet bestaan van. naarzontler, bw. He gebruik een bril, en - kan ik niet lezen. w. g. Ihias (paardevlieg), v. dazen. gew. Ila capo (nog eens, van voren af aan), muz. Ilactylologrie (vingerspraak, eig. vingerre-kenknnst), v. gmv. Ilacl.vlns (dichtk. trippelmaat), ni. gmv. Iladel (dadelpahn, tropische boom van ± r»U roet hoogte), m.; de vrucht, v. â s. l»alt;lol|mlni. m. âen. Zie: lgt;adâ¬kl. Igt;alt;lel|»riiini (boom in Z. Europa en N. Afrika), m. -en; (vracht), v. Dader {bedrijver), m. â s. liadin^- (vergelijk, overeenkomst), v. âen. Da'inon (geest, bovenaardsch ivezen), m. daemonen. Er ivaren goede en booze âen. Ifeig'. in. en. Vóór â en dauw, zeer vroeg; de jongste de dag des oordeels; fig. een gat in den â slapen, zeer laat te bed blijven; aan den â komen, ontdekt worden; aan den â brengen, aan het licht brengen, uitbrengen; een mijn in den â, boven den grond. Dajff, dasjie (degen, ponjaard), v. âgen. â tabblad (krant, die alle dagen verschijnt), o. âbladen. Dag-boog: (dagcirkel van een hemellichaam), m. âbogen. Dagbroer (hansworst van speculaas), m. â s. Dagdief (luie werkman), m. âdieven. Dagdieven, ik heb gedagdiefd; â dieverij, v. Dagelijks, bw. Wij werken â. Dagelijkseh, bn. Het â brood. Dagen (dag worden), het daagt, het heeft gedaagd. Dagen (voor het gerecht roepen), ik heb gedaagd; âger, m.; â ging-, v.; gedaagde, m. en v. Dageraad (morgenstond), m. De - des levens, de eerste kindsheid. De â van het jonge lings leven. (Po tg.). Dagge (ook: dag, d. i. korte degen), v. â n. Dagiooner (losse arbeider), m. â s. Dagon (afgod der l'hilistijnen), m. Dagorde (lijst der te behandelen onderwerpen), v. gmv. Dagorder (bekendmaking, afkondiging in het leger), v. â s. Dagteekenen, ik heb gedagteekend; â -uilig, v. Daguerreotype (licht- of schaduwbeeld, naar de uitvinding van Daguerre), v. â n. Dagnerreotypeèren (naar het leven af-schuduwen). Dagnerreot.ypie (het vervaardigen van lichtbeelden naar de uitvinding 'van Daguerre), v. â dagvaarden (voor het gerecht dagen), ik heb gedagvaard; âding-, v. Dagvaart (vergadering der Staten), v. âen. Ter â komen, â houden. laagvlieg (haft), v. âvliegen. â dagvlinder (kapel die bij dag rondfladdert)^ ni. â s. â dahlia (plant), v. â's. De bloem heet naaiden Zweedschen kruidkenner Dahl, in 1789 overleden ; zij komt uit Mexico. U. |
Dainiio (Japonsch vorst), m. â's. Daïro (de geestelijke keizer of Mikado in Japan), m. â's. Dajakker (inboorling van Borneo, men-scheneter), m. â s, ook Dajaks. lgt;ak. o. âen. lem. iets op zijn â schuiven, hem een of anderen lastpost bezorgen; iets op zijn â krijgen, den last van iets krijgen; 'tem. iets op zijn â geven, een pak slaag, grove berispingen enz. geven; onder â zijn: geborgen zijn; iets van de âen verkondigen, met luid gerucht alom bekend maken; er is te veel â op 't huis, er zijn te veel onge-wenschte ooien. Dakenlook (Jupitersbaard), o. gmv. Het â heeft vleezige bladeren in rozet vorm (groeit op daken). Dal, o. âen. Een komvormig â. Dalem (Ind. woning van een Regent), m. â s. Dalen (omlaaggaan), ik ben gedaald; â ing-, v. Dal km id. o. gmv. Het Meizoentje en het lelietje der dalen behooren tot het â. Dalmatiea (opperkleed met mouwen, misgewaad der li. K. diakenen), v. â's. Dalton iKine, Daltonismns (ooggebrek, kleurenblindheid), o. gmv. â dam (een van aarde opgeworpen water keering), m. dammen. Dam (dubbele schijf), v. âmen. Damar (Ind. Borneo, hars uit den Duma ra-boom), v. gmv. Damatieeeren (metalen, inz. degens en sabels met gevlamde figuren versieren); âring. v. Damaseener (gevlamd, geaderd; van uitmuntend staal), bn. Een â kling. â damast (gebloemde zijden of linnen stof), o. â en. Dambord (geruit bord waarop het damspel u es pee ld wordt), o. âen. Dame, v. â s; â d'honneur, staatsdame; â de compagnie, gezelschapsjuffer; â de la halle, vischvrouw, negotievrouw; â du demi-monde, niet eerbaar vrouwspersoon. â dameseonp^ (coupé in een spoorwagen, voor dames), v. â's. Damhert (geweidragendeherkauwer), o. â en. â damiaatjes (klokjes in Haarlem, uit Da-miate) o. mv. Dammen (een dam leggen; ook dam spelen). ik heb gedamd; â mer, m. Damoeles (het xwaanl van) (d. i. een altijd door dreigend gevaar). â damp (wasem, rook, nevel), m. âen. â dampen (uitwasemen, tabak of sigaren roo-keït), ik heb gedampt; â per, m.; â ping, v. â dampig' (nevelig), bn. In het â verschiet. â dampkring (luchtruim, luchtomhulsel), m. â en. â dan, bw. en vw. Nu en â. Hij is groot er â ik; de dokter kwam, â het was te laat. Danaïden (het vat der â vullen), d. i. een nutteloozen of hopeloozen zwaren arbeid verrichten. â dandin (onnoozele bloed, zot), m. â s. â dandineeren (lungs de straat slenteren). Dandy (saletjonker, fat, modegek), m. â dy's. De â in zijn frak. (Klikspaan). â danig (erg), bn. en bw. Hij heeft zich â bezeerd. â dank (betuiging van erkentelijkheid), m. â en. lem. â weten (en niet wijten), d. i. in dank iem. als den bewerker beschouwen; tegen wil en â, ondanks. |
DANKEN - DECEMVIRAAT.
102
|
llaiikon (dank betuigen), ik heb gedankt; â flap:, m.; â oflTer, n. Ilankxi^p-cn, ik heb dankgezegd; â ^ing-, v. Igt;aiis, m. âen. St.-Vcitsâ of St.- Vitusâ. â kramp, âwoede; lig. den dans ontspringen, liet gevaar ontkomen; aan den â raken, fig. in gevecht komen. Haiisant (dansend; waar gedanst wordt), bn. en bw.; tlK1â, theevisite, waarna wat gedanst wordt. Ihmscii. ik heb gedanst; âer. m. Fig. Het â der muggen] naar' iem. pijpen â, aan zijn grillen voldoen; â kimsf. v. liaiite. Igt;aiit (loshol, doorbrenger), m. â s. vero. lla]»per {moedig), bn. en bw.; â lieifl. v. Igt;ariii, m. âen; âkanaal, o. llarniM'lioil (eig. darmsrheidsel), o. gmv. Dartel {uitgelaten), bn. en bw.; â lieifl (dartele daad), v. Dartelen {huppelen, stoeien, fladderen), ik heb gedarteld. ]gt;ar%viiiisiiie. lgt;ar\« iiiisiinis {leer van Darwin over het ontstaan der plant- en diersoorten), o. gmv. Ilarwinist {aanhanger van Darwin), m. - en. Das (zeker roofdier, tot de zoolgangers behoor ende), m. âsen. Das (halsdoek), v. âsen. Een â omdoen. Dat, vnw. - huis; het schip, â daar zeilt. Ook vgw., Ik hoop maar, â gij komt. Data (daadzaken; gegevens), o. mv. Dateeren (dag tee kenen); â injr. v. Datief' (derde naamval), m. â tieven. Ook: Dat i vns. Date» (op den gezegden dag), bw. De â, van den zooveelsten der maand. Datoe (Ind. Inlandseh hoofd), m. â s. Datum (dagteekening), rn. â s en data. Danpliin (vroeger, tot 1830, titel van den kroonprins van Frankrijk), m. â s. Danpliine (gemalin v. tl. Dauphin), v. â s. Dauw (v'.eht), m. Hij is o/) vóór dag en â, zeer vroeg. Dan wel (trage vrouw), v. â s. Danwelen (talmen, zeuren), ik heb gedau-weld; âlaar, m.; â larij, v. Dauwen (het vallen van den dauw), het heeft gedauwd. Dauwtreden, -trappen (op den 2en Pinksterdag in den vroegen morgen buiten de stad vrijheid en blijheid vieren). Dauwworm (hoofduitslag bij kinderen), m. gmv. Daveren, het heeft gedaverd; -iiiB (schudding)^ v. Daviaan (veiligheidslamp voor mijnwerkers), m. â anen. Davitls (ijzeren stangen, waaraan op zeeschepen de reddingsbooten zijn opgehangen), m. mv. Davos (aardr. Zwitserl. Iuchtgeneesoord in de Rhetische Alpen), o. gmv. De, lidw. â koning, â prinses, â mensa hen. Delmele (verwarring), v. en o. Fig. omverwerping, volkomen ondergang. Delmllag'e (ontpakking, uitpakking), v. â s. Delmlleeren (ontpakken, uitpakken). l^elmllota^e (afwijzing bij stemming), v. Delmlloteeren (d-jor stemming met balletjes afwijzen, verwerpen of afkeuren). lielmiKleeren (uit elkander loopen, verstrooi sn). IK'bareatli're (ucmlegplaats, losplaats), v. â s. |
Igt;ebar4|neereii (ontschepen, aan land gaan of zetten). Debarrasseeren (losmaken, ontwarren; ontslaan). Zich van iem. â. Debat (beraadslaging; bespreking), o. âten. Zie; Disenssie. Debat inpelnb (club van debaters, personen, die zich oefenen in het debat), v. âs. Debatteeren (het voor en tegen bespreken). Debanelu1 (losbol, lichtmis), m. â's. Igt;ebaiielieeren (zwelgen, los leven, liederlijk zijn, verdierlijken). Debaiieheiir (losbol, liederlijk mensch), m. Debent (zij zijn schuldig), mv. van Debet. Debet (hij is schuldig), bn. Igt;ebet (in het hoekhouden: schuldzijde), o. In het â, up de schuldzijde, onder de schuld posten. IH'biet (aftrel:, verkoop, vertier van waren), o. Debillteeren (verzwakken, krachteloos maken). Debitant (rerkoaper in 't klein), m. âen. Debiteeren (omzetten, verkoopen, aan den man brengen; aan de debetzijde boeken). Leugens â, d. i. opdisschen. Debiteur (schuldenaar), m. â s. Debordeeren (buiten de oevers treden). Fig. Te ver gaan, uitspatten. D^bonelrf (lengte, bergpas, mond, uitgang: gelegenheid om zijn waren met voordeel van de hand te doen), o. â s. Debonelieeren (uit een en gen pas te voorschijn rukken ; van de hand doen, ontkurken). Debonrseeren (betalen, voorschieten, uitschieten ; vrijhouden). Debris (overblijfsels, wrak, puinen), o. mv. Debrouilleeren (ontwarren, ophelderen). Debriis«ineeren (dot vijand uit een voor-deelige stelling verdrijven; den voet lichten). De bnt (aanvang, eerste optreden van een tooneelspeler), o. âten. Ook Debuut. Debutant (iemand die zich pas laat hooren, nieuiveling, beginner), m. en v. âen. Debuteeren (optreden als kunstenaar; zich op proef laten hooren). Debuut (b eg in, eerste optreding), o. Ook; Debut. Deea (tien, tienmaal), bw. Zie: Deeaffrain. Deeade (tiental; ook: tiende dag), v. ân, âs. Deeadenee (afneming, verval, val), v. lgt;eeap'ram (10 Ned. wichtjes = 1 Ned. lood), o. âmen. Decaliter (10 Ned. kop = 1 schepel; ook : 10 Ned. kan), m. â s. Igt;eealque (overdruk of tquot;genafdruk op hout, metaal, steen enz.), v. âs. Deeal4|ueerlt;kn (overdrul ken). Deeameter (10 Ned. metgt;'r = 1 Ned. roede), m. â s. Deeam|gt;elt;'ren (uit een kamp opbreken, aftrekken; zijn biezen pakkend. Deeanaat (gebied van een deken), o. -naton. Deeapitatie (onthoofding), v. â tiën, âties. Deeapitlt;Hkren (onthoofden, onthalzen). Deeastere (10 Ned. kub. meter), v. â n. Deeatiseeren (het laken perst n in de stoom pi ers). Ook: Deeateeren. Deeecleereu (weggaan, -wijken; fig. overlijden). De eel eer en (aan het l ich t brengen,on tdekkei /). December (wintermttand), m. Deeemvir (tienman), m. â s; decemviri. Decernviraat (tienmanschap), o. |
DECENNIUM-DEFAILLEEREN.
103
|
IleeeiiniunB {tiental jaren), o. âs. (eerbaar, iveleoefjliji;), bn. Deceptie (hedron, quot;lisleidimj), v. âties, âtien. |gt;eeeriieereii (gerecht, toewijzen, toel.ennen). lgt;4gt;eliarK'e (ontlastimj; ont/K'IJÃmj; loshran-dinij). v. Getuigen a â, in het voordeel van tien beschuldigde. IKM'harjyeereii (afladen,ontlasten, tossen, af-euren', ee,-lichten, kwijt schel den, rrijspreUen). ]leeliill'reeren (ontcijferen, ontraadselen). Ilelt;*i (tiendedeel), b\v. Zie â ^ram, â liter. igt;eei«ieereii (beslissen, 'lits/iraal,- doen, beslechten). Deeigrani (^ io Ned. wichtje = / Ned. korrel), o. âmen. Heeiliter (Vio Ned. kan of kop = 0:1 L. = / Ned. maatje). ileeiinaal (tiendeelig), bn. De decimale breuken, d. i. waarvan de noen.er 10 of een macht van 10 is; het decimate stelsel run maten en gewichten. Ileeimeeren (dunnen, zier in getalsterkte verminderen', eig. bij muiterij: loten om den tienden man, zoodal ran elke tien één met den dood gestraft wordt). Deeinieter ('/io Ned. el = OA M. = i /talm), m. â s. Ileeisie (besluit; beslissing, rechterlijke uitspraak), v. â siën, â sies. ken â nemen. neeisief (beslissend, stellig), bn. en bw. Deelstere ('/io lgt;ab. M. = l'X) kub. palm), v. â n, â s. Deelamatie (kunstmatige roordracht, pronkende woordenpraal), v. â s, â tiën. Deelamator (kunstmatig spreker), m. â s, -en. Deelaniatoriiiiii (kunsteoorlezing, redeoefening met muziek en zang), o. â ria. Igt;eel3iiiieereii (voordragen naar de regelen eau goede uitspraak en met gebaren; met smaak en uitdrukking iets voordragen ; tegen iels uitvaren, opsnijden). Deelarant (aflegger van een verklaring), m. â en. Declaratie (verklaring, aangifte van goederen aan tolkantoren, enz.), v. âtiën, âties. Declaratoir {verklaring v. e. dokter), o. âs. Declareeren (verklaren,openbiiren; aangeven can goederen, doen weten, bekendmaken). Declinatie (afwijking; in minachting bren-ging; verbuiging), v. âtiën, âties. Dccliiieereii (van de hand wijzen; afwenden, van zich af keer en; in minachting brengen; verbuigen). lUieoetnm' (afkooksel, kruidendamp), o. gmv. Decollatie (onthalzing, onthoofding), v. â tiën, âties. Decolleteeren (zieli) (hals en schouders zeer ver ontblooten). Ook: Decolteeren. De elt;»iicert (eensgezind, met wederzijdsch goedvinden, eenstemmig), bw. Deconclt;krtelt;kreii (dwarsboomen, teleurstelling doen ondervinden; uit het veld slaan, verbluft doen staan). Decoiiteiiaiiceeren (uit het veld slaan ; verbluft doen staan). Decorateur (tooneelschilder), m. â s. Decoratie (versiering, ridderorde; tooneel-sehilderwerk), v. âtiën. âties. Decoratief (versierend), bn. en als zn. (versiersel, tooneelschilderwerk), o. â tieven. Deeoreeren (versieren, met een eereteeken begiftigen. |
lgt;ecors (kamer-, tooneel versiering), m. mv. Decoriini (het welvoeglijke, geschikte betamelijke, passende), o. Zijn â bewaren, zijn fatsoen ophouden. Decoiipeereii (afhouwen, in stukkensnijden, voorsnijden; iig. kwaadspreken, belasteren). Decoura^eaiit (ontmoedigend), bn. en bw. I^couras'ecreii {moedeloos of neerslachtig maken, ontmoedigen). Deerediteeren (iemands vertrouwen of krediet ondermijnen of vernietigen; in een kienden reuk brengen). Decreet (besluit), o. -eten. Decrepitude (afgeleefdheid, bouwvalligheid, verval), v. gmv. Decrescendo (afnemend, wanneer do tonen immer zwakker worden), o. muz. Decresseereu (afnemen, verminderen'). Decreseeiitie (afneming, verminderimj), v. Decreteereu (besluiten, vaststellen, bevelen). Decrotteeren (afborstelen, reinuien. zuiveren, poetsen). Deerottenr (schoenpoetser), m. â s. Deeiipleeren (tienmaal nemen) lgt;elt;lai{^iieereii (verachten, versmaden). Dedaig-iieus (smadelijk, hoonend), bn. Dedaiu (minacht'nig), o. gmv. Dedilt;*atie (opdracht, toewijding), v. â tiën, â s. Dedicatie (Rome: plechtige toewijding van een openbaar gebouw aan de godheid), v. â s. Dediceeren. Dedieeren (opdragen, toewijden of toe'èigenen). IK'donimageeren (schadeloosstellen, vergoeden). Dediiceeren (door afleiding bewijzen). Deductie (afleiding; uiteenzetting, ontwikkeling, gevolgtrekking), v. âtiën, â s. Deduct iet' (afleidend), bn. en bw. De â tieve methode, van liet algemeene tot het bijzondere afdalend, b.v. in wiskunde. Deejr. o. âen. Fig. Zij zijn allen van één â, van dezelfde soort. Deel (gedeelte), o. âen. Deel (plank, dorschvloer), v. delen. Deelaclitig- (deel hebbende aan of in), bn. Om Gods genade â te worden. Deelbaarheid { eigenschap der lichameyi), v. Kleurstof, reukwerk bewijst de â ; (rekenk. ontbindbaarheid in factoren), v. gmv. Deeleu. ik heb gedeeld; âer, m.; âiu^*, v. Deelgenoot (deelhebber), m. âen. Deelliebber (aandeelhouder), ni. â s. Deeliieinen, ik nam deel, heb deelgenomen; â er, m.; âinfs, v. Deeliieiiiend(medelijdend),hr\. Een â woord. Deels, bw. Dit mengsel bestaat â uit goud. Deeltal, o. âtallen. [â uit zilver. Deelwoord (naamw. vorm van het werkw.), o. âen. Er zijn tegenwoordige en verleden âen. Stervend is een tegenw. â; gestorven is een verleden â. Deemoed (nederigheid), m. gmv. Deenioedi^r, bn. Een âe houding; â lieid, v. Deemoediji'en (verootmoedigen, vernederen), ik hel» en ben gedeemoedigd; â ingv v. Deerlijk (jammerlijk, erg), bn. en bw. Deern, Deerne v .deerns, ân. I^ernis (medelijden), v. gmv. Igt;eeseiii (deeg), m. â s. Deesemen, ik heb gedeesemd. Het brood â, zuurdeeg in het deeg doen. Defailleeren (missen, in gebreke blijven; den gestelden termijn verzuimen). |
DEFAUT - DELOGEEREN.
104
|
Defaut (gebrek), m. â s. l»elav«rabol (onutmstkj), l)n. Defect (gebrek, tekort), o. âen. Detect (beschadigd,stu^), bn. De pnni/gt; is ]gt;etectief (gebrekkig, beschadigd), bn. Detendeeren (rerdédigen). Zich Defensie (verdediging), v. âsiën, âsies. Igt;eteiisief (verdedigend, uerirerend), bn. â ieve alliantie, verbond van wederzijdscbe verdediging. llefereereii (den voorrang verleenen of toe-kennen; toegeven', op een eed vorderen). ]gt;efereiit (aangever, aanbrenger), m. âen. Ileferentie (insehikkelijkheid, gehoorzaamheid uit eerbied), v. â tiën, âties. lgt;eti (uitdaging, tarting), o. gmv. IK^tiance (misiroawen, n'antrouwen), v. lleticit (tekort), o. â s. Deti^'iireeren (wanstaltig maken, misvormen). IK'liló (engte, holle weg; oprukking in gelederen), o. â's. ]gt;etileereii (een engte of een hollen weg doortrekken; in smalle gelederen oprukken). l^etiniecreii (nauwkeurig bepalen; duidelijk verklaren). Ook: Defineeren. lletinitie (juistebepuling, duidelijke omschrijving), v. âtiën, âties. Detinitief (beslissend, afdoend), bn. en bw. lleforin (misvormd, wanstaltig), bn. lgt;eformiteit (mismaaktheid), v. âen. lletraiKlatie (bedrog, ontduiking, sluiking), v. â s, âtiën. Defrayeeren {vergoeden, vrijhouden, bestrijden). ]lefriclieerlt;kii (woeste gronden of braakland, bebouwbaar maken, ontginnen). Heftig- (voornaam, statig), bn. en bw.; â -heid. v. llegageereii (bevrijden, los of vrij maken). Igt;e$fariieereii (ontblooten, de versiering van iets afdoen). lgt;ege, Igt;ees', v. Gebruikelijk in: terdege, terdeeg, d. i. goed, voortreffelijk; deeg hebben, vermaak hebben. ]gt;egel (ijzeren of koperen plaat aan een handpers), m. âs. Igt;eg:elijk (goed, gescb ikt), bn. en bw.; â lieicl, v. liegen (stoot- of scherm wapen), m. â s. llegene, bep. aank. vn. â n. Wie is â, die u gezonden heeft? lgt;egeiiereereii (ontaarden, verwilderen). Wogortt (afkeer, walging, tegenzin), m. gmv. Degofttant (walgingwekkend), bn. Degocïteeren (walgen, afschrikken, tegenzin inboezemen). lgt;e grace (met verlof, wat ik u bidden mag). llegradatie (mil. verlaging in rang als straf), v. âtiën, â s. Degradeeren (afzetten, verlagen, vervallen verklaren, iemand van zijn post ontzetten). lgt;egrai*«seiir (vet-uitmaker), m. â s. Ilegré (graad, trap), m. â's. llegiiiseeren (vermommen; fig. verbloemen). lgt;e gustibiiH non est clisptitaiKlmn (over den smaak valt niet te twisten). lleliors (buitenkant, buitenzijde; de buitenwerken van vestingen; het uiterlijke), o. 1gt;eïfieatie (vergoding), v. â s, âtiën. lgt;einen (zachtjes golven), liet heeft gedeind; â ing, v. De âing der Eeuw. (Da Costa.) Deinzen (wijken), ik heb en ben gedeinsd; -ing. v. |
Deïsme (redegeloof, godisterij). o. gmv. Deïst (iemand die wel aan God, maar niet aan de openbaring gelooft; naturalist, vrijdenker), m. âen. Deistiscli(overeenkomstig methetdeïsme),hr\. Dejeiineeren (ontbijten). Dejeuner (ontbijt), o. â s: dejeuner it In four-chette, ontbijt met de vork, warm ontbijt. De jure (van rechtswege), bw. Dek o. âken. Zeew. verâ, b.v. halfâ. loosâ; lig. zonder â of kleed, geheel berooid. Deken (overste), m. âen, âs. Hij was â van het gild; hij is li. K. â en pastoor. Deken (dekkleed), v. â s. Dekken (bedekken, overdekken), ik heb gedekt. Een dak metstroo â ; de tafel â; zwh â. d. i. den iioed opzetten; handel: zorgen, dat men zonder schade een speculatie kan eindigen; een tekort â, in het ontbrekende voorzien; de troepen â, beschermen, verbergen, b.v. achter een heuvel, een heg, enz. Dekmantel (Vig.glimp, voorwendsel), m. â s. Onder den â van godsvrucht. Dekriet (dekstroo op een boerenhuis), o. gmv.; âstroo, o. gmv.; âstuk (bouwk. waterbord, schoeiing), o. âken; âverf (grondverf), v. âverven. Deksel, o. â s. Een pot zonder â. Del (laagte, dal, vallei), v. â len. vero. Delabreeren (ontredderen, doen vervallen, verwaarloozen). Een gedelabreerd huis. DclaKKenient (verademing, verpoozing), o. Delatie (heimelijke aanklacht), v. âtiën, â s. Delator (aanbrenger, verklikker), m. â s. Dele. Deleatnr (op drukproeven voorgesteld door een Ã, d. i. men delge uit, neme weg). Delecteeren (vermaken, verheugen). Delegaat (gezant, afgevaardigde), m. âgaten. Delegatie, v. â s, âtiën. Zie Delegeeren. Delegeeren (afzenden, afvaardigen). Delenda Carthago (Garth, moet vernietigd worden). Uitdrukking als slotterm van Cato den Ouden. Delfstof, v. â fen. Zie: Mineraal. Delfstotfenrijk, o. gmv. Delfstof kniKle (wetenschap, stelselmatige beschrijving der mineralen), v. gmv. Delgen (vernietigen), ik heb gedelgd. Schulden â, afbetalen; âer, m.; âing, v. Deli. verkorting van Delicieus, bn. en bw. Deliberatie (beraadslaging, overweging), v. â tiën, â s. Delibereeren (beraadslagen, overleggen). Delicaat (teeder, teergevoelig; welsmakend, lekker; kiesch, he use h, bescheiden), bn. en bw. Delicatesse (lekkernij; heuschheid, bescheidenheid; kieschheid), v. Delice (vermaak, lekkernij, geneugte), v. â s. Delicieus (kostelijk, zeer aangenaam; lekker), bn. en bw. Delict (misdrijf), o. âen. Ook: Delictum. Delicti (corpus) (overtuigend bewijsstuk eener misdaad), o. Zie Corpus. Deli nice ren (teekenen, ontwerpen). Delinquent (misdadiger, overtreder), m. âen. Deli re. Delirium (waanzin, razernij, ijlhoofdigheid), o. â tremens, dronkenmans-waanzin. Delivreeren (bevrijden, verlossen, redden). Delling (laagte, dal), v. âen. Vlaamsch. Delogeeren (verhuizen, verdrijven, verdringen). Den vijand â. |
DELPHI - DEPOSITARIS.
|
IK'lplii (gesch. stad in Griekenl., landschap I'lmcis, met het orakel van Apollo), o. gmv. BU'lpliienen (handvatsels van kanonnen), v. niv. IH'lta (driehoek tnsschen rivierarmen), v. â's. De Nijlâ, de Rijn â , de de Memelâ. IH'llaspier (bovenal'mspier), v. âen. Dcliiw (loodkleurig, vaal, bleek), bn. \v. g. IK'lven (araven, uit- of omspittm), ik dollquot;, heb gedolven; een graf â : â cr,m.; â injr. v. Ilcina^o^'ic (volksleiding), v. gniv. lleiiia^o^iKCli {volksleiderld, oproerstokend), bn. Igt;oiiiaproo^' (volksmenner, aanvoerder van de volkspartij), in. âgogen. IM'inaii. m. â s. Zie Olieman;;'. IN'inaiideeroii (aanbevebm. toevertrouwen). Iloinarcatie (begrenzing, a fpaling), v. â lijn, d. i. grenslijn, scheidslinie i.i tijd van oorlog. lgt;oiiiarclie (gang, tred; stap, poging), v. â s; â.s' maken, d. i. stappen doen, pogingen aanwenden. lU'inaKqu^ (ontmaskering, einde van een (gemaskerd bul), o. â quot;s. lloniasqueeron (on t mas keren). Dcnwlcorcii (ontwarren, ophelderen). Ilcnioiiti (logen sir tiffing), o. gmv. IH'ini (half)\ a â, ten halve; --fortune, vierwielig rijtuig niet óên paard; --mésure, gebrekkige maatregel; --rel'ef, halt' verheven beeldwerk; âsaison, dunne overjas in t voor- en najaar; --teintè, halve tint (bij schilders); âtour, halve wending; â-volte, halve zwenking. Ili'iBifcMie (ontslag, ivegzending), v. â siën, â sies. Zijn â nemen, krijgen. Dcmitfcorcii (ontslaan, wegzenden). Illt;'itilt;»l»ilislt;*ereii (ontwapenen, op voet van vrede brengen; roerende goederen tot onroerende verklaren). Igt;eiiilt;»eraat (aanhanger of voorstander der volksregeering), m. âaten. IH'iiiocratio (volksheerschappij, volksregeering), v. gmv. Iloiiioeratiscli (volksgezind; voor of van de volksregeering), bn. IH^moeriet (iemand, die bij alle aangelegenheden de zaken van den lach wek kenden kant bekijkt), m. Vglk. lleraelfrt. Igt;(kinlt;»ii (duivel), m. âs. Ook: lla'mon. lgt;lt;kiiioiietiK2itie (buiten koerssteHing), v. gmv. IHkinoiicktislt;Hki*eii (ait den omloop nemen van munten). Mlt;kmoiiisc*li (duivelsch), bn. Een âe lach: iets met âen wellus' genieten. (C. O.) IUkiiioiistratie (vei'toom naking, duidelijk bewijs, betoog), v. â tiën, âties. Ih'iiioiistreercMi (bewijzen, betoogen). nlt;kiiioiit«ervii (afzetten, uit den zadel lichten; het geschut onbruikbaar maken of tot :wijgen brengen). l^oiiioralisatie (vernietiging van alle plichtsbesef, zedenverbastering), v. gmv. Donioralisccreii (alle plichtbesef vernietigen bij iemand: moedeloos maken). inortiiis uil nfci bone (van de dooden niets dan goeds nl. te zeggen). IK'iiiostliencs (gesch. Griek, grootste redenaar, in Athene, 384â 322 v. C.), m. IH'iiipen (smoren, vullen), ik heb gedempt. Als het kalf verdronken is, dempt men den put, het herstel komt doorgaans te laat; -er, m.; â ing-? v. |
(dampig; vol op de borst), bn.; â -iK'id, v. IK'ii (naaldboom}, m. â nen. 11« quot;â â aE'iiis (Rom. zilveren en gouden munt, ± f OfiT*, f 3,75), m. -ril. lgt;(kiiatiii*aliso4krckii (het burgerrecht onttrekken). Ilonattireeren (van natuur doen veranderen'. doen ontaarden; misvormen', verbas- teren). lloiilt;liinlt;f (Ind. gedroogde stukjes vleesch), v. gmv. IH'iKlriol (boomsteen, steen met bladafdruksels), m. âen. Igt;4'iiig;iaeereii (zwart of gehaat makeu, belasteren). IU;nlib4k4'l4l (gedachte, begrip), o. âen. Zich een â vormen; zijn âen mededeelen. 1^4'â â Itl»4'4'l4li}i' (ingebeeld), bn. Een â mezen, een â gelul:. IHgt;iik«kii)k (denkbaar, mogelijk), bn. en bw. Denken (peinzen, zich in den geest bezighouden), onr. ik dacht, heb gedacht; â er, m. IW'iikkraelit (vermogen van den geest), v. gmv.; â vermogen, o. gmv. ]gt;eiikuijs en âwijze (meening, gevoelen), v. âwijzen. Igt;4'iiii4gt;iiapp4gt;l (vrucht), m. âs: â l»4»K4*li. m.; -bosschen; -liars, o. en v.; âhout, o.; ârups, v. âen; â w4Mi4l, o. âen. Igt;4mbeg4'ii (van dennenhout), bn. Een â paal. Igt;4'iiii4'l»ast, m. -en; -lgt;4Kmi. m. âen; â -iiaakl (blad), v. âen; âstam, m. âmen; â tstk. m. âken; âwortel, m. âs. Il4'ii4gt;miiiatie (benoeming; omschrijving; vermelding), v. âtiën, -ties. IK'ii4»imiiatieveii (werkw. van eennaamw. afgeleid), o. mv. Ploegen, rijpen, eindige)!, steen', gen, reinigen, trotseer en zijn â. itansiteit (dichtheid, vastheid), v. gmv. Igt;eiitist (tandmeester), m. âen. vr. â tisfe. IKkigt;iiiiei4kereii (aangeven, aanklagen). Ilepai'teiii4kiit (afdeeting; gewest, landsdeel; werkkring), o. âen. Het â van oorlog, van justitie, altieeling van bestuur; ook afdeeling van een Maatschappij, b.v. die van het Nut van quot;t algemeen. Il4kpartlt;kiiieiitaal (de afdeeling betreffende; gewestelijk), bn. en bw. Een âtale school. Ilepasseeren (te buiten gaan, overschrijden). Ilei»4''4,lie (bericht; berichtsbrief), v. â s. â gt;4'p4quot;'4*li4'4'r4'ii (snel afvaardig n, verhaasten). Igt;ep4'ii4le4kre]i (afhangen, afhankelijk zijn). Igt;4kpeii4leiiti4k (a)hunkelijkheid), v. âtiën, â s. Dgt;epeiise (vertering), v. â s. Veel âs maken. Igt;4kpeiipleereii (ontvolken). Igt;4kpl4»i*abel (betreurenswaardig, jammer-lijk), bn. Igt;epl4»i'eer4kii (bejammeren, betreuren). ]gt;epl4gt;.yeereii (uit elkander leggen, ontvouwen, uitspreiden; division en vleugels een er armee ontwikkelen). IH'poneeren (neder leggen; in bewaring stellen; getuigenis afleggen). Gelden â. lKkp4gt;rtatie (verbanning, wegvoering naar een strafkolonie), v. âtiën, âties, lleporteeren (verbannen, uit het land jagen, niutr een strafkolonie overbrengen). lgt;eplt;gt;sitaris, lgt;epositair (vertrouwd persoon. tvien men goederen ter bewaring (feeft, bewaarder), m. âsen; â tairen. |
DEPOSITIE-DESOBLIGEEREN.
106
|
MepoNitic (getuigenis, verklaring der getuigen; neerlegging), v. â tFën, âties. I^posito-bank {bewaar- of leenbank, toelke ingelegde ka pi luien, legen nitkeering van een geringen interent aanneemt), v. âen. (in bewaargeving), o. â s. IU'|»6t {magazijn van munitie, reserve!roepen of hun verblijf; ook: winkel van een zetbaas), o. â s. IKk|»of (in) {in-'bewaring geven; ook: aan een zetbaas toevertrouwen ten verkoop). Ilopol-liomloi* {eerkooper vun hem toevertrouwde waren), m. âs. IH?poiiill4gt;«gt;rlt;'ii {berooven, ui Ik leeden). De stetnbriefjes â, de stembus lodigon, den uitslag der stemming opmaken. IK'pravatio {verdorvenheid, diepgezonkenheid), v. gmv. Ilepi*avlt;kci*â¬'n {be 'erven, slechter maken, ontaarden, verslint meren). It«prcciati«' {waardevermindering, geringschatting), v. gmvr. llepreciecreii {in waarde verminderen; den koers verlagen). DcprcsKitt {drukking, neerslag), v. â sies, â siën; â van lucht, geringer luchtdruk; â van het humeur; â van den horizon, van de poot. Igt;â¬gt;priiii4gt;lt;'rlt;gt;ii {neerdrukken, ontmoedigen). lgt;ckprivatic {berooving, ontzetting), v. âs, â tiën. IH' |»r4ftf'iiiidis ( R. K. treurzang, psalm 130), v. gmv. Ileputalio {afvaardiging; afgevaardigd per-sonental; college van gedeputeerden), v. â tiën, â ties. Ilcpiitccrcii {afvaardigen, naar een vergadering zenden). lgt;oiaaillcereii {uit de rails geraken; verongelukken). ÃeraisomialK^I {onredelijk, onbillijk), bn. Deraisoniicoreii {slecht redeneerèn; onzin praten; ongerijmd, onbillijk oor dee ten). I^raii^oereii {verbijsteren, in de war brengen, storen). I)4kraii$;-ciiilt;'iit {stoornis, wanorde), o. âen. IK'rby (aardr. graafschap en stad in Engeland), o. gmv. In Mei valt de âdag, d. i. de dag «Ier groote wedrennen. Illt;ii'4l4k, bn. (als zn. voor: een derde gedeelte), o. (als zn. voor: drie kaarten die op elkander volgen), v. (mv. derden). IH'wU'lialf; telw. Het kost -halven (tuiden, d. i. /⢠2 50. ll4kr4l4kii4laa^M']i. bn. De âe koorts, d. i. te-rugkeerend om de drie dagen. IK'wii {hinderen, schaden), ik heb gedeerd. Fig. wat deert u Y wat scheelt u. bv. bepalingaank. vnw. Ga niet om met â lieden. Ook: Diergelijke. Il4krlialve {om die reden, daarom), bw. Igt;4'ri4l4'4'r4'ii {bespotten, uitlachen). ll4kriKie {bespotting), v. gmv. Igt;4*rivati4* {afleiding vun woorden, afstamming), v. gmv. llerivecren {afleiden). Herniate {in dien graad, in dier voege), bw. Igt;4'r4»Ueei,4'ii {ontvreemden, verduisteren). Iler4»$f4k4kreii {afbreuk doen, inbreuk maken, benadeelen; opheffen, gedeeltelijk vernietigen of verzwakken). |
Igt;er4gt;iite {nederlaag; ivanorde, verwarde vlucht; overhooptverping), v. â s. Ilerri4k {zwavelachtige veensoort), v. gmv. Dertien, telw. âen. We zijn met âen. Ilertienli4»nlt;ler4l, telw. Ilertigr, telw. âen'. De âjarige oorlog, nl. in Duitschland (1018â1648). Dertijfer {een man van dertig jaar), m. â s. Hij is een dikke â, hij is een eind over do dertig. Dertitf-V4gt;n4]9 o. âen; âift*. bn. IK'rv4'n {missen, ontberen), ik heb gederfd; âer. m.; â ing* {gemis), v. IK'rwaarts {daarheen), bw. '/ij liepen heren â , verward, dooreen. Derivijze (zoodanig), bw. Merwifticli {arme Turksche monnik), m. âen. Igt;4vsabii*»4'4'reii {ten beste onderrichten, uit een dwaling helpen). llgt;4kKallië4kr4kn (zi4*li) {beneden zijn stuud huwen). Zie 5Iesailli4;eren. IHk.«iapp4gt;int4k4kr4kn {teleurstellen). fl}tk*appr4gt;lmtie (afkeuring), v. gmv. Igt;esappr4mtreereii {afkeuren). llesarmeeren {ontwapenen, weerloos maken). BKksaster {ramspoed, onheil, noodlot, onrje-val, groote wederwaardigheid), o. â s. lKksaKtreiis (rampspoedig), bn. Desa vantage {nadeel, schade), o. gvm. MeKavantagfeiift {nadeelig, ongunstig), bv. Igt;4ksaveii {ontkentenis, loochening), v. â s. Igt;esav4gt;iieeren {ontkennen, loochenen). Desbe^^ie^l {daartoe bevoegd), bn. Een â beoordeelaar. Igt;eslMkvo4kK4l4k, m. en v. â n. Desbewnst {daarvan wetende), bn. ItaKeeiulenten {afstammelingen in de neergaande lijn: kinderen, kindskinderen, enz.), m. mv. lleKeendentie {afstamming), v. gmv. lle»«eensie {nederdaling, ondergang), v. Igt;eseriptie (beschrijving), v. âties, âtiën. lgt;4kNcripti4kf {beschrijvend), bn. â gt;4kserteereii {zich wegpakken-, wegloopen, overloopen; ontloopen). lleNerteur (weg loop er, overlooper), m. âs. â gt;eserti4k (mil. het wegloopen, overloopen), w â tiën, âties. Desespereeren {wanhopen, vertwijfelen). ll4kKeM|Mgt;ir {wanhooji), m. gmv. IKkNK'elijk»i {op dezelfde wijze, evenzoo), bw. Uw broeder handelde braaf, doe gij â. Il4ksliabill4'k {huiskleed, ochtendgewaad), o. â's. En â, ongekleed. Igt;4ksli4»niieiir {oneer, schande), v. gmv. ll4kKii4gt;noreeren {onteeren, schandvlekken). Desig'iiatie {aanwijzing, opgaaf van kosten), v. âties, âtiën. DeKig^neeren {beteekenen, aanwijzen; voorloop! g benoemen). Voor den krijgsdienst â. lgt;4kKinfeeti4k {ontsmetting), v. gmv. Ilesirabel {wen schel ijk), bn. IKkHireer4Mi {verlangen, wenschen, begeer en). lgt;4kHkiin4li$; {bekwaam, bedreven), l»n. Deskiin4lij^e, m. en v. â n. lleKniett4k^enstaan4le {ondanks), bw. lHkNnietteniin {echter, evemeel), bw. Ook: Desa Iniettemin. Igt;esii4»4»4ls {daaraan behoefte zijnde), bw. IHkS4gt;be4lieer4kn {ongehoorzaam zijn). lgt;4ksobli^'4k4kren {onbeleefd, norsch of on-vri et i del ij k behandelen). |
T
DESOLAAT-DEVOLUTIE. 1
107
|
Hcsolnat (troosteloos, trenriij, bedorven, verlaten, verwoest), bn. Igt;esolatc-boeclclkanior (het voormalige kantoor van onbeheerde of insolvente nnfatenschappen te Amsterdam), v. â s. Dcsolant (bedroevend, zeer lastig), bn. IH'solatie (troosteloosheid; kommer; verwoesting), v. gmv. Dcsoiuianks (echter, evemvel), b\v. Ilcsor^anisatie (omkeering; ontbinding; lig. wanorde), v. gmv. IM'sor^aniseoroii (nmnorde veroorzaken in, (intbinden; tweedracht maken). ll(ksoriëiitockreii (van dei. weg afleiden, het spoor bijster maken, in de war brengen). Hcsperaat (wanhopig, radeloos), bn. neK|»eratic* (wanhoop, radeloosheid), v. gmv. IH'Mpoliatie (berooving, plundering), v. (willekeurig vors:, eigendunkelijk heerscher, danngeland), m. -poten. Ih'spotiscli. IKkN|M»ti4kk (willekeurig, verdrukkend. eigendankclijk handelend), bn. (eigendunkelijke heerschappij, verdrukking, dwingelandij), o. Ih'ssa (.lavaansch dorp, hoofdplaats), y. â'*.t -iM'slimr. o.; âgebied, o.; â li4M»ftl9 o.; -priestci*. m. Ook: Dessah. IK'KKeiii (voornemen, oogmerk, opzet; ontwerp, schets; monster of steal van laken, enz.), o. â s. DoNscMrt (nagerecht), o. âen; âbord, o.; -mandje, o.; ânies. o.; âwijn, m. Dessin {teekening, schets, ontwerp; patroon van kleedingstukken), o. âs. Destijds {te dien tijde), bw. IK'stillatie (overhaling), v. Zie l^istillaf ie. Ileslin (noodlot, beschikking, besturing van God), o. Ilestinatie (bestemming, plaats van bestemming), v. â liën, â s. Destineeren {bestemmen, verordineeren, beschikken). IN'stitneeren (afzetten, ontzetten van post of ambt). Ilestitiitie (afzetting, ontslag), v. â tiën, â s. Ikesti'iielie (verwoesting), v. âtiën, âs. Ilcstrnefiei' (vernielend, verwoestend), bn. IN'strneeren (verwoesten, vernielen, vernietigen). Deswege (daarom, ion die reden), bw. Detaelieeren (losmaken; afzonderen; afzenden). Hefaelienienf (bende soldaten), o. âen. IK'tail (bijzonderheid), o. âs. En â, in al de l)ijzonderhedenv omstandig, uitvoerig, ook: in liet klein. Een goed kunstenaar verzorgt de âs. Igt;etailliaiideï (kleinhandel), m. gmv. IK'teetie (blootlegging, ontdekking), v. â s, â tiën. Igt;eleneeren (terughouden; vasthouden). â detentie {opsluiting, hechtenis),^, gmv. Huis van â, gevangenis. Ueterioreeren (verslimmer en, bederven). Ih'terniinatie (bestemming, besluit, bepaling), v. Igt;eterniinaf ief (bepalingaankondigend), bn. Deterniineeren {bestemmen, bepalen, beschikken). Een begrip â, den kring er van verkleinen; een plant â, bepalen uit de kenmerken tot welke familie zij behoort. Ueterniinisine (leer der voorbeschikking, een lichte graad van fatalisme), o. gmv. |
Deterreeren (opgraven; fig. opsporen, uit-vorschen; ook: afschrikken). Iletestabel (verfoeielijk), bn. en bw. Detesteeren (verfoeien, venuenschen). IK'tineeren (gevugt;igenhouden, terugho11doi). fgt;etoinifie (ontploffing, losbranding: het _ valsch zingen), v. âtiën, â s. lgt;etoneeren (ontpiojfen, losbranden; valsch zingen). Detoui' (omweg: bocht, slingering; rit vlucht, voorwendsel), m. â s. Detonrneeren {afwenden, doen afdwalen, afwijken). Ilelraefem* (lasteraar, eerroover). m. âs. Detraetie (lastering, eerroof), v. gmv. DetreNse (nood, verlegenheid, angst), v. gmv. lleli*oni|M^ei*en (iemand van zijn dwaling terugbrengen). Deng-d (braafheid, innerlijke waarde), v. â en. Van den nood een â maken, togen zijn zin tot iets overg^m (â¢!'besluiten, omdat het noodzakelijk is; ik sta in voor de â van die stof^ echtheid. IHkn^delijk (echt), bn. en bw.; â lieid (bc-tronivbaarheid) v. Hengfdxaam (bruaf), bn.; â lieid. v. Hengen {braaf zijn; dienstig zijn), ik heb gedeugd. Ilenji'iiiet, m. en v. -en. IHkink, v. âen. Een hoed met een â. Ilenken. ik heb gedeukt; âer, m.; â injaquot;, v. Demi (liedje), m. âen. Igt;eiin (zuinig, karig), bn. âer, âst. Het ziet er â bij hem uit. Hennen (zingen, neuriën), ik heb gedeund. Igt;enr v. âen. Met de â in huis vallen, zonder inleiding met iets voorden dag komen; de ivinter staat voor de â, is op handen ; dat doet de â toe, geeft den doorslag; dat zet de â open, geeft gelegenheid, is oorzaak. Deurwaarder, m. â s; â seliap, o. Hens ex maeliina (letterlijk: God uit de (tooneel-)machine\ m. a. w. iemand die zich onverwachts opdoet en daardoor aan een netelig en of huchelijken staat van zaken een gunstige wending geeft, b.v. in het moderne blijspel: een rijke oom uit de Oost, enz. Igt;entel (wigge), m. â s; âijzer, o. Denferonoininm (Bijb. tweede wet, vijfde boek van Mozes), o. gmv. Ileiwekater (drommels!), tw.; als zn. (koek of brood b.v. in lireda), m. â s. Denvt'kaferseli (duivelsch), bn. Die âjongen. Ilenvik (tap of spie in een vat), m. âen. Ilenviken {door den deuvik toppen), ik heb gedeuvikt. IK'vaiiseeren (berooven, uitschudden). Ilevalvatie (waardevermindering van hopende munt), v. â s, âtiën. llevasfatie (verwoesting), v. âtiën, âs. Igt;evasteeren (verwoesten, vernielen, omkeer en). IR'veloppeeren (ontwikkelen, oplossen). Ilevestitmir {berooving, ontzetting),^, gmv. IK'viatie (afdwaling van den rechten weg; verzeiling van een schip van den bepaalden koers), v. âties, âtiën. Devieeren (ofdwalen, afwijken, verzeilen). Devies (toepasselijk zinnebeeld, met een kort doelmatig opschrift; zinspreuk, gedenkspreuk), o. âzen. Het â van ons wapen is: .lemain-tiendrai, d. i. ik zal handhaven. Devolutie (overgangsrecht, versterf), v. -tiën. |
DE VOL VEER EN - DIEF.
i08
|
Igt;evolveoreii {afwentelen; iets een ander toe- of aanbrengen'^ aan een ander bij erfrecht vervallen). IK'voot (vroom, godumchtiy; onderdanig, eerbiedig), bn. devoter; de devoten, de fijnen. vorceren (verslinden). I^evotic (vroomheid, toewijding, vereering, godsvrucht), v. gmv. I^voiiceren (toewijden). Wte\to\\vmei\t(toewijding,gehec.htheid),o.lt;rx\\v. lie wijl (omdat), vvv. Iloxteriteit (behendhheid), v. âen. nextrine (zetmeelgom), v. gmv. â K'xtrosc (druivensniker), v. gmv. lley (landvoogd in Algiers, Barbarije), va. âs. lgt;ezc. uanw. vnw. â man, â kinderen. Ilczclftle. hetzelfde, liep. aank. vnw. Het zijn â menschen van straks. ilezolve. hetzelve, aanw. vnw. vero. Ilexnikcs bepalingaank. vnw. Er zijn slechte boeken, lees â niet. Dezulken, bep. aank. vnw. Er zijn slechte menschen, ga met â niet om. IHiemaü^: (Ind. districtshoofd), m. âs. Ook: Ditnan. In midden en oostelijk Java ook Wedhono geheeten. l)l!olt;krra (negergierst), v. gmv. llialkoelhoiiil (Ind. hout, bruinrood van kleur), ü. gmv. IHalmti (korrelige groensteen), o. gmv. IHabic, llialmius (de duivel), m. âs, âsen. IHaboliek, lgt;ial»olisc*l! (duivelsch, duivelachtig), bn. Ikiaeóüen (dienaroi, uitdeelers der liefdegaven), m. mv. lliaeoüie (kerkelijjc armbestuur), v. â ën. Diaconus (diaken, armverzorger), m. âsen; meestal: Diaken. Diadeem (koninklijk hoofdsieraad-, vrouwelijk haartooisel), v. â demen. Diadoehen (opvolgers, veldheeren van Alexander den Gr.), m. mv. Antipater, Lysimachus, Ptolemaius, Antigonus waren de â. Diseresis (splitsing van lettergrepen), v. als in: dorrep, dorp; parel, paarl; lantaren, lantaarn, enz. kisetetiek (leer der voedingsmiddelen in verband met de hygiëne), v. gmv. Diagnose, Diagnosis (gen. onderscheiding der ziekten naar kenteekenen, ziektekennis), v. diagnosen. Diaconaal (hoekpuntslijn), v. âalen. Ilia^onaal (overh- eksch, overdwars), bn. Dia^ran! (schets; in de muziek; vijflijnige toonladder-, ook: partituur), o. âmen. Diaken (armverzorger), m. âen, â s. Diakones (armverzorgster; ook ziekenverpleegster), v. âsen. Diaïeet (tongval, gouwspraak, spraak in onderscheiden streken eens lands), o. âen. ilialeetiek (verstandsleer, denk kunst, disputeer kunst), v. gmv. Ook: Dialectica. Dialo^iseli (in den vorm van samenspraken), bn. Dialogiseeren (samenspraken houden-, in den gesprekvorm inkleeden). Dialoog- (samenspraak, tweespraak, gesprek), m. âlogen. Diainag-netiMinuN. âme (werking van den magneet op niet magnetische zelfstandigheden), o. Diamant (het kostbaarste edelgesteente), m. -en; (stof), o. |
Diameter (middellijn, doorsnede), m. â s. Diamlrisek (hebbende twee meeldraden), bn. Diapason (muz. harmonie en accoorden der octaven; maatstaf van de orgelpijpen, trompetten enz.; toonomvang), m. gmv. Diaphaan (doorschijnend, transparant), bn. Diaphonie (muz. wanluidendheid), v. Dia phora (rhetorische Jiguur, eenzelfde woord in verschillende bet.), v. â's. l^iarrhee (buikloop), v. gmv. Diatomeën (kristalwieren), v. mv. Diatoniseh (gaande van toon tot toon), bn.; de âe ladder. Diatribe (critisch strijdschrift), v. â n. Dibbelmaeliine (zaai- of pootmachitw), v. â s. Dieht (gedicht), o. âen. Dieht, bn. en Uw.; -lieid (vastheid), v. IHebtader (beeld voor dichterlijken aanleg). v. âen. Diehtdoen (sluiten), onr. ik deed â, heb â -gedaan. Een kast, een deur â. Dieliten (dichtmaken), ik heb gedicht. Een lek -. Dieliten (verzen maken), ik heb gedicht; â er, m.; â eres, v. Dielitgenootseliap (vereeniging van dichters), o. âpen. Ilielitlieid {verhouding bij gelijk volume van de hoeveelheid stof), v. gmv. Warmte doet de â afnemen; â van goud, water, enz. Dielitkunst (poëzie), v. gmv. Men onderscheidt lyrische, epische, dramatische en didactische â . Dieht maken (sluiten, dichtdoen), ik heb â -gemaakt. Ilielitremel (versregel), m. â s. Ilielitstuk (gedicht, vers), o. âken. llielitvuur (bezieling, opgewektheid), o. gmv. IHelitwerk (gedicht), o. âen. Dieotyledonen (tweezaadlobbigen), v. mv. Dictaat (iets dat voorgezegd is of wordt ter naschrijving), o. âaten, âata. Een penneyi. Dictainuns (esschenkruid), m. gmv. Dictator (eigenmachtig gezagvoerder; opper-bewindvoerder in het oude Home), m. â s. Dictatoriaal {gezaghebbend, eigenmachtig), bn. en bw. Ook: Dictatorisch. Dictatoriscli (gebiedend), bn. Dictatuur (hel ambt en de waardigheid van een dictator), v. gmv. Dictee (taaloefening in het zuiver schrijven), v. â s. Dicteeren (voorzeggen om na te schrijven ; ook: ingeven, in de pen geien; toewijzen, opleggen). Dictie (zeggingskracht; de schrijftrant, wijs van zich uit te drukken; de spraak), v. gmv. Dictionnaire (woordenboek), v. â s. Dictum, factum (gezegd, gedaan). Didacticus (onderwijskundige; leerdichter), m. â tici. imiiictie^(leer kunst,onder wijskunde),\.gmx. Di«lactiscli (leerend, onderrichtend), bn. Een â gedicht, een leerdicht; âe poëzie, b.v. de Ziekte der Geleerden. (Bild.) Didodecacder (kristalvorm van 24 gelijke driehoeken), m. gmv. Die, dat, aanw. vnw. â hond, â kat, dat huis; â bloemen. Dieet (leefregel, matige eetregel), o. gmv. Zie Disetetiek. Dief, m. dieven. Een â aan de kaars, een |
DIEFACHTIG-DIJKAGE.
100
|
vezel, die het vet doet atloopen; elk is een â in zijn nering, ieder zoekt te winnen, wat hij maar eenigszins kan ; tie gelegenheid mankt den â, de verleiding is de oorzaak van het kwaad. IHclaclitig', bn. en bw. â lieid, v. Een âc raaf. Dfrfstal {onbevoegde toeèigening van eens anders goed), m. â len. IHcft'ene. datgene, bep. aauk. vnw. niomit {katoenen stof van bepaald patroon met fignurstreperi), o. gmv. (soorten) diemiten. IPieinitcMi, bn. Een â boramp;trok. IlionaaiiK'aande (die zaal. betreffende), bw. IHonaar {ondergeschikte), 11. âsen dienaren. IHciiares (dienende vrouw), v. âsen. Fig. buiging. IHender (agent), m. â s. IHciivn, ik heb gediend. God zijn land â. lgt;ioiiovckreeiikoniKti^, bw. Dienst (bijstand, hulp), m. âen. Igt;iciilt;*flgt;aar (diene)ide, ondergeschikt), bn. Dit meisje is â ; de âbare stand; een volk â maken, onderwerpen; â lieitl (schatplichtigheid), v. gmv. IHeiiKtbode (gehuurde helper of helpster), m. en v. â n. (geschikt), bn. en bw.; â licid, v. Ilii'iiKtplielit, m. âen. Algemeene â, persoonlijke â. nienstplieliti^-, bn.; een â nummer. â -lieid. v. vaardig (behulpzaam),bn.; â v. willig, bn.; â lieid, v. Utu âc dienaar. llK'iiteng'evol^c (daarom), bw. lgt;ieiiv4»l^enK (bijgevolg), bw. IHep (diepte, kolk), o. âen; ook bn. en bw. I^iepdenkend, bn.; een â wijsgeer\ â -lieid. v. Mepen(uithalen, uitbaggeren), ik heb gediept; â er. m.; â ins:, v.; â «el, o. niep^an^- (scheepst.), m. gmv. Een vaartuig run -20 voet â, afstand tusschen kiel en waterlijn. IHeplood (zeew. werktuig om te peilen), o. â en; âlijn. v.; âworp, m. Diepte, v. â n. IHepziiin(grondig, veelbeteekenend, ook: (inbegrijpelijk), bn. en ijw. Wij schreven âever-toogen over de Deugd. (C. Ã.); -lieid, v. Igt;ier (bewerktuigd levend wezen), o. âen. Dier (dierbaar, innig), bn. en bw. De âste belangen. Diera$;e (boon wijf, slecht kind), o. â s. Dierbaar (waard, lief), bn. Een â pand, een âbare gedachtenis', âlieid, v. gmv. Dierenriem (gordel ter breedte van ruim 10°, waarop de planeten zich bewegen), m. Zie Zodiak. Dierenrijk, (al de soorten, geslachten, fa-mili'én, klassen der dieren samen), o. gmv. Dierensage (dichtk. middeleeuwsche dichtsoort), v. â n. Onder de ân bekleedt Van den Vos Rei tv (er de een eerste plaats. Diergaarde (dierentuin), v. â n. Dier koop (duur), bn. Een â weefsel. Dierkunde (kennis van den botiw en de leefwijze der dieren), v. gmv. Zie Zoölogie. Dierlijk, bn. Het â leven, het leven des lichaams; âe warmte, de eigen warmte der dieren; âe lusten, d. i. zinnelijke lusten; â lieid, v. |
Dies irae (R. K. Lat. kerkgezang op het laatste oordeel), v. gmv. Diesis (muz. verdeeling, van een heelen toon in de helft, enz.), v. gmv. Dies natalis (stichtingsdag, geboortedag), ni. Diets (alleen gebruikelijk in: â maken, wijs maken), ik heb â gemaakt, d. i. heb wijsgemaakt, op den mouv gespeld. Teun maakte de knave tt tvonderlijke j acht let tgens â. (C. O.) Dietseli bn. De âe taal, de volkstaal, in quot;t bijzonder de Vlaamsche in de Middeleeuwen; tvij zijn van âen stam; als zn. o. Dievegge (vroutu die steelt), v. â n. ! Dievckn (stelen, snoepen), ik heb gedieM. â dievenbende, v. ân; âjaâ¬*lit, v. gmv.; â lantaarn ( â taren), v. âs; âleider, m. â s; ârot, o. âten; âtaal (bargoenscli). v. gmv. Idn^verij (diefstal), v. âen. Diirainant (eerroovend, lasterlijk), bn. en l)\,.r. Diflaineeren (eerrooven, belasteren, schandvlekken). Dillereeren (verschillen, onderscheiden zijn; tdtstellen, verschuiven). Ilifferent (onderscheiden, ongelijk, verschillend, strijdig), bn. lgt;ifVerent (klein geschil), o. âen. Dillerenliaal [oneindig kleine attngroeiiny eener veranderlijke grootheid), v. âalen. Difrerentiaal-rekenin^' (een afdeeling der hoogere wiskunde), v. Different ilt;' (verschil, onderscheid), v.-tiën,-s. Ditl'erentiëele reeliten (in-, door- en uit-voerrechten), o. mv. Dill'cssie (rechtst. handeling, waarbij men een processtuk als valsch verklaart), v. gmv. Dillieiel (zwaar, moeilijk, lastig, knorrig), bn. Een â mensch, een knorrepot, een lastig man. Ditlieiilteeren (zwarigheden nutken, tegen-werjtingen in te brengen hebben). Diflienlteit (moeilijkheid, zwarigheid), v. â en. DilDinn (wanstaltig, mismaakt), bn. Diironniteit (wanstaltigheid, mismaaktheid), v. âen. DiH'raetie (bttiging der lichtstralen), v. gmv. Ditrnsi4k (vermenging van stoffen, b.v. van vloeistoffen en gassen), v. gmv. Dili'nns (wijdloopig, verstrooid), bn. Igt;itf'ereeren (verdeden, verteren van spijzen). Digestie (oplossing, koking;spijsvertering), v. Di^esl iel' (middel ter bevordering der spijsvertering), o. â tieven. Diggel (scherf), v. -s, âen. Di;;-italine (e.rtract uit t⢠ingerhoedskr11id, een zwaar vergif), v. gmv. Di^'itailis (vingerhoedskr11id), v. gmv. IH^-itatnin (gevingerd), bn. Eolium â, gevingerd blad. I).v. van den kastanje. Dig-nitaris (waardigheidsbekleeder), m. -sen. Digniteit ^waardigheid, eer e post), v. âen. Igt;i^:ressie (afwijking, ttiltveiding, buitensporigheid), v. â siën, â s. Dij (lichaamsdeel), v. âen. Dijen (voorspoedig groeien, uitzetten, voorspoed hebben), het dijde, het is gedijd. Dijden (uitzetten), het deeg, is gedegen. Gedegen goud, smeedbaar goud. Dijk (opgelwogde aardot dam), m. âen. Fig. lem. aan den dijk zetten, uit zijn huis zetten; dat brengt geen zoden aan den â, dat baat of helpt niet. Dijkage (het aanleggen v. dijkwerken), v. â s. |
DIJKEN-DISCOUREEREN.
MO
|
IHjken. ik heb gedijkt; âer, m.; â ing*, v. IHjk-etting' (uras langs de dijken), v. âen. Ilijkleg-er {college, dat heeft te waken togen overstrooming), o. â s. DiJkMlag' {gedeelte van den dijk, dat door bepaalde eigenaars, d. i. dijkslaagden, moet onderhonden ivorden), m. âslagen. I^ijkstoel {dijkbestuur, college van heemraden), m. âen. IftijziK' (mistig, dampig), bn. De dninm teekenden zich tegen de âe lucht af. (Potg.); â Iieid, v. Igt;ik. lm. en bw.; â liei«l, v. IHkbuik {spotnaam), in., soms v. âen. Ilikliiiicli^-en {oeelhorvige dieren), rn. inv. Nijlpaard, neushoorn, olifanten zwijn zijn â. nikken (dik maken, aandikken'), ik lieb en het is gedikt. IHkkcrd (spotn. zwaarlijvige), m. â s. Igt;ikk4»|» (dik mensch), rn. on v. âpen. gmz. Ook: (kikkervischje), m. -en. IHkmaals (vaak), bw. Hikte (dikheid, zwaarte), v. ân. Hik werf (tal can keer en), bw. Diknijl* (tal van tijdsti]gt;pen), bw. lijkzak (dik en zwaar persoon), m. en v. â ken. gmz. Ilileniina (wissel- of vooronderstellende sluitrede; zeer moeielijke toestand), o. â's. Vele jonge doktoren ver keer en in het volgend troosteloos zij hebben ooi vrouw noodig om praktijk, en hebben praktijk noodig om een vrouw te krijgen. (C. O.) Oiletfant (kunstvriend, kunstverzamelaar), m. âen. vr. âtante. Dilettaiitisine (beoefening eener kunst als liefhebber, het liefhebbereh), o. gmv. nili s'enee (naa rst ighei d, zorgvi i ld ighei d, stiptheid), v. gmv. Ililigenee (post- of reiswagen), v. â s. vero. Diligent (ijverig, naarstig, werkzaam, bezig), bn. en bw. Dili$flt;kiitie (ijver; tuerkzaamheid), v. gmv. (zeker kruid), v. gmv. Diluviaal (tot het diluvhim of de vloedvor-rning behoor end), bn. âale gronden, b.v. de heiden van Drente. IHItiviimi (aloude of voorwereldlijke zand-vorming), o. gmv. Ilimensié (afmeting, afstand', uitgebreidheid), v. â siën, â s. IHiiiiiiueiKlo (langzaam afnemend), muz. Diniiniieeren (verminderen: kleiner maken). IHininiitie (stijlfiguur: verkleining), v. Het is geen euveldaad, het is slechts een klein vergrijp, een lichte overtreding. Iliminiitief (verkleinwoord), o. -tieven. Dineeren (het middagmaal gebruiken). IHner (middagmaal), o. â s; -Ije en tli-iieetje, o. â s. DhiK' (zaak, lichaam), o. âen. Ilin^'lmiik (rechtbank), v. âen; vero. lgt;iii^-lt;liiiK' (Mal. gedroogd bn/Jelelcesrh\ v. I^iii^en (bepleiten, strijden), ik dong, heb gedongen. Naar iets â, naar (eonen post), staan; âer, m.; â ing*. v. IHn^Npel (rechtsgebied), o. âspelen, vero. IHn^-taal (pleittaal] van dingen, d. i. pleiten), v. âtalen. Ik heb hem â laten hoor en, d. i. hem krachtig tegengesproken. Dingtaal (procestaai, jig. krachtige taal)), v. Dinsdag (derde dag der iveek), m. âdagen. |
OiiiMlag's, bw.; âdagheli, bn. De âdagsche markt. IHoeese, v., ook Dioeee.s (kerspel, bisschoppelijk gebied), o. diocesen. DioptaaN (kopersmaragd), o. gmv. Diopter {het vizier, kijksplest van het astrolabium, meetk.), o, â s. Di4»l»triea (gezichtslee)', breking der lichtstralen), v. gmv. Dioptriek (doorzichtkunde), v. gmv. Diorama (doorschijnend kunst tafereel), o. â's. Dioriet (groensteen), o. (soorten), ârieten. Diosenren (de tweelingen. Castoren Pollux), m. mv. Di|gt;litlierifis (besmett. keelziekte), v. gmv. Igt;i|»litli4»n^: (tweeklank), m. âen. Diploma (akte van aanstelling; oorkonde), o. â's. Diplomaat (staatkundig vertegemuoordiger van de eene mogendheid bij de andere, sluw staatsman), m. âaten. Diplomatie (staatkundige vertegenwoordiging in of van het buitenland) kunst om de eene mogendheid bij de andere te vertegenwoordigen', (ig. geslepenheid), v. gmv. Diplomatique (liet eorps) (de vertegen-woordigers van of in het buitenland). Diplomatiseli (op de diplomatie betrekking hebbende, tot het gezantschap behoorende),\n\. Fig. Een â stilzwijgen. Ook: Diplomatiek. Diplopie (hel dubbelzien), v. gmv. Diptera (tweeuleugelige insecten), m. mv. Direct (rechtstreeks, regelrecht, onmiddellijk), bn. Direeteur (bewindhebber, bestuurder), m. âen. Direeteiir-^enerasil (algemeen directeur), m. directeurs-generaal. De â der staatsspoorwegen. Directie (bestuur; oppertoezicht, uitvoering of uitvoerende macht), v. â tiën, âties. Directoire, Directorium (opperst staatsbewind in Frank?', van Oct. '1195 tot Nov. 1700), o. gmv. Directrice (bewindvoerster, bestuurster), v. â s. Dirigeeren (leiden, besturen', onder opzicht hebben, in orde brengen; zenden; sturen). Dirk (toppenant v. d. zeilboom), v. âen. Discant (hoogste zangstem, sopraan), m. â en; muz. Discerneeren (onderscheiden, beoordeelen). Discli (spijstafel), m. disschen. Ten â noo-digen, ten eten, aan tafel; â f^enoot, m.; â jjenoote, v. â genooten. Discipel (scholier, leerling), m. en v. â s, â en. Igt;iscipliiiair (orde en tucht handhavend), bn. âe struif en. Discipline (tucht, regel), v. gmv. Onder â staan. Disciplineeren (in bedwang houden, aan tucht en orde gewennen). Disconteeren (aftrekken of afrekenen; een wissel met aftrek van zekere percenten voor den vervaltijd inwisselen tegen geld). Discontinueeren (staken, ophouden). Disconto (korting en wel percentsgewijze), o. â's; âbank (wisselbank), v. âen. Discordia {tweedracht), v. gmv. Disconreeren (in gesprek zijn, een gesprek voeren). |
DISCOURS-DITO.
Ill
|
(gesprek), o. âen. De doktersmeid had een land â gevoerd met de dochter van ren fruitvrouw. (C. O.) IHscrecliet {minachting), o. In â brengen, in opspraak brengen. Jliscreet (bedachtzaam, bescheiden, voorzichtig, stilzwijgend), bn. |gt;iseref)ic (bescheidenheid, ingetogenheid, stilzwijgendheid), v. Ik laat dit aan uw eigen â over, opvatting, oordeel; âdagen, respijtdagen (dagen van uitstel na den vervaldag eens wissels). Disciilpeeren (verontschuldigen, rechtvaardigen^ vrijspreken). lgt;islt;*UN (werpschijf bij de worstelspelen in Gr.), m. âsen. De â was lensvormig, eerst van steen, later van metaal. IHsciiKKie {woordenwisseling, gcdachtalwisseling), v. â siën, â s. lliKcnteeren, IMseutieereit (bespreken, nauwkeurig nagaan, wikken en wegen). IHs;;'ra tics Disgrace (ongenade), v. gmv. lgt;isliariiioiiic (wangeluid, wanklank, wantoon-, oneenighcid, twist, tweedracht), v. gmv. â K'tie (afzondering, scheiding), v. â s, Igt;isjiiiictief (afzonderend, scheldend), bn. Ilislocatie (verzwikking, ontwrichting), v. âs, â tiën. IHsloquecrcii (verzwikken, ontwrichten, ver-leggen). nispat'lic (overeenkomst tusschen twee personen, wegens geleden zeesc â¢hade), v. -s. lgt;i*l»araiNseâ¬gt;reii (verdwijnen; onzichtbaar worden). IHsparitoit (ongelijksoortigheid), v. gmv. lgt;iK|K'iiâ¬lilt;'iiK (kostbaar, veelgeldkostend),hx\. nispensatie (ontheffing, vrijstelling), v. â s, â tiën. lgt;iK|»lt;kiisaloriiiiii (apothekersboek, receptenboek), o. â s, â ria. IHspciiKecren (uitdeden; vergunning geven ; vrijspreken, ontbinden, onthelfen). IHspcrsie (kleurverstrooiing van een lichtstraal), v. gmv. IliKpoiiecreit (regelen, gebieden, beschikken). llisiNgt;uibel (beschikbaar), bn. Ilispositie (inrichting, gesteldheid, vatbaarheid, beschikking, rangschikking), v. âtiën, â s. niKpositief (voorbereidend), bn. Disproportie (ongeëvenredigdheid, luanver-houding), v. âtiën, â s. Disproportioneereii (onregelmatig, onevenredig of ongelijk maken). Disputatie (redestrijd), v. âtiën, â s. nispiiteerlt;'ii (wetenschappelijk woordentwisten, ivoorden wisselen). Dispuut (redestrijd), o. disputen. Ook: dis-puteer-gezelschap: Een â, waarvan niem. lid zou willen wezen. (C. O.) IHsreuoninióe. Disreputatie (kwade naam, kwaad gerucht), v. gmv. Dissatisfactie (ontevredenheid), v. gmv. Dissectie (ontleding, lijkopening), v. âtiën, â s. Dissel (een soort van holle bijl), m. â s. Dissel (wagenboom), m. â s. Disseiuleuteu (in H oude Polen allen, die niet tot de li. K. kerk behoorden), m. mv. Disseusie (verscheidenheid van meening, oneenighcid), v. âsiën, â s. |
IMsscuter (andersdenkende; kerkelijk afgescheidene in Engeland), m. en v. â s. De Presbg terianen, de Inde pendent en, de Methodisten, de Baptisten, de Kwakers enz. zijn âs. fjsch ïlwp. | stro-icht- ), o. ïn. ua.-), :mv. de), if/er lutv rdi-i de yng bn. Dissentieereu (anders denken, afwijken). Disseutimeut (tegenovergesteld gevoelen), o. Dissertatie (geleerde verhandeling, academisch proefschrift), v. âtiën, âs. Dissideeren (anders denken, van een andere gezindheid zijn). Dissimulatie (veinzerij), v. gmv. Dissimiileereu {veinzen, zich vermommen). Dissipeereu {verkwisten, verspillen). Dissolubel (oplosbaar), bn. Dissolutie (oplossing, ontbinding, opheffing), v. â s, âtien. Dissol veereu (oplossen, on thin den, ophelfen). Dissolving views (nevelbeelden-, gekleurde beelden op ren wit doek), o. mv. Dissonant (wanklank, valsche toon), m. â en. Dissoiieereu (valsche tonen voortbrengen, wangeluid maken), muz. Dissmuleereu [afraden, uit het hoofd praten). Distantie (verwijdering, afstand), v. âtiën, âs. Distantic-iucter (werktuig om den afstand van twee punten te bepalen), m. â s. Distel (plant), v. â s. De orde van (te â, of van St. Andries, ridderorde in Groot-Hrit-tannië. Distelen (k rakeelen. dwarsdrijven), ik lieb gedisteld. Met iem. â. Disteli^- (lig. netelig), lm. Een âe zaak. Distelvink (putter), m. âvinken. Disticlion (koppelvers, tweeregelig vers), o. â s, disticha. â distillateur. Distilleerder (stoker, brander, overhaalder), m. â s. Distillatie (overhaling), v. âtiën, âs. Distilleeren (aftrekken, stoken, overhalen). Distinct (duidelijk, onderscheiden), bn. en bw. Distinctie (onderscheiding), v. âtiën, âs. Distinctief* (onderscheidend), lm. Distinct iet' (ken tee ken van rang of orde), o. â tieven. Distingeeren (onderscheiden, met achting bejegenen). Distonia (ingewandsworm met twee zuig-napjes), v. distomeën. â distractie (afgetrokkenheid; verstrooiing; vervreemding] verkoop), v. âtiën, â s. â distrait (afgetrokken, verstrooid), bn. Distribueeren (ver- of uitdeden-, ronddcelen-, bij letterzetters: de letters der afgedrukte vormen in de kast sorteeren). â distributie (uitdeeling, b.v. van brieven, prijzen, enz.; verdeding bij letterzetters: zetsel, dat gedistribueerd kan worden), v. â district (rechtsgebied, landstreek, ook afdcc-ling van kiezers), o. âen. â districts-coinmissaris, m. âsen. Idistricts-si'lioolopxicner. m. â s. Dist ur bat ie (verwarring, stoornis), v. â tiën, â s. â ditbyrambiis (verheven lofdicht ter eere van Bacchus, vurig lied in ongeregelde versmaat), m. â bae. â dit, aanw. vnw. Wat kost â boek? â zijn fraaie bloemen. â ditje, o. âs. Allerlei âs en datjes, kleinigheden. â ditmaal (voor dezen keer), bw. â dito (het gezegde, het gelijke), bn. |
DIVA - DOGGERBOOT.
112
|
Iliva {godin, goddelijke), v. -'s. IMvageereu (van zijn hoofddoel afwijken, onzin zeggen). Divan {Geheime Band van den Grooien Heer in Turkije', ook een in 7 Oosten gebruikelijke lage. rustbank of sofa met tapijten en kussens), m. â s. IHverg'ceren {uiteenloopen, afwijken). Ilivor^'ciBl. IHvcr^ecrend {uiteenloopend), bn. Een âgeerende reeks, als nl. haar termen telkens grooter worden. Ui\ ers {menigerlei, onderselieiden), bn. I li verse ii {onderscheidenen), v. mv. Iliversic' {afleiding, afwending, verstrooiing), v. De â in de krijgskunde, gewensclite verandering in troepenstelling door een scliijn-aanval. Ili vorsiteit {verscheidenheid, menig vu Idig-heid), v. âen. lliverteeren {afleiden, vermaken, verlustigen). Ilivertissemcnt {vermakelijkheid), o. âen. IlivMle et impera {verdeel en heersch). Iliviileercn {deelen, verdeden). IlivideiKl {evenredig aandeel in de winst), o. âen; âbewijs, o. Ilivin {goddelijk, overheerlijk), bn. Droitâ, goddelijk rerht (der Koningen). IHvinatie {het waarzeggen, voorgevoel van de toekomst), v. â s. â tü-n. IHviniteit (godheid), v. âen. Ilivisie {deeling in de rekenkunde; groote lege)'afdeeling), v. â siën, â s. Divisor {deeler), m. âs. Divoree {echtscheiding), in. ginv. Ilivnl^atie {verspreiding, ruchtbaarma-king), v. ginv. Divul^eeren {bekendmaken, verspreiden, ruchtbaar maken). lgt;ixi {ik heb gezegd, ik ben aan hel slot mijner redeuoenng), o. Iljag-oeiig (Ind. mals), v. gmv. Djaksa (Ind. officier van politie en justitie in een residentie), rn. â's. Iljati {Indische, eik), rn. â's. âbosschen op Java. Ook: lljalti. Iljeroek (Ind. Javaansche oranjeapppel), rn. âs. Hobbel {spel met twee teerlingen), m. gmv. Hij zal een hardoi â hebben, d.i. een harden strijd. Ilobbelbeker {trechtertje of kroes) m. â s. Hobbelen {met dobbelsteen en spelen, fig. grof spelen), ik heb gedobbeld; ongelukkig â, tegenspoed hebben; âaar, m.; â arij. v. lgt;obber {drijvertje, pen, sim aan een hengelsnoer), m. â s. Dobberen {op en neer gaan in 't water), ik heb gedobberd; â iiiff, v. Op zee rondzwalken; tusschen hoop en vreesâ, tusschen leven en dood â. Doceeren {onderwijzen, bieren). Iloeent {leeraar), m. âen. Iloeliter, v. â s. Jonge â, jong, ongehuwd meisje. lloeiliteit {leerzaamheid, vatbaarheid), v. gmv. lloetor { icademisehe titel, ook geneesheer), m. âen. Zie Dokter. Doet oraal {als van een doctor; deftig; gezaghebbend), bn. Doetoraat {de tuuardigheid van doctor), o. gmv. * |
Doctorandus {iemand met den doctoralen graad doch nog niet gepromoveerd), m. â sen. Doetrina {leer, wetenschap), v. gmv. Doetrinair {bekrompen hechtend aan een eenmaal afgebakende geloofsbelijdenis of leer op staatkundig gebied), bn.; als zeltst. nw. m. âen. Doeninent {bewijs, oorkonde), o. -en. Dod, Dodde {plant van het geslacht der rietgewassen), v. dodden. Doddeg-ras, o. Het â vindt men in onze weiden. Dodderi;? {slaperig), bn. en bw.; âbeid, v. lgt;odera{twaalf), telw. -diseli {twaalftallig). Dodeeaëder (meetk. twaalf vlak), m. â s. Dodei {bedorven ei), o. âeren. Dodijnen {een kind â, in den arm of in de wieg in slaap maken), ik heb gedodijnd. Dodoor {suffer, langslaper), m. en v. âen. Doear {Arabisch dorp, tien tenten minstens), m. â s. Doedel {speeltuig der Tgrolers), m. â s. Doedelzak {pijpzak, blaasinstrument),- m. â ken. muz. Ook: Doedel. Doek {geweven stof, schilderstuk, vlag), o. â en. Doek {halsdoek, zakdoek, enz.), m. -én. Doeken {bedriegen, blinddoeken), ik heb ge-doekt; -er, m.; -sier, v.; -ingr, v. Doel {wit, waarop men mikt), o. Fig. oogmerk, voornemen, plan: Een â beoogen, zijn â bereiken, treffen, naar een â jagen, een â achtervolgen. Doelen {oefeningsplaats der sch utters), m. â s. Doelen {mikken), ik heb gedoeld. Op ietsâ, mikken of zinspelen. Doelmatig {geschikt), bn.; âbeid. v. Doelt rellend {brengend tot het doel), bn. Doelwit {witte plek in quot;t doel), o. gmv. Doemen {veroordeelen), ik heb gedoemd; â er, m.; â ing:, v. Doem vonnis {doodvonnis, veroordeel ing), o. â sen. Het â over iem. uitspreken. Doemxnebt {wraaklust), v. gmv. Doen {handelen, uitvoeren, verrichten), onr. ik deed, heb gedaan; âer, m. Doeniet (leeg loop er, luiaard), m. en v. âen. Doenlijk {uitvoerbaar), bn.; â lieitl. v. Doerak (zotskap; smeerlap), m. en v. â ken. gmz. Doetje {goede sul, onnoozele ziel), o. â s. Ikiexelaar (teekenk., opgerold zacht lederen voorwerp, om te schaduwen), m. â s. I^oezelen {schaduwen, opwerken), ik heb gedoezeld; âills', v. Dot' {duw, stoot, riemslag), m. â fen. Dot' (niet glanzend, mat), bn. en bw.; --beid, v. Doften (slaan, stouten), ik heb gedoft; âer. m.; â injff, v. IPofler {mannetjesduif), m. â s. Dolt (roeibank), v. âen. Dofwit (vuitachtig wit), bn. Een â overhemd. Do«r (i iterke en moedige hond), m. âgen. Dog ear, âkar (licht, tweewielig rijtuig voor één paard, jachtrijtuig met een bak voorden hond), v. âren. Doge (hertog van Venetië, Genua, enz.), m. âs. Dogger (vischschuit ter kabeljauwvangst). m. â s. Do^^erboot {boot voor de kabeljauwvangst), v. âen. |
w
DOGGERSBANK ~ DOOD. 113
|
(aardr. bank in de Noordzee bij Jutland), v. gtnv. Slay hij â (1781). Iloj^ma (leerpunt, leerstel li', y, leerstuk; fjc-loofsHtrtikel), o. â's, â ta. Een theoloiiiseh â. Ilo^matiek {hel leersteUUje van de (jeloofs-lcer\ v. gmv. lgt;o^:niatiKC*li (leerstelli g leennat'uf ,bn. en l.w. Ilo^iiial isovren {leerstellig voord ragen ). Dak {besloten ligplaats voor schepen), o. â ken. Een droog â, een drijvend â. Hok (stroopop, dakpanstroo), v. âken. nokken {een schip in hei dok halen), ik heli gedokt. Hokken (betalen), ik heli gedokt. Mokken {een duk van (hgt;kkquot;n voorzien), ik heb gedokt. IM»kt4kr (geneesheer), m. â s. Il4»kl4ki*lt;kn (ziek zijn, den dokter raadplegen, geneeskundig verzorgen), ik hel» gedokterd. Hol (roeipen] pop), rn. âIon. Hol (razend, imiunzinnig), bn. en hw.; --IicmI, v. lgt;ollt;'(k (liefelijk), rnnz.; â far niente, het zbejte niets-doen, het leegloopen: De dimes Inisterden. in â naar de muziek. (J. t. li.) nohlijnen (e'en kind in den arm schemtne-len), ik hel) gedoldijnd. Ue moeder âde met den knaap. (Potg.) lgt;ol4lrilt;kNt {brooddronken, vermetel), bn. en bw. lgt;ol4li*it'li^- (onbedachtzaam), bn. Ilolceren {klachten inbrenger', bezwaren hebben). Een âde kerk, afgescheiden. Holon (dwalen), ik heb gedoold; â in$;'. v. lh»lâ¬kriot (zwart of grijs gesteente), o. gmv. Dolfijn ( wal vise had it ig zeedier), m. âen. IM»l^raa^* (zeer graag), bw. Iets â doen. Uolliamcr [houten hamer om een rund Ie dollen), m. â s. lloliiniK (gekkenhuis), o. âhuizon. Ikolik (giftplant), v. gmv. Dolk (moordpriem, ponjaard), m. âen. I^olkop (onberaden menseh), m. en v. â pen. Ilolkrnid (giftplunt, nachtschade), o. gmv. Dollar (daalder in N.-Amerika, geldende f VMO), m. â s. D4»llâ¬k-lionlt;Kblt;klt;'t. m. âbeten. Dollekervel (gip plant, water scheerling), v. gmv. Dolleman (onbesuisd, wild menseh), m. â nen, â s. Dollen, ik heb gedold. Een os â, d. i. hem de hersens inslaan met een bijl of hamer. Dolman {huzarenbuis; mei bont afgezet buisje), m. â s. Dolmen (Eeltisch steenaltaar), v. â s. Dolmetscli (£o/A), m. âen. Ook: Dulmetscher. iH»loniief (zekere katksteensoort), o. gmv. lgt;ol%inni^ (onbezonnen), bn.; â lieicl. v. Dom (heer, eeretitel der edellieden in Portugal), m. â s. Zie Don. Dom (domkerk, bisschoppelijke kerk, hoofdkerk, ook koepelkerk), m. domkerken. Dom {zonder begrip), bn. en bw.; â lieid. v. Doin (achtervoegsel), b.v. wasdom, het wassen; prinsdom, vorstendom, hertogdom, een gebied; rijkdom, ouderdom, vrijdom, een toestand; en-gelendom, menschdom, een verzameling. Domaniaal (van of bet re jfend e het domein), bn. Het bestuur der -ale }nijnen in L'nnburg. Domein (rijksgrond, kroongoed), o. âen. Er is kroonâ en stautsâ. DomeKliek (dienstbode), m. en v. âen. KOENEN, Verkl. llandivdb. d. NederI. taal. -- walen i â sen. I| n een i quot;f | zelfst. 1 ï t der â OïlZo I «1, V. I 'lfJ)' i if in g jnd. g -en. r-i ens), m d. tv u |
Domieilieeren (woonachtig zijn). Domieilie (verblijf, huisvesting, tvoonplaats), v. â liën, â s. Hij zal eenmaal Amsterdam tot zijn â kiezen. 'C. ().); â kiezen ten huize vun; â van onderstand, plaats, waar men armlastig is. Dominant {heerse head, de over ha) id hebbend), bn. Dominant (de groote quint] de heertellende toon of hoofdtoon in de koraalniaziek), v. -en. Dominatie (heerschappij, geweld), v. gmv. DomiiK'e (leeraar, pri dikant), m. âs. D(»mineereii (heerse hen, den haas spelen), voor uil komen, overtrelfen). Dominieaan (monnik van de orde van St. Dominic as, 1215; predikheer), m. â cariéh. liomiiK» (heer; momgewaail; maskerpak), o. â's. D4»miii4» (spel), o. â quot;s. lgt;omniekraelit (werktuig, aardwind, land-rad), v. âen. Dommel { bedwelming), m.gmv. Inden â zijn. D4»minelen (gonzen gelijk de bijen, mompelen; sluimeren), ik heb gedommeld; âaar. in.; â in^-. v. Dommerik (lomperd), m. en v. âen. Domoor {dom menseh. onnoozele), m. âen. Dompelen (oniLr water plonsen), ik h*b gedompeld. Fig. In ellende â, in rouw â, d. i. brengen. Dompen (smoren), ik heb gedompt. Een kaars â. Domper (kaarsendomper), m. âs. Fig. dnis-terling, bevorderaar van domheid en bijgeloof. Dompig (dampig, vochtig), bn.; â lieicl. \. IN»mpr4»ost (proost v. e. domkerk), m. -en. Don (gift, schenking), m âs; âgroluil, vrijwillige gift. Don (heer, eeretitel der edellieden in Spanje), m. Doiïa, Donna (Spaansche en l'ortmg. tilel van edelvronwen), v. â quot;s. Donateur {begiftiger), m. âs. lgt;onatriee (begiftigster, schenkster), v. â s. lgt;omler (dowlerslag, onweer), m. â s. Domleraal (wee/aal, meer poel), m. âalen. Doiitleraar (dondergod), m. -s. Donderbeitel (gesch. wigvormige of kegelvormige steen, wapen der oude Germanen), m. â s. Don4llt;'rlt;la^'. m. âen; âs. bw. De raad vergadert â; âsell, bn.; ile âe markt. Donderen, het heeft gedonderd. Hij hoort het te Keulen â, staat verbaasd; iem. â, kwellen, plagen, gmz. Donderjagen (lastig maken, /dagen), ik heb gedonderjaagd, gmz. niniilvrU.miil{S'imengesleblbloemige),o.gmv. D4»nker (duister), o. gmv. Tusschen licht en â, in de schemering. Donker {duister), bn. en bw.; â lieid, v. Donkerblamv, bn. Een âe japon; een âe overjas. Als znw. o. Evenzoo â brnin, â -S-eei. â s'a'anw, â s:rij*lt;, â ^roen. lgt;onH (de fijnste vederen ), o. gmv. Donzig' (donsachtig), bn. Een â bed, een â nest, »en â waas. Dood, m. Hij ziet er uit als de â; tronw tot in den â; de â van Yperen, pestziekte; wandelen in de schaduwen des doods, gestorven zijn. De â is er in den pot, het is er een nare*bocl. Dood (gestorven), bn. Een â kapitaul, ren-r-telitos; de Ooode Zee (in Palestina); hij is âj 8 |
DOODAFâDOOKN.
|
van slaap; hij is op sterven na â, Ir. voor hij leeft nog. ll4UMlal' ('loodmoedc), bn.; â anti (straatarm)^ lm. Ilooflbiddor (aanspreker), rn. â s. gew. Ken (jezicht hebben als een â, or bleek uitzien. Igt;oo(1l»loâ¬kâ¬llt;gt;n (sterven door verbloeding), is doodgebloed. Het zal ivel â; lig. dat prantje zal ivel â, op niets uitloopen, vergeten worden. lgt;ooddoeiiikr (afdoende reden, inachtspreuK), v. â s. lgt;oolt;le, m. en v. ân. Een treur ine â. lgt;oodlt;'Ckiivoiiâ¬liK' (zrvr eenvondilt;j), bn. en bw. lgt;oode liand, v. Goederen in de â, d. i. wier eigendom nan instellingen behoort, zoodat zij buiten den handel zijn en niet door erfrecht worden overgedragen. Iloodolijk. bn. en bw. Een â schot; hij isâ tjeivond. lgt;4gt;od4gt;ii. ik heb gedood. Fig. Den tijd â, d.i. verdrijven; zijn lusten â, d. i. onderdrukken; â er, m.; â ing', v. lloodcndaiiK {spel of tafereel, allegorisch de macht des doods voorstellend), m. âen. lloodeng-ericlit (gesch. Egypte, oordeel over een doodc door 42 redders), o. â gerichten. lloodlt;'tlt;kr (lediglooper), m. â s lloodfaniiliaai* (hoogst gemeenzaam), bn. Doodgraver (grafmaker, ook zekere kever), m. â s. Doodkloppcrf jo (kevertje, dat in quot;t hout klopt), o. â s. Ilooditriiid (belladonna), o. gmv. ll4M»doiid4'r«vetsoli. bn. Een âe klepperman. (J. v. M.). I^MMlsaii^st (.lig. erge angst), m. âen; â -gevaar, o. - varen; -strijd, m.; âstuip. v. âen; âuur, o. âuren; âzweet, o. Doodsbleek (erg bleek), bn. Een jong mensch met een â uiterlijk. lloodseli (akelig, naar, eenzaam), bn. Een â e stilte, een âe weg, wat is het hier â! Doodslióofd vlinder, âpijlstaart (een groot e avondvlinder), m. â s. Doodslag: {manslag), m. âslagen. Doodstraf' (lijfstraf, die den dood tengevolge heeft), v. â strallen. Doodstroom (scheepst. dood-tij), m. âen. D4»odsverf' (lijkkleur), v. Die lijder niet de â op de ingevallen wangen. (J. t. B.) Doodverf' (grondverf, eerste aanleg eener schilderij), v. Uier zijn twee âverven van dat portret. Doodverven (een schilderij aanleggen), ik heb gedoodverfd. Fig. lem. met een /tost of ambt â, d.i. hem als zoodanig noemen, aan-. wijzen. Genoeg om mij te â voor een man van den achteruitgang. (Potg.) Doodwa (doodskleed, âhemd), v. âwaden. liet lichaam lat daar neder liggen, in een enkele â gehuld. (C. 0.) Doof (hard hoor end), bn. en bw. Zuo â als een kwartel, erg doof; fig. â voor de stem van 't medelijden, geen medelijden kennend; â voor vermaningen; â aan één oor; Oost-indisch â, d.i. hoerende doof; â lieid, v. Doofpot, m. âten. Fig. Iets in den â doen, stoppen, d.i. voorgoed uit de wereld helpen. Doofstom {doof en stom), bn.; â lieid, v. Doofstomme, m. en v. â n. Doofst ommen-iiist it nut, o. âinstituten. Dooi (het dooien), m. gmv. Dooien, het heeft gedooid. Het begint te â. |
Dooier (het geel van een ei), m. â s. Zie Door. Doolhof, o. âhoven. Fig. Een â van straten, van gangen, h.v. in den St.-Pietersberg; het recht is een waar â. Doomig- (vochtig, klam), bn. Vernooy zei. . met eeïi â voorhoofd. (('. O.) Doop (kerkplechtigheid, sacrament), m. gmv. Doop (saus), v. gmv. gew. Doopeeel, v. âen. /ent. â lichten, iemands verleden napluizen en bekend maken. Doopen, ik heb gedoopt; âer, m.; â ing'. v.; â elinjf, m. en v. Doopsel (sacrament), o. gmv. Doopsgezind, bn. Hij, zij is â. Doop^g-exinde (volgeling van Menno Si-monsz.. Mennoniet), m. en v. â n. Doopvont (doopbekken), \. âen. Ook: Doopvont e. Door, bw. â studeer en, verder, voort; âbreken, in stukken; -laten, ergens doorheen; â knagen, in alle richtingen; âdringen, âzoeken ; vz. â den tuin wandelen; â de deur in huis komen; de spijker gaat â het hout; â den neus spreken; â de woestijn reizen; fig. iets â de vingers zien, â vlijt iets winnen. Door (dooier), m. en o. âen. Doorbraak, v. âbraken. De â van een dij!:. Doordaelit (overlegd),hi\. Een goed âezaal,'. Doordien (omdat), vw. DoordriiiKbaariieid (eigenschap der lichamen), v. gmv. De â is een gevolg der poreusheid. Doordringen (doorheen dringen), ik drong â, ben en heb âgedrongen; (ook: vervullen; begrijpen); het âdrong, is âdrongen. Hij is â drongen van droefheid; âdrongen van de waarheid zijner leer, d.i. in zijn hart overtuigd. Doordringend, bn. en bw. Een â geluid, een âe koude, een âe stem, een â verstand; de wind waait â ; â lieid, v. Dooreen (door elkaar), bw. Alles lag â ; hij verdient per jaar â f löOO. In samenstellingen vast te schrijven: door eengooien, dooreen haspelen, dooreenschudden, enz.; evenzoo: door cc n-gegooid, enz. Dooreerlijk (in alle opzichten eerlijk), bn. De man is â. Doorgaan, ik ging â, ben en heb âgegaan. Doorgaans (gewoonlijk), bw. Doorgang, in. âen. De â van Merenrins en Venus, d. i. de schijnbare tocht over de zonneschijf. Doorgeleerd (zeer geleerd), bn. Doorgelezen (ten einde gelezen), bn. Een â boek. Doorgoed (zeer goed), bn.; de muit is â. igt;oorlieet (zeer heet), bn. en bw. Doorkneed (geleerd, verstandig, bedreven; op de hoogte van iets), bn.; â lieid, v. Doorkwelling (het dringen vagt;i water door rivier- en zeedijken), v. âen. Doorlaat (duiker, opening), m. âlaten. Doorloop (doorgang, overpad), m. âen. UoorlucUt(doorsc/iijnend),hu.ÃoU: Doorlicht. Doorluelitig (fig. aanzienlijk, achtbaar), bn.: â lieid (eeretitel van vorstelijke personen en bisschoppen), v. Hunne âheden. Doormarseli. m. âen. Doorn, Doren (scherppuntig houtig deel eener plant), m. doornen en dorens. De sleedoorn heeft âs. Dat is mij een â in het oog iets zeer hinderlijks. |
DOORNACHTIGâDOXOLOGIK.
|
Doornaclitig*, lm. Ecu âr heg, âc pun ten. lgt;(»oriiaippel (fjiftplant met wiüe bloemen), m. â a. Doornat {driiipnol). bn. De wos â. lgt;o«»riickii. bn. Een â stuk. Iloonu'iikroon, v. âkronen. Jezus met dr â. Dooi'iiliaai (speer/iuui, Urine hnaisoort), in. âen. (doornachtig), bn.; â lioiil. v. IftooniKtruik ipeuldrugendc plant), m. âen. De â groeit in ons land op hooge zandgronden. Doorreis (doortocht), v. âreizen. Doorrijp (ter dege rijp), lgt;n. Een âe peer. Doorril (doorgang), in. âten. Doorscliijnciid (het licht doorlatend), bn.; -Ii«kifl, v. Doorslaand (afdoend), bn. Een â bei (/ijs, overtuigend of afdoend bewijs. Doorslag? (vergiettest), in. âslagen. Doorsnede (middellijn), v. âsneden. Doorsnood (erg slecht), bn. Een âe daad. Doorsteek (In't doorsteken), rn. âsteken. Doortastend (snel handelend), bn. en bw. lUu*rtwlit(vrije weg, doormarsch, ail weg), m. â en. Den â versperren, zich een â banen. Doortrokken, bn. Een papier met olie -; een aanspraak van de lucht der academie -. (Koetsveld). Doorvaart (doorgang, straat), v. -en. Doorvoed (welgcvoed), bn., meer â, meest -; de wel âe Bargemeester. (Koetsveld); â -lieid, v. Doorvoer, m. âen. Hechten van â. Doorvoerbriet' (geleibrief' voor goederen), in. âbrieven. Doorvoeren (handelsartikelen door het land roeren), ik heb âgevoerd; â voerinjf, v. Doorvoerhandel (expeditie naar andere streken), m. gmv.; ârecht (belasting), o. Doorwas (schermbl. plant), m. âsen. Door%vr4»eht (goed doordacht] naar alle ei-schen bewerkt, degelijk), bn.; â heilt;l, v. Doorzicht (gezicht door iets heen-, ook: ring hezin, schranderheid), o. lem. het â betimmeren. Een man van â, scherpzinnigheid. Doorxiehtij;', bn.: â heid, v. Doorzichtknnile (leer der perspeeliel' in het teek enen), v. gmv. Doorzien (aanhoudend zien), ik zag â, heb â gezien; ook: ik âzag, heb âzien, d. i. begrepen. Doos (een soort van kistje), v. âzen. Fig. Hij zit in de â, gevangenis; 'lij komt als uit een âje, ziet er zeer net uit. Doovekooï (gedoofde kool vnnr),\. â kolen. Dooven (aitdooven, smoren), ik heb gedoofd; -iiift-, v. DooveiK^tel (lipbloemige plant), v. â s. Do4»zenlal»riek. v. âen: âkraam, v. â -kramen; âmaker, m. â s. igt;o|» (deksel, schil, schaal), m. âpen. Doppen (van den dop ontdoen), ik heb gedopt. Boonen, erwten â. Doppio (dubbel), bw. muz. Dor (droog, on er achtbaar), bn. en bw.; â -heid, v. Dorade (geslacht der smalle visschen, der goudkarpers, mak reet en), v. â s. Dorado (goudland), o gmv. Zie Eldorado. Doren, m. -s. Ook: Hoorn. Doris (naaktkienwige slak), v âsen. Dorp, o. âen. Hij woont op een â. |
Dorpel (drempel), m. -s. Dorpeling (bewoner van een dorp), m. -en. Dorper (lijfeigene), m. âs. vero. Dorperheid (boerschheid, onbeschaamdheid), v. gmv. Dorpshestinir, o. âsturen; â ieeraar, (dominee), m. â s, âaren; â scholt;f»l. v. â -scholen. Dorpsch (dorpachtig), bn. Een â jongr.tensch. Ilorpsherherg-, v. âen; â kerk, v. âen. Dorren (rerdorren, verdrogen), het is gedord; â ingr, v. Dorscli (kleine scheluisch), m. âen. Dorsclien (de graankorrels uitslaan), ik heb gedorscht. Fig. Hooi â, nutteloos arbeiden; â er, m.; âingr, v. Dorsclisâ¬*hniir. v. âschuren; -vlegel, .n. â s; â vloer, m. -en; â wa^en, m. â s. Dorso (in), op den rug (van een wissel), op de omgekeerde zijde; op de laatste bladzijde. Dorst (behoefte aan drinken), m. gmv. Fig. â naar eer, â naar roem, â nam' schatten, hevig verlangen. Dorsten, ik heb gedorst; onp. w. mij dorst, mij dorstte, heeft gedorst. Fig. \aar bb,ed, naar wraak â, d. i. smachten. Dorstig? (c/o/'.s'f hebbende), bn.enbw.; âlieid,v. Dornre (verguldsel, vergulding^ v. gmv. D4»s (kleeding, opschik), m. gmv. Lente â, zomer Dos-a-lt;llt;»s (rag tegen rug), bw. Dos-a-dos (Ind. klein rijtuig), o. Dosis (kleine hoeveelheid), v. âsen, doses. Dossen (kleeden), ik heb gedost. Fig. versieren, opschikken. Dol (suikerpopje voor zuigelingen), v. âten. Dolatie (schenking, begiftiging), v. â tiën, âs. Doleeren (begiftigen, beschenken met een bruidschat). Dolterhloem (een soort boterbloem), w âen. Douairière (weduwe ran aanzienlijke geboorte, die een douarie of weduiugoed bezit), v. â s. Douane (tolhuis, konvooi, de tul), v. ân; ook (accijns-kommies), m. â n. Douanier (tolbeambte), m. âen, â s. Zie: Doimne. Douarie (wedawgeld, weduwgoed), v. âön. Donhh1 (bilj. dubbele sloot), v. â's. Pieler luid een â gemaakt. (C. O.) Donhleeren (rerdubbelen\ in het biljartspel: den bal eerst teigen den band spelen; scheepst. omzeilen). Donhlet (een dubbel voorhanden stuk, b.v. vogeleieren; worp met twee dobbelsteenen, waarbij }net beide evenveel oog en worden geworpen), o. âten. liet verkwanselen ran zijn âten. (C. O.) Donhlon (dubbele pistool; Spaansehe goudmunt â ± f20), m. Ook: lgt;iil»loen. Donhlnre (voering en opslagen aan soldaten!» leeding), v. â s. Douceur (zoetigheid, zachtheid, drinkgeld, geschenk), v. â s; â tje, o. â s. Douche (stortbad), v. â s. Een âbad nemen. Doncheeren (besproeien, begieten). Douillettc (gewatteerde vrouwenmantel), v. â n. Donteeren (twijfelen, betwijfelen). igt;oiitens (twijfelachtig), bn. Douw (stoot, dmv), m. âen, gew. Doxologie (biddende lofprijzing), v. â gieën. in de B. A'. kerk heet de Gloria wet degroote â. |
DRIBBKTj.
nozi.ix-
|
llOKijn (tivudlftiil), o. âen. Igt;ra (spoedig), b\v. //.â zal â Komen. Iiraad (uounverp), m. draden; (.â¢gt;'/quot;/*), o. Er is zilverâ, ijondâ, koperâ, ijzerâ, enz. Draadnagel (ItDKje, taaie spijker), m. âs. llraalt;ltoiiw (vlechtwerk van taai ijzerdraad), o. âen. Ilraadu'i«kr (onderfamilie der ahjeii), v. âen. Ili'itadu'oriu (ingewandsworm), m. âen. De â wordt soms tien roeten lang. DraadK\%'aiii (sehimwel), v. âmen. Ilraa^haar (herrie), v. â bal'en. llraa^kot^tN, v. âen. vero. nraa^'/.lt;klt;'l (band, }ielpzeel), o. âen. Igt;raai (keer, wending), in. âen. De weg maakt hier een â. De koetsier nam di'n â te kort. Fig. Hij weet aan alles een â te geren, tl. i. een gunstige wending of voorstelling. Draaibank (n'erkbanh), v. âen. llraaibaK (zeew. lieht geschat), v. âbassen. lgt;ra3iHkii (keeren, omwentelen), ik heb en ben gedraaid; -er (werkman, die draait), m. lgt;raailialM (vogel van de familie der spechten), m. âhalzen. Mraaior$;-ol (maziekinstrinnenl), o. âs. llraaixirUtc (dolheid hij scha/jen), v. gmv. Igt;raak (vliegende hagedis), rn. draken. Op Java zijn de draken onschuldige diertjes. Igt;raak(ftdjelarhIig vanrspaw.dier), rn.draken. Ilral». llraUbe (grondsop, moer, droesem), v. gmv. Ilrabbi^' (troehel, modderig), bn.; âliritl. v. llraclima (Grieksche mant), v. â's. De waarde was vroeger ± /quot;0.35. thans f 0,44-/quot;0,48 (1 Frank). Drarliiiio (apothekersgewicht, gelijk aan 3.906 gram), o. ân. Ouli: Drachma. llrarlit (een hoeveelheid: kleederdrachi), v. â en. Een â hout, een â water, een leelijke â. llraclitiK'. bn. De koe is â; â iK'id. v. lgt;raeoiiisrli (zeer streng), bn. âe wetten, eigenlijk van Draco, in 720 v. C. wetgever te Athene. Ilradi^' (vezelig, stokkerig), bn. â vleesch; â e radijzen; â lioid. v. Drafl' (H draven), m. gmv. Het opeen â zetten. Ilraf' (grondsop, voeder), m. gmv. Hij zit in den â, verlegenheid. Igt;ra^-4kii. ik droeg, heb gedragen; âer, m. Ilra^oinaii (tolk hij de Turken), in. â s. Ook: Drogman. Draig'oii (zeker km id, nl. keizersalade, in Siherië. en Tartarije), v. gmv. llra$£-oii (di-genkwast), v. â s. lgt;ra;;-oiiadlt;» (geweldpleging der dragonders onder Lode wijk Xl V om de Hervormden door geweld ran wapenen in den schoot drr li. K. Kerk terug te hrengen; dwanghekeering door militair geweld), v. â s. Ilra^-4»iidlt;'r (lichte ruiter; lig. groote, forse he vrouw), m. â s. nragontat (bergkristal), o. gmv. liraireu (droogleggen van landerijen), ik heb gedraineerd; â buiM, v. Drakenbloed (roodekleurstof), o.; âboom (Ind.gedoomderottingpalm), m. â en; âkop. in. âpen; âkruid, o. Drah'ii (talmen, aarzelen), ik heb gedraald: â er, m.; â ingt;r, v. Drama (schouwspel, tooneelspel),o. â's. Een treurspel in de eerste plaats is een â. Dramaliek (tooneelspeelkunst), v. gmv. |
DrainatiKcli (tooneelmatig), bn. enbw. Een â verhaal, een âe avond (Klikspaan),iets â behandelen. Dramaliseeren (tooneelmatig inkleeden of bewerken). Ilrauiat n rg- (t oon cel spel di ch te?', â sch rij ver, âkenner, âbeoordeelaar), m. âen. Dramaturgie (theorie der dramatische kunst), v. gmv. Drang (zacht geweld), m.; âreden, v. âen. Drank (vloeistof), m. âen. Spijs en â. Drapeau (vaandel, vlag), m. â's. Drapeereu (bekleeden; de kleeding op schilderijen nabootsen); â ing, v. Dra|»erie (behangsel, voorhangsel), v. â rieiin. Di de schilder- en beeldhouwkunst het. â dc bekleeding eener figuur met een gewaad. Dras (natte, weeke grond), \. gmv. Dras (moerassig), bn.; een âse grond. Drassidc^u (ztd,spinnen), v. mv. Drassig (moerassig), bn.; â heid, v. Drastislt;*li (krachtig, sterk), bn. âe middelen (geneesk.), snelwerkende. Draven (snel loopen), ik heb gedraafd: âer. m. Dravida (volkeren), in Indië dezulke, die in grondvorm van de Arische Indiërs verschillen. Dravik (zeLer gras), v. gmv. Dreef* {smalle laan; particuliere weg), v. dreven. Dreg, Dregge (licht werpanker met vier of meer anker ha ken), v. dreggen. Dreggen (met een dregge of haal,' visschen naar iets), ik hel) gedregd; â naar een drenkeling. Dreigement (bedreiging), o. âen. Dreigen (het uiten van bedreigingen), ik hel» gedreigd; ââ¬Â»r, m. Dreiging (bedreiging), v. âen. Er bestaat mondelinge en schriftelijke â. Drek (vuilnis, slijk, modder), m. gmv. Drek bak (vuilaisbak), m. âbakken. Drekkig (vuil, smerig), bn.; - lieid. v. lgt;remplt;kl (dorpel), in. â s. Drenkeling (te water geraakt persoon), m. en v. âen; v. ook â e. Drenken (bevochtigen, te drinken geve))), ik heb gedrenkt. De regen drenkt de planten. Drenkplaats, v. âen; âtrog, m. âgen; â wed, o. âden. Drentelen (langzaam heen en weer loopen), ik heb gedrenteld; Geertje bleef in de kamer â; âaar, m.; â ing, v. Drenzen (o/) huilenden toon aanhouden, iets vragen als kleine kinderen doen), ik heb gedrensd. Drenzerig (lastig, dwingo'ig), bn. Een â kind. Dresseeren (africhten, bekwaam maken). Dressoir (aanrechttafel,buffet), m. âs, âen. Dressuur (africhting), v. Er is â voor honden en paarden; ook â voor examens, d. i. klaannakerij. Dreum (bij de wevers en kleermakers, zekere draden), m. âen. Ook: Dreumel. Dreumes (kereltje, jongetje), m. âen. nreuw (schudding, schok), m. âen. Igt;râ¬kunâ¬kn (schudden met dof geluid), het huis heeft gedreund: âing. v. Dreutel (fig. Llein ventje), m. â s. Dreutelen (talmen, luieren), ik heb gedreuteld; â aar, m. Drevel (puntig ijzer, waarmee men spijkers indrijft), m. â s. Dribbel (iem. die dribbelt), m. en v. â s. |
DniRRKLENâDROOMICN.
117
|
lgt;ril»l»ollt;kii (loopan met kleine pasjes), ik heb gedribbeld; âaar, m.; â in^-. v. Ilrio. telw. (als zn. v.): niet ons âën. lgt;riclt;loeleii (o/i een iferde i/er tranrde hren-'im, tiërceeren), ik heb gedriedeeld; â in;;:, v. ilricMlekklt;kr (schip met drie verdel,ken), it.. â s. DriedraadKch, bn.; â kniot n, nare}), touw. nric^dnizoiKlKfc (rt/nu- en .breukgetal), bn. ilrioëiilwid. v. gmv. Jji' leer drr â. llrieërhaiicUs âlei {van drie soorten), onverbuigbaar bn. Ilriâ¬k$;(iraad (rijgdraad), rn. -draden. Oriefgoii (rijnen, vasthechten met wijde steken), ik hel» gedriegd. nrielioek (meetk. vlak in esloten door drie lijnen), m. âen. Er zijn vlakke en bolvormige â en. Er zijn bij de vlakke âen rechthoekige^ stomphoekiye en onnet,jkzijdige -en. (niet drie hoeken), bn. Een â zeil. nrioliooksmotin;; (trigonometrie), v. âen. Ilrwliondcrfl. telw. (rawigetal), bn. Ilriohootdig- (met drie koppen), bn. De âe helhond. Drieklank (muz. akkoord, bestaande nit drie tonen), m. âen. Een harmonische â hestaat uit den grondtoon, de terts en de quint. Igt;rilt;kkllt;kiir (Nvdvrl. vbni), v. âen; â ijff.bn. lgt;ri4'klt;gt;iiiii^oii. in.; â«lajr (0 Januari), m. â dagen; âfeest, o. -en. Driekroon (pausenkroon, tiara), v. gmv. Drielerïi^:, bn. Een â onderwerp. Drii'liii^. in. en v. âen; voor het v.ook â«». Drieman, in. â nen; â sohap ( Ie en 2e â. in de Hom. gesehiedenia), o. âpen. Driemast. Driemaster (schip), m. âen. Drieponder (kogel, brood), m. â s. Drieshi^steKel (driejarige opvolging van vruchtenteelt), o. gmv. Driespron;;' (punt waar drie wegen uiteen-loopen), m. âen. Dr â van Hercules: op den ge vaar lij ken, â des levens. (Koetsveld.) Driest (onbeschaamd, stout, koen, vermetel), bn. en bvv.; â lieid. v. Driestal (drievoet, stoeltje des schoenmakers), m. â len. Driestemmig, bn. Een - lied. Drit^tal^ lt;gt;. -len. Een â jaren,een â guldens. Drieband (staf van Nvptunus), m. âen. Drievoudig, bn. Het â verbond. Drieviildi^lieiil (drie-rén-heid), v. gmv. Igt;riewrerf (driema-tl), bn. en b\v. Drift. v. â en. Een â ossen; hij deed het in â. Driftig (toornig), bn. en bw.; â iK'id. v. Driftst room (zecw. strooming door den wind veroorzaakt), in. âen. DrijflMMtel. m. â s. Drijfliont (in zee drijvend hout), o. gmv.; â ijs, o. gmv.; â xand (welzand langs de kust b.v. van Bretagne), o. Dri jfijs (drijvende brokken ijs in zee), o. gmv. Drijt'til (aardr. drijvend eiland, uit planten ontstaan in stilstaand zoet water), v. âlen. Drijftol (kind( rspeeltuig), m. âtollen. Drijfriem (lederen riem, die de beweging overbrengt), m. âriemen. Drijfveer (springveer, lig. beweegreden), v. â veeren. Drijfwerk (gedreven zilver, bewerkt met relief), o. âwerken. |
Drijven, ik dreef, heb gedreven. De ossen â; een spijker in den muur â ; lig. den spot â; â er. m.; â in$£, v. Dril (zeker boorwerktuig), m. âlen; (gestold vleesehnat), v. gmv. Drilboog, m. âbogen; âboor, v. âboren; â pat, o. âgaten. Drillen (ronddraaien, ook africhten, dressee-ren), ik hel» gedrild; â iinp. v. Dringen (opeen-, samenstuwen\ ik drong, heb en ben gedrongen; âer, m.; âing*, v.; â ster, v. i^rinpenil (geen uitstel lijdend), bn. en bw. Een âe boodschap, âe bezigheden; dat is â noodzakelijk. Drinkbak, in. âken; â beker, m.âs; â e- broer (dronkaard), m. â s.; âwater, o. Drinken, ik dronk, heli gedronken. Fig. 0/gt; iemands gezondheid â, d.i. een toost of dronk instellen; âer, m.; âerij. v. Drink^elap (vertering), o. -en. Droef (neerslachtig), lm. en bw.; â lieid, v. Droefenis (droefheid), v. gmv. lgt;ro«'freestijf (zwaarmoedig ), bn.; â beid. v. Droelen (misleiden), ik hei» gedroeld; âer, m.; â iiip. v. vero. Droes (paardenziekte, ettering, die zich door den neus ontlast), rn. gmv. Droes (de duivel), rn. gmv. De â hale je'. Dr4»eseni (grondsop, bezinksel), in. â s. Droesemi;; (vol dmesem), bn. l^rolt;kvip (treurig), bn. en bw.; â beid. v Dr4»lt;'xi^' [ lijdende aan droes, ook verkouden), bn.; â lieid. v. igt;r4»tf'en. ik lieb gedroogd; â ins', v.; âerij. v. Drogist { verkooper van artsenijen), m. âen. Igt;r4»^'nian. Zie llr;i^'4»nijin. Dr4»^-redlt;'n (bedrieglijke redeneering), v. â -redenen. Igt;r4»predenaar (valsch wijsgeer), m. ânaren, â naars. Drlt;»l. rn. âlen. gmz. Drlt;»lliu- (kluchtig), bn. en bw.; â lilt;'ilt;l, v. Drom {menigte), rn. âmen. Dromedaris (eenbultige Kameel), rn. âsen. I^r4»nimel (zoowel in de beteeken is van menigte als van duivel), m. â s. Dr4»isk (teug, stol,), m. âen. Dr4»nkaar4l, in. âs. -en. Dr4»nk4'n (bevangen, verbijsterd), lm. en bw. Dr4»iik4'ns4'ba|» (beschonkenheid), v. gmv. I^r4»4gt;p. bn. en bw. droger, droogst; âIi4»id. v. Dr4»4»ul4'^u-4'ii idraineeren), ik heb -gelegd. Een weide, een broekland â. Dr4M»$;'l4M»p4kn (het a/loopen van water), liet liop â, is âgeloopen. Het strand gaat â. Dr4»4»K'nia4'bine (centrifugaat-muchine om weefsels te drogen), v. â n. (»f â s. Dr4»4»pniak4'rij (het leeg malen van plassen, meren, poelen enz.), v. gmv. Dr4»4gt;$:-nialen, ik maalde â, heb âgemalen; â maling, v. De âmating van een meer. Dr4M»$s-p4Mkts4kn (schoon of blinkend maken), ik heb âgepoetst. Dr4»4gt;$fseliiir4'n (h.v. koperwerk), ik heb â -geschuurd. Dro4»K'st4»ppel (Jgpe van een geld,nan), m. â stoppels. lgt;r4M»^-t4k. v. â n. Dr4M»;;'V4gt;ets. Dr4»4»^-sv4gt;4'ts. bw. Dr4»4»pz4»ld4kr. m. âzolders. Dr4M»ni. in. âen. lem. uit den â helpen. Dr4Mmien (werkzaamheid der ziel gedurende |
118 DROOM EIUG-DÃIK
|
don slaap; ftg.ijtlel mijmeren), ik lieb gedroomd; â or, m.; -erij, v. ]lro4»inlt;kri^ (slaperig, snf), bn.; â licid, v. lgt;ro4»|»(kii {bedruipen, besproeien), ik heb gc-droopt; â ins*, v. w. g. lgt;ro|» {drup), m. âpen. Van den renen in den â komen, van kwaad tot erger vervallen, llrop {afkooksel van zoet/wal), v. Ook: Hrup, lgt;ro|gt;|M'l {druppel), in. âs. Ook: lgt;rii|»|gt;ol. l^roppeU'ii, het heeft en is gedroppeld; â injr, v. Ook: lgt;riipp(klâ¬kii. Ilroppcn {druipen), het heeft en is gedropt. Mropsteon {een druipsteen), m. âen; {als stofnaam), o. Zie lgt;riiipsteen. â drossaard {baljuw), m. â s. Zie lgt;rost. Igt;r«s*»lt;'l {zekere lijster), m. â s. DroKseu {weyloopen), ik hen gedrost; hij ijinn â ; âer, m. â injr. v. Mirost {sellout), m. âen; ook; lgt;rossaard. Druïde {priester der oude Kelten), m. â n. Ilniif' {vrucht van den wijnstok), v. druiven. Fig. knop, b.v. De â van een boor, van een kanon, enz. Druil {driehoekifi zeil), m. âen. Ikruil {druiloor), m. en v. «-en. .Inruilen {talmen, suffen), ik heb gedruild; â er, m.; â v. Dmilip: {druiloorUj), bn. en b\v. Druiloor {slaper, sulfer), m. en v. âen. Drnilooreii (druilen, pruilen), ik heb gedruiloord. Drniloorip:. bn. en bw. Het boutje â aan te aapen. (Staring); â lieid, v. Igt;riiip {Iwt druipen), m.; âbad, o. âbaden. Druipen {in druppels neervallen), ik droop, heb en ben gedropen. Fig. Hij is gedropen, l»ij eenig examen afgewezen. Vroeger, vallen: Het rjraan zal â uit het stroo. (Cats). Druipnat {kletsnat), bn. De hond was Druipneus (persoon), m. en v. âneuzen. Druipoog, m. en v. âoogen. Druipstaarten {van angst den staart tus-srhen de achterpootent rekken, b.v. een hond), hij heeft gedruipstaart. Fig. âd wegloopen, d. i. beschaamd wegsluipen. Druipsteen {een kalksteenvorming, door afdruiping ontstaan), m. âen; {als stofnaam), o. Men onderscheidt stalactieten (die van het gewelf naar beneden hangen) en stalagmieten (welke van den bodem oprijzen). Druiselien {luide suizen), het heeft geel ruischt. Druiveblad. o. âbladeren. Druivenlezen {het inzamelen v. druiven), o. gmv. Druivenfr4»s {een tros van druiven), m. â trossen. Druivenziekte {beschimmeling), v. gmv. Droog zwavelpoeder is een middel tegen â. I^ruivepit, v. âpitten; â scliil, v. âschillen; âsteel, m. âstelen. Igt;ruk, m. -ken. Dlt;' â der slavernij, nood, ellende; een fraaieâ, uitgave van een boek. Druk, bn. en bw.; âte, v. Ook: Drok. Drukfeil, Drukfout, v. âen. Een lijst van âen. Drukken {klemmen, persen, bezwaren, boeken. - ), ik heb gedrukt; -ker, m.; -kerij, v. Drukkend {knellend), bn. âe belastingen. Drukking- {werking der zwaartekracht van '£ êthie lichaam op het andere), v. âen. De â der lucht; de â op vloeistoffen. Drukkunst {de kunst om boeken, platen enz. |
te drukken), v. gmv. De â werd in de. 15e eeuw uitgevonden. Drukpers {werktuig om boeken te drukken), v. âpersen; âvrijheid, v. gmv. Drup, m. âpen. Ook: Drop. Druppel {kleine drup),va. âs. Ook: Droppel. Druppelings, Droppelings. hw. Druppelsgewijze, -gewijs, ook: Druppelsgewijze. â gewijs. en: Druppels-wijze of Droppelswijze, bw. Druppen. Zie: Droppen. Ih'l begint te â. Dryaden (fab. besehermnimfen der hoornen), v. mv. D-trein {doorloopende trein, nl. zóó dat de waggons gemeenschap hebben), m. âen. Dualiue (ontploffende stof), v. gmv. Dualis {tweevoud), o. Dualisme. Dnalisnins {de leer der twee beginselen of eeuwige grondwezens [één goed en één kwaad]; ook de leer, volgens welke eenige uitverkorenen zalig en alle overige men-schen verdoemd worden), o. gmv. Dualist (aanhanger van het dualisme), m. â en. Dubbel {tweevoudig), bn. en bw.; als zn. o. Dubbelen (een schip een dubbel bekleedsel géven), ik heb gedubbeld; âing. v. Dubbelhartig {geveinsd, valsch), bn.; een â mensch; â lieid, v. Dubbelpunt {leesteeken), v. âen. Dubbelspaat {LJslambsch kristal), o. gmv. Dubbelster {twee of meer sterren, die voor het bloote oog als één ster schijnen), v. âren. Dubbeltje (geldstukje), o. -s. Dubbeltongig {onoprecht), bn.; â lieiil. v. IMibbelzien {diplopie), o. gmv. Dubbelzinnig {vatbaar voor twee uitleggingen), bn. âe taal, onkiesche taal of woorden; â lieid, v. Dubbelzout {verbindingen van twee zouten, b.v. aluin), o. âen. Dubben {twijfelen, aarzelen), ik heb gedubd; â er, m.; âing, v. Dubieus {twijfelachtig, onzeker), bn. Dubio {twijfel), o. In âzijn, staan. Dubiteeren {twijfelen, dobberen). Diibiuni {de twijfel, het punt van twijfel), o. dubia. Dubloen {Spaansche goudmunt = 2 pistolen, ± f 20.00), m. -en. Duedalf'. Dukdalf {zwaar paal'verk), m. â dalven. Dueliten {vreezen), ik heb geducht; âiug. v. Duelitig {erg) bn. Hij werd â afgeranseld; â beid. v. Duel {tweegevecht), o. â len. Duelleeren {een tweegevecht, houden). Duellist {degene, die duelleert), in. -en. Duenna (bejaarde juffergeleidster), v. â quot;s. Duet, Duetto. Duo {dubbel- of tweegezang; ook spel met twee speeltuigen; aria van twee stemmen), o. muz. Duf {vuns, muf), bn. en bw. Het ziet er â uit, de zaken staan slecht; âlieid, v. Duffel {lakenachtige wollen stof, ern soort van fries), o.; {jas), m. â s. Duffelseli. bn. Een âe jas. Dufsteen {duifsteen, ook tufsteen), m. âen. Duideliik {klaar, helder), bn. en bw.; â -lieid, v. Duiden {aanwijzen), ik heb geduid. lew. iets ten kwade â, kwalijk nemen; âiug. v. Duif {hoenderachtige vogel), v. duiven. Een |
m IÃâDriMJKK.
|
raden duif, fig. een onverwacht geluk. Er zijn wel 120 soorten van duiven, b.v. een kroonâ, een muschâ, een wondâ of hout-, do lachâ, de tortelâ, de trek-, enz. Dili;? {plankje van een vat of ton), v. âen. Igt;iiikâ¬'laar (duiker9 ook kinderspeelgoed), m. â s. IMiiltpIcn (over het hoofd tuimelen), ik heb geduikeld; -injr, v. Duiken (naar beneden fjann), ik dook, heb gedoken; -er, rn.; â injr. v'. IMiiker. m. âs. Hetzelfde als Duikelaar. Ook een riool of buis onder den grond. Diiikereeiid (zeeëend d e duikl). v. â n. De zwarte, de groote â ; de ijs-, de bril â , de eiderâ, de laf elâ, enz. Duikerklok (toestel ooi onder water te kunnen werken), v. âklokken. Dnikertocstel (duikerklok), rn. of o. â len. Ook het Engelsche duikerpak is een â. Igt;iiini, m. âen. Onder den â hebben, houden, bedwingen; geen â gronds afslaan, wijken, niets toegeven; de âen der deur, hengsels, haken, waarin het hengsel sluit; iets op zijn âpje hcbbqji, kennen, goed kennen. Duimeleii (uaur zich toe halen), ik heb ge-duimeld; â ing*. v. Dnin (zandheuvel), v. âen; (collectief), o. Wandelen in het â. Dilin«toorn (doorngewas langs onze kust), m. âen. De gemeene â. DiiiiK'ii (keienheuvels van los zand), v. mv. Duist (stuifmeel; ook kafbolster), v. gmv. I^nisfor (niet licht), bn. en bw.; â lieid, v. l^iiiKterlinK- (lomperd, domper), m. en v. â en; ook: Dnisterlin^e, v. Igt;iiisflt;'riiis (het donker), v. De â van di-u nacht. Duit (oude Nederl. munt), m. âen. Dut kost mij geen â, dat is geen â waard. Fig. Hij heeft âen, geld; hoe krijg ik mijn âen van hem Duitblad (waterkaarde, kikkerkruid), o. gmv. Diiitendiei' (gierigaard), m. -dieven. DiiHm*Ii. bn. De âe taal (als zn. o.). Zie Dietsch. Igt;iiitslt;*lie Itoiid (vereen iff de staten van X. Duilschland), rn. gmv. Dnitselie ridders (gesch. kruis/weren van adel), rn. mv. Duivekater, tw. W'ut âd. i. de duivel hale je! Duivekater (wittebrood, koek in den vorm van een kereltje, dat op een duivel lijkt), v. â s. Zie Deuvekater. Duivel (booze geest), m. -s of âen. Duivelin (boosaard/r/ wijf), v. â nen. Dnivelsadvoeaat (lig. iemand, die voor de schaduwzijde, voor het kwade p lei l), in. âcaten. Zie: UodKadvoeaat. Dnivelsbeet (zekere plant), v. gmv. Dnivelslirood (wilde paddenstoel), o. gmv. Duivelsbrug (brug over de lieusz in den Alpenpas over den St. Gotthardt), v. gmv. Duivelsdrek (geneesk. plantaardige stof legen zenuwziekten), o. gmv. Duivelsnaaigaren (slingerplant; de ruige linze), o. gmv. Duivelstoejager (bijlooper, ion. die 'i minste werk moet doen), m. â s. Duivenboon. v. âen; âdrek, m.; âei. o. â eren; -li«»k, o. âken; âkot. o. âten; |
â markt, v. âen; â melker (opkiveeker van duiven), m. âs; âslajr, o. slagen; âtil, v. âtillen; â vlueht (am aantal duiven samen vliegend), v. gmv. Igt;uivenkervel (geneeskrachtige plant, aardrook), v. gmv. Duivenpost (verkeer door middel van postduiven), v. gmv. Dnivenvalk (Ind. valk ter grootte vun een duif), m. âen. Duixelen, ik heb geduizeld; â iiift-, v. Een âde hoogte; mij duizelt; een duizeling krijgen. Duizelig: (draaierig), bn. en bw.; â lieid, v. Duizend, tehv. (als zn. o. âen). Duizendblad (korfbloemigeplant, in vijvers en slooten), o. gmv. lgt;uizend-en-(;(;n-naelit (verzameling van sprookjes en wonderverhalen uit het Oosten: Indië, Per zie, Arabic), v. gn.-v. Igt;uizendg ii blen kruid (geneeskrachtig kruid, gentiaan), o. gmv. Duizendjari;?. bn. Het â rijk. een godsstaat op aarde. Zie Chiliasme en Millennium. Duizeiulknoop (veelknoopige plant), rn.gmv. Er bestaat: alpenâ, beemdâ, vogel â , waterâ, windeâ. Duizendpoot (ongevleugeld insect met uwer dan 24 paar poolen), m. âen. Dnizendselioon (anjelierbloem), v. âen. Duizendste(mm/-,/;rt3?(/1r/ef«/),bn. Een â deel. lgt;uizlt;gt;ndvoud. o.; -vondig-. bn.; -werf, bw. Dukaat (gouden munt = ± f5,quot;25; zilveren munt = ± /' ?,5Ã), m. vero. Dukaton (voormalig zilveren geldstuk = f 3,i5), m. ânen, â s. lgt;ukdalt* (paal in voorhavens, om schepen vast le leggen), m. âdalven. Ook: Ducdalve. Duleinea (zoetertje, liefje, beminde), v. â quot;s. Duklen (verdragen, verduren), ik heb geduld; â er, m.; âins:, v. Dun (zonder dikte), bn. en bw.; â lieid. v. Dundoek (vlag), o. âen. Het â wappert. Dunk (meening), m. gmv. Een goeden een slechten â van iels hebben; ik heb daar geen grooten â van, ik heb er geen hooge gedaciiten van. Dunken (een meening hebben over iels), mij dunkt, mij docht, mij heeft gedocht. Dunnen, ik heb en het is gedund. Het haar â, uitknippen; de salade en andere planten â, het overtollige uitwieden; â ning-. v. Dunsel (bekende bladsalade; veldsla), o. Dunte (dunheid), v. w. g. Duo (lied of muziekstuk, uit te voeren door twee personen), o. â's Ook; Duet. Duodeeimaal (twaalfdeelig), bn. De Rijn- landsche muat is Dnodeeiino (boekformaat, waarbij het vel in 12 gedeelten verdeeld is e-. 24 bladzijden hi een vel voorkomen; i2mo of 12o), o. â's; â mootje, o. Dupe (bedrogene; iemand die zich voor den gek liet houden), m. en v. â s. De â vun de historie zijn, d. i. het kind van de rekening. Dupeeren (bedriegen, misleiden). Diiplieaat (het dubbel vun een akte, eensluidend afschrift), o. âcaten. Duplieator (oerdubbelaar van electriciteil), m. â s. Duplieeereu (tweede antwoord geven, opeen repliek antwoorden). Dupliek (beantwoording vun een repliek, ook een verweerschrift), v. âen. |
DUPLIKK - E VANG.
120
|
IMipliok (rechtst. tweede antivoord, dat ds ijedaagde neep), v. âon. Iftiiplo (in) (didtbel), Itw. Iets â afsc hrijven, d. i. twee afschriften maken. IMiralMkl (duurzaam, blijvend), bn. IMirabilitvit {duurzaamheid), v. gmv. niiron {van duur zijn), liet heeft geduurd; â injiquot;. v. Igt;iirfal (ivaaijhals), m. en v. âallen. Diirf'nfrt (la/'aard), m. en v. ânieten. Igt;iirk (scheepsw. de plaats waar tnen het vuil in een schip veryadert), rn. âen. Igt;iirvlt;kii {zich verstouten), ik dorst of durfde, lieh gedurfd. Niemand die het lean (jedurfd hebben. (Koetsveld); âlt;kr, m. Ilus {alzoo, derhalve), b\v. bijv. bep. aank. vnw. âe pennen deugen niet. Ilnsverre, llnsver (zoover), b\v. Ilnl {lichte slaap : tig. dwlt; ilin(f), m. lem. uit den â helpen, in den. â laten. Hutton {een licht slaapje darn), ik heb gedut; â tor, m. IMiünivir {tweeman), m. âs. Duümviraat {tweemanschap), o. gmv. Huur {het voortduren), m. gmv. (Jp den â. IHiur. bn. en b\v.; â1â¬', v. gmv. I^uurkoop {hoof/ in prijs), bn. IHorkoop. IMiurzaani. bn. en bw. EH.enhout is â ; ren â zame vrede; â lioid, v. Huw (stool), m. âen. h'm. ren â (jeren. I^uwou, ik heb ged uwd; â lt;'r. m.; â iii^, v. Ilwaal {ta/'ellal.en. lijkkleed), v. dwalen, vero. Ilwaalliolit {eleclriek vonkje boren port, moeras of kerkhof), o. -en. Fig. Ken verkeerde leidsman. HuaaKtor {planeet), v. âsterren. I^uaas {zot, aek), bn. en bw. Een dwaze mode\ â lioid, v.; «Iwasolijk. bw. llu'aUkii {ronddolen), ik heb gedwaald; âor. m.; â inp:, v. Ilwaii^' {overmacht), m. gmv. Bukken voor â, op iem. â uitoefenen. Dwarrel {warreling), m. gmv. Dwarrolou {krinffswijs ronddraoien), ik heb gedwarreld;âins'.v.; âstroom.m.; -wiud.in. Dwars (schuin, scheef), lm. en bw.; â lioilt;l. v. Dwarsboomon (tegenwerken), ik heb gedwarsboomd. lem. â in iets. Dwarsdrijvon (tegenspreken), ik heb ge-dwarsdrijfd. 11 ij is weeraan't â ; âdrijver, m.; â«IrijveriJ, v. |
Dwarsfluit (muz. blaasinstrument), v. -en. De hoorn hod dan iets van een hysterische â. (C. O. ) Dwarshout (bindbalk), o, âen. Dwarskijker (opzichter), m. âs: âkij-kerij. v. Dwarskop (dwarsdrijver), m. en v. -pen. Igt;%varsstraat. v. âstraten. Dwarste, v. gmv. Iets in de â doorsnijden, d. i. overdwars. Dweepziek {(hveepochtig), bn. Een â vervolger. Dweepzuelit (aan krankzinnigheid grenzende godsdienstwaan), v. gmv. Dweepzuolit i£-. bn. Een â volgeling. I^wlt;'il (wollen of grof linnen doek), v. âen. Dweilen (reinigen met een dweil), ik heb gedweild. Dwepen (overdreven begrippen koesteren, in godsdienst, staatkunde, kunst, enz.), ik heb gedweept; âer, m.; â erij {overprikkelde vereering), v. Dwerg- (onnatuurlijk klein mensch), m. -en. Dwingeland (onderdrukker), m. âen. lgt;win^-elandij (tirannij), v. De â der mode. Dwingen (noodzaken), ik dwong, heb gedwongen. Dit kind doet niets dan â, lastig zijn; âer. m.; âerij. v. Dwiu$;-eri$£ (lastig), bn. Een - kind; -â¢lieid. v. lgt;wornik (deurwachter, portier), m. âs. D.vareliie (heerschappij van twee vorsten), v. Dynamica (teer der beweging), v. gmv. Il.vnamiok. Ilynamisoli (de krachtenleer^ betreffend), bn. lgt;.vnauiiot (ontplolfende stof, achttnaatsterker dan kruit; hoofdbestanddeel is nitro-gl geer ine; in ISO? te Hamburg door Nobel uitgevonden), o. gmv. Dynamoiiieter (krachtmeter, werkend door een spiraal veer), m. â s. Dynastie (rij van regeerende vorsten uit een en dezelfde familie: regeer end stomhuis), v. â tieën. Dynastiek, bn. âe belangen. Dyseuterio (roode loop, persloop), v. gmv. Dyspepsie (zwakte in de maag, moeielijke spijsvertering), v. gmv. |
E.
|
K, v. e's. De vijfde letter van het alphabet. In de muziek de benaming van den derden toon. mi. Als getalmerk is E in Kom. opschriften = 250. K. â Er exit. hij heeft opgericht. K. A. â Edel Achtbaar. E. lt;â¢. â Exempli causa, bijvoorbeeld. Kd. â Editio, uitgave; editi'ur, uitgever; edi-dit, hij heeft uitgegeven. Fdd. â Ediderunt, zij lielil )en uitgegeven. Kerw. â Eerwaarde. tf'. â E.vempH gratia, bijvoorbeeld. K. â¬â ⢠A. â Edelgrootach tbaar. £lt;l. O est r. â Ãcletgestreng. |
E. lt;iJr. UI. â Edehgrootmogende. ei^. - eigenlijk. e.k. - eerstkomende. EE. MUI. IIII. â Edel mogende lleercn. Em. - Em nentie. Em.. emer. â Emeritus, rustend. «'ii C'ouip.. «V ^1. â oi Compagnie. Eutr. â Entrepot. euz. â en zoo voort. v. i*. â Zie Ex. oil'. Esq. - Esguire (Engelsch), Weledele Heer (achter den naam op adressen). ete. â Et cetera, en zoo voort, Evan;?, â Evangelie, |
EXC.-EKN.
121
|
Exc. â Excel lent ic. Kxofl. â Exodus, de uittocht, het tweede boek van Mozes. Ex. off. - Ev officio, ambtshalve. Kxtr. â Kxtrartiun, uittreksel of aftreksel. Kzoi'li. â Ezechicl. K (achtervoerjsel), b.v. koude, woedt', alsmede in de bw. luide, gaarne, verre, aireede. Eau colosriK» (Keulscli reukwater), v.; â flc ja veile (u lek ken water), v.; â de la-venfle (larendelwater), v. gmv. Kb, Kb be (laar/ getij), v. gmv. Kbaiieheeren {vluchtig ontwerpen, schetsen). Kbben {het alloopen van den vloed), bet heeft geëbd; â bin;;, v. Kbbeboom (Ind. boom in de tropische landen), m. âen. Kbblt;kiilioiit (Ind. fraai zwart hout), o. Het beste Ind. â komt van Boeroe (Molukken). Kbloiii«*M'ei*4'ii (verblinden, verbazen, overbluffen). Kbraiileeren (schudden, aan het wankelen brengen, ontmetedigen). Kbriiïteereu (ruchtbaar maken, aan de klok en den klepel hangen). Kearftf (zeker kaartspel voor 2 personen), o. Kcarteeren (verwijderen, verstrooien] ter zijde stellen', de kaarten m be^ spelen verwisselen). Keee IIoiik»! (zie den mensch! Beeld of schildering van den lijdenden, door Pilatus ten schouw gestelden, Christus), o. â's. Keelesia (de kerk), v. gmv. KeelesiastiMi'li (Aerhelijk, geestelijk), bn. Kelian^e (ruil, wisseling), v. â s. Klt;'liaiivelt;'reii (ruilen, wisselen, uitwisselen). Keliantilloii (staaltje, monster, proef), o. â s. Keliappeeren (ontsnappen, ontloopen, ontvluchten). Keliap|Mknieiit. (ontsnapping, ontvluchting; schakelrad in uurwerken), o. âen. Keliarpe (sjerp, lijfgordel, eeregordel), v. -n. Kelianireereii (zieli) (zich wurm, toornig maken). Keliéanee (vervaltijdvaneen wissel), v. gmv. Kehee (schaak in bet schaaks/tel; schade, verlies, nederlaag), o. âs. In â houden, in bedwang honden. Keliel (bloedzuiger), rn. â s. Hetzelfde als K^el. Kelilt;klloii (laddersport), v. En â, in verscheiden division achter elkander. Kelio (terugklank, weergalm'), v. â quot;s. Kelit (h uwelijk), in. gmv. In den â trede}). VA'\ti(wettig, deugdelijk), bn. en bw.; â lieiri, v. Kebtbreuk (overspel), v. âbreuken. Kelitlt;'lie«leii (echtgenootcn), m. mv. Kelitelin^n (man en vrouw), m. mv. Keliten (wettig verklaren), ik hel) geëcht. Een kind â, erkennen; â inji', v. Keht^enoot (gehuwd man), m. âen. Kelit^enoote (gehuwde vrouw), v. â n. Kebt sell ei «tin;;- (ontbinding van den huwelijksband), v. âen. Aanvraag tot â. Kelit verbintenis (huwelijk), v. âsen. Kelaireisseeren (inlichten, ophelderen). Kelairenrs (vooruitgezonden troepen of militairen. veld verkenners), m. mv. Kelampsie (spierkramp), v. gmv. Kelat (opzien, ruchtbaarheid), o. â maken, opzien, opschudding baren. Kelatant (opzienbarendâ¢, verbazend), bn. en bw. |
Kelateeren (ruchtbaur worden: uitbreken. aan den dag komen). Keleetiens (uittezer, nl. die. uit alle stelsels het beste neemt), m. â tici. Keleetiseli, bn. en bw. â c wijsgecren, â te werk gaan. (C. O.), d. i. uitzoekend. Kelips (verduisteritig, vooral van een hemellichaam door een ander), v. âen. Kelipseeren {verduisteren, verdwijnen, zich wegmaken). Keliptica (zonsweg, aardbaan), v. gmv. Ketinoniie (h u ishoudelijLheid, huishoudkunde: ook: zuinigheid), \. gmv. Keoiiomiseli (huishondelljk, zuin 'rg, spaarzaam), bn. Keoiioiniseeren {besparen, bezuinigen). Keonooni (landhuishoudkundige, landbouwer), m. - nomen. Keorebenrs (gesch. plu d era ars, vilders, in Henegouwen 1431), m. mv. Kvossaise (Schotsche gezeht hapsdatis), v. â s. Keraseeren (verpletteren, verbrijzelen, vernietigen). Ook fig. Ken (kroon, daalder van f l/ti':'), m. â's. vcro. Ken meur (schuimer, schuinilooper, zeeschuimer, vrijbuiter), m. âs. Klt;llt;la (het godsdienstboek der oude Scandinavische stammen van Germaansche uf-komst), v. â's. Klt;lel. bn. en bw. âe metulen: van âegeboorte. Kdelaardi^ (edel run aard), bn.; â lieiil. v. Kclelaelitbaar (titel van burgemeester en wethouders), bn.; â beid, v. Kdel^'eboren, bn. Ho g-, welâ. Kdelji'esteente (steen van groote schoonheid en zeldzaamheid), o. â n. Kdelu'rootaelitbaar (titel van leden van gerechtshoven, van kun ton rechters, leden der staten, enz.), bn. Kdellieid, v. gmv. De â ran zijn karakter. Kdellinaap (page), m. âknapen. Kdelinan (man van adel), m. âlieden. Een n ieu wba leken â. Kdelinarter (boommarter), m. âmarters. K4l(klmoedig* (grootmoedig), bn.; â lieid, v. Kd4klino^-end (titel van leden der Sla tentlener aal vóór ISïS), bn, Kdelvrouw (adellijke dunw), v. âvrouwen. K«leii (paradijs), o. gmv. De hof van â. Kdiet (vorstelijk openbaur bevel, landxceror-dening), lt;gt;. âen. Het eenwig â (1577); het â van Nantes (1598â1685). Kil i k (azijn), m. gmv. Klt;lit«knr (uitgever van boekwerken), m. âs. Kditie (uitgave, druk run een werk), v. â -tiën, âties. Kdoeli. vw. Hetzelfde :ils D »ch. (muur). Kdneatie (oproedimi), v. âties. Ked (ple chtige verzekering, beroep op (iod), m. âen. Een â uileggen, zijn â breken. Ked^enoot (bondgenoot bij eede), m. -en. Ke$fa, Keg'ade, m. en v. oegaas, eegadeu. Kek (eikenschors), m. gmv. Klt;kklioorn, â horen (knaagdier), m. âs. De gewone â, de kleine â. de vliegende â. Kei (bier), m. en lt;». âen. /.ie Aal. Kei (achtervoegsel), b.v. kasteel, juweel, po-nee l, penseel, uitheemsche woorden; ook in houweel, naam van een werktuig. Kelt (verdikking der opperhuid), lt;gt;. gmv. Kelterii;' (met eelt bedekt), bn.; â lieid, v. Kei tij; (eellachtig), bn. â lieid. v. Ken, tehv. JJe helft van één is een half. |
KKN-KI
l'KI (J IK.
122
|
Een, zelfst. nw. Hij wierp twee eencn. Ken, onbep. voornw. Een mijner vrienden. Ken, lidw. Een man. eene vrouw. Keml (zwemvnijel), v. â cn. Kendag-svlie;? (/lt;â '//7), v. -vliegen. Kendebont, ni. âbouten. Kemlenei, o. â eren; âjacht, v.; â kom. v. KcMidenkooi {inrichtinn tot het vannen vin eenden), v. âkooien. Kendenkroos (temna, groen op slooten), o. gmv. KendenniOKSt^l {mosselkreeft), v. â s. Kender {hetzelfde, gelijk), bn. en bw. Kendraeht, v. â maakt macht, oud-vaderl. spreuk; â ijj [eensgezind), bn. en bw. K(knerliande {dezelfde, hetzelfde), bn.; âlei {gelijksoortig), I)n. Kenheilt;l (aangenomen maat, ook eensgezindheid), v. -lieden. Kenlioevigen {orde van zoogdieren), m. mv. Het paard, de ezel en de zebra zijn Ken hoofd i$gt;'. bn. Een âe regeering, d. i. de monarchale. Kenlioorn, âhoren {fabelaehtig hert, ook sterrenbeeld), m. âs; â visoh {narwal), rn. Kenig, bn. en bw. Een â kind; het woont hier â. Ken iger ma te {eenigs z i ns), b w. Kenigheid {overeenstemm ing, eensgez 'tnd-heid), v. In de beste â leven. KenigKxins {een weinig, eenigcrmatr), bw. Kenkennig {als een kind, dat bang is voor vreemden), bn.: â heid, v. Klt;knkiioo|gt; {familie der grassen), v. IJ-blauwe â. Kenlobbig. bn. Een lelie is â. Kenloopend. bn. Een â heer. Kenoog, m. en v. âen. In het landlt;lerblinden is â koning. KenoogiKV, bn.; âheid. v. Kenpari^' {eenstemmig), bn.; âheid, v.; -lijk, bw. Kens {eenmaal), bw. Kensgeziiul (eendrachtig), bn.; âheid, v. VjensMtips {plotseling), bw. Hij werd - bleek. Kensklapseh, bn. Een âe verandering van decoratie. (C. O.) KeiiNlnidend, bn.; een â afschrift; â -heid. v. Kenstemnii^'. bn. en bw. Een â lied, een â besluit; âheid. v.; âlijk. bw. Kentoni9;, (fig. vervelend), lm. en bw.; - -heid, v. Kenvornii$f. bn.; âe figuren; een â landschap; â heid, v. Kenvoud, rn. gmv. â is het kenmerk der waarheid. Kenvondig {niet ingewikkeld), bn. en bw. Kenvondigiieid (natuurlijkheid), v. gmv. â cU's verstands, kinderlijkheid; â van zeden; aesthetische vermijding van pronken opsmukking in de kunst. Kenxaam {onbezocht, stil), bn. en bw.; â -heid, v. Kenxelvig {vervelend), bn.; âheid, v. Kenxijdi;; {partijdig, bekrompen), bn.enbw. â heid, v.; âheid van smaak. (Potg.) Ker, bw. en vw. Hij was er â dan ik, vroeger; het duurt lang, â de trein er is. Ker {achting, hulde, roem, voorrecht),?, gmv. Ker baar (kuisch, rein), bn. Een âare levenswandel, oneerbare taal; âheid, v. gmv. Kerhiecl {achting, ontzag), m. gmv. |
Kerbiedenis {eerbiedige groet), v. gmv. Eerbiedig, bn. cn bw.; âbeid, v. Kerbiedigen {vereeren, gehoorzamen), ik heb geëerbiedigd; â ins1, v. Kereblijk, o. âblijken. Kereboog {zegeboog), m. âbogen. Kercdegen {kostbare sabel van eer), in. â s. Keredicht {lofdicht), o. âdichten. Kereflienst {kerkdienst, godsdienst), m. âen. Kerelid {lid van verdienste), o. -leden. Hij is â van dat gezelschap. Keren {achting bewijzen), ik heb geëerd. Kereplaats, v. âen; â poort {eereboog), v. â n; âpost {eereambt), m. âen. Ke re prijs {veronica, plantje), v. gmv. Kereteeken, o. âen, â s: -titel, m. â s; â wacht, v. âen; âwijn, m. gmv; â -woord. o. Kerlaing (spoedig), bw. Ik hoop u â te zien. Eerlijk, bn. en bw. Een â man; iets â eerdienen; â duurt het langst; âheid. v. Kerloos {zonder eer: fig. laag), bn. Hij werd. â verklaard; een âze daad. Kershalve {als bewijs van eer), bw. Iemand â uitgeleide doen. Kerst. telw. De â e menschen; op de âe bank: de âe kamer; bw. ik kwam het â; ten âe; zelfst. nw. de âen zullen de laats ten zijn. Kerstaanwezend, bn. â ingenieur, â ambtenaar, d. i. de voornaamste. Eerstdaags {binnenkort), bw. Kersteling', m. en v. â cn; voor liet v. ook â e. Kerstgeboorte, v. Recht van â. d. i. oudtijds van te erven het vaderlijk goed. Kerst geboorterecht {erfrecht ten gunste van den oudsten zoon), o. gmv. Kerstgeborene {oudste hind), m. en v. â n. Kertijds {voorheen), bw. Kervergeten {eerloos, schaam tehuis), bn. Kervol, bn. en bw. Hij vroeg â ontslug. Eerwaard {titel van een geestelijke), lm. Eerzaam {braaf, bescheiden), hn.; â heid, v. Kerxiicht {dorst naar eer), v. gmv. Kerznchtig {eergierig), bn. Kest {droogoven), m. âen. Kesten {drogen op een oven), ik heb geccst; â ing, v. Hel mout â. Ketwaar {mondbehoefte), v. âwaren. Kenw {tijdvak van honderd jaar), v. âen. Kenwenlieiigend {zeer oud), bn. âe eiken. Eenwenoml, bn. Een âe gewoonte. Kenwgetijde (eeuwfeest), o. -getijden. Eenwig, bn. en bw. Hij zanikte altijd en â; -heid, v. Ik heb je in geen âheid gezien. Van -heid tot amen; -lijk, bijw.; -durend, bn. Kl'endi {eeretitel in Turkije, heer), m. â s. Ktlaceeren (u itwisschen, doorhalen). Zich â , zich op den achtergrond houden. Ktlect {verbazingwekkende werking, uitwerksel), o. âen. Het lichtâ van een schilderij; werken op het â, b.v. op het tooneel, dooi- kleeding, schermen (coulissen), gebaren taal, enz. KHect (landsschuldbrief,staatspapier),o. â cn. KflTectrief {werkelijk, wezenlijI,), bn. en bw. als zn. {het werkelijk bestaande), o. gmv. KflTectiieeren {bewerken, verrichten, volvoeren, Int stand brengen, verwezenlijken). Kflen {gelijk, vlak), bn. cn bw.; âheid, v. Ktrenen (erenen), ik heb geëflend: â ing. v. Kfligie (in) (beeltenis), v. In â verbranden, | d. i. in beeltenis, b.v. een gekleede strooien pop. |
!â¢: K KLKIIIIK IC I {KX â KLDOI» AI )0.
123
|
EIIIpii roeren (terloops aanroeren, oppervlak-kicj behandelen, er licht overheen loopen). Kfi'orceereii (zieli) (zich beijveren, zich inspannen). KH'rayan t (verschrik kei ij k, ontzaglijk, vreese-Jijk), lm. Firronterie (driestheid, schaamteloosheid), v. gmv. Est (landbouwwerktiiifi),v. â gen. Ook: Egge. IC^aal (gelijk, onverschillig, eenerlei), bn. Kwaliteit (gelijkheid), v. âen; âIé (lens der revolutie). ICs'anl (aanzien; schatting; beleefdheid), o. âs. ; (zoogdier, insectenetend roofdier), m. â s. De gewone â of' het stekelvarken. Ks'elantier (wilde rozelaar), m. â s of âen. ES'elfjras (familie der grassen), o. gmv. Kprelvlseli (beenige visch in de tropen), m. â visschen. K^^e, -ege, -ei (achtervoegsel), b.v. dievegge, ktappege, klappei, vrouwelijke persoon, die zich kenmerkt door stelen, klappen. Kg-^e (belangrijk landbouwwerktuig; rooster met pinnen), v. eggen. Zie Esr. j.]«.jr-eii. ik liel) geëgd. Er is met hem te ploegen noch te d. i. niets aan te vangen; â er. m.; â v. E^^eri^- (scherp, zuur), bn. en b\v.; â lieiil. v. E^^i^ (stomp van tanden door het eten van wrange vruchten), bn.; â lieid., v. E^o ( ik), pers. vnw.; alter â, plaatsvervanger. E^oiKine (zelfzucht, baatzuchtige denkwijs of eigenliefde), o. gmv. E^'oiHt (zelfzuchtig wezen), m. en v. âen. E^oiMliseli (zelfzuchtig), bn. en bw. Ejr.vptixelie (â ontsteking), d. i. besmettelijke oogziekte, in het Egvpt. Fransche leger (171)8). Ei, t\v. Ei, o. âeren; â fJe, o. â tjes en â ertjes. Eiber (ooievaar), m. â s. De â van Egmond. â Eiderlt;keiilt;l (zeevogel uit het noorden), v. â en. Ook: Eider^an*». Eierdo|».m. â pen; â koek,m. âen; korf',m â korven; ânetje, o. â s. Eierstok (vruchtbeginsel), m. âstokken. Ei^en. bn. â haard is gond tuaard, niets gaat boven een eigen woonhuis. Eigenaar (bezitter), in. ânaars en ânaren. Ei^eiiaaiMli^: (passend, geschikt, opmerkelijk), bn.; â lieid, v. Eigenares (bezitster), v. âsen. Eigenbaat {eigenbelang, baatzucht), v. gmv. Eis'eiilH'lan^' (zelfzucht), o. gmv. Het â is veelal de hechtste steun van een goed voornemen. (Koetsveld.) Eig-eiidom (recht), m.; (bezitting), o. âmen. Ei;;'eiidoiiisreelit. lt;â¢. âen. Zijn â bewijzen. Ei^'eiidiink (eigenwaan), m. gmv. Ei^-endiinkekijk (op eigen gezag), bn.; â -ln'ilt;l. v. Eijjenj^eërfde (die op eigen goed woont), m. en v. â n. Ei^(kiiliel'dlt;k (hoogmoed, zelfzucht), v. gmv. Eigenlijk (werkelijk), bn. en bw. De âe be-teeken is. Ei$;eiiniaeiili$f (op eigen gezag, willekeurig), bn.; â lieid, v. Eigennaam (bijzondere naam),m. â namen. Ei(;eiiKelia|gt; (kenmerk), v. âpen. Eigenwaan (verwaandheid), m. gmv. Ei^enuaartle, v. gmv. Ei$feiiu'ijs (waanwijs), bn.; -Iieid, v. |
Eigenzinnig (koppig), bn. en bw.; â beid. v. Eik (woud- en loofboom), m. âen. De ge-steelde â; de ongesteelde â; de witharige â; de roode â; de tvitte â; de verfâ; de kurkâ. Eikekroon ot' Eiken kroon, v. âkronen. Eikel (vrucht v. d. eik), m. âs. Eikeikoflie (aftreksel van gebrande eikels), v. gmv. Eikt'lxnam (zwam op rottende boomstammen), v. gmv. Eikenblalt;lroller (sch ubvleugelig insect), m. ârollers. Eikenboseli. o. âbosschen; âdreef, v. â dreven. VAU.cn£i\l\\QS\gt; (vliesvleug'dig insect), v. â en. Eiklt;'niioiit (hout van den eik, vast, sterk en duurzaam), o. gmv. Een trap van een lambrizeering van â. Eikenseiiors (bast), v. gmv. Eiker (vrachtschip), m. â s. Eilaas, tw. Zie Helaas, tw. Eiland (door water omringd land), o. â en. Een groep âen heet Archipel. Een â enreeks, een kustâ, een oceaan â , nl. dat ver van de kust ligt; een koraalâ, een schierâ. Eilieve (och! kom!), tw. Eilooi' (soort van klimop), n. gmv. Einde (ook Eind en End), o. einden en enden. Eindbesluit, o. âen; âpaal, m. âpalen; â rijm, o. âen; â vonnis, o. âsen. Eindelijk (ten laatste, ten slotte), bw. Daar kwam hij â. Eindeloos (zonder einde), bn. en bw. Een â looze stoet. Einden (eindigen), ik heb geëind. Zijn leven â . Eindigen, het heeft en is geëindigd; â injj, v.; âbeid. v. Eindpaal (grens, fig. uiteinde), m. âpalen. Eindsnellieid (snelheid van een lichaam na het doorloopen van een bepaalde baan), v. âsnelheden. Eirond (langrond,ovaal), hn. Een âe vrucht. Eiseli (vordering, ook in rechten), m. âen. Eisehen (met grond vragen), ik heb geëiseht; â er, m. Eiwit. o. gmv. Er is dierlijk en plantaardig â. Eiwitstof (albumine), v. gmv. Ekster (roestvogel, geslacht der raven), v. â s. Vroeger ook: Aakster. Eksteroog (likdoorn), o. âen. El (lengtemaat), v. â len; âlelje, o. â s. El (achtervoegsel), b.v. hevel, hengel, teugel, sleutel, namen van werktuigen. El (achtervoegsel), b.v. kruimel, stippel, knokkel, wnazel, hoepel, bussel, pukkel, verkleinwoorden. Elaneeeren (snel voorwaarts gaan, toeschieten). Eland (herkauwer, geweidrager, hert), m. â en. De â is de grootste hertensoort van Europa. Elastieiteit ( veerkracht.spankracht) v. gmv. Elastiek (rekbaar bandje), o. âen. Elastiek, elastiseb (rekbaar), lui. Elateriet (veerkrachtig aardpek, aardhars, fossiel), o. gmv. Elaterine (geneeskrachtig extract), v. gmv. Elders (op een andere plaats, niet hier), bw. Eblorado (het goudhmd, het land van belofte), o. Eigenlijk: El dorado. |
124 ELECTIEâEM BRASURE.
|
Klcctie {keus of kiezinu), v. â tiën, âties. alc tuaardiylieid v. kennutrst), o. Kl4k«*tri4*iteit (de harnsteenkracht, n(fstrekkende Lr acht), v. ginv. Kleef i*ilt;kk. elfi'triseli (van of hctrclfendc de electriciteit; lig. bliksemsnel), lm. Klcclriseeri'ii {üc aantrekkende kracht optrekken, onvertvachts schokken; tttmoaren). Onderwijzers, die .... een knal als â (C. O.). KleetriKeormacliiiic (toestel), v. â s. KUm'Ihu.: âe telegraaf. Klectrometor (tltim/tscee) krachtmeter), m. â s. Kloclrotlicrjipie (toepassinn der electrh-i- tcit op de t/ent'eskiinde), v. gmv. Klelant (diclit. olifant), m. âen. Kle^ant (net, sierlijk, smaakvol), hn. Een â kleetlinfi, een â trial, el lm is. Klo^aiilic (heoallifjlieitl,sierlijkheid)^ v. ginv. (treitr- of klaagdicht), v. â ën. {trcariij, tveemoedi(j), lm. Een âe fjedtcht. Kloiiiâ¬kiit (ffrondstof), o. âen. Wttnnteijraad, ivind en renen zijn de samenstellende âen ran het klimaat ran eenifj gewest. (Vetli.) Fig. werkkring, sfeer: liet trater is ons â.de zre hraist onzr tjlorie (Matrozenlied); hij is in zijn â, in zijn nopjes, in zijn humeur. Flcknilt;kiitaii* (ijronilstoljelijk; de eerste be-tjinselrn betreflende), lm.; âe scholen, lagere scholen; â onderwijs. lOlt'iiieiifen ^oudtijds tic virr â , nl. lacht, water, ttttrde. rnttr), o. rnv. KKkiiilt;kiit4kii (nat. de niet ontleedbarestolfen; tic eerste gronden eener tretrnschttp), o. inv. Klwatio (opheffing; verheffing), \. âs, âtiën. Klovatie (mil. helïingsltoek van een stak geschat), v. gmv. Kl^vo (kweekeling), m. en v. â s. Kil', telw. elven. â is het gekkennununer. 7 fs â oogrn, 't loopt mis. (gew.) Kif. iTi.; Kilo. v. (berg- of aardgeest der Noordse he mglhologie), elfen. Zie: All*. Klf-cii-lt;lei*t (ui tcr.st langztaim en sera ar). Komt slechts voor in de b\v. nitdr. Opzijnâ. Klfraiik (pliintk. bitterzoet), v. âranken. Kilquot;! (een meivisch), m. âen; (stofmaim), v. Kll'iinrti jik (kof fit- of versnapering op dt/t aar), Kltf'i'i* (groote, drietandige vork om aal of paling te steken), m. âs. Zie Aalgeer. Kli4l«k4ki*4kii (aitlaten, treglaten, b.v. een letter uit een woord; wegwerpen). Kliminatic (aitdrijring, wegwerking), v. â ties, âtiën. Kli!gt;ti«k (treglating van een klinker), v. als: binnen (be-innen), levens (te-evens). Klif4k (tie keur, kern. bloem), v. gmv. ⢠Klil«'s( ttitgelezen soldaten, keurbenden), v. mv. Kli.xlt;kr. Klixir (sumengesteld kooksel, tif-treksel), o. â s. Klkaar (af te breken: elk-aur), w. vnw. Zij bederven âs tverk. Geef â de hand. Helpâ. Klkaii«l«kr (af te breken: eik-ander), w. vnw. Zie: Klkaar. Klkocii, onbep. vnw. â moet hel pot. Kllohoo»' (deel vutt den tirm), m. âbogen. Klllt;kii«ie (onheil, rump, tirmoede), v. â n. Klllt;kii«ilt;kliii^'. m.en v. âen; vlt;»or het v.ook âck. KIIlt;kiHli^- (rampzalig) lm.; â lieid. v. Klleuaar (linnen, katoen, enz.), v. -waren. Kllips (kromme lijn van den tweeden grttad, kegelsnede, ovaal), v. âen. |
Klli|»s (uitlating, verzwijging van woorden of zinnen), v. âen. De â is een tegenvoeter van het pleonasme. Voorb. Daar dient hard gewerkt. Een man een man, een woord een tvoord! Kllipf isch (ellipsvormig), lm. Een âe baan. Klnisviiiir (electrisch verschijnsel in de gedaante van vltimnu tjes), o. Ook: Elmasvuitr. Klo^e (lofrede, lofschrift, loftuiting), v. âs. Kloqiieiif (welsprekend), bn. Klolt;iiiâ¬kiiti(k (welsprekendheid), v. gmv. KI|Mkiilgt;ccii (ivoor), o. gmv. Kis (loofboom, berkgewas), m. elzen Kis (schoen ma kers werkt u ig, priem), v. elzen. Kliioidatie (opheldering, toelichting, inlichting), v. âtien, âties. Kliieilt;lckckrckii (verklaren, ophelderen, toelichten). Kl.yzeesche. Klysisdie velden (de tvoou-plaats der zaligen; hemelse he dreven, bij Homerus aan den W. zoom der aarde; fig. een bekoorlijk en vroolijk oord), o. mv. Klysium. o. Hetzelfde als Klyzeesclie vel-den. Het â van tante Stastok, d. i. haar tuintje. Klzevier (druk of drukletter van bepaalden vorm),\. gmv.; â seh, bn. De âsehe uitgaven, nl. die van de oude firma Elzevier in Antwerpen. Kmail (brandeerf, glazuur), o. gmv.; â -kleur, v. Kniailleeren (brant!schilderen, met email overdekken). Knianatie (uitvloeiing, vitstrooming), v. â tiën, â s. Kinaiieipatie (vrijmaking uit slavernij of lijfeigenschap, ook uit tie vaderlijke macht; toestaan van gelijke rechten; gelijkstelling voor de wet; bevrijding van voogdij, handlichting, mondigverklaring), v. -tiën, â ties. Kmaiieipeeren (vrijmaken, vrijverklaren; gelijkstellen; melder ja rig verklaren). Kniballa^e. Kniballeeriii^: (inpakking; ompaksel, omwikkeling), v. gmv. Kmlmlleeren (inpakken, omwintlen, omwikkelen). Kiiil»arlt;'adere (aanlegplaats, hoofd,steiger), v. â s. Kinhsir^o (beslag in oorlogstijd op schepen en scheepsgoederen, srheepstirrest), o. â's. Kiiil»arlt;|iieerlt;'ii (inschepen, op schepen laden). KmUarras (verlegenheid, moeielijkheid, verwarring), o. gmv. Kmbarrassant (modelijk, hinderlijk, bc-lemmerend), bn. Kiiilgt;arrasslt;klt;krlt;kii (in verlegenheid brengen, verwarren, ophouden, belemmeren). Kmbellissenwiit (verfraaiing), o. âen. KniUleina (zinnebeeld), o. â's, â ta. Overal zult gij de âta van. ons vak op een misselijke wijze zien afgebeeld. De Barbier. (C. 0.quot;) Ook: Kmhleem. o. emblemen. Kinhleiiiatiek. Kiiibleinatiseli (zinnebeeldig), bn. en bw. Knib«»ii|»4»iiit (lijvigheid, gezetheid), o, gmv. KmlM»iieliiir4k (monding, uit- en invloeiing van een rivier; tie opening van een kanon; muz. mondstuk van een blaasinstrument), v. Een goede â hebben, een blaasinstrument zuiver blazen. Kmbrasse (gordijnband), v. â n. KnibrasKeeren (omarmen, omhelzen). Kmbrasure (schietgat, inham), v. â s. |
ÃMBRVO âENGAG KKI.'KN.
|
Knibr.vo (worclinyskiem), o. â's. Fig. onrijpe pennevrucht. Fnior^'o (luctor (lt;7r worstel en kout uit de baren op). Zinspreuk van liet Zeeuwsche wapen. Kmerif aat (ambtsrust met pensioen), ü. gmv. Kiii«'ritiiK (uityediend, rustend, gepensioneerd), bn. Zoo heet ik ras (Staring.) Kiiitar, Kniir {Arabisch hoofd, bevelhebber), m. â s. Fini^raiit, Emigrl (uitgewekene), m. â en, â's. KmiK'ratie {landverlatimj, uitwijking), v. â tien, âties. Kiiii$?reerâ¬kii (uit het land WijlMl, vluchten). Kiiiiiiâ¬kiit (uitmuntend; voortrelfelijk), lgt;n. Kmiiieiitie (verhevenheid; ook dè titel der kardinalen), v. â tiën. Zijne KiniNNario. Kmissairo (een heimelijk uitgezondene; boodschapper), m. â's, â s. â Omissie (uitgifte; uitzending), v. â siön. Kmitteeren (uitgeven; in omloop brengen). Kniittcnt (uitgever; in liet bijzonder: bankier, die leeningen aan de markt brengt), m. '.-en. Fiiimer, in. â s. Een â water. Kiiioliimciiten (ambts voordeden, buitenkansjes), o. mv. Kmoti^ (getnaedsbeweging, aandoening, ook: volksgisting), v. âtiën, âties. Km|milllt;kcreii (instroo wiikeini of pak l. en). Kni|mllt;korlt;kn {spietsen, met een paal doorsteken). Km|»liasc (stijl, troop run den nadrul.), v. gmv. Laten wij ons ongeluk als mannen dragen. Ook: Emphasis. ICnipliatiscli (nadrukkelijk, kruchtig in het spreken, met ophef), bn. en bw. Fnipiricus (iemand die niet op de lessen der wetenschap, maar of) de ondervinding afgaat, ervuringsman),. m. empirici. Empiric {ondervinding, ervaringsleer), v. gmv. Kmpiriscli (alleen steunende op de ondervinding), bn. âe wetenschappen, b.v. natuurkunde, scheikunde, enz. Kiiipirisiiiiisi /.c/m/6- op ervaring gegrond), o. Kuiplelte (inkoop, koop van min belangrijke voorwerpen), v. âs. âs doen. Kiii|»looi (bediening, betrekking, rol, aanstelling), o. âen. Kmplo.v^ (beambte, bediende), m. â's. Knipl4gt;,yeerckii {verzorgen, bezigen, gebruiken). Fniporteeren {driftig maken, vertoornen, uitvaren). Zich Kniprc.ssonieiit (beijvering, bereidvaardigheid, dienstijver), o. gmv. Kmpriint (leening), o. â force, gedwongen leoning. Kiiipninteereii (leenen, ontleenen). Fnip.yreiini (vuurhnhel, plaats des lichts, hoogste hemel), o. gmv. Kmiilatie (naijver, wedijver), v. gmv. l']iiiiilNio (geneesmiddel, melkwitte vloeistof), v. gmv. Ook: Emu I sine. Kn {achtervoegsel), b.v. in gouden, hanten, leeren, papieren, bn. Kn (alsook)^ vgw. Jan â Piet. Kn (niet), bw. //lt; Morgenland â zijn we niet. (Ledeg.), vero. Kil, vz.; â gros, in bet groot; â train, in beweging. Lees: an. |
Knakskiiifloreii (Bijb. menschen van reusachtige gestalte, reuzen), o. mv. Knainol (sport, email, verglaassel, glans), o. gmv. Lees: e-naam'l. Kn avant! (voorwaarts), bw. Kn blant* (in blanco), bw. Kn liloc (bij den hoop, als massa), bw. Ken koop â. Kneadreeroii (in een lijst zetten, b.v. spiegels, schilderijen, enz.; inramen). Kiilt;*aiiailU'4'reii (zich) (zich genteen aanstellen, zich met gemeen volk op êêne lijn stellen). De Hollandsche jongen â t zich lichtelijk. (C. O.) KiicliaiiU'oren (betooveren, behoren, eer-rukken). Kiicliiridion (handboek, beknopt overzie/gt;.t), o. â s. Knclave (omsloten, land, nl. door vreemd grondgebied), v. â s. KiM'Iavi'oreii (insluiten, mquot;l grondgebied omringen), KiK'oiiiiiiin (Grieksch lofdicht),o. â s, âmia. Kn lt;*oi*|gt;s (gezamenlijk). Kiilt;*4»iira^-lt;gt;C'i*eii (aanmoedigen, aanwukke-ren, aanzetten). Kii4*riiiickteii ( voorwereldlijkezeeleiiën), v.mv. Kiilt;*.ylt;*lia (rondgaande brief), v. â quot;s. Kiic.vclopaMlie (kort begrip run alle kunsten en wetenschappen, algemeen woordenbnek), v. âdieën. Kii4*.y4*lo|»a'«liscli (bij wijze van enegclo-pu'die), bn. en bw. âe kennis. Km*.vlt;(*lo|gt;H'4lisl {bewerker v.m of medewerker (tan een enegclopiedie), m. âen. Kntl. Kiilt;le (einde, eind), lt;â¢. enden. Kiidoinio (volks- of landsziekte), v. âmies. â miën. KiKleniiscli (inheemsch, plaatselijk, b.v. van ziekten), bn. Kn (in bewaring; in voorraad; toe vertrouwd ten verkoop), bw. Kn dosliabillé ( in huisgewaad, ochtendklce-ding), bw. Kn detail (in het klein), bw. Kndosmose (inmonding; vermenging van vloeistolfen door een dierlijk of plantaardig vlies heen), v. gmv. Zie IHII'iisie. Kndossant. ltu\^%%i\t\t{onderteel,enaarv(tn een endossement), m. âen. KiidoMseercn, Inilosseeren (wissels overdragen op een ander). KndosKoineiit, liidossomonf. ludosso (overdracht van wissels, enz.), o. âen; â 's. Kner^ie (werkkracht, nadruk)'\. gmv. Knlt;kr^-iek. Kner^iseli (met kracht, met matrak), bn. Knerveercn (ontzenuwen, verzwakken, krachteloos maken). Kn la«*e (van voren, vlak tegenover), bw. Kn tamillo (in den huiselijken kring), bw. Kiifants perdns (voorposten die aanhmt-dend aan het grootst -gevaar zijn blootgesteld: ook: waaghalzen), m. mv. Knfilade (mil. het beschieten van ter zijde), v. Knfin (eindelijk, in V kort), bw. Knfom'oeren (den bodem inslaan, doorbreken, inbreken). Kiifff (nauw, klein), bn. en bw. Een â vertrek. Kn^a^-lt;kanf (verptiehtend, innemend, uitlok! '.end), bn. on bw. Kn^'a^^ron (aanwereen, aannemen); 'iAvU â (zich verbinden, verplichten; verloven). |
-120 ENG A GEM ENT - EPH EM ER IDE M.
|
Kn^-a^ciiieiit (verloving, verbintenis, aanstel Una), o. âen. Kii ^ala (in prachtgewaad), l)\v. Kn ^ar^on (ongetrouwd, als vrijgezel), Inv. Eng'el (hemelgeest), m. âen. Kn^lenbak (hoogste en goedkoopste plaats in den schomvburg achter onder het plafond), m. âken. KiigclcnUoni (alle engelen samen), o. gmv. ; Fn^elin (beminde vrouw), v. â nen. KngelMcli, bn. en bw.; â ro«»«l (ijzer-oxgde), o. gmv.; âe ziekte (gewrichtsziekte bij kin- j deren, enkelziekte), v. gmv.; â zont (bitter-1 zout, zwavelzuur magnesium), o. gmv.; â 1 zweet (pestziekte), o. gmv.; een â hemd, d. i. met lange gestreken mouwen; als zn. voor Engelscbe taal, o. Kn^elselie (vrouw uit Engeland), v. â n. Kn^elseliiiiaii, m., Engelschen. Kii$;elzoet (zekere plant uit de familie d'-r rarens, eikenvaren), o. gmv. Kiifren (nauwer maken), ik heb geëngd. En ^raiMle tenue (in groot tenue, in paradeuniform), bw. En K'roH (in het groot), bw. âhandel. Eng-te (nauwe doorgang), v. â n. Een bergâ, een zeeâ. Enigma (raadsel), o. â ta. Enigmatiscli (,raadselachtig, dubbelzinnig), bn. en bw. EnJanilH'inent (diclitk. het overspringen, het doorloopen in een volgenden versregel), o. âen. Enkel (knokkel aan den roet), m. â s. Enkel, bn. en bw. Een âe gulden', 7 is â onwil. Enkelvoud, o. âen. Enklinizer (persoon, almanak, kabelslag), m. â s. Enleveeren uvegnemen,welt;iv()eren,0/diefj'en). En masse (in menigte), bw. En miniature (in het klein), bw. Ennii.yeeren (vervelen, last veroorzaken). Enorin (overdreven, uitermate,ontzettend), bn. Enormiteit (afschuwelijke grootte-, afschuwelijkheid, een ongehoord iets), v. âen. En particulier (in 7 bijzonder), bw. En passant (in 7 voorbijgaan), bw. En profil (van ter zijde gezien), bw. En «inestion (bewust, waarover gesproken wordt), bw. Enquête (nauwgezet onderzoek), v. â s, â n. Het recht van â, d. i. een constitutioneel recht van de volksvertegenwoordiging. Enrageeren (razend of woedend maken). En regard (ten opzichte), bw. En retard (te laat, in gebreke), bw. En retraite (op pensioen), bw. Hij is kapitein â . Enrolleeren (aanwerven, inschrijven). Ensemble (te zamen), bw. en als zn. (geheel, alles bijeen), o. En suite (achter elkaar), bw. Ent (boomloot, stek, spruit), v. âen. Entameeren (aansnijden', aanvangen, beginnen). Hij schaamde zich, een con'ertioneel proces over een haan-te â. (Koetsveld.) Entasseeren (ophoopen, opeenhoopen). Enten (veredelen van vrachtboomen door het overbrengen van een loot op een anderen stam), ik lieb geënt; âer, m.; â erij, v.; -ing, v. |
Entente (begrip), v. â cordiale, goede verstandhouding, eenstemmigheid, gemeenschappelijk overleg. Enterbijl, v. âbijlen; âdreg, v. âdreggen; â haak. m. âhaken. Enteren ('/au boord klampen), ik heb ge-enterd; â ing, v. Entliusiasnie, Entlinsiasnius (geestdrift, verrukking, dwepei'ij), o. gmv. Hij gloeit van â. Entliusiast (dweper', mensch vol geestdrift), m. âen. Ook: Enthousiast. Entliusiastiseli (dwepend, met geestdrift), bn en bw. Entomoliâ¬gt;ten (insee tens teen e n, versteende insecten), m. inv. Entomologie (insectenkunde, kennis der gekorven dieren), v. gmv. Entomologiscli (de insecten leunde betreffende), bn. Een â woordenboek. Entomoloog (beoefenaar der insectenkwide), m. âlogen. Entortilleeren (omwikkelen, verwarren). Entourage {omringende menigte, al wat in \ den omtrek is), v. gmv. i KntoureereMt (omringen,om geven.insluiten). En tont (in alles, samengenomen), bw. En-tont-eas (groote parasol, die desnoods | ook als parapluie gebruikt wordt), m. Entozoa (ingewandsworm), o. mv. Entr'aete (pauze, tusschenbedrijf), v. âs. En train (in gang, in beweging', in zwang), I bw. Ent raineeren (wegsleepen, medesleepen ). Ent re-den x (tusschen beiden), bw. en als zn. (middelstuk, tusschenzetsel van een japon, mantel, enz.), o. i Entrêe (ingang, toegang, toegangsprijs, ook j voorgerecht', muz. stuk ter opening of inlei-\ ding), v. â s. Entâ â¢Â«i«»-biljet (toegangskaartje), o. âton. Entremets (t usschengerecht, bijschotel),^, m v. Entre nous (onder ons, in vertrouwen), bw. } Entrepot (pakhuis, goederenmagazijn, sta-\ â pelplaats), o. â s. Een openbaar â. Entrepreneur (ondernemer, aannemer), j m. â s. Entreprise (onderneming), v. âs. Entresol (tusschenverdieping van een huis), 1 ins teek kamertje), o. â s. Eutreteneeren (onderhouden, verzorgen, onderhoud verschalfen). Entrevue (samenkomst, gesprek), v. â s. Entrez (kom binnen!). Ennmeratie (opsomming, optelling), v. â s, â tiën. En veine zijn (recht op streek zijn), bw. Enveloppe (omslag voor brieven, hulsel, vrouwenmantel), v. â s, â n. Environs (omstreken), m. mv. Ãe â van Arnhem. En vogue (in omloop, in zwang), bw. i Envo.vê (afgevaardigde, afgezant), m â s. I Enz. (en zoo voort). Epaeta, Epacten (getallen, welke voor elk jaar, den maansouderdom, op den eersten dag des jaars, opgeven), m. mv. Epaulet (schouderbelegsel van een officier), v. âten. Epenthesis (inlassching), b.v. in: eitje,beender en. Ephêmêre, Ephemeer, Ephemeriseh (vluchtig, slechts één dag durend), bn. Ephemeriden, Epheinêren (diertjes, die |
EP 11 ET EN -KI{I AN( JEN.
427
|
con day leven; fig. daffhladcn^niemvstijdingen; sterrenkundige td/'eh'H, waarin de veranderingen aan den sterrenhemel opgeteekend zijn; dingen van één dag), m. mv. Kplietcn {rechters in Athene), m. mv. K|»lioreii (opzieners in Sparta), m. mv. Kpiciiriseli {weelderig, aan zingenot verslaafd, zwelgend), bn. en Inv. Kpicurist (zinnelijk menscii), m. âen. Kpideiuie {aanstekende volh'sziekte, besmettelijke ziekte), v. â ën. Kpidemiscli {besmettelijk, aanstekelijk), bn. Kpidoot {groen gekleurde steensoort), o. ginv. Kpi^oncii (gesch. nakomelingen, de zonen der zeven helden in Thebe), m. mv. KpiK'ram {bijschrift, opschrift; spotdicht, hekeldicht; stekelig puntdicht), o. âmen. Kpift-rammatiseli {stekelig, kort en zinrijk), bn. Kpilepsio {vallende ziekte), v. gmv. Kpilooji: {slotrede, narede van een treurspel), v. epilogen. Zie Proloog'* ICpim-us {stehelig; moeielijk, netelig), bn. Kpiscli {tot het heldendicht behoorend), bn. Ken â gedicht, heldendicht; âe poëzie, verhalende dichtsoort. KpiM'oimal {bisschoppelijk), bn. en als zn. {aanhanger der bisschoppelijke of gevestigde kerk in Engeland), m. en v. âpalen. Episcopaat {bisdom, bisschoppelijke waardigheid), o. â paten. Kpisodc {inlassching, tusschenvwhanl, voorval, kleine gebeurtenis), v. â n en â s. Epistel {brief, zendbrief; strafpredikatie), m. â s. Kpistolair {in den stijl of vorm van een brief), bn. en bvv. Kpistolo^rapliie (brie fschrij fkunde),v. gmv. Kpitapliiiiiu {grafschrift, lijkrede), o. âia. ICpitlieet (Fr. epithète. Gr. epitheton), o. d. i. toenaam, bijnaam, b.v. De âsnelvoetigequot; Achil-les; epitheten, epitljeta. Kpitoiuc (uittreksel, kort begrip), v. â s. Kpode (het laatste gedeelte of slotvers van een lierdicht, nazang), v. â s, â n. Kpopee (heldendicht), v. âën. Ook: Kpos. ICpo^iiie (tijdstip, begin eener tijdrekening of jaartelling), v. â s, â maken, opgang maken, elks aandacht trekken. Kpos (heldendicht), o. epen. Kppe (selderij), v. gmv. Zie Apiiim. Helle besteekt âden diadeem met luttel eppelMdrenquot; (Bild.), als teeken van rouw. Equatie (verevening, algebraïsche vergelijking), v. â tiën, âties. Zie JKquatic. JKquator (evennachtslijn, denkbeeldige cirkel, ivelke de aarde in twee gelijke halfronden, nl. N. en Z. deelt), in. Zie Equator. Kquiliber (evenwicht), o. gmv. .K«iiiiliblt;kr. Equinox (gelijkheid van dag en nacht, nachtevening), m. âen. iEquiiioetiuin. Equipage (a lles, wat tot gemak en den stoet ran de rijken behoort, als: koetsen, paarden, bedienden, enz.; ook: de bemanning van schepen, en hetgeen tot de uitrusting behoort), v. â s. VA\\ii\wavet\{uitrusten,toerusten,bemannen). équipement (uitrusting van een man, van een .schip of van militaire korpsen; kleeding en wapenen), o. âen. VAiwltntie^le rij kunst,het paardrijden),\.g\w\. Kquivalent (gelijkwaardig, tegen iets anders opwegend), bn. Zie JEqiil\alent. |
Kquivalent (gelijkheid van waarde), o.âen. Equivoque (dubbelzinnig, twijfelachtig), bn. en bw. Kr (daar), bw. van plaats. Ik ben -- al. Kr (achtervoegsel), b.v. spreker, denker, loo-per, personen, die de werking verrichten; waaier, passer, gieter, namen van werktuigen. Kr (voorvoegsel), bv. erbarmen, ervaren, erkennen, erlangen, d. i. uit of door middel van. Kr (van hen, er van), pers. vnw. Ik zie â drie. Kracliten (bedunken), o. Alleen nog overig in: mijns, zijns, onzes âs. Krasiniaanseli. bn. De ~e stad, nl. Rotterdam als de geboorteplaats van Erasinus (14G7-153C). Krbarinen (zicli). ik heb mij erbarmd; -iigt;« ( medelijden), v. Kreetie (oprichting, bouw), v. âs, âtiën. Kreis (eenmaal, eens), bw. Kremiet (heremiet, kluizenaar), m. âen. Krent lest (deftig, achtbaar), bn. Krf (erve), o. erven. Huis en â, eigen grond. Krf'cijns (erfelijke rente), m. âcijnzen. Krt'deel, o. âen; â goed, o. âeren; â liuis (boedelhuis), o. â zen; âlater (die laat erven, testateur), m. â s; â laatster (die een erfenis nalaat, testatrice), v. â s. Krt'dienstbaarheid (servituut, last die op een erf drukt), v. gmv. KrleliJU (kunnende geërfd won hm), bn. âe ziekten, b.v. klierziekte, tering, jicht, enz. Krfenis {het geheele vermogen van den erflater), v. âsen. Krf$?enaaiii (hij die van den erflater erft of erven kan), m. èn v. ânamen. Krlopvolgiiag* (opvolging in de plaats van den overledene), v. âen. Krt'paeiit (erfpachtrecht, jaarlijksche pacht tot erkenning van het recht des eigenaars), v. âen. Krt'prins (oudste zoon van den kroonprins), m. âen; âstadiiouder, m. âs; âvorst, m. âen; â vorstemloin. o. âmen; âtante (die laat erven), v. âs. Erftante Annet. (Staring). Krfrecht (samenstel van wetten, de erfopvolging regelende), o. gmv. Krfxondc (zonde van Adam overgeërfd), v. gmv. Erg (, in hnoge mate slecht), bn. en bw. Krgdenkcnd {achterdochtig), bn.; â lieid. v. Krg-ens (op eenige plaats), bw. Krgeren (aanstoot nemen of geven), ik heb geërgerd; -ills', v. Krgerlijk (aa ns too te lij k, zond ig, scha n del ij k), bn. en bw.; â lieid, v. Krg-ernis (aanstoot, verdriet), v. âsen. Krgje, o. gmv. Dat doet hij op een â, d. i. met zeker oogmerk. Krgo (gevolgelijk, dus, derhalve), bw. Kriea (heideplantje), v. â's. Krieaeeën (heidegewassen), v. mv. Krinneren (herinneren), ik heb erinnerd. Krkauwen (herkauwen), ik heberkauwd.vero. Krkeniien (tot inzicht komen), ik heb erkend. Kr kenning- (verklaring, dat men iets erkent of wettigt), v. gmv. Krkentelijk (dankbaar), bn.; â lieid, v. Krkentenis (dankbaarheid), v. gmv. Krker (uitspringend bouwwerk aan een voorgevel), m. â s. Krlangen (verwerven, bekomen), ik heb erlangd; â ing*, v. |
KRN ÃSTtJNSCft-ETIQÃETTE.
|
Er no Stijn sell {de âc lijn), d. i. in Saksen sedert 1487 de oudere lijn van opvolging. Ki*n*t, m. Het is â, d. i. geen scherts; de â moet het leven zijn onzer ziel. (Koetsveld). Ernsthaft(ernsti(j), lm.; â lionl. v. KniMtig' (vol ernst), lm. en bw.; â lieid. v. Erosie (afsrhurinij ran (jesteenten door stroomend water), v. gmv. Kroliri (schrijvers, die over de liefde handelen), m. mv. ErofiMli (verliefd, minziek; op liefde hr-IreikUing hebbende), lm. âe poëzie. Ei'otoiininie (liefdeswaanzin), v. gmv. Errare liiiinsiniiin «'sl (dwalen is nicn-schelijk). Erratiscli (zwervend), lm. âe steenblok hen, gerolde steenen, door gletscliers naar elders gevoerd. Erratinn (drakfoat, zetfout), o. errata. Erreur (dwaling, vergissing, fout), v. âs. Erts (onzuiver metaal), o. âen. Ern|»ti«' (uitwerping, uitbarsting), b.v. vun een vulkaan, en van alles, ivul met kracht voor den dag komt), v. â tiön, âlies. Ervaren (ondervinden), ik ervoer, hel» ervaren. Dat heb ik â. dat is mij â. Ervaren (bedreven), bn. en bw; â licnl, v. Ervarenis (levenswijsheid), v. gmv. Ervaring (kennis door waarneming of ondervinding verlcregen), v. âen. Ervâ¬kn (erfgenamen), rn. en v. mv. Erven, ik iieb geëri'd; e rist er, v.; -er, in.; â ing;. v. Erwl (vlinderbl. plant), v. -en; -enworst, v. âen. Es (achtervoegsel), b.v.: prinses, dienares, leerares, zondares, vrouwelijke personen. Esealarie (mil. bestorming niet ladders), v. âs. Esea iadeeren (mil. opklimmen, over klitn-men, met stormladders beklimmen; berennen, bestormen). Eseamota^e (goochelwerk; ontfutseling), v. Escainoteeren (goochelen, ontfutselen, kapen, wegmoffelen). Esctimoten r (goochelaa r;on t futsel aar),m. â s. Eseapatl^4 (gekke kuur, moedwillige streek, moedwillige jongensstreek), v. âs. Esearpe (de binnenwaartsche steilte van den tvul eener vesting), v. De b ui ten waar t-sche heet Contrescarpe. Eseli (loofboom), m. esschen. Eseli (markegrond tol bouwland ontgonnen), m. gew. Escompfe (aftrek, rabat), o. â s. Escorte (mil. bedekking, geleide), v. en o. Eseorteeren (geleiden, beschermen, bedekken ). Eseitsijnsoli (âe steen), d. i. blauwe steen, hardsteen uit de groeven van Escaussines (Henegouwen). Eseroe (schurk, oplichter), m. â s. Eseroqneeren (aftroggelen, met list afhalen). Eseroquerie (schurkerij, aftroggeling, oplichterij), v. â s. Esciiriaai (klooster door Philips IIgebouwd, 10 uur run Madrid), u. gmv. Eskader, Escader (smaldeel eener idool onder bevel van een scho11t-bij-nachI), o. âs. Eskadron (afdeeling ruiterij), o. âs. Eskimo (ntensch, die rauwe visch eet), m. â quot;s. De â's zijn de bewoners van het Atne-rikaansche noordpoolland. |
Esmeraiid (smaragd), o. gmv. Esoteriseli (geheim, enkel voor ingewijden bestemd), bn. Een â standpunt. Esp (espeboom), m. âen. Espada (degen; stierendooder), m. â's. Espag-nole (Spaansche dans; ook Sp. vrouw of meisje), v. â s. Espalier (leiboom, tegen een muur of staketsel; ook latwerk), m. â s. Esplanade (voorplein, exercitie-plein; opene plaats tusschen groote gebouwen, of tusscheti de ivallen en de huizen der stad), v. â n, â s. Esprit (hel) (schoone geest; geleerde), m. (mv. beaux esprits). Esprit tie eorps (clubgeest), o. gmv. Esprit lort (vrijdenker, vrijgeest), m. (mv. esprits forts). Esprit pnblie (volksgeest, algenteene denkwijs), o. gmv. Esqnire (titel in Engeland, b.v. Esq. achter den naam, bet. Weledele Heer), m. Zie Esq. Essaai (keuring, toets, keur), o. gmv. Essaieeren (beproeven; Leuren; toetsen van goud en zilver). Essaienr (keurmeester, toetser), m. â s. Essence (geest, aftreksel eener plantenstof, vluchtige olie), v. â s, â n. Essentieel (wezenlijk, voornaam), bn. en bw. Estafette (rijdende postbode, renbode), m. â n. Estaniinet (herberg, drinkhuis, rook huis), o. â s of âten. Estiinakel (achtenswaardig), bn. Est i ineeren (wa ar deer en, hoogst -ha t ten ). Est modus in rebus (alles nu t maat, alles heeft zijn grens). Estrade (optred, verheven plaats vóór een praalbed of troon), v. â n. Estrik (vloersteen), m. âen. Iloode en blau-Estropieeren (verminken). [we âen. Et (voorvoegsel, = tweede), b.v. in etgras, et-groen, etmaal. Ãtablisseeren (vestigen; ook: oprichten, stichten). Etablissement (inrichting; vestiging vun een handelshuis), o. âen. Etage (verdieping vun een huis), v. â s. Le bel â, de eerste verdieping. Ãtagère (fijn meubelstuk), v. â s. Etalage (uitstaHing; tentoonspreiding), v. âs. Ktaleeren (uitstallen, tentoonsprelden). Etang (strandmeer der Rhone), v. â s. Eta|»e (stapelplaats, nachtkwartier), v. â n. Etat (staat; lijst, overzicht), m. â s, Etat-inajor (de o/fic. v. e. marineschip), m. Et cetera (en zoo voort). Zie Etc. Eten, ik at, hel» gegeten. Het genadebrood â, uit medelijden den kost krijgen; âer. m.; â erij. v. Eten (spijs; maaltijd), o. gmv. â en drinken. Etgras, o. Zie Etgroen. Et groen (tweede gras der weide), o. gmv. Et lier (fijne, vluchtige vloeistof), m. Zie: JKtlier. Etlieriscli (tot den ether behoor end), bn. Etliica (zedenleer), v. gmv. Ook: Ethiek. Etlmograpliie (beschrijving der volken, volkenkunde), v. gmv. Etiinograpliiseli (tot de volkenbest-hrijving behoorende), lm. Etlinoloog (volkenkundige), m. âlogen. Eti4|iilt;'tte (kort opschrift van he'geen een zaak bevat, op II esschen, potten, enz.; opschrift of opplakbriefje), v. â n. |
KT IQ U KTTE -EX AM I NAN DUS.
129
|
Kt iqnetf c {ceremonieel aan het hof, in voor-namc gezelschappen', hoofse he zeden, wellevendheid), v. gmv. Kt maal (24 uur), o. etmalen. Ktoniiaiit (verbazend, verluonderinrfwekkend, onyamp;neen), bn. en bw. Els (fieëtste fujuiir, /Haat), v. -en. Kt sen {yr aveeren, met sterk water laten inbijten), ik heb geëtst; âer, m.; â ing:, v. Kfsijzer, o. -s; âkunst, v.; ânaald, v. â en; âwerk, o. Kt stoel (gescli. hoogste gerechtshof in het landschap Drente tot 1791), m. gmv. Kttelijk (et jnige), telw. Nog âe dagen. KI ter (dracht van een wond), m. gmv. â -draelit (fontanel, zwachteltje nm etter af te leiden), v. âen; âgezwel (abces, etter-ba il), o. â len. Kt leren, het hoeft geotterd; â iiijff, v. Klude (studie, oefening van een bepaalde figuur, teekenoefening; verhandeling), v. âs. Klni (koker voor allerhande gereedschappen), m. â s. Kl.yni4»loK'ieoii {woordenboek der afleiding), o. â s. Kt.yinolo^ie (woordaflcidkunde, woordvor-sching), v. â ën. Ktyinolo^-iseli (woordafleidhundig), bn. en bw. Kt.vnKiloo^- (woordvorscher), i ». âlogen. Kneal.vptns {jdant ran Niéuw-Holland met leerachtige bladeren, ook op Tirwr), m. Kneharistie (R. K. het sacrament des altaars), v. gmv. Kii^iihiniscli (de âe tafelen), â¢!. i. zeven koperen platen met opschriften in de Umbri-sche taal, uit de 3e en 4e eeuw v. C. (gevonden in 1444 in het oude Eugubium). Kiinjer (spook), m. â s. vero. Knniieli (opziener in een harem), m. âen. Kii|»lieniigt;inie. Kiiplieinisinns (verzachtende uitdrukking, b.v. overlijden, verscheiden voor sterven), o. â mismen. KiiplieniistiM'li (verschoonend, verbloemend), l»n. en bw. Een âe uitdrukking. Knplionie (ivellaidendheid), v. gmv. Knphoniseli (welluidend), bn. en bw. Knrêka (ik heb het gevonden). Uitroep van Archimedes (gest. 212 v. Chr.) bij 't ontdekken of vinden van de nat. wet, naar hem genoemd. Knropa, o.; âpeaan, m. â peanen; -peer, m. -peers; âpeeseli, bn.; â peeselie, v. Knvel (kwaad), o. âen. Aan een â mank gaan, er mede behept zijn; iem. iets â duiden, kwalijk nemen. Knvel, bn. en bw. Duid het mij niet d. i. ten kwade; Iets â opnemen. Kuvelclaad (snoocle daad), v. âdaden. Kiivelinoed (vermetelheid), m. gmv. ¥é\i\,(iuit morswuortje, klein over voorschootje), v. â's, evaatje. De meld, die eerst haar â in de schuinte had op te slaan. (C. O.); smerige Jan met zijn evaatje. (Potgieter). Kvaenatie (ontraiming), v. âties, â tiën. Kvan^relie (blijde boodschap), o. â liën. De boeket! van het N. Testament, lig. onbetwijfelbare waarheid. Kvan^-eliseli (wat voeling houdt met het Evangelie), bn. De âe richting] een âe conferentie-, een â verbond (in Engeland en Amerika tot vereeniging van alle hervormde gemeenten). koenen, Verkl. Handwdb. d. Nederl. taal. |
Kvang-elist (de vier âen, nl. Lucas, Marcus, Mattheus en Johannes), m. âen. Kvasie (uitvlucht, ontwijking), v. âsics, âsiön. Kvasief (ontwijkend), bn. en bw. Een â antwoord. Kvel, o. gew. Zie Knvel. Kven (een weinig), bw. Wacht â, d.i. een poosje. Kven, bn. Een â getal, d.i. door twee deelbaar. Kven aar (tongetje eeaer iveegschaa i; evennachtslijn), m. âaars en âaren. Kvlt;knals (zooals), vgw. Kvenaren (gelijken, overeenkomen met), ik heb geëvenaard; âing-. v. Kven beeld, o. âen. Dit meisje is het â barer moeder, d. i. gelijkt haar moeder sprekend. Ik houd u voor een sprekend â van dienzelfden Itobertus Nurks. (C. O.) Nog voor weinige dagen was zij het â haver gezonde zuster. (C. 0.), de gelijke. Kvenenient (gebeurtenis, voorval, toedrachi van zaken), o. âen. K venen (gei ijk maken), ik hel» gei-vend; â -ins', v. Ook: Kftenen. Kveninsr, v. âen. Dag- en nachtâ, d.i. 21 Maart en 23 Sept. Kvenknie (gelijke, evenboortige), m. âknieën. Kveiiinatig* (gelijk), bn. en bw.; - lieifl, v. Kveninenscli (inedemenseh), m. âen. Kvlt;kiinaaste. m. en v. â n. Kvennaelitslijn (evenaar, linie), v. gmv. Kvenredig-. bn. en bw.; â heid. v. âheden. Kvenredi^en ( evenredig maken), ik heb ge-i evenredigd. Kventnaliteit (gebeurlijkheid), v. âen. K%renliieel (gebeurlijk, voorkomend; mis-| schien), bn. en bw. Kvenveeltje (gebak), o. â s. De âs zijn \ verschillend ran vorm, maar gelijk van in-| houd. (C. O.) Evenwel (echter, nochtans), bw. Kvenwielit (gelijkheid van gewicht), o. gmv. I Er is standvastig â, onstandvastig â en | onverschillig â. De leer van het â der vloei-, 1 stoffen heet hgdrostatica. Kvenuijdijf, bn. âe lijnen; â heid. v. Ever (wild zwijn), m. â s. Kverlast. Kverlastin^- (wollen stof, die licht, maar zeer sterk is), o.; âen. bn. â 1 schoentjes; ook: op ever lasting schoenen. (('. O.) Kverwortel (witte distel), m. âwortels. : Kverxuifii (wild zwijn), o. -zwijnen. ' Kvietie (rechtst. uitwinning), v. gmv. Kvid«knt (klaar, blijkbaar), bn. en bw. Kvidentie (kha)'blijkelijkheid), v. gmv. Kviteeren (vermijden, ontwijken, ontgaan). Kvoeatie (recht, oproeping voor een buiten-landschen rechter), v. gmv. Kv4»liitie (ontwikkeling; zwenking der sol-I daten; wending eener cloot of can een leger; | muz. buiging van de stem), v. âtien, âties. K.v (uit; in samenstellingen: eertijds, voorna! lig, gewezen), bw. E.c-mini ster, e.u-barge-meester. Kxaet (nauwkeurig, stipt), bu. en bw. l)e â e wetenschappen, d.i. wiskunde en verder de sterrenkunde, de natuurkunde en de mechanica. Kxaelitnde (nauwkeurigheid, stiptheid), v. Vj%.iilti\tic(oftgewotulenheid,overdrevenheid).y. K.xainen (onderzoek), o. â s en examina. Kxanien-eonimisKie, v. â commissiën. Kxaminandiis (hij, die een examen aflegt), m. â nandi. i) |
EXAMINATIEâEXPANSIEVE KRACHT.
â¢130
|
Kxaniinatie (ondervraging, onderzoek), v. Kxaminator (ondervrager, examen-afne-nier), m. âtoren, âtors. Kxaiiiiiioercn (ondervragen, onderzo' ken). Kx animo (van harte, met voordacht), bw. Kxareh (Byzantijnseh stadhouder in Italië), m. âen. l^xari'liaat (gebied van den exarch, hoofdstad Ravenna), o. gmv. Kxasporatie (verbittering, rad loosheid; ra- [ zeïidmaking), v. KxaH|Kkrceren (verbitteren, razend maken). : Ex caitlioclra (van den preek- of leerstoel \ af; fig. op bes lissenden toon), hw. lialfgeher- \ den drukken zich altijd â uit. Kxeavaitic (uitholling, uitgraving), v. â tiën. â ties. Kxeecleeren (overschrijden, te ver gaan, te buiten gaan). ! T*yLV*s\\iscrv\\(u itmunlen, zich onderscheiden). ; Excellent (uitstekend, uitmuntend, voor-\ trelfelijk), bn. en bw. Kxeellenlie (titel, welken men aan ministers en andere voorname ambtenaren geeft), v. â tii'-n, âties. KxeeKior (hooger), o. gmv. Exeenlrieiteit (afwijking van het middel- \ punt; (ig. zotheid, zonderlingheid, kuur, gril; â eigenzinnigheid, grilligheid), v. âen. Exeeiitri*'!^. Exeentriseli (wat om een \ ander middelpunt draait; fig- ongewoon, zon- \ der ling, zot, grillig), bn. en ó\v. Kxeeiifriek (schijf in stoommachines), o. â en, Exceptie (uitzondering, tegenwerping, verwering [m rechten]), v. âtiën, âties. Exceptioneel (buitengewoon; bij uitzondering), bn. en bw. Ken â geval. Excerpeeren (uittreksels maken, kort samenvatten). Excerpt (uittreksel uit een boek of geschrift), o. âen. Exces (uitspatting, buitensporigheid, gewelddadigheid; over maat, overdaad), o. âsen. Excessief (buitensporig), bn. en hw. Excitatie (aansporing, ophitsing), v. âtiën, â ties. Exciteeren ' aanzetten, gaande maken, ophitsen, opruien). Exclamatie (uitroep; luide toon van spreken of voordracht), v. O lijden, o zeden! â O Lucifer, o hoofd der Engelen', âtiën, â ties. Exclamatie-teeken (uitroepteeken), o â -teekens. Exclameeren (uitroepen, luid roepen). Exclusie {uitsluit'nvt), v. âsiën. âsies. Exclusiet' (uitsluitend), bn. en lgt;\v. Exclnsiva (rechtst. middelen van uitsluiting), v. mv. Exlt;*liisiviHme (stelsel van uitsluiting; afzondering), o. gmv. Excommiinicatie (kerkelijke ban\ v. â -tiën en âties. Exconiniiiniceeren (in den ban doen, ran de kerkelijke gemeenschap afsnijden). Excrement (uitwerpsel, ontlasting), o. âen. Excursie {uitweiding; korte reis, uitstapje), v. âsiën, âsies. Excusabel (verschoonbaar), bn. Excuseeren (verontschald gen, verschoonen). Excuus (verschooning, verontschuldiging), o. â cuses, â cusen. |
Execrabel (afschuwelijk, afgrijselijk), bn. Executabel (uitvoerbaar), bn. Executant (uitvoerder; ook muzikant), m. â en. Execnteeren (een vonnis of last ten uitvoer leggen ; terechtstellen). Executeur (uitvoerder van een vonnis, testament enz.; boedelredderaar), rn. â s, âen. Executie {uitvoering, ten-uit voer-legging; vonnis-voltrekking, terechtstelling), v. âtien, â ties. Exejreet (schriftverklaarder), m. â geten. Exejfese (verklaring, Bijbeluitlegging), v. â n. Exe^etiscli (uitleggend, verklarend), lm. Exempel (voorbeeld, voorschrift, model), u. â s. Exemplaar (één enkel voorwerp; één bock), o. â plaren. Exemtie, Exemptie (onttrekking; vrijstelling), v. âtiën, âties. De â van een klooster aan de lagere rechtspraak eens bis-schops; de â van een vorst aan de rechtspraak van een la geren rechter. Exequatur (erkenning, aanstelling; vorstelijke bekrachtiging der benoeming), lt;». Exerceeren (oefenen, verrichten, krijgs- of . wapenoefeniiigen dooi). Exercitie (mii. oefening, wapenoefening), v. â tiën, âties. Exeunt (zij treden af). Zie Exit. Exlialatie (uitdamping, uitwaseming), v. â tiën, âties. Exhibitie (overlegging, vertooning, tentoonstelling), v. âtiën, âties. Exliortatie (vermaning, aanmaning), v. â -tiën, âties. Exi$s'eant (veelvergend, niet gemakkelijk te bevredigen), bn. Exi$fentie (dringend geval, behoclte). v. â -tiën, -ties. Exil, Exilinm (ballingschap, verbanning, verbanningsplaats), o. gmv. Exileeren (verbunnen, bannen). Eximeeren (uitzonderen, vrijstellen). Existentie (bestaan), v. gmv. Exist eeren (bestaan, in wezen zijn). Exit (hij treedt af,gaat heen: van het tooneel). Ex jnre (volgens het recht, van rech'.swcigc). Ex lex (buiten dc wet, vogelvrij), bw. Ex niliiïo niliil (niets komt voort tht niels). Er bestaat niels zonder oorzaak. Ex-minister (gewezen minister), m. â s. Exmissie (uitzetting, verdrijving, verwijdering), v. âsies, âsiën. De â van elfecten, uitgifte. Exodus (uitgung, uittocht; ?e boek van Mozes), m. âclussen. Ex ollicio (ambtshalve), bw. Ex4»rbitant (buitenxporiif, overdreven, onredelijk), bn. Exorcisme. Exorcismiis (du i veluez wering, duivtdbanning), o. Exorcist (duivelbanner), m. âen. Exordium (begin, inleiding eener rede), o. Exosmose (uit monding, rermenging ran vloeistoffen door een dierlijk of plantaardig vlies heen), v. gmv. Exoteriscli (uitwendig, (gtenbaar), bn. Exotisch (vreemd, idtbnnlig, uitheemsch), bn.; âe planten, âe gewassen. Expansie (uitdijing, uitzetting, verwijding), v. Expansieve kralt;*ht (kracht, die run het middelpunt nuar den omtrek dringt, uitzet- |
EX PATRIEEREN - EXTRA.
131
|
tinfiskrocht) spanUrarht, b.v. van gassen), v. â en. Kximtriocrcn {het vmlerland vvrlaton, rlnrhten). Kxpocforantia (geneesk. )ni(hlcli-ii tci/rH horst en slijm), v. mv. Kx|Kgt;etorlt;kcreu (hoesten, flnimen o/njeren: lig. zijn hart uitstorten). Kx|gt;elt;liâ¬kereii (rerzeiKlen, ofentinliiien, eer- iter brenrjen; fig. eau l.tini nmhen). Kxpetliönt (middel tot reddimj, Held en s/ioediij werkend middel), o. âen. KxpcMltat, Kx|»clt;lililt;kf' (eoortrnrend, schielijk), bn. KxiMMlitenr (afzender, ijoederenverzender), m. âen, âs. Kx|Mk(litie (eerzendinfi; rereigt;erilersonlt;lerne-minfi; de plants luani' Imndelsziiken bezorgd morden; afsehrift van een wettiij stuk), v. -tien, â ties; â biirlt;kaii (kanhntreenerrrnehl-imdernemint/), o. â's. KximmIiIie (krijgstocht, krijiisondernemimj), v. â s, âtien. Kxpeditionnair (lol een expeditie behoo-rende), bn. De âe mneht. Fx|»eiilt;litief' (eoortrnrend), bn. K«|»oii«l(kerlt;kii (nitbetnlen, beko*ti;irii). Kx|gt;ciiMkii I nitfjnren, inz. rrrhtskosirn), v. mv. KxpeiiKief' (met. relr nih/neen ijritmtrd, kost-bnnr, duur), bn. Kx|»eriëiifie (onderrindintj, irrnrimj), v. â tiön, â s. Kx|Mkrinieiit (/irorfnrniinu, Lnostproel), o. â en. ICxperiiiieiitaal (proefonderrimlelijk), bn. en bw. Kx|»oi*iiiieiiteereii(^7'/Vquot;vv//,o///Arr'WI/*//). Kxperl (znnkkirndiiie. desknmliije, gezworene), m. âen. Kxpcrt (erenren, desknmlhj), bn. Expertise (onderzoek door desknndhjen), v. âs of ân. Kxpiatie (rrrzoeni)ni, bortr), v. â ties,âtien. Kxpilt;kereii (boeten, rrrzornrn). Kxpirafie (nitblnzimj rnn drn ijrrst, dood-, rindipiiuj, ti/loop; hrt rerrnllrn rnn ren wissel, enz.), v. âties, â tii-n. Kxpireeren (ten rinde loojten, rerrnllrn, strrren, den t/rrst ijeren). Kxplanatie (iiitïefininu, rrrklnrimj), v. â -ties, âtiön. Kxplaiiecreii (quot;Hh'ffUrn, rrrklnren). Kx plet ie (nnnrnllim/). v. âties. -tiön. Kx pietlef' (ttfinrnllrnd), lm. KxpliealMKl (rrrLInnrbnnr), bn. Kxplieatie {rrrklnrin;/, '(itlrimimj), v. â -tiön, âties. Kxplieeeren. ICxpliqiilt;kereii (rrrklnrrn, quot;itlemien). Kxplieite (uitdrukkelijk, dnidrlijk, br^udld), bn. en bw. Kxploit, Kxploot (ijrootr dnnd, hrldenilntid; een dnurntirdinij), o. âploten. Kxpl»italgt;el (onluinbnnr; in wrrkimj tr b ren ff en] rntbnnr om er partij rnn tr trekken), bn. Kxploitatie (ontninninn; in werkimj brrn-'jinrf of houd in fi), v. â ti(;n, âtics. Kxploiteeren (ontninwn ran landrn, rnz.; partij trekken, ran; in wrrkimj brrn;icn; in Hanij hondrn). Kxploitati^niaatseliappiJ. v. âen. De â der staatsspourwryen. Zie Kxploitatie. |
Kxploratie (ondrrzoekinfi, nitrorsehinu ernrr Ziekte om tot de diaijnosis te komen), v. -tien, â ties. Kxplorlt;'lt;krlt;kii (nitplnizen, narorsehen, onderzoeken). Kxplosie (ijewrldifie nitbarstin;i, losbarstimj, knal, schok), v. â siën, â sies. Kxpoiieerc^n (aanniijzen, blootle;ilt;ici:, blootstellen). Zieh â, zich blootstellen. Fxpoiieul (aanwijzer: het 'jetat, n'at dc macht ran rrn ander (jetal of ran een andere ij root beid aanwijst), m. âen. Ivxponentiaal. bn. Ken âale grootheid', een âate ver;ielijkinlt;i. lOxporlafie (uitroer rnn goederen), v. â ti:;ri, â s. Ook: Kxp4»rt. Kxporteeren (uitroeren, b.v. van handelswaren). Exporten (nitijfinnde wnren), o. mv. Exposant (inzender rnn roorwrrp',n ter tentoonstel H nij, tentoonstel Ier), m. âen. Expos*'' (niteenzettimj, orerziehi, rrrtooi/), n. ExpoKelt;kreii (nitleimen, ontrmnoen ; een zaak omstnnd'nj verhalen', schilderijen of nndere l.nnstroor werpen tentoonstellen', tekst ver-klnren). Expositie (blootleiuiinii; tentoonsteliinii; ont-wikkelin;/, ontrouwinii, verklaring), v.âtiön, â ties. Expres (nitilrnkkelijk, met opzet, roorbr-dnch tel ijl,), bw. Expresse (eigen, bijzondere bod-), m. ân. Expressie (nitdrnkking), v. âsiën, âsies. Expres-trein (sneltrein, bijzondere trein), m. âtreinen. Expriineeren (aitdrakken, te kennen geren). Ex professo (beroepshnlre, rnn ambtsivegc. nitdrnkkelijk; met oogmerk), bw. Expr4»iiiissie (reebtst. schnldrernienwing, orernante ean schnhl), v. gmv. Exprop.viatie (onteigening), v. âtiön, âs. Exproprieeren (iemnnd rnn zijn rigendom brrooren, onteigenen}. Expulsie (ge.tuehldniHge nitdrijeing), v. âsiö-ii, â sies. (afdrijvend, af voerend), bn. Ken â m iddel. Exquis (uitgelezen, i^oortreffelijk), bn. en bw. Exseeratie (eed van vervloeking), v. â's. Exstirpatie (geneesk. Iwelkundige knnstbe-werkimg tot wegneming van een zieke lij ken nitwns), v. âs, - tiën. Extase (vermkiting, opgetogenheid), v. gmv. Ex tempore (nit het geheugen, nit het hoofd, voor de vnist), o. â quot;s. Zie: Improvisatie. Exteinporlt;'etJe (dichtje voor de vuist gemaakt), o. âs. Van der lloogen las een Fransch â van zijn eigen maaksel voor.(C. O.) Extent ie (uitgestrektheid, omvang, uitgebreidheid), v. gmv. Exterieur (uiterlijk, uitwendig), bn. Exterieur (uiterlijk, voorkomen, uitzicht), o. Exterminatie (uitroeiing, verdelging), v. â tiën, âties. Extermineeren (verdelg' n, uitroeien, vernielen). Extern (buitenshuis wonend), bn. Externen (scholieren buiten kost en huisvesting), m. en v. mv. Extinetenr (bra ml weermiddel), m. â s. Extorsie (afpersing), v. â s, âsiën. Extra (bijzonder, buitengewoon, uitermate), bw. â duur, zeer duur; â fijn, buitengewoon |
9*
E XT11A AT J E - FACT1E.
132
|
fijn; â blatl, bijblad; - post, buitengewone of eigen post. liXf raaf Je {buitenkansje, meevallertje),®. âs. Extract (i rit trekbel', aftreksel), o. âen. Kxtrac'tic {afkomst, herkomst), v. gmv. Kxtraliecrcii (uittrekken, een uittreksel maken). Kxtraneüs {vreemde', die eindexamen doet zonder den cursus gevolgd te hebben), in. extraneï. Kxtraordmair (buitenstewoon), bn. Kxtravacant (buitenspori'i, ongerijmd), bn. ICxtrêiue {het uiterste, het ergste), o. -s. Kxtróim's {overdrijvingen, uitersten), v. mv. Kxtrcniiti'it {hel uiterste einde', de laatste hul ii, laatste toevlucht; het hoogste gevaar), v. Kxnlceratie (verzwering, veretteriug), v. gmv. Kx unfile leoiicm {uau de kluutven kent uien den leeuw), spreekw. Kx UKti {uit het gebruik), b\v. Kx voto {naar wenst-h of gelofte, uit kracht vuu een gelofte). Een cl. i. een zaak, aan heiligen toegewijd, geloftegeschenk. |
Kzcl {eenhoevig zoogdier), m. â s. De tamme â , de wilde â, de Kaapsche â of zebra; de muilâ; van den os op den â springen, bij een gesprek van den hak op den tak springen; spreekw. Een â stoot zich geen tweemaal aan denzelfden steen; hij is een â, lomperd. |]zcl (fig. lomperd, domoor), in. en v. â s. Kxel {standaard om een bord of schilderij op. te plaatsen), m. â s. Kxclcn {hard arbeiden), ik heb geëzeld. Kxclin {wijfjesezel), v. â nen; -netje, lt;». â s. Kzelimienmelli. v. gmv. KzelKbniK- (fig. b u lp, waardoor het studiewerk gemakkelijk wordt gemaakt), v. âgen. Ezelsfeest {volksfeest in /. Europa van de 9e tot lt;le 15e eeuw), o.; - liooftl (scheepst. deel van het scheepstuig bij het kluifhout), o.; â rug- (metselw. kopje of schuinsche slechting als rollaag), m. Ezelskop {kop van een ezel), in. âpen. Ezelskop (domoor), in. en v. âpen. Ezelsoor (fig. omgevouwen hoek van een blad), o. âen. |
F
|
F, v. I's. De zesde letter van het alphabet. In de muziek de benaming van den vierden hoofdtoon, fa genoemd. Als getalmerk in Kom. opschriften = 'iÃ. F. â guldens of jlorins (vóór cijfers). F. â forto, sterk (muziek). F. â fiat, het geschiede, toegestaan. F. â filius, zoon (bij eigennamen). F. - fijn (merk op goederen). Fat». â fabelleer. F. t'. O. â Finis oronat opus, het einde kroont het werk. Febr. â Februari. Fee. â Fecit, hij of zij heeft het gemaakt. Fem. â feminium, vrouwelijk, ff. - fortissimo, zeer sterk (muziek), ff. - fecerunt, /.ij hebben het gemaakt. ff. ile. â faisant fond ion de, waarnemend, fungeerend, tijdelijk. fff. â supra fijn (merk op goederen), f. i. â fmt insertio, het, worde ingelascht. fiji*. - figu ur, figuurlijk. II. - florijnen, guldens. fol. â folio, blad van een foliant. 1'°. r0. â folio recto, rechterbladzijde of-kant. 1'°. v0. â folio verso, linkerkant van het blad, keerz i jde F. It. S. â Fellow liogtil Acailemg {Kogelsch), lid der Koninklijke Academie. fr. â franco, fransch, franks; freule, jonkvrouw. I F. S. X. â Favente suinmo numino, onder ; begunstiging van het Opperwezen. f. z. â fijn zilver. Faam {fi\h.godin; vermaardheid), v. gmv. Te i goeder naam en â staan, gunstig bekend zijn. j Fabel {verdicht verhaal in proza cf poëzie), \ v. âs ofâen. De â van âde Vos en de Raafquot;, j Fabelleer {godenleer), v. gmv. Zie: 9Iytlio- ! log^ie. |
Fabliaux (kleine critische verhalen in de Fr. letterkunde), o. mv. Vnhrieeervn {vervaard'gen)}naken);âints,v. Fabriek (werkplaats), v. -en. Ook een H.'K. kerkbestuur: de kerkâ. Fabrieken (maken, doen ontstaan), ik heb gefabriekt, gnvz. Fabrieksmerk {merk of teeken ter onderscheiding, ter waarmerking), o. âen. Fabrieksseliool {lagere school, belworende bij een fabriek), v. âscholen. Fabrikaat ( product eener fabriek), o. â katen. Fabrikant {bezitter eener fabriek), m. âen. Fabnk'iis {fabelachtig, imwaarschijn'ijk), bn. Facade {voorgevel, front van een gebouw), v. Faee {gezicht, voorzijde), v. En in het gezicht, van voren; â maken, de spits bieden, stand houden. Facetten {mei ruiten of hoeken gestepen vlakken aan edelsteenen; hoeklijsten aan de geslepen spiegelglazen), v. mv. Facliens {verdrietig, spijtig, noodlottig), bn. en bw. Facliin^erwater (zoutachtig bronwater), o. gmv. Het - heet naar Fachingen, een dorp in Nassau. Facie (gelaat, aangezicht), v. â s. Faeiel (gemakkelijk, inschikkelijk), b i. Vnvilitecrvt^gi'm a kkel ijk mo ken,ver lichten). Faeiliteit {gemakkeljklieid, inschikkelijkheid), v. âen. Facit {de som, het bedrag, de uitkomst), o. â s. Favon {manier, vorm), o. Sansâ, zonder complimenten; een sans-â, een lomperd, vlegel. Favonneeren {fatsoeneeren, vormen, de ver-eischte gedaante geven). Fac-simile (nuteekening, waarin de hand eens schrijvers zeer gelijl,end nagemaakt is), o. â s. Facta, o. mv. Enkelv. factum, feit, daad. Factie {partij; kuiperij), v. âtien, âs. |
FACTJEUS - FATALISTISCH.
133
|
Factieiis (oproerig, muitzieh), bn. Facfisc*li {werkelijk, inellerihi /d), bn. en b\v. Fuetitievcn (eaustilieren), o. mv. â zijn werkwoorden, die een doen aildrukken, b.v. drenken, leunen. Facto (degt; {dadelijk, eiyenmitchtiy, zonder aanvraag), bw. Factoor {oiiziener, zaakgelnstigdr, makelaar), m. âtoren. Factor (yakexik.samenslellendgetal), m. âen. Factorij (stapelplaats, magazijn eener compagnie of maatschappij), v. âen. Factotum (een man, die alles doet en tot alles hekwat mi is, een doe-al), m. â s. Haib was de â ran het anderhalljaar verweduw-lijkt vrouwtje. (Potg.); een zeehandelaar, die slechts een â voorliet loopem'e werk nahield. Factuur (rekening ran verkochte of verzon-dene waren), v. âturen. Fjilt;*iiltatilt;kf (beroegdmakend, naar goeddunken), bn. en bw. Facultcit (kracht, vermogen, aanleg, geschiktheid', een ran de vijf hoofdafdeelingen der gezamenlijke wetenschappen; college ran professoren), v. âen. De studenten van onderscheidene â en. (C. O.) Fadaisc (beuzelarij, zotternij), v. â s. Fade (smal,doos, laf, geesteloos), bn. Fajfot (muz. houten bas- of blacsinstrnment; ook; rijs bos, takkoibos), v. âten. Nu eens knorde hij als een jichtige (C. O.) Fa^ottist (bespeler ran een fagot), m. âen. Faïcnce, v. Zie Fa.ycucc. Faillccrcu (zich failliet verklaren, ophouden te betalen). Failliet (onmacht om zijn schulden te betalen, staat van onvermogen), o. âen. Failliet (gesprongen, fout), bn. â gaan, zijn. FaillisKcinciit (onvermogen van betaling, bankbreuk), o. âen. Fait (daad, feil), o. âs; â accompli, voldongen zaak, zaak die geheel haar beslag heeft; â van iets maken, veel werk van iets maken; au â zijn, op de hoogte zijn. Fakicr. Fakir (een arme Indische bedelmonnik), m. â s. Fakkel (flambouw), v. âs. /â¢gt; zijn hout-en pek fakkels. Fig. De â der tweedracht; de â der wete}!schap. Fakkeldistel (cactus), v. âdistels. Fallmla (boordsel, ruime zoom aan vrouwen-Ie leed ingstukken), v. â's. Faldistorinni (bisschopp. vouwstoel),o. âs. Falen (feilen), ik heb gefaald; dat kan niet d. i. missen; â iii^*. v. Falerner (â wijn), d. i. Ital. wijn, lichtgeel en vurig, uit de vlakte van Napels. Falie (kapmantel, huik), v. â liën, â s. Faliekant {verkeerd, mis), bn. eri bw. Falievomveii' (fig. vleien), ik heb gefalie-vouwd; âvouwer, m.; â vouwerij, v.gew. Falkonet, Falconet (de kleinste soort run veldstukken in de Pie eeuw), o. âen. FaKaris, Falsarins (bedrieger, bepaaldelijk hij, die door valsche schriften of handteeke-ningen bedriegt), m. ârissen. Falset (keelstem, b.v. van tenoren, als de toonhoogte buiten hun bereik ligt), v. gmv. Zie: FaiiNMct. Falsilieatie (vervalsching), v. â tiën, âs. Fania ((jodin der geruchten), v. Zie Faam. Fameus (zeer, uitermate, ducht.g), bn. enbw. FjimielJe, v. â s. Zie Familie. |
Familiaar (gemeenzaam, vertrouwelijk), bn. en bw. FamiliariKceren (xicli) (met iemand gemeenzaam zijn; zich al te gemeenzaam maken). Familiariteit (gemeenzame mngang, vertrouwelijkheid), v. âen. Familie, Famielje (geslacht, gezin; afkomst), v. âliën, â s. FamiliebeMClieideii (huiselijke pupieren, akten, documenten, enz.), o. mv. Famiiie^'eld (hoofdelijke omslag), o. gmv. vero. Ook: Hoofdgeld. Familieraad (vergadering van bloedverwanten), rn. âraden. Familieverdrag: (overeenkomst omtrent bquot;t beheer van goederen enz.), o. âverdragen. Fanaticus (dweper, geestdrijrer), m. â tici. Fanatiek (dweepachtig, geestd rij rend), bn. Fanatiscli (dweepzuchtig), bn. Fanatisme, â tismiis (dweperij), o. gmv. Fancy (inbeelding, luim), v. gmv. Fanc.v-tair (liefdadigheids-bazaar), v. â s. Fandango (Spaansche volksdans), v. â's. Fanfare (trompetgeschal; signaal), v. âs; â corps (muziekgezelschap), o. âen. Fanl'arou (zwetser, blaaskaak), m. â s. Faufaronneeren (zwetsen,snoeven,pralen). Fanf'aronnade (zwetserij, grootspraak), v. â nades. Fantasie (verbeelding), v. Zie: IMiantasie. Fan tome. Fantoom (spook, hersenschim), o. âtomen. Farce (fijngehakt rleesch ofvisch; kluchtspel, vroolijk nastukje, koddig voorval), v. â n. Farcecren (met gehakt rleesch vullen). Farceur (grappenmaker, spotvogel, hansworst), m. â s. hJllendig â, nl. de uitlegger in een beestenspel. (C. Ã.) Fardeeren (blanketten; fig. opsmukken). Fariiukus (melig: bij schilders: als delete uren te dof of mat zijn). Farlzcer (afgescheidene, schijnvrome), m. â zeën, â ërs. Een schijnheilige â. Farizeescli (huichelachtig),im. Ken âe lach. Farm (pachthoeve in Engeland),-?. âs. ï.ees: Faarm. Farmer (pachter, landman), m. â's. Lees: Faar-nCr. Far niente (het niets doen), o.; dolce â, het zoete niets-doen. Faro (zwaar Brusselsch bier), o. gmv. Fasces (oud-Home: bundel staven uit wier midden een bijl uitstak; symbO(d der heer-schapppij over leven en dood), v. mv. Fascinatie (begoocheling, verblinding, be-toovering), v. âtiën, âs. Fascine [takkenbos tot demping ran grachten), v. â s, â n. Fascineeren (betooveren, boeien, rerrukken). Fas et nektas (recht en onrecht), o. Fashion (mode, goede toon), v. gmv. Fasliionable (naar de mode, fatsoen lijk), bn. en bw. Fasti (jaarboeken; ook: feestkalender), m. mv. Fait (lafbek, zotskap, modegek), m. âten. Fataal (ongelukkig, verderfelijk, noodlottig), bn. Fatalisme (leer van het noodlot), o. gmv. Fatalist (aanhanger van het fatalisme), m. â en. Fatalistiscli (behoorende tot, gelooveade aan het noodlot), bn. |
FATALITEITâFETISCH.
134
|
Fataliteit (omjeluk, nootllut), v. âen. Fata-inor^aiia (Inchlspilt;yrlui!i, yezichtshe-drog in de uwslijn), v. gmv. Fati^ant (vcriiiocicml), bn. Fatigeereâ â (rermoeivn, lastig vallen). Fatigue ( rrnnocicnis), v. â s. Fatsoen (vorm, manier, (jenianierdheid), o. â en. Fatsoeneeren {een zekeren vorm geven)', -der, m.; -iiift'. v. Fatsoenlijk (nel), bn. Een â Amslerdmn-mer komtalleenin den Hout. (C.O.); âheid. v. Fatsoenshalve {om hn fatsoen), b\v. Fatterig (/.'WO-s/'V/V/, ingeheeld),hn.; â lieid.v. Fatnïteit (nngirijmd/tiid, onverstand, zotternij, gekheid), v. gmv. Fat li in {het onvermijdelijke, het noodlot), o. Fanbonrg (voorstad), m. â s. [gmv. Fauna (al de dieren samen), v. gmv. De â van Nederland', de - van Europa. Fannen (inytli.: saters, veld- en boschgoden), in. mv. Fansset. Falset (muz. /'aassetstem, door persing der longpijp voortgebrachte discant of altstem), v. In hooge tonen zingt deze tenor â. Fauteuil {leuningstoel, armstoel), m. âs. Faux (valseh, onecht), bn. Een, â /tas, een misstap, een Hater; â litre, Fransche titel van een boek. Faveur {gunst), v. -s. Eu â, onder begunstiging; ten voordeele, ten behoeve. Favonins {westenwind), m. Eavoon. Favorabel {gunstig), bn. en bw. Favoriet {gunsteling, lieveling), ni. âen. Viwwlete {gunstelinge), v. â n. Favorieten. Fr. favoris {hakkabaardeii), mv. Fa voriseeren {bega quot;stigen ). Favoritisnie {stelsel van begunstiging of van bevoorrechting), o. gmv. Fax et tnl»a {fakkel en trompet-, belhamel bij oproer), zegsw. Fayence {half perseie. n, aardewerk), v. â s. Fazant (hoenderachtige vogel uil Azie), m. -en. De gewone de zilver-; de goudâ. Faxantenei, o. -eieren. Februari {s/n'okkchnaanil), m. Feees, Fseees {lt;lroesem, moer-, menschel ij ke uitwerpselen), V. mv. Feeit {hij of zij heeft het gemaakt). Zie Fee. Feenndileit (vruchtbaarheid), v. gmv. Federaal {het verbond betredende), bn. Fefleraliseeren ( verbinden, vereenigen, uun-eensl ui ten, een verbond sluiten). ViHleralismv*-mus {verbondstelsel), o. g\n\'. Federalist {iemand, die tut een hond behoort), m. âen. Federalistiseli. Federatief {bondgenootschappelijk), bn. Fee {toovergodin, waarzegster), v. -ën. Feeks {boos wijf), v. âen. Feeksig {als een fi'eks), bn. en bw. â lieid. v. Feërie (tooverspel), v. â ën. Feest, o. âen. Ter â gaan. Feestilag {dag ter plechtige viering), m. â -dagen. Puschen is een Christelijke â. Feestelijk, bn. Een â gewaad: âlieid, v. Feesteling, ni. en v. âen; voor het v. ook Feestvieren, ik heb âgevierd; -vierder, 111!; â vierster, v.; â viering, v. Feil {dweil), v. -en. Feil {gebrek, misvatting), v. âen. |
Feilen (dwalen), ik heb gefeild. Feit, o. âen. Het is een â, een daad, werkelijkheid. Feitel {borstdoekje van zuigelingen), v. â s. Feitelijk {met de daad), bn.; âlieid, v. Feki-orde (Japan, blindenvereeniging, gesticht in i'I50), v. gmv. Fel (hevig, sterk), bn. en bw.; -lieid. v. Felicitatie (gelukwensch), v. â tiën, âlies. Felieiteeren (gelukwenschen). lem. â. Fellali (boer in Egypte, ploeger, landbouwende Arabier), m. â s. Fellow (Engeland, makker, lid eener veree-niging), m. âs. Feloek (roeischip niet zeilen zonder dek, in de Middellandsche /ec), v. âen. Felonie {trouwbreuk van een leenman), v. â ën. Fenielaair {kwezeluur, schijnvrome), m. â s. Fenit'len (fiemelen, fijmelen, d. i. den vrome uithangen, gebeden prevelen, huichelen), ik heb gefemeld. Fenian (lersch-Anierik. omwentelingsman), m. â s. Feniks, Plioenix (fabelachtige vogel), m. â en. Fig. lem. met zeldzame gaven. Feodaal, bn. Zie Feudaal. Fep (dronkenschap), v. gmz. Aan de â zijn. Feppen {proeven, drinken), ik heb gelept; â c^r (zuipen), in.; âerij, v. Feriën (feest-, rust- of vacuntiedagen), v. mv. Ook: Ferise. Ferm (kloek, onvervaard, standvastig), bn. Fernian (verlofbrief, reis pas, schriftelijk bevel van den Sultun: ook een handelspas in O. Indi'è), m. âs. (Minder goed Firnian). Ferniate (muz. hult, rusiteeken), v. â s. Ook: Fennata. Ferme (pachthoeve), v. â n. Ferment (gislmiddel), o. âen. Fermentatie (gisting, fig. woeling), y. gmv. Fermenteeren (gisting, fig. in gisting raken). Fermeteit (standvastigheid, kloekmoedigheid), v. gmv. Fermoor (steekbeitel), o. âmoren. Fernanibiik-liont, o. gmv. Zie Krazilie-liout. Feroeiteit (wildheid, felheid, woestheid, baldadigheid; onmenschelijke wreedheid), v. â ën. Ferroniëre { voorhoofdsiersel; gouden snoertje om het hoofd met een diamant voor hel votrrhoofd), v. âs. âMoet er niets nieuws zijn, een â', of zoo wal quot;, vroeg Kegge. (C. O.) Fertiel (vruchtbaar, winstgevend), bn. Fertiliteit (vruchtbaarheid), v. gmv. Festijn (feestmaal), o. âen. Een luisterrijk â. Festina lente (haast u langzaam), s jreekw. Festival (groot muziek feest), o. âs. Festiviteit (plechtigheid', vreugdefeest), v. â en. Festoen (lofwerk, guirlande), v. en o. âen. Fr. Feston. Festonneeren (borduren, met bloemwerk of lofwerk opsieren). Koos je zat hevig te â. (C. O.) Fete (feest, verjuurdag), v. â s. Fèteeren (goed onthalen, met eerbetoon overladen', vleien). Fetieisme (godsdienst der natuurvolken, lee-rende dut alles bezield is), o. gmv. Fetiseli (bij de Negers voorwerp van afgodische vereering, toovermiddel),m.; â dienst,m. |
FEUDAAL-FINT.
135
|
Feudaal (Itwiroeriu), lm. Het â stelsel. Fendaal-systceiu en l-Vndalisnie (het leenstelselquot;), o. Feiiiliini (leen, leennoelt;l), o. â p. Feuillc de route (inttrschhrief of reiswijzer voor solil(f/en\ v. leuilles de route. Feiiilleteeren yloorbholeren. nazien, rlm h-tiff doorlim/ten). Feuilleton (jneniji'liverl;, nnnnn of norellr in een L rnnt non th-n roet ih-i eersUt lilz.\ o. â s. Feuilletonist (persoon henist nn't 'I h'reren rem feuilletons'), m. âen. Fez (donl,- erroodr mots tlrr Thrl.sehe sohlo-Irn, die sedert i8'20 den tnllxmd (ds mi li to ire lirorht in Turkije heeft rerrtinijen rn o hl its woi'ilt (jen or on I nonr dr stnd /â¢gt;'- in .4 fri Lu, hui or die motsen oorspronhrlijl,- iverden rrr-roord'ufd), v. FexiKlt;gt;ii (s! i I pro ten), ik heb gelezikt; âer. 111.; âerij. v. vero. Fiacre (h o o r koets), v. â s. Ook: Finker. Fiasco, o.; â /m/Av/j, niet slagen; uitgelachen worden b.v. een tooneelspeler. Fiat (het fjeschiede! het lUio'de toenesloon /), b\v. Fiat ((junstiue beschikkiny), o. gmv. Fielie {speelpennin:', beentje), o. âs. Fieliesdoos. v. â doozen. Fielm (driekont 11 a Isdoekje eoor do mes), o. â's. Fictie {verdichtsel, roorivendsel; zinrijke eio-dinri), v. â tiï-n. -ties. Fictief' (verd'oht, rerzoonen), bn. Een âe winst, een ingebeelde winst. Fidaltfo (lJort. ridder, avotdorier), in. â's. Fifleel (verlronwelijk; rroolijk, prettiif), bn. en bw.; â bij eikoor zitten, â praten. Fideï-coiiiniis (erfotakinfj, rrnehtfiebrnik, wanrvan het hoofdifoed met ih-n tijd aan de familie weer vervalt, onvervreemdbaar shun-of familie-erfijoed), o. âsen. Fidel (uiool), v. â s. gmz. Fidellt;kii. Zie Filt;Mlel«kii. Fidcditeit (trouwhartiuheid, oprechtheid), v. â en. Fidibns {'jevoawen strook papier ton de pijp aan te steken), m. âsen. Fiducie (vertrouwen), v. Ik heb door ijeen â in. Fie4lellt;kii. Fiedlen {op de riool spelen, za-ijcn), ik heb geliedeld. gmz. Fielt (schelm, boef), ui. âen. FielteiiNtreek. m. âstreken. Fielterif (lieltenstuk), v. -en. Fier (stoot, hoo(dmrtilt;i), bn. en bw.; â lieid. v. Fier (trotsch. nit de hooyte, fier), bn. en bw. Fierttf (tridschheid, hooije borst, fierheia), v. Fiets (volksteroi voor de veloci/iède), v. âen. Fietsen (op de fiets rijden), ik heb gefietst; â ser, m. Fiefsbroek (kniebroek), m.; -kousen, v. mv. â iK»t (jockey-pet). Fietsrijden, ik 'heb -gereden; -rijder, m.; ârijdster, v. Figaro {*1111111' barbier of kaowrdienaar, dramatisch fn/nnr), m. â's. Figurant (bij-persoon; stomme in een too-â neelspel). in. âen. Vr. Figurante. Figuratie (het (j eb mik van beelden), v. â s. Fi^iiratiet' (fi{innrlijk, door middel van beelden), bn. De âlieve schilderkunst. Fig'iireeren (vertoon maken, zich talen zien. roorkomen). Figrnrist (jomj student: beeldhouwer, schilder), in. âen. |
Figuur (iifhivliliiifi, uitwendn/e iiedunnte), v. figuren. Graoonoiische fujuren, d. i. zekere vorm figuren (taalvormen); redekunstine fujuren (gedachten-figuren), d. i. tropen, b.v. de owtaphoor, enz. Fi$j;-iinr (houdimj), o. Een ijoed â maken. Fi^nnrlijk (zinwbeetd'uj), bn. en bw.; De â r beteekenis can een ivoord of uitd} nkkimj] zich â uitdrukken: â lieifl. v. Fijinelen (cteien, kwezelen), ik heb gelij-meld; âaar, in.; âaarster, v.; âarij. v. * Femelen Fijn {niet grof)Am.; âlieid, v.; âisin'id.v. Fijnaard (fijtnetaur), m. â rijnbaaiMl (kwezeluar), in. âen. Fijnte {fijnheid), v. â n. Fijntjes c/' l'jgt;quot;' wijZ'')-. bw. 't Is â kot-d, erg koud; iem. â beethebben. Fijt {ontstckiuij vuu het beenclies- uan duim of eimjer), v. gmv. Fikfakken (lutmeu, beuzelen ). ik hel» gefikfakt; â er, m.; -erij, v. Fiks. bw. âwerken, iets â schilderen. Fikscli. bn. Ecu âejon(jen; â lieid, v. Fiksliond {keeshond), m. âen. Filament (druudiuerk; draad), o. -en. Filet (ossenhaas), v. â s. â de boeuf, â de veuu, kalfsgebraad. Filiaal (kindertijk), bn. Een -kerk. bijkerk; een -bank, een liulpbank; een âbundel, een bijhandelshuis. Filiatie (sauienhuuij, ufhaukelijkhe'nl, 'jc-hoorzaamheid). v. Zie Afliliatie. Filigraan {ijinul- en zilcerdrnudwerl,), (t. gmv. âwerker (zilver-of (jouilsinid in fijn druadwerk), m. Filister (ploert), m. â s. Filomeel (nuchteijuul), v. âen. Ook; Tilo-â neele. Filon (Jist'ujc bedrieijer, schurk), m. âs. Filoxel (ijrove zijde, floretzijde), v. gmv. Filter (doorzijgstof), quot;. âs. Filtreer (werktuiij tot rein'ujuuj run drink-ufoter), in. âs. Ook: Filter. Filtreerdoek, m. âen; âkan, v. ânen; â niacliine, v. â s; âpapier.o.; - toestel, m. en o. â len. Filtreeren (doorzijjen. doorsijpelen). Water â , door poreuze zelfstandigheden laten sijpelen om het te zuiveren van onreine stollen. Filtrnni, Filter izijijdoek, doorzijfpnidilel), o. Ultra, âs. Finaal (om te eindijen). bn. en bw. Final (bestissiuijsiueilstrijd), m. â s, sport. Lees: fein'-id. Finale {einde, slotstuk cun een m u zieks tuk), v. Financieel (de geldzaken betreffeude), lm. Financiën (openbaregeldniiddeleu, gehlroor-raud), v. mv. Financier (iemand die gelden beheert, uil-garen regelt, enz.), m. âs en âen. Fine (einde, doel. oogmerk), o. Ten â van rappuit, d. i. ten einde daarop bericht of verslag uit te brengen. Finesse (list. fijnheid, doortraptheid), v. âs. Fin^'eeren {cerzinnen). Gefingeerde munten, denkbeeldige (b.v. een pond sterling enz.); gefingeerde rekening, vermoedelijke, bij raming opgemaakte rekening. Finis coronat opns {het einde kroont het werk), spreekw. Zie: F. V. O. Finisli (eindstreep), o. sport. Lees: fin'is. Fint (bedriegtijl,- roorkomen, strerk om iem. |
FIOOL-FLIKKEN'.
130
|
te bi'iKnleden; fijne berst in hot spieyclyld*), v. -en. Fiool (flrsch niet een hnnfcn huls ctl romh'ii hiiik),\.\\o\en. Fig. JJi'/iolcn van zijn 'jruinschd/) tn'cr iemand nitslurtcn. Firma {hamlelsnamn, bedrijfsnaam), v. â's. WirmamvnKsifrrrnhrmel, aits/fansrl),o.gmy. Firman, ni. /ie Flt;kriiiaii. Firmant (handel, lid ecm-r firma), m. âen. Firn (grofkorrelige sneeuiv in het hooggc-hergtc), v. gmv. Fiseus (eigeniijl,- ren grhlkorf, geldzak] de staatskas, de schatkist), m. Aan den â quot;Iferen. Fi^kaal (eischer in rechtszaken â¢, 's In mis schatbewaatdeiâ¢), m. âkalen. Fiskaal (wat den fiscus betreft), lm. âkale tuetlen. FisU'1 (geneesk. etterafleider), v. â s. Fitz (No rmandiseh voorroegsel bij eele Ea-(/elsehe eigennamen, het.: nalanrlijkc zoon, b.v. Filz-.lames, Fitz- William, Fitz-derald). m. Fixe (mI«V) (rastgeujortelde waan), v. idees lixes. Fixe (prix) (gezette, rastgestelde /trijs). Fixeeren (bejialen, vaststellen). Iemand â, iemand strak aanzien. Een jongmensch, dat zich 011 7 â toelei. (C. O.) Fixiim(/^/.sf inkomen,zekei'bestaansmiddel),o. Fjelrt {rotsachtige hoogvlakte in Zweden), v. â s. Fjord (Noorwegen: smalle insnijding der zee in het rotsachtige strand), v. â s. Flaeon (reukfleschje; flesch niet een langen hals; derde gedeelte van een flesch), m. â s. Fladderen {heen en weer vliegen), ik hel) gefladderd; vleermaizen, uilen, vlinders â; de zeilen kannen â; ânar, m.; â ing*, v. Fig. dartelen. Flagellanten (geeselmonniken, naam eener geestelijke broederschap in '1-260 in Italië ontstaan), m. mv. Flagellatie (geeseltng, zelfkastijding), v. â -tiën, â s. Flagelleeren (geeselen, kastijden, straffen). Flageolet (fijn- of hoogfluit), v. âten. Flageolettist (flageoIet-besiieleiâ¢), m. âen. Flagrant (jtas gebeurd; in het oog loopend), bn. En â délit, d. i. op heeter daad (betrapt). Flakkeren (dicht, opulammen, flikkeren van rlainmen), het heeft gellakkerd. Flambeeren (heen en weer gaan; zengen, roosten). Hij is flambé, verloren. Flamlgt;4gt;iiu (fakkel, wasstok, toorts), v. â en. Flaming'o (reigerachtige steltlooper), ni. â's. De gewone â, de roode â. Flain'eren (straatslijpen , drentelen, rondslenteren). Flanel (wollen stof), o. en v. Flaneur (straatslijper, lanterfanter), m. âs. Flank (mil. Unie ter zijde; vleugel), v. âen. In de â aanvallen. Flankeoren (de zijde dekken, bestrijken). Flankenr (vleugelman bij de infanterie, soldaat van een der vleugelcompaynieën bij een bataljon), m. â s. Flans (het neergeworpene), v. âen. Flansen (slordig verrichten), ik heb geflanst. Flap (harde slag), m. âpen. Flappen (klappen, babbelen), ik heb geflapt. Kr alles maar ait â . Fig. De zeilen â tegen de masten. De banieren â in den wind. Flapper (tinnen kan met deksel), m. â s. liet poffe bier eischte tinnen âs. (Potg.) |
Flapuit (snapster, iem. wiens hart op de tong ligt), m. en v. âen. Flarden (afgescheurde stukken en brokken), m. mv. Flater (misslag, misgreep), m. â s. Flatteeren (vleien, liefkoozen, flikflooien; stredend zijn voor). Flauw (laf), bn.: â heid, v.; â iglieid. v. Flauwerd (laf mensch), m. â s. Flauwhartig (bloode, moed duns), bn.; â -lieid. v. Flauwiteit (laffe daad, flauwepraid), \. ân. Flauwte (bezwijming), v. ân. In â liggen. Flel», v. âben. Zie Flep. Fleeinen (vleien, mooipraten), ik heb j^e-fleemd; âer, m.; â erij, v. Fleemkons (vleier, mooiprater), m. en v. â en. Fleemtong (pluimstrijker), m. en v. âen. Fleer (klap), ni. âen. Iem. een â geven. Fleer (vrouwspersoon), v. âen. Fleers (flap), m. Meerzen. Flegma (koelbloedigheid, laawheid), o. gmv. Hij leest den brief met hetzelfde â. (.1. t. Br.) Flegmatiek. Flc^gmatiseli (koelbloedig), bn. en bw. Het â temperament, o. een lanwe, o n versch i 11 i ge ge m oedsaa rd. Flenel. o. en v. Zie Flanel. Flens (ijzeren kraag), v. Ilenzen. Flensje (dun pannekoekje met krenten), o. â s. Flenter (stuk, brok; dun schijfje, flarde), m. â s. Flep (ondermutsje), v. âpen. Fleppen (met kleine teugjes drinken),ikhG\) gellept; âer, m.; âerij,quot; v. Ook: Feppen. Flereeijn (zijdewee, jicht), o. gmv. Fleren (slieren langs), ik heb gefleerd. Fleseli, v. flesschen. Op de â r/y//. failliet zijn. Flesselientrekker (die koopt met het plan om niet te betalen), m. â s; âerij (bedrog), v. Flets (verschoten van kleur), bn. en bw.: Keesjes wangen waren bied: en â. (C. O.); â lieid, v. gmv. Fleur (bloei), m. gmv. De â der gezondheid, quot; de â der jaren. Fleur (opgerolde lijn, waaraan men visch vangt), v. âen. Fleuren (met een fleur visschen), ik heb go-fleurd; â lt;ler, m. Fleuretten (schoone ivoorden, vleiende namen; schermdegendopjes; ook: schermdegen met dopje), v. mv. Zie Floret. Fleurig (gebloemd; opgewekt, r rooi ijk), bn.en bw.; âlieid. v. Fleurist. Florist (bloemschilder, kunst-bloemenmaker), m. â en^ Fleuron (met smaak aangebracht versiersel van bloem- en loofwerk), m. â s. Flexibel (buigzaam, gedwee), fin. Flexibiliteit (lenigheid; gediveeheid), v. gmv. Flexie (buiging), gmv. De â is declinatie of conjugatie. F^libustic^r (vrijbuiter in 1\'. Indië, '11e eeuw m. âs. Ook: ISoekauu^r. Flikflooien (laf en kruipend vleien), ik heb geflikflooid; âer, in.; âerij. v. Flikje (rond chocolade-koekje, chocolaadje, naar zijn maker Caspar Flick a ld us gem â coal), o. â s. Flikken (lappen, verstellen), ik heb geflikt; â er, m.; âerij. v. Schoenen flik, m. d. i. schoenlapper. |
FLIKKER âFORCEEREN.
137
|
Flikker {sprong; klap), m. â s. Flikkeren {schiUeren, {ilinsterm, fonkelen), het heeft gellikkerd; â injiquot;. v. Flink (vhiy, ferm, kloek), bn. en l)\v.; â -lieid. v. f lits {pijl, spies), rn. âen; âboog*, rn. Flokerlgeweer, o. âgeweren. Flodder {kU'i, slijk), m. gmv. Flodderen {/gt;loetere)i. plassen, door de modder waden), ik heb gehodderd. Fllt;»ddei*klee4l {al ie wijd Kleed), o. âkleederen; â kous (zakkende /.ons, lig. slorditj persoon), m. en v. âen. Floers {romvkrep), o. âen. Flonkerba^ {cdehjestcente, diamanl), v. âbaggen. FIlt;uik«'rlt;'ii (pikkeren, schitteren), ik heb geflonkerd; â in}*quot;- v. Flonkerstlt;kr. âstar (fig. i?m. van (jroote verdienste), â sterren, âstarren. Flora (godin der hloemen] al de phnden en kruiden), v. De Javasche de duin â , de kustâ, de wondâ, de â van Nederland. Floralia (feesten ter eere der lt;jodln Flora in Home; vereenifjing tot aankweeking van bloemen). v. Floreal (He of Uoeimaand, van 20 April tot l'J Mei), in. gmv. Fl4»relt;kn. Florijn (Friesche goudgulden, f 1.40, belastingpenning, in de 'We eeuw op elke behuisde boerderij gelegd), m. florenen. Floreenplielitigen (belastingbetalenden), rn. mv. Floreeren (bloeien, in welstand zijn). Florentijnseli. bn. De âe flesch, scheik. tot het distilleeren van vluchtige oliën; âlak, karmijnlak, roode schilderverf. Floret (spinsel der zijderups, half zijde, grove zijde), o. gmv. Floret (sdiermdegen, aan de punt van een knop voorzien), v. âten. Uw opstaan verschrikt mij evenmin als deze âten. (C. O.) Floretten, bn. Een paar â handschoenen. Florijn (gulden), m. âen. Florissant (bloeiend), bn. Een âe streek. Flotille. Flotielje {kleine vloot), v. â s. Flotis(onwaarheid', uitrlucht),v. flouzen. Wat ge vertelt, zijn maar âjes. Flonu' (zeker snippen Tiet), v. âen. Flnetiiatie (dobbering, golving, weifeling), â s, â tiën. Flnetiieeren (vloeien, golven] wankelen, weifelen; afwisselen). Fluïde (vloeibaar), bn.; â dnni {vloeistof), o. Flimliteit (vloeibaarheid), v. gmv. 'Fluim (slijm, lig. misselijke vent), v. âen. Het is een â van een vent. Flninien (slijm opgeven), ik heb gelluimd. Fluisteren (zacht, nauw hoorbaar spreken); ik heb gelluisterd; âaar. m.; âaarster. v., â in^. v. Fluit (blaasinstrument), v. âen. Fluit (hoog en smal glas), \\ âen. De rijnwijn Hu telde in eene lange en f ijne â. (Potg.) Fluiten, ik lloot, heb getloten; âer, m.; â injff, v. Fluitist (fluitspeler), m. âen. Fluks (snel, met spoed, gezwind), b\v. Fliikscli (vaardig, bij de hand), bn. Een âe wending. Fluoreseentic^ (lichtglans van sommige stoffen), v. gmv. Flus (zooeven), b\v.; âjes, bw. Adieu, tot â, |
d. i. tot zoo aanstonds; de barbier komt â, mijnheer. (Potg.) Fluweel, vroeger Fulp, o. âen. Flmvijn (bunzing, steenmarter), o. âen. Fluxie (strooming, vloeiing), v. â s, â xiën. Fniexen (niezen, proesten), ik heb gefniesd. Fnniken (een vogel de slagpennen uittrekken; fig. ten onder brengen), ik lief» gefnuikt; â er, m.; âills', v. Foeus (brandpunt), m. âsen. Foedraal (overtrek; scheede), o. âdralen. Foekepot (rommelpot), m. âpotten, gew. Foelie (dmi geslagen bladtin), v. gmv. Foelie (vleezig hulsel der muscaatnoot, kruiderij), v. gmv. Er is bruine, blankeen korte Foeiie (rerfoeliesel van een spiegel; ook: â, onder een edelgesteente), v. gmv. Foeliën (laagsgewijze dunnetjes met kwil: bedekken), ik heb gefoelied. Foeteren (uitvaren, knorren, opspelen), ik heb gefoeterd. Op iem. â. Foezel (slechte jenever), v. gmv. Folii (fabelachtige halfgod bij de Chineezen), m. gmv. Het bezoek van â is een gedicht van Staring. Föhn (zoele, vochtige tvind in het hunton Uj'i), rn. gmv. Fok (scheepst. het onderste zeil aan den voormast; fig. bril), v. âken. Fokkeinast {voorste mast), m. -en. Fokken (aankweeleen, grootbrengen van vee), ik heb gefokt; âer, rn.; âerij, v.; â ing*, v. F4»len (sollen, plagen, kwellen), ik heb gelooid. Foliant (boek van het grootste formaat), m. â en. Folie (dwaasheid, zotheid), v. â s. Folieeren (de bladzijden in opvolging ^lommeren). Folio (bladzijde), o. â quot;s. Hij is een gek in â, een zeer groote gek. Folketliins (de volkskamer in Denem.), m. Folklore (volkskunde, overlevering, sprookjes), v. Folteren (kwellen, pijnigen), ik heb gefolterd; â aar, nr.; â ins, v- Foniinelen (frommelen), ik heb gefommeld; â in Sr v. Foncé (donker van kleur), bn.; bleu â, donkerblauw. Vamp;netionmxirefambtenaar,beambte), nr. â s. Foml (grond), o.; n â, grondig; au â, wel ingezien, eigenlijk, in het wezen der zaak. Fondatie, Fundatie (stichting), v. -s,-tiën. Fondement, FoiKlament. ook: Fnnlt;ia-nient (grondslag, fondeering), o. âen. Fonds (kapitaal, effect, staatspapier), o. â en-Foiikelen (schitteren, blinken, in ocerdrach-telijken zin), het heeft gefonkeld; âins, v. Het â der sterren, der diamanten, der (togen. Fonkelnieuw {splinternieuw), bn. Een â kleed, gloednieuw. Fontanel (soort can fistel), v. âlen. Zie bij Ftter. Ook: Fontenel. Fontein (kunstmatige springbron), v. âen. Fooi (drinkgeld), v. â en. Zij beuren â aan â. Footbalspel, o. âspelen. Lees: Foei. Ook: Voetbalspel. Foppage (fopperij), v. gmv. Foppen (misleide)), verschalken), ik heb gefopt; â er, m.; âerij. v.; â ins« v. Force (kracht, geweld, dwang), v. Forceer en (dwingen, overweldigen; openbreken, verkrachten). |
FOREL-FRANSCHE TITEL.
138
|
Forel (buil,vinnige zalmsoort), v. â len. Men onderscheidt: dr zalmâ, dc meer- of yrondâ\ ile heel:â, de (joud-, de :ilrerâ. Forensen (eig. rondireLkende kooplui. In Amsterdam enz. zij die in de slad hun zaken doen en huilen tuonen), m. mv. Forfait (Ynisdatid), m. âs; /V â, bij aanbesteding, l»ij den httop, ineens. Forfaiiterie (pralerij, grootspreker ij, snoeverij), v. â ën. Forma (rorni\ In â, d. i. in goeden vorm ;N in optima â, in den besten vorm; pi'o â. voor den vorm. Formaat (afmeting van papier, boeken, enz.), o. âmaten. ForinaliKeeren (xieli) (zich beleedigd aeh-tm; zijn iwrwondcring of misnoeijen ti'Lomen arren). F4»i*iiialisiiiiis (lift orrrdrrrrn hrrhtm aan (h'u rorrn), u. gmv. Ook: Formalisme. Formaliteit (nitcrlijki' vorm, voorschrift, gehraik). v. âen. Formatie (vormimj, schepping), v. âs, â tiën. FoniK'el (houten raam, waarover hogen gemetseld warden), o, âen. Formeel (aitd rakkei ijk, volgens den vorm, nadrukkelijk), bn. en Uw. leis â weigeren. Formeeren (vormen, voortbrengen)'-, âder (schepper), m.; -in»-, v. Formidabel (vreeselijk, ontzaglijk, gedacht), bn. en bw. Een âe krijgsmacht. F4»rmiil(k (vaste regel, voorschrift, regelmaat), v. âs. Een algebraïsche â, d. i. een in letters gegeven uitdrukking voor de waarde eener grootheid; een chemische Formulier (voorschrift, model), o. âen. Een eedsâ, een iloopsâ, een trouwâ, een gdoofsâ. Foriinis (kookkaehel), o. â nuizen. Forseh (Krachtig), bn. eii bw.; â held. v. I'ort (sterkte, schans, gesloten verdedigingswerk), o. âen. Forte-piano (muz. eig.: sterkzacht; als zn. (klavier of piano met een demper, om het sterkeen zachte van den toon uit te drukken), v. â ?s. Forteres (klein fort, schans), v. âsen. Fortificatie {vestingwerk-, i'»ok: tic krijgsbouwkunde of versterkingskunst), v. -tiën, -s. Fortifieeren, FortiliecM'ren (versterken). Fortissimo (muz. zeer sterk, oji het sterkst). Forto (muz. sterk), bw. Fortuin (geldelijk vermogen), o. âen. Fortuin (geluk, lot),y. â zoeken, maketi; op â varen-, een soldaat van â ; o/) goed â, Fortuin (geluksgodin, Eortuna), v. gmv. Forum (oud-Rome: markt; gerechtshof), o. â s. Flt;»ssiel (versteend, uit den grond gedolven), bn. Op Java vindt men allerlei âe overblijfselen', â e schelpdieren; âe planten. Fossiliën (mineralen, delfstojfen der voorwereld), v. mv. Foulard (zekere Ind. zijden stof; ook een zijden zakdoek), m. â s. Fonle (menigte, volkshoojt, gedrang), v. Fonra^v (voeder), v. Op â uitgaan (oorl.). Fonra^eeren (levensmiddelen of four age opsporen en halen). Fonrtf'on (rijtuig met een gaffeldissel, overdekte pakwagen, voorraadwagen), m. â s.' Fourier (onderofficier, die voor de levensmiddelen en kleeding, enz. der compagnie zorgt), m. â s. |
Fonrmilleeren (wemelen, krioelen). Fonrneeren (verschalfen, verzorgen). Fonrnissement (in hg, storting, bijbetaling), o. âen. Fonrnissenr (le erancier), m. â s. Fonrnitiinr (hetgeen geleverd wordt), o.- â turen. Ook: Fourniture. Fonrra^eres (halssnoeren bij groot militair uniform), v. mv. Font (misslag), v. âen. Ik kom zonder â, d, i. zeker, bepaald. Fontiei' (met fouten), bn. en bw. Een âve oplossing. Foyer (haard; in schouwburgen de koffie-cnz. kamer), m. âs. Fra (broeder, geestelijke), m. â's. Fraai (schoon, sierlijk), bn. en bw.; âheld. v. Fraaii^lieid (versiersel), v. âheden. Fraaitjes (zeer lief), bw. Iets â doen. Fraas (geplooide halskraag), v. trazen. Fraetie (breuk, deel van een geheel of run een partij; schrift, met gebroken of hoek'uie letters), v. -tiën, -ties. Fragiel (breekbaar, bros), bn. Fragiliteit (breekbaarheid, brosheid), v. gmv. Fragment (stuk, brok, uittreksel), o. âen. Een â van een gedicht; een â van een vlak versiering; dat â der natuur, nl. onze tuin. (Koetsveld.) Frac'mentariseli (bij fragmenten), bn. en bw. De geschiedenis â behandelen. Fraielienr (frischheid, levendigheid van kleur in de schilderknnst), v. gmv. Frak. (dichtsluitende, inzonderheid zwarte, gekleede rok), v. âken. Framboos (bes, vrachtje), v. âbozen. Frame (sport: buizenstel, lijst, omraming der fiets). Lees: Freetn. Framee (korte werpspies der oude Germanen), v. â ën. Fran^aise (Franschc vrouw of jonge dochter, ook een dans), v. âs; d la â, opzijn F ransel i. Franeliement (vrijmoedig, onbewimpehl. openhartig, rondborstig), bw. Franeiseaan (pater in bruine Pij, minderbroeder), m. â anen. Franeiseaner. I»n. Een âmonnik. Franeiseeren (verfranschen, een Frcnschen vorm geven). Frane-mavon (vrijmetselaar), m. francs-mat-ons. Franc -ma^onnerie (vrijmetselarij), v. gmv. Franco (postvrij, vrachtvrij), bn en hw. Franc-tirenr (Vuil. vrijschutter in den oorlog van i87()â,7'J), m. francs-tireurs. Franje (afhamgend boordsel), v. â s. Een gordijn zonder âs. Fig. beuzelpraat. Â¥'ri\tili.(ongedwongen), bn. Alleen in de spreekwijze: vrij en frank. Frank (volksnaam), rn. âen. Inval de? âen, d. i. der Vrijen. Frank (zilvermunt in Frankrijk en België, in waarde lriijk aan ± 48 van onze centen), m. âen. Frankeeren (vracht- of portvrij maken); â ing-, v.; â zejrel. m . âs. Fraiakiscb. bn. Het âe rijk onder Charlemagne (708â814). Franscli, bn.; als zn. voor âe t((al, o. Fransclie (een â dame), v. Fransche t itel ( verbasterd uit voorhandsche titel; de verkorte voor het titelblad gedrukte titel van een boek), m. âs. |
FRANSCHM AN âFURIE.
130
|
Fraiisclmiaii. in. Fran.sclien. Fraii*»ijii(/x'/,/.v/m^gt;?7),o.ginv. Ook; Fraiivijn. Frappant (/rc/Jeml), bn. Eau âenfsrfiiedr-nis. Frappecren (treffen, rerrrtssen, Lev ree nu hu). Frater {broeder, ordebroeder), ni. âs. Frafcrlinis (hiooshT run de ..Broedei'selrip des (jemeenen levensquot;, in i31ü i/esticht doo)' Geert Groote), o. âhuizen. Fraterniteit (hroederseha/j), v. Fr. frater-nité. Liberie, êgalité rt leus der groote Fransche revolutie. Fratsen {(jrillen, praatjes, (jrappen, aard'uj-heden), v. mv. Jomjen, hoa toch op met Je â ; maal: maar zooveel â niet! Fraude (bedrog, overtreding), v. â s. Hij werd iveijens â veroordeeld, d. i. wegens smokkelarij. Fraudeeren {bedriegen, oplichten, ) nislei-deti; smokkelen). Frauduleus {bedrieglijk), bn. en bw. Een â bankroet. FrederikNoord (ivebladigheids stichting i11 Overijsel), o. gmv. Free-trader {vrijhandelaar), m. â s. Lees: frie'-treder. Fregat (vierkant getuigd oorlogssehip met drie masten), o. âten; â seliip, o. Fregatvojjel {zwemvogel in drn Atlantischen Oceaan), in. â s. Frenesie (razernij, dolheid), Frequent (menigvuldig-, sterk bezocht), bn. Frequentatieven (werkw. van herhaling), o. mv. Stotteren, klapperen, schuifelen zijn Frequenteeren (bezoeken, bijwonen).' Fresco, o. â;s. Een schoon â, muurschildering. Fresi'O-seliilderen (het schilderen al-fresco, d. i. met waterverf op een met. kalk bepleisterden en nog voehtigen muur). Fret {klei in- wezrl om konijnen te jagen', ook een Kleine boor), o. âten. Fretten (met het fret jagrn), ik bel) gefret. Freule (adellijke dn me, jonkvrouw), v. â s. Fricassee (zeker vleeschgereeht; fijn gesneden vleesch met een saus), v. âën. Fries (volksnaam), m. Friezen. Fries (bouwk. vlak gedeelte in de kroonlijst), v. friezen. Fries (weefsel, een soort duffel), o. gmv. Frieseli, bn.; als zn. voor âe taal, o. Friesland (provincie), o. Friezin (Eriesche vrouw), v. â nen. Frilikadel (bal van gehukt vleesrh), v. -len. Friniaire (derde of vorstinaand, van 21 Nor. tot 'iO December), m. Fripon (schurk, bedrieger), m. â s. Friponnerie (schnrhcrij, boevenstuk), v. â s, â ën. Friscli (verseh, koel), bn. en bw. Friseer(kn (krullen, het hauc tooien \ opkappen). Friseur (kapper), m. â s. Frisket (boekdrukkersraam), o. âten. Zie Verseliet. Frisolet (vloszijden lint), o. gmv. Frissonneeren (huiveren, rillen, beven). Frisuur (kapsel, haartooi), v. â suren. Frituur (bruin gebakken vleesch, enz.), v. Frivole (ijdel, nietig, wispelturig), bn. Frivoliteit (ijdelheid, beuzelarij, lirhtzin-nigheid), v. âen. Frommel (kreuk), m. â s. FrommeUkn (kreuken, ineendrukken), ik heb getrommeld; âaar, m.; -ing:, v. |
Fronde (staatk. partij in Frank)'ijk tegen Mazarin, 1648â1054), v. gmv. Frons. Fi*lt;»nsel (kreuk, rimpel), v. -en. Fronsel (kreuk, plooi), v. âs. Frousi'ii (rimpels trekken), ik heb gefronst; â iuj-v» v. Front (voorhoofd', voorzijde van een gebouw, eerste gelid), o.; â maken, het vei anderen van front; â slaan, vertoon maken. Frontaal (altaardoek; puntgevel), o. âtalen. Frontieren (grenzen), v. mv. Frontispice (bouwk. voorgevel), v. â n. ook: âpies, o. âpiesen. Allen komen hierin wer-een, dat de \V in het â Wullcni beduidt. (C. O.), driehoekige gevelbekroning. Fr4»ntoii (boogvormig versiersel boven een deur of een schuifraam), o. â s. Frotteeren (wrijven, boenen, poetsen). Fructidor (kJe of vruchtmaand,ooftmaam', van IS Augustus tot 10 September), m. gmv. Friictificatie (vruchtbaar ma king, bevruchting), v. Friictnariiis (vruchtgebruiker), m. âsen. Frugaal (matig, zuinig), bn. Frii^aliteit (matigheid,spaarzaamheid, mit-houding), v. Fruit (ooft), v. en o. âen. Fruiten (kruiden), ik heb gefruit. liet vleesch -; -injr. v.; -pan, v. Fruitstuk (schilderstuk, fruit voorstellend), o. âstukken. Frustreeren (verijdelen, teleurstellen). Fuchsia (/' rauie heester met afhangende don-kerroode klokbloemen), v. â s. Fuclisiue (prachtige roode kleurstof), v. gmv. Fucoadelt;;n (bruinwieren), v. mv. Fueros (voorrechten, vrijheden), m. mv. Fu^a (kunstig twee- of ineerstemmig toonstuk. waarin een keurige, welluidende (gedachte heerscht, die telkens herhaald wordt), â's. muz. Ook: Fuige. Fuif (jolige partij), v. fuiven. Fuik (vischtuig), v. âen. In de â geloopen zijn, verloofd zijn, getrouwd zijn. Fiill-r4»a4lster' (sport, zware iiejuutehine), m. â s. Lees: Eoel'-roodster. Fiilininant (dreigend, hevig), bn. Fiilinineereu (razen, tieren, vloeken, schelden). Fulp (fluweel), o. gmv. Ook: Felp. Fumaria (duivenkervel), v. gmv. Fnmiji-atie (berook'nug, rook- of dampbad), v. Fun (guit, schurk), in. -nen. vero. [ âs. Fuuanilgt;ullt;% Fiiuanibnlist (koordedan-ser), m. â n, âen. Fuuâ¬*tie (ambtsverrichting; hediening. werkzaamheid, ambt), v. â tiën, âties. Fniidament, Fiindeuient (grond, grondslag, grondvesting), o. âen. Fiiudanwnteel. Fundamentaal (ten grondslag liggend, voornaamst), bn. Fundatie. Fondatie (stichting, gronding, grondlegging), v. âtiën, âties. Fiindeeren (stichten). Fuiidâ¬kerin$;-. Fundanieut (grondslag, grond), v. âen. Funeralien (begrafenisplechtigheden), v. mv. Fiin^eeren (dienst doen). Furenr (woede, razernij, verwoedheid), v. Furie (woede, muiterij), v. -s, âriën. De Spaansche 157G; de Fransche â, 1583. Furie (een twistziek, boosaardig wijf), v. â s, âriën. |
I'lO FUR1ÃNâG ADEREN.
|
Furiën {wraakgodinnen)^ v. mv. Furieus {razend, nitzinniy, woedend), bn. en b\v. Furioso (muz. woest, razend*ruw), bw. Furore maken {veel oprianij maken, luiden of groeten bijval in oogsten). Fusie {ineensmelting; smelting, gieting, hij-zonder metaaIgieting; ook: vereeniging ran instellingen of partijen), v. âsiën, âsies. Fusileereu {doodschieten). Inn. â, krijgsstraf. Fusilier {soldaat, voetkneeht), ni. -s. Fust {groot wijnvat), o. âon. Wijn op â. |
Fusla$re (vaatwerk), v. gmv. Fust ei n. Fust ij ii {zeker weefsel), o. gmv. Fustie (alle onzaivereafval; hel beschadigde, onbruikbare van waren), v. Fut {kracht, sterkte), v. Iemand zonder â; 't is alles d. i. vergeelscli. Futiel (nii-tig, nietsbedaidend, armzalig),hn. Futiliteit (nietigheid), v. âen. Futselen {benzelen, knoeien, talmot), ik heb gefntsélcl; âaar, in.; â iu^-. v.; â arij. v. ruuiu (lig. ijdrlheid, pralrrij), in. gmv. Fuut {duiker, zwemvogel), in. futen. |
G.
|
v. â's. De zevende letter van liet alphabet. Benaming van den vijfden toon in de nniziek, sol. Als Rom. getalmerk is G = 4Gü. Oal. â Galaten. ft', a. w. v. â Gunstig antwoord wordt verwacht. yeb. â geboren. 4*ebr. â Gebroeders. lt;»elt;l. St. â Gedeputeerde Staten. yeëx. â geëxamineerd. «â¢el. â geleerd. Iiieu. â Genesis, eerste boek van Mozes, nl. der Schepping. tieu. â Generaal. tieu. â Genitief, genitivus, 2e nnamvnl. Resell. â Geschiedenis. CiSestr. â Gestrenge. ftet. â geleekend. Hex. â Gezang. â Gezusters. lt;â 1.. g-uld. â Guldens. 4«. M. of Cilor. Mem. â Gloriosa; Memoriw, roe m rij k er ged acl i ten is. «i*. â groot. â grein. lt;ir. â Grieksch. «i*. S0 â groot octavo (papierformaat). «rau. â granula, korrels. «r. m. â g rosso mo do. Zie aid. lt;»r. M. â Grootmeester. «rootl». â grootboek. «. v. â goed voor. «.Vmil. â ggmnasium, gymnasiaal. lia {gade), m. en v. gaden. t-aat'. tgt;ave {gift, geschenk), v. âgaven. lt;iiaaf' {ongeschonden), bn. en bw.; â porse-selein, â hout, gave fruit; een rij gave tanden; iets â voorlezen; iets â uitvoeren; â -lieid. v.; â ramlig' {zonder insnijding), bn. faaai {boschvogel, meerkol), v. âen. ^â aai, zie 4«aaiiie. m. en v. âen. lt;ilaai {houten vogel, waarnaar men schiet), m. âen. Naar den â schieten, papegaai. Oaaieu {paren), ik heb gegaaid; â iu«, v. vero. Zie Ãacleu. tiiaaike. â n (dicht, vogel, mann. of wijfje), o. â s, â ns. (â iaat (kale streep in weefsels), v. galen. twaal {kattedoorn), v. gmv. De heete â is een heestergewas. Caaau {zich te voet bewegen), ik ging, ik hel» en ben gegaan. In den pas â; uit den pas |
â ; met {op) looden schoenen â, d. i. langzaam gaan; op rozen â, in voorspoed leven; hand aan hand â, gepaard gaan; vergezeld â van; bij uitbreiding: met de diligence met den trein â ; netjes gekleed uit (verken, uit schoonmaken â; uit visschen uit eten â, uit varen â; lig. door de wereld â , zijn weg maken; door den wind â, aan den zwier zijn; recht door zee â, recht op zijn doel af, zonder slinksche wegen; overeen zieke â, geneeskundig behandelen; zijns weegs â; den weg van alle vleesch â, sterven; naar zijn graf â; ad patres â, d. i. naar zijn vaderen -: op de ffesch â, bankroet, worden; omh'r zeil â; onder dienst â, dienst nemen; onder de huzaren â; om zeep â, sterven; voor den ivind â, voor stroom en wind â, voorspoed hebben; door de ziel â, diep treilen; zijn gedachten over iets laten â; in de war â; het gaat zus of zoo. tgt;aamle, bn. en dw.; â houden, in beweging iiomlen; iets â maken, aan den gang maken; h.v. een twist; â zijn, in beweging, in werking zijn. taaamlerij {(galerij), v. âen. tgt;aault;lewe« {allengskens), bw. 4aaar. bn. en bw. Fig. Hij is niet goed â, hij is half onwijs; â lieid, v. 4gt;aarlt;l (dicht, tuin), m. âen. baarde (tuin), v. ân. Een dierâ; â kiju (dicht, tuintje), o. âs. tiaardeuier (dicht, hovenier), m. â s. tgt;aarder. m. âs. Brievenâ, lolâ, d. . beambte. Gaarkeuken {spijshuis, ordinaris), v. â s. (â aarkok {houder van een gaarkeuken), m. â s. (â aarne {met genoegen, met lust), bw. Gaas (dan en open weefsel van garen, zijde, goud, zilver, enz.), o. gazen. Oaasvlieg* (gaasvleugelig insect), v. âer. lt;»aatje. o. â s. Zie l-at. t-almar of («abarre (zekereschuit, praam), v. (â ialiel (zoutbelasting; tol op een rijksweg), v. â len. i-ade {gelijke, echtgenoot), m. en v. â n. (*aclen {zich vereenigen, paren), ik gaadde (gaaide), heb en ben gegaad (gegaaid). vero. Cilader (te) {gezamenlijk, vereenigd). bw. lt;*aderen {verzamelen), ik heb gegadevd; â â¢in«', v. Ook: tiiaren. |
GADKKGKLD-
G ALL IC I SM K.
141
|
(collecte), o. gmv. Gadeslaan {oplettend beschouwen), ik sloeg gade, lieb gadegeslagen. Iiiadiiift' (lust, genoegen), v. Dit is van mijn â , naar mijn zin. Oadok (Ind. timmerhoutboom), m. â s. Ciaflel (tweetandige hooivork', rondhout, dat met een gevorkt achtereind tegen den mast steunt eu waaraan het zeil hangt), v. â s. ^â aflVlaiikei* (tuianker), o. â s. (â afli'ldiKKel (inspan voor tvn paard), m. â s. (â aflelkriiiil {wild wormkruid), o. gmv. lt;«a^a (Ind. rijstakker in een omgekapt boschgedeelte), v. â's. Ook Gagah. (bezoldig'mg, jaarwedde-, pensioen van oude of verminkte soldaten), v. â s. 4«a^«'l (welriekende heester of Brabantsche mirt, m.; gehemelte van den mond), o. âs. liaggeleii (snateren va)t ganzen), ik liellt; gegaggeld; âtaal (ganzentaal), v. Ook: (Ia ge ten. Igt;ai (Galliër), m. âlen. âliërs. 4-al (knobbel of gezwel, aan het kootgewricht iter paarden), v. âlen. 4gt;al (bitter vocht door de lever afgescheiden), v. gmv. De â bruist hem, de â loopt hem over, liij ontsteekt in toorn; iem. â o/uvelc-l.en, ontsteken', overloop ran boosaardigheid, gramschap; een duifje zonder â, een onschuldig schepsel zonder arglist of boosheid; gift en â op iem. spuwen, uitbraken â¢, zijn pen in â doopen, de bitterste, boosaardigste woorden kiezen; ivetten met bloed en â schrijven, d. i. bloedige, harde wetten vaststellen. ^â al (holte in gegoten ijzer), v. âlen. laai {plantdier, kwal), v. âlen. (â ala (hofpracht, hoffeest', staatsiekleed), o. Groot â, zeer luisterrijk feest; in â zijn, in feestdos zijn; âbal (hofbal), o. âs. (â alaiifhtisf (naar gal zweemende, met gal doormengd), bn. Een â vocht; bij uitbr.: een â persoon, een â gestel, een âe levensbeschouwing; â lieid. v. âheid van het bloed. l-ala^'o (kleine Afrik, halfaap), m. â quot;s. lt;iialaiit (hoffelijk, wellevend, voorkomend jegens de dames), bn. Een â }nan: ik kan zeer â zijn (Jonath.); âe jongelieden; een â gedrag; een â compliment; âe taal. lt;gt;alaiit (vrijer, beminde, aanstaande), m. -en, â s. llêlène, '£ is een â voor je, zei een dartel meisje. (Potg.) (â alantcrie (IvfJ'elijkheid, ridderlijkheid, vooral tegenover dames), v. âën. tiialantoricëii (artikelen van weelde), v. niv. Galappel (galnoot), m. âs; âeik (in Europa en Klein-Azië), m. âen. 4gt;allM'ker (fig. lijdensbeker), m. â s. Gaalbitter (bitter als gal), hn. Een â drankje; een âe vrucht. (â alblaaK (ontl. zakje, ter verzameling der gal), v. âblazen. Fig. De â stort zich uit, ontlast zich, d. i. de gramschap geeft zich lucht. Dus stortte zich de â van den Sant op dit gekakel uit. (Staring); âbuis (galgang), v.; âsimt (zuchtig gezwel aan het spronggewricht van paard eu), v; â«teen (ontl. steenachtige zelfstandigheid), m.; â -voelit, o. taaleas, t-aljas (een groot Venetiaansch oorlogsvaartuig), v. âsen. vero. 4*alei (lang en smal oorlogsvaartuig met laag boord, door riemen gedreven, Middelt. |
Zee), v. âen. Iem. tot de âen veroordeelen, naar de âen zenden, hem veroordeelen tot dwangarbeid als roeier op de galeien; âboef (misdadiger op de galeien), m. - hoeven; â -keten (keten, waaraan de galeiboef is vast-gekluisterd), v. â s; âslaaf (roeier op een galei; bij de Turken meestal gevangen Christen), in. âslaven; bij :ütbr. roeier, b.v.: »Maar wil ik je nu niet reis aftossen, mijn lieve âslaven*, vroeg Dolf (C. O.); âstraf (vroeger in Erankr. en elders als dwangarbeid bij nuinis opgelegd), v. taalei (boekdr. eikenhouten zetplankje). v. âen. taalen^an^;- (Ind. laag dijkje in eenesawah), taalerij (zuilengang, tribune, lange overdekte gatig), v. -en. taal^- (strafwerktuig tot het ophangen van misdadigers), v. âen. Aan de â zijn leven eindigen, aan de â dansen, iem. aan de â helpen, praten; iem. tot lt;le â veroordeelen (verwijzen, doemen); iem. naar de â zenden; loop naar de â, platte verwensching; hij is voor de â geboren, liij is oen onverbeterlijke deugniet; eoor de â opgroeien, voor de â opbrengen, d.i. in boosheid grootbrengen; lig. â en rad voeren, litteekens in 't gelaat dragen; spreekw. De â ziet hem uit de oog en, nl. de schelmerij; hij ziet er uit als was hij van de â gedropen (gevallen), d. i. als een schelm van de ergste soort; hei is boter aan de â, ook: boter aan de â gesmeerd, d.i. 't is vergeefsche moeite, vruchtelooze inspanning; zeven is een â de groote op drie stijlen rustende galg kon zeven personen bevatten : de â behoudt haar recht, vroeg of laat komt de schelm aan de galg; die zich dood werkt, wordt onder de â begraven, woordspeling; de gehangene spartelt zich dood :ri den strop; bij overdracht; houten staak boven oen put (putgalg); draagband (bij manskleeding). taaï$;'beromv (lig. valseh, onecht berouw), o. («al^brok (galgenaas, persoon die waard is te hangen), m. âbrokken; âmaal (het laatste maal, dat de eeroordeel de nuttigde en uit de spijzen zijner keus bestond), o. â malen; scherts, afscheidsmaal; âtronie (schurkentronie), v. â s. taal^enaas (het lijk van den gehangene, lig. persoon, waard aan de galg den vogels tot aas te strekken), o. âazen. taal^enliniiKvr (snijdende, snerpende spot), gmv. De luim quot;p de lippen der armoede is â, zij wordt gekocht met smart e)i tranen. taali^'aan {op Sumatra in 't wild groeiend cgpergras), \. â ganen. tüalimatias (brabbeltaal), lt;â¢. Zie taallima-tliias. tiialiiiseet (schildluis), o. âen. taal jas. v. Zie taaleas. taaljoen (groot Spaunsch vaartuig uit de lie eeuw nwt drie of vier masten en hoog boord), o. â s, âen. taaljoot (een klein platbodemd roeivaartuig met. twee of drie masten), v. â joten. taalkoorts (gele koorts), v. gmv. tiiallen (reinigen run de gal, b.v. een visch), ik heb gegald. Hij weet de bot te â, d.i. de zaak te redderen. tiiallieaanseli. b.v. de âe kerk, in Frankrijk, taallieisme (Eransch taaleigen; eigenaardige Eransche uitdrukking), o. â n. |
GALLIÃ-GAPEN.
142
|
liialliö (Romeinsche naam vaar Frankrijk), {lijdende, aan overmaat van ual), bn. Hij is wat De schapen worden soms â en sterren', â lioid, v. lt;iiailiiiiatliias [wartaal, onzin), o. gmv. lt;gt;allisâ¬*li (van of uit Gallië), lm. Ih- âe taai. 4»alloc*lios (overschoenen-, hou ten schoenen, klompen), v. inv. lt;gt;ialloiiiaiiic (hartstoch t voor al wat Fransch is), v. (â ailon (Eng. inhoudsmaat, i 4,5 L.), o. â s. â¬aalni (weerklinkend geluid), m. âen. lt;iialnil»oi*4l (schuin gesteld /inuten hord in de galmgaten eens torens, klankbord), o. âen. lt;gt;almlt;lalc (het dak eener muziektent', o. â -daken. 4»alnickn (een galm voortbrengen), ik heb, het. heeft gegalmd; fig. weer U in ken: zijn naam galmde nog lang door Europa. lt;gt;alm$;'quot;t (khnikgat in een turen), m. âgaten, (â alnoot (galappel, nootvorm igr uitwas aan i de bladeren van eikeboumen, ontstaan door den steek der gal wesp), v. ânoten, laaliioteiixinir (het zuur der galnoot), o. gm v. lt;«al'oii (weefsel ran goud- óf zilverspinsel), o. Wit laken wapenrokken met â gegarneerd-, verder, boordsel tot versiering: Ze weefden gouden âs (galonnen)-, een rok zonder eenig â ; gevlochten â; bij nitbr. passement van wol, zijde of andere stof: Een grijze zomer broek met een zwart -; - f abriek J v.; -fabrikant, m.; âmaker, m.; -wever. m.; âweverij, v. 4gt;aloiiiieereii (met gouddraad stikken of borduren-, met galons beleggen). 4gt;alo|gt; (snelle gang van een paard), m. â s. laalop (Hong, dans in twee teu'ipos), m. â s. Een wilde, woeste â. Zie lt;wallt;»|»|»alt;ie. 4waio|»igt;alt;le (vroegere benaming van den galop, ook galopmuziek), v. Galoppades is ook het me. van galop. lt;Balo|»|gt;eereu (den galop dansen: in galop rijden). 4gt;ai|»eii (weenen, huilen, janken), ik liebge-galpt; -ills'. v-lt;gt;alvaiiiseli (van d. i. betrelfende of door hét (juIvanisme). bn. iinl vaiiiselt;kr4kii (galvanische stroomen door i een lichaam voeren-, het langs galvanischen weg bedekken met een laagje metaal). I.lzer-draad â, d. i. met zink omkleeden. 4«a Ivanisme (chemische elektriciteit), o.gmv. lt;«alvaii4»i»lastiek (afbeelding door middel van een galvanischen stroom), v. gmv. 4gt;aiwes|» (vliesvleugelig insect, welks steek iloi galappel doet ontstaan), v. âen. fiialziek (aan golziekte lijdende), bn.: âte, v. ' 4gt;al%ii(*lit (geelzucht), v. gmv. lt;gt;amaiilt;ler (lipbloemige; tvildesalie), v.gmv. | twsimaiiclcrlijn (leeuivenbekachtige; een soort cere prijs), o. gmv. iiiitnhmlc(Iuchtsprong; lig. uitvlucht), v. â s. laambe (een knieviool-, met de kniceit vastgehouden wordende bas), v. muz. vero. (â ambier, 4gt;ambir (Ind. struik, wiens sap de gambir bevat), v. â s. lt;*ambiet. lt;-ambit (een misleidende zét in het schaakspel), v. âen. (wambir (Ind. gestold afkooksel in schijfjes van de bladeren en takken van de âplant), v. gmv. Gamelan, «Ramlaiig' (Ind. een soort van |
glasharmonica), v. â s. Ook de gezamenlijke slaginstrumenten van een .lavaansch orkest. Op de tentoonstelling te Arnhem speelde de â van den Keizer van Solo. lt;»amiii (straatjongen, ondeugd, guit), rn. âs. lt;gt;amma (toonladder, toonschaal), v. âs. Ook 4 lt;1 a in me. De â's spelen, zingend 4gt;iamler (mannetjesgans, gent), m. â s. 4gt;aiis (loop, tocht), m. -én. (gaanderij, doorloop, deel van een huis), v. âen. dansbaar, bn. koers hebbend van munten; een âbare uitdrukking, d. i. gebruikelijke uitdr.; een â denkbeeld, heerschend. (â ans-boord (scheepst. waring, smal pud om te gaan langs het boord), o. âen. Oanspad (voetpad, pad in kerk of zaal), o. â paden. Als Ds. '/.. /weekt, zijn zelfs de â -p 'den vol met toehoorders. {â ansspil (een katipstander op schepen, em soort windtts), o. âspillen. taannef' (dief, schelm), m. ânefen en.âneven, laannofen. lt;gt;aiiiieveii (stelen, kapen). liiaiiK (eendachtige watervogel), v. â zen. Een vette â, een logge â, de wilde â, de tamme â; de Canada â: zegsw. Zij loopt als een vette â, waggelend; achter elkaar loopen als ile âzen: de gebraden âzen komen iemand niet in den mond vliegen, d. i. zonder moeite of inspanning krijgt men den kost niet; Moe-tier de â, verdichte naam der bekende sprookjesverhaalster. lt;gt;aiiseh (geheel, volkomen, in elk opzicht), bn. en bw. De âe stad; â Amsterdam; van âer harte; een âe som gebls; een â werelddeel; een âe week; het âe volk; de âe. wereld; iets â beheersrhen; iets â toestemmen; iets â verteren; - droef te moe; â onzeker (Beets'); â en al; heel en -; â en gaar, d.i. ten eenen male; dat is â niet fraai; dat is â niet aardig, d. i. zeer onaardig; âelijk. 1)W. Hij toont zijn â bedorven hurt (Schimmel). 4*aiiKkiiii|gt;|»eleii (volksvermaak), o. gmv.; â rijden, o. gmv.; âsabelen, o. gmv.; --slaan, o. gmv.; âtrekken, o. gmv. 4-anteeren (handsdn tenen aandoen of (tanhebben). t*an.vmeed (lieveling van Ju inter, schenker), tiianxebont. in. âen. [m. t-anzes'at (dom persoon^ student van hel eerste jaar), o. â gatten. («amzeiever, Ganzenlever (stofnaam), v. (â anzenbloem (weidebloem), v. âen: â -bord (bekend gatizenspel voor kinderen), o. â en; âdistel (melkdistel), v. âs; âei (d der gans), o. âeieren; â lia^el (grove nagel om wilde ganzen te schieten), m. gmv.; â kro4»s (eendenkroos), o. -grnv.; â niiinr (eeldeereprjs, blauwe murik), v. gmv.; â ims (het oog der gans), o. â oogen; â oog-je» (rtmde in servetgoed geweven pgtiurtjes), o. mv.; âroer (geweer met langen looj*), o. â en; â selielp (schaaldier), v. âen; âspel (ganzenbord tnet toebehoorett), o.'âspellen; â wijn (scherts, water), m. gmv. iiianxerik (mannetjesgans, gent), m. âen. tiianzerik (zilverkrnid), v. gmv. tgt;anze\'oet (familie der tnelden), m. âvoeten. De tneesle soorten van â rieken ottaan-genaatn. (â apen (geeuwen), ik heb gegaapt; het is zoo heet, dat de musschen op het dak zitten te â, d.i. snikkend heet; wat sta je daar |
GAPING-GASTHKER.
|
te nieuwsgierig alles af te spieden; â er, m. â erd, m. In den â, uithangteeken. 4gt;apiiiK' (oiienimi, leemte, bres), v. âen. Eene â aanrnllen, een opening sluiten. lt;ii«iraiic'iiie (mee/trap, ver 'Mof), v. gmv. 4*»raiulelt;kroii. lt;iiaraiitolt;krlt;kii (boryblijven). lt;igt;araiit (borg), m. â s, âen. iiixmntie (tvaarbor(j,bor;i.slel ting,borg t(ii-hl),v. 4gt;ai'4;oii (vrijgezel; koH'iehnixlwcht, tafelbe-'Ziende), m. â s. (â arde. lt;gt;arlt;l (roede, strafwerktuig), v. garden. Hij moet de â nog hebben, onder tucht staan. (â arde (de wacht), v.; â dn roriis, lijfwacht; âchamprtre, veldwachter; --fon, hek, leuning; --malade, ziekenoppasser; âchasse, jacht. â¢pziener; â nationale, burgerwacht. Garderobe (kleerenkast; kleerenvoorraad), v. â s. (liardiaan (uitperste nf bewaarder van een klooster)^ in. lt;4]ireel (leeren halsgordel), o. âen. Een trekdier in 't â slaan, voor den arbeid gereedmaken. Fig. In 't â loopen, arbeiden, zwoegen. lem. in '£ â spannen, slaan. Oaren (gesponnen draait), o. â s. Er is katoenen, wollen, zijden, linnen â; â afhaspelen, afwinden; âtweernen of âtwijnen (twee draden samenspinnen)] gesponnen â; geglansd â; machinaal â, d. i. op de machine vervaardigd en dus geen handgaren; twee-draadseh â, driedraadseh â, eerdabbeld â; spreekw. Goed â bij iets spinnen, er veel bij winnen. In 't bijzonder: getweernde linnen draden tot naaien, breien of borduren, b.v.: Wit, blauw, rood â. Een kluwen â.In â en band doen. ^Hareii. bn. Een paar â handschoenen, d.i. van garen vervaardigd. 4»areii (verzamelen), ik lieb gegaard. Ook: kaderen. Zie de bindster â. (Staring.) ^â arf' (schoof, bos graanhalmen), v. garven. lt;iiart'boer (die graan als pacht heeft te betalen), m. âen; â paelit (hnar, die deels met geoogste garven wordt betaald), v. âen; â -pacliter, m. âs.; â pliclitijj (verplicht tot het opbrengen van garf pacht), bn.; âzaad (koren, dat in plaats van geld aan den verhuurder wordt opgebracht), o. âzaden. Ciiarni (jonge Ooi, jong schaap), v. âen. gew. (â ariiiond (zekere dmklettersoort), v. gmv. Iiiarnaal (kleine zeekreeft, schaaldiertje), v. â nalen. Een geheugen hebben als een â, een heel klein of zwak; een verstand hebben als een â; het hoofd hebben van een â, niet veel brein bezitten; een â heeft óok een hoofd, scherts: Zoo mannetje, den!: jij koppig te wezen? .llt;i tvel, een â heeftoot» een hoofd! ^â ariialeiibrocMlJe (met gekookte garnalen), o. â s; â (zeer zwak geheugen), o. â s; âketel, m. â s; âmand, v. âen; â markt, v. âen; âmeid. v. âen; -net. o. âten: âpasteitje, o. â s; âsaus, v. ~en; âsclmtel, m. âs; âvangst, v. gmv.; â verstand (zeer beperkt), o.: -vrouw, v. â en; âzegren (sleepnet), v. â s. t-arnaat. v. â naten. Volksnaam van de Garnaal. tBarneeren (opschikken, tooien ; van oplegsels voorzien; voeren, stolfeeren); â ingv v.; â sel (oplegsel, boordsel), o. t-arni (gemeubileerd), bn.; en â, op gemeubileerde kamers. |
Oarnisair (soldaat, die voor loanbetating der belasting ingelegerd wordt), m. âen. tgt;arnitiiiir, t«ariieerin^ iomzooming, versiering; alle tot een kleed behobremle stukken; een volledig stel dia manten), o. âturen, âen. Een â (garneersel) van zijde; de vorstin had een prachtig diamanten âtuur aan. tiSarnixoen (bezetting cener vesting), o. âen. Spreekw. Groote parade en klein â, groote ophef en niet veel zaaks; in â zijn, ïiggen, tot het â behooren: in â leggen, plaatsen, )iaar zijn â gaan, zich begeven, enz. t*arni%oenseoniinaiiâ¬laiit, m. âen. tgt;aroe (Ind. egge), v. â s. lt;gt;ame (heelm iddel, zalf uit garoebast), v. gn«v. taar4gt;eblt;M»m (Ind. peperboompje), tTi. -en. tnar4»tte (strop, halsijzer tot worging), v. âs. t*arst. tierst (graangewas), v. gmv. t*arsti$f (vettig, tranig, bedorven), bn. en bw. t-arsti^-lieid (varkensziekte, gort'gheiil), v. gmv. tgt;iarlâ¬kr-orde (Eng. ridderorde, nl. van den kouseband), v. tgt;arven (in garven binden), ik heb gegarfd; -ver. rn.; - vin;;-, v. tiias (straat), v. âsen. gew. t*as (luchtvormige veerkrachiige vloeistof, bijzonder uit steenkolen), o. âsen. Ook bij afkorting voor gaslicht, gaslamp: liet â zal zijn oog en bederven; draai het â wat op. iis\shs\iu*n (Iuchtballon),m. â s; âbatterij, v. âen; âbek (mondstuk eener gasbuis), m. â bekken; âbrander, m. âbranders; â buis, v. buizen; â fabriek, v. âen; - $;ioeliilt;*lil. o. âen; âhouder (groote ketel), m. â s; â kool (brandstof), v. âkolen; âkraan, v. âkranen; âkroon (luchter), v. -kronen; â lielit, o. âen; âmeter. m. â s; -pijl», v. âen; âpit. v. âten; âpomp. v. âen; â sloker. m.'âs; â veiMlieliler(r-oijlt;A'//.sogt;-), m. âs; â vormer {aarden of ijzeren buis, die tnen nwt steenkolen vult), v. âs: â vor-mi^-. bn. Een âvormig lichaam; âwater, o. gmv. t-asroj^ner (iemand uit Gascogne in Frankrijk; lig. bluffer, zwetser,grootspreker), m. â s. Ook Gasconjer. t-aseonade (snoeverij, grootspraak), v. â n. t*aspeldoorn (getneenc doornstruik), m. â doornen, âdorens. tiiast (iem. dien men onthaalt), m. en v. -en. Een welkome â. een hooge â. een vreemde â. vreemdeling; een ongenoodigde of' ongenoode â; ongenoode âen zijn zelden welkom of zet men de deur uit; te â gaan; te â zijn; iem. te â nooden. nood'ugen; de table iriióte telt daar tien âen; de herberg is er vol âen. Spreekw. Zooals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten, d.i. men beoordeelt anderen naar zich zeiven; men heeft Meer. Itistori als â, schouwb. d. i. zij behoort niet tot het. vasto personeel; een kloeke, stoute â, man, kerel; een rappe â ; eeïi flinke â; een wilde â ; een ongure â, woesteling; srhoepsi. boots mans â, maat. matroos. tiiastebod (feestmaal, later de uitnoodiging), o. âboden; vero. Ook: Gastgebod. tiastereeren, tiastreeren (te gast gaan, smullen, slempen). tiiasterij (het brassen; weelderig gastmaal), v. âen. â houden. t-astiieer (die als gast ontvangt), m. âen; â maal (feestmaal, banket), o. âmalen; â |
GASTHUIS-GEBIED.
iU
|
-recht {recht op bcschcrminfi nis (jast), o. gmv., b.v. Hrt hciliif â rrchtschenden (Staring); â vriend,o.âen; âvriendelijk (alsfinsl-vricnd). bn. en h\v.; âvrij (mild, fiul), hn. en bw., b.v. lein. â onthalen, opnemen: â vrij-lieifl {(jnlheid in 't onthalen), o. gmv.; â -vrouw {vrouw des gast heers of van die ont-Inalt), v. âen. (â aKtlinis (huis ter verphyiiuj. ook ziekenhuis), o. âhuizen. In '£ â Hmioi, er ziek liegen; het is daar {ieheel een â, /.ij liggen jillen ziek; âmeester (opzichter, bestuurder), in. âs; âmoeder, v. âs; ânon (ziclcen-verigt;lee(ister). v. ânonnen; mier (bestuurder), m. â s. 4gt;astris«'li ( ult;at de maan, den buik aangaat), bn. âe koortsen. ^â ast roman ie (verslaafdheid aan eten en drinken), v. gmv. lt;gt;aKtroiioinie (lekkerbekkerij; fijue kookkunst), v. gmv. lt;Rastrono4»ni (lekkerbek; fijne kok), m. â nomen. Ik ben â noch epicurist. (Potg.) ^â aslvrij (gul, mild in het onthalen), bn. en bw.; â heid, v. lt;iat (open plaats, opening), o. guten; twaatje. o. â s. Ken â in den dijk; ergens geen â in zien, d. i. geen uitweg; een â in den dag (in den morgen) slapen, laat opstaan; een â in de lucht slaan, scherts, gebaar van verbazing; praatjes vullen geen gaatjes, men richt er niets mede uit; iem. het â van dedeur wijzen, hem gelasten onmiddellijk te vertrekken; hij weet voor elk â een spijker, overal Iets op; het Brielsche, Goereesche â, open plaats of vaarwater tusschen kusten of banken; iem. in de gaten hebben, hem in 't vizier, in quot;toog hebben; een â stoppen, een schuld dekken; een â maken om een ander te stoppen, een nieuwe schuld aangaan om een andere te dekken. (achterste), o. âten: âjc». o. â s. lt;gt;aten (nan gaten voorzien), ik heb gegaat. Ciianelie (links, scheef, onhandig, ongeschikt). bn. en bw. ^â anelierie (ongeschiktheid, onbeholpenheid, lompheid), v. gmv. laanfreeren (met figuren bedrukken, fijn plooien). (â amv (snel), bn. en bw.; âlieid. v.; â ijf- lieilt;l, v.; âte, v. Ciianwdiei' (doortrapte, dief), m. âdieven: âdieverij, v. -en. tiianwerd (vluggerd, slimmerd), m. â s. (jiave (talent), v. De â der welsprekendheid, der poëzie, der talen. Zie 4gt;aal'. 4»avial (krokodil van den Ganges), m. â s. 4gt;avotte (muz. een klein, vroolijk dansstuk in tweekwartsmaat; de dans zelf), v. â s. Oazel (zeker hert, antilope), v. - Ion. ^â azeii, bn. Een â sluier, gewaad, doek, zeef; â gordijnen; âvleugels, âvlerkjes. lt;gt;azet (nieuwsblad, krant), v. â n. vero. 4-azonieter (gasmeter), m. â s. lt;gt;azon (graszode; groen grasperI: of gras vlakte), o. â s. 4*azonneeren (met graszoden beleggen, tot een grasperk maken). Oe (voorvoegsel), in: âbroeders. â pen pel. â -bladerte, âtweeën, âdrieën, bet. samen: in â bak, âbraad, âbouw bet. voortbrengsel; â brom, â fluit, â kerm bet.herhaling; â trouw, â wis, âstreng bet. versterking; -leiden, vergezellen bet. samengaan; âspoord, â laarsd, |
â wiekt, voorzien van. Ixeaard (den aard hebbende), bn.: â heid, v. ^â ealionneerd. vd. Ik ben op dat werk â, d. i. ingeteekend. Ciieneheveerd (voltooid, voleindigd; uitstekend), vd. en bn. Een âe opvoeding. Oeaderd, bn. - marmer. Wearing (sport, versnel ling),v. Lees:gie'-ring. Igt;earni«l (arm in arm), im. Zij gingen â. (â ieasKiireerd (verzekerd), vd. Tegen brandschade â. ⢠4*el»aar (geklag. geschrei), o. gebaren, vero. Oehaar (beweging met handen, armen, enz.), o. gebaren. Oebaf (aanhoudend blaffen of buffen), o. gmv. ^â ebalder (aanhoudend gebulder, van grof geschut), o. gmv. 4*el»an$f ( Ind. waaierpalm). m. âs. Het nut. cat de Javanen van den â trekken, is zeer groot. (Veth.) lt;ael»arenknnKt, v.; âspel, lt;».; âtaal, v. 4aebas (het telkens bassen van honden), o. gmv. lt;*el»be (vischtuig, net aan een gaffelstok), v. â n. lt;«elgt;elt;l (de daad van bidden), o. gebeden. Het â des Heercn; een huis des âs, de tempel, de kerk; de ure des âs; in den gebed e, in gebede; in zijn gebeden ion.indachtig zijn; een â doen, opzenden, prevelen, spreken, uitstorten, ten hemel zenden ; het â der stervenden, bepaalde vorm, formulier; een kort â, een lang â ; het voorâ, het naâ. Uehedel (het bedelen), o. Met kruijicn en â iels krijgen. Gebedenboek o. âboeken. 4»ebeeldhoii«vd, v. en bw. Een fraai -e kast. Uebeeldwerkt bn. Een sleutel van fijn â goud. Gebeente (geraamte, stoffelijk overschot; scherts.: lichaam), o. â n. Wee je â! Gebeft (van een halsslipje voorzien), bn. Dominee was gemanteld en â. Gebeid (op jeneverbessen overgehaald), bn. Een glaasje âe jenever; neem wat dubbel âe.' Gebeier (het aanhoudend slingeren der klokken), o. gmv. Gebekt (hebbende een bek of snavel), bn. Spreekw. Elk vogeltje zuigt, toouls het â is. lig. ieder spreekt overeenkomstig zijn aard of den trap zijner beschaving; die appelvrouw is goed â, weet goed haar mond te roeren. Gebergte (een groep van bergen, een bergreeks), o. â n. Een hoog â, een steil â ; het Karpathiselie â. bergketen; het Ertsâ; het krijtâ, dicht. Engeland; een kust-, een rotsâ; het Alpenâ ; een plateau â , een. randâ ; het Reuze))â. Gebeten (vergra)nd, vertoornd), bn. Hij is op u zeer â. Gebeteren (beter.inaken, verhelpen). Alleen gebruikelijk in de onbep. \*ijs: Iets niet l,uu-ne)i â. Gebeuren (voorvallen), hot is gebeurd. Gebeurlijk (mogelijk), bn. âe dingen; â -beid. v. w. g. Gebeurtenis (voorval, feit), v. âsen. Gebied (heerschappij, macht, gezag: rijk, staat), o. Onder iem. â st'KDi; het â voeren; het â der Romeinen; het â eener stad; het â der Nederlanden; bij uitbr. het â eener |
GEHREKKIG.
GEBIEDENâ
|
rivier, d.i. het oeverland, het stroom â ; hetâ der wolken, het liemelruinj. Fig. Het â der yeschiedenis, der kunst, der taal, d. i. kring van stollen of onderwerpen; het opperâ, het wereldâ ; het jachtâ, d. i. jachtdomein; het (p'ondâ, het rijksâ, het lucht â , het zeeâ. Gebieden (bevelen), ik gebood, heb geboden; âer (heerscher, meester), m. â s. (Gebiedend, bn. De âe wijs; op âen toon. (â cbicdeniN (eerbiedige en beleefde groet), v. gmv. av. g. Aan iem. zijn â doen, hein een alschoidsgroèt brengen, vero. lt;*lt;'bios (geblaas, gesijfel van siangen), o. gmv. fiiebiiito. i^ebint (balkwerk, samenstel van balken), o. â n. De ân van een da!:. l-ebii (samenstel van tanden en kiezen), -o. â ten. Een schoon â, een valsch â ; het â van een toom, d. i. ijzeren mondstuk. Fig. zegsw. Irtn. een â in den mond leggen, hem tot zwijgen brengen; het â in de tanden nemen, aan liet hollen slaan. «â eblaar (het aanhoudend blaten, balken enz.), o. gmv. Het â der schapen, kalven, geiten. Fig. Hét â der kinderen, gesel i ree uw. (â eblaard (met blaren of bleinen bezet), bn. Zijn geheele gelaat was â. (lieblaard (met een vlek voor den kop, bij paarden), bn. Ken âe koe, bont. (â «gt;bladlt;krie(bij dichters: gebladert, gebladrte, gebladrt), o. gmv. (â ebloemd (ran bloemen voorzien), bn. Een â e kamerrok; â damast. (â ebloomte, o. Het â der lente. Ueblok (het aanhoudend inspannend werken), o. gmv. Met al zijn â is hij nog niet door zijn examen gekomen. 4gt;iebo4'li«klâ¬l, bn. Een â manneke, gebult, laebod (bekendmaking; voorschrift), o. â cn. Het eerste, tweede, derde â, d. i. huwelijksafkondiging; onder de âen staan, in ondertrouw zijn; het â van den meester; de âen Gods. Geboefte (een troep schelmen), o. Laag â. (â eboerto (de gezamenlijke boeren), o. gmv. «Uebolia, â¢.. gmv. w. g. A l dat geschrei'uw en â. d.i. geraas, getier. Ook: Cieboelia. 4â cbombam (het dof gelui), o. gmv. Een schaar, die naar '£ â luistert. (Staring.) Oebonden (niet vrij, bezet), bn. Hij is door die betrekking erg â ; ik ben door mijn woord â ; â stijl, dichtstijl; â warmte, warmte die een lichaam schijnt op te nemen bij overgang van den éénen toestand in den anderen; â electriciteit, op den condensator aanwezig; âheid, v. ^â ebooK'd (boogvormig), bn. De zuiver âe wenkbrau wen; â e venstei's. ^â eboonite, o. Ken park met hoog â. (â eboorte (hft ter wereld komen), v. â n. Bij iem. â, van zijn â af; vóór of na Christus' of 's Hi'eren â. Fig. zegsw. Het kwaad is gesmoord in zijn â, d. i. in zijn begin; een opstand, oproer in zijn â smoren, d. i. onmiddellijk na de uitbarsting; hij is een En-gelschman van â, d. i. in Engeland of uit Engelsche ouders geboren: de dag van iem. â; de aangifte van â, nl. bij den burgerlijken stand; de akte van â, geboorteakte; men-schen van hooge â, rang, stand; van twijfelachtige â , als vondeling; iem. ran â. van voorname afkomst. Fig. In de â zijn, b.v. van plannen, ondernemingen, d. i. ir wording zijn. (â eboorteakte {wettelijk bewijsstuk), v. â n; â dag: (verjaardag), m. âdagen; â koenen, Verkl. Handwdb. d. Nederl. taal. |
(geleigeest, engel-bewaarder), m. âen; â -K'roud (vaderland), m. gmv.; âheilige (wiens naam men ('raagt), m. â i?; âjaar (der geboorte), o. âjaren; â krairs (verja-ringskrans), m. âen; âland, o. âen; â -plaats, v. âen; â rectit (als erfgenaam), o. âen; âstad, v. âsteden; âstond (uur der geboorte), m. âen; â wonscli (verja-ringswensch), m. âen. Geboorten register (logger op den burgerlijken stand), o. â s. tJoborcn. bn. Ergens â en getogen zijn, d. i. het levenslicht hebben aanschouwd on opgevoed zijn; met den helm â zijn, bijgeloof, een gelukskind zijn; voor een zeker vak, voor een werkkring â zijn, door zijn aanleg er toe bestemd. Fig. Kot zachte smart uit weemocil â. d.i. ontstaan; de scheikunde is uit de alchimie â , voortgekomen; hij is een â Nederlander, een â Hotterdammer; een â dichter, de dichtkunst is hem van nature eigen; blind â ; eerstâ, hoog â , jongstâ, laagâ, welâ. lt;gt;eborneerd {kortzichtig, bekrompen), bn. iiieborsteld (borstelshebben),bu. De â(â¢huid des evers. tacborsteu (gebersten, gebarsten), vd. «â ebots (gest oot, gebons), o. gmv. Oebomv (een bouwwe7*k),o. âen. Ken groot â; een militair â. Fig. Het â uwer plannen, verwachtingen; het â van den godsdienst. Spreekw. Zooals de grondslagen zijn, is het gansche â;'.\bijâ, hoofdâ, hulpâ, lands-, rijksâ, schoolâ, stadsâ, stationsâ, zijâ. lt;;eboiind (gevormd, geschapen), bn. Ken forsch â man; een goed â e knaap; met grof âe leden; een kloek âe kerel; een slank â meisje; een zwaar â man, d.i. forsch gespierd. (â ebraad (gebraden vleesch, wiIdbraad), o.gmv. tiebrabbel (brabbelarij), o. gmv. C^ebrek (het ontbreken), o. gebreken. â hebben, lijden, d. i. armoede; het nijpendste â; ran â omkomen. Fig. Een lastigeâ, kwaal; een â aan de oog en; de ouderdom komt met gebreken; bij uitbr. een â in het karakter, onvolkomenheid; iem. zijn gebreken onder 't oog brengen, er hem opmerkzaam op maken; iedereen heeft zijn gebreken, verkeerdheden; elke gek heeft zijn â, fouten; niemand is zonder â ; een â aan een werktuig; dat huis heeft allerlei gebreken, onvolledigheden; een â in een schilderij, fout; een â in een betoog, zwakke plaats; een â in een voordracht; bij â of bij âe van, b.v. â van tijd, van geld. run woorden, d. 1. gemis; bij â van beter; bij â van brood eet men korstjes van pasteien. d.i. bij gomis van een geringe zaak moet men onkosten maken; bij â uan water,geld, kunde, vertrouwen, enz. tiiebreken (lig. ontbreken, haperen, mangelen), hot gebrak, heeft gebroken, vero. (â ebrekkelijk (gebrekkig, mismaakt), bu. Ken - persoon; grootje wordt â. Fig. onvolkomen, slecht: â schrift; bw. â spreken; â Iieid, v. taebrekkig- (een ongemak hebbend), bn. Ken â jnehsch, paard', kreupelen, lammen en andere âen. Van zaken: Ken â toestel, gereedschap, d. i. fouten hebbend. Verder; Ken â betoog; een â e tee Lening; een â beeld; taal en stijl waren â, d. i. onvolmaakt, leemten, fouten hebbend. Iem. âe zijde, d. i. zwakke zijde; iem. van een âen kant beschouwen, 10 |
GEBROD-GEDEGRADEERD.
|
d. i. alleen op zijn gebreken letten; een â werkiuoord, b.v. zullen, dat liet vd. mist; bw. â spreken. â denken; zich â nitdriihken, d. i. op onvolkomen, gebrekkelijke wijze; - -iM'id. V. (â cbrocl (geknoei), o. gmv. fiiohroddc1! {broddelarij), o. gmv. Iii4kl»r4»04l {het broedsel vlt;in voyels), o. gmv. Bij nitbr. van andere dieren: het â van sla n-(jen, adders, bijen. enz. Fi^. van menschen: dal vuigeâ, schimpwoord: gespuis, geboefte; vreemd â, d.i. gehate, snoode vreemdelingen, b.v. in den Franschen tijd. (Robi'OiMicrcn {personen onderling als broeders verbonden), m. mv. IJe â De Wilt; zij zijn â ; de drie â, schip, aldus geheeten; â Kcluip {eereeniging van broeders), v. âpen. {een nest met jonge vogels; lig. jong gedierte, een menigte slecht ruik), o. ^â «'brokcii. bn. Hij is â. heeft een breuk; hij is dubbel â ; een â getal, een breuk; â land, moerassig; een â weide, omgeploegd; een â irapen, gewijzigd in vorm, kleur, schikking, getal en gevoerd door jongere zonen of bastaards; met â .s/em, stamelende; hij sprak â Italiaanseh, gebrekkig. lt;a4klgt;r4MHl {brood hebbend), bn. Na ben ik heel mijn leren â. lt;M4'lgt;roiiilloer«l (in onmin), bn. Die heeren zijn â; met iem. â zijn. {geplaag, gezanik), o. gmv. lt;iivl»riiik (het zich bij herhaling bedienen van). o. Het â van een potlood, een woordenboel;; ten âe geren, afstaan, loevertroawen; het â van een werktuig, van degen en sabel; het â van olie over de sla; hel â van vleesch, van sterken drank; het â van kina, van zalf; inwendig en uitwendig â ; het â van tabak en sigaren; het â va}i den tijd, d.i. het besteden; het herhaabl â van een woord, d. i. het bezigen; het recht van â; â van iets maken', van de gelegenheid â maken; van iem. aanbod, beleefdheid â maken, er partij van trekken; hij mist het â â der handen, der voeten, dei' rede, der spraak; het â van den tuin was hem toegestaan; vrucht â , o. gmv. Zie aid. 4iS4'l»riiik (wijze van doen), o. âen. Ken oud â ; een eerbiedwaardig â ; een â invoeren, in zwang brengen, afschaffen; aan een â gehecht zijn; de âen van een volk, een l uid, een stad, een gezelschap. Naar of volgens zeker â. Dit woord is weinig in â, in de mode; builen â zijn; in â komen; het â bij goede schrijvers, aangenomen manier; een door de wet er Lend â ; een plaatselijk, stedelijk, gewestelijk â; zeden en âen; dorpsâ, jachtâ, krijgsâ, landsâ, scheepsâ, spraak-, taal-, vidL'sâ, lt;a4'l»riiik4klijk (gewoon, in gebruik, in zwang), bn. De âe plichtplegingen; den âen eed afleggen; op de âe wijze; â zijn, plegen te geschieden; een âe breuk, wier teller kleiner is dan do noemer. |
4»clgt;riiikeii (zich van iets bedienen), ik heb gebruikt. Een slok â, een leuningstoel â ; hamer en nijptang â, een iverktuig â ; zijn arme}i, zijn beenen â ; zijn oogen, zijn handen, zijn tong weten teâ, nl. er Hink gebruik van weten te maken; vleesch â . eten; koffieâ, drinken; een bittertje â (C. O.); een maal, een ontbijt â, het nuttigen; de baden â, een badkuur ondergaan; een geneesmiddel â,aanwenden ; zijn geld goed â, besteden; een zolder, een pakhuis, een schuur â ; iem. hulp â, zich bedienen van; krachten, vermogen â, aanwenden; zijn verstand â, behoorlijk nadenken; rede â.redelijk zijn;gew ld â,plegen;. list, bedrog â, aanwenden; macht, gezag, invloed â ; geduld â ; zijn tijd goed â, besteden; een woord goed â, bezigen; iem. naam â , zich bedienen van; (lods naam ijdellijk â, misbruiken; een spreekwoord â; iem. weten te â. partij trekken van zijn invloed, bekwaamheden, enz.; zich tot alles laten zich.leenen tot, allerlei lage diensten; â lt;»r, m. â s. (â U'lHilt (een bult of bochel vertoonende), bn. De tijger doet een sprong naar zijn âen vijand, nl. den bullel. lt;iielgt;iiiir (buurman), m. âburen. Iem. â zijn. 4«4kbiiiirselia|ft (buurt), v. gmv. lt;ii4kbiiiirtc (de omliggende huizen of omwonende menschen), v. â n. lt;i«k4'ko. m. â's. Zie 4a4'kk4». (â 4gt;4*4»iiimittc(gt;r4l4* (gemachtigde, afgevaardigde), m. ân. lt;ii4kCM»iii|»liecc'r4l (ingewikkeld), bn. Ken â vraagstuk. lt;il4'C4nif4»4l4'r4»er4l4kn (bondgenocden). m. mv. lt;«ec,4gt;iilrari4»4»r4l {tegengewerkt), vd. CiiecMmtraKijf n4k4kr4l (mede-onderteekend), vd. (â 4gt;4?4gt;Mtiiiii4gt;4*r4l (in zekere kleederdracht gedost), vd. Een âe optocht. 4*e4laa$;'4lc (gedagvaarde, voor de rechtbank geroepene), m. en v. â n. ^â ««laaiite {vorm, gestalte), v. â n. GcdaanteveriviNNeliiif? ( wisseling van uiterlijk), v. âen. I)c â der kikvorschen, der insecten. Zie: !H4kfami4»r|»li4»*i4'. 4»4'4la4'lit4k (de daad of het resultaat van denken), v. â n; â l4M»« (niet nadenkende); â -l4M»!sll4'i4l. V. lt;ii4'4laclit4*iilgt;4gt;4'l4l (denkbeeld), o. âbeelden; â (gedachtenloop), m. gmv.; â krin^ (kring der voorstellingen), m. gmv.; â l4M»|». m. gmv.; â r4»4'k» (geregelde npvolging der gedachten), v. gmv.; â s|gt;r4»ii^ (niet geleidelijke overgang), m. âen; âstroom (snelle opvolging), m. gmv.; â twiMling- (afwijking), v. âen; â \visH4'liiiy (wederkeerige medc-deeling), v. âen. (â 4k4la4*iif4MiiN (herinnering, aandenken), v. â sen. Tol een â (geven; een lieve â; in eeuwige â blijven; zich iets in â brengen. lt;«4Mla4'lit4kiiNtr4'4^|» (aandachtstreepje), v. â strepen. De â is een liggend streepje. GvHaeUtis (gedenkende), bn. .\an iets â zijn of worden; ergens aan â zijn; aan iem. â zijn; iem. in zijn gebeden â zijn. CaCMlamvel (het voortdurend langzaat.t handelen, talmen), o. gmv. lt;«e4l4'4*i4l4'4'r4l (vastberaden), bn. Een â antivoord. lt;i4?4l4'4*4»rc'4ii,4l (versierd, inzonderheid met een ordeteeken), bn. en vd. lt;H4k4l4gt;cl4l (in deelen gesplitst), vd. en bn. In de wapenkunde: Een â schild, d.i. dooreen loodlijn of dwarslijn in twee gelijke vakken gedeeld; â Ii4»l4l. v. vero. 4i4»4l4»4»lt4» (deel), o. â n. Een derde â. Iij4'4l4*4'll4»lijk. bn. en bw. Een âeafbetaling. Ci!4Ml4k^'Oii (zuiver, niet vermengd), bn. â goud. zilver, kwik, d. i. niet scheikundig verbonden met andere stoffen. (ir4k4l4^ra4l4'4kr4l (verlaagd in rang), bn. en vd. |
G ED KLEG K ERDE - G EDWARSBA L K T.
|
uifiji'vaardiye. (jemachtïyde), in. ân. lt;gt;lt;'4l4'iiklgt;la4l (lig. historv'hhtd), o. âbladen; â book, ti. âen; âeedel (///0/ Ier notitie), v. âs; â da^f (herinneringsdag, jaardnn), m. âdagen. 4gt;4MUkiiklt;kii. ik gedacht, heb gedacht. A(igt;t iets of iem. â ; (ledenk aan mijn woorden. (Bild.); Gedenk aan den Heven Williani. (C.O.); irts of iem. â, zich weder voer den geest brengen, herinneren: o/j den Sen Oct. (jedenkt men Leidens ontzet; iem. in zijn qebeden â; iem. in zijn testament â, d. i. iiem er in bedenken, hein iets vermaken. Ook : Het (jedenkt mij, of: Mij (jedenkt, d. i. staat mij voor den geest, vero. ^â «'cloiikjaar. o. â j.iren. Het â der itmemini/ van Den Uriel; â oiler, o. â s. Brand wierook (en â ; â|M'lining {(/es la (jen ter (jedachtenis van een liea(/lijke (lebeartenii', medaille), m. â en; ârol (Jig. geschiedrol), v. ârollen; â -srlirilY {gebc/uedhoek, memorie),quot;, âen. Het geschied- en redekandig âsc/irijt van Nederlands herstelling in ISIS; âspreuk {zinrijk (jezeiide), v. âen; â«luk (getcrocht der hoiiw-of ljeel(llioiriukunst), lt;gt;. -stukken; âtecken (monnmenl), o. âs. De âtcckens o/i onze kerkhoven; âxnil (eeremil), v. âen; de â -znil ran Trajanus in Home. ^aeflenku aardig' (der gedachtenis nuatrdig), lm. Een feit op dilt;n âen tnorgen. (C. O.) 4iilt;'4llt;k|M»rllt;'lt;'r4l (naar een strafkolonie ge-hannen), bn. 4ilt;'«llt;'|M»rl«'«'iMllt;' (hanneling), m. en v. ân. lt;ii«Mle|»iileerlt;le iafnevaardigde), m. ân. lt;a«Mle|Hiieerlt;le Staten {gekozenen uit de l 'roei nciale Staten, heiast met de uit roerende macht en het gestadig toezicht op de provinciale belangen'), m. rnv. (â elt;l4gt;lailleerlt;l {omstandig, breedvoerig), bn. Een â verslag. lt;gt;e«lieli( {(jemrocht der dichtknnsl, dichtstuk), o. âen. De âen van Vondel; een â maken, voordragen; een â ((an iemand opdragen; âjes voor kinderen;bru ilofts â, gelegenheidsâ, grafâ, lijkâ verjaringsâ; kindergedichtjes, o. De âen van Hei/ie, Goevernear en anderen. ^â eilielilsel (Bijb. overleg, gepeins),o. âen, âs. 4gt;elt;lieii4le [geoefend soldaat), m. â n. lac^diensli^' {nuttig, dienstig), bn. en bw. Een â e geest, goede lm lp; iets met een â ja be-((ntwoorden; â lieilt;l {dienstvaardigheid), v. 4gt;4Mlieii«liK-e. m. en v. â n. ^â «'«lierle (de (jezamenlijhe dieren), 0. ân. liet â des aunids, der u.oestijn. Ook ét'n dier: Wat een vreemd, (('onderlijk â kruipt daar ! 4ae«lijeii {voorspoedig (groeien), het gedijde, het heeft en is gedijd. Spreekw. Cestoten goed gedijt niet, d. i. levert geen vrucht op. 4aelt;liiiK' {pleit, rechtz((ak, twist), o. âen. 4ae«liKei|»liiiâ¬kerlt;l {aan orde en tucht gewend), bn. Een goed â leger. lt;Ue«liMlilleerd (sterke drank), o. gniv. (â iedittliiigeerd {voornaam, fatsoenlijk), bn. 4»edoe {hofstede, ho^ve; fig, drukte, bewe-ging), 0. (â edoen {getier, leven;hoeve), o. Ook; Gedoente. (â edomieilieerd (gevestigd, auionachtig), bn. 4ae4l4»iilt;llt;kr {/iet telkens en aanhoudend donderen), o. gmv. Het ratelend â in het (gebergte; het â (um den storm, gebulder; het â eau het geschut. Fig. zegsw. Daar heb je het â iii de glazen, daar heb Je het leven gaande. |
^â edoo^eii (verduren, lijden, dulden), ik heb gedoogd; âin^. v. Oedra;; {de wijze hoe iem. zich gedraagt), o. gmv. liekensch'ap geven van zijn â; ik schaam mij over uw â ; een zeer dubbelzinnig â : een verstandig â; een zedelijk â. lt;*elt;lrag'eii (zieli). ik gedroeg mij, heb mij gedragen. Zich goed, zich wet â ; zich voorbeeldig, onbeinspe lijk â , van levenswanuel zijn. Gedragingen {nvniier: n), v. mv. Die dame schijn! zonderlinge â te hebben. Zie Gedras'. laedragsCijn {wijze ran handelen of doen),x. ^aedraiitf: (het dringen). lt;.. gmv. lt;iie«lresseerd {afgericht, run honden, paarden, enz.; ook van dienstboden, soldaten), lm. en vd. (â edrieën, 4aedriên {drie le zomen), teh'. mv. W'* zijn met ons â; ze zaten â. (iSedroelit {srhijnbeeld; afgrijselijk en verschrikkelijk dier, wanstaltig mensch), o. -en; Schrikâ, vloekâ, wondâ, zeeâ. iaedroelilelijk {teelijk, monsterlijk), bn. Een â kalf met twee kop/ten en zes poolen; â Iieid, v. 4ae4lrlt;»ng'en (lig. kort en breedgebounul), bn. Een â (gest((lte; ook van den stijl: Zijn stijl is â. beknnpt, ietwat onduidelijk; verder: een â verkhd'ing, uitlegging, niet waar en eenvoudig; â heid, v. laeilrniseli (geraas, leven, rumoer), o. gmv. Een dof â, een oorverdoovend â, een groot â maken. laedrnkt {niet ruim, hoog, breed), hn. Bonwk. Een â gewelf, d.i. zonder veel hoogte ; handel: de markt was â, niet opgewekt; prijzen: de prijzen der kfffjie waren erg â ; van personon: ik void oom zeerâ, niet opgernimd, vroolijk ; een âe stemming. Iiiediielil {vrceseljk. vreesaanjagend, eerbiedwekkend), bn. en li\v. â lieiil, v. 4aednllt;il {lijdzaamheid, kalme berusting), o. gmv. Heb â in lijden, in tegenspoed; draag um lijden met â : zou leeren wij â oefenen, lijdzaainheid betoonen; het â run .lob, een Jobs â, voorbeeldige lijdzaamheid; een taai â, kalme en bedaarde volharding; deze onderwijzeres heeft reel â, weinig â; gij moet wat â hebben, d.i. geduldig zijn; met iem. â hebben, hem inschikkelijkheid betoonen; iem. â op de proef stellen, op ecu harde proef stellen, veel van zijn â vergen; zijn â is uitgeput, is ten einde. Spreekw. Het â overwint alles; âelijk. bw. Iels âelijkafwachten. vero. Caednldi;;' (lijdzaam, L'alm,on(lerworpen),h\\. en bw. In ziekte is de vrouw âer dan de man; hij eirrdroegalles â, Spreekw. Het papier is â, al wat men wil (z^lIs onwaarheden) kau men aan 't papier toevertrouwen; iem.â aanhooren, d. i. met bedaarde volharding: â lieid, v. Zich wapenen met âheid. ^â ednrende (tijdens), vz. â de wandeling; â deu tocht; â de vergadering. lt;iiediirig' {aanhoudend), bn. Die âe pijn, een â geroep. Bij uitbr. Een âe bron van twist. Hekenk. Een â product, van meer dan twee factoren; een âe evenredigheid, d.i. een aaneengeschakelde; bw. Hij wordt â sterker; er kwamen â meer menschen; de voorraad mindert â ; â op de klok zien. d.i. telkens; hij komt â hier; âlijk, bw. vero. laeduarKlmlkl {voorzien ran een du'ars-balk), bn. In de wapenkunde: Het schild is â |
10*
GEDWEE-GEESTELT.) IC.
|
met vier stukken, keel, azuur, zilver, youil. lt;h$*â¬1wcc (tam, (mdiTivorpeii. lijdzaam), lm. en bw.; â lieifl (zaehtziuuujheifl), v. 4a4klt;I\«4»ii^-4'ii (stijf, fjemaakt), bn. en bw.; â Iimd. v. 4iiecf (fe) (om niet), bw. Dat is â, spotgoedkoop. ^â eel (een der drie. hoofdkleuren), bn. en bw.; als zn. o.; â bn.; â lieiri. v. (â 4gt;ollHkk (jomje vogel), m. âbekken; âbes ({jele kleur inhoudende hes uit Z. Frankrijk), v. âbessen; â hloc^in (reul.yras), v. âen; â borstje, - buikje (vogel,s/iotvotjel), o. â s; â gieter (kopergieter), w\. â s; â (geel-giersl),v. -en; âliarl (Ind. meuhelhouthomn, geel ran hart), o. gmv.; â liont (W. I. hout run den moerheibooui), o. gmv.; â ijzersteen (ijzererts, waaruit gele ohcr), o.gmv.; â Koper (allooi van koper en zink), o. gmv.; âKruid (wouw, snort van reseda), o. gmv.; â peld (geelgevlekt, b.v. ran kippen), bn.; â vinK (een, soort van rink), m. âen; -wortel (kurkuma, lerert gele verf), v. gmv. t»eelKelt;kitje (vogeltje, vijgeneter), o. â s. Cieelsel (kleurstof oni te gelen), o. gmv. Mallen met â verven. Cieeltje (geel dier, b.v. een kanarie), o. âs. Ook een goudstuk: Hij liet de âs rammelen', ook scherts, geelvinken, geelvinkjes. t-eelznelit (galziekte), v. gmv. tiieëiiiaiieipeerd (vrijgelaten, vrijg(iSteld).hn. tiSeëniplo.yeerd (gehraikl; aangesteld), bn. lt;i!lt;këiiipl4».yeerile (bediende, beambte), m. â n. taeen (niet eenig, metéén), vnw. en lidw. Hier is â volk; â mensch, niemand; er was â land te zien; er was â hulp; dit alles is van nul i'n âer waarde, dat alles is nul en van geener waarde; â greintje; â ziertje; â o(igenlgt;lik; Klaas had â cent (opgedaan. (C.O.); in âen deele, hoegenaamd niet; te âer tijd; le âer ure; op âerlei wijze, volstrekt niet; bijna â tijd; schier â adem; nagenoeg â ge hl; volstrekt â geduld; zelfs â school; geheel â ; â ander; anders â ; â enkel; â één; â praatjes! tfleenerliande (van geen soort), bn. Op â wijze, hier baal â tegenspraak, w. g. t-eenerlei (geen .... hoegenaamd), bn. Ik sta tot hem in â betrekking; er is â gevaar, het minst geen; op â wijze; hij heeft mij â verwijten gedaan, volstrekt geen. tiieëiigfaK'et'rd (verloofd, verbonden), bn. Zij zijn -. lt;aeëii$;'a$;'e4'rdeii (eer loofden, verbondenen), m. my. tiieeiiliiiixen (scherts, nergensh ui zen), o.gmv. Hij is jonker van â; hij is heer van â, d. i. een kale bloed; ^eenland, o. gmv. tiieeiisxins (in geenen deele, volstrekt niet), bw. tiieep. tiieepe (snoekachtige zeevisch), v. âen. De geepen leven in alle zeeën, behalve in de IJszeeën. tiieepseli (bleekgeel, kwipsch), bn. Wat ziet die man er â uit! gew. tiSeer (spitsuitloopende lap of strook, tong), v. â en. Een rok met âoi; zeew. stuk doek, dat men aan een zeil zet om liet van onderen te verbreeden; bouwk. de scheeve zijde van een gebouw, kamer of stuk land: Die akker ligt met een â aan de oostzijde; die kamer heeft een â. tieer (zevenblad, Geerardskruid), v. gmv. tieerdc^ (touw aan de nok van de gajfel), v. â n. |
tieeren (een sehuinsche richting hebben, schuin loopen, gieren), bet heeft gegeerd. Dit huis geert; een huis dat geert; ik moet dien rok laten â, met naar boven smal toeloopende banen maken. Geesel (tuchtroede of zweep), m. âen of âs. Zegsw. Den â der satire zwaaien, hekeltaal en bijtenden spot bezigen; Attila, bijgenaamd de â Gods; Napoleon, de â zijner onderdanen. taeeselen, hij heeft gegeeseld. Rechtst. Icm. â en en brandmerken; iem. tot den bloede â, met scherpe roeden â ; iem. met schorpioenen â , hem met de gestrengste tuchtmiddelen kastijden. Fig. De critiek heeft hem onbarmhartig gegeeseld, tuchtigen, kastijden; de leeuw geeselde den grond met zijn staart, beuken; misbruiken, ondeugden, gebreken â, scherp doorhalen; de orkaan, de hagel, de regen geeselde den grond, dicht, treilen, teisteren; zich â, zich tot zelfkastijding met geeselrie-men slaan; de beul geeselde er duchtig op, er duchtig op los slaan; âaar (die geeselI), in. â s, âlaren; â banK (houten bank, waarop men de aren uitklopt), v. âen; âbroeder (lid van de broederschap der Geeselaars of Flagellanten), m. âs; âbroK (scheldn. lt;/«/-genaas), m. âi trok ken. t«eest (hooge zandgrond), v. âen. In Noord-Holland bet. geest bouwland. ,,Mot je boren wezen, TcidiVquot; âJa, ze zijn nou nog te drol: op de â.quot; (C. O.); gewest: gaast (b.v. Gaaster-land); verder: Oegstâ, l*oelâ. Uit â . tiieest (ziel, onstojfelijkdeel, ook verschijning, spook), in. De menschelijke â ; de hoedanigheden, de vermogens van onzen â ; iem. â ontwikkelen, beschaven, veredelen, vormen; tegenwoordigheid van â; den â geven, sterven; voedsel voor den â; een bekrompen â, verstand; den â benevelen, verwarren; zich iets voor den â halen; iets uit den â batmen; kracht van. â: de â Gods, de bezielende kracht; de Heilige â ; hij heeft â en vernuft; de â des Ghristendoms, goddelijk beginsel; een â van weerstand, lauwheid, gezindheid, stemming; in iem. â handelen, volgens zijn denkwijze; de â van een voorschrift, tie eigenlijke strekking; God is een â, onstoffelijk, persoonlijk wezen; de â van een afgestorvene; âen oproepen, bezweren; de wereld der âen; dan krijgt de â hier macht, spook (Staring); een goede â, genius; een gedienstige â, kabouterman, in scherts, toepassing eer dienstbode. Geest (vluchtige stof, spiritus), m. gmv. Vliegende â, â van ammoniak; â van brandewijn; â van hertshoorn; â van zout. tiieesfdocMleiid (het oordeel verstompend), bn. Een âe arbeid. Geestdrift (aandrift van het gevoel, bezieling, vervoering), v. gmv. De â van het oogenblik; vol â ; in â; van â, h.v. ons hart blaakt van â ; met â ; de vlam der â ; de â aanblazen, opwekken, ten top voeren ; de â koelen, uitdooven; iem. in â brengen, doen ontvlammen, doen ontvonken ; â ig1. bn. âige bewondering. Geestdrijver (dweper, godsdienstelijk verblinde), in. â s; â drijt'ster, v. â s; âdrijverij (blinde geloofsijver), v. gmv. GeestelijK (tegenstelling van stop el ijk of zinnelijk), bn. Het â overwicht; een â gezang, godsdienstig; het âe leven; âe lectuur. |
G EESTELI.1 K E - GEH EEL. 1VJ
|
stichtelijk, godsdienstig; een â persoon, dienaar der kerk; een â heer; een âe broeder-wliap; een â e ridderorde; deâe staat, stand; het âe kleed, priesterlijk. 4iicklt;kMtcklijko {dienaar der kerk), m. â n. Ec.n lange stoet van ân; â li jkh^id (degezamenlijke â n), y. gmv. De Ifehjische â heid. 4gt;eest4?l4»os (verstoken van verstand), bn. en bw. Een â man; ren âlooz»' arbeid; een â f/esehrift; hij is â bra taal; â IiomI. v. UeeKteiibainior (ilairelbezireerder), m. â s. (die door tooverformules de {feesten kan oproepen), m. â s. |
ü) gegeeir ar. bn. (eig. nee-honger; feite honger), m. gmv. 4a4M'V4'iir4'4li^'4l (evenredig, jkisscnd), bn. Uat werk is juist geëvenredigd voor zijn kntchten. 4»lt;'4;xali«14»i*ii (overspanne)i,overprikkeld), bn. ^â «'taast (voorzien van fazen of strooken, b.v. een schild), bn. lt;K4»!iiiS,4k4»r4i (verdicht, verzowwn), bn. 4ii4gt;t4»r4,4k4^r4l (gedwongen), vd. er» bn. Een â bezoek. (â 4gt;lortiiii4k4gt;r4l (rijk, vermogend), bn. Een â heer. lt;ii4^'a4li^-4l4k (belanghebbende), m. en v. â n. De ân oproepen; ter inzage voor âen. Cic^aflekl ( van stengels, den vorm van een (ja If el hebt tende), lm. Een âe stengel. ócjfeei,4i (wapenk. )twt driehoekige vlakken langs den ramt bezet), bn. Een â schild; â van lazuur en goud; â van zilver en sabel. Oe$reii4'4gt;r4l (belemgt;nerd, verlegen), vd. en bn. De man is bij ons altijd â. lt;«4*}r4k%-4'ii (wisk. bekende), o. â s. â¬*4'}j'4* V4'ii (bei gt;aald). bn. Op een â oogenblik. 4gt;«'^-i4'^,aa^- (gebalk v. d. ezel), o. gmv. (gesmoord gelach), lt;». gmv. inie^'al». â (half gesmoord spol-â tend gelach), lt;i. liet gbnwgabben, -gappen. (bemiddeld), bn.; â h4ki4l (welgesteldheid), v'. lt;gt;4k^'r3i4lii4;4kr4l (een academischen graad hebbend), bn. Een â persoon. 4a4'K'r3tlt;liilt;;lt;'i*4l4' {iemand, die een academischen graad bezit), m. â n. 4â 4'^'1*4^4'1*41 (gegleufd, van groeven voorziet»), bn. Eeti âe pilaar; een kanon met âe ziel, getrokken; een âe kolom. (â 4'£'r4»ii4l (op goeden grond steunend), bn.; â hei4l (deugdelijkheid, geldigheid), v. 4gt;4'liakt (fijn gehukt eleesch), o. gmv. Kalfs â . (â 4klialt4gt; {inhoud, deelen fijn), o. Een hoogâ; het ware â ; â aan iels geven, kunstwaarde geven aan; â hebben, waarde hebben. lt;»4kliaii4lM4*li4»4'ii4l. bn. Een deftig â heer. lt;iUgt;har4l. bn.; - Ii4ki4l, v. Een â gestel, lichaam. 4w4^liariiast, bn. en bw. Een â ridder. ^liaKiK'l (geknoei, gesukkel, gemorrel), o. gmv. Wat een â, eer dat huiswerk of is.' een langdurig â iti de kamer over dat ont-iverp, redetwist, geharrewar; ivat zal dat testament een â geven, last, drukte, onaangenaamheid. lt;gt;eliasKebas {hevig getwist, gekijf), o. gmv. Dat ellendige â van die twee compagnons. OehcK'lit. bn. De hond is â aan zijn meester; â heid, v. lt;iieh4t4kl. bn. â of heel de stad, gansch, volledig, niets ontbrekende; â Duitsehland; een âe week; een - getal, rekenk. geen brenk; een âe stroom, lijst, zwerm, d. i. niet gering; de âe wereld, iedereen; mijn âe ziel, rn n âe hart, in al zijn kracht; met â uw hart; iets â opeten ; bw. Hij is â dichter, in elk opzicht; gij zijl hier â vrij; ik ben â oor, d. i. met de grootste opmerkzaamheid toe-luisterend; hij is â ontdaan; die karakters loopen â uit elkaar, volkomen, ten volle; -volle vrouw; âvolle scherts; âvolle trekken. (iUwiiw (het geeuwen, gaap), m. âen. Een â onderdrukken, een â bedwingen. lt;ii4*4gt;iiw4gt;ii (den mond, openen bij 1 gapen), ik heb gegeeuwd; âer of âer4l, rn.; â4»- |
v. gmv.; ârijk ('t gebied der geesten, (geeste) i wet 'e ld),
1
âheden, b.v. Dit was een trant van âheid, ivaarin de heer Dorbeen sterk was. (C. O.); En houdt ge a dan maar doof, steeds doof voor al mijn âheen'/ (De tien.), d. i. aardigheden ; in dit gezelschap debiteert men âheden, iron, llanwiteiten, uien; âlijk (op geestige wijze), bw. Zij vergeleek alle dingen - lijk bij nut isjes, die staartjes hebben zouden. (C. O.) lt;gt;ecstki*ac*lif (kracht van den geest), v. gmv. Een man van â, vastberadenheid; â aan den dag leggen, zelfbeheersching, wil. laeoKtlaiKl (geestgrond, vlakke znndgrond aan den binnenkant der o.âlanden.
Zie v.
4*e('Ktrijk (begaafd met vernuft), bn. Een â
man; âe oogen, w. g.
4a4'lt;'stri|k (veel alcohol bevattende), bn. Een
â vocht; âe dranken, b.v. jenever, brandewijn.
V4'rliefr4'ii4i (dicht, den geest omhoog voerend), bn. Een âe gedachte; een âe aanblik.
4gt;4»esf V4?rli4'fliii$f (dicht, opwekking), v. gmv. (â U'cst (verstandelijk vermogen), o.
â s. Tot ontwikkeling der âs; zwakke âs; met groote âs begaafd.
4«4'4'Nt V4'rriikkiii;i' (geestvervoering), v. âen. 4«ee.stv4'rH4'liijiiin^- {spookverschijning), v.
â en. Hij gelooft aan âen; â V4»rsir4»oiiii«; (afieiding), v. gmv.; â vervo4»reii4l (in verrukking brengend), bn.; â v42rv4»4'i,iiis'(^''',-rukking, dweperij), v. gmv.
t v4'r\vaiit {gelijkgezinde, partijgenoot, medestander), m. en v. â en; âschap, v. gmv. üi'estv4gt;l (vol geest en vernuft), bn. Een â
2
(de engelen, h togere wezens),
GEHEEL-GEILHEID.
|
ik ben â genezen, â anders, in elk opzicht; â en at. (licliecl (eenheid, alles samen), o. âen. Ken â in deelen splitsen; een ondeelbaar â ; dat alles vormt één â; iets in zijn â laten. Oelieiboi (nettuist, gekrakeel), o. gmv. Wat een â onder die meisjes!), o. gmv. (â cliciboi (overmatige drukte), o. gmv. fk hen niet voor dat â in huis. gmz. (â 4klicilitf:lt;l (toegewijd, heilig), bw. De takken der âe hoornen, in het Germaansehe woud; â zij Uw naam ' (â elieim (het tegengestelde van openhaar), lm. Een âe zaak, wts âs; dat moet â blijven] een â verbond; een âe samenkomst; een âe dienst; een â huwelijk; een â teeken; âe artikelen van een traetaat; een âe ziekte; een âe geschiedenis; een â geneesmiddel; een â slot; een âe deur; het â gemak; de â e raad. staatslichaam bestaande uit vertrouwde dienarenquot;; âegenootschappen; een âe macht, verborgen; een âeontroering, duister, niet te verklaren ; een â voorgevoel; bw. Iets â behandelen; dat is â in zijn iverk gegaan; -«'lijk. bw. 4aeli«kim (zaak, die niet publiek mag worden), o. âen. Ken groot â; in dien brief staan geen âen; een diep â; de âen der justitie; de âen der vorstelijke familie; (/c âen van 'wm. hart; het â van iem. geboorte, staatszaak, die verborgen moet blijven; een â afluisteren, afvleien, ontdekken, openbaren, verklappen, verraden; een â met zich in 't graf nemen; geen â van iets maken; geen â voor iem. holtben, niets voor iem. verborgen houden; den draad van een â; den sleutel van een â : den sluier van een â. (dicht, verborgenheid, duisterheid), v. âsen. 4iUklieiiiilioiuleii. ik hield â, heb â gehouden. Zaken â, d. i. voor anderen verborgen houden; â lioiidend, bn.; â lioiidin;?. v., b.v. letn. de stipiste âhouding opleggen. lt;iielieimraalt;l (raadsheer), in. âraden; â -i4chrlft,o.gmv.Eenbriefwisseling in â schrift; -schrijver (secretaris), m. â s; âvol, bn. b.v. Een âvol oord; het âvol paradijs; â -zes'el, m. -s. ^â elioiinxliiiii^ (raadselachtig), bn. en bw. Een â gonzen; â spreken; â hcid, v. Oelielmd. bn. Een â krijgsman. 4a('lilt;'lmlt;l (beplant met behu), bn. 4iilt;klieiii (het telkens hemmen), o. gmv. De redenaar begon tnet â, zacht kuchen. Oeliemclte (mondholte), o. â n. Iiieliemelfeleltcr (schuringsgeluid), v. â s. Er zijn twee â s, de sj en ch in sjouwen, machine, en de g in horloge, plantage. lt;*elieiis: (hengsel, spil), o. en. 4Bâ¬^licii$;en (gedoogen), ik heb gehengd. Iets moeten â, d. i. dulden, lijden, toelaten. Oelieiig^iiiüi (toelating, vergunning, goed vinding), v. Door Gods â. dicht. ^â «'iM'ii'iia (dal Hinnom, ten O. eau Jerusalem; plaats der verdoemden, lig. hel), o. (â elieiiffcn, het heeft geheugd, w. g. Mij ge-heugt, of Het geheugt mij. Zie: Heugen. lt;*cli4gt;ii;;4'ii (herinnering,gedachtenis), o. gmv. â vim iets hebben; een goed, sterk, trouw â; het â oefenen; â hebben', het â scherpen; hel â verliezen; het â speelt mij parten; een rijk â; iets in het â prenten, vast in den geest prenten; uit het â, uit de herinnering; |
in het â roepen, in de gedachten brengen. Iiiclieii^ciiis (herinnering), v. dicht. lt;*elieiif£eiikiiiiMt. v. gmv.; âleer, v. gmv.; â Iook (uiterst zwak van â), bn. bv. De ouderdom maakt suf en âloos; â werk, o. Iielioefslaa^dc (ingelande van een polder), . â¬iielioekt, bn. Een âe steen. [m. â n. faolioor (zintuig), o. â krijgen, d. i. gehoord worden; muzikaal âhebben, aanleg voor de muziek hebben; â weigeren, niet willen aan-hooren; een talrijk â, toehoorders, (â olioorbeeii (hamer, aanbeeld of stijgbeugel in de trommelholte), o. âbeenderen, (â elioorbuis (gang, weg des gehoors), v. â buizen; â fails', v. âgangen; âhoorn (werktuig, om beter te hooren), m. âhoorns, â horens. ^â ehoori^ (ivaar alles hoorbaar is), bn. 't Is hier zeer â; âheld, v. igt;teh4Hgt;riid, (van horens voor zien), bn. Oehooropeiiin;; (opening der uitwendige gehoorgang), v. âen; â â¬Â»ryaaii (zintuig des 'gehoors), 6. -organen; -schelp(oorschelp), v. âen; -spier (spieren van het oor), v. â en: -trechter (binnenste deel van de gehoorgang), m. -s, vero.; -trompet (trommelvlies), v. âten, vero; âvlies (trommelvlies), o. âvliezen; â wejar (gehoorgang), m. â wegen; âzenuw, v. âzenuwen. Oehoorxaal (audiëntiezaal, openbare zaal), v. âzalen. tichoorxaam (willig, volgzaam, onderworpen), bn. en bw.; â lieid, v. taehoorzaiiien (den wil, het gebod, het voorschrift enz. van een meerdere volgen), ik heb gehoorzaamd. Iem. of aan iem. â ; iem. iu iets â ; zich dooi â ; gij zult gehoorzaamd worden; ergens aan â, b.v. het paard aan den teugel; het schip wilde niet meer aan het roer â. tiichossehos (geschok, gestoot), o. gmv. Het â in dien boerenwagen ! tachoii, bn. Hij is mij â, welgezind, genogen. Liever: Hou. t*ehoiideii (verplicht), bn. Ik ben â n voort te helpen; zich tot iets â rekenen, verbonden; â held (verplichting), v.; onder âheid. (â ehoiidenis (verplichting), v. gmv. Ouder â van, onder verplichting. tiiehiicht (buurt, verzameling van hofsteden), o. âen. Dorpen en âen. tichuit'd (van een huif voorzien), bn. De vrouwen waren vroeger â, d. i. droegen een muts; een valk met een âen kap, lederen; een âe boerenwagen, een huifkar; lt;'e rijm had alles wit â. (Ter Haar.) tiiehiiikt (een kapmantel dragende), bn. De vrouwen gingen toen nog â ter kerk. tiichuisd (een huis bewonend), bn. Ze zijn ruim â. Ciei (scheepst. loopend touw), v. âen. twcihlok (scheepst. katrol), o. âblokken, tvcien (scheepst. de zeilen inkorten door de geitouiren op te halen), ik heb gegeid, tacijkt (goedgekeurd), bn. Een âe meter-, lig. een âe uitdrukking, het burgerrecht heli-bende; gangbaar, algemeen als juist erkend', een âe term, een âe phrase. twcil (dartel, wulpsch), bn en bw. tacilhcid (overmatige vetheid, door bemesting), v. gmv. Door de â van grond schiet daar alles te welig op. Fig. wulpschheid. |
G EILLUSTR E KR D - G K KI10ESD.
151
|
lt;aCïlliiKtreerlt;l (met platen opucsierd), bn. (vonk), v. âs. Ook: Genster, vcro. 4*eïnt«rcNK('erâ¬l (betrokken, belang f ielj bend), bn. Bij iets â zijn. fieiser (heetc springbron op IJsland), m. â s. 4«vï»tolceiMl (afgezonderd, eenzaam), bn. (â eit (wijfje van den hok), \. âen. Een tuil de â , een tamme â. Fig. Hauw jongmenscli, melkmuil; âaclilig', bn. Ken âachtig geblaat \ âje. o. â s. iaoitebaaril (baard v. e. geit), ni.âbaarden; â bok (mannetje van de geil), m. âbokken. iMeitelecr, â nieer (het leder van de ha id der geit), v. gmv. Handschoenen van â. De herder droeg een buis van â; -en, bn. De knaap had âen schoenen. Iiieiteiiblad (kamperfoelie), o. gmv. ^ieiteiiliaar (een haar. van een geil), o. â -haren. Twisten om of over een â, cl.i. om een nietige beuzeling. lt;gt;eiteiilioelt;lei* (herder), m. -hoeders. lt;gt;eitenklaver (zekere plant), v. gmv. (â eiteiinielk (melk van geiten), v. gmv. Een kind voeden met â. 4»eiteiiiiielker (nachlzwalaiv), m. â s. De â 'maakt op Java des avonds jacht op insecten. ^Reiteiioo;? (nag v. e. geit), o. -oogen. 4gt;eiteii\v4»l (haar af wol van gei ten), \. gmv. Om een â twisten, beuzeling. iReitepoot. m. âpooten; -vel (huid der geil), v. âvellen. Caeifevelleii (vervaardigd van geitevel), bn. Een â buis, een â pij. liieitevleeMeli, â nvlèeseh, â¢â¢. gmv. faeitoiiw (loopend touw), o. âon; âblok (katrol), o. -blokken; âlap (scheepsl.), m. â lappen. Zie: lieien. jaa^' (vaorldurend jagen), o. gmv. Hrt â door veld en boseh (jachtbedrijf); dat â met die paarden, hard rijden; het â van den pols, het â van den adem, snelle beweging. Gejakker (afbeulend gejaag, gerij), o. gmv. Dat â met die arme paarden. (â ejeiizlt;kl (gezeur, gezanik), o. gmv. Vroom â en stichtelijk geteem, gew. ^â ejoeelijacli (verward gesehreeuuj), o. gmv. liet is alles drukte en â op het ijs, getbr. (â ejok (geseherts, dartele boert), o. gmv. Ook: liet aanhoudend onwaarheid sproken, b.v.: Leer het kind dal â toch af. 4*ejiiil (uitbundig geschreeuw en getier), o. gmv. Onder een woest â en gelier! 't -doorkruist de lucht. 4*ek (zot, dwaas), bn. en bw.; â lieifl. v. (â ek (zinnelooze, krankzinnige), m. -ken; lem. voor den â honden, tien spot drijven met; den â met iets honden, er mede spot-ton; den â scheren, met iem. den â scheren, spotten met; al te goed is buurmans â; de â ken krijgen de kaart; één â kan meer vragen dan honderd wijzen kunnen beantwoorden; voor â spelen, een potsenmaker zijn; hij draagt den â in de mouw, hij verbergt zijn dwaasheid. 4a4kk (draaiende kap boven op een schoorsteen), m. âken. 4*ekal (gebabbel, gesnap), o. gmv. Wat al - over tie politiek! CiiekaU'fator, Oekalf ater (het telkens herstellen van een schip), o. gmv. taekaiiKi (run een kam eoo''zien), bn. Een â e haan, een âe hagedis; ecu â helm. |
Oekanteelci (voorzien van tandsgewijze uitstekende tinnen), I n. Een âe toren. lt;iiekarbonkel«l (scherts, met karbonkels of roode puisten bezi't), bn. Een dikke, âe neus. Oekartekl (rondachtig ingekorven, ingekeept), bn. Geldstukken met âe randen; een â blad, het â loof der tvorlelen. lt;gt;ekaMt (ingezet, van diamanten), bn. (â ekeperd (met een keper geweven, niet elfen), bn. âe stojfen. 4igt;ekeperlt;l (wapenk. met kepers bedek!), bn. Het wapen van Eg mond is â van twaalf slakken, goud en keel. lt;iiekleltl (een kiel dragende), bn. Mijn blauw âe, mijn Hollands frisch ontloken jeaqd. (Do Gen.): de blauw âe spes patrite. (C. O.) ^â ekkelijk (bespottelijk), bn.; â lieid, v. ^â lt;kkkeii (boerten, jokken, schertsen), hij heelt gegekt. Hij gekt mtiar; mei iets â: dtiar is geen â mee; niet met zich hitcn â, spotten; met iem. â, een derde bespotten, den spot drijven mot hem. tiiekkeiula^: (de eerste April), m. -dagen; â leest (in Frankrijk op Kerstmis en Driekoningen), o. -feesten; âg-etal (nl. het getal ''If), o. gmv.; -«-ezelseliap (nl. vttntils gekken eerkleeden), o. â pen; â Imis (krank-zinnigengestieht), lt;». âhuizen; â iioiiinier (nl. //'â¢/ grttil elf), o. gmv.; âorde (ut lelt ijk gezelsehttp door een vorst tot rithlerortte /â¢lt;'/â¢-heven, b.v. het Kleefsehe, 1381), âorden; â -praat {zotteklap, onzin), rn. gmv.; âtaal (onzin, zotteklap), v. gmv.; â werk (geschikt voor, of tloor gekken), o. gmv. laekkerif (zotternij, tlwtmsheitl), v. gmv. vcro. tiiekkernij (zotte scherts, jokkernij), w gmv. lt;*ekkiii (mtil vrouwspersoon, zottin), v. â -kinnen; ânetje (half liefkoozende bena-! ming), o. â s. lt;gt;ekko (Ind. huishagetUs), m. â's. Ãe â hitit 's ntichts zijn gelti'nl httoren. Zie 'i'4»kei. 4«eklaiik (het klinken), o. gmv. - van snaren. 4*eklamv (gekrtd.i, tninhtmtlentl krtibben), o. 1 gmv. Schei uil met tltil geschnrk en â, I jongen! \ lt;*eklaiin4l (klauwen hebbende), bn. De ktit-ten en rtntfvogels zijn âe tlieren. Wapcnk.: ' In bizaar een gtnulen sperwer, gebekt en â. taeklaveril (in tlrn rttrm ettn een klueer-j blatl), bn. Een â kruis. I 4a4'kl4'4Ml. bn. on vd. Een âe jas, een âc pop; hij heeft de tinnen â; fraai â, goed â, I warm â. (â eklikklak (gekletter), o. Het â der ivti-\ pens. Het â van hel rtuntinlisnte. (Klikspaan). ta4'kl4gt;k (het telkens en tumhoutlentl khdeken), 1 o. gmv. Het â van een flesch, kruik, kartif, i d. i. klokkend geluid. ta4'kl4»iiken (afgetlatin, in ortle, berethlertl), I lm. De zaak is â, het is tusschcn hen â, ; (^ekoeter (kromspraak), o. gmv. j ta4gt;koetem aal (het krom en gebrekkig spre-i ken, gebrtibbel), o. gmv. 4Rek4»4»s (ztiet geprtial), o. gmv. Het â tier j moetler met htuir knul, ook: geWei'koox, ge\\ei. Ia4'k4»rven (ingesnetlfn, fijn gesnetleti), bn. i â tlieren, nl. met inkervingen tusschen dé 1 drie hoofddoelen des lichaams. ' tliek4»iit (gezellig geprtmt, gekeuvel), o. gmv. I Atingentuim â, eriendschtippelijk â, in zoet â. | tiekrakeel (getwist, gekijf), o. gmv. 4ii4'kr4Kvslt;l (dicht inecngckrtild), bn. â huur, | âe wol. |
G E KRO EZ ELDâG EL EDI XG.
152
|
lt;*lt;gt;krlt;gt;lt;gt;xâ¬gt;lâ¬l (unkroesfl), bn. De smid met zwart â huur!' ^â ekrol (yebroni, gcyrol), o. gmv. Dut â van ilie katten. lt;gt;lt;gt;krookt (fjekiyikt), bn. Het âe riet. lt;alt;'krooiilt;i (een kroon draymide), bn. Een â hoofd, een vorst. 4aokriiif'd (neknild, gefriseerd), bn. vero. ^â ckMclieron (den spot drijven met), ik heb gegekscheerd; niet met iets â; niet met zieh tuten â, den draak niet met zich laten steken; het is manr â, kortswijl; het is geen â, het is ernst; dat is geen zonder â, in ernst; geen â verslaan, geen spot dulden ; â seineerder, m. Gekskap {narrenkap, zotskap), v.âkappen, ^üekskai» {zot, zottin), m. en v. âkappen. Iiiekiiif^l (meteen kuif), bn. Een âe leeuwerik. lt;-(gt;kiii|gt; (fig. het tanga slinkse/ie wegen duun naar eenig doet, b.v. in de staatkunde), o. gmv. iicii.ni»vUt(gezuirerd, kiesc/i), bn.; - lieicl. v. lt;gt;ekiiiiKteld (gedwongen, gemuukt, onnatuurlijk), bn. Een âe voordraeht, een âe stijl-, een â gedicht\ âe teekeningen; bw. Di'ze acteur spreekt ultijd â. lt;*ek\«'akkel (gesukkel), o. gmv. Dut â met zieke kinderen! (â ektvalie (geteem, gezeur, gezanik), o. Dat â is niet uan te hooroi. ^â ekwaiisel (geschueher,geruit), o. Die markt-eeuters met hun â, loven en bieden. lt;gt;ekwartileerd (geeierendeetd), bn. Wapenkunde: Een â schild, d. i. door twee elkaar rechthoekig snijdende loodlijnen in vieren verdeeld. Uekwast (knoestig, wd kwasten), bn. â hout is moei et ijk te bewerken. lt;gt;eku-etler (gesiu iter, gekakel), o. gmv. Het â der jonge vogels. Dut â en gesnap van dien babbeluur. lt;gt;ek\%-ijl (gezeever), o. gmv. Het tundenkrijgen geeft wat een â! 4-elaarsd. bn. De âe kat (vertelling van Moeder de Gans); â en gespoord, geheel reisvaardig. Gelaat (wezen, uiterlijk), o.: âkenner, in.; -kunde, v.; -sklenr, v.; -strek, m. â ken. Op ietnands â iets lezen; met ernst op het â; met angst op het â; het â is de spiegel der ziel. taeiaeli (het voortdurend lachen), o. gmv. 4gt;ela^ (gezu men lijk rerteer), o. -en. Het -beluien, lig. de straf voor anderen dragon; voor het â blijeen; rrij â, vrije vertering; uun het â deelnemen; vun het â zijn', âen zetten, drinkpartijen aanrichten; âkamer (herbergkamer), v. â s. (â ela£* (lot), o. Een hunt â,lot; een zwaar â. (welakt (met luk vernist), bn. Een â tafeltje. lt;gt;elanil»ri7.eerd (met houten beschotwerk voorzien), bn. De wunden wuren bruin â, met gouden lijsten. Zie: rambrixeerintf-. belande (eigenuur van land. b.v. in een polder), m. en v. ân. Wij zijn naaste ân. twelan»' (naar), vz. d. iquot;. naar mate van: Ik zal handeh'n nuar â run (unstund'uihedor, vw. d. i. naar mate, naar evenredigheid, b.v. Naar â wij stegen, werd het landschap se/toon er. ^â «'lasten (bevelen), ik lit'b gelast. letn. iets -, gebieden, opleggen: gelust worden iets te doen. |
^â clastigffle (persoon, wie)} men een last op-draagt), m. en v. âen. (â elaten (xieli) (zich voordoen, zieh uun-stellen, vertoonen, een houding uunnenwu), ik geliet mij, hel) mij gelaten. taclaten (ku hu, berustend), bn.; â heid (onderworpenheid), v. t-elatine (dril, gelei, verdikt sap), v. gmv. lt;-elaiiwerd (met lauweren versierd), bn. De âe overwinmtar, een â dichter. Zie: Ijau-wer. iiield (munt, ruil middel, waardemeter), o. â en. â sluan-, â munten, â aanmunlen; â snoeien, â vervulschen, â namaken) â in omloop brengen', buur gereed â, goed â, klein â, groot â. Spreekw. Goed â nuur kwaad â gooien, nuttelooze kosten maken om eenig doel te bereiken; iets te âe maken, verkoopen; dut kost lunuten vol â, zeer veel; â lemen, o/memen, beleggen, uitzetten', â in iets steken, aan de kans wagen; â uit iets slaan, er geld aan weten te verdienen. Spreekw. Goede woorden kosten geen â; koo-pen kost â; voor â en goede woorden kun men overal terechtX dut is â waard', dat riekt nuur â, is zeer duur; â uls wuter verdienen ; bulken vun het â; met zijn â geen weg weten, zijn â in het water werpen, d. i. verspillen; eieren voor zijn â kiezen, d. i. zich met het mindere tevreden stellen; â hij de viseh! contante betaling; â verzoet den arbeid-, verder: het volle â betalen, d. i. den vollen prijs; voor geen â ter wereld, voor geen prijs; alle waur is }uiur huur (zijn)â, is evenredig aan haren prijs. 4aeldelijk (geld of geldzuketi betrejfcndi'), lm. Vrees voor âe schade', âe opolferingen; zonder â behing', een âe schudeluOSSteHing, âe onderstand, in geld bestaande. üeldeloos (vu)i geld ontbloot, zomhrr gehl), bn. Begeef u toch niet â op reis. Ik raakte duur spoedig â; â heid, v. taelden, het gold. heeft gegolden. Artikel... kun hier niet â, van kracht zijn; zulk een wet geldt hier niet; tuut ik zei, geldt ndi u, d. i. raakt, betreft; talenten gelden meer dun goud, van waarde geschat worden; uw woord geldt bij mij, is van waarde, kracht; zijn stem gold duur voor niets, zijn woorden '/ohlvn uls een bevel', zijn aanspraken tuten â, zo laten wegen; ik wil die redenen luien -, als gegrond aannemen: zieh doen of tuten âi zijn invloed, gezag feitelijk doen gevielen: die opmerking geldt mij, betreft, nu,; het geldt uw teven, van nabij betrokken zijn; mijn zending geldt u utter behingen, er mee gemoeid zijn; die schaterlach geldt hen ; die dronk gebit u. Geldend (gezaghebbend, erkend), bn. Algemeen âe redenen. (aeldig- (geldende, waarde hebbende, weltig), bn. Dit kuurtje is niet meer â. Dat zijn âe redenen; âheid (deugdelijkheid), v. Oeldseliiefer (teener), m. â s; â seliie-linjf, v. Geldswaarde, v. gmv.; â waardigquot;, bn. â papier. Gelederen, o. mv. van Gelid. Geleden. Geh-en (voorbijgegaan), vd. Iht is een jaar â. Het was gisteren een juur â. 't Is al lung â. Eenige dm jen â. Niet lunif Kort -. lt;ii(kledintt' (gewricht, verbinding, aanenisluir |
CrKLEED â G ELI.1 K.
|
//»*//), v. âcn. De âen drr {/(nucri'rhlr iiicn'}i; ilr â drr ijflcde dieren; de tjesteelde bladeren zijn door een â met dini stam of' tak ver-lumden ; wapenrusting: De âen ran een helm, ran een ijzeren handsehuen, ran een sehcen-stali. Bij uitbr. bij dieren en planten lid ol deel: /Je ijeleditajen van den roef, de yele-dinyen van een bamboe-rottintj. l»n. gelede. Er zijn yelede dieren, d. 1. ongewervelde, wier lichaam uit ringen is samengesteld; de wormen zijn yelede dieren ; ee)i ijelede stemjef, he' (jelede riet, d. i. bestaande uit stukken, door knoopen verbonden. 4iUklecii4l (niet eifjen), bn. De âe (flans der maan; het teas âe praeht; lat ivas âe looi. (â clcerfl [met kennis toegerust), bn. Een â sehrijver; een zeldzaam â man; de âsle taalkenners; verder: de âe stand; de âe wereld, een â nenoolsehaj). Spreek w. De âsten zijn, de wijsten niet. Hoe âer, hoe gekker. Die â wil worde)!, moet vroeg quot;/lt;-staan. Oelecrdc (iem. ran nilgebreide stadie en kennis), m. en v. â n. Een degelijk, grondig â . Een elassielc â. De ân, de mannen van studie. (uitgebreide kennis op weten-schappelijk gebied), v. gmv. Spreekw. De â waait iem. zoo maar niet aagt;i, is niet zonder inspanning en moeite te krijgen. (â eieren, bn. Arnhem is â aan den liijn, d. i. liggende, ligt; lig. Er is in die woorden reel troost â, besloten; te âer plaats en are, gunstig lt;gt;f geschikt; iem. - komen, hem schikkend, passend; komt mijn bezoek u Wat is er mij aan âd. i. wat heeft het te be teekenen. (â ('â «'KViilicid (Hgging, plaatselijke gesteldheid), v. De â ran het land, het slagveld; een sehoone â om roem te behalen, geval, omstandigheid; de eerste â de beste zeml ik a den kolf er; bij â, als er aanleiding toe bestaat; spreekw. De â maakt den dief; iem. in dr â stellen, in staat stellen; verder: reisgelegenheid: Morgen rijdt een omnibas mmr de stad, maak ran die â gebra ik. Op eigen â, d. i. met eigen middel van vervoer of op zich zelf alleen. Uclc^eiilieid^iMliclit, o. -en; âpreek, v. âen; - vers, o. âverzen. 4gt;elei (cjestnld nat, dril),v.âen; â aeliti^lm. 4aelei. o. Op 's hits â rerlaat ik me aan de baren. (Bild.) Zie: Ueleide. (biljet, hoadende eer lof tot verroer ran accijnsgoederen), o. âbiljetten. 4*eleilgt;rief' (rrijbrief, paspoort), m. â brieven. Geleide (het vergezellen, geleiden), o. Zie: liielei. Iem. â doen; iem. zijn of het â aanbieden; zich aan iem. â toevertrouwen: onder iem. in Gods â, hoede; ook: al de personen die uitgeleiden samen: Elk der mannen van het â was goed gewapend. Scheepst. â verleenen, konvooi van oorlogs-en, dat een koopvaardijvloot begeleidt, «lelijk {geregeld, in behoorlijke opvol-V(dging), bn. Een âe overgang; âe taaloefeningen; bw. â kwam het gesprek op een ander onderwerp'. â lieid. v. 4gt;lt;kleideii (vergezellen en leiden), ik heb geleid. Een dame â; iem. naar a a is â; zegsw. een meisje naar het altaar â, haar huwen; iem, schreden â; Gods hand za l n lig. |
een smal pad, dat naar het kasteel -leidde; warmte en eleetriciteit â, laten overgaan; het gelnid â; âer (persoon, die geleidt), m. â s; âster, v. â s. tieleidster. âstar. v. âsterren, âstarren. Oeleierg'oefl. âwerk {aardewerk, fagence), o. gmv. Ook: lt;ileier^:oâ¬'d, âwerk. Geleigeest (engelbewaarder, goede gen ins), m. âgeesten. lt;gt;el«ki-tHart, v. âen; -korst, v. âen. tiielelied (wapenk., versierd met heraldieke leliën), bn. Een â kruis. tiielen (geel a-orden, nee! maken), ik heb en hot is gegeeld. l)e halmen gaan reeds â. De bladeren â in den bet â¢fxi. (lij moet dien manr â. tiJeletterd (in de letteren bedreven, let ter-ka ndig), bn. Een âe schare ran toehoorder.*; lig. een âe oproedimf; â lieid. v. Gelid {rij S(ddaten), o. gelederen. Een bataljon op twee gelederen; in het â staan; een opsluitend gelederen achterwaarts; â opent a; â sluit a; het eerste, tweede, derde â; bij uitbr. hij plaatste zich bij de dansers Geliefd (bemind, dierbaar), bn. âe oaders; mijn âe moeder; een âe leenneester; een â e echtgenoote; een âe vriend, vriendin; âe broeders en zasters, aanspraak in leerredenen; leederâ, b.v. een âevader; veel â , b.v. een âe doode; welâ, b.v. nagt; âe zoon. Geliefde (beminde), in. en v. â u. tgt;eliet'liel»ber {oppervlakkige, beuzelachtige beoefening van wetenschap of kanst), o. gmv. Zie: Ijiefhebber, l^iei'liebberen. Geliefkoosd {geliefd, bemind, dierbaar), bn. Dicht. Een â oord, een â piel,je; bij uitbr.: onze âe neigingen, wenschen; een â stopwoordje, b.v. in .hillr. Stastoks mond; Wat hamer! een âe uitspanning, een â denkbeeld. Gelieven (minnenden), m. mv. Gelieven (behagen, believen). Het heeft geliefd; het gelieve a, enz. Geli;; (geelachtig)^ bn. Een japon wordt â in 7 (fbmik, het papier is â geworden. Gelijfstaflierdi omri)iiiddoorsiafilragers),\m. Gelijk (hetzelfde zijnde), bn. Met -lt;⢠wapenen; beide legers waren â in macht: can â en rang; âen tred of koers honden : in âe mate, ter âer tijd; spreekw. âc monniken, âe Lappett, d. i. mensclien v:in één soort hebben dezelfde eigenschappen: vati âen leeftijd; nwt dot grond â //mAT/», slechten, sloo-pen; iets )))et âe itiunl betalen, d. i. iem. bejegenen, zooals hij ons bejegend heeft; alle burgers zij)), voor de wet â, overeenkomende in'recht; zegsw. Het is tttij â, d. i. om het even; wisk. Driehoeken tneï âe basis oi hoogte zijn â ran inbond, d. i. bevattende evenveel malen de gemeene maat; â etr ge-lijkvortnige veelhoeken, d. i. van dezelfde oppervlakte; klokken en nurw., Is uw horloge â; ik ben nwt Aken -; karakter. Blijf uzelf meer â; de schrijver blijft zich. zelf â, d. i. in toepassing op karakter, handeling, gevoelens, gezindheid; vlakte, Maak het pod hier â. elVen, vlak, vrij van oneffenheden; bw. â deelcn; de twee rijders bleven lang â; de twee Ireitwt) kwa)t)en â aan: vw. Doe na, â ik a gezegd heb, d. i. 'zooals, evenals. Gelijk (billijkheid, recht), o. gmv. Gij hebt daaraan of daarin â; ,le hebt (groot â, wel deugdelijk â, iet)), groot â geven; ie))), in |
GELIJKAARDIG-GELOOF.
|
het â stellen; zegsw. Je hebt het grootste'â tutu de eisrlntnirkf, spott. ik wil niet langer tegen je kijven; uw broeder ivil altijd â hel/ben; â krij'jen. (â elijkaardi^: (tuin gelijk karakter), bn.; â (wisk. drieh. met i/elijke o/gt;staa}ale zijden), bn.; â lMktcck^n«kiid (van nelijke beteekeni.s), bn.; â«Iraadscli Uiarens uit gelijke draden i/espannen), bn.; â dradijj {vm 'jarens, katoen, wol, touwwerk enz. ait een i/elijk aantal draden tjespotmen), bn. 4veli|k(k (persoon ran denzelfden raihj, stand enz.), m. en v. ân. Ga om met aws â, tl. i. noch met uw meerdere, noch met uw mindere; Marco rond niem. zijns â.(Staring); Hembrandt eindt zijns â niet, een schilder, die hem evenaart. 4alt;'lijklt;gt;liik (nelijkmatitj), bw. â verdeelen. Oelijk^it (evenaren, overeen komen), ik geleek, heb geleken. Hij tja at zijnen vader â, slachten; hij (jet eek ren sehini; dat net ijkt naar niets, er is schijn noch schaduw van; het net ij kt er in de verb' niet naar; het (je-lijh't nenjens naar, is ten hoogste uniietame-lijk; zegsw. Op elkaar â als twee druppels water; dat portret zat goed â; al die neven â op elkaar; op een baur op iem. â, dezelfde gelaatstrekken hebben. 4jUkli|ki»iiiM (overeenkomst in uilerlijken vorm), v. gmv. De sprekende â van een por-tret; de â faalt bij dien portretschilder nooit; bij ui tbr., naar Gods beeld en â is de niensch geschapen; lig. zinnebeeldig verhaal: De â van dvn Verloren Zoon. Ook : l'arahel. 4alt;'li jk^aan (denze.lfden lijd aanwijzen), ging â, heeft â gegnan. Mijn horloge gaat jnist â met desjtoorklok. Deze pendule gaat â. 4iSeliJklilt;'i4l (volkomen overeenkomst in ee~ nig opzicht), v. â van opvoeding, â van onderwijs, â van revhten, â van plichten, â van loon; â van beginselen; vrijheid en â onder de inoisclvn; op voet van â; wisk. de â van twee hoeken; van twee drie- of veelhoeken, nl. in oppervlakte; â lioekijr (wisk. met gelijke hoeken), bn. b.v.: Twee âe driehoeken zijn gelijkvormig. 4gt;lt;klijkklo|»|»on (door kloppoi elfen maken), ik heb âgeklopt. lt;»eli|kla*»ti$; (scheepst. voor en achter even zwaai' belast), bn. Het schip is nog niet â, verdeel de lading beter. 4Neli|kloo|M'ii. liep â. heeft â geloopen. Die twee pendnb's toopen altijd â, even snelle beweging hebben; deze weg loopt met de rivier â, dezelfde richting hebben; wisk. deze twee lijnen zijn â'/, d. i. evenwijdig. lt;»elijklimloiMl (dcnzelfdcn klank hebbend), bn. Ken â afschrift, d. i. een kopij ; â held, v laolijkiiiakeii u'lfen maken, elfenen), heb â gemaakt. Ken weg â, een veht â. iRoliJkiiialitf: (voortdurend of overal gelijk), bn. Een âe drukking; ecu âe verwarming; een âe snelheid; in âen draf; een âe kleur; een âe verdeeling; een âe slijt, d. i. die geregeld in denzelfden toon voortgaat: lig. een â karakter, steeds in dezelfde stemming; bw. iets â verdeden; een rad â doen bewegen', â lieid ('gelijkheid), v. b.v. â van beweging, â vitn geest. kmilt;l«l4klpuntmiddelnunt hebbend), bn. Twee âe cirkels. Zie: Con-centriM'li. |
liicli|kmocMli$;- (voortdurend kalm gestemd), bn. Alleen de wijsgeer blijft onder alle tegenspoeden â ; een âe runt; bw. De rampen â verdragen; â heid, v. lt;Beli|kiiami$f (/â¢Â«gt;/ denzelfden naam), bn. Twee âe personen; rekenk. tweeâe benoemde getallen, twee âe breuken; alg. âe machten; âe wortelgrootheden, b.v. ty/u en \\./b; nat. âe piden. electriciteit; â held. v. ^â «'lijksc'liavoii (elfen-, vtaksebdven). ik hei» âgeschaafd; â scliereu (elfen scheren), schoor â, heb âgeschoren, b.v. het â can katoenen stol feu; â«laan (door slaan gelijkmaken). ik sloeg â, heb â geslagen, b.v. paten, stutten â . lt;gt;lt;klijkKlalt;*lili$; (van dezelfde soort, gelijkaardig), bn. Een â weefsel in dezelfde houtsoorten; alg. een âe veelterm, d. i. alle termen zijn van denzelfden graad; â lieid. v. ^â «'lijksiiijdfii. ik sneed â. heb âgesneden. CaclijkKOorf(gelijkaardig, van dezelfde soort), bn. Er zijn veel âespreuken of spreek-woorden; âe grootheden; â licid, v. jkstaau. ik stond â. heb -gestaan. OeliJkKtandip: (wisk.), lm. De âe zijden van twee gelijkvormige driehoeken, d. i. de evenredige zijden; â lieid, v. jkKtollen (op één lijn stellen), ik heb â gesteld; â steiliii$s'. v. 4gt;cklijkstoot«ii. ik stiet en stootte â, heb â gestooten. 4*ei ij kotrijken, ik streek â, heb âgestreken. lt;*clijkt«ekckn (het teeken -), o. âs. Een vorm vóór en achter het â. 4gt;oli|kti|di$;- (op denzetfden lijd gebeurende), bn.; â lilt;kid. v. lt;gt;eliJkvlo«kic'ii4l (een. regelmatig of gelijk beloop hebbend), bn. Een â werk woord, d. i. zwak, b.v. leeren. taolijkvloerK (ge! ij kg ronds), bw. Zij wonen daar â; â vlocrsch, bn. Hij woont in de âe verdieping. 4iielijkv4»i*iiii^ (overeenkomstig ia iiedaunb', evenredig in de deelen), bn. Twee âe tafeltjes; aard. âe ligging der aardlagen; vneetk. twee âe driehoeken, veelhoeken: gelijk en â. d. i. gelijk van inhoud en vorm, b.v. twee driehoeken met gelijke zijden; â lu»id. v. IjieSiJkuaardi^ (van gelijke waarde), bn. Twee âe zinsdeelen, b.v. de oude en 'rouwe h uisknechi. taolijkzipli^ (meetk. met gelijke zijd» n), bn. Twee âe driehoeken; een âe veelhoek; â -lioid. v. ^â «'likt (gladgemaakt, gepolijst, glanzig), bn. Het overleer dier schoenen is fraai â; lig. âe verzen; â lii'id. v. tiioliiik'orcl (met lijnen betrokken), bn.; â papier. iRelli;? (galachtig), bn. Een â schaap, een â e koe. Fig. gemelijk, knorrig. laollinjf (manlijke hennep), v. gmv. iiiololMl (van lobben of shppen voorzien), bn. Met gave zeer zelden âe blaadjes. ^â dol'lv (plechtige belofte, verbintenis), \. â n. Hij deetl de â naar het H. Land te trekken; een â apeggen, een â uitspreken; een â bezweren, d. i. ze onder eede uitspreken; iem. een â afnemen; een â houden, vervullen, gestand doen; een â breken, schenden. 1». K. De monniken dei ten de â van armoede. 4iiâ¬kloi't4MiiM (gelofte), v. âsen. vero. ^â «'lokfii (gesloten), bn. Met â oogen. (vertrouwen op de menschen of op |
G E LOO F BA Al!-GE MATIG D.
155
|
(7or/), o. gmv. â hrchten ann iem. ivoorden-, op (joi'il â koopm; icm. â geren, non iets â slaan; âeinden (b.v. beweringen); â weigeren, b.v. aan iem. woorden; een vdriij, vast, sterk â ; spreekw. Het â kan hergen verzetten; het lioomsche â, godsdienst; lu't Christelijk â; â, hoap en Helde, gezindheid, deugd; het â aan God ; de 1*2 arlikelen des âs. «Ie Apostolische geloofsbelijdenis {sgmbolam der Apostelen, zie aid.) ^MClooflmar {geloof eerdlenende), bn. Ken â man: âe menschen; â v. ^â oloofVliJk {aannemelijk), bn. Niemand aeht dit â. \v. g. (â «'loofsbricf {beivijsstnk, mamlaat). o. â -brieven. De gezant oeerhandigde zijn -brie-een; de âbrieven ean de leden der Eerste en Tweede Kamer. ^â cloofKgfOKclnl {tmeenigheid in zake ean 'I geloof), o. âgeschillen. ^â elootMliaiil {godsdiensihaaty. in. gmv. ^â «'loolKliailve {ter wille eau zijn geloof), bw. b.v. Hij werd â vervolgd. ^â oloottvaardi;;' {rertrauiven verdienende), bn. Een â schrijeer, een â getuige, een â getuigenis, een â geraeht. 4alt;'lo4»vlt;'ii {vertrainven stfllea in, vonr waar houden), ik heb geloofil; iem. op zijn teoord â ⢠.'/(/ kunt hem gerust â; zijn (togen niet dureen of kannen â; een bquot;wering, eerzekering, gelofte. â; â aan God, d. i. eon vast en innig vertrouwen stollen in God en Gods woord; â in Christus, d. i. gezind zijn zijn leer te volgen: â in hri. kruis, vast vertrouwen op Christus door zijn kruisdood; â aan Gods liefde, almacht, enz.; â op gezag; lig. ergens aan moetrn â. genoodzaakt zijn iets te ondergaan, opgeolferd worden, b.v.: In den beeldenstorm morsten de kerken er non â ; zijn laatste (jnhlen moest er aan â; scherts. De laatste, flesch gaat er aan â : ik zal uw woorden niet â; geen teoord ean iets â; gij zult toch niet â, ila.t gij slaaft, d. i. mee-nen, aannemen, denken; van iem. â iial; iem. doen â dat; nauwelijks kannen â dat; het is bijna niet te â. (â oloovi£' {vast, innig geloovende), bn. Ken â christen; een â hort: tig. âe godserucht. â e liefde; bw. â vertrouwen up iets, â oan-bidden; â lieid. v. lt;«lt;gt;loovi$£'â¬k {belijder van eenig gehxtf), m. en v. â n. JJe dorpsklok riep dc âu; de sehaar der âgt;i: de ware â n. (â olt. (niet drachtig), bn. Ken â varken. lt;*eliilMl {met lobben versierd), bn. Een â hemd. een âr halskraag. fadiiid {trillende beicegin;! der lucht, klank, loon), o. âen. liet â (geleiden, het â voortplanten; het â drr klok, het â der dieren; â geeen; spreekw. Ledige vaten maken het meeste â. oppervlakkige lui hebben het meeste praats; iem. â, stem; een dof, zocht, aangenaam â; â geven, tonen voortbrengen; het â een er harp; het â eener kinderstem, mei groot â ;bazoinâ, feestâ,golfâ, harp â , krijgs-â. maal-; spraakâ, klank der menschelijke stern; slemâ, storm-. toon-, vreugdeâ. 4«â¬kliiiiii«l {van humeur), bn. Goed â, sleelit â. (â cliiipaaril (wapenk.), bn. Ken â leeuw, d. i. gaande leeuw. w. g. (â elnk {de grillige forto in), o. gmv. Hel â dient hrm; het â begunstigt mij, hij mag Van â spreken; het blind -. |
{goed uitvallen, gedijen), het is gelukt. Alles gelokt hem. Die opstand zal wel â. De podding is goed gelukt. â¬aeliikki^ (eoorspoedig, door hei lot begunstigd), bn. Een â leeen; hij acht u â, een â toeval, een â voorteeken, een â gesternte; bw. iets gelukkig ten einde brengen ; het treft â, dat...; ik eernam â, dat...; âerwijze, â v. lt;iieliiks^-4gt;diii (fabell. Fortana), v. gmv.; â â hans (spott. voor iem. dien het geluk dienl), m. âhanzen; â kiiitl {mensch tot geluk bestemd). o. âkinderen. ^â «'Iiikweiiscli (heihvenseh), m. â wensohen. lt;.«'liik\vi'iisclilt;'ii. ik hel) gelukgewenscht; mag ik u âf zich zeiven met iets â ; âer, m.; â iiiSquot;. v. ^â «'liikxali;;- {overgelukkig, eoorspoedig), bn.; Een â nieuwjaar ! -heid. v. taelnkxali^o {hemeling), m. en v. â n. â -Bieiil {allerhoogste trap van geluk), v. b.v.. De oardsche â, de hemelsche 4;lt;'liik%olt;'kcr {avonturier), m. âzoekers. {behagen, believen), het heeft gelust. Het gelost mij niet, daarean te spreken. lt;gt;lt;'maakt {geveinsd, gehuicheld), bn. Een â e verwondering; âe nederigheid, d. i. val-sche, voorgewende; een â boodschap; âe tranen; bij uitbr. gekunsteld, gedwongen: niet een âe stem, âe huil, hij is wat â in zijn manieren, d. i. stijf, den eenvoud missende; bw. â spreken, â lachen, â glimlachen, geaffecteerd; -lieid {gekunsteldheid, stijfheid), v. b.v. â in hooding en ma nieren. ^â t'iiiaal {echtgenoot), m. âs en gemalen. Albert was Prinsâ van Engeland. 4a«kiiiaal (gezanik), o. gmv. Is dat een â en geknor! ^â eiiiaal {stoom werktnig om een pidder droog te honden), o. gemalen. 4gt;i'ma(*Bili$;dik {zaakgelastigde, lasthebber), m. en v. âen. facinak. ii. âken. Doe het op aiv â; hond uw â; iem. op zijn â brengen, zetten, kalmte inboezemen door vriendelijke bejegening; het, â , het heimelijk â. bestekamer; een huis met rele âken, geriefelijkheden; met â^zonder moeite; met het grootste â. (â ^makkelijk {zijn gemak zoekende, houdende). bn. De mon begint wat â te worden; ('en âe ziekestoel, gemak gevende; een âe houding, een â leeen. vol gemak en rust; het zich â maken, het valt ni ij â; bw. Dol is â te doen, zonder inspanning; dat huis is â ingericht; â licid (lig. losheid, natuor-lijkheid), v. Hij spreekt met ceel â; in hun omgang is ceel â. (â cmalied {uit maliën bestaande), bn. De schildknapen wreven de âe /ionisers hunner meesters droog. (Van Lennep). ^â oiiialiii {tlquot;de, echtgenoote), v. ânen. (â omaniord {beschaafd, welopigevoed), bn.; â Iicid. v. (â «'iiiaiiiërcerd (gekunslehl, onnatuurlijk), bn. Een âe stijl. ^Reinar {getalm), o. gmv. ^â omariiieerd (met zuur en uien ingemaakt), bn. Een âe haring. 4*eiiiartlt;kl {voortdurend martelen), o. gmv. 4»lt;kmalt;gt;ik4*rd. bn. Een âbol: âe dieven. ^aoma^kwrd {gemaskerd; verborgen, bewimpeld), bn. taC'iuatijg'd {maathoudend), bn. Een â man, |
O K M RKH - G K N A A K BA AH.
|
lt;lc. âr lurhlstwl,-; - lieid (ka hu te, bezmlhnl-Jwid), v. (()C(-an fij te spree rij), v. gmv. Ueinbcrthec (Ind. af treksel vmi gemberwortel), v. gmv. (f/lt;*meetischnppelij/r, nhjemeen; laan ), Inv. Een âe naam, d.i. voor aile zelfstandigheden derzelfde soort; â .'/w/; âe zaak maken, voor âe rekenimj; rekenk. een âe fleeter, een âe maat, een â veelvoud', de broederschap des (lemeenen lerens; die taal is ons allen â; die zusters hebben weinig âs in haar karakter; wij hebben niets âs nn't elkander; de âe vijand eau al (te gewesten, l».v. «Ie Spnnjaard; âe weiden, de âe weg, d.i. openbare, algemeene; het âe volk, de groote hoop; âe praat, âe woorden, laag, onzedelijk: het is â weder, slecht, rnw; l»\v. Hij sehrijft â, slecht, Icelijk; hij ziet er â air, slordig, onzindelijk. 4*(kiiick«gt;n (de 'lage eolksklasse), o. gmv. (republiek), o. â en; â rn. en v. âen. («eiiKM'iilieid {laagheid), v. âheden. lt;gt;ikm4gt;4kiii^:lieiâ¬l {lage, vaileilaail), v. â heden. {gemeenighe'uh, \. â teiten. lt;-lt;'iiilt;Mkiilaii«lsliiiis {vergaderhuis ran een dijkbrsluar), v. -huizen. Het â ran Hijnland. ^aoiiKM'iilijk {inden regel, doonjaans, reelat), l)\V. 4Jcinelt;gt;n|gt;l aals {alledaagsrh gezegde, orrrbe-kende waarheid), v. âen. Zijn rede was rol afgezaagde âen. Het roemen op ondervinding is een â geworden. {het gemeen hebben aan t»! in iets), v. gmv. Leren in â ran Christ as; â hebben aan het lijden ran Christus; wettelijke â van goederen; â van winsten verlies: â ran vruchten en inkomsten; de â met ie ui. afsnijden, d. i. niets met hem te doen willen hebben; de â der steden onderling, liet verkeer; een middel van â, de â on-derhouden, h.v. door wagens of booten; de â tier heiligen, vereeniging met. 4gt;eiiu'eiiM*liai»i»elijk, lm. Hen âe woning; â e pogingen; â overleg, onderling beraad; de âe rijand, een âe vriend; bw. een werk. â bezitten, gezamenlijk; de raileren bewegen â. IHiS ( mann. of vr. naar de bet.), bn. Wees, erfgenaam, gevangene is â. (â «'imMMiMiiiaii {volkstribuun), m âlieden. (â ieiiKH'iite {stad, (hwp, kerkgenootschap), v. â n. ^â eiiieviif^lKvsliiiir (Itaad, Hurgemeesteren dr wethouders), o. -besturen; â ei;;-lt;kiilt;l4Mii {grond, bezit), o. âdommen; âUuiH {stadhuis, raadhuis), o. âhuizen: âkas {de geldmiddelen), v.; âleven {godsdienstig onderling verkeer), o.; âlijk {de gemeente betreffende), bn. b.v. openbare of âe iverken; â -naar (lid eener burgerlijke of kerkelijke gemeente), m. ânaren; âraad {besturend gekozen lichaam), m. âraden: â rechf {erkenning als gemeente, privilegie), o. âen; â rekeniiiK' (staat ran ontvangsten en uil-garen). v. âen; â vrijheid {zelfstandigheid als gemeente, privilegie), v. âheden; âwet (verordening, staatswet), v. âten: âwezen {gesteldheid, bestuur, beheer), o. gmv.; âzaak {aangelegenheid), v. âzaken. lt;ienieeiizaani {rertrouivelijk, eigen), bn. Met dorpelingen is men gauw â; een â vriend; hij was â met Vondels treurspelen; |
zich met iets -- maken, zich er aan gewennen; een â onderhoud, zonder omslag; â verkeer,, een â gesprei:; de âzitme stijl, d.i. ongedwongen, los; een âzame uitdrukking; op een âzanten voet: een âzame kennis met eenig werk, vertrouwde; bw. - met iemand omgaan, verkeeren, spreken; zich â aanstellen; dat klinkt â; â lieid. v. met âlieid, op vertrouwelijken toon. 4gt;enielijk {misnoegd, ontevreden over alles, knorrig), bn. De âe ouderdom (Vondel); een âe knorrepot; mijnheer werd â; een â gelaat; een â oog; een âe blik; een âe vlaag; een âe luim; b.w. half â hernam hij ...; vrij â antwoordde hij ...; â lieid, v. 4gt;enien^-«i {niet enkelvoudig, ongelijksoortig), bn. âe oliën, uit samenmengsels bestaande; een â gezelschap, bestaande uit personen van verschillenden rang, stand, leeftijd, enz.; een â publiek; â nieuws, kleinere nieuwstijdingen; de âde school, d.i. school voor jongens en meisjes, voor allerlei gezindten; een â gevoel, een âe aandoening, b.v. tegelijk van hoogmoed en schaamte; een â genot, een â huwelijk, tusschen personen van verschillende religie; haar van âe kleur, b.v. tusschen blond en bruin. lt;gt;enien$£el (mengeling, dooreen wentel i 1 ig), o. gmv. Een â van golvende pluimen; een â van stemmen. Iiienierkt {van een merk voorzien), bn. â linnen. 4»enierkt {naardien, aangezien), vw. teniet {vlaktemaat ± '/^ ll.AZ), o. gemeten.' laeiniildeid {dooreengenomen), bn. en bw. (â emijterd (een mijter dragende), bn. Een â hoofd, d. i. een bisschop. laeniiM {gebrek), o. gmv. Hij â van; iem. een â van iets vergoeden, schadeloos stellen. Iieimne. 4-eninia {edelsteen met ingesneden letters), v. gem men. lt;gt;enioed {inborst, hart), o. âeren. lt;«eni4»edelijk {volgensovertuiging,bezadigd), bn. en bw.; â iiei4i, v. 4»enioedi$; {vreedzaam, inschikkelijk, lenig, zacht), bn. vero. lt;gt;enioedKaando«gt;nin£ {gewaanvording), v. â en; âaard {inborst, karakter), m. gmv.; -bestaan, o. gmv.; â bewe^iiitf- {aandoening), v. âen; âbezwaar {zwarigheid des gewetens), o. âbezwaren. laemoet {het samenkomen, samenkomst), o. Alleen gebruikelijk in: te â en m7 â. Ion. teâ of in 't â komen, loopen, rijden, enz. (lieniok {het misnoegd en wrevelig gepruil), o. gmv. 4*enis (klipgeit), v. gemzen. De gewonquot; â der Alpen; de â van westelijk N. Amerika, d. i. antilope. faemsiioorn {hoorn van een gems; V\£. Iluit-werk in een orgel), m. â s. Ook: âhoren. â s. (â ieninilband {van een muilband voorzien), bn. Een âe hond. Wapenk.: hi goud een zwarte beer, â van blauw, d. i. met een muilband van een blauwe kleur. imcniutst{gelu i md),\m. 11 ij wasgoed of slechtâ. lt;«lt;Mnze(n)leer, o. gmv. Handschoenen van â ; âen, bw. âeti handschoenen. 4«enizenhaar, o. (aemzenjaelit, v. ^aemzenjajfer, m. â jagers. laenaakbaar {toegankelijk, niet trotsch), bn.; die edelman is â voor ieder; â heid, v. |
G K NA AMD-G E NTOE( i KN.
|
(â c^naaiiKl (hcetande), lm. Keu voïidelinrie, â Hanna; Maria, â Mag da loia; een der eilanden, â Makjan. Genade ((inedertierenheid, barnihartiffiieid, (jnnst), v. 0/gt; Gods â drijven, een schip aan de golven ten prooi laten; om â vragen, 'J.i. om liet leven; bij de â Hods. Uive âf titel van den Duitschen adel. {brood of onderhoud om Godswil), o. gmv. Het â eten, van â leven; Itij uitbr.: Wellington gaf zijn paard het â. ^â «'iiadc^-if't {bewijs van Gods genade), v. â en; -kruid (geneeskrachtig kruid), o. gmv.; âleer (leer over Gods getuide), v. gmv.; â middel {sacrament), o. âen. (iSeiiadeKlaK' {bi} 't radbraken de negende slag, nl. o/t het hart), m. âen. Fig. de laatste rauif), ilie nl. te gronde richt, l-eiiadetroon {rechterstoel van den barm-hartigen God), m. gmv.; âverbond {het nieuwe Verbond in Christus), o. gmv. Iiieiiadi;;' {vol genade, goedertieren ), lm. De Ueere is â; O God, wees mij â; God zij hare ziel â ; God zij mij â; een âe gave; titel van vorstelijke personen: âe Vrouwe, onze âe Gruaf; uw âe Heer; de examinators zijn u â geweest; spott. De inspecteur was zeer â, d. i. minder aanmatigend dan gewoonlijk; l)\v. God ziet ons o/Jcr â ((au; o, God, zie â op ons neer! â over iem. denken; ietu. â behandelen; â met iem. handelen; er â afkomen; â lieid. v.; â lijk, bw. 4gt;eiia^;lt;'l4i {van nagels voorzien), bn. De leeuw is een â dier; wapenkunde: een uitkomende en âe roode leeuw. laenaken (naderen, nabijkomen), ik ben genaakt. IIij gaat de poort der stad â; iem. of tot iem. â; iets of tot iets â, liet bereiken; dicht, de lente gaat â, de zangtijd genaakt; â baar, bn. lt;aeiiaii. (â ienant (persoon, die denzelfden voor- of doopnaam voert; naamgenoot, makker), m. en v. genannen; vr. ook 4iSeiiaiite. Uêiianf {lastig, hinderlijk), bn. en bw. laeiidarine {gewapend -man of ruiter ter handhaving van de openbare veiligheid), m. â s. (â endarnieriefVit'f korps gendarmen), v. gmv. (â eiu*. aanw. vnw. Hoep ân man'. Deze boter is beter dan â. De roos en de lelie zijn beide fraai, deze is het minder dan â. 4aêiie (dwang, verlegenheid), v. gmv. Sausâ, zonder complimenten. laenealoK'ie {geslachtrekening, geslachtsregister), v. â giêën. Zie: 4«eMlaeliikunde. laenealos'iKeli (geslachtrekenkundig; in den vorm van een geslachtsregister), bn. en bw. (â enebd (hebbende een neb of bekvormig uitsteeksel), bn. Twee âe schepen. 4«eiieereii (hinderen, storen). Iem. â. ^â eiieeslieer (dokter), m. âen; â krat'lil, v.; â knnde, v.; â kiiiilt;lijL;e, m. â n; â -kiniKt, v.; âmiddel, o. âen. ^aeneeKliJk, ^aeneselijk (vatbaar voor genezing), bn. Nog is haar kwaal â. Geneeswijze, âwijs, v. âwijzen. Ueneg'en (gunstig gezind), bn.; âbeid, v. 4gt;enei^:d (gereed, gunstig gestemd), bn.; â -beid. v. Generaal (veldheer), m. â s en âalen. Generaal (algemeen), bn. De ârale zin van een uitdrukking; een ârale waarheid; in het â, in 't algemeen; advocaat â , commissarisâ, directeurâ, gouverneurâ, inspecteurâ, kapiteinâ, procureurâ, secretarisâ, Staten â . |
Generaal-majoor, m. majoors. GeneraalKebap (de waardigheid), o. gmv. Generalisatie {algemeenmaLing), v. gmv. Gt^neralissimiis (opperveldheer), m. gmv. Generaliteit (gescli. staatsmucht van onze Republiek), v. gmv. De kas der â: ter â, in de algemeene regeering, b.v. Holland had ter â veel te zeggen. Generaliteitslanden (de landen, dr' niet tot de Vereenigde Zeven Provinciën der Unie behoorden, maar rechtstreeks door de Algemeene Staten werden bestuurd, o.a. Noord-lirabant. Staatsvlaanderen, Limburg en Gelders Over kwartier), o. mv. t-enerat ie (menschengeslucht, tijdgenoote),), V. âtiën, âties. De tege)twoontige â. iivnervervn (voortbrengen, telen, verwei,ken) taeneren (xii'b) (den kost winnen), ik mij gegeneerd. Zich met handenarbeid â. Genereus (milddadig, grootmoedig, edelmoedig), bn. Een â aanbod. Generositeit {edelmoedigheid, mildheid), v. Genesis (wording: het eerste boek van Mazes), o. gmv. Wij lezen dat in â. Genei (een klein soort van Spaansch rijpaard), o. âten. Genetkat (civetkat), v. âkatten. Geneii$;'lijk (aatK/enuam), bn. en bw.; â -beid. v. vero. Geneugte (genoegen, vermaal,-, plezier), v. ^â eiiexeia (herstellen), ik genas, heb en ben genezen; â iny. v. tieniaal (scheppend, vindend, vol geest), bn. en bw. Een â kunstenaar. Genialiteit {vindingskracht), v. gmv. Geni^ (vernuft en vernuftig persoon), o. ât;n. Genie (krijgsboutvl.unst), v. gmv. liet wupen der â. taeniei» (in 7 geniep, bw. uitdrnkk.: heimelijk, verborgen), o. Geniepi;;' (in 'I geheim kwaad bedrijvende), bn.; âbeid, v. tii«knie|»i^;'er4l (die in 7 geheim K waad doet), m. â s. Uw zoontje is een â. (C. O.) talt;knilt;kten (nemen, ontvangen, krijgen), ik genoot, heb genoten. De vracht, het loon van zijn arbeid â; hij genoot de eer naast de (jast vrouw te zitten; een goede gezondheid â, l»ij voortduring in het genot er van zijn; hij heeft een goede opvoeding genoten; bij uitbr. een weldadigen slaap â; het land genoot vrede; duur zult gij rast â; van iem. gezelschap â ; het goede des levens â; een lui leven â; het schoonc in kunst en letteren â; een zegen, een gunst â; ik heb bij het lezen van dat boek genoten, genot gesmaakt. Genitief' (tweede naamval), m. âieven. Ook: Genitivns. Genius (beschermgeest), m. geniën, genii. Geiioe;; (voldoende), onbep. telw. en bw. II. heb â gedaan; dat is â ; ik heb er â van; hij heeft geld â. Genoett'doenin;;- (voldoening), v. gmv. w. g. Genoegen (xieb), ik heb mij genoegd. Ik zal mij daarmee â, tevreden stellen, vergenoegen. Ook: dat genoegt mij, past, behaagt mij ; ivat heeft hij te zorgen, dien 't kleine genoegt. (Staring.) Genoegen (voldoening, tevredenheid), o. gmv. â geven; â nemen met iets; zijn â eten en |
OR NO KG 1J J K - G ER ANK.
158
|
drinken; een hlo.% een (flans van â; met â; ieni. â bereiden, verschalJen; â doen; â scheppen; iem. een â doen; zich een â van iels maken; âs: genietlpgen, vernuiken, l».v. /Je âs der jeugd, des levens. jk {aangenaam), bn.en bw.;-li«»ilt;I,v. tiic^noe^xtiaini {toereikend), bn. en bw.; â -lioid (tevredenheid), v. â heid baar! rust. (Staring.) (â ieiKwind {zoo even genoetrd, pas uemehl), bn. De âe persoon trad binnen. Hovenâ, dasâ. eerstâ, laatst â , mee?'â, zoo â , bn. 4a«kiioliVl {naijelldoem, anjelier), v. â s. Uononieii {aangenomen, ondersteld), vd. en vw. {'jast), m. en v. â n. 4alt;'noot. in. âen. Ambtâ, echtâ, landâ, en/. 4aC*noof«k. v. â n. 4iic^iiootgt;i«*lia|» (vereeniging), o. âpen. Hel Ned. Onderwijzersâ; het hisloriseh â te Utrecht, en/..; â pclijli, bn. Het â Jaar. 4a^iioot*i4'lia|»Kiaar. o. âjaren. ^â c'iiot {qenieling, vrachtgebraik), o. gin v.; â rijk. im. 4«â¬mre (geslacht, soort), o. â s. 4a«kiir4'M'liil4llt;'r (schilder die tg pen voorstelt), v. gmv. Jan Steen is een hantoristisch â. {brem), v. gmv. 4a(kiit (mannetjesgans), in. âen. Iientiaaii (klokjes, blaaafe lelietjes), v. âanen. ^â oiitillKiiiiiiK' (edelman, adellijke; een wellevend man), m. â s. lt;a(kiitleiiiaii {welopgevoed beer), ni. âmen. 4a(kntr.y (de hooge stand), v. enkelv. (â eiiliK'tou {genoegens, genietingen, vermaken), v. mv. [.and-, zielsâ. ^aennïteit (echtheid, onvervalschlheid), \. laeiins (geslacht, soort), o. geiiern. DespeeJes van het â Haarlemmer. (('. O.) 4aâ¬*olt;*4'ii|KK'rlt;l (drak, bezig, overladen), bn. lt;a4M»lt;*OiitriM(*li {waarbij de aarde als middelpunt voorkonit), lm. ^aCMMlesie (hi ml- of veld meetkunde), v. gmv. 4alt;M»^ii4»si4' (bergkunde, leer der aardlagen), v. gmv. ^â iCM^iiost (bergkundige, aard lagen ketmer), in. âen. 4aeo^'raaf' (aardrijkskundige), m. â grafen. tiieo^rapliie (aardrijkskunde), v. gmv. ^atut^rapliiscli (aardrijkskitndig), lm. (aardleer, aardkunde), v. gmv. 4aiM»lou'iM*li (aart Heer kundig), bn. âe tijd-perkeit; de âe bouw van een eiland. ^aiMkloo^ (aurdleerkundige), m. âlogen. lt;a('4»iiict4'r (bindmeetL'U ndige, landnteler), m. âs. (hcoiik*!ric* (landtneelkunde, aardmeting), v. 4a«M»iii«'f risvli (btnd meel kundig, meetkunstig), bn. Ken welgeslaagd â schema. lt;aâ¬Hgt;orlooflt;il (niet verboden, toegestaan), bn. Een â vermaak; cm â middel; â lioid. v. 4a4M»r^-aiiiKlt;'lt;'r4l (naar den eisch ingericht, bewerktuigd), bn. 4a«M»Ktati«*a (even wicht steer der vuste lichamen), v. gmv. 4a^|»aar«l (een paar vormend),\m. Ze zijn â, gehuwd; heee âe schelpen, bijeenlioorende. 4a4'|»}ilni4l. bn. Een â omslagdoek. ^aepantMord (gedekt met een pantser, een harnas of' maliën kolder), bn. âe ruiterij. Kig. van dieren: Een âe hagedis, krokodil; de âe zeehaven. Scheepst. âe oorlogsschepen', een âe kanonneerboot. |
lat^parold (in de gedaante van parels),hn. Een spiegel met âe lijsten; âe gerst of âe gort (ook parelgerst, -gort), d. i. parel vorm ig. Fig. â e lonen, onderscheidenlijk te hooren. 4a4k|»aroiiilelt;krd (vermaagschapt), bn. 4a«klgt;arliiiiieeiMl (geurig, welriekend), bn. fiicimrodicerd {o]gt; een bespottelijke wijze nagebootst), vd. 4a4'|»ar(iiiii*4l (hebbende een gelijke naast zich), bn. la^liaKporleord (ontslagen; met paspoort uit den dienst ontslagen), bn. 4aO|mssioiiii4kerlt;l {zeer eerzot op), bn. 4alt;'|m*t (geschikt, behoort ijk, (goedgekozen), bn. Een zeer â woord; een â antwoord; een â gebruik; een âe lichnamsbeweging; een â middel. Bij ui tbr. lujegzaarn, oorbaar: Een âe schaamte; met â ontzag; bw. Hij spruk zeer â : de jongen gedroeg zich heel â. 4alt;'lgt;astlilt;'i«l (in den stijl, overeenkomst lus- sehen inhoud en vorm), v. gmv. { met peper bestrooid), bn. âe saus; â e soep. Fig. met scherpe uitdrukkingen gekruid, bijtend: Die stijl is â. 4alt;'|M'ii |Mkl {het gemeene volk, het junbugel), o. ^a^'piinK'or*! (beleedigd, geraakt), bn. iaoplokt {met vlekken), bn. Uit llaweel is â. (aopliiimd (met pluimen), bn. Een âehetm. (het burgerrecht hebbend), bn. Ia0|»0|gt;el (angstig en onrustig geklop), o. gmv. Hel â van al die kinderharten! ^â tapoMeoril (bedaard), bn. Een â man; op â en 'leeftijd. lt;iUk|»i*acli (gesmeel:, gevlei, gebedel), o. gmv. Een iveldaad met â bel.onwn. Ialt;'|gt;r«'s«4'frlt;l. bn. â zijn, d. i. haast hebben, tat^promovc^rd {tot den doctorsgraad bevorderd), lm. (â epromovwrde (iem. die doctor of meester is geworden), m. en v. â n. 4apnâ â I' {pauiig, spits toeloopend), bn. Een â e lans; een â potlood; fijn â , scberpâ. â¬alt;'piirp«'r«I (in purper gedost, purperen), bn. Geraakt (door een beroerte getrojfen; lig. boos), vd. en bn.; â lu'id. v. lt;aâ¬ki*aaiiitc (al de beenderen in samenstel), o. â n. fa^radon (dienstig), bn. Ik acht het d. i. gepast, noodig. (â «'raden {raadzaam), bn. Iels â vinden. (â eraflol (bet slordig en haastig sprek -n), o. gmv. Lees toch langzaam, dat â is niet aan te hooren. (â vraflincord (gezuiverd; ook: doortrapt), bn. Fig. doorkneed, sluw. Een âe kerel. (â «'rak (gerief, gemak, verpleging), o. ginv. w.g. lt;n4krak4Mi (komen, verkrijgen), ik ben geraakt. Tol iets â ; tot fortuin â ; in verlegenheid â ; uan den drunk â. 4gt;4*raiiiaNM'(?rd (forseb, gespierd), bn. Een âe vent. laeraninwl (het telkens uunhoudend rammelen), o. gmv. Het â met u'apens, sleutels, ketenen; het â van wagens en koetsen; dat â van die buurvrouiv, d. i. eentonig gebabbel; ivat leer-je nu uit (tl dat â, zotteklap, onzin. laorand {voorzien va)i een rand), bn. Een â geldstuk; een âe dukaat; âe rijders. laoraiiiiiin (zekere pluntensoorl, potbloem), v. âs. Iiieraiik (het in ratiken opschieten), c.. gmv. Wild â en stekelruig. (Staring.) |
G KRANT- O ÃR USTST KlXKN.
|
(rémntivoordclijk h^hoervoerder), â lil (rcchtbcuih), o. âen. t (spijs, portie), o. âon. Ken smahe- (rerhtvanrdiu, ov/Htrlijdiu), bn. âe Hemel! Hij nnderyhig zijn âe straf', ren âe znnlc; âe haat, toorn. lt;HerccliteliJk (in rechten nesrhiedendf), bn. Ken â akkoord-, een âe hoedètafs'and; de dood ran Marie Antoinette was een âe moord. (J. ten Brink.) bn.; â Ii4ki4l. v. hun. âheat laten wedervaren, d. i. de billijklieiil der wet. lt;gt;lt;kr4kc*litiK'4l (uemaehtifid), lm. i (rechtneven), ik heli gereclitigd. P (rechtbank van hoon eren ra nu), -hoven. (bereid tot iets, klaar tot iets), bn. Ik hen altijd gereed om u te helpen-, met Paschen is hun werk â. UerccMldijk (zonder hezivaar, licht, gemak- kelijk), bw. Dat laat zich â doen; er doet zich â een gelegenheid op. lt;alt;krc«'dlukHl (de toestand van klaar zijn), v. quot; ft â ' â in Alles ligt voor brengen. ^â lt;gt;rlt;gt;4kdli4»ii4lâ¬kii (xicli). ik hield (mij) â, heb (mij) â gehouden. Hond u voor de reis â ; de soldaten hielden han geweren d. i. in gereedheid. lt; â e â¢â¢Â«Â«â¢ii ii, ik heb gereedgelegd. Zijn kleeren, bneken, gereedschappen â. 4gt;«ki*olt;Mlli^â¬kii (klaarliggen), liet lag gereed, heeft gereedgelegen. De kopij ligt gereed voor de pers. iivrvetltuiilmn (klaar maken). \k heb gereedgemaakt. Maak a â tot dm aftocht', het maal â. 4»ci*4'lt;kdM«*lia|» (werktuigen, instrumenten), o. âpen. 4alt;gt;i*lt;'lt;kd««laan (klaarstaan), ik stond gereed, heb gereedgestaan. Ik sta gereed om ter kerk Ie gaan. lt;aoiHklt;kd%ttlt«kn (klaar zetten), ik heb gereed-ge/et. Zet het ontbijt maar (â cwtoriiK'crd (hervormd), bn. Zijn vader is â en zijn moeder is menist- hij is Kransch â ; ile âe gemeoite. ^â cref'ornioerilc (Protestant), m. en v. ân. (geordend, ordelijk), bn. âe troepen-, een âe krijgsmacht; de }marden in âen draf-, een âe gang van zaken', een - leven: een âe levenswijze; een â hmshonden; een â e schaar; hij is daar een â bezoeker; bw. â denken, spreken; â leven; alles liep bij dat feest â af: â lieid (orde, ordelijkheid), ' (allerlei gereedschap), o. gmv. Keuken â. (gerei, ook: paarderitnig), o. âen. . (langdradig, tang aangehouden), bn. Ken â gedicht; er is iets âs in zijn pree!:; muz. een â akkoord; een âe rust; bw. Die dominee preekt zoo â ; â liold (wijdloopig-heiil), v. iivrvMUviil (langdradigheid, waterigheid), v. gmv. â van stijl. lt;«â¬krâ¬'l (druk gepraat, zotteklap), o. gmv. Wat een laf â / lt;a«'rlt;kni|dac*lt;kerd (in den dienst vervangen door een ander), vd. 4alt;»rlt;'iiomm4gt;erd (vermaard), bn. Ken â schrijver. lijk AieveHo\\eevA(vaslberaden,n:oedig),\(\. enbn. iets rn â |
imvretirecwHhafgezonderd,teraggetrokken),Vtn. 4iierâ¬kiitâ¬'l (rochelend keelgeluid), o. ginv. Het â des sterrenden. Fig. .'/â quot;babbel, b.v. Wat een â over een nietigheid! ^â errkamer (kleedkamer der priesters, ook sacristie, consistoriekamer), v. â s. iiert'tivUnnf (werktnig), v. -schaven. (keep in een duig, inkerving), m. âs. Ook; lt;aikril»4l (voorzien van rihbels\ bn. Ken â blad; âe stoken; âe zijde. (rechtbank), o. Ook; lt;aereclil. iivrivf (voordeel, genot, gemak), (â¢. gmv. lat'riefVlijk, bn. en bw.; âIi4'ilt;l (gemak), v. âheden. lt;*4gt;ri«kvlt;kii. ik bol» geriefd, lem'. met iets â. van dienst zijn; zich met iets â, verge- noegen lt;ii«rikl kkokik. 4alt;'i*ikkik (het kwaken der kikvorschen), o. ⢠gmv. O^rikk^tik. o. Het â van een horloge. 4a4kriiii|gt;lt;kld (rimpels, groeven iwhbende), bn. â e bladen. 4alt;kriiB^: (onaanzienlijk, onheteekenend), bn. en bw. lu het âste niet, volstrekt niet; de âe standen; een âe ongesteldheid, d. i. lichte; liCon. ik heb geringgeacht; linjr. v. iaoriiitf'Koliattoii, ik heb geringgeschat; - -schatting, v. 4gt;ckriKt. bn. âe nien, d. i. aan een rist gebonden, ^â vrniaaii (oud-Duitscher), m. âmanen. lt;Mlt;kriiiaaiiM«*li (mui-Duitsch), bn.; als zn. o. ^â «'riiiaiioii (blank ras van X.W. Kuropa), iNiii4k (Dnitseh getint woord of uitdruk/,ing), o. â n. 13.v. daarstellen, vroegjaar, begeesteren, enz. niKt (beoefenaar van het oud-Du itsch), en. inal (le of maand der ontkieming, van 21 Mdart tot '19 April), in. gmv. OeroeKemoeN (druk gewoel, bedrijvige drukte), o. gmv. 4a«krokt (een rok dragende), bn. âe heeren. 4lt;i(kr4gt;iiii«kii (dik geworden, gestold), bn. -hhied, - melk. 4alt;kroiiii«kii. vd. van rinnen - loopen, vloeien. Znn gewonner. zoo â ! 4alt;ki*4»iitiiilt;klt;kr4l (geoefend, heilreven , vlug, doorkneed, ervaren), bn. Keu â reiziger, (graan), v. tem. van haver tot â ken-' neu, d. i. van onder tot onder. Ook: laar^t. 4a4krKtlt;kl»ilt;ki*. o. gmv.; -Uro«d,o. -broeden; â korrel, v. â s; âmolk (jtap), v. gmv.; water (geneesmiddel),o. gmv.; â wijn (drank uit gerst bereid), m. gmv. â en. Die zaak maakt â, baart â¢pzien; een goed â, ecu kwaad â, roep, ; iem. in kwaad â brengen, hem belasteren; mee den wolf, die in een kwaad â staat; een los, een onzeker, een valsch â: op het verste â ; â maken. (â ieriiini (vrij lang), bn. Ken âe lijd; een -e paus. (â eruit (gt;net ruitjes), bn. liet âe Jurkje; een wil âe sprei; een wit- en zwartgeruite pantalon. (*eriiNt (rustig, kalm), bn. en bw. Ge kunt het â doen, onbevreesd, zonder schroom; âelifk, bw.; â lieid (ongestoordekalmte), v. (â eriiMtNtellen (tot kalmte brengen, de un- |
GER\VE-C
;ksnaard.
|
. rust wrunemcn), ik heb â gesteld, h'in. op dit uf' dal puiil â; wil âd hrricht; .slcl a â, wees niet bezorgd; âsffiling- ((jcruslsh-l-Icnde bcluidiny), v. âen. tiicrw** {duizendblad), v. gmv. Ook 4«4kKaliiieei*d, bn. â jiapifr, satijrmchtig. 4a4'scliaai*«l. bn. en vd. Zij stonden ojt eon 'à -⢠lt;-('M4'li:rarlt;1. bn. Een â mes, d. i. met schaarden olquot; kepen in liet scherp. ^â «'MeliakcH'rd (wapenk. in vierkante valken Verdeeld), bn. Ken schild, â van ijnnd fa rood in vijf rijen-, â van roode en zilveren blokjes. ^â «'sclial (!l''ltiid), O. gmv. Hn â der horens. 4Blt;'slt;*lia|»4'ii (yesteld), bn. Zaa staat het niet die zaak â ; â lieid (yesteldheid), v. 4J4'soIi«'4»|gt;I (iaiirladen). bn. Het yoed is â. lt;aCM*li4kiik (nip,iiwe), o. âcn. Ken aanzienlijk, keariy, mild â; iets lm âe aanbieden, ye ven ; kinderen zijn een â des Heeren; Kerstâ, Nieuwjaarsâ, Sinterklaasâ. 4*(gt;S(*lii4'lit, 4gt;4'S4'lii4'lil4k (dicht, nesehiede-nJs), o. âen. Moord- en doodyeschiehten (Bild.); in 's lands âck. (Van I^ennep.) 4a4'S4*lii4k4ll»4»4'li (lt;//⢠(jescli leden is van hel verleden, kroniek), o. âboeken; â «clirijver. m. âs; â voruelier (naspoorde)'), m.*âs. 4a4gt;M*lii4'4l4'ii (yebeuren, voorvallen), liet is geschied. Dat alles is yeschied', hetyeschiedde in die day en; laat alles met orde â ; mij ye-sehiede naar uw woord, overkomen, te beurt, ten deel vallen; n zal harm har liyheid â; uw t(gt;il yesehiede! lt;B4gt;s4*lii4'4l4'iii*t. v. âsen. De vaderlandsehe â; een heele â, /.aak van veel omhaal; de lel te r-kundiye â. der letteren; een leerboek der â. («ivM'liitMlkuiHta. v. gmv. lt;a4'MC*lii4kdkiiii«liK'e« m. â n. â¬â 4'.S4*lii4'4li*4gt;l (de yeschiedenis), v. ârollen. lt;ReK4*liiikdKelirijv4ki% in. âs; â verhaal, o. verhalen; â V4»r.sclier (onderzoeker), m. â s. â¬â 4?m4*Ii ikt (bekwaam), bn.; âlicid. v. 4a4'H4*liil (twist, oneeniyheitl), o. âIon. Een â rijst, rijst o/t, doel zich op; een hanyend â ; met iem. in â raken; een â beslechten, ver-eHenen, bijleyyen; âpunt, o. 4iicN4*liiiiim«l4l. bn. Ken â paard, schim-melkleurig. 4gt;4ks4,li4»l't (sterk), bn. De âe bulfel. lt;B4'«i4'li4M»t4l (in nehooren yezet), bn. lt;gt;4'M*li4»r4'ii. b\v. Er yens Ieel ijk mede â zitten, geplaagd zijn niet, een onoverkomelijke zwarigheid, er gek of leelijk in zitten. laeMthreeiov (het aaiilwudend schreeuwen), o. gmv. Het â en yeroep der marktventers; â van moord yiny op. (Staring). Spreekw. Veel â en weiniy tvol; hulpâ, kinderâ, krijysâ, moordâ, wraakâ. lt;«4's4,lii,ill (het yesehrevene, handschrift, ye-drukt werk), o. âen. Bij âe, door schriftelijke mededeeling; in âe, niet mondeling; v/dschheid in âe; in âe brenyen, stellen; de âen van Cicero; losse âen; de âen der Joden. CiU'Slt;*lir4»k (yulziy eten), o. gmv. Het â van die kinderen. lt;HCS4,lir4»l (bedilziek gevit), o. gmv. Dat - op anderen! gmz. (â eta'liiilMl. vd. en bn. âe hayedissen, met sclmbben bedekt. iiiCMcluiifcl (yeblaas, gesis), o. gmv. Men kent die slang aan haar â. |
(â 4kKclmifcl (voortdurend schuivende beivc- yiny), o. gmv. Kr yiny een â dooi' de zaal. 4a4kS4^liiil (schieltuiy, oorloystuiy, kanon), o. gmv. Ken slak â, een vuurmond, een kanon; hel â ontbrandt, batdcrl, dondert, knalt; de donder van het â ; het â speelt; het â bedienen; er is yrof of zwaar en licht of klein â, «1. i. vuurmonden van grooter of van kleiner kaliber. Fig. Hij bey on mei yrof â r op krachtige, ruwe manier aan te vallen inet woord of daad; bery â, beleyerinysâ, kust â, scheeps â, veldâ, vest inyâ, werp â . lt;a4kM4*liutl»4'4l4liii^- (vaste ondcrluay van hout), v. âen; â 4l4*k (scheepst. tasschen-dek en k'-ildel:, die elk een batterij voeren), o. âdekken; â{fat (-poort), o. âgaten; â -krablM'i* (louw om op zee hel yeschnt vast te zetten), m. âs; âlantaarn (nl. ter verlichting der batterij), v. âs; â ni4'estor, m. â s; âpark (werf), o. âen; â p4M»rl, (rier-kante. openiny in den wand van het schip); v. âen; â r4»l (lijst van de manschap diehc! yeschut moet bedienen), v. ârollen; âtalie (takel, dienende om het yeschut in of nil de y('schutpoorten te halen), \. âtalies; âtap {korte cilindervormiye as aan weerszijden ' waarop het kanon rust), m. âtappen; â werf (pari:, waar kanonnen, koyels enz. zijn op-yesteld), v. âwerven. lae.si^-naleerd. vd. en bn. Ken â misdadi-yer. een wiens signalement bij de politie is rondgezonden; hij heeft zich boven anderen â, d. i. uitgemunt, zich doen kennen. tii4'sla4*iif (familie, stamhuis, vorstenhuis), o. â en. Ken aanzienlijk, doorluchtiy â; vanâ tol â ; het â van Abraham. 4i4Mlt;ilaelit. (slacht), o. lielastiny op het gemaal en hel â, d. i. geslacht vee. 4a4vslaelit (het mannel ijl,\ vrouwelijk of on-zijdiy zijn van een woord), o. âen. Kr zijn drie âen: er is een natuuriijk â en een laal-of woordâ ; er beslaan reyets voor de âen. â¬He.slaelitkiin4le (yenealoyie, juiste kennis der verwantschapsbetrekkinyen tusschen adellijke yeslachten), v. gmv. lt;»4kNla4*litKl»4gt;4mi, 4ii4kNla4'litl»4M»ni (stamboom), m. âen. 4iieKlalt;;lit*lt;lijMt, 4gt;4'Hhi4*litlijMt. v. âen. lt;i(4^laelitsnaain. lt;iieMla4'litnaani. m. â namen. 4Blt;kKlaclitKwapen. lt;gt;c.slaclit«vap4'iii, o. â s. 4*(gt;Klag'en. bn. Hij is ridder â ; â koper; â youd, d. i. bladgoud; hij is mijn â vijand, d. i. onverzoenlijke vijand. iieH\e\*en (listiy, doortrapt), bn.; â heid., v. 4ii4gt;sl4»ten (niet geopend; lig. niet open, niet rond), bn. Met â vizier strijden; deze winkel blijft â ; houd die deur â ; lig. hij is â als het yraf, deelt niets mede, is dicht als een pot; ik hield mij â ; het, â y el a at van den minister, koel, ingetrokken; â lieid, v. 4gt;4'sinaal (smadelijk yeseh imp), o. gmv. Dat gespot en â op den godsdienst can anderen. t*4gt;sinak (het aanhoudend smakken), o. gmv. Dat â is onyemanierd; het â van dien drinkebroer. ^â eNinak (yeyooi, yes mijt), o. gmv. Het â met de yoederen op een boot. Oesmijde (allerlei sieraad uit metaal, ook uit parelen en edelyestecnten), o. vero UeHmijtlifs (leniy, buigzaam), bn.; âlueid, v. liit'Miiaard (van snaren voorzien, ycreed), bn. Nu ben ik weer â, d. i. van 'tnoodige voorzien. |
GICSNKDKN âGKTIKH.
161
|
4*OMiielt;l4'ii, vd. van snijden. Een â beeld, (cf epoch^ gez wets), o. gin v. {(ievlei,;iehedel), o. gmv. Dat â om ren dag vevlof. lm. Deze ffneilrrenzijn netjes â, tl. i. gerangscl likt; deze trial,e/ is goed â, d. i. voorzien. in. âen. De â ran een vest, een pantalon, en/..; niet ren zilveren, gouden, jangelen â was zijn stropdas rastgrmaal. t; Keesjes vinlrr . . . had grootc zilrrren âen op zijn schoenen gedragen-, Mietje Dekker, nn't ecu koperen â op haar hnik. {paar, koppel, s/tan), o. Ken â sterke rei spa arden; een â blanke z/vanen; een â ossen; een â ploegpaarden. {â «'speel (speelgenoot, speelmakker), m. en v. gespelen. Vr. ook Gespete, (â (kM|»eii {vastmaken met één of meer gespen), ik hel) gegespt. De schoenen â ; het borstharnas â, het har)ias â, d. i. zich ton strijde aimgorden; aanâ, dicht â , losâ, toeâ. {â espiei'd (krachtig, sterk), lm. Ken â man; een âe arm', lig. een âe stijl; â lieid. v. lt;gt;('S|»ikkellt;l. lm. âe kon sen, d. i. met spikkels. lt;aeK|M»lt;»r4l. Igt;n- De raiter tras gelaarsd en â. ^â CKpiiiiueii. vd. van spouwen (splijten). ^aesprek (mondeling onderh'ja.cl), o. âken. Ken imbedniilend, een geregeld, een levendig, een onderhoudend â ; een â aanknoopen, afbreken, storen, vervolgen, voortzetten; zich in een â mengen; een andere wending aan een â geven; het âwerd algemeen; het â gaande handen. UeKprenkelri. lm. en vd. Is het strijkgoed a! â ? d. i. vochtig gemaakt. (geboefte, gebroed, het gepeupel), 0. gmv. Kn 't moord- te ontjagen dringt nog te sterker. (Staring); s/tinnen en ander vuil â; er is vreemd â langs den weg; 't â viel aan 't plunderen. (I looft.) v. Ook: 4gt;('staald9 lm. 'Door het lijden â, d. i. gehard. 4«4gt;staau' (duurzaam,vast), lm. en l»\v.; â lieid. v.; âlijik. bw. 4aesfalte (gedaante, hond'mg', post nar), v. â n. ^â eKtalteiiiN (gestalte), \. gmv. vero. ^â estaiiiel. 4aestaiiier (Iwt stamelen), o. ^â estaiKl (alleen gehrnikelijk in: â doi-n),bi). Zijn woord â, zijn belofte â, zijn eed â doen, d. i. nakomen, houden. lt;*e«gt;»tai*iul. UeKterml. lm. De -e hemel. 4ie»ilariite9 ^iesteriile (dicht, at lt;le sterren samen), o. Het â van dendrootcn Heer, d. i. sterrenbeeld; onder een gelukkig â geboren zijn, een geluksvogel zijn. ^â ieKlatioiiiieei'ri (geplaatst), bn. Oesle (gebaar'), v. âsol' â n. De zanger maakte allerlei âs. 4gt;e*iteeii (zacht gekerm), o. gmv. Ken klagelijk â liet zich hoeren. Ook: laosteim. 4iie.Hleeiite (een veelheid van stcenen; edele steen, één steen), a. â n. Did is een edelâ; een kostelijk -, een kostbaar â; een doll,-met ân omzet; het agaat is een zeer hardâ; in quot;t bijz. Kn schrijf dan dit op mijn grafâ, grafzerk, -steen, -tombe. 4*esfel (geaardheid des lichaams), o. â len. Ken bloedrijk' â; een uuderachlig â; een droog â ; een aandoenlijk â ; een prikkelbaar â; een sterk, taai â; een zwak â ; levendig van â; zijn â ondermijnen; de. koenen, Verkl. Handwdb. d. Nederl. taal. |
koortsen ondermijnen zijn â; een â schokken; een tceder â ; een verliefd â. (â esteld (gehecht aan, verzot op), bn. De man was zeer â op fraaie bandjes; op iets â of niet â zijn; de kleine is zeer op het kindermeisje â, d. i. er veel van honden. Oesteltl. bn. Kr worde â, d. i. ondersteld, aangenomen; â dat... lt;*estel4lliei4l (toestand), w -heden. De â des lichaams, der ziel, des harten, enz.; de â der Nederlanden. lt;gt;eKtelteiii*gt;» (toestand), \. âson. Ons oordeel is naar de â der hersenen soms helder, soms betrokken. (Vondel); de â der zaken. \v. g. opfeil (oude verhalen, strijdliederen), v. mv. Wat zijn er al vermaarde â uit de Middeleeuwen! ^â SeKteii (gisten), het heeft gegest. laestielit (gebouw), o. âen. Ken liefdadig een â voor ooglijders, enz. 4gt;(kNtieiilatie (gebaar, gebarenspel), x. -tiön,-s. liieKtieiileeren (qebaren maken, inzonderheid met de handen). l-eKlie (beheer, verrichting), v. â tiën. l-estiiiK' (Uiting), v. gmv. ^â eKtoelte (verheven zitplaats, troon), o. â n. bestol' (gesnoef. grootspraak), o. gmv. (â estolt'eerd (van kleed en en gordijnen voorzien; gemeubeld), lm. Ken âe kamer. ^westrcept (met strepen), bn. âe siolfen; eens â octaaf, d. i. het derde octaaf op do piano, enz. reiijU' (niet toegefelijk, streng, stipt), bn. Ken â rechter; een - onderzoek; op âen toon; een â oordeel; âe zedigheid; een âe stijl; in âe afzondering; een âe vorst; bw. iem. â struif en, op strenge wijze, onverbiddelijk: â lijk. bw., b.v. Iets âlijk weigeren; iets â lijk wreken; â iiei«l (on verbiddelijkhe 'nl). Kdcl â , Hoogedelâ, Weledelâ (titels). faeKtrikf. bn. en vd. Ken âe baas, d. i. met een strik gevangen. Zij is getint en â, vol lt;gt;eKtrook (gestreel), o. gmv. [strikjes. Gestropt (een stropdas omhebbende), bn. laestmleerd. bn. Een â persoon, d. i. iem. van hoogere studie. Oetabberd. 4atgt;talgt;l»aard (dragende een tabbaard), bn. âe rechters. lt;gt;etali-pert*ja. v. gmv. /ie 4*iittapei*clia. fadakf. bn. Ken â gewei van een hert, d. i. een gewei met takken. ^â etal (een veelheid), o. âlen. Ken groot â; het â der ongelukkigen iverd al grooter; ten getale van ló; in grooten getale; rokenk. een benoemd â ; gelijknamige â len; een even â; een geheel â ; een gebroken â ; een gemengd â, b.v. 2«/.-,; is een â ran twee cijfers. 4gt;efanlt;l (met tanden), bn. Ken â rad. 4gt;efateu'aal (het krom en gebrekkig spreken), o. gmv. Het â van dat kindje. ^â eteekeiid (een bijzonder teeken aan het lichaam hebbende), bn. Ken bultenaar is een â menseh; een fraai âe hond, gevlekt. lt;«eteekeilde (een teeken dragende), m. en v. ân. Wucht a voor de -n. (volksgeloof). 4aefein|K'rd (bedaard, verminderd), bn. â licht; âe warmte. Ueteui (gemelijk gezeur, gebeuzel, getreuzel), o. gmv. VV^ verdriet mij uw â ! ^â etier (gehuil, tuidgeschreeuw, leven),o. gmv. Het â der koeien bij dien brand; een machteloos â; een â van allerlei kreten; met woest â ; het â een er dwaze menigte. 11 |
GETIKKELIKR-GEVAL.
102
|
â¬weliâ¬?rolickr (v rooi ijl,â gckivcrl ilrr vogels), o. gmv. Hi t zoet â. Uetij. 4aetiJ«lc (h et vallen en loassen ran het tratrr, ch rn vloed), o. Dood â, de zwakste vloed; het â waarnemen, op het â tot ten. d. i. gunstige waterstand; eik visrht op zijn â, elk let op zijn hijzonder voordeel. (â U'fij (jaaryedaehtenis van een doodc), »gt;. âden, âen. iicii\higt;eKAmrii\iivuhi*vU.{'jehedlt;,nl)ockeens priesters, brevier), o. âen. Uetifde Oaargelijde), o. â n. Cij krnt de vier âen? Wel zijt ge schoon in elk â! (nl. quot;t Haagsche Bosch). I«lt;ktijdeii (gebeden voor eiken dag), o. mv. (tnet strepen), bn. Een âe hond, gevlekt als een tijger. iiiiiiilt;krUk {at wat getimmerd is), o. â n iiciinU.el(get.iingel,zachlgeklank), o. gmv. Het harmonisch â van de bellen der kmlden. 4*etintel (gefonkel), o. gmv. Het â dersterren. Uctint^l (geprikkel), u. gmv. Het â der vingers, als men sneeuw kneedt. lt;*otJaii$;'el {muziek van slecht allooi), o. gmv. Het â van dat kind op de piano. Uctjili» {gepiep ran musschen), o. gmv. {aanhoudende last), o. gmv. iNCtoet {het blazen), o. gmv. Dat â op dien horen. 4*otog;eii9 vd. van 't verouderde tijen {trekken). Ik ben hier geboren en â, d. i. opgevoed, (â etokltel {het zachtjes rukken aan de snaren), o. gmv. Het â eener harp. iRetoiiiniel {gedruisch, rumoer), o. gmv. vero. lt;*ctomv {weverstoestel), o. âen. Zie:Touw. (â tttraan {geschrei), o. gmv. Vlaamsch. OetralÃMl. lm. Een â venster, d.i. met traliën. Uotrantel {het gedurig op en neer loopen), o. gmv. vero. (â ctravesteerd {belachelijk ingekleed, nagevolgd), bn. (â etriptrai», o. gmv. Het â der spelende kleine u. iiiet roost (gesterkt, moedig, niet a ngst ig), bn. Een âe weduwe, nweder; hij is in zijn lot â, d.i. berustend. Getroosten (xirli). ik heb (mij) getroost. Bij de studie moet men zich inspanning â, met gelatenheid zich schikken in; zich de{r) moeite â; zich den dood. â; zich opotJ'erin-gen, ofj'ers d. i. gewillig en gelaten die offers brengen. tiictroiiblcord {niet wel bij 't hoofd), bn.; â Iieid, v. t; et rouw {iem. niet verlatende), bn.; een âe dienstknecht', een hond is â; een âe onderdaan', een âe echtgenootc, â zijn aan een afspraak: â zijn aan God, aan zijn woord; een â geheugen; een âe vertaling; een â verslag, betrouwbaar. Zijne zeer âe majesteit, titol van den koning van Portugal. 4»lt;ktroiiwli«kid {onveranderlijke gehechtheid), v. gmv. De â der doggen van Flor is de Staten zwoeren â aan den Vorst; den eed van â a/leggen; bij ui tbr. de â eener vertaling, betrouwbaarheid, nauwkeurigheid. t»etroiiwi$£lieid {getrouwheid), v. gmv. Bij-belsche uitdr. De Heere dan vergeIde een ieder zijn â. |
tiietiiigd (van een tuig of toom voorzien), bn. tietui^e (iem. die tegenwoordig is of was), m. en v. â n. Iem. als â vragen bij zijn huwelijk; de (notarieele) akten zullen worden verleden voor renen notaris in tegenwoordigheid van twee â n; iem. tot â nemen, roepen; de â, behoorlijk opgeroepen, moet verschijnen; aan â n wordt een schadeloosstelling toegelegd; een - tvraken, afwijzen, afkeuren; een onwraakbaar bij uitbr. ook een geloofwaardig schrijver; érn â is geen â, de verklaring van één getuige is geen middel van bewijs; â zijn van iets, er hij tegenwoordig zijn; ten aan hoor en van â, een belangstellend, deelnemend â van iets zijn; rnoogt gij nog lang â zijn van mijn geluk. tiietni^e {getuigenis, verklaring), o. ân. Ion. van goede ân voorzien; â n vragen, ân geven, d.i. gunstige getuigenissen; er wus hevig gevochten, ân de üloedplekken op den grond; mis volk gaat vooruit in ontwikkeling, ân de vele lagere scholen, d. i. ten bewijze dienen. lt;gt;etiiiK'4*ii {als getuige een verklaring afleggen), ik heb getuigd; âis, o. en v.; - verhoor, lt;».; xetiiig-sclirift {attest), o. âen. 4*etiillmiid {een tulband dragende), bn. Een â e Moor. taotwocii {met z'n beiden), telw. mv. lt;*eiil {smal, diep water; smal kanaal), v. â en. In Limburg: rivier van dien naam. (â «'ui' {welriekende lucht, parfum), m. âen. De â van het gebraad; de â ran wierook; van rozen, seringen; een balsemende â; zegsw. iets in âen en geuren vertellen, d. i. met vermelding van alle bijzonderheden; hij «itierf in den â van heiligheid (ook reuk van â); de â van iem. deugd, de liefelijke aandoening, die zij opwekt. taeiir. m. âen. Er is een âtje aan, de zaak is niet in orde, niet zuiver. lt;gt;CMireu (geur verspreiden, fig. pronken), ik heb gegeurd; âstol', v. (â eiirig*, bn. Een âe ruiker; â licid, v. tieiirm (kleinzielig geklaag), o. gmv. 4*eiis (bedelaar, partijnaam löOO), m. geuzen. De (leuzen, zie gesch. 80-jar. oorlog; een Waterâ, Bosch â , t-eus (vlag, die van den boegspriet waait), m. geuzen. Er woei een geus van oranje, blauw en wit van de boegsteng. ^â eiiscli, bn. Hij is â geworden, d. i. tot de geuzenpartij (die der Hervormden) overgegaan; Amsterdam was in 1578 â geworden. (â evaar (hachelijke kans), o. gevaren. Een aanslag vol âs; dit is niet zonder â; â loopen, b.v. van te verdrinken; het â dreigt, nadert, genaakt; het â bespringt iem.; worstelen met het â; een â met iem. deelen; in â zijn, ver keer en, zich bevinden; zich in â stellen; buiten â zijn; zich in â storten; jachtâ, strand-, zeeâ. t^vaarlijk. \m. Een âe tocht; â lieid. v. tiievaarte (reusachtig voorwerp, schip, gebouw, rots, enz.), o. â n. tgt;evalt;*eiiieerd (ingeënt met koepokstof), bn. tievafler (peetoom), m. âs. Als â or er een kind staan, het ten doop houden; â seliap (peetschap), o. (â ieval (voorval, geschiedenis), o. âlen. Het volgende â is mij bekend; âlen van Friso (titel van een gedicht); het is een lastig, een moeilijk â, een gek, een treurig, een vreemd, zonderling, curieus â, gesteltenis, toestand; wat ivas het bijâ, toevallig; in â, wanneer, als; in allen âle, wat ei' ook gebeuren moge; spreekw. (leen ding gaat bij â , maar God bestuurt het al. |
t; KVALLK N - (i IC VOIIMVAU).
163
|
4wlt;kvalleii (gebeuren), liet geviel, is gevallen. 4gt;lt;'vallij (aanyenarnn), lm.; â v. ^wcvaii^ciK^ (person)!, die firrtiiKjcn lt;gt;t' in den krijg gevangen is), in. on v. â n. Cij zijl mijn â; het gekerm der â n; deccllen di-r â //. 4;lt;'vaii^lt;'iiis (huis vuu heehtenis), v. âson. Hij zit ui twee jaar in de â; âstraf', v. ginv.; âwezen o. gmv. 4*evaii^eiiiieiiieii, ik nam gevangen, lioli gevangengenomen; â in^-. v. 4*evaii^-eiixelten, ik heli gevangengezet; -in», v. 4alt;kvaii^-en%iften. ik zat gevangen, hel» go- vangengezeton. tievankelijk. Itw. Hij werd â weggevoerd, (I. i. als een gevangene. laevat (geslepen, seheritzinnig, schrander in het antwoorden), bn. en lm.; â lieilt;l (snelheid van begrip), v. Iweveelit (een IrrIJ'en, ren vijandelijke nnl-moeting), o. âen. Een Iwvig â, een bloedig â, een aanvallend â, een verdedigend â; in â zijn; in â komen met iem.; buiten â stellen, doodon of gevaarlijk kwetsen i twee â (duel), o. âon. lt;iievelt;lerlt;l (roorzien van veaeren), lm. Een -r- zanger, d. i. vogel. Oevederte (pluimage, gepln.mle), o. gmv. Dicht. lt;*eveiiiK4l f niet oprecht), vd. en lm.; â lieitl. v. t;eveiiis«le {veinzaard), m. en v. â n. lt;â evel (buitenmuur van een gebouw), m. âs. Een voorâ, een zijâ, een achterâ. txcven. ik gaf, heb gegeven; âer. m. Gehoor â aan, letten op; den geest â, sterven; iem. raad â, raden; rekenschap â, verslag doen; acht â, letten op; vuur â, schieten; in het licht â, uitgeven van een boek, enz.; in bedenking â, laton overwegen; wat â en nemen; zich naar de omstandigheden schikken. i-evest (handvat van een degen), o. âen. (â evenwel (gepeuter, gemorrel), gt;gt;. gmv. Ual â aan je das moet je laten. gmz. (â eviereiideeld (wapenk. in vier rechth. rakken verdeeld), bn. Een schild, â van rood, zilver, goud en zwart. iiieviiid (voorzien van vinnen), bn. Vissehen zijn âe dieren; lig. het âe blad van den citroen; acacia's met hini fijn â loof. 4«evlakt, taevlekt (mei 'vlekken), bn. De â e luipaard, hgena. tievlaiiKl. lm. â hout; â palissandei'hont. i»evl«'eslt;l (vleesch hebbende), bn. Een â kip; een welâe duif; de âe duivel, satan in vlee-schelijko gedaante. lt;»evlêrkt (gevleugeld), bn. Een âe toonkunstenaar, d. i. zangvogel, w. g. lt;;evleii$?ellt;l (van vleugels voorzien), bn. Een â dier, een â woord. d. i. opalier tong. tiovlif. o. gmv. In 7 â spreken, d.i. tot verzoening van partijen, vero. Oevoejf, o. gmv. Metâ, betamelijk; laat dot kind zijn â doen, behoefte in t groot. lt;gt;evo(^lijk (naar behooren, passend), bw. liet ivns zoo donker, (lat het gas â had kunnen branden; men zou zoo iels â kunnen vragen; -lieid, v. Wevoel (het voelen, lig. aandoening), o. gmv. Die lamme heeft in dat been geen â meer. De zangeres zong met â. |
lt;gt;evoeleii, ik heb gevoeld, liorouw â, uw-delijden d.i. ontwaren, het besef er van hebben; een trek, een neiging, Inst, belangstelling â ; liefde, achting, sgniputhie voor iem. â; van lt;le schoonheid eener knust weinig â : veel. weinig voor iets of iem. â; zich zdren â, d. i. lier zijn op zijn kracht, met zelfvertrouwen vervuld zijn. tgt;e voelen (gewdarwording,mecning, oordeel), o. âs. Met âs van hoogachting; met bc-kende âs; zijn â uitspreken; met iem. â instemmen; verschil van â. i*V\iwUx (gevoel hebben,Ie, lig. aunt rekkelijk, vatbaar), lm. Elk dier is â voor pijn; deze hoenders zijn zeer â voor kou; een â zenuwgestel; een â hurt, een hond is â eoor een goed woord: iem. âe zijde, d.i. zwai:ko zijde; een âe balans, zeer scherp aanwijzei d ; bij iem. een âe snaar aanroeren, een zaak, die tot zijn hartsgeheimen behoort; bw. deze d'nne speelt zeer â; hij heeft zich â bezeerd nw lijden treft mij â; â lienl (uandoenlijk-beid), v. gmv. tiievoelloos (geen gevoel hebbende), hn. Zijtje was reeds een â lijk: hij stond daar als een â beeld; de kranke lag â neer; bw. Het was als spotte zij â met ons leed, d. i. hardvochtig: â lieitL v. tievoerd (van een voering voorzien), lm. Een âe jas, een met watten â vest: wapen-kimde: Een rood-gevoerde helm. t-evo^elte ((dierlei vogels), o. gmv. Wild â. t*evol};quot; (stoet van volgelingen), o. Een groot, een talrijk â. Zij was in het â der prinses; lig. de ledigheid met allerlei ondeugden in baar â ; hofâ, jacht â . tiievol!;; (gehoor), o. fk zal gaarne â geven aan uw quot;Unoodiging; rechtst. â geven aan een zonk, ze voor don rechter brengen: â aan een plan, een besluit, een belofte, d. i. volvoeren; in âe van, naar aanleiding van; bij-, zóó dat bet genoemde volgt nit het voorafgaande. Uevol? (u'at uit iets voorvloeit), o. âen. Onze misslagen zijn âen van ons verkeerd denken. Een noodwendig â. Een gelukkig â . Met goed â, d.i. mot goeden uitslag; gewichtige â en; dat alles was zonder â: een keten can, oorzaken en âen; zegsw. (lelijke oorzaken hebben gelijke âen; kleine oorzn-ken hebben soms groote âen; de âen moe-ten dragen; aan de. âcn van iets overlijden; ten âe hebben; ten âe van; dienten âe; iem. voor de -en aansprakelijk stellen; iem. voor de âen vrijwaren. tievol^iijk (bijgevolg, derhalve), bw. Deze lijnen loopen parallel, en â snijden zij elkander niet. t«evlt;»l^-trekking (het maken van een besluit), v. Een stoute â: uit uw afwezigheid zal men allerlei âen maken; tot een â komen. haar opmaken; een â afleiden. Uevolmaelitis-d (be voegd als pluatsvervun-ger op te treden), bn. Een bijzonder â persoon; een â Minister, d.i. van een volmacht voorzien om zijn lastgever te vertegenwoordigen; hij is Buitengewoon Gezant en â â Minister. volnialt;*litiji'de (zaakgelastigde), m. ân. (â evonkei (het verspreiden van vonken), o. gmv. Het â van het vuur in de asch. tievorderd {een vrij Imogen trap bereikt hebbende), bn. In de wetenschap, in de kunst aardig â zijn; op âen leeftijd; een lijk in â en staat van ontbinding. |
11*
1G4 G l£ VOR K T - G K WISSE.
4gt;evorkt (ycsplelen), bn. IJc âc staart van de zwaluw.
(â icvoi'iml (volledifi ontwikkeld), bn. Ken volkomen â karakter.
lt;gt;ckwaiilt;l (de kleedij als yeheel), o. âwaden; Hij droeg een par peren â; een â van zijde-, een lamj, een kort â : een arnwedui, een stemmiy, een praelilitj, een ziuiericj een /deehtifi â, anibtskleeding; ambtsâ, boetâ, feestâ, kerkâ, naelitâ, rouwâ, treur-.
tii. Hen âe sprony; â v. i
üfwaaiiil (vatsell), bn. Mohammed, â profeet. (Da Costa.)
lt;â ('%% aardi^-on (ffoedvinden, (jelieven), hij heeft zicli gewaardigd. O, Heer, yeLuaardiy a ons te verhooren; lt;gt;, Koniny, yewaardiy quot; ons te hooren; zich niet â, d.i. beneden zich achten, zich niet verwaardigen, (â cwaaruordeii {hespearen, bemerken), ik word gewaar. Iicn gewaargeworden. 4ilt;'\vaai*\\or«liiip- (het bewast worden van indrukken, aandoeninym), v. âen. E-n â van koude, warmte: een â van spijt, vrees', â allerlei strijdiye âen; yemenyde âen; âen opwekken; allerlei âen bestormen, overstelpen, overmeesteren iem.
Uewa;;' (meldiny), â maken van, d. i. melden; de hom! maakteâ, sloeg aan, lilal'te. ^â «wa^eii (meldiny maken), ik heli gewaagd. lt;aewaii;£|»alni (Ind. boom op Timor), m. -en.
lt;ii«k\va|Kgt;iilt;l, vd. en lm. Van top Ud, teen -; een â ooy, d. i. ziende door een vergrootglas.
wapens)-, Uw.
(â etvas (plaid: kruid, ooyst), o. âsen. liet â te velde, d. i. de oogst; een uitheemsvh â. (â cwasMvlicn (yereiniyd), bn. â linnenyoed. ^â¢ewaNMeii (yeyroeid, yesteyen), l»n.
alt;lt;'iMl. bn. â lint, niet golvende klenr-schakeering: een sehoon âe diamant, v.m een helderen glans.
4«owatlc?erd (ywoerd of npyevuld met (vatten), bn. Een âe deken. Een âe kamerjapon. beweer (wapen ter verdediylny), o. geweren. In het â. onder de wapens.
lt;ilcweide (hoornen der herten: ook: het inyewand vaa dieren), o. gmv.
Gewold (macht, kracht, heviyheid), o. gmv. Een leven van â; het â des doods; alles onder zijn â doen bakken', â doen, kracht uitoefenen; Martino doet â met de achterhoeven. (Staring); â ran riemen, â van nm- | ren, wallen ( Vondel); â van water, krachtige waterstroomen; het â der baren, der zee, der stormen; het â der een wen; met â, met onstuimige drift; niet Inricht en â iets willen; â ycbraiken; â bedrijven, pleyen; zich zeiven â aandoen, d. i. met kracht van I geest zich tot iets dwingen; zijn yeweten -aandoen, d. i. verkrachten; het â dienen. Gewelddadig, lm. Ken âe dood; -heid. v. Ueu-eldenaar (dwingeland, tiran), m. --naars en ânaren.
Geweldeiiarij (dwinyelandij), v. âen. ^â ieweldi^: (krachtiy). lm. Een âe d od, d. i. door geweld; een âe stroom, â yedrany. enz. Geweldiger, m. âs. Dit woord komt slechts voor in samenstellingen, b.v. kapitein-gewet- i diyer, provoost-yewehliyer. vero.
Gewelf (hol-yeboyen zolderiny), o. gewelven. Het â van een koepel, van een kelder, van
een kerk; bij vergelijking; het â van bladeren; het â des hemels; het blaaw â, het azuren â.
Gewelfd (booystvijze, als een yewelf ye-bouwd), lm. Een âe zolderiny; een ceniys-zins â dak; een âe kamer, kerker, yaiiy; lig. de fraai âe Middachter-laan; een breed
â voorhoofd; een hooyâe kerk; een laay â e yany; een schoon â voorhoofd.
Gewend (yewoon), bw. Het zus of zoo â zijn; hij is het thuis yoed â; hij is niet ceel â; zoo iets zijn we niet van hem â. Gewennen, ik heb gewend, .long gewend, oud gedaan; zich â, zich schikken (naar). Gewest (landstreek), o, -en. De '11 NederI.
â en. Fig. In zalige âen.
Geweten, o. â s. Naar plicht en â. Gewlt;'tenloos. bn. Een âlooze schurk; â
-heid. v.
Gewetensangst, m. âen; -dwan^-. m.
lt;irewetti^4l (yerechtvaardiyd), bn. Door het yebruik â.
Geweven. vd. en bn. â stojfen, kousen, borstrokken, enz.
Iiiewexen (voormaliy), bn. Een â leer liny, een â minister. Zio Kx.
Gewlelit. o. âen. Hij het â verkoopen; maten en âen; yeijkt â; zoryen. dat ieder zijn
â krijyt; volstrekt â; soortelijk of spedjiel. â; lig. een zaal,- van â, beiang; een man van â. invloed.
Gewieimi;;' (yewicht hebbend, bdanyrijk), bn. en bw. Een âe beziyheid, v.; een âe day. m.;
â e yebeurtenissen: wat spreekt hij â ; â li«'ilt;l (beiuruyrijkheid), v. gmv.
Gewiekt (voorzien van wieken), bn. Een âe zanger, zangvogel; een â yet aid, id. dat van den nachtegaal (Tesselscha); de âe Mercurius, met wieken aan de voeten; de âe faam, hebbende vleugels; âe pijlen, d. i. gevederd, gevleugeld; op âen voet voortzweven, â¢.\\9.\)\. een schaatsenrijder.
Gewijd (yezeyend, yeheiliyd), bn. âe priesterschaar; â e yrond (kerkhof); âe aarde; de âe schrift.
t-ewijsde (connis, uitsprauk), o. â n. lt;iJewijze (uchtervoeysel, ook; yewijs; bet. op de wijze van), b.v. trapsâ, speelsâ, spots-, beryswijs (En beryswijs hoopt het doek zich op. Staring); paarsâ, d. i. bij paren; troeps , stuks-.
Gewijzigd(wmm/en/),lm. Een â wetsartikel. tiilt;'wilist (glad, slim. geslepen), bn. Een âe
vent; -heid. v. gmz.
Gewild (gezocht, verlanyd, beyeerd), bn. âe waar. v.; â vleesch, lt;â¢.; ijccnsehe bu'.er is â. Gewillig (lijdzaam, yezeyyelijk, van yoeden wit), bn. en bw. Een â kind, o.: een âe I dienstbode, v.; een â paardje; iets â yeven, doen, lijden ; â lieilt;l.
Gewin (voordeel, opbrenyst), lt;», gmv. Het eerste â is kattenyespin, d. i. valsch, Uedrieg-lijk, gaat weer verloren (kat als beeld der onbetrouwbaarheid).
Gewinnen (verwerven, erlangen), ik gewon, heb gewonnen. Een kind daar de vermeerdering van het gezin als een winst beschouwd werd; Abraham yewon Isaak; er-| yens yewonnen en gebi iren zijn.
tiiewis (stellig, zeker), bn. en bw.; -heid. v.;
â selijli. bw.
Gewisse* (yeiveten), o. vero. of nog dichterlijk. Een goed, onbevlekt, rein, vroom â.
(: i:\voi-: l-g ezworen.
105
|
(fieilrouy, dnikU'\ o. gmv. Het â der ijroote steden. ^â¢iotvolil (wol ilrayeiule, wullifi), lm. Hel âe nee, schapen; hel tril âe lam. dikâ, ///'/# â . (â cwolltt. (heiuufh t, mei wolketi heilel. l), lm. De dikâ hie/it. v.; lip. s.-lierp omlijnde, op wolken gelijkende plekken; âe Tijde, v. lt;a4k«%'4»ii4lo. m. en v. â n. ooib (delvend, yemeen:/ilt;ini, vertnmwd), lm. Hel (//uoone hrood; :ijn â imlbijl; zijn â eerhlijt', iniddaf/slda/ije; in (jewone steni-minti. v.; het (jeivune ijeiidij iles kuniiejS', â Ii4'i4l. v.; âlijk (eolyens (jewoonte), b\v. lt;MCW4»4»ai(c ({/ehruik, aanwensel), v. â n. De kraeht iter â, een staaf der â, de macht der â; de â is een tiueede nataur; nil â; nader â; lo/J'eiijker â; zeden en ân: â o. âen. lt;»4'\\4gt;i'4l4'ii {ter haquot;d kinnen). Iiot gewerd, het is geworden, liet /nl geworden. / ie hriej' is mij â. I.aal hem â, d. i. begann. lt;a4ku4»riiil4k (sehadelijl.' ijedierte), o. gniv. ^â 4'w4H'14'14I (ran wartels voorzien), lm. Kig. van neigingen, gewocmten, ineeningen, ziekten. lt;a4'i% i'i4'lit (ueledinfi), o. âei.. Tijils â , tijdperk. tijdstip der geschiedenis; hand-, schouderâ: â «llM'l*. v.; â sll4gt;l(4gt;. V. Gewrijf', o. gmv. Fig. Dal - en (jesehrijf, groote bedrijvigheid niet de jxm. ^â 4'\% i*4i4*lit (kunstwerk), 0. âen. Deâen dei' beeldende kunst', een (jroute s/ioorttrnii is een â van boawkanst, kunstig samengesteld voorwerp; een dichtwerk, een toonwerk kan een â zijn van kanst. 4â 4*i'4i4*ÃiI (tot staail gebracht), lm. â door Hods ha ml. 4 â 4'wi,4Hi5j'4'ii (niet zona Is het moet zijn), lm. I'j'n â schril't, venlraaid; â {lemoedsailin-!ien, niet vrijmoedig; een â slijt, onnatuurlijk; een â redeneering, pasklaar gemaakt voor een bepaalde slotsom; â Ii4kilt;l. v. lt;gt;4gt;i%-iill'. o. Zie 4«4'\V4'If*. lt;ii4gt;ª;;-4l (spits ingesneden), bn. Die âe bladeren. laexahlMT (gezeever, gcl.icijl), o. gmv. 4a4kxsi^;' (niaeht, beivind over anderen), o. gn\\. liet iccltig â. vaderlijk â, misbrnik van â, â oefenen, roeren, nitocfenen: hel â aan zich trekken: â Ii4'lgt;l»4'ii4l. bn.; â Im'UImt. â v4M'r4l4'r (si hecpskaptein), m. âs.. 4«4kgt;.:)IS'4l4k (hoogepriester bij de fsr.), m. ân. Haal: den â niet aan', de â des lleeren, eeretitel van den koning der Isr., ook later van christelijke koningen; de â, de Messias, de Heiland, de ('hristus. 4ii4^ali^'4l4k (zalig afgestorvene'), m. en v. â11. 4gt;4'xaiii4kii4l4'rliaii4l (met gezamenderhand, met ineengeslagen handen), bw. Fig. gezamenlijk, gemeenschappelijk, in vereeniging. vero. 4«4'xaiii4'iilijK (vereenigd, bijeengevoegd), bn. en bw. Met âe krachten, de âe scheepsmacht, de âe werken van een schrijver, volledig; een âe oorlog, gemeenschappelijk; iets â d celen. 4ii4'%aii$£-, o. âen. Een tweestemmig â. 4a4'xaii^lgt;4»4'K. o, âen. 4*4'xaiiik (getalm, geleuter), o. gmv. Dat â verveelt mij. 4a4'xaiii (gezondene, afgezant), m. -en. lt;N4'xaiits4'lia|» (de gezamenlijke personen, belast met een zending), u. âpen; âKraad. m. âraden; â sM*c*retariM, m. âsen. |
^â 4'Z4'4'Iquot; (gezift), o. gmv. 4J4'zlt;*sf (!llt;'praat), o. gmv. Ia4'%4k^'4l (genaamd), lm. Simon, â l'etrns. â¬Â«4'Z4'Squot;4l4' (prwdicaal; ook zegswijze), o. â n. Het â van een volzin', wat bet. di' ât' 4'Z4'jiquot;4'l4l. vd. en lm. Hen â pakje, een â papier. lil4'Z4'^,?i,4kii. in de onb. w.: Zich laten â, d. i. naar raad luisteren; hij is niet Ieâ, teraden. 4«4'y.4'^quot; lijK ( volgzaam), bn. Een â kind, gehoorzaam; â Im'hI. v. 4a4'X4'l (makl.er, vennoot, reisgenoot), m. â len, Spelende -ten, komedianten; een levensâ, echtgenoot; âli 11. v. â nen. lt;gt;4kX4'lli^' (aangenaam, onderhondend, prei-lig), bn. Hij is â van aard', een âe reismakker', de hond is een â diciquot;, in den ââ¢'11 omgang', âe bijeenkomsten, genoegens, vermaken, Lont, enz. 4ii4gt;%4'ls4'lia|K o. âpon; âsli4'4i. o. â eren â â «siM'l. gt;â¢.âspelen, âspellen: â sjiifrr4»ii%%. v. âen. 4iJ4»z4»t (zwaarlijvig), bn. en bw.; â Ii4'ilt;l (re-gclmaat, orde, zwaarlijvigheid), v. ^â 4'z4'l4'ii (een vaste woonplaats hebbend, ivel-gcsleld, niet armoedig), bn. Een â burger, een â werkman, die vast werk heeft. 4a4'y.i4'lil (blik, zintuig des oogs, nitgeslrekl-Iwid, die men l:an overzien, aangezicht), o. Een â ver; in hel â krijgen, honden, zijn; nil hel â verdwijnen, verliezen; ik ken dal â ; wal al vreemde âen! â ttbedro;?. o.; â cimlcr (horizon), m.; âNlioek, in.; âs-ki'inu-. m.; â {standpant), o. lt;a4'%i4'ii (geaehi), bn. Hij is daar zeer â. 4»4'?.iin (de leden eener hnishoading), o. - non. De boer zal met zijn geheele â (vrouiv, kin deinen, meiden, knechts) aan 7 eten; dr leden van het â (in engeren zin: vrouw en kindeivn). lt;â exiii4l(genen/djgeiiegen),]in. A miersâ.eens-, goedâ, kwaad â , welâ; Engelsch â, Eransch â, Hemonstrantsch â. revolutionnair â, vader-landsch â ; â Ii4'i4l. v. 4*vai 114114' (kerkgenootschap), v. â n. lt;a4gt;%4»4'lit (in trek), bn. Dit werk is zeer â; âIieid. v. 4a4k%4»4l4'ii (gekooide spijs), 0. gmv. Proef nu van al het â en al het gebradn. 4a4gt;%4»ii4l. bn. en bw. â van geest, â van hart, â in lt;h leer; een âe vrucht, gaal'; â hout; het â verstand, niet verbijsterd; â wonen, â slapen; â redenefven, â oordee-len. Hitter in den mond maakt 'I hart â. 4gt;4'y.4Mi4lli4'i4l. v. Officier van â : â nI»I4gt;*. m.; âslc«r. v.; â smaatrc^vl. lt;a4'y.4»iit4-ii (gepekeld), itn. â vleesch. Fig. kras, sterk; â laai. 4*4k%iiH (ingelegd, gepekeld), bn. lt;»4kxiisl4'rs. 4-4'ziist4'r4'ii. v. inv. ^â exwalc^l (geraisch, gegons}, o. gmv. Hel â van den ivind in de kale lakken. Oczwcl (ziekelijke opzetting), o. âlen. Hel opensnijden van een â. lt;;4gt;z\% 4'ii4l4'l (herhaald bedrog, oplichterij), o. gmv. Dat â op de paardenmarL t. 4a4'zu iii4l (rap, vlag), bn. en bw. Een âepas, een âe lading; dat gaat â; â Ii4'iâ¬l. v. (â 4k%\v4gt;ll4'ii (opgezwollen), bn. Een â hand, (â¢en â gewricht, â beenen, d.i. dik, waterzuchtig; lig. een â stijl, hoogdravend, opgeblazen, hol; hij sprak op â toon; â Ii4ki4i, v. 4aOKW4gt;i*eii (beëedigd), bn. Een â landmeter. |
4
GEZWORENE- GIG.
|
een â klerk; vero. fip. hij is mijn â vijand, (I. i. geslngen, onverzoenlijk. (he'èediyüe), in. â n. â¬â liiisc'l. âzei (I'i'rzi.sck of Turkseh minne-lt;gt;!' dmikdirhi). v. â len. (â Iiaxi (hi'Sti'ijder van onf/cloovifien), m. â's. 4ali4'ff4» (jodenwijk, jodenhnnvl), «:». âquot;s. 4â i«tiiâ * (onyeloorif/e,niet-Miijiomcdaan), in. â 4h|I»In»ii (fnd. Uni(jarnii(/e aa/gt; op Sueinatra en Java), m. âs. iliiis (klaj)lioed), m. âsen. 4ai4*li('l4'ii (lachen, op lujOfjen, seherjien loon), ik hel) gegiebeld. Ook: eidsman, auyivijzer, geleider), ni. soms ook v., âen. Irm. lol â verslrekken; flg.een (joed rader slrrkl zijn zoon lol â, voorganger, steun in het leven; de oaden slrel.lm Vondel lol â, gezag op 't gebied «Ier kunst; Ãe â; de Nieawc â; lt;le Indische, de Mililaire â, titels van tijdscbrirten. 4ai4kli('l (kroeskarper), ni. âs. De â is fraai hronskleariy. Ct schreeawen van een ezel), bij beeft gegiegaagd. jUilt;k$;-cleii. bij beeft gegiegebl. Zie lt;iiielieleii. ioli (snelvurende, smalle hooi), v. âen. Uiek {rondlioul onder aan 'l zeil), v. â n. . lt;â (roofuoyel), m. âen. De tjeiuone of alt;il-koppiye â; de (jra nice â o f nionniksyier {Z. Europa en Afrika); lig. de Kranschen kaunnen als ytilziye âen op ons yoed af; â jK'lili^quot;. bn., de baizerd is een âachtiye eoycl; lammerâ, m. (Æ///), m. âen. Hel kind yaf een â van schrik. Uier (zwaai, draai, zwenkiny), m. âen. Hel schip deed cru â; de stroom deed hel schip een â maken; dc t va yen nam een â, toen ecu der paarden schrok; de dnaikenian aam een yier aaar â mij loe. (vloeihare mest, mestoochl), v. gmv. (gew. ier en jier); een domme hoer is hij, die de â laat iveyrloeien; âbak. in.; âput. m.; â wsi^vii. m. 4«ilt;'i'l»rii^ (drijvende hray, yier pont), v. â -bruggen. De â, die de yemeenschap der heide oerers van de Waal voor Nijmeyen onderhoadt, dateert can het jaar JOÃl. 4^ ilt;'i*lgt;iii (roofvoyel, Sliddel-A nierika), in. â buizerden. (hegeeren, reikhalzen), ik beb gegierd. Hij yiert imar sein dien. vero. 4ai4ki*4kii (schuin loopen), bet heeft gegierd. Zie lt;»4»4kr4'ii. lt;iiiei*4gt;ii (yillen, scherp schreeuwen), het beeft gegierd. Een roofdier kan van homier â; de unystkreten â door de lacht; dal kind yiert het heele huis hijeen; zij â het ait can lachen; dal is om te â van pret; een yierend yelach; een steen yier de mij la ays hel hoofd, lloot; de dear yierde op haar henysels, kraakte. Cwieren (sUnyeren, heen en weer schommelen), het heeft gegierd. Hel fichip âl op hel anker; wat ât het schip, d. i. door stroom of wind geen rechte streek kunnen houden; een schift doen â, zwenken; dansers en schaatsenrijders ziet men â, in slingerlijn bewegen. i4'i*4'ii (met yier bemesten), ik heb gegierd. Een weiland kan men â. |
(â ieriK1 (yeldzachtiy, schraperiy), bn. Ken â oud man; Mie Goebloed was uitermate â; zegsw. Zoo â als hel yraf; fig. begeerig, verlangend, gretig: eerâ, yeldâ, leerâ, nieuwsâ, roofâ, twist â , weetâ, wraakâ, (â i4gt;i*i£-aai-4i (yeldwolf, schraper), m. âs. Een â is altoos arm; â Ii4ki4l (oeerdreven yeldzucht), v. 4ai4'riii^- (scheepst. wendiny, zwenkiny), v. â en. I)e â is in dezen yolfsirooni heviy. lt;«i4'rkalMkl, m. âs; âketting', rn. âen; â (yierbruy), v. âen. lt;gt;i4kr.st (yraan), v. gmv. Op Ceram (p'oeil ceel -. 4gt;i4'rvalk (sterke roofuoyel), rn. âvalken; âxeeareiKl (roofroyel in Afrika), m. âen: â zwaluw (steen- of torenzivalnw). v. âen. i4'l4kliiij£' (z war Ie lijster, merel), m. âen. Ook; (Helliny. 4ai4'(4'ii (vocht ailstortcn, overslorlen, schenken, plengen), ik goot, heb gegoten. Wijn, water, (die in een val â; nien goot l,(d,'emle olie op de Spanjaards; hel regent, did het giet; tig. Balsem in de wonde â, houl brengen; oHe in het vaar â, voedsel geven aan het vuur der hartstochten; de zon en de maan gieten haar licht, haar stralen; ijzer, brons, lood, lin laat zich â; een slandheehl â , een klok â, een roosterâ, d. i. door gieting doen ontstaan; lig. een zin in een anderen vorm â, anders inkleeden; zijn gedachten in een goeden vorm welen te â, er een juiste uitdrukking aan kunnen geven. lt;quot;i4't4'r (persoon, die metaal giet), m. âs. I.lzerâ, tinneâ, geelâ, rood-, (bleekers- en tuingereedschap), ui. âs. Een kamerâ, een salonâ van porcelein. (â i4gt;f4'rii (de handeling can gieten; iverk-plaats), v. Een brons-, eon geelâ (nl. van messing of geelkoper); een metaalâ, een roodâ (nl. van tombak of roodmessing); een zinkâ, lt;iii4»t$;-at (opening), o. âgaten; âfflvut'(geul in het vormzand), v. âgleuven; â ijzi'r (ruw ijzer), o. gmv.; âkanaal (gent naar den gietvorm), o. âkanalen; â kr4»iks (schcp-val), m. âkroezen; âkuil (gat â¢'oor den gietvorm), in. âkuilen; â le|Kil, m. âs; â -iiUH'liiiw (tol het vervaardigen van leller-tgpen), v. â s. 4» 14'!Io^'4'ii [verstokte leugenaar), m. en v. âlogens. liil'. 4«il't. (vergift, venijn), o. giften. Het doo-delijk â der slang; lig. de nijd blaast zijn â; gal en â braken; het â der tweedracht. 4iilquot;l (gave), v. giften. Een kleine â; in â ontvangen; iem. âen of gaven beloven; beloften in âen; een huwelijks â ; een milde â coor de armen, d.i. aalmoes; een â ineen*; iedere â zal welkom zijn. 4ait'll»ek4'r. m. Socrates moest den â drinken, ledigen, d.i. een beker met een giftigen drank; â blaas (kliertje bij sommige insecten, b.v. hij bijen en wespen), v. âblazen; â b4»oiii (ind. op Java), m. âen; â klioi* (blaasje met gif b.v. hij een schorpioen), v. â en; â im'iijiv* (gi fiber eider, moordenaar), m. â s; â â H4'ii^sl4'r. (vrouw, die gift toedient), v. âs; de Leidsche â meng ster; â -plant. v. âen, b.v. aconiel, belladonna, enz.; â tanil (holle land der giftstang), m. âen; â viscli {vergiftige visch in de Middelt.Zee), m. â visschen. tait'ti^' (vergiftig; fig. hoosaardig), bn.; â -Il4'i4l. v. (Engelsche sjees), v. âgen. |
GIGANTEN-GLAD.
i(V7
|
lt;iii£'aiitcii (fjibell. monfitemchtiyp. reuzen), in. mv. De strijd der â tegim den Oli/mptts. 4ai{i'iiiitckMk (reiisnehliff), bn. en bw. lt;â â 1, lt;â «'. pers. vnw. Wat doel ((ji et iel en, s/Hgt;ttquot;nd hiehrn), ik heb gegijbeld. «ijk, 4-iek. v. â en. De â op kleine vaar-Inifjen, spriet, waarmede een zeil wordt uitgezet; de â van een handwijzer, d. i. arm; scheepst. Oniiv, ook een zeil (lij âzeil). 4-ijl (brouwerij: {/ist, whniin),o. In 't â staan, aiin quot;t gijlen of gisten zijn. lt;aijl (ijistend), bn. Dit is â hier; dat bier is niet â (fenoecj. laijlon {koken, sehahnen, disten van hier), liet heeft gegijld. liet hiertj - ât: âhier, o.; â knip, v. âen. liiJlitMk'ii (uit f/ij en lieden), pers. vnw. Wat staal â daar tf kijken! Ik drink op alieder Hezondheid. 4-ijii (scheepst. lakei), o. âenofâs; âblok (twee- of drieschijl'shlok), o. âsolquot; âblokken; -l4M»|»4'i* (toaw, dat door twee gijnblokken loopt), m. âs. lt;-ij|» (scheepst. het omslaan van dr bezaan). Zich voor de â wachten, op de â letten, passen; lig. luacht a voor de pas op roar de â, neem u in acht voor de wisselvalligheid der fortuin. Gijpen (scheepst. omslaan vtn de bezaan), het zeil beeft gegijpt. Bij het ornloopen van den nund kan de bezaanâ. Fig. veranderen: De levenshulk kan â, het â der gezindheden. (Hooft). Gijpen, 4iiio|gt;«'ii {naar adem gapen, snakken), ik heb gegijpt. Hij ligt te â. zieltogen. lt;-ijKlt;'laar (iem. die met zijn lijf borg blijft), in. â s, âaren. lt;aiJxollt;gt;ii {gevangenzetten voor schalden), ik heb gegijzeld; â iiiftquot; {gevangenis), v. lt;ail {scherpe schreeuw), m. â len. ^â ikl. 4ail4l4' (vakecreeniging). o. gilden. â -l»i«*i\ o.; âbos. v.; âbrief, m.; âbroeder. m.; â «leken, m.; â jjeUI. o.; âgenoot, m.; âkanier, v.; â kneelit, m.; â -maal. o.; âmeester, m.; âos. m.; â pen-nin^-. m.; â pro4kl'. v.; â wezen. u. taillen {een gil ge'en), ik heb gegild. Het â ran een varken: âIer. m.; âling. v. lt;ainlt;ler {daar, op gindse he plaats), bw. Mijn huis ligt â; daar â staat mijn huis; (spreek-tnal: ginter). lain «Is {daarheen, daar), bw. Wacht â op mij; ga jij hierheen, ik ga â; ik kwam van â. (aimisrli {aan gene zijde), bn. Het â e shd,' weiland; ga wat zitten' of) âe bank; aa)i âe zijde, aan âen kant, d. i. de overkant; «tm âen oever. taingang. tainggang {gekleurde heel katoenen stof), o. âs. Het menigvuldig gestreept, zeer dicht geweven â, ook wel kngelsch, Sehotsch of Weener lijnwaad geheeten. 4ainiiegappen. tainnegabben {spottend, ongemanierd gichelen), ik heb geginnegapt. Poot hoorde de hoekverkoopersjongens achter zijn rug â. (Potgieter). lt;aimiiken (grinniken), ik heb geginnikt; â er, m. taiorna (a-gt; {met ballons ver Held), bw. â¬aips {zwavelzure kalk), o. {soorten), âen. Het â wordt uit de bergen gegraven, (men vindt het in in gen onder de kalksteen); korrelig â (albast); â branden, verhitten. |
taipsen {met gips bepleisteren), ik heb gegipst; âser. m. taipsy (landloopster, zigeunerin), v. âs. tairatle (hertachtig herkauwend dier niet langen hals), v. â n, â s. tairamlole (kunstvuurwerk, b.v. 100 pijlen tegelijk), v. â s. Oft den Engelenburg werd op den avond van St. l'ieter een â afgestoken. tairamlolle (Lristallen kandelaar met verscheidene afmen), v. âs. tairgel. m. Zie tJergel. tairo {kring, omloop; schriftelijk overdragen van een wissel), m. gmv. tairoflel (nagelbloem), v. â s. Ook: Gerojfel. tairomle (gematigd republikeinsche partij in 1792), v. tairlt;»mlijn {aa)dianger der Gironde), m. âen. tais (gissing), v. Bij de â; op de â af; uil de â vallen, d. i. tegenvallen. taisp (geeselriem, zweep), v. âen. 4aisp4gt;n (berispen), ik heb gegispt; âer, m.; â ing {vinnige hekeling, berisping), v. taissrn (vermoeden, onderstellen), ik hel) gegist. Wij kunnen naar iets â. maar â doet missen; een dame van zoo ik gis vijftig jaar; tie lengte, de breedte, den afstand enz. â, d. i. ramen; dat kunt gij niet â, d. i. raden; zoo iets laat zich moeilijk â ; kunt gij â wat ik u ga vertrouwen'.' taissing (onderstelling), v. âen. Een bloote, een losse, een loutere â ; zich in âen verdiepen; een geleerde â, hypothese; een â maken; dat gaat boven mijn â. raming. taist. Uvst (schuim, heffe), v. gmv. Haul wat â bij den bakker; âknip. v.; â soort, o. en v.; Bierâ, v.: Kunstâ, v. Fig. De â van het volk, de hefle des volks. taisti'li. lt;8«'sten (schuimen, opbruisen), liet heeft gegist. Een âd mengsel; een stinkende en âile poel; het bloed begon hem te â ; de driften raakten aan '! â ; de gemoederen zijn aan het â ; in den maalstroom der âde me-nigte; â injj (de werking van gisten), v. gmv. taistrravomi. â ninliiag. âmorgen, â naebt, âoeliteml, bw. tait (zwa-te, harde delfstof, steen), o. gmv. Men vindt veel â in Duilschland; een halskarkant van glinsterend â. (Tollens); oogen zoo zwart als â, glinsterend zwart; het â der oogen; 7 blinkend â der lokken. (Bild.) tait (sieraad, kontal van â of van namaak), v. âten. Een mantel met âten gegarneerd; een hoed met echte â ten; eene bejaarde dame met die bagardère van -ten. (C. O.) taitaar (zessnarig instrument), v. (soms ook m.), gitaren. De â dient hoofdzakelijk tot accompagnement. De bleeke Amalie, met den â mei het lichtblauwe lint op de knie. (C. O.); een paar Speellui.... met â en tamborijn. (Staring). Ook: taiiitaar. taittrgom, v. gmv. Zie taiittegom. taitznart (erg zwart), bw. Vrouwen met âe tanden; knapen met âe haren; âe wenkbrauwen; een â paard. talaasjr. o. âs. Onder het â zitten, drinken; een â tot afscheid; een â op den valreep. (alaee {ijs, roomijs), v. (ook spiegelglas, spiegel), v. talae^ (geglansd leer), bn. âhandschoenen. Ook : talaW's of lt;Rlaeeet|es. talaeis (zachte helling, veldborstwering, verdedigingshelling), o. glacieën. talalt;l, bn. en bw.; â«liglieid, â boiii, v* |
Ti LAD A K â G LOKT EN.
|
Fi^. {ictiiiv, vluiI, bij dc /'inken. Km âilr vrnt; ('I'll âill' tuni/. 4ala«lak (Mnl. srhai'iiit), ni, âs. (slecht, rutnier paanl), m. â s. Fig.jjrmeen, Unlet 'lijI: pi'/'xoim. 4gt;la4lblt;'k (rlashnard), m. âhekken. 4ilalt;l4l4'ii (/lolijsh'ii, [ihuizi'ii. srhirri'ii), ik lieb geglad. Pnpier â, pletten. Bij nitbr. rlJ'i'm'ii, H lads Wijken; â iiialt;*liiiilt;k (om ijedrnkte kn-loenim stuffi'n to tjiinzen), v. âs: â uiaii^'ol. in. âs; âvijl (kleinr vijl, zoetvijl), v. âen. 4-ladialor (zirnnnlveeiiter in lUmn'), m. â toren. lt;gt;lalt;iiiiak4'ii (eflen maken), ik heb â -gemaakt. ()'onilnit,!fiil),h\\'. Iets â bekennen', â vergeten, totaal. ^â la^'ali (Ind. rietbosch), v. âs. (ijloeirnd, brandend), bn. en b\v. Ken puur âe ooijrn; â bert. 4-laiis {fraaie srbijn, luister), in. âen. Ken math' â ; een zarhte â ; een nulde â. lt;gt;laiis|»iiiit (lig. hrt sehitterrndsh' ijederlte), o. âen. Ih't oblKjaat op den hoorn was het â ' van den avond', dat was het â van uw leven, iilaiiKrijk {blinkend, flikkei'enil, vol luister), bn. en bw. Ken â hemel licht', dc zon fiinij â onder. Fig. Ken âI' ovoi'ivinniny, een â ivapcnleit; â uitblinken. 4iilaiixlt;'ii (stralni, /likkeren, flonkeren), bet heeft geglansd. Dr sterren â ; een âde zijden hoed, glimrflend; metalen doen â ;jaiveelcn â; zijn oikjen â van vreugde, schitteren; de on-srhald glansde uit baar oog. ^â laiizoii (doen blinken), ik heb geglansd. Garens â ; het papier â; het strijkgoed â ; -or, m. ^â laiizi^' (glimmend, blinkend), bn. Dc âe spiegel; di' âe vensterra'den; â zilver; âe zijde; hw. â zwart haar; â lu'i«l. v. lt;lt;iia«* (stof), o. ginv. (â las (zandlooper), o. glazen. Het â keer en; lu't â is aitgeloopen. 4ilas (scheepst. zandlooper, die in een half uur uitloopt, hatfunrglas), glazen. Ons schip zeilde drie mijlen in acht glazen; de glazen tellen, letten op het keeren van den zandlooper. â¬Â»Ias (scheepst. elk etmaal is aan boord verdeeld in G wachten ean ft aar, elke wacht is verdeeld in acht glazen), o. glazen. 4 glazen iu de hondcwacht, 2 uur na middernaent. â¬Â«las (beker, kelk, roemer), o. glazen. Een stevig â; onder een â wijn. Ken «-laa*jlt;k op den valreep, d. i. op het afscheid. lt;;ia*l»la%lt;gt;ii, o.; - blazer, m.; -Ula/.orij. v. la%lt;M'i*lt;Lii (verglazen,gladof g lanzig maken). 4iilazon, bn. Ken â dak. van glas; in een â huis wonen, aan 't oordeel van ieder Idool-staan ; hij is op 't â bruggetje geweest, heeft in doodsgevaar verkeerd. OlaKomiiakor (waterjuffer), m. â s. (â lazig: (glasachtig, verglaasd), bn.; â v. lazuur. laziiiirscl (verglaassel; glazige stof, waarmede aardewerk bestreken wordt), o. (aardewerk), o. gmv. Hier verkoopt men â. Ook: 4gt;ilt;gt;Ilt;'ilt;kr$£'0«Ml. faleioi'wrk. Hetzelfde als laleiK (pottenbakkersaarde), o. ginv. ^â leiMoii (verglazen), ik hel» gegleist. CiilHNiK'i'k (verglaasd of ver lood aardewerk), o. Oude schotels van â. O-lei werk (blinkend aarde we) â¢A).Z.Fayeiico. |
[ Ifllefseliei* (ijsstroom, ijsveld in de wrongen van het hooggebergte), in. â s. ^â leiil' (diepset, lange grocvi-), v. gleuven, ^â libbereii {uitglijden), ik hen geglibberd, ^alibbt'i'i^- {ghut, smerig), bn.; -Ii«'i«l. v. lt;â 11(1 (verbinding van lood met zuurstof), o. gmv. ii lidkrimi (lipbloem). o. gmv. Het gemecne â. lt;gt;lijlt;leii, ik gleed, heb en ben gegleden; â -baan. v. âbanen. Olim (glans), v. gmv. Kr ligt een fraaie â op dat linnen. Olimlioiit (vermolmd hout), o. gmv. Olimkevei* (mannetjes-iglimworni), m. â s. 4gt;liiiilalt;ali (lachende gelaatstrek), m. âen. Ken minzame â ; een gnllc â. Oliiiilaolieii (het gelaat tot een glimlach plooien), ik heb geglimlacht. Zij zag mij âd aan; vertegen, pijnlijk â ; trids, smadelijk, minachtend, schamper â. Olinmien {Jlauw, stadig gloriën), het glom, heeft geglommen, liet vaar ligt in de asch te â; een âd kooltje; de laarzen â; een hoed kan â ; âdc knoopen; de baren van geroskamde paarden â. (â linmier (delfstof), o. gmv. Zie Mica. 4iliiiiiner«gt;ii (vonkelen), het heeft geglim-merd. Hel vuur ât; de helmen â, schitteren, blikkeren. 4-lini|» (bedrieglijke schijn), m. gmv. (haler den â van vriendschap; ergens een â aan geven, schoonschijnend aanzien, Glimpen (blinken, schijnen), het hoeft ge-glimpt. 4-lini|M$;- (schoonschijnend), bn. en bw. w. g. lt;gt;liiii|»la4*li (geveinsde lach), in. gmv. vero. Iiliniplaclien (geveinsd lachen), ik heb ge- glimplacht. ven». lt;aliiim'4»riii (Johannesworni, schiIdvleugelige wijfjes-glim kever), m. âen; -wormpje, o. 4aliiiKt«kr (een glimmende vonk), m. âs. «â liiisfereii (schitteren), het hoeft geglinsterd; -injff, v. 4gt;liiilt (hou ten scha Hing, heining), e. -en. Olintin;;- (latwerk), v. âen; -linkje,n. -s. 4iilip (spleet, scheur), m. âpen. 4gt;li|gt;|»eii (een glip maken), ik heb geglipt. Calippen (door gladdigheid outsnaopen), ik ben geglipt; -piiijü;, v. lt;ali|gt;l»ei% m. âs. Ken â maken, er heimelijk van doorgaan. Olipperen (glibberen), ik hol» geglipperd; -1«-, bn. w. g. (â littsaiKlo (mnz. glijdend), l»w. Ken passage â spelen, d. i. met één vinger over «le toetsen glijdend. Olfoseii (glijden), ik hel» en ben geglist. Hij heeft op de glijbaan geglist; hij is tegen een koekkraa nipje geglist. «lil, Olid, o. gmv. liet â is een looao.vgde; lood-. 4gt;U»baal (over het geheel genomen, ruw), bn. en bw. Ken -bate som; een â overzicht; iets â bcgrooten; dc eerkoop'mg heeft â duizend gulden opgebracht. Olobe (bol, kogel', aardbol), v. â s, â n. lt;-loelt;l (hitte; fig. bezieling, kracht), m. De â der gezondheid; de â ligt er nog op. «â loeriiiieuw (splinternieuic, fonkelnieuw), bn. Ken âe witte broek. (J. t. Br.) Oloeien {warm, beet zijn), het heeft gegloeid. De straatsteenen â onder mijn voeten; mijn voeten â; mijn hoofd, mijn wang ât, bran- |
.OOCIIENTNG. 100
GLOKI KM â
|
den. Fig. Mijn gr/n-im y loeide mij o/nh.' tony; hij dloeit run ijrer: de rozen â ; de Allien â, een rooden glans afstralen. 4gt;lo«'i4kii (inarm, heet mal.en),. ik liel» gegloeid. IIel ijzer â : een stnl: tlnuid â. l-'ig. üe wanhoop (jloeil kern hel ooy; âri^quot; (nutnn, verhit), lm.; â iâ !»â¢(;//oelt;/), v.; - laiiip (eleelrisrlie lum/i), v. âen; ('jos- lirhl. l.onsjesliclU), o. âen. (hooije (jraad e-m hillr). v. gmv. 4-looi (helliny), in. De â ilquot;r duinen. â¬Hl4»4»ilt;'ii (schuin nfloopen, hellen), het heelt geglooid. Die wey â lt;â lolt;»i«'ii4l (zacht hellend), lm. Kenâc duin-voet. ^â looiiii;;'. v. âen. Lanys de â van een heuvel. 4â looi* (ylan.s; lig. roem, eer, lnister), in. gloren. lt;aio|» (smal slraidje, slo])), o. âpen. (ylanzcn.ylirnmen}, hel heeft gegloord; -in»', v. (â iloria (hi/', eer\ If. K. eerste woord eon den lofzuny: (1 lor ia in E.celsis Deo), o. en v. gmv. Ook nmziekstnk op die woorden (ICere /ij God In den hoogen) gemaakt. (Mis). lt;gt;lorilt;' (romi, luister, pracht, oraal), v. gmv. ^-loriettc (tuinhuisje, prieeltje), v. â n. (roemrijk, schillerend; lig. trotseh), lm. (roemrijl.), hn. Ons â verleden; een âe naam; bw. Zij stierven â, lig. heerlijk, verheerlijkt, zalig. «â lorilioati^ (eerheerlijlciay), v. gmv. 4-loiaioma iprachtlelie), v. â s. iiU*s.iiU*HSi*(yeschrlt;'een loelichliny), v. â sen. Op een mul handschrift âsen maken, ev nuu-teekeningen, kantteekeningen hijvuegen. liij nithr. IIij maakt oreral âsen op, hij ïieeft ojt alles zijn aanmerkingen en spotternijen. 4;io**ai*iiiiii {alphahetische verzameHny van ytossen), o. â saria. (â Iosmm'wii (aanteekeninyen maken, uitley-yen, ran opmerkinyen voorzien). iilui (dekriet, yezaieerd royyestroo), o. âen. Men dekt de hoerenhuizen met riet of met â. {Icier, spleet, openiny), v. âen. ven». 4â Iiii (loeren, door een yluip of reet kijken), ik heli gegluipt. Een âde hlik. lt;â Inipci*. (valschaard, iem. met slinkschc streken), m. âs. Mevrouw, yij maal,! van uw zoontje een â. (C. O.): o}n het hel,' voor den â, d. i. Marco, dicht te sluiten. (Staring.) (yenieperiy, huichelachliy), hn. âc Willem werd hoos. (C. O.) 4gt;iiiii«llt;'r (helder), bn. en hw. De âe boerin. (C.0.); zij lachte â. vroolijk; âiK'iil. v. ^â Iiircii (hespieden), ik hebgeghmrd; 4«leiiir- m.; -inw, v. 1iloillt;'iili|m (bereid uit kleefstof), v. gmv. 4aliitiii«k (beenderen tijm), v. gmv. (lijmeriy, kleveriy), lm. â¬gt;liiiir (hter), in. gmv. Op den â liyyen,slaan. lt;;iiiiiroo»'lt;gt;n (ylaren), ik heb geglunroogd. De knaap âooyde door een heg. (â¢Iyâ¬*lt;gt;riii« (oliezoet), v. gmv. â¬aiia|» (keuriy, pro)ter), bn. Ken â meisje. Uil is ery â'. (C. O.), gew. 4uii4'is (delfstof, kristallijn y est een te), o. 4iiiii4'l». v. gmv. Op de â slaan, luisteren, b.v. aan de vensters, gew. uiilVli'ii (in de vuist hwhen), ik heb ge-gnilleld. |
4aii4»iiilt;' (cc}i kwelduivel, beryyeest), m. â n. ii4»iiiislt;'li (in spreuken), lm. -e dlehIers. 4gt;iio*ilt;lt;i (openbariny, hooyere yodsdienstiye kennis), v. iKftsSi^'Kt'ie (yehe'nnkandiycn, yodswijzen), m. rnv. 4Mklx*ilt;'f (dobbelbeker: driid.l.op), rn. â s. lt;;«»lM'liiis (lapijlen uil de koninl.lijl,quot; lapijl-tceverij Ie l'arijs; uitvinder Jean ('.nbelin, die inde Jöe eeuw de fabriek opricht Ie), m. rnv. (Opperheer, Schepper, Almaehtny), in. gmv. In (lods naam; i/eef Gode de eee; â de Heere; â de Vader; de â can Israel; de â der heirscharen; â loven, prijzen, zeyenen. lt;â 4»«! (in het heidenaom), m. goden. Mercurins is de â van den handel; (ianymedes is de schenker der yoden ; Mars, de â des oorloos; tie â iles wijns, nl. Harchns; een halve â ; bij de yoden zweren; o, yoden, yrooteyoden ! Pig. De yoden dezer eeaiv; aardsci'e yoden; mindere yoden; can den buik zijn â maken, leven voor tafelgenot. 4;olt;i4laiik (Code zij dank), tw. U4Ml4i4'liJk. bn. enliw. De âe schoonheid der lente; zij zinyl â ; âIi4'i4l. v. 4a4»4i4l4'l4M»!S. lt;lgt;4Ml Uk^ ( Zonder (lod. UUH iJCCtl Hod. yeloovende), lm. Hel âlooze volk; een â werk, in strijd met Gods wil; bw. IIij heeft mij â behandeld, d. i. op snoode, misdadig»' wijze; tw. â, wal een leven'. â Ii4'i4l (zimdiy-heid), v. 4a4Ml4'ii4l4»ni (al de yoden samen), o. gmv. 7 Iieidensch 4a4»il 4'ii4l vs\nU.(necla r),m. gmv.; â lvvv(fabid-ber), v. gmv; â spijs (ambrozijn), v. gmv.; â faal (hemelsche taal, hemeltaal), v. gmv.; â |4'4'Ilt; (kroost der yodeyi), v. gmv.; â (afslamnieliny van een yoil), m. âtelgen; â x4M»ii (zoon van een ylt;gt;d), m. âzonen. 4gt;4Ml4'Kn «â 4Mi4'KM4% SOmS lt;gt;4Ml4l4gt;KM4' (diclll. vrituwelijke yodheid), v. âsen. De â Themis. Fig. De eendracht is een bemin nel ij l:e â (v. d. Palm); zij is de â van mijn hart, de aangebedene. 4-4»4lKaiis4*li4gt;lijlc (alyeheel), lm. Den ân day zil hij Ie henyeten; ik zit al drie âe uren le stadeeren. 4;4»4lu-4gt;kiaau-4i. bn. 'I Is â, dal ye zoo handelt, d. i. voor God geklaagd. lii4Ml;£4'l4M'i*4l. bn. De âe schriiver, die voel kennis bezit aangaande God, Zijn wil, Zijn geboden. Bij nitbr.; âe Injdrayen, die op de godgeleerdheid (theologie) betrekking hebhen ; â Il4'i4l. V. 4gt;4»4l^-4'i4M'ia4l4' (theolooy, hij die yodycleerd is), m. â n. lt;a4»4l^4'\alli^' (behiniylijk aan God), bn. Het â feestlied. (Tollens). lt;a4Ml$;-4gt;u ij4l (yeheiliyd aan God), bn. De âe altaren. lt;gt;4k(illi4ki«l (yoddelijk Wezen, God), v. De â op haar hemeltroon. (Tollens)., 4a4Mliii (vrouweiijkeyoilheiil), v. â nen. Fabelleer: De yroote â Diana; de â van den vrede; dlt;' neyen ânen, nuizen. Bij vergelijk.: Hij zei de, dat Henri'èlle een â der muziek was. (C. O.) (â 4Ml ist (iem. die aan God ye looft), m. âen. Tegenstelling van 4«4MliMterij. v. Tegenst. van Ats-iHlitttcrij. ^â «MlkMK'lK'iiaai* (atheist), m. âs. 4gt;4»lt;llo4»lt;'lilt;'iiiii^- (athcisme, onlkenniny can een God), v. gmv. |
GODMENSCnâGOEDHOUDEN.
170
|
4»odiiioii*ilt;*li (Messias, lt;!gt;â Christus), m. gmv. if/tij hri I itjw'rl.ldri mjrn vonr pleit), m. âcaten. Bij uitlu-.: h'o;. din het fjordf n-ner zaal; bepleit. Zie HuiveKail voèaal. 4aO(lsakKlt;'i* {kerkhof), m. âakkers. o. âpen. Het christelijk - ; â belofte, v. ân; âIx'Kflt;*1 (hesehikkimj), o. j^niv.; â inn* (leidinfj), o. gmv.; â1gt;«'-frouwen {vertrouwen op God), o. gmv.; â -beu nsf x.ijn {hesef aintganndr (iod). (». gmv. iâ olt;l8lt;li«'11nt (/ v-mv'i/i(i, runhiddinu eau God), in. Bij uitbr.: geloof, belijdenis,oeredienst. De Christelijke de Joodse he â. o. âpen : â {eereniooie), o. âen; â {oneeaUjiieid), o. â len; â haal ((jeloufslniat), m. gmv.; â ij voi* {ffeloofsijvei*), m. gmv.; â -kiijtt: {oorh H! om den ueloove), m. gmv.; â (geloofsleer), v. gm v.; â llt;klt;gt;i*aar (geestelijke), m. â leeraren; -ooIoiiingM Kerkelijke pleehlijiheid), v. -en; â oiHieruijK (onder-rieht in de geloofsleer), o.; â oiKicrtvijxor, m. â s; â onderuijxeroK, v. âsen; â oor-1««-. m. âen; -|»i4gt;lt;'liii^-ii4gt;ilt;i {plechtige . godsdienstige handeling),^, â lieden; â piielit, m. âen; â «ticlitor, ril. âs; âtwist, m. âen; â vorm {geloofsvorm), m. âen; â vraaft* (vraagstuk), v. âvragen; â vrlt;Mi«» (vredex-verilrag), m. gmv.; â vrijiK'iil, v. gmv.; â -waanxin (krankzinnigheid), m. gmv.; â wlt;»-Iciisoliap. v.; âzaak (geloofszaak), v. â -zaken; âzin (geneigdheid tot (jodsvrucht), m. gmv. lt;gt;olt;iKftorilt;*lil9 o. -en. Zie: Godsoordeel. ^-odN^ozant (profeet), m. -gezanten. lt;-o(lsiiiii* (kerk, tem/tel), o. âhuizen. 4a4»4isiaiii|» (H. K. altijd brandende altaarlamp), v. âlampen. lt;*olt;l*»maia (profeet, apostel, heilige), m. â mannen. 4-o«Kiiaam. bw.; in â. (â odsoordwl (tie raar- en ivaterproef, gerechtelijke proef in de Middi'leeawen), o. âen. Zie Or«ialiiiiii. 4gt;o4iK|»ciiiiiii»-. iiiuulsiwiiuiug (handgift). in. âen. In Drente ontvangen de dienstboden f 3 als â. lt;HO(lsrlt;'lt;*lit ( vuarproef in de Middeleen wen),o. ^â «iilHiM'^'iM'riii^' (de onmiddellijke heerschappij run God), v. gmv. De â waaronder Israël leefde. Zie Theocratie. (â iodsri jk (het koninkrijk Gods), o. De naderende komst van het â. Het â vaststellen op de wrakken van 7 heelal. (Bilil.) ^â oiisspraak (uit spraak van wegede godheid), v. âspraken. Bij uitbr.: raadselspreuk, won-derspreuk', ook plaats, orakel. In ruimer zin: goddelijke openbaring: De heilige âspraken des Ouden Testaments. Ook: Godspraak. IsodKKlad (de stad Gods, Jeruzalem), v. gmv. ^â odMvrede (Middeleeuwen: schorsing der vijandelijkheden), m. gmv. Op Zon- en feestdagen heerschte er â, wapenstilstand. liiofiKvriirlit (vreeze Gods, vroomheid), v. gmv. Ook: Goduruchl. Uofiverg-eten (boos, snood, goddeloos), lm. Ken â dwingeland. Van zaken: gruwelijk, schandelijk: â moedwil, â huichelarij-, bw. in hooge mate: â slecht. UodvreezeiMi (vroom, braaf), bn.; -Iiêi«i, v. lt;aOfivriM*liti$;'vroom), bn. Een werk; een âe denkwijze; bw. Hij bad â, op vrome wijze; v. |
«olt;izalis:(#'/,oom),l)n.m? - werk: -lieid.v. 4gt;4MMi (beter, best), bn. en bw.; -Iirid. v. (gepast, geschikt), bn. â gereedschap maakt een â werkumn; âe lieden, braaf, eerlijk; de âe lieden van achten, voorheen te Dordrecht een regeeringslicham, de gezworenen; gij zijl (tl te welwillend, goedhartig, voorkomend, vriendelijk; al te â is lm xr mans gek, die al te goed is, wordt door iedereen beetgenomen; de zieke is vandaag wat beter, minder ziek; heler een half ei dan een leege dop, d. i. beter iets dan niets; de beste stuurlui staan aan wat; ik handelde naar mijn beste weten; hij kwam te goeder ure, juist van pas; bw. Het gaat mij â ; hij kwam â en wel thuis. lt;aolt;Mi (bezitting, koopwaar), o. âeren. Uordaardig- '{ welwillend), bn.; -Iieid. v. «â ordaclifen. ik heb âgeacht. Spreek er hem over, als gij het â acht, nuttig keurt, laocdhioed (sukkel, hals), m. gmv. Die man is een Joris â. (â oeddeeK (een groot deel), bw. Pruisen onttrok zich â aan den krijgstocht. ^â oeddoni (weldoen), ik deed goed, heb goedgedaan. (â 0('ddiiiiklt;gt;ii (toestemming), o. gmv. (aocddimkeii. het dunkt â. dacht en docht â, heeft â gedacht en âgedocht. Hel heeft den honing âgedacht u te beloonen. (joedeiida;;- ( wapen, knots met scherpe prikkels), m. â s. {â ordriidag-zcK-^fii, ik heb âgezegd, â gezeid. 4;olt;gt;lt;ilt;gt;iiiiior^eiizlt;gt;^-«'ii. ik heb âgezegd, -gezeid. iioedeiinarlitzc^-eii. ik heb âgezegd, -gezeid. (â oederenkantoor, o. â kantoren; â trrin. in. âen; â wa^on, m. âs. (â ordcrliaiid (van) (van be.rouwbare zijde), bw. laoedertirri'ii (lankmoedig), bn.; â lieid. v. 4iio('d*gt;-4'lt;'iM'li (mild, niet karig), bn.; â «aord^oloovi;;- (lichtgeloovig), bn. De âe gro(de menigte, d. i. gemakkeiijk te misleiden. iROCMi^aiiMti^' (toelwillend, vriendelijk), bn. en bw. De âe lezer; zij hoorde mij â aan; â Iirid, v. lt;io«MiiiaK {sukkel, bloed), m. âhalzen. \\*/// een â is uw broer! Iiiordliarf (lobbes, sul), m. gmv. K'n â van een knecht. laordliarli;;- (tvelwillend, toegevend), bn. Mijn âeo )m. Bij uitbr. â e zorg; âescherts; hij sprak op âen toon; zijn gelaat heeft iets âs; â ii«»ilt;i. v. (â ocdiieid (zachtheid, welwillendheid), v. gmv. Dat is te veel â, voorkomendheid; een luim, een bui van â ; de â hebben 'f een of ander te doen; hij is afhankelijk van de â van zijn oom, blijk van welwillendheid; een blijk van Gods â, genade, barmhartigheid. t*olt;*diii'iliji- (vriendelij/: en godzalig van (vandel), bn. Sinterkluas, â man! {â iocdlioiiden (niet gaan kwijnen^ pink blijven), hij hield (zich) goed, heeft zich goedge-houden. Uw vader houdt zich goed ondanks zijn hooge jaren. Bij nitbr. zich niet Joor een ander laten overmeesteren, zijn best doen: Uw broer hield zich goed bij die begrafenis; hij hield zich bij alle examens nog al goed. |
GOEDIG-GOOT.
â 171
|
(wr!willend. vviemleiijh). bn. ; ee)ij â (fetaal; â v. ^â ooflkoiiiu'ii (verlclarm dat iels fjortl /.v, nndcrzoek), ik hel) âgekeurd. Mi'n zal Item '^voor de hiilitie wel â; de upzielder wil die nialerlnlen niet â ; (jezietx en uoedi/ekeiird, quot;liet door een liniidteckoning bekrachtigd on-tlerschrift van olliciëele stukken; dit hoek is I kerkelijk iioedijekeurd, op den titel van li. K. ' boeken; â ing;, v. 4«lt;»4'4lli4»4»l» {uuor ivein'm (jerinuen prijs)) bn. In dien winkel is alles â ; ik zeij *(iltijd: dunrknup â (C. O.); 13ij uitbr. Ken âr ^((urdiijlieid^ laf, l;i:i}^ bij den grond; in Den llaatj is til les âer of helerkoo/i dnn hier: in I'd}'ijs is niet alles hel âsl; â v. 4.lt;M'«llalt;*lislt;'li (spoediij lachend), bn. Zij is not/ al lt;;o(gt;4ll«gt;lt;'r*4'li. bn. Die knaap is â, goed kunnende leeren. 4h4MmIU*V4kii.alleen gebruikelijk in: Pater â.m. 4a4»4Mliiiak4'ii (schadeloos stellen)^ ik heb â gemaakt; â v. ^â 4ii'4liii4ft4'4li^*(ijoedhcivt 'kj. nnerijdenkend)) bn. Ken â man; âe scherts', â Ii4'iil. v. 4â 414*411*4mmI (rondhnrstiij. omjeveinsd), bn. he Zeeawen waren altijd â hij den heker; â -ll4'i4l, v. lt;gt;4M'4lH4'liikH. b\v.; â of kwaadschiks, metnl' zonder inwilliging. 4a4M'4lsiii4M'4l*i (in kdlmc slentiniinj). b\v. 4gt;4»4'4ls|»i*4'k4*ii (horg zijn. inslaan voor), ik sprak goed, heb âgesproken. Zijn vader zal â voor die som. (â 4M'4l vinlt;i4'ii (verkieslijk achten, noodiij achten), ik vond goed, heb âgevonden. Handel, zooals (jij het (joedeindt'., de schipper rond het (joed, een haren binnen te ludlen. 4r4»4'4| \ iii4l4'ii ((joeddanken, welhehayen), o. -fk zal met aw â van middag vertrekken', handel naar atv â, verkiezing, inzicht. 4h4»4mIu(dienstvaard'nj, welwillend), bn. en bw. Onze meid is een âe sloof] dr knapen ' kwaaien â steeds nader: hij llaisterde mij d(d â in het oor, op wehviilende wijze; â -Il4'i4l. V. 4ii4»4gt;lt;lzak (sal', lobbes), in. gmv. Wat een â nan een kerel, r.in een hond. lt;a4M;l (losser, bloedwréker), m. Fig. de Verlosser, Christus. lt;-4»el4't (Fransche t ween ais ter), v. âten. 4a4gt;4klifk (vriendelijk. Hef), bn. en bw. Die â e oude man; een â h'nnear; De hond keel,' llaib â in de oog en. (Ter Maar); â Ii4»i4l, v. (â 4»4'iiiaii (achtenswaardig man), m. â niiin-nen. Bij uitbr. scheidsman, scheidsrechter, b.v. bij een harddraverij. lt;a4»4kii4gt;4'ii$£' (Ind. berg), in. â s. 4ii4M'stiii£;* (zin, smaak, last), v. gmv. Dat is niet naar mijn â. 4gt;4»HVr. lt;R4»ft4kr4l (groot, zwaar persoon), m. â s. Wat een â van een man, van een kind! (â 4»lf* (baar), v. golven. Ken hooge â; een lange, een korte â : witgekiiifde golven. Bij uitbr. de zee: een plek'gronds aan de golven betwisten ; een nimf uit den school der golren gestegen; dobberen op de golven; Hg. golfjes in het haar t naken; Va lent ij n braakt een â van bloed. (Bild.); een â van licht, van vuur, straal, stroom. lt;i4»llquot; (wijde baai, ruime zeeboezem), v. golven. De â van Venetië; de â van Mexico. lt;a4»lf (op golven gel ij Lende), bn.; â -Igt;i,4»k4»r (steenen hoofd, strekdam), ni. â s; |
â lijn (golvende lijn, kromtne lijn), v. -on; â (het slaan der golren), m. gmv. Keti sterke âslag. d. i. Uooge zee; een matige â -slag, d. i. rolling, deining; âK(i*4Mmi (zeestroom ing), m. Ia4»liai(li (reas, lig. ra we gast), m. gmv. Die rent is een echte â, ongelikte lieer. 4a4»l|». v. âen. Zie 4r4»Iv4gt;ii (kidjbelend vloeien, aanrollen), hot heelt gegolfd. De rivier golfde aan onzen voet; Al golft rondom de a^intervloed, Mi'n komt ter preek met droogen voet. (Staling.) Bij vergelijking: liet graan kan â ; hel hooge gras schijnt â ; een âde menigte; een âde vederbos; de vlaïnmen stegen âd op: een â de beweging; âde heaiudeo; een âd blad: â in^'. v. ^â oni (gotnstof), v. âmen. Arabische â. (â 4»iiiarist (aanhanger van (l omar as. Calvinist), m. âen. 4a4»iiilt;lra^anl (een soort van gom), o. gmv. lt;;4»iii-4gt;la*li4gt;k. ^4milasli4'k. â¢gt;. gmv. lt;a4»iii-4'lasti4'k4'ii. bn. Ken â bal; een â poppetje; â overschoenen. Bij vergelijking: De â man, kunstenmaker niet lenige leden. 4h4mii liai's (mengsel can gom en hars), o. â harsen. (â 4milak (roodklearigegom, schelhd,), o. gmv. lt;*4»mlas(i4'k. lt;gt;. lt;a4»iiila^fi4'k4'ii. lm. 4a4»iiini4'ii (met gom bestrijken), ik heb gegomd. lJostze(jels zijn aan de achterzijde gegooid: gegomde eneeloppen. 4â 4iii414' (kram waarop iets draait), v. -n, -s. 4»4mi43 4'I (eaartaig in Venetië), v. â s. â¬â 4111414'li4'i* (gondelsehippirr), in. âen, âs. 4«4»ii4ltgt;li4gt;i*a (gondeliers-lied), v. âquot;s. 4a4Mi$i' (Ind. mnzieL'instrament, metalen bekken (ma een koord hangend) v. â. (â 4Mii4gt;m4'l4'r {hoekmeter), m. âs. 4ii4»iii4»iii4gt;l ri4' {meetkunst der hoeken),v. gmv. 4a4»iii4»iii4'f i'iMt'li (de hoekmeetkanst betreffende), bn. Ken âe formule. lt;il4»iij4k (liengiuilsche planten vezels), v.; â lu- l»ijt. o.; â sr.ak (suikerzak, koffiezak), v. 4a4»iis (dof geluid, gebrom), in. gmv. lt;a4gt;iiNt {de overgebleven kracht van den mest in een akker mi den oogst), v. De â is er uil. lt;ii4»ii*lt;i44»l {bromtol, sleutel tot), m. -Ion. 4a4gt;ii7.4'ii. liet heeft gegonsd; â in^. v. Het â der bijen, der kachel, ran een rad. enz. 4a4»4»4*li4*l4'ii. ik hel» gegoocliold; âaar, m.; â arij, v.; â inu-. v. 4.4M»4'ii4'ikiiiisl { vaardigheid in 't goochelen), v. âen; â(Jtedrijf; hei'senschiin,droomgezicht, bedrog), o.; â««tuk {kunstje), o. â stukken; â Ias4*li (zak, waarin al de benoo-digdheden zijn, en ivaarin of waaruit men goochelt), v. â tasschen; âtigt;w (kanststukje), m. âen; â \V4'i*k. o. 4ii4gt;4gt;4*Ii4'iii {slim, bijdehand), bn. Ken â ventje. Harmen Hakker was de âste inbreker destijds. (J. v. M.) lt;la4gt;4»(ls|»eilllill^' , lt;a4»(ls|»4klllllll^gt; (llUUd- gift), m. âen. 4H4»4»i (gouw, landstreek), o. gmv. 4H4»4»i (ivorp), v. âen. De eerste â hebben. 4a4»4»ieii (smijten, smakken), ik heb gegooid; â or. in.; âin;?, v. CaiM^r' (door bederf zuur geworden; morsig, vuil), bn. (lore mell, : een â varken; â spek. Fig. Gore taal, gesprekken. 4a4M»t. v. goten. Ken dal:â ; een straat â . |
r.ooTDissKLâr.orm-:N.
172
|
(ivrrhtniij otn (jith'u Ir nml.cu), in. âs; âat'al. âgaten; â |»ij|» (afiforr-Imis), v. âpijpen; â(hardaimirii lm/,). in. â n; âmeier. lt;â¢. «â¢mv. 4«4»i'«S. 4lH4»r4ilt;' {ril/ run rrn srhiji). v. âen. 4iIoimIoI (riew, htnul), in. â s. (â ordclbaiKi (i'irin om lirt inii/ilrl), in. irniv.: bom's (i/rii{icllasrli).\. âlienr/.en; â«hni'li (zwrrhlorl,), ni. âen; - iik'S (ilal (ton tlrn linn/rl tjiulriHjm inttu/l). o. âmessen; â roi-(//lt;7 afstand ilora ilrf imlinrr van ilr tailaIrnscha/i, iloai' hrl a/'ihicn rn orryreil.ru ran i/rn 'jnrdrl), v. gin v.; â iailt;gt;iii (Irdrrrn band), ni. âen; ~r*ws {SI. Anloniusvnar, lutidontslrlcintj), v. gm. 411*41lt;*I(I ilt;'i* i fichildlutrl. an. landrloofi znofi-ilh-r), o. âen. In (1 nynnn rn lirazili'r Irr/'l hrl iiradr â. Ook A i*iiia4l il. 4 â 4»r4l 4' I li a ^'4gt;4l in ('/r.sv 7/ ii hdi ⢠lni( ii 'i I is). v. â so n. lt;-4»i*4l4'llii*iii4l (aardaws), «â¢. gmv. ^â 4ki*4l4'ii (een ijordrl londorn). ik iieb gegdnl. ^â 4»r49iaaii«i4'li4gt; Iiii4gt;4gt;|» (zrl.rrr l.nnsliii ijr-Irijdr knoo/i; lig. rrn inijrivil.i.rldr of' nrlrliijr zaal,), m. 4â 4k 1*41iIii (uoor/iarifisi'l), o. en soms v. âen. 4B4»r4liiiil'i*aiij4k (hoordsel), v. âs; â k4M»r4l {lonagt;), »t. âen; â â ii4gt;lt;fl4*ii (hedsor}norn), v. mv.; â |M*4M'l4 (l/rdsrrniorn), v. âon. iinvilitifi; (ornln'inimj, palissadrrrimj), v. -en; ook: dr âen ran i-rn da!:, iiiemp liggen do spanribben. Verder: dwarslal lol koppeling van een rij palen; scheepst.; een loopend touw. 4b4»i'4*ii (zanr o/'ranzii/ a'oydm), liet is gegoord. 4»4H*uquot;4'I (.s7i'oltrnhoojd, sh'ol, l.rrl), m. âs. ^â 4M*$;-4gt;l4li*aiiK ('irnrrsmiddrl). ui. âdrankon. 4a4gt;iitt,4'l4'ii (dr l:rrl sporlrn), ik liob gegorgeld; â iny, v. 4a4»r^-4K 4gt;4»r^4»ii4' (srlii'i/,ijodiii, moasler). v. â onon. Ia4»r^'4»iiis4-li ( rrrrstrrl. l.rnd. vcrstrrncnd), lm. lt;a4»i*i^' (sinrriii. mil), lm. lm. Ilrl rarl.m is ren â dier; In'i4l (zaarheid, ook veilheid), v. ^Mti-illa (.\ fril:. aapmeasrh, dei.roolsle apra-soorl), m. â's. (â 4M** (hnilrndijl.s aamjeslihd land), v. en o. gorzen. 4a4gt;rM ( vin /,arhtiijr rof/i'l), V. gorzen. Dr (irrl â , dr (iraaivi' â ; â.14'. (». lt;a4»i'K4liJli (L-h-iar hnir dijl,- op rrn ijors ma dr aanslihhimj Ir hrrordrrra), m. âdijken. 4a4»i*^l:iii4l (aamras, aanslihhinij), o. âquot;landon. Aainjeivonnrn land. 4ii4»rf {cjrnlllrn; iirhrohrn of fijn ijriani), v. Mrn naai hl ijorl van urrst, havrr rn horl,-ivrit. In 'L bijzonder ijrprhlr ip-rsi. Collectief: (Iraanakhrrs. iraar dr â ijroorjsl wordt. (C. 0.); Alkmaarsrhr â. Spijs: Zij rtm â mrl rozij-nrn. Fig. I!rn (jortje, een kleiniglieid. Spreekw. en zegsw.: '/nu droiKj als â, nl. zwijgende personen; hij lant het in dr â loopea, in 'l honderd; irm. kranen ran haver lol â, van onder tot onder; iets ran haver tot â vertellen, van stukje tot beetje; iets van havrr lot â wetrn, tot in :ille bijzonderheden. lt;a4»i*fl»n* (blikken bas), v. âbussen. De â moet lanfi in drn krtrl hnnr/en. 4gt;4»i*l4*1»rij (ijrattrnbrij, nl. van iirprldeyerst). v. gmv. Hrl klrin ijezin zit rondom dr tril niet (V. Beers). 4a4»rl4*iil4'll4'r ((jirriiiaard, Lriikrnpiet), m. â tellers. |
4a4»rf4gt;r (jiortniolrnam, iiratter), m. âs; â ij (prlderij), v. âen. 4*4»i'ti 4'wa11'b* (aftrrksrl van {irprldr ijarsl). o. Mm drinkr â mrt eitrorn Irijrn ilrn horst. lt;a4»rSi^- (iiarstifi, rinniij). lm. hul rarkrn is â. Bij nitbr. vuil. smrriij: Hor â 'l varkrn z'r, mrn roept al srhoon, al srhoon! (\o\m\o\)', â Il4'i4l. V. {â 4»rSiiiaal.4-4gt;rl4'iiaal (mrniirl})vgt;es),ó.^\\w. 4a4»rx4'riJ (iirasland, briiraasdr aanshbbinif), v. gmv. 4a4»rxiii^' (iKinslibbimj. svhorrr, {fors), v. âen. ^^^rxiii^' (sehatlinij nf hrininij van ijevli rh- Im rijs), v. âen. iiuioliuü: (ijiriijzrr),m. Eigenlijk : l-'m ijriiotra 1,'amm: cp dat schip ivarra twrr âra. 4a4gt;lii. lt;a4»( (vollisstam), m. Gotlien, Goten. lt;gt;4»lEii4gt;l«.. 4a4»fi4gt;li. (bonwk. spit.sbiup'nslijl), v. gmv. Dr â in dr JVrdrrlanden. 4a4gt;{ ll 14*14 . 4a4»ji«gt;li (11(111 (II' lllllhl'a riifi-n, (iothisrh), lm. Era âr krrk, ern â mam; de âr stijl. 4a4»(liislt;*li.4ii4»liK4*ii ( woQgev (lotsvlijhdh.-.rh), lm. Dr âr taal. de âr iirammntira, de âr klanklrrr; âe torrnljrs, â r vrrsirrimirn; â schrift. lt;a4»ii4l (het voornaarnste der rdele inrtalrn), o. Hen sink â, ern klomp â, een haar â, rea slaaf â ; ijrilrgm â. zuiver, niet vermengd; â van dnkatrn, kai':iat; â van pistolen. 21 Vj»karaat; roodâ, ijrelâ, bhiiavâ, (framv â, ijrorn â : massir/ â ; ijeslafjen â, d. i. met. don Immer nitgesmeed; bind â , iirnianl â. Iris met â brlcijfjrn, er zooveel gondstnkken voor geven :ds er op kunnen liggen; om ijern â. voor ijrcn â, d. i. voor geen scliatten dor wereld; rrn raad als â. kostelijke r;iad; rrn hart als â. edel; Kiijm haard is â waard; mrt rrn sim tri van door omkooping; bij drinkt â uit een borrntjr, hij leeft in rijkdom; iJr niiD'urnstonil hrrfl iiond inden mond, vroeg opsbinn is ])rofiJtelijk. lt;a4»ii4la4'lititt' (naar ijoad zivrm i ndr), lm. l'Jrn âe ijlans; â baar. 4a4»ii4la4l4*r (met (foad iievnlde n Irrvormiiir bolle), v. -en, â s. lt;a4Mi4la|»|M'l (iioinhjele apprl. ijrlr ipildrlinij), in. âen, â s. 4a4»ii4lar4'ii4l (strenarrnd), m. âen; â l»aar« (ijoiidvisrh), m. âbaarzen; - iM'i'y (waarin men (jmnl vindt), m. âen; âhi'iirx (bnidrl mrt 'jondi/rld). v. âbeurzon; âIgt;la4l (niti/r-slaiirn blaadje (jond, loovrrtjr), o. âbladen; â I»|4»4*iii (iiitiidsblorm, (fondiielr blorni), v. â bloemen: - I»4gt;4gt;lij4gt; (bundeltje óladgoiat), o. âs; â l»ra*4gt;iii (zrevisch), m. âbrasems; â I»r4»iis (menijsel ran. pordrrr/oiid rn tin), o. gmv.; â lgt;riiiii (ijlanzin bruia), bn âr tokken; â4l4'lv4»r (i/raver), m. âs; â4lisf4*l (plant in Afrika), v. âs; â 4l4»rvt (hcfliij veria uilen naar ijoad), m. gmv.; -â¬lraa4l (fijn aihjerrkl ijond), m. en o.; â 4»lill:^â (iinldrlinij, appel), m. âen. 4a4Mi4l4*ii (van (toad), bn. Ken â borlofir, o. (in de spreektaal ook rrn ijoiid borlofjr); dr â bnl, nl. het staatsstuk van zulk een zegel voorzien; het â kalf aanbidden, den geldduivel eeren; âberijm beloven, d. i. iemand rijkdommen voorspiegelen: koeien met â horens beloven; een eert ijl,' handwerk heeft ren â bodem, is winstgevend; ze zijn door den â keten verbonden, die echtgenooten hebben elkaar om 't geld genomen; met den |
GOUDEN'AAIi âGKAAT.
173
|
â hemjrl visschcn, de visschen gaankoopen; i'ctf Unis mei â hall/en, d. i. lieiast met hypotheek; de â mioili lnvrnt, voortrelTelijkc; â spreulcoi, onschatbare; â nimi'rn. zuivere; een â /'rest. 50-jarig. 4*oii4llt;gt;iiaai* (Imifir slerncn /'(//') i m- â s-Wolkjrs uit het bruine rind â rondyefdazen. (Potg.) Ook: 4aoim'lt;'iiaai*. 4aoiMl«'ii( hoonidi'liIi'i ijeinas met H' Ie t/loe ml rossen), m. â s. o. âen; â rssaai {proef naar quot;L gehiilte), o. âen; â fa.KaBii {(/(/i'dlahen-srhe), in.; âen; â lquot;orlt;'ï (Jteripneer-of rood-forel),v. âlen; â ft'aas. lt;â¢. gmv.; âgvol ({/ecl ut.s lm., h.v. â(iele horen', âji'i'liaiÃr (eerlmniliin/ in een nllooi). o. gmv.; â o. gmv.; â (eenheid von fien'ield om (jood te njeyen. [lonilsehodl). o.; â {hehziiehtifi), lm.; â ^ravt'i* (di'lrer), m. â s; â f£vovt'(tniJn),\.; âgroeven ; â (goudachtig (jroen), lm. Itv. â(jroene elemjelx von een insect; de â(jroene hots van de mannetjeseend'. â samp;'ulrit'H ((jouden m((ntst(d.\ nok 2S-st u iver.spe)in iny, zit eer en florijn). m. âs; â liaan i insect, btadkever)^ m. âlianen; â -liaaiil.i«': Hij ziel er uit (hlinlit) als een â haantje, lt;1.1. hij ziet er keui'ig nit; -liaria; (met jele horen), lm. Itv. iJi' âharuje Jlata-eieren; lirriiK'lijn (wapenk.), o. gmv.; â kalk (â por per), v. gmv.; â liaiil4»oi' (hankiersh o ix), o. âkiintoren; âUariMT ((jouduisch), m. âs; â lm** (kast)uitsla 1 kast), v. â knsson; â Kasl (joud- en zilverkast), v. â en; â (moerasuorjel), m. âen: â kk'iir ((joud(jele I, leur), v. gmv.; âKlrnrit:-(de l, le((r eau goud hebbende), lm. I».v. De â kleurige bodin des dageraads, Aurora; het â L lenrige haar, â kl4»iii|» (sluk(joud),n\. â ew, â k4M»i*lt;l (met goud ouimonden koord), o. â en; â k4MH,ls (koortsige gejuugdheid bij goutlzoekers of beursspeeulauten), v. gmv.: â k4»rii4gt;t (plaatje (joud voor het essoai). \. â len: â kiiKM'ii (linekbinderij: jueldlederen kussen bij het op snede verg((l(leu), o. â s: â kiasl (deel van \\'. Afril.a), v. gmv. 4*4»iilt;!lalii'ii (lal,-en niet gouddraad doorweven). o. Ken mantel van â. lt;»4gt;ii4llak4'iiM'li (gonuakt van goudluken), lm. Ee âe rijksmantel] een âe fazant, d. i. met veeren, die nan goudlaken dnéu denken. lt;«4»ii4llaii«fl (Catifornié), o. gmv.; âÃ4'«l4'r (verguld teder), lt;â¢. gmv.; â I4'lt;il4'i,4'ii lm. h.v. Het âlederen behangsel in de aehlerkamer ean de fumilie Stastok. (('. O.); âiiBak4gt;r (alchimist), m. âs: ââ â iak4gt;rij (alcbiniis-lerij), v. gmv.; â iiiijn (goudgroeve: lig. iels dat groot voordeel oplevert), v. âon. Ii.v. De haring vissclwrij was ons een âmijn: dit boek is mij een â, schatkamer van wijsheid; â |Mgt;i4l4gt; (met goinlachtige vlekken), lm. b.v. Eoi toom â kippen; â f/Oquot;- den pippeling), m. âen; â iA\t\ivv (('quot;gel). v. -en; â |Mir|M'r (kleurstof, goudkalk), lt;». gmv.: â raii4Mik4'l (boterbloem), v. âs; â (zoete, geelgrauive renet of reinet), v. ârenetten. ^â 4»si4InI»|4»4'iii (goud-, gouw-, (joudjesbtoem), |
v. âen: â V4gt;tt'4'ltj4' (goudhaantje), o. âs. lt;ii4»ii4l«s4lt;lia:tl (weegschual om goud Ie wegen, goudbalans), v. âschalen, h'ig. op een -tje wegen, iets hoogstvoorzichtig wikken en we-, gen, b.v. Zijn woorden wegen op de â der reehlzinnigheid. (Koetsveld.) lt;ii4»ii4lK4,liiiiiii (goudglit, slakken, afval), o. gmv.; âsiiii4l (vervaardiger van gouden werken (^n koopman), m. âsmeden; âvernis (goudldeurig eernis), n. gmv.: âvink (vogel). m. âen; â\isvlt (goudklein ige karper-(ichtige visch uit C.hinu), m. -visschen; â vli4gt;;? (glanzende vlieg), v. âen: -V4»y4'l (wielewaal), m. âs; â\i*s (goudkleurig eos-paard), m. âvossen. lt;R4»iilai'4l-nal4'r (lood/valer, een opdrogend middel in de heell.unde), o. 4 â 4gt; ii 14'i' 1*4' ii (smal.en. pr-ieven: ^.goedkeuren). 4n4gt;ii voi'iia n14k (landvoogdes; opvoedster, leermeesteres). V. â s. 4«4hiV4'i*n4'4'i*4'n (besturen, beheeren). 4««niV4'rii4'iii4'iif (staatsbestuur; regeering), o. âen. ^â 4gt;ii V4'i,ii4gt;iii4'iil (\\u\.af(le( ling van bestuur), o. âen. liet â van Soematro's Westkust: l.el â van .Mjeh. 4*4111 v4'i,Bi4'iii* (landvoogd, best((urder; opvoeder. termeester), m. âs. 4«4gt;!iV4'i,ii4'iir-s,4'ii4'raal. rn. gouverneuren-en gouverneurs-generaal. 4n4mm\ (landstreek), v. âen. lt;a4»iiiv4' (bloem, speenkruid), v. âen. 4a4igt;ii%% 4'iiaar. I^UKli'iiaar (lange steeven pijp), m. -s. (â â¢4gt;V4gt;i*%4'il {topzeil), o. âzeilen. 4a4»\ i4gt; (riviervisch, grondel), v. âs. (â i*aa4l. m. graden. Ken cirkelâ, het 3(i0ste deel van den omtrek: een boog ean lt;V0o, d. i. graden; de thermometer wijst 07°, d. i. graden warmte; bloedverwunten in den vierden â. Fig. trede, trap: Een hooge â van krankzinnigheid; in Imogen â, d. i. mate; een academische â , titel van doctor, meester; hij heeft bij hel leiier alle graden, d. i. rangen, dourioopen: âImm»!;'. m. âhogen; âiiioIit. m.: â V4,i,il4'4'liiïü'. v. 4araa4llMgt;4'k (boel: met kaarten en labellen voor de bepaling van plaats en koers op zee), o. âboeken. ^aa1ll»4gt;4gt;^, (trunsportenr, boog in graden afgedeeld), m. âbogen. lt;iii*aa4liiilt;'(igt;i* (persoon of (verktuig), m. âs; â iii4kfiii^' (hel bepalen van de tcugle van een breedtegraad), v. âen; â V4'lâ¢^l4»4'lill^â (afdeeling in graden), v. âen. Iiiraat' (amblemmr, rechter; adellijke Hiel), m. graven. 4iiraaeM4*iia|gt; (in 't aIgemeen), o. âschappen. 4»raa 1*4*11'.*|» (eau Zutfen), v. Hij ivoont in de -. liiraa^M hongerig,be(geerig),hï\. Een grage maag; een ipdij(' visch: gruge lijsters; iem. â muir iets maken; hij is hooft-, teerâ, weet â ; bw. hij st((deert â ; â Ii4'i4l. v.; â14*. v. lt;«i*aal (sehual of schotel, waaruit (',hris1((S het taaiste avondmaal c»'/ genoten hebben), m.. vroeger ook o.; â i*i4Ã4k'r. m. âs; â r4»-Biian. m. âs; âsas'lt;S v. ân; â *»4*li4»llt;'l. m. âs. (/ie onze letterkunde). fiiraaii. â¢Â». granen. Itogge, tarwe, haver is â: l'oot uuk hl eisehen voor zijn â, niet voor zijn verzen, (l'utg.): hel go((dcn â, kostbaar en goudgeel; Klaas heit een -tje gepikt (C.O.), een slokje gepakt; âakk4»r, m. âs: âlgt;4'lt;l. o.: â ln'iirf», v.; âhigt;u\v (teelt), \i\.', â«'«'was, o. âsen. lt;itraas4l4s lm. â boter, grasboter. ^â raaf (vischbeen), v. graten. Een snoei: zit vol graten mager zijn als een â, brood- |
GHARBKL-C
174
JliASMAAND.
|
mager; rood op de â zijn, d. i. niet eerlijk, niet vertrouwbaar; van de â vallen, sterk vermageren; yen ijrah'n in iets vinden, d. i. ergens geen zwarigheid in zien; met wn -in de Led ronnnnndccrc.n, d.i. mot scliorre stegt;n; â bn.; â vornii^', bn. lai'al»!»!'!, v. h'ts in dis â dooien', zijn iji'ld tquot; â ijooien, verkwistend leven. lt;ai*al»l»rElt;'ii. ik lieb gegrabbeld; â «i'ii*. m.; â iiiSquot;- v. 4* nii'iv.imrsiiio^u'iuilliiilii'idjninzainnlK'id)^. 4*i'ïK'lili (ifefiraern water), v. âon. 4gt;ralilt;'iis {â¢Knnjrnaam, liefelijl:, Ifeealliff), bn. en bw. 4ai*a«lalio (stijlliguur: kliinniiny), v. gmv. Zie 4'liiiiax. 4aralt;llt;'lt;gt;r('ii {den rereisetiten tp'aad ran stericte ijeven, b.v. zoalhoadend auitrr vóór de verdamjiin'j), â in^, v.; â witK {al dr toestellen bij de zoathereidinij), n. âen. 4Bralt;llt;'i'i'«'ii {verbeteren run het f/r/ialte ran een metaal, b.v. ran goud, in Iclear, ijeiuield, dai.rzaamheid)\ â in^'. v. 4ai*alt;lii«gt;('l {ije lei del ijl», trapsfjea'jze), bn. en bw. 4ai*a(liilt;'('rlt;'ii (in graden afdeelen, een aca-demisi'hen graad rerleenen). 4ai'a'lt;*isnilt;' {(Iriel.seh getinte aitdr.), o. â n. 4ai*:ef', o. graven. Met den eenen voet in 't â staan, stokoud zijn; aan den rand. run 'I â, bijna dood zijn; de orde van het heilige (â rafbltM'in {bloem op uf bij een graf), v. â bloemen. Zie: Afloilil. laralVlijk. 4gt;ra:iflifbn. Oud en â bloed\ het â gezag, d. i. aan een graaf toekomend; de âe niaeht; Aernonts âe bareht, toebehoo-rendo aan; de âe kroon', de âe zetel', het â tijdperk onzer historie: â Ih'mI. v. 4gt;ral'f ( gegraven water eener vesting), v. vero. /ie Karachi. laral'f{gedenksteen, -teeken), o. â s; â tvri* {kleineaardhearel), w âen; â {steenen grafnion anient), v. â s of â n; â vaas (arne), v. âvazen; âzaii^- {Ujkzang), m. â en; âxvvU. {liggendesteen),\. âen; âzuil {grafteeken in den vorm vaneen zuil), v. --en. lt;â !razeil, liet beeft gegraagd. Wat graagt toeh die buitenluelit, d. i. graag maken. Fig. Gragen naar iets, d.i. belust zijn op; g rag en op iets, d. i. vlassen. 4*ram {boos, fel, toornig, rerwoed), bn. De koning werd â ; een âme leeuw, hij was â te moede, mot wrevelon zin; in âmen moede, in toorn; met âme blikken', âme woorden; -liHd, v. Iiirain {een duizendste van een K.G.),o. âmen. 4araiiiiiiairlt;' {spraakkunst), v. âs. 4-raiiiiiiaiica {spraakkunst), v. â rs. laramniaUcaal {spraakkunstig), bn. en bw. laranimaliMcli. bn. Ken â onderwerp, een â gezegde, d. i. naar den vorm; een âe verbinding, b.v. met de vw. dat, of; bw. Hij schrijft â juist. liraniM^liai» {toorn), v. gmv. ^â raiiistori;; (driftig), bn.; â v. â¬*raiiaail {boom), m.; (vrurht), v. granaten; -a|»|gt;('ll»(M»iii. m. âen; -Immuii. m. âen. lt;iiraiiaa( {donkerrood edelgesteente), m. granaten; {slof), o. JJe granaten zijn edele stee-nen; een armband run â ; â m. en o. 4gt;raiiaa( {bom, holle kogel), v. granaten; â -kanon. o. â nen; â kartets {met kogels gevulde bus), v. âen. taraiHlioos {grootseh, prachtig), bn. en bw. |
t* ra lie n {vrucht zetten, korrels krijgen), bet beeft gegraand: de tarwe begint te â ; lig. uitbotten, ontkiemen, ontspruiten. tiiranict {kristallijnen korrelig gesternte), o. lïen rots van â. t-ranjo {wettig toekomend deel, portie), v. gmv. Zijn â of grant halen, zoeken; bij ui tbr. De â krijgen, aan iem. de â geren, al wat zijn hart begeert, de volle bekoinst. taranxen (grommen, knorren), ik heb gegraasd. vero. tirap {aardigheid, geestigheid, kwinkslag, klucht), v. âpén. tiira|*lii(*a (.svâ¢iirijf- of teekenkunst), v. gmv. tgt;ra|»liilt;'l (potloodstof), o. gmv. tarapliisrii. bn. âe kunsten, die met teekenen in verband staan. t-rapliomof er {hoogteâ, hoekmeter), m. âs. tirappi^- {kluehtig, aardig), bn.; â lioicl. v. tiras, o. grassen Kr zijn vele soorten van gras, als: rijstâ, zijdeâ, struis-, rietâ, haverâ, enz. l'oederâ, Spaansch â; onder het groene â. in hot graf; in het â bijten, sneuvelen; er schuilt een adder in 't â, er is verraad; iem, het â voor de voeten wegmaaien, d.i. hom een kans, een voordeel benemen, hem vóór zijn; op zijn laatste â loo-pen, d.i. op zijn laatste boenen; nat â overhoop halen, veel drukte maken; in grasduinen gaan, d. i. naar hartelust toetasten, zijn hart ophalen, volop genieten. tarasaelili^' {op gras ije lij Lende), bn., b.v. âe planten. tarastuifolior {gepluimde anjelier), v. âen. tarasbaiiH (rand ran zoden), in.âen; â l»o-lt;or {graasde boter, geen hooi- of sta lbo ter), v. gmv.; â iMiik {haas der weidevelden, gei n duin- lt;gt;f heihaas), m. âen; â «lui» (een met gras begroeide heuvel), v. âen. tarasif niiK'ii {duinen, hen reis met gras Inzet, gezochte weideplaats), v. mv. Zich in â gaan verlustigen, to gast gaan, lig. ook op eens anders goed; in â grazen, volop genie-ton; in â zijn, hebben wat het hart begeert; in â gaan, het hart in genietingen ophalen; er lustig in te gast gaan. taraMliiiiMgt;ii {gaan weiden), ik bob gegrasduind. Di de werken der ouden, d'iar hebben onze dichters al rijkelijk in gegrasduind, naar hartelust toetasten. tgt;ras«ktliii£' {recht van beweiding ran 't gras der openbare wegen, der dijken, enz.), v. gmv. Verpachting der â. tiïras^rooii (groen als gras), bn. Een âe kleur, japon, sluitjas; een â lanilsehap. (C.O.); lig. Een âe luitenant, nieuwbakken. tgt; rashariiii;' (die dicht bij de kust voor den tijd is gevangen), m. âen. taraskaas {van melk, afkomstig van ree, dat in de wei is), v. âkazen. tiirasliiiiicii {weefsel uit de vezels van het zoogenaamde Chineesche gras), o. gmv. Ken hemd ran â. t-ras look {bieslook, snij look), o. gmv. tiSrasiiiaaioii (gras met de zeis afsnijden), o. gmv. liet â is een zwaar werk. Ook: on-bep. wijs. tgt;rasiiiaailt;kr {persoon, die het gres maait), m. âs. Inzonderheid: bovenlander of West-phaling, die in den hooitijd komt maaien; bij nitbr. schimpnaam: mof, poep, hannekemaaier. t*rasmaaiilt;l {waarin het gras ontspruit, April), v. gmv. |
GHASMUSCI
II-UIiENS.
175
|
lt;i(i*asiiiiislt;*li (kocivaclitr.r. zwartkup, Udn-IIniter), v. â iimsschcn. ras|»i«'|M'r (veldleetiivcril,), m. âpiepers. 4â¢! rasproeK {Imycjm'fk, preilicitic in hef open vcl(l\ v. âproeken. 4gt;i*aHi'lt;»l (cilinderoonniyc rol om het yras e/fen Ir nKiken), v. âIon. lt;*ra«iK(*lio]i( (joru/e i/ritssfn'icl), m. âon; â -s|»ri«'S (iimsstemiel), m. âen; â lapooS. -lapijl («licht, y ra skieed der durile), o. â tapeten. 4iirasvlt;'lliK'. lm. Dit is â. dit moet voor Kchnld verkocht worden, «xew. I* rasvoi-lilt;M»|»in^-. v. -on; â vi'rpaoli- liii^'. v. âen; â vill (urnen urast/ek, de (jroeze op dijken), v. gmv.; -vlaklo. v. â n: â w«'lt;luwlt;» {itnheslnrren ivedmve; ye-hnwdc vrome, tuier nuni tijdelijk ofieeziy is), v. â n; âxaafl, o. gmv.; â asofl**, v. â n. 4*ralias(dftnkhetniyiny), v.-sen. Hen lonyrâ. Weet je teat een â is, Ixluar'.' (C. O.). Ilrt is een bedankje, voor den prijs. Dun doen alle primnssen âsen. (C. O.) 4gt;rali4' {hevalliyhrid'. yrnacle), v. gmv. /ij draagt haar 'zwarte falie met â. (C. L).). Het reeht van â. l-raliön (de drie heealliyhedcn: Eaphrosine, Thalia en A y la ja), v. mv. l«raSilt;'iis (hekoorlijk, Hcftalhy), lm. en h\v. !â ral i f ilt;*al iv {ueryoediny jh'Uhj ! ii ny.yesrlienk), v. â tiën, âties. lirali^- (vol yraten), bn; elft is een âe visch; â Iirifl, v. l-ralis (om niet, vaar niemendal, kosteloos), hw. Ken â aduertentiehlad; een â voorstel-liny; â onderwijs. Iâ raI uit {vrijwilHy). Dun â, vrijwillige gift. li ral niwmi (yelnkwenschen). li ran vt (snanw, hard woord), m. âen. rauw (het ycmeen), o. liet â kwam op de heen. liramv {(trijs, asehklenriy), bn.; â lioifl, v.; -i^lirifi, V. liranwaohli^-. bn.; â lilt;'ilt;l, v. liraiiivrn {norseh spreken, snauwen), ik hel» gegrauwd; â «»r. m. liranwljo (ezel), o. âs. liravfol (nierwei', het steen), o. gmv. liravâ¬Â»â¬'rlt;'ii (letters, pytiren in hout, steen of' metaal yriH'en). Een nruntslenip'el â, op haat â, in koper â, inkrassen met de gra-veernaald; âlt;l«'r (kunstenaar, yrareur), m. â s; â in;?, v.; âs«'I (yey ra veerde llyutir),o. â s of âen. Iirav«'rrijzrr (naald, insnijmes), o. âs; â -kiniKl (zeyel- af stempelsnijderskunst), v. â en; â iih»s {van den houtyrareur), o. â messen; -iiaallt;l (fijn yraveerstaal), v.âen; -staal {stak gereedschap), o. gmv.; â slil't {yraveernaald, graveerijzer), v. âen. liravru (delven, spitten, den grand omzetten), ik groef, heb gegraven. Een kuil â, een graf â , een put â\naar iets â; de fondamenten â; -vv (delver), m. -s; â«'rij (het vergraven turn veen), v.; -in», v. liravnilKMMi {zinnebeeld der grafrlijke waardigheid), m.; -Imis {stamhuis, geslacht), o. â huizen; âkroon (hoofdtooisel van een graaf), v. âkronen. I i ra vrnr (/gt; laatsn ijdi 'r, stempelsn ij der), m. - s. li ra vin (regeerende vorstin met den rang van een graaf), v. â nen. De jonge â Ada; â Javoba, echtgenoote of weduwe van een |
graaf; ook bloot als titel: Door haar huwelijk is zij ~. liravimioliniiil (een soort van weegbree), o. gmv. li ra vi â â ii c ui ooi» in. li ra vil al i(k (zwaartekracht), v. gmv. liravilroiM'iK wegen, zwaartekraeht oefenen). li ra vilcil (ernst, deftigheid), v. gmv. liravnrr (gegraveerd stuk), v. â s: (soms ook) ân. Een â in zwarten inkt, plaat, prent; een hout â , een koperâ, een slaat-. li raxcii (weiden), de koe heeft gegraasd, liraz.i^- {grasrijk), lm. Het â vlak, beperkt van 't l.lselbed. (Staring); een â land, ei n â veld; bij ui tbr. âe boter, d. i. naar het gras smakende. liraxioso (bevallig, innemend, zaeht, liefelijk), muz. Iirlt;'l». Iirlt;klgt;l»4' (greppel, smalle sloot), v. grebben. De â is een riviertje op de grens van i'treeht en (leid.; ^rcbhi'liiiiir (voorpostenstelling tusschen Spakenburg en De (ireb), v. gmv. liri'C4|iilt;' (a ia) (op zijn (lriekseh), bw. lircrl (gareel of haam), o. âen. li (grene, grein), m. grenen. De â is een naaldboom; â Igt;4»4»iii. in. âen; â Ii4»iil, ⢠i. Zie liroiK'iiiionf. Iir«'«'p (voor grijping), m.; (handvol, hand- vatsel, mestvorl:), v. grepen. Iirlt;'ilt;i {greed, greede, greide), v. âen; een â omploegen, weiland; â hoer. m.; â^romi (grasland), o. âen; â laiilt;i. o. g.w. lirricii (krijten, schreien), ik heb gegreid. Kind, hoe greit ge dus! vero. lir^in (graankorrel, zaadje, pit), o. âen. Greintje bij âtje maakt allengs een grooten hoop; bij uitbr. Een âtje zout, korreltje, lirrin (medic, gewicht, '/oy serupel), o. âen. liiM'iii (stof van kemelshaar), o. gmv. Iir«'iii (geneeskrachtige peperkorrels), o. âen. lir«kiiilt;M'rlt;'ii (een oppervlakte ruw maken), ik heb gegreineerd. Een Iithographischen steen â, nerven, kartelen. Ook: Llrêinen. liiM'iiK'ii (van grein of angorawol), bn. Een â vron wen mantel. lii-oini^- (korrelig, ruw), bn. Dit teekenpapier is â. liriuwrl' (scharlaketiroode verfstof), v. gmv. liiM'lin^- (scheepst. touwwerk dunner dan een kabel), v. gmv. limiK'l (vlek, spat), ni. â s. (imiaclirr (muskettier. soldaat), m. â s. De â s en jagers, afdeeling van het Ned. leger. lirriKirl. m. âs, âen. Hij zit achter slot eti â , in de gevangenis. limidrlliooni (balk of bout), m. âen; â -«â¢at (waar de bont inloopt), o. âgaten; â -kram. v. âmen; âslol. o. âsloten; â -Mimi. m. âen. lirciHlricn (met een grendel sluiten),ïkhvl) gegrendeld. De dear â. Iir«'iiniii4»iil (hoat van den zit verspar), o. gmv. Een ruwe kist van -, d. i. rood dennenhout. Iirlt;'iii«'r (scheepst. planken zolder op de lading), o. gmv. Over den ballast worden delen gelegd, het â genaamd. limiK (scheidingslijn, afpaling, akker se hei-ding), v. grenzen. Een bergketen, een rivier, een zee is een natuurlijke â; een staatkundige â ; de Belgische, de Pruisische â; hij werd over de âzen gezet, uit het land ver- |
â GUM NSLAC11ICN.
(jKKNSBKPAUNG
|
wijderd; zijn Kennis lifjl binnen enge âzen; li^. de âzeil tiissehen sehilderkunsl en dieht-kiinst: !linnen de âzen van iets Idijecn; de â zen der ivelvoeijlijhlieid overschrijden] (jeen â zen hennen, d. i. ;illc m:iat te buiten gaan. (iiiHmUeninu der t/renslijn), v. âen; â lM»wak«gt;r (wachter), in. âs; â â¢iM Uonor. in. -s; -«lorp. o. â en; â lt;i. gmv.; â v. â n; âkan- lâ¬M»r (donanenkantoor), o. âtoren. {/uilen aan, slniti'n aan), liet heeft gegrensd; fig. nabijkomen: Dal urenst aan 1,'i'ankz innigheid. 4«i(onmetelijlc i/rool), bn. on bw. De â tooze hei, woeatijn', lig. Gods âInozc ijoedheid', een â rertrainven; âlonze wille-l.i-nr; rr hecrschte een âhmze verwarring] zij mint n grensloos leed er. (K tor Haar). (gri'pi'f, grnp), v. gi'eppen. Tnsschen de akkers loapt een â, tot loozing ran het water] scheiâ, v. âpen. (smal slootje), v. â s. (begecriig, helnsl, graag), bn. en iiw. De Engelschen waren â naar lm it. Iets â inzwelgen; iets â hooren] â heid. v.; -lijk. I»\v. b.v. De gh'ren kieamen â lijk op hel aas af. (werkstaking), v.; â maken. lt;â â *lt;gt;visf (werkstaker), ni. âen. (aehterlmart, slechte Inmrt), v. âsen. Ook: (irities, gribesen. l-riof' (leed, kommer, moeite, druk), v. grieven. Ook: «Urh'vo. Bij nitbr. krenking, be-leedlging: Een â. zijn geslacht aangedaan: ook: bezwaar, reden lot misnoegdheid, onte-rredenheid, b.v. herstel ran grieven. 4gt;rirk (bewoner van, persoon uit (irieken-l'ind), m. âen. Bij nitbr. knorrepot,.afgeleefd man, oude stiller; ook: raar wezen, zonderling. lt;ai*M»k*lt;*li.bn. on (alszn. voor Grieksche taal),o. (vogel, steltlooper, doornsluiper), v. âen. De â komt in onze duinen voor. lt;Rrilt;kl. m. en v. gmv. In de(n) â gooien,mi-strooien om te laten opgrabbelen. 4«i*i4kl('ii. ik beb gegrield. Iets â, opgralibe-len ; om iets â, grabbelen. Zie i'iiniiM'h'ii. (zandige ivaard, hoepland,bosch van rijshout), v. âen; â Ikisik (eigenaar of hu nr-der), m. âbaznn; â o. gmv.; âhout. o. gmv.; â kalt;llt;» (zomerdijk rondt on een griend), v. ân; âlaiilt;l. o. âen; â waard {rijswaard), v. âon. 4ari«'l» {.verkoudheid met keelontsteking), v. (drietandige mestvork), v. âen. Ook: (gruis, (gebroken graan), o. gmv. (gebrijzeid graan), o. gmv. Een podding ran â, d. i. tarwe of spelt. (grof za nd, steengruis), o. gmv. uippel), v. âen. De Zeenwsche â, de dubbele â. 4gt;ri4'l (vogel, de grutto), m. -en. De koekoek en de â, die leggen vóór half .Inni niet. (scholachtige visch), v. âen. De â be-icoont de Noordzee. 4ari«'llt;'iiii (Eriesland, rereeni(ging ran dorpen), v. â n. Tot 1705 was Friesland verdeeld in elf steden en dertig âen] â o. -besturen; â linis (raadhuis, rechthuis), o. â huizen; â raad (best arend lichaam), m. â raden. 4»rir1Jr (bramzeil ran den bezaansmast, boven kruiszeil), o. â s. |
larirfmaii (bestuurder eencr grietenij), m. â nen. 4«rirvlt;' (bezwaar), v. ân. Ook; 4arirf'. iirivwu (verdriet doen, beleedigen, plagen), ik heb gegriefil. lem. diep â; het (grieft mij in de ziel, innig spijten; het âd zelfverwijt, kwellend; rampen, die uw ziel wonden; het âd staal (De Gen.), kwetsend; âv. {â¢irirzrl (rilling van afkeer), m. gmv. Er ging mij door die spin een â door de. leden] ik heb er een â voor of van, d. i. afkeer, walging. 4«rirxrl (weinigje, ziertje), v. âs. Een â kwaadsprekerij. iiriozrlrn (huireren, rilien), ik hei⢠gegriezeld. ^â rilt;'xrli^ (huiveringwekkend, ijzig), bn. en l)w. De aerobaat deed âe toeren] een âe ivonde, afkeerwekkend; 't is â koud, zóó dat men huivert; â lirid. v. ^â ri«gt;zrltjâ¬k (een ziertje), o. â s. lt;«rilquot; (raar-iig, ring, spoedig (gereed), bn. en bw. Hij is â mei de pen; zij is â in alle dingen, handig; iets â hebben, er slag van hebben; hij antwoordde â, vlot; oom Aai verdiende op zijn zeventigste jaar â zestien stuivers. (Koetsveld); hij heeft zijn tong â tot zijn dienst, snel, prompt; ergens â in toestemmen, bereidwillig, zonder tegenwerping; alles (ging â eau de hand, vlot,willig; -iM'id, v.; âwry: (zonder moeite), bw. ^â rifrrl (leipen, grilfie), v. â s. Zijn â aanslijpen: een met goudpapier beplal.te â; met zijn â op de lei krassen] v. âdoo- zen; -kokrr. m. âs. (entlot, scheutje), v. â s. 4ai*ifrrllt;'ii (inkrassen, ingraveeren), ik heb gegrilleld. In marmer, in metaal â; lig. in het geheugen â. Uriflrlni (een ent tot of rijsje plaatsen, enten), ik heb gegriffeld. De lente is de tijd om te â] een wild uppelboo)npje â. rif Ir Ir ii. Zie f^niflrlru. 4 â rif Ir ii. /ie «â¢iriflrlrn. firiflit' (schrijfstift, leipen), v. grifliön. gew. fariflir (het schrijverskantoor, behoorende bij een rechtbank), v. â iön, â ies. fariflilt;'r (geheimschrijver, secretaris van een hof, ecu rechtbank, een ka^t ton gerecht), m. â s; âNrlia|i (het ambt),o. gmv.; âKplaafs. v. âen. ^â riflioeii. f-rifl'orn (de grijpvogel] in de wapenkunde een denkbeeldig dier, half arend en half leeuw), m. âen. f*rii'l (grillet), v. âen. fii'iffr (water, gegraven watergang), v. âen. De â tnsschen Apeldoorn en Huttem] de license he â; de Zeist er â. rijn (knorrepot), m. âen. fai'ijiirn (krijten, klagend schreien), ik grijnde uf green, heb gegrijnd of gegrene i. firijuiu' (knorrig), bn. Een â niensch; het kind was â. fa rij us (onaangename vertrekking van 't gelaat), v. grijnzen. Jiang zijn voor de â run den dood] de â van een aap. fa rijns (mom, tooneelmusker), v. grijnzen. Hij behoeft geen â, is leelijk genoeg; een â voor zijn gezicht hebben. farijnslarli (grijnzende lach), m. -je. Er kwam geen grimlach, maar een â op zijn gelaat. farijnslarlirn (bitter of hatelijk lachen), | ik 'heb gegrijnslacht. |
GRIJNZENâGRIND.
177
|
(â rijiizoii {de gelaatsspieren boosaardifi ver-tf(deken), ik iieb gegrijnsd; âaard, m.; -iiiff, v. ^-rijp (firilfnen, fabelachtig dier), m. âen. De vogelâ, in 't algemeen gier, roofvogel. lt;â rijpen {pakken, vatten, vangen), ik greep, heb gegrepen. Naar iets â; dat ligt voor het is in overvloed voor de hand; hij heeft het maar voor het â, zonder de minste moeite; fig- uit de lacht â, verzinnen; hij pal.t al wat hij maar â en vangen kan, he-machtigen; zich aan iets â, vastklemmen; de teagels â, opvatten; den ploeg â, de hand aan den ploeg slaan; naar de wapens â, naar het zwaard â, er de hand aan slaan; naar de pen â, zich tot schriftelijk verweer zetten; het vuur grijpt om zich heen, als een veelarmig monster; de wegwerkei' werd door den trein gegrepen, aangevat en mee-goeleurd; moed â, vatten; dit tafereel is uit het leven gegrepen, ontleend aan; dat grijpt in de ziel, in het hart, diep ontvoeren; plaats â, gebeuren, voorvallen, geschieden; âor (iém. die grijpt), m. â s: â injr (tastende be-weging), v. âen. (â rijpKtaart, m. âen. Sommige apen hebben een â. ^â rijpvoji'ol {fabelachtig die*', griffoen, vo-gel grijp), m. -s. I-rijs (lichtgrauw, witachtig vaal), bn. Ken â ze jas; de âze nevel; alles :ag â van stof: â ze oogen; een âze baard; zegsw. â haar van iets krijgen, b.v. van zorg, schrik, ergernis; bij nitbr. de âze Rijn (Bdd.), d. i. aloud; het â verleden, in den âzen onder-dom, d. i. hoog; â lieiii {het grijs zijn), v. lig. ouderdom; b.v. Dat gezonde' rood, dat den tuinlui tot in hun âheid bijblijft. (C. O.) lt;gt;rijs (grijze kleur), o. gmv. Hij kleedt zich liefst in het -. (â rijKaani (oud man), m. â s. De â en de jongeling; een frissche, een groene â, nog helder opgewekt van geest; 'een jeugdig iem. die Krijs is vóór zijn tijd. (â irijMarliti^' (zweemende naar het Grijs), bn. Een man met âe haren. ^Rrijsbaanl (oud-krijger, veteraan), m. âen. i-rijsblaiiw (van een naar h.et grijs trekkende blauwe kleur), bn. De âe meren, het groen werd â. (â rijnbok (steenbok der Kaapkolonie), m. â bokken. 4*riisl»riiiii (grijsachtig bruin), bn. Ken âe japon; een âe steen. (â irijs^rauw (vaalgrauw), bn. â e onweerswolken. lt;irijs$£'rorii (dofgroen), bn. Ken â blad. een â oog. (â irijsiiaritt' (grijze haren hebbende), bn. Een paar âe mannen. Grijskop (scheldwoord voor grijsaard), m. â pen. (â rijMkruid (kruiskruid, senecio), o. gmv. 4*rij««|»eiiM (knorrepot, kniezer), m. gmv. vero. lt;â ; rijswit (vaalwit), bn. Ken â handvahes. (â rijKekom (aardrook, difi ven kervel), v. gmv. ^arijxrlrn (een huivering gevoelen), ik hel» gegrijzeld; â in^, v. Ook: (â rirzrlrn. lt;gt;rij%Vli^- (huiverig), bn.; â liri«l, v. Ook: lt;»riezeli^. ^-rijzen (rillen, bang zijn). Zie Afgrijzen. rijzon (grijs worden), ik '«en gegrijsd. Reeds grijs ik h er en daar (Tollens); lig. de koenen, Verkl. Uandwdb. d. Nederl. taal. |
hemel, het Westen, het gebergte grijst, een grijze tint krijgen; de nevel rijst grijzende op, zich in grijze tint vertoonende. lt;arijzi$i- (grijsachtig), bn. Een âe lucht, âe oogen; â lioifl (grijze tint), v. gmv. {â ril (inval, onberedeneerde gedachte, kuur), v. grillen; stel u die âlen uit het hoofd; wat een belachelijke â, een voorbijgaande â; naar iem. âlen moeten handelen, luimen; zegsw. Malle lui hebben malle â ien! die barre mijnheer Kegge was kleinmoedig om den wille van de â van een zeventienjarig meisje (C.O.), d. i. nuk, eigenzinnigheid, vlaag van onredelijkheid; Geen leuren, vrouw, geen â len! kinderâ; meisjesâ; modeâ. «â ril (rilling, huivering), m. gmv. Rij die gedachte gaat mij een â over het lijf (Aonuthnn). (â rillen (rillen, huiveren), ik heb gegrild. De kon doet mij â; vun iets â, d. i. door afkeer, schrik; voor iets â. «â rillrninakrr (potsenmaker), m. â s. (â rilli^- (unspeltnrig, loszinnig, speelsch, zonderling). bn. April is een âe maand; het â noodlot, de geit is â; hij uitbr. een âe invul, een â humeur; een âe rotsvorm; âe arabesken, d. i. van phantastische gedaante; bw. het beekje dat zich â slingert, op zonderlinge wijze; â lirni (malligheid, nukkigheid), v. â lieden. (â rilling (rilling, huivering, siddering), v. â en. Ken â van koude, van koorts, van schrik: het hoofd met een. â afwenden. (â rini (toorn, woede), n\. gmv. De vriendschap was in â verkeerd. (Staring). (â rini (fel, verbolgen), bn. De âme Noordzeebaren. lt;;riinaanzic*iit (grijn zend gelaat, grijnsbek), o. âen. (â rinias (grijns, grijnzende trek), v. âsen. Ken â zetten, een grijnzend gezicht trekken; âsen maken, ongewone lichaamswendingen, kromme sprongen, zonderlinge gebaren; wat voor âsen zijn dut nu? kuren, kunsten, fratsen; koude âsen, malle, onnoodige fratsen, (â riniassrn (gezichten trekken), ik heb gegrimast. (â riinbok (grompot, zuurmuil),\\\. âbekken, (â riinbckkm (de tanden laten zien, schamper grijnzen), ik heb gegrimbekt. (â rinila4*li (bittere lach), m. gmv. (â rinilarlicn (valseh lachen), ik heb gegrimlacht. In de vuist â. (â riininclrn (krioelen, wemelen), het heeft gegrimmeld. De mieren â. Ook: (â rimiclcn. (â rinimrlen (kriebelig, ongedurig zijn), ik heli gegrimmeld. De maag grimmelt mij van -honger. Ook: Krirmrlrn. (â riinnicn (grimmig zijn, dreigend uitzie) ), het heeft gegrimd. Di 't Noorden grimt de beer; fig. De honger grimt hun tegen. (â irimnirr (knorrepot, kniesoor), m. â s. «â riinnii^* (verwoed, boos, tot toorn geneigd). bn. De man is â van spijt; hij is â van karakter; een âe reus viel op hem aan: bij uitbr. De âe winter; het â Noorden (Tollens); bw. â roepen, iem. â aanzien; â vechten; â li«»ilt;l. v. (â rinipot (prultela tr, kniezer), m. âpotten, (â rind (kiezel, steengruis, geklopte keisteen), v. gmv. Ken weg niet â bedekken (zie Kr-$;'rimlen); een âbank in de rivier; een â -depot, verzamelplaats; âgronden, h.v. gedeelten van heidevelden; -liordr (zeef om 12 |
GRTNN FKKN - GROMM KN.
178
|
te ziften), v.; â ]m(l, o. âpaden; âweg:, m. â wegen. Meestal: 4*riiit. ^iiriiiiiikeii {van genoegen met zeker keelgeluid lachen'), ik heb gegrinnikt. Pietergrinnikt, als een vertelsel uit is. (C. O.); â erd, m. â s; hij kneep Macht eld in de wang, louter uit joks, zei de âerd. (Potgieter). v. en soms o. Ook nog wel lt;gt;riii«l. (Fransch zindelijk gekleed dienstmeisje', meisje, los van zeden), v. â s. CiiriNoii {gas in kolenmijnen), o. gmv. {kapen, behendig iels tveggrijpen), ik liel» gegrist; â ser. m. Oroeve {greppel, sloot, diepte, grafkuil), v. groeven. De predikant sprak hij de geopende te â brengen, begraven; te â bidden, ter begrafenis noodigen. (â roei {het groeien), m. In den groei zijn, nog groeien. lt;â roeien, het is gegroeid. Er zal een dichter uit hem â, worden, ontstaan; in ietsâ, zich verheugen in eens anders leed; iem. over het hoofd â; tegen het verdriet in â; die nagel zal in het vleesch â; die kinderen â als kool', moge het gezelschap â en bloeien! die beginselen kunnen er â noch bloeien', het geld groeit mij {hem, enz.) niet op den rug, d.i. ik dien zuinig met het geld om te gaan; wat schielijk groeit, valt schielijk af, d. i. vroeg rijp, vroeg rot; als de boomen bloeien, de zotten â. lt;gt;roeizaani {groei bevorderend), bn. 7 Is â weder-, â v. lt;iii*0â¬kii {nieuweling onder de studenten), m. â en; â tje. Als â loopen; hij is nog altijd een â; Hildebrand, ik heb je nog gezien, toen je â was (C. O.); de rampzalige âen (C. O.); âloopen {als nieuw student rond-loopen), o. gmv.; tijd (tijd van het noviciaat onder de studenten), m. gmv. tiiroeii {een der hoofdkleuren), bn. De âe hagedis', de âe loofkikvorsch; de âe specht-, die appels zijn nog â, onrijp; die salade is nog â; een âe vrijer, piepjong maatje; een grasâe luitenant, pas of onlangs benoemd; zijn korentje â eten, d. i. van de hand in den tand leven; in iets nog geheel â zijn, d.i. zonder ervaring; onder de âe zoden, op het kerkhof: aa)i iem. âe zijde zitten, aan zijn linkerzijde, bij het hart; de âe bruiloft, d.i. die bij het huwelijk; âeDonderdag, ook Witte Donderdag. 4«roeii {de groene kleur), o. gmv. In het â gekleed zijn ; in de wapenk. het sinopel', j a ff er tje in 't â, plant; het vee huppelt in het gras. kruiden; Spaansch â, azijnzuur, koperoxyde. â¬â i*0â¬'ii (Ind. onbekend met de zeden en gebruiken), bn. Hij zag er buitengewoon Euro-peesch en â uit. (.1. t. Brink.) (â roenaelitiiv, bn. Het water der zee is â. (â roenen {groen worden), het heeft en is gegroend. De weiden â. (liroeniK' {groenachtig), bn.; â liei«l, v. UroeiilamlMvaarder {schip voor de wal-vischvangst), m. â s. lt;iiroenlin$;' {vink, ook loofkikvorsch), m. â en. tRroenloopen {âgroenquot; loopen van studenten), ik liep â, heb âgeloopen. ZieCSroen, m. lt;*roen»el {moeslcruid), o. âs. Zie lt;iiroente. («roente {plantaardig voedsel uit den moestuin), v. ân; âbed {tuinbed met groente), o. âbedden; âsoep, v. |
Groentje {scheepsjongen, or inbaar), o. â s. Ook: nieuweling, onervarene. 4gt;i*o(gt;nvink {groenling), m. âen. De eenzame â zingt nog zijn lied. ^â roenvlie^r {Spaansche vlieg), v. âen. De â is een blaartrekkend insect, goudgroen of blauwgroen van kleur. Groenvrouw {koopvrouw in groente), v. â en; âwerker {mandenmaker, die groen werk levert), m. â s; -zand {groenkleurig mineraal), o. lt;gt;roep, v. âen. Een â beelden', een familieâ. Oroepeeren {bijeenplaatsen, tot een geheel verzamelen), âder, m.; â ing-, v. (vroepen (bijeenplaatsen), ik heb gegroept. Oroet, m. âen. Ook: Groete, v. â n. lt;»roeten {met een groet eer bewijzen), ik heb j gegroet. lt;*roeteniN {begroeting), v. âsen. Groeven {uithollen, graven), ik heb gegroefd. Groeze {jeugdig groen, jong loof), v. gmv. Groezelig {onfrisch, gom', smoezelig), bn. en bw. Wat âe handen! de âe muren eener hut, een â loopmeisje', een â gele tint; â -li o id. v. Groezig {onzindelijk, morsig, vaal, dof), bn. Een â duister; de âe mist; een âe kleur. Grol'(niet fijn), bn. grover, grofst. Een grove I kam; grove taalfouten, d.i. lomp, zwaar; er ! met de grove bijl inhakken, ruw te werk gaan, veel geld opmaken; grove zonden, erge, groote; ggt;'Ove beleedigingen; een groven mis-j slag; bw. â spelen, â spinnen; bet gaat erâ, i te â. te kras, te Spaansch; â lieiil. v.; âIe, v. Grofaal {aalsoort met stompen kop), m. â alen; â aelitig (niet zeer fijn), bn.; â ge-selnit {kanon), o. gmv.; âgespierd, bn. ! âe leden; â niet»! {ongebuild meel), o.gmv.; â tiend {opbrengst in veldvruchten),o. âen; â werk. {hennep of touwpluis), o. gmv.; â -werker {werker in grovere suikersoorten), m. â s; â wikt {herten en reeën), o. gmv.; â zand {korrelig zand), o. gmv.; âzee {hooge, zware deining), v. â ën. Grog (mengsel van rum, arak, cognac, je-j never met heet water), m.; âje gt;'yrokje), â s. i (Lees: grok); â stem {heesche stem), v. â men. Grol {vitkous, kniesoor), m. en v. â len. Grol {haat, wrok, wrevel), v. âlen. Grol (verzinsel, ijdele klap), v. âlen. Grollen {grommen, knorren), het dier heeft gegrold. De wilde dieren â; varkens kunnen j â; bij vergelijking: uitvaren, opspelen; de ! boer deed niets dan â; op iem. â; over iets â, mokken, mopperen. Grollenniaker {grappenmaker), m. â s. Grollig {grappig, snaaksch), bn. en bw. Een â boek; â schrijven. Grom {ingewand van slacht- en otferdieren, visch, enz.; vuiligheid), o. gmv. Grombaard (oudgediende, veteraan), m. â en. Grommelen, het heeft gegrommeld. Den donder hoort men â; de zee ât in de verte. Fig. brommend spreken, knorren, mopperen, b.v.: Hij begon, eenigszins grommelend (Geel). Grommelen {zich wentelen), ik heb gegrommeld ; â ing, v. In zijn bloed â, in het slijk â. Grommelig {vuil, morsig, goor), bn. Het waschgoed is niet helder, hei ziet er â uit. Grommen {van ingewand ontdoen), ik heb gegromd; visch â ; â niing, v. Grominen {knorren, brommen), ik heb gegromd; â mer, m. |
GUOMMIGâGRONDSTKLUNG.
â¢170
|
OrommiK' {knorrig), bn. en bw.; â v. OrompartiJ (gromhni, kijverij), v. âen; â pot (grohimer, knorrepot), ni. âten. 4iiroiilt;l (aarde), m. âen (soorten). Zandâ, kleiâ, veenâ\ een vruchthare â, de erfelijke â (Poot), in den â graven, uit den â trekken; âeigenaar, m. lt;iiroiid (bodem), rn. âen. Aan den â zitten, stouten, zeilen (schip); â raken, peilen, krij-gen, hebben (dieplood of anker); te âe gaan (zinken, fig. arm worden); in den â boren (scbip, fig. ten ondergang brengen); een beier, een glas tot op den â ledigen; op den â van ln't vat vindt men de hef; een mand zonder â vallen, een onbegonnen werk verrichten; geen ivdier, of 't heeft zijn â: Stille iraters hebben diepe âen, wie niet veel zeggen, denken vaak het diepst; uit den â des harten, diepte. rond (grondslag, steun, beginsel, aanleiding), m. âen. liasten op goede âen, de âen eener wetemehap, d. i. de beginselen; op welken â hebt gij dat gedaan? bepaling van den â; â aceooril (muz. stomaccoord); â bfgt;£'ri|» (eerste, voornaamste begrip), o.; âbalk (steenbalk), m.; â (eerste bcginsvl), o. âen; â bPNtaiifldei*!, o. â en; â bewijs, o. â zen. ^-roiKlac^liti^' (smakende naar den grond), bn. en bw. Die paling smaakt â. (met lood bezwaarde visch-haak), m. âangels. rond artikel (hoofdartikel. hoofdpunt). o. âen. tirondbcrld (oorspronkelijk breid, model), o. âen. lt;RrondlM'$£'in (kiem, eerste begin), o. ginv. in rond beginsel (richtsnoer, hnofdbestand-deel, stelregel), o. âen. lt;ar4»nlt;ibr^-ri|» (primitieve voorstell'nig, fan-da men teel begrip), o. âbegrippen. iRromlbrlaNtiiiK' (directe belasting op gebouwde en ongebouwde eigendommen), v. â en. taroiidbrterkrniM (primitieve, eerste, oudste bet.), v. â beteekenissen. lt;gt;rondbr%it (het in eigendom hebben van land), o. gmv. Kr bestaat privaat of bijzonder â, communaal of gemeentelijk â, ook gemeenschappelijk â. (â rondrig^naar (bezitter van grond), m. â naars, ânaren; â ci^ndoin (recht van bezit), in. gmv.; â ei^riidoni (een stuk grond), o. â dommen. 4gt;r4»nlt;lrl (een karperachtig vischje), m. â s. De kleine â; de â leeft ook in onze rivieren en wateren. (â rondelijk (grondig, niet oppervlakkig), bw. [ets â onderzoeken; iem. â onderrichten, (â roiidrling*. m. âen. Zie Orondrl. 4lt;gt;r4»n4l(kloos {bodemloos), bn. Met zak )net al in â diep gesmeten (Staring); een âze put; de âze zee; het âze licht (Vondel), d. i. de oneindig diepe wereld van licht waar God in troont (zie Key der Engelen); een âeschat, onuitputtelijk; fig. de -ze barnihartigheid Gods; Zijne âze goedheid. tarondrn (berusten, doen steunen), ik heb gegrond; â iiijff. v. ^â rondj^ebird (rijk, staat, rechtsgebied), o. gmv. Het â der Romeinsche keizers; het â van den hertog van liourgondië: bij vergelijking: terrein, ruimte, waar iem. heer en meester is, b.v. Hildebrand bevond zich op |
het â van den charmante; bij ui tbr. het â der Nederlanden. Fig. Bevriend â, vijandig onzijdig of neutraal â. lt;iir4»nd$;-('4iarlit o (gedachte, die als grondslag dient), v. â n. Ook; Gronddenkbeeld. lt;gt;r4»nlt;l^-lt;'stoldli('id (gesteltenis van den bodem), v. gmv. De â van Nederland. ^HromiliartiK' (opwellend nit den grond des harten), bn. Ken âewensch.vero. Zie;llarf-rond ij;*. (arondliwr (landheer, seigneur), m. â hee-ren. vero. lt;Hronlt;liK' (degelijk, zakelijk, weldoordacht), bn. â onderwijs; âe kennis; een âe studie; een â onderzoek; een âe uitlegging; een âe verbetering, diepgaande, ingrijpende; een â beoefenaar der wiskunde; bw. iels â weren-. iets â overwegen; â brid (degel[ikheid), v. ^â rondijK (did op den bodem gevormd wordtâ o. gmv. lt;gt;r4»n4lin^ (grondlegging, slichting), v. gmv. 4»r4»ndkllt;Mir (de eerste laag verf), v. âen. Ook : hoofdkleur, b.v.: De â van den kleinen grondel is grijsachtig geel. l-rondkrrdii't (het krediet dour grondeigenaars genoten), o. gmv. tiriHviKllaa^' (onderste laag), v. De â van een stapel kogels; de â van een leibedding; de â van te verven hout. lt;ar4»n4lla*4tni (grondbelasting), m. mv. iNrondl^'ifrr (stichter), m. â s. De â onzer vrijheid; de â der Duitse he mgthologie. 4gt;rondllt;*$;'£-iiiK* (het tot stand brem-en), v. â en. De dagen van Maar its waren die der â onzer Indische heerschappij. (Potg.) 4gt;3*4»ndiijn (meetk. basis), v. âen. Ook: hoofd lijn (ornament). lt;Kr4»n4l4M»rªk (eerste aanleiding), v. â -zaken. t*r4gt;n4l|»a4*lit (erfpacht van gronden), v. gmv. lt;ar4Mi4l|»a|fti4'r (eerste laag behangselpapier), o. gmv. De kamers blijven in het - staan. lt;i(r4»n4irlt;k^'4gt;l (voorschrift, fundamenteele regel), m. âen; â s. Op reis is de eerste â, dat men zich schikt naar de zeden van het vreemde land; de âs van den christelijken godsdienst; de regel der beschaafde uitspraak is de â onzer spelling. 4*r4»nlt;ir4Mite (jaarlijksche rente, schuldplichtigheid, tiend gevestigd op een stuk grond), v. ârenten. 4gt;r4»n4lrorr4i4'r (landbouwwerktuig), m. â s. 4ir4»n4iHa|» (droesem, bezinksel), o. gmv. 4*r4»n4iM*bariii$;- (verdeeling, b.v. van mar- kegrond), v. âen. lt;Hr4»nd««4*lilt;'i4liii^: {verdeeling van den grond onder erfgenamen), v. âen. lt;jir4gt;n4lHla$sgt; (fondament), m. âslagen. De â van ecu gebouw; een breede â; heihuis staat te beven, te tril lep. op zijn â; bij uitbr. de â der christelijke kerk; de â van het geloof; oprechtheid is de â van ulle deugden (Beets); den â leggen tot; de Vrije Universiteit op gereformeerden â; de zes âen der belasting op het personeel; de Meter is de â van het metrieke stelsel. lt;*r4»n4lM»|gt;, o. gmv. Zie lt;gt;r4»ii4lsa|». 4gt;r4»n4lHt4'4'n (hoeksteen, fundumentalesteen, eerste steen), in. âen. Fig. Zuinigheid is de â van het huiselijk geluk. lt;gt;r4gt;nlt;lstcgt;llin^ (hoofdstelling, hoofdwaarheid), v. âstellingen. |
GHONDSTOF-GROOTKRUIS.
180
aanzienlijken; âe oog en'opzetten, nl. van verbazing; op âen voet leven* ruime wijze; â Brittunnië, de âe Oost, d. i. de Residentie Amboina; de âe jdas, de zee; â Mokurn, d.i. Amsterdam; de âe vacantie, â geld, veel; bw. Wat schrijft ge â / er â van leven, rijk, ruim; het niet â op iem. hebben, erg, zeer. (â root {oude munt ter waarde van een halven stuiver), m. âen.
(â root. o. In het â; handeldrijven in het â. (â root aelit baar {eer et it el van een raadsheer), bn.; bij uitbr., van het gerechtshof zelf: Dit Edel Grootachtbaar College; â lieid. v. (â rootbek {veelpraats), m. en v. âbekken. (â root boek (hoofdboek van den koopman), o. âen. Het â der nationale schuld. (i rootbrengen (op kwee ken, opfokken), ik
bracht groot, heb grootgebracht, (lirootdadig {grootsch, heerlijk), bn. en bw. Napoleons â leven; â lieid. v. gmv. (â roote, m. en v. â n. De ân mogen vanavond opblijven* de oudere kinderen; (ig. de rijken, aanzienlijken: Met de ânis het kwaad kersen eten; de vorst met de ân des la mis; de ân der aarde.
(â rootelijks {in erge mate), bw. Hij dwaalt
â: zich â bezondigen.
(â rootelni {de rijken), m. en v. mv. (ii rootelniskind {kind uit den rijkdom), o. I âkinderen.
(â rootendeels {in grooten getale; voornamelijk, hoofdzakelijk), bw. Die vruchten zijn
â onrijp. Gij hebt die ramp â aan u zelf te iv ij ten.
(â roothandel {koop en verkoop in 'tgroot), m. gmv. Die man drijft â in manufacturen;
â aar {grossier), m. â s.
(â rootlians (schimp. )nan van aanzien), m.
â hanzen; bij uitbr. pronker, blu/J'er, grootspreker.
(â roothartig {edelaardig, nobel, grootmoedig), bn. en bw. Een â e daad; een âe liefde; toen zij hem â hulp kwam geven. (Staring):
â lieid, v.
(â rootlK'id {aanzienlijkheid, hoogheid), v. De
â van Napoleons ontwerpen; de â van ons geluk; â van geest; zedelijke â, de â Gods; meetk., rekenk. of nat. uitgebreidheid: alles wat afmeting, zwaarte, kracht enz. is een â; â swaan {inbeelding van grootheid), v. gmv.; â swaanzin(/imn/frmm«/ie/f/),m.gmv.
(â roothertog {meer dan hertog), m. âhertogen. De â van Luxemburg; de â is een Koninklijke hoogheid; â«lom {gebied), o.
â dommen; âelijk. bn. De âelijke kroon, het âelijk paleis; âin {gemalin), v. â nen.
(â roothonden (xieli), ik hield mij groot, heb mij grootgehouden; de knaap bezeerde zich maar hield zich â, kordaat: Henriet te Kegge hield zich â, toen v. d. Hoogen niet verscheen, alsof zij het zich niet aantrok; de gierigaard hield zich â en gaf de meid een fooi, goed.
(â rootje {grootmoeder), v. â s. Ons â heeft 't {ei) al verleden jaar gekookt (Staring); iem. naar zijn â sturen, van kant maken; loop naar je â, scherts, loop heen. (â rootkanselier {opperzegelbewaarder), m.
â s en âen. Hij is â van het Legioen van Eer. (â rootkruis (ridderteeken), u. â kruizen. Het
â is het versiersel verbonden aun de hoogste klas van vele nieuwere ridderorden {onder den Grootmeester).
(â roiKlKtof {onbewerkt, rmn materiaal^, v.
â stollen. Vlas is de â voor het linnen. IJzer en steen Looi zijn de â /'en der nijverheid. Fig. lioofdbestanddeel: Melk, boter en eieren zijn de â fen van bijna alle gebakken.
Grondtaal, v. âtalen. Het Latijn is de â
der Romaanse he talen.
^â roiKltal {getal dat den grondslag van een talstelsel vormt), o. â len. Het getal tien is het â van ons talstelsel.
lt;11 rond tekst {oorspronkelijke tekst), m. De
â van het Oude en Nieuwe Testament. OroiidtijiiN {zekere schatting op te brengen
van den grond), m. â tijnzen.
tarondtoon {laagste toon van een akkoord), m. âtonen.
(â rondtrok {hoofdtrek, hoofdlijn), m. âtrekken. Fig. kenmerkende eigenschap.
(â rond vort' {eerste ver Haag), v. âverven. â¬â rond verven {in de grondverf zetten), ik
heb gegrondverfd.
(â rondveKt {grondslag, fundament), v. âen. (â rondvesten {stichten, oprichten), ik heb
gegrondvest; âer. m.; â injr. v.
(â rond vlak {bodem, rustvluk; meetk. basis),
o. âvlakken.
(â rondvorm {oudste vorm, model, tgpe, typische vorm), m. âen.
(â rondwaal (kolkvormig gat bij dijkbreuk), j v. âwalen.
(â roiidwaarlieid {fondamentale waarheid), \ v. âheden. De âheden van den godsdienst, van de zedenleer, enz.
(â rondwater {zak-, wel- of kwelwater), o. gmv. Bij het bouwen van die brug had men veel last van het â.
(â rond werk {graaf- of delf werk), o. gmv. (â rondwet {hoofdwet, eerste wet), v. âwetten. De â van 1815. De â van den staat, d. i. de wet, waarop alle andere rusten; de Koning legde den eed af op de â des Hijks; fig. Arbeiden is de â van ons bestaan; de Tien Geboden vormen de â der zedelijkheid;
â wettelijk, bn., b.v.: een âe bepaling; een âe waarborg; âwettig1, bn., een â voorschrift, het â koningschafj ; â wettiglieid, v.
(â rondwetgever {macht, die de grondwet
vaststelt), m. â s.
(â rond wetsartikel {een der artikelen uit de grondwet), o. âen.
(â rond wet sherzieni ng {wijziging der grondwet), v. âen.
(â rond woord {stanuuoord. grondslag van een ander woord), o. âen.
(â rondxee (golf, die op een ondiepe plaats.
breekt), v. âzeeën.
(â rondziiil (fig. steunpilaar, grondslag), v.
â zuilen. De e, ede is de â van het volksgeluk. De revolutie deed Kerk en Staat op hun âen schudden.
(â ront.m. â en. Zie:(â rondel,(lirondeling. (â room {rijknecht, stalknecht, bediende), m.
â s. Lees: groem.
(â root (niet klein, niet kort), bn. Ken â huis, een âe jongen; hij is â voor zijn jaren, d.i. lang; kinderen worden â, Koos (C. O.), volwassen; zich te â voor iets voelen; de âe rnenschen, volwassen; âe knecht, âe meid, die voor vol telt; een â profeet, voortreffelijk; een â koopman, die uitgebreide zaken doet; een â man, door talent uitmuntend; de âe Heer, de Sultan; de âe God. almachtige; een âe hans, âe lui, de âe wereld, de
G ROOTM AC HTIG - G ROSSE EK EN.
181
|
^â rootiiiaelitiK: (bijzonder machtig), im. Wie is ais God â opperwezen! Een â vorst; bij uitbr. Een â rijk; het â hof' des keizers. (â rootmajoor {bataljonseornmaridant), in. â s. Titel bij de minderen in gebruik ter onderscheiding van den sergeant-majoor. 4« root ina ken (machliij maken, verheerlijken), ik heb âgemaakt; 'Je handel heeft dit volk âgemaakt; ik zal Gods naam â; âvr (snoever, pocher, woordenheld), m. â s; â in};' (verheffing), v. 4i( roof mama (grootmoeder), v. â's. In kindertaal: oma. 4gt;rootmeester (het opperhoofd, de opperbestuurder van een ridderorde, enz.), m. â s. OrootmeeMtpr-iiationaal (degrootmeester der gezamenlijke loges in een latid), m. grootmeesters-nationaal. 4iiroofmoolt;ler (vaders of moeders moeder), v. â s. Naar zijn â gaan, gmz. voor sterven; â lijk (eigen aan een gr.), bn. b.v.: Met âen trots beschouwde zij haar eerste kle.nkind; âschap (waardigheid van gr.), o. (â rootmoedig* (heldhaftig, edelaardig), bn. en bw. Een â prins, vero.; een âe ziel, een â besluit, een. âe zelfverloochening, â handelen ; â lioicl, v. (â rootmo$£eii«i (in hoogen graad machtig), bn. De Edele âe Heer en Stalen van Holland ende West-Friesland. 4*rootmo£:ol (keizer van het Mongoolsche rijk in Indi'e), m. â s. (â rootmoiKl (brutaal persoon), \x\.ei\\.âen. lt;Hrootoflieilt;kr (waardigheidsbrkleeder aan het hof), m. âen. De Opper-Kamer heer is een â; bij uitbr. Een â van de orde der Vrijmetselaren; â van het Legioen van Eer, hooge rang onder Grootkruis. ^â rootoiMlerK (grootvaders en grootmoeders), m. en v. meerv. Ook: onderen. iaroot|»a|gt;a (grootvader), m. â quot;s. In kindertaal : opa. 4» rooi provoost (voornaamste provoost), m. â en. Ook: provoost-generaal, vero. laroofscli (prachtig), bn. en bw. Een âe stoet; hij voert een âen staat; een â paleis, indrukwekkend; een âe ver toon inq; een âe aandoening, verheven; âe gedachten; een âe titel, statig klinkend; een â ontwerp; ons â verleden, luisterrijk: op âen trant, plechtig; bw. een â gebouwde tempel; 7 is schoon zoo â te zegevieren', â liciii. v. lt;â root soli (fier, trotsch, hoovaardig), bn. 11 ij is â op zijn rang; hij is te â om geld te leenen; hij heeft een â hart; de jongen was te â om excuus te vragen; deze edelman is â op zijn wapen; â v. (â rootsciiaard (trotsehaard), m. âs. Ook: Grootseherd. t-roolseliecps. bw. Zich â inrichten, op zwierige, prachtige wijze; deze stadhuisbode spreekt â, op verwaande manier. t*rootsclicgt;lt;gt;pslt;*li. bn. Op zijn â reizen, leven, d.i. op det'tigen voet; een â huishouden. 4iroots(*lii$;' (trotsch, fier), bn. Zij is â op haar zoon; de landheer is heelemual niet â; â lieid, v. (â rootscliilfl (insect, schildwants), o. âen. (â irootspant (grootste wijdte van een schip), o. âen. iimotspr»ali.(snoeverij,overdrijving),wgmv. root sprak er ij {opsnijderij, bluffer ij), v. gmv.; â ig: (snoevend, overdreven), bn. |
lt;iir4»lt;»tsprlt;kklt;kii (hoog opgeven, snoeven, overdrijven); hij houdt van â, wal was hij daar weer aan 't â; -end (bluffend), bn.; âer (zwetser), m. â s. (â rootsteedKrli (als in een groote stad), bn. De winkels zijn hier op zijn modern â; de men se hen leven hier op zijn â. Orootte (omvang, uitgestrektheid), v. â n (spreekt, ook â s): die winkel onderscheidt zich door zijn â; de â van het uitspansel, van de aarde, van eeti land, van een provincie, van een stad; een vrucht van de â van een citroen', een sier van de eerste, van de tweede â, helderheid: fig. Een ster van de eerste â, b.v. een groot kunstenaar, zanger, dichter, enz.; een afbeelding van een vogel, natuurlijke â, werkelijke afmeting; waan niet, dat gij den leeuw in zijn natuurlijke â ziet; k le er en in allerlei â. lt;*root vallei* (vaders of moeders vader), m. âs. Uit âs tijd, de oude tijd; âlijk, bn. â lijke manieren. (h root vizier (de Turkschc eerste mini ster), m. âs, âen. Grootvorst (al leen heerscher, oppervorst), m. â en. Cyrus was â van Azië; de âtroonopvolger in flusland; de Czaar voer' den titel van â van os kou; de â van Zevenbergen; fig. BH der dijk, de â der Ned. poëten; âin (gemalin of opperste gebiedster), v. â nen. (â rootvorsteiKlom (gebied van den grootvorst), o. â (lommen. (â root waardig: (met hooge waardigheid, ook: deftig, hoogmoedig), bn.; â lieid. v. (â rootwaardiglieidsbekleeder (hof- of staatsambtenaar van den eersten rang), m. â s. ii. K. kardinaal, aartsbisschop, bisschop. lt;gt;root\vaterseliap (vereenigimg van polders), o. âpen. Het â van Woerden. (â rootworker (kleermaker, die alleen rokken of jassen, maakt), m. âwerkers, (â rootwielitig (van groot belang), bn. Hij is betrokken in âe zaken. (â rootxegel (voornaamste zegel des Wjks, enz.), m. â s. Het â der Universiteit. lt;gt; root zegelbewaarder (een der hoogste staatsambtenaren), m. â s. De keurvorst van Menz was â des H. Koomschen liijks); Jacob Cats was â der Edele Groot-Mogende Hee-ren Staten van Holland ende West-Friesland. (â rootxeil (het grootste zeil op een schip), o. -en. Voor den wind ivordt het â nooit (â rop. (â nip (greppel), v. âen. [gebruikt. (â ros {twaalf dozijn), o. âsen. Een â pennen. (â ros (de meerderheid, het grootste deel), o. gmv. Het â der menschen; het â van het leger: in 't â, ruim genomen, (â ros (muntstukje in Duitschland), m. âsen. Een â is zes cent. (â ros de Naples of dc» Tours (zware zijden stof, naar die steden genoemd), o. gmv. Henriette droeg een zeer lange ja/ton van â. (C. O.) (â roslijst (voorloopige naamrol van Candida ten), v. âen. (â rosse (afschrift in groote, duidelijke letters van een ambtelijk stuk), v. â n. De â vaneen rechterlijk vonnis;de - van een authentieke akte. (â rosseerder (goudsmid, die grof werk d. i. van laag gehalte maakt), m. â s. (â rosseerlt;'ii (grove gouden werken vervaardigen); goud â, het met zilver of koper mengen; draad uit gegrosseerd goud. |
G ROSS K E R EN - G UIC H KL EN.
182
|
lt;NrosKlt;'lt;'r«'ii (een akte afschrijven)', een vonnis â, in den juisten vorm in't net schrijven, larosscrij (f/oudsuticlsiverk ran minder yr- lialte), v. âen. 4«i*oKNlt;gt;riJ {grossierszaak, (jroothandelaars-zaak), v. âen. ^â roKKier (ijroolhandelaar), m. âs. 4iirosMilt;gt;râ¬l4gt;rij {handel in het groot),âen. Ziedaar een â in wijnen en gedistilleerd. OrosNiorMkaiitoor. v. âkantoren; âsvak.o. lt;iir»sKo-inolt;lo {op grove manier, onvolkomen), b\v. Dit werk is â gemaakt. 4irot {onderaardse/ie ruimte, hol), v. grotten. De â van Han is rijk aan druipsteenen; de Ida a we â; de â op Antiparos: de â van Fingal in het eiland Stajfa; âbewoner^ m. â s: â jfowelfsel, o. â s; â uaiilt;l. m. âen. 4Ri*4»1(kKk {grillig, zot, komiek), bn. en bw. Allerlei âe gedaanten in de rótsen; een âe figuur; hij schildert â. 4gt;rot«kNklt;k (araheske, grillige figuur), v. â n. De muren van het paleis waren vol ân; hij schildert liefst â n. (â rotwerk {nagebootste grot. namaak van rotswerk), o. âen. Een fraaie lusthof met beeld- en (â rovelijk {op grove wijze), bw. Zich â bezondigen. (â iroviaau {botterik, lomperd, ruwe kerel), in. âanen. (â rovigiicid {logheid, lompheid, ruwheid), v. gmv. (liriib {greb, greppel, smalle ondiepe uitgra- t'ing), v. grubben. (â ruis {brokjes, stukjes, korlen), o. â van steenkolen: tot â vergaan; aan â vallen: in â vallen; tot â smijten; â van kruidnagelen; diamant â , foelieâ, kandijâ, kolenâ, nagelâ, steen â , zandâ. UruiH {werktuig der glazenmakers), v. gruizen, (â ruit (droesem, draf, heffe), v. gmv. vero. (â rnitbior {bier, dut met gruit gekruid is), o. gmv. (â riiizol (brijzeltje, fragmentje, scherf), v. â s of âen. Aan âs vallen, stooten, enz. (â niizoleiiK'iilcn {gruizels), o. meerv. Van der Hoogen stiet de ledige eierdoppen op zijn bord aan duizend â. (C. O.) («riiizcloii {tot gruizels maken), ik heb ge-gruizeld; de mokers gruizelden de heiligdommen: het schip gruizelt zich op de rotsen; de muur gruizelt op den duw, in puin storten; â v. 4iriii%lt;kiiientlt;kii. o. mv. Zie: lt;«riiiz«'I«'- ^â riiizt'ii {tot gruis maken, vergruizen), ik heb gegruisd; iets tot stof â, vermorzelen, vermalen; den onregel matigen rand van een vensterruit recht â, met bet gruisijzer brijzelen: â erij. v.; âis* {steenachtig, brokkc lig), bn. en bw. ^â riiiiiiiK'liK* {vuil, morsig, goor), bn. Zie: (â romnieli^:. Iiirniiiiikeii. Zie: Oriiiiiikoii. 4ariiiiKlt;'l {groenvink, groensel), m. â s. In N. Brabant. ^â riiiisfb'ii (genoeglijk grommend lachen), ik heb gegrunseld. Het meisje âde van pret. Ook: 4ariiiitfkleii. (â nip {greppel), v. âpen. Ook: Urop. lt;gt;rii|»|M'l. v. â's. Zie: Greppel. 4gt;riit {brijzeling, gruis), v. en o. â ten. Tot |
â maten, schieten; klein â, kleine dingen, bv. van fruit; bij overdracht, kleine kinderen: Dan vraag ik zoo wat klein â (op vergalden. (C. O.); â van boekweit (boekweitegort), â van haver (haverdegort), â van garst (gort, gepelde gerst); â molen, in. â s; â iiKklonaar. m. âs; -nvrinfs (gruttersbedrijf), v. âen; âsteen, m. âen; â -werk (maalwerk), o. ruiten {gort maken, gei'st pellen en breken), ik heb gegrat. Ook: boekweit of haver tot grut brijzelen. rnt ten meel {meel van boekweit), o. gmv. tiiriitter {gortmolenaar, maker van boekwei-temeel), m. â s. Bij ui tbr.: Winkelier in -s-waren, meel, boonen, erwten, enz.: â«baas. m.âbazen; âskar.v. âkarren; âskneelit, m. -en; âswaar. v. âwaren: â swajren. m. â s. Orntterij {het grutten maken; meestal molen, huis en winkel), v. âen. tiirntto {vogel, griet, grieto), m. â's. De â's lijken wet wat op snippen. Omw {jonge visch als aas), o. gmv. rn wel (huivering, rilling, griezel), m. (soms o.), âen. Ken â voor of van iem. of iets hebben; ook: ontzettende dingen, verschrikkingen: de âen van den godsdienst-krijg: daar ziet «Ie ontroerde Blanka den â en zijn straf, sluipmoord: fig. de â des lusters, de â der zonde, afschuwelijke zaak; o â ! uitroep van ontzetting: een â van on-recht, een â bedrijven, schanddaad; â«laail (afgrijslijke dn ad), v. âdaden; âdader. in. (â rnwelen {huiveren, rillen, ijzen), ik heli gegruweld. Men gruwelt van afkeer, walging bij het zioi van een slagveld: die zaak doet hem â, walgen, wekt zijn afkeer. lt;gt;riiwelijk {afgrijselijk), bn. en bw. Ken âe misdaad, een âe afgoderij* een âe laster; hij kreeg een â standje, verbazend groot; hij werd â mishandeld: hij heeft het â mis, erg, in hooge mate; â lieid. v. tiiriiwelkanier {afdee ting van het panopticum, waarin ijselijke dingen te zien zijn), v. âkamers. (â rn wel leer {goddelooze leer op godsdienstig gebied), v. gmv. tiiriiwelstiik {afschuwelijke misdaad), o. â ken. (â ruwen, ik heb gegruwd. Zie Ornwelen. 7 Is otn te â, hel duet mij â, afschuw, walging wekkend. (â rnwxaam (afsch uw wekkend, verfoeilijk), bn. Een â dier, een â geluid, een âe zonde, een â woord; bw. Iem. â hooneri, in verschrikkelijke mate; zich â vervelen, erg; --lieid, v. (â rnyi-re {Zwitsersche kaas), m. gmv. (â riiKelementen. tgt;riiKementen. o. mv. Zie (â rnizelementen. (â iiano {vogelmest uit verre landen), v. gmv. Op S. Borneo vindt men âlagen. (â nernlon' {een hooge handelaar, ook fraai hoektafeltje), m. â s. (â nerilla's {verstrooide troepen in Spanjes bergstreken), m. mv. (â nieliel {gekheid, goochelarij, too ver werk, oogbedrog), m. en v. gmv. â tjes maken, grimassen maken, iem. bespotten. (â nielielen {den spot drijven, mallen), ik heb geguicheld; met iem. â, hem smaden, hoonen; lig. iem. beetnemen, met iem. mallen ; â ing- {spot), v.; âspel {spot, spotternij), |
GUICHELHEILâGUNTEK.
|
o. gmv.; âstreek (bedrieglijke streek), m. â streken. (â iiietK'llK'il {plantje tenen de hondsdol'heid), o. âen. (â iiieliet {kleine deur of venstertje in een groote deur), o. â s. lt;â iiide {wegwijzer, geleider, aanvoerder), m.âs. 4gt;iiicle (mil. vleugelman, onderofficier), m. âs. 4aiiilt;leK (een soort van ruiterij [België]), m. mv. Het muziekkorps der â of de â spelen vanavond. «â nig- (grimas, bespotting, kuur), v. gmv. (â iiigrcn (gekheid maken, schertsen), ik hel) geguigd. Men guigde met hem, d. i. door spottende gebaren begekken. 4«iiil (paard), m. âen. Fig. lafaard, domkop uilen (gieren, razen, huilen), ik heb ge-guild. De nachtuil guilt; de wind guilt rondom ons. 4gt;iiil]o1iiie (valbijl, onthoofdingswerktuig), v. â's. lt;Riiillotiiieereii (onthoofden met de valbijl). (â iiiiieeMvaarder (schip, dat op de kust van Guinea pleegt te varen), m. â s. laiiiii je (oude Engelsche goudmunt gelijk aan f 12,(50), v. â s. lt;iiii|Mire (verheven borduurwerk), v. â s. 4iiiiirlaiidâ¬k (bloemslinger, festoen), v. âs. Scherts, horlogeketting: De andere had een koperen â op zijn buik. (C. C.) (landlooper, schavuit), m. âen. Bij uitbr. booswicht, roover: Ken der âen ziet Marco (als ezel) (Staring);scherts.oolijke klant, grappenmaker; âJe (kleine schal/.), o. De slimheid gluurt hem de oogjes uit, den kleinen â (Ter Haar), dartel, vroolijk kind; verder: Thans beproeft de â (d. i. Cupido of A mor) zijn str'eken. (Tollens.) ^â¢iiiitaeliti^ (oolijk, schalksch), bn. en bw. lt;iiiijteiiKtrlt;'ek (onschuldige kindergrap), m. â streken. iKiiitenstiik (jongensstreek, grap), o. âken. (â niterij (snaaksehheid, guitigheid), v. âen. iiuitis(grappig),\m. Een â gezicht; â heid.v. uitzak (oolijkerd, deugnietje), m. âzakken, â zakje, o. Hul (/. 'leine kabeljauw), v. â len. Mwl {openhartig,gastvrij), bn. en bw.; â heid.v. lt;gt;iildeliii(£ (zei,ere appel van goudachtige kleur), m. âen. igt;iildeii (zilveren muntstuk, 100cents), m. -s. 4gt;iildlt;'ii (gouden), bn. Een â les, voortreffelijke les; het â vlies, ridderorde door Philips van Bonrgondië in 1430 ingesteld; de â eeuw, de eeuw van geluk in de dagen van Saturnus. (â iildeii£lt;gt;tal (getal in de tijdrekening), o. â len. Het â voor '1805 was lö, d. i. er waren lo jaar sedert de vorige maanperiodeverloopen. 4gt;iildeiiiiioii4i (redenaar van naam), m. â was de toenaam van Joh. Chrysostomus (374 â 407 na C.), een beroemd prediker. imulilenmeile[heidensch wondkruid,geslacht solidago), v. gmv. Ook: Goudroede. 4gt;iildeim'ater (likeur, waarin stukjes goudblad gedaan zijn), o. gmv. 4gt;nldenweit (reuzentarwe van St. Helena), v. gmv. lt;gt;iil^aiiw, bn. en bw. Een âle lach, onbedwongen en spoedig opgewekt: hij erkende â zijn misslag. 4gt;iilliartig- (oprecht, m i ld, gastvrij, hartelijk), bn, en bw, Een âe bekentenis; een âe tante; |
een âe disch; âe vroolijkheid; iem. iets â mededeelen, toestaan; â lieid. v. lt;Hiilleii (jagerst. zich inlmulle zandbaden), zij hebben geguld. De hoenders lagen te â in de zon. lt;»iil|» (watergolf, slok), v. âen. Oiil|gt; (opening, spleet), v. âen. De âvaneen verticalen broekzak, vóór aan sómmige overjassen; â broek (pantalon met een gulp, geen klepbroek), v. âen. tviilpeii (zwelgen, gutsen, golven), bet heeft gegulpt. Wijn â, met groote teuger. naar binnen slaan; vero. Hit bloed âte uit de wonde; het water ât de woning binnen, bij een overstrooming; âer (slampamper, zweiger), m. â s. (iiiiïnit (ronduit, onbewimpeld), bw. Iets â bekennen; zeg mij dat eens â. lt;»iilweg' (openhartig, zonder omwegen, ronduit), bw. Hij antwoordde â ja. lt;gt;iilzand (i'ulzand, stuifzand), o. gmv. Onze voeten zonken weg in het â. Cviilzig- (happig, gretig), bn. en bw.; â lieid. v. tiiulzipraard (schrokker, vreetzak), m. â s. taiiniini (gom), o. â arabicion, Arabische gom. CaiiHint'ii (toestaan, ver leen en), ik heb gegund; Iem. genade â, vero.; de uren die ons nog gegund zijn; God gunne u nog een lang leven; iem. de eer â, het genoegen â ; iem. aandacht, gehoor â; iem. een blik â op of in iets; het is u van harte gegund, toegestaan; zich geen rust â, veroorloven; iem. geen tijd â, laten; hij gunt zich den tijd niet om te eten. te ijverig, haastig zijn; iem. de klandizie â; iem. alle goeds â, het besteâ, toewenschen; zegsw. Ik gun je de pret, ir. Ik benijd u dit genoegen geenszins; iem. het licht in de oogen niet â, zeer jaloersch op hem zijn, hem dood wen-schen; âner (die gunt), m. âs. vero.; â -nin^' (toewijzing), v. 4«iinst (toegenegenheid, onverplichte goedheid), v. âen. In blakende â staan; uit â, welwillendheid: iem. â toedragen; de â der mensehen; iem. â verwerven; naar iem. â dingen; iem. â betoon en; ik heb u een â te verzoeken. Spreekw. Kunst baart â. OmiKtbeJaK' (onedel streven naar gunst), o. gmv.; âbetoon (betooning van goedheid), v. âen; âbetoonins', v. âen; âbewijs (blijk van genade, medelijden enz.), o. âbewijzen; â brief (octrooi), m. âbrieven, taiinstelin^' (persoon, die in hooge mate de gunst geniet), m. âen. Een â der Fortuin, een â der Muzen, lieveling; â lin^e, v. (â mistig: (genegen, welwillend, genadig), bn. en bw. De goden waren hem â; het lot was u â; âe lezer, vriendelijk; iem. een â oor leenen; eeji â oog op iem. laten vallen; een. â denkbeeld van iets hebben ; een â onthaal vinden; iem. ineen âe stemming aantreffen; een âe beschikking; een â tijdstip, oogenblik, geschikt; het is â tij, het is âe wind, voorspoedig; een âe ligging, een âe voorwaarde; de ziekte nam een âe wending; een âe tijding, gewenscht: een âe beoordeeling; dit lijkt me â : een â uiterlijk, aangenaam, innemend; bw. O God, zie â op ons neer, genadig; â op iets beschikken, toestemmend; dat huis is â gelegen, geschikt; zich â voordoen, voordee-lig; zich â la'.enaanzien; âlieid,v.; ârijk. bn., bv. God, o, ârijk Opperheer! Oiuiter, bw. Zie t-inder. |
G UI {K â H A A1M K KT E.
|
4*iii*k, 4aiirkjlt;gt; (zuurtje), v. âen, âs. Zie Aiigffiirk. (niet drachtig), lm. en bw. Een âe koe. lt;*iitK (holle hcitd, steekbeitel), v. âen. (â iifKcii (tappelings afloopen), het heeft gegutst. Het bloed gutst uit de wonde; het zweet gutst langs het hoofd. 4wiitKlt;'ii (uitsteken met een heitel), ik liel) gegutst. 4*ii1la|gt;lt;'r'c*lia (Ind. lederachtige stof uit het sap van den pereha-boom op Soeniatra, Ma-lak ka en Borneo), v. gmv. Zie: Getah-pertsja. Men leest: guttaper'ku. Wielbanden, buizen, slangen, kussens eau â. laiitlv^oni (een soort van hars), v. gmv. Ook (aiftlt;gt;£OIII. bn. ârale letters, keelletters, (â uur (niet aangenaam, snerpend), bn. Het weer is â, bar, schraal: er huilden gare vlagen, bar, koud; het blijft maar â, snerpend koud; de gure wintertijd: een gure tocht; Hn was maar eens de gure Ajtril voorbij (De Gen.); |
het gure Noorden, onherbergzaam; het gure strand; bar. bw. Het waait â, snerpend,snijdend; â lieid, v.; âte, v. (â .ynmaKiaal (tot het gguDtasium behoorend), hn. âah' verordeningen, â onderwijs. 4gt;.viiiiiasiast (leerling van een gymnasium), m. âen. lt;gt;.yiiiiiasinin (voorbereidingsschool voor de academie), o. â s, â siën, âsla. (â .yiniiaNt (leermeester of leerling in de ggm- nastiek), m. âen. UymnskstieK (stelselmatige lichaamsoefeningen), v. gmv. Onderwijs in de â ; militaire â ; geneeskundige; â jatrrouw. v. âen; â los. v. âlessen; â lokaal, o. lokalen; â â nwster, m. â s; â omlerwijs. o. gmv.; â sclio^»!. v. âscholen; âtoostcl. o. -len; kamerâ; lig. hersen â , oefeningen van den geest, ti.vninasliscli (volgens, can of betreffende de ggmnustiek), bn. âe oefeningen, âe toeren, âe kunsten. |
H.
|
II. v. h's. â Po achtste letter van het alphabet. Als Homeinsch getalmerk is II = 200. II. â Heilige. II. A. â lute anno, in dit jaar. Ilanlt;l. â Handelingen. Ilanfll. â Handleiding. II. B. S. â Hoog ere Burgerschool. II. IK â Hoogstdezelve, Hoogstdeszelfs, Hoogst-derzelver, van een vorstelijk persoon. II, IK â Here Doorluchtigheid (titel van oen prinses ol' hertogin). li. lt;». â hoe est. dat is, dat beduidt. IIKlt;I. â Haar Edele. II.IM«lt;'Igt;. â Hoogedelgeboren. II.K.lHt'str. â Hoogedelgestreng. BIoIm*. â Hebreën. II. CiU'b. â Hooggeboren. Illt;kk1. â Hektare, bunder. Zie: llcclart'. Ilerv. â Hervonnde. IIII. - Herren. II. II. â Hare Hoogheid. Illl. KF. lt;â lt;gt;. AA. â Hunne Ede lgr oplacht-baren. IIII. EE. HUI. â Hunne Edelmogcnden. Illl. KK. KK. Illl. - Hunne of Hare Keizerlijke of KoninLlijke Hoogheden. Illl. KK. M.n. - Hunne of Hare Keizerlijke of Koninklijke Majesteiten. Illl. Hf Hl. â Hunne of Hare Majesteiten. li. i. â baars inziens, huns inziens. II. K. K. Hl. - Hare Keizerlijke of Koninklijke Majesteit. II. li. II. â Hare Koninklijke Ho*)ghei(l. II. K. Hl. - Hare K oninkHjke Majesteit. II. E. â Hectoliter, mud of vat. li. I. â hoe loco, aan of op deze plaats. 11. Ia. H. â Hora loco fjue consueto, ter gewone tijd en plaats. II. Hl. - Hjare Majesteit. li. m. â hoe mense, in tleze maand. lloll. â HoUandsch. lloollt;lst. â Hoofdstuk. |
ll4»o^«'l. â Hooggeleerde. IIo4»^I. â Hoogleeraar. Iloo;; Hlo$f. â Hoogmogenden. houd. â honderd. II. R. - Hooge Baad. II r. - Heer. ' II. It. R. - Heilige Boomsche Bijk. II. S. â Heilige Schrift. II.S. â Handschrift. li- s. â hoe sensu, in dezen zin. II. S. Hl. â Hollandsche Spoorwegmaatschappij. li. t. â hoc tempore, in dezen tijd, tegen-lliin Ecl. â Hun Edelen. [woordig. H.W.Oeb. â Hoog Welgeboren. II a, tw. â! daar heb ik beet! 't Is om te lachen, ha, ha! uiting van verrassing, voldoening, enz. Haaf'. llavâ¬k (schroef, vijzel), v. haven. Ilaa^ (heg), v. hagen. Achter de â loopen, heimelijk ile school verzuimen. Ilaag'-aaii-vekl. IlaftU'ii-eii-vold (heldhaftig persoon), m. Ook: Hagende veld. Ilaa^appol (vrucht van den meidoorn), m. â s; â l»«'iik. m. âen. De âbeak bloeit in April of Mei. Ilaa^hos^li (kreupelboscb), o. â bosschen. Haagdoorn. Haa^loron (meidoorn), m. â doornen, âdorens. Ook: Ha^oiiooru. Ilaa^cik (lage, knoestige eik), m. âen. Deâ wordt ook Spaanse he aker genoemd. llaagTOos. v. ârozen. Zio Ha^croos. Ilaa»s,wiiiflâ¬Â»(t7roo^' winde, klokujinde),v.gm\r. Haai (groote roofvisch), m. âen. Hij is voor de âen, d. i. verloren; er zijn âen op de kust, er dreigt gevaar. Ilaaiaditig?, hn. Er zijn lal van âe visschen in (die zee'cn. Haaien (A'/' en, rumoer maken), ik heb gehaaid. Ilaaimcetc (langs de duinen gelegen grasgrond), v. Ook: Hameete, Haaiman, gew. |
11A A K - II AA R LK.M M Eli II1.1K.
185
|
llaak. m. haken. Iets is in lt;len â, of niet, (I. i. in orde, of niet; haken en ooytt, twist en tweedracht. llaak (gesch. zwaar vn -irruer), m. haken. Zie: HaakhiiK. llaakbaiKl (platte Ueslayriny nan een sabelschee), m. âen. Haakbus (gesch. oml handvnnrwapen met hoaten onderstel en haak om den teraystoot te breken), v. âbussen. lIaak$?aroii {{jaren om mee te haken), o.; (soorten), â s. IIaakl«klilt;' (polbtoem in Z. Afrika), v. âleliën, llaaknaald, v. âen; âpatroon, o. â patronen; â pen (stift met een haakje), v. [ â nen; âsteek (strikje, lisje in haakwerk), m. âsteken. llaakploeg' (ploey zonder wielen), m. âen. Haaks (vutrjens of in den haak), bw. Ken ijzer â ombuigen, â bewerketr, âwijze, bw. liaakseli. bn. Dit kozijn is niet rechthoekig in elkaar gezet; maal: die lijst goed â. IfaakKeliutter (gesch. soldenier, die meteen haakbus schiet), m. â s. Haakt and (spitse tand in het gebit van paarden), m. âen. Een paard heeft uier âen. Haak vast (scheepst. door middel van een haak gemeerd), bn. Haakvorniivr (gekromd in den vorm ran een haak), bn. Een â gereedschap. Haakwerk (tuei'k, dat gehaakt is), o. âen. Haal (het halen, de daad van halen), m. ginv. Mannen van den â, visschers, die de beng moeten inhalen; aan den â gaan, rennen, loopen, op de vlucht slaan. Haal (trek met een pen), m. halen. Met dikke â schrijven. Haal (de ketting, waaraan ketel quot;f pot te vuur hangt), v., soms m. halen. Zoo zwart als een â; âboom (balk in den schoorsteen, waaraan de haai hangt), m. âen; âket-ling-. m. âen. Haalder (tem. die iets haalt), m. â s. Ik zie liever brengers dan âs! HaalijKer (ophaalketting eener brug), o. âs. Haalnies (trekmes der kuipers met twee heften), o. âmessen. Haak» ver (kijfachtige vrouw, ook: kwaadspreekster), v. gmv. Haam (zakvormig, driehoekig visehnet), m. hamen. Haam (houten band om den hals van een trekdier, kraaguormig halsjak), o. hamen. Haan, in. hanen. Zijn â koning laten kraaien, zijn zin of wil doorzetten; daar kraait geenâ naar, die zaak is voorgoed uit de wereld; den rooden â laten kraaien, in brand steken; den gebraden â uithangen, zich voordoen als een groot heer; de â in de wapenkunde, beeld van waakzaamheid. Haander (vruchtenkorf), m. âs. fllaanderik (pinksterbloem, koekoeksbloem), v. âen. Ook: Haanderiksbloem. Blaar. o. haren. Het â van een mensch, van een dier; zegsw. Een â in de boter zoeken* redenen zoeken om te vitten, te twisten; wilde haren, onbesuisde streken; alles op haren en snaren zetten, alles in het werk stellen, alle drang- en dwangmiddelen aanwenden; hij zet den hoed opeen âtje, op drie |
â tj(s, d. i. zijn uiterlijk is keurig en puntig; ergens een â, een â tje moeten laten, iets van zijn goeden naam inboeten; een â klooven, klieven,splijten, Kleingeestig onderzoeken, over kleinigheden vitten; het scheelt maar een â, uiterst weinig; zij gelijken elkaar op een â, tot in de minste kleinigheden; iem. het â uitkammen, iets zeggen, dat hem geen genoegen doet; elkander in het â vliegen, zitten enz., plukharen, krakeelen; de gelegenheid bij' het â grijpen, het rechte oogenblik waarnemen; zich het â uitrukken, radeloos, wanhopig zijn. Fig. Een laai bij het â trekken, haar geweld aandoen door haar slecht te spreken; er iets of iem. bij het â bijs'.eepen, als met geweld bij iets te pas brengen, met iets moeien; met de handen in het â zitten, radeloos zijn, in vertwijfeling staan; ik ken hem van ha id tot â. door en door; het â rijst hem, mij, u, hun Je berge, wij zijr. in groote ontzetting. Haar, pers. en bezitt. vnw. Ik riep â, nl. de vrouw; ik gaf â een aalmoes; roep â allen ; zeg het â allen ; dit is â boek; dat zijn â huizen; Eenige van nl. dezer dames. Ook: llenr. alsmede Knr, Kr. liaar (voermanswoord, links), bw. Het paard moest â gaan en het ging hot. Haarband (handvormig versiersel), m. âen; â !»ooni (balk der ledèrbereiders), m. âen; -borstel (schuier), m. âs; âbos(een bnn-del, al het hoofdhaar), m. âbossen; âbreed, o. Die twee lengten verschillen geen â. llaarbniK (zeer dun buisje), v. âbuizen; â -kraelit (capillair verschijnsel), ook Haar-buisjeskracht. Haard (strekdam of pier in zee om den golfslag te breken), o. âen. Liever: Haad. Haard (stookplaats), m. âen. In het hoekje van den â; aan den huiselijkcn â ; eigen â is goud waard, men is nergens beter dan te huis. Haarflplaat (staande vuurplaat), v. âplaten. Een â met fraai lofwerk; â scherm (vuurscherm, schut), o. âen. Haardstede (stookplaats, schoorsteen), v. -en. De belasting op de â». Fig. eigen woning: Volkert, hakend naar zijn bruiloftsdag, zoo-lang hij niet aan eigen â zat. (Staring.) Haardstel (standaard, met kacheigereed-schap), o. âlen; -stotter, m. âs; â vnnr (dat in den haard gestookt wordt), o. Het volk vlucht in huis en hoopt het âvuur op. (Tollens.) Haarfijn (uiterst fijn), bn. en bw. Een â onderscheid; iets â ontleden, uitleggen. Haarlianier (gereedschap tot het scherp-kloppen van zeisen), m. â s; âijzer (aanbeeld vormig gereedschap, waarop de graszei sen worden gescherpt, haarspit), o. â s. Haarijzer (oorijzer der Friesche vrouwen), o. â s; âkam, m. âkammen. Haarklooven (kleingeestig uitpluizen, vitten), ik heb gehaarkloofd; â kloover. m.; -klooverij. v.; â kloovinji'. v. Haarkruid (haarachtig, harig kruid), o. â kruiden. Haarlemiet (scherts. Haarlemmer), m. âen. Hij was een â van haver tot garst. (v. Ellen.) Haarlemmer (iem. geboortig uit Haarlem of daar wonend), m. â s. Hij leest de â, de krant van dien naam. llaarlemmerdijk (namti eener straat te Amsterdam), m.; âdijkjes maken, drukte, ruzie, standjes; âdijkseli, bn. en bw. Met â dijksche welsprekendheid, ruw, plomp of plat |
HAAHLKMMER-OLIE- HAGELGIKTKRl.1.
186
|
Amsterdamsch; de âdijksche tongval; hij spreekt pint â dijk se! i en bezit manr plompe manieren. Ilaarleinnifr-olie {als geneesmiddel, uitgevonden in il96), v. gmv. IIaai*lifgt;lt;llt;'ii9 Haarlui, pers. vn\v. Haarlok {een vlok haar), v. âlokken; â naald {versierde lange naald met dikken knop), v. âen; â imJii (scherts, hoofdwee, katterigheid), v. Haarrook {veenrook), m. gmv. De noordoostenwind breng i ons â laars, Ifaror. pers. en bezitt. vnw. Dit zijn â gelijken niet; niemand haver wil antivoorden', de bloemen â tains; het gras harer widen. Ilaarsiiij«l«'ii {het knippen van het hoofdhaar), o. gmv.; âsiiijlt;l«'r (kapper), m. âs. llaarMiioor {band om het haar op te binden), v. âsnoeren; âspeld {tweebeenige speld), v. â spelden. llaarNpriet (ringworm), m. âsprieten. Ilaarston^' {waterst err e kruid), v. {soorten). â stengen. Haarster {schaaldiertje), v. âsterren Haartooi (hoar als hoofdsieraad), m. gmv.; â tuit {vlecht), v. âtuiten. Haarvat {fijn bloedvaatje, dat een slagader met den ader verbindt), o. âvaten. De slagaderen vertakken zich ten slotte tot âvaten. Haarverf' {kleurstof), v. âverven. Haarlak {tivistgierig, kijfachtig persoon), m. â ken. gew.; âzakken {ruzie zoeken, on-heusch doen), onbep. wijs, b.v. Je ligt altijd te âzakken; âzakker {bedrieger, twistzoeker), in. â s. Haas {bekend knaagdier), m. hazen. Het mannetje van den â heet rammelaar; het wijfje heet moerâ of voedster; veel honden zijn der hazen dood, de menigte maakt de overmacht; men kan niet weten, hoe een koe een â vangt, men moet het hoogst onwaarschijnlijke niet volstrekt onmogelijk achten; men zou eer een â met een trommel vangen, eer zou het onmogelijke geschieden. Haas, in jagerstaal, o. Teun, mag ik het â dragen? (C. O.) Haas {lendespier van koe. en varken, vlee-zige massa, filet), m. hazen. Het âje is fijn braadvleesch. Haasje-o ver der jongens), o. gmv. Haast {drift, jacht, overijling), v. gmv. Ik toonde geen â, gejaagdheid; â maken; â hebben; in aller â ; metter â ; spreekw. Hoe meerder â, hoe minder spoed. Haast, bw. De winter is â in 't land, bijna: kom zoo â als doenlijk, spoedig; â zult gij wreed gekortwiekt zijn. (C. O.), weldra; zien we je â eens weer, gauw; kom je â? Haasten (zieli), ik heb mij gehaast; ook: ik haastte, heb gehaast, d. i. hnast, voortgang maken. Haastig' {niet kalm; gejaagd, overijld), bn. Hij is altijd â; spreken op âen toon; âe spoed is zelden goed, gejaagdheid komt aan den werkelijken spoed zelden ten goede: hij had een âboodschap, spoedeischend. dringend; bw. Hij vroeg het â ; Neen, spreek niet â 7 antwoord uit. (Ter Haar); hij is wat â gebakerd, ongeduldig van aard; â lieid. v. gmv. Haasvreten {bevreesd worden, bang zijn), ik vrat â, heb â gevreten. De snoever van gisteren vrat â en liep weg; â vreter {bloodaard), m. âvreters. |
Haat {afkeer, vijandschap, wrok), m. gmv. lem. â toedragen; een bittere, dood el ij ke â ; door â, uit â ; dat alles maakt â en nijd; â dragend (â voedend, onverzoenlijk), bn. Haberdoedas {draai omdeooren), m. gmv. Een â geven, krijgen, oorveeg. Habijt {kleed, gewaad, opperkleed), o. âen. Inz. geestelijk gewaad van kloosterlingen; het â aannemen, in een klooster gaan. Habiliteit (geschiktheid, bekwaamheid), v. gmv. Habitué {vaste klant in een café), m. â's. Mijnheer is daar â. (C. O.) Habitueel {gewoon; uit gewoonte, doorgaans), bn. en bw. Haeli {gezel, jonge borst), m. Alleen wordt gebruikt: Haciije, b.v. 't Is een recht Hol-tandsch â ; inz. matroos der marine of Jantje. Haeh {gevaar, kwade kans), v., soms o. gmv. De â van iets hebben, het gevaar, de risico, vero. Haeli. tw. Hij zeide â noch wach, geen geluid slaan, geen kik geven. Haeli^e (stoofsel van gehakt vleesch met uien en kruiderijen), v., soms o. gmv. â van var-kensvleesch. Haelielijk {gevaarlijk, onzeker), bn. Een âe onderneming; de toestand op het whip werd â : een â bestaan; een âe tijd, netelig, kritiek; een â spel; bw. Het stond â met de vloot; â lieid. v. Haeliis. v. en o. gmv. Zie: Haclróe. Haelit {stuk vleesch of spek), m. âen; âje (meest hachje). Een âje spek; de beste âjes van 't vleesch zullen voor u zijn; het â is op, het hammetje is op; het âje talen glijden, glippen, varen, de vangst enz. loslaten. Fig. Het heele âje kwijt zijn, alle kans verkeken hebben; zijnâje er bij inschieten, leven; zijn âje tvagen, het leven; bang zijn voor zijn âje, voor zijn leven. Hadzji (geloovige, die een bedevaart deed naar Mekka; fig. geestdrijver), m. â's. Haf. Hafl' (strandmeer, achter een landtong gelegen), o. haffen. Het Friese he â: het Koe-rische â; het Stettiner â (Oostzeekust). Haft (liafti^:) is een achtervoegsel, dat men vindt in heldâ, man â , zeegâ, krijgsâ, in de bet. van iets hebbende, toonende; gaarne wezende. Haft (netvleugelig insect, eendagsvlieg, oeveraas, schoor aas), o. -en. Ha^ar {Abrahams bijvrouw, moeder van Isrnaël, stammoeder der Ismaclieten of Ha-garenen), v. Hagedis (kruipend dier), v. â sen. In ons land leeft de gewone â, de kleine â. de muurâ; â aelitiK, bn. Ha^edoorn. m. Zie Haa^'floorn. Ha$;-el {ijsbot let jes, ook kogeltjes), m. gmv. Hagelblank {wit als hagel), bn. Twee âe manden; een âe vederbos. Itngvlhui {uitstorting van hagel uit de lucht), v. âen. Fig. Een â van pijlen, een overstelpende menigte; een â van stokslagen. Hagelen, het heeft gehageld. Het hagelt, er valt hagel; het hagelt, dat het klettert. Fig. Het hagelde om zijn hoofd van kogels; de kogels hagelden op de straten. Hag'elg'ieterij (fabriek van s 'hiethagel), v. â gieterijen. |
HAGELJACHTâHA LKN.
187
|
lla^eljadit {jagende hayclvhtay), \. gmv.; iâ korrel(/c/em^' hayelstecn,ook korre! srhh i-hagel), v. âs; âNCfliado, v. gmv.; â m. âen; â vlaa^v v. vlagen; â vormiiEji', v. gmv. IIa|7lt;klN, bw. Wat ren â zot gesprel.! grnz. Ila^'lscli {vervloekt, heroenl), bn. Ih-f zijn â e leugens', het was dc ach â ld van die âe Engelschen. Ila^-elsla^- {het slaan d. r hagelkorrels), xu. â en. Er was â in Jtklt; ren; de boekiveit had door â geleden; bij uitbr. hagel hui: Zoo rast dan eind lijk 7 ra wc. Noorden van â en stormgeloei. (Borger.) Ila^elverxokeriiiiftiniantscliappij (mü van assurantie tegen hagel), v. âen. Hagelwit {hlank als hagel), bn. Een heer niet een â pak. (J. t. Br.); etn â servet; een â gordijn: een â mutsje. lianen {iets in of aan rvn haag stellen of zetten), ik heb gehaagd. Steenbakkerij: stee-nen â ; vlasbouw: hel vhis op den akker â. lt;1. i. recht stellen, met de toppen tegen elkaar. Hagenaar {iem. nit Urn Hang), m. â s. Ilag'^prefliker (gesch. openlijk verkondiger van dr leer der Hervormden), m. â s. Ila^epreek (gesch. eerste openlijke verkondiging der Hervorming), v. âen. Ila^erd (jagerst. een soort getemde va Ik), m. â en of â s. lla^erooN {wilde roos), v. ârozen; bij uitbr. de wilde struik. lla$fiof?raat' {levensbeschrijver van heiligen), m. â grafen. Ilaidiik, m. Zie lleiilnk. Ilaïk {lange sluier der Arabische vrouwen), m. âs. De â laat alleen oogen en voorhoofd ' ongedekt. Hak {het hakken, houw of slag, afgehakt stnk), m. âken. Hij is aan den â ; een â met de bijl; een â in het tafelblad. Fig. snauw, bitse uitval: Iem. een â zetten, hem een hatelijkheid te slikken geven. Hak {boomtak), m. âken. Van den â op den tak springen, d. i. als oen vogel van den eenen tak op den anderen; lig. van het eene onderwerp op het andere (in 't gesprek). Hak {landbouwwerktuig), v. âken. Met een â den grond omwerken, d. i. met een soort kromme schop, evenals een kalkhouw van de kalklesschers. Hak (hiel), m. âken. De koude in de âken hebben; iem. op de âken treden, fig, iem. achternazitten; iem. op zijn âken zitten, hem /.onder ophouden plagen, b.v. om betaling; hom nagaan; iem. de âken laten zien, hem den rug wenden, in den steek laten; inz. aan schoeisel: Muilen met hooge âken; de â ken scheef loopen. Hakhand {achterriem aan een schaats), m. â banden. Hakbaiik (langwerpig hakblok), v. âen; â ln'itel (timm. zware ka pbeilel), m. âs; âbijl {kleine bijl), v. âen; âblok {stuk hout om iets op te kl toven), o. âken. Hakborcl (plankje om er iets op fijn tc hakken), o. âen. Ook: Hakkebord. Haken {vasthechten, vastmaken), ik heb gehaakt. Een katrol aan een kram â. Fig. aan een haak blijven hangen: Hij was aan een spijker blijven â. (C. O.) Haken {haakwerk maken), ik heb gehaakt. Aan een beddesprei â ; dit meisje haakt |
netjes; het â behoort tot de fraaie handwerken. Elaken {hevig verlangen), ik heb gehaakt. Zij â naar de vaeantie; naar het uur dei' vrijheid â. Haken {den grond met den haak- bewerken), ik heb gehaakt. Den grond omâ, d.i. ( mspitten. Haker {gierzwaluw, torenzwaluw), m. of v. bakers, gew. Hakerig (lig. lastig, netelig), bn. Een âe onderhandeling, vol bezwaren. Hakgreld {kt isten van het omhakken), o. âgelden; â jjfnts (timm. gereedschap), v. âen; â hamer {bankhamer met ronden, bui), m. â s; âbont {slaghout, houtgewas), o. gmv. Eiken âhout noemt men akkermaal; elzen, berken en w i Igen âhout heet weck hou l; â ke-borlt;l. o. Zie Hakbord. Hakkel (kerf of keep met een bijl), m. -s. Hakkelaar {stamelaar, stotteraar), m. â s. Hakkelen {stotteren, stamelen), ik heb gehakkeld; â iff, bn. en bw. Hakkelkees {spotnaam voor stotteraar), m. â keezen. Hakken {met dc hak werken, loswerken), ik heb gehakt. Een veenland, een heideveld â. Hakken {kappen), ik heb gehakt. Den vijand in de pan â, vernietigen, geheel verslaan; â er. m. Hakkenei {telpaard, telganger), v. âen. Hakketccren (kibbelen, krakeelen); â«Ier, m.; â ins1? v. Hakleder (hielleer, hakband aan een schaats), o. gmv. Hakmes {kapmes, gereedschap bij allerlei bedrijven), o. âmessen. Hakmoes {allegaartje, poespas, mengelmoes), o. gmv. Ook lig. Een â van woorden en zinnen; een â van gedachten. Haksel (fijn gehakte zelfstandigheid), o. gmv. Inz. van stroo als paarden voeder: De dieren kregen â met haver; âbank {werktuig om haksel te snijden), v. âbanken; â -Niiijder. m. llakKtroo (stroo om er haksel van temaken). o. gmv. Hakstuk {hiel van een schoen of laars), o. -stukken. Haktijd {tijd voor het vellen, kappen van slaghout), o. gmv. Hakvleeseli {om te hakken, ook gehakt), o. gmv. Hal {een overdekte marktplaats), v. â len. Hal (hoofdzaal in een paleis), v. â len. l'hilips zat in de opgetooide â ten troon. (Tollens.) Ook Halle. Hal {hardbevroren aardkorst), o. gmv. Het is inoeielijk hel â te bewerken. Ook: hardheid van den bevrozen growl. Hal(*.vonâ¬gt;n {ijsvogels), m. mv. Halen, ik heb gehaald. Den dokter â ; hulp â; een koets â ; iem. thuis â : iem. bij iets â ; het paard van stal â; Hildebrand mag je komen â (C. O.), d.i. afhalen; een kind uit school â; een erfenis â; daar is wat te â, verdienen, krijgen; les â, nemen; een aca-demischen graad â, verwerven; de zieke zul den morgen niet â ; dat varken zal 100 kilo â , wegen; groole-menschen jammeren â ni t bij deze {kinderrampen). (C. O.), d. i. er niet bij in vergelijking kunnen komen; een prijs â . Zegsw. Oude koeien uit de sloot â, vergeten zaken weder ter sprake brengen. |
HALF- HALSSTARRIG.
|
Half {de helft ran een geheel), bn. en b\v. Ken halve appel-, een â brood', een â dozijn', spreekw. Heler' een â ei dan een ledii/e dop, beter iets dan niets; fig. een halve maairt-Ijel, niet afdoende; een â bewijs, gedeeltelijk, onvoldoend; de halve waarheid, een â woord, met een â ooy iets zien, een halve wees, die een zijner ouders verloren heeft; â April, midden; bw. Ja pik is â boer, â heer; (je-waayd is â gewonnen; iels maar â welen, gedeeltelijk; â kans hebben, eemgevmnie; het ij las is nog â vol; ik was â nijdig; ietn. maar zoo â en â begrijpen, eenigermate. Half aam {a a ter vaatje van lt;S7 L. aanboord), o. âamen. vero. Halfaap (soort van aap), m. -apen. Men onderscheidt eigenlijke apen en halfapen. Halfbakken (slecht gebakken), bn. Een â brood; lig. Een â advocaat, een â wijsgeer. HalfblaiikNK'lt;'%lt;'l (Hg. pralknecht), m. â len. Zie Klank (zesduiten); â li«M'r(kale meheer), m. âen. Een logement voor â hee-r. n; â juffrouw, v.âen; â maclain. v. â s. Halflgt;loâ¬'lt;l (afstammeling van een E.tro* peaan en een inlandsche vrouw), m. en v. gmv. Halflgt;lolt;gt;lt;l. bn. Een â paard, niet van edel bloed; â Engelse he rammer-. Halfdek (sclieepst. opperdek tussehen den grooten mast en de kampagne), o. gmv. Ilalfdonkcr (schemerdonktr), o. gmv. In het â zitten. HalfVlfjc» (koffie met brood om hal fel f), o. âs. Half-on-lialf (gemengde drank. b.v. likeur als anijs met brandewijn), o. gmv. Halflieilt;l (onbeslistheid, weifeling), v. gmv. Met die â komt gij niet verder. Halflilt;gt;inlt;l (over'hemd, chemisette), o. âen. Halfje (half glaasje drank), o. â s. Jan, nog een â, d. i. half glaasje bitter. Halfklinker (medeklinker', die in een klinker kan overgaan), m. â s. De j en w zijn âs. Halfknmlig: (slechts ten deele kundig), bn. Een â dokter. Halflinnen (bestaande deels uit linnen, deels uit katoen), o. gmv. Halfrond (halve aardbol, in afbeelding), o. â en. Een kaart met de beide âen. Halfrond, bn. Een âe kring, een âe. toren, d. i den vorm van een halven cirkel hebbende. llalfKeliadnw (schilderk. toon tussehen licht en schaduw), v. âen. HalfNlaelili^r ( slechts voor de helft behoo-rende tot een ras of soort), bn. Een âe neger; een âe windhond; â heid (fig. onzekerheid, tueifelimj), v. gmv. Halftdaf?, m. gmv. Sloeg het daar op den toren â of heelV, d. i. het halve uur. Halfsla^, o. gmv. Een â paard, een â trekhond, geen volkomen of volwassen dier. llalfKleet (halfversleten, ha Ifafgedragen), bn. Een lakensche jas, â; âsell, bn. Halfsleten (halfversleten), bn. Een hoop â zeildoek. HalfKtfeiiNinnnr (muur ter dikte van een hal ven metselsteen), m. âmuren. Halfstok (halverwegen den vlaggestok), bw. De vlag â hijschen. Ook: Half stuks. HalftiJ (helft in tijd van eb of vloed), o. gmv. De vloed heeft pas half zijn tijd geloo-pen, het is â. Halfuur (dertig minuten), o. âuren. Een â gaan ivandelen; alle â, elk â slaat de torenklok. |
Halfvasten (R. K. de vierde Zondag in de Vasten), v. gmv. De graaf van â, figuur uit den Antwerpenschen carnavalsoptocht. Halfverheven (beeldhouwk. relief), bn. Ziedaar fraai â beeldwerk, d. i. waarvan de figuren slechts weinig naar voren treden. Halfvlengft'li^en (snavelinsecten), v. mv. Halfwas (persoon, slechts den halven wasdom hebbende), m. âsen. Gevraagd een â bij X., mr. Draaier, jongmaatje, leerling. Halfwassen (slechts ten halve volwassen), bn. Een â haan; een â ju If er tje. Halfweg, bw. Zij deed het kind omstreeks â een schoone luier aan. (C. O.), d. i. op de helft van den af te peggen weg. Halftvind (sclieepst. wind half invallende), rn. gmv. Met â zeilen. Halfwollen (deels wol en deels katoen), bn. â weefsels. Halfzalip: (half dronken), bn. De kerel raaskalt, hij is wis â. Halfziffle (weefsel voor de helft uit zijde bestaande), v. gmv. Halfzijdâ¬kii, bn. Uit zijn â stoffen; â damast. Hallel (loof den Heer, lofgezang), o. â s. Het groote â, het kleine â, beide zijn Israël, lofzangen (Psalm 113â118); bij uitbr. lollied, juichkreet: Godgewijde âs. Halleliija (looft den Heer; loflied, juichkreet), o. en v. â's. Het alleluia zeggen, R. K. in den Paaschtijd; âmeisje (vrouw, lid van het Heilsleger), o. â s; â lioed (kiep, zooals deze meisjes dragen), m. âen. Halletje (Haarlemsch kaneel koek je), o. â s. Haarlemmer âs. Hallo (uitroep om iern. opmerkzaamheid te wekken), tw. Hallneinatie (zinsverbijstering, vizioen), v. â s. Halm (stengel van grassen en granen), m. â en. De â schiet op, uit; het graan op den â verkoopen, te velde, ongedorscht. Halmknoop (dikte tussehen de geledingen), m. âen; âstroo (uitgedorschte halmen), o. gmv. Halriet (zeker goed soort van dekriet), o. gmv. Hals, m. âzen. De â van een hemd', de â van een viool; de â van een flesch; de â van een anker; om â brengen, dooden; zich op den â halen, zich berokkenen; een on-noozele â, bloed. Hals (sclieepst.), m. âzen. Tussehen twee â zen varen, vóór den wind. Halsband (halsketting), m. âen; âbel {van rund of schaap), v. âlen; â berjr (deel van het harnas, ringpantser' bedekkend hals en bovenlijf), m.âen, vero.; â boord(Araa*/ van hemd of overhemd), m. âen; âbrekend (met levensgevaar gepaard), bn. Allerlei âe toeren der artiesten in het paardenspel; â lias (halsdoek), m. âsen; âdoek (halsbedeksel), m. âen; âgareel (gordel of juk voor trekdieren), o. âen; âketen, v. â en of â s: âketting:, m. âen; âmisdaad (misdrijf waar de dood op staat), v. â misdaden; â reclit (het recht over dood en leven van onderhoorigen), o. gmv.; âsnoer (halssieraad), o. âen. Halsstarrig? (hardnekkig, koppig),hu, en bw. Het meisje bleef â en wilde naar geen goeden raad luisteren; een â karakter; âe onwil; een â verzet; bw. Iets â volhouden; iets â |
HALSTER-HANDLICHTING.
1S9
|
weigeren', â naar iets streven; âliefifl (/«)Ægt; pigheid, iveerspann igheiö), v. gmv. Halster (halfiriem der paarden), m. â s. llalKvricnd {boezemvriend), m. âen; â -vrioiKlin {innig geliefde vriendin), v. â nen. Halswervel {een der tuervelen van den hals), in. âen of âs; er zijn zeven âs. Halszaak {misdaad, waarop de doodslaat), v. âzaken. Halt {militair commando), tw. Divisie, â! d.i. blijf staan; als zn. o.v.: Het â Klonk langs de gelederen. Halte ( wachtpost van spoor- of tramweg), v. â n. Ook: Halt. Halter (gymnastiek: korte staaf, aan weerszijden niet een kogel bezwaard), m. â s; oefeningen met de âs; lichte en zware âs. Haltsein {optisch sein om testoppen), o. âen. Halve (achtervoegsel: uit kracht van, krachtens), b.v.: ambtsâ; eersâ\ plichtsâ; rechts-â; verder in: uwentâ, zij nen tâ, wat betreft; ook in: duidelijkheidsâ, g on aksâ, kortheids- â , wegens, om reden. Halveeren {in tweeën snijden, middendoor deelen), een appel â, een perzik â, een lijn den buit â, de winst â, d. i. in tweeën deelen; âluw, v. Halvemaan {/Ie maan in het eerste en laatste kwartier), v. âmanen; bij uitbreid.de Turksche macht, een wassende maan, als veld- en wapenteeken van den Sultan. Hal verwegen {np de helft van den weg, op het midden), bw. Ook: âwege; â weg; â wtgs: Pandolf keerde âwegs (Staring); zij waren â wege den dijk (C. O.j; hij kwam tot â wegen. Halverwind, bw. Het schip ligtâ, de wind komt recht dwars in; fig. âzeilen, niet te fel op iets afgaan. Halvexool {schoenzool van den voorkant), v. âzolen. â zolen en achterlappen. Ham {bout of schink van een varken), v. â men. Een vette â; bui tenia ndsche âmen, Westfaalsche âmen; als stofnaam; een broodje met â; dat smaakt als â, zeer lekker. Hamada {steenachtige hoogvlakte in de Sahara), v. â's. Hamansfeest (Israëliet, feestdag), o. âen. Purimfeest. Hamei {slagboom, traliehek), v. âen. Hamel {gesneden ram), m. âs. Hamelbout (schapebout), m. âs. Hamer {werktuig), m. â s, âen. Een houten â, een srnidsâ, een drijfâ, tusschen â en aanbeeld zijn, in groote verlegenheid; onder den â brengen, in 't openbaar verkoopen. Hameren {slaan. K loppen met den hamer), ik heb gehamerd; Hamersla;;' {slag met een hamer), m. âen. IIamersla$f {afspringende deeltjes van gesmeed wordend ijzer), o. gmv. Hamster {zeker knaagdier of groote veldrat), v. âs. Hand {lichaamsdeel), v. âen. Een fraaie |
â schrijven, fraaie letters maken; de âen opleggen, zegenen, wijden; in 's vijands â vallen, macht; aan de hooge â, de eereplaats; iem. de â boven 't hoofd houden, steunen, begunstigen, beschermen; de â van iem. aftrekken, hem aan zijn lot overlaten: goederen in de doode â, nl. van zedelijke lichamen, kloosters, vereenigingen, enz.; zijn âen zijn gebonden, hij is niet vrij meer; de âen vol hebben, het erg druk hebben; de âen aan iets vol hebben. groote moeite hebben om iets in gereedheid te houden; o/gt; de âen tikken, op de vingers tikken, berispen, beboeten ; van de â in den tand leven, eiken dag zijn verdiensten verteren, sober leven: twee âen op één buik, twee personen die het eens zijn; daar is iets aan deâ, te doen; van goederâ, uit goede bron; de â slaan aan, arbeiden, ook bederven, schenden; deâ lichten, slordig afwerken; men kangquot;en ijzer niet âen breken, men kan het onmogeiijke niet doen. Handbreed, o. gmv.; âbreedte, v. â n. Handdadig' {medeplichtig), bn. Aan iets â zijn. Handel {handeling, manier vm doen,, m. gmv. Eerlijk in â en wandel. Handel {onderlinge koop en verkoop, ruiling van goederen tegen geld), m. gmv. Wind-, d. i. slechts spel en weddenschap; e If eet enâ, geldâ, stommen â, d.i. handel, waarbij men elkaar niet ziet (Borneo). Handel {een machinedeel, knik, hefboom), m. âs. Handelbaar {inschikkelijk), bn.; â lieid. v. Handelen, ik heb gehandeld; âaar, m. âs. Handeling- {daad, geschrift), en. De -en der apostelen, brieven; de âen van een congres, vereeniging, enz., verslagen van do verrichtingen. Handelmaatseliappij (vennootschap van koophandeb, v. âen. De Nederlandsche â, (1824 door Willem I). Handelserisis {storing in het crediel), v. â sen; âcrises. Handelsgeowrapliie {beschrijvende hun- deIsaardriji,skunde), v. gmv. Handels|gt;olitiek {staatkundige maatregelen ten bate van den handel), v. gmv., b.v. het vrijhandel- of het beschermend stelsel. Handelsreelit {het recht van den handel), o. âen. Het publiek â, het wissel â . Handelsreixiffer {handelsbediende, die buitenaf verkoopt), m. âs. Commis-voyageiir. Handel wijs. âwijze {manie)'), v. â wijzen. Handen, het heeft gehand. Die pen handl mij niet, past niet in mijn hand. Handgeld (mil. premie in geld, b.v. aan kolonialen uitbetaald), o. gmv. Handgemeen, bn. â zijn, vechten. Handgreep {greep met de hand), m. -grepen. De â van 't geweer, van den degen. Handliave {handvatsel), v. âhaven. Handliaven {in stand houden), ik heb gehandhaafd; zich â op het tooneel der academische samenleving {Koetsveld); den vrede â. -haver, m.; âhaving, v. Handieap (sport, wedstrijd, \ees: hen dikep), m. â s, d. i. een wedstrijd met vóórgift (in tijd, afstand, gewicht) aan de zwakkeren; een â race. een wedstrijd met vóórgift. Handieapper (sport, voorgiftregelaar, lees: hendikepper), m. â s. Handig (vlag, bedreven), bn.: â heid, v. Een â boekje, 'gemakkelijk in 't gebruik. Hand jeganw {die licht slaat of toelast), m. en v. â s. Alles goed en wel! maar je bent toch een â. (C. O.) Handlanger {medeplichtige, helper), m. â s. Een â der politie. Handliehting* (rechtst. ontheffing van minderjarigen aan de ouderlijke macht of aan de voogdij), v. âen. Iem. â verleenen. |
HANDOPLEGGING-HARDVOCHTIG.
-100
|
llaiidoplf^'K'iii^' (zinnebeeld von het overdragen van eenitj gezau of eenige machl), v. âen. llaiitlrfikoii (bijstaan, helpen), ik heb ge-handreikt; â reiUer, m.; â roikin**'. v. llaiilt;lsclilt;»('ii. m. â sclioenen. HaiKlscliril't (met de hand geschreven werk, kopij), o. âen. llaiKlspaak (stevige slok onder vierkant als hefboom, dienend), v. âspaken. llaiilt;ltaKt«gt;liJk (voelbaar, tastbaar), hn. Ken â e lengen. llaiKltaKtiiiK* (belofte bij handslag), v. âon. llaiKlf(M'k^iiiiiK' (onderteekening als werk van herkomst en van echtheid), v. âen. llaii«lvai, o. âvatten. IIaii«lvalK('l, o. â vatsels. llaiKl vlt;'Mt (oorkonde, ken?', privilegie), v. â en. Ilaiidvlon^li^^ii (orde der vleermuizen, vampiers, enz.), in. mv. Handvol, v. âen vol. Een â noten, een â koren, een â menschen, eenige mensehen; handje-vol, twee handjes-vol. Handwater (waschwater), o. gmv. Dat heeft er geen â bij, blijft er ver bij achter. Ilandwrk (ambacht, bedrijf), o. Ieder â had in de groote steden zijn eigen gild. Handwerk on (vrouwelijke bezigheden, als breien, stoppen, enz.), o. mv. Men onderscheidt de â in nuttige en fraaie (borduren, haken, festonneer en, enz.). Zij deed examen in de nuttige â. Handn ijzor (paal met armen als wegwijzer), m. âwijzers. Ilaiidwoordonbook (woordenb. in klein formaat), o. âboeken. Ilaiidzaafr (kleine zaag v. d. timmerman), v. âzagen. llandxaani (gedwee, handelbaar), lm.; â â¢iK'id, v. Ifanobalk (bint, hoogste horizontale balk), m. âen. Hij woont in de âen, op een zolderkamertje. llaiiekam (kam, kuif v. d. luian), m. â men. Ilaiiekain (/'OorfeMoem, ratelbloem),\. â n\Qn. IIaiilt;kiilt;'i (klein ei zonder duoier), o. âeren. llanen^evoclit (geliefd vermaak der Inlanders, b.v. in Celebes), o. âgevechten, llaiifiiinat (vechtplaats), v. âten. Ifancpoot (slecht geschreven letter), m. âen. llanc'poot (schermbloemi ie plant), m. âen. Ue â heet ook gemeene of roode waterbezie \ kraal kruid, zeesla. Hanesdiree (stap, pas), v. gmv. Hij woont een â van hier. HaiKMtipoor, v. âsporen. llaiK'tred, m. âen. Ook: Hanetree, v. âën. Haneveer, v. âen. Ook: Haneveder. Hanevoet (plant, bloem), m. âen. Bosch â , anemoon, windbloem. Ilan^' (hout, ijzer, waar men iets aanhangt-, ook: plaats, enz.), m. âen. llaiiK' (plaats, waar haring opgehangen en gerookt wordt), m. gmv. Ifaiiffon, ik hing, heb gehangen. De huik naar den wind â, naar de omstandigheden van partij veranderen; de lier aan de wilgen â, ophouden met dichten of schrijven; de kap op den tuin â, het klooster verlaten: zijn hart aan iets â, er zeer op gesteld zijn; de zaak is nog âde, nog niet afgedaan; het hoofd laten â, den moed verliezen; er hangt hem iets boven het hoofd, er dreigt hem iets. |
llaiiK'ijxor (afhangend ijzer boven het haardvuur), o. -s. Ken heet â, lig. een netelige zaak; het is een heet â, mijnheer, vijf hinders ! (Potg.), een lastig huwelijk. llaiiK'inat (als een schommel hangende legerstede), v. âmatten. IIaii$roortaf4'l (met twee afhangende bladen), v. â s. In het vertrek stond een vrij groote â. (C. O.), klaptafel. Hanig: (geil, wulpsch, wellustig), bn. IlaniK'koniaaicr (Westphualsche grasmaaier), m âmaaiers. HaiiN, m. âzen. Een groote -. een rijk man. Hansa (stedenverbond in de Middeleeuwen), v. Ook: Hanxe. HaiiNNop (nacht kleed ij), m. âpen. HaiiKtvorst (grappenmaker), m. âen. HantcM'iM'ii (behandelen)-, een zwaard -; de plak â; de naald â; â d«'r, m. Hanze (verbond, gild,-broederschap), v. gmv. Hanxentlt;'n (leden der Hansa), m. mv. Hap (mondvol), m. âpen. Haperen (blijven steken), ik hel) gehaperd; â int»quot;, v. Happa (weg), bw. Het is â. Happen, ik heb gehapt; âper, m.; -po- rij? v- Happig* (gretig, verlangend), bn.; â ln'id, v. Hapseliaar (diender-, vrek), m. âscharen. Har, IfariM' (duim of scharnier van een hengsel), v. Ook: Her, Herre. Harang'eeron (plechtstatig toespreken). Ook : Harang ueeren. Harasseeren^wmwoeiw,afmatten, kwellen). ICjircM'eren (teek.schaduwen leggen)', â ing, v. âen. Ook: Areeeren. Harceleeren (hier en daar aanvullen, besloken, pla'jen, verontrusten). Hard (niet week, ruw, sterk), bn. en bw. Ken âe steen, dut brood is â; een â ei; een âe winteiquot;, lig. een âe. bejegening-, een â woord', een â geval', een âe stem, forsch; bw. â lachen, â loopen, snel; â lieid, v. de â van diamant-, de â van een behandeling. Harddraven (draven om een prijs), ik helt geharddraafd; âer, m.; â erij, v. Hardebol (stijfkop), m. âbollen. Hardebollon (tegen elkaar stouten met het hoofd), ik heb geliardebold. Tegen zijn lotâ. Harden (hardmaken, bestand dooi zijn), ik heb gehard; hij zal het daar niet â, uithouden; â iiigr, v. Hardor (kar per ad dig e visch), m. â s. Hardgeel (scherp geel), bn. Een - sjaaltje. Hardglas (onbreekbaar gemaakt glas), o. gmv.; âfabriek, v. âen. Hardliandig (ruw), bn.; â lieid, v. Hardlioofdig (koppig), bn.; â heid, v. Hardlioorig (doof), bn.; â tieid, v. Harciiiiiidig (dik van huid), â heid, v. Harfiiesse (koenheid, stoutheid, driestheid), v. Harlt;iiglieilt;l (hardheid, strengheid), v. Hardleerend. Hardieerig bn.; â lieid, v. Hardleerseli (dom), bn.; â lieifl, v. Hardlijvig-, bn.; â lieici, v. Hardlon|»er (lig. vluggerd), m. -s; â loo-perij (wedstrijd), v. âen. Hardnekkig (koppig), bn.; een âe jongen-, fig. een â verzet-, een âe koorts (Koetsveld), -heid, v. Hardrijder (op schaatsen), m. -s; âij, v. Hardvoelitig (wreed), bn.; -Iieid, v. |
HARDZ ETLE K - HAZARDEEI {KM.
191
|
]Iard%lt;'il«kr (snelzeiler), m. â s; â ij, v. âen. Harem {vrouwenverblijf in de aanzienlijke Turkse,he huizen; de vrouwen samen), m. âs. Haren (het scherpen der zeis), ik heb gehaard. Ilareiitlialve (om 'lt; harentwil), bw. Ilarentue^e, bw. Gebruikelijk in: Van â. llarlt;kii(Avil. bw. Gebruikelijk quot;in : Om â, ter wille van haar. Harig: (ruig), bn.; â lieifl, v. Haring (algemeen bekende visch), m. âen. Ue â leeft in zee; ook de ansjovis, de sprot eu de elft zijn âen; versche â; gezouten â; gemarineerde â: als»stofnaam, v., b.v. Houdt ge van â? Haringjager (snelzeilende schuit, die de eerst gevangen haring naar het vaderland brengt), m. â s. Haring-kaken (haring reinigen en inzouten), o. ginv. Hark (boerengereedschap), v. âen. Fig. Hij of zij is een. rechte â, stijlquot; persoon. Harken, ik hebt geharkt. Een tuinpad â; -er, m. Harlekijn (grappenmaker, hansworst), rn. â s. li\i\rmn\\ïi!quot;lt;x(zeker muziekinstrument),x. â '*. Ilarnioniea-frein, in. âen. Zie IMrein. Harnn»nie (welluidendheid, vrede), v. â(;n. Te zamen in â leven, eensgezind zijn. Harmoniëeren (overeenstemmen, het eens zijn, vreedzaam leven). HarnioniKeli (overeenstemmend), bn. Harmoninni (klein kamerorgel met tong-werk), o. â s. Harnas {wapenrusting), o. âsen. Het â aangespen; iem. in het â jagen, hem bous maken; voor iem. het â aantrekken, hem verdedigen. Har|» (muziekinstrument), v. âen. Harpa^on (gierigaard, vrek), m. â s. Harpenaar (harpspeler), m. ânaren, â s. Harpij (gedrocht, wezen der fabelleer), v. -en. Harpluie (werk van oude touwen om de schepen te kal falen), o. gmv. Harpoen (werpspies), m. âen. Harpoenen, Harpoeneeren (werpen met den harpoen), ik heb geharpoend; m de witleren der Mo lukken weet men de schildpadden te â (Veth); -er, m.; â ier, m. 11 ar puis (mengsel van zwavel en fyars, ter wering van den houtworm in schepen), o. gmv. Harpnizen (met harpuis bestrijken), ik heb geharpuisd; âer, m. Harr«'warren (krakeelen, kleingeestig twisten, kibbelen), ik heb geharreward; -tier, m.; â rerij, v. Hars, v. en o. âen. De gewone of gele â, nl. sap uit den denneboom. Harsaclitig-, bn. Een âe stengel. Harsenen, Harsens. Zie: Hersenen. Harst (lendenstuk van een rund), m. âen. Hart, o. âen. Het â van een land, midden; iets ter âe nemen, luisteren naar; het â aan iets ophalen, zich verlustigen; iem. een kwaad â toedragen, haten; een goed â toedragen, liefhebben; het â op de rechte plaatshebben, rechtschapen zijn; God kent, peilt de âen, gemoederen; dat is mij een steen van hetâ, mijn beklemming is weg, is verdwenen; het â bloedt mij, ik ben diep geroerd; hij heeft â voor de zaak, heeft er veel voor over; zijn â uitstorten, zijn â lucht geven; iem. een â onder den riem steken, moed geven; iem. |
een â in 't lijf spreken, moed instorten; iets op het â hebben, gaarne iets willen openbaren; ui ter oog en, uiter âen, de afwezigen vergeet men licht; daar hebt gij het â niet toe, d. i. den moed; waar het â vol van is, loopt de mond van over, men sp.eekt liefst over 'tgeen men gaarne heeft. Hartbrekt'iui (deerniswaardig, schokkend), bn. Hartehloed. o.; âclielje (lieveling), o. âs; â leed, o.; âliefje, o. â s. Hartelijk (innig), bn. en bw.; â lieid. v. Harteloos (koel), bn.; â lieid, v. Hartelust, m. Naar â, met innig genoegen. Harten (in het kaartspel), o. mv.; âaas, o. âazen; âboer, m.âen; âlieer, m.âen; â vrouw, v. âen. HartK'gt;*ondi$£, bn. Een â gebed, uit het hart; een âe wensch. Hartig' (zout. Krachtig), bn., een âe soep, een â gebed; â lieid, v. Ilarijt'sda^ (feestdag in Amsterdam en Haarlem,denSden Maandag in A ug.), m. â en. Hart lap. If artelap (lieveling), m. en v. â pen. Zij is moeders â. Hartstocht (drift, aandrang), m. âen. Hartstoelitelijk, bn. en bw.; â lieid, v. Hartsvanger (lang jachtmes), m. â s. Hartverselieurend (ontzettend, aangrijpend), bn. Een â afscheid. Hartzeer (verdriet, grievend leed), o. gmv. Haspel (werktuig tot het opwinden van garen), m. â s, âen. Op den â passen, het oog op alles houden; dat is een â in de flesch, een raadsel; dal past als een â ineen zak, dat past niet bij elkaar. Hsispelen (garen afwinden; lig. slordig en onhandig te werk gaan, verwarren), ik heb gehaspeld. Fig. twisten; âaar m.; âiiift*. v. Haspelraani, o. âramen; â werk, o.âen. Hassebassen (kibbelen, kijven), ik heb ge-hassebast; â serijj, v. gmz. Hatelijk (vijandig, onpleizierig), bn. en bw.; in mijn oog waren er geen âer boeken dan rekenhoeken. (C. O.); Nurks kon met den â sten glimlach iets zeggen. (C. 0.); â lieid. v. Haten (een heuigen afkeer hebben van), ik heb gehaat; âer, m. Hausse {rijzing van den koers der effecten, van den marktprijs), v. â s. Hautbois (hobo, hoogfluit), v. mv. hau lbo is. Haute-vol^e (de aanzienlijke stand, de groote wereld.), v. gmv. Hant-reliel' (hooggebeiteld beeldhouwwerk), o. â s. Hauw (peul met tusschenschot), v. âen. De kruisbloemigen b.v. kool, mosterd dragen âen. Have (bezitting, eigendom), v. grnv. Haveloos (arm, slordig), bn.; die kinderen zien er â uit. (Potg.); â lieid, v. Haven (veilige ligplaats voor schepen), v. â s. Havenen (verscheurek, toetakelen, afrossen)., ik heb gehavend; â ingr, v. Haver (graansoort), v. gmv. Iets van â tot gort vertellen, weten. Zie t-ort. Haverij, Averij (zeeschade), v. gmv. Havezaat, Havezate (boerenhuis, landgoed, riddergoed), v. âzaten. Havik (dagroofvogel), m. âen. Haviksneus (gebogen neus), m. âzen. Hazard (toeval, noodlot; gevaar, waagstuk), o. Par -, toevallig. Hazardeeren (wagen, bestaan, durven). |
HAZARDSPEL - H KI DIJK.
192
|
Ifazardspol (dobbelspel), o. âspelen. Iffazolaar (hazelnoteboom), m. âs, âaren. IIaKlt;'laarNlioslt;*li, o. âbossclien; â liout, o. Ilaxolhoon (korhoen), o. âtiers. Het â bewoont de bergwouden, vooral van Dnitsch-land en Zwitserland. Ilazoluoot (vrucht), v.; (boom), m. ânoten. Ilazoliiotebooin. m. â boomeri. IfaKC'lwomi (tweeslachtig dier van de orde der hagedissen), m. âwormen. llazondiKtcl (melkdistel), v. âen, â s. Hazciilii» (aangeboren splijting der bovenlip), v. âpen; â mond. m. âen. 1Ia%f'iipalt;l,o. Het â kiezen, op de vlucht slaan. llazoiiKlaa|gt; (lichte slaap), m. gmv. II azen wind (jachthond), in. âwinden. llazlt;'|»lt;'|M'r (gerecht), v. gmv.; â (hol beentje), m. âen; âvel, o. âlen. He, t\v. He! ben jij daar. Hebbelijk (aangeboren), bn.; â liei«l, v. Hebben (bezilten), ik had, heb gehad, llebdoniadair (wekelijks verschijnend), bn. IffebraiKine (Hebreenwsch getinte uitdrukking), o. â n, b.v. de Heer der Heeren, eiland der eilanden. Hebreër (Israëliet), m. âs, Hebreën; 11«»-breenwKeli, bn. Ue âe taal en letterkunde. II ebznelit (inha lig he id, schraapz uch i), v. gm v. Ilebzneliti^ (inhalig), bn.; â heid, v. lleeatoinl»e (o/J'er van honderd stieren, groot offer feest), v. â n. Ileelit (sterk, vast), bn. en bw.; â lieiil. v. il«'elif. Heft (handvat\ o. âen. Heelifen (verbinden), ik heb gehecht; âIs (gevangenschap), v.; âins*, v.; â«el, o. Heetare (bunder = 100 A. of iüüOO M-), v. -s, -n. Ileeliseli (teringachtig), bn. âe koortsen. Hc^eto^rain (Ned. ons of 100 Gr.), o.âmen. Hecfolitei* (100 Neder!, kan), m. âs. II eet «mieter (100 M.), m. âmeters. 11 «'«len (vandaag), bw.; â av«»n«l (dezen avond), bw.; âdaag:», b.w.: â «iaas's«*]i. bn.; â ini4l«la^:. bw.; âmorden, bw. Heelt;le (hennep-afval), v. gmv. Heel (onverdeeld), bn. en bw.; â iiellt;l, v. H«kelal (schepping), o. gmv. He«»lbaar (geneeslijk), bn. H«Mkl«kn (genezen), ik heb geheeld; âinjf. v. H«gt;«klliiiids, ll«M'lslini«is (zonder letsel), bw. H«aelkraelit. v. âen; â kriiilt;l. o.; âkunde, v.; â kiin«li$f, bn.; â kiin«li{;-e, m. en v. ân; âkimst, v.; âmeester, m. âs. Hlt;k«kni. H«'im (huis, hoeve, erf), o. âen. H«keniraa«l (lid van een dijkbestuur), m. â raden; â seliap. o. H«keniskinlt;ler«'n (lt;llt;» vllt;kr), o. mv. Heemstelt;l«k (boerenhuis), v. âsteden. H«keniste«i«kns«'l«i (belasting op de hoeven), o. H«'«kn, H«'neii (ergens naar toe), bw. Heenk«milt;'n, o. Een goed â zoeken. Heenr«kis, v. âreizen. Ook: Heenreize. H«M'nrit. in. gmv. De â was voorspoedig. He«k|» (snoeimes, kapmes), v. hepen. lle«»r (meester, gebieder), rn. âen. 11 «'«'r (leger), o. heren. Ook: H«kir. Heera«*litig-. bn., er â uitzien', -lieilt;I. v. H«»er«'b«M'r (Ae'wn landbouwer), m. - boeren. Hlt;'«kr«kniijntijd (uitroep van verbazing), tw. ll«'«'ren«ii«knst. m. âen; â Imis. «». âhuizen, â linizin^-. v. âhuizingen; â kn«'lt;*iit, m. âknechts. |
Heerlijk (van den heer, prachtig), bn.; âe rechten', âlieilt;l, v.; een âheld, een adellijk landgoed. 11 «k«kâ *«»«»â â â (geestelijke), m. âooms. gmz. lle«'r.seliaar (leger), v. âscharen. ll«'lt;kB*.slt;'lia|» (heer), o. âpen; -lgt;U ('j ewind), v. âen. Heerschen, ik heb geheerscht; âw (machthebber), m.; â ing*, v. He«krseliziielit {zucht naar macht), v. gmv. Heer.sclizncliti^:, bn.; â lieiii, v. Heervaart, Heirvaart (krijgstocht, heir-ban), v. âvaarten. Heerweg, Heirwesf»({/roo/e landweg), m. â en. He«kseli (sc/ior), bn.; eenâe stem-, âlieid. v. H«M'ster (houtachtige plant met meerdere stammen), m. â s; âgewas, o. Heet, bn. en bw.; Op âe kolen staan, hoogst ongeduldig zijn; b.v. Ik sta o/) âe kolen om eens nader kennis te maken met de dames. (C. O.); een â gevecht, scherp, hevig gevecht; âe tranen, bittere tranen: op -er-daad betrappen, juist op het oogenblik, dat de daad bedreven wordt: men moet het ijzer smeden, terwijl het â is, men moet van de goede gelegenheid gebruik maken; â lieiti. v. H«'et«*n (heet maken), ik heb geheet. Het water â. Heeten (noemen en genoemd worden), ik heette, heb en ben geheeten. Ik heet Item mijn vriend; hij heet de baron. Heetli«»«»f«l (belhamel), m. en v. âhoofden. H«'«'tli«Mgt;fViig (driftig), bn.; â li«'i«i. v. H«'f. He tie (grondsop), v. gmv. Fig. uitvaagsel, gemeen. Heflgt;o«mi (staaf), m. âen. Bij een â onderscheidt men steun-, last- en macht punt. Boeken en tijd, die machtige âen der geleerdheid. (Koetsveld). De studie der moedertaal is de eerste â der nationaliteit. (Geel). Hellen, ik hief, heb geheven. Den arm â, het been â, oplichten, optillen; belastingen â, opleggen; âfer (tolgaarder), m.; âling, v. De gedwongen âfing. Hefotier (offer der eerstelingen hij de Hebreën), o. -offers. Hei't. o. Ook: Het'lit. Het â van een mes. H«gt;ftig (driftig, krachtig), bn.; â ii«'i«i. v. H«kg, H«gt;gge (tuinhaag), v. heggen. HegeimmU' (staatkundig oppergezag in 't oude Griek.), v. gmv. H«'gira (Mali. vlucht in hegin^der Mah. jaartelling), v. gmv. H«ki. tw. âdaar, wacht even ! Hei (werktuig of blok om palen te heien), v. âen. Aan de â werken, zwaar arbeiden. Hei (heiveld), v. Zie Hei«ie. Hlt;kib«ki (twistzieke vrouw), v. âbeien. H«tibeien (krakeelen. harrewarren), ik heb geheibeid. Fig. overmatige drukte maken. Heibink, o. âblokken. Heid (achtervoegsel), b.v. goedheid, schoonheid, wijsheid, eigenschap als zelfstandigheid; kleinigheid, zoetigheid, vastigheid (schans), niet concrete bet.; Clodh^id, menschheid, het zijn van (lod, mensch; christenheid, nverheid, meerderheid, geestelijkheid, verzameling. H«'i«ie. Hei (vlakte, zandgrond), v. âen. H«'i«icn (afgodendienaar), m. âen. H«'i4i«kn (zigeuner), m. âs. Hei«ilt;kn4i«mi (al de heidenen), o. gmv. H4ki4ink (licht gewapend infanterist in Hongarije), m. âken. Ook: llaidnk. |
HEIEN-HEMMEN.
103
|
1Ilt;*icMi (palen inslaan met het, heiblok), ik heb geheid; âer, m.; -ills', v. Heil (geluk, zegen, zaligheid), o. gmv. iloilaiKi (Zaligmaker), m. gmv. Heilbot (groote platvisch). v. âbotten. Heilig*, bn. en bw. (lad is â; ook eerbiedwaardig, b.v.: het â gastrecht (Staring); het âe land; het âe graf'; bw. Het is â waar; â Iieid, v. Heiligdom (tempel, heilige plaats; ook heilig voorwerp; reliquie), o. âmen. Hlt;kilige (heilig verklaarde), m. en v. â n. Heiligen (heilig maken, toewijden, in eere honden), heb geheiligd; het doel heiligt de middelen', zijn dienst den staat â (Vondel); den Zondag â; â ing, v. Heiligmaking' (heiliging), v. gmv. Heilloos (rampspoedig), bn. en bw. Heilsleger (militante vereeniging tot het aanbrengen van redding en geestelijk heil), o. âlegers. Heilsoldaat (laagste rang in de gelederen van het heilsleger), m. âsoldaten. Heimelijk (stil, ongemerkt), bn. en bw.; â -lieid, v. Heim|gt;je (huiskrekel), o. âs. Heimwee (zielsziekte, ziekelijk verlangen). Heinde (dichtbij), bw. - en eer. [o. gmv. Heining (schutting, omtuining), v. âen; â inkje, o. Heir. Heer (leger), o. heiren en heren. Heirvaart, lieervaart ( krijgstocht), v. âen. Heisa (flink, lustig), tw. Hek (getralied afschutsel), o. âken. Het â is can den dam, er is geen toezicht of opzicht. Hekel (plank met opstaande draadspitsen, vlas kam), rn. â s. lem. over den â halen, scherp beoordeelen, gispen. Hekel (ekel, tegenzin, afkeer), m. gmv. Een â aan iem. hebben; een â aan le studie hebben, er het land aan hebben. Hekelflielit (satire, schimp- of gispdicht), o. âen. Roskam en Harpoen zijn beroemde âen va n Vondel. Hekeldichter (schrijver van hekeldichten), m. â s. Vondel is ook â. Hekelen (het pas uilgetrokken vlas (hennep) bij reepen over den hekel trekken, om de zaadbollen van de stengels te rukken), ik lieb gehekeld. Fig. berispen, gispen, bestraffen, over den hekel halen: âaar, m.; âaarster, v.; â ig (scherp, bits), bn.; -ing. v.; -macliine, v. â s. llekelselirit't (spotschrift, paskwil), o. âen; â taal, v. gmv.; â vers, o.; âznelit, v. gmv. llekkenspringer (u/i/^, losbandige knaap), m. âs. Heks (tooverkol, leelijk oud wijf), v. âen. Fig. sluw, schalksch meisje: die kleine â. Heksen ((oofemO, ik heb gehekst: â erij, v. Hel (verblijfplaats der verdoemden), v. gmv. Hel (schel, fonkelend), bn. en bw.; â heid, v. Helaas, tw. Held, m. âen. Tromp was een â; de â van een 7'oman, tooneelstuk, enz. Heldenarm, m. âen: âboek (verzame-ling van oud-Duitsche heldenzangen), o. â en: -daad, v. âdaden: â dengd. v. âen; â â «lielit (epos), o. âen: -dieliter. m. â s; -dood, m.; âmoed, m.: âsage. v. ân; -zang, m. âen; -zanger, m. -s. Helder (klaar, licht, zuiver), bn. en bw.; â â¢heid, v. koenen, Verkl. Handwdb. d. Nederl. taal. |
Hehlerziend (scherpziend), bn. Em â man. Heldhaftig, bn. en bw. Een âe verdediging; iets â verdedigen; âheid, v. Helen (bergen), ik heb geheeld; âer. m. De heler is zoo goed (schuldig) als de steler. Helft (tweede deel), v. âen. Ilelhond (fabell. Cerberus), m. gmv. llêliand. Heljand (d. i. Heiland), m. De â is de oudste Dnitsche Messiade. Helieon. lt;le (fabell. zetel der Zanggodinnen in Boeotïè), m. gmv. Helios (fiibell. zonnegod, later Apollo),m. gmv. llelilt;»seo4»|» (zonnebeschoi(wer, zonneglas; een met lamproet berookt glaasje), m. â copen. Heliotroop (zonnebloem; ook: werktuig), m. âtropen. Hellebaard (lans of piek met dwarsbijl), v. âen. Hellebaarlt;li4'r (soldaat met een hellebaard), m. âen, â s. Hellebrok (boosdoener), m. en v. âbrokken. Hellen, ik heb geheld; op zijde â, overhangen; â ling' (glooiing), v. Hellenist (kenner 'der oud-Grieksche taal en letteren), m. â n. â â «'Heveeg (boosaardige vrouw), v. âvegen. Heilig (hoos), bn. en bw.; âheid. v. Helm (hoofddeksel), m. âen: â |»je.' o. Met den â geboren zijn, d. i. met de gave der voorspelling. Helm (grassoort in de duinen), v. gmv. Helmdraad. m. âdraden. Zie Meeldraden. Helmet (dicht, voor helm), o. âten. Helmkruid (leeuwenbekje), o. gmv. Heloot (Spartaansche knecht, lijfeigene), m. heloten. Een volk van heloten, een onderdrukt volk; dat ik u zoolang bij den â der handelswereld liet stilstaan. (Potg.) Helpen, ik hielp, heb geholpen. Van den wal in de sloot â, nog ongelukkiger, armer maken: naar de andere wereld â, van kant maken, doen sterven; iem. uit den droom â, iem. licht geven, iem. iets verklaren; zoo waarlijk helpe mij God almachtig! eedsformulier; âer, m.; âster. v. Helpzeel. Hulpzeel, o. â zeelen. Helseh (uit de hel), bn. en bw.; âheid, v. Helvetië (Zwitserland), o.; -tier, m.; â -tiseh. bn. Hem, pers. vnw. Zend â een brief. Hoep â. Hem, tw. Ook: Il'in, Hum, 'Hum! Hemd (kleed ing stuk), o. âon. Hemel (uitspansel), m. âen; (van een bed), m. â s. Hemelen (sterven), het kindje is gehemeld. Hemelen (opknappen); het huis â. gew. Hemeling (enge), m. en v. âen; v.ook âe. Hemelsblamv. bn. Een â lint. Hlt; 'inelsbreed (.lig. zeer groot), bn. Een â â verschil. 11 emelsbreedte (afstand volgens de rechte lijn), v. Hemelseh, bn.; âgezind (vroom), bn. Hemelvaart, v.: â sdag (40 dagen na Pa-schen), m. âen. Hemelval (schoone taal, schoon gezang), m. gmv. Van Vloten noemt de taal van Vondels Engelenreien Hemispheer (halfrond, de helft van den hemel- of aardbol), v. â pheren. Hemmen (een kuchend geluid maken, nl. âhemquot;), ik heb gehemd. Velen â vóór te spreken; Poot hemde andermaal. (Potg.) 13 |
HEN - HERMANDAD.
|
IlVn (kip), v. -nen. Hen, pers. vnw. mv. Ik zie Wie riep â? Illt;gt;iiâ¬lialt;l,ys (stijlfiguur, één door twee), v. â sen. Te vuur en te zwaard verwoesten, (cl. i. met den oorlog); huis en hof verliezen; vuur en vlam spuwen (d. i. vlammend vuur). (deurhengsel), v. âen. (vischroede), m. â s. Hendelen, ik heb gehengeld; âaar. ni. Hen^'lroedc, v. â n; -snoer, o. âen; -stok. m. âken. Hengsel, o. â s. Het â ran een emmer. Hengst (mann. paard), m. âen. Ilenjffsl {f/root en sterk vaartuvj), v. âen. Ilen^steigt;r4»n (hron van Apollo aan den roei van den Helicon), v. i'it de â gedronken hebben, dichter zijn. Hengstlt;kn (hard werken), ik heb gehengst. lleiiKor (beul), m. â s. ]|lt;knne|gt; (plant), m. De â is een eenjarige plant. Hennctaster (bemoeial, bedilal), m. â s. Hens (scheepst. handen), v. mv. /â -.'/â werd geroepen alle â, d. i. matrozen op quot;t dek, er is gevaar, nood. llensbeker. Henzebeker (Hanzebeker, gildebeker), m. âbekers, vero. Her. bw. en vz. Van ouds â, van eeuwen â, sedert oude tijden, sedert eeuwen. Her (voorvoegsel), b.v. in: heropenen, her-zengen, d. i. opnieuw, weer. Heraklict (een oud wijsgeer, die om de daden der mensehen schreide), m. Herakliea, Heraldiek (wapenkunde), v. Heraldiek (wapenkunde), v.; ook: (wapenkundig), bn. Ook: Heraldisch. Heraut (wapenbode, wapenkoning), m. âen. Herbariseeren (kruiden of planten zoeken). Herbarist (kruidenzoeker', plantenkenner), m. âen. Ook: Herborist. Hcrbariiini (kruidkundig handboek; plan-tenboek), o. â s, herbaria. Herberg (logement), v. âen. De waarheid vindt zelden â, d. i. huisvesting; âier, m. Herbergen (huisvesting geven), ik hel) geherbergd; â ing1, v. Herbergzaam (gastvrij, bewoonbaar), bn. en bw.; â beid. v. Herbivore (plan ten et er), m. â s. De olifant is een â. â lerboriseeren (kruiden zoeken, kruiden verzamelen). Herborisl (kruidenzoekeiplantenkenner), m. -en. Herbouw, m. gmv. Hereallt;'s (reus dgt;'r Grieken), m. gmv.; â -arbeid (reuzenwerk), m.; âknots (groote of zware knots), m.; âkever (de grootste kever in Z. Am.), m. Ilerenliseli (forseh gespierd, sterk), bn. Hereyniseh (het â woud), hu. Het â woud is in de Romeinsehe tijden het boschrijk gebergte van Midden-Du ilseh land. Herlt;ia^en (wederom dag worden), het is -daagd. HeiMlenken (in de gedachte brengen), ik â dacht, heb âdacht; ook: de herinnering vieren: hij herdenkt halen zijn 25-jarige ambtsbediening; â inft-, v. Hlt;'rdenkcn (herdenking), o. Hef zalig â. Herder (hoeder van schapen of ander vee), m. â s. Fig. geestelijke, priester; âin (vee-hoedstei'), v.; â innetje, o. -s. |
Herdersdiebt (dicht over het landleven), o. â en. Een lyrisch â heet idylle. Herdersfluit, v. âen; -tioiid, m. âen; -knaap (jonge herdei'), m. âknapen; â -leven, o. gmv.; âlied, o. âliederen; â -pijp (fluit, schalmei), v. âen; â spel(Zmi-i Ie lijk tooneelstuk), o. âen; -stal* (stok, lig. bisschopsstaf), m.; â taseli, v. â tasschen; â volk (nomadenvolk, b.v. de oude Israëlieten), o. âen; â zan^: (idylle), m. âen. Herdoop (wederdoop), m. gmv. w. g. Herdruk (nieuwe druk), m. âdrukken. Hereditair (erfelijk), bn. Een âe kwaal. Hlt;'relt;liteit (erfrecht, erfelijkheid), v. gmv. Hereenen (weder vereenigen), ik hebâeend. Fig. verzoenen, vrede stichten. Hereeniffen (hereenen), ik heb âeenigd: â ing- (verzoening; mil. herzameling van troepen), v. âen. Heremiet (kluizenaar), m. âen. Zie: Kre-Heremita^e (kluis, woning), v. â s. | mirt. Heresie (ketterij), v. â ën. Ook: lheresie. Herfst (najaar), m. âen. De â is het derde jaargetijde. Herfstaehtijur, bn. Een âe dag, een â landschap. Herfst bloem (biggenkruid), v. âen; âboter, v. gmv. -dag1, m. âen; âdraad (zwevend of hangend spinrag), m. âdraden; âInelit (gure natte lucht), v. gmv. â -maand (September), v. âen; â naebl. m. âen; -evening: (20â21 Sept.), v. âen; -seizoen, o. -en; âtijd, in. gmv.; âtijloos (lelieachtige plant), v. âloozen; âweder, o. gmv.; âzon, v. gmv. Herhaald (bij herhaling), bn.; âelijk, bw. Herlialen (overdoen, opnieuw bestudeeren), ik heb â haald; âer, m.; -ing-, vf Herlialingsgetal {woorden op-maal,-reis, -keer), o. -len. Driemaal is een â. Herijk, m. De â van maten en gewichten. Herijken (opnieuw ijken), ik heb âijkt; â ing-, v. Herinneren (weder te binnen brengen), ik heb â innerd; â ing-, v.: â lug's vermogen, u. Heritag:e (erfgoed), v. â s. Herkan wen (opnieuw kauwen), ik heb --kauwd. Runderen, geiten, schapen, herten â, het zijn âde dieren. Fig. Hoeveel malen hebt ge dat nu al met âd:' d. i. tot vervelens toe herhaald. Herkennen (terugkennen), ik heb â kend; â ingr,v.; - ingsteeken,o.: â ingswoord.o. Herkiesbaar (opnieuw kiesbaar), bn.; de aftredende leden zijn â; â lieid, v. Herkiezen (opnieuw of andermaal kiezen), ik âkoos, heb âkozen; âing-. v. Herkomen (zich herstellen), ik -kwam, ben âkomen. Herkomen (afkomstig zijn), ik kwam â, hen âgekomen; âkomst (afkomst), v.; --komst ig, bn. Herkoop (weder-in koop), in. gmv. Herleiden (rek. in anderen vorm uitdrukken), ik heb âleid; breuken â, maten, munten, gewichten â; âing, v. âen. Herleven (lig. opnieuw moed scheppen, herademen), ik ben â leefd; -ing, v. Herlezen (opnieuw lezen), ik âlas, heb --lezen; âing', v. Hermandad (broederschap der gemeenten in Spanje, tegen rooverij), v. gmv. De heilige â , thans de rijdende politiewacht. |
|
Iflt;'riiiai»lirolt;liet (twceslachtin wezen), ni. en v. âen. lIcrmaplirtMlitiNcli {tweeslachtig, b.v. van planten), bn. llemiplijn (wezel met witte vacht), m. âen. De â leeft vooral in Siberië. ll^rnwlijii (bonV; o. gmv. Een mantel van koningsmantel; â dragen, vorst zijn. llernielijiK'ii {van hennrlijn), bn. Een â mantel, koningsmantel. {god v. d. handel; Mercnrius), m. â fornicn-, lllt;triiilt;kKKiiil {zuil, gekroond met een Hermes kop), v. -en. ]Ilt;kriiietiKcli (.luchtdicht), bn. en bw. Een -sluiting; â sluiten. llcrmifa^e (de cel of kluis van een kluizenaar), v. â s. Zie: Ilt'romitajjv-llâ¬kriiiita$;lt;k (zeer fijne Fransche wijnsoort), v. gmv. Men heeft roode en witte â. Iff ni lm ff lt;'i* {Morav. broed .1' te Zeist), m. â s. Ileriii4kiiu-«kii. ik heb â nieuwci. Een belofte â; â m.; â ing, v. Ifforoën (helden bij Homeras). Zie Heros. Ifferoïfl^N (helden- en heldinnenbrieven, eigenaardig soort van dicht bij Ovidius), v. mv. Iloroïek (heldhaftig, dapper), bn. Een man, een âe daad. Ook: IffcroïKeli. Ifforoïsme (heldhaftigheid, die zich uit in edele, verheven daden), o. gmv. lleroiuK'li {hero'iek)lt; bn. Al wat betrekking heeft op het heldentijdperk van een volk. Iloronsf'oiif «'in (berustende op de drukking van samengeperste lucht), v. âfonteinen. Heros (held, halfgod), m. heroën. Herrie (luidruchtige drukte), v. gmv. Herroepen (opnieuw roepen, intrekken), ik â riep, heb âroepen; âer, m.; â insquot;, v. Ifferseliapen (vd. van herscheppen), bn. Hersehlt;'|gt;eii (opnieuw inschepen), ik heb â scheept; â iiif?, v. Herseiieppeii (van gedaante doen veranderen), ik âschiep, heb âschapen; âer, n -ins, v. Deze hei is in welig bouwland herschapen, veranderd. Hersenen, Hersens (brijachtigegrijs-witte massa, de hersenpan vullende), v. inv. Ook: Harsenen. Harsens. Hersenseliiin (droombeeld), v. âschimmen. Hersenseliiinnii^' (ingebeeld), bn. Een â gevaar. - - llersenziekf e (ongesteldheid der hersenen), v. â n. Verweeking is een â. Herstel (genezing), o. gmv. Hij zoekt overal â van zijn kwaal. Herstellen (vernieuwen, beteren), ik heb en ben â steld; âIer, m.; â linp, v. llerstelliiifs'sfpeken (muz. teeken, dat te kennen geeft, dat de kracht van een mot of kruis opgeheven is), o. â s. Iffersteniining: (tweede stemming), v. âen. Hert (herkauwend zoogdier), o. âen. De familie der âen bevat den eland, het rtmlier, het damhert, het edelhert, enz. De âen dragen een gewei. De kleur der âen is ros of kastanjebruin. Hert (het vliegend â), d. i. do grootste Eu-ropeesche kever; het mannetje wordt wel 8 cM. lang. Hertenjaelit, v. âen; âkamp, m. âen. Hertevleeseli, Herfenvleeseli, o. gmv. Hertog* (legeraanvoerder; hoogadellijke titel), m. âen. Hertshooi {St. Janskruid, âbluan), o. gmv. |
Sommige soorten van â worden als sier-p la n ten aangekweekt. Hertshoorn, Hertslioren (als voorwerp), m. âen en â s; (voor de stof), o. (ielei van geraspt â; olie, zout, geest van â. Hertzwijn (soort van varken op Celebes), o. âen. De Maleische jagers vinden het â een zeer begeerde indt. Ook: Henezivijn. HervoniKl (veranderd, verbeterd), i)n. Ons â onderwijs. Hervormile (geref-wmeerde), m. ?n v. â n. Iffervonmlo kerk (g ere formeer dt kerk), v. â kerken. fffferv4»rnilt;gt;n (anders vormen, verbeteren), ik heb â vormd; âer, m. Iffervorniins' (kerkhervorming), v. gmv. De â begon in Duitschland. fffferwaarts (naar hier, naar deze zijde), h\\. Hij komt â. Herzien (verbeteren, wijzigen), ik -zag, heb âzien; een wet â, een boek â; âer, m.; âing:, v. Hes (blauwe boerenkiel), v. -sen. ffffesiteeren {aarzelen, wankelen). Hesp (heupgewricht', ook: hieltje van een ham), v. âen. Hesperilt;ien (dochters van den nacht, wonende aan den westelijken rand der aarde, waar haar tuinen lagen), v. mv. Hesperie (avo}idland, Spanje, Italië), v. ffffesperns (de avondster, Venus), m. Hes.yeliisfen (drieksche monniken), m. mv. â, die zoo lang op hun maag staarden---- (C. O.). Ook: Hesgchasten. Het, pers. vnw. Een fraai boek, wat kost Hoep â (nl. het kind) en geef â een appel. Ook lidw. â huis, â paard: ook onbep. vnw. â stormt; â is koud; â is al elf uur. Iffefaeren (gezellinnen, vriendinnen, drieksche dansmeisjes), v. mv. Iffef«kro«lox (onrechtzinnig, van de li. I\. kerkelijke leer afwijkende), l»n. Een âdo.ee leer, kettersch. Iffeterodoxie ( inrerhtzinnigheid), v. gmv. Heterog:elt;'n (ongelijksoortig), bn. Heterogene bestanddeelen, uiteenloopende bestand-deelen. Hlt;'tckrog'enif eit (ongelijksoortigheid),\-.gmy. ffffetgeen. *tg«»en. hetgene (datgene, wat), betr. vnw. ff ff lt;'f man (bevelhebber, aanvoerder, hoofdman eener afdeel ing Kozakken), m. â nen. ffffefwelk (dat), betr. vnw. Hetzeltiilc1. aanw. ^nw. Het was â kind; het is mij ffffefzlt;'lvcs aanw. vnw. Gij moet â (b.v. eenig boek) niet lezen. ffffetzij. vgw. van toegeving: â gij eet, â gij drinkt, doe alles met male. fffflt;gt;iilt;le. ffffen (een platboilemd koopvaardijschip), v. henden en henen. ffffeng' (smaak, zin), v. alleen gebruikelijk in: Tegen â en meug, d. i. met tegenzin. Hengen (herinneren, er aan gedenken), het heeft geheugd. Mij heugt, het heugt mij; het zal u â, het zal u berouwen; âis, v. ffffenglijk. bn. en hw. Een â feest, genoog-lijk, verblijdend, gedenkwaardig. Heul (slaapbol), m. j^rnv. Henl (hulp, bijstand), o. Hij vond nergens â. ffffenl (houten bruggetje), v. âen. IffcMilen (samenspannen), ik heb geheuld. Met den vijand â. |
13*
HEULSAP-HOEF.
106
|
Heulsap (opium, slaapdrank), o. gmv. Heup {deel van 't menschelijk lichaam), v. â en. De rechterâ, de linkerâ, een -ontwrichting. lloureka (i/r heb het gevonden', de bekende uitroep van Archimedes, toen hij onder het baden de naar hem genoemde wet ontdekte, nl. dat een lichaam, in een vloeistof gedompeld, zooveel aan gewicht verliest, als het gewicht van dc verplaatste vloeistof bedraagt). llouriNtiek (leer of wetenschap om langs logischen weg iets nieuws te vinden), x. grnv. llonriKtiM'li, bn. Dc âe methode, de zelf-vindende. (beleefd, vriendelijk), bn. en bw. Een blos besteeg haar wangen, ecu lach haar â en mond (Bild.): âBah T klonk het uit den âen mand van Hobertus', een âe terechtwijzing (Potg.); â v. Hfiivlt;'l {hoogte), m. â s of âen. IIeiivlt;'lkliii$f (heuvelhelling), v. âen. IIlt;'%«'! (gebogen glazen buis mn vochten over te schenken), m. â s. Met een hevel kan men dc vloeistoffen wel naar een lager vat overtappen, Hevelbarometer (welke bestaat uit een omgebogen glazen buis met twee ongelijke armen), m. â s. (geweldig, fel), bn. en bw.; â v. Ilexaiiictor (dicht, vers can zes voeten, bestaande uit dactylen en sjiondeën, met de caesuur na den derden voet), m. â s, b.v.: Muze, be!zing mij den I tocht || van het | vier tul | mannen uit ' Neerland. Hiaat (stooting van klinkers), m. hiaten. Ook: Hiatus. Hiaat (gaping), o. Zijn haar, waarin op de kruin een aanzienlijk â begon Ie komen. (C. O.); het mutsje, dat hij, uit aanmerking can het â, in zijn lokken droeg. (C. O). Hibcrnia {Ierland, Erin, Itet groene eiland), o. grnv. HibridiKcli (van twee soorten komende, bastaardachtig), bn. Hidalgo (Spaansch edelman van lage ren rang), m. â's. Hifi «mix (afzichtelijk, leelijk), bn. Hiel (achterdeel van den voet), m. âen. Hifit je, o. â s. In een paar schoone kousen van Pieter âs maken, d. i. ze omtrekken. Hier (op deze plek, alhier), bw. Hiërarcli (aartspriester in de Griekse he kerk), m. âen. Hiëraroliie (rangvolging in het priesterambt), v. gmv. Hiërarclifcfii (volgens rangorde), bn. Hiëro$;l.ypiilt;s Hiërlt;»^1 ivf {heeldsclirift bij de oude Ãguptenaren), v. â glyphen, â glieten: bij uitbr. beeldraadsel: De âen van verscheiden Fransche ulevelpapiertjes. (C. O.) Hieroglyphisfii (zinnebeeldig, raadselachtig), bn. en bw. Hij, pers. vnw. Daar is â, uw broeder! Hijgren . (moeielijk ademhalen, hoorbaar ademen), ik hijgde, heb gehijgd. Hijlik (huwelijk), o. âen. vero. Ik bid voor jou om een gelukkig â. (Potg.) ilijliken (trouwen), ik heb en ben gehijlikt. vero. Hijlikmaker (soort van koek, die op bruiloften werd rondgediend), m. gmv. Hijselien (ophalen), ik heescli, heb geheschen. Hik (krampachtige snik), m. Den â hebben. |
Hikken {een hikkend geluid maken), ik heb gehikt; âer, m. Hilariteit (algemeen gelach), v. gmv. HildebraiKlslied (/ rag ment eener oud-Duitsche heldensage), o. gmv. 11 inde (wijfjeshert), v. â n. iliiHier (letsel, overlast, schade), m. gmv. Hinderen (overlast aandoen), ik heb gehinderd; â in^*, v. llinderlaaK*. v. âlagen. Zich in â leggen, ineen â vallen, valstrik, verraderlijke overval. liinderniK (stoornis, belemmering), v. âsen. Een wedloop met âsen. Hinderpaal (beletsel), m. âpalen. Hindoe (inboorling van Voor-In die), m. â's. Hinken (mank gaan, springen op eén been), ik heb gehinkt. Op twee gedachten besluiteloos zijn; het âde paard komt achteraan, de zwarigheden komen het laatst. Hinniken (brieschen), het paard heeft gehinnikt. Hipoeras (kruiderwijn), m. gmv. Hippelen {huppelen), ik heb gehippeld. Hippen (springen, huppelen), ik hel) gehipt. Hippiseli (tot de paarden behoorende, of in betrekking staande), bn. âespelen, âe feesten. Hippoerates (beroemde geneesheer der oudheid. Griekenland), m. Hippoereen, Hippoerene (fabell. paar-debron, dichterlijke bron aan de helling van den Helicon in Boeotië), v. gmv. Ook: Hengst ebron. Hippodroom (circus,renbaano. âdromen. ilippopotanioN {rivierpaard), m. âsen. Hist orient (geschiedkcnner), in. âci. Historie (geschiedenis), v. â s of â riën. Historieel (geschiedkundig), bn. âe portretten, de stot is ontleend aan de gesch. Historiseli (behoorende tot de geschiedenis), bn. Een âe atlas, een â woordenboek', een â genootschap. Hit (klein paard), m. âten. Hitsen (aanvuren, opruien), ik heb gehitst. Hitsig (vurig, driftig), bn. Hitte, Hette (groote warmte), v. gmv. Ho, tw. Ho! wat een leven. Hobbel (bobbel, oneffenheid), m. â s. Hobbelbek (stamelaar), m. en v. â ken. gmz. Hobbelen (wiegelen), ik heb gehobbeld. Op de knie â; in een bootje â; op de golven â. Hobbelig' (one If en), bn.; een âe weg; â -beid. v. Hobbelpaard, o. âpaarden. Hobo (houten blaasinstrument), v. â's. Hoboïst (hoboblazer, -speler), m. âen. Hoeiis-pâ¬Â»eiis (goochelarij, too ver formule), o. Ilodie inilii eras tibi (heden, ik, morgen gij). Opschrift van een kerkhof, grafzerk, enz. Hodometer (wegmeter, schredenteller), m. â meters. Hoe. bw. â gaat het:' â warm het was! enz. Hoed (hoofddeksel), m. âen. Hoed (maat, ± 10 H.L.), o. âen. Hoedanig: (op welke wijze, zoodanig als), vr. en betr. vnw. Hoedanigheid (eigenschap), v. âheden. Hoede (bescherming), v. Onder de â van God. Hoeden (het toezicht houden over, bewaken), ik heb gehoed; âer, m. Hoef' (paardenhoef), m. hoeven. Hoel', Hoeve (hofstede), v. hoeven. |
H OEFBLAD-HOMPELIG.
197
|
Hoefblad {samengesteldbloemiye plant), o. Het kleine â; het groote â. HoefVila^ (woninu, verblijfplaats), ni. âen. lIop^oiiasim«l. bw. Daar is - geen (mie. llof'g:roofJilt;kicl (maat, omvang), v. âlieden. Ilook (deel van het platte rlali), m. âen. llo(kk(kr (transport-vaartnig), rn. âs. Ilocki;;- (vele hoeken hebbende), bn. Een âe flguur; een â paard, mager; hij is erg â, terugstootend. Iloeksclio (een partijnaaïn), m. â n. ânen Kabeljauwse!ten (Vad. Gesch.). Iloekstoon (basis, sluitsteen), in. âen. De â van een gebouw, de â des geloofs. lloolaiiK (lof), bw. Il4»lt;'ii (hoenderachtige vogel),o. âderen, âders; -tje, o. â tjes of â dertjes. De patrijs heet ook veldâ ; de gewone âders zijn in tal run soorten over de heele aarde verspreid. Iloop (hoepel, bund, ring), m. âon. Hoepel (band oni vaatwerk), rn. â s. Hoepel*'!! (niet den hoepel spelen), ik lieb gehoepeld. lliM'ra (uitroep v. vreugde), t\v. Iloori (schitterend blanke jo)tkvronw uit Mu-hommeds paradijs), v. â's. Zie: llonri. lloi'M (overtrek), v. hoezen. Hoest in. Een droge â, een kuch â . Hoostlt;'ii. ik heb gehoest; â er. in. Hooteleii (knoeien, broddelen), ik heb ge-hoeteld; âaar. in.; âwork, o. Hoeve (hofstede), v. â n. Hoeveel (welk uuntul?), telw. Il4»eveelheid (massa, inenigtr\ v. âheden. H4»eveii (behoeven), ik bebgehoefd. Gij hoef! niet te komen. H4Mgt;v4'iiaar (pachter), m. â s, ânaren. H4»4kwel (ofschoon), vgw. II4gt;4'Z4'4' (uitroep van vreugde), tw. Hot' (een tuin), m. hoven. Hof (vorstenhuis; vorstelijk gezin; vorslen-gevolg; hooge recht bunk; yechtsgebonm), o. hoven. Zijn â maken aan iemand, hulde ot' verliefdheid bewijzen aan iem. Open â, vrije tafel; aan het â van Jan Vlegel, als bij de laagste standen. H4»lleli|k (beleefd), bn. en bw.; â v. H4»friiiaiiiislt;lnippels (zenuwstillend middel), m. mv. Hof'lioorifye (lijfeigene verbonden uan hel landgoed), m. en v. â n. H4»lje (kleine tuin, ook: vereeniging van woningen voor oude of behoeftige lieden), o. botjes. H4»f*iii4kest4kr (persoon, belast mei de tafel, ook paleisopzichter), m. â s. Il4»f'iiar (persoon, die aan hrt hof voor nar speelde), ni. ânarren. Il4»rste4le (boerenhuis), v. âsteden. Il4»$;$;lt;'ii (scheepst. het schip afschrobben), ik heb gehogd. Il4»k (bergplaats, sluupplaats), o. âken. Il4»kkeliii^ (éénjarig kalf), in. en v. âen. Il4»kkeii (verblijven, wonen), ik heb gehokt; â ker, m. Ii4»kkeri$;- (vol hokken), bn.; â lield. v. Ii4»kvast. bn. Die oude man is erg gaat zelden uit. Hol (het hollen), m. Op den â raken, slaan. Hol, bn. en bw.; â lieid. âlijïlieid (/*»gt;//*'),v. H4da. Il4»lla (houd op!), tw. H4»lbeitel (steekbeitel, gals), m. âbeitels. Il4»ll»4»lli^' (aardig, koddig),hn. Ook: Oubollig. |
H4gt;lderdelgt;ollt;ier (het onderst boven), bw. Holla. H4»la. tw. Ilollaiid4'r (maal- of roerbak hij de papierbereiding), m. â s. H4»llaii4l4'r (Nederlander; iem. uit Holland), m. âs. De vliegende â, spookschip op do \V. kust van Afrika. Il4»llaii4lseli, bn. De âe taal, een - e vrouw, âe kaas. H4»llaii4ls4*li (de Ned. taal), o. gmv. lent, in goed â iets zeggen, in ronde taal. H4»IIlt;gt;ii (rennen, van paarden), ik heb en ben gehold. H4»l4»j^rapliis4*li (door den testateur eigenhandig geschreven), bn. Een â testament. ll4»KI»lok ( klomp), o. - blokken. Pas op, Pietje, of je â gaat de bakkerij in. (C. O.) Il4»lster (koker aan 't zadel voor 't pistool), rn. â s. H4gt;lt4' (ludligheid. denk), v. â n. H4»iii. v. -men. Met â en kuit, d. i. met huid en haar. H4»niigt;aars (mannetjesbuars), »n. âbaarzen. H4gt;iiilgt;r4' (kaartspel), o. H4»ni4k rule (eigen inrichting van bestuur). Ierland vraagt al lang vergeefs â. Lees: cme-roel. H4mieriil4'r (voorstander van home rule), m. â s. H4»iii4kriseli. bn. Een â gelach, voortdurend, schaterend. Honiil4'tiea. H4»iiiileti4'k (leer der kanselwelsprekendheid), v. gmv. H4miilie (leerrede, kerkelijke tekstverklaring), v. â liën, â lie«. Il4»iiim4k «rafrair4's (zaakwaarnemer, zaakgelastigde), m. hommes d'affaires. H4»iiiiiie de lettws (geletterde), m. hommoB de lettres. H4gt;miiiel (dar, insect), v. -s. Ook: wilde bij, als de aardâ, de steenâ. H4miiiieleii (gonzen, mompelen), ik heb ge-hommeld; â v. il4»iiiiii4'l4's. bw. 'Userâ, er wordt getwist. H4gt;miii4'r (mannetjesuisch), m. â s. Il4»iii4e4»paatli {aanhanger der homoeopa-thie), m. âen. H4»iii4e4gt;pafliie (geneeswijze, waarhij zoodanige middelen worden gebezigd, die bij een gezond mensch juist den ziektetoestand zouden teweegbrengen, welken men wil verwijderen), v. gmv. H4»iii4e4»patliiiseli (van, voor, over de ho-nneopathie), bn. en bw. H4»iiM»b-e4gt;ii (van hetzelfde geslacht, van dezelfde soort; gelijksoortig), bn. âgene. H4gt;iii4»^-eiiiteit (gelijksoortigheid), v. gmv. H4»m4»l4gt;g-atie (goedkeuring', gerechtelijke bekrachtiging van een akkoord, b.v. in een failliet), v. âties, â tiën. H4»m4gt;l4gt;£-4'4gt;r4gt;ii (goedkeuren, van kracht maken). H4»iii4gt;l4Hgt;s;- (overeenstemmend, gelijkluidend), bn. H4»ni4»iiieiii (gelijkluidend in klank, gelijknamig, doch verschillend in beteeken is, als: wand en want, dog en doch, enz.), bn. H4gt;moiiiem4'ii (woorden, die homoniem zijn), o. mv. Homp (brok), v. âen. Een â brood. H4»iiipel4'ii (strompeleft, kreupel loopen), ik heb en ben gehompeld; -aar. m. H4»iii|gt;eliKgt; (hinkend, kreupel), bn. |
HOMPELVOET-HONTEUX.
198
|
ITonipc'lvoot (kreupelvoet)., m. en v. âen. IfoiiiviNcli (manni'tjesvisch), m. â viss^hen. Hond, m. âen. Zij leven samen als kat en â, zij twisten altijd; zoo ziek als een â, erg ziek; hei,end als de bonte â, bij een ieder bekend; men moet geen slapende â en wakker maken, men moet geen argwaan wekken; hlall'ende âen hijten niet, van schreeuwers heeft men niets te duchten; komt men over den â, dan kmnt men over den staart, als de grootste moeielijkheid maar overwonnen is, volgt de rest vanzelf; men moet in 't fi-nancieele niet al te krenterig zijn; als men een â wil slaan, vindt men licht een stok, een voorwendsel is gauw gevonden, als men iemand treilen wil. lloii(llt;'lmanfjo {(joneen, slecht postje), o. â s. Onze tweede stuurman had een â. IffoiKlcblooni {paardebloem), v. âen. Ook: Hondsbloem. HoiKlfiiNlaKvr (kerkeknecht, ordehouder), m. -slagers. Honderd, telw.; als zn. o. âen. In 7 â, overhoop, in 't wild. Honderd da^en {van de vlucht van Elba tot den slafi bij Waterloo), m. mv. HoiKlonldof'li^'. bn. De âe thermometer; een âe breuk. Hond('rdprllt;ki. bn. â dingen, zeer vele. Hondlt;gt;rd|»ondlt;'r {kogel of kanon), m. âs. Honderdste, bn. Het â deel; de â dag; (als zelfst. nw. o.): een â van een mud. Honderdtal, o. âtillen. Ken â appelen. Honderdvoud, o. âen. Het â van een cent; â iji'. bn. en bw., een â ige oogst; iets â ig vergelden. Honderdwerf' {honderdmaal), bw. Iets â herhalen. Honden aelil (scheepst. wacht in den nacht), v. âen. De âen vallen van middernacht tot vier uur. Hondsaai» (Ind. baviaan op Celebes), m. â -apen. De zwarte â. Honilseli {onbeschoft, ruw), bn. en bw.; â -heid. v. Hondsdagen {i9 JuliâIS Aug.), m. mv. Hondsdollieid {watervrees, hgdrophobie), v. gmv. De â komt voor bij honden, ook bij tvolven, vossen en katten. Hondsdraf' {aardveil, kruip-door-den-tuin), v. gmv. De â is een lipbloemige plant. Hondsg-rot {grot met gift ige dampen bij Na-vela), v. gmv. Hondsnetel {lipbloemige plant), v. â s. In ons land groeit de gele â. Hondspeterselie {vergiftige schermbloem), v. gmv. Hondsroos {wilde roos), v. ârozen; -rozelaar, m. â s, âlaren. llondsrii;? {heuvelrug in Groningen en Drente), m. gmv. Hondsster. Hondster {Sirius), v. gmv. Hondstand {grasachtige plant), m. In ons land groeit de gevingerde â. HondstoiiK' {tweejarige plant), v. De â tiert in de duinen en op zandgrond. Hondsvleerniiiis {groote vleermuis in Centraal-Amerika), v. âmuizen. Hondsvliefs: {galwesp), v. âvliegen. Hondsvot {achterste van den hond; (ig. nietswaardige), v. â votten. |
Hong'aar (bewoner van Hongarije), m. â -garen; â gaarscli, bn. De â gaarsche kleederdracht, de âgaarsche taal; als zn. o. Honger {behoefte aan spijs), m. â is een scherp zwaard, d. i. hevige kwelling; â maakt rauwe boonen zoet, d. i. doet den eenvoudig-sten kost lekkker smaken; â is de beste saus, geeft smaak aan de spijzen. Honffferdood {den dood door gemis van voedsel), m. gmv. Den â sterven. Hongeren {broodsgebrek lijden), ik heb gehongerd. Ook: mij hongert. Hong'eriK* {beg eer ig naar spijs), bn. Een â e maag. Hongsperkiinr {geneeswijze, onthouding van voedsel), v. gmv. Hongerlijder {bedelaar; fig. vraat, schrok), m. â s; â lljdster, v. â s. Honjfersnoocl {nijpend gebrek aan voedsel), m. gmv. Er heerschte â in het land van Eggpte. Honi {hoon, trots), m. Honi {honni) soit, qui mal y pense, schande over ieder, die er kwaad van denkt, d. i. Wie erg denkt, vaart erg in 7 hart, kernspreuk van het Engelsche wapen en devies van de door koning Eduard III in â¢1350 gestichte orde van den Kouseband. lIoiiK-kon^ {riksa, rijtuig voor één persoon, door een Chinees getrokken), m. âs. Honig?, Honing:, m. lem. â om den mond smeren, d. i. vleien, pluimstrijken. Honig'bakje (h'migafscheidend deel in tie bloemen), o. âbakjes. Honigbeer {kleine beer, die zich met honig voedt), m. âberen. Honigbij {vliesvleugelig insect), v. âbijen. Honigdas {honigvreter, dus die de bijennesten plundert), m. âdassen. De â leeft in M. Afrika. Honiffdanw. Honin^danu {zeker kleverig en zoet sap der bladluizen), m. gmv. Honig'g'ras {grasachtige welriekende plant), o. gmv. In ons land groeit het geurig â. Honiiflieide {dopheide of fijne heide), v. gmv. Hollis-klaver {vlinderbloemige plant), v. gmv. De geneeskrachtige â; de witte â : de gemeene â ; de welriekende â. Honiji-koekoek {vogel in Afrika en O. /.), m. âen. Honigraat, Honing-raat. v. âraten. Honiffvosel {suikervogel in Amerika), m. â vogels. Honi^'Keein, Hoiiin^-xeeiiii {het beste deel van den honing), o. gmv. Honifsrzot't {vleiend, 'quot;7 )i bn. Dat warenâe woordjes. Honk (paal, eindpaal van een renbaan), o. Van â gaan, bij â blijven, d. i. van huis gaan, bij huis blijven Honnet {beleefd, fatsoenlijk), bn. en bw. Een zeer â mensch; hij heeft u â behandeld. Honnenr {eerbewijs; eer), v. â s. Honnenrs {eerbewijzen, plicnten bij het onthaal), v. De â waarnemen. Honni. Zie Honi. A Honorabel {eervol), bn. en bw. Een â gedrag. Honorair, bn âlid, eerelid; een â ambt. Honorariiini {geldelijke vereering, vergoeding in geld), o. â ria. Welk â kreeg hij voor dat boek'? Ken â voor een eersteling! (Potg.) Honoreert'n {eerbewijzen; betalen). Ken wissel â , d. i. als geldig erkennen, accepteeren. Honoris eansa {eershal ve, als eer eb lijk), bw. Iffontenx {beschwnnd, vertegen; schandelijk, beschamend), bn. en bw. |
HONVED-HOOGWAARDIGE.
190
|
If on vod (Hongarije : vader landsverdediger; volksmilitie, in 1848â'40), m. âs. Ilony. Zie lloni. Hoofd, o. âen. Het â van den slaat, van het leger, van een school, van een zaak, van een familie, enz.; zijn â loonen, koppig zijn; het â lateii hangen, moedeloos zijn; niet wel hij 7 â zijn, min of meer krankzinnig zijn; het â loopt mij om, de zorg kwelt mij; zoo veel âen, zooveel zinnen, zooveel menschen, | ovenveel meeningpn; het â in den schoot \ leggen, zich overgeven, onderwerpen; zijn â \ met iets breken, peinzen over iets; iem. iets i naar het â werpen, verwijten; iem. boven j het â groeien, grooter, ook rijker worden i dan hij. Iloofdtlook (Ind. soort ran tulband), m. j â en. Een bediende met donkerrooden â. (J t. Br.) Ilootdolijk (/gt;er hoofd), bn. en bw. â on- | der wijs; â stemmen. Hoofdig- (koppig), bn.; de âeboer; â lieifl, v. Hoofdliaar. o. âharen; â van Berenice, , een groep kleine sterren. Hoofdiiie-onifur, m. âingenieurs. Hoofdletter {kapitale beginletter), v. âletters. Alle eigennamen schrijft men met een â. Hoofdstuk {afdeeling van een werk), o. â stukken. De drie âstukken, i.wistvragen in de (»e eeuw tusschen de O. en W. kerk. Hoofdtoon (krachtige klemtoon of nadruk), m. âtonen. Muz. grondtoon. Hoofdwaelif (voornaamste wacht, ook gebouw), v. âwachten. Hoofdzaak (voornaamste zaak of punt), v. â zaken. Dit is de â, al het andere is bijzaak; â zake â Mk ( voornamelijk), bn. en bw.: -xakelijklieid, v. gmv. Hoofdzee (oceaan, wereldzee), v. âzeeën. Er zijn vijf oceanen of âzeeën. Hoofdzetel (voornaamste punt of plaats), m. â s. Tilburg is de â der wolindustrie. Hoofdzin (zin, die geen deel is van een anderen). m. âzinnen. Hoofdzonde (R. K. zware zonde, erg vergrijp), v. â n. Men onderscheidt zeven â n. 'Hoofseli (gemaakt, vriendelijk), bn. on bw. âe manieren; iem. â groeten; â lieid, v. Hoo;;'. bn. en bw. Van âc geboorte; van âen stand; een âe stem; âe prijzen; een âe dunk; âe woorden met iem. hebben, d. i. twist; het is â tijd, meer dan tijd; â aangeschreven staan; niet â vliegen, niet erg ontwikkeld zijn; niet â timmeren, d. i. niet veel verstand hebben; iets â opnemen, d. i. zeer ernstig opvatten; â met iem. loonen, d. i. zeer ingenomen zijn met hem; â lieid, v. Hoogaanzienlijk (van zeer hoogen rang), bn. Een âe vergadering. Hoogaars (klein visschersvaartuig met hoogen boeg), v. âaarzen. Hoogaelitbaar (zeer achtbaar), bn.; -â lieid, v. Hoogaelifen (zeer achten), ik heb â geacht; â aehting, v. Hoogaltaar (het voornaamste altaar), o. â -altaren. Hoogbejaard, bn. Een âe keukenmeid. Hoogblanw (donkerblauw), bn. Een âe japon. Hoogblond (roodachtig van kleur), bn. Zuster Hill, van kuif wat â. (Staring.) |
HoogbootMinan (zeew. tweede stuurman), m. âlieden, vero. Hoogbniin (donkerbruin), bn. Een âe vlecht haar. Hoogdravend (gezwollen), bn. O/» âen toon, in âen stijl; âlieid, v. 11 oogdiiif scli. lm. Een âe spraakkunst; als zn. voor Hoogduitsche taal, o. Het â. Hoogedel (in hooge mate edel, deel van een titel), bn. âgeboren heer, een adellijk heer. Hoogeerwaard (titel van een deken of v. e. lid der synode), bn. Aan den âen heer Z. Hoogelied (zeer verheven minnelied), o. gmv. Het â van Salomo. Ook: Hooglied. Hoo gen (hooger maken), ik heb gehoogd: â ing, v.; â «el. o. IffoogeprieKfer (eerste priester), m. â squot;. Hoogereind (eereplaats), o. âen. De graaf zat aan het â der tafel. Hoogerliand (eereplaats, rechterzij), v. Het is van â bevolen, van de regeering. lloogei'iiiiiK (huis der Edelen of Heeren in Engeland), o. Hoogeaeliool (universiteit), v. âscholen. Hooggeaelit (in hooge mate geacht, titel), bn.; âgeboren (titel van graven en (gravinnen), bn.; âgeleerd (titel van een hoogleeraar), bn. Hooggeel (donkergeel), bn. Het meisje droeg een â sjaaltje; âgroen (donkergroen), bn. De âgroene bladeren der pijnen. Hooghartig (fier, trotsch), bn.; â lioid, v. Hoogiioeniraad (lid van een voornaam polderbestuur), m. âheemraden. IIooglieeinraadKeliap. o. âpen. Hoogiioicl (titel van vorsten, prinsen),\. gmv. Zijne â, de Prins van Oranje. Hoogland (land hoog boven den zeespiegel gelegen), o. âen. Spanje is een â ; de Schotse he â en; âlander (bergbewoner), m. â s. Hoogleeraar (professor), m. â s, âaren. Hoogmis (R. K. feestelijke mis, met zang en orgelmuziek), v. âmissen. Hoogmoed (trotschheid), m. gmv.; âig.bn. Hoogmogend, bn. âe heeren; hunne âen, titel van de leden der Algemeene Staten na 1653. Hoogoven (smeltoven), m. âovens. Hoogrood (donkerrood), bn. Een âe blos : kwam op haar gelaat. lloogNeliaffen (hoogachten), ik heb â ge-j schat; â Keiiafting, v. Hoog'.Hf (in hooge mate), bw. Dat is â on-| gepast. Hoogte, v. ân. Hij is nog niet op de â, hij begrijpt het nog niet; uit de â tot iemand spreken, d. i. met trotschheid of overmoed; de â hebben, dronken zijn. Hoogteeirkel (zeew. breedtecirkel), m. â s; â nieter (werktuig tot het meten der hoogte of breedte), m. â s. Hoogtijd (feestelijke dag), m. âen. De â van Paschen, Pinksteren, enz..; ten â gaan; R. K. zijn â houden, te communie gaan; â vieren, bruiloft houden. Hoogverraad (landverraad, majesteitsschennis), o. gmv. Hoogvlakte(/ioolt;7tom(/,p/afmi0,v.âvlakten. Hoogvlieger, m. â s. Hij is geen â, zijn verstand reikt niet ver. Hoogwaardig! titel van een gemijterd abt),hw. Hoogwaardige (R. K. het sacrament des altaars), o. gmv. |
£
HOOGWELGEBORENâHOROSCOOP.
'200
|
Ifoog'u^lK'cboroii (titel van een jonkheer of een baron), lm. Hooi o. Te â en te r/ras, zelden, zoo nu en dan eens, op ongeregelde tijden, als bij uitzondering; te veel â op zijn vork nemen, te veel af willen doen. Ilooiakkor, m. âs; âberg (stapel hooi), m. âen; âborg' (âberge, âbergplaats), v.; â ^aflVl {houten hooivork), v. â s; â maaiKl {de maand Juli), v. gmv.; âmijt {opstapeling), v. âen; âopper {samengeharkte hoop hooi), m. â s; ârook {stapel hooi), v. â -roken; -svUvlt' (hooiberg), v. âschelven. Hooien (het boni bewerken en inhalen), ik heb gehooid. Men moet â, als de zon schijnt, van de gunstige gelegenheid gebruik maken ; â er. in. lIooiwa$;'4*ii (spinachtig dier op hooge poolen), m. â s. â loon {smaad, beleediging), m. gmv. llooiM'ii {lasteren, bespotten), ik heb gehoond; â «»r, m.; â ^«'lacli. o. ll4M»p (stapel, menigte), m. âen. Een â slee-nen, een â hout, een â zand', het hooi aan âen leggen-, te â loopen, samenscholen; de groote â, de groote menigte; bij âen, bij stapels, troepen; iets op den â toegeven, d. i. extra. Hoop. Hope (verwachting), v. gmv. Hoopen (ophoopen), ik heb gehoopt. Hoopvol (vol verwachting), bn. Een âvolle blik. Hoorbaar, bn. en bw. Een âbare klank] lees toch â ; dat is niet â, d. i. kan niet gehoord worden. Hoorbui» (werktuig voor halfdooven of har d-hoorigen), v. âbulzen. Hoorder (die toeluistert), m. âs. Mijne âs; waardeâs; â tleres, v. â sen; â ster, v. â s. H4M»reii (luisteren, zijn gehoor hebben), ik heb gehoord. Ik hoor naar u; zij hoort maar half meer', hom' eens! het paard hoort naar den teugel, gehoorzamen; wie niet â wil -moet voelen; pianist, laat u eens â ; ik heb het van â zeggen, bij gerucht; een rechter moet beide partijen aanhooren. Ilooren (toebehooren), het heeft gehoord. Dit boek boort aan mijn broeder', al bet land, dat gij hier ziet, hoort aan den graaf. Ilooren (betamen, passen, voegen), het heeft gehoord. Dat hoort zoo niet', dit kastje hoort huh' niet. llooriK- {afhankelijk, onvrij), bn. Een âe, een onvrije. Hoorn (uitsteeksel), m. âen, âs. De â van een neusboorndier; de holle âen der runderen, geiten en schapen; de volle âen der herten, gewei; (stof), o. Een kam van â ; het â van den paardenhoef. Fig. De horens der maan, d. i. de uitstekende punten der halvemaan; âwe(rundvee),o. Ook Horen. Hoorn (voorwerp), m. â s. Schelpen en â, d. i. eenschalige schelp van weekdieren. Hoorn (muz. koperen blaasinstrument), m. Op den â blazen; den hoorn doen schallen; de man met den â. (C. O.) Fig. De - des overvloeds, gedraaide hoorn, waaruit bloemen, vruchten enz. te voorschijn komen; âblazer (mil. die den â blaast), m. âs; âjjeselial. o.; â innziek (geblazen uit koperen instrumenten), v. Hoorn. Horn (punt, uiteinde, hoek), m. vero. Zuidhorn, Hoorn, Uithoorn. |
Hoornaar (grootste wespsoort), m. â s. Hoornbeest. Horenbeesf (duizendpoot). o. âbeesten. Hoornblad (zekere waterplant), o. gmv. IIoornbleiKle (eenigszins doorzichtig mineraal), v. gmv. Hoornbloeni (wilde muurbloem), v. âen. Hoornist (muzikant), m. âen. De â blies zijn wangen op, zijn oogen uit en-zijn horen vol. (C. O.) Hoornklaver (vlinderbloemige plant in '/.. Europa en in Afrika), v. gmv. Hoornnil (groote uil met twee opstaande vederbossen op den kop, katuil), m. âen. HoornVâ¬ms Horenvee (rundvee), o. gmv. Hoornvlies. Horen vlies (vlies inden oogbol), o. âvliezen. Hoorn weefsel o. gmv. Ue nagels der men-schen zijn een â, evenzoo de hoeven en hoorns der runderen, de schubben der slangen, enr. Hoos {spiraalvormige draaiing der lucht), v. hoozen. Hoos {kous), v. hozen. Hoovaardig: (trotsch), bn. en bw.; â beid. v. HoovaardiJ (hoogmoed), v. gmv. Hoozen (water uit een boot werpen), ik heb gehoosd; âer. m.; â ing-, v. Hop (plant) v. gmv. De â dient bij de bereiding van bier. Hop (/ 'raaie zangvogel met kuif ter grootte van een lijster), in. âpen. Hopaelifig? (naar hop smakende), bn. Dat bier smaakt wat â ; âakker (veld met hop aan staken beplant), m. â s; âbel (bloesem van de hop), v. Deâbel dient vooral bij bier-bereiding; â land. o. âen; â bitter {bitter-achtige stof uit hop getrokken), o. gmv.; â bouw. m. gmv.; âketel, m. â s. Hopen (hoop hebben, verwachten), ik heb gehoopt. Op iets â; op betere dagen of tijden â. Hopje. o. âs. //aagsche âs, koffie-ulevellen. Hopman (kapitein, hoofdman), m. âmans, â lieden, vero. Hoppen (het bier van hop voorzien), ik heb gehopt. Dit bier is te zwaar gehopt. lloppc^ril (bier nog met hop vermengd), m. Hopsa. Hopsasa (vroolijk op!), t\v. Hora (uur), v. â est, het ;.s de tijd, of do tijd is om. Horse (R. K. bid- of zangstonden, b.v. in een klooster), v. mv. Ook: Horen. Horde (vlechtwerk van teenen of draad), v. â n. Zie: Horreet je. Horde (bende), v. â n. De ân van Allila. Hordenmaker. â vleeliter. m. âs. Horen (voorwerp), m. Zie Hoorn. Horizon., Horizont, m. âzonten. De zichtbare of schijnbare â, d. i. de gezichteinder; de denkbeeldige of ware â, groote cirkel, wiens polen in het top- en voetpunt des aanschou-wers liggen. Horizontaal (waterpas), bn. Een â tule lijn; de âtale planetengordel. Horlepijp (blaaspijp, doedelzak; oudeEngel-sche volksdans), \. âpijpen. Horloge (zakuurwerk), o. â s. Horlogebandje, o. â s; â g-las.o. âglazen; â ketting-, m. âen; âplaat (wijzerplaat), v. âplaten. Hom (spitse hoek), m. âen. Zie: Hoorn. nitri*Hi:ooigt;{planeetlezer,voorspeller),m.eno. â copen. Het â trekken, zijn lot willen lezen |
HOHREL-HOUTVESTKR.
201
|
op een horoscoop of briefje, dat men trekt. Ilorrol (geschil, twist), m. â s. Horrelvoet, (misrorindc voet), m. âvoeten. Horrelvoet (persoon), m. en v. âvoeten. Horretje (verp/natshaar venstcrscherm), o. â s. I'S/' stonden blauwe âs voor de ramen. Horreur (afschniv, af'srhrik), v. âs. Il4»rrilgt;el (versehrikkelijt:, afsrlinwelijk), bn. en bw. Hors lt;l\eiivre (iets over tol lias; tent niet tot de zaak behoort; omjehoord of onuerijind iets), o. Ook: roonjerccht. Kort (stoot, dmv), m. âen Met âen enstoo-ten, op onregelmatige manier, moeielijk. Hort«'ii (tiotsen, stooten), ik hel) gehort, liet â van vallend water. H4»rleiiKia (Japansche roos; heester met schoone firoene bladeren en rooskleariye bloenitailen), v. â's. Hortieiiltmir (tuinbouw, tuinierskunst), v. grnv. IIort4»1oft'i4' (tuinbouwkunde), v. gmv. Hortolo4»K' (tuinbmnvkuudine), m. -logen. llortiilauiiN (tuinopziener), m. âsen of â lani. Hortn* (tuin), m. â botanicus, plantentuin. Ilorxt'l (wesp, brons), v. âs, âen. lloMaiina (bij leve!), tw. IIoMfM's (waanl, yastbvrr, huisbaas), ni. â en. Hospita ({/aslvroaiu, huisbazin), v. â's. Hospitaal ((/astbuis, ziekenhuis), o. âalen. Hospitaalridders ((feestelijke vereenhi'nui in Palestina lot hulp van zieken, herbvrifinn van pebjrhns, enz. tru tijde der kruistochten), m. mv. Hospitaliër (bospitaulridder), ni. âs. Ilospifalileil (gastvrijheid), v. gmv. Hospiteeren (gast zijn, lig. 'tem. lessen nu en dun bijwonen). Ilospitiiiin (klooster op de hoogte der Alpen jiussen tot berberging), o. â s. Hel oudste â of hospice is tint van den Grooien St. Bernard. Hospodar (beer; vorst, landvoogd van Middavié), m. â s. Hossehossen (schokkende rijden), ik hel) gehossebost. Het â van een boerenwagen. Hossen (tegen elkander loopen of springen). ik heb gehost. Hostie (Lat. Hostia, d. i. offerande, offerbrood, R. K.), v. â tiën, -ties. Hostiél (vijandig, op oorlogzuchtige wijze), bn. en bw. Hostiliteit {vijandelijkheid, vijandelijk ge-ilrag), v. âen. Hot {rechts, in tegenstelling van haar, links, bij paarden), bw. Hot (gi 'stremde melk), v. gmv. Hotel (groot, voornaam huis; deftige naam voor een herberg of logement), o. â s. Hotsen (botsen, schokken, stooten), ik heb gehotst; â injf, v. Hotten (schiften van melk), het heeft gehot. Hottentot (wilde in Z. Afrika), m. âten. Hottonia (sleutelbloem: waterviolier, water-(luizendblad), v. â's. Hou (toegenegen), bn. Hou en trouw. Hou {sta stil! hou op!), tw. Honden (betfatten, vasthouden, bezitten), ik hield, heb gehouden. In ontzag vrees inboezemen; iem. in bet oog â, zijn doen en laten bespieden; iem. kort â, weinig geld toestaan, weinig vrijheid gunnen; iets in gedachten â , er om denken; een zaak slepende |
â , haar niet beëindigen; zijn tnotid â, zijn gelofte â, kermis â, feestdag â, de wacht â , een redevoering â, een aanspraak â; paard en rijtuig â, bedienden â, d. i. hebben; zich dom, doof, onnoozel â, zich voordoen als zoodanig; hij houdt zich maar zoo, hij neemt den schijn aan; zich goed â, zich dapper, royaal enz. gedragen; Let ijs zal niet â, d. i. dragen; het zal er om â, het zal moeite inhebben; die spijker zal niet -^vasthouden; -er. m.; â in$£', v. Honri (paradijsnimf, eeuwig jnng blijvende gezellin in het paradijs van Mohannned), v. â's. Zie: Hoert. Hout (het hardere «teel van hoornen, heesters, enz.), o. gmv. Droog fijn dood â, kwastig â; turf en â opdoen, brandhout; spreekw. Alle â is geen timmerhout, men kan voor dat werk niet iedereen gebruiken; lig. but snijdt geen â, dat doet weinig alquot;, is geen argument; ook: bosch, b.v.: Het hert heeft zich in het â verscholen; het Haarlemmer â, o. en m. (Een onaangenaam mensch in den â hout). C. O.) Hontaarde (aarde van vermidmd hout), v. gmv.; â aelitig- (als hout),een âachtigestengel; â aseli, v. gmv.; âazijn, o., - bederver (houtkever), m. âs; âbeitel (kloof-beitel), m. â s; âbok (zaagbok, ezel), m. â ken; âbok (kever of tor der populieren), m. âken; -bouw, m. gmv.; âdraaier (werkman die (gewoon gedraaid werk maakt), m. âs; âdnil* (bosrhdaif), v. âduiven. Honten {van bout), bn. l'Jen â schoolbord, een â pop. Houterig (houtachtig, fig. stijf), bn. Een â mensch, stijf, onhandig; â beid, v. Houtig, bn. Een âe stengel. Hoiitin^' (zalmachtige visch, adeloisch), m. -en. Houtje, o. Iets op zijn eigen â doen, d. i. op eigen gezag. Houtkever (kever, die op hoornen leeft), m. âkevers. Hontlnis (insect, levend onder den lossen bast der boomen), v. âluizen. Het doodsklop-pertje is een soort van â. Hontniaat (raam om bout (e meten), v. â maten; âmnila(boutworni),v.ân; âin â M (stapel, brandstapel), v. âen; âringen {jaarringen van boomen), m. mv. liontsk4»ol {verkoold hout), v. âkolen. De kachel met â (tanmaken; tnet â leeketten of schetsen; briketten van gestuntpte â. Houtsnede. Ilontsnee (grttveersel in hout), v. âsneden, sneeën; het boek is versierd ntel âfigtiren. H4»ntsnij4ier (vervaardiger van afbeeldingen of beelden in bont), m. âs; âsnijknnst (xglographie), v. gmv.; âsnijwerk, o. Houtsnip (steltlooper, inlatulsche vogel der bosschen en moerassen), v. âsnippen. Houtsoort, v. âen; âspaander, m. âs; â stapel, m. â s; âteelt (houtbouw), v. gmv.; -tuin (tvei'f of erf waar timmerbottt opgestapeld is), m. â en; â veiling (verkoop), v. âen. Houtvester (opzichter van bosschen, h.v. op een landgoed), m. â s; â vijl (rasp), v. âen; â vim (hontntaal), v. âmen; âvink {vlic-genvangertje), m. âen; -vlieg1 (kever), v. -en; âvlot (verbonden rij paleti en bal- |
HOUVAST-HUTS VESTEN.
202
|
ken, waarmede men de rivieren afzakt), o. I.âten; âwaren {allerlei houten keukenye-rief), mv. v.; âworm (insect), rn. â en; â ' -xaa^' (yroute lamje tweenianszaag), v. â za-r gen; â xaa^iiKklon.m. â s; -zolder,m. â s. llonvawt (klamp, kram), o. -en. Houw (hak, slag met een degen of sabel), ni. âen. â louw (werktuig, kalkklopper), v. âen. Ilonwbijl (zware bijl, strijdbijl), v. âen. Iloiiwblok {hakblok), o. âblokken. lloiiwlt;lâ¬k£:eii (groote degen, lig. vechters-bi as), in. â s. Houweel (werktuig), o. âon. Houwen (slaan, kappen), ik hieuw, heb ge-(houwen. Met een sabel, zwaard, degen â, slaan: steenâ, vleeschâ, beeldâ, d.i. kappen. Houwer m. â s. Beeldâ, vleeschâ, steenâ. Houwitser (kort kanon), m. -s. Ilovolin^- (persoon aan het hof), ni. -en. nwvnier (tuinman,gaardenier), m. âs, âen. Hovenieren (den tuin verzorgen), ik heb gehovenierd. Hubertus (patroon der jagers), m. Orde van de}i H. â, ridderorde van Beieren. Hugenoot (naam der Hervormden in Frankrijk), rn. ânoten. Hui (wei van melk), v. gmv. Hui (komaan! voort!), tw. Huielielaeliti;? (schijnheilig), bn. en b\v. Huilt;*luklen (bedrieglijk veinzen), ik heb gehuicheld. Vriendschap â, voorgeven; liefde â; âaar. m.; onze gehuurde lijkbidders blijken âaars. (Potg.); âarij, v. Huid (vel), v. âen. De â afstroopen, villen; met â en haar, geheel en al; met de â betalen, met het leven; er zijn â aan wagen, d. i. zijn leven. Huidig (hedendaagsch), bn. De âe mode. Huidvetten (leertouwen), ik heb gehuidvet; â vetter, m.; -vetterij. v. 11 u id worm (dunne lange worm onder de menschenhaid), m. âen: â zakdieren (een soort weekdieren), o. mv.; â zenuw, v.âen; â ziekte (verzwering, uitslag, mazelen, enz.\ v. â n. Huif (overtrek, hoofddeksel), v. âven. Huifkar (N.-Brab. kar met een linnen hu if), v. âren; â wa^en (vrachtwagen), m. âs. IfuiK* (deel van het week gehemelte), v. âen. Huik (hark, doorzakking in de knieën), v. â en. Op de. âen zitten. Huik (kapmantel, falie), v. âen. De â naar den wind hangen, van partij veranderen, al naar de omstandigheden het eischen. Huiken (op de hurken gaan zitten), ik heb gehnikt; âer, m. Zie Hurken. Huilebalk (gehuurde schreier bij een begrafenis), m., ook v.; âen. vero. Fig. Kind, dat aanhoudend en spoedig schreit. Huilebalk (vilthoed met neergeslagen rand), v. âen. Keesje was met een groote â achter het lijk gegaan. (C. O.) Huilebalken (aanhoudend huilen), ik heb gehuilebakt. Huilen (janken van honden en wolven), zij hebben gehuild. Ook: schreien, weenen. Fig. De wind â t in den schoorsteen; spreekw. IIij ât met de wolven, waarmede hij in 'C bosch is, hij doet mee met de partij, waarin hij zich bevindt, is niet zelfstandig; âer, m.; -eris:, bn. llniN, o. âzen. Het heele â was op de been. |
gezin; het Hollandsche â, Henegouwsche â, het â van Oranje, vorstengeslacht; teâ zijn in eenig vak, goed op de hoogte zijn, er veel van weten; met de deur in â vallen, zonder inleiding of geheel onverwachts van iets spreken; het â des Heer en, kerk, tempel; daarvan is hij niet tâ, zoo is zijn aard niet; ik weet dien man niet tâ te brengen, ik kan mij zijn naam niet te binnen brengen: hij is iem. van goeden huize, van goede familie; het hoog er en lager â in Engeland, de kamer der lords en der gemeenten. Oost. West, Tâ best. Kik âje heeft zijn kruisje, verdriet, last. lluiNbakken (fig. bekrompen), bn. â meeningen. Huisbraak (diefstal ïnet inbraak), v. gmv.; â dier (tam dier, dat door den mensch verzorgd wordt), o. âen; âduif (tamme duif), v. âduiven. Huiselijk, Huislijk (gezellig), bn. Ken â leven, â verkeer, omgang met de huisgenoo-ten; een â mensch, die zijn genoegen in huis vindt: -held, v. gmv. Huisgezin (familie: ouders en kinderen), o. â nen; âg-oden (in Home, de laren en penaten, beschermgoden), m. mv.; âheer (heer des huizes), m. âen; â lien (fig. vrouw, die altijd thuis zit), v. ânen; â liond (waak-hond), m. âen. IIuisliondbock (notitieboek der huiselijke uitgaven), o. âboeken. Huisliondelijk (hethuishouden betreffende), bn. en bw. Ken âe vergadering, de âe zaken. Fig. ordelij li; âlieid (spaarzaam heid, netheid), v. gmv. Huislioiiden (het huis besturen), ik hield â, heb âgehouden. Zij weet netjes huis te houden', er is geen huis met hem te houden, iiij is lastig van humeur; fig. ruiv te werk gaan, plunderen. De vijand heeft daar vreesdij k âgehouden. Huisliouden (gezin; ook huisraad), o. â s. Hij heeft een groot â; heel zijn â is voor schuld verkocht; dat huis wórdt bewoond door drie âs; âer, m. â s; âster, v. â s. Huishouding; (huisbestier), v. âen; -kje, o. â s. Huisje, o. âs. FJen brandspuitâ, klein gebouw: waelit- (schilderhuis), o. âs; brillenâ (doosje), o. â s; het â eener slak; spreekw. Kik â heeft zijn kruisje, elk gezin heeft zijn leed. Hiiisjesinelker (iem. die huisjes verhuurt), m. â s. Ken hebzuchtige â. Huisjesslak (slak met een huisje), v. âken. Huiskrekel (rechtvleugelig insect), m. âs; â look (vetplant op de daken der huizen), o. gmv.; â mail (landman, boer, dorpeling), m. â lieden; â onderwi js (datgegeven wordt in de woning van ouders of voogden), o. gmv.; â onderwijzer, m. - s; âonderwijzeres, v. âsen. Huiskruis (plaag, verdriet in huis), o. âen. De oude Jan verlangt zich van zijn â te ontslaan, nl. van dan Salie. (Potg.) Huismiddel (huiselijkgeneesmiddel), o âen. Vergeefs beproefdet gij alle âen. (C. O.) Huisraad (meubels, inboedel), o. gmv. Hnissehilder (verver van huizen), m. â s; â sleutel, m. â s; âspin, v. ânen. Huissier (deurwaarder), m. â s. vero. Hnisvestâ¬kn (wonen, laten wonen), ik heb en ben gehuisvest; â ing-, v. |
HUISVLIEG - HUURBRIEF.
203
|
Hui^vlieiff (gewone, niet stekende vlier/), v. â en; â vrieiMl {vriend der familie), m. â en. Ook naam van een litterarisch Maandschrift; â vrouw (ec/itgenoole), v. âen; â -waard (bewoner of verhuurder van een huis), m. âen; âwaardin, v. ânen. Of zal hij niet luistren naar 't ver maan van â waard en â waardin? (Staring); âwaart» (m de richting ran huis), b\v. Hij keerdeâ: â werk {opgaven om in huis af te maken), o. gmv. lliiiMzitteiul (zelden of nooit uitgaande),hr\. Een â leven; âe armen, tegenstelling van bedelaars. IIiiiNzitteiiliiiiM (annhuis tr Amsterdam), o. âhuizen. Iliiiszoekiiig' (gerechtelijke visitatie van een huis), v. âen; âzorg- (flg. huishoudster), Mijn oude â ziet mij gewoonlijk (dan) met een meesmuilenden glimlach aan. (Jonathan); â zwaluw (gewone zwaluw), v. âen. Iluive, v. â n. Zie Huif. Huiven (dekken met een huif), ik heb gehuifd. Huiverachtig (rillerig), bn. Fig. Ik ben â, zoo iets te doen, bang, aarzelend. Huiveren (heven, rillen), ik heb gehuiverd; â van kou, â van angst; â in;squot;. v. Huiverig: (huiverachtig), bn.: â lieid. v. Huizen (wonen), ik heb gehuisd; âin;;, v. Huizing: (woning), v. âen. Hukken (huiken, doorzakken in de knieën), ik heb gehukt. Hul (kap, muls, hoofddoek), v. â len. Hulde (eerbewijs), v. - doen wegens een landschap, erkenning van den leenheer; â doen aan de waarheid, haar erkennen. Huldebetoon (eerbewijs), o. gmv.; âblijk (teeken van hooge vereering), o. âblijken. Hulden (hulde doen, huldigen), ik heb gehuld. Zoo huldt gij (Parijs) dan ran nieuws tot over heer den afyocl (Napoleon). Staring. Huldigen (hulden, erkennen), ik heb gehuldigd. De waarheid de kunst â; de Godheid â; de koningin â; -in;; (inhuldiging, blijde inkomst), v. âen. ïlulk (koopvaardijschip), v. âen. vero. De â van staat; âje, o. Levenshuikje, steek in zee (Tollens, bij de tjeboorte van zijn jongste dochtertje). Hullen (dekken, omwikkelen), ik heb gehuld; â Ier. m.; â ling,*, v. Hulp (bijstand, redding, steun), v. gmv. Hulpbaiik (instelling, waar men tegen borgstel ling kleine sommen ter leen kan bekomen), v. âbanken. Hulpbehoevend, bn. Een â werkwoord, b.v. mogen, kunnen, willen, moeten, durven. Hulpbende (een troep soldaten), v. â n. Hulpkantoor (bijkantoor), v. -kantoren. Een â der posterijen. Hulpkerk (noodkerk-, d. i. waar tijdelijk de dienst wordt verricht), v. âkerken. Hulplijn (meetk. lijn daidelijkshalve in een fig. getrokken), v. âlijnen. Hulpmiddel, o. -middelen. Hulpvaarlt;li^ (bereid te helpen), bn. Een âe buurvrouw; â lieid, v. Hulpwerkwoord (werkw., dat bij de vervoeging van een ander helpt), o. âwoorden. Hebben, zijn, zullen zijn âen van tijd; mogen, moeten, kunnen, laten /ijn âen van wijze; worden en zijn zijn âen van den lijdenden vorm. |
Huls. Huize (schil, koker), v. hulzen. Een patroon â. Hulsel (kap, hoofddoek), o. â s. llnlMt (groene heester met harde, spitse bladeren en roode bessen), m. âen. Huize (bast, omhulsel), v. â n. Huniaaii (menschlievend, gemoedelijk), bn. en bw. Humaniora (studiën 'jan de klassieke talen of letterkundige wetenschap pen), v. mv. llumaniHme (stelsel van opvoeding en onderwijs, waarin} de oude talen de eerste plaats innemen), o. gmv. Humanitair, bn. Een â doel, menschlievend. Humaniteit (menschel ij kb eid, ui les nat den mensch liefdewaardig maakt), v. gmv. Hiinieeteoren (bevochtigen). Humeiir (gemoedsgesteldheid, temperament' luim), o. âen; âi^s(grillig, veranderlijk), hn. Iliimiditoit (vochtigheid), v. gmv. Humiliatie (vernedering), v. âties, â tiën. Humiliwren (vernederen, veringen). Hummen (kuchen), ik heb gehumd. Zie Hemmen. Humor (vocht; zinrijke luim; luimige wijze van voorstellen), m. gmv. De opwekkende â. (Koetsveld). Humorist (luimig schrijver), m. âen. llnmoriKtiseh (geestig, luimig), bn. en bw. Humus (teelaarde), m. gmv.; âlaaft', v. Hun. pers. vnw. Ik zend â een brief. Ook bezitt. vnw.: â hond. â huis. Hunebed. Hunnebed (steenhoop; oude o If er- of begraafplaats der linnen of Fe nen in Drente), o. âbedden. Hunkeren (rusteloos verlangen), ik heb gehunkerd; â aar, m.; â iiift-, v. Iliinnc^nt tte) (in hun huis, dorp, land), bw. âhalve, om âwil, van âwege. iliinnentlialve (uit hun naam, ter wille van hun), bw. Hiinnentwefte (van hun kant, in hun naam), bw. Hunner. Huns. pers. vnw. Erbarm u â. Dat zijn â gelijken. Ook bezitt. vnw.: De prijs â koe, de kleur â honds, â konijns. Huppeleu (voortgaun met kleine sprongen), ik heb en ben gehuppeld. De kinderen â, de lammeren Fig. De golfjes â; -in;?, v. Huppen (dansen, springen), ik heb gehupt. Hup, mijn Jannetje! Hupseli (voorkomend, bevallig, welb'vend, aardig), bn. en bw.; â lieid. v. Huren, ik heli gehuurd; liuurder. m.; hu-Hurk. v. âen. (riuft. v. Hurken (op de hurken zitten), ik heb gehurkt; âer. m.: â iiift, v. Hussiet (aanhanger van lluss), m. âen. Hut (lage, armoedige woning), v. âten. De â van een schip, een soort kamertje of cel. Hutje, o. Met â en mutje, met heel den rommel. Hutselbeker (dobbeltrechter), m. âs. Hutselen. Hutsen (dooreenschudden), Ik heb gehutseld, gebutst; âaar, m.; -iuft. v. Hutspot (gemengde spijs: uien, vleesch en wortelen), v. gmv. Huur. v. huren. De â van dit huis bedraagt f 500, huursom; een huis te â, te huren; de â loopt ten einde, huurtijd. Iliiurbriel'. m. âbrieven. Een â op een huis hangen, het te huur hangen; den â er af nemen, nl. als het verhuurd is. |
HUURCEEL-TSR.
|
lfiiiir(*elt;kl {huurcontract), v. â ceelen. IIiiiirliiifc (gehuurd huis), o. âhuizen: â -koctKier (dir rijtuigen verhuurt), m. â s; â liny' (gehuurd persoon, ook krijgsman), m. âen; een leger vanâen; â |Mkmiiii$?lt;kii (gelden als huur), in. mv.; âprijs. m. «;mv.; -rijtuig:, o. âen; â waard o (aanslfuj van den huur in de belasting), v. â n. Huwbaar (volmissen), lm. en b\v.; een â meisje; â lieiil, v. Iliiu'lt;gt;lijk (echtrereeniging), o. -en. Ifiiwelijksaanzoek. o. -en; âadvor-tlt;'iililt;'. v. âs of âtiën; âbelofte, v. ân; âbootje (beeld der huwelijksreis), o. â s. In het âbootje stappen. Mnweii (in het huwelijk treden; lig. vereenigen), ik heb en hen gehuwd. Hij huwt ijver aan kennis, d. i. paart. lluxaar {licht gewapend ruiter), in. huzaren. Il.yaeint (oranjegeel of goudkleurig edelgesteente). in. âen; voor de stof, o. Hyacint (lelieachtige bloem), v. -en. Ilybridiseh (rreemdsoortig, bastaardachtig), bn. Zie: Ifibridisoii. quot; ll.ylt;ira (groote, giftige slang; veelhoofdig monster; fig. een gestadig dreigender wordend kwaad), v. â's. Ilydranlica (de wetenschap der beweging van eloeistolfen), v. Ilylt;iraiiliscii (waterkundig), bn. Een âe pers, soort van waterpers. Hydriatiek (watergeneeskunde), v. gmv. â â ydro^iM'ii. Ilydro^eniimi (waterstofgas), o. llylt;iiM»^-i*a|gt;liie (waterbeschrijving), v. gmv. llydro^ra|»iiislt;*iie kaarteii (zeekaarten), v. mv. Ilyilronielfr (watermeter, vocht weg er), m. ll.ylt;lropliobie (watervrees, hondsdolheid), v. gmv. Hydropittic». Ilydropsie (waterzucht), v. gmv. Hydrostatica (leer van het evenwicht der vloeistolfen), v. gmv. llydr4»Ktati*lt;eli (waterweegkundig), bn. Ken â e balans. Fig. hl âe afgetrokkenheid liggen I. v. i's. De derde klinker en de negende letter van hot alphabet; als Homeinsch cijfer cén. Ib. of Ibiil. â Ibidem, op dezelfde plaats, op dezelfde bladzijde. i. b. d. â in buitengewonen dienst, b.v. kamerheer des konings. i. b. d. ld. â Idem, dezelfde, hetzelfde. i.e. â ld est, dat is. I.H.K. â hi hoe signo (vinces), in dit teeken (des kruises nl.) zult gij overwinnen; ook: Jesus hominum salvator, Jezus, de Heiland der menschen. i. I. â in loco, ter plaatse, imp. â Imperator, de keizer (eigenlijk de gebieder); ook: Imperatief. Impr. â imprimatur, goedkenvin^ om af te drukken. inel. â inclusief, ingesloten. |
de baliekluivers over de leuningen der bruggen. (C. O.) llydroteelniiek (waterbouwkunst), v. gmv. Hyena (roofdier), v. â's. De gestreepte -, de gevlekte â. De â's der slagvelden, zij, die de lijken der gesneuvelden berooven. llyg-iëne (gezondheidsleer), v. gmv. Hymen (de god des huwelijks; het huwelijk, de echtstaat), m. Ilymeneën (bruiloftszangen), v. mv. Hymne (gezang of gedicht ter eere van den een of anderen god; hooggestemd lied op vorsten en helden ; loflied), v. â n. llyperboliKeli (buitensporig, overdreven), bn. en hw. Hyperbool (stijl: troop der overdrijving), v. â bolen; b.v. van de daken verkoiidigen, zoo snel als de wind, een vloed van tranen, e\v/. Hyperbool (meetk. een der kegelsneden), v. Hypiio* (slaap, god des slaaps), m. Hypiiose (magnetische, kunstmatige slaap), v. gmv. ilypiioliMeercn (iem. in een toestand van hgpnose brengen). Hypocliomler (aan hypochondrie lijdend), bn. MtyitwhnmlruHmi l tzuch t;onderbu i ksz iekte: fig. zwaarmoedig' of zwartgalligheid), v. Hypolt;*rllt;'t (huichelaar), m. en v. âen. llypoeriNie (huir.helarij), v. gmv. Hypotennsa (langste zijde van een reeht-hoekigen driehoek), v. â quot;s. Iffyp4»thecair (pandstellend), bn. Een âe schuld. IIyp4»tlilt;k4kk (onderpand, verbandbrief), v. â theken. Hyp4»tlilt;kse (onderstelling), v. â n. Hyp4»tlietislt;*li (onderstellend, veronderstel-lenderwijze), bn. iryp*«oni4'ter (werktuig, hoogtemeter), m. â meters. lfyso|» (lipbloemige plant), v. gmv. Hysterie (overprikkelde zenuwachtigheid), v. Hysteriseli (overspannen, zenuwziek), bn. Deze dame heeft een â gestel; het gillende eener âe dwars/luit. (C. O.) I. X. IK â hi nomine Dei of Domini, in den naam van Clod of des Heeren. Int. â Infinitief. int. â infanterie. intr. â infra, hieronder, lager. I. W. 1. â In nomine Jesu, in den naam van Jezus. inl. â inleiding. I. X.K. 1. â Jesus Nazarenas lie.v Judtcorum, Jezus, de Nazarener, de koning der Joden. I. X. S. T. â In nomine Sanctae Trinitatis, in den naam der heilige Drievuldigheid. int., intr. â interest. Inv. â Invenit, (hij) heeft het uitgevonden. inz. â inzonderheid. 1.1*. I. â In partibus infidelium, in 't land der niet-R. Katholieke christenen. Isr. â Israëlietisch. |
IT.-IJLHOOFDIG.
205
|
II. â Item, insgelijks, verder, ook, nog. Ital. â Italiaansch. Ibis (sU'ltlooper, reigerachtige vogel, in oud- Ertypte vereerd), m. âsen. De groene â. lelinounion (roofdier, Egypt, bunzing), m. â s. De Egyptische â, ook Pharao-rat. I lt;*litli.yo^:ra|»liie (beschrijving der visschen), v. gmv. Ic*litligt;'olog;io (leer der visschen), v. gmv.; â log:iNlt;fii9 bn. Een âlogische alias. 14'litli.voloo^' (vischkenner), m. âlogen. li'litli.yoMaiiriis (vischhagedis, dier der voorwereld), v. âsen. llt;*oiiolt;*laNteii (heeldenhrekei s in de Griel,-sche kerk), m. rnv. llt;*4»Kaëâ¬llt;gt;r (meetk. twintigvlak, een der vijf' regelmatige lichamen), o. â s. Ideaal {de volkomens te voorstelling can iels in gedachten-, droombeeld), o. idealen. De kachel is bij strenge vorst het â van ivinter-heil. (C.O.); Byron beschouwde de onafhankelijkheid als het â can geluk. (Beets.) Ideaal, ldlt;gt;alislt;*li. hn. Een âale voorstelling; het Melkmeisje is geen âalische herderin. (Jon a tb-) Idcalo (lllt;'t). d. i. het denkbeeldige. Idealiweeron {verheven voorstellen). Idoalismo (leer van het onzinnelijke). o. gmv. Het oudste â is dat van Plato, deze leerde, dat de zinnelijke dingen slechts in schijn bestaan. Zie: Itoalfcme. Idealist (iem., die een ideaal nastreeft), m. â listen. IdualistiMc*li, bn. Een âe levensbeschouwing. Idee (denkbeeld, gedachte, voorstelling, droombeeld), v. en o. â ën. Idem (dezelfde, hetzelfde). Zie ld. Identiek (in den grond hetzelfde, gelijkwaardig), bn. Ook: Identisch. Identiiieeeren (tot hetzelfde maken, twee dingen onder één begrip brengen). identiteit (overeenstemming, persoonsgelijkheid), v. gmv. ldio;fra|»liiseli (eigenhandig, zelfgeschreven), bn. Idioma, Idioom (de volkstaal; het spraakeigen; zegswijze, tot de spreektaal behoo-rendé), o. â's. Idioom. Idioma (eigenaardigheid, taaleigen), o. idiomen. Idioot (botterik, stompzinnige; onnoozele), m. idioten. ldiotiâ¬*oii (woordenboek der gewestelijke taal lt;gt;f van d'n dialect), o. âs. Idiotisme (stompzinnigheid, bekrompenheid der verstandelijke vermogens, onvatbaarheid voor verstandsontwikkeling), o. gmv. Idiotisniiis (gewestelijke uitdrukking), o. Idolaat (afgodisch), bw. Iem. of iets â beminnen. Idolatrie (afgodendienst), v. gmv. Idylle (land-, veld- of herdersdicht), v. â n. De Visschers van Bi ld.; De Vorstin in het Dorp, De Verjaardag van Staring is een â. Iilylliseh (landelijk, herderlijk), bn. De âe poëzie. Ie. I (hij), pers. vmv. Heeft â dat gezegd! leder (elk), tehv. â jaar; âe maand. Iedereen (een ieder), tw. en znw. Dat is â bekend; hij is âs vriend. Iegelijk (ieder), tw. Een â; elk e)i een â. vero. |
Iemand, onbep. vmv. Daar is â voor u; ik heb toch â gezien; âs goede naam. Iep (olm), m. -en. Ook: Up. Ier, enier (achtervoegsel), b.v. koetsier, gondelier, kruidenier; zij duiden personen aan, die een beroep uitoefenen. Ier (bewoner van Ierland), m. âen. lerseli mos (wier, zeegewas aan dc kusten, van Ierland), o. gmv. Het âe mos diquot;nt als voedsel en als geneesmiddel. Iet, onbep. vnw. Als niet komt tot â, enz. vero. Iets (eenig ding), onbep. vnw. Daar hebt gij â; als bw.: Het is â warmer, eenigermate. Ietwat (eenigermate), bw. Een vertrek, ivelks voorkomen â feestelijk is. (Potg.) loeris (achtervoegsel), b.v. in: vlijtig, machtig, zondig, hebbende, bezittende, bevattende; bokkig, kippig, wettig, goedig, nattig, overeenkomende met, iets hebbende van; evenzoo. eenig, één zijnde; nederig, laag, bescheiden zijnde; slaperig, beverig, stooterig, zanderig, landerig, winderig, met ongunstige bijgedachte. Ifi'nobel (onedel, laaghartig), bn. en bw. Ignobiliteit ((/emeen/ieic/, laagheid), v. -en. l;;'noniinie (schande, oneer), v. gmv. Ig-nominieiis (schandelijk, smadelijk, onteer end), bn. en bw. Igfiioranten (monniken, broeders voor onwetenden), m. mv. Ook: Ignorantijnen, orde, in 1724 gesticht. Ignorantie (domheid, onwetendheid), v.gmv. I$fnoreeren (iets niet weten, of niet willen kennen). lent. â. IJ (nij, er ij, ernij), dit achtervoegsel is van vreemden oorsprong, b.v. bedelarij, huichelarij, een als zelfstandigheid opgevatte werking; bakkerij, smederij, spinnerij, werkplaats; schilder j, rijmelarij, drogerij, voortbrengsel; artsenij, middel; abdij, grietenij, gebied; schutterij, boekerij,kleedij,ruiterij,\èv7.ii\ne\ing. IJdel (leeg, nutteloos), bn. en bw.; â lieid, v. Ijdellijk (zonder nut, buiten noodzakelijkheid), bw. De naam des Heer en â uitspreken of gebruiken. Ijdeltuit (pronkzieke vrouw), v. âtuiten. Ijdeltuiten (loszinnig handelen), ik heb geijdeltuit. Ijdeltuiterij, v. gmv. I J«leltniti^'(c/(gt;m, behaagziek), bn.; â beid. v. IJlquot; (ta.ris), m. ij ven. IJlel (taxis, boog va nij fel hout), m. â s. Dc â siddert in zijn (///. in Tel Cs) ving ren. (Bi ld.) Uk (merkteeken op maten en gewichten), m. IJklt;'n (van een ijk of merk voorzien), ik hel» geijkt; âer. m.; â In^, v. IJkkantoor.o. âkantoren; âloon, o. âen; â maat, v. â maten; âmwstvv (ambtenaar, ijker), m. âs; âwezen. o. Hij is inspecteur van het âwezen. IJl (haast, spoed), v. gmv. In aller â. IJl (ledig, los), bn. â haar, dun van haar; â beid, v. IJlen (spoeden), ik heb en ben geijld. Naar huis â. IJlen (in de koorts onsamenhangend spreken), ik heb geijld. De lijders zijn in een dof en mompelend â verdiept. (C. O.) IJl^oed (vracht per sneltrein te vervoeren), o. âgoederen. IJlboofd (onbesuisd persoon), m. en v. âen. I Jlbooldi;:' (verward denkend, b.v. in koorts), bn. -beid, v. |
IJLINGS-1M MANK NT.
206
|
I.I lilies {met veel spoclt;1), bw. Ga toch â! 1.1m. Iiiiiik' (honigbij), v. âen. gew. I.liiikci*, Inikt'i* {bijenhouder), in. â s. gew. Zie Bij kor. â Ju. elijii {verkleinimjsuityangen), b.v. in vogelijn, bloamelijn, oogelipi, lieveling, dicht. Up. Iep (olm), in. âen. De gewone â bloeit in Maart en April. l.l|Mgt;lgt;oom, m. âen; âloof, o. gmv. Ook: lepeboom, lepe loof, enz. iJplt;'l»ai*, lâ¬gt;p«'laar (dicht, voor iepeboom), in. âs. 1.1«, o. Een schoteltje zekere lekkernij; het â breken, de toenadering bewerken, hinderpalen uit den weg ruimen; zich op glad â wagen, een lastige zaak ondernemen, voel wagen; beslagen of onbeslagen ten â komen, voorbereid of onvoorbereid met iets beginnen; gaan over â van één nacht, onvoorzichtig handelen; â kost menschenvleis, het ijsvermaak kost steeds eenigen het leven. l.l**l»aaii (geveegde rijweg op het ijs), v. â -banen; â Imnk (opeengestapelde schotsen, die een dani vormen), v. âen: âbeer (ver-schearend dier der poolstreken), m. âberen, â berjr (drijvende ijsmassa), m. âbergen; -blink {weerschijn der ijsvelden), m. gmv. IJsbreker (ijsbeei', ijsbok, breekwerktuig der ijsschotsen), m. â s. De âs dienen om bruggen voor zware schokken te vrijwaren. IJMlain, m. âdammen. Zie IJsbaiik. IJselijk {afgrijselijk), bn. en bw.; â lilt;kilt;l, v. l.lKelinop (baksteen), v. âmoppen. l.ls$faiiK' (drift der ijsschollen), m. gmv. l.lMlaiidseli mos (korstmos), o. gmv. Deâe hond, wolfshond, m. âen. l.lslaiKlseli, o. Het â is een dialect der Gotische taal. Usraiionkel (ranonkel der ijsvelden), \. â s; â rejïen (ijzei), m. gmv.; âschol, v. -len; â seliots (groot stak drijvend ijs), v. âen; -tap (ijskegel), m. â tappen; â velfl, o. âen; â verk«»oper, m. âs. Ijsvogel (zangvogel, levend ran insecten, weekdieren, vischjes), m. â s. De gewone â leeft ook bij onze wateren. IJszee (Oceaan, Poolzee),x. âzeeën. De Noordelijke â, de Zuidelijke â. 1.1 ver (vuur, geestdrift, zacht), m. gmv. I.lv«krlt;'ii (krachtig naar iets streven), ik heb geijverd; âaar. m. l.lverigf (driftig, en rig), bn. en bw.; âbeid. v. I.lverxuelit (jaloezie), v. gmv. 1.1 verxnelitig- (jaloersch), bn. l.lKlt;'^rini (knorrepot), m. â s, â nen. I.lxi'g'rimmi^- (norsch, knorrig), bn. IJzel (bevrozen nat), m. gmv. Wij hadden sneeuw, hagel en â op het dek te verduren. IJzelen (bevriezen van fijnen regen), liet heeft geijzeld. Ijzen (beven van vrees), ik heb geijsd; -ills', l.lzer (metaal), o. â s. â met handen willen breken, het onmogelijke beproeven; 'tis lood om oud â, het een is zoo goed als ?t ander; men moet het â smeden, als H heet is, de gelegenheid waarnemen. Ijzer (ijzeren voorwerp\ o. â s. Iemand in de âs sluiten, d. i. boeien; het paard verloor een â, d. i. hoefijzer; een goud â, d.i. de gouden hoofdbedekking o.a. van Friesche vrouwen. Ijzeraarde (aarde met ijzerdeelen vermengd, oer), v. Uzeraeiitig' (iets hebbend van ijzer), bn. |
IJzerdraad (getrokken draad van allerlei dikte), o. gmv. Dat is dun â ; als voorwerpsnaam, m. âdraden. Ijzererts (ijzer met andere stoffen scheikundig verbonden), o. gmv. Een hoogoven tot het smelten van â. l.lzer bont (het zeer harde hout van boomen in O. Indi'é en Amerika), o. gmv. Ijzerkruid (plant), o. gmv.; âmaal (roest-plek in linnengoed),\. â malen; âoer (moeras-erts), o. gmv.;.âoxyde (verbinding van ijzer met zuurstof), o. gmv.; âslakken (glasachtige zelfstandigheden, die op uitvloeiend gesmolten ijzer drijven), v. mv.; âvreter (vervaarlijk soldaat, barsch vechter), m. â s. Ijzig: (scherp koud), bn. Het â Noord. (Toll.) -beid, v. IJzingwekkeiifi (wat «loet ijzen), bn. en bw. Ik, pers. vnw., b.v. â studeer] znw. het â staat bij hem bovenaan', dat ongelukkige â. Ik, achtervoegsel, b.v. vuilik, d. i. in hooge mate vuil. Zie ook -rik. Ikbeid (bewustzijn van eigen bestaan, persoonlijkheid, zelfzucht), v. gmv. Ikker (nikker, duivel), m. â s. Ilias (het heldendicht van Homerus, bevattende de beschrijving van de verovering van Trojc, door de Grieken), m. iliaden. Een â van rampen, d. i. een reeks. Ilisebe tafel (basreliëf van gips, bij Home gevonden), v. gmv. De â tafel bevat de hoofd-tafereelen van den Ilias. Ilinm (lliom, het Trojc der oudheid), o. gmv. Het hooge â ; Iwt trotsche I llegaai (onwettig, wederrechtelijk), bn. en bw. l\\*lS:i\\itvlt(onrechtmatigheid,onwettigheid), v. âen. Illegitiem (onwettig, onecht), bn. Illiberaal (onedel, bekrompen, laag), bn. IllilM'raliteit (onedelheid, laagheid), v. gmv. Illieite (ongeoorloofd, verboden), bn. Illieo (terstond, dadelijk), bw. lllimit*(onbepaald,onbegrensd,onbeperkt),bn. Illiquide (onzuiver, onklaar, onbewezen), bn. Illndeeren (schertsen, bespotten; verijdelen). Illiiminatic^ (algemeene verlichting), v. â tiën, âties. Illmnineeren (verlichten, kleuren). Illusie (zinsbedrog, verblinding, begoocheling), v. â siën, â sies. Eene - kan realiteit worden, (v. Deyssel.) Illustratie (opluistering] versiering, plaatwerk), v. âtiën, âties. Ook: Maandwerk. Illnstre (beroemd, doorluchtig, heerlijk, voortreffelijk), bn. Illnstreeren (met plaatwerk sieren, verluchten] beroemd of uitstekend maken). 'Imaginair (denkbeeldig, hersenschimmig, vermeend), bn. Imag'inatit^ (inbeelding, verbeeldingskracht), v. Imagineeren (inbeelden, voorstellen, bedenken, verzinnen). Imam (Turksch priester), m. â s. Ook de sultan voert den titel van â. Imbeeiliteit (onnoozelheid, domheid), v. Imitatie (navolging, nabootsing, de copie), v. âtiën, âties. Imiteeren (navolgen, nabootsen, naöpen). Imker (bijenhouder), m. â s. Zie IJmker. Immanent (bijblijvend, aanklevend), bn. Er bestaan âe oorzaken] het â gebruik der rede, volgens de ervaring. |
IMM ATEKIALITEIT -1MPKOVISATIE
207
|
Immnterialitoit (onstoffelijkheid, onlicha-mclijkheid), v. gmv. Imiiiatri4*iilelt;'rckii {opnemen als lidmaat, inschrijven, inteekenen). Zich laten Imiiiatnritoit (onrijpheid: ontijdirie ottder-dom), v. gmv. IniiiK^cliaat (onmiddellijk, onverwijld), bn. en b\v. liniiilt;kiiNâ¬k (onmetelijk, ontzaglijk), bn. en b\v. linnioiiMifcit. (onmetelijkheid, oneindigheid), v. ImiiK'iiKiiralM'l (onmeetbaar), bn. Imnior (altoos, steeds), bw. Voor â verlaten. Immorp'rocn (duizendschoon), o. gmv. IniiiK^r^rofii (altijd groen), bn. Sneeaiv op de âe dennetoppen. (C. O.) I in ui lt;'I's. bw. Je bent â wijs genoeg, toch, inderdaad. Imnii^rant (inkomend landverhuizer), m. en v. âen. Ininiig-ratio (aankomst van landverhuizers), v. â s, â tiën. liiiiiiig-rlt;Mgt;râ¬Kii (zich uit andere landen komen nederzetten). InimiiK'iit (dreigend, nakend), bn. Ken â gevaar. linniobiol (onbeweeglijk, vast; ook: niet tot den oorlog uitgerust), bn. liiiiiiobiiiöii (immobilair eigendom, onroerende goederen of have), v. mv. liiiinlt;Mllt;'raat (overdreven, onmatig), bn. Ininioclest (onzedig, oneerbaar, onwelvoeglijk), bn. I iiiiiiol4Mgt;rlt;gt;ii (opolfcren). Inimoraal(onzedelijk),h\\. Liever: [mmoreel. linnioralitoit (zedeloosheid) v. gmv. Iiiiiiioi'ct'l (zedeloos, onzedelijk), bn. Immortalitc^it (onsterfelijkheid), v. gmv. Inimortello (stroobloem), v. â n. liiiiiiiiiiitcft (onschendbaarheid, vrijdom van belasting), v. gmv. Iiii|miMiloiiiialgt;«kl (onvergeeflijk, onverantwoordelijk), bn. luipartiaal (onpartijdig, niet eenzijdig), bn. en bw. liii|mssilM'l (on verzet tel ijk, koelbloedig), bn. InilM^K'lralx*! (waterdicht, ondoordringbaar), bn. lni|Mkratilt;kf*. lni|M'raliviis (gebiedende wijs), m. â tieven. Inipfrafor (zegevierend veldheer-, gebieder, heerscher, keizer), m. âen of â s. Zie: liiip. â iiip«'rlt;*«'|»tilK'I (onmerkbaar), bn. en bw. Imperfect (onvolkomen), bn. en bw.; als zn. (onvoltooid verleden tijd), o. âen. Imperfectie (onvolmaaktheid, onvolkomenheid), v. gmv. liiiperfeetimi (onvoltooid verleden tijd), o. â turns, â ta. Zie Imperfect. Imperiaal (keizerlijk,statelijk, heerlijk), bn.; als zn. (papier van het grootste formaat), o. Imperiaal (de hemel van een bed, het met zitbanken voorziene bovendeel van een koets, omnibus), v. âalen. Ook: Imperiale. ImperieiiK (gebiedend, trotsch, heerschzuch-tig), bn. I|iipâ¬kriiim (in Rome het hoogste gezag), o. ''gmv. De keizer bezat het â ; de veldheer had het â, recht over leven en dood; de lictoren vormden het onderscheidtngstee/, en van het â. ImpeniK'abel (ondoordringbaar), bn.; als zn. (regenhoed, regenjas), m. â s. iini*vmiei\tgt;iliteit(oncloordringbaarheid),\. |
Imi^erfionaUt^it (onpersoonlij kheid),y .gmv. Impertiiient (onbeschoft, onbeschaamd, onhebbelijk, vermetel), bn. lem. met âe blikken aanzien. Nurks had iets â. (C. Ov; â lilt;*ilt;l. v. Impertinentie (onbeschaamdheid, onhebbelijkheid), v. âtien, âties. Inipertiirbabel (onverstoorbaar, altijd gelijkmoedig). bn. en bw. âIs Willem hier niet?quot; vroeg de opgeschoten kuaap â. (C. O.) verzoeken,af vorderen,eischeri). ImpetiieiiK (herig, luidruchtig), bn. en bw. Impiëteervn (zondigen, goddeloos maken). Impitoyalx'l (onbarmhartig), hn. en bw. Implacabel (onverzoenlijk), bn. en bw. Implilt;â¢lt;'«'rlt;'ii (inwikkele)t). Implioiet (mede in betrokken, stilzwijgend er in begrepen), bn. Imploroemi (aanzoeken, om hulpsmeeken, afsmeeken). Impoliet (ongeslepen, ruw, grof; onwellevend of onbeleefd), bn. en bw. InipoliteMM' (onwellevendheid), v. âs. Iisipolitiek (onstaatkundig), bn. en bw. lmpoii4kâ¬kren (opleggen, b.v. het stilzwijgen; gebieden, aanbevelen; achtinglt; ontzag inboezemen). Impopiilairt niet inde volksgunstdeelend),hn. I in popular it ei t ((/er van de volksgunst), Import (invoer), m. âen, in voorwaren, [v. Important (gewichtig, van aanbelang), bn. Importantie (van gewichtig, belang), v. gmv. Importâ¬kerlt;kn (vreemde waren invoeren, b.v. sigaren; lig. van belang zijn). Importiiiu'ercn (lastig vallen, bezwaarlijk zijn). Importiiniteit (lastigheid, ongelegenheid), v. âen. Imposant (indrukwekkend), bn. en bw. liiipoMker«gt;n (ontzag inboezemen). Impost (accijns), m. âen. Impostenr (bedrieger), m. âs. Impotent (onvermogend, onmachtig; ziek, zwakkelijk), bn. Impotentie (onmacht, onbevoegdheid), v. Imprartieabel (ondoenlijk, onuitvoerbaar), bn. Impreeatie (vloek, verwensching), v.-tiën, -s. Imprlt;gt;iiablt;'l (onneembaar, onwinbaar), lgt;n. lmpr«gt;KKario (opera- of zangondernemer), m. â's. Impressie (indruk, invloed, aandoening), v. â siën, â sies. Imprimatur (het wordeafgedrukt),o. Het â, verlof tot afdrukken. Zie Impir. Imprimelt;krlt;'n (drukken, inscher/ien, inprenten). Improbabel (onwaarschijnlijk), bn. Improbabiliteit (onwaarschijnlijkheid), v. âteiten. Improbatie (afkeuring), v. âties, âtiën. Improbeeren (afkeuren, laken, berispen, verwerpen). Improbiteit (slechtheid* oneerlijkheid), v. gmv. Improdnetief' (geen winst opleverend, onvruchtbaar), bn. Improfitabel (onvoordeelig), bn. Impromptu (inval of snedig gezegde; een vers voor de vuist vervaardigd: een in haast bereide maaltijd), o. â's. Improvisatie (voor de vuist uitgesproken dichtstuk, redevoering, toespraak voor de vuist), v. âties, âtiën. |
IMPROVISATOR â INCLUDE KREN.
208
|
Improvisator (f oor de vuist sprekend dichter of redenaar), m. â s. âen. lni|»roviMâ¬gt;erlt;kii (verzen voor de vuist of onvoorbereid uitspreken, dichten, zingen). I m |»rmllt;gt;iiI {on voorzicht /Æ/, onbedachtzaam), bn. Imprudfiitio (onbedachtzaamheid, onvoorzichtigheid), v. â s, â tiën. (schaamteloos), bn. (schaamteloosheid), v. gmv. Im(weerstreven^ bestrijden). Iâ â â pnisMa(ztvakheid, onmacht), v. gmv. lm puissant (zwak, onmachtig), bn. ImpnKio (aandrift: prikkel, eerste stoot), v. âsiën, âsies. Ook: Impuls, in. Impiilsilt;'f (aandrijvend, prikkelend, opwekkend), bn. ImpimitHt (straIJ'eloosheid, het uitblijven ran straf), v. gmv. Impuritcit (onzuiverheid, onreinheid, vuilheid), v. Zie Impinir. Impiitatic (aantijging, beschuldiging), v. â tiën, â s. Impiitcgt;lt;gt;rlt;gt;ii (toerekenen, beschuldigen, ten laste leggen). Impmir (onrein, onzuiver), bn. In. vz. Hij is â de kamer, â huis, â de stad, binnen de grenzen van; â den zomer, â de lente, gedurende; hij is â de veertig; hij was â het zwart', hij sprak nooit â het publiek', iets â drieën splitsen', behagen scheppen â het spel; bw. Het is âkoud, âmooi, â droog, d. i. in hooge mate; verder in samenstellingen : âboedel, âborst; âdrukken, â -schrijven, --wendig, enz. In. achtervoegsel, b.v. koningin, gravin, hertogin, namen van vrouwen; tijgerin, leeuwin, berin, wijfjes van dieren. InaborfialM'l (ontoegankelijk), bn. Die kust is â. In abstrarto (in 't algemeen, op zich zelf beschouwd), bw. liiaâ¬*lt;*lt;'ptabol (onaannemelijk, niet geldig, b.v. een wissel^ een voorslag), bn. liialt;*lt;*ommo4lablt;'l (dat geen vergelijk toelaat), bn. liiaclitiK'iiiin^'. v. Met â van. Inarticf' (werkeloos, ledig, buiten dienst), bn. Inaetivitrit (werkeloosheid), v. gmv. Inademen, ik heb âgeademd; â inj;'. v. In a^tcriiiiin (eeuwig, in eeuwigheid), bw. InaliëiialM'l (onvervreemdbaar), bn. InallialM'l (onvereenigbaar), bn. Inaltcrabol (onveranderlijk, niet aan bederf onderhevig), bn. InapplicalM'l (niet toepasselijk, niet geschikt), bn. Inapplioatto (luiheid, nalatigheid), v. Inapt itiMlc (ongeschiktheid, onbeholpenheid), v. liiartirulë (onduidelijk van geluiden en tonen), bn. liiatt«kiit (onopmerkzaam, zorgeloos), bn. liiaii^iiratilt;' (inwijding, plechtige bevestiging in een waardigheid, inhuldiging), v. â ties, âtiën. InaiiK'iirt^l (de inwijding betrelfende), bn. Inaii^-iireeron (plechtig 'inwijden). liibali.â¬ki'«'ii (warm instoppen), ik heb âgebakerd. Een kind â ; â injr. v. Inbeelden (zieli) (zich iets voorstellen, verwaand zijn), ik heb mij ingebeeld; -ing? v. |
Inbegrip, o. Met â van, dat er bij opnemende. Inbikken (al bikkende inhakken), ik heb ingebikt. Een molensteen â. Inbimlen (samenbinden), ik bond â, heb â gebonden. De zeilen â, minderen; hij bond wat in, werd minder veeleischend; â bin-4lin$f. v. In blaneo (wit, onbeschreven, oningevuld), bw. â iets teekenen. Inblazen (influisteren, ophitsen), ik bliesâ, heb âgeblazen; âer. m.; âinjs'. v. lnboelt;lel. lnbolt;'l (gezamenlijke meubels), m. âs, âen. Inboeken (in het grootboek schrijven), ik heb âgeboekt; â in^', v. Inboeten (er op toegeven, kwijtraken), heeft â geboet. De (irieksche koningsfamilie heeft bij den jong sten oorlog er haar populariteit bij âgeboet. Inboezemen (ingeven, inprenten), ik heb â geboezemd; Men kan fatsoenlijke kinderen nooit vroegtijdig genoeg afkeer â voor snoepen. (('. O.); - in$r. v. In bonfc (goed bij kas), bw. Een man â. Inboorling' (die geboren is, waar hij woont), m. en v.; voor het v. ook âlt;?. Inborst (karakter, geaardheid), v. gmv. Inbraak (het inbreken),\. gmv. Diefstal met â. Inbramien. het is âgebrand. Een âde pijp, (I. i. schuinwegbrandend. Inbreken {inbraak doen), hij brak â, heeft â gebroken. De dieven hebben daar ingebroken', â breker (dief), m.; -breking', v. Inbreng (inleg, huwelijksgoed), m. gmv. Inbrengen (ergens brengen, inleggen), hij bracht â, heeft âgebracht; âbrenger, in!; â brengïin;:-. v.; â breng'st. v. Inbreuk (schending van recht), v. gmv. Inbuigen (naar binnen buigen), ik boog â, heb of het is âgebogen; âin$r. v. Inea (titel der oude koningen en prinsen van Peru), m. â's. Ook: Inka. In ealenlo (in de berekening), bw. Ineapabel (onbekwaam, ongeschikt), bn. Inea|gt;aeiteil (onbekwaamheid), v. gmv. Inearceratilt;gt; (inkerkering, opsluiting), v. liK'arnaat (//«ory rozerood, elecschkleurig), bn. Inearnatie (yleeschwording), v. gmv. De â van Christus. Ineasmalie (het innen van gelden), v. â -tiën, â s. lneaNse«'râ¬kn (geld innen', omlijsten). In easn (in dit geval), bw. Inelie (sport, '/ü deel', ruim 2^1« cM., lees: insj), v. â s. Inc,li4»atieven (werkw., die een aanvangende handeling of het overgaan in een andn'en toestand uitdrukken), o. mv. b.v. bekoelen, bevriezen, smelten, sterven, enz. Ineident (toeral, geschil, bijkomend of tus-schenkomend iets), o. âen. lneilt;llt;knteâ¬kl (rechtst. tusschenbeiden komend), bn. Inelsie (insnijding, snede), v. âsiën, âsies. Ineltef'ren (aanzetten, aanvuren, opruien). Inelinatie (genegenheid, liefde', helling der magneetnaald), v. âtiën, âties. Inelineeren (een neiging tot iets hebben, overhellen, geneigd zijn). In closa (ingesloten), bw.; als zn. (het in liggende), v. Ineliifleeren (insluiten, bevatten). |
INCLUIS-INDISCH.
209
|
Incluis {met insluiting van), bn. Inclusief {ingesloten, daarónder begrepen; met inbegrip ran), bn. en bw. Incognito (onbekend), bw. Hij reist â, d. i. onder een vreemden naam; als zn. (het aannemen van een vreemden naam), o. Zijn â bewaren op reis, aan tafel, enz., zich niet laten voorstellen. incommodatic (hindernis, bemoei lijking), v. Incominodcereii (lastig vallen, verontrusten, moeielijk maken). Inconiinutabel (onveranderlijk), bn. Incomparabel (onvergelijkelijk, voortreffelijk), bn. Incompatibel (onbestaanbaar [met], onver-eenigbaar), bn. lncónipalibiliteit(on^es{aanamp;aar/ieid[me(], onvereenigbaarheid), v. gmv. Incompetent/ (onbevoegd), bn. Zich â verklaren. Incompetentie (onbevoegdheid, ongeschikt- henl), v. â tiën, âties. IncMmipleet (onvolledig, onvoltallig), bn. Incompreiiensibel (onbegrijpelijk), bn. In concerto (in overeenstemming), bw. Inconform' (niet overeenstemmend), bn. Incongruent (niet overeenstemmend, onge-iijk), bn. Incon^ruïteit (ongepastheid, ongeschiktheid, onvoegzaamheid), v. âen. Inconselt;|uent (ongerijmd, tegenstrijdig, zich zeiven niet gelijk blijvend), bn. en bw. Inconsequentie (afwijking van eigen beginselen, tegenstrijdigheid), v. âtiën, âties. Inconsistent (ondegelijk, onvast), bn. en bw. Inconsistent ie (ow lege lij kheid, onvastheid, zonder samenhang of verband), v. gmv. Inconstitutioneel (ongrondwettig), bn. en bw. -Incontestabel (onbetwistbaar of ontegensprekelijk), bn. en bw. Inconvenabel (ongepast, onbehoorlijk, ongeschikt, onvoegzaam), bn. en bw. Incorporatie (inlijving [bij], opneming [in]. vereent ging), v. âtiën. Incorporeeren (inlijven, vereenigen). Incorrect (onnauwkeurig, gebrekkig), bn.; â Iieifl. v. lncorri$fibel (over beter lijk. hopeloos), bn. â ncorrnptibel(onfce^örren of onbederfelijk; onomkoopbaar), bn. Incourant (n iet gangbaar, zonde)' aftrek), bn. Increciibel (ongeloofba ar), bn. lucreilibiliteit (ongelooflijkheid), v. gmv. Incresseeren (aangroeien, toenemen). incrimineeren (als strafbaar beschouwen). Incroyabel (ongelooflijk), bn. Incroyables {modegekken onder het Directoire), m. mv. Incrustatie (omkorsting), v. gmv. Er heeft â plaats in kalkhoudende wateven. Incubatie (de tijd, die er verloopt tussrhen de besmetting en het uitbreken eener ziekte), v. Inculpeeren (beschuldigen, te laste leggen). Incunabelen (wiegedrukken, eerste voortbrengselen der boekdrukkunst), m. mv. Incurabel (ongeneeslijk, onherstelbaar), bn. in curia (op het raadhuis, voor het gerecht). incursie (vijandelijke inval, strooptocht in een land), v. â siën, â sies. IiKlaciiti^- (aan iets denkende'), bn. Indagen (dagvaarden), ik heb âgedaagd; -ins:, v. |
Indammen (omringen met een dam), ik heb âgedamd; â ing-, v. indecent (onwelvoeglijk, zeden kwetsend, on-kiesch, oneerbaar), bn. indecentie (onwelvoeglijkheid, onkieschheid, oneerbaarheid), v. âties, âtiën. indecis (besluiteloos), bn. indecisie (onbeslistheid, besluiteloosheid), v. indeclinabel (onverbuigbaar), bn. indeelen (in deel en verdeelen), ik heb ingedeeld. In graden â ; in wijken â ; â deeler. m.; â deelinjr, v. Iniielicaat (onkiesch; onheusch), bn. indemnisatie (schadeloosstelling, vergoeding), v. âtiën, âties. indemniseeren (schadeloosstellen). Imlvmnitvit (scha de loosstelling, vergoeding), v. âen. iuflenken (peinzen over), ik dacht â, heb â gedacht. Een zaak â. Gij moet u daar eens â. independent (onafhankelijk), bn. independentie (onafhankelijkheid), v. gmv. independisten, Independenten (leden eener Protestantsche sei. te in Engeland en Amerika), m. en v. mv. in deposito (in bewaring), bw. Gelden bij een bankier â geven. Inderdaad (werkelijk), bw. Hij heeft het â gezegd. inderiiaast (in aller ijl), bw. Indertijd (in vroegeren. tijd), bw. Index (wijsvinger, handje), m. indices, index (librorum prohibitorum), m. d. i. lijst van verboden boeken. R. K. Dat werk is op den â geplaatst, mag door de R. K. niet gelezen worden. Index (bladwijzer; register, lijst; inhoudsopgave), m. indices. Indiaan (oorspronk. bewoner van Amerika), m. âanen; âsch, bn. indicatie (aanwijzing; vermoeden), v. âtiën, â ties. indicatiel'. lnlt;licativuM (aantoonende wijs, werkelijkheidswijs), m. â tieven. indicium (rechtst. aanwijzing, bewijsmiddel). o. â s. indiciën. Indië. o. De beide Indien. indien (in geval, zoo), vgw. imlienen (aanbieden, inleveren), ik heb â -gediend. Een smeekschrift â ; â injy, v. imliër (inboorling van O. of W. Indië), m. â s. Soms verwisseld met Indiaan, b.v. de Oost er-India an. (Tollens.) Indiflerent (onverschillig, lauw), bn. liKliflerentie (onverschUiigheid, koelzinnigheid), v. gmv. Indigent (behoeftig, arm), bn. Indigentie (gebrek, behoeftigheid, armoede),y. indigestie (onverteerbaarheid, slechte spijsvertering). v. Zich een â aan iets eten. Iiuiijsnntie (verontwaardiging,misnoegen), Indigneeren (beleedigen, met verontwaar-digitig vervullen). Indigo (blauwe kleurstof), v. gmv. indigo-plant (Ind. vlinderbloemige heester van 1 M. hoogte), v. âplanten. indijken (binnen dijken leggen), ik heb ingedijkt: â ing. v. indirect (middellijk, zijdeling sch, niet rech t-streeksch, langs omwegen), bn. en bw. âe belastingen; iets â bewijzen. Indfccli (behoorende tot, overeenkomende |
koenen, Verkl. Handwdb. d. Nederl. taal.
14
INDISCIPLINEâINFINIET.
210
|
met Indie), bn. De âe wateren', de âe ffudsdicnsten; de âe kasten', een â ambtenaar. lii«liKC'ipliiilt;' {gebrek aan tucht), v. gmv. Indiscreet {onbescheiden, onvoorzichtig), bn. IiKliMcrc^tie {onbescheidenheid, praatzucht), v. â s. liHlispensabel {onmisbaar, noodwendig), bn. InfliKpoiieeren {in kwade luim brengen', misnoegd, verdrietig, boos maken). lnlt;li*t|»onilMkl {onbeschikbaar), bn. IndispoKitie {onpasselijkheid, kwade luim, ongesteldheid, misnoegen), v. â tiën, âs. {onbetwistbaar), bn. IndisMgt;liibel {onoplosbaar), lin. IndiKf incft (eer ward, onbepaald), bn. Iiulividii {elk wezen, ieder mensch of persoon), m. en o. âën, â quot;s. Iiidivilt;liialitf'it {persoonlijkheid, karakter, aard), v. gmv. De paarsheid en puisten willen wij o)) rekening stellen zijner â. (Potg.) Individ{afzonderlijk, persoonlijk), bn. en bw. IiKloeiel {onleerzaam, hardleersch), bn. Indociliteit {onleerzaamheid, hardleerig-heid, onhandelbaarheid), v. gmv. IikIocii {insteken, inleggen), ik deed heb â gedaan. â ndo-jrormaansoli. bn. De âe taal, d.i. de taal van Europa en Voor-Indië. liiâ¬io-lt;*«gt;rniaiilt;'n {volkerenfamilie der Ariërs), m. mv. Er zijn acht groepen van â, van welke er Iwee Aziatisch zijn {Indiërs en Perzen). Indolent {lusteloos, en verschil lig, traag), bn. Indolentie (lusteloosheid, onverschilligheid, traagheid), V. gmv. Indoiiiinelen (insluimeren), ik ben âgedommeld; â ins*. v. lnlt;loni|gt;elen {in het water dompelen), ik heb âgedompeld; âiiifsv v. In dorso {op de keerzijde des wissels), bw. IiKloK^ant. â seeren, â seinent. Zie Kn-«lossant. enz. Iiidrijven (niet geweld inslaan), ik dreefâ, heb en het is âgedreven; â iii$f. v. Indringen {zich â, zich toegang verschaffen), ik drong â, heb en ben âgedrongen; â â¬Â»r. m.; â injr. v. IiKiro^eai {door drogen inkrimpen), liet is â gedroogd; â ingv v. IiKlrniselK'ii {in verzet komen, in botsing zijn). Tegen de waarheid â; âinff. v. Indruk {merk, invloed), m. âken. Een sterken, een diepen â maken. Indrukken {induwen), ik heb âgedrukt; â kin;;°. v.; â«el. o. In dubio {in twijfel), bw. - staan. In«liietie {aanleiding, gevolgtrekking, besluit, slotsom), v. âties, âtiën. Iets door â bewijzen, d. i. uit voorbeelden of feiten, opklimmend van hel bijzondere tot het algemeene. Ind net iet'. Induetoriseli {uit bijzondere gevallen afleidend), bn. Een âieve methode volgen, b.v. in de natuurkunde uit de feiten opklimmen tot de algemeene wet. Indnetieklos {dra ad klos der electriciteit), m. âklossen; ârol. v. ârollen; -stroom, m. âstroomen; âsysteem, o. âsystemen; -werktuig:, o. âwerktuigen. Indulgent {toegeeflijk, verschoonend), bn. IiKliilgentie {.toegeeflijkheid, verschooning; kerkelijke aflaat), v. âtiën, âties. |
In duodecimo {in boekformaat van 24 bladzijden per vel), bw. In duplo {in twee eensluidenden, dubbel), bw. Een afschrift â. Industrie {nijverheid, werkzaamheid, kunstvlijt). v. Chevalier d'â, gelukzoeker. Industrieel (nijver, werkzaam), bn. Industrieel (fabrikant, uitoefenaar van een tak van nijverheid), m. âen. Ineen. bw. in samenst. als: âdraaien,âpereen, â krimpen, enz. d.i. in elkaar, tezamen. In etlijïie (in beeltenis), bw. â verbranden, â terechtstellen. Zie: Ktti^ie. Inegaal {ongelijk, oneffen, verschillend), bn. Illegaliteit (ongelijkheid, oneffenheid), v. Inelegant (onsierlijk, smakeloos, lom/)), bn. Iiienten (een ent inzetten), ik heb âgeënt. De pokken â, kunstmatig pokken doen ontstaan; â er. m.; â ing*. v.; â sel. o. Inept (ongerijmd, zot), bn. Ineptie {zotheid, onnoozelheid), v. âtiën, âs. Inertie (werkeloosheid, rust), v. gmv. Inestimabel (onschatbaar), bn. Inetsen (graveeren), ik lieb âgeëtst; â ing'. v. IiK'ttereu (dieper verzweren), het is â ge-et terd; â ing:. v. Inevidentie (onduidelijkheid), v. âtiën, âs. Ine vit abel (onvermijdelijk), bn. Inexact (onnauwkeurig, onjuist), bn. Inexcusabel (onverschoonbaar of onverantwoordelijk), bn. Iiiexig-ibel (oninvorderbaar, niet te ei' schen), bn. Inexorabel (onverbiddelijk), bn. Iiifkxperilt;'iitie (onervarenheid), v. gmv. IneyLlgt;lii:»hel(onverklaarbaar, onoplosbaar), Inexprimabel (onuitsprekelijk), bn. [bn. In extenso (in zijn geheel, breedvoerig), bw. In extremis (monientis) (in de laatste oogenblikken, op sterven liggend), bw. Intaam (eerloos, snood, schande lijk), bn. en bw. In facto (inderdaad, metterdaad), bn. Infaillibel (onfei Ibaar, zeker), bn. Inf'aniant. Inlamef'renil (onteerend, eer-roovend), bn. Infameeren (lasteren, schelden, eerloos maken). Infamie (eerloosheid, schanddaad), v. gmv. Infamiteit (sc/iandstuk, laagheid), y. âen. Infant (koninklijke prins in Spanje en Portugal), m. âen. Infante (koninklijke prinses, idem), v. ân. Infanterie (mil. voetvolk), v. gmv. Infanterist {soldaat te voet), m. âen. Infatag'ibel (onvermoeid, onverdroten), bn. In favorem (ten gunste, ten voordeele), bw. Infect (besmet, aangestoken), bn. Infecteeren (besmetten, aansteken, ver pi â¢s-Infectie (besmetting), v. gmv. [ten). Inferieur (ondergeschikt, onderhoorig), bn. Inferieur {ondergeschikte), m. en v. âen. Inferioriteit (ondergeschiktheid, 'minderheid), v. gmv. Infernaal (helsch, duivelsch, boosaardig), bn. Infesteeren (verontrusten door strooperij, kwellen, vijandelijk behandelen). Intideel (trouweloos, ontrouw), bn. Infi«lelitèit (ontrouw, ongeloof), v. gmv. In fidem {ter bevestiging, ten waarborgy ter waarmerking), bw. Infiltratie (inzijging, inslorping eener vloeiquot; stof), v. âtiën, â s. Intiniet (oneindig, onbegrensd), bn. |
INF1NITEITâIN H UM ANITEIT.
211
|
Inliniteit (oneiwlifilu'id), v. gmv. Infinitief'. Infinitiviis (imhepndhle wijs tier itwrkwoonlen), m. â ieven. Zie Inf. infirm (gebrekh'lijk, zivak), bn. infirnioi'ie (ziekenhuis), v. âën. infianimatio (ontsteking van een tuondc), v. â tiën, âties. infianiinâ¬keren (ontsteken, aanvuren, verbitteren). infllt;'lt;*filt;k (buiginfi, verandering ran toon'), v. â tiën, âties. InfiexilH'l (onbuigbaar, stijfhoofdig), bn. Inflic'tie (het opleggen eener straf), v. gmv. infii$flt;k«'rlt;kii (opleggen eener straf). InfloroKoentio (bloemengroep), v. âtiën. InfliK'iif ilt;k (invloed, inrloeiing, inwerking),\. infliionza (zinkingkoorts, griep), v. gmv. infiiiistoi'cn (zachtjes in hel uur zeggen), ik heb âgefluisterd; â fluistering:, v. In folio (boeken in groot for ma ut] opperbest). Inform (wanstaltig, )nismaakl), bn. In forma (ut behoorlijken rorui), bw. liiflt;»rmaSilt;k (inlichting', bericht), v. âtiën. â ties. â8 ontvangen] â inwinnen. Informwren (berichten, kennis geren, melden, inlichtingen inwinnen). Informiloit (wanstaItigheid, misniauktheid), v. âen. In foro (in of voor het gerecht), bw. Infrartio (inbreuk, schending), v. -tiën,-ties. In fraiKlem (om te bedriegen), bw. Infreqnent (eenzaam, stil), bn. Infriirtnens (vruchteloos), bn. lnfnKiâ¬k (ingieting), v. â siën. Fig. ingeving. InfiiHM'-dierf (kleine diertjes ia vloeistoffen, alleen roar het gewapend oog zichtbaar), n. mv. Insf. achtervoegsel, b.v.: Ka roling. hemeling, Vlaming, Bruining, d. i. af komst of een thuis-beliooren; haring, bokking, spiering, bunzing, diernamen; penning, schelling, geldstukken; honing, zuring, natnnrvoortbrengselen. In^-. achtervoegsel, b.v. heeling, redding, du-li ug.berisping. een werking als zelfstandigheid; regeering,bezetting bet. een handelend subject; mondspoeling, nering, middel; leekening, uit-eindiug, resting, hot voortgebrachte; spanning, verwurring, verblinding, toestand; woning, wandeling, stelling, plaats; zending, lading, een lijdend voorwerp. Ingaan (beginnen), ik ging â, heb en ben â gegaan. De leertijd is op 1 Nor. â(gegaan. Ingaande, bn. â rechten. In$?aar4ler (ontvanger), m. â s. Invalleren (inzamelen), ik heb âgegaderd; -$ra«ierin$f. v. invang (fig. begin), m. âen. Met â can 1 October] zijn taal luid â, vond weerklank, maakte indruk. Inyebeelil (denkbeeldig, niet wezenlijk), bn. Ken â geluk] een âe zieke. Ingebeeld (verwaand), bn. Een âe gek] â Ingeboren (ingeschapen), bn. |-liei«l. v. In^eborene, m. en v. â n. Een â des lands. InjreërfVIe (eigenaar), in. en v. ân. ins'eji'rifl. bn. âe letters, figuren. Ingekankerd (diep ingeworteld), bn. Een 1 âe haat] -heil!, v. Ingeland. Inplande (die eenig land in een bedijkten polder heeft), m. âen. InjfeleKd, bn. Een âe vloer, met fraaie lignren. Ing-enieiir (krijgs- of vestingbouwkundige] |
bouwkundige run den waterstaat), m. â s. â van den waterstaat, rijksambtenaar met liet toezicht belast over wateren, dijken, bruggen, enr. Invenien* (scherpzinnig, vernuftig), bn. ingenomen (gesteld op), bn.; â lieid. v. Invenii (oprecht, ongekunstehl, openhartig), bn. en bw. invenn'iteif (oprechthquot;id, ongekunsteldheid, open hartigheid), v. lnV«M*eeren {uwueren] inbrengen] [r/V-'/j ergens in mengen). in$feto$»en (zedig, stemmig), bn.; â lieid. v. Ingeval (indien), vgw. In^ven (in den mond geven, tig. inblazen), ik gaf â, hel) âgegeven: âa-ever. m.; â -^eviiis'. v. Invevol^e (naar aanleiding van), vz. Invew.iiKi (het binnenste), o. âen. lnve\vijlt;ie (het geheim, de zaak kennend), m. en v. âgewijden. inveu'eilt;ie (ingewand run een dier), o. gmv. Injrewikkeld^mW/'///A',/lt;ÆÂ«//(/),bn.; â heiil.v. lna'lt;gt;U4»rtellt;l. bn. Een âe kwaal, een diep zittende kwaal. Fig. Een diep âe gewoonte. (Koetsveld.) Iii^exctene (inwoner), m. en v. â n. In s^'lobo (in massa, te zumen), bw. Ik heb ut die boeken â gekocht. Invratilnde (ondankbaarheid), v. gmv. In^iMMliëiit (bestanddeel] in mengsel bij geneesmiddelen, en/..), o. âen. In$;-ree|» (inbreuk), m. âgrepen, inliabilitcit (onbekwuamheid), v. gmv. Inliserent (aungeboren, onufscheidelijk, bijbe-hoorend), bn. Een â bestanddeel vuu iets. inlisereiitif' (aankleving] inlijving), v. gmv. Inhalatie (inademing), v. âtiën, âties. InlialatietoeKtcl. m. en o. âtoestellen. Inlialeeren (inademen, inzuigen run lucht, damp, enz.). Inhalen, ik heb âgehaald; âhaling, v.; â haalder. m. lem. â, door vlugger loopen, enz. bereiken; het verlorene herkrijgen; een rorst, prins, kerkvoogd â, plechtig de stad inleiden. inhalig (schraapzuchtig), bn.; â heid. v. Inham (zeetong, baai), m. âmen. De Zuiderzee is slechts een â. liiheehteniKnemin;;' (berooring run vrijheid), v. ânemingen. InheeniNeh (in undsch), bn. Een âe /dunt] de âe kleederdracht. In hoe ea*iii (in dit geval), bw. InhoHpitaliteit (ongastvrijheid), v. gmv. Inhoud (grootte, ruimte, inhoudsopgave), m. âen. InhoiKien (behelzen), ik hield â, lieb â gehouden. Wat houdt die brief in:' d. i. bevat; hij hield het paard, zijn toom in, bedwingen; iets run het loon terughouden. Inhoudsmaat, v. âmaten. â voor natte en droge waren. Inhoiidsopvave. v. âopgaven. Inhomven (inhakken), ik hieuw â, heb â -gehouwen. Op den vijand â. Inhiildi$;-lt;'n (hulde bewijzen, erkennen), ik heb âgehuldigd; â hiildi$fin$r. v. Inhiildi$;-in$;-sfeest. o. âfeesten. Inhiimaan (onmenschlievend, onbeschaafd), bn. en bw. Inhiimaniteit (onniensclu'lijkheid, onvriendelijkheid, hardheid), v. gmv. |
14*
INHUMATIE-INNEMEN.
212
|
Iiiliuinatie {beyraving), v. â tiën. â s. Iiilmren (opn/e/m»//'óvn), ik heb âgehuurd. Een huis â ; â luiriis;?. v. In liypotli^si (in'cle onderstelli)ig; in het onderhavige geval), b\v. liiiiiiitabcl {onnavolgbaar), bn. In ipso lermiiio {dji den v astges tel den dag), bw. liiiqniteit (onbi llijkheid. onrechtraardig-heid), v. -en. Initialen (aanvangsletters), v. mv. tnitisitivf (de aa)ileidgt;ng [begin] tot een zaak', het recht om iets te undernemen, op toinv te zetten-, de eerste stap), o. â tieven. Hel â riemen, het eerst een voorstel tot iets doen; het recht van â, het recht (der Kamers) om voorstellen te doen; ieder lid der Kamer kan va)i het recht van â gebruik maken', op â van, op voorstel van. liiitilt;Mgt;râ¬'ii (inwijden, plechtig aannemen). liijlt;'(*tio (inspuiting, inwerping), v. âties, â tiën. Er wordt veel gebruik gemaakt van onderhui dsche âs. liijiiii(*tilt;' (voorschrift, gerechtelijk bevel), v. liijurie (krenking van de ver, beleediging, scheldwoord), âjuries. âjuriën. liijiiriorwn (lasteren, eerrooven, hoonen, schandvlekken). InjiirfciiK (beleedigeml, eerroovend), bn. Ink (ingang van ven fuiknet), m. âen. Inka, m. Zie Inca. Inkalvoii (wegzakken van zand bij graafwerk). het is âgekalfd; âkalvin^, v. Inkankeren {invreten), het is âgekankerd: â kankerin^'. v Inkarnaat (vleeschkleur), o. Het â van het morgenrood. Zie Inearnaat. Inkeep (inkerving, insnijding), v. inkepen. Inkeer (berouw), m. gmv. Tot â komen. Inkeeren (berouw gevoelen), ik ben âgekeerd. Tot zich zeiven â ; âkeering'. v. Inkekleren (in een kelder doen), ik heb en het is âgekelderd. Dit is âgekelderd bier. Inkâ¬kpen (insnijden), ik heb âgekeept; â -kepin^- (groeve), v. Inkerven (insnijden, intanden), ik heb en het is âgekorven (âgekerfd); âgekorven bladeren', deze zijde kerft in, breekt op den draad. Inkijk (het inkijken', gelegenheid om in Ie kijken), m. gmv. Inklaren {aangifte doen van inkomende goederen), ik heb âgeklaard. Een schip â : â klaring, v. Inkleeden (fig. een bepaalden vorm geven), ik heb âgekleed. Een voorstel aardig â; een verzoek â; laat mij dut eens â, op mijn wijze voorstellen; â kïeedinjs. v. InkliinniiiiK' (verzwarende omstandigheid bij diefstal), v. Diefstal door â ; âen. InklinkiiiK' (bij aardwerken de inkriniping der verwerkte aarde), v gmv. Inkonielin£- (vreemdeling), m. en v. âen; voor het v. ook â e. Inkomen (binnenkomen), ik kwam â, ben â gekomen. Een stad â, eoi huis â. Inkomen (inkomsten, bestaansmiddelen), o. Inkomst (blijde â). v. âen. De blijde â der Hertogen' van Brabant, d. i. de feestelijke intocht, gevolgd door het schenken van privilegiën. Zie Joyense entree. Inkomsten (renten, verdiensten), v. mv. Inkoop.m. - en: â koopsprijs.m. - prijzen. |
Inkoop«'n (inslaan), ik kocht â, heb âgekocht; â kooper. in. Inkorten (kleiner maken), ik heb en het is â gekort; âkorting:, v. Inkomt (erg koud), bn. Ik ben â. Inkt, m. Er is schrijfâ, drukâ en teekenâ van allerlei kleur; âkoker. m. Inkt viseli (koppootig weekdier met 10pooten). m. â visschen. Ook: Zeekat. Zie Sepia. Inknilen (in een kuil doen), ik heb âgekuild. Veldvruchten â ; â kniling*. v. Inkuakken (ergens insmijten), ik heb â -gekwakt. Inkwartieren (soldaten bij burgers inlegeren), ik heb âgekwartierd; -kwarlie-rin$r (huisvesting), v. Inlaag* (inlage, d. i. geldsom), v. âlagen. Inlafien (een schip beladen), ik heb âgeladen; â lader, m.; âlading, v. InlaiKler (inboorling), m. â s. De âs van .lava. Inlandseli, bn. Een âe vrouw, d. i. b.v. een Javaansche; onze âe onderdanen', de âe nijverheid, b.v. Soerabajasche artikelen uit schildpad, hoorn en parelmoer. Ook in het vaderland gemaakt: â fabrikaat-, verder: de âe nijverheid, in ons land bestaande. Inlasselien (tusschenvoegen), ik heb â ge-lascht: â lasseliing. v. Inleg (geld, inlaag), m. gmv. Inleggen (inmaken', insluiten ; geld storten), ik hel) âgelegd. Augurkjes â ; een circulaire â ineen krant; tien gulden â. Fig. behalen: ergens eer bij â ; iets tegen iets â, overstellen. Inleiden (naar binnen leiden; fig. verhandelen), ik heb âgeleid. Een vertrek â; aan het hóf â; een onderwerp â; âleiding.v. Inleveren (inzenden, indienen, aanbieden), ik heb âgeleverd. Een opstel â ; een aanklacht â ; een verzoekschrift â ; â ing, v. Inlezen {inzamelen, inoogsten), ik heb âgelezen. De vruchten van den oogst â. Inlieliten (ophelderen, duidelijk maken), ik heb âgelicht; -lichter, m.: âlichting.v. Inliggen (gelegen zijn in), ik lag â, heb â gelegen. De âde brief. Inlijsten (in een lijst zetten), ik heb âgelijst. Een portret â. Inlijven (een land vereenigen nwt een ander). Holland werd âgelijfd; âlijving. v. In loco (op de plaats zelve), bw. Een onderzoek in â. Inloodsen (in de haven brenger,), ik heb â -geloodst. Een schip â; âloodsing. v. Inloop, m. gmv. Inloopen (sport, een voorgift â, d. i. bijhalen). Inlossen (vrij maken, terugkrijgen), ik heb â gelost. Ee)i pand Inlniden. Inlnien (door klokgelui aankondigen), ik heb âgeluid. De kermis â ; âIni-ding. v. Inmaak, v. gmv. De â van augurken. Inmaken (r/m/Vj'ie/J, zouten, pekelen), ik heb â gemaakt; âmaaksel, o.; â making, v. In mandatis (op bevel, of in last), bw. In marg'ine (op den rand), bw. In medio (in het midden), bw. In memoriam (ter nagedachtenis), bw. Inmiddels (onderwijl. in dien tusschen-tijd), bw. lik mora (achterstallig, nalatig), bw. In natnra (in natuurlijken toestand), bw. Innemen, ik nam â, hel» âgenomen. Een |
INNEMEN-
INSIGNE.
213
|
drankje â, gebruiken; het schil) moet kolen, â, laden,opnemen; reef plaats â, beslaan; een stad â, veroveren, bemachtigen; ieni. voor zich â, winnen, gunstig stemmen; ingenomen zijn met, d. i. ergens veel mede op hebben; â inji-, v. Emieineiifl {beleefd), bn. âvriendelijkheid; de nitnoodifjing werd op een âe wijze aan-Henomen. (C. O.); â lieid, v. iiiik'ii {invorderen van gelden), ik heb geïnd. Het â der belastingen; â iiis*. v. Iiinorlijk {waar, wezenlijk, echt), bn. en b\v. De âe waarde, wezenlijke waarde; hij was â boos; dat is â goed. Imiigr (unrig, oprecht), bn. en bw. Eeit â gebed; â e vriendschap; met â welgevallen naar iets zien. (C. O.); God â dien-m; â hoid. v.; -lijk. bw. Innocent {onschuldig, onnoozel), bn. In noniine lgt;ol {in Gods naam). In noMtro casn {in ons tegenwoordig geval). Innovatie {nieuwigheid, verandering), v. â tiën, âties. Innoveeren {nieuwigheden invoeren). In obKeiiro(igt;« het verborgene,onbemerkt),hv:. In oetavo {in het boekformaat van 8 bladen of iü bladzijden per vel), bw. Inociilatie (inenting v. boomen). v. âtiën, âs. lnoc*iileerlt;kn {inenten van boomen). Inofleiisiel' {onschadelijk), bn. InoogfKten {inzamelen), ik heb âgeoogst. Lof â. eer inleggen bij iets. In optima fornia {in den besten vorm, volkomen), bw. In ori^'inali {in het oorspronkelijke, in handschrift), bw. In pace {in vrede, in goede rust), bw. In imrentlieMi {tusschen haakjes, {); tus-schen beiden), bw. In partibiiK infidelinni (van een It. /\. bisdom, in de gewesten der ongeloovigen). Zie afgekort: 1. p. i. Inpeperen (fig. betaald zetten), ik heb âgepeperd. Ictn. iets â. In perpetiinm {voor altijd, altijddurend),hyv. In petto (m het hart, in gedachten; in voorraad), bw. In plano {ingeheeleof ongevouwen vellen), bw. In pleno {in volle vergadering), bw. In pontiilcalibiiK {in priesterlijke ambts-kleeding, in feestgewaad), bw. In pot estate {in handen, in de macht), bw. In praxi (in de uitoefening), bw. Inprenten {diep indrukken), ik heb âgeprent. Een kind goede beginselen â ; â â¢preiitin^. v. Inproppen {proppende inprangen, b.v. van voedsel), ik heb âgepropt; â propper, m.; â propster. v.; â propping-, v. In «iiiaeKtie {de zaak, waarvan sprake is), bw. In quarto {in het boek formaat ran 4 bladen of S bladzijden per vel), bw. Inqniëtaiit {onrustbarend), bn. Inqniëteeren {verontrusten). Inqnireeren {navorschen, verhooren, ge-gt; egt; 'h te lij 1,- on der zoeken ). Inqnirent {gerechtelijk ondervrager), m.âen. InqiiiNiteiir {rechter der Inquisitie), m. âen. InqniNitie {gerechtelijk geloofsonderzoek, geloofsgericht of het Heilig officium; lijfstraffelijk on dei* zoek om des geloofs ' vil le b.v. in Spanje [1402], in Portaged ['/557]), v. gmv. In ra kelen {vuur met asch bedekken), ik heb â gerakeld. |
Inrekenen {inrahelen, ook: in de gevangenis zetten), ik heb âgerekend; -ink, v. Inricliten {in orde brengen), ik heb âgericht; â er. m.; â in;;, v. Inrit {het inrijden), m. gmv. â en stalling. Inroepen, ik riep in. heb ingeroepen, â111$?, v. lem. hulp â, vragen. Inrond {ronde opening van binnen), *). âen. Inrninien {plaats n(aken),ïkhebâgevuimd. â injï. v. Inriikken (heengaan), ik heb en ben âgerukt. Lgt;e troepen zullen weer â injy. v. In saifio blijven {nog schuldig blijven), bw. liiKalnbriteit {ongezondheid eener woonplaats), v. gmv. liiKanie (waanzin, krankzinnigheid), v. gmv. Insaliabel {onverzaddijk), bn. Insciiaardeii (hoeksgewijs verbinden), ik heb âgeschaard. Twee balken of stukken hout â. Insclienken {ingieten), ik schonk in, heb ingeschonken. Koffie thee â; âer, m. IiiKciiepen {aan boord laden), ik heb ingescheept; zich â, aan boord gaan. âinvr- v. Inscheren {in de blokken scheren of spannen), ik heb âgescheerd. Een takel â, een touw â. Insclierpen (in het gemoed prenten), ik heb â scherpt; â insquot;, v. Inseliikk^lijk {toegevend), bn. en bw.; â jegens of voor iem. zijn; â liâ¬'ilt;l, v. ïnseiiikkeii {toegeven), ik ben en heb âgeschikt; â iii$f, v. InMcliriJ ven {in een register schrijven), ik schreef â, heb âgeschreven; âer, m.; â Injff (inteekening), v. liiNclirokken (gulzig ins lokken), ik heb in- geschrokt. Iniseliiibl {invorderbare schuld, het actief), v. âen. liiKcribeeren {inschrijven,boeken; opdragen). ln««*riptie {inschrijving, opschrift), v. âtiën, â ties. liiKcrntabel {onnavorschbaar, ondoorgrondelijk), bn. Insect {gekorven diertje), o. âen. De âen hebben drie paar poolen; de âen hebben een gedaantewisseling; er zijn meer dan 12 duizend soorten van âen bekend. Insecteneters {kleine roofdieren en vogels), m. mv. De spitsmuis, egel en mol zijn â. Inseetenpoeder {middel tot verdelging van insecten), o. gmv. Het Perzisch â is jdant-aardig. Insectologie {leer der gekorven dieren), v. gmv. In seflecimo {in het boekformaat van iG bladen of 32 bladzijden per vel), bw. Insensibel {ongevoelig, ongemerk t, onmerkbaar), bn. en bw. Inseparaat {ongescheiden, vereenigd), bn. Inseparabel {onafscheidelijk), bn. en bw. Inseparabiles {Braziliaansche papegaaien, klein V'in uiterlijk), m- mv. De â onderscheiden zich door hun zucht tot gezelligheid. Inseraat {inlassching, bijlage, tusschen voeging), o. âraten. Insereeren {invoegen, inlasschen). Insertie (invoeging, inlassching), v. -tiën,-s. Insi«liens (arglistig, cerraderlijk, belagend), bn. en bw. Insigne {eere- of rang tee ken, kenteeken), v. â niën, â s. Schepter en kroon, rijksappel en |
â INSURRECTIE.
214
INSIGNIFIANT
|
zwaard zijn de âsdor Europeesdte monarchen. Ook: Insignia. liiNift-nifiaiit {onbeduidend, zonder beteeke- nis). bn. en bw. liiMijpelen {inwateren en wel dmppelstje-wijze\ het is ingesijpekl; âins-, v. Insinuatie (waarschinviny lt;gt;f beteekening in rechten; indringing-, beleedigende zijde-lingsche toespeling), v. â tiën, âlies. {bedekte zinspelingen maken). Zich â. zich in iem. gunst indringen. Iiisi|»i4llt;' {plat onge -ijmd, laf, zouteloos), hn. (op iets blijven staan; aandringen, met verzoeken (tanhonden). Inslaan (door slaan indrijven), ik sloeg in, heb en is ingeslagen. Een vat den bodem â. dc glazen â. iem. de hersenen â, d. i. door inslaan breken, vernietigen: bier, voor-raad â, opdoen; een weg â, nemen, volgen; de bliksem zal daar neerkomen, vallen. Zijn eigen glazen zijn eigen zaak bederven. Inslag (hrt o/idoen van coorraaTt). m. âen. â van koffie, wijn, enz. Inslag' (het inslaggaren can een weefsel), m. Schering en â, fig. de hoofdbestanddeelen, het voornaamste van iets; dat is bij die Ini schering 01 â, dat zeggen, doen zij gestadig. Insluiting;' (mil. een costing of fort met soldaten omringen, het berentien), v. âen. InsocialM'l {ongezellig, onverdraagzaam), bn. Ins4»llt;'nt (ongepttst, lomp, onbeschaamd), bn. lnsollt;'ntilt;' {ongepastheid, onbeschaamdheid, lompheid), v. âties, âtiën. Ins4»li4llt;k {weinig krediet verdienend, op losse schroeven staande), bn. en bw. Insolidifeit {wankelende toestand), v. gmv. In soliflinn {voor het geheel, hoofdelijkcoor 't geheel borg blijven), bw. 1iis4»Ivont (onvermogend otn zijn schalden tc betalen), bn. Iem. â verklaren. liisolvc'iitio (onvermogen, financieole on-macht), v. gmv. De staat van â. lnsonini«' (slapeloosheid), v. gmv. InspaniK'ii (voor den watgen spannen), ik heb âgespannen; al. zijn krachten aanwenden: â in;;-, v.; een dag van ongewone â ittg. (Koetsveld). In s|M' (in het corschiet, in hope), bw. In spoon' (in klinkende mant), bw. lnsiK»lt;?teeren (bezichtigen, in oogenschouw nemen, nazien). Inspoctvni* {opziener, opzichthouder), m. â s, â en. Een â van het onderwijs, van de belastingen, van den geneeskundigen dienst, enz. lns|MM'ti4gt; (schonnnng, in oogenschouwne-tnitig, monstering), v. âtiën, âties. Ook het ambtsgebied: ons land bevat drie âties van I. o.; al die dorpen bohooron tot de eerste â. Ins|»irati4' (ingocing, itiwerking, bczioiitig), v. âties, âtiën. JnsiHi^M'i^n (inblazen, ingeven, aanvuren, bezielen). Inspit (zeew. roerpen,helmstok), o. âspitten. Inspraak, (ingeving), v. Do â vati het geweten, de stem; de â van het bloed. Instaan (borg zijn), ik stond â, heb âgestaan. Iiistailati4' {bevestiging in een ambt), v. â ties. âtiën. De â van eet» rechter. lnstall4M'i*4gt;n (openlijk en plechtig in een ambt bevestigen). Installi^,' {in een kwaden naam), bn. Een huis â maken. iem. â maken, d. i. veel kwaad zeggen van. |
Instan4lli4gt;iilt;linft'. v. gmv. Instantelijk (dringend), bw. letn. â verzoeken. Instanlio (dringend verzoek), v. âtiën. Rechtbank van eerste â, rechtbank van eersten aanleg; in laatste â, bij den hoogsten rechter. Instar (a I*â 4llt;») (zoo goed als van, naar de wijze van). In statu 41114» (in vorig en toeptand of zooals de zaak tot hiertoe stond), bw,, als zn. o. Inst4'4'r4'n (aanhouden, o/t iefs aandringen). Inst4gt;ll4'n (vaststellen, incoeron), ik heb ingesteld; -in$f. v. Instigatie (aansporing, opruiing), v. -s, -ti»;n. lnsti^:o4'a*4kn (aanhitsen,opruien,aansporen). Instim't (iKttuurdrift, dierlijke aandrift), o. gmv. Het â is doorgaans aangeboren, b.v. de begeerte otn te zwemmen bij de watercogels. InstinetmatiK' (uit natuuydri(t), bn. Ins(i1n4'4gt;i*4'n (instellen, stjehton; loeren). Institiit4gt;n (Rotneinscho wetboeken), v. mv. Ãe boekverIcjoper, die Pintors â inbinden moest. (C. O.) Institiit4'iir (ouderwijzer, kostschoolhouder), m. â s. Institiitric*4k (onderwijzeres, kostschoolhouder os), v. â s. Institiint (inrichting, kostschool, opvoedingsgesticht), o. â uten. Inst4gt;rt4'n. ik heb en ben âgestort. De toren gaat â, invallen; de zieke is weer ingestort. opnieuw ziek geworden: een ga cc, een talon i ons ingestort, geschonken; âin;;-, v. Inst4gt;iiw4'n. Insflii\%4gt;n (do lading vastwerken), ik heb âgestouwd, âgestuwd; â ston-win^-. v. Inst ructeur (onderrichter, exercit i om ees tot â¢). m. âs. Ook: Instruc'tor. Inst 1*114^14' (onderricht of voorschrift). v. â tiën, âties. Rechter van â, de rechter, die belast is met een voorloopig onderzoek der strafzaak. Inst 1*114^i4gt;-l»atali4gt;n {militaire, school te Kampen), o. â s. Insti'iietiof (leerrijk, onderwijzend), bn. Insts'ii4'4'i*4'n (onderwijzen', do bewijzen van schuld bijeenverzamelott, do processtukken in gereedheid brengen). Inst rinm'iit {werktuig, muziekspeeltuig: toestel, gereedschap; oorkonde, document), o. â en. Insti*iini4kntaal (door midi tel van muziekinstrumenten voortgebracht), bn. âalom uziek. Instriiin4'ntati4gt; (muz. kunst otn de melodie, harmonie en zang behoorlijk over ile instrumenten te verdeel en), v. gmv. lnstn4io4ki,4'n (bostudeereti). Een rel â, oen tooneelstuk â. Insnlgt;4»i*4iinati4' (weerspannighe'd, cerzet tegen de krijgstucht), v. gmv. Zich schuldig maken aan â. In siil»slanti4'' (in hoofdzaak), bw. Insiillisant (ongenoegzaam, ontoere''kond),\m. Insiiliii4i4' (eilandenrijk), o. gmv. Bijzondere naam voor onze O. I. Insult (beleediging), o. âen. Ook: Insultatie. Insnlt4'4'i*4'n (beleedigen, hoonenJgt;eschimpen). In snniiiia'('// het geheel, al les saamgenomen). Insii|»|»4»rtal»4'l {onverdraaglijk), bn. Insiiia^-4gt;4'i*4'n (oproerig worden). ti\H\\ri£vt\t(otitcvredene,opstandeling i,m. âen. Insiii*ia4'4*ti4' (opstand), v. âtiën, âties. |
IN TANTUM - INTERRUPTIE.
215
|
MiiK|gt;eiilt;*o (in twijfel, onbeslist), bw. lutaot {onaangeroerd', onbevlekt, rein), bn. en bw. In taiitiini (zoo ver het reikt), bw. Jiiteekenen (inschrijven), ik heb âgeiee-teekend; âaar. m.; â iii$;, v.; âlijst. v. Interend oei, bw. ⢠lut^raal {op zich zelf bestaande, voltaUiy, i'ólkotnen, een geheel uitmakend), bn.; â re-kenin^:. hoogere algebraïsche analysis. \ntefsra.\i*n(Nederland8cheetfecten,genaamd: Werkelijke of Nationale Scha ld), v. mv. liiteg'ro^reiifl (onmisbaar, onafscheidelijk). bn. Ken â deel van den Amsterd. nachtivacht was zijn If isje. (J. v. M.) Integriteit (onschuld, onomkoopbaarheid, oprechtheid, rechtschapenheid), v. gmv. Iiilellelt;rt (verstand, denkkracht), o. gmv. lnte\\wtiwe\(vei'standelijk,geestelijk,schrander), bn. âe vorming. Intelligent (verstandig, ervaren, vol door- ; zicht', vernuftig), bn. Intelligentie (kennis, doorzicht,verstand), v. Intelli^'ibel (verstaanbaar, duidelijk), bn. Inteniperantie (onmatigheid), v. gmv. In tempest iet' (ontijdig, op ongeschikten tijd), bn. en bw. Intenrfant (opziener, bestuurdtr, rentmeester), m. âen. Intendeeren (beoogen, genegen zijn; van-zins of tri Hens zijn). Intense (mW vermeerderde, ver it oogde kracht). Intensie (versterking der inwendige kracht), Infensieven (werkte, met versterkte bet.),o. mv. Nikken (nijgen), spillen (spelen), bibberen (beven) zijn â. Intensiteit (innerlijke kracht, werkzaamheid, sterkte), v. gmv. liet licht der zon heeft grootere â dan dat der maan. Intentie (voornemen, oogmerk, meening), v. â ties, â tiën. intentioneeren (ten oogmerk hebben, beoogen). Inter (tusschen, onder, gedarende), vz. â nos, onder ons. Intercaleeren (invoegen, inlasschen, inschuiven). Intercelt;leeren (tusschenbeide komen, bemiddelen, voorspreken). Interceptie (onderschepping, opvanging), v. â tiën, âties. Intercessie (tusschenkomsU borgtocht, voorspraak), v. â siën, â sies. Intercipieeren (onderscheppen, opvangen). Intereoininnnaal (tusschen verschillende gemeenten onderling), bn. Een â ale telephoon-dienst. Inter«lieeeren (verbieden, onbevoegd verklaren). Interdict (rechterlijk verbod, ontzegging', groote pauselijke kerkban), o. âen. Interdietâ¬Â»ir (verbiedend), bn. eti bw. Interen (achteruitgaan, verarmen), ik heb en ben âgeteerd. Zijn vermogen â : â ing'.v. Interessant (belangwekkend, belangrijk), bn. en bw. Een â gesprek, een â gevat. Interessant (zelfzuchtig, inhalig), bn. Een â mensch. Interesseeren (belangstelling inboezemen, van aanbelang zijn). Zich â voor, belangstelling aan den dag leggen voor. Interest. Intrest (deelneming, voordeel, nut, winst; ook: rente), m. âen. |
Interferentie (buiging dei' lichtstralen), v. gmv. Interfolieeren (een boek met wit papier doorschieten). Interieur (innerlijk, inwendig), bn.; als zn. o. Interim (tusschentijd), o.; ad â, tot nader order, voor eenen tijd, een tusschent'jd. Interjectie (tusschenwet'psel), v. -s of -tiën. De âs zijn gevoelsklanken of klanknabootsingen. Interlineair (tusschen de regels geschreven of gedrukt), bn. Een âe vertaling. Interlinie (ruimte tusschen twee regels), v. -s. Interlinie (op de drukkerij, langwerpig metalen plaatje tusschen de regels), v. â s. Interlinieeren (wit tusschen de regels inbrengen; ook: tusschen de regels inschrijven). Interloentoir (rechtst. voorloopig), bn. Een â vonnis, een â onderzoek. Iiiterliidiinn (muz. tusschempel), o. â s. l\\twmv*iii\\v(tussehenko)nst,bemitldeling),o. Interniezxo (tusschenspel), o. â quot;s. In een paardenspel geeft men meest komieke â,s. Interniinabel (eindeloos), bn. In terminis (in behoorlijke uitdrukkingen), bw. In termino (op den bepaalden dag), bw. \i\twn\isH\^(veronachtzaming,uitbHjving),\. Internaat (inwoning; kostschool), o. â naten. Internationaal (tusschen de volken lt; nder-ling), bn. âale verdragen; een âale tentoonstelling, het â verkeer; â recht. Internationale (algemeen socialistisch werklieden-verbond), v. gmv. Interne (inwendig, innerlijk, van binnen; inwonend), bn. en bw. Interne (kostleerling; inwonend arts, enz.), m. â ternen. Interiiiinciiis, Internnntins (gezant of gevolmachtigde van den paus), m. âsen. Interpellatie (mondelijk verzoek van een volksvertegenwoordiger in de Kamer om opheldering), v. âtiën, âties. Het recht van â. d. i. om de regeering inlichting te vragen over eenig punt van algemeen belang. Interpelleeren (om opheldering vragen). Inter pociila (onder een glaasje, bij de flesch), bw. Interpolatie (inlassching, tusschenvoeging), v. âtiën. â s. De â van drie termen tusschen twee termen eener reeks. Interpoleeren (inschuiven, tusschenptaatsen). Interponeeren (tusschenstellen, zich tot bem iddela⢠gt;r aanbiedetr). Interpretatie (vertolking, verklaring, uit- I egg ing). v. âtiën, âties. Intc'rpreteeren (vertolken, uitleggen, vertalen). Interpiinctilt;^ (plaatsing der schei- en zin-teekens, ook de leer er van), v. gmv. I n terrejsnn in (tusschenbest uur, t u ssc hen-regeer i uy), o. gmv. Een jonge advocaat, die voorhing op de particuliere soeieteit te D. en van dit â gebruik maakte om alle dag in het kofjïehuis âDe Noordstarquot; pot te maken. (C.O.) Interrojfatie (vraag, ondervraging), v. â tiën, âs. Int er ro jreeren (ondervragen, in verhoor nonen). Interrnnipeeren (afbreken; hinderen, storen. in de rede vallen). Interruptie (stoornis), v. âtiën, âties. |
INTERSECTIE- INVOCATIE.
|
Intersectie (doorsnijding, kruising van lijnen), v. â tiën, â s. ' Interval (tusschenmimtc, tusschentijd, tassel ten voorval ; toonafstand, muz.), o. â lén. Intervenieeren (tussehenbeide komen, bemiddelen). Interventie (tusschenkomst, bemiddeling), v. Interviewen (vragen, hoor en ovei\ uithoo-ren). Eengezant â, een dagbladcorrespondent gaat een gesprek met hem houden. Intestabel {onbekwaam of onbevoegd om getuigenis te geven, of om een testament te maken), bn. Inteugelen (intoomen, fig. bedwingen), ik heb âgeteugeld: â teiiffelin^:. v. Intiem (vertrouwelijk, innig), bn. -e vrienden. Intijd* {tijdig, bijtijds), bw. Intimatie (gerechtelijke aanzegging), v. â tiën, â s. Intinieeren {gerechtelijk bekendmaken, dagvaarden). Intimidatie {bangmakerij), v. âtiën. âs. Intimideeren {bevreesd, beschroomd of hang maken). Intimiteit {vertrouwlijkheid, innige vriendschap), v. âen. IntimiiN {boezemvriend), m. âsen. Intnelit {plechtige inkomst), m. âen. Zijn â houden. Intolerant (onverdraagzaam tegen andersden kenden), bn. Intolerantie {onverdraagzaamheid, vijandigheid omtrent andersdenkenden), v. gmv. Intonatie (muz. aanheffing, het inzetten met de stem of het instrument-, toonaangeving), v. â tiën, âties. Intoneeren (aanheffen, den toon aangeven). In totnm (in het geheel), bw. Intra {binnen), vz. â muros, binnenshuis. \i\triictBtoe\{onhandelbaar,onbuigzaani), bn. Intransigent (onverzoenlijk partijgang ei'), m. âen. Intransitief (onovergankelijk, onzijdig werkwoord), bn.; ook zn. o. â tieven. Intrede. Intree (plechtigeinkomst),\. gmv. Intrek (verblijf), m. Zijn â nemen, zijn verblijf vestigen. Intrepiditeit (onverschrokkenheid, heldhaftigheid), v. gmv. Intrigant (vriend van kuiperijen, ara listig persoon), m. âen; â e, v. â n. Intrige (verwikkeling, bedrog, kunstgreep', minnehandel, minnarij; eigenlijke ziel of knoop van een roman, van een tooneelstuk, enz.), v. â s. Intri^-eeren (zich met kuiperijen afgeven). Intrinsiek (innerlijk), bn. en bw. De âe waarde. In trinlo (drievoudig, in drievoudig afschrift), bw. Introdiieeeren (invoeren of inleiden). Introdiietie (inleiding), v. âtiën, âties. Introïtiis (ingang), o. gmv. R. K. eerste gebeden der Mis. Intrusie (indringing, insluiping), v. gmv. Intuïtie (innerlijke aanschouwing, onmiddellijk bewustzijn, vernuft), v. âtiën, âties. Iets hij â weten. Innndatie (mil. het onder-water-zetten), v. â tiën, âties. Er zijn tal van âsluizen. Inundeeren (onder water zetten, over- stroomen). In iisn (gewoon, in gebruik), bw. |
In nsnm (ten gebruike, tot nut), bw. Inntiel (nutteloos, ondienstig, doelloos), bn. Inutiliteit (nutteloosheid), v. âen. Inval. m. âvallen. Dat is een goede â, opkomende gedachte; dat huis is de zoete ieder wordt er onthaald. Invalide (krachteloos, zwak, onvermogend, onbruikbaar), bn. Die soldaat is Invalide (verminkt of gebrekkig soldaat, soldaat die geen dienst meer kan doen), m. invaliden. Invalidenhuis (huis, gesticht, tvaarin de invaliden samenwonen, b.v. te Bronbeek voor het O. Indische leger), o. âhuizen. Invallen, ik viel â, ben âgevallen. Ingevallen, wangen, mager; het schip viel de haven in, binnenloopen; de vorst is ingevallen, begonnen; een vroeg invallende Paschen; dit woord ivil mij maar niet â, in de gedachte komen. Invariabel (onveranderlijk), bn. Invasie (vijandelijke inval, strooptocht), v. â sies, âsiën. In vaten (in vaten doen), ik heb âgevaat. Haring â. Inveeti ve (scheldwoord, heftige rede, schimpwoord), v. â vectieven. Invecteeren (hevig uitvaren, schelden, lasteren). Inventaris (notarieel opgemaakte staat of lijst van voorhanden goederen, boedelbeschrijving), m. âsen. Inventarisatie (het maken van een inventaris), x. gmv. Een â is vrijwillig of verplicht. Inventariseeren (hoedeIbeschrijven). Inventie (uitvinding, verdichtsel, kunstgreep), v. âtiën, âties. Inventie (stijl, vinding, opzameling van stof), v. gmv. Inventief (vindingrijk, vernuftig), bn. In verba ma^istri (bij het woord des meesters, b.v. zweren), bw. Inversie (omkeering, woordomzetting, b.v. God is goed in Goed is God), v. âsiën, â s. Inverteeren (omkeeren, omplaatsen). Investeeren (plechtig bekleeden met een waardigheid, in een ambt plaatsen of stellen). Investiifatie (ondervraging, onderzoek, nasporing), v. âtiën, âties. Investijfeeren (uitvorschen, nasporen, door-gronden). Investituur (bekleeding met een waardigheid), v. âturen. De paus heeft het recht van â, d. i. van het verleenen van staf en ring aan de R. K. bisschoppen. Invetereeren (verouderen of verjaren van een kwaal-, inkankeren). Invidiëus (nijdig, wangunstig, hatelijk), bn. In vineibei (onoverwinlijk, onbedwingbaar), bn. In vino Veritas (in den wijn [ligt] de waarheid), d. i. in dronkenschap zegt men wat men denkt, nl. de waarheid. Inviolabel {onschendbaar, onkwetsbaar), bn. Invisibel (onzichtbaar), bn. Invitatie (uitnoodiging), v. âtiën, âties. Inviteeren (uitnoodigen, te gast vragen). Invloed (gezag, vermogen), m. -vloeden. â hebben, oefenen, uitoefenen', zijn â (overwicht) doen gelden ; zijn â (uinwenden; â rijk, bn. Invoeatie (aanroeping, afsmceking), v. â -tiën, â s. |
IN VOCE-ITERATIE.
|
In voce (op het woord of bij dat woorü), bw. Invoceeren {aanroepen, inroepen). Invoegen (inlasschen, tusschenvoeyen), ik heb âgevoegd. Een steen â, een letter â b.v. in kippenei', â voeg'in^:, v.; â voe^rsel. o. Invoer {ingevoerde goederen), m. âen. liivolontair (onwilHu, onopzettelijk, gedwongen), bn. In vol vee ren (inwikkelen, in zich bevattm). Invorfleren (betaling eischen), ik heb âgevorderd; â vordering^, v. InvriJlieiclMtellinc-. v. grrv. Invullen (een ledige ruimte rallen), ik heb â gevuld; â vnllin^. v.; â vulsel, o. Inwaarts (binnenwaarts, naar binnen), bw. Inwaartseli. bn. Inwateren (doorsijpelen), het heeft âgewaterd; â waterinjr, v. Inweefsel (inslag), o. -s. Fig. Episode. Inwendig (fan ^mnen),bn.en bw.; âlieid.v. Inwijflen (plechtig inzegenen), ik heb âgewijd; â wijfiin^. v.; â wijdingsrede, v. Inwijk (inham, kreek, kleine baai), v. âen. Inwikkelen (in een omslag doen), ik heb â gewikkeld; âwikkeling', v. Inwilligen (toestemmen), ik heb âgewilligd; â williger, m.; âwilliging. v. âwillig big ran eischen. Inwinnen (herwinnen), ik won â, lieb â -gewonnen. Verzuimden tijd â; ik znl in formation â, trachten te krijgen; â winning.v. Inwonen (bij iem. gehuisvest zijn), ik heb â gewoond; â woner, m.; âwoning, v. Inwortelen (wortel vatten), het is âgeworteld: â worteling, v. Het kwaad is -ge-ivorteld, heeft diep wortel geschoten. Inxagck, v. Ter ter visie, op beziens; â verleenen, geven, laten zien, b.v. van processtukken; Lij â. Inzegenen (door zegenen inwijden), ik heb â gezegend: een huwelijk â ; âzegening, v. Inzenden (toezenden), ik zond â, heb âgezonden; â zender, m.; âzending, v. Inzet (eerste bod), rn. âten. De heele inzet (bij een spel), de heele pot. Inzetten^ ik heb âgezet. Een ruit â : een letter â; een huis â, het eerste bod doen; geld op het spel zetten; diamanten. - , in goud of zilver vatten; een gezang, psalm â, beginnen te zingen, aanheffen; âzetter, m.; â zetting, v.; âzetsel, o. Inzieht (bedoeling, oogmerk), o. âen. Inzien, ik zag â, heb âgezien. Een rekening â, doorzien; iets niet â, begrijpen. Inzitten, ik zat â, heb âgezeten. Er warm â, welgesteld zijn; ergens mee â, verlegen zijn, geen raad weten. Inzonderlieid (vooral, in 7 bijzonder), bw. Inzouten (in het zout leggen), ik heb âgezouten; â zouter, m.; â zonting. v. Inznlten {in zout of zuur leggen), ik heb â gezult; â ziilting, v. Inzw eigen (inslokken, verslinden), ik zwolg in, heb âgezwolgen; â zwelger, m.; â -zwelging, v. lo (uitroep van vreugde), tw. loniseli (afkomstig van de loniërs), bn. Het â dialect) de âe bouworde. Ipeeaenanha (Amerikaansche braak- of purgeerwortel), v. gmv. Ipse fecit (hij heeft het zelf gemaakt). Ipso facto (door de daad zelelt;\ feitelijk), bw. Ipso jure (door het recht zelf), bw. |
Irade (Turkseh keizerlijk decreet), v. â s. Ireniseli (vredestichtend, bemiddelend), bn. Irideën (zwaardleliën), v. mv. D ? krokus en iris zij}» â. Iris (de godin van den regen', de regenboog), v. gmv. Iris (regenboogvlies van 7 oog), v. âsen. Iris (lischbloem), v. âsen. Ironie (spotternij,spotsnraak, bedekte scherts), v. De goedhartige (Koetsveld.quot;) Ironie (stijl, troop der tegenstelling), quot;. Tot een luiaard: Wat ben je vlug! Ironiek. Ironiseli (spottend, fijn schertsend), bn. IrraiKonnal»â¬kl (onredelijk, onbillijk). bgt;'. Irrationeel (onredelijk, met de rede strij-dig; wisk. onmeetbaar), bn. Irregnlariteit (onregelmatigheid), v. âen. Irregulier (onregelmatig* ongeregeld), bn. Irreinediabel (onherstelbaar, niet te verhelpen), bn. Irreparabel (onherstelbaar), bn. en bw. Irresistibel (onweerstaanbaar), bn. en bw. Irresponsabel (onverantwoordelijk), bn. en bw. Irrevocabel (onherroepelijk), bn. en bw. Irrigatie (bevloeiing, besproeiing, bewatering), v. â tiën, âties. Irrigeeren (een weiland door kleine slooten of stroompjes bevloeien). Irritatie (pri kkeHng,opge wonden heid),\.gmv. Irriteeren (verbitteren', prikkelen; tergen, vertoornen). Isabel. Isalx'lkleurig (geelachtig wit, aschkleurig), bn. Iseg'rini (in de dierenfabel de wolf), m. â s. Fig. knorrig, lastig man. Isis (Eggpt. godin iler natuurkracht), v. Islam (de leer van Mohammed), m. gmv. Islamisme. Islamismns (de Mahomme-daarische godsdienst), o. gmv. Isobaren (aardr. lijnen ran gelijken baro-meterstand), v mv. Isobaren-kaart (aardr. temperatuur-kaart), v. --kaarten. Isocliinienen (aardr. lijnen van gel ijl,-e winterkoude), v. mv. Isodyuamisclie lijnen (lijnen roor gelijke magneetkracht), v. mv. Isolatie (afzondering), v. âties, âtiën. Isolator (lichaam, dat de electriciteit niet geleidt), m. â s, âen. isoleeren (afzonderen, alleen stellen, op zich zeiven jdaatsen). Op Oost-Jaea zijn de vulkanen minder talrijk, meer geiso.leerd. (Veth); â ing. v. Isoleiiient (afzondering), v. Ia ons â ligt onze kracht. Isotlieren, Isotliernien (aardr. lijnen van gelijke zonnewarmte), v. mv. Israël (Jacob), m.; âiet (afstammeling van Jacob), m. âen; â ietisch. bn. \stlxm\t%(landengte,smalletoegang), m. âsen. Issa (Jezus), m. Ita est (zoo is het, zoo staat het). Italiaansch, bn. De âe schilderschool; het â of dubbel boekhouden. Italieken (cursieve letters), v. mv. Item (desgelijks, even zoo), bw. Zie It. Ite missa ést (R. K. gaat, de dienst is ge-| eindigd), o. Iteratie (herhaling,hervatting),\. âtiën, âs. ; Iteratie (stijl, figuur der herhaling), v. gmv. |
ITER KEREN-JANITSAAR.
218
|
Scipio verwoestte Cm'thago, Scipio vernielde Ninimntia. Scipio bevocht den vrede, Scipio redde ih'n Stout. Itoreeren (herhalen). It in eraâ â¢imii (reiswijzer, rersbesrhrijvi)i(j). o. â ria. J. v. j's. De tiende letter van het alphabet. J. - Jaar. Jan. â Janaari. â¢I» C1. â Jezus Christus. .1. CtiiK. â Juris Consaitas, rechtsgeleerde. j. lt;1. w. â Jaar der wereld. .lei*. â Jeremia. J «'â¢gt;». â Jesain. .Uil'. - Jonk heer. .1. Iff. S. en J. X. K. J. Zie onder I. .1.1. - Jonustleden. Joh., .lolis. â Johannes. Jr. â Janior, de jongere. J. LMgt;. â Joris atriiis'ine doctor, doctor of meester in de beide rechten. .Ijk. â Janszoon, Jacobszoon, enz. Ja. b\v. fk ijeloof â, ik meen van â; hij dreigde, â. hij sloeg hem; zelfst. mv.: uw â zij â ! d. i. wees trouw aan uw woord. Jaap (snede), m. japen. lem. een â geven. Jaap (Jacob), m. âje. Jaar {tijdsverloop van twaalf maanden), o.; jaren. Het kind is elf' â; â in jaar a it, onafgebroken. aanhoudend ; in den bloei zijner jaren, in de jeugd; schrikkelâ, een â en een dag: nieawâ, het bargerlijk â, het kerkelijk â. R. K. d. i. van 1 Dec. Jaarboek, (kroniek), o. âboeken. Jaarhoekje (jaarlijks uitgegeven geschriftje voor een bepaalden lezerskring, gewoonlijk tevens kalender enz. bevattend), o. âs. Jaardag- (verjaardag), m. âdagen. JaarHielit (janrtaIvers), o. âdichten. Jaar«lieii*gt;tt (R. K.. dienst, een jaar na den dood), rn. âdagen. Jaar «'ii lt;la$;' (eoortdm'end, onverpoosd), bw. De heer ran N(tsh(an stadeerde â in Wagenaar. Ook: Jaar en eeuw. Jaai'uan;*- (/// de afleveringen van één jaar), m. âgangen. Jaar^'4'l4i (traktement, iveddde), o. âen. Jaargetij. Jaargetijde (seizoen), o. âgetijden. Het jaar wordt in vier sterrenkundige âgetijden verdeeld. Jaar^tij. o. âen. Zie JaardieiiNt. Jaarkring (twaalf maanden), m. âen. Jaarring (kring van nieuw hout. op de doorsnede v. d. boom te zien), m. âen. Jahot (kmp der vogels; borststrook aan een mans-overhernd), m. â s. Oom Stastok droeg een overhemd met â. (C. O. ) Jahroer (ja-knikker), m. â s. Het was een verzwakking der nekspieren, die hem in schijn tot een â maakte. (Koetsveld.) Jaca'na 0\'. fnd. waterhoen), ra. â's. Jaeht {het jagen), v. âen. Jaelit (verdekt snelzeilend vaartuig), o. âen. Jaehtf'ii (aanzetten, haasten), ik heb gejacht. Jaeliti^' (haastig, gejaagd), bn. â lieid. v. |
Ivooi* (olifantstand, elpenbeen), o. gmv. â van Soetnalra; â van Afrika; â bn. Ivoorkust (deel der kast van O. Gaineu), v. gmv. Ixia (sierplant, irideé), v. â quot;s. Jaek lKnlt;l«liii^ (Eng. hansworst), m. â s. Jalt;'4»hieteii (aanhangers van koning Jacob II van Engeland, in i68S verdreven). m. mv. Jaeohijn (hevige gemeenebest-gezinde tijdens de F ranse he omwenteling), m. âen; âeu-iiiiit^. v. âmutsen. Ja4*4»hsiiiaiitel (oester aan de kust van Spanje, geribd en in waaiervorm), m. â s. Ook: âschelp. Jaeonnet (fijne katoenen stof, batist), v. gmv Jae4|iierie (gesch. boerenopstand in de i4e eeuw in Frankrijk), v. gmv. Ja^eii (vooruitdrijven), ik joeg of jaagde, hel» gejaagd. lem. op kosten â, veroorzaken; door de keel â, zwelgen; op de vtucht â, drijven: een paard doodâ: zich een kogel door het hoofd â ; wat jaagt uw po Is, hevig slaan; wat jaagt haar adem! Jag-en (op jacht zijn), ü* jaagde, heb gejaagd. Jager (persoon die jaagt, ook soldaat der lichte infanterie), m. â s. Jagerineester (hoveling, met het toezicht op de jacht belast), m. âmeesters. Jaguar (X. Amerikaansche panter), m. â s. Jak (kort vrouwenkleed), o. âken. lem. wat op het â geven, hem afranselen; iem. op zijn â komen. Jakhal** (wolfachtig roofdier), m. âhalzen. Fig. Een haveloos mensch. Jakhalzen (een slecht paard berijden), ik heb gejakhalsd. Jakken (gestadig voortjagen), ik hel» gejakt. Jakkeren (afjagen), ik heb gejakkerd. Die huurkoetsiers â hun paarden af, J. i. afbeulend rijden. Jak4»hsladlt;ler (soort van dubbele ladder), v. â s. Jala|gt;|gt;4' (plantaardig purgeermiddel),\. â n. Jal4M'rs44h (ijverzuchtig), bn. en bw.; â heid.\. Jal4M'zi4' (j aio ei 'sch he id, minnenijd), v. Jal4»4kzilt;k (zonneblind), v. â ën. Jam (een soort van aardappel), v. âmen. Jam (vruchtengelei), v. gmv. Lees: djzem. Jamhc^ (versvoet van een korte en equot;n longe lettergreep), v. â n. De. verzen van de Over' wintering zijn 6-voetige jamben. Ook Jambus. m. jamben. Jamni4kr (ellende, nood), o. âen. Jaminewn (weeklagen), ik heb gejammerd. UV hoorden de gekwetsten â en gillen. Jan (bediende), m. â nen. JanlMM'l (brooddronken gezelschap), m.gmv. Jangat (janhen, keukenpiet), m. â s. Jangelen (janken), ik heb gejangeld. Ook: Jengelen. Janhagel (gemeen volk), o.; (koek), v. gmv. Janh4gt;n (keukenpiet), ra. âhennen. Janitsaar (Tnrksch soldmit). m. âsaren. Den 11 Juni 1826 werd het korps der âaren voorgoed ontbonden verklaard. |
JANKEN-JONASSEN.
219
|
Janken {eentonig huilen), ik heb gejankt; de honden begonnen te â ; bij uitbr. Wat â die kinderen!-, âer, m. Janmaat (matroos), m. De â s, de zeelieden. Janoom {lombardhouder), m. Iets naar â brencfen. Janrai» (Jnnhafjel), o. gmv. Ook: Jan Rajt en zijn maat, liet plebs. Jansalie (dronmer), m. â s. JaiiKalifaclitiK' (zonder energie), bn.; â v. Jansenist (rolgeling van bissrhop Jansen ia s), in. âen; â enkerk. v. Jantje-van-Leiden (machtspreuk, /gt;«/â¢//-dox), o. gmv. Zich met een â van iets afmaken. Januari (louwmaand\ m. gmv. Japan, o.; â nees. m. âneezen. JapanneeNcli. .lapaiiKeli. bn. (als zn. o.). Japen (een snede geven), ik heb gejaapt. Japon (lang vrouwenkleed), v. ânen, âs. Jargon (verdraaide taal, koeterwaalsch), o. gmv. De dieventnal is een â. Jas (bovenkleed)ngstuk), v. âsen. Ja« «kaartspel: troefboer), m. gmv. Jasmijn (heester, binon). v. âen. Jaspis (bemerkte steen), m. âsen. Jaspis (stof: rood, gmen, bruin), o. gmv. Jass«kn (kaartspelen), ik heb gejast. Jassen (an rd appel en schillen), ik heb gejast. Javaanseli. bn. De âe taal. Java-kofiie. v. gmv. De residentie Pasoeroean levert de helft der â. Javanen (Ind. bewoners van het eiland Java), m. mv. Javelijn (werpschicht), v. âen. JaM4Mfti*(l (roestemming van het meisje tot het huwelijk), o. gmv. Het â geven. Je, -tje. pje. -et je. verkleiningsachtervoegsels, b.v. boekje, stoeltje, bloempje, ringetje. d. i. iets. dat klein (lief. aanvallig) is. Jean pota^'e (Fransehe hansworst), m. âs. Jegens (ten aanzien van ), vn. Onze plichten â ons z-'lf: lief, aardig zijn â iem. Jelmva (de Onveranderlijke, Eeuwige), m. Jlt;'kklt;ki* (scheepst.), m. âs. Zie: IMjJakker. Jeiiienic (jeinie), tw. Ook: Jeminie. Jenever (sterke drank, moutwijn met jeneverbessen-olie), v. gmv. Jeneverneus (roode neus), rn. âneuzen. Jenevernens (persoon), m. en v. âneuzen. Jeneverstrnik (kegeldragende heester der heide), m. âen. De â levert de jeneverbessen. Jengelen (lastig zijn, grijnen, b.v. van een zuigeling), ik heb gejengeld. Jenoffel (bloem, violier, nagelbloem), m. âs. Zie: tacnofi'ei. Jent (frani, ,iet), bn. vero. Jlt;'reniia4l«' (klaaglied, klacht), v. ân ofâs. Jeriixaleinmer (appel), m. â s. Jes. -pjes. -kens, verkleiningsachtervoegsels tot vorming van b\v.: zoetjes, warmpjes, zacht keus. Jen (vleeschsap, mus), v. gmv. Jeii$;'dgt; v. In de eerste â; onderwijzer der â. Jeii^-«li^' ( jong), bn. Met â vuur-, er â uitzien: â lieilt;i. v. Jeuk (jeukte), m. gmv. Jeiiklt;kn (prikkelen der hnid, krieuwelen), het heeft gejeukt (gejookt). Ook: Joken. Jeukerig, bn.; â liei«l. v. Ook: .fokeri^-. Jlt;'iikin^-. v. âen. Ook: Joking. Jeukte, v. |
.f^'iiiK'sse dorée (eig. vergulde jeugd, d. i. pronkers, modefatten), v. gmv. Jenxelen (zeuren, zaniken), ik hel» gejeu-zeld. Vrind, dat â en beuzelen van je verveelt me! g. w. JexmVt (lid lt;ler sociëteit van Jezus), m. âen. Jeznietenkc^rk, v. -en; âHtïXl (bouworde), m. gmv. Jeznietiseii. bn. De âe beginselen. Jezuïtisme (leer der Jezuïeten), o. gmv. .lielit (pijn in de gewrichten), v. gmv Jieliti^' (met jicht gekweld), bn.; â lieid, v. Jiii^o { Kngelschnuin met overdreven nationaal gevoel), m. â's; âisme. o.; âpolitiek. v. .ioaillerie (juwelierskunst; juweelhande!), v. JobslMMie (ongeluksbode), m. en v. â n. JobstijdiiijL;- (ongelukstijding), v. âen. De ijselijkheid van deze â (C. O.); vrouw Hen-dril,sz. dreigde de â te besterven, i Potg.) Joekey (rijknecht), m. â s. De â berijdt bij wedrennen het paard. Jocrisse (lompe knecht, hals, lummel). m.-n. â¢loens (scherts, grap, kortswijl), m. gmv. Jo«llt;'llt;'n (eigenaardige wij.e onn falset-zingen, b.v. in Tgrol), ik heb gejodeld. Zie: .loedelen. .iodenlijm (aardhars, asphalt, schertsend: speeksel), v. gmv. .iolt;lin (Joodsche vrouw), v. ânen. Jolt;iiiini (metalloide, bruinvette of violette stof), o. gmv. JoeelijaeiK'ii (verward schreeuwen, door-eenroèpen), ik heb gejoechjacht. De kinderen â van pre! op St. Xico laas. Joelt;i1elen (zingen der Ti rol ers), ik heb ge-joedeld; zij â, dat het in de bergen schatert. J4»elen (vroolijk tieren, leven maken), ik heb gejoeld. Joelfeest (groot Germaansch-heidensch winterfeest, 22â25 Dcc.), o. âen. In Zweden heet 'Kerstavond nog altijd â. .lolianne^bloeni (groote madelief), v. âen. .loiianneskever (rozenkevertje), m. â s. .l4»liann«'s-rilt;ider. Jolianniter-rilt;ilt;ier (lid der Duitsche orde, later Mahhezer-rid-ih'r of Hospitaalridder), o. âs. .1 oil a n nes-wormpjlt;» (glimworm pje, l ich- tend kevertje), o. â s. .loiianniter-orlt;ilt;k (orde van SI. Jan van Jerusalvni), v. gmv. Deze orde dateert van 1(148. werd in iödO de Molthezer-orde (ridders van Malta) en ging in 1798 te niet. .lolin Ifiiiii (spotnanm v. d. Kngelschen), m. .lok (boert, scherts, spel), m. gmv. .loklt;'n..l4»keri$:'. Joking. Zie Jeuken, enz. .lokken (boerten. schertsen, onwaarheid spreken), ik heb gejokt. Jokken (leugen), in. â s. Een âtje. Jokkenbrok (grappenmaker), m. en v. -ken. Jokker (leugenaar), m. â s. Jok kern ij (boert, scherts), v. âen. Jol (scherpgebouwde sloep, ook voor zeiltuig ingericht), v. â len. J4»ien (pret maken, joelen), ik heb gejoold. Joli^' ( prettig), bn. en b\v.; â lieid. v. J4»livlt;kt^s (aardigheden, naïeve invallen, kinderlijke invallen, kippekuren, kinderpotsen), v. mv. Jollen (een kreunend geluid maken), ik heb gejold. Jonaken (op en neer werpen), ik heb gejonast. Iem. â, jongensspel. |
JURISDICTIE.
220
JONATHAN-
|
Jonathan (broeder Jonathan, spotnaam voor de N.-Amerikanen), m. .long- (.jeugdig, onervaren), bn. en bw. .long {pas gel/oren dier), o. âen. Jongeriochter {ongehuwde vrouw), v. âs. Jongelieer. Jongenli«'lt;'r. m. jongeheeren. Jongejuffrouw, v. âen. Jongeling, m. âen; â Neliap, v. Jongen {knaap, kind), m. â s; âgetje. o. â s. In Indië geijkte term voor knecht. Jongen {jongen werpen), liet dier heeft gejongd. Jonger {leerling), m. â s, âen. Jonggezel {ongehuwd mart), m. âgezellen. Jongleur {potsenmaker, goochelaar), m. â s. Jongmaatje {leerling m eenig ambacht, vooral in dat van boekdrukker), o. â s. Jongmenseli, o. jongelieden en jongelui. Jongs {uan â af), bw. Jongsken, Jongske (kleine jongen), o. â -kens, â kes. Jongstleden {laatstleden), bn. Zie Jl. Jonk {Chineesch vaartuig), v. âen. Jonker {jonkheer), m. â s. Jonkheer {adellijk heer), m. âen. Jonkheid (jeugd), v. gmv. Jonkman {jongeling), m. jongelieden, jongelui. Jonkvrouw {adellijk meisje, freule), v. âen. Jonk vrouwelijk, bn. Jood {Israëliet), in. joden. Joodseh. bn. (als zn. o.). Joodsehap {het jodendom), v. gmv. Joolt;lselia|» {het Jood zijn), o. gmv. Jool {halve gek, suffer), m. jolen. Joop {dorre rozeknop), v. jopen. Joosje, Joost {Chin, duivel), m. en o. Dat mag â weten, dat weet niemand. Jordaan {rivier in Palestina', buurt iu Am-ster dam), v. gmv. Jordaner (bewoner van den jodenhoek in Amsterd.), m. â s. «Elft als zalmk waaruit de â in het middelwoord de I weglaat. Jorden {onnoozele knaap), m. â s. Joris {Georgias), m. St. â is de patroon der boogschutters; âgild {der voetboogschutters), o. Jota (kleinigheid), v. â's. Een â is de kleine Grieksche letter, nl. /; hij weet er geen â van, d. i. niet het minste. Jon (jij, je), pers vnw. Dit is voor â. gmz. Jonen (gemeenzaam spreken), ik heb âjoud. lem. jijen en â. Jonissanee {genot, vruchtgebruik), v. â s. Jonïsseeren {genieten). Joiijon {speelwerk, speelgoed), o. â s. Journaal {dagboek; dagblad; tijdschrift), o. â nalen. Een modeâ. Journalist {dagbladschrijver, dagbladuitgever), m. âen. Journalistiek {dagbladschrijverij, dagbladpers), v. Jouw {uitjouwing, bespotting), m. âen. Jouw (uw), bez. vnw. Is dit â boek? Jouwen {naschreeuwen, hoon end en smadelijk schimpen), ik heb gejouwd; âer, m.; -erij. v. Joviaal {vroolijk, opgeruimd), bn. Mijnheer Vernooii was altijd even (C. O.) Jovialiteit {vroolijkheid, blijgeestigheid, lustigheid, opgeruimdheid), o. gmv. |
Joyeuse entree {blijde incomste), v. â s. De â is de naam van een charter, door hertog Weureslaus (1355) gegeven, en dat de hertogen van Brabant eerst moesten bezweren, vóór zij Brussel binnentrokken. Ju hel (jubelkreet), m. â s; âfeest, o. âen. Ju helen (vreugdekreten aanheffen), ik heb gejubeld. Juheljaar (het 50e jaar als feestelijk jaar in Kanacin), o. âjaren. Gij, negentiende reeks van dubb'le jubeljaren. (Da Costa). Juhilaris (tem. tot wiens eer een feest gevierd wordt), m. âsen. Juhilee, Jiihilaeiim (jubelfeest), o. â s. Juehtleder, Juchtleer (Russisch sterkriekend leder), o. gmv. Het â is waterdicht, zacht en lenig. Judas {verrader; tig. en schertsend: penningmeester), m. âsen; âhaard (roode baard), m.: âhaar (rood haar), o.; âKus (geveinsde kus), m.; â laeh (ualsche lach), m. Ju das-oor (zwamsoort), o. gmv. Het â groeit op oude vlier stammen. Judasooron (scheepst. opslaande houten, die de eerste verbreeding van den voorsteven uitmaken), o. mv. Onze stuurman stond tus-schen de â. Judaspenning (fc'/v/i.s£gt;/oem/Vye plant),m.-en. Judassen (plagen in het geniep, treiteren}, ik heb gejudast; âerij. v. Judieahel (te beoordeel en; te vonnissen), bn. Jiuiieieel (rechterlijk), bn. Judieieeren (oord eel en, beoordeelen, vonnissen). Ook: Judiceeren. Ju«iicieiis (oordeelkundig, verstandig), bn. Juffer (jonge juffrouw), v. âs, âen; â -achtig, bn. Juffer (spar, balk), v. â s. JuffershoiKlje (sehotdhondje), o. â s. Juffertje-ln-*t-gr4»en (ranonkel met witte of blauwe bloempjes), o. â s-in-quot;t-gr. Juffrouw (meisje, burgervrouw, meesteres), v. âen. Jugeeren. Zie Judieieeren. Judiceeren.. Juiâ¬*hen (luid en jubelend zijn vreugde te kennen geven), ik heb gejuicht; âlonen, m. mv. Juilen (joelen), ik heb gejuild; â ing, v. Juin (ajuin), m. âen; (stofn.), v. Hgt;j is zoo gek als een â, doet allerlei dwaasheden. Juist (nauwkeurig), bn.; â lieid, v. Jujuhe (borstdeey), v. â s. Juk. Jok (draagwerktuig), o. âken. FJen os in het â spannen; manden of emmers aan een â dragen; het â eener brug; fig. dienstbaarheid: het Spaansche â, onder het â brengen, het â afwerpen; een â ossen, d.i. een koppel ossen. Jukhecn {been onder //''f oor/), o.-beenderen. 3\t\i{hooiinaand),v[i.; âdag,m.; âmaand, v. Jnmelles (tnoneelkyker, binocle), v. mv. Junctie {vereeniging), v. â tiën, âties. Jniigreereu {voegen,vereenigen,sa memu. eg et i). Jnni (zomermaand), m.; âdag, m.; â -maand, v. Junior (de jongere), m. Zie Jr. Junta (staatsraad in Spanje en Portugal; vergadering), v. â's. Jnpe (vrouwenrok), v. â s. Jura {de rechten, de rechtswelettschup), o. mv. Jnré (gezworene, lid eener jury), m. â's. Jnridiek, Juridisch (overeenkomstig de rechtsleer, rechtsgeldig), bn. Jurisdictie (rechtshandeling, rechtsgebied), | v. - s. |
JURISPRUDENTIE - KABAAL
|
JiiriMpriulontie (rechtsfieleerdheid), v. gmv. Jurist (rechtskenner, rechtsgeleerde), m. âen. JnriHteiuU\g(riman's va nj uristen ),m.-dagen. Jurk (japonnetje), v. âen; âengroed, o. Jury (rechtbank ran gezworenen, ccnmnissie van beoordeeling), v. â quot;s. Ju» (het recht; ook krachthj vleeschnat), v. en o. Juste (rechtvaardig, billijk, juist, evenzoo, nauwkeurig), bn. en b\v. Justeerâ¬Â»ii (gelijkniaken, vereffenen). JuMteiiiout (juist), bw. Jiisfo milieu (de gulden middelweg), o. Louis Philippe volgde 'na 1830 de staatkunde van het â, d. i. den weg :usschen de beide uiterste partijen (legitimisten en republikeinen). Justificratie (rechtva/D'diging), v. -tiën, -ties. JustifUM^'i'eii (rechtvaardigen, verantwoorden). |
Justitie (gerechtigheid, het recht, de rechterlijke macht), v. gmv. Jut (/«?er). v. âten; (boom), m. Jute (O. I. grof weefsel, thans ook inheemsch), v. gmv. Men maakt, van â koffiebalen, vloer-kleed en, tapijtgoed, zeildoek, enz. Jutmis. Jutteiiiis, v. Met St. â, als de kalveren op het ijs dansen, d. i. noo«t. Juttepwr (vrucht), v. âperen. Juweel (elk geslepen edelgesteente, vooral diamant), o. âen; fig. iets voortre.Telijks: Een âtje van een schilderij, een gedicht, een redevoering; een â van een vrouw. Juweeltor (snuittor van Brazilië, zwart met goudgroene stt'epen), v. âtorren. Juwelier (handelaar in juweelen), m. âs; â swiukel. m. â s. Juxta-poNitie (toevoeging; toeneming door uitwendige aanzetting), v. gmv. |
K.
|
li. v. kquot;s. De elfde letter van het alphabet. | li. of lial. â Kalende, de eerste dag der maand. liaut. â Kantoor. liapt. â Kapitein. Kar. â Karaat. Zie aid. Ii.4». â Kilogram. Ii.4». â Knight of the Garter, ridder van den Kouseband. liil. â Kilogram, liiloiu. â kilometer. li.li. â Keizerlijke of Koninklijke. lil. â Klasse. K.Ji. â Kilometer, mijl van 1000 M. K.M. â Keizerlijke of Koninklijke Majesteit. Kou. â Koninklijk. Kr. â Kroon; â Kreutzer. Zie aid. Kul». â Kubiek. Kwart. â Kwartier. Ka. Kalt;ie. Kaai (straat, weg of voetpad langs een water), v. kaden, kaaien. Ka'al»a (Mohammeds bedehuis in Mekka), v. Kaa^' (zeker vaartuig met cén mast), v. kagen. Kaai (kade), v. âen. Kaaidraaien. lialt;lraaieu (aan- en afvaren langs de schepen om waren te verkoo-pen), ik heb gekaaidraaid; âer. m. â s. Zie: Kadraaier. Kaaien (zeew. reven), ik heb gekaaid. De zeilen â, reven, toppen. liaaiiuau (krokodil in /.-Amerika), m. âs, â nen. Ook: Alligator. Kaak (wang), v. kaken. Met stijve kaken, onbeschroomd; hij stond daar met beschaamde kaken, uit het veld geslagen. Kaak (schandpaal), v. kaken. Aan of op de â stellen, te pronk doen staan. Kaakje (meelkoekje), o. â s. Kaal (onbegroeid), bn. en bw.; â lieid, v. Kaallioofdikheid, v. gmv. Kaalkiu (baardelooze knaap), m. ânen. Kaalkop {haarlooze), m. en v. âkoppen. Kaaloor (kaalkop), m. en v. âooren. Kaam (schimmel op bier, wijn, enz.), \. Kaamsel (kaam), o. â s. Kaau (platbodentd vaartuig), v. kanen. |
Kaau (het overblijfsel van uitgesmolten vet), v. kanen. Kaankoek (gestold vet in een vorm), m. â -koeken. Kaap (in zee uitloopend gebergte), v. kapen. De â omzeilen; naar de â, d. i. de Kaap de Goede Hoop. Kaa|» (zeeroof), v. Ter â varen. Kaapstander (windas met verticalen stand «Ier draaispil), m. â s. Kaapvaarder (schip, dat naar de Kaap vaart), m. â s. Kaapvaart (ter kaap varen), v. gmv. Kaar (vischkaar met gaatjes), v. karen, liaarddistei (plant), v. â s. Zie Kaardebol. Kaarde {rniterkruid, moerasplant), v. ân. Kaardehol (âdissel, wier gedroogde bloemhoofd jes men gebruikt tut het kaarden of glad krassen der wol van laken), v. âbollen. Kaarden (de wol al krassend zuiveren en gladden), ik heb gekaard; âer, m.; â sel, o. Kaars. v. âen. Kaarsedief' (verkoolde pit), m. âdieven. Kaart (speelkaart, landkaart), v. âen. Kaarteblad (een speelkaart), o. âbladen. Kaarten (kaartspelen), ik heb gekaart. Kaartenblad (karton, ook papier om een kaart op te teekenen), o. Kaartlegster (waarzegster), v. â legsters. Kaas (voedingsmiddel uit melk bereid), v. kazen; âje. o. â s. Kaas-en Broodvolk (oproerigeKennemer-landsche boeren in 1491 â'92), o. gmv. Kaasjeskruid (maluwe), o. gmv. Kaats (plaats v. d. bal), v.; âbaan. o. â -banen; âbal. m. âballen. Kaatsen (het kaatsspel spelen), ik heb gekaatst. Wie kaatst, moet den bal verwachten, d. i. wie schertst, moet scherts kunnen verdragen ; wie aanvalt, moet rekenen op tegenweer; â er. m.; â inf?, v. t Kabaai. Kabaja (Ind. kamerkleed uan lichte stof), v. âen, â ja's. Een Maleisch bediende met een lange donkerroode â. (J. t. Br.); Chineesche kinderen met tuitte âbaaien. Kabaal {lawaai), o. Zie Cabaal. |
KABAS-KALMPJES.
222
|
Kabas (reismandje), v. âsen. Kabassen {knaphandig stelen), ik heb ge-kabast. vero. Kabbelen (met zachten golfslag stroomen), het water beeft gekabbeld; â iii}£. v. Kabel (dik touw, scheepstras, ankertouw). m. kabels. Kabelen (met kabels vastmaken), ik heb gekabeld. Kabeljauw (zeevisch), m. âjauwen; (als stofnaam), v. Kabel jaii\vslt;*lie (aanhanger ran graaf Willem V), m. en v. â n. Kabeljanwslioni (ingewandsdeel van een kabeljauw), v. âhommen. Met opgewondenheid van een gestoofde â spreken. (C. O.) Kabinet (ouder wetsch fraai meubelstuk, kast), o. âten. Kabinet (zaal of galerij, verzameling), o. â ten; â van schilderijen, munten,penningen] kunst â . Kabinet (werkvertrek van een vorst; de regeert ug), o.: âshrief; âsorder, bevel van wege den koning; âsraad, raad van ministers. Kabinetsqnaestie (geschil, voorstel, omstandigheid, die tot het aftreden ran hel ministerie kan leiden), v. âquaestiën. Kabouter (aardmannetje), m. â s.; âmannetje, o. â s. Kabriool. Kapriool (luchtsprong), v. â -olen. Zie t'abriool. Kabnis. Kombuis (scheepskeuken), v. ka-buizen. Kabilen. Kab.vlen (volksstam in N.Afrika), m. mv. KaelK'l. v. kachels. Kadastlt;kr (boek, register der eigendommen, ook rijks-bewaarplaats), o. gmv. Kaflastraal (tot het kadaster behoorende), bn. Een â trale omschrijving. Kalt;lastreeren (in de leggers opschrijven), ik heb gekadastreerd. Kalt;ie. Ka {muurdijk langs havens, sluizen enz. opgetrokken), v. kaden. Ook bebouwde oever i.e. stad: Rijnkade, IJselkade. Ook: Kaai. Kalt;ier (lijst; mil. omlijsting van officieren, sergeants enz.), o. â s. Kadet (broodje), v. âten. Kalt;li ( rechter van lageren rang bij de Mn-homedanen), m. â's. Kadraai (vaartuigje), v. âdraaien. Kadraaier (zoetelaar), m. âdraaiers; â -«fraaister. v. â draaisters. Kaf (afval van stroo), o. gmv. Fig. Het â van het k .ren schei den, d.i. het kwaad van het goed scheirlen; er is geen kin-en zonder â, er is geen deugd zonder gebrek; het zal als â verstuiven, d.i. als waardelooze dingen; â dorschen, nutteloozen arbeid verrichten. Kafta (Indisch bont katoen), o. gmv. Katfer (inboorling van het Ka jfer land in Z.Afrika; eig.kdfir, d.i. ongeloovige), m. â s. Kajak (klein Groenlandsch vaartuig voor de vischvangst), v. â s. Kajapntolie. KaJaiMgt;et-olle (Ind. olie uit de bladeren en takjes van den boom van dien naam, pijnstillend), v. gmv. Kajuit (scheepskamer), v. âen. Kakadoris (kwakzalver), m. Meester â. Kakatoe, v. Zie Kakketoe. Kakt'been (kinnebak), o. â beenen. Kakelbont (schreeuwende kleuren bijeen), bn. Een âe versiering. |
Kakelen (het geluid van kippen, die gelegd hebben), heeft gekakeld. Fig. babbelen, snateren : Hon toch op met dat â ! Kaken (haringen inzouten), ik heb gekaakt. Kakkerlak (insect, bakkerstor), m. âlakken. Kakketoe (gekuifde papegaai), v. â s. Kaks bw. alleen gebruikelijk in: Als â, bw; uitdr. kwanswijs. vero. Kalamijnsteeii (erts van zink), m. âen. Kalamink. Kalmink ((geglansde wollen slof), o. Een rok ran Kalander (snuittorn, korentor), m. âs. Kalander (machine tot glanzing), v. â s. Ook de glans zelf. Kalanderen, ik heb gekalanderd; âderij (glanzerij, werkplaats), v. âen. Kalebas. Kalbas (pompoen), v. âbassen: â boom (hid. boom), m. â boomen. Kaletaten. Zie Kaltaten. Kalender (almanak, tijdrekening), m. â s. Kales' (open koets, ook kapstok), v. âsen. Zie: Cal^elie. Kales (vromvenkap met baleinen, die over muts en kapsel heen gedragen iverd), v. â sen. vero. Kalf' (jong rund), o. kalveren, kalven. Kaltaten (het herstellen van een vaartuig, het dichtmaken der naden met uitgeplozen touw of werk en pik^, ik heb gekalfaat. Fig. Laat mij dit â, d.i. in orde brengen. Ook: Kalefaten. Kalfateren, ik heb gekalfaterd: â faterinsquot;. v. Ook: Kalefateren. Zie Kalfaten. Kali (Ind. rivier), v. â s. Op O. Java bezigt men, â. Kaliber (middellijn van de cilindrische ruimte in een kanon), o. Een kanon van groot â. Fig. menschen ran 'tzelfde geest. Kalief (plaatsbekleeder, geestelijke titel van den saltan), m. âen. Kalifaat (rijk der kaliefen), o. gmv. Het Westersch â of het â van Cordova (7C2-1492); het Oostersch â (Bagdad). Kalis (schooier, bedelaar), m. âsen. Kalium (potassium, potaschmetaal), o. gmv.; â oxyde (kali), o. gmv.; âzonten. j. mv. Kalk (alkalische aarde), v. gmv. â oes la an of lesschen, met water mengen; âaarde. v. gmv.; â aelitijr (als kalk), bn. Kalken (met kalk besmeren), ik heb gekalkt. Kalkoen (hoenderachtige vogel, familie der fazanten), m. âen. De â komt in Amerika, in het wild voor. Kalkoen (punt van een hoefijzer), m. âen. Kalkoenenei, o. âeieren. Kalkoenseli. bn. Een âe haan, een âe hen. Kalkoentjequot; (1/4 flesch wijn; ook plat drinkglas). o. â s. Kalkoven (om kalk te branden), m. â s; â pnt (voor gebluschte kalk), m. âputten; â spaatli (delfstof), o. gmv.; âsteen (zekere rotssoort), o. gmv.: âwater {melkachtig water), o. gmv.; -zouten (calcinmzouten), o. mv. Kallen (babbelen, snappen), ik heb gekald; â Ier, m.; â lin^-. v. Kalm (rustig, stil, tevreden), bn. en bw. Een â antwoord: wees â ; âte. v. Kalmeeren (stillen, doen bedaren), ik heb gekalmeerd. leut. Kalmink, o. Zie Kalamink. Kalmpjes (ö^rfrmrd), bw. Zich â amuseeren; iets â opnemen, rustig. |
KALM UKKEN - KAN.
223
|
Kalnuikkon (Monyoolsche sUunmen c/m de Wolga, Tartaren), m. mv. K.nlmus((jeneeskrachlvje waterplant).m.^mv.\ â olie (lt;tetherische olie), v.; âwortel, m. â wortels. Kalomel (geneesk. verbindinu van kwik en chloor), in. gmv. KaloiiK* (vliegende hand op Java), m. â s. Kalot {mutsje, kapje), v. âten. Kalotten (afvalsdeelen bij 'tvlaszwingelen), v. mv. Van de â maakt men grof weefsel. Kalven (een kalf werpen), de koe heeft ge-kalft. Gmz. voor braken. Kalveren (braken, spugen), Ik hel» gekalverd. Kalverliefde (kinderachtige liefde), v. gmv. Kalvijn (appel), v. â en. Hoodeen witteâen. Kam (werktuig), m. âmen. De â van een haan, van een riool, van een helm, van. een rad, tl. i..uitstekend deel; iem. in den â pikken, telkens afsnauwen; den â opsteken, zich verzetten; allen over den zelfden â scheren, allen als gelijken behandelen. Kameel (foe.s^.'/ om schepen te lichten), o. â en. Kameel (herkan wend schaapachtig zoogdier), m. âen. De een bultige â of dromedaris; de tweebultige â ; de â is een huisdier der Mongolen; de â is het schip de woestijn. Ook Kemel. Kameleon (kleurverandcrenue hagedis), o. â s. Het â leeft vooral in Afrika. Het â is een gedicht van Staring. Kameleon (fig. persoon, die telkens een andere partij aanhangt), m. â s. KameleontiNcli (veranderlijk), bn. Een âe politiek. Kamelot (geweren stof van kemelshaar), o. gmv. Kamelotten (stof uit kemels- of geitenhaar geweven), bn. Een â doekje. Kamen (schimmelen van bier), het bier heeft gekaamd. Kamenier (kapster, helpster eener dame), v. âs; âMiienxt. m. âen; âMwerk. o. Kamenieren (een dame helpen kappen en kleeden), ik heb gekamenierd. Kamer (deel van een huis, besloten ruimte), v. â s. De â van een kanon, van het hart, van een mijn (waar het buskruit geborgen is); zijn â honden, ongesteld zijn; op âs wonen; ges to If eerde â ;de â van koophandel en fabrieken'. âs van rhetorica, rederijkerskamers; de Eerste en Tweede â der Stacen-Generaal. Kameraad (metgezel, makker), m. en v. â s, âraden; âNeliap. o. Kamerarrest (mil. lichte straf ), o. âarresten. Fig. Ik ben verkouden en heb â. Kamerdoek (kamerijksdoek),o. Katoenen â. Kamereii (opsluiten, op een kamer onderhouden), ik heb gekamerd. Fig. kerkeren. Kamergeleerde (theorieman), m. âgeleerden. Hij is maar een droge â. Kanierj^ereelit (Dnitsch keizerlijk gerechts-hof), o. Het â (1495) maakte een einde aan het vuistrecht. Kanierliâ¬ker (hoveling,chambellan),n\. âen. Deze baron is â des konings; die heer is â i. b. d., in buitengewonen dienst; de gouden sleutel is het insigne van â. Kamerist (lid eener rederijkerskamer), m. kameristen. vero. Kamerlid (lid van een der kamers der Staten-Gencraal), u. âleden. Kamerling: (kamerheer), m. -en. vero. |
Kanierinnxiek (vocale of instrumentale lichte muziek), v. gmv.; âstom dichte zangstem), v. âstemmen; âzander, m. â s. Kamfer (brandbaar hars), v. gmv. â van Baros tgi Soematra. Kamferlioom (Ind. een der hoogste woudboom en), m. -hoornen. Kam^'ras (beemdgras onzer weiden), o. gmv. Kamlia^-elt;iis (leguaan, geschubde hagedis van Z. Amerika), v. âhagedissen. Kamille (geneeskrachtige plant), v. gmv. In ons land groeit de gewone â; de bloem der â is zweetdrijvend; â naftreksel (thee ran de gedroogde âbloem), o. gmv.; â pot.o. â ten; â tliee. v. gmv. Kamixool (vest, buis zonder o touwen), o. â zolen; â«ak. m. âzakken. Hij droeg hi't horloge in den âzak. vero. Kamkever (schallebijter), m. âkevers. Kamnielin^- (afval van knmwol, korte uitgekamde wol), v. gmv. KamnieBi {met ecu kam haur of wol bewerken of ontwarren), ik heli gekamd; â -nier. m. â s; â«ter. v. â s. Kamniossel (koploos weekdier met fraai gekleurde schelp), v. âmossels. KamneiBS (een soort rledermuis), m. -neuzen. Kanniesleer. KamniKleer (gemzenleer), o. gmv. Kamp (leger, legerplaats in 't open veld), o. â en. Het â betrekken; de oefeningen van het â bij wonen', het â van Chalons in Frankrijk; het â van Zeist; het Chineesche â, Ind. wijk b.v. in Soerabaja, waar de Chineezen wonen; het Maleische â. Kamp (afgepaald veld), m. âen. Een â weiland; die grond wordt bij âen gereild. Kamp (strijd, gerecht, worsteling), m. gmv. Een znjare â ; den â doorstaan. Kamp (gelijk), bw. U7/ zijn â ; ik speel â op, zonder winst of verlies. Kampanje (zeew. licht verdek aan den achtersteren). v. â s; -boot {soort ran reddingsbout), v. âbooten. Kampeeren (gelegerd zijn). De troepen lagen op de heide gekampeerd. Kampement (legerplaats), o. â en. Een versterkt â . Kampen (strijden, vechten), ik heb gekampt. Kamperfoelie (slingerplant, heester met windenden stergel, boksblad), v. gmv. Kampernoelie (eetbarepaddenstoel), v. âs. Kaniperstenr(/m/v/eeie/m mrt mosterd ), m. Kamperstukjes (dwaze handelingen), o. mv. Kampioen (kampvechter), m. âen. D'- â aer Ned. wielrijders, de eerste, de beste. Kampioenseiiap (het overwinnaar zijn in een wedstrijd), o. Het â van Europa in H wielrijden. Kampong (Ind. Javaansch gehucht), v. â s. Kamrad (wiel met tanden aan het bovenvlak), o. âraden, âraderen; â wiel. o. âen. Kamselielp (kammossel), v. âschelpen. De gemarmerde â. Kamwol (gekamde wol), v. gmv. Kan (vaatwerk, liter), o. Fig. De â danspreken; diep in de â kijken; liefhebber van lt;te â zijn. Wie het onderste uit de â wil hebben, krijgt liet lid op den neus. d. i. wie al te begeerig is, krijgt niets. Als de wijn is in tien man, is de wijsheid in de â, een beschonkene weet niet, wat hij zeggen of zwijgen moet. |
KANAALâKAOLI NE.
224
|
Kanaal (yegraven water), o, kanalen. Fig. bron: Vit welk â hebt (/ij dut? Kanaan (het beloofde land, Palestina), o. Kanalisatie (het bevaarbaar maken van een beek, rivier, enz.), v. gmv. De â van de Beg ge; de â der Maas in België. KanalistMTcn (het bevaarbaar maken van beken, rivieren). Het â der Mark in N. Br. Kanalje {vr*gt;nwspei'soon), v. âs. (ges/mis), o. Zie: Canaille. Kanarie (zangvogel), m. â s. Kanarieboom (IiuJ. loom der Mo lukken met vruchten als blauwe pruimen), m. âen; â olie (geperst uit de jatten der kanarit.-pruim), v. gmv. Kanariegeel, bn. Hij droeg âgele handschoenen. Kanariev4»^'el. m. âvogels. KanaMer (varinas-tabak), ra. ZieKnaster. Kamleel (krniderwijn), v. gmv. Jannetje heeft â gebrouwen. (Potg.) Kandelaar, m. âs, âlaren. Een veel ar-migr -. Kami ij (gekristalliseerde suiker, klontjes), v. Kaneel (Ind. specerij), o. gmv. Het â is de 'gedroogde binnenbast van den kaneel boom; het â komt van Ceilon en Java. Kaneelappel (A nier ik. appel met kaneel-smaak), m. âappels; âbast- m. gmv.; â -bloesem, m. â bloesems; â boom. ra. â -boomen; â framboos, v.âbozen ; â ja'enr, m. gmv.; âbont. o. gmv.; âkleurig:, bn. Hilaebrand, je hadt een âkleurig jasje aan. (C. O.): âolie, v. gmv.; âpeer, v. âperen; â roos. v. ârozen: âwafel, v. âwafels, â -wafelen; âwijn (kr aider wijn, hi poer as), m. gmv. Kanefas (ruwe katoen voor voering), o. -sen. Kanefore i korf draagster', meisjesbeeld), v. -n. Kan^4»eroe (buideldier, springhaas), v. â s. De â leeft inNieuw-Holland. Ook: Kengoeroe. Kanis (vischkorf met deksel), v. âsen. Kanjer (iets dat groot is), m. en v. Een â van een visch; een â van. een wijf, brutaal vrouwspersoon. Kanker(.'/t'rR'e/),m.gmv. Fig. wegterend iets: Jenever is ren â ; de school is een â. (C.O.) Kankerbloem (koornbioem, klaproos), v. â bloemen. Kankeren (door kanker verteren), liet heeft gekankerd; â injf. v. Kanneblaiien (gele plomp), o. mv. Kannewasseiier (ruig werktuigje'), m. â s. Kannibaal (menscheneter), m. âbalen. Zie Cannibaal. Ka'no (Ind. bootje, schuitje van boomschors), v. â rs. Een â is ook van een hollen boom-st nn vervaardigd. Kanolt;'tvo^-lt;'l (Noordsche strandlooper), m. âvogels. Kanon' (stuk geschut), o. â nen. De ânen losbranden) het dreunen der ânew, â jse-biilder. o.; â na«ie (voortgezet kanonvuur), v. â nades. Kanonneerboot (oorlogsvaartuig, plat met één mast en zeiltuig ter kustverdediging), v. âbooten; âgaljoot (oorlogsvaartuig), v. galjoten; -sloe]», v. âsloepen. Kanonnier (artillerist), m. â s. Kans (goede gelegenheid), v. âen. Een goede â; een â wagen; er is geen â op. uitzicht; de â opgeven', de â is verkeken, d. i. verloren; de â staat schoon, goede gelegenheid; |
ik zie er tvel - op; ârekening: (waarschijnlijkheidsleer), v. gmv.; âspel (hazardspel), o. âspelen. Kansel (predikstoel) m. â s. Van den â aflezen, openlijk bekend maken; â rede (predikatie), v. âreden; âstijl, m. gmv.; âtaal. v. gmv.; -welsprekendheid, v. gmv. Kanselarij (griffie, kantoor), v. âen. Kanselier (hoofd eener kanselarij), ra. -s, -en. Kant (zijde, rand, zijvlak), ra. âen. Aan dezen â; aan den â van het water; iets op zijn â zetten; van â raken, sterven; dat raakt â noch wal, is ongerijmd, heeft geen grond; een âje brood, stuk, hompje. Kant (speldenwerk), v. â en; â werk,o. âen; â werkster, v. âwerksters. Kant (scherpzijdig), bn. en bw. Tets â zagen, | iets â houwen; â en klaar, geheel gereed; ; de zeilen. â zetten, gespannen. Kanteel (schietgat, uitgetand metselwerk),m. Kanteeling' (kanteel), v. âen. [âteelen. Kantelen (wentelen, omkeeren), ik heb ge-; kanteld. Een kist â; een balk â, d. i. op de zijden voortwentelen. Bij uitbr. springend voortrollen'. De ring ât van den toren. (Bild.) Kanteloep (wratmeloen), v. âloepen. Ook: Kantaloep. Zie Cantaloep. j Kanten, ik heb gekant. Fig. Zich tegen iets i â, verzetten. Kanten (van kant), bn. Een â kraagje. Kantlionwen (goed scherp afkappen), ik heb gekanthouwd. Een stuk mariner â ; â -bouwer (steenhouwer), ra. â s. Kanterstok {helmstok van het roer, roerpen), ra. âstokken. Kantig (hoelcig, scherp), bn.; -beid. v. i Kantje (randje, smalle kant), o. â s. Fig. Dat staat op het â van vallen. Kanton (rechtst. af deeling, district), o. -s. Zwitserland bestaat uit 22 âs; â jrereebt (laagste rechtbank), o. âen; ânaai (tot een kanton behoorend), bn. De ânale raad. Zwitserland; â neeren «rail. de troep inlegeren); â nenient (rail. af deeling van het veldleger), o. âen; â recliter (vroeger: vrederechter), ra. ârechters. I Kantoor (vertrek, kamer,bureau), o. â toren. Het â der belastingen; een notarisâ; een i handelsâ; de klerken van een â: âbediende, ra. â n; â behoeften (papier, inkt, , enz.), v. rav.; âklerk, ra. âen: â pers(co-| pieer-machine), \. âen; âschrijver, ra.âs. Kantshaak (dreg, grijphaak), ra. âhaken. Kantsteek (steek om kant te dichten), ra. I âsteken. Kantteekening: (aanteekening op den wit-| ten kant van een blad), v. â teekeningen. Fig. i kleine, korte opmerking. Kantvisseherij (het visschen op plat visch I langs de kust), v. gmv. Kantxnil (meetk. driehoekige zuil, prisma), i y. âzuilen. liannnnik (domheer, lid van het kapittel), ' ra. âen. De âen gaven ook onderwijs aavi de kapittelschool. Kannnnikenbanken (het vast gestoelte in het hoogkoor), v. mv. Kaoetsjoek (gomelastiekachtigestof),\. gmv. Banden van â om rijwielen; overschoenen | van â ; de â is verdikt plantaardig melksap | nit tropische boomen. Kaoline (aluinaarde, grondstof van porse-i lein). v. gmv. |
KAP-KARAKTER.
225
|
Kap (dek, hoofddeksel), v. âpen. De â mu een dak, van een koepel, van ren mantel-, de â can een luagen, wicy, bekleedsel, overtrek; de â eens vogels, kuif; de â van ecu laars, bovenstuk; zich in de â steken, monnik worden; de â op den tain {de haan) hangen, uit het klooster gaan; gelijke monniken,(jeiijke âpen, er moet geen onderscbeid zijn; de NoordholL, de Friesche â, hoofddeksel voor vrouwen; iem. de â over het hoofd trekken, iem. foppen; iern.de â vullen, in de â leiden, hem misleiden; allen zitten op zijn â, hij is de zondenbok, hij heeft voor alles te zorgen; 7 komt alles lt;gt;/i mijn â, rekening. Kapbeitel {koubeitel), m. âbeitels. Kapblok, (slagersblok), o. âblokken. KaptlooN (toiletdoos), v. â doozen. Kapel (kleine kerk; ook vlinder), v. â len; â letje. o. â s. Kapel (korps muzikanten), v. âlen. Kapelaan (li. K. geestelijke), m. â anen, kapelaans. Kapeliueestei* (urchest-directeur; hoofd van een korps militaire muzikanten), m. â s. Kapen (rooven, stelen, zeeroof plegen), ik heb gekaapt: âer, m.; âin;;quot;? v.: â erij, v. Kaper (vrijbuiter, zeeroocer, rooverachip), m. â s. Er zijn âs op de kust, er schuilt gevaar â brief (vrijbrief tot kapen in oorlogstijd), m. âbrieven; âkapitein, m. âkapiteins; â Ncliip. o. âschepen. Kaper (vrouwenhoofddcksel), v. â s; â lj«' (K inderhoedje), o. â s. Kapg-aiiM (zwemvogelvan Nieuw-Holland), v. â ganzen. Kap^'ebint (gespan van Ivt dak), o. âen; â gewelf, o. -gewelven. Het âgewelf der aarde. (Staring.) Kapitaal (hoofdsom, vermogen), o. âalen. Een man van â; het maatschappelijk â eener vereeniging, assurantie, levensverzekering, enz.; vastâ, b.v. gebouwen; vlottend â, levensmiddelen; om loopend â, geld. Kapitaal (groot, voornaam, aanzienlijk), bn. Een â tale fout', een â gebrek; een â gebouw; .een âtale letter, hoofdletter. Kapitalisatie (het kapitaliseer en), v. gmv. Kapitali»elt;kren (rente besparen en kapitaal laten aangroeien). Kapitalist (rentenier, rijke), m. âen. Kapit(kel (bovendeel eener zuil), o. âen. Kapitein (hoofdman, bevelhebber),' m. â s. Kapitein-adjiulant, m. kapiteins-adjudanten. Kapitc^in-generaal, m. kapiteins-generaal. Kapitein-ingenieur, in. kapiteitis-inge-nieurs. Kapiteiii-kivartiernielt;'stlt;'r. m. kapiteins-kwartiermeesters en kapitein-kwartiermeesters. Kapitein-lnitenant, m. kapitein-luitenants. Kapiteinscliap (ambt van kapitein),o.gmv. KapiteinsplaatM.v. â plaatsen; â rang. in.; â nniforni, v. âuniformen. KapitoliJiiKeli (tot of van het k(tpitool), bn. De âe berg; de âe Jupiter, in het kapitool vereerd; de âe tempel. Kapitool (hoofdburcht v. h. oude Rome), o. Zie ('apitool. Kapittel (hoofdstuk, af dcc ling), o. â s of â en. Een â uit den Bijbel; het â van een domkerk, raad van geestelijken, dio den bisschop in het bestuur des bisdoms bijstaat; koenen, Verkl. Handwdb. d. Nederl. taal. |
in het â zitten, stem hebben; stem in het â hebben, durven of mogen meespreken. Kapittelen (streng berispen), ik heb gekapitteld; â aar, m.; âing, v. Kapittellieer (domheer, stiftsheer), m. â en. Kapittelstokje (stokje, waaraan de linten zijn bevestigd, die de hoofdstukken (capita) van een boek aanwijzen; suikerstokje), m. â ken. Kaplaken (zeew. extra premie voor den kapitein van een koopvaardijschip), o. gmv. Het â bedraagt gewoonlijk '/u: deel der vracht. Kapinantel (vrouwenmantel, huik), in. âs. Kapmes (hakmes), o. âmessen. Kapoen (gesneden jonge haan), m. âen. Kapoeres, Kapores (verloren, stuk, dood), bn. Het slot is â, het beest is â (Hebreen wsch). Kapoets (kapoetsmuts, muts van bont), v. â en. Ook: Karpoets, Kapuits. Kapok (Ind. wollige stof uit de pitten van den wolboom), v. gmv.; âboom (Ind. boom, wiens noten de kapok [beduuUing] geeft), m.; â olie (Ind. olie uit de pitten van den kapokboom), v. Kapot (stuk), bn. en bw. Het slot is â; iets â slaan. Kapotgaan (stuk gaan, dood gaan), het ging â, is âgegaan. Mijn mes zal nog â; de koe zal â. Kapot jas (lange soldatenjas, scha nsloo per), v. âsen. Ook: Kapot. Kappelen (zuur worden, schiften), de melk is gekappeld; â ing, v. Kappen (vellen, omhouwen, doorhakken), ik heb gekapt. Boomen â, iee\v. den mastâ, het anker â; hout â, koek â, groente â, fijnhakken. Kappen (het haar optooien), ik heb gekapt; â per, m.; â sel, o.; âspiegel, m. â s; â -tafel, v. â s. Kapper (een bloemgewas), v. â s. Kapper (biermaat, ^4 Eiter), m. â s. Kappertjeskool (sluitkool), v. âkooien. Kaproen (hoofddeksel, kap, muts), v. âen. Kapstok, m. âstokken. Kapneijn (Franciskaner monnik der 2e orde, in een bruine pij met kap), m. âen. Kapiieijnenklooster, o. â s. Kapiieijner (een soort ran erwt), m. âs. Kapueijnernionnik, m. âmonniken. Kapnitsmnts (kapoetsmuts, bonte muts, grenadiersmuts), v. âmutsen. Kar (tweewielige wagen), v. âren; â re-kneelit, m.; âreman, m. Karaak, Kraak (Spaansehe koopvaardijer), v. karaken en kraken. Karaat (goudgewicht = 4 //rein = ± 2d.G.), o. karaten of karaats. Goud can 14, -AVâ,d.i. van 14, 18 deelen fijn op een gewicht van 24. Karabijn {ruitergeweer, buks), v. âen. Karabinier (ruiter met karabijn), m. âs, â en. Karaf, Kraf (waterflesch), v. â fen., Karaïben. Kariben (menscheneters op de W. I. eilanden), m. mv. Karakal (roofdier, een soort van Igna-), m. â s. De â bewoont Per zié, Arabic, Indie, en/.. Karakol (wijngaardslak), v. âlen. De â wordt met graagte gegeten. Karakter (lettervorm; lig. inborst, aard), o. âs. Een man van â, beginselen; dat is zoo zijnâ, aard; een aanplakbiljet met groote â s, lettertypen. Zie ouk: Teniperaiintnt. 15 |
KARAKTERKUNDE - KAST.
226
|
ICarakterltiindo, v.; âloos (loog, verraderlijk), bn.; âselilt;»fs, v. âen; â «tuk (foo-neelstnk, waarin men de ontwikkeliny van karakters ten doel heeft), o. âken; âtrek, m. âken: hoogmoed is een Spaansche â trek. Karakteriseren (kenmerken, kenschetsen). Karakteristiek (kenmerkend), bn. Van iler Werf, een âe verschijning. (Potg.) Karakteristiek, v. gmv. De â van een land, een volk. Karavaan (troep tuoestijnreizigers),v. -anen. Schertsend: Kijk, wat een d. w. z. wat een troep kinderen heeft die vrouw bij ziel». Karavansera' (Ãostersche pleisterplaats der karavanen), v. â's. Karbeel (steunlat), m. âs, âen. Karbonaile (een gebraden rib), â s; â -naadje, o. -s. Karbonkel (hoogroode robijn), m. âen, âs; (alsstofnaam), o. Fig. roode puist; â neus. m. Karbouw (Indische buffel), m. âen. Kardeel (scheepst. hijschtouw), o. âs. Kardenioni' (zekere'plant in O./.), v. gmv. Kardinaal (geestelijke onder den paus van den hoog sten rang), m. â nalen. Kardinaal-bisseliop (bisschop met den titel van kardinaal), m. âbisschoppen. Kardinaalsbloem (pnrperbloem, prachtig langlevend gewas), v. âbloemen. Kardinaaiseliap (waardigheid van kardinaal), o. gmv. Kardinaalslioed (roodescharlakenhoedhet teeken der waardigheid), m. âhoeden. Kardinaalvogrel (N. Am. vink met roode kuif en snavel), m. â vogels. Kar«l4»eii (artisjokachtige vrucht. Spaan se h gewas), m. gmv. Kardoes (krulhond), m. âdoezen. Kardoes (met krui! gevulde papierrol), v. â doezen. Ook: houten steunklamp. Kar^loespapier (stevig wit omslagpapier), o. gmv. Kareel (gebakken tichelsteen), m. âen. Ook â steen, m. âen; âbakker, m. â s; â -bakkerij, v. â en; â oven, m. â s; â werk. o. gmv. Karekiet, m. âen. Zie Karkiet. Karetseliildpad (groote zeeschildpad), v. â den: (stofnaam), u. Karetta (Mal. rijtuig), v. â's. Karig- (gierig, zuinig), bn. en bw.; â lieid, v.; âlijk, bw. Karkant (halssnoer, halsketting), m. âen. Karkas {geraamte, rif), v. âsen. Karkic^t (rietvogel, rietlijster), m. â eii. Karlsbad (stad in Bohone, met koude en warme bronnen), o. gmv. Het âer water â wordt per jaar in een half mi Ui oen kruiken verzonden. liarnwliet (R. K. monnik), m. âen. Karnielietenklooster (het eerste op den berg Karmel, 1180), o. âkloosters. Karniijn (hoogroode verf), o. gmv. âinkt. m. Een dik bobbertje met âe koonen. (Klikspaan). Karniozijn (een soort van purperverf), o. gmv. Karn (karnrat, boterton), v. âen. Karnenielk, v.; â sbrij. v.; â spap. v. Karnen (boter maken), ik heb gekarnd; â -bond, m. âen; â inolen, in. â s. KarnofTelen (drukken, knuffelen, folen), ik lieb gekarnoffeld; -ing', v. |
Karolijntje, Karlijntje (vrouwenkapje), o. â s. Karonje (slechte, ondeugende vrouw), â s. Karos (s'aatsiewagen), v. âsen. Karot (rol snuiftabak), v. âten; â tenla-briek, v. Karper (weekvinnige zoet water visch), in. â s. De gewone â wordt ook in vijvers gekweekt. Karpet (langwerpig vierkant vloerkleed), o. â ten. Karpoets (kapoetsmuts), v. âen. Karrel (zekere visch), m. â s, âen. Karsaai (gruf gekeperd Engelsch laken), o. gmv. Kartel (kerf, insnijding, neep), m. â s. Kartelen (inkepen, rondachtig in kerven), ik heb en het is gekarteld; âdarm (kronkeldarm). m. Een geldstuk met gekartelden rand\ de melk is gekarteld, geschift; fig. dat zal â, misloopen, haperen; âig', bn. Kartets (blikken bus met schroot en kogels), v. âen; âschot, o. âen; â vnur, o. gmv. Kartlmizers (monnikenorde, in 1080 door Bruno in de woestenij Chartrenze bij Grenoble gesticht), m. mv. Ook: Kartuizer. Karton (licht bordpapier), o. gmv. Kartonneeren (in bordpapier inbinden); -ing, v. Kartouw (kanon der 15e eeuw), v. â en. Geschut nocht donders van âen versteuren hem. (Vondel.) Kartuizer, m. âs. Ook bn.: Een â monnik; het â klooster. Zie Kartlinizc^r. Karveel (klein snelzeilend schip in Spanje en Portugal), v. en o. â s. âen. Karviel (scheepst. hijschblok), o. â s, âen. Karwats (lederen zweep met riemen), v. â en. Karwei (werktaak, zware arbeid), v. âen. liarwij (wilde komijn), v. gmv.; âzaad, o. Kas. v. âsen. Niet bij â zij}}, geen geld hebben; de â opmaken, narekenen en zien of alles accoord is; aan de â staan, voor de geldzaken zorgen. Naar de â gaan, in dc â zitten, gevangenis; fig. bij iem. in de â zijn, staan, in de gunst zijn; zij komt als uit een kasje, is zeer netjes. Kasboek (kassiersboek), o. âen; âgeld (contant geld), o. gmv.; âhouder (kassier, winkelier in goud- en zilverwerken), m. â s; âje (getralied kastje aan het stad kuis), o. â s; zij staan in hetâ, ze zijn in ondertrouw. Kasian (Mal. uitdrukking van medelijden), o. Ik heb â met den kerel. Ook: Kassian. Kasjmir (fijne wol der kasjmir-geiten), o. gmv. Een â sjaal, kostbare fijn geweven sjaal. Kassei. Kasseie (straatsteen), v. âen of â n. vero.; âsteen, m. âen; âweg, m. â en; â enslijper (straatlooper), m. â s. Kasseien (bestraten, plaveien), ik heb gekasseid. Kassen (inzetten van steenm), ik heb gekast. Kassiapi (Mal. vuurtouw tot het aansteken van een sigaar), v. â's. Kassie (geneesmiddel), v. gmv. Kassier (kashouder, ook commissionair in effecten), m. â s, âen. Kassiersboek, o. âen; â brielje, o. â s; â kantoor, o. âkantoren; -kneelit, m. â s; ârekening*, v. âen. Kassig (gescheurd, nl. van nieuw papier), hn. Kast (meubel, getimmerde bewaarplaats), v. â en. Een boeken â , de porseleinâ; Leeft dit huis wel âen?; bij uitbr. gevangenis: hij |
KASTANJE - KAUWOERDE.
227
|
heeft in de â gezeten', ook oud, vervallen gebouw] in studententaal: gemeubileerde kamer. Zie Kiijii. Kastanje (boom), m. -s; (vrucht), v. â s. Een tamme â is afkomstig uit Klein-Azië', de paardenâ, de wilde of dolle â boom; c/e âs uit het vuur halen, voor anderen een gevaarlijk werkje doen; â vaas (bruine vaas), v. âvazen. Kaste (erfelijke stand, familiestam), v. â n. De Ind. ân zijn vier in getal: priesters, krijgslieden, landbouwers, ondergeschikten. Elke â is onderverdeeld in klassen. Kasteel (scheepst. getimmerte op den voor-of achtersteven), o. âen. vero. Kasteel (slot, heerenhuis), o. âen. âen in de lucht bouwen, hersenschimmen najagen. Kastelein (oudt. slotvoogd, nu herbergier), m. â s; âes, v. âsen. KasteleiiiJ (woning van den slotvoogd), v. â en. Kastie (jongetisbalspel), o. âen. Hij speelt â, daVs andre pret. (C. O.) Kastijden (tuchtigen), ik heb gekastijd; âer. m.; â ing-, v. Kastoor (stof), o.; (hoed), m. âoren. Kastrol (groote braadpan), v. â len. Kat (verscheurend dier, vingerlooper), v. â ten. De wilde â (leeft in Indië op boornen), de tamme â (huiskat); de Cgpersche â (grijs met zwarte dwarsstrepen van liet eiland Cyprus); de Spaansche â (donkergeel); de Kar-ihuizer â (blauwachtig grijs); de Angora â (zijdeachtig wit van haar); fig. Een â inden zak koopen, iets koopen zonder het te zien, bedot worden; de â uit den boom kijken, geduldig den uitslag afwachten; de â de bel aanbinden, het gevaarlijkste werk ten bate van anderen doen; dat of zij is geen -je om zonder handschoenen aan te pakken, dat of zij is een lastige zaak of persoon; leven als â en hond, zeer oneenig; zij is een â, valsch, ook snibbig meisje; de â in het donker knijpen, in stilte kwaad uitvoeren. Kat (hoogte op bastions of wallen), v. âten. Kat (scheepst. takel om het anker tot voor de kluis te hijschen), v.; âanker (werpanker met één tand), o. â s. Kat (zweep), v. âten. Een â met negen staarten, zweep van negen touwen aan een steel. Kat (aarachtige bloei wijze), v. Zig: Katje. Kataas (deugniet), o. âazen. Katafalk (lij kst el lage, rouw toestel), v. âen. Katapult, v. âen. Zie Catapult. Katarakt (stroomval met trappen in groote rivieren), v. âen. De âen van den Nijl. Kater (mannetjeskat), m. â s. Katern (6 blaadjes postpapier), v. eno. â en. Katliaak (scheepst. zware ijzeren haak, om den ring van het anker te vatten), m. â haken. Katlialzen (afsloven), ik heb gekathalsd. Katheder (leerstoel), m. â s. Met slaapmuts en kamerjapon en plak inden â zitten. (C. O.) Kathedraal (kerk, waarin de bisschop zijn zetel (cathedra) heeft; hoofdkerk), v. âdralen. Kathedraal, bn. Een âale kerk. Katheten (meetk. rechth. zijden eens driehoeks), v. mv. Katheter (geneesk. buis tot aftapping der urine), m. â s. Katholieisnie (godsdienst der li. K. kerk, ook de beginselen), o. gmv. |
Katholiek, bn. Het âe geloof, leer der R. K. kerk; een âe bevolking; âe beginselen. Katholiek, Catholiek, m. âen. Katijvig: (ellendig), bn.; â heid, v. Katjang (Ind. aardboun). v. â s. Er zijn vele soorten van âs. Katje (bloeiwijze in den vorm eener aar), o. â s. De wilg heeft tot âs vereenigde bloemen. Katjjesd racend en (boomen, hebbende als bloeiwijze de katjes), m. mv! De berk, de wilg, de iep zijn â. Katjesspel (ruzie), o. Het zal â worden. Katoen (boomwol, als stof), o. gmv. (als handelswaar, weefsel), v.; â tjes (soorten of stukken van katoenen weefsels), o. mv. Katoenbaai (groote zak met ruwe katoen), v. âbalen; âboom (in O. en W'. I. en Z. Amerika), m. âen; â bleekerij, v. âen; â bouw (teelt), m. gmv.; âdrukker (die de kleuren of patronen op het weefsel aanbrengt), m. â s. Katoenen (van katoen), bn. Een â zakdoek, een â hemd. Katoen fabriek (spinnerij en weverij), v. â en; âfabrikant, m. âen. Katoenfluweel (goedkoope soort van fluweel), o. gmv. Een jurk van â. Katok (Ind. wijde, korte broek van den Javaan), v. â s. Katrol (schijf met rollen), v. âlen; âblok (hijschhlok), o. âken. Katttebak (achter aan een rijtuig voorden knecht), m. âbakken. Kattegat (zeeengte tusschen Zw. en Den.), o. gmv. Kattekwaad (allerlei Jongensbaldadigheid), o. gmv. Katten (gekochte goederen bij de aflevering afkeuren en weigeren), ik lieb en het is gekat. Kattendoorn, Kat tend oren (heester), m. â s. Kattengeslaeht (vingerloopende roofdieren), o. De leeuw, de tijger, enz. behooren tot het â. Katten kop (mil. klein mortier voor granaten), m. âkoppen, Kattenkrnid {lipbloemige wilde plant), o. gmv. Kattenmuziek (lig. krijschend geschreeuw, ketelmuziek), o. gmv. lem. â brengen. Kattenstaart (smalbladige basterd wederik), m. âen. Katterig;- (misselijk), bn.; âheld. v. Kattig: (snibbig), bn. Dit meisje is bitsenâ. Katting- (scheepst. verbinding van twee ankers), v. âen. Katuil (nachtroofvogel), m. âen. De â bewoont gaarne de bosschen. Katviseh (allerlei kleine visch), m. â vissollen; (slof), v. Katwilg (wilg onzer rivieroevers), m. âen. De gele â, de bruine â. Kaukasiseli. bn. Het âe ras, het blankë, het eerste der vijf menschenrassen. Kauri (schelpmunt der negers), m. â's. Kanselier (rein, zuiver, geoorloofd), bn. Is dit vleesch (Hebreeuwsch). Kauw (kleinste inlandsche kraai), v. âen. Ook: kerkkauw, toren kauw, bonte kraai. Kauwen (vermalen met de tanden), ik heb gekauwd; -ing, v.; âsel, u. Kauwoerde (gewas, pompoen), v. â n. |
15'
KAVALJE-KEMBEN.
228
|
Kavalje {afgeleefd paard), v. en o. âs. Ook: bouwvallig huis. Kavel (lot, deel), m. â s of âen. Kavelen (deelen, splitsen), ik heb gekaveld. Fig. nauwkeurig berekenen: zeew. Tij â, eb en vloed berekenen; tijd en tij â, zich naaiden tijd en de omstandigheden schikken. Kaveling* (koop, partij, deel), v. âen. De koffie zal bij âen geveild worden. Kaviaar (gezouten steurkuit, linss. spijs), v. ginv. Kawaan (soort van schildpad), v. â anen. Ziazak (oven'ok, reismantel), v. âzakken. Kazemat (bomvrij gewelf), v. âmatten. Kazemiren, Kaziiniren (van kasjmir), bn. Een â doekje. Kazen (zuur worden van melk, kaas maken), ik heb en de melk is gekaasd. Kazerne (soldatenhuis), v. â n. Kazerneeren (in kazerne legeren)', -injr. v. Kaznaris (een soort van struis), m. âsen. Kazuifel (R. K. misgewaad, opperkleed), v. â s, âen. De â is wit, rood, zwart of paars. Keel (lichaamsdeel, strot), v. kelen. lem. bij â de â grijpen* aanvallen; iem. hel mes op de â zetten, dreigen, geen keus laten; alles door de â jagen, geld en goed verbrassen; in de verkeerde luchtpijp; de â smeren, lustig drinken; fig. een â opzetten, hard schreeuwen. Keel (lange smalle strook), v. kelen. Keel (wapenk. rood), o. Een leeuw van â. Keelanianlt;lel {keelklier), v. â s of â en; â -band (aan muts, pet, schako), m. âen; â -{fat, o. âgaten: alles door het âgat jagen-, â klank, rn. âen; de klank der ch is een -klank; âletter, v. â s: de j, ch, k, g, nk, ng zijn de âletters] âontsteking:, v. âen; de kroep, de diphtheritis is een âontsteking; â spiegel (tot inwendige waarneming di'r keet), m. â s; -tering', v. âen; âziekte, v. â n. Keen (kloof, barst, reet, spleet), v. kenen. Keep (uitsnijding, sleuf, kerf), v. kepen; â -mes, o. âsen. Keer (wending, verandering-, maal), m. âen. Keerdielit (dicht met telkens terugkeerenden slotregel, refrein), o. âen. Keeren (draaien), ik heb en ben gekeerd. Keerkring* (denkbeeldige cirkel), m. âen; de Steen boksâ, 231/20 ten Z. van den Evenaar; de Kreeftsâ, 23'Z-0 ten N.; âslijn. v. â en; â splant, v. -en; â szon. v. Keerpunt, o. âpunten. Het â eener ziekte. Keer weer (blinde straat, slop), m. âen. Keerzijde (ommezijde), v. âen. Fig. onaangename zijde. De - der medaille-, Helaas, dat ik u de â van den penning moet laten zien. (Potg.) Kees (spitshond), ra. keezen. Heen (spotnaam voor patriot), in. kee/.en. En dineer je bij een â, zoo eet je zijn rook-vleeseh, nl. paardevleesch. Keesjesblalt;ieren (kaasjeskruid, maluwe), o. mv. Keest (kern, pit, merg), m. Fig. het fijnste. Keet (loods, planken huis), v. âketen. Ketlen (b la If en, lig. babbelen), ik heb gekeft; â fer, m.; â fertje (klein hondje), o. Keg'. Hegg-e {wig), v. âgen. Keg:el (meotk. lichaam met plat cirkelvormig grondvlak, uitloopend in een punt)* m. |
â s. De top van een â; de hoogte van een â, d. i. afstand van den top tot de basis; een rechte â, een scheeue â ; een afgeknotte â. zonder top; âas (loodlijn), v. âassen; â -mantel (gebogen zij opper vlak), m. -mantels; â nede, snee (wisk. lijnen, die ontstaan als de kegel door een plat vlak gesneden wordt), v. âsneden; â vlak (kegelmantel), o. â vlakken. Kegel (één der negen houten kegels van het kegelspel), m. âs; met âs spelen-, de âs opzetten-, de koning der âs. Kegeldragrenden (naaldboomen), m. mv. De - heeten coniferen', de sparren, pijnen, eg pressen zijn â. Kegvlen (het kegelspel spelen), ik heli gekegeld; â aar (speler), m. âs; âbaan v. â banen; âbal, m. âballen; -plaats, v. â en; -plank. v. âen; âspel, o. -en. Keg'elvormig', bn. Eenâe berg,âe bloesem. Kei (straatsteen), m. âen; â g'rond,m. âen. Keil (keg, wig), m. âen. Keilen (over het water scheren), ik heb gekeild. Ook: Kiskassen. Keizei (ronde, gladde keisteen), m. â s; â -geruis (scherven van keizeis), o. In 7 scherpe keizelgruis een bloedig merk met naakte voetzool drukkend. (Staring.) Keizer (de hoogste vorstelijke waardigheid), m. â s. De â van Oostenrijk, de â van li'island; geef den â, wat des âs is, bijbel, geef elk het zijne; âin, v. âinnen; â Iffk, bn. de âlijke troepen, het âlijke leger. Keizerrijk (gebied eens keizers), o. âen. Frankrijk werd een â in JSIO. Keizerskroon, v. âkronen; Otto I veree-nigde de â voorgoed met de Duitse he koningskroon (962). Keizerskroon (lelieachtige sierplant), v. â -kronen. Kekâ¬kr (peulerwt), v. â s. Kekeren (hakkelen, stotteren, stamelen), ik heb gekekerd. Kelder (ondergrondsche ruimte van een huis), m. â s; â aelitig. bn. In de kerken is het soms âachtig koud; âdeur, v. âen. Kelderen (in den kelder bergen), ik heb gekelderd. Gekelderde ivijn. Kelderkamer (boven een kelder), v. â s; â meester (opzichter van den wijnkelder), m. âs; âspin (groote zwarte spin';, v. â nen; â winde (hijschwerktuig), v. â n. Kelen (slachten), ik heb het varken gekeeld; â er. m.; â ing:. v. Kelk (beker), m. -en; een gouden '-; fig. d»' â des lijdens. Kelk (bloemkelk, het groene bloembekleedsel; beschutting van meeldraden en stampers). m.; âblad. o. âen; â bloc^m, v. âen. Kelkstandig^n (planten met bloembladen en meeldraden op den kelk ingeplant), v. mv. Kellner (bediende in hotel of café), m. â s. Kellnerin (vrouw, café-bediende), v. ânen. Kelp (ruwe soda), v. gmv.; âplanten (bij verbranding kelp opleverend), v. mv. Kelten (oude bewoners van W. Europa), m. mv. Keltiseli, bn. De âe taal, nl. die der Kelten of Celten; lt;le âe volksaard was moedig doch opvliegend; de âe stammen woonden in Midden-Frankrijk; het â [o.] wordt nog gesproken op de eilanden om Engeland. Kemben (Ind. vrouwenkleedij, lange breede strook tot dekking van het bovenlijf), v. â s. |
KEMEL-KERKED1ENAAR.
229
|
Kemel (kameel), m. â s. â en ros zijn de vrienden ran den Arabier\ â «Irijver, m. â s; âsparen {draden van kameel haren gespannen), m.; âhaar (harige wol van den kemel), o. gmv. Kemela-partij (op Atje.'i, de partij v. d. sultan, naar de residentie Kemela genoemd), v. gmv. Kemelsliaren, bn. De prentachtige dame droeg een â doekje. (C. O.) Kemeriboom (Ind. boom, wiens vruchtpit-ten olie levert), m. âen. Kemp. Kennep (hennep), v. gew. Kemphaan (steltlooper, snipachtige vogel), m. âlianen; de â is in den paartijd zeer strijdlustig; fig. vechtersbaas, twistzoeker. Kenbaar, bn. Zijn meaning â maken, doen kennen; â hei«l, v. Kendonp (Ind. omheining van ruw paal-iverk), m. â s. Kenen (klooven), bet is gekeend. Het zaad begint te Kenpoeroe, m. â s. Zie Kangoeroe en Buideldier. Kenmerk (kenteeken), o. âmerken. Kenmerken, ik beb gekenmerkt; goede trouw ât een eerlijk gemoed, toonen, aanwijzen. Kenmerken (zich), hij beeft zicb gekenmerkt. Onze eeuw kenmerkt zich door bescha-ring, zicb onderscbeiden. Kenlijk. Kennel ijk (blijkbaar), bn.; een â bewijs; â heid, v. K(knnlt;kn (weten, verstaan, bevatten), ik beb gekend. Zijn les â, iets van buiten â: iem. â; iets van nabij â; zich doen â als een gierigaard; men kent den vogel aan zijn veer en, onderscheiden; aan de klauwen ât men den leeuw; te â geven; men ât de kracht der electriciteit; hij ât zijn tv er el d, nl. de ondervinding maakte bem wijs; â u zei ven, spreuk op den tempel van Delpbi; ik dien vooraf mijn vennoot, in die zaak te â, raadplegen; â iiâ¬Â»r, m. â s. Zijt gij âner? b.v. van schilderkunst, muziek, enz.; â ners-oop (het critisch oog ran een deskundige), o. âen; het âoog kwam haar begluren. Kennep. v. Zie II en nep. [(Staring). Kennis (wetenschap, inzicht), v. gmv. Een man van â, geleerdheid; hij sprak met een â van zaken, begrip; dat gaat mijn â te boven; de zieke lag buiten â, bewustzijn. De â is voor zweet te koop. (Staring). Mijn vriend wilde zijn aardrijkskundige â van de hoofdstad toonen. (C. Ã.) Kennis (bekende, vriend), m. en v. âsen. Hier is een oude â van j?; dat boek is een goede â van :ne; den dood laten bekend maken bij vrienden en âsen; lig. â met iem. maken, iem. ieeren kennen. KenniN^evinp (mededeeling, bericht), v. â en. Er is een â vanwege den Burgemees-fcfe aangeplakt, bekendmaking; in de raadsvergadering werd die brief voor â aangenomen; â making', v. Het eerste hoofdstuk van de familie Kegge heet: â met menschen en dieren; âneming (onderzoek), v. gmv. Kenschets {zedenschets, zaakrijke omscht ij-ving), v. âschetsen. Kenschetsen (kenmerken, aanduiden), ik heb gekenschetst. Zulk ren edelmoedigheid â t zijn karakter; dit -t de ontrouw der inboorlingen. |
Kenspreuk (zinspreuk, leus), v. âen. Elke rederijkei's kamer had een â; de Palmboom in Leiden (1616) had als In liefde werkende. Kenteeken (kenmerk), o. â s. Een witte band om den arm zou als â dienen. Kent eekenen {kenmerken), het heeft ge-kenteekend. Zulk een schrale gift ât dien man, hij is nl. een gierigaard. Kenteren (kantelen, omrollen), ik l eb gekenterd. Een kasU een balk â; zeew. Een schip â, bet op zij stellen ten einde net te herstellen; het tij ât, veranderen, keeren; â ing, v. âen, de âing van het tij, wisseling van eb en vloed; Ind. overgang var. de regelmatige winden; âhaak. m. -baker. Kenvermogen (één der zielskrachten, begripsvermogen), o. gmv. De onderwijzer werkt vooral op het â. Kepang (Ind. vlechtwerk van bamboe), o. âs. Kepen (insnijdingen maken). Ik heb gekeept. Een lat, een stok â. Keper (opgewerkte draad bij een weefsel), v. â s. De â van die zijde is fraai; iets op de â beschouwen, nauwkeurig, van nabij. Keper (balk), v. â s. Een hoekâ, d.i. ver- bindingsbalk: âhand {ijzeren sluitband om schoorsteen, balk, enz.), m. âen. Keperen (met een keper weven), ik heb gekeperd. Gekeperd laken; gekeperde zijde. Kepi (mil. hoofddeksel, lichte schako), v. â's. Keramiek (het vervaardigen van fagenee), v. Ook Ceramiek. Keratine (hoornstof), v. gmv. De â is een zwavelrijk eiwitachtig lichaam. Kerel (manspersoon, sterke man), m. â s. Wat een lompe â! Ben jij nou een â! Een â, die me dat nadoet; â tje (knaap, iron. jongetje), â s. Wacht eens â, ik zal je beenen maken! Keren (den vloer reinigen met een bezem), ik beb gekeerd. De meid gaat de straat â; de deel of dorschvloer â; iets met bezemen â. Kerf (keep, insnijding), v. âven; âbijl, v. â bijlen; âmes, o. âmessen; âvijl, v. âen. Kerfstok (houtje lt;nn op aan te teekenen), m. âstokken. Brood op den â halen, d.i. op krediet; den â afdoen, betalen. Fig. veel op zijn â hebben, veel schuld hebben, veel misdreven hebben; de â is vol, de maat is vol; ik wil dat niet op mijn â; voor mijn verantwoording; hij doet dat op zijn eigen houtje, volgens eigen inzien. Kerk (bedehuis, tempel), v. âen. Een â bouwen, de St. Jan in Den Bosch is een gotische â; de St. Servaas ran Maastricht is ren der oudste âen; bij uitbr. verzameling (corporatie) van geloovigen: De Roomse he â, de Anglicaaiische â; de geschiedenis drr christelijke â; de â gaat uit; de â duurt lang, godsdienstoefening; trouw ter â gaan. Kerkban (R. K. uitsluiting uit de gemeenschap), m. gmv.; de groote â, de kleine â. Kerkbank, v. âen; âbeeld. o. âen; â -bestuur, o. âbesturen; âbijbel, m. âs; â boek, o. -en; âbord (in de Protest, kerk tot aanduiding van het nummer der psalmen of gezangen), o. âen; âdag: (R. K. dag, dat men ter mis moet gann), m. âen; â dienst (eeredienst), m. gmv. Kerkedienaar (predikant), m. âsof â aren. Wanneer een â kwam, die 't oud gebrek ter harte nam. (Staring.) |
KERKELIJK-KETTER.
230
|
Kerkelijk (tot of van de kerk), bn. en bw. Dit zijn âe goederen', de âe Staat; de âe inkomsten; de âe inzegening; bw. Een huwelijk â inzegenen. Kerken (ter kerk gaan), ik heb gekerkt, gmz. Kerker {gevangenis), m. â s. Kerkeraalt;l (vertegenwoordiger der gemeente; consistorie), m. âraden. Lid van den â; de â is vergaderd, de leden van 't kerkbestuur. Kerkeren (gevangen z.tten), ik heb gekerkerd; â injï- v. Kerkezakje (collecteerbuidel), o. â s; âfabriek (kerkeraad), v. âen. vero.; âfeest, o. âen; â jranji- (ter kerk gaan), m. âen: zijn â houden; â g^enootsctiap. o. âpen; â ^-eNcliietlenis. v. gmv.; â gewelf, o. â -welven; âg-ezan^, o. âen; âhervormer, m. â s; â liervorniinjr (reformatie), v. âen. Kerkhof (begraafplaats), o. âhoven. Kerkkamv (bonte kraai), v. âkauwen. Kerkklok, v. âklokken; âkroon (lichtkroon)^ v. âkronen; âleer (godsdienstleer), ' v. gmv. De Homeinsche, de Luthersche â; â -â neester (R. K. Hd van het kerkbestuur), m. â s; ârecht (R. K. het canonieke recht), o. gmv. Kerkseh, bn. Deze dame is â, gaat gaarne ter kerk. Hoe â men was, de vlier pot bleef nu in de kas. (Staring.) Kerksehffeziml (kerkseh), bn.; â heid, v. Kerksieraad, o. âsieraden; âtijd (tijd ran den kerkdienst), m. gm\.; â toren, m. -s. Kerkuil (tormui/, oranje-uil), m. â en. scherts. Trouw bezoeker dér kerk: Bonjour, rami, â als je bent, wat doe jij hier? (Potgieter). Kerkvader (leeraar der kerk), m. â s. Au-gustinus is een beroemde â. Kerkvergadering (concilie), v. âen. De â van Trente; âvisitatie (R. K. bezoek door den deken), v. â s of â tiën; âvoogd (R. K. bisschop), m. âen; âvoogd (Prot. lid ran den kerkeraad, zorgend voor het kerkelijk beheer), m. âen; âwet (canonieke wet), v. âten: Daar â en pastoor verbiedt met ongedoopte klokken benglen! (Staring); â wijding (R. K. het inzegenen en wijden ran een nieuwe kerk), v. âen; alle jaar vierde men het feest van â. Kermen (kreunen, weeklagen), ik heb gekermd; â er, m.; âing, v. Kermes (schildluis in Z. Europa), v. âsen. De â is de grondstof der karmozijn. Kermis (jaarmarkt), v. âsen. De â inluiden, nl. met de torenklokken; de voorjaarsâ, de najaarsâ; de â eens over wandelen; gaan â houden; het is niet alle dagen â, feest; het is â in de hel, zonneschijn met hagel of sneeuw. Kermisbed (op den grond gespreid bed), o. â bedden. Kern (karnton), v. âen. gew. Kern (pit, steen eener vrucht), v. âen. De â en van een appel; tot de â doordringen, iets niet oppervlakkig behandelen. Kernaehtig (pittig, vol gehalte), bn. Een â pleidooi; een âe toespraak; â heid, v. Kern bijt er (rinkachtige vogel), m. â s. De âs zijn dol op kersen. Kernooft (vruchten met pitten), o. gmv. Peren, appels behooren tot het â. Kernspreuk (krachtig en kort gezegde), v. â spreuken. De meeste deviezen zijn âen. |
Kern vrucht (een pitvrucht), v. âen. De appel is een â. Kerrie (Ind. groengele specerij), v. gmv. Kers (kerseboom), m. âen; (vrucht),\. âen. De zuurachtige â of morel; de Spaansche â ; de Me iâ. Kers (kruisbloemig kruid, bitter kers), v. gmv. De bittere â, ook tuin- of sterâ is gezond en smakelijk. Kersappel (soort van appelboom), m. â s; (vrucht), m. âen. Kersebloei, m. gmv.; âblad, o. âeren; â -bloesem, m. âs; âboom,m. âen; âboo-menhont, o. gmv.; â pit, v. âten; -steel, m. âen; âtak, m. âken. Kerselaar (A^erseboo»?), m.-s, -aren.Vlaamsch. Kersenboomgaard, m. â en. In de Betuwe vindt men veel âen; âgaard, m. âen; â -gelei, o. gmv.; âhout, o. gmv.; âmand, v. âen; -sap. o. gmv.; âtaart, v. âen; -tijd, m. gmv.; âvla, v. â vlaas. Kersouw (madeliefje), v. âen; vero. Kerspel (kerkdorp, parochie, gemeente), o. â en, âs. Vergelijk: Bovenkarspel, enz. Kerstavond, m. âen; âboom, m. âen; â dag. m. âen; âfeest, o. âen; â lied. o. â eren; âmis, v. âsen; ânacht, m. âen; â tijd, m.; â vacantie, v. âties, âtiën; â -week, v. âweken. Kersversch (geheel versch), bn. en bw. Deze boter is â. Wij komen â van de reis. Kervel (schermbloemig kruid), v. gmv. De gewone â is een soepgroente. De dolle â is een giftplant (gevlekte scheerling); âsoep, v. âen; âzaad, o. âzaden. Kerven (inkepen, insnijden, in reepjes snijden), ik korf, heb gekorven. Tabak â, visch â; bij uitbr. vezelig worden (van stollen), die zijde kerft; âver, m. â s; â ing, v. gmv. Zie Gekorven. Kesp (scheepsb. oplegstuk), v. -en. Ketapan (Ind. rijstblok, trog), v. â s. Ketel (vaatwerk), m. â s. De pot verwijlden â, dat hij zwart is, de eene schelm verwijt een ander zijn kwaad. Ketelboeter (ketellapper), m. â s. Zie: Boeten. Ketelen, Kittelen, ik heb geketeld, gekitteld. Ook: Kietelen. Ketelig (kitteloorig), bn. Zie: Kittelig. Ketellapper (iem. die oude ketels oplapt, herstelt), m. â s; â siverk (knoeiwerk), o. Ketelmuziek (helsch lawaai met pannen en ketels als bespotting), v. gmv. Ketelsteen (aardachtige korst aan den bin-nemvand des ketels), o. gmv. Het â verhindert het doordringen der warmte. Keteltrom (mnzi ekinstr., pauk), v. -tro m men. Keten (reeks van in elkaar geschakelde ringen, ketting), v. â s of âen. Een ijzeren â, een gouden â; de â der slavernij, de boei; de âen der bannelingen; fig. Een â ran bergen, van heuvelen, rij, aaneenschakeling. Keten (zout raffineeren), ik keette, heb gekeet. Ketenen (in ketenen slaan), ik heb geketend; â ing. v. Kctimon (Ind. augurken, komkommers), v. gmv. Kâ¬ktjoe (bende roovers op Java), v â s. Ketsen (niet afgaan, weigeren), l.et geweer heeft geketst; âing, v.; âtuig, o. Ketter (afvallige, onrechtzinnige), m. en V. -s. |
KETTERIJ - KIENSPEL.
231
|
Ketterij {dwaalleer, ontrouw aan den R. K. godsdienst), v. âen. ïietterscli, bn. âe leeringen; âe beginselen. Ketting*, m. âen. Zie Keten. Ketting-breuk (rek. gedurige breuk), v. âen; â brug {hangende aan kettingen en zeer beweeglijk), x. â bruggen; â lt;1 raad (weefstoel: schering of opgespannen draad), m. âdraden; â garen (weefstoel: strak op de boon ten gespannen draden), o. gmv.; âkogel {twee kogels door een ketting verbonden), m. âkogels; -regel (rek. aaneenschakeling van evenredigheden), m. âregels. Ken {biljartstok), v. â s of âen. Piet er verzocht den jongen zeer beleefd om een lt;joedc -. (C.0.) Keu {wijfjes-varken), v. â s of â n. Keuken {plaats waar het eten bereid wordt), v. â s. Een koele â; een kleine â ; bij uitbr. de Fransche wijze van spijsbereiding; de Engelsche â ; een schrale â, slechte voeding; spreekw. Een vette â, een mager testament, wie altijd smult kan niet sparen. Keukenbe*ieliuit {grof en hard beschuit), o. âbeschuiten; â franseli (slechtFransch), o. gmv.; âzont {het gewone zout), o. gmv. Keukenprinses (scherts, k uikenmeid), v. â -prinsessen. Hofjes-ju Ifromuen zijn veelal gewezen âprinsessen. (Jonath.) Keule {boonenlcruid), v. gmv. Ook Keune. Keulenaar {persoon, ook: vaartuig), m. â s. KeulNeli {van of uit Keulen), bn. Dit is â aardewerk', een âe pot', een âe aak', de -e dom; de âe schipper. Keur, v. âen; â van bloemen, spijzen, enz., d. i. overvloed; de â der natie, het beste deel; te kust en te â, zooveel men maar wil. Keur {handvest, privilegie), v. âen. Keurbende {uitgelezen bende soldaten), v. â benden. Een Romeinsche â ; de Garde was Napoleons â. Keuren {beoordeelen, onderzoeken, toetsen), ik heb gekeurd. Goud zilver â, paarden â; â der {beoordeelaar), m. â s. Keurig {fijn, kostelijk, schoon), bn.; â beid. v. Keurlijk {uitgelezen, fijn), bn.; â beid. v. Keurling {uitgekozene), m. en v. âen; ook: -e, v. Keurmede {het beste stuk van den lijfeigene, dat bij diens dood door den heer werd genaast), v. âmeden. vero. Keurniedige {hoorige, aan keurmede onderworpen), m. en v. â n. Keurmeester {stadsbeambte met het keuren der voedingsstoffen belast), m. â meesters. Die heer is â van de visch; deze man is â va)i het vleesch. Keurnoot {ambtgenoot, makker), m. â noo-ten. gew. Keurprins(zoonvanmi keurvorst), m. âen; â prinses, v. âprinsessen. Keurs {corset), v. keurzen; -lijf {rijglijf), o. âlijven; âlijtinaker m. â lijfmakèrs. Keurteeken {stempel, merk op gouden of zilveren werken), o. â teekens. Keurteekenen {het keurteeken zetten op iets), ik heb gekeurteekend. Kenrverwantseliap {affiniteit), v. gmv. Keurvorst {rijksvorst, gerechtigd om den keizer te kiezen ), m. â vo rs ten; - vorstel ij k, bn. en bw.; âvorstendom, o. âmen; â â vorstin, v. â nen; vero. Keus {de daad van het kiezen), v. keuzen. |
Een goede â doen; een goede â hebben, smaak hebben: alles naar â kost in dien bazar 3() cents. Ook: Keuze. Keutel {hard stuk drek), v. - s. Keutelaar {talmer, kruimelaar), m. â s. â ster. v. â s. Keuteliu'litig {kleingeestig), bn.; â heid, v. Keutelen (talmen), ik heb gekeuteld. Keutelig (kleingeestig), bn. en bw.; â beid. v. Keuier (kleine boer in Drente en O eer ij se l), m. â s. Keuvel (hoofddeksel, ondermutsje), ?. âs. Een vrouw niet een zwart kapje over de â. (Koetsveld.) Keuvelen (gezellig praten, kallen), ik heb gekeuveld; âaar. m.; âsirij, v. Keuze. Keus, v. keuzen. Keuzelen (kouten, keuvele}»), ik heb gekeuveld; â aar, m.; â ing, v. Kevel (tandvleesch zonder tanden), m. â s. Kever (tor, schildvleugelig insect), m. â s Alle âs hebben een volkomen gedaanteverwisseling. Kevie (kooi), v. â s. Kban (Tartaarsch vorst), m. â s. Kbanaat {vorstendom, gebied v. e. h'han), o. â na ten. Kbedive (titel van den onderkoning van Egypte), m. â n. Kib, Kibbe (het achterste van een aalfuik), v. âben. Kibbelen (twisten, krakeeten), ik heb gekibbeld; â aar, m.; âarij, v.; âing, v. Kibbelig {twistziek), bn.; âbeid, v. Kibbeling' {ingezouten kopdeelen v.d. kabeljauw), v. gmv. Kid, Kidde(/a£ye), v. âden. Ook: Ked, Kedde. Kidang (Ind. middelsoort hert), m. âs. Kieken. Kuiken {jong hoen), o. â s. Kiekendief (wouw, roofvogel), m. âdieven. Kiekje (photographic instantanée, vooral koddig, naar den pho tog raaf Kiek te Leiden), o. â s. Kiel (bodembalk, grondbalk ran een schip), v. âen. De â van een schip leggen\ bij dichters: het schip zelf: Daar komt de â met goud belaan. (Spandaw); Gewis. . . (hij was moedig), die 't eerst zijn â den golven wagen, zich zelf der â betrouwen dorst. (Bild.) Kiel (linnen overkleed), m. âen. Kielen (het op zijde leggen van een schip om het te herstellen), ik heb gekield; -ing. v. Ook: Kielbalen. Kiel balen (zware scheepsstraf), ik heb gekielhaald. Ook: Een schip â, d. i. kielen. Kieling (romp van een schip), v. âen. Kielspit (schuin uitgestoken geul in den grond), o. âspitten; âspitter, m. âs. Kielwater {zog; spoor, dat een schip in het water achterlaat), o. gmv. lem. in zijn â zeilen, hem op de hielen volgen; spreekw. Blijf uit zijn â, volg hem in zijn handelwijze niet na; Blijf uit mijn'â, pas op, dat gij uit mijn nabijheid blijft. Kiem [oorspronkelijk, inwendig beginsel), v. â en. De â van het zaad. Fig. De â van het kwaad; de â van het goede; â pje, o. Kiemen (ontwikkelen, ontspruiten), het heeft gekiemd; â iug, v. Kienen {het kienspel spelen), ik heb gekiend. Kienliout (fossiel hout, uit het veen opgedolven)^. gmv. Het â brandt met heldere vla m. Kienspel {doos met steenen), o. âspellen. |
KIKP.IE â
K1NANG.
232
|
liirpje {glad mutsje van een bestje), o. â s. De doove buurvrouw had mede een zwart â op. (C. O.) ]4ilt;gt;r (reet, nauwe opening), m. âen. De stores stonden op een âtje. (Potg.) liierc'lmc (bankwayen, een zeker licht wagentje), v. -s. {maaltand, baktand), v. kiezen. liicK {verbinding van zwavel met een metaal), o. gmv. liii'sbaur (kunnende gekozen worden, als zoodanig bevoegd), bn.; â v. liicNb^voe^d (gerechtigd om te kiezen), bn.; âheid. v. Ki«gt;Kbc'voo$;«1e (persoon, die het kiesrecht bezit), m. âbevoegden. (net, keurig, smaakvol), bn. en bw.; â v. Kü'KCMklle^'e (een bepaald getal kicsberoeg-den), o. âcolleges. In groote gemeenten doet het â de keus van den predikant. (het recht tot kiezen bezittend), bn.; â (persoon), m. â n. Iiilt;gt;Kkaiiwlt;gt;ii (zonder graagte of )n t tegenzin eten), ik heb gekieskauwd; â kamvor, m. Kirskouriia? (fijn van smaak), bn.; - lioid, v. t. o.;' âstelsel, o. âs; â vorâ¬Â»e-ni^injS'. v. âen; -vergalt;lcoring:, v. âen; â wet, v. âten. liiefeleii (zachtjes streelen), ik heb gekieteld. Hij moet dat kind niet zoo in de zijde â. Zie Ketelen. liieuw (ademhalingsiverktuig der visschen), v. âen; âdeksel, o. â s. Kieii*vlt;lra$feiilt;l, bn. âc wormen, een soort van schaaldieren. Kievit {moerasvogel), m. âen; -«ei. o. â e-ren; â«nest- o. âen. Kievitsbloem (kruisbloemige; gemecne veld-kers), v. âbloemen. Kiozel (scheikundig element, metalloidc), o. gmv. âaarde, v. Kilt;'zlt;'l (grint), o. gmv.; â wejf (kunstweg), m. âwegen. Ki^xen (keus doen), ik koos, heb gekozen. lem. tot lid van den raad â; partij â; hij kiest de eer boven het leven; het hazenpad â, op de vlucht gaan; het ruime sop, de zee â. de ruimte â, het ruime sop ingaan; â oj deelen. terstond een beslissing nemen; spreekw. Van twee kwaden moet men het minst erge Kilt;gt;zer (die gerechtigd is tot kiezen), m. â s. Hij is â voor den gemeenteraad; â slifsl (lijst der kiesgerechtigden), v. -on; â sver-eêiii^iiift' (bond van kiezers), v. âen; â s-verg-aderiiifsquot; (bijeenkomst van kiezers), v. â svergaderingen. Kil' (gebruikte run), o. gmv. Van â maakt men runturf. Kijf, v. Buiten â, d.i. zonder tegenspraak. Kijfaeliti^- (twistziek), bn.; â lilt;gt;id. v. Kijk (het bezien), m. gmv. Het schilderij staat te â; âdas: (dag ter bezichtiging van inboedels, enz.), m. âen: -duin (hoogste top van een duin), o. gmv.; -{fat (spiegat), o. â gaten; â gaatje (loergaatje), o. â s; â glas (tuurglas van een rarekiek), o. âglazen. Kijken (zien, loeren, staren), ik keek, heb gekeken. Daar staat gij nu te â, verlegen zijn; ivat staat gij daar te â, gapen; opzijn neus â, verlegen zijn; de kat uit den boom â, geduldig den loop der dingen afwachten; |
iem. het ivoord, het eten uit den mond â, aanstaren; prentjes â, beschouwen; â hem daar eens! uitroep van verbazing of beschimping; â er (persoon die kijkt), m. â s; âer (verrekijker, vergrootglas), m. â s; âer (oog), m. â s. Zij zag mij aan met haar groote âs. Kijk-in-de-pot (persoon, die in de keuken alles afneust), m. en v. âpotten. Hans â. Kijkje, o. â s. Ergens een â nemen, een kort bezoek brengen, ter vlucht iets zien. Kijkkast, v. âkasten; âspel. o. âspellen; â toren, m. âtorens; âvenster, o. â s. Kijn ( â ken, âke, âske, âsken), achtervoegsels, b.v. gaarde kijn, kindeken, manneke, vlagske, boeksken, d. i. dingen, die klein (lief, aanvallig) zijn. K ij vage {kijverij, gekibbel), v. gmv. Kijven (hevig, nijdig twisten), ik keef, heb gekeven; âer, m.; âer ij. v.; K ijlst or, v. Kik (pauw geluid), m. Hij gaf geen â. Kiklialzon (een kikkend geluid maken), ik â halsde, heb gekikhalsd. Die jongen eet, tot hij ât, bijna stikt, niet meer kan. Kikken, ik heb gekikt. Gij moogf er niet van â, niets van zeggen. Kikker (kikvorsch), m. â s. Kikkerkrniâ¬l(r7/«fWcrf/,t(;rtïerAYiar6te),o.gmv. Kikkerrit (kikvorschenschot of kuit), o. gmv. Kikkerspog (lenteschnim, koekoekspeeksel, wit schuim op sommige planten), o. gmv. Kikkers! ooien (scherm bloemi ge water venkel), m. mv. BiikkerviseliJlt;' (dikkop, kikker in wording), o. â vischjes. Kikvorseli (kruipend dier, amphibie), m. â en. De bruine landâ, de groene water â . Kikvorsehebeet (Europeesche waterplant), v. gmv. Kikvorseliebil. v. âbillen. Kikvorseheneieren, o. mv.; âland.o. In dit â ! schimp, voor moerassig, laag land; â -net, o. ânetten; â seliot (geschoten kuit), o. gmv.; âzaad. o. gmv. Kil (geul, waterdiepte tusschen twee hoogte}i), v. â len. De Dordsche â. Kil (nattig, koud), bn. Een âle herfstavond; het âle water; bij uitbr.: de âle hand des doods: â lieifl. v.: âkond (ijskoud), bn. Killen het heeft gekild. De voeten â mij, tintelen, prikkelen van kou; scheepst. Die zeilen â, vatten geen wind, hangen slap langs den mast. Killig* (koud, huiverig), bn.; â lieid. v. Kik». Kilogram (Nederlandsch pond), o. â's, âgrammen. Kiloliter (10 Ned. vaten, 10 Ned. mudden), m. âliters. Kilometer (mijl = 1000 Ned. ellen), n. â s. Kilostère (I00() M*), v. -s. Kim (bank, rand), v. âmen. De zon duikt onder deâ, horizon; de zon verrijst aan deâ; de Ooster â, de Wester â. Kiimlniking (aardr. verschil of correctie tusschen den zichtbaren en wezenlijken gezichteinder), v gmv. Kin (onderste deel van hel gelaat), v. â nen. Kina (geneesmiddel legen de koorts), v. gmv. Er is bruine, gele en roode â. Ook: Kinine. Kinabast (geneesmiddel, bast van de t kinaboom), m. âbasten. Kinaboom (reusachtige boom in Amerika, wiens bast de kina levert), m. âboo nen. Kinang' (een goed bereide betelpruim), v. â s. |
KIND-KITTIG.
233
|
Kind (zuigeling, jonyetje, meisje), o. âeren, â ers; â Jo, o. â jes, â ertjes. Een pas geboren â; hij is geen â weer, is volwassen; een â des doods zijn, moeten sterven; het â óij zijn naam noemen, onomwonden iets zeggen, zeggen waar het op staat; het â van de rekening zijn of worden, hot gelag moeten betalen; dat is een â om een boodschap, de maatregel is al te onbeduidend, is niet afdoend; het â met het badwater weggooien] de âeren Israels, de .loden; dit zijn mijn papieren âeren, geschriften, boeken; hij heeft â noch kraai, bezit geen familie; spreekw. â eren en gekken zeggen de waarheid. Kiii4ilt;kklt;'ii. Hindekt', o. â s. Kiiidlt;gt;ralt;*li1iKgt; (/lamv, laf), bn.; â li«'ld. v. Kinderarts {speciaal arts voor kinderziekten), m. âartsen; âcourant, v. âen; â (âvriend), m. âken; âhand. v. âen. Een âhand is gauw gevuld, een kind is met een kleinigheid gelukkig; â liart (lig. on-schuldig hart), o. âen; âjaren (eerste jeugd), o. mv.; â kamer (speel- of leer ka me)'), â s; â koning (sarc. schoolmonarch), m. âen; â leer (R. K. catechismus), v. pin v.; â lieffie (van ouders tot kinders), v.; -lieveml, bn. Een â lieveml gemoed. Kinderlijk (oprecht, openhartig, eenvoudig), lm. Een â gebed', een â antwoord', â heid. v. Kin«lerloos (zonder h'inderen).\m.\ â hei«l.v. Kinderlinir (doek, luier), v. âluren. Een toegeknoopte â met mondkost. (C. O.-) Kiiiderniolt;»rd (moord, gepleegd op een kind), m. âmoorden. De â van Bethlehem', â inoorder. m. âs: â nioorlt;Ister. v. â s. Kinlt;llt;'r|»artij (feestje voor kinderen), v. â -partijen; â piaajf (âschrik, persoon), m. en v. âplagen; â plieiit. m. âen. K i n lt;1 e r po k k e n (huidziekte, besmet te l ijke ziekte), v. mv. KimlerMelioen, m. âschoenen. Een â bracht Huib geluk. (Staring, SA. Nico laas); de â schoenen uittrekken, ophouden kinderachtig te zijn; den âschoenen ontwassen zijn, zich groot gevoelen; âseliool. o. en v. 't â is leeggeloopen (Immerzeel); â seliooltje (be-waarschool), o. â s.; â spel. o. âen. Verzen te lijmen is âspel, is een kleinigheid; dat is geen âspel, het is een ernstig iets; âtaal. v. gmv.; âtoon. m. gmv. deze onderwijzeres weet de â toon goed te treffen', -tuin (speeltuin), m. âen; âvriend (minnaar van kinderen), m. âen; âwereld (het leven en bedrijf der kinderen), v. gmv.; âwerk (beuzelachtig, onbeduidend werk), o. gmv.; â zejffen. m. gmv. Rijk aan âzegen, veel kinderen hebbende. Kinderziekte (de pokken), v gmv. Kinderzin (kinderlijkhheid), m. gmv. De jonge vrouw, vol (De Gen.) Kindsbeen, bw. Van â af, d. i. sedert de prille jeugd. Kindseli (onnoozel), bn. Grootvader is â. Kindselilieid {sufheid van den ouderdom), v. Kindsdeel (evetnnatig deel der ouderlijke erfenis), o. â deelen; â lieid (eerste jeugd), v. gmv. De âheid der volken', de H. âheid, I{. K. congregatie of bond van kinderen; â â kind (kleinkind), o. âkinderen. Maar 7 raam . . . bleef bij 't âkind nog gespaard. (Staring, St. Nico laas.) |
Kineinatog-raaf (groote tooverlantaarn, die een reeks levende, beelden op een scherm werpt), v. â grefen. Kin$fslgt;eneli (oppergerechtshof in Londen), v. gmv. Kinine (kina), v. gmv. Kink (draai, kreuk, bocht, wrong), v. -en. Er is een â in den kabel, er is een beletsel, zwarigheid. Kinkel (boer, lomperd), m. âs. Kinken (hard op iets slaan), ik heb gehinkt. Kinkhoest (oudt. kiekhoest, kikhoest, d. i. stikhoesl), m. gmv. Kinkhoorn. Kinkhoren (kegelvormige, eenscha li ge schelp), m. âs. Een pron kta feitje met____horens. (C. O.) Kinnebak (wang, kaak), v. âbakken. Kinnebakken (kinnebak), o. â s. Kinnetje (vaatje van 39 Liter), o. âs. Kino (rood gedroogd plantensap, looistof uit de Amerikaansche zeedruif), v. gmv. Kiosk (soort van Turkseh vaartuig), v. âen. Kiosk (open getimmerde tent, luchtig houten huisje o}) de publieke straat, waai dagbladen enz., ook bloemen en sigaren worden verkocht), v. âen. Kip (band, knip, enz.), v. âpen. Een â stok-visch, d. i. een hoeveelheid, met een hoepeltje omsloten. Kip (vogel, hoen, hen), v. âpen. Kippeborst (kortademige borst), v. -borsten. Kippen (snijden, tig. vangen, grijpen), ik hel» gekipt, v.; â sel. o. Kippendief (^f/e/rf/V/*), m. âdieven; âei (hoenderei), o. âeiers, -eieren; âhok. in. âhokken; â knnr (gril, meisjesziekte), v. â kuren; âladder (lat met sporten bij het kippenhok), v. â s; â loop (ruimtemet houten tralies afgesloten), m. âen; -ren (kippenloop), v. â nen; âsoep. v. gmv. Kippenvel, o. gmv. Het â Krijgen of hebben, een samentrekking der huid tot kleine bultjes door schrik, walg, enz. Kippig (bijziend), bn.; âheid, v. Kirren (het trillend roepen der duiven), de duif heeft gekird; â rinjr, v. Kirsehwasser (morgendrank, gegist en ge-disteleerd kersenwater), o. gmv. Een glaasje â ; Ho zei is bekend om zijn â. Ook : Kirsch. Kiskassen (het huppelen van een plat steentje over het water), het heeft gekiskast. Zie Keilen. Kissen (aanhitsen, tergen), ik heb den hond gekist. Kist (houten of ijzeren koffer), v. âen. Kistdam (dam. omsloten door nauwsluitende ingeheide palen), m. -dammen. Kisten (in de doodkist leggen), ik heb gekist; â er. m.; â injf. v. Kit (kruik; lig. kroeg, bordeel), v. âten. Kits (zeker Engelsch éendeksch vaartuig), v. kitsen. Kitsen (spuwen), ik heb gekitst; âer, m.; -iiijr. v. Kittelaehtig- (gevoelig, lichtgeraakt), bn. Kittelen (fig.streelen), ik hel» gekitteld. Fig. lem. hoogmoed â; dat ât op de tong. Ook: Ketelen. Kietelen. Kitt«'li^: (kittelachtig), bn.; âheid. v. Kitteloori;? (lichtgeraakt), bn. 't â paard, daar 't volk zijn lust aan ziet. (Staring), kregel, vurig; âheid. v. Kittelton$:'i$;' (tot tegenspraak geneigd), bn. Kittig (aardig, puniig), bn. Een â meisje-, |
KLAAGLIED - KLAPPEN.
234
|
wat ziet zij er â uit; â op iets zijn, vurig naar iets; â lieid, v. Klaaglied {treurzang, jeremiade), o. âeren. De âeren van Jeremia; âpsalm. m. Klaaprzans' {treurige zang, boetzang), m. â zangen. De â, niet altijd eentonig, van den drijver. (Da Costa.) Klaar (helder, duidelijk, gereed), bn. Dat is Klare wijn', de lucht is â; een klare hemel; dat is zoo â als de dag, een â bewijs; een klare stijl; zich klaar uitdrukken; ik sta â voor de reis; het eten is â ; alles is kant en â. Zeew. Het anker is â, het komt recht, bij 't opwinden, naar boven. Klaarblijkelijk {duidelijk,on weder legbaa r\ bn. en bw.; âheld, v. Zié Kaarblijkelijk. Klaarhebhon {in gereedheid hebben), ik had â, heb â gehad. Ik zal mijn werk vóór den avond â. Klaarheid {helderheid), v. gmv. De â van een Indischen nacht; de â van een betoog. Klaarkomen {in gereedheid komen), ik kwam â, ben â gekomen. Met zijn werk niet kunnen â. Klaarkrijffen {gereed krijgen), ik kreeg â, heb â gekregen. Een werk op tijd â. Klaarleggen {(jereedleggen), ik heb â gelegd, â geleid. Het linnengoed â. Klaarlieht, bn. 'tls â dag; op âen dag. Klaarliggen, het lag â. heeft âgelegen. Het geld zal morgen voor u â. Klaarmaken, ik heb mijn brieven -gemaakt. Klaarspelen, ik heb â gespeeld. Hij zal het wel â, tot een goed einde brengen. Klaarstaan, ik stond â, heb âgestaan. Dn winkelier moet voor ieder maar â, gereedstaan om te helpen. Klaarzetten, ik heb het ontbijt âgezet. Klaarziend {helderziend, fig. scherp zie htig, scherpzinnig), bn. Klaas {jongensnaam), m. Scheepst. houten tang om planken te huigen. Fig. Ken houten â . een onbeholpen mensch. , Klabak {klapwaker), m. â s. Klacht {beklag, aanklacht), v. âen. Klac^htig:. bn. â vallen over, herhaald klagen over. Klad {riek, smet), o. âden. Er viel een â op den brief; fig. Een klad op iemand of iemands naam werpen, iem. een â aanwrijven, hem belasteren; die koopman brengt er d«' â in, verkoopt beneden de markt. Klad (ruw opstel of schets), o. Een â maken. Kladboek {ligger of memoriaal), o. â boeken. Kladdebossen. âwortels {klissen of klitten), m. mv. Kladdeboter {vervalschte boter), v. gmv. Kladden {knoeien^ morsen, slecht schrijven), ik heb geklad; âfier, m.; â derij. v. Kladderig' {slordig), bn. Een â schrift; â heid. v. Kladpapier {ongelijmd papier), o. âpapieren. Klaflsehilder {knoeier), m. âschilders. Kladsehildercn {slecht schilderen), ik heb gekladschilderd. Klagen {jammeren, kermen; lig. een klacht uiten), ik heb geklaagd; âer. m. Klak {hoed, pel), v. âken. Klakkebus {jongensklapbus), v. âbussen. Klakkeloos {onverwacht, onvoorziens), bw. Hij krijgt zoo â de koorts op 't lijf. (C. O.) Klakken {bemorsen, vlekken), ik heb geklakt. |
Klam {eenigszins vochtig), bn. Bijuitbr.: Het â me zweet; âheid, v. Klamaalen (zeew. de naden van een schip met werk dichtslaan), ik heb geklamaaid. Klamaai-ijzer (scheepst. zware, geribde ijzeren wig* waarmede men het werk in de naden drijft), o. âijzers. Klamboe (Ind. gordijn om een rustbed), v. klamboes. Klamp {bindlat, bindhout), m. âen. Klampen, ik heb geldampt. Iem. aan boord â, hem dringend iets vragen. Klamper, Klampvogel {kiekendief),m. â s. Klander {kalander), v. â s. Klandizie {winkelnering), v. gmv. Klank {geluid, toon), m. âen. Een heldere â; de â van goud- of zilvergeld; de âen der taal; zijn naam heeft een goeden â, hij is als schrijver gunstig bekend.; â bodem(muz. houten kas ter versterking van den toon), m. â bodems; âbord {verhemelte boven den predikstoel), o. âborden. Klankflg-iiren, v. mv. De â van Chladni (1756â1827), geluidsfiguren ontstaan door trilling van fijn zand op een glazen plaat. Klankladder (muz. toonladder),\. â ladders. Klankleer {leer van het ontstaan en den aard der klanken), v..gmv. Ook: Phonetiek. Klankmaat {cadans, rhgthmus),y. gmv.; â â meter (muz. werktuigje ter bepaling van de lengte der snaren), m. â s; ânabootsend {den klank weergevend), bw. Kr ik krak, ... daar brak de tak. Klankverdoover (muz. demper, sourdine), m. â verdoovers. Klankverplaatsing- {metathesis), v. âen. Klankversehiiiving {overgang van medeklinkers), v. âen. De â leert het verband der ver maagschap te talen inzien, b.v. pater, fat her; frater, broeder, enz. Klankwijziging; {overgang van klinkers), v. â en. b.v. Logen en leugen, plat en pletten. Klankwisseling {verspringing van klinkers), v. âen. b.v. in de hoofdvormen dei-sterke werkwoorden. Klant {kooper), m. âen. Ook: (iezel, Jong-mensch. Een rare â, zonderling. Klap {slag), m. â pen. Een â met de zweep. Klap {gepraat), m. gmv. IJdele â. Klap {klep, ook van den klepperman), v. â pen. Met de â loop en, als de me aatschen van vroeger, om te waarschuwen en te bedelen: op de â loopen, er op loopen om ergens aan tafel te komen. Klapaehtig (snapachtig, praatzuchtig), bn. Een âe oude vrouw. Klapbes, âbezie (kruisbes), v. âbessen, â beziën. Een maatje â. (C. O.); â besse-boom. m. â boomen; â bessestruik, m. âstruiken. Klapbrng {ophaalbrug), v. âbruggen; âbus {proppenschieter), v. âsen; âekster (Mawwe tuinvalk, fig. babbelkous), v. âs. Klaplooper (tafelschuimer), m. â s. Hij is een â, hij is overal bij, waar wat te halen valt. Klapmuts (gladde ondermuts; ook kindermuts), v. âmutsen. Fig. Klappei. Klappei {snapster), v. âen. Klappeien {babbelen), ik heb geklc.ppeid. Klappen {een klappend geluid maken; lig. bubbelen, praten), ik heb geklapt. Met een zweep â ; het â eener dorschmachine; deze vrouwen staan den heden dag te â. (C. O.) |
KLAPPER - KLEINKIND.
235
|
Klapper (klikker, prater), m. â s. Klapper (naamlijst in alphabetische orde), in. â s. Klapperboom (kokospalm), m. âboomon. Klappereend (scheleend, kwakereend), v. â eenden. Klapperen (herhaald kleppen), de tanden hebben geklapperd. Die deur staat te â ; do zeilen begonnen tegen den mast te â ; â injj:, v. Klapperkruid (dragon, slangenkrmd), o. gmv. Klapperman, m. âlieden âlui; âmolen, m. âmolens. Klapper noot (boom), m.;(u nicht), v. â noten. Klapperolie (papaverolie}, v. gmv. Klappertanflen, ik heb geklappertand; â van de koude, van de koorts. Klappertor (tor, die een ratelend geluid maakt), v. âtorren. Klapperwater (Ind. kolcosmelk), o. gmv. Klaproos (papaverachtig onkruid, kol), v. â rozen. De â tiert onder het koren en bloeit in Juni en Juli. Klapspaan (klikspaan), m. eit v. âspanen. Klapspaan (molenklapper), v. âspanen. Klaptafel (luoigoortafel), v. «-tafels. Een â met kruis. Klaptomv (zweepriem), o. âtouwen. Klapwieken (met de vleugels klappen), de vogel heeft geklapwiekt. Klare (klarejenever), v. gmv. Een glaasje â. Klaren (zuiveren). Ik zul het ivel â, in orde brengen; â in$r, v. Klari^heid (gereedheid), v. gmv. Klarinet (houten blaasinstrument, in 1600 uitgevonden), v. âten, â s. Klarinettist (klarinetspeler), m. âen. Klaroen (schelle trompet), v. âen. Klasse, v. ân, âs. Ook: Klas, v. âsen. Klassikaal, bn. Het onderwijs in onze scholen is thans â, d. i. niet hoofdelijk. Klater (ratel, rammelaar), v. â s. Klaterabeel (witte populier, esp), m. âen. Klateren (rollend weergalmend klinken), de donder heeft geklaterd; âend,bn.; âins:, v. Klatergoud (bladgoud), o. gmv. Klanteren (klimmen met handen en voeten), ik heb geklauterd; âaar, m.; âinjf, v. Klanterviseli (stekelvinnige visch in Zuid-Amerika, die een tijdlang buiten het water kan leven en tegen boomen tracht op te klauteren), m. â visschen. Klauw (haakvormig uiteinde der poot en bij roofdieren), m. âen. Klauwen (krabben, openrijten), ik heb geklauwd; â er, m.; â ing*, v. Klauwier (schroefvormig stengeldeel bij klimplanten), m. âen. Klauwier (miisc/ioc/il/ge zangvogel), m. â en. De blauwe â, klapekster; de roodkoppige â, de grauwe â, tuin valk. Klauwzeer (besmettelijke runderziekte), o. gmv. Het mond- en â. Klavaatslianier (breeuwhamer), m. â s. Klaveeimbaal, Klaveeimbel (klavier, ouderwetsche piano), v. âbalen, âbels. Klavecordinni (muz. soort van snaren-speeltuig), o. â cordiums. Klaver (vlinderbloemige plant), v. gmv. In ons land vindt men dertien soorten van Klaverblad.o. âbladeren. Een â van vieren, d. i. met vier blaadjes. Klaveren (op kaarten), v. mv.; - aas. o. gmv. |
Klaveren (klauteren), ik heb geklaverd. Klaverg'ewas, o. gmv.; â iioni$? (uit klaverbloemen), m. gmv.; âhooi (gedroogde, klaver), o. gmv.; -rijk. bn. Een â rijke wei. Klaverzuring- (inlandsch gewas), v. gmv. De â of het koekoeksbrood. Klavier (soort van piano; ook rij van toetsen), o. âen. Kleed (dekkleed, vloerkleed), o. âen. Kleed (kleedingstuk), o. âeren, kleeren, kleertjes. Een damesâ, japon; een zijden â ; ietn. in de kleeeren steken, hem van het noodige voorzien; dat raakt zijn koude kleeren niet, dat blijft ver van zijn hart, is hem onverschillig. Kleeden (kleederen aantrekken), ik heb gekleed; â ij. v.; âills', v.; â ingstiik. o. Kleederdraelit, v. âdrachten. Kleedermaker. Kleermaker. Kleeren-maker, m. âmakers. Kleef (kleefkruid), v. gmv. Kleef;?aren (jaagnet voorsnipperi),o.-%i\vQ\\s. Kleefji'ras (stekelgras), o. gmv. Kleefkruid (walstroo), o. gmv. Kleefmiddel (hechtmiddel), o. âmiddelen; â pleister (hecht}deister), v. âpleisters; â stof (plantenlijm), v. gmv. Kleem (leem, klei), o. gmv. Kleeniseli (kleverig, pappig), bn. Dat brood is â, niet goed doorbakken. Kleen (dicht, klein), bn.; âe, v. âen. Lieve â, meisje, kind. Kleer. in samenstellingen als: âbak, m. â bakken; âborstel, m. âborstels; âmaker, m. âmakers; â makersjongen. m. -jongens. Kleerselieuren, v. mv. Ergens zonder â afkomen, zonder schade of jiadeel. Klei (vette aarde), v. gmv. Klein (tegenstelling van groot), bn. en bw. Een â huis; een âe jongen; hij is â voor zijn jaren; iets â snijden; met de âe vacant ie; â geld; den boel kort en â slaan; met âe pasjes loopen; hij is â maar dapper; â van iem. denkeu; heb een â weinig geduld; wat schrijft ge â! als znw. o. gmv. In het â verkoopen. Spreekw. Die het âe niet eert, is het groote niet weerd. Kleinaelitf'u (geringschatten), ik heb ge-kleinacht; â aeliting. v. Klein-Azië (aardr. W. Azië aan de Middel-landsche Zee), o. gmv. Kleindoeliter, v. âdochters. Kleinduinip.|â¬k (ventje uit het verhaal van Moeder de Gans), o. Kleine (Jongetje, meisje), m. en v. â n. Kleineeren (iemands achting of gezag verkleinen), â fier, m.; â ing, v. Kleingeestig (hechtend aan nietigheden), bn.; â held, v. Kleingeld (pasmunt), o. gmv,; âgoed (Ick-kers, koekjes), o. gmv. Kleing^loovig: (wankelend of zwak in het geloof), bn.; â geloovige, m. en v*. â n; â gelooviglieilt;l. v. gmv. Kleinhandel (winkelnering), m. gmv.; â â handelaar, m. âs. Kleinhartig (laf), bn.; -hartigheid, v. Kleinheid (lig. nietigheid), v. gmv. De â van zijn verstand, van zijn plannen. Kleinig'heid (beuzeling, nietigheid), v.-heden, Kleinkind, o. âkinderen. Grootpa met zijn -. |
1
K LKIN-K INDERSCHOOLTJE -
230
KLIKR.
|
liloin-kiiiflerM'lioolt je. o. -scliooltjes. ik kreeg â, heb âgekregen. //.⢠Uan die steenhrokken niet Fig. iem. vernederen, er onder brengen, liloinmakoii. ik liel» âgemaakt. Klontjes, kruidnagel â. Een rijksdaalder wisselen. Fig. iem. onderwerpen; zich â, zich erg vernederen. liloininofdi;? (/«/quot;, zonder moed), bn.; â 'lieid. v. lillt;gt;iii4»olt;l {kostbaar voorwerp), o. âen, â iën. De tijd blijft het â des levens. (Jonath.) lilvins {zijgdoek, terms), v. â zen. Ook: lillt;kiis. lilt'iiiKcliriff. âschriften. liU'iiiKtw'flM'li. bn. Wat âe manieren! Dat zijn âe praatjes, onbeduidend, bekrompen. Kleinte {klein van f/estalte, omvang), v. gmv. Ach, zijn â reikt tot gindschen bloemstruik niet. (Staring.) Iilâ¬'iiitjlt;k {kind), o. â s. Fig. Veel âs maken et'n groote: men moet op de âs passen; hij is met geen â tevreden. bn. Het â lammetje; â lieid. v. Iillt;'iiiz4'ii {laten doorzijgen), ik heb gekleinsd; â lt;»r. m.; â iny. v. Ook: lillt;'iiKlt;kii. Kleinzoon, m. â s, âzonen. Klein {voetbeugel, voetangel), v. âmen. Klom (fig. verlegenheid), v. gmv. In de -zitten ; in de â geraken. KIlt;gt;iii (fig. nadruk), v. gmv. Hij sprak met kracht en â; iets met â run redenen betoo-gen; aan een ernstige waarschuwing â hij-zetten. (C. O.) Klemliaak (timm. gereedschap), m. âhaken; Een kuipers â. Kloiniiii'ii {nijpen, persen, knellen), ik heb geklemd. De deur is vochtig en â t; zich den vinger â; fig. klemmend, bondig: een â betoog, afdoend; -minis:, v. KloniKtaarti^' {achtervoegsel met klem of nadruk), bn., b.v.: heldhaftig, kleineeren, enz. vero. Klomfoon {nadruk, verhejjing van toon. accent), m. âtonen. Op uitheemsche achtervoegsels valt in den regel de Kiens (filtreerdoek), v. Zie Kleins. Klonzen. Zie Klcinzc'ii. Klt'i» {opslag), v. âpen. De â van een jaszak; de â ran een mo/e», onrust, verklikker; de âpen run muziekinstrumenten, b.v. hoorn; de veiligheidsâ van een stoomketel; de â een er pet, van een schako. KIlt;'|M'1 {hamer in de klok), m. âs. Hij heeft de klok hooren luien en weet niet, waar de â hangt, hij weet het fijne van de zaak niet. KIlt;gt;|»|M'1 {klapspaan aan een molen), m. â s. Kllt;'i»|»rn {een klappend geluid maken), ik heb geklept. Hoor die klokken eens Klopper (dicht, paard, draeer), m. âs. Kloppers {jongensspcelgoed), m. mv. Klepperen {aanhoudend kleppen), ik heb geklepperd. De molens â; dat open luik staat te â; de ooievaars â op velerlei manier; â aar. m.; âin;;, v. Kleptomaan {iem. dw steelt uit ziekelijken aandrang), â manen. Kleptomanie {ziekelijken aandrang tot stelen), v. gmv. Klerk {kantoorbediende, schrijver), rn. âen; â seliap, o. Klessen. Zie Klâ¬gt;tsen. KU't {kleefkruid), v. gmv. Klets {klap, slag), v. âen. Ook als tw. klets! |
Kletsen {met de zweep slaan; fig. beuzelpraat houden), ik heb gekletst; âer, m. Kletskop (zeerhoofd), m. en v. âkoppen. Kletskop {een soort van koekje met amandelen overzaaid), m. âkoppen. Klf^tskons {sttapster), v. âen; âmajoor, â meier, m. â s. (Gemeenz. voor babbelaar). Kletsnat, Klesnat {doornat), bn. Kletspraatje {beuzelpraatje), o. âs; âtafel {in de sociëteit de ronde tafel), v. â s. Kletteren {klinken met korten, scherpen klank), het heeft gekletterd. De wapenrustingen â ; de wapens â; het staal klettert; de dorschvlegels â; de regendruppels, de hagelkorrels â . Kleumen {krimpen van kou), ik heb gekleumd; âer. m.; âsell {kouwelijk), bn. Klennen {kloppen, slaan), ik heb gekleund. Klenr {verf, tint), v. âen. De schoone â van een schilderij, koloriet; de âen van den regenboog; er zijn zeven hoofdkleuren; fig. de â van een dialect; de â van een dagblad; â toonen, â bekennen; hij kreeg een â, blozen, rood worden; â verzaken, niet bekennen (kaartspel); een â aan iets geven, schijn, uiterlijk. Kleuren {kleur geven, een blos krijgen), ik heb gekleurd. Een prent â, het meisje â de op dat woord; âder {schilder, verver), m. â s; â injf. v. gmv.; â sel {verf), o. Klenrenl»liiMl (geen kleur kunnende onderscheiden), bn. Een spoorwegambtenaar mag niet â zijn; -liei«l, v. Zie: lgt;altonisme. Kien remlrnk {kunst om bij het drukken op de prenten of gravures' kleur aan te brengen), m. gmv. Kleurenleer {theorie over het ontstaan der kleuren), v. gmv. Klenrenpraelit {schoonheid uan kleur of tint), v. gmv. De â der Javasche visschen. (Veth.) Klenrenseliijl' {cirkelvoormig toestel, dat draaiend toont, dat de zeven kleuren samen-wit opleveren), v. âschijven. Kleiirenspeetrnm {kleurenbeeld, ontstaan door ontleding der zonnestralen), o. gmv. KlenrlioiKleml, bn. Dezejaponstolfen zijn â. Klenri;;' {frisch, gezond, vol kleur), bn! Klenrlin^-lt;gt;n {afstammelingen van negers of inboorlingen en blanken), m. en v. mv. Ook blauwen, liplappen; zie: Mulat, Mesties. Kleurstof {verfstof), v. âfen. De chemische â fen dienen in fabrieken tot het verven van wol, zijde, laken, enz. Klenrvâ¬kranlt;lerintfgt; {schakeering), v. âen. De â van het avondrood. Kleuter (klein, aardig kind), v. â s. Kleven (plakken), ik heb gekleefd; âinff, v. Kleverig {plakkerig), bn.; â lieid, v. Klevl^r (vochtig), bii. Een â sap. KleYvaiifï (Ind. Atjineesch wapen, houwdegen). v. â s. Kliblter (taaie gom), o. gmv. Kliek (bent, club), v. âen. De gansche â; de hofâ. Klieken (spuwen), ik heb gekliekt; âer,m. Kliekenmaal (maal van overgeschoten spijzen), o. âmalen. Kliekje ( restje van het middageten), o. â s. Kliekjesflaff. m. âen. Op Donderdag hield moeder â. Klier (een uit buisjes samengestelde zakvor-mige poreuze zelfstandigheid), v. âen. |
KLIERACHTIG - KLOET. 237
|
Klieraclitijf {vol klieren), bn.; â hcid, v. Kliergezwel, o. â len; â oiilslckinj;-. v. â en; âziekte, v. âen. Klievlt;kii (splijten, vaneen.scheiden), ik kliefde, heb gekliefd. Het schip klieft de golven; de pijl klieft de lucht. liiif {helling, steile kust, rotssteilte), o. â ien. Nu zij {Klize) aan d' oeverkant het overhangend â bestijgt.....(Ter Haar.) Klif {afloop eener steilte), o. â fen. Klijt' (klimop), o. gmv. Klik (onderstuk eener kolf), m. âken. Klik (voorslag eener' klok), m. âken. Klikken (aanbrengen), ik heb geklikt; â er, in. Klikklakken (weerklinken ran voorwerpen, inzonderheid metaal), het staal heeft geklikklakt. Hoor die muilen van onze meid eens â; de hoeven der paarden â op den harden weg-, de lepels begonnen te â; het â der geldstukken. Klikspaan (knaap of meisje, die klikt), m. en v. âspanen. KlikNigt;illen (lanterfanten, lergloopen), '\k hel» geklikspild. Klim (het klimmen), m. gmv. Een heele -. Klim (klimop), o. gmv. Klimaat (gemiddelde weersgesteldheid op een plaats), o. âaten. Bij u tbr. Het â vun Nederland; het â van Europa. Klimatologie (klimaatleer), v. gmv.; â lo-S'iseli (op het klimaat betrekking hebbend), bn. âe verschillen, âe veranderingen. Klimax. m. Zie C'liniax. Klimnien (opklauteren, opstijgen), ik klom, heb en ben geklommen; âer. m.; âins, v. Klimnien, o. gmv. Bij het â der jaren, als men oud wordt. Klimniencl, dw. en bn. Bij de Franken moest recht gesproken worden, bij âer zon; â e planten; een âe leeuw, wapenk., nl. een leeuw op de achterpooten zich opheffend. Klimnierblacl. KlenmierUlad (klimopblad), o. âbladen. Klimnierkrnicl, Klenimerkriiicl,o.gmv. Klimop (voor het loof), o.; (voor den bourn), m. Klim vogels (orde van vogels met twee tee-nen voor en twee achter), m. mv. De papegaai en de specht zijn â. Kling- (kale duinheuvel), v. âen. Deze burgt .... daar (omsingeld) van barre klingen. (Staring). Kling (lemmer, blank van de sabel), v.-en. De bezetting over de â jagen, vermoorden, geen kwartier geven. Klingelbnil (armzakje), m. âbuilen. Klingelen (het klinken van belletjes of schelletjes), het heeft geklingeld. De bellen der ra mme)i Kliniek (geneesk. inrichting bij een academie, waar de medische studenten de ziekten aan bed practisch kunnen bestudeeren), v. â en. De heelkundige â, een oogheelkundige â. Kliniseii. bn. Een âe les, welke in een hospitaal bij het bed der zieken gegeven wordt. Klink (klap, oorveeg), m. âen. Klink (bout van een deur; ook stuk aan een kous), v. âen. Klink (omgeslagen eind van een ijzeren bout), m. âen; âbont, m. âen. Klinkriielit (sonnet, J-'i-ryelig dichtstuk), o. âdichten. |
Klinken (luiden, klank geven, galmen), het klonk, heeft geklonken. Die tonen â valsch; de stoom/luit ât ver; wat ât het hol in dit leege huis; met de glazen â; âde munt, contant geld; dat zal hem vreemd in de oo-ren â; een âd bewijs, scherts, geld om iem. over te halen. Klinker (spraak- of taalklank, ontstaan door trilling der stembanden), m. âs. De au is een â. Onze taal bevat zeven âs. Klinker {metselsteen, baksteen), m. â s Een â pad, een âweg, een rollaag van âs.(C.O.) KlinkeiMl (sonnet), m. âs. Zie Klink'lielit. Klinket (valdeurtje), o. âten. Klinkklaar (zeer klaar), bn. âare onzin. Klinkklank (ivoorden of verzen zonder zin), m. gmv. Klinkletter (klinker, vocaal), v. âs. Klinknag-el (ijzeren bout met twee koppen lot verbinding van ijzeren platen), m. â s. Klip (steile, harde rots, aan of in zee), v. â pen. Een blindeâ, nl. onder den waterspiegel; fig. hinderpaal, beletsel, oorzaak tot ondergang. Spreekw. Tusschen de âpen door, met vermijding van allerlei gevaren; hij zal die âpen niet te boven komen, hij zal dat gevaar niet ontgaan; â aelitig*. bn. Een âe kust, met klippen bezet; âbaken (dat de klippen aanwijst), o. â s. Klipcla* (dikhuidig zoogdier), m. âdassen. Er zijn vier soorten van âdassen; geen e er van leeft in ons land. Klipgeit (gems), v. âen; âkop (alpenraaf), m. âpen; â nmis, v. âmuizen. Klipper (smal, snelzeilend koopvaardijschip met drie masten), m. â s. De eerste âs waren N. A. schepen. Klippertamlen (met de tanden klappen), ik hel» ge klippertand. Zie Klappertanden. Klip vine li (zeevisch, orde der stekel vinnige}!), m. â visschen. De â leeft in de keerkrings-zee'én. Vele â visschen zijn fraai gekleurd. Klipzout (steenzout, vermengd met gips, klei, mergel, enz.) o. gmv. Klipznalnw, v. -en. Zie: Kalagaan. Klis (kladdewortel), v. âsen. De gewone â, de kleine â, de vil tig e â. Oük: âkruid, â plant, -wortel. Klis (verwarde knoop, samengewarde massa), v. âsen. Een â menschenhaar. Ook: Kt it. Klisklas (smalle strook kant), u. gmv. Kliskruid. Klissekrnid (plant), o. gmv. Klissen (in. de war zitten), het is geklist. Klisteer (lavement, inspuiting), v. âen. Klisteeren (een lavement zeilen): âspuit, v. Klit (kladdewortel), v. âten. Ook: Klis. Klits, Klats. Klets, tw. Klits (wijfieshond), v. âen. Klitvon (Ind. tusschen persoon tusschen het Bestuur en de dorpshoofden), m. â s. Klodder (klomp, homp), v. â s. Een â vet, het vet zit er bij âs aan. gew. Klodder (borreltje), v. â s; â tje. Kloek. Klok (kip met kuikens), v. kloeken, klokken. Een â met twaalf kiekens. Kloek (flink, moedig), bn. en bw.; â lieid, v. Kloekliartig: (/mgt;(v//V/), bn. en bw.; â beid. v. Kloekmoedig* (dapper), bn. en bw.; - beid.v. Kloekzinnig- (schrander), bn. er» bw.; â-beid. v. Kloen (kluwen), o. en v. âen. Kloet (kalkstok, plonsstok), m. âen. Kloet (schipperst. va ar! mom, schip persboom), m. âen. vero. |
Kloeten - kluchtig.
238
|
Kloeten (scheepst. voortduwen), ik heb liet schip gekloet; âer, m. vero. Klok (kloekhen), v. âken. Klok (klokbloem), v. -ken. Ook: Klokje, â s. Klok, tw. Bij 't óverschenken gaat hel klok, Klok {zeker dof keelgeluid, ook teug), m. â ken. Klok {metalen bel in den toren), v. âken. Het luiden der â; hij heeft de â hooren luiden en weet niet, waar de klepel hangt, hij weet het fijne niet van de zaak; het klinkt ais een â, er is niets op aan te merken; aan de groote â hangen, alom bekend maken; â ipebom, o. gmv. Geen âgebom, uit hollen Dom! (Bild.): âgelui, o. gmv. Ken glazen â, stolp in den klokvorm. Klok {uurwerk, slingeruurwerk), v. âken. Een staande â, een Friesche op de â zien, de â slaat. Klok en Immer {kinderspel), o. gmv. Wij spelen vanavond nu eens â. Kloker {pijpemoroeter), m. â s. Klokhen (kip), v. âhennen. Klokkc^al^' {toestel waarin de klok hangt), v. Klokken {een klokkend keelgeluid maken), ik heb geklokt. Klokkengelui {gelui met twee of mee)' torenklokken), o. gmv. Klokkâ¬gt;nilt;4t {bespeler der klokken), m. âen. Klokkenspel {beiaard), o. âspellen. Antwerpen heeft e n beroemd â op den groote,i toren. Zie (.arillon. Klokkenspeler {muzikant op de klokken, klokkenist), m. âspelers. KlokkenspijH {metaalmengsel, brons, waaruit torenklokken gegoten worden), v. gmv. Ook: Klokspijs. Klokkereep. Klokreep {touw), m. âen. Klokkestoel {stellage, waarop of waarin de torenklok hangt), m. -en; âtoren. in. â s; âluider, m. âs. Klokopwiuder. m. âs; âluider, m. âs; -xeel {touw), o. âen. Iets aan het âzeel hangen, het alom bekend maken. Klokslag, m. âen. Ik was daar met â van twaalf, d. i. toen de klok twaalf sloeg. Klokspijs, v. gmv. Zie Klokkeuspijs. Klokspijs {lichte kost, waar geen kauwen bij noodig is), v. gmv. Bij uitbr. lekkernij: Dat gaat er in als â; lig. gemakkelijk werk, lichte studie: Dat gedicht van Vondel is geen â. Klokvormi^-. bn. De bloem der haagwinde is â. Klokwimle ^haagwinde), v. âwinden. Klomp {halsblok, houten schoeisel), m. âen. In landelijke streken draagt men algemeen âen. Klomp {stuk, klont, brok), m. âen. Een -aarde, een âje suiker; een â vleesch. Klompenmaker, m. â s; âmakerij, v. â en; âwinkel, m. â s. Klompviseli {maanvisch), m. â visschen. De â leeft in den Atlantischen Oceaan. Klompvoet {misvormde voet), m. âen. Zie Horrelvoet. Klongel {straatloopster), v. Zie Klungel. Klongeleu {beuzelen). Zie Klungelen. Klont {kluit), v. âen. Een â aarde, een â suiker. Klonter {gestold vocht), m. â s. Klonteren {stremmen, verdikken), het ia geklonterd. De melk gaat â. |
Kloof, Klove {gaping, spleet), v. kloven. Klooster {verblijf voor geestel. zusters, paters, enz.), o. â s. In het â gaan, de wereld vaarwel zeggen. Kloosterbroeder, m. -s; ânel {kamertje), v. âcellen; âgang, v. âen; âgebouw, o. â en; âgelofte, v. â n; â gewaad {kleed), o. âgewaden; âkapel, v. â len; âkerk. v. âen; âlatijn, o. gmv.; âleven, o. gmv.; â seliool {aan een klooster verbonden), v. â scholen. Kloosterling, m. en v. âen; v. ook â e. Kloot {aardbol, kogel, bal), m. âen; â sell {bolvormig), bn.; â vormig, bn. Klooven {doen splijten), ik hel) en het hout is gekloofd; âer, m.; â ing. v. Klop {klap, slag), m. âpen. â geven, krijgen, d. i. slaag. Klopgeest (spiritisme: opgeroepen geest, die tikt of klopt), m. -en; â erij {spiritisme), v. gmv. Klopjaeht {groote drijfjacht), v. âjachten. Klopje {begijntje, zustertje), o. â s. Klopkever {schildulemgeiig insect), m. â s. Zie âtor. Kloppen {slaan, tikken, ranseltn), ik heb geklopt. Ons ât het hart .... bij 7 rijzen van dien toon. (Tollens); die pols â l te snel; een vloerkleed â; wie ât daar aan de deur? ze hebben den vijand erg geklopt; âing. v. â en. Klopper {persoon, ook werktuig), m. âs. Ken ouderwetsch huis met een â op de deur; geef mij den kleerâ eens. Kloppartij {vechtpartij), v. âen; -tor {doodenkloppertje), v. âren; âzee {golven tegen het schip slaande), v. âen. Klopzee (stortzee), v. âzeeën. Klos. m. âsen. Een â garen. Klosbaau {beugelbaan), v. âbanen. Klosbeitel {schepper om den bal te slaan), m. âs. Klossen (opwinden; in de klosbaan spelen), ik heb geklotst. Kant, koord â, op de klos winden; met de klompen â, klotsen Klotsen {botsen, bonzen, het slaan der golven), het heeft geklotst. Het zeewater klotst tegen den dijk; het â der baren; de wateren â tegen het huis; de nemen â in het water. -ing. v. Klotsen {loopen met zware en lompe stappen), ik heb geklotst. De werklieden â in mijn huis langs trap en gangen. De hoefslagen â op den harden weg. Klove, v. -n. Zie Kloof. Klovenier, Kolvenier {kolfdrager, boogschutter), m. â s. Kloveniersburgwal {straat in Amsterdam), m. Kloveniersdoelen (vereenigingsplaats der boogschutters te Amsterdam), m. â s. Kluebt {tooneelspel met laag-komischen inhoud), v. âen. Ook: Sotternie. Onze letterkunde heeft nog zes âen uit de i4e eeuw. De âen va)i Coster en Dredero uit de 11e eeuw. Bij mtbr. grap, aardigheid; â ig. bu. en bw. Een â voorval, hij keek mij â aan. Kliiclit {mast, uit vele op elkaar geplaatste stukken), v. âen. Ook: Kluft. Kluelit {menigte, troep), v. âen. Een â schapen (op de Dr. hei); een groote â patrijzen. (c. o.) Kluebtig {grappig), bn. en bw.; -keid, v |
KLUFT-KNIBBELEN.
239
|
Kluft {kloof\ buurt, wijk-, hellinfi; troep), v. â en; â lieâ¬kr (wijkmeester), m. â en; âpredikant (buurtpredikant), m. âen. Kluif (het kluiven), m. Er is een heele â aan, een heel werk. Kluif (klauw), v. â ven. De arend had iiet duifje in zijn kluiven. Kluiirok (zeew. voorfok, zeil), v. âfokken. Kluifje (kluifbeentje), o. â s. Kluis (enge, eenzame woning), v. âzen. Kluisgat (zeew. opening aan weerszijden van den voorsteven om er den ankerketting door te vieren), o. âen. Fij;. De âgaten, de oogen (in schipperstaal). Kluister (boei), v. â s. lem. in de âs slaan, iem. de âs aanleggen. Kluisteren (boeien), ik heb gekluisterd; -ing, v. Kluit (strandvogel, sabelbek), m. âen. Kluit (bi 'ok aarde), v. âen. Hij is uit de âen gewassen, groot geworden. Kluiteubreker (werktuig, rolblok), m. â s. Kluitje (klein klompje of brokje aarde), o. â s. Een â boter', fig. Iem. niet een â in 't riet sturen, hem met een kleinigheid uit zijn vaarwater lokken. Kluiven (afknagen), ik kloof, heb gekloven, ook: ik kluifde, heb gekluifd; âer. m.; -iujff. v. Kluiver (scheepst. drieh. voor-igt;f achterzeil), m. â s. Kluiverboom (verlengstuk van den boegspriet, kluifhout), m. âhoornen. Kluizen (afgezonderd leven), ik heb gekluisd. Kluizenaar (ftewoner v.e. kluis),\\\. â s, â 'ayq\\. Klungel (straatloopster, ook nietswaardig voorwerp), v. â s. Ook: Klongel. Klungelen (verspillen, verbeuzelen), ik heb geklungeld. Ook: Klongelen. Kluppel (knuppel, kneppel, dikke knoestige stok), m. âen, â s. Kluppelen (afranselen, doodslaan), ik heb gekluppeld. De kat â, een verouderd boerenspel; â aar, m. Kluppelvers (vers met een refrein), o. âverzen. Kluts (slug), v. De â kwijt zijn, het spoor bijster zijn; den slag of draad kwijt zijn. Klutsei (geklopt ei), o. âeieren. Klutsen (slaan, kloppen), ik heb geklutst. Kluwen (bol garen), o. â s. Een â wol, een â sajet. Kluwenen (opwinden), ik heb gekluwend. Klysma (lavement, inspuiting), o. â's. Zijn kwaal liet door reliek noch â zich verjagen. (Staring.) Knaap (jongen, knecht), m. knapen. Knaap (een soort stander), m. knapen. Knabbelen [met de voorste tanden bijten), ik heb geknabbeld. De kinderen zaten óp een harde korst te â ; âaar, m.; -ing, v. Knagen (knabbelen), ik heb geknaagd. Muizen, ratten, wonnen â; de hond knaagt aan een been', de tanden stomp â ; fig. de zorgen â aan zijn geluk-, âer, m. â ing, v. Knak (breuk, scheur), m. âken. Knak (verstoord, boos), bn. Hij was â. Knak, tw.; â, en de tand was er uit! Knakken (knikken, breken), ik ben en heb geknakt. Zijn gezondheid is geknakt, ondermijnd; die bloemstengel is geknakt, gebroken; hij liet zijn hoofd op de borst vallen als een geknakte bieze. (C. O.) |
Knal (kort afgebroken geluid), m. â len. Knalgas (mengsel van twee deelen waterstof en ren deel zuurstof), o. gmv. Knallen (ontploffen), het heeft geknald. De geweren â, de musketten, de karabijnen â; de cha mpagnek u r ken â. Knap (slag, geluid), m. âpen. Knap (welgevormd, ook vlug), bn. en bw.; â lieilt;l. v.; â jes, bw.; â piglic^id, v. Knapkers (een soort van late kers), r. âen. Knapkoek (hardgebakken koek), m. -en. Knappen (bersten, kraken), ik heb en het is geknapt. Het mutsaardhout ligt te â op den haard-, de hond deed de beenderen â. Knapperen (doen knappen), ik heb geknapperd. Een âd vuurtje. Knapzak (t.asch voor eten, bedelzak), m. -ken. Knarsen (knersen, stroef en krassend klin-lgt;en), ik heb geknarst. Met de tanden â; een oud slot laten â; âer, m.; -ing, v. Kiiarsetaiiden (knersetanden), ik heb geknarsetand; â ing, v. Soms: tandenknarsen. Knaster (rieten kist), m. â s. Kuaster (varinastabak in bladen), v. gmv. Knauu (grauw, snauw), m. âen. Knamvt'ii {met de tanden bewerken), ik heb geknauwd. Aan een been â, zoethout â; lig. afmatten: Het bestijgen en afdalen van twee hooge bruggen had hem vrij wat geknauwd. (C. O.); âer, m.; âing, v.; â sel, o. Kneelit, m. â s of âen. Zoo heer, zoo â! aan den bediende kent men den meester; de oude â blijven, het niet verder brengen; een stomme â, een aanrechttafeltje. Kneden, ik heb gekneed; â er, m.; â ing, v. Kneep (heimelijke neep), v. knepen. Zij gaf het knul een â in den arm; tig. list, booze toeleg; ook: het geheim van iets: Ik heb de â al beet, ik heb er de â van weg. Knees (adellijk persoon, prins in liusland en Polen), m. 'kneezen. Knekel (been, boe), m. â s. Kiiekelliuis (beenderhuis op een kerkhof), o. âhuizen. Knel (klemming), v. âlen. Hij zit in de â, verlegenheid. Knellen, ik heb gekneld. Waar knelt hem de schoenquot;/ waar zit de oorzaak van zijn knelling?; een âd juk, drukkend juk; een â de belasting. Kneppel, Kneppelen. Zie Knuppel. Knuppelen. Knersen (stroef en hard klinken). Zie Knarsen. Knetteren (knitieren), het heeft geknetterd. De vlammen â; zout knettert in het vuur: het â der musketten; âing, v. Kneu (zangvogel), v. âen. Kneukt^l, m. âs. Ook: Knokkel. Kneuter (hennepvink, vlamsijs), v. â s. Kneuteren (stamelen, mompelen), ik heb gekneuterd; âaar, m. Kneuterig (verdrietig), bn. Ook: aangenaam, prettig; Wij zaten â bij elkaar. Kneuzen (kwetsen, blutsen), ik heb en ben gekneusd; een perzik â, ooft â ; âing. v. Knevel (bovenlipbaard), m. â s. Knevel (handboei), m. â s. Knevelen (in boeien slaan), ik heb gekneveld; â aar, m.; âarij (afpersing), v.; -ing, v. Knibbelen (krakeelen), ik heb geknibbeld; â aar, m. |
KNICKERBOCKER-KNORRIG.
240
|
liiiickerbockoi* (bewoner van New-York), m. â bockers. Kiibo (kniegewricht), v. âen. De â biiujen; op de âén vallen; fig. iets onder de â heb-ben, goed weten of konnen of kunnen. lillik (zeew. zwaar gekromd stak hout), v. â en. Kiiilt;kboo$;' (knieholle), m. âbogen; â bui-g-iiiff, v. âen; â lt;lielit (rederijkersvers op de knie gemaakt), o. âen; â lials (zeew. hoek, bocht van een kniehout), m. âhalzen; âjii'lif, v. gmy. KnioU'ii (de knie buigen), ik heb en ben geknield: â v.; â bn.; â «»r. m. linicB* (scharnier van een kist), v. âen. Kniesoor (gemelijk menseh), m. en v. âen. Kniestuk (timni. schoorbalk; knielap van een harnas; portret tot aan de knie), o. â -stukken. Kiiii'vorN (kniedicht), o. âverzen. liiiioz^ii (verdrietig morren, ontevreden mokken), ik heb gekniesd; âer, m. Robertas Narks was geen âer. (C. Ã.); â erij, v. Ook: Kiiijzlt;*ii. (klagend, missend alle vroolijk-heid), bn.; â v. (gemelijk, klagend, kniezerig), bn. Knijf (mes, ponjaard,\knipmes), o. âven. Knijp (engte, /me/), v. Inde â zitten, evgxev-lini'il» (bierhais), v. -en. [legen zijn. Knijpbril (lorgnet), m. âbrillen. Knij|ftfkn, ik kneep, heb geknepen; âer, m.; â in$ff9 v. Ook: Gijpen. Knijptang knijpwerktuig), v. -en. Knijxen, ik heb geknijsd. Zie Kniezen. Knik (knak, break), in. âken. De parapla kreeg daar een â. Knik (teeken van instemming), rn. âken. Knikkebeenen (met knikkende been en locpen), ik heb geknikkebeend; -beener of â beeuder, m. Knikkebolllt;'n (met het hoofd knikken van slaap), ik heb geknikkebold; âboller of â bolder, in. Knikken (groeten met een knik), ik heb geknikt. De gravin knikte hem toe; met het hoofd â ; âer, in.; â injr, v. Knikken (breken), ik heb geknikt; een bloemsteel â, een ei â. Zie: Knakken. Knikker (steenen balletje), m. âs; âspel, o.: -lijd. in. Knikkeren (met knikkers spelen), ik heb geknikkerd. Knikstac (haip- of bijstag; stevig toaw houdend den boegspriet), o. âen. Knip (lichte slag of knipping met de vingers), m. âpen. Een â voor den neus. Knip (werktuig), v. â pen. Ken vogel â . Knipoog (persoon), m. en v. âoogen. Knipoo^en (met de oogen knippen), ik heb geknipoogd. Dolle Herrit knipoogt tegen de heer en, teeken van vertrouwelijkheid geven. Knipoogje, o. âoogjes, lem. een â geven, een heimelijk teeken. Knippen (ntet een schaar doorsnijden), ik heb geknipt. Met de oogen â, het op- en neer-bewegen der oogleden; â per. m.; â sel, o. Kniptor (springkever), v. -torren. Knitteren. Zie Knetteren. Knobbel (knolvormige dikte, verharding), m. â s. Kno«l. Knodde (knoop, knobbel), v. âden; â destok (knots), ni. |
Knoedel (meelballetje, deegklompje), m. â s. Knoeien (slordig bewerken, broddelen; bedrieglijk te werk gaan), ik heb geknoeid. Jongen, wat knoei je toch! dat meisje knoeit maar door aan haar borduurlap; hij knoeit met zijn meel, tabak, wijn enz.; âer, ra.; -erij. v.; âwerk, o. Knoest (hardigheid in hout, uitwas), ra. â en. Knoet (zweep uit riemen bestaande), ra. â n. Knoet (lomperd, grove kerel), ra. âen; â -aeliti^' (lump), bn. en bw. Knot leien (drukken, knijpen). Ook : Knul-felen. Knoflook (een ui of bolplant, tot de leliën hehoorende), o. gmv. Knok (knook, been, bot), m. âken; â ijff, bn. Knokkel (vingergewricht), ra. âs. Knol (veldvrucht), ra. â len. lem. âten voor citroenen verkoopen, bedriegen, bedotten. Knollentnin. ra. Hij is in zijn â, hij heeft het recht naar zijn zin. Knook (been), ra. knoken. Knoop (voorwerp in een knoopsgat passend), in. âen. Een koperen â, een been en â, een parelmoeren â ; ook: samenvoeging van twee draden, touwen of banden, b.v. Ergens een stevig en â opleggen. Fig. een grove vloek : een weversâ ; de Gordiaanse he â (gesch. van Alexander den Grooten); de â van een net; een â in een touw, draad, band, enz.; do strik is in den â, in de war; een â in den zakdoek leggen, met hei doel iets te onthouden. Sterrenk.: snijpunt van twee groote cirkels. Plantk.: verdikking van den stengel, knorf b.v. in halmen. In een drama: ingewikkelde handeling. Zeew. â¢/:lt; deel van een uur gaans, d. i. 1850 Meter. Het schip lei 20 linoopen per itur af. Knoopen (vast- of dichtknoopen), ik heb geknoopt. Zijn mantel dichtâ; ook zeker handwerk: Ãen netje â ; eoi beurs â. Fig. Iets in zijn oor â, het gehoorde voor altijd onthouden. Knoopendraaier (fig. bedrieger), ra. â s; -fabriek, v. âen; âmaker. ra. âs; â maakster, v. âs; â seliaar (rail. om de knoopen te poetsen), v. âscharen; knoopgras (hondsgras), o. gmv.; -sgat, o. âsgaten. Knop, m. âpen. De â ran een deksel, van den degen, wandelstok, enz.; een â van een roos, van een blad; in de â pen schieten, d. i. (van een boom) knoppen krijgen; de bloem staat nog altijd in den â, is nog niet open. Knoppen {uitbotten), de plant heeft geknopt. Het constitutioneele knopt, ontluikt, tiert overal. (Potg.) Knor (geluid), ra. âren. Het varken guf een â. Knorf' (knoop, verharding in den s'engel der grassen, rieten, biezen), v. knorven. Knorven in de biezen zoeken, haarklooven, vitten, spijkers op laag water zoeken, vero. Knorliaan (stekelvinnige zeevisch), ra. â -hanen. Op onze kast wordt de â veel gevangen; de â is als voedsel weinig in trek. Knorren (een dof, grommend keelgeluid voortbrengen), het heeft geknord. Hoor dat varken eens â! Fig. Op iem. â, pruttelen, grommen. Knorrepot (pruttelaar, grompot), ra. - ten. Knorrig {boos, gemelijk, prutteluchtig), bn. Ken â antivoord; â lieid, v. |
KNOT-KOFFIK BAAL.
241
|
Knot (hosjr), v. âten. Ook Knut, als: Een â sajet', een â haar; een â vlas. Kiiotw (zwpre stok), v. -en; -slaft-, m. Knotten (den to)gt;, de kroon er afslaan; inkorten, afsnijden), ik heb geknot. Een wilg â; een paal â ; lig. verzwakken, kortwieken: iem. macht â ; de wieken der verbeelding â .(Potg.) Knotten (draaien, strengelen), ik lieb geknot; â ei% m.; â iiifSquot;, v. Knotnil^ (lage wilg), m. âwilgen. Zie: Schotwi Ig. KiiiifiVllt;'ii (prangen, drukken, zacht persen), ik heb geknulTeld. Een zwermden ringer â ; â aar, m. â s; -is*, bn. Mijn ringers zijn â ig van de kou, stram, stijf. Ook: KnollVleii. Knuist (vuist), m. âen. gmz. Knnl (lomperd), m. âlen. Een â ean een vent. Knuppel (knots), m. âs. Ook: Knc'ppel. Knuppelen (met een knuppel slaan), ik heb geknuppeld. Ook: Kneppelen. Knnren (talmen, luiere}/), ik heb geknuurd; Kniinrder, rn. gew. Knus. Knusjes (aardig. Hef, gezellig), bw. Dat is â geborduurd\ wij zaten zou â bij elkaar. Knutselen (het werken aan kleine, fijne dingen, die niet reel beteekenen), ik heb geknutseld; â aar, m.; â arij. v.; âins, v.; â werk, o. Knuttel (scheepst. kluwen touw), v. -s. Kniitteris (aardig, lief), bn. en bw.; â -lieid. v. Kobalt (een roodachtig grijs metaal), o. gmv. Kolgt;ollt;i (aardgeest, kabouter), m. -en. Kodde (aardigheid, snakerij; ook knots), v. â n. Kodiic^beier (boschwachter), m. âbeiers. Koddenaar (een kneuter), m. â s. Kofldi^ (grappig), bn. De voorzitter kreeg e(m âen inral (Klikspaan), kluchtig; â lieid, v. Koe, v. koeien, 't Is een â, dom mensch; ile â bij lt;le horens vatte)} of pakkan, ook hebben.'d. i. de moeielijkheden aanvatten; oude koeien uit de sloot halen, halfvergeten dingen weer oprakelen; veel koeien, ceel }noeien, veel bezit geeft veel zorg; â tje, o. âs. Koeboom (6oom in Z. Amerika, gevende melksap), m. â boornen. Koc^brn^sdek (soort ran dek onder het benedendek), o. âdekken. Koedock (antilope aan de Kaap), m. â s. Koeionnlt;gt;(kren (plagen, het leven zuur }}ia-ken), ik heb gekoeionneerd. Koek (gebak), als voorwerpsnaam, m. âen; als stofnaam, v. Het was â en ei tusschen haar zuster en Kees. (C. O.), bijzonder goed. Koekeloeren (uitkijken), ik heb gekoekeloerd; â der, m. Koekoek (trek- en klimvogel), m. âen. Het is daar altijd â één zang, er is geen afwisseling, het is er eentonig. Koekoek (bouwk. uitstekend dakrejister), m. â en. Scheepst. open luik om licht in de hutten te geven. Ook: Koeknit. Koekoeksbloem (pinksterbloem), v. âen; â brood (gewone klaverzuring), o. gmv.; â klaver (brood), v. gmv.; âlook (bolgewas), o. gmv. Koekviseli (Ind. klipviseh), v. â visschen. Koel. bn. en bw. Een â onthaal; iem. â ontvangen. Koelbak (smed. bak vol water om heet ijzer te koelen), m. âbakken. koenen, Verkl. Handwdb. d. Nederl. taal. |
Koelbloedig (kalm, rustig), bn., -lieid. v. Koelen (koud, maken), ik heb on ben gekoeld. Fig. Zijn drift â ; zijn wraak â, d. i. bevredigen. Koelie (Ind. Maleisch of Chineesch dagloo-ner), m. â s. Koeltlt;k (frischhe.id), v gmv. De â van den herfst. Koeltje (windje), o. â s. Er stak een Hef â op. KoelxinniK' (kalm, r}istgt;g), bn. Eow -e berekening. (Koetsveld.) K4»eniis (dra}ik der kal}}iokkc}i, gezuurde en gegiste paardenmelk), m. gmv. Koen (moedig, stout), bn. en bw.; âlieid. v. Koepel (rot}d dak, kap, tui})huisje), m. âs. Koep«'ls,ew«»lf (halfbolvormig gewelf nut lichtopening), o. âgewelven. K4M'plt;»kk«gt;n (de kinderziekte, de pokken), v. mv. K4»erlt;'iben (oude volksmelodieë}} do- koeherders 'ui de Alpe}}), v. mv. Ook: Koereigen. Koerlt;'n (het kirrc}i der dj}ire}}), zij heeft gekoerd. Koei'linis (badhuis, groot gebouw i'.d. badgasten), o. â huizen. Koerier (renbode), m. â s. Koers (loop, raart), rn. â en. Zij}} â nemen. Koers (gangbaarheid of waardij iudi }}}un-ten), m. -en. Mint te}} buiten â stelle}}; deâ van het zilver; den â verlagen: noteering der ellecten op de prijscounmt der Amster-damsche beurs: De â der effecten; de âen zijn gedaald, gerezen; ânota. v. ânota's; â noteerins'. v. âen; â â â¢Â«'keninsquot;. v.gmv.; â veriioo^ins. v. âen; -verlajjinji'. v. â en; â verseliil, o. âlen. Koersen (richten, stevenen, regelen), ik heb gekoerst; â iiu;*. v. Kiterxaal (groote zaal tot bijeenkomst der badgasten), v. âzalen. Ook: Knrxaal. K4»es (stil, doodstil), bn. Zich â houden, niets zeggen. Ook: Koest. Koeskoes (allegaartje ra}) spijze)i in .V.-Afrika), v. gmv. Koest (ga liggen! tot cc)) hond), tw. Koesteren (troeteh'n), ik heb gekoesterd; â aar. m.; â in^, v. Koet (kleine zwarte eend), v. âen. Koeterc'ii (gel rekk'ug praten, kromspreken), ik heb gekoeterd. Nu en da)i eoi vreemd woord })}oet men toch }}}aar â. (Potg.); â aar, m. Koeteruaalseli (onverstaanbaar, krom), I bn.; als znw. (brabbeltaal), o. Koeterwalen (Nederla/uisclt spreke}} als een Waal), ik heb gekoeterwaald. Itoets (overdekt rijtuig), v. âen. Eo) post â , een statieâ. Koets (bed), v. --en. De kinderen gaan naar dé -. Koetsier {voerman van een koels), m. â s. Koevoet (werktuig, ijzere)} hefboom), m. -en. Kof (tweemaster, rondgebouwd zeeschip), v. â fen. Koli'er (reiskist), m. â s. Zijn â pakken. Kotteren (inpakken), ik lieb gekoflerd. Kotlie (zaad der kofjleplant, oorspronkelijk uit Abessinië en Soedan), v. gmv. Ook: het gemalen poeder, d. i. gemah-n â : ook: drank uit dit poeder bereid: Een kop â; â branden; â schenken. Kolliebaal (grof linnen zak), r. âbalen; 16 |
KOG-KOLOSSAAL.
|
â blafl (schenkblad), o. âbladen; boom. m. âboomen; âboon. v. âboonen; âbran-«Icr (persoon, die de groene koffieboonen roostert), m. â s; â lt;iik {overblijfsel, dras), o. gmv.; â yoed (servies), o. gin v.; â lian- m. gmv. De âhandel van Londen en Amsterdain; âhuis (openbaar huis, café),o. âhuizen; â Imisliouder, m. â s; âkanier (in schouwbunjen de vei'versehimjskanier, foyer), v. â s; -ketel. m. -s; âlepel. m. â's; âplanter (Ind. bezitter van een koffie-plantarje), m. â s; âservies (koffieblad met toebehonren), o. â viezen; âtafel. v. âs. Ze zalen om 10 uur non aan deâtafel-. âtroin-incl (blikken koffiebus), v. â s; â vlt;'iliii^' (openbare verkoop' van koffie b.v. te A mster-dam), v. âen; âwater (dienende tot. het zetten van koffie), o. gmv.; âzak (fiUreer-zakje in den koffiepot), m. âzakken. lioK*. Ko^'lt;' (Middeleeu wsch platrond koopvaardijschip), v. âgen. Kogel (ijzeren, looden bal), m. -s. Met âs schieten; den â krijgen, tot den â veroordeeld worden, zie Fnsileeren: iem. of zich een â door het hoofd jagen ', met iem. een â wisselen, duelleeren met liet pistool ; den â sleepen, op de galeien zijn; spreekw. De â is door de kerk, de zaak heeft haar beslag. ⢠Koffelaanxetter (ijzeren laadstok bij kanonnen),â¢. â s; â aanflrij%'er( âacmzè^tr), m. â s; âbaan (denkbeeldige lijn door een geschoten kogel beschreven), v. âbanen; â «liertjes (straaldiertjes, infusiediertjes), o. mv.; â «listel (samengesteldbloemige, met kogelvormige blauwe of witte bloemkolfjes), âo. âs. Kogelen (met kogels, steenen enz. schieten), Ik heb gekogeld. Kogelflescli (flesch voor kunstwater, met een kogeltje gesloten), v. â flesschen; â gieten, o. gmv.; âgieter, m. âs; -gieterij, v. âen; â mal (vorm als kogel maat), v. âmallen; â mortier (kort, breed kanon), o. âen; â -park (stapelplaats van kogels), o. âen; â regen (fig. het vallen van kogels in grooten getale als waren het regendroppels), m. gmv.; â rontl (bolrond), bn.; â stapel (regelmatig opgestapelde hoop), m. â s; â tang (geneesk. om kogels uit te halen), v. âen; âtrekker (werktuig om kogels uit den loop te halen), m. âtrekkers. Kogelviseli (klompvisch), m. âvisschen. Kogel vorm (vorm, waarin kogels gegoten worden, m. âvormen; â vormig, bn.; â -wagen (mil. waarin kogels vervoerd worden), m. â s; âwerf (kogelpark), v. âwerven. Kohier (belastingregister), o. âen. Kohort (krijgsbende, troepenafdeeling), v. -en. Kok. m. â s. Veel âs bederven de brij, al te veel raad gedijt niet; het zijn niet alle âs, die lange messen dragen, uiterlijk vertoon bewijst iemands geschiktheid niet; honger is de beste â, honger doet alles lekker smaken. Kokan'je (luilekkerland), v. Het land van â. Kokanjemast (bij volksspelen versierde en )net prijzen behangen mast), m. âen. Kokarde (rozetje met de nationale kleuren), v. â s. Ook: C'okanle. Koken (spijs bereiden), ik heb gekookt. Fig. â van toorn. Koker (rolrond hol voorwerp), m. â s. Een â voor pennen, pijlen enz.; dit komt niet uit zijn d.i. uit zijn brein; veel pijlen in zijn |
â hebben, tal van middelen, veel bewijsgronden hebben. Kokerellen (met den tol spelen), ik heb ge-kokereld. liokeren (in een koker doen), ik heb geko-kerd. Fig. foppen, misleiden. Kokermiiilen (meesmuilen, grimlachen), ik heb gekokermuild. Kokerworm (ringworm, zeebewoner met kieuwen), m. âen. Kokinje (stroopbal), v. â s. Gerekt als â. Kokkerd (dikkerd), m. âs. Wat een â van een neus! van een dagbroer! Ook: Kokker. Kokosboom (klapperboom, palmboom), m. â boomen. Kokosnoot, v. ânoten. Kokosolie (Ind. bereid uit de kokosnoot), v. gmv. Kokospalm (Tnd. algemeen voorkomende boom, 15â20 M. hoog), m. âpalmen. Ook: K1 a ppe r boo m. Kol (// amerslag tegen den kop van een rund), m. â len. Kol (heks), v. âlen. Van de â, deNoordsche â bezeten zijn, behekst zijn; ârijden, op den bezemsteel rijden; ârijdster, tooverheks. Kol (witte plek, bles), v. âlen. Kol (bloem, klaproos), v. âlen. Kolbak (grenadiersmuts), m. âbakken. Kohier (lederen harnas als dekking van rug en borst), m. âs. Zie Maliënkohler. Kohier (een pa ar denziekte), m. â s. Dat paard heeft den â in den kop. Kolderen (den kolder krijgen), het heeft gekolderd. Fig. allerlei dwaasheden doen. Kolf (afo/t). v. kolven; âbaan, v. âbanen; â bal. m. âballen. Kolf (onderdeel van een geweer), v. kolven. Kolf (gesloten glas met wijden buik en gebogen hals), v. kolven. Distilleerkolf. Kolibrie (vogel der keerkringen), m. â s. Koliek (bu ikkramp), o. gmv. Kolfje, o. âs. Dat is een â naar zijn hand, dat past hem. lijkt hem. Kolk (poel of afgrond), v. âen. Kolken (omhoogdraaien), ik heh gekolkt. Kollebloem (klaproos), v. âbloemen. Kollen, ik heb gekold. Een rund â, de hersens inslaan. Kolokwint (bittere appelvormige vrucht), m. âen. Een âappel. Kolom (zuil, pilaar), v. âmen. De âmen van een dagblad; de âmen openstellen voor; de â van Volta, electriciteit. Kolonel (hoofdofficier, aan het hoofd van een regiment), m. â s. Koloiiel-ingenieiir. m. kolonels-ingenieurs. Koloniaal (soldaat voor den dienst in Indië), m. â alen. Kolonie (volkplanting), v. koloniën. Kolonisatie (het stichten van koloniën), v. âtien. Koloniseeren (volkplantingen in een landstreek vestigen). Kolonist (volkplanter), m. âen. Chineesche âen vindt men ook op Borneo. Koloriet (kleurentoon van schilderijen), o. gmv. Het gloeiend â van Rembrand. (Potg.) Kolos (reuzenbeeld; ontzaglijk groot gevaarte; man van buitengewone kracht of g»'nie), m. â sen. Kolossaal (buitengewoon groot), bn. en bw. Een â gebouw; een âale brug; de âalc |
KOLRIJDSTER - KOORTS.
243
|
smaak onzer vaderen. (C.O.); â kunnen eten. Kolrijlt;lster (tooverheks), v. ârijdsters. KolNem (ter/enkiel, dwarse dikke kielbalk), m. â s. Kolven {in de kolfbaan spelen), ik heb gekolfd. Hij heeft gelukki(j qekolfd, het is hem meegeloopen in de wereld; âer. m. Kolvenier (schatter), m. Ook: Klovenier. Kom (hak, schaal, kopje), v. âmen. Kombaars (scheepsdeken), v. âbaarzen. Kombof' (keuken of hok, waarin men kookt en wascht), v. â bofs, âboffen. KombniK' (scheepskeuken), v. âbuizen. Kome«liant (toon eel speler), m. âen. Komedie (schouichiiru), v. â s. ZieCometlie. Komeet (staartster), v. â meten. Komen, ik kwam, ben gekomen. Om het leven â, liet leven verliezen; iem. onder de oogen â, voor iem. verschijnen; te stade te pas â ; te bovenâ, overwinnen; q.an land, aan wal â, gaan. Komfoor (vuurpot), o. âforen. Komiok (koddig, grappig), bn. en bw. Komijn (eenjarige plant), m. gmv. Koniijnekaa*gt;». Kiiniijukaas, v. âkazen. Komkommer (kalebasachtige plant),\. âs. Komma (leetteeken), v. en o. â's. Kominabaeil (kiem der groote cholera), m. âbacilen. Kommaliebelioefte (keukengerief), v. â -behoeften. Komniandant, m. âen. Zie t'omnian-«lant. Kominapuiit, v. âpunten. Kommer (zorg), m. gmv.; (hazendrek), v. gmv. Kommies (ambtenaar bij de belastingen, die waakt tegen smokkelarij), m. âmiezen. Kommiesbrood (soldatenbrood), o. âen. Kompanje (speelnoot, eegaa), v. -s. Kompas, o. âsen. Komplot (bent, samenspanning), o. âten. Kompres (natte doek), o. âsen. Ook; Com-pres. Komst. v. gmv. Hij is op â. Koml (bekend), bn. â doen, kend maken. Komleh (Ind. haarwrong), Kondei. Komlseliap (bericht, naricht), v. âpen. â krijgen', â inwinnen: op â uitgapn, ü. i. op verkenning uitgaan. Komlsehappen (melden, berichten), ik heb gekondschapt; â seliapper. m. Konfijt (in suiker ingelegd ooft), o. Konfijten (in suiker inleggen), gekonfijt. Konfilje (citroenkruid), v. gmv. Kongeraal (zeepaling), m. âalen. Kongsi (mijnvercenig ing der Chi neezen), v. â's. Konijn, o. -en; -enpastei. v.-en; -en-vela, o. âen. Koning m. âen. De â ran het schuttersgild; hij laat zijn haan â kraaien, de overwinning verkondigen; zijn haan moet ui tijd â kraaien, hij moet in alles zijn zin hebben; de â van een schaakspel, voornaamste stuk. Koningin, v. â nen. Konin^innenkroon. v. âkronen; âmantel. m. âmantels. Koningstijger (Ind. groote gestreepte tijger op Ja ra en Soematra), m. âtijgers. Koninklijk (van of als een koning), bn. en maken, be-. -s. Ook: gmv. ik heb |
bw. Het â paleis; het â ivap'm; een â besluit] de âe mantel; de âe schept er; een â geschenk; de âe posterijen; de âe murine. Fig. Een âebergstroom (C. O.), d. i. prachtig; iem. â onthalen. Koninkrijk, o. ârijken. Het â der hemelen. Konkel (slag, stool), m. â s. Konkel (lui vrouwspersoon), v. âs. Konkel (spinrokken, staf waarom men het te spinnen vlas windt), m. âs. \ero. Zie Spilleleen. Konkelen (slordig werken), ik heb gekonkeld. Zij heeft vermaak nagejaagd en gekonkeld. (koetsveld), bedrieglijk handelen; -aar (knoeier, bedrieger), in.; â arij. v. Konserf (een stroopje, likkepot), o. âven. Konstabel (kanonnier aan boord), m. â sta-bels. Zie Constabel. Konterfeiten (naschilderen), ik heb gecon-terfeit; -feitsel (portret), o. Konvooi (begeleiding, bedekking, bescherming), o. âen. Konxenielje (volksterm voor cocfienille), v. gmv. Koop,' (ingedijkt land, polder), m. kogen. Kooi. v. âen. Een vogelâ ; scheepst. naar de â ; te â gaan, te bed gaan. Kooiker (eendenkooihouder), m. â s. Kook. v. Aan de â zijn, d. i. koken; van de â zijn, raken, niet meer koken. Fig. Hij raakte van de â, hij werd niet wel, raakte uit zijn humeur. Kooksebool {inrichting tot onderwijs in het bereiden van warme spijzen), v. âscholen. Kooksel (gekookte spijs), o. s. Kool (brandstof), v. kolen. Kool (bekend gewas), v. âen. Het sop is de â niet waard; het is allemaal-; iem. een â stoven, bakken, beet hébben, een poets bakken; â verkoopen, flauwe praatjes maken; het is maar voor de â, voor de grap. Koolmees (groote, groene mees met zwarten kop), v. âmeezen. Koolraap (knol), v. ârapen. Koolstof (scheik. element), v. gmv. Kooitje-vinir (een bloem), o. gmv. Koolivitje (dagvlinder), o. â s. Koolzaad (oliezaad), o. âzaden. Koolzuur (scheik. verbinding van koolstof en zuurstof), o. gmv. KoomoniJ (winkeltje), v. âen. Koomenijsuinkel, m. âwinkels. Koonienseliap (handel), v. â doen. Koon (wang, kaak), v. âen. Koop, m. âen. Te â bieden; den â breken; te â dragen, alom hekend maken; op den â toe; op den â werken, licht en dicht iets maken; den â opzeggen, een contract breken. Koopen. ik kocht, heb gekocht; âer. m.; â ster, v. Koopje, o. Iem. een *- geven, hem er in laten loopen. Koopman (handelsman), m. âlieden, âlui. Koor (zangkoor, priesterkoor, reigezang), o. koren. Koord (touw), v. en o. âen. Dansen op de slappe â. Koord*' (lijn in den cirkel), v. ân. Koordedansen. âdanser, m. â s. Koordenseliaal'(w/.s7t//^f/e), v. âschalen. Koorn (roqge\ v. Ook Koren. Koorts (ziekte), v. âen; â ifs (koortsheb-bend), bn. |
16*
KOG-KOLOSSAAL.
|
â blalt;l (schenkblad)^ o. âbladen; boom, m. âboomen; â boon. v. â boonen; âbrander {persoon, die de groene koffieboonen roostert), m. â s; â«lik (overblijfsel, dras), o. gmv.; â jffoed (servies), o. gin v.; â lian- m. gmv. Dr âhandel van Londen en Amsterdam; â Imis (openbaar huis, café),o. âhuizen; â hnislionder, m. â s; âkamer (in schouivbunjen de ververschinijskarner, foyer), v. âs; âketel. m. -s: âlepel. m. â s; âplanter (Ind. bezitter van een koffieplantage), m. â s; -servies (koffieblad met toebehooren), o. â viezen; âtafel, v, âs. Ze zaten om iO uur nog aan de âtafel', âtrommel (blikken koffiebus), v. â s; -veiling (openbare verkoop' van koffie b.v. te Amsterdam), v. âen; âwater (dienende tot het zetten van koffie), o. gin v.; -zak (filtreer-zakje in den koffiepot), m. âzakken. lio^. Ko$:'£'â¬' (Middeleeuivsch platrond koopvaardijschip), v. âgen. lio^el (ijzeren, looden bal), m. â s. Met âs schieten', den â krijgen, tot den â veroordeeld worden, zie Fnsileeren; iem. of zich een â door het hoofd jagen; met iem. een â wisselen, duelleeren met liet pistool; den â sleepen, op de galeien zijn: spreekw. De â is door de kerk, de zaak heeft haar beslag. ⢠Ko$?elaanzett«*r {ijzeren laadstok bij ha-nonnen), m. âs; â aandrijver ( â aa/JzeWer), m. â s; âbaan (denkbeeldige lijn door een geschoten kogel beschreven), v. âbanen; â diertjes (straaldiertjes, infusiediertjes), o. mv.; âdistel (samengesteldbloemige, met kogelvormige blauwe of witte bloemkolfjes), â o. â s. Kogelen (met kogels, steens)i enz. schieten), ik heb gekogeld. Kogelfleseti (flesch voor kunstwater, met een kogeltje gesloten), v. â ilesscben; âgieten, o. gmv.; â gieter, m. â s; âgieterij, v. âen; â mal (vorm als kogel maat), v. âmallen; â mortier (kort, breed kanon), o. âen; â -park (stapelplaats van kogels), o. âen; -regen (lig. het vallen van kogels in grooten getale als waren het regendroppels), m. gmv.; â rond (bolrond), bn.; âstapel (regelmatig opgestapelde hoop), m. âs; â tang (geneesk. om kogels uit te halen), v. âen; âtrekker (werktuig om kogels uit den loop te halen), m. âtrekkers. Kogelviseli (klompvisch), m. â visschen. Kogel vorm (vorm, waarin kogels gegoten worden, m. âvormen; â vorinig, bn.; â -wagen (mil. waarin kogels vervoerd worden), m. â s; âwerf (kogelpark), v. âwerven. Koliilt;kr (belastingregister), o. âen. Koliort (krijgsbende, troepenafdeeling), v. -en. Kok. m. â s. Veel âs bederven de brij, al te veel raad gedijt niet; het zijn niet alle -s, die lange messen dragen, uiterlijk vertoon bewijst iemands geschiktheid niet; honger is de beste â, honger doet alles lekker smaken. Kokan'Je (luilekkerland), v. Het land van â. Kokanjemast (bij volksspelen versierde en met prijzen behangen mast), m. âen. Kokarde (rozetje met de nationale kleuren), v. â s. Ook: Cokarde. Koken (spijs bereiden), ik heb gekookt. Fig. â van toorn. Koker (rolrond hol voorwerp), m. âs. Een â voor pennen, pijlen enz.; dit komt niet uit zijn â, d.i. uit zijn brein; veel pijlen in zijn |
â hebben, tal van middelen, veel bewijsgronden hebben. Kokerellen (met den tol spelen), ik heb ge-kokereld. Kokeren (in een koker doen), ik heb geko-kerd. Fig. foppen, misleiden. Kokermnileii (meesmuilen, grimlachen), ik heb gekokermuild. Kokerworm (ringworm, zcebewoner met kieuwen), m. âen. Kokinje (stroopbal), v. â s. Gerekt als -. Kokkerd (dikkerd), m. âs. Wat een â van een neus! van een dagbroer! Ook: Kokker. Kokosboom (klapperboom, palmboom), m. âboomen. Kokosnoot, v. ânoten. Kokosolie (Ind. bereid uit de kokosnoot), v. gmv. Kokospalm (Tnd. algemeen voorkomende boom, i5â20 M. hoog), m. âpalmen. Ook: KI a pper boom. Kol {hamerslag tegen den kop van een rund), m. â len. Kol {heks), v. âlen. Van de â, de Noordse he â bezeten zijn, behekst zijn; ârijden, op den bezemsteel rijden; ârijdster, tooverheks. Kol (witte plek, bles), v. âlen. Kol (bloem, klaproos), v. âlen. Kolbak {grenadiersmuts), m. âbakken. Kolder { 'lederen harnas als dekking eau rug en borst), m. â s. Zie Maliënkolder. Kolder {een pa ar denziekte), m. â s. Dat paard heeft den â in den ko/). Kolderen (den kolder krijgen), het heeft gekolderd. Fig. allerlei dwaasheden doen. Kolf (stok), v. kolven; âbaan, v. âbanen; â bal, m. âballen. Kolf {onderdeel van een geweer), v. kolven. Kolf (gesloten glas met wijden huik en gebogen hals), v. kolven. Distilleerkolf. Kolibrie (vogel der keerkringen), m. â s. Koliek (buikkramp), o. gmv. Kolfje, o. -s. Dat is een â naar zijn hand, dat past hem. lijkt hem. Kolk (poel of afgrond), v. âen. Kolken {omhoogdraaien), ik h'*b gekolkt. Kollebloem {klaproos), v. âbloemen. Kollen, ik heb gekold. Een rund â, de hersens inslaan. Kolokwint {bittere appelvormige vrucht), m. âen. Ken âappel. Kolom (zuil, pilaar), v. âmen. De âmen van een dagblad', de âmen openstellen voor; de â van Volta, electriciteit. Kolonel {hoofdofficier, aan het hoofd van een regiment), m. â s. Kolonel-ingeniciir. m. kolonels-ingenieurs. Koloniaal {soldaat voor den dienst in Indi'é), m. â :ilen. Kolonie (volkplanting), v. koloniën. Kolonisatie {het stichten van koloniën), v. â tiön. Kolonisoeren (volkplantingen in een landstreek vestigen). Kolonist (volkplanter), m. âen. Chineesche â en vindt men ook op Borneo. Koloriet {kleurentoon van schilderijen), o. gmv. Het gloeiend â van Rembrand. (Potg.) Kolos (reuzenbeeld; ontzaglijk groot gevaarte; man van buitengewone kracht of genie), m. â sen. Kolossaal (buitengewoon groot), bn. en bw. Een â gebouw; een âale brug; de âalc |
KOLRIJDSTER- KOORTS.
243
|
smaak onzer vaderen. (C.O.); â kunnen eten. Kolrijdster (too ver heks), v. ârijdsters. KolMem (ter/enkiel, dwarse dikke kiel'xt Ik), m. â s. Kolven (in de kolfbaan spelen), ik heb gekolfd. Hij heeft gelukkiy qekolfd, liet is hem meegeloopen in de wereld; â«»r. m. Kolveiiier {schutter), m. Ook: Klovenier. Kom (hak, schaal, kopje), v. âmen. Kombaars (scheepsdeken), v. âbaarzen. Kombof' (keuken of hok, waarin men kookt en wascht), v. â bofs, -boffen. Kombuis' (scheepskeuken), v. -buizen. Komediant (tooneelspeler), ni. âen. Komedie(schouiuhnrr/), v. âs. ZieComeilic». Komelt;'t (staartster), v. â meten. Komen, ik kwam, ben gekomen. Om het leven â, het leven verliezen; iem. onder de oogen â, voor iem. verschijnen; te stade â, te pas â ; te boven â, overwinnen; aan land, aan wal â, gaan. Komfoor (vuurpot), o. âforen. Komiek (koddig, grappig), bn. en bw. Komijn (eenjarige plant), m. gmv. KomijnekaaM. Komijukaas, v. âkazen. Komkommer (kalebasachtige plant), v. âs. Komma (leeiteeken), v. en o. â's. Kommabaeil (kiem der groote cholera), m. âbacilen. Kommaliebelioefte (keukengerief), v. â -behoeften. Konimandant, m. âen. Zie i'omman-dant. Koninia|»nnt, v. âpunten. Kommer (zorg), m. gmv.; (huzendrek), v. gmv. Kommies (ambtenaar bij de belastingen, die waakt tegen smokkelarij), m. âmiezen. Kommiesbrood (soldatenbrood), o. âen. Kompanje (speelnoot, eegaa), v. â s. Kompas, o. âsen. Komplot (bent, samenspanning), o. âten. Kompres (natte doek), o. âsen. Ook-.Com-pres. Komst. v. gmv. Hij is lt;gt;/gt; â. Kond (bekend), bn. â doen, â maken, bekend maken. Kondeh (Ind. haarwrong), v. âs. Ook: Kondei. Kondseliap (bericht, naricht), v. âpen. â krijgen; â inwinnen-, op â uilgaan, d. i. op verkenning uitgaan. Kondsetiappen (melden, berichten), ik heb gekondschapt; â seliapper. m. Konfijt (hi suiker ingelegd ooft), o. gmv. Konfijten (in suiker inleggen), ik heb gekonfijt. Konfilje (citroenkruid), v. gmv. Kongeraal (zeepaling), in. âalen. Koiiffsi (inijnvereeniging der Chineezen), v. â's. Konijn, o. âen; âenpastei. v. âen; âen- veld. o. âen. Kilning, m. âen. De â van het schuttersgild: hij laat zijn haan â kraaien, de overwinning verkondigen; zijn haan moet altijd â kraaien, hij moet in alles zijn zin hebben; de â van een schaakspel, voornaamste stuk. Koningin, v. â nen. Konin$;innenkroon. v. âkronen; â mantel. m. âmantels. KoninsfMtijK'er (Ind. grootquot; gestreepte tijger op Jura en Soematra), m. âtijgers. Koninklijk (van of als een koning), bn. cn |
bw. Het - paleis; het - tvapquot;n; een - besluit; de âe mantel; de âe schept er; een â (geschenk; de âe posterijen; de âe murine. Fig. Een âebergstroom (C. O.), d. i. prachtig; iem. â onthalen. Koninkrijk, o. ârijken. Het â der hemelen. Konkel (slag, stool), m. â s. Konkel (lui vrouwspersoon), v. âs. Konkel (spinrokken, staf waarom men het te spinnen vlas windt), m. â s. vero. Zie Spilleleen. Konkelen (slordig werken),ikheb gekonkeld. Zij heeft vermaak nagejaagd en gekonkeld. (Koetsveld), bedrieglijk handelen; -aar (knoeier, bedrieger), m.; â arij. v. Konserf (een stroopje, likkepot), o. â von. Konstabel (kanonnier aanboord), m. âsta-bels. Zie Constabel. Konterfeiten (naschilderen), ik heb gecon-terfeit; â feitsel (portret), o. Konvooi (begeleiding, bedekking, bescherming), o. âen. Konspwnielje (volksterm voor cochenille), v. gmv. Koog' (ingedijkt land, polder), m. kogen. Kooi. v. â en^ Een vogelâ ; scheepst. naar de â ; te â gaan, te bed gaan. Kooiker (eendenkooihouder), m. â s. Kook. v. Aan de â zijn, d. i. koken; van de â zijn, raken, niet meer koken. Fig. Hij raakte van de â, hij werd niet wel, raakte uit zijn humeur. Kookseliool (inrichting tot onderwijs in het bereiden van warme spijzen), v. âscholen. Kooksel (gekookte spijs), o. s. Kool (brandstof), v. kolen. Kool (bekend gewas), v. âen. Het sop is de â niet waard; het is allemaal â ; iem. een â stoven, bakken, beet hébben, een poets bakken; â verkoopen, flauwe praatjes maken; het is maar voor de â, voor de grap. Koolmees (groote, groene mees met zwarten kop), v. â meezen. Koolraap (knol), v. ârapen. Koolstof (scheik. element), v. gmv. Kooltje-vniir (een bloem), o. gmv. Koolwitje (dagvlinder), o. â s. Koolzaad (oliezaad), o. âzaden. Koolzuur (scheik. verbinding van koolstof ⢠en zuurstof), o. gmv. Koomenij (winkeltje), v. âen. Koomenijswinkel, m. âwinkels. Koomenseliap (handel), v. â doen. Koon (wang, kaak), v. âen. Koop. m. âen. Te â bieden; den â breken; te â dragen, alom bekend maken; quot;/gt; d**71 â toe; op den â werken, licht en dicht iets maken ; den â opzeggen, een contract breken. Koopen, ik kocht, heb gekocht; â â¬Â»r. m.; âster, v. Koopje, o. Iem. een *- geven, hem er in laten loopen. Koopman (handelsman), m. âlieden, âlui. Koor (zangkoor, priesterkoor, reigezang), o. koren. Koord (touw), v. en o. âen. Dansen op de slappe â. Koorde (lijn in den cirkel), v. â n. Koordedansen. âdanser, m. â s. Koordensebaal'(wiskunde), v. âschalen. Koorn (rogge\ v. Ook Koren. Koorts (ziekte), v. âen; -ijff (koortsheb-bend), bn. |
16*
242 KOG-KOLOSSAAL.
|
âblad (schenkblad), o. âbladen; boom. m. âboomen; âboon. v. âboonen; â brander (persoon, die de groene koffieboonen roostert), m. â s; â«lilt (overblijfsel, dras), o. gmv.; â Sfoetl (servies), o. gmv.; â lian-m. gmv. Di' âhandel van Londen en Amsterdam; âbuis (openbaar huis, cafr),o. â huizen; â Imisbomler. m. â s; âkamer (in schouwburijen de ververschiiKjskarner, foyer), v. â s; âKetel. m. -s; âlepel, m. â s; âplanter (Ind. bezitter van een koffieplantage), m. â s; -servies (koffieblad met toebehooren), o. â viezen; âtafel. v. âs. Ze zaten om iü nar nog aan de â tafel; âtrommel (blikken koffiebus), v. â s; âveiling (openbare verkoop ran koffie b.v. tr Amsterdam), v. âen; -water (dienende tot het zetten van koffie), o. gmv.; âzak (filtreer-zakje in den koffiepot), m. âzakken. Itog?. Ko^ï^e (Middeleeawsch platrond koopvaardijschip), v. âgen. Kog'f'l (ijzeren, looden bal), m. â s. Met âs schieten; den â krijgen, tot den â veroordeeld worden, zie Fnsileeren; iem. of zich een â door het hoofd jagen; met iem. eenâ wisselen, duelleeren met het pistool; den â sleepen, op de galeien zijn; spreekw. De â is door de kerk, de zaak heeft haar beslag. ⢠Kog'elaanzetter (ijzeren laadstok bij kanonnen), m. âs; â aan«lrijver( âaanreffer), m. â s; âbaan (denkbeeldige lijn door een geschoten kogel beschreven), v. âbanen; â diertjes (straaldiertjes, infusiediertjes), o. mv.; âdistel (samengesteldbloemige, met kogelvormige blauwe of witte bloem kolfjes), â o. â s. Kogelen (met kogels, steenen enz. schieten), ik heb gekogeld. Ko$£elfleseli (flesch voor kunstwater, met een kogeltje gesloten), v. â llesschen; âgieten,o. gmv.; â gieter, m. â s; â «-ieterij, v. âen; â mal (vorm als kogel ma at), v. âmallen; â mortier (kort, breed kanon), o. â en; â -park (stapelplaats van kogels), o. âen; â regen (lig. het vallen van kogels in grooten getale als waren het regendroppels), m. gmv.; â rond (holrond), bn.; âstapel (regelmatig opgestapelde hoop), m. â s; â tang: (geneesk. om kogels uit te halen), v. âen; âtrekker (werktuig om kogels uit den loop te halen), m. âtrekkers. Kogelviscb (klompvisch), m. â visschen. Ko^elvorm (vorm, waarin kogels gegoten worden, m. âvormen; âvormis1, bn.; â -wagen (mil. waarin kogels vervoerd worden), m. â s; âwerf (kogelpark), v. âwerven, lioliier (belastingregister), o. âen. lioliort (krijgsbende, troepenafdeeling). v. -en. Kok. m. â s. Veel âs bederve}! de brij, al te veel raad gedijt niet; het zijn niet alle âs, die lange messen dragen, uiterlijk vertoon bewijst iemands geschiktheid niet; honger is de beste â, honger doet alles lekker smaken. iiokan'Je (luilekkerland), v. Het land van â. Kokanjemast (bij volksspelen versierde en tnet prijzen behangen mast), m. âen. Kokarde (rozetje met de nationale kleuren), v. âs. Ook: C'okarde. Koken (spijs bereiden), ik heb gekookt. Fig. â van toorn. Koker (rolrond hol voorwerp), m. â s. Een â voor pennen, pijlen enz.; dit komt niet uit zijn â, d.i. uit zijn brein; veel pijlen in zijn |
â hebben, tal van middelen, veel bewijsgronden hebben. Kokerellen (met den tol spelen), ik heb ge-kokereld. Kokeren (in een koker doen), ik heb geko-kerd. Fig. foppen, misleiden. Kokermiiilon (meesmuilen, grim lachen), ik heb gekokermuild. Kokerworm (ringworm, zeebewoner met kieuwen), m. âen. Kokinje (stroopbal), v. â s. Gerekt als â. Kokkerd (dikkerd), m. âs. Wat een â van een neus! van een dagbroer! Ook: Kokker. Kokosboom (klapperboom, palmboom), m. âboomen. Kokosnoot, v. ânoten. Kokosolie (Ind. bereid uit de kokosnoot), v. gmv. Kokospalm (Tnd. algemeen voorkomende boom, 15â20 M. hoog), m. âpalmen. Ook: Klapperboom. Kol {hamerslag tegen den kop van een rund), m. â len. Kol (heks), v. âlen. Van de â, de Noordse he â bezeten zijn, behekst zijn; ârijden, op den bezemsteel rijden; -rijdster, tooverheks. Kol (witte plek, bles), v. âlen. Kol (bloem, klaproos), v. âlen. Kolbak (grenadiersmuts), m. âbakken. Kolder (lederen harnas ais dekking van rug en borst), m. â s. Zie Maliënkolder. Kolder (een pa ar denziekte), m. â s. Dat paard heeft den â in den kop. Kolderen (den kolder krijgen), het heeft gekolderd. Fig. allerlei dwaasheden doen. Kolt' (stok), v. kolven; âbaan, v. âbanen; â bal, m. âballen. Kolf (onderdeel van een geweer), v. kolven. Kolf (gesloten glas met wijden buik en gebogen hals), v. kolven. Distilleerkolf. Kolibrie (vogel der keerkringen), m. â s. Koliek (buikkramp), o. gmv. Kolfje, o. -s. Dat is een â naar zijn hand, dat past hem. lijkt hem. Kolk (poel of afgrond), v. âen. Kolken (omlioogdraaien), ik hfb gekolkt. Kollebloem (klaproos), v. âbloemen. Kollen, ik heb gekold. Een rnnd â, de hersens inslaan. Kolokwint (bittere appelvormige vrucht), m. âen. Ee7i âappel. Kolom (zuil, pilaar), v. âmen. De âmen van een dagblad; de âmen openstellen voor; de â van Volta, electriciteit. Kolonel (hoofdofficier, aan het hoofd van een regiment), m. â s. Kolonel-ingenieur, m. kolonels-ingenieurs. Koloniaal {soldaat voor den dienst in Indie), m. âalen. Kolonie (volkplanting), v. koloniën. Kolonisatie (het stichten van kolomen), v. â tiön. Koloniseeren (volkplantingen in een landstreek vestigen). Kolonist (volkplanter), m. âen. Chineesche â en vindt men ook op Borneo. Koloriet {klearentoon van schilderijen), o. gmv. Het gloeiend â van Rembrand. (Potg.) Kolos (reuzenbeeld; on tzaglijk groot gevaarte; man van buitengewone kracht of genie), m. â sen. Kolossaal (buitengewoon groot), bn. en bw. Een â gebouw; een âale brug; de âalc |
KOLRIJDSTER - KOORTS.
243
|
smaak onzer vaderen. (C.O.); â kunnen eten. Kolrijdster (toouerheks), v. -rijdsters. KolMom (tegen kiel, dwarse dikke kielbalk), m. â s. Kolven (in de kolfbaan spelen), ik heb gekolfd. Hij heeft gelukkifj qekolfd, het is iiem ineegeloopen in de wereld; âer. m. Kol venier (schatter), m. Ook: Klovenier. Kom (hak, schaal, kopje), v. -men. Konilmars (scheepsdeken), v. âbaarzen. Kombof (keuken of hok, waarin men kookt en wascht), v. âbofs, âboffen. Kombuis' (scheepskeuken), v. âbuizen. Komefliant (tooneelspeler), m. âen. Komedie (schouivhunj), v. â s. Zie Coinedio. Komeet (staartster), v. â.neten. Komen, ik kwam, ben gekomen. Om het leven â, het leven verliezen; iem. onder de oogen â, voor iem. verschijnen; te stade â, te pas â ; te hoven â, overwinnen; aan land, aan wal gaan. Komfoor (vuurpot), o. âforen. Komiek, (koddig, grappig), bn. en bw. Komijn (eenjarige plant), m. gmv. Komijnekaas. Komijnkaas. v. âkazen. Komkomnier (kalebasachtige plant),x. âs. Komma (leetteeken), v. en o. â's. Kommabaeil (kiem der groote cholera), m. â bacilen. Kommaliebelioefte (keukengerief), v. --behoeften. Kommandant, m. âen. Zie lt;'ominan-daiit. KommaiMint, v. âpunten. Kommer (zorg), m. gmv.; (luizend rek), v. gmv. Kommies (ambtenaar bij de belastingen, die waakt tegen smokkelarij), m. âmiezen. Kommiesbrood (soldatenbrood), o. âen. Kompanje (speelnoot, eegaa), v. -s. Kompas, o. âsen. Komplot (bent, samenspanning), o. âten. Kompres (natte doek), o. âsen. Ook:â¬0111-pres. Komst. v. gmv. Hij is op â. Kond (bekend), bn. â doen, â maken, bekend maken. Kondeh (Ind. haarwrong), v. âs. Ook: Kondei. Kondseliap (bericht, naricht), v. âpen. -krijgen; â inwinnen: op â uitgaan, d. i. op verkenning uitgaan. Kondsehappf^n (melden, berichten), ik heb gekondschapt; â seliapper. m. Konfijt (in suiker ingelegd ooft), 0. gmv. Konfijten (m suiker inleggen), ik heb gekonfijt. Koniilje (citroenkruid), v. gmv. Kongeraal (zeepaling), m. âalen. Kongsi (uiijnverecniging der Chineezen), v. â's. K4»nijn. o. âen; âenpastei, v. âen; â en- veki. o. âen. Koninvr? m. âen. De â van het schuttersgild; hij laat zijn haan â kraaien, de overwinning verkondigen; zijn haan moet ultijd â kraaien, hij moet in alles zijn zin hebben; de â van een schaakspel, voornaamste stuk. Koningin, v. â nen. Koninginnenkroon. v. âkronen; âmantel. m. âmantels. Koningstijger (Ind. grootquot;, gestreepte tijger op Jura en Soematra), m. âtijgers. Koninklijk (van of als een koning), bn. en |
bw. Het â paleis; het â wapon; een â besluit; de âe mantel; de âe schep ter; een â geschenk; de âe posterijen; de âe marine. Fig. Een âebergstroom (C. O.), d. i. prachtig; iem. â onthalen. Koninkrijk, o. ârijken. Het â der hemelen. Konkel (slag, stoot), m. â s. Konkel (lui vrouwspersoon), v. â s. Konkel (spinrokken, staf waarom men het te spinnen vlas windt), m. â s. vero. Zie Spilleleen. Konkelen (slordig werken), ik heb gekonkeld. Zij heeft vermaak nagejaagd en gekonkeld. (Koetsveld), bedrieglijk handelen; âaar (knoeier, bedrieger), m.; -arij. v. Konserf (een stroopje, likkepot), 0. âven. Konstabel (kanonnier acn boord), m. â sta-bels. Zie Const abel. Konterfeiten (naschilderen), ik heb gecon-terfeit; -feitsel (portret), o. Konvooi (begeleiding, bedekking, bescherming), o. âen. Konzenielje (volksterm voor cochenille), v. gmv. Koo^' (ingedijkt land, polder), m. kogen. Kooi. v. âen. Een vogelâ ; scheepst. naar de â; te â gaan, te bed gaan. Kooiker (eendenkooihouder), in. â s. Kook. v. Aan de â zijn, d. i. koken; van de â zijn, raken, niet meer koken. Fig. Hij raakte van de hij werd niet wel, raakte uit zijn humeur. Kooksehool {inrichting tot onderwijs in het bereiden van warme spijzen), v. âscholen. Kooksel (gekookte spijs), o. s. Kool (brandstof), v. kolen. Kool (bekend gewas), v. âen. Het sop is de â niet waard; het is aItemaal â ; iem. een â stoven, bakken, beet hébben, een poets hakken; â verkoopen, flauwe praatjes maken; het is maar voor de â, voor de grap. Koolmees (groote, groene mees met zwarten kop), v. â meezen. Koolraap (knol), v. ârapen. Koolstof (scheik. element), v. gmv. Kooltje-viinr (een bloem), o. gmv. Koolwitje (dagvlinder), o. â s. Koolzaad (oliezaad), o. âzaden. Koolzuur (scheik. verbinding van koolstof ⢠en zuurstof), o. gmv. Koomenij (winkeltje), v. âen. Koomenijswinkel, m. âwinkels. Koomenseliap (handel), v. - doen. Koon (wang, kaak), v. âen. Koop. m. âen. Te â bieden; den â breken; te â dragen, alom hekend maken; op denâ toe; op den â werken, licht en dicht iets maken; den â opzeggen, een contract breken. Koopf^n. ik koclit, heb gekocht; -er. m.; â ster. v. Koopje, o. Iem. een â geven, hem er in laten loopen. Koopman (handelsman), m. âlieden, -lui. Koor (zangkoor, priesterkoor, reigezang), o. koren. Koonl (touw), v. en 0. âen. Dansen op de slappe â. Koorde (lijn in den cirkel), v. â n. Koordedansen. â danser, m. â s. K o o r d e n s e li a a 1( w / .s' kun de), v. âschalen. Koorn (rogge), v. Ook Koren. Koorts (ziekte), v. âen; -ijs (koortsheb-bend), bn. |
16'
KOOT- KOimVlEKEN.
244
|
Koot (hielbeen, bikkel), v. âen. Kootcn {een spel met koot en spelen, bikkelen), ik kootte, heb gekoot. lioozfii (met zoete vertrouwelijklieidpraten; Uefkoozen, streelen), ik heb gekoosd; âer, ra.; â â¬Â»rij, v. Kop. ra. âpen. De â vmi een speld, de â ran een spijker; den spijker op den â slaan, d. i. juist aanwijzen waar de kwestie zit; hals over â, in overgroote haast; met üen â tegen den muur loopen, ongeloofelijke moeite doen; een schip, bemand met vijfthj âpen, d. i. raatrozen. Kopal {zekere hars), v. en o. grav. Kopek.' (een Russisch muntje), ra. â kopekken. Koper (metaal), o. grav. Koperen (met koper bekleeden), ik heb gekoperd. Een sch ip â. Koperen (van koper), l)n. Een â blikje, een â slot, een â ketting. Ko|»er^'ravnre (afdruk van een koperen (lestaken plaat), v. â s of â n. Kopie (nabootsing), v. âën. Dit schilderstuk -is een â van Rubbens. Kopieerlt;kn (naschrijen), ik heb gekopieerd; â niaehiiK'. v.; â wlt;'rk. v. Ook: Copieeren. Kopiist (afschrijver), ra. âen. Ko|gt;ij (handschrift voor de pers), v. âen. Deze â is keurig geschreven ; â reeht. o. Koplooxen (weekdier zonder kop), ra. rav. Koppel (bandelier), ra. â s. De sabel hangt aan den â. Koppel (paar), o. â s. Een â duiven, een â melkkoeien. Koppelen (verbinden), ik heb gekoppeld; â aar, ra.; â arij, v.; âbont. ra.; â injf, v. Koppelteeken (streepje, aanduidend dat twee of meer tvoorden een eenheid vormen), o. â teekens, b.v. in: Java-koffie, vergeet-mij-niet. Koppelwerkwoord {werktv., dat onderwerp en pnedieaat verbindt), o. âen. In: De hemel 'is blauw noemt men is een â. Koppensnellen (sneltochten om menschen-koppen te verzamelen), o. gmv. Het â is een laaghartige sluipmoord op Borneo. KoppeiiKiieller (moordenaar op Borneo onder de Dajaks), ra. â s. Kopper-, Koppertjâ¬gt;Nniaanlt;1a£:(cfólu;('igt;rf'' Maandag van het jaar, feestdag, vooral bij de boekdrukkers), ra. âen. Koppig? {eigenzinnig, hoofdig), bn.; â heitl, v. Koraal (koraalgezang), o. koralen. Koraal (zanger), ra. koralen. Koraal (poliepenstok, koraalstof), o. grav.; â rif, o. Koraal (kraaltje, balletje), v. koralen. Een snoer koralen, bloedkoralen. Koran (heilig boek der Mohamm.), ra. â s. Korbeel (bouwk. vooruitstekende steen, waarop een balk rust), ra. âbeelen. Kordaat (dapper), bn.; â lieitl, v. Jan â, krijgsman. Kor«Ielier derbroedet*, monnik der Franciscaner orde, aldus geheeten naar de koord of corde, die hij otn het lijf draagt), ra. -s,-en. Kordon (band, lijn, grensbezetting), o. â s. Koren, Koorn (graan), o. grav. Korenhloeni (wildgroeiende blauwe bloem der korenakkers), v. âbloemen. Korenseliiiiir (magazijn; fig. voeder, verzorger), v. âschuren. Java is door zijn rijstvelden de â van de Ind. eilanden. |
Korf (hengselmand), ra. korven. Korliaan (boschhaan), ra. âhanen. Korhoen (boschhoen), o. âders, âderen. Koriander (plant), ra. gmv. Korint, Korent, âen. v. Zie Krent. Korist (koorzanger in de opera, lid van een zangkoor), ra. âen. Koriste, v. â n. Kornak (olifants-oppasser), ra. âken. Ook: Cornae. Kornel. ra. â s. Zie Kolonel. Kornâ¬kt (vaandrig te paard), ra. âten. Kornet (een hoorn; ook: dienstmeisjes-muts*, v. âten. Kornis (kroonlijst), v. âsen. Kornoelje (steenvrucht, eenigszins lijkende op een kers), v. â s. Ook de plant zelve, b.v.: de gewone âboom. Kornuit (kameraad), ra. âen. Koroester (qroote oester), v. â s. Ook: Korre. Korporaal (militair van den laagsten rang), ra. â s, âalen; âsehap, o.; â«strepen, v. rav. Korps, (legerkorps), o. -en. Korre (sleepnet bij de oestervisscherij), v. âen. Korwl. v. â s, âen. Korrelen (aan korrels vallen, tot korrels maken), het heeft en is gekorreld; â iiift*. v. Korren (oesters vangen), ik heb gekord. Korren (kirren, koeren van duiven), hij heeft gekord. Het teeder â der tortelduiven. Zie: Kirren. Korset (keurslijf), o. âten. Korst(r/roof/ omkleedsel),v.âen; â aehti^', bn. Korstmos (bedekt bloeiend gewas), o. âsen. Het JJslandsch mos behoort tot de âsen. Korsten, het korstte, de wonde is gekorst. Kort, bn. en bw.; â heid, v. Te â komen, niet genoeg hebben; te â schieten, niet opgewassen zijn tegen; iem. te â doen, bena-deelen; iem. â houden, hem (geldelijk) niet veel vrijheid laten; - van stof zijn, weinig woorden verspillen; âe metten maken, weinig omslag ra aken. Korte$;aard (hoofdwacht; wachthuis; tijdelijke verblijfplaats voor ,s nachis aangehouden personen), v. âen. Fransch: corps de garde. Kortelas (korte en breede sabel), v. âsen. Fransch: coutelas. Kortelin$i' (dwarshout in steiger werk), ra. â en. Kortelings (onlangs), bw. Ik hen hem â nog gezien. Korten (korter maken), ik heb en ben gekort. Den tijd, den avond â; de nagels, het haar â; op de rekening â, d. i. attrekken; de dagen beginnen te â, krimpen; iem. de vleugels, de wieken â, iem. macht besnoeien; op het traktement â, d. i. inhouden;âingvv. Kort ij d (oester tijd, vang lijd), ra. grav. Kortjan (zeew. zakmes), quot;o. grav. Kortooren (een hond de ooren korten), ik heb gekortoord. Kortstaart (paard of hond), ra. en v. âen. Kortstaarten, ik kortstaartte, heb gekortstaart. Kortswijl (boert), v. Is het ernst of â ? Kortswijlen (schertsen, grappen maken), ik heb gekortswijld. Kortswijlis' (grappig), bn.; âheid, v. Kort voer (sterke drank), o. grav. Kortwieken (de wieken korten), ik heb gekortwiekt. Fig. In toom houden, jeteugelen. |
KORTZICHTIG â
KRAMPACHTIG.
|
Haast zult gij wreed gekortwiekt zijn (jongen). C. O. Kortzichtig* (bijziende), bn.; â lieid, v. Fig. (loni, zonder doorziekt. Korvet {snelzeilend oorlogschip met drie masten), v. âten. Korzel (toornig), bn. en bw.; â lioiil, v. Korzellilt;M»t'lt;l (driftig mensch), rn. en v. âen. Korzelig (lichtgeraakt), bn.; â v. Konmpiii (halskwab', onderkin), m. âs. Kost (spijs), m. âen. Hij verdient f 50 en Kost (uitgaaf), m. âen. [den â. Kostbaar (duur), bn. en bw.; â lieid, v. Kostelijk (heerlijk, voortreffelijk), bn. en bw.; â lieilt;l, v. Kosten (te staan komen op), bet heeft gekost. Koster (bewaarder i. e. kerk), m. â s; âes. v.; âij (woning, kamer), v. Kostganger, m. â s. Kostiinis, o. -huizen. Kostiiiini (kleedij), o. âtinnen, â tumes. Kot (hok, hut), o. âten. Kotelet (gebraden ribbetje), v. âten. Kotsen (overgeven, braken), ik heb gekotst, gmz. Kotta (Ind. â Radja, d. 1. koningsfort), v. â's. Ook : Kota (plaats, kom der gemeente), v. Kotter (vaartuig m. één most), m. âs. Koubeitel (beitel om ijzer te hakken), m. â s. KoikI, bn. en bw. Een âe winter, dag, luchtstreek; vruchten van den âen grond, d. i. niet uit den broeibak; dat raakt mijn -e k leer en niet, het is mij meer dan onverschillig; â lieid, v. Konde. Kon (het koud zijn), v. gmv. Kondvnnr (ontsteking in een wonde), o. gmv. Konklenin (kouwelijk kind), m. en v. -en, -s. Koiiniis (bedwelmende drank, door de Tartaren uit melk bereid), v. gmv. Kons, v. âen. Met de â op den kop thuis komen, met schade en schande ergens van afkomen; hij kreeg de â op den kop, zijn plan mislukte. Kont (gezellige praat), m. gmv. Konten (gezellig praten), ik heb gekout: â er (prater), m. Konter (ploegijzer), o. â s. Konw (kevie, kooi), v. âen. Kouwelijk, bn. Een â man. licht klagend over kou. Kozak (licht Russisch ruiter), m. âken. Kozijn (deur- of vensterraam), o. -en. Kozijn {neef, zusters kind), m. â s. Kraag;', m. kragen. De â van een jas, een mantel', een stuk (een ton jenever) in zijn â (hals) hebben; iem. bij den â vatten, iem. uit de deur zetten. Kraai (vaartuig voor de Oostzee), v. âen. Kraai {vogel), v. âen. De bonte â. Kraaien, de haan heeft gekraaid; bij uitbr. van kinderen: De kleine guit kraait het uit van pret; âer, m. Kraak (krak), m. gmv. Kraak (Spaansch of Portugeesch vaartuig), v. kraken; âporselein, o. Kraakbeen (blauwachtige, veerkrachtige zelfstandigheid), o. gmv.; -ijff, bn. Rij het kleine kind zijn vele beenderen,nog â ig; âige visschen zijn o.a. de haai en de rog. Kraal (koraal), v. kralen. Kraal (Ind. omheind erf om een Javaansche woning), v. kralen. |
Kraam (tent), v. kramen. De markt staat rol kramen. Kraam (bevalling), v. gmv. Kraan (kraanvogel, reigerachtige stel Hooper), m. kranen. Kraan (tap met een sleutel), v. kranen. De â van een pomp, de houten â van een biervat; â tje, o. Het âtje van een koffiekan; âtje-lek (tapperij), o. gmv. Kraan (hijschtoestel aan havens en spoorwegen), v. kranen. Er zijn vaste en beweegbare kranen; âgeld (geld voor 7 gebruik eener havenkraan), o. âen; âkind {arbeider, sjouwer aan de kraan), o. âeren. Kraamio^' (braaknoot, zaad van een hul. boom), o. â oogen. Kraanvogel (steltlooper, trekvogel), m. â vogels. Krab {tienpootig schaaldier, kort staar tige kreeft), v. âben. De zeeâ, (Atlant. Oceaan, Noord- en Oostzee): de landâ (Amerika). Ook Krabbe. Krabbekat (valsche Utl), v. âten. Krabbel, v. â s. Een brief met âs. Krabbelen (krabben, fig. slecht schrijven), ik heb gekrabbeld. De hond krabbelt aan de deur; hij krabbelde den hond zacht op den kop; jongen, ik kan dat â niet aanzien; â aar, m. Krabbelig(onteesamp;aar), bn.en bw. â schrift. Krabbelseliril't (slecht schrift), o. gmv. Krabbelvnisten (met vuisten vechten), ik heb gekrabbelvuist. Krabben (scherp met de nagels krauwen), ik heb gekrabd. De hond krabt aan de deur; poes heeft mij gekrabd; fig. hij zit nog al te â op die inktvlek; dat is geen schrijven, maar â; â ber, m.; â bing-, v.; â sel, o. Kraelit (sterkte, vermogen), v. âen. Kraelitdadig, bn.; âlieid, v. Kraelit ens (uit kracht van), vz. â de wet. Kraelit ig (sterk, deugdelijk), bn. en bw. Kraelitmeter (dynamometer), m. â s. Krat' (waterflcsch), v. â fen. Ook: Karaf'. Krag' (drijItil, rietzode), âgen. Krak (Iwt kraken), m. âken. Een â geven. Krak, tw. -, daar brak de tak. Krakeel (twist, kibbelarij), o. âen. Krakeelen (twisten, kibbelen), ik heb gekrakeeld; âer, m.: â ing, v. Krakeling (gebak, een 8-rormig koekje), m. âen.. Kraken (een scherp geluid doen hoor en), ik heb gekraakt. Dat is een harde noot om te â, een moeielijke, verdrietige zaak; kwade noten â , niet veel goeds zeggen; ik heb kwade noten van hem hooren â. Krakken (een krak krijgen), liet is gekrakt. Zijn gezondheid is gekrakt Kram (haak), v. âmen; ânietje, o. âs. Krambamboli (kersenbrandewijn met suiker verzoet), v. gmv. Kramer (venter, marskramer), m. âs, kraamsters. Kramerij (kramerswaren), v. âen. Kramerslatijn, Kramerlatijn (keukcn- latijn, potjeslatijn), o. gmv. Krammen (met een kramdraad verbinden), ik heb gekramd; âer, m.; â ing, v. Kramp (spierpijn), v. âen. Krampaelitig (zenuwachtig), bn. en bw. De âe aanraking van wanhopige vingers. |
KRANDJANG âKRIELHAAX.
240
|
KraiKl.jan;; (Tnd. korf van hamboe tot sui- A crvevvoer), v. â s. Kraii^r (verkeerd, het binnenste buiten), bn. en bw. De. âe kant van een stof. gew. Kranig {flink), bn.; een â â lieid, v. Krank (ziek, zwak), bn. Dit is een âe troost! (Potg.); v.; âte, v. Kranke (zieke), m. en v. â n. Krankzinnig: (gek, niet wijs), bn.; â lieitl, v. Krans, m. âen. Een â van rozen, een â van bloemen', een pekâ, een vriendenâ, d. i. vriendenkring. KranMcn (versieren met een krans), ik lieb gekranst. Krant. C-oiirant (nieuwsblad), v. âen. Krap (meekrap), v. gmv. Krap (slot, knip van ren boek), v. âpen. Krap (earkensrib), v. âpen. Krap (bekrompen, emj, schraal), bw. KrapJoK, bw. Zij hebben het maar â, d. i. niet breed, schraal. Zij doen â aan. 'Kras (schrap m. e. scherp voorwerp), \. â sen. Kras (kloek), bn. Een -se grijsaard', dat is d. i. sterk, ongewoon. Kras, bw. Hij zweert het bij kris en â, d. i. bij al, wat heilig is. KraKMon (schrappen, lichte insnijdingen maken), ik heb gekrast. Met een puntig voorwerp ergens op d. i. krassen maken op; de pen 'krast, d. i. spat den inkt; o/t de viool â , slecht spelen. Fig. Hoven, kraaien en uilen â, een rauw snijdend keelgeluid maken. Krat (loshangend l adder uon mg acit ter schot, van een wagen), o. âten. Krater (opening, mond van een vuurspu-wenden berg)* m. â s. Krat es (misvormde), m. âsen. Ik hond u voor een mismaakt schepsel, voor een kleinen â niet hooger dan mijn kt de. (C. O.) Kraton (Ind. ommuurdvorsteneerblijf,soms een uur in omtrek), m. â s. Krauw (schrap, krab), v. âen. K ran wel (kromme gaffel, klauw met kromme nagel), m. â s. Krauwen (zacht hrabben), ik heb gekrauwd; â er, m. Kreatmir (gansteling), v. âturen. Krel», v. Zie Kril». Krediet (eertrouwen, enz.), o. âen. Goederen op â, goederen, die niet dadelijk betaald worden, fein. â of geen â geven, uitstel van betaling. Ook: t'reiliet. Kreeft (tienpoothj schaaldier met gestaart achterlijf), m. âen. Hr zijn zee- en rivier-kreeften. Kreeftengang (gang van den kreeft), m. gmv. Fig. Den â gaan, d. i. achteruitgaan (in zaken). Kreeftskeerkring (ten N. v.d. evenachts-lijn), m. gmv. Kreek (inham), v. kreken. Kreel (smal boordsel), v. âen. Ook Kriel. Kreet (schreeuw, gil), m. kreten. Een - uit-stooten. Kregel (kwaad, gramstorig), bn. en bw.; â Iieifl. v. Kre^eli^* (kregel), bn.; â lieid, v. K rlt;kits (kring, omtrek, af deeling), m. âen. Krek (precies, jnist), bw. Fransch: correct, d. i. nauwkeurig, gmz. Krekel (rechtvleagelig insect, familie der springers), m. â s. De zwarte veld-, de schoorsteen â , de grijze â. |
Kremlin (keizerlijk slot te Moskou), o. gmv. Ook: Kreml. Kreng; (dood dier, aas), o. âen. Krenken (beschadigen), ik heb gekrenkt. De gezondheid â, iem. eigenliefde â, de vriendschap -, d.i. benadeelen, pijnlijk aanraken; iem. eer en goeden naam â, d.i. inbreuk maken op; iem. hersenen zijn gekTenkt, hij is krankzinnig. Krenselen (het zuiveren van het zaad met de wan), ik heb gekrenseld. Krent (krint), v. âen. Krentenbrood, o. -en; âkakker (inhalig mensch), m. â s; âkoek, m. âen. Krep (rouwfloers), o. gmv. Ook Krip. Krepel (kreupel), bn. en bw. - wil voordansen. (Cats.) Krenk (valsche vouw, kronkel), v. âen. Kreukel (alikruik), v. â s. Kreukelen (frommelen), ik heb en het is gekreukeld. Kreuken (â hebben of bekomen), ik heb gekreukt; âer, m.; âins:, v. Kreunen (zacht en dof kermen), ik heb gekreund. Kreupel( krepeU mank), bn.en bw.; â lieid,v. Kreupele (manke), m. en v. â n. Kreutzer (Oostenr. munt van ± een cent), m. kreutzers. Krevel (gekriewel), v. gmv. Krevelen (kriewelen), ik heb gekreveld; â in^', v. Kril», Kribbe (voederbak, ledekant), v. â -ben. De â van het paard; het kindje sliep in reu â; de sohlaten slapen in âben. Krib, Kribbe (gevlochten rijswerk of rijs-dam in een rivier), v. kribben. Krib (kijfachtige vrouw), v. -ben. Kribbebijter (fig. tióistziekpersoon), m. âs. Kribbelen (slordig en klein schrijven), ik heb gekribbeld; â injf, v. Kribben (krakeelen), ik heb gekribd; â erij, v. Kribbig (twistziek), bn.; -beid, v. Kriebelen (zacht krabben, kittelen, jeuken), hot heeft gekriebeld. Kr kriebelt mij iets in den nek. Wat â die meikevers in mijn hoed! Kriebelen (slechtschrijven)^k\\G\ gekriebeld. Kriebelig, bn. en bw. â schrift, â schrijven, onleesbaar. Kriebelselirift (zeer kleine letter), o. gmv. Kriek (krekel), v. -en. Het kriekende kriekske. (Cremer). Kriek (kleine, zwarte kers), v. âen. Kriek (wilde kriek of vogelkers), (als boom), m., (als vrucht), v. -en; â ebooni, m. â en; â elaar, m. â s- âentaart, m. âon; â e-steen, m. âen; âje, o. â s. Krii^ki'ii (piepen va)t een kriek of krekel), hij heeft gekriekt. Krieken (aanbreken), o. Het â van den dag. Ei, zie den morgen â! Kriel (kort en dik mensch), m. en v. -en. Kriel (vischmand), v. âen. Kriel (uitschot), o. Dat zijn âen van aardappels, d. i. zeer kleine. Kriel (dartel), bn. en bw.; -beid, v. Krielen (krioelen), het heeft gekrield. Het krielt er van mieren; oud en jong krielde er door elkaar; het opstel krielt van taalfouten. Krielliaan (kleine soort van haan), m. â -hanen. Fig. dwerg: En krielliaan Twee werd in den zak geschoven. (Staring); â lien, v. â hennen. |
KRIEMELEN - KROMHALS.
247
|
liri^iiK'len {wriemelen, krioelen), ikhebge-kriemeld; âaar. m. liri^iiK'li^' (bemeldchtiu), bn. en bw. ]iric'iiYVlt;'l (Jeukte), v. gmv. Ook: Krov*'!. (jeuken), het heeft gekrieuweld; â iiiK'. v. Zie Krioiiwon. lt;kii {kibbelen^ elkaar boos maken), zij hebben gekrieuwd; die kinderen moeten al-tijd â ; â«'r, m. (brokje), v. âs. Gij krijgt er (jeen â van. (oorlof/, strijd), m. -en. lirijK'oii (ontrarujen), ik kreeg, heb gekregen. PJen brief, een (jeschenk â ; den zak, den korf â , afgewezen worden (door een meisje); hij kreeg het in het hoofde werd krankzinnig. Krij^-4'ii (oorlogen), ik hel» gekrijgd; âer (krijgsman), m.; â bn. lirif^'ortje (â spele}!), o. gmv. lirij^xart ikrloii (nIgemeene voorschriften voor den soldaat), o. mv. J)e â werden voorgelezen, de plichten werden ernstig voorgehouden. Krijgsbanier (vaandel), v. âbanieren; â -Vrlt;'Vaiig:eiie (soldaat, die in handen des vijands is gevallen), m. âgevangenen; â jfoti (fab. Mars), m.; â j;quot;«lt;liquot; (fab. Bellona), v. â godinnen. li riJ$;'Miaiis (ivapendans bij Negers en andere wilden), m. âdansen. lirii^-MliaftiK' {gaarne oorlog voerende), bn. Ook: Krij£;gt;»lgt;af(. b.v. De âe Galliërs; de â e Germanen. Krij^kintaie (luetensehap van aanval en verdediging in oorlogstijd), v. gmv. lirij^-sraa«l (rechtbank nit militairen samengesteld), m. âraden. Hij moet voor den â verschijnen. lirij^'Kvolk (legervolk, soldaten), o. gmv. liriJ^'Kuerktiii^ii (allerlei wapenen voor aanval en verdediging), o. mv. De knots is het oudste dei' â. li rijkswet (het geschreven recht der militairen), v. âwetten. liriJ^'KU'^xeii (al wat met leger of Oorlog in betrekking staat), o. gmv. lirijKoii (schreeuw* gil), m. âen. lirijKeiion (gillen), ik kreescii, krijschte, heb gekresclien, gekrijscht. Kleine kinderen en meisjes kunnen een schel en scherpsnijdend geluid doen hooren; zeemeeuwen, nachtraven, gieren enz. â ; â inj;*. v. li rijt (stof), o. Er is rood. en zwart â; bij iem. in het â staan, schuld hebben; met dubbel â schrijven, oneerlijk boekhouden (tappers, winkeliers, enz.). li rijt (strijdperk), o. In het â treden; uit het â jagen. lirijton (klagend schreien), ik kreet, heb gekreten; âer, m. Nu, jongen, krijt maar niet. (Tollens); bij uitbr. schreeuwen: Het akelig â der gekwetsten. li rijzelen. lirijzâ¬kltaiilt;ieii (/marsen, knarsetanden), ik hel» gekrijzeld, gekrijzeltand. lirikliemik (hijschwerktuig), v. âmikken, lirikkrmik (beuzelarij, kleinigheid), v. â mikken. Jk kan voor elke â geen knecht zenden. lirikkrakken (kraken), het heeft gekrik-krakt. De mast krik krakt laid in den storm. Iiriiii|» (gebrek), v. Daar is geen â ; die lui kennen geen â; zij geven nog geen â, zij geven niet toe. |
lirinip {levend, ver se h, van visch), bn. liriiii|Hkii, ik kromp, heb en ben gekrompen. Laken â of doen â ; de wind gaat â, wordt minder ruim; hij krimpt van kou, beeft, trilt; de maan gaat â, afnemen. Iirim|»i$s' (kouwelijk, kleumsch), bn. liriinpkalM'IJaiiw (geheel verse he. levende), v.; â sfliol, v.; â visrli. v.; âzalm, v. lirin^'. m. âen. De kinderen stonden ineen â; een â om zon of maan; een jaarâ; vriendenâ. Fig. In den â der zijnen; hij gaat buiten zijn â, d. i. bevoegdheid; tverkâ, dagelijksche bezigheden. li ringelen (krinkelen), ik heb gekringeld. lirin^'Ktoriii (draaiende stormwind), m. â stormen. Zie Cgeloon. lirinkc'l (kronkelende bocht), m. âs. lirinkolon (kronkelen), ik heb gekrinkeld; â iiitt'? v. liriiison (zuiveren, spoelen, schoonmaken), ik heb gekrinst. Ook: Krensetm. lirioolrn {wemelen, krielen), het heeft gekrioeld. Oj) die markten krioelt het van volk; de mieren â in die kamer; â iBift*. v. lirip (floers), o. gmv. Ook Krep. Kris, bw. Bij â en kras zweren, d. i. bij al, wat heilig is. Kris (Indische ponjaard), v. -sen. liriKC'lina (Indische godheid), m. gmv. lirissrn (met een kris doorsteken), ik heb gekrist. Kristal, o. â len. Ken romer van â. Kristallijn, o. gmv. Het â der oogen, helderheid; het â der vlieten. liristallijiK'ii. bn. De â vliet, d. i. het glasheldere beekwater. Kristallisatie (kristalvormig), v. â tiën. liristallisrrron (tot kristal schieten), in^'. v. liritiok (hachelijk), bn. Een â oogenblik, d. i. netelig, moeièlijk, zorgelijk. li rits (kring), v. âen. Zie lireits. Krorlit (hol, onderaardscheruimte), v. âen. Dicht, een ellendig huis. lirodde (een soort v. onkruid omler haver), liroe^' (gemeene herberg), v. âen. Krolt;gt;|» (keelziekte), v. gmv. lirocpork (ind. gebraden reepjes van de onderhuid eens buffels), v. gmv. Krors (beker zonder voet), m. kroezen. Krors (dicht, gekruld), bn. en bw. Kroeskop (persoon), m. en v. âkoppen, liroezt'ii (kroes worden of maken), ik heb en ben gekroesd. Zijn haar begint te â. Krolt. v. âen. Zie Krorlit. Krok (onkruid, wilde wikke), v. gmv. Krokodil (tweeslachtig monster in den Nijl, op Java, enz.), m. âlen. lirokodilleiitraneii {gehuichelde tranen), m. mv. Krokus (lentebloem), m. âsen. Ook:Crocus. Krollen (brullen, grommen; lollen van katten), zij heeft gekrold. Krolsêli {van katten), bn.; -Iieid, v. Krom. bn. en bw. Ken â me spijker; een â me lijn; âme sprongen maken, losbandig leven, verkeerde dingen doen; zijït vingers zijn of staan â, hij is diefachtig; â liggen, zich geldelijk bekrimpen. Kritnibeen (persoon), m. en v. âbeenen. Kronibek (snijboon), m. âbekken. Kronilials (persoon), m. en v. âhalzen. Kromlials (glazen kolf), v. âhalzen. |
-KRUIMEL.
KROMHOUT
|
liroiiiliout (dmachtige hoorn), m. âhouten. liroiiili4»iit {een sink krom honl; knie), o. âhouten. lironili^^'ii (ijebrek lijden, zich moeten hekrim/H'ii), ik lag â, heb â gelegen. bn. De cirkel, de ellips is een âe figuur. liromloo|M'ii {niet rechtop of in rechte richting), ik liej» â, heb âgoloopen. Ken oud moedertje loopt â; een lijn, een meg, een rivier loopt â. liroimiK'ii {doen buigen), ik heb en ben gp-kromd; het recht inbreuk maken oj) het recht, onrechtvaardig handelen. lii'oimiK'S {gebogen mes van sqhoen- of za-tlelmaker), o. âmessen. lirlt;»iiiiilt;'iis {persoon), m. en v. âneuzen. liroiiiKliiilon, ik sloot â, iieb - gesloten. fr-n gevangene â, hem door de hand- en voetboeien door kettingen te verbinden dwingen krom te liggen. Kromstaf {bisschopsstaf), m. âstaven. Fig. de bisschoppelijke macht, het bisschoppelijk gebied. Onder den â wonen. liromtaal {gebroken taal), v. Fig. een gebrekkig spreker: Hij is'een â. liromtalon {gebroken een taal spreken), hij heeft gekromtaald. Fig. de taal radbraken, liroiiito {buiging, kromming), v. â n. lironiton^;* {persoon, die kromtaal spreekt), m. en v. âtongen. lirointrckkoii. de plank trok -, is âgetrokken. liromvoot {persoon met kromme voeten), m. en v. âvoeten. Iii'«gt;iilt;'ii (tooien, sieren met een kroon), ik heb gekroond. Hel einde zal het wet%k â ; kroning, inhuldiging van een vorst; een gekroond hoofd. lii'oniok {jaarboek, uitgebreide tijdtafel), v. âen. De â levert de bouwstof aan den geschiedschrijver; de â op rijm van Melis Stoke. lii'onkol {kromming), m. âs. Een â in een tomu, in den darm, enz., draai, plooi, lironkolon {kronkels maken), ik heb en ben gekronkeld; â ingv v. lironkoli^. bn. Een â pad, d. i. vol kronkels of bochten. Kroon. v. kronen. De kroon van Frankrijk, Duitschland, Engeland, enz.; goederen der â, d. i. van den souverein; de â op het hoofd zetten, kronen, tot vorst maken; de â neer-Icggen, afstand doen van de regeering; iem. di' â can het hoofd nemen, hein belasteren; dc â is hem van het hoofd gevallen, alle luister of eer is heen; de â spannen, de eerste, de voornaamste zijn; iem. naar de â - steken, met hein wedijveren; Java steekt in natuurschoon Zwitserland naar de â. (Veth); dit zet op al zijn euveldaden de â, meet de maat vol; Noorderâ, Zuiderâ sterrenbeelden; een â, muntstukje in Oostenrijk, ± /quot;0,50; een lichtâ, groote hangende kandelaber; de â van een boom, de uitgebreide takken; de Eikenâ, de Oostenrjksche de Pruisische -, de Wurtemburgsche ridderorden. lirooiuloiiifiii {onroerend goed, behoorend aan den staat, waarvan de kroon de inkomsten trekt), o. âdomeinen. lirooiKliiif {Indische vogel), v. âduiven; âerwt {bijzondere soort van erwt), v. âen; |
â g-las {kal kg las), o. gmv.; â kruid {v Under-bloemig e plant), o. gmv.; âlijst {vooruitspringende bovenlijst aan den voorgevel), v. â lijsten; âprins {vermoedelijk troonopvolger), m. -prinsen; âprinses, v. âsen; â rati (kamrad met horizontale tanden), o. â raden, âraderen. liroonljeMkruid {wilde peterselie), o. gmv. li roonvo^'el {een soort v. reiger, kraanvogel), m. âvogels. De â leeft aan de kust van Guinea. Kroonwerk (mil. voorwerk van een bastion), o. âwerken. Kroos {water- of moeras linze, eendetigroen), o. gmv. li roosje {kleine pruim uit Damascus), o. âs. Kroost {kinderen), o. gmv. Het â van Adam, de menschen. li root {beetwortel), v. kroten. Krop {salade), v. âpen. Tien âpen voor een dubbeltje. Krop {ongebuild meel), o. gmv. Ook: Krop-uit-den-zak. Krop {zakvormige verwijding van den slokdarm), m. âpen. Hoenders, duiven, papegaaien, dagroofvogels hebben een â. liropaar (grassoort, zwenkgras), v. gmv. Kropgans {een soort pelikaan, grootste zwemvogel in Klein-Azie), v. âganzen. Kropgezwel {zwelling van de schildklier vóór het strottenhoofd), o. âgezwellen. Bij bergbewoners vindt men veelal âlen. Kroppen {den krep vullen), ik heb en ben gekropt. Hij zal het daar niet â, uithouden. Kropperd {duif), m. â s. liroppi;?, bn. Een âe peer, d. i. wrang. Fig. haatdragend. li rot {armoedig huisje, morsige hut), o. âten. Krnelu'ii {kreunen, klagen, sukkelen), ik heb gekrucht; â ercl. m. Kruid {plant, al wat geen heester of boom is), o. âen; âkenner, m. âs; -kunde, v. gmv. Kruiden, ik heb gekruid. De spijzen â] den wijn â ; fig. een verhaal â. Kruidenier {handelaar in specerijen), m. â s; âswaren, v. mv.; âswinkel, m. â s. Kruiderazijn m. gmv.; â kaas (kruidkaas), v. gmv.; âwijn {gekruide tuijn). m. âen. liruiderij (specerij), v. âen. Kruidig {specerijachtig), bn. Fig. Een â meisje, een keurig net meisje. Kruidje-roer-niij-niet( p/cm/yp^o. kruidjes-roer-mij-niet en kruidje-roer-mij-niets. Fig. Een netelig, kribberig meisje, mensch. Kruidnagel (Ind. gedroogde nog ongeopende bloesem ; specerij), in. â nagels; âboom (Ind. boom op de Molukken), m. â boomen. Kruilt;lnoot {muskaatnoot), v. ânoten. Kruien, ik krooi, kruide, heb gekrooien, gekruid; â er, in. De Amsterdamsche kruier; -ing, v. Kruien {door den stroom voortgestuwd worden en op elkaar schuiven van ijs), de rivier heeft al een dag gekruid. Kruik {aarden flesch, urn), v. âen. De â gaat zoo lang te water tot zij breekt, de nadeelige gevolgen blijven op den duur niet uit. Kruil, v. Om de â, voor de grap. Kruilin;? {kleine appel), m. âs, âen. Kruim, v. âen. Daar zit â in, pit, kern, geest. Kruimel {kleine kruim), v. -s, -en. |
KRUIMELEN - KUITENDEK K ER.
249
|
Kruimelen {het hruimelsgetvijze broken van ( brood), ik heb en liet is gekruimeld; âaar [(fig. gierigaard)) m.; âiuy. v.; âiiiffeii (brokjes van scUeepsbeschuit), v. mv. Kriiinieu (in kruim vallen), ik heb en het is gekruimd. Kruin (schedel, fig. top), v. âen. Kruip-cioor-«ieii-tuiii (aardveil), o. gmv. Zie HoudMiraf'. Kruipen, ik kroop, heb en ben gekropen. In zijn schulp â, bang worden, zich terugtrekken. Kruipemle «lieren (geiverrelde, tweeslachtige), o. mv. Salamanders, padden, kikvor-schen zijn â. Kruipwilg (zekere kleine luilg), m. â wilgen. Kruis, o. âen. Elk huis heeft zijn verdriet; elk moet zijn â dragen, leed, kommer; die drukfouten zijn een â. (C. O.); onder of boven de drie âen zijn. (Potg.), d. i. dertig jaar; â noch munt hebben, geen cent bezitten; orde van het IJzeren â, Oostenrijksche ridderorde; het Hoode â, vereeniging tot verpleging van gekwetsten; het Metalen â, Nederlandsch eereteeken uit den Tiendaag-schen veldtocht. Kruis (werktuig tot voltrekking der doodstraf), o. âen. Een â voor dien slaaf! Christus stierf aan het â. Kruisbeeld (crucifix), o. âbeelden. Kruisbek (zangvogel, kruissnavel), m. â -bekken. De â is rood van kleur; de â leeft in ons land in hooge pijnboomen. Kruisbes (aalbes), v. âbessen; âbesse-booni. m. âboomen; âbezie, v. âbeziën., Kruisbloeniiiren (familievan ^OOgeslachten en 1600 soorten), v. mv. Aan de kruiselings geplaatste bloembladen dankt deze familie haar naam. Kruisbroeders (kruisheeren, U.K. geestelijken), m. mv. In o}is land vindt men nog te Eden een klooster der â. Kruisdistel (familie der schermbloemen), v. â s. Ãe â is een overblijvende plant. Krniselin^', bw. De beenen â over elkaar geslagen, bij wijze v.e. kruis. Ook: Kruislings, Kruiselings. Kruisen (kruiswijze plaatsen, voorbijgaan, enz.), ik heb gekruist. De armen op de borst â ; de beenen â ; deze brieven hebben elkaar gekruist; De Rug ter moest in de Middelland-sche Zee â, up en neer varen, op de roovers loeren. Kruiser (oorlogsschip, ook kruisend schip), m. â s. Kruisigen (aan het kruis slaan), ik heb gekruisigd; â ins'. v. Kruising (paring der dieren van verschillende rasse n),\. â en. De â der paardenrassen. Kruising' (snijding), v. âen. De â van twee wegen; bij uitbr. â van rasdieren, vermenging. Kruisjassen (kaartspel), ik heb gekruisjast. Kruiskozijn (ouderwetsch raanikozijn), o. â kozijnen. De bovenste verdieping had âkozijnen in 't lood. (C. O.) Kruiskruid (familie der samengesteldbloe-migen), o. gmv. Kruisspin (groote spin met een wit kruis op den rug), v. âspinnen. Kruistoelit (krijgstocht in de Middeleeuwen tot verovering van het H. Land), o. â tochten; â vaarder (deelnemer aan een-der zeven kruistochten), m. â vaarders. |
Kruisverboud (B. K. matigheidsvereeni-ging), o. Kruisvinding' (R. K. feestdag op 3 Mei), Kruit (buskruit), o. gmv. [v. gmv. Kriiiuatf-en (kruikar), m. âwagens. Kruizeel (leeren helpzeel), o. â zeelen. Ook: Hangzeel. Kruizeniunt (welriekend kruid), v. gmv.] Kruk (knoeier, broddelaar), m. âken. Kruk (voorwerp), v. âken. Krukken (op een krukje loopen, fig. sukkelen), ik heb gekrukt. Zij krukte toen zij uit de drukte ivas. (Potg.) Krukkig (kwijnende, sukkelend), bn.; â -beid. v. Krul, v. â len. Een schaafâ, een haarâ. Krulkop. Krullekop (persoon), m. en v. â koppen. Krullebol (persoon met krulhaar), m.env. â bollen. Krullen (in de krul leggen of zijn), ik neb gekruld. Gekrulde haren, gekrulde zinnen. Kubiek (in den vorm van den teerling), bn. Kubiek (teer/mg),o. âen; â wortel(derdt-machtswortel), m. âwortels. Kubus (teerling), m. kuben. Kueh (droge hoest), v. âen. Kueiieu (kort en droog hoesten), ik heb gekucht; â er. m. â s. Kudde (menigte), v. â n. Een â schapen; de â van de christenkerk;âken. o. Kuic^r (wandeling), m. gmv. Op den â zijn. Kuieren (wandelen, drentelen), ik heb gekuierd. Kuif' (haarbos, vedertop), v. kuiven. Kuiken, o. âs. Zie Kieken. Kuikendief (roofvogel), m. âdieven. De blauwe â ; de grauwe â ; de bruine â. Ook: Kic^kendief ot' Wouw. Kuil (gat in de aarde), m. âen. Wie een â graaft voor een ander, valt er zelf in, wie een ander ongelukkig wil maken, wordt het zelf. Kuilen, ik heb gekuild. Aardappels â, in een kuil doen. Kuip (houten vat), v. âen. De âen van den looier; het spek in de â zouten. Fig. Hij weet niet, welk vleesch hij in de â heeft, met welke menschen hij te doen heeft; bad-. K iiipeu (knoeiend handelen), ik heb gekuipt. Fig. oneerlijke middelen aanwenden, in 't geheim samenspannen; met listige kunstgrepen ambten, invloed of voordeel trachten te winnen, bedriegen, misleiden. Kuiper (vaten- of tonnenmaker; fig. om-kooper, intrigant), m. â s. ü ui per ij (het kuipen, ook de werkplaats; fig. omkooperij, intrige, arglistige bedriegerij), v. âen. Kuis (knots, kolf), v. kuizen. Kuiseli (rein, zuiver), bn. en bw. âe zeden; â e taal; â leven. Kuiselibooiu (Z. Europ. boom of heester), m. âboomen. Kuiselien (reinigen), ik heb gekuischt. De hoenders â pluim en kuif. (Immerzeel.) Kuisehlieid (deugd der eerbaarheid), v. gmv. Kuiselikalf {jonge stier), o. âkalven, â -kalveren. Kuit (beendeel, lichaamsdeel), v. â schieten. Kuit (zaad van een visch), v. âen. Kuitendekker (langejas), in. âs. Dekran-kenbezoeker droeg een zwarten â. (Potg.) |
KUITER - KWALSTEREN.
230
|
Kuiler (wijfjesvisch), v. â s. Kuit flik kor (kruissprong), m. gniv. Ken â slaan, een sprong maken. li ui kook (fopperij, (jrap), v. gmv. Het is maar wat â; wat â verkoopen. gmz. liiilla^o {de daad van foppen, fopperij), v. gmv. gmz. liiillokonskriiid (stand el kruid), o. gmv. liiillon {foppen, voor dm ijek honden), ik heb gekuld, gmz.; âIer, m. â s. KiiikIo {kennis, (jeleerdheia), v. gmv. liniKli^: {bedreven, ervaren tjeleerd, wetende), bn. Een â man; een â onderwijzer; hij is der zake â ; âlioid (kennis), v. âheden. Kiiiiik' (geslacht, sekse), v. gmv. linmicii (in staat zijn, vermogen), ik kan, wij kunnen, ik kon of konde, ik heb gekund. Hij kon niet meer spreken; ik heb niet â komen; ik kan er niet bij (komen); zij â niet buiten sterken drank (leven); het kan niet door den beugel; tegen iets â, iets â verdragen, uitstaan; ergens niet uit â, het 'niet begrijpen; uit die lap kan nog net een jas; ook hulpwerkwoord van wijze: 11 ij kan wel verongelukt zijn; hij kon wel eens verdwaald zijn, het is mogelijk, dat . . . liiinsf (het kunnen, ooi,' in aesthetischen zin), v. âen. De kookâ, de lees â. de schrijfâ ; de srhoone âen, nl. bouwâ, schilderâ, muziek en poëzie; de vrije â, zie bij Vrij; de beeldende â en, schilder- beeldhouw-, toekenâ; een werktuiglijke â, b.v. het ivoordraaien: de zwarte â, geestenbezwering; dut zijn maar âen, fratsen; een hond kan âjes leeren, toeren: een âje met de kaart. liiiiiKt-acadoinio (hoogeschool voor beeldende kunst), v. âs, âmiën. li ii ii Kt ar in (kunstmutige arm), m. âarmen; â Im'oii. o. â beenen; â bloom (nagemaakte bloem), v. âen; âboter {uit vet bereid), v. gmv.; âdraaier {werkman, die b.v. ivoor draait), m. âs. li ii list drift (natuurlijke aa ndri ft voor kunst, intuïtie), v. gmv. limisteiiaar der kunst), m. ânaars, â naren. liiiiistemiBaker (kermisgast), m. -makers. liiiiiKtsfeseliiedeiiis (wetenschappelijk tafereel van de ontwikkeling der beeldende kunst), v. âgeschiedenissen. limisti^ (handig, bedreven), bn. âlieid. v.; -lijk. bw. liiinst keurig' (zeer net en fijn, kunslig), bn.; â lieid. v. li mist liovond. bn.; â lieid, v. li ii list in at i^* (volgens de kunst), bn. De âc opschik onzer begraafplaatsen. (C. O.); bw. â gezuiverde (die; jonge leeuwen worden â met de zuigflesch grootgebracht. liiiiiKt vaardig- (bekwaam, vaardig uit aanleg), bn.; â lieid, v. liiiiist vorm (uiterlijke vorm van een kunstvoortbrengsel), m. âvormen. De â uit zich in klanken (dichtkunst, muziek), of in lijn en kleur (schilderkunst, beeldhouwkunst). li ii list werk, o. âwerken; â woord (technische term, een in kunst ul ge ui een aangenomen woord), o. âwoorden; ook Kunstterm ; â woordenboek o. âboeken; âzaal {ynu-seum), v. âzalen; âKin (smaak en gevoel voor het schoone in de kunst), m. gmv. liiiras (borstharnas), o. âsen. linraKsier (cavalerist van vóór 1841), m. â s. |
linrk (stof), o.; (stop), v. âen. linrkeik (eik wiens bast een kurk laag is), m. âen. De â groeit vooral in Spuitje en Portugal. linrknnia (geelwortel), v. gmv. li hm (zoen), m. â sen; â liandje. o. âhandjes. linssen (een kus geren), ik heb gekust; â ser, m. Kussen (hoofdkussen), o. â s; -sloop, v. â sloopen. Kust (oever), v. âen. Er zijn kapers op de â, men is niet veilig. Kust (verkiezing), v., alleen gebruikelijk in: te â en te keur. linstin;;' (hypotheekonderpand), v. âen; â -brief. m. âbrieven. liiiiin (boonenkruid), v. gmv. Ook: h'eune. liiiiir (geneeswijze), v. kuren. Kuur {grap, gril), v. kuren. Kwaalt;l (het niet-goede), o. kwaden. Men moet van twee kwaden het beste Liezen. Kwaad (slecht, verkeerd), bn. en bw. erger, ergst. Het is â weer; iem. een kwaden raad geven; een â gezelschap; ter kwader ure; ter kwader (rouw; de boeren hadden een â jaar; een â vermoeden hebben; de ziekte wordt al erger en erger; de ergste domoor is hij, die zich knap waant; bw. Met groote heer en is het â kersen eten; hij liegt nog erger dan een (iriek; uw broeder heeft mij het ergst beleedigd; â lieid. v. Kwaad (boos, toornig), kwader, kwaadst, bn. en bw. Ik ben â op u; hij wordt licht â ; uw vader was kwader dan de mijne; uw oom maakte zich het kwaadst vun allen; bw. Hij keek erg â. Kwaad sell iks {tnel geweld), bw. Goedschiks of â, tegen wil en dank. Kwaadspreken (kwaad vertellen), ik sprak â, heb â gesproken; âspreker, in. Itwititilw illig(wederstrevend), bn.; -lieid.v. Kwaal (ziekte, fig. ramp), v. kwalen. Kwab, liwsihhv (ve tb uil), v. kwabben. Kwabaal (zoetwatervisch, puitaal), m. âalen. Kwak {nachtraaf), m. âken. Kwaken (geluid der kikvorschan, eenden, enz.; lig. babbelen), zij hebben gekwaakt. Wij lachen met al uw â ! Kwaker (lid van het gezelschap der Vrienden), m. âs. Men vindt de âs in Engeland en Amerika. li wakkei (wachtel, kwartel), m. âs, âen. Kwakkelen (sukkelen), ik heb gekwakkeld. Zij â veel met hun kinderen. Kwakkelwinter (winter zonder kou of vorst), m. âwinters. Kwakken (ploffend werpen of vallen), ik heb gekwakt. Hij viel zoo hard, dat hij kwakte. Kwakzalven, ik heb gekwakzalfd; âer, m.; â eraelilijr. bn. en bw.; â erij, v. Kwal (weekdier), v. âlen. Ook; Kwalle. li walie (vervelende babbelaarster), v. -liën, -s. Kwaliën (temend praten, keuvelen), ik heb gekwalied. Kwalijk (niet goed, niet wel), bn. en bw.; Iets â nemen, over iets ontevreden zijn; â worden; misselijk worden; â vuren, ongelukkig zijn; âlieid, v. li walm (dikke dump, walm), m: gmv. Iiwalnien(/m/»m,'n),de lamp heeft gekwalmd. Kwalster (fluim, rochel), m. â s. Kwalsteren (het uitspuwen van speeksel. |
KWANSELEN-KWISPELSTAARTEN.
251
|
enz.), ik hel) gekwalsterd. Dut vieze â bij het rooken. gmz. Knaiiscleii {ronselen, knoeiend handelen). ik hel» gekwanseld; âaar {iem. die kwantselt), m.; â aclitisquot;, bn.; â arij. v. KuaiiKiiis, KwaiiKwijs (in schijn, geveinsd), bw. De kaars van liestje viel omver, â; zij deden het voor â. Ook: Kwansijs. Kwant (snaak, vroolijke Frans), m. âen. li\va|gt;««c*li (ongesteld), bn. Zie liwipscli. li \vari*lt;'l (ineengegroeide vracht), m. âs. Kwarrel (zooi, rommel), m. â s. iiuarrolitf' (ineengegroeid van vruchten), bn. li wart (vierde deel), o. âen. Kwartaal (vierendeel}aars), o. âtalen, li wart oei (O. I. specerij maat, ook 74 u^s~ hoofd), o. âen. vero. Kwartel (vogel), m. âs. Zoo doof als een â, d. i. stokdoof. Ook: Kwakkel. Kwartier (vierendeel, b.v. van een nar), o. kwartieren. Ook: onderdeel, stadswijk, woning. Kwartiermeester (0 If icier van ud minis tra-tie), m. âmeesters. Kwartijn (hoek in 4o.), m. âen. Kwartje (23 cents), o. â s; svintier (bedrie-ger), m. â s. Kwarts (een steensoort, kiezclzuur), 0. âen; â ac^liti^'. bn. Kwass. Kwast (Russische zuurachtige drank), v. gtnv. In ons land maakt men â van citroensap. Kwassieliont (bitterhout uit Gugana in Amerika), o. grnv. Kwast (vezelknoop, knoest in hout), m. â en. IJie plank zit vol âen; âit? (knoestig), bn. Kwast (borstel, gereedschap om te verven), m. âen. Kwast (franje tot een bundel verdicht), m. â en. De âen van een gordijn. I-Jen troonhemel met fraaie âen. Kwast (zot, gek, modepop), m. âen; -erijr, (verwaand ij del), bn. Een â ventje. Kwastelormii (zot, gek), m. â s. Kwasterig' (verwaand), bn.; â lieiil, v. Kwastijf (knoestig), bn.; â lieid, v. Kwee (vrucht), v. â ën. Kwee-kwee (Mal. gebak), v. Kweek (kruipende tarwe, puingras), v. gmv. Kweekeling-. m. en v. âen; voor het y. âe. Kweeken (den wasdom bevorderen), ik heb gekweekt; âer, tn.; âerij. v.; â in^quot;- v. Kweekplanteii, v. mv. Granen, moeskruiden, ooftboomen zijn â. Kweken. Kwekken. Zie Kwaken. Kakelen. Kwel. v. â len. Zie Wel (bron). li weekseliool (vakschool, opleidingsschool), v. âscholen. Een â voor onderwijzers', een â voor de zeevaart, enz.; een â voor Inland-sche onderwijzers, als te Bandoeng, Probo-linggo. Fort de Koek en Amboina. Iiw«'el«»n (lieflijk zingen'der vogels), ik heb gekweeld; âer. m. Kweeltje (vogelzang), o. â s. Kween (een onvruchtbare koe; een man jAjf), v. kwenen. Kweern (handmolen), v. âen. Kwel (kwelling, verdriet), v. gmv. Kwelbast (plaaggeest), in -en. Kweldam. Kwehlijk, Kwelkaile (dam buiten den rivierdijk gelegen). De âdam, m. dient om het water, dat door den dijk dringt tegen te houden. |
Kwelder (buitendijksch land), v. â s. Kweldergras (zeebeemdgras, zwerkgrus), o. gmv. Kwellt;liiivel. m. -s; âs^est, m. âen. Die âgeest (n\. Ja n Sul! e) moet mijn huis uit. (Potg\ Kwelen (treuren, kwijnen), ik heb gekweeld. Jonge kindren moeten spelen, of van pijn en ziekte â. vero. Kwellage (kwelling, verdriet), v. â s. Kwellen (plagen, lastig vallen), ik heb gekweld; â Ier, quot;m.; -ling, v.; -lerij, v. liwelxnelit. v. gmv. liweiKiel (wilde lijm, heidebloem), v. gmv. Kwengelen (gedurig storten), ik heb ge-kwengeld. Water, melk â, gew. Kweslie (geschil, ruzie), v. âs. Kwets (langwerpige blauwe pruim), v. âen. Kwetsen (eenvonden), ik heb gekwetst./f-m. in zijn eer â, in zijn goedm naam â; iem. eigenliefde â, beleedigen, krenken; kuisrhe 00 ren â. Iiwlt;gt;tsen«i (beleedigend), bn. en bw. liwetsnnr (wonde), v. â uren. Kwetteren (snappen, kakelen; een zunge-rigen toon voortbrengen), ik heb gekwetterd. Die vervelende snapper blijft maar aan het â; hoor die zwaluwen eens â; -aar, m. â -ing, v. Kwezel (vroom zusje), v. -s. liwexelen (beuzelen, vroom temen, fijmelen), ik heb gekwezeld; âaar. m.; -arij, v. liwibns (zot, fat, kwast), m. âsen. Kwidam (zonderling mensch), m. âs. Kwijl (speeksel, zeever), v. gmv. Kwijlen (zeeveren), ik heb gekwijld; âer. in.; â ing, v. Kwijn (getreur, verdriet), m. gmv. liuijiK'ii (langzaam wegteren), ik heb gekwijnd; â er. m.; âing. v. liwijt (zoek, verloren), bv. Mijn boek is â. Kwijtl»riel' (nuitantie), m. âbrieven. Kwijten (voldoen), ik kweet, heb gekweten. Kwijten (xieh). ik kweet mij, heb mij gekweten. Zich van zijn plicht â; âing. v. Kwijtraken (verliezen), ik ben âgeraakt. Kwijtselielden (onthelfen, vergeren), ik schold â, heb âgescholden; âing. v. Kwik {beweeglijk, vlug, levendig), bn. en bw. Kwik (beuzeling), v. âken. Dat is muur â. Kwik (kwikzilver), v. en o. gmv. Kwikprseparaat (gevaarlijk geneesmiddel), o. âaten. Kwikzalf is een â. Kwikstaart (vogel), m. -en. Zie liouw-meestertje. Kwikzilver, o. gmv. Kwinkeleeren (zingen, vroolijk zijn; met trilloid geluid zingen). De zangvogeltjes â. Kwinkerd (een scheel persoon), m. âs. Kwinkslag (geestig gezegde, aardige zet), m. â en. Kwint (strek, kuur, list), v. âen. Kwint (quint, vijfde toon), v. âen. Kwintappel, m. -s. Zie Kolokwint. Kwintig' (vol kuren en grillen), bn. Kwipseli (ziekelijk, pipsch, ongesteld), bn. en bw.; â lieid, v. Kwispedo4»r (spuwbakje), o. -doren. Kwispel (kwast, geesel), m. âs. Fig. losbol. Kwispellt;kn (bewegen, s/telen), ik heb gekwispeld. Wat kwispel je toch met die zweep! Jongen, sta stil, kwispel zoo niet; âaar. in. Kwispelstaarten (met den stuurt heen en weer slaan), de hond heeft gekwispelstaart. |
KWISTEN-LACUNE.
Kwiston (doorbrengen» verteren), ik heb ge- ! volop; ergens â mee omgaan, niet zuinig, kwist; â «»r, in. liwiKlpenniiiK' (doorbrenger), m. en v.âen.
Kwisf{verspiller), in. en v. âen. Kyrie «^lciMou {Heer, ontferm u! Heer, er-
252
Ku i.st^;4»4'lt;l {eerspiller), m. en v. gmv. ; Imrtn n!) o. R. K. Aanroeping aan het begin liuiNtitf*. bn. en bw. M-t âc. hand, ruim,] der Mis. Muziekstuk, gemaakt op deze woorden.
L.
|
li. v. I's. Do twaalfde letter van liet alphabet, als Homeinsch getalmerk 50; «mi met eon streep er boven 50,000. Ia. â Livre, pond. li. a. â fjye ar lis, nam* den regel der kunst, litil. â Latijn, Latijnsch. li. B. â Lector henevoius, welwillende lezer, li. IC. S. â Lectori bi'nevolo salatem, den goed-- gunstigen lezer heil. Ij. lt;?. â Loco citato, op de aangehaalde plaats, li. IK â Lans Deo, Gode zij lof. li. d'or. â Louis d'or. li. 1gt;. 8.1*. â Lans Deo sa las popnlo. God zijn lof en aan het volk heil. leen. â leening. lett. â letter. levensverz. â lerensverzekering. lievit. â Leviticus (3e boek van Mozes). li. « r. â Livre gros» pond vlaamsch ( - / 6,00). li. I. â Lingua latina, de Latijnsche taal. 1.1. â laatstleden. li.li. A.A. 1C.K. â Leurs Altesses Hoyales, Mnnne Koninklijke Hoogheden. li.li. ]I1.M. â Leurs Majestrs, Hunne Majesteiten. li. O. â Lager Onderwijs. lo^. â logarithmus, âme. li. 1*. 1gt;. â Laas plurima Deo! aan God zij de hoogste lof. 1. pr. â loco president, waarnemend of tijdelijk president. li.S. â (boven aan het blad of de bladzijde): Lectori salatem, heil (zij) den lezer! li. S. â (onder aan het blad of de bladzijde): Loco sigilli, in plaats van het zegel. I. m. â loco secretaris, waarnemend secretaris, li. Sf. â Livre sterling, pond sterling (= /'12.00). liiie. â Lucas. liiiit. â Luitenant. liiiit. Alt;Iiii. lt;iieii. â Luitenant-Admiraal-Generaal. liiitli. â Luthersch. liJi (muz., benaming van den zesden toon van de klankladder, de a), v. liii. Zie liSKie. liiia^-. bn. en bw. Een lage toon, een lage prijs, lager onderwijs, beginnend onderwijs; o]) iem. â neerzien, hem met kleinachting beschouwen. liaa»- {bedding), v. lagen. Een - steenkolen. liaai {vlam), v. vero. Het hnis stond in lichter âe of lichterlaaie, in volle vlam. {In lichterlaaie vlam is een pleon.). liaai {vlammend), bn. Een âe brand van vlammend purper. (Tollens). liaaklgt;aar (berispelijk), bn. en bw.; â lieid. v. liaan {wandeldreef), v. lanen. liaars {schoeisel), v. laarzen. |
liaarxen (laarzen aantrekken), ik heb gelaarsd. Hij stond daar gelaarsd en gespoord, d. i. kant en klaar. liaarzentrekker {houten werktuig om laarzen uit te trekken), m. â s. liaarzeseliaelit {deel der laars, dat de on-derbeenen dekt), v. âen. liaarzetrekker {lis aan de binnenzij der laars), m. â s. Ook Laarzestrop. liaas (helaas), tw. liaai (niet vroeg), bn. en bw., later, laatst of lest. Beter â dan nooit! Ik weet al, hoe â het is, hoe het met de zaak gesteld is; iem. de laatste eer bewijzen, hem ten grave geleiden; den laats ten adem uitblazen, sterven. Lest heugt best. liaatband {zwachtel bij het aderlaten),m.âex\. liaatduiikencl {verwaand), bn. en bw.; een - mensch; â lieid, v. Gabaar {groote linnen halsdoek), v. âbaren. Labbei {klappei), v. âen. liabbeien {snappen, babbelen), ik heb ge-labbeid. labbekak {persoon), m. en v. âken. gmz. liabblt;'kakkeii {snappen, kwaadspreken), ik heb gelabbekakt; âker, m.; âkerij, v. gmz. liabben {klappen, dom praten), ik heb gelabd; â ber, m. vero. l^abber {flauw), bn. Een â koelte. liabberdaan {zoute visch), v. Ook; Abber-daan. liabberen {zacht waaien), het heeft gebibberd; â koelte, v.; âkoeltje, o. l^abberlot {nachtbraker, zwierbol), m. âten. l^ablierlot (sloep v. e. oorlogsschip), â ten. labiaal {het mondstuk aan de nijpen der orgels), o. labialen. liaboratoriiini {werkplaats, inzonderheid eau natuur- en scheikundigen, apothekers), o. â s. liaboreeren {moeite hebben, sukkelen). Aan een ziekte, een kwaal â, d. i. lijden, liaborieiis {arbeidzaam, bedrijvig), bn. liabyrint {doolhof, dwaaltuin), o. -en. liaeet (rijgcetei'), o. âten liaeh, m. gmv. Een geheimzinnige en spottende â. (Koetsveld). liaelieeren {los- of' nalaten). liacliebek {persoon), m. en v. âbekken, liaelien, ik lachte (soms ook: loeg), heb gelachen. Met iets â, er niet om geven; in zijn vuistje â, heimelijk lachen; het is om te â, belachelijk. liaeoniek, liaconiseli {kort en bondig, kernspreukig, naar de wijze der oude Lace-demonïérs), bn. en bw. liaeoniKine {zinrijk gezegde), o. gmv. Fig. onversch i l lig he i d. liaeime {opening, gaping-, bijzondere schrift- |
LANDROT.
LADDER-
|
uitlating) t v. â s. Een â aanvallen, een leemte vullen. Eiadder {iverktuiff), v. âs. Een toonâ, mnz. liade, lia. v. laden; laatje, o. âs. I^alt;lfkii. laadde, geladen. Een schip, een kar â, bevrachten; een pistool, een yeiueer, een revolver, een kanon â, voorzien van kruid en kogel; fig. een rjroole verantwoordelijkheid op zich â, nemen; het op ion. ijeladen hebben, gemunt; meer â dan tnen dragen kan, meer doen dan men naar vermogen kan; â «»r. m. â s; â lus*- v. âen. IjadroiM'ii (straat- of zeeroovers in Italië), m. mv. liad.v {dame, voorname Enyelsehe vrouw), v. lady's. I^alquot; (zouteloos, lafhartig), bn. en bw. Ijafaard. m. â s; â l»ek, m. âken. liafonis (verkwikking, verlichting), v. âsen. liafliarti^- (bang, bloode), bn.; â v. Iriifferliaiid (linkerhand), v. Hij zit aan de â , d. i. links van den gastheer. l^a^orliuiK (huis der gemeenten in Engeland), o. gmv. Iia$flt;'ri%al (oever, waar de wind op staat), m. fig. Aan â zijn, raken, met zijn zaken te niet zijn of gaan. I^a^o (lt. meer), o. â quot;s. La^iiiK* (in Venetië: tusschenwater\ in de Adriatische Zee: strand meer., v. â n. I^ak {lastering, smet), m. gmv. lent, een â aantvrijven, valschelijk beschuldigen. Lak (zegellak), o. gmv. (soorten), o. âken. Een pijp â, rouwâ. I^ak, bn. 7 Is al â, 't is niets waard, fopperij. Lakei (lijfknecht), m. âen. |jaklt;kii (weefsel), o. â s. Een tafelâ, een beddeâ. Lakou (misprijzen), ik heb gelaakt; âor. m.; âins1 (afkeuring), v. LakfkiiMlt;*li. bn. Een âe jas, d. i. van laken. Lakonvoldoi* (een zwart rand met witten rag en buik), m. en v. â s. Lak ken (met lak sluiten ), ik heb den brief gelakt; âor, m.; â iiitt'. v. Ijakkon (met lak vernissen), ik heb gelakt. Een kachel â, ijzerwerk â, ledergoed â. Lakmoos (roodachtig blauwe kleurstof), o. Lakooi (violier, tuitte riool), v. âen. Lak** (traag, slap), bn. en bw. Hij is in alles zeer â ; â heid. v. Lam (jong schaap), o. âmeren; ânietje, o., â nietjes of âniertjes. Lam (verlamd), bn. en bw.; â lioid. v.; â -mi^lioid, v. Lama (Tibetaansch opperpriester), m. â s liama (Peruaansch schaap), v. â's. Lam bol (barensteel, verkorte dwarsstreep met langwerpig vierkante of zwaluwstaartvormige stukken aan de onderzijde', het dient om het tuapen te breken), o. â s. Lambilt;gt;k (Brusselsch bier), m. gmv. Lamlgt;ri®eeriiig(/»OMfóM wandbeschot), v. -en. Lamt^ntabol (jammerlijk), bn. en bw. Lamontatie (jammerklacht), v. âen. gmz. Lamonteeroii (weeklagen, jammeren), gmz. Lameiito.so (muz. o/gt; een /dagenden toon). Lamfer (rouwsluier), m. en o. â s. Lamineoron {metalen tot blik slaan', pletten). Lamlendig? (krachteloos), bn.; â in'id. v. Laiimieiinp: (beroerde kerel), m. -en; voor het v. ook: â e. gmz. Lammelot (luiaard), m. en v. âten. |
Iiamiiilt;krsier 'roofvogel), m. âgieren. LaminortjeKbaai (fijne baai van lamswol), v. gmv.; â pap (zachte bloempap), v. gmv.; â ooren (veldspinazie), o. mv. gew. liamm(krtsiioot (hazelnoot, rijpend op St. Lambert, d. i. 17 Sept), v. ânoten. Lamoen (inspan van koels of wagen), o. â en. Ook: Lomocn. Lam|» v. âen. Dat riekt naar de â, er is veel arbeid aan besteed; hij liep tegen de â, hij kwam verkeerd te pas. Iiam|gt;a«« (O. /. of Chineesche gebloemde zij), o. gmv. LamiM'dras'er (toestel, waaraan één lamp hangt), m. â s: â ss'las. o.; âglazen; âkap. v. âpen; â kleedje, o.âs: â kousje, o.âs. â ..ampf'iitahrii'k, v. âen; âkatoen, o. gmv.; â maker, m. âs; â vckrkooi»lt;kr, m. Lampcnittt (verzorger der lampen bij yt spoor), m. âen. Lam|»lt;gt;t (kom of kan voor iraschwater), o. â ten: âkan. v. â nen; âkom. v. âmen. Lampion { illamineerlanipje of -glaasje), v. oog), â s. liampreel (jong konijn), o. âen, Lamprei (dierk. zeevisch, i'e prik of negenoog), v. âen. Lamprei (jong konijn), o. âen. Lamsoor (zeeuwsche voorjaarsgroen te der schorren », v. gmv. üe â behoort tot ilc melden. Lamzalig (etlendig), bn.: â heid, v. gmz. Laneeti (laatijzer, hut te lijm), o. âton. Land (vaste bodem), o. -en. Er is tnef hem geen â te bezeilen, men kan met hem niet overweg; ik heb het â, ik verveel mij, ben uit mijn humeur: het â van belofte, Palestina, lig. eon gelukkig land, huis, verblijf; ietn. het â 01 jagen, hem ongerust maken. Landaard (volkskarakter), m. gmv. Ook: het volk zelf. Landaaier (vierwielig rijtuig met neerslaande Lappen), m. â s. Landboim (veldarbeid), m. Laiuien (aan bmd komen), ik ben geland; De brik liep de haren in orn haar talk te â; â in ar, v. LaiKieri^- (rerrelend,gemelijk),bn.; â lieid.v. llt;anlt;ierijen (akkers, weiden, enz.), v. mv. Landes (moerassige kuststreek der (iaronna), v. mv. Lanii^'oeii (bat ten plaats), (»â¢. âeren. Landlieer (landbezitter; heer die op 'I land woont), m. âen. Landlinis (baitenplaats, villa), o. âhuizen. Een â stond aan de Am. (Staring). Landklimaat (klimaat van het vnsteland), o. gmv. Het â heeft heete zomers en strenge winters. Landkrab (schimpnaam voor ren landsoldaat of niet-matroos), m. -krabben. Landlied (een lied om op Ivt la tul te zingen), o. âliederen. Landloopen (zwerven), o.: â iooper (bedelaar), m. âs; âlooperij, v. Laiiilman (boer, landbouwer), m. âlieden. Laniioiiw (streek lands, vruchtbaar veld of weiland), v. âen. Landmeter (ambtenaar v. h. kadaster, belast, met de meting der gebouwde en ongebouwde eigendommen), m. âmeters. Landrot (scheepst. iedere niet-matroos), m. â rotten. |
LANDSCHAP-LATEN.
|
liiiiKlsctiai» {streek, oord, sclü,/derstuk), o â pen. LaiKlKlK'cr {gebieder, vorst), m. â en; â lijk. â c rechten. Uw âheer eischt uw dienst, o. Ivo, (Staring). liaiKlslmis (hmdsyebouLv), o. â Imizen. {nationaal lied, volkshumne), o. â liederen. En heft zijn â aan, 7 Wilhelmus van Nassouwen. (Tollensquot;). l^aii«lKinaii {landuenoot,, m. âlieden, - lui. liaiiflton^ (aardr. suuilte strook lands, die in zee uitloopt), v. âen. Laiulwerr {ahjemeene volkstvapeninn; al wat dient tot verded'ujinfj r. h. land), v. âweren. Ijaiirin'ind {wind ran het land naar zee waaiend), v. âen. In de Java-zee waait de j â uit het zuiden. (Veth.) liaiKlxaat {inboorling), in. âzaten. Het bloed | ran â en van vreemden. (Tollens.) liaiiflzilt;klii$; (vervelend, onaangenaam), bn. i liaiKl/JoUlt' {heimwee), v. gmv. Ijang*. l)n. en l»w. Iets op de âe baitu se hui- \ . ven, nitstellen; V is een gedicht van âen \ adem, een groot gedicht; het is zoo â, als | het breed is, 't maakt geen verschil; een â gezicht zetten, verlegenheid of teleurstelling toonen; â van stof zijn, langdradig zijn; zij heeft een âc tong, zij is een kwaadspreekster; hij zal het niet â meer maken, hij zal spoedig sterven; bij âe niet, op verre na niet, in geenen deele. Ijaii£flM*(kii {persoon, spillebeen), m. en v. âbeenen. Kaii^-Igt;lt;'«'ii {mug), v. âbeenen. |jaii^:lt;lralt;li^' (fig. vervelend), bn. â heid. v. I.lt;an$;'4liii*i$;'9 bn. Een â onderhoud-, â v. liaii^'cii {oven'eiken), ik heb gelangd. Ijan^t {mutsenkant), v. gmv. Een âmuts, v. âen. Ijangrg'ai* (Ind. bedehuis, bidkapel), v. âs. Ijan^iialH ( persoon), m. en v. âhalzen. I^an^lials (flesch m. langen hals), â halzen, liaii^'oor {ezel), m. âen. l^aiiK'S vz. â een rivier wandelen, ter zijde van; de weg loopt â het bosch; ik ga â uw huis; â welken weg zijt ge gekomen? bw. de straat âgaan; onderâ, bovenâ. Ijan^laiifl {lekkerbek), m. en v. âen. Ijantt'ton^: {babbelaar, kwaadspreker), m. en v. âen. r.aii$;-wlt;'r|»i$;- {uitgerekt van vorm), bn. en bw. Een - man van een groote dertig jaar, de heer Dorbeen. (C. 0.); Java her ft een âen vorm; â lieid. v. lMntf\\ijliff{wijdloopig,vervelend); â ln»iâ¬l.v. Ijaii^'zaani {traag, talmend), bn. en bw.; â Iioid. v. Ijaii^xamcrliaiKl {zachtjes aan), bw. lianin;? (scheepst. planken brug, overloop), v. âen. liaiikgt;iio«Mli^- {toegevend, geduldig), bn. en bw.; â lifid, v. Ijaiis {lansknecht, lig. medestrijder, kameraad, vriend), m. âen. vero. Ijans [ wapen, spies, speer), v. âen. l^aiiKier {ruiter met de lans gewapend), m. -s. l^aiiskciK't {kaartspel), o. gmv. l^antaiH'ii, l^aiitaarn. v. â s, âen. Ijaiiterfant {leeglooper), m. âen. Ijaiit('riaiitlt;'ii {straatslijpen), ik hel» gelanterfant: -«»r. m.; v. liantcrlii. -lui {zeker kaartspel), o. gmv. Ija|gt; {stuk vel, zeil), m. âpen. |
Ijap (sport, baanronde, lengte der dikwijls te. doorloopen baan bij een wedstrijd, lees: lep), m. of v. â s. liapidairsHirift (in steen gehouwen letters), o. gmv. Lapilli {kleine steentjes door een vulkaan uitgeworpen), o. mv. liapis iiifcrnaliK {helsche steen), m. gmv. Ija|igt;j4k (scheepst. zeilwerk), o. gmv. We zeilden ongeveer drie weken voor 't â, met een voordewind. happen {verstellen), ik heb gelapt; -per, m.; â perij. â ping-, v. Lappen (sport, een baanronde, d. i. V4 Eng. mijl inhalen, lees: leppen), ik heb gelapt. I^appeiidekon {bedelaarsdeken), v. â s. IjapMiiK ealami {een toevallige schrijlfout), v.; â lin^-ua' {fout in 't spreken), v. Lapzalven (scheepst. het tuig insmerenmet teer), ik heb gelapzalfd. liapzalven (kwakzalven), ik heb gelapzalfd; â «'â *. m.; â orij. v. Lardeeren {met reepjes spek opvullen); â ing*. â sel« v. Laren {huisgoden der Romeinen), m. mv. Larf'. Larve {rups, made), v. âen. Larg-lietto {eenigszins langzaam, zacht vloeiend), muz. Lar^'o {zeer langzaam; breed, vol, rond, ernstig). muz. Larie {snap, ook zotte klap), v. gmv. Larie {vrouw of meisje van verdachte zeden), v. â s of â riën. gew. Lariën {babbelen, snappen), ik heb gelaried. Larietarie {gewauwel), o. gmv. gmz. Lariks {terpentijnbooiu), m. âen. De ceder en de berkenboom zijn âen. LarikKboom. m. âen. Larp. Lerp {zweepslag, klap, oorvijg), v. â en. w. g. Larve {rups, made), v. â n. Ook: Larf. Laseli (tusschenzetsel), v. lasschen. Laseiviteit {weelderigheid, geilheid, ontucht), v. l^askar {Eng. Ind. matroos), m. -karen. LaKKelien {bijeenvoegen), ik heb gelascht; kabels â, brieven â ; â injr. v. Last {vracht), m. âen. De â der jaren, der zorgen, d. i. de druk; iem. tot â zijn, hinder; iem. iets ten âe leggen, van iets beschuldigen; het einde zal den â dragen, het einde zal alles behalve voordeelig, gunstig zijn: â lijden, onaangenaamheden ondervi.iden; Holland was in â, in grooten nood: lusten en âen, inkomsten en uitgaven. LaMl {maat), 0. âen. Een â graan is 30 H.L. Lasta^e {losplaats), v. gmv. Lakten {bevel geven, ook lasten helpen dragen), ik heb gelast. Laster {eerroof, blaam), m. gmv. Lasteren, ik heb gelasterd; âaar, m.; â ing'. v. Lastig- {moeielijk), bn. en bw.; â lieid, v. Lat {smal en dun hout), v. âten. Laten (niet doen, nalaten; toelaten), ik liet, heb gelaten. Iets blauw blauw â, er niet van spreken, het laten zooals het is; ergens het leven bij â, inschieten; iem. met rust, met vrede doen blijven; iem. in de pekel â, in de verlegenheid; het doen en â der menschen, de handelingen, gedragingen. Laten {aderlaten), ik liet, heb gelaten. Dit woord laten raakt in onbruik. |
LATENT - LEEMEN.
255
|
Ijiitent (verborgen, ingesloten^ n(gekerkerd)Jnn. â iatcraal (tot de zijde behoorende\ bn. âale erfgenamen, âale verwanten, in de zijlinie. I^ateraan (pauselijk paleis te Home), o. gnw. liatilt;krl»ooiii (boom in den stal tusschen de paarden), m. âen. Latijn (de Latijnsche taal), o. gmv.; â sch. bn. Ijatiiiisiiic (Latijnsche spreekwijze, Latijnsch taaleigen), o. â n. I^atiiiist (kennei' van het Latijn), m. âen. IjatitiHlo (geograph ische breedte, poolshoogte), v. liatoon (geel koper, messing), o. gmv. Ijat.H (broekklep), v. -en. Ook: Latse. Ijatnu' (melksapplant), v. gmv. Ijaiilt;lalgt;«'l (lofl'elijk, prijzenswaardig), bn. JLaiidaiiimi (slaapwekkend, pijnstillend middel), o. gmv. |jaiilt;llt;'ei*eii (prijzen, loven). Ijanroaal (bekroond didder, schilder), m. âaten. I^anrior (boom), m. âen. Fig. lauwerkrans, l^anrieroii (met lauweren kronen, verheerlijken), ik heb gelaurierd. Ijanw (half warm), bn. Fig. koel, onverschillig', -iM'iil, -te. v. Laiiwon (lauw maken of worden), ik heb en het is gelauwd. Laiiwoi' (eerekrans), m. â s, âen. Ijatiworen (met lauweren sieren, tooien), ik heb en ben gelauwerd. Ken gelauwerd overwinnaar, dichter. Lava (uitbraaksel van een vulkaan), v. gmv. Lavabo (waschtafel), o. en v. â quot;s. Lava^ (het wasschen, af- of uitwasschen), v. Lavas (schennbloemige plant, eppe), v. âsen. Laveoron (zigzagsgewijze tegen den wind zeilen-, lig. geven en nemen, schipperen). Lavoi (verlof), v. Icm. â geven, d. i. vrijaf geven; iig. iets wijs maken. Lavoion (ledig loopen, straatslijpen), ik heb gelaveid. Lavoinonl (endeldannbispuiting), (». âen. liavon (verkwikken), ik heb gelaafd; lalo-nis. v. I^avoniii'l (lipbloemige specerijachtige heester), v. âs; âolie, (uit de bloem getrokken), v. gmv. La voor (waschkom, lampetkom), o. âen. Lawaai, o. Er was groot â; hij )naakt veel â, d. i. geraas, leven. Lawine (sneeuwstorting, sneeuwval), v. â n, â s. Lawntennis (zeker balspel in de open lucht op een. grasperk), o. gmv. Lax (wijd, los, slap, ongebonden), bn. Laxans. Lavaliet' (ontlastingsmiddel), o. Laxatie (ontlasting; middel ter ontlasting), v. Laxeeren (afdrijven, ontlasting hebben). Laxeeriniililel (purgeermiddel), o. âen. Lazaret (pest- of leprozenhuis), o. âten. Lazaroni (bedelaars in Napels), m. mv. Ook: Lazzanori. Laxarns (eigennaam', ook: een gt;netaatsche), m. âsen. Arm als â, straatarm. LaxariJ (melaatschheid of lazaruszee:), v. gmv. Gij (de Middeleeuwsche volken) gingt er (in 't H. Land) â en boekweit halen. (Staring.) Lazuren (van lazuur, alt lazuur), bn. Het â gewelf des hemels. |
Lazuur (prachtig blauwe fijn gepolijste steen), m. âzuren; (stof), a. gmv. Lit â bereidt men ultramarijn; âblauw, o.; â -kleur. v. gmv.; âsteen, m. âen; âvervis'. bn. Lazuur (lazuurkleur), o. Een mantel van â , een hemel van â. Lazzarone (bedelaar of een van het straat-gepeupel in Italië), m. en v. âroni. Lealt;iin;:'-artiele (hoofdartikel in een dagblad), o. â s. Leb, Lebbe (lebmaag der herkauwende dieren, stremsel), v. lebben. Lebaal (zekere aal of paling), v. âalen. Lebbig, bn. âe kaas, naar de leb smakende; â Iieid. v. Leetor (voorlezer; bij-leeraar in de levende talen, enz.), m. âen. Leetimr (het lezen, de lezing, belezenheid; stof ter lezing), v. gmv. Letlebrakon, Llt;gt;ebrakeii (de leden breken). IIij stort, hij valt, hij ledebraakt..... (Tollens, .1. v. Schaffelaar). Li'debrakig- (lig. zeer moeielijk), bn. Dat is â werk. Le«iel»reiik (breuk van eenig lid), v. âen. Ledekant. Ledikant, o. âen. Ledenian. Leeman (ledepop), m. ânen. â s. Beide (rok en jak) kleedinqstukken vielen iederen â om te werpen. (Potg.) Ledematon (armen en beenen), o. mv. Zie Lidmaat. Lelt;io|»4»|» (kunstmatige pop voor schilders), dokters, enz.), v. âpen. Leder, Leer (bereide dierenhuid), o. gmv. Ledewater. Leewater (gewrichtsvocht), o. gmv. Le^iis, Leeg- (niet gevuld, het tegengestelde van vol), bw. Als eerste lid der samenstelling met het w.w. aaneengeschreven, b.v. ledig dragen (lediggedragen), â gieten, â loopen, â maken, â pompen, â putten, â scheppen, â zitten, enz. Ook: leegdragen, leeg gieten, enz. Ledis. Leeg* (ongevuld), bn. en bw.; âc tijd, vrije tijd; een â huis. niet bewoond; een â uurtje, uurtje van ontspanning; met âeilanden vertrekken, gaan, zooals men gekomen is, zonder zijn doel bereikt te hebben; â -beid. v. Ledigen, leegren, ik heb geledigd. De glazen â, de flesschen â; â iiig1. v. Leed (verdriet, spijt), o. In lief en â, in voor- en tegenspoed; iem. zijn â klagen, zijn hart ontlasten; uw ongeluk doet mij â, d. i. spijt mij; ik wil u geen â doen, kwaad doen, beleedigen. Leed (hatelijk, spijtig), bn. Iets met leede oogen aanzien, iets ongaarne zien. Leedwezen (droefheid), o. gmv. Leeftoebt (levensmiddelen), m. gmv. Zij zien den â na, herzien hem keer op keer. (Tollens). Leefwijze, fieefwijs (levenswijs), v. â wijzen. Leeg. bn. Zie Ledig. Leegen (leeg maken). Zie Ledigen. Lceglooper (straatslijper), m. â s. Leegte (ledige ruimte), v. gmv. Leek (fig. oningewijde, ongeleerde), m. âen. Leekebroeder (werkbroeder), m. â s. Leelijk (weerzinwekkend), bn. en bw.; â -beid. v. Leelijkerd, m. â s. gmz. scheldwoord. Leem (aardsoort), o. gmv. Een hut van â. Leemen (met teem bestrijken), ik lieb geleemd; âer, m.; â erij, v. |
LEEMTEâLEGGEN.
256
|
Ijoemte (gebrek, gemis, uitlating), v. â n. Er is een â in die methode. llt;ceii, v. Ter le â vragen, geven. I^eeii {afhankelijk grondbezit v.d. leenman), o. âen. lieciien (tijdelijk ten gebruike afstaan), ik heb geleend. lem. een boek, een paraplu â. Fig. liet oorâ, luisteren; â or,in.; â iiift'. v. Jj(keiilicklt;kr {keizer, koning, eigemiar v. h. leen), m. âen; â o. I^H'iiniaii {nazal), m. ânen; âN(*liap, o. â iConroeri^r {afhankelijk als leen), bn. Een goed â maken; - v. IjoeiiKpiM'iik (overdrachtelijke nitdrakking), v. âen; â ijff. lm. liOCIIStelM'l, Ã. Ijecp {slaag), v. Van de â krijgen, gmz. (loos, doortrapt), bn. en bw.; â lioid, v.; âikheid, v. lilt;ko|gt; (druipoogig), bn. Met lepe (togen. Ijpcperri (looze schalk, slimmerd), m. âs. (persoon), m. en v. âen. I^ecpoo^i^ (traanoogig), bn.; â luki«l. v. (leering), v. gmv. Dit zij n tot een â. Ergens in de â zijn. /gt;* â van Mozes; de christelijke â. Iiâ¬Â»or (ladder), v. âen. Leer, o. Zie loeder. l«eeraar (onderwijzer bij het M. O.), in. â s of âaren. Etveraarssiniht, o. âambten. lierraren (onderwijzen, prediken), ik heb geleeraard. I^ec^rdielit (didactisch dichtstuk), o. âen. I^eereii (onderwijzen; in 't geheugen opnemen, dresseeren), ik heb geleerd. lem. iets â; zijn les â; een hondje springen â; zij zullen hem wel mores tot zijn plicht brengen. Ijeergierijg (gaarne leerende), bn.; â lieiil, v. Lwrliiiff, m. en v. âen; voor het v. ook âv. Ijeerinersfrr (onderwijzer), m. â s; âes, v. âsen. De ondervinding is een harde âes (Koetsveld); de geschiedenis is de âes der volken. Ijrerr«'«Ie (preek), v. âredenen, l^eerstclli^' (dogmatisch), lm. â onderwijs. IjeerMf oiling (grondbeginsel), v. â stellingen, lioorsloel (katheder, kansel, hoog leeraarsbetrekking), m. âen. Leertoiiwen (het bereiden van leer), o.; â -tomver, m. â s; â touworij, v. âen. I.lt;eerziielit (ijver), v. gmv. l^oeKf (schoenvorrn), v. âen. Schoenen op de â zetten, slaan; fig. Op dezelfde â geschoeid zijn, van gelijke inrichting zijn; op één â schoeien alle aardsche dingen (Camphuysen), zij komen overeen; lieden van één â, slag. stand, overtuiging; een dame. met een fijne â, gestalte; op een andere â schoeien, anders inrichten; spreekw. Schoenmaker, houd u of blijf bij nw â, bemoei u met eigen zaken, oordeel alleen over dingen die ge kent. I^eniw (roofdier), m. âen. Zij vochten als â en, d. i. verwoed; er uitzien als eenâ, d. i. woest, schrikaanjagend; In den gouden â, uithangbord van hotels; een klimmende â, een getongde â, de liebaart in de wapenkunde; de groote en de kleine â, sterrenbeelden; de orde van den Nederlandschen â ridderorde. lieemveubek (bloem), m. âbekken, lieeiiwendaaldor (oude Hollandse he munt van f 2,50), m. â s. |
Ijeemvencleel (het voornaamste, het grootste deel), o. gmv. fjoeiiwenhaar, o. â haren; â hart (fig./mi-tengewoon moedig hart), o. bv. Richard â, koning van Engeland; â liok. o. âhokken; â hol (verblijf ran een leeuw), o. âholen; â Iiuid. v. âen; lig. De âhuid aantrekken, den schijn van moed aannemen; âjonjsr (welp), o. â en; â klauw (klauw eens leeuws)-, m. âen. I^cmvonklaiiiv (roosbloemige plant), m. â en. De getobde â; de kleine â. Iilt;'('mvlt;'iikiiil (gemaakt hol voor leeuwen), m. âen. Daniël in den â. (Bijbel). Looiiweiiiiiaiion (lange nekharen), v. in v.; â muil (hek des leeuws), m. âen. I^eemveiuniiil (lipbloemige sierplant), m. â en. Ook: lieemvonbek. I.*eeii wout and (herfst- of hondsbloem), m. â en. Eioeuworik, Leouwrik (zangvogel), m. -en. Ijoomvoriksjaelit, v. gmv.; â kooi, v. âen; â nest, o. âen; ânot, o. âten; -staart, m. âen; âzan^', m. gmv. I^oeuwers, m. mv. Zie Ijeuvers. Ijlt;'oiiwin (wijfjesleeuw), v. ânen. Lo o water, o. Zie Lodowator. I^og- (het leggen der vogels, der hoenders), m. gmv. Locaal (wettig, rechtmatig, overeenkomstig de bestaande wetten), bn. en bw. I.lt;o$£aat (bij testament toegedacht gedeelte van een nalatenschap), o. legaten. liog-aat (pauselijk gezant), m. legaten. IjOg'alisatie (verklaring, dat iets geldig is), v. gmv. lio^alisocren (wettig maken, geldig in rechten maken, gerechtelijk bekrachtigen). Ijo^alitoit (wettigheid), v. gmv. legataris, IjOg-atariiiM (een bij testament begiftigde), m. âsen. I^ejsratèoron (bij erflating vermaken). Ijog'atio (pauselijk gezantschap; ook het gebouw), y. - tiën. I-josffooron, -ills', v- Ook: Ijogatooren. I^offooroii (twee metalen samensmelten). Ijo^-onclo (verdichte levensbeschrijving), v. â n, â s. Nederl. ân door Van Lei.nep. Loger (ligplaats, kamp), o. â s. âstede, rustplaats, bed; het â van een haas, een wolf, enz.; de zieke lag op zijn â, d. i. bed; het â opbreken, d. i. het kamp afbreken. I^og-or (heir, krijgsmacht), o. â s. liederen (ergens kampeeren), ik leb gelegerd; â ingr, v. I^og-es (legesgelden; bepaalde bijverdiensten der ambtenaren voor zekere werkzaamheden),v.my, Leg-g-on (doen liggen, in een liggende houding plaatsen, neder plaatsen), ik heb gelegd (geieid). De vogels â eieren; de wind zaL zich â, d. i. gaan liggen, bedaren; een strik â, spannen; iem. lagen â, valstrik spannen; de hand aan iets â, beginnen met iets; iem. iets in den weg â. tegenwerken, hinderen; iem. de hand op den mond â, doen zwijgen; tevredenheid aan den dag â, d. i. toonen, doen blijken; de schuld op iem. â, d. i. werpen; een stad in de asch â, d. i. verbranden; een pleister op de wonde â, heelen, zalven, iets goedmaken; den eerster steen â, het fondament, den grondslag â; het zal hem geen windeieren â, wel degelijk voordeel opleveren. |
LEGGER - LESOENG.
257
|
Ilt;e|BHper (steekbalk; register), m. â s. l^e^io {zeer yroot aantal), o. â *s. 1^4'^i4»('ii (Rumeinsche legerafdeelhifj, keurbende van 3â6 duizend man), o. âen. Het â van eer, Fransche ridderorde. {wetgevend), bn. De âievemacht. l^e^islatmir {wetgevende macht), v. gmv. I^eg;itieiii {wettig, rechtmatig), bn. Het âe koningschap. I^e^-itiinatie {wettigverktaring), v. grriv. Ije^-itimeercii {wettigen, echten). {aanhanger of voorstander der legitimiteit, d. i. der Bourbonsregeering in Frankrijk), m. âen. l^eg:itiiiiiteil {wettigheid, echtheid), v. gmv. l^e^kaart {speelgoed), v. âen; âprent, v. âen. JLes:iiaaii {bekleedsel van touw om de raas; ook kaïn hagedis), m. leguanen. Ejei {voorwerp), v. âen; {stof), o. Op de â schrijven', het â is blauw. Ijeibaiul. m. âen. Aan den â loopen, zich door anderen laten leiden, alle zelfstandigheid missen. l^eiboom (latboom), m. âboomen. leiddraad {leiding, volgorde, handleiding), m. âdraden. Een â der geschiedenis, tijdtafel: bij 't verhalen is de volgorde der gebeurtenissen onze â. (Koetsveld). loeiden {doen gaan), ik heb geleid. Een kind â: een ezel â; bij uitbr. Een boompje â; fig. den wil â; âer, m.; â ing*. v. .Leider {helaas!) tw. I^eidins' (sport, de â op zich nonen), d. i. voorrijden en daardoor onwillekeurig pace-maken voor anderen. l^eidKel, JLeisel {toorn, lederen riem), o. âs. Leidster {geleidster, leidsvrouw), v. â s. JLeiilsler {poolster, fig. gids, baak), v. âren. Leijonker {bruidsleider), m. âjonkers. Leis {koppelriem voor jagershonden), v. âen. Leisel {leireep, teugelreep), o. â s. Zie Leidsel. Leist {leizeel, koppelriem), v. âen. Leizeel {leireep, teugelreep), o. âen. Lek {niet dicht), bn. Een â vat- het schip raakte â; een â ke fluit, d. i. een valsche. Lek {lekgat), o. âken. l^eken {afdroppelen), de traan is geleekt. Het bloed leekt uit de wonde. Lekkage, v. â s. Lekken {afdruipen in kleine straaltjes, uit-droppelen), het is en heeft gelekt. Lekken (met de tong aflekken). Zie Likken. Lekker {smakelijk, aangenaam), bn. en bw. fem. is â op zijn eten, d. i. kieskeurig; ik ben niet â, d. i. min of meer ongesteld. Lekker (Ind. prettig, aangenaam van stemming), bn. Ga naar uw kamer om u wat â te maken. Lekkerbeefje {lekker hapje), o. â s. Lekkerbek {smaller), m. en v. âbekken. Lf^kkerbekken {smullen), ik heb gelekkerbekt; â kerij, v. Lekkermond {lekkerbek), rn. en v. âen. Lekkernij {snoepgoed), v. âen. Van â hoaden. Lekkers (r/Z/er/e#* lekkernij van denbakker),o. Llt;kkkertan«i {lekkerbek), m. en v. âtanden. Lekkertan«len {smullen), ik heb gelek-kertand. Lekkertjes {aardig), bw. Wij hebben hem â gefopt. Lekkerton;? {lekkerbek), m. en v. âtongen. |
Leksteen {poreuze zandsteen, waardoor tua-ter zijgi), m. â steenen. Lel {velletje, lap), v.-len. De oorlel-, de lellen van een haan, onderkam. Leliaard {aanhanger der Franschgezinde partij in het oude Vlaanderen), m. â s. Lelie {bloem), v. â liën, â s. l.ellen {vervelend snappen), ik heb geleld. Hij lag mij aan 't oor te -, d. i. telkens weer hetzelfde te zeggen; -Ier. m.; -lin»-. v. Lemma {leen- of hulpstelling; voorloopige stelling; leus, devies), o. â's. lammen {vleiend praten, fleemen), ik heb gelemd; âmin;;-, v. Lemmer {staat, kling), o. âen, â s. Het â van een degen, van een sabel, van een uies. Lemmet {kaarsepit, lampekous), o. âen. Lemming {trekmuis in \ Europa), m. -s. Lemoen. Ijamoen {disselboom), o. âen. Lende. v. â n, â nen. lem. een stok in de ân leggen, hem de â n smeren, hem Oji zijn â geven, d. i. slaan, afrossen. Lenen. Zie Lemien. Len;;' {soort van kabeljauw), v. âen. Leiitf' (scheepst. touw, strop), o. âen. Lenden {langer worden), de dagen zijn gelengd: â in^'. v.; â sel. o. Lengte, v. â n. Leni;;- {zacht, buigzaam), bn. en bw.; â lieid. v. Lenigen {verzachten), ik heb gelenigd: -er. m.; â in^-. v. Lcknitief {verzachtingsmiddel), o. â tieven. Lenitief' {verzachtend), bn. Lens {glasschijf met bol of hol vlak), v. lenzen. De â in het oog. Lens {spiets, harpoen, ook spie of poi van een wagenrad), v. lensen. Lens (leeg), bn. en bw. De pomp is â; de flescn is â, zonder vocht. Lensen {met een lens of harpoen doorsteken), ik heb gelenst. Een zeerob â. Lente {jaargetijde), v. â s. Leuteren (talmen, dralen), ik heb geleuterd. Lento (inuz. langzaam), bw. Lenzen {ledigmaken), ik heb gelensd; â in^'.v. Den regenbak â; de kan â. Lenzen (scheepst. met weinig zeil vóór den wind varen), ik heb en ben gelensd. Leopoldsorde (Oostenr. en Belgische ridderorde), v. Lep (schop met den voet in liet balspel), m. â pen. Lepel (keukengereedschap), m. â s. Een â gieten; de ~s van een haas, de ooren. liepelaar {steltlooper met platten, lepelvor-migen bek, trekvogel), m. â s, âaren. Den â vindt men ook in Z. Holland en Zeeland. Lepelblad (kruisbloemige plant aan het zeestrand), o. âbladen. Lepelen (eten met een lepel), ik heb gelepeld. Leppen (met teugjes drinken), ik heb gelept: â per. m.; â pinjr. v. Lepperen {leppen), ik heb gelepperd. Wijn â. Lepra (melaatschheid). v. gmv. Leproos (melaatsch), bn. Leprozen lm is {hospitaal voor melaatschen), o. âhuizen. Les.v. â sen. â in de muziek, het teekenen, enz. Li'se majf'st^ {majesteitsschennis), v. livsvhhnu. (koelbak), m. âbakken; âdrank, m. âen; âtros*- m. âgen; âwater. o. Lesoen^;- (Ind. langwerpig uitgehold blo/:), v. â s. |
koenen, VerkL Handwdb. d. Nederl. taal.
17
LESSCHEN - LIANEN.
258
|
Lesselieii {afkoelen), ik heb gelescht. De kalk â ; den dorst - ; âer. m.; -ing'. v. I*esseiiaar (schrijfmeabel met schuin blad), m. -s. Een muziekâ, toestel, waarop het muziekblad ligt. I^est (laatst), bw. - best; ten -e. I^etaal (doodeliik). bn. Mjetnliteit(doodelijklieid,sterfelijkheid),x.gmw Lethargie (slaapzucht: ongevoeligheid; zorgeloosheid), v. Zij (ae beesten) zijn in een nare â verzonken. (C. O.) l.ettiar$;iseli (slaapzuchtig; zorgeloos), bn. I^ethe (stroom der vergetelheid), v. lietsel (ongemak, nadeel, schade), o. Letten (beletten, hinderen, deren), ik lieb gelet. Kom hier mijn kleine zus; wat let me, dat ik je 'reis zoen! (Heije). Letter (klank of tee ken), v. -s, -en. Hij heeft veel letters gegeten, is geleerd; ietsnaar de - opvatten, d. i. letterlijk: naar de -der luet, stipt, eng; hij houdt zich aan de â, hij dringt niet door tot den geest der dingen; â s. gebak op St. Nicolaas. Letteren (merken), ik heb geletterd: -ingyv. Lettergieter (die de drukletters of typen maakt),m. â gieters; -gieterij (werkplaats, fabriek), v. -gieterijen. De -gieterij van de firma Enschedé te Haarlem. Letterkast (in hokjes verdeelde kast), v. -en. De â eener drukkerij; de oude â van Prinsen bij het leesonderwijs. Letterkunde (fraaie letteren, literatuur), v. gmv. De Nederlandsche â. Letterkundige, m. en v. â kundigen. Letterlijk (naar de letter), bn. en bw. Een â e opvatting; â vertalen. Letterzetter, m. âzetters. Zie Zetter. Lettre â¬le cachet (geheim bevel tot inhechtenisneming), v. lettres de cachet, vero. Lettre de niarqne (kaperbrief), v. lettres de marque, vero. Leugen, Logen. v. â s. lem. een â op de mouw spelden, hem iets wijs maken. Leugenaar, Logenaar, m. -s, ânaren. Leuk, bn. en bw. Zich â houden, zich houden, of men van niets weet; een âe vent, een schalk. Leukweg (op onverschillige wijze), bw. Leunen (rusten op, steunen op)., ik heb geleund. Leuning, v. -en. De - van een brug, een trap, enz. Leuningstoel, Leunstoel, m. -stoelen. Leur (drank uit reeds geperste druiven verkregen), v. gmv. Leuren (groenten of andere waren langs de deur venten), ik heb geleurd. Lens. Leuze (wachtwoord, devies), v. âzen. Leuter (te kort, gebrek), m. gmv. Leuteren (loszitten, wiggelen), het heeft geleuterd. Wat leuter je toch, d. i. je praat onzinnig; het leutert hem in den bol; de kei leutert hem, hij is halfgek. Leuterbol (zotskap), m. âbollen. Leuterkous (babbelkous), m.en v. -kousen. Leutervaar (praatvaar), m. âvaars. Leuterwerk (knoeiwerk), o. gmv. Leuvers (scheepsw. ijzeren ringen of maliën in de lijken der zeilen), m. mv. Leuze, v. Iets voor de â doen, d. i. voor den schijn. Zie Leus. Levant (hel Oosten, de Morgenlanden, Klein-Azïé), v. gmv. |
Levanter. Levantijn (stormwind op de kust van Klein-Azïé), m. â s, â tijnen. Levantijn (Oosterling), m. âen. Levant ijn, Levantine (effen zijden stof), v. gmv Levantijnseli (Oostersch, uit de Levant), bn. Levant sell (Oustersch), bn. Levée (heffing, lichting), v. â s. â en masse, algemeene oproeping te wapen. Leven, ik heb geleefd. â van de hand in den tand; â als vroolijk Fransje, d.i. zorgeloos, zonder te denken aan de toekomst; zij â als kat en hond, d. i. in gedurigen twist; men moet â en laten â, men moet een ander ook wat gunnen. Leven, o. â s. Het â, de âs van groote mannen. Levend (niet dood), bn. âe talen, âe strijdkrachten. Levendig (vroolijk), bn. en bw. Het gesprek werd gedurig âer. (C. O.), drukker; zich â in iets verdiepen. Leveiuliglieid (stijl: opgewektheid), v. gmv. Levenslustig (voi blijheid, opgewektheid), bn. Want â was haar aard. (De Gen.); de âe Chris tien. (C. O.) Lever (het opstaan ten hove; de morgenopwachting bij de vorsten), o. â s. Lees: le-vce. Lever, v. â s. De â schudden of doen schudden, hartelijk lachen of doen lachen; een droge â hebben, een nathals zijn; âkleurig, bn. De jongeling met de âe pantalon. (C. O.) Leveren {verschaffen), ik heb geleverd. Slag â; stof â tot een gesprek, verschaffen; iem. in de handen zijner vijanden â, d. i. geven, doen vallen; -aar, â aneier, m.; â antie. â ing, v. Levertraan (olieachtige stof uit de levers van kabeljaiaven getrokken), v. gmv. Leviathan (monsterachtig waterdier, krokodil), m. â s. licxiet (hulppriester bij de Israëlieten), m. -en. Levieten, m. mv. Iem. de â lezen, hem zijn plicht voorhoudén, fig. berispen, doorhalen. Lexicograaf (woordenboekschrijver), m. â -graven. Lexicographic (woordenboekschrij verskunst), v. Lexicon (woordenboek), o. âca. Lezen, ik las, heb gelezen. Aren â, d. i. verzamelen, bijeenzoeken; kruiden, bloemen â; de courant â : waarover zalmen vanavond â, d. i. een voorlezing houden; iem. de les â : den tekst â ; de Levieten â, d. i. scherp doorhalent de waarheid zeggen; in anderma ns boeken is het duister â, hét is moeielijk van de bedoelingen, den toestand van een ander goed op de hoogte te zijn. Lezen, o. gmv. In elke lagere school onderwijst men liet â. Lezenaar (schuinstaand leesbordje, boek-standaard), m. âs. Lezer (hij, die leest), m. â s; âes (zij, die leest), v. âsen. Lezer (uitzoeker, sch if ter), m. â s; leesster (uitzoekster), v. â s. Lezing (voorlezing, voordracht), v. âen. Ergens een â gaan houden. Li (Chineesche afstandsmaat, ± 450M.), o. â's. Liaison (verbintenis van minnenden, ver-eeniging, betrekking), v. â s. Lianen (slingerplanten dei* keerkringsland den), v. mv. |
LIAS-LIEDEN.
259
|
Uas {band of pakket schriften; snoet-of veter om papieren aan te rijgen), v. âsen. Een bundel âsen. Uas (leiachtig kalkgsteente der Jura), o. gmv. UaKseeren (aan eer;, snoer rijgen), ik heb geliasseerd. l.ibat io (o ff er plenging, plengoffer der Ouden). v. â tiën. Uliel {schot- of smaadschrift), o. â len. Ulx'l (ivatei'julfer, blauw glazenmakertje), v. âlen. liilH'lliKt {libelschrijver), m. âlisten. Ulx'i* {vrij), bn. en b\v. Los en â. vrij en ongedwongen. Ubt'raal {milddadig, vooruitstrevend, vrijzinnig, onbevooroordeeld, onpartijdig, volksgezind, niet orthodox), bn. en b\v. Liberaal (in de staatkunde: voorstander der volksvrijheid, iem. die bestaande toestanden wenscht te verbeteren), m. âalen. Uberalismo {onpartijdige en verlichte welgezindheid jegens anderen, staatkundig stelsel iler liberalen of vrijzinnigen), o. gmv. Ubcraliteit {liberale daad of hoedanigheid), v. Libereei'e» {bevri, - en, ontheffen, verlossen. Ijiberlf^it {vrijheid), v. âen. I^iberti». libertijn {losbol, wildzang, vrijgeest), rn. â 4f. Ub^rtina^e {losbol Ier ij, ongebondenheid), v. gmv. lAhwtinwvon {doordraaien,liederlijk leven). Ubito. pro {naar welgevallen, naar believen), bn. Ijibitiim {welgevallen, goedvinden). Ad â, naar welbehagen. liibrairie {boekhandel, boekwinkel), v. â s. llt;ibratie {schijnbaar slingerende beweging van een hemellichaam om zijn as), v. â s, â tiën. Ubrctto {tekstboekje van een opera), o. â's. lacent {tol, accijns, belasting op uitgaande waren), o. âen. Ueentiaat {iemand, die de bevoegdheid heeft verkregen om doctor te worden), m. âaten. Uc*eiitiâ¬k {verlof, vergunning), v. â s, âtiën. JLieentieeren {veroorloven; de bevoegdheid geven; ontslaan, afdanken, uit den dienst zenden). Ueliaam, o. âamen. Het menschel ijk en dierlijk â; een stoffelijk â.een â in de ruimte, een gasvormig â, een enkelvoudig â. een samengesteld â; het â van een letter. Fig. ver-eeniging van personen, vergadering, raad, genootschap, enz. ijcliaaniMloel. o. â deelen; â oefening-, v. ⺠â en; âtoestand, m. gmv. Ueliamelijk, bn. Hij is â zwak; â lieilt;l9v. Uelit (â en bruin), o. Het â van een schilderstuk, heldere en donkere kleuren. Lielit {helder), bn. Een âe kamer; âe kleuren. Lielit (niet zwaar, gemakkelijk), bn. en bw. Zij is â als een veer; een âe taak; dat is â te begrijpen. Ueht {waarschijnlijk), bw. â is hij verdwaald. liielit. o. âen. Het â der zon, der maan, der sterren; tusschen â en donker, in de schaduw; iem. een â doen opgaan, opheldering geven; iem. â verschaffen, helderheid, inzicht, begrip; het â zien, geboren worden; in het â geven, doen verschijnen (van boeken). Fig. Iets in een valsch â plaatsen, verkeerd voorstellen. |
Uelitbeelfleii {photograph, beelden door een tooverlantaarn op een wit vlak geworpen), o. mv. Een lezing illustreeren met â. Uelitblanu {fielder, flauw blauw), bn. Het âe vergeet-mij-nietje; âe oogen. Uehtbrekend (de richting der lichtstralen wijzigend), bn. Water is een âe stof. Lielit bron {oorsprong van licht), v. âbronnen. Elke vaste ster is een â; de zon is de groote â. Ueiitbrnin {helder of flauw bruin), bn. De meikever heeft âe schilden. Een kastanje is Ueht bundel {verzameling van evenwijdig vallende lichtstralen), m. âbundels. Uehtekooi {slechte vrouw), v. âkooien. Ueliten {licht geven, weer lid den), hei heeft gelicht. Ueliten {opheffen), ik heb gelicht; âer {kandelaar, lantaarn), m.; â ing*, v. Ueliten {het â der zee), o. gmv., d. i. oen phosphorisch verschijnsel, vooral tusschen de keerkringen. Ueliter {praam, schuit om in over te laden), m. â s. IJeliterlaaie. Uehtelaaie, bn. en bw. Mijn vriend Boer have stond in â verrukking. (C. O.); het huis brandde â, d. i. met heldere vlam. Uelitgeloovig'. bn.; â lieid. v. Uehtgeraakt isjiocdigboos), bn.; â iieid, v. Uehtlioofd {zorgelooze), m. en v. âen. Uehtmis (losbol), m. âmissen. Pieterbegon mij voor een overgegeven â te houden. (C. O.); dat is meer dan die â me kan nazeggen.(Potg.) Uelitmis (R. K. Vrouwendag, -J, Februari), v. gmv. IjielitniisKen (rinkelrooien), ik heb gelicht-mist; â misseri j. v. Vroeger was hij trotsch op zijne krachten en â serijen. (Koetsveld), losbandigheden. Ijielitvaarflig (ondoordacht), bn. en bw.; â Iieid. v. I^ielitzinnig (onbesuisd), bn. en bw.; â -beid. v. laeite (geoorloofd), bn. en bw. I^ieitnm (geoorloofde zaak; opbod), o. â s. I^ietor {bijldrager bij de Romeinen), m. âen. U«l (deksel), o. leden. Het â van het oog; een kan met een zilveren â; spreekw. Wie''t onderste uit de kan wil hebben, krijgt het â op den neus. Ud (deel, gedeelte, lidmaat), o. leden. Deleden van het menschel ijk en dierlijk lichaam; de arm is uit het â; een been in het â zetten, gewricht; een ziekte onder de leden hebben, in het lichaam; het lag mij op de leden, ergens een voorgevoel van hebben. Fig. Een â der staten, eener maatschappij, eener vereenig ing, lidmaat; artikel V, â 4, d.i. afdeeling. Udg-ras (kruipende tarwe, kweek), o. gmv. Udinaat (medelid), m. en v. âmaten. De aanneming van nieuwe â maten is mij ieder jaar een oogstfeest. (Koetsveld.) Udinaat (deel des lichaams), o. ledematen. Udniaatseliap. o. Het â eener sociëteit. Udwoord (klein rededeel), o. âwoorden. De, een, het zijn â woorden. Uebaard (leeuw in de wapenkunde), m. â s. Uebaerts (volkspartij in het oude Vlaanderen), m. mv. Ook: Klauwaerts. Uebl'raninilcli (edele rijnwijnsoort), v. gnv. Ued (gedicht, vers), o. âeren. Ueden. rn. mv. Zie Uil. |
17*
LIEDERLIJK - LIJMIG.
260
|
Uodcrlijk (zedeloos, achteloos, slecht), bn. en b\v.; â lieifl. v. (zangvereeniging), v. âtafels. I^iëeren {verbinden, vereenigen, zich tot iets verplichten). Uef {aangenaam, behaaglijk), bn. en bw. liever, liefst. Uef {al wat lief is), o. gmv. Het â en leed des levens', in â en leed, in voor- en tegenspoed. Uef {geliefde), o. gmv. De ridder en zijn â. {weldoende), bn.; â lieid. v. Ueftle. v. gmv. Uefderijk {welwillend), bn.; âlieid. v. {aangenaam), bn. en bw.; â v. Ijiefheblx'ii {boninnen), ik had lief, heb liefgehad. (die van iets houdt, die zich met iets bezighoudt zonder vakman te zijn; dilettant, amateur), m. âhebbers. Een â ran jenever, schilderijen, wandelen', ook een â doet soms iets, dat waarde heeft voor kunst of xuetenschapeen oude â, wellusteling of drinker. Uot'liebtoeren (voor liefhebber spelen), ik heb geliefhebberd, hi bloemen â ; ojgt; 7 gebied der natuurkunde â. Uefliebberij (neiging van een liefhebber), v. â hebberijen. Hij heeft allerlei kostbare -en-', 'f is â om zoo iets aan te zien, d. i. een vermaak, een aardigheid. Ut'l'koozen (streelen, vleien), ik heb geliefkoosd ; â koozer. m.; â koózerij, v.; â -koozing*. v. (lonken), ik heb geliefoogd. UetVite (beminde), m. e.n v. ân. (lief sprekend), bn. en bw.; â -iK'id. v. Ijiei'falli;;' (bevallig), bn. en bw. Wat ivas haar zilveren stem â! (Tollens); â lioiil.v. (onwaarheid% spreken), ik loog, heb gelogen. , , . {snaarinstrument, ook draaiorgel), v. â en; âeman, m. âemannen; â zan^ (lierdicht), m. liiercn (op de lier spelen, het orgel draaien), ik heb gelierd. IJorlaun' {een weinig lauw), bn. De kof/ie is Ueriiurstolsf! (afvoer der fcecalïên door luchtdruk), o. gmv. (lichaamsdeel), v. liezen. Ucs {vlotgras, teekgras), o. gmv. Dat â en riet gezweept in liet drassig oever sop! (('rem er.) liievoliBijy,m..en v. âen; voor het v.ook: âlt;». Ueven {beminnen), ik heb geliefd. (schildvleugelig insect), o. âbeestjes. Het zevenstippelig â. Ijiev(kiiliecrs»liaaiitjck (zevenvlekkig kevertje), o. Ijit'verleile (langzamerhand), bw. Alleen gebruikelijk in: van lieverlede. Ueve-vrouwon-bedatroo (welriekend kruid), o. gmv. Ijiove-vroiiwt^ikerk. v. âkerken. Uevi^lioi^l (aardigheid), v. âheden. Ullal' (smakeloos, laf), bn. en bw.; als zn. o. UflaflVn (zottepraat uitslaan), ik heb gelif-laft; âIerij. v Uft (stijgwerktuig in hotels, enz.), v. âen. Fr. ascenseur. I.lt;i$£aiiieiit (band. verband, zwachtel, windsel', koppelletter, als //'. fi, enz.), o. âen. IJ^'ato (muz. gebonden, vereen igd), bw. |
I^i^'en. ik lag, heb en ben gelegen. In proces â ; overhoop â ; hij ligt te plagen, d. i. is bezig met. Iji^i'iie ( verbond, eedgenootschap), v. â s. {eedgenoot, saamgezworené), m.. en v. âen. O^i^'iister (heester), m. â s. U.j (scheepsw. lage zijde v. e. zeilend schip, de tegenkant van de loefzijde), v. gmv. Ijijlt;llt;klijk (geduldig), bn. en bw. Iets â moeten aanzien; een â verzet, dat zich niet in daden uit; zich â verzetten', â lieiil. v. Bjijden (dulden), ik leed, heb geleden. Schipbreuk â, d. i. ondergaan; honger â, ik lij'! zoo iets niet langer, gedoog; het kan niet â, de uitgaaf kan er niet af; iem. mogen â, houden van; ik mag het wel lijden â, ik heb er niet tegen. l^ijden {gaan, voorbijgaan), het leed, is geleden. Het is een halfjaar geleden, d. i. een halfjaar is voorbij; )iet leed niet lang of, liet duurde niet lang. IjiJdzaam (goedaardig), bn. en bij w.; â lieid.v. l-iijf. o. lijven. Iem. een schrik op het â jagen, hem erg doen schrikken; geen hart in het â hebben, geen moed hebben; deze zaak heeft niets om het â, heeft niets te beduiden; iem. te â willen, d. i. willen slaan; iem. te â komen, d. i. slaan. Lijftleiiu (airtje, dat men gaarne of steeds zmgt), m. âdeunen. Ijijfoi^eiie (dorper), m. en v. â en.'vero. UJfezel (lievelingsezel), m. â s. Maren werd â van zijn Julia verklaard. (Staring.) Lijfcbelioiul (l evensbehoud), o. gmv. UJfVttraf' (lichamelijke straf), v.quot;âfen. Lijf'sfirairelijk⢠bn. âe rechtspleging, die straf aan het lijf of op het lichaam toepast. UJi'toelit (levensonderhoud), m. gmv. Fig. De â eener weduwe^ weduwgift: de â eens prinsen, jaargeld. UJfwaelit (de geheele wacht eens vorsten), v. âwachten. Ijijftvaelit {persoon, wachter), m, â wachten. UJk (boord om een zeil), o. âen. Het zeil is uit de âen geslagen, uit het boordsel gescheurd. Fig. Uit de âen geslagen zijn, geheel bedremmeld, ontsteld zijn. Ijijk (dood lichaam), o. âen. Mik (achtervoegsel), bv. in: menschel ijk. adellijk, ziekelijk, liefelijk, dragelijk, aannemelijk, sterfelijk, hinderlijk en bet. gelijkende op, behoorende tot, overeenkomende met; kunnende de werking ondergaan of verrichten. Verder: achterlijk, innerlijk, uiterlijk: vorstelijk (= des vorsten), prinselijk (= des prinsen). IJ.ik(s) is een achtervoegsel tot vorming van bw.: strengel ijk, rastel ijk, jaarlijks, dagelijks. IJjken (gelijken), het portret leek, heeft geleken. I. ij ken (passen, aanstaan); dat lijkt mij. IJjken (de zeilen op den wind brassen), ik heb gelijkt. IJJkeii (in schijn zijn), ik leek, heb geleken. Hij lijkt wel een Croesus. Ze â wel gek. IJjkteekeii (wondteeken), o. â s. vero. Zie: Litteeken. I.. ij in (bindmiddel, kleefstof), v. gmv. â .â¢ijnien (door lijm verbinden), ik '.ieb gelijmd. Papier â. met lijmwater doortrekken. UJnii^ (kleverig), bn.; Hij spreekt â, d. i. slepend, temerig; â lieid. v. |
LIJN âLISCH.
261
|
UJn (touw, ook: streeii), v. âen. UJiibaan (touivslagerij), v. âbanen. UJiieii (lijnen trekken op), ik lieb het papier gelijnd. IJ jut rek kor (talmer, zanikkous), m. âs; â kor ij. v. liiJiin'uiKl (linnen), o âwaden. ljijiizaa«l {vlaszaad), o. gmv. liijs (treuzelaar, sukkel), m. en v. lijzen. Ujs (fijn en rank porceleinen kopje, met Ja-pansche poppetjes of lijsjes), v. lijzen. Lanye lijzen met zes merken. (C. O.). Lijspond (15 oude p.), o. âen. Ijijst (rund, omzetsel), v. âen. Di' â vaneen spiegel, schilderij; fig. een lange â,een groote reeks. I^ijster (zangvogel), v. âs. Zingen als een â. UJstorlx's (boom), m. âbessen; (vrucht), v. Ujvig: (dik, zwaar), bn. Een â boek; â -iWid. v. 1 Jjwaarts (zeew. van den wind af), b\v. UJxen (laii^c) (Chin, /lorselein, niet naar den vorm, maar naar de ranke figuren er op zoo genoemd), v. mv. Lijzig' (temerig), bn. en bw. Wat praat hij â! liik (slag), m. âken. Een â om de ooren. Ukriooru (eeltknobbel), m. â s. Ook: Ijik-«loren. IJ kon r (fijne geestrijke drank), v. âen. Ukiioiit (glanshout v.d. schoennmker), o. -en. Ukkolmard (smul!er), n. âbaarden. Ukkolmardou (zijn lippen aflikken), ik heb gelikkebaard. Likkobroor (proever, pimpelaar, drinker), m. â s. Likkon. Lokkc'ii. ik lieb gelikt (gelekt); â kor. m.; â kiiij^. v.; â ko|gt;ot (artsenij), m. Ukken (gladmaken met het likhout), ik heb gelikt; â steon. m.; âstok. m. Lil (gei Hold kalfsvet, ook gelatine), o. gmv. Lilas. Lila (lichtblauwe, roodachtige kleur), o. gmv. Lila (Ind. veldgeschut, ook klein granaatmortier), v. â's; âsoliot. o.; â vuur. o. Lilloboonoii (waggelen), ik heb gelillebeend. Lillon ('rillen), ik heb gelild; -lin^. v. â d ingewand; hij lilt van kou. Lilli|Mitlor (bewoner van Lilliput, dwergje), m. â s; lilliputpotjos (zeer kleine), o. mv. (Jonath.) Liman (breede moerassige monding der Z. Russische rivieren), v. â s. Limiot (scheidspaal, grens), v. âen. Ariaan bleef rustig aan de âen van zijn moezerij staan. (Koetsveld.) Limit at ie (beperking,begrenzing), v. -tiën, -s. Limiteoren (beperken, begrenzen, nauwkeurig vaststellen). Limitnian (sport, de rijder met de grootste voorgift, lees: lim'itmen), m. â s. Limoen (kleine soort van citroen), m. âen. LimoiKalt;lo (verkoelende drank van water, suiker en limoensap), v. gmv. Linainont (smeersel), o. âen. Linde (loofboom met zacht hout), v. â n. Lindeblad, o. âen, âeren. Lindebloeseni. m. â s. Linden bont. o. gmv.; âlaan, v. âlanen. Linoa {linie, lijn, trek), v. â ?s Lineair (lijnvormig), bn. De âe afstand. Linoainonton (trekken van het gelaat of van de hand), o. mv. Linjf. -eling: (achtervoegsel),b.v. kloosterling. |
schepeling, stedeling: een thuisbehooren; nieuweling, vreemdeling, lieveling, persoon, die zich als zoodanig kenmerkt; volgeling, zuigeling, o ver wonnel ing, vers too te ling, personen, eïie een werking verrichten of ondergaan. Evenzoo: eenling, tweeling, eersteling, n ieteling, zonderling. Ling:, -lilies (achtervoegsel),h\.:ruggeHng(s), zijdeling(s), mondelin'j(s), tappe!hig(s), d. i. op de manier, de wijze. Evenzoo: blindeling(s), o a lings, ijlings, rakelings. Lingerie (linnengoed), v. âries, â riecn. Lingnales (tongletters), v. mv. Linguist (taalkenner, taalgeleerde), m. â en. Ling-nistiek (taalkennis), v. gmv. Linguistiseb (de studie der talen betreffende), bn. Liniaal (werktuig om lijnen te trekken), v. â alen. Linie (streep, lijn; evennachtslijn; in slagorde geschaarde troepen', staand leger; geslachtsopvolging), v. liniën, linies. Linieoren (van lijnen voorzien, belijnen). Linioseliip (zeew. oorlogschip van de eerste grootte), o. âschepen. Linietroepen (staande geregelde troepen), v. mv. Lininient (zalf, smeersel), o. âen. Het Magisch â is Marco slecht bekomen. (Staring.) Link (indruksel van een keten, riem-, enz.), v. âen. Linkorarin. m. âen: â boon, o. âen; â -band. v. âen; âkant. m.; âmonw. v. â en: âoever, m. â s; -oog:, o. âen; â -oor, o. âen; âvleugel, m. âs; âvoet, m. âen; âzijde. v. Linkerd (die met z'n linkerhand evengoed terecht kan als }net zijn rechterhand; ook: geslepen vogel, looze guit), m. â s. Links, bw.; âal*, bw. Linkseb. bn.; âbeid. v. Dit kind is â. Linksom, bw. â keert! Linnen (weefsel van vlas), o. â s. Vlaamsch â, Hollandsch â; gewast â. Lino'loiini (vloerbekleeding), o, Uiik, v. Zie Linze. Unt (geweven band), o. âen. Lintworm (ingewandsworm), m. â wormen. Linxo ( plant, peulvrucht, wikke), v. â n. Lion (toongever m zekeren kring), m. â s. Lionno (gevierde schoone uit de groote wereld), v. â s. Lip. v. âpen. De â laten hangen, pruilen; zich op de âpen bijten, zich bedwingen, inhouden; ik had het woord op mijn âpen, ik wilde het juist zeggen. Liplap (fnd. kleurling), m. en v. -pen. Ho-bertus Nurks verkwikt met die anekdoten de harten der âpen en der blauwen in de West. (C. O.) Liquida (vloeiende letters), v. mv. Lninide (vloeibaar, helder, zuiver; glashelder, vlottend), bn. Liquidatie (vereffeniny), v. -ties, -tiën. Liciiiideeren (klaarmaken, vereffenen; afrekenen). Lira (Italiaansche munt), v. â's. Ook Lire. Een â is ± f 0.48. Een halve â, een kwart â. Lis. Lns (snoer, strikje), v. âsen. Liseb (familie der irideën), o. âschen. Het geleâ, ook pinksterbloem of eierbloon, groeit aan den waterkant. Het stinkende â. |
LIEDERLIJK- LIJMIG.
260
|
(zedeloos, achteloos, slecht), bn. en bw.; â lieid. v. (zanyvereeniging), v. âtafels, liiëeren {verbinden, vereenigen, zich tot iets verplichten). Uef (aangenaam, behaaglijk), bn. en bw. liever, liefst. (al wat lief is), o. gmv. Het â en leed des levens; in â en leed. in voor- en tegenspoed. Uef' (geliefde), o. gmv. De ridder en zijn â. U4gt;l'4lalt;li^- (weldoende), bn.; â lieifl, v. v. gmv. Ijieffllt;krijk (welwillend), bn.: â lioifl. v. Uefolijk (aangenaam), bn. en bw.; â lioiri. v. (beminnen), ik had lief, heb liefgehad. IJk'flK'blM'i* (die van iets houdt, die zich met iets bezighoudt zonder vakman te zijn; dilettant, amatear), m. âhebbers. Ken â ran jenever, schilderijen, wandelen: ook een â doet soms iets, dat waarde heeft voor kunst of wetenschap; een oude â, wellusteling of drinker. Uol'lu'blM'iH'ii (voor liefhebber spelen), ik heb geliefhebberd. In bloemen â; oj) 7 gebied der natuurkunde â. liiefliobberij (neiging van een liefhebber), v. â hebberijen. Hij heeft allerlei kostbare -en-; 't is â om zoo iets aan te zien, d. i. een vermaak, een aardigheid. UefkooK^ii {streelen, vleien), ik heb geliefkoosd ; â kooz«*r, m.; â koozori j. v.; â â¢kooxiv. (lonken), ik heb geliefoogd. Uet'stc (beminde), m. e.n v. â n. (lief sprekend), bn. en bw.; â -hfid. v. Ueftalli^* (bevallig), bn. en bw. Wat tvas haar zilveren slem'-! (Tollens); -IiHiI. v. (onwaarheid'spreken), ik loog, heb gelogen. {snaarinstrument, ook draaiorgel), v. â en; â oman. m. âemannen; â zany {lierdicht), m. Ult;krlt;'ii (ov de lier spelen, het orgel draaien), ik heb gelierd. Eiiorlamv (een weinig lauw), bn. De koffie is â. I^iernnrstclsel (afvoer der fcccaliën door luchtdruk), o. gmv. Uok (lichaamsdeel), v. liezen. Ijics (vlotgras, teekgras), o. gmv. Dat â en riet gezweept in het drassig oever sop! (Cremer.) m..en v. âen; voor het v.ook:âc». {beminnen'), ik heb geliefd. Eiie.vonlieersbcesl j«» (schi Idvleiige.lig in-sect), o. âbeestjes. Het zevenstippelig â. I^ic'voiilicorsliaaiifjo (zevenvlekkig kevertje), o. Ijievorlo^Ie (lungzamerhand), bw. Alleen gebruikelijk in: van lieverlede. Ijievo-vróuwou-lM'dsitroo (welriekend kruid), o. gmv. Iji«»ve-vroiiwâ¬Â»iik«»rk. v. âkerken. Uevijilu'id {aardigheid). v. âheden. Uflal' {smakeloos, laf), bn. en bw.; als zn. o. UilaflVn (zottepraat uitalaan), ik heb gelif-laft; â IVrij. v Uft (stijgwerktuig in hotels, enz.), v. âen. Fr. ascenseur. Iji^'aiiK'iit (band, verband, zwachtel, windsel; koppelletter, als ff, ft, enz.), o. -en. U^ato (muz. gebonden, vereen igd), bw. |
I^iW'on. ik lag, heb en ben gelegen. In proces â ; overhoop â ; hij ligt te plagen, d. i. is bezig met. { verbond, eedgenootschap), v. â s. ^eedgenoot, saamgezworene), m.. en v. âen. DJ^ustor (heester), m. â s. UJ (scheepsw. lage zijde v. e. zeilend schip, de tegenkant van de loefzijde), v. gmv. liijlt;llt;'lijk {geduldig), bn. enbw. Iets â moeten aanzien; een â verzet, dat zich niet in daden uit; zich â verzetten; â lieitl. v. Ijijdeii (dulden), ik leed, heb geleden. Schipbreuk â, d. i. ondergaan; honger â, ik lij'! zoo iets niet langer, gedoog; het kan niet â , de uitgaaf kan er niet af; iem. mogen â, houden van; ik mag het wel lijden â, ik heb er niet tegen. Ijijdon {(gaan, voorbijgaan), het leed, is geleden. Hei is een halfjaar geleden, d. i. een halfjaar is voorbij; het leed'niet lang of, het duurde niet lang. Iji|lt;lzaaiii {goedaardig), bn. en bij w.; â lioid.v. UJf. o. lijven. Iem. een schrik up het â jagen, hem erg doen schrikken; geen hart in het â hebben, geen moed hebben; deze zaak heeft niets om het â, heeft niets te beduiden; iem. te â willen, d. i. willen slaan; iem. te â komen, d. i. slaan. Ijijtdoiiii (airtje, dat men gaarne of steeds zingt), m. âdeunen. IJjft 'ijrono (dorper), m. en v. â en.Tero. Uji'i'zol (lievelingsezel), m. â s. Marco werd â van zijn Julia verklaard. (Staring.) liijf'sbolioud (levensbehoud), o. gmv. UJfctraf' (lichamelijke straf), v. â fen. IJjftrtrafllVlijk. bri. âe rechtspleging, die straf aan het lijf of op het lichaam toepast. IJjl'toelit (levensonderhoud), in. gmv. Fig. De â eener weduwe^ weduwgift; de âeens prinsen, jaargeld. liijf'uaolit (de geheele wacht eens vorsten), v. âwachten. Ijijf'waclit {persoon, wachter), m. âwachten, liijk (boord om een zeil), o. âen. Het zeil is uit de âen geslagen, uit het boordsel gescheurd. Fig. Uit de -en geslagen zijn, geheel bedremmeld, ontsteld zijn. Mik (dood lichaam), o. âen. Mik (achtervoegsel), bv. in: menschelijk, adellijk, ziekelijk, liefelijk, dragelijk, aanur-melijk, sterfelijk, hinderlijk en bet. gelijkende op, behoorende tot, overeenkomende met; kunnende de werking ondergaan of verrichten. Verder: achterlijk, innerlijk, uiterlijk: vorstelijk (= des vorsten), prinselijk (= iles prinsen). Mik(s) is een achtervoegsel tot vorming van bw.: strengel ijk, rustelijl,\ jaarlijks, dagelijks. Mjkou (gelijken), het portret leek, heeft geleken. Mjkoii (passen, aanstaan); dat lijkt mij. Mjkon ('te zeilen op den wind brassen), ik heb gelijkt. Mjkou (quot;' schijn zijn), ik leek, heb geleken. Hij lijkt wel een Croesus. Ze â wel gek. Miktlt;'Ckkoii (wondteeken), o. â s. vero. Zie: IJtti'cken. Ij ij in (bindmiddel, kleefstof), v. gmv. Mjmoii (door lijm verbinden), ik heb gelijmd. Papier met lijmwater doortrekken. Mjini^' (kleverig), bn.; Hij spreekt â, d. i. slepend, temerig; â lioid. v. |
LIJN âLISCH.
261
|
IjiJn {tomv, ook: streel)), v. âen. Ijijnbaan (toiurslac/rrij), v. âbanen. 1^ijneii (lijnen trekken op), ik liet het papier gelijnd. Ujntrckkor (talmer, zanikkous), m. âs: â klt;krij. v. I^ijnwaacl ('innen), o. âwaden. Iiijiiªlt;l {ülaszaad), o. gmv. â -ijs (treu zeiaar, sukkel), m. en v. lijzen. lAjs {fijn en rank porceleinen kopje met Ja-pa nsche poppetjes of Ujsjes), v. lijzen. Lantje lijzen met zes merken. (C. O.). UjKpoiKl (iö oude p.), o. âen. liijst (rand, omzetsel), v. âen. De â vaneen spieyel, schilderij', fig. een lange â, een groote reeks. UJslcr (zangvogel), v. â s. Zingen als een (boom), rn. âbessen; (vracht), v. (dik, zwaar), bn. Een â boek; â v. IjiJwaarts (zeew. van den tuind af), bw. UJzen (lan^c1) (Chin, porselein, niet naar den vorm, maar naar de ranke figuren er op zoo genoemd), v. mv. I.ijziK' (/ emerig), bn. en bw. Wat praat hij â / Uk (slag), m. âken. Ken â om de ooren. Ukfllooru (eeltknobbel), m. âs. Ook: Eiik-«lorcn. liikenr (fijne geestrijke drank), v. âen. liikliont (glanshout v.d. schoenmaker), o. -en. IJkklt;'lmai*lt;l (smaller), m. âbaarden. IJkkfklgt;aar«llt;kii (zijn lippen aflikken), ik heb gelikkebaard. ljikklt;'lgt;rolt;kr (proever, pimpelaar, drinker), m. â s. Ukken. liPkken. ik heb gelikt (gelekt); -kor. m.; â kin^. v.; â kepot (artsenij), m. Ukken {gladmaken met het likhout), ik heb gelikt; â«teen. m.; â«tok. m. lal (g estold kalfsvet, ook gelatine), o. gmv. Ula«. Ula (lichtblauwe, roodachtige kleur), o. gmv. Ula (Ind. veldgeschut, ook klein granaat mortier), v. â's; â seliot. o.; âvuur. o. Ullebeenen (waggelen), ik heb gelillebeend. Ulllt;kn ('rillen), ik heb gelild; â ling-, v. â d ingewand; hij lilt van kou. Ullipntter (bewoner van Lilliput, dwergje), m. âs; lilliput|iotJes (zeer kleine), o. mv. (Jonath.) Uinan (breede moerassige monding der Z. Russische rivieren), v. â s. Uniiet (scheidspaal, grens), v. âen. Ariaan bleef rustig aan de âen van zijn moezerij staan. (Koetsveld.) Umitatie (beperking,begrenzing), v.-tiën, -s. Uniiteeren (beperken, begrenzen, nauwkeurig vaststellen). Umitnian (sport, de rijder met de grootste voorgift, lees: lim'itmen), m. â s. Ijinioen (kleine soort van citroen), m. âen. Unionalt;le (verkoelende drank van water, suiker en limoensap), v. gmv. Unainent (smeersel), o. âen. Unlt;le (loofboom met zacht hout), v. ân. Unlt;lelgt;lalt;l. o. âen, âeren. UiHlebloeMem. m. â s. Uudenliont. o. gmv.; âlaan, v. âlanen. Unea (linie, lijn, trek), v. âquot;s Uneair (lijnvormig), bn. De âe afstand. UiifMiinenlen (trekken van het gelaat vf van de hand), o. mv. |
Uiig-, -eling (achtervoegsel),b.v. kloosterling, schepeling, stedeling: eer. thuisbehooren; nieuweling, vreemdeling, lieveling, persoon, die zich als zoodanig kenmerkt; volgeling, zuigeling, overwonneling, cerstuoteling, personen, die een werking verrichten ot' ondergaan. Evenzoo: eenling, tweeling, eersteling, nieteling, zonderling. Ung-. -lings (achterroegsel),h\-.ruggeling(s), zijdeling(s), inondeling(s), tappeling(s), d. i. op de manier, de wijze. Evenzoo: bllndeling(s), mi lings, ijlings, rakelings. Ungerie (linnengoed), v. â ries, â riecn. Unguales (tongletters), v. mv. Ijinguist (taalkenner, taalgeleerde), m. âen. Ungiiistiek (taalkennis), v. gmv. Ua»guisfiseh (de studie der talen betref-fende), bn. Uniaal (werktuig om lijnen te trekken), v. â alen. Unie (streep, lijn; evennachtslijn; in slagorde geschaarde troepen: staand leger; ge-slachtsopvoIging), v. liniën, linies. Unielt;ki*en (van lijnen voorzien, belijnen). Uniesebip (zeew. oorlogschip van de eerste grootte), o. âschepen. Unietiroepen (staande geregelde troepen), v. mv. Uniinent (zalf, smeersel), o. âen. Het Magisch â is Marco slecht bekomen. (Staring.) Unk (indruksel van een keten, riem-, enz.), v. âen. Unkerarni. m. âen: âbeen, o. âen; â -band. v. âen; âkant. m.; âmouw. v. â en; âoever, m. â s; âoog, o. âen; â â¢oor. o. âen; âvleugel, m. â s; âvoet, m. âen; â seijde, v. Unkerd (die met z'n linkerhand evengoed terecht kan als met zijn rechterhand; ook: geslepen vogel, looze guit), m. âs. Ãnks. bw.; âalquot;, bw. Unkseli. bn.; âbeid. v. Dit kind is â. Unksoin. bw. â keert! Unnen (weefsel van vlas), o. âs. Vlaamsch â , Hollandsch â; (gewast Uno'leinn ( v I oerbek leeding ), o, Uns, v. Zie Unxe. Unl (geweven band), o. âen. Untworm (ingewandsworm), m. âwormen. Unze { plant, peulvrucht, wikke), v. â n. Uon (toongever in zekeren kring), m. âs. Uonne (gevierde schoone uit de groote wereld), v. â s. Up. v. âpen. De â laten hangen, pruilen; zich op de âpen bijten, zich bedwingen, inhouden; ik had het woord op mijn âpen, ik wilde het. juist zeggen. Liplap (Ind. kleurling), m. en v. âpen. Robertas Nurks verkwikt met die anekdoten de harten der âpen en der blauwen in de West. (C. O.) Uquida (vloeiende letters), v. mv. |jH|uldâ¬* (vloeibaar, helder, zuiver; glashelder, vlottend'), bn. hiviwUXtktie (vereffening), v. âties, â tiën. Uquideeren (klaarmaken, vereffenen; afrekenen). Ura (Italiaansche mant), v. â's. Ook Lire. Een â is ± f 0.48. Een halve â, een kwart â. Us. Uis (snoer, strikje), v. âsen. Useh (fam ilie der irideën), o. â schen. Het gele â, ook pinksterbloem of eierbloem, groeit aan den waterkant. Het stinkende â. |
LISCHDODDE-LOGENSTRAFFEN.
262
|
Uscliclotldo (ivaterbloem). v. â n. Dc breed-bladiye â, de smalbladige â. llt;iN|gt;eleii (lispelend of' zacht s/ircken). ik lieb gelispeld; â aar, m.; â ing. v.; âend, bn. Inspon (lispend spreken), ik hel) gelispt; â â¬Â»iid. bn.; âer, m.; â iii}r. v. List (sluwheid, sluw middel), v. âen. (sl.iuu), bn. en b\v.; â lieilt;l. v.; â -lijk. b\v. liitanie (smeekgebed, bestaande in een reeks van aanroepingen met antwoorden in de R. K. kerk), v. litanieën. Uteu (hofhoorigen. d. i. lijfeigenen met meer persoonlijke vrijheid), m. mv. De â betaalden schot en lot, d. i. een hoofdgeld. Ut er (Ned. kan of kop), m. â s. UterariKcli (letterkundig, wetenschappelijk), bn. Uterafor (letterkundige, boekenkenner), m. â en. liiteratiiiir (letterkund»', letterkundige wetenschappen), v. -uren. Litliog'raal' (tekenaar op steen; steendruk-. ker), m. â grafen. IiitliogTai»heereii (op den steen teekenen-, steendrukken). Uthotf-rapliie (steenplaatdruk\ steenschrijfkunst), v. â ën. Utlilt;»^'ra|»liisâ¬'li (ran, voor, betreffende of op de wijze van de steendrukkunst), bn. TJti^atie (twist, twistgeding, betwisting), v. Uti^-eeren (twisten, twistvoeren, pleiten). (betwistbaar, pleitziek), bn. Jiifotes (stijl, trooj) der eenvoudigheid), v., b.v. Hij ia niet dom (hl. slim. gevat); een niet te verachten geschenk (nl. zeer aanzienlijk). Utteeken (wond tee ken), o. â s. âen. Uttera'riseli, -air, âtor. âtuur. Zie: UterariMcii, enz. Utiirg'ie (kerkformulier, kerkenorde, kerkgebruik), v. â ën. Uturgiseli. bn. âe formulieren, d.i. voor kerkelijke verrichtingen. liivide (lijkkleurig, vaalbleek), bn. liivre (als Fransche rekenmunt, zooveel als frank; als Engelse he [livre sterling, L. st.] in waarde gelijk aan f 12.60), o. âs. liivrei (kleedij der bedienden), v. âën. IJvret (aanteekenboekje), o. âten, â s. Uauos (stepachtige vlakte), v. mv. Zie: Pampas. Uo.yd (zeevaart-maatschappij), m. Qok: Llogds. IJo.vdK-lijNl. IJo.vU {nieuwsblad voor den handel en de zeevaart, te Londen), v. âen. Lol» (plooisel aan kraag of manchet), v. â -ben. Ook de manchet zelf. Ijobbereii (in 't water ploeteren), ik heb gelobberd. I^obbrri^: (dik en trillend van spijs), bn. en bw.; â lieid, v. Lobbe* (sukkel, sul, goedbloed), m. âen. I^obbig- (ruim en slap hangend), bn. en bw. Ijoboor (hond met lange neerhangende oor en), m, âen. Fig. lobbes, lomperd. Loboorig' (onhandig), bn.; â lieid. v. liOeaal (plaatselijk), bn. De locale belangen. Ijoealiseeren (op de behoorlijke plaats stellen, de behoorlijke plaats aamrijzen; geheel van plaatselijken aard maken). Een ontsteking, een besmettelijke ziekte â, de uitbreiding er van tegengaan. I^oealiteit (vertrek, kamer, zaal), v. âen. |
Loeomobiel (stoomwerktuig op raderen), v. âen. Loeomotief (stoomwagen; stoomtrekker), v. â tieven. l^oeutie (uitdrukking, spreekwijze), v. âs, â tiën. I^olt;ilt;ler (/ompe vlegel, zedeloos mensch), m. -?. l^oddereu (fig. luieren), ik heb gelodderd, l^odfleri^- (kwijnend, slaperig), bh. Wat ziet ge er â uit! Vroeger: verliefd, teeder. Lodderoog* (vriendelijk oog), o. âen. vero. Liodderoo;;' ( persoon), m. en v. âen. vero. l^xideroogeu (wellustige blikken werpen), ik heb gelodderoogd. L.odereiudoosje (waarin een sponsje met eau de la reine), o. â s. Een â van Grietje Buren (C. O.), vero. Loeder (gew. lomperd, gemeene vent),m. â s. Ijoef (scheepst. hooge zijde van een zeilend schip, tegengestelde van lij), v. De â hebben. den bovenwind hebben; â houden, goed bij den wind zeilen; een schip de â afsteken, afwinnen, afknijpen, het voordeel van den wind bekomen; fig. iem. de â afsteken, hem vooruitkomen, gmv. l^oeg-eii. ik heb geloegd. Turf â. hout â, vlijen, stapelen, gew. I^oeieii ('t bulken der runderen), de koe heeft geloeid. Fig. huilen van den wind. I^oeiupaug (Ind. soort van houten vijzel), v. â s. Loeuseli (een weinig scheel), bn. en bw. I-oer (botterik), m. âen. I^oer (het loeren\ v. Op de â staan, liggen, I^orren (bespieden), ik heb geloerd. Op iets â, het trachten te krijgen; op een cunbt â. I^oeres (lomperd, onnoozele), m. âen. I^oeroogeu {gluren, scherp toezien), ik heb geloeroogd. Loet. liOete (lange ijzeren vuurkrabber), v. loeten. lioeveu (scheepst. tegen den wind opzeilen, niet afhouden), ik heb en ben geloefd. Loever. Loevert. alleen gebruikelijk in: te â , d. i. loefwaarts, aan de windzijde; een schip te â bespeuren; de tvalvisscliengingen ons te â voorbij. Lof (het loof of groen), o. gmv. Zie Loof. Lof (lofspraak), m.; (in Roomsche kerken: no middag-godsdienstoefening), o. gmv. LollVlijk (prijselijk), bn. en bw.; â lieid. v. Loflied (lofzang), o. âliederen. Loftroiiipet. v. gmv. De â over iem. of iem. werk steken, het uitbundig prijzen. Loftuiteu (iem. vleien), ik heb hem gelof-tuit; âer, m.; â erij. v.; âing*. v. Lofzang* (hgnine, ode), m. âzangen. Log ( zwaar, plomp), bn. en bw.: â heid. v. I^og* (zeew.), v. â gen. Zie Loggen en Loglijn. Logaritlnne (exponent van een standvastig getal, in de algebra), v. â n. Logaritliinentafel (lijst van logarithmen-waarden), v. âtafels. IjOge (stoel, zetel; zitplaats in den schouwburg; de besloten kamer der vrijmetselaars), Log^ (gast die logeert), m. â's: logëe, v. â s. Logeabel (bewoonbaar), bn. IjOgeeren {als gast nachtverblijf h'aden). Logement (herberg, nachtverblijf), o. âen. Logen (leugen), v. â s. Logenstraffen (tot leugenaar maken), ik heb gelogenstraft. |
LOGGEN-LOOPER.
263
|
(mot de log de vaart van het schip bepalen), ik heb gelogd. (klein, snel oorlogsvaartuig), m. âs. {overdekte bovengalerij), v. â's. IjOg^ica (denkkunst, redeneerkunst), v. gmv. I^oyies (verblijf), o. gmv. (zeew. matrozenhut). I.ogiseli (volgens de logica), bn. en b\v. Een âe gevolgtrekking', een âe verbinding van zinnen, b.v. door de vgw. opdat, omdat, enz. IjO^lijn (zeew. lijn, die door knoopt'n in evenmatige deelen is verdeeld), v. âen. l^og-osrr.yplie. Log^o^rÃef (woordraadsel., ook letterraadsel), v. â gryphen. âgrieten. ljOg'Oinalt;*liie (woordentwist), v. â ieëh. Jjojfos {woord, rede, denkvermogen), m. gmv. l^ok (haarkrul), v. âken. Jjokaal (vertrek), o. lokalen. Een ruim â. Dit â is te somber. liOkaa» (spijs, om vogels of wild te lokken), o. âazen. I^oket (hokje, vakje, raampje), o. âten. .Lokken (trachten tot zich te roepen), ik heb gelokt; â ker, m.; âking-, v.; âsol. o. Lokvogel (lokker)% m. â s. De dame deed dienst als â in een confectie-magazijn. Lol (grap, pret, aardigheid), v. â len. Voor de â, wij hebben â gehad-, â l«'tje, o. â s. Hij houdt van een âletje, pretje. Lollen (mauwen, ook luid zingen), ik heb gelold; âer, m. Lollen (zich op een stoof warmen); lolle-pot (vuurpot), m. Lom (zwemvogel aan onze X. kust, duikerhoen), m. âmen. Lombard, Lonil»erlt;l. m. Zie Lommercl. Lombarden. Lomberden. Zie: Lom-in er«len. Lomboen;? (Ind. schuur), m. âs. Zie: Lon-bong-. Lommer (schaduw), o. gmv. In het â der boomen. Lommeraelitig-. bn. Een â laantje. Lommerd (bank van leening, pandjeshuis), m. â s. Ook: Lomberd, Lombard. Lommerd en (dikwijls van den lommerd gebruik maken), ik heb gelommerd. Ook: Lomberden, Lombarden. Lommeren (in het lomnier zitten), ik heb gelommerd: â ing*, v. Lommerig; (schaduwrijk), bn. Een â plekje. Lomp (versleten lap), v. âen. In âen gekleed. Lomp (dom, ruw), bn. en bw. Een âe aanmatiging. (C. O.); âheid, v. Lomperd (domoor), m. â s. Lonbong* (Ind. bergplaats voor rijst en padie). m. â s. Ook: Lomboeng. Long' (ademhalingswerktuig), v. âen. Longiiiide (geographische lengte), v. gmv. Longitudinaal (overlangsch), bii. en bw. De âale trillingen van den (ether. Lonk (blik), m. âen. Lonken (eenigermate scheel zien), ik heb gelonkt; âer, m. Lont. v. âen. De â van een kanon. Fig. â ruiken, onraad bespeuren. Lontar (Ind. palm met hoogen stam, waaier-palm, levert suiker en stroop), m. â s. Loochenen (ontkennen), ik heb geloochend. De waarheid â, d. i. niet erkennen; alle schuld â ; âaar, m.; -ing, v. Lood (metaal), o. Iets weegt zoo zwaar als â, d. i. zeer zwaar; met â in de schoenen (ook |
met looden schoenen) aankomen, d. i. onwillig schoorvoetend; dat is â om oud ijzer, 't is evenveel van beteekenis of waarde, ril. weinig; die muur staat in het â, d. i. loodrecht. Lood (D.G.), o. âen. Een â kaneel. Looden bn. Met â schoenen gaan. aankomen, d. i. met onwil, met tegenzin, met angst. Looden (peilen), ik heb gelood; âer, m.; â ing, v. Loodlijn (rechtstandige lijn), v. âlijnen; â -lijnig, bn. Loods (gids ter zee om de schepen in en uit de haven te brengen), m. âen. Loofls (houten hut), v. âen; âje, o. Loodsen (een schip uit of in zee brengen), ik heb geloodst. Loodwit (zekere verfstof), o. gmv. Loof (maf, moede), bn. lem. â maken. Ik zal al wie Jan Salie ojmemen â maken. (Potg.) Loof', Lof (bladeren), o. â van aardappels. Loof lint (/sr. feesthui), o. âhutten. Looflinttenfeest (Isr. feest, begin van October), o. âfeesten. Loofstil (bladstil), bn. w. g. Loog (scherp zout water), v. gmv. Loogen (in loogwater zetten), ik heb geloogd. Katoen, linnen, hennep â : âing', v. Looi (run, d. i. gemalen eikenschors), v. gmv. Looien (leder bereiden), ik heb gelooid ; âer, m.: â erij, v.; âkuip, v. Look (een ui achtige plant), o. gmv. Huisâ, knofâ. Loom (traag), bn. en bw. Metâe schreden. Loomig- (loom), bn. en bw.; -heid, v. Loon (vergelding), o. âen. â naar werk, vergelding naar verdienste; 7 is zijn verdiende â, hij krijgt, wat hem toekomt (ongunstig); ondank is 's â werelds â. Loonen (vergelden, betalen), ik heb geloond; â er (belooner), m.; âing (belooning), v.; â heer, m. Loop (gang, tred), m. âen. De â der hemellichamen', de â der zaken; de â der natuur', op den â zijn-, de paarden zijn op den â, d. i. op hol; zijn verstand is op den â, hij is niet wijs. Loop (buis of roer van een vuurwapen), m. â en. De â van een geweer, van een buks, van een revolvereen getrokken â, met spiraalvormige groeven, die den kogel een wentelende beweging geven; de ledige ruimte van den â heet ziel; hel deel van den â, dat de lading bevat, heet de kamer. Loope, Lope (zekere inhoudsmaat), \. lopen. Een â koren, een â zout, een â appelen, vero. Loopen (snel gaan), ik liep, heb en ben ge-loopen. Laat dit maar â, bemoei er u niet mede; den drempel ergens plat â, zeer dikwijls ergens komen; met het hoofd legenden muur â, onzinnige pogingen doen; er loopt ivat van St. Anna onder, de zaak is niet zuiver; het vuur uit de zolen (.ook sloffen) â, zeer hard loopen; het loopt in het riet, in de war. Loopend (in beweging, in gang), bn. Het â e jaar; de âe week of maand; âschrift, vlug schrift (niet staand); de âe prijs, de marktprijs; de âe rente, nog te innen rente; een â vuur, een snel veldwinnend vuur. Looper, m. â s. Hij is â op dat kantoor, bood-schaplooper: d»' âs der smeden, sleutels, die op alle sloten passen; de â der trap, kleed, tapijt; de -s van een haas, de pooten. |
LOOPGRAAF-LUCHTZINNIG.
264
|
lioopgrasif (mil. onderaardse}te yang), v. â graven. l^oo|»jlt;k {kunstgreep^ boert), o. â s. fk weet er (vel een â op\ hij wil een â met ons nemen, ons voor den mal houden. l^oo|»Klt;*h. bn. Het hondje is â; â v. Look (ledig), bn. Een looze nout; een looze boodschap, d. i. een gemaakte boodschap. Een â onderwerp, b.v. Het rookt hier. IjOOk- (listig), bn. en bw. â liâ¬ki«l. v. 1lt;â¬gt;os. achtervoegsel, b.v. kinderloos, ouderloos, hopeloos, eerloos, d. i. niet hebbende; reddeloos, stoor loos, duldeloos, werkeloos, zonder te doen, wat de stam uitdrukt. IjOOS (scheepst. losse of slaphangende bocht in een touw), v. loozen. Loos (scheepst. waardeloos), bn. hen looze steng; looze zeilen. Ook wat dient tot sparing van het bestaande: looze poorten, borden, waarmede men de geschutpoorten sluit. Loot. Lot {kleine tak), v. loten. Loover (bladerkroon, het groene loof der boomen), o. â s, âen. Loowrtje (blaadje of schil ver tje bladgoud), o. âs. Een rnuillje met zilveren âs; een rood rokje met gouden âs. Loozen. ik heb geloosd. Een zucht â; het water â; iem. â, wegsturen; -in* v. Lor (oude lap), v. -ren. Fig. beuzeling, ook onbeduidend persoon. Lord (manstitel van den hoogen adel in Engeland), m. â s. Lorflin*- (zeew. driedraadsch geteerd garen), v. â s. Lorfl-major (eerste burgemeester van Londen). m. â s. Lordschap (waardigheid van Lord), o. gmv. Lorffiifcren (begluren, bespieden door een kijkglas). Lorgnet (knijpbril, handglaasje), o. âten. Lori (kleine luiaard op CeiIon), m. â's. Lori (fraaie papegaai der Mol ukken), m. â ?s. Lorkebooni (een soort pijnboom), m. âen. Zie: Lariks. Lorre (papegaai, aanspreking), v. â n. Zie: Lorretje. Lorren (bedriegen), ik heb gelord. Lorrend raaien (smokkelen), ik heb gelor-rendraaid; âdraaier (smokkelaar), m.; â -«lraaiâ¬krij. v. Lorretje (papegaai), o. -s. Hij is van â gepikt of getikt, onnoozel. niet te best wijs. Lorrewerk (knoeiiverk), o. gmv.; â kraam (rommelzoo), v. Lorrie (dienstwagentje op spoorwegen), v. â s. Lorrig (knoeierig), bn. â werk. Lors (slordige, aehlelooze urouw),\. â en.w.g. Los (lynx), m. âsen. Los (vrij, ontslagen, enz.), bn. en bw. Los (niet vast, vrij), bw. In samenstelling met het werkwoord aaneen te schrijven: losbarsten, losbranden, losgooien, enz. Losbanili* (ongeregeld), bn.; â heid. v. Losbarsten (barstende losgaan), het barstte â, is âgebarsten; ook: borst â, is âgeborsten; â barstin*' (ontploffing), v. Losbol (doordraaier), m. âbollen. Losbranden (scheepst. afschieten, afvuren), ik heb âgebrand. Een kanon â ; een roer â; brand er op â ! Losgeld (afkoopgeld), o. -gelden. Losgooien (scheepst. snel losmaken), ik heb â gegooid. De kabels â, |
Loslioofd (losbol), m. en v. âhoofden. Losjes (vluchtig), bw. Ergens â over heen loopen, d. i. zonder veel nadenken. Losplaats (scheepst. iverf of kaai, waar goederen gelost worden), v. âplaatsen. Losprijs, m. âprijzen. Zie Losgeld. Lossen (los, vrij maken), ik heb gelost. Eert schip â, ontladen; een kanon â, afschieten; panden in den lonimerd â afbetalen en zoo terugkrijgen; een schuld â, afbetalen; het roer d. i. loslaten. Losspil (zeew. windas), o. âspillen. Lot (in de loterij), o. âen. Het hoogste â. Lot (levenstoestand), o. Een hard â ; het â der armen. Lotelin* (dienstplichtige), m. âen. Loten (een lot of nummer trekken), ik heb geloot. Mijn zoon moet heden â ; een koek â, door loten verkrijgen; de gelote koek. Loterij (kansspel), v. âen. In de â spelen. Lotin* (het loten), v. -en. In de â zijn gevallen, dienstplichtig zijn. Lotto (lottospel, kienspel, nommer- of getallenloterij), o. â's. Lotus (Lggptische waterlelie), m. âsen. Drijvende bloemperken, door de â planten gevormd op Java. (Veth.) Louis (mansnaam: Lodewijk; ook een Frun-sche goudmunt, f 0,6-2), m. Loupe. Loup (handvergrootg la asje), v. â n. Lees: loep. Louter (onvervalscht zuiver, rein), bn. ergt; bw.; â lieid. v. Louteren (zietoren),ik heb gelouterd; âaar, m.; âin*, v. Louw (een zeelt), v. âen. gew. Louwmaand (Januari), v. Loven (prijzen), ik heb geloofd; âer. m.; â in*, v.; â en bieden, een prijs zeggen, op den prijs afdingen; de Godheid â, d. i. verheerlijken, danken, prijzen. Loyaal (getrouw, oprecht, wettig), bn. en bw. Loyaliteit. Loyaliteit (plichtmatigheid,gehoorzaamheid aan wet en plicht), v. gmv. Lub. Lubbe (plooisel, manchet), v. lubben. Lubriek (wulpsch), bn. en bw. Lucas ( patroon der schilders), m. De broeders van St. â. Lucerne. Luzerne (Fransche klaver), v. Lucht (dampkringslucht), v. -en. â scheppen, ademen; de â klieven, snel vliegen; in de â laten springen, vliegen', kasteelen in de â bouwen, dwaze plannen vormen; iets uit de â grijpen, d. i. verzinnen; een gat in de â slaan, hoogst verwonderd zijn; de â van iets krijgen, iets bespeuren, lont ruiken; een andere â opzoeken, d. i. klimaat. Lucht. bn. en bw. Een â huis; een âe kamer, licht, vroolijk; iets â opnemen, licht, gemakkelijk; met âen zwier; een âe dans. vero. Luchten (in de lucht brengen), ik heb gelucht. Nieuw opgedane kennis te â hangen, uitstallen, voor den dag halen. Luchter (kandelaar, lantaarn), m. â s. Luchtgeest (fab. sylplnjde), m. âgeesten. Luchthart (vroolijk mensch), m. en v. âen. Luchtharti* (opgeruimd), bn.; âheid. v. Luchti*. bn. en bw. Zij moest er toch niet â over denken. (C. 0*). losjes, licht; dat kind is â gekleed, dun, licht; ergens â over heen loopen, losjes. Luchtzinni* (vroolijk, luchthartig), bn. en bw. Dut is âe taal; â spreken. |
LUCIDE-
LUSTEN.
205
|
Lnfide (helder, klaar), bn. en bw. Ijiiciditeit {helderheid, klaarheid), v. gmv. I^ucifor {de naam eens duivels; morgenster; strijkzwavelstokje), m, â s. laieratief (winstgevend), bn. Een âieve be~ trekking. llt;ueretia (kuische vrouw), v. â's. liiictor et omer^o (ik worstel en hond het hoofd boven water). lelietor et emeiitor (ik worstel en bezwijk). IjticiilltiK (lekkerbek, smulpaap), m. LiKlolpliiaaiiscli. bn. Het â getal, bet getal pi door Ludolf van Keulen in 35 decimalen berekend (1586). liiigffubei* (treurig, somber), bn. en bw-Ijii^-nbriteit (treurigheid, somberheid), v. gmv. Lui (lieden), m. inv. Boerenâ, burgerâ] âtjes. o. mv. liiii (traag), bn. en bw.; â lieilt;l. v. laiiaarfl (lui mensch), m. âaards. Luiaard (aai of ai), m. âaards. Ijiiibak { luiaard), ra. en v. âbakken. Luibakken (luieren), ik heb geluibakt. Luibuis (luiaard), ra. âbuizen. Luibuizeii (luieren), ik heb geluibuisd. Luilt;l. o. Naar â van, d.i. naar den inhoud van. Luifl (ver hoorbaar), bn. en bw. Een â gelier; â roepen. Luiden (de kerkklok trekken), ik heb geluid; â er (luier), ra.; â iiigv v. Ook: Luien. Luiden. Lui (mensahen), ra. mv. Zie: Lieden. Luidens (volgens, overeenkomstig), vz. â artikel iöü van het Burgerlijk Wetboek is de man het hoofd der echtvereeniging. Luidkeels. LuidskeelN. bw. â roepen. Luidruelitip: (met geraas, met getier), bn. en bw.; â lieid. v. Luien. enz. Zie Luiden, enz. Luier (kinderdoek), v. âs. Ook Luur. Luieren (lui zijn, dagdieven), ik heb geluierd. Luifel (uitstek van den voorgevel), v. â s. Luik (blind), o. âen. Een zolderâ, een kelderâ. Luiken (sluiten), ik look, heb (liet oog) geloken. Geen slaap look haar oogen. (Tollens). De moede dag look het oog. (Beeloo); met geloken oogen. Luilak (luiaard), ra. en v. âlakken. Luilak (in sommige streken de morgen van den tweeden Pinksterdag; de langslapers vinden het woord op hun deuren geschreven), ra. en v. gmv. Vglk. lgt;auu treden. Luilakken (luieren), ik heb geluilakt. Luilekkerland, o. grav. Luim (gril, kuur), v. âen. In goede â. Luimen (loeren), ik heb geluimd. Op zijn â liggen, op de loer liggen: Heintje Pik (de duivel) lag op zijn â. Luimig (grappig, geestig), bn.; â lieid. v. Luip (luim, loer), ra. grav. Op zijn â liggen, op de loer liggen. Luipaard (katachtig roofdier), ra. âen. Luipen (loeren), ik heb geluipt. Luiperd (bespieder, gluiperd), ra. â s. Hij is een â, een valsch, huichelachtig raensch. Luis (woeket'diertje, snavel-insect), v. luizen. Luister (schittering, glans), ra. grav. Liiistewn (oplettend hooren naar iels), ik heb geluisterd; âaar. ra.; â injj. v. Luisterrijk (schitterend), bn. Een â feest, een âe overwinning. |
Luistervink (luisteraar), ra. en v. âvinken. â vinken deugen niet! Luit. Luite (snarenspeeltuig), v. âen. De âe, die haar (Jannetjes) vingeren zoo zoet tokkelden. (Potg.) Luitenant (plaatsvervanger), m. â s. Hij is â bij de infanterie, bij de murine, ollicier van lagerèn rang. Liiitenant-adjudant. ra. luitenant-adjudanten. Luitenant-admiraal, ra. luitenant-adrai-raals. Luitenant-Generaal, ra. luitenant-gene-raals. Luitenaiit-in$;'enieur, m. luitenant-ingenieurs. Luiwagen (vloerschrohber), ra. âwagens. Luiwammes (luiaard), ra. -wammesen. Luiwijvenjfoed (compositie ooi koper te schuren, poetsmiddel), o. grav. Luk (gelnk), o. â of raak. b.v. antwoorden, d. i. in het wild. Lukken i meeloopoi, voorspoedig gaan, gt.ed uitvallen), het is gelukt. Lukraak (onzeker), bw. Het is â, een treu Lui (zecw. stagzeil), ra. â len. I.ul (rnlt;gt;nd aan een pomp en brandspuit), v. Lullen (praten, S)lappen),ik heb geluld; -er. ra.; âemail (babbelaar), ra.; â epraat. m. Luniilt;kren ( aanbreken, krieken), o. gmv. Het â van den dag. Lumineeren dichten, schitteren, glinsteren). Lumineus (helder, lichtend, klaar \ lm. en bw. Lunime (nierstuk van een rund), v. â n. Lummel (lomperd, onbeschaafde jongen), ra. â s. Lummerliarst (ribbestuk), ra. âharsten; â stak. o. âstukken. Lima (de maan), v. gmv. Lunambiilisme (maanziekte, het sloap- wandelen), o. gmv. Lunariseli (de maan betreffende). I»n. Lunatie (de omloopstijd der maan), v. âs. Lunatiek (maanziek, grillig), bn. Luneli (het warme tweede ontbijt), o. âen. Lunderen (talmen), ik heb gehinderd; âaar (draler), ra.; â ing-, v. Linie «Ie miel (de tijd der wittebroodsweken), v. Lunet. Lunette (oog- of kijkglas;' brilschans een er citadel), v. âten. Luns (spie van een wagen as), v. lunzen. Zie Lens. Lunteren (talmen), ik heb gelunterd. Zie Liincleren. Lupine (vlinderbl. voeder plant), v. Lurt' (slip), v. lurven. lem. bij zijn lurven krijgen, pakken, d. i. ruw aantasten, bij den kraag vatten. Lurken (met kleine teugjes zuigen), het kindje heeft gelurkt; âer. ra. Lus. v. Zie Lis. Lust (genoegen, genot), m. âen. Jets met â doen; ergens â of geen â in hebben; het is een â; ik heb geen â tot iets, d. i. trek, verlangen; zijn âen bedwingen, d.i. hartstochten; zijn âen boeten, d.i. zijn begeerten, driften voldoen. Lusteloos (zonder lust, verdrietig), bn.; â lieid. v. Lusten, het heeft gelust. Het lust mij niet, het behaagt mij niet; hij doe wat hem last, wat hem bevalt. |
LUSTEN-MAAL.
266
|
{houden van), ik heb gelust. De hond lust {innrne vleesch. liUStiis* (yrooHjk, druk), l»n. en bw.; â lieitl. v.; â jes. bw.; âlijk. bw. Ijiistre (glanzige dunne wollen stof), v. Ken â jasje. Ook: Luster. (tijdruimte van vijf jaren), o. âs, lustra. Lnt {domme vrouw), v. -ten. Een trage â. Lutje (een weinigjé), o. â s. gew. Luttel (klein, weinig, gering), bn. en bw. Zij vroeg een â brood (Tollens); een âe moeite; als zelfst. naamw. o. Liinr (luier), v. luren. Het is nog een kind in de luren. Fig. iem. in de luren leggen, d. i. hem bedotten. Luw (windstil, beschuttend), bn. De dennen zijn ons bij windvlaag een -e wand. ( Staring.) Lu wen [ stillei* worden), het heeft geluwd. Het meer bedaart en luwt. (Bogaers, Redding); âiiijr, v. |
Luwte (windvrije plaats), v. gmv. In de â der dennen, der duinen. Luxe (pracht, praalzucht, weelde', overvloed), v. Luxurieus (weelderig), bn. en bw. Luxus (weelde, overvloed), m. gmv. Lyeseuiu (middelbare school), lycaea, â«. Lyuelieii (eigenmachtig zonder proces vonnissen en dooden; in N. Amerika tegen het einde der iGe eeuw in zwang gekomen, aldus genoemd naar John Lynch), ik heb gelyncht. Lees: lin-sjen; lyneiiwet (volksjusliiie), v. â ten; l.yueli^ereelit (volksrecht), o. -en. Lynx (los), m. âen. Lynxoo^en (scherpziende oogen), o. mv. Lyriek (lierdichtkunst), v. gmv. Lyriek (lierdichtmatig, Ignsch), bn. Lyriscli (zangerig, tot de lier be hoor end e), bn. Een â gedicht; de âe poëzie, eig. subjectieve dichtkunst, als ode, hymne, cantate, enz. |
M.
|
31. v. m's.' â De dertiende letter van het alphabet: â als Romeinsch getalmerk -100U. 31. â Magister (meester); ook: Mijnheer, 31. â Mark. [Monsieur. 31. of 3Ian. â Manipulis, een handvol (op recepten). 31. A. of 3Ian. Auet. â Munu aiictoris. door de hand des.schrijvers. 3Iaatseli.. 3Iü. â maatschappij. 3Iaj. â Majesteit. 31. A. L. â Magister artium libera Hum, meester der vrije kunsten. 3Iand. â mandatum, mandaat. Zie aid. 3fare. â Marcus, Evangelist. mase. â masculinum, mannelijk. 31attli. â Mattheus, Evangelist, m. e. â Mio conto, mijn rekening. 31. Igt;. of 3Ie«i. lgt;r. â Medicinae doctor, doctor in de medicijnen, geneesheer. 31. IK S. (op recepten) â misce, detur, signe- tur, meng. geef en teeken het. ineci. â medicijnen. 3Iej. â Mejuffrouw. 3Ievr.. 3fw. â Mevrouw. 31^r.. 3lsgr. â Monseigneur (titel van een prins of van een bisschop). m. i. â mijns inziens. 31ij nil. â Mijnheer. mil. â militair. mill. â mil Hoen. 3111e. â Mademoiselle, mejuffrouw. â Miles. â Mesdemoiselles. meju lïrouwen. 31. 31. â Messieurs, Mijne Heer en. m. m. of mut. mut. â mutatis mutandis, met de noodige veranderingen. 3Ime. 31alt;l. â Madame, mevrouw. 31.31. H.H. -- Mijne Heer en. 31. m. p. â Munu mea propria, met mijn eigen hand. 31.0. â Middelbaar onderwijs. mp. â manipulus, een handvol (op recepten). 3Ir. â Meester (academische graad). 31.31. Mijne Heeren of Mijnheeren. |
3Ir. â Monsieur (Fr.), Master (Eng.), mijnheer. 3I.S. â â Manuscriptum, handschrift. 31. S. C'. â Mandatum sine clausula, onbepaalde volmacht. 31. U. L. O. â meer uitgebreid lager onderwijs. mux. â muziek. 3f. W.O. â Militaire Willemsorde. 31a (verkorting van mama), v. ma's; maatje. 3Iaa$f (bloedverwant), m. en v. magen. Hij heeft vrienden noch magen; hij trok op met man en â; man en â te hulp roepen; ieder herkent er vriend of â of buur onder. (Koetsveld). 3Iaa^ (lichaamsdeel), v. magen. 3Iaa$;-lt;i (meisje), âen; maag-deke, o. ân; in poëzie: maagdelijn. 3Iaag,lt;l (sterr. sterrenbeeld in den dierenriem), v. gmv. 3Iaa$?4ielijk (rein, zuiver), bn. De tinteling van het âe was. (Da Costa); de man van het â metaal, nl. van liet zilver. (C. O ); de âe frischheid van den jongen dag. (J. t. B.) 3Iaa$fdelijn (klein meisje), o. â s. 3Iaa$sgt;deni»alm (sierplant met lichtblauwe of witte bloemen), v. âen. 3Iaasrdeiiwa«4 (een harsachtige slof door werkbijen uit de knoppen der boomen en planten verzameld om daarmede de openingen van den korf te dichten), o. gmv. 3Iaaj|fdom. m. gmv. 3IaaK'selia|» (magen), v.; (veivnaagschnp-ping), o. 3Iaaien. ik heb gemaaid. Naar men zaait, zal men men zal loon naar werken ontvangen; wie wind zaait, zal onweer â, het kwaad loont zijn meester. 3Iaaivoeten (slecht loopen), ik heb ge maaivoet. 3Iaak. v. gmv. De schoenen zijn in de â, zijn onderhanden. 3Iaal (keer), v. malen. Echter: Dit maal. 31aal (kofferzak, brievenzak), v. malen. De |
MAAL-MAGANG.
2G7
|
conducteur, die met de â naar binnen ying. Maal (eetmaal), o. malen. [(C. Ã.) Maal (vlek), v. malen. Moortel*â, v. Maalstroom (draaikolk), m. âen. Fig. Een â van vermaken, van mensrhen, van aandoeningen, van overpeinzingen, d. i. een groote menigte; van de branding in den â, van kwaad tot erger; itgt; den â der 'revolutie. Maan (hemellichaam), v. manen. Maand (Vis deel van 'tjaar), v. âen. Maamla^. m. âen; â m»Ii. bn. Maandbloeiers (aardbeien), m. mv. Maainlelijks^bw. Zij ontvangen â hun loon. Maandelijksvli. bn. De âe rekening. Maandroos (roos, die elke maand een bloem draagt), v. ârozen. Maandselirift (boekwerk, dat per maand-a/levering verschijnt), o. âen. Maaneclips (geheele of' gedeeltelijke verduistering der maan), v. âen. Maans'estalten (verschillende sch ijnvor-men der maan), v. mv. Maangodin (myth. Luna. Diana), v. gmv. Maanjaar (jaar bevattende 12 u)nloo/ien der maan), o. âjaren. Het â telt oöi dagen en ruim ó' uur. Maankop (kop af zaadhuisje), m. (de papaverplant), v. âpen; (slaapmiddel), o. gmv. Maansver*luistering;- (maanerlips). v. â en. Maanviseli (klompvisch. zonnevisch), m. â -visschen. Ue â is een zeer groote zeevisch, blauwachtig grijs van 'kleur. Maanziek (waanzinnig), bn. en b\v. Maanxiekle (slaapwandelen), v. gmv. Maar (tijding), v. maren. Zie Mare. Maar. b\v. en vw. Doe het â; ik heb â ren gulden, slechts, enkel, bloot, louter; hij tvil ivel, â hij kan niet, doch. Maar (voorwaarde, beding), o. maren. Er is een â bij; hou toch op mei je maren. Maar, Mare (nachtmerrie), v. gmv. Van de â bereden zijn, de nachtmerrie hebben. VI. Maarselialk (opperveldheer), m. âen. Maarselialksslaf' (ken tee ken der waardigheid), m. âstaven. Maart (lentemaand), m. gmv. â roert zijn staart. Maartseli, bn. De âe buien, als in Maart, van Maart. Maas (ruitvormige opening van een net), v. mazen. Fig. door de mazen der wet kruipen, arglistig een wet ontduiken. Maas (hoofdrivier in ons land), v. Maat (makker, spijsgenoot), m. â s. Maat (om te meten), v. maten. Maat jesliarlns: (jongeharing), m.en v.gmv. Maatjespeer (bergamotpeer), v. âperen. Maatregel (schikking, ordening), m. âen, â s. Zijn âen nemen. Maatsehap, v. âpen; â pelijk. bn. en bw. Maatseliappij, v. âen. Maatstaf (meter, grondslag), m. âstaven. Den â te klein of te bekrompen nemen, (C. O.) Mae. m. Een Schotsch woord, dat zoon bet. Doorgaans: M\ Maeadam (granietkiezel), o. gmv. Maeadamiseeren (een weg met kléin ge-stooten granietkiezel of kalksteen bedekken, naar de uitvinding van Mac Adam). Maearoni (meelreepen, deegdraden, een geliefde volksspijs in Italië), v. gmv. Maeelaiavellisme (staatsleer van Macchia-vel li [1515J; sluwe, arglistig.' staatkunde), v. |
Maee«loine (een soort van gelei, uit verschillende groenten- en vruchtensoorten bereid; ook letterkundig allerlei), v. â s. Maeereeren (inbijten of invreten; mager, droog maken; zich martelen, kwellen, afmatten). Maelié (gekauwd), bn.; papierâ, papierpap. Machinaal (met behulp van een kunstwerktuig vervaardigd; lig. onnadenkend, volgens sleur), bn. Machinatie (kuiperij, weefsel van sluw berekende plannen), v. â s, â tiën. Ik ken uw nieuwste âtién om personen te verwijderen, die u in den weg staan. (C. O.) Machine (kunstwerktuig, kunstgreep, aanslag, list), v. â s. Machineeren (kuiperijen maken, iets kwaad uitdenken). Machinerie (toestel), v. â'in. Machinist (behandelaar of vervaardiger van een stoomwerktuig), m. âen. Machochel (dikke vrouw), v. â s. Macht (sterkte, kracht), v. âen. Uit al zijn â loopen, zoo hard als men kan; hijâe zijn, iets kunnen, in staat zijn; dit gaat mijn â te boven, dit valt mij te zwaar; de wetgevende â, de uitvoerende â, de landâ, de zeeâ, de hemelsche âen, de goede geesten; de helsche â et}, de booze geesten. Machteloos (zonder macht), bn. en bijw.; â heid. v. Maehlhebbende (gezaghebbende), m. en v. -n. Machtig (sterk, krachtig), bn. en bw. Machtigen (de noodige volmacht geven), ik heb gemachtigd; â^in^, v. Machtsbetoon, o. gmv. Machtspreuk (kernachtig gezegde), v. âen. Gedurig brak hij kort en met een â af. Een beslissende â. (Koetsveld). Mackintosh (waterdichte regenjas), v. â en. Macon (vrijmetselaar), m. âs. Mavonnerie (vrijmetselarij), v. gmv. Macrocosinos (de wereld in het groot), m. gmv. Het onderscheid tusschen den â der maatschappij en den microcos mus der Academie. (Klikspaan.) Maculatuur (misdruk), v. gmv. Madainâ¬k (mevrouw, juffrouw), v. mesdames. Made (kaasworm, larve), v. â n. Ook: Maai. Made (weide, maailand), v. â n. Madelief (weidebloem), v. madelieven. Mademoiselle (juffrouw), v. mesdemoiselles. Madera (morr/t'mt'yn), v. gmv.: naaderaatje. Madi$f (vol wormen of maden), bn.# Madoereezen (Ind. bewoners der O. punt van Java), m. mv. Madonna (heilige maagd; beeld van id.), v. â ?s. Madreporeu (steenpoliepen), v. mv. Madrigal (klein, zinrijk lyrisch gedicht), o. â s. Ma-ander (kromme, bochtige lijn), m. â s. Zie Meander. Miecenas (beschermer, begunstiger van geleerden en wetenschappen), m. âsen. Maëstoso (verheven, majestueus, prachtig), mnz. Ma-stro (Ital. elk beroemd toonzetter, componist), m. â's. Maf (laf, vadsig), bn. en bw. Het is â weer; dat is een âfe vent. lem. voor het -je houden, voor den gek. Ma^'an^' (Jav. leerjongen), m. â s. |
MAGAZIJN - MALENGEREN.
268
|
Magazijn {voorraadschuur, yroute winkel), o. âen. Maimer (schraal, niet vet), bn. en bw.; â -lieifl. v. Ma^eiMla^* (R. K. vastendag), m. âen. Het is vandaag â. Ma^crinaii (spichtig mensch, schraalhans), m. âmannen. Mag-crtjes (onbeduidend, nietig), bw. Ma^i (Gastrische wijzen), m. mv. Ook: Magiërs. Marions (toovenaar), m. magici. Ma^ie (tooverij, Oosterse he toover kunst), v. gmv. Magiërs (priesters bij Meden en Perzen), rn. mv. Bij uitbr.: Oostersche wijzen, niet onbekend met tooverij, Magister (meester in de vrije kunsten, leermeester), m. âs. ^lagisfraat (regeering, overheid, overheidspersoon), m. âaten. 9Ias:iKtraatN|gt;ei*M04gt;ii. m. âpersonen. ^ag^istratiiur (openbaar gezag, rechterlijke macht), v. Magnaat (rijksgroote in Hongarije en Polen), m. magnaten. Manila riiarfa (Jan zonder Lands grondwet [1215]), v. gmv. Mag'iianioiii (grootmoedig, edelaardig), bn. ^la^'iianimitcit (grootmoedigheid), v. gmv. Magneet (zeilsteen), m. magneten. 3Ia}ffne«'tkies (zwavelachtige ijzererts), o. Men vindt â in Skandinavië. ^Ia^'iilt;'otiiaal«l (kompasnaald), m. âen. Magnesia (talkaarde, bitteraarde, een soort van artsenij), v. gmv. Ma^nesiiim (metaalstaf in de magnesia aanwezig), o. gmv. Slagnetiscli (aantrekkingskracht uitoefenend), bn. Een âe slaap, hypnotisme; een bezwerende of âe kracht op iem. uitoefenen. (C. O.) M[aj£iietlseereii (magnetisch maken, de aantrekkende kracht mededeelen; door zekere gebaren en aanrakingen in een soort ver-dooving brengen. Magnetiseur (uitoefenaar of beoefenaar van het magnetisme), m. â s. Magnetisiiie (magnetische kracht en toepassing er van), o. gmv. Het dierlijk â. Ma^nifieat (li. K. lofzang ter eere e. Maria), o. Ma^nifieentie (pracht, heerlijkheid), v. gmv. Magnifiek ( prachtig, luister rijk,kostbaar), bn. ^fagnolia (boom in N. Amerika en N. Azië), m. â's. IHagronia (naaldachtige boom in Brazilië), m. â's. Ma^yaarKeli (Hongaarsch), bn. als zn. o. Magyaren (oorspronkelijke naam voor de Hongaren), m. mv. 3Ialilt;li (profeet, die Mohammeds werk zal voltooien, door de ongeloovigen tot den islam te brengen of uit te roeien), m. â's 3Ialioiiiecl (de groote profeet der Islamieten)', â aan. m. âanen; â aansch, bn.; â aniline, o. het Mahomedaansche geloof. Malionie (bruinrood meubelhout), o. gmv. Malionielioiit. o. gmv. Een tafel van â. Maiil (brievenpost van en naar Indië; lees: meel), v. â s. Een âbrief schrijven. Maal. 9Iaiiiteiieereii (in stand houden, onderhouden; iemand beschermen', een maitres onderhouden). |
Ma ire (burgemeester in Frankrijk), m. â s. M airiei b urgemeesterska mer, gemeenteh i (is).\\ Maïs (Turksche tarwe), v. gmv. Op Madoera is â hoofd voedsel. Maltre (meester, heer, gebieder, baas), m. Maitrosse (meesteres, vrouw des huizes; bijzit, maitres), v. â n. Majas (Ind. orang-oetan), m. âsen. Majesteit (hoogheid), v. âen; â sselieu-«ier. in.; â sselieimis. v. Majestueus (indrukwekkend), bn. Een waterval is een â gedruisch. (C. O.) Majoliea (lichtroode fa ge nee uit Major ka\ v. gmv. Majoor (hoofdofficier), m. â s. Majoor-in^-eiiienr. m. majoors-ingenieurs. Majooi'siiiiiforin. v. â en.. Major (de grootere, oudere),'m. â s. Major «loiinis (huismeier der Merovingers), m. majores domus. Majoraat (het recht van den oudste in een familie), o. âraten. lili*jorite\t{meerderheid,meerderjarigheid),\* Mak (tam, niet wild), bn. en bw.; â heifl. v. Makassaren (Ind. bewoners van Z.W. Celebes), m. mv. Makelaar (tusschenpersoon in den handel), in. â s, âaren; â lt;iij. v.; â scliap, o.; â a-res, v. Maken, ik heb gemaakt. Zich uit de voeten â , heengaan, op den loop gaan; hoe maakt gij het'? d. i. hoe is liet met den staat uwer gezondheid: de student maakt het goed, slecht* d. i. past goed of .slecht op; hij zal het niet lang meer â, de ziekte, het leven loopt op een eind; veel werk van iem. â, het druk met iem. hebben, veel attentie wijden aan iem. Maki (vosaap op Madagascar), m. â quot;s. Makker (kameraad), m. â s. Makreol (stekelvinnige zeevisch), m. âen. Makrol (slecht vrouwspersoon), v. âlen. Makrone. Makron (amandelkoek), v. â s. Maknba (zekere fjne snuif soort), \. â tabak. Mal [model in 't klein, vorm), m. âlen; â -letje. o. â s. Mallet]e aan â maken, machinaal werken. Mal (zot, kinderachtig, dwaas), bn. en bw.;. â lieid. â ligiieilt;l. v. Malaga (zekere Spaunsche wijnsoort), m. gmv. Malaise (onaangename toestand, gedrukte stemming), v. gmv. Mal-a-propos (ten ontijde, ongelegen), bw. Malaria (moeraslucht, moeraskoorts), v. gmv. Maleontent (ontevreden), bn. Maleontenten (misnoegden), m. mv. Maliler of Maller (werkman bij den scheepsbouw), m. â s. Makier (Duitsche korenmaat), o. â s. Maleier (bewoner van de Groote en Kleine Soenda-ei landen tot en met West-F lores), m. â s. De Atchineezen zijn âs. Maleiseli. bn., als zn. o. Malen (fijnmaken), ik heb gemalen. Die het eerst komt, het eerst maalt, de eerstgekomene moet het eerst geholpen. Malen (schilderen, beschrijven), ik heb gemaald. Malen (zeuren, zaniken, lastig zijn), ik heb gemaald; inaler. m.; malerij, v. Malen [ mijmeren, peinzen, een idee-fixe hebben), ik heb gemaald. Wat bragt zijn (Otto's)-geest aan 't â'? Malend-eren (scheepst. luieren), ik heb ge- |
MALENTENDU - MANGGIS.
26;)
|
malengerd. â komt op een schip voor een 'matroos niet te pas. Malenteiulii {misverstand', dwaling, misgreep). o. â s. Malcvolontie (kwade gezindheid, afgunst), v. Malïir*'' (in weerwil, ondanks), vz.; bon ISvG â (goedschiks of kwaadschiks). MallicMir (ongeluk), o. â s. 3Ialliciirlt;'iis (ongelukkig), bn. Mallioiinet {oneerlijk; tuiheusch, onbeleefd), bn. en bw. Malice (boosheid, kwaadaardigheid), v. gmv. Malicieus (boosaardig), bn. en bw. Malie (een ringetje van staal-, ijzer- of koperdraad van een maliënkolder; ook een nestel), v. â ën, â s. Maiie (houten kolf. hamer), v. â liën, â s. Maliebaan (speelplaats voor het kolfspel), v. âbanen. De â te Utrecht. Maliën (in de maliebaan spelen, kol een), ik heb gemalied. Maliënkolder (harnas uit ringetjes vervaardigd), ni. âOok: â lienul. o. âen. Mali^-niteit (boosaardigheid), v. âen. Maling' (mijmering, onrast), v. Indeâ zijn, d. i. in de war; in de â nemen, voor denzot houden; in de â komen, in quot;t gedrang dor kwajongens komen; iem. een â maken, d. i. grof toespreken. Malkaar (afbreken: malk-aar), vnw. Zij bedriegen â . d. i. elkander. Ook: Mekaar. Malkander (afbreken: malk-ander), vnw. Zij bederven âs werk. Malkriiiti (bilzenkraid), o. gmv. Mallejan (groot voertuig op hooge tvielen), m. â s. Malleni4»len (kermismolen), m. âs. Mallen {dartel stoeien, dwaas doen), ik heb gemald. Mallepraat (zottepraat). m. gmv. Malloot {malhoofd, dwaze vrouw), v. âloten. De overige dansers en danseressen stonden als malloten te kijken. (Potg.) Mallote (steenklaver), v. gmv. Malseh. bn. en bw., inalscher. malscht; â vleesch, zacht, week, sappig; âe verzen, aangenaam, zoetvloeiend: lig. het iem. lang niet â zeggen, d. i. op alles behalve aangenamen toon; â lieiti, v. Maltenli^' (zeer nauwgezet, stipt, hoogst zindelijk), bn. Lekkernijen, die zooals âe men-schen beweren, de kinderen ziek maken. (C. O.); â lieid. v. Maltliexer (afkomstig van Malta), bn. â -ridder, Johannesridder. Maltraiteeren {mishandelen, doorhalen). Maluwe (zeker kruid), v. ân. Ook: Malve. Malva (veelbladig kruid, vil tachtig van stengel), v. â ?3. Zie Malnwe. Malve (kaasjeskruid), v. gmv. Malversatie (kwade praktijk, verduistering van gelden), v. âs, âtien. Malverseeren (zijn ambt niet getrouw tvaarnemen). Malvezij (Grieksche zoete wijn), v. gmv. Mama. Ma (moeder), v. â s; Mamaatje. Manieliik. m. âken. Zie Maninieliik. Maniiering- (zeew. scheepsgoot van leder, zeildoek, enz.), v. âen, â s. Mainnielnk (Egyptisch vnter), m. âken. Maininon (geldgod), m. gmv. Den â dienen, op geld azen, aan aardsche schatten hangen. Mainniontli (voor(vereldlijkeolifant),m. â en. |
Manisel. Mamniesel (juffer, uit: Mademoiselle), v. â s. En Mama zei 't met Mam-zei. (Staring.) Man (mannelijk persoon), m. ânen. Aan den â brengen, iets verkoopen; dat zal zijn â ivel vinden, d. i. zijn kooper; hij staat zijn â, d. i. zijn tegenpartij; hij is âs genoeg, sterk genoeg: als de nood aan den â komt, als er groote nood is; ik zal u â en paard noemen, d. i. alles in bijzonderheden zeggen: een â een â, eenivoord een woord, spreekwijs voor: wij zullen trouw zijn aan ons woord, dat is een galden per d.i. per hoofd; het schip is met â en muis vergaan, d. i. er is r.iets of niemand gered; ânetje, o. ânetjes; gmz. m mneke. Man (echtgenoot), âs of ânen. De dames werden door haar âs gehaald. , Manager (leider van een tvedstrijd), m. â s. Manche (la) (het Kanaal), v. gmv. Manchester (katoenfluiueelâ o. gmv. Manchestf er pari ij (staatkundige partij voor j den vrijhandel in Engeland), v.' gmv. Manchet (handlubbe), v. âten. { Mand (korf), v. âen. Door de â vallen, bekennen, schuld erkennen. Mandaat (bevelschrift, lastbrief, volmacht, : opdracht), o. âdaten. Mandarijn (openbaar ambtenaar in China), m. âen. Er zijn burgerlijke en militaive âen. Mandarijntje (kleine sinaasappel uit Malta), ! o. â s. Mandataris (lasthebber, gevolmachtigde), m. j ârissen. Mandan (koppensnel)nes der Dajaks), v. â quot;s. Mandeinent (herderlijkebrief, bisschoppelijk schrijven), o. âen. Mandiocca (wolfsmelkachtige plant), v. gmv. De â is een voedingsmiddel in Midden-Amerika. Mandjeskoop (venter), m. â koopen. Mandoer (eerste bediende in een hotel), m. â s. MandoBine.Mandolijn {muziekinstnnnent, kleine gitaar), v. â s. Mandragora (plant, alruin), v. gmv. Mandril (groote aap of baviaan van Guinea), i m. âs. De afschuwlijke â, hansworst der ⢠verzameling. (C. O.) ! Mandvol, v. manden vol. Manëg'e (rijbaan, rijschool, rijkunst; iedere I africhting van dier of mensch; listige han-i del wijze), v. â s. Manen (nekharen), v. mv. De â van den ! leeuw, van het paard. Manen (aansporen tot betaling), ik heb ge-I maand: âer. m.: â ins'. v. Mangaan (bruinkool), o. gmv. Mangat. Mannegat tot den stoom- 1 ketel), o. âgaten. Mangel (werktuig om waschgocd glad te maken), m. â s. ! Mangel (gebrek), o. Bij â van, bij ontsten-1 tenis, bij gebrek-Mangelen (gladmaken van linnen enz.), ik heb gemangeld; âhord (ook âplank), o. Mangelen (ontbreken), het heeft gemangeld. Het mangelt hem aan moed, aan geld, enz. Mangelwortel (beetwortel, roode biet), m. âwortels. De â dient vooral als veevoeder. Mangga (Ind. pruimachtige vrucht van den â boom), v. â quot;s. Manggis (Ind. vrucht met zuurzoet vleesch), \ v. âgissen. |
MANHAFTIG-MARINE.
270
|
ManhaftijK* (dapper, strijdlustig), bn. en b\v.; â lieid. v. Mania bol {handelbaar, lenUj, zacht', fig. gezeglijk), bn. Maniak {waanzinnige), m. en v. â s, âken. Maniclucër {aanhanger van zekere godsdienstige christelijke sekte), m. â s. Manie {zielsziekte, overijling van drift; waanzin), v. gmv. Manier {wijze van doen, van handelen), v. manieren. Maniessan (Ind. zoetigheid, confituren), v. gmv. Manifest (scheepst. tabelsgew ij ze opsomming van al de goederen der lading, cargalijst), o. âen. Manifest {openlijke bekendmaking, verklaring van een vorst of regeering over een staatsaangelegenheid; een staatsschrijven;ook verdedigingsschrift), o. âen. Manifestatie {openbare daad, openbare vertooning met het doel om zekeren indruk te weeg te brengen), v. â tiën, â s. Manitesteeren {openlijk doen blijken). Manilla {sigaar eener tabaksoort van het Philippijnsche eiland Manilla), v. â's. Manilla-liennei». m. gmv. Zie Abaea. Manilla-sigaar, v. âsigaren. Manille {tweede matador of troef in het omber- en quadrillespel), v. â s. Maniok (broodwortel, heester in Z.-Amer.), m. Manipel (R. K. armband), m. âs. Manipulatie {betasting, handbeweging), v. â s, â liën. Maniptileeren {betasten, bestrijken met de hand). Manis. m. Zie Selmbflier. Mank {kreupel), bn. Fig. Aan een euvel â gaan, eenig zedelijk gebrek hebben; deze vergelijking gaat â ; â heid. v. Manke Willem {volksnaam van de clivia), m. â Willems. Mankeeren {ontbreken, tekortkomen, tekortschieten; zijn betalingen staken, failliet zijn). Mankenient {fout, gebrek), o. âen. Mankop, o. Zie Maankop. Manlijk. Mannelijk, bn. en bw. Een â karakter; zich â gedragen; het â geslacht; een â leen; een âe ziel. Mannioefli*? {dapper), bn. enbw.; âheid. v. Manna {verhard plantensap, zoet van smaak), o. gmv. Bijb. liet â der woestijn. Manne4|eiin {draag- of mar kt korf; ledepop; onzelfstandig mensch), m. â s. Mannetjes, o. mv. De diernamen met mannetjes verbonden, worden als samenstellingen aaneengeschreven, als: âgans, âvink, enz. Maiuenvre {handeling, handgreep; kunstmatige besturing van een schip, van krijgsvolk; krijgsoefening; slinkse he wegen, listen en lagen), v. â s. M a i ne ii v ree re n {bewegingen verrichten, bijzonder met troepen of schepen). Manometer {werktuig tol het meten van de spanning der lucht, ook: tot meting van die van den stoom in den ketel), m. âmeters. Mans. bn. Hij is â genoeg, sterk, bij de band. Mansbloed (St. Jans kruid), o. gmv. Manseliap {bemanning), v.; â seliappen (soldaten), m. mv. Manseliap {trouwhuldiging), v. Hij deed zijn heer hulde en â. Manslag {doodslag), m. âslagen. |
Mansoor {vergiftig gewas uit de familie der aristolochia), v. gmv. De â bloeit bij 0i(amp; onder hazelaren van April tot Juni. Manspersoon, m. âpersonen. Mantel (kleedingstuk), m. â s. Fig. Onder den â van godsvrucht, d. i. onder den schijnr het voorwendsel; iem. den â uitvegen, scherp, doorhalen, berispen. Mantel (scheepst. takel in het groote want)r m. mantels; âschelp {dier), v. âen. Mantille {manteltje), v. âs. Man trie (Ind. beambte, opziener), m. â s. Manuaal (handhoek, dagregister; in de muz^ het klavier of de toetsenrij in tegenstelling van het pedaal), o. âalen. Manuaal (handgreep, âbeweging), v. âalen. Maimdnetie {handleiding, aanwijzing), v. â s, âtiën. HixnuUwiiirvtt (voortbrengselen van handen-of fabrieksarbeid), v. mv. Mainifaetiirier (winkelier of koopman ia manufacturen), m. âs. Manufaetiirist {nianufacturier). m. âen. Mamiseript (handschrift), o. âen. Mappe (omslag, teeken- of brie vent asch), v. mappes. Mappt'inomle (algemeene wereldkaart), v. â mondes. Ma rabont (Moham m. priester eener moskee)r m. âs. Ook: Maraboet. Marabout. Marabie (ooievaar van HIndostan), m. â s; â veerâ¬'ii (zijdeachtige witte veeren voor dameshoeden, door der: vogel onder den staart gedragen), v. mv. Freule Constance is ja loersch ran uwe âs. (C. O.) Maranta (pijlwortel), v. â's. Maraskijn (kersepitten-brandewijn), o. gmv. Maraskino (marasquin, fijne likeur), v. gmv. Zie Maraskijn. Marasme. Marasmus (ziekte, uittering vcm het lichaam), o. gmv. MareliaiKl (koopman, handelaar), m. â s. Marelianfl^'eren (handelen; afdingen, knibbelen). Mareheeren (te voet gaan, uitrukken). Mare {merrie), v. gew. Het is van de â bereden, d. i. van de nachtmerrie. Mare. Maar (tijding), v. maren. Marechaussee (militair dienaar van politie), m. â s. Marechaussees (korps bereden politie, oorspronkelijk grensbewakers), m. mv. Het korps werd opgericht HG Oct. 1814. Mareiiinien {westelijke moerassige kuststreek in Italië), v. mv. Maren (meren, een schip vastleggen), ik heb gemaard. Marentak {altijd groene woekerplant), m. â takken. De âtakken leven op appel- en pereboomen en populieren. Ook: Vogellijm. Marji'a (Ind. stam der Bataks), v. â's. Margarine (grondstof der kunstboter, ook de kunstboter zelve), v. gmv. Mar gariet {parelglimmer), o. gmv. Het â is pa rel m oer ach t ig. Marjie (ledige rand langs brieven), v. â s. Marginaliën (kantteekeningen), v. mv. Marline (in) (op den rand), bw. Maria^las (vrouwenijs, ijskristal), o. gmv. Marine (het zeewezen van een staat en' al wat daartoe behoort), v. gmv. Het departement van â ; de Engelsche â ; de Ne der-landsche â. |
MARINEEREN - MASTIEK.
271
|
3Iariiiâ¬*eren (inzouten of inmaken in azijn), Haring â. Marinier (zeesoldaat), m. â s. Marioleiii. gt;Iarjoleiii (lipbloemige plant), v. gmv. De bloem de.' â is roos- of vleaseh-kleurig. Marionet (kunstige t ede pop aan een draad, waarmede men comedie speelt), v. âten. Marionettenspel (poppenspel), o. â len. Marltaal (hetgeen tot een echtgenoot en zijn rechten behoort), bn. Maritiem (betreffende het krijgswezen ter zee), bn. Het âe etablissement te Soerabaja; de âe autoriteiten', de âe macht. Mark. Marke (grensgewest, ook Saksische gemeente), v. âen; â gfenooten, m. mv. Mark (gewicht voor edelsteenen, ± 2,5 Gr.), o. âen. Een â is 24karaat, elk van24grein. Mark (landstreek tusschen Pyreneeën en Ebro), v. De Spaansche â. Mark (Duitsche munt, ± f 0,60), v. âen. Marketenter (zoetelaai', koopman in ver-verschingen), m. âs; âij. v.; âster. v. â s. Markenr (opteekenaar; bi Ij art jong en), m. â s. Markgraaf (grensgraaf), m. âgraven. Zie: Markies. Markies (markgraaf), m. markiezen. Markiezin, v. â nen. Markizaat (markgraafschap), o. Markt (plein of publieke plaats tot koop en verkoop of ruil), v. âen. De tuolâ, de veeâ, de lederâ, de boterâ, enz.; een jaarâ, een weekâ, een voorjaarsâ, enz.; â lial (overdekte markt), v. âhallen. Markt. v. âen. Fig. Hij is van alle âen thuis, hij is van alles op de hoogte; bij het scheiden van de â leert men de kooplui kennen, bij :t afrekenen of eindigen van zaken leert men iemands karakter kennen. Marlen (scheepst. de zeilen met marling aan de lijken vastmaken), ik heb gemarld; âpriem, m. âen; âreep, m. âen; âtouw, o. âen. Marlijn (scheepst. touw, geschikt om iets te meren of vast te binden), v. âlijnen. Marling, Merlin;? (scheepst. dun, sterk ineengedraaid koord), v. gmv. Zie Marlijn. Marmel (knikker van marmer), m. â s. Marmelade (verdikt vruchtensap, met suiker bestrooid), v. â n, â s. Marmeldler (marmot), o. âdieren. Marmelen (met marmeren knikkers spelen), ik heb gemarmeld. Marmer (fijnkorrelige kalksteen), o. gmv. Een vloer van â. Marmeren (als marmer kleuren), ik heb gemarmerd. Een houten schoorsteenmantelâ. Marmite (ijzeren of koperen pot om in te koken; veldketel), v. â n. Marmot (bergrat, eekhoornachtig knaagdier), v. âmotten. De â leeft in het hooggebergte van ons werelddeel. Marodeeren (op marode, op plunderen of stroopen uitgaan, rondzwerven). Marodeur (achtergebleven soldaat, zwerver, strooper), m. â s. Marokijn (gekleurd bokken- of geitenleder, eig. Marocco-leder), o. gmv. Zie Cordnaan. Maronieten (Christensekte, aan den Libanon), m. mv. Marot (zotskolf), v. âten. Elke zot heeft zijn elk heeft zijn stokpaardje, speelpop. Marquise (scherm, overdak), v. â s. Marren (talmen), ik heb gemard. |
Marron (W. I. boschneger in Suriname) r m. â rons. Mars (scheepst. houten vloerring om den mast, waar de hoofdtouwen gespannen worden), v. âen. Mars (draagkorf), v. âen. Hij heeft niet veel in zijn â, hij weet niet veel. Marseli (regelmatige beweging, l:.v. van troepen-, ook: de tocht zeil), m. âen. Marseli (kort muziekstuk, door blaasinstrumenten bij het marcheeren uit te voeren), m. â en. Een krijgsâ, een feest-, een kroningsâ, een parade-, een doodenâ. Marseillaise (krijgslied der Marseilianen, der republikeinen \1102} uit Marseille), v. gmv. Marsepein (amandelbrood), o. â peiren. Marsera (scheepst. marszeilra, de tweede ra van onder), v. âraas. Marsiliaan (Venetiaansch vaartuig), m. âanen. Marskramer (venter), m. âkramers. Een Chineesch â. (J. t. B.) Martelaar (bloedgetuige), m. âs. âlaren. Martelen {folteren), ik heb gemartelc'; âIng-, v. Marter (zekere wezel, verscheurend zoogdier), m. â s. Marter (bont van martervel), o. gmv. Martiaal (krijgshaftig), hn. Een â voorkomen. Maryland (zekere tabaksoort uit Maryland), o. Mas (massa, hoop), v. âsen. vero. Maseotte (talisman, tooverding), v. ân. Maske (bloeiwijze), v. â n. Maskeeren (bedekken, verbergen, het uitzicht benemen). Masker (momaangezicht), o. âs. Het â afdoen, afrukken). Maskerade (verkleeding op carnaval; studentenfeest), v. â s. MasBcerc^n (vermommen), ik heb gemaskerd. Maskiiliet of Mazuliet (zekere Indische sloep), v. âlieten. Massa (hoop, menigte, de door gewicht te bepalen hoeveelheid stof, inhoud van een lichaam] het gansche vermogen of de nalatenschap; een som), v. â's. Massa (mil. gesloten kolonne, troepenmacht^ v. massa's. Massaere (bloedbad, gruwelmoord), m. â s. Massaereeren (neersabelen, vermoorden). Massage (heelk. bewerking der spieren), v. gmv. De â bestaat in: effleurage, zacht strijken; petrissage, kneding; klopping; ook â a friction, wrijving. Masseeren (het knijpen en wrijven van zieke-lichaamsdeelen). Masseur (iem. die masseert), m. â s. Massief (van metalen: zuiver, dicht, vast), bn. F2en âsieve gouden ring, d. i. een ring. die niet hol is; â siever. Massooi (Ind. aromatiekebast, geneesmiddel; een verfstof van den boom van dien naam, v. gmv. Massooilgt;oom(lnd. boom opNieuw-Guinea), m. â boomen. Mast, m. âen. Fig. Er kunnen geen twee groot e âen op één schip zijn, er moet er maar één zijn, die gebiedt; ik ben twee jaar voor den â geweest, d. i. matroos. Masteliiln (brood, gebakken uit half tarwe en half rogge), o. âen; âbrood, o. Mastiek (stopsel bij 't voegen), v. gmv. |
MASTIK-MEDEWETEN.
|
Mastik (welriekende hars uit den slam van den âhoorn), m. gmv. Masto«loii {dikhuid der eoonuereld), m. âs. Mat (Z.-Amerik. dollar = f 2,00), m. âten. Mat {vloermat), v. âten. Mat (landmaat, een uitgestrektheid gronds), o. âten. Mat (aitgepi't), bn. en b\v.; âheitl. v. Zie ook: Soliaakmat. Matatlor {stierendoode ' in Spanje), rn. âs. Matador (hooge troef' in 't omber- of quadrillespel), m. â s. Matador (man van rang, vermogen, enz.), m. â s. Matcli (sport, wedstrijd), v. âes. Lees: metsj. Maten en 4gt;euieliteii (Stelsel van) (het algemeen gebruikte tiendeelig stelsel met den M. als grondslag), o. gmv. Maler {moeder in een klooster), v. â .s. Materiaal {grondstof), o. âalen. Materialen (bouwstofjen van een huis), o. mv. Materialisme. Materialisinns (leer, dat de stof het begin en eind is van alle dingen), o. gmv. Materialist (aanhanger van het materialisme), m. âen. Materialistiseli (sto[vergodend), bn. Materie {grondstof; inhoud; oorzaak; etter eener wonde), v. â riën, â ries. Materieel (lichamelijk; slofp'lijk), bn. Deâe voor- quot;f nadeelen van den oorlog. Materieel {al wat noodig is tot uitoefening van ambt of bedrijf), o. gmv. Matlieinatiens (wiskunstenaar), m. â ticL Matlieinatiseli (wiskunstig; onomstootè-Ijk), bn. Een â bewijs. Mathesis (wiskunde), v. gmv. Mathoen {vogel, ook pluvier genoemd), o. âhoenders, â hoenderen. Matig' (sober, spaarzaam), bn. en bw.; â heid. v.; âlijk. bw. Matigen (verminderen, intoomen), ik heb gematigd; â ing. v. Zich â, beperken. MaSinée (morgentijd, voormiddag), v. â s. Matinee nmsieale (muziekuitvoering in den morgen), m. matinées musicales. Matinens (vroegtijdig op), bn. Matras (onderbed), v. âsen. Een â van stroo, van zeegras, paardenhaar, enz.; een spring â , d. i, met spiranlveeren. Matres (meesteres), v. âsen. Matrijs (moer, waarin dc schroef spil draait; werktuig, waarin de drukletters gegoten worden; hoofdstempel in de munt), v. âzen. Matrone (deftige, bedaagde dame), v. â s, â n. Matroos (zeeman), m. matrozen. Licht â,die het gewone scheepswerk doet. Matsehuddin;» (uitschot van koren, rijst, enz.; nalezing, gruis), v. gmv. Matsou (doodsluan), ik heb gematst; â ha-nier (strijdhamer), m. Matteeren (afmatten; }nat-, dof maken). Matten (Zwitsersche bergweiden), v. mv. Matten (stoelen matten), ik heb gemat; â ter. m.: âterij. v. Matten (uuit maken, a f matt en),\k heb gemat. Maturiteit (rijpheid, volwassenheid), v. gmv. Manritia-palni (de prachtigste, grootste en nuttigste boom van Z.-Amerika), m. âen. Maiisolenni (jwaalgraf, eeretomhe), o. âlea. Mamven. de poe.lt; heeft gemauwd; â inji*. v. Ook: Miaauwen, Mian wen. Mavor (oorlogsgod, Mars), m. |
Maxime (grondstelling, leenspreuk;gevoelen, bepaalde meening), v. âs. Maximum (hoogste graad, die een zaak bereiken kan; hoogste prijs of stand eener zaak), o. maxima. Zie Minimum. Makelen (besmettelijke huidziekte, kinderziekte), v. mv. Mazen (met den breisteek herstellen), ik heb gemaasd. Netten â, kousen Maznliet. v. Zie Masknliet. Mazurka (levendige Poolsche dans in 3/s maat), v. â s. Meander (kromming, slinger lijn, als de vermaarde stroom van dezen na tm in Klein-Aziè), m. â s. Ook: Msvander. Meeenas (begunstiger), m. Ook: Ma»eenas (in de dagen van Augustus, begunstiger van Horatius en Virgilius). Meehaniea (leer van de wetten van evenwicht en beweging), v. gmv. Men verdeelt de â in statica en dynamica. Meelianiens (werktuigkundige), m. â nici. Meehaniseh (werktuigkundig, kunstmatig, werktuiglijk), bn. en bw. Meehanisnie. Mechanismiis (inwendige samenstelling van een werktuig, bewerktuiging), o. gmv. M^ehant (otideugend), bn. en bw. Medaille (gedenkpenning, eerepenning), v. Medaillist (kenner of liefhebber van geden A -penningen), m. âen. Medaillon (gedenkpenning van ongewone grootte; lijst, meestal eirond en verguld, om portretten, naamcijfers, enz. in te plaatsen), o. â s. Mede. mee. bw. Als eerste lid van samengestelde w.w. b.v. med ear bei den (in vereeni-ging met anderen), mededingen, enz. Mede. Mee (honigdrank), v. gmv. De â bevat ± il o/0 alcohol. Mede. Mee (meekrap), v. gmv. Medebroeder (ambtgenoot, evenmensch), m. âbroeders. Medechristen (broeder in Christus), m. -en. Mededingen (wedijveren), ik dong â, heb â gedongen; âer, m.; â ing*. v. Mededoen (van de partij zijn), ik deed â, heb âgedaan. Mededoogen (medelijden), o. gmv. MiMledoogeiifl. bn. Zie Mt'edoogend. Medegaand, bn. Zie Meegaand. Medegenoot (deelgenoot), m. -ei; â e. v. â en. Medeklinker (letter), m. âs. Medelid, o. -leden. Medelijden, ik leed â, heb âgeleden. Medelijden (deernis), o. gmv. Medelokken. ik heb -gelokt. Meikdooper^iafón/cattjye). ZieMeelooper. Medemenseh (evenmensch), m. â menschen. Melt;len (met meekrap verven), ik heb gemeed. Medenemen. ik nam â, heb âgenomen. Medepliehtig (mede schuldig), bn. Mede|»liehtiglt;^ {medepleger), m. en v. â n. Medesciilt;k]»sel. o. âschepselen. Metiestamler (helper, deelgenoot), m. âs. Medc trooiK'ii (meelokken door mooie praatjes), ik heb âgetroond. De man(krankbezoe-ker) liet zich â. (Potg.) Me4le%vlt;'rken (werken met een ander), ik heb âgewerkt: âer. m.; â ing. v. Meileweten (voorkennis), o. gmv. Dit is met of buiten mijn â geschied. |
MEDIAAN-MEETKUNDIGE.
273
|
Mediaan (micldeUiroot papierformaat)^, gmv. ]IIlt;Mliaai (middellijk, met behulp van een ander), bn. cn bw. Mcgt;diair {ht 'iniddeliiKj), o. gmv. M^Mliatem* (bemiddèlaar, scheidsman), m.-s. ]VIlt;gt;4lieanilt;'iit (geneesmiddel), u. âen. Uletlieijn (geneesmiddel), v. âen. Medicinaal jsewielit {vorig apothekersgewicht), o. âen. Het â pond was SI5 G. Hrt â pond had 'J-2 om, elk ons S drachmen, elk drachma 3 scrupel, elk scrupel quot;20 grein. Medieiiieoren (geneesmiddelen gebruiken). M«'lt;ii4'iis (geneesheer, dol.ter), m. medici. Mlt;'dio (midden), bw. â Mei. In â. Mediocre (middelmatig), bn. Mediocriteit (middelmatigheid), v. âen. Medfoancc (kwaadsptfekendheid), v. ginv. M4klt;iiMch (geneeskundig, tot de geneeskunde behoor end), bn. Een â advies, een â student, de âe faculteit. Mediseeren (kwaadspreken, lasteren, achterklappen). Meditatie (overpeinsing.vastenpreek), v. -tiën. Meditceren (overdenken, bepeinzen). Medium (middel, tusschenpersoon), o. â s. Melt;lo4* (zekere Fransche wijnsoort), m. gmv. Mlt;'diisa (zeekwal, zeenetel). v. â's. Mlt;'diisaiM»4gt;t'lt;l (afgrijslijk, schrikaanjagend voorwerp), o. liet hoofd van mijn kleermaker, dat reeds vele nachten mij als een âkop tegen (grijnsde. (Koetsveld.) Meedoo$;-end (medelijdend), bn.; â lieid. v. Meegaand (inschikkelijk, toegevend), bn.; â lieid. v. Meekrap. Mee (/)^m/),v. gmv. Uit den wortel der â kan een fraaie ro .de verfstof bereid worden. Meel (zetmeelpoeder), o. gmv. Tarweâ, roggeâ, enz. Kr is ook â van boonen, erwten, enz. In â vindt men vooral zetmeel en eiwitstof. Meeldauw (op meel gelijkende stof op roze-struiken), m. gmv. Mf'elilraad (orgaan tot vorming van het stuifmeel), m. âdraden. Een â bestaat uit een helmdraad en een helmknop. Meeiooper (buitenhansje, tref), m. âs. Meelworiii (meettor, pikzwarte kever), m. â en. De larve van den â leeft in meel, ze* melen en brood. Meeiicn. ik heb gemeend, liet wel met iem. â, zijn bel.-ingen voorstaan, hom genegen zijn; ik meen het wel met. u, mijn bedoelingen zijn goed; '£ âs, 't is geen gekheid. Mêe|»lt;kiiniii^ (godspenning, huurpenning), m. -en. gew. Meeprater {jahroer), m. âpraters. Meepmcli (ziekelijk, zwak), bn.; -lieid. v. Meer (natuurlijk ivaterbekken door land omgeven), o. meren. De Zwitsersche, de N. Itaâ llaansche, de Schotsche nieren. Ken bronâ, een rivierâ, een steppen â , een zoutâ, een bergâ, een dalâ, een kraterâ, een Alpen â , een zoetwater-, een zoutwaterâ. Meer (drooggemaakt meer), v. De Haarlemmerâ. Meer, telw. â geld, ik koop nog â; bijw. de tuin is â breed dan lang] dut smaakt naar â. Meerder (groot er, aanzien lij ker), bn. De âe arbeid, het âe loon. Meerdere (hoogere in rang (ff stand), m. en v. -n. Hij is mijn â. koenen, Verkl. Handwdb. d. Nederl. taal. |
Meerderen (vermeerderen), .;k heb en het is gemeerderd; â injr. v.; âlieid. v. Meer«ier|ari^ (mondig, minstens 23 jaar oud), bn.; âlieid, v. M«'erlt;knâ¬leel (het grootste gedeelte), o. gmv. Meers-enield (vaker genoemd), bn. Meer^-enoenid. bn.; â jjezeft'd, on. Meerlieid (meerderheid), v. gmv. Meerkat (aap uit de omstreken van Gibraltar), v. âten. Meerkoet (eendachtige vogel), v. âkoeten. Meerkol (raafachtige voi/el), m. -Ion. Ook: Meerkol f. Meerit'. Merel (zwarte lijster), v. meerlen, merels. Ook: Oieteling-. Melt;krinan (mannetje der meermin), m. - non. Meermin (lab. zeevrouw), v. â nen. Meerpaal (paal, waaraan men een schip meert of vastlegt), m. âpalen. Meersclinim (weeke, lichte, wasachtige stof), o. gmv. Een pijpekop van â; het â wordt gegraven in Spanje, Griekenland en Klein-Azië. Meerslacliti^;- (hebbende meer dan één geslacht bij verschil van bet.), bn. Kers is m. als boomnaam, v. als naam eener vrucht,; -lieid. v. Meerval (weekvinnige riviervischm. â Ion. De â is na den steur de grootste riviervisch. De â komt voor in O. Europa. Meervond, o. âen; â i»'. bn. Mee» (kleine wakkere zangvogel), v. meezen. De â leeft van insecten. De koolâ (groen): de pimpelâ (blauwachtig); de kuifâ (met kuifje); de staart-, de baardâ. MeeKninilen (spottend grimlachen), ik heb gemeesmuild; âer. m.; -in*, v. Meestendeels (het grootste gedeelte), bw. Meestentijds of Meesttijds {meestal), bw. Meester, m. â s, âen. Ieder is â in zijn huis, d. i. volkomen vrij; een taal, een speeltuig â zijn, er goed van op de hoogte zijn; zich â maken van, zich in het bezit stellen; zijn driften zijn hem â, d. i. beheerschen hem; het kwaad loont zijn â, d. i. straft of treft den bewerker er van; hij is zijn eigen â, hij staat onder niemand; die schilder is een groot â, kunstenaar; de Franschen waren heer en â, volkomen de baas; den â spelen, den baas spelen, overheerschen. Meesteracliti;;- (uls meester, met ongunstige bijbel'ekenis), bn. en bw.; âlieid. v. Meesteren (genezen, behandelen, dokteren), ik heb gemeesterd. Meesterkneclit (onderbaas), m. âknechts. Meesterlijk (als meester, in gunstige bet.), bn. en bw. Meesterscliap (gezag, macht), o. gmv. Meestoot* (oven voor meekrap), v. âstoven. Meesttijds. Meestentij«ls (meestul), bw. Je hebt â gelijk. Meet (streep), v. gmv. Van â aan, van â af (tan, van liet begin af, van voren af. Meetbrief (scheepsbrief met opgaaf der scheepsmaat), m. âbrieven. Meeting' (vergadering, bijeenkomst), v. â s. MeetkettiiiK' (landmetersketting van 20 M.). m. âen. De â is van spijlen e% schakels, of het is een stalen reep. Meetkunde (deel der wiskunde, geometrie), v. gmv. De lagere â (lijnon, vlakken, lichamen); de hoogere â (anlytische). Meetkninline (kenner of beoefenaar der meetkunde), m. en v. â n. 18 |
MEETKUNST-MEMORIAAL.
|
Mlt;ketkiiiisl (meetkimde, ook de practijk), v. gmv. IVIfM'trooiieii. Icin. met zich â. Zie trooiien. itlfeiiw {langvleufielige zwemvogel), v. âen. Kr zijn zee- en zoetwatermeeuiven; â enei, o. âeren; â o. -en. Moevallor (buitenkansje), m. âvallers. Meevat (vat voor mede of honig drank), o. -en. Aloewarigr (medelijdend), lm. Spreken op een â en toon: een â woord van beklag uiten. (C. 0.); âlieitl, v. MfgY'ra (myth, helsche furie), v. gmv. Ook: boosaardige vrouw. M«'i (bloeimaand), m. gmv. Fig. De â van '£ leven. (loovertak), m. âen. Iets met âensieren, (dienstmaagd, jongedoehter), v. âen. 3Ilt;gt;ilt;loi*â¬'ii (doornachtige heester, haagdoorn), m. â s. De â heeft welriekende bloemen, hij bloeit half Mei. (schout, drost, hofmeester, opzichter), m. â s. vero. Hli'ierij (gebied van een meier), v. gmv. De â van Den Bosch, de landstreek zuidwaarts van die stad. Moikevor (schildvleugelige, bladsprietige kever), m. â s. (valsehe eed), m. âen; -ijff. âlm. (verkleinwoord van meid), o. â s. Ken â van zes jaar; de âs gaan naar school; dochtertje, julïertje; ook: dienstâ, kinderâ : hoe maft kt het uw â, aanstaande, verloofde. Mlt;gt;i.sJlt;gt;slt;lralt;*lil. v. gmv.; âliaiHl. v. Dat is een âhand, letters geschreven d. e. meisje; â v. gmv.; â naam. m.ânamen; â v. âscholen; âstem. v. âmen. Meitak (loovertak), m. âken. Zie: Jllf'i. MoiviKeli (elft), m. â visschen. .ff ei vuur (vreugdevuur in 7 open veld), o. â vuren. Meiworm (.lohanneskever), m. âwormen. Meixoent jo of â zool jlt;' (bloempje der weide), o. â s. MoJullVr (ongehuwde juIJrouw), v. â s. Mejuflrouu' (vrouw uit d.middelstand),-en. mekaar (malkander), wed. vnw. Bederf âs werk nu niet! Geef â de hand. Ulokka (de heiligste stad der Mohammedanen), o. De Arabieren noemen â de moeder der steden. Mokkan (blaten van een geit), zij heeft gemekt. Ook: Mekkeren. illlt;'laatslt;*li (lijdend aan melaatschheid), bn. Mlt;'laatKclililt;'ilt;l (sleepende en besmettelijke huidziekte), v. gmv. Men onderscheidt Ãos-tersche (witte, schubbige, knobbelige) â en Wester se he. De â heet ook, naar de huidnaden. de olifantsziekte. Zie: Lepra, leproos. Laxawf. I^axarij. Melaiicliolie (zwaarmoedigheid, droefgeestigheid, treurigheid), v. gmv. Melancholiek (zwaarmoedig, droefgeestig), bn. Dolfs âe zuster Amelia. (C. O.) Melaiieli4»limeli (zwaarmoedig, droefgeestig), bn. Het â temperament^ een zwaarmoedige gemoedsaard. MelauesierN (donkerkleurig ras der A us trui. (mengeling), o. â s. [landen), m. mv. Melaniet (zwart (granaat), o. gmv. Melasse (suikerstroop, suikersap), v. gmv. Melaltie (Ind. wit bloempje met jusmijn-geur), v. -s. Welriekende -. (J. t. Br.) |
Mellt;le (kruipend eenjarig kruid), v. â n. Van de â worden een paar soorten als spinazie gegeten. Melden (doen iveten, noemen, berichten), ik heb gemeld; âer, m.; â ing-, v. Mel^e (hoop, troep, volksmenigte; het handgemeen zijn, het strijdgewoel, ook heftige woordenstrijd), v. gmv. Meieeren (onder elkander mengen). Melig' (meelachtig), bn. Deze peren zijn â; Melis (broodsuiker), v. gmv. [ âliekl. v. Melis, Melisse (lipbloemige plant), v. gmv. De â komt veel voor in het Z. van Frankrijk. Het citroen kruid behoort tot de ân. Uit de versche bladeren der â bereidt men olie van dien naam. Melixoen (bloedgang, roodeloop), o. gmv. vero. Melk, v. gmv. Kr uitzien als â en bloed, door en door gezond: niets in.de â (de pap] te brokken hebben, niets bezitten; niets te zeggen hebben; een land van â en honig, een paradijs; â aelitiy. bn. Mt'lkhaard (vlasbaard), m. âen. Melkdistel (samengesteldbloemige plant), v. âs. De â komt als onkruid voor. De akkerâ, de moesâ, de stekelige â. Melken, ik molk, heb gemolken. De koeien â; duiven â, d. i. grootbrengen, aanlokken; huisjes â, huisjes per week verhuren; âer. m.; â erij. v.; â injr. v. Melkkrnid (sleutelbloemige plant), o. gmv. Het â is een goed voedsel voor koeien en schapen. Melkmuil (lafbek, flauwerik), m. âen. Melksuiker (bestanddeel vamlemelk),\. gmv. Melktanden (eerste 20 tanden bij den jongen mensch), m. mv. De â verdwijnen bij het 7e of 8e Jaar. Melkweg (witachtige sterrengordel), m. gmv. De â snijdt den hemelaequator onder een hock van 63°. Melkweger {werktuig tot bepaling van 't gehalte der melk), m. â s. Melodie (zangwijs; welluidendheid; gezang), v. â ën. Melodieus (welluidend, zoetklinkend), bn. en bw. Melodrama (tooneelspel, waarin de woorden soms begeleid worden door de muziek), o. â's. Meloen (tuinbouwgewas, kalebasachtig gewas), m. âen. De â is een fijne dessert-vrucht. De â is afkomstig uit Zuid-Azië. Melomaan (muziekgek), m. en v. âmanen. Melomanie (hartstochtelijke neiging tot de muziek), v. gmv. Meiter (moutmaker), m. âs; âbak (mout-vat), m. âken; âij (bereiding van melt, plaats daartoe), v. âen. Membraan (vlies, dunne huid), o. âbramen. Memel (mijt), m. âs; -ig (vol mijten), bn. â ige kaas. Memenlo mori (gedenk te sterven). Het â , lijk. Memmekenskriiid (tamme kamperfoelie), o. gmv. Memoires (gedenkschriften), v. mv. De â van Saint-Simon. Memorabel (gedenkwaardig), bn. Memorandimi (gedenkboek, aanteekenlijst), o. â s. Memoriaal (in de boekhouding het dagboek, kladboek), o. âalen. |
MEMOR IEâMESSIAS.
275
|
Mlt;'iiiorilt;' (geheugen), v. gmv. {geschrift), v. â ries, â riën. â van toelichting; âboekje, o. â s. ilIein4»i*iNalilt;' (van hui ten leering), v. gmv. 9lâ¬'iiiorisoerlt;kii (ran Inrit en leeren). onbep. vnw. Het voornaamw. â is een voornaam woord. (O. II. Smits.) Uloiuulo-kollie (hoofdproduct uan Celebes), v. gmv. (hnishoading; spaarzaamheid, huishoudelijkheid), v. gmv. iVllt;kiia$ffkorlt;kii (sparen, ontzien, zich matigen). Meuag^re (plat etui met naalden, enz.), v. â s. En een â van Bartje Blom. (C. O.) ^Icna^'rio (diergaarde, verzameling van lerende dieren), v. â s, â ën. (spaarzaam, huishoudelijk), lm. JHeiifwtrei»! (begeleider vin een troubadour, minnezanger), m. âen. Minstreel, Meistreel. Mengel (vochtmaat, l.^O L.), o. âen. vero. (gedichten van allen aard), o. mv. (mengen), ik heb gemengeld: â v. (baaierd, chaos), rn.; â iimm'S (allegaartje, b.v. van spijzen), o.; -werk (lett. arbeid van allen aan'), lt;gt;. gmv. (dooreendoen), ik heb gemengd. Oliën â; wijnen â; bij uitbr. kolf ie â. thee lig. zich in een gesprek â; âlt;»*'. m.; â iny. v.; â M'l. o. Hlf'iiio (rood loodoxgdc, zekere roode verf), v. gmv. Moniöii (met menie verven o/ bestrijken), ik heb gemenied. Ijzerwerk, balken â. Menig: (meer dan een, veel), onbep. telw. Ik heb er â uur doorgebracht. Itloiiig-wii (verscheiden personen), onbep. vnw. Deze zwemmer heeft â gered. ^Ioiii$j?lt;'i*liaii4lâ¬k, Mcnig'ork'i (van vele soorten), bn. en soortgetal. lüciiiK'maal. (uerscheiden nul len), bw. Ik heb er u â ontmoet. { reel mensehen, massa), v. â n. (talrijk, veel, overvloedig),' bn. Ken âe oogst. Ook: ^I4kiii;;viil4li$;-: â -Il4'i4l. V. M4'iiist (doopsgezinde), m. âen. ^l4'iiiKt4kiik4'i'k (bedehuis der Menisten), v. âkerken. lVl4kiiii4'ii (met den toom bestieren), ik heb gemend: â lt;»r. m. M4kiiii4»iiiet (doopsgezinde), m. âen. ^I4kiiigt;it. M4kiis sana in lt;*4»r|»4gt;i*4» saii4» (een gezonde ziel (huist) in een gezond lichaam). Spreekw. ]ll4'iis4'li. m. (bij kleinachting), o. âen; â4l4»lll. o. ^l4'iiK4*li4'ii4't4gt;r (wilde, die zich voedt met menschenvleesch), m. â s. Zie Aiitlir4gt;ii4gt;-pliaa^- en liaimibaal. ^I4'iis4*li4'iii*:is {groep of soort van 't men schelijk geslacht), o. ârassen. Het Kaukasi-sche â; het Mongoolsche â. ^I4'iis4,li4'iii*o4gt;l' (misdrijf, bestaande in het rooven van menschen om ze als als slaven te verkoopen), m. gmv. Moii««C'lilieilt;l (menschclijk geslacht), v. gmv. Utan^U'likinicie. v. gmv. Zie: Aiitiit*4»|M»-l4gt;8:i4'. ^I4'iis4,liii4'V4'ii4i, bn. en bw.; â Ii4»i4l. v. Ill4'ii«nr4'4kV4'ii (mnz. aan de orgelpijpen den waren toon geven). [v. gmv. UleiiKiiur (mnz. maat, tijdmaat, verhouding). |
^l4kii(aal (innerlijk, inwendig), bn. 9l4gt;iiti4gt; (vermelding, gewag), v. â maken van iets. ^I4kiiti4gt;iiii4'4'r4kii (gewag maken van, herinneren, vermelden). 9f4kiif4gt;i* (leidsman, raadgever, leermeester), m. â s. M4'iiii (spijskaart), o. â ?s. .Il4'iiii4'l (langzame, statige, bevallige nationale dans in Frankrijk), v. âten. De â was zeer in den smaak in de dagen ven Lode-wijk A7 V. HI^p (slag), m. âpen. gmz. lem.een- geven. ^I4'|»iii*it4» (duivel, verleider), m. M4'|»liitis4'li4' Iii4*iil (stinkende of StiL lucht'. 9l4'p|Mk|i (slaan), ik heb gemept; â 4»r. m. ^I4'|gt;i,ij«»4» (misslag, dwaling, misverstand), v. â s. ^I4ki*4*a ut i4'i (wat den koophandel bet reft),hn. MeriTiinir (loon dient air, huurling), m. en v. â s. Merci (dank, heb dank), bw. M4'r4*iii*iaal (kwikhoudend), bn. 9l4'rciiriiiK (kwikzilver; een planeet; god van den handel; een onderhandelaar in een slechte zaak), m. âsen. M4krc'iiiir (verkorting van Mercurius), m. M4'i,4'i (zwarte lijster), v. â s. Zie ]ll4'4»ri4». 3l4'i,4'ii (vastleggen van ecu schip), ik heli gemeerd. Zie: 3i4'4'r|»aal. (weeke, niet vloeibare stof in holle dierlijke beenderen), o. gmv. Ook idem in planten. Dat. dringt door â oi heen, tot in de ziel. (vette aardsoort), v. gmv. /â¢gt; bestaat kalk- en leem â . M4'.vs,4'i4'ii (bemesten met mergel), ik heb gemergeld. M4gt;i*i4iiaaii (middagcirkel, middaglijn), m. â anen. M4*B*i4li4Miaal (loopend v. N. n. Z.), bn. M4'riii4»s (Spaansche schapen), in. mv. H4gt;i'iii4gt;H (soort van stof, geweven van bijzonder fijne wol van Spaansche schapeti), o. gmv. M4^iaiii4»ss4'ii (van merinos gemaakt),hn. Ken â rok, een â jakje. Merite (verdienste), v. âs. M4gt;rk (teeken, kaartje, lootje, bewijs), o. âen. Merkal4»ii (wilde perzik), v. â s. M4'rk4'i (scheepst. hoepel), m. -s. M4'i'k4'ii (met een merk led,enen), ik heb gemerkt; â er, m.; â ins*» v. M4'rk4'ii (bemerken, bespeuren), ik heb gemerkt. Merklap (letterlap), m. -lappen. M4'rkte4gt;k4'ii4'ii. ik heb gemerkteekend. M4gt;rkwaar4ii$;' (belangrijk), bn.; â ii4»i4i. v. M4'rlijii (dwergvalk), m. âen. M4'rri4' (wijfje van het paard), v. -ries, -riën. Merveilleus (bewonderenswaardig), bn. Mes, o. âsen. Is er iels voor hel â, d. i. te eten: zijn âje snijdt van twee kanten, hij verdient dubbel; iem. het â op de keel zetten, dwingen door bedreiging. Mésalli4'4'reii (xieli) (een ongelijk huwelijk aangaan, heneden zijn stand huwen). MeM4lji4l (hid.bedehuis, tempel, moskee), v. - s. M4'Kni4'ri*iii4' (leer en toepassing van het dierlijk magnetisme), o. gmv. M4'S4|iiiii (arm, behoeftig), bn. M4'ssia4l4' (heldendicht over den Messias), v. â s. Messias (heila d, verlosser), m. gmv. IS' |
MESSTDOR - MICROCEPHALEN.
270
|
(IOp of oogstmaand^ van quot;20 Juniâ 1'.) Jnli), m. gmv. Mlt;kKKiii£: {{!cd koper), o. pmv. {meststof), m. âen. Ook: Mist. Moston {bemesten), ik heb den akker gemest; -er, m.; v. ]IIestiâ¬Â»s {kind van een blanke en een zwarte, b.v. vun een Europeaan en een Mulattin), m. en v. âzen. {(licrenvoedsel), v. âen. ]tIlt;kNft4gt;r {blails/n'ietifi insect), v. âtorren. De firoole â leeft vooral in p uinlenmest. .VlosiiralM'l {meetbaar), bn. {maatregelen), v. inv. vz. en bw. Sclirijven â een pen, door middel van; aanraken â de hand; - iem. gaan, hem vergezellen; â geweld, door; laat hem â vrede; hij sprak â kracht; ik kom â genoegen; bw. De schuit wordt van den wal gestooten, â komt een knaap geloopen (Staring), te gelijker tijd, op dat oogenblik. Met {gehakt varkensvleesch), o. gmv. Zie Mot-worst. ]IIef {landmaat in Zeeland), o. Molaal {enkelv. lichaam), o. âalen. I.lzer, lood, goud is â. Elk â is hamerhaar, piet-haar, rekbaar. Het soortelijk gewicht der â alen is aanzien lijk. Het smeltpunt van een â, b.v. van lood 332° C. HetanIgieterij {het gieten van vloeibaar â metaal, ook de werkplaats, fabriek), v. âen. Tlfetaelironisnie {fout in de tijdrekening), o. Ook: AnacliroiiiMiiie. Melalliek (Oustenrijksche schuldbrief, een elf eet waarvan de uitbetaling van rente en aflossing in zilver en niet in papier geschiedt), v. âen. Metalloid mi {enkelv. stoffen, niet-metalen), v. mv. Er zijn i5 â, als zwavel, phosphor, kiezel, enz. Metallnrgio {leer van de mechanische en chemische bewerking der metalen), v. gmv. Melamorpliosc {gedaanteverwisseling), v. -n. Metaiiiorpliosoereii {herscheppen, van gedaante verwisselen, veranderen). Mefaplioor {verbloemde uitdrukking, beeld; niet uitgewerkte gelijkenis), v. â pboren. De kameel is het schip der woestijn; hij is een slaaf zijner hartstochten; het riet is een speeltuig der winden; bittere spot; in blinde wanhoojt, het qouden koren, enz. MelaplioriM'li {overdrachtelij k,zi n nebeeldig, (figuurlijk), bn. Mckta|gt;li.yMilt;*a {bovennatuurkunde), v. gmv. Mela|»li.vMiM*li {horennatuurlijk), bn. MelatlieNis {omzetting, letterkeer), v. als in: gort (grut), dertien (drie-tien), naald (nadel). Meteen {terstond, dadelijk), bw. Ik kom â. Ik help n â. Meteni|gt;*«ylt;*liOM' {zielsverhuizing), v. -s. Melen, ik mat, heb gemeten. Zich met iem. â . wedijveren in kennis, enz.; â iiijr, v. Meieoor {luchtsteen), m. âoren. Zie Aëro- lief. Meteorologie {leer of kunde van de dampkringsverschijnselen), v. gmv. Een der afdee-lingen der â is de lilinialolo^-it' {b'er vun het klimaat van een land), v. gmv. Meier (persoon, die meet), m. â s. Mei er {peet, doopmoeder, peetta)ite), v. âs. Meier (lengtemaat, 40 millioenste deel van een meridiaan), m. â s. De â is de grondslag van het metrieke stelsel. |
Melg-ezel {kameraad, reisgenoot), m. â len, Metliode (leerwijs, handelwijze, wijze van werken), v. â n, â s. Melliodick (leer der methode), v. âen. McIIumIikI {lid etmer dwepende sekte onder de Christenen in Engeland), m. âen. Metier {handwerk, hanteering, bedrijf, beroep), o. â s. Lees: métiee. Metonymia (stijl, troop der naamvenvisse-ling), v. â s. Wij lezen Vondel. Hij werd door hel lood, het staal getroffen. Hij dronk den giftbeker. Dit huis betaalt hooge belasting. Metrifk {wat tot den meter of de el behoort, ook leer van den versbouw), v. gmv. Metrisch {in verzen, in gebonden stijl) bn. en bw. Metrometer (in uz. moa^ueter), m. -s. Ook: Metronoom. Melropolis. v. Zie Metropool. Metropolitaain {aartsbisschop), m. â tanen. MetropolitaaiiNeli (aartsbisschoppelij k), 1 m. Metropool. Mlt;ktr«gt;pole. Metropolis (rxoo derstad, zetel van een aartsbisschop), v. â -polen, âpolissen. Metrum {de maat, versmaat), o. âmetra. Metselaar {mnbachtsman) m. âlaren. â laars. Metselen, ik heb gemetseld; een muur â; â airij. v. Mf'tselsteen {van leem of klei gebakken steen itan bepaalden vorm en grootte), m. âen. Metten {morgenzangen of morgengebeden in de kloosters), v. mv. Iem. de â lezen, hem berispen, hem zijn plicht voorhouden; korte â maken, weinig omslag met iets maken, zonder veel complimenten. Metterdaad, bw. Zich â belachelijk maken. (C. O.) Mettertijd {allengskens), bw. Alles komt â terecht. Metterwoon, bw. Zich â ergens vestigen. Metworst {varkensworst), v. âworsten. Meubel {stuk huisraad), o. âen of -s. Meubelen, ik heb gemeubeld. Een kamer, een huis â. Menbileercii {inrichten, toerusten, van huisraad voorzien); â inji'. v. Men;? {lust, zin), v. Tegen heug en â, met tegenzin; ieder zijn â, ieder zijn zin. Zie Heng-. Meii|?ebet {klaplooper, duivelstoejager), m.-s. Monk {week), \. In de â staan, week of zacht laten worden. Menken {week maken, murugt; worden), ik heb en het is gemeukt. Menzelen {lekkere beetjes prowen), ik heb gemeuzeld; âaar, m. Mengelen {vuil maken), ik heb gemeuzeld. Mevronu' {gehuwdr dame), v. â en, -srliap.o. Mezza voce {met halve stem), hw. â spreken. Mezzo fortc piano (muz. iets sterks en zachts), bw. Mezzo soprano {muz.met hooge a It of diepen discant), bw. Miasma {smetstof, in de lucht verspreide ziektekiem), v. âma's of -men. Mianw, Miaaiiw {geluid eener kat), tw. Mian wen, Miami wen, de poes heeft gemiauwd. Mica {glimmer, een glasachtige delfstof), o. v. robcn {microscop. organismen, splijtzwammen, smetstoffen), v. mv. Microccplialen {kleinhoofdigen, idioten met te kleine hersenen), m. mv. |
M ÃCKOCOSMOS - MIK M A K.
277
|
^licrocosmos ((/c wereld in het klein), m. gmv. 91ilt;rroiiict'«gt;r (toestel tot het meten van kleine yroolheden), m. â s. 91ii*r4»Mâ¬*ooigt; (insirument dienende tot reusachtige vergvootiny), m. â copen. MicroMcopiHc*!! (alleen door den micruscoop waar te nemen), bn. 9Iilt;laM»oreii (czelsooren), o. mv. Middag {het midden van den dag), m. âen. Het is, het wordt â; den ganschen â; des â s; 's middags, d. i. 12 uur; alle middagen', een warme, een zomersche â; iem. gorden â irensrhen; fig. de â des levens, de middelbare leeftijd; âbeurt {om te preeken), v. âen; â C'irkf»! {meridiaan), in. â s; âdienst {kerkdienst), m. âen; â eten, o. gin v.; â liftte, v. gmv.; â Kost, m. gmv.; âlijn {meridiaan), v. âen; âmaal {diner, eten), o. -malen. 3lilt;lda$;iiialeii {din eer en), ik heb gemiddagmaald. Midda^preck. v. âpreeken; âuur, o. â -uren; âzon {zuiderzon), v. gmv. 9Iidlt;lel {middellijf), v. en o. -s. Middel {om tot iets te geraken), o. âen. 9liddâ¬klaar (tusschenpersoon), m.-s of-laren. MlfidelaarMeliap {bemiddeling), o. gmv. 91ilt;l«lelbaar, bn.; â onderwijs, d. i. den overgang vormend tussclien lager en noogeronderw. Een welgemaakt man van â ba re] a ren .(.I. t. Br.) MiddelecMiweu {410â1492 N. C.), v. mv. Middelen {vereHenen, bijleggen, beslechten), ik heb gemiddeld; â iug, v. Mi^ldelvruijl (m dien tussehentijd), bw. MiiUlelevcnredi^, bn. In de evenredigheid â¢2:4 = 4: 8 is 4 middelevenredig. Middt'lklt'iir, v. âen. Er zijnâen tusschen zwart en wit. (Koetsveld.) HliddellandMvii {midden in het land), bn. De âe Zee. Middellijk ( door middel van), bn. en bw. Middellijii, v. âen. De â van een cirkel, bol, enz. Middelmaat {het midden houdende), v. gmv. Middelmatig {tamelijk, redelijk), bn. en bw.; â Iieid, v. L)lt;' muziek is de eenige kunst, welke âhcid duldt. (Klikspaan). MiildelncdorlaiKlNch, bn. (als zn. o.). De âe taal, onze taal van de '12e tot op het einde der -15e eeuw, ook Dietsch geheeten. Mid4leli»unt,lt;gt;. âen; âig,bn.; â sciiuwend, bn.; âvliedend, bn.; âzoekend, bn. Mi«lâ¬lelrif {spierachtig vlies tusschen borstholte en buik), o. â fen. Middelsoort, v. en o. âen. Een â letter. Middelweg (lig. middel tot bevrediging), m. â wegen. Middelwoord (woord met onbekende a/leiding), o.-woorden, tiezand, akker, ezel zijn âen. Midden, o. â s. Hij zat te â van de zijnen, in den schoot zijner familie; iets in het â laten, er geen beslissing over uitbrengen; iets in het â brengen, te berde brengen, ter sprake brengen. Middernaelit, rn. âen; âelijk, bn. Midwinter (het midden van den winter, 25? Dec ), m. â s. Mier (hekel), v. gmv. Een â aan iets hebben, het land, een afkeer hebben. Mier (vliesvlcugelig insect), v. âen. De â is het beeld der werkzaamheid] de âenstichten koloniën, âhoopen; de eieren der âen zijn voedsel voor de nachtegalen. |
Mierenefjel (vogelbekdier, zoogdier), m. â s. De gewone â leeft in Nieuw-IIolland. Miereneter (tandeloos zoogdier), m. âs. De groote leeft in '/.-Afrika. Mierenleeuw (peesrleugelig insect), m. - en. De â voedt zich met mieren. De â komt veel in onze heiden voor. Mierenxniir (vetzuur uit het lichaam der boschmieren), o. gmv. Mierik (lepelblad, ook peperwortel), m. gmv. Mierikswortel, Mierikwortel (plant), m. â s; (stof), v. Migrainr(zenuwaditige hoofdpijn, meest aan één kant), v. gmv. Migratie (verhuizing van volken, landverhuizing, uittrekking), v. â tiën, âs. Mij, Me, pers. vnw. Heef â (3e nvl.) het hoek. Hoe/) â (4e nvl.), en kei v. Mijden (uit den weg gaan), ik meed, heb gemeden. Zich â, zich ontzien, in acht neunn. Mijl (afstandsmaal), v. âen. 1 Ned. Mijl of K.M. = KHJO M.; i geographische of Duitsche Mijl = l-'/s uur gaans of 7407 M. Dj â op zeven, langs een omweg. Mijmeren (peinzen), ik heb ge m ij gier d; â ing, v. Mijmerij (droefgeestige peinzer ij), v. -en. Mijn, bez. vnw. â boek, nl. dat des sprekers; â konijn. Mijn, v. âen. Kolenâ, zout-; de â is verkeerd gesprongen, de toeleg is mislukt en wel in ons nadeel. Mijne, bez. vnw. â pen, â honden, kippen, varkens. Mijne (gebaar, gezichtsvertrekking), v. -n. Wat maakt die jongen gekke â n/Gew. Miene. Mijnen (een mijn maken), ik heb gemijnd. Mijnen (bij een verkooping âmijn' roepen), ik heb gemijnd. IIij mijnde het huis voor tien duizend gulden; âer. m.; â ing, v. Mijnent (ten, te) (bij mij aan huis), bijw. uitdr. Mijnent halve, â wege (van mijn kan', van mijn zijde), bw. Mijnentwil (om) (ter wille, ter liefde van mij), bw. uitdr. Mijn lieer, m. mijne hoeren, mijnheeren. Mijiilieeren (iem. met mijnheer te spreken), ik heb geinijnheerd. Lieve Marie, â me zoo niet! (Potg.) Mijt (kle ine koperen munt, ± 5 ets.), v. âen. vero. Mijt (houtstapel), v. âen. Mijt (microscopisch spinachtig diertje), v. âen. De â huist gaarne in kaas. Mijten (opstapelen, aan een mijt zetten), ik heb gemijt. Hooi â, hout â. Mijter (bisschopshoed), m. â s; âdrager (bisschop), m. Mijteren (tot bisschop ver he/fen, met een mijter sieren), ik heb gemijterd. Mijterig (vol wormen; armoedig), bn. Mik (ga/feivormige stutpaal), v. âken. Mik (het mikken), m. gmv. Mik (brood), v. âken; wat kost die â? Mik {bloem van meel), v. gmv. Mika'do, Mieado (titel van den geestelijken keizer van Japan, onder wiens gezag ook de wereldlijke keizer staat), m. â's. Mikken (doelen, turen, het geweer aanleggen), ik heb gemikt; â ker, m.; âking, v.; â -punt, o. Mikmak {hinderpaal, zwarigheid, feil),v. -ken. |
MILD-MIS.
278
|
Mil«l (ruim), bn. en b\v.; âolijk, bw.; â -lieiri. v. Milddadig {onbckrompcu). bn. en bw.; â -lic'id, v. .Mile (sport Enyelsche mijl = 10G!) .1/., lees: mail), v. â s. Milicien (loteling), m. â s. Milies (Turksch koren, maïs in Z. Afrika), Militair (krijgsman, soldaat), m. âen. Militair (al ivat op len krijgsstand betrekking heeft), bn.; âc academie, hoogere militaire school. (Breda). Militairemcnt (o/) soldatenmanier; fig. stipt, ordelijk, streng), bw. Alles qaat daar â. Militie (k rijgswezen, landweer), v. gmv. Milleiniiiini (het duizendjarig gods rijk), o. gmv. Zio Chiliasme. Milliard (duizend iniliioen), o. âen. Milligram (duizendste deel van een gram), o. âmen. Millimeter (duizendste deel van een meter = streep), m. â s. Millioen (duizend keer duizend), o. âen. Hoeveel â kost het-/ Dat kost zes â. Millionair (rijk persoon, die een millioen of meer bezit), m. â s. Milreis (Portugeesche munteenheid, ± f2,70), v. mille reis. Milt (klierachtig ingewand), v. âen. Milter (mannetjesvisch, hommerd), m. â s. Miltvuur (besmettelijke ziekte bij runderen, schapen, en/..), o. gmv. Maltxneht (ziekte, naargeestigheid), v. gmv. Mimiek (de gebarenkunst, het gebarenspel), v. gmv. Mimiseli (van, betrelfende of behoorende tot de gebarenkunst), bn. en bw. Min (weinig, gering, laag), bn. Zoo'n handel-wijze vind ik â. Min (liefde), v. gmv. Min. Minne (zoogster), v. minnen. Mina, Mine (oude Grieksche munt, Vt» van een talent zilver), v. De zilveren â gold in Solons tijd ± 'iO gulden. Dat men voor dit pronkjuweel (paard) hem duizend minen telt\ (Immerzeel). Minaeliten (met trotschheid neerzien), \k heb geminacht. Een âd glimlachje-, â ing*, v. Minaret (lichttorent je eener moskee), v. âs of âten. Van de â worden de geloovigeh ü-maal daags tut het gebed opgeroepen. MinaiKleeren (behaagznehtig doen); Mevrouw â de tegen de psgciv'. (Potg.) MiiKlerbrotMler (Franciscaner monnik), m. â s. Mindere (ondergeschikte), m. en v. ân. Minderen (afnemen, kleiner worden of maken), ik heb en het is geminderd; â ing, v. Minderheid, v. âheden, lu de â zijn. Minderjarige (persoon onder de 2.li jaar, m. en v. âjarigen. Mine (ge laats ui ter lij /.â ; mijn, onderaardsche gang), v. -s. Mineraal (delfstoffelijk), bn. Minerale wute-teren, bronnen, inhoudend ij ze rd eel en; gezondheidswateren. Mineraal {bergstof, erts), o. âalen. Mineralogie^ (bergstofkunde), v. gmv. Mineraloog1 (delfstof kundige), m. âlogen. Miner val (leergeld, schoolgeld), o. â valia. Mineur (mijngraver, ertsgraver, ook soldaat der genie), m. â s. Miniatuur (schilderij in het klein), v. â turen. |
Miniem (zeer gering, onedel, laaghartig), bn. Een â loon; een âe uitdrukking. Minimiim (het kleinste, het minste; de laagste prijs eener zaak), o. minima; -lijder, m. Minister (staatsdienaar, hoofd van een departement), m. â s. Ministerie (departement van algemeen bestuur), o. â riën, â s. Ministerieel (van een minister uitgaande), bn. â e. Minister-resident, m. ministers-residenten. Minitiens (nauwkeurig, fijn), bn. allerlei â e onderscheidingen. Minjawali (grootste hagedis op Java), \. â's. Het vleesch der â's is wit en smakelijk. Minlijkheid, Minnelijkheid., v. â hodon. Minnaar (geliefde), m. â s, ânaren. Een â van ju gen, liefhebber. Minnares (geliefde), v. âsen. Minnarij (liefdehandel), v. âen. Minne, v. Zie Min. Minnegod (Amor, Cupido), m. mgv. âje, o. â goodjes. o. mv. Minnekoozen (Uefkoozen, vrijen), ik heb geminnekoosd; â erij, â ing, v. Minneinallen (lief'koozen), ik heb geminne-mald. Minnemoer (voedster), v. â moers. Miniif'sehicht (pijl van den minnegod), m. â schichten. Minnen (liefhebben), ik heb gemind. De vrijheid â . Minnezangers (Germaansche lierdichters en zangers der middeleeuwen), in. mv. De grootste der âersin Duitschland was Wulther von der Vogelweide. Minor (de minder term in een sluitrede; ook de jongere persoon van denzelfden naam), m. gmv. Asia â, Klein-Azië. Minoraat (erfopvolgingsrecht der jongeren),o. Minorenniteit (mi) uier jarigheid, onmondigheid), v. gmv. Minorlâ¬gt;teii {minderbroeders of Franciscanen), m. mv. Minotaiirns {fabel monster, half mensch, half stier in het doolhof van Creta), m. gmv. Minste (inschikkelijkste), m. en v. ân. Wees maar de d. i. geef maar toe. Minstens, bijw. Ik heb er â tien uur werk aan, d. i. op zijn minst of kleinst genomen. Minstreel, Meistreel (Middeleeuwscheminnezanger, rondtrekkend door het land), m. â eelen. Zie Menestreel. Minns (minder, het tegendeel van plus), bw. Miiiiitiens (kleingeestig, haarfijn), hn. en bw. Miiiiint, Minnte (het origineel van een openbare akte), v. â nuten. Miiinnt (boog- en hoekmaat, tijdmaat), v. â nuten. Een â is V o graad, Vbo Min vermogend (behoeftig), bn.; âen (armen), m. en v. mv. School voor âen. Minzaam (vriendelijk) bn. on bw.; -heid, v. Mirabellen (Frvm.svVf* ronde pruimen), v. mv. Miraculeus (wonderdadig) bn. en bw. Een â beeld. Mirakel (wonderwerk), o. âen, of â s. Mirre. Myrrhe (welriekend hars uit Arabic), v. gmv. Mirt (altijd groene heester), m. âen. Mirtekrans (bruidskrans), m. âen. Mis, Misse (ojjer dienst in de li. K. kerk), v. âsen. Ook: de Miszungen; jaarmarkt. Mis, bw. Gij hebt het â, gij vergist u. |
iMIS-MISTELTAK.
279
|
iWi» (verkeerd, slechl), bw. In samengestelde w.w. als eerste lid, bv. Misbruiken. MiKaiitliro«»|» (menschenhater, verdrietig mensch), m. â thropen. Misaiitliro|»ilt;' (haat aan het menschdom, menschenschi(wheid), v. gmv. IfliMaiithro|iiMC*h (menschenhatend, afstoo-tend\ bn. en bw.; âe bespiegelingen. (C. O.) Misbaar (getier), o. gmv. Hij maakte veelâ. Misbak (mislukt baksel), o. â ken. Misbaksel (fig. wanstal'Ag persoon) o. â s. Misbruik (overdadig georuik), o. âen. Misbruiken (een slecht gebruik maken van), ik heb â bruikt; âer. in.; â ingv v. Miseeliaiieëii. Miseellauia (gemengde letterkundige opstellen, mengelingen, allerlei), v. mv. Misdaad (booze daad\ v. âdaden. Misdadiger (boosdoener) m. â s. Misdoen (verkeerd doen), ik deed â. heb â gedaan. Misdoen (kwaaddoen), ik âdeed, heb â daan. Misdragen (zicli) (slecht gedragen), ik â -droeg mij, heb mij âdragen. Misdrijf (slechte daad, misdaad), o. âdrijven. Misdrijven (zondigen), ik âdreef, heb â dreven. Misdruk (misdruksel, onbi uikbaar drukwerk), o. gmv. Misduiden (verkeerd uitleggen), ik heb â -duid; -duidinff. v. Mise (inlig; inzet in een loterij of bij een spel; inleg kapitaal), v. â n. Mise en scène (omsta nd bij een too nee l-stuk), v. gmv. Miserabel (ellendig, armzalig, beklagenswaardig), bn. Ik ken nóg iemand, die niet rookt, maar het is de âste kerel van de wereld. (C. O.) Misère (ellende, nood), v. âs. M iserere (erbarm u! R. K. beroemde kerkzang), o. â s. Miserie (al wat jammerlijk, ellendig, ongelukkig is), v. â riën, âs. [-gegaan. Misdaan (verkeerd gaan), ik ging â, ben â Misg-aan (ontgaan, mislukken), ik âging, het is mij â. Misg-aaii (zieli), ik âging mij, heb mij â. Misgeboorte (wanschepsel), v. âgeboorten. Misgelden (boeten, lijden voor), ik -gold, heb âgolden; âselder, m.; -jffelding-, v. Misgewas (slechte, oogst), o. -gewassen. Misgissen (verkeerd gissen), ik heb âgegist. Misgissen (zieli) (zich bedriegen, vergissen), ik heb mij -gist; -^-issin^. v. Mis^ooien (verkeerd gooien), ik heb â -gegooid. Misgreep (dwaling), m. -grepen. Misgrijpen (verkeerd grijpen), ik greep â, heb âgegrepen. Misgrijpen (zieli) (zich vergissen, feilen, falen), ik -greep mij, heb mij -grepen; --grijping:, v. Misgunnen (benijden), ik hel) -gund; --gunner, m.; -giinning. -gunst. v. Misgunstig (jaloersch), bn.; -Iieid, v. Mishaaglijk (hinderlijk), bn. en bw. Mishagen (niet behagen), ik heb â haagd; â liaging. v. Mishagen (afkeer, verdriet), o. gmv. Mishandelen (ergerlijk kastijden), ik heb -handeld; -handeling, v. Miskennen (niet erkennen), ik heb -kend. |
Iemands verdiensten â, d. i. loochenen; â -kenning. v. Misklank (wanklank, vaIsche won), m. âen. Miskoopen (zieh) (te duur koopen\ ik --kocht mij, hel» mij âkocht. Misleiden (bedriegen). Door de duisternis â; hij zoekt mij te â; âleider, m.; â leiding, v. Mislukken (niet gelukken), het is âlukt; â lukking. v. Mismaakt (misvormd), bn.; â lieid. v. Misinaken (ontsieren), ik heb âmaakt; â making, v. Mismas (mengelmoes), m. -mossen. Mismoedig (neerslachtig), bn. en bw.; â -moedigheid, v. Misnoegd (ontevreden), bn.; â iwid, v Misnoegde (ontevredene), m. en v. â n. Misiio«gt;glt;kn, ik heb (mijn ouders) misnoegd. Misnoegen (ontevredenheid), o. gmv. Mispas (verkeerde stap, lig. misstap), m. â passen. Mispel (vrucht van den mispelaar), v. -en,-s. Mispelaar (mispelboom), m. âs, -aren. Misplaatsen. ik heb misplaatst. Zoo'n- taal is hier âplaatst, behoort hier niet thuis. Misprijzen (atkeuren, laken), ik âprees, hel) â prezen; âprijzer, m.; -prijzing. v. Mispunt (sukkel), o. âpunten. Hy maakte een â, raakte den bal (biljart) niet. Misraden (verkeerd raden), ik ried â, heb â geraden. Misraden (een slechten raad geven), ik â -ried en âraadde, heb âraden. Misrekenen (verkeerd berekenen), ik heb â -gerekend; ook: heb mij â rekend; â Ing. v. Misrooien (verkeerd peilen of meten), ik heb â gerooid; â rooing. v. Miss (in Engeland: jonge [d.i. ongetrouwde] dame), v. gmv. Missaal (li. I\. misboek), o. â salen. Missehapen (wanschapen, misvormd), bn.; â sehapenheid. v. Missehien (wellicht, mogelijk), bw. Misselijk (Jeelijk; flauw; onpasselijk), bn. en bw.; â heid. v. Missen (falen, niet bezitten), ik heb gemist. Zoo iets kan niet â, dat moet gebeuren; gissen doet â, men raadt in den regel verkeerd. Missie (zending. It. li. bekeertngspost, wettige lastgeving), v. â siën. Missigit (Ind. Mohammed, tempel), v. âs. Missionnair (zendeling), m. âs. Missionaris (li. K. zendeling), m. âsen. Missive (dienstbrief), v. â s, â n. Misslaan (verkeerd slaan), ik sloeg â, heb â geslagen. Misslag (misgreep, fout), m. âslagen. Misspreken (verkeerd spreken), ik âsprak, i heb âgesproken. Misspreken (zieh) (zich in 't spreken vergissen), ik âsprak mij, heb mij âsproken. Misstaan (niet goed staan), het âstond, heeft âstaan. Misstand (iets verkeerds), m. - en. Dathooge gebouw is een â in die straat. Misstap (fig. overtreding, vergrijp), m. - pen. Misstellen (verkeerd plaatsen), ik âstelde, heb âsteld. Misstellen (slecht opstellen), ik heb -gesteld. Misstelling (fig. vergissing), v. âstellingen. Mist (dikke nevel), m. âen. Mist (meststof), m. gmv. Zie Mest. Misteltak (marentak), m. âtakken. |
MISTEN-MOKI.
280
|
Misten, het heeft gemist. Het â, het is er^ nevelachtig. ItliMtiK' {nevelig, dampig), bn.; â licid, v. Mistral {koude N. W. wind op de Z.O. kust van Frankrijk), m. â s. MiNtreci (lig. misstap), m. âtreden. Mistress (in Engeland: mevrouw of {getrouwde of getrouwd geweest zijnde] meesteres, gebiedster), v. gmv. Mistroostig1 (ontmoedigd), bn.; â lieid, v. Mistrouwen {wantrouwen), o. gmv. Mistrouwen {wantrouwen), ik heb â trouwd; â trouwentllieitf, v. Mistrouwen {een slecht huwelijk doen, een huwelijk aangaan heneden zijn stand), ik heb (mij) en ben âtrouwd. Mistrouwig (achterdochtig), bn. en bw.; â troiiwigiieid, v. Misval (ongeval, zonde), o. âvallen. Misvailâ¬kn (misnoegen), o. gmv. Misverstami (verkeerd hegrijpen), o. gmv. Miswas (slecht uitgevallen gewas, wanstaltigheid van mensch, dier of plant), o. âsen. Miswassen (niet goed groeien), het t-wies. is âwassen. Misze^r^en (fig. door iets te zeggen beleedi-gen), ik heb â zegd enâzeid; â zeffging:, v. Miszien (verkeerd zien), ik zag â, heb â -gezien. Miszien (zieli) (zich onder het zien bedriegen), ik âzag mij, heb mij âzien. Mitaine (wantje, handschoen zonder vingers), v. â s. Mitig-eeren ( verzachten, ma tig en,be vredig en). Mitraille (schroot, allerlei kleine stukken gekapt ijzer, spijkers, enz., waarmede men kanonnen laadt), v. gmv. Mitrailleuse (kogelspuit, revolverkanon), v. â leuses. Mits (op voorwaarde), vw. â gij uw best doet. Mits, o. gmv. Fig. Kr is een d. i. een uitdrukkelijke voorwaarde, een beding. Mitsdien (derhalve, alzoo), bw. Mitsgaders (alsook, alsmede), bw. Mixed pickles (pikante Eng el se he ingelegde groenten), o. mv. Mixtuur (mengsel', artsenij mengsel', muz. orgelregister), v. âturen. Mnenioniek(/;erm nerin gsk unst, geheuge nis- leer), v. gmv. Mnemotécliiiiek (herinnerings- of geheugenkunst), v. gmv. Mnemoteeiiniseli (op de geheugenisleer betrekking hebbende), bn. Mobiel (beweegbaar, verplaatsbaar, gereed om te velde te trekken), bn. Het â maken van een leger. Mobilair (roerend goed, beweegbare have, huisraad), o. gmv. Mobilia (losse have, roerende goederen), v. mv. Mobilisatie (/it^ mobiel maken), v.; â plan,o. Mobiliseeren (mobiel verklaren, op voet van oorlog brengen). Een leger â. Mobiliteit (beweeglijkheid, vluchtigheid, onbestendigheid), v. gniv. Modaal (volgens eenige wijze), bn. Modale bepalingen, b.v. Hij komt misschim; zij vertrekt stellig. Modaliteit (voorstellingswijze; wijze van gesteldheid), v. gmv. Modde (morsebel), v. â n. gmz. Modden (de modder omwroeten, bevuilen), ik heb gemod. |
Modder (slijk, verrotte stof in grachten, enz.), v. gmv. Modderen (modder uithalen; ook knoeien), ik heb gemodderd; âaar (knoeier), m. Modderig (slijkerig), bn.; â lieid, v. . Modderkruiper (fcorptTacMfV/e visch),m. â s. De â leeft in stille meren en rivieren. Ook: Donder aal. Weer aal. Stoot visch. Mode (wijze van kleederdracht), v. â s. Een oude â; een nieuive â; de â volgen. Modegril (nuk, beuzeling der mode), v. â -grillen. De kleederdracht is niet anders dan een â; het schrijven van dat boek is voor den schrijver niet meer dan een â geweest. (v. Deyssel.) Model (voorbeeld, toonbeeld), o. â len. Model (bouwk. op verkleinde schaal vervaardigde voorstelling van eenig bouwwerk), o. â len. Het â van een trap. Modelleeren (vormen, in het klein voorstellen). Moderanien (bestuurscollege), o. gmv. Moderatie (gematigdheid, bezadigdheid), v. Moderato (muz. matig), bw. [gmv. Modereeren (matigen, beperken, verzachten). Modern (hedendaagsch, nieuwerwetsch), bn. Moderniseeren (naar den nieutven smaak of stijl inrichten). Modest (zedig, eerbaar, bescheiden), bn. Modestie (zedigheid, ingetogenheid), v. gmv. Modieus (naar den laatsten smaak), bn. Modificatie (verandering, wijziging, beperking), v. âtien, âties. Moditiceeren (verzachten, beperken; wijzigen). Modiste (modemaakster), v. â n. Modulatie (stembuiging, toonleiding), v. modulatiën. Moduleeren (muz. op de maat zingen, de stem laten klimmen of dalen). Modulus, Modul (maatstaf), m. gmv. Moe (vermoeid, ook af keer ig), bn. Zie Moede. Moed (dapperheid), m. gmv. Moede, Moe, bn. Hij is het leven â ; ik ben nu die praatjes moe, d. i. ik heb er genoeg van, zij walgen mij. Moedeloos (ontmoedigd, neerslachtig), bn.; â heid, v. Moeder, v. âs. De â in een weeshuis. Moederkoorn, -koren (zwamachtige woekerplant), o. gmv. Het â vertoont zich in de aar van tarwe en garst. Moeflerkruid (samengesteldbloemige plant), o. gmv. Het â heet ook kamille. Moederland (land dat koloniën heeft), o. gmv. Moedeerlijk (van een of als een moeder), bn. en bw. âlijke zorg; iem. â verplegen. Moederloog (oplossing van zout a's droesem in de pan eener zoutkeet), v. gmv. Moedervlek (geelbruine aangeboren vlek op de menschelijke huid), v. âvlekken. . Moedertaal (eig.: taal uit moeders mond geleerd), v. gmv. Hij verstaat behalve zijn â nog dne vreemde talen. Moedig (dapper, onvervaard), bn. en bw.; â Iieid, v.; âlijk. bw. Moedwil (boos opzet), m. gmv. Moelt;lwillig (opzettelijk), bn.; â lieifl. v. Moefti (geestelijke van la geren rang bij de Turken), m. â's. Moeheid, v. gmv. Moei (tante), v. âen; gew.: meine, muike. |
MOLFEKD.
MOEIAL-
281
|
Moeial {persoon), m. en v. âallen Mo«kleii (niocilc, last veroorzaken), ik hob gemoeid. Zich met iets â, inlaten. Mooilijk. Mooielijk (vennoeieml, niet 'jc-imikkclijk), lm. en bw. ^lociliJklK'id, IVIoeilt;gt;liJkliei«i (moeite, hinder, last, bezwaar), v. âbeden. {arbeid, inspanning), v. â n. Moelje (steenen hoofd of' golfbreker aan den ingang van zeehavens), v. â s. Moer {droesem, grondsop, bezinksel), v. gmv. Moer (bas van een schroef), v. âen. Moor {moerassig land, vcenaardc), o. -en. Moeraul {zeeaal, lieve'ingsspijs der Ilomei-nen), in. âalen. De â leeft in de war me zeeën. Mof^ras (dras land), o. â sen. Een â droogleggen. 9Io«kraHliic*litgt;. v. âen. Zie Malaria. Moerbei, v. âbeien. Moerbezie. Moerbt'i. v. âbeziën, âbeien. MoerbeKieboom, Moerbfiboom. m. âen. Moeren (troebel maken; studententaal: wegkapen),^ heb den wij n gemoerd. Een belknop â. Moerig (troebel, slijkerig), bn. Mot^rkooijii (wijfjeskonijn), o. âkonijnen; -liaan, v. âhazen; âvos, v. âvossen. Moertje (moedertje), o. â s. Spreekw. Mal â, mal kindje. Moerzee (onstuimige zee), v. -zeeën. Moes (groente, inzonderheid kool), o. gmv. Moesjaiiken (minnen), ik heb gemoesjankt; âJuuker, m.; âJankeriJ, v. vero. Moesje (moedertje), o. â s. Moesje (pronkpleisterljr), o. â s. Moesjok (liass. boer), m. â s. Moeskoppen (den kop indrukken, fig. vrijbuiten), ik heb gemoeskopt; âkopper, m.; â kopperij, v. Moeskruid (groente), o. gmv. Moesson (periodieke wind in China en Indië', bestendige wind; het jaargetijde waarin deze wind waait), m. â s. De Z.\V. â, ton N. van de linie); de N.W. â, ton Z. van de linie. Moet (vlek, waterlijn, indruk set), v. âen. Moet (nooddwang), o. gmv. liet is een â ; â is een bitter kruid. Moete (ledige tijd, snipperuur), v. gmv. voro. Moeten (genoodzaakt zijn, gedwongen zijn), om*, ik moet, ik moest, wij moesten, ik heb gemoeten. Gij moet komen; ik zal gaan, als ik moet; ik moet naar huis (gaan); de voorraad moet weg; deze heer moet wel rijk zijn, d. i. modaal hulpwerkw., uitdrukkend noodwendigheid. Moetikn (scheepst., een schuit zachtjes voortduwen), ik moetto, heb gemoet. vero. Moezel {doedelzak, pijpzak), m. â s. voro. Mof ( Westphaling, scheldnaam voor de Duit-schers), m. -feu. Zie Poep. Mof (bontwerk), v. â fen. Mof (arm-of bovenhandbekleeding), v. âten; -je, o. â s. Hier zijn wollen, sujetten âjes, polsmofjes. Mofetle (Ind. koolzuur bron), v. âten. Motlel (oven, fornuis tot harding van verlakt goed), m. â s. Moffelen (goochelen, bedriegen), ik heb ge-molïeld; âaar, m.; âarIJ. v.; âin;?, v. Moffenland (inzonderheid Westphalen), o. gmv.; âpijp (bloem), \. âpijpon; âtaal, v.; âtoer (moeilijk werk), m. âtoeren. Mogelijk (kunnende gebeuren; misschien), bn. en bw.; â lieitl, v. Moffen (verlof, vrijheid hebben), onr. ik mag, |
wij mogen, ik mocht, wij mochten, ik heb gemoogd. Die. knaap mag alles maar doen; wij â morgen op reis gaan; ik mag niet (gaan); modiial hulpw.w. Eer uw ouders, op-dat gij lang mooyt leven; hij mocht zich wet eerst bedenken; och, mocht hij t^ch genezen! In plaats van: Ik heb niet gemoogd, schrijft men: Ik heb niet mogen gaan. Mo^endlieid (staat, rijk, souverein), v. â heden. Mo^ol (Mongoolsch vorst in Hl n dos tan), rn. gmv. Mohaniinelt;l (de profeet), m.; âdaan. m. Mohikanen (fndiaansche stam), in. mv. De laatste der â, d. i. lig. van zijn geslacht. Moliair (weefsel van angorawol), o. gmv.; â kant (zwarte, ivollen kant), v.; (soorten), â kanten. Moir£ (gewaterd, gemoireerd), bn. Mok (iiaardenziekte), v. gmv. Moker (zware smidshamer), m. â s. Mokeren (mokeren, met den moker sla.vi), ik heb gemokerd. M(»kka-koflie (Arab. Koffie), v. gmv. Mokkel (bijzonder dik kind, buitengewoon dikke \en vuile] vrouw), v. â s. Mokkelen (een kind liefkoozend omvatten), ik heb gomokkeld; âaar, m.; â iugquot;. v. Mokken (misnoegd en wrevelig pruilen), ik heb gemokt. Mokuin. Mokeni (plaats), o. Groot â , Amsterdam. Mol (wit bier: in de muz. zachte toon), v. Mol (insectenetend zoogdier), m. -Ion. Zoo blind als een Molasse (fijnkorrelige grijsachtige zandsteen in Zwitserland), v. gmv. Moleenlair. bn. Cohuesie is een âc kracht. Moleeule (kleinste stolfelijk deeltje, ondeelbaar stofdeeltje), v. â culen. Molen. m. â s. Dat is water op zijn â, komt hem te pas; dat is koren op zijn â ; de â is dom' de vang, de zaak is in de war; een slag van den - weg hebben, niet goed wijs zijn; die meid loopt met âIjes (Potg.), is zot. Ook: Meulen. Molenaar, m. â s, ânaren. gew. Mulder. Molenaar (kleine schelvisch of wijting in de Middelt. Zee), m. -s. Molenas (hoofdspil van een molen), v. âsen; â beâ¬Â»k, v. âbeken; â j^eld, o. gmv.; âkap {dak van den mol en), \'. âkappen; âkar(fof vervoer van 't meel), v. âkarren; â lijfj^er (onderste molensteen), m. âs; âpaard (trekpaard in den rosmolen, sterk dier, lig. groot en zwaar vrouwspersoon), o. âen; âpraam (klem in den molen), v. âpramen; â pran-«â¢er (vang van een molen), m. âs; ârati (houten of ijzeren wiel), o. raderen; âsteen (ronde uitgebiktesteen), m. âen; â tje,o. âs. Die meid loopt met âijes, doet of ze gek is (de ronddraaiende molen, beeld der zotheid); â treehter, m. â s; âtremel, m. â s; â -van£ (klem om den molen stil te zetten), v. âen. Zie Vang;; âwerf (stuk grond, waarop een molen staat), v. âwerven; â wiek (vleugel), v. âen. Molest (hinder, overlast, beschadiging), v. gmv. lem. â aandoen. Molestatie (kwelling, overlast), -v. gmv. Molesteeren (bezwaren, overlast of kwelling aandoen). Moïferd (onbeschoft, brutaal mensch), m. -s. |
MOLIK â MONTANT.
282
en veel over dingen, die ons ter harte gaan; -«'lijk. bn. en bw.; â elin;;. bn. en bw. Mondain (wereldsch, ijdel), bn. Mondaniteit (wereldsch gezindheid, ijdel-heid), v.
Mondelijk (met den mond), bn. en bw. Een
â e lijding; iets â meedeelen.
Monfielin^*. bn. en bw. Een â examen;
zich â goed uitdrukken.
Monden (smaken; fig. behagen, bevallen), het heeft gemond.
; Mondgesprek (mondeling onderhoud), o. âsprekken.
Mondig (smakelijk; ook boud in den mond), bn. en bw.
Mondig' (meerderjarig), bn. en bw.; â lieid, v. Mondjesmaat (van spijs, juist genoeg), v. Mondvol, o. monden vol. [ffmv.
Mongolen (gele menschenras in .4 zie), m. mv. In Europa zijn Finnen, Lappen, Hongaren en Turken â.
Monitenr (raadgever; een nieuwsblad), m. gmv.
Monitor (geschubde hagedis), m. â s. De â voedt zich met de eieren van den krokodil. De â sist bij nadering des monsters. Monitor (drijvend pantserschip met stoom-vermouen ter kustverdediging), m. â s. Monnik. Miinnik (kloosterling), m. âen. Monnikskap, v. âpen;âkleed, o.; âpij.v. Monnikskap (giftplant), v. Zie; Akoniet. Monoele (bril, bestaande uit één glas), âs. Monoeraat (alleenheerscher), m. â craten;
â cratie ((dleenheerschappij), v. gmv. Monogram (naamvers, dooreengestrengelde
voorletters van een naam), o. âgrammen. Mono^rapliie (verhandeling over een onderwerp), v. â ën.
Monoloog (alleenspraak), m. âlogen. Monomanie (een soort van waanzin), v. gmv. De â bepaalt zich bij een idee-five. Monopolie (alleenhandel), o. âliën, âlies. Het âstelsel der O. I. Compagnie (tegenstelling van vrij mededingen); cr is natuurlijke
â en kunstmatige â.
Monopolist (handelaar, die een monopolie bezit), m. en.
Monosyllabe (eenlettergrepig woord), v. â n. Monotonie (eentonigheid), v. gmv. Monotoon (eentonig), bn. en bw. Monroeleer (v. den president James Monroe \i758â183l']): Amerika aan de Amerikanen. Monseijfiienr (titel v. e. prins of bisschop), m. â s.
Monsieur (mijnheer), m. messieurs. Monster (staaltje, patroon), o. â s. Monster (gedrocht; flg. wreedaard), o. â s. Monsteren (revue houden, schouwing houden), ik heb gemonsterd; â inji*. v. Monsteren (zeew. zich voor één reis tot den zeedienst verbinden), ik heb gemonsterd; iiift'. v.
Monsterplaats (plek der wapenschouwing), v. âen.
Monsterrol (lijst van al de personen, die zich aan boord bevinden), v. ârollen. Monstrans (R. K. goudoi of zilveren vat ter uitstelling van het H. Sacrament), m. âen. Monstrnens (gedrochtelijk), bn. en bw. Monstruositeit (monsterachtigheid), v. gmv. Monta^'iiard (bergbewoner), m. âs. Montaut (bedrag, beloop eener rekening, waarde van iets), o. gmv.
Iffolik (vogelschrik)^ m. âen. Zie ^Iolocli. IHolloii (doodslaan, doodsla Ken), ik heb gemold. vero.
9Iolli^ (zacht), bn. âe wijn; â heid, v. ülolliisken (weekdieren), m. mv. De oester is een mollusk; de in trage rast levende â der Javaansche wateren. (Veth.)
Molm (droge stof van turf), m. en o. gmv. Molmen (stof worden), het is gemolmd. Molocli (afgod der P'iilistijnen, de alver-sUnder, vuurgod), m. gmv.quot; De â der 19e eeuw. (C. O.), de mode.
Molos (dicht, jachthond), m. âsen.
MolNem (inohn), m. gmv.
MolNonifii (molmen), het is gemolsemd. Molton (zachte, dikke wollen stof), o. gmv.
Een â deken.
Itloni (masker), v. â nren.
Mombakkes (masker), o. âbakkesen. Momber (voogd, verzorger-, fig. hul/), bescherming). Zie Momboor, vero. Momboor, Momber (voogd), m. momboren, mombers. Wees- en âkamers', â seliap. : o. vero.
Moment (oogenblik, hoofdomstandigheid), o.
â en.
Moment (het bewegende of beweging veroorzakende), o. âen.
Mâ¬gt;nientaneel (vluchtig, ras voorbijgaand), Momiseli (spottend, hekelend), bn. [bn. MommedaaiK (gemaskerd bal), m. âen. Mommekleeren (maskerade-kleederen), o. mv.
Mommelen, Mnnimelen (zonder tanden eter?), ik heb gemommeld; â aar. m.; â injf, v. Mommelen (dof, eentonig mompelen), ik heb gemommeld. Fig. De bijen â op de zilveren boekweit. (Ter Haar).
Mommen (zich verkleeden), ik hebgemomd; ook ik heb mij gemomd; âer, m.; ârij (eer-momming), v.
Mommespel (maskerade), o. gmv. Fig. veinzerij.
Momigt;elen (binnensmonds en onverstaanbaar spreken), ik heb gemompeld; âaar. m.; -ing:, v.
Mompen (bedriegen), ik heb gemompt;
â inj;-. v. vero.
Moiiiiim (god van nijd en spot), m. MonaeiiiiM (monnik), in. âsen.
Monaden (infusiediertjes), v. mv.
Monareli {alleenheerscher), m. âen. Monarehaal (tot een monarchie be hoor end), bn. en bw. Ken âale regeering; â regeer en. Monareliie (alleenheerschappij), v. â ën. Monarcliisl. m. âen; â iseh,' bn. en bw. Mond. m. âen. Den â houden, zwijgen, stil | zijn; den â snoeren, het zwijgen opleggen: den â roeren, druk praten; naar den â praten, vleien, pluimstrijken; zij is niet op den
â gevallen, zij kan goed haar woord doen; in den â loopen, bij geluk vinden; met den
â vol tanden staan, geen woord kunnen uitbrengen; met twee âen spreken, zich zelf tegenspreken, niet oprecht zijn; iem. het woord uit den â nemen, precies zeggen, wat hij bedoelde; een grooten â opzetten, luid schreeuwen, brutaal zijn; iem. het brood uit den â nemen, hem in zijn nering onderkrui- ; pen; uit zijn â besparen, zuinig leven of sober eten om een ander; bij âe van, gezegd of voorgelezen door; waar het hart vol van j
loopt de â vun over, men spreekt gaarne |
MONTEER EN - M OU SDOOD.
283
|
Montoereii {stijgen^ opwekken; optuigen; bemannen; ineenzetten ran een stoom)iia-rliine). ^lontcerin^' {militaire dienstkleeding of uitrusting), v. âen. Montrr {vrooHjk, opgewekt), bn.; â v. .lloiituiir {rijpaard, ezel; toerusting), v. â -turen. {gedenktelken, gedenkstuk), o. âen. Moiiiiiiiontaal {in den vorm van een monument), bn. Een â gebouw; een bouwval van eenige âtale waarde. Mooi (/ 'raai, aardig), bn. en bw. â weer spelen, zeer vriendelijk zijn, op eens anders goed teren; â met iets zijn, gaan pronken met; bw. Ze begint â oud te worden. .Hoor {Moriaan, zwarte), m. âen. Moor {stof), o. moren (soorten). Zie: Jloir^. Moord (manslag, misdrijf tegen het leven van een niensch), m. â en. â en brand schreeuwen, zeer hard; fig. Een â aan de vrijheid begaan, een tyran zijn. MoordaaiiKla^,*. m. âen; âbesluit {tot het moorden), o. âen; âbijl. v. âen; â -daillK ( wreed, bloedig), bn. en bw. Moorden {om het leven brengen), ik heb jre-moord; âaar, in.; inoorderij. v. Moorin {negerin), v. â nen. Moorkop. Moor {zwart paard), m. Ivo Het zijn â tot een uitlandseh tochtje zaaien. (Staring). Moorsch. bn. De âe stijl, de âe taal. Moot {schijf), v. âen. Een â kabeljauw. Mop {hond), m. âpen. Mop {steen; ook een koekje), v. âpen. Mopneiis {persoon), m. en v. âneuzen. Moppen {pruilen), ik heb gemopt; â â¬Â»r. m.; â iiiff. v. Mopperen {knorren, pruttelen, pruilen), ik heb gemopperd; âaar (pruttelaar), m. Mops {hond), m. âen. Moqueeren {bespotten, uitlachen). Moquerle {bespotting, boert, hoon),, v. gmv. Mora {verzuim, vertraging), o. gmv. In â zijn, nalatig, in gebreke zijn; periculum in â , dringend gevaar bij talmen. Moraal {zedenleer, zedenles), v. gmv. Moraliseeren {levensplichten voordragenen inprenten). Moralist {zedenmeester), m. âen. Moraliteit {zedelijkheid; tooneelstuk), v. gmv. Moraviselie hroeâ¬\erH{Hernhutters),m. mv. Moreel {zedelijk, deugdzaam), bn. Morel {noordkers), v. â len. De â is een zuurachtige kers. Morelleboom, m. â boomen. -Moros leeren lt;iemand) {iem. hardhandig leeren, hoe hij zich gedragen moet). Morgana (fata) {luchtspiegeling in de woestijn), v. Mor^anatiseli bnwelijk {huwelijk met de linkerhand tusschen een vorst of adellijk heer en een dame van lagere geboorte, waarbij de eerste iels bepaald tot morgengave {morganatica) uitzet. De kinderen uit zoodanig huwelijk erven slechts den naam en hel vermogen der moeder), o. âen. Morden (toekomst), o. gmv. Heken niet op het onzekere â. Morden (ochtoidstond), in. â s. Het is, het wordt â; de â breekt aan; den ganse hen â; des âs, 's âs; alle âs; een schoone. een zo-mersche â; iem. goeden â wensehen; âbad, o. âbaden; -beurt {preekbeurt), v. âen; |
â bexoek, o. âen; âblad. o. âbladen; â -«lanw. m. gmv.; âdienst, m. gmv.; â -drank. m. âen; âdroom, m. âen; â -editie {eener krant), v. Morgen {oude landmaat), o. â s. Een Rijn-landsche â is ruim 0.85 II.A. Een â gronds, een kleine woning, enz. (Borger). Morden {op den eerstvolgenden dog), bw. Ik zal ii â schrijven; â avoml, bw.; âmiddag. bw.; â ocliteiul. bw. Morg'eng'ave {bruidschat, huwelijksgoed), v. â n. Zie: Morg:anatiseli. Morgengebed, o. âgebeden; â gewaad {losse huiskleeding), o. gmv.; â i^exang*, o. â en; âgalans {morgenrood), m. gmv.; â -gloed, m. gmv.; âjapon. v. ânen; â -k«'rk {ochtenddienst), v.; âklok. v. Morgenkrieken {het aanbreken van den dageraad), o. gmv. Wij zeilden uit bij het eerste Morgenland (dicht, het Oosten, de Levant\ o. gmv. In â en zijn we niet, (maar in Vlaanderen), Ledeganck, De Boekweit; â seh (oosterse h), bn.; â Inclit (dicht, geest van het Ojsten), v. âen: (steden), tvier ingestorte puin slechts âen admt! (Da Costa). Morgonlielit. o. Het â breekt door, de dag breekt aan; âlied, o. âeren; âlucht {de verfrisehle lucht van den morgenstond), v. gmv.; âmuziek, v. gmv.; â nevel, m.âea; â post.v. gmv.; â schemering^v.; - slaap, m. gmv.; âspraak, v. Zonder veel â trad ik het tuinmanshuis binnen. (Vosmaer), d. i. complimenten. Morgenster (dagster of Venus), w âsterren. Itorgenster{knotsmet jirikkels), v. â sterren. Morgrenstond (morgenuur), m. De â heeft goud in den mond; âuur, o. âuren; â -wandeling', v. âen; âxang;, m. âen; â -zitting:, v.; âzon, v. gmv. Morg'ae {gebouwtje, waarin onbekende drenkelingen enz. te Parijs enkele dagen worden nedsrgelegd), v. gmv. Moriaan (Moor), m. âanen. Het is den â geschuurd, alle arbeid is vergeefsch. Morille {vlies- of schilfzwam, eetbare paddenstoel), v. â s. De â dient tot kruiderij in soep, ragout, enz. Morisken (tot het Christendom bekeerde Mooren in Spanje), m. mv. In 1570 werden honderdduizend â uit Spanje gebannen. Morituri te salutant {de ter dood ge wijden groeten u). groet der gladiatoren in Rome, als ze defileerden voorbij de loge des keizers. Mormeldit^r (marmot), o. âdieren. Mormonen {godsdienstige sekte in N. Amerika), m. mv. Morpheus (god van den slaap; de slaap zelf), m. gmv. Lees: Mor-fuis. Morphine {opiumzuur, slaapmiddel), v. gmv. Morpholog^ii' {vormleer i. d. taal; gedaan-teleer), v. gmv. De â der planten. Morrelen (iets in 't donker verrichten, d. i. op den tast; fig. broddelen), ik heb gemorreld; â aar. m.; âing*. v. Morren (knorrig mompelen), ik heb gemord; -ing:, v. Mor rig* ( pruttel a eh tig), bn. en bw.; â lieid, v. Mors (vuile vrouw), v. âen. Morsdood, bn. Hij viel â, zonder eenig tee-ken van leven. |
MUIZKNNEST.
284
MOltSKBKL-
|
9IorMCkbel {vuile huisvrouw), v. â lerv. Aagt â nam kleinen Piet in kost. (Staring). Morwn (knoeien), ik heb gemorst; â erij, v. ^lorNi^ (vuil smerig), bn. en bw.; âheid.v. Morspot (persoon), m. en v. âpotten. Mortalifoit (sterfelijkheid, sterfte), v. gmv. 9Iortfkl (metselspecie, beslagen kalk), v. gmv. Kr is kalkâ en trasâ; âmolen, m. Mortelen (tot gruis maken, vergruizelen), ik heb en het is gemorteld. Ook: Morzelen. Mortier (vijzel, ook bomketel [kanon]), m. â en. Mortifieeereii (dooden; kastijden, leed doen). Morzel (brok, stuk), m. âen, âs. fets te â of mortel slaan, tot gruis maken, verbrijzelen; aan â of mortel vallen. Morzelen (tot gruis maken), ik heb gemorzeld; â iiifj'. v. Mow (bedekt bloeiende kleine sierlijke plant), o.; (soorten), âsen. Er zijn blad-en levermos-sen; â aehti^, â sijr. bn. Mosasaurus (voorwereldlijk reusachtig dier, Maashagedis), m. In den Pietersberg te Maas-t richt vindt men een geheeld hou ivden â. Moseli (vogel), v. mosschen. Zie Museli. Moseovis (gebak), v. âsen. Mosdiertjes (microscopische koplooze weekdier tj es), o. mv. Moskee (Mohammedaansch bedehuis), v. -en. Moskovië (Itusland), o.; â viet, â vietlt;'r. m.; â viseli. bn. âvische taart, âmatten. Moslem (de ware geloovige; reehtgeloovige, muzelman), m. moslim, mosleman. Mossel (tweeschalig koploos weekdier), v. â s of âen; âkrabbetje (rood vergiftig krabbetje, huizend in de mosselschelp), o. â s. Most (ongegiste wijn, vruchtensap), m. gmv. Mosterd (kruisbloemige plant), m. gmv. Ook: Mostaard, m. In de spreektaal is â, v. Mot (vlinderachtig insectje), v. âten. De korenâ, de pelsâ, de kleed erâ, de haarâ, de witte â, de tapijt â . In dit laken is de de larf der mot heeft er zicli in verpopt. Mot (fijne regen), v. gmv. Mot (turfmolm), o. gmv. Motet (geestelijk gezang), o. âten. Motie (beweging-, voorstel), v. -tien, â s. Motief (beweegreden, aandrift, spoorslag, ook grondidee op 't gebied van kunst), o. â -tieven. Motiveer en (met redenen omkleeden). Motor (eig. beweegkracht, beweger, d. i. machine), m. âen, â s. Ken gasâ-, de electro-magnetische â. Motregen (stofregen), m. â s. Mots (paard of lumd met afgesnedenooren), m. âen. Motse [ wijde sehippers-overbroek), v. â n. Motsen (knotten), ik heb gemotst. Motten (fijn regenen), het heeft gemot. Mottii;' (door de mot beschadigd', door de pokken geschonden), bn.; -beid. v. Motto (kernspreuk, vers enz. tot opschrift eener verhandeling, enz.), o. â's. Moueliard (politiespion), m. âs. Moiielie (blanketpleistertje, ook haarbosje aan de onderlip), v. â s. Mousseeren (schuimen, opbruisen, b.v. van wijn). Mousseline (neteldoek), v. gmv. Lees: moe-ze-li-ne. Moussenx (schuimend), bn. Mout (gedroogde ontkiemde gerst), o. gmv. |
Mouten ()}wut maken\ ik heb gemout; âttr, m.; âerij, v. Moutwijn (alcoholisch destillaat), m. gmv. Moiiveinent (beweging, gangwerk), o. âen. Mouw, v. âen. fem. iets op de â spelden, hem iets wijs maken; het achter de â hebben, sluw, niet oprecht zijn; iets uit de â schudden, d. i. zonder moeite doen; de handen uit de â steken. Hink nan 't werken gaan; ik weet er geen â aan te passen, ik weet het niet in orde te krijgen, te verhelpen; de aap kwam uit de â, de heimelijke bedoeling bleek. Moyens (middelen; bekwaamheden), o. mv. Mozaïek (ingelegd vloer werk), o. gmv. Mozaïseli (tot de leer van Mozes behoorend), bn. De âe godsdienst, de âe wetten. Mini (inhoudsmaat* i H.L.), v. en o. âden. Mndde (H.L), v. â n. Muf (duf, vochtig), bn. en bw.; â heiil. v. Muilen {muffig rieken), het heeft gemuft. Mufti (Turksch hoofdambtenaar), m. â's. Mug' (tweevleugelig insect, langbeen), v. âgen. In Europa zijn nagenoeg duizend soorten van âgen. Mu{ff£?ebeâ¬Kt (pik eener mug), m. âbeten. Mii^ensreffons, o. gmv.; âgordijn (vlie-genyaas om wieg of bed), o. â en; âscherm, o. âen. Muggenziften (haarklooven, vitten, beknibbelen), ik heb gemuggenzift; ââ¬Â»r, m.; â erij. v. Muiereu (beredderen, bedisselen), ik heb ge-muierd. vero. Muil (muilezel), m. âen. Muil (bek), m. âen. Muil (schoeisel), v. âen. Miiilbanfl (korf of riem om den bek), m. â banden. Muilbanden, ik heb gemuilband. Fig. lem. â, d. i. den mond snoeren. Muildier (afstammeling van een ezelhengst en een merrie), o. âen. Muilezel (afstammeling vaneen paard hengst en ezelin), m. â s. Muilkorf (toestel om den bek van honden), m. âkorven. Muilpeer (kaakslag), v. âperen. Muis (knaagdier), v. âmuizen. Zoo stil als een â, d. i. doodstil; het schip is met man en â vergaan, d. i. er is uiets van gered. Muisft*rauw (grijsachtig), bn. Een â paard. Muisje, o. Een â niet een staar', oorzaak met een reeks gevolgen. Mama van Naslaan dacht, dat er meer achter zat, en dat ook dat â een staartje hebben, zou. (C. O.) Muisje (suikerbolletje), o. â s. Muit. Muite (vogelkooi), v. muiten. In deâ zitten, de kamer houden, vero. Muitaehtig' (oproerig), bn. Muiteling (oproermaker), m. en v. âen; voor het v. ook â e. Muiten (oproerig worden), ik heb gemuit; â er, m.; âerij, v. Miiitznelit (oproerigheid) v. gmv. Muizen (peinzen), ik hel» gemuisd. Mnixvn (muizen vitngen), (\g kat heeft gemuisd; liet muist al wat van katten komt, het kind hoeft den aard der ouders; zit ge daar te â, d. i. te eten; de katjes die â, mauwen niet, als de kinderen eten, babbelen ze niet. Muizenis (gepeins, getob, kommer), v. âsen. Muizennest, o. âen. Fig. âen in het hoofd hebben, beslommeringen, verwarde gedachten; |
MUIZENOOR-MUZIKANT.
|
op het oogenblik, fint haar dieâen over Kefje door yt hoofd maalden. (Potg.) Muixoiioor {mmcivjesteldbloemiye plant, ha-vilcsl.ruid), o. gmv. Ook: Schor pioen kr aid. iiizf'iitarult;' (ucruiJtiije tarwe), v. Itliiixonval. v. âvallen. Mnizenvalk {buizerd). 111. âen. Ook: ülni-jboihI. ItriiixoMtaart {ranonkelachtige plant), v. gmv. In ons land komt één soort van â voir. Mul (nwlm, droge aarde, zand), v. gmv. Mul {los, onsamenhangend), bn.; â lif'iil. v. In het âIe zand. Mulat {kind van oen Ear opeet an en een negerin), m. âten. Mulattin, v. â nen. Mulder {molenaar-, meikever), m. âs. Mnlet (/gt;lt; rrtageesch vaartuig), v. âten. Muilen {molmen, mal worden), liet heeft gemuld. Miillitt- {fijn, los), bn. Het gebak is â, d. i. niet hard maar bros; â lieiil, v. Mnltiplet (sport, rijwiel voor meer personen), o. â s. Multiplex {veelvoudig), bn. Mnltiplieatie {vermenigvuldiging, vermeerdering), v. â s, â tiën. Mulfiplieator {vermenigvuldiger), m. gmv. Miilti|»lieelt;'reii {vermewgvuldigen). Mimimeli'ii {mommelen, ook met moeite knauwen), ik heb gemummeld. Mummie {gebalsemd en gedroogd Egyptisch lijk. Fig. lem. die er geelachtig, stroef', mager of droog uitziet), v. â miën, âmies. Mmifliiim (leenstelsel, bescherming door een machtig heer), o. gmv. Mtliilt;lomotori 11 ni {toestel om de beweging van aarde en sterren voor te stellen), o. â s. MiiimIiik vult deeipi {de wereld wil bedrogen zijn). Miinieipaal {de gemeente of stadsregeering betreffende; stedelijk), bn. Mmiicipaliteit {plaatselijk bestuur; gemeentebestuur; raadhuis), v. gmv. Mimieipinm {stad, oudtijds in het bezit van het Hom. burgerrecht), o. â s. Miiiiifieentie {milddadigheid, grootmoedigheid), v. gmv. Munitie (mil. krijgsvoorraad, b.v. kruit en lood), v. gmv.; â Wag'en, m. â s. Munnik, m. âen. Zie Monnik. Munster {stiftskerk, domkerk), m. â s. Munt {mentha, lipbloemige phnit), v. gmv. Munt {stuk geld), v. âen. Kr zijn in ons land gouden, zilveren en bronzen munten; het gehalte eener â. Munt {gebouw, waarin het geld geslagen wordt), v. âen. De â is voor ons land te l 'trecht. Mnnlbiljet {credietpapier, wettig betaalmiddel), o. âten. Er zijn âten van f 10 en van f 50. Munt- en l*ennin$;'kunde {wetenschap, welke een overzicht en beschrijving geeft van alle voormalige en huidige munten en pen-ningen), v. gmv. Munten {ge Ids laan), ik heb gemunt; guldens â; âer. m.; â in$?, v. Munten {doelen), ik heb gemunt. Hij heeft het op mij gemunt, op mijn teven gemunt. Munt voet {degrondbepalingen van het munt-wezen in een htnd), m. gmv. Murik {vogelkruid), v. gmv. Zie; Muur. |
Murmelen {zacht ruischen), de boek heeft gemurmeld; âins:, v. Miirnmreeren {morren, ontevreden, klagerig zijn); â«Ier, m.; â injr, v. Murw {weck), bn.; â lieiil, v. Iets â slaan; iem. â slaan, d.;. hem afrossen. MiiNeailifn {fat, saletjonker, modegek),m. âs. Museli. Moseli {vogel), v. musschen, mos-schen. De ringâ, de veldâ, Munciis. Muskus {reukwerk), v. gmv. MiiNeusilier {herkauwend hertachtig dier), o. âen. Het â leeft in Midden-Azi'e. Museus|gt;lanl (klein plantje, den geur van muscus gevend), v. âen; âJe, o. â s. Museusrat {knaagdier, een soort waterrat), v. âten. De â leeft in Canada aan de meren. Museum {tempel der muzen; instelling, aan de schot me kunsten of de wetenschappen gewijd; kunstkabinet), o. âs, musea, museën. Musieeeren {muziek maken). Musietis {toonkunstenaar), m. â ci. Musiefg-ouil {verbinding vau tin en zwavel, jodengoud), o. gmv. Muskaat {fijne wijn), m. gmv. Muskaatnoot (Ind. Banda: vrucht van den noteboom ran dien naam), v. ânoten. Zie: Not emu skaat. Muskadel {druif, muskaatdruif), v. âIon. Muskei (spier), v. â s, -en. Musket {vuurroer), o. âten. Musketier {soldaat meteen musket), m. âs. Muskiet {soort van mug, in ladië), v. âen. iïtnt niio {verandering, ivisseling), v. - tien, â s. Mutileeren {verminken, vervalschen). Miitineeren {aan het muiten slaan, oproerig worden). Muts, v. âen. De â staat hem verkeerd, hij is uit zijn humeur; hij heeft het niet in zijn â dit of dat le doen, hij heeft er geen zin in; hij is zoo gek niet als de â hem wel staat, al hij er wel uitziet. Mutsaard. Mutserd {rijsbos, takkenbos), m. â s. Het riekt naar den â, d. i. naar den brandstapel, naar ketterij. Iem. tot den â veroor-deelen, brandstapel. Mutueel {wederzijdseh, over en weer), bn. Muur, in. muren. Een blinde â, d. i. zonder ramen; hij zit tusschen vier muren, d. i. gevangen; met het hoofd tegen den â Ion pen, radeloos zijn; de muren hebben hier ooren, men wordt hier beluisterd. Muur {murik, hoenderbeet, kruid), v. gmv. Muurbloem {kruisbloemige pllt;igt;it), v. âen. De â groeit in 't wild op oude maren. Muurbreker {stormram), m. âbrekers. Muurpeper {retplant, huislook), v. gmv. Muze {zanggodin, nimf; zangster), v. â n. Muzelman {volgeling vaïi Mahomed), m. â nen. Zie: Moslem. Muxen {de zanggodinnen, negen in getal; de schoone kansten en wetenschappen), v. mv. Miixi^nalmanak {dichterlijk jaarboekje van voorheen), m. -ken. De eerste â verscheen in 1S19. MiiKeiiKOOii {dichter, ook student), m. - zonen. Muziek {toimkunst, zangkunst), v. gmv. -, die poëzie der tucht. (Jonath.) Er is Innige en lage, classieke en romantische, geestelijke en wereldsche â. (Klikspaan). De â is tweeledig: gewijd en ongewijd. (Klikspaan). Muzikaal, bn. â gehoor, (gevoel, talent; hij is â, heeft talent voor muziek. Muzikant {toonkunstenaar), m. âen. |
V
MVLADY â NAAR.
280
|
Mylady, Milatl.y (aanspraaklitel der vrouwen uit den aanzienlij ken stand in Engeland] mevrouw), v. âdies. Mylord, Milord (aanspraaktilcl van een Lord), m. â s. Myopie (bijziendheid, kippiyJieid), v. gmv. MyopN {bijziende), m. en v. âen. Myriade (tienduizendtal; fi^. een ontelbare menu/te), v. â n. Myriag'ram (10.000 wichtjes of 10 NederI. ponden), o. âmen. My ri am et er (-10.000 Meter oflO Ned.mijlen), ni. â s. Myrrhe, v. Zie Mirre. Mysterie (geheimenis, verborgenheid in deïi godsdienst), o. â riën, â s. Mysterie-spel (gewijd tooneelspel der Middeleeuwen), o. âspelen. |
Mysterieus (geheimzinnig, raadselachtig), bn. en b\v. Mystieisme (het geloof aan het geheimzinnige, bovennatuurlijke), o. gmv. Mystiens (iem. geneigd tot mysticisme), m. Mystiek (geheimleer), v. gmv. [ âtici. Mystiek. Mystiseli (geheimzinnig), bn. Mystitieatie (misleiding, fopperij), v. -ti(;n, -s. Mystilieeeren (verschalken, foppen). Mythe (volksoverlevering, verdichtsel), \. â n. Mytliiseli (verdicht, fabelachtig), bn. Mythologie (leer der oude verdichtselen, bijzonder de (i riek scheen Romeinsche godenleer; fabelkunde), v. â ën. Mytholo$;'iseh (de godenleer betreffende; fabelachtig), bn. Een â woordenboek. Mytholoo;;' (fabelkundige, navorscher van de fabelleer der ouden) m. âlogen. |
N.
|
v. n's. De veertiende letter vnn het alpli:ibet. X. â Noord. 3gt;at. hist. - Natuurlijke historie. Xat. Mil. â Natioifale Militie. X.ll. â Nota bene, let wel. N.B. ot X.Kr. - N oorder breed te. N.c. â Nostro conto, op onze rekening. Ned. Ceiitr. Sp. â NederlandscheCentraal-Spoor weg. Xed. C't. â Nederlandsche courant (geldswaarde). Xed. Herv. â Nederlandsch Hervormd. iie$t'- â negotiatie. Zie aid. N.lf .M. â Nederlandsche Handelmaatschappij. N.Ii. â Nederlandsche leeuw. X.l. â Non liquet, de zaak is nog niet duidelijk, is nog niet bewezen. â â i. â namelijk. N.m. â Nova moneta, nieuwe munt. N.ii. â Nomen nescio, een niet te noemen persoon, of, den naam weet ik niet; of Nomen noteur, de uitgelaten naam moet ingevuld worden. N.X.O. â Noord-noord-oost. N.X.W. â Noord-noord-west. No, Xr. â numero, nummer. N.tK â Noord-oost. X.O.t*. â NederI. Onderw. Genootschap. X.tKI.I.. - Ned. O. I. leger. Xov. â November. X.S. â (in geschriften): naschrift; (in den almanak): nieuwe stijl. N.M. â Notre Seigneur, onze Heer (Jezus Christus). Xs. â nummers. X.T. â Nieuwe Testament. Xto. â Netto, juist, zuiver (gewicht in den handel). Xiiiii. â Numeri. Zie aid. X.V. â Nieuwe Verbond. X.W. â Noordwest. X.W.S. â Nederlandsche iverkelijke schuld. Xa (achter), vz. Hij kuum jaar; â dezen, in 'tvervol â mij; jaar â â , --------, ... ^ .w-c, in de toekomst. Xa, bw. nader, naast. Op een dubbeltje â; |
allen zijn er op twee â; op een weinig â; iem. te â komen, beleedigen, slaan; bij lange â niet. Xa (achterna), bw. Vormt met het w w. één samenstelling: âbabbelen, nagebabbeld; â bauwen, iem. woorden galmend nazeggen; â brullen, âklimmen, âstoomen, âvrage/:, â nazitten, achtervolgen, enz. Xaad (samenvoeging), m. naden; â je, o. Het | âje van de kous verstaan of kennen, het j fijne van een zaak weten of begrijpen. Xaaf (deel van een rad, waardoor de as gaat), j v. naven. Fig. de omlijsting eener deur: Zij i ij ten naar de deur, en wringen ze uit de j naven. (Tollens.) Xaaien. ik heb genaaid; âster, v.;âsters-! werk, o. I (werktuigO)n naden temaken), j v. â s. Ue âs worden in beweging gebracht i door een handrad. Xaakt (bloot, onbedekt), bn. en bw.; â heid. j v. Fig. f/roote armoede. Xaald ( werktuig om naden temaken), v. âen. Een naai â ; ook zijn er breinaalden en haarnaalden. Naaldhooni (kegeldrugende b)oni), m. âen. De cypres, de den, de pijn, de. ta.rls is een â. Naaldgeweer (mil. achterlader, die door werking eener naald wordt afgeschoten), o. âgeweren. Xaaldparaplu (zeer licht en dun op te rotten regenscherm), v. â pluus. Naaldviseh (troskieuwige viseh), m. â vis-schen. Het zeepaardje behoort tot de âvisschen. Naam. m. namen; â pje, o. âs. Te goeder â en faam bekend staan, geacht zijn; in â van, namens, van wege; het kind bij zijn â noemen, eenige zaak niet verbloemen. Naamloos (zonder naam), bn. Een â artikel, een âlooze brief, een âlooze circulaire, een â looze vennootschap. Naamval (verbuigingsvorm tot aanduiding van den dienst), m. â len. Er zijn vier â Icn. Naiipen (nadoen, ruibootsen) ik heb âgeaapt, â aper, m.; aperij, v. â apinp', v. Naar (in de richting van, volgens), vz. Zij |
NAAR - NAKOMELING.
287
|
yuan â school, â de kerk, â lt;ie markt, enz.; handel â mijn woorden, d. i. volgens. Xaar (zooals, gelijk), v\v. â men znjf, â inen wil; â de waard is, vertrouwt hij zijn (jasten, in dezelfde mate als. Naar (akelig, treurig, doodsch), bn. en b\v.; Het is â weer; â lifiil, v. Naarilicii (omdat), v\v. Xaar^oostiy (droevig), bn. en bw. â lieid, v. Xaarmafo (volgens, in verhouding van of tot), vw. Xaarsliy (ijverig), bn. en bw.; â lieid, v.; â lijk, bw. Xaa^l (nevens, ter zijde van), vz. Hij woont â mij. Ook bn. en bw.: Hij is mijn âebloedverwant; de âe prijs; ten âen bij, d. i. ongeveer. Naastbesl mi tule (bloed vei 'ivant), m. en v. â n. Xaasl«' (evenmens: h), in. en v. â n. NaaNtcgt;ii (benaderen), ik heb genaast. Kn waartnn die genaast (nl. de sleutels):' (Staring), zich toeëigenen; âv. Nabanket (dessert, nagerecht), o. âton. Naberouw (wroeging), o. gniv. NabcslaaiKle (bloeden'want), m. en v. â n. Xabetrarlitiii^' (overdenking), v. âen. Nabior (dun bier), o. gmv. Nabij (niet ver af), bw.; â lieitl, v. Nabij^'olo^ii.ltn. Kenâbuitengoed,vil la,enz. %'abob (stadhouder, bevelvoerder in een rijke d. i. parvenu uit Eng. Indië), in. âs. Naburig (nabijgelegen), bn. Een â dorp, een â e stad. Nabuur (buurman), m. âburen. NabuurM'liai» (buurt van samenwonende personen), v. Xabiiiir*lt;*iia]» (debetrekking van nabuur), o. Nararaat (helderrood, naar het oranjegeel zweemende), bn. als zn. o. \alt;'iil. m. âen. Hij â en ontijden, d. i. op ongewone uren. Xarht braken ('s nachts opzitten bij studie), ik heb genachtbraakt, lia Ij on was bleek van het â. (Koetsveld): â er, in.; â«'rij (zwelgerij, v.; â iiift-, v. Xaelite^'aal (zungvogel), m. â s, âalen. De â is een trekvogel. Xaclitevenin;;* (21 Maart en 2.gt; September), v. âen. Ook: Aequinoctiuni. De voorjaarsâ; de na}aars â. Xaelil^laK (zandlooper van acht glazen of vier uren), o. glazen. 3taelitkwartier (tij» lelijke noch lelijke verblijfplaats van soldaten), o. âkwartieren. Xaelitniaal (het heilige maul, het avondmaal), o. âmalen. NaeliliiiaalNbekâ¬kr, m. â s; â brootl, (».; â tafel, v. â s; â zaïiK', m. âen. Naelitiiilt;krrie (benauwend droomgezicht), v. âmerries. Xaelitraat' (een nachtuil; ook iem. die in den nacht veel studeert, werkt of uitloopt), in. â raven. Xaelilraven (des nachts werken), ik heb ge-nachtniafd. Naelit*elialt;le (plantengeslacht, waartoe ook de aardappel behoort), v. âschaden. Xaelilselioone (eenjarig keerkringsgewas), v. â n. De A merikaunsche â is een sierplant in onze tuinen. 'Siw\\t\ltoi*\\jv(kriiisbloemige sier plu nt),o.-s. NaelitvliiKier (een familie der vlinders, uil), m. âvlinders. |
Naelitvogels {vogels die 's nachts uitvliegen, m. mv. De uilen behooren tot de Xaelitwaelit (wachter), m. -s; (hel wachthouden, het wachthuis, en de gezamenlijke wachters), v. â en. Xaelitult;'rklt;'ii, ik heb genacht-verkt; âer, (rioolruimer, enz.), m. Xaelilwitje (nachtvlinder), o. â vitjes. Xadat (na den tijd. dat), vgw. Gadeel (schade, verlies), o. âen. Ten âevan, tot schade van; â i}5V bn. Xaiieniaal (naardien, vermits), vw. vero. â â¢lansje allerijselijkst veel plezier had met den tuinknecht. (C. Ã.) Nadenken (overdenken), ik dacht â, lieb â -gedacht; âer, m.; â intt', v. ]\alt;ienken4l (peinzend), bn. Een â m in. Naderen (dichterbij komen), ik ben genaderd; â inft', v. Xafierliand (later, in de toekomst), bw. Xadir (het neder-aspunt des hemels, het te.jt n-overgestelde van zenith of toppunt), o. gmv. Xadiseli (nagerecht), m. gmv. w.g. Nadruk (nagedrukt boek), m. âdrukken. Xadrnk (het nadrukken), m. gmv. Xaiirnk (klem), m. gmv. Hij sprak met â. Nadruk (het nadrukken van een boek- of plaatwerh), m. Mie â is verboden bij de wet. Nadrukkelijk (met klem), bn. on bw. Nagaan (volgen, bespiede}*, behartigen), ik ging na, heb nagegaan. Nagalm (weerklank), m. âgalmen. Nagalmen {weerklinken), het heeft â go- gtilmd; iny. v. li Hg vhnuv (buurman, nabuur), m. âgeburen, âen vreemde. Najiedaelife (overweging), v. ân; ânis, v. Na^'el (aan vinger of teen), m. â s. Najsel (spijker), m. â s, âen. Na^'elaar (jongen, die niet eerlijk knikkert), m. â s. Een â is hij, en een â zal hij blijven. (C. 0.), geniepigerd. Nadelen (spijkeren, vastslaan), ik heb genageld. Hij stond als lt;ian den grond genageld, onbeweeglijk van schrik, aandoening, enz. Nagelhout (rookvleesch), o. gmv. gew. Na£*elkriiid (roosachtige plant), o. gmv. De wortelstok van hel â riekt naar kruidnagelen. Nafj'elolie (ind. olie uit de rijpe vrucht ende bladeren van den kruidnagelboom), v. gmv. Naji'ereebl (dessert), (». âen. Xap:eslaelif (nakomelingschap), o. âen. Xa^rewas (tweede oogst), o. âgewassen. Nagras (etgroen), o. gmv. Xalierl'st (het late najaar), m. gmv. Xabooi (tweede snede), o. gmv. Naïef (natuurlijk, ongekunsteld, argeloos, aardig, ongedwongen), bn. Een â antwoord. Naijver (wedijver, jaloezie), m. gmv. Naijverig (jaloersch), bn Naïveteit (ongekunstelde eenvoud, natuurlijke openhartigheid, onschuld), v. âen. Najaar (herfst), o. âjaren. Najade (waternimf, fee van bronnen en rivieren), v. â n. Naken (naderbij komen, bereiken), ik ben genaakt. Het gevaar zal â; â inji', v. Nakennis. v. âkermissen. Nakinelit, v. âkluchten. Nakomeling' (afstammeling), m. env. âen; â seliap, v. Het is noodig de pitten te zaaien voor uw âschap. (C.O.). |
gt;
NAKROOST-NA TUITRRECHT.
|
Nakroost (nageslacht, nakomelingschap), o. gmv. Nalal('iislt;*lia|» (rrfgord). v. âpen. Een â aanvaarden, een â nreigenm. Xalali^' (onachlzaain), lgt;n. en liw.; â v. Naloop (toeloop, omslag, moeite), m. gmv. XamaaK* (naaste bloedverwant), in. en v. â magen. Xamaa^Noliap (al de namagen), v., (ver-maagsrhapping), o. Namaak, v. gmv. Dit schilderij is maar een â. Namaaksol, o. âmaaksels. Namaals (hierna), bw. Hierâ. Namaaiid (de laatste helft der maand), v. Nam olijk (te weten), bw. Namol4»oK (onnoemlijk), bn.; Een â lijden, â -looze ellende, d. i. oribeschrijlelijk; v. NamoiiK (uit naam van), vz. Ik kom â vader. Namiddag', ni. âmiddagen. Namis (herfstjaarmarkt), v. âmissen. NainM'f. m. âneven (de nakomelingen). Naiilt;»of (achterneef), m. âneven. Bij uitbr.: nakomende, nakomeling. Nanioht (achternicht), v. ânichten. Nanking (soort van geelachtige gladde katoen uit Chineesche boomwol vervaardigd), o. Hnih droeg een â broek. (Potgieter.) Nanoen (namiddag), m. âen. gew. Naoo^en (nastaren), ik heb â geoogd;âill}?, v. Na4M»^-Hf (nalezing, tweede oogst), m. âen. Nap (houten bakje of kom), m. âpen. Naplitlia (zeer brandbare aardolie), v. gmv. NapjeMlra^'eiido (boom of heester, wiens vrucht besloten is in een nap of schil), v. â n. De eik is een â. Napoleon (Er. goudmunt, i /*9,50), m. â s. NapolitaanCfeÃWoncr van Napels),m. â t:inen; â taaiiKcii. bn. Nar (zot, dwuas), m. âren. Narcis (sierplant), v. âsen. Narcosis. Narcose (verdooving, ongevoeligheid), v. Jem. â geven, b.v. bij operaties. Nareotine (verdoovend vocht uit opium), v. Nareotiseli (hedicclmend), bn. Een â middel, d. i. slaapwekkend, krampstillend. Narlt;l ns ((histerschc welriekende plant), v. gm v. Nanlns (kostbare balsem uit de bladeren van ile nardus getrokken), v. gmv. Narede {besluit, sluitrede), v. âredenen. Narielit (bericht), o. âen. Tot â, tot waarschuwing. Nari^lieid- (treurigheid), v. âheden. Nar4»e|» (fig. gerucht), m. gmv. Narren (in een arreslee rijden). Zie Arren. Narrenslelt;le, v. âen. vero. Zie Arreslede. Narrig (gemelijk, knorrig, verdrietig), bn. en bw.; â lieid. v. Narwal (soort van uuilvisch, eenhoornvisch), m. â s, â len. Nasaal (van, door of met den neus), bn. Nasaal (neusletter), v. nasalen. Naselirift (toevoegsel aan een brief), o. âen. Nasleep (gevolg, stoet), m. gmv. Nasleepen (sleepende meevoeren), ik heb â -gesleept. Een gebroken been â, zijn ingewanden, â een schip â. Naslepen (slepend volgen), hot heeft -gesloopt. Het g eb roken been sleepte na. Ik zie de gescheurde japon â. Nasmaak (uchterblijvende snnud.), m. âsmaken. Fig. herinnering. Nasnede (elgroen), v. âsneden. Naspenren (heimelijk nazoeken), ik heb â |
-gespeurd; âspeurder.m.; -spenrinjjr.v. Nas|M»ren (onderzoeken), ik heb âgespoord; â S|gt;oor«l«'r, m.; â sporin^. v. Nas|gt;raak (achterklap, laster), v. gmv. Nastnk (tooncelspel, dat als slot gegeven wordt), o. âstukken. Nasnkkelen (sukkelend volgen), ik ben â -gesukkeld. Nat (doorweekt), bn. en bw.; â lieid, v. Nat, o. gmv. Zij plassen in het â ; hij lust zijn â en droog, hij eet smakelijk. Nateekenen. ik héb âgeteekend; -ing-, v. Nater (soort van slang met schilden onder den buik), v. â s. Natlials (drinkebroer), m. en v. âhalzen. Natie (volk), v. â tiën, âties. Nationaal (hetgeen tot een vidk behoort of daaraan eigen is), bn. De âale vlag; de â ale industrie; ons â lied, het Volkslied; de âale zeden, gewoonten, deugden; de âale welvaart. Nationalisatie (het burger worden), v. gmv. Nationaliseeren (iemand van een vreemde natie als landsman of burger aannemen). Nationaliteit (volkskarakter, volkszelfstandigheid), v. âen. Natrium (scheik. enkelv. lichaam, zilverwit metaal, metalloïde), o. gmv. Natron (mineraal loogzout), o.q\x\\.\ âloog*, v.; â zoiiten. o. mv. Natten (bevochtigen, betten), ik heb genat. Nattig (nutachtig), bn. en bw. Een âe huid, slijmerig, kleverig; âlieid. v. Nat lira (in) (in de natuur: ongekleed; oorspronkelijk). Natnraliën (natuurzeldzaamheden), v. mv. Naturalisatie (erkenning als Uindsburger), v. âtiën, âties. Natnraliseeren. Ook: Nationaliseeren. Naturalisme (richting in de kunst, die den kunstenaar zich zelf doet zijn), o. gmv. Zo la is de man van het â. Naturalist (voorstander van den natuurgodsdienst; natuurkundige), m. âlisten. Natnra non faeit saltiis (spreekw. de natuur maakt geen sprongen). Naturel (natuurlijkegeaardheid; inboorling), o. Een â let je, een pruikje. Nat nnr (de schepping, ook: de aard, Iwt karakter, lichaamsgestel), v. naturen. Teekenen naar de â ; de drie rijken der â ; fig. â den tol betalen, d. i. sterven. Natuurkennis (de wetenschap der natuurkunde en v. d. natuurlijke historie), v. gmv. Natnnrkraeliten (in lichamen aanwezige krachten), v. mv. Cohaesie en electriciteit zijn â. Natiinrknnde (de wetenschap der phgsica, d. i. van de wetten der onbewerktuigde natuur, behalve scheikunde), v. gmv. Natnnrkmidi;? (wat in verband slaat met natuurkunde), bn. Een â werk; een â instrument; de âe wetenschap; een â genoot-schap; het â onderzoek. Natiinrkiindig:e (natuuronderzoeker), m. en v. â kundigen. Natnnrlijk (naar of volgens de natuur; lig. eenvoudig, ongekunsteld, naïef), bn. en bw. Een âe behoefte; een âe vraag; het â verstand, gezond; de âe loop der dingen. N at li n rl ij ke li istor ie (wetenscJn tp der dierr, plant- en' delfstof kunde), v. gmv. Natiiiirreelit (het totaal der rechten, welke |
-NEGENPROKF.
289
NATLUKSTAAT
|
den mensch van nature toebehoor en), o. De indlvidueele vrijheid is een â. Natuurstaat, m. gmv. De dreumels, die half in den â o/) den ivey spelen. (Potg.) Nautiok (seheepvaartkiinst\ v. gmv. XautiliiM (koppootig weekdier), m. De â heeft een spiraalvormige schelp. Hij leeft in de Indische Zee. NautlNfli (tot het zeewezen hehoorend\ bn. gt;auu (eny), bn. en bw.; â v. XauwolijkN (ternauwernood, pas), bw. Ik ivas â thuis, of daar stond mijn vriend lt;d. Xamvg'ezet (stipt), bn. en bw. Een âte he-zurgtT hunner brieven. (C.O.); een â te])lichts-betrachtinsr, â v. Xaiiukoiiri^- (stipt), bn en bw.; â lu-id. v. .\aiiu lotteiKl. bn. en bw.; â lifid, v. \ï»uutlt;' (engte), v. gmv. In de â zitten. Xavaal (tot de scheepvaart behoorend), bn. Xavcl (lichaamsdeel), m. â s. Xavonant (naar verhouding), bw. Naverwant (nabestaand''), m. âverwanten. Xavt'rwantc, v. âverwanten. Xavitf'abol (bevaarbaar), bn. Xavi^atif (scheepvaart, ook stuurmanskunst), v. Acte van â. (4651). \aviK'at4gt;r (zeevaarder, schipper), m. â s. Xavolj bn. De âe nummers, hamen, tl. i. die men gaat noemen. Xavruelit (laatrijpe vrucht), v. âvruchten. Nawee (napijn), v. âweeën. Fig. kwade gevolgen. Nazaat (nakomeling), m. âzaten. Nazareners (in de eerste eeuwen de Christenen in het Oosten), m. mv. gt;az«'^^lt;'u (iem. woorden herhalen), ik heb â gezegd(gezeid); -zeisger. v.; -zc^in^.v. Nazetten (vervolgen), ik heb den diefâgezet. Nazin (tweede lid een er periode of van een samengestelden volzin), m. âzinnen. Nazoek (navorsching), o. gmv. â doen. Nazomer (herfst), m. âzomers. Nazweren (van een wond), zij zwoor â, heeft âgezworen. Neb. Nebbe (spitse bek van een vogel), v. â ben. Neb, Nebbetje (tig. mond), o. nebben. N^eessaire (een licht, genuikkelijk mede te voeren taschje, kistje), v. â s. Nee plus ultra (het hoogste, het uiterste), o. Ook: Non plus ultra. Neerolo^'ie (levensgeschiedenis van een pas-gestor eene, doodenlijst), v. â logieiin. Neer«»loojf (levensbeschrijver van overledenen), m. -logen. Necromantic^ (de zoogenaamde waarzegging door bezwering of oproeping der dooden d. i. de zwartekmist), v. gmv. Ook; Ni;;'romantilt;gt;. Neerópolis (doodenstud, begraafplaats), v. De - van Syracuse. Neetar (godendrank; heerlijke wijn of drank), in. gmv. Neder, Neer (in de richting naar omlaag), bw. liet w.w. aaneen te schrijven, b.v. neder-buigen (nedergebogen), âdrukken, â houwen, â p lol feu, âstorten, enz. Neder-Alpen (gebergte in Z.O. Frankrijk), m. mv. Ncïderdiiitseli (behoorende tot laag-Duitsch-land), bn.; de âe taal; als zn. o. Nederig' (bescheiden, zedig), bn. en 1/sv.; â -lieid. v. Nederlaag, v. âlagen. De â lijden, (in het veld) verslagen worden. koenen, Verkl. Handwdb. d. Nederl. taal. |
Nederland (ons vaderland, laagland), o. -en. Nederlander, m. âlanders. Nederlanderseliap (de hoedaniglwid van),o. Nedlt;'rlanlt;lseli, bn. De âe wetten, zeden, taal, d. i. behoorende tot ons volk. Nederlandseli (onze eigen taol), o. gmv. Nedt^r-Kijn (benaming van den Rijn van Bonn tot aan de Noordzee), m. gmv. Nederwaarts (omlaag), bw. Hij sloeg de oogen â. Nederwaartsch, bn. Een âe urmbuiging. Nederzetten, ik heb âgezet; âzetting (kolonie), v. âen. Neet', m. neven. Een g er main â, vo.'le neef, nl. broers- of zusterskinderen; een halve â. Neefje (vliegje, mugje), o. â s. Neetsehai» (fig. begunstiging van nabestaanden), o. gmv. Neen, bw.; als zn. o. Neep (kneep), v. nepen. iem. een â geven, d. i. schade of verlies berokkenen; in de â zitten, klem. Neepjeskapje (vrouwenmutsje), o. âkapjes; -â nuts, v. âmutsen. Neepjesnmtsje (mutsje met fijne knip-plooien), o. âmutsjes. Tante Stastok droeg een (C. O.) Nec^r (draaikolk, tegenstroom), v. neren. Ilij is in de â geraakt, het loopt hem tegen. vero. Neer, bw. Zie: Neder. Neerhaal (het dikke vaneen letter, het tegenovergestelde van een ophaal), m. âhalen. Neerlialer (scheepst. touw), m. â halers. Neerslaelitis* (verdrietig, moedeloos), bn.; â Iieid. v. Neerslag (het neerslaan), m. gmv. Neerslag (een soort van rustbed), v. -slagen. Neerslajiquot; (scheik. bezinksel), o. âslagen. Neet (luizenei), v. neten. 7 Is een arme __ bedelaar. Neet, Niet (klinknugeltje), v. âen. N«'â¬'ten, Nieten (een nageltje plat klinken), ik heb geneet. Neetoor (lichtgeraakt mensch), m.env. âen. Ne tas (onrecht, onbill ikheid, iets dut onmoge-is), o. Per fas et â, met alle geweld. Netlens (nevens, ook, bovendien), bw. vero. Nejf, Nejsjïe (hit, klein paard), v.'â gen. Negatie {ontkenning, loochening), v. â tiën, â ties. Neg-at i«'f (ontkennend), bn. en bw. De genoegens der school zijn ten hoogste â. (C. O.) Negatief (in de photographie), lt;â¢. âtieven. N«'j?ati«'Vâ¬Â» ^-ro4»tlielt;ilt;gt;n (algebra, die welke het teeken minus vóór zich hebben), v. mv. Zoo is âa een âheid. Neft-eeren (ontkennen, loochenen). Nejïen, telw. Hij heeft â kinderen; âtie (ranggetal), bn. Op den âden April. Ne^'endaa^seli (negen dagen durende, ook: om de negen dagen), bn. Een â gebed. Nejiendooder (ra//;//'of/W met haakvormigen ingekerfden snavel, klapekster), m. âdooders. NesenlioiKlerd. telw. Hij bezit â boeken, d.f. 9 X '100; -jariff (tellende negen jaar), bn. Zijn â zoontje. Ne»- enniaal. bw. Ik heb het â geschreven. Neo enoo^' (lamprei; ook: kwaadaardige bloedzweer), v. âoogen. Nlt;gt;^en|M»nder (brood, geschut, kogel), m. â s. Ne^enproef (proef bij de vier hoofdbewer-kinnen), v. gmv. De â berust op de deelbaarheid van een getal door negen. 10 |
NEGENTIG-NEUS.
290
|
telw.; â rr (persoon, wijn van lamp;.fO), m.; âjarig:, bn.; âmaal. bw.; â«te. ranggetal; â vond, o.; âwerf, bw. Xejffer {Afrikaan, zwarte), m. âs. Negeren (kwellen, sarren), ik heb genegerd. Xefferij (afgelegen dorp, (/e/iuchl), v. âen. XegTjffe (hit), v. â n. Zie S'og. Negligé (nachtgewaad', ochtendkleed der dames), o. â's. Xeg-ligeeren (veronachtzamen). Negorij (Ind. dorp), v. âen. X(kgâ¬Â»tiaiit (koopman, groothandelaar), m. â anten. Negotiatie (onderhandeling, handel met actiën, wisselbrieven, enz.), v. â tiën, âties. Xeg-otie (koopmanschap, handelsverkeer), v. âtiën, âties. Negotieeren (handeldrijven, onderhandelen). Neg'otlepeiiiiiii^;* (mant (tan koers onderhevig), m. âpenningen. NegiiN (vorst rati Abessgnië), m. âsen. Neien (hinniken der paarden), liet heeft ge-neid. vero. Xeigen (overhellen tot), ik hel) geneigd; âing, v. De Ilollandsche jongen heeft wel wat â ing om zijn schoenen scheef te loopen. (C. O.) Nek, m. âken. lem. den â toekeer en, zich afwenden van hem; iem. niet den â aanzien, niet groeten, minachten; iem. in den â zien, hem bedriegen. NekKen (dooden, stuk ma ken; plagen, tergen), ik heb genekt. 3fel (in het kaartspel de negen van troef), v. nellen. Nemen, ik nam, heb genomen. De moeite â, de vlucht â ; iem. in den arm â, hulp zoeken bij hem; de vrijheid zich iets veroorloven; een stad â, innemen; een bad â; in aanmerking â , letten op; men moet wat geven en â, wat plooien, schikken; iets kwalijk â, euvel duiden; iets voor lief â, tevreden zijn met; âer, m. Neniâ¬*sis (godin der wraak), v. gmv. Neograpliie (afwijking van de gewone spelling), v. gmv. Neologie (taalnieuwigheid), v. gmv. Neologfcine (nieuwgesmeed woord), o. â -logismen, b.v. meer ma lig, voorheerschend, leedvermaak, enz. Neoloog1 (invoerder ran nieuwe woorden, strever naar nieuwigheid), m. âlogen. Neophiet (nieuweling, nieuwbekeerde), m. en v. â phieten. Nepent. XepentlieH (Indische plant, kan-nekeskruid), v. gmv.; als geneesmiddel, o. Nephralgie (nier- of lendepijn, zenuwpijn), v. gmv. Nepotisme (verwantschap; verzorging van verwanten, begunstiging van familieleden), o. gmv. Neppe (kattenkruid), v. gmv. Ook: Nippe. Neptnnisme, âmus (stelsel in de geologie, die alle vervormingen onzer aardkorst aan het water toeschrijft), o. gmv. Zie IMnto-nisme. Neptuin, Nept mms (god der zee), m. Nereïde (zeenimf), v. â n. Nerf (teeken, plooi, korst), v. nerven. Nergens (op geen plaats), bw. Hij was Nering (handel, bedrijf, vertier), v. âen. Nero (dwingeland, wreed vorst; naam van den door zijn ivreedheden beruchten Romeinschen keizer, 54â68 j. na dir.), m. |
H er v ens (zenuw ach tig),hn. Een âveuze ziekte. Nes (waterland, schor, aangeslikt land), v. â sen. Ook in samenstellingen: -nesse, -nisse, b.v. Renesse, Rornesse, Scherpenisse. Neseh, Nesk (week, zacht, vochtig), bn. en bw. Een â ei, een â gekookt ei. Nesk (dwaas, gek, onnoozel). bn. vero. Vanhier: Nest (ondeugend meisje), o. âen. Nest (broedplaats, eigengemaakte vogel woning)^. â en. Elke vogelsoort bouwt eenzelfde â ; de wielewaal, de staartmees, de ekster, de huiszwaluiv bouwen een kunstig â; de sa-lang anen maken eetbare âen. Bij uitbr. Een â van bijen, wespen, ratten, muizen, mieren, enz. Een â uithalen, verstoren. Fig. armzalige hut, schamel bed. Minachtend: Kleine, stille en afgelegen stad; ook: roovershol. Nest ei (ei, dat men in de legben laat liggen), o. âeren. Hij kan daar zijn â niet vinden, er niet op zijn gemak komen. Nestel (rijgsnoer, schouderversiersel), m. -en, â s. Nestelen (met een nestel of veter toerijgen), ik heb genesteld. Nestelen (een nest maken), de vogel heeft genesteld; ook: ik heb mij genesteld; â ing,v. Nesten (een nest maken), ik heb genest. Nest er ij (onbeduidende zaak), v. âen. gmz. Nestig (bits, kribberig), bn.; â lieid, v. Nestor (een schrander, eerwaardig grijsaard; de oudste), m. â s. De â eener vergadering. Net, o. âten. Een vischâ, een vogelâ. Fig. Zijn âten spannen, uitzetten, in de val lokken; achter het â visschen, te laat komen; in het â zijn, verschalkt zijn. Net (keurig, aardig, stipt), quot;bn. en bw.; â jes, bw.; â lieiil, v. Net (netschrift), o. gmv. Iets in het â schrijven. Net (eigenaardige voortzetting van het buik-vlies), o. âten. Het groote â; het kleine â. Net (juist, precies), bw. Ik kwam â op tijd. Netel (plant, brandnetel), v. âs, âen. Net elaelitig (netelig), bn.; - lieid. v. Neteldoek (doek v. netelgaren), o. gmv. Neteldoekseli, bn. Een âe japon, d. i. van neteldoek. Netelen (met netels slaan), ik heb geneteld. Netelig (fig. modelijk, bedenkelijk), bn.; een â geval, een âe zaak; â lieifl, v. Netelznelit (koortsige uitslagziekte), v. gmv. Netenkam (fijne haarkam), m. âkammen. Netten (nat maken, ook: bevochtigen), ik heb genet. Strijkgoed â, papier â. Netto (juist; zuiver; na aftrek), bn. en bw. Netvlies (vlies van zenuwen, dat de binnenvlakte van den oogappel bekleedt) ,o. â vliezen. Alle zichtbare voorwerpen spiegelen zich af op het â. Netwerk (vormleer: teekening van de vlakken van een lichaam), o. âwerken. Nenlen (preutelen, zaniken), ik heb geneuld. Neuralgie (zenuwlijden, zenuwpijn), v. gmv. Neuriën (halfluid óf binnensmonds zingen), ik heb geneuried. Ook: Neuren. Neurose (zenuwziekte), v. gmv. Neus (reukzintuig), m. neuzen. Door den â s/weken, neusgeluiden maken; den â voor iem. of iets ophalen, met minachting bejegenen; iem. een â aandraaien of een wassen â maken, iets wijs maken; den â overal in steken, zich met alles bemoeien; iem. bij den â hebben, foppen; hij ziet niet verder dan zijn â lang is, hij is kortzichtig, dom; een â |
NEÃSAAP-NIJGING.
291
|
krijgen, berispt worden. Bij overdr.: De â van een schoen) de â ran een dakpan. Neusaap (langneuzige aap), m. â ui en. Ncnsbeeni kraakbeenach tig inxsch enschot ran de twee neusgaten), o. â beenen. 3fâ¬Â»ii«â¬li«r (zeker dier van iwt berenges lacht), o. âdieren. NfiiMdoek {zakdoek), m. âdoeken, w. g. Xt'iiMliaar (haar i.d. neusgaten), o. âharen. XoiiNlioorn. (dikhuidig dier, rhinoceros), m. â hoorns:, âhorens. »iisliooriiklt;'vor (biadsprietige kastanjebruine kever \ 't mannetje draagt op den kop ren achterovergebogen hoorn), m. âkevers. Xlt;'iisliooriivo$£lt;'l (koekoekachtige vogel van Z. Azië en Z. Afrika), m. âvogels. XoiiMje (kleune neus), o. -s. Zegsw. Het â van dm zalm, het fijnste, beste van den zalm; bij uitbr. de meest intieme bijzonderheid van iets. Xi'iiNklaiik (klank, waarbij de lacht door den neus heen trilt), m. âklanken. De Fran-sche taal heeft âklanken. Xeusletter (letter, die enigszins duor den neus wordt uitgesproken), v. âletters. De m en de n zijn de âletters. Xlt;gt;iiNviKlt;rii (zeker vischje, ook snee/) gcheeten), m. âyisschen. Xousvloiijrol (zijwaarts benedendeel van den neus), m. âvleugelss. De âvleugels zijn eenigszins beweegbaar. Xeiisvogrel (Afrikaansche. vogel met verbazend grooten bek en een sponsachtige verhevenheid op de bovensneb), m. âvogels. X«'nswarmer (kort steenen pijpje)-, m. â -warmers; -warmertje, o. â s. Neuswijs (eigenwijs, dom. verwaand), bn. Een âwijze knaap. Neut (bouwk. ronde knop in 't midden van een verwulfsel', ook: uitsteeksel, waarop een stijl rust), v. âen. Ook: Noot. Xenfel (klein mannetje, dreutel), m. âs. Xeiilvlen (talmen, neulen), ik hel) geneuteld; â aar, m.; â arij, v. Xeutelisquot; (talmachtig), bn.; â lieid, v. raai (onpartijdig, onzijdig), bn. Zich â houden; de âale mogendheden; een âale houding aannemen. Xentraliseeren (in den staat van onpartijdigheid brengen; afscheiden, de verbinding verhinderen). Neutraliteit (onzijdigheid), v. gmv. Neuzelen (besnuffelen), ik heb geneuzeld. Neuzen (nasnuffelen), ik heb geneusd; âer, m.; â erij, v. Nevel (verdichte damp), m. âs, âen. Nevelen (misten), het heeft geneveld. Nc'vc^nnian (krijgsw. zijman, buurman), m. -mannen. Nevlt;knseliikkin^ (betrekking tusschen ge-lijksoortige zinnen van gelijken rang), v. gmv. Nevensgaand (hierbij gevoegd), bn. Tee ken op â verzoekschrift. NewloiiiKllancler (zeer groote hond, uit N. Amerika afkomstig), m. âlanders. Newgate (groote strafgevangenis in Londen), o. gmv. Niabel (loochenbaar, te ontkennen), lm. Niaiserie (onnoozelheid, domme trek), v. â s. Nilgt;eliing,enlie«i (Germaansch heldendicht der middeleeuwen), o. gmv. Het â is een juweel van volkspoëzie; het â bevat een aaneenschakeling van 38 sagen. |
Nielit, v. âen. Nieoline (vergiftstof, uit tabak getrokken), v. gmv. Nieinand, onbep. vnw. Er is - meer in de zaal; zeg het â ; bederf âs werk. Niemendal (niet met al, nieis), bw.; als znw. o. Nier (ingewand, klier tot afscheiding der urine), v. âen. Niersteiner (goede rijnwijn uit Nierstein in Hessen), rn. gmv. Nilt;'skriii4i (familie der ranonkelachtigen; nieswortel), â¢Â». gmv. in ons land vindt men het zwarte â; âmiddel, o.; -poeder, u. Niet (in de loterij), v. âen. Niet (klinknageltje), v. âen. Ook: Neet, Niet (wat niet beslaat), c. gmv. Uit hel â te roorschijn roepen; te â doen; te â gaan. Nieten (klinken). Zie Neeten. Nietig ( klein, gering), bn.; â lieid, v. Nietitt'verklarin;;- (rechtst. vernietiging, tc-nietdoening ran een verbintenis), v. âen. Niets, onbep. vnw. Op aarde is â bestendig; hij antwoordde â. .\iette}feiistaande( m weerwil y^/i)vz.en vw. Nilt;gt;tteniiu (evenwel, echter), bw. Nieuw, bn. en bw. Het âejaar; een â kleed; de âe wereld, Amerika; de âe geschiedenis; een âe mode; een â leven, anders, tegengesteld aan het vorige; de âaangekomenen. Nieuwbakken (versch), bn. Fig. Een â ridder; een â edelman; een â professor. Niemvâ¬'lin;£ (beginner), m. en v. âlingen; voor het v. ook â ling-e. Nieuw emaan (donkere maanzijde), v. gmv. Nieuwerwets (naar den Iaalsten smaak), bw. Zich â kleeden. Nieuwerwetsch, bv. Een âe japon; deâe mode volgen, d. i. de hedendaagsche. \ieuw$;-ebonden (pas ingebonden), bn. Een â boekwerk; âjg-eboren. bn.; de âgeboren dag; âgebouwd, bn.; âgemunt, bn. Xieuw-llollaiul (7vastland r. Australië), o. Nieuwig'lieid (iets nieuws), v. âheden. Nieuwjaar, o. lem. zijn â geven, d. i. een fooi op nieuwjaar. Nieuwlieliter (orthodoxe), m. âlichters. Nieiiwinodiseli. bn. Een â kleed, volgens de nieuwe mode. Nieuws, o. Er is goed â, slecht â, d. i. bericht. Nieuwsblad (Krant), ó. âbladen. Nieuwsgierig, bn. en bw.; â heid, v. Nieuwspapier (krant, dagblad), o. âpapieren. â en boeken rek laat ik liefst met vrede. ( De Gen.) Nieuwtje, o. âs. lem. een â vertellen. Nieuwzilver (zeker mengsel van zink, koper en nikkel), o. gmv. Een theeservies ran â. Niezen, ik niesde, heb geniesd. Bij verkoudheid moet men dikwijls â. Nigromantie (zwariekunst, too ver ij), v.gmv. Nihil (niets), bw.; als zn. o. Nihilisme (socialistische leer der algeheele vernietiging), o. gmv. Nihilist (aanhanger v. h. nihilisme), in. -en. Nijd (afgunst, misnoegen), m. gmv. XijdiK (afgunstig, (ig. boos), bn. en bw. Het â tot heeft hem (Marco) zijn Dulcinee ontstolen! d. i. wangunstig; âheid, v. Nijdigaard (ben ij der), m. âaards. Nijgen {buigen, 't groeten der dames), ik neeg, heb genegen. Nijging* (.buiging), v. âen. Een â maken. |
19*
NU LMKREN
-NONSENS.
292
|
Xijlim'reii {bronnen van den Nijl), o. mv. gt;iil|»aaâ *lt;i (dikhuidifi zooijdier, rivierpaard, luppopotamus), o. âpaarden. Xijlrci^'r (hciluje ibis), m. âreigers. gt;iJiia^-ol. (slroopnayel), in. âs. \i.iiM'ii {klemmen), ik neep, heb genepen; â er, m.; â in^- v.; -lans- {iverktiny), v. Nijvt»!*, bn.en l)\v.; â {industrie, fabrieks-irezen), v. gmv. gt;ijverlieitlMgreu'a^seii (planten, dieijrond-s tol Jen leveren voor de industrie), o. mv. XiJVlt;'rliâ¬'ilt;lsslt;*lilt;»l«'ii {vakscholen voor de nijverheid), v. mv. Zoo heeft men iveefsehulen, ti u â¢kenscho len, am bach tsslt; -holen. enz. gt;ik (hit. :, snik, buiyiny), in. âken. bikkel (blinkend tuit metaal), «â¢. gmv. ^iikkon (met het hoofd bair/e)i j, ik heb genikt, bikker {wateryeest), m. â s. gt;ikkor {onkruid ouder 't koren, zwarte korenroos), v. gmv. Xil ik» vi suh sole (er is niets nieuws onder de zon), spreekw. Xilla (Ind. deels zijden weefsel), o. â's. XinibiiK {stralenkroon, lichtkrans), m. gmv. Op schilderijen werden Christus, de A/h stelen en Martelaren reeds in de Middeleeuwen met een â of Hehtkring om het hoofd voorzien. Xinif' {fee, elf), v. nimfen. 3iiiiinilt;'i* {te yeener tijd), bw.; â tuvav (nooit), bw. gt;i hi roil (geweldig janer), rn. â s. gt;i|»a|gt;aliii (Ind. boom der moerassen, poel-palm, met zeer breede bladeren van 5âlt;S' .1/.), m. âpalmen. {kattenkruid), v. gmv. Zie: Xcpiu'. Ni|»prii (kibbelen, twisten), ik hel» genipt. Ni|»|»rrtJlt;'. o. Hij kwam op het â, op de laatste minnut. Nirvana. Nirwana {het zich oplossen), o. gmv. ISij de Boedhisten is het â het volkomen ophouden van het persoonlijk bestaan; innerlijke vrede, ijelukzaluiheid, volstrekte rust {nu den dood). Ik (jeloof niet, dat de schrijver het wezen can het â diep heeft doorschouwd. (v. Deyssel). Nis. achtervoegsel, b.v. beeltenis, yroetenis, met concrete versterkte bet.; droefenis, ontsteltenis, toestand of hoedanigheid; bcyrufenis, kennis, veryiIfenis, werking als zelfstandigheid; alsook in: yebeurtenis, yedach'cnis, bekentenis; wildernis, yevanyenis, vuilnis, hindernis hebben een concrete bet.; lafenis, ye-lijken is, yedachtenis hebben naast de abstracte ook een concrete bet. Nis {schulpu. holte in een muur), v. âsen. Nivlt;kaii (waterpus, ivaterspieyel, werktuiy), o. â 's. !\'i vlt;'llclt;kr«kii i waterpas-maken; yelij kma ken). Nivos«» {'/e of sneeuwmaand, van 21 Decemberâ'19 Januari), v. gmv. Nix {een waterspook, ikker, nikker), v. âen. Nabol (uoormaliye youdmunt), m. âs, âen. NoIk'I {edel, voornaam), bn. Een âlt;⢠daad. Noliili {de adellijken in het oude Home), m. mv. Nobilitreren {tot den adelstand verhe/fen). Noliilitoit {adeldom; adel, ridderschap), v. âen. Noblesse^ {de adellijken can een oord of land: de adelstand, de ridderschap), v. gmv. Xocli {ook niet), v\v. Hij heeft â yeld, - goed. Xoelitans {niettemin), bw. Nocfambiile {nacht- of slaapwandelaar), m. en v. â s. |
XooturiK' (muz. nachtzang, zwaarmoedige muziek), v. â s. XoviiK'ii {een naam geven, uitspreken), ik heb genoemd. Noemer {eener breuk), m. â s. Xoeii {midday), m. De voorâ, de uchter- of naâ. N^iest, m. âen. Ook: lt;lest en Kikic^sI. Noest {naarstiy), bn. âe vlijt; âe arbeid; â Iiei4l. v. X^iesteri^- {knoestig), bn.; â lieifl. v. Xoesti^' {vol kwasten, b.v. bij planken), bn.; â Iieid. v. No»- {tot nu toe, bovendien), bw. â hield het schriklijk pleit van dwang en vrijheid aan. (Tollens); ik geef a een gulden en daarbij â een boek. Xo^'a (gebak, uit amandelen en yesmolten suiker), v. gmv.; âkoekje, o.; â kraam, v. X^i^maals {opnieuw), bw. Xok {snik), m. âken. j Nok {het opperste of uiterste van iets), v. -kon. Nokken {snikken, weenen), ik heb genokt; â iiiS'- v. X4gt;llt;'iis volens {yoed- of kwaadschiks), bw. Noli me tan^ere {kruidje-roer-mij-niet), v. en o. Xomalt;llt;'ii {weide- of steppenbewoners; rondzwervende stammen), m. mv. Noiiialt;liseli {rondtrekkend, zonder cast verblijf, zwervend), bn. Nomen {naam, naamwoord, benaminy), o. nomina. Xomenelatiinr {naamreyister, naamlijst), v. âturen. Nomiak' waanle {naumwaardc, het tenen-deel van] rccele waarde bij een el feel), v. â n. Noniinaiilt;k (benoeminy), v. âtiën, â ties. Hij slaat op de â, d.i. op de lijst der te benuo-men personen, op de voordracht. Nominalief' {eerste naam v.), m. â tieven. Ook: Nomiiiativus. Xoiiuner. Nriimmlt;kr, o. â s; -t.j«S o. â s. Nomniereii, Niimmer4gt;ii, ik heb genummerd. Non {kloosterzuster), v. â nen; ânetje, â -neke. o. â s. Nona {slaapziekte), v. gmv. Nonaetief' {toestand van een olficier niet in werkelijken diëtist), bn. Nonactliviti'it {de toestand van een olficier, die lijdelijk builen werkelijken dienst gesteld is), v. gmv. Nonelialaiiee {achteloosheid, nalatigheid), v. gmv. Nonelialaut {nalatig, achteloos), bn. en bw. None (muz. interval van negen tonen), x. ân. Non-interventie {het niet tusschenbeiden treden, het onzijdig blijven), v. gmv. Nonius {werktuig ter yru ad verdeel iny). m. â sen. Den â vindt men zoowel op boy en als op rechtlijnige maatstaven. Non liquet {dat is niet helder). Nonna (Mal. julfer, juffrouw), v. â*s. Ook: Nona. Nonnefortjes {polfertjes), o. mv. Non|gt;areilÃâ¬k {zeer kleine soort van drukletter), v. gmv. Non plus ultra (het alles overtreU'ende), o. Non possniniis {wij kunnen niet, het ison-moyelijk). Nonsens {onzin, wartaal), m. gmv. |
nonvalei:
jr ânoria.
293
|
Nonvaleiii* (onwaarde, oninharc post, onhi-gt; hare schuld), m. â s. Xoolt;l (kommer, ellende), m. -en. [n den nitersten â, liet dreigendste gevaar; het heeft (jeen â, er is geen gevaar; ran den â een deuyd maken, zic'i naar tijd en omstan-diglieden schikken; â leert bidden; â breekt wd. Xoolt;l4li*iit't {dringende behoefte), v. gmv. .V4»4»4l4lrullig- (arm), lm.; â v. No4mIlt;s bw., alleen gebruikelijk in: van â hebben, enz. X4MHl4k (ongaarne), bw. Ik doe het Ook: Xoo. X4gt;4gt;4l4gt;l4gt;4»s (zonder noodzaak, onnoodig), bn. en bw. Een â looze herhalimj; ik heb mij â lana h'1'*' opgehouden. N4M»4l4'ii (uitnoodigen), ik heb genood; â ci% m. No4mIIiii1|gt; (persoon, dienstbode), m. en v. -en. X4M»4li^' (wat niet kan gemist worden), bn. en bw. Het âe geld; ik moet je â eens spreken. ;X4MMli£4gt; (het onontbeerlijke), o. gmv. liet â moet er zijn, het overtollige lean gemist worden. X4mmIi^'C'ii (uitnoodigen), ik heb genoodigd; â er, m.; â iiis'« v. X4»4gt;4llij4l4'ii4l (arm, behoeftig), bn. âe kerken, âe gemeenten. X4MMllij4l4kii4l4k (ftersoon). m. en v. ân. !V4»4»4ll4»t (bestemming, fatum), o. gmv. iÂ¥4MMll4»tti$; (ongelukkig), bn. en bw. Een â e stap; â Ii4»ilt;l, v. N4»4»4Iiiiiiii( (geld van minder metaal, ook papier), v. âen. In Leiden had men âen, met het opschrift: Ha;c Libertatis Ergo. N4Mgt;4lw4'4'r (tegenweer, verdediging uit noodzaak), v. gmv. iÂ¥4MHl%v4Mkr. Nootlweder (zwaar on weder), o. gmv. !V4»4Ml««011411^ (noodzakelijk), bn. en bw.; â -Ii4'i4l. v. De eerste âheden des levens, de eerste levensbehoeften. X4gt;4Mlzank {dwang), v. gmv. Dat is geen â. N4gt;4Mlxakelijk (noodwendig), bn. on bw.; â -Ii4'i4l. v. Ãe -beid is de moeder der uitvindingen. XT4MMlxak4'ii (dwingen, verplichten), ik heb genoodzaakt. N4M»it (nimmer, volstrekt niet), bw. Xo4»|»ijz4'r (puntig ijzer), o. âijzers. Xoor (Noorman), m. Noren. X4»4gt;i*4l. bw. De wind is â; â houden, noordwaarts koers honden. X4MM*4l (het Noorden), o.; (de noordelijk gelegen lunden), v. Om de â houden, noordelijk opvaren: Bare mis en Heemskerk trachtten nm de â Indië te hereiken. X4M»r4l-lSral»aiil. o. gmv. Xoor4ll»ralmiitN4*li. bn. De âe kleederdracht. ^T4»4»r4l4'lijk. bn. en bw. De âe landen van Europa, d. i. in het N. gelegen. gt;r4gt;4»i*4llt;'ii. o.: âwind (wind uil het Noorden), m. X4gt;4»r4l4»rl»r4'4*4lf4» (afstand ten noorden van den evenuur), v. gmv. N4M»r4lerlic,lit (magnetisch lichtgevend verschijnsel in de Poollanden), o. gmv. Tollens heeft het â schoon beschreven in zijn Overwintering. X4»4»r4l-ll4»llaii4l. o. gmv. No4»r4lli4»llaii4lMeli, bn. De âe boer. N4MM*4lkaa|» (noordelijkste punt van het vastbind van Europa), v. gmv. No4fti*4lkaigt;4ki* (walvischaehtig zoogdier), m. |
â s. Ons schip ivas omringd door walris-schen en âs. \4M»r4l4gt;4»st. bv. (als zn. o.). ^,4M»i*4l4»4»Htlt;'liJk. hn. en hw. \4»4»r4l4gt;4»Hl4'll. U. gmv. X4gt;4»r4l4»4»sd4'i*4'Ei (uuu?' het X.0. loopen van den wind), do wind is genoordoosterd; â injff.v. \4»4»i*4l|»4»lt;»l (noordelijk uiteinde van de aardas, ook can de hemelt is), v. gmv. X4»4gt;r4l|Mgt;4»l-OXl»4'4liti4;ll (WCt CU S( /lil/)]) C l ij hl' tochten naar het Noorden ter bereiking can de noordpool), v. mv. De laatste en beroemdste der â is die van Fridjof Nansen in die ruim K'gt;0 N. 13. bereikte. X4»4»r4l|»4H»llaii4l4'ii (gewesten, bitnien dot noord poolcirkel gelegeno. mv. N4»4»i*4l|»4»4»li,4'i%i^-erH (mannen, die uitzeilen om de noordpool te bereiken), m. mv. De laatste â zijn per luchtballon gegaan. X4Mgt;i*4l|»iiiiil (het ware noorden can eenige plaats op aarde), o. âen. Si4Kgt;i'4lslt;*li (van het noorden), bn. De âe landen. X4M»i*4lsclio â ii.vlt;li4gt;l4»^-i4' (geheel der godsdienstige voorste Hingen en sagen van de toenmaals heidensche volken in N. Europa), v. gmv. S'4M»r4ls4*lie taal- 4gt;ii i4'tl4krkiiii4l4k (oude taal der Noren, Zweden, l,Tslanders. Down, alsmede de Edda-liederen), v. NoordMt4M* (poolster), v. gmv. De â is een ster van den kleinen lieer. Ook: Noordstur. X4M»i*4l\vaarts (in de riehting can het N.), bw. X4M»r4l%v4'Kt. bw. (als zn. o.). Xlt;,.Mgt;r4l\v4'st4'lijk. bn. en bw. X«gt;4»r4l westen, o. gmv. X4M»i*4i\v4gt;st4gt;i*4gt;ii (naar het X.W. loopen van den wind), de wind is genoordwesterd; -iiiS', v. X4M»l*4lK4M'. v. gmv. X4H»riiiaii (Noor), m. âmannen. X4M»riiiaiiii4kii (beruchte zeeroovers uit Noorwegen, Zweden en Denemarken, die van SOOâ JOOO op het Frankische rijk aanvielen), m. mv. De â waren stoute zeevaarders. Zij waagden zich op onbekende zeeën. Hier komt geen Noorman landen. (Tollens.) .\4»4»rs4«li (Noorweegsch), bn. âe stokvisch. X4gt;4»rw4'4'S'seli (uit of van Noorwegen), bn. âe haring. X4»4»slijk. ijk (schriklijk, afschuwe lijk), bn. vem. X4M»t (muzieknoot en aanteckening), v. noten. Hij heeft heel wat noten op zijn zang, hij is veeleischend. X4»4»t (vrucht), v. noten. V4Mgt;t (ïioteboorn), m. noten. (wolvlok), v. âpen. Hij is goed in de âpen, klecren; hij was in de âjes, goed gehumeurd; kinderen (een zegen des Hecren), houden de -pen van de klecren, lig. eischen veel uitgaven. Xopoii (aanzetten), ik heb genoopt. Om onverwijld haar dier (ezel) te â, d. i. met de sporen aanzetten. (Staring). Xo|»4'iik (betrelfende), vz. Nopijzer (gereedschap der lakenbereiders), o. â s. No|»|gt;4'ii (reinigen), ik heb genopt; â |M»r. m.: ii4»|»s4*liaar. v. \4»|»|»i^' {ongelijk, oneffen, vol knoopen), bn. X4»ria (werktuig in Spanje tot ophijsching van water), v. â's. |
NORMA-NYMPH.
|
Xornia (rer/cl, voorschrift), v. gmv.Ookr.Yorm. Xorniaal (naar den rer/cl). hn. In âalen toestand, d. i. in den behoorlijken, gewonen toestand. Xoi*maalslt;*liool (vormschool van onder wij-zers), v. âscholen. Xormaliteit {regelmatige, behoorlijke gesteldheid), v. gmv. XoriK'Bi (tflii kg ad innen), v. mv. \lt;»rslt;*li (stuursch, barsch), bn. en b\v. Toen hadden, wij die eâ juffrouw, Numero acht. (Fotg.); â licid. v. \osolt;*4»iiiiiiiii (ziekenhuis, hospitaal), o. gmv. Nosoeoom (ziekenoppasser), in. nosocomen. X0M0$£0iiicgt; (het ontstaan van ziekten), v. gmv. Xosolo^-ie (ziektenkunde), v, gmv. XoKtal^U' (heimwee), v. gmv. Xota (tee ken, merk tee ken; schriftelijke aanwijzing, aanmerking; beknopte rekening), v. nota's. XotalM'l (aanzienlijk, voornaam), bn. Xoiabolo (voornaam, aanzienlijk burger, eigenlijk in Frankrijk), m. â n. Nota bene (let wel op!), bw. Xotam ik'iik'ii (ad) (opmerken, in gedachten houden). Xotarfc. m. âsen; âriaat. o. âriaten: â -ried. bn. Een â rieele akte, een oorkonde, opgesteld door een notaris. Noteboom, m. âboomen. Noteilop, m. -doppen. Xoteeren (aanteekenen, op teek enen). Xoteiiiuwkaat (noot), v. â katen; (stof), o. Xotenkraker (werktuig), m. âkrakers. XirtonU.rnU.vr (zangvogel in Europa en Azië), m. â s. De â leeft van hazelnoten, eikels, dennenzaad, enz. Xotenpapier (muziekpapier), o. gmv. Xotie (begrip, denkbeeld), v. â tiën, -tics. Xofifieatie (aankondiging, bekendmaking), v. -tiën, âties. Voor â aannemen, voor kennisgeving aannemen. Xotifieeeren (melden, ter kennis brengen). Ook: Xotifieeren. Notitie (aanteekening, opgaaf), v. âtiën, â -ties. â van iets nemen, het de aandacht waardig keuren ; van de meiden neem ik geen -, zei de jongejuffrouw. (Potg.) Xotoriëteit (openbare of algemeene bekendheid), v. Ook: Notoriteit. (Onze Lieve Vrouw, de maagd Maria; ook: de groote kathedraal te Parijs), v. Xotnlen. Vol els (korte aanstippingen van hetgeen in een vergadering behandeld is), v. mv. Xotn e»- ( een breede overweg), m. âen. vero. \oiivlt;kaiifé (nieuwheid; het nieuwe; iets nieuws op 't gebied der mode), v. â s. Xovateur (vinder, invoerder van nieuwigheden), m. â s. ^iüxeW^iXeiiGYk.verdichtverhaaleener geivone gebeurtenis uit het dagelijksch leven), v. â n. S'ovellist (schrijver van novellen), m. âen. November (slachtmaand), m. gmv. Novene (bij de U. K.: godsdienstoefening, tot een zeker doel, welke gedurende negen dagen herhaald wordt), v. â n. Novice {nieuweling in een klooster), m. en v. â s. Noviciaat. Novitiaat ( proeftijd, proefjaar), o. gmv. Novitius (baar, student die in hel corps wil worden opgenomen), m. â tii. Ook; Soviet. Nu (thans, heden), bw. |
Nuanee (tint, schakeering, aardige kleurmenging, licht en bruin), v. â s, â n. Nnaneeereii (schakeeren, beschaduwen). Niicliter. bn. en bw. Hij is nog â, heeft nog niets gebruikt; iets innemen op de âe maag; hij is â thuis gekomen, d. i. niet dronken ; een â kalf, een pasgeboren kalt'. Ook: Nueliteren. Nmliteit (naaktheid, ontblootheid), v. gmv. Nuf {ingebeeld of preutsch meisje), v. âten. Nutleii (talmen, dralen), ik heb genuft. Nnflig* (als van een nufje), bn. âe knipsels. (C. O.); â lieid, v. Nuk (luim, gril), v. âken. Nukkig: (eigenzinnig), bn.; â Iieid, v. Nul. v. â len. Hij is daar een - in 7 cijfer, hij heeft daar niéts in te brengen; hij is een echte een onbeduidend mensch. Nulliteit (nietigheid, nieteling), v. âen. Niilpunt (vriespunt), o. âpunten. Numerair (naar het getal), bn. Numerair (gemunt geld, de waarde der in omloop zijnde specie), o. gmv. Nimiereeren (tellen, nommeren). Numereus (talrijk, menigvuldig), bn. Niimeri (naam van Mazes' vierde boek, inhoudende de volkstelling der Israëlieten), o. gmv. Numero (nommer, nummer), o. â quot;s. Niimeroteeren (benommeren, met cijfers merken). Numismatiek (munt- en penningkunde), v. gmv. Bij een kashouder ontwikkelt zich de zucht voor â. (Potg.) Niimismaliseli (de munt- en penningkunde betreffende), bn. Niimismaf o^rapliie (beschrijving van oude munten en penningen), v. gmv. Niminier. Nimimeren. enz. Ook: Nommer. Nommeren. enz. Nuntius (afgevaardigde; pauselijke afgezant), m, âsen. Nuptiaal (wat den bruiloftsdag, het huwelijk betreft), bn. Nurk, Nork (knorrepot), m. âen. Nurken (knorren), ik heb genui kt. Nurkig: (knorrig), bn. en bw.; âlieill. v. Nurkseli (vol grillen en kuren, plaagziek), bn.; â lieid. v. Nusselen (talmen, beuzelen), ik heb genus-seld; âaar (knutselaar), m. Nut (voordeel), o. gmv. Ten âte :gt;an; het â, de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen. Nut (nuttig), bn. en bw. Een âte les. Nutatie (zwenking der aardas om haar gemiddelden stand), v. gmv. Nutatie (bewegingsverschijnsel van den stengel van vele planten bij het groeien, zoo dat het uiteinde een boogvormige kromming aanneemt), v. gmv. Nutsver^adering'- v. âen; -verliande-ling*. v. âen. Nut rit iel' {voedend, voedztutm), bn, Deâieve kracht eener spijs. Nutten (nuttig zijn), het heeft genut. Het nut mij niets, d. i. baat, helpt niets. Nuttig' (voordeelig), bn. en bw.; â lieid. v.; â Iieidsleer, v. Nuttigen (spijs of drank gebruiken), ik heb genuttigd; â ing. v. Nuun (ledige zeeschelp voor de kalkbranders), v. nunen. gew. Nympli (pop van een insect, cewikkeld in cocon of hulsel), v. âen. |
O-OCTAAF.
295
O.
|
O. v. o's. â De vienle klinkletter, de vijf- I tiende letter van liet alphabet. O. â Oost, Oosten. o.a. â onder anderen. O. A. 1). 4gt;. â Omnia ad Dei gloriani, alles j ter eere Gods. Ob. â Obiit, hij of zij is overleden. ol»l. â ohligatie. Zie aid. â October. â Octaaf. Zie aid. 4».i. â on zes inziens. 0.1. â Oost-Indië. O.Ii. â Oosterlengte. o. in. â onder meer. O. M. â Openbaar Ministerie. onderst. â onderstaande. oneig-. â oneigenlijk. % â percent (pCt), ten honderd. Openb. â openbaar. â (Johannes). 0.1*. N. â Ora pro nobis, hid voor ons. or«I. â ordinair. Zie aid. O.S. â (in den almanak): Oude Stijl. T. â Oude Testament. O. V. â Oude Verbond. overl. â overleden. O, tw. (als zn. o.), o's. Met ree! âen arh's en luce's. Oase {vruchtbare streek in 7 midden der zandwoestijnen), v. â n. Obodiooreii {gehoorzame)!). O-bwiicn (kromme been en), o. mv. Een oud man met naar buiten gebogen. Obelisk (spitszuil; graf- of pronknaald), m. âen. Obiit (hij of zij is gestorven). Zie de verkorting Ob. Object, (voorwerp, zaakjef persoon der beschouwing-, het doel of eindoogmerk), o. âen. Objeeteeren (tegenwerpen). Objectie (tegenwerping, bedenking, tegenspraak), v. âties. â tiën. Objectief (werkelijk beslaand), bn. Object ielquot; (de naar het voorwerp gerichte lens in verrekijkers en miscröscopen), o. â -tieven. Objectiviteilt; (voorwerpelijkheid, uiterlijkheid, gesteldheid eener buiten ons liggende zaak), v. gmv. Oblaat (gewijd avondmaalsbrood), v. oblaten. tlblllt;K (dunne ronde wafel), v. âën. Obligaat (verbonden, verplicht; muz. begeleidend; noodzakelijk), bw. Obligaat (muziekstuk, gezet voor écne stem of één instrument, gewoonlijk met begeleiding voor te dragen), o. âgaten. Een â op den hoorn. (C. 0.); een â op de piano. (C. O.) Obligatie (schuldbrief), v. âtiën, âties. Obliifatist (solist op eenig instrument), m. â en. â e, v. â n. Het zatte heer begint den â na te neuriën. (Klikspaan). Obli^ (verplicht! heb dank!). igt;hliiseinnt(dienst willig, verplichtend,beleefd). Obli^eereii (dienst 'bewijzen, verplichten; noodzaken). Oblivieus {vergeetachtig), bn. t^boliiM, tH»ool (Griekschepasmunt, ± 7 cents, penning), m. Oboi* (Mal. brandende fakkel), m. â s. |
Obsceen (oneerbaar, schandelijk, ontuchtig), bn. Obsceniteit (liederlijkheid), v. âen. Obscure er en (verduisteren; verdonkeremanen). Obscuriteit (duisternis; onverstaanbaarheid; vergetelheid), v. gmv Obscinir (donker, onbekend, onberoemd), hn. Obse«leeren (op iemands handelingen, redenen, enz. nau wkeurig acht geven; lastigvallen). Observabel (opmerkenswaardig; in acht te nemen), bn. Observaiitilt;k (inachtneming; regel), v. â tiën, â s. Observatie (waarneming, bespieding; opmerking), v. âtiën, âties, âcorps (afdeeling militairen, die een fort of vesting omsinge'l). Observator (opmerker; hij, die sterrenkundige waarnemingen doet op een observatorium), m. â s. Observatorinni (sterrenwacht), o.âs,âtorin. Observeeren (op- of aanmerken, gadeslaan), waarnemen). tH»soleeren (verouderen, buiten gebruik raken). Obsolt^et (verouderd, in onbruik geraakt), bn. Obstakel (hinderpaal, belemmering, beletsel), o. â s. Obstetric (verloskunde), v. gmv. ObstctrUicli (verloskundig), bn. Obstinaat (eigenzinnig, halsstarrig), bn.; â beid. v. Obstinatie (koppigheid, halsstarrigheid), v. gmv. Obstipatie (hardlijvigheid, verstopping), v. gmv. Obstructie (verstopping, hardlijvigheid), v. â tiën, âties. Obstrneeren (verstoppen, hardlijvig maken, belemmeren; betimmeren, b.v. iemands licht). Obtineeren (verkrijgen, erlangen, zijn oogmerk bereiken). Ook: Obteneeren. Occarina (blaasinstr. v. terra cotta), v. â ?s. Occasie (gelegenheid, geschikte tijd, aanleiding), v. â siën, â sies; bij â. Occasioiieercn (gelegenheid geven, veroorzaken). Occident (het Westen, het avondland), o. gmv. Occidentaal ( Westersch), bn. Occult (verborgen, heimelijk), bn en bw. Occulteercii (verbergen, verhelen, geheim houden). Occupatie (bezigheid; bezetting; in bezit hebbing), v. âtiën, âties. Occnigt;eeren(bezetten,innemen;bezighouderi). Occnreeren (ontmoeten, voorvallen, voorkomen). Occarrent (voorkomend, plaatsgrijpend), bn. 4gt;clt;'aan (wereldzee), m. oceanen, liet is als een druppel in den â, een niet noemenswaardige kleinigheid. Och. tw. Uiting van misnoegen. Ociiarni. Ocliarinen. tw. Uiting van smart. Oclitend. Uciiteiid (morgenstond), m. âen. Ociitendstond (morgenuur), m. âen. Octaaf (8e toon, omvang van 8 tonen; een tijdperk van 8 vierdagen in de li. K. kerk), v. octaven. |
OCTAEDRUM âOFFREEREN.
200
|
Oclaodrnm. Oelae«ler (vormleer: refielm. achtvlak), o. âs. Octant (hooylernctiT, wci'kluhj in ilc slcrrcn-kuncle), v. âen. tletav^» (in) {hockformaat van nchl bladen in een rel, «S'quot;), bw. October {wijnmaand), m. âs. Octoroon (achthoek), m. âgonen. Octrooi (iKtndelsniachtiginy, rergunning, een verleend uitsluitend recht tot het maken en verkoopen van zeker iets), o. âen. Octrooiccrcn (een octrooi verleenen aan iemand of op iets). Oculair (het oog lii'treffend\ met de oog en beschouwend), bn. Ken âe inspectie. Oculair (een der lenzen in een kijker), o. â en, â s. Ociilatic (enting), v. gmv. Ociilecrcn (enten). Een roos â. Oculist (oogarts, oogmeester), m. âen. OflallKkcn (slat finnen der vromuen in den harem), v. mv. Ode (lierzang, lierdicht), v. â n. tlil^on. Ofl^iim (zang- of muziekzaal), o. âs. 0«lciir (reuk, geur), v.; âs (reukwerken). Odieus (hatelijk, ergerlijk, walglijk), l»n. Odin (W'odan, opperste god der Noren), m. Odium (haat, vijandschap), o. gmv. tMonictlt;'r olquot; lkocilt;»iiicf cr (weg- of schredenmeter), m. gmv. Odorifcrant (welriekend), bn. Occononiie (staat hu isho udku gt; i de, spaarzaamheid), v. -. Ook: Economie. Occoiiomiscli (staathuishoudkundig; spaarzaam), bn. Ook: Economisch. Occonoom (staat- \en ook Unnl-] huishoudkundige), m. ânomen. Ook: Econoom. OcciiinciiiNcli (algemeen), bn. Het â concilie, de gelieele aarde betreffend. Oef, tw. Uiting van benauwdheid. Oefenen, ik heb geoefend. Een pianist moet zich dagelijks â ; een gymnast oefent zijn gewrichten spieren. Zich â. Ãefenin;; (het oefenen), v. âen; machtsâ, strafâ, wraakâ; godsdienstâ. OeteninK'lioiKler (oefenaar, leider van godsdienstige bijeenkomsten), m. â s. Oefenin^Mkanii» (legerplaats bij groote manoeuvres), v. âen. l^feniiitf'spïaatN (e.rercitieplein), v. âen. Ocf'enperk (perk der worstelaars), o. â perken, t^efensclio*»! (leerschool), v. -scholen, lij elke kweekschool is een â voor de practijk. Fig. De â van den tegenspoed. Oeli. tw. Uiting van afkeer. Oei. tw. Uiting van pijn. Ocil-dc-boenf (rond dakvenster; opening in een schoorsteen), o. oeils-de-boeuf. Oeken (brommen, pruttelen), ik lieb geoekt. w. g. Oele, tw. Uiting van spottende ongeloovigheid. Oelenia (Mohammed, priesters), m. mv. tien (achtervoegsel tot vorming van uitheem-sche woorden), b.v. biljoen, metaak; klaroen, trompet; meloen, vrucht; rantsoen, hoeveelheid spijs en drank; rantsoen, losgeld; seizoen, jaargetijde, enz. Ãer (ijzerhoudende aardsoort), o. gmv.; â -bank, v.; âlaag:, v. Oernienscli (iem. zonder eenige beschaving), m. â menschen. Oeros (wild rund), m. âossen. Oerwoud (oorspronk., overoud woud), o. â en. |
De âen opSeram (Molukken); een tropisch â. Oest. tlestig'. enz. Zie: Xoest (vlijtig), enz. Oest (oogst), in. âen. vero. 4lest« m. âen. Zie: tlegst. Oogst. tlesler (schaaldier, weekdier), v. (ook m.), â s, âen. De Engelsche, Zeeuwsehc, Tessel-sclie âs; hij gaapt als een â; hij leeft als een â, alleen, eenzaam; âbaard (draadvormige zelfstandigheid der kieuwen), m.; â bank (plaats in zee, ivaar men oesters plant), v.; âplaat (zandplaat, ivaar zich oesters bevinden), v.; â put (min of meer diepe plaats, waar men oesters laat vet worden), m.; -zaad (jonge oesters, die men op de oest er banken plant), o.; parelâ, kleiâ, zandâ. Oever (kant, zoom van een stroom, meer, rivier, vaart, enz.), m. â s. Huiten de âs treden, bij overstrooming; binnen de â s blijven; binnen de âs terugtreden; fig. De â des doods, het einde des levens; de â van hel graf. Oeveraas (insect, haft), o. gmv.; â haam (vischnet), m. âhamen; âkruid (water-weegbree), o. gmv.; âlivUt (oevervuur, lamp), o. âen; âlooper (moerasvogel, steen vink). m. â s; âmijt (insect), v. âen; âpieper (zangvogel, roestvogel), m. â s; â xwaluw (rivierzwaluw), v. âen. Of, vgw. Zoo spreken alle moischen, hetzij ze geleerd zijn of (= ofte) niet, tegenstelling. Ãf, vgw. â gij onzen ouden dokter gelooven wildet (Potg.), indien; â hij al riep, ofschoon; het is â ge doof zijt, alsof; ik twijfel, â hij komen zal; En â hij goed geluisterd had (Ter Haar), bevestiging. Ofrendeeren (beleedigen, krenken, aanstoot geven). Ãflensie (aanval, beleediging), v. -sies, -siën. Offensief bn. Een â verbond. Offer (gave, die men aan de Godheid toewijdt), o. â s. Een bloedig â, een â bieden, brengen; ten â brengen; fig. zij werd het â zijner eerzucht, slachtoffer; aan Bacchus âs brengen, een stevig glas drinken; iets aa)i Vul-caan ten â brengen, verbranden. Offeraar (de priester die offert), m. âs, âaren. Offerande (offer), v. â n. Offeren (opdragen, aanbieden, geven), ik heb geofferd; âing:. v. Offerte (aanbieding, aanbod, voorstel), v. â s. Ofliciant (ondergeschikt bediende bij een ambt: dienstdoende priester), m. âen. Oflilt; â¢ie (mnbt, post, dienst, bediening), o. â ciën, âcies. Het heilig â, de inquisitie. Oflicieel (van regeeringswege, geloofwaardig, echt), bn. en bw. Dit zijn âe berienten. Oflicier (krijgsman met den grand van luitenant of hooger), m. âen, â s. Hij is â der infanterie, der artillerie, der cavalerie, der genie; hij is â der administratie; hij is â van gezondheid. Oflicier (rechtsw. ambtenaar van het openbaar ministerie), m. â s, âen. Hij is â van justitie, rechterlijk ambtenaar bij de arrondiss. rechtbank; substituutâ, plaatsvervangend â; h alp-. Oflicieus (dienstwillig, hulpvaardig, gedienstig; onderhandsch), l)n. en bw. Dit zijn maar officieuze berichten, niet-officieel, minder geloofwaardig. Oflicio (ex) (van ambtswege), bw. Offreeren (aanbieden). Iem. iets â. |
â
OMARMEN. 297
OFSCHOON'
|
lt;lfViâ¬*liooii {hoewel, (iJhoewel\\\\. Ook : Schoon. 0$;'ief'. (spitshooy, rloeilijsl),o.en v. âen. 41^'ivaal (sititsbooffs(jeiinjze). lm. Ook: O^i-viaal. Hen kerk met â(de renstcrrooien. 4Hio. tw. Uiting van vroolijke spotzucht. Oir (erfuenaaiH, nakrooxl), o. Dirk VI overleed zonder mannelijk â. Ojief*, o. Zie: Ogfiel'. Oker (gele aardsoort), v. â s (soorten). ^lkernoot, v. ânoten. Zie; Okkernoot. Okkernoot. Okernoot (zeer groote noot, walnoot), v. ânoten; (boom), m.; â note-I»4m»iii. m. âboomen. OksaaIOjaandet'lj,zangerskoor In it.K.kerken), o. oksalen. f^kKel (holte onder den arm), m. â s, âen. Fig. De â van een blad. Okslioot'd (wijnvat, ± o. âen. Olilerniaii (overheidspersoon in Friesland), m. âs, ânon, en âlieden. Oioander (sierplant, laarier roos), m. â s. OleaiKlerpiJlKtaarf (bontgekleurde arond-vlinder of s/jhin.r), m. âen. Oleo^rapliie (reproductie in olieverf v. e. schilderij), v. â ön. lt;Hie (vette vloeistof), v. oliën. Dat is â in het vuur, opwakkering van driften; â in de branding, â in de golven (ter zee, middel om den golfslag, fig. de hartstochten, te bedaren; er is geen â meer in de Unn}), de levensgeesten zijn verteerd, ook: de beurs is plat; vluchtige of etherische oliën, b.v.: citroen â, kaneel â , pepermuntâ, rozen â , terpentijnâ. Oliebol (smeerbol), m. âbollen. Fig. dron-kenmansgezicht. Oiie«loiii (aartsdom), bn. en bw. Oliekoek (ronde koek met krenten enz. in raapolie gebakken), m. âkoeken. Dat is geen â waard, geen zier, gmz.; mijn ossen krijgen 's winters âen, d. i. raapkoek, lijnkoek. Oliekoop (kwakzalver, Hongaarsehe of Dait-sche genees meester), m. â koopen. De â verkocht allerlei geneeskrachtige unrnder oliën. Oliekof» (pijpekop van met olie doortrokken meerschuim), m.âkoppen. Een mooi doorgerookte â. 4llieiii4»leii (waarin lijn- en raapzaad wordt geperst), m. â s. Hier slaat een stoom-, daar een rvindâ. Oliën (mei olie bestrijken, insmeren), ik heb geolied. Moi (diet het hout', dil is geolied papier. Oliebel (l{. I\. sacrament der stervenden), o. gmv. ^IlieKla^er (fabrikant van olie, bezitter van een oliemolen), m. â s. Oliewteen (zachte, gladde slijpsteen), m. âen. Een â moet met olie bevociiligd worden. Olieverf (verfstof met oHeJÃamp;ncngd), v. â -verven. Met â schilderenden doek, hout of metaal, hen portret ia 4Mieªlt;l (koolzaadjK^^gm^0^r((apz(md), o. gmv. militant (dikhuidig grootste land dier), m. âen. Olilanfeiijaelit, ^jaft'er, m. âs; â kraal (perk voim^gJ/^Si}r olifanten), v. â kralen; - vaiis^vy^ ; - van^Mt, v. gmv. 4llif'aiilsorlt;le ()4^0^^mÃ^nei\eto((rkcn en Sium), v. â n. lt;llilaiilM|m|»y4^HNMi^w^*»7 soort van papier), o. gmv. . |
OlifanlNtaiKl (een der slagtanden, grondstof vair ivoor of elpenbeen), in. âen. Olitaiil«gt;ilrom|» (snuit of slurf), v. âen. 4Mitan 1*4voet (klimplant in Z. Afrika), m. â en. De â beet ook Hot ten totsbrood. ^Mitant^xiekte (niclaatschheid), v. gmv. Oli^areli (lid van een oligarchisch bewind), m. âen. Oli$;-areliie (regeering, ivelke alt eenigc aristocraten bestaat, die zich van het bewind hebben meester gemaald), v. gmv. 01i$£areliiNeli (door aristocraten geregeerd, voor de oligarchie gestemd), bn. OliJI' (voor den boom), m. De â groeit aan de kustlanden der MiddeHandsche Zee; (voor de vrucht), v. olijven. I 'it de olijven perst men olie. Oli|taeliti£' (als een olijf van kleur, groenachtig donl,er),hn.Zijn gelaatskleur had iels âs. Olijfberi;- (Bijb. berg, met olijven beplant), rn. Zie: Olijt'iiot'. Olijt'lHM»in, m. âen. Kr zijn tamme en wilde â en, de laatste zijn kleiner. Olijf'liof' (oljvenbooaigaard, Gethsemané), m. â hoven. Mijn liefste /dek is een â geworden, mijn hoogste geluk is in den diepsten rampspoed verkeert!. OlijlMteen (kern of harde steen), m. âsteenen. Olijftak (zinnebeehl des v red es), m. âtakken. Ook beeld van verzoening, vrede, en geluk. OliJvenolie. Olijfolie, v. gmv. Olim (voorheen, eertijds; voormaals), bw. In de dagen van â, in oude, vergeten dagen. 4111a fMHlrida (poespas, mengelmoes, (tlles onder elkander, potpourri), o. gmv. Olm (ttfottdboom, ijp olquot; iep), m. âen; â pje. Een iveg met âen beplant; lig. zinnebeeld van liefde en trouw, als om zijn stam zich klimop of wijngaardranken slingeren : â l»lalt;l. o.; â koseli. lt;gt;.; â liont (olmenhout), o.; â -loof, o.; âlak (olmentak), m. 4^lo^'ra|»lii*«eli (eigeidmndig geschreven), bn. Ken â testament. Ook: llolo^rapliiNeh. OI,vm|»ia«le (tijdruimte van 4 jaar), v. âen. 4ll.vni|»i*«eli (tot den Ohpnptts of hemel be-hoorend), bn. De âe spelen, volksspelen in het oude Griekenland sedert 770 v. C. om de 4 jaar gevierd. Olympus. Ol.vmp (berg in Thessalië, verblijfplaats der goden), m. De goden, van den -; Mercurius kwant den â opstijgen. Om, vz. en bw. â de tafel zitten; een band â het bock; â Pinksteren; oog â oog; taad â tand: â ttw (geluk; -lt; de Noord varen, naar de noordelijke landen of streken, die men achtereenvoigens bezoekt; â de Zuid: de West, de Oost â ; dat heeft veel, weinig â het lijf, dat is van weinig bet., b.v. een redevoering, een geschrift, enz.; iets â han-dot hebben, eenig bedrijf uitoefenen; hij stottert â het andere tvoord, bij de helft dei-woorden; bw. Doe den mantel â; die tveg is â; dat uur is al weer â: âdraai, âloop, âstreken. Om (zonder), vz. en bw. Hij kwam â het leven; hij raakte â hals; iem. â iets brengen, het hem doen verliezen: Daarom.... ben ick â bafflt en lugd gebracht (Wilhelmuslied); bw. Iem. âbrengen; ergens â komen, d. i. om het leven. Oma (groot nat ma), v. â's. In kindertaal. Omarmen (omhelzen), ik heb omarmd; â -arming', v. |
OMBER-OMLEGGEN.
298
Om^-cxefeneii (omwonenden), m. en v. mv.
4^m»'iei* (omzwaai, omdraai), m. âen.
4lm^;-lt;gt;rlt;l (omsloten, omkranst), bn. Een wildeman (wapenkunde), de lendenen â met groen loof'.
Ãm$;'orlt;leii {omringen), hij is âgord. De lendenen â met een linnen doek; zich â, lig. zich gereedmaken b.v. tot een tocht: 0//#-gordt u, ende bint uwe schoenzolen aan.
Ãmliaal (omslag, drukte), m. âhalen.
Omlian»' (omkleeding, omhulsel), m. gmv.
Omlieiiien (met een schutting omringen), ik heb â heind.
Omlioinin;;' (schutting), v. âen; âinkje. o. â s.
Omlielxen (om den hals vallen), ik heb â -helsd. Fig. Een leer â, aannemen.
Omliiiiven (met een huif bedekken, omsluieren), ik heb â huifd.
Omliulleii (rondom bedel,ken, omkleeden), ik hel) âhuid. Met een mantel â; met luister
â ; met purper âhuid; met duisternis â huid.
OmineiiN (onheilspellend), bn.
Omissie (uitlating, verzuim, abuis), v. â
-siën, â s.
Omkalt;len (met een kade omsluiten), ik heb
â kaad; â ing:, v.
Omkant (omsloten), bn. Een meer, met een \ rij huizen â. w. g.
Omkantelen,, Omkentelen (omwentelen), ik heb en het is âgekanteld; â kanfelinK'- v.
Omkanf{ergens een kant om maken), ik heb âgekant. Een koperen emmer â.
Omkapt (in een kap gehuld), bn.
Omkeer. Ommekeer (yeram/mnr/Xm. gmv.
Omkenteren {omkantelen), hij is âgekenterd. De barkas is âgekenterd.
Omkomen {het leven verliezen), hij kwam â, is âgekomen. Bij een brand, een schipbreuk, een ontploffing â.
Omkoop (de daad van omkoopen), m. gmv.
Omkoopbaar (veil voor geld), bn.; â liellt;i. v.
Omkoopen {door geld doen omdraaien van richting of partij), ik kocht â, heb âgekocht;
â er, m.; âerij. v.; â ing1, v.
Om kond (er â zijn), bw. uitdr.: reddeloos verloren zijn, een kind des doods zijn, het leven kwijt zijn.
OmkreitM, Ommekreits (onitrek), m, gmv.
Onikrin*;', Ominekrin»* (om trek), m. â en.
OmlaaK' (in de laagte), bw. Eet dal lag â aan de beek; de deur klemt â; naar â zien, naar â storten, beneden; schee pst. De bootsman is â, beneden in liet logies; âdalen, âgaan, âvliegen; âkijken, b.v. Hij keek â naar den grond; âturen, âzien, âdrukken,
â honden, âslaan.
Omlan$;-en {naar de rij af rendgeuen), ik heb âgelangd. Ga de boeken eens â bij de leerlingen.
Omlaiiweren (dicht, met lauweren bekronen, de slapen omkransen), ik hebâlauwerd. Een held met âlauwerd hoofd.
Omlegeren (omsluiten, omsingelen), ik heb âlegerd. Civilis had Vetera â legerd. Fig. omringen.
Omlegen, ik legde of leide â, heb âgelegd of âgeleid. lem. een verband â, leggen en vastmaken; een plank het brood in den oven â, een matras â; fig. Een stuivertje â, keeren en wenden, vóór men het uitgeeft, omkeeren; hoogst zuinig leven; zich â, het lichaam op een andere zijde wenden. 1
ilmlwr (donki'i'brit ine, vette aardsoort), v. gmv. OiiiIh'i* {in 't kaartspel), rn. â s. 4^llâ l»olâ¢lt;l4»oH (fichesdoos), v. â doozen. OiiiIm'wii (het omberspel spelen), ik heb geomberd.
Oinl»ers|M'l (het s/iel), o. â spelen; (stel kaarten), o. âspellen.
Omborvisoli (zeebaars in de Middell. Zee), in. â visschen.
Omborvo;;-*'! {reiger in Z. Afrika), m. âs. Oinbladi'ii (oynslaan), ik hel» â geblaad.
(blaadjes ontslaan zonder te lezen), ik heb âgebladerd.
OmlMM'lit {ronde kant), v. âen.
4liiil»4gt;ll4kii (omdraaien, eeranderen\ hij is omgebold. Eerst tras hij repablikein, na is hij aan 'I â, hij tuordt monarchist. Oiiibra$flt;k (schadutK, verdenking, argivaan), v. gmv.
{schaie, vreesachtig, wantrou-ivend, erg denkend), bn.
4gt;iiibrassen (scheepsw. van richting doen veranderen), ik heb âgebrast.
Oiiibi*â¬'ii$*'«kii (dooden; ook rondbrengen), ik heb â gebracht;âbrens'i'ivn.; â brlt;'ii^iii^',v. Onibiiitâ¬*ii (omruilen), ik heb â gebuit. Een paar vorken tegen andere gew.
Omdat (om de reden dal), vgw. Ik kan niet komen, â ik ziek ben.
Omdelvoii (omspitten, omgraven), ik dolf:
â, heb âgedolven.
OiiMlijklt;kii (met een dijk omsluiten), ik heb
âdijkt; âv.
OiikIooii. ik deed â, heb â gedaan. Een mantel, een doek â, d. i. omhangen, omslaan. Oiiilt;lollt;kii (ronddwalen, al dolende rondgaan), j ik heb âgedoold; â «loliiijf. v.
OiiKlraai (keer, wending), m. â en. De â van een rad.
Oiiiilra^-eii {rondvoeren), ik droeg â, heb -gedragen. J)e veroverde standaarden werden plechtig âgedragen; bij het offerfeest werden de. godenbeelden door de stad âgedragen, in pleehtigen optocht langs een bepaalden weg. OiiK^-a (tie laatste letter van hel Gr. alphabet, het einde), v. â's. Zie: Alplia. Omog-g-on. ik heb âgeögd. Gij moet den akker opnieuw â; â v.
Omelet {eierkoek), v. âten.
Omen (voorteeken), o. âten. Nomen sit â (.Tonath.): Deze naam zij een voorteeken. Om» ;aan. ik ging om, ben omgegaan. Er gaat hier veel om, er is hier veel drukte, vertier; zij gaan met elkaar om als broer en zus. Om^-an»- (het omgaan), m. gmv.
Om^'aii»' {galerij, trans v. e. turen), m. âer. Oniffekeerd [omgedraaid, in tegengestelden stand), bn. Een âe handschoen; een kous â aantrekken; in âr richting; rekenk. Een âe evenredigheid; zelfstandig: het âe ran een breuk, b.v. â¢'â¢/â¢j is het â e van hel âe van een getal, b.v. het â van 4 is '/4; die schilderij is het âe van mooi, het tegengestelde. OmjU'elaiHleii (eigenaars van landen ion eenig punt), m. en v. mv. De â van het Sneeker meer.
Om$;'ele$;'eii {omliggend), bn. De â akkers,
wateren, enz.
Om^etoK'eii, vd. van het vero. Omticen (omtrekken).
4gt;m»*evcaii (omringen), ik âgaf, heb âgeven. Om^-evin»- (kring, waarin iemand zich beweegt), v. Onze dagelijksche â.
OMLEGGEN - OMSCH ALLEN.
|
OniU'K^n. ik âlegde of â leiUe, heb â legd of âleid. Den rand van een schotel met peterselie â, rondom beleggen, w. g. m. â s. Een rok met een â van fluweel', een .smal â van (junddraacl. omboordsel, belegsel. Omleiden, ik leidde â, hel» -geleid. Een vetten os â, door de straten leiden; een K limplant een ha Ikon â; ('e stroom werd liet eiland â geleid, d. i. doen loopon om of langs. Fig. om den tuin leiden. OniliK'gfeiKl (omueleyen), bn. De âe akkers. Onilool'd (dicht, mei /oo/quot; omhangen), bn. Onilooi». m. De â van '£ bloed, circulatie; de â der aarde om de zon, omwenteling; geld, papier in â brengen] praatjes, geruchten in â brengen] hij heeft den â aan den vinger, roosachtige verzwering. OniïoopNtijfl, m. âtijden. De siderische, de periodische â der maan; de â eener komeet', de bekendheid van den â eener planeet. Oinlooveren (dicht, met een looeerkrans 'versieren, omkransen), ik heb â looverd. Des dichters hoofd Fig. lem. naam â. Oinliiiden (door klokgelui bekend maken), ik heb âgeluid. Is de raadsvergadering al âgeluid'.' Ook: Ombellen, Om kleppen. Omliiwen (met luwte omgeven), ik heb â -luwd. Als dreef hij heen, â luwd van englen-wieken. (Hofdijk). Oniinekaiif [keerzijde), m. âen. OmiiiekoniHt {afloop van een termijn), v. gmv. Telkens na â van 3 maanden dient hij een rapport in. OmmelaiKl {land gelegen rondom eenplaats), o. De âen van Groningen, d. i. de kwartieren Hnnsingoo, Fivelgoo en het Westerkwartier. Oiimielsmdscli. bn. Een âe reis, een reis met veel bezwaren, zooals in oude dagen in de Groninger ommelanden. OiiimcrinK- (dicht, omtrek, het vlak door een kring omsloten), m. gmv. '« Were lts wijde â . (Camphuijsen); ook: Omring: Eeneiland, maar vijf mijlen in â; de â ran een kasteel. Omiii«krNlt;*liaiiM {bedelaarskolonie in Over- ijsel), v. gmv. OmiiieKtaaml. bn. Zie Omstaand. Ommezien. Omzien, o. gmv. In een -tje, d. i. in een oogwenk, in een oogenblik; een â tje geduld] ik ben er in een â ; in een â gereed zijn. Ãmmezijde (ommekant), v. âzijden. De â van een bladzijde schrifts. Ommezwaai, m. Zie Omzwaai. Ommiiren (dicht, met een muur omgeverC), ik heb âmuurd. Een tuin â; bij uitbr. De veldheer deed de vesting â ; de stad was ommuurd met hooge wallen] â niiirin;;'* v. Omnfkvelen. ik heb omneveld. Donkere wolken â de toppen der bergen. Fig. Het beeld van een held met wierook â ; het verstand, den geest â, verduisteren, voor denken ongeschikt maken; âneveling:, v. gmv. OmnibiiM [openbaar rijtuig, dat in groote steden de gemeenschap tusschen bepaalde punten der stad onderhoudt), m. âbussen. Een â voor twintig personen] dit hotel heeft zijn eigen â. Omnipotent {alvermogend, almachtig), bn. Omniigt;otentie (almacht,alvermogen),v .gmv. OmniKlionio {iemand, die tot alles gebruikt wordt), m. gmv. Omnivoor, m. âvoren. De mensch is een |
â , voedt zich met dierlijk en plantaardig voedsel; de honden, de beren zijn -voren. Ompalen (met puien afzetten), ik heb ompaald. Een terrein, een jachtveld â. Fig. omringen. Een landje, door hooge bergen âpaald] â paling-, v. b.v. De -paling'van het terrein. Ompalmen (dicht, met palmtakken omsie-ren), ik heb â palmd. De slapen der helden â. Fig. liet hoofd âpalmd met zegekransen. OmpaiiMeren (met een ijzeren of stalen panser omgeven), ik heb â panserd. De minister heeft een paar kanonneerbooten laten â. Omplooi (omkrullende plooi), v. âplooien. Omprangen (dicht, prangend omgeven, omknellen), ik heli â prangd. De slangen âprangden zijn leden. Fig. De diadeem âprangtzijn hoofd. Ompraten (overhalen), ik heb âgepraat. Men heeft hem zien om te â. d. i. met mooie praatjes van partij doen veranderen; âprater. m.; âprating, v. Omrand (dicht, omlijsting), m. âranden. De â van een tapijt, vero. Omranden (met een rand omsluiten, beleggen), ik heb ârand. Een borduurwerk met lofwerk â; een lijst met loovertjes â; â ramlinf;-, v. Omranken (dicht, met ranken omgeven), ik heb ârankt. Slingerplanten â het balkon] een wijnstok ârankt de hut. Omrasteren (met rasterwerk omsluiten), ik heb ârasterd. Een ijsbaan â; een hertenkamp â ; â rasterinar, v. Omreis (inspectiereis), v. âreizen. De Inspecteur zal morgen de jaar lij ksche â beginnen. Omrennen (omsingelen, insluiten), ik heb â rend. Een stad â. Omring', m. Zie Omniering'. Om ringdijk (dijk, die één of meer polders omringt), m. -dijken. Omringen (van alle kanten omgeven), ik heb â ringd. De kinderen âringden den onderwijzer] de hofdames omringden de koningin, ter betooning van eerbied, belangstelling, enz. Zou hij zijn vriend Del uw vinden, â ringd van bloeiende kinderen-/ in een oogenblik vas hij âringd door een tierende menigte] allerlei hoornen â den vijver. Omringkade (ringkade, dijk om een polder), v. âkaden. Omrit (het rijden om iets heen), m. âritten. Een troep ru iters maakte een â over de heide. Omroâ¬kpen (bekend maken), ik riep â, heb â geroepen; âroeper, m.; âroeping*, v. Omronnen (van alle zijden heloopen), bn. Het zwaard was â met bloed. Omruil {het omruilen), m. gmv. Omsaminelen (met getalm den tijd dooden), ik heb â gesammeld. In de vacantie loopt die jongen wat â te sammelen, her- en derwaarts loopen zonder iets uit te voeren. Omseliasiiiwen (dicht.). Zie Omseha-dnuen. Omseliadmven (rondom beschaduwen), ik heb âschaduwd (âschaauwd). Hooge hoornen â dat landhuis. Omseliallen (dicht, met geschal omringen), ik heb omschald. Een luid gejuich âschalde den vorst] vroolijk hoorngeklank -schalde de legerplaats. |
OMSCHANSEN - OMVADEMEN.
300
|
OniMclianNoii {met een schans omringen), ik lieb âschanst. De veldheer liet het kamp âschansen. Fig. Zich â met iets; hij zit â schanst met boeken ; â Nlt;aliaiisi 11$;. v. OmM*lioi*Klt;'ii (dicht, nwt een schors iimslui-ten), ik lieb âschorst. De Alpen zijn niet sneeuw en ijs âschorst; het pantser â schorst zijn leden; de helden zijn met moed âschorst. Omschril'f. o. âschriften. Een penninn met een Latijnsche spreuk als â, d. i. opsclirift om den rand heen. OniNC'lirijvoii (nauwkeurig beschrijven), ik â schreef, heb âschreven. Kunt gij den aanrander niet â ; een landschap â ; bij ver faxt-pingen gaat de notaris alles breedvoerig - ; een aantal vreemde woorden vallen moeilijk te â ; âNfliriiviiiK*. v. Oiiisiii$;'lt;gt;loii, ik heb â singeld. Ken stad, een vesting insluiten, dicht omringen,belegeren. OniNlaan {omver rukken, doen vallen), ik sloeg â, heb âgeslagen. De storm zal dien â muur nog â ; het schip zal â; een kleeding-stuk â, haastig en achteloos omdoen; dei,Taag van een mantel â, omlaag slaan; hij draagt een âgeslagen boord; het blad van een boek â , omkeeren. Fig. zegsw. Het blaadje is âgeslagen, de zaak is geheel veranderd; de kosten zullen we onder alle deelnemers â, naar een bepaalden maatstaf verdeden; een hoek, een bocht â, een draai maken; gij moet hier links â : het schip slaat loefwaarts â. OiiiNlalt;*liti$;' (met veel omhaal en drukte), lm. Cats is een â, maar niettemin aangenaam verteller; â lioid. v. Omnia;;- (omhaal, drukte), m. gmv. Hij doet alles met weinig â; zonder â. Omsla;*- (belasting), m. âslagen. De hoofdelijke â , gemeenteiijke belasting voor elk hoofd van een gezin. OiuMla^ (voorwerp), m. en 0. gmv. Een linnen â ; natte âen om terug te drijven. (C. O.) Omslin;»' ii (slingerendomgeven), het heeft â slingerd. De slangen die Laocoon â; twee riviertjes â deze hoogte; een voetpad âslingert den heuvel; een boa âslingerde haar hals; de lianen â den boom; een floor wijnrank âslingerde woning; twee spierwitte kolommen, sierlijk met groen âslingerd. OiiiMliiiorfii. ik heb âsluierd. liet hoofd met rouwfloers â; de bruid was met prachtig zijden gaas âsluierd; â «InioriiijLV, v. Omsliiilcii (dicht omringen, insluiten), ik â sloot, holt â sloten. Een dichte drom nieuwsgierigen âsloot den stoet; een eerewacht â -sloot den statiewagen; zij waren -sloten door den vijand; een riviertje âsluit de vlakte; bij uitbr. De duisternis âsloot hen, houdt hen allen âsloten; een boomgaard, door een hoogen muur âsloten; het harnas âsloot zijn leden. Oms|mimoii. ik heb â. Kunt gij dien knuppel â , met de vingers omsluiten ; een dunge-regen middeltje, dat men zou kunnen â; een terrein met touwwerk laten â ; een enge pantalon âspande zijn beenen. OiiiMpaiiNoeron (deftig en met afgemeten gang ergens omheen wandelen), ik heb â ge-spanseerd. Een singeltje â ; zie, hoe die haan over het erf â spanseert. OniNtaaiKl. OmmcNfaaiifl (omringend), bn. De âe huizen; de âe kinderen. OniKlaiHl (drukte, omhaal), m. gmv. Maak toch zoo'n â niet; met â spreken, vero. |
OniKtaiidor (iem. uit het omstaande volk), m. âstanders. OniKtaiMli;;' (breedvoerig)^ bn. Een â schrijven; een â verslag; een â verhaal; een âe brief enz. OmKtaiidi;;iilt;'Ml (iets, dat een handeling, voorval, toestand vergezelt), v. âheden. Ee}i onverwachte â ; eerst moet ge al de âheden kennen; alles hangt hier af ran de âheden, d. i. den nog onzekeren loop der gebeurtenissen; een samenloop van âheden; verzachtende â heden, rechtst. bijzonderheden; verzwarende âheden, rechtst. wat den aard dei-misdaad verergert; 't is me daar een nare â, staat van zaken; de zieke is naar âheden vrij wel; iem. geldelijke âheden, vermogen. Onistonwen (verpakken), ik heb âgestouwd. Ge dient die lading â te stouwen, d.i. anders samenpakken. OniMtraloii (straalsgewijzeomringen), ik hob â straald. De glans ran het goud âstraalde hem; de roem -straalt zijn schedel; met den luister der overwinning âstraald; zijn leven was âstraald met aanzien, rijkdom en gelul:. Omstreok (de omliggende landstreek), v. â streken. Heel de â was op de been, d.i. al de bewoners. OniKtrceks (ongeveer, omtrent), hw. Hij verdient jaarlijks â duizend gulden; hij zal nu â te Amsterdam zijn; vz. het was â Da se hen. OmKtmvâ¬gt;ii (wenden, omkeeren), ik heb â -gestuwd. Help die balen eens â. Omstmvlt;'ii (dicht, stuwend omgeven), ik heb â stuwd. Een stoet edellieden âstuwde den koning; duizenden nimfen âstuwden de godin; hij werd door de juichende'menigte âstuwd; elke ridder was âstuwd door edel knapen; de vorst was âstuwd met ridderlijke praal; hij â stuwde steeds zijn troon met tal van hovetingen, omringen met. Omtoelit (plechtige omgang, processie), m. â tochten. Oiiito;:-eii (omhuld, omkleed), vd. De bergen met nevelen. â ; de duisternis had berg en woud â; met damp â. Fig. met ernst â. Omtrefllt;k, Onitrce (loop/dank over een sloot), v. âtreden, âtreeën, ge-.v. Omtrek (bui ten li jn, hoofdlij n,gi 'm s),m. â ken. Eerst moet ge den â teekenen \ zij luid den â har er tee kening in een oogenblik klaar; deze teekening is zuiver, fraai van â ; de â van iem. gelaat; meetk. de â van een cirkel, een driehoek, veelhoek, enz.; in den â van het dorp; in den â der kermis; niemand hier in den â kent hem, d.i. naaste omgeving; menige boerenjongen uit den â; de geheele â , de heele landstreek. Omlroiit* bw. en vz. deen sterveling â, d.i. in de nabijheid; er zijn veel geruchten â hem in omloop, d. i. betrelfende. Omtiiilfii (dicht, met een tuil omgeven), ik lieb âtuild. Laat ik u de slapen met rozen â ; de natuur is als âtuild met bloemen lentespruit; de eere kroon âtuilt het helden-graf. (Tollens.) OmiiiiiK'ii (omsluiten door een tuin of haag), ik heb â tuind; â iiiiiiin^-. v. Omvaart (het omvaren), v. gmv. De â om de wereld; de â om het voorgebergte; een â op een meer; na een â van eenige uren, hot varen langs een omweg. Omvademen (in een vadem cmsluiten, omvatten), ik heb â vademd. Ik zet het u dien |
OMVANG - OMZOOM EN.
301
|
hoorn te â, d. i. met uitgestrekte armen omvatten. Omvang: (omtrek, grootte), m. gmv. 4^iiivangen (omvatten), ik heb âvangen. Met de armen â. Fig. Met zijn blik â; de nevel had hel reisgezelschap â ; de stad is met een muur â. Omvangrijk {veel omvang of uitgebreidheid hebbende), bn. Een â boekwerk', een âestent. Omvattcgt;nlt;l (uitgestrekt, ruim), bn. Een âe werkkring', een veelâ plan. Omver (onderstboven), 'ow. lem. â loopen, iets â gooien', iets â halen', â rukken; â smijten; iem. â steken; lets â werpen. Omvla^-cn (dicht, met vlaggen omgeven), ik heb â vlagd. Een schip â. OmvlfMiK'cU'ii (als met vleugels omgeven, mil. omtrekken), ik heb â vleugeld. De vijand wilde ons â; â vlcnjfclingf, v. Omvlooion (vloeiend omgeven), het heeft, â vloeid. Daar, waar het beekje den heuvel â vloeit. Fig. Het licht kan iem. â ; de glans, de luister kan iem. â; de wolken, de nevels â den hen. Omvraag-, Omvrago (rondvraag), v. Er werd een â over het voorstel gehouden; zonder hoofdelijke â werd het voorstel aangenomen, d. i. bij acclamatie. Omwarionifn (dicht, romhnn met een voch-tigen damp omgeven), liet heeft â wademd. De wind âwademt de wouden met zijn geuren. Ilmwallon (met een wal omringen), ik heb â wald. Aan den zeekant werd de stad niet â wald; âu ailing* v. Omwaiuioling: (fwt rondom iets wandelen), v. âwandelingen. Na de â der singels gaal hij naar de sociëteit. De â van Christus op aarde, het verkeer, de levensreis. OmM'ai*lt;'n (dicht, (varend omgeven), het heeft âwaard. Hij dacht zich daar van (geesten, spoken en schimmen âwaard; allerlei roofdieren â dat bosch. Omweg' (weg die om, d. i. langer is), m. â wegen. Een â nemen, maken; de heer lira ins had een â gemaakt om zijn vriend te zien. Fig. Uw woorden gaan langs een â; nu, maak maar zooveel âwegen niet; vertel mij dat na eens zonder âwegen; iets zonder âwegen vragen, d. i. recht op het duel af, openhartig. Omw «'melon (dicht, wemelcnd omgeven), hot heeft â wemeld. Een hoop mieren âwemelde den slapenden reiziger; een golvende schare â wemelde het paleis; de ridders hadden het moedig hoofd âwemeld met struis- en reigerbits. (Bi ld.) Ãmwâ¬Milt;llt;gt;n (omkeeren, omdraaien), ik heb â gewend. Het hoofd â; den kop â ; het roer â ; zich â, d. i. het hoofd, het lichaam achterwaarts wenden; â wond in g', v. Oniwlt;gt;ntlt;gt;llt;'n (het (mderstboven keeren), ik heb âgewenteld. Een bruisende stroom wentelt het molenrad om; zich â, zich om zijn as draaien; De aarde wentelt zich om haar as. Omwenteling* (ronddraaiende keering), v. â wentelingen. Een bol ontstaat door de â van een halven cirkel om zijn middellijn; de â wentelingen van een Russischen schommel; de â der aarde om haar as; de. â der jaargetijden; dat was een geheele â in zijn lot; de groote â in Frankrijk, omkeer van de gevestigde orde van zaken; -sas, v.; âs-lieliaam, o.; â stijd, m.; -svlak, o. |
Omwerken (anders bewerken, ver wormen), ik heb âgewerkt. Een gedicht. â; een opstel â ; een boek â ; een akker â, dooreenwerken; die grond is niet genoeg âgewerkt; dot mest, het graan â; â werking*, v. Omwibbelen (anbbelend omvallen), het is â gewibbeld. Dat tafeltje zat nog cms â; het bloem standertje is âgewibbeld. Omwikkelen (rondom inwikkelen), ik heb â wikkeld. Een kindje niet een deke.t â; een boom met stroo â; een zwerenden vinger â; zich â; hij âwikkelde zich met een mattlel. Fig. Een duistere samettzwering âtvikkelde hem; âwikkeling*, v. Omwillen (aan het lijf willen), ik heb âgewild. Dat boordje wil ik niet â; de Jt.ngen wil die das niet â; wil je dien ouden riem niet meer â ? Omwinden (met iets slingerend omgeven), ik heb âwonden. Een pak met een stevig touw â ; een pak kranten met een koord â; een kindje wet een zwachtel â; hij âwond het been met lange windselen; de slang â -windt haar prooi; âwinding, v.; â wind-sel. o. Omwisselen (verwisselen, ruilen), ik heb â gewisseld. Ik zou de schooien eens â; zijn bankpapier â ; van plaats â. Omwonend (omgevend, omringend), bn. De â wonende volken; de âwonende vorsten. Omwoners (personen, die om ons heen wonen), m. mv. De â van Nederland zijn Duitse hers en Delgen; de â van het meer van Gonstanz. Omwoners (omwonenden), m. mv. Onze â verschillen l-J uur met ons in tijd, d. i. men-schen, wonende op dezelfde parallel, maar 180° in lengte verschillend. Omwrikl»aar (onverzettelijk), bn. Een â besluit. Omwrikken (omrukken), ik hei» âgewrikt. OniKadelen (van zadel wisselen), ik heb â -gezadeld. Laat de knecht mijn paard even â. Omxaten (omgezelenen, omwonenden), in. en v. mv. Omxeg* (bekendmaking van geboorte of overlijden), m. gmv. Vier bidders hebben den â tgehad. Ãmxendliriet' (bisschoppelijk mandement), m. âbrieven. Omzet (handel, verkoop), m. gmv. Omzetsel (boord of rand van verschil lende stof of kleur), lt;». -zetsels, â zetselen. Omzetten, ik heb âgezet. Zet die kibbelende kinderen â, doe ze wisselen van plaats; ivoorden, zinnen â, anders schjkkken; die koopman zet veel â, verhandelen; door gisting wordt suiker in alcohol âgezel, ontleden, ontbonden; den grond â, omspitten; het koren, de aardappelen â, omwerken om bederf of broeiing te voorkomen. Omxetlen. ik heb âgezet. Een stad â, omsingelen; zij wisten het kasteel nauw âzet te houden, ingesloten; een heuvel â met eiken; de zakdoek was âzet met een fijn kantje, omboord; een horloge met paarlen â; â -xetting*, v. Omxielit ig* (bedachtzaam), bn. en bw.: â heid. Omzien, o. Zie Ommezien. [v. 4lmzoomen. ik heb â zoomd. Een tijgervel, met rood âzoomd (C. O.), met een rai d of boord van een andere stof of kleur beleggen; -zoomin^v. |
ONBERECHT.
302
OMZWAAI-
|
Omzwaai (omdraai, omkeer), m. âzwaaien. Ook: Ommezwaai. Oiiizwarlitcloii {met een zwachtel omwinden), ik heb â zwachteld. Een kind - rnet fijn linnen doeken; met een âzwachtelden arm loopen; â v. OniKwaikfii {op zee omdolen), ik heb âgezwalkt. De man had heel zijn leren op zee âgezwalkt. Fig. omfiolen, rondzwerven; â -xwalkinif. v. alpon {met zwellende (jolven heen en ander bewegen), ik heb âgezwalpt. De vis-acher zwalpt langs hank en platen om. Om%wal|M'ii (dicht, zwalpend omgeven), liet heeft âzwalpt. JJe baren âzwalpten het schip; de Oceaan, -zwalpt de aarde. OiiiKwlt;ki*vlt;'ii (omdolen, hier en ginds rondzwerven), ik zwierf â, heb âgezworven. Na lang te hebben âgezworven, is hij op ons dorp komen wonen; de verdoolde reizigers hadden in die bosschen lang âgezworven; â zw«'rviiijï. v. OniKwlt;'vlt;'ii (dicht, zwevend omgeven), ik heb â zweefd. Zie dien adelaar zijn nest â ! Dai/jes, die mij plagt te â, als ik in mijn bloemhof zal. (Staring); Gods geest âzwcre n! een eeuwige lente âzwerft u daar. Oiiizwiopfii (topzwaar vallen), het is -gezwiept. De lange en schrale populier is door den storm âgezwiept. Oiiizwikklt;gt;ii (door zwikken omslaan), het is âgezwikt. Mijn voet is âgezwikt. Oinzwirrek'ii (tuinhoudend zwieren langs), hot heeft en is âgezwirreld. De zwalutuen â mijn tiiinhiiisje. 4in (voorvoegsel = niet, slecht, zonder), b.v.: âdank, âkunde, ârecht; âweer, âkruid, â mensch; ârijp, âsterk, âwetend. Oiiaaii^iiaain (niet plezierig), bn. en bw. Ken â mensch in den Haarlemmerhout. (C.O.); â heicl (kwelling, verdrietelijkheid), v. âheden. Onaangesproken, bn. Iets niet â laten, b.v. een kapitaal, een maaltijd, de flesch. Onaanf ast haar (niet. te bestrijden of aan te vallen), bn. Een âbare jaarwedde; een â -bare stelling; een âbare wetsbepaling. Onaanzieniijk (niet in aanzien, zijnde), bn. en bw. Een âe familie, tot de lagere standen behoorende; een âe straat, buurt, wijk; niet â, d. i. vrij aanzienlijk, niet gering: Een niet â vermogen; hij heeft zijn zaken niet â uitgebreid. Onaardig: (onbeleefd, onaangenaam), bn. Wat ben je weer â geweest! Niet â, d. i. nog al aangenaam in den omgang: Uw buren zijn geen âe menschen. Ãnaclitzaani (zonder zorg of oplettendheid), bn. en bw. Een âe kleeding; een âehouding; een â gedrag jegens iem.; hij antwoordde zeer â ; â 'v. Onafgebroken (aaneengeschakeld, aanhoudend), bn. en bw. De â kelen der geschiedenis; het was een â worsteling tegen allerlei gevaren; men roerde â de trom. Onat'liankelijk (vrij, onbeperkt, zelfstandig), De âe rechterlijke macht; een â leven; een â volk, tandy gewest; een â bestaan; zij hebben het land â gemaakt; hij heeft in deze zaak geheel â gehandeld; â lieifl. v. ÃnafMelieiflbaar (niettescheiden), bn. Welvaart is een âbare gezellin van den vrede; zich â aan iets of iem. hechten. |
Onafwijsbaar (niet van de hand te wijzen), bn. Een â verzoek; een âbare eisch. Onafzetbaar. bn. Een rechter behoort â te zijn, niet kunnende gezet worden uit zijn ambt, bediening, beroep; â lieid. v. Onager (Bijbel, wilde woudezel), m. â s, âen. Zet uw tanden in het oor der âen. (C. O.) Onbandig' (wild, woest, aan geen breidel gehoorzamende), bn. en bw. Een roofdier is â; een paard, een os kan â zijn. Fig. De âste hartstochten ; âe begeerten; â lieid, v. Onbedaelit (onbezonnen, onnadenkend), bn. en bw. Een â woord; een â oogenblik; een â afgelegde eed; â el ijk. bw. b.v. Iets â el ijk zeggen; â lieid, v. Onbelt;lin^-4i. bn. In een âe lofspraak vervallen (Potg.), d. i. onvoorwaardelijk. Onbeduidend (nietig, beuzelachtig), bn. en bw. Een â woord, een â opstel; niet â, vrij belangrijk: Hij is geen â man; â lieid. v. Onbegonnen (zonde?' einde, onuitvoerbaar), bn. O â God! eeuwig; dat is een â werk. Onbegrepen (niet in aard of wezen gekend), bn. Deze schilder is een â talent; een â daad; God is een â tvezen. Onbegrijpelijk (buitengewoon), bn. en bw. Een âe romance, vreemd ; â veel menschen. (C. O.), iets is â moeielijk. Onbeheerd (buiten beheer of toezicht), bn. Zij ivas een âe wees; de kruiwagen, stond â aan den weg; een âe nalatenschap, d. i. waarvoor zich niem. opdoet of die verworpen is; âe goederen, âe zeevonden. Onbeliolpen (onhandig, stumperig), bn. en bw. Die man is in gezelschap â en linksch; â manieren; zich â uitdrukken; âlieid. v. Onbelionwen (fig. lomjgt;, ongemanierd), bn. Wat een â lompetri! een â kerel; zegsw. Een â stuk vleesch, een lomperd; bw. iets â verklaren, zeggen ; â heid. v. On bekommerd (onbezorgd, niet gedrukt), bn. Een â leven leiden; hij is â over zijn. toekomst; hij leeft in âe omstandigheden; hij toonde een â gelaat; hij sprak op âen toon; -heid. v. Onbekookt (niet gaar), bn. Een â antwoord, voorstel, d. i. niet rijpelijk overwogen, ondoordacht; âheid. v. Onbekrompen (overvloedig, ruim), bn. en bw. Het beste doek werd gespreid op â disch. (Staring); een â denkwijze; â vrijheid; uit een â beurs; â geven, weldoen; â heid, v. OiibelejK'en (al te verseh), bn. Dat brood is te â ; dat bier is â. Onbelemmerd (ongehinderd, vrij), bn. Een â uitzicht hebben. Onbemerkt (niet gezien of bespeurd), bn. en bw. Hij heeft u â weten te volgen; â ergens komen, binnentreden, enz.; een âe aftocht; een â verdwijnen; hij haalde â een pistool te voorschijn. Onbeiioemd (rekenk. niet met een naam aangewezen), bn. âe getallen; de vermenigvuldiger is altijd â. Onbenullig (dom, zonder begrip), bn. en bw. gmz.: âheid. v. Onberaden (onbezonnen, onbedacht), bn. en bw. Als een â knaap; zich â aan zijn driften overgeven; een â huwelijk; in â drift; Duifhuis moge â zijn cis een jong-mensch. (Koetsv.); â handelen' âheid, v. Onberecht (R. K. niet bediend], bn. De man stierf â. |
ONBERKDKN âONDER.
|
Oiibfrodrii bn. Dat paard is nog â. niet tot rijden gebezigd ; een nog â ivcj, niet bruikbaar of gebruikt; hij is een â ruiter, onbedreven in liet rijden; een â cavalerist, niet van een paard voorzien, zonder paard; hij de infanterie zijn de geiuone oU'icieren â, d. i. zonder dienstpaard. {onbedacht, onbezonnen), bn. en bw. Een âe drift; een âe goedheid; een âe weldadigheid; een â oordeel; hij handelt slechts zelden OnlH'rlt;'islt;l (geen ervaring van reizen hebbende), bn. Een â bintenman. Onlu'rijiiKl (rijmloos), bn. De Verjaardag van Staring is â; de âe psalmen, d. i. in proza omgezet. OiilM*Klt;*liaaf'4l (fig. ongepolijst, ruw van vorm), bn. Die verzen zijn nog â. Een â volk; die âe taal; âe zeden; âe manieren; een âe opvoeding; alles is daar nog in âen toestand; â v. OiilM'M'liaamd (gee}i schaamte hebbende), bn. en bw. Een â bedrieger; een â slag van een jongen; een â vleier; hij is â genoeg; spreekw. âe menschen hebben het derde deel der wereld in pacht; een âe blik, vermetel; â e laster; een âe logen; hij liegt â; â -licid, v. OiilM'sclicifl (dwaasheid, on verstand), o. vero. Oiilwsclieidcii (onbeleefd, aanmatigend), bn. en bw.; â lieid. v. Onbeschoft (lomp, plomp van manieren, brutaal), bn. en bw.; â licifl, v. OulM'MfliriJt'clijk (alle beschrijving te boven gaande), bn. en bw. ÃiilM'Kflirooincl (niet verlegen, onbedeesd), bn. en bw. Een flinke, âe knaap; een âe gemeenzaamheid; iets â zeggen, schrijven; â hcid. v. OiibcKclnit (niet gedekt, onbeschermd), bn. Dat boompje staat â voor den noordenwind; de woning lag â op de heide; hij stond â te midden van het vijandelijk vuur. Onbeslagen (zonder beslag, zonder ijzers), bw. Bij vele werkpaarden blijven de aehter-poolen â ; een )iog â paard; â ten ijs lt;gt;f op het ijs komen, eig. van paarden, fig. iets ondernemen zonder behoorlijk voorbereid of toegerust te zijn. Onbesleebt (niet beslist, niet vereffend), bn. Een â geschil; het geding is nog â : de strijd bleef â ; iets â laten, het niet door een beslissing ten einde brengen. Onhvsi*roli.en (on berispelijk, ter goeder naam en faam), bn. en bw. Dit meisje is van een â familie; hij is â van gedrag; een â leven leiden: een â levenswandel; een â naam; zij had zich â pedragen. Onbestorven, bn. Een â weduwe, weduwnaar, d. i. gescheiden, voorgoed of door uit-landigheid van de(n) echtgenoot; â vleesch,d. i. versch, pas geslacht; â metselwerk. Onbesuisd (doldriftig, onstuimig, woest), bn. en bw.; â heid. v. Onbetaalbaar, bn. Een âbare gelegenheid; â Iieid, v. Onbeteekenend (onbeduidend), bn. Het was een â man; iem. met â voorkomen; een â gesprek; een â woord met iem. wisselen; een â voorval. Onbetuigd, bn. Zich niet â laten. Bijbel, niet nalaten getuigenis te geven, van zijn aanwezen de zichtbare blijken geven. Hij liet zich bij die collecte niet â ; inz. flink toetasten bij 't maal, bij een feest, enz.: De man liet zich bij de flesch nooit â. |
Onbevaren, bn. Een â rivierarm; de Maas bij Maastricht is een â stroom ; een â matroos, niet genoeg gevaren hebbende; spreekw. Met â volk is het slecht zeilen, onbedreven. Onbevoeliten, bw. Een dwaalleer â laten, onbetwist; niet â, d. i. niet bekoord dooide zonde: Niemand blijft â. Onbevolen (dicht, ongedwongen, vrijwillig), bn. Een â tucht regeert het gansch gezin. (Tollens.) Onbewaakt (zonder bewaking of toezicht), bn. De gevangene bleef â; een paai' âe kinderen; een â oogenblik; iets â laten; â blijven. Onbewimpeld (onverbloemd, onverhoien, openhartig), bn. en bw. Een â woord; een â gezegde, een âe verklaring; âe openhartigheid; iets â verklaren, mededeelen; â voor iets uitkomen. Onbewroebt (zonder versierselen of sieraden), bn. Valenlijns rusting was nog â. Onbewust (onbekend, niet wetende), bn. Dat is mij â; hij is nog â van het gevaar; â -beid. v. Onbezield (levenloos, zonder ziel),\,n. Deâe dingen der natuur; een â stuk hout of steen; er was geen licht in dat âe oog. Fig. Wat â e taal, koud; hij sprak âe woorden. Onbezien (niet behoorlijk bekeken), bn. Hij kocht die kast â. Onbeziens (zonder onderzocht te hebben), bw. Hij heeft dat huis â gekocht. Onbezonnen (onberaden, lichtvaardig), bn. en bw. Een â spreker; hij is â genoeg om zoo iets te zeggen; dat is â ijver; wat een â nieuwsgierigheid; een â toegeven; men mag zoo â niet alles op het spel zetten; â -beid. v. Onbezwaard (zonder druk of zorg, onbekommerd), bn. Een â geweten; van zaken, vrij van lasten of hypotheken: A l die goede-deren zijn â. Onbezwalkt (niet met damp beslagen), bn. Een âe spiegel; de âe deugd, d. i. reine, zuivere; 't â azuur; een âe hemel. Onbezweken (volhardend, standvastig), bn. Zij streden met â moed; stand houden met â trouw, d. i. onwrikbare trouw. Onbillijk (onredelijk, onwettig), bn. en bw.; â beid. v. Onbruik, o. In â raken, d. i. het wordt niet meer gebruikt. Onee (medicinaal gewicht), v. â n. Een medicinaal pond had 12 ân. Ondaad (wandaad, gruweldaad), v. â daden. Ondank, m. Iets nwt â beloonen, vergelden; â is 's werelds loon. Ondankbaar, bn. en bw.; âbeid, v. 'Ondanks, vz. Hij deed het â mijn verbod, d. i. in weerwil van. Ondee^ (te). bw. uitdr. Dat kwam zeer te â, d. i. te onpas, ongelegen. Onder. vz. en bw. Zij zitten â den boom. Oplettend zijn â de les. Zegsw. â dagteekening; â het zegel van; zich â een banier scharen; â een vlag varen; een land of volk â zijn schepter brengen; iem. â den duim hebben; â de roos vertellen, in quot;t geheim; â vier oogen, zonder getuigen; â iem. aandacht brengen; - de regeering van Karei I; â de |
ONDERAAN-ONDERHUREN.
30i
|
waarde vcrkoopen; â den indruk van b.v. droevige tijdingen; â zeker voorwendsel; â cede, â belofte; bw. de ban* is â ; hij kwam juist van â ; â in huis; â in het schip; â tegen den must; â op den grond; â (um het rijtuig; âgaan; âhouden. OiKloraan {aan den onderkant), bw. Een stok met een punt â; hij zat geheel â de tafel; nw naam staal â. Oiilt;llt;gt;i*aarlt;lKC*li {onder den grond), bn. Ken â gerommel; een â kanaal. OiMloradJmlant (adjudant-onderolficier), m. âen; â ailmirsial. m. âs, â ralen. OiKlcrat' (van de bencdenzij af), bw. Tel die rekening eens op en begin Ook: Van onderen af. Oii«llt;kralVIlt;M'liii$;- {kleinere ufdeeling), v. â en. Ken â van een hoofdstuk. Oiilt;llt;'rl»aalt;IJlt;' {boezeroen run baai, wol of Panel, dat onder het bovenbaadje gedragen wordt), o. â s. Oiiâ¬llt;'rl»lt;'riii {de berm aan de onderzijde des dijks), in. âen. OiMllt;krlgt;cv«'llielgt;lM'i*. m. â s; â bilriiotlio-lt;*ai*iN. m. ârissen. Oiiâ¬llt;gt;rl»li|tKlt;gt;I {achterlijk wezen; mensch, dier of plant, die in groei achterlijk is), o. â s. Oiiilcrbi'fkcii (sloren, doen ophouden), ik â brak, hel» âbroken. De vreugde â, den arbeid â , zijn werk â ; iem. slaap â; iem. rede, taal, ivoorden â; een gesprek, een onderhoud, samenspraak â ; iem. poffingen â; â breking {verstoring), v. OiKlordaan. m. â danen (scherts, voor bee- )ien). Hij is Nederlandsch â. 4liicllt;'r«laiii^ {(mderworpen), bn. en bw. â zijn aan zijn eorst, aan de wet; uw âedienaur (beleertlheidslbrmule); iem. â groeien; â lioid {geh oorzaandieid), v. {laagste deel; gedeelte van een hoofddeel), o. â deelen. Hel â van iem. gelaat; een der âen van de naluurkuude. (scheepst. seheepsvloer beneden het bovendek), r». âdekken. 4liilt;llt;krdlt;'kK. bw. JJi' kapitein is â, d. i. in de kajuit. OiMtai*dilt;'S (intusschen), bw. Van der Hoogeti /luisterde â onhoorbaar: ,.Dat j.u/fertje De Groot heeft toch een a l Ier char man ts gezichtje.quot; ik deed â, heb âgedaan. Iem. de schaatsen â ; voor iem. â, zwichten, bukken, de mindere zijn. OikIerdoor {onder iets door), bw. Hij reed daar â; de jongens kropen er â; â gaan; â rijden. Oiidlt;'râ¬lriikk«gt;ii {omlaag drukken), ik heb âdrukt. Een volk â ; zijn toorn â ; zijn karakter was âdrukt; hel zaad des oproersâ; een denkbeeld moeien â ; zijn verlangen niet kunnen â. Mevrouw Dor been kon een klein lachje van zenuwachtige voldoening niet â. (C. O.), d. i. inhouden, bedwingen, smoren; â drukker, m.; â drukking', v. Ondereen (door elkaar, dooreen), bw. De knaap gooide alle boeken â; de kinderen liepen â ; samenstell.: â gooien, â haspelen, â klutsen, â knoeien, â malen, â mengen,en/.. Ondereinde {benedenzijde), o. âeinden. Het â van een paal; de kinderen zaten aan het â der tafel. Ondereii9 bijw.; naar â, beneden; van â, b.v. in: De japon is van â wat te lang; zgw. |
Hei la, van â, d. i. waarschuwing voor hen die beneden staan: Als......er iets uit de lucht werd nedergelaten, dat van â scheen genoemd te worden. (C. O.) Onderdaan {naar beneden gaan). De zon ging â, is âgegaan, d. i. onder den gezichteinder voor het oog verdwenen; ook: het vaartuig ging â, de dobber ging â. Fig. Dc rocm, de grootheid, het aanzien, de luister van den mensch gaat eenmaal â, d. i. te niet. Onderdaan {lijden, doorslaan, verduren), ik âging, heb â. Een mishandeling, een straf, een vernedering â ; den dood â ; een droevig lot â; een operatie â. Onderaan;; {het ondergaan), m. Di' â der zon, der maan; dat is zijn â, d. i. verdort', val. OndergfeKeliikt {afhankelijk), bn. De leenheer en waren den koning â ; een âe betrekking, niet zelfstandig, la;igin rang; âearbeid, onder de bevelen van een ander verricht; een âe rol spelen of vervullen, een mindere of kleine rol; iets van â belang, van geringe waarde; â lieid. v. Onderg-eKelioven. bn. Een â testament, bedrieglijk, heimelijk, onecht; een â leerstuk, vervalscht; een â kind, dut voor een echt kind heimelijk in de plaats is gesteld, of, bij gebreke van een kind, valschelijk als zoodanig is aangegeven. Onder;;*e*token {heimelijk, bedrieglijk). Ken â processtuk^ ondergeschoven. Onder$?eteekâ¬'ncle {onderteekenaar), m. en v. â n. Ondergod (fabell. god van minderen rang), m. âgoden. De goden en âgoden van den Olympus. Onder$;'oeâ¬l {lij/linnen), o. âgoederen. Onâ¬l«'r};-raven {ondermijnen), ik âgroef, heb â. Een muur, een wal, een fort â. Ondergrond, m. âgronden. De â van een veenlaag, d. i. de grond, die zich beneden die laag uitstrekt. Onderhandelaar {die onderhandelt), m. â aren, âaars. Oiulerliandelen [ handelen over, bespreken), ik heb â handeld; â ingt;i'- v. Onderliands. Ondershands {niet de hand naar beneden), bw. â gooien, werpen, springen. ÃnderhanilMeh. bn. Een âe koop of verkoop, d.i. niet openbaar; een âe 'tanbcsleding, verpachting, verhuring, enz. Oiulerhavc^ {aardveil, hondsdraf ), v. gmv. Onder hebbend, bn. De âe manschappen, d. i. die waarover men het bevel heeft. Onderhevi;?. bn. Hij is zeer â aan koorts, kiespijn, d. i. er medé behept. Oniierhonrip;{ondergeschikt), br.; - beid. v. Onderhoorigfe {ondergeschikte), m.euv. â n. Het lot zijner ân verbeteren. Onderlio|gt;nian {o//icier een rang lager dan de hopman), m. âhoplieden, âlui; spreekt, âhopmans, vero. Onderhond {verzorging, voeding), o. gmv. Onderhonden {verzorgen), ik âhield, heb â houden; â bonder, m.; â hondiiiK'. v. Onderhoudend {aangenaam, gezellin), bn. Een â prater, een â boek; op -e tuijze. Onderhonl {kreupelhout, ruigte), o. gmv.; â Iinid {huid onder de opperhuid), v.; â -huis {benedenhuis), o. âhuizen. Onderhiiren {op slinksche iv jze iemand of iets huren), ik heb â huurd. Hi heeft mij dien |
ONDERHUUR-ONDERSCHOREN.
3óo
|
knecht, die dienstbare, dut huis âhuurd; â -liuriii^. v. Onclerliiiiir (huur, verkreyen door middel van een eersten huurder), v. Een bovenhuis in â aan een ander afstaan. Onderin (beneden in iets), bw. Het boek ligt in de kast, â; een bloempot met een gat â. OiKlerjarig- (minderjarig, onmondig), bn. Het zijn nog âe kinderen. Onderkant (beneden zij de), m. âkanten. De â van een tafelblad. Onderkelderen (van een kelder voorzien), ik heb âkelderd. Een gebouio â; dat kasteel is geheel âkelderd. Onderkennen (kennen uit iets anders), ik lielt â kend. Inlanders van vreemdelingen â; het is moeilijk die twee ling broeders te â ; een vogel aan zijn veeren â; âkenning, v. Onderkomen (huisvesting, woning, schuilplaats), o. gmv. OiKlerkoniiiK* (stedehouder, lam!voogd), m. â koningen. Hij tuerd â van Napels.; de â van Ierland-, de â van Britsch-Indië', â k«-nin^-seliai», o. Onderkoopen (op slinksche wijze door koop in 7 bezit raken van ieis, dat een ander wilde koopen), ik âkocht, heb âkocht. Hij heeft mij dat huis âkochi; â kooper, m.; â kooping*, v. Onderkruipen (heimelijk een voordeel afwinnen), ik âkroop, heb âkropen. Die reiziger zoekt mijn klanten te â ; âkruiper, m.; â kniipin»-. v. Onderlaag- (benedenlaag, steunlaag), v. â -lagen. Een zandgrond met een â van klei; een moorddadig vuur uit de â, benedenste geschutlaag van een oorlogsschip; kanonnen moeten een vaste â hebben; de â of âlagen van een bedstede, planken, waarop stroo en bed rusten. OnderlaiiK's (van onderen langs), bw. Zullen wij boven over den heuvel of â gaan'/ de rivier, die er â stroomde. Onderlast (benedenlast), m. gmv. De - van het schip bestond uit zand. Oiulerleen (leen uit de tweede hand, achterleen), o. â leenen. Onderleenlieer (de leenheer van een onder-leen), m. âheéren; âleennian (de houder van een onderleen), m. âmannen. Onderlegd, Onderleid (met bekwaamheid toegerust), bn. Onderlegden, ik âlegde of â leide, ik heb â legd of âleid. Een vat â, het vast doen liggen door steunliouten; letters, die te (lauw afdrukken â, drukkerij, er een strookje papier onder leggen. Fig. hij is goed âlegd in de oude talen, onderwezen; âleisel, o. â s. Onderleid, bn. Zie Onderlegd. Onderliggend (zwakker zijnde), bn. De âe partij, tegenstelling van de bovendrijvende. Onderlijk (scheepst. touwen boordsel onder langs een zeil), o. â lij ken.s*. Onderlijnen (onderstrepen, onderhalen), ik heb âlijnd. Aide vreemde woorden met rooden inkt â. Onderling, bn. en bw. Spaar kassen van â en bijstand; het â vertrouwen; tot â genoegen; een âe strijd; â wantrouwen, d. i. weder-zijdsch; bw. De aanwezigen mompelden â; iets _ bepalen; de jongens wedijverden â wie het vaardigst zou zijn; iets â verdeelen; zich â verbinden, vereenigen, d. i. met elkaar; koenen, Verkl. Handwdb. d. Nederl. taal. |
wij bevielen elkander â; de afgunst der overwinnaars â. OnderinaaiiMcli (hier op aanle, aardsch), bn. Een â schepsel; deze âe. wereld; de wisselvalligheid der âe zaken, de) âe dingen; het âe leven; âe vreugde, smart. Onderinaanselie (de aarde, de aardschc dingen), o. gmv. Aan al het â komt een einde; hij zweefde ver boven dit â ; de werkelijkheid van het â; in dit â; scherts. In dit â kon geen bevailiger dames-co iff ure bestaan. (C. Ã.). Ondermaat (verlies bij inkrimping, indroging, enz.), v. gmv. Hquot;t koren is op dien zolder aanmerkelijk ingedroogd, dus zal er wel â zijn. Ondermijnen (ondergraven, verzwakken), ik heb â mijnd. Muren, wallen, gebouwen, grondvesten â. Dat zal uw gezondheid â; dat zal het gevoel van zedelijkheid â; â -mijner, m.; â mijning, v. Ondernemen (uitvoeren, wagen), ik â nam heb ânomen; ânemer, m.; âneming, v. Ondernemend (durvend, moedig), bn. Een â man. Onderoflicier (mil. een rang beneden luitenant), m. âs, âen; een sergeant, een wachtmeester is â. OnderoflieierMkleeding. v. gmv.; -streep, v. âstrepen; â tafel, v. â s; -uniform, v. â en; â wetlnwe, v. â n. Onderom (om den onderkant), bw. Naai die franje â; zet dat veterband â. Onderonsje (scherts, huiselijk kringetje), o. â onsjes. Een gezellig â. Fig. Ook de leeke-dichtjes zijn âonsjes. (Busken Huet), d.i. be-hooren tot de orde der huis- of kamerpoëzie. Omlerpaelit. v. Een tuin in â hebben. Zie: Onderlninr. Onderpaeliten. ik heb âpacht. Een andere boer heeft hem dat stuk grond âpacht, onderhuurd, op slinksche wijze in pacht krijgen. Onderpand (waarborg), o. âpanden. De haard . . . het â der huiselijkheid zelve. (C.O.) Onderra (zeew. het benedoiste rondhout), v. â raas. De â van den groot en mast ivordt de gr oo te ra, die van den fokkemast de fokker a genoemd. Ãnderregent (tweede regent), m. âregenten; â regentschap, o. Onderrielit (onderwijs, oefening), o. gmv. lem. ontvangt â in het timmeren. Onderricliten (leeren, oefenen), ik heb â -richt; â richter, m.; â richting, v. Onderschatten (te laag waardeeren), ik heb â schat. Lang heb ik zijn verdiensten -schat. Ondersclieilt;l (verschil), o. gmv. â maken, â vaststellen; met â, oordeel; de jaren van â ; geen â gebruiken. Onderscheiden (verschillend, uiteenloopend), bn. en bw. De â staten van Duitseh-land; de â gevoelens; de menschen spreken er â over. Onderscheiden (uit elkaar houden), ik â scheidde, heb onderscheiden, zich â, uitmunten; â scheiding, v. Onderscheppen (sluiten, opvangen), ik heb â schept. Brieven â ; âschepping, v. Onderschikking (betrekking tusschen zinnen van ongelijken rung), v. gmv. Onderschoren (met één of meer schoren ondersteunen), ik heb â schoord. Een gewelf, een zoldering â ; bij uitbr. met de schouders 20 |
ONDERSCHOUT-ONDICHTERLIJK.
|
Fig. ondersteunen, staande houden; â sclio-riiift-, v. {tweede schout), m. â seliou- ten. vero. (ondersteunen), ik heb â schraagd. Een gewelf, een zolderinu met zuilen, pijlers, stutten Fig. Het bijgeloof wordt door onkunde âschraagd', dapperheid ' door beleid âschraagd, gesteund; âor. m. (wat onder een afbeelding geschreven staat), o. âen. OnderKclirijvcn (onderteekenen), ik â -schreef, heb âschreven; â sc*lirijvinw« v. Oud«'rsliaiids(nietopenlijk, in'tgeheim),bw. Oiidersini (het onderste gedeelte van het hengelsnoer), v. âsimmen. 4lii«iâ¬krK|gt;aikii(kn (wisk. verbinden), zij heeft âspannen. Gelijke koorden â in denzelfden cirkel gelijke bogen. Onderspit (laatste spit), o. liet â delven, lig. de nederlaag lijden; in het â geraken, zijn, d. i. in verval komen of zijn (met zijn zaken). ] Onderst (laagst gelegen), bn. De âe lagen: het âe gedeelte. OnderMtaan (durven wagen, ondernemen, beproeven), ik âstond, lieb âstaan. Onderstaand (hieronder), bn. âe figuur. Onderstand (ondersteuning, hulp), m. (leider zond â in manschap. Holland zond â in geld; iem. â geven, d. i. geldelijke steun; domicilie van â, plaats waar de armlastige is geboren; pensioenen en â van weduwen en weezen', âgeld, o. Onderstboven (ondersteboven), bw. Alles ligt het â, omver, overhoop. Onderste (benedenste gedeelte), o. gmv. Het â uit de kan willen hebben. Ondersteek (bedekt nadeel,bedrog), m. Iem. â doen, afbreuk doen. vero. Onderstel, o. âstellen. Het â van een rijtuig, wagen, enz. Onderstellen (als waar aannemen), ik heb â steld; â stelliii};- (gissing), v. Ondersteiinen (onderschragen, schoren, onderstutten, helpen), ik heb â steund; â -ste lining (Am l}), bijstand, geldelijke steun), v. Onderstroom (stroom onder de oppervlakte), m. âstroomen. Hen koude â. Onderstuk (deel van een kachelbuis; benedendeel van een pakhuis), o. âstukken. Onderstut (steunsel), m. âstutten. Onderstiitten (onderschoren, met stutten ondersteunen), ik heb âstut. Met pilaren* met zuilen â. Fig. Door de sympathie der rijksvorsten âstut, gesteund. Oiiderstniiriiian (tweede stuurman), m. â lieden, âlui. Onderteekenaar. m. ânaren, ânaars. Onderteekeiien (van onder voorzien van zijn handteekening), ik heb â teekend; â tee-klt;'iiin^'. v. Ondert ijds (nu en dan), bw. vero. Hij komt mij â bezoeken, w. g. Ondertrouw (verloving, wederzijdsche belofte), m. gmv. Elkaar een ring ten â geven; bij uitbr. aangifte ten huwelijk bij den ambtenaar van den burgerlijken stand: Een partij bij gelegenheid van den â; ten â gaan; in â opnemen. Ondertrouwde (bruid of bruidegom), m. en v. âtrouwden. Ondert rouw en (in ondertrouw verbinden), ik heb â trouwd. |
Ondertiisselien (inmiddels, onderwijl), bw. Onderverdeelen (nader in deelen splitsen), ik heb âverdeeld. De vier groote afdeelingen der poëzie kan men nader â ; â verdee-lingv v. âen. Allerlei âen maken. Ondervinden (leeren kennen), ik âvond, heb âvonden: âvinding-, v. Ondervoorzitter (vice-president), m. â s. Bij ontstentenis van den voorzitter neemt de â diens plaats in. Ondervragen (in '/ verhoor nemen), ik â -vraagde, âvroeg, heb â vraagd; âvrager, m.; âvraging, v. Onderweg, bw. Hij sprak â geen woord. Onderwereld(/^r 'rijk der schimmen), v. gmv. Onderwerp (stof, punt der gedachte, eener verhandeling; wat ten grondslag ligt aan een redeneering), o. âwerpen. Het â van een gedicht, van iemands studie; een grammatisch â. Onderwerpen (onder gezag brengen), ik â -wierp, heb âworpen; een volk â, een land â; âwerping, v. Onderwielit (kleiner gewicht door indrogen), o. gmv. Onderwijl (inmiddels, in dien tijd), bw. Onderwijs, o. gmv. Iem. ontvangt â in de meetkunde; deugdelijk â; grondig â ; hoofdelijk â ; openbaar â; godsdienstâ; tee ken â ; vakâ. Onderwijzen (ontwikkelen, vormen), ik â -wees, heb âwezen; âwijzer, m.; â wijze-res. v.; â w ijzing, v. Onderwinden (zieli) (zich vermeten, iets wagen), ik âwond mij, heb mij âwonden. Onderworpeling (onderhoorige, dienaar), m. en v. âworpelingen; ook âe, v. w. g. Onderworpen (gelaten, lijdzaam, gedwee), bn.; â lieid, v. Onderzaat (onderdaan), m. âzaten. Onderzeeseli (onder de oppervlakte der zee zich bevindende), bn. Een âe telegraafkabel. Onderzetten (laten onderloopen), ik heb â -gezet. Niet alle landerijen wor'len âgezet. Onderziel (onderlijfje, kleedingstuk), v. â -zielen, vero. Lof en laster raken niet Jan's -. (Potg.) Onderzijde (onderkant), v. âzijden. De â van een marmeren plaat. Onderzoek (nasporing), o. gmv. Den afloop van het â afwachten; alles blijft een onderwerp van nader â ; het veld var. â ; de gren zen van It et â ; een gezet â ; vrijheid van â op wetenschappelijk gebied; het b-sluit tot het instellen van een â (enguète) in de Tweede Kamer. Onderzoeken (navorschen), ik âzocht, heb â zocht; âzoeker, m.; â zoekiaig, v. Ondeugd (zedelijk slechte hoedanigheid), v. â en. De weg der â ; huichelarij is een lee-lijke â; de â zal d'tar triomfeeren; ook guitigheid: De â zag hun uit de brutale kijkers. (C. O.) Ondeugd (scherts, van een kind, meisje of jonge vrouw), m. en v. âen. Pas op, â, ik zal je krijgen. Ondeugend (kwaad van aard. Met deugend. Hg. stout, vermetel), bn. en bw. Een â paard; een âe gedachte; een â kind; een âe blik; dat zij beiden wel heel â vonden. (C. O.); hij kijkt altijd zoo â. Ondieht (proza), o. gmv. Dient en â. Ondiehterlijk (alledaagseh) bn. Een âe |
ONDIENSTâONGELIJK.
307
|
upvaltinu, zonder eenige dichterlijke vlucht; een â vers; Macrlant, de rjroote dichtei' uit âen tijd. (Bild.) Oiulicnst (slechte dienst)^ ni. â diensten. lem. een - doen] ik hoop u geen â te bewijzen. Ondiensti;;- {nutteloos), bn. en bw. ilwiiier {schadelijk die;\ monster, fig. 'jedrocht), o. âdieren. De ever', dat â / het â (deslang) sperde zijn kaken open; de hertog van Al va, dat â. Onding' (iets onbestaanbaars), o. âdingen. Algemeene nienschenvrede, een â ; je hebt zeker weer een hoop âen gekocht, prullen, nietswaardige voorwerpen. Ondoorgrondelijk, (niet te doorgronden of' te begrijpen), bn. Een â geheim; een âe valschheid; de wil des Heer en is â; Gods besluiten zijn â. Ondraagbaar (te zwaar om te dragen), bn. Een âbare last; een â gewicht. Ondraaglijk (niet te verdragen), bn. en bw. Een âe stank; een âe hitte; een âe dwingelandij; een âe toestand; die jongen is â ; een â nufje; bw. het was â warm; hij heeft â lang gesproken. Ondnbbelzinnig (klaagt;*, duidelijk), bn. Ilij ontving âe bewijzen of blijken van gehechtheid, van achting, van genegenheid. Ondnliiic^ (kromme, bochtige slinger lijn in de ornamentiek), v. âs. Onrelit (samenlevingbuiten huwelijk),m.gm\. Oncrlit (valsch, niet echt), bn. Een â kind, niet wettig; rekenk. Een âe breuk. Onrclitli«kid. v. Ue echtheid of â van een geschrift; de â van een getuigschrift. Onwnig (in twist), bn.; â lieid, v. OnrniM (niet van hetzelfde gevoelen), bn. Deze broeders zijn het â op dit punt; hij is het met zich zeiven â, hij is besluiteloos. Oneer (schande, smaad), v. gmv. lem. â aandoen; dat doet u geen â aan; tot â strekken. Oneerbaar (onzedelijk), bn. Een â liedje; â bare plaatwerken; â Iteid, v. Oneindig (zonder einde), bn. en bw. Een âe verscheidenheid; de âe ruimte; wisk. een âe reeks; een âe kzttingbreuk; de âe goedheid Gods, zeer groot; bw. â groot, dat elk denkbaar getal te boven gaat; â klein; een â voortloopende reeks; dat alles zou mij â gelukkig maken: hij is â knapper dan zijn broeder, in de hoogste mate; â lieid. v. Oneindige, o. gmv. Het â, de ruimte van het heelal, die men zich onbegrensd denkt; de â, m. God. OnereiiN (drukkend, lastig, bezwarend), bn. Onteilbaar (}iiet onderhevig aan dwaling), bn. en bw. Geen dokter is â; een â bare uitspraak der kerk; een â geneesmiddel, nooit falend; een â gevolg; een âbare proef; bw. Dat alles is â zeker, stellig; â lieid. v. Onfraai, bn. De kerk van dat dorpje is niet â, nog al fraai. Ongaarne (noode, met tegenzin), bw. Ik scheidde â van hem; de vader zag zoo iets niet â, nog al gaarne. OngaiiMeh (ongezond, ziekelijk, onwel), bn. Ik ben zoo â. grnz. Ongebaand (niet elfen, met hindernissen), bn. Het âe strand; langs âe ivegen; een â pad. |
Ongebonden (niet ingebonden), bn. Werken van Cats, nog â. Fig. De â stijl, niet aan maat of rijm gebonden; een â levenswijze, losbandig; â scherts, loszinnig; â lieid, v. Ongedaan, bn. Wat geschied is, kan men niet â make}!, alsof het niet gebeurd ware. Ongedeerd (zonder letsel), bn. De hond bracht het Icind â aan den kant; de kogels lieten het fort â. Ongedierte (schadelijk, walgelijk gedierte), o. Slangen en dergelijk â; inz. v in insecten: In dat logement hadden wij last van â. Ongeduld (gejaagdheid, spanning), o. gmv. De kinderen waren vol â ; uit â tipper de hij met zijn wandelstok; met â iemand wachten; â ig. bn. Ongedurig (zenuwachtig, onrustig,, bn. en bw. Die knaap is vandaag erg â, vol hinderlijke onrust; de hond, â met zijn nooten krabbende; â beid. v. Ongedwongen (ongeku)isteld, los, vrij), bn. en bw. Een â houding; â manieren; eenâ wellevendheid; op â toon; bw. Hij sprak zeer â ; â field, v. Ongeëvenaard (zonder gelijke), bn. Een âe moed; een âe. kleurenpracht. Ongegrond (niet steunende op hechten grondslag), bn. Een â e vrees, niet gerechtvaardigd; een â vermoeden; een âe aanmerking; die beschuldiging is â; die klachten zijn â; â -beid. v. Ongeile veld (niet met hevel of gist toebereid), bn. Het feest der âe brooden, genaamd Pascha, vero. Ongeliinderd (ongedeerd), bw. Hij kon â eerder gaan. Ongehoord (zonderling, vreemd), bn.enbw. Een âe zaak; zoo iets is â; een âe prijs. buitengewoon; de âsteplagerijen, ergste; bw. Lat boek is â langdradig, in hooge mate. Ong'ekrenkt (dicht, gaaf, niet stuk), bn. Hij (Marco) rijst met âe leden. (Staring.) Ongekrenkt (zonder vouwen), bn. Een â papier; hg. eot â geweten, rein; een âe trouw, ongeschonden. Ongâ¬'kmi»»tâ¬'ld (eenvoudig, ongedwongen), bn. en bw. Hij zong een â lied; een â Oji-rechtheid; hij sprak â. Ongel (smeer, talk, reuzel), v. gmv. De â dient tot het maken aan kaarsen, zeep, enz.; vet als â ; â ig (harduchtig en vettig), bn. â lakkei, v.; âkaars (s) neer kaars), v.; â -toorts, v. Ongeleerd (niet onderricht, niet geoefend), bn. Het waren maar â emenschen; een â meisje; â in de kunst ean spelen, zingen; â lieid, v. Ongelegen, bn. De haven was â, niet gunstig gelegen; gij komt â, niet van pas; hij kwam op â tijd; âbeid (ongunstige gesteldheid), v. Ongelesebt (niet gebluscht), bn. Hier verkoopt men âe kalk. Ongeletterd (onbedreven in de studie der letteren), bn. Mohammed, .. . wel â, maar in 't diepst zijns wezens dichter. ^DaCosta.) Ongelijk (niet gelijk, verschillend), bn. en bw. Een geraas niet â aan dat van een verren donder; wisk. Tegenover âe zijden staan âe hoeken; rekenk. Breuken met âe noemers; de weg was zeer â, oneffen; een â strijd; een â huwelijk; bw. De pols sloeg zeer â ; die toren is â hooger; â lieid. v. Ongelijk, u. gmv. Gij allen hebt â ; iem. â geven; iem. in het â stellen; procedeer en op Losten van â; een â wreken. |
20'
ONGELIJKBEENIG-ONGESCHAPEN.
308
|
On^elijkUeeniK' (wisk. me/ gelijkbeenig), bn. Een âe driehoek, d. i. geen twee zijden gelijk hebbende; â lieitl, v. Ongelijkiiaiui^: (van naam verschillend), bn. Twee âe {iroutheden, breuken, enz. On^elijkNlacliti^: {niet (jelijkslachtUj), bn. M'A en M- zijn â. Ong-elijksoortig' {niet van dezelfde soort), bn. la en 1b zijn â. Ongelijk vloeiend (van w.w. nl. sterk), bn. Eten is â. Ong-elijkzijdig* (wisk. niet f/elijkziidig)^ bn. Een âe driehoek, d. i. geen drie gelijke zijden hebbende. Ongelikt (eig. niet nelikt, fig. onbeschoft), bn. Een âe beer, een pasgeboren beer, die nog niet schoon gelikt is; lig. Daar lag hij (Goliath) de âe beer; een âe bengel, een âe kerel, lomp, zonder goede manieren. OiiKelo^-en (de waarheid behelzende), bn. en bw. Gij ziet er, â, nog zoo jeugdig uit als een bruid. (Staring); bw. Dat is â de tiende maal. OiiK'elool' (genlis van geloof), o. grnv. Zich een air van â geven; het â voerde daar den boventoon; â en revolutie; uw .... gevoel tot wereldzin en â verhard. (C. O.) OiifreloorUaar (niet geloofd kunnende worden), bw. Zoo iets is â. w. g. OiiK'eloofelijk (onaannemelijk), bn. Een â geval; met âe moeite; de uitwerking was â; dat alles is â; bw. â snel; in â korten tijd. Oii$?elwovi$f (niet geloovende, blijk gerenvan wantrouwen), bn. Hij is een âe Thomas; de â e Friezen; hij is een â man; lig. de âe wijsbegeerte; de wereld gaat â worden; hij keek mij aan met een âenglimlach, met een âen blik; Nurks beet mei het âste gezicht van de wereld de punt van de sigaar; bw. Hij schudde â het hoofd; Henriëtte sloeg â de oogen tot hem op.(C.O.); â e (een heiden), m. â n; â heifl, v. Ong'eloiiterd (niet gezuiverd), bn. Een âe smaak. Ongfeluk. o. âken. Toen begon mijn â, rampspoed; hij wil mijnâ, verderf: zgw. Een â komt zelden alleen; twaalf ambachten en dertien âken; ik deed het bij â, een â krijgen; hij had het â een verkwistende vrouw getrouwd te hebben; zich een â lachen, schreeuwen; een â begaan; iem. zwaar kwetsen. doodslaan: âOogenbli kkelij kschreeuwde de vader, âof ik bega een â /quot; (C. O.). Ongfeliikkig* (rampspoedig, ellendig), bn. en bw. Wat is die man â ! Turkije is een â land; iem. â maken, in het verderf storten; ik was dien avond zeer â in het spel, tegen spoed hebbend; een â huwelijk; een zeer âe uitkomst; bw. Ik speelde zeer â; ik kwam dien dag â te laat aan den trein; âlijk, bw. Oii£eliikslgt;olt;llt;k (brenger van een slecht bericht, Jobsbode), m. âboden; -flag1, m. â -dagen; â kind (ie///, door het lot bestenul voor het ongeluk), o. âkinderen; â profeet (iem. die ongeluk aanzegt), m. âprofeten; â «Ier (teeken van ongeluk), v. âsterren; â vogel (iem. wien alles tegenloopt), m. â s. Ongemak (hinder, last), o. âken. Ongemakkelijk (last gevende), bn. en bw. Een âe houding; hij heeft een â humeur; ik zal hem een â standje geven; bw. Wat zit je daar â ! hij spreekt â ; â lieid. v. Ongemanierd (plomp, lomp), bn. en bw. |
Wat een âe jongen! zonder goede manieren; wat spreekt die man â ! â heid, v. Oiigemattkerd (zonder masker), bn. Een âe dame; een â bal. Ongemeen (niet alledaagsch, ongewoon), bn. Een âe kleederdracht; een âe denkwijze; een koopren brug van âe firacht. (Bild.); een âe geest, uitmuntend; bw. Hij had â groote handschoenen; âlieid, v. Ãngemeerd (niet vastgelegd), bn. Dat schip ligt daar nog â. Ongemerkt (zonder bemerkt te worden), bn. Wij kwamen â buiten; bw. Het was â laat geworden. Ãngemunt (niet gestempeld), bn. â goud, zilver. Ongenaakbaar (niet te naderen), bn. De baron was haast â. Nu was Mevr. Van IIoei bijna â geworden. (C. O.); âbare stijfheid, hooghartig; âbare grootheid, trotsch; â lieid,v. Ongenade (ongunst), v. In â vallen, de hoveling raakt de gunst des vorsten kwijt; zich op genade of â overgeven, d. i. zich onvoorwaardelijk overgeven. Ongenadig (ruw, hard), bn. en bw. Een â lot. IIij gaf hem een âen slag; bw. Hij ranselde den hond â af; het is â warm, erg. Ongenengte (ongenoegen), v. â n. vero. Ongenoegen (misnoegen, ontevredenheid), o. grnv. Zich iem. â op den hals halen; met iem. â krijgen, d. i. oneenigheid. Ongepaard, bn. Een âe handschoen; hij blijft â leven, zonder gade. Ongcopast (onbetamelijk), bn. enbw. Een âe vraag, een âe houding; bw. Hij heeft zich â gedragen, onbehoorlijk; âlieid. v. Ongepermitteerd (onbehoorlijk), bn. en bw. Het is â hier zoo te rooken; bw. Hel stinkt hier â. spreekt. Ongeraden (onraadzaam), bn. Ik vind dien tocht â: het is â, aldus te handelen. Ongereclit (dicht, onrecht vaardig), bn. Een -e krijg. Ongereelitiglieid (booze, onrechtvaardige daad), v. âheden. Zij, die âheden doen, zullen hun straf niet ontgaan: zijn vriend verlokte hem tot allerlei âheden. Ongeregeld (niet geordend of ordelijk), bn. en bw. Een bende âe troepen; een â leren; bw. Hij komt â, hij leeft â; âlieid, v. Ongerekend (behalve de genoemde zaak), bn. Hij heeft duizend gulden inkomen, â zijn klein pensioen. Ongerept (ongedeerd, onaangetast), bn. De taart is â gelaten; een âe naam; een eed moet heilig en â bewaard worden: bij uitbr. eerbaar, ongeschonden. Ongerief (hinder, last), o. grnv. Ergens â van hebben. Ongeriefelijk (hinderlijk, lastig), bn.; â -lieid, v. Ongerijmd (met het gezond verstand in strijd), bn. Een â denkbeeld; zulk een handeling moet â herten; dat zijn âe leugens; meetk. Een bewijs uit het âe, waardoor men laat zien, dat de ontkenning van het gestelde tot een ongerijmdheid (dwaasheid) leidt. Ongeronnen (niet gesteld), bn. âbloed. Ongerust (angstig, bekommerd), bn. Maak u daar niet â over; hij zag zijn makker met een âen blik aan; -lieid, v. OngeMehapen (niet geschapen), bn. De â Schepper; God is een â geest. |
ONG ESCHI KT- ONLEDIG. 309
|
Ong-escliikt {niet passend voor), bn. Hij is geheel â voor dien werkkring; het is na een âe gelegenheid; â heirt. v. Oii^eschoc^id {zondiquot;' schoeisel), bn. Metâe voeten; deze monniken waren â; de taal van 't â janhagel, d. i. geen schoenen maar klompen dragende. On^eseliokt. bn. Het vertrouwen bleef â; een â gemoed, d. i. vast, onwankelbaar. Ong'osohoiKlcii {ongedeerd), bn. Haar eer, haar naam blijve â; het geloof â bewaren. ongekrenkt; geen kerk bleef â. d. i. in haar geheel. Oiig-eNlt;*liooiilt;l (niet gezuiverd), bn. Een mud âe rogge. OiipreNelioroii (slordig, ruw), bn. Ongekleed en â kwam hij raar de.i dag; een â bende. OiiffeNtaclijf (onbestendig, vér ander lijk), bn. Het is â weer; een âe wind; wat een â karakter! een âe blik; de âe zee; het â lot; â tieid, v. Ong-ctttelcl (in lichten graad ziek), bn. Ken â stadent ontbreekt het nimmer aan gezelschap. (C. O.); â Sieid. v. Ong'ostoffeerd (niet gemeubileerd), bn. Ken â e kamer. Onj^ostoorcl (niet door iets onaangenaams afgebroken), bn. en bw. Een âe rust; het â geluk des hinder leeftijds. (C. O.); bw. lem. â spreken; â studeer en. Onbestraft (niet gestraft wordende, stralfe-loos), bn. en bw. Geen zonde zal â blijven; bw. De olifant laat zich niet â tergen. Oii$pe*rt.iHirerd (geen academische opleiding genoten hebbende), bn. Ken â man. 4ilniSetemj}wil(onverflauwd,onverminderd), bn. Het licht valt daar â; met âe kracht. Ongeval (ramp, ongeluk), o. â len. Onjjreveer (ten naastebij), bw. Ik woon â bij de poort; het is â elf uur. Ongeveinsd (oprecht), bn. Ken âe liefde; een âe bewondering; dat is âe taal; het zijn âe vrienden; âe tranen; bw. â spreken. Ong-evraaffd (zonder gevraagd te zijn), bn. Hij kwam â aan den disch; iem. een â afscheid geven; iem. â zijn ontslag geven. OiiK-ewilliK- (niet volgzaam), bn. Die knaap is zeer â; dicht. Elius gevoelt een blos van â schamen, onwillekeurig. Onj£â¬kwis (onvast, onzeker), bn. en bw. De Rijn sluipt eerst voort met âse gangett. (Ilel-mers); de hoed van Piet er dobberde op de âse baren. (C. O.), onbetrouwbaar; bw. De slagen begon }ien â te vallen. On^ewraakt (zijnde zonder gebreken), bn. Naar de âe zeden des lands, d. i. niet bedorven. On^ezeblijk. On$pexe£:g-lt;gt;liik (ongehoorzaam), bn. Die knaap is vandaag weer erg â; een ezel is vaak â, koppig; â tieid. v. Ongezellig: (niet spraakzaam, onbehaaglijk), bn. Wat ben je vanavond weer â; de tafels (der school) zijn zoo â. (C. O.); â lieid, v. Onbezien (niet opgemerkt), bn. Hij was â de woning ingetreden. Onbezien (ongeacht, niettegenstaande), vz. Het huis is netjes onderhouden, â zijn uitgebreidheid. Ongezind (niet van zin, ongenegen), bn. Hij is â een voet te wijken. Hiertoe is mijn vader â; â heid, v. Ong-ezoclit (vanzelf zich voordoende), bn. Ken âe gelegenheid; in zijn kunstwerk is alles â, ongedwongen; âe scherts; op âe wijze, natuurlijk; â lieid, v. |
Oiibezouten, bn. en bw. â boter; â taal, laf; iem. â de waarheid zeggen, uiterst openhartig. Ong-od (dicht, afgod), m. âgoden. Hij offert den âen dezer eeuto. Ongrodist (godloochenaar, atheisi), m. âen. Ongodisterij (godlooc/iening), v. gmv. Ontluist (oïtwel willende gezind heid), v. gmv. De â des Konings, d. i. ongenade; de â van het publiek; de â der groot en; de â der seizoenen, tegenwerking, barheid; âis*-OiiK-iinstiff (nadeehg), bn. en bw. Het lot was hem niet â; het waren âe jaren, voor den handel; iets of iem. in een â daglicht stellen; zoo iets maakt een âen indruk; bw. Hij heeft zich zeer â over u uitgelaten. Oii»-iiiir (akelig, schrikwekkend), bn. De â -gure kop van Jormungandur. (Staring); â -heid. v. w. g. Oniiandi$f (lomp, linksch), bn. en bw.; â â¢lieid. v. Onliebbelijk (ongemanierd), bn. en bw.; een â mensch, âe praat; â vloeken; â lieid,v. Onheil (ramp, groot ongeluk), o. âen. Ken dreigend â; tot iem. â. Onheilig (ongewijd, profaan), bn. De -e woede des volks; zijn oogen blaakten van een â vuur, onrein. Onheilsbode (berichter van onheil), m. ân; â flag; (dag waarop onheil geschiedt), m. â -dagen; âkreet, m. âkreten; â naelit, m. â en; â teeken. o. â s; âtolk. m. âen; -vogel, m. â s. Onheilspellend (onheil of ramp aanzeggende), bn. Ken â teeken; een â antwoord; zijn blik was â. Onherbergxaani (ongastvrij, geen goed onderkomen verschaffende), bn. Een â eiland, strand; een â dak. Onheiiblijk (zeer lang geleden), bn. en bw. âe tijden; van âe tijden her; sedert âe jaren ; bw. Het â oude Indi'è, de oorsprong of het begin ligt in den nacht van 't verleden. Onheiiseh (onwellevend, niet voorkomend), bn. en bw. Ken â antwoord; een â verzoek; bw. Iem. â behandelen; âheid. v. Onhoflelijk (ongemanierd, onwellevend), bn. en bw. âe taal; hij sprak â. Onklaar (duister, niet helder, niet in orde), bn. en bw. Een â anker, dat in den ketting-verward zit; âheid. v. Onkosten (extra-kosten), m. mv. Alle on-noodige â trachten te vermijden; iem. op â jagen; â maken voor iets. Onkreukbaar (niet te kreuken, ongerept), bn. De âbare wetten van eer en goede trouw; â bare rechtvaardigheid; het -bare geweten, d. i. zonder rimpels; âheid. v. Onkruid, o. âen. â vergaat nier, wat slecht is, blijft in wezen. Onknisch (onrein van zeden), bn.; âheid. v. Onkunde (domheid* onwetendheid, onbekendheid), v. gmv. Onknndi;? (onwetend), bn. Een â man, een â volk-, iem. van iets â laten; â heid. v. Onland (woeste, moerassige grond), o. âen. Onlangs (kort geleden), bw. Ik heb u nog â gesproken. Onledig (bezig, in de weer), bn. Zich met iets â houden; anderen, niet â, werpen kokende olie naar omlaag. |
ON L E K K K R - ON IJ EC HTM ATI G.
310
|
4liilokkor (zich niet al te tvel gevoelende), bn. 't Kind voelt zich - . Onlijdelijk {ondraaglijk), lm. De pijn moordt â, âc honger; âe dwang; â dorst; de zielen zullen daar â zijn, d. i. niet aan lijden onderworpen. Onlogfiscli {niet gezond), bn. en Inv. Eeii âe redeneering; hij sprak op âe wijze; bw. hij sprak zeer â, met de logica in strijd. Onlooelifiilmar (niet te ontkennen), bn. Een âhare gelijkenis; een âbare gevolgtrekking, onwraakbaar. Onlust (kwelling, verdriet, ongerief), m. gmv. Onlusten {woelingen, beroerten), m. mv. Onlustig (droevig, neerslachtig), bn. en bw.; â heid. v. Oiiinaelit (flauwte, zwakte), v. hi â vallen. Onuiacliti;;' (zonder macht of kracht), bn. Hij was â het paard tegen te houden; die vrouw is een â schepsel. Ouiiiafi;; (zonder maat, uitgelaten), bn. en bw. Een âe hitte; hij is aan tafel â, geen maat houdende; bw. Hij begon â te lachen; â v. Onmededoo^ond. Onmeedoogfend (ïnee-doogenloos), bn. Een â krijgsman; de dood is â. Oniueetbaar, bn. Het getal Vr2 is kan niet in een aangenomen maat worden uitgedrukt; de âbare hemelen; de âbare wouden; de â -bare heide; de âbare tijden. Onnienseli (wreedaard), o. âen. Alva was een â. Oninenselielijk (barbaarsch), bn. en bw. Zoo'n handelwijze is â; {âe wreedheid; bw. lem. â behandelen; âheld, v. Onmerkbaar, bn. en bw. Een âbare vertraging; de zieke nam â af; hij was â ontslapen. Onmetelijk (oneindig groot, zeer groot),hn. Het â ruim der schepping; de âe binnenlanden van Afrika; wat een â doek! âe kracht; â heid, v. Onmiddellijk (r echtst ree ksch, zeer nabij zijnd), bn. en bw. Een âe mededeeling; onder den âen invloed', in de âe nabijheid des konings; ion. âe opvolger; bw. Het bewijs dezer stelling volgt â uit het voorgaande; de spion werd â doodgeschoten; gij moet â komen, d. i. terstond, onverwijld. Onmin (twist, vijandschap), v. gmv. In â leven, in â geraken, oneenigheid. Onmisbaar (onontbeerlijk), bn. en bw. Hij kocht de volstrekt âbare meubelen; een â inkomen; éóne voorwaarde is daartoe â; de jager gewapend met zijn âbaren boog; bw. Te veel toegevendheid geeft â aanleiding tot wanorde, onfeilbaar; â beid. v. Onmiskenbaar (duidelijk waarneembaar), bn. en bw. Een âbare gelijkenis; deze actrice speelt met âbare bevalligheid; een âbare bedreiging; bw. hij gelijkt â op zijn vader; â heid, v. Onmogelijk (niet kunnende gebeuren), bn. en bw. Het was â hem te overtuigen; dat schijnt â; iets voor â houden; de toestand, het' leven iverd zoo â, niet langer kunnende duren; hij heeft zich daar â gemaakt, zich zoo gedragen, dat hij onbruikbaar is; 7 is een â man; bw. Ik kan â vanavond komen, stellig niet; â heid. v. Onniundi^' (minderjarig), bn.: âheid. v. Onna (niet dichtbij, ver af), bw. Zijn kantoor is aan 't andere eind der stad, heel â. |
Onnaspeurbaar (niet na te gaan, onhegrijp-baar), bn. De wegen des Hoeren zijn â; (die herfstdraden zijn) met â hre lamst gesponnen. (Beets). Onnatuur (verkeerdheid, dwaasheid), v. gmv. Zoo iets is â en huichelarij. Onnatuurlijk (in strijd met den gewonen gang der dingen), bn. en bw. Een âe en rampspoedige levensloop; er zijn âe ouders, die hun kinderen mishandelen; een âe lees-toon; een âe stijl, gemaakt; bw. Het is vandaag â ivarm; âheid, v. Onnoembaar (geen naam hebbende), bn. Een â getal van sterren; een âbare schat. Onnoemlijk (dicht, niet te noemen), bn. en bw. De âe God; er zijn âe divaalbeip'ippen uit die bron gevloeid; bw. Een stofje, â klein. Onnooxel (onschuldig, zonderboosheid, dom), bn. en bw.; âheid, v. Onnoozele-kinderen (It. K. feestdag op C2H Dec.), o. mv. Op â is het kleinste kind de baas in huis. Onnut (zonder nut, ijdel), bn. âte klap. Ononistootelijk (onwederlegbaar), bn. en bw. Een âe waarheid, een â bewijs; bw. Iets â bewijzen. Onooglijk (onaangenaam,onbehaaglijk), bn. en bw. Dat boek, die plaat, dat kleed ziet ei' â uit; een â beeld, een â tafereel; bw. Dat is â geschilderd. Onopgemerkt (zonder opgemerkt te worden), bn. Zij gingen â door de menigte; iets â laten; â verliet hij het kasteel. Onoplosbaar (niet op te lossen), bn. Gips is â in water; dit vraagstuk is â, er is een gegeven te min; een âbare vergelijking; â â¢heid. v. Onpaar, bn. Dit vers eindigt met een â rijm, er ontbreekt een rijmregel; wat raadt ge, paar of â ? oneven. Ãnp;eda$;o$nslt;*h (in strijd met de regelen der opvoedkunde), bn. Een âe vraag, handeling, straf, enz. Onparlifdi^ (onbevooroordeeld), bn. en bw. Een â toeschouwer, een â rechter; een â oordeel, een â onderzoek; bw. Gij zult wel â oor dee ten; âheid, v. Onpas (te) (d. 1. niet van pas, ongelegen), bw. Onpasselijk (onwel, misselijk), bn. Het vrouivtje was in de kerk â geworden; â -heid, v. On persoon 1 ij k (geen zelfbewustzijn hebbende), bn. De goden der Grieken zijn in ons oog âe wezens; een â werkwoord, dat behalve in de onbepaalde wijs enkel in den derden persoon enkeiv. voorkomt: Het regent, het sneeuwt; bw. Het w.w. zijn is schijnbaar â gebezigd in: Het is goed, dat gij komt. Onpraetiseh (weinig slag hebbend), bn. Een ten ecnenmale â wezen; bij uitbr. een âe manier van reizen, een âe poging. Onraad (gevaar, verwarring), m. gmv. Er broeit â. Onreeht (ongelijk), o. gmv. Ten âe, onbillijkerwijze, zonder genoegzamen grond en in strijd met de waarheid; â plegen, onrechtvaardigheid; iem. â doen, â lijden; zgw. Het is beter â te lijden dan â te doen; â zul niet gedijen. Oureehtmatif? (niet gegrond op recht en billijkheid), bn. en bw. Een â verzoek, een â eeisch; de âe bezitters dier goederen, niet |
ONRECnTVAAUDIG âONTBREKEN.
|
niet recht bezittende; bw. Hij heeft zich dat Hoed â toegeëifjnnd. 4gt;iir«'c*htvaar«Ii^. bn. en bw. Dc âc rent-mcestor, oneerlijk; een âe beoordeeling; op âe wijze verI,'regen; bw. [em. â beoordeelen; â hoid. v. ^liireehtziiiiiiK* (anders dan de ware leer vereischt of toelaat), bn. en bw. Men hield Dominee voor â, voor min of meer Armi-niaansch. Oiiroclbaar, bn. Jeri'salem was een âbare stad; Constantinopel was â voor 'f Damas-ceensche zwaard. (Da Costa); âbre nederlagen. (onbillijk}, bn. en bw. Een âe eisch; de âe luimen van dien knorrepot; bw. hij eischt â veel; â heiil, v. Oiire^-olinati^ (ongeregeld), bn. en bw. Zijn studie was zeer â; een â kerkganger; afwijkend van den regel: brengen is een â werkwoord; bw. Het kasteel, is aan den achter' kant zeer â opgetrokken, niet volgens een vast plan; â hoid. v. Onrein (onzindelijk, vuil), bn. Varkens zijn âe dieren; een ~e geest, d. i. een onheilige geest; â van zeden, âe lusten, onkuisch; â Iieid, v. Ou rij in (proza, rijm locs vers), o. gmv. De psalmen, in â geschreven; een enkel gedicht ran Staring is in â. Oiirooniscli (protestantsch), bn. Roomseh , de gezamenlijke christenen. Onrust (geen rust, angst, bekommering), v. Onrust ha rond (zorgwekkend), bn. De toestand der zieke was â; een â rumoer; âe tijdingen. OnriiNtiK- (voortdurend in beweging), bn. en bw. De âe golven; de koeien werden â; de man was van âen aard, ongedurig, woelig; fig. Een âe nacht; bw. De jongen draafde â heen en weer. gejaagd; de zieke sliep â; â -heid, v. Onriistmakor (iem. die onrust verwekt), m. â s; âstoker (iem. die verdeeldheid teweegbrengt), m. â s; âvol (onrustig), bn.; een âvolle nacht; âzaaier, m. â s. Ons, pers. en bezitt. vnw. God ziet ons. Ons huis. Ons (hectogram), o. âen. Een â boter. Onseliampor (goelijk), bn. Dat was maar âe jok. Onsetiappelijk (onredelijk, onbillijk), bn. en bw. Een âe handelwijze; hj heeft mij â behandeld. Onseliatbaar (niet te schatten, onwaardeerbaar), bn. en bw. Gezondheid is een â geluk; iem. een' âbaren dienst bewijzen; bw. hij is â rijk. Onseliendbaar (niet h schenden, onverbrekelijk), bn. De wetten zijn â; een â voorrecht; ieder burger is â in zijn woning; de koning is âhij deed een âbaren eed; â Iieid, v. Onselioon (leelijk, afzichtelijk), bn. Veel van wat in kleederdracht of mode voor schoon moet gelden, is â. Onselinld (schuldeloosheid), v. Zich beroepen op zijn â; de kinderlijke â; de â verdedigen. Onsêlinldig- (zonder schuld, argeloos), bn. De âe teederheid der jeugd. (C. 0.); een â kind; -held, v. Onspoed (tegenspoed), mi. -en. Onsterfelijk (niet sterfelijk) bn. De ziel is |
â; de âe goden; fig. âe eer, â roem, onvergankelijk. Onsterk (niet krachtig of stevig), bn. Uit is â garen; die schoenen zijn maar â. Onstlciitelijk (ergerlijk), bn. 3n bw. Eenâe houding in de kerk; die âe praatjes aan onze deuren. (Jonath.); die kluchtspelen werken â op het volk. Onstofrelijk (uii geest bestaande), bn. De gedachte is â; het âe leven; âheld, v. Ãnstiiim (dicht, onstuimig), bn. De âe golven; de âe lucht; met een â gebaar. Onstniniig- (hevig, geweldig), bn. ei bw. Een â verlangen; het volk eischt het â; â liHd. v. O nt. voorvoegsel, b.v. in: ontmoeten, d. i. tegenkomen; onthouden, d. i. tegen- o.1quot; terughouden; onthopen, ontjagen, ontgaan, ontnemen, ontrukken, d. i. veg, af, uit, loe; ontbladeren, ontkurken^ onthoofden, ontzadelen, d. i. ontdoen, beroovenvan; ontvlammen, ontploffen, ontbranden, d. i. beginnen; ontnuchteren, ontvreemden, ontblooten, d. i. brengen in een toestand. Ontaard (verdorven), bn. De âe zonen ven Jacob; wat iviltgij, âedochter? â lieid {vrr-dorvenheid), v. gmv. Ontaarden (verbasteren), ik ben âaard; â insquot; (verdorvenheid), v. Ontalt;ilt;gt;len (fig. verlagen), ik heb âadeld; de leugen ât den mensch; â injy. v. Ontberon (missen, niet bezitten), ik heb â beerd; âin;;, v. Ontbieden (laten komen), ik âbood, hel) â boden; iem. â; âer, m.; â ing*, v. Ontbijt (maal, dat men vóór het middagmaal nuttigt), o. gmv. Roep de kinderen voor het â; na den â gaan tverken. Ontbijten (zijn ontbijt gebruiken), ik âbeet, heb âbeten. Zij â altijd met melk; âgoed (kopjes en verder gerei), o. gmv.: âkamer, v. â s; -koek, m. âen; âtafel, v. â s. Ontbinden (losmaken van iets), ik âbond, heb âbonden. De handen van iem. â; een kracht â, in plaats van ééne er twee stellen, wier resultante zij is; de Kamers â; tijdelijk opheffen; het huwelijk âeen overeenkomst â ; een leger â, afdanken; âbaar, bn.; â in$;. v. Ontbladeren, ik heb â bladerd. De wind ontbladerde de boomen, d. i. van den bladerdos-berooven; â ing, v. Ontbloot (niet in het bezit van), bn. Zij is niet â van aanleg; het landschap is â van alle schoonheid, verstoken. Ontblooten (bloot maken), ik heb âbloot. Het zwaard â, het hoofd -; â insquot;, v. Ontboeien (dicht, van boeien ontdoen), ik heb âboeid. Gij moet dien man eerst â; de âde winden, orkanen. OntboeKeinen (zijn hart uitstorten'', ik heb â boezemd; â injr, v. Ontbolsteren (lig. beschaven), ik heb âbol- sterd. Een boerschen knaap â, wereldwijs maken, beschaven; âiiift'. v. Ontbranden (in vlam geraken), het is â -brand; â ing, v. Ontbreidelen (lig. niet meer in bedwang houden), ik heb â breideld. De jeugd â van de tucht; het grauw â; d^ hartstochten â. Ontbreken (niet voorhanden zijn), het â -brak, heeft âbroken. Het ontbreek' hem aan ijver; er ontbreekt niets aan het werk; -ing:. v, |
OXTBÃItGIÃREN âONTKLKKDICN.
312
|
4liitl»iir^:«'rlt;'ii {het burgerschap onlncmcn), ik heb â burgerd. linteijflt;kreii (oplossen, verklaren), ik heb âcijferd. Een droom â; â iiiff. v. Iliildaaii (ontsteld, vera Iter eerd\ bn. Geheel â kwam hij de kamer binnen', hoe ben je zoo â ? Outilckkon (vinden, opsporen), ik heb â dekt; âer. m. Ontdekking, v. âen. Op â uitgaan', de â van de bronnen des Nijls; de â van een natuurwet; â «reis. v. âreizen; â«reiziger, m. â s; â stoclit, m. âen. tlnt^lf'lven (dicht, opgraven), ik âdolf, heb â dolven; â in^, v. Oiitlt;loen. ik âdeed, heb âdaan. Zich van iets â, d. i. bevrijden; zich van zijn kierde-ren â, zich uitkleeden. Ontdiiiken, ik âdook, heb âdoken. Hij wist den slag te â, door te bukken ontkomen aan; de zonnehitte â; de zorgen des lerens willen â; een onderzoek â; de opmerkzaamheid trachten te â; belastinlt;fen, rechten trachten ' te â iiifr, v. Onteeren {schenden, ontheiligen), ik heb â eerd; âder, m.; âing-, v. Oiitelt;krend, l»n. Een âe straf, een â vonnis. Onte$reiisprâ¬kkelijk (onbetwistbaar), bn. en bw.; â lieid. v. Onte^nzf^lijk (onwederlegbaar), bn. en bw.; â lieid. v. Ontf^i^'iien (ontnemen tegen vergoeding), ik heb â eigend; een weide â; â ing-. v. Onterven (de erfenis ontmaken), ik heb â -erld; een neef â; â in^r. v. Ontferinlt;kii (zieli). ik heb mij â fermd; âer. m.; â in^ (barmhartigheid), v. tlntf'rniiMeii (ontrimpelen), ik heb âfronst. Het voorhoofd â, als teeken van onbezorgdheid; Ontfrons uw voorhoofd en ontzaggelijk gelaat, o. Wodan. (Hofdijk). Ãntfiitselen (stilletjes ontnemen), ik heb â futseld; iem. iets â; â ing*, v. Ont^-a»!!. het âging, is âgaan. Dat is mij â , ik ben het vergeten; dat voordeeltje ontging hem, ontsnapte hem, ging verloren. Ontgelden {boeten, bezuren), ik âgold, heb â golden. Hij moest bet â. Ontgeven (zich) (zich uit het hoofd zetten), ik âgaf mij, heb mij âgeven. Ontginnen, ik â gon, heb â gonnen; âer. m.; â ills', v. Heideveldenâ, vruchtbaar maken. Ontglippen {glippend ontsnappen), hij is â glipt. Die aal zat u â; een zucht âglipt haar; dat woord is mij âglipt. Ontgloeien (ontbranden), het is â gloeid. Deze taal deed de harten â in liefde voor de zaak; een steenkoud hart doen â. Onlgooc'lielen (op listige wijze afhandig maken), ik heb â goocheld. Ãen bedrieger heeft n de beurs âgoocheld; fig. Daar stond de jongeling,gansch âgoocheld, al zijn illusiën waren heen; âing, v. Ontgroeien, ik ben â groeid. Die vlasbaard is de school ontgroeid, d. i. ontwassen. Ontgroeien, ik heb âgroend. Een student â, hein eenige weken na zijn aankomst als student plechtig erkennen; het â kan men afschaffen, het groen zijn niet. (Koetsveld.); âing. v. Ontiianl (ontvangst), o. Het â was feestelijk, d. i. maaltijd, feestmaal; zijn voorstel vond een goed â, d. i. werd gunstig opgenomen. Onthalen (traktecren), ik heb â haald. Zijn vrienden â; iem. op iets â, b.v. de schoolkinderen op broodjes en chocolade; ir. De man werd thuis op een boetpredikatie â haald, vergasten. |
tint halzen (onthoofden), ik heb â halsd: â ing, v. vero. Onthaspelen (van den haspel af wikkelen), ik heb de streng garen â haspeld. Fig. ontwikkelen, ontvouwen, verklaren. Oathavend (ontredderd), bn. De jongen kwam geheel â thuis, toegetakeld. Ontheften (bevrijden, kwijtschelden), ik â -hief, heb âheven; âing. v. Ontheiligen (het heilige schenden), ik hel) â heiligd. Den Sabbat â; den Zondag â; de herken werden âheiligd; âing(schennis), v. Ontheisterd (vernield, verwoest), bn. Het â veld; de âe akkers; de door den oorlog âe valleien. tint heisteren (van sieraad, glans berooven), ik heb â heisterd. De winter heeft de vellen | en bosschen âheisterd, d. i. van tooi beroofd; fig. plunderen, vernielen; âing. v. Out hoofden (met bijl of zwaard gerecht | lijk van het hoofd ont-loen), ik heb âhoofd. 1 Cromwell Het Karei I â; Lode wijk XVI j werd onthoofd; âing. v. Onthouden (zieh), ik âhield (mij), heb I (mij) âhouden. Pompejus âhield zich op 1 zijn buitengoed, zich ophouden, verblijven; I de Burgemeester weet misschien, waar zich I die Heer -houdt. (Staring). Onthonden, ik âhield, heb â. Een dienstbode zijn loon â, d.i. inhouden, niet geven; I iets goed â, in't geheugen bewaren;âing, v. Oiithiillen (ontsluieren, openbaar maken), ; ik heb âhuid. De waarheid â, een stand-! beeld â; âing. v. Ontijd. m. âen. Bij avond en âen, d.i. on-! behoorlijke tijd. Dat voorstel kwam ten âe. I d. i. op een ongeschikt oogenblik. Ontijdig (niet te rechter tijd), bn. en bw. | Dat zijn âe vragen; een â aanzoek; een â | bezoeker; bw. Een â verschijnende vlinder; â heid, v. Ontilbaar {te zwaar om te worden getild), bn. âbare have; âheid, v. tint jagen (metgeweld ontnemen, ontrukken), ik âjaagde of -joeg, ik heb â jaagd. De ééne , hond âjaagde den anderen zijn bult; de redder (Elius), die haar (Heile) der roovren â Klauw âjoeg, ligt voor haar oog verslagen. (Bild.); het moordgespuis â. (Staring), duor : snel rijden ontkomen. Ontkeniien (loochenen), ik heb â kend. Een daad â; âer. m.; âing, v. tint kennend (niet toestemmend), bn. Een â antwoord; nooit is een â bijwoord; noch is een â voegwoord; geen is een â lidwoord. Ontkerkeren {uit den kerker ontslaan), ik heb â kerkerd. Fig. De âkerkerde geest voer naar God; âing, v. Ontketenen (bevrijden van de ketens), ik heb â ketend. Een misdadiger â: fig. De winden, de driften â; âing. v. Ontkienien (uit de kiem te voorschijn komen, ontstaan), het is â kiemd. Het zaad gaat â; dr zaden van deugd beginnen te â; â kiemende liefde; â ing, v. Ontkleeden (van de kleeren ontdoen), ik heb âkleed. Men moet zich niet â, vóór men naar bed gaat, d. i. men moet zijn goed niet verdeelen vóór zijn dood; âing, v. |
ONTKLUISTEK EN - ONTIJ A M PENK Klï EN.
313
|
Oiitkliii»itfgt;rckii (ontboeien), ik heb â kluis-terd. lem. van zijn boeien â; fig. De stormwind wordt ontklnisterd. Oiitkiiarpon (afhandig maken), ik heb --knarpt, lem, zijn beurs â; iem. een brief â, ontkapen, w. g. Oiitknevelen (ontnemen), ik heb âknevoid. De armoe het brood â door geio ld. Oiitkiioopen (los law open, fig. verklaren, oplossen), ik heb âknoopt. Een jas â; een raadsel â; â in}f. v. lt;liitkonieii (ontsnappen), ik âkwam, bon â komen. Een gevaar â ; â iiify. v. Ontladen (afladen), ik âlaadde,heb âladen. Ken schip â; een kar â; een geweer â, afschieten ; een batterij â; om het hart te â, ontlasten, verkwikken; âer (werktuig), rn.; -inff. v. tint lasten (ontdoen van een last, verlichten, verlossen), ik heb âlast. Wil ik u eens âV het hart, het gemoed â: iem. van een taak â; een wonde van bloed â ; zich â : de rivier â last zich in zee; de wolken â zich in hagel', zich het hart â; â iiijBT, v. Ontlaiiweren (van roem berooven), ik heb â lauwerd. Napoleons hoofd werd â hm werd. Ontleden (in leden scheiden), ik heb âleed. Een dood dier â; een bloem â; een volzin â; een gedicht â; een kunstwerk â; â er. m. Ontleili^-cn (ontruimen, ontdoen, ontblooten, bevrijden), ik heb â ledigd. De gewesten vnri soldaten te â; de markt is van boeren âledigd-, van alle hulp âledigd zijn', zijn hart â van zorgen; â injr, v. Ontledin;;' (de daad van ontleden), v. De â of anatomie van een dier, een plant', scheikundige â; â van kleuren', de â of analyse van een volzin; de â van een tooneelstuk; woordâ; zinsâ. Ontleed kanier (anatomisch laboratorium), v. â s; â kunde (wetenschap der anatomie), v.; â kniidiK'- bn.; âkundig (anatoom); â knust, v. gmv.; ânies, o. âsen; âtafel, v. â s. Ontleenen (leenen van; fig. putten uit), ik heb â leend; â ing1, v. Ontlecren (afleeren, afwennen), ik hel» â -leerd. De muziek ontleert den jongeling het denken. (Klikspaan.) Ontle;; (uitvlucht), o. gmv. Die knaap weel altijd een â. Ontlijken (onkenbaar worden), het âleek, is âleken. Mijn nicht was mij geheel âleken. w. g. Ont lij ven (dooden, van het leven berooven), ik heb â lijfd. Lang âlijfd door luchtgebrek zijn beide Speellui! (Staring), vero. Ontlokken (afdwingen), ik heb â lokt. Jem. een of ander woord â; iem. een beschuldiging â ; dat âlokte hem een kreet van smart; 7c Zie tranen, aan uw oog âlokt. (Van Zeggelen.) Ontloopen (ontkomen, ontvlieden), ik â Wep, ben â loopen. De jonge hond is mij â; de. dief is zijn vervolgers â; iem. trachten te â; uw leeftijd z((l den mijnen niet veel â, overtreffen; het bloed - liep de wonde; tranen â liepen haar oog. Ont loo veren (debladers ontnemen), de storm heeft den boom â looverd. Ontluiken (openen), het âlook, heeft en is â loken. De roos gaat haar bladeren â; zijn talent begint te â; â ing*, v. |
Oiitlnisteren (van luister berooven), ik heb â luisterd. De misdaden, die z'jn bestuur â; â injf, v. Ontinaken (fig. onterven), ik heb âmaakt; -in;;, v. Ontmantelen, ik heb â manteli. Een vesting â , haar wallen slechten. Ontmaskeren, ik heb â maskerd. Iem. â, het masker aftrekken; een huichelaar â; een listige staatkunde â (v.d. Palm); â in^. v. tint mast, bn. Een â schip. Ojitmenselit (wreed, ontaard), bn. Ontnier$?eld (ontzenuwd, verzwakt, uitgeput), bn. Ook: Uitmergelen. Ontmoedigen (moedeloos maken), ik heb â moedigd; âins* (neerslachtigheid), v. Ontmoeten (tegenkomen, aantrep'en), ik heb en ben âmoet; -illff, v. Ontmunten (munten versmelten), ik neb â munt. Zilvergeld opgrooteschaal â: â ing.v. Ontnemen (afnemen, benemen), ik ânam, heb ânomen; âing-. v. Ontnerven (ontzenuwen), ik heb â nerfd. Oiitniieliteren (nuchter maken, lig. ont-qoochelen), ik heb â nuchterd; â Iiif?, v. Ontoegankelijk, bn. Een â hol; â heid. v. tintoereikend (onvoldoende), bn. De bezetting was â ; de gelden waren â; â liâ¬Â»id, v. tintoerekenbaar, bn. De man is â, al heeft hij den brand gesticht, hij lijdt aan zinsverbijstering; een knaap van tien jaar is â. Ontoombaar (lig. niet te beteugelen), bn. Een âbare begeerte. Ontoonbaar (erg slordig, verfomfaaid), bn. Ik zie er â uit. Ontpersen {afpersen, ontrukken), ik heb â -perst. Het jammer zal uw oog een traanâ; hagelsteenen, de donderwolk âperst. (Da Costa); de pijn âperste hem een jammerkreet. Ontploflen (met een plof vaneenbarsten), het is â plofd. De lading, het kruit, het gas -te: -ing. v. Ontplollingsgeliiid (ontp loffende mede-deklinker), o. âen. De p, b, t zijn âen (zij worden niet aangehouden). Ontploken (uitgespreid), bn. Met â wieken. vero. Ontplooien (gladstrijken, ontvouwen, ontrollen), ik heb â plooid. Laat nu de vreugd de rimpels van uw voorhoofd â; toen âde zich dat gelaat; dicht. De vogel ât zijn vlerken, de pauw zijn staart; de bloemen â haar bladeren en kelken ; de schippers â de zeilen; de vaandrigs â de vendels; â ing. v. tintplniken (dicht, en vero. voor ontplooien). De lelie heeft haar kelk ontploken. Ontpraetien (dicht, afbedelen), ik heb â -pracht. Iem. een gunst â, afsmeeken. Ontpressen (dicht, voor ontpersen). Tranen, het broeder hart âprest. Ontraadselen (oplossen, verklaren), ik helt â raadseld. De geheimen der toekomst willen â; de geheimen der natuur willen â; â injff. v. Ontraden (afraden, uit bet hoofd pralen), ik âried, hel» âraden. De aanneming eener ivet â; iem. zijn huwelijk â; â ing. v. tint ratelen (losrafelen, losmaken, ontwarren), ik hel) ârafeld. Een weefsel â, een koord â; een verwarde zaak â; -in», v. Out rampeneeren, Ont ramponeeren. het heeft en is ârampeneerd. Ue storm zal de vloot â, havenen, beschadigen; een âd schip, ontredderd, |
ONTIJKI)DEREN - ONTSPAN NEN.
|
{ontstellen, havenen, in verwarring brengen), liet is âredderd. Als vd.: een â schip', ivat ziet (jij er â uit] een â wrak. Ontrc'iiiion. Oiitriiiiicn (ontloopen, ontvluchten), ik heb ârend, 't Zwaard door geen vlucht te â; het omjelnl,- â. Als vd. ook: ontronnen: '( Gedreun der burgt â.(Staring). (gemak, 'jenot ontnemen, ongemak veroorzaken), ik heb âriefd. Als ik u niet ârief, wil ik het wel aannemen. Ontroord {aangedaan, bewogen), bn. Al de omstanders waren â; hij sprak met âe stem. Ontrooren (aangedaan worden), hij is â roerd. De vrouw âde tot bezwijmens toe; â -roerend (treffend), bn. De kunst bezit een â vermogen', â inja;. v. Ontrollen (rollend ontvallen), het is â rold. Traan op traan ârolt zijn oog; dat woord kon nw lippen â; fig. De banieren laten wapperen; de zeilen â, hijschen; de slang â t haar buigbare leden', een tafereelâ, tentoonspreiden; de bladeren der historie openen; iem. geld â, ontstelen,afkapen; zich â: voor ons oog ârolde zich liet fraaie landschap', de vlaggen â zich wapperend. Ontrooven (door roof ontnemen), ik heb â roofd. Iem. geld, goed, buit, een erfenis, enz. â; iem. zijn eer, goeden naam, enz. â; lig. Die kwaal ârooft mij alle lichaamskracht, benemen, doen verteren; iem. het levenslicht â; â iiift* (ontschaking), v. Ontrouw (gebrek aan trouw), v. gmv. â plegen', iem. betichten van â; â aan den lt;lag leggen. Onitromv, bn. en b\v. Een hond wordt zijn meester nooit â; zij werd mij â: in 't ge-raar werd de beproefde dienaar zijnen meester â, d.i. liet hem in densteek; bw. â handelen; â heid. v. Ontronwig-lieifi, v. gmv. De â van het geheugen. Ontruinien (verlaten), ik heb â ruimd. De politie heeft de zaal doen â; een âde zaal; een fort â: jok en lach doen de zorg het hart â; â ing'. v. Ontrnleken (door rukken verwijderen, wegnemen), ik heb ârukt. Een forsche hand â -rukte Teun het geweer. (C. 0.); aan den roover zijn buit, aan het roofdier zijn prooi â; fig. Iets aan lt;le vergetelheid â; iem. een geheim â, afdwingen; iem. aan zich zeiven â, buiten zich zelf brengen; zich â : hij (Wolf) â rukt zich dezen oord vol doodsche mijmeringen. (Staring) Ontrusten (iem. onrustig doen worden), ik heb ârust. Geen mug of vlieg zal u in den slaap â; allerlei oorlogsgeruchten âten dc landelijke bevolking: het lot van dien vriend â rust ons allen; hij was zeer ârust over den loop der zaken, in angst verkeerend; zich â : ârust u niet, alles zal terecht komen; â rustend, b.v.: Een âekoorts; âer, m. Napoleon, de â van Europa. Oiitschakelen (losschakelen, losmaken), ik heb â schakeld. Een redeneering â. w. g. Ontseliaken (dicht, ontrooven), ik hel) â -schaakt. Een meisje â; âer. m.; â111^. v. Ontseliepcn (aan land doen gaan), ik heb â scheept. Eenig volk daar Ier plaatse te â; de lading â, aan land brengen; â in;r. v. |
OiitselK'iiren (met geweld ontrukken), ik heb â scheurd. Een bloempje aan den stam â (Staring); hij is -scheurd aan vaderlanden vrienden; zich â : de jongeling âde zich aan die vermaken. Ontsehieten (ontglippen, ontvallen, ontgaan), het âschoot, is âschoten. De ring â -schoot haar vingren, nl. aan die van Heile. (Bild.); een woord, een kreet, een zucht, een traan kan â; zijn naam is mij âschoten; laat geen uur â. Ontselniileii (ontgaan door te schuilen), ik â school, heb âscholen. Eén regenvlaag â; tic middaghitte â. Ontscliiillt;ii$fen (rechtvaardigen), ik heb â -schuldigd. Iem. â; zich â, zich vrijpleiten; â in»-, v. w. g. Ontsieren (benadeelen, de schoonheid verminderen), het heeft âsierd. Dat raampje â t den gevel; een smadelijke trek âde zijn gelaat; dergelijke beelden â uw stijl. Ãntslaan (onthelfcn, vrij geven), ik âsloeg, heb âslagen. IJ: zal mij van die taak zien te -. Ontsla» (handeling, waarbij men iem. ontslaat), 0. gmv. Het â van dien ambtenaar bevreemdde ieder; iem. zijn (eervol) â geven; zijn â vragen, verzoeken, nemen, krijgen; zijn- â indienen. Ontsla^neniin;;'. v. âen. Ontslaken (banden, boeien losmaken), ik heb âslaakt. De dood âslaakt dc kluisters; de dooi âslaakt de banden, door de vorst gesmeed. (Bogaers); een kreet, een zucht, een bede â; de âslaakte geest; -in»*, v. Ontslapen (ontwaken, wakker worden), hij is âslapen. In 't Voorhout is alle Dier (Huygens); 7 Oosten daar de Son âslaapt. (Huygens). Ontslapen (in slaap vallen; (ig. sterven), hij âsliep, is âslapen. In Gode, in den Heere â. Ontslippen (ontsnappen, ontglippen, ontkomen), het heeft en is âslipt. Aan het gevaar â ; dat is mijn aandacht âslipt; dat dreigt mijn herinnering te â: laat u geen unr â; de nauw âte wacht. (Vondel) Ontsliiierc'ii (ontdoen van de)' sluier, aan het licht brengen), ik heb â sluierd. Zich het gelaat â; een geheim â; den verborgen zin van droom en â; -in», v. Ontslninieren (dicht, ontslapen, fig. insluimering vallen), het is âsluimerd. Ze fir lag â d neer. (Staring); ook ontwaken: 't âsluimerd aardrijk juicht. (Bild.) Ontsluiten (opensluiten), ik âsloot, heb â -sloten; âer. m.; âin», v. Ontsnictten (reinigen van smetstoffen), ik heb âsmet. Een ziekekamer â; beddegoed â; -in», v. Ontsnappen (ontkomen, ontgaan), ik ben â snapt. De dief is âsnapt; de gelegenheid laten â, ontglippen; aan iem. â; aan het oog â, aan iem. aandacht â. Ontsnaren (van snaren ontdoen), het is â -snaard. Het speeltuig hing âsnaard in de wilgen verward. (Da Costa). Een âe viool. Ontsnellen (snel ontvlieden), ik ben âsneld. Hel gevaar â. Ontspannen (wal gespannen is loslaten), ik heb en het is â. Een boog â; de lang â snaar. (Staring); het gelaat â, het uit de strakke plooi trekken; iig. Den geest â door vermaak; zich d.i. zich verpoozen; âin» (verpoozing, rust), v. |
ONTSPA RTKLKN - ONT WA PENÃiN. 315
|
Onfspartelon (door spartelen ontkomen), ik heb en ben â sparteld. Het t/evctcir OiitN|gt;â¬gt;rrâ¬gt;ii (ontgrendelen), ik heb âsperd. Een fleur, een poort â. Onf spin non (a! spinnende tr voorschijn brengen), ik heb âsponnen. Zich â: een gesprek kan zich over eenig onderwerp ontwikkelen. Ontspringen (zijn oorsprong hebben), het -sprong, is âsprongen. De Rijn ât op de Alpeir, hier ât een bron; een traan ât zijn oog, ontwellen. Oiit**priii$rcgt;ii (springende ontkomen), het â sprong, is âsprongen. Hij is den dans ontsprongen, d. i. den doodendans, fig. aan hot gevaar ontkomen. OiitNpriiiton (lig. ontstaan), het âsproot, is âsproten. Ontstaan (een begin nemen), het âstond, is â. Ontstaan (er niet staan, afwezig zijn), ik â stond, heb â. Schoone nimf, ontsta mij niet! (Staring). Oiitsiokon (doen ontbranden, aansteken), ik âstak, heb âstoken. Een vuur â; voor u (Willebrord) zij jaar aan jaar het wassen licht âstoken. (Bild.); fig. opwekken: Gods toorn â; in woede â ; de ivunde is âstoken, rood opzwellen; een âstolen plek, zwerende; iiw oog is âstoken; â ing (ontstoken zijn van een wonde), v. Ontstellen (ontroeren), ik heb en ben â steld; âtenis (aandoening), v. Ontsteind (valseh van toon), bn. Ken âe viool; fig. onaangenaam gestemd, boos. Ontsteiimien (zijn stemming verliezen of niet hebben), het heeft en is âstemd. De vochtigheid zal al die instrumenten â; een âstemd speeltuig; fig. Dat bericht zal vader â, uit zijn humeur brengen; de man was wrevelig en âstemd, als hij verloor; â Ingquot;, v. Ontstentenis (gemis, gebrek), v. Bij â van, bij gemis, bij mangel van. Ontstieliteli|k (ergerlijk), bn. en bw.; â -liei«l, v. Ontstieliten (ergeren), ik heb âsticht; â ingT. v. Ontstoken, bn. Een â kaars, lamp: een â ivond, gezwel, d. i. opgezet, rood. Ontstrijden (afstrijden), ik âstreed, heb â streden. Ik laat mij dat nooit â, uit het hoofd praten, betwisten. Onttakelen (aftuigen, van het tuig ontdoen), ik heb â takeld. Een schip, door den storm â fake ld; een roofschip â. Onttogen, vd. van het vero. Onttieën. Die schat (Ji.ta) wordt de aardeniet â/(Staring), d. i. onttrokken, ontnomen. Onttrekken (ontrukken, ontnemen), ik â -trok, heb âtrokken. Zich aan iets â, d. i. het niet doen, zich van iets ontslaan. Onttronen (van den troon stoot en), men heeft â troond. Een koning â; â in$f, v. Onttroonen (met mooie praatjes aftroggelen), ik heb âtroond. Zie: Aftroonen. Ontnelit (onzedelijkheid), v. gmv. Huizen van â. Ontneiitifr (zedeloos, onkuisch), bn. Een â leven leiden: â lieid, v. Ontiiii? (uitschot, afval), o. gmv. Ontvallen (door vallet' uit iem. bereik raken, ontglippen), het âviel, is âvallen. Het wapen is hem â; een traan âviel zijn oog ; de moed âviel hem, ontzinken; dat woord is |
mij â; geen klacht âviel zjn mond; wie veel kalt, veel âvalt. (Cats); zijn vrouw â -viel hem reeds vroeg, ontnomen worden. Ontvang (het ontvangen, ontvangst), m. gmv. In â nemen; een bewijs van â w. g. Ontvangen (in ontvangst nemen), ik â ving, heb âvangen. Een som gelds â' het heilig sacrament â; goeden raad â; het wachtwoord â; een brief â; een bericht â; een boodschap â; een belooning â; onderwijs â; een goede opvoeding â; het leven â; bewijzen, blijken â; iem. met open armen â, met groote hartelijkheid; zijn boek werd goed â, vond aftrek; Mevrouw zal vandaag niet â, belet hebben. Ontvang-enis, v. gmv. Ontvanger (iem. wien iets gegeven wordt), m. âs. De â van den brief; in'thyz.atnbte-naar: de â der directe belastingen, der accijnzen, der registratie, der gemeentebelasting; ook voorwerp dat opvangt, vat: De â van een dakgoot; de â van een luchtpomp: g-emeenteâ, m. âs; rijksâ, m. âs. Ontvangst (het ontvangen, lig. onthaal), v. âen. Ontvankelijk (vatbaar voor indrukken), bn. Een â gemoed; â lieid, v. âheid voor gewaarwordingen. Ontvaren (voorbijgaan, verstrijken), ik â -voer, ben â. De jaren â zoo snel en zoo vlug. Ontveinzen (niet uitkomen voor), ik heb â veinsd. Zich iets â, door veinzen trachten ongedaan te maken, b.v. Hij âveinst zijn slechte voornemens; âinjjf, v. Outvlaniinen (ontbranden, ontsteken), ik heb en ben â vlamd; -ills', v* Ontvleesd (vermagerd, zonder vleesch), bw. De arm was daar â. Ontvleexen (van 't vleesch ontdoen), ik heb âvleesd. Een âvleesde hand (Staring); een â vleesd lichaa m; -injr, v. Ontvleien (door vleien aftroggelen), ik heb â vleid. Iem. een belofte â. Ontvlieden (ontvluchten, ontwijken), ik â -vlood, ben âvloden. Iem.â: het stadsgewoel â ; de verleiding â; het gevaar â. Ontvlueliten (door te vluchten ontkomen), ik heb âvlucht. Een stad â; zijn huis of ouders â; een logement â; â injr, v. Ontvoeren (wegrooven, schaken), ik heb â -voerd. Een dochter haren ouders â; fig. Mijn ziel is aan de aard â voerd. (Ledeganck), onttogen; â ills' (schaking), v. b.v.: Op den avond der â. Ontvolken, ik heb âvolkt. De oorlog â -volkt de landen; â ing*, v. Ontvonken (doen ontbranden), ik heb en fiet is âvonkt; âins, v* Ontvoogden (ontheien van de voogdijschap), ik heb â voogd; âins (vrijmaking), v. Ontvomven (los vouwoi; ontplooien), ik. heb â vouwen. Hij heeft het laken â ; de vleugels â; -ins. v. Ontvouwen (uitleggen, verklaren), ik heb ontvouwd. Hij heeft mij alles âvouwd. Ontvreeinden (stelen), ik heb âvreemd; â ins? v. Ontwaken (wakker ivorden), ik ben â waakt. Uit den slaap, uit den droom â; âins? v-Ontw apenen (ontdoen van wapenen), ik heb â wapend. Hij zag zich â wapend; iem. â; een schip â, berooven van zijn geschut; lig. |
ONTWAKKN - ONUITSPHKKKLI.I K.
|
weerloos maken, stillen: Een zacht woord â ivapent den toorn; â insr, v. 4lntwaron {zien. bespeuren), ik hel» â waard. Dit hij een kleine ongesteldheid mocht â. (C. O.) Ontwarren (fig. ophelderen), ik heb âward; een raadsel â ; â ing-. v. Ontwassen, ik âwies, ben â. De knaap is de schoolbank â; de roede â; den kinderschoenen â, d. i. te groot er voor geworden. Ontweiden. Ontweien {ontdoen ran het ingewand), ik heb â weid. Een visch, een vogel, een stuk wild â; â ing*. v. Ontweldigen {metgeweld ontnemen), ik heb âweldigd; âer, m.; âins:, v. Ontwellen {ontspringen, ontvloeien), het is âweid. Een beekje dat aan den top des heuvels â welt; een traan âwelt haar oog. Ontwennen {afwennen), ik heb en ben â wend. Ontwerp {plan), o. -en. Het - van een nieuwe kerk; de âen van een staatsman; â tot droogmaking van de Zuiderzee; een â van buurtspoorwegen; een â van wet. Ontwerpen {iets in schets teekenen), ik --wierp, heb âworpen. Het model, het bestek van een huis â; een plan een wet â,d. i. beramen; -er, m. -s; -infr, v.: -sel,o. vero. tint wijden {ontheiligen), ik heb âwijd; een kerk â, een altaar â ; âer, m.; âing*, v. Ontwijk {wijkplaats), o. gmv. Een plaatsje ran â. (C. O.), d. i. een afgezonderde zitplaats, tint wijken (uit den weg gaan), ik âweek, ben âweken. Het kind si-heen hem te â; hij tracht alle verklaring teâ, ontkomen; de beantwoording van een vraag â; â kend, bn. een â antwoord. Ontwikkeld {den vollen wasdom bereikt hebbende), bn. Dat meisje is reeds â; een â publiek, gehoor, beschaafd; een âegeest, door studie gevormd; een â volk, van goede zeden. Ontwikkelen, ik heb âwikkeld. Den geest â, d. i. vormen, denkend maken; een stelling â , verklaren, ophelderen; â ingr, v. Ontwikkeling {wasdom, groei, voortgang vorming), v. gmv. De â van lichaam en geest; de â van het geloofsleven; de godsdienstige â ; de verstandelijke â; iets tot hoogeren trap van â voeren; de â der kunst; de â der wetenschap; de â van electriciteit, van gas, van damp; de â mijner denkbeelden, mijner plannen, uiteenzetting. Ontwikkelin^sbaan {weg der ontwikkeling), v. gmv.; de â der menschheid; â g-e-sehiedehis, v.; âleer. v.; âtijdperk, o. tint winden {ontplooien, ontvouwen), ik â -wond, heb âwonden. De banieren, de zeilen â ; de tijd zal alles â , verklaren; â ing-, v. vero. tint woekeren {door woeker verkrijgen), ik heb â woekerd. Nederland is aan de zee â -woeherd, d. i. op de zee veroverd en dat wel stuksgewijze. Ontworstelen {door worstelen ontrukken of losraken), ik heb en ben â worsteld. lem. een mes, een wapen â; het land is âd aan de stroomen, hij is âd aan de zonde; zich â: hij heeft zich âd aan den invloed van dat slechte gezel scha p. tint wortelen {)net wortel en tak uit den grond halen), ik heb â worteld. De storm had den beuk âworteld; â injf. v. Ontwrieliten {uit het gewricht rukken of scheuren), ik heb â wricht; â ing-, v. |
OntwriiiK-en {loswringen), ik âwrong, heb â wrongen. lem. iets â; fig. iem een geheim, een belofte â, den vijand de zege â, al wringende ontnemen. Ontxadelen, ik heb â zadeld. De ruiter werd â zadeld, uit den zadel gelicht; een paard â, van zijn zadel ontdoen. Ontzag {eerbiedige schroom, eerbied), o.gmv. Onze vloot vervulde Brittanje met â; â voor God, de overheid, de wet, zijn meerderen; â voor iem. hebben, gevoelen, toonen; iem. â schuldig zijn; iem. â bewijzen, toedragen; iem. â inboezemen; met â, uit â, iem. van â , hij heeft â onder de schoolknapen; âbaar, {ontzag inboezemend), hn. de â bre wichlares. (van Lennep); â baarheid, v. Ontzaglijk (vreeswekkend, geducht), bn. en bw. De âste rechtbank der wereld (Beets); een âe menigte; de kinderen hadden een âe pret; een âe; hoogte, een âehoeveelheid, bw. Goliath had een â breeden kop. (Tollens); hij houdt â veel van zijn vader; -beid, v. Ontzagverwekkend, Ontzagwekkend {ontzaginboezemend), bn. een âekrijgsmacht; een âe stilte. Ontzeggen {weigeren), ik heb â zegden â zeid. Iem. een recht â, d. i. betwisten; â ing*, v. Ontzeilen (door kracht van zeilen ontkomen), ik heb â zeild. Alle hoop om de vijanden te â ivas voorbij; een klip â, fig. een moeie-lijkheid ontduiken. Ontzenuwen {van krachtberooven; fig. verzwakken), ik heb â zenuwd. De sterke drank âzenuwt den dronkaard; weelde â zenuwde Hannibals leger; een bewijs, een betoog â, d. i. krachteloos maken, weerleggen; â iiig, vi tint zet {bevrijding), o. gmv. Het â van Leiden; het â van een schip; er daagt â op. Ontzetten {afzetten, een ambt ontnemen), ik heb âzet. De stadhouder werd uit zijn ambt â, de burgemeester werd â; bij uitbr. berooven: van haard en erf âzet; bevrijden: Een stad â; een schip â; iem. â; hij was geheel âzet van schrik, verbijsterd; âer, {bevrijder), m. â s; -ing:. v. Ontzettend {verbazend groot), bn. en bw. een â leger; een âe menigte; hij is â rijk. Ontzielen {dooden), ik heb âzie.d. Fig. de veerkracht doen verliezen. Ontzien {eerbiedigen), ik âzag, heb âzien. Gij moet hem wat â, d. i. sparen, verschoo-nen; hij ontziet zich niet mij te lasteren, d. i. hij waagt het, durft liet. Oiitziigen {ontglijden, ontglippen), het â -zeeg, is âzegen. De riemen âzegen zijn hand. Ontzind {dwaas), bn. Eenâe schaar; â van vreugde, â van droefheid. Ontzinken, ik âzonk, ben âzonken. De moed ontzinkt mij, d. i. begeeft, verlaat mij; de krachten ontzonken hem; âing, v. Ontzwavelen {zuiveren van zwaveideelen), ik heb â zwaveld; de zijde â; -ing'. v. Oiinitblnselibaar (fig. niet gebluscht kunnende worden), bn. Een âbare haal. Oniiit pnt teli jk (fig. altijd vloeiende of nieuwe stof opleverende), lm. Een âe bron; een â onderwerp; een âe blijdselw.p; een â thema. tlnnitspreekbaar {niet uitgesproken kunnende worden), bn. Een â getal, een â woord, de Engelsche th is mij â. Onuitsprekelijk {niet in woonlen uit te drukken), bn. en bw. Gods âegrojtheid; een |
ONUITSTAANBAAR - ON VERMOEID.
317
|
â« afkeer-, een âe teleurstelling', bw. Zij zijn â gelukkig. Omiitstaanbaur (onverdraaglijk), lm. en bw. Hildebrand vond v. lt;t. Hoogen â ; lt;0' uitlrggrr in een beestenspel is mij aller âst. (C. O.); bw. Een â leelijk Amsterdamsch accent. UnvadorlaiMlseli {niet eigen (tan ons land of volk), bn. Een âe verheerlijking van het buitenland] boekjes met âe prentjes-, een â gedrag. Onvast {niet in vasten toestand verkeerend), bn. en bw. Het terrein was moerassig en â; lig. De theorie steunt op âe gronden', hij heeft een âen slaap, licht; hij ging niet âe schreden, wankel; een â karakter, wankelmoedig; bw. Hij staat nog â op zijn schaatsen: bw. Het woont hier â; â lieid, v, Onvatbaar (niet ontvankelijk), bn. De man is â voor een zachte vermaning', die hoos-luicht is â voor verbetering, niet geschikt; â Iieid. v. Onveilig- {gevaar opleverend), bn. Het waren â e tijden-, roovers maakten er de wegen â ; â Iieicl, v. Onveranderlijk, bn. en bw. De âe wetten der natuur, niet aan verandering onderhevig; hij zingt â hetzelfde liedje', â lieid, v. Onverantwoordelijk, bn. Een âe nalatigheid, onvergefelijk; â lieid. v. On verbasterd, bn. De â e nakomelingen der Fransche Hervormden, niet ontaard. Onverbeden (onverbiddelijk), bn. De â storm. (Tollens) w. g. Onverbeterbaar, bn. Een âbare drukfout, niet of niet meer kunnende verbeterd worden. Onverbeterlijk, bn. en bw. Een â kwaad, onherstelbaar; een âe knaap-, een â dronkaard-, een â zanger-, bw. Hij zingt â. Onverbenrd {niet verbeurd verklaard of te verklaren), bn. Homes koningskroon, de âe gaaf, die 't liegt aan Koenraad heelt gegeven. (Staring) Onverbiddelijk {onvermurwbaar), bn. en bw. Een â rechter-, de wetten zijn â : bw. Een â logisch betoog-, zij had hem â afgewezen; â lieiil. v. Onverbloemd {rondborstig, oprecht), bn. en bw.; de âe wezenlijkheid; verhaal het mij â. Onverbreekbaar {onschendbaar), bn. Een â bare trouw; een âbare eed; hier is'£ â vrede. Onverbrekelijk, bn. Het huwelijk, een âe verbintenis; âe vriendschap; bw. Hij belooft zijn woord â te houden ; â lieid, v. Onverdeelbaar {niet te deelen), bn. Een â â¢'ogenblik; â lieid, v. Ook: Ondeelbaar. Onverdeeld {niet in deelen gescheiden), bn. Een â erfgoed, een âe inboedel; met âe ai indacht; âe sympathie; bw. Zich â aan zijn ambt wijden; âheld, v. Onverdiend, bw. Een âe straf; een âe goedheid; hoe de maand Maart aan den âen naam van lentemaand komt. (C. O.); bw. Hij werd â van zijn waardigheid ontzet. Onvâ¬krdienstelijk {nogal te prijzen), bn. Een niet â dichter; een niet âe redevoering. Onverdord, bn. â gras; lig. Zijn krijgs-faarn â te verspreiden. (Vondel). Onverdorven {rein, zuiver), bn. Een â gemoed; de â spraak der voderen; â heid. v. Onverdraagbaar {onuitstaanbaar), bn. Het âbare Spaansche juk; een âbare hitte; â heid. v. |
On verdrazeil jk {lastig, hinderlijk), bn. Een âe hoogmoed, onuitstaanbaai; een âe dwin-qelandij; âbeid, v. Ook: âdraaglijk. On verdraagzaam (niet meegaand), bn. en bw. Hij is â op het stuk van godsdienst; hij ijverde â jegens andersdenkenden; â beid. v. Onverdroten {niet ontmoedigd, ijverig, vol-hardend) bn. en bw. Met â ijver, m.; een â volharden; ik roep â. Onvereenig-baar {niet te paren), bn. Dit zijn âbare begrippen; die ambten zijn â; â beid. v. Onverflauwd {niet verzwakkende), bn. Met âen gloed; een âe genegenheid. Onverg-angbaar (dicht, onvergankelijk), bw. Homeros schreef Achilles roem in âbre verzen. Onvergankelijk {niet 'icht vergaande), bw. Deugd is een â goed. Carlo's naam bleef â in Bella's hart geschreven. (Staring); â beid, v. | Onverifelijkelijk (zeer uitmuntend, uitnemend) bn. en bw. Een â talod; Saartje vertelde mij van Suzette's âe gehechtheid aan hare moeder. (C. O.); bw. Dit gedicht is -schoon; âbeid, v. Onvergetelijk {te uitnemend om vergeten te kunnen worden), bn. De âe strijd bij Waterloo; een â tijdperk onzer geschiedenis; een â schouwspel; de âe De Vries. Onverglaasd {niet met glazuur bestreken), bn. een âe pot; â aardewerk. Onvergolden {onbeloond), bn. God laat niets â; een â dienst. Onverhinderd (onbelemmerd), bn. en bw. Een âe aftocht; nu kunt gij â spreken. Onverhoeds {onverwachts), bw. Hij gaf mij â een slag; iem. â aanvallen. Onverhoedseh. bn. Een âe aanval, d. i. plotseling; â hâ¬kid, v. tin verholen {niet verborgen, rondborstig), bn. en bw. Een â goedkeuring; hij geeuwde â. Onverhoo|»f. bn. en bw. Een âe hoog ere bijstand, een âe verrassing; bij â afsterven, d. i. alsnog niet te voorzien; mocht gij â niet kunnen komen, zend dan uw rentmeester. Onverklaarbaar {niet op te helderen), bn. een â voorgevoel, een â bare angst; â heid, v. Onverkraehtbaar {onschendbaar), bn. De â bare wetten der natuur. tin verlaat {slecht mensch, snoodaard), m. â laten. Onverlet {ongedeerd), bn. Zij kwamen â de poort binnen. Onvermengd {zuiver), bn. Dat is â zuiver koper; fig. â geluk. Onvermijdbaar {niet te vermijden), bn. en bw. Wat al âbare rampen! De mensch kan â dwalen. i Onvermijdelijk {niet kunnende vermeden worden), bn. Een â gevolg; de âe ondergang; bw. Hij ware â neergestort; â heid, v. Ãnverminderd. bn. en bw. Uw ijver blijve â , even vurig; ik acht u â. Onverminderd {behoudens), vz. Gij kunt het feest bijwonen â de verplichting 's avonds ter vergadering te zijn. Oiwerminkt. bn. De jongeling kwam â uit den strijd, d. i. ongeschonden. Onvermoeibaar {zeer sterk of krachtig), bn. een âbare ijver; een âbare wilskracht. Onvermoeid, bn. en bw. Een â schrijver; een onvermoeid strijder; âe arbeid komt alles te boven; hijstreeft â naar hooger; â heid,v. |
ONVERMOGEN-ONVOLDAAN.
318
|
Oiivermogen (zwakte, armoede), o. Het â van den metischelijken geest om God te kennen-, geldelijk â; rechtst. Kennelijk â, d. i. failliet, insolvent. Oiivoriiiogentl {zwak, arm), bn. De artn (des Mazel mans) werd â in Spanje. (Da Costa); een â vreemdeling', hij heeft niets dan âe vrienden-, â heid, v. Oiiv«gt;riniir%vbaar {niet te verwnrwen), bn. Alva was een â despoot; een âhare standvastigheid. (Jonathan); een âbare gestrengheid (Borger), onverbiddelijk. On vernist (zonder glimp), bn. de âe glans ran Napoleons naam-, âe vroomheid. Onveroiulorri {jong, jeugdig), bn. In de lente pronkt nat aar â met haar schoonheid-, het christendom, â. Oiivlt;*r|gt;lilt;*lit {vrijwillig), bn. Dat is â egoedheid; â e goedwilligheid. OnverpooMl {niet afgebroken), bn. Dat ivas â e arbeid; âe. waakzaamheid; âe studie; het â geklater van den waterval; bw. Hij werkt â aan zijn dissertatie. Onvorrielit {niet afgedaan), bn. I.aat geen arbeid â; hij keerde âer zake. OiiverMaa;;'«l {onverschrokken), bn. en bw. '/ âe Gent; met âen zin ; den vijand â onder de oogen zien; â heid {dapperheid), v. OnvorNcliillig'. bn. en bw. De toekomst is mij â ; het was â niet tuelken. bal de arme Pie ter s/telen zou. (C. 0.); zij sprak eenige âe woorden, onbeteekenend; het was een losse en âe kwant; Jan is â voor lof en voor laster geworden. (Potg.); hij of zij is mij â, geen genegenheid voor iem. gevoelend; hij zag dat alles met een â oog, koel; hij had iets âs over zich; â evenwicht, als bij iederen toestand evenwicht is; bw. Hij antwoordde â, koel; hij zag dat â aan; â lieid, v. OiiverKelirokk«'ii {stoutmoedig), bn. en bw. Een â volk. (v. Lenn.); met â moed. (v. Haren.); bw. hij viel â aan; â lioid, v. Ou verslenst {frisch, niet verwelkt), bn. âe jeugd; â e krachten; â e schoonheid; â e bloemen plakken. Onversneden {zuiver, onvermengd), bn. Dit is â wijn. Onverstaanbsiar {niet te verstaan of te begrijpen), hn. Hij zei eenige âbare ivoorden; die tekst is over 't algemeen â; bw. Hij spreekt erg â ; âheid. v. Onverstand {domheid, dwaasheid, onberedeneerdheid), o. gmv. Hij rekende op het â van het gepeupel; Pie ter had het â gehad, met zijn glacé-handschoenen te willen roeien. (C. O.) Onverstandig' {zonder verstand), bn. en bw. een â mensch; een âe daad; bw. Hij handelt â; â lieid, v. Onverstoorbaar (niet af te breken, onverstoord), bn. en bw. Een â geluk; een âbare rast; met â zelfbehagen; een âbare vroo-lijkheid; bw. Hij rookte â door. Onverstoord (rustig), bn. en bw. een âe stilte; de knapen speelden â. tin vertogen (ongepast), bn. Men h oorde er geen â woord. Onvertraagd (niet minderend ingang), bn. Met âe vaart. (Da Costa); met âen spoed; bw. Hij spoedde zich â voort. Onvertnid (vrij, niet vastgebonden), bn. Het haar hing â; â lokken. Onvervaard (onbevreesd, dapper), bn. en bw.; â Iieicl, v. |
Onvervalselit (zuiver, niet vermengd), bn. Dat is âe melk, â meel, âe suiker; -eva-derlandsche kunst; ons eenig en â geloof; de âe taal spreken, d. i. niet met vreemde woorden doorspekt; âbeid, v. O n vervreein d ba ar (n iet k ar mende gebracht worden op een anderen eigenaar), bn. en bw. een â erfgoed; een â recht; een â pensioen; iets â bezitten; -lieid, v. Onvervuld (niet vervuld wordende), bn. Al uw âe wenschen; een â gebleven belofte; een âe taak. tin vernacht {niet verwacht of voorzien), bn. en bw. een âc uitkomst; een âe slag; een âschouwspel; een âe aanval; op âe wijze; een âe logeergast; op het âst: de storm rees â ; â lieid, v. On ver nachts (plotseling), bw. Hij stond â voor mij; het speelwerk begint zoo â. (C.O.) Onverwecrd (niet verdedigd), bn. Zij vielen op den âen buit. Het âe landvolk. Onverwelkbaar (niet kunnende verwelken), bn. Stroobloemen zijn â; lig. de âbre kroon des dichters; dat is âbre lof, onvergankelijk. Onvem ijld (zonder uitstel), bn. en bw. Een â vertrek; âe li'dp; bw. De knecht moet â komen, oogenblikkelijk. Onveminbaar (niet te overwinnen, onoverwinlijk), bn. Een âhare schaar; door een âbaren argwaan gedreven; door â -baren angst gespoord; een â bolwerk; een â -bare veste; âlieid. v. Onverivinlijk (niet overwonnen kunnende worden), bn. een â held; wees fier en â (Bild.); de âe vloot; een âe schuchterheid; âe zwarigheden, onoverkomelijk; âheid. v. Onverwoestbaar (onvergankelijk), bn. De â schoonheid onzer taal. Onverwrikbaar (door wrikken niet kunnende bewogen worden), bn. en bw. âedijken ; een âbare zuil; â stevig; â pal staan. Fig. een plan, een besluit is â, staat â vast. Onverwrikt (pal, stevig), bn. en bw. De staven bleven â ; de soldaten stonden â ; met âen moed, onwankelbaar; bw. Hij hield zich â aan zijn beginselen. Onverteerd (ongedeerd), bn. Hij kwam â uit den strijd. Onverzekl (alleen), bn. De dame ging â op reis. Onverzetbaar (onwankelbaar, halsstarrig), bn. een â besluit; met âbaren tegenzin; de â bare moed; âheid, v. Onverzettelijk (standvastig; koppig), bn. een âe neiging; met âe koppigheid; een â karakter; de jongen bleef â; âheid, v. Onverzoenlijk (niet te verzoenen), bn. en bw. een â e vijand; een â e vijandschap, met âen tegenzin; een âe wrok; bw. Iem. â haten. Onverzorgd (zonder verzorger), bn. Vijf kinderen blijven â adder. Onverzwakt (nog onverminderd in kracht), bn. Orion blijft in '£ aanzien van Diaan (de Maan) met âen luister staan; eenâe jeugd-, zijn dichtvermogen â behouden. Onvoeglijk (ongepast), bn. Er lag iets âs in die vraag; het zou niet â zijn er op de vergadering over te spreken; â heid. v. Onvoegzaani (onbetamelijk, niet oorbaar), bn. Het is nu een â uur; het âzame van zijn taal, van zijn gedrag; âheid, v. Onvoldaan (onbevredigd), bn. Een wensch. |
ONVOLDOÃNDÃ-ONZALIG. 319
|
een begeerte, een neiging kan â blijven; ik was â over uw gedrag; â v. Oiivolfloendc (met toereikend), lm. Met âe middelen: een â voorbereiding; zijn uitspraak was â ; hij haalde een â cijfer; bw. Dat is â beantwoord. Ou voleind (onvoltooid), bn. Dit gedicht (de Ondergang der Eerste Wereld) is â gebleven; G er rit Wit se (C. O.) bleef â ; het opstel De /asters (Potg.) bleef â. On vol komen (niet volledig), bn. Onze wetenschap is een â klinker; een â gedaanteverwisseling ; een â verbranding; bw. Ik zag dat, maar â ; â lieitl. v. Oavolledi^' (gebrekkig, waaraan iets ontbreekt), bn. Een â bericht; een â gedicht; een âe vergelijking; een âe volzin, elliptisch; bw. Hij verklaarde dat verschijnsel â ; -lieid, v. Onvolmaakt (onvoltooid, gebrekkig), bn. Alle menschenwerk is â ; de â verleden tijd; een â werktuig; een âe vorm; â heid, v. Onvolprezen (niet genoeg te prijzen), bn. De â Rembrandt; o, â God' Onvoltallig: (niet op hei juiste tal), bn. De regimenten waren â; âlieitl, v. Onvoltooid (niet afgewerkt), bn. Een â kunstwerk; de â tegenw. tijd; â lieid. v. Onvoltrokken (onvoltooid), bn. Het huwelijk bleef â. Onvoorbereid (niet voorbereid), bn. en bw. Hij deed geheel â dat examen; hij sprak slechts zelden â. Onvoorwaardelijk (onbeperkt, zonder beperking), bn. en bw. De koning eischte âe gehoorzaamheid; bw. Een Geest .... moest \ zich â veimeeren voor Jaromirs gezag (Staring); iets â prijzen; iets â afkeuren; â -lieid. v. tin voorzien, bn. en bw. Een âe gebeurtenis, d. i. niet voorzien, onverwacht; die tijding kwam â. tin voorziens (plotseling), bw. Hij viel mij â aan. Onvrede, Onvree (twist, vijandschap, on-eenigheid), m. gmv. De vrede tuoonde in huis en de â stond er buiten. (Staring) vero. On vriend, m. âvrienden. Thans zijn ze â en, d. i. vijanden; hij stierf van vriend en â beweend; zich âen maken. Onvrij, lm.; âlieid, v. Deze kamer is erg â, d. i. men kan ons hier bespieden. Onwaar (logenachtig), bn. Iets â maken. tin waard (niet waard), bn. Hij is die eere â. Onwaarde, v. gmv. Iets van â verklaren. Onwaardeerbaar (niet te schatten), bn. Gezondheid is een â goed; tevredenheid is een âbare schat: âlieid, v. tinwaardig- (niet verdienende), bn. Wij zijn die gunsten â, die goedheid â ; zij werden zooveel vrijheid â ; hij is een deugniet, harer â ; âlieitl, v. Onweder, Onweer (donder, bliksem), o. â weders. â weeren. Fig. Er is â aan de lucht, er dreigt een uitbarsting van toorn; het â komt niet van de lucht, fig. er zullen onaangenaamheden blijven: bij den ouden (dominee) ivas het â nooit van de lucht. (Putg.) tlnwederslaanbaar (mei te weerstaan), bn. een âbare bekoorlijkheid; een âbare welsprekendheid ; een âbare aandrang; bw. Zij is â geestig; âlieid, v. |
Onweerbaar (zich niet kunnende weren), hw. vrouwen en âbaremantien; de âbare vesting; de âbare duif; âlieid, v. tin weeren (donderen en bliksemen), het heeft geonweerd. Kom in huis, het gaat â. Onweersbui (onweder van met te langen duur), v. âbuien; âvlaag- (onweersbui), v. â vlagen; â vogel (stormvogel), m.âvogels; â wolk (een met electriciteit geladen wolk), v. âwolken. tin wel (onpasselijk, ziek), bn. Zij werd in school â; hij gevoelt zich â. Onwellevend (onbetamelijk, onhebbelijk), bn. en bw. een â antwoord; zich â gedragen; -beid, v. tluwellaidend (niet aangenaam van toon), bn. en bw. een âe stem; hij sprak op âen toon; bw. Dut klinkt â. Onwetend (onkundig, geen kennis bezittend), bn. Wat zijl ge nog â ! hij is â van gevaar: â zomligt tnen niet; bw. Ik heb hem â leed gedaan: âlieid, v. tluweteiiK, bw. Ik heb hem â gegriefd, zonder dat ik het wist. tlnweteuseba|gt;|»eli|k (ongeleerd, bekrompen), bn. en bw. Dat is een âe methode, niet overeenkomende met de eischen der wetenschap; â als de koetsier was, had hij het (uit de hoogte neerzien) kunnen doen. (Pbtg.); bw. De man ging erg â te werk. On wet teli j k (niet strookende met de wet), 1 m. Dat is een âe bepaling, een â voorschrift; â lieid, v. w. g. Onwettig (in strijd met de wet), bn. Een huwelijk â verklaren; een â regentschap: een âe rechtbank; een â kind, d. i. buiten wettig huwelijk geboren; bw. â verkregen goed; âlieid, v. Onwezenlijk (niet werkelijk bestaande), bn. OnwijK (dwaas, onverstandig, mal), bn. en bw. de â wijze jeugd; bw. ivut kijkt die jongen â ! â lieid, v. tin wil (afkeer, verzet, tegenzin), m. gmv. Onwillekeurig (niet opzettelijk), bn. en bw. Onwillens, bw. Men'bad â met haar mee. (Tollens), d.i. vanzelf; gij zult willens of â gehoorzamen, d. i. goed- of kwaadschiks, tlnwillig, bn. en bw. Een âe manslag, d. i. door onvoorzichtigheid, zonder boozen wil; met âe honden is het slecht hazen vangen, d.i. al wat iemand gedwongen doet, heeft weinig resultaat; âheid, v. tin wis (niet geheel zeker), bn. Een âse blik, onvast, onzeker; met â wisseschreden; ze zijn â van elke streek. (Tollens) tinwraakbaar (stellig vertrouwen verdienende)^ bn. een â getuige; een â rechter: een â bewijs: een â recht, onwederlegbaar. Onwrikbaar (niet verwrikt kunnende worden), bn. en bw. een âbare muur; een â beginsel, onomstootelijk; een â geloof, onwankelbaar; hij is â in zijn overtuiging; bw. â getrouw; dit staat â vast (Staring); â -lieitl, v. Onyx (edele steen, een soort van agaat), m. - en. Er zijn drie soorten van âen; âsteen, m. Hier (in het Paradijs) worden âsteen en ibdellion gev inden. (Vondel) Onzaeht (hard, niet zacht), bn. een niet â lege?', bed; een â woord, niet ruw, heftig; met een âen ruk, hard; bw. Hij werd â opgewekt. Onzalig (diep ongelukkig), bn. en bw. een |
ONZEDELIJK â OOGENSCHIJNLIJK.
3-20
|
â lot', een â oogenblik; die âe burgertwisten', â v. Oiizeflelijk {niet volgens goede beginselen), bn. een â hoek; âe vertooningen; een âe plaat: â lieid. v. Onzeilig: (niet eerbaar), bn. Dat is âe taal, â e praat; â lieid, v. Onzeker {onvast), bn. Met -e stappen; een âe gang; alles in dit leven is â, wisselvallig; â heicl, v. Onzelfstandig- (geen zelfstandigheid bezittende), bn. een schare van âe volgelingen; -er is een â achtervoegsel; â hoid. v. Onzeliziic*liti^ (geen eigen voordeel beoo-gend), bn. een âe vriendschap; -lieid. v. 4»nzo-lieven-lieei*sbc'estje (schilduleugelig insect), o. â s. Het â is een torretje. Zie: Uevenheersbeestje. 4gt;nz(gt;lievcn-lieersïiaanf je (lievenhfers-beestje), o. â s. Zie: l^ic^venlieorsliaantjc*. igt;nze-lieve-vronw (beeld der Madonna), v. gmv. Wat een schoone â ! Onze-lie vo-vroiMven rooi wi hle lijm), o. gmv. Ook: welriekend runkraid; Duitsch: Waldmeister. Onze-lievc-vroiiwentliKtel (melkdistel), v. â distels. 4gt;nzent (Ie) (te onzen huize), bvv. Bij uitbr. in onze streek, in ons land. Onzentlialve {wat ons betreft), bw. â mag hij gaan. Groet uw familie â, van onzentwege. OnzentweK'e (van) (uit naam van ons, ran onzen kant), bw. Hij zal van â gcoi felicitatie ontvangen. Onzentwir(omgt; (ter wille of liefde van ons), bw. Het heeft het om â gedaan. Onzer, pers. en bezitt. vnw. Ontferm u â; het huis â tante; het geluk â medemenschen. Onzerzijds (van onzen kant), bw. Het zou â kleingeestig zijn, uw verzoek niet in te willigen. Onze-vader {het gebed des Hèeren), o. â s. Hij had vijf âs. Onzichtbaar (niet kunnende gezien worden), bn. God is een âbare geest; die ster is voor het bloote oog â ; -beid. v. Onzienlijk, bn. de -e natuurkracht; de -e Godheid; âbeid, v. Onzijdig', bn. een âe vlag; zich â houden, d. i. geen partij kiezen; het â geslacht in de taal; âbeid, v. Onzin (wartaal, zotteklap), m. gmv. geleerde â. Onzindelijk (bevu ild, morsig), bn. Het varken is een â dier; wat âe straten! bw. Het gaal in die huishouding â toe; âbeid, v. Onzinnelijk (bovenzinnelijk), bn. De wetenschap der âe navorsching of metaphysica. Onzinnig (dwaas, zot), bn. en bw.; een âe dweepster; âbeid, v. Onzuiver, bn. en bw. Dit is â kopererts; â water; een âe bron; de âe opbrengst van een concert, d. i. bruto; in dehocge tonen is haar stem â ; een âe uitspraak van het Engelsch; een âe afdruk van een gravure; een âe redeneering, niet logisch; âe liefde; bw. Hij zingt â ; hij redeneert â ; âbeid, v. Ooft (boomvruchten, fruit), o. gmv. Ool'tboom (vruchtboom), m. âboomen; â -bouw (het kweeken van ooft), m. gmv.; â kanier (waarin men vruchten bewaart), v. âs; -kelder, m. -s; âmarkt (fruitmarkt), v. âen; â verkooper, m. â s; â -vrnebt, v. -en, -zolder, m. â s. |
Oog, o. â en. De âen van een pauweveer; haken en âen; de âen van een dobbelsteen; hgt;'t â van een naald; âjes op de soep, d. i. vetdeeltjes; âen in het hoofd hebben, goeden scherp zien; zijn âen uitkijken, nieuwsgierig kijken; iem. de âen uitsteken, hein tarten door fraaier kleedij, meer luxe, enz.; iemands âen blinden, d. i. hem begoochelen; dat geeft maar schele âen, dat verwekt nijd; een fraai â aan iets geven, d. i. een fraaien schijn, uiterlijk; in de âen laten druipen, duur doen boeten; iem. zand in de âen strooien, hem bedriegen ; in het â loopen, met verwondering gezien, gehoord worden; iem. in het â houden, hem in zijn doen en laten gadeslaan; iets in het â krijgeni d. i. bespeuren; iem. naar de âen zien, letten op zijn wenken en wenschen; iets onder vier âen afhandelen, zonder het bijzijn van derden; iem. iets onder het â brengen, aanmerken; onder de âen zien, niet bang zijn voor; iets op het â hebben, d. i. beoogen, bedoelen; uit het â verliezen, niet denken aao, buiten rekening laten; God voor âenhouden, d.i. Gods geboden onderhouden; iem. een rad voor de âen draaien, hem bedotten, bedriegen; uit het â, uit het hart, men vergeet de afwezenden lichtelijk; een wakend â houden op of over, er op letten, goed acht geven; dertien âen gooien, een onverwacht geluk hebben; ze hebben samen haken en âen, d. i. twist. Oogappel (pupil, ronde opening in het regenboogvlies), m. âappels. Iem. bewaren, bewaken als zijn â ; iem. liefhebben, beminnen als zijn -; âHij was mijn -!quot; barstte zij (de Grootmoeder) uit. (C. O.) Oogarts (dokter voor oogziekten), m. âen. Oogbedrog (gezichtsbedrog), o. gmv. Geen mooglijkheid tot â (bij quot;t beschouwen van 't kameleon). (Staring) Oogelijn (lieveling, sieraad, het puik), m. en o. â s. Pom pejus was de â van het Jio-meinsche volk; Griekenland was het â der oudheid. Oogen, ik heb geoogd. Op iem. â, d. i. het oog op hem houden; op iets â, iets trachten te krijgen, loeren op iets; zoo ver men âen Icon (Vondel), d.i. zien kon. Oogenblik (tijdstip), o., soms m. âblikken. Luister een â, korte tijd; dat is het werk van een â ; in een â ; binnen een â ; een ondeelbaarâ, de kortst denkbare ruimte; een verloren â, dat voor ernstige bezigheden niet gebruikt wordt; uw âblikken zijn tekostbacr, uw tijd; iem. laatste âblikken, zijn stervensuur; het jongste â, b.v. De straatjongens verbitteren het slachtvee het laatste â. (.Jonathai); in een â van zwakte, van zielsangst; de zieke had eenige heldere âblikken; in een onbewaakt â liet hij zich die belofte afvleien; op een gegeven â, op zeker â ; op 't â, dadelijk; van . het â af; van dit â af, van dit moment af gerekend; voor 't â, op dit tijdstip; hij kan alle âblikken komen, ieder onmiddellijk volgend tijdstip. Oogenblikkelijk (zeer kort van duur), bn. en bw. een âe indruk; er is geen â gevaar; bw. riep de vader, âof ik bega een on geluk!quot; (C. O.), d. i. op hetzelfde oogenblik, direct; ga â. Oogendienaar (vleier), m. â s, âaren. Oogendienst (vleierij, kruiperij), m. gmv. OogeiiMebijnlijk, bn. en bw. A les ivas in |
OOGENSCHOUW âOOK.
321
|
â c rust, oppervlakkig schijnende; de krachtsinspanning dier â zoo zwakke vrouw, naar het uiterlijk; â heid, v. Oo^ensolioiiw (beschouwing), v. gmv. Iets in â nemen', de troepen in â nemen, in-specteeren. Oog^iitroost (plantje), v. gmv. De roede â, de gewone â. Oogg^etuig'e (iem. die iets met eigen oogen ziet of gezien heeft), in. en v. â n. â zijn van iets; een door ân opgemaakt verhaal. Oo$gt;'licelkiiiilt;lc (de wetenschap ran don oogarts), v. gmv.; â bn.; â kuiKli^'e (oogarts), m. â kundigen. Oogje, o. gmv. Een goed â op iemand hebben, hem of haar wel megen. Oogjessoed (wollen, linnen of katoenen stof, waarin oogjes geweven zijn), o. gmv. Haarlemmer â. Ooglid (oogdeksel), o. âleden. Zijn âleden waren geheel rood ; de â leden openen, sluiten, opheffen; de tranen sprongen uit de brandende â Wen. (Schimmel); mijn â leden werden zwaar, ik werd slaperig. Ooglijder (iem. die aan een oogziekte lijdt), m. âlijders. Het gasthuis voor âlijders te Uirecht. Ooglijk (net, aangenaam voor het ooy), bn. Ergens een â voorkomen aan geven; dat ziet er nog al â uit. Oogluikend, b\v. Iets â toelaten, d. i. het verbodene toelaten, doende ot' men het niet ziet. Oogluiking, v. gmv. Bij - toelaten. Oogmerk {streven, doel), o. âmerken. Mijn â is niet den dichter op te hemelen; met het â , met de bedoeling; een misdadig â ; met sluiksche âmerken; iets ten â, tot â, voor â hebben; zijn â bereiken, treft en. Oogopslag (blik), m. gmv. In één â alles zien; bij den eersten â; de â van den Hol-landschen jongen is vrij. (('.O.) Oog|Mint. o. âpunten. Het - in de perspectief, punt, waarin het tafereel wordt gesneden door de loodlijn uit het oog daarop neergelaten; iets uit een bepaald â zien, beschouwen; uit een â van beschaving; uit een â van staatkunde; uit een ander â iets bekijken. OÃgNlng (blik), m. âslagen. Het jongsken bezag hem met vrijmoedigen â ; een â in iets werpen; iets zien, bemerken, bespeuren bij den eersten â; God heeft met een â alles geschapen. VI. Oogst (rijp gewas), m. âen. Een rijke â, opbrengst der inzameling; de regens zullen den â bederven; de oorlog zal den â verwoesten; in den tijd van den â. Oogsten (den oogst binnenhalen, ook: maaien, binden, verzamelen van 't koren), ik heb geoogst. Het koren â, het vlas â ; spreekw. Gelijk men zaait, zal men â ; die wind zaait, zal storm â; fig. lof, dank, bijval â verwerven; hij oogstte niet dan smaad; âer (maaier, helper), m. Oogstfeest, o. âen; âlied, o. -liederen; â maand (Augustus), v. gmv.; âtijd, m. gmv.; âzon (Augustuszon), v. gmv. Oogtand (hoektand der bovenkaak), m. âen. Oogwater (geneeskrachtig water), o. âen. Oogwenk (snelle blik), m. -wenken. Ik zag hem met een â ; ik ben ineen â terug, uiterst korte tijd; voor een â, een oogenblik lang. koenen, Verkl. Handwdb. d. Nederl. taal. |
Oogwinkel (ooghoek), m. âwinkels, vero. Oogwit (doel, doeleinde), o. gmv. Zijn â bereiken, trr ff en. Oogwit (het wit van den oogbol), o. gmv. Het â is soms met bloed beloopen. Oogzennw (gezichtszenuw), v. âzenuwen. De âzenuwen verzwakken. Oogziekte (ziekteaan de oogen), v. âziekten. Een besmettelijke â. Ooi (wijfjesschaap), v. âen. Ooievsiar (steltlooper, stork), m. - vaars, â -varen. De â lijkt vee,' op den reiger , de witte â ; zgw. li''enen hebben als een â , hij eet als een â, is een slokop. Ooievsiarsbek (kraaiihals), m. âbekken; â bloem (gele lisch, pinksterbloem), v. âen; â nest. v. âen. Ooilam ( wijfjeslam), o. âlammeren. Het â scheert den tijm en'tgras (Toliens); fig. soms gebruikt voor: dierbaar bezit, eenig in zijn soort. Ooit (te eeniger tijd), bw. Ook. vw. en bw. Allen waren tegen woord ia, â zijn broeder was er. (lod ziet u, waar gij - zijl. Oolijk (dwaas, onnoozel), bn. en bw. Ik zal me â houden. (Beets); verder: slim, doortrapt: Jou, âeschalk!; guitig: De â emeisjes: ook; onwel, ongesteld, b.v. âHoe gaat het met Barte?quot; â, dokter, â. (C. O.) Oolijkerd (slimmerd, guit), m. âs. Oolijklieid (slimheid, guitigheid), v. -heden. Oom, m. âen, âs; âpje; âlief. Dat valt in â liefs smaak; Krelisâ, Tijs â (Staring); â Hein, de dood; â Kool, een sukkel; daar ligt â Kool, daar valt of struikelt iem. op straat; voor de âes komen, examen doen; Jan â (of, spreektaal: âe./an), de bank van leening, de lommerd; âschap, o. gmv. Oomzegger(mv/quot;), m. â s; â zegster,v.âs. Oonen (jongen werpen); heeft geoond. Gebruikt van schapen en varkens, gew. Oor. o. âen. Ilrt â scherpen, aandachtig tne-hooren; iem. wijdeâen maAen, tot aandachtig luisteren aanzetten; zijn âen ten dans leiden, met welgevallen luisteren; een snee m 7 â hebben, dronken zijn; het â hebben, bezitten van iem., d. i. zijn vertrouwen bezitten en daardoor gemakkelijk gehoor bij hem vinden; 2ijn â afwenden, zijn âoi voor iets stoppen, niet willen luisteren; iem. het â leenen, naar hem luisteren; dat kwam den koning ter â e, d. i. werd hem verhaald; ergens wel of geen âen naar hebben, er geen zin of trek in hebben; iem. âen aamuuden, hem bedriegen, verschalken; de âen opsteken, weerspannig zijn; de âen laten hangen, moedeloos zijn ; iem. iets in het â bijten, met ernst of scherpte haastig iets influisteren; den wolf bij de âen houden, in netelige omstandigheden verkeeren; iem. het vel over de âenhalen, hem afzetten; tot over de âen in de schulden zitten, zeer veel schulden hebben; hij is nog niet droog achter de âen, hij is nog piepjong; op één â liggen, slapen; zich achter de âen krabben, in ongelegenheid zijn; iets in het â knoopen, iets voor lang willen onthouden; kleine potjes ftebben ook âen, de kinderen hooren (en onthouden) meer dan men meent; een hongerige balk heeft geen âen, de honger maakt weerspannig; tot loon kreeg hij Midasooren, d. i. werd hij bespot; het kalf is op een â na gevild, op een kleinigheid na is de zaak gereed; 21 |
OOR - OORLOGZUCHTIG.
322
|
vee! yaat bij hem het éénc â in en het andere uit, van liet gehoorde of geleerde gaat bij hem veel verloren; het â van een pet, mand, kruik, enz. handvat. Oor. voorvoegsel = uit, b.v. âsprong, â zaak. Ooraap {halfaap in Afrika), m. âapen. Oorarts {yeneesheer voor oorziekten), m. â en. Oorbaar (voeyzaam, gepast, behoorlijk, wel-rocfjlijk, kiesch), bn. Een weinig âare vraag; â v. Oorbaar {nut, voordeel), o. Wie ten â van het land een nuttig ambt bekleedt. (Vondel), d. i. ten nutte, ten bate: ten â strekken; zijn â bezorgen, zijn belang behartigen. Oorbar {oorhanger), v. âbnggen; â bel(oor- sieraad), v. âbellen, âbelletje; â bieclit, v. gmv.; â blazen (onbep. wijs: kwaadspreken); â blazer {opruier, kwaadspreker), m. â s; â blazerij, v. âen; âblazing, v. âen. Oorbeeld {ideaal, grondvorm, type), o. âen; (typisch). Oord {plaats, /dek), o. âen. De heilige âen, Palestina; van â tot â; een beter â ; her-stellings-, toevluchtsâ, verba)in ingsâ ; Den-nen â y Schoonâ; Fr ederiksâ, Wilhelmina's â, Willemsâ, marine-etablissement bij Den Helder. Oord {indeel van eenmunt),o. âen.Zie: Oort. Oordeel {vonnis, rechtspraak), o. âen. Gods â over de zondaars; de âen Gods; de God des âs; het laatste â ; de dag des âs; met iets ten â komen* d. i. er mee op den doemsdag komen, fig. scherts, er niet van kunnen scheiden; een leven als een â, een drukte uf lawaai als ten jongsten dage. Oordeel {meening, gevoelen), o. gmv. Zijn â zeggen, zijn â te komen geven; iem. zijn â vragen; van â zijn. Oordeel (vermogen der ziel, versland), o. Een helder â ; een zuiver â ; een gegrond â ; gebrek aan â: het â des onderscheids; iem. van â. Oordeelen {vonnissen, rechtspreken), ik heb geoordeeld. De rechters zullen â naar recht en wet; verder, door redeneeren tot een gevolgtrekking komen: Ik laat u nu zelf â ; over iets â als een blinde over de kleuren; oordeel niet naar den schijn; ook: keuren, achten, b.v. He oordeel de gelegenheid niet ongeschikt. Oordeelkunde {het vermogen), v. gmv. Oordeelkundig, bn. en bw. De âe Busken Huet; op âe wijze; een âe inleiding; de oorkonden â bijeenbrengen. Oordeelsdag' {het jongste gericht), m. gmv. Oordeel vellingvv. â vellingen. Ken juiste â. Oordjesband. m. gmv.; â «loos. v. â doozen; â school, v. âscholen. Zie bij Oortjes. Oorgier {gier in '/.. Afrika, naar zijn ooren aldus genoemd), m. âgieren. Oorlian$£er {lange oorbel), m. âhangers. Een paar nieuwe (jouden âhangers. Zie: Oorbag'. Oorlieelkunde {heelkunde der ooren), v. gmv.; âkundig bn. Een âkundig congres; â kundig onderwijs. Oorijzer {gouden of zilveren hoofdsieraad), o. âijzers. De Friezinnen dragen âijzers; Zijtje kon het zilveren â van Zondags wel missen. (C. 0.) Oorkonde {getuigenis, verklaring), v., soms o. âkonden. â geven, getuigenis afleggen; verder: charter, geschreven akte: Men onderscheidt de ân in staats- en privaatrechterlijke |
â n; een notarieele â; â doen, getuigenis afleggen: Mijn onschult doen oorkont. (Wilhelmuslied.) Oorkonden {afkondigen, bekendmaken), ik heb geoorkond. vero. Oorkonclenboek (charterboek), o. âboeken. â boek van Holland en Zeeland. Oorkussen {hoofdkussen), o. âkussens. Ledigheid is des duivels â. Oorlam {oorlogsmatroos), m. en o. â men. In de herberg vond ik drie âmen; fig. rantsoen jenever, borrel; een extra â. Oorlap {klepje aan muts of pet), m. âpen. Oorlel {het onderste gedeelte der oorschelp), v. âlellen. Oorliët {oorhanger), v. â liëtten. Oorliëtblok (scheepst. eenschijfsbluk, dat als een oorliët aan de raas hangt), o. âken. Oorlof {vergunning, verlof), o. gmv. Hij â der schepenen; mel uw â; zonder â; â hebben, krijgen, venverven; zijn â krijgen, zijn afscheid krijgen; in de ICe eeuw bet. â zooveel als vaarwel: â, mijn arme schapen! (Wilhelmuslied.) Oorlog {krijg), m. âlogen. Den â verklaren, een langdurigen â voeren, ten â gaan; een aanvallende â ; een verdedigende â ; een bin-nenlandsche â ; de gang, de loop, de kansen van den â ; een bloedige â ; het departement van â; de Minister van â. Oorlogen (krijg voeren), ik heb geoorloogd. Oorlogsbedrijf, o. âbedrijven; â begrooting, v. â en; â behoeften (krijgsbehoeften), v. mv.; âbelasting, v. âen; âbende, v. â n; âbliksem (fig. groot veldheer, held), m. âs; â bodem(var/rf«/(?), m. âs; âboot, v. â booten; â buit, m.gmv.; â contrabande (al wat kan dienen aan een der oorlogvoerende partijen, ook kruit, lood, enz.), v. gmv.: â contributie (geld, door de overwinnende partij in stud of dorp geheven), v. â s; â â correspondent (redacteur van eenig dagblad op het ooglogsterrein aanwezig), m. â en. Oorlogsfakkel (dicht, iets dat den oorlog doet ontbranden), v. âfakkels. Oorlogsfeit (heldenfeit), o. â 'eiten; âgebruik, o. âen; âgevaar, o. âgevaren; â geweld, o. gmv.; âgloed, m. gmv. Oorlogsgod (godheid des oor logs, nl. Mars), gmv. Napoleon I prijkte aan het hoofd zijner legioenen als het ware beeld va)* den â. Oorlogshaven, v. âhavens: C'zdle was de Spaansche â; -held, m. âen; âkans, v. â en, b.v. De weifelende, onzekere â ; âkas, v. âsen; âkreet, m. âkreten; â kunst.v. gmv; âlast, m. âen; âleeuw, m. âen; â lot, o. gmv.; âmaatregel, n . -en, -s; â macht, v. âen: âman, m. âlieden; â materiaal, o. gmv.; âmatroos, in. â -matrozen; âmoed. m. gmv.; âpartij, v. â en; â plaag. v. - plagen; â plan,o. â nen; â ram (strijdram), m. âmen; âramp, v. â en; ârecht, o. gmv.; âroem, m. gmv.: â schip. o. âschepen; â standaard, m.âs; âteeken, o. âs; âterrein,o. gmv.; âtijd, m.; âtooneel, o. gmv.; â vaan,v.âvanen; â veld, o. âen; âverklaring (aanr^f/m^/ van oorlog of fig. van strijd, twist), v. âen; â vloot, v. âvloten; âvolk (krijgsvolk), o. â vuur, o. gmv.; âwagen, m. âwagens; -zwaard, o. âen. Oorlogzuchtig (strijdlustig), bn. De âe |
OORLOVEN-OOTMOED.
323
|
Franken; â c gevuclens; een âe stemming. I^orloven (vergunnen, toestaan), ik heb veroorloofd. Alleen liet vd. is nog in gebruik. Oorpijn, v. âpijnen; âring1, m. âringen; â schelp {deel van het uitwendig oor), v. â en; âsieraad (b.v. een oorbel), o. âraden; â siersel, o. âs; âslinger (oorsi er a ad), m. â s; âsmeer (gele, vettige oorstof), o. gin v.: â sineerklier, v. âklieren; âspeekselklier, v. âklieren; â spiegel (geneesk./.s tnet s/jiegelende binnenvlakte), m. â s; âspier (spier in de nabijheid van het uitwendig oor), v. âspieren. Oorsprong (aanvang, begin, ontstaan), m. De â van een stroom., een rivier', zijn â neinen\ fig. bron, aanleiding. De â eener ziekte; de â eener stad; de â van een twist; van personen: Hij is van Duitschen â, afkomst, geboorte; de â van een woord, herkomst. Oorsproiikelifk. Oorspronklijk. bn. en bw. Een âe roman, d. i. niet vertaald; een âe tekst; een â ontwerp; een â woud op Java; de âe natuur van dat eiland; een âe toestand, d. i. primitief; â Nederlandsefi, tiiet verbasterd; Goethe a/s â genie, zelfstandig; een â dichter; een âe gedachte; de dahlia is â uit Mexico, herkomstig; bw. â had het woord slechte een goede be teekenis: â -lieid, v. Oort (tweeduiten, 1/4stuiver), o. âen; oortje (zijn â versnoepen). Oorveeg (slag om de 00ren, oorvijg), m. â -vegen. Ken â krijgen; ion. een, â geven, toedienen, toebrengen. Zie Oorvijg;'. Oorvenlooveiul (dreunend, rommelend), bn. Ken â gekraak; een â krijgsgeschreeuw; een â kerrnisgejoel, d. i. zóó. dat het oor niets anders kan waarnemen. Oorvijg {hetzelfde als oorveeg), v. âvijgen. Hij deelde âvijgen uit; hij gaf' het hind twee vnelbare âvijgen. Oorvlies (trommelvlies), o. âvliezen, liet â dreigde mij te scheuren. Oorvredc. Oorveede (plechtige gelofte lot aflegging van erfelijke vijandschap), m.gmv. vero. Oorworm (rechtvleugelig insect), m. âwormen. De â eet allerlei zoete vruchten; de â is licht te herkennen aan den knijptang; een gezicht als een â, ontevreden, gemelijk gezicht; een gezicht zetten a!s een â. Oorxaak (reden, grond, aanleiding), v. â -zaken. Het grootworden is de â veler smarten (C. O.); de eerste, de naaste â; tot de â van iets opklimmen; ter â van; de keten van -zaken en gevolgen; zegsw.: Gelijke â zaken, gelijke gevolgen; kleine âzaken 'hebben soms groote gevolgen. Oorzakeli jk, bn. Het â verband, de betrekking tusschen twee verschijnselen; â heid, v. Oosl (het Oosten), m. en o. gmv. Om den â varen, in oostelijke richting; de zon rijst in het â. Oost (Nederlands O. I. bezittingen), v. Op de â varen; hij heeft zijn fortuin in de â gemaakt; hfj zocht een schuilplaats in de â ; spreekt. Naar de â gaan; in de â geweest zijn; de Groote â, de Mjlukken. Oosl. bw. Zijn weg ging nu west, dan â, in de richting van; de wind is recht â ; de straat strekt zich â, ligt in oostelijke richting; â ten Noorden; spreekw. â, west, thuis best; |
de wind loopt â; â Azië; â Afrika; â Friesland, enz. Oostelijk, bn. en bw. De âe grens. Wij gingen â . Oosten, o. De zon komt op in het â; de Wijzen kwamen uit het â, d. i. uit Ooster-: sche landen. Oosteniviiul (wind uit het Oosten), m. âen. Oosterkim (de oostelijke gezichteinder), v. â kimmen. Oosterlengte (de afstand van den eersten meridiaan in oostelijke richting), v. gmv. Oosterling' (thans: O. Indiër), m. en v. âen; voor het v. ook â linge. Vroeger inwoner eener Hanzestad, vooral koopman uit het Oostland: Zelfs â lingen bezochten de Dordtsche markt. (Fruin.) Oosterseli (m het Oosten gelegen), bn. Deâe Zee, Oostzee; het âe rijk, Oostenrijk; lt;/*' âe kooplieden, uit do Hanzesteden; de âe vloot; de â hemel; lig. âe grootspraak; âe verbeelding; âe pracht; âe spreektrant, de âe talen, het Semitisch, Perzisch, Turksch; âc handschriften; de â e letterkunde, dichtkunde, letteren, po'èzie; de â kerk, Grieksche. Oostert rans (dicht.oasfr'r/ilt;'mW),m. â transen. De maan rees aan den â. Oosterzon (de zon zooals die in't O. opgaat), v. gmv. Ook: de zon van de Oostlunden, inz. van de Levant. itosttsixngev (koloniaal), m. âgangers, gmz. Oosthoek, m. gmv. De â, nl. het O. gedeelte van Java. Oost-lndië (de eilanden van den O. I. archipel), o. gmv. Nlt;(ar â varen. Spreekw. Men ziet op geen aap, als men uit â kond, wie veel heeft, kan veel geven. Ook; Oostinje, gmz. Oostindievaarder (schip dat op O. Indië vaart, ook de gezagvoerder), m. â vaarders. Ook: Oostinjevaarder, gmz. OoMtindiseli, bn. De âe Compagnie; de âe kers, plant; bw. hij houdt zich â doof, d. i. hoerende doof. Oostinjo. o. Zie: Oost-lndië. Oostkant, m. gmv. De â der Zuiderzee; het dorp van den â naderen. Oostkust (oostelijke kust), v. â kusten. Dcâ van Noorwegen. Oostland (de Oostzeelanden), o. gmv. Naar â willen we varen; op het â werd vooral de handel in zout gedreven. (Fruin.) Oostmoesson (Ind. droge tijd, zomer), m. gmv. Op Java van half April tot half November. Oostpassaat (passaat uit het O.), m. gmv. Regelmatige wind in de tropen. Oostwaarts (naar het O. toe), bw. Zij zeilden -; kooplieden van â, Oosterlingen, uit de Hanzesteden. Oostwal (scheepsw. oostelijke oever), m. Oostzee (de Ba Ui sche Zee), v. gmv.; â handel, m. gmv.; â âhaven, v. â s; -kust, v. âen; âstad. v. âsteden. Oostzijde (de oostelijke kant), v. gmv. Men begon, de stad aan de â uit te leggen. Ootje (kleine letter o.; nul), 0. â s. Iets, iem. voor een â in 't cijfer houden, van geener waarde achten; in V â knikkeren, kringetje; in 't â nemen, in de maling nemen, tot mikpunt van spotternij nemen. Ootmoed (gevoel van kleinheid; nederigheid), m. gmv. De â is een deugd; God dienen in of met â; -elijk, bw. |
21*
OOTMOKDIG - O PEK K Kil KX.
|
(nederifh bescheiden), bn. en bw. Hij is â ran, hart-, uw âe dienaar, beleefdheidsformule^'*// â verzoek, een â e bede; bw. â (hinken, zich â buigen; âbeid, v.; lijk. bn. en bw. Oozie (overstekend onderdeel van een dak), v. âziën. Vlaamsch; â «Imp, m. gmv.; âloog», m. gmv. Op. vz. en bw. Het boek ligt â do tafel', het \ haar â het hoofd] â de koord dansen; alle gekheid â een stokje, alle scherts daargelaten: â de wereld komen; â het platte land; â stal staan; â een middag', â een morgen; â sterven liggen; â gezette dagen; â heden, â gisteren, â morgen; â eenmaal, â het einde; â zijn ouden dag; â stel en sprong, dadelijk; bouwen, rekenen â iem.; gerust zijn â iets; noodigen, onthalen, vergasten, trakteeren â iets; bw. De strijkstokken gaan â en neer; het gaat met hem â en neer, nu eens goed. dan weer slecht; het ging berg â, en berg af; hij wil hoog er â ; wij gaan verderâ; iem. de straat â zetten; er â los gaan; zing maar â ; de zieke zit â ; ei' een hond â nahouden; âbouwen, âdelven, â -eisehen, âgraven, enz.; âbod, âbouw, â -brengst. âdracht, enz. Opa (grootvader), m. opaas. Opaak (ondoorschijnend; duister, donker; droevig), bn. Opaal (stof), o.; (melkblauw edelgesteente), m. opalen. Opaciteit (ondoorschijnendheid), v. gmv. Opbeuren (optillen: lig. bemoedigen), ik heli â gebeurd. Een kist â; â ing*. v. Opbiocliteu (bekennen, naar waarheid verklaren), ik heb âgebiecht. Hij biechte alles eerlijk op. Opbod (hooger bod), o. Bij â ver hoepen, d. i. aan den meestbiedende. Opboeien (de boorden van een schip uphoo-gen), ik heb âgeboeid; â boeisel, o. Opbouw (lig. bevordering), m. gmv. Opbrassen (brassend verteren), ik heb â gebrast. Opbrassen (scheepsw. de snelheid vertragen), ik heb âgebrast. Opbreeuwen (opnieuw breeuwen), ik heb â gebreeuwd. Opbreken (openbreken), ik brak â, heb en ben âgebroken. Het kamp â, de tenten afbreken; het beleg â, eindigen; lig. dat zal hem â, berouwen; Spot maar. Jonathan! het zal u tvel â! âbreker, m.; â bre-kin^-, v. Opbreng-en. ik bracht â, heb âgebracht. Het hout, de turf â, op den zolder brengen; vele kinderen â, opvoeden, grootbrengen; een dief â, naar de gevangenis brengen; vruchten â, opleveren, voortbrengen; belastingen â, betalen; het diner â, opdisschen; -brenger, m.; âbreiiffsf. v. Opcent (vermeerderde belasting), m. â en. Men betaalt âcenten op de personeele belasting. Opdagen (verschijnen), daagde â, is âgedaagd. De vijand kwain maar niet â, d. i. voor den dag. Opdat (tot het doel dat), vgw. Opdienen (opdisschen), ik diende â, heb â -gediend. Opdiepen (uitdiepen), ik heb âgediept; v. Waar heb je dat boek opgediept'.' gevonden, ontdekt, in bezit gekregen. |
Opdirken (opschikken, optooien), ik heb â -gedirkt. Opdisselien (lig. onthalen), ik heb âgedischt; â disselier, m. Opdoeken (samenvouwen, doen eindigen), ik heb â gedoekt. Dit werk heeft geen aftrek, de uitgever zal het wel â, d. i. er geen herdruk van geven. Jij kunt voor mijn part wel â, heengaan. Opdoenien (te voorschijn komen), het is â -gedoemd. Een eiland zagen we in de verte â, d. i. uit de nevelen te voorschijn komen; als zag zij (Hanna) een wit zeil â. (Potg.); â iny. v. Opdoen, ik deed â, heb â gedaan. Hout. turf â , zich voorzien van; het eten â, op tafel zetten; veel nieuws â, vernemen; de bedelaar zal daar niets â, krijgen; de wasch â, in orde brengen, vouwen; het landschap doet zich op, vertoont zich, is zichtbaar; âinjï,v Opflokken (betalen), ik heb âgedokt. Opdraelit (toewijding), v. âen. Opdraeliti$gt;: (gezwollen), bn. âbeid. v, Opdragen (fig. toe'èigenen\ ik droeg â, heb â gedragen. Iem. een werk â. Opdrijven (doen stijgen in prijs), ik dreef â, heb en ben âgedreven; âer, m.; âins-, v. Opdril (oorveeg), m. âdrillen. Opdringen, ik drong â, heb en ben âgedrongen. Opduwen (omhoog duwen), ik heb opgeduwd. Opeen (op elkaar), bw. In samenst.: â hoo~ pen, â i takken, â stapelen; âgehoopt, âgepakt, â gestapeld. Opeiseli (sommatie, oproeping), m. gmv. Open, bn. en bw. Eoi â mond, een â wagen, een â kachel, en/., d. 1. niet gesloten; een â brief, een openbare brief; â tafel; een â stad. zonder wallen; het â veld, het vlakke veld; in de â lucht, de vrije lucht; met â kaart spelen, fig. rond voor iets uitkomen: â zee, buiten de banken; luisteren met â mond, zeer gretig; doe de deur â, enz. Openbaar (publiek), bn. en bw.; â heid, v. Openbaar, o. gmv. In 'tâ, d.i. voor het oog van iedereen. Opeiibaarniaken (algemeen bekend maken), ik heb âgemaakt: âins:, v. Openbaren (doen kennen), ik heb geopenbaard; â ins*, v. Het gesprek viel op het goddelijk gezag der â ing. (Koetsveld.) Opendoen (openen), ik deed -, heb âgedaan. Openen (ontsluiten), ik heb geopend. Openhartig (oprecht), bn.enbw.; â heid, v. Opening, v. âen. â van zaken geven. Openstaand (niet gesloten, fig. onbezet), bn. Openstellen (openzetten), ik heb âgesteld. Op en top (door en door, geheel en al), bw. Kapitein Z. was â een zeeman. Opera (zangspel; schouwburg), v. â's; â -xang'er. m.; âzangeres, v. Opera (mv. van Opus, werk), o.; â omnia, ;il de werken; â selecta, de uitgelezen werken. Operateur (snijkundig heelmeester; ook belhamel, roervink), m. â s. Operatie (heelmeesters-kunstbewerking; taak; onderneming), v. â tiën, âties. Operatief (smj'fc/md»V/), bn. â tiet e heelkunde. Operatielijn (krijgsk. aanvalslijn; richtitig van inval), v. âlijnen; âplan, o. ânen; â veld, o. âen. Opereeren (werken, bewerken kunstbewerking verrichten). Een patiënt â. |
OPERETTE - OPLUIKEN.
325
|
Operette {klein zangspel, o per aatje), v. âs. 0|»lt;ki*iiieiit (zwavel en ratlenkruid), o. gmv. 0|gt;fleiii*eii \tot bloei bremjen of kamen), ik ben en hel» â gelleurd. De iiitgepntte man, âgefleard door de hoop, begaf zich op weg; -iii», v. Opflikken (oplaj)pen, herstellen), ik heb â -gellikt. OptriNMelieu (frisch maken), ik heb en ben â gefrischt; âiiift* (fig. vermaning, bestraf-fmij), v. (â¢nededeeling, lijst), v. -gaven. Opgaan (opwaarts gaan), «le zon ging â, is -gegaan. OpifaaiKl. bn. Een âc berg, d. i. steile; de â e zon, opkomende; de âe zon aanbidden, zich voegen bij hen, die in macht en aanzien komen; een âe deeling. Op^-aii^* (het opgaan), m. âen. De â der zon. Opgave, v. Zie Opgaaf'. Opgeblazen (gezwollen, lig. trotsch), bn. en bw.; â v. Opgeld (agio, surplus), o. âen. Fig. dat doet â, is zeer gezocht. OpjferuiiiKl (vroolijk), bn. en bw.; â iieid. v. Op» eseliikt (opgesmukt), bn.; â laeid. v. 0|gt;»'eslt;*lio(eii, bn. Een â knaap, rijzig, scheutig, hing. Op}ï«\simikt (getooid, gesierd), bn.; â lieifll. v. OpK'etOK'en (verrukt, zeer blij), bn.; âlieid, v. Op»eveii, ik gaf â, heb âgegeven; âer, m.; -in», v. Opgewassen, bn. Niemand der dorpsgenoo-ten was in bijtende geestigheid tegen hem -. (Koetsveld), d. i. zijns gelijke in kracht. Op»e\vekt. (vroolijk gestemd), bn. Een â mensch; â lieilt;l. v. Op»e\von«len (tig. i)i geestdrift, in woede), bn. Een â standje, iemand, die snel in vuur geraakt; â lieid, v. Ãp» ezetene (landbewoner), m. en v. â n. Opgezwollen, bn. Een - stijl, d. i. hoogdravend; â lieid. v. Ophaal (dunne trek eener letter), m. âhalen. Opliaall»rn». v. âbruggen. I^pliakker {windbuil) nu âs. gmz. Ophakkeri» (bluIferig), bn.; â lilt;'ilt;l. v. lt;lplialen (omhoog halen), ik heb âgehaald. Een brug â; tie zeilen â; lig. Een zaak â, weer tot bloei brengen. Oplianden (naderend), bw. De winter is â, in aantocht; het is â, zal geschieden. Ophebben, ik had â, heli âgehad. Veel met iem. â, veel van iem. houden. Opbel' (groote lof), m. gmv. OpbefIVn (optillen), \k liiefâ,heb âgeheven; Een school, een inrichting â, sluiten, duen eindigen; â lin», v. 4lpbellt;ieren (verklaren), het is en hij heeft â gehelderd; âin»-, v. 0|»heinelen (verheerlijken), ik heb âgehemeld, het â der societeilen (C. O.); Jan is zoo dikwijls â gehemeld. (Potg.); âin», v. Opbieleïde (basbazuin), v. â s. 4^pbienult;'n (scheepst. het anker ophalen), ik heb âgehieuwd. Wij begonnen het anker tip te â. Ophitsen (opstoken), ik heb â gehitst; âer, m.; âin», v. Ophoepelen (fig. zich uit tie voeten maken), ik ben âgehoepeld. Hoepel jij rnatir op! |
4lpbo«»ren, ik heb -gehoord. Men zal er vreemd van â, d. i. verbaasd van opkijken, zich erg verwonderen. Opiaat (pijnstillend middel, slaapmiddel), o. gmv. Opineeren (gevoelen of otn'deel over een zaak uiten). Opinialer (halsstarrig, onbuigzaam), bn. Opinie (meening, gevoelen', schatting), \. âs, â niën. Opiiini (heulsa/i, gedroogd slaapbollensap), o. gmv.; âselmiver (rooier van opium), m. âschuivers. Opklanwlt;kn (ophtirken), ik heb âgeklauwd. Opknappen (reinigen, opsehikker), ik heb en ben âgeknapt; âpin», v. 4^pknlt;»»pen (lig. ophangen), ik heb âgeknoopt; â in», v. Opkoken (zachtjes opnieuw koken), ik heb â gekookt; â kokin». v.; âkooksel, o. Opkomen (tig. tipguan), ik kwam â , ben â gekomen; â konier, m.; âkomst (Legin, herstel), v. Opkoop (inkoop, aankoop), m. gmv. 4lpkooplt;'n, ik kucht â , heb âgekocht. Vreemde kooplui kwamen al het fruit -, d. i. in groote hoeveelheden van de markt weg-koopen; âer. m.; âin», v. Opkorten, ik heb en het isâgekort. De tijd voor het examen begint â te korten, te krimpen. Opkrabbelen (open krabbel en, tig. ter been komen), ik heb en ben âgekrabbeld. Opkrabbelen (uit een ziekte opkomen), ik ben âgekrabbeld. Opkroppen (fig. verbergen), ik heb âgekropt; â pin», v. Zij moest al dttl verdriet matir â, d. i. voor zich houden. Opknnnen, ik kon â. heb âgekund. Zijn aten niet â ; zijn plezier wel â ; de trap niet meer â. Opkweeken. ik heb â gekweekt; een kintl â; â er, m.; âin»*, v. Oplaa»,Opla»e (geta l a ftlrukken),\'. â lagen. Opla»e. v. Zie: Oplaa». Ee)i â van drie duizend e.reniplaren. Oplan»en (in de hoogte toereiken), ik heb â gelangd; âer, m. Ople»»lt;'n (leggen bij of op iets), ik heb -gelegd en â geleid; â »in». v.; â sel (strook), o. Opleiden (opwaarts leiden, tig. vormen, kweeken), ik heb -geleid; -er. m.; -in», v. Opletten (goed toezien), ik heb -gelet; â -ter. m. Oplettend (aandachtig),hn.en bw.; â beid,v. Opleiikerlt;'n (opv root ij ken), ik heb â geleu-kerd. Teun tie Jager ... .wist de oude besten bij het spinnewiel met zijn vroolijke invtdlen op te â. (C. 0.) Opleven (herleven), ik ben âgeleefd. Uiteen ziekte â. Oplezen (met luider stem voorlezen), ik las â, heb âgelezen; âer, m.; âin», v. Opliehten (helderder worden), het is â gelicht. In het oosten begint het til â te lichten. Opliehten (ophejfen, bedriegen, enz.), ik heb â gelicht; âer, m.; â erij, v.; âin», v. Oploop (opschudding), m. âen. lt;lplooplt;'n«l (driftig, opvliegend), bn. en bw.; â beid. v. Oplossen (verklaren), ik heb opgelost; â -sin», v. Opluiken (er beter uit gaan zien), ik look â, ben âgeloken; âin», v. |
OPLUISTEREN âOPSLOOTEN.
326
|
Opluisteren ({/lans verleenen), ik heb âgeluisterd. De muziek zal het feest â ; Keesjes oogen âden op; Pietersyehtat âtie op. (C. O.); â ing', v. 0|mierklt;kli jk (vreemd, zonderling), bn.en Inv. Opmerken (letten op), ik heb âgemerkt; âer, m.; â iiifs';. v. 4lpnieteii {afmeten, nitnieten), ik mat â, heb âgemeten; âer. m.; âiiiy,'. v. Opiii4»iiterlt;kii (opvroolijken), ik heb â ge-monterd; â iiift'. v. 4lpiiaiiie (het opnemen), v. â n. Eenplwtogr. â doen', de â van een terrein. Opnemen, ik nam â. heb genomen; iets Hoed â, er niet boos om worden; iem.nauw-keurUj â, goed bekijken, waarnemen: die winkel zal irel â. d. i. zal wel nering krijgen; â er, m.; â ing, v. Opnilt;kim' {nog eens), bw. iets â schrijven. Opodeldoc* {zalf tegen rheumatische pijn), v. gmv. tlpolleren (toetuijden, opdragen), ik heb â -geolïerd. Zich â, eigen belangen achterstellen; zich aan God â, wijden. OpontlHMl {last om te verschijnen), o. gmv. Opontlioml {verlet), o. gmv. Oppassend, bn. Een â kind, d. i. van goed gedrag; â lieiil, v. Opper {hooistapel), m. â s. Het hooi stond in âs. Opper,Opperd {schuilplaats, luwte), m. â s. Opperen, ik heb geopperd; Hel hooi â, d. i. aan oppers zetten; die werkman is aan 't â. sjouwen, aandragen van materialen; bezwaren â, te berde brengen; âing?, v. Oppermaelit {hoogste macht), v. gmv. Oppermachtig: machtig, gebiedend), bn. tlpperman {helper van een metselaar), m. â lieden, âlui. Opperste, bn. God is de â Wijsheid, d. i. de hoogste, eerste, voornaamste. .Oppervlak {al de vlakken samen), o. â ken. Het â van een kubus, een prisma enz. Oppervlakkig' {los, niet grondig), bn. en bw.; Iieid, v. Een âe studie. Oppervlakte, v. â n. De â dei- aarde, de â vangt; het meer, d. i. de spiegel. Oppotfen {opvullen met spijs), ik heb â -gepoft. Opponeeren {tegenspreken, bestrijden, zich verzetten). Opponent {tegenstander, bestrijder), m. â en. Opportuniteit {geschikte tijd of gelegenheid), v. Opportunist {aanhanger der opportuniteit-, hij, die de gelegenheid weet waar te nemety, m. âen. Opposant {tegenstander, bestrijder), m. â en. Oppositie {tegenstand of tegenstrijdigheid), v. gmv. Oppressie {onderdrukking, beklemming), v. gmv. Oppreukelen {opstoken), ik heb -gepreukeld. Opprimeercn {onderdrukken-, op geweldige wijze de natuurlijke rechten vanion. krenken). Opprobatie {beschimping, hoon), v. â s, â tiën. Opprobeeren {smadelijke verwijten doen, beschimpen). Opprobre, Opprobrium {schande, schimp, smaad), o. gmv. Oppuilen {opzwellen, ophullen), het is â gepuild; â ing*. v. |
Oprakelen, ik heb âgerakeld. Een ouden twist â, d. i. uit de asch der vergetelheid weer aan den dag brengen; het vuur van het gesprek wat (Koetsveld); â inft', v. Oprapen, ik heb âgeraapt. Een appel, een peer â, d. i. van den grond opnemen; allerlei logen verzinnen; een âgeraapt stukje, een verdicht iets (C.O.); een âgeraapt leger, een wilde bende; -raapsel {verzinsel), o. Opreelit {eerlijk), bn. en bw.; â lieifl, v. Oprieliteu, ik heb âgericht; âer, m.; â -ing. v. Een gedenkteeken â, doen verrijzen. Oprijten {openscheuren), ik reet â, heb en ben âgereten. Opril {een oploopend pad tegen een dijk), v. â len. Oprispen {opbreken), het heeft en is â gerispt: â ins, v. Oprit {het oprijden), m. âten. Oproepen {bijeenroepen), ik heb geroepen^ De leden eener vergadering â ; ing, v. Oproer (opstand), o. âen. Oproerig*, bn. âe onderdanen; âbeid. v. Oproerling* {oproermaker), m. en v. âen; voor het v. ook Oproerlinge. Oprokkenen {ophitsen), ik lieb âgerokkend; â rokkening-, v. Opruien (ophitsen), ik heb âgeruid; â rnier. m.; â ruling:, v. Opruinien (ordenen, regelen), ik heb âgeruimd; â er, m.; â ing*, v. Oprukken {voorwaarts gaan), ik heb en ben â gerukt. Tegen den vijand â. Opscheren (opsnoeien), ik schoor â, heb â geschoren; een heg â. Opsebieten (naar boven gaan, groeien), ik schoot â, heb en ben âgeschoten. Opsebik (tooi), m. gmv. Opsebikken {looien, sieren), ik heb âgeschikt; een kamer â; âking. v. Opschoeien (aanhoogen), ik heb âgeschoeid; een dijk, een wal: âsclloeiing,. v. Opsebommelen (bijeenscharrelen), ik heb â geschommeld. Opsebooien (bedelend verkrijgen), ik heb â geschooid. Opseborsen (uitstellen, verdagen), ik heb -geschorst. Zie; Opsehorten. Opschorten (uitstellen), ik heb âgeschort. Een vonnis, een oordeel, een geding â , d. i. op een later tijdstip stellen. Opscbrift (titel, adres, bijschrift), o. âen. Opscbroeven (fig. hoogelijk prijzen), ik heb â geschroefd; -ving. v. Opsebrokken (gulzig opeten), ik heb âgeschrokt; â sclirokker, m. Opscbudding (alarm, ontsteltenis, oproer), v. âen. Opscbiitten (7 water keer en), ik heb -geschut; â schutting, v. Opsiersel, o. â s, âen. Opsjorren (zeew. omhoog sjorren), ik heb â gesjord; de kisten â; âsjorring, v. Opslaan, ik sloeg -, heb en het is âgeslagen. Een tent â, oprichten; goederen â, bergen in een pakhuis; zijn broek zijn mouwen â, opstroopen; zijn woning â, vestigen; de oogen â, ergens heen wenden; de prijzen â, verhoogen. Opslag* (vei-hooging), m. âslagen. Opsleeliten (scheepsw. opknappen), ik heb â geslecht. Opsloot«'ii {met slooten omgeven), ik hob â gesloot. |
OPSLORPEN - OPWINDEN.
|
Opslorpen. Opslurpen (shirpeml o/idrin-keri), ik heb âgeslorpt ( â geslurpt); â slor-piii^' en â ;-iliirpiii^'. v. Opsnorreii(op.sv7#(»)lt;gt;. lt;6'/e)0, Ik heb â gesnord. Opsomnic*!! (op de rij af noemen), ik heb â gesomd; â in^1. v. Opspalken, ik heb âgespalkt. Den mond, de oogen â, d. i. wijd openzetten; â v. OpspanMeu, ik heb en liet is âgespannen; â ing', v. Snaren â , den trommel â, d. i. bevestigen, uitrekken, spannen. Opspelden, ik heb âgespeld; een prent â, vastspelden aan den muur. Opspelen (uitvaren), ik hebâgespeeld.gmz. Opsperren (wijd openzetten), ik heb âgesperd. Den mond â, wijd openen; â in;;', v. Opsporen (vinden, ontdekken), ik heb â ge- ; spoord; het wild â; een die/'; â iiijs-. v. Opspomven (opensplijten), ik heb âgespouwen. Opspraak, v. Hij is in â, men spreekt ongunstig over hem. Ãpstaan, ik stond â, ben âgestaan. Gij moet â, uit het bed komen; tegen iem. â, zich tegen hem verzetten; de gewesten stonden op, d. i. kwamen in opstand; ergens op staan, er aan hechten. Opstal, m. â len. De â tan een erf, d. i. de huizingen, stallen, enz.; de â ran een schip, de masten en touwen. Opstand (oproer, revolutie), m. âen. Opstandeling (muiter), m. en v. âen; voor het v. ook: Opstandelin^'e. Opstamlin^ (verrijzenis), v. gmv. Opstappen (heengaan), ik ben âgestapt. Opsteken, ik stak -, heb en ben âgestoken. Den vinger â; fig. het hoofd zich gaan verzetten; een vaatje hier â, er den tap ot' kraan in slaan; âer (hooivork met langen steel), m.; â injf, v. Opstel (schets, ontwerp, betoog), o. âlen. Opstellen (ontwerpen, schrijven), ik heb â -gesteld; âer, in.; -in$£'. v. Opstijven (stijf worden), het steef â, heb en het is âgesteven. Het strijkgoed ia wat slap, maar het zal nog wet wat â; â ins:, v. Opstoken (fig. ophitsen), ik heb âgestookt; â er, m.; â erij, v.; â inji', v. Opstrijden (opdringen), ik streed â , heb â gestreden. Hij streed mij dat op, d.i. wilde niet toegeven, dat het waar was. Opstuiven (fig. toornig worden), ik ben --gestoven. Hij stuift op als buskruit. Opstuwen (het water omhoog drijven), ik heb â gestuwd; âer, m.; â ins-, v. Optakelen (een schip optuigen), ik heb - -getakeld; â iiift', v. Optarnen (den naad lossnijden), ik heb en ben âgetarnd. Optassen (ophoopen, fig. verzamelen), ik heb â getast. Optatief (een wensch uitdrukkend, iven-schend), bn. en bw. Optatief* (wenschende wijs), m. â tieven. Opteekenen (noteeren), ik heb â geteekend; â aar, m.; â iiift-, v. Opteeren (kiezen, verkiezen, de voorkeur geven). Hij is gekozen in twee districten, voor welk zou hij â, denkt ge? Optellen (bijeentellen), k heb â geteld; â er. m.; een rekening â; â in;;', v. Opteren (opmaken), ik heb âgeteerd; een erfenisje â. |
Opteren (met teer besmeren), ik heb âgeteerd. Optiea. Optiek (gezichtkunde, kennis der lichtstralen), v. gmv. Optiens, Optieien (gezichtku)uiige), m. âci; â ciens. Optie (vrije keus, keur: het recht om uit verschillende dingen te kiezen), v. gmv. Optillen (o/)£wmi), ik heb â getild; â ing'.v. Optimaten (welgezinden of de besten in den staat), m. mv. Optiniatie (regeering der edelen of der aristocratie), v. gmv. Optimisme (optimis)nus, tevredenheid en ingenomenheid met het bestaande), o. gmv. Optimist (aanhanger of voorstander van het optimisnw), m. âen. Optiseli (gezichtknndig), bn. Een â instrumentmaker; er waren ook âe namen, als: Vaartzicht, Weizicht, Landzicht, enz. (C. O.) Optoelit (stoet, processie, feestelijke gang), m. âen. Optoomeii (den toom aandoen), ik heb âgetoomd. Een paard â; fig. een hoed â, de.i rand opslaan. Optreden (verschijnen), ik trad â , ben â -getreden; â in^', v. Optrek (huisje), m. -ken; âje: een âje huren. Optiii^en (het tuig aandoen), ik heb âgetuigd; een paard -; âer, rn.; â ing', v. Opulent (zeer rijk of vermogend), bn. Opulentie (overvloed, groote rijkdom, aanzienlijk vermogen), v. gmv. Opus (muz. werk), o. opera. Opvijzelen (opschroeven, in de hoogte vijzelen), ik heb âgevijzeld; een sluisdeur Opvijzelen (zeer prijzen), ik heb âgevijzeld; iem. eerdiensten â, iem. goede daden â, hemelhoog verhellen; iem. werk â; een opgevijzelde vermelding. (C. O.); âaar, m.; â -in^'. v. Op vlieden (fig. driftig worden), ik vloog â, ben âgevlogen; â injr. v. Opvliegend (oploopend), bn.; â lieid, v. Opvoeden (grootbrengen, vormen), ik heb â gevoed; âer. m.; âins*, v. Opvoedkunde (leer der opvoeding), gmv. Opvoedkundige, m. en v. â n. Opvoeren, ik heb âgevoerd. Ken tooneel- stuk â, geven, vertoonen; â in$r, v. Opvolgen, ik heb en ben âgevolgd. Een koning â ; een raad â, naleven; âer, m.; -ingf, v. Opuaeiiten. ik heb âgewacht. Zijn opwachting bij iem. maken, een plechtig bezoek afleggen; âer, m.; â iiitt*. v. Opuassen (opgroeien), het wies â, is âgewassen. Bij de eiken wies ik op. (Staring.) Opwegen, ik woog â, heb â gewogen. Parelen wegen op tegen goud, zijn van gelijke waarde. Opuekken (aansporen), ik heb âgewekt; -ins*, v. Opweüen (opborrelen), het is en heeftâgeweld ; â in;?, v. Fig. opbruisen, driftig worden. Opwerpen, ik wierp â, heb âgeworpen. Een vraag â, opperen; een schans â, omhoog werpen; zich â tot aanvoerder, zich zelf maken tot aanvoerder; â injf, v. Opwieken (lig. groot brengen, onderwijzen), ik heb âgewiegd. Iem. in alle deugden â. Opwinden, ik wond â, heb âgewonden. Het horloge â, garen â; de menigte d.i. |
OPZAMELEN - ORK F.ST.
|
aan den gang maken, aanzetten; zich zich driftig maken; ââ¬Â»r, m.; â inji'. v. (bijeenbrengen), ik heb âgezameld; â aar. m'; -iiift'. v. (uit het hoofd zegden; afzefjijcn; ontzeggen), ik heb âgezegd en â gezeid; -insi v. OpxciMlcn (verzenden naar een bepaalde plaats), ik zond â, heb âgezonden; â in»', v. Opzet (het opgezett', een toestel), m. âten. Oirrvi (beraamd /thin), o. gmv. Met â. 0|»z«gt;ttlt;'lijk (met voordaeht), bn. en b\v. 4^|»ziâ¬'lit {leiding, beheer), o. Ten âe van, met betrekking tót. Opxirlitor (opziener), m. â s. Hij is â hij den Waterstaat. Opzichtig, bn. en b\v.; Zij is â gekleed, d. i. bont, vreemd; âv. Opzien, ik zag â , heb âgezien. Gij zult er vreemd van â , d. i. verwonderd zijn; tegen iets â, bang zijn voor; hoog tegen iem. â,hem zeer iioog stellen; â er. in.; â ersambt. o. Opzitten, ik zat â, heb âgezeten. Laat. â, opblijven: â voor iemand, naar iem. pijpen dansen; iem. doen â, tot rede brengen. Oaar zal wat voor u â, gij zult een berisping krijgen. Opzoeken (opsporen, trachten te vinden), ik zocht â, heb âgezocht; â -in», v. Opzouten (in 't zout leggen), ik zoutte â, heb âgezouten. Fig. eoor lang wegbergen. Opzwabberen (scheepst. reinigen met den zivabber), ik heb â gezwabberd. Als de morgen aanbreekt, begint de knecht met het â van het dek, d. i. wasschen, schrobben. Opzwalpten (opspooten, opwerpen met den golfslag), liet is âgezwalpt. Ãpzweepen (opjagen, aanjagen), ik heb âgezweept; â er. m. Fig. ophitsen, aanvuren. Opzwellen (opzetten, dikker worden), het zwol â, is âgezwollen. â van toorn. Oraal (mondeling, woordelijk), bn. en bw. Ora el labora (Bid en werk). Ora»:eiiK (stormachtig, woelig), bn. Orakel (godspraak), o. â s, âen. Hij is een â, een zeer wijze en geleerde man; Iwt Delftsch â , Hugo de Groot; de jager is zijn (des polsdragers) â, zijn afgod. (C. O.) O ran»-ba roe (Mal. nieuweling, recruut), m. Oran»-kelJil (Mal. geringe man), m. â s. Oran»-oetan (aap, boschmensch op Soema-tra), m. â s. Ook: Maja*». Oranje (boom), m.; (vrucht), v. â s. Oranje (kleur), o. gmv. â boven! Oranje (roodachtig geel, goudgeel), bn. Oraiijeklanl (vriend van den stadhouder), m. eii v. âklanten. Oranjerie (wintertuin, broeihuis),v. âs, âön. Oratie (redevoering), v. âties, â tiën. Orator (redenaar), m. â s, âen. OralorlNeli (redekunstig), bn. en bw. âe figuren', hij sprak Ãraloriimi (muzikaal drama] bidvertrek), o. â ria, â riums. Orberen (nuttigen), ik heb georberd. Een ei:je -. Orcliesl, o. âen. Zie: Orkest. Oi-elieKtrino (muziekinstrument), v. â's. Orelie*trion (kabinetorgel), o. â s. 4lrlt;laliiini (godsgericht, vuur-en waterproef), o. ordaliën. Orde (regel), v. â n. Een man van â : â is de hefboom van den arbeid; de â der vogels. |
klasse: geestelijke ân, afdeelingen, vereeni-gingen; de â van Oranje-Xassau, run den Xed. I.eeuw, enz., d. i. ridderorde; âlint, o. Ordelijk (geregeld), bn. en bw.; â beid. v. Ordenen (regelen), ik heb geordend; âin», v. lt;lrlt;llt;'nteliik (fatsoenlijk), bn. eu bw.; â -beid. v. Order (bevel, last, opdracht), v. â s. Ordinair (gewoon, gewoonlijk), bn. en bw. Ordinari* (gaarkeuken, spijshuis), v. âsen. Ordineeren (li. I\. wijden, inzegenen). Ordonnans (ondergeschikt militair, die bevelen moet overbrengen), m. âen; â dienst, m. Ordonnantie (bevel, voorschrift; aanwijzing ter betaling op 's lands ontvanger), v. âties, â tiën. Ordonnaleur (bestuurder, opziener), m. â s. Ordonneeren (bevelen, gelasten, voorschrijven). Oreeren (een redevoering houden, deftig praten). Ore»o (onkruid, marjolein), v. gmv. OreilloiiKpasserlje (zeer kleine en fijne passer), o. â s. Oremus (Laat 0}is bidden), 't Is daar â, ellendig; hij is â, dronken. Or»aan (werktuig der zinnen; stem van een zunger; een courant van een partij), o. organen. Or»aniek, Or»aniseli (bewerktuigd, levend), bn. âieke wetten, hoofdwetten. Or»anisatie (inrichting), v. âtiën, ties. Or»aniseli (wat betrekking heeft op de bewerktuigde natuur), bn. De âe scheikunde; een â geheel. Or»aiiiseeren (van organen voorzien; een staat, een partij, een wet inrichten, vormen). Or»anisine. Or»anisniiis (inrichting: le-denbouw, geleding', gestel), o. â n. Het â van mensch en dier; de taal is een levend â. Or»anist, Or»elist (orgelspeler), m. âen. Or»eade (amandelmelk), v. gmv. Or»el (muziekinstrument), o. â s, âen. Igt;r»elen (fig. orgelend zingen), de nachtegaal heeft georgeld. 4lr»elisl, m. âen. Zie 4gt;r»aiiisl. lt;^r»ie (llacchusfeest; nachtelijke zwelgpartij), v. orgiën. Oriënt (het oosten, het morgenland), o. gmv. Oriëntaal ((tos t er se h'; morgenlandsch), bn. Oriëntalist (kenner van Oost. talen), m. â en. Oriënt«'er«'n (zieb) (r/r// naar de vier hemelstreken wenden; toezien waar men is om Xiiet te dwalen; fig. zich bezinnen; nauwkeurig toezien, poolshoogte nemen). Oriilaninie (rijksvaan der Franken), v. gmv. Ori»inaliteit (oorspronkelijkheid, eigenaardigheid), v. gmv. 4lri»iiie (oorsprong, begin, het entstaan van een ding en de manier, hoe het ontstaat; bron; afkomst van een persoon of een zaak), v. gmv. Ori»ineel {oorspronkelijk, zonderling), bn. Ori»iiieel (het oorspronkelijke; zonderling, vreemd mensch), o. â neelen. Ori»ineeren (ontstaan, herkomstig zijn). Orinbaar (jong matroos), m. âbaren. Orion (schitterend sterrenbeeld), m. gmv. Orkaan (draaiende stormwind), m. orkanen. De âanen heerschen vooral tusschen de keerkringen. lt;lrkest (plaats, waar de toonkunstenaars zitten; de toonkunstenaars zelve), o. -en. |
ORNAAT-OVEREENBRENGEN.
329
|
Ornaat (ambtsgewaad van yecstelijken), o. In vol OrnanicMit, Oriukiiilt;gt;iit (sieraad, versierend bijwerk, versiersel), o. âen. Oriiaiiiciit «'eren (met ornamenten opsieren). (versieren, optooien). Oriiitliolo$;-ilt;gt; {beschrijving der vogelen), v. gmv. 4gt;riiit{vogelkenner, â beschrijver), m. âlogen. ^^ro^rapliio {beseJirijving der gebergten), v. gmv.; â jrrapliiseli. bn. en bw. A*ril\nt\njL{reelitzinnig,oialgeloovig)^u.ex\ bw. 4^rtlio«loxe {rechtzinnige), m. en v. ân. Ortliofloxie {rechtzinnigheid), v. gmv. 4lrtliolt;;|»io {uitspraakleer), v. gmv. ^^rtho^rapliio {spelkunst, kuust om juist te schrijven), v. gmv. ilrtUâ¬gt;tsrsii*Mamp;cU'{spvlki(ndig, naar de juiste spelling), bn. en bw. 4li*f lio|»Hkflilt;k {leer der middelen tot herstel ran verkrommingen, enz.), v.; â paMliseli. bn. âe gymnastiek. Os {rund), m. âsen. Ken wilde â. een span â sen; van den â op den ezel, van den hak op den tak. OMlt;aillatiâ¬k {slingering), v. â tiën, âs. (slingeren, als b.v. de slinger eens unrwerks). lt;lNiiiaiilt;'ii (Turken, zoo genoemd naar sultan Osman, ± 1300), m. mv. 4^gt;islt;^-4'l»raa4l, o. gmv. ^KsNekop. m. âkoppen. o. gmv. O.sNcnclril't {aantal ossen), v. âdriften. OsM'iiliaaN (ruggestuk), m. âhazen. 0gt;i«4eii«»o$£ {oog van een os), â oogen. 4lKt(kiiKoriiiiii. o. âs, âria. Zie .Monstrans. 4lstf'iitati«' {praalzucht, tentoonspreiding), v. gmv. Ostpnfr^roii (tentoonspreiden, vertoon maken). OslraoiKino. Ost racism iik (het scherven-gericht in Athene), o. gmv. à tempora! o morrs! d. i. O tijden, o zeden ! afkeurende uitroep van C icero over de verdorvenheid van zijn tijdgenooten. 4^liiim lt;*iim lt;li^-iiitato. liet magere drietje van Huren .... leefde in otio â van een kleine lijfrente (C. O.), d. i. in edelaardig nietsdoen. Otter (^ersr/ieto*. zoogdier), m. âs. Fig. domoor. 4ltt4miaii {Turk), m. âmannen. iittnmiino {Turksch rustbed, lage sofa), v. â n. 4^algt;olliK, {toornig; snaaksch), bn. vero. Oilli {voormalig), bn. Een oud-minister, ouder gewoonte; in âe tijden, dagen, lang geleden; de âe geschiedenis. Hij is een âe rot, een slimme vos; het âe Testament; naar een âe methode; alles bij het âe laten, niets veranderen. Oiilt;ll»akklt;gt;ii {belegen, fig. ouderwetsch), bn. Oude {bejaarde), m. en v. â n. De ân, Grieken en Romeinen. OiKle-niaimenliiiis {godshuis), o. âhuizen. Ouder, m. Zie Ouders. Ouderdom {leeftijd), m, gmv. Ouderling' (Prut. lid van den kerkeraad, zorgend voor de zuiverheid der leer), m. â en. Ouders. Ouderen, m. mv. Van ouder tot ouder, d. i. van geslacht tot geslacht. W ij {predikanten) ontvangen de kleinen uit de hand van ouder en leermeester. (Koetsveld.) Ouderwets {naar ouden trant),hw. â gekleed. |
Ouderwetseli, bn. Ken â huis; een â theeservies. (C. O.); â lieid. v. Oiide-vrouuenliuis (godshuis), o. âhuizen. Ou4l$;'ast (oud-Ind. ambtenaar), in. âgasten. Oii4l$;-4'4li4kn4l4' (oud-soldaat), m. â n. Ou4l»'r4M»tni4»e4l4'r {overgrootmoeder), v. --s. Ou4i;gt;-r4»ot vad4'r (overgrootvader), m. â s. Ou4llieid, v. âheden. Hij is koopman in â -heden, antiquiteiten. Oiiliu^s {eertijds, oudtijds), bw. Outaar. Outer (o/ferplaats, olJertafel), o. âaren, â ers. Ouverture (inleiding eener operu; begin, opening), v. â n, â s. tlau4kl. m. âs. Oiiwlen (sluiten), ik heb den brief geouweid. Ouw4klijk. bn. en bw. Hij ziet er â uit. Ovaal (langwerpig rond), bn. Ken â geluid. Ovaal (figuur), o. ovalen. Ovatie (luidruchtig eerbeu)ijs),\. âtiën, âties. Ov4'n (stookplaats), m. â amp;. tlver, bw. en vz. Het onweer is â, voorbij; haal mij â, aan de andere zijde; er is geld â, te veel; de stad is â, iti 's vijands hand; vz. Ken kleed â de tafel, er overheen; â een steen vallen; â de straat loopen; â een plank, een brug gaan; â Utrecht naar Amsterdam, langs; â dag, gedurende; hij is â de zeventig^ ouder dan; het is â vieren, later dan; ge zijt â de helft, verder dan. Overal ('gt;/) uUe plaatsen), bw. God is â. Overblijfsel (overschot), o. âs, âen. Ov4krlgt;4Miig* (overtollig), bn. en bw.; â iiei4i.v. Overbreiift-en, ik bracht â, hebâgebracht; âer (fig. verklikker), m.; â iiig*. v. Overbrieven, ik hel» â gebriefd. Wie heeft hem dat nu âgebriefd'? âer. m.; -injj. v. tlv4'rbru^-en. ik heb âbrugd. De rivier zul hier âbrugd worden; â ft-inft-, v. tlv4'i*buur, m. âburen. tlver4'4»nipl4k4kt (overtallig), bn. Ken â boekdeel. tlverdaa4l (verkwisting, weelde), v. gmv. Over4ia4li$;- (onmatig), bn. en bw.; â lieid. v. 0%-4'r4l4»k (scheepst. bovendek), o. âdekken. Overd4'k4'n (voornaamste deken), m. âs. Ovlt;'r4li'iik4'ii (overpeinzen), ik âdacht, heb âdacht; âills', v. t^V4'i*4l4»4kn (opnieuw doen), ik deed â, heb â gedaan. Overdraelit, v. âen. De â van de fabriek zal weldra plaats hebben, d. i. het overgaan aan een nieuwen eigenaar. Ov4'rdrac*lit4klijk (figuurlijk), bn. en bw. Over4iraelitsbriet'. m. âbrieven. Overdragen (afstaan), ik droeg â, heb â -gedragen; -lt;kr. m.; -in;;-, v. Overdreven (b ntensporig), bn. en bw. Al, wat hij schreef, was erg â, vergroot; â -ll4'Ilt;I. V. Overdrijven, het dreef â, heeft en is âgedreven; ook: âdreef, heb âdreven. De bui is âgedreven, d. i. naar een andere streek gedreven; deze man âdrijft bij al, wat hij vertelt, d. i. vergroot; â ing-, v. Overdruk (afdrukje), m. âdrukken. Overduivelen (overbluffen), ik heb â duiveld. Over4lu'ars, bw. lem. â aanzien, met minachting; iem. â komen, d. i. tegenwerken, dwarsboomen. Overeen, bw. Dat komt â uit. Overeenbrf^ngen, ik bracht â, heb âgebracht. Wij moeten beide plichten met elkaar |
OVEREENKOMENâOVERLIJDEN.
330
|
zien â te brengen, d. i. zien te rijmen, te doen overeenstemmen. '?â *lt;'(»â ikomon {overeenstemmen), ik kwam â, ben âgekomen. Ovrroeiilioinst (regeling), v. âkomsten. Overlt;keii»rteiiiiiicii. ik lieb âgestemd. Deze vrienden stemmen in alles â, d. i. zijn van hetzelfde gevoelen; âmin;;-, v. Ovoreind {rechtop), bw. Een paal â zetten. Overftraat'. Overgave, v. De â eener vesting. 4lverK'aaii. ik gingâ, benâgegaan. Tot een hoogere klasse â, bevorderd worden; dat zal met den tijd ivel â, verdwijnen; tot iets anders â, een ander onderwerp beginnen; tot bederf â, tot verrotting â, d. i. beginnen te bederven, te verrotten; tot den vijand â, de-serteeren, overloopen; tot een anderen godsdienst â, van godsdienst veranderen. Overlt;;-aiilt;;-. m. âgangen. Ovâ¬'r$£'aiiklt;klijlt {wat kan overgaan), bn. Een â werkwoord. Zie: Transitiof'. 0%'er^ave, v. gmv. De â der stad Haarlem-, de â der sleutels; lig. een volkomen â van bewondering, (v. DeysseL). Overgegeven, bn.quot; Een â booswicht, zeer slecht, snood; Pieter begon mij voor een â lichtmis te houden. (C. O.); â heid, v. «vergeven, ik gaf â, heb -gegeven. Zich op genade of ongenade aan den vijand â, d. i. zich in zijn handen stellen; de vesting moest zich â; ik heb een gevoel, als moest ik â. d. i. braken. Overgeving (lijdzaamheid), v. âen. Overgieten, ik goot â, heb âgegoten; ook : ik âgoot, heb âgoten. Deze tare makkers zijn met hetzelfde sop âgoten, d. i. ze zijn even slecht, hebben dezelfde gebreken; â ing.v. Overgrootmoeder, v, âs; â vader, m.âs. Overhaal (veer), in. âhalen. Overliaal.sclinit (veerschuit), v. âschuiten. Overhaasten, ik heb âhaast. Gij moet mij zoo niet â, d. i. voortjagen met mijn werk; -ing, v. Overhaastig (met overhaast), bn. en bw. Overhalen, ik heb âgehaald, fem. tot iets â, bepraten; de veerman zal ons wel â. Overhand (meerderheid), v. Die meening heeft thans de â, is de heerschende. Overhandigen (ter hand stellen), heb --handigd; -ing. v. verhebben, ik had â, heb âgehad. Veel voor iem. â, d. i. gaarne iets doen voor iern.; ik heb er geen geld, geen moeite voor over. Overheer (opperheer), m. â heeren. Overheeren (als heer besturen), ik heb â âheerd; âing. v. Overheerlijk (voortrelfelijk), bn. en bw. Overheersehâ¬gt;n (beheerschen), ik heb â -heerscht; âer, m.; -ing, v.: Het land zuchtte onder vreemde âing. Overheid, v. -heden. De burgerlijke, de militaire â, d. i. het gezag. Overheidsambt, o. âambten; âpersoon, m. âpersonen. 41 verhellen, ik heb âgeheld. Deze muur gaat â, overhangen, uit het lood zakken; tot iem. voorstellen gaan â, er ooren naar gaan krijgen; âling (neiging), v. 4lverhemd, o. âhemden. 4gt;verhoeks (hoekswijs, dwars), bw. 4lverhoeksâ¬*li. bn. Een âe lijn, d. i. diagonaal. 4gt;verhooigt;liggen, ik lag â, heb âgelegen. Met iem. â, in onmin leven. |
4gt;verliooigt;raken, ik ben âgeraakt. Al de papieren waren overhoop geraakt, d. i. in de war, dooreen. Fig. fwt oneens worden. 4Kerliooren,-ik heb âhoord. De les â, d. i. afhooren, laten opzeggen; âing. v. 41 verhouden (sparen), ik hield â, heb â -gehouden. Overig (overgebleven zijnde), bn. De âe dagen. Overige (de rest), o. Voor het â. Overigens (voor 't overige), bw. 4gt;verijlen (xieh), ik heb mij â ijld. Overijl u niet, d. i. loop niet te haastig; lig. neem niet te ras een besluit; âing. v.: Hij opent zijn reistasch met veel â ing. (.T. t. BiO 4gt; ver jagen, ik jaagde (joeg) â, heb âgejaagd; ook: ik âjaagde, heb â jaagd. 4gt;verjarig, bn. Dit is âe wijn, d. i. meer dan een jaar oud; een âe huismansdochter, boven de jaren der eerste jeugd. (Potg.); â -heid. v. 4gt;verjas (tweede jas), v. âjassen. 4gt;verjnrk (morsjurk), v. âjurken. 4lverkant (aan gene zijde), m. gmv. 4gt;verkappen (met een kap bedekken), ik heb âkapt. Het terrein bij het station gaat men â; âing, v. Overkleed (kleed ing stuk), o. âderen, âren. 4)verkleed (dekkleed), o. â kleeden. 4^verkoinelijk (wat men te boven kan komen), bn. Die schade is wel â. 4gt;verkoinen. ik kwam â, ben âgekomen; ook: het âkwam, is âkomen. Mijn vader zal â, d.i. hier heen komen; wat is a â, wat is er met u gebeurd? 4lverkonist (bezoek), v. gmv. 4lverkop (hals-), bw. Hij viel â naar beneden. 4gt;verkort (al te kort), bn. 4KerkriJgen. ik kreeg -, heb âgekregen. De voerman kon den ezel het bruggetje niet â . Wij krijgen fatiiilie â, d. i. be/.oek krijgen. 4gt;verlaat (waterloozing), m. âlaten. 41 verladen (overdoen), ik laadde â, heb â -gel.aden; ook: ik âlaadde, hel) âladen (te zwaar beladen. Men moet de jeugd niet met werk â; gij moet uw maag niet â; iem. met weldaden â; âing, v. 4lverland, bw. Hij reisde â naar Jeruzalem-, hij reisde met de âmail naar Indië, d. i. ging eerst in Napels of Genua scheep. 4^verlangen (overreiken), ik heb âgelangd. 4gt;verlangs (overdwars), bw. Iets â doorsnijden, d. i. in de lengte. 4gt;verlangseli, bn. Een âe doorsnede. 4gt;verlast (hinder), m. Die bengels doen ons â aan. 4lverlaten. ik liet -, heb -gelaten; âing, v. Overledene (afgestorvene), m. ei v. â ti. Overleg (nadenken), o. â is het halve werk-, iets met â doen; met gemeen â, d. i. na beraadslaging. 4H'erleggen, ik heb âgelegd (-geleid); ook: ik âlegde (leide), heb â legd ( â leid); -ing, v. 4H'erleven (langer leven), ik heb â leefd. Iem. een verlies â; âing. v. 4gt;verleveren (overgeven), ik heb âgeleverd; -ing (lig. traditie), v. 4gt;verlezen (nog eens lezen), ik las â, heb â gelezen. Men liet het zieke kind â, d. i. er eenige gebeden over uitspreken; âing. v. 4lverlijden (overgaan), hij âleed, isâleden. Hij is gisteren overleden, d. i. gestorven. |
OVERLIJDEN-OVERTOOM.
331
|
Overlijden (sterven), o. gmv. Na zijn Ovcrloiiinicreii {overschatluwen), de linde heeft het huisje âlommerd. Hen âdr wer/. Overloop, m. âen. Wat praat niendan van ezels! 't Is â van gal. (Bild.) Overloop (f tor taai, duorciamj), m. âen. ^^verloopcMi. ik liep heli'en ben âgeloo-pen; ook: ik âliep, hel âloopen. Hij is naar (fe)i vijand oceryeloopen; vrienden moeten elkaar niet â, d. i. te dikwijls bezoeken; âer (deserteur) m.; â insquot;, v. lt;^verliiilt;l (Jiardop), b\v. Hij zei dat alles â. d. i. iedereen kon het hooren. 4^verliiilt;leii. Ov«'rliiieii. ik heb âInid. Men zal den doode morgen â, d.i. de doodklok over of voor hem trekken. Overiiisui^eli. bn. De âmasche dorpen, d. i. !ian de zuidzijde der Maas. Overmaat, v. Tot â van smart, ram}', ellende, d. i. alsof er nog geen smart enz. genoeg was. Overinaelit. v. Het Franschc lef/er moest zwichten voor de â, d.i. het vijnndelijk leger was veel talrijker. Overmaken, ik heb âgemaakt. De knaap moest zijn werk â, d. i. opnieuw maken; ilelden â, overzenden. Overman (hoofd, aanvoerder), m. âlieden, â lui. De â van een gild. Overmannen (doen hakken), ik heli âmand. De wacht werd âmand, d.i. door overmacht overwonnen, overweldigd; de moeder was door droefheid overmand, d. i. overstelpt, terneergeslagen. Ãvermati;;' (de maat te boven gaande), bn. on bw. Zij dronken â veel. O'vermati;? (te matig), bn. Nooit zal hij sterken drank gebruiken, hij is â. Overmeesteren (overweldigen, onderwerpen), ik heb â meesterd; â insv v. O verm its (dewijl, aangezien, omdat), vw.vero. Overmoed (vermetelheid), m. gmv. Overmojfen (te boven gaan, het winnen), ik â mag, âmocht, heb âmocht. De Koran moest â, waar godsdienst een schijn werd. (Da Costa.) Overnaeliten (den nacht doorbrengen), ik heb ânacht; -injr. v. Overiienien. ik nam â, heb âgenomen. De kolonel nam het bevel over; hij heeft deze /voorden van Bil der dijk overgenomen, d. i. aan B. ontleend; â in$£:, v. Overiioeining: (metungmia), v. âen. De tering doodt wis als '£ grievend staal (= dolk). De Gen. Overomi (zeer oud), bn. Een âe eik. Overoii4i$?rootmoeder, v. â s; âgrootvader, m. âs; âmoei, v.âen; âoom (nl. v. e. der grootouders), m. â s. Overpeinzen (overdenken), ik heb âpeinsd; â er, m.; â ingv, v. t^verplaatsen, ik heb âgeplaatst. De luitenant werd overgeplaatst, d. i. naar een ander garnizoen gezonden; â ins*, v. Overreden (door redeneering overhalen), ik heb âreed; â in^'- v. Overrompelen (mil. een wacht, een leg eraf dee ling verrassen), ik heb ârompeld; -ing?. (verrassing en tvel met groot gerommel), v. OverNeliadnwen, ik heb âschaduwd. De h ut was door lindeloof overschaduwd; iets..., «lat zijn onvoorzichtige, herinnering âde. (C. 0.); d.i. met een schaduw bedekken, aan |
't oog onttrekken; fig. bescher men: De kracht des Heer en zal hem â; (bescher ming),\. Overseliari;? (overschietend, buiten de verdeeling vallend), bn. Een âe heer. (C. O.) Overschatten, ik heb âscha.1.. De vijand had zijn krachten overschat, d. i. te hoog geschat; â 111$?, v. Oversehepen (overladen), ik heb âgescheept; â ins*- v. OverKeliep|»en (scheppende overbrengen), ik heb âgeschept. Gij znlt die visschoi moeten â in deze schuit; â injj. v. Over*eliieten, ik schoot â, heb er; ben â -geschoten. Er zal niet veel overb'ijven. tgt;verseliitteren. ik heb â schitteivl. Fig. aitmunten boven, in de schaduw stellen. tftverKlt;'li4Mgt;n, bn. en bw. Een â gedicht, in hooge mate schoon; hoe â is de aard getooid ! (Ledeganck). 4 Averse hot (rest, restant), o. âschotten, tlvt'rsehrijden (stappen over), ik âschreed, heb âschreden. De grenzen â; zijn bevoegdheid â, d.i. te buiten gaan; -injr. v. Overseinen (telegrapheeren), ik heb âgeseind. He heb dit bericht doen â aan die krant. Overslaan, ik sloeg â, heb en ben âgeslagen. Hij sloeg de m oei el ij k heden maar over; de vlammen sloegen op de kerk over; tot iem. gevoelen â, d. i. overhellen; tig. Kwade namen moet men â, onaangenaamheden moet men niet aanroeren; een overgeslagen halsboord. (C. O.), d. i. omlaag geslagen. Ov erslag* (rand, omslag), m. âen. Fig. berekening, raming. Een â van haar profijten vervult'den tasschentijd. (Staring). Overspannen (te zeer inspannen), ik â -spande, heb âspannen. Hij zal zich nog â. d.i. zijn zenuwgestel ondermijnen; âills', v. Overstaan (ten), o. Het examen zal afgenomen worden â van den inspecteur, d. i. in tegenwoordigheid, in het bijzijn van. Overstag?, bw. â gaan, tvenden: over een anderen boeg gaan, wenden; â vallen, tegen den wind inhouden; â raken, den wind van voren krijgen; iem. â werpen, schrik aanjagen, hein ontstellen; iem. â helpen, d. i. doen vallen, den voet lichten. Overste (luitenant-kolonel), m. ân. Ook: hoofd, bestuurder, bestuurster, als: De â van een idooster. Overstek (oversteeksel), o. âstekken. Oversteken, ik stak -, heb en ben âgestoken. Met een bootje de rivier â, d.i. over-varen. Morgen steken wij 't Kanaal over. We zullen gelijk â, d.i. bij het ruilen overhan-digen. Overstelpen (hg.overladen), ik heb -stolpt; wij worden met krantj es overstelpt; de redactie is overstelpt met kopij; de bruid werd overstelpt met geschenken; zij was overstelpt van droefheid; âills', v-Overstroomen, het is âgestroomd; ook: het heeft âstroomd. Zijn mond stroomt over van lof; onze markt wordt overstroomd met Duitsche goederen; âins- v. Overstuur, bn. en bw. Er is niets â , in de war; hij raakte geheel -, d.i. uitzijn gewone doen; er is niets'aan â, er is niets aan gelegen. Overtoeht (reis, te water), m. âtochten. Overtomen (overdekt met), vd. Zijn gelaat was met de schaduw des doods â. O vertollis' (overbodig), bn. en bw.; â heid,v. Overtoom (dam met sleephelling), m. âen. |
OVERTREDEN - P.C.
332
|
In Amsterdam zijn norj twee âen, d. i. plaatsen, waar schuiten van het eene vaarwater in het andere worden gebracht, zonder van een schutsluis gebruik te maken. Overtreden (schenden), ik âtrad, heb â -treden. De wet â, de geboden Gods â, d. i. schenden, niet houden; âer, m.; â iug-, v. Overtrefien (fig. voorbijstreven), ik âtrol', heb âtroffen. Overtrek {linnen zak), o. âtrekken. Het â van een peluw, van een bed. Overtrekken, ik trok â, heb en ben âgetrokken; ook: ik âtrok, lieb âtrokken. Zij trokken de rivier over. Deze canapé is nwf trijp overtrokken. Overtuigen {met zekerheid bewijzen), ik heb â tuigd. Zich van iets â; hare tranen hadden hem (Kegge) overtuigd, dat hij haar ongelijk had aangedaan. (C. O.); â iny, v. Overtiii$;'enlt;l, bn. en bw.; een â bewijs; â sprekei I. Overvaart {overtocht, veer), v. gmv. Overval (aanval), m. âvallen. Overval (toeval), o. â len. Hij kreeg een â. Overvallen, ik viel â, ben âgevallen; ook: ik âviel, heb âvallen. Ik viel over een steen. De nacht overviel ons, verrassen. Overvlenjffelen (})U't een leger omsingelen), ik heb âgevleugeld. Fig. het winnen van: De handel van Antwerpen zul dien van Amsterdam nog â ; â ing*. v. Overvloeit, m. Hier wast koren in â, d. i. meer dan noodig is; de hoorn van â; ten â e, daarenboven. Overvloedig, bn. en bw.; een âe oogst', â â Iieiil, v. Overvloeien, het heeft en is â gevloeid, liet laud, âd van melk en honig. Waar het hurt van vol is, vloeit de mond van over. Mijn hart vloeit over van dankbaarheid; â ingquot;, v. Overvlns' {zeer vlug), bn. en bw. Overvoeren (overf/renr/m), ik heb â gevoerd. Overvoeren (overvoederen), ik heb â voerd. Overvragen, ik âvraagde ( â vroeg), heb â vraagd. In een soluien winkel overvraajt men nooit, d. i. te hoogen prijs vragen. Overweg (kruisende weg), m. âwegen. Overweg, bw. Hij kan met alle menschen â , d. i. omgaan met. Overwegen (nadenken, overleggen), ik â -woog, heb âwogen. Overwejs'end (gewichtig), bn. iets van â belang, d. i. van zeer groot belang. Overwetf-ing- (fig. overdenking), v. â en. Hij schrikte terug voor de uitkomst zijner âen. (J. t. Br.) |
Overweldigen (bemachtigen), ik heb â wel- digd; âer, m.; â in$;\ v. Overwelfsel, o. â welfsels. Overwelven, ik heb â welfd; een kelder â; â ing*, v. Zie: Overwnlven. Overwerken, ik heb âgewerkt; ook: heb mij âwerkt. Deze knecht heeft eiken dag een uur overgewerkt, d. i. langer gewerkt; gij zult u nog â, overspannen; âinjy, v. Overwielit, o. gmv. Er is een kilo â, meer gewicht dan vereischt wordt. Fig. macht, aanzien, invloed. Overwinnen, ik âwon, heb âgewonnen; ook: ik âwon, heb âwonnen; âin;?, v.; â -winst. v. Over%vinteren, ik heb â winterd. Di' Hollanders moesten op N. Zembla â, den winter doorbrengen; â ing, v. OverwonneliiiK' (die overwonnen is), m. en v. âen; voor het v. ook â e. OverwnlfVI (met e. gewelf overdekt), hw. Het âe venster van Clermonts opperzaal. (Bild.) Overwnlven (met een gewelf bedekken); een sloot, een beek â. Ook: Overwelven. Overzeeseli, bn. In de âe landen, d. i. aan gene zijde van den oceaan; âe bezittingea. Overzetten (fig. vertalen), ik heb âgezet; â er (vertaler), m.; â ing?, v. Overzicht (uittreksel), o. âen; een â der vaderl. gesch iedenis. Overzien, ik zag â, heb âgezien; ook: ik â zag, heb âzien. Hij zag die fout over het hoofd, d. i. bespeurde ze niet; de onderwijzer moet zijn klas leeren â, in het oog vatten. Overzijde, -zij (aan gene zijde), v. gmv. 0%'erzindelijk (zeer zindelijk), bn. en bw. Overzulks (daarom, om die reden), bw. vero. Oxydatie (het verbinden met zuurstof, verzuring), v. â tiën, âties. Oxyde (metaalzaur), o. gmv. Oxydeeren (met zuurstof verbinden, ver-z uren; verkalken). Oxygeen, Oxigeniiini (zuurstof, de grondstof der levenslucht), o. gmv. Oxy^oon (spitshoek), m. â gonen. Oxymoron (stijlfiguur, enge verbinding van twee tegengestelde begrippen), o. â s. b.v. Een jeugdig grijsaard; de Friezen waren eendrachtig in tweedracht. Ozone, v. Ozon (sterk riekende actieve zuurstof ) , o. gmv. OzoniM^eren {met ozon behandelen). Men neemt tegenwoordig proeven met het â van water, d. w. z. om het water van bacteriën te ontdoen door middel van ozon. |
p.
|
P, v. p's. â De zestiende letter van het alphabet. P. â Pater (vader), patres (vaderen), patriae (des vaderlands), pi us (vrome), pontifex (opperpriester), populus (volk). p.seq. â Partes uiquales, met of in gelijke F. of Pag'. â Pagina, bladzijde. [deelen. P.A. â Par ami of amie, met vriend of vriendin (op adressen). |
P.A. â Propriétr assurée, verzekerd eigendom. Par. â Puragraaf, afdeeling. part. eorr. â particuliere correspondentie. P.C'. â Par couvert, ingesloten, onder omslag; ook: pour condoleance (op visitekaartjes), voor rouwbeklag. P.C. â Patres conscri^ï, beschreven vaderen. Pe., Pet. â Pro cento, percent, ten honderd. |
P D.-PAARLEMOEREN.
33:3
|
1Mgt;. â Pro Deo, om Gods wil, om niet. penn. â penningen. per». â persoon. I*.Ex. of P.E. â Par ej-emple (per e-remplum), bijvoorbeeld. P.Ãxpr. â Per expressum, met een bijzonderen bode. P.F. â Par faveur^ uit gunst; ook: pour fêliciter(op visitekaartjes), tot gelukwensching. p.f.v. â pour faire visite (Fr.), om bezoek ai' te leggen (op een visitekaartje). Phil. I)r. â Philosophia'. Doctor, Doctor of Meester in de wijsbegeerte. PI. - Plaat. PI. â Pluralis (meervoud). I».ni. â plus minus, ongeveer. P.m. â Pro memoria, tot herinnering, om in gedachten te houden. Piae memoriae, zaliger gedachtenis. Pro mille, por duizend. Po. â Primo, ten eerste; op den eersten dag der maand. P.O. â Per order, op last van. P.occ. â Per occasionem, par occasion (Fr.), met of bij gelegenheid. Port. â Portugeesch. P.P. â Pater prior, titel van den eersten of voornaamsten geestelijke in een klooster. P.P. â Per procuratie, cp lastgeving van, als lasthebbende. P.P. â Pater patriae, vader des vaderlands. â piu piano, zachter, (muziek). â pour prendre com/t', om afscheid te nemen (op een visitekaartje), p.p.p. â pianissimo, zeer zacht, (muziek). P.K. Populus Ronunius, het Romeinsche volk. Pr. of Praet*. â Praecedens, de voorgaande. Praef. â Praefatio, voorrede; praefertus, stedehouder, prefect. praes. â Praesens, tegen woord i g o f praesen te, in tegenwoordigheid van. P.R.C'. â Post llomam ronditam, na de stichting van Rome. pr«'lt;*. â precies. Pr cd. â Prediker (Salomo). Pres. â President. Proe. â Procureur. Prof. â Professor, hoogleeraar. prop. â proponent. Zie aid. prâ¬Â»t. â protocol, â Protestanlsch. prov. â provincie. Prov. bl. â Provinciaal blad. Prov. Sf. â Provinciale Staten. P.S. â Postscriptum, naschrift. P«. â Psalm. p.st. â pond sterling (Engelsch, f 12.00). P.T. â l^ost Trinitatis, na het feest der heilige Drieëenheid. Pa {vader), m. â's; paatjo. Paadje (smal pad), o. Zie Pad. Paai (oud man, oude zeebonk), m. âen. Oud zijt gij, â Wit bol! Wat schort je, (Potg.) Paaien (tevreden stellen), ik heb gepaaid. Een kind â met zoetigheid. (C. O.), vleien, sussen. Paal, m. palen. Als een â boven water, voor ieder duidelijk; â en perk stellen, beteugelen, te keer gaan; dat gaat de palen te buiten, dat gaat al te ver. Paal (afstandsmaat in Indië, 1500 M.), m. palen. Paalwoning' (woning jp palen boven het |
water), v. âen. De âen zijn uit vóórhistori-schen tijd. Paalworm (boorworm in den Ind. archipel), m. âen. Men meent, dat de âen door schepen naar Europa zijn overgebracht. (Veth.) Paander (teenen broodkorf), v. âs. Paapje (boomsijsje), o. âs. Paar (twee bijeenbehoorende dingen, koppel), 0. paren. x Paard. 0. âen. Hij was op zijn âje, d. i. toornig; men moet een gegeven â niet in den bek zien, bij een geschenk niet te zeer taxeeren of te kieskeurig zijn; hij heeft de koorts en zweet als een â, hevig; vjerken als een â, hard; de âen achter den wagen spannen, een zaak verkeerd aanpakken; het oog van den meester maakt het â vet, toezicht doet de zaken gedijen; iem. op het â helpen, hem voorthelpen, begunstigen; iem. over het â tillen, hem te zeer begunstigen, te veel roemen; het hinkende â komt altijd achteraan, de bezwaren, lasten, kosten toonen zich op 't einde; ik zal u man en â noemen, ik zal alles in bijzonderheden vertellen; het â, dat de haver verdient, krijgt ze meestal niet, ware verdienste wordt zelden beloond; een ziekte komt te â en gaat te roet; het Trojaansche â binnenhalen, zijn eigen nederlaag of ongeluk bewerken; het gevleugeld â, Pegasus, paard der Muzen, âdichthengstquot;. Paard ekracht. (de kracht van een paard als maatstaf), v. âkrachten. Paardeloer, Paardenleer, o. gmv. Schoenen van â. Paardelijn (treklijn), v. âlijnen. Paardemaa;:', v. Hij heeft een â, hij is een sterk eter. Paarden (een schip laten trekken), ik heb gepaard. PaardenarlM'id. m. Paarden werR (zware arbeid), 0. Hij doet â. Paard«Miblocm (gele bloem der weide, hondsbloem), v. âbloemen. Paardenboon (peulvrucht), v. â boonen. Paardenkastanje (wilde kastanjeboom), m. â s; (de vrucht), v. â s. Paarden klauw (hoefblad), m. âen. Paardenkracht (eenheid van arbeidsvermogen), v. Een machine met zestig â, (niet âen); De nachtbooten der maatschappij Zeeland zijn van 8000 â. Paardenmiddel (buitengewoon krachtig middel), 0. âmiddelen. Paardenspel (circus, tent), 0. âspellen. PaardeiiNpoor (een tram, door paarden getrokken), 0. â sporen; â tram, v. â s, âmen. Paardenvlieg: (daas, insect), v. âvliegen. Paardenvoet (misvormde voet, horrelvoet), m. âvoeten. Paardenvolk (mil. ruiterij), o. gmv. Paarden wed (waadbare plaats voor paarden), o. âwedden. Paardenwik (paardenboon), v. âken. Ook; â wikke. Paardestaart, m. âen. Een pacha met drie âen (een Turksche onderscheidingsteeken). Paardestaart (onkruid), m. âstaarten. Paardevleesch, Paardenvleeheh (een houtsoort, om de kleur zoo genoemd), 0. gmv. Paarl, v. âen. Zie; Parel. Paarlemoer, Parelmoer (stof), o. Paarlemoeren, Paarlmoeren, Parel- |
PAARLMOSSEL-PALISSADEEREN.
|
moeren, b.v.: Een paar â knoopjes. l*aarlmoKNlt;gt;] (ook paarloester), v. â s. Ook; Parelmossel. Men vindt de â in de Indische zee. l*aarM (kleur), bn. âer, paarst; â v. PaaseliavoiKl. m. -en; -besl, o. en lm.; â bloem (koekoeksbloem), v. âen; â brood, o. âen; -daft1, m. âen; âei. o. âeren; -feest. o. âen; â sezan^. o. âen; â koek. m. âen; â lam. lt;». â meren; â maaiKla^*, in.; â os, m. -sen; âfij«l. m.; â vaeanlie. v. â tiën, âties; â vimr. o. âvuren; âweek, v.; â zoiKlag:, m. Faatje (vadertje), o. âs. Zie; Pa. Pare (sport, snelhe'-d, yatvj), v. gmv. I^ees: pees. l*aeeii (sport, gang maken), ik heb gei)aced. Lees; peecen. l*aeeinaker (sport, gangmaker, voorrijder), in. â s. Lees; pees-mee-ker. Pacha (7 'ur/csch staatsambtenaar), m. â ?s. Ook; Pasja. Pacht (huur), v. âen. In â hebben] â betalen. Paebten (in pacht nemen), ik heb gepaciit; â â¬Â»r, m.; â lioeve, v. Paeli.vderineii (dik h nidi gen), m. mv. De olifanten zijn â. Paeifieateur (vredestichter, bevrediger), in. -s. Paeifieatie (vredestichting, bevrediging), v. âtiën. De â van Gent (1576). Paeificeeren (vrede maken, bevredigen, verzoenen). Paeifiek {vredelievend, vreedzaam), bn. Paeifiekspoorwegfen, m. mv. In Amerika verbinden de â de kust van den Atlantischen Oceaan met die der Stille Zuidzee. Paeotille (pakkage, die een reiziger, zonder bijzonder vrachtgeld, mag medevoeren), v. gmv. Paetiim (verbond, verdrag), o. pacta. Pad (voetpad), o. âen. Het â der deugd, weg, baan. Wat waart ge vroeg op het â / Gij moet dit â inslaan. Pad. Padde (dier), v. âden. Hij zwelt op als een â, d. i. wordt erg toornig. Paddengfif'. â jsift, o. gmv. Paddenstoel (zwamplant, woekerplant), m. âstoelen. Padi (Ind. rijst in den bolster), v. gmv.; â -oojrsi, m. -en. Ook; Padie. Padisjali (heer der Koningen, sultan van Turkije), m. â s. Paedayojri*' (onderwijskunst), v. gmv. Paedaffogiek (opvoedingskunst), v. gmv. Pa'da^o^iseb (opvoedkundig), bn. Pii'da^o^iiiin (opvoedingsgesticht), o. âgia. Ã*iKilnswgt;s(onderwijzer, opvoeder der jeugd). Paf (oorveeg), rn. â fën. |m. âgogen. Paf (lusteloos, loom), bn. â â¢af. tw. I*afli^ (opgeblazen), bn.; â bciil. v. Pafferi;;. Pafzak (dikkerd), m. en v. âzakken. Pagaai ([ndiaanscheroeiriem, korten breed), v. âen. Pagaaien (met de pagaai roeien, wrikken), ik heb gepagaaid. Pa$£adet (soort van duif), v. âten. Pavrxiii^nxiK (heidendom), o. gmv. Page (edelknaap), m. â s. Pag-e (pagina, bladz.), v. â s. Pag-g-er. Pagar (Ind. omheining, heg), v. â s. Een bamboezen â. Pagina (bladzijde), v. â's. |
Paginatinir (bladzij den-no mme ring), v. -turen. Pagineeren (de bladzijden van volgnom-mers voorzien)] een handschriftâ; âing,v. Pagode (Chineesche tempel, ook pop, afgodsbeeld), v. â n, â s. Pagod iel. o. gmv. Zie: Agalniatoliet. Paillas (stroozak), m. âsen. Fig. hansworst. Paillelten (goudloovertjes), v. mv. Pair, lees; peer (lid van het Hoog er huis in Engeland; lid van de eerste kamer in Frankrijk; oudtijds een graaf of hertog), m. â s. Pairsebap (de waardigheid van pair, lees; peerschap), o. gmv. Pajong (Ind. zonnescherm; ook distinctief van rang), m. â s. Een bejaarde Maleische matrone met een bruinen â. (J. t. Br.); den gouden â voeren, een aanzienlijk Inlandsch edelman zijn. Ook; Pajoeng. Pak. o. âken. Een â slaag; over zijn met â en zak, alles overgehuisd hebben; daar valt mij een â van het hart, een groote zorg heb ik nu minder; ieder moet zijn âje dragen, ieder heeft zijn kruisjes; bij de âken blijven nederzitten^ moedeloos zijn, de handen in den schoot leggen. Paketboof (mailboot), v. âbooten. Pakkage (reisgoed), v. â s. Pakken (inpakken), ik heb gepakt; âer, m.; â«'rij, v.; âing (opvulling om den zuigerstang om het ontsnappen van stoom uit den eg Under te beletten), v. Pakket (klein pak), o. âten. Pal (zeker werktuigje, ook zetter, vanger vf pen genoemd), rn. â Ion. Pal (vast, stevig), bn. â staan, niet wankelen; iem. â zette)), den mond snoeren. Paladijn (heer v. h. paleis), m. âen. De â en van koning Arthur; de âen van Karei den Grooien; de âen hielden hun verblijf inden vorstelijken burcht. Ook; onderkoning van Hongarije. Palaeontologie (leer der versteeningen, fossielen-kunde), v. gmv. Palankijn (draagstoel in Indie), m. â s. Palatijn (paltsgraaf), m. âen; âtinaat ( pa ltsg raaf schap), o. Palei (katrol; inzonderheid een oud fd,ter-tuig), v. âen. Iem. aan de â slaan, hangen. Paleis, o. paleizen. Het â des konings; het â van justitie; het â voor volksvlijt. Palen (grenzen, raken aan), net heeft gepaald. Palestriseli ( worstelstrijden, wedloopen, schijf werpingen, enz. betreffende), bn. Palet (kaatsplankje), v. âten. Palet {verfbordje, der schilders), o. âten. Dc mannen van 't â, do schilders. Paletot (korte overjas), v. â s. Paletten (het balspelen, raketten), ik heb gepalet. Palfrenier (koetsbediende), m. â s. Paling (visch, spitser van kop dan de aal, bruiner van kleur, geler aan den buik; fijner), m. âen; (vischstof), v.; palinkje. Palinodie (intrekking van 'tg een men smadelijk gezegd heeft), v. Zijn dood heeft die â verhinderd. (Geel.) Paliniinr (dicht, stuurman, voornaam staatsdienaar), m. â nuren. Palissade (schanspaal), v. â r,. Palissadeeren (ompalen, met paalwerk ver-sterken); -ing, v. |
PA LISSAN DER-PA PIEK AAN TOONDER.
|
PaliMsander {purper- of violethoia), o. gmv. Paljas (hansworst), m. âsen. Zie faillas. Palladium (heiligdom', beschcrniyod; beeld ran Minerva [Pallas'] in Troje), o. â s. Pallas (ruitersabel), m. âsen. Palliatief (pijnstillend middel zonder ye- neeskracht, tijdelijk middel), o. âtieven. Palliooren {verzachten, bewimpelen). Palm {hoorn der tropen), in. âen. Men kent veel soorten van âen; de âen leveren brood, wijn, olie, hout; er is âolie, âsuiker, â wijn. Palm (palmtak), m. âen. De â is het zinnebeeld der overwinnin/i; den â der welsprekendheid behalen. Palm {handvlakte; vroeger ook lengtemaat; 1 dM.), v. -en. Palm (kruid), v. gmv. Een rand van â. Palma (O. /. vaartuig), v. â's. Palmen (hand over hand hijschcn), ik heb gepalmd. Palmliout (het hout van den palmboom), o. gmv. Een deurknop, een beker van â. PalmitiiK' (stof uit pa Imo lie bereid), x. gmv. l*almzoiilt;la^; (Zondag vóór Paschen), m. â en. Palpabel (handtastelijk, tastbaar, duidelijk), bn. en bw. Palpiteerlt;kii (kloppen van hart of pols; trillen der leden; lillen). Palster (pelgrimsstaf), m. âs. Paltrok [wijde rok, pelgrimskleed; ook een soort van houtzaagmolen), m. âken. Pamflet (klein, onbeduidend geschrift, schotschrift, vlugschrift, blauwboekje), o. âten. Pamflettist (schotschrijver, lasteraar), m. â en. Pamor (wit ijzer tot het damasceeren van klingen), o. gmv. Pampa's (grasvlakten in Z.-Amerika b.v. in Peru), v. mv. Ook Llanos geheeten. Pampelen (kreukelen), ik heb gepampeld. I*ampelm4»es (O. I. oranjeappel, zoo groot als een hoofd), m. âmoezen. Pampernoelje (eetbare paddenstoel), v. â s. Pan (dakpan), v. â nen. Een dak van roode â nen. Pan, v. ânen. Den vijand in de â hakken, verpletteren, het leger vernietigen; hij is aan de â, hij is gevangen, hij is er bij; een veeg uit de â, een leelijke berisping. Pan (rommel, rumoerig en grappig voorval), v. gmv. De heele â is geen cent waard; wat een â hebben we daar beleefd! Panaarzen (geeselen, britsen), ik heb ge-panaarsd. Panacea. Panacée (algemeen genees- of â wondermiddel), v. gmv. Mevr. Stork beweerde, dat eau-de-cologne eene â is tegen alle vlekken. (C. O.) Panaelie {vederbos, pluimbos), v. âs. Pand (waarborg, huis), o. âen. Fig. kind, echtgenoot. Panda'emoiiiiim. â demoninm (tempel voor alle goden; onderwereld), o. Pandeeten (oude Hom. wetten), v. mv. Pandemisclie ziekte (algemeene volksziekte), v. Panden (beleenen), ik heb gepand; âer ^(deurwaarder), m.; â injA' (verkoop bij executie), v. Pandjeslinis (bank van leening), o. âhuizen. Pandoer (Hongaarsch voetsoldaat), m. âen. Pandoeren (kaartspelen), ik heb gepandoerd. Pand verbeuren (gezelschapsspel), o. gmv. |
Paneel (houten effen blad, bekleedsel), o. â en. Pane^r.yriens (lofrede, openbare rede tot lof van een persoon), v. â ci. Panegyriek (lofrede, feestrede), v. âen. Paiiem et eircencis (brood, en spelen), spreekw. van Juvenalis, het volk van Rome vroeg slechts brood en spelen, gratis. PanK'eran (Ind. hoogste titel van Inlandsche edelen in O.I.; Javaansche prins), m. â s. Panliaring; (visc/i), m.; (als stofnaam), v.-en. Paniek (plotselinge egt;i ongegronde schrik; valsche wapenkreet; loos alarm; algemeene verslagenheid), v. Er was een â in het leger', aan de beurs. Panier (mandewagentje), m. â s. Paniseli (plotseling, met verbijstering vervullend), bn. en bw. Een âe schrik, d. i. een eenklapsche ongegronde schrik. â â¢an je (scheepsw. beteerd stuk zeildoek), v. âs. Pan likken. Pannelikken (sniiille)i, op de klap hopen), ik heb gepanlikt; â ker (smuller), m.; â kerij (klaplooperij), v. Pannekoek. m. âkoeken. Panorama (rondtafereel; schilderstuk, hei-welk een stad of plaats in haar geheel voorstelt, ook het ronde gebouw zelf), o. â's. Panser (borstharnas), o. âs. Ook; Pantser. Pantalon (lange broek), v. â s. Panter (Ind. roofdier in Afrika), m. â s. Pantlieïsme (geloof dat het heelal zelf de Godheid is, wereldgod-geloof), o. gmv. Pantlieïst (aanhanger van het pa)itheïsme), m. âen. Pantlieïstiscli (als van een pantheïst), bn. Pantlieon (een tempel in 't oude Rome aan alle goden gewijd, lig. een eeretempel, een gebouw voor de overleden beroemde mannen van een land, b.v. in Parijs), o. gmv. Pantoeratie (alleenheerschappij), v. gmv. Panloflel (schoeisel), v. â s. PanfoK'raat' {teekenaap), m. âgraten. Panfomime (gebarenspel), v. â n, â s; â ist, in.; â iseli, bn. Verkeerd is: pantomine. Pantser (borstkuras), o. âs. Zie: Panser. Pantsersehip^oür/of/ssc/w/?, bekleed met ijzeren platen), o. âschepen. Pantsier {borstharnas), o. â s. vero. Het -ontgespen. (Bild.) Zie: Pantser. Panviseli. Panneviseli (bakvisch), m. gmv. Pap, v. â pen. â op een wond; dat is hem met den âlepel ingegeven. Papa, Pa, m. â's; Papaal jfk. Paatje. l*apaver (klaproos, maan kop, slaapbol), v. â s. Papegaai (klimvogel), m. âen. Fig. naprater. De â behoort thuis op het zuidelijk halfrond; de groene â, de Amazonenâ, de dwerg â , enz. Pape$faaidiiiker (zwemvogel), m. â s. De â komt voor in N. Amerika. Pape^'aaiekop. m. âpen; âtons, v. âen. Papeg-aaiskooi {koperen traUekooi),.\. - en. Papegaai viseli htig gekleurde lip vise h), m. â visschen. Paperassen (prulpa/tieren), v. mv. Papeterie (papierhandel; allerlei papierwaren), v. â ën. Papier, o. âen. Zijn gedachten op het -brengen, uitdrukken; hij heeft goede âen, d. i. getuigschriften; de âen dalen, stijgen. d. i. de effecten; het â is geduldig, men schrijft op papier, wat men wil. Papier aan toonder (banknoot, muntbiljet), o. gmv. |
P A P11lt;: R K N G E LD - PA H !â¢: N T tl ES IS.
33H
|
l*apieren (effecten, banknoten, munt biljetten), o. gmv. INipier iiiaclrf (eigenl. gekauwd papier), o. gmv. Kinderspeelgoed van Papier saus fin {papier aan de rol), o. Men verkoopt het â bij de el. Papillot {papierrolletje om het haar mede op te rollen ten eir.de het krullend te maken), v. âten. Papist {pausgezinde), m. âen. Papje {papegaaitje), o. â s. Papoea (Ind. bewoner ran Xieuw-Guinea tol Nienw-Caledonië), m. â's. Pappen, ik heb gepapt. Op een zweer â; | deze katoen is sterk gepapt, d. i. met pap j stijf gemaakt; â piii^'. v.; â sel. o. Pappig? {nattig, niet east), bn.; â lieiil. v. Papyrus {papierplant), m. gmv. De â groeit | in ondiep water in Afrika, Sgrië, enz. | Papyrusrol {beschreven rol ran papyrus), ; v. ârollen. De âlen in Egypte ontdekte men meest bij de mummiën', de âlen van Heren lanum. Paraaf {pennetrek, onderteekening enkel met de voorste letters van den naam), v. â rafen. Paraat {vlug, willig, dadelijk), bn. en bw. â e executie, onmiddellijke uitvoering van een vonnis: Waar zij den dwerg â heeft neergelegd, (Staring.) Parabel {gelijkenis), v. -en, â s. Paralioliseh {bij wijze van gelijkenis; in gedaante eener kegelsnede), bn. en bw. Parabool (meetk. kromme lijnvan de tweede orde), v. â bolen. Parachute {valscherm aan een luchtbol), v. â s. Paraeleet (trooster, de Heilige (leest), m. gmv. Parade {feestelijke wapenschouw), v. â s. âbed, statie- of pronkbed. Parad eer en {pronken, pralen, vertooning maken). Paradigma {voorbeeld, monster, model), o. â ma's, â mata, âmen. Het vwn buitenken-nen van definities der spraakk. en van â men. Paradijs {lusthof), o. â dijzen. Paradijsappel {guldenappel, adamsappel] ook tomaat), m. âappels. l*sirHilijs\offel{za)ig vogel op Xieuw-G u iiwa), m. âvogels. Paradox {wonderspreukig, met de gewone leer en meening strijdig), bn. en bw. Ook: Paradoxaal. Paradox (wonderspreuk, een gezegde, dat waar is en toch onwaar schijnt), v. âen. Paradoxaal (wonderspreukig), bn. Zijn âale klacht richtte hij tot Jan Kritiek. (Potg.) Parafeeren {onderteekenen enkel met de voorste letters van den naam). Paraffine (wasachtige vetstof), v. gmv. Paragnjfe (achtervoeging),v.b.v. in: iemand, te invent; â gofptach, bn. Paragraaf (afdeeling |§J van een hoofdstuk), v. âgraten. Parallax (cosmogr. verschilzicht van een hemel lichaam), v. âen. Parallel {vergelijking; breedtecirkel), \. âlen. Parallel (evenwijdig;gelijkluidend), bn. en bw. Parallellogrrani (vierhoek, waarvan de zijden twee aan twee evenwijdig loopen),o. â men. Parallelopipednni (prisma, met een parallelogram tot grondvlak), o. â s. Paralogiseeren (valsche gevolgtrekkingen maken). |
Paralyseeren {verlammen, ontzenuwen). Parang (Ind. hakmes), v. â s. Paranimf (geleider), m. âen. De lekkere tand is de trouwste â der kies van 't waar verstand. (De Gênestet.) Parapet (borstwering, leuning), o. â ten. Paraphrase (ophelderende omschrijving), v. â n. Hen â maken van een gedicht. Paraphraseeren (in een verklarende omschrijving uitdrukken); een gedicht â. Parapliiie. Paraplu (regenscherm), v.-s,-'s. Parasiet (tafelvriend, tafelschuimer, klap-l(toiier), m. âen; (woekerplantof woekerdier), v. âen. Parasol (zonnescherm), v. âs. Paratonnerre (bliksemafleider), m. â s. Par avanee (bij wijze van voorschot, vooruit), bw. Paravent (windscherm), m. â s. Parblen (drommels, sakkerloot), tw Parcel (deeltje, stukje gronds), v. â s. Pareen (schikgodinnen), v. mv. Pareinnmie {karigheid, gierigheid), v. gmv. Parcinionieus (karig, gierig), bn. Par-ei par-la (hier en daar, overal), bw. Par eoniplaisance (uit tvellevendheid), bw. Pardel (viervoetig dier, panter), m. â s. â â¢ardoen (zwaar touwwerk tot bevestiging der stengen), v. â s. Pardoes, Perdoes (hals over kop), tw. Pardon (genade, vergiffenis), o. gmv. Ook tw. (pardon), dat ik u stoorde! Pardonneeren ( vergiffenis of genade schenken). Pareeren (sieren, opschikken; een slag, een steek afwenden, keeren). Parel. Paarl. v. â reien, â reis; paarlen. Cuba is de â der Antillen. Parelbank (Ind. bank tot kweeking der pareloesters), v. âen. Men vindt groote âen op de Aroe-eilanden. Parelduiken (Ind. het in zee duiken gedurende 30 tot 50 min. om pareloesters op te halen), o. gmv.; â dniker, m. Parelen, het heeft gepareld. De wijn parelt, d. i. kraalt, fonkelt; geparelde garst, zeer fijne garst. Parelhoen {fazantachtige vogel), o. -ders. Het â leeft in Afrika in 't w'ld. Parelmoer, o. Ook: Paarlemoer. Parelmoervlinder (dagkapel met oranjegele vleugels), m. âvlinders. Parelmossel, v. âmossels. Ock: -oester. Pareloester (weekdier), v. â s; âbank, v. â en: De âbanken m de Javazee. Paren {vereenigen, huwen), ik heb en ben gepaard. Ze zijn gepaard, d. i. gehuwd; dat ging gepaard mei groote onkosten, d. i. vergezeld; â inj£, v. Parentage (bloedverwantschap, familiebetrekking, maagschap), v. gmv. Parenteeren (een lijkrede houden bij het !P'af)' Parenthese (tusschenzin, inlassching), v., â n; b.v.: Het goede, dat de mensch doet â het is altijd maar weinig â is inderdaad, zijn eenige schat. Ook: Parenthesis. Parenthesen, Parenthese» (twee haakjes { ) om een tusschen stel ling in te sluiten), v. mv. hi parenthesi, in t voorbijgaan, tusschen twee haakjes. Parenthesis (tusschenrede, t issohenvoegsel), v. âtheses. |
PAR EXKMPLR âPAS.
|
lBar cxomple (hij voorbfeld)^^. Zie; 1*. Ex. I'arlait-ainoiir (fijne brandewijn), m. gmv. Par foren (gewelddadig, met geweld), bvv. Een â jacht, groote drijfjacht. l*arl'iim (heerlijke geur, reukwerk), o. gmv. Parfumeereii (een aangenamen reuk geren aan); een kamer â. l'arfiimerie (reukwerk), v. â ën. l*arfiiiiioiir (handeiaar in parfumerieën), rn. â s. â â¢j»r K'ovomo (tot nariehl), b\v. I*ar ^raee (hij genadquot;, dour gunst), bw. I*ar liassarfl (hij toeval), bw. Pari of al pari (gelijk; van gelijke waarde; hij wisselaars, wanneer de koers aan de nominale waarde is of de koers van verscheiden muntsoorten gelijk is), bw. Pari (gelijke stand), o. De effecten staan â, d. i. lejren den koers 100. Pari (weddenschap), o. gmv. een â aangaan. Paria (onreine, verworpeling), m. en v. â's. De â'.s vormen de geringste klasse der Indiërs. Zie: Kaste. Parieeren (wedden, verwedden). Parieteit (gelijkheid), v âen. Zie: Pariteil. Pariseh marmer (uit marmer van het eiland Paros), o. gmv. PariKiemie (vrouw of meisje uit Parijs), v» -s. Pariteit (gelijkheid', gelijk recht met anderen), v. âen. Park (groote wandel tuin), o. âen. Parket (afgesloten ruimte in de gerechtszaal), o. âten. Hij zit in een leelijk â, duchtig in den brand. Parkiet (tropisch vogeltje), m. âen. De â is een soort van kiemen papegaai. Parlement (in Engeland de heide Kamers), o. âen. Parlementair (overbrenger van vredes- of verdragsvoorslagen), m. âen. â s. Parlementair (van of betreffende het parlement; lig. beleefd, omzichtig), bn. en bvv. â e gebruiken, âe vormen; hij drukt zich â Uit. Parlementair (socialisme), o. gmv.; wil behoud van liet regeeringssysteem, maar een regeering, die van bet volk uitgaat en door het volk wordt bekrachtigd, terwijl de Staat meester muet zijn van alle productieve goederen: verandering door politieke middelen. Parlementeeren (in onderhandeling treden)- Parlementsluiis (huis der afgevaardigden in Engeland), o. âhuizen; â Hlt;l, o. âleden; â vergadering, v. âen. Par inallienr (bij ongeluk), bw. Parmantig- (deftig, preutse!)), bn. en bw.; â Iieid, v. Parmexaan (een in Panna gemaakte kaassoort), v. â zanen. ParnaM (berg van Apollo, zangberg), m. Ook: ParnasKiiK. De â was aan de Muzen geheiligd. Paroeliiaal (tot een parochie behoorend), bn. Het â kerkbestuur; een âale school. Paroeliiaan (lid eener kerkelijke gemeente), m. â anen. Paroeliie (kerspel, kerkelijke gemeente), v. â s, â iën. Parodie (belachelijk makende nabootsing, koddige, tegenhanger van een ernstig stuk), v. â ën. KOENEN, Verkl. Handwdb. d. Nederl. taal. |
Parodieeren (belachelijk nabootsen). Paroniein (stamverwant), bn.; â (stamverwant woord), o. âen. Parool (wachtwoord, paswoord), o. -olen. Part (listige trek, poets), v. âen. lem. âen spelen, leelijk beet hebben. Part (deel), o. âen. Ik heb er â noch deel aan, ik hel) er mets mee te maken. Partajre (verdeeling; aandeel), v. gmv. Partafjeeren (verdeden, elk zijn deelgeveti). Parterre (bak of zitplaats gelijkvloers in den schouwburg', bloemperk in een tuin), o. âs. Partiaal (deelswijze, pat â tijdig), bn. en bw. PartialitHt (partijdigheid), v. âen. Participant (deelhebber, deelgenoot), m. âen. Participatie (ctee/namc, deelhebbing), v. gmv. Participeer en (deelnemer., aandeel aan iets hebben). Participium (spraakk. deelwoord), o. â s. Particulariseeren (omstandig of met alle bijzonderheden vertellen en voorstellen). Particulariteit (bijzonderheid), v. -en. Particulier (hijzonder, afzonderlijk, enkel), bn. en bw. Particulier (iemand, die geen openbaren post bekleedt), m. âen. vr. â e. Partieel (gedeeltelijk, deelswijze, enkel), bn. en bw.; een âe herziening. Partij (onderscheiden dingen van dezelfde soort; een gezelschap; een huwelijk, een verbintenis), v. âen. Partij, v. -en. Een â biljart; zullen wij een â tje maken'.' De procedeerende âen; de â van het behoud, van den vooruitgang; iemands â kiezen, d. i. zijde; de â vooriem. opnemen, d. i. hem verdedigen; ik trok â van de gelegenheid, d. i. gebruik maken van; zij geven een â; ik moet op â, d. i. feestelijk bezoek, visite; een goede â doen, d. i. een goed huwelijk; zij is een goede â, een rijk meisje. Partijdig bn. en bw.;een â oordeel; â heid, v. Partijganger (aanvoerder van een troepenmacht in dienst van een staatkundige partij), m. âgangers. Partijschap (verdeeldheid), v. âpen. Partikel (rededeeltje), o. â s. Voegw., bijwoorden, voorzetsel en tusschenw. heeten âs. Partisaan (stootwapen, verkorte piek), v. â saans of â sanen. vero. Partitie (indeeling; al de deelen van een opera in één boek), v. â s, â tiën. Partituur, v. âturen, muz. Zie Partitie. Partner (maat; deelgenoot; mededanser), m. â s. Partuur (persoon, gesch ikt om met een ander een paar te vormen, gelijke), o. â turen. Ook: Portuur, Parnik, v. âen. Zie Pruik. Parure» (tooisel en opsiering des lichaams en der kleedingstukken; wanneer er van edelgesteenten gesproken wordt, een stel), v. â s. Parvenu (gelukskind, rijkaard, die van niet tot iet gekomen is), m. â s. Pas (tred; dansbeweging; berg en tg te, vrijbrief), m. âsen. Iem. den â afsnijden, den doorgang beletten, belemmeren; de soldaat liep niet in den â; in den â blijven; zij neemt dien â te groot; de Franschen lieten de âsen bewaken, d. i. bergengten, doortochten; zonder â komt men niet over de grenzen, d. i. zonder brief van vrijgeleide. 22 |
PASâPATRICK.
338
|
Fax (tijdstip), o. O/i dal I»a« (finsl, rium\ b\v.; bn.: Die â stroom. (C. O.) I'axar (Intl. mnricl), in. âs. Ook: Passer. I'axclia (Isr. Paschen), o. gmv. Pasdu'ii, v. gmv. Ms â en Pinksteren op ren dari vallen, 6. \. met St. Jutmis, nooit. Pa« lt;lê Calais ( zee'èvgte tusschcn i'rankrijk en Enfieland), o. Pasi^eltl (kleingeld), o. gmv. Pasja, Pasha (in Turkije titel der hoogste ambtenaren), m. â's. Ook: Pacha. Paskwil (schotschrift, hekeling van personen), o. âen. Paslood (meetlood), o. âlooden. â â¢aspoort (vrijbrief, pas), o. âpoorten. Pasporteoren (met paspoort wegzenden, ontslaan). Passaat (passaatwind, regelmatige wind tusschen de keerkringen), m. -saten. De N.-Ooatâ (ten N. van de linie); de Z.-Oostâ ten Z. ran de linie). Passabel (middelmatig, lijdelijk, draaglijk), bn. en bw. Passado (doortocht, doorvaart', een plaats of uitdrukking in een boek \ muz. zekere variatie met gezwinde Utopers), v. â s. Passage (overdekte winkelstraat), v. âs. Passagier (reiziger), m. â s. Passagieren (voor een dag aan wal gaan van zeel ai), ik lieb gepassagierd. Passant (doorreizende), m. âen. Passanteiilmis (logies voor arme reizigers), o. âhuizen. Passato (ver lo o pen, verleden), bw. Passedies,je (dobbelspel), o. gmv. Bij hrl â moet men met drie dobbelsteenen boven tien (d. i. passer dix) en op twee steetien evenveel werpen. Pass('4liexlt;gt;ii (het passediesje spelen), ik lieb gepassedlesd. Passadijzende boeren (C. O.). Ook: Passedijzen. Passeeren (doortrekken, voort- of voorbijgaan; gebeuren; geduld worden; verdrijven, doorbrengen). Het â der linie (scheepst.); voor iets â, gelden als; voor iem. â, voor iem. anders doorgaan. Passelijk (redelijk, draaglijk), bn. en bw. Passement (belegsel, boordsel van goad- of zilverdraad), o. -en; -werker, m. -s. Passen (schikken, voegen), ik lieb gepast. Die taal past u niet, voegt u niet; op iets-, d. i. letten; op zijn woorden â, goed bedenken. wat men zegt. Passe-par tont (hoofdsleutel, looper, dievensleutel, die op alle sloten past), m. â s. Passe-passe (goochelstukje), o. Tour de goochelstuk. Passer (werktuig), m. â s. Passer (Ind. marktplaats), m. â s. Zie: Pasar. Pass i bel (lijdelijk, ot uier worpen), bn. Passie (het 'lijden en de lijdensweken), v. gmv. Passie (hartstocht, drift), v. -sies, -siön. Passiebloem (altijd groene, klimmende heester), v. âbloemen. De â is afkomstig uit Brazilië en Peru. Passief (lijdend, lijdzaam, lijdelijk), bn. Passief en actief (in een failliet het debet en credit), o. passiva. Passiespel (geestelijk drama), o. âspelen. Het _ stelde hel lijden en sterven tuin Christus dramatisch voor, in de middeleeuwen, vooral op Goeden Vrijdag. |
Passieve handel (handel met ingevoerde goederen), m. gmv. Passieve seluilden (vorderingen van anderen ten onzen laste), v. mv. Passiviteit (lijdelijke toestand, lijdzaamheid, lijdelijkheid), v. gmv. Passim (hier en daar, op verschillende plaatsen), bw. Zie: Vervolgen op Wagenaar, â. Pastei (vleesch-gebakje), v. âen. Pastel (kleurstift), o. -len. Pastel (verwersweede, zekere plant, welker bladeren een schoone blauwe verfstof opleveren), v. gmv. Pastille (meelballetje, reukballetje), v. âs. Pastinak (schermbloem i'je tuillc wurU'l quot;f peen', piiiliSU'rn(ïkel\ v. âen. Pastoor (hoofd eener It. A'. /.â¢Â«â¢/â â . nemcentc). m. pastoren. â s. Pastoraal ( zieluirzonjmd, herder lijk', landr-Itjk), bn. Pastorale. Pastoraal (herdersspel n/' inn-zieksluk), v. âralen. Pastori»'. Pastorij (wamnfi), v. âon, ârijen. Patakon (Spaanse.h uehtstuk, kroonddnlder, ± f 2.30), m. -s. Ook: Patacon. Patas (zeker vaartuiu), v. -sen. Igt;atat (aardapitel), m. - ten. Iem. -ten neren, tl. i. slaag geven. gew. Pateen (R. K. goudquot;» of verguld zilveren plaatje, wordt gebruikt in de Mis), v. â -tenen. Patent (beroepsbrief, ook octrooi), o. -en. Patent (opperbest, uitstekend), bn. en bw. Patenteeren (een patent geren of uitreiken'). Pater (ordes-geestelijke), m. â s. Paternoster (rozenhrans der H. I\'.; handboei), o. â s. Paterstiik (tasschenrlb v.e. rund), lt;gt;. â ken. Tante sneed het beste vleesch van het â af en liet ons de been en. (Koetsveld.) Patersvaatje (voor het pa tersbier), lt;». â s. Tit het - tappen, den besten wijn opzetten. Patlietiseli (hartstochtelijk, aandoenlijk, vol gevoel, plechtig), bn. en bw. Patlimos (eenzame plaats, naar welke iemand (jebanneyi wordt), o. gmv. Heter: Pat mos. Pathologie (zie k tent eer, ziek ten kunde), v. gmv. Pathos (levendigheid, vuur; dr'-ft, hartstochtelijkheid; hoogdravendheid, gezwollenheid), o. gmv. Patiënt (ziekte), m. en v. -en; voor bot v. Ook; Patiënte. Patiëntie (geduld), v. Ook: Patience. (Fr.) Patik (kruid), o. Ook: Pa tig (zuring), v. gmv. Patisserie (pastei, banket), v. â ün. Patissier (pastei- en banketbakker), m. â s. Patjol (Ind. houweelachtige spade), m. en v. â s. Ook: Patjoel. l*atois (platte volkstaal), o. gmv. Patres (oudvaders), m. mv.; ad â, dood, gestorven; ad â gaan, sterven. Patria (vaderland), v. I'm â, voor liet vaderland. Zie: P.P. Patriareh (aartsrader), m. â en. Patriarehaal (aartsvaderlijk), bn. on bw. Een âale uitspanning, een ouderwetsch logement. I'atrieiaat (edelburgerschap), j. gmv. Patrieiër (edelburger), in. âs. Patrieiseh (aanzienlijk), bn. 'en â geslacht. Patriek (beschermheilige v. Ierland), m. Ook : 1 St. â, of St. Patricius; de orde van St. |
PATRIJS-PKLUES;
339
|
l*af rifs (veldhoen), m. piitrijzen. I*alriiii4»iiiiini (vaderlijk erfdeel), o. gmv. l*afriot (vtidei'hmdsyezinde, volksvriend), m. â ten. l*atriotfciiio (vadwhindslielde), o. gmv. PatriottiM'li (vaderlandlierend), bn. en bw. I'atroeiiiwreii (in bescherming nemen, behulpzaam zijn). Patronaat (bescherming; ook: vereen if/in ij van jonge werklieden), o. gmv. I'atroiifs (beschermvrouw), v. âsen. I*ati'lt;»lt;»ii (beschermer', beychermheilige, meester, baas, heer), m. patronen, patroons. l*ati*4Mgt;ii (kokertje met buskruit), v. patronen. lKatroon (model), o. patronen. Wat ren beeldig â tje van een kraagje! (C. O.) l'ati'oontaKcli. v. â tasschen. mil. I*atr4»iiilllt;k (nacht! vacht, rondgaande so Ida- tentvacht, wachtronde), v. â s. mil. l*atroiiilllt;Mki*«'ii (de wachtronde doen), mil. lBatM (klap, slag), v. âen. lem. een â geven. gmv. INuik (ketlellrom), v. âen. muz. Na werden er een paar slagen op de âen gehoord. (C. O.) l'aiikcn (o/) de keteltrom staan, lip:, ailba-zainen), ik heb gepaukt; â «t, m. I'aiik^n^-i's^lial. o. gmv. mu/.. I'aiiliniscli. bn. De âe brieven, v.d.apostel Paulus. I*aii|»lt;krisiii(' (de armoede onder ilc lagere volksklasse, het armwezen, de leer der verarming), o. gmv. l*aiiK (opperhoofd der li. I\. kerk), m. âen. l*aiiH (rust), v. Zie: Fauxc. â â¢aiis«M'r«'ii (rasten, ophoaden), â vi'rinjf. v. I*aii«tslt;-lia|» (regeering v. d. fxms), o. gmv. I^anw (vogel), m. âen. Hij, zij stapt als een â, (I. i. trotsch, fier. I*aii\%lt;'iilt;ki. o. âeieren, â eiers. I*aiweveer. v. â veeren. PauwiM»^- (vlinder), m. âen. De dag de avond â, de nacht â. I'aiixc, Paus (rast), v. pauzen. Paviljoen (tentvonnig bnitenhnisje), o. âen. Pax (vrede, eensgezindheid), v. â vobiscam, vrede zij met u; â intrantibns, vrede zij met tie binnen tredenden. Paysage (een landschap), o. gmv. I»« »c*lt;*o (een zeer geurige theesoort), v. gmv. PiMM'ailillo (kb 'ine zonde), v. â s. P«'lt;*eavi (ik heb gezondigd), l'itroep van Koning David tot den profeet Sathan. Plt;'lt;*toi*aal (van of betrelfende de borst), bn. als zn. (borstmiddel), o. âalen. P«'lt;*imia (geld, vermogen, have), v. gmv. IVlt;*iiiiilt;gt;4'ï (geldelijk), bn. Ook: lJecnniair. I*4'lt;laal {voettrapper, voetklavier), o. pedalen. liet â van een spinnewiel; het â van een orgel. Pcilag'oo};', m. âgogen. Zie l'aedagoog. Ã*vilitut(verwaandgeleerde; opgeblazenschijn-weter, schoolvos), m. âen. bn. en bw. Kinder ram pen zijn klein en nietig van onze âe hoogte beschouwd. (C. O.); hij sprak â. Podantvrie (waanwijsheid), v. âën. Petlatti (Ind. Javaansche k ir), v. â's. P«'«l«»l (bode der hoogescholen), m. âs, âlen. P«»de iiestro (met snellen voet, vlug), bw. ^ P«'lt;l«»rast. (iemand die zich aan onnatuurlijke driften overgeeft), m. âen. P4MleM ApoMtolonini (/ter of te voet, zooals de Apostelen plachten te reizen), bw. |
PcMlcstal (voetstuk), o. âlen. Ook: Piedestal. Plt;'lt;loiii4'tlt;'i* (wegmeter, toestel om den afge-l eg den voet weg te meten), m. â s. Hodometer. P«m»1 (breede haarband, wrong), v. pelen. Pcm'1 (moerassig land), v. pelen. De â in het O. van Noord-Drab.; âland, c. Peen (schermbloemige; gele of roode wortel), v. penen. Zie Pas tin't ken. Peer (boom), m.; Peer (vrucht), v. peren. IVer(lr4»|»s (roode zuurtjes, peervormig), o. mv. Pees (koord), v. pezen. De â van den boog. Peel (doopgetuige), m. en v.; pelen. Peetoom, m. âs; â seliap. o.; â tnnte, v. âs. Pegasus (gevleugeld paard iter Muzen), m. Pe^-el (meetknopje), m. â s. Pekelen (ijken van vochtmaten, fig. veel drinken), ik beb iiepejield. Peimiioir (morgenjas der dames), m. âs. (hoog te merk), o. â n. Anisterdamsch â; d. i. hoogte van het water te Amsterdam als bepaald peil tot vergelijking met andere waterhoogten in ons laad. Zie: A. P. Hotteâ. I 'wexamen is beneden â, slecht, oiivoldoepde; dat gaat het â te boven, overschrijdt alle grenzen: goedheid zonder â, onmetelijke goedheid. Peilen, ik heb gepeild; âer. m.; - iiitt', v., â iii'ttin^'. m.; â lood. o.; âst«gt;lt« m. Ken wondeâ, de diepte ervan meten; de wonden der maatschappij de kwalen aanwijzen; iem. hart â, tot op den bodem doordringen der geheimen; ivie peilt (meet) de diepte van hun ellende! Peine (moeite, straf), v. Kn â, in verlegenheid. IVidixen (iwerdenken),'\k heb gepeinsd; âer. m.* âin»-, v. Peis {vrede), v. gmv. vero. Ook Piamp;is. 't Warm gesprek der mannen,over krijg en â .(Staring) Pek. |gt;ik. o. gmv. Wie met â omgaat, wordt er mee besmet, wie met slechte menschen omgaat, wordt zelf slecht. Pekel (zilt vocht), v.; (zeewater), o. gmv. Pekelen (in de pekel leggen), ik heb gepekeld. Pekelliarinjiquot;(''i«c//), m. âen; (als stornaam),v. IVkelharin^- (hansworst), m. âharingen. I*lt;kkelz4»n4l«k (oude zonde), v. âzonden. Pekken, pikkt^n (met pek besmeren), ik heb gepekt. Pekka'ans. m. âkransen. Pel (vlies, vel), v. âlen. De â van een noot, ei, boon, enz. Pela^'oseoop (werktuig, waarmede men in de diepte der zee Kan zien), m. â copen. â â¢Ãªle-inêl«» (mengelmoes, alles zonder orde onder of door elkander), v. gmv. Ook bw.: alles lag er â, overhoop, door elkaar. Pelerine (vrouwenmanteltje), v. â s. Pelgrim (bedevaartganger), m. â s. Pelgrima$;'e (bedevaart), v. â s. Pe|»-rims$i'eivaad, o.âgewaden; â klee«l. o. âeren; âmantel, m.âs;âreis,v.âreizen; â stal', m. âstaven; âtaseli. v. ât:is-schen; â toelit. m. âen. Pelikaan (kropgans), m. âkanen. Pellen (van de pel ontdoen), ik heb gepeld. Ken noot â, een ei â; gepelde garnalen: met iem. een eitje te â hebben, d. i. iets onaangenaams hebben at' te doen. Pellen (een soort weefsel pellengoed), o. â s. Pellen$;'oed (handdoekengoed), o. gmv. Pellies (een met bont gevoerde vrouwemnan-tel), v. pelliezen. oo* |
PELOTON-PKRTNDK AD CADAVKR.
|
IVIoton (een deel van een bataljon, zekere afbedeelde troep .soldaten), o. â s. â Vis {bereide huid met haren), m. pelzen, â â¢flterij {bontwerk), v. âen. Peluw, v. âen. Zie Penliiw. l'eul. l*en (.schrijfpen), v. â nen. Pen (houten nagel), v. -nen. IVnaal (lijfstraIfelijk), bn. de âale wetten; Code pénal, wetboek van straf. Penant {muurstijl, tussehenmaur), o. âen; ren breed â ; -spiegel, m. I*4'iiafen {huisyoden der lUnneinen), ni. mv. Zijn â opzoeken, ruiar huis terugkeeren. Pi'iicliant {helliwj van een berij; lig. neiyiny, zucht tot iels), o. â s. IVnclaiil {schilderij, portret, enz., dat als teyenhanyer dient), o. âen. Pendoppo (Ind. open achteraaanderij tot ontvangst der gasten), o. en v. â's. Pendule {slinger; een van een slinger voorziene hangkl(d{, ook staande klok), v. â s. Pene {boete, straf), v. op â van, opstrafle van. Penetreeren {doordringen; doorgronden; inzien, uitvorschen). Pen^ainpan^' (Ind. vijver tot het telen van zoetwatervisch), v. â s. De karpers en meervallen morden in de Preanger in âs gekweekt. Penibel (bezwaarlijk, lastig, moeielijk), bn. een âe toestand. Penitent (feoetefw//), m. en v. - en. vr. ook â e. Penitentie {boete, opgelegde boetedoening; pijniging), v. â s, â tiën. PennekuiiKt. v.; -likker {kantoorschrijver), m. â s; ânies. o. Pennen {altijd door schrijven), ik heb gepend; â er. m. Pennenbak, m. -ken; -houder, m. -s; -koker. m. -s; -kooper. ni. -s. Penneseliaelit. v. -en; -strijd {twist in dagbladen, enz.), m. Penning, m. -en; -inkje, â ingske. Hij bezit geen â ; hij is van â zestien, d. i. gierig. Penningkruid {een soort van wederik), o. gmv. Ook âblad. Penningrkunde {wetenschap of kennis der penningen, d. i. munten, medailles, enz.), v. Penny (Engelse he stuiver), v. pence. Pens {maagafdeeling der koe), v. âen. Penseel {schilderskwastje), o. âen. Penseebloem {driekl. viooltje), v. âbloemen. Penseelen {schilderen), ik heb gepenseeld. Pensief {nadenkend, zwaarmoedig), bn. Pensioen {jaar-of eerewedde; kostgeld, 7^ast-geld), o. âen. Pensioenfonds {rijkskas of privaatbeu rs tot pensionneering), o. âen. Pensilt;»naat {kostschool, instituut),o. â naten. Pensionaire {kostleerling), m. en v. -s. Pensionaris {hij, die een jaarwedde geniet; eertijds de eerste staatsraad eener stad of provincie), m. âsen. Pensionneeren {pensioen geven). lem. â. Pensum {taak, opgegeven werk), o. â s. Penta {vijfledig, vijfvoetig), bn. Penta^o4»n {vijfhoek), m. -onen. Pentanieter {vijfvoetig dactglisch vers),m. â s. Pentatlt;kueli {de vijf boeken van Mozes), in. gmv. Penurie {gebrek aan de noodzakelijkste dingen; behoeftigheid), v. gmv. Peper (Ind. Soematra: overblijvende plant met windenden hou tachtigen stengel),\. Spaan-sche -, roode peper; Cayenne -, gemalen |
Sp. peper; zij gingen â halen, d. i. naar Indië; hij werd om â gezonden, d. i. ver heen gezonden ; het â land, O. I.; â koek, d. i. kruidkoek; â duur, zeer duur. Peperdief {klimvogel uit Amerika), in. â dieven. Peperen {met peper bestrooien), ik heb gepeperd. Fig. duur verkoopen. Pepereter {klimvogel uit Z. Amerika), m. â s. Peperhuis {driehoekig papieren zakje), o. â -huizen. Pepermunt, pepermenl. v. âen. Pepernoot, v. ânoten, -neuten. De kinderen speelden om â, d. i. dobbelsteentjes van peperkoek. Pepervreter, m. â s. Zie âdief, âeter. Peperwortel {mierik, lepelblad), ni. gmv. Pepinil're {boomkweekerij; plantentuin; ! fig. kweekschool), v. â s. Peppel {Italiaansche populier), m. â s. gew. Pepsins {een soort van maagsap), v. gmv. Pepton {voedingsstof, eiwitstof), o. Peptonen {ver ander'ings producten der ei wit-j achtige stoffen in de maag), o. mv. Per {door, wegens), als in: â aceidens, bij i toeval; â accord, bij accoord; â acquit, betaald; â spoor; â schip; â post; â pond, voor ! het pond. i Perceel {stuk grond), o. âen. Pereent {rente ten honderd), o. âen. Verg. Procent. Perceptibel {merkbaar, waarneembaar), bn. Perceptie {waarneming; heffing, ontvangst van belastingen), v. âtiën, âties. Percussie (slag, st-jot, botsing), v. gmv. Perdoes (eensklaps), bw. Zie Pardoes. Perdu (verloren), bn. Pereat! (hij ga verloren, hij sterve). Pereboom, m. âboomen; â jraard. m. âen. l*vveisvit\wret\{zwerven,ter bedevaart g(ain). Peremptie (verval, opheffing van alle verder uitstel; verjaring), v. gmv. Peremptoir (afdoend, beslissend), bn. en bw. Per expressum (door een afzonderlijken bode), bw. Zie P.Expr. Per fas et nefas (door recht en onrecht, door alle mogelijke middelen), bw. De eer-zuchtigen trachten â hun doel te bereiken. Perfect (volmaakt, uitmuntend), bn. en bw. Perfectie (volmaaktheid), v. gmv.; alles is in de â. Perfectioneeren (volkomener of beter maken, voltooien). Perfide (valsch, trouwe loos, verrader lijk), bn. Perfidie (ontrquw, valschheid, verraderij), v. gmv. Perforatie (doorboring), v. â s. Perforeeren (doorboren, met kleine gaatjes doorslaan). Een blad postzegels is geperforeerd. Per g-overno (tot naricht, tot richtsnoer), bw. Peri (lichtgeest bij de Perzen van verwonderlijke schoonheid), m. en v. â !s. Pericliteeren (wagen, in gevaar stellen; in gevaar zijn). Periculeus (gevaarlijk, hachelijk), bn. Periculum {gevaar, nood, waagstuk), o.; â in mora, dringend gevaar. PeriK'ii'iun (grootste nabijheid eener ster bij de aarde), o. gmv. Perihelium (grootste nabijheid eener planeet bij de zon), o. gmv. Zie Apheliiim. Perikel (gevaar), o. â s. Perinde ad cadaver (a Is een lijk), bw. uitdr. |
PT. RIO I) K - PKSSI Ml S M K. 341
|
Militaire tucht stelt nis eersten eisrh gehoorzaamheid^ en het â kon op de poort van elke kazerne staagt;t. P«»rioâ¬lff (omloop, krhvjloop, afwissclinfi der tijden; tijdkring Of tijdperk, een kunstir/ (je-bomvde volzin met voor- en nazin, een a /'(je-ronde volzin), v. â n. IN'ri4»lt;ligt;ilt;'li {op bepaalde tijden verschijnende), bn. âc pers; âe f/eschriften, il.ig- week-, maandbladGn; âe unnden, geregeld waaiende winden. â N'ripctie (onvoorzien (jeval: ontknooping), v. IN'ri|gt;lierie (omtrek), v. gmv. PcripliraMo (stijl, troop der omschrijvim/), v. â n, bv.: het schip der woestijn, kameel; lutde der lente, zwaluw. l*eriphraseerâ¬Mi (omschrijven). l*eriNMabel (vergankelijk, broos), bn. â â¢eristyle (met zuilen omringde plaats, zuilengang), v. â n. Perjure, Perjurinin (meineed), v. â N'rjnreeren (valsehelijk zweren). Perk. o. â en. Een â met bloemen', paal en â stellen, grenzen stellen, ee n einde maken aan. Perkament. Perkemeiit, o. âen. Perkanier (Ind. bezitter ran een perk mus- kaatboomen op Bunda), m. â s. Perkootoet (Ind. soort van tortelduif, lieveling van den .Javaan), m. âen. IVrnianeiiec (bestendigheid, voortduring), v. Permaneiit (voortdurend, onafgebroken, onveranderlijk), bn. en bw. Een âe commissie; iets â volhouden. Plt;krineabel {doordringbaar), bn. Permeabiliteit (doordringbaarheid) v. gmv. Per mille (met de duizend, bij de duizend). Zie 1*. m. IVrmiN (verlof-, geleibriefje), o. gmv. â VrmisHM» (vergunning, verlof), v. gmv. Permitteert ii (veroorloven, verga nu en). Permutatie (algebra, verwisseling, ontzetting^ verandering in volgorde vaneen bepaald aantal gegeven grootheden), v. â s, â tiën. Periniiteeren (verwisselen). Pernieieus (verderfelijk, schadelijk), bn. Per occasie (bij gelegenheid), bw. Peroratie (slotrede), v. âs, -tiën. Peroreeren (een redevoering hduden). Per peiles (te voet), bw.; â apostolorum, te voet, zooals de Apostelen reisden. Perpendieulair (rechtstandig, in 't lood), bn. en bw. PerpeiHlieiilair (loodlijn), v. â s. Perpetueel (aanhoudend, leven* la tig, voortdurend), bn. en bw. Perpetueeren (vereeuwigen, zonder ophouden voortzetten, bestendig tttaken). Perpetuum mobile (eeuwigdurende bewe-ging), o. gmv., ook: het nog te vinden toestel. Perplex (onthutst, bedremtneld, verslagen, ontsteld), bn. en bw. Perplexiteit (verslagenheid), v. gmv. l'erquisitie (nasporing, onderzoek, huiszoeking), v. âtiën, âties. Perron (verhoogde doorloopende stoep), o. â s; âkaartje (toegangskaartje), o. âs. Pers (drukpers), v. âen. Het boek is terâe; bij het ter âe gaatt; de â, de dagbladen. Per saldo (bij slot eau reketiing), bw. Per se (op zich zelf of vanzelf), bw. Perseentle (vervolging, nazetting), v. â s, â tiën. Persen (uitdrukken), ik lieb geperst; âer. |
m.; -ring:, v. Drttiven â, olie â; ietn. tot iets â. dwingen. Persennin$f. v. â s. Zie Pri'senniiisr. Perseverant (volhardend), bn. en bw. Perseverantie (volharding), v. gmv. Persevereeren (volharden, standvastig blijven). Persico (liketir van perzikpiltett), v. gmv. Persienne (zonneblind), v. âs. Persiflage (bespotting; hoonende spot, spotternij), v. â s. Persifleeren (bespotten, uitjoutven). Persisteeren (volharden, aandringen). â â¢Â«'rsonajre (persoon), v. en o. âs. Wat duttkt je van dat âquot;/ schertsend voor zonderling. IVrs4»iia g-rata (ietn. die zeer gezien is), v. b.v. De Eng else he gezant was aan het Eran-sche hof geen â. l*ersonaiiteit (persoonlijkheid; persoonlijke beleedigiwg), v. âen. Ietn. âen zeggen, hem grievend beleedigen. Personeel (persoonlijk), bn. iJe âebelasting. Personeel (hoofdgeld, belasting, tvelke men voor zijn persoon of als hoofd des gezins moet betalen; aantal personen, die men in dienst, aan het werk of bij zich heeft), o. gmv. Personifieatie (verpersoonlijking, b.v. van den Rijn als een godheid of een Vader, van den dood als een Engel enz.), v. â s, âtiën. Personifieeren (verpersoonlijken). Ook: I ^ersonificeeren. Persoon (menseh), m. en v. â sonen; persoon (rol, spraakk.), m. âsonen. Persoonlijk, bn. en bw. Een âe beleedi-ging, den persoon betreffende; een â feit, een â voornaamwoord; iem. â kennen; â -lieid. v. Persoonsverbeeldin;?. v. â en; b.v. demiId-heid, de twist, als persoon laten optreden (zinnespel der rederijkers). Zie: Personifieatie. Perspectief (verrekijker; vergezicht, vooruitzicht), o.; (doorzichtkunde), v. â tieven. Perspicaciteit (scherpzinnigheid, heldere blik), v. gmv. Perspiratie(onmer/rfgt;are uitwaseming),^. â s. Perspomp, v. âpompen. Persnadeeren (overreden, overtuigen; over-h'ilen). Persuasie (overreding, overtuiging), v. gmv. Persuasief (overredend), bn. en bw. Vvrt\t\i\lt;'\teit[hardnckkigheid,verstoktheid), v. gmv. Pertinent (stellig, juist, recht, naar den eisch), bn. en bw. 11 ij ontkende â. Pertixaan (hellebaard), v. pertizanen. Pertiirbecren (verontrusten, in verwarring brengen, storen). Perubalsem (geelbruine, welriekende balsem), m. gmv. De â wordt bereid uit den bast van boomen in Z.-Amerika. Pervers (verdorven, verkeerd), bn. Perversiteit (verdorvenheid), v. gmv. Perverteeren (bederven, in een bedorven toestand verplaatsen; verleiden, in wanorde, brengen; verdraaien). Perzik (boom), m. âen; (vrucht), v. âen. Perzisch, bn. de âe taal, der Perzèn; als zn. o. Pesant (zwaar, wichtig, zwaarmoedig), bn. Peseta (Spaansche frank, ± f ()/i7:gt;), \. â quot;s. Pt^simisme (leer, dat de wereld door en door slecht is: het tegengestelde van optimisme), o. gmv. |
PKSSI iM I ST - P111 {ASEOLOGIK.
|
IN'KNiniist (ion. die alles in de wereld sledU vindt), rn. âen; â iscli,^bn. {besmettelijke ziekte in het bloed), v. âen. De zwarte â, de â mededeelew, lig. /k schuw hem als de â; de jenever is de â der samenleving. IVslilentio (pest, aanstekende ziek te), v. â s, { â tien. Pestvogel (zangvogel; sneeuwvogel), m. â -vogels. De â was de voorbode van de jiest. Vet (hoofddeksel), v. âten.; een zijden â, een lakensche â, een leer en Petard (soort van springbus, metalen mortier), m. âen. Ook: Petanlo, v. â s. Pétardier (klnpbasmaker), m. â s. Petegrift (geschenk ran peetUmte of peetoom, pillegift),\. âen] â UiikI.o. â eren; -mooi, v. âen. Peteh (Mal. stukjes geroosterd varkens-vleesch), v. grnv. Peter (doopvader), m. â s; âschap, o. Peterselie (schermbluemige;groente), v. gmv. Ook: Pieterselie. Petillant (paarlend, schuimend; vurig, fonkelend), bn. en bw. Petilleeren (knappen, krake)\; schuimen; ophorrelsn; uitmunten, uitblinken). Petit (klein, gering), bn. Petit-^ris (grijze pelterij uit Siberië), o. gmv. Petitie (bede, verzoekschrift), v. - tien, - ties. Petitioneeren (een verzoekschrift indienen). Petitionenieiit (het indienen van verzoekschriften), o. âen. Petit-maitre (verwaand, opgeschikt jong-mensch, windbuil, pronkertje), rn. â s. üen â onzer dagen, tot model voor een zijner Germaansche vaderen. (C. O.) Petrefaeten (versteeningen), »». mv. Petrificatie (versteening), v. âs, â tiën. Petriliceereii (versteen en). Petroleum (aardolie), v. gmv. Petriispeiiiiiiig: (vrijwillige gift ten behoeve van den Paus), m.gmv. Ook; Pieterspenning. Petto, v. In â houden, geheim houden, bewaren; in â hebben, in voorraad hebben. (moedwillig, dartel; baldadig, brooddronken), bn. en bw. Peneren. Zie: Peuren. Penkel (puistje), v. âs. Ook: Pnkkel. Pen 1 (doosvrucht), v. âen; â scrhil (Ar/cm/.'y- heid; fig. nietig persoontje), v. Peul (peuluw, peluw), v. âen. Peiiluw. Peluw (hoofdmatras), v. âen. Peupleeren (bevolken). Peur (tros aardwormen), v. âen. Peuren (op paling visschen), ik lieb gepeurd; â lt;llt;»r. m. Ook: Poeren. Peutâ¬Â»r (pijpenwroeter), in. â s. Peuteren {morrelen, wroeten, knutselen), ik heb gepeuterd; -aar, in. gmz. Peuzel (treuzel, talmer), m. en v. â s. Peuxelen (langzaam en bij kleine beetjes eten), ik heb gepeuzeld; âaar, m.;âinjjf,v. Pezerik (bullepees), ni. âen. Pliaëton (een soort ran rijtuig, dat licht en gedeeltelijk open is), m. â s. Phalanx (gesloten krijgsbende van ft tot '10 man), v. âen, âlangen. De Macedonische â. Pliantaseeren (met zijn gedachten rondzwerven, verdichten). |
VUnninsiv (verbeelding; verdichting), v. â ën. Pliantasma^'4»ri(k (het te voorschijn roepen van spookachtige gedaanten door middel van spiegels en andere optische toestellen), v. gmv. Pliantasiua^oriseli (tooverbeeldend), bn. Pliant ast (dweper, grillig mensch), m. âen. I'liantastiseli (da 'epend, tooverachtig, grillig). bn. Dichterlijke, deels overdreven âe denkbeelden. (J. t. Br.). Pliautooni (geest, spook, verschijning,schim), o. âtomen. Pharizeër m. â s. Zie: Parizeer. Pliarmaeeiit (apotheker, artsenij bereide)), m. âen. Pliarmaeeutiea (artsenijmengkunde, apothekerskunst), v. gmv. Pharmaceutisâ¬*li (artsenijmengkundig), bn. Pliarmaeie (artseniimengkunde;apotheek), v. Pliarus (vuurtoren.' kustlicht), m. âsen. Pliase (overgangstijdperk, schijngestalte), v. â n, â s. Plielloplastiek (kurksnijkunst), v. gmv. Plienoineen (verschijnsel), o. âmenen. Pliilantliroop (menschenvriend), m. --thropen. Pliilantiiropie (menschoimin, zachtmoedigheid), v. gmv. Piiilanthropiscli (menschenminnend, weldadig), bn. Pliilliarinoniseli (toonkunstminnend), bn. Pliili|»lgt;iea (herige strafrede), v. â's. Een â tegen de kennisvreugde schrijven. (C. O.) Pliilister. Pliilistijn (burger, ni et-s tui lent), m. â s, âen. VUilnloffie (taa Igeleerdheid,taal liefde),v.gmv. Pliilolo^iseli ('taalkundig), bn. Pliiloloop; (taalgeleerde), m. -logen. Pliilomeel. m. âmelen. Zie: Filoineei. Philopaediseti (kinderminnend), bn. âe harten. (C. O.) Philosoof' (wijsgeer), m. â sofen. Mijmeren als een â. Pliilosoplieeren (een stof wijsgeerig behandelen; duidelijke begrippen trachten te bekomen; de oorzaken der dingen nasporen). Pliilosopliie (wijsbegeerte), v. gmv. Pliilosopliiseli (wijsgeerig), bn. Ik zelf heb het nooit verder kunnen brengen dan tot de â e beschouwing der tevredenheid. (C. 0.) Plii 11rum (toowrd/Ymk, min nedrank), o. -tra. I*lile^nia. o. Zie: Flegma. Pluenix. Plienix. v. Zie: Feniks. Plioladeu (boorschelpen), v mv. Plionetiek (klankleer), v. gmv. De â der Fransche taal. Ook: Pliouetiea. PlioiK'tlseli (volgens den klank), bn. â schrift: zichtbare afbeelding Ier uitspraak. Pliono$;-raaf' (zang- of spreektoestel), v. â grafen. Pliosplioreseentie (eigenschap van lichamen om licht af te geven), v. gmv. Piiosplioriselt (lichtgevend in den donker), bn. Pliospliorus (lichtdrager, stof, die in het duister licht geeft), m. gmv. Ook; Phosphor. (licht beelden maker), m. â graten. IMioloji'raiu (lichtbeeld, portret), o. âmen. Phot«»^ra|»heereii (lichtbeelden maken, afbeelden). Photo^raphie (lichtbeeldenmakerij, lichtbeeld), v. -ön; âalbum. o. âs. I'lHifo^-raphiseh (van i.f betrelfendc de photograph ie), bn. een â portret. Phlt;»tonieter (lichtmeter), m. âmeters. I'hrase (zegswijs, uit druk icing), v. â n, â s. Phraseoloft'ie {verzameling van zegswijzen). |
PH REN ESIEâPIKETTEN. 343
|
v. â ën. Wat hij zegt, is niets dan â, d. i. de inhoud is niet veel. I'hreiiesie (ivaanzinniyheid), v. gmv. Flirc^netiek {waanzinnUj), bn. en b\v. Vhrenolofsieisclwdelleer, hersenleer), v. gmv. {teringleer), v. gmv. FlitliiMiw {tering, aitlering), v. gmv. IMiylsix (wachter, waakhond), in. âen. l*liylloxlt;kra {druiltnis), v. â's. Pli.ysicii (natnartcer nataarlcandi'; natuurwetenschap), v. gmv. IMiyNiek {lichamelijk] natuurkundig), bn. en b\v. We zijn aan de âe rampen. (C. O.) â Mi.vsioK {natuurleer, natmtrwetenschap), o. lvli.yKiolo$£'ilt;' {leer der bezielde natuur, der bezielde lichamen, inzonderheid can het uien-schelijk lichaam), v. gmv. {can of' betrelfendc de phg- siologic), bn. PliysiolooK' (kenner van de natuur des lichaams, navorscher in de natuurleer der menschelijke of dierlijke lichamen), m. â logen. Pli.ysioiioniie {gelaatkunde', g e laats uitd r uk-king, gelaat), v. â ën. Pii.ysiscli, Pli.ysif'K {natuurlijk, lichamelijk), bn. Fia causa {weldadig oogmerk), v. Piie nicmoi'ia' {vromer gedachtenis). Zie: P.m. INanino (opstaande picno), v. â s; als bw.: zeer zacht. l'ianiMMiino (rnuz. ten uiterste zacht of stil). l'ianiNt, m. âen; â e. v. â n. I'iano {snaarinslriimen'), v. â's. Piano (muz. zacht), bw. I'iano-torte. v. piano-forles. l*iaKtlt;kr (Spaansche munt ± f m. â s. I*iaiitlt;'i*. l'eautor (een gemengd metaal, bestaande uit lood en tin), o. gmv. â â¢ia vota (vrome wenschen), v. mv. Picador (te paard zittend stierenbevechter), m. â s. PieareNk, bn. âe romans, schelmenromans. Pivolo {klein), bn. â fluit, kleine chvarsllui^; een â, koftiehuisjongen. {augurken enz. in het zuur), v. mv. l*ilt;*kiiilt;*k {maal in het veld of buiten, onder goede vrienden, waartoe ieder zijn deel bijdraagt), v. âs. Ook: Pic-nic; Piekeniek. I*ilt;*tiira (schilderkunst, âwerk), v. gmv. Picturale, o. Het â in den stijl, bet schilderende. Picdestal (hoekig of rond voetstuk), o. â len. Zie: Pedestal. Pick, (spies of lans), v. âen; â cnier(piek-Itrager), m. â s. I'iek (aardr. bergspits, spits toeloopende hooge bergpunt), v. âen. L)e â can Teneri/fe (371«» M.); de â van Ijombok (3800 M.); de â van 1'idore (Molnkken, 1G00 AI.), enz. lBilt;'klt;gt;vai (scheepst. een touw of tros), o. -s. Piepen, ik heb gepiept. Een deur kan â; rattenen tnuizeu â; zooaLs de ouden zongen, â de jongen, de kinderen spreken als de ouders, d. i. doen (gebrekkig) na; âer, m.; â ertje (/luitje), o.; â jon;;', bn. Pieperige bn. ecu âe stem] â lieifl. v. Piepjong* (erg jong), bn. Een â ventje, een â luitenant je. Pier (aardworm), v. âen. Zoo dood als een â. Pieren (foppen), ik heb en ben gepierd, gmz. Pierewaaien (losbandig leven, nachtbraken), ik heb gepierewaaid; -ér, m. |
Pierrot (grappenmaker, hansworst), m. â s. Piet, m. âen. 't Is een heelsâ, iem. die heel wat toont. Piëteit (vroomheid, vereering), v. gmv. Zie: Piëtist. Piëtisme. Pieterig, bn. Wat zie je er - rif,uls een Viet. i*ieternian (zeevisch), als voorwerpsnaam, m. â s; .als stofnaam, v. Pieterselie (groente), v. gmv. Zie: Peterselie. Piëtisme. Piëtismus (innige vroomheid). o. gmv. Piëtist (vrome; scherts, bidbroer), m. âen. Piëtisterij (kwezelarij), v. gmv. Pietje (munt van 6Vi« stuiver), o. âs. vero. Pietlut {kleingeestig inensch), m. en v. â ten. Pietluttig (kleinzielig), bn. Een âe vent, een erwtenteller, flauwerik; â lieid, v. Piens (vmotn), bn. â zer, â t. Pigment {kleurstof in de cellen), o. gmv. Pij {wollen of haren overkleed), v. âen. Een monniksâ. Pij Jakker (matrozenjas), m. â s. Ook: Pijjekker. Pijl, m. âen. Met â en boog, de âen ven den taster, als een â uit den boog, zeer sne!; al zijn âen zijn verseinden, iiij weet niets: meer te zeggen; ik heb nog andere âen in mijn koker, d. i. andere verweermiddelen.- Pijler (ziiH),\\\. âs. Deâs vaneen spoorbrug. Pijlgfit't (giftsap, waarin de wilde zijn pijlspits doopt), o. gmv. Pijlkoker (bewaarplaats der pijlen), m. âs. Pijlkruid (waterplant, adderkrnid), o. gmv. Pijlstaart (langhals-eend), m. âstaarten. Pijluortel {knolvormig gewas in de keerkringslanden van Amerika), m. â s. Pijn (pijnboom), m. âen. Pijn (lichaamssmart', lig. verdriet), \. âen. Pijne (moeite, last, smart), v. De â waard, de moeite waard. Zie ook: Peine. Pijnbank (folterwerktnig, folterbank), v. -en. Pijnbooin (naaldboom,opgaandeden), m. -en. Pijnen (drukken, persen), ik heb gepijnd. De uit de raten geperste honig heet gepijnde honig. Pijnigen, ik heb gepijnigd; -er. m.; -in}?, v. Pijnlijk, bn. en bw.; die wonde is â; â -lieHi. v. Pijp, v. â en. Daar kan hij een leelijke â aan rooken, dat kan hem leelijk opbreken. Pijpaarde (een fijne, laaie soort van klei), v. Te (iouda vervaardigt men van â de lange pijpen. Pijp bloem (heesterachtig gewas), v. âen. Pijpen (op een fluit spelen), ik peep, heb ge-popen. X'iar iem. â dansen, d. i. alles moeten doen, wat iem. gril of luim hem ingeeft; â I -er, m. Ook: Piepen. Pik (haat, wrok ), m. Een â op iem. hebben. Pik. o. gmv. Zie: Pek. Pikant {beleedigeiul; stekend, scherp, bijtend), bn. en bw. Pikanterie {nijd, wangunst, broodnijd), v. â ën. Pikbroek (matroos), m. âbroeken. Pikdonker (erg donker), bn. en bw. Pikeeren (steken, beleedigen, krenken, gevoelig treffen). Pikelen (Ind. dragen), ik heb gepikeld. Piket {afdecling soldaten', veldpost), o. -ten. Piketten {kaartspelen, het piketspel spelen), ik heb gepiket. |
PI K I'UJ I? â 1 * LA A N BOO INI.
|
(rijmeester, panrdenafrichter), m. â s. Hij was (jeen commissaris van politie, maar wel â der kleine manêfje te D. (C. O.) l*iKU.etlillvn(kleini[/h('(Jen, nes ter ij en), v. mv. Pikken (oppikken), ik heb gepikt. Er valt hier veel te â. te eten; gij moet nog een hapje â, eten. Pikken (met een s) eld, naald, angel, enz. steken), ik heb gepikt. Ik heb mij aan die dorens gepikt ; er heeft mij een bij, een mier, een mug gepikt. Pikken (met pik bestrijken), ik heb gepikt. Het houtwerk ivordt gepikt en geteerd. Pikken (met een pik of zicht maaien)* ik heb gepikt. De klaver wordt meestal gepikt. Pikol (handelsgewicht in Oost-Indi'ê, bijna Ii2 kilogram), o. â s. Pil, v. â len. Dat is een harde â, dit ivasde eerste harde â, een onaangenaam iets; de â vergulden, met mooie woorden een onaangenaam iets zeggen. Pilaar (zuil), m. pilaren. De â van een kerk. Pilaarbijter (femelaar, schijnvrome), m. â s. Pilaster (zuil, die ten halve uit een muur te voorschijn komt), m. â s. Pillegift (doopgeschenk van den peter), v. -en. Pillendraaier (apotheker), m. â s. schimpn. Pilo (ruw tveefsel, bombazijn), o. gmv. Piloot (loodsman), m. piloten. Pilsner (Boheemsch kunstbier), o. gmv. Piment (Jamaica-peper, gedroogde vruchtjes), o. âen. Pimpel (vogel: mees), m. â s. Zie âmees. Pimpelen (veelvuldig drinken), ik heb gepimpeld. De twee vrienden raken van 't â nog aan H drinken-, âaar. m. Pimpelmees (een kleine blauwachtige mees), v. âineezen. Het is een â, een nietig ventje; hij is een â, een drinkebroer. Pimpelpaars (donkerpaars), bn. Hij is -van de kou. Pimpernel (zeker wild gewas), v. âlen. Pimpernoot (kokosnoot), v. ânoten. Pin (ij zeren of houten nagel), v. â nen. Pinaeotheek (kunstverzameling, b.v. van beelden of schilderijen), v. âeken. Pinang (Ind. betel palm [areca]), m. âen; (vrucht), v. âen. Pinas (lang, smal en licht vaartuig, galei, sloep), v. âsen. Pineeeren (knijpen, met vinger of pennen-schacht een snaar tokkelen). Pinee-nez (neusknijper, bril), in. pince-nez. Pincet (tangetje dei' wondheelers), o. -ten. Pingel (noot v. e. pijnboom), v. âen. Pingelen (op den prijs der waren afdingen), ik heb gepingeld; -aar, m. Pingnin (vetgans, duiker), v. â s. Pink (kleinste vinger), m. âen. Hij is bij de â en, bijdehand, vlug. Pink (jong rund), m. en v. âen. Pink (vaartuig), v. âen. Pinken (met de oogen knippen), ik heb gepinkt. Pinkoogen (pinken), ik heb gepinkoogd. Pinksterbloem (koekoeksbloem), v. âen. Ook de gele lisch heet wel â. Pinksteren (de öOe dag na Paschen), v. Ook: Pinkster. Pinksternakel (brood), v. â s; zie ook: Pastinak: âroos (pioen), v. ârozen. Pinnen (met pinnen vasthechten), ik heb gepind. Een rollade â; zolen â. |
Pinsbek, Spinsbek (goudkleurig mengsel van koper, tin en ijzer), o. gmv. Pint (vochtmaat van li d.l..\ v. âen. Pin.xit (op schilderstukken: heeft dit geschilderd). Ook: Pin.r. Pioen. Pioene (boerenroos), v. pioenen. Ook: Pinksterroos. Pion (schaakstuk, de boer), m. â s. Pionier (schansgraver), m. â s. Fig. baanbreker. Pionierroos (pioen), v. -rozen. Pip (ziekte, van het pluimgedierte), v. gmv. Pi pa (vader, papa), quot;in. â's. gmz. Pippeling (soort van appel, renet), m. â en; â linkje, o. âs. Pipseli (ongezond), bn. Zij ziet er â uit; -beid. v. Piqué (soort van stof, die zoo gewerkt igt;', alsof de stof gestikt ware), o. gmv. Een â vest, een zomervest. Piqne-assiette (tafelschuimer, klaplooper), m. en v. gmv. Piqne-iii4ine, v. Zie: Piekniek. Piraat (zeeroover, avonturier), m. piraten. Piramidaal. Pyramidaal (in den vorm eener piramide), bn. Piramide, Pyramicle (spitszuil), v. â n. De ân van Eggpte, de â van Lu.vor (Parijs). Piraterie (zeerooverij), v. gmv. Pirouette (draaisprong, omdraai), v. â n. Plroiiettceren (zich in een kring ronddraaien). Pis-aller (iets kwaads nemen om erger te voorkomen), o. Pisang (paradijsvijgehoom), m. â s; als vrucht, v. Zie Itanaan. Piseienltinir (kunstmatige vischteelt), v. Pissebed (kauwend schaaldier), v. âdon. De kelderâ heet ook varkentje-, ook de paar-denbloem wordt â geheeten. Pissebed (klein kind), m. en v. âbedden. Pistaelic (suikernoot, groene amandel), \. â s. Pistole (gevangenis, waar de gevangenen 4op eigen kosten worden onderhouden), v. Piston (zuiger, lucht klepje), m. âs. Pistool (Franseli goudstuk van ± f 9,50 a f 10,00), v. pistolen. Pistool (schietgeweer), v. en o. pistolen. Pit (katoen eener lamp of kaars), v. âten. Pit (kern), v. âten. De â van een noot, amandel, per.ik. Pit (merg), o. Een stijl vol â; er zit â in die redeneering. Pitoor, Putoor (roerdomp), m. pitoren, putoren. Zie Hnloor. Viti!*yntovï(beklaaglijk,jammerlijk),hx\.v\\b\v. Pitseb-pine (N. pijnhout, best timmerhout), o. Een vloer van â. Pitse (zweep), v. âen. Ook: l'iet se. gmz. Pittig (degelijk, krachtig), bn. en bw.; â -beid, v. Pittoresk (schilderachtig, romantisch), bn. en bw. Pitviseli (Noordzeevisch, oranjegeel', schel-vischduirel), m. â visscben. Pixis (doosje), v. â en. li. K. gouden of zilveren doosje, waarin de geconsacreerde hostie naar den zieke wordt gedragen. Plaag (kwelling, straf), v. plagen. IJe tien plagen i'an Eggpte. Plaagziek, bn. Een â mdmur. Plaagznebt, v. gmv. Plaanboom. m. âen. Zie: Plataanboom. |
rLAAT âPLATONISCH.
|
I*laal. v. platen. De â poetsen, er van doorgaan. IMaat» {/tirl:, stad, ruimte), v. âen. â Maalsel ij k. bn. en bw. âe venn'dennvien, d.i. gemfientelijke verordGningen; oen â (jehrel:. l*laatN«'n (zetten, stellen), ik hel) geplaatst; -iniS, v. PlaatKopiioiiiin^: (locale insiiectie door de rechterlijke niacin), v. gmv. l*laatKvlt;'rvaii$;iii^' {remplacement), v. gmv. De â in dienst is hij de wet afgeschaft. Placaat. o. â caten. Zie: IMakkaat. â â¢laoci^reii (plaatsen, stellen, zetten, aan-IcfMcn). â â¢lacM'f (het behaagt, wordt ingewilligd). â â¢lacct (vergunning van den landvurst tot openbaarmaking van pauselijke en bisschoppelijke beschikkingen), o. gmv. ven». I*lac*i4litlt;gt;it (zachtmoedigheid, gelatenheid), v. gmv. IMailijs, IMaddijs (platvisch, schol), v. pladijzen, pladdijzen. l*Iafoii4l (vlakke zoldering; overpteisterde of beschilderde zolder), o. â s. IMafloiiult;gt;lt;ki*c»ii (van een plafond voorzien). IMag'. (afgestoken heizode), v. plaggen. IMag-en (kwellen, lastig n aken), ik heb ge-ptaagil; âer. m.; â«'rij. v.: Een baldadige âerij. (Potg.) IMagiaaf (roof van letterarbeid, letterdieverij), o. âaten. IMa$;'iHris (naschrijver, letterdief), m. âsen. IMaid (geruite wollen mantel der bergschotten)^ v. â s. Lees: PU'. IMaintv (klacht, aanklacht), v. âs. IMaisanl (koddig, kortswijlig), bn. en bw. IMaisanteeren (schertsen, gekscheren). PlaiMaiiirrie (kortswijl, scherts), v. âën. â ii part, scherts ter zijde. I*lak (strafwerktuig in de oude school), v. â ken. De ontzettende â. (C. O.); er de â opleggen, straffen; onder de â zitten, onder de â houden. IMakkaat (aangeplakte kennisgeving der bevoegde overheid), o. â katen. â Makken (doen vastkleven; fig. ergens lang blijven zitten), ik heb geplakt; âer, m. â Makker (koolmees), in. â s. âs en paapjes. (C. O.) Plakkerig' (kleverig), bn. â Maky-ej^el (5-cents-zegel onder quitanties), o. âzegels. Planiiiioten (bezoedelen'), ik plammootte, heb geplamrnoot. IMainiircn (de gaten en holen van houtwerk volsmeren), ik heb geplamuurd; â iiiniirsel. o. Ook: linnen of doek voor schilderijen met olieverf insmeren. â Man (schets, teekening), o. â nen, â s. Fig. Hij heeft groote ânen', het â viel in duigen. â Maneet (hemellichaam, door de zon verlicht en om de zon draaiende), v. âneten. IMauetariimi (toestel, waardoor de beweging der planeten om de zon wordt voorgesteld), o. â s. Het â van Eisinga te Franeker. IManetoïden (kleine planeten, die zich tus-schen Mars en Jupiter bevinden), v. mv. Ook: Asteroïden. IManimeter (werktuig om de oppervlakte van platte figuren te bepalen), m. â s. IManimetrie (de leer van het platte vlak. lagere meetkunde), v. gmv. IMank, v. âen. De â mis zijn, iets verkeerd gissen, doen; op de âen komen, het tooneel |
betreden; hij is een jongen van de bovenste â , een beste jongen. IManket (vloer, beschot, latwerk), o. âten. IManketsel (beschot van planken), o. â s. Plankier (bevloering, steigenverk aan losplaatsen van booten, enz.), o. âen. IMano. in gehee'e bladen: een boekinâ. â Mant (gewas), v. âen. IMantaarde (tuin- of teelaarde), v. gmv. Plantaardift'? bn. Turf is een âevtof; -voedsel', d.i. van planten afkomstig. Plantage (in O. en W. Indië, uitgestrektheid growls als kweekplaats ran bepaalde gewassen), v. â s. Er zijn suiker-, koffie-, tabaks-, katoen-, indigo-, kruidnagelplantages. Soms ook bij ons: een plantsoen: de â te Hotter dam. Plant en {poten ), \k heb geplant. Fig. een kanon â ; een vaandel â ; den standaard â; âer {eigenaar vaneen plantage), m. Als'tboompje is groot, is 't plantertje dood; âerij. !/. â insr, v. Planteneter (dier, dat van planten leeft, phytophaag, herbivoor; mensch, die niets eet, wat van geslachte dieren komt, vegetariër), m. â s. Planten$;'eo$;-ra|gt;iiie (wetenschap, handelend over de verspreiding der gewassen), v. gmv. â Mantsoen (park, aanleg), 0. âen. Plapperen (slobberen van eenden, ploeteren), zij heeft geplapperd. Ook: Klapperen. Plas. m. âsen. Een â water, een â bloed; een â melk; de wijde â, de zee. Plasdankje, o. âs. Hij deed het om een â te verdienen, d. i. een vriendelijk bedankje. Plasres'en (stortregen), m. âregens. Plasregenen (fel regenen), het heeft geplas-regend. Plassen, ik heb geplast. De knapen â door de modder; de badgnsten â in het zeewater; de regens â ; - serif (geplas), v. Plastiek (beeldhouwkunst, boetseerkunst in gips, klei, was, enz.), v. gmv. Plastiseli (beeldend, aanschouwelijk), bn. De â e kunst, beeldende (schilder-, beeldhouw-, bouw-)kunst. Plat (/dat lak, terras), o. âten. Plat. bn. en bw. Een â vlak; een âte neus; een âte beurs, d. i. ledig; een -te aardigheid, een minder kiesche aardigheid; zij zaten - op den grond, d. i. niet op eenig voorwerp; een â kind, dat nog niet loopt; zichâ uitdrukken, niet beschaafd; â lieid, v. Plataan (zekere loofboom uit N. Amerika), m. âtanen. Platbodenid. Platboomd, bn. Een â vuurtuig, d.i. met weinig diepgang. Plateau (een ruim plein, geschikt tot het aanleggen eener batterij; hoogvlakte), o. â's. Plateel (aardewerk), 0. -en. Hood â, bruin â , fijn â, potaarde met verglaassel; âbakkerij, v. Platform (plat huisdak; platte verhelfing v. d. bodem), v. âen. Platina (wit goud), o. gmv. Platin;; (plat houten bekleedsel van een oever wit l), v. âen. Platitude (platheid, laagheid in uitdrukkingen), v. gmv. â â¢latje (guitje), o. â s. Die knaap is een echt â. Platlood (geplet lood, deklood), 0. gmv. Platnens (persoon), m. en v. âneuzen. Platoniseli (bovenzinnelijk), bn. en bw. |
PL ATSCHIKTKN - PLOERT.
346
|
PlatKâ¬fliilt;ktlt;kn« ik schoot â, heb âgeschoten. Een fort â, de tvallen â. Platslaan {platmaken), ik sloeg â, hel» â -geslagen. Plalte-driehoeksmeting, v. gmv. Platte lonii. v. âen. Zie: Piatlorni. Plattegrond(boii,vk..7/,onrffÃ,f'Aquot;e)ii/?£/),m.âen. PiattelaiKl (hniUn, niet in de stad), o. gmv. Een meisje ran het â. Piattelaiicislieelmeester, m. âmeesters. PlattelaiKlMNeliiitt^'rij. v. gmv. I*latteii {pletten), ik heb geplat. Platterd {ongeletterde, domoor), m. â s. Plattrappen {plotmaken), ik heb âgetrapt. Platvisch (iveekvinnige viscli, plat van vorm), m. â visschen. De heilbot, de tarbot, de schol, de bot, de tong, de griet, de schar zijn âvisschen. Platvoet (persoon), m. en v. âvoeten. Platvoeten (lang staan wachten), ik heb geplatvoet. Plausibel (aan neme lij h, waarschijnlijk), bn. Plavei (straatsteen), v. âen. Plaveien (bestraten), ik heb geplaveid; -er, m.; â in$f. v.; â sel. o. Ook: Paveien. Plavuis (leemen of gebakken vloertegel), v. â vuizen. Plebaan (pastoor v. e. kathedrale kerk), m. â anen. Plebejer (gemeen burger in het oude Rome), m. âs. Plebejisch (gemeen^ aan hrt volk eigen), bn. Plebiseit. Plebisciet (volksbeslait bij stemming), o. gmv. Plebs (het gemeene volk), o. gmv. Zij behoort niet tot lu't â. Pleclit(zee\v. vast voor- of achterdek), v. âen. Pb'elitanker (noodanker), o. â s. Fig. behoud, laatste redmiddel: Kinine is het â dei' geneeskunde; het geloof is den vrome een â in den nood. PleehtK'enaad (feestdos), o. âgewaden. Pleebtig' (dpflig, statig), bn. en bw.; â lieilt;l,v. Pleelitinati^r, hn. Een âe stilte, passende. Pleelitstati^' (hoogst plechtig), bn. â beid. v. â â¢loe^ broed er. m. â s; -doehter. v. -s; â kind. ü. âeren; âmoeder, v. âs; â -vader, m. â s; âzoon, m. â s, -zonen. Pleeg'znst er (liefdez aster, z ie ken verpleegster), v. âzusters. Pleet (Engelsch zilver, d. i. koper overdekt met een laagje zilver), o. ginv. Een lepel van -zilver. Plegen (gewoon zijn), ik placht, heb â te..; vd. ontbreekt. Hij placht veel hier te komen. Plegen (bedrijven), ik heb gepleegd. Een misdaad â ; een moord â. Plei (zeew. landpunt, ook folterwerktuig), v. -en. Pleidooi (pleitrede), o. -en. Plein (vlakte), o. âen. De kinderen spelen op het â voor het kasteel. Plein|ionvoir (volmacht), o. gmv. Pleister (uitwendig heehiiiddel), v. âs. Een â op de wond, een verzachting; lig. vergoeding. Pleister (gips), o. gmv. Een beeld in â. Pleisteren (nn't pleister of gips bestrijken), ik heb gepleisterd; âaar, rn.; -in»*, v.; â -kalk. v. Pleisteren (aanleggen), ik heb gepleisterd; â plaats (herberg, rustplaats), v. âen. Slapers zijn hatelijk bij het in- en uitgaan op da âplaatsen. (C. O.) |
Pleit (zeew. plat vaartuig), v. âen. Pleit (rechtsgeding), o. Fig. Het â van dwang en vrijheid (Tollens); het â der moeder was beslist (Borger). Pleiten (een pleitrede houden), ik heb gepleit. Die advocaat heeft voor hem gepleit', die daad â niet voor ?/, tuigt niet in uw voordeel; â er. m.; â erij. v. Pleitzneht. v. gmv. Pleizier, Plezier (vermaak), o. âen. Pleizieren. ik heb gepleizierd. /cm. niet iets â , d. i. genoegen doen. Pleiziâ¬krig (aangenaam), bn. en bw. Pleizierreis, v. -reizen. Pleiziertrein (volkstrein), m. âtreinen. Plek (plaats, vlek), v. -ken. Plempen (vullen, dempen, aanstorten), ik heb geplempt. Plengen (vergieten,storten), ik heb geplengd; Tranen â, wijn â (als offer)-, bloed -, iern. dooden; â ing, v. Plengteest, o. âfeesten. Plengotler (offerande in de oudheid, van melk, wijn of bloed), o. â s. Plenipotentiaris (gevolmachtigd gezant of minister), m. âsen. Plennin (vergadering of zitting, waartoe al de leden zijn opgeroepen), o. gmv. Plc^onasme (overtolligheid), o. ân. Bijv. Ik ben niet in staat, a te kunnen /ielpen; hij pleegt gewoonlijk vroeg op te staan. Ook: Pleonasmns. Pleonasfiseb (overtollig), bn.; een âe uitdrukking. Plethamer, m. âhamers; âmolen. m. â s. Plet hor iseb (vol sappig, volbloedig), hn. Pletmaehine, v. âs; ârol, v. ârollen; â vorm, m. -en; -werk, o. âon. Plets (grof laken, grof weefsel), o. gmv. Pletten, ik heb geplet; -ter, m.; âterij, v. Lood â, d. i. in bladen uitslaan. Pletter, m. gmv. Te â slaan, d. i. vermorzelen; te â vallen. Pletteren (geheel plat slaan), ik heb geplette rd. Pleura (borstvlies), v. gmv. Plenrense (rouwband; rouwrand om brieven), v. ân. Pleuris. Plenresie. Pleuritis {ontsteking van het horst e lies; zijdewee) v. ârissen. Pliea poloniea (Poolsche haarziekte), v. â's. Plicht (zedelijke dwang, een zedelijke gebondenheid), m. âen. Handelen volgens eer en â ; op zijn â letten; zijn - verzaken, d. i. niet nakomen; zijn â betrachten, volbrengen. Plichtmatig (volgens plicht), bn. en bw. Plichtpleging, v. âen. Wat al âm/complimenten; een ijdele â, beleefdheidsbetuiging- Plichtshalve (uit hoofde van den plicht), bw. Plleeren (in- of ombuigen, voiutwn; lig. w/y-ken, wankelen, zich onder i ver pen). Plint (plank onder langs den wand), v. âen. Plisplassen (aanhoudend, spattend plassen), ik heb geplisplast. Wat â die meiden op 'Ao-t er dag op straten en stoepen. Ploeg (landbouwwerktuig), m. âen. Ploeg (ploegschaaf), v. âen. Ploeg (aantal werklieden), v. âen. Ploegen, ik heb geploegd. Het strand â, nutteloos werk doen; de zee â, bevaren; â er, m.; â ing, v. Ploert (lichtmis, schelm), m. âen. |
FLOKirmai-POKN.
|
Ploerterij (lacirjlieid), v. âen. Ploeteren (in het water ompliiwn). ik heb geploeterd; Fig. verward en onhandig werken; â aar, in. Plof (slag, klap), m. â fen. Ploflen (hard en dof neervallen), ik hen en heb geploft. Plok (handrol), m. âken. l*loiiil»e (lood, zegel lood), v. gmv. Plombeeren (met I tod stempelen, b.v. belastbare goederen bij verroer; ook het vallen of volgieten van holle tanden). Plombcersel, o. gmv. Plomp (geluid), m. âen. Het gaf een â, doffen slag in quot;t water. Plomp (dik, grof, dom, hot, stomp), bn. en bw. Ken âe vent; een â meubel; âe t.iul; â antwoorden; â lieHl, v. Plomp (waterboterbloem, dotterbloem), m. â en. Pl4»mp. t\v. aanduiding v. c. geluid. PlompebliHl, o. -bladen, -bladeren, -blaren. Plompen, ik heb en ben geplompt. Iets in het water â, neerstorten, doen vallen. PIoiin (slag in het water), m. plonzen. Plonxen (in 4t water plassen), ik heb en ben geplonsd. Plooi (vouiu),\'. âen. Een valsche â : fig. cm goede â aan iets geven, d. i. wending; â -baar. bn. Plooibout (werktnig), m. âbouten. l*iooieii (in de plooi vomuen), ik heb geplooid ; â er, m.; â iii$£, v.; â «el, o. Fig. schikken, regelen, met elkaar verzoenen, in 't reine brengen. Inloten (de rellen der schapen van wol ont-blooten), ik plootte, heb geploot; âer, m. -erij, v. Plots (slag\ m. gmv. Het gaf een â. Plots, tw. en Plots (onverivaehts), bw. Plotseling. Plotselijk (eensklaps, onverwachts), l)n. en bw. Hij stierf â ; hij hield â op. Plotsen (met een slag vallen), ik hebgeplotst. Plnelie (wolfluweel), v. gmv. Pln$f (stop van een val; ook houten pin), v. â gen. Pln^' (losbol, lichtmis), rn. âgen. Pluim (veder), v. âen. lem. een - pje geven, hem prijzen. Pliiima$£'lt;k, v. âs. Vogels van diverse â, gevederte; titel van een werk van Vosmaer. Pluimbal {vederhal, volant), m. âballen. Plnimen (berooven, plukken), ik heb gepluimd. Wij hebben hem gepluimd, geld afgetroggeld; een hoed â, met pluimen opsieren. Plnim^raat' (opzichter van 't gevogelte), m. â graven. PInimstrijlien (vleien), ik pluimstrijkte, heb gepluimstrijkt; âer, m.; -«'rij. v. Pluimvee (gevogelte), o. gmv. Plnis (pluche, pluisje, vlokje), v. pluizen. Pluis (geplozen toaw), o. gmv. Plnis (Im '.hoorlijk), bn. Het is daar niet â, veilig. Plnixen (rafelen, plukken), ik ploos heb geplozen. De matroos ploos een eindje touw; â er, m.; -«'rij, v. Plnixen (pluizen afgeven), het heeft gepluisd. Dit servet plaist. Plnixerig (vol pluisjes), bn. Een â servet. Pink, m. l)e â der aalbessen, der boonen. |
enz. Fig. Ik heb daar een heden â aan, een grooten arbeid. Plakbaren (vechten), ik heb geplukhaard. Plukken, ik heb geplukt. Een kip, een eend â; hij heeft mij leelijk geplukt, geld afgezet; â ker, m.; â kin^*. v.; â maalt;l. v. Pluksel (tot draden uitgehaald oud linnen), o. gmv. Plimiean (stoffer van veer en), in. â quot;s. VlntttiuuUliufs (pudding met rozijnot),m. â s. Plnnileren. PloiKieren (roovenj,ik heb geplunderd, geplonderd; âaar, m.; â in|r, v. PlniKlerniarkt (voddenitiarkt).v. â markten. Plnmlerxiek (roofzuchtig), bn. Het â gruuw. Plunje (eig. zeemanskleed; ook voor kleeding itt 't al(p'meen), v. gmv. Pluralis (nteervoud), m. en o. â tttajeslatis. het meervoudige Wij in staatsstukkep. Pluraliteit (meerderheid van stemmen), v. gmv. Plus (tneer; nog daarbij gevoegd), bw. Pliisminns (meer of min, omtrent zooveel, ongeveer), bw. Plnsteeken (staand kruisje), o. â teekens. Plntoeraat (geldman), m. â(.-raten. I*lat4»nisine. â nismiis (stelsel in de geologie, die alle vervormingen in de aardkorst atin het vuur toeschrijft), o. gmv. Zie: Xep-tnnisme. â â¢Invier (regenvogel; snip, tvelke den regen aankondigt), v. âen. Pliivi4»nieter (regenmeter), m. â s. Pluviose (öe of regenmaand, van 'Ut Januari tot 'JS Eebrtiari), m. â s. Pnenina (geest; wind, adem), v. gmv. Pneninatiseli. â *iieninatilt;gt;k (de lucht bc-trelfende), bn. â â¢nennionie (longtering, borstontsteking), v. gmv. Poebel (bochel), m. â s. lem. zijn â vol schelden, gmz. Poeben (bltflfen, snoeven, grootspreken), ik heb gepocht; âer, m.; âerij, v. â *4»elilians (ztoetser), m. âhanzen. Poeblianzerij (zwetserij), v. â hanzerijen. Poco (muz. weinig, iets), bw. Poenluni (beker; dronk), m. âla. â quot;oda^-ra (voeteuvel), o. gmv. Podagreus (met voetjicht behept), bn. Een âgreuze pupa, met zijne dochters. (I'otg.) Pollak-rist {voetjichtlijder), m. âen. â N»4l4lïnk'. Pn4idin$f, m. âen. INxlinin (eig. een optred; een verhevenheid), o. â s. l'oeil (lluss. gewicht, ± 16 l\.(i.), o. â s. Poedel (kroesharige lutnd), m. â s. Poeiler. Poeier (stof), o. gmv. Poeder. Poeier (geneesmiddel), v. â s. P4»e«ler4'n. I*4»lt;'ilt;'ren (met poeier bestrooien), ik heb gepoederd. Een gepoeierde pruik. P4ȑ4't ^lichter), m. poëten. P4»ei4'ri$; (stojfig; als poeder), bn. De van droogte â gewordeti keien. (C. O.) â Nm'I (moeras, vijver), m. âen. Een â van. jammeren, van ongerechtigheden, een afgrond, menigte. â Nwlier (htoptttatt in gevogelte), m. âs. â Vn'lje (een hoen), v. âs, â n. Fransch: â *4»ill4'. P4ȑnia: P4gt;4;4'ni (dichtstuk), o. poëmata; poëmen. INm'ii (geld; ook onbeschaafd, lotttp mensch), m. âen. Een â vun een vent. |
I 'O K N K - PO I /1' KIIG K KST.
|
INm'iio (straf), v. O/j â van. (lonip, (nili(iniHfj), bn. Wat ziet hij rr â ait! IN»lt;kiiitf't (boelcilratik), o. â s. lN»â¬'p (arme Westphalinii, Dailwhrr), m âon. sell i m pn. l*oc|»f'iilaii4l (scli.iin})uaaia roi»- West ft ha! ca). o. gmv. (aal vara/en). ik heb gepoerd. Ook: Peuren. 1*00« (roepnaam r. d. kat ook: een halsde lead nan bont), v. âen. IVx'saka (Ind. (jeliefd erfstuk), v. â quot;s. INm'K|»:is (merajelmnes, rommelzou), m. gin v. INM'ssinji (Ind. daizid'a/, rcriilt;ard, radeh)os\\)w. t*tovstn(dorreyrasrlaktriu I lanrjarije,prairie), v. â ?R. â â¢oestun (h la zen), ik liebgépoest. In het raarâ. â â¢ocstop (Jdaasbalg), in. V:indaar.\sschrpoeslcr. â â¢oötaster (rijmelaar, praldichter), in. âs. l*o«;t4-rij (hrt dichten), v. gmv. Poëtica (theorie der dichtkanst), v. gmv. l*oëtiM*li (dichterlijk), bn. on bw. Poets(klacht, pots), v. âen. /cm. een â spelen, hem beet hebben, zich ten koste van hem vermaken. â 'outsell (schoonmaken, rein'ajen), ik heb gepoetst. Fig. De plaat â , zich uit de voeten maken. â â¢of'fsijï (kluchtig), bn. en b\v. (malsch, poezelig), bn. âe handjes. l'oezcli^. bn. en bw. Ken â ivicht, zncht van vleesch; een knal metâe wangen', â Ik-hI. v. I'oöKic. l*oc;zij (dichtkunst), v. gmv. JJc â is de dochter der phantasie en des gevoels. (Geel.) INgt;lt;gt;xi$;' (zacht lief), bn. Een â kind; â v. â â¢of (krediet), m. Op ilen â halen. â â¢of (slag, stool), in. â fen. â â¢ollVn (slaan; ook: borgen, ixlsmedc braden), ik helt gepoft. Hij ivas weer aan '£ poften, d. i. slaan; die vrouw wil altijd door maar â , d. i. op den pof halen; kastanjes â. â â¢ofIVr (zakpistooltje; ook: snoever), m. âs. â â¢ofierd (zwetser), m. âs. â â¢offertje* (gebakje, broedertje), o. â s. âseten. â â¢offertjcMkraain, v. âkramen; âpan. v. â nen. â â¢ofhaiiK (snoever), m. âhanzen. â â¢ogquot;lt;'ii (trachten,streilt;en naar), ik heb gepoogd. â â¢oft'in;? (het streven), v. âen. IJdele â; een â wagen. â â¢oint (punt, steek, stoot; ook: oogen op de dobbel steen en), o. â s. â â¢oint «riioimeiir van eer, eergevoel), u. â â¢4»iiit â¬le vue (gezichtspunt, oogpunt, doelwit), o. gmv. â â¢oiiitf'opf'ii (ditelen, pogen, trachten; het geschut richten). â â¢ointeur (geschutrichter), m. â s. â â¢ointilleeren (met puntjes teekenen of gra-veeren;beuzelen, muggenziften, verdrietig zijn). â â¢oinlilloiiN (lichtgeraakt), bn. en bw. â â¢ok (zweertje), v. âken. Dit Kind heeft de â ken, kinderziekte. â â¢okaal (groote drinkbeker), m. â.-den. Zie: Rokaal. â â¢ok«laal (poklitteeken), v. âdalen, â â¢okciali^ (van de pokken gesdvrnden), bn. en bw. â â¢okon ()net den pook morrelen), ik heb gepookt. In de kachel â. |
â â¢okhont (reer hard hout uit. VV'. /nrfir;),o.gmv. â â¢okkol (peukel), v. â s. Zie: â â¢nkkol. I*4»kk«gt;ai. ik heb gepokt. Dat kind heeft al gepokt en gemazeld, d. i. de pokkon en mazelen gehad; lig. al heel wat beleefd, â â¢ol (stronkje), rn. â len. Een â gras. gew. l*olalt;'lt;*a (Poolse he dans-aria), v. gmv. Vto\i\iv{de poolbetreffende, tegenovergeste ld ),\)n. l*4»lak (Pool), m. âken. Polakker (soort van vaartuig in de Middelt. Zee), m. â s. â â¢olariswrcn (zich naar de pool neigen of bewegen); â satie, v. IV^lclcr (ingedijkt land), m. â s. â â¢olei (foltertuig, tot uitrekking dienend), v. â en. Ook: Plei. Vigt;lvi(lipbloemigc plant, vlooienkr uid),y. gmv. l*ollt;'iiii('k (twistgeschrijf, twistleer), v. gmv. â â¢oleinif't (zekere gladde elfen stof), o. gmv. â â¢oleiniscli (twistend), bn.; âe geschriften, twistschriften. l'oleiiiiMM'rcn (een pennestrijd voeren). â â¢o1ilt;*liiiilt;kl (hansworst. Jan Klaassen), rn. â s. â â¢olilt;kp (veelvoet, straaldier; vleesch- of vezel-gezwel), v. âen. De âen omringen de eilanden om Java, als met een gordel har er gewrochten (afscheiding van kalk). â â¢olict (beleefd, wellevend), bn. Ook: glad. net, b.v. De overgeslagen manchetten waren nog âer en nog meer gesteven. ((*. O.) â â¢oiijKten (glanzen), ik heb gepolijst. Men kan metaal, hout, steen, glas â; âer, m.; â iii$r, v.; -«tor. v. l*olikliiiilt;'k (stedelijke heelkunde; ziektebehandeling door de studenten aan de huizen der zieken), v. âen. I'olis (verzeker brief, akte van assurantie), \. â sen. i*olisKon (straatbengel), m. â s. â â¢olifesso (holfelijkheid, welgemanierdheid), v. gmv. â â¢oliticiiK (staatkundige), m. politici, â â¢olitie (openbare orde en veiligheid; volkstucht; instelling voor de openbare veiligheid), v. Folitic-commisKaris (hoofdambletaiar van politie), m. âsen. â â¢olitick (staatkunde), v. gmv. â â¢olitiek (burgerkleeding), o. De officieren waren in â; een plaatsmajoor m â. (C. O.) â â¢olitiek (staatkundig; listig, schrander, doortrapt), bn. I'olitiKwrcn (over staats-en regeeringszaken redeneeren). â â¢olitoor (glansmiddel, middel tot het oppoetsen van meubels), o. gmv. â â¢olitocrcn (glad en glanzig maken dom' middel van politoer), ik heb gepolitoerd, â â¢olka (Boheemsche dans in -/4 maat), v. â's. De Hongaarsche â, de â mazurka. â â¢ollepel (keuken lepel met langen steel), in. â s. Pollevij (de achterlap van een schoen), v. âen. Polonaise (Poolsche wals; Pool se he dans-aria; wijile vrouwenmantel), v. âs. Pol* (stoot of slag van een slagader), m. âen. lem. den â voelen; de â van den koortslijder slaat, klopt, jaagt; een zwakke â. Pols (springstok), m. âen. Verder willen springen dan de â reikt. Ook: Polsstok. Polsen (met de polsstok roeren in 'f water), ik heb gepolst. Fig. lem. â, ukhooren. Polsslag, o. -slagen. Polterjreest (booze geest, spokende geest), m. âgeesten. |
POLTTiON-POPIJLAin.
|
Foltroii (bloodaard, lafaard), m. â s. Poltromi^rie (lafharliyheid, bangheid), v. gniv. Polyareliie (regeeriny van velen), gtnv. l*ol.vlt;?liroiiiilt;k {het beschilderen met bonte kleuren), v. gtnv. â 'oly^-amio {huwelijk van een man met meer dan één vrouw, of' omgekeerd), v. gmv. {bock of geschrift in vele talen), v. â n. I'ol.vg'lottiscli (in veletalen).hn. Een âestijl. (rekenk. veelhoekig getal), o. â len. Pol.v^oou {veelhoek), in. â gonen. l*4»l,VK-i*a|»liilt;' (veelschrijverij; kunst om met verboi'gen teekens teschrijven,raadselschrift),\. !*lt;»â gt;Iiistor {kenner van verschillende vakken run wetenschajj), rn. â s. I'ol.vpliaa^- (een veelvraat), m. â pliagen. INgt;l.yM.yiilt;llt;gt;toii {veelvuldige verbinding door voegw.), v. gmv. bv. Cesar was en veldheer, en redenaar en geschiedschrijver. f*ol.yfe(*liiiilt;gt;k {leer der kunsten en indus-trieele verrichtingen), v. gmv. FolytocliiiiKcli {vele kunsten en wetenschappen omvattende), bn. De âe school te Delft. PoliUioiMine {veelgodendom), o. gmv. l*om«ki*aiiM (ftaliiiiinsch: oranjevrucht, goudappel. ook: stooteinde aan den biljartstok), v. âen. I\»111 o ra it Kb i tl er {eli.ver van de schillen van den goudappel), o. gmv. l*oiimiadlt;' {haarzalf), v. âs. Haren, blinkende van â. l*oiiiiiia4llt;Mgt;rlt;'ii {de haren met welriekende pom made besmeren). INmiolo^io {ooftkunde), v. gmv. De â huu-delt over up pels, peren, kersen, pruimen, perziken en abrikozen. INmioloog- (ooftkenner, ooftkundige), in. -logen. l*oiii|» {werktuig tot het doen oprijzen van water), v. âen. Er zijn zuig- en perspompen. Pom padour {japonstof met bloempjes), o. gmv. Pompdaal (scheepst. waterbuis), v. âdalen. 1*0111 lie {pracht, staatsie, pronk), v. gmv. PonipolinocMs {groote sinaas-dppel), v. â /.en. l*oiii|Hkii. ik heb gepompt; â^r. m. l*oiii|M'iiiii:(l4('i*. m. âmakers. Poiii|gt;â¬ki*iiilikel {groot zwart roggebrood der Westphalers, soms .quot;KJ pond zwaar), m. âs. l*om|K'sis {prachtvol, vol pronk), bn. en bw. I*4»iii|»i«'r (brandspuitgast), m. â s. l*4»iii|»olt;'ii {zekere vrucht, kalebas), m. âen. l*oiii|Mgt;ui {wollen kuif op de schako der soldaten), in. â s. l*oiilt;'lt;'aii {klaprozenrood), o. gmv. I'oikI {gewicht), o. âen. Het Nederlandsch -of K.(l. (= 1000 gram); ook zekere geldswaarde: een â Vlaamsch of â groot, d. i. /'ö.OO; een â Par is is, een Parijsch â, d. i. f O.öO; een â sterling (Engelsche munt), d. 1. -t /12.00. l*4»iiâ¬lM|gt;oiilt;lN^e\vii%lt;s â grewijs (naar evenredigheid), bw. De winst zat â verdeeld worden, naar evenredigheid van ieders inleg. Fonjaaril {korte degen, dolk), m. âen. Foiim. Piiiic*!! {drank), v. gmv. lKoiit {schouw, platboomd overzetvaartuig), v. âen. l*oiitilVx {lid van het hoogste priestercollege in lioute), m. De voorzittei' heette â maximus. |
l*oiii! if ie aal ( pausel ijk gewaad, staatsiekleed), o. gmv. Poiitillvaal {pauselijk; opperpriesterlijk), bn. Pontificaat {het ambt van opperpriester), o. gmv. Ponton {groote pont, in gebruik bij de pontonniers om schipbruggen over de rivier te leggen), v. â s; âbrug:, v. i*oittottttii*v{soldaat-sch ipbrugiwi ker), m. â s. Pony {een soort van klein paard;, m. â's. Ponyliaar {haurkrulletjes op het voorhoofd), o. gmv. Pooien {drinken, zwelgen), ik heb gepooid ; â er {drinkebroer), m., gmv. Pook {puntig ijzer; dolk), m. |)oken. Pool {bewoner van Polen), m. polen. Ook; Polak. Pool {uiteinde der denkbeeldige aardas), v. polen. Er is een X. en ecu Z. â . Poolcirkel (cosinogr. parallel op ran de Pool), m. â s. he Noordâ en de Zuiaâ, PoolKt'h {uit of als in Polen), bn. Een âe vrouw; âe tarwe; de âe taal; een âe lurd-dag; (als zn.), o. Poolshoogte, v. â nemen. Fig. zien, wa;ir « t' hoe ver men is. Poolsler {sier in den Kleinen Beer, nubij de N.pool), v. gmv. Poort {doorgang, groote ileur), v. -en. Poortalt;llt;'r {groote ader, die bijna al de aderen der onderbuiksorganen opneemt), v. â s, âen. liet âstelsel bevat al de vaten, die ile â vormen. Poorter {burger, stedeling), m. â s. vero. Poorteren {het burgerrecht verleenen), ik heb gepoorterd. vero. Poorlerij {burgerij), o. gmv. vero. Poorlerseliap {burgerrecht), o. gmv. vero. Poos {tussc hen tijd, rusttijd), v. âzen. Pool {voet van een dier), m. âen. Bij uitbreiding: de â of âen van een tafel, van een schraag, enz. iets op âen stellen, Hink in orde brengen; op zijn â spelen, de beest uithangen, opspelen. Poot {stekje, lootje), v. poten. Pooli^* {sterk, handig), bn.; een âe kerel, d. i. met werkhanden. Poolje {podagra), 0. gmv. De manhud het â. Poolviseli (één vischje), m. â visschen; {ver-zamelwoord, vischbroedsel), v. Poover {arm, kaal), bn. en bw. Hij ziet er â uit; â lieid, v. Poovertjes {armoedig, schraal), bw. Pooxen {verwijlen, blij een), ik heb gepoosd. Pop {gulden), m. Dat kost mij tien â. Pop {speelgoed der meisjes), v. âpen; poppetje, o. â s. Xog met de â spelen, nog kind of kinderachtig zijn; lig. De âpen waren daar aan het dansen, de twist was uitgebarsten. Pop {wijfje der vogels; ingewikkelde vlinder), v. âpen; âje, o. Popans {bullebuk, boeman), m. âen. Pope {priester van de Grieksche kerk in Rusland), m. â n. Popel {populier), m. âs. Zie: Peppel. Popelen {angstig kloppen), mijn hart heeft gepopeld; â ingr, v. Poppen {met de pop spelen), ik heb gepopt. Popperig* (popachtig), bn. en bw.; een â tuintje; â gekleed. Poppig' {popperig), bn. en bw. Poppigjes {netjes), bw. Populair {bij het volk gewild), bn. Een â |
POPÃLARTSEEREN âPOSTULEEUEN.
|
vorsti minister, enz.; âe voordrachten, verstaanbaar voor het volk; de II ij bel is teuelijk het geleerdste en het âste boek. (Koetsveld.) Popularisecron { voor het volk verstaanbaar en beea t telij k spreke 11; ahjemeen n ut Hu maken). I'opiilaritoit (yewildheid bij het volk), v. gmv. l*o|»iilatilt;k (beuolkinu), v. âs, âliën. IN»]»!!leuren (bevolken). Fopiilioi* (boom, poind, peppel), m. âen. Por (steek met mes of dolk), v. âren. I'orcii* (met uiterst kleine open'nvjen of poriën, gaatjes, sponsaehtig), lm.; poreuzer, poreust; â licid. v. IN»rfilt;ki* (marmerachtig wit of rood gesteente), o.-gmv. De liomeinen lieten doodkisten, badkuipen, vazen van â beitelen. l*orfilt;ki*lt;'ii. lm. Een â vaas, van roodachtig marmer of rood jaspis. Porie v. poriën. De poriën der hunt. Pnmaffri\Ht'(()nzedeliJk,zelt;lenkivetsendschr ijver), in. -graten; âgrapliie, v.; âs'ra-lm. Porren (kloppen, lig. aandrijven), ik heb gepord; â «Ier, m.: de A msterd. porder (wekkor); â riiift', v.; âijzer (werktuig), o. Porselein. Postelein (groente), v. gmv. l'orselein (het fijnste aardenwrk), o. gmv. Port (wijn van Oporto in Portugal), m. gmv. Port (brieve}tvracht), o. âen. Ook: Porto. Portaal {ingang, voorhal), o. âalen. Portaliel, Portatief' (draagbaar), lm. Port «l'arines (jachtakte of patent, om te mogen jagen), m. Porte {het Turksehe hof of rijk), v. De Otto-manische â, de Verheven â. De â is eigenlijk de deur van het paleis: met â bedoelt men in (tostersche beeldspraak het paleis, en verder den bewoner, zijn hof, zijn rijk. Porte-brix^e (vouwdeur), v. portes-brisi*es. Porte-eijjares (sigarenkistje), m. Portee (omvang, strekking), v. gmv. Dat is de â van de zaak. Portei'ren (zich voor iemand in d- bres stellen). Portefeuille (brieventasch; ambtsbediening van een minister), v. â s. Portelen (borrelen, pruttelen), ik heb geporteld; â bier (schuirnbier), o.; â wei (hui van gewrongen kaas), v. Porte-maiiteaii (staande kapstok), m. â's. Porteiiioiinaie (geldtasehje), v. â s. l*orter (sterk hing. bier), m. gmv. PortieiiK (zuilenhal, bog en gang bij de liomeinen), in. âsen. Zie: Portifk. Portie (deel, aandeel), v. âs of âtiën. â â¢ortiek (zui lengang, overwelfde gang), v. âen. Portier (deurwachter), m. â s. Portier (deur van koets of waggon), o. âen. PortiiiiieiilafeeKt (1«. K. groot aflaat feest op ti Aug.), o. âfeesten. PortlaiKi-eeiiieiit (kunstmatige metselspecie, in Engeland bereid), o. gmv. Porto (briefport), o. â's. Porto-t'raiieo (vrijhaven), m. gmv. Porto-rilt;*o (Amerik, U'. I. eiland, waar de tabak van dien naam vandaan komt), o. gmv.; (de. tabak zelve), v. gmv. Portret (geschilderd enz. afbeeldsel van een mensch), o. âten. Portretteer en (iemands portret maken). Portugees, in. âzen; zwarte âen dnd. het eiland J''lores), m. mv. Port iigeeKeli. bn. Ee}i â vaartuig. |
Porttilak (tuinbloem), v. âken. Portuur, o. Zie: Partuur. Portwijn (Portugeesche wijn), m. âon. De â wordt gewonnen aan de oevers vun de Dour o en over Porto of Oporto verscheept. Pose (houding, stand), v. â s. Posé (bedaard, ernstig, zedig), bn. Pose eren (zitten voor een schilder om zijn portret te laten maken). Positie (stelling, plaatsing; ligging, toestand, gesteldheid van zaken), v. â s, âtiën. Positief (vastgesteld, bepaald, bevestigend, werkelijk), \m. ârecht; â ve electriciteik, â ve grootheden, (alg.) Positief'. Posit i vns (syvnnkk.stel lende trap), m. â tieven. Positief (het positieve beeld, de. afdruk; tegenstelling van negatief), o. âtieven. Positieve (verstand, kennis, bewustzijn), v. Hij is niet recht bij zijn â n, niet wol bij 't hoofd. Posito (gesteld, aangenomen dat), bw. Possessie (bezitting, have), v. â siën, -s. Post (deurstijl), m. âen. Zijn naam stuulop den â van de deur. Post (onderdeel van een rehening), in. âen. Post (standplaats en ambt), m. âen. Post (postbode), m. âen. Post (posterij, postkantoor en postwagen). Post (postpapier), o. gmv. [v. âen. Post (zoetwatervischje), v. âen. Ook: Pos. Post (in Latijnsclie woorden of koppelingen: nu, achter, la Ier). Postciatoeren (later dagteekenen). Een wissel â. Posteeren (plaatsen, stellen). Zich â, post vatten. Postelein, v. Ook: Porselein (groente), v. gmv. Postlt;k restante (aan het postkantoor blijvende liggen om afgehaald te worden, op brieven), bw. Posterieur (achterdeel),o. â en; alsbw. Uiter. Posterij (openbare inrichting tot vervoer van brieven, enz.), v. âen. Posteriori, bw. Een bewijs, een redenering a â, argumentatie, in welke men van den aard der gevolgen tot den aard der oorzaak besluit. Posteriteit (nakomelingschap), v. gmv. Post iioe, er^'o |iro|gt;tfgt;r hoe (daarna,en derhalve daarom; valsehe stelling). Post iiiinins (kind, na 's vaders d tod geboren, nakomende), m. en v. gmv. Postielie ( later bijgekomen, valseh, nagemaakt), bn. INistiljon (postknecht, postrijder; quot;oorrijder), m. â s. l*ostkanto4»r. o. âkantoren. Postmeester, m. âmeesters. Postiinniereeren (natellen; nabetalen). Postponeeren (achterplaatsen. benedenstellen). Postseriptiiin (naschrift), o. â s. Zie P.S. Postspaarbank, v. âbanken; âboekje,o. â hoekjes. Poststation (postrust, halt plaats vun de posterij), o. â s. Postulaat (stelling zonder bewijs aan Ie nemen, vereischte, vordering, opga )e), o. âaten. Postulant (sollicitant, aanzoet.er), in. âen. Postiileeren (eischen, vorderen, verlangen, verzoeken). |
POSTUUR
351
-PRANG.
|
Portuur (pnstLijd), o. âuren. Pot, m. âten. De â verwijl ilen keU-U dat hij zwart is, de een verwijt den untie.quot; een eigen gebrek; daar is voor n een âje te vuur, gij hebt iets onaangenaams te wachten; hij mar/ daar een âje breken, hij heeft daar een streepje voor; hij is zoo dicht als een â, d. i. geheim, gesloten; den hond in den â einden, komen, als het eien op is; er is geen â zoo scheef, of er past een deksel op, voor elk meisje bestaat een kans om te huwen. Pot.ag'e ('mdereenfjenioiyde spijs, soep), v. â s. Jean â, hansworst. Potaseli (koolzuur kalium), v. gmv. PoteliiiK* (ho impje), m. - en. Poten, ik heb gepoot. Aardappels â, boompjes â, enz. Potentaat {macht- of (jezafjhebber, gekroond hoofd), m. âaten. Fig. Een rare een zonderling. Poter (pootaardappel), m. â s. Potestaat (landvoogd, b.v. iu Friesland), m. â aten. Potlmis (laag huisje leunend tegen een hoog huis), o. âhuizen. /â¢gt; kwatn ren stem uil een schoenmakersâ. (C. O.) Potielioiiianie (kunst om Chineesch porselein na te maken), v. gmv. Potjeslatijn (keukenlatijn), o. gmv. PotlamiiK't jo (lam mei den zuigpol gefokt), o. âlammetjes. IN»tloolt;l (mengsel van graphiet en leem), o. gmv. Potlood (voorwerp), o. âen. Met een â Ieeketien, schrijven; een zacht Potloodcn (met potloodpoeder inwrijven), ik hel» gepotlood. Een kachel, een fornuis â. Potpourri (pot met ingemaakte of ingelegde kruiden, mengelmoes, hutspot; mnz.: muzie!:-stuk uit onderscheiden thetnaquot;ssamengesteld). Pots (poets, grap), v. âen. |o. â s. I'otsrninakrr (hansworst), m. âmakers. Potsierlijk (kluchtig), bn. en bw. I*«»ts|»el (oud biljartspel, waarbij ieder vier beurten krijgt, met gezamenlijken inleg), o. âspelen. Potstuk (spaarpenning), o. â¢â¢ stukken. Potten (geld /«vmm/) ik heb gepot; âlt;»r. m. Pottenbakker, m. â s; âerij. v. âen. Pottenbakkrrsseliijt' (werktuig tot hel vormen van rond aardewerk), v. âschijven. Potviseli (walvischachtig zoogdier), m. â -visschen. De â heet ook cachelot. De â wordt 'J!)â22 M. lang. Pont' (soort van belegsel, tot sieraad aan vroutv en kleeding), m. â s. Lees: Poef. l*oiile (biljartspel om een inzet; potspel), v. Vour stVâ¬iuit(voldaan, onder rekeningen), bw. P4»iirlgt;oire (fooi, drinkgeld), v. â s. BN»nr f'airr visite (om een bezoek af te leggen). Zie |». t'. v. Ponr passer Ir temps (tot tijdverdrijf). Pon r pren«ire «011^(0/« afscheid tenemen). Zie p. 1». e. Ponrsiiéie (vervolging, doorzetting), v. âs. Ponrsiiiv«keren (voortzetten, volhouden, vervolgen). Ponsse-eale (glansje likeur na de kolfie), in. â's. Ponsseer«*n (stooten, drijven, voorthelpen, bevorderen). Ponvoir (macht, vermogen, bewind), o. Plein â , volmacht. |
Praaien (een zeilend schip op zee met den roeper beroepen), ik heb gepraaid. Praal (pronk, luister, vertoon), v. gmv. Praam (plat kustvaartuig), v. pramen. Praam (beklemming), m. pramen. Dan week de â der dreofenis. (Bild.) Praat (gesnap, gebabbel), in. gmv. Praataï (persoon), m. env. â len; â^raa^. m. en v. â gragen; â kons, m. en v. âen; â vaar, m. â s. I^raelirn {vleiend bedelen, smcekend lt;(fvragen), ik heb gepracht; âer, m.; âerij. v. Pralt;'lit (luister, praal), v. gmv. Praclitift'CW/A*, heer lij k),\m.OA\ bw.; â lieicl.v. Praetieabrl (doenlijk, uitvoerbaar, bruikbaar), bn. Praetiens (ervaren man), m. âsen, â tiü. I*raetijk (tegenover theorie), v. gmv. Praetiseli (werkdadig, doelmatig), bn.en bw. â â¢ra'bemle (kerkelijk ambt met salaris), v. â n. Zie: Prrbeinü*. Prseeeptor (leeraar aan een gymnasium), m. âen. Pr;eeeptoraat (leeruursamld), o. âraten. Pwed ieaat (ambtsnaam, titel; naamw. gezegde), o. âeaten. Ook: Predieuat. Praedicatief (als naamw. gezegde), bn. liet â gebruik der bn. I'ra'fix (voorvoegsel), 0. âen. 1quot; ra'pa raat (bereiding, iets dat toebereid is), o. âraten. Een anatomisch â. Pra'pareeren (klaarmaken, voorbereiden). Een voet â voor een anatomische les. Prsesens (spraakk. de tegenwoordige tijd), o. gmv. Prsrses (president), m. âsides. De â opende de bijeenkomst met een kort /foo/v/. (Klikspaan.) I*rsesi«liiini (voorzitterschap), o. gmv. Prsetcritis (stijlliguur. voorbijgang), v.; b.v. Ik wil niet spreken van ..., van.... van..., maar ik herinner enz. Prcetrritnin (spraakk.verleden tijd), o. âs. Praetor (bij de Romeinen: landvoogd, opperhoofd), m. âen. Zie Pretor. Prsetnnr (het ambt van den praetor), v. gmv. Pragmatiseli.l^ra^matiek(aUjemeen nuttig, leerzaam). De geschiedenis â behandelen, d. 1. aan de hand der feiten, niet bespiegelend; de âe sanctie, algemeene landsverordening; besluit van keizer Karei VI in 1724, waarbij zijn dochter Maria Theresia hem zou opvolgen. Pralioc (Ind. schuit, scheepje, praam), v. âs. Prairial ('de of weidemaand, van 20 Mei tot IS Juni), m. gmv. Prairie (boomloozegrasvlakte in N. A meriku), v. â iën. Prakkexe«kren (peinzen, uitdenken, verzinnen. Praktijk (handeling), v. âen. Kwade âen. Praktijk (werkzaamheid van een advokaat, notaris of dokter), v. gmv. Praktizeeren (van geneesheren en rechtsgeleerden: het vak uitoefenen). Prakt ixijn (rechlsoefenaar, zaakwaarnemer), m. âs. Prallt;'n (schitteren, vertoon maken), ik heb gepraald; âer, m.; âerij, v. I*ralines (in suiker geroosterde amandelen), v. mv. I*ranien (dmkken. piTsen, knellen), ik heb gepraamd; -inj;quot;. v. Pran^* (drukking, klemming), v. âen. Fig. knelling. |
P R A NO RN - PI {ESKNNING.
|
Prau(klemmen, lig. benauwen', ook zeew.: oplaveeren), ik heb geprangd; âer, m. Prat (trotsch), bn. cn bw., pratter, pratst; Selima (de kat) was â op de gumt haver meesteres Klit neen. (Bild.) Praten (spreken, babbelen, snappen), ik heb gepraat; âer, m; â erij, v. Pratten (pruilen), ik heb geprat. Pratziekte (kwijnende ziekte), v. gmv. Prauw (plat\ Indiaansch. vaartuig), v. âen. Zie Pralïoe. Praxis (de praktijk),\'. gmv. De â vaneen vak. Pr£ (vooi\ vooraan, vooruit). Het â hébben, den voorrang hebben, de voorkeur hebben. Preadvies (voorafgaand advies), o. â iezen. Prealabel (voorafgaande, voorloopig) bn. Preambule (voorrede, inleiding), v. â s. Preambuleereii {voorspelen, een inleiding maken-, wijdloopig zijn). Prebende (kerkelijke bediening of titel, met jaargeld), v. â n. i*mriiir(t wij felachtig-,onzeker,wan kelend),hn. Precautie (voorzichtigheid, voorzorg), \. â s, â tiën. VreiWAXwret^voorgaat^denvoowanghebben). Precies (juist, nauwkeurig, stipt), bn. en bw. Precieus (kostbaar, opgesierd of opgesmukt). bn. en bw. Precieuse (dame vol gemaaktheid, nui), v. â s. Preciosa (kostbaarheden), v. mv. Precipiteereu (scheikundig neerslaan of doen bezin ken; ovwijlen, nnbedach tzaam zijn). Preciseeren (met juistheid opgeven). Precisie (juistheid, nauwkeurigheid), v. gmv. Precoee {vroeg rijp, vroeg ontwikkeld, lt;m-tijdig), bn. Precociteit (irroege ontwikkeling; ontijdigheid), v. gmv. Preconiseeren (loven, prijzen, ver helfan). Predecessor {voorganger i.e. ambt), m. âs. Predestinatie (voorbeschikking), v. De leer der â, strijdpunt tusschen de Arminianen en Gomaristen (1618). Predestineeren (te voren of vooruit bepalen, voorbesch i kken). Preclicaat (naam, benaming, eigenschap, titel, naamw. gezegde), o. -eaten. Zie Prsedicaat. Prefiicaatszin (zin, die den dienst verricht van naamw. gezegde), m. âzinnen; b.v. Hij wordt wat zijn vader is. Predictie (voorspelling, waarzegging), v. -s, â tiën. Predikant (dominee), m. âen. Predikantenvc^reenis'iiijj, y. âen. Pretlikantsplaats, v. âplaatsen. Pr elt; li ka tie (het prediken, leerrede), v. â s, â tiën. Prediken (verkondigen), ik heb gepredikt; âer, m.: â ing-, v. Ook Preeken. Prediker (een der boeken van het O. Testament), m. gmv. Prediiectie (vooringenomenheid, voorliefde), Predisponeeren {voorbereiden). [v. Predis|gt;ositie(artn/^,ft.v. to t een z iekte), v.âs. Predoniineeren (overheerschen, het hoogste gezag voeren). Preek (leerrede), v. âen. Zie: Predikatie. Preekeu (een preek houden), ik hel» gepreekt; â er, m. Fig. de les lezen, iem. met waarschuwing en raad lastig vallen. Prefatie (voorrede, voorbericht), v. âs, â tiën. Prefect (gouverneur, bestuurder, hoofd), m. â en. |
Prefectuur (stedehouderschap, woning ol kantoor van een prefect), v. âturen. Preferabel [preferent), bn. Prefereeren (hooger stellen of achten, voortrekken, de voorkeur geven aan). Preferent (wat de voorkeur heeft), bn. â aandeelen. Preferentie {voorkeur), v. â s, âtiën. Prei (soort van groente; look), v. âen. Prejudiciabel (nadeelig), bn. cn bw. Vrvjuilive (nadeel, schade,a fbreuk,inbreuk),\\ Prejiidiceeren (vooraf oordeelen; benadee-len, schaden). Preju^e (vooroordeel), o. â s. Prelaat (geestelijke van rang, die een kerkelijk rechtsgebied bezit), m. âaten. Prelaatscliap (waardigheid v. prelaat), o. gmv. Preliminair (voorloopig), bn. en bw. Preliminairen (voorloopige schikkingen), v. mv. De â tot den vrede. Prelude (muz. voorspel, inleiding), v. gmv. Preludeeren (het voorspel spelen; doen voorafgaan als inleiding). Preludium (voorspel, bijzonder op orgels), o. â s. |v. Prematuriteit (vroegrijpheid, ontijdigheid). Premat uur (vervroegd, overijld, ontijdig), bn. VvrnwAXitixiiv (voorbedachtheid,voorafgaand overleg). Premediteeren (te voren beramen of bedenken). Premices (eerstelingen als olfcrgave), v. mv. Premie (belooning, eereprijs; bij kooplieden de verzekeringsprijs, welke aan den verzekeraar betaald Wurdt), premiën, â s. Premier (eerste, voornaamste), m. gmv. Hij is de â, de eerste, voornaamste, ook de eerste minister; de premières halen, de zes eerste slagen in het quadrille-spel. Premisse {voorafgaande stelling eenersluitrede, waaruit het besluit wordt afgeleid), v. â n. Prent (afbeelding, plaat), v. âen. PrentaelitiK' (quot;Is een prent), bn.; een âe juffer, stijf, houterig. Prenten (drukken), ik heb geprent. Prentenboek, o. âboeken. Prenumereeren (vooruitbetalen). Preoccupatie (afgetrokkenheid, vooroordeel), v. â s, âtiën. Preocciipeeren (voorinnemen; vooroordee-len inboezemen). VrviyArntivt'(toebereidsel), gt;. âtieven. Préparatoir {voorbereidena, voorloopig), bn. Prepareeren (voor- of toebereiden, gereedmaken). Preponderant (overwegend), bn. Preponderantie (overwich t. meerderheid),\\ Prepoiidereeren (overwegend zijn). Prerogatief {voorrecht), o. âven. De âven der Kroon, de voorrechten, b.v. het recht van genade. Prc^rog'eeren (te voren beg eer en, den voorrang eischen; vóór den tijd betalen). Presage (voorgevoel; voorteeken), o. â s. Presbyteriaan (rechtzinmge in de Kngel-sche of Schotse he kerk), m. â anen. Prescribeeren (voorschrijven, gebieden; verjaren). Prescriptie (voorschrift; verjaring), v. --tiën, âties. PresenninK' (geteerd zeildoek als dekkleed), v. âs; âbroek, v. âcn; -naad, v. ânaden; |
PKKSENT-PRIKTOL.
353
|
-reep {een reep zeildoek), m. âen; â spijker, m. â s. Ook: PreKeiiiiin^-. I*rlt;'s«'iif (geschenk, yift, (jcivc), o. âen. Present (tegenivooi'diQ, helder v. geest), bn. I*rlt;'seiital»(kl (gesehikt om vertoond le worden, om aangeboden te worden), bn. â â¢resc'iiteer«'ii (voorstellen, toonen, aanbieden; het geweer vóór honden). l^reKontic (tegenwoordigfund), v. â hebben, zwaarlijvig zijn; â jjelfl (geld, dat nitbetaald wordt aan de ter vergadering aanwezige leden van sommige bestuurslichamen), o.; â lijst (lijst der aanwezigen), v. â â¢rewervatif* (bewaring-, voorbehoeding), v. ginv. â â¢rc'servatief (behoedntiddei), lt;». -tiovon. Vrvsvr\evrvt\(bewaren,t)ehoeden,beschutten). â â¢resyan^' (in l'Jngehmd het gaan pressen van matrozen), in. âgangen; â incivster, m. â s. r«»siâ¬leerlt;'n ( voorzitten). l*r«kNi4leiif (voorzitter), in. âen; âschap, o.; â sstoel, m. âen. I'residiiiin (voorzitterschap), o. gmv. I*ressaiit (dringend,geen uitstel lijdend), bn. Fresseereii (noodzaken, drulJcen, dringen, haasten). â â¢ressen, ik hel» geprest; soldaten, â matrozen â, met list of geweld tot den dienst aanwerven (in Engeland); âer, in.; âin;;', v. Presteereu (doen, bewijzen, afleggen, vervullen)-, diensten â, een 'eed l'reKfidjgfilateiir (goochelaar), m. âs. â â¢restijre (overwicht, ook: roem, invloed), tgt;. Te lange aarzeling zou ons â knakken in hidie. I*r«gt;stissiiii4» (muz. zeer vroolijk, ten uiterste snel), bw. Presto (muz. zeer snel, vroolijk), bw. Presiiniecreii (vermoeden, onderstellen gt;. Presiiiii(pgt;tie (vermoeden), v. â tiën, âties. Prlt;'siini(pgt;tief' (vermoedeIjk), bn. I*ret (vreugde, plezier), v. â 'hebben, â maken. Preteeren (leenen, zich schikken). Daartoe zal ik mij nooit d. i. laten gebruiken. Prlt;gt;tâ¬Mi(llt;'ereii (eischen, aanspraak maken; voorgeven; beweren, staande houden). Pretendent (aanspraakmaker; minnaar; eischer; prins die naar de kroon staat), m. â en. Pretensie (aanspraak, recht; schuldvordering; aanmatiging), v. âsiën, âsies. Pretentieus (aanmatigend, ingebeeld), bn. en bw. Pretext (voorwendsel, uitvlucht, voorgeven), o. âen. Pretor (in 7 oude Rome: rechter, later consul). Pretorianen (soldaten van de lijfwacht der Hom. keizers), m. mv. Prettig* (aangenaam), bn. en bw. Preiikeleii(mct den pook in het vuur roeren),. ik heb gepreukeld. Preutelen (knorren, pruttelen), ik heb gepreuteld; -aar, in.; â iiitf'. v. I^renlelisquot; (knorrig, kregel), bn. en bw. Prentseli (trotsch, nuf fig), bn. en bw. Wat een âe dame! â lieiti, v. Prenve, Prove (onderhoud uit een gesticht van liefdadigheid), v. â n. Preave (bewijs, proef), v. â n. Prevaleeren (meer gelden, den voorrang hebben); zich â, zich schadeloosstellen, zich doen betalen. Prevalent (den voorrang hebbend of verdienend), bn. koenen, Verkl. Handwdb. d. Nederl. taai. |
Prevarieatie (plichtverzubii, ambtsonge-trouwheid), v. âtiën, âties. Prevelen (zacht mompelen), ik heb gepreveld; gebeden â; âaar, m.; â«rij, v. I*revenanee (voorkomendheid), v. â s. Prevlt;'nant (voorkomend, gedienstig), bn. en bw. Prevenieeren (voorkomen; iem van iets verwittigen). Preventie (voorkoming; waarschuwende kennisgeving, vooroordeel), v. â s, âtiën. Preventief (voorloopig), bn.; âvegevangenis, â ve hechtenis. Prevót (scherm meester), m. â s. I'i'exrmiiii^- (scheepst. waterdicht zeil lock), v. â s. De kapitein en de officieren sliepen dien nacht onder een â. Prieel (tuinhu isje van groen), o. âen. Zie: Weesje. Priegel (slaag, ransel), m. gmv. gmz. i'i'iegelen (afrossen), ik heb gepriegeld; â aar, rn.; â ing, v. Priem (breinaald, dolk, els), m. âen. Priemen (doorboren), ik heb gepriemd. Priester (geestelijke), m. âs of âen; âes, v. â essen. I*ri«vslf'r«llt;»ni (priesterschaur), o. gmv. Priesterlijk, bn.enbw. Dr âc waardigheid\ met - bed'Kirden wandeltred. (Staring.) Priesterseliap (voor de waardigheid of het ambt), o.; (collectief voor de priesters), v. Priesteru ijding (H. K. het wijden van priesters), v. âwijdingen. Prij {kreng, aas), v. - en. Ook: booze vrouw. gmz. I*rijken (pralen, /tronken), ik heb geprijkt, i'rijs. m. âzen. Hen â trekken, nl. in de loterij; voor den â van tien gulden, d. i.som; onder den â verkoopen, lager dan de markt-prijs; dit boek is voor geen â meer te krijgen, voor geen geld; vaste prijzen, er wordt niet afgedongen: er werd een â quot;p zijn hoofd, gezet, d. i. een loon uitgeloofd voor die hem vangt, levert of doodt; op â stellen, waar-deeren; â stellen op, waarde hechten aan; den eersten, den tweeden, den derden â halen, nl. bij een wedstrijd; den â behalen, de winner zijn. Prijs (bail), v. Een schip â maken, veroveren; voorgoede â verklaren, d.i. buit. Prijsronrant (lijst, waarop de prijs der te leveren waren is aangeteekend), v. â en. Prijselijk. Prijslijk (loffelijk), bn. en bw. Prijsgeven (ten beste geven), ik gaf â, heb â gegeven; het schip â aan de winden. Prijxen (loven, roemen), ik prees, heb geprezen. â â¢rijzen (van een prijscijfer voorzien), ik heb geprijsd. Al de waren zijn in dien winkel geprijsd. Prij%enswaarlt;lig( loffelijk),hn. Een âedaud. Prik (steek; ook lamprei, visch), m. âken. Prikkel, m. â s, âen. Fig. aansporing. Prikkelbaar (lichtgevoelig), bn. En dut hart (van Bgron)! . . . het was van nature â. (Beets). Fig. lichtgeraakt; â heid, v. Prikkelen, ik heb geprikkeld. Dut (alles) scheen de hoovaardij van den heer Kerige thans niet teâ. (C.O.). Iem. naijver â. Fig. aanzetten, aanvuren; â ing. v. Prikken (stcke)i), ik heb geprikt; âer, m.; â ing. v. Prikslee (kleine slee), v. âsleeën. Priktol (werptol), m. âtollen. Ik wil u geen 23 |
PHIL-PRODUCEEKKN.
354
|
oogenblik van â of hoepel aftrekken. CC. O.) Pril (vroolijk, frisch, vroeg), bn.; de â le jeugd. Prima (eerste, hoogste [eener school), v. â qualiteit. Primaat (eerste of voornaamste), m. -aten. De âmaten van mijn dorp. (Koetsveld); --scliap. o. Prima-lt;loima (eerste touneelspeelster of zangeres), v. â's. Priinair (beginnend), bn.; ren âe school. Prima vista (muz. op het eerste gezicht-, kooph. op zicht, op vertoon betalen, b.v. een wissel). Primeur (het eerste), v. â s. De â hebben, de eerste zijn, die iets ontvangt of inziet. Primitief (oorspronkelijk, allereerst, aanvankelijk), bn. en bw. Primo (vooreerst, ten eerste), bw. Primula (sleutelbloem, sierplant), v. -'s. Primus (eerste prijsbehaler op een school, enz.), ni. âsen. Primus inter pares ((Ze eerste onder zijns gelijken), m. Priuceps (de eerste, de vorst, Rom. keizer), m. Zie: Prius. Prineipaal (opperste, hoofdpersoon, heer, meester, lastgever), m. âpalen. Prineipaal (voornamelijk, hoofdzakelijk), bn. en bw. Principe (grond, grondbeginsel), o. â s. Principieel (oorspronkelijk), bn.; een -tegenstander, uit beginsel. Prins (koningszoon), in. âen. Hij is â van den bloede, d. i. uit het regeerend stamhuis; van den â geen kwaad weten, totaal onschuldig zijn. Prinsdom, o. -dommen. Het - Oranje. Prinsenvlag (de vlag van Oranje), v. -gen. De â was oranje, wit en blauw (oranje-blanje-bleu). Prinses, v. âsen. Prinsessenboon. v. â boonen; âboontjes (suikérboontjes), o. mv. Prior (overste van een klooster), m. -s; --schap. o. Priores (abdis), v. âsen. Priori (a), bw. Ken bewijs, rederwering â, argumentatie, in welke men van den aard der oorzaak tot den aard der gevolgen besluit. Prioriteit (voorrang, voorkeur), v. gmv. Prise d'eau (vergaarbak van leidingwater), v. â s d'eau. Priseeren (op prijs stellen)', âder, m.; â ing, v. Ook: Snuiven. Prisma (kantzuil-, driezijdig geslepen glas), o. âma's, â mata; â tlseh, bn. Prismoïde (meetkundig lichaam), o. â n. Prison (gevangenis), v. â s. En â, in hechtenis. Privaat (heimelijk gemak), o. -aten. Ook in samenstellingen als bn. voor: afzonderlijk, bijzonder, particulier, b.v. privaat-docent. Privaatdocent (leeraar aan een hoogc-school), m. âdocenten. Een â bezit geen aanstellhig als professor. Privaatrecht, o. gmv. Bij â denkt men aan betrekkingen tusschen burgers van denzelfden staat. Privatie (ontbering, verlies), v. â tiën, â s. Pri\f%tief (uitsluitend,eigen,afzonderlijk), bn. âve jacht, eigen, afzonderlijke jacht. Privatieven (werkwoorden die een berooven uitdrukken), o. mv. Schillen, ragen, ontbolsteren, plunderen zijn â. |
Priveeren (berooven, onttrekken). Privilegie, Privilege (voorrecht, vergunningsbrief), o. â ies, â iën; âleges. Privilegeeren (bevoorrechten, vrijheden toestaan, b.v. aan de steden). Prix (prijs, waarde), m.; â fice, vaste prijs. Pro (voor, ten, naar, tot, enz), vz. â aris ct focis, voor haardsteden en altaren. Pro (voor), o. gmv. Het â en contra (tegen) eener zaak. Probaat (beproefd, echt), bn. Probabel (waarschijnlijk), bn. Probabilisnie (waarschijnlijkheidsleer), o. gmv. Probabiliteit (waarschijnlijkheid), v. âen. Probatum est (dat is opperbest). Probeeren (beproeven, toetsen, onderzoeken, bewijzen)-, -sel, o.; -steen (proefsteen, toetssteen). Probiteit (braafheid, rechtschapenheid, goede trouw), v. gmv. Probiema, Probleem (opgave, vraagstuk; twijfelachtige strijdvraag, welke nog te onderzoeken is), o. -blemen. Problematiek, Problematisch (raadselachtig, tivijfelachtig), bn. Procedeeren (handelen, te werk gaan, een rechtsgeding voeren). Procedure (rechtsgeding, ook handelwijs), v. â s, â n. Zie: Proces. Procent, o. âen. Zie: Percent. Het teek en is %. Proces (rechtsgeding-, wijze van behandeling, verloop, gang), o. âsen. Het â eener ziekte. Proceskosten (tarief van onvermijdelijke onkosten bij een geding), m. mv. Processie (R. K. kerkelijke omgang, plechtige bede- of kerkvaart), v. âsiën, â sies. Processievlinder (nachlviinder, familie der spinners), m. â s. De rups van den â is verderfelijk voor de eiken. Proces-verbaal (een van ambtswege geschreven uiteenzetting van de toedracht eener gebeurtenis), o. â sen-yerbaal. Proclamatie (openlijke bekendmaking aan het volk), v. âtiën, âties. Proclameeren (uit- of oproepen, verkondigen, openlijk bekendmaken). Pro-consul (stedehouder bij de Romeinen in de wingewesten), m. âconsuls. Pro eontaut (tegen gereede betaling), bw. Procrastinatie (verschuiving, vertraging, uitstel), v. gmv. Procrastineeren (verschuiven tot op morgen, vertragen, uitstellen). Procreatie (voortteling, voortbrenging), v. gmv. Procuratie (bezorging, besturing eener zaak; schriftelijke volmacht of lastgeving), v. -tiën,-s. Procurator (bij de Romeinen: ambtenaar, belast met 's keizers geldelijke belangen; lasthebber), m. â s, âen. Procureeren (bezorgen, verschaffen). Vn»*i\\re\\r (pleitbezorger), m. âs; âschap,o. I Procureur-generaal, m. â s-generaal. Pro lgt;eo (om Gods wil, om niet), bw. Prodigaliteit (kwistigheid, verkwisting), v. Prodige (wonder), o, â s. [nmv- Prodigeeren (doorbrengen, verkwisten, overladen). Prodigieus (wondervol, verbazend), bn. Produceeren (te voorschijn- of bijbrengen; voortbrengen). |
PKODUCKNTâ ri\( )NI KCiKTAF
|
l'iMMliiceiit (voor tbr enger), m. â ei». l*rodiiet {voortbrengsel, opbrengst, vrucht), o. âen. Productie (voortbrenging), v. gmv. (voordcclig, vruehtbaar), bn. l*roâ¬liic*tivit4gt;if {vruchtbaarheid, voorbrengende of scheppende kracht), v. gmv. JProef {blijk, bewijs), v. proeven. De â op de som, dc negenâ, O, al te wrang een â van 's noodlots onbestand. (Staring). {eerste afdruk ter correctie), v. proeven. Ik zal a â zenden. '/â lt; nd. mij een Uveede â ; - blafl. o. âen; â «Iruk. m. âken. l'roef {proefje, iets om te keuren), v. Ken â aardappels] een â wijn, een â sigaren ; ergens een â van nemen. Fig. Op de â pree ken. l*rolt;'f'li4Mi4llt;gt;iilt;l {echt, va n goed gehalte), bn. 1* roef jaar {jaar van beproeving), o. âjaren. In dit klooster zijp} tivee âjaren. Proefnaalri {toetsnaahl), v. ânaalden. l*rolt;gt;fiioiiiiii^r. â iiiimmer {a{levering ter kennismaking), o. â s. l*r4»«'foii4l«'rviiilt;l4'!iiK, lm. en bw. âe natuurkunde, d. i. physica. â â¢roefslfM'ii {toetssteoi loor goud en zilver), m. âsteenon. l'roefMtuk (meesterstuk hij de gilden), o. âstukken. l*roëiiiiiiâ¬gt;iit {vooruitspringend, uitstekend), bn. Proesloii, ik lieb geproest. Wij â het nil, den lach niet kunnen inhouden, zenuwachtig in lachen uitbarsten. Pro et eontra {voor en tcgeu), o. Proeve», v. â n. Zie: Pro«'f. Proeven (smaken; onderviwlen), ik hel» geproefd; â er. m. Profaan (ongewijd; niet heilig), bn. en bw. Profanatie '{ontheiliging), v. âs, â tiën. Profaneeren (ontheiligen, o})tcere}}; met het heilige spotten). Profeet (gevotmuehtigd woordvoerder in Israel, voorspeller, ziener), in. âeten. l*rofe««ie (geloofsbelijdenis; idoostergelofte; beroep, handwerk), v. gmv. VrofvHHinnni-rijder, ook -amateur (sport. beroepsrijder), m. -s. Lees: prefes'sionel. â â¢â¢â¢Â«âºlessor (openbaar leeraar, inzonderheid hoogleeraar), in. âen, â s. Professoraal (tot hei h o(.g leeraar sa tnbt be-hoorende),\)n. Kig.allerdeftigst, opbeslissenden toon: op âalen toon. l'rofesNoraat (hoog leeraar schap), o. âaten. Profeteeren {voorzeggen, voorspellen). l*rofetes (vrouwelijke profeet), \. âsen. Profetie .(voorspeliing), v. profetieën. l*roflt;'lislt;*li. bn. en bw. Hij sprak op âen toon. Profieiat! (\V( 'l bekome het u ! (iel uk er mee!) Profiel (beeld vat) ter zijde, het gelaat op zijde; een gebouw, in doorsnede voorgesteld), o. âen. Profijt (voordeel, winst), o. -en. Profijtelijk (voordeelig), bn. en bw.; â -lieid. v. Profi|tert|e (klein kokertje o.e. blaker), o. â s. Profitabel (voordeelig, winstgevend), bn. en bw. Profiteeren {winnen, voordeel of nut trekken.: nuttig, loinstgevend zijn). Proflueeren (voortvloeien, uit iets volgen, ontspringen). Pro forma (voor het oog, voor de leus), bw. |
I ProfniKliteit (diepte, grondigheid), v. gmv. lKrofiisie (verkwisting, overvloed), v. gmv. Prognose (geneesk. aanwijzing van den ver-\ moedel ijken loop eener ziekte), v. gmv. Pro$;nostieeeren (voorzeggen, voorspellen). Prognostiek {voorzeggingskunst), v. gmv. I'ro^raisinia (lijst, overzicht, kort begrip), , o. â's. Het â dei- feesten; het â van iemands | beginselen; het â der cursaslessen. Pro^rrssen {vorderingen,vooruitga.ng),\.mv. l*rosquot;rlt;'Ssilt;' {voortschrijding, voortgang, op-' klimming), v. â s, â siën. l*ros:r«»ssief (voortschrijdend, opklirnmend), j bn. en bw. Een âde belasting; bet school-! geld â he IJ en. j Progressist (voorstander, aanhanger van ! den vooruitgang), m. âen. I'rit^-iu'ssisliseli (voorui'strevend), bn. De \ -e partij. i Proiiiheert'ii (rerhinderen, beletten , verbieden). ProlDilritie (verbod), v. â s, âsiën. Proliilritief (verbiedend, terughoudend), bn. Proliiliitionisten. m. mv. De â willen den vrijen invoer belemmeren. Project (voornemen, ontwerp; plan, aanslag, ter uitvoering ee.fwr zaak), lt;». âen. Projeeteeren {ontwerpei}, plannen maken). Proj«'etie (afbeelding von eet} voorwerp op een plat vlak), v. â s, âtiën. â â¢rojeetiel (tv at dooreen werktuig geworpoi wordt: ook kanon, geweer), o. âen. Prol (appelbrij), v. gmv. Proletariaat (gezamenlijke urmen, toestand }'an arn}oede), o. gmv. I*r4»l4'tariër {behoeftige, arme), m. â s. Pro lil»ilii {naar welgevallen), bw. Proliliek {vruchtbaar, telend), bn. I*r«»li.v (wijdloopig), bn. I*rlt;»lixitlt;kit (wijdloopighcid), v. gmv. I^rolli^* (dik), bn. Wat zit hij â in de win-| tcrkleeren! I'roloiij^atie (verlengi}}g, later gestelde ter-i mij}}, uitstel), v. âtiën, âties. Prolon;;'eereii (verle}}gen, aitstellen, een tateren termij}} stellen). Proloog.. l*rollt;»ji'ns (inleiding. voorafspraak), m. âlogen. Dc â in het eerste bedrijf van (I. van A ems tel telt 102 regels. Pro meinoria (ter herinnering), bw. Promenade (wandeling; ook wandelweg), v. â s. Promeneeren (wandelen; laten rondgaan). Promesse (belofte; schuldbekentenis, acceptatie), v. â n. Een â van betaling. Promotie (bevordering tot hoogeren rang; toekenning van een academischen graad), v. -tien, âties. Promotor (voornaamste drijver eener zaak; professor, onder wiens leiding eet} doctorandus promoveert), m. â s. Promoveeren (bevorderen, ver he!fen, vc.r-hoogen; een acadonischen graad verkrijge}}): iem. â, hem een academ. graad toekennen. Prompt (bereid, gereed; haastig, gezwind, snel; stipt), bn. en bw.; een âe bediening. Promptitude (stiptheid; snelheid), v. gmv. Promille-a tie (openbare bekendmakinn, afkondiging), v. â s, âtiën. Promiil^eemi (bekendmaken, afkondigen). Proneer en ( prijzen, ophemelen,uitbazuinen). Pronikgetal (rek. som ran een ip'.adraat en zijn wortel), o. âgetallen. |
23*
P110 N K - PH OU V1-: K REN.
356
I*r4»iik (sicrndd, opsch/A), m. Mcinv zulk i'cn j dieti heeft de Utudvnnnv haar (jegevev. | (Staring); te - staan, strafoefening, aan of op ! de kaak staan. vero.
Pronkaani. l»roiikerd, Pronlifi* {ijdel jonkman), m. â s.
Pronkbeolcl (fraai standhce1d\o. âbeeltien. l*roiiklt;'ii (vertoon maken), ik heb gepronkt;
-«»r, m.; -orij. v.
l*roiiklt;krig; (ijdel), bn. en bw. IIij i* altijd
â ge kleed, d. 1. sierlijk.
l*roiikgfgt;waalt;l (stat iekleeding),o. â gewaden. Pronk ju w«'ol (lig. het beste; iets of ieni., (fat of die uitniunt), lt;». âjnwcelen.
l*r4»iikKtiik (fraaistestui,-, sieraod), o. âken. I*r4»iikzi«'k (fjaarnc pronkende), bn.; een â mensch.
ProukziK'lit. v. gmv.
â â¢rouoiiK'u (voomaamieitord), o. pronomina. l»roiioiiceerlt;-ii (uitspreken).
Prononciatio. Proimucialic (uitspraak), v. gmv.
Pronsolaar (knoeier, railer), m. âs. ProiiMlt;'llt;gt;ii (knoeien, kwanselen), ik hebge-pronseld.
Pronselffckl (zakgeld), o.; âwork (knoeiwerk), o.
Proimiu'iaiiM'ii'to (oproerige proelaniatie in Spanje), o. â quot;s.
Proiiimciatic (uitspraak), v. gmv.
Prooi (bait), v. âon. 11 ij is aan wroeging terâ. ProoMiij (wonini ran een proost), v. âen. Proost (kloostervoogd), m. âen; â scliap.o. Prop (stop van hooi, werk, stroo, enz.), v. â pen.
Prop (korte, dikke persoon), m. on v. -pen.., Propa'deiitica, -lilt;'k (voorbereidende studie), v. gmv.
Propsrlt;leiitislt;*li (voorbereidend), bn. hen â e.rmnen, dat do hoogere examens vooralgaat. Propa^an'da (in ilt;gt;~2 door den Paus veror-dende eonqregatir Od voortplanting van het /». K. geloof; ook: middel om politieke leerstellingen te verbreiden), v.
Pro palria {voor het vaderland), bw. Propatria-papior (Ihdlandseh papier met dezen naam als watermerk), o. gmv. Propensie (neiging, zucht, geneigdheid), v. gmv.
Proper (net, zindelijk), bn. en bw.; â tjes,
bw.; â li«'icl, v.
Prophylactiscli (geneesk. verhoedend, voorkomend, afwendend), bn.; âe maatregelen. piroponeereu (voorstellen, voorslaan). Proponent (voordrager, voorsteller; candi-daat-predikant), m. âen. Proponentsplaats», v. âplaatsen. Propoost (voornemen, uit mg, aanbod voorslag, voordracht, aanbieding), o. âen. Proportie (evenredigheid), v. â tilt;;n, âties. l*roport ion eel (in verhouding, naar evenredigheid), bn.
proportioneeren (evenredig maken, m verhouding bretugen).
Propos (aanbod, voorslag), o.; a â, juist van pas; eer ik het vergeet.
Propositie (voorstel), v. âtiën, -ties, hei biljet vol van de schandelijkste âtiën, aan een eerbaar meisje. (C. O.)
Proppen (opvullen), ik heb gepropt. /gt;' jongen propte zijn mond vol, zijn zakken vol. Het was daar proppend vol. ProwensvMvter (werktuig, klapbus),m. â s.
Propria maim (met eigen hand, eigenhandig), bw.
Proprii'tair (eigenaar, bezitter), m. â s. Propriëteit (eigendom, recht van eigendom), v. -en.
Pro prima (vooreerst, ten eerste), bw. Propngneeren (voorveehten, beschermen, verdedigen).
Propvol (overvol), bn. De zaal was â. Prorogatie (verdaging, verlenging, verschuiving), v. âs, -tiën.
Proro^'eeren (uitstellen, b.v. een wissel). Proscriheeren (vogelvrij verklaren, uil Iwt land verbannen).
Proscriptie (verbanning, vogelvrijverklaring), v. -s, âtiën.
Proseliet (aankomehng, nieuwbekcerde, een die een geloof omhelst), m. âon. Proselieteaimaker (geloofswerver), m. â s. Prose lieten makerij (bckeeringszuch t), v. gmv. . , .
Prosit I (Wel bekome het u! Gezondheid!), tw. lgt;ros4Mlie {teer der tijd- of toonmeting, leer van de lengte of kortheid der lettergrepen), v. gmv.
Prospeet (uitzicht; bouwkundige voorstelling; doorziehtkundig tafereel), o. âen. Prospectus (voorloopige aankondiging van een werk om in druk uit te geven, van een te vestigen zaak enz.; beschrijving der voor-deelen en voorwaarden eener uit te geven leening, enz.), o. âsen. Prospereeren(gedijen, in gelukkige omstandigheden komen of zijn).
Prosper it eit (welvaart, bloei, voorspoed), v. gmv. , ,
Prostitneeren (openlijk nan schande prijs geven, on teer en, si 'hand v lekken). Prostitneeren (zieli) (zich aan ontucht overgeven).
Prostitutie (ontucht, openbare ontucht), v. gmv.
Protasis (voorzin van een periode), v. -son.
Vri*tv*iiiv(bescherming,be(pinstiging,hoede),\r.
Pr«»t«»etionist (voorstander van beschermende rechten), m. -en.
I»roteetor (beschermheer), nu âen, â s. Protectoraat (beschermheerschap), o. gmv. Protect' (beschermeling, gunsteling), m. âs. Prote^eeren (beschermen, vooruithelpen). Protest (tegenspraak, verzet: for mee le weigering tot betaling van een wissel), o. -en. Protestant ((', ere for meerde), m. -en. Protestantisme (leer en ijeijof der Protestanten), o. gmv.
Protestantseli, bn.; een -e vrouw, net âe geloof.
Protesteeren (zich verzetten; opkomen tegen; het protest van een wissel gerechtelijk laten opmaken).
Protocol (verslag eener staatkundige vergadering of van een congres), o. âIon. Prothesis (spraakk. voorvoeging), v. b.v. in stinker, nijvei'.
Protoplasma (oorspronkelijk beeld, voorbeeld), o. â's.
Protoplasmen (eerste menschen), m. mv. Protoplastiel (eerstgevonnd, in den oor-spronkelijken vorm), bn.
Prototype (oorspronkelijk model), v. ân. Pronveeren (bewijzen, tantoonen, doen blijken). Dat prouveert voor hem, is in zijn voordeel.
PROVE - PUIMSTEEN.
|
â â¢rove {onderhoud uit een liefdadig gestirht, prebende, lijfrente), v. â n. Zie: l*r#»uve. l*i*4gt;vckii^aalKlt;*li {chien taal m het zuiden van Frankrijk, Ilums een dia teel), bn. als zn., o. â â¢r«v«'ii^allt;'ii {riddei'lijke mimwzarujers der â 12e en 13e eeuw in zuidelijk Frankrijk of Provence en in Spanje), m. mv. â â¢roveiiioeren (opbrenr/en, opleveren, voordeel aanbrengen). Provenier (degny, die een prove genietlt; ook hij, die in een arndiuis is), m. â s. l*r4»veiiierHliiiis {armhuis), o. âhuizen. Ikr4»veiiii {ivinst, bedrag, opbrengst, voordeel), o. â's. â â¢roverbe, l*rlt;»vlt;'i*l»iiiiii {spreekwoord, denk- of zedenspreuk), o. â s. Froverbiaal {spreekwoordelij/.), bn. en bw. I*rlt;»viaiilt;l (voorraad, leeftocht b.v. ran een leger), v. ffmv.; âschip. â¢gt;.; -waft'en. m. ProviaiKleeren (van leeftocht of spijzen voorzien. l*rovi«Ieereii {voorzien, verzorgen). I^roviflentie {voorzienigheid), v. gmv. I*r4»viiilt;'iale Staten, m. mv. Provincialisme {gewestelijke uitdrukking), o. â n. â â¢^âºvincie (eig. tvingeuest; deel v. e. land), v. âciën, â cies; â ciaal. bn.; als zn. {klooster-overste', dorpeling), rn. l*rovineilt;klioiit {rood verfhout), o. gmv. Provisie {voorraad^ het loon van makelaar of commissionair nl. ï/s 'Voi ^''t toekomend.' voordeel, de winst \ aftrekking een er som voor gedane moeite), v. âsiën, â sies. Provisioneel {hij voorraad, vooruit, uit roorzorg, voorshands, voor loo pig), bn.enbw. Provisor {zaakbezorger, of bevoegd waarnemer in een apotheek', opziener), m. â s. Provocatie {uitdaging, tarting, terging), v. â tiën, âties. Provocecren {uitdagen,ergens toe opeischen; zich op iets beroepen). Provoost, {opziener ran orde en tucht in 7 leger), m. âen; {strafplaats der soldaten), v. âen. Proxiiniteit {nabijheid, nabuurschap; nauwe bloedverwantschap), v. âen. Proxa [ongebonden stijl, onrijm, taal van het gewone leven), o. gmv. Prozaïsch {niet dichterlijk, gewoon, alle-daagsch), bn. en bw. l*roxaïst {prozaschrijver), m. âen. Pnule {schijnzedig, nul fig), bn.ials zn. {schijnzedig nuf), v. â s. Prudentie {omzichtigheid, beleid), v. gmv. Pruderie {schijnzedigheid, preutschheid), v. â ën. Pruik, Parnik. v. âen. Pruik {ouderwetsche nam), m. âen. Pruikenmaker, m. âs. Hij loopt op een âsdrafje, d. i. eenigszins gejaagd. Pruikentijd {het laatst der ISeeeaw), o.gmv. Pruikerig' {ouderwetsch), bn.; â licid. v. Pruilen {pratten, misnoegen of wrevel toonen), ik lieb gepruild; â er, m. Pruim {vrucht, ook tabik om te kauwen), v. âen. Pruim {boom), m. âen. Prnimehoom. m. â boomen. I*riiimelt;laiit {geconfijte praim), v. âen. Praimen {tabak kun wol), ik lieb gepruimd; â er« m.; â er if. v. Fig. smakelijk den. Pruimtabak, v. gmv. |
Pruis {bewoner van Pruisen), m. âen. Pruisisch, bn. Hier is wat â geld. Pruisisch-Kiiur {licht vergift, blauwzuur), o. gmv. Prul {nietigheid, rod, bcuzelig), v. âlen. Prulachti^* {onbeduidend, nietig), bn. en bw.; â heid, v. Prullcrij {nietigheid), v. âen. Prullig {onbeduidend), bn. en bw. Prulwerk, âlewerk {beuzelwerk), o. âen. Prumel, Prunel {geconfijte pruim vun Provence), v. âlen. I'rut {gestremde melk, wrongel), v. gmv. Prut, bn. Zij is niet â, d. i. last ig, onhebbelijk. Pruttelen {knorren, mopperen), ik Jieb geprutteld; â aar, m.; â arij, v. Pruttelig {knorrig), bn.; een â oud man. Prutterig: {klonterig, verdikt), bn. De brij is â. Psalm (geestelijk loflied), m. âen. Psalmist {dichter van psalmen, inz. Dav'd), m. âen. Psalter {psalmboek, ook tiensnarig speeltuig), o. â s. I*salflt;kri4»u {drieh.snaarinstrurnent,psalter), . o. â s. I'semh» {valsch, leugenachtig, bedrieglijk, misleidend), bn. Pseudouiem {verbloemde, valsche of verdichte naam), o. âen. Zie: Schuilnaam. Pseudouimiteit {het dragen van een verdichten naam), v. gmv. Psyche {groote beweegbare spiegel), v. â's. Vóórhaar â zat zij O]) haar slaapkame?\{ï*otg.) Psychiatrie (leer der zielsziekten), v. gmv. Psyclu»lo^-ie {zielkunde), v. gmv. Psycholojrisch {van of betreffende de zielkunde, zielkundig), bn. en bw. I*u {Chineesche lengtemaat, 1.228 M.), v. â's. Puberteit {huwbaarheid), v. gmv. Publicatif' {bekendmaking, openbare afkondiging), v. âtiën, âties. Publiceeren {bekendmaken). Publicist {dagbladschrijver), m. âen. Publiciteit {ruchtbaarheid, bekendheid,openbaarheid), v. gmv. Publiek {'t algemeen, het volk), o. gmv. Publiek {openlijk, openbaar, wereldkundig, ruchtbaar), bn.; de âe opinie, de openbare meening. Publikaan {tollenaar), m. âkanen. Pud (Ituss. gewicht van 40 pond, ± 20 K.tl.), o. â s. Zie Poed. PiKidin»-, m. âen. Zie: Po4ilt;iin^'. PiKieur (schaamte), v. gmv. Pueriel (kinderachtig), bn. I*uckriliteit {kinderaclitigheid), v. âen. Put' {lust, trek), v. gmv. Ik heb daar geen â op, d. i. geen zin in. gmz. Putten {blazen), ik heb gepuft. Fig. snoeven. Putteri^* {blazerig), bn.; âheid, v. Pui {onderdeel van een .voorgevel), v. âen; -tje, o. Puik {het beste), o. gmv.; â van nieuwen haring\ het â der schoonen. Puilader {krampader), v. â adors. Puilen {buitenwaarts uitzwellen), de oogen hebben gepuild. PuihM»^' {uithangend oog), o. âoogen. Puiloo£' (persoon), m. en v. âoogen. Ivuil4»4»^'i^£,, bn. Ue man is wat Puimst4'en {vuIcanischesteen), m. âsteonen; als stofnaam, o. |
358 PUTN-
f.D.B.V.
|
{verbrijzelde, steen), o. en v. hi of tot â vallen. INiissant (machtig), bn. en b\v.; â rijk zijn. schatrijk. Puist (zwelliny, etterziveer), v. âen. Puistje vau^i'ii (een bluinulje lonpen), hij vin^ en heeft een -- gevangen. Inz. belletje trekken: De edele exercitie van het â. (C. O.): Rudolf, die als knaap... alle avonden puistje i'orifi. (C. O.) â â¢uii (een risch, ook kikker), m. âen. IMiitaal (zeemsch), m. puitalen. Vglk.: Aal-Ie wal». IMikkel (puistje, hobheltje), v. â s. Ook: Honkol en INikk*'!. Pui (kruikje, kannetje), v. âIon. IMilken (peuteren), ik hel» gepulkt. Zit zoo niet in je neus te d. i. pluizen. Pitlloliroor (zuiper), m. âbroers. Pillion (drinken, zuipen), ik heb gepuld. Pull» (aardappelbrij, ook (je rasp te beetwortels), v. gmv. PulHatio (polsslafi), v. â tiën, âties. Pulver (kruit, poeder), o. gmv. Pulvorisatie (poederinaMmf), v. gmv. Pinna. Poema (katachtig roofdier), m. â 's. Puna (kille hoogvlakte in Peru), v. â's. Punaise (koperen spijkertje met breed en platten kop), v. â s. Puneli. v.; --bowl (ponskom, ponsschaal), m. â s. Ook: Pons. Puncli (Engelsch. harlekijn der poppenkast). m. Ook: naam van een Eng. humoristisch tijdschrift. Puneluafie (zin- of schei teekeap laat sing), v. gmv. Piinetueel (stipt, nauwkeurig), bn. en bw. I*unctiini (rustteeken), o. â ta. Hier icon het â staan. (Staring); als tw.: gedaan, genoeg. Piiniscli (Cartaagsch), bn. De âe oorlogen. Punt (spits en leesteeken), v. âen. Punt (onderwerp, tijdpunt en wiskundig punt), o. âen. Puntlt;lilt;'lit (kort gedicht met een geestigen zet in den laatsten regel), o. âen. Punteeren (de voorloopige voorwaarden eener overeenkomst opteekenen). Punten (aanspitsen), ik heb gepunt. Ken potlood Punter (soort van puntige schuit), m. âs. Puntig;' (scherp, snedig), bn. en bw.; een â gezegde. (Koetsveld); â lieiil. v. Pupil (onmondige kweekeling, minderjarige), in. en v. âlen. Pupil (m gt;gquot;ppel), v. âlen. Puren (zuiveren, louteren, zuigen), het bijtje heeft honig gepuurd. Pur^-atie (lunkzuivering), v. âs, -ti«;n. Vnrtsntiei' (bu i kz uiverend middel), o. â ie ven. |
Purs'eerdrank, m. âen; â iniiltlel,o. âen; â poeier, v. â s. Purgeeren (zuiveren, afdrijven-, ook fig. zich zuiveren, verantwoorden). Purifieatie (reiniging, zuivering), v. gmv. Purifieeeren (zuiveren, reinigen, louteren). I*iirini. Purimfeest (gedachtenisfeest drr Joden, Hamansfeest in de maand Maart), o. gmv. Ook: Poerim. Purisme (taalzuivering), o. gmv. Purist (taalzifter), m. âen; â erij. v. Puritein (rechtzinnige; presbyteriaan in de Kngelsche kerk), m. âen. Purper (prachtig paarsroode verfstof, kleur), o. gmv. Die prelaat heeft het â ontvangen, is kardinaal geworden. Purperen (van purper, ook purperkleurig), bn.; een â mantel, â wolkjes. Purperen (purperkleurig maken), ik heb gepurperd. Purperlioen (steltlooper ititAfrika),o. â öiei'S. Purperkleurig, bn.; een âe japon, âe handschoenen. Puslllaniem (Kleinmoedig, kinderachtig, vreesa ch t ig ), b n. Put (in den grond gegraven of geboorde opening), m. âten. Als het kalf verdronken is, dempt men den â , men neemt na het ongeluk eerst maatregelen. Putliaak, m. âhaken. Putlut (ophef, drukte), o. gmv.; veel â hebben. Putoor, m. âen. Zie: Pltoor. Puts (scheepst. lederen scheepsemmer), v. âen. Ook: Putse. Putsen (scheppen met een pats), ik heb geputst. Putten (water ophalen), ik heb geput; â er. m. Fig. ontleenen aan, trekken uit. Putter (distelvink), m. -s. Putting' (scheepst. touwwerk), v. âs. Ook: Puttingwant. Puur (zuiver, onvervalscht), quot;on. â *.gt; gmee(fabelachtige dwerg),ni.en v.-meeën. P.yraniilt;iaal. bn. Zie: Piramidaal. Pyramiilaal^ctallen (de sommen der op-eenvolgende poliigoongetallen\ o. mv. P,vraniilt;ie. v. ân. Zie; Piramlile. I^yrogeen (lichtgevende stof), o. gmv. Pyromanie (manie tot brandstichting), v. gmv. Pyrometer (vuurmeter, lot meting van hooge warmtegraden), m â s. Pytlia^orlseli. bn. De âe tafel, d. i. de tafel van vermenigvuldiging; de âe stelling, of de stelling van Pythagoras, d. i. in den rechth. driehoek is, als a en b de rechthoeksz. en r; de hypotenusa is: a- -f- bquot; = r'-. Pytlion (Fnd. groote slang vm 8â10 M), m. â s. Pytlioulssa (waarzegster, profetes), v. â quot;s. |
Q-
|
«. v. q's. De zeventiende letter van liet alphabet; als Homeinsch cijfer is i) â 500. H.A. - Quod attestor, hetgeen ik getuig. «è.B.F.r.«è-*. - Quod bonum, feli.r, faas-tam (ine sit, hetgeen goed, gelukkigen gezegend moge zijn; God geve over dit werk. |
deze verrichting, zijn zegen. tfc.F.F.tfc.S. â (Juod feiic, fausturn (pie sit. hetgeen gelukkig en gezegend moge zijn, t.f («od geve daartoe Zijnen zegen. 4|.lgt;.iS.V. â (Juod Deus bene. verlat, God don bet wel gelukken. |
Q.E.-QUINT.
350
|
Q.K. â Quinta essentia. Zie lt;|iiiiiteN«4eiiN. 4i.K.lgt;. â Quod erat demonstrandum, hetgeen te bewijzen was. lt;|.l. â Quantum libet, zooveel als men belieft. q.p. â Quantum placet, de hoeveelheid naar welgevallen. q.q. â Qualitate qua, in hoedanigheid, met volmacht. q.s. â Quantum satin of (juuntum su/ficit, zooveel ais genoeg is. â Quaeritur, de vraag is. â Quaestio, eer. vraag. Hustl. â Quatertemper. Zie aldaar. q.v. â Quantum ris, zooveel gij wilt. lt;iiia {als, zooveel als), bw.; â dÃJcter, in dr-hoedanigheid van; - mandatarius, als lasthebber; â talis, als zoodanig. Hnadraat (regelmatige vierhoek, of vierhoek met gelijke, zijden en gelijke hoeken), o. âdraten. Ook: Kwadraat, kwadraten. HuadragfeNinia (R. K. eerste Zondag van de 40-daagsche vasten), v. gmv. Quadrant (hel vierde gedeelte van een cirkelboog, werktuig om de hoogte op zee te meten), o. âen. Hu ad ra tuur, v. De â des cirkels, het veranderen van een cirkel in een vierkant van gelijke grootte: lig. iets onuitvoerbaars, onmogelijks. Hnadrorrc'ii (vierkant maken; passen, schikken). 4|iiadriK*a (strijdwagen met vierspan bij de Grieken), v. â's. Hnadrille (da}is of kaartspel van vier personen), v. â s. Hiiadrilleorou (een quadrille dansen; het quadrillespel spelen). 4|iiadrillioeii (millioen in de vierde macht), o. âen. Huadro (muz. quartet), o. â quot;s. Himdniiiiauc^ii (vierhandige dieren, apen), m. mv. ituadrapodrn (viervoetige dieren), m. mv. 4|iiadriiigt;lt;*l (vh ruoudig), bn. Quadrupel-alliantie, viervoudig verbond (2(5 Oct. IGGG). Hiiadriiplet (sport, rijwiel voor vier personen; lees: kwa'drupiet), o. â s. (Inacinipliratic* (verviervoudiging), v. lt;(iilt;rritiir (de vraag is). Zie: lt;(iia'r. HiiirNtie (vraag, geschil), v. â tiën, -ties. In â, waarover gehandeld wordt; er is geen â van, dat lijdt geen â, het spreekt vanzelf; een â begrijpen, vraagstuk. Huiestieus (onzekei'. twijfelachtig), bn. HiiirKtioniK'ereii (ondervragen, uitvragen, ook op de pijnbank). (bij de Romeinen: bewaarder der schatkist), m. âen. Qiurstimr (ambt van quaestor), v. gmv. Hualilicatie (bepaling; toekenning eener eigenschap, omschrijving, betiteling), v. -s, â tiën. Hiialific*attaf'( nader bepalend, beschrijvend). bn. 4iiialifieeâ¬gt;rlt;gt;ii (een zaak bepalen, beschrijven; een zekeren titel geven; geschikt, vat-haar, gerechtigd maken). Ook: Qualifieeren. tiualitate qua. Zie: q.q. lt;fciialitatief (volgens de waarde, de gesteldheid, het gehalte), bn. |
Qnaliteit (gesteldheid, eigenschap van een ding of van een persoon; stand in de burgerlijke samenleving; titel, die iemands waarde of rang aanduidt), v. âen. Itualitor (evenals); â taliter, hoe het ook zij, het zij zoo 't wil. Hiiaiid-iiirmo (hoe 'tookga, toi eiken prijs). H'iaiit a nioi (wat mij betreft). Ik zal mijn â bewaren; zijn quant a soi bewaren, op zijn hoede zijn, stijfdeftig zich houden. lt;tuniititatiei' (volgens de hoeveelheid, naar de grootte, het getal), bn. «liiaiititi'it (hoeveelheid, menigte, bedrag), v. âen. (liiaiituiH (zekerr som; grootte, menigte,getal, maat), o. â libet, zie q.1.; â placet, zie q.p.; â satis, â sufficit, zie q.s.; â vis, zie q.v. Hiiaranlaino {proeftijd of lig tijd voor schepen, die van. plaatsen komen, waar men vermoedt dat een besmetting heerscht, vroeger AO dagen, waarvan de naam â), v. gmv. Hiiarr^ {vierhoekig), bn.; als zn. (vierkant), o. â s. Ook: Carré. lt;èiiartrroiiâ¬gt;, lluadrono (kind van een blanke en een tercerone of omgekeerd), m. en v. âs. Ook: Quarteroon, Quadroon. En was zij kenbaar als â, toch was Eliza schoon. (Ter Haar.) (feuartrt (muziekstuk voor vier zangers of spelers), o. âten. lt;iiiarto (in) (een vel papier in vieren verdeeld). ii art o (ten vierde), bw. lt;liiiarto (zeker boekformaat), o. â's. (tiiaMi (gelijk, als, alsof); een â dokter, d. i. kwakzalver; een â contract, een schijncontract. iiiMaterlnnprr (/«. K. vastendagen in 't begin van elk jaargetijde, op Woensdag, Vrijdagen Zaterdag), m. â s. 4èiiatrâ¬gt;-iiiaiiiM (pianostuk voor vier handen gezet), v. Queen (Eng. koningin), v. 4tult;'lt;'ii*s-lt4'iicli (oppergerechtshof in Londen), v. Querelle (klacht, bezwaar, twist), v. â s. lt;iuerelleereii (twisten, kibbelen). HiK'iie (staart), v. â s. Faire â of â maken, zich in eer. rij opstellen om in volgorde ergens te worden toegelaten. UuiIhim (dwaas, kwast), m. âsen. Ook: Kwibus. Huidaiu (iemand, een zeker persoon; wordt ook gebruikt voor een kwastig mensch), m. â s. Ook: Kwidaiu. {luidproquo, ituiproquo (misslag, vergissing, misverstand), o. â quot;s. Qniësceeren (rusten, zich geruststellen, stilzitten). iiiiiësccutitt (rust, toestand van rust), v. gmv. Quiëtisnie (volkomen berusting des gen weds in God, in stille beschouwing van God), o. Quiëtist (aanhanger van het quiëtisme, stille dweper), m. âen. lt;fcuiëtist«'rij (dweperij), v. gmv. Quiucaillerirëu (allerhande kramerijen, uit ijzer, staal, koper, enz. vervaardigd), v. mv. Quinqueuuiiiiu (tijdr uimte van vij fjaren),o. lt;(uiu«|uet (ballonlamp met dubbele lichtpit), v. â s. lt;(uiuquiiia (Amerik. naam voor kina, koortsbast), v. gmv. Quiut (de vijfde toon van den grondtoon; de dunste en helderste snaar op snaarinstrumenten), v. âen. |
QUINTAAL-RAAK.
300
|
lt;tiiiiitaa1 (ctiitcnda)-), o. âtalen. (het fijnste, ede Into, beste, Irmeht'Hjste eenei' zaak: het voornaamste, de kern van iets\ v. gmv. Stukken hengel riet, in â van suiker ingelegd. (C. O.) itnintotCnuiziekscK k v. vijf stemmen), o. - ton. ^tiiinto (ten vijfde), b\v. (sport, rijwiel voor vijf personen), o. â s. Lees: kwin'ti-oe-plet. Iluiproqiio (vergissing, niisversfmd), o. âs. Ook: 4|iii«l|»r4M|iio. 4|iiiriiia:il (paleis in Home, verblijf des kn-nings), o. (bewijs van ontvangst), v. â tiën, â tie.s. Ook: Kuilaiifi4k. 4|iiitenroll (als voldaan teekenen, ontslaan; verlaten). «liiitto (l os, vrij, ledig, onbelast), bn. IC. v. r's. â De achttiende letter van liet alphabet; als Romeinsch dj Ier is 1! = 80. IC. (op recepten). â ïiecipe, neem, of men neme. K. Kf**!». â Hesponde of Uespondeatur, antwoord, men antwoorde ol' er worde geantwoord; ook Jiesponsum, Fr. re pon se, d. i. antwoord. K.K. of R.('. â Roomsch Katholiek. II.Igt;. â Hèverendus Dominns of liever end e Uomine, eerwaardige lieer. ICec. â reeensent. Zie aid. reelitb. â rechtbank. ICed. â Redacteur; liedactie. Zie aid. Kef'. â lieferent. Zie aid. Rog. â regel; regeering; regeerende; regiment; registratie. Kek. â Rekening. re«c. â rescontre. Zie aid. reM|gt;. â respondeatui\ er worde geantwoord; responsum, antwoord; respect, eerbied; respect n, met betrekking tot; respectievelijk, in volgorde. R.F.N.v.p. - Réponse favorable, s'il vous plait, verzoeke beleefd om gunstig antwoord. R.l. â Romanum imperium, het Romein-sche rijk. Rieht. â Boek der Richteren. (bijbel). Rijnl. â Rijnlandsch. R.I.P. â Requiescat in pace, hij (of zij) ruste in vrede. R.I.K.A. â Romanorum Imperator Semper Augustus, de altijd of zeer verheven keizer der Romeinen; ook: de Komeinsche keizer, altoos vermeerderaar des rijks. R.3I. â Regia Majestatas, of Regiae Majesta/is. de koninklijke of van de koninklijke majesteit. R.M.C. â Reverendi ministerii candidatus, candidaat van hot eerwaardige leeraarsambt. R.X. â Rogal Xavy (Engelsch), de koninklijke marine. R.O. â Rati one officii, ambtshalve. Rom. â Romeinsch. R.l*. â Reverendus pater of Reverendi pater, eerwaardige vader of pater. R.Z. â Roebel zilver, Russische munt. Zie aid. |
4|iii-va-Ia? lt;|iii vive? (Wie daar-?), o. Uiiod orat lt;llt;Mii4gt;iiNtraiilt;liiiii. Zin als slot van een wiskundig betoog. Zie: 4|. *'.!gt;' (samengesteld ding, mengelmoes; laffe tvoordspeling), o. â s; een muzikaal â, pot-pourri. lt;iiiota (aandeel in de belasting, hetwelk iedere provincie had bij te dragen), v. â's, quoten. Ook: Quotum, o. (opteekenen, van volgnummers voorzien). Hiiotiënt (deelingsu it komst), o. âon. 4(iiotaiip. Hnoiisatip (aandeelsberekening), v. â s, -tiën. iliiotisporon (schatten, ieders aandeel inde belast i ngen be pa ten). Hiiolitfil (aandeelsverhouding), v. âon. 4|iioIiiiii (hoeveelheid, aandeel in winst of verlies), o. â s. Ra (oude Egypt, zonnegod), m. gmv. Ook in Pha-ru-o. Ra (scheepsw. dwarssteng), v. raas. raatje. Raad. m. raden. Hij is â der shut, lid van den gemeenteraad; de hooge â, het hoogste gerechtshof; de â van State, college van staatsbestuur; de â van Indië. Er is geen â voor, geneesmiddel; goede â komt nooit te laat, d. i. voorlichting; â schaffen, hulpmiddelen opsporen, een uitkomst vinden ;rmV iem. te rade gaan. d. i. iem. raadplegen: met zijn beurs te rade gaan, d. i. rekening houden; ik ben ten einde â. zie geen uitkomst meer; â noch daait weten, wanhopig zijn. Raad (raadgeving), m. gmv. Met â en daad ter zijde staan, d. i. in elk opzicht helpen, met alle middelen steunen. Raaddeviiitf'. v. âen. Een heilzame â. Raadkamer (niet-openbare vergadering van het gerechtshof), v. â s. De rechtbank, in â vergaderd. RasidpeiiNionarfc (in de dagen der Republiek, eerste staatsambtenaar in Holland), m. âsen. Raadplegen (om raad vragen, raad in winnen), ik heb geraadpleegd; - pleger, m. ItaadsbeHliiit, o. â en. Fig. de âen Gods, d. i. de beschikkingen. Raadsel, o. âen, â s. Iem. ren â opgeven. Raadselaelil if? (zeer vreemd), bn.; â lieid. v. Raadsheer (rechter in een gerechtshof), m. â en; âlijk. bn. Raadslag (beraad, overweging), m. âslagen. De âslagen, besluiten, ontwerpen. Raadslid (lid v. d. gemeenteraad), m. â lotion. Raadsman (raadgever), m. âlieden. Raadsver$s'adâ¬kriii$£. v. â vergaderingen. Raadzaam (heilzaam, nut'.ig), bn. en bw. Raaf (kraaiachtige roofvoge ),v. raven. Stelen als de â; het is een wife â, iets hoogst, zeldzaams; ik wil wel gelooven, dat er zulke witte raven vliegen. (Potg.) Raag-boKraagborstel),m. â len. 0lt;tk Ragebol. Raa^-boolVI. Raa^sliootd (raagbol),o. - en. Raak (achterste deel v. h. gehemelte), v. raken. |
Ti A AKGOOl F.X - RA K.
301
|
Ka:tk^ooickii {treffen, raken met iets), ik heb âgegooid. Itaalilijn (mrct/:. lijn), v. âlijnen; -punt. o. âen. Kaaiksclifrtwa {trejfen), ik schoot â, heb geslagen. Kaakslaan {treffen), ik sloeg â, heb go-geslagen. Kaam (ramin;/), m. I.'ij ilerd er een â nanr; de schutter aam zijn â //⢠/kxkj. d. i. mikjmnt. lEaam {deurraam, enz.), o. ramen: â pjo, o. Kaa|» {knol), v. rapen. Kaapkook {veevoeder), m. âknoken. Kaapzaail {knolzaad), o. gmv. ICaar {ongewoon, zeldzaam), bn. en b\v.; een â (jevat, een â rnensch. Kaasbol {schreeuwer), m. âbollen. Kaasbollen {lawaai maken), ik heb ge- raasbold. Kaaskallon {ijlhoofdig zijn. onzinnig praten), ik heb geraaskald. Kaal {honigraat), v. âraten. Kabarbor {plant), v. gmv. Kabat {korting horen of onder 't honderd), o. âten. Kabat (room, omslag van quot;en gordijn), o. â ten. Kabat {smal tain- of bloembed langs reu schutting), o. âten. K abattoir en {korting geven bij contante betaling). Kabatten {dicht schar en), ik heb gerabat. Kabant {deugniet), m. âen. Kabantcn {den rabaut uithingen), ik heb gerabaut. KabaiitriiKtnk {schelmstuk), o. âstukken. Kabamv {grauwe renet. winterappel),v. âen. Kabbelen (schielijk en onverstaanbnnr spreken, re velen), ik heb gerabbeld; âaar, m.: â arij, v. Kabbi {aanspreektitel van een rabbijn), m. -quot;s. Kabbijn (/.sr. geestelijke), m. âen. KabbijiiKeli, bn. De âe taal, de âe letterkunde, d. i. de Nieuw-Hebreenwsche. Kab4Mgt;r4len (plantk. lisdntodden), v. mv. Kae4*oinniofleeren (herstellen, vernieuwen; weder goedmaken). Kaee (sport, wedstrijd, wedloop, wed ren, \ees; rees), v. â s. Kaein^man (sport, wielrenner, lees: rce'-cingmen), m. racingmen. Kad. o. âen, âeren: raadjes,radertjes. Het â der fortuin; iem.een â voor de oogea draaien, d. i. hem foppen, bedriegen; hij is daar hei vijfde â aan den tuagen, overtollig; met galg en â dreigen, d. i. met strenge straf (vero.). Het slechtste â maakt het meeste geraas, de lomperds hebben de meeste drukte. Kail (vlug), bn. en bw. Hij is â can tong; de tijger met zijn âde lelt;len; de zaakwaarnemer cerbazend â sprekende. (Voig.); â lieiil. v.; -«Ii^lieilt;i. v. ICadbraken {op het rad breken), ik heb geradbraakt. Fig. Hij radbraakt zijn moedert (ml; een uitheemsch woord â; dat is geradbraakt Fransch. Kadbraken {m'uldeleeuwschestrafoefening), o. Het â bestond in het stukslaan can de beenderen in armen en beenen. Kaïlciraaier {voorvechter, belhamel), m. â s. Kadf'eren {scharen% uitkrassen; met sterk water in Loper etsen). Kaden {raadgeven, de waarheid gissen), ik ried of raadde, heb geraden. |
Kaderbaar (ziekenwagentje op wielen), \. âs; â boot, v. âen; âkast. v. âen: - werk,o. Kadei*diei*tjlt;gt;s {microscopisch, kleine diertjes), o. mv. Ann den hop der â vindt men een radvormig orgaan. Kadlien (Ind. rang van een fniandsch edelman), m. â s. Kadiant {schitterend, stralend), bn. Kaïliatie (het uitschrappen van een post in een rekening; uitsti aling), v. âs, âtiën. Ka4lieaal {wat den oorsprontj,grond en wortel ecner kracht of eigenschap uitmaakt; oorspronkelijk), bn. Een radicale hervorming, een radicate genezing, een â bederf. Ksulieaal {aanhanger van een staatrpartij, ! die een algeheele herziening ran de grondwet i verlan ,1), in. radicalen. Hij is â in de politiek. Ka4iieaal (b, 'voegdheidsbewijs), o. Hel â van arts, dokter, leeruur, enz. Ka4ii4*alisin4gt; {de leer der radicalen), o. guw. Ka4iijs {kruisbloemig tuingewas), v. âdij/en. Er zijn witte en roode âzen. Ka4iioin4kt4'r {graadboog, werktuig om de poolshoogte te meten), m. âmeters. K-iiilinmeter (âl ichtmo tentje,, of strulenmeter van Crook es), m. â s. Ka4liii* (licht- of zonnestraal; dehalee middellijn van een cirkel), m. âsen. radiën. Ka4lix (wortel, wortelgetul), m. radices. Ka4lja (Ind. vorst, prins), m. â's. De â van f.omhok is onttroond. Ka4ljet04gt; (fijngestampte soldatenkost), v. Ook: Katj4't4gt;e. Ka4lot4k4kr4'n (onzin praten, suffen). Ita4i4gt;iilt;*4'lt;kr4kn (zachter maken; een metaal zijn hardheid benemen; matigen, sussen). Kat' (rugvin van een soort tarbot), v. gmv. Itafel (vezel, losse draad), v. â s. Kafelen (pluizen, draden uithalen of loslaten), ik heb en het is gerafeld. Kalelin^,' (pluksel), v. gmv. Katiel4'n (slordig en haastig spreken).'ikheh geraffeld. Hobertas maakt het verhaat al âd voor u af. (C. O.) Kaflian (klein vaartuig), v. â s, âen. Kafliiuuh'rij (zuiveringsfabriek), v. âen. Suikerâ. Kixtliiiiulviir (z ui verua r;su i kerz iedo*), m. â s. KafliiKM'iM'ii (reinigen, zuiveren, louteren). Kalllesia (Ind. woekerplant met reusachtige bloemen), v. â *s. De â komt op Java en Sumatra voor. Ka* (spi nrag, spinneweb), o. gmv. Ka^e (dolheid, razernij, woede; lig. verzotheid op iels), v. gmv. i:a*4'b4il. Kaa*b4»l, m. âbollen. fl£a*'en (zuiveren van rag), ik heb geraagd. Ka*4»iit (kleingesneden stukjes vleesch, opgestoofd met gekruide saus), m. â s. Fig. mengelmoes. Kail (spoorstaaf, dwarslegger), v. â s. Kailleeren (spotten, schertsen, beet hebben). Kaill4kri4' (scherts, boert, kortswijl), v. â ën. Kailway (spoorweg), m. â s. Kais4gt;n (rede; verstand; grond, oorzaak, beweegreden), v. gmv. Kais4»nnab4kl (billijk, redelijk, edel, mild), bn. Kais4»nn4Mkr4'n {verstandig redeneeren, oor-deelen, besluiten; tegenwerpingen muken, i tegenstribbelen). Kaisonn4kni4'nt (redeneering), o. gmv. KaiKS4gt;nn4'iir (praatjesmaker) m. â s. Kak (water, rechte vaart), o. âkon. |
RAKEL
â RAT.
|
Kaltcl (pookijzet'), m. â s. Rakelen (bijeenscharen), ik lieb gerakeld. Itaklt;klijzlt;gt;r.' o. â s; âstok. m. âken. Kaklt;kliii^'s. b\v. De sneeuwhal ijhiy â laags mijn hoofd. Raken (trelfen, aandoen), ik heb en ben gerankt; â ing'. v. Rak«'iilt;le (betreffende), vz.; allerlei nieuws â den oorlof/. Raket (l.rti isbloemiy kruid), v. gmv. Raket (kaatsnetje), o. âten. Raket (vuurpijl), v. âten. Raketten (kaatsen met den pluindjal), ik heb geraket. Rakker (dievenleider, benlsknecht; ook kiva-jongen), m. â s. Rakketalit' (scheepst. loutu aan de onderra), v. âtalies. Rallen (snappen, babbelen), ik heb gerald. Ook: Rellen. Rallentando(muz.rt/jjement/,/agt;?ryra/»er),bw. Ralliecren (herzamelen, in orde brengen). Ram (mannetjesschaap), m. âmen. Ram (het eerste teeken i.d. dierenriem), m.gmv. Ramalt;laii. Rainasan (de negende maand, de vastenavond der Mahomedanen), m. Ramen (bepalen, berekenen), ik heb geraamd; âiug:, v. Ramenas(A'no/wwc//,/),v. âsen. Ook: Ramelas. Ramifleatie (vertal,king), v. â tiën, âties. Raminci (stormram, muurbreker), v. âen. Ramnieien (met den stormram beuken), ik heb ârammeid. Rammel (babbelaar'), m. en v. â s. Mevrouw Dorbeen was een eerste â. (C. 0.). Rammelaar (babbelaar\ mannetjeskonijn; ook kinderbei), m. â s. Rammelen, het heelt gerammeld. Met de sleutels â. De hond rammelt met zijn ketting; de pitten â in den appel-, de pijlen â inden koker\ â ing (ook slaag), v. Rammelkast (oude reiswagen,vigilante enz.-, oude piano) v. âen. Fig. mond: Hou je â. gmz. Ramni«'lkclt;*s (snapper, pratter), m. â kezen; â kons (snapster), v. âkousen. Ramnielkons (persoon), m. en v. âen. Ramnionltor {monitor met een ram aan den boeg), m. â s. Ramp (onheil, groot ongeluk), v. âen. Rampaard (scheeps\v.ró/ygt;aagt;v/),o. â paarden. Rampaard (zeew. scheepsa If uit), o. â en. Zie Rolpaard. Rampassen (Ind. rooven, buitmaken,stelen), hij heeft gerampast. Rampon(gt;erlt;'n (bederven, beschadigen). Rampspoed (tegenspoed), rn. âen; âIj;-,bn. Ramiizalig* (noodlottig), bn. en bw.; â lieid.v. Raneliero's (ruiters en jagers in Mexico), m. mv. Raneiine (wrok, haal), v. â s. Rand, m. âen. De â van den hoed. de â van een brief, de â van den afgrond-, aan den â des grafs, op den â des verderfs. Randen(//^een randomgeven),\\i heb gerand. Randglosse (kantteekening op den rand van een geschrift), v. âglossen. Raiigr (stand, reeks, rij, regeling), m. âen. Ran^eeren (in orde stellen, zetten, mengen, leggen, enz.); een trein â. Ran^'â¬kxamens (e.vamens bij het onderwijs), o. mv. RanK'ifetal (telwoord), o. âgetallen. Zevende is een â. |
Ran^jfon (Ind. wacht hutje op palen), m. â s. Ranglijst, v. âlijsten; â ortle, v. gmv. Rangregeling- (rechterlijke rangschikking), v. âen. Rang-seliikken,ik heb gerangschikt; â iiig-.v. Raninieeren (weder bezielen, opvroolijken; nieuwen moed doen vatten). Rank (list), v. âen. Honger zoekt âen. Rank (twijg), v. âen. Een wijnstok vol âen. Rank (tenger), bn. en bw.; een â hert, een âe boot, â van gestalte; â lieid, v. Ranonkel (boterbloemachtige plant), v. â s. Rans (garstig), bn. en bw. De boter, het vet is â, bedorven. Ransel (soIdatentasch), m. â s. Ransel (slaag), m. gmv.; ietn. â geven. Ranselen (fel en onbarmhartig slaan), ik heb geranseld; â injf, v. Ransig (garstig), bn. en bw. Ook: Rans. Ransuil (nachtuil, groote katuil), m. âen. Rantsoen, Ransoen (losgeld), o. -en. Rantsoen (hoeveelheid spijs of drank voor matrozen, soldaten, enz.), o. âen. Rantsoeneeren, Ransoeneeren (vrijkoo-pen, lossen; op rantsoen stellen). Rap (vlug, snel), bn. en bw.; âheld, v. Rap (schurft), o. gmv. Jan â en zijn maat. Jii\lgt;sieiteit[roofgierigheid,roofzucht), v.gmv. Rapalje (gepeupel), o. Ook: Ha/taille. Rapé (tot snuif geraspte tabak), v. gmv. Rapen (verzamelen, oprapen), ik heb geraapt. Rapen (pleisteren), ik heb âgeraapt. Rapiditeit (snelheid, gezwindheid), v. gmv. Rapier (lange degen), o. âen. Ook: Happier. Rappel (terugroeping, herinnering), o. â s. Rappeleeren (terugroepen, herinneren). Rappo (een zeer sterk man), m. â 's; â niseli, bn. ânische krachten. Rapport (bericht, verslag; ook: overeenkomst; betrekking), o. âen. Rapporteeren (berichten, melden; verslag doen). Rapporteur (verslaggever), m. â s. Rapproelieeren (naderbrengen, verzoenen). Rapsodie. Rliapsodie (allerlei te zamen geschreven fragmenten, verzamelwerk), v. ârn. Rarekiek (kijkkast), m. âkieken. Rarigheid {vreemdheid, zeldzaamheid), v. â heden. Rariteit (zeldzaamheid), v. âen. Rariteitâ¬knkast (bewaarplaats), y. âkasten. Ras (zeew. wiel, draaikolk), o. âen. Ras (gekeperde stof), o. gmv. Ras (soort, geslacht), o. âsen. ïig.'t Is â van volk, gemeen volk. Ras (gezwind), bw.; het â vervlogen geluk. Raseli (snel, vlug), bn.; met rassche schreden; â lieul, v. Rasjes (schielijk), bw. Rasp (werktuig, heukenvijl), v. âen. Raspaard (voortreffelijk paard), o. - paarden. Raspen (fijnmaken), ik heb geraspt. Een muskaatnoot â, een suikerbrood â, verfhout â ; â er, m.; â in:;, v. Fig. schrapen in de keel. Rasphuis (gevangenis), o. âhuizen; âvijl. v. âen; -zaag*, v. âzagen. Raster (breede, grove lat), m. â s. Rastering (latwerk), v. âen. Rasterwerk (hekwerk), o. âwerken. Rastreeren (lijnen, notenbalken trekken). Rasure (uitgekraste plaats in een geschrift), v. â s, â n. Rat, Rot (knaagdier), v. âten. |
RATAâRECHERCHE. 303
|
Rata (evenredig aandeel), v. Pro naar evenredigheid. Ook: Rate. Ratafia (likeur), v. grav. Ook: Ha tal}', a. Ratanliiaworlol {bloi-dvloeiimj stelpend donees middel) , m. âs. JJe â is 'afkomstUi ail Peru, Rataplan ((jeluid v. e. irornniel), m. en o. gmv. Ratatouilïo {dooreengestampt middageten der soldaten', hutspot), s. Ook: RatJlt;'tolt;k. Ratel {werktuig), ni. âs; fig. long, mond: Hou je â, d. i. je mond, grnz. Ratolaar {Canad. populier), m. -s; âabeel. m. âen. Ratelen, ik heb gerateid; awt een ratel â; het â ran rijtuigen, van den donder', de trommen â ; â laar, m.; â ]in$amp;'.v. Fig. snel en zonder tussehenpoozen spreken. Ratelier (knnstgehit; geweerrek), m. â s. RatelkoiiM (babbelkous), m. en v. âen; â -mond, m. en v. âen. Ratelslang' {giftslang in Z. Amerika), v. â en. De â heeft een uit hoornachtige ringen bestaanden ratel aan het uiteinde van den staart. Ratilieatie (bekrachtiging van een staatsdocument), v. â tiën, âties. Ratlfieeeren (belcrachtigen, bevestigen). Ratijn (zekere geweven frieschachiige slof), o. gmv. Ratio (rede, verstand, grond), v. gmv. Ration (rantsoen), o. â s. Rat ionaal. Rationeel {gegrond op de rede), bn. Ook: Rationabel. Rationalisine.Rationalisiniis(r/o^/ó7//V/«.s7 der rede), o. gmv. Rationalist (aanhanger van het rationalisme), m. âen; â iseli, bn. Rationeel (op de rede gegrond), bn. Ratjetoe, v. gmv. Zie Ratatouille. Rattenliol. o. âen; âsprenkel (knip), m. â s; âkruit (vergif, arsenicum), o; ânest. o. âen; âval, v. â len. Ral test aart (dunne ronde vijl), m. âen. Rattrapeeren (weder verrassen, betrappen). Raniv (ongekookt), bn. Honger maakt -cboo-nen zoel; een âe appel, â vleesch. Een âe â wond, versche, open wond; â lieici. v.; â i^-|ieilt;l. v. Ravage (verwoesting), v. â s. Ravageeren (verwoesten, plunderen, vernielen); â jjfeur (vernieler), m. â s. Ravelijn (voorschans, halveniaan), o. âen. Ravenaas (kreng; lig.: galgenaas, hangbast) o. âazen; â $;'^ki*as, o.; â nest, o. âen. Ravijn (holle weg, bergkloof), o. âen. Ravlsseinent (verrukking), o. âen. Ravltailleâ¬kren (opnieuw van levensmiddelen voorzien). Ravotten (luidruchtig stoeien, spelen), ik heb geravot; âer, m.; âerij. v. Raw a (Ind. moerasgrond op Java), v. â's. In het droge seizoen hebben de â's het aanzien van grasvelden. Ra.veeren, ook Royeereu (doorhalen, uitdoen). Rayon (straal; omtrek een er vesting) m. en o. â s. Ra.yonnant (stralend, schitterend, prachtig), bn. Razeeren (scheren; vestingwerken verwoesten, iels sloopen). Razen (een dol leven maken), ik heb geraasd; â er, m.; â ernij (razerij), v. |
RazeiKi (woedend, dol), bn. en bw.; een âe hond; hij acht zich â gelukku;. (C. O.), erg. Razernij (dolheid), v. âen. Ook: furie. Razijn. v. -en Zie Rozijn. Razzia. Kazia (strooptocht), v. â's. Reaal (geldstuk in Spanje, Mexico, enz., ter waarde van ± Sü et.), m. realen. Reaalseltool (in Du itschland de naam eener H. li. S.), v. âscholen. De â leidt op voor allerlei bedrijven in leven. Reaetie (terugwerking), v. gmv. Rlt;*aetionair (tegenstrever; in de slaatk. iem. die de bestaande toestanden tot vroegere wil terugbrengen), m. âen; (tegenstrevend, tegenwerkend), bn. Reageren (tegenstand bi quot;den, terugwerken). Reagens (terugwerkend middel), o. â geniia. Reagentia (middelen der scheikunde tot opsporing vun de aan wezigheid vu nstojf en), v.nv. Realisatie (het te gelde maken, verwezenlijking), v. -tiën. âties. Realislt;kereii (tot een werkelijk bestaan brengen ; waren of elf eden te gelde maken). Realisme, Realisinns (leer der werkelijkheid, het tegenovergestelde van idealisme), o. gmv. Realist (aanhanger van het realisme), m. â en; â tiseli. bn. Realiteit (werkelijkheid), v. gmv. Rebel (oproerling, muiter), m. âlen. Rebelleeren {opstand veroorzaken, muiten). \\**\w\\ie(inuilerij,gewelddadig verzet),v. gmv. Re bellij (oproerig), bn.; â field, v. Rebelseii (rebellig), bn. gmz. Rlt;'.l»iis (raadselbeeld., figuurraadsel), m. â sen. Rebut (uitschot), o, gmv.; â van sigaren, Rebutant (onaangenaam, rampspoedig, onbehaaglijk; afschrikkend), bn. Rebuteeren (op een harde en verachtelijke manie)' afwijzen; afschrikken, den moed benemen). Reealeitrant (koppig, onwillig), bn.; een âe jongen; een â karakter. Reeapitulatie (korte opsomming, herhaling), v. Reeapitnleeren (samenvatten). Reeenseeren (beoordeelen, voornamelijk van boeken en geschriften). Reeensent (boekbeoordeelaar), m. âen. Ree«knsie (beoordeeling van boeken, enz.), v. â sii-n, â sies. Rlt;gt;e«*nt (nieuw, pas gebeurd), bn. Dat feil is â , is van âen datum. Reeepis (bewijs van ontvang), o. âsen. Ook: liecepisse. Recept (voorschrift ter bereiding van geneesmiddelen, spijzen, verven, enz.) o. âen. Reeeptie (het ontvangen b.e. bij ondertrouw, ook de ontvangst der gelukwenschen, plechtige ontvangst; de aanneming van iemand, als lid van een gezelschap), v. âtiën, âties. Reeeptinir (de kunst van artsenijbereiding), v. gmv. Reees (schriftelijk vergelijk, achterstand, verzuimde betaling eener som; deze som zelve): o. gmv. Reees (tijdelijke schorsing eener zitting), o. gmv. De vergadering is op â gescheiden. Recette (ontvangst), v. âs. Recherelie (navraag, onderzoek), v. âs. Reclierehe (afdeeling der politie, welke zich onledig houdt met opsporing, navorsching), v. Zie: Reclierelieeren. |
304 RECHERCHEKRKN-nRCTïTMTNEERKN.
|
Reclierclioercii (nauwkeurifi onder zoeken; uitvorsehen); âour (politic-beambte), m. â s Kc'lt;*lilt;krc*lio-vaiui*tiiiK' (vacirtnifi met nmh-tenoren, die teyen siidkerij moeten waken), o. âvaartuigen. Koolit {niet krom), lm. en bw.; een âe lijn; de âe wefi, d. i. c!e ^oede, ware; de âc erfgenaam, d. i. wettige; â overeind. Koclit (gerechtigheid), o. âen. Het â moet zijn loop hebben', waar niets is. heeft de keizer zijn â verloren. Itcclit (de wetten, wettelijke bepalingen), o. â en. Meester in de âen; student inde âen: het Romeinse he â ; het oad-Germaansche â. Kocht (belasting), o. âen; in- en uitgaande âen; doorvoer rechten. Koolithank (college van rechters), v. âen. Kec'litbiii^-oii, ik boog â, heb â gebogen; een stang â. d. i. buigende rechtmaken. Itccliten (uitspraak doen naar het recht),ik heb gereclit. (Jok: liichten. Rpcliter. m. âs, âen; â lijk. bn.: de â lijke macht; â sambf, o. âen; âschap. o. Kplt;*litorarni. m. âarmen; â boen, o.âen; â liaiKl, v. âen: âkant. m.; âoevoiv m. â s; âzijrie. v. ân. Itoolii^oloovi^* (orthodox), bn.; â lieifl, v. K(M*litliolt;kk (meetk. vierhoek met rechte hoeken), m. âhoeken; âliooki^-, bn. KfM'litliiiis (gemeentehuis), o. âhuizen. Wij soupeerden te Ba ara in het â. (l'otg.); voor het â hield een koets stil, beladen met een rentenier. (Koetsv.) Keoliti^on (machtigen), ik heb gerechtigd. Reclitmati^. bn. en bw. De âe bezitters, de â e eigenaars. RoohtM. bw. Gij moet â afslaan. Keclitsaf. bw. De wandelaar sloeg â. Kcelitslmn (rechtsgebied), m. gmv. Kcclitsoli. bn. Dit kind is niet maar linksch, d. i. doet met de linkerhand, wat gewoonlijk met de rechter wordt gedaan. RfolitWliapoii (eerlijk), bn.; â lioid, v. K(klt;'litslt;l\vaii^' (maatregel van geweld door de gewapende macht, lijfsdwang), m. gmv. ltlt;gt;clitsg:olgt;ilt;Ml. o. âgebieden. (proces), o. âgedingen, leperd, bn.; een â persoon; â lieid.v. KeclitKg^oloer«llt;? (advocaat), m. -geleerden. ReolitKliaiKlol (proces) m.; -ingang:, m.; â maolit. v. ItpclilKonikoor. bw. â maken, teruggaan. KeelitNpor.soon. m. en v. âpersonen; een vereeniging als â erkennen; â lijklilt;gt;i«l. v. ICcolifv. âplegingen. Itoolitspraak (uitspraak, gewijsde),\. gmv. RcolitNpr^'koii (gerechtelijke u its p raak doen), ik sprak â, heb âgesproken. llPclitMtaii«li{ff (loodrecht), bn.; â v. Kplt;'litKtrook*i [regelrecht), bw. Keohtstroekscli. bn.; een âe verbinding. Kochtsvorriraaiili;;', v. âverdraaiingen; â -vorkraolitin^*, v. âen; â vorlt;l«*riiisquot;, v. â en; âvraag:, v. Keolituit. bw. Hij spreekt altijd â. Met w.w. vormt bet samenstellingen: âgaan, âkijken, â loopen, ârijden, enz. Kocht vaardig (eerlijk), bn. en bw.; â hoi4l,v. Kcchtvaarlt;lip:oii, ik heb gerechtvaardigd; zich â, zich zuiveren van een blaam; â inji'. v. Kochtv.aak (proces), v. âzaken. Kochtxaal. v. âzalen. RvcMaiunip; (orlhodo.r),X)n.cn bw.; â lioi4l,v. |
Kocidivo (terugval in een ziekte; herhaling eener misdaad), v. gmv. KcoidiviHt (misdadiger, die reeds een vonnis lot zijn last heeft), m. âen. Kcciof (schriftelijke verklaring van een sch ipper, dat de goederen ontvangen en ingeladen zijn), o. -eleven. Ook: Recif. Kociot (voordracht), o. âen. De âen namen een begin. Kocipo (neem). Zie: K. Kocipiooron (aan- of innemen, ontvangen). Kocipioiit (klok vaneen luchtpomp), v. âen. Kociprocc'oron (met gelijke munt betulen, vergelden). Kociprocitoit (vergelding), v. âen. Kocitatio (voordracht), v. â tiën, âties. Kocitatiof (handeling tusschen spreken en zingen; een soort van declameerend gezang), o. â tieven. Kccitator (iem. die een gedicht enz. voordraagt), m. â s, âen. Kecitooron (van buiten opzeggen, voordragen in i 'ede n aars toon ). ItcclaiiK' (terugvordering, klacht; ook: artikel in een dagblad ter aanprijzing van iets), v. â s. KoclaBiiooroii (terugeischol, aanspraak op iets maken, terugvorderen). Koclusio (opsluiting, hechtenis), v. gmv. Kocogi'iiitio (navorsching eener zaak, herhaald onderzoek; vergelijking van ontvangen diensten; erkenning, bekentenis), v. â tiën, â s. Koco$£-iiitio-lt;»'cldoii (geld, dat per jaar betaald wordt als erkenning van ontvangen diensten, rechten, enz.), o. mv. K o oogquot; ii o sc o «'ron (van verre bezichtigen; voor echt erkennen; het terrein des vijands onderzoeken). K o col loeten (Franciscaner rnonn i ken ), m.m v. ilvvommnmlitlwl (aanbevelenswaardig), bn. Kecommandatio(aan^eye/i;i.f/),v. â tiën, â s. Kwommskmlevren (aanbevelen, aanprijzen; iemand ernstig aanbevelen). Kocoinpi'iise (belooning, vergoeding), \. âs. Kcconiponscoron (beloonen, vergelden). IWvmuiAvtevvvtiïopnieuw voltallig maken). KccoiiciliatH' (verzoening), v. âs, âtiën. Koconcilioc'ron (weder verzoenen, bevredigen). Koconvalosccoron (herstellen, aan debeterhand zijn). Kcconvalosccnt (aan de beterhand, herstellend), bn. Koconvalosccnt (een zieke lie aan debeterhand is), m. en v. âen; vr. cok: â o. Kocon vont io (rechtst. vordering, die de gedaagde tegen den eischer stelt), v. gmv. Kocord (sport, het hoogste of beste), o. gmv. Lees: Rek'-ed. Het â slaan, alle vroegere snelheid overtrelTen door een bepaalden afstand in den kortstbekenden tijd af te (ietsen. Koconrs (teruggang of -vordering, toevlucht; recht van schadeverhaal), v. gmv. Koconvrooron (weder bekomen of verkrijgen). Kocroatio (verlustiging, uitspanning), v.gmv. Kocroöoron (verfrisschen, verlustigen, verkwikken). Kocriininatio (tegenbesch ddiging), v. â s, â tiën. Kccriininooron (wederkerig beschuIdigen, t eg enk lacht indienen; met smaad of schimp beantwoorden). |
R EC RUTEER EN- RICE DE. 3b5
|
(troepen tvorven, lichten, vol-tnU'uj of' compleet mal en). Recriiteâ¬*rinjff (^mmwriwr?'/, lichtinn), v. ^mv. Kocriiiit (nieuw aari'jeivoruen sohUiat), m. reen i ten. llvi'tit (rechtuit). Via â,lan«rstlen rechten weg. Itccta-wisKi'l (missel up een bepaald jfr-soon), m. âwissels. Itfct ifü'atio (verbeteriny, herstellinij; herhaalde distillatie), v. âs, â tiën. Klt;'C'tifi4*lt;^'râ¬kii (rerbeteren, in orde hrou/en; door 'jedur'uje oeerhaH)uj eerster ken). Kt'cto folio (op de ree!. terzijde), v. â's. IClt;'lt;'44»r (bestuurder eau een Latijnscheschool, een (pjmnasium; ook: kapelaan in een !,looster), m. âen, â s, â S(*li»|». o. â ««'«â¢lor iiia$;-iiificus (voorzitter run een academischen raad of seifaat), m. K('lt;*l4»raal (den rector betreijende), bn. De â ale waardi'i hei d. Klt;'('toi*aat (ambt ran rector), o. âaten. Kovn (schrift et ijk bewijs ran onti'an!ist),o. â's. Iti ciK'il (verzamelinrf, bundel), o. â s. ICi't'iK'ilhM'iM'ii (verzamelen,veriiaderen; herstellen; tot zich zei ven komen). Zich â. (terui/sprori'i van het ijeschut na het afvuren), o. gmv. Kf'ciilot'rcii (terugloopen, aclito'uitgaan, wijken). Kfciirrceren (hulp zoeken, hulp eisebcn). K(gt;lt;'ii*«alMgt;l (verwerpelijk, wraakbaar), bn. (we'ujeren, wraken, verwerpen, terur/zenden). Klt;keiissilt;' (tenujkaatsinri), v. gmv. K«'lt;lac'U'iir (hoofdopsteller, samensteller, leider run een krant of tijdschrift), m. âs, âen. IC('4ialt;*tilt;' ({lezanwnlijke redacteuren van een dwjblad of tijdschrift; de wijze, waarop een mededeelinff enz. ouder woonlen is f/ebriwht), v. âtiën, â s. De â vaneen wetsartikel dient in de eerste plaats duidelijk te zijn; de commissie van â; dit amendement bedoelt uUeen een verbetering in de â ran 'I artikel. Ilfddcloos (niet te redden), bn. en bw.; â â¢Uviil. v. (uit het (jevaar helpen), ik heb gere 1; -fier, m.; â «iiiift1, v.; â niirtdc?!. o. (in orde brennen, regelen), ik heb geredderd; âaar. m.; â iiij£, v. IS('lt;llt;liii^lKMgt;i. v. Zie: ISoei; âboot (vaar-tuuj hujericht tot reddiwj van sehipbreuke-liwjen), v. âbooten; -leprer (heilsleger), o. gmv.; â iiiaafMâ¬'iia|»|»i| (tot redding van drenkelingen in Amsterdam, il07), v. âen; â »l0â¬Â»p, v. âen; â toest«'l, m. en o. â ien; â vlot, o. âten. K(Milt;litilt;' (teruggaaf, overgaaf eener vesting), v. â s, âtiën. Kvtlt' (gesprek, toespraak, vertoog), v. â n. lem. in de â rallen; de dcelen der â. (denkvermogen), v. De mensch is begaafd met â. (woordsoort), o. â deelen. Er zijn tien âdeelen. Klt;'4llt;gt;kavel4ikii (redeneeren), ik heb geredekaveld; scherts: IIij stond een kwartier lang met zijn medestudent te â (Klikspaan.); â -kavolin^*. v. (rhetorica), v. gmv. It(klt;llt;gt;kiiiilt;li$;-. ISf'(llt;'kuiisti^ (volgens de rede), bn.; een âe ontleding. Kcdokiinst (wetenschap, die leert wél te redeneeren), v. gmv. Ook: Redekunde. |
Ki'(l4gt;kiiiistlt;'iiaar. m. â kunstenaren, âkunstenaars. Ook: Redekundige. Kfdolijk (met rede begaafd), bn. en bw. De mensch is een â wezen; â lioid 'billijkheid), v.: â «'rwijsBf*. âerwijs. bw. IC('lt;i4'l4»os {zonder verstand), bn.; het âlooze vee; â licid. v. ICt'iiciiiptoristoii. K('4l4'iiit4»i*istlt;'ii (leden van de orde van den allerheiligsten Verlosser), m. rnv. IC('«llt;'ii (oorzaak, grond), v. âen. Wat 's de â V Kv*lvn (verhouding), v. âs.; een meetkundige â , een reLenkundige â. IC('lt;ilt;'iiaai* (woordvoerder), m. âs, â n iren. Kfficiiaars^-avc. v. âgaven; â s'i'stoi'lte. «â¢. â n; âtalent, o. âen. Ki'doiieewii (t/etoogen, zijn gevoelen uiten, praten over een zaak en niet handelen), ik heb geredeneerd; âder, m.; â ins*, v. lerdoiM'crkunde (wetenschap der logica öf wijsbegeerte), v. gmv. ICcden^evend. bn.; een â voegwoord, b.v. want, omdat. ICcderijk (wH ter taal), bn.; â lieid. v. Itcderifkor (beoefenaar der uiterlijke welsprekendheid), m. ârijkers. De ârijkers waren de beoefenaars der rhetorica. ICedcrijkerskaiiirr (vereeniging van rederijkers, reeds dateerend uit de l'w eeuw), y. â kamers. Kvdotnist (dispuut), m. âtwisten. Een â doet soms meer kwaad dan goed. (Ivoetsv.) It(gt;dlt;'twistlt;gt;ii (disputecren), ik heli geredetwist; over iels â. KvdwalM'l (eerplicht, verschuldigd, erkentelijk), bn. IC ede voeren (een rede honden), ik heb geredevoerd; â voerder, m.; â voering, v. MC ede wisse Ie ii (met elkaar spreken), ik heb geredewisseld; â wisseling, v. ICelt;ilt;gt;%it'tlt;'n (vitten, afdingen), ik heb gerede-zit't; -zifter, in.; âzifting, v. ICe4lliil»itie (vernietiging v. e. koop), v. âs, -tiën. Kecli$;eeren (samenstellen, opstellen, voor de drukpers gereed maken). |{e«iin^-4»te (reis rok, lange over rok), v. âs. Kedites (herhalingen), v. inv. lt(gt;donb'ilt;'eren (verdubbelen, versterken). Ked4»iital»el (vreeselijk, ontzaglijk, geducht), ICigt;doiite (kleine veldschans), v. â s. [bn. ICeclonte (Ital. gemaskerd bal), v. âs; de â -zaal te Maastricht. llelt;loiitlt;klt;kreii (vreezen, duchten, schuwen). ICedres (herstel, vergoeding), o. gmv. ICedresseeren (terechtbrengen, weder goed maken, herstellen). Kediieeeren (terugbrengen of -voeren, verminderen, beperken; maten, munten en gewichten herleiden). Kednctie. KediieeerinK: (verkleining, herleiding, vermindering), v. â s, âtiën; âen. il(gt;lt;lnit (plaats van ontwijk in een vesting), m. â s. Kediiplieatie(spraakk. ver'lubbeling), v. gmv. b.v. harrewarren, ziegezagen, ruilebuiten. â tee (hinde, hert), v. â ën. Kee (buitenhaven), v. â ën. Zie; Kee«ie. Uee (gereed, klaar), bn. Het schip ligt â. Keebok (mann. der reegeit), m. âbokken, ileede. Kee (ligplaats voor schepen), v. â n, â ën. De â van Batavia, het schip ligt ter â. Ileede, Ree (gereed), bn. Alles is |
HKEDI^N-RICGIMK.
366
|
(ycrcilmnl.cn, toerusten), ik heb gereed; â (uitruster ran schepen), m. Klt;^'cllt;'rij {handelsvennootschap tot het uitrusten van schepen), v. âen. 15iv«'lt;|s {bereids, aireede), bw. Het is â laat. 15«'«'OI (wezenlijk, werkelijk, zeker, vast, tje-loofwaardig; de zakelijke of innerlijke waarde van neld, munten of landssehuldbrieven), bn. ilvvt'. Ifiif' {stnalle strook zeildoek), o. reven. (wijfjesree), v. âgeiten. |{4'â¬kk {kleine eijije, hark), v. reken. Klt;klt;kknlf {jony vaneen reegeit), o. -kalveren. IC«'4'ks {rij, opeenvolg in fi), v. âen; een nieet-kandige â, een rekenkundige een opklimmende â , een afdalende â. {smalle strook, ook: hoepel, touw', â lood op de nok van 't dak), m. âen. KoeNein {rist), m. â s. gew. Koet {p laats, waar het vlas ligt te weeken), v. reien. Roet. {spleet, harst), v. reten. Kool. K(*to (hennepbraak), v. reten. Koonu' (m Friesl. allerlei huisraad, enz.), o. Klt;gt;oimv (doodschuim), o. ginv. Kieuwen (een lijk apeggen), ik heb gereeuwd; â or. m. Kcenwroof' (berooving van een lijk), m. , gmv. vero. Kcouwsoli (een lijklucht hebbende), bn. Kofaotii^ {kt irtimg vtior beschadigde waren), v. â tiën, âties. Ook: Ha factie. KofVoforiiim (eetzaal in khgt;osters), o. â iji. Bij verkorting: lief ter, m. â s. KofVraat (verslag, bericht), (â¢. âaten. Klt;kforoorâ¬kii (zich) (zich. httuden aan). Kt'IVreiii. lt;». âen. Zie: KclVciii. K«'f«'rlt;*iilt;laris {berichtgever, voordrager, titel ran hoofdambtenaren aan de ministerieele departementen), rn. âsen. KfferoiKliim {verslag; uitslag] hoofdeiijke stemming), o. â s. Koforenl (verslaggever van ingezonden slakken', rapporteur), m. âen. Klt;'tVi*lt;'iiti4;ii (inlichtingen, aanwijzinge)i, aanduidingen), v. niv.: votgt;rzien van goede â. Koforli1! (verwijzing), v. âs; onder â, onder verwijzing. K^flootot'roii {weerkaalsen, tcragkaalsen, spiegelen)] op iels â, d. i. op iets acht geven. Koflootio (overweginti, beden king), v. -tiT-n, -s. Koflootio. Kolloxio (terugkaatsing van het licht, weerschijn), v. â s, âtiën. K('fl«'otor (licht kaatser, spiegel telescoop), m. â en. Ook: Reflecteur. Keil«'xiof (wederkeerend), bn.; een â werkwoord; een toevallig - tverkwoord, b.v. zich wasschen; een wezenlijk â a^erkwoord, b.v. zich vergissen. Kofonnatio (hervorming), v.; de â, de kerkhervorming der i6e eeuw. Koiorniafor (hervormer), m. âen, â s. Kolorme (hervorming,herschepping; vermindering door afdanking of door uitmonstering), v.; op â stellen, d. i. buiten dienst of op verminderde soldij stellen. Kotbrmooron {verbeteren, een anderen vorm geven). Kcfraotair (weerspannige; een die zich eigendunkelijk aan den krijgsdienst onttrekt), m. -s. Refractie (straalbreking), v. gmv. KefraiiK'ibol (breekbaar), bn. Rofrein (coupletten met een slotrijm, dat herhaald wordt), o. âen. Ook: Referein. |
Refter (eetzaal in kloosters, godshuizen, enz.), m. â s. Zie: Rofoctoriiinil Refuge (ye/lige schuilplaats, toevluchtsoord) o. Kefnyió {uitgewekene om geloofsvervolging of politiek), m. â's; de â's, de Hugenoten, die na de herroeping van het Edict van Nantes (1085) Frankrijk verlieten. Ki'fii^ieoreu (uit- of ontwijken). KefiiNeereii {weigeren, van de hand wijzen). Refutatie {wederlegging), v. âs, âtiën. Refutoeren (ivederleggen). KofniiN (weigering), o. relïrzen. Fig. een blauwe scheen. Regaal {koninklijk, voort reffel ijk), bn. R«'K'aal (orgelregister, dat de nienschelijke stem nabootst, ook vox hamana genoemd), o. regalen. Kf^aieeron {heerlijk oil halen, vergasten). Re;fai*«ieoroii (beschouwen, acht geren, ontzien). Dat regardeert mij, dat betreft mij. Ko^-atta (roeiwedstrijd),' v. â's. Ook: Hegatte. Rc^oereii (heerschen, bestaren), hij heeft geregeerd; â dor. in. Re^'eerin;;' (bestaur, beheersching), v. âen. De â van Karei \'. Hij was in die stad lid der â, vero. l)e â van een tverkwoord, b.v. een naamv. of een voorzetsel. Regeorinjffloos (zomicr orv/tf), bn.; â iiei«l. v. Ro^oorin^svorEii ( wijze, waarop het staatsgezag wordt uitgeoefend), m. âvormen. Re^'oi. m. âen, âs; de âs der spelling, d. i. wetten, voorschriften; geen â zonder uit zondering; een â der taalkande; de vier hoofdregels der rekenkunde, d. i. optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en deelen; de â van drieën; op een nieuwen â beginnen, d. i. lijn, enz. Ke$relooroii (regelen', lineeren). Ke$£'olcii (schikken, ordenen, in orde brengen), ik heb geregeld; â injr, v. Regelmaat (orde), v. gmv. Regel ma tig (ordelijk), bn. en bw.; â lieilt;l. v. ICcgeliM'olit {zonder omwegen, tijnrechl), Itw, Rijgen, m. âs. Na â komt zonneschijn, d. i. na lijden komt verblijden; âaoiitig. bn. Regenboog (cirkeloorndge gekleurde boog aan den hemel), m. âbogen. Regenboogvisoli (een soort lipvisch), m. â visschen. De â heet ook jonkvisch en zeejonker; â vlies ( iris), o. Regenbui (een vlaag regen), v. âbuien; â «Iroppel. m. âdroppels. Regenen, het heeft geregend. Fig. Hel regent scheldwoorden. Bij dezen (dominee) regent het bloempjes. (Potg.) Regeneratie (wedergeboorte), v. gmv. Regen ja** (geoliede jas), v. âjassen. Regenkaart (aanduidend de verdeeling van den regen over de aardoppervlakte), v. âen. Regenmeter (werktuig ter bepaling van de hoeveelheid regen, die jaarlijks op een plaats valt), m. â s. Regent (bestuurder), m. -en; âes, v. âsen; -soliai». o.' Regentijd (jaargetijde van den regen in W.-Indie), m. gmv.; de kleine van einde November tot begin Februari; de groote â, van medio April tot ultimo Juli. Regen norm (een soort van aardworm), m. âen; â pje, o. Regie (de leiding, het belteer van zekere inkomsten of v. h. tooneel), v. gmv. Regime (leefregel, eetregel, richtsnoer), o. â s; ancien â, de tijden der Bourbons. |
it KC« IM KNT â I» 10 LACquot; II10.
|
ICf^'iiiK'iit Urucpouifdccling), o. âen. Ke^iment (' cersrlinpinj, reyecriny'), o. pjmv. üat ik zal wcdcrkcercn in mijnen (Willi.) (hehnerder; rckcnimivnerdrr, hr-lastindontvanffcr, tooncelbchecrder, nl. hij 'He de roilcn uitdeelt), m. â s. Kc^'ister (aktenboelc), o. â s. lU'^istor (muz. orficlfitem), o. âs. {inschrijeing van aktoi, eu/..), v. het kantoor van â. lUM'roii (m het opod/nar register schrijven', boeken); â injiquot;. v. «'inciit (yen»-dnring, voorsehrift gt;,«â¢. â on. K(kK'l«'iiilt;gt;iilair {ran, betrelfende lt;gt;/' volgens een reglement), lm. K('$£ldiilt;'iitlt;Mki*lt;kii {aan. een reglement onderwerpen); iets â. Keuros {teruggang; verhaal van schade op iemand), m. gmv. {terugwerkend), lm, on bw.; de â ieve gang van het geschiedenisonderwijs; de geschiedenis des vaderlands â behandelen. Ificg'wf {spijt, leedwezen, beroniv), c». gmv. Kop rol Ia lgt;i«' (betreurenswaard ), lm. Kegrettferf'ii {betreuren, beklagen). Ke^'iilair {regelmatig, ordelijk), l»n. Ko^-nlaritHt {regelmotigheid), v. gmv. ICc^iilaf lt;Mir. Ki'^iiljtlor {regelaar; deel v. e. uurwerk), in. âen. ICoK'ailatoiirlaiiii» {ouderwetsche id'udamp), v. â lampen. ICoji'iilii {regelen, schikken, in orde brengen). Koulilior {ordesgeestelijke), m. âen. ICegfiilior. Ko^iilair {regelmatig, juist), bn. Kvhabililalio (//er. /W in vorig aanzien),v.-*. llohabilitooiM'ii {weder in den vorigen stand plaatsen; in eer of goeden naam herstellen). Kei {koor van zangers of dansers), m. âon. Ten â geleiden, ten dans. Koiou {dansen, in koor zingen), ik heb gereid. ooievaarachtige ragel,steltlotiper), rn. â s; de visehâ, de zilverâ, de zijdeâ, de nacht â . Koig^'rslM'k (plantk. een soort van noievaars-bek), m. âbekken. Kei^-vrvalk {een tot de jacht afgerichte valk), m. âvalken. ICeiken, ik heb gereikt, tem. de hand â. Koiklialxlt;gt;ii (smachtend verlangen), ik bob gereikhalsd; â ins'- v. IClt;'illt;'ii. alleen gebruikelijk in; zooals het reilt e)i zeilt, d. i. met al, wat or toe behoort. Kcin {schoon, zuiver), bn. en bw.; â licgt;i«l. v. Keinaert de Vos (beroemde dierensage der middeleeuwen), m. gmv. â is oorspronkelijk in '£ Fran se h; â is door een Vlaamschen dichter in het Dietsch overgezet. KHiiarriie, Kei n aard ij {sluwheid, listigheid), v. â ën. ICeine {koningin), v. âs; â dn bal, schoonste en meest gevierde van alle danseressen; â d'or, een soort van appel: â claude, een soort van groene pruim. Keinette {renetappel; geitebaard), v. gmv. Koinig-en {zuiveren), ik heb gereinigd; â -ginff, v.; â giii^siuifldel. o. Koin lefrat ie {herstel in vroeger bezit of genot), v. gmv. Keïnte$freereii {vernieuwen, herstellen). Reinvareii (plantk. steenvaren), v. â varen. Kei», v. reizen. De groote â aannemen, d. i. sterven. Ook: Reize. |
Reis (munteenheid in Portugal en BraziUè), v. Zie: Milreis. Keis {keer', maal), v. reizen. D't werd eenige reizen achtereen herhaald. Koisef^'iKli {rijkskanselier in Turkije), m. â's. Zie: Kfendi. quot;.: â genoot, m. â en; â^-«'iKMife. v. â n; â kosten, m. mv. Itei*£-ids {boek met opgaven van reisbijzon-derheden), m. âen. Baedeker is een goede â. IClt;'isvaai'«li^'. bn. Hij stond â, d. i. gereed om te vertrekken. ICeïteratie {hetiialing), v. âties, tiën. Klt;kïtlt;'i*alilt;'i' (herhaald, bij herhaling), bn. Iteïtereeren {Iwrhalen, vernieuwen). Reizen, ik heb en ben gereisd; â lt;1. b.v. {een â man), bn. Keizigvi* {iem. die reist), m. en v. âs. Hij is â voor dat huis, handelsreiziger; vr. ook â jKijTHter. Rojâ¬'gt;ctiâ¬k (verwerping,af wijzing), v. âs, â tien. ICojoiiïsseereii {verlustigen, vervroolijken Itcli (de daad van rekken), m. gmv. Kek {rekbaarheid), v. /â .'/⢠zit geen â in die handschoenen. Kek {latwerk), o. âken; een eierâ, ecu horken â , een pijpenâ, een droog â . Kek haar, bn. Elastiek is â; â lieid. v. Keklgt;aiik(ogt;/i metaaldraad te rekken), v. -en. Hekel {mannetjeslumd, â vos, âwolf),\n. âs. Kekelaeiiti^' {lomp, brutaal), lm. Rekenen (inrekenen, met asch bedekken), ik heb gerekend. Rcki'iien {cijteren, met getallen werken), ik heb gerekend; âaar. m.; â iiitf'. v. Keklt;'iil»olt;'k, o. âen; â Ixird. o. âen; â -lont, v. âen; âkamer {college van toezicht op de finnnciën), v. âs; âMeliap (ve)'-nntwoording), v.; â wijze. â wij*, v. â wijzen. ICeklt;'iiiii^' {nota, opgave van geleverde goederen), v. âen; op â stellen; in â brengen; hooge âen maken; lig. dat is voor mijn â , ik stol mij verantwoordelijk, ik neem dat op mij; op â, in mindering: zijn â er bij vinden, voordeel bij iets hebben; een streep door de â, een teleurstelling, misrekening; het kind van de â zijn, het gelag moeten betalen. Kekeiiiii^'-eoiiranl {staat of lijst van debet en credit), v. âen. RekeiikuiKle. âkunst {wetenschap der getallen), v. gmv. Rek e n |gt;I i eli t i$;' ( verpI ich t verantu'Oording te doen), bn.; â lieid, v. Rekenraam {balteller, hulpmiddel bij het elementair rekenen), o. âramen. Rekest {verzoekschrift), o. âen. Zie: Request. enz. Rekkelijk {zacht, soepel, lenig), bn. en bw.; â lieid, v. Rekken {uitrekken, verlengen), ik heb en het is gerekt; die jongen rekt zich nog al; een ontwakende hoïid rekt zich; het gewasschen linnen â ; lig. Een bezoek, een gesprek â ; een klank of lettergreep â ; een brief, een opstel, een gedicht â ; âer, m.; â ing-, v. Rokken {harddraven, in galop rijden van paarden), het heeft gerekt. Rekken (op het rek gaan van hoenders), ze zijn gerekt. Rekkerig {lui), bn. Wat zijt ge â / Relaas {verhaal, verslag), o. relazen. Rel^ehe (verpoozing, rust), v. gmv |
3 P 8 HKLACHEE1JKN â KKNSCll.
(nalaten, ophouden, laten
varen).
ICclalif' {relaas, rerhaal', ilr aaoivijzinfi, vermelding ; de hi'trekkimj, ivaarin z/rkvn of personen tot elkander staan), w â tiön, â ties. K('latilt;kf' (betrekkelijk), l»n.
(verbanniny), v. -s, âtiön.
Ki'llt;'vatilt;k (onthepiny, bevrijdtng), v. âs,
â tiön.
(de nainiddantijd), v. gmv.
Ilfleveori'H (wederophouiwn, weer ter sprake hrenyen'j onthe/l'en, verlichten; bevrijden van ven verpliehtin'i).
verheven of fiedrewn beeldiverk in hout, meUiat), o. âs. Men onderscheidt houten hasâ, naar (/elatuj van de meerdrre of mindere verhevenheid van het beeldiverk. Fi^r.
i/hms, roem, aanzien.
(a;irdr. miniatuurnobootsigt;uj van ven vatt deel der aardoppervl(d:te),o. âs; â kaart, v. Item (godsdienst, ijodsvrucht; ijelool'sleer), Kfiii v. â giön, -gies. seen
Itcli^iciis ({lodsdienstiff, vroom), lm. en liw. Religieiizo ((ivestclijkè zuster), v. â s. R('li^-ilt;gt;-viMMl«' (frescliieil. bestand), in.; th' -van Narnberff (4532); de â run Aausburfj (1552).
Rcli^-iosiffit (ijodsvrurht, (jodsvereerinn), v. gmv.
Rcliquio. Rflii'k (overblijfsel van een hei-lifje, b.v. kleederen, beenderen, en/..), v. â ën. Rf'liqiiiâ¬këiika«gt;»IJlt;k (relieksehrju), o. âs.
Rflli'ii (snappen, babbelen, druk proten), ik liel» gereld.
R«gt;lllt;'f jo (kortstondige opschudding), lt;gt;. â s. De jongens /Kalden een â niet ven dronken man.
Relimii*» (knaagdiertje, levend up hoornen), v. âmuizen. De â heeft eenige overeenkomst met den eekhoorn. De â leeft in lioheme,
Silezië en Beieren.
Krm (remtoestel om wagens of waggons in hun loop te doen vertragen), v. âmen. Komarqiialx'l (opmerkelijk), bn.
RcmarqiK' (aanmerking, ofimerkin ). v. âs. Rlt;kiiiari|iiâ¬'lt;'ren (aan- of opmerken', waarnemen of gewaarworden).
RoinboiirM (terugbetaling), o. girv.; onder â,
onder dekking van betaling.
Ronilgt;oiirN«'lt;'rlt;'ii (terugbel(den). RoniboiirNcmoiit (terugbetaling), o. âen. RoiiKMlii' (middel\ hulp-, geneesmiddel), v. j en o. â diën, âdies.
R«'iiiolt;lilt;gt;â¬'r4'ii (heelen, verhelpen, hulp of raad geven).
ReiiK'rHiiiont (dankbetuiging), o. âen. Remigrant (teragkeerende in 't vaderland), | m. en v. âen.
RfkiiiiiiiKlt;*eiitilt;' (herinnering, heugenis), v.
â ties, âtiön. Jan heeft eenige -tien van de j dagen, toen hij monopolist was. (Potg.)
RfiniMc (zending, overmaking, bijzonder van geld, waren, wissels, enz.; uitstel, nalating',
inzet in somm ige spelen; ven schuur, b.-waarplaats, bijzonder voor tuagens, en/..;
wagen- of koetshui*), v. â s.
Rlt;'missi«' (terugzending', vrijstelling, kwijtschelding, van betasting, straf, en/..), v. â siën. Remitteeren (terug- of overzer-.den, geld of wissels overmaken; iets van een vordering laten vallen).
Remittent (over zender, over maker), m. âen. Remmen (een der wielen van een wagen
vastzetten, zoodat het sleept), ik heb geremd;
â ki'ttin;?. m.; âmer (persoon), m. âs;
â toestel, m. en o.: de âe broederschap. Remonstrant (volgeling van Arminias),
m. en; âsell, bn.: de âe broederschap. Remonstratie, Remonstrant ie (tegenbetoog), v. â s, âtiön.
Renionstre«Kren (tegenvoorstellen doen, tegenwerpingen maken).
Remonte (aanvulling van paarden), v. gmv. Remonte-depót (plauts, waar de remonte-paarden worden bewaard), o. âdepóts. De paarden, jonger dan vijf jaar, tuurden in
â s be waant.
Remonte- of Remonteerpaariien (paar-den dom' het gouvernement aangekocht tot het voltallig maken der ruiterij), o. mv. Remonte; i'«~ii (in orde brengen, weder (am-vallen, de deelen vereenigen).
nontoir (horloge), o. âs.
iior4|ii(gt;lt;'rlt;'n (op sleeptouw nenien, boeg-n).
Remorq iieni* (sleepwagen, stoomslceper), m. âs.
Remotie (verwijdering, ontslag uit een an dit), v. â s, -tiön.
Reninveeren (wegbrengen, afzetten, verwijderen).
Renipia^ant (plaatsvervanger, vroeger in den krijgsdienst), m. âen; âv. t'w \'atel(kok) of zijne âe, d. i. de keu keumeid. Remplaeeeren (in iemands plaats treden, / gt; lau ts vlt; ;r vang et i).
tlvmiAswvmvui (plaatsvervampn' ), o. - en. Ren (snelle loop, galop), m. â nen. Ren, renne (kippenloop), v. rennen. Renaissanee ((vedergeboorte), \. Stijl ó bt in den trant der bouwkunst, die in de Uie eeuw heerscbende was; herboortestijl: een voorgevel in Nederlandsche â.
Renbaan, v. âbanen.
Renliode (koerier), m. â l»oden.
ReneontiM' (ontmoeting, ook: samentreffing, gevecht), v. â s.
Reneontrelt;'rlt;'n (bejegenen, ontmoeten, vinden).
Remlant (rekeninghouder, verantwoordelijk
kassier), m. -en.
Remleeren (opleveren, opbn ngen). Remlez-vons (afgesproken bijeenkomst), o. gmv. â geven, iem. ergens bescneiden; â huis, slecht buis, huis van ontucht.
Rendier (Noordsch hert), o. âen. RendifMrmos (mos der poolst. -eken), o. gmv. Renegaat (afvallige, geloofsvcrzaker), m. -gaten.
Rcnc^t (soort van winterappel), v. â ten. Ook: Hein et te.
Renforeeeren (versterken). Zich â. Rennen (zeer snel loopen), ik heb gerend;
â loop (galop), m.
Renoniniée (roem, vermaardheid, faam), v. gmv. Par â, bij name ol' geruchte. Renonee (ontzegging, vertooehoiing; de ontbrekende kleur in het kaartspel), v. gmv. Hij is mij een â, ik heb een afkeer van hem. Renoneeeren (afzien van, verzaken). Renonkel, v. â s. Zie: Raii.onkel. Renovatie (vernieu(ving), \. âtien, âties. Renoveeren (ver- ofhernieo wen, verbeteren). Renperk (renbaan), o. âperken; âprijs, m.; âzen; â splt;kK o.
Renseh, Rinseli, bn. Zie: Rijnscli.
RENSEIGNEMENT - RE(l)UI RKEREN.
|
(aamrijzinrj, inHclilinii), o. âen. âen over iets of iem. inwinnen. Reiitanilit {post van rentmeester, ook: het (jebied). o. â.ambten. i\e\\te \interes(), v. â n. Renten {rente opbrengen), het heeft gerent. Ik voel, dat mijn leven zal -. (De G^nestet.) Rentenier, m. -s. Rentenieren (van zijn rente leven), ik heb gerentenierd. Rentnieester, m. âmeesters. RentineeHterseliap {liet ambt van rentmeester), o. gmv. Rennneiatie {afstand, veriuerpinr/, b.v. van een erfenis), v. â s, â tiün. Reniinlt;*ieeren, Renoneeeren {weigeren, ontzeggen-, afstand doen). Renversaal {sch rif lelijke tegenbelofle), o. â salen. Ren verseeren {omkeeren, omverwerpen). Renvooi {verwijzing, b.v. naar een hlz. in een boe!:), o. âen; âletter,v.;âteeUen.v. Renvoyeeren (terugzenden, wegzenden', verwijzen). Reorganisatie {veranderde, verbeterde inrichting), v. âties, â tiën. Rep. m. enkel gebruikelijk in de bijw. uitdrukking: in rep en roer, «i.i. in verwarring. Reparatie {herstelling), v. âties, âtiün. Repareeren {verbeteren, herstellen). Repartitie {verdeeling), v. âties, â tii;n. Repasseeren {weder voorbij- of teruggaan', een rekening nogmaals doorloopen; een uurwerk regelen, d. i. een- of tweemaal 24 aren laten gaan otn te zien of het goed loopt). Repel {vlaskam), in. â s. Repelen {vlas beuken of schillen), ik lieb gerepeld; âaar {persoon), m. Repertoire {register, lijst van stukken), o. â s. Zie: Repertorium. Repertorium {zaakregister, verzamelboek; lijst van de stukken die in den schouwburg zullen vertoond worden), o. â ria, â riën. Repeteeren {herhalen, herzeggen). Repetent {herhaler, wederkeerend cijfer eener âbreuk), o. âen. Repetitie {het 'haling', slaand horloge), v. â tiën, âties. Repetitiejfeselnit {revoluergeschut). o. gmv. Repetitor {het 'haler, leermeester bij een hoogeschool), m. â s. Replieeeren {antwoorden, iets wederleggen, tegen inbrengen). Replieeren (wijken, terugdeinzen, b.v. van een legerbende). Repliek (tegenantivoord, wederlegging, tegen-schrift), v. âen. Repoiifit^eren {antivoorden', borg zijn of blijven). Reporter {berichtgever van een krant), m. â s. Repos (rust), o. gmv. Reposeeren {rusten, ergens op rekenen), Repoussant {terugstootend), bn. Repoiisselt;'ren {terugdrijven, terugstooteti). Reppen (spoeden), ik heb gerept; â lt;wer of van iets, er over spreken; zich â. Represaille (eigen rerhtverseha/fing; wedervergelding, weerwraak)^ v. â s. Representasit {vertegenwoordiger van het volk), m. âen. Representatie {vertegenwoordiging; opvoering van een tooneelstuk), v. âties, âtiën. |
Representeeren (vertegenwoordigen. de plaats bekleeden; onder de aandacht brengen, bet oog en). Repressie (onderdrukking, stremming, beteugeling), v. â sies, â siën. Repressief' (belemmerend), bn.; âve maatregelen. Reprimande (bestraffing, terechtwijzing), v. â s. Reprimandeeren (berispen, bestraffen). Reprimeeren (onderdrukken, beteugelen, verhinderen). Reprise (her- of terugneming^ herovering van een schip; muz. herhaling van het hoofdgedeelte eener aria, enz.), v. â s. Keprobatie (verwerping, wraking, afkeuring), v. â s, âtiën. Reprobeerâ¬Â»n (niet goedkeuren, verwerpen ). Keproehabel (berispenswaa rd, best raffel ijk), Reproche (verwijt, berisping), v. â s. [In . Kf'proeheeren (verwijten, ten laste leggen). Keprortueeeren (weder te voorschijn brengen; tegenbewijs voeren). Keprodnetic» (hernieuwing, weder voor tb re n-ging), v. â s, -tien. Repro«li!Ctief(/ilt;?rste//egt;id). bn.; â ieve kracht. Reprouveeren (verwerpen, afkeuren). Keptiliën (kruipende dieren), o. mv. Schildpadden, hagedissen en slangen zijn â. Republiek (gemeenebest; staat, waar het oppergezag niet in handen is van een erfelijk verst, maar bij een gekozen president, een directorium enz. berust), v. âen. ICepublikein (gemeenebestgezinde; gt;'rijheitls-vnend), m. âen. Kepublikeinseh (gemeenebestgezind), bn. Kepublikeinsebe kaleufler (die uit de dagen der groote revolutie), m. De â begon in 1702 op 22 Sept.; de â duurde tot 1 Jan. i806; de â telde 12 maanden van 3 decaden of 3 X 10 dagen; de maanden heetten; 1°. Vendêmiaire, Brumaire, Frimaire; 2J. Nivose, Ventose, Pluviose; 3'). Germinal, Floreal, Prairial; 4°. Messidor, Thermidor, Fructidor, d. i. herfstmaanden, wintermaanden, lente-maanden, zomermaanden. Zie aldaar. Itepiidiatie {verstooting, ook echtscheiding), v. â s, tiën. Kepudieeren (verwerpen, verstoot en; wegzenden). Repugnant (hinderlijk, stuitend, walgelijk), bn. Rvintffnerrvn (tegenstreven, tegenstand doen; i val gen). Repulseeren (terugstooten of -drijven, afwijzen). Kepulsi!quot; (terugstooting, afwijzing), v. â s, â tiën. Repulsie!' (terugstootend), bn.; âve kracht. Ite|gt;utatick (achting, eer, goede naam, aanzien), v. gmv. Kequest (verzoek- of smeekschrift), o. âen. Ook: Rekest. Kequestrant (inzender van een request), m. -en. Relt;|uestreeren(eegt;i verzoekschrift indienen\ llelt;iuiëm (H. K. zielmis voor een overledene; de muziek daarbij), o. âs. Kequieseat in paee (hij of zij ruste in vrede!). Zie R. I. P. Relt;|uireeren (vorderen, eischen, verzoeken van rechts- of ambtswege, iets begeeren of navorschen). |
koknen , Verkl. Ifandwdb. d. Nederl. taal.
24
H K(.) IJ 1 n E NT â 1 i ETO UC H K K R KN.
|
Ãlviiuiwut(onderzoeker,navorscher), rn. âen. (rereischfe, einenschnp. noodzake-lijkheid; '/'⢠kleinere voorwerpen bij een loo-neelvoorslelUna benoodiyd), o. âen. K^qniKil^iir (die voor de tooneelhenoodigd-heden zorgt), m. â s, âen; vr. âtrice. â s. (opvorderimi, eisch), v. âties, tiën; â van levensmiddelen in den oorUxj. ItvqniKiloir (het besluit of de eisch ran het openbaar ministerie in een geding), o. âen. lt«'M*ontro (afrekening, vereffeningl).v. in den ellectenhandel), v. âs. (afrekenen, vereffenen). Kescript (antwoord, schriftelijk bescheid), o. âen. KoM'i'iptie (schriftelijke last tot inning of aitbetating eener geldsom), v. âties, âtiën. Kespctic (geneesk. het kunstmatig iregnemen van beenderen bij bederf, enz.), v. gmv. Kcscda (zeker welriekend bloempje), v. â quot;s. K»'slt;'rvaal (voorbehoad), o. -vaten. Keservati^ iiK'iilalis (stilzwijgend roorbe-houd), v. gmv. Reserve (voorbehoud), v. â s; corps de achterhoede; in â, in voorraad, ter zijde; sans â, zonder uitzondering. Reserveeren (voorbehouden, bedingen-, in voorraad houden). IteNervefondK (kas to't dekking ran onvoorziene uitgaven; spaarkas), o. âfondsen. Reserve-ltader (mil. nieuwe afdeeling voor tot dingen, die onder voordeelige voorwaarden dienen), o. gmv. Reservoir {vergaarbak, waterbak), o. â s. Resi4llt;klt;'reii (verblijven, wonen). Resilient (zaakverirouwde in vreemde hoofdsteden; hoofd eener residentie in O. /.), m. âen. Resilient ie (de zetel, hofplaats, ook afdeeling, provincie in O. Æ.), v. âtiën, âties. Resignatie (afstanddoening: ontslag-indie-ning; onderwerping, gelatenheid), v. gmv. Resi^neeren (ontzeggen, bedanken, afstand doen); zich â. zich onderwerpen, zich lijdelijk in iets schikken. Resiliatie (ophelfing, tenietdoening), v. gmv. Resilieeren (teragtreilen. o/)helfen). Resisteerlt;'n (weerstaan, tegenstand bieden). Resistentie (tegenstand, verzet), v. gmv. ICesolntie (besluit), v. âtiën, âties. Resoluut {vastberaden, moedig, ook: gul. openhartig), bn. Resolveeren (oplossen, verdeelen; zich bepalen, besluiten). Resonans (weergalming), v. gmv.; âbodem, klankbodem eener piano. Resonant (naklinkend, weerklinkend), bn. KeHonnntii,i(weerga lm, naklank), v. â s, â tiën. Rlt;'sonlt;'erlt;kn (terugkaatsen, weergalmen). Resorptie (opslorping van vochten), v. gmv. Respi'et (eerbied, ontzag, achting), o. gmv. Respeetabel (achtenstvaardig), bn. en hw. Respeetabiliteit (achtenswaardigheid), v. gmv. Respeeteer«'iâ (achten, eeren; ontzien, ver-schoonen). Respectief(wederkeerig, wederzijflsch),\m. De â ve namen; tie âve betrekkingen, i\e hetrek-kingen die iemand afzonderlijk bekleedt; de â ieve aangezichten der â ieve schoenenjoden; mijn â ieve meesters. (C. O.), d.i. opeenvolgende. Respeetievelijk. bw. A. Ji. en C. deelen een som qelds â in verhouding van 2: 3: 5, d. i. A. krijgt V.« B. :Vio en C. |
Respijt (u its tel), â¢Â». â lt;lagen, ook liespect-dagen: uitsteldagen (bij een wissel) van betaling, vero. Respiratie (ademhaling), v. âs, âtiën. Itespiratie-toestel (ademhalingstoestel), lt;gt;. en m. âtoestellen. Respirator (toestel om in te ademen lucht te zuiveren of op gelijke warmte te houden), m. â s. De â is voor steenhou wers van belan t. Respireeren (ademhalen, lucht scheppen). Respondeeren. Repondeeren (antwoorden, beantwoorden; instaan voor). ResponsaUle (verantwoordelijk), bn. Responsnin (schriftelijk antwoord, bescheid), o. responsa. Ressenteeren (levendig gevoelen of door iets geroerd worden; deelen in iets). Ressort {veer, drijfveer, veerkracht, vermogen; ook: vak, gebied, bestuur, werkkring, grondgebied), o. gmv. Ressorteeren (behooren onder, tot, b.v. onder eenig rechtsgebied). Ressonree (hulpttron, toevlucht, redmiddel; plaats van ontspanning), v. â s. Rest (overschot, achterstand), v. âen. Restant (overschot), o. âen. Restaurant (gaarkeuken, spijshuis), o. âen. Ook: Restauratie. Restaurateur (hersteller; gaarkok), m. â s. Restauratie (herstelling; de herstelde Itour-bons-regeering na den val van Napoleon I), v. â s, âtiën. Restaureeren (herstellen: verfrisschen, verkwikken). Resteeren (overig blijven, nog schuldig blijven). Resten (overblijven), het is gerest. Restitneeren (teruggeven, vergoeden). Restitutie (teruggave, vergoeding), v. â tiën, â ties. Restrictie (bc 'perking, voorbehoud), \. âtiën, â ties. Restrietief' (beperkend, bepalend), bn. Restrin$?eeren (beperken, begrenzen, sa- met U) 'ekken, verkorten). lHvsiiïtiMXt (uit komst,gevolg,hesluit),(i. â \xi{.c\\. Resultante (vervangende kracht), v. â n. Result eeren (volgen, voortspruiten, voortvloeien ). Resumé (korte opsomming,beknopt overzicht, samenvatting), o. â quot;s. Resaineeren (iets kort verhalen, ontvallen, nalezen en goedkeuren). Resiinitie (hortesamenvatting), v. âs, â tiën. Resnrreetie (opstanding der dooden), v. gmv. Resiisc^tei^ri'ii (optrekken, verniettteen). Rlt;ktal»lisseeren (herstellen, weder oprichten). Retard (vertraging), o.; en â, ten achter, te laat. Retardâ¬Â»eren (vertragen, ophouden). Reteniet (voorwereldlijke gele aardhars), o. gmv. Retieiile (werkzakje voor dames), v. â s; drie dames met lange âs. (C. O.) Ook: Ridieiile. Retina (netvlies van het oog), v. â 's. Hetivm\e (bestekatner aan ee t station), v. âs. Retireeren (terugtrekken, vluchten); zich â, zich ter rust begeven. Retorsie (wedervergelding, tegen werping, represaille), v. gmv. Retort (kolfglas, kromhals helm), v. âen. Retouelie {verbetering, opwerking), v. â s. Retonelieeren (verhelper, opwerken); een oud schilderij â ; een photographic â. |
RF/rOUR ârïFATIK.
|
Klt;ktoiir (tenifjrrorht, Wruyladimi), v. âen. lt«ktoiir (terifjiket'}'), o, en v. gmv. Kefonrbiljlt;ki[ (plnatskaarljc voor ih' tcrnii-reis), o. âten; â slt;* hip. â vloâ¬Â»t (die der O. i. Compctfjnie), o. Ketoiiriiwrfii {trrugkceren, ternmirrm, ir-ruuzenden). â extractooron (herroepen, zijn woord in-I rekken). Retraite (terugtocht, aftocht', dn (jen ran af-zonderinn, eenz(tamheid-, rust), v. â s. Hiktraiilt;'lilt;gt;er(kii (afsnijden, afzonderen, verschansen). itotraiiclK'moiit (verschansing, veldschans, legerschans), o. âen. Ketribuwren {betoonen, vergelden, teruggeven). Kctributilt;k (teruggave, vergoeding), v. âs, â tiën. Kotro (voor sommige woorden geplaatst beduidt: terug, rugwaarts), bw. âactie, cl. i. terugwerking; âageeren, d. i. terugdoen gaan: âgradeeren, achteruitgaan; âgrade, kreeftdicht der rederijkers. (terugblik, herinnering), v. â s, âtiën. Hotrospevtief (terugblikkend), bn.; âve beschouwingen. (verbastering van het F ranse he rhétoricien: rederijker), m. âen. Keu (mannetjeshond), m. âen. It enk, m. âen. De honden hebben een fijnen â i zij gaan op den â af; die man staat in een slechten â, d. i. heelt een slechten naam ; h j overleed in een â van heiligheid, hij stond als deugdzaam hoog in eere; er is een âje aan dat vleesch, het is reeds eenigermate bedorven; de jonkman had den â van de verf weg, hij wilde schilder worden; de honden hadden den â van het hert. d. i. de lucht; houdt gij van â? d. i. reukwater. ItciikclooM (zonder reuk), bn. Goed water is â. Kciik^raH (welriekende grassoort), o. gmv. Keuiiie (wedereereeniging; gezellige vrien-denherzameling), v. ânieën, ânies. Keus. m. reuzen. De eik is een â onder de planten^ de olifant onder de dieren. IteiiKai'litiK* (zeer groot), bn.; een â woud; â Iieid. v. ICciiKNcercii (gelukken, goed uitvallen). Keils*»ite (het slagen, gewenschte uitkomst), v. gmv. Koutc. Itootc (weekplaats voor vlas en hennep), v. â n. Zie: Reete. Reutel ireuteling, b.v. van een stervende), m. gmv. Reutel (reutelaar, reutelaarster), in. en v. â s. Reutelen (rochelen als een stervende, lig. onsamenhangend babbelen, prevelen), ik heb gereuteld; âaar (grompot), m.; â iug^ v. Reuter (zeef), m. â s. Reuzel (reuzelkoek), m. âs; (vetstof, b.v. van een varken), v. gmv. Reuzeuarbeiil (wondergroot werk), m. gmv.; â beeld (kolossus), o. âen; â bloâ¬*ui (zie lialflesia), v.âen; â geiteiiiiielker(r/roofe nachtzwaluw in X. Amerika); âbaai (de (grootste van alle visschen), m. âen; â lia-^-eiliM (krokedilvormig dier der voorwereld), v. âsen; âkever (vliegende eenhoorntorn in Z. Amerika), m. â s; â kraebt (buitengewone kracht), v. âen; âluiaaril (coor-wereldlijk gordeldier), m. âs; âolil'aut ! (mammouth der voorwereld), m. âen; â plan (grootsch ontwerp), o. ânen; ârog (hoornrog), m. âgen; â selielp (weekdier op .Java). v. âen; -^lan^- (boa constrictor), v. âen; -strijd, m.; -werk (moeielijke arbeid), o. âen. |
Renxensalaniander (watersalamander ter lengte van ^/4 M., in Japan), m. â s. itciixcnscliclp (dikke geribde schelp, soms Ji/i M. lang), v. âen. De â wordt gevonden in de Indische Zee. Reiizen*cliild|»ad (zeeschildpad, welke het schoonste schildpad oplevert), v. -wadden. Ook: liaretKehildpad. Reiixenslan^ (groote slang in de tropische gewesten), v. âen. De gewone â hee' boa constrictor, meer dan :i M. lang. Reiixenstai». m. âstappen; â volk, 0.âen, â eren; -uier (zeer lang wier in onze Zuiderzee), o.; âzuil. v. -en. Revaerinatie (herhaalde inenting), v. â s, â tiën. Revalenta arabiea (versterkendmiddel uil meel van boonen en erwten bereid), v. gmv. Rcvanebe (genoegdoening; tweede spel. na het eerste verloren te hebben', wederwraak), Revanebeeren (vergelden, wreken). Reveille (wektrom, signaal), v. â s. Revelatie (openbaring, ontdekking), v. âtiën, â ties. Rcveleeren (onthullen, ontdekken, verkondigen, openbaren). Reveleu (zottepraat uitslaan, zeuren, leuteren), ik heb gereveld; âaar (suffer) m.; -ing: (sutferij), v. Reven (scheepsw. de zeilen kleiner maken, inbinden), ik heb gereefd. Revenu (inkomst, rente), 0. âen. Reverbère (hol geslepen spiegel, welke het licht terugwerpt; lichtweerkaatsende lamp; praallicht, veelarmige straatlantaarn met reflectors), v. â s. Iteverentelijk (met eerbied), bw. Zij groeten â. vero. Reverentie (eerbied, ontzag, eerbetuiging) v. âtiën. âties. Revers (omslag; op munten; de keer-of ach-tegenbewijs; lig. tegenspoed), 0. gmv. Revideeren (herzien; doorzien, nazien). Ilwiew (tijdschri ft, revue), v. â s. Lees; ri wjoe'. Revindieat ie ( terugvordering van eigendom), v. â s, âtiën. Revisie (herziening; tweede proefblad), v. â siën. âties. Revisor (onderzoeker, naziener van drukproeven), m. â s. Revoeeereu (herroepen, terugroepen, terugnemen.) Reviür (wederzien), 0.; au â, tot wederziens. Revoltant (ergerlijk, stuitend), bn. Revolteereu (in opstand geraken; met weerzin vervullen). Revolutie (omkeering; bijzonder de staatsomwenteling), v. âtiën, âties. Revoliitionnair (omwentel'mgsgezind), bn. Revolntionnair (om wen tel i ngsgez i nde), m. â en. Zie: Autirevolutionnair. Revolver (draaipistool; pistool met zes of meer lading kamers), v. â s. Revue (wapenschouwing, monstering), v. âs; de â laten passeeren, één voor één beschouwen in volgorde; â (titel van verschillende tijdschriften), v. â s. |
24*
RHAPSODEN - RUDER.
|
Kliai»Ho«loii {rondtrekkende volkszangers bij de oude Gneken). m. mv. Kliapsoclic. v. â ën. Ook: Kapsoflie. KliapsodiMcli (stuksgewijze, niet samenhangend ; saniengelapt of -gejlanst), bn. ItlK'tor (redenaar, leeraar der welsprekendheid), m. â s, âen. Kliotorica. Klu'toriok {redekunde), v. gin v. lUi^toriscli {redekunstig), bn.; een âe wending', de âe toon, d. i. de klemtoon, die aan een zin een bijbeteekenis geeft. Rli^umatiek (spierpijn), v. gmv. Klwiimatiseli (met zinkingen hehept), bn.; âe aandoeningen. Rlieuiiiatisine, o. gmv. Zie lllwiiniatiek. Rliinoceros (Ind. neushoorndier), m. âsen. Kliizoplioren (Ind. iOâ25 voet hooge boomen der kust), m. mv. Het O. einde van Cerarn is één â woud. RliOâ¬lolt;l«'iidriim(a//)em,oos,6m//,oos;, m. â s. Khoiiiboïde (langwerpige ruit, een parallellogram niet scheeve hoeken), v. â n. Itliytliniiek (leer der maatsoorten en vers-sneden), v. gmv. Kliytlimiüicli (versmatig, evenmatig), bn. Kliyttimns (klinkmaat in verzen), m. gmv. Ril», Ribbe, v. ribben; ribbetje, o. -s. Ribbeliiif? (een zoetachtige appel), m. âen. Ribben (den band van een boek van ribbingen voorzien)* ik heb geribd. Ribbenband (geribde boekband), m. âen. Ribbenkast (lichaam), v. âkasten, gmz. Ribbenku allen (een klasse van plant- of straal dieren), v. mv. Ribbezakken (kwellen, plagen) ik heb ge-ribbezakt. vero. Ricaneeren (hoonend lachen', uit domheid veel lachen). Ricliel (latje, strookje hout, spoorstaaf), v. â s. Riclitbaak. v. -baken. Richten, ik heb gericht; het woord tol iem. â, d.i. iem. toespreken; â ing'. v. Richter (Bijb. hoofdman in Israël), m. â s, â en. Richti^r (juist, naar behooren), bn. en bw. fs alles â ? in den haak, in orde. Richtlat, v. -ten; âliniaal, v. -linialen; -looit, o. âen; âsnoer (koogt;'d, touw bij *t metselen, lig. model, regel), o. âen. Ricinnsbóoni (Ind. wonderboom), m. -en; â olie (uit de zaden van den ricinus; erg laxee-rend. ook vjonderolie geheeten), v. gmv. Ricochetteeren (opstuiten, opspringen); ballen, kogels kunnen Ridder (vrijgeborene, waardigheid door dapperheid en deugd verworven)* in. â s; iem. tot â slaan, in de ridderschap opnemen; â eener orde. b.v. â van Malta; een dolend â , die op avontuur uitging; een â van de droevige figuur, die er haveloos uitzag of belachelijk was; Hg., thans lid der laagste klasse eener orde b.v. van den Ned. leeuw. Ridileren {tot ridder slaan), ik heb geridderd. Ridderlijk (lig. net, eerlijk), bn. en bw.; â heitl, v. Ridderorde (geestelijke of wereldlijke vereen iging in de Middeleeuwen), v. â n; fig. thans instelling ter onderscheiding van verdiensten. Ridderseliap (al de ridders van een land), v. âpen. Ridderschap (de tvaardigheid, de stand), o. Ridderslag (slag met het plat van een ontbloot zwaard), m. âslagen. De â verhief ren edelman tot ridder. |
Ridderspoor (zekere sierbloem), v. âsporen. Ridders van de Ronde tafel (dolende ridders van koning Arthur in Engeland, den heiligen Graal, d. i. avondmaalschotel van Christus opsporend), m. mv. Lancelot, Perci-val en Walewein zijn beroemde â. Ridean (voorhang; een kleine aarden wal, waardoor een leger gedekt wordt; een in haast opgeworpen verschansing), o. â's. Ridicule (belachelijk), bn. en bw. Ook Ri-tlicunl. Ridicule (reticule), v. â s. Ridicnliteit (belachelijkheid), v. âen. Riek (vork met drie tanden), v. âen. Rieken (reuk verspreiden), rook, geroken. Fig. Het riekt naar den mutsaard, d. i. naar ketterij. Riem (strookje leder, leer en band, roeispaan), m. âen. Spreekw. Uit eens anders leer is het goed âen snijden, verteringen op kosten van een ander vallen gemakkelijk te doen; men moet roeien met de âen, die men heeft* men moet zich behelpen met de gereedschappen enz., die men heeft; mei eigen âen roeien, op eigen krachten steunen; fig. iem. een â onder het har! steken, d. i. hem moed inspreken; â pje, o. â s. Riemer {roeier), m. â s. Riet (gewas, grassoort), o. âen; spaansch â; zegsw. alles in het â laten loopen, zijn zaken verwaarloozen; zich met een kluit je in '/ â laten sturen, d. i. zich laten afschepen, om den tuin leiden, bang zijn, net als de eenden voor een kluitje zand, wegschuilen. Rietgras (één halm, zegge, driekantig lisch), o. gmv. Rietgrassen (onderafdeeling der grassen), o. mv. Riethoen (watervogel), o. â ders; het kleine gevlekte â. Rietlijster (groote karkiet, rietzanger), v. â s. Rietpeer (kleine bruinachtige peer), v. -peren. Rietsuiker (suiker uit suikerriet verkregen), o. gmv. Rietvink (rietgors, graspieper, kleine karkiet), m. âvinken. Rietvoren, â voorn (kleine platvisch), m. -s. Rietvorsch (soort van kikvcrsch), m. â vor-schen. Rif (gei 'aamte; lange smalle zandbank, ook koraalbank), o. â fen. Rif (in een zeil), v. reven. Zie Reef. Rig-a-balsem, m. gmv. Rigide (streng, ruw, scherp), bn. Rigiditeit (gestrengheid), v. gmv. Ook: Rigueur. Rigorens. Rigoureus (ernstig, streng, onbarmhartig), bn. Rigorisme, âmus (te strenge zedenleer), o. gmv. Rigueur (strengheid, hardheid), v. â s; it la â, streng genomen. Rij (reeks, rang, gelid), v. âen; een â huizen* in de â loopen. Rijden (zich te paard enz. van de eene plaats naar de andere begeven), ik reed, heb en ben gereden; te paard â, fiets â, schaatsen â; lig. op de tong, â in opspraak zijn; het schip rijdt op zijn ankers, gaat op en neor met dén golfslag. Rijder (iemand die rijdt; ook een voormalig goudstuk van J4 gulden), m. â s; een zilveren â of dukaton. |
Hl.lF â KIN
KKLAAU.
|
Rijf (/ 'asp of hark), v. rijven. Kijfolen (dobbelen), ik heb gerijteul; -aar {dobbelaar), m. verc. Kijfollx'kor (dobbclbcker), m. â s; â boni. o. âen; âspel, o. âen; âtrechter, m. â trechters. KiJ^clraad. m. -draden; âlaars, v.âlaarzen; â iiaallt;l (paknaald), v. âen; âpen. v. ânen; âsnoer, o. âen; â veter, m.âs. Kijken, ik reeg, heb geregen. Fig. iem. aan den derf en â, hem doorsteken. Kijk {bemiddeld, aanzienlijk, vermogend), bn. en bw. Kijk (staat, gebied), o. âen; de drie rijken der natuur. Kijkaard {rijke, gierigaard), m. âs. Kijkdoni (schatten, vermogen', overvloed), m. âmen. Kijkdoni (rijke menschen), m. gmv.; de â ven er streek. Kijkelijk (overvloedig), bn. en bw.; â lieid. v. Kijkelni {rijke menschen), m. mv. gmz. Kijksalt;lel, m.; âadvocaat, m. âadvocaten; â archief, o.; âdaalder, m. âs; â -dag: (in Duitschland en Zweden de kamer van volksvertegenwoordiging), m. âen; â -kanselier (grootwaardigheidsbekleeder in het Duitsche rijk), m. â s, âen; âleen, o. â en; â niiiseiun. o. â s, musea, â museën. Kijksban (uitbanning), m.gmv.; in den â zijn. Rijkskweekschool, v. âscholen; â voor onderwijzers, â voor vroedvrouwen. Rijksnorinaalschool. v. â scholen; â voor tee kenleer aren. Rijksstenden (adel, geestelijkheid en volk), m. mv. Rijknnst, v.; â laars, v.âlaarzen; âmantel, m. â s; âpaard. o. âen; âschool, v. âscholen; âtoer (rit te paard), m. âen; â weg-, m. âen; âzweep, v. âen. Rijm (bevrozen dauw, rijp), m. gmv. Rijm (gelijkheid van eindklanken), o. âen. Rijmelen {verzen aaneenlijmen), ik heb gerijmeld; â aar (pruldichter), m.; âarij (ver-zensmederij), v. Rijmen (rijmpjes maken), ik heb gerijmd; â er, m.; â erij. v.; âkunst, v.; âlust, in. Rijmpje (versje), o. -s. Rijn {rivier), m. Rijnland (gewestoi bij of aan den Rijn ge-Jegen), o. gmv.; âer (bewoner van het Rijnland); â sch, bn.; een âsche roede, d. i. ! ruim 3.75 M.; een âsche voet, d. i. 0.313 M.; '.een âsche morgen, d. i. ruim 85 Are; âoever, m. âs; âprovinciën (Pruisische provinciën aan den Rijn), v. mv. Rijnsch (rensch, frisch-zuur, rinsch), bn.; â ewijn. Zie: Rijnwijn,Kinschen Rensch. Rijnvlot (kunstmatig samengesteld groot houtvlot op den Rijn), o. âvlotten. Rijnwijn (witte of goudgele wijnsoort uit het stroomgebied van den Rijn), m. â wijnen. Rijp (rijm, bevrozen dauw), m. gmv. Rijp {rups), v. âen. Rijp. bn. en bw.; ergens â over denken; na â beraad, d. i. na ernstige overweging. Rijpelijk (emsr/fif), bw.; ergens â over denken. Rijpen (rijp maken en rijp worden), het is en heeft gerijpt; de zou rijpt de vruchten; de vruchten â ; â ing. v. Rijpen (in lichten graad vriezen), het heeft gerijpt. Het rijpt, er valt rijp. |
Rijs (takje), o. rijzen. Jonge âjes kan men buigen, den wil van kinderen kan men nog beheerschen. Rijsbetdag: {bekleeding, beschoeiing der dijk-glooiing), o. gmv. Kijsbexem (bezem van dumv: berketukjes), m. âs. Itijsdam (een soort van dijkwerk; stroom-keering), m. â men. Rijselen (uitvallen), het heeft gerijseld. Ue haver, de rogge gaat â. Rijshout (taai hakhout), o.; een bos â. Rijst (O. /. graangewas), v. gmv. Op Java is â hoofd ihtedsel. Rijstebrij, v.; âmeel, o.; âmelk, v. Rijstpapier (een soort v. Chineesch papier), o.: een teekening op â. (C. O.). Rijst vogel (Indisch vogeltje van het geslacht der vinken), m. âvogels. Rijten (scheuren), het is en heeft gei eten; iem. de kleeren van 't lichaam â. Rijtuig, o. âen; â houden; â en paard houden. Rijven (harken, raspen), ik reef, heb gereven. Rijzen (hooger worden, stijgen, opkomen; in prijs klimmen), het rees. is gerezen, -ins, v. Rijzig: (slank), bn. en bw.; een âe gestalte, de âe populier, een âe toren. Rik, -erik, achtervoegsel, b.v. botterik, doo-verik, dommerik, d. i. in hooge mate. Ook: leeuwerik, ganzerik. Rikkekikken. Rikkikken (/teA schreeuwen der kikvorschen), hij heeft gerikkekikt of gerikkikt. Kikketikken (regelmatig likken), het heeft gerikketikt. Hoor dat horloge eens â! Ril (rilling), m. â len. Kr liep een â over mijn lijf. Rillen' (trillen, beven), ik heb gerild; â ing:. v. Rimpel (plooi, groef), m. â s. Rimpelen (rimpels krijgen of geven, ineen-drogen), het heeft en is gerimpeld; â ing:. v. Rimpelig (vol rimpels), bn. en bw. Het â loover gaal dorren; een â voorhoofd. Rimram (ijdele klap), m. gmv. Ik versta (geen woord van dien Rinde (eikenbast, run), v. gmv. Rinforxando (bij verkorting rf, muz. aansterk irK/), bw. Ring. rn. âen; een gouden â, een ijzeren â. Ringeldnit; Ringduif (wilde houtduif), \. â duiven. Ring:elen (Tig. temmen, bedwingen), ik hel) geringeld. Ringelmiisch (kleine boommusch), v. â mus-schen. Ook: Ringelmosch. Ringelooren (tig. kwellen, plagen; temmen, koeionneeren), ik heb geringeloord. Ringelrups (livreirups; de eitjes zitten als een ring om dunne takjes geschaard), v. â en. Ringfazant (vogel), m. âfazanten. Ringg'it (Ind. geldstuk, Spaanse he mat), v. â s. Ringlijster (ringmeerle), v. âlijsters. Ringrijden (ringsteken te paard), o. gmv. Ringslang: niet-vergiftige slang), v. âslangen. Ringstekt^n (volksspel), o. gmv. Ring vergadering {vergadering van predikanten van één ring of district), v. âen. Ring:wormen (weekdieren), m. mv. De bloedzuigers zijn â. Rinkel (speeltuig), m. â s. Rinkelaar (zeker vaartuig), m. â s. |
IMNKKUtKL âIJOKPKN.
|
ICiiiklt;'ll»el (speeltni;! voor kinderen), âlen. KinkelUom (tdmbaerijn), v. â bommen. Kiiiklt;kllt;kii (rammelen), ik hel» gerinkeld. De nlasscherven â; â v. Kiiiklt;'lrooilt;kii (piereiraaien), ik heb gerinkelrooid; â er (liehtviis), m. ICinkot {vahlenrtje in eenslnisdenr), o. â ten. Itiiikinkoii (klinken, b.v. van rannnelemle kettingen), de keten heeft gerinkinkt. Daar rinkinkte de leste, nl. tie putemmer. (J'otg.) Kinseli (frisch-zuur), bn.; â lieiri, v. Kioloc'iM'ii (van riolen voorzien); een straat â , een stad â; â ing1, v. Kiool (gemetselde vailnisfiang), o. riolen. Ki|»ostlt;'lt;'r«Kii (een tegenstoot toebrengen; een snel en afdoend antwoord geven). ICips (ribüetjesgoed, weefsel met ribbels), o. Ook: Hibs. nis (rij, reek s), v. âsen; een â bloem knappen. KisilM'l (belachelijk), bn. en b\v. KiNico (gevaarlijke kans. gevaar), o. gmv. op â van. ItisqiK'cren (wagen, op 't spel zetten ; in gevaar brengen of gevaar loopen). Kist. v. âen; een â uien, een â vinken. Kisten (aaneenrijgen), ik heb gerist. Kit (tocht, reis te paard, op schaatsen, enz.), in. âten. Kit (kikkerrit, -groen), o. gmv. Kitarciaiulo (muz. vertraging, langzame afneming van snelheid), o. Kite (voorgeschreven gebruik), v. â n. KitiiKMvstcr (kapitein der cavalerie), in. â s. KitoriK'llo (muz. herhaling van het thema), o. â's. Ook: drieregelig Italiaansch volksliedje. Ook : Ritornel, o. Kits (plots, op slag), tw. Hij scheurde het â vaneen! Kitselon (zacht, trillend, schuifelend bewegen), ik heb, het heeft geritseld. Dorre bladeren â ; zijden stoffen â ; â injr. v. Kitsen (boomen of raten niet een brandijzer merken), ik ritste, heb geritst. Kitsliont (timm. kruishout), o. âen; â ij-zfr {merk- of brandijzer), o. â s. Kitsi^- (heet, geil), bn.; â li«'i«i. v. Kitten {spelende draven), ik heb gerit. Kituaal (voorschrift van gebruilan bij eeni-gen eeredlenst), o. âalen. Kitncel (bij eenigen eeredienst gebruikelijk), bn.; de âe gebeden van den Islam; (alszelfst. n\v.), o.: het â van den episcopaten eeredienst. (Potg.) Kit iis (kerkgebruik, ceremonieel, plechtigheid), m.; volgens den Griekschen, den lioomschen â. Kival (mededinger, medeminnaar), m. â s. Kivaliseeren (wedijveren, meded'nigen). Kivaliteit (mededinging, wedijver), v. Kivicr (stroom, beek), v. âen. Kivi^ra (Italië, kust der Ligurische zee), v. Kivieraal. m. âalen; âbaars. m. âbaarzen: â lHMl«liii^-. v. âen; â ilijk. m. âen; â karper, m. âs; -krab. v. âben; --krlt;M'lt. m. âen; âiiioihI (uitmonding), m. âen; â mossel, v. â s; âotter. m. â s; â paard (nijlpaard), o. âen; â paling, m. .â en; âschip, o. âschepen; â sehikipad, v. âden; â vislt;*li, m. â visschen; â water, o. gmv.; â KStnd. o. grnv. Koaflster (sport, toermarhine, lichte fiets; lees: rood'-ster), v. âs.; een â safetg, d. i. een solide liets voor groote tochten. Koastbecf' (gebraden lap rundvleesch), o. â s. |
Rob (zeehond), m. âben. Kob (maag van groote visschen), v. ^ben. Kobbf^locs (wilde jongen), m. âdoezen. Kobbodoexen (druk stoeien, ravotten), ik heb gerobbedoesd. Kobboknol (dikke jongen, gulzigaard), m. â s, âlen. KoblM'iilinid (vel van een zeehond), v. â en; âjaelit. v. âen; -traan, v.; â vangst, v. Kobber (dubbele partij in het whisten), o. â s. KoblM'vel. o. robbenvellen. K4»b«' (tabbaard, toga, lange staatsiekleeding; japon), v. â s. Kobijn (roodfonkelende edelsteen), m. âen; (als stofnaam), o.; âkleur. v. Kobnnst (sterk, grof gespierd), bn. Koeaille (grot-, steen-, of schulpwerk), o. gmv. Koelie! (slijm, fluim), v. â s. Klt;»elilt;'len (spuwen, ook reutelen bij 7 sterven), ik heb gerocheld; âaar. m. Koeoco (bastaard-bouwstijl der JSe eeuw),\u. Ifioile (ontgonnen land), v. â n. Verg. Urede-rode, Nijenrode, enz. K(»ebel (Russisch muntstuk), m. âs.; een zilveren â, d. i. ± f 1.90; de pupieren d. i. ± f 0.50. Koetle, Kolt;' (stok; een dei' twee lange bal-leen, waar bij een molen de zeilen aan bevestigd zijn; lengtemaat), v. roeden. Gij zult de â niet sparen, d. i. straf moet er wezen; de â kussen, een harde straf in deemoed ondergaan; Ned. 10 M., een vierk. â = 1 A. Koef (scheepskaniertje), v. roeven. Toen zij den heer uit de â gewaar werd. (Potg.) Koeibank. v. âbanken. Koeiilol (opstaande pen om de riemen te houden), m. âdollen. Koellt;'n (met de riemen werken), ik heb geroeid. Spr. Men moet â met de riemen dir men heeft, men moet zich weten te behelpen: tegen den stroom is V kwaad â, het valt moeielijk tegen de meerlingen in te gaan; â â¬kr. m.; â iii$f. v. Koei«'r (u ijnpeiler), m. âs. Koeiriem (roeispaan), m. âriemen. Kolt;kk (een soort van raaf), m. âen. Koekdoos (vermetel), bn. en »w.; â lieid.v. Kot'kocken (gekir der da'nen), zij heeft gcroekoekt. Kolt;'iii (faam, lof, fer), m. gmv.; ergens â op dragen, zich verhellen up iets; in het kaartspel: Heeft niem. Kolt;kinen (prijzen, roem dragen op, zich verheffen op), ik hel) geroemd; â in iets; Bijb. in niets âde dan in het kruis van Christus; leer en â in de genade. (Koetsveld); â inde bekeering van een zondaar, (idem.); âer, m.; -ing, v. Koenier, Komcr (groot wijngids), m. â s. De heldere wijn moet schijnen in een door-lichtigen â. (Potg.) Kfieinrijk (met veel roem), bn.; een âlt;⢠overwinning. Koeinrneliti^' (vermaard, beroemd), bn. en bw.; een â held, âe daden; â heifl. v. Kolt;'nixiielit (begeerte naar roem), v. gmv. Koep (nieuws, tijding), m. I\r gaat een â van door het land, een algemeene lof; de â van den koekoek, het geroep, hot gezang; zij hebben den eersten, tweeden, derden â, a.s. echtgenooten, die van den krnsel worden afgeroepen als zijnde in ondertrouw. Koepen (een kreet slaken, schreeuwen), ik |
KOKI'KIJ-IJOMM KLIM )T.
|
riep, hol) geroepen. A' de venters â teyelijk; ik roep, en geen tnenscli hoort-, de nachtwacht riep brand] lig. (la nw vader â, verwittigen; de koekoek roept\ âvr (persoon), in. Kof'|»lt;'r (spreektronipet), m. âs. ItoopNtcni (inwendige stem), v.; de â van plicht, kracht en waardigheid. Koer (stuur van een schip), o. â on, â s. Wie I staat in die zaal: aar, het â, il. i. hoeft do ' leiding; het â in handen hebben, eon zaak besturen; het â van derf. staat, de regeering; aan het â komen, de regeering in handen krijgen. Koer (rieten pijp; ook een vuurroer), o. â en, â s. Kikt (beweging), m. gmv.; in rep e)i roer, in groote verwarring. Kocrdoini» (reigerachtigc watervogel), m. â dompon. De â heet ook butoor, domphoorn of reidomp. Klt;»lt;'roii (omroeren, fig. trefl'en), ik hel» geroerd: de groote trom â, lig. mot veel uphef bekend maken. Kot^reiMl. bn. en bw.; een â verhaat, d. i. treffend; hij sprak â. Koerend (vervoerbaar), bn.; verkoop van â e goederen. Koer^'an^'er (scheepst. man aan 't roer staande), m. âgangers. Koerijr (f/r/^A:), bn.; een âejongen', âlieid.v. Koc^rin^;' (beweging), v. âen. Koerki'iiid ^(samcngcstelabloemige plant), o. gmv. ItoerlooK (onbeweeglijk), bn.; â lieid. v. Kolt;kroni {meelspijs, mengelmoes), v. â men, âs. Koerpen, Koerpin (slok om het roer te bewegen), v. â nen. Koers«'1 (beweging), o. âen, â s.; de âen tics harten, de ingevingen, aandrift. KoerNpaan (roerstok), v. âspanen. KoerNtel {toestel aan hel roer), o. âstellen. Koertalie (scheepsw. roerketting), v. â s. Koervink (lokeiok; ook lig. oproerstoker, belhamel), m. â vinken. Koes (lichte bedwelming), m. âzen. Koest (het. roesten), m. gmv. Koest {uitslag op metalen), o. gmv.; oud rommelzoo. Koest (woekerzwam), o. gmv. Koest (stok, waarop de hoenders zit ten), v. -en. Koesteii (met roest bedekt worden), hot is geroest; â in;?, v. ItoestiK (met roest, bedekt), bn.; âlieid, v. Koet (schojrsteenzwart), o. gmv. Koetmop (neger), m. â mojipen. gin/.. Koc^zeiiioeKeii (getier, levendige drukte nut-ken), ik heb geroezemoesd. Ãnder zulk â zou Ilelzebub zelf overduivetd de plaat poetsen. (Klikspaan). Koezemoe%i$f (wild, onstuimig), bn. Koexen, ik heb geroesd. Wij zulten maar â, d. i. bij den verkoop alles dooreenslaan. Koflel (schaaf om het ruigste der planken weg te nemen), m. â s.; er met lt;len â over heen toopen, haastig afwerken. Koflel (zekere trommelslag, ook berisping), m. âs.; door den â gaan, door de spitsroeden gaan; een â krijgen, er van langs krijgen. Koflelen (het ruwe wegschaven; lig. slordig werken. Knoeien), ik hel» gorolleld. Koflelen (det rom roeren wet bepaalden slag), ik hel» gerolfeld; ient. â, hem door de spits- , roeden laten gaan. |
Kofleli$£- {ruw, slordig), bn. en bw. Koffeltnit (een slordig werkende vrouw), v. âtuiten. Kofl'elwerk (knoeiwerk), o. gm '. Kofliaan (bordeelhouder), m. âanen. IC 0}ï( Kraakbeen visch ), m. â gen;âft'e n va n^'sf. v. gmv.; â jrevel, o. -Ion. Ko^'^e. Itos* (graansoort), v. gmv.; -Hrooil. o.; âzolder, m. Kok (/deedingstak), m. âkon. Kok (spinrokken), o. gmv. Ook: Kokken. Kokken (de bladscheeden of schubben van bolgewassen), m. mv. K4»kken (vlas op een spinrokken winden), ik hel) gerokt. Fig. veroorzaken. Kokkenen (op touw zetten, veroorzaKen), ik heb gerokkend. Kol, m. gmv. Ze zijn weer aan den â, d i. aan den zwier. Kol (cilinder; opgerold papier, plaat- of kaartwerk; die bladen waarop staat wat een acteur op het tooneel te zeggen heeft; naamlijst; monsterrol), v. â len. Kolandslied (middel ecu wseh episch gedicht uit den KaroHngschen sagenkring), o. gmv. Kolklaver (vlindebloemige plant), v. gmv. L)e steenklaver is een soort van âKlaver. Kollaa;;' (rij op kant staande metselstcencn), v. âlagen. Kolleeren (tooneel: de rollen verdeden); â in$r, v. Kollen (wentelen, draaien), ik heb en ben gerold; âer, m.; â inji*. v. Klt;»llen (stelen, ontfutselen), ik heb gerold. Kollende (rollade, opgerold stuk vleesch ),v.-n. Kollen^' (leng of stokvisch in rollen), v. -en. Koller (scheepst. zware golf), m. â s. Kolpaard (scheepsw. affuit), o. âpaarden. Kolpens (vleeschspijs), v. âpensen. K4»lrlt;»iilt;i (rond als een rol), bn.: een â zuil. Kolsteen (steenen ro/), m. â steenen. Melden â breekt men de kluiten. Kolstoel (stoel op rollen), m. âstoelen. I{lt;»lvast (tooneel: zijn rol goed kennende), lm. Kolua^'en {wagentje op lage wielen), o. âs. Koniaanseli. bn.; de âe talen, d. i. van do l\o-meinsche taal afstammende: de âe volken, d. i. Italianen. Spanjaarden, enz.; de âe stijl. Konian (eerdicht verhaal), m. â s. Konianee (gedicht of zangstukje), v. â n, â s. Amelie zong vei'scheidene Uuilsche âs. (C. O.) Konianen {blank ras van Z. W. Europa), m. mv. Koinanesk (onwaarschijnlijk; avontuurlijk; overdreven), bn.; een â geval. (C. O.); onze half âe begraafplaatsen. (C.0.) Koniantiek (in letterkunde en kunst: ile smaak der middeleeuwen, de herleving daarvan in 't begin van lt;le JUe eeuw), v. gmv. Koinantiseli (diehterlijk, schoon), bn.; een â verhaal; een â dal. Komein (burger van Itomc), m. âen. Komein (drukkerij: staande tettertgpe),o.gm\. K4»nilt;kinsc*li (van, uit,over Home), l)n.; deâe geschiedenis; de âe taal, d. i. het Latijn; âe manten; het âe recht. Koiner. m. â s. Zie Koenier (wijnglas). Komniel (rommelzoo), m. â s. Komnielen. ik heb gerommeld, he donder ronnnelt. d. i. gromt: wat tig je in die oude papieren te â, overhoop halen; â arij, v. Komnielkrnid {gemengde kruiderij), o.gmv. Kiiinnielpot. m. â potten. Ook : Foekep*»!. |
HOM MELZOO - ROOM KN.
|
Koiiiiik'Ikoo, âzooi, v. âzooien; âzootje, O. â s. K«mi|gt;, m. âen; de â van een mcnsch, van een kleed, van een gebouw. Konipcli^' (hobbelifi, oneffen), bn. KompNloiiip (uj ar boel), m. gmv. Kond, bn. en bw.; een â getal, een âe som, een â jaar, de âe waarheid. KoikI {ronde figuur, cirkel), o. âen. Rond, bw. Zie: Rondbazuinen, enz.: in één woord te schrijven. Rondas {ovaalvormig schild, Fr. rondarhe), v. âsen. Krakende âsen. (Bild.) RoiKlImzninon, ik heb â gebazuind.; nieuiv-tjes, berichten â, d. i. met groot gebluf wereldkundig maken. Rondborstig (openhartig), bn. en bw.; â -heid, v. Rondbrcn^rn (bezorgen, b.v. kranten), ik bracht â, heb âgebracht. Rondbrieven {per brief alom bekend maken), ik heb â gebriefd. Ronddeelen {uitdeden), ik heb âgedeeld. Ronde {omgang), v. â n, â s. De officier der wacht deed de â. Rondean {klinkdicht uit 13 versregels van 10 lettergrepen), o. â's. Ook: Rondeel. Rondedans {dans hand aan hand), m. â en. Rondeel {rond voorwerp, rond, buitenwerk aan een wal, ronde sterke toren', dichtstukje ran een bepaalden vorm), o. âen. Ronden {rond maken, afronden), ik heb gerond. Ron^aan {ergens om heen gaan), ik ging â, ben âgegaan. Rondgaand, bn.; een âgaande brief, d.i. een circulaire. Rondlieid {het rond zijn, fig. oprechtheid), v. gmv.; de â der aarde] de â van iemands karakter. Ronding, v. âen.; ergens meer â aangeven, d. i. meer rondheid. Rondje, o. â s; nog een â spelen, d.i. ieder krijgt nog één beurt; een â geven, ieder een glaasje geven. Ronflkomen, ik kwam â, ben âgekomen; met zijn traktement moeten â. alles er van moeten betalen. Rondkop {spijkertje), m. âkoppen. Rondloopen, ik liep â, heb en ben â ge-loopen ; â looper, m. Rondom, bw. en vz. Loop â, d. i. naar de maan; vz.; de kinderen zaten â de tafel, er om heen. Ronds {rad van een drukpers), v. âen. Rondsel (in een u urwerk een kléin rad), o. â s. Rondte {het ronde, kring), v. â n. Ga nu allen in de â zitten. Rondvoeren, ik hel) âgevoerd. Onze gids heeft ons in die grol rondgevoerd, d. i. overal heen doen gaan. Rondvraag:, v. gmv.; iets in â brengen, b.v. een voorstel, nl. aan alle leden één voor één vragen, hoe zij er over denken. Zie: Om-vraag:. Rondwaren (//te een spook; rondzwerven), ik heb âgewaaid. De nachtwacht waarde rund. Ron$fg:ing- (Ind. dansmeisje of danseres), v. -s. Ronken {luidsnorken), ik heb geronkt; -er.m. Ronselaar {soldo ten werver, sciuwheraar), m. â s. Ronselen {ruilen), ik heb geronseld; -ing*, v. Köntsen-sïri*ïm{dotdgt;cre slra lcn,.i'-st ra Irn. |
tvelke nl. door vaste lichamen worden doorgelaten), m. mv. De â zijn aldus genoemd naar W. /Æ. Itöntgen, professor te Wiïrzburg. Ronzebons {draagbare poppenkast), v. â -bonzen. Rood, bn. en bw.; â lieid, v. Roodaarde (roodkrijt), v. gmv. Roodaarden {met roodaarde inwrijven), ik heb geroodaard. Roodbaard {persoon), m. âbaarden; â -borstje {vogeltje), o. âs; âbruin. bn. Roodbont {met rood doormengd)^ bn.; een â bonte koe. Roodekool {moesplant), v. âkooien. Roodgrond {roodvonk), o. gmv. Roodkop {tafeleend), m. en v. âkoppen. Roodkorst {Edam)iier kaasje), v. âen. ginz. Roodkrijt {vermenging van klei met roml-ijzeroker), o. gmv. Teekenen met â, schrijven met â; koper poetsen met â, d.i. met poeder van â. Roodnek {scheldnaam v. e. Eng. soldaat in Afrika), m. âneks, ânekken. Roodrok {Eng. soldaat met roode uniform), m. ârokken. Roodstaartje {zomervogel), o. â s; het ge-kraag de â, het zwarte â. Rood valk {torenvalk), m. âvalken. Rood von k {besm et tel ij ke huid ui tslag), o.gm v. Rood vos {paard), m. âvossen. Roodzijden {van roode zijde), bn.; een â zakdoek. Roof {diefstal, prooi, buit), m. gmv. Roof {korst eener wond), v. roven. Roofdier {verscheurend of vleeschetend dier), o. âdieren. Roofg-oed {iets, dat geroofd is), o. gmv. Roofnest {verblijf van roovers); o. ânesten. Roofridder (middeleeuw, ridder, die v. roof leefde), m. âridders. Roofschip {kaperschip), c. âschepen. Roofspelonk {roovcrshol), v. -spelonken. Roofvog-el {vleeschetende vogel), m. â vogels, âvogelen. De âvogels vormen de eerste orde der vogels\ gieren, valken en uilen zijn de drie familïèn der âvogels. Roofznebt, v. gmv.: â znt'litig:, bn. Rooi {het mikken, het aanleggen), v. gmv. Rooi, v. Zie Rooilijn. Rooien (in de lijn zetten), ik heb gerooid. Ik zal het alleen wel â, d.i. klaarspelen; âer, m.; â ing:, v. Rooien {uitdelven), ik hel ârooid; het â der aardappels, d. i. het uitgraven of uitdoen; -ing, v. Rooilijn {grenslijn, ivaar de gevels aan de straat gelegen, niet voorbij mogen uitsteken), v. gmv. Rooimeester {bouwopzichter), m. â s. Rook {damp opstijgend van brandende of smeulende stoffen), m. gmv. Fig. in â opgaan ; verdwijnen. Rook (hooistapcl), v. âen. Rooken {rook geren, tabak rooken), ik heb en het heeft gerookt; âer., m.; â â¬Â»rij. v. Rookerig: {vol rook, naar den rook smakende), bn.; â lieid. v. Rookscliorm {vuurscherm), o. âschermen. Rookspek {gerookt spek), o.; âtabak, v.; â â¢vleescli, o.; âworst. \.; âzolder,m. â s. Room {vet der melk), m. gmv. Roomen {ontdoen van den room), ik heb j geroomd; de melk â. |
UOOMSCll â KO/ICNOBKL.
377
|
K4hgt;iiislt;'Ii. bn.: â ^reziikl. bn. ItooniKclie, m. en v. â n. KoomK«*li^lt;'xiii4llt;'. in. en v. â gezinden. RooniKoli-Kullioliok, bn.; â lt;» (roomsehe), ra. en v. ân. Koopaard. o. âpaarden. Zie: Itolpaard. Kook {bloem), v. rozen. Spr. Geen rozen zonder doornen, silles heeft zijn tegen, zijn schaduwzijde; de lijd baart rozen, op den duur komt alles terecht; hij wandelt op rozen^ zijn leven is vol geluk; fig. slapen a Is eenâ. d.i. rustig, gezond; iets onder de â zeggen, vertellen, onder het zegel des geheims; dat zijn zaken, daar men nooit, over spreekt dan onder de (Koetsv.); â schieten, met den pijl het mikpunt treffen; hij schoot drie rozen achhr elkaar, met den handboog drie keer het mikpunt treffen; de oorlog der Witteen Hoodeâ, in Engeland de oorlog tusschen het huis van York en het huis van Lancaster (begin der 15e eeuw). Koos (zekere huidziekte), v. grav. Koosj|M'r (diamantslijper, die roosjes maakt), m. âslijpers. Koosklcurig* (fig. schoon, veelbelovend), bn.; een âe toekomst. Koostcn (braden op een roosier), ik heb geroost; â in ft', v. Kooster, ra. â s. Fig. de â van werkzaamheden, d. i. de daglijst. Koostlt;krlt;'n (roosten), ik heb geroosterd. Kooven (stelen), ik heb geroofd: â«'r, m.; â erij, v.; â ersliol, o. Kopij (O.l. zilveren ymint = ± f'0,20; goudmunt = ± f IS), v. âen. Koquoeroii (in liet schaakspel: een toren en den koning verplaatsen en naast elkaar zetten). Kos (strijdpaard), o. âsen. Kos (roodachtig), bn.; de rosse vlammen. Kosaclitift-, bn.; een âe baard; â lilt;'i«i. v. Kosbaar (draagzetel), v. âbaren. Kosbeior (in de legende het paard der vier Heemskinderen [Beijaard]; ook: een wild menseh), ra. âbeiers. Kosiiiaiit, ra. âen. Zie Koxiiianf. Koskam (paard en kaïn), ra. âkammen. Fig. snijdende beoordeeling, hekeling. Koskaiiiinoii (fig. gispen, doorhalen, hekelen), ik heb geroskamd; âkammor, m.; â kamiiiorij, v. Kosmarijn, Koxoniarijn (lipbloemige heester), m. gmv.; âolilt;', v.; -zalf, v. Kosmolon (door een paard of ros in beweging gehouden molen), ra. â s. Hij loopt in den hij is niet bij zijn verstand. Kossen (fig. iem. slaan), ik heb gerost. Kossift (roodachtig), bn.; â lieid, v. Kosttiiselier (paardenhandelaar), ra. â s. Kot (knaagdier), v. âten. Ook: Kat. Kot (menigte), o. âten; âten links, âten rechts, de manschappen moeten links- of rechtsuit in 't gelid marcheeren; de geweren aan âten zetten, d. i. in groepjes tegen elkaar. Kot (rottende), bn. en bw.; â li«'i«i. v. Kotan, Kot tan (Ind. rietpalm), ó. gmv.; een ladder van â gevlochU n. Kotatio (ronddraaiing, wenteling), v. -tiën, -s. Koten, ik heb geroot; hennep, vlas â, d.i. in het water losweeken, 10â12 dagen onder modder in put of sloot leggen om het een rottingsproces te doen ondergaan. (eendachtige vogel), v. âganzen. Ook: Aalscholver, Schollevaar, Scholver, |
Kot koorts (pest koorts), v. -koortsen. Kotondc (een gebouw dat van buiten en van binnen row! is; ook: langt ronde damesmantel), v. â n. â s. Ook: Hotunde. Kots (steenklomp, bergpunt), v. âen; -ach-tig, 1 m.: St. Helena is een â rilund; âbrok, m. â ken; -gevaarte, o. -n; â kloof, v. â kloven; âkristal (bergkristal), o. â len; â miiscli (bergmusch), â musschen; -spelonk, v. â en; âspleet, v.spieter; -steen, m. âen; -wilg1 (Japansche sneeuw wilg), ra. â en; âzont (bergzout), o. gmv. Kottan, o. Zie: Kotan. Kotten (satnenscholen), zij fiebben gerot. Klitten (tot bederf overgaan; ook te â leggen). het is en heeft gerot. Kottenkrnit. o. gmv. Zie: Kattenkrnid. Kotting' (Ind. riet, rietgewas), ra. grav. Zie: Kotan. Kottinft (rieten wandelstok), ra. âen. Kon^ (doordraaier, losbol, lichtmis), ra. â's. Konfte (rood), bn.: als zn. o. â et noir spelen, een kansspel (roulette) spelen meteen loopeud balletje, op roode en zwarte noramers. Konlade (rauz. toon.'oopcr, toonval), y. âs. Koiileeren (omloopen, loepen over iets: in omloop of gangbaar zijn van geld). Het gesprek rouleerde over de geldcrisis. Konlette (naam va)i zeker hazardspel), v. âs. Konte (richting, reis, tocht, marsch van soldaten), v. â s. Kontine (ervarenheid, oefening, vaardigheid, sleur, slender), v. gmv. Konw (droefheid, spijt, rouwkleedij), ra. grav.; lichte â, halve â, zware â. Konw, bn.: âeklanten, ruwe kerels. Zie: Kim. Konwift' (bedroefd, treurig), bn. Zij was Koim'klaft'en (treuren om iem. dood), ik heb gerouwklaagd. Konu ko4»p. m. gmv.; â geven, een geldsom betalen om een gedanen koop te vernietigen. Koven (de korst van de wond afnemen), ik heb geroofd. Ko.yaal (koninklijk, vorstelijk), bn. Hij deed â, d.i. niet karig; een royale vent, een nict-kleinzielig man. Ko.yalist (koningsgezinde), m. âen. Koyeeren (schrappen); iem. â als lidcener sociëteit. Ook: Kayeeren. Kozebla«i. âbladen, âbladeren, âblaren. K4»zebottâ¬'l (vruchtje der roos), v. âbottels. Kozeknop, ra. âknoppen. Kozelaar (rozeboom), ra. â s, âaren. Kozemarijn (heester uit Z. Europa), ra. Ook: Kosmarijn. Kozenbokje (boktor, schildvleugelig insect), o. â s. Het â leeft op wilgeboornen. Kozenbed (perk met rozen), lt;gt;. âbedden. Kozenfeest (landelijk feest, waarbij het deugdzaamste meisje een krans van rozen ontvangt), o. âfeesten. Kozeiiftaard (tuin metrozen), in. âgaarden. Kozeiiftenr, ra.; âjfenriff, bn. Kozenlioed (krans van rozen), ra. âhoeden. â hoedje (kleine paternoster), o. â s. Kozenlumt (welriekende houtsoort uit Brazilië en Siam), o. gmv. Kozenklenr, v. gmv.; âkleurig:, nn. Kozc^nkrans (R. K. snoer van bidkoralen, paternoster), ra. âkransen. Kozenobel (oude Kngelsche gouden munt), ra. â s. De âs zijn geslagen van 13'iSâ '11. De (vaarde van een â is ± f il. |
HOZKNOLIE âliUPSKLAVKIi.
|
KoKoiiolilt;k (dcthcrisch olie), v.; â vcdi Pcrzic. Koxvr4»oil. bn.; een â japonnetje. Kox«'st«'k, m. âstekken. Koxotgt; (roosuormiu sieraad; symtnelrinrhi', door een cirkel te omvatten fin uur), v. âten. Kozi;:-. bn.; de huid is daar ivat â, d. i. door roos ontstoken; â licid. v. Klt;»zijii ((jedroo!idedruif),v.âen. Ook: Kaxijn. KoKinaiit (het knokerifje paard ran bon Quichot; fig. slecht paard, knol), m. âen. Dc liott. sleeper haalt reeds in den rroegen mor-(jen zijn â van sr((l. (Jonatli.); als - rust, iverkt dc sleeper en omgekeerd. (Jonatli.) (in liet Hom. rijk: (jren*riuier), m.; den â overtrekken, een beslissenden stuji doen (Julius Cesar, 49 v. C.). (afdeelin'j, klasse, soort, opschrifi), v. âen. KiiclitUaar (hekend), lm.; â maken, algemeen bekend maken; â v. ICiKliiiK'iila {allereerste gronden 'â /quot; beginselen v.h. Latijn), v. mv. Ook: ICufliinciitoii. KiKlimontaii* (m ontwikkeling achterge-hleven), bn.; âe organen, ook: betrekking hebbende op de grondbeginselen. 'ineheid, onwetendheid, lompheid, onbeschaafdheid), v. gmv. Kug* (lichaamsdeel), m. âgen; de â vaneen hoek, van een mes, van een kleed, van een canape, en/..; de â van de hand, d. i. bet, bovenvlak ; den vijand den â toe keer en, d. i. op de vlucht slaan; iem. den â Keer en, hem minachting toonen; de fortuin heeft hemden â toegekeerd, niets wil hem meer gelukken; lt;lul e.xamen is alweer achter den â, d. i. voorbij; hij heeft een hreeden d. i. hij kan veel verdragen, lijden; zij vielen den vijand in den â, d. i. van achter vielen zij hem aan; hij zette zijn â op, hij werd boos; de jongen deed het achter mijn ter sluik, heimelijk; iem. den â smeren, d. i. afrossen; ik heh mijn oogen niet in den â staan, ir. ik zie scherp. Itng'grc^raat, v. âgraten. Kng,g,lt;'llt;'ii (aarzelen), ik heb en ben geruggeld. bw. Hij viel â van het paard, d. i. achterover. Kng'g-eliiig^icli. bn.; een âe sprong, d. i. een achterwaartsche sprong. It UK**4'quot;1 9 o. gmv. Kiig'g-eNpraak (heimelijk beraad), v. gmv. Hui (het ruien tier vogels), m. gmv. Ituitfig- (schurftig), bn.: â lieifl, v. Ruien (van vederen wisselen), de kanarie heeft geruid; âin;;, v.; â tijfl, m. Kuif' (schuin lal- of traliewerk), v. ruiven. Kiii^* (harig, wollig, ruw), bn. en bw.; â heid, v.; â 1«» (allerlei wild gewas), v. â n. Kuiken (geur opnemen), ik rook, heb geroken. Kuiker (bloemenbosje, bougaet), m. â s. Kuil (het ruilen, wisselen), m. -en. Kuilelniifcn (ruilhandel drijven in quot;t klein), ik heb geruilebuit: â Imiter, m. Kuilen (wisselen), ik heb geruild; âer. in.; â liami^'l, m.; â in^'- v. Kuini (wijd, breed, uitgestrekt), bn. en bw. â te, v. â n. Ituiin {binnenste lading ruimte van een schip), o. gmv. Kuinihaaii (raiintey x.^yww.; â muien, plaats maken. Kuimen. ik heb geruimd; uit den weg op zij zetten, lig. iem. dooden op heimelijke wijze. |
ItiiiniKeliootK (lig. in ruime mate), bw. Kninitc (wijdte, uitgebreidheid), v. â n. Kuin (paard, gesneden hengst), m. âen. It ui nlt;' (puinhoop, bouwval), v. â n, âs. Fig. ondergang. Knïneeren (in H verderf storten, te'gronde richten). ItuïneiiN (verderfelijk, te gronde richtend), bn. ItniK (visch, blei), m. âzen. ItuiMeiien, het heeft geruischt. De bladeren, de takken â in den wind, een zacht geluid maken; â in^'. v. ItuiKehpiJp (doedelzak), v. âpijpen. ItniKvoren, â \onrn(zoetwatervisch), m. â s. Itnit (vierzijdige fuguur; ook glasruit), v. â en. Kuif (schurft), v. gmv. Kuif (uitgetrokken of gewied onkruid), o. gmv. Itnifen (een der vier figuren op kannen), v. mv.; in de â spelen. Ituif en (ruiten snijden of maken in iets), ik heb geruit; papier â. Kuiten (planderen, rooven), ik heb geruit; â er, m. Kuitenaas (kaartspel), o. âazen; âboer, m. â en; âlieer, m. âen; â vrouw, v. âen. Kuiter (thans rijder, soldaat te paard), m. âs. Knitcrij {paardenvolk, cavalerie), v. âen. Kniferkriiid (waterkruid), o. gmv. Ook: Aai- stekels en Waterkaarrte. Kuitcrlijk. bn. en bw.; een â antivoord, d. i. rond; hij kwam er â voor uit, d. i. open, oprecht; â nan' iets vragen, zonder omwegen. Kuifersfandbeeld (in de gedaante v. e. ruiter te paard), o. âstandbeelden. Kuitersxalf', Kuifezalf' (zalf tegen de schurft), v. gmv. Knifing: (kling van een zwaard), v. âen. Knifing: (geklonterde melk), v. gmv. Knizelen (dicht, zacht ruischen), de wind ruizelt in de dorre blaren. Kuk (een haal, een trek), m. âken. Itukken (met geweld weghalen), ik heb gerukt; te veldeâ, ten oorlog trekken; â in^, v. Knl (hobbelig), bn. en bw.; â liieiil. v. Kul (driftige toeloop van volk; sterk vertier van sommige waren), v. â len. Er was een â in de tabak. Knlijs (hobbelig ijs), o. gmv. Itinn (geestrijke drank, uit suikerrietsap getrokken), v. gmv.; â metje (glaasje rum), o. â s. Kiiniineeren (herkauwen; lig. overpeinzen, nadenken). Kunioer (verward geraas, gejoel, gerucht), o. gmv. Kiiinoeren (geraas maken), ik heb gerumoerd. Kunioerig' (levendig, druk), bn.; â heid, v. Kun (fijngemalen eikenbast), v. gmv. Kund (hoorndier), o. âeren, âers; â vee. o. gmv.; â vleeseli, o. gmv. Kunderliarsf (runderhaas, filet), m. âen; â pest, v.; -stal. m. âlen; âworst, v.; -ziekte, v. Kiine (oude rechtlijnige letters gt;f teekens der tiermaansche priesters, gewoonlijk in steen Knneselirirf. o. gmv. [gesneden), v. -n. Kiiniseli (oudnoordsch), bn.; de âe po'ézie. Kunnen (loopen. vloeien), het. heeft gerund. Het paard van Marco houdt col te â. (Staring.) Kiinsel (stremsel), o. gmv. Kups (larve v. e. vlinder), v. âen. Kupsklaver (vlinderbloemige plant), v. gmv. Kr zijn zeven soorten van â in ons land. |
laiPTUlJK-S.H.I.
ik), | Kusten (stil zijn), ik heb geri.st. Hij is âd predikant, d. i. emeritus; de dooden â op het den kerkhof, den doodslaap slapen; rast wel! d. i. [ slaap wei.
Kiik(lt;gt;ii (gereedmaken), ik heb gerust. !)⢠nainnen ivaren ten strijd gerast, d.'i. gereed. ICnsliciteit (landelijkheid, boerse h! te id), v. gmv.
Knstick (landelijk, boerseh; plomp, onle-sehaafd), bn.
ICnsti^;' (stil, bedaard, gerust), bn. en bw.;
-lioifl, v.
Itnstiiig' (a'apenrusting), v. âen. ICiitKlt;*lil»aaii (kermisrermfudi), v. âbanen. Kuw (onefl'en, hobbelig), bn. en i)W.; â v. Ook: llonu.
ICnwaaiMl (tijdelijk bewindvoerder, regent, landvoogd, rijksbestuurder), in. -en, -s; â scliap. o.
ICnu iKiilt;'ilt;l (oneffenheid), v. âlieden. ICnzio (twist, krakeel, gekijf), v. â s.
Kiiptiinr (breuk., onceni'jhciil, vrrdebrn v. gmv.
Knraal {landelijk, vklrlijl,-; hrtfji'rn land bo air betreft), bn.; rarale gediehtea, veldzangen.
Kiim, m. âsen; â laiifl, (».; â siscli. bn.
KiikcIi (bies), in. âschen.
Kiik^ (listig, slaat), bn.
Ituslt'flcr, âleer (Mubcorisih leder, jarlil-leer), o. ginv.; âlt;»11 (van li us leer), bn.: een âen porteaamnaie.
ICiiNschon (eau rasrh toemaakt), bn.; een â zitting van ho a ten stoelen.
Kiissifiraf if (h t Itassiseh make a), v. gmv.
KiiKMiKch, bn.; tie âe taal. â zilver; alszn. o.
Itnsl (het rasten), v. gmv.
Klist (scheepsw. ouerstel,ende zijkant), v. â en.
Kiisllmiik. v. âbanken.
KiiMtelooH, bn. en bw. De zieke brarht den naeht â door, in onrust, zonder te rusten; hij irerkte â verder, d. i. zonder ophouden; â v.
|
S« v. â De negentiende letter van liet .dpliabct; zij beteekent als Komeinscl cijfer 70. s. â Sa lus, heil, welzijn. S. â Smal as, senaat. s. â afkorting v:ui Sereii-s. Se-i'tas. S. â Signum, teeken, merk, wonderteeken; signetur, het worde geteekend, en/.. S. â Solo (muz.), alleen. S. lt;.f St. â Sa net ns, saint, sint, heilige of heilig; bij aanduiding van muntspeciën beteekent St. stuiver. S. â Sine, dat is, te weten. S. of Si^-ii. â Signetar (uj» recepten): bel worde geteekend. S. - Stere of 1VR S.A.K. â Son A It esse Emi nen tissi me, zijne of hare doorluchtige hoogheid. Salv. oor. â Salvis eurialibus, liehoudens ile ambtelijke formaliteiten. Kalv. tit. â Salvo titulo, onverminderd dun titel. Sam. â I let boek Samuel, (bijbel). S.A.K. â Son Altesse I toga h', zijne of hare koninklijke hoogheid. «lt;â¢.. soil. â scilicet, namelijk, te weten. Sc. of Sculps. â Sealpsit, hij heeft het gegraveerd. Scr. â Scripsit, hij heeft het geschreven. S.ll. A. P. â Sociaal-democratische arbeiderspartij. S.IM*. â Soli Deo gloria, (Inde alleen zij de eer. S.E. â Son Km ine nee ot'Son l'J.ceellenee, zijne eerwaardigheid of zijne excellentie. Sec., sccrt. â Secretaris, geheimschrijver. Sect. â Sectio, afdeeling. S.F.tquot;. â Salvo er ra to ealeali, behoudens een fout in het rekenen. S.K. ei O. â Salvo '.rrore et omissione, behoudens een lout en uitlating. Sen. â Senator. Sen. of Sr. â Senior, de oudste. Sei|. of Sq. â Sequens, de of het volgende. |
Se|»t. â September. s.lt;;.im;. - Sous garantie du goueernement. door de regeering gewaarborgd. s.li. â S'ilvo honore, met behoud van de eer. s.ii. et s. â Salvo honore et stipendio, met behoud van eer en jaarwedde. S.II. et T. â Salvo honore et titulo, met behoud van eer en titel. Si^*n. â Signatum (m*0i (het was) geteekend. sin^'* â singularis, enkelvoud. s.J. â siio jure, krachtens zijn recht. S..I. â Societatis Jesu, van het genootschap van Jezus (een Jezuïet). Sldo. â Saldo. Zie aid. S.li. â Sao loco, ter zijner plaatse. S.li.F.A. â Sine loco et anno, zonder plaats en jaartal. s.m. â Sa Ma jest i', zijne of hare Majesteit, s.m. â salvo meliore. niet voorbehoud v. beter. s.n.v. â Sacri ministerii candidntas, cau-didaat van het heilige of gewijde leeraarsambt. â Sa Majesté Imperiale, zijne of hare keizerlijke Majesteit. s.o. â sere us o bserva t iss im us, gehoorzaamste sociët. â sociëteit. [dienaar. Solv. â Solvatur, het worde afgelost of betaald. sov. â soeereign (Kngelsche goudstuk, f 12). S.l*.lgt;. â Sulutern plnrimam dicit, hij groet u zeer. Met gewone opschrifc van eeu Latiju-schen brief. S.IMI.K. â Senatus populusiiue Itomanus, de Romeinsche senaat en het liomeinsche volk. S.i|. â Sufficiens quantitas, de toereikende hoeveelheid (lt;gt;p recepten). s«|. â sequens, het volgende, sqq. â sequentes, de, volgende. S.K. of Salva rat. â Silua ratilicatione, liehondens de bekrachtiging. Sr. â Sieur, heer, Zie ook Sen. of Sar. S.K.I. - Sacri l iomani Imperii, van het heilige Roomsche rijk. |
S.S. âSALUUT.
|
S.S. â Sa Saintetr, Zijne Heiligheid; ook sacra srriptura, de heilige schrift. Ss. â Semis (op recepten), .de helft (van het opgegevene). S.S. ol S.Scr. â Sacra Scriptura, de H. Schrift. S.X. â Stoomschip. S.m.ii. â Sif/na sau nomina, teeken het met den behoorlijken naam. S.T. of S.T.llel». â Salvo tit ulo debito, zonder iemands titel te benadeelen. St. â Sanctns. Sint, de heilige', â ook: stnicer, atnk of stukken. SI hl. â Staatsblad. Stcrl.. Sief. â Staatscourant. S.T.Igt;. â Sanctae theoUxjiae doctor, doctor in de heilige godgeleerdheid. St.-4iioiilt;kraal. â Staten-deneraal. Sf.X. â Stili novi, van den Nieuwen Stijl. Stud. â Student. Sf.V. â Stili veteris, van den Ouden Stijl. Sup. â Supra, boven; ook.sv/pr'/'tco', de vorige. S.V. â Sat va c ess ia, met verlof. S.V.I*. â S'il vous plait, als het u Itelieft. S.V.V. â Sit venia verho, met verlof gezegd. Mynd. - syndicaat. Zie aid. Sa {welaan! komaan!), tw. Saai (grove mollen stof), o. en v. gmv. Saai {vervelend), bn.; â lieid, v. Saaien (van saai), bn.; de groene â gordijnen openschuiven. (C. O.) Saaicm (net voor de garnalen-visscherij), o. â s. Saam. h\v. Zie; Samen. Sabbat (rustdag der Isacl.), m. âten. Sabbatskleed, o. â kleederen, â kleeren; â rust, v.; â scliender,m.-s; â »iclilt;knnis, v. Sabbemi (kladschilderen, kladden), ik hel) gesabberd. Ook: snappen, babbelen. Sabel (een soort marter in Siberië), m. â s. De â is donkergrijs, bleekrood, bruin of'zwart. Sabel (bont), o. gmv.; een kraag van â. Sabel (zwart in de wapenkunde), o. gmv. Sabel (een zwaard), v. â s. Sabelen (met de sabel houwen), ik hel» ge-sa beid. Sa boek (Ind. gordel), v. â s. Sa bot (klomp, holsblok), m. â s. Sabreeren (nedersabeUm). Sabrenr (houwdegen, rcchtmajoor) m. âs. Saeh.seiiKpieg-el (hei oudste Duitse he wetboek der middeleeuwen), rn. gmv. Saera (heilige zaken), m. mv. Saerament (genademiddel, b.v. het doopsel), o. âen. la de li. K. kerk zijn zeven âen. Saeramenteel (heiHg, onverbrekelijk), bn. SaerainentMcia;;' (R. K. feestdag), m. â dagen. Saerilielt;i (opojfering, o/fer, offerande), v. â s. Saerilieeeren, Saerifieeren (offeren). Saeriliceeren (zieli), (zich opo/feren). Saerifieie (offerande), o. â s, âciën. Saeril^ge (kerkroof of -dieverij, heiligschennis), m. â s. Saeristein (koster), rn. âen. Saerijstie, Saeristij (R. K. vertrek, kamer naast de kerk), v. âtieën,^âtijen. v Sadlt;liieeër (niei aan de opstanding der dooden geloovende Isr.), m. -s of Sadduceën. Safety (sport, veiligheids-tweewicl, gewone lage fiets, lees: sei'-fetie), v. â's. Saffier (bewerkte steen, schitterend donkerblauw), m. âen; (stof), o. gmv. Sat'flot'r (baslaardsaffruan), o. en v. gmv. liet |
â levert gele en roode verfstof. Ook: Saffloers. Safiraan (bolgewas, lischbloemige), v. gmv. De â is een specerij, uit de stempels der bloem bereid. Sag-e (volksvertelling, overlevering), v. â n. Sagen (door vrees ontstellen). Zie: Versagen. Sago (bereid merg van den sagopalm), v. gmv. Sagopalm (Ind. palm), m. âpalmen. Er'zijn rele soorten van âpalmen. Sahara (aardr. de groote woestijn in N. Afrika), v. gmv. Saillant (vooruitspringend; fig. treffend, in het oog springend), bn. Saillie (uitsprong, uitsteeksel; fig. vernuftige inval), v. â s. Saisie (inbeslagneming), v. âs. Saisisseeren (in beslag nemen, grijpen, vutten). Ook: Saiseeren. Sajet (getwijnd wollen garen), v. en o. â ten. Sak (lang dameskleed, japon der ISe eeuw), m. âken; de âken onzer grootmoeders. (C. O.) Sakerdaanliont (welriekende buitenland-sche houtsoort), o. gmv. Het â is bruin van kleu r. Saki (Ind. aap met vossestaart), m. â's. Saki (Japansch rijstbier), v. gmv. Sakkerkiot (bastaardvloek), tw. Saks (bewoner van Saksen), m. âen. Ook: Sakser. Saksen-Weimar (hoed met hoogen bol), m.; een paardenharen â. (C. O.) Saksisch, bn.; â porselein, een âe kanarie. Salalt;le. Sla {bladplant), v. saladen. Salamander (kruipend dier in den vorm eener hagedis), m. âs.; een landâ, een waterâ. Salami (ezelworst uit Italic), v. â's. Salangaan (Ind. klipzwaluw),v. âanen. De â -(inen leveren de kostbare vogelnestjes aan Java's zuidkust. Salarieeren (een jaarwedde geven, bezoldigen). Salaris (bezoldiging), o. âsen. Saldeeren (vereffenen, rekeningen afsluiten). Saldo (overschot, restant), o. saldo's. Salep (stoppende geneeskrachtige zelfstandigheid), v. gmv. Salet (zaal, bijeenkomst in de i8e eeuw), o. â ten; âjonker (modegek), m.; âpop (nufje), v.' Salie,ylziiiir {bederfwerend middel), o. gmv. Salie (lipbloemige plant), v gmv.; âmelk (melk getrokken op saliebladeren), v. gmv. Saliseïie wet (een oude rrankische wet, welke ile vrouwen van de troonopvolging uitsloot), v. Salmiak, v. Zie: Salmoniak. Salmoniak (scheik.amoma), v. Ook: Salmiak. Salon (groote ontvangzaal; ook tot tentoonstelling van schilderijen enz.), o. â s. Salonboot (weelderig ingerichte stoomboot), v. âbooten. Salonheld (aangenaam gezelschapsmensch, die overigens weinig beteekent), m. âen. Salope (slet, slons; ochtendkleed), v. â n. Salpeter (zoutstof), o. gmv. Salto (sprong), m.; â mor tale, halshrekende sprong, b.v. in een paardenspel; lig. een te groot waagstuk. Salnbriteit (gezondheid, heilzaamheid), v. gmv. Saliieeren (groeten, eer bewijzen). Saint (heil, ivlzijn), o. gmv. Saluut (groet), o. saluten; een â met den |
SAL VA - SAR AC EENSK lU'ID.
381
|
deuen; ecu â met het raam lel; â Meliot, o. Saïva (behoudens, met), vz. Salvatio {redding), v. gmv. Salvaiioii-arm.y (Enyelsche naam v. heilsleger), v. Salvo (eereschot, begroeting door het lossen van het geschut of van klein geweer', algemeen handgeklap), o. salvo's. Samaar (lang slepend vrouwenkleed), v. samaren, vero. Samaritaan (bewoner v. Samaria of Mid-den-Palestina in Chr. tijd), m. âtanen. Sambab-Kambal (Intl. allerlei toespijs, b.v, stukjes kippenlever en Spaansche peper, in olie drijvende), v. â s; een groote ronde bak, met verschillende afdeelingen, waarin â van allerlei aard. (J. t. Br.) Sambok (Kaapsche lange ossenzweep), v. â bokken. Samen, te zamen. Als eerste lid van samenstellingen ook Naam. Samenliaiif? (onderling verband), m. gmv. Samenleving' (omgang, wrkeer), v. gmv. Samenraapsel (mengelmoes), o. â s. Samenrotten (vijandig samenscholen), ik hel» en ben âgerot; â injr. v. Samenseliolen (groepswijze bijeenkomen), ik heb en ben âgeschoold; â ing', v. SameiiNmelten (ineensmelten), ik heb en het is âQQsmcMew, boter en reuzel â; â injr, v. Samens|»annen (een complot maken), ik spande â, heb âgespannen; â iiift-, v. Samenspraak (tweespraak), v. âspraken. Samenstel (inrichting, houw), o. gmv. Samenstelling' (de verbinding van twee (voorden tot een nieuw woord), v. âen; b.v. Jachthond. Ook: inrichting, bouw. Samentrekking (het nauw vereenigen van twee zinnen of woorden), v. âen; b.v. hi Brussel vindt men prachtige paleizen alsook fraaie pleinen. Hij is schoen- en laarzenmaker. Samentrekkin^steeken. o. âs; b.v. in: raun (raden), boom (bodem). Samenvatten (bijeenvatten), ik heb âgevat; -ing, v. Samenweefsel, o.; een â ran logens; ecu â van verborgen gruwelen. (Koetsveld.) Samenzweren (een complot smeden), ik zwoer â, heb âgezworen; â zweerder, m.; â zwering, v. Samkin, Samkyd (Turksch schip), v. â s. Samnielen (talmen, leuteren), ik heb gesam- meld; âaar, m.; â arij (talmerij), v. Samoem, m. Zie: Saniiim. Samoreus (een soort van groote (ad:), v. â reuzen. Samnm, Samoeni (Afrikaansche en Aziatische ivarme. Ja gloeiende woestijnwind, waardoor menschen en dieren gedood worden), m. â s. Ook: Samboeli, Saniiel ge-heeten. Sampan (Tnd. klein vaartuig), v. âs. Sanatorium (gezondheidsinrichting), o. â s, â ria. Sanbenito (martelaars!wmd, geel hemd met duivels en vlammen), o. â's. Sanctie (bevestiging, goedkeuring, bekrachtiging), v. gmv. Zie: Sanctioneeren. Sanetificeereii. Santifiwren (heiligen, heiligspreken). Sanctioneeren (bekrachtigen, goedkeuren, voor wettig verklaren). |
Sanetiim. Sanetornm (het hiilige der heiligen, deel des ouden tempels in Jerusalem), o. Sanctns (heilig), o. en m. R. K., vormt driemaal herhaald een gebed der Mis; ook: muziek op die woorden gemaakt. SaiKlaal (hindzool, schoeisel, in de landen ran Azië nog in gebruik), v. âdalen. Samlarak. o. Zie: Sandrak. San(llt;'llioiitlMK»ni. Santalboom (Indische boom o.a. op Soemba), m. âboomen. Sandrak (zekere soort van witte hars), o.gmv. Sandwieli(c//oi vleeschboterhammetJe),n\.âa. SaiKlwieliman (man met een advertentiebord o. d. rug), m. -mannen. Sangfroid (koelbloedigheid), o. gmv. Sangninciis { bloedrijk, vurig, lichtzinnig), bn. Sangnïniseli (bloedrijk), bn.; een â temperament, d. i. een levendige, prikkelbare gemoedsaandoening. Sanliedrin (hel hoogste nationale gerechtshof in het voormalig Jerusalem, li leden), o. gmv. Sanitair (op den gezondheidstoestand of de -leer betrekking hebbend), bv. Saniteit (gezondheid, welstand), v. gmv. Sansenlotte (die geen kniebroek of calotte draagt, maar een lange broek of pantalon; haveloos mensch, aanhanger der ultra-democraten in ilM) e. v.), m. â n, âs. Sanscnlott id«'n (de vijf overschietende feestdagen in den ïiepubliek-kalender), v. mv. Het. feest van het genie, dat van den arbeid, dat der helooningen, dat der daden, dat der meerlingen. Zie: ilcpnbl. kalender. Sans doiitlt;' {zonder twijfel), bw. Sans-lavon (zonder complimenten), bw. Sans-gênc (vrij en ongedwongen), bw. Sanskrit (aloude taal van Voor-indië), o.; de â ische letterkunde. Ook: Sanskriet. Sans-prendre (spel zonder bij te kon pen in het ombre-spel), \. â s. Sans-soiK'i (onbekommerd), bw. Ook: koninklijk kasteel bij Potsdam (/745), geliefd verblijf van F reder ik den Grooten. Sant (heilige), m. âen; âje (prentje, waarop een heilige, is afgebeeld), o. â s; âin, v. â innen. (groet hij het foedrmAen). Ook: Santjes. Santenkraam (de gansche kraam, lig. al den boel), v. gmv. Ook: Santenboetiek. Santorie (daizendguldenkruid), v. gmv. Sap (levensvocht i}i organische lichamen), o. âpen. Sapajoe (kleine rolstaartaap in Z. Am.), m. â s. Sapanliont (verfhout), o. gmv. Sapgrolt;kn (groene verfstof), o. gm. Sapi (Ind. tam rund), m. â's; de â oetan, boschkoe op Celebes. Sapienti sat (voor den wijze genoeg). Saponiet (zeepsteen), o. gmv. Het â wordt in Zweden gevonden. Sappe (mil. loopgraaf, onderaardse/ie gang bij vestingwerken), v. â n. Sappceren (mil. ondergraven, ondermijnen, sappen maken). Sappeur (mil. loop- of mijngraver), m. â s. Sappho (beroemde Gr. lierdichteres), v.; â leefde van 62Sâöt!8 v. C. Sarabande (Spaansche dansmehx/ie ⢠stap van een school paard), v. â s. Saracteen (Muzelman), m. -c.enen. Saraelt;'Cknskriiid (dunne hohvortel). o. gmv. Ook: Sarazijnskruid. |
SARCASMEâSCHAARD.
|
SarcaKiiK». Sarca^miis (hittere hoon. vinnige spot), o. â n. Sarcatititu'li (bijtend, scherp, stekelig, hitler), bn. en bw. Sarlt;*o|»liaa^' (gn fteeken in tien vorm eener steen en doodkist), v. â phagen. Sanlijii (haringachtig risehje van Sardinië), v. âen. Sai*iloiiislt;*li (krampachtig, gedieongen, gemaakt), bn.; een âe /w//, kramplach. Sarlt;l4»ii,vx (rood-en iritgestreepteonyxsteen), m. âen; (stof), o. gniv. Karge (wollen stof), v. gmv. Ook: Ser^o. Sarlt;»ii^' (Ind. kleeding stuk dat van de henpen afhangt, vromvenrok), v. â s. Sa mm'ii (plagen), ik heb gesard; een hondâ. Sarrift' (tergend, plagend), bn. Sas (licht ontvlambare stof, een soort van km it mengsel), v. gmv. Sas (slniskolk, schutsluis), o. âsen. Sasaks (Ind. Mahomed, bevolking van Lombok), m. mv. Sassafras (N. Amer. icoudboom), \n. âsen. De wortel en schors van den â worden in de apotheek gebezigd', â boom. m. Sassafras (drank, getrokken op bladeren van den sassefras), o. gmv. Satan (booze geest), m. âs; âiseli, bn. Satlt;'lli4*t (wachter, begeleider-, een ondergeschikt medehelper ran voorname personen), m. âen. De maan is de â der aarde \ de jongeling trad met zijn â de kamer uit. (( '. O.), begeleider. Sater (Grieksehe boschgod; ook een zeer leelijk niensch), m. â s. Ook: Satyr. Satijn (glazige zijde, zijden atlas), o. âen. SatiiKM'ren (op satijn stikken; glanzen). Satinet (geglansde halfzijden stof), o. Satire (hekeling, spot- of hekeldicht), v. â n, â s; de koude en liefdelooze â. (Koetsv.) Satiricus (spotter, schotschri ftschrij ver), m. â ci. Satiriek (spottend, bijtend, hekelend), bn. en bw. Ook: Satgrisch. Satisfactie (bevrediging, genoegdoening), v. â s, â tiën. Satraap (landvoogd in Oud-Perzie), m. â trapen. Saturnaliën (Sa turn us-feesten in Home van 17â23 December), v. mv. Satnrniseli (fig. eenvoudig, onschuldig), bn.; de âe tijd, de gouden eeuw. Satyr (myth, bokspoot, duivelachtig gedrochi), m. âs. Zie: Sater. Saneijs (gekruide worst), v. â cijzen. Saus (rleeschnat), v. âen. Honger is de beste â, d. i. maakt alles smakelijk. Sausen (met saus besproeien), ik heb gesausd. Sanvegrarde (vrijgeleide, bedekking), v. gmv. Sanveeren (redden, sparen). Savanne (uitgestrekte boomlooze vlakte in .V. Amerika), v. â n. Zie: Prairie. Savante (blauwkous, geleerde vrouw), v. âs. Savelboom. %lt;kvenbooni (een soort van den), m. â boomen. Savoir-faire (bedrevenheid), o. gmv. Savoir-vivre (levenskunst, menschenken-nis), o. Savom^tte (horloge met twee gouden dekplaten), v. â n. Savoyekool (witte kool), v. âkooien. Sawali (Ind. door kanstmidige bewatering toebereid nat rijstveld), v. â's. |
Sauoeboom (Ind. schaduwrijke vruchtboom op Java en Bali), m. âboomen. Saxboorn (rnuz. koperen blaas-i n sir urnen 1), m. âs. Ook: Saxoplione. SaxophoiK' (sa.ch'jorn; koperen instrument, van gewicht bij de Fransche militaire muziek), v. â n. Sbirre (diender in den kerkdijken staat, speurhond), m. â n. vero. Seabiosa (schurftkruid), v. gmv. Seabrens (netelig, onhebbelijk), bn. Seaia (trap, toonladder), v. â's. Sealp (hoofd- of schedelhuid), m. âen. Scalpeeren (de huid met het haar van de hersenpan trel,-ken, handelwijze der Roodhuiden). Scalpel (heelkundig klein mes), o. â s. Scaninioninni (gomhars van Aleppo en Smgrna), o. gmv. Seandeeren { verzen meten, volgens de voetmaat indeden; zóó verdeeld zeggen). Seandinaviseli (eigen aan Scandinavië), bn.; de âe talen, die van Noorwegen, Zweden en Denemarken. Scansie (het seandeeren), v. gmv. Scaphander (zwemtoestel of -gordel; een van kurk of biezen gemaakte gordel), m. â s. Scapulier (schouderkleed), o. âen. Scarabee (heilige kever der Elt;pjptenaren), v. â n. Searanionclie (hansworst, grappenmaker), m. â mouches. Scarlatina (geneesk. roodvonk), v. gmv. Sc^ne (tooneel, schouwplaats, tafereel; voorval), V. â s. Scepticisme. â cismns (neiging tot twijfel in geloofszaken), o. gmv. Scepticus (twijfelaar), m. sceptici. Scf'ptiscli {weifelend), bn.; iem. met een â gezicht gadeslaan. (C. O.) Sell (-isch) is een achtervoegsel, b.v. lakensch, duJfelsch,neteldoeksch, stolTclij ke bn.; heme Isch, aardsch. Neder la ndsch, Zweedse h, afkomst; slaafsch, kindsch, Zondagsch, aardende nanr; behoorende bij: Saksisch, Priiisisch, Russisch, Frankisch, Zwabisch, echter Friesch. Scbaaf (werktuig tot het gladmaken van hout), v. schaven. Scliaafbank. v. âbanken; âbeitel, m. -s. Schaak (eigenlijk, koning), o.; een partij â spelen; ook bw.: een stuk â zetten, de kon in (g is of staat â ; â geven; âkoning, âkoningin. Scliaakbord. o. âborden; â clnbs, v. â s. Scliaakmat, bn. Hij is - gezet, hij kan niet verder, zit vast; ergens â afkomen. (Potg.) Schaakspel (bord met de stukken), o. âlen. Schaakspelen, o.; -speler, m. â s. Sehaal (weegschaal, teekens'haal), v. schalen. Schaalbijtc^r. m. âs. Zie: Schale- of Schallebijter. Schaallt;lieren (krabben, kreeften, enz.), o. mv. Scliaamte. v. gmv.; valsche â, verkeerd geplaatste hoogmoed; iets met â bekennen. Schaap (tweehoevig zoogdier), o. schapen; â -achti^ (fig. onnoozel, dom), bn.; âherder, m. âs; âje. o. âs: e/' zijn âs aan de lucht, dunne fijne wolkjes; âskleederen. o. mv.: valsche profeten, welke iu â tot u komen: â skooi. v. âen; â skop (lig. dommerik), m. âpen; âsleder, o. gmv.; âsvacht. v. â en; â svel, o. âlen. Schaar (menigte), v. scharen. Ook: Schare. Schaar (werktuig), v. scharen. Schaard (kerf), v. â en. Het mes is vol âen. |
SC 11A AI {DEN - Sf ⢠I I AIM UK IÃ.
38^
|
Slt;*liaarlt;llt;'ii (hut werden), liet is gesebnard. 7 Scherpste ploegmcs sclumrdt zich hier hot ti/) dezen (frond. Slt;,liaiirs [zelden, nauwelijks). b\v. Scliaarseli (zeldznnngt;), bn.; â ln'ilt;l.v.; â Scliaarslijp (slijper), m. âslijpen. Slt;'liaur\valt;*lit (pnlrouille, ronde), v. âen. Srliaats. v, âen. Slt;*liaat«gt;i«Birij4l4'ii; ârijilor, m. ârijders. Scliabberis (irinoedifi), bn.; â v. Sc*lialgt;(kl (uoethnnkje), v. â len. Slt;*liahoiiwoli|k (annzali'j, ellendiy), bn. en b\v. Sclial»lt;m\vlt;'ri^- (arnwedifi), bn. en b\v. Schabrak (kostbaar paardedeh), v. en o. ârakken. Maak hun (der tijgers) vacht lot een â uwer paarden. (C. O.) Scliacli (Perzisch koning), in. â s. Seliaelierlt;*ii (kleinhandel drijren), ik heb geschacherd. Hij achachert in loten; âaar. m.; âij, v. Ook; Schaehelen. Scliat'iit. Sell alt (pijp, sleel), v. âen: de â ran een laars, van een pen, van een mijn. Srliaclit (mijnput, gehoorde koker), v. âen. S«*lialt;llt;llt;k (afgestoken korst hei of' veen), v. scbadden. Schade (nadeel, verlies), \. Door â ruordtmen luijs; niet â en schande ergens afkomen. ScliarielooKKtcllen (vergoeden), ik heb â -gesteld; â Ktcllins' (schadevergoeding), v. Slt;'lia4llt;'ii (nadeel toebreng en), ik bel» geschaad. Scliaflnw. v. â en. Men onderscheidt; kern â , halfâ, shag â . Dicht. Schadmv, Schaua'. Solaalt;liiivblt;M'l«I (silhoaelle), o. âbeelden. Slt;*lia«lii\v4kii (een tint leggen op), ik heb geschaduwd; een figuur â; â iiift'. v. Slt;'lialt;lii\vzijlt;llt;gt; (donkere kant, lig. het nadeel), v. âzijdon; de â van een tuin; de â van het klassikaal onderwijs; de â can iets ontdekken. SrliallVn (bezorgen), ik heb geschaft; âIer. m. Selial'tbalie (houten tohhe. waaruit de matrozen eten), v. âbalies. Selial'len (eten, opdisscheu), ik heb geschaft. Seliaittijd (scheepst. etenstijd), m. âen. Er is aan hoard een uur â voor het middagmaal, rusttijd. Seliakal (jakhals), ni. â s. Seliakeâ¬kreii (kleurenmengelen, Irapsgeunjze doen toe- of afnemen), ik heb geschakeerd; â «lt;»1, o.; -injf (((/'wisseling van tinten), v. â en; Kleurlingen van verschillende âen. (J. t. Br.) S«'liaklt;'l (schalm, ring eener heten), v. â s. Seliakelc^n (verhinden), ik heb geschakeld; â iiif?, v. Seiiakt'llijni (e loei hare lijm, zoo genoemd naar den fahrikant), v. gniv. Seliakcluct (driedubbel gemaasd net), «». â -netten. Seliakelratl (rad in een cilinder-horloge), o. âraderen. Seliaken (een meisje met geweld ontvoeren; rooven), ik heb geschaakt; -er. m.; â ing'. v. Seliaken (schaakspelen), ik heb geschaakt. Seliako (soldatenhoed), v. â's. Selial (geluid, toon), in. gmv. Selialbijter, m. âs. Zie: Seliallebijler. Selialie (lei), v. â liën, âlies; een dak met â liën dekken. Selialk (guit, grappenmaker), m. âon. Selialk (loos), bn. en b\v.; een â antwoord; â omkijkende. (C. O.); â lieiil, v. |
Sella Iks. bw. Zij lachte â, d. i. op guitige wijze. SelialkM'li (gu'dig), bn.; met een -ca huh; -lieid. v. Ook; Selialk. Seliallebijter (loopkever, 't vliegend hert), m. âbijters. Ook: Seliarrebijter. Seliallen (galmen, klinken), ik heb geschald. Selialin (evenmatig deel van een ketting), m. âen. Selialmei (herders/luit), v. âen. Seliamel (armoedig), bn. en bw.; âlieilt;i.v. Seliameii (zieZi). ik heb mij geschaamd. Seliaiii|gt; (schampschot, lichte wonde), m. gmv. SeliamiMlek (scheepsv'. dek naast tie verschansing), o. âdekken. Seliaiii|gt;eii (van ter zijde even raken), do kogel heeft geschampt. Sebaniper (hits, hoonend), bn. en bw.; een â woord, een â stad, â lachen ; â lieilt;i. v. Seiianipselient (scha ai per gezegde), v. âmi. SebampHeliot (schot, dat ter zijde ufgljdi). o. âschoten. SeliaiKl. v. Zie: Seliamle. Sehaiiflaal (ergernis, ergerlijk feii),o. âdalen. SehaiKlaleiiK (ergerlijk), bn.; een â bedrijf. Seliaiidali^ {schandelijk), bn.; een â lawaai. SeliaiKialiKeeren (aanstoot geven). Sehande (oneer, krenking), v. gmv. Sehaiidekooi» (spotkoop), bn. SeliaiHlelijk, bn. en bw.; â lieid.'v. amp;eiiaiid|gt;aal (geeselpaal), m. âpalen. Seliaiiilvlek. v. âvlekken. Hij is een â voor zijn familie, d. i. strekt tot oneer. SeliaiHivlekken (oneer aandoen), ik hen geschandvlekt. Selialin (mil. verschansing, los opgewor/ien weermiddel), v. âen. Seliaiisen ( verschansen), ik heb geschanst. Seliaiisklee«l (scheepsw. lange jas), o. âen. Selianskorf (mil.ro/ro^rflt;',^ei'/o67i^'^ maud), v. âkorven. Selianslooper ( lange sluitende jas), m. âs. Seliap. spraakk. achtervoegsel, h.\. blijdschap, vijandschap, d. i. een toestand; graafschae. heemraadschap, waterschap, d. i. een gebied; rekenschap, weddenschap, d. i. een zelfstandig gedachte werking; genootschap, gezelschap, manschap, d. i. een verzameling. SebapeborKt. v. âborsten; âbout (bovenstuk van een schapepoot), m. -en. Sebapeleder o. gmv. Ook; Schapenleder of Schaapsleder, â leer. Seliapenbloem (witte klaver), v. âbloemen. Seliapenboter. v. gmv.; âlokker, m. âs; â bok (kooi), o. -ken; âkaas, v. âkazen; â kervel (wilde kervel), v. gmv.; âklaver (klaverzuring), v. gmv.; â markt, v. âen; â ras. it. gmv.; â sebeerder, m. â s; âteell. v. gmv.; â voeiler, o. gmv.; âwel (hui van schapenmelk), v. gmv.; âweide (grasland), v. â n; -wol, v. gmv.; â wolkjes (in rijen (geschaarde dunne witte wolkstreepjes), v. mv.; â 7.iiri(wilde zuring), v. gmv. Svl\i\\*vr (schaapherder), m. âs.; âsliond. m. Ook: Seb«'p«'r. Seiiapevaebt v. â vachten; â vel, o. â vellen; â vlilt;ks (vacht), o. âvliezen. Seliappelijk (redelijk), bn. en bw.; âbeid. v. Sebaprade. Sebapraai (etenskas), v. - -raden, âraaien, gew. of vero. Sebar (kleine platvisch), v. âren. Sebarbier (dun, gering hier), o. Zie: Sebar-rebier. |
SCHA I {K - SCHEIKUNDE
|
Scliare (meniijle), v. â n. St'liaren {rany schikken), ik heb geschaard; â iiiS- v. Kcliar^nsliji» {âslijper), rn. âslijpen. Slt;*liai*lak«'ii {roode kleur), lm.; een â tabberd. Slt;*liarlaklt;*ii (helder rood Uiken), o. gmv. Slt;rliarlakeiik4»ortK (uit slag ziek te), v. gmv. Sc^liarlc^i. Selierlc^i (zeker kruid), v. gmv. S(*liarliiiii, Seliorliiiii. Sc*li«*liiiii (guit, schelm, deugniet), in. âen. Slt;*liariiiiiiklt;gt;l, Kelilt;krmiiik(kl (tang en mager mensch; geraamte), m. â minkels. Scliarnior (geheng van een deur), o. âen. Scliarrcbier. Scharbier (dun bier), o. gmv. Seliarrebijter, m. â s. Zie: Sc?lialllt;'bijter. Scliarri'lbfM'iK'n (moeilijk loopen), ik heb gescharrelbeend. Slt;*liarr('llt;'ii. ik hel» gescharreld. Hij scharrelt om aan den kost te komen, wroeten, haspelen, tobben; âaar. in. Slt;*liarrlt;'ii (krabbelen), ik heb geschard. De hoenders â in het losse zand. Kc*lial {iets kostbaars), m. âten. Schateren (luid, uitbundig lachen), ik heb geschaterd; â lt;1: een â gelach. Scliaterlaelioii (schaterend of luidkeels lachen), ik heb geschaterlacht. Soliatkist (geldkist, de openbare geldmiddelen), v.; âbiljet (schuldbekenteni-i door de regeering uitgegeven), o. â ten; â promessi» ( â biljet met vooruitbetaalde rente), ân. Soliatplivlitig- {belastingschuldig), bn. Seliatteii (taxeer en, ivaardeeren), ik heb geschat; âIf^r, m.; â t inu'. v. Sella voelen. Sclia vii'leu (inschikken.plaats maken), het heeft en is geschaveeld, geschavield; laat ieder luat â; men moet elkaar wat â ; zeew. Het begint te â, goed te waaien; de zeilen â, richten; dat touw begint te â, slijten door schuring; fig. voor iets â, zorgen; voor iem. â, in de bres springen. Seliaveliii(schaafkrul), m. âen. Seliai'en (gladmaken m. e. schaaf), ik heb geschaafd; een plank â ; huiden â ; â in^r. v. Seliavenlebonk'. v. Zie: Seliobberile-boiik. Sc'Jiavielen. Zie: Seliaveelen. Schavot, o. âten; het â bestijgen', op het â sterven. Scliavotteeren (op het schavot een straf doen ondergaan: lig. schande aandoen)', â iiigf, v. Schavuit (schelm, deugniet), m. âen. SchaviiiteiiKtrlt;'ek (misdrijf, schelmerij), m. â streken; â stuk. o. â ken; âwerk. o. â en. Schedel (hersenpan), m. â s.; -beeiitleren, o. mv. Scheecle, Seliee. Schie (koker), v. scheeden, scheeën, schieün; de â van een sabel, mes, dagge, enz. Scheef (houtachtig stukje van den vlasstengel), v. scheeven. Het vlas zit rol scheeven. Scheel' (schuin), bn. en. bw., scheever. Fig. verkeerd: een scheeve beschouwing van iets; â heici, v. Scheef been (persoon met kromme beenen), rn. en v. âbeenen. Scheel (scheiding in het haar, schei), o. âen. Scheel (deksel), o. âen; het â van een doodkist. Scheel (geschil, twist), o. vero. Scheel (dwarsziend), bn. en bw.; scheler; â heilt;l, v. |
Seheelen (scheiden; schoonmaken), ik heb gescheeld; darmen â; â in^, v. Sclieeloo^' (persoon, die scheel ziet), rn. en v. â oogen. Seheelzien, o. gmv.; âfie, m. en v. ân. Seheen (scheenbeen), v. -'-henen. Hij liep een blauwe â, hij werd door i.vt meisje afgewezen. Selieep. in te scheep, te schepe. Hij gaat â; die â is, moet varen, geen werk laten steken. Scheepje (klein schip), o. â s; een fraai gebouwd â. Seheepjlt;M«schelling' (oude zilvermunt van 30 et.), m. âschellingen. Seheeprijk (vol schepen), bn.; ons â V. (Vondel.) Seheep.salfuit (rolpaard), v. -alTuiten. Seliee|»sb«'seliiiit (harde beschuit), v. âen; â bewijs (bewijs van eigendom), o. -bewijzen; â blok (hijschblok), o. âken. SelK'epsbouw (kunst om schepen te timmeren), m. gmv. Scheepsch, bn.; geen â verstaan, geen konnis van de zeevaart hebben; op zijn groot â, zooals rijke lieden. Seheepskameel (voertuig te water om de-schepen te lichten en over ondiepten heen te brengen), o. â kameelen. Seheepskapitein (gezagvoerder), m. -s; -klerk (adspirant-o/ficier van administratie), m. âen; âklok v. âken; âlading v.; â -maat (matroos), m. -maten; â i^nuit (gesprekken aan boord), m. gin v.; â raad {krijgsraad aan boord), m. âraden; â reetle. v. â n; â ruinite, v. gmv.; âtagrijn (koopman in scheepsbehoe ften ), m. â en, â s; â terni.in. â en; â tininierinan, m. -lieden; â tiiiinier-wlt;krf (plaats voor scheepsbouw), v. âwerven; â tuis' (gereedschap aan boord), o. gmv.; â -vietiiaiie (benoodigdheden), v. â liën; â -vracht-v. âen; âwant (takelage),o.gmv.; â werk (arbeid aan boord), o. gmv. Seheepsmt*ter (scheepsijker; ambtenaar, die de tonnenmaat van een schip bepaalt), m. Selieep vaart. v. gmv. [-meters. Scheer (klip of rotseiland aan de kust van Zweden en Finland), v. scheren. Selieerlin;;' (schermbloemige plant, gevlekte of dolle kervel, giftplant),\. gmv. Zie Kervel. Scheg:, Scfhe^fs'e (zeew. kromhout tot steun van den boegspriet), v. scheggen. Schei (zeew. dwarshout), v. âen. Schei (scheiding in het haar), v. âen. Zie Scheel. Scheidbaar (kunnende gescheiden worden), bn.; een âbare samoistefling,b.v.ademhalen. Seheidbooin (grensboom), in.âen; -paal (grenspaal), m. âpalen. Sèheiden (verdeelen), ik heb en ben gescheiden; het kaf van het koren â, afzonderen; een rivier, een gebergte kan twee landen â; de vergadering is gescheiden; uit het leven â, d. i. sterven. SeheidiiiK'. v. âen; â inkje, o. â s. Seheidsman (middelaar), m. âlieden. Seheidsniiiur (tusschenmuur), m. -muren. Scheidsvrouw (bemiddelaarster), v. âen. Seheigrrep (slootje), v. â greppen. Zie;C«rep. Seheik, Sjeik (Arabisch op/ erhoofd), m. â s. Seheikiinde (chemie, leer di'r stoffelijke verscheidenheid der lichamen), v.; analgtische â, leer van de ontbinding der bestanddeelen; organische anorganische â, planten â , dierâ, v. gmv. |
SC M F. IKUNDIG âSCHKIJI'KN.
|
SehcikuiKli^, bn. en bw.; een â onderzoek. â e teekens, b.v. C voor Carboninm (koolstof), Mn voor Manfiani'im, Mg voor MiKjnesiuni, enz. Sclieikiiiifli^c^ (chcnucas), ni. âkundigen. Sf'heilijn (grenslijn), v. âlijnen. Scheiteeken (komma, punt, enz.), o. â s. Schel (bel), v. â len; âletje, o. â s. SclK'l (bast), v. âlen. Zie Scliil. Schel (helder van geluid, klinkend), bn. en bw.; -beid, v. Schelden (/^oowenrfc' woorden uiten), ik schold, heb gescholden. Schclcii (verschillen), het heeft gescheeld. Dat scheelde niet veel: er scheelt iets aan, d. i. haperen; ivat scheelt »/, d. i. deren: het scheelt . hem in 'l hoofd, hij is niet recht wijs. Schclct, o. âten. Zie: Skelet. Schelf, Schelve (hooihootj), v. âven. Scheller (schilfer), rn. -s. Schelkriiilt;l (stinkende goutue), o. gniv. Se^telialHbrninachtige hik, veruislah),o.sin\\ Schellen (bellen), ik heb gescheld. Schellen. Hetzelfde als schillen-, een appeltje -. Schellin;; (oud zilverstukje ran zes stuiver), m. â en; â linkje, o. âs; op het â inkje zitten, in den Amst. schouwburg op de goedkoopste plants. Schelm (bedrieger, deugniet, lig. guit), m. â en. Schelnierij (bedrog), v. âen. Schelinsch. bn. en bw.; â heid. v. Schelp, Schnlp (schaal van weekdieren), v. âen. Schelptiieren (iveekdieren, schaaldieren), o. mv. Scheltrompet (klaroen), v. -trompetten. Schelven (aan eoi. schelf zetten), ik heb geschelfd; het hooi â. het graan â. Schelvisch (een-zeevisch), rn. -visschen. SelK'lviscli (stof), v. gmv. Houdt gij van Schc^nia (schets, ontwerp-, figuur), o. â s. Schemel (voetbankje), m. â s. Schemer, m. gmv. Wij zitten in den -.d. i. tusschen licht en donker. Scheineren (mat of flauw schijnen van 't daglicht; in den schemer zitten), het heeft en wij hebben geschemerd. Schemerig: (duister, onklaar), bn. Schemerin;;' (toe- of afnemend daglicht), v. âen: de morgenâ, de. avondâ. Schendbrok (lasteraar), m. en v. âken. Schendekenken (die bij goede voeding er toch schraal en mager uitziet), m. en v. â s. Schenden (bederven, schande aandoen), ik schond, he'o geschonden; â er, m.; âerij, v.; -ing, v. Schendeventen (voor een spotprijs verkoo-pen), hij heeft â schendevent. Schc'iicii^ (schandelijk), bn.; een â bedrijf. Schandschrii't (paskwil, schimpschrift), o. â schriften. Schendton;? (lasteraar), m. en v. - tongen. Schenka^'e (schenking, geschenk), v. â s. Sehenkel. Schinkel(/r/ioo/.-, dijbeen), m. â s. Schenken (begiftigen, aanbieden, geven), ik schonk, heb geschonken; âer, in. Schenking- (overdracht van goed, gift), v. â en; â onder levenden, â bij overlijden. Schennen [schande aandoen), ik schon, heb geschonnen. Schennis (onteering, ontheiliging), v. gmv. Schei» (menigte, hoeveelheid), m. âpen; een â kolen-, een â vreemdelingen. koenen, Verkl. Handwdb. d. Nederl. taal. |
Schepbonl (plank aan het rad van een watermolen), o. âborden. Schepel (0,1 H.I..), o. â s. Schepeling-, m. en v. - en: voor het v. ook â e. SchepelKinand (mand, die een schepel in houdt), v. âen; âzak (mudzak), m. âken. Schepen (wethouder, rechter), m. â en. vero. schout en âen, het stadsbestuur; de jongste â wijst het vonnis, d. i. de Jongsten beslissen, geven de beslissing of oplossing. Schepenbank (oudtijds rechtbank), v. â -banken. Schepenen (oudtijds college van rechters, | wethouders), m. âen. ⢠Schepen {inschepen; ook: varen), ik heb gescheept; aardappelen â, granen â. Seheppen (eig. iets uit niets voortbrengen; (lig. van grootsche werken), ik schiep, heb geschapen; â per (voortbrenger), m.; âping, v.; â sel, o. Scheppen (putten), ik heb gesciiept; moed â, adem â, behagen â, d. i. tot zich nemen, in zich gevoelen: âer (werktuig), in. Schepper (God), m. bij uitbr. maker, vinder, tot-stand-brenger: Bismarck is de â van de grootste politieke synthesis dezer eeuw. (Van Deyssel.) Schepping (het heelal), v. âen. Sâ¬*heprad (rad eener stoomboot), o. âradon, â raderen. Schepsel (wezen, mensch), o. -en, â s. Schept er (koningssta/ ), m. â s. Scheren (afsnijden), ik schoor, hel) âschoren. Scheren (spannen), ik heb âscbeerd. Ite draden van het kettinggaren op den weefboom spannoi. Scheepst. een lijntje â. Seheren (rakelings gaan langs), ik hob gescheerd; een steentje langs het ivater â; de zwaluw scheert het watervlak. Scherf (brok, stuk), v. âven. Scherif, Sherif (emir, opperhoofd in Arabie). ' m. â s. Svhcrinff (kettingdraad), v. âen : â eninslag, de bestanddeelen van het weefsel. Seherh'i, \-. ginv. Zie: Scharlei. Sehc^rlniai (schelm), m. âen. Zie: Schar-Inin. Seherm (bescherming), m. gmv. Seherm (afschutting, tooneelafscheiding), lt;gt;. â en; een regenâ, een tooneelâ; â pje, u. âs. SelK'niB (bloeiwijze), u. -en; -bloemigen (familie, wier bloemen tot een scherm ver-eenigd zijn), v. mv. Schernien (den degen hanteeren volgens de regels der kunst), ik heb geschermd. Fig. zijn meening verdedigen met groote woorden; zwetsen âer, m. Schermer (drooggemaakte plas in Noord- Holland), v. gmv. Scherminkel, m. âs. Zie: Scharminkel. Sehermntselen (met kleine beuden en ongeregeld vechten), ik heb geschermutseld; â ing (klein onbeduidend gevecht), v. âen. Schermntsen, ik heb geschermutst. Zie: Schermutselen. Scherp (goed snijdend), bn.enbw.; â heid, v. Scherp (alles, wat men op een geweer ter beschadiging laadt), o. gmv.; een geweer .net â laden, met â schieten. Scherp (scherpe zijde of kant), o. gmv.; het â van een mes, het â van een sabel. Scherpen (slijpen, 'wetten, aanzetten, scherp maken), ik heb gescherpt; een mes een 25 |
SCM !â¢: IIPKECHTEH - SC 111LFE 1{ EN.
|
sabel â ; fig. het verstand â, het geheugen â, oefenen; het oog â, het oor â; zeew. De wind begint te uit een verkeerden hoek te waaien. Sc*lic'r|»rlt;'â¬*litlt;kr (beul, meester van den scher-pen zwaardé), m. â s. De tanden jood had roor n de verschrikkingen eens âs. (C. O.) Sclierpsclmtt^r {uitstekend schutter), in. âs. Selierplo, v. gmv.; de â van een mes. de â van het gehoor. KcherpxieiKl. bn.; de âe arend', (ig. een âe geest. Slt;*lilt;krpziiiiii^: (schrander), bn. en bw.; een â denker-, â lieilt;l. v. Sc'herl» (boert, spotternij), v. gmv. Het ivas slechts Schertsen (boerten,jokken), \k heb gescliertst; -erij, v. Scherven (brokkelen), het is gescherfd. Die kan begint te â. Scherveiiifcricht (ostracismus, volksgericht, vooral te Athene), o. gmv. Slt;*herzaii«lo (muz. grillig, luimig voor te dragen), bw. Scherzo (luimig, grillig gezet deel eener sonate), o. gmv. Schets (kleine teekening), v. âen; een ruwe â; fig. âen uit de geschiedenis-, levensschets. Schetsboek (boek om in te schetsen voor een schilder), o. âboeken. Schetsen (een schels maken), ik heb geschetst; iem. levensgeschiedenis â; âer, m. Schetteren (schaterend klinken, b.v. van trompetten), het heeft geschetterd; âaar, m.; â ing;, v. Schenkcn (wrijven, schurken), ik heb gescheukt. De koeien â zich aan den schuurpaal. Schenk paal (paal in de weide, wrijfpaal), m. â palen. Scheur (barst, kloof, spleet), v. -en. Schenrhnik (ziekte uit bloedbederf), v. gmv. Schlt;kiiren (losrijten, afbreken), ik heb en het is gescheurd; âittis (splitsing, scheiding), v. Schlt;kiirkalcndâ¬kr. m. âkalenders. Schenrniakor (afvallige-, iem. die zich afscheidt), m. âmakers. Scheut (loot, stekje), m. âen; een â wijn, water, zekere kleine hoeveelheid; een â onder water, een bedekt verwijt. Scheutijs: (rijzig-, ook: mild), bn.; â hcid. v. Schib'l»ol«'th (herkenningswoord),o. â s. Zie: Richteren XII: ó en (5. Schieht (pijl, /Hts), m. - en. Schiehti^;' (schuw), bn. Het hert is â. Schie, v. âën. Zie: Schccde. Schiefer (schilferachtige delfstof), o. gmv. Schielijk (snel), bn. en bw.; â heid, v. Schienian (scheepsonderofficier), m. â lieden. â lui; âschap. Schiemannen (scheepw. een schip, het tuig opredderen), ik heb geschiemand. Schieinansg:arcn (aan boord uit oud touwpluis gedraaid lordinggaren), o. gmv. Schier (bijna), bw. Gras groeit â overal. Schier (bedorven), bn. Deze eieren zijn â. Schiereiland, o. âen. Spanje is een SchieriiiK'ers en Vctkoopers (partijen in Friesland in de Middeleeuwen), m. mv. Schieten, ik schoot, heb en ben geschoten; een bok â, een misslag begaan. Schieter (mot, zeker insect), m. âs. Schietgat, u. âen; âgebedje, *gt;. â s; âgevaarte, o. â n; â g-ewecr, o.; â katoen, o.; â lood, o. âen; âschijf, v. âschijven; |
â schouw (vaartuig), v. -en; âschuit, v. â en; â spoel (weversspoel), v. â en: â tuig^o. Schietuilg- (kopwilg, knotwilg),m. âwilgen. Schiften (scheiden), ik heb geschift; het kaf van hel koren â. Deze zijde begint te â, d. i. rafelen; âer, m.; â ing, v. Schiften (samenloopen, zuren, omslaan van melk, enz.), het is geschift; â injy, v. Schijf (platrond), v. â ven; gouden en zilveren schijven, d. i. geldstukken. Schijf-schieten (het mikken der scherpschutters op een schijf), o. gmv. Schijn (lichtglans), m. gmv. Schijnbeeld, o. âen; âdeugd. v. âen. Schijntloode (iem. die naar dot schijndood is), m. en v. â dooden. Schijnen, ik of het scheen, ik heb of het heeft geschenen. Seliijngoleerde, m. â n; âgeluk. o.; â -glans. m. âen; âg'rond (valsche grond), m. âen. Schijnheilig (huichelachtig), bn. en bw.; een â mensch; â heilt;l, v. Schijnraket (wildgroeiende kruisbl.), v. â -raketten. Schijnsel (z wak licht), o. â s; het â der maan. Schijtvalk (een boomvalk), m. âvalken. Schijveling: (een soort vau appel), m. âen. Schik (genoegen, tevredenheid), m. gmv. Wij hebben veel â gehad-, hij heeft â in't leven; hij is niet in zijn â, in goede luim. Scliikg:odinnen (fab. dochtersvan den nacht: Clotho (de spinster), Lachesis (de lotbeschik-ster), Atropos (de onvermurwbare), v. â nen. Schikkelijk (ordelijk), bn. en bw.: â heid. v. Schikken, ik heb en het is geschikt; â ing (regeling, overeenkomst), v. âen. Schil, Schel (bast, omkleedsel), v. â len; â letje, o. âs. Schild (beu keiaar-, wapen tegen houw en steek), o. âen. Schilddak (dak c. samengevoegde schilden), o. âdaken. Schilder, m. âs; âes, v.; -kunst. v. gmv. Schilderacadeniie (leerschool v. schilders), v. â s, â demiön. Schilderachtig (schoon), bn. en bw.; een â huisje; âheid. v. Schilderbent (vereeniging, club), v. gmv. Schilderboek (boek met levensbeschrijvingen v. schilders), o. âboeken. Schilderen (in kleuren afbeelden, malen), ik heb geschilderd; âing, v. Schilderen (op schildwacht staan), ik heb geschilderd. Schildc^rhuis (verplaatsbaar wachthuisje), o. âhuizen. Schilderij (schilderstuk), v. en o. âen. Schildknaap (edelknaap als schilddrager eens ridders), m. âknapen. Schildluis (halfvleugelig insect), v. âluizen. Schildpad (vierpootig kruipend dier), v. â -den; de rivierâ, de moerusâ, de landâ, de tweeslachtige â. Schildpad (stof), o. gmv.; een doosje van â. Schild vleugelig, bn.; een tor is een â insect. Schildwacht (soldaat op wacht), m. âen. Schildwacht' (/icf wachthouden), v. gmv.; op â staan. Schilfer (dun blaadje), v. âs. De kalk valt in âs af. Ook: Schelf er. Schilferen (schilfers afgeven), het is geschilferd; â ing, v. |
SCHILLEN âSCHOOL,
3^7
.AR I ïON DISS KM K NT.
|
(run lt;ic schil ontdoen), ik heb geschild; â «r, m. Scliini {schaduw), v. â men. Fab. geest run een afgestorvene. In een beestenspel ziet ge hun (der dieren) â. (C. O.) (een witachtig puurd), m. âs. St'liiiiiiiK'l (witachtige uitslag, tnicroscopisrh kleine woekerpluntjes), v. gmv. Scliiininolon ()ncl schimmel bedekt worde)i, beschimmelen), het is geschimmeld; â iiig^v. SoliiimiK'lcii (het schimmeispel spelen), ik heb geschimmeld. S lt;⢠li i in in c ii rijk. (lub. verblijf der schimmen, dr KIgseesche velden), o. gmv. Soliiiiip (hoon, smuud, sjiot), m. gmv. Sfliimpdiolit. o. âdichten. Slt;*liiiiii»«'ii (afgeven op; spotten), ik heb geschimpt; â or, m.; âerij. v.; â iii^quot;, v. Slt;*liiiii|»slt;*lilt;'iit (hatelijlte toespeling), m. â en. Srliinipvo^ol (spotte)'), m. â vogels. Srliink (ham), m. âen. Ook: Schinkel. Srliiukol (dijbeen), m. â s. Ook: Sclu'iikol. Scliiii. SoliiniK' (de schilfers roos op de hoofden der kinderen), v. ^niv. Scliip(raurtuig),o. schepen. sclieâ¬Â»|»|e«o. â s. Srltip (middelste, hoofdruimte eeiwr kerk), o.; het â een er kathedraal. Slt;*lii|gt;breiik. v. âen. De Friesland leed â in de golf ran Biscuye; lig. mijn roornemen leed -. Sohipbreiikoliii^, m. en v. âen; voor het v. ook â e. Slt;*lii|gt;lgt;rii$ï (brug rustende op raartuUjen), v. -bruggen. Slt;*lKi|»|»lt;'r, m. â s; â slt;*hap (het bedrijf), o. Scliipperni (schikken, regelen), ik heli en het is geschipperd. SrliippoiHl (denkbeeldig gewicht vmt .quot;00 Amst. ponden, ± 140 K.Cgt;.), lt;gt;. âen. vero. Scliisma { scheuring in de moederkerk), (». â's. Slt;*liisiiiaf ilt;*iis (scheurmaker), in. â tici. S4*liisiiiali4kk (afvallig, kettersch), bn.; ook: â niatiscli. Srliitl«'rlt;'ii (stralen, glanzen, fonkelen), ik hel» geschitterd; â inji'- v. Sc*liittereiilt;l (prachtig, glansrijk), bn.; ecu âe overwinning, een âe promotie, ecu âe toekomst. Sfliob (schilfer), v. âben. Ook: Slt;*lasil». Scliobhejak (deugniet), m. âjakken. NelioblM'Jakkon (afjakkeren, den deugniet spelen), ik heb geschobbejakt. Klt;*lioblgt;eral (deugniet), m. â s; een â r. e. vent. Srliobbprdebonk'. Op â loopen, d. i.opde klap loopen. Srhoef (belegsel v. e. mantel), v. schoeven. vero. Schooien (schoeisel aandoen), ik heb geschoeid. Fig. passen, overeenkomen: de kweekscholen zijn lie op dezelfde leest geschoeid; op één leest â alle aardsche dingen. Schooien (beklecden), ik heb geschoeid; â iny {waterkant-bekleedsel), v.; â sel (laarzen enz.), o. Schoelje (fielt, schurk), m. â s. Schoen, m. âen. Wie de â past, trekke hem aan; ieder weet het best, waar de â hem wringt (knelt); hij staat vast in zijn âen, d. i. in zijn overtuiging; lood in zijn â en hebben, langzaam gaan; Bram ging met looden âen. (Potg.), schoorvoetend; men moet geen oude âen wegwerpen, vóór men nieuwe heeft, men moet het zekere niet aan het onzekere opofferen. |
Schoener (klein tweemust-koopvuardijschip), m. â s. Zie: Schooner. Schoenlapper (ivrsfe/Ze/' van oude schooien; ook: zekere dugvUnder), m. âlappers. Scholt;knniaker, m. âs; -poetser, m. âs; â riem, m. âen; â smeer, o.; âwinkel, m. â s; â zool, v. âzolen. Sctioei* (waterbord run een waterrud), v. âen. Schoei* (schouder), m. âen. gew. Schoer (in (leiderland: een regenbui,onweers-vluug), m. âen. Schocrhaai (zeeëgel, risch der Muhteti. Zre), m. âhaaien. Schof (zwerk, drijvende wolken), o. Vlaamsch. Schollcerder (vrouwen- of muugdensdien-der), m. â s. Scholleereii (verkrachten, onteereu); de loge hyena, die kerkhoven ât. (C. O.); â iiifj. v. St'hoflel (tuingereedschap), v. â s. Schoireh'ii (werken met een schol fel), ik heb geschoffeld; âaar, m.; injsr, v. Fig.schnileien b.v. een â van voetstappen; â met den linkervoet. Svlttoft (onbehouwen mensch,schar uit),\\\. â en. Sch«»ft (bovenste deel van den rug), v. âen. Schoft (werktijd, 1/4 dag), v. âen. Schoften (rusten r. werklui)^ ik heb geschoft. Schofttijd (rusttijd), m. â tijden; â Jinr, o. â uren. Schok (stoot; gemocdsbcujcging), m. -ken. Schok (zestigtal), o. âken; bij het â ver-koopen. Schok (boonenpeul), v. âken. Schokken (stoolen, doen ops/iringeu), ik lieb geschokt; âer. in.; â in^-. v. Fig. treilen, roeren, aangrijpen. Schokker (schipper run 't eilund Schoklund; klein visschersraartuig), m. â s. SchokM*h4»ndcrlt;kn (lachend de schouders optrekken), ik heb geschokschouderd. Vlaamsch. Schol (stuk ijs, ijsschots), v. â len. Schol (plutte weekvinn. zeerisch), v. -len. Sch4»larch (schoolbestuurdrr of -opziener) m. âen. vero. SvluAixsivr (schoolopziener), m. âs. Vlaamsch. Sc*h4»lasticns (schoolgeleerde), m. âtici. Scholastóek (schoolsche wijsheid), v. gmv. Scholekster (zomervogel der duinen), v. â eksters. Scholilt;'r (leerling), in. âen. Scholierster (schoolmeisje), v. â s. Schollevaar (zekere wuterrogel), m. Ook: Slt;*holver, Aalscholver. De boomen vuu het Haagsche bosch hadden de kwakken, âs en lepelaars van uit hunne kroon zien verdwijnen. (Hofd.) Schol ver (sc7iof/(?»;am,),m. â s. Ook: Scludverd. Scholver, Scholverlt;l, Scholh'vaar (watervogel), in. â s. Schommel (schop, schongel), m. â s. Schommel (dik vrouwspersoon), v. â s. Scliommclen, ik heb geschommeld; âaar, m.; â iiifr. v. Schommeli^' (druk), bn.; een â vrouwtje. Schonk (been, bot), v. âen. Schoof (garf), v. schooven. Sehooit'ii (bedelen langs den weg), ik heb geschooid; âer. m.; âerij. v. School (leerschool, enz.), v.; (schoolgebouw), v. en o.; scholen. School (menigte visschen), v. scholen; een â haringen. Schoolarrondisseinent (gebied v. v\ arr.- |
IN âSCHHABBEN.
schoolblijve:
|
schoolopzienci'), o. âen; âatlas, m. âsen; â I»lalt;l (nieuwsblad), o. â en; â coiiiiiiissie (toezicht), v. â s, â siën: -«listriet (gebied van een distr.-schoolopziener), o. âen; âinspecteur. m. â s; âlokaal, o. âlokalen; â man, m. âmannen; â iniiseiim, o. â s; â opziener, m. â s; â rejrlemenl, o. -en. Schoolblijven, ik bleef â, ik ben â gebleven. Mijn broer moest tot vijf uur Als samenstelling in één woord te schrijven: schoolgaan, school liggen, enz. Selioolscli (van, uit, naar de school), bn. en b\v.; âe kennis; âe manieren, pedant; âe geleerdheid; â lieid, v. Sclioon (fraai), bn. en bw.; â lieid, v.; â tjes (lief), bw. Schoonbroeder m. â s; âdochter (behuwd dochter), v. â s. Schoondruk (afgedrukt blad), m. gmv. Schoon e (schoone jonge dame), v. â n. Schoonen (reinigen), ik heb en ben geschoond. Schooner, Schoener (zeew. klein vaartuig; een tweemaster, zonder vierkante zeilen), m. â s. Schoonheid, v. âlieden; â «sevoel, o.; â -sxin, m. SchoonklinkeiKl (fig. aanlokkend), bn. Schoonmaak, v. gmv.; de Jaarlijkse he â. Schoonmaken (reinigen, poetsen), ik heb -gemaakt; een kamer â, een zolder â, een huis â ; het graan â. Als samenstelling in één woord te schrijven: schoonhouden,schoon-rijden, enz. Schoonmoeder (behuwdmoeder), v. â s; âomlers, m. mv. Schoonpraat (vleier), m. en v. âpralen. SchooiiMchiJnend, bn.; âe redenen, iets â voorstellen. SchooiiMchrift. o. âschriften. SehoonNclirijven (calligraphic), o. gmv. Schoonvalt;ilt;kr (behuwdvader), m. âs; â -zoon, m. âs en âzonen; âzuster, v. âs. Schoor (stut, steunbalk), m. schoren. Slt;*hoorsteen. m. â stecnen. Schoorvoeten (aarzelen), ik heb geschoor-voet; â d (talmend, dralend), bn. De jongen treedt â nader; iets â doen, ongaarne. Schoot (scheepsw. touw, tot reving van het zeil), m. schooten. Viert de âen! de âen aanhalen. Schoot (deel van een kleed), m. âen; de â van een jak. Schoot(/oor, spruit), m. schoten. Zie: Scheut. Schootvrij (bomvrij), bn. Dc deugdzame zelfs is niet â voor den laster, d. i. onkwetsbaar. Schooverzeil (het onderste zeil van den grooten mast), o. âzeilen. Schop (stoot met den voet), m. âpen. Schop (schommel), v. âpen; op de â zitten. Schop (spade), v. âpen. Schop|»eii (op speelkaarten), v. mv. Schoppen (met den voet stuoten), ik heb geschopt. Schopstot^l, m. âen; op den â zitten, op 't punt zijn ontslagen te worden; ik zit hier niet op een â. ik woon hier voorgoed. Schor (heesch), bn. en bw.; â heid, v. Schorenier (armoedige kerel), m. â s. gmz. Schoren (stutten, steunen), ik heb geschoord. Onze ij del he id schoort nog altijd eene kostwinning, die aldus versteent. (Potg.); â ing-, v. Schor ft bloem ( paardenbloou), v. â bloemen. Schorfte (warkruid), v. gmv. |
Schorpioen (spinachtig dier), m. âen. Schorre, Schor (onbedijkt land), v. schorren. Schorremorrie (gemeen volk, gepeupel), o. gmv. Schors (buitenste deel van den bast), v. âen. Schor, Schorre (aangeslibd land, dat nog niet bedijkt is), v. schorren. Schorsen (verschuiven, uitstellen), ik heb geschorst; iem. in zijn ambt â, tijdelijk ontzetten; een vergadering â, tijdelijk sluiten; -injr, v. Schorseneer (aardwortel), v. âeren. Ik stal het hart van mijn tante door van âeren Ie houden. (C. 0.) Schort (klein voorschool), v. âen. Schorteldoek, m. âen; âkleed, o. âen. Schorten (opschorten, uitstellen, ontbreken), ik heb geschort; â iBijiquot; (beletsel), v. Schorten (haperen), het heeft geschort. Wat schort er aanquot;.* Schot (voortgang), o.; â geven aan, d. i. maken, dat het vooruitschiet. Schot (schut, beschot), o. âten. Schot (het schieten enz.), o. schoten. Schot (belasting), o. gmv.; â en tot betalen. Schot (bewoner van Schotland), m. âten. Schotel (aarden schaal), m. âs of âen. Schots (ijsschol), v. âen. Schots (lomp), bw.; iem. â bejegenen, vero. Schotsch (onbeleefd, lomp, slecht), bn. vero. Schotsch (de taal der Schotten), o. gmv. Schotsch (dwars geruit), bn.; een âe mantel. Schotschbont (roodgeruit), bn. De lloll. jongen draagt een â kieltje. (C. O.) Schotschrilt(.sc/iim/?6v7/W Æ'/. brochure), o. -en. Schotwilg: (wilgeboom, dien men niet knot), m. âwilgen. Schouder (lichaamsdeel), m. âs of âen; hoog in de âs zijn; breede âs; lig. iets op zijn â laden, torsen, den last er van op zich nemen; iem. over den â aanzien, met boosheid, minachting. Schonderbanâ¬l((/rr/crlt;/[wm£?),rn. â en; â blad (breed driehoekig plat dekbeen van den rug), o. âen. Schondertm (oj) den scho tder nemen), ik heb geschouderd; het ge weet â. SvltnwiVermixntelilange vrouwemnantel met kap), m. âs. Ook: Schouwmantel. Svl\to\vt(politie-ambtenadr),ii. â en; âschap (ambt, gebied), o. vero. Schoiit-bij-nacht (laagste der vlagofficieren), m. schouten-bij-nacht en sl hout-bij-nachts. Schouw (schoorsteen), v. â en; een bodem looze ton bedekt de ruwe â (Tollens); een spiegel, die tegenover de â hing. (Potg.). Schouw (pont, schuit, praam), v. âen. Schouw (schouwing, toezicht), v. âen. SchouwburK' (theater), m. âburgen. Schouwen (bezien, inspecteeren), ik heb geschouwd; een lijk â, geneeskundig onderzoeken; de dijken Schouwplaats (tooneel), v. âen. Schouwspel (belangwekkend voorval),o. â en. Schouwspeler, m. â s; â spei'lster. v. â s. Schraag (draagezel, kruishout), v. schragen. Schraal (karig, mager), bn en bw.; â tjes, bijw.; -held, v.; â ite, v.; âhans (vrek), m. Schraap (het schrapen), v. schrapen. Schraapzucht (gierigheid), v. gmv. Schraapzuchtig^vrekldg, inhalig), bn.en bw. Schrab (krab, schram, schrap, kras), v. âben. Schrabben (schrappen, schrapen), ik heb ge- |
SCHR AFELEN - SCHUDDEBOL.
380
|
schrabd; ivortnlen â ; in.; â ijzor (schraapijzer), o.; â «».; âsc»I. o. SctiratVic^n (schrapen), ik heb gesflir:ücld; tie kip schmfeit in het zand, met de pooten krabben; âaar {gierUfiard), m. Sclira^n (ondersteunen), ik lieb geschraagd ; âer, m.; â ing*9 v. Seliralcii (het luwen van den' luind), bet heeft geschraald; de wind begint tr Schram (lichte wond, krab), v. âmen; ânietje, o. Scliraininen (licht kwetsen, de huid openrijten), ik heb geschramd. Scliri%tulvr(scherpzinni(j),hn.en b\v.; -hei«l,v. Sehrank (schraag), m. -en. Schrank (een bundel vlas), v. âen. gew. Schrankelbeen (persoon met kromme bee-nen), in. en v. â beenen. Schrankelbeeiien (debeenen kruislings over elkaar slaan), ik heb geschrankelbeend. Schrank«gt;len (scheef zijn), het is geschran-keld; âaar (die scheef loopt), m. Schrankcn (niet haaksch zijn), het is geschrankt; â ing*, v. Schransen (smullen, gulzig eten), ik heb geschranst; â er, m. Schrap (krab, schram, streep), v. âpen. Schrap (scherp), bw.; zich â zettoi, een vasten stand aannemen. Schrapcn (bijeenhalen, afkrabben, schrappen), ik heb geschraapt; wortelen â â¢geld â, de jeugd kent nog geen â; bij uitbr. Lig niet zoo op je viool te â; âer (gierigaard), m. Schraperig: (gierig), bn. en bw.; â hcid, v. Schrappen (doorhalen), ik heb geschrapt; een woord â, een letter â; â per, m.; â sel, o. Schrappen (afkrabben), ik heb âschrapt; aardappels â. Schred (schrede), m. schreden. Schrede (tred), v. schreden. Schreef (streep), v. schreven. Dat gaat buiten de â, d. i. te ver; een âje voor hebben, d. i. eenig voorrecht hebben. Schreep (schraal), bn.; een â gezicht hebben. gew. Schreeuw (gil), m. âen; een â geven. Schreenwen (luidkeels roepen, gillen, schreien, enz.), ik heb geschreeuwd: âer, m. Schreenwleelijk (persoon), m. en v. âen. Schreien (weenen, huilen), ik heb geschreid. Dat schreit ten hemel, d. i. roept om wraak. Schrepel (mager, schraal), bn. Fig. gierig. Schriel (schraal), bn.; - heid. v.; â ikheid, v. Schrift (de bijbelboeken), v. âen. Schrift (het geschrevene, ook cahier), o. âen. Schriftelijk (in schrift), bn. en bw.; een âe belofte, â werk; zich â verbinden. Schriftgeleerde, m. âgeleerden. Schriftmatig- (o vereenkomstig de //. Schrift), bn.; een âebelijdenis, âegevoelens; â heid,v. Schriftuur, v. schrifturen; âlijk, bn. en bw. Schrijheenen (loopen met wij duit staande beenen), ik heb âschrijbeend. Schrijdeling-s, bw.; de metselaar zat â op het dak. Zie: Schrijlings. Schr ijd eling'.scli (met de beenen u i tgespreid), bn.; in âe houding. Schrijden (met bréede s'appen loopen), ik schreed, heb geschreden. Schrijf bank, v. âen; â behoeften, v. mv. Schrijlings, bw. Het meisje zat â te paard. Ook: Schrijdelings. Schrijn (kast, kistje), o. âen. vero. |
Sclirijnen (gloeien, branden van wonden), het heeft geschrijnd; een âde wonde; het licht schrijnt mijn z\eke oogen; â ing, v. Schrijn werker (kastenmaker), m. â s. Schrijven (letters schrijven), ik schreef, heb geschreven; âer, m.; â erij. v. Schrijven (opstellen), ik heb âschreven; een brief â; een opstel -; verzen â. Schrijver (klerk; letterkundige), m. âs. Hij is â op dat kantoor; de âs der 11e quot;cuw. Schrij versbent (club van schrijvers), v. Hij behoort tot die â (minachtend). Schrik (ontsteltenis), m. âken. Schrikbarend (verschrikkelijk, ij se lijk) bn.; tot onze âe verveling. (C. O.). Schrikbeeld (akelige voorstelling), o. âen. Schrikbewind, o. Het â van Robespierre, d.i. de wreede tyrannieke regeering; terrorisme. Schrikkeldag:(der/at? tusschen 23en24 Febr. in een schrikkeljaar), m. âdagen. Schrikkeljaar, o. âjaren. Schrikkelmaand (Februari), v. âen. Schrikken, ik heb en ben geschrikt. De jongen schrikte het paard. Wat schrikte (schrok) ik! Schril (schraal, schel, scherp), bn.; een âle stem; âle tonen; fig. met âle kleuren iets afschilderen. Sehrobbeering (scherpe berisping), v. âen. Schrobben (den vloer reinigen), ik heb geschrobd; â er (werktuig), m.; â ing:, v. Schrobnet (sleepnet), o. ânetten. Schrobxaag' (fijne handzaag), v. âzagen. Schroef (cilindervormig stuk hout of metaal met eene spiraallijn, v. schroeven; âbank, v. âen; âboor, v. âboren; â boot (sfoom-boot), v. âbooten; âdraad. m. âdraden; â lijn, v. âen; âmoer,v.âen; âmolen, m. â s; âring. m. âen; âtang-, v. âen; â winding:, v. âen. Schroeien (zengen), ik heb geschroeid; âer. m.; âing:, v.; â sel, o.; âijzer, o. Schroevedraaier (werktuig), m. â s. Schroeven (een schroef aandraaien), ik heb geschroefd. Schrok (vraat, gierigaard), m. âken. Schroken (zengen, schroeien), ik heb en het is geschrookt. vero. Schrokken (gulzigslokken), ik heb geschrokt; â er, m. â s. Schrokkig- (gulzig), bn. en bw.; âheid, v. Schrollen (knorren, smalen, vitten), ik heb geschrok!. Hij schrott op het dorpsbestuur. Schromelij k (vreeselijk), bn. en bw.; -heid. v. Sch romen (duchten, vreezen), ik heb geschroomd. Schrompelig* (rimpelig), bn.; een â bestje. Schroodbeitel(werktuig), nu -s; -ijzer, o. -s. Schroom (angst, vrees), m. gmv. Schroomvallig (bevreesd, angstvallig), bn. en bw.; âheid, v. Schroot (brokjes gekapt ijzer), o. gmv. Schub, Schubbe (dekplaatje), v. âben; â -betje, o. â s. Schubben (ontdoen van de schubben), ik heb geschubd; eoi visch â. Schubdier (tandeloos zoogdier met dakpan-vormig gelegen schubben), o. â en. Het â leeft in Azië en Afrika. Schub visch(visc/i m. schubben) m. â visschen. Schuchter (bedeesd, schroomvallig), bn. en bw.; âheid, v. Schudde (landlooper, schavuit), m. â n. Schuddebol (persoon), m. en v. âbollen. |
:X â SCHH AB13EN.
schoolbluve:
|
schoolopziener), o. âen; âatlas, m. âsen; â blail (nieuwsblad), o.âen; â commissie (toezicht), v. â s, â siën; âdistrict (gebied van een distr.-schoolopziener), o. âen; â iu-specteur, m. â .s; âlokaal, o. âlokalen; â man, m. âmannen; âmuseum, o. â s; â opziener, m. â s; âreglement, o. âen. Schoolblijven, ik bleef â, ik ben â gebleven. Mijn broer moest tot vijf' uur â. Als samenstelling in éèn woord te schrijven; schoolgaan, schoolliggen, enz. Schoolseli (van, uit, naar de school), bn. en bw.; âe kennis; âe manieren, pedant; âc geleerdheid; â li«»ilt;i, v. Sciio(»n (fraai), bn. enbw.; â lieilt;I, v.; â tjes (lief), bw. Schoonbroeder (r/zwf/cr), m. â s; â flochter (behuwd dochter), v. â s. Schoondruk (afgedrukt blad), m. gmv. Schoone (schoone jonge dame), v. â n. Schoonen (reinigen), ik heb en ben geschoond. Schooner, Schoener (zeew. klein vaartuig; een tweemaster, zonder vierkante zeilen), m. â s. Schoonheid, v. âheden; â sj^evoel, o.; â -sxin, m. Schoonklinkend (fig. aanlokkend), bn. Schoonniaak. v. gmv.; de jaarlijksche Schoonmaken (reinigen, poetsen), ik heb -gemaakt; een kamer â, een zolder â, een huis â ; het graan â. Als samenstelling in êcn woord te schrijven: schoonhouden, schoon-rijden, enz. Schoonmoeder (behuwdmoedcr), v. â s; âouders, m. mv. Schoonpraat (vleier), m. en v. âpralen. SchoonschijneiKl, bn.; â e redenen, iets â voorstel le) i. Schoonschrift, o. âschriften. Schoonschrijven (calligraphic), o. gmv. Schoonvader (behuwdvader), m. âs; â -zoon, m. â s en âzonen; -zuster, v. â s. Schoor (stut, steunbalk), m. schoren. Schoorsteen, m. â steenen. Schoorvoeten (aarzelen), ik heb geschoor-voet; â d (talmend, dralend), bn. De jongen treedt â nader; iets â dooi, ongaarne. Schoot (scheepsw. touw, tot reving van het zeil), m. schooten. Viert de âen! de âen aanhalen. Schoot (deel van een kleed), m. âen; de â can een jak. Schoot(/00f, s])ruit), m. schoten. Zie: Scheut. Schootvrij (bomvrij), bn. De deugdzame zelfs is niet â voor den laster, d. i. onkwetsbaar. Schooverzeil (het onderste zeil van den grooten mast), o. âzeilen. Schop (stoot met den voet), m. âpen. Schop {schommel), v. âpen; op de â zitten. Schop (spade), v. âpen. Schoppen (op speelkaarten), v. mv. Schoppen (met den voet stooten), ik heb geschopt. Schopstoel, m. âen; igt;p den â zitten, op 't punt zijn ontslagen te worden; ik zil hier niet op een â. ik woon hier voorgoed. Schor (heesch), bn. en bw.; â heid, v. Schorenier (armoedige kerel), m. â s. gmz. Schoren (stutten, steunen), ik heb geschoord. Onze ijdelheid schoort nog altijd eene kostwinning, die aldus versteen!. (Potg.); â ingquot;. v. Schorftbloem (paardenbloem),\. â bloemen. Schorfte (warkruid), v. gmv. |
Schorpioen (spinachtig dier), m. âen. Schorre, Schor (onbedijkt land), v. schorren. Schorremorrie (gemeen volk, gepeupel), 0. gmv. Schors (buitenste deel van den bast), v. âen. Schor, Schorre (aangeslibd land, dat nog niet bedijkt is), v. schorren. Schorsen {verschuiven, uitstellen), ik heb geschorst; iem. in zijn ambt â, tijdelijk ontzetten; een vergadering â, tijdelijk sluiten; -ing:, v. Schorseneer (aardwortel), v. â eren. Ik stal het hart van mijn tante door van -eren te houden. (C. O.) Schort (klein voorschoot), v. âen. Schorteldoek. m. âen; âkleed, o. âen. Schorten (opschorten, uitstellen, ontbreken), ik heb geschort; âin;;' (beletsel), v. Schorten (haperen), het heeft geschort. Wot schort er aanquot;.* Schot (voortgang), 0.; â geven aan, d. i. maken, dat het vooruitschiet. Schot (schut, beschot), 0. âten. Schot (het schieten enz.), 0. schoten. Schot (belasting), o. gmv.; â en tot betalen. Schot (bewoner van Schotland), m. âten. Schotel (aarden schaal), m. âs of âen. Schots (ijsschol), v. âen. Schots (lomp), bw.; iem. â bejegenen, vom. Schotsch (onbeleefd, lomp, slecht), bn. vero. Schotscli (de taal der Schotten), o. gmv. Schotsch (dwars geruit), bn.; een âe mantel. Schotsch bont (roodgeruit), bn. De Hall. jongen draagt een â kieltje. (C. O.) Schotschrift(sc/um/76r/#r//Y. brochure), o. -en. Schot^vilg (u'ilgeboom, dien men niet knot), m. âwilgen. Schouder (lichaamsdeel), m. â s of âen; hoog in de âs zijn; breede âs; fig. iets op zijn â laden, torsen, den last er van op zich nemen; iem. over den â aanzien, met boosheid, minachting. Schouderband(rfmo/7b(md),rn. âen; â blad (breed driehoekig plat dekbeen van den rug), 0. âen. Schouderen (op den schouder nemen), ik heb geschouderd; het geweer â. SctMUilermantel(lange vrouwenmantel mei kap), m. â s. Ook: Schouwmantel. Hisiko\\t(politie-ambtenaar),m. â en; âschap (ambt, gebied), 0. vero. Schout-bij-nacht (laagste der vlagofficieren), m. schouten-bij-nachten schout-bij-nachts. Schouw (schoorsteen), v. â en; een bodem looze ton bedekt de ruwe â (Tollen;;); een spiegel, die tegenover de â hing. (Potg.). Schouw (pont, schuit, praam), v. âen. Schouw (schouwing, toezicht), v. âen. Schouwburg: (theater), m. âburgen. Schouwen (bezien, inspecteeren), ik heb geschouwd; een lijk â, geneeskundig onderzoeken; de dijken â. Schouwplaats (tooneel), v. âen. SvUtouivHiwl (be lang wekkend voorval),o. â en. Schouwspeh'r, m. â s; -speelster, v. â s. Schraag' (draagezel, kruishout), v. schragen. Schraal (karig, mager), bn. en bw.; â tjâ¬Â»s, bijw.; âheid, v.; âte, v.; âhans (vrek), m. Schraap (het schrapen), v. schrapen. Schraapzucht (gierigheid), v. gmv. Schraapzuchtig tre/r/r/fif, n ha lig), bn. en bw. Schrab (krab, schram, schrap, kras), v. âben. Schrabben (schrappen, schrapen), ik heb ge- |
SCHRAFELEN - SCHUDDEI30L.
380
|
schrabd; wortelen â; âhor, m.; â ijzor (schraapijzer), o.; â mes, o.; âsol. lt;». Schrafoion (schrapen'), ik licb gesclirafcld; de kip schr a feit in het zand, met lt;le pooten krabben; âaar (giet%igaard), m. Solirafi'oii (ondersteunen), ik lieb gesc-iiraagd; âer, m.; â ingquot;, v. Seliralon (het luwen van den wind), bet beeft geschraald; de wind beffint te Scliram (lichte wond, krab), v. âmen; ânietje, o. Seliraimnen (licht kwetsen, de huid openrijten), ik heb geschramd. Schraiiâ¬ler(sc/è^rprmn/ry),bn.en bvv.; -Iieid,v. Schrank (schraag), m. âen. Selirank {een bundel vlas), v. âen. gevv. Sehrankeibeen (persoon met kromme bee-nen), m. en v. â beenen. Selirankelbeenen (debeenen kruisllnffsoiun' elkaar slaan), ik heb geschrankelbeend. Selirankelen (scheef zijn), het is geschran-keld; âaar (die scheef loopt), m. Seliranken (niet haaksch zijn), het is geschrankt; â in^, v. Seliranken (smullen, gulzig eten), ik heb geschranst; â er, m. Selirap (krab, schram, streep), v. âpen. Schrap (scherp),}^â¢.; zich â zetten, een vasten stand aannemen. Schrapen (bijcenhalen, afkrabben, schrappen), ik heb geschraapt; wortelen â; geld de jeugd kent nog geen â ; bij ui tbr. Lig niet zoo op je viool te â ; âer (gierigaard), m. Schraperig: (gierig), bn. en bw.; â heid. v. Schrappen (doorhalen), ik heb geschrapt; een woord â, een letter â; â por. m.; â sel. o. Schrappen (afkrabben), ik heb âschrapt; aardappels â. Schretl (schrede), m. schreden. Schrecle (tred), v. schreden. Schreef (streep), v. schreven. Dat gaat buiten de d. i. te ver; een âje voor hebben, d. i. eenig voorrecht hebben. Schroop (schraal), bn.; een â gezicht hebben. gew. Schreeuw (gil), m. âen; een â geren. Schreeuwen (luidkeels roepen, gillen, schreien, enz.), ik heb geschreeuwd: âer, m. Schroonuloolijk (persoon), m. en v. âen. Schreien (weenen, huilen), ik heb geschreid. Dat schreit ten hemel, d. i. roept om wraak. Schrepel (mager, schraal), bn. Fig. gierig. Schriel (schraal), bn.; âheid, v.; â ikheid, v. Schrift (de bijbelboeken), v. âen. Schrift (het. geschrevene, ook cahier), o. âen. Schriftelijk (in schrift), bn. en bw.; een âe belofte', â werk; zich â verbinden. Schriftffelecrde, m. âgeleerden. Sell riftmatig1 (o vereen komst ig de H. Schrift), bn.; een âe belijdenis, âegevoelens; â heid, v. Schriftuur, v. schrifturen; âlijk, bn. en bw. Schrijheenen (loopen niet wijduit staande beenen), ik heb âschrijbeend. Schr ij deling;»!, bw.; de metselaar zat â op het dak. Zie: Schrijlings. Sohr ijdeling'sch (met de beenen u itgespreid), bn.; in âe houding. Schrijden (met breede stappen loopen), ik schreed, heb geschreden. Schrijf bank, v. âen; â bohoofton, v. mv. Schrijlings, bw. Het meisje zat â te paard. Ook: Schrijdelings. Schrijn (kast, kistje), o. âen. vero. |
Schrijnen (gloeien, branden vaii wonden), het heeft geschrijnd; een âde wonde; het licht schrijnt mijn z\eke oogen; â ing. v. Schrijn worker (kastenmaker), m. â s. Schrijven (letters schrijven), ik schreef, heb geschreven; â â¬Â»r, m.; â erij, v. Schrijven (opstellen),ikhehâschreven; een brief â; een opstel -; verzen â. Schrijver {klerk; letterkundige), m. âs. Hij is â op dat kantoor; de âs der i7e eeuw. Schrijversbont (club van schrijvers), v. Hij behoort tot die â (minachtend). Schrik (ontsteltenis), m. âken. Schrikbarend (verschrikkelijk, ij se lijk), bn.; tot onze âe verveling. (C. O.). Schrikbeeld (akelige voorstelling), o. âen. Schrikbewind, o. Flet â van Robespierre, d.i. de wreede tyrannieke regeering; terrorisme. Schrikkeldag: (de ^/agr tusschen -23 en '24 Febr. in een schrikkeljaar), m. âdagen. Schrikkeljaar, o. âjaren. Schrikkelmaand (Februari), v. âen. Schrikken, ik heb en ben geschrikt. De jongen schrikte het paard. Wat schrikte (schrok) ik! Schril (schraal, schel, scherp), bn.; een âle stem; âle tonen; fig. met â le kleuren iels afschilderen. Schrobbeering' (scherpe berispimi), v. âen. Schrobben (den vloer reinigen), ik heb geschrobd; â er {werktuig), m.; â ing-, v. Schrobnet (sleepnet), 'o. ânetten. Schrobzaag (fijne handzaag), v. âzagen. Schroef (cilindervormig stuk hout of metaal met eene spiraallijn, v. schroeven; âbank. v. âen; âboor, v. âboren; â boot(sfoom-boot), v. âbooten; âdraad, m. âdraden; â lijn, v. âen; â moor, v.âen; âmolen, m. â s; âring, m. âen; âtang, v. âen: â winding, v. âen. Schroeien (zengen), ik heb geschroeid; âer, m.; âing. v.; âsel, o.; âijzer, o. Schroovodraaior (werktuig), m. âs. Sehroeven (een schroef aandraaien), ik heb geschroefd. Schrok (vraat, gierigaard), m. âken. Schroken (zengen, schroeien), ik heb en het is geschrookt. vero. Schrokken (gnlzigslokken), ik heb geschrokt; â er, m. â s. Schrokkig (gnlzig), bn. en bw.; âlieid, v. Schrollen (knorren, smalen, vitten), ik heb geschreid. Hij schrolt op het dorpsbestuur. Schromelijk (urwwf/yA), bn. en bw.; -heid, v. Schromen (duchten, vreezen), ik heb geschroomd. Schrompelig: (rimpelig), bn.; een â bestje. Schroodbeitol (werktuig), m. -s; -ijzer, o. -s. Schroom (angst, vrees), m. gmv. Schroomvallig- (bevreesd, angstvallig), bn. en bw.; -heid, v. Schroot (brokjes gekapt ijzer), o. gmv. Schub, Schubbe (dekplaatje), v. âben; â -botje, o. â s. Schabben (ontdoen van de schubben), ik heb geschubd; een visch â. Schnbdier (tandeloos zoogdier met dakpan-vormig gelegen schubben), o. â en. Het â leeft in Azië en Afrika. Schiibvisch(viquot;sc/i m. schubben) m. â visschen. Schuchter (bedeesd, schroomvallig), bn. en bw.; âheid, v. Schudde (landlooper, schavuit), m. â n. Schuddebol (persoon), m. en v. âbollen. |
SCHÃDDEP.OLLEN - SCRUPEL.
|
Scliiiflilobollen {met het hoofd schudden), ik hel) geechuddebold; â van lachen Slt;*liii4l«llt;kii (hern en weer bewegen), ik heb geschud; â «»r, in.; â insquot;, v. (horsh'l, kleerborstel), m. â s. Slt;*lniilt;'rlt;'ii {met den borstel reinigen), ik heb geschuierd; âaar. m.; â iii£'. v. Scliiiif' (lade), v. schuiven. Si'lui if Vla ar (klaplooper, panlikker), m. â laren of â s; âster. v. â s. Sell uil Vie ii (blazen, sissen als een slang), ik heb geschuifeld; â ing*, v. Seiitiilelen (schuifelend bewegen), ik heb geschuifeld. De roeten âden, alsof twee men-schen worstelden; jongen, zit zoo niet te Scliiiil'troiupet (trombone),\. â trompetten. Sell uil'uil (een groote uil), m. â uilen. De â knert. (Staring.) Seliuilen(z/r7/ verbergen), ik school, heb en ben gescholen; ook ik heb en ben geschuild. Waar mag de man toch â, d. i. zich ophouden; hier schuilt iets achter, er is eenig geheim, het is niet pluis; er schuilt een adder onder 't gras, er is groot gevaar onder verborgen. Seiiuilevinkje (kinderspel, verstoppertje), o. gmv.; â spelen. Sell uil ga a ii (zich verbergen) ik ging â, ben â gegaan. De zon qinq schuil achter donkere wolken. Seliuillioek (verborgen plaats), m. âen. SeliuillioiHleii (zieli). ik hield mij â, heb mij âgehouden. Seliuiluaaiii {moderne term voor pseudoniem), m. ânamen. Hildebrand was de â van Xi co laas Heets. Seliuilplaafk (veilige plaats), v. â plaatsen. Seliuini. o. gmv.; het â der zee; fig. â van volk, gemeen volk. Scliuimbekfceii, ik heb geschuimbekt; â ran woede. Seliuiiiiblalt;l (schuimkruid, koekoeksbloem), o. gmv. Seliuiiiieu (ontdoen van schuim, zuiveren), ik heb geschuimd. Zij moet de soep nog Scliuinieii (schuim opwerpen), het heeft geschuimd. Dit bier tuil niet â; een âde waterval. Fig. op zee â, zeeroof plegen. Seliuiiiier (klaplooper), m. â s, Seliuiiiiloo|M*r (tafelschuimer), m. âs. Seliuiiupje (gebakje), o. â s. Seliuiiiis|maii (houten schuim lepel), v. â -spanen. SeOiuiii (scheef, fig. dubbelzinnig), bn. en bw.; Die tafel staat â; een âe mop, een gewaagde aardigljeid; â lieiil, v. Seliuiiien (schuin maken), ik heb geschuind. SeliuiiiM, bw. Hier â over woonde William. (C. O.). Seliuiiiseli. bn.; in âe richting; âlu^id, v. Seliiiinte (helling), v. â n.; de â van een heuvel. (Staring.) Seliuit (vaartuig), v. âen; een trekâ, een modderâ; per schuit gaan of komen; een â turf, zand, hooi; hij komt al in mijn â, hij wordt het met mij eens. SelmHevoerfler (schipper op een lichter), m. â s; âvracht, v. âen. Seliuiven (langs den grond duwen), ik schoof, heb en ben geschoven; âer. m. âs. Seliiiivuit (een soort van grooien uil), m. âen. SeliuUl (wat nwn te betalen of goed temaken heeft) v. âen. |
SehulclelooN (zonder schuld, niets misdreven hebbende), bn. en bw.; â lieid, v. Seliuldeiiaar, m. â s, -naren; â uares, v. âsen. Seliuldig {verplicht, gehouden), bn. on bw. Seliulriige (iem. die schuldig is), m. en v. â n. De â zal gestraft worden. Seliuli», v. -en.; in zijn â kruipen, bang worden. Ook Schelp. Seliulper (pompbuor), m. â s. Seliulpzaag (groote spanzaag), v. âzagen. Selmreii (in de schuur brengen), ik heb geschuurd; het koren â. Seliureii (wrijven, gladmaken), ik heb geschuurd: Kcliüiirsel. o. Seliurit (huidziekte), v. en o. gmv. Seliurl't (schurftig), bn.; een â schaap; â Iieid, v. Seluirftig, bn.; een â schaap: tig. netelig, lastig: een âe rechtszaak. Seliurk (schelm), m. âen. Seliurk (wrijfpaal v. h. vee), m. âen. Seliurkaclitift'. bn. en bw.; â lieid. v. Seliurkeu(rkgt;/i wrijven),ik heb mij geschurkt. Seliurkeiis»tre«'k. m. âstreken; âstuk. o. â ken; âwerk, o. gmv. Seliurkerü (schelmerij), v. âen. Seliut (geschut), o. gmv. vero. Seliut (scherm, omheining), o. âten. Seliutlgt;lalt;l (deel van den band eens boeks, ook dekblad), o. âbladen. Seliuts (bescherming), v. gmv. Spanje vroeg â aan de Engelschè ree! (1039). Schutsbrief {handvest, octrooi), m. â lirieveu. Sebutsel (bescherming), o. â s. Seliutseii^el (beschermengel), m. âon; â -^â 4Ml, m. âen; âgrocliu. v. â nen; âlieer, m. âen; âheilig (patroon), m. en v. ân. ScliiitsluiK {waterkeering), v. âsluizen. Scliutspalrouii (giIdehcilige), m. â patronen. St. Serverius is de â der wevers; â patro- ll4kS, V. Schutten (opsluiten; ook tegenhouden, verhinderen), ik heb geschut; een iisloopend stuk vee â ; het water â ; Dutten, sprak mooi Heintje, ivacht dut moet ik â. (Huygens); â er, in.; â iii$s\ v. Schuttlt;kr (lid der burgerwacht), m. âs. Schutteren (exerceeren als schutter), ik heb â schutterd. Schutterig (erg druk, zenuwachtig), bn.; De âe heer Bruis. (C. O.); - heiri. v. SehutteriJ (gewapende burgerij), v. âen. ScrhuttiiiK' (planken omheining), v. âen; â inkje, o. â s. Schuur (bergplaats), v. schuren. Sehuiirpaai (wrijfpaal, schurkpaal in de wei), m. âpalen. Schuw (Imunyst), bn. en bw. â heiil. v. Seliiiweu (vermijden), ik heb geschuwd. Schwarirouiieereii (fig. pochen, zwetsen), ik heb â schwadronneerd. Sciopticou (tooverlantaarn met versterkte lens), m. â s. Scoiito, ook lgt;iKlt;*uiito (korting), o. â's. Scorbut, âbuut (scheurbuik), o. gmv. Scratch (sport, streep, krap. beginlijn, meel, lees: skretsj), v. -es. Scriba (schrijver, geheim se! rijver, secretlt;i ris), m. â's. Scribent (schrijver, veelschrijver), m. âen. Scrupel(mefZ/cmw// gewicht run '/it drachme of ± '1,3 gram), o. â s. |
SCRUPl 'LEUSâSENESTRUIK.
|
Scrupulous (nauwyczet van geweten, amj-stiy), bn. Scrutineereu (uitvorschen; dooruronden; lii^. stemmen opnemen of inzamelen). Sculpsit {hij heeft het tjeip aveerd). Zie So. Senlptnur (heeldhon wkunde', snij kiinst;beeld-eri snijwerk), v. gmv. Sc.ylla {klip in de straat van Messina), v.; van â in Charybdis komen, van kwaad tot erger vervallen. Stance {zitting, veryaderiny), v. â s; een â ye ven. Sâ¬Â»lt;?. SeK {wijn uit gedroogde druiven), m.; Madera â. S«'t*aiis (wisk. snijlijn), v. secanten. Seclmleeren {uitsluiten). Seclusie {uitslaitiny), v. gmv.; acte van â (4 Mei 1654). Secondair {ondergeschikt, afhankelijk), bn. Secondant {helper, bijzonder in een tweegevecht; onderwijzer aan een instituut of kostschool), ni. âen. Seconilante {onderwijzeres), v. â s. Sccondc. Sccundc (Vno minuut; meetk. teeken), v. â n. Secondeereu {bijstaan, helpen, begeleiden). Secontlo (muz. tweede stem), v. gmv. Secondlt;» {ten tweede), b\v. Secreet {geheim; bestekamer), o. âeten. Secretaire {schrijftafel of -kast; ook bekend stuk huisraad met laden), v. â s. Secretariaat {ambt van secretaris), o. âaten. Secretarie {bureau van den secretaris), v. -ën. Secretaris (geheimschrijver, griffier, ambtenaar; ook een soort v. valk), m. âsen. Sectaris {volgeling eener sekte), in. âsen. Sectie {insnijding, afdeeling), v. âs, âiën. Sectie (mil. helft v. e. peleton), v. âs; âconi- â iiandant {onderolficier), m. âen. Sector {gedeelte van een cirkel begrepen tus-scJien twee stralen en een boog), m. â s, âen. Seculair {tijdelijk, niet-geestetijk), bn. Seciilariseeren {wereldlijk maken, geestelijke gestichten verkoopen). Secnnda (muz. de tweede toon na den grondtoon), v. â's. SecuiKio {ten tweede), b\v. Secureeren {verzekeren, in veiligheid stellen ). Securiteit (zekerheid, onderpand, veiligheid), v. gmv. Secuur {zeker, nauwkeurig, vast), bn. Zie: Sekuur. Sedert, vz., vgw. en b\v. Hij is vertrokken â veertien dagen, â gisteren ; hij is gezond, â hij hier woont. Kn â ving haar lijden aan. (Do Genest.). Sedes {zetel, woonplaats), m.; â apostolica, pauselijke stoel. Sedinient {bezinksel, grondsop, droesem), o. âen. Sefliinentair (bezonken\ bn.; âe gesteenten. Sc^litie {oproer, muiterij, rustverstoring), v. â tiën, âties. Selt;litieus {oproerig, muit ziek, woelig), bn. Sednctie {verleiding, verlokking), v. gmv. SedniMant {verleidelijk, verlokkend), bn. Seffens {dadelijk, terstond), bw. vero. Ik zal â komen. Segment {afsnijding; gedeelte van een cirkel begrepen tusschen een koorde en een boog). o. âen. Se^'iio (dal) (muz. van het teeken af weder te beginnen), u. Zie IK S. |
Schrijn {fijn gekorreld leder), o. âen. Segfrijnen (van segrijn gemaakt), bn.; een â band. Seigneiir (adellijk heer), m. âs.; grand groote hans; den grand â spelen, den gein-aden haan uithangen. Sei^neurie (adellijk goed), v. â rieën. Sein {een teeken, signaal), o. -en. Seinboek (atlas met seinafbeeldingen), o. â boeken. Seinen, ik heb geseind. Wij zullen hem het nieuws â, d. i. telegrapheeren; âer. m. Seizen (zeew. aangrijpen, vatten; een kabel vastsjorren), ik heb geseisd. Seixin^' (zeew. een kort gevlochten plat en spits uitloopend touw), v. âen. Seizoen (jaargetij), o. âen. Sejonr {verblijf), o. gmv. SejourneereiK verblijven,een tijdlang wonen). Sek {zware zoete wijn der Can arische eilanden), m. gmv. Sekreet (privaat), u. sekreten. Sekse (kunne, geslacht), v. â n.; deschoone Sekte {geloofspartij), v. â n. Slt;kkteg;eest {ijver' van een geestdrijver), m. gmv.; âmaker {scheurmaker), 'm. âs.; â s«*liool {door een sekte opgericht en onderhouden), v. âscholen. Sekteniiaat {onderlinge haat der geloofs-drijvers), m. gmv. Sekuur (zeker, precies, nauwgezet), bn.; een â ventje. Ook: Secuur. Sel (achtervoegsel), b.v. deksel, stijfsel, blauwsel, d. i. het middel, â baksel, zaagsel, brouwsel, d. i. het voortbrengsel. Sela. Selali (van voren af! let op!), bw. Selderij {gekweekte groente), v. gmv. Seldreinent {drommels), tw. Select {uitgelezen, uitverkoren), bn. Selectie {keus, verkiezing) v. â s, âtiën. Selene {de maangodin, de maan), v. gmv. Seleniet {maanbewoner), m. en v. âen. Seleno^ raaf (maanbeschrijver), m. â grafen. Selvas {dichte wouden aan de Amazone in Z. Am.) v. mv. Semaplioor. â pliore {optische telegraaf). v. â phoren. Sein bah (Mal. beleefdheidsbuiging), v. â's. Semester {halfjaar), o. â s. Semestraal {hal fjaar lij ksch), bn. Slt;knii {half), bn. âarts {iemand die nog niet geheel als arts bevoegd is; âcolon {kommapunt), v. â s. Semieten {afstammelingen van Sem), m. mv. De Israëlieten zijn Seminarist {kweekeiing van een seminarium) m. âen. Seminarium (kweekschool, b.v. voor toekomstige U. K. godsdienstleeraars), o. â s, â naria. Semitiscli. bn.; âe talen, als Hebreeuwseh, Arabisch, enz. Zie: Semiet. Semper {altijd), bw.; âcrescendo, altijd wassende : â idem, altijd dezelfde; â {torens, altijd bloeiend; âvirens, altijd groenend. Senaat (de raad der ouden, hooge raadsvergadering; Eerste Kamer), m. senaten. Senator {raadsheer), m. â en. Ook: Senate nr. Senatus-consiilf {raadsbesluit, decreet), o. â consulten. Seneblad (afdrijvend geneesmiddel}, o. â -bladen, âbladeren, -blaren. Seneplant {geneeskrachtige plant), v. âen. Senestruik. m. âstruiken. |
SEN1LBOOM â STAMPAN.
392
|
Slt;'iiill»lt;»4»iii (linzebooni), m. â boomen. Slt;gt;iiioi* (dc (indcrr, oin/sle), bn. Zie Son. of Sr. Scnioraat {recht run i'rl'opvolfiuifi thiordrn oudstr; iiKiJoriml), n. â uten. Soiiik'si (Zivitsersche Alpenherders), in. in v. Sf'iiiilint {zomerhut op de hooije Alpen), v. â hutten. Sonsalio {(jewanrwordimi, fjevoel; hewefiinri, (/istivn, yeruisch), v. â s, âtien; âbericht, o. âen. Sensibel (gevoeliy, leer; erkentelijk, dankbaar), bn. SensibilitHI (yevoeliyheid), v. gmv. SoiiHitiof' (zinnelijk, ralbaar voor indrukken), bn. Scnsit iviNine (lellerki.indiye rich liny, zeker stelsel ran romanschrijven), o. gmv. SoiiKitivitcit (lijnyevoeliyheid), v. gmv. De â deze)' eeuw beeldt zich uit in onze romans. SensiialisiiK' (leer deryenen, die niets aannemen dan wat door de zinnen wordt waar-yenomen), o. gmv. Sensualist (zinnelijk mensch), m. âen. Sensualiteit (zinnelijkheid), v. gmv. Sensueel (zinnelijk, wellustiy), bn. en bw. Sententie (uitspraak, zin- en zedenspreuk, korte y edoch te', rechterlijke uitspraak, von-. nis), v. âtien, âties. Sententieus (zin- of' leerrijk, kernspreukiy, vol schoone yedachten), bn. SentiiiK'iit (yevoelen, denkwijs, yedachle; oordeel, neiyiny), o. âen. Sentinic^ntaliteit, -teellieid (overyevoe- liyheid), v. gmv. Sentiinenteel (overdreven en belachelijkyc-voelig), bn. en bw. Gij zijt te â in het kiezen can zijn pel. (C. O.) Nicht .lansje roemt op âen toon de schoonheden (Koetsveld.) Separaat (afyezonderd, yescheiden), bn. Separabel {scheidbaar,- a [schei del ijk), bn. Separatie (scheidiny), v. â s, â tiën. Separatisme (zucht tot afzondering in zake van godsdienst of staatkunde), o. gmv. Separatist (afyescheidene), m. en v. -en. Separatistiseli (op de wijze der afgescheidenen, het separatisme bevorderend), bn. Separeereu (afzonderen, scheiden). Sepia (de inktvisch, ook: het bruine sap uit de blaas van dennnktvisch; bruine tint), v. gmv. September (herfstmaand), in. Septennaat (reyeerinystijdperk van zeven jaar), o. âaten. Septentrionaal (noordelijk), bn. Septet,Septuor (ninz. zevenstemmiy stuk),o. Septima. Septime (muz. zeven/Ie toon van een octaaf), v. â's; â n. Septuajffesinia(//e^'Xonday vóórPaschcn),\. Sequester (beslay, arrest), o. gmv. Sequestreeren (beslay leyyen opf. Seraf (enyel), m. âs; âijn. m. âen. Seraline (klein huisoryef), v. â s; âorgel,o. Serail (paleis van den Turkschen keizer; woning der vrouwen van een Turkschen yroole), o. â s. Serenade (avond- of nachtmuziek, eeremu-ziek des avorfds), v. â s. Sereuis'sima (doorlachtiye,titel eener reyee-rende vorstin), v. Sereuis'simus (doorluehtiye titel van een regeerenden vorst), m. Serge, Sarge (lichte yekeperde wollen stof), v. â s; een â rok, een â jak. (Potg.) Sergeant (onderofficier), m. â s. |
Serg-eant-majoor. m. â s. Sergeantsstrepen, v. mv. Serie (reeks, rij, orde), v. serü-n. Serieus (ernstiy,plechtig,yewichtig), bn. en bw. Sering, Syring (bloem), v. seringen. Slt;kringebloesem, m. âbloesems; âboom. m. âen; âstruik, m. âen. Sermoen (predikatie, preek), o. âen. Sero (Iml. vaste fuik, staketsel van bamboe in den vorm eener V), v. â's. ' Seroetoe (Mal. inlandsche sigaar), v. â s. S«krpckling (zoetwatervisch), m. âen. Serpent (slang, ook zeker slangvormig blaasinstrument). o. âen. Serpentig (als een slang; boos, vinnig), bn. Serpent ijn (oud stuk geschut, veldslang), v. âen. Serpentijiisteen (slangensteen, slangswijze gevlekte talksteen), o. gmv. Serpertine(reegt;* lange opgerolde papierstrook, 1 tvaarmee bij vroolijke feesten de deelnemers elkaar werpen), v. â s. Starre (broeikas, âhuis), v. â s. Slt;kruni (waterachtiye stof, wei), o. â s. Servet (tafeldoek), o. âten: âband. m. â en; â golt;kd, o.; âmand. v. âen ; âring. m. âen. Serviee (dienst, bediening), v. gmv. Serviel (slaafsch, laay, kruipend), bn. en bw. Servies (theeyoed, koffiegoed), o. serviezen. Servilisme (slaafschheiti), o. gmv. Serviliteit (slaafschheid, kruiperij), v. gmv. Svr\itenr(d ienaar,bediende;diepe buiging).m. Servituut (dwang- of leendienst; bezwaar, last, b.v.: de gedwongenheid, een ander op zijn grond zekere vrijheden toe te staan), o. â tuten. Sesak (Ind. heining van bamboe), m. â s. Sesam (tooverwoord: open n!), bw. Sesam (Egypt, oliezaad), v. gmv. Sessie (r/Mmr/, gerechtszitting), v. âsiën, âs. Setter (patrijshond), m. -s.quot; Sevère (gestreng, barsch), bn. Severiteit (ernstigheid; hard-, streng- of scherpheid), v. gmv. Se vign^ (haak- of borstspeld der dames), v. â s. Sèvres (Fransch porselein), o. gmv. S(ku'ali, (Ind.-Muleiscli. kromme dolk met zeer klein gevest), v. â s. Sextant (hoogtemeter), v. âen. Sexte (muz.zesde tooninde klankladder),v.ân. Se.vtnplet (sport, rijwiel voo'% zes personen, lees: seks'-ti-oe-plet), o. â s. Sexueel. Sexuaal (het geslacht of de geslachtsdrift betreffende), bn.; âIe moraal. Sfeer (een bolrond lichaam; de hemel- of wereldbol; de kring, waarbinnen iemand* kundigheden of macht zich bepaalt), v. sferen. Sferiseli (bol- of kogelvormig), bn. Sfinx (fabelachtig monster der Egyptenaren, zinnebeeld van het raadselachtiye), v. âen. Sforzando (muz. versterkt, sterker), bw. Slierif (Enyelsche landrechter), m. â s. Sherry (Xereswijn, uit Spanje), m. gmv. Shilling (Enyelsche en N. A nier ik. munt = f 0.60), m. â s. Shire (Eng else h graafschap^, v. â s. Shirting (weefsel voor hemden), o. gmv. Shoeksng (Engelsche uitroep: schokkend, walgelijk, ontzettend), bw.; 'ees: sjock'-kieng. Siameeseh (uit of van Siam), bn.; de âe tweelingen. Siampan (Chineesch vaartuig), m. âs. |
ST BERTSCH â SI XUS.
|
SilM*riN4*li {nit of van Sibrriï:), lm.; tie âr lijster, de âlt;⢠spoorweg. Sibil. Sibille. Sib.yilo (onde ivaarzeufiler, tuoverlcol; pro fetes), v. â len. Sibillijuscli profeteer end), l»n.; de âe hoeken, de âe bladen, bij de oude Romeinen een drietal boeken, gekocht vnn de si bil van Cumae. Zijn recepten tuerden als â e bladen op prijs gesteld. (C. O.) Si**! (zoo! das staat er ivoordel ij I,-!), t\v. Sic transit gloria iiiiintli (aldas gaal de glorie der ivereld voorbij). Sicideren (beven, trillen), ik heb gesidderd; âills', v.; âaal (beefaal), m.; âroff. m. SitloriMcli, Siflcraal (belworende tol dester-ren), bn.; het ârische jaar, sterrejaar. Siepel («/, ajuin), v. â s. Sier. v. gmv.; goede â maken, pret maken, lekker eten. Sieraad (tooi, opsehih), o. âraden, âradiën. Sieren (opschikken), k heli gesierd; â injr, v.; â sel, o. Sierlijk (fraai), bn. en b\v.; â liei«l. v. Sierplant, v, -plantei. Sierra (gebergte, bergketen), v. â quot;s. Siesta (middagslaapje, dutje), v. â's; een â houden. Mevrouw Kegge bereidde zich insgelijks tot de â. (C. O.) Sienr (/teer; een geringe titel, ivaarvan zich in de vorige eeuw de meerderen jegens de minderen bedienden), m. â s. SilHeeren ({luiten, uit/luiten, uitjouwen). SiflU^nr (uitfluiter), m. âs. Sigaar, v. sigaren; een â rooken. Si^areiiaseli. v. gmv.; âfabriek, v. âen; â fabrikant, m. âen; â liancli»!, m. gmv.; â handelaar, m. â s of âlaren; âkist. v. â en; âkistje, o. âs.; âkoker, m. âs; â nia^-azijii, o. âen; âmaker, m. â s.; â pijpje, o. âs.; âstanderd, m. âs; â winkel, m. â s. Sigarette (klein, fijn, ook papieren sigaartje), v. â n. Sig-illiiin (het zegel), q. â s. Signaal(/ieï teeken,de leus, een sein), o. â nalen. Sijs:nallt;keren. Signalislt;'eren (ietn. signalement opgeven-, door tee kens aanduiden, seinen); zich â d. i. zich onderscheiden, uitblinken. Sig?naleinent (beschrijving van het uiterlijk van een persoon), o. âen. Si%i\f%t\\\\r(onderteekening,handsehrift,bl(ul- teekening), v. âturen. Si^neeren (teekenen, bestempelen, onderteekenen). Signet (handzegel, cachet), o. âten. Significatie (beteekenis, aanzegging), y. â -ties, â tiën. Si^nificatief (vol beteekenis, zinrijk), bn. Sig'iiific^eereii (aanduiden, aanzeggen). Signior (heer, gebieder), m. signori, â s. Si^nora (mevrouw, gebiedster), v. â quot;s. Si^nnm (kenteeken, beduiding, maatteeken; wonder tee ken), o. â s. Sijfelen (schuifelen), de slang heeft gesijleid. Sijpelen (onmerkbaar lekken), het heeft en is gesijpeld. Ook: zijpelen, sijperen. Sijs (smaak, ktvont), m. sijzen; een vreemde â, een wonderlijke â. Sijsje (vogeltje), o. â s. Sik (kinbaard), v. âken. Sik (geit), v. âken. Sikkel (Joodsche munt), m. âen, âs; de |
zilveren â (â ± f 0.3(i), de gouden â (â ± f 8.50). Sikkel ( maaiwerkluig), v. âen, âs. Sikkepitje (wrinigje), o. gmv. Silentiiini (het zwijgen, slil!), b\v. Sillioiiet.Sillionette(.sr7/arf//^'.Vp/rf),v.âten. Sillionettlt;'nniaker, m. âs.; de portraileurs en âs. (C. O.). Sillionetteeren (in een schaduwbeeld of knipsel voorstellen). Silloji'raaf (spotdichter), m. â grafen. Silo (graankuil, graankelder), m. â's. Silvester-avond (31 Dec. avond), m. âen. Similor (schijngoud, half goud), o. gmv. Sim (aap), v. âmen. Sim (snoer van een hengel] bovendeel van degt;i drijver a. e. hengel), v. âmen; onder de â hebben, in bedwang houden. Simonie (het verkoopen van geestelijke bedieningen of gewijde voorwerpen), v. gm Simpel (eenvoudig, onnoozel), bn. en bv.: â held, v.; â tjes, b\v. Simpliciteit (eenvoudigheid), v. gmv. Sini|gt;lificeeren (vereenvoudigen, verkorten), ook: Simplificeren. Simsonsverxnclitini? (om nieuwe kracht), â en; Petrus slaakte een â. (C. O.) Simnleereii {voorgeven of voorwenden, ver- toonen, veinzen). (bn. Simnltaan (gelijktijdig, gemeenschappelijk). Sinaasappel (appelsien), m. â s. Ook: Chi- naasappel of Appelsien. Sinceer (oprecht) ongeveinsd), bn. Sinceriteit (oprechtheid), v. gmv. Sindel (uitgebrande steenkool), m. âs. Ook: Sintel. Sinds (van dien tijd af), b\v. Hij viel in 't water, en â is hij sukkelend; vz. â veertien dagen is hij ziek, gedurende. Sineciinr (post die bezoldiging geeft, zonderdat men er iets voor doet), v. â curen; ee}i betrekking, die tot nog toe een âure was geweest. (Potg.) Sine qaia non. Zie Conditio. Singel (buitenwal met plantsoen, ook gordel), m. â s. Hij moest eerst een eind den â opgaan. (C. O.); de R K. geestelijken dragen een zijden â. Sinji'erie (aperij, na-aperij), v. gmv. Singularis (enkelvoud), m. en o. âsen. Sin^nlaritei^ vr eemdheid,zonder lingheid),\. SiiiKiilier (zeldzaam, ongemeen, zonder ling), bn.; een â geval. Sinister (verkeerd; ongelukkig, rampspoedig), bn. S!njenr (mijnheer), m. â s. Sinjo (Ind. kleurling afstammend van een Europeaan), m. â's. Sinofiel (groen in de wapenkunde), o. gmv. Sint-Antoninsbrood (liefdebrood v. d. armen), o. gmv.; âvarken (gemest voor de armen), o. â s. Sintel, m. â s. Zie Sindel. Sinterklaas, Sint-Nicolaas, m.; âavond. m.; â feest.o.; â scsclienk,o. âen; â jffoed,o. Sint-Janskerk. v.; dr â van Den Bosch. Sint-Xicolaas, enz. Ook: Sinterklaas. Sint-Pieterskrnid (sleutelbloem), o.; â penning. rn.; ook: 1'etrnspennins-. Sint-Vitnsdans (stuiptrekkende krampen), m. gmv. Sinus (boezem, schoot, zeeboezem; de loodlijn die uit het punt, waarin een straal den om- |
SIP-SLAK.
IM
|
trek des cirkels rankt, op een antieren straal valt), m. --sen. Sip {verleden), bijw. Wat kijk jr sijt! d. i. op je neus; Ki parva licvt lt;*4»rii|H»ii('rlt;' nia^'iiiK (als men het kleine o/i een lijn mar/ stellen met het f/roote). Sipliilis. Sipli.vlis (ijeslachtsziekte), v. gmv. Siplion {buis niet zwanenhals, heuelfleschje voor spuitwater), m. â s. Si|»|»orli|»|»lt;'ii {met het voorste der lippen proeven), ik hel» gesipperlipt. Sir (Ktvj. titel = heer), m. â s. Sir«k (vorstentitel), m. gmv. Sirene (zeenimf', st-hoone verleidster; instrument voor het meten van het aantal toon-triHingen), v. â n. SirenenxaiiK' (Hg. lokstem der verleidimj), m. âen; -lielt;i. o.; â Kteiu. v. Siri, Sirih (Ind. blad van een rank, dat peperachtvj smaakt), v. gmv. Siri of SirikdooM (Ind. bevattende de in-firediënten van de bétel-pruim), v. â doozen. SiriiiK (Hondsster), m. gmv. Siroeeo (brand- of'(f loei wind; eenheete zuidoostenwind in Italië), m. â's. Siroop, v. siropen. Ook: Stroop. Sisklank, in. âklanken; -letter, v. â s; de s en de z zijn âs. Sissen, ik hel» gesist. Deslamj sist, d. i. maakt een sissend geluid; het vet sist in de pan. Sisser (rolletje van natgemaakt buskruit; wissewasje), m. â s; het zal wel met een â afloopen, geen ernstige gevolgen hebben. Sis.yplinsarheifi (zware arbeid zonder einde), m. gmv. Sits (gedrukt of gebloemd katoen), o. âen. Sitsenwinkel (flg. prullenboel), m. â s. Situatie (gesteldheid, toestand), v. â tiën, â ties. Sjaal. Cliiile (omslagdoek), v. sjaals, chales. Sjalot (kleine ui), v. âten. Sjamanen (Boedhistische priesters), m. mv. Sjees (tweewielig rijtuig op riemen), v. sjee-zen. Ook: C'liais. Sjeezen (afgewezen worden), ik ben gesjeesd. Hij is bij dit e.ramen voor de tiueedé maal gesjeesd; een gesjeesd student. ï Sjerp (gordel van oranjeband bij dienst doende officieren), v. âen. Sjofel (kaal, armoedig), bn. en bw.; de man ivas â gekleed; â lieid. v.; -tjes. Sjokklt;kn (loopen zonder veerkracht), ik heb on ben gesjokt. Sjor (het sjorren), m. 7 Is een heele â, een moeilijk werk. Sj4»rren (scheepsw. met touwen vastmaken), ik heb gesjord; â lt;ler. m.; â iiiff, â tonw9 o. Sjouw. v. âen. Hij is aan de â, d. i. aan quot;t zwieren. Sjouwen (het torsen of verplaatsen van zware la sten; doordraaien), ik heb gesjouwd; â erij. v. S^oww er (pakkendrager, los werkman), m. âs. Skaat, Skate (kaartspel), o. gmv. Skeeren (eilanden langs de westkust van Noorwegen), v. mv. Skeer^-aaiMl (verzameling van skeeren), v. âen. Skalde (dichter der Noren), m. â n. Skelet (geraamte), o. âten. Fig. broodmager mensch. Skelelteeren (het geraamte eens Hehaams ontvleezen, uitdrogen en reinigen). Ski (sneenwschoen), v. â's; âknopen, o. Sla. v. slaatje. Ook: Salatle. |
Slaaf (lijfeigene), m. slaven; -aeliti;?.bn. en bw. Slaafs, bw.: de mode â volgen. Slaafseli, bn.; een âe eerbied, een âe gehoorzaamheid. SlaaKV m. voor slage, in: slaag krijgen. Slaafs, bijw. - raken; â zijn. Slaak (doorvaart, stroom, kil), o. slaken. Slaan (treffen), ik sloeg, heb en ben geslagen; touw â, maken, draaien; geld â, munten: de trommel â, roeren: alarm â, maken; de vinken â, Muiten; geloof â, hechten: op de vlucht â, gaan; in den wind â, strooien; uit het veld verjagen, verbaasd doen staan; in boeien â, klinken: tot ridder â, verhellen; den spijker op den kop â, treilen, fig. juist, raden; op hol â, gaan; het â van dén nachtegaal, van den pols, enz. Slaap (zijde van het hoofd), m. slapen. Slaap (rust), m. gmv. De â is het beeld van den dood. Slaapbol (papaver), m. âbollen. Slaapkrni«l (bilzenkruid), o. gmv. Slaapwandelaar (die in den slaap rondloopt), m. â s. Slalgt;. Slabbe (morsdoekje), v. âben. Slabbakken, Slapliakken (talmen, sukkelen), ik heb geslabbakt, geslaphakt. Sli\hhi\U.U.vr (treuzelaar), m. â s; âerij. v. Slabbe (haring uit de Zuiderzee), v. â n. Slabben (drinken, lebben), ik heb geslabd. Slabberen (slobberen), ik heb geslabberd. Slacht (het slachten), v. gmv. November is de maand der â. Slaehten (gelijken, evenaren), ik heb geslacht. Hij slacht zijn vader. Slaehten (dooden), ik heb geslacht; âbank. v. âen; âbeest, o. âen; âbijl, v. âen; â blok, o. âken. Slaehter (slager), m.; âerij. v.; â iiift' (fig. moord, bloedbad), v. Slaehthiiis (abattoir), o. âhuizen. Slaehting' (fig. doodslag, moord), v. âen. Slaehtinaand (November), v. âmaanden. Slaehtniasker (werktuig om het vee plotseling te dooden), o. âmaskers. Slaehtnies (slagersmes, fig.f/o//1), o. â messen. Slaehtoffer, o. âs; â olferande. v. ân; âoflTeren (ten offer brengen), ik heb geollerd; â ollcrin^, v. âen; -ós, m. âsen; â tijd. m.; âvee, o. Sladood (lang persoon), m. en v. Lange Sla;;- (klap), ni. âen. Sla» (soort), o. gmv. Wat is hij voor een â van een man? Sla;;- (vogelknip), o. slagen. Sla^afler (polsader), v. âaders. Sla^rel (groote houten moker), m. âs. Ook: Slt^el. Slagen (zijn pogen gelukt zien),ik ben geslaagd. Slager (slachter), m. â s. Slager (ion. die slaat), m. âs: b.v. honden-, trommelâ. Slagerij (vleeschhouwerij), v. âen. Slaghout (te vellen boo men), o. gmv. Slagnet {vogelnet, knip net), o. ânetten. Slagorde (opstelling van troepen), v. â n. Slagpen (sterke vleugel- of staartpen), v. â pennen. Slagregen (plasregen), m. âregens. Slagschaduw (donkere schaduw), v. âen. Slag-veder. Slag veer (groote slagpen), v. â vederen, â veeren. Slak. Slek (weekdier), v. âken. |
SLAKEN-SLT.TK.
|
Slakon (loslaten, ia vrijheid stellen), ik heb geslaakt; ie»/, boeien â ; een zucht â. Slakkengang' (innje noin/), m. gmv. Slakkeiiliiiisilt;gt;. o. âhuisjes. Slamat (Ind. pleehtstatige beyruetiny), m. gmv. Slani|»aiii|M'ii {pimpelen, brassen), ik heb geslampampt; âer [brasser), m.; âlt;»rij, v. SlaiiK* {kruipend dier, rolrond en zonder poolen), v. âen. Kr zijn vergiftige en niet-ver-gifthje âen; men schat het aantal soorten ran âen op Java op 102 (Veth); fig. boosaardig, sluw vrouwspersoon. Zegsw. Er schuilt een â (ook adder) onder, er is verraad in 't spel; zich als een â in allerlei bochten wringen, kings slinksche wegen tot zijn doel trachten te komen; ook al wat den vorm heeft van een slang, als: de â eener waterleiding; ile â van een brandspuit. Slaiift' (En gelsch. platte taal, dieventaal in Londen), o. gmv. Lees: Sleng. SlaiiK'aal {een soort v.tn zeeaal), m. -alen. Slau^-brandspiiit (brandspuit met darmen of slangen), v. âspuiten. Slang-cbeet. m. âbeten: âkop. m. âpen; â lijn {slingerende lijn), v. âen. Slang;cnaanlgt;iddcr. m. âbidders; â be- 5Bweer«ler, m. â s; âbroedsel, o. gmv.; â dienst (godsdienstige vereering der nlun-gwi), m. gmv.; â ei, o. â eren, ers; âgeblaas, o. gmv.; âgesis, o. gmv.; â g'esijfel. o, gmv.; -gift, v. gmv.; âtiaar (myth, haar dat uit slangen bestaat), o. âharen; â liok.o. â ken; â hol. o. â len. Slantf-enkriiid {moerasplant tot de aronskelken behoorend, adder kruid), o. gmv. Slan$i'en^vortel {soort van duizendknoop, adderwortel), v. gmv. Slank {dun en smal; rijzig), bn.; een âe gestalte; een âe toren; â beid. v. Slap (zwak, loshangend), bn. en bw.; - lieilt;l. v. Slapen, ik sliep, heb geslapen; âer. m.; slaapster, v. Slaphakken. Zie: Slabbakklt;'n. Slapjes, bw. Het gaat â mei de zaken. Slaplâ¬kncli$; (lam, vadsig, traag), bw. Slappen (verslappen), ik ben geslapt. Slapping (oud touwwerk, dienende tot omkleeding van kabels of staand want), v. gmv. Ook: Smarting ot' Ronding. Slatten (uitdiepen), ik heb geshit; een slmtl â. Slaven (hard werken, zich afsloven), ik heb geslaafd. Slaven (blank ras van O. Europa), m. mv. Slavenhaler (slavenschip; ook de kapitein), m. âha Iers. Slavernij (dienstbaarheid), v. gmv. Slavin (vrouw, slaaf), v. â nen. Slavonen (Slaven), m. mv. Slecht (boos, misdadig), bn. en bw.; âbeid. v. SleebtbiJI (bijl met korten steel), v. âbijlen. Slechten (afbreken, sloopen, effen maken), ik heb geslecht; vestingwerken â, wallen â, d. i. met den grond gelijk maken; â in^*. v. Slechthoofd (persoon), m. en v. âhoofden. Slechts (alleenlijk, bloot, en.'cel), bw. Ik heb â één gulden, niet meer dan. Slechtweg; (zonder omhaal), bw. Vertel mij â , wat er gebeurd is; de srhoone verzen van Victor.... â voorgedragen. (C. O.) Slede. Slee. v. â n, âën; sleetje, o. âs; â vaart, v. âen. Slee (wilde pruim), v. âën. |
Slee, Slctenw (zuur, wrang), bn. Mijn tanden zijn â van dat onrijpe f uit, d. i. stomp; ! zie: l^^i^ ; - heifl. v. Sieelt;loorn (doornachtig genas), m. âs. Ook: Slee«ioren. Sleep. m. slepen*, de â van een japon. Fig. j een â van rampen, d. i. menigte. Sleepboot (trekstoomboot), v. âbooten. ! Sleepen (voorttrekken), ik heb gesleept; i een schip â, een vracht â; âer. m. Sleepersknecht, m. âknechts; âpaard, { o. âen; âwerk, o. ; Sleepvoeten (met de voelen sloffen), ik heb ' gesleepvoet. Sleet (het slijten), v. gmv. Daar is breuk noch â aan. Sleetsch. bn. Kleine jongens zijn erg â, d. i. verslijten veel kleeren; âbeid. v. ShM'iiw (stomp van tanden), bn. Zie: Slee. Sleenwi^heid (bolheid), v. gmv. Slegel (hoi den hamer), m. â s. De â rijst en raakt. (Tollens), de hamer met langen stee'. Sleft'ge, Sl«ki (houten hamer), v. â n, âen. Slek. v. âken. Zie: Slak. Slemp (brasserij, gesmui), m. gmv. Slemp (drank, bestaande uit melk en eiers), v. gmv. IHeler nog een kopje â ? (C. O.) Slemplt;'ii (brassen, smullen), ik heb geslempt; â er, m.; â erij. v. Sleniph»oper. m. â loopers; âmaal, o. â -malen; âpartij, v. âen; âtijd, m. SleiKlan^' (schouderdoek als draag tui ddel), Slendriaan (sleur), m. gmv. [m. â s. Slenk (moddergat in een weg), v. âen. Slenter (een lap), m. De âs hingen bij haar kleed. Ook: Slender. Slenter (trage gang, sleur), m. âs; zich ami ! den ouden â houden. Fig. streek, list, b.v. met âs omgaan. Slenteren (langzaam ivandelen), ik heb geslenterd; â aar, âbroer. âsraiif;'. m. Slepen (gesleept worden), ik heb gesleept; een zaak âde houden; een âde gang, d. 1. trage gang; een âde stijl, gerekt. Slet (flurile; fig. laag vrouwspersoon), v. âten. Sleter (lapje, velletje), m. â s. Sletvink (laag vrouwspersoon), m. â vinken. Slent' (gi 'oef, kil), v. sleuven. Sleur. v. gmv.; de oude â volgen, d. i. gewoonte. Sleuren (langs den grond sleepen), ik heb gesleurd; iem. door het slijk â. Sleutel, m. â s, âen; âstad. v. nl. de stad Leiden. Sleutelbeen (schouderbeen), o. âbeenen. Sleiitelhloem (primula), v. âbloemen. Slib, Slibbe. Slibber (slijk), v. gmv. Slibberaâ¬*hti$;- (glad), bn.; -beid, v. Slibberen, ik heb geslibberd; âbaan (glij-i haan), v. âbanen. Slibberig (gladdig), bn.; â heiii. v. Slier (bewijs van dronkenschap), m. gmv.; een i â aanhebben. : Slierbaan (glijbaan), v. âbanen. Slieren (glijden), ik heb geslierd. Slieris-larie, v.; een houding van â (Potg.), i uitgerekt- en onbeduidendheid. Sliersper$?e, Slif^rasperge, v. â s. Sliet (lange, buigzame paal), v. âen. De â | wordt aangebracht (Tollens); een taaie â wordt te voorschijn gehaald. (C. O.) Slij (zeelt, een viscii), v. âen. | Slijk. Slik ( modder, slib), o. gmv. Kn quot;t bol' 1 tertje viel in 't â. (C. 0.) |
SLUMâSLUIER.
|
Slijm. o. â en. De huid der visschcn is vd â; het â der slcimicn, speeksel. Slijnili4»('Kf. ni. nmv. Slijp (schuurzand), o. gmv. Slijpen, ik sleep, hel) geslepen; âer, rn.; â «el (slijppoeder), o. Siijpg^eicl, o.; âmolen. ni. âs; âsteen, m. âen. Slijpplank, v. âplanken. Slijtage {het slijten), v. gmv. In dezen dienst is veel â, heeft men veel kleeren nood iff. Slijten {afslijten), ik sleet, heb en ben gesleten. Slijter {verkooper in 7 klein, b.v. van drank), rn. â s. Slijterij (handel in 7 klein van dranken), v. âen. Slik, o. Zie: Slijk. Slikbord (sport, onderdeel der fiets (jespan-nen boven het achterwiel), o. âborden. Slikken (doorslikken), ik heb geslikt; â ker, m.; â krinjr. v. Slikkerig:, bn. Ook: Slijkeri;?. Sli kna t (dooma t), bn. â te bakkebaard en. (C.O.) Slikop (slokop), m. en v. âoppen. Slim (sluw), bn. en bw.; een - tue vent. d. i. listig, schrander, loos; -licid, â mijarheid, v. Slimmerd (iem. die loos is), m. â s. Slimmeren (erger worden), het is geslimmerd. Slimmerik (slimme jongen), m. âen. Slinden (verslinden), ik slond, heb geslonden. Slindkolk (draaikolk, poel), v. âkolken. Slindpenning (verkwister), m. en v. -en. Slinger, m. de â eener pomp, d. i. de zwengel. Slingeraap, m. âapen; âhoscU (met slin-gerpaden), o. â bosschen. Slingeren (op en neer gaan\ ik heb geslingerd. Het schip slingerde erg; de storm slingert den boom ter aarde; door hoop en vrees geslingerd worden, d. i. heen en weer gevoerd worden; laat toch uw boeken niet zoo â! Slinger laan, v. âlanen; âpad, o. -en; â plant, v. âen; -steen, m. âen; -uurwerk (pendule), o. âen. Slinken (vermindereu), het slonk, is geslonken. De groenten â bij het koken, d. i. krimpen; de voorraad gaat â, d. i. verminderen. Slinkerhand (linkerhand), v. âen. Slinkerzijde (linkerzijde), v. gmv. Slinks (links, oneerlijk), bw. Slinkseli (linksch), bn.; met âe streken omgaan, d. i. niet recht door zee gaan; deze âe streek (nl. die van den tandarts) was voor u een weldaad. (C. O.) Slip (afhangend uiteinde), v. âpen; deâvan een das, een jas, een hemd, enz.; de - pen van een lijkkleed. Slippedrag-er (rouwsleeper), m. âdragers. Slippen (glippen), ik ben geslipt; âper, m. [.aat die goede gelegenheid nu maar niet â, d. i. ontsnappen! Sliptreln (waarvan het achterste gedeelte onder 't rijden wordt afgehaakt), m. âtreinen. Slobbe {vaatdoek; fig. vrouw die in de keuken het morsigste werk verricht), v. â n. Slobber (slib, weeke modder), v. gmv. Slobberdoes (morsebel), m. en v. âdoezen. Slobberen (opslurpen), ik heb geslobberd. Varkens â aan den spoelingsbak; wat â die eenden daar! â in$;, v. Slobbipr (morsig, slordig), bn. en bw. Slobkous (been- en schoenbekleedsel), v. âen. Slodde (slordig persoon), m. en v. â n. |
Slodderen (flodderen), het heeft geslodderd. Slodderig (slonzig, niet net), bn. en bw. Slodderkons (fig. slonzige vrouw), v. âen. Sloddervos (zeer morsig mensch), m. en. v. â vossen. Sloep (roeivaartuig), v. âen. Sloeren (scheepsb. het hout meten), ik heb gesloerd. Sloerie (havelooze vrouw), v. â s; âmoer. v. â s. Slol' (versleten pantoffel), v. â fen. Hij «loet alles op zijn âjes, d. i. op zijn dooie gemak. Slof {nalatig, achteloos), bn. quot;en bw. Slotien (sleepvoeten, nalatig zijn), ik heb gesloft. Hij sloft op een paar muilen rond; de man doet niets dan met alles â en slabakken; â fer, m. â s. Sloflift'(/lt;//, traag)hn.;âlieid (achteloosheid),\. Slothak (persoon), m. en v. âhakken. Slok (teug), m. âken; een âje, een borreltje; daar kan een â op staan, dat is de moeite van drinken waard. Slokaclitig: {.gulzig), bn. en bw.; -lieid, v. Slokan (Ind. waterleiding der sawah), m. â s. Slokdarm, m. âdarmen. Slokken (gulzig slikken)', ik heb geslokt; â ker, m. Slokop (gulzigaard), m. en v. âoppen. Slokop (wijd straatriool), m. âoppen. Slommcr (beslommering), m. gmv. Slomp (morsige vrouw), v. âen. Slomp (menigte, warklomp), m. â en; hij heeft een â geld. Slons (havelooze vrouw, morsebel), v. âzen. Slonsaeliti^ (slordig), bn.; âlieid, v. Slonsje (dievenlantarentje), o. â s. Slonzen (achteloos te werk gaan), ik heb geslonsd. Sloof' (sukkelaarster), v. sloven. Huib dong de â niet af. (Staring); hoe de â, nl. Blauwbes, zich den nijd schaamde! (Potg.) Sloof (voorschool), v. slooven. Slooien (zeew. zijdelings van het schip afwijken), ik ben gêslooid. Sloop (overtrek van een kusset.), v. âen. Sloopen (afbreken, slechten), ik heb gesloopt; een schip â; een rij huizen de âde moker van den modernen tijd; â er, m.; â iiiff. v. Sloor (slordige vrouw), v. âen. Sloot (smalle gracht), v. âen. Slop (straatje dat doodloopt, nauwe doorgang), o. âpen; in een â wonen. Slordig (nalatig), bn. on bw.; âlieid. v. Slorp. Slnrp (slok, teug), m. â ^n. Slorpen. Slurpen (hoorbaar opzuigen), ik heb geslorpt, geslurpt; een zacht eitje â. Slot (sluitmiddel), o. âen. Doe de deur op â; iem. achter â en grendel zetten, d. i. gevangen zetten; iem. een â op den mond leggen, d. i. hem het zwijgen opleggen; slootje (klein slot), o. â s. Slot (versterkt kasteel), o. âen. Slot (einde), o. gmv.; het â der zaak, bij â van rekening. Slot (saldo), o. â en ; een batig â, een nadeelig â, d. i. bedrag in het boekhouden. Slotsom (eind, eindgevolg), v.; de â eener rekening; de â eener redeneer,ng; de â was, dat ik omzichtiger werd. Slotvoogd (slotbewaarder), m. âvoogden. Sloven (zwoegen, slaven), ik heb gesloofd; â er, m. â s. Sluier, m. âs; den â aannemen, geestelijk |
S LIJIK K K N - SM llt;: VA{\ 'O LOS.
|
zuster worden; onder den â van den nucht, van het geheim, d. i. bedekking. Sluieren {bedekken met een sluier, drarjendc een sluier), ik heb en ben gesluierd. Sluik. v. alleen gebruikelijk in: ter sluik (verholen, ongemerk', heimelijk), bw. uitdr. Sluik {van hoofdhaar', plat op het voorhoofd afhangend), bn. Hij droeg de haren â; â haar is voor gierigaards en benepen harten. (C. O.); â heid. v. Sluiki'ii (ontduiken), ik slook, heb gesloken; â er (smokkelaar), m.; â «»rij, â iii^-, v.; --liaiulol. in. Sluimer (lichte slaap), m. gmv. Sluimeren (zacht en losjes slapen), ik heb gesluimerd; â iug-. v. Sluimerrol ( â kassen of slaaprol aan een stoel), v. ârollen. Sluip, v. slechts gebruikelijk in: ter slui|» (verholen, in 't geheim), bw. uitdr. Sluipcleur (vestingpoortje), v. âdeuren. Sluipen (ongemerkt voortgaan), ik sloop, ben geslopen; âer, m. âs. Sluiphaven (vlachthaven voor kapers, roo-vers enz.), v. â s; â iioek, m. âen; â hol. o. âen: âkoorts, v. âen; âmoord (verraderlijke moord), m. â en ; â moordenaar, m. âs. Sluipwesp (die eieren legt op of in de larven van andere, insecten), v. âwespen. Sluis (ivaterkeering), v. sluizen. Sluiten (dicht doen), ik sloot, heb en ben gesloten: een deur â, een haven -, d. i. blokkeeren, den toegang versperren; een hu-luelijk â, een contract â, een koop â. d. i. aangaan; âer, m.; â ingf. v. Slungel (opgeschoten Jongmensrh), 111. â s. Slungelen, ik heb geslungeld. Ihj â f langs de. straat, d.i. armzwaaiend of slenterend lóopen. Slurf (lan ge snail), v. âven; de â van een olifant. Slurp (teug), m. âen. Zie: Slorp. Slurpen. Zie: Slorpen. Sluw (listig), bn. en bw.; â lieid, âikheid, v. Smaad (hoon, beleediging), m.; â lieilt;i. v. â i-heden; ânaam (scheldnaam), m. ânamen; â rede, v. â nen; -sellrilt, u.; âwoord, o. -en. Smaak. ra. smaken. Fig. lust, trek, zin. Smaakloos (in eigenlijken zin), bn. Zuiver water is â, d.i. zonder sraaak. Smaakvol, bn.; een âle versiering, een - Ie kleeding, d. i. getuigende van goeden smaak. Smaaldieht (hekeldicht), o. âdichten. Smaalselirilt (schimpschrift), o. -schriften. Smaeht (afgesneden buik van een haring), v. âen. Smaelifen (kwijnend verlangen), ik heb ^gesmacht. Smaelitend (Kwijnend, vurig), bn. en bw.; een â verlangen', iem. â aanzien, d.i. verliefd. Smadelijk (/wonend), bn. en bw.; âheid, v. Smaden (beleedigen), ik heb gesmaad; â er, m. Smak (geluid met de lippen), ra. âken. Smak (zeker soort van vaartuig), v. âken. Smak (zeker gewas), v. Zie: Sumak. Smak (val, bons, harde plof), ra. âken. Smakelijk, bn. en bw.; een â gerecht', eet â, d.i. met smaak; iem. iets â maken, d.i. aannemelijk. Smnlteloos (zonder goeden smaak), bn.en bw.; een âlooze versiering, kleeding. Smaken, ik heb gesmaakt. Die wijn â goed! |
d. i. is van goeden sraaak; die drank smaakt naar citroen, d. i. heeft den sraaak van citroenen ; de genoegens des levens - , d. i. genieten. Smakken (smijten, met een bons werpen), ik heb gesmakt. Hij smakte hem tegen den grond. Smakken (met de lippen klappen), ik heb gesmakt; â ker, m. Smakker (sukkelaar), ra. â s. Hij is een rechte â, d.i. een Jorisgoedbloed, een sul. Smal (niet breed', owüt. gering, onaanzienlijk), bn. en bw.; de âle gemeente', de lagere standen; âheid, v.; âlijrheid, v.; -te, v. Smalah (Arab, een kring van minstens honderd doears), v. â's. Smaldeel (deel der oorlogsvloot, eskader), o. â deelen. Smaldeelen (in kleine deelen scheiden), ik heb gesraaldeeld; â iiiK1, v. Smaldoek (scheepsw. smal zeildoek)^ o. grav. Smalen (smadelijk schimpen), ik heb gesmaald; op iem â, d.i. iem. hekelen; âer, ra.; intf1, v. Smalhans (vrek, armoedig mcnsch), ra. â -hanzen; â is er kok, het is er schraal, karig. Smalletjes, bw. Hij kan - leven, d. i. bekrompen, zuinigjes. Smalt (zekere blauwe verf. email), v. gmv. Smalte (smalheid), v. gmv.; de â van een stuf. Smaltiend (opbrengst bestaande in bijen, jongen van schapen, enz.), o. âen. Smaragd (zeker groen edelgesteente), o. gmv. (als een geslepen steen), m. âen. Smaragden (van smaragd), bn.; een â ring', de kat met haar â oogen. Smarotsen (smullen), ik heb gesmarotst. Wij zullen â, ik sta. voor mijn part. Jan Steen. (Van Zeggelen): âer, ra.; âster, v. Smart. Sniert (pijn), v. âen. Smarte$£eld (mil. toelage voor verminkingen), o. âgelden. Smartelijk (pijnlijk), bn. en bw.; â heid, v. Smarten. Smerten (bedroeven), bet beeft gesmart. Uw ongeluk smart mij, d.i. doet mij leed. Smarten (scheepsw. met geteerd zeildoek be-kleeden), ik heb gesmart. Smarting (scheepsw. geteerd zeildoek om schaving in het want le beletten), v. â s. Smeden, ik heb gesmeed; wapens â , een aanslag â, een kornplot â: verraad â, d.i. uitdenken; verzen â, d.i. slechte rijmen maken; nieuwe woorden â, d.i. verzinnen; er,* ra.; â erij, v. Smedig-, bn. Zie: Smijdig. Smeedbaar, bn.; metalen zijn â; â heid, v. Smeedhak (sm ids koelbak), m. â ken; â ijaser (staafijzer), o. gmv.; âkunst, v. gmv.; â -werk, o. gmv. Smeeg'ruis (fijne since kolen), o. gmv. Smeekbede, v. -beden; -dieht (smeekschrift in rijm), o. â n. Smeekelin;;'. ra. en v. â n: ook âe. vr. Smeeken (ootmoedig, biddend vragen), ik heb gesmeekt; âer, m.; -ills'? v. Snieekolen (zeer fijne smidskolen), v. mv. Smeeksehrift (verzoeksehri ft), o. â schriften. Smeer (vetstof), o. gmv. 't Volk gaart het â en 't vet tot brandstof voor de lamp. (Tollens). Smeerlap (vette lap onder de ijzers van een slee; ook scheldnaam), ra. âlappen. Smeerplank (zeew. lijk plank), v. â planken. Smeerpoes (vuile persoon), m. en v. âen. |
SLUM-SLUIER.
|
Nlijni. o. â en. Di' huid der vissrhen is vol â; het â der slamjrn, speeksel. SlijmliooKt, m. gmv. Slijp {schuurzand), o. gmv. Slijpen, ik sleep, heb geslepen; âer, in.; â«â¬*1 {slijppoeder), o. Slijpg'elci, o.; â molen. m. âs; âsteen, m. âen. Slijpplank, v. âplanken. Slijtage {het slijten), v. gmv. [n dezen dienst is veel â, heeft men veel kleeren noodig. Slijten {afslijten), ik sleet, heb en ben gesleten. Slijter {verkooper in 7 klein, b.v. van drank), rn. â s. Slijterij {handel in 't klein van dranken), v. âen. Slik, o. Zie: Slijk. Slikbor«l (sport, onderdeel der fiets lt;/espannen boven het achterwiel), o. âborden. Slikken {doorslikken), ik heb geslikt; âker, m.; â krliiKT. v. Slikker!», bn. Ook: Slijkeri». Sliknat (rfoomaf), bn. â te bakkebaarden. (C.O.) Sllkop {slokop), m. en v. âoppen. Slim {sluw), bn. en bw.; een - me vent. d. i. listig, schrander, loos; â lieid, -mi^lieid, v. Slimmerd {iem. die loos is), m. â s. Slimmeren (erger tvorderi), hetis geslimmerd. Slimmerik (slimme jongen), m. âen. Slinclen {verslinden), ik slond, heb geslonden. Slimlkolk {draaikolk, poel), v. âkolken. Slindpennin»- {verkwister), in. en v. âen. Slinger, m. âs; de â eener pomp, d. i. de zwengel. Slingeraap, m. âapen; -hosdi {met slingerpaden), o. âbosschen. Slingeren {op en neer gaan\ ik heb geslingerd. Het schip slingerde erg-, de storm slingert den boom ter aarde; door hoop en vrees geslingerd worden, d. i. heen en weer gevoerd worden; laat toch uw boeken niet zoo â / Sling-erlaan, v. âlanen; âpad. o. âen; â plant, v. âen; -steen, m.âen; ânnr-werk {pendule), o. -en. Slinken {verminderen), het slonk, is geslonken. De groenten â bij het koken, d. i. krimpen; de voorraad gaat â, d. i. verminderen. Slinkerliand {linkerhand), v. âen. Slinkerzijde {linkerzijde), v. gmv. Slinks {links, oneerlijk), bw. Slinkseli {linksch), bn.; met âe streken omgaan, d. i. niet recht door zee gaan; deze âe streek {nl. die van den tandarts) was voor u een weldaad. (C. O.) Slip (afhangend uiteinde), v. âpen; de â van een das, een jas, een hemd, enz.; de - pen van een lijkkleed. Slippedragrer (rouwsleeper), m. âdragers. Slippen (glippen), ik ben geslipt; â per, m. Laat die goede gelegenheid nu maar niet â, I d. i. ontsnappen. Sliptrein {waarvan het achterste gedeelte onder 't rijden wordt afgehaakt), in. âtreinen. Slobbe '{vaatdoek', fig. vrouw die in de keu-|j ken het morsigste werk verricht), v. â n. Slobber {slib, weeke modder), v. gmv. Slobberdoes {morsebel), m. en v. âdoezen. Slobberen (opslurpen), ik heb geslobberd. Varkens â aan den spoelingsbak â¢, wat â die eenden daar! â in$f, v. Slobbig: (morsig, slordig), bn. en bw. Slobkous (been- en schoenbekleedsel), v. âen. Slodde (slordig persoon), m. en v. â n. |
Slodderen (/lodderen), het heeft geslodderd. Slodderig (slonzig, niet net), bn. en bw. Slodilerkons (fig. slonzige vrouw), v. âen. Sloddervos (zeer morsig nunrsch), m. en. v. âvossen. Sloep (roeivaartuig), v. âen. Sloeren (scheepsb. het hout meten), ik heb gesloerd. Sloerie (havelooze vrouw), v. â s; âmoer, v. â s. Slof (versleten pantoffel), v. â fen. Ifij doet alles o]) zijn âjes, d. i. op zijn dooie gemak. Slot' (nalatig, achteloos), bn. en bw. Sloflen (sleepvoeten, nalatig zijn), ik heb go-sloft. Hij sloft op een paar muilen rond', de man doet niets dan met alles â en slabakken; â fer, m. â s. SlofliffO?, traag)hn.;âlieUl{achteloosheid),Y. Slot hak (persoon), m. en v. âhakken. Slok (teug), m. âken; een â/gt;, een borreltje; daar kan een â op staan, dat is de moeite van drinken waard. Slokaelitif? (gulzig), bn. en bw.; â lieid, v. Slokan (Ind. ivaterleiding der sawah), m.âs. Slokdarm, m. âdarmen. Slokken (gulzig slikken)', ik heb geslokt; â ker, m. Slokop (gulzigaard), m. en v. âoppen. Slokop (wijd straatriool), m. âoppen. Slommer (beslommering), m. gmv. Slomp (morsige vrouw), v. âen. Slomp (menigte, warklomp), m. âen; hij heeft een â geld. Slons (havelooze vrouw, morsebel), v. âzen. Slonsaeliti» (slordig), bn.; âlieid. v. Slonsje (dievenlantarentje), o. â s. Slonzen (achteloos te werk gaan), ik heb geslonsd. Sloof {sukkelaarster), v. sloven, lluib dong de â niet af. (Staring); hoe de â, nl. Blauwbes, zich den nijd schaamde! (Potg.) Sloof (voorschoot), v. slooven. Slooien (zeew. zijdelings van het schip afwijken), ik ben geslooid. Sloop (overtrek van een kussen), v. âen. Sloopen (afbreken, slechten), ik heb gesloopt: een schip â ; een rij huizen â ; de âde moker van den modernen tijd; â er, -n.; â in», v. Sloor (slordige vrouw), v. âen. Sloot (smalle gracht), v. âen. Slop (straatje dat doodloopt, nauwe doorgang), o. âpen; in een â wonen. Slordi» (nalatig), bn. en bw.; âlieid. v. Slorp, Slurp (slok, teug), m. âcn. Slorpen, Slurpen (hoorbaar opzuigen), ik heb geslorpt, geslurpt; een zacht eitje â. Slot (sluitmiddel), o. âen. Doe de deur op â; iem. achter â en grendel zetten, d. i. gevangen zetten; iem. een â op den mond leggen, d. i. hem het zwijgen opleggen; slootje (klein slot), o. â s. Slot (versterkt kasteel), o. âen. Slot (einde), o. gmv.; het â der zaak, bij â van rekening. Slot (saldo), o. âen; een batig â, een nadeelig â, d. i. bedrag in het boekhouden. Slotsom (eind, eindgevolg), v.- de â eener rekening; de â eener redeneering; de â was, dat ik omzichtiger werd. Slotvoogd (slotbewaarder), m. âvoogden. Sloven (zwoegen, slaven), ik heb gesloofd; â er, m. â s. Sluier, m. â s; den â aannemen, geestelijk |
SLUIER KN - SM ICKIÃ'OES.
297
|
zuster worden; omh'r den â van den wicht, van het geheim, d. i bedekking. Sluieren {bedekken met een sluier, dragende een sluier), ik heb en ben gesluierd. Sluik. v. alleen gebruikelijk in: ter sluik {verholen, ongemerkt, heimelijk), bw. uitdr. Sluik (van hoofdhaar^ plat op het voorhoofd afhangend), bn. Hij droeg de haren â; â haar is voor gierigaards en benepen harten. (C.O.); -heitl, v! Sliiikcn (ontduiken), ik slook, lieb gesloken; âer (smokkelaar), rn.; âerij. âing?, v.; -â¢liandol. in. Sluimer (lichte slaap), m. gmv. Sliiimcreii (zacht en losjes slapen), ik heb gesluimerd: â injr. v. Sïiiinierrol ( â kassen of slaaprol aan een stoel), v. ârollen. Sluip, v. slechts gebruikelijk in: ter sluip (verholen, in 'C geheim), bw. uitdr. Sluipdeur (vestingpoortje), v. âdeuren. Sluipen (ongemerkt voortgaan), ik sloop, ben geslopen; âer, m. âs. Sluiphaveu (vluchthaven voor kapers, roofers enz.), v. âs; â lioek, m. âen; â liol. o. âen: âkoorts, v. âen; âmoord (verraderlijke moord), m. âen; â moordenaar, m. âs. Sluipwesp (die eieren legt op of in dr larven van andere insecten), v. âwespen. Sluis (waterkeering), v. sluizen. Sluiten (dicht doen), ik sloot, heb en ben gesloten: een deur â, een haven -, d. i. blokkeeren, den toegang versperren; een //quot;-tuelljk â, eeti contract â, een koop â. d. i. aangaan; âer, m.; â ins*, v. Sluiigel (opgeschoten jongniensch), in. âs. Sluii^:ellt;'u. ik heb geslungeld. Ihj ât langs de straat, d.i. armzwaaiend of slenterend lóopen. Slurf (lange snuit), v. âven; de â van een olifant. Slurp (teug), m. âen. Zie: Slorp. Slurpen. Zie: Slorpen. Sluw (listig), bn. en bw.; â lieid, âijflieid, v. Sniaalt;l (hoon, beleediging), m.; â lieiii, v. â â -lieden; ânaam (scheldnaam), m. ânamen; â rede, v. â nen; â selirift, o.; âwoord, o. âen. Smaak. m. smaken. Fig. lust, trek, zin. Smaakloos (in eigenlijken zin), bn. Zuiver water is â, d.i. zonder smaak. Smaakvol, bn.; een âle versiering, een âle kleeding, d.i. getuigende van goeden smaak. Smaaldielit (hekeldicht), o. âdichten. Smaalselirif't (schimpschrift), o. âschriften. Smaeht (afgesneden buik van een haring), v. âen. Smaeliten (kwijnend verlangen), ik heb ^gesmacht. Smaeht enlt;1 (kwijnend, vurig), bn. en bw.; een â verlangen', iem. â aanzien, d.i. verliefd. Smadelijk (hoonend), bn. en bw.; â heid, v. Smaden (beleedigen), ik heb gesmaad; â er, in. Smak (geluid met de lippen), m. âken. Smak (zeker soort van vaartuig), v. âken. Smak (zeker gewas), v. Zie: Sumak. Smak (val, bons, harde plof), m. âken. Smakelijk, bn. en bw.; een â gerecht', eet â, d.i. met smaak; ien,. iets â maken, d.i. aannemelijk. Smakeloos (zonder goeden smaak), bn. en bw.; een âlooze versiering, kleeding. Smaken, ik heb gesmaakt. Die wijn â goed! |
d.i. is van goeden smaak; die drank smaakt naar citroen, d. i. heeft den smaak van citroenen; de genoegens des levens â, d. i. genieten. Smakken (smijten, met een bon# werpen), ik heb gesmakt. Hij smakte hem tegen den grond. Smakken (met de lippen klappen), ik heb gesmakt; â ker, m. Smakker (sukkelaar), m. â s. Hij is een rechte d.i. een Jorisgoedbloed, een sul. Smal (niet breed; oudt. gering, onaanzienlijk), bn. en bw.; de -le gemeente; de lagere standen; âheid, v.; â ii^heid, v.; âte, v. Smalah (Arab, een kring van minstens honderd doeurs), v. â's. Smaldeel (deel der oorlogsvloot, eskader), o. â deelen. Smahleelen (in kleine deelen scheiden), ik heb gesmaldeeld; âing*, v. Smaldoek (scheepsw. smal zeildoek), o. gmv. Smalen (smadelijk schimpen), ik heb gesmaald; op iem â, d.i. iem. hekelen; âer, m.; intf*, v. Smalhans (vrek, armoedig mensch), m. â -hanzen; â is er kok, het is er schraal, karig. Smalletjes, bw. Hij kan â leven, d.i. bekrompen, zuinigjes. Smalt (zekere blauwe verf. email), v. gmv. Smalte (smalheid), v. gmv.; de â van een stof. Smaltieufl (opbrengst bestaande in bijen, jongen van schapen, enz.), o. âen. Smaragd (zeker groen edelgesteente), o. gmv. (als een geslepen steen), m. âen. Smaragden {van smaragd), bn.; een â ring; de kat met haar â oogen. Smarotsen (smullen), ik hel» gesmarotst. Wij zullen â, ik sta voor mijn part. Jan Steen. (Van Zeggelen): âer, m.; âster, v. Smart. Sniert (pijn), v. âen. Smart e$;el«i (mil. toelage voor verminkingen), o. âgelden. Smartelijk (pijnlijk), bn. en bw.; âheid, v. Smarten. Smerten (bedroeven), het heeft gesmart. Uw ongeluk smart mij, d.i. doet mij leed. Smarten (scheepsw. met geteerd zeildoek be-kleeden), ik heb gesmart. Smartin^- (scheepsw. geteerd zeildoek om schaving in het want le beletten), v. â s. Smeden, ik heb gesmeed; wapens een aanslag â, een komplot â: verraad â , d. i. uitdenken; verzen â, d.i. slechte rijmen maken; nieuwe woorden â, d.i. verzinnen; er,* m.; âerij, v. Smedijf, bn. Zie: Smijdig. Smeed haar, bn.; metalen zijn â; â heid, v. Smeed hak (smidskoelbak), m. âken; â ijzer (staafijzer), o. gmv.; âkunst. v. gmv.; â -werk, o. gmv. Smeeg'ruis (fijne smeekolen), o. gmv. Smeekbede, v. âbeden; â dieht {smeekschrift in rijm), o. â n. Smeekeling', m. en v. â n; ook âe. vr. Smeeken (ootmoedig, biddend vragen), ik heb gesmeekt; âer, m.; âills', v. Smeekolen (zeer fijne smidskolen), v. mv. SmveU.svhrift (rerzoeksehrift), o. âschriften. Smeer (vetstof), o. gmv. 't Volk gaart het â en 't vet tot brandstof voor de lamp. (Tollens). Smeerlap (vette lap onder de ijzers van een slee; ook scheldnaam), m. âlappen. Smeerplank (zeew. lijkplank), v. â planken. Smeerpoes (vuile persoon), m. en v. âen. |
S.M ICKIJ PROP âSNAPHAAN.
|
Kmeerpro]» {prop met ret besmeerd om lek-(jaten tr dichten), v. âpen. Kiiiâ¬kckrMlt;kl (menfjsel van oliën en vetten), o. âs. Smeerwortel {St. Janskruid), v. âwortels. Smeet (worp of ijooi), m. smeten. Knielt (zandaal, een soort van spierinrj), v. âen. Het â delven, het opdelven uit het zand van de smelt, (zie l»oosje van Bellamy), op Walcheren. Smelten, ik smolt, heb en het is gesmolten: m.; â«'rij. v.; -ing:, v. Smelteri^: (fig. week, zacht), bn.; âe gevoelens. (C. O.) Smeltkroes, m. -kroezen: louteren in den d. i. reinigen door oplossing en zuivering. Smeltpunt {warmtegraad vereischt lot smelting van vaste slofj'èn), o. âen. Het â van lood is .'iV20 C., van zilver iOOO0 C., van goud â 1031° C.\ van koper 1090° C. SiiK'ren (iets Vettigs uitstrijken op), ik heb gesmeerd; Sinoorcler. m.; Smeersel, o.; -injff. v. Smer^el (delfstof), v. gmv. Zie: Amaril. Snieri^' (vuil), bn. en bw.; die âc alfairc met de politie. (C. O.), schandelijk. Smerlijn (steenvalk, dwerg- of leeuweriken-valk), m. âen. Zie: vierlijn. Smerl. v. âen. Zie; Smart. Smerten. Zie: Smarten. Smet (vlek), v. âten; van vreemde âten vrij (Volkslied); iem. een â aanwrijven', die daad werpt een â op zijn naam; hij kwam er niet zonder â uf. Smetlijn (touw met houtskool bestreken', slaglijn), v. âen; âstol' (bij ziekten), v. â len. Smetsen (slempen, brassen, smullen), ik heb gesmetst. Smetteloos (zonder smet), bn. en bw.; â rein. Smetten (bemorsen, bevlekken), ik heb gesmet. Smetziekte (besmet telijke ziekte), v. â ziekten. Smeulen, het heeft gesmeuld. Het puin smeult nog, d. i. brandt nog zonder vlam; Hg. er smeult verraad, oproer, d. i. he^t dreigt; een smeulend vuur; âin}?, v. Smid (bewerker van ijzer), m. smeden. Smidse (smederij), v. â n. Smidsliamer. in. âs; âkneelit, m. âs; -kolen, v. mv.; âoven, in. âs; â werk, o.; \vinklt;'l. m. â s. Smient (soort van wilde eend, fluiteend), v. âen. Fig. lang, mager rnensch. Smijdig, Smedif; (lenig, buigzaam, malsch), bn.;' â goud; âe hutspot; â lieid. v.: de wonderbare âheid van het Latijn. (C. O.) Smijdippen (smedig, smijdig maken), ik hel» gesmijdigd. Smijt (zeew. touw aan het fokkezeil), v. âen. Smijtlt;kn (gooien, werpen), ik smeet, heb gesmeten; â er, m. Siiiir«'el (een visch), m. âen. Smis. Sniisslt;k. v. smissen. Zie: Smi«ise. Smolt;ldip: (morsig, vuil), bn. en bw. Wat ziet dat kleedje er â uit! Smot^l (verbastering van muil),i\i. âen. gmz. Smoesje (voorwendsel, praatje), u. â s. Smoezen (vleien, mooi praten), ik heb gesmoesd. Smoken (rooken, tabaksdamp uitblazen), ik heb gesmookt; âer, m. âs. Smokkel (sluikhandel), in. gmv. Smokkelen (sluiken, heimelijk over de grens voeren), ik heb gesmokkeld; âaar, m.; â -arij, v.; -in^, v. |
Sni4»kkel^-4»ed. o. âeren; â liandel, m.; -waar. v. waren. Smook (dikke rook), m. gmv. Smoordronken (erg beschonken), bn. i Smoorlieet (stikkend warm), bn.; een â -heete dag. Smoorlijk (erg, onbeschrijfelijk), bw. De jongen was â verliefd. Smoorvol (zeer vol), bn. Het zaaltje was -, d. i. eivol, stikvol. Smoren (stikken, verstikken), ik ben of heb gesmoord; â in;?, v. Smots (een slons, morsebel), v. âen. Smotsen (bemorsen), ik hel) gesmotst. Smotsij^ (vuil), bn.; een âe werkvrouw. Smons (scheldnaam vooreen jood), m. -en. Fig. bedrieger. Smous (langharig hondje), m. âen. Het is een âje. Simmsaeliti^* (bedrieglijk), bn. en bw. Sniouscn(be drieg en), ik heb gesmoust; -eri j,v. Smoiisliond. m. âhonden. Smousjassen (kaartspel), ik heb gesmousjast. Smout (bij letterzetters: titel- en tabel werk; bij kaarsenmakers: gesmolten rel om kaarsen te maken), o. gmv. Smouten (met vet insmeren of bereiden), ik heb gesmout. Smouteri^' (vettig, reuzelachtig), bn. Smoutig; (vetuchtig), bn.; â heid. v. Smuicen {heimelijk zich te goed doen), ik heb gesmuigd; âer ((gluiper), m. Smiiik. v. slechts gebr. in de bijw uitdr. ter smuik (heimelijk). Smuk (opschik, sieraad, tooi), m. gmv. Smukken (opschikken, versieren), ik heb gesmukt. Smul, v. âlen. Hij houdt van de â, d. i. van goede sier. Smulbaard {lekkerbek), m. âen; âbroer, in. âs; âda^en, m. mv.; â Jurk (morsjurk), v. âen. Smiillen {lekker eten, brassen), ik heb gesmuld; â er, m.; âiii^*, v. Smullig- (morsig, bemorst), bn.; â lieid. v. Smulpartij (slemperij, brasser ij), v. âen. Snaai (voordeel, winst), m. âen; â tje, (spreekt.) Snaak (grappenmaker, guit), n.. stuiken. Snaaks {kluchtig, koddig, grappig), bw. Snaakseli, lm.; â li«'ilt;l. v.; een â gezegde. Snaaklioofd (beeldje, kabouter), o. âen. Snaar (koord van een speeltuig), v. snaren; de snaren spannen, tokkelen, een instrument bespelen; die â moet ge bij hem niet aanroeren, daar moet ge niet van spreken; alles op haren en snaren zetten, alles op het spel zetten, hemel en aaide bewegen; hij zaagt altijd voort over dezelfde snaar, hij slaat al door op hetzelfde aanbeeld. Snaar (schoonzuster, schoondoch ter), v. snaren. Snak (bits woord), m. âken. Snakerig: (aardig, grappig), bn.; âheld, v. SnakeriJ (grap, klucht), v. -en. Snakken {hijgen, hijgend verlangen), ik heb gesnakt. Het visch je snakte nair het water; â naar lucht, naar vrijheid, d. i. hevig verlangen. Snap (hap, greep), m. âpen. Het ivas in een hap en een â klaar, spoedig. Snapaelitig- (praatzuchtig), bn. en bw.; â -lieid. v. Snaphaan (geweer; fig. gauwdief), m. â hanen. |
SNAPPEN-SNOEK. 399
|
SnapiK'ii (grijpen, lig. bcfirijixm), ik heb ge-snapt. De oplichter is (jcsnapt; de poes zal de muis â; tm eerst snap ik je, snap ik het. Siia|»i»fii (babbelen), ik heb gesnapt. Wie zit daar weer te â ? Ze werken niet, ze â Knappor (babbelaar), rn. â s. [maar. Snapporij (gepraat, beuzel praal), v. âen. Snaps (slok, borrel), in. â en; v.d. â houden. Snar (vinnig, fel), bn. en b\v.; deze arbeidster is wat â in den mond', â lieid, v. Kiiarenniaker. m. â s; âspeelster, v. â s; â speeltui;;, o. âen; âspel, o.; âspeler, m. â s; â fni^'. o. Snarri^ (snar, rinnig), bn.; â lieifl. v. Snars. Sners (weinigje, ziertje, nietigheid-, ook: roes), v. gmv. Ik heb er geen â voor over; hij heeft een â aan. Snater (mond, bek), m. â s. gin/.. Hou je â. Snateren (schreeuwen), ik heb gesnaterd. Ganzen, eenden â; hou toch op met dal â, schetterend praten; âaar, m. Snamv (het snauwen), ni. âen. Snauw (groote tweemaster), v. âen. Snaiuven (toegrauwen, norsch afschepen), ik heb gesnauwd; âer. m.;âerift*. bn,en bw. Snavel (sneb der vogels), in. â s. Fig. mond, Hoer toch je â niet zoo! ginz. Sneb, Snebbe (snavel), v. snebben. Snebbi;; (vinnig), bn. Zie: Snibbig'. Snede. Snee, v. sneden, sneeën; eeït â brood, koek, enz.; de â van een jas, een japon; de â van een vers (zie Caesinir); een boek verguld op â ; hij kreeg een leelijke â over zijn aangezicht, d. i. bij werd diep beleedigd; het antwoord kwam juist ter d. i. op hot juiste oogenblik; hij heeft een â aan, d. i. hij is niet nuchter meer. Snlt;klt;li^ (scherp, handig), bn. en b\v.; een âe opmerking, d. i. zeer juiste, gevatte; â lieifl. v. Snees' (snedig, schrander, verstandig), bn.; een kwakkel van een âen aard. (Cats), vero. Sneep (weekvinnige visch onzer rivieren), 111. âen. De â heet ook neusvisch. Snees (uit: Sinees, Chinees, lig. listig bedrieger), m. sneezen. finccs(twintigtal), o. sneezen; een â haringen. Sneeuw (stof), v. gmv.; (blankheid), o. gmv. Sneemvbaan. v. â anen; âbal. in. â len; â balletje (lig. glaasje klare jenever met suiker), o. â s. Wat drink je! een (Potg.); âbank (wolk), v. âen; -berg: (sneeuwhoop), m. âen; âbes (heester), v. âsen; â blank, â wit, bn.; â bliml. bn. (de meeste vogels worden sneemoblind),\)n.; â bni, v. â en; â g-rf'ns, v. â zen; â linie (grens der sneeuw op de bergen), v. â liniön; â klokjâ¬k (voorjaarsbloempje), o. â s. Sneeuwen, onp. w.. het heeft gesneeuwd. liet sneeuwde groote ideeën. (C. O.) S\\w\twiis(metsneeuwbedekt,ï\%.ver(p'ijsd),\m. Sneeuwwit,bn. â haar,c\.i. erg wit iiooldhaar. Sneezen (schacheren), ik heb gesneesd. Snek (raadje in een uurwerk), v. âken. Snel (een halve pint), v. âlen; de stroop â . Snel (vlug), bn. en bw.; -beid, â lig-lieid, v. Snel4lilt;*lit (puntdicht, snaaksch epigram), o. âdichten. De âdichten van Huygens. Snellen (spoeden, ijlen), ik ben gesneld. Snellonper. m. -s; âsehrijver, in. -s; â trein. m. âen; âzeiler (groerf bezeild schip), m. â s. Snelpers (stoompers, drukkend ± 000 vel per uur), v. âpersen. |
Sneppc^r (laatvlijm), m. â s. Snerken (in boter braden), ik heb gesnerkt; -ing, v.; een hoentje â. SiK'rpen (snijden, gloeien), d.? wonde hoeft gesnerpt. Sn«gt;rpenlt;l. bn.; ''en âe wind, d. i. snijdend.-Sners, v. âen. Zie: Snars. Snert (erwtensoep), v. gmv. Het iijkt wel â, het lijkt op niets; dat is â, gekkenpraat. Snlt;kn (beschamend, teleurgesteld), bn. en bw. Dat luas â voor hem; hij keek wat â. Snen (dwarslijn aan de beug lijn), v. âen. Snenkeren (smullen), ik hel» gesne-ikerd. Sneuvelen (vallen op 't slagveld), hij is gesneuveld. Sneven (sneuvelen), hij is gesneefd. Snibbig', bn.; een â meisje, d. i. vianig, scherp van taal. Ook: Snebbig:: â heid, v. Snijbank, v. âen; âboon, v. âon. Snijden, ik sneed, heb gesneden. Dat snijilt door het hart, door de ziel, d.i. treft pijnlijk; ik ben in dien winkel erg gesneden, d. :. afgezet; de kaas â, een pronker zijn; wijn â , d. i. mengen; het mesje snijdt daar van twee kanten, or zijn dubbele verdiensten, winsten; de door het hart snijdende bijv. naamw. âleelijk, dom, onbeduidend.(Ã.Ã.); â er, m.; â ing-, v. Snijclend (iets dat snijdt), bn.; een âe wind, een âe pijn; iet* op âen loon zeggen. Snijder (kleermaker), in. â s. gmz. Snijderen (het kleermakersvak op kleine schaal uitoefenen), ik heb gesnijderd. Snijdersainbaelit. o. gmv.; âgezel. m. â len; âgild, o. âen; -tafel, v. â s. Snijkamer (o/^/ee^/twrn'/'X v. âs; âlijn. v. â en; â piint, o. âen; -tand, m. -en. Snik in. âken. Hij was op het punt den jong sten â te geven, d. i. te sterven; de laatste â. (C. O.) Snik. bn. Dit meisje is niet recht â. niet recht wijs. Snik {trekschuit in Friesland), v. âken. Snikheet (drukkend warm), bn.; een âe Augustus-avond. Snikken (hikkend schreien), ik heb gesnikt. Snip (vogel, steltlooper), v. âpen. Ook: Snep. Snippel (reepje oranjeschil), v. âs. Ook: Snipper. Snippen (snipperen), ik heb gesnipt. Snippenei. o. âeren; â jaeht,v. â en; â net, o. âten; âtijd. m.; âvangst, v. Snipper, v.; een koek met âs. Zie Snippel. Snipperen (in snippers snijden), ik heb gesnipperd; â aar. m. Snipperkoek, m. âen; â niand (prullenmand), v. âen; âuur (verloren uur), o. â uren; âwerk (beuzelwerk), o. Snippig-. bn. Zie: Snibbig*. Snirsen (snerken, ook sissen), het hééft go-snirst; â ing'. v. Snit (kerfbijl), rn. âten. Snit (vorm, fatsoen), v. âten; het â van een kleedingstuk, d. i. de snede. Snob (Eng. ploert), m. â s. Snobbisme (ploertigheid), o. gmv. Snoeien (afsnijden, inkorten), ik heb gesnoeid; een boom â, geld â; âer, m.; -ing', v.; â Sâ¬Â»l (afval), o. Snoeiniaand (Februari), m. âmaanden. Snoek (een visch), m. âen; als stofnaam, v. een â vangen, in 't water vallen; hij voelde |
/»00 SNOICKACHTIG â SOI-DISANT.
V _â __
|
er zich op zijn gemak nis epn â op zolder, d. i. hij was er niet, in zijn element. Snoekaclitig- (vraatzuchtig), bn. Snoep (snoeperij), m. gmv.; - koopen. Snoepaeliti^.'bn.; een â kind, dat gaarne snoept; â lieid. v. Snoepen, ik lieb gesnoept; âer, m.; âerij,y. Snoeperig (^quot;lt;?/quot;, aardig), bn.; een â kantje, een â mutsje-, â lieid, v. Snoeperij (lekkers, snoeplekkerrij), v. âen. Snoepgoed (lekkernij), o. gmv. Snoepii;, bn. Jasper zat bij 7 â Klaartje (Staring), d. i. mal, minziek; âv. Snoeplust (neiging tot snoepen), m. gmv. Snoepreisje (kleine reis, die men in stille doet), o. âreisjes. Snoepscli (snoepachtig), bn.; â Iieid, v. Snoeptafel (tafeltje met snoepgoed), v. â s. Snoepwinkeltjes o. â s. Snoer (gevlochten koord), o. âen; een â van parelen, koralen', iem. aan zijn â krijgen, tot zijn partij overhalen; een ha!*â. Snoeren, ik heb gesnoerd; iem. den mond â, d. 1. tot zwijgen brengen. Snoes (lief kindje', ook snoeshaan), rn. âzen. gmz.; een â van een kind; mamalief zit op den koepel met een vreemden (C. O.) Snoesliaan (pocher, zonderling), m. âhanen. Saioet (snuit), m. âen; de â van een varken, hond, enz. Snoeven (pochen, zwetsen), ik heb gesnoefd; â â¬Â»r, m.; âerij. v. Snood (boos, misdadig), bn. en bw.; â lieid. v. Snoodaard (booswicht), m. â s; âij. v. Snor (snorrend geluid', roes), m.; ee)i â aanhebben, d. i. dronken zijn. Snor (knevelbaard), v. âren. Snor (oude rammelkast, bijwagen), m. âion. Snorbaard (fig. man met een zwaren knevel), m. âen. Snork (het snorken), m. âen. Snorken. Snnrken (ronken, zwaar slapen), ik heb gesnorkt, gesnurkt; -er, m.; âerij (snoeverij), v. SnorrelM»! (speelgoed, dat een snorrend geluid maakt), o. âbotten. Snorren (brommen). De pijlen â , de kachel, het spinnewiel snort', de meikevers â ons om de ooren. Snorren (snel loopen), ik heb en ben gesnord. Ik snor eens gauw naar de markt. Snorwagen (reiskoets), m. â s. Zie: Snor. Snot (neusvocht), o. en v. gmv. Snot (droes bij paarden), v. gmv. .Snotnens(kwajongen), m.en v. â neuzen, gmz. Snotolf (eens lij mi ge soort vanelft), m. âolven. Eig. Snotwolf. Snotteren (fig. snikkend krijten), ik heb gesnotterd. Snnf (reuk), v. Ik heb er de â van, d. i. de lucht van, ik heb het in de gaten; In] gaat naar de laatste â gekleed, d. i. naar de laatste gril der mode. Snnirelen (snuiven, tig. naspeuren, doorzeken), ik heb gesnutleld. De hond snuHelde het vertrek door; wij zullen eens in zijn papieren â; âaar, m.; â injf, v. Snullen (snuiven), ik heb gesnuft; -fer, m. Snn^fëer (schrander), bn. en bw.; â lieid, v. Snuif (gemalen tabak), v.; âven, van meelsoorten; â «loos, v. â doozen. Snuiftabak, v. gmv. Snuisterij (kleinigheid, kramer ij), v. âen. |
Snuit (vleezig deel van den bek. van so-mmige dieren), m. âen; de snuit van een olifant. Zie ook Snoet. Snuit (afval van vlas), v. en o. gmv. Snuiten, ik snoot, hel) gesnoten; dennens â; de kaars â. Snuiten (een stuk hout afronden), ik heb gesnuit. Snuiter (een schaar met een huisje er op om de kaarsepit af te knijpen; fig. grappenmaker, zonderling), m. â s. Snuitsel (verkoolde pit), o. gmv. HnnitU.e\er (schildvleug, insect), m. - kevers. Sniiitinot (nachtvlinder), v. âmotten. Snuitseliildpaci (schildpad in Guiana), v. â padden. Snuitvlseli (snavelvisch), m. -visschen. Snuiven (zwaar ademen door den neus), ik snoof, heb gesnoven; hij snoof woede, of van woede, hij was in hooge mate vertoornd; â er, m. â s. Snuivertje (klein kookhuisje), o. â s. Snurken (ronken). Zie Snorken. Sober (matig), bn. en bw.; een â mensch; â beid. v. Soeiaal (maatschappelijk; gezellig), bn.; een âdemocraat, een man der volkspartij. Soeialisnius, Soeialisme, o. gmv. Politiek en oeconomisch systeem, dat alle gezag zoowel als de beginselen en middelen van bestuur den staat wil in handen geven; leert dat de staat alles (ten minste de productieve goederen) b.v. akkers, fabrieken moet bezitten en-onder de werklieden arbeid en winst in billijke verhouding moet verdeelen; wordt verdeeld in Anarchisme, Parlementair socialisme (Sociaal-democratie) en Agrarisch socialisme (zie aldaar). Soeiaal-denioeraat, m. âdemocraten; â -denioeratie, v. Soeialist (aanhanger of voorstander van hot socialisme), m. âen. Soeiëteit (gezelschap, genootschap, vereen i-ging, ook het gebouw), v. â sn; de â run Jezus, de Jezuïetenorde. Soeiniauen (scheurmakers in Polen), m. mv. Sociologie (leer v. h. niaatsch. leven), v. gmv. Soeratiseli (van of volgens Socrates), bn.; Ue. âe methode, de in vragen opklimmende. Soda (zoutasch), v. gmv.; -water (kunst-mineraalwater), o. â cn. Soebatten (aanhoudend vleiend vragen, bedelen), ik heb gesoebat; -vr (kruipendvleier), m. Soekoe (Ind. op Soematra een volksstam), Soelaas (hulp, steun), o. gmv. [v. â s. Soendaneezen (Ind. bewoners van IV. Java), m. mv. Soep (afkooksel,aftreksel), v. âen. Fig. omhaal van woorden. Soeperig? (lig. langdradig), bn. De redevoering, preek enz. was wat â; â beid. v. Soes (dommel, bedwelming), m. soezen. Soes (taartje), v. soezen. Soesali, Soessab (Ind. drukte, moeite, verdriet, last), v. gmv. Soesoelioenan (Ind. Keizer), m. â s; de â van Solo, de keizer van Soerakarta. Soezen (sulfen, slapen, droomen), ik heb gesoesd; âer, m. Soezerig (dommelig, dof), bn.; â held, v. Sofa (rustbank, canape), v. â's. Soi-«lisant(zooi/e/ïr/ötmd),bn.;ee»i â professor, een - bisschop', d. i. zich noemend, gewaand. |
SO [G N EER !â¢:N - SO PI 11ST.
401
|
Soip:iiclt;kreii {met zorij hi'ltamU'len); m/ uocd yesoiyneerdc kleamp;lhoj. Soi^iK'iis (vol zory, zoryvuldiy), lm. en li\v. Soiree (avondyczclscliap), v. â s. Soja {Japanse!I praeparaat van zeker haonen-meel om aan vleesrhspijzen een pikanten smaak te yeven\ v. gin v.; â saas, een pikante saus. Sok {korte kous), v. âken. Sokkel {ylazen voetjeâ¢, onderstel), m. â s; de ylazen âs onder een piano. Sokkorig-, lm.; een âe vent. een domme vent, een kalf Mozes. Sol» {sola-wissel, enkele wisselbrief, door yeen anderen yevolyd), v. â ?s. Solair-inicroscooi» {zonnemicroscoop), m. âcopen. Sold {betaliny, soldij), o. gmv. Soldaat, m. âdaten; vroeger soldenier en soudenier. Soldatesk {naar krijyst11answijze), bn. Soldlt;Mgt;r {soldeersel), lt;». gniv. Solileorhout {iverktaiy), in. âen. SoIdeerenCaan/icc/iffu met soldeersel); â dor. m.; âsel, o.; â ing1, v. Soldec^rijxc^i*, o. â s; âwerk, o. Soldij {hezoldiyiny), v. âen; troepen in â nemen. Solemneel (pleehtiy, pler.htstatiy), bn. en b\v.; een âe dienst of mis in de li. K. kerk. Soleiiiiiixeeren {vieren, pleehtiy yedenken). Soleiiinitelt (pleehtiy heid, feestelijkheid), v. âen. Solfatara (Ind. zwavelbron), v. âtaren; een uitstapje naar de â van den Sa lok in de provincie Buitéhzory. (Hoüvell), vulkanische k rater. Soll'fcft'e (muz. studie der noten en intervallen), v. gmv. Solfer {zwavel), o. en v. gmv. Zie Sulfer. Solidair {allen voor één, en één voor allen; yezamenlijk en afzonderlijk), bn. en bw. Ieder der deelhebbers is â aansprakelijk. Soliilarlteit {aansprakelijkheid voor zich zeiven en voor allen; gevoel van één-zijn nwt anderen), v. gmv. Solide {dicht, vast, yrondiy, yenoeyzaam; stipt zijn verplichtinyen nakomend), bn. en bw. Solideeren {bevestiyen, verzekeren). Solifliteit {hechtheid, duurzaamheid, vertrouwbaarheid), v. gmv. Solist {solozanger, solospeler), m. âen. Solitair (kluizenaar), m. â s. Solitair (eenzaam, onyezelliy), bn. en bw. Slt;»litiide (eenzaamheid, woestijn), v. gmv. Sollen (play en), ik heb gesold. De leer liny en â met hem, d. i. houden hem voor den gek; 'k Laat naar koninklijke wijs 't volkje met tne â. (De Gen.), spelen. Sollicitant (dinyer n. e. betrekkiny), m. â en. Sollicitante (dame, die solliciteert), v. â n. Sollicitatick (verzoek, m edediny iny),v. -tiën, -s. Sirlliciteeren (verzoeken, dinyen naar een betrekkiny, om iets aanhouden). Solliciteur (wettiy aanyesteld persoon, om zaken voor anderen, bijzonder bij de Hegeer'niy, te bezorgen, procureur), m. âs. vero. SoliniNeeren. Soliieeren (de klankladder of de noten, do, re, mi, fa, sol, la, si, afzinyeu; het muzikaal A. li. C.. zinyen). Solo (muz. alleen, zonder beyeleidiug of hulp), bw. Hij moet â zinyen. Solo (al leen spel, alleenzany), m. â's. koknf.n, Verkl. llandivdb. d. Nederl. taal. |
Solo'eisnie. Solecisine (taalfout, bijzonder tegen de regels der spraakkunst), o. â n. Solstitium (zonnestilstand, zo)mekeering op 21 Juni 01 '2:1 Dec.), o. gmv. Solvabel. Solvent (in staat te betalen), bn. Solvabiliteit (ver om tebetalcn,)\. gmv. Solveeren (oplossen', betalen, afdoen). Solvit (hij of zij heeft betaald). Som (optelling), v. âmen; de proef op de â (= het vraagstuk) maken; ânietje, o. â s. Somatose (versterkende eiwitsof), v. gmv. Somber (duister), bn. en bw. Fig. neerslachtig. droevig; â heid, v. Somma (bedrug), v. gmv. Sommatie (oproeping, aanmaning, opvordering), v. â ti«quot;n, âties. Sommeei'en (dagvaarden, oproepen, aan-manen). De politie âde de menigte uit elkaar te gaan. Sommer (scheepsw. zware eiken balk), m. â s. Sommige (eenige, enkele), telw. Van de knapen, menschen, honden, paarden enz. zijn â bij het ongeluk gewond. Sommigen(enkelen), mv. Velen gaan examen doen, slechts â kunnen slagen. Sommiteit (hooge bergtop, ook voornaam persoon; hoogste in rang), v, âen. Somnambnlc (slaap- of nachtwandelaar, vooral helderziende (vrouw) door het magnetisme), m. en v. â s. Somnambulisme, Somnambiilismiis (slaapwandelzucht, helderziendheid in den magnetischen slaap), o. gmv. Somp (moeras, poel), v. âen. Soinpi^' (moerassig), bn.; â lieid, v. Soinptnens (pracht!ievend, verkwistend), bn. Som|gt;vo$;'el {poelvogel), m. âvogels. Soms,Somtijds,Somivijlen(/m eudanj^hw'. Sonate (muziekstuk voor het klavier of de piano forte, ook voor orkest), v. â n, â s; de â )i van Beethoven. Sonatine (kleine sonate), v. â s. Sond (doorvaart in Denemarken), v. Sonde (werktuig, om de diepte en gesteldheid eener wonde te onderzoeken, peilstift), v. â s. Sondeeren (de diepte onderzoeken; uitvor-schen; trachten uit te vorschen; polsen); â ijzer, o.; âing'. v. Sonnet (klinkdicht, rijmdicht van vier coupletten en veertien regels), o. âten. Sonore, Sonoriscli (welluidend, helderklintend), bn. Sonoriteit (welluidende klank), v. gmv. Soort (aard), v. en o. âen. Wat â van woord is het'/ een raar â van menschen, d. i. slag; â zoékt â, d. i. gelijk zoekt gelijk. Soortelijk (volgens de soort),bn.; âezwaarto, d. i. betrekkelijke zwaarte der stollen; het â gewicht der lichamen, liet â gewicht van goud is 'W.ö, van kwik = 13.5'j, van zilver = 10.'}, van koper 8.8, van tin 7.3, van zink G.80. Soortgelijk (dergelijke), bn.; âe praatjes bevallen mij niet. Soortgetal (de woorden op -lei en -hatide), o. â len. Tweeërlei, allerhande is een â. Soos (sociëteit), v. gmz.; naar de â gaan. Sop, o. en v. âpen. De â is de kool niet waard, de zaak is van te geringe beteekenis; ze zijn met hetzelfde â overgoten, het zijn vogels van één verren; het ruime â, d. i. de zee. Sopliisme (d rog rede, bedrieglijke redeneering), o. â n. Sopliist (drogredenaar), m. âon. 20 |
ftOPIlTSTKm.T - SPAT.KEN.
|
K4»|»liiKteri| (s/) i lx von (I 'njh ei d ), v. âon. SopliiKtiKC'li (spitsrowliy, beiIrieulijk), l»n. SopliiKtisecreu (ilcn ilrorjredenaar spelen). Soigt;orâ¬Mkrâ¬kii {verdooven, doen inslapen). Soppi^doppfii (onmatig in smis indoope)i\ ik hel» gesoppedopt. So|»|»«'ii (indoopen), ik heli gesopt; hij kan niet ruim â. d. i. hij heelt het niet breed; â or. m. Sopraan (bpvenstem\v. sopmnen; â zangeres', mezzoâ, lussclion sopraan en alt. SopraiK» (mnz. de hooge of bovenstem), v. Sorbet (vrucht ran den sorbeboom), \. ân. SorlM'booin (lijsterbesboom), m. âen. Sorbonkriiid (pimpernelachtige plant), o.; het gemeene â. Sorbet (een verfrisschende drank), o. gmv. Sorboiino (een oudr hoogeschool te Parijs, waar onbemiddelde jongelieden tot wereldlijke, priesters werden opgeleid', ook: de godgeleerde faculteit te Parijs), v. gmv. Sordino. Sonriline(tuondempe?'), v. â's; âs. Sorditeit (vuil- of morsigheid, schandelijke (tierigheid), v. gmv. Slt;»rnetllt;gt;n (ongerijmde taal, sprookjes, on-noozel en zot getnap), v. niv. Sorlabel (geschikt, gepust, geëvenredigd), lm.; een â huwelijk. Sorteeren (uitzoeken, in soorten srhiften); â lt;i«'r, in.; â inji'. v. Sortie (uitgang; uitval bij een belegering'. ook: lichte damesmantel), v. âs. Sortinienl (goederenvoorruad), o. âen. Zie: Akmoi*! inienf. S4»tferni(k (kluchtspel der Middeleeuwen), v. â nieën. Softise (zotheid, gekheid, domheid; onbetamelijkheid), v. â s. Sotto voce (mnz. meteen zuchte, doffe stem). Solo (Ind. tabak), v. gmv. Son (Pransche kopermunt = 272 cent), m. âs. Soubrette (kamenier, sluwe kumerjuffer bijzonder op het tooneel), v. âs, â n. Soinienier (soldaat), m. âen, â s. vero. Sonilleeren (voorzeggen o/i het tooneel; influisteren, inblazen). Sonfliet (klap, muilpeer, oorveeg), m. âten. Sonflieteeren (oorvijgen of Klappen uitdeden). Sonflienr (hiblazer, rolvoorzegger), m. â s.; â slioKje. 0. â s. Sonflranee (leed, lijden), v. â s. Sonfirant (lijdend, ziekelijk), bn. Sonllre-donii'iir (rom/mW. ), m. Ifij is de â zijner kameraden (mv. = sonIfre-douleurs). Sonfi'reerf*!! (lijden, ondergaan; toelaten, duldeti). So 11 freeren (r wa vela 1). Sonla^'eeren (verlichten, verzachten; vertroosten). Sonla^enient (verkwikking, troost, verlichting), o. gmv. Soumis (onderdanig, gedwee), bn. SonniiNsR' (onderwerping), v. gmv. Soumier (klankgever, toestel op een telegraafkantoor), ni. â s. Sonpvon (argwaan, verdenking), m. â s. Sonpeonneeren (verdenken, mistrouwen. wantrouwen). Sonp^onneiiN (achterdochtig), bn. Son|»elt;'ren (het avondmaal gebruiken). Souper, Sonpé (avondeten), n. âs; soupertje, soupeetje. |
Sonple (lenig, buigzaam, handelbaar), bn. Souplesse (buigzaamheid, lenigheid, rekbaarheid), v. gmv. Sourdine (demper), v. âs; a la â, in het geniep. Zie: Sordino. Souspied (voetriem, aan de broek bevestigd, om ze strak te houden), m. âs. SoHssi$£neeren (onderteekenen). Sonsterrain. o. Zie: Sonferrain. Sontane (lijfrok, Æ?. A'. priesterkleed), v. â s. Sonteneeren (ondersteunen, in stand of staande houden, verdedigen, beweren). Sontenenr (iem. die zich laat onderhouden), m. â s. Souterrain (onderaardsch gewelf of vertrek, kelderverdieping), o. â s. Soutien (bijstand, steun; ook ijzerdraadgaas), m. â s. Souvenir (aandenken; herinneringsgeschenk; schrijf'- of zakboekje), 0. â s. Sonverein (oppermachtig), bn. en Inv. Sonverein (gebieder, vorst), m. âen. Snu\eireiniteii(oppermuchtigelieerschapiuj^, v. gmv. Sovereign (Eng. goudmunt van ± f J-J), m. â s. Spa (gran f werktuig), v. spaden. Zie Spade. Spa (laat), b\v. Zie Spades Spaak, (lang hout, handboom), v. spaken; iem. een â in het wiel steken, d. i. tegenwerken. Spaak, b\v.; â loopen, in de war loopen. Spaan (buigzamehoutreep), v.spanen; boterâ, d.i. platte houten \e\)e\; schuimâ , roei â . Spaander, m. âs. Wwo' gehukt wordt, vallen âs, in elk gevecht vallen van weerszijden dooden. Spaandersliaak (gereedschap der scheepstimmerlui), m. âhaken. Spaanseli. bn. en bw. (als zn. o.). Ih'! was een âe tijd, d.i. een treurige, rampspoedige tijd; het ging er â toe, d.i. ruw, hardvochtig; dat klinkt â, d.i. vreemd; hij heeft het â, d.i. hard, armoedig; de âe pokken, zeer gevaarlijke pokken; een âe vlieg, trekpleister; âe zeep, witte, harde zeep; âe peper. Indische peper; op zijn â gekleed zijn, d. i. naar de â e mode; een â ruiter, een versperring van paalwerk, een Friesche ruiter; â riet, dun vleclUriet; â grom, kopergroen, ook kunstgroen; â leder, marokijnleder. Spaarbank, v. âbanken. Spaarder (hij die spaart), n. â s; -ster, v. â s. Spaarpot, m. âpotten. Spaarxaani {zuinig), bn. en bw.; de lloll. jongen is niet â met woorden (C. O.); â lieid.v. Spaatli (soort van ruitvormig mineraal), «gt;. gmv. Spade. Spa (graafwerktuig), v. spaden. Spade (laat), bn.; als bw. ook Spa: in den â n nacht; de â tranen, â regen; vroegen â. Spadeling* (nakomer, achterblijver), m. âen. Spaden (graven), ik spaadde, heb gespaad. Spadille (schoppenaas of hoogste troef in het 'luadrillespet), v. â s. Spalii (Turksche ruiter), m â quot;s. Spalier (latwerk of staketsel voor leibttomen), 0. -en; âboom, m.; -vrnelit, v. Spalk (latje om te spalken), v. âen. Spalken, ik heb gespalkt; een gebroken poot â , d. i. stevig tusschen twee latjes of plankjes binden; â ing'. v.; â liont. o. |
SPKF.LNOOT.
SPALLINO â
|
Kpallin^- (varken beneden het jaar), m. âen. Spalt (spleet), m. âen. vero. Spalllt;kii (splijten). Zie Tu'«'«'Si»aU. Kpan, SpaniK' (lengte y el ijle tie span een er hn)i(l), v.; de tafel is drie spannen breed; een â tijds, korte tijd; ook: raam van een spanzaag, vlieger, enz. Span (yespan), o. â nen; een â paarden, ossen, (I. i. een koppel; een verscli â paarden: deze kinderen zijn een aarduj â, tweetal. Spanen (ran spaan), bn.; een â speelgoeddoos. Spanen, ik heb gespaand; boter â, d. i. met een spaan bewerken. Spang- (gesp, ring, zilveren haak), v. âen. Spangordellijfgordel), m. -s. Spanjaard, m. âen, â s. Spanne, v. â n. Zie Span. v. Spannen, ik spande, heb gespannen; de paarden voor den wagen â, d. i. binden; de ossen voor den ploeg â; de paarden achter den wagen â, averechts te werk gaan; de kroon â, de koningskroon aanbinden, fig. de eerste zijn onder gelijken; gij spant de streng te stijf. d. i. eischt te veel; de snaren â, een muziekinstrument gereed maken, fig. het bespelen; den boog â, gereedmaken; de boog kan niet altijd gespannen zijn, men moet ook eens rusten; den haan â, nl. bet geweer willen afschieten; de vierschaar â, de rechtbank bijeenroepen, recht gaan spreken; de wind spant de zeilen', dat kleedingst uk spant, d. i. knelt; het zal er â, d.i. heet toegaan; met gespannen veriuaehting. (C. O.); âning, v.; ânel, o. Spanraani (droograam, laken- of deken-raam), o. âramen. Spanriem (riem om den schoen op de knie vast te zetten), m. âriemen. Spanrnp*i (mps, welke al huppelend zich beweegt), v. ârupsen. Spttnseervnldeftig stappen,tvandelen,zei len). Spant (spaniverk van een dak), v. âen. Spant (zeew. deel van het geraamte v. e. schip), v. âen. Spanzaag (zaag in een raam gespannen), v. â zagen. Spar (sparreboom), m. âren. Spar (lang dakhoat, stang), v. âren. Sparen (opsparen, fig. ontzien), ik heb gespaard. De lloll. jongen spaart in 'I vechten zijn partij. (C. O.), d. i. ontziet. Spargel (wildeasperge), m. gmv.; â kruid. o. Spark (sprank, vonk), v. âen. Sparkelen (vonken schieten, vonkelen), het heeft gesparkeld. Spartaanseh (lig. streng, hard), bn.; een âe opvoeding. Spartelbeenen (met de heenen in de lacht spartelen), ik heb gespartelbeend. Spartelen (krampachtig bewegen), ik heb gesparteld. De visch lag in het gras le â; di' knaap spartelde in den vijver', âaar, m.; â ing, v. Spartelviseli (spartelende visch), m. â vis-schen; hij trekt âvissc.Uen a it den vijver. (Vondel). SpasimiM (kramp, samentrekking), m. - sen. Spat (vlekje), v. â ten; ja broek zit vol âten. Spat (aderspat), v. âten. Spatel (strijkmes voor zalf; zalfspaan), v. â s. Spatie (tasschenruimte), v. â s. Spatie (op de drukkerij kort let terstaafje tusschen twee woorden, srheistifl), v. â s. |
Spatieeren (van tasschenruinden voorzien). Spatten (in druppels rond- of opvliegen), ik heb en het is gespat. Het bloed spatie uit de wonde; -ing, v. Spatting (scheepsw. wijdte, breedte), v.-en. Specerij (uitheemsche kruiderij), v. âen. Speeerijaelitig, bn.; een âe smaak. Speelit (zekere bosrh-klinivogel), m. âen. Spelt;*litenlt;'i, o. âeieren. Speciaal (bijzonder, afzonderlijk, bepaald), bn. en bw. Specialist (persoon, die in eenig vak uitmunt), in. â en. Hij is een â in de geschiedenis. Specialiteit (bijzonder vak; iemand die in een zeker vak uitmunt), v. âen. Specie (metaal; mant), v âciën, â cies; cm bel van een zeer luid klinkende (C. O.); wilt ge papieren geld of â Spcciticatie (stukswijze opgaaf), v. â tiën, â s. Specificeeren (stak voor stuk opgeven, hij name opnoemen). Ook: Specifieeren. Specifiek (soortelijk), bn.; â grwieht, soortelijk gewicht. Speciinlt;kn (proefstuk of -werk, voorloopig model), o. âs, specimina. Spektakel (schouwspel, vertoon!tug), o. -s; âstuk, o. Spectator {toeschouwer, waarnemer), m. -s. Spoctatoriaal, l)n.; âale geschriften, in den trant van den Spectator van Justus van Kll'en. Spectraalanal.yKe (ontleding v. h. licht), v. gmv. Speetrlt;mieter (licht- of siraal-onderzoeker), m. â s. Speet rum (band van kleuren door een kleine opening op een wit scherm geworpen), o. â s, âtra. Speculant (ondernemend koopman, wuger op hoop van winst), m. âen. Speen la tilt;k (bespiegel'mg; koo/unansondrrne-ming; wagerij op hoop van winst), v. â tiën. â ties. Speenlatie (St.-Xicolaaskoek of -baksel)v v. gmv. Speenlatiel' (bespiegelend, diepzinnig: ondernemend). bn.; de â ieve geest van tante Vernooy. (C. O.) Specnleeren (bespiegelen, bepeinzen, navor-schen; handelsplannen maken, op winst loeren of uit zijn); â in kolf ie; â in olie. Sp eecli (redevoering, toespraak), \. -en. Lees: spietsj. Speeclien (een aanspraak houden), ik heb âspeecht; lees: spietsjen. Speek (spaak in een rad), v. âen. Speeksel (mondvocht), o. gmv. Speelbal (werpbal), m. â len. Hij is de â der fortuin ; het schip was een â der golwn. Speelbank (plaats, waar gedobbeld wordt), v. âbanken; âdub, v. âs; â«lag, m. â -dagen. Speeldoos (muziekdoos), v. â doozen. Speeliluivel. m. gmv.; door den â bezeten zijn; âgeld, o. -en; âgenoot, m. en. v. â genooten; â gezelschap, o. âpen. Speelgoed, o. â goederen; â maker. m. â s; â winkel, m. â s. Speellmis (danshuis, kroeg), o. âhuizen. Speeljaclit (pleziervaartuig), o. âJachten. Speelman (muzikant), m. âlieden, âlui. Speelnoot (speelkameraad), m. âen; â -noote, v. Ook bruidsjonker of-meisje: Wie der jongens hij tot -en kiezen zon. (Potg.) |
20*
t
SPEELPLAATS- SPIEGEL.
|
SpeolplaatM. v. âplaatsen. Speelpop (fig. speelbal), v. âpoppen. Speelreisje (plezierreis), o. âreisjes. Speelriiiinte {vrije ruimte), v. Speelseh. bn.; een â knaapje, de âe hoop des vaderlands, (C. O.): â lieiil. v. Spcgt;eltalel. v. â s. Hij heeft zijn vermogen aan dr â verkwist, d. i. met het hazardspel. Speeltuig' (kinderspeelfioed, ook muziekinstrument), o. âtuigen. Speeltuin {kindertuin), ni. âtuinen. Speelvaart. Spelevaart (pleziertocht), v. â vaarten. Speelwerk (klokkenspel, muziek), o. âen. Speelziek, bn.; een â kind; een âe hond, d. i. gaarne spelende. Speelzuelit (neiging tot spelen), v. gmv. Speen (tepel eener koe, geit, enz.), v. spenen. Speenkruid (vroege boterbloem), o. gmv. Speenvarken (zeer jong varken), o. -s. Speer (lans, piek, spiets), v. speren. Speerhaak (klein smidsaambeeld), m.-haken. Speerliaai (doornhaai, i. d. Noordzee), m. â haaien. Speerruiter (lansie)-), m. âruiters. Speet (houten slagerspin), v. âspeten. Spe etaal. Speet jesaal (mootjes aal aan een speet geregen), v. gmv. Spek, o. gmv.; met â schieten, liegen, bluf-fen; mee doen voor â en boonen, d. i. niet geteld worden, er te veel zijn; zij vallen van weelde uit het â, d. i. zij verwaarloozen hun plichten. Spekjan (scheldnaam voor Portugeezen en Spanjaarden), in. â nen of Spekken. Spekken, ik heb gespekt; iem. beurs of'iem. â, d. i. goed van geld voorzien. Spekkoek (pannekoek met spek), m. âen. S|»ekkoning- (die het walvischspek tont), in. âkoningen. Speknek (persoon met een dikken nek), m. on v. â ken. Spekslager, rn. âs; âslagerij, v. âen; â snijder (op een walvischvaarder), m. âs. Speksteen, o. /ie Agalmatoliet. Spektakel (schouwspel; rumoer, drukte), o. â s. Wat maken die lui een â! Spel. o. âen en â len; alles op het â zetten, d. i. wagen; hid â in handen hebben, meester, de baas zijn; iem. vrij â laten, de noo-dige vrijheid laten; zij n â met iem. spelen of drijven, iem. beet hebben, foppen; uw naam slaat op het â, d. i. loopt gevaar; iets huiten â laten, d. i. buiten beschouwing, rekening; het schip was een â der golven, d.i. speelbal; deze knaap bederft altijd het â, is een spelbreker, een ruziemaker; een meesterlijk â, nl. het bespelen van een muziekinstrument; het â der oog en; het â der gebaren, aanduidingen, teekens; een â kaarten, een vereischt getal; het dominoâ, het damâ, het schaakâ (mv. dominospellen,enz.). Spelbreker (spelrerstoorder), m. âs; â -Ureekster, v. â s. Speld, v. â en; er is geen â tusschen te krijgen, zij is een eérste klappei. Speldeknop, âkop. m. âpen. Spâ¬klden (/ Hist hechten, opprikken), ik heb gespeld; iem. iets op de mouw â, iets wijs maken. Speldmgeld (toelage voor de kleedij eener vrouw), o. gmv. Spelemeien (zich vermaken in de vrije na-tuur), ik heb gespelemeid. |
Spelen, ik hel) gespeeld; een rol â in een toon eels tuk, d.i. vervullen; de hoofdrol â, ⢠Ie leider, de eerste zijn; in de loterij â; om den keizer zijn baard â, d.i. om niemendal; met zijn gezondheid â, ze verwaarloozen: met beloften, met eeden â, deze als een spel, als zonder waarde beschouwen; het geschut laten â, de kanonnen lossen, de wallen beschieten; ergens den baas â, op zijn poot â (gmz.), den heer uithangen; razen, tieren, commandeeren; dat speelt mij door het hoofd; ik herinner mij er llauwelijk iets van; iem. een poets â, d. i. een kool stoven; hij heeft bankroet gespeeld, hij tailleerde op oneerlijke manier; iem. iets in de hand â, het hem doen bekomen. Speler ( iem. die speelt), m. â s.; een kaart â , een dominoâ, een harpâ, een orgelâ. Spelevaart (roeitochtje), v. âen. Spelevaren {voor plezier uit roeien gaan), ik heb gespelevaard. HoePieteruitâgaai.(C.O.) Speling (scheepst. ruimte), v. âen. De mast staat los, hij heeft â, nl. om te wiegelen. Spellen, ik heb gespeld; âIer, m.; âling, v.; een woord â, d.i. alle letters in volgorde noemen. Spelling (schrijfwijze der woorden), v. â en; de â van De Vries en Te Winkel; de â van Ko He wijn. Zie Orf hograpliie. Spelonk (hol, grot), v. âen. Fig. vuile woning. Spelt (een soort van grove tarwe), v. gmv. Speneer (Engelsche vestrok, strakke dames-blouse), m. â s. Spendabel (mild, kwistig), bn. Spendeeren (ten koste leggen aan). Ook: Spandeercn. Geld aan iels â. Spenen (kinderen van de borst afnemen; fig. onthouden), ik heb gespeend; zich â van de vermaken der wereld, van ile studie, enz.; zich moeten â van alle vertreding op de zes overige dagen. (C. O.); â ing. v. Sperbooin (slagboom, sluitboom), m. âen. Sperge, v. â s. Zie Asperge. Spergelkruid (wilde asperge), o. gmv. Sperketting (afsluitketting), m. â kettingen. Sperren (wijd vun elkaar zetten), ik heb gesperd; de (togen wijd open â; âring. v. Sperwer (een soort van valk), m. â s. Spes patriae (hoop des vaderlands), v. gmv.; de blauwgekielde â. (C. O.) Speuren (hel spoor volgen), ik heb gespeurd: niet nauw â, d.i. niet, nauwlettend zijn. Speurhond (afgerichte hond), m. â en; lt;/«' âen der politie, bespieders, handlangers. Spiuuter (mengsel van lood en tin), o. gmv. Zie Piauter; ook: Pea uier. Spiehtig (puntig, smal), bn.; het â gras der heide; â heid, v. Spie ( een spion), m. âen. Vosmaer de â. Spie, SpiJ (ijzeren bout of houten wig), v. âën; âen. Spiebout, m. âbouten. Spieden (bespieden, afloeren'), ik heb âspied. Spiegat (scheepst. gal ter waterloozing), lt;». Ook: Spuigat. Dat loopt de âen uit, t\:\l gaat te ver. Spiegel (weerkaatsende oppervlakte, plallc achterwand van een zeeschip), m. â s. De o ogen zijn de â der ziel, jpenbaren wat er in het gemoed omgaat; d- â der zee, d. i. oppervlakte; de â van de Hoyal Charles in hel Hijksmuseum; onze kapitein las meteen kijker de namen der schep -n op h'in âs. |
SPI KG ELBEIiLDâSPITS.
|
Spiegelbeeld {teruggekaatst beeld), o. --I teelden. Spiegelen (zich), ik heb mij gespiegeld. De bucht huizen spiegelt zich in liet water der gracht, d. i. afteekenen, afspiegelen; die zich aan een ander spiegelt, spiegelt zich zacht, gelukkig de man, die leering trekt uit den tegenspoed van een ander; âinji', v. Spiefrelg-eveeht (schijngevecht), o. âgevechten. Spiegelkast (kast met een spiegel in de deur), v. â kasten; -lijst,V. â en; â mms(k()ol mees), v. â meezen; â mieroKeoop {werkend met een balanceer end spiegeltje), m. â copen; â ruit {ruit van spiegelglas), v. âen. Spier {vleezig bestanddeel, bundel vezelen), v. âen. Spier (zwaluw), v. âen. De âzwaluw heet ook kerk-, muur- of steenzwaluiu. Spier (scheut, halm), v. âen, â tje, o.: Er stond geen âtje gras. Spier^-nldeii (vier gulden), m. âs. vero. Spiering (een visch), m. âen;als stofnaam, v. Hij werpt een â uit o.n een kabeljauw te vangen, d. i. olïert een kleinigheid op om groote winst te behalen; â ink je, o. âs. Spiernaakt (geheel naakt), bn. Spierwit (geheel wit), bn.: âhaar; een âIe veer. Spies. v. âen. Zie Spiets. Spiesglans (zeker hard, zwaar, donkergrauw metaal, antimonium), o. gmv. Spiets. Spies (speer, lans), v. âen. Spietsen (doorboren), ik heb gespietst; ecu misdadiger in de lengte doorboren. Spij. v. âen. Zie Spie. v. Spijbelen (de school verzuimen), ik lieb gespijbeld; â aar, m. â s. Spijgat, o. âgaten. Ook Spiegat, Spuigat. Spijk (lavendel), v. gmv. Spijker (nagel), m. â s.; den - op den kop slatm, de zaak juist treffen, de quaestie juist in het licht stellen; âs met koppen slaan, geen halve maatregelen nemen, doortasten; hij is zoo hard als een hij is niet weeke-lijk, teergevoelig; gm/,.: hij heeft geen contant geld; â« op laag water zoeken, beuzelen, vitten, kinderachtige critiek oefenen; ids dan den â hangen, uitstellen, op de lange baan schuiven. Spijker (pakhuis, zolder schuur), m. âs. Spijkerbalsein (een soort van zalf), m. gmv. Dc â is genoemd naar den fabrikaat Jan Spijker in de iSe eeuw te Amst. Spijkeren (spijkers inshuin), ik heb gespijkerd; âing?, v. Spijkervast. bn. .4/ wat â is, moet men bij verhuizing achterlaten. Spijl (staafje, dwarshout), v. -en; de -en v. e. venster; de âen v. e. hek. Spijs (voedsel), v. âzen. Ook: Spijze. Spijl. v. gmv.; in â van, in weerwil van. Spijten (verdriet doen), het speet mij, heeft mij gespeten. Spijti;?, bn. en bw.; een â antwoord, d. i. bits, vinnig; â liei«i, v. Spijzen (eten), ik heb gespijsd; âin^-. v. S|»i jzi^4'ii (voeden), ik heb gespijzigd; â in^. v. Spikkel (vlekje, stipje), m. âs.; een hond 'met witte âs. Spikkelen (van spikkels voorzien, bespikkelen), ik heb gespikkeld; âin;;*, v. Spikkeli^* (met spikkels), bn.; een âe huid. |
Spikspeldernieiiu' (geheel nieuw), bn.; een â kleed. Spiksplinternieuw (geheel nieuw), bn.; een âe kast. Spil (as), v. en o. â len. Dat is 'le â, waar alles om draait. Spil (spinrokken), v. âlen. Zie liwikel. Spil^ioen (Spaansche jacht- of patrijshond), m. âen. Spillebeen (persoon met dunne langebeenen), m. en v. â beenen. Spilleleen (leen, waarin ook vrouwen mogen opvolgen), o. âen. Henegouwen ivas een â, Vlaanderen was een â. Een â heette ook konkelleen. Spilleniaa^* (bloedverwant van moederszij), m. en v. âmagen. Ook: Konkelmaag. Spillen (verkivisten,verspil len), ik heb gespild. Spil|»ennin^' (teergeld, zakgeld), m. gmv. Spilpenning (verkwister), m. en v. âen. Spilziek (verkwistend, koopziek), bn.; âte, v Spilznelit, v. gmv.; â ijr, bn. Spin (achtpootig dier), v. ânen. /ij werd zoo kwaad als een â, d. i. in hooge mate. Spinaal (schoenmakersvlasgaren), o. gmv. Spinaeliti^ bn.; de âe dieren. Spinazie (bladgroente), v. gmv.; âbeil. o. â den: âplant, v. âen; â zaalt;l, o. Spinde (spijskast), v. â n. Spinet (ouderwetsch klavier), o. âten. vero. Spinliuis (tuchthuis), o. âhuizen. Spinnekop (spin), v. âkoppen. SpiniKMi (draden maken quot;it wol, vlas, katoen), ik spon, heb gesponnen; grootje zat te â; de spin weet een aardig net te â; zijde bij iets â, winst bij iets hebben; â ner, m.; â nerij, v.; â ning:, v.; â sel. «». Spinnen (Vy/'om/m'n der kat), zij heeft gespind. Spinnerij (fabriek, ook het spinnen), v.; ecu katoen â. Spinneweb. o. âwebben. Spinnewiel (werktuig), o. âwielen. S|»inra^;' (draad der spin), o. gmv. Zie Ka:;'. Spinrok, o. ârokken. Zie Spinrokken. Spinrokken (stok, waarom heen op het spinnewiel het vlas zit), o. â s. SpinslH'k (metaal), o. Zie Pinsbek. Spint (wit van het hout onder den bast), o. gmv. Spiait (oude maat, 7 L. of kop), o. âen. Spion (bespieder), m. ânen, â s. Spion (vensterspiegeltje), u.; ânetje, â s. Spionneeren (afkijken, bespieden), bn. Spiraal, .v. âralen. Zie Spiraallijn. Spiraallijn (schroef- of slakkelijn), v. âen. Spiritisme (geloof der natuurvolken, vereering van de zielen der afgestorvenen en van de onzichtbare geesten in de lucht), o. gmv. Spiritist (aanhanger van het spiritisme), m. âen; â iseli, bn. Spiritualiën (geestrijke dranken), v. mv. Spiritueel (geestig, geestrijk, tot de ziel bc-hoorende; ook: zinrijk, snedig), bn. en bw. Spiritnens (sterk, geestrijk vun dranken), bn. Spiritnosa (alcoholische dranken), v. mv. Spiritus (geest, geestrijk vocht), m. gmv. Si*immvtvr (ademhalingsmeter),m.â meiers. Spit (braadspil), o. âten en speten, vero. Spit ( diepte,»eeri spadend), o. âten. Spits (punt), v. âen; zich aan de â stellen. aan de â staan, d. i. aan het hoofd. Spits, u.; hel â afbijten, de eerste in den aanval zijn; Duifhuis heeft wel eens het â |
SPITS âSPOUW KM N( J.
|
afticbctcn voor noodific vcrhctcrinfien. (Koetsveld); hel â bieden, weerstand bieden. Spits {scherp toeloopend), bn. en bw.; een âe paal, het âe potlood, een âe nens; â tocloo-pen; â lioid. v. S|»itKlM»cf' (looze schelm), m. âboeven. (hruisboofj, ojiefboorj), m. â bogen. SpitsbrofMlcr (Jcrijrjsmal/ker), m. âs. Spifscii {punten, scherpen), ik heb gespitst; een potlood, een grijjel â; de oor en â, aandachtig luisteren; zijn vernuft -.(Koetsveld). SpilsliooiVl {persoon), m. en v. âen. Spitsiff {pnntif/), bn.; ren â {leberute-, â lieilt;l. Spitskin {persoon), m. en v. âkinnen. [v. Spilsiiinis {kleine vehlniuis), v. âmuizen. SpilmiK'iis {persoon), m. en v. âneuzen. Spitropili'ii. v. mv.; door de â (jnan, loopen, een soort geeselstraf ondergaan; fig. erg gehekeld worden. SpitsvoiKli^- {loos, slim), bn. en bw.; een â antwoord', â redeneeren', â lieid, v. Spifsxiiini^ {scherpzinniy, spitsvondig), bn. en bw.; â v. Spitten {delven), ik heb gespit: -ter, m. Spleen {Engelsehe melancholie, miltzucht, hypochondrie, d. i. zwartgalligheidquot;), o. gmv. Lees: splien. Spleet {glip, reet, opening), v. spleten. Spleetbreuk {beenbreuk), âbreuken. Splendide. SpieiKliefi {schitterend, prachtig, heerlijk), bn. en bw. Splijten {barsten, scheuren), het spleet, ik heb en het is gespleten; âins-, v. Splint {geld), o.; een meisje met â, d. i. met fortuin. Splinter, m. âs; den â zien in eens anders oog en niet den balk in zijn eigen, kleine ge-breken in anderen opmerken en eigen grove fouten over quot;t hoofd zien. Splinteren, het heeft gesplinterd. Dit hout splintert erg, d. i. splinters afgeven. Splinterip: {vol splinters), bn. Splinternienu' {(geheel nieuw), bn.; een â geweer; een âe anekdote. (C. O.) Split {opening, spleet), o. âten. Splits {een soort van insteekhout), v. âen. Splitsen (deden, scheiden), ik heb gesplitst; een touwâ, losdraaien, âer, m.; âin;?, v. Splitstong (zeew. wimpel punt), v. âen. Splitsvaantje {wimpeltje met twee punten), o. âvaantjes. Splitten (splitsen), ik heb geplitst; de loten bij een loterij een groot lot in deelen scheiden. Spoed. m. gmv.; ie's met bekwamen â doen, d. i. metgepasten ijver; /cut â bijzetten, voortmaken; hoe meerder haast, hoe minder â; haastige â is zelden goed, cl. i. te groote haast bederft het werk. Spoeden {haasten), ik ben en heb gespoed; ook: ik heb mij gespoed. Spoedig (haastig), bn. en bw.; ten âsle. Spoel (klosje, schietspoel), v. âen. Spoelen (reinigen) ik heb en het is gespoeld; den mond â, het waschgoed â; iem. de voeten â, d.i. hem verdrinken; ile keel â, sterken drank drinken; âin;;-, v.; âsel. o. SpoeliiiK* (draf), v. âen. Veel earkens nnken dunne â, veel kinderen maken een schrale keuken. Spoeling-dist riet (het district nmdom Schiedam, waar het vee met den draf van den brandewijn gevoerd wordt, en dat als het brandpunt der besmettelijke longziekte beschouwd wordt), o. gmv. |
Spoeltje (klosje of garenhouder cener naaimachine), o. â s. Spojj {speeksel), o.; â van slangen. Spoken (als spook rondwaren), ik heb gespookt. Hij spookte vóór dag en dauw, was zeer vroeg uit de veeren; het spookt er op zee, de zee staat hol; âer, m.; âerij, v. Spoliatie (roof berooving), v. âties, -tien. Spolieeren {berooven, plunderen). Spon (turf), v. â nen. Spon (bom, bommel of stop van een val), v. â nen; â jrat. o. âen. Sponde (beweegbare plank vóór aan hel bed, het bed zelf), v. â n. Hoe uwe naaste betrekkingen bij uwe â staan. (C. O.). Spondeus (versvoet van twee lange lettergrepen), m. spondeeën. Spon;; {groef, diepscl in hout), v. âen. Sponning (gleuf, waarin een schuifraam sluit), v. âen. Spons. v. âen. Ergens de â over halen, d. i. fig. vergeven en vergeten; âaeliti^. bn. Spoiisâ¬kn (reinigen), ik heb gesponst. Spontaan {vrijwillig, uit eigen beweging), bn. en bw. Spontaneïteit (vrijwilligheid, eigen goeddunken), v. gmv. Sponturf' (beste soort van turf), v. gmv. Spook (schim, geest), o. spoken. Spooksel {hersenschim), o. â s. Spoor (prikkel), v. sporen; een paard de sporen geven, in de zijde prikken; hij heeft zijn sporen verdiend, eig. zijn ridderschap, fig. hij heeft zijn bekwaamheid bewezen. Spoor (voetstap, wagenspoor), o. sporen. Het â bijster zijn, den weg verloren hebben; iets op het â zijn, het spoor of den weg gevonden hebben; iem. op het â komen. Spoorbalk {dwarsbalk v. h. spoor), m. âen. Spoorbijster {verdwaald), bn. w. g. Spoorloos, bn. en bw. De dief was â verdwenen, d. i. zonder een spoor na te laten. Spoorrieiiel {houten dwarsbalk), v. â richels. Spoorslags {in aller ijl), bw. Hij reed â naar de stad om den dokter. Spoorstaaf' (ijzeren staaf v. d. spoorweg), v. â staven. Spoortrein {locomotief met ecnige waggons), m. âtreinen. Spoorvogfel {moerasvogel in W. Indi'é en Brazilië), m. âvogels. Spoorwagen {waggon), m. âwagens. Spoorweg?, m. âwegen: âdam, m. âmen; â dienst, m. âen: â $sMh (boekje), m. âen; -net (alle vertakkingen), o. âten. Sporaden (eilanden, verspreid langs de kust van Klein-Azië liggende), v. mv. Sporalt;liseli(lt;W6-Jmm/,o/gt; zich zelve staande), bn.: âe ziekten, zulke waardoor slechts enkele menschen worden aangetast en die niet algemeen heerschen. Spore (eicel van de bedektbl teiende planten), v. â n. Sporen (met de sporen aanzetten), ik heb gespoord; iem. tot vlijt â. Sporen (met den spoorwagen rijden), ik heb en ben gespoord. Sporepiant (bedektblociende plant), v. â en. Sporreli;? {twistziek, korzelig), bn. en bw.; â Iieid, v. vero. Sporreling- (krakeel, twist), v. -en. vero, |
Sl'OKTâSPHOKKKL.
'407
|
S|iort (Irecle ccncv ladder), v. âon. S|ioi't {allerlei HchaamsonlapannirKj in de open Inchl), v. en o. gmv.; -man, in. ânen. Spot (spotlernij), m.; den - drijven met iem. j of' iets, d. i. bespotten; â aohtig?, bn. S|»otlt;li('lit {scherp hekeldicht), o. âdichten. 1 {zeer Icje prijs), o. gmv. SpotlijHter {spotvofiel), v. âlijsters. Spotliist (spotzucht), in. gmv. Spotnaam {schimpnaam), m. ânamen. Spotprent {prent met caricatnren), v. â -prenten. Spotprijs {zeer lage itrijs), m. -prijzen. Spotten (schimpen. sinalen), ik heli gespot; â ter, m.; â ternij, v. Spotvogel {lijster in iV.-. \ merika; fig. spot ter), m. âvogels. Spotziek, bn. en bw.; ern â lachje, d.i. spol-uitd rukkend. Spouw {een spleet), v. âen. vero. Spouwen {splijten), ik spouwde, hel) en het is gespouwen. Bij het binnenkomen van den burcfei'vader spouwde l.aljon can schrik een pen geheel open {Koetsveld.); -er,m., -in^,v. Spraak, v. spraken; de â missen, d. i. stom zijn; ik herkende mijn vriend aan zijn Spraakgebruik {icijzc van spreken i)i uitdrukkingen), o. gmv. Spraak^eliii^l {stemgeluid), o. âen. Zie: 4iieliiid. Spraakkunst (jjrammatica), v. âen. Spraakorgaan, o. -organen; âvermogen. o.; -verwarring-, v. âen. Spraakxaani {vriendelijk, minzatnn), bn. en bw.; â lieiti. v. Sprakeloos {stom), l»n. en bw.; â lieicl. v. Sprank (vonk), v. -en. Sprank {smal waterloopje), m. âen. Ãe kleine heek verschool zich als een onbeduidende â. (C. O.); duin â , m. Sprankel {kleine sprank of vonk), v. â s. Sprankelviinr {ziekte onder de schapen), o. âvuren. Sprankje {vonkje), o. âs; een â gezond verstand, greintje. Spreekbeurt, v. âen; een â vervullen. Spreekbuis {spreekhoren; lig. krant), v. â -buizen. Sitrevhizesiovliv (verhevenheid,predikst oei), o. âgestoelten. Spreekhoorn, âhoren (hulpmiddel voor hard hoor igen; spreektrompet), m. â s. Spreekkamer, v. -kamers. Spreektaal (gesproken taal), v. gmv. Spreektrant (wijze van spreken), m. gmv. Spreektrompet (roeper), v. âtrompetten. Spreekuur, o. âuren; het â van den dokter, hij is dan aan zijn imis te consulteeren. Spreekwijze (spraakwending), v.; - wijs, v. â wijzen. Spreekwoord (beeldrijk gezegde, spreuk), o. âwoorden. Spreekwoordelijk, lm. en lgt;w. Spreeuw (zangvogel), m. âen. Spreeuwen (spotten, schertsen), ik heb ge-spreeuwd. Spreeuwenei, o. âeieren; -nest, o. en. Sprei (dekkleed op een bed, enz.), v. âen. Spreiden (uitspreiden, ontcnuwen), ik heb gespi'oid; y/*aï.///'f/'«lt;/â, d.i.ellenen; âsel,lt;gt;. |
Spreken, ik sprak, heb gesproken; goed cyor \ iem. â, d. i. borg hlijven; ooin was niet best \ te âi was uit zijn humeu;; dat spreekt van- | zelf, of als een boek, dat behoeft geen nadere verklaring, is uiteraard duidel'jk; wij zullen hem wel d. i. vinden, het betaald zotten; het was, alsof het spel sprak, of het toeval het zoo wilde; â is zilver, zwijgen is goud, een zwijger overtreft in vele gevallen een* spreker. Sprekend (fig. duidelijk, klaar), bn. en bw.: een â bewijs, een âe 'lelijkenis; dat portret lijkt -. quot; Spreker (redenaar i. e. vergadering), m. âs; de geachte â in de Tweede Kamer. Spreuk-bekken (IJ. K. wijwaterbak) o. âs. Sprengen (sprenkelen), ik heb gesprengd: vleesch â, d.i. met zont bestrooien; -er, m.; â in$;-. v. Sprengkwast (If. K. wijwaterkivast), n. â -kwasten; âvat (wijwaterscat), o. âen. Spreiik«'l (rattenknip), m. âs. Sprenkel {sprank: vlekje, spot), v. âs. Sprlt;'nkelen (bedruppelen), ik heb gesprenkeld; het strijkgoed â, met water bevochtigen: â ins*, quot;v. Spreuk, v. âen; de âen van Sctlomo, kernachtige zegswijzen; âaehti^bw., â inati^'. bn.: ârijk, bn. Spriet, (voelhoorn), m. âen; de âen van een meikever. Spriet (vogel, een kwartel), m. âen. Spriet (zeew. lange mastboom), m. âen. Sprietje (scheutje grus), o. â s. Sprietoo$;-en (dubbel zien), ik heb ge-sprietoogd. Sprik (rijsje, takje), m. âken. Springader (waterader) v. âaders. Springen, ik sprong, ben of heb gesprongen; vatl den os op den ezel â, ean den hal,' op den luk â. in 't gesprek van quot;t fêne onderwerp op 'i andere komen; niet bij de zaak blijven, geen voet bij stuk houden; die koopman is (gesprongen, is failliet gegaan; dat springt in 't oog, het trekt de aandacht; het schip sprong in de lucht, het buskruit ontbrandde en deed het uit elkaar vliegen. Spriii^'liaasi kangoeroe,buidelrat), m. âazen. Sprinji-in-'t-veld (grujtpenmaker, guit), m. on v. âvelden, âvoids. Springlevend (vol jeugdig leven), bn.; onze kinderen zijn alle â. Spriii^'matras (beditiutras me' melalen vee-ren), v. âmatrassen. Sprint'S|gt;in (spin, die uit een hinderlaag haar prooi bespringt), v. âspinnen. Sprint-tij (springvloed, hoog water), o. âen. Springveer (b.v. in een slol), v. -veeren. Spi *int-vlolt;kd {hoog tij), m. âvloeden. Sprinkhaan (insect), m. âhanen. Sprinter (sport, snelrijder op kleinen afstand, can 10â15 K.M.), m. âs. Sprits (een soort gebak), v. âen. Spritsen (spuiten), ik heb gespritst. Sproeiwagen (wagoi om de straten Ie begieten), in. âwagens. Sproeien (begieten), ik bob gesproeid. Sproet (gele vlek op de huid, zomersproet), v. âen. Sproeterig', bn.; een â gelaat, vol sproeten; een âe Sappho. ((,'. O.) Sproetig' (eol sproeten, sproeterig'), l»n. Sprok. Sprokkit (broos), bn. gew. Hit hout is zoo â. gew. Sprlt;»ke (middebâ¢euwsch berijmd verhaal), v.-n. Sprokkt'l {afgebroken takje), m. âs. |
SPROK K KLAAI {- STACATO.
|
Sprokkelaar (ion. die sprokkelt), m. â s. Kig. verzamelaar. Sprokkelblot'ia (soort van narcis), v. âen. Sprokkelen (taljes of' rijzen vergaren), ik heb gesprokkeld; âaar, m.; â in»', v. Sprokkelhout (gesprokkeld hnui), o. gmv. Fig. Samengelezen taalkundig allerlei. Sprokkelniaaad (Februari), v. âen. Sprong (bet springen: ook afstand, interval), m. âen; o/gt; stel en â , dadelijk, onverwijld. Sprookje (verdicht verhaaltje uit de uad- Gcrmaansche sagen), o â s. Sprot (soort van kleinen haring), v. â ten. Op â¢de Oostkust van Engeland vangt men veel â. Spronw. v. Zie: Spruw. Spruit (knop, loot van een plant), v. âen. Spruit (van een gieter), v. âen. Spruit (scheepsw. uitschietend touw), o. âen. Sprniten (uitschieten, voortkomen uit), het sproot; het is gesproten; âin;;, v.; â sel (ivat iiitsprait), o. â s. Sprnitkool (fijne boerenkool), v. âkooien. SpriiitmaaiKl. v. Zie: 4«ermiiial. Spruw (mondziekte bij zuigelingen), v. gmv. Spug-en, ik spoog, héb gespogen; vuur en 1 vlam â, als een razende spreken. Spui (kolk, sluis, wa ter keer ing), v. âen. Spnidok (kom, die bij hoog tij vol loopt en bij laag tij, met kracht ledig hopende, het voor een haven liggende zand mede voert), o. âdokken. Spuien {water loozen), ik heb gespuid; â injf-v. Spuigat,o.âgaten. Zie: Spiegat.Spijgat. Spuit (werktuig, brandspuit, ook jachtroer), v. âen. Spuiten, ik spoot, heb gespoten; hel bloed spoot uit de wonde\ het water spoot uit de { fontein, kwam te voorschijn als uit een spuit; -er. m.; â injï. v. Spuitgast (knecht bij de brandspuit), m. â -gasten; â meester, quot;m. â s; âpijp, v.âen: -slan^, v. âen. Spuitviseli (inktvisch). m. â visschen. Spuitwater (kunstmineraalwater), o. gmv. Spurrie (voedergewas), v. gmv.; de tamme -; âboter, v. gmv.; -land, o. âen. Spurt (sport, korte en plotselinge inspanning), o. en v. gmv. Spuug' (speeksel), o. gmv. Spuwen (speeksel uit werpen), ik heb gespuwd; bloed â, d. i. braken; -iug1, v. Square (vierkante plek in eenige wijk, mei groen beplant), v. â s. Lees: Skweer. Squire, Ksquire (tilel in Engeland-, weledele of weledelgeboren heer), m. gmv. St (spraakk. achtervoegsel), b.v. dienst, kunst, vangst, als zelfstandigheid gedachte wer-kinrjen. SU tw.; drukt stilte uit. Staaf, v. staven; een â ijzer, een â zilver. Staag: (gedurig), bn. en b\v.; met stage vlijt. Staak (lange' lat), m. staken. Fig. 'lang en mager mensch. Staal (monster, lapje slof), o. stalen. Staal [gehard ijzer), o. gmv. Staal (werktuig), o. stalen; vuurâ; het moordend â. Staalmeester (in oude dagen dr keurmeester van lakens), m. âs; de âs: beroemde schilderij in het Rijksmuseum (Rembrandt). Staaltje (proefje), o. âs. Ik zal je daar een â van vertellen, iets ongunstigs mededeelen. |
Staan, ik stond, heb gestaan. De beslissing staat aan u, d. i. is aan u, is uw recht; dat staat te bezien, is te bezien; hij weet, waar hij â moet, hij kent de vormen der wereld; hij staat zijn man, is niet bang, durft zich toonen; iem. naar het leven hem willen dooden; de japon staat u goed, past u goed, kleedt u goed; dat komt hem duur te â, kost hem veel geld; in twijfel â, verkeeren: deze dominee staat op dat dorp, is daar gevestigd; de boom staat in den knop', heeft knoppen; op goeden voet met iem. staan, d. i. verkeeren; op deze overtreding slaat drie gulden boete, is te betalen; naar een betrekking â, dingen; dat staat voor de deur, is ophanden; hoestaai bet met de betaling? hoe is het gesteld;' Staand, bn.; een â leger, het tegengestelde van een huurleger; een âe klok; op âen voet, d. i. terstoifd, b.v. hij moest op âen voet vertrekken; â schrift; â want, d. i. al het vaste touwwerk. Staande (gedurende), vz.: â de vergadering, â de feestelijkheden. Staandevoets, Staandsvoets (oogenblik- kelijk), bw.; hij moest â vertrekken. Staangeld. Stageld (marktgeld), o. âen. Staanplaats, v. âplaatsen. Staar (oogziekte), v. gmv. Staart, m. âen; een muisje met een â, een zaak met een sleep van gevolgen; komt men over den hond, d-m komt men ook oner den staart, als men de grootste bezwaren te boven is, overwint men ook de mindere. Staartster (staartstar, komeet), v. âsterren. Staartstuk (vleugelpiano), o. âstukken, vero. Staat (rijk; toestand; lijst), rn. staten; de staten van Europa; in bloeienden â; een â van uitgaven. Staatliuislioudkunde, v. gmv. Zie: Ke»-nomie. Staatkunde, v. gmv. Zie: Politiek. Staatkundig: ('h/ilomatisch), bn. Statatkunflig-e, m. â kundigen. Staatsambt, o. âambten; âambtenaar. m. ânaren; âbelang', o. âen: âbesluit, o. âen; âbestuur, o. âbesturen; âbewind. o.; âblad, o. âen; âburger, m. â s; â burg-erseliap. o. Staatsclien (de anti-Spaanschen in de oude Republiek'), m. mv. Staatscourant, v. âcouranten; âg:elieini. o. âen; âgevangene, m. en v. â n. Staatsie (praal, vertooning) v. gmv. Staatsinkomsten, v. mv.; âinstelling, v. â en; â man. m.âlieden; â oniwenteling'., v. âen; âpartij, v. âen; âraad (lid van den Raad ran State), m. âraden: âreclit, o.; â reeliterlljk (overeenkomstig hel staatsrecht), bn. en bw.; â regeling** v. âen; â sebuld. v. âen; âwet, v. âten; âzaak, v. âzaken. Staatswege, bw.; van van de zijde der regeering. Staatxuelit (heerschzucht), v. gmv. Stabat mater (de moeder stona), o. De twee eerste woorden dei' beroemde lijdenscantate, welke op Goeden Vrijdag in de R. K. kerken j gezongen wordt. Stabiel (standhoudend, iluurzaam, beslen-! dig), bn. Stabiliteit (standhoude idheid, bestendig-j he.id), v. âen. I Staeato (muz. kort, s too rend, gebroken), bw. |
STADâSTAPEL.
|
Slail, y. steden; dc iteiliye â, d. i. Jerusalem; de eeuwige â, Home; â en lande. Groningen en ommelanden. Sta. b\v.; te sta of te stade komen, van pas komen. Staflgenoot {medebewoner eener stad), m. âgenooten. StadlioiKler. Stcdelioudor {plaatsbekle '-der), m. âhouders. Stacliioiiclc^rioos, bn.; de eerste, de tweede- â looze recjeeriny), d. i. zonder stadhouder, nl. 1» 1650-1672; 20 4702-1747. Stalt;lli4»iilt;lei*sc'liai» {waardigheid, rang van stadh.), o. gmv. StaillioiKli'rs^cxiiKl. bn. Het volk was â. Stadhuis (raadhuis), o. âhuizen. Sfaflhuisac'litig' (deftig, officieel), bn. Stailliiiiswoorfi (deftig woord, bastaardwoord), o. âwoorden. Stadif» (Homeinsche lengtemaat van ± I2ö schreden), v. â diën. Fig. een ziekte is in huur tweede â, tijdperk. Stadig (gestadig), bn. en bw. StadsapotlK'ok. v.ât leken; âarchitect, m. âen; â armenschool, v. âscholen; â -helasting-. v.âen; âhvstnnr (regeer in g), o. âbesturen; â hihliothc^ek. v. â theken; â gebouw, o.âen; âkas, v.âsen; âkeur (handvest), v. âen; â keurmeester, m. â s; -kind (iem. die onder curateelestaat), o. âeren, â ers; âpoort. v. âen; â redit, o. âen; âslt;*liiild, v. âen; â waagquot;, v. â -wagen; âwal, m. -wallen. Stalt;lwaarts. Stlt;gt;d(^vaartM {in de richting van de stad), bw.; â gaan. Staf (stok, schep ter), m. staven. Fig. Deze knaap zal eens onze â en steun zijn. (Fotg.); den â breken over, onherroepelijk vonnissen. Statlicr (stafdrager), m. âen. Sta$f (scheepsw. touw dienende om den must te steunen), o. â eti. Het lupzaiven der stagen is een modelijk werk', over â smijten, d.i. schielijk wenden; lig. over â iverpe», den voet lichten, overhalen, overreden. Stageld, o. Zie: Staangeld. Stasselen (trippelen, struikelen), ik heb ge-staggeld. Stagnant (stilstaand, stakend), bn. Stagnatie (stilstand), v. âtiön, âties. Sta^neereii (stilstaan, gestremd zijn, vervuilen). Staken (doen stilstaan), ik heb gestaakt; het werk â, tijdelijk er mede eindigen; de stemmen er zijn een gelijk aantal stemmen uitgebracht; â injr. v. Staket (rij van jgt;alen, schutwerk), o. âten. Staketsel (lu-kwerk), o. -s. Stakker. Stakkerd (sukkehuir), m. âs. Stal, m. âlen; een â voor paarden, koeien, enz.; iets op â zetten, de noodige rust geven; lig. de muziek zet de hersenen o)gt; â (Klikspaan), buiten gebruik stellen; de beste paard-jes staan op â, menschen, meisjes van verdienste vertoonen zich minder in 't openbaar. Stal (glt; 'statte, vorm),m.; bloemen van allerlei â en kleur. (Bild.quot;) Stalen (van staal), bn. Fig. een â vlijt, d.i. volhardende; een â voorhoofd, d. i. onbeschaamd; â onbuigzuandieid (('. O.). Stalen (harden), ik heb gestaald; arbrid staalt de krachten; â inji'. v. Stalkneeht. m. âknechten, âknechts. Stallen(o/?s^r/re^e//),ik heb gestald; -lin^v. |
Stalles (de eerste rangen, nl. die bij 't orkest in den schouwburg), v. mv. Stalletje (verkooptafeltje), o. âs; een â met oude boeken. Stam. m. âmen*, de â van een boom, van een woord. Stamboek (register), lt;gt;. âboeker.. Stamalen (hakkelend spreken), ik heb gestameld. Dat kind stamelt nog', de man stamelde een bede; âaar. m.; â ins*, v. Stamelkees (stotteraar), m. â keezen. Stamelton^' (persoon), m. en v. âtongen. Stameren, ik heb gestauierd. Zie: Stamelen. Stanifkt (fijne sujet), o. âten. Stametten (van stamel), bn. Stamgast (gewoon bezoeker in een hol fichu is). m. âgasten. Stamhuis (dgnastie, geslacht), o. âhuizen. Stamijn (haren weefsel, haren zeef), v. gmv. Stammen (afstammen), hij is gestamd. Stamouders (eerste ouders), m. mv. Stampeien (stampvoeten)Ak heb gestampeiu. Stampen (fijn stooten), ik heb gestampt; dit schip stampt erg, gaat met den boeg diep in zee; -er. m.; â ing*, v. Stamper (blok, stampstuk), m. â s; een koperen â , een houten â. Stamper (mann. deel der bloem), m. â s. Stampvoetlt;'ii (met de voelen stampen), ik heb gestampvoet. De knaap âvoette van toorn; hou op met dat â / Stampvol (propvol), bn. De zaal wus â. Stamvader (aartsvader), m. âvaders. Stamwapen (familiewapen), o. âwapens. Staimvooril ((grondwoord), o. âwoorden. Stance (couplet, strophe), v. â s. Ook : Stanxa. Stand (houding, klasse, rang), m. âen; een goeden â aannemen; de hoog ere âen; lig. tot â brengen, stichten; in â houden; de â der sterren. Standaard, Standerd (banier, maatstaf, model), m. âaarden, âaards, â erds. Standaardwerk (boek van blijvende waarde), o. âwerken. Standbeeld, o. âbeelden; â te paard. Standelkniid (een orchidee), o. gmv. Staifder (sjnl; steunpilaar; knip), in. â s. Standerd (standaard), in. â s. Stan4l$;-eld (murktgeld), â¢Â», âgelden. Stan«lhonlt;l«'n (blijven staan), ik hield â. heb âgehouden. Standje (ruzie), o. âs; âs maken; iem.ern â schoppen, gmz.; een â krijgen, berisping. Standolie (olie, die spoedig droogt), v. -oliën. StaiKlpeniiin^' (gulden, rijksdaalder, halve. gulden), ui. âpenningen; âplaats, v. âen; â punt, o. âen. Stamlvasti^' (onwrikbaar), bn. en bw.; â -beid. v. Standvoft'el (vogel die winter en zomer dezelfde streek bewoont), m. âvogels. Stalij (metalen staaf), v. âon. Stanislaiis-orde (St.-gt;. v. gmv. I)e â is een Russische ridderorde. Stank (leelijke nuk), m. âen. Stante pelt;le (op st(tanden voel, onverwijld), bw.; een zaak â afdoen. Stanxa (couplet in Hal. dicht maat), v. â quot;s. Stap (pas, schrede), in. âpen; â voor â. langzaam aan ;dcn eersten â doen; een â nader. Stapel (hoop), m. â s; een â hout. Stapel (stelling op een werf), m. â s; een schip op â leggen, van â laten loo pen. |
SPROK K KLAAR- STACATO.
|
Sprokkelaar {ion. die spvokkell), m. â s. Fig. verzamelaar. Sprokkelbloom (soort van narcis), y. âen. Sprokkelen (takjes of rijzen veri/nrert), ik heb gesprokkeld; âaar, m.; â ins*, v. Sprokkelhout (gesprokkeld hom), o. gmv. Fig. Samengelezen taalkundig allerlei. Sprokkeliiiaaii«l (Februari), v. âen. Sprong (het sprinfien: ook afstand, interval), m. âen; oji stel en â, dadelijk, onverwijld. Sprookje (verdicht verliaallje uit de oud-Germaansche sagen), o â s. Sprot (soort van klei turn haring), v. -ten. Op â de Oostkust van Engeland vangt men veel â. Spromv. v. Zie: Spruw. Spruit (knop, loot van een plant), v. âen. Spruit (van een gieter), v. âen. Spruit (scheepsw. uitschietend toniv), o. âen. Spruiten (uitschieten, voortkomen uit), het sproot; het is gesproten; âin;;» v.; â««»1 (wat uitspruit), o. â s. Spruitkool (fijne boerenkool), v. âkooien. SpruitniaaiKl. v. Zie: tiierniiiial. Spruw (mondziekte bij zuigelingen), v. gmv. Spugen, ik spoog, heb gespogen; vuur en vlam â, als een razende spreken. Spui (kolk, sluis, waterkeering), v. âen. Spuidok (kom, die bij hoog tij vol loopt en bij laag tij, met Ier acht ledig hopende, het voor een haven liggende zand medevoert), o. â dokken. Spuien (water looze)i),\k heb gespuid; â ing^.v. Spuigat,o.âgaten. Zie: Spiegat?Spij^al. Spuit (werktuig, brandspuit, ook jachtroer), v. âen. Spuiten, ik spoot, heb gespoten; hel bloed spoot uit de wonde; het water spoot uit de fontein, kwam te voorschijn als uit een spuit; â er. m.; âills', v. Spuitgast (knecht bij de brandspuit), m. â -gasten; âmeester, m. â s; âpijp,v.âen; â slan^, v. -en. Spuitviseli (inktvisch), m. â visschen. Spuitwater (kunstmineraalwater), o. gmv. Spurrie (voedergewas), v. gmv.; de tamme â ; âboter, v. gmv.; âland, o. âen. Spurt (sport, korte en plotselinge inspanning), o. en v. gmv. Spuuft' (speeksel), o. gmv. Spuwen (speeksel uitwerpeïi), ik heb gespuwd; bloed â, d. i. braken; â injsquot;, v. Square (vierkante plek in eenige wijk, mei groen beplant), v. â s. Lees: Skweer. Sciuire, Ks«|uire (tilel in Engeland] weledele of weledelgeboren heer), m. gmv. St (spraakk. achtervoegsel), b.v. dienst, kunst, vangst, als zelfstandigheid gedachte wer-k in gen. SU tw.; drukt stilte uit. Staaf, v. staven; een â ijzer, een â zilver. Staa^* (gedurig), bn. en bw.; met stage vlijt. Staak (lange lat), m. staken. Fig. lang en mager rnensch. Staal (monster, lapje stof), o. stalen. Staal (gehard ijzer), o. gmv. Staal {werktuig), o. stalen; vuurâ; hel moordend â. Staalnieester (in oude dagen dc keurmeester van lakens), m. âs; de âs: beroemde schilderij in het Kijksmnseum (Rembrandt). Staaltje {proefje), o. â s. Ik zal je daar een â van vertellen, iets ongunstigs mededeelen. |
1 Staan, ik stond, heb gestaan. De beslissing j staat aan u, d. i. is aan u, is uw recht; dut staat te bezien, is te bezien; hij weet, waar hij â moet, hij kent de vormen der wereld; hij staat zijn man, is niet bang, durft zich toonen; iem. naar het leven hem willen dood en; de japon staat u goed, past u goed, kleedt u goed; dat komt hem duur te kost hem veel geld; in twijfel â, verkeeren: deze dominee staat op dat dorp, is daar gevestigd; de boom staat in den knop', heeft knoppen; j op goeden voet met iem. staan, d. i. verkeeren; op deze overtreding slaat drie gulden boete, is te betalen; naar een betrekking â, dingpn; dat staat voor de deur, is ophanden; hoe staat het met de betaling-? hoe is het gesteld:' Staand, bn.; een â leger, het tegengestelde van een huurleger; een âe klok; op âen voet, d. i. terstorfd, b.v. hij moest op âen voet vertrekken; â schrift; â want, d. i. al het vaste touwwerk. Staande (gedurende), vz.: â de vergadering, ' â de feestelijkheden. Staandevoèts, StaandsvoetK (oogenblikke lijk), bw.; hij moest â vertrekken. Staangeld, Stag-eld (marktgeld), o. âen. Staanplaats, v. âplaatsen. Staar (oogziekte), v. gmv. Staart, m. âen; een muisje met een â, een zaak met een sleep van gevolgen; kogt;nt men over den hond, d'in komt men ook over den staart, als men de grootste bezwaren te boven is, overwint men ook de mindere. Staartster (slaartstar, komeet), v. âsterren. Staartstuk (vleugelpiano), o. âstukken, vero. Staat (rijk; toestand; lijst), m. staten; de staten van Europa; in bloeienden â; een â van uitgaven. StaatliuiKlioiidkunde, v. gmv. Zie: Keo-nomie. Staatkunde, v. gmv. Zie: Politic^k. Staatkundig: (diplomatisch), bn. i Staatkundige, m. âkundigen. Staatsambt, o. âambten; âambtenaar. m. ânaren; â belanjf, o. âen; -besluit, o. âen; âbestuur, o. âbesturen; âbewind, o.; âblad, o. âen; âburger, m. â s; â biirgersdiap. o. Staatselieu (de anti-Spaanschen in dc oude Republiek), m. mv. Staatseourant, v. âcouranten; âgeheim. o. âen; â fffevauft-ene. m. en v. ân. Staatsie (praal, vertooning), v. gmv. Staatsinkomsten, v. mv.; - instelling-, v. â en; â man. m.âlieden; âomwenteling, v. âen; âpartij, v. âen; âraad (lid van de)» Raad van State), m. âraden; â reclit, o.; â reeliterlijk (overeenkomstig het stoats- ï recht), bn. en bw.; âregreling*, v. âen; â ' seliubi. v. âen; âwet, v. âten; âzaak. ! v. âzaken. | Staatswege, bw.; van â, van de zijde der regeering. Staatxuehl (heerschzucht), v. gmv. ! Stabat mater (de moeder stona), o. De twee-eerste woorden der beroemde lijdenscantate, welke op Goeden Vrijdag ir. do R. K. kerken | gezongen wordt. Stabiel (standhoudend, duurzaam, besten-\ dig), bn. Stabiliteit (slandhoudenlheid, bestendig-| beid), v. âen. i Staeato (muz. kort, sloot 'nd, gebroken), bw. |
STAD âSTAPEL
|
Stall, y. steden; de heilige â, d. i. Jerusalem; de eeuwige â, Home; â en lande. Groningen en ommelanden. Stade. Sta. b\v.; te sta of te stade konten, van pas komen. Stailgenoot {medebewoner eencr stad), m. âgenooten. Staclliouder. Stedoliouder {plaatsbekleder), m. âhouders. StafllioiKlorloos. bn.; de eerste, de tweede â looze regeering), d. i. zonder stadhouder, nl. 1quot; 1050â1672 ; 20 1702-1747. StadhouderNcliai» {waardigheid, rang van stadh.), o. gmv. Stadliouders^eKiiid, bn. Het volk nuts Stadlinis {raadhuis), o. âhuizen. Stadliiiisalt;*iiti£ {deftig, officieel), bn. Stalt;lliuiswooiMl {deftig woord, bastaardwoord), o. âwoorden. Stadie {Homeinsche lengtemaat van ± i2ö schreden), v. â diën. Fig. een ziekte is in haai ticeede tijdperk. Stadig {gestadig), bn. en bw. Sta^lKapotlieek. v. ât,leken; â arcliitect. m. âen; â armeiisehool, v. âscholen: â -belastiiiK'. v. â en; âhestnur(regeering), o. âbesturen; -bibliotheek, v. â theken; â gebouw, o.âen; âkas, v.âsen; âkeur {handvest), v. âen; â kenrineester, m. â s; âkind {ion. die onder curateelestaat), o. âeren, âers; âpoort, v. âen; âreelit, o. âen; â scliuld, v. âen; â waajsr, v. --wagen; âwal, m. âwallen. Stadwaarts. Stcdewaarts yin de richting van de stad), bw.; â gaan. Staf {stok, schep ter), m. staven. Fig. Deze knaap zal eens onze â en steun zijn. (Potg.); den â breken over, onherroepelijk vonnissen. Statlicr {stafdra'ier), m. âen. St a^r (scheepsw. touw dienende om den must te steunen), o. âen. Hrt lapzalven der stagen is een moeielijk werk', over â smijten, d. i. schielijk wenden; fig. over â werpen, den voet lichten, overhalen, overreden. Stageld, o. Zie: Staangeld. Staggelen {trippelen, struikelen)^ ik bobge-staggeld. Stagnant {stilstaand, stakend), l»n. Stagnatie {stilstand), v. â tiën, -tics. StaK'iieereii {stilstaan, gestremd zijn, vervuilen). Staken {doen stilstaan), ik heb gestaakt; het iverk â, tijdelijk er mede eindigen; de stemmen â, er zijn eon gelijk aantal stemmen uitgebracht; â injr, v. Staket {rij van palen, schutwerk), o. âton. Staketsel {hekwerk), o. âs. Stakker. Stakkerd {sukkelaar), m. âs. Stal. m. â len; een â voor paarden, koeien, enz.; iets op â zetten, de noodige rust geven: lig. de muziek zet de hersenen o}gt; â (Klikspaan), buiten gebruik stellen; de beste paard-jes staan op â, menschen, meisjes van verdienste vertoonen zich minder in 't openbaar. Stal {gestalte, vorm), vu.', bloemen van allerlei â en kleur. (Bild.) Stalen {van staal), bn. Fig. een â vlijt, d. i. volhardende; een â voorhoofd, d. i. onbeschaamd; â onbuigzaamheid (('.O.). Staleia (horden), ik heb gestaald; arbeid staalt de krachten', â inft', v. Stalkneelit. m. âknechten, âknechts. Stallen(ops/^/re^e»lt;),ik heb gestald; -liiig',v. |
Stalles {de eerste rangen, ul. die bij 't orkest in den schouwburg), v. mv. Stalletje» {verkooptafeltje), o. â s; een â met oude boeken. Stam. m. âmen- de â can een boom, van een woord. Stamboek {register), o. âboeker.. Stamelen (hakkelend spreken), ik heb gestameld. Dal kind stamelt nog', de man stamelde een bede; âaar. m.; âins*. v-Stamelkees {stotteraar), m. â keozon. Stamelton^- {persoor,), m. en v. âtongen. Stameren, ik heb gestamerd. Zie: Stamelen. | Stamet {fijne sajet), o. âten. Stametten {van stamet), bn. Stamgast {getvooti bezoeker in een kolfie-huis). rn. âgasten. Stamliiiis {dg nas tic, geslacht), o. âhuizen. Stamijn (haren weefsel, haren zeef), v. gmv. Stammen {afstammen), hij is gestamd. Stamouders {eerste ouders), m. mv. Stampeien {stampvoeten), ik heb gestampeid. Stampen {fijn stooten), ik heb gestampt; dit schip stampt erg, gaat met den boeg diep in zee; âer. m.; âin;;, v. Stamper {blok, stampstok), m. â s; een koperen â, een houten Stamper {mann. deel der bloem), m. âs. Stampvoeten {met de voeten stampen), ik heb gestampvoet. De knaap âvoette van toorn; hou op met dat â! Stampvol {propvol), bn. De zaal was â. Stamvader (aartsvader), m. âvaders. Stamwapen {familiewapen), o. âwapens. Stamwoord {grondwoord), o. âwoorden. Stance {couplet, strophe), \. â s. Ook : Stanxa. Stand (houding, klasse, rang), m. âen; een goeden â aannemen; de hoogere âen; lig. tot â brengen, stichten; in â houden; de â der sterren. Standaard, Standerd {banier, maatstaf, model), m. âaarden, âaards, â erds. Standaardwerk (boek vanblijvende waarde), | o. âwerken. Standbeeld, o. âbeelden: â te paard. Standelkrnid {een orchidee), o. gmv. Staifder {sj)il; steunpilaar; knip), m. â s. Slanlt;lerlt;l (standaard), m. âs. StaiKl^-ekl (marktgeld), o. -gelden. Standlionden {blijven staan), ik hield â. heb âgehouden. Standje {ruzie), o. âs; â.s- maken; iem.evn. â schoppen, gmz.; een â krijgen, berisping. Standlt;»lie (olie, die spoedig droog!), v. âoliön. StaiKlpenning- {lt;iuldcn, rijksdaalder, halve qulden), m. â i)eriningen; âplaats, v. âon; â plint, o. âen. Stan«lvastis' {nuwrikbaar), bn. en bw.; â -lieid, v. StaiKlvo^'el {vogel die winter en zomer dezelfde streek bewoont), m. âvogels. Stans (metalen staaf), v. âen. Stanislans-orde (St.-). v. gmv. De â is j een Russische ridderorde. Stank (leelijke nuk), m. âen. Stante pe«le {op staanden voel, onverwijld), i bw.; een zaak â afdoen. Stanza {couplet in Hal. dicht maat), v. â's. Stap {pas, schrede), m. âpen; â voor â. langzaam aan eersten â doen; een â nader. Stapel (hoop), m. âs; een â hout. Stapel (stelling op een werf), m. âs; een j schip op â leggen, van â laten loopen. |
STATKLKN - STEKNKIK.
'i 10
|
Sta|ugt;leii {ophoopcri), ik hcbgestiipeld; â aar. m.; â iiiff. v. Sta|M'l«:lt;'U (krankzinnig dol), lm. Sta|»('liiiarlit (algemeene vourraail-schuur), v. âmarkten. StapolplaatK (bewaarplaats, mtrcpol van handelsproduklcn), v. âplaatsen. Makassar is tie â voor dc produktcn v(ni den O. Archipel. Sta|»«lrlt;gt;lt;*lit (voUjens hetwelk deivaren ccni-(jen tijd ten verkoop moeten blijven lijyen, eer zij verder moffen (jaan), o. gmv. Stapelwaar (stapeUjoed), v. -waren. Stapelwolk (rondaehtige, bergachtige donkere wolk), v. âwolken. Stapelzot (geheel gek), l»iu Stappen (voortschrijden), ik heb en ben gestapt; â per, m. Stapvoets (langzaam), bw.; â rijden over een brug. Star. v. âren. Ook: Ster. Star (strak, stijf), bn.; â naar iets kijken. Staren (strak op één pant I, ij ken), ik lieb gestaard. StarooK'eu (de oog en wijd openspalken), ik heb gestaroogd. Start (sport, pant van vertrek, aanvang), m. â s. Zes rijders verschenen aan den â, punt van afrit. Lees: staat. Starter (sport, hij die bij den wedstrijd het sein tot den afrit 'geeft), rh. -s. Lees: sta-ter. State, m. De Haad van â, hoog regeerings-college. Statelijk (deftig), bn. en bw.; -lieid, v. Statlt;anlgt;ijl»el (bijbel door de Staten aitgege-ren), m. âbijbels. Staten-t*eiilt;'raal (algemeenestaten), m. mv. Statiea (weegkunst-, stand- of e ven wicht s-leer), v. gmv. Static^ {een der 44 schilderijen over Christus lijden, in de It. K. kerk), v. -tiën. -s. SiatieiiK (pronkend, pralend, staatsiemakend), bn. en bw. Statig (plechtig), bn. en bw.; -Iieilt;l, v. Station (aanlegplaats, groot gebouw aan de spoorwegen; stand- of ligplaats), o. â s. Stationnair (blijvend, stilstaande), bn. Stationneeren {op wacht plaatsen; een schip een )gt;laafs als wachtschip geven). Stationselief' (hoofd van een spoorwegstation), m. âchefs; -^ebonw. «». -en: -plein, (». âen. Statioiis-eiiiplaeeineiit [terrein om of voor een station), o. âemplacementen. Statistiens (kenner ran de statistiek), mi.-ri. Statistiek (leer der cijfergroepeering; ook de staathuishoudkunde), v. gmv. Statistiseli (de statistiek betreffende), bn. Statne (stand- of eerebeeld, beeldzuil), v. âs. Statuette (klein standbeeld), v. âs, â n. Statii-4|iio lt;in) (de onveranderlijke staat run zaken), o. gmv. Statuur (lichaamsgrootte, bijzonder ten aanzien van lengte en Wasdom), v. gmv. Statuut (wei, reglement, voorschrift), o. -nten. Stavast, bw.; van -, groot, Hink, stevig. Staven (bevestigen), ik heb gestaafd; met bewijzen â , met een eed â; â injï- v. Stayer (sport, snelrijder op de taugé baan, lees: stee'er), m. âs. Stearine (talkstof, gezuiverde talk), v.; --fabriek, v. -en; -kaars, v. -en. Ste«le,stee (pllt;atts,igt;lek,oord),\'. stetlen,steeën. In â van, |
Stedelioiulêr, m. â s. Zie Stadlionder. Stedelijk, bn.; âe rechten, do stad betrelTende. Stlt;'«llt;'liii$±'. m. en v. âen; voor het v. ook -«». Stedemaa^d. v. gmv.; dt' â van Amsterdam, Stedendwinger (bijnaam van Fred. Ilendr.). m. â s. Stetiewaarts, bw. Zie: Stadwaarts. Stee (plaats), v. Zie; Stede. Stee (plekje), v. â (;n. Steefis (altijd, bestendig), bw. Steedseli, bn.; âe nut nieren, d. i. dor stadbewoners. Steeg: (straatje), v. stegen. Steej? {onverzettelijk, halsstarrig, stug), bn.; dat âe paard; â lieid, v. Steek (stoot; pijnlijkeaandoening), m. steken. Steek (breisteek, naaisteek), m. steken; een â laten vallen; ee)i â opnemen; een fijne met grove steken; â houden, vast, hecht zijn; fig. die redeneering houdt geen â, is niet degelijk. Steek (hoed der geestelijken), m. steken. Steekbeitel, m. âbeitels. Steekbrief (openbare brief tot aanhouding v. e. booswicht), m. â brieven. Steekdistel (melkdistel), v. âdistels. Steekdoorn (zeekruisdoornboom, Christus-doorn), m. âdoornen. Steeklieirel (wijnkoopershevet), m. âhevels. Steekind (stadskind), o. Hij werd â gemaakt, d. i. onder curateele geplaatst. Steekkan (vochtmaat, inhoudende JH/t Xed. kan of L.), v. -nen. Steekspel (tornooi), o. â spelon. Steekt e (steking), v. â n. Steel (stengel, stok), in. stelen. Steelleden, Steelni, m. mv. Steelswijze. Steelswijs, bijw. Hij zag zijn vader â aan, onmerkbaar; A lima, haar lijfmeid, bespiedt - het gelaat harer meesteres. (J. t. Br.); iets - gadeslaan. (Potg.) Steen (voorwerp), in. -on; als verzam. stofn. v.; als abstracte stofn. u.; den eersten â leggen (van een gebouw); eeii â des aanstoots, een ergerlijke zaak; de â der wijzen, middel om alles in goud te veranderen: Ãe tijd is de ware â der ivijzen, die slijk tot goud kan maken (.lonath.); dat is goede stern, loch is zij niet duur; een vloer van steen; er viel mij een â vat} het hart, een drukkend bezwaar loste zich nji; eett hart van â, een gevoelloos hart; zij klaagden â en been, np aangrijpende wijze, érg; den â op 'tem. werpen, hem als schuldige aanwijzen; hij is zoo hard als een â. d. i. gevoelloos, ook zonder geld of goed; een â vlas, drie K.G. gezwingeld vlas. Steeaiaeliti^'. bn.; â Arabië, de bodem is er vul steenon; een âc heide; âlieid, v. Steenbaars (die leeft tusschen steeuett cn rotsen), v. âbaarzen. Steenbakker, m. â s; âij. v. âen. Steenbok (berggeit der Alpcn),m. âbokken. Steenbokskeerkring (zuiderkeerkrin i)m\. Steenbolk (zekere brtdnvisch), m. âen. Steenbreek. Steenbreke (plant), v. gmv. Strvmlonrm haag- of kat teo (torn),m.-(\i)ovneu. Steendruk (lithographie), m. gmv. Is dat â of zettverkV Stelt;''n4lrnkken (lilhogrupltcerett), illt; hob gesteendrukt; â er. m.: â erij, v. Siwmlnit' (tvilth' duif, die op rotsen tieslelt), v. -duiven. Steeneik (Z. Earopecsche eik), m. -eiken. |
STKICNC i KIT â ST KM M KN.
'ill
|
Steengreit (hi'rg- of klipyciL), v. âgeiten. {aardciverU), o. gniv. I let fijne â heel ook Wed'jewood. Steeiilioiiwen (het steen heiverl.en), o. ^mv. Stcenlioiiwor (steenkapper)^ in. âs; âij. v. Stlt;keiii^ (steenachtiij), l)n. en l»\v.; â licifl. v. SI^M'ni^rii {met steenen dood gooien: ee)\ straf in het Oosten), ik licb mesteeni^rd; â in^'- v. Stcenkarpc^r (hoogc ineenyedrumjen karper-soort), m. âkarpers. Steenklaver (witte klaver, rolklaver), v. gmv. Steâ¬Â»iikloover(rfmm^/n^/i,/«owr),ni.-kloover.s. Steenkool (brandbare delfstof), v. âkolen. Stenikoloiibodiliii^. v. âen; â sras. o. gmv.; âg;ro«»ve. v. ân; ânia^'axijn. o. â en; â inijii. v. -en; â wajffi'ii. m. âs. Steâ¬'iikraai(a/?}enrao/),v. âkrnaien; â (levend tusschen rotsen).-kreeften; âkrij-tlt;»r (gierzwaluw), m. âkrijters; âls\nff(adrr van steenen in een groeve, laag metselsteenen), v. âlagen; â Iijilvr(g)'aveel lijder),m. â lijders; â (linde met kleine bladen), v. âlinden. SteetvmnrterQuiismarler^grijsbrnine wezel), m. âmarters. Steenmoerle (bergmeerle), v. â n; â meeiiw (sneepviseh), v. âmeeuwen; âoven (steenbakkerij), m. âovens; â pimpornel (boks-peterselie), v. gmv.; âpuist (harde puist), v. âpuisten; âraai' (een soort v. hopvogel), v. âraven; âraket (In'uisbloeoiige plant), v. gmv.; âroos (slingerroos), v. â rozen ; - rots (hardegranietrots),\. â en; â rotskers (boom, die welriekendsnijhout oplevert), m. âkersen; â svhaapibergschaap op Sardin ië en Corsica), o. âsclijijien; -nil (kerkuil), m. âuilen; â valk (rotsvalk), m. â valken; â vlas (asbest, amiant), o. gmv.; âzaag' (grove zaag), v. -zagen; -sBaft'i'rC/)^'^'»»).!)!. âzagers;âzlt;mt (zeer hard zout, klipzout), o. gmv.; âgroeiquot; (mijn), v. âgroeven; âlaag. v. âlagen; â -zwaluw (tnuurzwaluw), v. âzwaluwen. Steeple-eliase (wedren met hindernissen, nl. over heg en steg), v. â s. Ktecvoogfl (burgemeester), m. âen; -ij. v. Stvg (vonder), m. Weg noch â weten, verdwaald zijn, totaal onbekend zijn in een stad, en/.. Sleganograpliie (geheimschrijfkunst)^ v. SI egel (stijgbeugel), m. â s. Stegelreep, m. âreepen. Steiger (aanlegplaats cener boot; ook metse- laarsstellage), in. â s. Steigeren (op de ach ter poot en overeind gaan), het paard heeft gesteigerd; â ing. v. Steil (rechtop), lm. en hw.; â lieilt;l, v.; âle. v. Steiloor (stijfkop), m. en v. âen. Steiloorig (koppig), lm. en hw.; â iieilt;i. v. Stek {afzetsel of loot van een plant), v. âken. Stekacle (in een stok verborgen degen), v. â n. Stekeblind (totaal blind), lm. Stekel (puntige uitwas, stekelig aanhangsel), m. â s. De rozen hebben âs. Stekelaelitig (lig. scherp, bits), âlieili, v. Stekelbaars (baars met rugstekels), m. â -baarzen; â Um (kruisbes), v. âhessen; â bezie (-bes), v. â hezir-n; â br«'nu (ronde stekeldistel), v. â liremmen; âbuik (visch met stekels a. d. buik), m. âhuiken; â eaelus. in. -cactussen; â lt;lo4»rn {gewas), m. -doornen; â groiulel (visch), in. âgrondels; âluiiifs (doornhaag), v. -hagen; â hagedis (met spitse schabben), v. âdissen. Stekelig' {vol stekels), lm.; ietn. iets â zeggen, d. i. onaangenaams; â beid. v. |
Steklt;'liug {zekere visch, (grondeling), m. âen. Stlt;'kelkarper. m. âkarpers; âkrab, v. â krabhen; - rat, v. âratten; â rog (rog met puntige doorntjes op den rug), m. âroggen. Stekelvarken (stekelzwijn; ooi: egel), o. â s. Steken, ik stak. heh gestoken; met een mes, een dolk â, wonden; de wespen hebben mij gestoken', de zon stak erg, d. i. brandde erg; de loftrompet â, aan den mond hlt;.uden, blazen; ik laat die studie â, varen; iem. tiaar de kroon steken, iem. op zijde streven; ergens een speldje bij â. niet verder spreken over; dat stak hem de oogen uit, daarop is hij afgunstig. Slekkeu (stekjes planten, afzetten), 'k heb gestekt; bessen â , rozenâ. Stel (stand, orde; geschikte plaats), m. gmv. Ons huis is nu op â, alles is in orde. Stel (bij elkander geplaatste voorwerpen; quot;en verzameling), o. â len; een â juweelen, een â porceleinen kopjes en schoteltjes', een o tuien azijn â ; een â maten en gewichten. Stelen (diefstal plegen), ik stal, heb gestolen; iem. hart â. zijn genegenheid winnen; het is om te â, zeer aardig; âer, m. Stelkunde, Stelkunst (algebra), v. gmv. De â is een afdeeling der wiskunde. Stelkunstig, bn.; een âe oplossing. Stellage (stelling, tribune), v. â s. Stellen (plaatsen), ik heb gesteld; âer. m.; te boek â, ten toon â, paal en perk â, do grenzen aanwijzen, lig. kortwieken, beteugelen; in slagorde â, plaatsen; iem. voorwaarden â. aan voorwaarden binden; iem. de wet â, voorschrijven; in het licht â. duidelijk maken; ergens een eer in â. als een eer beschouwen; ter hand â, overhandigen; tevreden â, deen zijn; hij kan het goed â, is een gezeten burger; in vrijheid â, de vrijheid teruggeven; in het werk â, aanwenden; de jtroef â. beproeven; hoe zal hij dat â, aanleggen; ik stel het in uw keus, ik onderwerp liet aan uw keus; op rekening â van, de verantwoording doen dragen; zich borg â, burg blijven. Steller (hij, die opstelt, in geschrifte brengt), m. âs. Stellig (zeker, bepaald), bn. en bw.; een âe belofte; gij moet â komen; â lieid, v. Stelling (eigenschap der wiskunde; steiger), v. âon; âinkje, lt;gt;. âs. Stelliouaat (bedrog, bedriegelijke verkoop), o. Stelpen (stillen), ik heb gestelpt; het bloed â; â ing, v.; ânet. o. Stelregel (richtsnoer), m. âregels. Stelseliroel'. v. âven; een nat. instrument met vier â ven. richtschroeljes om het waterpas te stellen. Stelsel (sgsteem), o. âs; het tientallig â. Stelselloos (onregelmatig), lm.; â lieid, v. Stelselmatig (ordelijk), lm. en hw.; âlicid, v. Stelt. v. âon. De knapen liepen op âe)\. Stelt en looper (persoon), m. â loopers. Stelt looper^or/c/s ni.-s. De ooieva a r is een â. Stem (getuid, l:iezersbiljet), v. âmen. Stembiliet. o. âbiljetton. Sti'mbureaii («/lt;⢠personen, die de stemmen opnemen), o. âbureaux en âbureau's. Stembus. \. âbussen. Steingereelilig'de, m. ou v. â n. Sleiuliamer {werktuig om een piano te stemmen), in. âhamers. Stemmen, ik heb gestemd; een piano, een. |
STEMMIG âSTIK i
KMOKDEIJLI.IK.
'i 12
|
riool â, quot;jt een liepaalde toonhoogte stellen; lig. hij is gestemd tut vreugde] hij was gunstig jegens ons gestemd] âer, m.; â1115?, v. Steiniiii^ {niet opzichtig), bn. en bw.; een âe kleeding] â gel:leed zijn] â v. Kteiiinii^i^s (eenvoudig), bw. Zij was â gekleed. Stempel {zegel, cachet), m. âs; iemand run den ouden d. i. een ouderwetsch mensch. Ktlt;'iniMkleii {den stempel afdruk ken), ik lieb gestempeld; âaar, m.; â ins*, v. Stempelsnijder {kunstenaar, die figuren en letters in stempels snijdt, graveur), 111. â s. Slemreelit {recht van zijn stem te mogen uitbrengen), o.; hel algemecne â. recht voor ieder burger 0111 te stemmen. Stemvork {toonaangevend tverkluigje), v.-en. Stlt;km^vijKlt;', Stemwijs, v. âwijzen. StciKlen {de drie stonden, de staten), in. mv.; de â des Rijks, de drie. Stenen {zuchten, zucht kermen), ik heb gesteend. De arme lijder lag te. â. Sten^r {stang, bovenmast, staak), v. âen. Stengel {dunne bloemsteel), m. â s; â o. âbladeren; âmoes, o. Stenograaf ^snelschrijver), in. â grafen. Steno^rapliie {snelschrijfkunst), v. gmv. St ('â i4»^'i'a|»liislt;*li {snelschrijfkunstig), bn. Stentor {heraut der Grieken voor Troje), m. gmv. Stentorstem {zeer forsche en luidende stem), v. gmv. Steppe {groute uitgestrektheid, meestal woest grasland in /. Rusland en W. Azië), v. â n. Ster,Stnr{hemelbol), v. âren; âretje,o. âs. Ster {achtervoegsel), b.v. werkster, spinster, zangster, bedelaarster, herbergierster, vrouwelijke personen; ook die een werking verrichten. Stere {kubieke el), v. â n. â s. Sterlt;gt;4»^rapliie { lichaamsbeschrijving of tee-kening op een vlak), v. gmv. Stereometrie {leer der lichaamsmeting), v. gmv. Stereoseoop ( toestel, dat de vlakke beelden als lichamen te aanschouwen geeft), m. â copen. Stereotiep {vast, onveranderlijk'), bn. Stereotypie» {plaatletterdruk, het gieten van vaststaande drukvormen), v. gmv. Sterfbed {doodbed), o. âbedden. Maar ook altoos aan âden te staan! (Potg.). SterlVla^*, m. âen. Het is vandaag {Vl Mei) de â van Napoleon I. Sterfrlijk, bn.; ile mensch is â. d. i. moet »»lquot; zal sterven; â lilt;kid, v. Sterfgeval, o. âgevallen. Sterf'linis, lt;gt;. âbuizen. Sterf jaar, o. â jaren. Het â van Vondel {11170). Sterfte, v. â11. Er was groote â onder het vee. Strrfmir. 0. âuren. Steriel {onvruchtbaar, dor), bn. Sterilis«*eren {onvruchtbaur maken), ik heb, het is gesteriliseerd; de melk' â, tl. i. de levende kiemen er in dnnden. Steriliteit {t.nvr achtbaarheid, misgewas, droogheid, dorheid), v. gmv. Sterk {krachtig, forsch), bn. en bw.; âe dranken] â iieid. v. Sterkbeeni;;-, lm.; âe knapen (C. 0.), d. i. hebbende gespierde beenen. Sterken {krocht geren, lig. troosten), ik heb gesterkt; â ing;. v. Sterkte {krucht, talrijkheid] fort), v. â n. |
Sterkwater {salpeterzuur), o. gmv. Sterling:, een pond â of £, d. i. 20 shillings ad f 0.G0. Sterreboseli {plantsoen in den vorm van een ster), o. â bosschen. Sterrejaar {tijd v. d. schijnbaren omloop der zon), 0. âjaren. Sterrekers {kleine tuinkers), \. gmv. Sterrenbeeld {hemelteeken), o. âbeelden. Sterrenkunde, v. gmv. Sterrenlieht, o. gmv. Sterrentoren {observatorium), m. âtorens. Sterrenwaelit {sterrentoren), v. âen. SterrenwieiK'laar {wijze of Magiër bij de O. volken), m. âwichelaars. Sterrenwieiielarij, v. âen. Sterveling (mensch), m. en v. âen; v. ook â e. Sterven, hij stierf, is gestorven. De man ligt op â ] de vrouw kwam te â ; het woord stierf op zijn lippen, hij sprak het niet nit; hij stierf duizend dooden, b.v. door foltering. Stervensnood (in gevaar van sterven),m.gmv. Stlt;'rvlt;knsiiiir, «j. âuren. Stc»tlioseoo|gt; {werktuig om de borstholte te onderzoeken), m. âcopen. Stenn {hulp, fig. kostwinnei), m. âen. Stennbalk {schoorbalk), m. âbalken. Steunen {rusten op, stutten), ik heb gesteund. Steunen {stenen), ik heb gesteund. Stenning: {het steunen), v. gmv. Steunpilaar, m. âpilaren. Ovens was een â der beurs, d. i. stut. instandhouder; ik ben niet zoo geleerd, dat ik als een â der wetenschappen op me zeiven kan blijven staan. (Koetsveld). Stoiinpimt {rustpunt), 0. âpunten; het â van een hefboom. Stennsel {al wat steunt), o. â s. Steur (visch), in. âen. Stonrliaring* {Engelsche haring), m. âharingen. Stevel (hooge laars, ruiters laars), m. â s. Stevelkneelit {laarzentrekker), m. -knechts. Steven (scheepsw.), m. âs; den â wenden, omkeeren, van koers veranderen: Verdoolden ! tvendt den â, keert weer. (Tullens). Stovenen {zeilen naar), ik ben gestevend. Stevig* {hecht, sterk), bn. en bw.; â lieid, v. Stevlgen {stevig maken, stijven), ik heb ge-stevigd. Stielit, Stift {landstreek onder een abt of bisschop), o. gmv.: het Neder Utrecht; het Over â, Overijsel; het aartsbisschop'lijk â zag den troon der Drukkunst op zijn bodem (Da Costa), d. i. Maintz; in engeren zin: go-sticht, klooster, abdij. SiivhtelijU. {godsdienstig), bn. en bw.;-lieid,\. Stieliten {vestigen, bouwen), ik heb gesticht; lig. In godsdienstige stemming brengen] â ing, v. Stielitenaar {bewoner v. h. bisdom I trecht), m. âaars, aren. Stieliter {oprichter), m. â s, âen. Hij was de â van een hofje. Stieliting'sfeest. lt;». -feester-. Stielitseli {tot een sticht of bisdom, en wet inzonderheid tot het bisdom Utrecht behoo-rende), bn. Stiefbroeder {hut f broeder), m. âbroeders. Stiefdoeliter, v. âdochters. Stilt;kfkinlt;l, o. -kinderen. Stief moed er {tweede moeder), \. -moeders. Stiefmooderlijk {hardvocl tig), bn. en bw,; |
STIKFVADKR â STOKT.
|
De natuur heeft Drente â betfecld, tl. i. schraal, karig; â Ncliap. «gt;. Stietvador. m. â s; â slt;*lia|igt;. Ktiefxoon. in. âzonen, â/.mms. StirfxiiMter, v. âzusters. Stier (mam?, rund), m. âen. Fig. ruwe kerel. Oigt;k: teeken in den dierenriem. Stierai*litiggt; (als een stier, fig. onhandelbaar), bn. Stierekop, m. âkoppen. Stieren. Zie: Sturen. Stier(kii^eveelit, o. â'gevechten. Stilt (houten of'metalen pen ol'stilet), v. âen. Stift (klooster), o. gmv. Stig-m» (teeken. Ut- of merkteeken), o. - ma's. â inata. Sti^iiiatiMeeren (kenmerken); een {jestin-ma tiseer de, d. i. iem. .lezittende de vijf wonden van den Heiland. Stijf (onbuigzaam, vast), bn. en b\v.; â lieici, v. Stijf lialN (koppifi persoon), in. en v. âhalzen. Stijf iioofd (koppig mensch). in. en v. âen. Stijfiioofdig- (koppig), lgt;n. en h\v.; â als een oud man. (Koetsveld); â liâ¬Â»ilt;i, v. StiJ fkop (k oppig persoon), in. en v. âpen. Stijfk^^ppig-, bn. en l»w.; â iieilt;l. v. Sti\fH^l(i)lakmiddel),v.g\\\\ . Ook: Stijsel.wgww.. Stijfselaeliti^- (als stijfsel), bn.quot;; een âe pudding. StijfMeien (insmeren met stijfsel), ik heb gestijfseld. Stijfte (stijfheid), v. gmv. Stijfxiiini^' (koppig), bn. en bw.; â iieilt;i v. Stijg' (twintigtal), v. ei o. âen. StilglH'iig-ei, in. âbengels: den voet in den â hebben; oen vast begin hebben, vooral in een betrekking. Stijgen (omhoog gaan), ik steeg, ben gestegen. te paard â; de ballon zat boog â ; de prijzen der granen â \ bij steeg tot hooge ambten; â ing-. v. Stijl (schrijf-, schilder-of bouwtrant), m. â en: in den â der Grieken; den â nan Cuts gevolgd; de oude â, de nieuwe â, tijdrekening. Stijl (pilaar, pilaster, stut, post), m. âen. Siijlleer (geordend samenstel run regels tot het wèl schrijven en spreken), v. â leeren. Stijven (stijf maken), ik steef, heb gesteven; het linnengoed â; â ing, v. Stijven (sterken), ik heb gestijfd; iem. in het kwaad, in een boos opzet â, d. i. aanzetten. Stijviglienl (houterigheid), v. gmv. Stikdonker (zeer donker), bn.; een âe nacht. Stikgrond (zware klei), m. âgronden. StiklioeKt (benauwende hoest), in. âhoesten. Stikken (verstikken), ik heb en hij is gestikt. Stikken (steken, borduren), ik heb gestikt; â ker, in.; â«el (stiknaad), o. Stiklneht (bedorven lucht), v. gmv. Stikstof (bestanddeel der lucht), v. gmv. Stikvol (zeer vol), bn. De zaal ivas â. StikKiemi (erg bijziende), bn.; â lieid. v. Stik bn. en bw.; een â mensch; een stille mis, er is geen zang bij ; bet is een â stadje, zonder vertier; het ivater is nu â, zonder beweging; stille waters hebben diepe gronden, niet stroomende waters kunnen diep zijn; lig. weinig zeggende lieden voelen of denken diep; zijn niet altijd te vertrouwen; een stille verklikker, spion; een stille wenscb. (C.O.) Stileeren (opstellen, in woorden uitdrukken). Stilet (klei ne dolk, ponjaard; ook: graveerstift, pijlnaald), o. âten. |
Stillioinlen {rustig houden, verzwijgen), ik hield â, ik heb âgehouden; als sarnenstel-stellingen in óón woord te schrijven, evenzoo stilligen, stilstaan, stilzitten, enz. Stilist (steller, schrijver die de taal in zijn macht heeft), m. âen. StillekeiiN (ongemerkt), bw. Zie: Stilletjes. Stillen (bevredigen), ik heb en ben gestild; den honger â; â ing. v. Stilletje^ (draagbaar gemak), o. â s. Stilletjes (in stilte), bw.; ziüi â verwijderen. Stilleven (schiIderstuk, voorstellende ziellooze voorwerpen: bloemen, vruchten, dood wild, enz.), o. âlevens. Stilliggen, ik lag â, heb âgelegen. Kan die hond goed â ? De schuit lag stil. Stilstaan, ik stond â, hebâgestaan; â doet achteruitgaan, d. i. rust roest. Stilstaand, bn.; een â water. Stilstand (rust. kalmte), in. gmv. Stilzitten (zich niet verriteren), ik zat â , heb âgezeten. Stilzwijgen (niet spreken), ik zweeg-, heb â gezwegen. Slilzwijgen. o. gmv. â is nog verre ran toestemmen. (Koetsveld.; Stilzu ijgend. bn.; een -e voorwaanle, d. i. ongenoemde; â lieid, v. Stimulant (opwekkend of prikkelend middel), lt;â¢. âen; als bn. (opwekkend of pri .kelend). Stimulatie (prikkeling, aanzetting), v. â -tiën, â s. Stimnleeren (opwekken, prikkelen, aanze'-ten of aansporen). Stimulus (prikkel), m. gmv. Zoodat ik nu den â niet langer kan weerstaan (om a te schrijven). (C. O.) Stinkdier (een zoogdier), o. âdieren. Stinken (leelijk of kwalijk rieken), hot stonk, heeft gestonken; âerd, in. Stinkpoel, m. âpoelen. Stinkstok (slechte sigaar), m. âken. gmz. Stip (vlek, puntje), v. -pen. Kr zal geen â aan ontbreken, niet het minste. Stipendiuni (toelage, beurs), o. âdia. Stippel (kleine stip), v. âs. Stippelen (stippels maken), ik heb gestippeld; â ing'. v. Stippen, ik heb gestipt; brood in de saus â , doopen. Stipt (nauwgezet), bn. en bw.; â lieid. v. Stipulatie (beding, bepaling), v. â tiön, lies. Stipuleeren (bepubm, bedingen, vaststellen). Stoa (zuilengang in 't om Ie Athene, waar Zeno les gaf), v. Stobbe (boomstomp, stronk), v.-n; âtje,lt;».-s. Stoek-ext'liaugc' (effectenbears in l.o'nden),\. Stoeien (dartelen, spelen, ravotten), ik heb gestoeid; âer. m.; â erij, v. Stoeipartij, v. âpartijen. Stoel. in. âen; de heilige â, de pauselijke macht; zich een â in den hemel verdienen; ! goede werken verrichten; tusschen twee âtn i in de asch zitten, niet weten te kiezen. Stoelenmaker, m. s; âmat. v. - matten; matter, m. â s; â zetster (inde K. kerb). Stoelgang (ontlasting), m. gmv. Stolt;'p (steenen trappen voor een huis), v. - en. Stoer (stevig, groot en sterk), hu.; een -e \ kerel. (.1. v. M.) | Stoet (gevolg, menigte), m. gmv.; een â van | nimfen. |
STOET â STOPPEL.
|
Stoet (brood van rogyanwei), v. âen. Sloolt'rij (plaats, waar paarden tjcfokl worden), v. âen. Stolt;gt;1liaK|M'l (onhandiij inensch), m. â s. St«f (stoflage, onderwerp), v. âten. Stol' (stuifzand, pluisjes), o. gniv. Ntofl'a^e (laken, kastoor, zijde, enz.), v. â s. StofTeoron (een kamer van de noodige men-helen enz. voorzien); âder, m.; â in^'. v.; â «el, o. Gestoll'eerde kamers te haar! Uil verhaal is met leugens gestolJeerd, opgesierd. Sfoilel (lomperd), m. -s. Stolt'claeliti^' (loiup), bn.; â lieiil, v. Sfoflelijk, lgt;n. en bw.; het â ouersclud; een â bijv. naamw, b.v. gouden, koperen, enz.; â Iieid, v. SfofIVn (pochen, bluffen), ik bel» gestoft; â er (pocher), m. Hij stoft op zijn rijkdom. Stoffen (can stof reinigen), ik bob gestoft. Is mijn kamer al gestoft? StotieriK', bn. en bw.; â lieid, v. Wat is het op dezen weg â / Stofli^' (vol stof), bn. en bw.; â lieid, v. Stof'^oiKl (korreltjes fijn goud, op .lava en Soematra uil de beken gehaald), o. gmv. Stof'iiuain (naam eener stof), in. â nainon. Uzer, papier, kant zijn ânamen. Stofregen (fijne regen), in. âregens. 'Stotretf'eiieii (zeer fijntjes regenen), bet heeft gestofregend. Stoieijn (in oud-Gr. volgeling van Ze no; die alle weelde en genot verucht), m. âen. StoïeiJiiKeli (gelaten, ongevoelig, streng), bn. Slok (kerfstok), m. gniv. Die reis loopt mij wat hoog op â, vergt veel uitgaven. Stok (stuf, roede), in. âken; alle gekheid op een stokje, d. i. ter zijde. Stok (blok, waarin misdadigers met de bi-enen gesloten werden; ook gevangenis), m. â ken. vero. Siv1nht*\M\nrilvr (gevangenbewaarder), m. -s. St4»kebraiid (twiststoker), m. en v. âen. Stoken, ik heb gestookt; jenever likeur â ; hij doet niets dan â, opruien; âer, m.; â «'rij, v.; â ing1, v. Stokken, ik heb gestokt; bijen â. in korven houden; boonen â. aan stokken binden. Stokken (blijven steken), ik ben gestokt. Hij bleef in zijn grafrede â. Stokkerig (stijf, stram), bn. en bw.; Iifid, v. Stokoud (hoogbejaard), bn. en bw. Stokpaard, o! âen. De politiek is zijn -. zijn lievelingsbezigheid; â je. â s. Mijn vriend heeft dan zoo zijn â./e (Koetsveld), lievelingsrnanier, of âwerk. Stokstijf' (erg stijf), bn. en bw.; iets - volhouden. Stokstil (doodstil), bn.; de ezel stond â. Stokviseli (uls voorwerpsnaam), in.-visscben; (als stofnaam), v. Stola, Stool (R. K. priesterlijke band, die afhangend, om den hals wordt gedragen), v. stola's, stolen. Stoliditeit (onverstand, onnoozelheid, verstandszwakte), v. gmv. Stollen (stremmen), het is gestold; â iiig', v. Stolp (stulp), v. âen. Zet de â over de pendule, over de bloemen. Zie: Stulp. Stolpen (met een stolp overdekken), ik bel) gestolpt. Stom (sprakeloos), bn.; een âme letter, b.v. de h in thee; een âme rol, als figurant; â field, v. |
Stomdronken (zeer dronken), bn. Stomme (iem. die stom is), in. en v. â n. Stommekneelit (hoek taf cl, lat- of richeltafel), in. âknechts. Stommelen (gedruiseh maken), ik heb ge-stromineld. Grootje kwam naar beneden gestommeld-, â aar, m.; â in^*, v. Stommeling: (domoor, botterik), in. en v. â en; voor 't v. ook âe. Stommen (wijn of sterke dranken verval-schen), ik heb gestomd. Stommerik (lomperd), m. âen. Stonimig:lilt;kilt;l (domheid, lompheid),\\ -heden. Stonimiteit (erge lompheid), v. âen. Stomp (een stool), m. âen. Stlt;»nip (afgebroken deel), v. âen; ile â van \ een eik, de â van een arm. Stomp, bn. en bw.; een â mes, een âe toren, een âe neus, een âe hoek; üg. zich â den-ken, d. i. suf; â 5ïeid, v. Stompen (met vuist of elleboog sloolen), ik heb gestompt. Stomplioekig:. bn.; een âe driehoek. Stompje (einde kaars, kort pijpje, klein i worstje), o. â s. Stompneus (persoon), in. en v. -neuzen. Stompvoet (persoon), in. on v. -voeten. Stompzinnig (hot, dom), bn.en bw.;âIi«»id,v. Stond (uur), in. Stondv. âen; op dien â ; van âen aan, te dezer stonde. Stool' (voetwarmer, ook gebouw), v. stoven. Stool (priesterlijke stola), v. stolon. Stoom (damp van kokend water), m. gmv. Stoomboot,'v. âbooten. Stoonien(flg. haasten)-, ih heb en ben gestoomd. Stoomjaelit, o. âen; âseliip. o. âschepen; âsleeper, m. âs; â vaartuig, o. âen. Stoop (maat van voorheen in gebruik), v. âen. Gulden âen ontvangen alree den weehlerigen drank, nl. den kandeel. (Potg.) Stoopskan (27« f-)'. v- âkannen. Stoorder (die hindert), m. â s. Stoorlolt;»s, Storeloos (rustig), bn.; in het bezit van zijn erfgoed. Stoornis (hinder, beletsel), v. -sen. Stoot, m. âen. Hij nam de stad zonder slag of â, d. i. zonder den minsten weerstand te ontmoeten; hij kon dien â niet doorstaan. dat verlies, dien aanval (ziekte). Stooten (horten), ik stiet, heb gestooten; het â van een oude diligence, iem. telkens â , raken, hinderen; van den troon d. i. onttronen; de vijand stiet het hoofd voor .\ Ik maar; d. i. moest terugdeinzen. Stootfiid (hinderlijk), bn.; een â woord. Stooter (iemand die sloot), m. â s. Stooter (denkbeeldige oud â munt, ter waarde van 12 en een halven cent), m. â s. Stooteri^ (haperend), bn. en bw. Hij leest â. Stootig: (tig. bokkig, lichtgeraakt), bn. Stootkant (onderrand van een rok), m. âen. Stootseli (stootig), bn.; â Iieid (lust om met de horens te stooten-, fig. vechtlust), v. gmv. Stop, v. âpen; een glazen â, op een llesch of karaf; een â in een kous leggen, een gat j dichten. Stopdoek, m.-en; â jfaren,o.; - katoen, i o.; âlap, in. âpen; â mes (om stopverf te stoppen in een opening), o. âsen; ânaald, : v. âen. Stoppel, m. âen, âs; dc âs der halmen; I een âland; zijn wang is vul âs, korte i dikke haren. |
STOPI 'IC l,KN-STI« K K K KMl).
VI r.
|
Slo|»|»ellt;'ii (haard krijyen), ik hel» ge.stoppeld, Hij krijgt baard, hij beyint al te â. Sto\i\Min{dich t inaken). ik heb gestopt; -iiig',v. Stoppend, bn.; âe middelen. Sfi^ppcr {persoon), m. â s. Stopsel, ei. â s. Stopverf, v. gmv.; âwas (entioas), o.; â -werk. o. Stopwoâ¬Â»r4l (vulwoord), o. âwoorden. Er is tijd (jenoeg is zijn â. Stopxij4l«k (uloszijde), v. gmv. Storeloos. l)n. en bsv. Ook: StoorliioK. Storen (hinderen), ik heb gestoord; âinjjf, v. Stork (ooievaar), m. âen. gew. Storm (harde wind), in. âen; krijgsw. alge- meene aanval: â loopen, den â afslaan. Storinueliti^', bn. eti bw.; â liei«l, v. Stormen, ik heb gestormd; ook: bet beeft gestoi'ind. Fig. Allen stormden op hem los, kwamen op hem toe; de krijgers stormden als dol vooruit. StormeiulerliaiKl (krijgs. door hes forming). bw.; een stad â innemen. Stormgevaarte, o. ân; âhoed. m. âen; â hoek, m. âen: âladder, v. â s. Stormloopen. ik liep â, heb â geloopen; op een vesting â; âlooper, m. St4»rnirani (krijgstuig der Romeinen), m. â rammen. Stortbad (douche), o. âbaden. Storthing' (kamer der volksvertegenwoordiging in Noorwegen), v. â s. Storten, ik bob en ben gestort; tranen â. hloed â. plengen; geld â. d. i. afdragen. Stort in;;' (het storten), v. âen; â van hloed, â van geld. Stortregen (plasregen), m. âregens. Stortregenen (plasregenen), bet beeft gestortregend. Stortvloed (fig. groote menigte), m. âen. De Xoormannen vielen als een â in Engeland. Stortzee (hooge zee), v. âzeeën. Stotteren (erg stamelen), ik heb gestotterd; â aar, m. Stout (soort van Engelseh bier), o. gmv. Stlt;»nt (moedig, driest, ondeugend), bn. en bw.; â held, v. Stouterd (deugniet) m. â s. Stoutni4»edig (flapper) bn. en bw.: â held, v. Stouwen, ik heb gestouwd; het pakgoed â. in het rnim stapelen; âer. m. Stoven, ik heb en ben gestoofd; het vleesch â, met matige warmte koken; â ing. v. Stovengeld, o. âgelden; âhok, âken; â zetster, v. â s. Straal (uitschietend licht), m. stralen. Straal (wisk. halve middellijn), m. stralen. Straalbreking (het breken der lichtstralen in een middenstof), v. âbrekingen. Straaldilt;kr (zeenetel, zeekwal, poliep), o. â -dieren. Straalsn'ijzlt;k (in den vorm van stralen): -wijs V)W. Straam, m. stramen. Zie: Striem. Straat, v. straten; -schender, m. âs; â -sehenderij. v. âon: âslijpen, »gt;.; âslijper (leeglooper), in. âs; âtaal (gemeene taal), v. Straf, Straffe, v. strall'en; op â van. bedreigd met de â van; tot mijn â, spijt, verdriet. Straf (streng, scherp), bn. en bw.; een â fe wending (v. Deyssel); een âfe blik; iets â aanpakken] â lieid, v. |
Strafbaar (straf verdienend), bn. Zulk een daad is â bij de wet; â lieid, v. Straffeloos, bn. en bw. â overtreden; â â¢held, v. Straffen, ik heb gestraft; â )net den koorde. ophangen; â met den zwaard e, onthoofden; â met een boete; â niet hechtenis. Strafwet, v. -wetten. Strak, bn. on bw. Keesje keek mij met âke oogen aan (C.O.); iem. â aanzien, d. i. star. stijf; een touw â aanhalen, .1. i. sterk; zich â houden, niet toegeven. Strakjes, bw.; tot -, spoedig. Straks, bw. Ik kom d. i. over oen poosje. Stralen (stalen schieten), ik heb gestraald; haar oogen â van vreugde; âing. v. Stralenkrans (glorie), in. âen; âkroon, v. âkronen. Stram (stijf), bn. en bw.; met âme teilen, afgeleefde, stijve leden; â heid. v. Stramien (borduungaas), v. gmv. Stramienen (van st) a mie) i), hu.; een â hip. Strand, o. âen. Een schip op â, eo: haken in zee, men dient zich to spiegelen aan 't ongeluk van een ander; het schip liep op het â, een schip op â zetten. Stranden (op het strand raken), ik bei* go-strand: een gestrande boot; een gestrande walvisch; âing (het stranden), v. Strandjut (stranddief), m. âten. Strandjutter (stranddief), m. âjutters. Strandlooper (langs na vel ige vogel, stelt-looper), m. âluopers; debonte â; de kleine â. Strandvond (wat op strand gevonden is), m. âvonden. St rami vonder (in de zeedorpen de ambtenaar [burgemeester], die met de berging lt;ler strandvonden is belast), ni. âvonders. Stramlvomlerij. v. gmv. St ratag?'me(krijgslist,listige aanslag), m. â s. legerbesturing, krijgskunst),v.gwv. Strategisch (krijgskundig. tot den vesting-houw behoorende), bn. Streek (list, leelijke trek), m. streken. Streek (strijking, luchtstreek, gewest, oord), v. streken; van â si/n, ziek zijn; er loopt een â door, bij is in de hersons gekrenkt; op â zijn, op zijn gemak zijn. Streel (roskam), v. strelen, gew. Streelen (aaien, liefkoozen), ik heb gestreeld; â er. m.; âing. v. Streem. m. -en. Zie Striem. Streen (streng sajet of (jaren), v. strenen; â tje, o. â s. g'mz. Streep (haal, lijn), v. strepen; een â halen door, te niet doen: een â door de rekening. een teleurstelling. Streepjesgoed (weefsel), o. gmv. Strcepvaren {varengeslacht), v. gmv. Streepzaad (samengesteldbloemige), »». gmv. Strekel (hout tot scherping v.d. zeis), m. âs. Strekken (uitrekken, langs uitgaan liggen), ik heb gestrekt; Marco strekt dicht hij haar zijn leden. (Staring); (hij was) op 't groene mos gestrekt. (Staring); fig. toereikond zijn, dienen: zoolang de voorraad strekt; bij uitbr. dat strekt u niet tot eer; âking. v. Strekkend (langs de lengteafmetingen van een oppervlakte gemeten), bn.; een âe meter. d. i. een stuk grond van 1 M. lang, terwijl de andere afmeting gelijk is aan de breedte van de strook gronds, waarvan de â e meter genomen wordt. |
STR ELi rz llt;: N - STIJ00PTOC HT.
wc,
|
Stri'litzen (ondr lliiss. lijfwacht en 'mfan- tene), m. mv. Strlt;gt;iimilt;kii (stijf worden, stollen), ik liel»en het is gestremd. Fig. belemmeren, beletten: de oorloy stremt den handel] â niin^'. v. â sel. o. Strong, v. âen; een â zijde, een â wol-, in de gmz. taal streen. Strfiitf' ((jestreny), bn. en bw.; een â meester, cl. i. hard; een âe redeneerinrj, d. i. logisch; â v. Strcn^loii (rlechten), ik heb gestrengeld. liet klimop strengelt zich om dien boom; â iiijff. v. Sfri'iicen {toehalen), ik heb gestrengd. Strepen (strepen maken), ik heb âstreept. Fig. plagen, hekelen, doorhalen. Streven (trachten, inspannend pogen) ik heb gestreefd; naar iets â, iets trachten te verwerven: op zijdeâ, de gelijke zijn van, evenaren: Java streeft Scandinavië op zijde door de pracht zijner wonden en watervallen. Stril»lgt;elâ¬kii (tegenkanten), ik heb gestribbeld; â aar. m.; â injf. v. Stribbel in;;- (harrewarrerij), v. âen. Striem (streep, slag), v. âen; deâen der zweep. Strijd (kamp; lig. worsteling), m. âen; de â om het bestaan; de baren kwamen om â te hulp, om het meest. Strijclbaar. bn.; een â volk, gereed, geschikt tot den strijd; â liei«I. v. Strijdbijl (oorlogsbijl), v. âbijlen. Strijden (kampen, vechten), ik streed, heb gestreden; âer. m. Strijdig;', bn. Dit artikel der verordening is â met de wet, in strijd met; â lieid, v. Strijdgenoot, m. âen; â liengrst,m. â en; â knots,v. âen; âlens,lenze,v. -leuzen; â lust, m.; âperk, o. â en; âros. o. â sen; â sell rilt. o. â en; â vaardig, bn.; â vaardigheid, v.; â \ri\iL\iz(twistpiint),\.âv\'Oigen. Strijkage (diepe buiging), v. â s. Strijkel (strijkhout bij 't meten van koren), m. -s. Strijkelings (rakelings), bw. üe steen ging â langs mijn hoofd. Strijken, ik streek, heb gestreken; de vlag â , neerhalen; de zeilen reven, laten zakken; een piano â, op den grond laten komen; het linnen â, gladmaken met een strijkijzer; zalf op linnen â, smeren; op een viool â, krassen, spelen; de hand over het hart â, mild gaan worden, een uitgave doen; hij gaat met den prijs, den inzet, het potje â, hij zal het winnen; âer, m. Strijkgeld (trekgeld), o; â goed, o.; â hont (rol bij de korenmaat), o. âen; âijzer, o. , âs; âinstrument, o. âen; âkalk. v.; â plank, v. âen; âstok, m. âken; âtafel, v. âs; â vnnr, o.; âwerk, o. Strijk voeten (diep buigen; fig. vleien), ik heb gestrijkvoet. St rijU.\\evr(borstwering, bolwerk ), v.âweren. Strik (knoop, las), m. âken. Strikken, ik heb gestrikt.; een h tas â, in eon strik vangen; een lintje â, tot een strik vouwen. Strikt (nauwgezet), bn.; â lieid. v. Striktelijk (nauwgezet, slipt), bw.; de toegang is â ver bi uien, streng. Strikvraag, v. âvragen. Ken e.raminator mag geen âvragen doen, d. i. vragen om den examinandus te verschalken. Strippelin^- (gestripte tabak), v. gmv. |
Strippen (de tabaksplanten af stroopen), ik heb gestript; â peling', v.; âzolder, in. Strips, v. mv.; â krijgen, slaag krijgen. Strobbelen (struikelen), ik heb â strobbekl. Ook: Strubbelen. Stroef (ruw), bn. en bw.; een â slot, verroest, moeielijk; een â man, onvriendelijk; â lieid, v. Strompelen (struikelen, loopen), ik heb en ben gestrompeld; âaar, m. â s. Strompelig (oneffen, hobbelig), bri. Stronk, m. âen; een â v. e. boom; eenkoolâ. Stroo, o. gmv.; â van rogge, van tarwe; Ita-liaansch â, zeer fijn; een ventje van â ,een zwakkeling; ik heb hem geen â in den weg gelegd, d. i. niet de minste kleinigheid. Strooaehtig (als stroo). bn.; een âe kleur. Stroobloem (gele ganzebloem), v. âbloemen; â bokking (die in stroo is gepakt), m. âen; âbos, m. âbossen; â baudel, m. â s; âboter (winterboter), v. gmv.; â«lekker (iem. die een schuur met stroo dekt), m. â s; âgeel (geel als stroo), bn.; een â -geel lint; -liaksel, o. gmv.; â halm, m. â en; zich a. e. â vasthouden, in het nietigste redding zoeken; âlint (met stroo gedekt),'v.âhutten; â kleur, v. gmv.; -kleurig, bn.; een â matje; âleger (bed van stroo), o. âs; âmagazijn, o. âen; âpak-linis. o. âhuizen; âmatras (met stroo (gevulde zak), v. âmatrassen: âsnijder (machine), m. âs; âtje (kleine stroohatm), o. â s; een âtje trekken, door het lot laten beslissen. Strooibiljet, o. âbiljetten. Strooien (met de hand verspreiden), ik heb gestrooid; âer, m.; â ing, v.; âsel. o. Strooien bn.; een â hoed, een â mat. Strooijonker (die bloemen strooit), m. â s; âlepel,m. â s; - mandje,o. âs; -meisje (bruidsmeisje), o. â s. Stroojonker (landjonker), m. âjonkers, ir. Strook (rand, reep), v. âen; een â lands. Strooken (streelen met de hand), ik heb gestrookt; een hond â; âing, v. Strooken (overeenstemmen), het heeft gestrookt. Dat strookt met mijn overtuiging. Stroom, m. âen; de Rijn is een â; de â van het Maaswater; de schepen liggen op â; een â van tranen; een. electrische â ; een magnetische â; de regen viel in âen neer; een â van ivoorden, vloeken, verwenschingen, d. i. menigte; â pje, o. â s. Strooinen, ik heb on ben gestroomd; - ing. v. Strooinling. Stroomeling (haring in de Bothnische golf), m. âen. Strooinnimf (najade), v. ânimfen. Stroomvc^rsnelling (in een rivier, door groot verval der bedding), v. âen. Stroop (roof, plundering), m. -en. Stroop. Siroop, v. stropen, siropen. Stroopbende (roo verben de), v. âbenden. Stroopen. (rooven), ik heb gestroopt. Zij wilden wild â, in netten of strikken diefachtig: vangen ; eoi konijn, een haas, een paling â, van de huid ontdoen; iem. het hemd van het lijf â, hem het noodigste ontnemen; â erij. â ing- v. Strooper (wilddief), m. â s. Strooplikker (lig. mooi prat er), vu. -likkers. Strooppartij (het werk van wilddieven), v. âpartijen. Strooptoelit (rooftocht), m. -tochten. |
STIïOOWI^CH â STUUl».
417
|
StrooniNch (bundeltje strou), v. â wisschen; c/) oen â komen aandrijven, arm en berooid ergens aankomen. Strop. m. âpen; tot den â veroordeelen, cl. i. tot de galg; iem. den â om den hals doen, d. i. erg in het nauw brengen. Strop {stropdasje), m. âpen. Slrop (strik, trekker aan schoen of laars), m. âpen. StroporiK' (stroopacliliy), lm.: v. Stroplir (couplet, versuf dee li mj), v. â n. StrophiMcli (in slrovhen verdeeld), lm.; een â gedicht. Sf roppcn (in een strop vunyen). ik heb gestropt. Ik heb dat konijn ycstropt. Strot {keel), m. â ten; (dies door den âjuyen, d. i. versmullen. Str0ttlt;'iili04»llt;l {bovendeel der luchtpijp), o. â hoofden. Structiinr {bouw, lichuanisyestaltc; sumen-eoeginy, inrichting), v. âturen. Strn^io for life (Kn gelsch: strijd om Ie leren, strijd om het bestaan). Lees: â for leif. Struif kook (ei er pa nnekoek), in. -koeken. Struik (heestci'yewas), m. âen. Stniikeieii {dreigen fe ik heb en ben gestruikeld; âaar. in.; âing-, v.; â blok, o. Struikroover. m. â s; âij, v. âen. Struf_kwiu4llt;gt;' {plant, stinkende winde), v. â n. Struis {yroote voyel, steltlooper), in. â cn. Struis (loodivit), v. gmv. Struiscli {/link, sterk, stevig), hn.; een -e vent, een âe knaap. Struisen (met struis bestrooien), ik heb gestruist. Struisjfras (famHiedvryrussen),*gt;. - grassen. Kr zijn in ons land vier soorten van âyrassen: â riet, o. âen. Struisliolt;kii. (». â hoenders; â kazuaris, m. â sen; â iiilt;kâ¬ks (kuifmees), v. ârneezen. Struweel (dicht, struikyewas), o. âen. StudeereiK zich oefenen,z'wh toe ley yen, leeren). , StiifiecrkaiiK'r. v. âs.; âlamp. v. âen; â stoel, m. âen; â vertrek, o. âken. Student (/ eerliny eener universiteit), m. âen. Stii4llt;Miteiilgt;aiik, v. âen; â corps,o. â en, â feest,, o.âen: âgrap, v. â pen; âliaver {amandelen en rozijnen dooreen), v.; â klee-lt;iin^. v.; -leven, o.; âlied. o. âeren; â pet. v. â ten; â sociëteit, v. - en; â tafel, v. â s. Studentikoos {op de wijze der studenten), bn. In die Rederijkerskamer heersch t een â koze yeest. (Klikspaan.) Met echt âkoze gulheid drukte Altorf mij de hand. (Koetsveld.) Studie, v. studiën (wetensch. oefeningen)', studies (schetsen eens schilders). StiKliosus (student, leerling van een hooge- , school), m. studiosi. Stu^- (onvriendelijk), bn. en bw.; een â karakter, onbuigzaam; â heid, v. Stuifaarlt;ie (teelaarde), v. gmv.; -meel. o.; â wol (aan planten), v.; âzand {luelzund), i lt;â¢.; âzwam (]gt;aildenstoel), v. Stuik (schudding, stoot), m. âen. Hij gaf ' mij een â op de borst, d. i. stoot. Stuik {hok van tien schooven of garven), m. â en. Het koren, het vlas. de paardenboonen staan in âen op het stoppel land. Stuiken {heen en weer schuddenen stooten), ik heb gestuikt; de druiven â, heen en weer schudden in een mand, persen; âmand (persmand), v. âen. koenen, Verkl. Handwdo. d. Nederl. taal. |
Stuiken (in hokken of stuiken zetten), ik heb âstuikt. De tarwe is âstuikt. Stuiken {met knikkers in een kuiltje spelen), ik heb âstuikt. Sttiinder {steun), in. â s. w. g. Stuip (zenuwtrekking, lig. yril), v. âen. Stuit {het stuiten), m. âen. Stuit {lichaamsdeel), v. âen. Stuiten {tegenhouden), ik heb of ben gestuit; â er, m.; â iiig, v. Stuitend, bn. Zoo iets is â voor het gevoel, strijdig, afkeerwekkend. Stuiter (/, â¢nikker; ook pocher), m. â s. Stuiteren (bikkelen), ik heb gestuiterd. Stuiveling' (vermolmde of bevroren turf), v. gmv. Stuiven (in stof opwuu'wn), hot stoof, het heeft gestoven. Het stuift buiten erg; wal stuift die meelmolen! bij uitbr. De kinderen stoven uit elkander. Waarheen zijn ze gestoven^ Stuiver, m. â s. Het meisje had een mooien â, een aardig kapitaaltje; een â gespaard is een stuiver gewonnen, ix'Aehnieu helpen; nwn, weet nooit, hoe een, âtje rollen kun, het i^eluk kan altijd te hulp komen; âtje wisselen, kinderspel. Stuiversmagazijn {tijdschrift, per aflevering één stuiver), o. gmv.; â zeep (5ets.per stukje), v. gmv. Stuk {deel, geschut), o. âken, âs; een â linnen, kant, katoen, enz.; een tooneel â , een schilderâ, ren muziekâ; processtukken, d. i. akten, bescheiden, oorkonden; een â vleeseh,een â y ronds; die borden kosten een yu hl en het â; koop een â of wat messen; ietsin âken slaan; het antwoord werd yeyeven bij âkenen brokken. d. i. haperend, onvoldoende; de boer kocht tien âs vee; een â geschut, kanon; eenschip met tien âken; die knechten werkten bij het â ; dat bracht mij van mijn â, maakte mij verlegen; hij heeft een â in zijn kraag, hij heeft een â in, is dronken; een â vun twintig franken, geldstuk; voet bij â houden, niet van zijn onderwerp, eisch enz. afgaan; hij raakte van zijn â, werd verlegen; op het â vun godsdienst, aangelegenheid. Stuk (kapot ), bw. Het mes is â; het glas viel â . Stukadoor (plaforulniuker), m. â s. Stukadoren {bepleisteren), ik heb gestukadoord. Stukkend {kupid), bn.; een â knipmes. (C.O.) Stuksgewijs, Stuksgrewljze. bw. De meubelen zullen â verkocht worden, d. i. één voor één. Stulp (hut, stolp), v. â en; , Zijtjes âje, huisje. (C. O.) Stulpkooi ikiekenkooi), v. âkooien. Stumper, Stumperd (sukkelaar, bloed), m. â s. Stumperig', bn.; â lieid. v.; een â ventje. Stupiditeit (t/om/icm/, domme streek), v. â cn. Sturen {een schip doen varen; aan het roer zitten), ik heb âstuurd; een schip recht naar de haven â; Dolf stuurde met veel hundiy-heid naar het midden. (C. O.). Sturen, ik heb gestuurd; een boodschap â, zenden; een matroos naar den wal â. Stut {steun, steunsel), m. âten. Stutbalk (schoorbalk), m. âbalken. Stutten, ik heb gestut; een appelboom â, een ouden muur â; âsel. o.; âter, m.; -ting, v. Stuur {roer; lig. toom), o. gmv. |
ST li:i{ BOO IJD - SU1KEH K A FFI NA DEKIJ.
41S
|
Stuurboord {rechterboord), o. gtnv.; few. van â naar bakboord zenden, her- en derwaarts. Stiiiii*lgt;oorcl*waclit (scheepst. de helft der manschap, die aan stuurboordzij haisl), v.gmv. Stil ii nu an. rn. âlieden, âlui; â scliap. o. Stuui'iuaiiMkuuKt. v. gmv. Stuuri*a«l, o. âeren; âreep (toaio, riem, ketting aaa het staar rad), m. âen. Stuurseli (norsch), bn. en b\v.; â lieid, v. StuurKtaiiK' (sport, deel der flets, waarmede }}ien staart), m. âstangen. Stuw (waterheerinfi, dam), v. âen. Stiiu suloor (scheepsw. die zich belast met de stawage en de nood'aje werk krachten da armor levert), in. â s. Stuna^'e (scheepsw. ladimj in het ruim), v. gmv. Stmveu {dicht opeenpakken\\\i heb gestuwd; â er, in.; â iiif;', v. St.vjiiseli. bn. Het â wed. (Staring), de wateren v. d. Styx. Stylist, Stilist {schrijver van naam), m. âen; Basken Hart was een groot â. St.vptiHlt;'li (stoppend, bloedstelpend, samentrekkend), bn. Styx ( voornaamstr der vloeden, die het elg-siam omgeven), m. gmv.; bij den â zweren, een heiligen eed aHeggen. Sua\ iteit {zoetheid, gearigheid), v. gmv. Sub {onder), vz. â conditione, onder voorwaarde: â littéra, onder de letter; â numero, onder het nummer of getal; â poena, op stralTe, boete; â rosa, onder de roos, in vertrouwen, heimelijk; â voce, onder het woord. Subaltern {ondergeschikt), bn.; â e ojfieieren, d. i. beneden den rang v. kapitein. Sul»lt;leletf*eereu {een ander in zijn plaats stellen). Subdiaken (R. K. laagste geestelijke in rang), m. âdiakens; â seliap. o. Subdividoeren {in onderafdeelingen split-sen). Subdivisie {onderafdeeling), v. â s, â siën. Subiet {plotseling), bn. en bw. SiibJlt;ket {onderwerp; eerste naamval; zaak of persoon, tvaarvan iets gezegd wordt; grotidbegrip), o. âen. Subjectief {het onderwerp, den persoon bc-treffende), bn.; het â geslacht v. e. voorn.w. Subjeetiviteit {gesteldheid van het onderwerp, persoonlijkheid), v. gmv. Siibiunetief'. SubjunetiviiH {aanvoegende wijs), m. âtieven. Siibiiniaat {hd vervlachtende: een antiseptisch waschmiddel), o. âmaten. Sublilt;'in {verheven, voortreffelijk), bn. enbw. S\\V*\\n\wm\(o}nhoog drijven.vervluchtigen). Subliniiieit: {verhevenheid), v. âen; een wonderlijke diepe â. (v. Deyssel). Snbluiiariseli {ondermaansch), bn.; in't â dal. (Staring), d. i. op onze aarde. Subnier^'eeren {onderdompelen, over-stroomen). Subinersii' {geheele overstroomitug), v. âen. Submis, Soumis {onderdanig), bn. Submissie {nederigheid, onderdanigheid), v. gmv. Siibmitteeren (xicli) {zich onderwerpen, zwichten). Subordinatie {ondergeschiktheid, gehoorzaamheid), v. gmv. Suborneeren {heimelijk aanzetten, om-koopen). |
Subro^â¬*eren {in een andere plaats stellen, onderschuiven). Siibseribeeren {inteekenen of inschrijven; onderteekenen). Subsidiair {in de plaats komend), bn.; â gevangenisstraf, in plaats van geldboete. Subsidie {hnlp, bijstand, ondersteuning; on-derstandsgeIden), v. en o. â iën, â les; â voor het onderwijs. Subsidieeren {te gemoetkomen, onderstand geven); een school â. Subsi^neeren {om Ier teekenen, onderschrijven). Subsist ent ie {onderhoud, bestaan, voort-daring), v. gmv. Substantie {zelfstandigheid, wezenlijkheid, kern; hoofdinhoud; bestanddeel), v. -iën, -ties. Substantief' {zelfstandig naamwoord), o. âtieven. Substitueeren {in de plaats stellen). Substitutie {in-plaats-stel ling), v. âtiën, âs. Substituut {plaatsbekleeder, bijgevoegde), m. â tuten. Siibstitiiut-^'ritlier {hulp-griffier), m. â s. Substitiint-otlieier {plaatsvervangend officier van justitie), m. â s. Subtiel {teeder, fijn, dun; lig. haarkloovend, spitsvondig), bn. en bw. Subtiliteit {fijnheid; fig. sluwheid, geslepenheid), v. âen. Subtraetie {de aftrekking), v. â tics, âtiën. Siibtralieereii {aftrekken). Suh\enieervn{tehulp komen,ondersteunen). Sub vent ie {hulp, bijstand, ondersteuning), v. -ties, âtiën. Sueeade {geconfijte citroen of oranjeschillen), v. gmv. Zie Sukade. Suecedeeren {opvolgen, bijzonder in een ambt). Sucees {voortgang, uitslag; het wclgeluk-ken), o. gmv. Sueeessie {opvolging, erfopvolging), v. gmv. Sueeessief (allengs, achtereenvolgend), bn. Successievelijk {achtereenvolgens), bw. Zie: Successief. Successor (opvolger), m. â s. Succullt;knt {saprijk, smakelijk, voedend), bn. Succumbeeren {bezwijken, onderliggen, het verliezen). Suf {droomerig, oud), bn. en bw.; â In'id. v. Suflen {droomen, suffend peinzen), ik lieb gesuft; â fer. m.: â ferij. v. Siiflleit {het is voldoende). Sutlisant {genoegzaam, toereikend, voldoende; ook: ingebeeld, laatdunkend), bn. en bw. Sutiisantiâ¬k (toereikendheid), v. gmv. Sutroeatie {verstikking), v. gmv. Siilloqueeren {verstikkeu). SulIraf£aan-bisscliopO(,//-/'/.ss»7/o/gt;),in.-pen. Suffrage {stem, kiesstem, goed keu ring), v. â s. Suggrereeren {iets kwaads inblazen, ingeven). Suggestie (heimelijke i nblazing), v. â tiën, â s. Suiker, v. â s; â achtig {als suiker), bn. Suikerbakker {banketbakker), m. â bakkers. Suikerbrood, o. âbrooder.. Suikeren (met suiker bestrooien), ik heb gesuikerd. Suikerij, v. gmv. Ook; ('ieliorei. Suikernetel {witte doovenetel), v. âs. gew. Suikerpeer, v. âperen. SuikerraflinaileriJ {fabriek tol zuivering v. suiker), v. âen; -ratiinadeur, m. â s; â rasp, v. âen. |
SU IK llt;:i{ IMET - si: H ROG A AT.
|
Suikerriet (Ind. ycwa.% vooral op Niemv-Guinea), o. gmv. Siiikerzilt;kktc (geneesk. nierziekte), v. gmv. Suikerzoet, lm.; een âe peer, lig. een â woordje. Suilen {lanterfanten, beuzelen), ik hel» gesuild. Ook: met een sleepnet visschen. Siiiiooren (de ooren laten hangen), ik heb gesuiloord. SuikMirift* {moedeloos, haloor'm), l»n. Suite {gevolg, volgreeks, voortzetting, samen-Innig van woorden of gedachten), v. âs. Suite {twee salonkanvrs aehter elkaar), v. â s. Suite (a Ia) {niet in wer kei ijken dienst). Kapitein â. Suizebollen {half bedwelmd zijn), ik heb gesuizebold. Suizelen (dicht, zacht suizen), hot heelt gesuizeld; het zachtkens â der (t heel en. Suizelig- (draaierig, bedwelmd), bn. Suizeling- (bedwelming), v. âen. Suizen {ruischen), het beeft gesuisd; het .suist mij in de ooren; de waterval suist; de wind suist in de bladeren] â injf, v. Sujet (onderdaan; onderwerp, voorwerp, persoon, tooneelspeler), o. âten; een slecht een slecht mensch. Sukade (in suiker ingelegde limoenschil), v. Zie: Suecatle. Siikalt;lekoek. m. âen; als stofnaam, v. Sukkel {het sukkelen), m. gmv. Hij is aan den â. Sukkel {sukkelaar), m. en v. â s. Sukkelaar {iem. die niet bij de hand is), m. â s; â«ter, v. â s. SukkelariJ {trage voortgang), v. gmv. Sukkellt;iraf {korte, kleine draf), in. gmv. De harbier liep op een â. Sukkelen {langzaam voortgaan, gebrekkig loopen, kwijnen), ik heb gesukkeld; de oude knol sukkelde maar voortVader sukkelt van 't winter erg. Fig. Zijn studeer en is niets dan aanhoudend â, sukkelend voortgaan; âaar, m.; â injr, v. Sukkel^antf' (langdurige kwijning), m. gmv. Sukkâ¬kl|»artiJ {langdurige kwijning), v. gmv. Snkkeltrein {die aan alle stations ophoudt), m. âen; ook lioemeltrein. Sul {onnoozcl mensch), rn. â len. Sulaetitis' (zeer gedwee), bn. en b\v. â lieid, v. Sulfer, Solfer (zwavel), o. en v. gmv. Sulferaeliti;? {zwavelachtig), bn.; een âe reuk. Sulky {lichte twee wiel er), v. â quot;s. Sullebaan {glijbaan), v. âb:men; â tje,o. âs. Sullen {glijden), ik heb gesuld. Sullig* {sulachtig), bn.; â lieifi, v. Sultan {opperheer, gebieder, keizer), m. âs. Sultane, v. â s; â favorite, bevoorrechte gemalin des sultans; â valide, moeder des sultans. Snltanijn, â taniiK' {gouden munt in Turkije), v. â nen. SnltaiiMlioeii {purperhoen), o. âhoenders. Suinak,Sniak(/o'JiV.'r6,^oo»lt; in Zuid-Europa), v. gmv. Sninnia {som, het beloop, bedrag, totaal), v. â's. Siiniina siiinniarnin {alles te zamen). Suniniair. Snniniariseli. Suniniierlijk {saiyy ngevat, beknopt, bondig), bn. en bw. Suniniariuni {korte inhoud', wit priesterkleed), o. â s. Sumniatie {optelling), v. âties, â tiün. |
Suinineeren (de som opmaken, optellen). Siininiiteit {eerste persoon, beroemd man),\. â en. Zie: Sonimiteit. SnintiieuK {kostbaar, prachtig, weidsch), bn. Sunituovijteit {kostbaarheid, pracht), v. gmv. SuperabiiiKlautie {overvloed), v. gmv. Superbe {trotsch, verheven, majestueus; prachtig, aanzienlijk), bn. Supereargo {ladings- of tcaren-opzichter op koopvaardijschepen), m. â's. Er waren geen passagiers of â's bij ons aan boord. Superfieie {oppervlakte), v. â s, â iën. Superfijn {zeer fijn), bn. Superflii {het overtollige), o. gmv. Superieur {voornaam, voortreffelijk, uitstekend, zeer groot; meerder), bn. liet hoek, de phantasie van een â mensch. (v. Deyssel). Superieur {meerdere in rang), m. -en. Superinteiulent {oppertoeziener), m. -en. Superioriteit {meen Ier heul), v. gmv. Superlatief, Snperlativus (spraakk. overtreffende trap), m. gmv. Wijst is de â van wijs. Supersedeeron {uitstellen, verschriven). Suplt;krKtitie {bijgeloof), v. âties, â lii-n. Superstitions'(bijgeloovig), bn. Supp«'«litlt;keren {aan de hand doen, b.v. een hulpmi'idel; bijspringen). Suppllt;'ant {plaatsvervanger), m. âen. Supi»leeren {aanvullen, bijgeven, bijpassen). Suppk'ment {bijvoegsel, aanvulsel), o. âen. Suppletie: {aanvulling), v.; - (roeper?,soldaten, die het leger voltallig maken. Suppliant {verzoeker, indiener van een verzoekschrift), m. âen. Supplieatie {verzoek, smeekschrift), v. â ties, â tien. Supplieeeren {s mee ken, een verzoekschrift indienen); ook: Supplieeren. Suppliek {verzoekschrift), v. âen. Snppitneeren{vooronderstel len, ver moeden). Suppoost {oppasser, deurwachter), m. âen. Support {steun, stut, ondersteuning), o. âen. Supportabel {draaglijk), bn. Sn pporteeren (verdragen). Supplt;»sitie {veronderstelling, vermoeden). v. âties, â tiën. Siipprinieeren {onderdrukken, weglaten; opiwlfen. Supputlt;'eren {overrekenen, overslag maken, ramen). Supra (boren), bw.; ut supra, ids boven. Siipreinafie (oppermacht), v. gmv.; de â der Engelschen op koloniaal handelsgebied; Lombok stond onder de â ran het Nederlandsch gezag. Sureliarft'eeren {overladen), - met bezigheden. Sureliarge {overlading met iverk), v. gmv. Sureoup {overtroeving), m. â s. Surditeit (doofheid), v. gmv. Snrniontabel {overkomelijk), bn. Surniinierair {iemand die hoven het gewone getal van beambten aangesteld is, b.v. bij de belastingen), in. â s. SurpaNseeren {overtreH'en); iem. â, te boven gaan. Surplus {overschot, rest, meerder bedrag), o. gmv. Siirprenant {verrassend), bn. Surprise {overval; verrassing; bedrog, list; verbazing, schrik), v. â s. Surrogaat (plaatsvervangend middel, b.v. suiker ij voor koffie), o. âaten. |
27*
SURSEANCEâT. A.P.
420
|
Surséance (opschorting v an be taling),gmv. Siirsiini corcla! (verheft uwe harten). Snrtoiit (overjas; olie- en azijnstel), m. en o. Siirvâ¬killaii('(k (toezicht, hewn king), v. gmv.' Snrveillâ¬'lt;»rlt;'ii {waken, opzicht hebben of hou-tien; bewaken, onder toezicht houden, toezien). Siirvivanee (overleving, recht van opvolging), v. gmv. Sus, tvv.; uitdrukking van stilte. Suseeptibcl (vatbaar, gevoelig), bn. Susceptibiliteit (vatbaarheid-, prikkelbaarheid), v. âen. Snseiteereii (aanzetten, opstoken; opwekken, ophitsen). Suspect (verdacht, in kwaad vermoeden), lm. Snspeiideereii(verschuiven;opschorten, uitstellen; buiten dienst stellen). Suspensie (uitstel, tijdelijkedienstontzetting), v. â sies, â siën. Snspeiisief' (opschortend, vertragend), lm. Snsponso (iiagt; (besluiteloos, iu twijfel), bw. Snspicie (argwaan, verdenking, wan- of mistrouwen), v. â cii;n. Sussen (stillen), ik heb gesust; een schreeuwend kind â; het geweten inslaap â; âer. ra.; â injr, v. Siistineeren (van gevoelen zijn, denken, meenen). Siistenu (bewering, punt in guaestie), o. â's. Siiiiin lt;*ui4|ult;k (ieder hel zijne of wat hem toekomt). Suzerein (opperleenheer), m. âen. Suzereiniteit (opper leen heerschap), v. gmv. Swicent(eensoort van Virginia-tabak)3\. gmv. S.vbariet (weekeling, wellusteling), m. âen. S.ybaritiscli (weelderig, vertroeteld), bn. en bw. S^-coni4»rlt;'* -moor (wilde vijgeboom), in. â moren. Sylbe, Syllabe (lettergreep), v. â n. Syllabe, Sylbe (lettergreep), v. â n. Syllabeeren (spellen). Syllabentoon (verhouding der toonsterkte van de letterqrepen eens woords), m. â tonen. Syllabus (R. K. lijst v. dwaal leeringen),m.gmw. Syllo^isoeren (besluiten, een sluitrede maken). Syllogisme. SyUitgismuH (sin i t rede), o. â n. Sylpliide. SylplK' (crouwclijke luchtgeest), v. ân; o, vlugge â, bijen. (Ledeganck). Symboliek (leer der zinnebeelden, bedden-leer), v. gmv. Symboliscli (zinnebeeldig), bn. Symboliseerc^n (zinnebeeldig voorstellen). Symbolum (samentrekking der Apostolische leer), o.; het â der Apostelen. Ook zinnebeeld: De slang, die den staart in den bek houdt, is het â der eeuwigheid. Symbool (lam tee ken; zinnebeeld, zinspreuk; geloofsbelijdenis),o. â bolen. Ook: Symbolum. |
Symmetrie (gelijkheid, evenredigheid in afmeting), v. gmv. Symmetriscli (gelijk- of evenmatig), bn. Sympatlietiscli (volgens de sympathie), bn. Sympathie (wederkeeritg gevoel; gewaande, geheime kracht; ingebeelde werking va)i het ééne lichaam op het andere; ook: zielsverwantschap), v. â ën. Er was â tusschen de reisgenooten. (Potg.) Sympatliiseeren (gelijk gevoelen, overeenstemmen, deelneming gevoelen). Symplionie (groot veelstemmig muziekstuk voor verschillende instrumenten), v. â ën. Symptoom (verschijnsel; kenteeken, ziekteverschijnsel), o. âomen. Synag-o^aal (de synagoge betrclfend), bn. Syna^o^e (Jodentempel), v. â n. Synahx'plie (samensmelting), v. b.v.: weer (weder), kansel (kantsel). Synclironisme, Synclironisnius (gelijktijdigheid), o. en m. âmen. Synelironistisi'li (gelijktijdig), bn.; âe tijdtafel, historische tijdtafel van alle volken. Syncope (spraakk. uitstooting van letters), v. als in: twaalf (twoleï), scheikunde (scheidk.). Synlt;iicaat(r//«bf van een syndic us of bestuurde) ', voornamelijk voor inrich tingeti, inv('rban d met fmancieele operaties, ook: vereeniging van maatschappijen of bankiers), o. âaten. Syndicus (woordvoerder, verdediger), m. -sen. Synecdoche (stijl, troop der samenvatting), v. â s. Daar komt de kiel met goud beladn. Een vloot van dertig zeilen. Synofiaal (de synode bctrelfende), bn.; een â alevergadering, een âaal besluit, uitgaande v. d. synode. Synode (kerkvergadering der geestelijken van één bisdom; ook vergadering van Protest, geestelijken), v. â n; de â te Dordrecht. Sy nonicni (zinverwant), bn.; als zn. (zinverwant woord), u. âen. Synonymiek (de leer der zinverwantschap), v. gmv. Syntactisch (tot de zinsleer behoorend), bn. Syntaxis (leer van dot volzin), v. gmv. Synttiesis (verbinding van begrippen; samenvoeging van verscheidene deelen), v. gmv. Synthetisch (samenstellend), bn.; de âe methode. Syrin^ (bloent), v. âen. Zie: Sering. Syrin$?ebooni. ra. â boomen; âbloesem, rn. âs; â struik, ra. âen: â tak. m. â takken. Systeem, Systema (behoorlijke samenhang van gelijksoortige dingen; stelsel), o. â temen. â ema's. Systematisch (stelselmatig, ordelijk en samenhangend, wetenschappeiijk), bn. en bw.; een âe beschrijving van fossielen op Java. Systematiseer*'!! (wetenschappelijk rangschikken, tot een stelsel samenschikken). |
T.
1', v. t's. â Ue twintigste letter van het alpha- ! T. â Tutti, geheel, allen.
bet, als Romeinsch getalmerk 160. i T.A. â Testantibus actis. zooals de akten
T. â Tenor; op muziekstukken, ook tutti, allen getuigen, volgens den inhoud der akten, te gelijk. Tab. â Tabula, lijst, tabel.
T. â Afkorting van Tit us, Tullus, Tullius. j T.a.p. - Ter aangehaalder plaatse.
ï. sV T. - TA F IC LSE17 VI ES.
|
T.AT. â Tout i'i toi, gelieel «Ie uwe. T. A V. â Tout it vous, geheel de uwe. Tor «ihI. â Ter ordonnantie, ter beschikking. Tost. â Tcslamenluni, laatste wil; Icislus, getuige. T.F. â Travoit.r forcés, gedwongen arbeid. T.H. â Toehoorder; of TT.HH. toehoorders, in leerredenen en redevoeringen. Th. I)r. â Theolorjine Doctor, doctor in de godgeleerdheid. Thcs. â Thesaurier, penningmeester. Tit. â Ti tuf us, titel. T. X. v.'tA. â Tot Nut van 't Algemeen. Tom. â Tomus, elk deel van een boekwerk. T.P. â Travau.v a perpêtuitc, levenslange dwangarbeid. T. Q. â Tutti (juant', allen van dat slag. T.K.v.p. â Toarnez, s'il rous plait, keer om, als 't u belieft. T. T. â Totus tuus, geheel de uwe. i. w. â te weten. Taai. bn. en bw. Leder is â ; een â fjeduld, volhardend; hij pa/et een ât'N, een borrel, gmz.; | hij is era â. gierig; â lilt;ki«i. v. Taaiord (gierigaard), m. âs; ook: Taainagel. Taaiigiioicl (hardheid, lig. gierigheid), v. ginv. Taai-taai (uiterst taaie koek), o. gmv. Taak (opgegeven werk), v. taken. Taai. v. talen; de â der Grieken-, de â der 1 natuur; de â der bloemen, zinnebeeldige [ bet.; de â der oogen, der vingers, der geba-[ ren; een levende â, een doode â; een weeke , i â, een krachtige â ; een arme â, een rijke â; '.'een beschaafde â, een onbeschaafde â. Taalclwl (rededeel), o. â deelen. Taaloig'oii. o. gmv. Taalfout, v. âfouten. Taalgebruik (gangbare taalwet der levende taal), o. gmv. TaalkuiKli^', bn. en bw.; een â woordenboek. Taalkimdi^'o (-kenner), m. en v. â kundigen. Taalman (een tolk, vertolker), m. âmannen, ' â lieden. Taalro^ol. m. âregels; ârijk. bn.; â slt;*liat. m. âschatten; âlak, m. âtakken; â vor-sc*li«'r, m. â s; âwet v. âwetten; -zuiveraar ( purist), m. âs. Taan (sap van run), v.; een kleur als â. Taaiikleiirilt;;-. bn.; een oude âe vrouw. Taaiikiiip (looikuip), v. âkuipen. Taart. v. âen; van de â krijgen, berispt worden; âepan.v. ânen; âendee^.o. gmv. Taats (ijzeren pin), v. âen: âtol. m. âIon, Taba^'ie (rookkamer, rookcoupé), v. â s. Tabak. v. â ken; -«aseli. v. gmv.; -siloos, v. âdouzen; âsliaii«iel. m. gmv.; âsker-ver (-snijder), m. â s; â sliieht. v. gmv.; âSPMP» v- âen; â splanta^e. v. âs; âs-teell. v. gmv.; â szak. m. âken. 'I'abbaarcl. Tabberii (toga, staatsiegewaad), m. âbaarden, âbaards, âberden en â berds. Tabel (overzichtstafel, lijst), v. â len. Tabellariseli (als een tabel), bn.; een â overzicht der letterkunde. Tabernakel (tent, waaronder de bondshist \ iler I sr. rustte; in de li. K. kerk de plaats, i tvaar de heilige, vaten rusten; gmz. mensclte-lijk lichaam), m. en o. âen, â s: iemand op i zijn â geven, d. i. slaan. gmz. Tabernakelen (eertoeven), ik heb getaber- { nakeld. Hij zal hier niet lang Tabijn (gewaterde zijden stof), o. gmv. |
Tableau (schilderij, ontwerp, tafereel, rol. register), o. â .\: â vivant, d. i. levende beelden, groepeering van personen «mi zinnebeeldig iets voor Ie stellen. Table d'liote (open tafel), v. tables d'hote. In dit hotel is â om 2 en om .7 uur. Tabletje (schrijftafeltje; blaadje ivoor of perkament; plat koekje van suiker of chocolade), o. â s. Tabouret (stoel zonder leuning), v. âten. Tace! (zwijg! zwijg stil!), bw. Tacet (muz. een pauze, of het stilzwijgen). Taelifig-, bep. teiw. Taeliii^er (grijsaard; schip met SO stukken), m. âs. Taeiiti^jari^'.bn.; â maal.bw.; -ste(gt;v/»?r/-getal); â vond,o.; â vondi^bn.; â werf,bw. Taeliyji'raaf (snelschrijver), m. â grafen. Taeli.v^rapliie (snelschrijfkunst), v. gmv. Tai'li.VA'rapliiseii, bn.; een âe beschouwing. Tact (het betasten, bevoelen; het gevoel; beleid, slag, overleg), m. gmv. Taetiens (krijgskundige), m. â ci. Tactiek (krijgs- of leger kunde; overleg, berekening), v. gmv. Taetvol, bn.; een â beleid. Taf (zijden stof), v.; âlen (van meer soorten sprekende. Tafel, v. â s; een eikenhouten â, een herbergâ. ter â brengen, in een vergadering ter sprake brengen; open tafel houden, b.v. in een hotel of restauratie; de â des Heeren, bij do H. K. de communie-bank; zij zijn gescheiden van â en bed, gedeeltelijk ontbonden is Imn huwelijk: ridders van de ronde â, in de Middeleeuwen de ridders van koning Arthur in Engeland; de groene â, de speeltafel; aan de groene â zitten, minister zijn. Tafel (tabel), v. â s; de âs van Pythagoras: de âs van vermenigvuldiging. Tafel (steenen plaat), v. âen; de âen der Wet. Tafelappel (fijneappel), m. âappels; -bel. v âbellen; -beselmit. v. âen; âbier, o. âen (soorten); âblad (inlegblad), o. â -bladen: âbord. o. âen: âdans (magnetische dans v. e. tafel), v. âen; âdienaar (bediende), m. â s; âdoek, m. âen. Tafelen (dineeren), ik heb getafeld; lang â; de Winter ât lang. (Staring.) Tafelet (aanteekenblaadje), o. âten. Tafelgast (genoodigde), m. âgasten; â jre-bed, o. âgebeden; â areUl (toelage a. officieren), o. âen; â ft'ereelit (spijs), o. âen; â gesprek, o. âgesprekken; âjrezelsehap. o. âschappen; â«oei! (tafellakens en servetten), o. -goederen: â lionder (gaarkok), in. âs; âkleed (dekkleed), o.âen; âkomfoor, o. âkomforen; âkont (gesprek), m. gmv.; âlade, v. â n; âlaken (wittesprei), o. â s; âlamp, v. âen; âlinnen, o. gmv.; -mandje, o. â s; âmuziek, v. gmv; â -olie, v. gmv.; âpeer, v. âperen; â poot, m. â pooten; ârede (toost), v. â n, w.g.; â -rin$? (servetring), m. âen. Tafelseliel, v. âschellen. Ook: Tafelbel. Tafelseliuimer (klaplooper),m. âschuimers. Tafelservies, o. serviezen; -spel (gezelschapsspel), o. âspelen; âstoel (kinderstoel), m. âen; âtijd, m.; -tje, o. âs;âvreugde, v. gmv.; â vriencl (dischgenoot), m. âen; -weelde, v. gmv.; âwijn, m. âen; â -zan^'. m. âen; âzilver, o. gmv.; âzuur (augurkjes), o. gmv. |
-TANGENT.
TAFEREEL
|
Tafereol (schilderij, voorstcU'nuj, (ig. beschrijving), o. âen. Talent. Zie Taii^,lt;'iit. Tagrijn (koopman in oud touwwerk), m. âen. Taikoon (wereldlijk keizer in Japan), m. â s. Taille (lichaamsgestalte), v. â s; de â van een kleedingstuk, het bovenlijf er van, ook Tailleur (kleermaker), in. â s. [de snit. TailleiiMk (vroutvenkl eer maakster), v. â s. Tak. m. âken; de â van een boom of struik: de â van een rivier \ de â van een adellijke familie', de â van een gebergte; een â ran dienst, afdeeling; de âken van den handel', de âken, aambeien. Takbout (zeew. bout met weerhaak), m. â -bouten. Takel (ka trol werk), m. â s; een Spaanschr â. Takelatre (takelwerk, alle scheepstonwen), w Takelen- ik heb getakeld; een vaartuig â, van touw- en zeilwerk voorzien; âaar, rn.; â iiifr- v. Takeling (het takelen of uitrusten), v. gmv. Takkelin;:' ( jonge vogel, die nog maar van tak tot tak kan vliegen), m. âen. Takkenbos (bundel rijshout), m. âbossen. Tak*» (dashond), m. âen. Taks (taak, afgepaste hoeveelheid), v. âen. Takwa (Intl. kort buis met knoopen van den Javaan), v. â's. Ook: Badjoe. Tail, o. tallen; â van gebreken, â van voorbeelden, zonder â; op het â staan, d. i. op de voordracht staan. Talen, ik heb getaald. Zij â naar geen rust. (Tollens), d. i. zij spreken er niet van, denken er niet aan; hij taalt noch teekent, laat niets van zich hooren. Talent (natuurgave op 'l gebied van kunst; geldsom), o.; een â zilver, d. i. in het O. vóór Christ, een som van ± /'2500; een â goud, d.i. ± / 25000. Talentrijk (vol natuurlijke aanleg), bn. Talentvol, bn.; een â jongmensch. Talhout (brandhout, dat per stuk verkocht wordt), o, âhouten. Tali-api (Mal. vuursteen of brandende lont), m. Do knecht kwam met een â aandragen, en ik stak een sigaar op. Talie ('/],; deel van een el), v. â s. Talie (scheepsw. takel, touw), v. â s. Taliën (ophijsehen a. e. talie), ik heb getalied. Taling (kleinste soort van eend), m. âen. Talio (vergelding), v.; jus â nis, recht van wedervergelding. Talisman (tooverbeeld of -middel, amulet; een gewaand behoedmiddel Jegen ziekten en onheilen), m. âs. Jlij droeg het horloge zijns leermeesters als een Taliter qualiter (zoo zoo, middelmatig goed). Talk (vet, smeer), v. gmv.; âaarde, bitteraarde; â kaars, âolie, âsmelter ij. Talloos (ontelbaar), bn.; een âlooze menigte. Talm (treuzelaar, talmer), m. en v. âs. Talmen (treuzelen, dralen), ik heb getalmd; â er. m.; âerij, v. Talmkons (talmer), m. en v. âkousen. Talmncl (Joodsch wetboek der overlevering), ni. gmv. Talmmlisrli (volgens den Tulmud), bn. Talmmlist (kenner of aanhanger van den Tahnud), m. âen. Talon (bij elferten: het bewijs ter verkrijging van een stel nieuwe coupons), m. âs. |
Talrijk 0/roo/ in aantal), bn.en bw.; â lieiil,v. Taliul (helling, glooiing, schuinte), o. gmv. Lees: ta-luut'; het â van een wal. Tam (getemd), bn. en bw.; een â hert, een â me kastanje, d.i. veredeld; â lieiil, v. Tamariiifle (Z. Am. boom), v. â n. Tamarisk (zeker struikachtig boomgewas met specerijachtigen bast en wortel), v. âen. Tambak (Ind. kunstmatige langs het strund aangelegde vischvijver), v. âs. Tamboer (trommelslager), in. â s. Tamblt;»er (trommel), v. âen. Tamboeron, ik heb getamboerd. Fig. Op iets â , krachtig aandringen. Tamboerijn (rinkelboom), v. âen. Tamboiirin (borduur- of haakraam),m.gmv. Tamelijk (redelijk, vrij goed), bn. en bw. Tamlieitl (gedweeheid, zachtheid), v. gmv. Tampen (de klok maar aan één zijde met den klepel raken), ik heb getampt;'tgetamp der beeklok. (Van Beers.) Tampon (prop, stop), v. â s. Taniponf'â¬kreii (met een prop afsluiten). Tamtam (Oostersrh slaginstrument, hand- trom), v. â s. Tand, m. âen. liet kind krijgt -en; dat zijn valsche âen; met hand en â vasthouden, het niet loslaten; de â des tijds, de vernietiging; met den mond vol âen staan, niet weten wat te zeggen; hij is van den â, hij is oud; met lange âen eten, kieskauwen; zij leven van de hand in den â, wat zij verdienen verteren zij; haar op de â en hebben, goed van zich af kunnen spreken; zijn âen laten lien, dreigen, uitvaren. Tamlarts, m. âartsen; âbeen (kakebeen), o.âen; âbeitel (hoefsmidsgereedschap), m. â s; âbrasem (zekere visch), m. â s; â e-loos (zonder tanden), bn.; het schubdier, de miereneter, het aard varken is een âeloos zoogdier. Tandem (sport, rijwiel voor twee personen), m. â s. Lees: tend'm. Tanden (iets van tanden voorzien), ik hel» getand; een zaag â, scherpen; ook tanden krijgen: het kimt je is aan het â. Tandenborstel, m. âborstels; â{geknars, o. gmv.; ârij. v. âen; âselmier (borsteltje), m. âs; âstoker (peuter, pennetje), m. â s; âtrekker (tandmeester), m. â s. Tandenstoker (tandenpeuter), m. âstokers. Tand^laxinir (blinkivit der tanden), o. gmv.; â lieelkimde. v. gmv.; â lieelkiimli^e (tandarts), m. âen; -lm* (holte, waarin de tand zit), v. âkassen; âletter (de letters d en t), v. âs; â meesrer (tamlarts), m. â s; âpijn, v. âen; âpijnstillend, lm.; â poeder, âpoeier (om de tanden te reinigen), o. gmv. Tandoe (Ind. draagstoel), v. â s. Tandrad (machinerad met tanden of inkepingen), o. âraden, âraderen. Tandvleeseli (nl. om de tanden heen), o. gmv.; âwortel, m. â s; â «eep, v. gmv. Tanen (met taan verven), ik heb getaand; de zeilen â, d.i. bruin maken. Tanen (verduisteren), het is getaand; â in^*. v. Napoleons roem begon teâ, d.i. verbleeken. Tan^ (gereedschap), v. âen. Zij is een â, boo ze vrouw. Tangens(/vm/.7///j van eencirkel), v. âgenten. Tangent (loodrecht staand staafje, waardoor de snaren op een klavier in beweging |
TANIG - T EEK EN AC H TIG.
|
c/ebracht worden', hamert je iu speelwerken), v. âen. Tani^ {bruin van huid), bn.; iwee âe rrouwen, die o]) de viool speelden. (C. O.) Tantalisatio (mondteruiny), v. gmv. Taiitalisoeri'ii (mondlergen, ('oeu wuter-landen); om u te â. ((-quot;.O.) TantaliiN {rijke (jierigaurd, die zich het uoo-dige onthoudt; watertander), m. gmv.; een --arbeid, teleurstellend of pijnlijk werk. Tante (moei), v. âs; een last'uje â, vrouw. Taiiti^ine (winstaandeel), v. en o. â s. Tantum (zoo veel, genoegzaam), o. â s. Tap (houten doorboorde kraan), m. âpen. Tapaj^c (geraas, gel,er), o. gmv. Tapoef. n. tiipeten. Zie Tapijt. Tapijt. Tapcct (kleed), o. tapijten, tapeten. Fig. op het â brengen, ter tafel brengen, ter sprake brengen. Tapik (Ind. vrouwensarong), v. â s. Tapioca (zekere verfstof), v. gmv. Tapir (Ind. snuitvormig zoogdier o/i Soema- Ira), m. âs; de Indische â, de Anterik. Tapisserie (tapijtwerk, borduurwerk), v. ârieën. Tapkan. v. âkannen; âkast, v. âen. TapkeiiKkriiilt;l (tongkruid), o. gmv. Tappelcii (tappelings uitvloeien), liet is ge-tappeld. T:ip|»e1iii^;s. bw. Het bloed liep â uit de wonde; de wijn lie/t â uit het val. Tappen (door een kraan aftappen), ik heb getapt. Tapper (herbergier), m. â s; â ster, v. â s. Tapperij (kroeg, slijterij), v. âen. Tappersnerin;? (tapperij), v. âneringen. Taptoe (avondsignaal v. d. militairen, meest om 9 uur), v. âs. De â trekt door de straten, de tamboers, die de â slaan. Tapnit (vogel, heidehupper), m. âen. Taqnineercn (kwellen, plagen; zaniken). Tarantula (vergiftige spin in Italië), v. â's; de tarantuladans, zenuwachtige, hevige trekkingen, St. Vitusdans, dansziekte, door't volk in Italië toegeschreven aan den steek dier âspin. Tarbot (platvisch), v. âbotten. Tanleeron (vertoeven, verwijlen, dralen). Tarief' (prijsbepaling, lijst van goedei'en), o. â ven. Tarnen. Zie: Tornen. Tarok (zeker kaartspel met 78 kaarten), o. gmv. Tarra (aftrekking in gewicht o/ waarde van koopwaren of percentsgewijze van geld voor vaten, kisten, enz., waarin de koopwaren besloten zijn), v. gmv. Tartaan (zeker licht vaartuig in de Middel- landsche Zee), v. âtanen. Tataar. Tartaar (volksstam ten S. van de Zwarte Zee), m. âaren. Tarten (tergen), ik heb getart; -er (uitdager), m. Tartntte (huichelaar, schijnheilige; een bekend hoofdpersoon bij Molière in het tooneel-spel van dien naam), m. â s. Tarwe (graan), v. gmv. Tarwebrood.o. â brooden ; â lialni.m. â en; â korrel, v. â s; â meel, o. gmv. 'â 'as (stapel), m. âsen. Mlt;iaien, hooien, schuur en â. (Poot.) Tas (vrouwspersoon), v. âsen; een handige â, een knappe â van een vrouw. Taseli (buidel of zuk), v. tasschen. |
Tascli k rn I lt;1, Tasrlij «kNkrn mI (bocrenkers), o. gmv. Taseli won I ns* (boet â¢entvoning, waarbij woonhuis, stal, graan- en hooiberg plaats onder één dak liggen), v. âwoningen. Tasse (kopje), v. â n. Neem nog een â koffie. Tassen (ophoopen), ik lieb getast. Tast (greep, aanraking), m. gmv. Bij of op den â, d. i. op het gevoel. Tastbaar lm. en bw.; een âare leugen, d. i. grove, blijkbare leugen; â liciri. v. Tasten (voelen), ik heb getast. -Ie kunt die leugen voelen en â ; iem. in zijn zwak â, hem b.v. vleien, als hij ijdel is; âer, m.; -in^T, v. Tateren, ik hel» getaterd. Dat kindje begint al aardig te babbelen; â injf, v. Tatewaien (slecht spreken, kroot praten), ik heb getatewaald. Wat â waalt dat hind aardig! Tatoeëeri'ii (de ha id met figuren beprikken ett beschilderen). Bij de Dajaks is het â nog algemeen in zwang. Tautologie (overlading met uitdrukkingen van gelijke beteeken is), \. gmv. B.v. Ik ben zeer blij en verheugd; ik kan dat noch verlangen noch begeeren. TiiutoUtgiwU(woordveri:wistend),hn.en bw. Taverne (bierhuis), v. âs Ook: Taveerne. Taxateur (schatter, waardeerder), m. â s. Taxatie (schatting, waardeering), v. -tiën,-s. Taxe (schatting, geschatte waarde), v. gmv. Taxeeren (schatten, waardeeren; aanslaan), men mag anders een mensch â. (Potg.) Taxis (heester, naaldboom), m. âsen; â blaii. o. âbladeren; â lieg1};'*'- v. â n; â liout, o. gmv.; âtak, m. âtakken; â wortel, m.âs. Te. vz. en bw.; â Amsterdam : â elf uur; â voet, â zwaard; â groot, het â kwaad krijgen. Te (achtervoegsel), b.v. in: hoogte, flauwte, koelte, met concrete bet. Teakhout, Teeklioiit,Tieklioiit (houtv.e. O. I. boom, zeer taai), o. gmv.; het - tvordt veel voor den scheepsbouw gebruikt. Team (sport, stel rijders; in het cricketspel een groep van dertien personen), o. â s. Lees: tiem. Teelinieus (specialiteit op indastriëelgebied), m. â ci. Teeliniek (leer der kunstregelen; kunslvaar- digheid; kunsttaal), v. gmv. TeelmisclB (kunstmatig), bn. Of zij den âen term begreep. (Potg.); âe termen, kunstwoorden. Teelinolo$;-ie (kunstleer, leer van kunsten, handwerken, manufacturen, enz.), v. gmv. Te-]gt;eiini (een B. I\. jubelzang), o. âs. Teeder, Teer, bn. en bw.; ee)i â kindje, zwak; een âe kleur, licht te bezoedelen. Teederjfevoelig:,Teergevoelig:(rr/r/i/ van hart), bw. Zoo een â liedje als van de blèèke Amelie. (C. O.) Teederlieifl, Teerlieilt;l, v. âheden. Teederlijk, bw.; iem. â beminnen. Teel' (wijfjeshond), v. teven. Teek. Tiek (honden- of schapenluis), v. teken, tieken. Teekén (merk, seitt), o. âen, âs. Zet goed de âs iti je opstel, leesteekens; allerlei wonderen en âen; let op de âen des tijds. Teekenaap (toestel b. h. teeketien), m. -apen. Tei^kenaeliti^'* bn.; eeti âe boa ding vaneen roofdier bespieden. (C. O.): â lieid, v. |
TI-: !â¢: KEN 15 I'M Oh: KT KN- T K G E N Z1X.
|
Teekoiil»plioerilt;'ii. v. mv., âbock. o. â -boeken; âv. âdoozen. 'IVckoiK'ii. ik lid» geteekoiid; ren hindscliap â ; niet krijt â ; uaor de Oost â; op een lijst â, (I. i. insclirijven; tic pulrijshond tre-kf.ndt', »1. i. wild aanduiden; de thermometer leekende80°, aanwijzen; de/jeilschaal leeketide 3fi M. A. P., d. i. 30 M. boven Amsterdamsch peil; âaar, m.; â iny, v. 'â '«'«'keiiiii^- (afbeeldimj. schets), v. âen. 'IVckcnkrift. o.; âles. v. âsen; â in. âs; âniothode. v. âs, ân; âpen. v. â nen; âplank. v. -en; â noIiooI, v. â -scliolen. Teelaarde (humus, zwarte narde), v. ginv. Teelt (kiveekinf/, het geteelde), v. gin v.; een â van helden. (Da Costa.) Teem (het lij nier iff spreken), m. gmv. 'i'eeniaelifi^;'. bn. en bw. Wat spreek! die man â, d. i. lijmerig; âheid. v. Telt;knikniis (zani kaler, teem ster), v. âkousen. Tec^nis (fijne haren zeef), v. âen. Telt;kinsen (ziften), ik hob geteemst; âter, v. Teen (toon aan den voet), in. âen; van kop lot leen (feivapend zijn; ieni. op de âen treden, hem beleedigen, grioven. Teen (twijn, rijsje), v. âen. Teenen (run teen), lm.; een â matje, eenâ korfje. Teer (laan' vloeistof uil hout ran den pijnboom eerkrer/en), u. gmv. Teer, enz. Zie: Teeder, enz. Teerftelcl (reispennimi), o. gmv. 'â 'eerkost (lerensmiddelen op reis), m. gmv. Teerkwast, m. âen. De vla fff je â breeuwt e)i zoekt naar naden rond. (Tollens.) Teerlin;;' (dobbelsteen, kubus), m. âen. Dr â is ge worpen, bet is beslist; âlinkje, o. â s. Teerlinks worp. m. âen; â wortel {Irnbick-wortel), m. â s. Teerpenning (reisijeld), m. âen. Teerton (val met leer), v. âtonnen. Teezen (wolpluizen), ik heb geteesd; â in;;-, v. Tellens (lerens, lerjelijkertijd), bw. vero. 'â Vgral-velden (Ind. rijst relden lenen hel ge- bergle run Jara), o. mv. Tegel (liehelrloersteen), m. âs; âbakker, m. â s.; âoven, m. â s; âsteen. m. âen; â vloer. m. âen; âwerk. o. gmv. Te$£â¬klijkertijd, bw. Men kan â geen heet' dingen doen. Te$;enioetkoniin$gt;- (fig. vergoeding), v. âen. Tegen (in 7 gemoel), bw. Dit bw. vormt met w.w. samenstellingen, als: legeiiademen, â -bulken, âdraaien, enz. Tegen, bw. en vz.; iem. â komen, te gemoet; iem. â spreken, anders spreken dan hij; iem. â houden, terug; dal is âna tuur lijk, in strijd met de natuur; vz. Leunen â een muur, â een boom loopen; â den stroom zwemmen; zieh â iels verzeilen', â den vijand oprukken; â iem. of iels kampen; â heng en meug, met afkeer; â toil en dank, ondanks zich zeil'; hel liep â den avond, â het midden der Tegenaan, bw.; waar liep je â {maand. Tegenbod (hooger bod), o. gmv. Tegeneandidaat (nl. der tegenpartij), m. â candidaten. Tegenbeeld (eontrast), o. âen. Als een â ran mijn rustig philosopheeren, kwam Cornelia in haast de huisdeur uil. (Koetsveld.) Tegendeel (tegenovergestelde), o. gmv. Tegengesteld, bn.; in âgestelde richting. |
Tegengestelde, o.; }iel â van iem. karakter; het â van een woord of ln'grip. Tegengif, -gift (tegengif), â¢gt;. '-giften. Tegengift (tegengeschenk), v. âgiften. Tegenlianger (pendant), ni. â s. Slarings â Vogelschietenquot; is een waardige â van Bel-lamy's âRoosje.quot; Tegen beid (tegenspoed), v. âheden. Tegenlionden (belette)i, vei'hinderen), ik hield â, heb âgehouden; âIng, y. Tegenkant (ommezijde, keerzijde), m. âen. Tegenkanten (zich verzetten tegen), ik heb â gekant; âer, m.; âing (verzet), v. Tegenkomen (ontmoeten), ik kwam â. ben â gekomen. Tegennatiinrlijk (in strijd met de natuur), bn. en bw. Tegenover, vz. Hij woont â de kerk; de vechtersbazen stonden â elkaar; fig. zich goed â iem. gedragen, ten opzichte van. Tegenpartij (tegenstander), v. âen. Tegenrede (repliek), v. gmv. Tegenreden (reden voor hel tegendeel), v. â en. Tegenstaan (lig. mislukken), het is âgeslagen; dat zal n â, tegenvallen. Tegenspoed (onheil, ramp), m. âspoeden. Tegenspoâ¬kden (tegenijlen), ik ben â gespoed. Tegensporrelig (twistziek, onverdraagzaam), bn. en bw. Tegensporreling (verzet), v. âen. Tegenspraak (het tegenspreken), v. gmv. Hij duldt geen â; hel is boven alle â ; de éêne brief is in â met «len anderen, strijd. Tegenspreken (betwisten, bestrijden), ik sprak â, heb âgesproken; âer, m.; âing, v. Tegenstaan ( weerstand bieden), ik stond â, heb âgestaan. Die spijzen staan mij â, walgen mij. Tegenstand (verzei, belemmering), m. gmv. Tegenstander (vijand, weerstrever), m. â s. Tegenstelling {contrast, oppositie), v. âen. Tegenstemmen, ik heb âgestemd; -nier, m. Wij zullen tegenstemmen, d. i. togen het voorstel. Tegenstreven (belemmeren, tegenwerken), ik heb âgestreefd; âer, m.; âing, v. Tegenstrijdig (jtan druisch en de tegen), bn. en bw.; â lieiii, v. Tegenvaller (misrekening), m. âs. Dat is een â. Tegen vergif, âvergift, o. âvergiften. Tegenvoeter lig.hel tegengestelde). in. âs. Onze âs bewonen ergens N. Zeeland. In de stad is een boer de â van een heer. (Koetsveld.) Tegenweer (verzet tegen geweld), v. gmv. Hij was niet verdacht op â. Tegenwerken (dwarsboornen), ik heb âgewerkt; , -er. m.; âing, v. Tegenwielit (middel om h'l evenwicht te behouden), o. âen; sport als â ran studie. Tegenwoordig (niet afwezig), bn.; in den â en tijd, in onze dagen; de âe tijd, de beide eerste tijden van een w.w.; â .lieid. v. Tegen w rij 1 en (tegenstreven, tegenworstelen \ ik wreet, wrijtte â, hebâgewreten (gewrijt), vero. Tegenxang (antwoord van een rei zang), m. âen; Vondels reien beslaan uil zang en Tegenzijde (keerzijde), v. â n; de â eener medaille. Tegenzin (afkeer), m. gmv.; hij kreeg een â in de studie. |
TKGOF.nS - TKNGET..
|
TeffOPflM, To k'oimI. b\v. Hij heeft mnj tien U nl(le)i ToliiiiK. TIiiiik. o. ginv. Deze kmidp heef! geen â ; die leeraur is â in de (jesehiedenis der Grieken. ToliuiskoniKt. v. ginv.; de â des vaders. Toil {aarden schotel), v. âen. Gew. Teel. Toint (tint, kleur, kleur van gelaat en huid: kleursterkte),wen o. â en. Het â werd er leelijk ran, nl. van kolïie zonder melk. (C. O.) Toiiitiii*4k (kleurinrj; oppervlakki(je kennis), v. Teisteron, ik heb geteisterd. De stormen â de kusten, zwaar beschadigen; de oorlogen â de landen, onheil veroorzaken; â ing'. v. Tokort. o. âen; een â ran f iOOl); een â dekken, d. 1. aanvullen. Tokortkoining;' (rom/e, fout, gebrek), v. â en. Tokst. m. âen; bij zijn â blijven, voet lgt;ij stuk houden; de spreker raakte ran den â. afdwalen; iem. van den â helpen, in de war brengen; iem. den â lezen, berispen, scherp doorhalen. Tol (pasgang v. e. paard), m. ginv. Tol (het tellen', telling), m. ginv.; bij den â verkoopen, getal; rum den â raken, in do war. Tol, Telle (telganger, een paard), v. â len. Tola^tlo^'ji'iii^; (beschuldiging), v. âen. Tolofonoeroii, Tol4'|»lioii(k«krâ¬kii (door de telefoon spreken), ik heb getelefoneerd. Telefoon. Teleplioou (uèrspreher), v. â -onen; âdraad, m. âdraden; âlijn. v. âen; â hniNjo (kiosk oni te telefoneeren), o. â s. Telegraaf (vèrschrijvi r; toestel, dat de gedachten op een verren afstand, met ongewone snelheid, door zekere tee keus mededeelt), v. â grafen. TolegrafiKt (ambtenaar der telegraphie), ni. Telegram (telegr. bericht), o. â men. [-en. 'IVIeg-raplieoren (per telegraaf bericht geven of doen geven, per draad seinen). Telegraphie (vérschrijfkunst, leer der telegrafen), v. gmv. Tele^rapliiseli (door middel van de telegraaf, tot de telegraphie behoorende), lm.; een â bericht. Telen (voortbrengen-, lig. veroorzaken), ik heb geteeld; âer, m.; â inj^, v. Teleseoop {verrekijker of spiegelverrekijker), m. âcopen. Telenrslellen (bedriegen in ecu verwachting), ik heb teleurgesteld; âling:, v.: een ilrukkend gevoel van â ing. (J. t. Br.) Telgquot; (spruit; jong boompje), v. âen; Telg- (afstammeling), m. en v. âen; een â uit het huis van Oranje. Tolg-ang' (pasgang), m. gmv. Ditpatird loopt in den â. 'MVIg-anjfor (hakkenei, paard), m. âgangers. Teljoor (tafelbord), o. â joren. Telkenmale. Telkenmaal (eiken keer, telkens), bw. Hij valt mij â in de rede. Tolken*, bw. Ze zegt het ivoord â verkeerd, d. i. eiken keer. gestadig. Tellen (rekenen, getallen samenvoegen), ik heb geteld, fk tel a onder mijn vrienden. 'â Vlier (iemand die telt; ook. bovenste gedeelte eener break), m. â s. Telling (het tellen), v. âen. TelInriNoli (tot de aarde behoorende), bn. Telliirinm (toestel om de beweging van aarde en maan te veraanschouwelijken), o. â s. Teloorgaan (verloren gaan), liet ging teloor, is teloorgegaan. |
Telpas (telgang van r-n paard), m. gmv. Telwoord (woordsoort, een begrip van getal uitdrukkend), o. âen. Er zijn hoofdâen b.v. 1. 2, 3 enz. en ranggetallen, b.v. eerste, tweede, j derde enz. Temhaar. bn. hJen leeuw is niet â, kan niet ; getemd worden. Temen (sleepend, lijmerig spreken), ik heb geteemd. VVai' kan die f ij molaar â ! Ik kan ! dat â niet uitstaan. Dat ijdel, levenloos â ; -er. m.; teeni*»ter. v. 'l'^'iiK'rair (vermetel), bn. Temerig, bn. en bw. Spreek toch minder lijmerig, rekkerig. Teniet [soms, na en dan), bw. Te mijnent. Te onxenf (te mijnen, onzen huize), bw. Bij uitnreiding: in mijne streek, in ons land. Temmen (tam maken), ik heb geiemd; een leeuw â ; âmor, m.: â ming. v. Tempeest (orkaan, on weder), o. -en. vero. 'IVmpel (kerk), m. âen, â s. Tempelen (ter kerk gaan), ili heb getem-jield. gmz. Tempelier (Hd eener geestelijke ridderorde, gesticht in ill8 tijdens de kruistochten, aldus genoemd naar den tempel van Jerusalem, o]) wiens oude plaats zij hun verblijf hadden), m. âs, âen. Drinken als een â, grof misbruik maken van sterken drank. Ook: Tempelheer. Temper (tempering, matiging), m gmv. Temperament (bijzondere gesteldheid van het inetischetijk humeur; gemoedsaard, bloedmenging), o. âen. Men onderscheidt: eoi sanguinisch, een cholerisch,een melancholisch en een flegmatisch â. Temperatmir (gesteldheid der lucht ten opzichte van warmte en koude, droogte en vochtigheid), v. âturen. Temperen (minderen, matigen), ik heb ge- 'emperd; het al te schelle licht â. Tempermes (tang, buigzaam mes bij verfbereiding), o. âmessen. Tempo (muz. en dans. bepaalde tijdmaat eener beweging), o. â's. Temporair (lijdelijk, niet duurzaam), bn. Tempore (ex) (voor de vuist, op staanden v iet). De Charmante las een extemporeetje van zijn eigen maaksel voor. (C. O.) 'i'emporiseeren (dralen, tijd winnen). Temptatie (kwelling, verzoeking), v. - ties, âtiën. Tempteeren (kwellen, plagen; in verzoeking brengen). Tems (lichte paarden'mren zeef), v. âen. Zie: Teems. Temsen (ziften), hij heeft getemst. Ten, vz. â huize, in het huis; deele, vnor een deel; â eerste, â tweede, â derde; â behoeve; â hemel, â noorden, â einde. Tenaeifeit (vasthoudendheid; taaiheid: lig. karigheid), v. gmv. Tenant (wapenk. schildhouder), m. âen. Tendeeron (spannen; strekken, op iets doelen). Tendentie, Tendenz (strekking, doel), v. â tiën, âties; tendenz-roman (diegeschre-een is met het doel om een of andere meening te propageeren), m. â s; tendenzen. Tender (steenkolenwagen achter de locomotief), m. -s. Tenoz (ziedaar, neem aan), tw. Tengel (verbindingslat), m. âs. |
TENGER-TERUGTREDKN.
'.20
|
Ten^i* (itiaucr, rank), bn.; â v. XViiivtclo^iiinp* {vernietiginy, afrekenhvj), v. âdoeningen. Tenor (muz. de hoogste mannenstem), m. â s, âen. Ook: Tenorzanger. Tent {kermistent, hat, veldtent), v. -en. Tenismien (voor loo pig onderzoek), o. -s,-ina. Tenfiitie (beproeving, onderzoek), v. âs, â tiën. Tenteeren (ondervragen, verleiden, bekoren). Tenten (een wonde peilen), ik heb getent; â ijzer, o. Tentoon*itellin$s'. v. âen; een â van schilderijen. (C. 0.); ecu wereldâ. Tenue (militaire kleeding), v. â n; grootâ, parade-uniform; klein-â, dagelijksche uniform, Teniiitvoerl»ren£;'iii£'. v. âen. Tennitvoerle^ing'. v. âen. Tennte (muz. gerekt, uitgehoaden), lgt;w. Tenware; (het autre niet, mits niet), v\v.' Tenzclt^len. aanw. vnw.; â tijde. Tenzij (in geval niet), vw. Ik ga a it, â het regent. Teorbe (zekere luit met 16 snaren), v. â n. Tepel, m. â s. Te]»rlt;»nkst(klliii^-( hetstellenaan den schand-paal of' de kaak), v. âstellingen. Ter vz. Hij gaat â school, zij is â inarkt; hij is luitenant â zee', hij gaf dat â leen; hij is vlag â been; â eere ran: zich â ruste hegeven; â zake van, wegens. Teraar«lelM'Ktellin$;' (begrafenis), v. âen. Terreronen (afstammelingen van Mulatten en Creolen), m. en v. mv. Terdege, Terlt;lee^ (flink, degelijk), bw. 'IVrtloinlbreiiK'in^', v. â brengin.aen. T«'râ¬*elitl»rlt;knK:eii (terugbrengen, in orde maken), ik bracht â, heb âgebracht. Terelt;*litliel|»en, ik hielp â, heb -geholpen. TereelitMtellen (de straf voltrekken), ik heb â gesteld; âliny. v. âen. Tereelit wijzen (den weg wijzen), ik weesâ, heb âgewezen; lig. voorlichten, onderwijzen. Tereelitwijziii;;- (leering, voorlichting), v. â en; een heusche (Potg.) Tererlitzittin^ (vergadering eener rechtbank), v. âzittingen. Teren (met teer bestrijken), ik heb geteerd. Teren (verteren), ik heb geteerd. Teryen (sarren), ik heb getergd; een hond â, plagen; die knajten â je geduld ivtd (('. O.); de schoonheid van dat schilderij zal uw oog bekoren, prikkelen; âer, ni.; âin;?, v. 'I^^ryeml, bn.; een âe blik, een â woord, d. i. uitdagend, sarrend. Teryi verseeren (nitvluchten zoeken, dra lot, zich onttrekken). Terlianilstelliny (overreiking), v. gmv. Teriny (longziekte), v. âen. Teriiiyaolitiy, bn.; een â gestel; een âe familie; â lieid. v. Terloops (inderhaast), bw. Ik sprak hem â, in het voorbijgaan. Term (rekenk. deel eener reden), m. âen; de vier âen eener evenredigheid. Term (beivoordiug, uitdrukking'), m. âen. Dat valt niet onder de. âen der wet, d.i. is niet begrepen in de wet. Termieten (Ind. (vitte mieren), ni. mv. Ue â zijn verspreid over (tllc tropische gei veste) i. Termijn (tijdsverloop), m. âon. Termineeren (begrenzen; eindigen, voleinden, besluiten). |
Terminologie (kunsttaal, leer der kunstwoorden), v. â logieën. Terpentijnboom (in Europa en Syrië), m. â boomen; uit het zaad perst men zoete, vette olie. Ternanwernoocl (nauwelijks), bw. Wij ontkwamen â het gevaar. Terne (drie bezette en uitgekomen nonnners in de getallen-loterij), v. â n. Terneder (omlaag), bw. Met w.w..aaneen to schrijven: Terneder liggen, âslaan, â werpen, â zetten, âzinken, âzitten. Terp (heuvel; verhevenheid tol ivijkplaats bij overstrooming in Friesland), v. âen. Terpentijn (vloeibare oliestof), v. gmv.; â -olie. v. gmv. Terniiiins (grens, eindstation), m. âsen. 'Terra (aarde, grotul),v.; â incognita, onbekend land. Vele dcelen van Soematra zijn nog â: â cotta, beeldwerk van gebrande klei. Terras (aardheuvel; plat, vlakte; voorgrond b.v. vaneen landschap),o. âsen;â V4»rmiy,bn. Terrasseeren (fig. neerslaan; iemand den moed benemen). Terrein (plaats,streek; bodem, grond), o. âen. Gij komt op mijn â , d.i. gij moeit u met mijn zaken; op een vreemd â gebracht worden; iem. het â betwisten, zich dapper weren; op het â der wetenschap, gebied. Terreur (schrik, ontsteltenis; Schrikbewind in Frankrijk), v. â s. Zie: Terrorismns. Terrenr paniqne (ongegronde vrees; alge-meene ontzetting), v. gmv. Terrine (soepschotel, soepkom), v. âs. Territoir, Territorium (grond, rechtsgebied), o. âtoren; â s. Territorltaal (plaatselijk, tot het grondgebied behoorende), bn. Leiden heeft twee âale schoonheden. (C. O.) Terrorismus, Terrorisme ('t Schrikbewind, ilU3â,(M), o. gmv. Terrorist (aanhanger van 't Schrikbewind), m. âen. Tersluiks, Ter sluik (m 7 geheim), bw. En legt het (nieuwe kleed) â, tuaar 'tafgedragen ligt. (Staring.) Terstond (aanstonds, dadelijk), bw. Tertio (ten derde), bw. Terts (muz.), v. âon; grootc â, afstand van twee geheele tonen; kleine â, uit één heelen en een hal ven toon bestaande. Ternjff (achteruit, naar achter, tegen, weder), bw. .\let w.w. aaneen te schrijven: Terugbe-g eer en, âbekomen, âbetalen, âbeven, âbezorgen, â blijven, âbrengen, enz. Terugdeinzen (achterwaarts gaan), ik bon â gedeinsd; fig. bang zijn, aarzelen, niet aandurven; âills', v. Ternyeiselieii (opvorderen), ik heb â ge-eischt; â iny, v. Ternyyave, â gaaf, v. gmv. Teruggeven (weder afgeven), ik gafâ, heb Ternglialen,ik heb â gehaald. [-gegeven. Teriiglioiidend (niet rom'borstng), hu. l'tv vriend is zeer â voor mij; â lieilt;l, v. Terugkeer (wederkomst), m. gmv.; lt;le â der lente. Teriigmarseli (aftocht), m. â marschen. Terugreis (reis naar huis), v. âreizen. Terugtoelit (aftocht), m. gmv. Terugtred (stap achterwaarts), m. gmv. Terugtreden (itchierailgiutn), ik trad â , ben âgetreden. |
T RliüGTIiK K K E N - T M E R M T DO R
|
Tlt;krii^-trokken, ik trok â, heb en ben â -getrokken. Terwijl, l)w. en vw. //.â srlinjf, lees (jij â , d. i. in dien tijd: ilc schrijf, â mijn vriend leest, terwijl djit. Terzelfder, aanw. vnw.; â tijd. in denzell-den tijd. Terzet {muziekstuk voor drie zarnjstemmen), o. -ten. 'IVrziJUelatiii^-, v. gmv.; âstelling, v. gmv. Test {vuurpotje), v. âen. Test, â acte {religie-eed in Enyeland, 1763), v. Testament (uiterste wil), o. âen. TeMtameiit. o. âen; het oude â, het nieuwe de Bijbelboeken. Testamentair {den uitersten wilhetreflende), bn.; âe beschikkingen', executeur uitvoerder van een testament. Testateur {erflateroïerfmaker), m. -s, âen. Testatrice {er P-a at ster), v. â s. Testeeren {getuigen-, legateeren, bij uitersten wil vermaken). Testinioniiim {getuigenis, getuigschrift), o. â s, â nia. Of iedereen bij Prof. C. zoo maar een â krijgen kon. (C. Ã.) Tête {hoofd), v.; d la â, aan liet hoofd, aan do spits; â quot; â i gesprek onder vier oogen. n â re pose e, met rijp beraad. Tête-a-tête (kleine canapé), v. âs. Tetrarcli {viervorst, beheerscher van V-j des lands), m. âen. Herodes ivas â van (lullilea. Tets {deegachtig, niet goed doorbakken), bn. Het brood is â, de pannekoek isâ; â liei«l, v.; â i^lieifi, v. gmv. Ten^*, v. âen; een â wijn, slok; ademen met volle âen, volop, ruim; met volle âen genieten. Tenjrel {toom), m. âs; iem. den â uit de handen nemen, d. i. de leiding; den â vieren, d. i. meer vrijheid geven, ruimte geven; den â geren of vieren aan zijn driften, d. i. zich niet beheerschen; den â afwerpen, er van door gaan, naar niets meer luisteren; de âs der regeering in handen hebben, het bewind voeren, minister zijn. Tenji'elen {in bedwang houden, bedwingen), ik heb geteugeld; â ing;, v. Tengfelloos, bn.; een â ros, wild, ongetoomd. Fig. buitensporig, b.v.: de â looze menigte: â Iieicl, v. Teiifachtig' (talmachtig), bn.; â lieiil. v. Tent {zeurkous), m. en v. âen. Tent {dronken), bn. Hij was erg â. Tent en {talmen, beuzelen, óok zeuren), ik heb geteut. Tenteren {langzaam zijn), ik heb getenterd ; â aar, m. TenteriK' {talmachtig), bn.; â lieid, v. Tentijf {langzaam, tahnend), bn. 'IVntkons {iem. die teut), m.erw. Dit dienstmeisje is een rechte â, d. i. het werk wil niet uit haar handen. Tenfonen {Germ, volksstam), in. mv.; de â werden in Jt/Z v. C. door Marius vernietigd. Tevens {gelijktijdig, tegelijk, ook), bw. Zie: Teflens. Tevergeefs. Vi^rjyeefs {rruchteloos), bw. liet was â gesmeekt. Tevreden {voldaan), bn. en bw.; â lieid. v. Tevredenstellen {voldoen), ik heb -gesteld; â lins'. v. Teweegbrengen {veroorzaken), ik bracht â, heb âgebracht. ^ |
Textiel(/f wevenbetrelfend),hu.;de âekunst. Textneel {woordelijk), bn. en bw.; iets â opzeggen. Textuur (iveefsel, samenvlechting, verbinding), v. gmv. Tlialer {voormalig Pruisisch muntstuk van f 4,80), m. â s. Titans {nu, op dit oogenblik), bw. Tlieater (schouwburg), o. - s. Theatraal {tooneelmatig), bn.; een âe houding', een âale voordracht. Tli^atre (con|gt; lt;ilt;k) (theaterstreek; ongewoon en onverwacht voorval), m.; coups de â. Til*1 dansant (partij, waarbij thee voorge-diend en daarna gedanst wordt,, o. Tliee, v. â ën (soorten). Tlieeaclitig', lm.; een âe smaak, âblad.o. â bladen, blaadje (nl. v. d. theeboom, ook kopjesblad); â boom, m. âen; â bns (blikken doosje), v. âsen; - busje. o. âs; -doek {om de kopjes te reinigen), m. âen: Tante zat de kopjes met een bonten -doek af te drogen. ((.O.); âgoed {servies), o. gmv.; â liandel. m. gmv.; âketel, m. -s: lt;/»' hospita ging de trappen af met den â. (C. O.); â kist {waarin de thee wordt aangeveerd), v. âen; -kopje, o. âs; âlepel (klein en lijn zilveren theelepeltje'), m. â s; âlood tot bekleeding der theekist), o. gmv.; ârandje (l'trechtsch koekje), o. â s; âservies, o. â viezen; âstoof {theeketel), v. âstoven; â tafel, v. â s: lectuur bij de âtafel; â -visite, v. âs; âwater (kokend water i. d. theeketel), o. gmv.: Hout verordende ander â water. (C. O.); âwinkel (waar men enkel thee verkoopt), m. â s. Tlieïst {die (am een God gelooft), m. âen. Themis {godin der gerechtigheid), v.; de tempel van â, paleis van justitie., Tliema (grondstelling of stof, waarover geschreven of gesproken wordt; hoofdgedachte eener muzikale compositie; grondbestanddeel; opstel ter uitwerking), o. â's. Theocratie (godsregeering), v. gmv. Tlieocratiscli {tot de theocratie behoo-rende), bn. Tlieolog'ant (li. l\. student in de godgeleerdheid), v. âen. Tlteolog'ie (godgeleerdheid), v. gmv. Tlieolog'iscli {godgeleerd), bn.; de âe faculteit'. een. â dispuut. Tlieolog'iseeren {over God en goddelijke dingen redeneeren). Zoo te theologiseeren met een lieve, vr jme deeren. (De Gen.) Theoloog' (godgeleerde), m. âlogen. Theort'ina (leerstelling), o. â's; Iwl â van Pgthagoras (meetk.). Theoretisch (beschouwend, bespiegelend), bn. Theorie {grondkennis, welke in het enkele nadenken bestaat, zonder dat die met de oefening verbonden is; afgetrokken beschouwing), v. â ën; de â der' rekenkunde, de â der algebra, de â der meetkunde. Therapie (geneesleer, ziekteleer), v. gmv. Theresia-orde (Beier se he ridderorde), v. Theriakel. Triakel {zekere artsenij, ook tegengift), v. gmv. Theriaki {opiumschuivers in het Dosten), m. mv. Thermaal(de warmebronnen betrelfende),hr\. TheriiK'ii {warme baden of bronnen), \.\\w. Thermidor (He of warmtcuuiand, van t'.S' JuliâIS .\iigs.), m. gmv. |
TF1KRIMOM KTKH â TUDSTHOOM.
|
Tlilt;ki*iiioiiilt;*t4kr (fvarmtciiictei'), m. -s. 'riic'saiirilt;gt; (scliatbcivaarplant.s), v. â ön. TlK'san(schalbciivKinlcr, iimninijiiict's-t('r\ m. â s; de ijvevUfn â zclrr. (('. O.) TIk'ki (in) {naar den regel, 'm hel tilijcmeeri). Thesis (grondslellmij; openbaar geschilpunl), v. theses. Tliosis (dichtk. loondaling, niel-betoonde let-I era reep), v. âsen. Zie: Arsis. Tliibof {fijne wollen japonslof), o. gmv. I^ees: Tiüee'. Tiling {landvergadering in Noorivegen en Ziveden), o.; de Landsâ, de Volksâ. Thor (Germ, fabell. dondergod), m. â als visscher. (Staring.) Thora (Jitodsch of Mozaïsch welhoeh), v. gmv. Thuis. Tehuis, bw. //.⢠blijf vandaag d. i. ga niet uit. Hij is â in de geschiedenis, zeer bekwaam. Thyrsus (de met ivijngaardranken omslingerde staf der priesters van Bacchus), m. thyrzen. Tiara (drievoudige pauselijke kroon), v. gmv. Tic (kwadegewoonte), m. gmv.; â donlourea.T, zen u wacl 11i ge aan gezichtspij n. Tiehol (metselsteen, baksteen), m. â s, âen. Tichelaar (steenbakker), m. â s. Tilt;*kcf (Engeland: briefje, toegangsbewijs). Tick, v. âen. Zie: Teek. [o. â s. Tien, tw. We zijn met ons âen. Tiendi (cijns, Vio van het veldgewas), o. âen. Tiendaa$fsch. bn.; de âe veld tocht. Tienclaa^sehe (gewezen militair uit de dagen van 'Mâ'SO), m. âen. Het was een â in burger kleed ing. (Potg.) Ticii4ii»oek (register der tienden), o. -en. Tiende (ranggetal), bn. Het was de â der maand: hij was de â van de ranglijst-, ten â, in de '10e plaats; (breukgetal): één â, drie â, vijf â is een half. Tieiideelig* {decimaal, in tien deelen verdeeld), bn.; een âe breuk; een âe schaal. Tieiidehalf' (negen en een half), telw. Dal kost â galden, d. i. fd.pO. TieiidheHer. m. â heffers. Tiendplichtig' (schatplichtig), bn. Tiend verpachting^ v. âverpachtingen. Tienen, zelfst. telw. Wij waren met ons â ; een gezelschap van â ; het is al na â; met den trein van â; op slag van â : hij deed het in â. Tieiift-n ldenslnk(.7tm^n tien Ije), o. -sti i k k en. Tienhoek (wcetk.'veelhoek), m. âhoeken. Tienman (Kom. geschied, decemvir), m. â -mannen; â scliap. o. Tien|M»nder (kanon), m. âponders. Tiensf niverstiik (zilverstukje van f0.50), o. â stukken. Tiental, o. âtallen. Tientallig (liendeelig), bn.; het - stelsel. Tientje (goudstuk), o. â s. Tienvoud, o. â vouden. Tienzijdig', bn.; een âe veelhoek. Tier (groei, aanwas), v. gmv. Kr zit geen â in dien boom, in dat kind; hij heeft hier geen â, kan er niet aarden. Tiërceeren (o/gt; een derde verminderen); -in$r, v. -en: De -ing der staatsschuld in den Franschen tijd. Tierelantijntje. Tierlantijnt je (soort van leeuwerik), o. â s. Tierelieren (zingen van vogels), ik heb getierelierd. |
Tieren (schreeuwen, drukte maken), ik heb getierd. Wat â die kinderen op de speelplaats! De. jagers vervolgden tierend het ever-zivijn; âlier, m. Tieren (welig groeien, gedijen), het heeft getierd. Tierisr (krachtig groeiend), bn. en bw.; â -heid. v. Tierlant ij ntjes {handbewegingen, uitvluchten), o. mv. De moedei* maakte allerlei â voor het kind, dat schaterde van pleizier. Je hebt nu van alles al verzonnen, en ik ben je â zat, het gebeurt, en daarmee uit! Tiers-état (derde stand; burgers en boeren), in. gmv. Tij (eb en vloed), o. âen ; opkomend â, vallend â , dood â, d. i. Hauw opkomend water: het â laten verloopen, de gelegenheid laten voorbijgaan; als het â verloopt, verzet men de bakens, als de omstandigheden veranderen, dient men anders tewerk te gaan. Zie:ti(etij. Tijd, m. âen; te rechter â, te bekwamer â, d. i. op den juisten tijd; de â der jew,d; het is nu in den â der va can tie; ik heb geen â om dien brief te schrijven; de â valt mij lang, ik verveel mij; de trein is over zijnâ, is op zijn â, is vóór zijn â; alles op zijn â , d. i. met orde; het wordt hoog â, er is spoed noodig; hij is uit den â, gestorven; in mijn jongen â, jeugd; van dien â af, d. i. dag, oogenblik; die mode is uit den -, verouderd; van â tol â, d. i. nu en dan; lt;le dood kent geen â, let niet op leeftijd; de â baart rozen, op den duur mindert het lijden; de âen der werkwoorden, afdeelingen dei-vervoeging. Tijdelijk (voor een lijd), bn. en bw.; een âe benoeming; hij is â aangesteld. Tijdeloos, Tijloos (herfstbloem), v. -loozen. Tijdens (gedurende), vz.; â dot oorlog. Tijdg-eest (algemeene denkwijze in zeker tijdsgewricht), m. gmv. Da Cos la trad als Kampioen op tegen den â. Tijdgenoot, m. âen. Hooft was een â van Prins Maurils. Tijdig (bijtijds), bn. en bw.; âheld, v.; â -lijk, bw. Tijding (bericht), v. -en; tijdinkje,o. ~s. Tijdkorting (uitspanning, verzet), v. âen. De zieke plakt prentjes op 'ot â. Tijdlang (een) (gedurende eenigen tijd), bw. De vrede was nu een â verzekerd. Tijdlelie (gele lelie), v. âs of âleliën; â -maat (muz. tempo), v. âmaten; -nieter (klok, chronometer), m. â s; â punt(lijdslip, merkwaardige gebeurtenis), d. âen; ârekening' (jaartelling in de geschiedenis), v. â en; ârekenkunde, v. gmv.; âruimte, v. â n. Tijlt;1 rot»vend (veel tijd eischend), bn.; een â e bezigheid. Tijdsbesparing', v. -en; -bepaling, v. â en; âbestek (tijdruimte), o. âken. Tijdschrift (periodiek geschrift, maand- of weekblad), o. âschriften. Tijdsgewricht (tijdvak, lijdsti/t\ o. -en; -omstandigheid, v. -heden; -orde (naar volgorde van tijd), v. gmv. Ti jdstip (punt des tijds, geschiedkundig feil), o. âstippen. Tijdstroom (gang des tijds), m. gmv. Op een kleine plaats slijt de 'â niet zoo spoedig scherpe hoeken elfen. (Koetsveld); inz. gra- |
TM OS VK H LOOP - TJALK. h'l'J
|
phiscii overzicht dei- vaderl. geschiedenis: professoren, die âen aanbieden, (C. O.) ⢠Tijâ¬lNVâ¬krloop (tijddmo', tijdvak, voortgang ran tijd), o. gniv. Binnen ern â van tien jaar is dit alle* Uier gebouwd. Tijdvak (gesch. afdeeling, tijdsverloop tus-srhen twee hoofdfeiten), o. â vakken. Men eer-deelt de algemeene geschiedenis in drie â ken rn de vaderlandsehe in vijf, Tij«lv«'rdrijf'{uitspanning, rernuiak),o, gmv. Tijilwijzcr (kalender, almanak), m. âs. w. g. Tijen (beginnen, trekken), ik tij, zij tijen; ik toog, ben getogen. Zij â tv eer aan V werk, en schuiven weer de sleden. (Tollens); als 't ii/gt; een vechten gaat, tijt Melis t/tm het loopen. (Huygens); De Ridder tijt fluks aan 't werk. (Staring); Het zwerk toog saam. (Staring); ze zijn naar 7 Heilige Lam' getogen, Vroeger: tieën, liegen, Tijsfoi* (roofdier), m. â s, â en; â in. v. â nen. TiJ^orlioiifl ((gevlekt als een tijger), m. â -honden; âvel. o. âvellen; â uollquot;, in. â -wolven. Tijglas (zandlooper), o. -glazen. Tijk (overtrek), v. âen; en vriest dr âen grijs. (Tollens): (stof), lt;â¢. rijlooK, TiJci«'lo4»s (bloem), v. â loozen. Tijm (welriekend kruidje), m. gmv. rijns (cijns), m. âzen. Ook: Tins. Tik (niet harde slag), in. âken. Tikar (Ind. matje), v. â s. Tikken (zacht, fijn kloppen), ik hel» getikt: uw horloge tikt niet', wij hoorden de hanen der geweren â; iem. op de vingers â, betrappen op een misslag; â ker, in. Tikker (arrestee), in. â s. Tiktakken (zachtjes til,ken), het heeft getiktakt; het â van een uurwerk, van een weefgetouw. Tiktakken (np het tiktakbord spelen}, ik heb getik takt. 'lil (het tillen), in. gmv. Kr is iets op â, op handen; er scheen veel naargeestigs op â te zijn. (C. O.) Til, Tille (ophaalbrug, duivenhok, enz.), v. â len. Tilbaar. bn.; tilbare have, d. i. roerende goederen. Tillmi'.v ( licht rijtuig op twee wielen), v. â's. Tillen (ophelfen), ik heb getild. Hij is zwaartillend, ziet alles donker in. Timber (top van een helm), m. â s. Timbre (klank), o. gmv. Timekeeper (Eng. chronometer), m. â s. Timekeeper (sport, tijdopnemend persoon bij wedstrijden, lees: tailn'-keep'r), m. â s. Timide (beschi 'oomd, verlegen', vreesachtig, bleu), bn. 'VimU\iteit(beschroomdheid, vreesachtigheid), blooheid), v. gmv. Timmc'ra^e (getimmerte), v. â s. Timmt^ren (in hout werken), ik heb getimmerd; een raam â, een schip â; fig. hij timmert niet hoog, zijn verstand reikt niet ver. Timmer$;'ereed»eliap, o. âschappen. Timmerliont, o. gmv.; âloods, v. âen. Timmerman, in. âlieden, âlui. Timmerweri' (werkplaats), v. âwerven. Timon (lig. menschenhater), m. â s. Timpaan (raam aan de boekdrukpers), o. âpanen. |
Timpje {langwerpig spits broodje), o, â s. Tin (metaal op Bang ka en Blitoeng), o. gmv. 'FimwUtifs (lijkende op tin), bn.; â ader(f/rtm/ i. e. tinmijn),' v. âs; âfoelie (bekleeding v. spiegelglas), v.; âgroeve», v. ân; âmijn. v. âen; âhandel, m. gmv.; â kalk (-as'ch), v. gmv. Tinetinir (aftreksel van K ruiden of dierlijke zelfstandigheid), v. âturen; krekelmergs â. (Staring.) Tinka (Mal. gril), v. â quot;s. Tinkelen (tjingelen met belt'in), ik heb getinkeld. //«â hoor de bellen der kudde â. Tinne, Tin (aiigetmid bovenste gedeelte van een muur, kanteel), v. tinnen; de â des tempels vtni Jerusalem; bij uitbr. top, spits. Tinnegieter, m. âs; politieke â, iem. die in staatkunde liefhebbert. Tinnegieter ij (werkplaats), v. âen. Tinnen (van tin), bn.; een â kroes. Tins. in. Zie: Tijns. Tint (lintwijn), m. gmv.; â is de besteen beroemdste wijn van Andalusie (Spanje). Tint (kleur, gelaatskleur), v. âen. Tintel (tonder, t .ndel), v. gmv. Tiiitel4gt;n (flonkeren), ik heb getinteld; de sterren â, flikkeren; de oog en van Levenslust tintelden van vreugd, glanzen; mijn vingers â van de kou, steken, prikkelen; âing-, v. Tinten (kleur geven), ik heb getint. Tip (punt, uiteinde), m. âpon; de â van tvn das: de â van een zakdoek, Tipar (Ind. rijstveld, berghelling met rijst-aanplanting op Soematra), v. â s. Zie: Teg al. 'l ippen, ik heb getipt; het hoar -, de vleugels â , de tippen er afsnijden. Tipsy (dronken), bn. De matroos was â. Tirade (uitval, stortvloed van woorden, plaats uit e. boek), v. â s. Tirailleeren (vele schoten achter elkander doen; met verspreide scherpschutters aantasten; trekken en weder trekken van wissels om zich daardoor geld te verschaffen, wisselruiterij). Tirailleur (scherpschutter), m. âs. Tirailleiirsviinr. o. gmv. Tiran, Tyran (dwingeland), m. ânen. Tirannie. TiranniJ (dwingelandij), v. â -nieën, â nijen. Tiranniek (wreed, willekeurig), bn. en bw. Ti ran niseeren (hard behandelen); iem. â. Tiras (net om patrijzen te vangen), v. âsen. Tiras (soort van cement), v. Zie: Tras. Tiretein {grove stof van half wol en half linnen), o, gmv. Tissn (doekje, dasje), o. â's; een rozerood tissuutje. (C. O.) Titan (reus, hemelbestormer), m. â s, âen. Titansarbeid (reuzenwerk), in. gmv. Titel (opschrift, benaming), m. -s; âblad. o. âen: âplaat. v. âplaten; â vignet (druksieraad, in verschil lenden vorm), o. â vignetten. Titelen (een titel geven), ik heb getiteld. . Tittel (punt, teeken), m. âs. Er mag geen â aan ontbreken, d. i. niets. Titulair ('di naam), bn.; korporaal â, sergeant â . Titiilatiinr (betiteling, volledige benaming), v. âturen. Titiileeren (be noemen; ie mand een titel geven); hoe moet ik hem â Tjalk (Zlt; 'riesch vuurtuig), v. âen. |
180 T.I ANG ELKN âTOKR El K END.
|
Tjaii$?elâ¬kii (slechte snnrenmuziek maken), hij heelt getjangeld. Dit meisje blij ft maar op de piano â. Tjaiiken. TJonkoii {huilen b.v. van honden). hij heeft getjankt; âer, m. Tja wat (Ind. Borneo, fan (je b ree de lap van fieklopte boombast), v. â s. Tjerk {Amerikaansehe houtsnip), v. âen. Tji (Ind. rivier), v. â's. TJi bezigt men op W. Java. Tjilpen, ik heb getjilpt; de mussc/ien[ne- pend gefluit maken. Tjiii^elen {langzaam luiden), ik heb ge-tjingeld. TJif jak {/n(ishar,edis op Java), m. â s. De â zuivert de ivoninrjen ran ongedierte. Tjotter {klein vaartuig) v. â s. Toast {dronk), m. âen. Zie: Toost. Tobbe {ivaschkuip, balie), v. â n. Tobben {zwoegen, zich afsloven), ik heb getobd. Tobber. Tobberd (fig. sukkelaar), m. â s. Tobberij {tobbende, onrustig), bn. De zieke was vannacht erg â. onrustig. Tobberij {afsloving), v. âen. TobiaNviseh (zandaal, smelt), m. âvisschen. Toe4*alt;iiâ¬klje (Ital. tiktakspel), o. gmv. Toeli {echter, evenwel, intusschen), b\v. Toclit (reis), m. -en. Zij deden een â naar het II. Land', een kruisâ, een pelgrimsâ. Toelit {t rek wind, zuig wind), m. âen. Toehteu, het heeft getocht; wat tocht het hier! Toelit^enoot {reisgenoot), m. â gonooten. ToehtiK {winderig), bn.; een â huis; â lieilt;l,v. Toelitsloot {afvoer stoot), v. âen; ilc kleine jongens baadden zich in de â. (C. O.) Tod. Totlde {lomp, rod), v. âden. Todfly {rumgrok) rn. gmv. Toe, bw.; ergens naar â gaan, in de richting van; de deur is â, dichtgesloten: op den koop als toegift; t\v. â, geef het mij! Toe, bw. .Met w.w. wordt dit bijw. aaneengeschreven: toeademen, âbakeren, âbehooren, -bereiden, âbetrouwen, âbidden, âbinden, âbluffen, âblijven, âbrullen, âbuigen, â -deeten, âdekken, âdenken, âdichten (toeschrijven), â dienen, âdoen, âduwen, â -draaien, enz. Toeak (Ind. palmwijn), m. gmv. Toean-besar (Ind. groote heer, oouverneur-generaal), rn. âs. Ook: Toewan-besar. Toe«loeii {hulp, bijstand, medewerking), o.; door jou â ben ik nu ongelukkig; dat is buiten mijn â gebeurd, geschied. Toelt;lra4*lit, v. gmv.; ik zal u de geheele â der zaak. mededeelen, d. i. heel het beloop. Toegaan, liet ging â, is âgegaan; de deur, het raam, is dour den wind -gegaan; het is bij die erfenis vreemd toegegaan, er zijn vreemde dingen gebeurd. Toekan;?, m. âen; â hebben, vrijen â hebben, d. i. wij mogen binnengaan; de â tot de stad, wegen, poorten. Toegankelijk {genaakbaar), bn.; â lieitl, v. Toegeeflijk, Toegefelijk {inschikkelijk), bn. en bw. Toegeven, ik gaf â, heb âgegeven; op den koop iets d.i. bovendien een kleinigheid geven; op den koop â, verliezen; mijn neef geeft u niets toe in kennis, lichaamskracht enz., doet niet voor u onder; âills', v. Toegevend {inschikkelijk), bn. en bw.; -lieid, v. |
Toegift {overmaat), v. âgiften. Toehoorder, m. â s; at de âs waren getroffen, d. i. aanwezigen; âfiere», v. âsen. Toehooren {aanhooren, luisteren, toebe-hooren), ik heb âgehoord; âder, m. Toehnis {geen winket, gesloten huis), o. â zen. Toekan (Mal. dienaar), m.; een â bitjara, een pleitbezorger, kunstenaar des woords. Toekennen, ik heb âgekend; iem.eenrecht â, geven, toestaan; â ning, v. Toekc»niend {aanstaande), bn.; de âe week, de âe tijd. Toekomst, v. gmv.; de jeugd heeft de â in handen. Toekomstig, bn.; uw â welzijn. Toelaag, Toelage {geschenk in geld, gratificatie), v. âlagen. Toelaelien. ik lachte â, heb âgelachen. De toekomst lacht mij â, schijnt mij rooskleurig. Toelast {groot luijnvat), m. âen. Toelaten {veroorloven), ik liet â, heb âgelaten; gij moet van uw kinderen niet alles â, dulden; oogluikend iets â, door de vingers zien; er worden etk jaar 20 kweekelingen toegelaten, aangenomen; â ing. v. Toelatingsexamen, o. -examens. Toeleg {plan), m. gmv. Debooze â werd verijdeld, d. i. op/.et. aanslag, samenzwering. Toeleggen (xieh), ik legde (leide) mij â, hel» mij âgelegd ( â geleid). Ik heb mij op de natuurkunde toegelegd, d. i. als hoofdvak be-studeeren. Toelieliten {ophelderen), ik heb âgelicht; -ing, v. Toelonken {rriendelijk aanblikken), ik heb â gelonkt; -ing, v. Toeloop, m. Deze winkel heeft den â, trekt een menigte klanten. Toemaat {overmaat, te veel), v. âmaten: wij zorgen slechts om van de â af te komen, die ons postuur ontving. (Staring), bochel. Toen, bw. en vw. Hij kwam â. Tooi hij kwam, was het te laat. Toenaam (bijnaam), m. ânamen. Ik zat je alles zeggen, met naam en â, in bijzonderheden. Toenaiikoe (Ind. Maleisch: mijnheer, monseigneur), m. â s. Toendra {grasvlakte of steppe in Siberië; 's winters bevroren moeras), v. â's. Toeneming {aangroeiing), v. gmv.; â van werkzaam h eden. Toenmaals (indertijd), bw. Toenmalig, bn. De âe mode was minder dwaas, de mode van toen, van die dagen. Toepasselijk, bn. en bw.; een â opschrift, een â woord; â spreken, âbeid, v. Toepassen {aanwenden), ik heb âgepast. Pas ile opgedane paedagogische kennis nu toe in de school; âing, y. Toer {wandeling; hoofdtooisel van valsch haar; goochelkunstje), m. âen. Wij deden een -door de fraaie omstreken, d. i. rit; die goochelaar doet fraaie âen, kunsten; grootmoeder hing daar met bril en â, haarkrulletjes op de slapen; drietje van Duren droeg een âtje, aan twee kleine trosjes rozijnen niet ongelijk (C. O.); je zult er een heelen â mede hebben, moeite; drie âen kralen, rijen. Toereebten (bereiden), ik heb âgerecht. Toereeden {optakelen, uitrusten), ik heb â gereed; -ing, v. Toereikend {voldoende, genoegzaam), bn. De voorraad was â. |
TOKK KK ION BA AI {- TOKO.
|
To(gt;i*lt;'klt;gt;iil»aar.bn.; een misdaad is een krankzinnige niet â, te wijten; â v. Toerekenen (wijten, ten laste ley gen), ik heb âgerekend; âin^-. v. Toeren {rijden i. e. rijtaig), ik heb getoerd: nnj toerden eerst door de voornaamste straten der stad. (('. O.) Toeriftui^' (gesloten rijtuig), v. ârijtuigen. Toerist (/jlezierreizigrr), 111. -en. Toeroep (kreet, eisch). m. \v. g. Toerusten (gereed maken), ik heb âgerust; ten strijde â, wapenen; â injr, v. ToeseliieteliJR (yoorA'O/m'm/), bn.; â lieilt;l. v. Toeseliieten. ik schoot â, heb en ben âgeschoten ; op dien kreet kwam mijn vader â, d. i. ijlings aansnellen. Toesfliijiien(r/'mAre», voorkomen), het scheen â, het heeft mij âgrschenen. ToeM'lioiuver (kijker, omstander), m. â s. Toeseliri j ven, ik schreef â, heb âgeschreven; dat werk wordt aan !laggens toegeschreven, d. i. men noemt hem den maker; waaraan moet ik uw stilzwijgendheid â. wat is de oorzaak er van? Toesjorren (met touwwerk binden), ik heb â gesjord. Toeslsis:. m.; de â valt, d. i. instemming; ook toewijzing van een koop; van yt eerste find aan, tot ds luide â vair (Staring), het jawoord. Toeslede (koetsslede, gesloten slee), v. â n. Toespelen, ik heb â gespeeld; Hatelingspeelde Klaart je de slagen toe ((quot;. O.), in de hand spelen. hij maakt een toespeling op uw burgerafkomst, zinspeling, zacht verwijt; â Insquot;, v. Toesperren (afsluiten';, ik heb âgesperd. Toespijs (hijspils, bijgerecht), v. âspijzen. Toespraak, v. âspraken; hij hield een â tot zijn werklieden. Toestaan (veroorloven, vergunnen, inwilli-gen), ik stond â. heb âgestaan. Toesfami (gesteldheid), m. âen. Toestel, m. en o. â len; wat kost dat â, werktuig, machine; nog zie ik dien droevigen â van zuurdeeg en natte omslagen. ((quot;. O.), middelen; de â tot haar bruidgewaad. (Staring), toebereidselen. Toestellen.ik heb âgesteld; een feestmaal â, d. i. aanrechten. Toesteininen (inwilligen), ik heb -gestemd; -in$f. v. Toetakelen, ik heb âgetakeld; watis dat kind vreemd toegetakeld, opgeschikt; hij kwam deerlijk toegetakeld thuis, bont en blauw geranseld, vol wondeplekken; âin$f. v. Toetasten, ik heb âgetast; (legasten moeten maar â, d. i. nemen, wat hun gelieft. 'i\*étlt;*n(blazen op trompetten, koehoorns, enz.), ik heli getoet; hij weet van â noch blazen, hij weet hoegenaamd niets (van het vak); âer, m. Toeteren (gedurig toeten), ik heb getoeterd. ToeterlootX /oo/quot; van schermbloemige planten, op wier holle stengels de jeugd kun toeten), o. gmv. Veldin sprong uit het hooge â. (C. O.) Toethoorn, â Uorcn(koehoorn, blaashoorn), m. â s. Toetreden, ik trad â, ben âgetreden; tot een vèreeniging â, lid er van worden; de koning trad op hem toe, d. i. naderde hem; âin^, v. Toets (fig. proef), m. âen; den â kunnen doorstaan, bestand zijn tegen het onderzoek. Toets (evenmatig deel van een klavier), m. â en. Toets (schaduw, donker), m. â en; zware â en, naar willekeur aangebracht. (Potg.) |
Toetsen, ik heb getoetst; wij zullen zijn eerlijkheid â , d. i. op de proef stellen; â in^. v. Toetssteen (een proefsteen), m. â on; (stol), o. Toeval (onvoorzien geval), o. âlen. Toevallen (ten deel vallen), het is âgevallen. T4»evallij (bij toeval), bn. en bw.; â fieid, v. Toeven (beiden), ik hebgc.'oefd; ons toeft een vriendelijk onthaal, d. i. wij hebben te wachten; Marco toeft, als Julia toeft. (Staring), d. i. rust, wacht. Toeverlaat (bescherming), ir. âverlaten; gij zijt mijn â, d. i. steun, toevLicht. Toevloed (menigte), m. gmv.; een â van vreemden. Toevloeien (vloeiend naderen), het is â go-\ioeid. Fig. in overvloed komen. Toevlnelit (wijkplaats, steun, hulp), v. gmv. Toevoegen, ili heb âgevoegd; a- metselaar zal die reten â, dh htstoppen; ik heb aan die woorden nog een en ander toegevoegd, bijgevoegd; den generaal zijn twee kapiteins als adjudanten toegevoegd, ten dienste gesteld; â in;;', v.; âsel, o. Toevoer (aanvoer), m. âvoeren: â van levensmiddelen. Toevoeren (aanbrengen, voorzien van), ik heb âgevoerd. Toevoorzielit (bewaking, opzicht), o. gmv. Toewagen (gesloten rijtuig), m. âwagers. Toewan (Mal. heer, mijnheer), m. â s. 0 gt;k: Toean. Toewassen (dichtgroeien), hel wies â, is â gewassen; die sloot zal nog â. Toewater (door ijs gesloten, dichtliggcnd water), o. gmv. Toewi'iiden, ik heb â gewend ; ik heb hem den rug toegewend, toegekeerd, toegedraaid. Toewieht (overwicht), o. gmv.; hij gaf mij een ons â, d. i. overwicht. Toewijden, ik heb âgewijd; zich â aan, d. i. zich geheel geven; â ing, v. Toewijzen, ik wees â, heb âgewezen; die. eisch is hem toegewezen, hij is op dat punt in het gelijk gesteld; een aanbesteed werk â, d. i. gunnen; iem. een koop tot kooper verklaren; â ing. v. Toezang (slotzang), m. âon; de â van Vondels rei van Engelen. Toezeggen (beloven), ik heb âgezegd, ( âge-zeid); âing (belofte), v. Toezielit (het toezien), o. gmv.; er moet â zijn bij alle werk; hier had zijn â menigmaal een vijand voorgekomen. (Bild.) Toezien (opzicht houden), ik zag â, heb â gezien; âziend, bn.: een toeziende voogd; -ziener, m. Toezwaaien, ik heb â gezwaaid; iem. wierook â, lof â, hem hoog prijzen. To Hel (muil, panto jfeitje), v. -s. gmz. Toga (tabbaard), v. â's. Togen (onvolt. verl. tijd, mv.) van Tijen (trekken)', de kruisvaarders â naar het 11. land. Toilet (lijnwaad; kleed ij; kaptafel), o. âten; zijn â maken, d. i. zich mot zorg kleeden. Toiletartikelen (gereedschap v. h. toilet), o. mv.; âspiegel, m. â s; âtafel, v. âs. Toiletteeren (toilet maken, zich fijn kleeden). Toka.ver (Hongaarsche wijn), m. gmv. Tokei (een der grootste gekko's op Java), v. â s; de â heeft een luiden tjilpenden kreet,dien zij elke ö min. laat hoor en. Toko (Ind. bazaar, winkel met allerhande), m. â's. |
TOK K !â¢:I.!â¢:N - TOO VKliU 10KIA gt;.
432
|
Tokkelen (yediiriy nikken aun), ik hel» getokkeld; de snaren â, een snaarinstrurneiit liespelen: fi-r. de lier bespelen, dichten; âaar. m.; â ingv v. Tol (doortochtgeld, sehalliny), in. â len; â betalen, fig. cijns geven; den â aan de natuur betalen, sterven. Tol (kinderspeeltuiy), in. âlen. Tolerant (verdraayzaam), bn. en bw.; hij is zeer â op het stuk ran yodsdienst. ToH'rantio (verdraayzaamheid), v. gmv. Tolereeren (verdrayen, dulden, toelaten). Tolgaarder (tolontcanyer), m. âgaarders; â Iiek. o. âhekken; â linis {tolkantoor), o. â huizen. Tolk {vertaler), in. âen. Ook: iroordroerder; ik liooigt; de â van ons allen te zijn, als ik n hartelijk dankzey. Tollen (met den tol spelen), ik heb getuid. Tollenaar(fc%a«r£frr), m. âs, -naren. Bijbel. Tolvrij, bn. en bw.; yedachten zi;n â. Tomaliawk (strijdbijl of' strijdknots der Indianen in N.-Amerika). v. â s. Tombe (praalyraf, y ra/'tee ken), v. â s. Tombola (zeker loterijspel), v. â's. Tonimo^'on (Ind. rany van een int. edelman, layer dan Adhipatti), in. â s. Ton (inhoudsmaat), v. â nen; een schip van ton, olke ton = KMX) K.G. Ton (gekuipt houten vat), v. ânen; een â youds, honderd duizend gulden. Tondel. Tonder (/y asje met yebrand linnen), o. ginv.; âdoos. v. â doozen. Zie: Tint«'l. TondeiiKe (werktuiy tot het scheren van schapen), v. â s. T4»nen (klinken, weerklinken), het heelt getoond; de liederen â ; het oryel toont. Tong: (spraaklid), v. âen; de â van een yesp, stift; de â van een balans, naald; de â van een slot, schoot; de â van een orgelpijp; de vaneen zandbank, uitstekende punt; een kwaadsprekende â, persoon; het liytmij op de â, ik ben gereed het te zeggen; bmy van â zijn, veel praten, alles overbabbelen; het hart liyt hem op de â . hij is oprecht; hij is wel ter â, welbespraakt; zijn â in toom houden', op de â rijden, het onderworp der gesprekken zijn. Tong- (zekere platvisch), v. -en. Tong'band (tonyriem), m. âbanden; â been. o. âbeenderen; âblaar (zekere veeziekte), v. ginv.; -ctje (fc teine tony), o. â s; â -gezwel, o. âlen; â klier, v. âen; -letter (nl. d, t, l, n, s), v. â s; âriem (band onder de tony), m. âen: van den â gesneden zijn, goed kunnen praten; âval (wijze van een taal uit te spreken), m.- âlen; â vormig (in den vorm eener tony), bn.; âwerk (in orgelpijpen), o.; â zenuw. v. âen. Tongval, in. âlen; de Overijselsche d. i. toon van spreken. Tonijn (zekere zeevisch), m. âen. Tonkablt;»on (welriekend zaadje o.d. â boom in Guyana), v. â boonen; ik heb een â in mijn snuifdoos, om nl. de snuif geurig te maken. Tonneboei (zeew. boei, uit duigen vervaardigd), v. âboeien. Tonneboeier (zeker vaartuig), m. â s. Tonnen (in tonnen of vaten doen), ik heb getond; het spek â. Tonnengeld (havengeld naar 't aantal scheepstonnen), o. -gelden. |
ToiinennieeNter (bakenmeester), m. â s. Tonner (die haring in tonnen doet), m. âs. Tonsuur (kruinschering, de geschoren kruin), v. gmv. Tontine (soort van aangroeiende lijfrente), 1 v. â s. Tontong, Tointam, Tamtam (Ind. groot, i hangend, uitgehold blak, waarop men de uren slaat), m. â s. Toog (boog in de bouwkunde), m. togen. Toog (toga. priesterkleed), m. togen. Tooi (opsierset), m. gmv. Tooien (opsieren), ik heb getooid; âNel. â¢gt;. Toom (teayel), m. âen; rn â houden, \gt;v-d win gen; de â van een vlieger, d. i. de lis; een â kippen, eenden, broedsel; â |gt;je, o. â s. Toomen. ik heb getoomd; een paard â, d. i. den toom aanleggen; lig. beteugelen, bedwingt n; â ing'. v. gmv. Toon (teen v. d. voet), m. toonen. Toon (zanytoon, klank), m. tonen; uit den â yaan, zakken, valsch zingen; â houden, zuiver zingen; een hooyen â aanslaan, zich groot voordoen; op hooyen â spreken, gebiedend; van â veranderen', de goede â, manier. Toon (ten), m.; een kunstwerk ten â stellen. Toonbank, v. âbanken. Toonbeeld (voortreffelijk voorbeeld), o. âen. Toonder, in. â s; de bank betaalt aan â ; een wissel te betalen aan â, houder. Tooneel (schouwspel), o. -en; de stad was het jammerlijk â van moord en plunderiny. Tooneelaehtig. bn. en bw.; wat spreekt die dame â, d. i. theatraal. Toonlt;gt;elist (tooneelspeler), in. âen. Tooneelmatig (overeenkomstig het tooneel), bn. en bw. Toonen (laten zien), ik heb getoond. Toongevenil (leidend, waar men zich naar richt), bn.; het â Frankrijk (jeeft de titels. (Potg.) Toongever (lig. persoon, naar ivien men zich richt), in. -gevers. Toonkunst (muziek), v. gmv.; âenaar (muzikant), m. â s, âaren. Toonhulder (reyelmatige opklimming van alle tonen), v. âladders. Toonloos (spraakk. zonder klem of' nadruk), bn.: een âlooze letter', â lilt;'id, v. Toonsat'sfand (interval), m. âen. Toonsehaal (toonladder), v. -schalen; â -soort (majeur of mineur), v. âen. Toonteeken (klemtoonteeken), o. â teekens. Toon vast, bn.; deze zanyeres is zeer â. niet zakkende in toon. Toorn (boosheid), m. gmv. Toornen (toorniy zijn), ik heb getoornd. Toornig (boos), bn. en bw.; âlieilt;i, v. Toorts (fakkel, flambouw), v. -en; âlieht. o. âen. Toâ¬Â»rts (plantengeslacht), v. gmv.; tie klein-bloemiye â; -distel, v. âs; â krnid,o.grnv. Toost (feestdronk), m. âen. Toosten (een dronk wijden,, ik heb getoost; â er, m. Toovenaar (yoocheltiar, wonderdoender), m. âaars, âaren; âster, v. â s. Tooveraelitig, bn. en bw.; een â effect', de yrot was â verlicht', het landschap was â schoon. Tooverbeeld, o. âen; âblik, m. O too verblik dier minlijke ooyen! (Staring); âeirkel, in. â s; âdrank, m. âen. |
TOO VER K N - '101J RN UI f K.
|
Toovomi, ik heb getuoveni; â «'rij. v.: mm zou zeggen, dat er tooverij under steekt, nl. onder het schrijven. (Conscience). Too ve res (touverkol, he kb), v. âsen. Toovc-rlieks (toovennarster), v. -heksen. BIJ nitbr. oud, op een krukje loopend wijfje. 'â '«toverkol (heks), v. âkollen. T«M»verlaiitaiirii (toestel om op een wit doek gekleurde afbeeldingen veryrovt te doen afschijnen), v. âlantaarns, âlantarens. Tooverroetle (stokje van een toovenaar), v. âroeden. Tooverslag: (bij) (op het snelst, onverivneh (s). hw. Praehtige huizen en schoone lusthoven ren'ijzen er als bij (Koetsveld). T«»overMtaf', ni. âstaven, liijkdom met den â des handels ver honderd- of verduizend-vznd. (Potg.) Top (uiterste punt), m. âpen; van â tot teen gewapend, d. i. veel wapens dragende; het zeil in â halen. De zeilen geheschen! de vlieger in (Bogaers). Hoezee, de vreugde stijgt ten â. (Spandaw,». Top (ik stem toe), tw. T«»l»aa.H (nuurgeel edelgesteente), voor den steen, m. âazen; voor de stof, o. Topazen (van topaas), bn. T«»peii$f ( ind. Javaansrh tooneelspel), v. â s. Top«gt;{?raat' (beschrijver van een plaats of streek), m. â grafen. Top«gt;^-ra|»iii«' (aardr. plaatsbeschrijving), v. gmv. T4»plt;»$;ra|gt;iiiseli (nardr. plaatsbeschrijvoid). lm., I»ij nitbr. betrekking hebbende op een bepaalde plaats, stad of streek: âe veranderingen', âe optnelingen; een âe inrichtimg, bureau voor alles, wat op de topugrapliie betrekking heeft; de âe afdeelinj eau den (leneralen staf, het â bureau. T«gt;ppeii (aftoppen, ontdoen van den top). ik heb getopt; deze dennen worden alle getopt. Toppen (met den tol spelen), ik heb getopt. T4»ppenaiit (scheepst. scheepstouw, dat aan de toppen van een ra zit), v. âen. Ouk: Topplt;'nenlt;l. o. âen. Tlt;»pp«gt;r (een snort van eend), in. â s. Toppunt (hoogste punt), lt;. âen; de -en van een gebergte', lig. het hoogst, het verst: het â van eer, het â van roem. Topstander (scheept, vlag, die van debovenste steng afwaait), in. âstanders. Topzwaar, bn.: de trekschuit was had boven te veel last. Fig. dronken: Xu, die is ook â Tor (insect), v. âren; een gouden â, een officier, spotn. Toreacl«gt;r. T«gt;rea«i4M»r (stierbe vecht er te paard), in. â s. Zie ook T«gt;rer«». Toren, m. â s; een kerk met â bouwen. T«»renlioo$i', bn.; âe golven. Torenklok, v. âklokken; â kruis. o.-en; â naal«l (spits), v. âen; âspits. v. -en; -trans (omwandeling), ni. âen; ânil (kerkuil), m. âen; âuurwerk, o. âen; â valk (roofvogel), m. âen. Tfirenwaeht (één wachter op di'U toren), m. â en; (de gezamenlijke wachters), v. Torenzwalnu' (gierzwaluw), v. â zwalnwen. Torero (stierbevechter te roet), ni. -'s. T4»rnientatie. Tornient (kwelling, pijni- ging), v.;o. - tien, âties. Dan krijgt gij Broder tot uw pijn, Kn Wegtingh tot torment. (C. O.) |
T4»rn (het tornen), m. âen. Daar is een heele â aan, d. i. een heel werk. Torn (losse naad), v. âen. Tornailo (hevige wervelwind tquot;sschen de keerkringen), v. â quot;s. ToriK'ii (een naad lossnijwn), ik heb getornd. TorninesJ«so. â s; â to«w,o. â en;âwerk,quot; gt;. Torn4gt;oi. Toiirn4gt;oi (ridderspet, steekspel), o. âen. ToriHMnbaan, v. âbanen; âspel, o. âen; â veld, o. Ook: 'D nirnooibaan, enz. Torn4»4»ien. Toiirn4gt;oilt;kn (uan een steekspel deelnemen), ik heb getornooid. T«»rpe4list {soldaat, die torpedo's legt en licht), in. âen; het korps âen ligt te lirielle. T4gt;rpe4lo (sidderrog; sidder visch; ook onder-zeesche boni), v. â's. Tori*ii\e(gevoelluos,versuft;slaperig.traag),[)\]. Torpi«liteit (slaperig- of traagheid), v. gmv. T«»r«|iieeren (martelen, pijnigen). Tlt;»rs(row/gt;, ook van een verm inkt beeld),v. â en. Tors«kn (zwaar dragen), ik heb getorst. De heer Bruis moest zijn overjas en verlies zelf â . (C. O.); Keesje had den Bijnschen wijn getorst. (C. O.) Torsie (het wringen, ineendraaien), v. gmv. Tort (ongelijk, hartzeer), o. gmv.: iem. â aan doen. Tortel (duif), m. en v. â s. T4»rtel4liiif', v. âduiven. Tortnens (kronkelig, slingerend, verwrongen), bn. Torture (pijnbank; pijniging, welke men iemand aandeed, om hem te doen bekennen; fig. groote inspanning van den geest), v. âs. T4gt;rtiireeren (folteren, martelen). Tory (lid der hofpartij in Engeland), m. tories. Tot, vz.; van huis â huis; van mond â mond: â Amsterdam; â Maandag; van dag â dag; van den morgen â den avond; benoemen â burgemeester: aansporen â vlijt: â iem. spreken. Totaal (gezamenlijk bedrag), o. totalen. Hoeveel bedraagt het â der rekening'.' Tel nu alle totalen bij elkaar. T4gt;taal (geheel, ten volle), bn. en bw.; een totale maaneciips; ik ben â op. Totaliteit (het geheel), v. gmv. Totaliter (geheel en at, ganseh), bw. Tottlat. vgw. Wacht nu, â ik kom. Totebel (vischnet; ook slordig, havenloos vrouwmensch), v. âbellen. T«gt;tstan«lbr«'nlt;;-in;;-. v. gmv. T«gt;tstandkoniin$f. v. gmv. T«gt;iieliant (roerend, treffend; smartelijk, bedroevend), bn.; een â verhaal. T«Hielie (penseelstreek, toets can piano of orgel), v. â s. Tanvliveret^aanra ken, bevoelen; belecdigen). Toupet (kuif, voorhoofdspruikje), v. âten. T4»iir. m. â s; â de force, moeielijk stuk; â de passe-passe, goochelaarsgreep; â d â, beurtelings; â de baton, handgreep. Zie 'i,4»er. T4»iirist. rn. âen. Zie T4gt;erist; vr. â4*. T4»iirnientelt;M*en (kwellen, folteren, pijnigen). Zie Torinentatie. Tournee (rondreis), v. â s. Tourneeren (draaien, wenden, keeren). Tourn4ks4gt;l (zonnebloem), m. â s. T4»urni4|net (draaikruis, kruisboom aan den ingang van een afgesloten tveg), m. â s. T«gt;urnnr«k (gestalte, lichaamsbouw; wending, ook: halve crinoline), v. âs. |
KOENEN, Ver 11. Handwdb. d. Nederl. taal.
V.H TOUTKIi â TUANSM ITTEKIi EN.
|
Touter (schommel), m. â s. Touteren (schonnnelen), ik lid» getontenl. Touw, o. -en. II. lean i-r ijcen â ann rnsl-maken, ik begrijp er geen steek van; trek niet aan dat â tji\ roer dat onderwerp niet aan. Touw (getouic, weeftouw), o. âen; iets opâ zetten, liet gereed maken, hot plan maken; ik beu den rjeheelen dat/ in het â (jeweest, in mijn werk, bezigheden. Tomvou {van touw), bn.; ren â mat. Touwen (leer bereidoi; ook klop pen, slaan), ik heb getouwd: â er (leerbereider), m.; â «'rij leerbereiderij), v.; âbaan (lijnbaati), v. Touwsla^r (touwdraaier), m. âslagers. Tower (kasteel te Londen, eertijds staats-fievangenis), m. gmv. 'i'oxieolo^ie (leer der veniiffrn). v. gmv. Traag;' (langzaam), bn. en hw.; â lieilt;l. v. 'rraa^loopor (aai of luiaard), m. â s. Traan (oogvocht), m. tranen. 'I'raau (walvischolie), v. gmv.; leverâ, 'I raauaelitiu. bn.; een â ?â¢(«â¢//Æ, d. i. als olie, als traan. TraaubuiN {vaatje, wuardoor zich een traan ontlast), v. -buizen. 'rraauoo^-en (trunendeongen hebben), ik heb getraanoogd. Trabaeolt» {knopviardijsehip in de Adr. Zee), TraeaHMM'rou {plagen. I,wellen, oidrn.slen). 'l'ralt;*aKMerje {I,-welling, bonze streek, harrc- warrerij), v. â ën. Traee (spoor, indruk, schets), v. â '1' raee«^reii (afschel set i, on'n 'tv 'pen). 'I'raeliiet (heldergrijs gcsteenle), «t. gmv. Tracliten (pogen, ' zijn bes! dóen), ik heb getracht. Tractaat (verdrag, overeenkomst), o. âaten. Tracteeren (behandelen, bejegenen). Tractie, v. â en materieel, een afdecling bij de spoorwegen. Traditie (overlevering), v. â tiën, -lies. Traflitioueel (volgens of bij wijze van overlevering), bn. en bw. Traâ¬luâ¬*éereu (overzeilen, verl(den). Traducteur (vertaler), rn. â s. Traduetie (vertaling), v. â s, âtiën. Trafiek (plaats, waar men de gromlstolfen omwerkt), v. âen. Trafikant (handelaar in bewerkte grondstoffen), m. âen. 'I'ra^eiiic' (treurspel; droevig voorval), v. â diën, âdies. Traft'i-eonifoeli (treurig-vroolijk), bn. 'l'rajgrietiM (trearspeldichler), m. âei. Tra^isoli [droevig, treurig), bn.; het â einde van Jan tic Wit. Train (gang, schrede, sleep, trein, gevolg vnn personen of zaken), in. gmv.; en aan den gang, in zwang. Trainartl. Traineur (achterblijver bij een leger), m. â s. Traineeren {dralen; slepende houden)', zich â , zich africhten op iets bij sport. Ook Trainen. Trainen Csport. oefenen, waarbij vaste leefregels, lees: treenen), ik heb getraind. Zich â. Trainer (sport, hij die de oefeningen leidt, drilmeester, africhter, lees: treen'r), m. â s. Traitabel (handelbaar), bn.; hij is nogalâ. Traiteur {(jaarkok, tafelhouder), m. â s. Traject {overtocht, overvaart, veer), o. âen. Traktaatje (godsdienstig ver toog je), o. â s. Traktaut (ffaftheer, nnthalcr), m. â s. |
Traktante (gastvrouw), v. â n. Traktatie (feestelijk onthaal), v. -ties. Trakteeren (feestelijk onthalen). Traktement (inkomen, bezoldig big), o. â en. TraktenieiitMveriiooK'iuK'» v. âen. Tralie (metalen spijltje), \. â s, â iën; achter de âs zitten, in de gevangenis. Traliën (van traliën voorzien), ik heb getralied. Tnxm (omnibus op spimrraiIs), v. âs.; -aanleg, m.; âbel. v.; âboekje, o.; âdienst, m.; âlijn, v.; ârijtuig, o.; âverkeer, o.; -wagen, m.; stoom-; gas-, v. Trainoiitane (poolster), v. gmv.; de â verliezen, de kluts kwijtraken, zijn tegenwoordigheid van geest verliezen. Traneliant (snijdend, zeer scherp), bn. Trancbee (gracht of greppel) loopgraaf), v. âen. Tranclieeren(.s*/lt;/;V/t'n, voorsnijden,ontleden). Tranen (tranen losbden), ik heb getraand. Mijn oogen â. Tranendal (deze wereld ad jammer), o. gmv. Tranig(oZ/ear/tfif/), bn.; een â e stof; - lieid.v. Tran^inille (gerust, bedaard, gelaten), bn. Tranlt;|iiilleiiieiite(muz. rust i(j,bedaard).\)\\. Tranlt;|iiilliteit (rust, stilte, bedaardheid), v. gmv. Trans (oingang eens torens, ipderij), m. âen. Bij uitür. uitspansel: De morgenstar alleen hield stand nog aan de transen. (Bogaers.) Transaetie (vergelijk, minlijke schikking), v. âtiën, âties. Transalpijiiseli (van of gelegen aan gene. zijde der Alpen), lm. Transatlantiseb (overzeesch), bn.; een âe zeekabel. Transeendant (bovenzinnelijk), bn. Transcript (kopij, afschrift), o. âon. Translereeren (overbrengen, verplaatsen; uitstellen). Transliguratie {gedaanteverwisseling; verheerlijking van dir. op den berg Thabor), v. gmv. Translbrmatie (herschepping', gedaanteverandering), v. âties, âtiën. Transformecren (herscheppen, een anderen vorm geven). Tra nslgeeren (een vergelijk t re If en, tol een schikking komen). Men moet â om in hel practische leven nuttig te zijn. (Potg.). Transitelt;'reii (het doorvoeren v. koopwaren). Transitie (overgang), v. -ties, âtiën. Transitiei' ((uryv/amu/ op een ander), bn.; een â werkwoord, spraakk., overgankelijk; als zn. o. âtieven, nl. dezulke, die een lijdend voorwerp bij zich kmuien hebben. Transit*» (doorgang, doorvoer), o. gmv.; â handel, in duorvoergoederen. Transitoir, lm. Zie Transitief'. Translaat(fe/'ïa//»#/, vertaaldstuk),o. -laten. Translateeren (vertalen). Translateur (vertaler), m. â s; een beëedigd â; â schap. o. Transloeatic (plaatsverandering), v. â ti«;n. Transmigratie (verhuizing; zielsverhuizing), v. gmv. Transmigreeren {van de ('éne plaats nuar de andere verhuizen). Transmissie (overdracht, overzending), i v. gmv. Traiismitteeren (overbrengen, ter hand j stellen). |
Tl JA NSMI J'I'A'I'IK - TH r.K K101 iKK K KX.
|
TraiisimitatieOemmteWiif/), v. â ties,âtiën. Traiisimrant (doorsrliijnèn'l), bn.: ;ils zn. ((loorschiji beeld; Ujnenhlad om recht le schrijven), o. â oigt;. Traii^imrantio {iloorschijitrtidheid), v. gmv. Transpiratie {iiiliiHiscmintj, uitdampiwi), v. gmv. TraiiN|gt;iro(krcii (uitwasemen; uitlekken, hel,end worden). Transplantatie {overplant!ikj: , v. â plan-taties, âplantation. TranKponecren (overzetten, een niuziekstuk in een muieren toon overzetten). Transport (vervoer), o. âen; een â fje-vangenen. Transportabel (vervoerbaar), bn. Transporteerc^n (vervoeren, overbrenijen). Transporteur (hoek-, (/raadmeter), in. â s. Zie: t-raadboo^'. Transportsehip (tot het eervoeren ran Lrijusvolk, landverhuizers, nerangenen), o. â schepen. Transpositie (omzetting; um/. overzetting in een anderen toon; verplaatsing), v. â tiën, â s. Transversaal (divars,overhoeksch), bn.en bw. Transversaal (wisk. snijlijn ran een stel van lijnen), v. â salen. Trant (wijze), m. gmv.; Tollens dicht ojx'igen â; dat is nu mijn â; volgens den nieuwen â van schrijve)i. Trantelen (op en neer loopen), ik heb ge-tranteld. Het is een reiziger in nood, die trantelt van de koude. (Bild.) Trap (schop), m.; het paard gaf hem een â. Trap (trede), m. âpen; het kind kroop op den zesden â; van â tot â; de âpen ran vergelijking (spraakk ); op den laags ten â, op den hoogs ten â van beschaving. Trap (al de treden te zamen), v. âpen.; een houten â, een ijzeren â, een marmeren â. Trapezium (vierhoek met twee even w. zijden;, o. â s. Trapezoïde (een vierhoek, waarvan al de zijden en hoeken ongelijk zijn), v. â s. Trapgans (vogel, steltlooper), v. âganzen. Trapgevel (oud-hollandsche gevel in trapjes eindigend), m. âgevels. Trapinaeliine (naaimachine met pedalen), v. âmachines. Trappelen (herhaald trappen), ik heb getrappeld; de paarden brieschen en â van ongeduld; de reiziger stond le â van ongeduld. Trappen (m. d. voet treden), ik heb getrapt; turf' â ; het orgel â; fig. iem. op de teenen â, hem licht beleedigen. Trappist (monnik eener zeer strenge orde, dus genaamd naar de abdij la Trappe in Normandië), m. âen. Trapsgewijze, â gfewijs (bij trappen), bw. Trapswijze, âwijs, bw.; iets â behandelen. Tras (metselspecie, puimsteengruis), o. gmv. Trasmolen (die tras maalt), m. âmolens. Trasraam (laag steenen boven het fonda-mentwerk in tras gezet), o. âramen. 'I'rassen (met tras metselen), ik heb getrast; deze muur is getrast, in het tras gezet. Travaat (korte windvlaag met stortregen), m. âvaten. Travailieeren (werken, arbeiden; kwellen). Travalje (hoef- of noodstal), v. â s. Traven (scheepsw. stouwen, duireljagen), ik heb getraafd. |
Traverse, Travers (dwarsweg, overweg, dwarsbalk; fig. ongelukkig toeval,onverwachte verhindering), v. â verscn. Traverseeren (dwars door loopen of-reizen; in den weg staan, hinderen). Travesteeren (verkleeden, grappig vermommen). Travestie (vermomming, lachwekkende verkleeding; grappige voorstelling van iets ernstigs, omwerking van een ernstig gedicht in een lachwekkend), v. âties, âtiën. Trawant (tijfwacht; bijplaneet, maan), m. -en. Trawl {soort van vischnei), v. â s.; de En-gelsche âvisschers op de Noordzee. Trelgt;izonlt;le (Turksch vaartuig op de Zwarte Zee), v. â n. Trechter {buisvormig werktuig), rn. â s. Treeiitervormig', bn.; een maalstroom is Tred (stap, gang), m. âen; met vasten â. Trede, Tree (stap; sport eener ladder; deel v. e. trapje, v. e. stoep, enz.), v. â n. treeën. Treden (gaan, loopen), ik trad, heb en ben getreden; âer, m.; treedster, v. âs. Tredmolen (molen, die door op een rad te treden in beweging wordt gebracht), m. â -molens; de veroordeelde moest ia den â loopen; lig. in den â onzer bezigheden. Treeft (ijzeren drievoet, kcukengerief). v. â en. Treek (Hst, looze streek), m. treken. Treem. m. tremen. Zie: Tremel. Tref (lakje), m. gmv.; het is een â den bal te raken. Trelfelijk (uitmuntend), bn. en bw.; een â werk, d. i. voortreflelijk; â lieid, v. Treilen (raken), o. als zn., ik trof, heb getrollen; het doel â; iem. â, roeren; dit portret is goed gelrolfen, gelijkt goed; een vergelijk â, een overeenkomst aangaan. Elfen is kwaad â. Treffen (gevecht, ontmoeting met den vijand), o. gmv. Treffend (hartroerend, aandoenlijk), bn.; een â verlies, een âe gelijkenis. Treffer (kogel, die de schijf raakt), m. â s. Trefkans (waarschijnlijkheid te zullen treffen), v. âkansen. Treil (lijn, koord), m. âen; met zeil en â, met het geheele tuig, d. i. met zeilen en touwen. Treilen (voorttrekken), ik heb getreild; een schuit â ; âer (schuitetrekker), m. â s. Treillage, Treillis (latwerk, houten train -werk), o. Treillijn (jaaglijn, treklijn), v. âlijnen. Trein (stoet, sleep, reeks), m. âen. Trein (spoortrein), m. âen; een snelâ, een sukkelâ, een goederen â. 'Vreitvmx (plagen,sarren), ik heb getreiterd; â aar. m.; â ing (plagerij), v. Trek (begeerte), m. âken; â naar het ver-bodene, lust, neiging. Trek (slag in het kaartspel), m. âken.; ik heb nog maar vier âken. Trek (ruk, haal), m. âken.; met één â van den hengel, van het vischnet. Trek (haal met een pen), m. âken; ook: gelaatstrek: hij had de âken der Jiourbons. Trekdier, m. â dieren; â dag (nl. der loterij), m. âdagen; âduif (postduif), v. âduiven; â garen (zeker vischnei), o. â s; âgat (stool,-gat), o. -gaten; -geld (strijkgeld), o. âgelden; â hond, in. â honden; â kas (broeikas), v. âkassen. Trekkebekken (het paren der duiven, enz.), zij hebben getrekkebekt; âbekkerij, v. gmv. |
'28*
WO TKKKKEN - THIN ITKIT.
|
Trekken, ik trok, heb of ben getrokken; v.; een prijs â uit de loterij, bekomen; den degen â, uit de scheede halen om te vechten; dlt;- koffie, de thee laten â, laten aftrekken; I het trekt hier, er is hier tocht; een lijntje hg. in stilte drinken met iem.; één lijn â \ met iem., het met iem. eens zijn; een wissel op iem. â, afgeven; deze kachel ivil niet â, branden; te velde â, ten oorlog gaan; in twijfel â, ergens aan twijfelen; een geweerloop â, met gleuven maken; ijzer â, koperdraden â, maken; hij zal van die landerijen teel veel â, veel pacht ontvangen; den vierkantswortel â, berekenen, bepalen; iem. voor het gerecht â, dagen, brengen; naar verre landen reizen; deze pleister zal wel â, werken; ojt de wacht â, gaan; die linialen znllen gaan â krom worden; âer (persoon en werktuig), m.; -iiisr. v. Trekletter (krulletter), v. âletters. Trekpleister (geneesmiddel; fig. geliefde). v. âpleisters. Trekpot (theepot), m. âpotten. Trekreep (touw om geschat enz. voort te trekken), m. âreepen. Trekselmit (schuit, die door een paard aan een lijn wordt voortgetrokken^, v. âschuiten. Treksel (aftreksel), o. âs; â van thee, â van kruiden, afkooksel. Trektafel (tafel met uittrekbladen), v. -tafels. Trekvaart, (waterweg voor trekschuiten), v. â vaarten. Trekviseli (visch, die op bepaalde tijden r. h. jaar gaat of komt), m. â visschen; de haring is een â. Trekvogel (die op gezette tijden een groole reis maakt), m. âvogels. Ue ooievaar is een â . De grootste helft der Knropeesche vogels behoort tot de âs; de mensch is geen â.(QJK) Trema (deel- of scheiteeken), o. â quot;s. Tremel (trechter van een molen), m. -s. Tremolo (muz. beving, trilling), v. â's. Tremiilant (bevende toon, langzame triller; orgelregister), m. âen. 'Fremulatie (trillende beweg ing des lichaams), v. â tiën, âties. 'i'rens (lis: ook ruwe zijde; ook kleine toom, welks mondstuk geen stang heeft), v. âzen; iem. â geven, d. i. slaag geven. Trenzen {vlechten), ik heb getrensd; â iiift-. v. Trespaan (schedelboor), m. trepanen. Trepaneerboor, v. âboren. Trepaneeren (de hersenpan openen); -in^.v. Trepan^, v. Zie: Tripan^;'. 'I'resse (geweven goud- of zilverboordsel; een haarsnoer, haarvlecht), v. â n. Treurberk (boom), m. âberken. Trenrcypres (egpres met hangende takken), m. -expressen; en werkelijk zat daar onder een klein âcypresje de oudste dochter van zijn vriend Del uw. (C. O.) Trenrclieht (elegie), o. âdichten. Treuren (diep bedroefd zijn), ik heb getreurd; men treurt om of over iets. Trenrescli (boom met hangende takken), m. â esschen. Treurfeesti|? (zwaarmoedig), bn.; een âe zang. Trenr^ewaad, o. âgewaden. Hier zat ze (Heite) in 't zwarte â. (Bilderdijk.) Treurig (droevig), bn. on b\v.; â lieid. v. Trenrkleeü,o.âkleederen; â lietl.o. â eren; i -mare (tijding), v. ân; âmuziek, v.; â | -spel (tragedie), o. â en; âtoon. m. â lonen; â tooneel. o. â pn; â wilg-, m. âen. Treuzel (talmer), m. en v. â s. |
Treuzelen (langzaam werken, slabakken'), ik heb getreuzeld; âaar. m.: â aetitig. bn. Trenzelaclitig: (langzaam), bn.; onze dienstbode is wat â; â lieid, v. Treuzelig*, bn. en bw.; grootje wordt wat â; -beid. v. Trenzelkons (persoon), m. en v. âkousen. Trezoor (schat), o. trezoren. Trezorie (schatkamer), v. â ën. Trezorier (penningmeester, ook bewaarder van de schatkist), m. â s. Trezoriersehap (rentmeesterschap), o. gmv. Triakel (geneesmiddel waarin opium), v. gmv. Zie: Tberiakel. Triangel (driehoek), m. âangels; in het orkest speelt hij de trom en den â. Triangulair (driehoekig), bn. Triangulatie, v. âs, âtiën; de â van een stad, d. i. opmeting en in-kaart-brenging. Triarcliie (driemanschap), v. â ën. Tribnlatie (kwelling, ongeval), v. -tiën, -ties. Tril»iileei*lt;kn (beangstigen, pijnigen; verontrusten). Tribunaal (rechtbank,gerechtshof ),o. âalen. Tribune (spreekgestoelte; een galerij, een afgezonderde plaats voor het volk in de vergaderzalen), v. â s. Tribuun (volksman; in de Romeinsche geschiedenis: gemeens man), m. â bunen. Tribuut (schatting), m. -buten. Trieliinen (microscopische diertjes in varken vleesch), v. mv. Trieliineus. bn.; â spek, d. i. met trichinen besmet. Trieliinose (de trichinenziekte), v. gmv. 'Vvivn\nr((lriekleur;amarantsteen).u\.â loren. Tricolore (driekleurig), bn. Tricot (stof, gebreid nauwsluitend goed), o. gmv. Tricot (nauwsluitend vleeschkleurig pakje der kunstenmakers), v. â s. Trictrac (zeker Ital. dobbelspel), o. Ook: Triktrak. Tricycle (sport, driewieler), m. â s. Lees: traisik'l. Trielje (soort van linnen weefsel), v. â s. Trifolinm (drieblad, klavei), o. â s. TrigonouK'trie (driehoeksmeting), v. gmv. Trigonometriscli. bn.; een âe formule. Trijp (fluweelige stof), o. âen. Trij|gt;en (van trijp), bn.; er stonden (1 â stoelen. Trijsen (ophalen, ophijschen), ik heb getrijst. Trijzel (korenzeef), v. â s. Triktrak (bal,spel), o. gmv. Triktrakbord, o. âborden. Triktrakkf^n (het triktrak spelen), ik heb getriktrakt. Tril. m. gmv.; op den â zijn, slenteren, leeg-loopen. Trillen, ik heb getrild; zijn stem trilt run vreugde; ze â van angst, van koude, d. i. hevig beven, rillen; âling. v. Triller (triltoon), m. â s. Trillioen (millioen van den Sen ra tug),o. âen. Trilogie (driezang; samenvoeging van drie tragedieën, dichtstuk met twee vervolgen),w.-vu. Trimester (vierendeeljaars, drie maanden), o. â s. Het traktement wordt per â betaald. Triniteit (driëenheid), v. gmv.; het feest der â, eerste Zondag na Pinksteren. |
TIUO-TROOSTKN.
|
Trio {driestemmig muziekstuk ofyezmiy; drie-lal, een klaverblad ran vrienden), o. â's. Triomf, Triiimf (zege, zege feest),m. triomfen. Triomfant (zegepralend), bn. en b\v.; â e-lijk. bn. en b\v.; het âelijk lied der Zilvervloot', hij lachte âelijk. Triomfèeren (zegepralen)-, ik triomfeer, o, Salomon! (Aya Sofia, Hl), d.i. mijn Sofiakerk wint het van uw tempel. (Uitroep van keizer Constantijn.) Triomfboog' (gedenk teel, en voor veld heer en of keizers), m. âbogen; men vindt âbogen te Home, Ancona, Parijs, enz. Triomflied (zegelied), o. âliederen. Triool. Triolet (muz. notenfiguur van drie noten, die slechts de waarde hebben van tivee van dezelfde soort), v. â olen, trioiets. Trip (vrouwenklomp, welks bovenste deel van leer is), v. âpen. Tripang: (Ind. gerookte zeekomkommer), v. â s. Makassar (Celebes) is een stapelplaats van â. Tripel (poeder om metalen te polijsten), o. gmv. Tripel, Triple (drievoudig, drieledig), bn.; Triple-alliantie, drievoudig verbond (1008). Triplet (sport, rijwiel voor drie personen). m. âs. Lees: tripCt. Trippelen, ik heb getrippeld; de mussel ten â op mijn stoep, met kleine sprongen of stapjes vooruitgaan, dribbelen; âaar, m. Trippelmaat (did tk. drieslagsmaat, niet ren betoonde en tivee onbetoonde), v. â maten, b.v. De jaren vervaren, als schuimende baren. (Bild.) ' Triste,Triest,Triestig:(fmlt;W(7,s:gt;m^t.T), bn. Tritons (fabell. zeegoden), m. mv. Tritonshoren (een soort van kinl,hoorn), m. â s; de â leeft in de Midd. Zee. Trits (drietal), v. âen: een â van zonen. (Bild.) Tritsen (een spel, dat met drie of vier iloh-belsteenen gespeeld wordt en waarbij vooral Iwt werpen van drie gelijke oogentallen in aanmerking komt), ik heb getritst. Trinmf. m. âen. Zie; Triomf. Trinmvir (drieman), m. âen; âviri. Trinm\iritiit(drie)nonsrhap in /{om«),o.giiiv. Triviaal (alledaagsch, laag, plat), bn. en bw.; zijn geld te grabbelen gooien in den poel van â ale genoegens. (C. O.); hij drukt zich â uit. Trivialiteit ( illeilaagschheid, platheid, dubbelzinnigheid), v. âen. Trt^as (schiereiland, N.W. van Klein-Azië), o. Trochee. Troclnens(dichtk. tweeuoetsmaul: een betoonde gevolgd door een onbetoonde), m. âcheeën, âclueën, b.v. Sikkels blinken. Sikkels klinken. (Staring.) Tr4»eliseiseli, bn.; âe verzen van één voet zijn zeldzaam. Troebel (onklaar), bn. en bw.; in â water is goed visschen, bij onlusten of verwarring is er voordeel te behalen. Troebel (wanorde, onrust), in. âs. âen; in de âen dier tijden. Troebelaelatig. bn.; het iü~ler dezer leiding is â, een weinig troebel; â lieitl, v. Troef. v. âven; harten is â ; iem. â geren, d.i. slaag, k-lappen; fig. gisping. 'Vro*\*(menigte,bende),v(\. â en; elt;'n â scluipen, een â ruiters, een â roovers; de generaal sprak lot de troepen, soldaten. Troeps(K:e)«vi|Ke, â (ylt;')wijs. bw.; de kinderen gingen â naar huis. |
Troesan (Ind. Borneo, afsnijding ran ern groote rivier kromming), v. â s. Troetel (kolenemmer), m. â s. Troetelaar {die troetelt, vleier), m. â s, âaren. Troetelen (vleien, stree.len, liefkoozen), ik heb getroeteld; â injff, v. Troetelkind (lieveling), o. âkinderen. Troeven (troef spelen; ook afrossen), ik heb getroefd. Fig. gispen, hekelen. Trofee (zeg'; tee ken), v. Zie het betere Tropee. Troffel (ka 1 kscheppertje, traweel), m. â s. Trog* (kneedhak), m. âgen. Troffgrelaar^amp;ec/c/aarXm. â s; â arij, v. â en. Troggelen (met list afbedelen of afhandig maken), ik heb getroggeld. Troggelzalc (bedelzak), m. - zakken. Trogloflieten (holbeivoners; weinig ontwikkelde rassen), m. mv. Troja, Troje (beroemde hoofdstad van Troas, in de oudheid), o. gmv.; â werd ± 1*200 v. C. door de li rieken verwoest. Trojaan (inwoner van Troje, bewoner v. Troas), m. âJanen; âsch, bn.; de âe oorlog. Trolhatta (fraaie waterval in de (iö!ha-elf in Zweden, m. gmv. De â bestaai uit vijf prachtige cascaden. Trom. v*. âmen; de â roeren, trommelen. Fig. de groote â roeren, veel reclame maken; met de stille â vertrekken, in stilte de stad verlaten. Trombone (schuiftrompet), v. âs; â bonist (bespeler van een schuiftrompet), in. -en. Trommel (blikken doos), v. â s, âen; â JJe (koek doosje), o. â s. Trommel (sold at en trom), v. â s; â aar,m. â s. Trommelen (de trom sta(tn), ik heb getrommeld; op de tafel â, tikken, slaan. Trommelslager (tamboer), m. âslagers; â stok, m. âstokken; âvel (kalfsvel), o. â vellen; âvlies (deel r. h. inwendig oor), o. âvliezen. Trommelziielit (ziekte bij het vee), v. gmv. Trommen, ik heb getromd; ânier, m. âs. Tromp (blaashoorn), v. âen; de â vinden olifant, slurf: de â van een geweer, mond van den loop. Trompen (blazen), ik heb getrompt; âaar (trompblazer), m. â s. Trompet (koperen blaasinstrument),\. â ten. Trompetboom (cecropia, boom in Z. Am. en \V. Indie), m. â boumen. Trlt;niii»etgeselial(/.7cfn/t v.trom pettenj^.gnw. Trompettc^n. ik heb getrompet; iem. lofâ, d.i. In id verkondigen, -ter (hoornblazer), m. Tronen (zetelen), ik heb getroond. Trompet vogel (agami, een soort van trapgans in Z. Amerika), m. âvogels. Tronie (aangezicht, bakkes), v. â s. Tronk {afgeknotte boomstam), m. âen. Troon. m. tronen.; den â beklimmen, koning worden; van den â sioofe»,onttronen; hemrl- â , de Godheid op haar hemel â . (Volkslied.) Troonen (lokken, misleiden), ik heb getroond. Troop (woordenkeer, redesieraad, fig. uitdrukking), m. tropen; b.v. Daar komt de kiel met goud heladn. (Spandaw.) Troost (leniging, opbeuring), m. gmv. Troost el ijk, bn.; een âe gedachte. Troosteloos (diep bedroefd), bn.; â lieitl, v. Troosten (bedaren, stillen, bemoedigen), ik heb getroost; wie zal die droeve morder â. nu zij haar lieve kinders derft1* (Vondel); â er. m.; â ing. v. |
TKOOSTliUKâTUL.
|
'I'roo^trijk. bn.; ccv ârijke (jcdachte. 'troostvol, bn.; oen ârolte h'ricf. Troostwo«r«l. lt;â¢. âwoorden. Tropee (zegeteeken), v. â ön. Trlt;»peii (keerkringen)^ m. mv.: ook de lieete luchtstreek: zijn verblijf in of tusschen de â. Troi»islt;*ii {tot de keerkring standen behoo-rende\ bn.; de âe gewesten, de landen tusschen de keerkringen; âe planten, âe ne-i uassen. Tropiseli (beeldsprakig, figuurlijk), b\v.: een âe wijze, van spreken. Troqiieerlt;'ii (ruithandel drijven), ik heb â troqueerd. Tros {hos. trein, krijgspakkage), m. âsen: een â druiven, een âje hessen; de âsen, touwwerk; fte â van het leger, d.i. legerbagage met : knechts, /oetelaars, enz. Zie: Yellt;ltros. TroMsen {tot trossen af bundels ma ken \ den paarden de pakkage opladen ), ik heb getrost. Trots (hoogmoed, waan), m.; dlt;' â van Mva. Trots (ondanks, in weerwil van), vz.; â mijn pogingen; ik doe dat â den beste. Trotseli (hoovaardig), bn.; â lieid. v. Trotseliaar«i (verwaand persoon), m. â s. Trotseeren (uittarten); het gevaar â ; â«Ier, m.; â ing. v. rrotsen. ik lieb getrotst; het menschdom durfde Gods hoogheid â (Bilderdijk), tergen, uittarten. Trotteeren (draven, b.v. van een paard). Trottoir (verhoogd voetpad naast de (e berijden straat), o. â s. TronUadoiir (Franseh minnezanger in de middeleeuwen), in. â s. TiHMible (woeling, onrust), v. â s. 'I'ronbleereii (verontrusten, storen; ver-ivarrcn). Trouw. v. gmv.; â moet blijken, zinspreuk der Haarlamsche rederijkerskamer; Honden-, gedicht v. Tollens; te goeder â ; te kwader â, d.i. oneerlijk, arglistig. Trouw. bn. en bw.; hij was mij hou en â, d.i. toegenegen en getrouw; âliei«l. v. Trouwbelofte, v. âbeloften. Troii%%'elo(»s. bn. en bw.; een â lat rakter, d.i. valsch, slecht, meineedig; âlieid, v. Trouwen (huwen), ik belt en ben getrouwd. Trouwens (in waarheid, overigens), bw. Trouwhartigbn.en bw.; âlieilt;l.v. Trouwkleed, o. âkleederen. Trouwlustig, bn.; mijn vriend was â. Triitleereu (met tra ff els toebereidm). Trutlel (een geurige zwamsoort), v. âs; het gehakt met âs bereiden. Truggelen, gew. Zie: Troggelen. Trui (zeug; moerkonijn; licittekooï), v. âen. Truineau (penanttafeltje), m. â x; opeen â onder een reusachtige spiegel. (('.().) Truweel (dicht, troffel), o. âen. Tsetsevlieg (gif tv lieg in '/.. Afrika), v. â -vliegen. 'I'nba (muziekinstrument met zwaren fagot-toon)^ v. â's. Tube (sport, buis, pijp), v. â s. Lees: tj-oeb. Tnberenleus (knobbelig, gezwollen), bn. Tuberkel (knobbel, uitwas), m. â s. Tuberoos (herfsthgacinth, een bolgewas), v. tuberozen. Tuebt (regel, orde, zedelijkheid), v. gmv. Tu(*liteling (tuchthuisboef), m.: â e. v. -en. Tuchteloos (ongeregeld, zonder tucht), bn. en bw.; -lieid, v. |
Tiiehthuis (gevangenhuis), lt;gt;. âhuizen. Tiieiitigeu (kastijden), ik heb getuc-htigd: -ing. v. Tudor (Engelsch vorstenhuis, 1485-HMKj), o. â s. Tufsteen (grijze kalk- of zandsteen), in. â -steenen: (stof), o.; een toren, een muur van â . Ook: lgt;ufsteen. Tui (scheepsw. zeker touw), v. âen. Tuianker (zeew. anker waaraan het schip bij ebbe vastligt), o. â s. Tuieren (scheepst. vastmaken), ik heb getuierd. Tuig (gereedschap, toestel), lt;gt;. âen; het â v. e. schip, het â v. e. lastdier; fig. dat is â van volk, â van goed, d. i. gemeen, slecht volk, goed. Tuigage (zeew. (tl het touwwerk), v. gmv. Tuigen (getuigen), ik heb getuigd; dal tuigt niet in uw voordeel. Tuigen (van tuig voorzien), ik heb getuigd; een schip â, een paard â; âing. v. Tuighuis (arsenaal, bewaarplaats van oorlogsmateriaal), o. âhuizen. Tuil (jokkernij, boert; ook bloemkransje), m. â en; een âtje vergeet-mij-nietjes, een â rozen, een kleine ruiker. Tuil (trosvormige bloei wijze), m. âen. Tuilerieëu (mooi paleis in Parijs, in lotM op last van Catharina. de Medic is gebouwd, met prachtigen publieken parktuin), v. mv.; de â waren drie eeuwen de verblijfplaats der koningen. Tuimel (tuimeling), m. gmv. Tuimelen (buitelen, draaiend neerstorten), ik ben getuimeld; -aar (een soort v. duif ), m. Tuimelgeest (geest van verzet), m. gmv. Tuimeling (buiteling), v. -en. Tuimelvisebje (kleine karper), o. â s. Tiiimelziieht (geest van oproer), v. gmv. Tuin, m. âen. Gelderland heet de â van ons land, het lustoord; iem. om den â leiden, hem misleiden, foppen, bedriegen; de kap op den â hangen, het kloosterleven vjiarwel zeggen; âaarde (zwarte teelaarde), v.; â bouw,m.; â gereedsehap, o. -pen; âkamer, v. âs; âkoninkje (vogeltje), o. âs; â slak, v. âken. Tuinder (tuinier), m. â s. Tuinen (den tuin bewerken), ik lieb getuind. Tuinier (tuinier), m. âen, â s. Tuinkers (bit ter kers, sterkers), v. gmv. Tuinman (hovenier), m. âlieden, -bil. Tuinseheerliug (hondspeterset ie), v. gmv. Tuinwerk (rijswerk, rijsberm aan kribben v. rivieren), o. âwerken. Tuisehen (kwanselen, ook dobbelen), ik bel» geluischt; âer (paardenhancl'laar), m. â s; -erij, v. Tuiseo (Germ, godheid, stamvader des volks), m. gmv. Tuit, v. âen: de. â van een kan, ketel, d. 1. pijp; dit meisje heeft fraaie âen, vlechten. Tuitelen (wiebelen, wankelen), het heeft getinteld. Tuiten (toeten), ik heb getuit; mijn oor en â van al de drukte, ruischen. Tuk (list: ook aard, ras), m. gmv.; deze knapen zijn van een beteren â dan die. Tuk (geslepen; hegeerig), bn.; â op roof. op buit, op winst, op bloed, op moord. Tukje (dutje), 0. âs; ik heb een â gedafm. Tul (kruik, kan, zuignap, pul), v. âlen. |
Tl L RAN I) - T\V KESPAL'I
|
'l'nlbaiKl {hoofddeksel der Turken; ook zeker j ijebak), m. âbanden. Tnllmiidsvorni, m. âvormen; een poddimj j in â. Tnle {netvormig 'juzm weefsel), v. gmv. Tulen {ran tule), bn.; een â sfiner. Tuil» (bolfieivas, lelieachtige), v. âen. Tiil|gt;elgt;oi {knol ''ener tulp), ni. âbollen. Tiilpfboom (sierplunt uit .V. Amerika), rn. âbooinen. Tulpen RkmI. o. âden; -liaiilt;llt;kl {de dwaze â, WSö â V/7), m.; â kweeker. rn. â s. 'I'iilipo-inaiiii' [dwaze tul pen liefde), v. gmv. Tnlt (deel van een houtvlot), v. âen. Tumuli {ijeraas, oploop, oproer), o. âen. Tiiiniilns {(jraf, waarin dr doode niet is hr-ijraven, oude hooije grafstede), m. tnmnli. TiinU*a (oud-Hom. onderkleed), v. â's. Tunnel {onderberfjsche spoortueij), in. â s; dr Mont-Cenis-tunnel is meer dan ilOOO M. Imui; de â van den St. (lothard is bijna I.'AtODM. 'I'iirbine {verticaal waterrad), v. âs. 'I iirhulent (woelig, onrustig), bn. Tnrelnnr {referein, zangwijze; gril, luim), m. âluren, âs. 'I'iirelniir {zekere vogel), m. -luren, âs. TnreliinrMeli {gek, dol), bn. 7 Is om â te worden. Tureen (strak kijken), ik lieb getuurd; hij zit maar op dat onleesbaar handschrift te â. Turf {een enkele â), n . turven; men ziet in het veen op geen âje, waar overvloed is, is men niet karig; {als stofnaam en collectief), v. Wij stoken â; de â op uw zolder min- , tiert erg. Turfaarde, v. gmv.; -aciiti$;\ bn.: een âe grond; â aseli. v. gmv.: - bak, m. -bakken: â tt'roiid (veen), m. âgronden: âbok {bewaarplaats v. turf), in. âhokken; âhoop. m. âen: âmaker. m. âs: â man«l. v. â en: â markt, v. âou; - molm {poeier e. turf), m. on m. gmv.: âmot {-aiolm), o.: âmul tstof,gruisr.turf), v.; â pakhuis.o. â huizen: â praam {-schuit), v. -pranion; -sehip, o. â scliepen: het âschip van Breda {1590): â selliiif. v. âen; âsclmiir, v. âschuren: -strooisel {fijne tnrfvezels als paarden-strooisel in stallen), o. gmv.; âton {-maat), v. âtonnen; âtrapper i/wsoftn die bagger-turf maakt, lig. lompe schoen), m. â s: waar heb je die âtrappers luien maken? (C. O.); â vunr (vuurtje van turven), o. âvuren: â xak. m. âzakken; -zolder, m. â s. Tiirt'tonnen. o.; âster (turfmeetster), v. â s. Turk {inboorling van Turkije), m. âen. 'i'nrken {mishandelen), ik heb getif^kt: wonlt ge ook geturkt als ik! vroeg (Ie jonge Baars. (Bogaers). Turkoois {blauwgroen edelgesteente), m. â zen; (stof), o. gmv. Turkooizen (van turkoois), lm.; een jaag- , mensch met â doekspeld. (C. O.) Tnrkseh. bn.; een âe tempel of moskee; j -e tarwe, â leder: -rooit {fraai meekrap-rood), o. Tnrkseh (de Turksche taal), o. gmv. Tiirmalijn (Ceglonsehe magneet), in. âen. Tnrnen (ggmnast. oefeningen doen), ik hob ' geturnd. Turner (beoefenaar der (jgmmtsl.), m. â s. i 'l'nrnoefenin^'on (gymn. oefeningen), v. mv. 'I'iirnverlt;'4'ni^in^- (gezelsrhup van turners), ï |
Turven (turf opdoen), ik heb geturfd. Tnssehi'ii, vz.; Roermond li at â Maastricht en Venlo; â ''If en twaalf; â licht ''n donker; â de regels door lezen; dobberen â hoop en vrees: er beslaat niets .â ons. TnssehenlM'iile, bw.; mijn vader kwam bij den twist â, zich mengen in, als scheidsman optreden. Tnssehonilok (zeew. scheepsdek), o. âkeu; â (leks (of) het âdek), bw. Tussehrmloor (tvsschen twee dingen heen), bw.; ergens â zeilen. Tnssehenkomst {bemiddeling), v. gmv.: gewapende â, inmenging. Tnsseliciipersoon [makelaar, commissionair), m. en v. âpersonen. Tiissehonpoos. v. âpoozen; hij âpoozen liet zich de koekoek hooren, d. i. nu on dan. Tnssehenwer|»slt;kl {woordsoort), o. â s, b.v. Ach! O! Ei! enz. Tnssehonzin, m. -zinnen; een â drmt veelal ter verklaring: Hij zeide (en hij had gelijk), dat er eerst bewijzen moesten zijn. Tntelair (beschermend, de voogdij betreffend), bn. Tntenr. Tutor (voogd), m. â s. 'Wuitoyevretxigemeenzaam toespreken):iem. â. Tutti {geheel; spel of gezang can allm te gelijk; dat alle stemmen of instrumenten invallen), o. muz. Tutti i|iianti (Itüliaansch: vele van dat soort. vele andere). Ook: enz. of etc. Twaalf, bep. tehv., twaalven; wij zijn nv' ons twaalven, d. i. â kinderen; di â apostelen. Ttvaalflt;llt;gt; (ranggetal), bn.; December, de â maand. Twaalfilehalf (elf en een half), bn. Twaalfderhande. âlei, soortget. Twaalfhoek, m. -hoeken; een regelnmtige. â kan in een cirkel beschreven worden. Twaalf pondor (kanon; ook gewicht), m. âs. Twaalfvond. o. âen; I4'/ is het â ran l~. Twee, bep. tehv. â ën; het is bij tweeën. Twee (cijfer), v. â ën; schrijf eens drieâen. Tweeblad (pastaardstandelkruid), o. gmv. Tweede (ranggetal), bn.; .kin is de eerste leerling en Hein de â der klas; Willem de â , graaf, stadhouder, of koning: ten eerste, ten â, bijw. d. i. in de â plaats. Tweedracht (verdeeldheid), v. gmv. Tweed ra elitif;' (oneenig, verdeeld), bn. en bw. Tweeërhande, âlei, soortget. Tweeseveehf (duel), o. âgevechten. Tweehoe vi Jfen (h er ka 11 wen de di eren ), m. m v.; kanwelen, dromedarissen, lama's zijn â zonder hoornen: herten en rendieren zijn â met rotte hoornen: runderen, schapen en antilopen zijn â met holle hoornen: giralfen zijn â met hoornwortels. Zie: Herkauwen. Tweeklank, m. âklanken; onze taal bezit twaalf âen, b.v. aan, ecu, enz. Tweeledig, bn.: een â onderwerp, b.v. Jan en Piet spelen; een â gezegde. Tweelinjjf (twee evenoude broers of zusters), m. on v. âen. Tweelingen (derde teeken van den Dierenriem), m. mv.: «tok: een sterrenbeeld (Ptdux en Castor). Tweemaster (schip met twee masten'), m. â s. Tweern [gedubbeld garen), m. gmv. Tweernen (twijnen, garen dubbelen), ik bob getweernd. Tweespalt (tweedracht, oneenigheld), v. gmv. |
TWKKSPAN â UIT.
|
Tu'(kCM|»aii. o. â nen; tuut een prachtig â! twee gelijke paarden voor één koets. Tweespraak (dialuoy), v. âspraken. Tweesprong (scheiweg), m. âen. Tweestrijd, m. gmv.; ilc ezel stond in â. van welke hooischelf te eten. (van Lennop); zijn verstand en zijn gevoel brengen Jan in een -. (Potg.) Tweetal, o. â len; een â aren, een â liederen, d. i. twee. Tweeloiifi'ijr {bedriegtijk), lm.; â lieiri. v. TweevoiKl. o. âen; zes is het â van drie. Twente (O. deel va)i Ouerijsel), o.; ânaar (persoon in of uit Twente), in. âs. Twijfel (/ /eslaiteloosheid). m. gmv.; in â staan, in â trekken, niet gelooven; het lijdt geen â, het is zeker. Twijfelaar (persoon, die twijfelt), m. â s. Twijlelac'htig*, bn. en l»w.; â lieiil, v. Twijfelarij {een onrast geloouen),y. gmv.; wil uw t wijlt ar ij van wond ren dooi niets weten. (Staring). Zie: Seeptieisnie. Twijfelen, ik heb getwijfeld; â injr. v. Twijlelinoedi^' {wankelmoedig, aarzelend), bn. en bw.; â lieid. v. Twijfelznelit {twijfelarij), v. gmv. Twijg ( een loot, takje, rijsje), v. -en. Twijn {gedubbeld of tweedraadsch garen), m. gmv. T%vijnen {tweernen), ik heb getwijnd; getwijnd garen, touw, dat bestaat uit eet» in-eendrilling van twee draden; âilvr{dahbelaar van garen), m.; âderij {twijnfabriek), v. Twijngaren, o. gmv.; â liaspel, m. âs; â molen, m. âs; âwiel, o. âen. Twintig, bep. telw. âen. Twintiger [persoon van £0 jaar; wijn van â 1820', oorlogsschip met SO slakken), m. âs. Twinfigerhande. âlei. suortKet. |
Twintigpondlt;kr {kano)i, ook gewicht), in. âs. I Twintigste {ranggetal), telw.; de â der | maand\ ik neem een â in de staatsloterij, d. i. een 20e deel v. e. heel lot. Twintigwerf {-maal, -keer), bw.; ik heb je â gewaarschuwd. Twist {geschil, ruzie), m. âen; een â bijleggen, vereffenen; een â beslechten. Twistappel {punt van geschil), m. âs; Zeeland was lang een â tusschen Vlaanderen en Holland, d. i. aanleiding tot twist. Twisten {ruzie hebben, kijven), ik heb getwist; â er {krakeeler), m. Twistziek, bn.; een âe nabuur, d. i. twist-zoekend. Type {drukletter), v. â n. Type {voorwerp, ontwerp, monster, grondvorm, uitgedrukt beeld), o. â n. T.ypiseli {karakteristiek), bn.; een â antwoord, een â landschap, een â gezegde. Typliens {op typhus lijkend), bn.: âeuze koortsen. Typhoon {kringstorm in de Chinecsche Zee), m. â s. Ty pluis {soort van heete koorts, ijlende koorts, zenuwkoorts), m. gmv. , Typograaf {boekdrukker), m. â grafen. Typograpliie {boekdrukkunst), v. gmv. Typograpliiseh {de drukpers-, de drukkunst betreffend), bn. Typonietrie {druk van landkaarten, kaartend rukkun st), v. gmv. Tyran {dwingeland), m. Zie: Tiran. Tyrol. Tirol* {Oostenrijksrh kroonland), lt;gt;. gmv. Tyrolienne {meisje of vrouw uil Tg rol] Tg-roolsch lied, dans), v. â s. Tzeeliiseli, t'xeehiseli {hel Jioheemsch), o. rmv.: de âc taal: de âe letterkunde, bn. |
u.
|
l', v. u's. â De vijfde klinkletter, de een en twintigste letter van het alphabet. U.C'. â l'rbis conditae, van den bouw der stad Home af. UKd. - l'Edele. lrKd.4«root Aelitl». - t 'EdeleGroot Achtbare. â t triusque juris doctor, Meester in de beide rechten. IJlt. â Ultimo, op den laatsten dag (der lT.r. Zie: l't retro. [maand). U.s. â Zie: l't supra. I', pers. vmv. Derde en vierde naamval van gij: Gij geeft â veel moeite', bedenk â eens. relitend (dicht, voor ochtend), m. gmv.; de â des levens, de eerste levensjaren. 1'i {look, ajuin), m. âen. I'iaehtig {naar ui zweemende), bn.; een âe smaak', ik ben niet â, houd niet van uien. gew. l'iensniaak, m. gmv.; âsoep. v. -en; â zaad, o. âzaden. Vier, m.' â s; uiers drukken. (Poot), d. i. melken. Uiig {gra/tpig), bn.; een - man, geestig, v».l kwinkslagen. |
Til {nachiroofvogel), m. âen; er zijn katuilen en ooruilen; spreekAV. Elk meent zijn â een valk te zijn, ieder houdt :iet zijne voor iets voortrelï'elijks; lig. hij is een lomperd; uilen naar Athene dragen, noodeloos of over-tol!ig werk doen. lTil {nachtvlinder), m. âen âtje,o. âs: een â tje knappen, een dutje doen. Uilaelitig {dont, lomp), bn.; wat een â gelaal! 1'ilebek, m. âbekken; -klauw, m. âen; â kop, m. âpen. Fig. domoor. Uilennest, o., â en; âoog*. lt;gt;. âen; â vlnelif. v. gmv. , 1'ilespiegel {schalk), m. âspiegels. Uilskop {stommeling), m. -koppen. 1 Uilskuiken {lompe leerling), o. âkuikens. Uiltje {kleine uil; ook vlindertje), o. âs: een â vangen of knappen, een dutje doen. l'it, bw. en vz.; de kerk is â; de kachel is â: ik -heb het boek â; vz. hij is â de stad; ik \ kom â hel bosch. â de keuken, â den kei-| der; dut is â de mode, â den smaak; â | vrees, wegens; â voorzorg; ik weet het â de krant; iets â het oog verliepen, â dep weg i gaan. |
riT âIJITEIJWAAIÃD.
|
l'il {naar builen), b\v. Het vormt met w. w. scheidbare samenstellingen, als: uitademen, âbaggeren, âhakken (b.v. spek), âbarsten, enz. Vitbafjjieren (een kanaal, rivier uitdiepen), ik lieigt; âgebaggerd; â Ingr, v. l'itbakenen (een terrein of tveg met b f hens uitzetten), ik heb uitgebakend; een spoorlijn, een straatweg â, d. i. de rich «Mng er van uitzetten. Uitbannen (uit bet land bannen), ik heb â gebannen; injr, vero. l'if bariton (zich plotseling met een slag ver-toonen), het is âgebarsten; de vlammen, de orkanen barsten uit; in tranen â; â iiijr. v.; de â ing van den Etna. l'itbaxiiineii (fig. niet grooien ophef bekend maken), ik hel» âgebazuind; iem. lof, roem, eer â. l'itbocldcn (in beeld voorstellen, afbeelden). ik heb uitgebeeld; â Jiijy, v.; âsel, o. âs. lTitbeitel(kii (met een beitel uitsteken of uilhalen), ik heb âgebeiteld; zilveren schotels sierlijk â gebei te ld. Uitbestocien, ik heb âbesteed; een weeskind â, d. i. buiten ergens in den kost besteden: â in^r. v. ritbijteii (van scherpe vochten, enz.), het beet â, heeft en is âgebeten; de japon is hier door het citroenzuur -gebeten, de kleur is weg; gelijk de zee het laud uitbijt met zijn zout. (Da Costa.) ritbijten (ijs wegdoen, door 't hakken van bijten), ik heb âgebijt. Uitblazon (loi einde blazen), ik heb - go-blazon; een lamp â; een kaars â; den laats ten adem â; laat de paarden eens â, uitrusten l'ifbolt;gt;zlt;kiiifkii (met gevoel uiten), ik heb â geboezemd; het waarachtige geluk heeft de minste behoefte zich uil te -. (C. O.) l'il botten (knoppen krijgen), liet is-gebot; de wijnstok begint uit te botten, er komen bladknoppen aan; âtin;;, v. Vitbraaksel (spuwsel, üg. gevloek), o. â s. l'itbraiulen (door gloeiing of hitte reinigen), ik heb uitgebrand; een pijp â; een schoorsteen â; ook: leegbranden : het buis is geheel âgebrand. ritbramler (standje), m. â s; de knecht heeft een â gehad. Otbreiden, ik heb âgebreid; de armen â, openen; zijn kennis â. vermeerderen; een uitgebreide kornis, groote; een uitgebreide volmacht, van ruime strekking: een uitgebreid werk over geschiedenis, lijvig in \eel deelen; -er. m.; âing:, v. lit breken, ik brak â, heb en ben âgebroken; ik zal er morgen zien uit te breken, d. i. uit de drukte mij een oogenblik verwijderen; hier zullen de dieren niet â, nl. uit de gevangenis ontsnappen; het zweet gaal mij â, te voorschijn komen; â infj. v. l'itbreng:eii (naar buiten brengen, lig. bekend, openbaar maken, verklappen), onr. ik bracht â, heb âgebracht; een rapportâ, een advies â, geven; verslag â, zijn gevoelenâ, zijn stem â. gij moet dit niet â, de r.,ven zullen het â: âer. in.; â v. l'itbiiiten (uitzuigen), ik hel) âgebuit; een fabrikant, die zijn arbeiders uitbuil. l'itbiiiHli;;' (buitengewoon), lm. on bw.; âe lof; zijn rede werd â toegejuicht; â laehen; â v. |
Uitcijferen (cijferend uitrekenen), ik heb â gecijferd; â ins1, v. Uitdagen, ik daagde â, heb âgedaagd; iem. â tot een tweegevecht, opeischen, oproepen: â er, m.; âingquot;, v.; âinifsbrief, m. fitficelen, ik heb âgedeeld; wèldaden met kwistige hand â, geven, verspreiden; âer, m.; â in$£, v. Uitiielg-en (fe niet doen), ik heb -gedelgd; schulden â, afbetalen, amortiseeren; âer. m.; âing;, v. I'itflcnken (uitvinden), ik dacht â, heb â gedacht; wie dat geweer heeft uitgedacht, moet een schrander man zijn; âer, m. l'itflijen (opzwellen, 'uitzetten), het is âgedijd; â ing:, v. Uitlt;ioen, ik deed â. heb âgedaan; gij moet die japon â, uittrekken; een post in een boek â, doorhalen: de lamp, de kaars â, uitblazen. Uitdooven, ik heb en het is -gedoofd; de vlam â, blussch n; lig. den lust, den ijver, de liefde â, te niet doen gaan; âing:, v. fitriossen (opsmukken), ik heb- âgedost; â sing:, v. l'itdrager (verkooper van gebruikt huuraad, k leer en, enz.), m. âs; vr. â â¬lraag:ster: -ij (uitdragerswinkel), v. âen ritdrukkelijk (met nadruk, bepaald), bn. en bw.; een â bevel; iem. iets â verbieden, met veel nadruk. ritdnikken (uitpersen), ik heb âgedrukt; een spons â, een citroen â, d. i. uitknijpen, fig. uiten, te kennen geven: dit meisje kun zich netjes â; â king: (zegswijze), v.; âsel. o. I itdniden (aanwijzen), ik heb âgeduid; ik kan u den weg in Amsterdam moeilijk â; â ing-, v.; â sel. o. riteen {van een, los, gescheiden), bw. .Mot w.w. vormt het samenstellingen, als: uiteenharsten (ontplollen), â gooie», â jagen, enz. t'iteenloopend. bn.; âe lijnen, d.i. niet evenwijdig; âe meeningen, âe gevoelens, d.i. verschillende, tegenstrijdige. 1'iteenzetten (lig. verklaren), ik heb âgezet; ik zal u die kwestie eens â, d. i. (uitwikkelen, blootleggen; -tinsr, v. rileiiulv (fig. I. xatste uur, dood), o. â n; H: wensch u een zalig â. een wensch op 31 December. riten (te kennen geven), ik heb geuit, heb mij geuit; -ing* (uitdrukking), v. 1'itenlrenren (zeer lang), bw. Zij zongen â , zonder verflauwen, zonder ophouden; hel duurt â. Uiterlijk, bn. en bw.; de âeschijn,âeglans. d.i. uitwendig; oefening in de âe welsprekendheid; ik zal u â over zes weken betalen, d. i. binnen dezen tijd, op zijn laatst; âlieid. v. Uiterlijk ( voorkomen, gelaat), o. gmv.; een jongmensch van een gunstig Uitermate (buitengewoon), bw.: ik ben â tevreden. Uiterseli (i'trechtsch), bn.; de âe professoren. (('. O.), gmz. Uiterst, bn.; de âe wil, testament; zijn âe best doen, alle krachten inspannen; zoo iets geschiedt â zeldzaam, d. i. hoogst, bij uitzondering zeldzaam. I'iters te (einde, het laatste), o. gmv.; de zieke lag (gt zijn â, hij zieltoogde. Uiterwaard (buitendijks gelegen grond), v. â waarden. |
riTFIJ n KN-UITMAKKN.
|
(/Uiitcndi' uHjouwcn), ik floot â, heb âfretlote.u; âer, in.; âinjr. v. rituaal'. Vitamp;iwv {uilgiftdruk), v. âgaven, l if^aaii (huitenshrtis f/rrrm), ging â, hen â gegaan. lTit^:aaiilt;l, hn.; âc (joedcren, die over de grens vervoerd worden; m- rw âe rcchUm, belasting op in- en uitvier. ritg-aaiiMla^' (vrijt; drnj, vcrlofdatj), in. â dagen. Ht^an^ (hrt nilyatin ] drur\ in. âen. I'it^ave, v. Zie: l'it^aaf'. rit^breid, hn.; een âe corrcspondciilie of brieftuisseliny; â v. Irit^'4klt;1ilt;'iilt;l. hn.; een â scimUcr, van do rol gebracht, die zijn dienst heeft volbrarht. ril^olatfit {zeer dartel), lm. «mi hw.; de kinderen waren â ran blijdschap', â lieid. v.; toen verhief zieh tie rroo/ijkheid tot âheid. (C. O.) rit^eleeffl (stokoud), hn. i'en grijsaard. o. gmv.; iem. â doen, een eind weegs vergezellen. ritfceloKt'ii (voort relfel ijk), hn.; een â bende', 'â¢en â publiek, een â schaar; â v. Uitgviuaakt (zeker, rast), hn.; een zaak. l ifK'i'strek*'!! (elfen, kalm), lm.; met een â (jezicht. lJit^4'Ktrlt;'kt (wijd, uitijebreid), lm. â iK'ifl, v. ITit|fetoK'lt;'ii, vd. Meester is â in 7 zwart. (De Genestet ), d. i. uitgegaan. I'it^even, ik gal' â, heh âgegeven; een boek â , in druk geven, doen verschijnen; zich voor een koojunan â, zich als zoodanig voordoen; de aandeden worden âgegeven tegen 'JS o/y, d. i. aan de markt gehracht, verkocht; â K'aaf', v.; â {fffver. m.; âgeefster, v. Irit^en'4kkeiilt;' (balling), m. en v. â n. hn.; een â verslag, programma, d. i. uitgebreid, met zorg bewerkt. I'it^ozolt;*lit. hn.; een âc gelegenheid, voor-trellelijk; een â gezelschap; âe waren, beste, uitgelezen. I'ittf-ifto. 1'it^ift. v. âgiften; â van aan-deelen, van pandbrieven, verspreiding, uitgave. I'itliaal (praal), m.; een grooten â maken, d. i. bij een partij veel weelde ten toon spreiden. I:illiallt;'ii (weghalen, uitwijken met een rijtuig), ik heb uitgehaald; het â van nestjes.(C.Ã. ) 1'itliam (landtong), m. âhammen. I'itlian^boi'fl (winkelschild), o. âborden. l'itlK'omscli (buitenlandsch, vreemd), bn.; Dat zijn âe planten , vrachten; een âe kleederdracht; de studie van âe werken: â -lioid. v. Uitlioek (kaap; ook: afgelegen hoek), m. âhoeken; op' een â van het eiland; in een â van ons land. I'itlumron. ik heb âgehoord; iem. trachten uit te hooren, d. i. achter zijn geheimen trachten te komen; â «Ifr. m.; â iiijjf, v. l ifliooxcn (bij boot of schuit het water }nei een handschepper uitwerpen ), ik heb -gehoosd. ritlioiilt;llt;gt;n, ik hield â, heb âgehouden; (!ij zult het in dat dorp niet lang â, volhouden; â «»r. m. l bn. en bw.; een â man, die gaarne buiten zijn huis toeft; â v. llitliii\vâ¬klijkâ¬gt;ii, ik heb âgehuwelijkt; en dochter â, d. i. ten huwelijk geven; â initr. v. L'itliiiwen. ik heb uitgehuwd; -ing*. v. l'itklt;'lt;krlt;'ii (betalen), ik heb âgekeerd; iem.de gelden eener levensverzekering â intr, v. |
l.'ilklt;'eriiiK*»floiilt;lK. o. âfondsen. ntkijk (uitzicht), m. gmv. Uw â zegt hel mij, dat gij de man, waarnaar ik zoek, moet i Ivezen. (Staring.); op den â staan, de wacht houden. lritkigk (uitkijker), m. âen. Onze - riep: Een schip in lij! d. i. de matroos in den mastkorf. l'itkii»|Mkii (uitkiezen), ik heb âgekipt, rifklaren. ik heb âgeklaard; een schip â, gereedmaken om in zee te steken; goederen â , in goede orde laden; âingv v. |Iitkllt;Mkd«'ii. ik heb âgekleed; ee)\ kind â, van de kleertjes ontdoen; deze losbollen zullen hun vader heelemaal verarmen, be-rooven; men moet zich niet â, vóór men naar bed gaat, d. i. zijn bezittingen niet aan de kinderen schenken vóór zijn dood; -injsquot;. v. I'itkoinst. v. -en: de â eener rekensom; er ivas geen â meer, redding. I'itkoop (vrijkoop, losgeld), m. â koopen. ritkoopon. ik kocht â, heb âgekocht; een firmant uit een zaak â, door geld af koopen als aandeelhouder; den tijd â, uitsparen, zoeken te winnen. CTitlaelion, ik lachte â , heb âgelachen. iJe tooneelsjteIer werd uitgelachen, d. i. lachende bespot; â er, m. lTitlaiid«gt;r (buitenlander), m. âlanders, litlandi^ (buitenslands), bn. Ik was in die dagen â, d. i. in bet buitenland; â lieid, v. I'itlandsi'li (buitenlandsch), hn. Ivo liet zijn paard tot een â tochtje zaaien. (Staring.) ITitlatiiijff (ellijis), v. -en. h.v. Goeden morgen (Ik wensch u â). IJitlatin^NtcM^keii, o. â s. De konnna in lied'ren (liederen), zett'en (zetleden) is een â. rilk'S' (verklaring), m. gmv. llitle^rg'er (verklaarder, vertaler), in. â s; âster. v. â s. litleff^er (een wachtschip), m. -leggers, l'itle^'kiinde. v. gmv. Zie Kxesrese. l'itleg'kiiiKli^'e (persoon), m. en v. â n. Uitlekken, het is âgelekt. Fig. ruchtbaar worden, b.v. liet geheim zal welâ; âills', v. ITitlevercn (overleveren), ik heb âgeleverd; een gevangene een misdadiger ââ¢.Amerika levert thans ook moordenaars uit; â injsy, v. lil lezen (ten einde lezen, ook uitzoeken), ik las â, heh âgelezen; een roman â; een uitgelezen schaar, keurbende. lltlokkeii. ik heb âgelokt; een besluit â , zijn best doen om het te doen nemen; een bekentenis â ; âkins:, v.; â sel, o. Uitloodsen (zeew. een schip in zee brengen), ik heb âgeloodst. Uitloop, m. âen; de â van den Rijn, monding; deze fabriek heeft haar â in het kanaal, riool, afvoerbuis. Uitlooper (bij tak van een berg keten), m. â s; de zuidelijke âs van een gebergte. l'ltloozen (het water storten in), het hooft â geloosd; die riolen loozeri in de Maas. Uitloven, ik heb âgeloofd; een zilveren medaille â, bij mededinging beloven aan den besten speler: -in$?, v. Uitluiden, Uillnien. ik heb âgeluid; de kermis â, met de klokken luidende doen eindigen; iem. â, bij een begrafenis; AIva werd uitgeluid, al luidende verwenscht; â -ingr, v. Uitniaken, ik heb -gemaakt. Deze heer en maken het bestuur uit, d, i, vormen: het is |
UITMALKN âUITSTAAN.
Vi.;
|
een nilfiamaaktr zauk, f?en voldongen foit; hij maakte n voor dirf uit. d. i. uitschelden; ii'ot maakt dat ait, wat beteekent liet! I'itnialen (drooijmalen), ik mankle â, lieb | â gemalen; â iiijf- v. {nilputlen). ik heb -gemergeld: door roofooaw een akker â : ââ â â $?, v. l'itiiiotâ¬kii. ik mat â, heb âgemeten; een terrein â, lengte on breedte bepalen; iets : breed â, er hoog van opgeven; met de mant, \ iraarmede 'je uilmee'., -alt ye wijemeten worden, men zal u behandelen, zooals gij anderen behandelt. I'itiiiiclclelpiinli»'. bn.; een âe schijf-, --Ik'UI, v. Zie: Kxlt;*eiitri«*k. l'itinos'eii(verlof hebben^ik mag â, mocht â. UitiiioiKliii^v v. âen; de â eener rivier. lritnioiister«'ii. ik heb âgemonsterd. De soldaten werden âyemo.isterd, bij een inspectie, d. i. afgedankt; de uniform is thans rood nityemonsterd, biezen on kraagrand zijn rood; optooien, opschikken; â v. l itâ iiiiiitlt;'ii (uitblinken), ik heb âgemunt; â er, m. I'i lm ii ii tend (voort repel ijk), bn. en b\v.; een â schrijver; hij heeft â yeantivoord: â Iieilt;l9 v. lit ii cm en lt;1 (zeer yoed), bn. en b\v.; - li(kilt;i. v. I'itiioofli'ii (verzoeken), ;k heb âgenood. ritiioolt;ljg-lt;gt;ii (verzoeken, vrayen). ik heb -genoodigd; â «»r. in.; â injSquot;- v lTitoc'f4kiieii. ik heb -geoefend; een bedrijl, een beroep â; hij oefent hel ambacht van smid ait; â injjf, v. kken (ontpakken), ik heb âgepakt. De koopman is in dat hotel uityepakt, hij houdt daar verkoop van de uitgestalde goe- | deren; fig. zijn hart luchten door het yeven ean berispiny: âer, m.; â iny:. v. Iriti»erseii, ik heb âgeperst; een citroen â. -in??, v. I'itpliiizen (lig. haarfijn onderzoeken), ik ploos â, heb âgeplozen; â«'r, m.; âiiiy:. v. ITitporren (scheepst. de matroze)l opkloppen), ik heb âgejinrd. De matrozen is men yewoon uit te â met: Rijzen, rijzen! ahoy'. I'ii|ir4»esteii (in een schater Inch uitbarsten), ik heb â geproest; zij zullen het â van lachen. I'itiiiiilen (naar buiten tiildrinyen), hot is ! â gepuild; zijn ooyen puilen uit. IJitpiitten (lediyen), ik heb âgeput. Mijn kas is uityeput, er is geldgebrek; de oor toy put de volken uit, verzwakt, maakt krach te- | loos; ion. yeduld â, maken, dat iem. bet; geduld verliest; mijn krachten zijn uityeput, len einde, verbruikt; een uityeputte schot-kist, leege; â ing*, v. l'itrafelen (uitpluizfm; in. rafels vallen), ik hel», het is -gerafeld; een lapje linnen â; ; die japonstof yaat â. ritreriden (bevrijden), ik heb âgered; -iiift1: welk een âiny in dezen nood, verlossing. Uitroeden (zeew. uitrusten, reede maken), ik heb âgereed; âer. m.; -lus', v. ritricliten, ik heb âgericht. Wat zult yij hier â ? doen, bewerken, verrichten. Uitroeien (verdelyen), ik heb âgeroeid. hJen bosch â, ontwortelen; schadelijk y cd i er te â, verdelgen; onkruid â, uil wieden; slechte yewoonten â, doen ophouden; âer. m.; â l'itroep (kreet), m. -en. [-iiift- v. l'itroepleeken. I'ifroepin;;'*- (leestee-ken), o. â teekens. |
Uitriikkeii. ik heb en ben âgerukt; ecu plant â, uithalen, uittrekken; het bataljon moest â, naar buiten rukken; âiii$r. v. VitniNten (zich door rust van vermoeienis herstellen; toerusten, yereed maken), illt; hel,» â gerust. Hij wil eerst eeniye wekot â; een schip â.ree maken; -infs;(wapenrustiny,t'njL), v. IJil.selK'iden. ik scheidde â, hob on beu â -gescheiden. Hij wil niet â met playen, eindigen, ophouden. l'itKeliildereii (afbeelden in klearen), \V. heb â geschilderd; iem. â. l'itKeliilteren (uitblinken), ik hoi» âgeschitterd. Vondels yedichten zullen altijd â; liem-brandts \ acht wacht zal immer â , d. i. hot voortrellelijksto zijn. rilscliot. o. âten. I.icht vindt ye, eer het werk verjaart, l'iv â dubbel inyesjmard. (Staring), d. i. het voorgeschoten geld; â van havannashyaren, d. i. do minder goede sigaron. E'itslt;*liral»lgt;eii (schrabbende reiniyey), ik heb âgeschrabd; een kookpan â. I ifsohrappen (doorhalen uitdoen), ik heb â geschrapt; een naam â. een scha ld post â. rittiehrijveii (nn- of afschrijven), ik iiel» âgeschreven; lant mij dat vers even â; lig. een prijsvraay aanbieden, uitloven; een dank-, een bededay â, verordenen, l'itselnild i uitstaande schuld), v. âen ; uilen inschulden, actieve en passiovo schulden. I ilttla?, m.gmv.; â van sterke dranken,yteh'xei; in den kelder kond alles vol â, schimmol; het kindje zat vol â, roodheid, vlekken; de â ran een cccamen, a Hoop, govolg; met den besten â, uitkomst. I itsleeplt;'n (naar buiten sleepen), ik hol» -gesleept; iem. het huis I'iisloven (zieli), ik hel» mij âgesloofd. Ik heb mij voor u nityesloofd, mij voel last en moeite aangedaan. I'itsliiiten. ik sloot â, heb âgesloten. Kinderen beneden de zestien jaar zijn uityeslotcn. d. i. worden niet toegelaten: bij uitsluitiny, bij voorkeur; â in», v.; -«el. o. l'itsliiitend. lm. en bw. Dat recht is hem â yesclwnken, d. 1. met uitsluiting van alle anderen. l ifsliiitsel (beslissend antwoord), o. gmv. IJilspaiiiien, ik heb âgespannen; de jiaar-den â, losmaken; zich â, zich vermaken, ontspannen. l'it«ipaiiiiiiiK' (vermaak), v. -en; ile maatschappelijke â en; geestelijke, âen. UitKpaniMii;;' (herhery, stalhouderij), v. â en. l'itspansel (het hemelyewelf), o. gmv. t'ilKpatten (losbandiy leven), ik hen en hol» â gespat; â iiift', v. Hij yaf zich over aan alterlei uitspattinyen, ongoregeldhoden. IJitKpiiiiien (lig. lanydradiy zijn), ik spon â. heb en het is âgesponnen. Vader Cats spint zijn verhalen tot vervelens toe uit, d.i. uitrekken; waartoe zou ik het voorbeeld verder â â ' (Potg.) 1 itspraak. v. âspraken. / w - der l-'mnsi be taal is niet zuiver, uitspreken; ik ken hem aan zijn â, tongval; de â der rechters wordt eerstdaays verwacht, vonnis. l'it«proii$? (uitstek, nitsprinyende hoek), m. âsprongen. Filstaaii. ik stond -, hob âgestaan. H: kan zijn bluf niet â; Teun kon Dirk .loosten niet â. ((quot;.O.); velen, dulden; ik heb met dien man niets te maken; âde schulden, |
UITSTALLKXâ riTZ ET BA A HM !â¢: 11).
|
d. i. te vorderen; een ka pit aal lean â, op rente staan. Uitstallen, ik heb âgestald; nieuwe mode-stofl'en â, d. i. in de winkelkast leggen; alle winkels hebben al uitgestald, uitgepakt. Al kwamen Prinsen, en zij stalden zooveel gaven als titels uit. (Staring), d. i. tentoonspreiden; â in^. v.; âkast. v. âen. Uitstap (korte reis), m. âstappen. Uitstappeii (nl. afstappen uit ren rijtuuj), ik ben âgestapt. UitstfeksHl (een uitstek), o. â steeksels. Uitstek (uithoek, kroonlijst), o. âken; bij â tevreden zijn, d. i. zeer, buitengewoon. Uitstoken, ik stak â, heb âgestoken. Hij stak de hand uit; de vlag â; de tong â; dat steekt mij de oogen uit, d. i. bet wekt mijn ijverzucht op; een âde bergspits, hooge: â -steeksel, o.; de âs der ruggewervels. UitstekeiHi (lig. voortref fel ijk), bn. en b\v.; een â opstel; een â punt van aanval; een â tooneelspeler. Uitstel, o. gmv.; â is geen afstel, wat uitgesteld wordt, is niet voorgoed afgedaan. I'itstellen (verschuiven, verdagen), ik heb -gesteld; de voltrekking v. e. vonnis Uitsterven, het stierf â. is âgestorven. Ifet adellijk geslacht der Brederodes stierf uit; â in$r, v. Uitstoelen (van planten, die zich v. onder uitbreiden), liet is âgestoeld; wat gaan deze aardappelen Uitstoomen (door stoom reinigen), ik heb â gestoomd; ik laat die japon eens â. Uitstorten, ik heb âgestort. Stort uit dan, broeders! dien hoog verhoorden kreet, d. i. met kracht uiten (Volkslied); â inj;'- v. Uitstrooien, ik heb âgestrooid. Wie heeft dat praatje uitgestrooid:' verbreid; âer, m.: -iiiff, v.; -sel (valsch gerucht), o. Uittarten (uitdagen), ik heb âgetart. Wij tarten Spanjes kielen uit, d. i. trotseeren, tergen, uitdagen; -ins, v. I ittoelit (afreis, het vertrek), m. âen; deâ der Hebreeuwen uit Eggpte. Uitvaagsel ((ig. gi'ineèn volk), o. â s; het â der maatschappij. Uitvaardigen, ili beb âgevaardigd; een bevel doen afkondigen; ins*, v. Uitvaart (begrafenis), v. âvaarten. Uitvagen (uitvegen, reinigen), ik bel» âgevaagd; de Wiek des Tijds had (het) uitgevaagd. (Staring.) Uitval, m. âlen. De bezetting deed een â , rukte buiten tegen den vijand op; wat een â van dien heer tegen zijn knecht, standje. Uitvaren (razen, tieren), ik voer â, ben en heb âgevaren. Uitvegen (vegende reinigen), ik heb âge-\eegd: â veegsel, o. Uitverkoop, m. gmv. Die winkel heeft â , gaat ophouden. Uitverkoren (geliefd), bn.; het â volk Cods, de Israëlieten. Uitverkorene (geliefde', zalige), m.eii v. â n. Uit viiKlen (uitdenken), ik vond â, heb âgevonden. Wie zal het photographeeren met klem-en nog eens â Hij heeft het buskruit niet uitgevonden, hij is niet schrander, hij is dom; âer, m.; â hiK*. v. Uitvindsel (verzinsel), o. âen, â s. Uit visselien (lig. ergens zint achter te komen), ik heb â gevischt. |
Uitvloeisel (gevolg; wat ontstaat), o. â s, -en. Uitvlnelit (verzinsel), v. âvluchten. Uitvoer, m. gmv. Die sigaren zijn voor den â bestemd, d. i. voor den export-handel; iets ten â brengen, doen, volvoeren. Uitvoeren, ik heb âgevoerd. Wat voert gij uit? Het muziekstuk werd keurig uitgevoerd. d. i. gezongen, gespeeld; de âde macht, de ministers; een besluit â, verwezenlijken; de schilderij, het boek enz. is goed uitgevoerd, gemaakt; â«Ier, m.; âin;;- (de daad), v. Uitvoerenil, bn.; de âe macht handelt in naam des Konings. Uitvoerig: (omstandig), bn. en bw.; een â schrijven, d. i. afdalende in bijzonderheden; â lieiil (gerektheid), v. Uitvorselien (door navraag of studie opdiepen), ik heb â gevorscht. Hij zoekt tic waarheid uit te vorschen, te achterhalen; -ingr, v. Uitvrag-en. ik vraagde (vroeg) â, heb -gevraagd; wij zullen dat kind â, al vragende alles trachten te vernemen; mijn zus is van middag âgevraagd, op een partij of visite gevraagd; â vrager, m.; â vraging, v. Vit\%'astvts(buitenwaarts), bw.; zet de voeten â. Uitwas (uitgroeisel), o. â wassen; die eik heeft meer dan één â ; allerlei âwassen in het bekleedsel van den wagen geven steun aan rug, zijde en ellebogen. (Gorter), d.i. uitsteeksels. Uituaseniing' (verdamping, uitdamping), v. âen; de â onzer huid is onzichtbaar. Uitwateren, het heeft âgewaterd; dit riviertje watert uit in de Maas, d.i. uitloopen, zijn water loozen; âwatering- (waterton-zing), v. Uitwateringssluis, v. âsluizen. Uitweg:, m. âwegen; zij weten geen â meer in den nood, d. i. uitvlucht, redding. Uitweiden (wijdloopig zijn), \k heb âgeweid; â ing:. v.: men vergeve mij deze â. (C. O.); een onwillekeurige â. (Potg.); Uitwendig-, bn. en bw.; een geneesmiddel tot â gebruik, d.i. op de huid, niet om in nH-men; de âe restauratie der St.-Jan, aan don buitenkant. Uitwerksel (gevolg), o. âen, âs. Uitwerpsel {ontlasting), o. âs, âon; dier-lijke âen zijn als meststof van graat behing. Uitwijken, ik week â, ben -geweken; deze muur gaat â, uit het lood; vele edelen weken bij de komst van Alva â, hot land verlaten; â wijking', v. Uitwijzen, ik wees â, heb âgewezen; de tijd zal het wel â. aan den dag brengen; de rechter moet het maar â. beslissen; âwijzing*. v. Uitwinnen, ik won â, heb âgewonnen; wij kunnen langs die lijn een uur â, bekorten, voordeel hebben; op die wijze zult ge vee! moeite â, sparen; â winning: (besparing), v. Uitwinning (rechtst. het aanspraak maken v. e. derde op een ig onroerend goed), v. â en. Uitwissehen (uitvegen, uitpoetsen), ik heb â gewischt; het met krijt geschrevene â; een kanon â; fig. de tijd zal dat wel â, doen vergeten; âbaar, bn.; âing-. v. Uitwisselen, ik heb -gewisseld; de (vei Ier-zijdsche gevangen officieren zal men â, ruilen; â wisseling', v. Uitzet (gezamenlijke k leer en eener bruid, van een wees, enz.), o. âzetten. Uitzethaarlieid (uitzettingsvermogen der |
ITI7JCMTâITIUIVVrnsMK.
|
lichamen), v. gin v.; de â van 'jassen is het (jrootst; die van vaste lichamen bij venrar-niinij het minst, n'. op zijn hoogst Vóo» l'itxiclit, o. âzichten; een fraai â, gezicht vnn uit een venster, enz., verschiet; hij heeft â op bevordering, hoop, vooruitzicht. I'itzien, ik zag â, heb âgezien; mijn Immer ziet op de straat uit. heelt hot uitzicht; hij ziet zich de oogen â, hij staat verbaasd; gij ziet er goed â, slecht â, voorkomen hebben; dat ziet er mooi, leelijh: â, het is goed, slecht gesteld; naar een betreicking, een dienst, werl: enz. â, zoeken, pogen te krijgen; //.⢠heb er vergeefs naar âgezien, gezocht, getracht; het ziet er â, alsof jij hier baas leaart, den schijn hebben. (onbesuisd, razend), bn. en b\v.; â gewoel; â Ii4gt;i4l. v. l'ifziiift'on (fig. afpersen, uitputten), ik zoog â, heb âgezogen; een volk â; âer {woekeraar), m. l'kazc {bevelschrift, decreet van den liussi-schen keizer of v. d. besta renden Senaat), v. â n. l'laan. l'lilaan (l'oolsch lansier), m. nlanen, tllcereeren (etteren, zweren)-, âratio, v. â s, â tiën. l'lcnia (Turkse It schriftgeleerde), m. â s. (suikerplaatje), v. â len; â lopapior-Ije, o. -s. I'lk (bunzing, klein roofdier), in. âen. gew. Illstor (lange overjas )net ceintuur of g tuleiband), m. â s. I'lf^rieur (mm qene zijde', luier, naderhand). bn. en bw. I'lfiiiiatiim (laatste verkbtring, laatste voar-slag bij een (tnderhandeling)', o. ginv. lTHinio (de laatstedug), in. â's; â December. d. i. 'M December. 1'ltra (verder, ginds, aan gene zijde), bw. tTltra (overdreven), bn.; â liberaal, de â partijen, de uiterste partijen. 1'ltra (heethoofd), m. â's. ilij was een der â's. Vltrams%.rijn(liergblaitw,lazuurst een ,heme Is-blauw), o. gmv. I'ltramariii (overzeesch), bn. l'ltraiiiontaaii (voorstander van de heer-sehappij van den paus), m. â monbmen. l'ltramoiitaaiiN(*li (van over of aan gene zijde van de bergen; in den geest of op de wijze van een altramontaan), bn. ritraiiiontaiiiMiiie (teer of richting der ultramontanen), o. gmv. l'ltraviolt^t. bn.; de âviolette stralen van het spectrum, lichtstralen met nog grooter aantal trillingen dan de violette, voor ons nog onzichtbbaar. 1'niUrella (zonnescherm), v. â's. I'naiiicm (eenstemmig, eensgezind, eenparig), bn.; met âe stemmen aannemen. I'iiaiiiiuitoit (eenstemmigheid, eensgezindheid, eenparigheid), v. gmv. l'nriaalletterN (kapitale beginletters, in druk of in handschriften), v. mv. l'iicliiieu (watergeesten), v. mv.; een -dinen-l'iiflulatie (golving), v. â tiën, âties. \sage. l'iifliileeren (een golvende beweging hebben, golfs wijs zich bewegen). l'ni (glad, effen, eenkleurig), bn. l'iiioiiin (voorwerp eenig in zijn soort), o. âs. l'nic* (eenheid, eendracht, vereeniging, verbond, bond), v. â s; de â van l'trerht, 1570. I'nieeroii (vereenigen, âbinden), ik heb â unieerd; de geünieerde provinciën (1579). |
I'niok (eenig), bn. en bw. Zulk een vioolspel is â, heeft zijns gelijke niet. l'nitorni (een- of gelijkvormig), bn.; voor heel het land een âe briefport; âiteit, v. gmv. 1'â â iform (gelijke dracht of kleeding, monteering, diens'kleeding der krijgslieden), v. â en; de leerlingen dezer kostschool dragen â. l'nionist (voorstander van de eenheid), m.-en. l'nisone (muz. één van toon, eenstemmig), bn.; â no. o. â's. l'niteit (eenheid, eensgezindheid), v. gmv. l'iiivlt;krsalia (algemeene dingen), v. mv. UiiivorKalifeit (algemeenheid), v. gmv.; in de â van iem. of iets dee len. (C. O.) Universeel (algemeen, allesomvattend; algeheel), bn.; â erfgenaam, algemeen erfgenaam ; een â zakmes. (C. O.) l'niversiteit(hoogeschool, academie.. v. âen. l'iiiversnm (het Heelal), o. gmv. 1'njer (akkerpaurdestaart), v. gmv. I'no animo (één van hart en zin), b.v. I n poeo (muz. een ueinig), bw. luster (weegtoestel of Hom. lx duns nvt ongelijke armen), v. â s. VÃ'itnisi (muze der sterrenkunde; ook de naam eener planeet), v. gmv. l'ranoK'rapliie (beschrijving des hemel.-), v. gmv. 1'ranolo^'ie (hemelkunde), v. gmv. rrlmniteit (steedsche wellevendheid, gepaste deftigheid), v. gmv. I'rbi et orbi (Lat. aan de stad \Home\ en aan het heelal); een tijding â bekend maken. I're. v. â n. Zie; l'nr. lTr^eâ¬Â»ren {dringen, drijven; op iets blijven staan). I'r^'ent (dringend, spoeileisehend), bn. llr^-entie (nooddrang, spoedvereisching), v. gmv.; de â van een wetsvoorstel. 1'rine (menschenwaler), v. gmv. 1'rinoir (openbare waterplaats), o. â s. lTrinen (tobben), ik heb geurmd. L)e Dusse loopt: En âd en ivurmend en stormend. (Van Lennep.) l'rne. lTrn (lijkbus, waarin de ouden de asch van een overledene bewaarden; bus, waarin oudtijds de stemmen verzameld werden), v. urnen. I'rtiea (brandnetel), v. â's l'rticeën (netelplanten), v. mv.; er zijn merr dan vijfhonderd soorten van â. l'mantie. l'sanee (gebruik, gewoonte), v. â tiën, âties, â ^es. I'no, o. gmv.; o/gt; twee maanden â, na twee maanden zicht. I'siieel (volgens gebruii.), bw. l'Niit'rnetiiM (vruchtgebruik), o. gmv. Ook lrsiisfructiiN. l'sure (woeker), v. gmv. Usurpatie (de daad van overweldigen),\.g\\\\. l'Miirpat«gt;r (overweldiger), m. gmv. 1'Niirpeeren (overweldigen, gewelddadig of onrechtmatig zich toe'èigenen). l'Niisfriietns (vruchtgebruik), o. gmv.; de definitie van â te pas brengen. (C. O.) 1't (eerste noot op de klankladder, de c), v. gmv. l'teiiNiliën (werktuigen , gereedschappen), v. mv. l'tile cinlei (hel nuttige aan hel aangename, nl. mist ere â, paren). I'tiliseeren (nultig maken, trn nutte aanwenden). I'tilitarisnie (nultigheitlslheorie), o. gmv. |
nnUTIÃT-VAAI.'Wl-US
|
l'lilitoit (nut, bi'ui/,baarheid, bruikbaar voorwerp of persoon), v. gmv. rtopia (de naam van een verdich! land: luilekkerland, het land der hersen.sehitnnien), v. gmv. I'topic (droombeeld, hersenschim), v. âen. rtopiscii (hersenschimmig), bn. I topisf (dweper, plannenmaker), m. âon. 1't (als op voorijaande bladzijde), \gt;w. Zie: V. r. I I supra (als boven, (jelijk vooraf). Zie: l'. S. I'iir (Vim e- etmaal), o.; l'ro. v. uren. I7iireirkckl (sterrenk. meridiaan), m. -cirkels. I'nr^ias (uurzandlooper), o. âglazen. Uied-riks â is vcrloopen. (Vondel), tl. i. liet leven is voorbij. |
| ITnrwvrlc (horloye, klok, ook het raderwerk). 1 o. âwerken. Fig. hel â van hel (jesprek opwinden. Uw, bez. vnw.; dit is â boek, van u, wat n toebehoort; al hel mijne is het âe. Uwcnt (in uw huis, in uw stad), b\v. uitdr.; âlialve (ten behoeve van u), bw.; â wejife, bw.; om âwil (ter wille van u), bw. uitdr. Uwer, pers. en bezitt. vnw.; drie â; niemand â ; luie â? de dan â verjaring: de male â vorderingen. Uws, pers. en bezitt. vnw., ga om met â gr-UJken; doe het om â zelfs wil; de waarde â honds, â paards. |
v.
|
V, v. v's. â De twee en twintigste lofier van bet alphabet; als Rom. cijlbr beteekent V .7. V. â Verte of Volte, wend om. V. â Vale, wees gezond, gegroet. V. â Veteranus, oud-gediende. V. â Votum, gelofte, goedkeuring, stem. V. â Vide of Videatur, zie, zie na; men zie. v.a. â volgens anderen. [Ook: Virt. V. A. â Voire Allesse, Uwe Hoogheid. V.A.R. â Voire Allesse rogale, l'we Koninklijke Hoogheid. v. b. â van boven. V.C-. â Verbi causa, hijvoorbeeld. V. C. â Vostro conto, uwe rekening. V. IK â Volente Deo, wanneer God wil, met Gods welbehagen, V. D. UT. â Verbi divini minister, bedienaar van Gods woord, predikant. Vdt. â Videlicet, namelijk, te weten, veranti. â veranderlijk. verg:. â vergadering. Vert. â Vertaler, vertaling, vertaald. Vert. â Vertal ar, men keere (het blad) om; ook: er worde vertaald. Vert. S. Pi. â Verte si placet, keer (hot blad) om, als het u belieft. verv. â vervolg. Vet, Test. â Vetus teslamenlum, het oude Testament of Verbond. V. lt;â . â Verbi gratia, bijvoorbeeld, vgl. â vergelijk. v. li. â van huis; â van het. vilt;l. â videlicet, namelijk, te weten. Vid. â Vide of videatur, zie of men zie. vierk. â vierkant. v. o. â van onderen. Voe. â Voce, op het woord of artikel. Vol. â Volumen, de band of het deel van een boekwerk, volume. voorin. â voormalig; â voormiddag. voorn. â voornoemd. vorenst. â vorenstaand. vr. â vraag; â vrouwelijk. Vrijd. â Vrijdag. vrouw. â vrouwelijk. V. S. â Volti subito, keer snel run. V. S. of Ver. SI. â Vereenigde Stalen van N. Amerika. |
Vs. - Vers. VI. â Vidit, hij heeft liet gezien of doorgezien. V.T. â Zie: Vel. 'IVsl., vieu.r testament, het oude testament. v.v. â vice versa, heen en weder, omgekeerd. Vz. â Voorzitter. Va! (het ga! het zij zoo!); â bangue, het geldt de bank. Vaajf (vettigheid van den grond; lig. kracht, bloei), v. gmv.; in de â des levens. Vaa^ (onbepaald, onzeker), bn.; een â begrip, een â antwoord; â lieid. v. Vaag'sel (veegsel), o. â s. Zie: Uitvaagsel. Vaak (geneigdheid tot slapen), m. gmv. praatjes voor den â houden, beuzelpraatjes. Vaak (dikwijls), bw.; vaker, het vaakst. Vaal (zwart- of roodachtig bruin ;verschoten), bn. en bw.; de vale hei; een âbonte koe, een âgroen kleed, eoi âbruine japon, een â -grijze Jas. Vaalt (mestkuil, âhoop), v. âen. Vaam (vadem, lengte van 1,68 M.), m. vamen. Vaan (banier), v. vanen; de â van den vooruitgang, de â des oproers. Vaamiel (banier, veldleeken), o. âen, âs; â tlraft'er, m. âdragers; âstandaard, m. âen. Vaandrig (vaandeldrager), m. â s. Vaar (vrees, angst), v. gmv. vero.; hij kent â noch vreeze. Vaardig- (gereed), bn. en bw,; maak u â; ik sta â; hij is â met de pen, vlug, bij de hand; maak â de groene banieren der vreugd! (Ho-gaers); â lieid, v. Vaarkoe (vaars), v. âkoeien. Vaars (jonge koe), v. â ?en; de â tier klaverweien. (Bild.) Vaarschroef (spil met spiraallijn), \. âven. Vaart. v. âen; wij wandelen langs de â, het kanaal; â verminderen, vermeerderen, d. i. snelheid; in volle. â , ontzettend snel; iem. in zijn â stuiten, ioop, snelheid; dal zal zoó'n vaart niet nemen, maak u daarvoor niet ongerust, Vaarlje (vadertje), o. -s. Vaartuig (schip, schuit), o. âtuigen. I Vaarweg- (waterweg), m. âwegen. |
VAAUWAÃKK- VALS( li.
Vaarwater (zeew. kielwater), o. âen, â s. ! Vaarwel, t\v. (als zn. o.)
Vaarwelz^KKen. ik hol; âgezegd en â gezcilt;l. Vaas (vat, urn), v. vazen; een porseleinen i een (Irieksche â of amphora; een an- j lie he
Vaat«loek, in. âen; hij is zoo slap als een â, bij is zwak van gestel.
Vaatje {klein vat), o. âs; uit een ander â j tappen, iem. anders toespreken.
Vaatscli {versehaalü, laf), bn. en bw.; deze j wijn smaakt naar liet vat.
Vaeant (lediy, onbezet), bn.; een âe plaats. ] Vacaiitiâ¬k (rusttijd, verpoozing), v. â tiën.
â ties; âdag*, in. âdagen; âmaaiicl, v.
â en; âreis, v. âreizen; -tijd. in. âen;
â week. v. âweken; âwerk, o. gmv. Vacatie (tijd aan iels besteed, b.v. door een
rechtspersoon), v. âtiën, âties; â gekl (loon, salaris voor elke vacatie), o. âen. Vaeatimr, Vacature (opennevallen plaals). v. âturen, â tures.
Vaccinatie (inenting), v. âties, âtiën. Vaccine (koepok-inenting), v. gmv. Vaccineeren (met koepokstof inenten). Vaccinog'^ne, bw, een pare â. plaats waaide pokstof direct van het kalf kun genomen worden.
Vaceeren (open zijn, openstaan); een post of betrekking kan
Vaclit (vlies, schapenhi'id met de wol), v. âon. Vacilleeren (wankelen, besluiteloos zijn). Vadoin (scheepsw. lengtemaat), in. âen; de zee is hier honderd âen diep; en âs hout gekapt. (Tollens), d. i. stapels van 6 voet afmeting. Zie: Vaam.
Vadeni^cuni (verklarend zakboekje, leiddraad), o. âs; Vade ///lt;?lt;;«m, bet. met mij! Vademen {bij den vadem meten), ik heb gevademd.
Vader. m. â s, âen: onze vaderen, voorouders, hielden zich met die dingen niet op. (C. O.) Vaderland (eigenl. het land van de vaderen geërfd, geboorteland), o. gmv.; âvr (patriot),
â s; âsell (tot het vaderland behoorend), bn.; de âsehe geschiedenis.
Vaderlandscligezinfl, bn.; â heid, v. Vaderlandsliefde, v. gmv.; â min, v. gmv. Vaderlief (slaapmuts), m. âs; smerige Jan, met zijn â en zijn evaatje. (Potgieter), nl. de kok; de muziek klinkt er als een pij pest eel in een (Klikspaan.)
Vaderlijk (als een vader of des vaders), bn. en bw.; een âe vermaning, hij sprak â; de
â e macht.
Vadermoonl. m. âmoorden; de â werd bij alle volken vreeselijk gestraft. Vaderschap, o. gmv.; het onderzoek naar het â is vei'boden.
Vaderstad (geboortestad), v. gmv.
Vatlsig (lai), bn. en bw.; -held, v. Vagebond (landlooper, ledig loo per), m. âen. Vagen (zuiveren, reiniger-., schoonmaken), ik heb gevaagd.
Vagevuur (H. K. plaats van reiniging, louteringsvuur), o. gmv.
Vak (afdeeling, fig. beroep), o. -ken. Vakerig (slaperig), bn.; âheid, v.
Val (het vallen), m. â leu; de wetten v. d. vrijen
â ; de â van een koningshuis; hoogmoed komt vóór den â; hij werd ten â gebracht.
Val (werktuig om dieren te vangen, vang knip), v. â len; de rat is in de â, klem.
Val (strookje, boontje), \. âIon; een oiide schoorsteen met een gebloemde â; in deze tent, tusschen staatsiegordijnen cn schoor-steenvallen. (C. O.)
Val (scheepsw. talie, hijschlijn), o. â len.
Valabel (geldig in rechten), bn.
Valbi j I (gui Hol ine, onthoof dings werktuig), v. âbijlen.
Valblok (scheepsw. hijschblok), o. âken, â s.
Vale (vaarwel! wees gezondtw.
Valentijnsdag (feestdag in Engeland op 14 Febr.), in. -dagen.
Valentines (geschenken of surprises op den dag van Valentijn), v. mv.
Valeriaan (zeker geneeskruid), v. gmv.
Valet-de-chambre (kamerdienaar), m. va-lets-de-chambre.
Va leur (waarde, gehalte), v. gmv.
Valflouw (een vogelnet), v. â flouwen.
Valgorilijn (rolgordijn), o. âen.
Valhoed (hoedje voor kinderen), m. -hoeden.
Valifle (geldig in redden), bn.
^'alideeren (geldig maken of verklaren; erediteeren).
Valilt;liteit (geldigheid), v. gmv.
Valilt;'S (lederen reiszak), â¢Â». âzen.
%'alk {dagroofvogel), m. -en; Orde randen Willen â, ridderorde van Saksen-Wei mar.
Valkenier («./W(7//er ivm valken).m. âen, âs.
Valkenjacht, v. âen; âkap (bedeksel der ongen), v. âpen; ânest, o.âen; âoog(lig. scherpe blik), o. âen; â vlucht, v. gmv.
Vailkestaart, m. âen; -veer, v. âen.
Valkhof (oude burcht in Nijmegen, thans ruïne), o. gmv.; het â werd vermoedelijk gebouwd door Karei den Groot en; thans bestaat nog één der kapellen.
Valkparkiet (vogel in Australië), v. âen.
Valkruiil (heideplant, wond kruid), o. gmv.
Vallei (laagte in een bergland), v. âen.
Vallen, ik viel, ben gevallen; de arbeid valt mij zwaar, de dag valt mij lang, is; duizend strijders vielen, sneuvelden; hij liet een stuiver per el â, sloeg af; er is geen woord over gevallen, gezegd; de avond valt, daalt; hij viel mij lastig, maakte het mij lastig; iem. in de rede â, onderbreken; die japon valt goed. heeft een goed snit; in slaap â, geraken; Kerstmis viel op Dinsdag; de keus viel op een ander; dat zal in het oog â, loopen; op dit nummer is een prijs gevallen; dal geluk viel hem ten deel, viel mij te beurt; hij kwam als uit de lucht â, hoogst onverwachts; met de deur in huis â, zonder inleiding een zaak gaan behandelen; in ongenade
â , geraken; wie hoog staat, kan laag â; die stoat, zie toe dat hij nietvalle; de âdeziekte (epilepsia), een zenuwziekte, waarbij de patient in onmacht valt; âde sterren; -ing, v.
Vallicht (licht, dat van boven invalt), o. âen.
Valling (het hellen, strekken, loopen), v. gmv.; de â van een mast; de â van de kust; de
â van den achtersteven.
Valluik {vallend luik), o. âluiken.
Valois (koningshuis in Frankrijk, 1328-
1589), o. gmv.; het graafschap â; het hertog-i dom â; het huis van â.
Valpoort (vestingpoortje), v. âpoorten.
Valreep (scheepsw. touw aan de scheepstrap), m. âen; een glaasje op den â, bij het afscheid.
Valsch (niet echt), bn. en bw.; een âe hand-i tee kening, nagemaakt; een âe naam, een âe | munter, een âe stem, âe schaamte; â zin-
V ALSC11A A1J D - VAST EM) A(1.
|
ijeti, â spelen; ion. â bcxchuldiijoi; â liei«l, v. Valschaard {geveinsd ntensch), in. â s. Valsclic'lijk (op valsche wijze), bw.: inn. â beschuldigen. ValNclierm (parachute), o. âschennen. VnKeliiit (valscherm), o. âschutten. Valstrik (lig. list, hoos opzet), m. âstrikken. Valuta (waarde, het wisselbedrag), v. â's. Valwind, m. âen; op de eene kamer kan niet gestookt worden om de valwinden (C.O.), lt;i. i. winden, die in den schoorsteen slaan. Vampier {bloedzuigende vleermuis), m. âs; hij kleurt te veel als een â (Staring), lijk, dat voor â zal gaan spelen om de levenden te kwellen. Van ( familienaam), m. â nen. Van, vz.; hij viel â het paard; ik kom â Amsterdam; dat ging â mond tot mond; â dien dag, sedert; â ter zijde; â oudshrr, sedert oude tijden; â volgens het recht; een hoed â stroo: sterren â honger, â den wind leven; moede â het werken; schoon â gelaat, iem. â aanzien kennen. Vanavond (op dezen avond), bw.; ik kom â zeker. VaiKlaa^' (up dezen dag), bw.; het is tvarni â. Vandaal (barbaarsch kunstver woest er), m. â dalen. Ook: Wandaal (Rom. gesch.) Vandaar (daarom, deswege), vgw. Vandalisnie. VandalisiiiicN (barbaarsche vernielingswoede), o. gmv. Vandcliandseli, VanderliandM'li (lin-kerpaard bij een tweespan), bn. Vaneon, bw.; met w.w. aaneen te schrijven: vaneenbarsten (nit elkaar), â rukken, âscheiden, âsplijten, enz. Vaii^' (klem van een windmolen), v. âen; de molen is door de vang, de zaken /.ijn in de war. Vaneen (grijpen), ik ving, heb gevangen; vlinders â; een uiltje â, een dutje doen; iem. in zijn eigen woorden â, verstrikken ; â er. m. â s. Van^Mt, v. âen; de visschers hadden een goede â. Vanhier (daarom, deswege), vgw. Vanielje (de geurige, pen Ivormige zaudh ut se Is van zekere Indische, vrucht), v. gmv. VanitaM (ijdelheid, vergankelijkheid; windmakerij), o.; â vanitatum ! ijdelheid der ijdel-heden, d. i. alles is ijdelheid (spreuk quot;van Salomo). Vaniteit (ijdelheid), v. gmv. Vannilt;kiiU'N (opnieuw), bw.; â beginnen. Vanouds (sedert oude dagen), hw.; die likeur is â beroemd. Vanue^e. vz.; ik kom â mijn vu der. uit naam vlt;ni. Vanzelf, bw.; dat spreekt â, uiteraard. Vapenrs (dampen, opstijgingen, lig. grillen), m. mv. Var (jonge stjer), m. âren: de âren, juk nog vreemd. (Bild.) Varen (bedekt bloeiend boschgewas), v. â s; er zijn meer dan V000 soorten van âs. Varen, ik voer, heb en ben gevaren; â en rijden (C.O.); op zee als stuurman â; zij â op de Levant; ten hemel â, d. i. gaan; hoe vaart gij? binnenkomen om aan oom en tante te vragen hoe ze -. (C. O.); dut laat ik â, daar zie ik van af. VarenN|;-exei (matroos), m. âgezellen. Varia (verscheidenheden, allerlei), v. mv. |
Variabel (onbestendig, veranderlijk), bn. Variant (andere lezing), v. âen. Variatie (verscheidenheid, afwisseling), v. â tiën, âties; hij speelde allerlei âtien van het volkslied op de viool. Varieeren (veranderen, afwisselen, ontaarden). Variété (afwisseling), v. â's; theatre desâs, kleine schouwburg. Variéteit (verscheidenheid), v. âen. Varinas (soort van tabak uit de provincie v. dien naam in Venezuela), v. gmv. Variolen (kinderpokken), v. mv. Ook: Variola'. Varken (zwijn), o. â s. Ik zal dat - wel was-schen. die lastige zaak in orde maken. Varkenen (scheepsw. reinigen), ik heb ge-varkend. Varkensbak. m. â bak ken; â borstel (haar), m. âs; -distel (kruisdistelplant), v. â s; â draf (spoeling), m. gmv.; âdrijver{hoeder), m. â s; â gebraad, o. gmv.: â s'lt;'-liakt. o. gmv.; âgriXH {duizendknooppluui), o. gmv.; â liaar, o. âharen; â lioeder(o//-pusser), m. â s; âhoedster, v. â s; â hlt;»k. o. âhokken; â linid, v. âen; â jaeht (n.1. op wilde zwijnen), v. -en; -karbonade, v. â s. Varkenskot (hok voar varkens; lig. vuile woning), o. âkotten. Varkenskotelet (gebruden rib), v. âkoteletten: â kers (kruisbl. plant), v. gmv.; â â¢klaver (gemeene klaver), v. gmv.: âkop. m. âkoppen; âkrap (karbonade), v. â -krappen; âlapjes (stukjes vleesch), o. mv.; â lever, v. â s; âniest. m. gmv.; âniet (gehakt var kens vleesch), o. gmv.; â metworst. v. âen; â poot, m. -en; âpruim (pruim uit W.-/.), v. âen; â renseel (gesmolten vet), v. gmv.; âribbetje, o. â s; â salade (welriekende plant), v. gmv.; â -slaeliter. âslager, m. â s; âvet, o. gmv.; âvleesch, o. gmv.; â worst, v.âen; â ziekte, v. â n; âzwoerd, âzwoord (huid), o. âen. Varsehebalie (kuip of vlceschtobbe), m. â s. Zie: Verschebalie. Vast. bn. en bw; âe prijzen; een â3 sluap; hij verkoopt al wat los en â is, d. i. roerende en onroerende goederen; aan âen ival; â werk; een âe meid, d. i. inwonend; met âe hand, d. i. krachtig. Vast (hecht, aaneen, niet los), bw. -Met ww. aaneen te schrijven: vastbinden, stevig aan iets verbinden; âgespen, --grijpen, âgroeien, â haken, âhebben, âhechten, âhouden, enz. Vastberaden, bn.; een â man, een man van wilskracht; âheld, v. Vasteland (een der 5 groote aarddeelen), o. âlanden. Ook: ('ontineiit. Vastelijk (zeker, grondig), bw.: â gelooven. Vasten (zich onthouden van spijs), ik hel) gevast; daar zult gij van â, dat zal u tegenvallen. Vasten (R. K. tijd van onthouding), v.; de groote â duurt 40 dagen; het was de vierde Zondag in de â ; de vijfde Zondag in de â heet Palmzondag. Vastenavond (carnaval), m. âavonden. Vastenavonds^ek.m. -gekken; â vreugd, v.; â zotje (sneeuwklokje), o. â s. Vastendag* (H. K. dug vun kerkelijke vasten), in. âdagen. |
/fcKNKOLOMK.
VASTKNTI.ID-
|
VaMtentijd. in. ginv.: in den â zijn alle openbare vermakelijkheden verboden; in den â worden geen huwelijken gesloten. Vastlilt;gt;ilt;i (stevigheid, iig. zekerheid), v. gmv. Vastlionflcii (omvatten, stevig Ohiklfmmen), ik heb âgehouden; een kind â; een bok zich aan iels â, vastgrijpen, fig. er vast op vertrouwen. VasthoucIend^/mV/. inhalig),hn.; â licilt;l,v. VaKti^liei«l (zekerheid), v. âheden. VaNt|»lii;jHfckii (vastpinnen), ik heb âgeplugd. Vat (greep), m. gmv.; niets heeft â ojgt; hem, invloed; ik heb geen â op hem. Val (ton, enz.), u. âen; holleâen klinken het hardst, weetnieten hebben do meeste praatjes; wat in een goed â is. verzuurt niet, uitgesteM, is niet verloren; dt/l is nog niet in het waarin het zuren moet, het is nog niet gereed, nug niet op zijn bestemming; bloedvaten, aderen, buizen; de heilige ârn. ollerkelken, en/.. (R. K.) Vatbaar, bn.; hij is zeer â voor kon: hij is niet â voor verbetering. Vaton (in vaten doen, fusten), ik heb gevaat. Vatioaan (pauselijk /10leis: lig. d'*pauselijke regeering), 0. gmv. Vat«lt;gt;l (handvatsel), 0. â s. Vatten, ik heb gevat; een kmide â ; vuur â, boos worden; dat zeil wil geen wind â ; een edelsteen in goud â, zetten: in lood gevatte ruitjes; gevut zijn, scherpzinnig zijn. Vaudeville (klurhtspel met liedjes iloorwe-ven, welke begeleid worden door instrumenten; zaal waar zulke kluchtspelen opgevoerd worden), v. âs; de woede van een be leed ig den vader in de -. (C. O.) Vauxlial (lusthof, in HiiiO te Londen bij de Vauxhall-brug, welke wegens zijn prachtige [verlichting en aangename muziek veel bezocht werd), m. gmv. Vaxai (leenman), m. â len. Vecliten (strijden, kampen), ik vocht, heb gevochten; honden en. katten â ; wilde, dieren â ; hvee. of meer personen kunnen â : â n/i ecit barricade; âer, m. Veelitpartij, v. âpartijen. Vedas (heilige boeken der Hindoes), 111. inv. Vedel. Veel (viool), v. vedels, vedelen, veeien. Jannetje haalde een â voor den dag. (Potg.) Vedelen (op de vedel spelen), ik heb gevedeld; -aar (vioolspeler), m. Veder, Veer. v. vederen, veders, veeren; men kent de vogels aan hun veeren, uiterlijk; in de veeren liggen, te bed zijn; iem. in de veeren zitten, hem tegenwerken, hem afbijten; hij kan weer een â van zijn mond blazen, begint op te leven; pronken niet eens anders â ,mel het werk van een ander; hij (krankbezoeker) stopte de tafeltjes weer langs, niet zonder een â te laten (Potg.), gehekeld te worden. Vederbal (pluimbal), m. âballen. Vederniot (uvondvUndertje), v. âmotten. Vedette (ruiterwacht, schildwacht der ruiterij; uiterste post op wallen), v. â n, â s. Vee. o. gmv.; gewold gevederd â. Veearts (veedokter), m. âartsen. Veeartsenijkunde (wetenschap, die de ziekten en gebreken der huisdieren leert kennen, genezen en voorkomen), v. gmv. Veeartsenijseliool. v. -scholen; de - le Utrecht is in 1821 geopend. Veeg: (het vegen), m. gmv.; bij uitbr.; een streek, slag: hij gaf hem een â. KOENEN, Verkl. Uandwdb. d. Nederl. taal. |
Vee|f (feeks), v. vegen. Veeg1 (hachelijk, dreigend), bn.; het was er â; het âe knaapje, in stervensnood; â lieid. v. Veâ¬Â»K'«^l (drek, vuil), o. gmv. Veel, v. Zie Vedel. Veel, bn. en bw., meer. (het) meest: â -lieilt;l. v.; er zijn â appels aan dien bomu, een groote menigte; wij hebben meer appels dan peren; hij heeft het meest gesproken; dc veelheid zijner gaven, d. i. menigte. Veelann (poliep, inktvisch), m. -armen. Veelbelovlt;knlt;l. bn.: een â jongmensch, die veel voor de toekomst belooli. Veeleer (liever, een Ier), bw. Veelgodendom (aanbidding van veel goden ). 0.: bij de (irieken en Homeinen had men het â. Veelheid (menigte), v.; de â mijner werkzaamheden. Veelhoek (meetk. fufuur met meer dan drie hoeken), m. âhoeken; het vierkant is een â: een zeshoek is een â: â Ig', bn. V«»elhoevlK-(dierk.///lt;?/. meer dan twee hoevoi), bn.; de olifant, het varken is â. Veelhoevigen, m. 111 v. Zie: IHkhiiidigen. \'lt;klt;'lh4»lt;»f'lt;lig- (met veel hoofden), bn.; i'r âr hydra; lig. een âe regeering, béstuur door veel personen als één college. Veelkleurig: (bont, geschakeerd), bn.; âe bloemen; â heid, v. Veelknoopigen (pluntenfamilie), v. mv.; de zuring behoort tot de â. Veelledig1 (m#7 meer dun twee leden bestaande), lm.; een â onderwerp vaneen volzin; een ~e grootheid. Veellielit (wellicht), liw. V eelmaal. â maals (vele keeren), lm. Veelsnarig (hebbende veel snaren), bn.; dr âe citer. Veelszins (op meer dan één ivijze), bw. Veelte C veelheid), v. gmv. Veeltijds (dikwijls) bw.; ik heb voor mijn aanfok koopers, â het ronde jaar vooruit. (Staring). Veelvingerig'.lm.: â kunstluig(spinmachinr) spint. (Staring.) Veelvoet (zeker bisect; ook zeker plantdier), m. âen. Veelvoud, 0. âen. is een â van f. Veelvraat (marterucht ig roofd ier), m. -vra I en. Veelvuldig', bn. en bw.; âheid. v. Veelweterij (schijngeleerdheid), v. gmv. Veelxijlt;lig. bn. en bw.: eenâeontwikkeling-, een â talent; een âe kennis, die over allerlei wetenschappen loopt. Veem (gezelschap of vereeniging van werklieden, gild), v. en o. âen. Veemgerieht {geheime rechtbank in de )nid-deleeuwen) o. â gerichten. Veen (turfland), o. venen: hoog â, laag â; in het â ziet men op geen turfje, waar overvloed is, hoeft men niet karig te zijn. Veenbrand (brand in het veen), m. â branden. Veendami» (veenrook, haarrook), m. gmv.; men leze Sta rings gedicht: De Veenrook; de â komt in Mei en Juni door het afbranden der veenkorst. Veenderij (turfmakerij), v. âen. Veenhiiizen (bedelaarskolonie in Drente), 0. gmv. Veenkolonie (dorp in de venen, ontstaan langs een trekvaart), v. âkoloniën: in Groningen zijn veel âkoloniën. 21) |
VKKN.MOLâVKNI. VIDI. Vlrl
|
Vcm'iiiik»! (rechtvleiKjeliy insect, scliadeliik voor huid- en tninbouw), m. â mollen; de -wordt door den mol ijveriy vervolgd. Vecuworti'l (plant, duizendknoop), v. gmv. Vlt;'â¬'|M'st (een typhenze ziekte onder het hoornvee), v. gmv.; â cordon (kriny ran militairen, die een streek, door veepest yeteisterd, afzetten), o. â s. Vâ¬'â¬Â»!⢠(van een voyel), v. âen. Zie: Vi'iBos*. V«M'r (sprinyveer), v. âen; een metalen â; een spiraal â . Voer (overvaart), o. veren; de pachter van het â over de Al'nis. Veerboot, v. âen; â jreUl, o. â en ; -huis. o. âhulzen; â loon.o.âen;âpont (sc/ttr/O, v. âen. Verren, liet lieeft geveerd; deze matras veert niet. Veerenl»elt;I (opyevald niet yanzenveeren), o. âbedden; â knssâ¬Â»n. o. â s. Vlt;kerkraelit, v. gmv.; de â van staal, elastiek, enz.; een man, een volk van weiniy â. vastheid, wilskracht. Veerkraelitig'. bn. en bw.; een â y est el. \ Vlt;Mkrnian. m. âlieden, âlui: â seliip. o. â ; -schepen; â sellipper. m. âs; âsclmit. v. âen. Veertien. lgt;ep. telw.; De li ree â, een zandbank op onze westkust; de l',reeveertien opyaan, het slechte pad opgaan. Veerlienclaajs'seh (om de veertien dagen), lui.; een â tijdschrift. Veertienrte (ranggetal), bn.; I.odewijk de â. Veertienderlianrte. â llt;'i. soortgetal; hier zijn â gebakjes. Veert ienlioinlerd. telw.;-//'' wedde bedraagt â galden. Veèrtijf, lgt;ep. telw.: de raad van â.(Venetië). Veerti^daaj^seli, bn.: lt;llt;' âe vasten, vóór Paschen (R. lv.). Veertiger (iemand van veertig jaren \ ook wijn van dien ouderdom, alsmede een schip van veertig slakken), m. â s. Veerti^erliamle. âllt;»i. soortgetal; daar staan â rozen. Vt'f^rti^'tal, o. â len; een â leerlingen. Veert ijfvoml. o. â en; â i^quot; (een â e oogst ),h\\. Vei'te (haat, wrok), v. â n; de kruistochten maakten een einde aan vele ân onder den adel; de â teyen de Belyen. (C. O.), vijandschap. Veeteelt (kunstmatiye veefokkerij), v. gmv. V«'S'en (schoonveyen met bezem of stofl'er). ik heb geveegd; een kamer â, een stoep â; fig. iem. â, ol' iem. den mantel â, iets verwijten. V«'tt'er (bezem, ook persoon), m. â s. Veji'etariaan. Vegetariër (die zieh onthoudt van voedsel, dat door het dooden van dieren is verkreyen), m. â rianen, â riërs. Vegetatie (plantenyroei). v. gmv. Vejjeteeren (een plantenleven leiden). Velieinent (her iy.ye weid iy,hartstocht el ij k).\m. Veliiklt;kl. Veliieiilinn (voertuiy), o. â s. Veil (klimop, klimmer plant), o. gmv. Veil (te koop), bn.: hij is voor alles â. om te koopen mei geld; zijn leven â hebben voor iets, willen opolleren. Veildaji' (verkoopday), m. âdagen. Veilen (te koop aanbieden), ik heb geveild; â er. m.; â in^', v.: openbare â iny van h uizen. Veilig (beschut, zeker), bn. en bw.: âlieiil, v. Veilig'lieilt;lsklep (tot het laten ontsnappen van stoom bijteyrootedrukkiny),v. â kleppen; |
fig. het tooneel was hem een â voor aandoc-n in yen. (I'otg.) ^ eili^lieidslanip (kunstmatige mijnlamp), v. âlampen: de â is uitgevonden door Davy. Veinxaard (huichelaar), m. â s. VeinKâ¬kn. ik heb geveinsd: liefde onwetendheid â, deelneming â, huichelen; â er, m.; â«'rij, v. Vel (h uid; blad papier; vlies), o. âlen. Veld (land, akker, grond), o. âen. Veld (slayveld), o. âen; het â moeten ruimen; â winnen; uit het â yes lay en worden ; ik was geheel uit het â yeslayen. (Koetsveld.) Veldeling (landbewoner), in. env. -en; voor het v. ook âe. De veldliny kreet bij leege schuren. (Bogaers.) V«'ldlieer (legerhoofd), m. âen; âseliap, o. Veldkers (kruist)loemiye plant), v. gmv. ^'eldmaarselialk (opperbevelhebber), m. â maarschalken; âseliap, o. Veldniint'. v. â nimfen. Dejonyensvriendschap is een â. (C. O.). Vellt;lsla^' (yroot yevecht van twee leyers in het open veld), m. âslagen. Veldspaatli (delfstof uit kwarts en ylimmer bestaande), lt;â¢. gmv.; het â is het hoofdbestanddeel v. /'. graniet. Veldtros (oorlogsbagage met de daarbij be-hoorende personen), m. âtrossen. Vekltnig- (oorlogstuig), o.; âmvester (aanvoerder der artillerie), m. â s. Veldwaelit (veldbewaking; het korps veldwachters), v. âwachten. Veldwaeliter (persoon), m. âwachters. Veleda, Velle«ia (een Ger ma arische wie.he-lares van groot gezag), v.: in 60 v. verklaarde â zich voor den opstand der I lata,ven. Velen (dulden, verdragen, nitstaan), in de 1 onbep. wijs; ik kan hem, dit, dat niet â. Veltf1 (buitenrand van een rad), v. âen. Vellen (doen vallen), ik heb geveld; het yr-\ weer â; boomen â; een oordeel, een vonnis â . uitspreken; â ling'. v. VeHenploter (die de ivol van de vochten : scheert), m. â s. Veloeipède (rijwiel, fiets), v. âs. Ook: Vehi. Veloeipe«list (wielrijder), m. -en. Velodrome (sport, wielerbaan, overdekte 1 baan voor wielrijders), o. â s. Velonrs (puweel), o. gm\ . [Zuiderzee), v. Velnwe (N. \V. deel var1, (lelderland, a. d. Velvet (een soort van zwaar fluweel), o. gmv. Ven (een moeras, veenpoel), v. â nen. Venaliteit (veilheid, omkoopbaarheid), v.gni v. ^'enatoriseli (de jacht betreffende), bn.; de . âe yissinyen des polsdragers. (Cl O.) Vendel (vaandel), o. âen, â s. Vendt'iniaire (ie of Wjnmaand, van quot;J-J | September tot 21 October), v. gmv. Vlt;gt;ndetta (familieveete), v. gmv.; de â of bloedwraak der Sicilianen. Venditie (openbare verkoop van meubelen bij vertrek uit Oost-Indië), v. â tios. Vemlnlinis (openbaar verl oophuis), n. âhuizen; â meester, m. â s. VeiK'ii (turf maken), ik heb geveend. Venerahel (eerbiedwaardig), bn. Veneriseh. Veneriek (met de venusziekte 1 besmet), bu. Veni, vidi. viei (Lat. Ik kwam, zag en i overwon). Woorden van .lulius C'jesar om zijn j overwinning op deu koning van Poutus te I typeeren (47 v. â¬.). |
VKNKi â VKIir.l ITKN.
'i.M
|
{rol veen), lm.; de bodem is hier â. Venijn (vanfif), o. gmv. Fi^. laster. Vlt;knijni^-. bn.; eeii âe slairj. voi-gil'tig: fig. ren âe tuurf, boos, hits. lastorend; Vlt;'nix4»cn {allerlei luiïdbraact). o. gmv. Vonkel {zekere se/iermhloemige i)l(ini),\.gm\. Vennoot (hnndelsgenoot), m. âen. Veiiiiootseliap:hamlrIsrereeniijin(i).\\ â ]io\\. i VeiiNter {raam, ijldsraam), o. âs; aan o/'\ ruor het â zitten VenMterbank, v. âen:-l»linlt;l(/«/A), o.âon; â Im»o^- {spitsboog), m. âen; âboom (shuf-Onoin); âs'las {ruil), o. âglazen; âlior. v. j of âhorretje', â IniK {bniienhlind), â¢gt;. âon; â ruit. v. âen; âtralie, v. âs of â liën; â ziekti» {lichte ongesteldheid), v. gmv. Vlt;knt {kerel, man), ni. - en, gin/..; âJe {knaapje, jangrije), o. Ook; \'enters. Vlt;'nfa {Spuamsehe herberg, pleisterplaats), v. â quot;s. Ook: Vendita. Venlrn {langs de huizen te koop aanbieden). ik heb gevent. Ventilatie (luchtrei*verschi)ig), v. âs, â liën. Vlt;'nfilator {toestel tan r er se he lacht in een eert rei' tc brengen), m. â s. Ventileeren {luchten: run alle kanten beschouwen ; schiften). Venlose {de of wind)naand, ran l'J februari tot t'J Maart), m. gmv. Venfrilo4|ne (buikspreker), m. on v. ân. Venus (myth, godin der schoonheid eii liefde), v. gmv.; -dienst (mytli. eeredienst aan \'i,nas bewezen), m. gmv.; â liaar (een soort varen die op den St. Pietersl.erg bij Slavantegmeit), o. gmv.; â slsik {sluk der venusschelp), v. â slakkon; âtempel (goscli. gewijd aan Venus), m. â s. Ver (spraakk.; voorvoogsol), diont tot vonning van w.w., b.v. verjagen, verdrijven, il. 1. weg; vergissen, verrekenen, d. i. vorkoord; verschansen, eersperren, verbinden, d. i. voor olquot; ⢠â¢voi : cerzilreren, vernikkelen, verbloemen. d. i. ovor; rerzorgen, verplegen. d.i. voor olquot; ton holioevo van: verkleeden, vermaken, d. i. andors; verdampen, verwateren, versteen en, worden of maken. Ver (afgelegen, verwijderd), bn. en bw., verder, vrrst; een âre neef, niet na verwant; een â re hoop, ver wachting \ i)i een â land', bw. het â brengen, goed vooruitkomen; hel dorp lag â beneden ons, diep; die taal gaat te is te boud; lees niet verder; wie van die teerlingen is het verst'.'; /ellst. n\v. liet ver-«iere(/ie£ overige, hetgeen volgen moet), o.gmv. Veraangenamen, ik bel) veraangenaamd. Hij zoekt het leven zijner ouders te â, aangenaam te maken. Veraansehoiiwlt; lijkf-n {aanschauwelijk voorstellen), ik heb âaanschouwelijkt; zijn onderwijs door platen â. Veraarden (ontaarden), ik ben âaard. Veraelitelijk (laag), bn. en bw.; â heni. v. Veraeliten (met minachting bejegenen), ik heb âacht; âer. m.; âing'. v. V«'ralt;llt;'men (tot kalmte Komen), ik heb â ademd k'eral' (of) Veralseh â verafschuwd. Veranda (uitgebouwde galerij aan een woning, aan een zomer sociëteit, enz.), v. â s. Vlt;»ranlt;leren. ik heb en ben veranderd; een kleedingstuk â, anders, beter maken; het (diep verachten), ik heli |
weer gaat â: van meening, partij, stem, enz. wisselen. Verandering, v. âen; alle â is geen verbetering. Veranderlijk, bn.; het weer is â, een â humeur; â held. v. Verantwoordelijk, bn.; een â minister, een â ambtenaar, die geroepen kan worden om rekenschap te geven. Verantwoorden (rekenschap geven, verdedigen), ik heb âantwoord: âer. m.; â inji'-v. Verarmen, ik heb en ben âarmd; de oorlog âarmt de volken; schulden betalen âarmt niet, d.i. maakt niet armer; â in;;', v. Verbaal {Woordelijk, mondei ijk), bn. Verbaal (verkorting van procesverbaal), ... âbalen. Verbaasd (ontsteld, erg verwonderd), bn.; â staan; â lieid, v. Verbaliseeren (beboeten, proces-verbaal maken). Vlt;^rbalisant (dienaar der politie die procesverbaal maakt), m. -en. Verband, o. âen; o is geen â in dat opstel, samenhang; well: â bestaat er tusschen die zinnen? betrekking; die goederen liggen onder â, hypotheek. Verbandkist (die de hulpmiddelen bevat voor het verbinden van gewonden), v. âen; â linnen, o. gmv. Verbannen, ik âbande, heb âbannen; 't'he-mistocles werd uit Athene in ballingschap gezonden; ik wil geen ernstige gedachten â . (Koetsveld), verdrijven; â nin^'. v. Verbasteren (ontaarden), de zeden zijn â -basterd; â injar, v. Verbazen (doen opzien), ik heb verbaasd; zich â; âin;;', v. Verbazend, bn. en bw.; een âe inspanning; hij spruk â rad. Verbeelden, ik heb verbeeld; dit verbeeldt den brand van Moskou, d.i. beeldt af, stelt voor. Verbeelden (zieh). ik heb mij -beeld; gij hebt u dat âbeeld, het bestaat enkel ik uw verbeelding; âin;;-, v.; â in^'skraelit. v. Verbeiden (wachten, afivachten), ik heb âbeid; âer. m.; â in^quot;. v. Verbeteren (beter maken), ik heb en ben â beterd; zich â ; âin;*', v. Verbeteren (zieh). ik heb mij âbeterd; de zoon beloofde zich te â , oen beter leven te gaan leiden. Verbeurt verklaren, ik heb âverklaard; de goederen, de vaten jenever teerden â -verklaard, aan de schatkist ten deel doen vallen, in beslag nemen; â injjf, v. Verbeuren (verliezen), ik heb verbeurd: iem. achting â ; iem. vriendschap â ; er is niet veel aan âbeurd; pand â, gezelschapsspel. (C. O.) V erbeurte, v. gmv.: op â van goed en leven. d. i. verlies. Verbeuzelen (verspillen)^ ik heb âbeuzeld; tijd -. Verbidden (vermurwen, overhalen), ik â bad, heb âboden. Verbieden (beletten), ik âbood, heb -boden. Verbijsteren (verwarren. bedwelmen), ik heb en ben âbijsterd; - in;;', v. Verbijten (zieli). ik beet. heb âbeten; H: verbeet mij run 't lachen, van woede enz., op zijn tanden bijten, zich met moeite inhouden. |
20*
V Ki: BI N D K N - V KUDING.
|
VerbiiKlcii {anders binden, samenbinden), ik â bond, heb âbonden: een wonde â. Vorbintlen (xicli). ik âbond mij, heb mij â bonden, ik verbond mij tot die bijdrage, d.i. verplichten. \'erbiiilt;liii^ (uereenujing). v. âen. Vt^rbiiitoiii» (contract, verbond), v. âsen. Verbitterfl {vertoornd),hn. en bw.; â liei«l,v. ^gt;rbitter«kii. ik heb â bit ter d ; die zoon verbittert hem het leren, bitter maken; â 'â iff- v. Verblc'ekoii. ik ben âbleekt; zij verbleekte bij die woorden, bleek worden; - iiitt'. v. Verblijden {blij maken), ik heb â blijd. Verblijdf^n (%ilt; li), ik â blijdde mij, heb mij â blijd; wij zullen ons â bij die tijdinrj; â -ills'- v. \'lt;krbli|â¬leiilt;l. bn.; een âe gedachte, een âe Hjdiruj. Verblijf (o/tonthoad), o. âblijven; -plaats, v. âplaatsen. Vlt;'rblijveii. ik verbleef, heb en ben âbleven; de zaak verblijft aan n, ^ij blijft de meester, de regelaar;ik verblijf uw dienstw. dienaar, in de toekomst zijn. Verbliii«l {als blind), bn.; --beid. v. Verblinden {blind maken, fig. begoochelen), ik heb âblind: iem. door schoone beloften â. Verbloeden {doodbloeden), hij âbloedde, is â bloed: â injf. v.: de man stierf aan â ing. ^ «'rbloeiiKi {beeldsprakig), bn. en b\v.; âc /aal: â spreken, bedekt, geveinsd. V4krblolt;'iiien {verbergen), ik heb âbloemd; hij zoekt de toedracht der zaak te â; een gebrek â, bewimpelen; â iiitt'. v. VerbliifTen, ik heb âbluft; de koopman meende mij te â , uit het veld te slaan, â -Ier- m.; â fin^v v. Verbod {het verbieden), o. gmv. Vlt;'rboeken {overboeken), ik lielj -boekt; â ing'. v. Verboeren {door V landboatvbedrijf geld verliezen), ik heb âboerd; lig. crgois â, boerachtig worden. Verbolg:lt;'n {toornig), bn.; de â Oceaan-, â heid {gramschap), v. Verbond, o. âen; de arke desâs: het Oude en Nieawe â; het drievoudig â, d. i. de Triple Alliantie (i(iG8); het â der Edelen ( ITMm). Verborgen {geheim), bn. en bw.; â lieilt;l. v. â heden. Verbositeit {omluail van woorden, tvijdloo-pigheid), v. gmv. Verbouw, m. gmv.; de â van een ha is; de â van granen. Verbouwen {anders bouiven, ook leien), ik heb âbouwd; â injjf. v. Verbonwereerfi (onthutst), bn.; âbeid. v. Verbrassen {verkwisten in overdaad), ik heb â brast; â brassc^r. m.; âbrassing, v. Verbreiden, ik hel» âbreid; het nieuws, het gerucht werd verbreid, bekend; zich â, ruchtbaar worden; âer. m.; âing:. v. Verbreken (stuk maken; lig. schenden, herroepen), ik heb âbroken; een afsluiting een contract â, een eed â. Verbrijzelen {stuk slaan, vermorzelen), ik heb verbrijzeld; met een moker iets â; het â de lichaam van den verongelukte; fig. een âd hart, rouwmoedig. Verbroeiden {bederven), ik heb â brod; hij zal ons spel â. (Vondel.) Ook: Verbroddelen. Verbroederen {tot broeders, innige vrienden maken)* het heeft verbroederd; niets verbindt en ât rnew dan de kunsten. (Klikspaan.) |
Verbruid {erg, slecht), bn. en bw. (en tw.). Verbrnien {bederven), ik heb âbruid; die knecht heeft het bij zijn meester verbruid, verkorven; ik verbrui het, bedank er voor. Verbruik, o. gmv.; er is van dat artikel veel â. omzet. Verbnig'en {anders buigen), ik âboog, heb â bogen; een staaf â; een woord â (spniakk.); -ing'. v. Zie: lleelinatie. Verdaebt {minder goed), bn.; een â huis, een âe plaats; dat komt mij â voor; op iets â bedacht, op zijn hoede; ik wensch u niet â te maken. Verdagen {uitstellen), ik heb âdaagd; het vonnis werd verdaagd; ik zal je een handvol gebroeid geven, dat je hart er van verdaagt. (C. O.), opspringt van blijdschap; âing. v. Verdedigen, ik heb âdedigd; een vesting-, verweren; een stelling â, staande houden; â baar, bn.; âer {advocaat), m.; âing. v. Verdedigen (zieb) {zich weren), ik heb mij â dedigd. Verdeelen {verbrokkelen), ik heb âdeeld; een landgoed â, een erfenis â; de stemmen zijn verdeeld; âdiieid,v.; âer. m.; âing. v. Vèrdeeinoedigen, ik heb â moedigd: gij moet u voor (lod â, vernederen; âing, v. Verdek (zeew. het dek), o. âken. Verdelgen {uitroeien, dooden). ik heb âdelgd; insecten â; âer, m.: âing, v. Verdenken, ik âdacht, hel» âdacht; iem. goede trouw â, verkeerd denken van; - ing. v. Verder, bn. en bw.; een â land; spreek niet â. Zie: Ver. Verderf {ondergang), o. gmv.; 't eeuwige â. Verderfelijk (hoogst mu tee lig), bn. en bw.; een âc invloed; alcohol werkt â. Verderven {bederven, ondermijnen, vernielen), ik âdierf, heb en ben âdorven; â ing, v. Verdieliten {dichter maken), ik heb âdicht; gassen, dampen â. Verdieliten (teifttenArcn), ik heb âdicht; âer, m.; âing, v.; â sel. o. Verdichtsel {fabel, logen), o. -en, â s. Verdict {uitspraak eener rechtbank van gezworenen, beslissing), o. -en. Verdienen (winnen), ik heb â diend; geld â; zijn brood â; lof â ; een berisping â. Verdienste {loon), v. ân; in den whiter zijn de ân niet groot; een man van â, talent, gaven. Verdienstf'lijk (met of vjI verdienste), bn. en bw.; zich â maken; een â ambtenaar; hij heeft â gewerkt; â beid, v. gmv. Verdiepen {dieper maken\, ik heb âdiept; zich â in iets, ernstig peinzen over iets: men ât zich in gissingen, zich bezighouden met; hij stond in droefgeestigheid ât, verzonken. Verdieping {van een gebot'w), v. âen. Verdierlijken, ik heb en ben âdierlijkt; zich. â , d. i. als een redeloos dier handelen; losbandig leven; âing, v. Verdietscben (vertolken), ik heb âdietscht; -ing:, v. Verdijd {verdoemd), bn. (en tw.); die âe vent! Verdijen {bepaald weigeren), ik heb âdijd; ik verdij het om dit te doen, ik verbrui het. ; Verdikken {dikker maken of worden), ik j heb en het is âdikt; âing, v. I Verding {vergelijk), o. âen. vero. |
V K m )(quot;) BB K LK X - V KI {!â¢: FI' K N1-: X.
|
Vei'4lolgt;lgt;â¬Â»llt;gt;ii. ik hol) âdol)bekl; have on vrijheid â, door het dobbelspel verspelen. Verdcwkon, ik hel» âdoekt: een schilderij â, op een nieuw dook overbrengen; â insiquot;. v. Verdoemd, bn.; een â bedrofj, vloekwaardig. Verdoemde (persoon), ni. en v. â n. Vâ¬krdoemelijk (verwenseht), bn. on bw. Verdoemeling: (onzalige), m. en v. âen; voor het v. ook â e. Verdoemen (ueroordeelen), ik hol» â doeind; hij verdoemt (plat: verdomt) dit of dat tr doen. vervloekt het; âer. in.; â inj;*. v. Verlt;loemeiiis (eeuwige of helsehc straf), v. gmv. Verdoen, ik âdeed, hel» âdaan; hij verdort veel geld, verkwist; hij tuil zich â, van kant maken. Verdokteren (aan den dol,ter kwijtraken), ik heb â dokterd; veel geld Verdolen (verdwalen), ik ben âdoold; wij zijn ia het bosch verdoold-, â ing;', v. Verdonkeremanen (verduisteren), ik heb â maand; gelden â, ontvreemden, wegfut-selen. Verdonkeren (donker worden), ik heb en het is â donkere!; men zag zijn gelaat â ; gelden â, stil ontvreemden; â ïngi', v. Verdooldlieid (dwaling), v. gmv. Verdooven (doof of dof maken), ik heb en ben âdoofd; de dokter zal de pijn â, stillen; door den val ivas hij geheel verdoofd-, zijn ijver zal wel wat â, verflauwen; â in$£. v. Verdord (lerdroogd, dood), bn.; een âe tak; âe pracht. (C. O.); tw. b.v.: wel verdord! â -held, v. Verdoren (gek worden), bij is verdoord. vero. Verdorren (verdrogen), het is âdord; de bloemen gaan â; lig. verdorrende el lend. (Da Costa); â in$?, v. Venlorven. bn.; de â jeugd, zedelijk bedorven; â held (zedelijk bederf), v. Verdraaglijk (te lijden, te dulden), bn. Verdraa^aam (meegaand), bn.; â lieiil. v. Verdraaid, lm.; een sukkel, verdraaid genoeg om voor een schildpad door te gaan. ( Staring), wanschapen; tw. b.v.: ivel verdraaid ' â lieid, v. Verdraaien, ik heb en ben âdraaid; verdraai den wijzer, d. i. anders zetten; de knecht verdraait het, verkiest het niet te doen; hij zal het slot nog â. stuk draaien; iem. ivoor den â , verkeerd overbrengen; âer. m.; âing', v. Verdrag? (overeenkomst), o. âen. Verdragen (dulden, lijden), ik âdroeg, heb â dragen; â ing. v. Verdriedubbelen, ik heb â dubbeld; dat zal uw oogst drievoudig maken. Verdriet (hartzeer), o. gmv. Verdrietelijk (hinderlijk), bn.; â lieid. v. Verdrieten, hot âdroot, heeftâdroten; alles verdriet hem, onaangenaam zijn; dit heeft tms erg verdroten, spijt gedaan. Verdrietig, bn.; een â werk, onaangenaam, hinderlijk, lastig. Verdrievotidigen (drievoudig maken), ik heb âdrievoudigd; hij wist zijn inkomen te â. Verdrijven (verjagen), ik âdreef, heb âdreven; muizen en ratten â; den tijd, de zorgen â; den vijand â, wegdrijven; â ing, v. Verdringen {van tie plaats dringen), ik â -drong, heb âdrongen: iem. â, onderkruipen; de menigte verdringt zich in de zaal; âor. in.; âing. v. |
Verdrinken, ik âdronk, heb dronken; een hond â- zijn geld â, al drinkende opmaken; hij was verdronken, eer hij water had gezien, voor de verleiding bezweken, eer die verleiding voorgoed begon. Verdrogen (uitdrogen, dor worden), het is verdroogd; die boterham zal â ; ilat is verdroogd vleesch. VevtiriiMtcn(onderdrukken), ik heb â drukt; â er. m.; âing, v. Verdrukker (tiran), m. âs-, âen. Verdubbelen, ik heb âdubbeld; zijn ijver â, zijn spoed dubbel maken; âing. v. Verdnbbeigetal (de woorden op -vond), o. â len; twaalfvoud is een â. Verduidelijken (ophelderen), ii:heb âduide- lijkt; de verhandeling werd met proeven en platen verduidelijkt; âing, v. Verduisteren, ik heb en het is âduisterd; de zon, de maan werd verduisterd, gelden â, ontfutselen; âing, v. Verdnitselien (in hetXederlandsch vertalen: ook, verklaren), ik heb â duitscht; âer, m.; â ing, v. vero. Zie: Verdietschen. Verduiveld, bn. en bw. (en tw.); een â leven! helsch, verfoeielijk; Je loopt â hard, d. i. erg, buitengewoon hard; â, ivat een mooi schilderij! Verdnixend vonden. â vondigen (duizendvoudig maken), ik heb âduizendvoud, â voudigd; de rijkdom des koopmans door den tooverstaf des handels âvoud. (Potg.) Ver«lnnnen (dun, dunner maken), ik heb â dund; bier â, wijn â; âing, v. Vvriluren (verdragen, dulden), ik heb âduurd; dat geraas is niet te â; dat ornaméntwerk verduurt den bouw. duurder maken; âing, v. Verdniirzamen (duurzaam maken), ik heb â duurzaamd: levensmiddelen â. Ver «In wen (verteren), ik heb âduwd; een kind kan geen manskost â; âing, v. Verdwaasd (gek, zot), bn.; een â volk, cm â geslacht, uitzinnig. Verdwalen (dolen), ik benâdw.aald; ik was in het hotel â, kon mijn kamer niet vinden. Verdwijnen (onzichtbaar worden), ik â -dween, ben âdwenen; nu is al mijn hoop verdwenen, vernietigd, te loor; â ing. v. Veredelen (edeler, fijner maken), ik heb â -edeld; een vruchtboom, een vrucht â; zij willen den volkszang â: âing, v. Vereelten {tot eelt worden), ik heb en het is â eelt; mv handen zijn vereelt, d. i. met eelt-kussens bedekt, verhard; het geweten van dien hooswicht is vereelt, ongevoelig; -beid. v.; -ing. v. Vereenen (samenbinden, één maken), ik hel» â eend. Vereenigen (samenvoegen), ik heb âeenigd; â er, m.; âing. v. Ook: Vereenen. Vereenvoudigen, ik heb â voudigd;een breuk â (rekenk.); een administratie â. op eenvoudiger voet inrichten; âing, v. Vereenzelvigen (tot één maken), ik heb â -zelvigd; âing, v. Vereeren (eer bewijzen), ik heb -eerd; -ing. v. Vereering {eerbewijs, geschenk), v. âen. Vereenwigen,ik heb âee\\wig(i;zijn naam onsterfelijk maken; met het penseel â. eenwig doen leven op het doek; ivilt gij de deugden uwer groote mannen â? (C. Ã.j; -ing. v. VerefTenen (effen maken, afbetalen), ik heb âeflend; een geschil â : een schuld -, afdoen; -ing. v. |
4.Vt VERETSC H - VERGEVOTÃDEHD.
|
Voreiseli, o. gmv.; naar â van omstandigheden, naar deze liet vorderen. Vereisehen {vorderen), ik heb â eischt: «lal iverk vereischl veel kennis, vod over Ier/, vragen. Voreisclite (het (jevnrderde), o. â n; kennis van het Engelsch is hij dal examen geen â; de ân van een examen. Verenkelen, ik heb âengeld; zij waren door de liefde verengeld, dicht, gelukkig als engelen. Verenft'en (naaiver maken), ik hel) â engd; die huis moet wat verengd worden; -injff, v. Verenkelen {verdeden, splitsen), ik heb â enkeld; â inft-. v. Verpr^eren (erger maken, worden), ik hel) en ben â ergerd; dr wonde verergert; â v* Verevenen (yercjlenen), ik heb-evend;-in^,v. Verf (kleiirsfof ), v. verven. Verfbord. â¢gt;. âborden; âbordje, o. â s; --lNgt;rNlel, rn. â s; -doos. v. â doozen; --liandelaar. 111. âs: â ban «lel aarster. v. â s; âbont (om er verf' uil Ie bereiden'. o.; âkooper. in. â s; â kmisf, v.; â kwast (horstel), m. âen: âmes (tempermes), o. â messen; â molen (om verfstof fijn Ie maten), m. â s; âmos (grondstof van lakmoes), o. gmv.; â poeder. - poeier, o. gmv.: â pot. m. âpotten; âspatel (strijkmes, tempermes), v. âs: -spikkel, m. âs; --steen (wrijfsteen), in. â en; âstift, v. â en: â stotfen. v. mv.: koopman in âen; -waren, v. mv.; âwinkel, m. -s; -wrijver (bereide)'), m. â s. Verfijnen (fijner mal,-en), ik heb â fijnd; den smaak â, de zeden â ; verfijnde wreedheid; â in};', v. Verllanwen, ik ben â llanwd; zijn ijver gaal â , minderen; die vi'iendsehap zal wel â, verkoelen, verminderen; â iny. v. Verfllensen {verwelken), ik hen â (lenst; dat de bloemen ras â, merken daaglijks alle mensehen. (Bild.); â iiift*. v. Verfoeien (diep verachten), ik heb â foeid; â ins-, v.; â sel, o. Verfoeilijk (afsehuudijl.), bn. en bw.; een â e lengen; hij spreekt â slecht Fransch; â beid. v. Verfoeliën. ik heb â Ibelied; spiegelglas -, met een laag foelie of kwiktin overtrekken; â foeliesel. o. Veri om taaien. Vlt;krf'4»mfooieii (bederven, cerkreuken), ik heb âlomlaaid; wie heeft dien hoed, die japon, diegedichten zoo verfomfaaid'.' Verfommelen (verkreukelen), ik heb â meld. Verfraaien (opsieren), ik heb, hot is â frasiid; â in$s'. v.: tot verfraaiing der stad. Verfranselien.ik heb âfranscht; in die dagen zocht men de zeden te â, een Fransche plooi, vorm te geven; -inftV v. Verfrisseben (frisch maken), ik heb â frisclit; hij zoekt zich aan het strand te â ; â iii^1, v. Vèrfrissebeml, bn.; een âe drank, een âe koelte. \vTVmntn\v\et\(verkrenkelen), ik heb â meld; wie heeft dat tijdschrift, die krant zoo ver-frommelde Ook: Verf ronselen. Verbaan. l)et âging, is -gaan; het schip is â , te gronde gegaan; hij verging van koude en gebrek, sterven; de last er toe is n â; onkruid vergaat niet; I too ren en zien verging ims, wij werden verbijstenl van bot lawaai. Vergaderen (te gader komen), ik hob en hen â gaderd; het gezelschap is vergaderd, bijeengekomen; de ratal is vergtitlerd; â iiitt'- v. |
Verballen (bitter maken), ik heb â gald; een visch â, bederven bij quot;t schoonmaken; iem. genoegen â ; iem. leven â ; tie zorgen zullen mij de bot niet â, het leven niet bederven. lies werehls zwijmelkelken â in den nood. (Da Costa); âingr, v. V«'rj^aloppeeren (zieb), ik heb mij -galop-peerd; nu gaat gij a â, onvoorzichtig zijn in woorden of daden. Vergankelijk (onbestendig), bn.; alles op aarde is broos, tijdelijk, kortstondig; â -beid. v. Vergapen (zieb), ik heb mij â ga:ipt; a niet aan 's werehls schijn. (Bild.», laat n niet bedriegen. Verbaren (verzamelen), ik heb â gaard; schatten â , wijsheid â; âins:, v. Verbasten (onthalen), ik heb âgast; zich â, zich genoegen verschalïen. Verbauwen (te ga a w af zijn, verschalken), ik heb âgauwd; hij (Kard V), de schranderste staatsman des tijds, was door zijn leerling (Maarits van Saksen) vergauwd. (Potgieter). Vergeeflijk, Vergefelijk (verschoonbaar), bn.; een âe misslag; âbeid, v. Vergeefs (vruchteloos), bw.; â vragen, nutteloos. Zie: Tevergeefs. Vergeefseb (nutteloos), bn.; âe moeite. Vergeetaelitig (slecht van geheugen), bn.: â heid, v. Vergeetal, m. en v. â len; utr broeder, uw zuster is een rechte â. Vergeetboek, o. gmv.; tlat zal wel in het -raken, voorgoed vergeten worden. Vergeet-miJ-niet. Vergeet -me-niet (bloempje), v. -en. Vergelden (beloonen, betalen, vertjoetlen), ik â gold, heb âgolden; âer, m.; â ing {lotm of straf), v. âen. Vergelijk, o. âen; een â tri'lfcn, een overeenkomst, verdrag, accoord. Vergelijken, ik âgeleek, heb âgelekon; twee dingen met elkaar het gelijke on ongelijke opsporen: men vergelijkt het leven bij een bloem, op rén lijn stellen. Vergelijking, v. â en; een â trekken tasschen de jaargetijden en het menschelijk leven; een â van den eersten graad, een vierkants â (alg.); de trappen van â. (spraakk.) Vergemakkelijken (gemakkelijk snaken), ik heb âgemakkelijkt; iem. zijn werk â, lichter maken. Vergen (eischen, vragen), ik heb gevergd. V ergenoegd (tevreden), bn.enbw.; â bei«l. v. Vergenoegen (tevreden stellen), ik heb â go-noegd; âing (bevretliging), v. Vergetelbei«l, v. gmv.; aan de â onttrekken, in herinnering doon blijven. Vergeten, ik âgat, heb on ben âgeten; ik ben die taal â, uit het, geheugen kwijt; ik heb mijn bril -, thuis laten liggen; ik heb â den brïef te/gt;ezo)v/e», verzuimd; -ge«»taebtig. bn. Vergeven, ik -galquot;, heb âgeven; een misslag â ; een beleediging â, vergifleuis schenken voor; de betrekking is reeds â, er is iem. benoemd; -er, m.; âing. v. Vergeven (dour vergif ombrengen), ik â gnl', heb âgoven; muizen en rttllen â; zij heelt zich â; - ing. v. Vergevensgeasintl, bn.; -beiil. v. Vergeving (vergi/fenis, -jok vergifligintg), v. gmv.; âen. Vergevorilâ¬Â»r«l, bn.; op âen leeftijtl. oud. |
v f: n r; i-: w i ss k n - v k m i i: i . p k x .
ik li0lgt; mij â gowist, heli âi^ezoM. |
d. i. verzekerd.
Vergezellen {begeleiden).
Ook: Verzeilen. V«'rg:ez«»lseliaigt;i»eii(?'e/Y/r*re//^//), ik heb â go-zelschapt; â ing*. v.
Ver^ziciit. o. âon; een â op een rivier. Vergieten, ik âgoot, hel» âgoten; tranen â. \ bloed â, storten; â â¬Â»r, m.; âinsquot;, v.; âfesl (plateel met gaten), v. âen.
Vergif, Vergift (venijn), o. âgiften. Vor^ifleniK (kiuijticheldinfj), v. gmv. Verg-iftig: (venijnig), bn.; een âe slang. Vergiftigen (vergiften), ik heb âgiftigd;
âer. m.; â in}?, v.
Vergissen lt;%ieli). ik heb mij âgist; ik heb mij vergist, misrekend, bedrogen; â ing, v. Verglaassel {glazuur), o. gmv.; het â in aarden potten en schotels, poiijstsel. Verglazen (met glazuur bedekken), ik heb
â glansd; â glazer, m.
Vlt;»rgotleii (fig. onmatig vereeren), ik heb
â good; een kunstenaar â, een schrijver â;
â er, m.; â ing, v.
Vergoeden (schadeloosstellen), ik heb âgoed;
â ing, v.
Vergoelijken(uersch onen),ik heb â goelijkt; nu zoekt hij zijn misslag te â, een f raaien glimp te geven aan, te verbloemen; zijn tekortkomingen â; âing, v.
Vergooien (ver keer a, verloren gooien), .k hel» â gooid; zich â, zich verlagen in zijn gedrag.
VergraiiHl (boos), bn., â lieid. v.
Vergranimen (vertoornen), ik heb en ben
â gramd.
Vergrijp (misstap, overtreding), o. âen; een
â tegen, de goede zeden.
Vergrijpen (xieli), ik âgreep mij, heb mij -grepen; hij vergreep zich aan ons eigendom, (tan onze eer, aan onze rechten, d. i. de srhendende hand slaan aan.
Vergrijzen (grijs worden), ik ben â grijsd. Vergriniinen (woedend worden), ik ben â -grimd.
Vergroeien, ik ben âgroeid; bij dat kind zal het litteeken nog wel â. al groeiend verdwijnen; die boom is âgroeid, verkeerd ol' krom gewassen; âing, v.
Vergroot en (grooter maken), ik hebâgroot; een feit â, een voorval grooter voorstellen;
â er. m.; âing. v.
Vergrootglas (lens), o. â gjazen. Vergroven (grover, erger voorstellen), ik
â grool'de. heb â groolVl; een misdaad â; cru gezegde â.
Vergruizelen (verbrijzelen), ik heb âgrni-zeld; de spiegel viel en vergruizelde op de sternen; -ing, v.
Vergruizen (verbrijzelen), ik heb âgruisd;
â ing, v.
Verguizen (verachten, vernederen), ik heb
â guisd; iem. met smaad, minarhting be-jngenen; âing (smaad), v.
Vlt;'rgiil4len (met een laagje goud overdekken), ik heb âguld; âer. m.; âing. v.; âsel, o.;
â kas (lt;»/ een boekwinkel), v.; ânies. o.;
â penseel, o.; âwerk. o.
Vergunnen (toestaan), ik heb âgnnd; â iaig.
v.: dit ko/J'iehuis heeft geen âing, recht om sterken drank te verkoopen.
Verliaal (vertelling, bericht), o. â h:den. Verhaal (herstel), o. gmv.; wij zulb'n er â
ik
op nonen; zijn â hebben op iem.; er is geen
â op hon, daar hij te arm is; ik kan niet | op mijn â komen, de krachten terugkrijgen.
Verhaaltrant (manie), wijze van vertellen), m. gmv.
Verhaasten (bespoedigen), ik heb âhaast, j Verhaast, o (lod, dien stond.' (Da Costa). Verhabbezakkeii(.s7^7// hehandclen), ik heb
â habbezakt; iem. â, niet achten. Verhagelen (door den hagquot;! verwoest wor-
i den), het is â hageld; al het koren, al de tabak is verhagdd.
Verhakstukken (van nieuwe hielen voorzien), ik heb âhakstukt; fig. is hier iets te I d. i. te werken, te verhandelen, te schachelen. Verhalen (verteilen), ik heb en net is âhaald; mijn vriend zd u alles â, mededeelen; iets op iem. â, zich schadeloos stellen; de ijsbeer verhaalt hun krijgskunst op zijn prooi (Tollens), betaald zetten; wij moeten ons eerst een weinig â, tot adern komen; âer, m. Verhalvezolen, ik heb âhalvezool.l; ik laat deze schoenen â, van nieuwe halve zolen I voorzien.
Verhamlelbaar (verkoopbaar), bn. Verhandelen (fig. bespreken, behandelen), ik heb âhandeld; âaar (redenaar), m. Verhamleling (redevoering), v. âen. Verhang (afhelling, afloop), o. gmv. Verhangen (anders hangen, anders o/thau-i gen), ik heb âhangen; zich zich dooreen strop om het leven brengen.
Verhanselen (oplappen), ik heb âhanselil; het vrouwtje zat dit kieltje nog tv el wat â. een paard â, verkwanselen, verronselen. Verhard (fig. ongevoelig), bn.; hij is â in 't kwaad, d. i. verstokt; âheid. v. Verharddraven, ik heb âharddraafd; een beker doen â; een gouden zweep laten â. Verharden (hard maken), ik heb en ben
â hard; stopverf verhardt in de lucht, hard worden; ze zijn verhard in't kwaad-, â ing. v.
Verharen (ruien), het paard is âhaard. Verhaspelen (verknoeien), ik heb â haspeld; een opstel, een gedicht â, bederven. Verheeren (verwoesten, verdelgen), ik heb
â heerd; het land lag yerAm't/, overmeesterd; alles te vuur en te zwaard â, verdelgen;
â der, m.; âing, v.
Verheergeu alt;len (lot een leen verheffen), ik heb âheergewaad; iem. met een land â. d. i. hem het land in leen geven, laten besturen. Verlieerli|ken. ik heb âbeerlijkt; lt; lads naam â. loven, prijzen, roemen; hij uuts er mee verheerlijkt, zeer in zijn schik, zeer vereerd: â ing. v.
Verhellen, ik -hief. heb âheven; zijn stem tegen iets â, tegen iets opkomen, protesteeren; tot een waardigheid, in den adelstand â. bevorderen, benoemen ; een getal tot een macht
â (rekenk.); zich op zijn rijkdom â, trotsch zijn op, groot gaan op; op die daad mag hij zich â, trotsch zijn; de wind, de koorts bvgon zich te â, sterker worden, toenemen; het oproer ging zich â. opsteken; zijn hart tot iiod â. bidden, smeeken; -ing. v.
Verheid (afstand, verwijdering), v. âheden. Verhelderen (helder maken of worden), ik heb en het is â helderd; âing, v. Verhelen (verbergen), ik heb -beeld; zijn oiisnocgoi -;/â »'/# teleurstrlling â, verzwijgen. Verhelpen (beter ïnaken), ik âhielp, heb
â holpen; ing. v.
v lil» 11 !â¢: M i-: I. I â¢: n - v i-: i{ k l a aim).
|
V«ki*li^iiickllt;'ii (ophcnialcn), ik lid» -hemeld; : hij zoekt zich zelf te â, te vorlielVen. \vrl\emviie (yeivcl/'in den mond; nok horen- 'â deel van een troon, tent, ledikunt, on/..), o. â n. Verheii^'d (blijde, opnernimd). Lm. en b\v. Verheugen (blij maken), ik lieb â heu^d; nw fjedrafi verheinjt ons: hij verheugt zich in zijn geluk, blijde zijn. Verlien^'ing- (blijdsrha/i), v. âen. Torlievelins' (verschijnsel), v. âen; de âen in den dampkring, regen, hagel, sneeuw, enz. i Verlicven (voortreffelijk), bn. en b\v.; een â | stijl, - daden-, â denken-, â lioid. v. Vf^riiiiid^reu (beletten, voorkomen), ik lieb â hinderd; â in^*. v. Verliit. lm.: â door den f/m)?/.', opgewonden; een âte verbeelding, d. i. vurig, onmatig, ziekelijk; â v. Vcrliitt(gt;ii (doen gloeien, lig. ojnrekken), ik lieb âhit; â v. Vt^rlioeclon {voorkomen), ik heb â hoed; tvij zullen dat onheil â; moge God het â! beletten; â ins*, v. VorlioefslaK'lt;kii (een stuk bouwland in stagen verdeelen), ik heb â Imefslaagd; â ina1, v. \ (verknoeien, verbroddelen), ik heb â hoeteld. ^erliolen (bedekt, verborgen), bn.; een â vreugde; een â afleiding (spraakk.); VerlioiKlprflvoiidi^n. ik heb â honderd-voudigd: met den too verst af ties handels verhonderd-, verduizendvoud. (Potgieter), aanzienlijk vermeerderd. Verlioog:eii (hooger maken, ook in prijs), ik heb âhoogd; âiiig', v.; â*«'1, o. Verhoor (ondervraging), o. âen: het - dei-getuigen in een proces; iem. in â nemen; hem ondervragen. Verliooren (ondervragen), ik heb â hoord; geen twee getuigen ivorden gelijk verhoord; ik heb hem de les verhoord, afgevraagd; verhoor, o God, zijn aanroep niet (Volkslied), d. i. gunsiig aanhooren; â inj;. v. Verlioovaarflitren (xioli). ik heb mij -hoo-vaardigd; hij verhoovaardigt zich op zijn geboorte, d. i. trotsch zijn op. Verhopen (hopen op), ik heb âhoopt. vero. Verlioiiclen (zich), het verhield zich, heeft zich verhouden; twee kapitalen â als 2:3, tot elkaar staan. VerlioiKiiiig* (betrekking), v. âen; de leer der âen; onze â is vnendschappelijk; naar â , naar evenredigheid. Verlmizen (van ivoning veranderen), ik ben â huisd; â linizin^'. v.; â liiiislt;la£', m.: â Iiiiistijcl. m. Verlmron (in huur geven), ik heb â huurd; â Iinriiig. v.; â hiiurcler, m.; -Ininr-kantoor. o.; â linurtijd, m. Verlmtselen (schuddend verplaatsen), ik heb â hutseld; lig. verfomfaaien. Verli.vpotliekeeren (mei een hypotheek bezwaren), ik heb â hypothekeerd; een landgoed â. Verificateur (ambtenaar, die de echtheid van zaken, b.v. eenér aangifte onderzoekt), m. â s. Verificatie (onderzoek naar de echtheid; waarmerking), v. gmv.; â coimnissie (die belast wordt met het onderzoek naar de rich-tigheid van '1 geldelijk beheer van een vereenig in g), v. â siën, â s. Verificeeren, Verifiecrcn (onderzoeken n tar de deugdelijkheid). |
Verijdelen (doen mislukken), ik heb â ijdeld, nu is al mijn hoop verijdeld, te niet; âinjr, v. Veri|«iclf nif^^n, ik hel» â ijdeltuit; zijn tijd â; zijn geld â, op lichtzinnige wijze verspillen. Verinteresten (op interest loopen), het is â interest. Veritas (waarheid); in vino â, in den wijn is de waarheid, d. i. de wijn maakt de tong los; het oude in vino â werd bewaarheid. (Potg.) Verjaardag, m. âen; âdiclit, o. âen; âfeest. o. âen; â$;-esclienk, o. âen. Verjagen (verdrijven), ik âjaagde (âjoeg), heb â jaagd; âer. m.: â injf. v. Verjaren (jarig zijn), ik ben â jaard; â injï. v.; â iiifi'sfloest, o.; â in^sylt;'sclienk. o. Verjaren (door ouderdom zijn recht verliezen), het isâjaard; verjaarde rechten, âpanden (in een lommerd). Verjen^ditf'iiift' (het opnieuw jong worden), v. gmv.; de â der natuur in de lente. VerjoiiK-en (jong maken), ik helt en ben âjongd; in de lente is heel de natuur verjongd, jung, nieuw, herboren, â in;;,« v.; â in^skimr (gedicht van Staring), v. âkuren. Verkallen (verpraten), ik heb â kald; ik heb mijn tijd eer ka ld, verbabbeld. Verka|n»en(lt;YV,//lt;/A7it'gt;?;ook opnieuw kappen), ik heb âkapt; -in»' (ook bint- of dakwerk ran een. overdekt station), v. Fig. vermommen, verhullen in een kap. Verkassen (rcr^'f/rcN)* ik ben âkast; âinji-. v. gmz. Verkavelen (verdeelen in kavelingen of partijen), ik heb â kaveld; een bouwterrein â; â in aquot;, v. Verkeer (omgang), o. gmv.; huiselijk â; een druk â, gereis, b.v. op de lijn Utrecht-Arnhem. Verkeerbord (triktrak), o. âborden. Verkeerd (averechtsch), bn. en bw.; gij hebt â gehandeld, onjuist slecht; het is in dat gezin de âe wereld, de kinderen zijn er baas; â elijk. bw.; Iieid, v. Verkeeren (omgang hebben), ik heb âkeerd; hij verkeert aan het hof; hij verkeert met mijn nicht, is verloofd met; âder. m.; -in», v. Verkeeren (veranderen), ik heb en ben â -keerd; het kan â, was de leus van Breero. Hoe is 't al ras verkeerd. (Vondel). Vreugde kan â in droefheid. Hoe was alles verkeerd! (Potg.) Verkeerspel (triktrak), o. âspelen. Verkennen (mil. een terrein opnemen), ik heb â kend; wij zochten het vijandelijke Lamp te â; â ing' (onderzoek), v. Verkerven, ik âkorf, heb -korven; hij heeft het bij dien heer verkorven, een misslag begaan, is uit de gunst; de gelegenheid waarnemen, om alles wat hij verkorven had, weer goed te maken. (C. 0.), bedorven. Verketteren (veroordeelt^, uitkrijten), ik heb âketterd; â insquot;, v.: de âing der moderne beginselen. Verkiesbaar, bn.; als vreemdeling is hij niet â , kan niet gekozen worden; â lieid. v. Verkieslijk. Verkieselijk (te stellen boven), bn.; tevredenheid is â boven schatten. Verkiezen (een keuze doen, de voorkeur geven), ik âkoos, heb âkozen. Verkiezing, v. âen; âsdag. m. âen. Verkijken, ik âkeek, heb âkeken; ik heb in dien winkel mijn tijd verkeken, mijn tijd al kijkende doorgebracht. Verklaard (verduidelijkt, opgehelderd), bn. |
VICHKLADDEN â VKKL \NT(JKX.
|
\ «'rkla^Uleii {brdrrnrn), ik lieb âklad. De knaap hoeft ol wat papier verklad met die leekening. Verklagen (aaytklagen), ik hel» â klaagd. VerklapiM'ii. ik heb âklapt; iem. â, verklikken, verraden; âer. m.; âins'- v. VorklaWn (klaar, helder maken), ik heb â klaard; een droom âyiem.schulduj â, heeten; den oorlog â. aanzeggen; â klaaiMler. m.; â iiijff. v.; zich â, uiten. Verkleeden (anders kleeden), ik heb â kleed; ik moet mij gauw wat â: â ing', v. Verkleeden (zicli). ik heb mij âkleed: op carnaval zich vermommen. Verklec^fd (verknocht), bn.; â v. Verkleinaap (teekemoerktuig), m. âi.pen. Verkleiiif^n, ik heb â kleind; iem. verdienste geringer voorstellen; een kaart â,d. i. op kleiner schaal teekenen; âin^. v. Vlt;'rklckiii woord (bijv. stoel Ije), o. â en. Ook: IHminutief'. Verkleumd (stijf uan koude), bn.; â v. Wrkleiinien. ik ben âkleumt!; Verkleaoie nooit ons hart! koud, ongevoelig worden; -iiiSquot;. v.; â dliHd, v. Verkleiirc^n (de kleur verliezen), ik heb en het is â kleurd; â iiift-, v. Verklikken (aanbrengen, verraden) ik heb â klikt; âer. in.; â v. Verkloeken (moed geven), ik heb â kloekt; hij verkloekte zich tol die daad, moet vatten; -ins;? v.; zich â, verstouten. VerklniiKelen, -kloin$?elen (verbeuzelen, verspillen, verkwisten), ik heb âklungeld; zijn tijd, zijn geld â. Verkneukelen (zieli), ik heb mij â kneu-keld; hij verkneukelt zich van voldoening, van pret, van leedvermaak, d. i. de kneukels wrijven. Verknenferen(Kieli).ik heb mij â kneuterd; hij zat zich in die ruzie te â, d. i. innerlijk to genieten. Verkniezen, Verknijzen (zieli). ik heb mij â kniesd ; wat zit gij u ia dat dorp te â!, met hartzeer leven. Verknijpen (zieli), ik heb mij âknepen; ik zat mij te â van lachen, zich verbijten; -Ins, v. Verknijzen. Zie Verkniezen. Verknoelit. (verbonden), bn.; de âheid van haar schoonen hond. (C. O.), innige gehechtheid; â heid, v. Verknoeien, ik heb âknoeid,; hij verknoeit zijn tijd, zijn geld, verbeuzelen; een verknoeide schilderij, vertaling, bedorven; â insquot;, v. Verknollen (misdoen, verbrodden), ik heb â knold: uw broeder heeft het bij zijn patroon verknold, gmz. Vlt;krkoelen, ik heb en ben â koeld; de maag â; zijn hartstochten beginnen te minderen; die vriendschap is aan het â, verflauwen; â drank. m. Verkoelend (verfrisschend), bn.; een âe drank, een âe unnd. Verkoeling (fig. vermindering, verflauwing), v. âen; â«middel, o. Verkolen (tot kool maken, worden), ik heb en het is â koold; hout â; een âkoold lijk. Verkonn^n (bijkomen, in beteren doen raken), ik ben â. Verkonden (verkondigen), ik heb âkond; â er, m.; â iiiff. v. |
Verkondigen, ik heb â kondigd; hel Kvan-\ ge lie â, iem. lof â, bekend m;i ken. verspreiden; â er, m.; â injf, v. VerkoiidKcliap|»en (melden), ik heb â kond- schapt: ik zal u van de komst dei' Prinses â, verwittigen; â ing, v.: ik zond hem uit op âing, onderzoek, uitvorsching. Verkoop, rn. âon; iets ten â aanbieden. Verkoopen. ik âkocht, heb âkocht; in i 't groot en klein â; zij willen mij verraden en â, d. i. te slim af zijn. Verkoop nu geen leugens! âbaar, bn.; âer, m. Verkoopin;;'. v. âen; de â zal plaats hel/ben bij opbod, bij afslag. Verkoperen, ik heb â koperd, een schipâ. de romp met koperen pinten beslaan of be-kleeden; âins:, v. Verkoren (gekozen), bn.; een vorst des rijks â , nl. Oranje in 't Wilhelmuslied. Verkorsten (tot korst worden), het is â korst: het gebak was geheel -korst, mot een Ie dikke korst bedekt. Verkorten, ik heb âkort: den tijd â, verdrijven; zorgen â het leven', iem. 'n zijn rechten, in zijn belangen â, benac'eelen; â er, in.; âins* v. Verkouden (door kou. bevangen), bn.; wat is dat kind â!: â lieid. \. Verkraeliten. ik heb âkracht; de wei â, het recht â, geweld aandoen, ook: onteeren; â «'r, m.; â ins1, v. Verkreukelen, -kre^nken, ik heb en het is âkreukeld; het zomerhoedje, waarop zij had gezeten, was geheel verkreukeld'. â in;*', v. Verkrijgen (bekomen), ik âkreeg, heb - kregen; â baar, bn.; âer. m.; â injiquot;- v. Verkroppen, ik heb âkropt; zijn leed, zijn droefheid â, opkroppen, verbijten: âins'9 v. Verkwanselen (verspillen), ik heb â kwan-seld; zijn geld â, aan allerlei beuzelarijen uitgeven; het â van zijn doubletten. (C.Ã.), ruilen: âing:, v. Verkwijnen (wegteren, wegkwijnen), ik heb â kwijnd; de handel is aan het â. Verkwikkelijk, bn. en bw.; een â bad, np- frisschend: een â woord, opbeurend. Verkwikken, ik heb â kwikt; de lentelucht zat u â, doen opleven; dat troostend woord zul uw hart â, opbeuren: â er, in.: â ing:, v. Verkwikkend, bn.; een âe drank, lavend; een âe koelte, opwekkend. Verkwisten (verspillen), ik heb â kwist: â er. m.: âing-, v.; âster. v. Verkwistend, bn.: een â leren, losbandig. Verlaat (sluis; laagte i. d. dijk), o. âlaten. Verlag'en (lager maken, doen dalen), ik heb âlaagd; zich â, in aanzien doen dalen, onteeren. Verlak (verlaksel), o. grnv.: het â hait op leer soms los, d. i. het springt, schilfert. Verlakken ()net verlakbekleeden: ook foppen: bedriegen), ik heb âlakt; dit doosje is fijn verlakt', ik laat me niet â, bedotten: âer. m. âing:, v.: â sel, o. Verlak!, o. gmv.: dit is Chineesch â, d. i. j verlak Werk. Verlaniinen (lam maken), ik heb, het is â lamd: die veer is verlamd: hij stond verlamd van schrik: hij is verlamd aan beide I beenen; âing'. v. Verlangen (beg eer en), ik heb â langd; wat verlangt gij'.' begeert, gij: ik verlang mijn geld, eisch, vorder. Verlang:en,n. â s: de kinderen branden van â. |
V EH I. ANGST-VERMAA K.
Vorlan^st (begeerte), v. gmv. V^rlaiiterfaiiton, ik heb âlanterfant: dr leerjonyen staat zijn tijd te â, verluieren, verbeuzelen.
Vorlariën (verbeuzelen), ik lieb â laried. Vorlaten (laten varen), ik â liet, heb âlaten; het pad der deugd â; hij verliet de stad', mijn gezicht verlaat mij: de tvereld â, i. e. klooster gaan; ook sterven; â in^*, v.
Vlt;'rlatoii (Kicli) (vertrouwen), ik âliet mij, liob mij âlaten.; gij kunt 11 op hem verlaten; verlaat u op God.
Vorlafen (zicli) (te laat komen), ik liel» mij âlaat; gij verlaat u in den regel voor den eersten trein.
Vorlatwi. lm.; een â land, vondeling, een â sehip'.een â uumiih 9, ledig,. )nbewoond;-ii«'Ml.v. Vc^rlcMlon. {vroeger, vorig), bn.;
â jaar: â deelwoord', de â tijd.
Voorllt;'«llt;'ii. o. gniv.; in 't - ligt
het Heden.
Vorlodig-on (xioli) (zich- bezighouden), ik 1 heb mij â ledigd.
Vlt;krleeiiigt;ii (toestaan), ik heb â leend; â ina*. v. Vvrleeron (ontleeren,alleeren),\V. hel) âleerd. V«'rlc»s:en (bedeesd, beschaamd), bn.; het meisje is nog wat â in dien kring; â lieirt (angst, kommer, geldgebrek), v.
Verleg-on (bedorven door lang liggen), bn.;
â wijn, - zijde.
ik heb âlegden â leid; deivach- j ter zal den tvissel â anders leggen; ik heb â mijn hundsehoenen verlegd; de troepen gaat men â; â ing', v.
Verlei (beleening), o. gmv; het â m.e. leen. | Verleidelijk, bn. en bw.; een â voorstel, j aanlokkelijk, bekoorlijk; âlieid. v. \ erleiileii (misleiden, tot zonde verlokken), ik heb -leid; âer, m.; -iii^*. v.
\erleieii (beleenen), ik heb âleid; iem. met ren leen â, begiftigen; âills', v. Verlekkeren, ik heb en ben â lekkerd; die hond is â op vleesch: dat jongmenseh is verlekkerd op romanlectuur, d. i. verzot. VerleiiK'baar (wat voor verlenging vatbaar
is), bn.; â erediet.
^'erllt;kiiK'eii (langer maken of doen duren), \ ik heb âlengd; een wissel â, een termijn 1 van betaling â; - ina', âstuk (a.e. passer), h. Verle|gt;|gt;eii (verwelken), de bloem is âlept, verllenst; â injjf. v.
Verlet (tijdverlies), o. gmv.; zonder - onverwijld.
Verletten (den tijd verliezen), ik heb -let; i
â sel (beletsel), o.
Verle li teren (verbeuzelen), ik helt â leuterd; gij hebt uw studieuur weer vertentar-d. Verlevendigen, ik heb en ben â levendigd; l de hoop â ; den handel â, opwekken, opbeuren; â ing*. v.
Verlezen (xieli) (verkeerd lezen), ik âlas | mij, heb mij âlezen.
Verlielit. bn. en bw.; een â staatsman, bel- I derdenkend, ontwikkeld; â denken. Verlieliten (helder maken), ik heb -licht; ; een tuin â, illumineeren; een stad â; âer, m. Verlieliten (minder zwaar maken), ik heb
â licht; iem. zorgen â, d. i. hem opbeuren. Verlielitin$i' (beschaving), v. gmv. Verlielitin^* (o/1thelfing, opbenring), m. gmv. Verliederlijken (zieli). ik heli mij -üe-
, derlijkt; die man zal zich nog geheel â. «I. i. door losbandigheid te gronde gaan.
Verlieid. bn. en bw.; hij was â op dal meisje. met liefde bezield; â heid (verzotheid), v. Verliefde (persoon), rn. en v. â n.
Verlies, u. âliezen; het â in zaken, schade, nadeel; er was veelgeldâ ; het â is (groot door dat sterfgeval.
Verlieven (verliefd raken), ik ben â liefd. Verliezen (kwijt raken), ik â loor, heb â loren; een spel â, een proces â ; zijn verstand krankzinnig worden; tijd â, zijn geduld â, het leven â; âer, m.
Verlig^ren.het â lag, is â legen; laat het fruit niet â, door lang liggen bederven; verlegen goed deugt niet, bekende woordspeling. Verlijden (opmaken, passeeren), bet â leed, is
â leden; de akte is verleden voor den notaris. Verlof (vergunning), o. âloven; met groot
â gaan. mil. voorgoed heengaan. Verlokkelijk (verleidelijk), bn. en bw.; ee)i
â voorstel; *âlieid. v.
Verlokken, ik heb âlokt; laat n door den schijn niet â, verleiden, misleiden; âer. m.:
â ills', m.: â ing heeft een gladden rand. (liild.) Verlooclienen(on/Avwm'/gt;), i k heb â loochend;
zijn vaderland â ; zijn geboorte â ; de nat uur
â ; God â ; zich zeLuen â ; âaar, m.; -ins*, v.; zich â, ontrouw worden aan eigen beginselen.
Verlooden (van een tooden merk voorzien),
ik heb âlood; -in»-, v.
Verloofde, m. en v. -n; zij of hij is mijn
â, bruid, bruidegom, aanstaande.
Verloop, o. gmv.; na - van tijd; het â eener
ziekte; het â van zaken, gang.
Verloopen (gewezen), bn.; een â student; een â advocaat, d. i. die geen praktijk meer heeft.
Verloâ¬gt;|gt;en (verliederl kt; afgesleten), bn.;
een â sujet, een â schroef.
Verloren (vergeef sell), bn.; â moeite; een â oogenblikje, nutteloos; hij is een â man, hij is niet te redden; alles ging â, te niet. Verloskunde, v. gmv.
Verloskundige (dokter, vroedvrouw), m. en v. â kundigen.
Verlossen (redden), ik heb en ben âlost; uit den kerker â. uit de slavernij â, bevrijden. Verlosser (bevrijder, redder, heiland), m.;
de â, Christus.
Verloten, ik heb âloot; een kunstwerk
de verlote quot;voorwerpen; âer. m.; âin;;', v. Verloven, ik heb verloofd; die ouders hebben hun kinderen verloofd, door trouwbelofte verbonden; zij is verloofd met uw neef; zich â, d. i. zich engageeren; â fuift', v.
Verlneliten (uitluchten), ik heb âlucht; een kleed â; zich â ; ik moet mij eens â, wat lucht gaan scheppen: âing:, v.
Verlneliten (illnstreeren), ik hel) âlucht. VI. Verluiden (te verstaan geven), enkel gebruikelijk in; zich laten vertuiden; dat heb ik mij laten â, d. i. laten vertellen, zeggen; naar verluid (wordt), naar men bericht. Verinieren (in luiheid doorbrengen), ik heb âluierd.
Verlustigen, ik bob âlustigd; wij willen ons wat â in de natuur, opvroolijken,quot; opwekken;
l»l»en. ik heb â maagschapt: a ag se hapt, familie van t zich aan ons -mang-
hij is aan ons ons; zich â: hij heeft z ] schopt; âin;;', v. j Vermaak (genoegen).
â maken.
V KI {M A A N - VI-: li NIKI .E N*.
|
Vermaan (verniauinu), o.; miaryren â luisteren', â brii'lquot;, ni.; âbrieven. Vermaard (beroemd), lm.; -hoid. v. Vermageren (mafier worden), ik lgt;en â m:i-gerd; â iiijf, v.; â iii^'skinir. v âkuren. Vermakelijk (ije noen lijk), niemv â nimzenbord; â lieid, v. Vermaken (verlustigen), ïk hel» â maakt; hij zal het heele nezelsc'mp wel â. Vermaklt;'n (zilt;*ligt;. ik heb mij âmaakt; wij â ons met roeien, met visschen; â in^. v. Vlt;krniaken (hij uiterste wiIsbesrliikkinr/ afstaan), ik lieb âmaakt; iem. een ha is Vermaken (anders maken), ik heb â maakt; een kleedinqstuk â . Vermaledijt'ii (vervloeken), ik heb â dijd; die âdijde historie; die âdijde vent, ver-wenscht. Vlt;'rmallt;'ii (stak malen, verfiraizen), ik â -maalde, heb âmalen â in^. v. Vermallen (verspillen, verkwisten), ik heb â mald. Vermanen, ik hel» âmaand; wij â n rnxj-maals, mijd dat {lezelschap, aanraden, dringend waarschuwen; â in^, v. Vermaning (zedenles), v. âon, Verniannâ¬kn (vermeesteren), ik heb âmand; hij werd door den schril,' vermand, overweldigd; â ills', v. Vermannen (xieli). ik heb mij âmand; na den eersten schrik âmande hij zich, greep hij moed; Saartjc âmaia/c zich weder en streek }net haar zaciite vinders lant/s het (jerimpeld voorhoofd (der dooi Ie). (C. O.). Vermast (te zwaar heiaden, lig. overstelpt), lm.; door zorgen â, door den slaap â; door leed â. Vermeend (gewaand), bn.; âe rechten; âlt;⢠aanspraken, verondersteld. Vermeenen. ik heb â meend;//.- â ween gel ijk te hehhen, ik houd het er voor, ben zeker. Vermeerderen, ik hel en liet is â meer-derd; de lasten â, worden grooter, nemen toe; âaar. m.; â in^. v. Vermeesteren, ik heb âmeesterd; de stad zal haast âmeesterd zijn, veroverd; zijn driften â , onderworpen; âaar. m.; âin;;-, v. Vermeiden. Zie; Vermeien. Vermeien (xieli) (ontspannen, verlastigen), ik heb mij âmeid; wij gaan ons â in ile schoone nataar, verlustigen. Ook: Ver-meiden. Verim'lilen. ik heb âmeld; de kronieken â het, berichten, gewag maken van; âer, m.; â injr, v.; âswaanl, bn. Vermen^'t'ii. ik heb â mengd; twee wijnsoorten â, ondereenmengen; zich â met: olie âmengt zich niet met water; âer, m.; -ins, v. VernK'nis'viildis'en, ik heb en het is â me- uigvuld'gd; âer, m.; -ins*, v.; âtal, o. Vermetel (stoat, onberaden), bn. en bw.; â e moed. (C. O.); â lieid (koenheid), v. Vernietlt;kn (xieli) (zich in het ïnelen vergissen; zich verstonten), ik âmat mij, heb mij âmeten; die knecht âmeet zich telkens, verkeerd meten; nud âmeet gij a'/ gij moet a zalks niet â. Vermieelli (dunne meeldraadjes), v. gmv. Vermijden(oHf/yy/t'CH), ik âmeed, heb â meden; â baar. bn.; âelijk. bn.; -ins- v. Vlt;krniilj4»en (hoogroodquot; kleurstof). lt;â¢. gmv.: -aelitis'. I »n.: de â zee, v; (Jhineesch â. |
Vermiljoenen (met vermiljoen klearen), ik heb gevermiljoend. ViM'ininderi'ii (afnemen, kleiner worden), ik heb en Let is âminderd; âins. v. Verminken (bederven, stak maken), ik heb â minkt; een kunstwerk - ; âins (bederf), v. Vlt;krniinkte 'persoon), m. en v. â n. Vermissen, ik heb vermist; ik âmis mijn bears, niet kunnen vinden, verloren hebben. Vermits (omdat), vgw. Vermoedelijk (waarschijnlijk), bn. en bw. Vermoeden, o. âs; op â van diefstal, verdenking, argwaan. Vermoeden (gissen, meenen), ik heb â moed; ik âmoed, dat mv vriend tien trein heeft gemist. Vermoeid (afgemat), bn.; â lieid. v. Vermoeien, ik heb âmoeid; de oogen â, overspannen; zich â, zich erg inspannen; â is. v; âins* v. VermoeieiKl ( lastig), bn.; een â weri', zwaar; een â kind, druk, levendig. Veriiio«'ienis (afmatting), v. âsen. Vlt;krnioslt;k|1* 'quot;T - ik vermag, ik vermocht, wij. vermochten, ik heb vermocht. Wat â mag één tegen driequot;? liefde âmag ceel, de maciit hebben; ik âmocht hem niet te redden, het wax buiten mijn macht; de Kamer was niets neer bij wat zij vroeger âmocht had. (Klikspaan.) Vernioslt;'n* o. âs; een knaap van goede âlt;â¢, aanleg; hij is gelrrenkt in zijn â.lt;â â¢. vorstand: dat gaat boven mijn â, macht: de âs der ziel, krachten: een man van â, rijkdom, fortuin. Vermosend. bn.: een â heer, bemiddeld, machtig, rijk, invloedrijk. Vermolmen (tot molm vergaan), het is â molrnd; die stoelen zijn erg ânndmd, wormstekig; dood hoat gaat â;ook: Vermolscincn. Vermomde (persoon), m. en v. â n; de halzaal was vol ân, verkieeden, gemaskerden. Vermomim'ii (verkieeden, maskeren), ik heb â momd; fig. verbergen, ontveinzen; zich â: â ins* v* \'erni4»or4len (v. h. leven berooren), ik heb â moord; lig. zijn tijd â, verbenzelen. Vermorsen (verspillen, verdoen), ik heb â morst; zit ge ahveer verf te â; gehl â;den tijd â; zijn leeen â. \ lt;krm4»rzâ¬kllt;gt;n (verbrokkelen, verbrijzelen), ik heb â morzeld. Kig. een âmorzeld hart. rouwmoedig; â ins- v. ^'lt;'rniiirwlt;kn (a'eek, gevoelig maken), ik heb en ben â murwd: geen smeekingen Londen Alva's hart â ; âins. v. Vernaeliten. ik hel) ânacht: ik heb, heer f.andeslot, in naj ge'tied menigmaal ânacht, d. i. den nacht doorgebracht. (Vondel.) Vernaselen. ik lieb ânageld; een kanon â. onbruikbaar maken: een paard â, een spijker l.e diep, d. i. in bet vleesch slaan; â insgt; v. V«krnelt;leren. ik heb ârieden!; iem. trots-: zich voor ('nul â. verootmoedigen; âins* v. Vernederend (beschamend), bn.; een â aanbod. Vernemen (hooren), ik ânam, heb â nonvn: hebt gij 7 nog niet ânomen, de lente is iueer-gekomen, bemerken; hij ânam naar nw gezondheid. vragen. Vernenteld (dwergachtig, klein), bn.; een â ventje, een â boompje. Vernielal (persoon), m. en v. âallen. Vernielen (stak maken), ik heb â nield; de |
VKliNlET101lt;:N- VKIÃnEC.A ANI).
|
oorldfi vernielt de dorpen, verwoeston, venlel-gen: âlt;'r, m.; âinff. v.; âxiiclit. m. Voriiipti^fii. ik heb â nietigd; dat ivourd â nietigt nl mijn houp, te niet doen; het vonnis, het besluit werd ânietigd-. de vlammen â nietigden de processtukke)i: â «t. m.; -ins:, v. Vornieiiweii {nieuw maken}, ik heb â nieuwd; een latwerk â: âer. in.; -ills'. v-\ rrnioiiweructsclioii {opknappen, nieu-werwetsch maken), ik heb â nieuwerwetscht; een japon â, een hoedje â; â injf, v. Vernikkelen {tnet nikkel heieggen), ik heb â nikkeld; eeyi fiets â; een theepot â. Vernis (kunstglans), o. âsen; tig. een â van beschaving,- een schijn, het uiterlijk. Vernissen (met vernis bestrijken), ik heb gevernist: een deur â, een schilderij â. Vernoegd (tevreden), bn. en bw.; â iieid.v. Vernoegen (zieli) (vergenoegen, d. i. terre-zijn), ik heb mij â noegd; â insquot;, v. Vernoenien, ik heb â noemd; ik za! hem u â. zijn naam zeggen; -in*, v. \ ernnft (scherpzinnigheid, talent, genie), u. â en; (persoon), o. âen: de â en der'lle eeuw. Vernuftig', bn. en bw.; een â man, vindingrijk; dat is â uitgedacht, geestig. Veronaanjfenanienfonacmyenar/m muken), ik heb â onaangenaamd; iemands leven â. Veronaclitzanien. ik heb â onachtzaarad: zijn plichten, zijn gezondheid â, venvaar-loozen; â ing-. v. Veronderstellen (aannemen), ik heb âondersteld; ik âonderstel, dat ge uw proces wint, wat dan nog? â ing, v. Verongelijken.'ik heb -ongelijkt; iem. -, onrecht aandoen; â injs*, v. Verongelukken (omkomen, te niet gaan), hij is âongelukt; de ma)i, het schip is --ongel u kt. Verontheilig-en (ontwijden, schenden), ik heb âontheiligd; âer, m.; â iiift*, v. Verontreinig-en (bezoedelen), ik heb â ont-reinigd; dat zal uw geweten â, besmetten; â er, m.; â infj, v. Verontrnsten, ik heb âontrust; laat u niet â, angstig, zenuwachtig maken; âing-. v. Verontsciiiilâ¬li$;en. ik hel) â ontschuldigd; zijn gedrag laat zich niet â, verschoonen, vrijpleiten; -ing-. v. Verontivaardigen, ik heb â ontwaardigd; dat voorstel zal hem â, zijn ergernis, toorn opwekken; zich â, zich boos maken; â ins', v. Veroonleelen. ik heb âoordeeld; de dief werd âoordeeld, vonnissen, schuldig verklaard; â aar. m.; â injf, v. Veroorloven (toestaan), ik heb âoorlool'd; die vrijheid kunt gij u â, vergunnen; â -in^-, v. Zie: Oorlof'. Veroorzaken, ik heb -oorzaakt; dat zal veel huist â, bewerken, teweegbrengen; âer, m.: â iii£, v. Verootmoedigen, ik heb âootmoedigd; ga u voor God â, vernederen, in ootmoed buigen; zich â ; â injf, v. Verorberen (gebruiken), ik heb âorberd; nu, wij hebben heel wat verorberd, gegeten en gedronken, genuttigd. Verordenen (bevelen, gelasten), ik heb -or-dend; â ing1 (wettelijke bepaling), v. Verordineeren.ik heb â ordineerd; wie heeft dat zoo âordineerd? bevolen; -ing-, v. | Verouderen, ik ben âouderd; dat gebruik \ {iaat â; een -ouderde kwaal, ingeworteld; |
â ing'. v. Veronnelijken. ik lieu âouwelijkt; wat is | de man âouwelijkt! oud geworden. Veroveren, ik heb âoverd; een land â, bemachtigen: iem. hart â, winnen; âaar. m.: â iiiff, v.; â ingsziieiit. v. ! Verpachten (in pacht geven), ik heb â -pacht; âer, m.; â ing*, v. Verpakken, ik heb âpakt: die goederen moeten verpakt worden, anders ingepakt; â ing (inpakking), v. Verpanden (in pand geven), ik hebâpand; zijn goederen â, beieenen; zijn eer â; -ing, v. Verpesten (besmetten, bederven), ik heb â -pest; die stank âpest de lucht-, godsdienst en zeden â. (Bild.); âing*, v. Verpestend, bn.; een âe lucht, een âestank. Verpijnen (zieli), ik heb mij â pijnd; ik heb mij âpijnd op dat werk, afsloven, aftobben. Verplaatsen, ik heb verplaatst; men zal dien ambtenaar â, een andere standplaats aanwijzen; â ing*. v.; zich â. Verplanten, ik heb âplant: een oude boom laat zich niet â, overplanten, overbrengen; -infï, v. Verplegen (verzorgen, ik heb â pleegd; een ziekeâ, een gewonde â, de armen â; â ing*. v. Verpletten (stuk pletten), ik heb â plet. Fig. wij stonden verplet, stijf van verbazing. Verpletteren, ik heb â pletterd; een âde tijding, vreeselijke; het schip werd op de klippen verpletterd, stuk geslagen; â ing', v. Verplicliten (noodzaken), ik heb âplicht; ik ben u veel -plicht, verschuldigd; een â -plicht leervak, wettelijk voorgeschreven; â ing (noodzakelijkheid), v. Verplichtend (noodzakelijk), bn. en bw. Verplichting (het verplicht zijn; zaak van dankbaarheid), v. âen. Verplooien (andersplooien), ik heb âplooid; zij â de uitspraken des dokters naar de inspraak van hunne hoop. (C. O.) Verponding (grondbelasting), v. âen. Ver poezen (laten intrusten), ik heb â poosd; zich â, uitrusten, rusten; âing? (rust), v. Verpoten (elders poten), ik heb -poot; wij zullen die slapanten â, op een ander bed poten; âing'. v. Verraad, o. gmv.; hoogâ, samenzwering, landverraad. Verraden, ik âried, heb âraden; een geheim â , verklappen; het vaderland â, aan den vijand; uw kleur verraadt n, ontmaskert u. Verrader (die verraadt), m. â s, âen; â -sch. bn. Verraderlijk (met of door verraad, listig, valsch), bn. en bw.; een â plan, een âe daad; iem. - aanvallen, onverhoeds; hij trok er den tand â uit. (C. 0.) Verrassen, ik heb ârast; die tijding verraste mij; de regenbui verraste ons; uw bezoek verrast ons; iem. â; een haas, die niet op zijn tellen past, wordt dikwijls door een hond' verrast. (Schoolmeester.) Verrassing- (mil. bedekte of nachtelijke aanval), v. âen; de â van het kasteel van Breda, de â van Hoei, overrompeling. Verre, bw. Zie: Ver. Verregaand, bn. en bw ; âe onnoozelheid. (C. O.); â brutaal. |
V KIM; KIK K N-VKi: SC IIIMKKKN.
461
|
Verreiken (xieli) (te ver reiken), ik heb mij âreikt. Verrekenen, ik heb ârakend; ik heb mij verrekend, vergist; wij zullen dat wel â, veretfenen; een verrekenpakket, een postpak-' ket, waarvan terstond de waarde wordt ge-find; âins: {vereffeninn), v. Vlt;gt;rrekijker. in. âs; de â is uitgevonden door Zacharias Jansen te Middelburg (1590). Verrekken (ontwrichten, in platte taal: sterven), ik heb en ben ârekt; â ins1, v. Verrel {vierendeel), o. â s. gmz. V erreweg', bw.; hij was â de knapste. VerrcxieiKi. Veraiemi, hn.', eenâstaatsman. Verrichten (iloen), ik hebâricht; zijn werk â, uitvoeren; â in^, v. Verrijken (rijker maken), ik heb ârijUt; Vondel heeft onze letterkunde zeer verrijkt', zich â ; â ingv v. Verrijzen (oprijzen), ik ârees. ben ârezen; hij zul ten derden dage â, uit het gral' opstaan; âenis, v.; â iiiff. v. Verrimpelen {vele rimpels krijgen of hebben), het is ârimpeld: een âpeld bestjc. Verroekelooxen (roekeloos verivaarloozen), ik heb âroekeloosd; zijn gezondheid â; â in|p. v. Verroeren, ik heb â roerd; een oude zeelt verroert geen vin. (Bogaers), beweegt. Verroesten, het is âroest; dat ijzenverk gaat -; verroest, tw. gmz. loop heenl â iiig*. v. VerronNel«'n (verruilen), ik heb âronseld; bij heeft zich verronseld, tot den krijgsdienst voor handgeld laten aanwerven. Verrotten (ontbinden, bederven), het is â rot; -ing-, v. Verruilen (omruilen, wisselen), ik heb â mild; â in^. v. VerriiiiiK'ii. ik heb â ruiiml; zijn har! â, ontlasten; zijn blik â, wijder maken; â in;;', v. Verrukkelijk (bekoortijk), bn. en bw.; een â landschap, â uwer: â fraai; â Ik'hI, v. Vlt;'rriikklt;'n (lig. vervoeren), ik heb ârukt; hij was verrukt u te zien, opgetogen; â ills', v- Vers, o. verzen; hoe vindt ge dit gedicht; elk couplet bestaat uil verzen, dichtregels; elk hoofdstuk des bijbels beslaat uit verzeil, zinsneden. Versaiaj^d (bevreesd), bn. en bw.; â lioid. v. Versagen (ontstellen, bang worden), ik ben â saagd; laat n door niets â. Versbouw (maal en rijm), m. gmv.; âmaat, v. âmaten; âregel, m. âs; â snelle v. â n; âsoort, v. âen. Versch, bn. en bw.; verscher, verscht; âe boter, âe eieren; een âe flesch, âe paarden; dat ligt mij nog â in 7 geheugen: een âe wonde: bw. â geplukte aardbeien: â gekookte melk: â lieifi (frisdiheid), v. Versebaelieren (verronselen, verruilen), ik heb âschacherd. VerschaflTen^ronyefn, leveren, voorzien van), ik heb âschaft; â ing, v. Versehalen (vervliegen), liet is âschaak!; de wijn in die open flesch zul â , geur en kracht verliezen; â ing-, v. Vi'rselialken (foppen, misleiden), ik heb â schalkt; de vissollen laten zich door het aas â ; âIng (fopperij), v. Versehansen, ik heli â scbanst: de vijand had zich daar verschanst, met schansen omringd; hij zoekt zich achter leugens te â, redden, verbergen: âing (hoog achterdeel van een zeeschip), v. âen. |
Verselielmlie, Varscliebalie (tobbe, kuip: ook matroos, die het vleesch ver verscht), in. âs. Verseheiilen (overlijden), hij âscheidde, is â scheiden, gestorven. Verschelclen (het sterven), o. gmv. Verschelden (verschillende;, bn. en telw.; er zijn â soorten van grassen; â heilt;i (afwisseling), v. Verschelen (verschillen), het heeft veel -scheeld. Verschenken, ik âschonk, heb âschonken; ik heb drie flesschen verschonken, schenkende ledigen. Verschepen (met schepen vervoeren). Ik heb âscheept; granen â, aardappelen Verscherpen (scherp of scherper maken), ik heb âscherpt: het toezicht â: â ing. v. Verschet (raam der drukpers), o. â ten. Ook : Frisket, o. Verscheuren (vaneenrijten, rem ieiigen ), ik heb âscheurd; een brief â; de tijgers â inenschen en dieren, verslinden: â«I. bn.; â de dieren (roofdieren). Verschiet (verre afstand, horizon), o. âen; Ginder veer wil in 't â een slot verlluuwm. (Vondel.) Verschielen, ik -schoot, hel» en ben â -schoten; hij heeft al zijn kruit verschoten. alles ineens gezegd, alle pijlen verschoten: de sterren â, wegschieten, vallen; zal ik u dat geld âleenen; hij verschool van schrik, verbleekte. Verscliijnen. ik âscheen, ben âschenen; hij moei voor den rechter â: de vervuldug van den wissel is verschenen; het boek zul spoedig â, hot licht zien; âdag, m.; âing (spook), v.; âsel (nat uur ver he veling), o. âs. Verschikken (anders schikken), ik heb en het is âschikt; zij â 't machtloos honfd. (Tollens); -ing. v. Verschil, o. âlen; wal een â! onderscheid; zij hadden â, twist, oneonigheid. Verschillen (verschelen), ik heb âschild; ik verschil met n van mcening, in leeftijd, van godsdienst, afwijken. VerschillciKl. bn. en bw.; er zijn âe verklaringen mogelijk, onderscheiden. Versciiiinnielen (door schiiiimel bederven), het is âschimmeid; het brood, de haver was âschimmeid. Verschoonen. ik heb âschoond; ilc bedden â, d. i. van schoon linnen voorzien; ik zul mij bij hem â, verontschuldigen; âIng. v. Verschoppeling (verschoveling), m. en v. â en; voor het v. ook â e: die arme wees is daar de â, die steeds achteraf gezet wordt. Verschoppen, ik heb âschopt; hij âschopt zijn eigen geluk, met voeten treden; â ing, v. Verschot, o.: er is hier riiiin â van meubelen, van kleeren, overvloed Ier keuze. Versehot (het voorgeschotene), o. - ten: vuor maakloon en âten: hier is de opgave mijner â ten. Verschovi'ling (geminachte), m. on v. - en; hij is bij zijn familie de â. Verschrikkelijk, bn. en bw.; een âe moord, ontzettend; een âe bedreiging; -held, v. Verschrikken, ik heb en ben âschrikt; de knaap verschrikte het paard, deed schrikken; wat was ik versch ri kt, (verschrokken)! â ing,v. |
v K i: s( ⢠111 {() ilt;: 11 : n - v k i : s i'a a n .
|
V4gt;rNC li roeien, ik heb, liet is âschroeid; de âde zon, brandende, verzengende; een â -dc dorst, brandende; âills', v. Verselirompeleii {rimpelen), ik bon â -schrompeld; het vroege fruit yaat licht â: â injf. v. \vrsvUrouU.vlixii{ineL')il:)-onkL'len), de kunsl-l)loeni is â schronkeld. VorKeliiiilen (xieli), ik âschool mij, heb mij âscholen: hij verschuilt zich achter dc deur, verbergen; hij weet zich voor het ge vaar te â. Verscliiiiven. ik âschoof, hel» âschoven; ik zul die kast ivat â; een beslissing uitstellen; â iiis. v. VerHlt;*liiii«lis'4i. bn.; ik ben hem ceel â, verplicht; de âe gelden, te voldoen; â e eerbied, te bewijzen. Versie {omkeering, wending, overzetting, vertaling), v. â siën. Versieren, ik heb âsierd; een kamer â; middel maat versiert de straat, tot sieraad strekken; een verhaal met allerlei sprookjes â , opsieren; gevoelens, die den man â. (C. O.): âder. m.; âins:, v.: âset, o. Versiflieatie {versbouw), v. gmv. Versif 1 eeeren {verzen maken, in versmaat brengen). Verslaafd. I»n.; hij is â aan den drlt;(nl:, aan het spel, overgegeven, de slaaf er van; â â¢lieid. v. Vlt;gt;rslaan. ik âsloeg, heb en bon âslagen; den vijand â, overwinnen; den dorst les-schen; die wijn zal â, verschalen; hij stond verslagen, onthutst. Verslag {bericht, rapport), o. âen; âsever, m. â s; â seefstc'r, v. â s. Verslas'en (verschrikt), bn. on hw.: â lieid, v.; de â heid was groot, bedruefdheid, neerslachtigheid. Verslam|mni|gt;en (verbrassen, verdoen), ik heli âslampampt; zijn centen â. Verslapen, ik âsliep, heb âslapen; versliept gij V zoet der lentedagen, traag Itoosjc ! (Staring), slapende doorbrengen; zich â. Verslaven (xiela). ik heb mij âslaafd; zich â aan drank, s/iel, lectuur, enz., zich de slaiif maken van, zich overgeven aan; âins-v. Vc^rsleepen {naar elders sleepen), ik heb âsleept; zijn bed â. Verslempen (verdoen, in drank verteren), ik heb âslempt; zijn geld â. Verslensen, de bloem is â slenst; al die bloemen gaan in de zon verwelken, kleur en geur verliezen, sterven; âins? v-Verslijten, ik âsleet, hel' on ben âsleten; die jas zult gij niet â, stuk dragen; verslijt gij mij voor een sal! houden voor; den tijd â met lezen, doorbrengen; â baar,bn.; â e-lijk. bn.: âins, v* Versleten, bn.: een â aitdrukking (stijl, b.v. het zilte nat, de schele nijd, enz.). Verslimnieren {erger worden), het is â slimmerd; de ziekte zal met tien dag â: -ins. v. Verslinden, ik -slond, heb -slonden: de tijger verslindt zijn prooi, inzwelgen, gulzig opslokken; iem. niet de oogen â, nijdig aanzien; â er. m.; â ins, v. Verslinserdlieid {verzotheid), v. gmv.; de â van juffrouw Stastok aan den uitroep: ..wclheeremijnlijdT (C. O.) Verslins'ert'n, ik heb en ben â slingerd; |
hij verslingert zich aan den drank; hij is op het spel, op de wereldsche vermaken verslingerd, d. i. verzot. Vt^rslodderen (vers/onren), ik heb â slodderd. Versloflen {verwaarloozen), ik heb âsloft. Verslonzen, ik heb âslonsd; zij verslonst haar kleeren, vuil dragen, verwaarloozen. Versmaad (geminacht), bn.; de Hijn als een versmade beek; een versmade raad. Versmaeliten, ik ben âsmacht; â van dorst, van honger, verstikken; in de gevangenis â , treuren, lijden; naar vrijheid â, reikhalzen; âins, v- Versmaden, ik heb âsmaad: iem. goeden raad â, kleinachten; wat hij toen versmaadde, zou hem nu welkom zijn, beneden zich achtte: zulk een aanbod is niet te â, verwerpen, van de hand wijzen; âer, m.; âins- v-Versmelten (vloeibaar maken), ik âsmolt, heb en ben âsmolten tonen â, in elkaar vloeien; in tranen â, wegsmelten; â ins« v. Versmeren, ik heb â smeerd: hij heeft alles verteerd en versmeerd, verbrast, doorgebracht. Versmoren (verstikken in water), ik heb en ben -smoord; den kreet van smart â, onderdrukken; â ins*- v. Versmullen, ik heb â smuld; zijn geld â, aan lekker eten en drinken verdoen. Vâ¬Â»rsnaperins (lekkernij, lekker beetje), v. â en; geen â te hebben dan de giften en gaven van wee uw en wees. (Potg.j Versnellen, ik heb âsneld; den panâ, dat zal den bloedsomloop â, sneller doen worden; â ins- v. Versnijden {snijdend anders maken, Iilt. vermengen), ik heb âsneden; wijn â , ver-valschen. Verso (de andere zijde), o. gmv. Verspaden {uitstellen), ik heb âspaad; zijn vertrek â, zich verlaten. Vc^rspannen, ik âspande, heb âspannen; de paarden â. anders inspannen; â ins'. v. Versparkelen (verspatten), het is â spar-kéïd; het vuurwerk gaat â in een vonkenregen. Verspelen, ik heb âspeeld; zijn geld â, spelende kwijtraken; iem. achting â, verbeuren; ik heb mij verspeeld, zich in hot spel vergissen. Versperren, ik heb âsperd; den toegang â, afsluiten; âins, v- Verspieden, ik heb âspied; als harpspeler vermomd wist Alfred de toerustingen der Noormannen Ie â. (Schrant), af te kijken; â er, m.; âins- v.; â spiejaelit adviesjacht), o. Verspillen, ik heb â spild; zijn geld, zijn goed, zijn erfdeel, zijn tijd â, verkwisten; â er, m.; âins- v. Verspreiden, ik heb âspreid; allerlei val-sche geruchten â, rondstrooien; de vijanden werden verspreid, verstrooid; een verspreide bevolking, niet aaneengesloten; enkele verspreide hutten, alleenstaande: âer, m.; -ins, v. Verspreken (zieli). ik âsprak mij, heb mij â sproken; ik heb mij niet versproken, zich in het spreken vergissen. Verstaald, bn.; een â mes, tot staal go-maakt; â ijzer, gehard; een â voorhoofd, een â gemoed, hard, verstokt. Verstaan {begrijpen), ik âstond, heb â -staan; ik versta u niet; hij verstaat geen |
V KI {ST A L K N - \ i: I {Tl N N ION.
|
Uckhe'ul: zijn ambacht â , kennen; âbaar, lm. en bw.: een âhaar woord; âhaarspreken. V«»r.stalâ¬Â»ii (harden), ik heb â staald; ijzer wordt door het vaar verstaald, gehard; â iu^, v. Vf'rstaiKl {begrip, doorzicht, bcvattimj), o. 1 â en; zijn â gebruiken] hij heeft veel ge- 1 zond â; hij heeft zijn â verloren; ievn. iets j aan het â brengen: â van iets hebben: dat ! gaat mijn â te boven; hij is niet wel bij : zijn â, krankzinnig; zijn â is verbijsterd; tnet dien âe, men dient het aldus te verstaan. VorMtaiHtalijk. bn.; de âe ontivikkeling, \ geestelijke; Ue âe vermogens: â Iwicl, v. VorstaiKlhoiKliii^: {betrekking), v. ginv.; in goede â, op voet van vriendschap: in â staan, betrekking; ze zijn niet in de besteâ. Verstandig*, bn. en bw.; een â woord, een âe raad, een â antwoord, goed bedacht, doordacht; âlijk, bw. VcrsteeiMl, bn.; â S( hoawt dit deonweerbre Marco aan. (Staring), stijf van schrik; een â dier, tot steen geworden; â Ik'mI. v. Versteenen, ik heb en ben âsteend; zijn hart is versteend: ik ben versteend van schrik; -â â i»*, v. Verstek, o. gin v.; hij werd bij â veroordeeld, bij zijn afzijn, niet verschijnen voorden rechter. Versteken (verbergen).ik â stak, heb â stoken. Versteld {verbaasd, onthalst), bn.: wij stonden â. Verstellen, ik heb â steld; een kleed â, re-pareeren, lappen; een verstelde broek. (C.O.): kant â, stoppen; een orgel â, stemmen; â er. m.; â ing. v.; âwerk. o. Versterf (/ici afsterven: ook de nalatenschap), o. gmv.: hij vroeg zijns vaders â. Versterken, ik heb âsterkt: de wallen â: een leger â: den inwendige.)! mensch â, goed eten: â ing. v. Wrsterkend, bn.; âe middelen. Versterven, ik âstierf, ben âstorven: aw riivni zal niet â, te loor gaan: het vleesch laten â, besterven: zich â, kastijden, vasten, enz.; â injr. v. Vcïrstijl'il {stijf geworden), bn.; â hei^l. v. Verstijv4kn, ik heb en ben âstijfd; hij stond verstijfd van schrik, verstramd; â van kon: â ing, v. Verstokken {verharden), ik heb en ben-stokt. Verstokt {ongevoelig), bn.: hij is â in het kwaad: zijn hart is â: een âe oude vrijer: â heiil, v. Verstommen, ik heb en ben âstomd: die tuaorden deden hem â, sprakeloos worden: â injff (lig. groote verbazing), v. Verstompen, ik heb en ben âstompt: dat verstompt den geest, suf maken: die jongen is verstompt, door overspanning versuft: â ingw. Verstoord {boos, ait zijn humeur), bn.: â heid, v. Verstoorlt;1 er, m. â s.: een â van rust, vrede, orde, pret. Verstootelinir. m. en v. âen: voor het v. ook â e; een arme â der familie, der rnaat-srhappij, verschoveling. Verstooten, ik âstiet ( â stootte), heb âstoo-ten; een kind, een papil, een vrouw van zich stooien, er van scheiden. Verstoppen {dichjt stoppen, wegstoppen), ik heb âstopt; sneeuw kan een riool â; iem. hoed â. Verstoppertje, o. gmv.; â spelen, kinderspel. |
Verstoren, ik heb â stoord; dat verstoort mijn plannen, hinderen, beletten; om Trojes veste te â (Vondel), vernielen, verwoesten: â ing', v. Verstouten (zieli), ik heb âstout; hij dorst zich die taal â, den moed hebben tol; wat verstout gij u! durven, den moed hebben. Verstomveai {verstuwen), ik heb âstouwil. Verstrikken, ik heb âstrikt; iem. in zijn eigen woorden vangen: â injï. v. Verstrooid, bn.: de professor is tn gezelschop wat â, afgetrokken; â lieid, v. V erstrooien, ik heb âstrooid. het vijandelijk leger werd verstrooid, uit elkarr gejaagd. Verstrooiing' {â //leiding, genoegen), v. âen. Verstuiken {ontwrichten), ik heb âstuikt; ik heb mijn voet, mijn hand verslui::t, in geringe mate ontwricht; â ing, v. Verstuiven, het âstoof, is -stoven: het zand der duinen verstuift, wegwaaien; hij deed de legers als kaf â, uiteenspatten; â ing, v. Verstuwen {overpakken), ik heb â stuwd; de lading â. Versuflen. ik heb en ben âsuft; hij schijnt te â, suf te worden. Versnit {dof van geest), bn.: â liei«i, v. Versukkelen, ik heb en ben âsukkel !; gij moet dit kind niet â, een sukkel doen worden, slecht behandelen: â ing. v.: inde âing ndcer. d. i. achterafgezet. verwaarloosd worden. Vertakking, v. âen: een samenzwering met vele âen; dlt;' âen van een rivier. Vertalen {in een andere taal overzetten), ik heb â taald; âer, m.: â ing. v. Verte (afstand), v. gmv.; in de â zagen wij een schip, verschiet, horizon. Verteederen, ik heb en ben â teederd;//'vu smeekbede kon A iva â, treilen, bet hart roeren: â ing, v. Vlt;'rteg'(k!iw4»or4lige!!, ik heb â tegenwuor-digd; ik zal mij door den notaris laten, â ; de afgevaardigden â het heele volk; âer, m.; â ing, v. Vertellen {verhalen), ik heb â teld: een sprookje â : kom, vertel het ons eens, mede-deelen; âlt;kr. m.; âster. v. Vertellen (xiek) {verkeerd lellen), ik heb mij â teld: er is vijf gulden te weinig, ik heb mij zeker verteld. Vertelling (/,/ ein verhaal), v. âen. Vertelsel (sprookje), o. â s. Verteren, ik heb en het is â teerd; zijn maag kan geen komkommers â, verduwen, verdragen: den pot â, opmaken: hij verleert van )iaijver, mager worden: âing. v. Vertenten (den tijd met niets doen doorbrengen), ik heb âtont. gmz. Verticaal (loodrecht), bn.; in -olen stand, rechtstandig; een â aleplantengordel, die men bij hot bestijgen van een berg acli tereen volgens opmerkt. Vertienden {}nel tienden bezwaren), ik hob i âtiend: âer. m.; âing. v. Verti4knvoiidiglt;'!!. ik heb â tienvoiidigd; dr speler had zijn inzet vertienvoudigd, tienmaal 1 den eersten in/.et opgezet. Vertier (aftrek, verkoop), o. gmv. Vertillen (tillend verplaatsen), ik heb â tild; een brandkast â. Vertimmeren (anders doen timnwren), ik 1 heb â timmerd; een huis â. Vertinnen, ik heb âtind; een koperen pati | â, met tin aan de binnenzij bekleeden, over-| trekken; â ner, m.; â ning, v.; âsel, o. |
V K f {T() !lt;: K â VKKVO KI f !â : N.
|
Vortoef (vorblijf, igt;iionthoiul\ o. gmv.: zonder â, onverwijld, dadelijk. Vlt;'rtolt;'veii, ik heb â toet'd; ivuar hebt (jij vertoefd*' gewacht, gescholen. Vlt;gt; rt ol ken (o verzet len, ver Ui i lv 11 e 1 ⢠â l o 1 k t; iem. fiedachten, ivoorden â, uitleggen; âlt;»r. m.; â iills', v. {verhandeliny), o. âen: dr speetato-rinle âen van Van Elfen; diepzinnige âen over de Deugd of over de Vier .laargetijden (C. O.) Vertoorn {aantoonen. bewijzen)^ ik hel» ver-loogd. Vertoon (7 laten zien), o. gmv.; op - van zijn biljet; op â van dm. ivissrl: hij maakt veel â in de wereld, praal, bluf: 't is daar meer â dan rijkdom, uiterlijkheid. Vertoon«'ii (laten zien, voorstellen), ik heb â loonei; hij zal zich niet meer in 't publiek â: de taoneelafdeeling zal dat slak â. op-vueren; âer. m. \vrU*oning(voorstel ling, represent a He),w-vu. \'ertlt;»lt;irnen (boos maken), ik heh â toornd. Wrtra^'ii (tegenhouden), ik heh en het is â traagd; hij zocht den gang lt;Ier onderhandelingen te heieminoren; âin;;', v. Vlt;gt;rtra|gt;|M'n (moedu.'illig vertreden}, ik heb â trapt; zijn speelgoed â; ik âtrap hei. doe het in geen geval. gmz. Vertreflen. ik âtratl, heb âtreden: zijn gelul, ikgu mij eens â, «'fn ontspanning ;gt;1 wnnde- | lende nemen; âer. m.: â iiift'. v. Vertrek (kamer), lt;gt;. -ken: een ruime â. V«»rtrrk (afreis), lt;â¢. gmv.; de trein staal np â. Vlt;gt;rtrekk«gt;n (anders trekken), ik âtrok, hel» â trokken; zijn gezieht niet â; zijn mond. is geheel vertrokken', hij vertrok neen spier; \ v. Vertrenzelen ik heh - t rcn/.eld: zijn studietijd â ing', v. V ertroetelen (venvennen), ik heh â troetold: gij zult dat kind heelcmaal â, week maken; i â in$r. v. Vertroosten (troost geven), ik heh âtroost; j â Imar, bn.: âer, m.; â iii^, v.: vertroosting aan Vossius. (Vondel), troostwoord, troosi-gedicht. Vertroosteml, bn.; een â woord, stillend, kalmeerend. Vertrouwd, bn.; een â persoon, bediende, i vriend, op wien men zich verlaten kun; hij is j â met dat werk, goed bekend; â lieid. v. Verfroii\vlt;'liJk. bn. en bw.; eeïi - gesprek: iets â mededeelen: - v. Vlt;gt;rtronuelin^- (vriend), rn. en v. â en; voor : het v. oolc â e. Vertrouwen (belrouiven, hoop), o. gmv. Vertrouwen (vertrouwen stellen), ik heh â tronwd; op God â. Vcrtniankor (zeew.), ... â s. Zie: Vertuien. Vertuien (met twee ankers vastleggen), ik heb â tnid; wij vertuiden het schip en maakten j alle zeilen los: aan V schip van slaat vertuid i door ambtszorg. (Staring), verbonden; een vertui-anker, klein anker; âills', v. Vertuiden (ando's optuigen), ik heb â tnigd; een schip een paard â ; â intf, v. \ertwWfelt\(wanhopig), bn. en bw.: â lieid. v. Vertwijfc^len (radeloos zijn), ik heh â twijfeld; -in^, v. Vernitziend. bn.; âe plu tuien, vérstrekkend. Vervaard (angstig, bevreesd, bang), bn.: â heid. v. |
Vervaardigen (maken, samenstellen), ik heb â vaardigd; âer, m.; -ins* v. Vervaarlijk, bn. en bw.; een â geschreeuw; â schreeuwen, angstwekkend, ontzettend. Verval (vermindering), o. gmv.; lijden aan â van krachten. Verval (voordeel), o. â len: in dezen dienst is nog al â. fooien. Verval (verschil van diepte bij hoog en laag water), o. gmv. Vervaldag' (betaaldag), m. âen. Vervallen, ik âviel, ben âvallen: de wissel is â op den J5en; die familie gaat â, verarmen. Vervallen, bn.: een â huis, kasteel, bonw-vallig; wat is hij â, vermagerd: â lieifl, v. Vervalsehen. ik heb âvalsrh!.: het meel â, de kolf ie â, een tekst â, een rekening â ; â er. m.: âins- v. Vervansen, ik âving, heb â vangen; dt'';''w ploeg arbeiders vervangt de andere, aflossen: gij wordt door den zoon des huizes â, dh' komt in uw plaats: het êêne woord door het under e â, verwisselen; âiiis« v. Vervaren (bang maken), ik heb â vaard; iem. â. Vervaren (te ivater vervoeren), ik âvoer, heb en ben âvaren; waarheen is hij â, waar is hij gebleven.' Vervaten (in een ander val overgieten), ik heb âvaat; wijn gaan â. Vervatten, ik heh âvat: gij nmel uw bezoek eens â, herhalen; het verzoek was in de volgende woorden vervat, opgesteld. Vervelen (tot last zijn). Ik heli â veeld; /7. zit mij h'wr te â: zich die eentonigheid verveelde mij, hinderde mij. Vervelend, lm.; een â gesprek, een âe reis, een â boek; â heil!, v. Vervelins, v. gmv.: de â kwelt dm luiaard; de straf der â; een dag vol Vervellen, zij is âveld: de slangen â eens per jaar, een andere ïmid krijgen: -ins- v. Verveloos, bn.; een âooze deur, vloer, van verf ontbloot. Verven (met re,-f bestrijken), ik heh geverfd; een huis â, een rijtuig â. goederen â; âer. m.; â erij, v. Vervenen, ik heb âveend: wij zullen dien hoek â, de turf er uit baggeren; âins- v. Verversehen, ik heb â verscht; het ivater in een kom â: den voorraad vrnieuwen. Verversehins (verfrissching), v. âen, van welke âen zult gij gebruiken'.' dranken, vruchten, enz. Vervlieten (vervloeien), het -vloot, is â vloten; het teven gaat met de jaren â. Vervloeken, ik heb âvloekt; hij vervloekte ons allen, den vloek uitspreken over; âins-v. Vervloekt, bn. en bw.; een âekerel, elh-ndige: een âe daad, slecht; hij toert â weinig uit, zeer weinig, gmz. (ook als tw.) Vervoes'en, ik heb vervoegd; een werkwoord â, spraakk. verbuigen; zich zich wenden, zir.h hegeven; âins* v. Vervoesins (buiging van een werkwoord), v. âen; er is een sterkeen een zwakke â; een volledige â, een gebrekkige Vervoer, o.: het â der goederen, transport, overbrenging. Vervoeren (in alle bet eekenissen), ik heb â voerd; de krijgsgevangenen teerden per trein vervoerd; hij liet zich door drift â, te ver voeren; âder, m.; âins? v.; âtuis- |
V KR VOLG - V Kinv IK k ES.
|
Vervolg, o. âen; ren â op een hoelciucrlc; in 'l l»\v. voortaan: âwerk (boekwerk dat niet ineens compleet vcrseh'jnt), o. âen. Vervols'PH» illt; l'elgt; â volgd: iem. â, nazetten, lig. in rechten betrekken; hij eernolgt ons met zijn aanbiedingen; den vijand â, achterna zotten; âer. m.: â v. Vervolgens (daarna, naderhand), b\v. Vervolging: {achternazettimj), v. âen. Vervoog'4l (onder een voogd), Lm.; F lor is zal â, onder voogdij. Vwxorilvrrn (voortzetten, verhaasten), ik hel» âvorderd. h ervormen (anders vormen), \k hoh â vormd; â er. rn.: â ing'. v. Vervreenidon (in andere handen brengen), ik heb en het is vervreemd; de man kan dr goederen der gemeenschap â; die kinderen zailen op den daar van han maters â, door lange afwezigheid vreemd worden ;ian; zich â: hij zal zich door dat gedrag van al zijn vrienden â; â lieid, v.; â ing, v. Vervroegen, ik heb en ben â vmegd; een feest â , een bijeenLomst â, eerder stellen: â ing. v. Vervroolijkni (opvroidijkea, blij maken), ik heb âvroulijkt; de wildzang ât het bosch: de zonneschijn ât het landschap; dat reisje za! n â; SI. Nicolaas â1 tie jeugd. Vervuilen, ik heb â vidd; zijn plichten â. doen, betr.u-hlen; zijn belofte nakomen; zijn hoop awrit vervah'; een bet rekking â : â ing. v. \ «'rvininl. bn.; dil hoal is â, bedorven, inwendig vergaan (id. door het vuur, een ziekte). Ver\vagt;ii4l. bn.; wat ziet hij er â nil! verwilderd. Verwaaml. bn. en bw.; een â heer, trotsch, hoogmoedig, ingebeeld: â s/treken: âlienLv. V«gt;ruii:tr4Ãig-lt;'n ik heb â waardigd: de meid âde zich de vereischte inlichting te ' geven (C. O.): hij zal zich niet â te ant-woorden, het de moeite niet waard achten, hij rekent het beneden zich. Verivaarlooxen (veronachtzamen), ik heb â waarloosd: gij verwaarloost aw gezondheid: verwaarloosde kinderen: âer. m.; âing. v. Verwant (door maagschap verbonden), bn.; â e talen. b.v. Spaansch en Portugeesch; âe wetenschappen. Verwante (Hd eener familie, bloedverwant), in. en v. â n. VerwantKrliap. v. gmv.: de â der (!er-maansche talen: bloeitâ, ramiliebetrekking; hij behoort tot mijn â, lamilie. Verwaril. bn. en bw.; een â antwoord, â spreken, niet geregeld, zonder orde: âlieid. v. Verwarmen (warm, warnier maken), ik heb â warmd; zich â; âing*. v. Verwarren (in de tvar brengen of raken), ik heb âward; een streng sajet â; in zijn redevoering â; zich â. VerwaNeinen (verdampen), het is â wasemd; vloeistoffen â; het leven gaal â. (Bild.) Verwassen (door groeien verdwijnen; ook verkeerd wassen); het â wies, is â wassen; dat gebrek zal wel â: die verkromming zal wel -ing:, v. Verwaten (vermetel, opgeblazen, stoat), bn.: een â koningin, overmoedig; een â handeling. onberaden: â lieilt;l. v. Verwateren, ik heb â waterd; bier, melk, wijn, soep â, te zeer aanlengen; âing*. v. KOKNbiN, Verltl. IJiindwtlh. d. \c(h'rl. taal. |
Verwedden (een iveddingschapaangaan, door wedden verliezen), ik heb â wed. Verweeken (week, zacht maken of worden), ik heb en het is verweekt; âing-. v. Verweeren (bederven door het weer), het is â weerd; het glas gaat â, groen worden; de rotsen â, verbrokkelen; er stond nog een hat f-ver weerde blinde maar. Verwekken, ik heb â wekt;schrik â,angst â, doen ontstaan, veroorzaken: âer, m.; â ing-. v. Verwelf. Verwnlf (gewelf), o. âwelven, -wulven. Verwelfsel, Verwulfsel, o. â welfsels, â -wnltsels. Verwelken, het is verwelkt; de kraiden, bloemen â, verllensen: de schoonlvid gaat â, haar IVischheid verhezen; âing'. \. Verwelk4»nien, ik heb â welkomd: een logé, een vriend â, welkom heeten: âing'. v. Verwelven, Verwnlven. ik heb â welfd, (â wulfd); een kelder â, met, een gewelf dekken. Verwennen, ik heb en ben âwend; een kind â, bederven door toegevendheid; â -ing. v. Verwensellen, ik heb â wenscht; iem. pogingen â , vervloeken, naar de maan wenschen; â ing. v. Verweren (xieli). ik heb mij âweerd; hij verweerde zich als een leeaw, verdedigen, weerstand bieden; â weerder. m.; â wering', v.; â weerselirift (apologie), o. âen. Verwerkelijken (verwezenlijken*, het is â workelijkt; een plan â, een gedachte â. Verwerken, ik heb âwerkt; een mil Hoen steenen â, vermetselen; gij moet die leerstof goed â, in n opnemen; âing'. v. Verwerpelijk (te verwerpen), bn.; een â stelsel; dat voorstel is niet â. Verwerpen, ik âwierp, heb âworpen; een wetsvoorstel â, niet aannemen, afstemmen; â ing. v. Verwerven (verkrijgen), ik âwierf, heb â worven; âing, v. Verwexenlijken. ik heb âwezenlijkt; moge al, wat gij wenscht, verwezenlijkt worden ' werkelijkheid worden; droomerijen, die zich nooit zailen â. (Klikspaan); âing. v. Verwiggelen. ik heb â wiggeld; een lossen tand â, een paal â, heen en weer bewegen. Verwijden (wijd of wijder maken), ik heb â wijd; een kleedingstak â. Verwijderd, bn.; een â geraas, op afstand. Verwijderen, ik heb â wijderd; verschil van gevoelen houdt hen van elkaar verwijderd, gescheiden; iemand nit zijn hais â, den toegang ontzeggen; âing'. v. Verwijfd {ver weekei ijkt) bn.; â lieid. v. Verwijl (uitstel), o. gmv.; zonder â, terstond. Verwijlen (verpoozen), ik heb â wijld. Verwijt (berisping, gisping), o. âen. Verwijten, ik âweet, heb âweten; ik heb mij niets te â ; de pot verwijt den ketel dat hij zwart is, de een verwijt den ander een zelfde gebrek; âing. v. Verwijzen, ik âwees, heb âwezen; ik heb hem naar mijn vader verwezen, gezonden; iem. in de kosten van een proces â, veroor-deelen; âing:. v. Verwikkelen (verwarren), ik heb â wikkeld; in een samenzwering â ; de verwikkelingen in IS:#) met lie tg ie; âing'. v. Verwikken (verweien); het is niet te â, het staat vast als een pa:d. 30 |
V KIÃWILDERD - VRRZOKK KM.
|
V^rwild^'iul {woest, ruw), lm.: een âo hl ik, â struik-gewas, lt;1. i. ineengegroeide ranken; â Iilt;gt;icl. v.; â ins'. v. Verwilderen.ik helj en ben â\\\h\eviï'Jionilen en paarden â in volle vrijheid, worden wild, ontembaar; â ing1. v. Verwiniieii (ove?'winnen), ik âwon, liel» â wonnen; âaar. m.; â inji' {overredhnj),v. Veru inlereii {den ivinler doorhrenijen). ik ben â winterd; â in^'. v. VerwisK«'leii (ruilen), ik heb en bon â wis-seld; van 1:1 eer en â, van paarden â. mn l.lear â, veranderen; âaar. m.; â haaa*. bn.; â in^' (omriiiliny), v. Ver wisseling' (b.v. van z en r), v. âen; verliezen en â luren. Verwittlg'en {doen roeien), ik heb â wittigd; de onlvanger verwitiinC u, en/.., maakt bekend. Iaat weten; â injr. v. Verw«»elt;i (razend, dlt;d), lm. en bw.; â lieid. v. Verwoesten, ik lieb âwoest; een stad te gronde richten, uitplunderen, vernielen; zijn (jelak â ; â«»r. m.; â ins'- v. VerwoiKien {kwetsen), ik helt âwond; zijn hand â; zich â. Verwomieren {verbazen), ik heb âwonderd: mv luegblijren veraxmdert mij: koning /â¢'/â /â -derik verwonderd!' aarde eri hemeltrans. (Bild.) ! \wwitttiivvïufs {bevreemding), v. gmv.; â s-te4kken (uitroepingsteeken), o. âs. VerwoiKlerlijk. bn. en bw.; een â geval. vreemd, zonderling; hij sprak â. Verwonen, ik heb âwoond; ik verwoon hie)-\ duizend galden, d. i. aan buur geven; om er '£ st ra Ij aar te â. (Staring), wonende door te j brengen. ^^'rwoniieling' (Ãverwonnene), m. en v. â en; voor het v. ook â e. Verworden {vuil worden, bederven), het, I â werd, is âworden; âills', v. Verworjfen. Verwiirgpen {de keel dirhl snoeren), hij heelt â worgd ( âwurgd); --worging' ( âwurging), v. Verworpeling {ellendige, gevallene), m. en v. âen; voor het v. ook âe. Verwori»en(w:Vw7//W//7.quot;, /a//f/),bn.: âIieid.v. \'lt;gt;rwrikken, ik lieb âwrikt; een paal â, al wrikkende of schokkende bewegen; den : voet â , uit het gelid vallen, verstuiken; - ; -ing. v. Veru ringen, ik âwrong, heb âwrongen;, een zaak â ; de bet. van een woord â , verdraaien, veranderen: zijn denkbeelden in oade stelsels â. (Koetsveld); âing. v. Verwnlf. Verwnlsel. o. â s, -en. Zie: Verwelf, enz. Verwurgen. Zie: Verworgen. Verxaeliten. ik heb en het is âzacht; de , pijn â, het leed â, verlichten, verminderen; ! de scherpte eener nitdrakking â . matigen; â ing, v. Verxaelitend. bn.: een â vocht, een âe ail-drakking, âe omstandigheden. Verzaden, ik heb âzaad; de hongerigen â. volop voeden; de maag â, vullen; vodden â met zoal * er zooveel zout bijdoen als kan; âing, v. Verxadigcn {verzaden), ik beb âzadigd; -ing. v. Verzaken {verloochenen), ik heb â zaakt: zijn geloof â, zijn plicht â ; klear â, troef â , valscli spelen; âer, m.; âing, v. Verxanieien {bijeengaren), ik beb âzameld; j |
de trom tot â roeren: de soldaten gingen zich daar â ; hij werd tot zijn vaderen verzameld. in den grafkelder bijgezet; âaar. in.; âplaats, v.; âwoord, o. Verxaineling {menigte, hoop), v. --en: de lïollaYidsche jongen maakt in 't voorjaar een â van eieren. (C. O.) Verzamel naam (spraak k. imam eener verzameling), m. â namen; bosch, leger is een â. Zie: t'olleetieven. Verzamen {te samen komen, brengen), wij hebben en zijn verzaamd; in vreugd ver-zaamd ! VerzaiKien. het is â zand; een haven kan volloopen met zand; binden â en zanden verlanden, spreekw. de tijd brengt gruote veranderingen; âing, v. Verzeeuwil {zeeziek), bn. w. g. Verzegelen, ik heb âzegeld; hij liet de nalatenschap â . er de zegels op leggen; â -aar. m.; âing', v. Verzeilen {verkeerd zeilen), ik ben â zoild: lig. ergens tegen zijn zin belanden; h.oc lannt ge hier verzeild'.' een prijs laten â, uitloven voor den besten zeiler. Verzekeren, ik heb âzekerd; zijn leven een levensverzekering sluiten; de openbare rast â, zeker maken; zich â, zich overtuigen; ik wil mij daarvan â ; âaar. m.; âing. v. Verzeilen, ik heb â zeld; iem. op reis â. met iem. gaan; dat gaat ver zeld van groole onaangenaaynheden, gepaard met. Verzeïseliappen {verzeilen, begeleiden), ik heb â zelschapt. Verzlt;kn«ien, ik âzond, heb âzonden; Loop-waar, brieven, geld â, ergens heenzenden; groole verzending,m naar het baitenland, export; âer. m.; âing', v. Verzenen {hielen), v. mv.: de â tegen de prikkels slaan, Bijb. tot eigen schade verzetten: 1' tegen (lods wil te verzetten is â. Verzeng'en, ik heb âzengd; het haar â. licht schroeien; de verzengde luchtstreek; â -ing, v. Verzenlijmer (rijmelaar), m. -s; -lij-merij. v.; âlijuister, v. â s; â maakster, v. âs; -maker, m. â s; â niaklt;'rij. v. Verzet {rust, verpoozing), o.; ik doe dit voor mijn â : hij gaf mij zijn horloge voor â, pand. Verzetje {uitspanning, afleiding), o. âs; ik moet eens een â hebben. Verzetten, ik heb âze:; verzet die kast eens, op een andere plaats zetten; diamanten â. anders inzetten; hij tracht zijn droefheid te â. verdrijven; ik kan het niet vergeten; --ing'. v.; â zettelijk {vermakelijk), bn. Verzien (niet zien, voorbijzien: verwedden), ik âzag, heb âzien; ik eerzie er een gulden onder. Verzilveren, ik heb âzilverd; een armband â, met een laagje zilver overtrekken; elf eet en te gelde maken; âaar, m.; âing. v. Verzinken {wegzinken), het is âzonken; hij verzonk in d»' diepte-, lig. in gedachte verzonken, verdiept. Verzinnen {uitdenken), ik âzon, heb âzonnen; log ens â, verdichten; een plan â ; --ner, in.; â sel {verdichtsel), o. Verzoek {aanzoek, vraag, bede), o. âen. Verzoeken {vragen, een verzoek doen), ik â zocht, heb âzocht; iem. â, uitnoodigen; iem. â tot, beproeven; leid ons niet in verzoeking, beproeving, be'coring; zij brengen n |
Vr.RZOKXDArj - VTDTM \TTK.
|
In âhifi hen le benijden. (C.O.): m.; â -schrift, o. m. âen; «iroole algeinceno vasten- en boetedag iler Israölietén. ^'erziX'iK'ii {hevroihjen). ik hel» âzoeml: (joiI â; zieh met iem. â, de vriondsdiap herstellen; â er. m.; r-ing', v. lm.; een â tvooyd, lievre^ligend, do vriendschap hers lellend. Vlt;*rzolt;'llt;'ii. ik hebâzoet; motKj de hoop ons leed â / verlichten, minder zwaar maken; Æ/'-/'/ eerzoet den arheid. minder onaangenaam maken d. i. vergoeden, licht maken; â in^quot;. v. ^ «'ry.or^on. Ik heli â zorgd; een ziel;e een huisijezin â , on lerhouden: een dochtrr â, haar nithnwen; zijn bedienden â. heden-ken in zijn testament; âor. m.; â iuji'. m. Verzot, bn.; zij is â 'i/gt; bloemen, zeer ingenomen met, verliefd op; â v. Verxiirliloii, ik hel» -zucht; zij - nnnr de lente, smachten, haken; â iia?;-. v. VcrzniiEi. o. âen; doe hel zonder uitstel; lyt â is niet uroot, verwaarlouzing. % i'vx.tiiwtii'tt(n(ilaten, verotim-htzmnen ». ik !if-i1 â zuimd; â v. {i udnuih- ver leren),\\lt;. heb â zojicn; l\ luns je eerz 11 ipt ze nmiir. (('. O.) \«'rziami (znnr ivorden), het is âznnrd; de melk sloot hier te Vorziislrrlt;'M (als zuster verbinden), ze zijn â zusterd; de muziek e,, di' diehlknnst â. Verzwakken, ik heb en ben âzwakt; dr koorts zal n â. zwak n aken, doen afnemen; ⢠â¢en dijk, een da,n. een fondament â; âiny. v. \ei,zujM'eii. ik heb en het is âzwa:ird; een dijk â , zwaar sterker maken; dal zal mr schuld â, erger maken; â in^-. v. l'eB'ziveïyeia (inslokk'-n), ik hol» âzwolgen; zijn prooi â; de zee zat dat eiland â. \ ei'zu'«kiifl«'Ie]i (zwendelende doorbrenijcn). ik heb â zwendeld; zijn (jeld â. VerziviJ^-en (zivijijend eerbenjen), ik lieb â zwegen; een feit â; zijn zimden Verzwikken (uerstuiken), ik heb zwikt; ik heb mijn voet verz/uikt: â iny,quot;. v. Verzwinden (rerdiuijnen). ik /.wond â, ben â zwonden; de nevel (jaat â, alle hoop is verzwondtn. Vesper (namiddaijdiensl bij li. A'.), v. âs; de Siriliaansche oproei in Sicilië (1282). Vest (schans; iral, (jraeht), v. âon; velen ronden hun dood in de â, stadsgracht. Vest (kleedi 1 njstuk), o. âen. est en (vest'uien), ik heb gevest; de aun-ilacht bepalen, trekken. VesiiiMile (voorhof, inyumj van een fjebouw), v. â s. Vestigen, ik heb gevestigd; de uandacht â, de. ootjen â , den blik â , zijn hoop op God â ; zijn verblijf ergens â ; â v. Vesting (een versterLte en ommuurde stad). v. âen. Vlt;'t, o. gmv.; iem. zijn â geven, laken, berispen : het â is van den ketel, de winst is heen. Vet. bn. ; een âte os, een â varken: het oog des meesters maakt het paan! toezicht op | eigen zaken is voordeel; die kip is zoo â als modder: het âle de}' aarde genieten, in weelde leven; â lieni, v. \ elei* (koord met nestel), m. âs; een vijglaars met een â. Veteraan (een mul- of uitgediend soldaat), 1 m. âanen; roemrijk getitteeken.de âunen. |
Veteren, ik heb geveterd; ik zal mijn laarzen i even â, toerijgen; fig. iem. -, bekijven; â jsat.o. Veterinair {veearts), m. âen. \vtvvltti\iv(veeartsenijkundig),\H\.-, -esrhoal, veea r tsenijsdu gt;01. Vlt;'t^-ans (wilde gans eau .\ustrulië), v. ' âganzen. H'etknopers. m. mv. Zie: Seliicrin^-ers. Vetlt;» (ik verbied, geef mijn toestemming niet, verwerp: ik keur af). Veto (het verbod, de veriverping), 0. â's; //lt;â / reeht van â . het recht eens vorsten om dlt;» kracht der wetten te schorsen. Vetti 'warier (koomenijs/nun), m. âs; hij is een â, verk'K.per van vette waren: olie, kaarsen, enz. ^ «'ttift* (smerig, olie ichlig), bn.; â lieiH. \'. ^«â¢ttiSi (veldsla), v. gmv. gew. %etvveilt;leai, ik heb gevetweid; âer (veefokker), m.; âerij, v. Vetzak (persoon), m. en v. âken. g.nv. Vendelen (peuteren, morrelen), ik i-eb ge-veugeld; zi( niet zoo aan je das le â. Venten (jong patird, jmige ezel), o. â ^ exatie (L'welling, plagerij, onrecht], v. â tiën, âties. Vc'.vef'BM1!! { kwellen, plagen, afpersen-, ogt;irteht aandoen). Vezel (haartje, dradig deeltje, spiertje), v. * â en, âs. Vezelen (fluisterend spreken), ik heb gevezeld; â aar, m.; âasirster. v. ^ezi'Ii^' (rnt vezels), lm.: âlieiil. Veziken, ik heb gevezikt; ivat zit je toch te â , (Inisteren; ook rafelen. quot;%'ia (langs, over), v/.: gaat dit goed â I 'trerhtV Viailnet (boogbrug), v. âen. \ intlvwiiu. teerijenni ng, teerspijze), o. -s;liij de b'. K. de geconsacreerde host'm als teerspijze, den stervende gegeven. V ibratie (trilling), v. âtiën, âties. ^ il»reeren (trillingen maken, trillen). Vieariaat {ambt run een vicaris), o. âaten. Viearis (l{. K. plaalsbekleeder, onderpustoar, hulpgeestelijke), m. âsen. Viee (onder, jduuts ver vangend), bw. Viee-ailnairaal, m. vice-admiraals. \ iee-eonsni. m. vice-consnls. Vielt;^prlt;*sideiit. m. vice-presidenten. Vice versa (heen en terug), bw. uitdr. Vicilt;'ns (ondeugend, zedeloos: lig. gebrekl.'ig), bn. rei vicieuze cirkelgang, term inde logica, aanduidende een sophistische redeneering. ^'ie4igt;inte (edelman, adell. titel), m. â s. Vietalie, Victualie (eetwaur, leeftocht), v. â iën. \ fct4»ria (godin der overwinning), v. gmv. l'ictlt;»ria (soort van lundauer), v. â's. V ictoria rc'g'ia (waterbloem met rensaehtlge bladeren ran ± 4 M. omtrek, uit Virgini'e), v. â's. Victorie {ovcncinning, zegepruuh, v. âriën, â ries. ^'ictnaSie (mondbehoeften), v. âiën. Zie: \'ictalie. VictualieeiM'ii (een schip van leeftncht voorzien). Vitle! 'I'iiieatas* (zie! zie na! sla op!). Zie: Vilt;i. Vitietnr {Iwl slt;hijnt, dunkt); zijn â green, zijn gevoelen geven. ilt;ii (ik heb het gezien). Vitliniatie {bekruehtiging), v. âs, âtiën. |
30*
vir.ij-viNor.N.
|
Vier (dicht. vmn\ hezielimj), o. gmv.; dal alles zrt mij de ziel in â. Vier, telw. (:ils zn.), v. âen. Vierde (ranygetal), lm.; âlialf (= 3'/^), l»n.; â «Iaa^s«'li \dr âe Loorts), bn.; âpart, o. âen. Vieriierliamle, â lei (soort), soortget:il. Vieren, ik hol) gevierd; feest â, Kerstmis â, zijn verjdurddn den temjel â, laten sr,hielen; hot â, inwilligen; den hal iel â; het elieijerttmiu â ; IIlihiki vierde de luimen drr hest. (Pütg.); een (jevierde muon, geroemd, geprezen: â iiiftv v. Vieremleel {het ei er de deel), o. âdoelen: ren â inirs; een â janrs. VieiM'iidec^leii. ik hel» gevierendeeld; een ns â, in vier stukken hakken; iem. â, oude lijfstraf: hom in stukken kappen. \ ierlioek (meril, nndilt;ie jiymir), m. âhoekon. ! Vi4krli4»ii«l4'ia(l. t\v.; dnl paard kost me â [lalden. Vierkanl (reijehn. vierhoel.), o. âkanten. Vierkaiil, hn. en b\v.; een â igt;arl,\ een âe ta/'el: de Jonyen is mxj mat â, plomp; iem. hel âe (jat mijzen, do deur uitzenden; iem. â de dear aihjooien. \ i«'rliaiifi^- (eierhant). hn.; een âe tafel. Vicrkienri;;'. hn.; âe t doe men ; de ~e elay. \ hn.; spraakk. een â ondenreri); wisk. een âe yroidheid. %'ilt;'rl4»«gt;|»er {takel nn-l tteee dahhele haak-hloks), m. â loopers. \ i«'r|Mnilt;llt;'r {koyel, ia mm), m. âponders. VH'i'si'iiaar {rerhthank in den (''rankisehen tijd), v. âscharen; de â spannen, recht gaan spreken. VierKiiari;;' {hehhende vier snaren), hn.; een â instra ment. Vierspan. lt;â¢. âspannen; hij rijdt meteen â, met vier paarden voor de knots. VierK|»r4»ii^- {kraismey), m. âsprongen. \'iei'fiilt;i (vaeantie). in. gmv.; â aan de Vlijt yesehonLen. (Staring), rusttijd, vaeantie. Vierviak {nwelk. lichaam met vier vlakke}i), o. âvlakken; â vlakki^-. hu.: een -vlak-kiye hoek. Viervoet, in.; ik kwam te â, te paard, ook: in galop, snel. Viervoeter {paard, hond), m. â voeters. Viervorst, m. âvorsten; Hemd es figt;as een â, ondergeschikt vorst van Galilea, nl. over een vierde «Ier Komeinsche provincie Palestina. Ook: T«»lrarlt;?li. ViervorsteiKloni. o. âdomuien. Viervlt;»ii«i. o. -vonden: icht is een â van ti vee. Vieruert' {vier keeren), hn. en hw.; een -hoezee, â herhalen. Vies. hu.; een vieze dienstbode; een â praatje, vuil; ik hen er â van, afkoerig; Der k Joost en luas er niet â van, het rak van strooper mot dat vail jay er te verhinden. (C. O.) ; hij rail niet â, is niet erg kieskeurig; â iieilt;l. v. Viexevatxen {grillen, karen), v. mv.; drink eens vader, en zei die â uit het hoofd. (Potg.) VieKÃK'lieid {imilheid), v. gmv. Vi^-ilaiiite {haarrijtniy), v. â s. \iiStlixtti W {auail, zaamheid, vlijt, ///v^'),v.gmv. Vi$i*ileereii (waakzaam zijn; vlijtiy acht op iels h' yeven). Vigiliën (day of arond vóór hooye li. K. feest-dayen), v. mv.; vi^'ililt;'4ia^' (//. A'. vastemlay), m. âdagen. |
Vignet {plaatje als sieraad in een hoek. eig. wijnyaardhlaadje), o. âten. ViK-4»r4»s4» (rnuz. stoat, vuriy), hw. Vi^:lt;»iireais {kraehtiy, sterk, vroolijk, frisch), hn.; âreuze poyinyen. Vij;'ii4'iir {kracht), v.; in â, van kracht; onder â der wet, uit kracht van de wet. ViJaiKi, m. âen ; hij is mijn â, tegenstander; een â van leayentaal, uan het spel, can den drank; de â kwamaanrakken; de â des menschen,'duivel; de hooze â. VijaiKlin. v. âinnen; zij is mijn â ; zij is een â van kwaads/treken. VijaiKisclcai». v. âschappen; in â leren, in slechte verstandhouding, afkeer, haat. Vijl. telw.; als zn., v. vijven; yeef ineile â, de hand. gmz.: iets in vijven snijden, vomven; het is hij rijven; zij waren met hun eijven: spreekw. hij had allerlei vijven en zessen, nestorijen, vitterijen. ^ ijl^le (ranyqetiit), hn.; de â maand is Mei. Vijldlt;liall. tw.; dat kost âhalre stuiver, (Li. Vi|l4leriiaii4ie. âi4»i {in rij/ soorten), soovi-getal; hier zijn â wijnen, siyaren, enz. % ijlii4»ek (meetknndiye jiyaar), m. âhoeken. \ijl'ii4tii4i4'i*4l. telw.; hier zijn â yalden. Vijfje (/. wartje), lt;gt;. âs; ik yaf den condac-tenr mijn â (C. O.), d. i. fooitje, 25 cis. Vijl'|M»ii4l4'r {h'oyet, sinkyeschat), m.-ponders. gt;l'ijf'li4'ii. telw. âen; ivij maren met âen. Vi|ni4kii4l4' (ranyyetal), telw.; de â day. ^ ijfli^' (5 maal tien), telw.; dat kost â yatden. \'i|fti^'4'r. m. âs; een noy krachtiye â. iimii van vijftig jaar. Vi|f'tiy«|MHi4i4'B* {yeivii'hI), m. âponders. \'i|lu4»iel4'r {vlindertje, uiltje, witje), m. âs. ()f»k; \Vi4»w4nil4»r. \ ija' (nijiiehoom), m. âen. Vij {Oostersche vracht), v. -en. Ook: Pmn'-demop. gmz. Vij$;'4'l»Sa4l, o. âbladoren: â I»4M»iii. m. â en; â p4»4»r. v. âperen; âlak. m. âtakken. \ ii^eiiiiiat {hiezen mand), \. âmatten. Vijl {werktaiy), v. âeu. % ijlen {werken of heiverken met een vijl), ik heb gevijld; lig. een ons tel, een yedicht â , d. i. likken, polijsten, schaven; -iïi^-. v.; --sel. o. Vijs. Vijz4' (schroef), v. vijzen. Vijver (yeiyraven mnsl tlen maler), in. â s. % ij%4kl (stampvat), m. â s. Vij%4'l (windas, schroef), v. âs. Vi|%4ki4'ii {opwinden ; lig. ophelfen), ik heb gevijzeld. Vii%4'lm4»l4'ii {waterm den zonder scheprail, maar met een tonyschroef), m. âmolens. Vil4ler {man die paard'n enz. vilt), m. âs. Vil4i4'rij {het rillen), v. âen. Villa {huitenverblijf, landelijk yeleyen heer en-huis), v. â's; â tj4S o. âs. \'ill4'ii (de huid afstroopen), ik heb gevild: lig. ik hen daar yevild. afgezet, bedrogen. Vilt {stof voor hoeden en pantiiD'els), o. âen. Vilt4kii {van vilt), hn.; een â hoed; dit zijn â pantoffels. Vim {honderdtal), v. âmen; een â hout, een â roiiye, d. i. honderd en vier bossen. Vin {zw emwiek), v. ânon; de â nen van den ha ars zijn rood. Vin (htoedzweer, puist), v. vinnen. Vinai$;'r4k {azijn), m. gmv. Vin4l4gt;ii« ik vond, heb gevonden; zijn atlasâ, |
VIM HCATIK â VITI* IOOL.
|
nl. ilitor te zooken weerom in lumden krijgen: ietn. thuis â, ;um tref Ten; in can brief vee! I'outrn â, opmerken; ilc vind het Iconcl, be-vinden; een vounvimdsel â, uitdenken; eoi raadsel â, oplossen; den tijd voor iets â. uitsparen; troost â, hebben; (lehoor â, verkrijgen; ergens den dood â, haat â bij: ilc zal hem irel â, mij op hem wreken; zich laten â. inschikkelijk zijn; zich ergens laten â, zorgen, dat men er is; het mei iem. kannen â, in vriendschap leven; âer {vroeger ook: dichter), m. âs; â iiN»* (aitvinding), v. âen; â ingrrijk. lm.; âster. v. âs. Viiilt;licatilt;k (ivraikmniing. wreking; bevrijding: gerechtelijke toeëigenihg), v.; â ran eer. hereisch. Vindicatief (airaakzai hlig, straffend), bn. Vindiveereii (wreken, strajfen; redden, bevrijden ; gerechtelijk terugvorderen). ViiKiingf (ontdekking, uitvinding), v. gmv. Vindin^-rijk. bn.; een â man, 'geestig, ver-nuttig; een ârijke geetft; â lieid. v. Viiulplaats, v. â plaatsen; de âplaatsen van fossielen op Java zijn niet talrijk. Vinder, m. â s, âen; hij heeft'langt- âs, hij is oneerlijk; men kijkt hem daar op de âs, scherp op iem. letten; ik ben bij hem de âs naast den duim, zijn onmisbare, zijn vertrouweling; iem. op de âs tikken, berispen, de fout aanwijzen; het ei ei mij wat hard terstond door collega op de âs getikt te worden. (Koetsveld); men /vijst hem met de âs na, hij is in opspraak; iets door de âs zien, oogluikend toelaten, vergeven; ik kan hem om den â winden, ik kan niet hem doen wat ik wil; iem. of iets met een natten â kunnen beloopen, hij of het is diciitbij, aanwezig; de twee â s opsteken, zweren, een eed afleggen; iem. den â op den mond leggen, hem liet zwijgen opleggen; a Is men hem den â geeft, neemt hij de geheele hand, hij is aanmatigend, hij gaat te ver. VinjyorbrcfMl {de breedte r. e. vinger), o.; ik zat geen â voor hem op zij gaan. Viii^'(ki*liolt;'lt;i. m. âhoeden; â sknml {een leeuwenbekachtige giftplant), o. gmv. Viii^-orlin^- (ring), m. â lingen. vero.; een â van de oude julfrouw De Groot. (C. O.) Ook: bekleedsel, b.v. een zeemleeren â. (een en twintig; zeker hazardspel met Fransche kaarten), o. gmv. Vink (zangvogel), m. âen. ViBiken (Ier vinkenjacht gauïi), ik heb gevinkt; â er (vinkenvanger), m. â s. Vinkeiibaaii (vangplaats), v. -banen; âei. o. -eieren: â nest. o. ânesten; â slaj;1 (kniji), o. âslagen: â vangst, v. gmv. Vinkesla;;' {het slaan, de zang), m. gmv. ViBiiii;?. bn. en bw.; een â woord, scherp, bijtend; de visscher met zijn â mes. (Hofdijk), d. i. scherp: âliei«I. v. Viola lt;9i $gt;-ainba (muz. de knieviool, een bas). Violatie (schending), v. -s, â tiën; met â van het recht. Violeereii (sch enden, verkrach ten). \'i4»lent (geweldig, hevig), bn. Vi4»llt;'iitie (geweld), v. âtiën, âties; tact â. Violet (puurs), bn.; â is de kleur ran een H. I\. bissch.opsgewaad. Violet (bloem, wilde viool), v. âten. gew. Violier (sierbloem), v. âen. ^'i4»liiilt;' (muz. de gewone viool), v. â s. Violist (vioolspeler), in. â eu. |
VioloiK'el (snuarinstrument, husriool). v. -s. Violouec^llist. m. âlisten. Ook: Cellist. Viool (lentebloem), v. violen. Viool (vedel), v. violen. l'irap:lt;» (manwijf, helleveeg, kruchtig vmuws-nersoon), v. â's. Virginiteit (maagdelijkheid), v. gmv. Virtuoos (kmistmeester, bijzónder in de niu-ziek). m. âozon. Virtuositeit (meesterschap in de kunst), v. gmv. Virtuoze (kunstenares in muziek of zang), v. â n: het tafeltje, 'twelk de â aireede was roorbijgegaan. (C. O.) Vis (scharnier, knier, deurheng), m. âsen. Visa {teekening voor gezien), o. â's. Vis-s\-vis (tegenover), hw.: als zn. (zitplaats tegenover een ander; rijtuig met twee zitbanken tegenover elkander), v., (persoon), m. en v.: die heer was aan tafel mijn â ; mevrouiv /gt;'. was in 't rijtuig mijn â. Viseli (voorwerp), m. visschen; (stof), â¢. gmv.; de snoek is een â ; houdt gij van â ? Viselikaar {doorboorde / ischhak of -sch 'fitje), v. âkaren: ineen â blijven de visschen levend. \ iselireelil. o. gmv.; 'het â in deze wat quot;ren behoort aan dat kasteel. Viselirijk. bn.; een âe vijver; â lieid. v. Viseliwant (vischtuig, -net), o. gmv.; in le schuit was bun noch â voorhunden. (v. Leun.) Viseliwatc^r. o. âwaters, âwateren. Viseliuijventaal (platte taal), v. gmv. Viseeren (beschouwen: voor gezien teekenen; mikken, beoogen, op iets doelen). Visibel (zichtbaar, gereed, gekleed), bn. Visie (gezicht, inzage), v. gmv.: de plannen liggen ter â. Visioen (gezicht, droombeeld, spook), o. âen: de lijders (aan typhus) zijn in stilte bezig met hunne âen. (C. O.); de âen van voorspoed en glorie. (Potg.) A isitatie (een bezoek; nazoeking, onderzoe-kinq), v. âtiën, -ties. Visite {be zoek; geneeskundig bezoek), v. â s. Visiteeren (bezichtigen, bezoeken, onderzoeken): di' douimen zullen den trein â. Visitekaartje ( naamkaartje, dat voor een bezoek geldt), o. âkaartjes. Visiteur (bezoeker, nuzoeker, onderzoeker; umbtenaar hij de in- en uitgaande rechten), m. â s. Visselieio. ik heb gevischt; naar iels â, fig. iets trachten te weten te komen : achter het net â, te laat komen; in troebel water is het goed â, waar verwarring is, doet een oneerlijk man zijn voordeel; elk vischt op zijn getij. Visselier. m. â s. VisselieriJ. v. âen; degroute â, haringvangst. Visseliermau. m. âlui. Vista (o/) zicht), o.; een ivissel op â : zingen of spelen a primu â, op het eerste gezicht. Visum (het geziene, dc aanblik), o. gmv. Visum repertnm (geneeskundig verslag run de bevinding), o. gmv. Vita (het leren), v.; at testa tic de â, akte of bewijs van leven: â brevis, ars longa, het Ifven is kort, de kunsl is lang. V itaal (tot het teren behoorend), bn. Vit esse (snelheid; ook sneltrein), v. â s. Vit lust (bedilzucht), m. gmv. Vitrine (glazen uitstalkast), v. -s. Vitriool (zwavelzuur), v. en o. gmv.; --aehti^ bn.: jenever met âen smaak. |
VITStt- VLIKG.
|
(rrn /vikkrlilorut), v. â n. Vi(llt;kii (Ich â¢iiKjccslin Ix'dHIrn), ik lioli gevit: â lt;«'r. m. Vitterij, v. âen. VitxiK'iil (ritli(Nt), v. gmv. Vivace (muz. IcrcmUij, no'ifi). lt;«. ViVi«'lllt;'il (Iri'i'il'liijlifUl), v. ^ ivat (hij of zij lend), t,\v.; :ils /11. o. âs. j \i\i%wiiv(('nlli i/in'j r.lcrfiulr dieren). v.gin\. ! Vivrlt;'S (lereiisuiiih/efen), niv. vizilt;'im Ti'rkscliH eerste ininish'r), m. â«mi, âs. ^ izif'a* (niikpldiitje ikih een. ijeioeer: m.l; ten o/ieni n'i (tan een h.rhn nrnr de oixjen). u. âen: â Uorri'I. v. âs: â kh'E». v. âpon. Vla (L'nnO. baksel), v. vlaas; vlaat|e9 o. Zie: Vla«le. Vhia;;* (hni). v. vladen; een ret/en â : een â eau toorn, kntnkzinnidheid, rozernij, a:m-v;il: hij nlnuen, hij tussclienpoo/.en. \ IscaBi (teenen Inrde, a/i leelke men de ii'nl slant), v. vlaken. ^ iaaiiislt;'l« { eun Vlaamlercn), lm.: :ils 7.11., lt;â¢.; de âe taal, de âe zeilen: hij spral: â. \ lalt;llt;k. Vla {rrachtenbal.sel). v. âdon. â vlaas. Vi ajr-. v. âgen: de â deht deladinfi, óenaam iles scln ijvers redt, hot work : met â en irim/irl iets winnen, lt;1.1. eervol: ilat staat, als een â ! 'gt;/gt; een moddersehnit, dio oj)schik is ongepast. Vlas' (vezelaehti'j (jeieas lt;gt;. h. ivater), o. gmv. (inai'ine. ailelhorst), in. â s: â ka|»it«'iii (die quot;/' het admiraalsehip het he eet heeft), m. âs: -SiOOi*«i (icaarmee de vhnj ijcheschen icordt), o. âen: âlijn. v. â en; âman {aanroerde)-, lig. leider), m. â lioden, âIni. Vla^^cn. ik hoh gevlagd: met dat feestzullen ire allen â, de vlag uitsteken. Vlajs'jïemUMïli. gmv.; âKaam. v. âen: â ki.st (ter heirarimi der rlai/iien). v. âon. VI ag'^TKcliii» { admiraalsschip), o. âscliopcn : -stok. m. âken: â toaiv. o. âon. Vlasfoilicier (marine, h'infdnl}ieicr ter zee), m. nHiciers, âolïicioreii; de admivaal, deviee-admiraal en de sehoat-hii-naeht zijn âen. VI as'Vlt;M'rlt;ler (elaipilfie., nok zijn sehip), m. -voerders. Fig. leider, voorfpinfp'r: (iotnarns, de â der reehtzinnine theoloijanten. (Frnin.) ^ lak (riek. smet), v. âken: een olieâ. \ lak (vlakte), o. âken; het hellend â. Vlak (elfen, ff lad), bn.; een â terrein, niet heuvelachtig; np het â der haren, «quot;i» zee: â Iieilt;l. v. 'i lak. h\v.: hij woont â hij het station, juist, onmiddellijk hij. Vlaken (wol kloppen), ik heh gevlaakt. \ lakkfii (herlekken), ik hoh en liet is gevlakt. Vlakken (e/fen maken}, ik heb gevlakt. Vlakki^-. bn.; ivil is dat. âI vol vlekken in de kleur. Vlakte, v. â n: he' omeeer woedde in de â, vallei: iifat een onmetelijke â 'uitgestrektheid. 1 lam. v. -men: ram- en â spuwen, vreese- lijk uitvallen: de â der liefde, glood. Viamineii. ik heb gevlamd: zijn ooijen â ran toorn, nikkeren, schitteren. VI as (éénjar. plant), o. gmv.; ijewoon â; pnri/eerâ: â heel ook lijnzaad. Wsisnvliiig (lijkende op vlas), bn.; een meisje met. â haar. Vlas1»aarlt;l (melkmuil, lig. lafhek), m. âen: â berc'Hlinfï. v. gmv.: -henerkiiift'. v. gmv.: â klalt;l. o. âbladeren; â blolt;kni. v. -en: dc rederijkersh'amer de hlanwcâ: â boer (teler en bewerker van de vlasplant), m. âon; |
â R^onu', m. gmv.; -braak (iverklnin), v. â braken. Zie: Uraak. Vlasflot. (bundel ijezaj'nnjeld vlas, die )nen op het spinrokken doet), v. â (lotton. Vlasdotter (plant), v. gmv. Ook : Vlasdodder. « Ias4lraa«l (ijesponnen vlasvezel), m.-dradon. ^'lasbaar (op vlas lijkend Imar), o, âharon; â Iiamlel. m. gmv.; â Biamh'laar. m. âs, âaren: â liekel. m. â s, zie Hekel: kleur (blond als vlas), v. gmv.: â kleiirij;quot;, bn.; -k4»a|»or. m. âs. Vlasklt;»s» (persoon met vlassiije haren), m. en v. âkoppen. Vlassen, ik hob govlast: Maren vlaste np di° (jroente (Staring), loeren op, belust zijn op; â sw. m. ^ iassi^- (als vlas), bn.: âhaar. Vlasviaik (voijel, fraai ijeehp-oen. ook ip'oen- linif, ijroeneink. ijransel, kornait), m. âen. ^'las^iick (handeltje 'jezieimjehl vlas), v. âen; â zaalt;l (lijnzaad), o. gmv. ^ lasspinnerij (fabriek), v. âspinnorijon. Vleelit. v. âen; wat mooie vleehten! haar-tressen. VEeebten. ik vlocht, heb gevlochten; hel hmir â : mandenâ', zedenlessen in een verlamtâ, te pas brengen: â«»r. m.; - iny. v.; âs«'I. â werk. o. Vleflermnis. Vk'ermnis (liandvlemjeijii dier), v. âmuizen. Vleeseli. â gt;. vleezon; men al er drie vleezen; des âes; hel ipi a naar den eleeze, stoll'e-1 ijk wèl. ^'Belt;'zif;gt; bn.: een â kip. \leet ((froot harinnnet), v. vloten; bij de - , in menigtè: Jan en .liinnelj'' hadden kinderen bij de â. (Potg.) ^le-el (dorseha'erkhii'j), m. âs; lig. domoor, lomperd, dommerik. Vleien (mooi pi-alen. laf prijzen), ik hob gevleid: â er. m.; â erij. v. ^'leieiKl. bn.: een â ivoord, ee)i â ijelniijenis. strooiend, behaaglijk. ^'k'ixnelit. v. gmv. Vlek (vaHe plek «tlquot; smet), v. âkon; een â op een praehtphiaf, het Lam zonder â, lig. zonde. ^â |«'k (d gt;rp), o. âken. ^ lekklt;'l«gt;4»s. bn. en h\v.; een âlooze ntmm, zonder â of smet; â rein; â witte hinden. (.1. t. Br.): â Jieicl. v. ^ Ilt;'kklt;'i9 (bezoedelen), ik hob on hot is go vlok I. Vlerk (vtengel v. e. vojel). v. âen. \\i*t(platboomd vaart 11 iij,een praam),\. â ten. Vletten (tarf stapelen varen met een viel), ik heb gevlet: âter. m. Vlenjf (vlam), v. âen: een âje van herstel. (De Gen.), kort oogenhl.k. ^ len^el (wiek), m. âen. â s; de â van een gans; de â van een vlieg; de â van een kasteel: ih' â van een y^iolen; de âs van den neus: 1'ieter zot veilig onder de âen zijner ouders een pijp te rooken. (C. O.), d. i. bescherming. Vl^'iijs'elen (de armen binden'), ik heb gevleugeld; wal vogel brengt ge dus gekneveld en gevleugeld( Vondel). Vlie (doorvaart), o.: het â, vaarwater tusschen N'iiolnntl on Terschelling. Vliebant (zeeschuit der Watergeuzen), v. â booten. ^'liecleat (vluchten), ik vlood, bon gevloden. Vlie^ (tweevleugelig insect),\. âen: spreekw |
VMM IK KOP â VOCHT.
471
|
tivei' âen in rrn slni/ slann, twee zaken of voortitelen lei/clftlor t.ijd; icm. ecu â ;/'*)/, Item to vlug afzijn, hom verschalken; Jmiffcn, jr :ii daar itici om âin ic vanyen. om niets nil, te voeren; nan een-- d'Hdlifant ukiken, sehi'omolijk ovonlrijvon; een (ircnil vantjl (jecn â c», een groot iiian hemoeit zich niot mot heir/.olinpon. Vli«k$;-oBio|». in. â koppon; âbhm»!. iii. âen; â iiiskI[ait hel rlinjcnri onfslanc wormpje), v. â n. (lt;gt;/gt; vle.injf's zieh in de 'acht hr-a'ei/en), hij vloog, heelt en is gevlogen; de rool'voi/elx â in leringen: lt;le zaMihnuen â naar Ihilii'; lig. h.noi/er â dnn )gt;ien Ay//#, een grootei'en st.-iat vin'r^n dan men linaneieol kan; dr koijels â niij lt;mi de noren: die bijl zal enn den steel â: iem. in de annen â, snellon: iem. om den. hals â: het sehip elooij in de laeht; nl zijn e/eld is 'jeulogen, is weg; het. h nis ait â ; door de straten â; tic bladeren â door de lachf, in brand â: spreekw. dr I rogcl is gevlagen, «Ie gevangene is gevlucht. Vli4'$;'(gt;ii4l, hn.; met âe vaandels, wwpperend ; een â legertje, dat zich snel verplautst; âe blandjes, vlugsc.lirirten; in âen draf, snel; â e visschen (lueekvinnige in de keerhringy-zeecn), in. mv. \ liï'^ris^aas Ojaas nm de e liegen baiten I honden), o. giuv.; âlias. v. âsen; âlias! imet gazen wande)i), v. -en; â klap (wrk-taig om de vliegen tc dooden in de slagerij), in. âpen; â kl4M'il (yieta'erk oi'cr het paard tegen de vliegen), o. âen; â lijm {om de etiegen te vangen), v. gin v.; -iivtlpaardedek), o. ânetten; âoo^quot;. o. âen; âpapier (.'////-papier voor de vliegen), n. gmv. Vlilt;gt;;;4kiiK (elan, averimast), Ijw. ; dan }naakt hij met zijn buit zich â op de beenen, het bosch. in. (Staring.) {zeer snel), bw.; zieh â uit dr voelen maHen. \ I i van^ert (plant). lt;gt;. â va niertjes. Vlilt; 'Sfer (speeltuig), m. âs. Vli« 'S'work (tooneel. toestel om de coulissen, snel te verplaatsen), «gt;.; met kunst- en vliegwerk. lig. met allerlei kunstmiddelen. Vlilt; 'S'wifl (stooinnmehine. het groolc wiel als krachtregelaar), o. âwielen. Vlior {kamperfoelieachtige plant), v. âen: â m. -on; â bloem. v. âen: - o. gmv.; â lioufcn. bn.; âstruik, m. âen; -thee, v. \'liâ¬kriii|£' (bovenzolder o. d. pannen), v. -en. Vlies. o. â zen.; het gulden â, cl. i. de gouden vacht; orde v. h. gulden â, zinneheeld v. d. \ laamsche wolindustrie, ingesteld door l'hilips den Goeden (1 WO). Vli«ksvllt;kii$i'lt;'ii:;'. hn.; een glazenmaker is een â insect, met vier vliezige vleugels. Vliet (stroomend ivater, bed:), m. âen; â , -water, o. Vlieten, het vloot, is gevloten; het bloed vliel uit de wonde. (Bild.), vlot it; het water vliet j naar zee, stroomt. Vlijen (voegen, schikken), ik heb gevlijd: turven â, steenen â; de hond vlijt zich op de mat: â ing', v. Vlijm (hadijzer, lancet), v. âen; gew.: Vlim, Vliem. Vlijmen (niet een vlijm openen), ik heh gevlijmd; lig. doorsnijden: dat vlijmt mijn h u l. Vlijt (ijver, naarstigheid), v. gmv, |
Vlijtig .hn. en \gt;\\.;een â ambtenaar] â werken, Vlimier (kapel, insect), in. âs. Vloed (het opzetten van 't water), m, âen; ebbe en â; nok hreede rivier of golf. ^ Itkcion (vlieten, zacht stl'o anen), het hcH't gevlooid ; de woorden â van zijn lippen : â 'hsinr(knnnlt;;nde vloeien),\\\\.: â baarliritl.v. Vloeiend, ha. on hw.; âc taal, â sprel.cn, niot haporen, ook welluidend; â lieid, v. \ loeispaalli ydelfstof in tin- en kopererts), o.; â xiinr. o. VBoeislof'. v. âfon; water, nndk is een â, wat vloeien kan. Vloek (t jerwensc'ning), m. âen. ^'iolt;'kl»eest (vloeker), o. âen; die olficier is een echt â. % lolt; kon (godslasteren), jk hol» gevloekt; die man is altijd aan t â; hij vloekte zijquot; zoon, verwenschen, don vloek uitspreken ovor: â lt;'r. m. Vloer (bodem, grond), ni. âen; een â is van' plankrn, steenen, enz. Vlok. v. â ken; een â wol, een â sneeanj, atgosclieiden doeltje. b londer (lós houten tirnggetje, slootplan':), ui. â s. Ook: V4»n4ler. Vondel. Vloo (vleagellons insect), v. vlooien. (vlooien vangen), ik heh govlonid. loot {verzameling can schepen), v. vloten; een â van honderd zeilen: een â werd uitgerust', de onoverwinlijke â. Vloot (ondiepe tobbe), v. vloten; een boler-vlootje (kommetje, bakje); een azijnclootje, een mclkvlootje. ^ l«»s (vloszijde), o. gmv. ^'kissi^ { vlokarhtig), hn.: did is âeivol, âe zijde, â haar. WwAÃliXi^vlokkige.! )nget weerndezijde),\.£\\\\'. %'!lt;»t (balken, planken onderling verbonden), o. âten; er kwam een groot â de rivier nf. Vlot, hn. en bw.; het schip is weer â, drijvende; de man spreekt â, rad, vloeiend. \ lot^ras (zwenkgras), o. gmv. P loften (drijven), het heelt gevlot; lig. het werk wil niet van do hand gaan. Vlomv (net voor de snippenvangst), v. âen: Vlnelit. v. gmv.; het leger sloeg op de â: een hooge â nemen, fig. verheven zijn in dicht en proza: ter â. inderhaast. Vliielift'lintf: (die op de vlucht gaat of is), m. en v. âen; voor het v. ook âe. Vliidilen (vlieden, ontvluchten), ik heh en ben gevlucht; â eliii^' (persoon die vlucht), in. en v. âen; â liaven (noodhaven), v. âs. VInelifi^a*. hn.; â zout, dat in de lucht verteert, oplost; een âe blik, snelle, voorbijgaande; â Iieid, v.; âJes, bw. Vlnji' (snel), lx», en bw.; â lieid, v. gt; In^Helarift (brochure), o. âschriften. \'oeaal (klinkletter), v. âalen; onze tanl bezit zeven âalen. Vocaal (tot de stem behoor end e), bn.; vocale muziek of gezang. Voea Im i la i re. Voca 1» n I a r i n m (a l pin dn â¢t i- sche lijst van woorden), o. â s. \'oeatie (roeping', aanleg, neiging), v. âs, â tien. Vocatief (de aanspreking), m. â tievon. Ook: Voeativns. ^Oclit (vloeit/are xtof), (». ân; âmaat. v. â -maten; â meteruf â %%'ea,er. m.; ile â weger is een werktuig om de sterkte van dranken, te bepalen. |
VOCHT KL - VOllI'
â¢ILrKKSrKCTIKK
|
Voclitrl (rfi/iicr, ziviinrd), m. â s. vero. Voclitvn. ik heb gevocht; wasch- of strijl;-{loed â, nat miiken. besprenkelen. Vochtig (klam, niet droog), bn.; een â huis; â Ik'mI. v. Vlt;mI. Voclilc (oude hip), v. en o. âden; fig. dit dichtje is een â. prul; ?'/.â moet weten wie dit â geschreven heeft. (Koetsv.) Vodclcnliak, m. âken; â goetl {prutgóed), o. jrmv.; â hanclrl (m lompen), m. gmv.; â kooper. m. â s; -kraam {lorren- of' pruUenkranm), v. âkramen; â man {kooper), m. âmannen; âmaml. v. âen; âmarkt. v. â en; âpaklmis. o. âhnizen; â ra por. m. â s.; âraapster, v. â s. Vodderij {tompor, fig. prulwerk), v. âen. Vofldewt'rk {prulwerk), o. gmv. Voddig (leelijk), bn. en bw.; een â boekje, een â schilderijtje, onbeteekenend; â lieid, v. Voeden {voedsel geven), ik lieb gevoed: een kind â; hoop, liefde, haat, wraak â, koesteren, kweeken. Voeder, Voer {voedsel van 't vee), o. gmv. Vorderen. Voeren {te eten geven), ik holt gevoederd en gevoerd; de kippen het vee â. Voeding- {het voeden), v. gmv.; tot â van het lichaam, onderhoud; een âskanaal, dat water aanvoert. Voedsel {spijs, onderhoud), o. gmv. Voedster (min), v. â s. Voedsteren {opkweeken), ik heb gevoedsterd. Voedsterheer (fig. beschermer), m. âen; â kind, o. âeren; âling (voedsterkind), m. en v. âen; voor liet v. ook âlinge: een â ling der muzen, dichter. Voedzaam, bn.; een âzame spijs, veel voedende bestanddeelen bevattend; â lieifl. v. Voeg {naad, reet), v. âen; deze âen in den muur zijn ondiep. Voege, v. gmv.; in dier â, op die wijze. Voegen (passen, betamen), het heeft gpyoegd: zulk een toon voegt u niet. Voegen, ik heb gevoegd; den voorgevel hebt gij nog te â, den tuinmuur â, fijne kalk-spijs tusschen de naden strijken; âijzer, o. â s; âspijker, m. âs. Voegwoord {rededeel), o. â en: voegw. dienen om zinnen of zinsdeel en te verbinden, b.v. en, maar, of, dat, als. Voegzaam (passend, betamelijk), bn. -lieid.v. Voelbaar (tastbaar), lm.: het â donker. (Staring); fig. klaar, duidelijk. Voeldraad {voelhoorn, voelspriet), m.-draden. Voelen (tasten, gevoelen), ik heli gevoeld: iem. den pols â; pijn in dot armâ: ik voel dat gij gelijk hebt, begrijpen; wie niet hooren wil, moet â, do ongehoorzame moet gestraft worden; âer, m.; â ing, v.: â ing houden. Voellioorn. âhoren {spriet), m. âs. Voelspriet, m. âen; de âen van een kever. Voer (wagenvracht), o. âen; een â hooi, een â graan. Voer (voedsel), o. gmv. Zie Voeder. Voerage {beestenvoeder), v. gmv. Voeren {vervoeren, brengen), ik heb gevoerd; zij voerden hem naar het schip; oorlog het woord â, het bevel â, iets in het schild â, beoogen, ten dool hebben. Voeren (van binnen bquot;kleeden), ik heb go-voerd, een japon â, een winterjas â, een gordijn â. Voering, v. âen; de â van mijn jas is stuk; is dat zijden â? â rinkje, o. â s. |
Voet, m. âen; wy gaan te â. wandelend; eegt;i Amst. v gt;et, een quot;maat van 0.284 M.; een Rijnlandse1 ie â, een maat van 0.314 M.; een-versregel van 6 âen. alexandrijn; een regel van ö voeten, hexameter; bij iem. een wit âje hebben, in de gunst staan: iem den â lichten, onderkruipen, uit zijn ambt doen gaan om zelf zijn plaats in te nemen; op gemeen-zamen â, op â van oorlog, op â van vrede, op â van gelijkheid, manier, verhouding: o/lt; staanden â, terstond; zich uit deâen maken, op don loop gaan; op grooten â leven, als rijke liedon leven; iem. op den â volgen, onmiddellijk, fig. nauwkeurig nagaan; zijn geluk met âen treden; roekeloos zijn, niet betrachten; iem. iets voor de âen werpen, verwijten ; de vijand kreeg in Zeeland vasten â, zich ergens nestelen: de zaken zullen op denzelfden â worden voortgezet, manier, trant: â bij stuk houden, niet van het onderwerp afdwalen; iem. â geven, inwilligen, de noodige vrijheid geven; iem. den â dwars zetten, tegenwerken. Xavinnffol {voetklem met drie of meer scherpe punten), m. âangels. Voetbal {om met den voet weg te schoppen), m. âballen; âspel, o. spelen; het âspel spelen, ook âballen. Voetbank (klein bankje v. d. voeten), v. â -banken. Voetboog (groote kruisboog), m. âbogen. Voeteeren {te voet gaan, loopen, een toeg te voet afleggen); Jaromir volhardt, uit deemoed in 't â. (Staring): â «Ier, m. vero. Voeteneind, âeinde, o. gmv.: het â van een ledikant. Voeteuvel (podagra), o. gmv. Ook: Voctevel. Voetganger, m. âs; âgangster, v. âs. Voetkneeht (infanterist), m. âknechten; â lieht (tooneel. lampen vóór aan het tooneel), o. âen: âpad (smal pad), o. âpaden; â -pnnt {onderste punt), o. âen: het â punt eener loodlijn; â reis, v. âreizen; â sehabel {âbankje), v. â bellen: â schrappen(â krabben op een stoep), m. â s: âspoor {weg, pad), o. âsporen: -stap. m. âstappen. Voetstoots {zooals de goederen voor de hand liggen bij denverkoop), bw.: iets â vcrkoopen, zonder uitstel, onmiddellijk, zonder te laten bekijken. Voetstuk (onderstel v. zuilen, beelden, vazen, enz.), o. âstukken. Voetval (nederknieling), m. âvallen; een â doen. Voetveeg (mat), âvegen; fig. iem. â zijn, hem slaafs dienen. Voetvolk (soldaten te voet), o. gmv Voetwiseh { â veeg, âmal), v. â wisschcn. Voetzoeker {stukje vuurwerk), m. -s. Vogel, m. âen of âs; beter één - indelunul dan tien in de lucht; een slimme â, man. Vogelaar {vogelvanger), m. â s, âaren. Vogelen (vogels vangen), ik heli gevogeld. Vogel ij n (lief vogeltje), â s; klein â, cp groenen lak! Vogellijm (marentak, woekerplant), v. gmv.; de â Hert op apjtel- en pereboomen. Vogelnestjes (Ind. klipzwaluwen), o. mv.; eetbare â, lievelingfsspijs der Chineezon, prijs /quot; 0.20-/'0.r»0. Zie: Salangaan. Vogelnestklippen (Ind. bouwplaats der salanganen), v. mv. Vogeiperspectielquot; (teekenk.), o. gmv.; hier |
VOOKLSPIN - VOLSCHOON.
|
hrht (je Parijs in â ; of in â f/rtcrlccnd, il. i. zooals een vogel, op de wieken liangende, de stad /.iet. Ook: Voyelulucht. Vov:('lN|»iii (liraziliaansclK' spin), v. ânen; tlr â vangt, voijeltjcs of zuigt hun eieren uit. Vo^elvliichf, v. Zie Vogelpeysfctief. Vogelvrij, bn.: iem. â verklaren, Imiten de wet stellen: Philips II verklaarde Oranje â. Viatic (on) (m omloop, in zivanq] gebruikelijk). Voile (sluier), v. -3. Voitnro (rijtuig), v. â s. Vol (gevuld- lig. volkrijk), lm. en bw.; â licilt;i.v. Volant (vederbal om te paletten', strook-op een Japon), m. â s. Volaarde (witte klei, door den voller gebruikt), v. Volapnk (kunstmalige wereld taal), o. gmv. Volbloed, bn.: fig. met hurt en ziel gezind, b.v. een â vrijhandelaar, een â liberaal. Volbloedig* (sanguinisch). bn.: uw neef is erg â, rijk nun bloed, heethoofdig: âlieicl.v. Volbreng-en (voleindigen), onr. ik âbracht, heb âbracht: het is volbracht, een verheven taak is afgewerkt: âer. m.: âin;?, v. Vollt;laaii (tevreden), bn: uw patroon was â over li', â lieid. v. Volder, m. â s. Zie Vollen. Viiliiingen (ten einde brengen), ik âdong, hel» âdongen: een voldongen feil, een feit, boven allen twijfel. Voldingend (afdoend, beslissend), bn.; een â bewijs. Voldoen (vullen), onr. ik doe â, ik deed â, heb volgedaan ; ik Ivb uwglus juist âgedaan. Voldoen (vervullen). onr. ik âdeed, heb â daan; aan de verwachting â, beantwoorden ; aan een belofte â. Voldoend . bn. en bw.: een â e. ra men af- leggen, toereikend, genoegzaam: â lieid. v. Vole (in het omber- of quadrillespel al de trekken halen), v. â s. Voleinden. Voleindigen (geheel voltooien), ik heb voleindigd: âer. m.: âing. v. Volgaarne (reert/^rnrm'), bw.: iets â toestaan. Volgeling (aanhanger. leerling), m. en v. â en; voor het v. ook â e. Volgen, ik heb en ben gevolgd; de politie is den dief gevolgd, d. i. achterna gaan; Staring heeft hier den trant van Cats gevolgd, nabootsen. Volgens (overeenkomstig), vz.: dit is niet â afspraak', het gaat â uw verhingen. Volger (die volgt), m. â s, âen. Volgxaani (gehoorzaam), bn.; lt;'lt;?/? â karakter, gedwee; â lieid, v. Volliandig. bn.; hij heeft het daar â, drnk, -lieid, v. W»lliarlt;ilt;'n. ik hel» âhard: in hel goede â, standvastig blijven; nte wjocfr/y-, volhouden; â er, m.: -in», v.: een bedaarde â ing. Volheid (fig. volkomenheid), v. gmv.: in de â zijner macht', de â der genade Gods', Bijl». de â der tijden, de jongste dag. Vollionden. ik âhield â, heb -gebonden : een bewering â, handhaven; een karaktvr in een tooneelspel of rom-in, zich gelijk laten blijven; houd vol tot het eind, standvastig blijven, volharden. Volière (groote, ruime vogelkooi), v. âs. Volijverig (ze?r ijverig), bn.; een â lid van een gezelschap. Vol jarig (meerderjarig, mondig), bn. w. g. |
Volk (natie, bewoners van een land), o. â en of âeren; het Fransche â; het Joodsche â; het â Gods (in het Oude Test. de Israëlieten); wat is er een â op de been, menigte, men-schenmassa; die fabrikant heeft veel â in 't werk, arbeiders; het â was meester van de baan (Staring), krijgsâ: dat is lastig â, menschen, lui: er is â, klanten, koopers. Volkenknnde (eth nog ra pi-ie), v. gmv. Volkenrecht (deel der staathuishoudkunde), o. gmv.; het â regelt de betrekkingen en rrchten der staten onderling. Volkomen (volmaakt), bn. en bw., een â duisternis; dat Is â waar, gel.eel en al: gij zijt hier â vrij, in alle opzichten; â lieid. v. Volk|»lanting(/iYgt;/ome), v. â en; âplantinkje. Volkrijk, bn.; een âe buurt, een âe stad, dichtbevolkt; âlieid, v. Volksaard (nationaal karakter), m. gmv.; â belang, o. âen; âbeschaving, v. gmv.: â bestaan, o. gmv.; â beweging (^eroe/'^'/j, onlusten), v. âen; âconcert (voor den minderen man), o. âen; â«leun (straatliedje), m. âen; â«lichter (begrijpelijk voor het volk), m. â s; â dracht (bijzonderestreekdracht), v. âen; âdrank. m. âen; âfeest, o. âen: âlied (straatlied, deun), o. âeren; Volkslied (ons nationaal lied), o. gmv.; â man (populair man), m. âmannen: â -menigte, v. gmv.; âmenner (volksleider), m. â s; âpartij (tegengestelde van aristocratie), o. gmv.; âredenaar, m. âs; âregeering. v. âen; âroman, m. âs: â -school (openbare school), v. âscholen; â stani.m. âmen; â ti\iil(platte taal, dialect), v. gmv.: â verhniKing (gesch. ± 400 N. ('.), v.; âvermaak, o. âvermaken; â vcrle-gemvoordiger (lid der Tweede Kamer), m. âs; âvlijt (nijverheid der natie), v.: Paleis voor â vlijt: â waan, m. gmv.; âwapening (algemeene wapening), v. âen; â zaak, v. gmv. Volledig (voltallig, compleet, volkomen), bn. en bw.: een â eetservies; een âe bekentenis; -beid, v. Volleerd, bn.; een â bedrieger; een -huichelaar, d. i. sluw, doortrapt. Vollen (het laken in de volkom treden, laken bereide)»), ik heb gevold; âIer (volder, laken-bereider), m.: â lerij. âling. v. Vollersaarde (een soort van vette klei), v. gmv.: â kitip, v. âen; âmolen, m. â s; â werk. o. Volmaakt, bn.: God alleen is â; een â ridder, d. i. zonder vrees of blaam: bw. iets â onaangenaams (i '. O.); de blik zijner oogen was â kalm (C. O.); de â verleden tijd. Volmacht (alle vrijheid lot handelen), v. âen. Volmachtigen (alle macht geven), ik heb gevolmachtigd. Volmaken (volledigen, voltooien, veredelen), â ik heb âmaakt; âing. v. Volmondig, bn. en bw.: een âe bekentenis, onbewimpeld, rondborstig; iets â bekomen. Volontair (vrijwilliger), m. â s. Ook bediende^ lt;«|» een kantoor, die geen loon trekt: hij is â op dat handelskantoor. Volop (overvloedig), bn. en bw.; peren zijn er - ; ze zijn â aan '/ werk. Volprijzen, ik âprees, heb âprezen; Gods werken zijn nooit volprezen, naar hun volle waarde geprezen. Volschoon (erg of zeer schoon), bn.; â e |
VOLSLAUKN- VDOKHI,!.
|
izcrr schuoHi' illt;nnr), v. ân: âc: ilrntnj don l/uaver mij (injcrcn. (Sliirin^;.) \ Iin. en. I»\v.; â tlifislri-nis, diopo erge; zc zijn â oijundcn; hij is â lt;/»'1:. Volstaaai. ik âstond, lieh tnrl dczr ncrlgt;'l(i)'infi kunt (jij â, voldoen. Volstamliji'* lgt;ti.''m een âc wciucriuii. d.i. standvjistig; (lud zlt;d â hlijrcn (of hrt cindiquot;, ii'ta â trciyrnm. ^ olst lm. (mi hw.; dr ndfilrc/t tc iciiitrdc do' cijfers, be|i:i:ikic; ren â lt;* hclcelccriis', cru â «⢠tdlct'iiliversrhnpjiij, «inbe|)ei-kt: 'jij moei /.quot;men, sl'.'lli.ir, nond/.akelijk; â Iilt;'hlt;I. v.* \4»Hallic. lip.; ren âr rcnjmh'rinj, d. i. nllo leden zijn tegenwoordig; v. Volt {Dolheid, litr. iiedrnmi), v. t^inv. Voll« *(imlerijkiinst zwenkimj, treuilimj),v. â s. V«ll ( kiinstsin'omjen (e futavd nmken, ziuenl{i)(ijen maken). ^ 4»Ed (s/ii'inf/soldlt;i(tl, sohhnil. run de liehte i)if\inlerie\ ktmslrijdcr), in. â s. V4»ltooilt;'ii. ik hel» â touid; hel leerk âvoleindigen, geheel nfinnken; 4'r.ni.; âinja'-v. V4gt;ltrekken, ik âtrok, heb â ti-okk(Mi; een liHivclijk â, sluiten; een ronnis â, uitvoeren; Iter, v.: â kiii^*9 v. ^ 4»liil»ilil4'it (radheid ran lonij), v. gmv. ^ 4gt;liiiii4'ii (omranj, huelrdeel, iiak, rul, handel), o. vohiminu. V4»lmiiiii4'iis (yroot ran onnunaj, nil reh-haaicdeelen beslaande), bn. ^ 4»lii|»lii4'iis (auiI/i.seh, lt;jenlt;d laleinend), bn. V4»lv4gt;4kB*4'ii (ailroeren, volhremjcn), ik beb â voerd; â4l4'r. m.; â v. \ 4gt;l^vass4'ii. bn.; een â L aan}gt;, ccn â meisje. volgroeid. ^'4»1xjiIb$;- (zeer nelnkkiij, wel: ///Æ/), bn. \'4»ly:iii (sprjinkk. een in luoorden nihjedral.le 'jedaclUe), m. âzinnen. V4»iii4'4gt;r4'ii (braken, orerjeren). Xinniiivt' (hrtndcmiddel), o. -lieven. V4Mi4l. m. âen; een aard'nje â, vinding, uitvinding, verzinsel, list. V4»3Ml4k!l (losse idankhraij), in. âs. Ook: V4»ll4l4'E*. ^ 4»ii4l4'liBi^-. m. en v. âen; voor het v. ook â 4'. Ih'L kind iverd Ie â 'je Ir yd] dit meisje is een â, d.i. gevonden kind. '%'4»ii4l4'liEi^'Hliiiis. o. â Iniizen. ^ 4gt;Bi4l4'r. in. â s. Zie: Vi4»ii4l4gt;r. l 4gt;inl4'S. V4gt;ii4lsi (hel vinden, hel yerondene), v. -en. ^'4»iik (nunrsfn'ank), v. âen; het rejende hij dien brand âen] een â ran (jenie, greintje; ook de dieren hebben een âje van vooryeuoel ontrnnyen. (Hnal'ner). %4gt;iik4'leii {vonken schieten, verspreiden), het heeft gevonkeld; het vaar vonkelt in dr smidse] â v. ^ 4gt;iik4-ii (beyinncn le brandeti), het heeft gevonkt. V4gt;iBiiis (yetvijsde, rceliterlijke beslissiny), o. I -sen. \ 4gt;ibiihms4'ii. ik heb gevonnist; de die/'teerd \ (jevunnist^ er werd een vonnis over hem uit- | quot;gesproken. ^ 4»bbI (doopuat), v. âen; een koperen â, e n \ marineren â. V4M»tr4l. in. âen; een toeziendquot; â, die nagaat of do voogd zijn pliehten nakomt. V4Mk£:4l. in. âen; een vioolâ, een shd â . een, kerkâ, bestuurder. ^'4»4gt;}5quot;4l4'.s. v. âsen; de moeder is de â der j kinderen. |
V4»4»^'4li| (niaehl. yezay (ds vooyd), v. en. V4K»iM (zanywijs), v. vooizen; een oadUed op een aanyenanie â. \'4mh* (yroef, ploeysnede), v. voren; lig. r'nn-pel op 't voorhoofd. V4»4gt;r (voordat, eerdat), vw.; hij k/vain, â ik er teas] rjij valt, â yij het weet. V4MM*. vz.; de boom staal â het hais] eensklaps stond hij â mij, tegenover; /iet isrvy â heaalf, â den avond] ik verkoop dat â tien ipdden] zes siyaren â een dabbeltje; â een appel en een ei krijyen] â 'tem. yaan dienen, in plaats van: ik zal â n betalen: ik â mij ben tevreden, wat mij betreft; â anke)' liyyen] vóór day en eerder d:m; hooynioed K'omt â den val] het brood â de zijnen verdienen. V4M»r. Ijw.; kom even â, in den winkel; oiize. li lol,- loopt â, vooruit. .Met w.w. vormt het scheidbnre en onscheidbare samenstellingen, b.v. voor'kionen en voorko'men (beletten). %4»4gt;i*aaiB (in de eerste rij), bw.; â v.: zij beminnen de â ziltiny bij de maaltijden. (Bijbel.) ^'4»4»i'ai' (ean te voren, eerst), hw.; â^'aaBi (eerst plaats hebben), is â gegaan; een proces zal teel â; -s^aaiMta (eerder): de ây ((()nle bepalinyen. ^ 4M»i'af's|»faak (toespraak als inh-idiny), v. âspraken. ^'4»4»B*a! (bovetnd), bw. V4»4»ral4'4»r (eerdat), vgw. V4»4»i'alsii4»::-. bw.; ii, zal - niet beslissen, vooreerst. V4M»i*ai*iBi (onderarm), m. âarmen. ^'4»4»i*av4»ii4l. m. âen; het ivas in den â, het begin van den avond; de â der licijidalic, tijd, onmiddellijk vóór «!(! lie v., d. i. vóór I7S0. ^'4gt;4gt;i*!gt;asit. v. gmv.; in de â zijn, vooraf zorgen voor iets, voorkomen; ontvany bij â mijn dank, voorloopig, vooraf, v:m te voren. %'4»4»a*lgt;afl*i^' (te vroey, te haastiy), bn. en bw.; een â antwoord] â Ia4'i4l. v. V4gt;4gt;i*lgt;4'4la4,ht (vooraf bedacht, opzethdijl,}, bn.; met âen rade. V4i»oi*lM'4l4* (yebed vooraf] voorsprank), v. â n. V4»4gt;rk4Mliii^:. o. -en; onder â, voorhei......I. V4M}i*}M'4liii4l4'iB (te voren (Kontniclcn), het heeft -beduid: âing (voorteeken), v.; âS4'a (afschadawiny), o. â s. V4M»i*b4k4kl«l. o. âen; ten â strekken] hij is een â, dat is zonder â, weerga; neem een â aan uw broeder: lecinyea trekken, âen trekken. V4»4»rl»4'4'l4li»- (navolgenswaard). bn. en bw.; een â yedray: â Ii4ki4l. v. \'4M»i*l»4'h4M'4lBBBi4l4l4gt;l (beschermettd middel), o. âen; een â leyen de cholera. \ 4Mgt;l*lgt;4'lB4»4k4lS4'l. O. â S, â11. V4Mgt;rl»4'li4gt;iB4i. o. gmv.; iets onder â ntedc-deelen, melde-', niet als zeker. V4Mgt;b*S»('Ib4»ii414gt;ib, ik behield â, heb âbehouden; ik tuil mij die re(hten â, niet afstaan, voor mij houden; -Ibb^-. v. V4Hgt;E'lM'fl«4'i4lQ'BB. ik heb âbereid; ietn.op iels â, hem gaandeweg op de hoogte stellen; â 4'b*. m.; â flib$i\ v.; â S4'i- o. ^ 4»4gt;B'lM'i*i4'lBl (voorrede), o. â berirhten. V4»4gt;rlgt;4'K4*liikk4gt;BB (vooraf bepalen), ik heb â beschikt ; â Ibb^* (praedestinalie), v. \'4gt;4»B*l»i|. bw.; laat mij â: het onmeer trekt â i ü'ny nt j zwijyend â; het aar is â; dan is otts leed |
voomil.l-VU(H(Uv/.KX.
|
^ V7,.; hi] u'ni'J â quot;Hs rdiim. h\v. Mot w.w. wordt hot ;i:iin,t'ngo-schrovHii: roorhijdrtKjrn ^ âlt;i'uin, âJn'ji'n. â â -IcrrcH) â i'raten {zijn mond -1. i. eenig geheim nilklnppen), âluirrn. âZ'inimni'}i. Vlt;»órl»iii4leii. ik lioli â : cfii Innitii» ren servet â. (roorlo'i/ier). m. â n. ntcn l/e-sehoanule een hom rel lt;i Is cru â run nndr-rend lerd, V(ilt;n l.eok( n. « 4»4igt;r}gt;4»lt;'xlt;'iii (iioh'ertrnlrr), m. â s. \'4gt;4»rl»iit*^'. in. âen; im-n wTd! h'n â i'd-i/edi'eren. (Hild.), vorsterkI luiitonwerk. V4M»i*4l}i4*lil. v. il: deed. zri het nu i zonder â, al nf niet (ipzottolijk. l'4»4»x*4lal (ei-rdiii), vgw. V4»4gt;r4l4k4kl {ii.'insl. nul, /irofijl), ... -cm; /â¢//.⢠:oel,'t zijn â; doe me â mei deze ondrrrindimj. V4»4gt;r4l4M'li^', lm. on .\v.; ern âel,-oo)i.\\\\\*i-geveml; âIl4'ilt;l. v. \'4»4»r4l4gt;iir (slrmHdeiir), v. -on. ^'4»4gt;r4l4'u in^i ((junsli'if iri)id). m.; een â. een (jldilde hun n, de hesle selmidsrn die er zijn, ze;! is duur zooreel l. nnsl nu onn VÃ4»r4l4kniii4l. l»\v.: hij zeilt â. mot irnnsli-gen wind. % 4»4»B*4lcx4kii (eertijds, rroetjer'), l»\v. \'4»4»3*4li4'ii4'ia. ik hol» - ^odiond ; dezr dimsl-hode zal aan den /'rrsl lisrh â. .je spij/.on op-brengon, aanliiedon; -i'B*. m.; v. 14»4»r4l4»4*hl4's* (//. ail â¢â¢m eronjer h -nc-l- jl. ». ^'4gt;4»r4llt;»4'iB. lt;nir. ik dlt; f'd â. hol. âgedaan; de Irinderea leeren ooi: van â; hij zul zie.h ijoed â, /.i'di met j)resonteoren; een serref â. voorbinden. ^ 4gt;4gt;B,4li':i4'fij. v. âen; dil meisje heeft era ijoede â, zij reciteert fcoed; hij stond als eerste quot;/gt; de â. nriicieelo lijst dor randidaton. V4»4»r4lr2i^4'Bi. ik droeg â. hel) âir''dragen; een fiedieht â , zeggen; zij zallen hrni ter henoeminu â. ^ 4gt;4gt;i*4'4'i*si (in de eerste plaids), h\v.: â moet il: je dil ojnnerkrn \ â hlijf je not/ nft dezquot; school, in don eersten tijd. ik ging â, hon âgegaan ; 'jord â doi't ijoed r'dijen! /dieht moet â: \mder-Wijzers anjeten han le -rlinrfi'a â in h- i ijKedi-. \ {voorbeeld), in. gmv. \'4gt;4gt;r$;,:eii^4't*. in. âs; hij is de â der meerde', deze heer nuts hier in 'I dor/) mijn â . ik hen hem in zijn ambt opgevolgd; â -ster, v. â s. V4gt;lt;gt;i*}i'4'lgt;4't,ii'le {l:aa/i, hooi/land), (». â n. ^ { plaats, agt;aar d â zielen der aartseaders enz. de hrnnst van den Messias afn'achtten), o. gmv. V4gt;4H,^4'ni4'l4l. â.hu. ^ 4gt;4»rtf4'r4'lt;,lBl (eerste ij'â recht), o. âen; zalm dioidc als â, inleidend gerecht. t'lit (vooroaders), «.. âgosiacdilt-n. V4gt;oilt;A'4'vallciB4gt;' (het gebearde), o. gmv. ^'4»4»b,|U4'\ 4'! (voorzijde), (.. â s: scherts.//// heeft een flinken â. d. i. neus. gmz. \ 4gt;4gt;b*jï4'v4kBB (voortvendeti), ik gaf â, heb â -gegeven; â iitjA (beteerimj). v. \ 4»4bb,^4'V4'bb {bij spel of locdstrijd de za'al:- 1 keren eeniije panten toekennen rnór het spi'l begint), ik gal' â. heb âgegeven. V4»4»a*;j;'if't (mat men voorgeeft^ handicap). v. âen. Voors'4'V4»4'l (ingeving ^ getvaanvording), o. gmv. |
V4gt;4gt;B,^4Blt;'«I. b\v.; na is hij â geslagen, beslissend, bepaald. V4gt;4gt;B*$£B*4»»B4l, in. âen; op den â treden-, zich op den â stellen, iV stel dit op den â. V4»4gt;B*lBaiBi4gt;i* (groote smi lshamer), m. âs. V4»4gt;rIi:KBB4l (deel der hand bij den pols), v. â on: tig. wie zit o]gt; de â'/ kaartspel, mag het eerst spelen. \ 4»4gt;a*l»:BiB4l4kBi (in voo)'raad. lig. nabij, male-rend), bw.; de goederen zijn aiet â. ^ 4igt;4»3'ls:iBst; ig''i'dijn), m. âen; de â des tempels. V4»lt;ftriiaBBU-4'EB. ik hing â, hob e.'i bon - gehangen; hij hangt voor op die. soeieteit, als lid voorgesteld zijn. \ 4gt;4gt;B*liaBBtf'M4'l (voorhang), o. â, -en. ^'4gt;4»a*lB4'llgt;l»4'2t. niir. ik had â, bob -gehad; een schort â; gij hebt den ver Leerde voor, vergist n in den persoon; H: heb het goed met n voor, bedoelen. V4»4»B'lB4gt;lt;'ia {vroeger), bw.; â ajas alles goed-kooper, in vervingen dagen, li 4gt;4»5*iaa^t4gt;i'is4'Ba. bn.; ia âe tijden, vóór de. schepping v. d. mensch. V4»4gt;B*Si4»4'4l4' (eoorstc afdeeling enn ren leger), v. ân. ^ 4gt;4gt;B,lB4gt;r (fOo/'/'/c/»», roorplaals), u. â hovon; l'etras verloochende zijn 'neer in het van â rilatns. V4gt;4gt;B*lm4»r4a. O. -en; sSn'oaa, ... -.leren. \ 4Mgt;a-!i4»9B4l4'iE. illt; hield â. heb âgehondon; iem. het goede â; H: zal hem zijn gi'drag â, onder hot oog brengen. ^ 4»4»B*!B4gt;aif (busch eea ijrooivr), quot;. ,i;inv.; hrt Haagsch â; ook beroennd gedicht van linvgons ( !()22). % 4»4»B*lBiBis(voorste ib'el v.ejvoni)ng), o. hni/.on. V4gt;4gt;e*§ib. bw.: ik sliep â (bed); mijn vader zat â (rijtaig). V4gt;4gt;B'iBii;'4gt;aB4»iBB4gt;iB. bn.; een onderaüjzeres mag niet â zijn eoor eenig kind, gunstig gezind, partijdig; â !B4'i«l. v. V4gt;4gt;i'JaaB* (lente), o. âjaren; âsbl4M'iiB« v. â en; â «k4»4»rtsv. â en: - !»iaBa4*litev4'MiBa^ (22 Maart), \. â cn; â sa*4»^en. m. â s; â n- U4'4»B*. ... gmv. \ 4gt;4!gt;a*Si4'aaaBas. v. gmv. ; niet cn zonder â uwer ouders: ba ilea â, vooral' weten. V4MM*8i4'SBi*. v. gmv.: ik rraag de -, bij het huren van een'huis; bij â. vooral, gaarne. V4»(gt;i*SiDaaiL o. âeren; dit meisje is een uit een vroeger huwelijk. V4M»B*klt;gt;iBB4'ia. hot kwam â, is âgekomen; ihd komt mij vreemd, verdacht - , lijken, toeschijnen. V4»4gt;agt;k4gt;BBa4'iB (beletten), ik kwam â, heb â -komen; wij zallen dat verhinderen, afweren. V4gt;4»B'Si.4gt;aBa4'ia (naar voren komen, rersehij-. nen), ik ben âgekomen; kom eens â (minkel); hij moet â, verschijnen voor don rechter. V4gt;4»i*k4gt;Baa4'BB (uiterlijk), o. gmv.; een jongeling van een gans tig â. V4k4»xak4gt;BiB4'aB4l. bn.; een â bediende, beleefd, vriendelijk: bij âe gelegenheid: â lB4'i48. v. V4gt;4gt;a*laaist. bn.; in den âen regel, in den â en nacht, op één na den laatsten. ^ 4»4»B*iaaail (bailenpolder), o. gmv.: fig. als soldaat nnor Indië, dut is je â, bestemming, lot. ^^««BS'laBB^* (sedert hing), bw.; ik ken hem â. 'i 4gt;4gt;a,S4'Z4'ii. illt; las â, heb âgelezen; een verhaat â, ren boel: â, lezen ten aanhooren van een ander: â «b*, m.: hij is âer in de Hervormde kerk: â bbb^-, v. |
VOOIJLICMTKN â VOOUSPIOLEN.
|
Voorli4*liflt;'ii. ik liob âgelicht; ik zal je â met een lantaarn, licht uitdraaen voor; de tveienschap zal rais hier â, onderrichten, den weg toonen; -«»r. m.; â in^, v. {vooringenomenhei(l\ v. gmv. V«»oi*lijk {het teyenovcrfjestelde van achter-lijk), bn.: enkele âe knapen, die al halve laarzen hebben. (C. O.), vroeg ontwikkeld. V4»4»rloo|» {eerste aftreksel van brandewijn of jenever), v. gmv. VoorlooiH'ii {vooraf-, vooruitloopen), ik liep â, heb on bon âgeloopen; â loopor (zeket'e schaaf), m. â s. V4gt;4»rl4»4»|»lt;'r voorbode, tvegbereider), m. âs; Johannes was de â van Christ as. Voorl4»o|gt;i»- (voorafgaand), bn. en b\v.; een â contract, een âe aankondifiinn: de âe reyeeriny, alles blijft â zooals hei is, vi.tors-liunds. VoorniaaK {eertijds, voorheen), bw. \ lt;»oi-inali^. bn.; een â officier, de âe ko-ninfi, vroeger, vorig; een âe bewondering. (v. Deyssel.) Voorman (die voor een ander staat, zit, en/..), m. âlui; ieder moet op zijn - staan, juist achter; de - zoa wel losser worden. (C. O.), ui. de oude tand; iem. op zijn â zetten, tot zijn plicht brengen, onder handen nemen, drillen. Voormolri {boven of te voren vermeld), bn. Zie: V4Mgt;rii4gt;ciii4l. Vo4gt;riii4*tcii, ik mat â, heb âgemeten; men heeft mij de granen voorgemeten, voor mijn oogen gemeten. \'4»4»riiii4l4la^' {morgenaren tot den middag), m. âmiddagen. Vo4»rii {zoetwatervisch), m. â s. Zie: V4»i*4kii. Voornaam {doopnaam), m. ânamen; zeg iifv familienaam of van 01 uw voornamen. V4»ornaam {aanzienlijk, belangrijk), bn.; een â handelshuis: een âname familie: hij gaat om met de âsten der stad. Vo4gt;rnaani\V4M»r(l {rededeel), o. -on: ik, wij, en/., is een â; er zijn zes of zeven soorten van âen. Vo4gt;rnalt;*lif {de eerste aren van den nacht), m. -nachten. V4Mgt;rnaniolijk (hoofdzakelijk, in de eerste plaats), bw. Vo4gt;rn4'in4gt;ii {plan, besluit, ontwerp), o. âs. Vâ¬Mgt;rn4kinen {voorhebhen, plan hebben), ik nam â, hel» âgenomen; zich iets vast â. V4M»rn4M'm4l (bovengenoemd), bn.; Burgemeester en Wethouders â; â4» {persoon), m. on v. ân. V4Kgt;rn4gt;4gt;n (voormiddag), m. Vlaamsch. Vo4»r4»nlt;l4kr {van een schip), o. âs: wij zaten in het â. kamertje vóór iiij den boeg. V4M»r4»nlt;l4gt;rst4gt;llen. ik iieh âondersteld: laten wij â, dat gij gelijk hebt, de mogelijkheid aannemen; â ing*, v. Vo4gt;r4Mgt;r(l4M'l {voorbarig oordeel), 0. âen; dat geeft voet aan â en kwaadsprekerij, kleingeestigheid; die man zit vol â, eigenzinnigheden. V4gt;or4»|» {aan de voorzij, vooraf), bw.; vormt met w.w. sainoiistollingon : -gaan, âloopen, â rijden, âstellen, enz. V4ftor4gt;|»Kf 4gt;ll4'ii (aannemen), ik hol» âgesteld. Voor4gt;|»zeitcn (vooruit vaststellen), ik hol» â ge/.et. V4»4»r4»ii4l4'rs. V4»4gt;r4»ii4l4'r4Mi. m. mv. Voor4gt;vcn* {naar de voorzij, hellend, gebukt), |
bw.; vormt mot w.w. samenstellingen: âbuigen, â bukken, âgaan, âhangen, âhellen, â houden, â leggen, â tingen, â loopen, -staan, â vallen, âzakken, â zitten, en/.. V4gt;4gt;r4» vorli j4l4gt;n (het vroeger sterven), o. gmv. Vo4gt;ri»an4l {voorstuk van een jas), o. âen. Voorpleolit {vast dek vóór aan een schip), v. âen. V4»or|»oort, v. âen; de â kraakt, en buigt, en valt. (Bild.), de poort van het buitenwerk. V4Mgt;r|»4Hgt;t. m. âen; dit hondje loopt netjes op zijn âen.' Vo4gt;r|»4gt;rtaal (ingang), o. âportalen. Voorpost (vooruitstaande schildwacht), m. â posten. V4Mgt;rpr4k4lik4gt;n. V4M»rpr4M'k4gt;n (vermanen voor oogen houden), ik hel» âgepredikt en gepreekt. V4M»rpr4Mgt;f'. v. âproeven: Wat X. van goeden smaak zal vinden. Behoeft de â van zijn vrinden. (Staring), d. i. voorafgaand onderzoek. Voorproovon (vooraf proeven), ik heb âgeproefd : â or. m. V4gt;orraalt;l (hoeveelheid, menigte), m. gmv.; groente, fruit, koren, in â hebben, er van voorzien zijn; wij hebben onzen â aardappelen opgedaan: ik zeg n dit bij â, in de voorbaat, van te voren; de pikeur had zich hij â gewroken. (C. O.), d. i. van te voren. V4»orraa4lM*liiiiir {magazijn, bergplaats), v. â schuren. V4gt;4»rran$; (voorkeur), m. gmv.: hij nam den â in, den eersten rang; zij stralen om den â: dit gerecht verdient den â. Voorrcclit (privilegie, gunst), o. -en. Voorwclo, v. â nen; tv ie heeft tie â van dit boek geschreven ? voorbericht, inleiding. V4»4»rr4'k4gt;n4kn (vo')rcijferen; lig. verklaren), ik hob âgerekend; ik zal je de onkosten eens â. V4»lt;»rs4'hijn (to), bw.; te â komen, zich laten zien: te â brengen, aan don dag. VoorM4*liip (voorsteven, boeg), o. gmv. Vo4gt;rsoli4»on (voorste deelv.e.schoen), m. â011. V4M»rs4*li4»4»t (boezelaar), m. â schooten. V4gt;4gt;rsoli4»t (het voorschieten van geld), 0. â ten: hij gaf mij een â van duizend gulden: wij hebben geld op â genomen', in â zijn, nog geld te goed hebben. V4gt;4gt;rsolirovoii (voormeld), bn. Ook: V4M»r-noonul. Voorschrift, o. -en : dit is een â voor allen, les. Vermaning, gebod. V4gt;4gt;r«*lt;'lirijv4gt;n (om te laten nadoen). \k hol» de kinderen â geschrever ; lig. ter navolging stellen, gebieden: iem. de wet â. V4gt;4gt;r.slian4ls (voorloopig), bw.; laten wij â tevreden zijn. V4Mgt;rslaan (voorstellen), ik sloeg â, hel» â -geslagen; ik zal hem dit plan â. V4»4gt;rNla$;' (voorstel), m. âslagen. V4»4»rsla^' (enkele slag van een klokkenspel). o. âen; daitr slaat het â. V4Mgt;r*maak (proefje), m.; dit geeft u een â van uw toekomsti(g gelul:. V4H»rKnij4l4kn (klein snijden), ik sneod â, hel» âgesnedon: â Knijfl4'r,m.: â Knijni4kM.o. \4Mgt;rspan (tweetal paarden), 0. ânen. V4»4gt;r.sp4kl (voorafgaand spel), o. âen; het â van (iijsbrecht van Aemstel telt Ii2 verzen. ^'4M»rsp4kl4lor (morsdockje), ni. â spelders. V4M»r.sp4'lon. ik heb âgespeeld; een wijsje |
VOOIÃSPI'XUCN-VOORVKirrREK.
|
â, een stukje â, d. i. spelende voordoen; â â¬Â»r. m. Vooi'H|M'll«'ii {laten honren, Jtoe (jespeld nmel worden), ik li«l) âgespeld; ik zul k dat vreemde woord eens Vooi*k|M'Ileu (roorzerffien, vooruit (tankon-dijjen), ik heb âspeld; C.hristus âspelde den 'indenjdnij van .leruzulenv. â I«'r. m., â liii^'. v. ^ 4»«ftrs|gt;i(k^'lt;*l4'ii {als in een sjnetjel laten zien), ik hel» âgespiegeld; iem. uronte ivirt-sten â, voor oogen stellen, doen gelouvcüi :iun; â iii^-. v. ^ «»4»i's|»lt;»4-«l (ijeluk, ijoede ijanii ran zaken), in. gtnv. V4»oi*M|M»lt;'lt;liK'. lm. en liw.; een âe reis; Hrm-hrands âe reis: â reizen. \ 4»lt;»i'M|MM»l4. o. âspokon: dil is rra â ean hel onheil, :iankondigor, howijs. Iilijk. V4M»i*s|»i*ajik {/n-rsiK n), in. on v. âspr.ikon; (het voorspreken), v. gmv. \ 4tgt;4»i'S|»i«4'lilt;gt;ii (verdediijen), ik sprak â, heli â gesproken; â«'i*. in. \ 4»4»i'st:i:tii. ik stond â. hel» âgesljian; laai n niet te reel â op mu (leOoorte, dnnktMi, trotscli /ijn; het staal mij â, nl. voor don goest. \4»4»rs(:i4l (huitena'ijl,- e. stad), v. â stodon. \ 4»4»rslaii4l4'i' (herorderaar, beschermer)^ in. â s; hij is een â ran t/oed onderivijs; â sli'r. v. â s. \4»4gt;i'sl4' (meest vooruit), lm.: dr â vimjer; de â zijn, voorgangei-; hij is altijd llaanljr de â, tie bellimnel. \ 4»4»rsl4'4'l4 (platte stee!;), m. âsteken. V4M»rHl('l {voorstag), lt;â¢. âIon; een â iloen: zijn â is venvor/wn; een rekenkand'uj â; hfht (jij aw aliiehra-voorstelh'n a/'.' \ 4gt;4»rsl4'll4'ii. ik lit'li âgosteld; ilr kan mij hrt kasteel noij ijord â, voor don geest hnlon; //.â stel mij voor monjen on reis te naan. plnn heblion; iem. iris â, aan zijn beslissing onderwerpen; hij is hier voonjestetd als ern harpspeler, afgebeeld; hij is aan drn Konimj roor-i leste ld; i'en levendige âstelt ijig is in dien roman ean Sehimtnel; â Kt. in.; â lin^'. v. V4»4»i*st«'lliii^' {afhee.ldinfi), v. âstellingen; â sji'jivo. v. ân; â sltrsielil, v.; â«V4'rm4»-ü'4'ii {herinnerinij), o. \'4»4»rKl('V4kii (sclieepst. roo/'ste gedeelte), vn. -s. V4Mgt;r*tolt;»l {s to pa'as, maagdenujas), v. gmv. Vooi'Klnk. âstukken; een hlijspelletje zal als â lt;tienen, voorafgaande comedie. \ 4»4»rl (vooruit, eerder), b\v.; vormt met w.w. samenstel I i ngen : âarheiden, âbabhelen, â -beuzelen) âbewegen, âboaawn, âbreien, â brengen, enz. V4M»rla:iii {in het vervolg\ b\v.; na, â opgelet ! VoortIgt;r4'ii;;'4'ii (het aanzijn geren, opleveren, geven), onr. ik bracht â, lieb âgebracht; âer. m.; â iiiK\ v.; âsel, o. \ 4gt;4»rt4l4»iiiiii4gt;l4'ii {blijven slapen, salfen), ik heb âgedommeld. \iU*rtilur*hn'{aunhoitden, blijven bestaan), hel heeft -geduurd; â inji'. v. Voorl.«liireiid(^'//lt;/«i/^/t'/^/), bn.; hij is â aan 't ijlen, onophoudelijk; ik vergis mij â. V4»orllt;liiW4'ii. ik heb âgeduwd; een slee â, verder dnwen, voornitduwen. V4M»rl4gt;4'li.4'ii (ivaarsciiuivend teeken), o. âen. â s; een noodlottig â; een bemoedigend â. een gelukkig â. V4»ort4'll4'ii. ik heb âgeteld; ik zal a het geld â, voor uw oogen tellen; liii^'. v. |
Vo4»rfijlt;l. m. âen; in den grijzen â der historie, de eenwen vóór de historische tijden. Voortijris (eertijds), bw Voortijlen {voortsnellen), ik ben âgeijld. V4»ortoelit (voorhoede), in. âen; de â run het leger. (Vondel), ven». V4»4»rt|gt;luiiteii (vermeerderen), ik heb -go-plant: het menschelijl,- geslacht heeft zich â geplant, vermenigvuldigd; het geloof â , verbreiden; liefde voor kansten en wetenschappen â : een geluid kar zich â, verspreiden; â iaijt-. v. Vo4»rtr4gt;ir4'liili {uilmunleml, uitstekend), lm. on bw.: â lieid. v. V4M»rtrekken (roor-trekken), il: trok â, heb â getrokken ; tem. begunstigen, de vo«»rkeur geven. \uitvtrvU.U.on(voort-rekken),'\k h« b âgerekt, d. i. verder gerekt. V4Mgt;rtriikkeii. ik heb en bon âgerukt: de troepen zulten â. voorwaarts marrheeren. \ 4»4»rtsl4'4'|»4'ii. ik he!i â gesleepl; de leeuw kan een rot wassen rand â, wegsleep jn: zijn teren â, d. i. in ellende voorlleven. ^,oortMleiia*eii. ik heli â gesleurd: iast â; hij taot die zaak' maar â, duet haar ulel af. ^'4»4»rtM|»o«k4leii (xieli). ik heb mij âgespoed; hij spoedde zich â, haast maken, ijlings voortgaan. Viwvtsiuwvu (rerderstuwen, drijven), ik l.ob -gestuwd; hij werd door de menigte -gr-stawd: een âde krarht: -stuwer, m. \'4»4»rf ««iikki'leii. ik heb en ben âgesukkeld, de zieke blijft maar â; (leh ja, zoo sukkelen wij nou maar roort (( '. lt; gt;.), gebrekkig voortgaan. varlt;kii4l. bn. en bw.: ile âe drift der jeugd. (C. O.); â te werk gaun: - lit'i^l. v. \'4M»rtU4»ekereii. ik heb en het is âgewoekerd: die kinderziekte woekert â, tast ongemerkt velen aan. V4»4»rt%etteii {aanhouden, doorzetten), 'k heb âgezet; âter, m.: âtiii^quot;. v. \'4»4»riiil {vooraf, van te roren, renter), bw.: vormt met w.w. samenstellingen: vooruitbe-slellen, âbetalen, âbrengen, âdraren, â â¢dringen, -duwen, âgaan, âhelpen, âjagen, enz. \ 4»4»riiitlilt;'l»l»4'ii. ik had â, heb âgehad://// heeft die som âgehad, boven of meer dan een ander: gij hebt bij hem iets â, hij is u genegen: hij heeft dit â, in zijn voordeel. V4»4»rmt k4Mii4'ii( vooi'waa ris komen),\k kwam â, ben âgekomen; die koopman zat luel â; met dien knaap is niet â te komen, hij is hardleersch: hij zal op dat kantoor wel bevorderd worden, opklimmen. V4M»riiitsii4'll4gt;ii. ik ben âgesneld: zijn gedachten snellen den tijd â, voornitloopen. Vo4gt;riiitzielit.(/#oquot;/gt;, verwachting), o. âen ; hij heeft het â een mooie bet rel,king te krijgen-, wij leren in het â tuin betere tijden. V4»4gt;riiilxieii. ik zag â, heb âgezien; nu en I dan moeten wij eens â, in de toekomst zien. Voorvsuler (stamvader, roorzaat), m. -en. -s. V4»orva«lerlijk, lm.: een â kasteel; âe zeden. %'04gt;rval {gebeurtenis),o. â vallen; â vall4'tj«k. lt;). â s. V4Mgt;rvall4»ii (gebeuren), het viel â, is âgevallen. Voorv4»eliter (belhamel, kampioen), m. â veelilster. v. âs. Voorvertrek (voorkamer), o. âvertrekken. |
voonviNc;!-:!!- vos.
|
1 (wijsvinger), ni. .â vingers. Voorvlak, u. âken; het â van een kubus. Voorvocft'sel {het eoorijevoeyilc), o. â s. Aarts-in aartsdom is een â. spruiikk. Voorwaar (zei,er waar), bw. \'4»4»r\vaarlt;l«' {beding), v. â n; welke â stetde hij'.' onder â: o/gt; â. \r4H»r\vaarclâ¬kliJl4. lm. en l»\v.: df bezi'tting gaf zirh â over, op voorwannle; tie âe wijs, sprnukk. Voorwaarts (roorait), bw.; dr troi'/wn ral:-ten â. V4»orwaarlslt;«li. lm.: een âe beweging. Voorwal (baitenwal), ni. âwallen. ^'«gt;oi*waii«l {voormaurs), ni. âwanden, ^'oorwcj^on, ik woog â. heb âgewogen: ik zat a dt' waren onder uw oogen wegen. Voorw«'iidoii. ik heb âgewend; ongesteldheid â, als vjilsche reden opgeven; â in^*. v. 1'4M»rw4'ii4lslt;'i; {uitvlucht), o. âs, âen. ^ olt;»rw«'rcllt;l {de aarde vóór de sche/j/jing v.d. inensch), v.; â lijk. lm.; â lijke dieren. \'lt;M»rw4'rK {vóór-versehansing), o. âen. Ook bij een boek: titel, voorplaat. Voorwerken (voordoen), ik heb âgewerkt. V4»orwlt;'r|». o. â«mi: een aantal âen van kanst, /.aken: hrt lijdend â. spraakk. \ lt;M»rwer|»lt;gt;ii (tegenwerpen), ik wierp â, iiei) â geworpen; dit zal /'/.⢠hem â, voor de voeten werpen, verwijten; â inji'. v. Voorweten {voorkennis), o.; dit is gesehied zonder ons â. d oorwinter {begin van den winter), rn. âs. \'oorzaat {voorvader, stamvader), in. âzaten. XnwiAinvsvv {die voorzingt), in. âs; dan weer deed hij den â der groote kerk na. 0.) Voorzegen {om na te laten zeggen), illt; heb â gezegd, âgezeid; ik zal a dat woord duidelijk â: in de les mag niem. een ander iets influisteren. \ oorzc^^en {voorspellen), ik lieb â zegd, â zeid; o tijden vast voorzegd, van groote schuldvergeving! (Da Costa): â ^injiquot;. V. V«M»rzlt;»ker (zekerlijk, stellig), bw. Voorzet (eerste zet in 't spel), m. ginv. Voorz«4tsel (spraakk. rededeel), o. â s; aan is een â in: aan den muur, aan den avo)al. Voorzieliti;;- {omzichtig, behoedzaam), bn. en bw.: een âe behandeling; iets â e ragen; â Itenl. v.: â heid is de moeder der wijsheid. Vlt;M»rzien. ik âzag, heb âzien; wij hebben dat ongeluk â, zien aankomen: in de eerste behoefte zorg dragen voor: deze winkel is goed heelt allerhande waren; ivij zullen in dat gebrek het verhelpen: -iisy. v. Voorzienig' (vooruit zorgenn), bn.: de âc num. Vlt;»4gt;rzieni^-liei4l. v. ginv(ïnds â, die alles vooruit regelt; de â regelt, Gud zelve. Voorzijde, v. âzijden; de â v. e. gebouw. V4»orzin (eerste lid eener /icriode of van een samengest. volzin), m. âzinnen. V4M»rzin^'lt;gt;n. ik zong â, heb âgezongen: ik zal u dal liedje eens â, ter navolging zingen. V4»4»rziften, ik zat â, hel) âgezeten: hij zal aan tafel â, de eerste plaats innemen: wie zal de vergadering âleiden, presideeren; â tinp:. v.; onder âting van, leiding. V4»4»rzittlt;^r (leider), in. âzitters. V4»4»rzitt4'rM4*lia|» (waardigheid ran voorzitter), o. ginv. V4»4»rz4»ni4kr (begin va)i den zomer), m. â s. d4»4»rz4»4»n {zoon uit een vorig huwelijk), in. â zonen, âzoons. |
V4M»rzor$;'. v. âen: wij zullen onze âen nemen, voorbehoedmiddelen, maatregelen. V4M»s (taai. zonder sap), lm.; een vooze kind. radijs, sponsachtig; â Iiei4l, v. V4n*4l4'r4'n (eischen), ik heb gevorderd; ik vorder mijn recht, mijn geld. Vorderen (voortgaan), ik ben gevorderd; die knaap vordert niet veel bij de stadie, ca gevorderde leeftijd: in vèrgevorderden staat van ontbinding. V4»i*4lerins;- (voortgang: eisch), v. âen : maakt hij âen:' ik heb een schuldâ ten lastev. han. Vore (ploegsnede), v. âen: iverp het zaad in de â ! lig. zijn voorhoofd had diepe â n, rimpels. Zie: V4»or. d'4gt;r4»n. \'4»lt;»rn (karperachtige eisch), m. â s. V4gt;r4'n (gewijzigde vorm van V4n»r), bw.: ga naar â; kom wat naar â, vooruit: te â, vooraf, vroeger; hij kreeg den wind van oen berisping, een standje. V4gt;r4gt;n (14'). bw.; ik wist het can te â, vooruit, vooraf. V4gt;renstaanlt;l (ivat vooraf staat), bn.; op â e bladzijde. d'4gt;ri^ (vroeger, voorgaand), bn.: het âe jaar. Vork, v. âen; bij weet, hor de â in den steel zit, hoe de zaak in elkaar zit. V4»i*in (uiterlijke gedaante, model), m. âen: iets in een anderen â gieten, een ander voorkomen geven; de goede âen, nette manieren. V4»3'ni4'!ijEh (gehecht aan eonnen). bn.; aai vriend is altijd zoo â, vol compiimenlen: âBl4'i4l. v. Voi'im'Ei (een geddante geven aan; eervaar-iligen), ik heb gevormd; een beeld. â, lig. iem. karakter â, iem. smaak â, d. i. volledig ontwikkelen; -4*1*. in.; â inj;'. v.; â l4»4»s. lm. \ 4»rni4'iE (11. K. het vormsel toedienen), de bisschop heeft gevormd; -S4'B (li.K. sacrament), o. %'4»r2nleer (aanschouwel. meetk.), \. ginv.; de â is als leervak op de lagere school in de wet geschrapt. V4»rii9l4Hgt;s (zonder vorm, plomp), bn.; een â blok hout. V4gt;rins4-ii4M»L v. âscholen; de â voor onderwijzers te ItotterdiDn, normaalschool. V4gt;r.s4*Ii (kikvorsch), m. âen. d'or.slt;rli4'n (onderzoek instellen, nasporen, napluizen), ik heb gevorscht; met âden. blik. d orst (bovenste rij dakpannen, nok), v. â en. V4gt;rst (het vriezen), v. gmv.: -i^. bn. Vórst {heer, prins), m. âvorsten. \'4»rsteli|k. bu. en bw.: het â paleis, des vorsten: een â geschenk, gelijkende opdat eens vorsten, rijk, schoon; een. âe houding, een âe gestalte-, â Ii4ki4l. v. V4gt;rst4gt;n4l4gt;ni (gebied v. e. vorst), o. âdommen. d 4gt;rst4knli4»f' (paleis), o. âhoven: â iinis (stamhuis), o. âhuizen; âkind (telg), o. âkinderen ; â kr4MMt, v. âkronen; â nmowl. in. âen: âpaar. -lel^' ( â spruit), m. en v. âen: âZ4gt;4gt;n. in. âzonen. Vorster (boschopziener, houteester'), m. â s. Vorstin, v. ânen; de - in het dorp. (Staring). Vos (zoogdier van het hond eng es lacht), in. vossen: de gewone â, de zwarte de aültc â, de roode â, de zilver â, de ijsâ; hij uitbr. een paard, âachtig van kleur: lig. iem. met rood haar; hij is een. slimme â, geslepen persoon; een schoolâ, schimpn. nnderwij/er; Vanden â lieinaerde, beroemd dierenepos der middeleeuwen (± 1200). |
|
Voskoiiijii (haas der Pampus, Brazilië), o. â konijnen. \ VoMMMiliont (/Hilswcrh), (».gmv. \ (wUlIü ijans in Ziuedcn ru Prui sen), \\ âganzen. VoKM'Bihiamp;ar, o. grnv.: â Bïlt;»I. «gt;. âholen; â v. âen: âJaclil. v. âen: â v. âmen; -kuil. in. âen; â ««g*, â¢Â». âen: â o. âen; â vul (/./cm, .sirih:), v. â len. \lt;»ssestaart (firasachtiue /)lanl). m. grnv. in. âen; mei den â â¢jrwh-n. viMti' de Ions, eig. aaien. %oss4'V4'l (huilt;l rail den vos), o. âvellen. Vota (stemmen, kii'sslemmi'iiijeloflen). v. mv.: nia â, vrome wensclien. VolfoiM'ii (zijn slem neren; stemmen). %'oSiefst(tlt;'ii ((jelo flest een), m. âsteench. %r4ftfisiiB (stent: stemuiWreniiinfi: vrrhlarintj door stemminn), o. âs; een â ran vert rmi wen-, een â van wuniroawen, blijk. Vouw (plooi), v. âen. Vouwbeen (houten of hemen papiennes), ii. â heenen. Voimblind (luik), lt;gt;. âen: âdour. v. âen. \'oii\% lt;'ii. ik vouwde, licl» : d'han den â; met {levomven handen: â lt;'â *, in. Voiiu.sfoM (Iclepstoel). m. âen; â lal«»i. v. âs. Vox «'lamanliK iai 4l4*K4gt;rl4» [een stem, roe-nemle in de woestijn). liniiiaiia (de mensehenstem; onjelre-ilister), v. gmv. Vox ||»o|gt;iili. vox Igt;«'i (de stem des volks, de slem van (iod), tl. i. wal het vul/: beslist af anl, is wél r/edaan. \ «p.va^eiir (reiziger), m. âs; co mm isâ. handelsreiziger. «âº.voiis (laat ons zien), t\v. ' \ i'aasi' (ondervraijinii, eisch), v. vragen. Vraa}i'(quot;o/rm in deuragendeleoordsehiIrking). v. vragen; er zijn directe rmgen: h.e. Wie komt daarquot;:' er zijn indirecte vragen: b.r. li: erctag, wie daar komt. Vraagal (persoon), m. en v. âlen. Vraagbaak (raadsman), v. âhaken; deze notaris is de â der geawenle, allen komen liij hem om raad; notaris /iollaers, de advocaat en â van tien omtrek. (Koetsveld); Holland, in menig rak ran stadie de â der beschaafde wereld. (Potg.) Vraa^-Ntnk. o. âken; hel moeilijke â omtrent de zetelplaats van den wil. (C. 0.); rekenkundig â : algebraïsch â, som. Vraaji'teeken (leesteeken), o. â teokens. Vraagwoord, o. âen; drui: bij 'I lezen op het â, b.v. Waar zijl gij:' Vraat (gulzigaard), in. vraten; âaclili»-, bn. VraafziK'bt (gulzigheid), v. gmv.: â lm. Vraclit (lading, last), v. âen. 0quot;1lt;; Verroei'-loim. \'ralt;'litb«»ot9 v. -booten; â brief', ni. â -brieven; â reel, v. â ceelen; â o. â en ; â kar., v. âkarren: - l4»4»ii. o. âen; â â schepen: â sebipper. m. â s; â sclinit, v. âen; â tari«i', v. âtarieven. 1 \vm'lttxitiwilw(transportschip), m. âs.Ook: de schippers zelf: de Hollanders werden de â s ran W. Europa. (Kruin). Vrarlitvrij. bn.;/gt;rvgt;t'en â in lezenden, franco. I'ra^i'ii. ik vraagde, ik vroeg, heb gevraagd; ik vraag naar mijn broeder, vernemen; deze heer vraagt de geschiedenis, examineert, hoe- : reel rraagt ge hiervoor, eischen: hij vroeg ⢠huur hand. iem. ten hnsvelijk vragen. |
Vrank. S-'rank (vrij), lm., enkel gebruikelijk in de spreek \v. vrank en er ij. .. Vrunk, Vrij, Vroom, Vroedquot;, spreuk der Nedei'l. turners. Vrali^* (gulzig), bn.; een âe snoek; â v. Vroile. Vree. m. gmv.; in â leren. (Koetsv.) Vrederon^rcM. o. âsen; â leest. ... âen. ^'re4llt;klieveii4l. lm.; een â corst: -hoid. v. VredosoiKlcrSiaiKlelin;;'. v. âen; er verliepen drie ntaunden ïnet de âen. ^ re^lestijd. m. gmv.; â venlragf, o. âen; â voorslsi^-. m. âen. Vredig' (rustig), bn. en b\v.; een â verblijf. Vr4'«'lt;lªini. bn. en bw.; deze ndken leren â , zonder oorlog, in vrede; -licid. v. % imm'iibiI (uitheemsch, zonderting), \tn. (*\\ bw. Vreennle. o. gmv., in den in het buitenland, ver Nveg. Vrelt;gt;ni4ilt;»lin;;v m. en v. âen; vf.or het v. ook â ^ rlt;'«'iialt;liiiiieilt;ï (zonderlingheid), v. â heden. ^ reenKlsoorti^' {ongewoon, afwijkeud), lm.; â Ii4'ilt;l. \.; de rog is een âe risch. I r4»es. \ r4»4»*4» (angst, schrik), v. vreezen. ^ r4gt;4'sa4,lili^' (bang), lm. im h\v.: â Ii4gt;j4l. v. 1 r4'4'gt;t4'ii|k. Vr4gt;4gt;Mli|k (angstwekkend,. lm. en bw. Vi^elseliip (konrooischip). o. âschepen. \ r4»4ktw4»llquot; (gulzig persoon), in. âwolven. Vr4k4»ty.aK (persoon), in. en v. âken. gmz. Vr4k4'Z4'ii (bung zijn eoor), ik heb gevreesil; vrees God, eerl'iedig; het geeaar â. duchten. Vr4'k (gierig), I'm.: â v. gin/.. 1'r4'k {gierigaard), m. âken. Vr4't4'n (gulzig eten), het vrat, heeft gevreten, het eten van dieren: het paard wil niet â; voedsel gebruiken; âer (galzigaiird), m.; â erij. v. Vr4'n^4l4'. Vr4'ii^;-4l (blijdschap), v. gmv.; een gevoel van â: He beleef â aan dat kind: een ongestoorde â; hij was de â zijner ouders. Vriencl. Vriml. m. âen; âJe, o. âs. Vri4'n4l4gt;lijk (roorkomend, lief), bn. en bw.; â Il4'i4l. v. Vri4'n4lenk4»iit (gezellig gepraat), in. gmv.; ar on den. bij gi -zei l igei i â dooi gebraeh i.( Koetsv.) \'ri4kn4liii. v. â nen; ânetje, o. -s. \ ri4'iiiliiiii4'iikriii^-. m. âkringen. Vri4'n4lseliae» (verhouding als vriend), v. gmv.; die â was ran korten duur; de â was in grim r er keer d. (Staring). Vri4'n4ls4*lia|» (persoon), m. gmv.; zeg eens, â. hoe hurt is het? Vri4*n4tgt;ieli:i|gt;*ban4l. m. âen: â b4kfo4»n. o.; â iM'twkkin;?, v. -en; â b4'tiii$:gt;in^-. v. âen. Vriespunt (nulpunt), o. gmv.; het is Hen gruden onder het â. Vc*i4gt;z4gt;n. her, vroor (vroos). heeft gevroren (gevrozen); de gracht is dicht gevroren; mijn karaf is stak gerrozen. Vrij. bn. en bw.; een âe vertaling, niet naar de letter; hij is â eau krijgsdienst, niet verplicht tot; deze oude man is â van roor-oordeelen; zijn 'gedachten den âen loop tulen: een. â uitzicht, onbelemmerd; ik laat u de handen â, niet gebonden zijnd; ik ben run arond â, niet bezet; de man kwam met den schrik â: ik ben zoo â u dit te vragen. de vrijheid nemen; het vragen staat n â; de â e kunsten, zeven in getal. nl. spraakkunst, rekenkunde, wiskunde, muziek, sterreu kunde, dialectica en rhetorica. d. i. waarop in Home |
VRI.I-VROKCRI.IP.
/iRO
|
de vrije burger alleen zich mocht toeleggen; âc handel; âe studie; ik heb vuur en licht â. Vrij (onuehinderd, los), bn.; als eerste liil in samengest. w.w.: vrijl*lijven, -komen, -koo-pen, enz. Vrijaf', bn.; â hebben, verlof hebben. Vrijap*' (verkeering), v. â s. Vrijbiljet (yeleibiljet, vrijen (loonjnn;/ ver-leenendè), o'. â ten. VriJI»liJ%-4kii9 ik bleet' ben - gebleven. Vrijhrlet' (pos/niorl), in. â brieven;/'f// nilel-lijke titel is veelal een â voor alle krinijen. Vrij bui te ii (lt;gt;/gt; nm/' varen), ik beb gevrijbuit ; âor {na/ier :eeroover), m.; âvrij. v. ^rijbur^ {versterkt kasteel), ui. â iiurgen. Vrijdag, ui. -en; Goede Vrijilag vóór PjiscIiou. Vrij4laK'Mlt;*li. bn.; ile âe markt. Vrijden. Vrijen (bevrijden), ik heli gevrij 1 ik zal u vrijen van ramp en ntutu. (Iluvgêus Scheepspraat); â in^'. v. ri j lt;1 en kr ( ^/ 'ij(feest), n i. â*;een â beker ren (Koetsveld); een oppernlakkiji â ; - «'rij. v.; -«ter, v. â s. Vrijdom (onthelJimj, erijstvllintj), in. -mon; de adel had â van belastiin/; er bestaat -van briefport voor dienstbrieven. Vrije (gesch. reehts{iebied eener vrije stad), o. â n: in hel â van itraiiifr. Vrijen (Helde betonnen), ik vrijde (vree), Imb gevrijd (gevreeJ'ii); hij vrijt na.ar mijn nieht: zij â al lam/, verkeering hebben; een ezel die vrijt, die seintpl en die smijt; âer (minnaar), ui.: â erij (verkeerimj), v. Vrij«'ii (nl. om iem. (/anst), hij heeft gevrijd: scherts, een kimt vrijt met zijn oioedei- 'om een stak lekkers, liefkoo/.eu. \'ri|4kii (bevrijden). Zie: \ rijillt;gt;ii. VrijK-ehoren. bn.; een - banjer, gnen lijfeigene of slaaf. Vrijgeeft (die alle ijeopenbaard (je.loof verwerpt, vrijdenker), ui. âgeesten: âerij. v. Vrijgelatene, in. en v. -n; hij was een-, d. i. een vrijgeworden slaaf. Vrijgeleide ((puva/iende (jeleide), o. guiv. Vrijgeven, ik gafâ, heb âgegeven: de bnr-uemeester zal van middaij â, vrij afgeven. Vrijgevig (mild), bn. en b\v.; â lieiil. v. Vrijgezel (onrjehuivde), rn. âgezellen. Vrijliaven. v. âs: dit is een â, er wordt geen tol of bruggeld geheven. Vrijheer {baron), in. -en; -lijk. bu.: -lijke reehten: âseliap (baronie), o. ^ rijlieid (onaf'hankelijheid), v.; zijn â her-krijijen, uit de slavernij verlost wlt;»rdeu, nil. gevangenschap geraken: de â nemen, vrijmoedigheid; een diehterlijke -; dal is zedelijke â: de vrijheden eener stad, handvesten, privilegiën; âlievend, bn.; â niinnend, bn. Vrijheid (gesch. rechtsijebied), v. âheden; A ma Ha van Solms hield Sept. Itil'J haar intocht in de â van Tarnhoal. Vrijheilt;lMlgt;onin (boom der vrijheid in den Pransehen lijd), m. âen; âhoed. in. âen: â niaagii. v. âen: âninl.s. v. âen. Vrij hond en. ik hield heb -gehouden: tja maar mee, ik zal a â, de kosten van verteer betalen; een hais â van den vijand, behoeden voor. Vrijkomen, ik kwam ben âgek..men: hij kivam mei een vennanimj vrij, ergens van afkomen. Vrijkoopen. ik kocht -, heb âgekocht; | il i li i I' i '1 |
men trachtte de christenslaven vrij te kon pen, loskoopen, hun vrijheid te koopen; âing. v. Vrijlaten, ik liet -, heb -gelaten: ik zal den fievarKjene de vrijheid geven; ook verlof geven tot. Vrijleen, o. -en: dit is een â, tl. i. niet met heerendiensten bezwaard. Vrij lot. o. -en: lt;tp t wint ij loten heep men een â, één lot op den koop toe. \ rij lot en. ik heb en beu âgeloot: deze jont/en heeft zich â(jeloot, nl. van de militie. Vrijmaeht (onbeperkte â macht), v. gmv. Vrijmaken, ik heb âgemaakt: iem. van een verbintenis â, loskoopen; scheik.: ontbinden; â er, m.: âing, v. Vrijmetselaar, m. âs, âaren; ook: vrije uietselaren: â larij. v. % rij moedig (onbeschroomd), bn. en b\v.; een â antwoord; â spreken; â hei^l. v. Vrijplaats (wijkplaats), v. -en: Catemborj wis een â , schuilplaats, d. i. plaats werwaarts misdadigers konden uitwijken. Vrijpleiten, ik heb gepleit; de advocaat trachtte zijn cliënt â te pleiten, nl. van straf of boete vrij te maken. Vrijpostig, bn.; een -e kerel, brutaal, zeer vrij; -heid (brataliteit), v. \ rijspraak (vonnis van onschaldijverkla-rinfi), v. -spraken. Vrijspreken, ik sprak -, heb -gesproken; de beschablijde werd âjesproken, onschuldig verklaard: â lt;»r. ui.; âing. v. Vrijstaan, het stond -, heeft -gestaan; hel staal a vrij binnen te komen, het is u vergund. Vrijstaat (republiek), ui. -staten. Vrijstad (rijksstad, vrijplaats), v. -steden: llambarj is een â. Vrijstellen, ik heb âgesteld; iem. â van dienst, ontslaan; âling-, v. Vrijster (minnares), v. âs; zej eens â, ivaar woont hier de dokter'.' meisje; een â van biesjesdeej, een sinterklaaspop. Vrijverklaren, ik heb â verklaard; de Spanjaarden moesten de Seder landen â, erkennen als vrije landen; âing, v. Vrij vrouw (barones), v. âen; zij was â van (jeboorte, bezitster eener vrije heerlijkheid. Vrijwaren (erjens voor behoeden), ik heb gevrijwaard; ik wil u â voor teleurslellinj; â waarder, m.; âwaring, v. Vrijwillig, bn. en bw.; een -e verkoophuj, uit vrijen wil, niet door het gerecht gedrongen: â dienstmanen; âheid, v. Vrijwilliger, m. â s; hij nam dienst als â, hij teekende als vrijwillig soldaat. Vrijzinnig (liberaal), In.; een -e rejeerinj; een âe maatrejel; âheid, v. Vrind (kameraad), m. âen. Ook: Vriend. Vroeil (wijs, voorzichtij), bn. en bw.; .hm, die vroom en â was. (Potg.); âheid. v. Vr4»edkiinde (verloskunde), v. gmv. Vro«Mlknndiglt;gt; (verloskmdije), m. en v. -n. Vroedmeester (verloskunduje), m. -s. Vroedsehap (stedelijke rejeerinj tijdens de lie/nddiek), v.; (een lid der vroedschap), m. â pen. Vroedvrouw (verloskunduje), v. âen. Vroeg (tijdig), bn. en bw.; het is nog â; een â e zomer; des morgens is bij â op. Vroeghenrt(ogt;n tepreeken), v. âen: âdienst (in een kerk), âen; -mis (dienst in de li. K. kerk), v. âmissen: âpreek. v. âen. Vriiegrijp, bn.; dit zijn âe peren. |
VIJOKCrnC-x itiipijokk.
|
{ochlend, daycraacl), v.; hij vertrok in de â. Vrolt;gt;$;tijâ¬li$£ (niet laat), lm. en bw.; ctni â vertrek', zij yhifjen â op marself, â lit'Ml, v. Vroolijk (opgeruinul, l/lijde), lm. en Inv.; zieh â maken, verblijd zijn; zieh om iets â maken, om iets lachen; hij leeft ais â h'ransje, onbezorgd; â v. Vroom {I/raaf, yodidienstij), bn. en bw.; vromer; â v. Vro4»ii (bezittiny, waarop heerendiensten rasten), o. âen. Vr4M»iilt;lifkiiKt {heerendienst), in.; â o. â en; â o. âeren; â in. âen; â lanil,o. â en; â m. âs; â r«'â¬*lil, o. âen; â visselicrij, v. âen; â wati'r, o. -en. Vrouw, v. âon; zij is mijn â, echtgenoot; de â des huizes, meesteres. VrtMiwrliJli. bn.; hel â tjeshiehl, een â rijm, Uxmlooze lottorgreep; ft'/i âebloem; â li«'ilt;Kv. Vronu oii«I:i^ (2 Febr.), m.; ook lichtmis geheeten, K. K.; mijn tainman komt o/i â aanleifijen. (Koetsveld); ik (Harend) word met - (teht en zestiij. ((_'. O.) \ ronult;'iilia:ir (soort ran bladmos), lt;». gmv. Vroiiu'«kiikllt;M'il, o. â klooderen, -kleeren; â klooNtor,o. âs; âlevn(sijilleleen),o. âon. Vr4»iiu'li«gt;f (lieve vrouw), v. gmv.; vrouwtje lief, o. gmv. VromvniciiM'h. o. âlieden, -lui. VromvspcrstM»!!. o. âpersonen. Vrurlif {fruit, voortbrengsel), v. âen; houdt (lij van âenquot;/ de â ran al dien arbeid, opbrengst. gevolg; dat zal ijeen â ofdeeeren; hij beeft met â examen ijedaan, met goed gevolg; alle /tor/imjen bleven zonder Vnirliflmar, im.;' een â land, een - schrijver, d\e veel levert; â lieiil, v.; â makeiKl. bn. Vnirlitbr^ins^l (stamper e. bloem), lt;». â s; â lMkkl4gt;(MlN«'l (zaadhulsel), o. âs; â boom (draijende eetbare vraehte}\), m. âen; â lt;lra- (vrueht opleverend, lig. yezejend, nut-tiij), bn.: âc arbeid', âe potjimjen. Vrurlit^loos. bn. en bw.; een âooze pouiny, ijdel, vergeel'sch; hij smeekte â; âlirid. v. VriirlilK'«'briiik (rechtst.), o.; mijn rader heeft het â van die landerijen, d.i. bet recht op de opbrengst, zij behooren hem echter niet; â â¬Â»r, m. âs; âster, v. âs. Zie: Usal'riictus. Viie {(jezicht, ooifmerk, doel), v. â s. Vni^' {(jemeen, slecht, laan), bn. en bw.; een â e daad, dat is âe taal, laster; Siklco was met de doehler van een âen dorper in den echt yet reden. (v. Lennep.) Vuil (vuilnis), o. gmv. Vuil. lm. en bw.; een â kind, onrein, onzindelijk; een âe maafi; een âe lacht; een âe zaak, laag, verachtelijk; een â boek. onzedelijk; â e praat, smerig; een âe pijp rooken. slecht terecht komen; een âe kast, onveilig, rotsachtig; ergens veel water om â maken, hevig gaan twisten om; zich aan iets â maken, zijn goeden naam bezoedelen; â -lirilt;l, v. Vuilbek (persoon), m. en v. âken; dieOost-ganger is een â, iem., die vieze taal uitslaat. Vuiibekkeii (vuile, lage, onzedelijke taal nitslaan), ik heb gevuilbekt: â«'rij, v. Viiill$fiilt;'i«l (drek, uitwerpsel), v. âheden. Vuilik (vuilaardig mensch). m. en v. âen. Vnilmakeii (ontreinigen), ik heb âgemaakt; het tvater eener beek â. koenen, Verkl. Uandwdb. d. Nederl. taal. |
\nilnis (u rnveegsel), v. Zie: Vullis: âbak, m. âken: â lioop, m. âen; â kar, v. âren; -M'liuit, v, âen. Vuilte (vuilheid, hel vuile), v. gmv. Vuist (dichtgesloten hand), v. âen; een â zetten, een bedreiging doen: met den degen in de â ; met de â op tafel slaan; voor de â spreken, onvoorbereid; een stuk voor de â spelen; in zijn âje lachen, heimelijk, in stilte; iets uit het âje eten; âJe, o. â s. Vaistrerlit (gesch. in de Middeleeuwen het recht v. d. sterkste), o. gmv. Vuistslag. m. âslagen; â vechter (bokser), in. âvechters. Vnlbier (lt;lun Lier), o. gmv. Viileaiii.soeren (in het vuur gloeien). Vulgair (alledaagsch, gemeen, pbn), bn. Vulgata (pauselijk goedgekeurde l.utijnsche overzetting van den bijbel), v. â's. ViiIk'iis (het gemeene volk, de groote hoop), o. Vulliaar (opvulsel), o. gmv. Vulkaaii (v a urs pa wen de berg), m. vulkanen. ViilkaelK'à (moderne hachel, die eens per dag gevuld wordt), v. âkachels. Vnlkaiiiseli. bn.; een â gebergte,een â eiland, âc asch; de Minuhassa is â. Vnlb'ii (vol maken), ik heb gevuld; een vat â, een bed â met vee ren, een kip â met gehakt; gevulde zeilen, gevulde stoelzittingen. Vnlliiijy (/e*/ rullen), v. gmv.; da â v. d. ballon. Vullis, o. gmv. Ook: Vuilnis. Vnliierabel (kwetsbaar), bn. Vnlnerabiliteit (kwetsbaarheid), v. gmv. Viilnereeren (verwonden, kwetsen). %'iilsel (al wat dient om te vullen), o. âs. Vims (duf, muf, vochtig), bn.; een â kerker-bol; een âze kelder; â lieiil, v. l iiiixi^* {vuns, vochtig), bn.; â benl. v. gmv. Vuren, ik heb gevuurd; de vijand gaat â, schieten; het â der zee, lichten; â injf, v. Vurenli4»ut (een soort van pijnhout), o. gnw. \ uri^' (met vuur, met gloed), bn. en bw.; een â gebed, een â paard, een â verlangen, hij smeekte â; -beid {hevigheid), v. Vuur. o. vuren; de soldaten kwamen in het â, gevecht; den vijand tusnhcn twee varen brengen, van twee zijden beschieten; te â en te zwaard verwoesten, door brand; de soldi den gaven â, het geweer afschieten; bij spoog â en vlam, was nijdig als een draak; 't was als olie op het â, het wakkerde den twist aan; voor iem. door het â loopen; zijn leven wagen; â vatten op, boos worden; er kwam koud â bij de wonde, bederf. Vuuraanbidder (V/e/Wex), m. âs; vele rassen der Stille-'/.uidzeeëilanden zijn âs, aanbidders van het vuur als godheid; vuurdienst. m. gmv.; de âdienst ontwikkelde zich vooral in I'er zié. Vuurbaak (lichttoren), v. âbaken. Vuurbol (zeker luchtverschijnsel), m. -Ion. Vuureter (goochelaar, die vaar eet), m. â s. Vuiirjffeest (too verg eest), m. âgeesten. Vuurkogel (gloriende kogel), m. âkogels. Vunrkolk (aschkolk; krater), v. âkolken. Vunrlak (zwart lak), o. gmv. Vuurmaker (een soort van prop, hars en pek, om de kachel aan te maken), m. â s. Vuur ma ml (mand in de kraamkamer, tot droging en koestering), v. âmanden. Vuiirpijl (vuurwerk, pijl van vuur), m. âen. \u\ir\*râ¬gt;vt'(godsoordeel in de Middeleeuwen), v. âven; de jeugd onderwerpen aan die 31 |
V U UI {KOICI{ - WA A HDG KLOKIJ
|
vuur- en waterproef, nl. het verkeer in den vreemde. (Potg.) Vuurroer ({/eweer, snaphaan), o. âroeren. Vuurrood (hougruod), bn.; zij iverd â. Vmirsclieriii (haardscherm), o. âschennen. Vtinrsla^ (stuk staal), o. âslagen; met een â vonken uit een vuursteen slaan. VimrMpra uk. Vu u rsprau kei ( voi ik), v. -e n. Viiurspuueiitl. l»n.; een âe benj, vulkaan. Viiur.stoeu {harde steen, waaruit met een vuurslag vonken geslagen worden), m. âen. Vuurtorlt;ku (iichttorcn), in. âtorens. Vuurvast (bestand tegen het vuur), bn.; âe steencn, die gebruikt worden voor biikovens, fornuizen, enz. |
Vuurvreter (driftig, voortvarend man), in. ; âvreters. Viiiiruapeu (schietgeweer), o. âwapens. Vuuriverk (kunstmatige vertooning met buskruit), o. âen: â aan het strand-, â op de â Maas. Vuurwerker (smid, die dot voorhamer han-1 teert en het gloeiende ijzer vasthoudt), m. ; âwerkers. Vuurwerk«'rKkuiiKt (de kunst om vuurwerk te maken, pyndechnie), v. ginv. Vuiir\vlt;'rkiuaker (kunstenaar op 't gebied van vuurwerk), in. âmakers. Vuiirzet' (zee van vuur, vuurpoel, erge brand), | v. âzeeën. |
w.
|
\\. v. w's. â De drie en twintigste lettor van het alphabet. W. - West. Weil. â Weduwe. Weleri. - Weledele. Weleclelgpeb. â Weledelgeboren. Welertelgestr. â Weledelgestreng. Wel eer w. â Weleerwaard. Werk. Keliuld. â Werkelijke Schuld. wetb. â luetboek. w. was {jet. â was ge teekend. W.I. - West-Indië. wisk. â wiskunde, wiskundige. w. Ij. â Westerlengte. Woeuscl. â Woensdag. W. v. K. K. â Wetboek van Hurgerlijkc rechtsvordering. W. v. K. â Wetboek van Koophandel. W. v. Str. â Wetboek van Strafrecht. Waadbaar, bn.: hier is de rivier -, kan doorgewaad worden. Waa^quot; (toestel om te wegen), v. wagen; de stadsâ, plaats, gebouw, waar van overheidswege goederen gewogen kunnen worden; â -óc/taaT, oudtijds voor weegschaal; m deâschaal stellen, wagen; in de â houden, in twijfel laten. Waaghals (vermetele, roekelooze), ni. âhalzen; â halzerij. v. Waa^seliaal, v. gmv.; zijn leven in de â stellen. â Waagspel (kansspel), o. âspelen. W'aagstuk, o. âstukken; dat is een echt â, gewaagde onderneming. Waaien, het waaide (woei), heeft gewaaid; het zal vannacht fiks â; fig. met alle winden â, zich telkens bij de bovendrijvende partij aansluiten; het zal er â, er zal braaf geraasd worden; het is mij door 't hoofd gewaaid, ik ben het vergeten; de vlaggen â van allen kant, wapperen, uitwaaien. Waaier, m. â s; een ivoren balâ, een zijden â, luxe-artikel voor dames; â vormig*, bn. Waaierpalm (Ind. wijnpalm), m. -palmen. Waaiersluis (sluis, waarvan de deuren bij eiken waterstand geopend kunnen worden), v. âsluizen. Waak, Wake (wacht, waking, nachtwaak), v.; hij heefi de â; â houd, m. â en. |
Waakseli, bn.; onze hond is zeer waakzaam. Waakzaam (wakker, ijverig, zorgzaam), bn. en bw.; â heid. v. Waal (persoon, l.uikerwaal), m. Walen; hel arme Weeshuis van de Walen. (Vondel); Waliu (Waalsche vrouw), v. ânon. Waal (rivier), v. gmv. Waal (met palen omgeven kant, waarbinnen in een zeehaven de schepen veilig kunnen liggen, dok), v. walen. WTaal (geul of poel, kolk na dijkbreuk), v. walen. Waalseli, bn.; de âe kerk, Fransch-Hervormd. Waau (ijdele meening), m. gmv.; iem. inden â brengen', in den â ver keer en. Waanwijs (eigenwijs, ingebeeld), bn. en bw.; een-mensch, neuswijs, laatdunkend; â lieid.v. Waanzin (zielsziekte), m. gmv. Waanzinnige (krankzinnige), m. en v. â n. Waar (koopmansgoed), v. waren; dit is goede â; val sc he â. Waar (echt, wezenlijk, zeker), bn.; - held, v. Waar, bw. en vgw.; â zijtgijop welke plaats; ik weet niet, â ik zijn moet, vragend bw. van plaats; het land, â wij geboren zijn, betrekk. bijw. van plaats; ik hljf, â ik ben, voegw. Waaraelitig, bn. en bw.; een âe gebeurtenis, wezenlijk; het is â waar, zeker, echt; âheld, v. Waarborg (onderpand, borgstelling), m. â en. Waarborgen (instaan voor iets), ik hel» gewaarborgd; â lug, v.; â niaatseliappij, v. Waard, Woord, Woerd (mannetjeseend), m. âen. Waard (herbergier), m. âen; buiten den â rekenen, zich misrekenen; zooals de â is, vertrouwt hij zijn gasten, men beoordeelt een ander naar zich zelf. Wraard (ingedijkt land), v. âen. Waard, bn. een goed begin is een daalder â; het sop is de kool niet â, de zaak is van al te geringe beteekenis. Waarde (prijs, waardij), v. â n: onder de â verkoopen. Waardeeren (schatten, de waarde bepalen)-, -der, m.; -lijk, bn.; -Ing, v.: verschil in â ing van een boek. (v. Deyssel.) Waardgelder (huurling,quot; betaald wachter), |
WA A li DIG - WA (J K N W1.1D.
'»s:{
|
in. âs; onderscheidene steden in Holland n/t-rnen âs in dienst (1617). vero. Waard ig*, bn. en bw.; een âe i'oudin/j. ernstig, verdienstelijk; aller achting â, verdienende; â lijk, bw.: zich â fiedrogen. Waardig'lieid (edelheid, yvootheid), v. gmv.t hij antwoordde met â. Waardig-lioid (eerevost, eereambt),\. â heden-Willem Hl werd verheven tot de âheden zijner voorvaderen (1672). Waardij {waarde, prijs), v. gin v.; een Eden voor de vreugd geschapen, is ongedeeld van geen â. (Staring.) Waardijn (mant mees ter), m. âen, âs. Waardin (herbergierster), v. â nen. W»2kTgeeHt(dotende geest, spook),m. â geesten. Waargoed (zeew. voorwerpen, die hersteld moeten worden), o. âgoederen. Waarheid, v. âheden: de â zoeken; de â vindt zelden herberg; iem. de â zeggen, hem streng berispen; een wiskundige â; een historische â. Waarlioidlicvoiid, bn.; een â man, de waarheid beminnende. Waariieidwliefde, v. gmv.; â Kin (gevoel voor waarheid), m. gmv.; âzuelit. v. gmv. Waarin, bw.; â hebt gij uw beurs verhor-gen :} Zeg mij, â gij te kort zijt geschoten ; het huis, â ik. woon, is oud. Waarlangs, bw.; â zijt ge hier binnen gekomen V de weg, â wij qaan, is mooi. Waarlijk (wezenlijk), bw.; ze zijn â gelukk ig. Waarmaken (bewijzen, staven), ik heb â -gemaakt; â ing-, v. Waarmerk (bekrachtiging, stempel), o. â en. Waarmerken, ik heb gewaarmerkt; een stuk, een akte â, onderteekenen, bekrachtigen, legaliseeren; âin%. v. Waarnemen, ik nam â, heb âgenomen; leer het kind goed â, opmerken, zien: gij moet de gelegenheid â, benutten, gebruiken; gij dient uw tijd goed waar te nemen, besteden; een les voor iem. â, geven; een betrekking â, tijdelijk of ook voorgoed vervuilen; zijn plichten â, betrachten; den loop der sterren â, volgen; een âd voorzitter, een âd secretaris, tijdelijk; âer, m.: hij is hier âer, tijdelijk of voorloopig ambtenaar. Waarneniin^ (tijdelijke vervul ling), v. âen. Waarom, bw.; â komt uw vader niet'/ Ik weet niet, â hij niet komt. Waaromheen, bw.; â zullen wij zitten of loopen ? een plaatsje, â een klein hekje. Waaronder, bw.; â zat de kat verborgen V er was nog een kamer, â de kelder. Waarop, bw.; â zaten de gasten? de stoelen, â zij zaten, waren fraai. Waarover, bw.; â spreekt gij? dc zaak, â ik spreek, is u bekend. Waarsehap (verzekering, waarborg), v. gmv. vero. Waarsehijnlijk (vermoedelijk, misschien), bn. en bw.; âheid, v.; â heidsleer. v. Waarsehiiwen (verwittigen, vermanen, in kennis stellen), ik heb gewaarschuwd; ik zal hem even â; hier' waarschuwt men voor alle treinen! ik tvaarschuw n dit te laten; â er: â ing1, v.; âster, v. Waartegen, bw.; â leunt gij? een bewijs, â niets is in te brengen. Waartoe, bw.; â dient al dat werk? d. i. tot welk einde, doel; ezn bekentenis, â ik ii Iwb gedrongen. |
Waarts (achtervoegsel), b.v. huiswaarts, voorwaarts, te mijwaart(s), richting. Waartiissehen (tusschen wat), bw.; â uit (uit wat), bw.; â\an(vanwat),b\\.; âvoor (voor wat), bw. Waarzeil (zeew. zeil in voorraad), o. âzeilen. Waarzegden (voorspellen, de toekomst te-zen), ik heb âgezeid, âgezegd; âg-er, m.; â jrerij, v.; â ging', v.; âster, v. Waas, o.; het â van druiven en pruimen; fig. het â der onschuld; een â ran zorg, zweem; een â van welvarendheid. (Koetsveld.) Waeht (persoon, wachter), m. âen; pas op, daar loopt de â. Waeht (het wacht houden), v. gmv; de soldaat stond op â; op â trekken; scheepst. waaktijd: de eerste â, van 8 uur tot middernacht; hij heeft de honden â , van middernacht tot 4 uur; verder, wachthuis: men sleepte den dronken soldaat in de â ; ook, de gezamenlijke wachters: de â presenteerde het geweer. Waehtel (kwakkel, kwartel), m. â^; 7 is lente! de tortels klagen, d' âs slaan! (Staring.) Waehten (toeven, beiden, bewaken),), iic heb gewacht; âer, m. Waeht er (waker, bewnker, oppasser), m. â s. Ook: maan, bijplaneet: de maan is de â der aarde. Waehtgehi. o. âgelden; door 't opliepen der school kwam de leer aar op â. een 5-jarige toelage. Waehtkamer, v. âkamers; wij zullen u in de â van het station opwachten. Wachtmeester (ondero/ficier b. d. ruiterij), m. âmeesters. W aehtpost (plaats, waar )nen een wacht zet), m. posten. WaehtKch (waaksch, tvaakzaam), bn.; die hond is goed â. Wachtsehip, o. âschepen; âtoren, m. â s; â vimr, o. âvuren; âwoord(parool), o. âen. Wad (ondiepte in het water), o. âden; de kiel komt over yt â gevlogen. (Staring.) Ook: Wad de. Wade (holte a. d. achterzijde van de knie), v. â n. Wade (lijkwade, wit laken), v. â n. Waden (het doodskleed aandoen), ik heb gewaad; een lijk â. Waden (tot a. d. waden door het water gaan), ik heb en ben gewaad. Wadi (droge rivierbedding in de Sahara), v. â's. Wafel (gebak uit het wafelijzer), v. â s, âen. Wagen (voertuig, rijtuig), m. â s. Wag'en (gevaarlijk ondernemen), ik heb gewaagd: een sprong â, een tocht â, een onderneming â, een spel â; een voorstel â, een aardigheid â, nl. te doen, te zeggen; wie niet waagt, die niet wint, met stilzitten verdient men geen geld; flink gewaagd is half gewonnen, stoutmoedigheid is de halve kans. Wag'en (sterrenbeeld, de Groote Heer), m.; de zeven sterren van den â. Wagenaar (voerman), m. â s. vero. Wagenschot (fijn eikenhout), o. gmv.; een meublement van â; een lambrizeering van â. Wagenschotten (van fijn eikenhout), bn.; een â lambrizeering. Wagenwijd, bw.; zet de deur â open, zeer wijd, zoo ver mogelijk. |
31*
WAGG KLBKEXKX- WANNEN.
|
WajSfffi'lbei'iH'ii {onvast loo pen), ik heb go-waggelbeend. Wafelen {onvast loopen), ik licb gewaggeld; de dronkaard kwam aan â -, een âiir uanrj: -ins', v. (rijtniu op spooriver/en), m. âs. Wajon^ (Ind. Javaanse!i poppen- of sehini-menspel), v. â s. Wak {open plek in het ijs), o. âken; hij viel door het â en sehoot onder het ijs. Wak {vochtig), bn.: is â weer, regenachtig, nevelachtig, onvast; â lieid, v.; â ki»-. bn.: -ki^lK'id. v.; -to, v. Wakoii {Ues nachts de wacht honden), ik hel) gewaakt; ik zal hij den ziekt' â, de wacht houden; een wakend ooij houden over iets of iem., zorgzaam; hij zal voor onze belangen â , oppassen, zorg dragen; âor, in. Wakkor {opgewekt, levendig), bn. en bw.; v. Wal (innar, kade, zoom), ni. âlen; de matrozen gingen aan â; land; het gezin van dc)i kapitein blijft aan â, niet aan boord wonen: van â steken, gaan varen, afzeilen, lig. met iets oen begin maken; aan lager â komen, zijn, door tegenspoed verarmen; aan hooger voorspoedig, fortninig; hij zoa me van den â in de sloot helpen, mijn ondergang bewerken; dat raakt kant noch â, lig. dat is groote onzin, zeer ongerijmd; langs den â zeilen of varen, fig. kalmpjes aan leven; zij moest bij het â letje langs om rond te komen, zuinigjes leven; de beste stanrlai staan aan â, ir. de bedillers staan van verre, builen hot gevaar: de steden werden met â -lot omringd, aarden olquot; steenen hoogten ; het llikkert van den â. (Bild.), men schiet van de âlen; een bres in den â schieten. Wakloiixon (bewoners van Waadland: zeker hervormd kerkgenootschap), m. mv.; de vervolgingen tegen de â (Wil). Waldhoorn. Waldlioron {J ach', hoorn), m. â s. Waldnikor (zekere vogel), m. -s. Ook: Tapnit. Walen (ongestadig zijn), ik heb gewaald: het getij begint te â, verloopen; lig. wankelen, weifelen\ â ing-, v. Wal;; (afkeer, weerzin), v.: de â begint me van dit getalm te steken. (Staring); laster is mij een â. Walton, ik heb gewalgd; zulk een roman gaat â; ik walgde van zijn vleierij-, ik walg van die medicijn; â in^', v. Walglijk {afkeerwekkend), bn.; een -e reuk, een âe smaak; â lioid, v. Walhalla (lab. Germaansch paradijs der koningen en helden), v. en o. gmv. Wal kon. ik heb gewalkt; de hoedenmaker heeft dit vilt niet goed (gewalkt, ineengeslagen, geperst; âer, m.; â injï, v. Walkhanior, m. â s; â iiiolon, m. â s; â -plaats, v. âen: âstok, m. âken. Wallonon. Wallons, Walen (Fransche lie hg en), m. mv. Wailonseli, bn. Zie: WaaKeh. Walm (damp, smook), m. âen ; â aehli^. bn. Walnu'ii, liet heeft gewalmd; uw lamp walmt, de vlam met smook komt boven het glas uit. Walnoot {boom), m.; (vracht), v. ânoten. Zie: Okkornoot. Walnotehooin. m. â boomen. |
Walros, Walrus {groot robachtig zeedier). m. âsen; de â leeft i. d. IJszee. W'als (dans in ^4 maat), v. âen. Walsen (een wals dansen), ik heb gewalst; -er, in.; -eres, v. Walsfi'4»4» (sterkbladig kruid), o. gmv. Walviseh (grootste zeedier), in. â visschen. Walvisclivaarder {schip, ook gezagvoerder), m. âvaan Iers. Wam (halskwab van een rand), v. âmen. Wambuis (wammes), o. âbuizen. Wanion (in de modder roeren), ik heb ge-waamd. Wammen (den buik der visschen opensnijden en reinigen), ik heb gewamd. Wramnies (kort buis), o. -en: o/gt; zijpi -krijgen, slaag oploopen; mettertijd komt Hannes in 't â, kleine kinderen worden groot. Wan (ziftmand), v. â nen; zift het koren met de â; een âmolen. Wan (scheepsw. lek, lekkage), o. ânen. Wan (voorvoegsel = niet, slecht), b.v.âhoop, â betaling, âdaad, âgestalte; âschapen, bn. Wanhcdrijt' {mistlaad, booze handeling), o. âdrijven; door zich zelf verraan, erkende zij (de hebzuch') haar â, uw recht. (Staring.) WixnlwtiilittVi (slechte beta ling,niet-betaling), v. âen; bij â der belasting gaat men over tot vervolging. Wanhot' (ongeluk, tegenvaller), m. gmv. Wand {muur), m. âen; de schilderij hangt daar aan (len â. Wandaad (euveldaad), v. âdaden. Wandaal, m. Zie: Vandaal. Wandalisme (vernielingszucht), o. gmv. Zie: Vandalisme. Wanlt;l4kl, m. gmv.; wees eerlijk in uw handel en â, leefwijze, omgang; uw vader nuts op den â, wandeling; in den â heet hij de lange, gewoonlijk. Wandelaar, m. âs, âlaren; âster, v. âs. Wandelen (kuieren, een loopje doen), ik heb en ben gewandeld; âaar. m.; âin;;, v. WaiKlsehildoriii^* (schilderij op de kalk van den wand), v. âschilderingen. Wanen (ijdel of ten onrechte w/vwc/jX ik bob gewaand; de ergste domoor is hij, die zich, knap waant; een gewaande vriend. Wan;; (deel v. h. gelaal), v. âen. Wan^e«lra^ (slecht gedrag), o., âingen, v. Wantedroeht (momter, afzichtelijk wezen), o. âgedrochten. Wangeloof', o. gmv.; Da Costa noemt den Islam een â, dwaas of verkeerd geloof. Wan^-niist (afgunst, nijd), v. gmv. Wanlioop (geen hoop), v. gmv.: de â greep haar aan (de Genestet), radeloosheid. Wanhopen (vertwijfel -n), ik heb gewanhoopt: wij â aan haar beterschap, (tan uw verbetering. Wanhopend, bn.; de arme moeder wrong â de handen. Wanhopig:, bn.; een â besluit, een âedaad. Wankel (onzeker), bn. en bw.; uw kans staat â, ongewis; â heiil, v. Wankelen (onvast slaan, lig. weifelen), ik heb gewankeld; zijn overtuiging raakte aan het -; -iiiff, v. Wankelmoedi;;' (besluiteloos, onbestendig), bn. en bw.: â hoid, v. Wanklank (valsche toon), m. âen; parasieten zijn een â in de schepping. (Witte.) Waiiiien (hel koren zuiveren), ik heb gewand. |
WANMOLTv
IX âWASCH.
|
wan uk»! on (ziti vcri nusmolen voor y cd orach t f/rcutn of voor vinszaad), m. âmolens. liVaii4»râ¬l4k. v. gmv.: de ijchceteschool ivus in - Wanontalijk. bn. en bw.; een â huishouden, ongeregeld, zonder beheer. Waiiseliapen, bn.; een â yeslalle. misvormd, gedroclitelijk; â licid. v. WansclM'pscl ({ledrochl), o. âschepsels. Wansmaak, mi. âsmaken; de - der mode, averechtsche smaak. Wansinakolijk (wahjelijk), bn.; em â schouwspel. Wanstal {verkeerde stand, leelijkheid), m. gmv.; â slalliK* (misvormd), bn.; â stalli^--v. gmv.; hij {graaf Ut) schaamt zich der vertoonhifj van zijn âstalliijheld. (Staring). vero. Wanstaltig:', bn.; een â persoon, misvormd, verdraaid; â iK'icl. v. Want {(p'of wollen vuisthandschoen), v. âen. Want (zwaar touwwerk als steun can den mast), o.; het staand en loopend â,al het touwwerk aan boord, nl. het vaste en losso; de visscher droogt het â, netwerk. Want (vermits, naardien, omdat), vgw. Wanten (zeew. het touwwerk in ordehrengen). ik hel» gewant, lig. slechts gebruikelijk in de spreekwijze; hij weet van bij is op de hoogte van de zaak, hij is een ingewijde. Wantij (tegenstroom), o. âtijen. Want ron wn (mistrouwen, achterdocht), o. gmv. Wantroimen. ik bob gewantrouwd;///; zult mij toch niet â, mistrouwen. Wa|iâ¬kn (strijdtuig), o. âen, â s; de gehcele christenheid stond onder de âen', de âen opvatten; de angel is het â der bij: iem. met zijn eigen âs slaan; het â der cavalerie. WaiM^n (adellijk famUleteeken), o. -s; hij voert een leeuw in zijn â; het â van Holland, het Vtaamsche â. Een â kan zijn: parti d. i. gedeeld door een loodrechte lijn in bet midden; coupé, gedeeld door eon horizontale lijn in hot midden; tranche, gedeeld door een lijn. dit' den rechterbovenhoek met den linkerbenedenhoek verbindt, enz. enz. Wa|M'nl»alk (dwarshand of -streep o]gt; et schild), m. âbalken; â (onderschei- dingsteeken), â¢Â». âen; -book (het gulden boek, waarin nl. de wapens der adellijke geslachten afgebeeld zijn),o. - en; â ImumI(schild, waa7'op het wapen geschilderd is), fgt;. âen; â kennel*{ivapcnknndige), m. âs; â knnilo {heraldiek, wetenschappelijke kennis), v. gmv.; â kniKlittV bn.; â kniKli^-o (Kenner dn' heraldiek), m. â n; âresistor (wapenboek), o. -s; â sellild (boi'd, waarop een adellijk wapen is geschiIderd), o. âen: zie Ifilazoen: â scliikler, m. âs; âsnij^ior (graveur van familiewapens), m. â s; âspreuk (leus, devies, b.v. .Ie Mnintiendrai, ik zal handhaven): â \etil (vlak van het wapenbord), o. âen: zi op 't âveld van goude dien Liebaart (leeuw), rood als bloed. (Bild.) Wapenbijl, v. âbijlen; âbroeder (strijdmakker), m. â s; â«los (prachtige wapen-rust ing),in. â dossen; âilvi\p;ikv(schildknaap), m. â s; â lalgt;riâ¬gt;k. v. âen; âfeit (heldendaad), o. â en; â jyeklelter, o. gmv.; âlian-liel (oefening in 't gebruik der wapenen), m. gmv.; â Uitmrr(ben/phiats), v. âs; â kneelif (strijdir, krijgsknecht, s'hihlknaap), m. âen; â koiiin8,(-/'ti/v/«/). m. âen; â kreet(.s//,//(7-leus), m. âkreten; ânia^'axijn. o. âen; |
â niakklt;kr. m. âs; â 4»lt;'t'lt;'niii^-. v. âen; â plaats (e.vercitieplein), v. âen; âpraal, v. gmv.; - pracht, v. gmv.; ârek, o. ârekken; â roem, m. gmv.; â rnstinj;' (ul. wat diende tot dekking van hoofd, armen, lijf en beenen), v. âen; âselKirsin^' (staking), v. â en; âs«*li4»ii%v. â selionuin^' (inspectie), v. âen; âsmid (maker van rustingen en zwaarden enz.), m. -smeden; âzaal (ruim vertrek in het kasteel als bergplaats der wapens), v. -zalen. Wapenen (toerusten, van ivapens voorzien), ik heb gewapend; zijn onder hoor igen â; z-ch â , de wapens aangorden; â In^. v. Wa|gt;per (wip eener ophaalbrugm. âs. Wapperen (waaien, fladderen), de vlag heeft gewapperd. War (verwarring), v. gmv.- in de â. verward, overhoop. Warande (diergaarde, ivandeldreef), v. â n. Waratje (waronpel), bw. l'ieter is â rerliefd. t('. ().), wezenlijk. Warboel, m. âen; het is me daar :'cn â, verwarde zaak; die oude - van Pleun zaliger. (Koetsv.) Wardiertje (infusiedie)-), o. âdiertjes. Warempel, hw.; je hebt â gelijk, inderdaad. Waren (spoken), hij heeft gewaard; en maal.t den geest van liachel wakher, die waren goal door beemd en wei. (Vondel), ronddolen. Warendi$£'. â tiy: (waarachtig), bw.; het is -waar. gmz. Warhoofd (persoon), m. en v. â hoofilen. Waring (gangboord), v. âen; Sikko, de â op- en neder loopend e. (v. Lennep.) Warkl4»mp, m. âklompen; wat â der nutuur! (Tollens). Warkruid (windeachtige woekerplant), o. gmv.; het â tiert op vlas en hennep. Warm. bn. en bw.; een âe kamer, eoi â bad; zich â kleeden, er â inzitten; lig. bemiddeld zijn; het ging er â toe, er werd lievig; gevochten; een -eontvangst, hartelijke; âte. v. \\ jiriiK'ii (warm maken), ik bel» gewarmd; â in;f. v. W armoes (allerlei eetbare moeskruiden), o.; een Likvorsch onder' t â kort gehakt.(^lxwwxg); â hol' (groentetuin), m. âhoven; âtain, m. âen. Warmoexenier, Warmoezier (kweeker van grooden, hovenier), m. âs. âen. Warm|»jes. bw.; hij zit er â in, is bemiddeld. Warmte, v. gmv.; de â der zon, de â van den zomer, de â van het bloed; dierlijke â. Warnet, o. ânetten; een â van slingerplanten. Waronjf^Mal. inlandschegaarkeukoi), m. âs. Warrel (war), m. gmv.; in den â. Warrelen (dooreenwarren, lig. wemelen), het heeft gewarreld; het warrelt mij voor de oogen, heen en weer draaien; -ins*, v. Warrelkl4»nip (chaos), m. âklompen. WarreliviiKl (draaiende wind), m. â winden. Warren (in de war brengen), ik heb geward. W ars (afkeerig), bn.; hij is â van vleierij, van lof. Wartel (zeew. draai haak), m. âs. Was (groei), m. gmv.; er is â op de boven-rivier, toevloed van water. Was ( van bijen), o. gmv.; kaarsen, bloemen, beeldjes van â. Waseli (gewasschen of te wasschen linnen |
WASDOEK
-WEDER.
|
of kleederen), v. wasschen; ik zal mijn zakdoekjes in de â doen; mijn linnen is in de â; die kleur houdt zich goed in de â; deze vrouw heeft elke week vijf wasschen. Wasdoek, o. gmv.; een vloerkleed van â, linnen met was bestreken. Wasdom (groei), m. gmv.; hij heeft zijn vollen â bereikt, groei; ilod zal â iteven. W asem (jtainp,uildanipinxj), m. âs; hoegeart de â der berkesp ruit! (Sturing). Wasemen (damp van zich geven), ik lieb gewasemd; de rozen â huur geuren', â iiijj'» v. Waskaars, v. âkaarsen; er stonden vilt; r âen op de vergulde lusters. (C. O.) Wasselien (reinigen), ik wiesch (waschte), heb gewasschen; â erij, v.; â v. Wassclier (waschbaas). in. â s; wasclister (waschvrouw), v. â s. Wassen (van was), bn.; een âbeeldenspel; dat is een â neus, bedrog, misleiding. Wassen (met was bestrijken), ik heb gewast; gewast taf. Wassen {groeien), ik wies, ben gewassen; een âde rivier, de âde maan, het âde water: alt;tn den voet eens heuvels wies ik op. (Staring). Wassenaar (wassende maan), m. â s. Waf, vrag. vnw. wat is, erV zeg mij, â gij wilt; â drukte, â hoogte! Ook betr. vnw.: ul, â gij zegt, is waar; â ivaar is, is eenvoudig; ook onbep. vnw.: blijf bedaard, â er ook gebeure. Water, o. âen, â s; open â, dat niet bevrozen is; een sehij) te â laten, van stapel laten loopen; het hert ging te â, zwemmen; lt;le dief zit op â en op brood; het â komt aan de lippen, de nood is hoog; Gods â over (lods akker laten loopen, zich om do wereldsche zaken niet bekommeren; dat is â op zijn molen, dat is naar zijn zin, dat dient hom; â naar of in zee dragen, noodeloozen arbeid doen; sterk â, vitriool; stille âs hebben diepe gronden, de zwijgenden denken dikwijls het diepst; ze zijn als â en vuur, volslagen vijanden; het â loopt altijd naur zee, de fortuin dient de rijken; hij stierf aan het â, de waterzucht; minerale âen. Waiter (helderheid), o. gmv.; diamanten van het eerste â. Waterachtig, bn.; een â kostje, lal', Hauw, te zeer aangelengd; â lieid, v. Wateraiifloorn (gemeene wolf spoot, water-fdant), m. âandoorns. Watereliinees(mj scheld woord),xw. â neezen. Waterdielit, bn.; een âe kelder, een âe mantel, impermeabel; een puur âe laarzen. Watergeus (gesch. zeesch ui mende bannelingen). ni. âgeuzen; de â(feuzen namen hen Uriel. (1572). Waterlioen (sleltlooper, trekvogel), o. â hoenders. Waterlilt;Ngt;s (kegelvormige oprijzing van het water door werking eener luchthoos),\. -hoozen. Waterig, bn.; een âe soep, als water; een âe stijl, laf, zonder pit; â lieid. v. Watering (drenkplaats), v. Zie: Wetering. Waterjuffertje (libel, netvleugelig insect), o. â s. Waferkaarde (plantk. duitenblad), v. â n. Watferkeering (dam, dijk, havenhoofd), v. â keeringen. Waiferkers (kruisbloemige pbint), v. gmv. W'i.\tvrli.i\\tv(kneiplcuur,genezing door lut den). v. âkuren. |
W ater laars ( waterdieh te vet laars), v. -laarzen. Waterlantlers (tranen), m. mv.; foei. Keesje, ik zie â, dunkt me. (C. lt;3.) Waterleiding, v. âen; menige stad verheugt zich in 't bezit van een â. Waterlelie (plomp), v. âleliën, âlelies. Waterllseh (zwanenbloem), o. â lisschen. Waterloot (onvruchtbare loot of twijg), v. â loten. Waterlooxing {afvoer, spuiing van water), v. âloozingen. Waterman (voorlaatst leeken in den Dierenriem), m. gmv. Watermerk (eigenaardig merk in papier), o. âmerken. , Watermolen (molen, door water bewogen) m. âmolens. Waterpas (werktuig om te onderzoeken of iets horizontual is), o. âpassen. Waterpas, bn.; een â lijn; die stok ligt niet â, horizontaal. Waterpassen, ik heb gewaterpast; een terrein â ; een provincie, een land â.de hoogten en laagten boven een gegeven peil opnemen; -lus, V. Waterpest (een waterplant, die de slooten bedekt), v. gmv. Waterproef (godsoordeel i. d. Middeleeuwen), v. Zie: Vuurproef'. Waterrijk, bn.; een â landschap; dit land is â, heeft tal van rivieren. Waiterseliap (polder of heemraadschap), o. âschappen. Waitersnood (overstrooming), m. â nooden. Waterspiegel (bovenvlak der zee, run een meer, enz.), m. â s; een walaisch eerbrak juist den â naast ons. Waiterstaatt, m.; minister van â; ingenieur van den â. Waterlanden, ik heb gewatertand; die kersen doen de jeugd â, hevig begeeren naar; die reis naur Zwitserland doet mij â ; ik â t.m het (vergulden) ook eens te doen. ((.'. O.) Waiterasuelit (ziekte), v. gmv.; â ig. bn.: een â ige winter. (C. O.) Watteeren (me/ watten vullen); een gewatteerde overjas; een deken â; een kamerjapon l/iten â. [de ooren. (C. O.) Watten, v. mv.; boekhouders met watten in Wauwelen (onbeduidend praten, zeuren), ik heb gewauweld; uud wauwelt die man'.' â aar, m. Web (weefsel, stuk linnen), o. âbon; hel â wacht op den koopman. (Staring); het â eener spin. Webbe, v. en o. â n; webbetje. Zie: Web. Wed (dr enkplaats voor paarden), o. âden; breng de paarden naar het waadbare plaats. Wed (wedstrijd), v. gmv.; dat gaat in de â, om het zeerst. Wedde {jaarwedde), v. â n; op een â van duizend gulden. Wedden, ik heb gewed; ik wed om tien gulden, ik wed om een flesch, er onder verzien, er aan wagen; âer, m. â s; âster, v. â s. Weddenseliap. v. âschappen. Weder, Weer (hamel), m. weders, woeren. Weder, W eer (luchtsgesteldheid),o.; hij speelt mooi â met eens anders geld, verkwistend leven; de hardrijderij zal doorgaan, â en wind dienende. Weder (terug, opnieuw; tegen), bw. Mot w. w. vormt het samenstell., b.v. âkeeren, âslaan. |
WKHKnnnKxr; KN - WKKLDE.
A87
|
Wederbren^cn (teri'ybrengeii),onr. ik bracht â, heb â gebmcht; âer, in. Wederlt;lieiiNt (tP{fendienst\ m. âdiensten. Werierdooper {aanhanyer van de leer der anabaplisten), m. â s; het rijk van Sion, d. 1. dat der âs in Munster (1535); âij, v. Wederga, Wedergade ((jelijklt;', evenknie, (/elijkhoortige\ v. ginv.; ik humt 1/ voor ceii â ra)i dienzelfden Robertas Nurks. (C. O.) Weilerfteven (teri/f/yeven), ik gaf â, heli -gegeven. Wetlerlielf't (lig. echtyenoote), v. -helften. Wcderlioori^' {koppiy), bn.; -Iieid, v. Wederlioiiden {terughouden), ik hield, heli â honden. Wederik (sleutelLI. plant), v. âen; de rond-bUxdige Wederkaatsen. Zie: Weerkaatsen. Welt;lerkeer {terugkeer), m. gmv. Wederkeerlt;Hi, ik ben âgekeerd; het â der ten te, terugkomst. Wederkeerijr {ivcderzijdsch), bn. en bw.; ei n â e liefde; iem. â haten. Wc*dlt;krkonieii (nog eens konten), ik kwam â, bon âgekomen; âkomst, v. Wederleg-haar, bn.; dat bewijs is niet te ontzenuwen; â lieid, v. Wederleggen {het tegenbewijs leveren), ik heb â leid ( âlegd); â Ing', v. Wederlietde {wederkeerige liefde), v. gmv. Wederopbouw, in. gmv.; de â der verwoeste stad, herbouw. Wederpartij {tegenpartij^, v. â psirtijen. Weii(krreelitelijk. bn. en bw.; zich â iets tneeigenen, onwettig, in strijd met het recht; â Iieid, v. Wederspalt {muiterij, tveerspannigheid), v. gmv.; â ift', lm. We«lers|»aiiiieliii^' {oproermaker), m. en v. â en; voor het v. ook â e. Wederspan 11 i^' (tegenstrevend, ongehoorzaam), bn. en bw.; hij werd gevonnist als â aan de wel: â lieid, v. Wederspoelt;i, Weerspoed, m. gmv.; ile â ontnam ons huis en have. (Potgieter.) Wederspreken {tegenspreken), ik âsprak, bob âsproken; âer, in.; â insquot;, v. Wederstaan {zich verzeilen legen), ik -stond, iieb âstaan; God wederstaal den hoovaar-dige, vijandig gezind zijn. Wederstand {tegenstand), m. gmv. We«ierstreven {tegenwerken),'\k heb-streefd ; -er, m.; â in^', v. Wederstrevijr {koppig, muilziel.), bn. en bw.; â Iieifl. v. Welt;lervaren, het âvoer. is â varen; wot is a op reis zoo al â V overkomen, wat hobt gij beleefd! W cMiervinden {terugvinden), ik vond â, heb â gevonden. Wederuaardig-lieid {tegenspoed, ramp), v. â heden. Wederzien {terugzien),ik zag -, heb âgezien. Wederzijde {tegenovergesletde zijde), v.: een breed waler, ter ân met lindeboomen beplant. (C. O.) Wederzijds, bw.; zij verbonden zich â lol hntp en steun, wederkeerig. Wederxijdseli, bn.; onze âe belangen, een â e vriend. Wedliono (fnd. distrielshoofd), m. â's. Zie: IHieinaiiK'. |
Wedijver, m. gmv.; een nudige â in een klasse werkt voordeelig, ijver om elkaar vooruit te komen. Wedijveren, ik fieb gewedijverd; de gezanten gingen â in beleefdheid', de kanaries gingen tegen elkaar â in 7 zingen; .lava wedijvert in natuurschoon met de meest bevoorrechte landen. (Veth.) Wedloop, m. â loopen; een â van paarden, van schaatsenrijders; â op het moedig ros. (Immerzeel.) Wedloopen, o.; âer, m. â s. Wedren, m. ârennen; de ânen bij Parijs, bij Derby, nl. van paarden. Wedstrijd, m. âen; een - in den zang, in het tooneetspel, in het voordragen. Welt;in\vaal, Wietiewaal {raafachtige vogel), m. â s of âwalen. Ook: Wielewaal. Weduwe, Wednw, Weenw, v. weduwen. Weilnwenfonds, Wednwfoiids 'beurs), o. â en; het weduwen- en iveezenfonds, instelling tot uitkeering van gelden. Welt;liiwjaar {eerste jaar na het overlijden j van een predikant, als de weduwe nog zijn I inkomen geniet), 0. gmv. Weduwnaar, m. â s, ânaren. Wediiwseliap {toestand), o. gmv. Weduwvrouw, v. âvrouwen; een arme â. Wee {ramp, onheil; ook smart), 0. âën. Wee {flauw), bn.; ik ben zoo â aan piijn hurl; â lieid {flamehartigheid), v. Wee, tw.; â mij, wat had ik begonnen(Koetsv.) Weedaseli {soort e. potasch), v. gmv. Weede {zekere kruisbloemige plant), v. gmv. Wlt;gt;e4ioni {smart, lijden, droefheid), m. gmv.. Weefgetouw {weefstoel), o. âgetouwen. Weefsel {wat geweven is), o. â s, âen; fig. het â iler huid, het â der dichte bladeren; ecu â van bedrog en leugen. Weeg (gevlochten wand met leem besmeerd). m. en v. âen, vero.; âluis {insect), v. â luizen. Weekblad {plant, de weegbree), o. gmv. Weegbree, v. gmv. Ook: Weekblad. Weeffbrna* {bascule), v. âbruggen. Weeft-^las {vochtmeter), o. âglazen. Weerhaak {unster), m. -haken. Weefkunde {statica), v. gmv. Wee^seliaal {balans), v. âschalen; de zon ! staat in de â, het zevende teekon van den Dierenriem (23 Sept.). Week {het weeken), v. gmv.; in de â letjgen: in de â zetten, week laten worden. Week (zeven dagen), v. weken. Week (zacht gedeelte), 0. gmv.; Marco's paard voelt zich de sporen cot halven duim in 't weeke boren. (Staring), do weeko zijde. Week {zacht), bn.; een â hart, een â gestel, gevoelig. Weekdier, 0. âdieren: een slak is een Weekelijk {z wal. kei ijk), bn. en bw.; een â gemoed, aantrekkelijk, teeder; - lieid. v. Weekelinji* (persoon), m. en v. âen; voor het v. ook â e. Weeken, ik heb geweekt; stokvlsch moet men â , week, zacht maken in water. Weekhartig, bn. en bw.; een â kind, overgevoelig; zich â uitdrukken; âlieid, v. Weeklaelit {jammerklacht), v. âklachten. Weeklagen {treurer, januneren), ik heb geweeklaagd, de vrouwen zaten te â bij het lijk. Weekniaken, ik heb âgemaakt; lig. roeren, treffen, verteederen. Weelde, v. gmv.; zij leren in â, het zijn kinderen van â, in dal gezin is geen â, |
'iKM WKKLDKRTG-WRGKDOORN.
|
overdaad, luxe. 't Zijn sterke heenen, die â kunnen tlnnjen. W«'rijf. lm. fin l»\v.; een â leren, rijk, in overdaad; een â ruik. (Sturing), d. i. overdadig; de âe vormen van den Vlmnnsehen meester a Potg.), nl. die zijner figuren; â li«'i«l. v. gt;V«'«'l«liK- (weelderifi), bn. on b\v. \V«'«'iii«»«'«l. m. gniv.; en â overstelpte haar. (De (Jenestet), d. i. hartzeer, verdriet, mis-troostiglieid. \V«'«'ni«»lt;'«li^-. bn. en bw.; een âe brief, âe taal, een âe herinnering, treurig, roerend, week; â li»'i«l. v. W«'«'ii«'ii (sehreien), ik heb geweend; wat zit 'je droef te â Æ de kinderen begonnen luid te â; fig. Iwete tranen â, van spijt, berouw. ^V«»e|»s«*li (taf, zouteloos), bn.: â Iieilt;l, v. \%'«'«'r (een hamel), m. âen. Ook: Weder. Weer (weriny; moeite), v. gin v.; zich te â stellen, âbieden, weerstand; vroetj in de â zijn, aan den arbeid. Weer (awder, (jesteldheid der lacht), o. grav. Weer (eelt, verhard in a der huid), o. gmv. W«'erl»aar, bn.: een â volk, âare mannen, strijdbaar; â liei«l. v. W«'«'rlm:irli«'i«l*lM»ii«l. m. âbonden. Weerbarstig, bn. en bw.; een â karakter, een â volk, geen buigen ot' toegeven kennende. Weerg-a, v.; om de â niet, in geen geval; Jan (jeeft geen â om de leef. (De Genéstet). Weerga (persoon), in. â's; dien lastigen, dikken â (een oom van een der gasten). (C. O.) Weerga (drommel), v. gmv.; loop naar de wat â ! Weergaaseli, lm. en bw.; die tveergasche jongen, droinmelscli; een â aardig liedje. (C. O.). We«'rgaliii (echo), in. âgalmen. We«'rgaliii«'ii (weerklinken), bet heeft â -galmd. W«'«'rgal«Mgt;K. bn.; een âlooie moed, dapperheid, waarvan de gelijke niet bestaat. W«'erg«'llt;l (gescli. boete, die men voor manslag moest betalen), o. vero. W«'«'rgIaiiK (terugstraling; fig. roem), m.gmv. We«'rglas (barometer), o. âglazen. W«'«'rliaak, m. âhaken; de bij heeft een angel met een â ; een harpoen met een â. W«'«'rliaaii (windwijzer), m. âhanen; hij is een â, draait in de staatkunde met alle winden; de â van de kans. (Vondel.) W«'«'rkaa(s«'ii. ik heb âkaatst; de lichtstralen â up die ruilen, in dat water, terugstralen; â ing. v. W«gt;«'rkaiit. W«'«l«'rkaiit, m.; de â van deze stof is grijs, tegenkant. We«'rkaii\veii (hei-kanwen), ik heb âkauwd. W«'«'rklaiik, m. âklanken; zijn woorden vonden â : die taal vond instemming. W«'«'rkliiik«'ii (weergalmen), bet âklonk, heeft âklonken. W«'«'rkiiii«l«' (meteorologie), v. gmv. Weerknmlige (weerpr'ofeet), m. en v. â n. W«'lt;^rleg:geii (het bewijs van het tegendeel geven), ik âlegde of âlei, ik heb â legd; een bedenking â. (Potg.) Weerlilt;fiil (bliksem), o. gmv. W«'«'rlilt;*lil. v. gmv.; loop naar de â ! een verwensching; hij liep als de â, zeer snel. W«'«'rli«*lil('ii (bliksemen), hot heeft ge-weerlicht. W«gt;«'rl«M»M (zonder weer of wering), bn.; de duif is een âlooze prooi v.in den havik: â Iiei«l. v. |
Wcerpiwleef (wenrvoorspelIer), m. -proleten. W«'«'rs«'liijii. m. Ook: Wlt;'erglaiiM. We«»r-NchijiiNel. We«'r»»eliijiic'ii (blinken, flil,keren), het heeft â schenen. Weersgesf «gt;llt;lliei«l (toestand der lucht), v. â heden. We«'rKkaiiteii, m. mv.: aan aanbelde zijden; van â is dat jonge paar rijk. Weerstuit (terugstuit), m. gmv.; hij lachte mede van den â, omdat allen lachten. Weerszijden, v. mv.; aan â, van â, aan of van beide zijden. Zio: We(krskaiit«'ii. Weerwil, m.; in â van, ondanks. Weerwolf (mamuolf, mensch in wolvenge-daante), m. âwolven: de â is-een wezen der phantasie, van het volksbijgeloof. Weerzin, m. gmv.; hij deed het met â, tegenzin. Wees, m. en v. weezen; v. ook Weezo. Weesbezorger, in. âs: â huis. o. âhuizen: âjongen, ni. âs; âkanier (instelling tot beheer van onljcheerde nalatenschappen), v. â s. vero.; â kiii«l, o. -kinderen; âmeisje, o. âs; â ni«»e«ler, v. -s; âvader, m. â s. W«'es-gegrlt;»et (R. K. Mar ia-gebedje), o. â en; hij bad vijf âen. Weesje (prieeltje), o. â s; Cornelia, in hare groote liefde tot âs of prieeltjes. (Koetsv.) Weet (het weten), v. gmv.; de. knecht kwam uit, om de buurt de â te doen van het overlijden. (Potg.) Weetal (wijsneus), m. en v. âallen. Weetg'ierig* (/''tfrrm/m), bn. en bw.; â lilt;gt;i«l. v. Weetgraag*, bn.; als zn. m. en v.; een kleine -. Weetlnst, m.; iem. â bevredigen, leerlust, dorst naar kennis. Weetniet (domoor), m. en v. ânieten. Weenwtje, o.; het â uit het Hof van Holland. (Potg.) Zie: Weduwe. Weenwtje (soort v. duikeend), o. â s. We«'z«'nfoii«ls (belegd kapitaal), o. âen: â geld, o. âen; â goefi, o. âeren: âkas. v. âkassen: âkle«'«ling. v.; â |»«'iiiiiiig«gt;ii. m. mv.: â v«'rpl«'ging ( â verzorging), v. Weg (straat, pad), m. âen; op â zijn; onder â zijn; uil den â raiinen; iem. in den â staan, komen; het ligt niet op mijn â; hij is van den â, in de war; hij ging zijns weegs; ga een eind weegs mede; den â van alle vleesch gaan, sterven. Weg. Wegg^e (fijn tarwe- of krentenbrood), v. weggen; âgetje, o. â s. Weg, Wegg-e (kluit ooter), v. â weggen; coi mooie â boter van IC KJ 1. Weg (zoek, verloren), i»w.; mijn boek is â : het. â hebben, het erg beet hebben, b.v. verkouden zijn; den smaak van iels â hebben: er op verlekkerd zijn. Weg (omlaag, been, al), bw. Met w.w. vormt het samenstellingen, als: wegbannen, âbergen. â bijten, âblazen, âblijven, âboenen, âborstelen, âbranden, âbreken, enz. Wege (achtervoegsel), b.v. van rijkswege, van zijnentwege, d. i. van den kant, de zijde van. Wegeijferen (-rede neer en), ik heb âgecijferd; â eijfering. v.; alle bezwaren â, doen verdwijnen (al pratende). W«*g«liiiklt;kn. ik dook â , ben âgedoken; het hoen wilde in het hooge gras â. (C. O.), zich verbergen. W«'g«'d«M»rii. W«'glt;«'«l«M*en (gewas), v. gmv.; de â groeit bij ons in de duinen. |
WKGKL-WKLGAAN.
|
Weffc»! (fveyjo, paadje), m. â s. gmz. Wef^cn, ik woog, heh yewo^en; de koopnuwen â, hot gewicht be])alen of onderzoeken; het varken ivoug schoon aan den haak honderd kilo, een gewicht hel «hen; lig. eerlijkheid weent hij hein zwaar, veel waarde hebben; hij tueeijt niet zwaar, zijn verstand gnat niet ver; wat het zwaarst is, moet het zwaarst â, wat het meest belangrijk is, moet vóórgaan; âor. m. We^eiiM (ter oorzake van), vz.; ik kan niet komen â het hooge water; hij is veroordeeld â diefstal. Weg-creii (wegers aanhrengen, ren schip van-binnen beplanken), ik heli gewegerd; âin;;', v. Weggaan (vertrekken, zich verwijderen), ik ging â, ben âgegaan. M'eg-go, v. â n; een â, een tarwebrood; een â boter, een kluit of stuk. Zie: Wop;. (beet hebben), ik had â, heb â gehad; een verkoudheid â. Weglat iii^-Ktoeken (apostrophe, afkap-pingsteeken), o. âteekens; de komma in: Tollens' gedichten is een â. \Vlt;k^r«Mloiiecki*â¬'ii, ik heb âgeredeneerd; wat ot.s de wijzen als waai heid verkonden, straks komt een wijzer, die 7 âredeneert. (De Gon.) Wpgrrois (vertrek, afreis), v. gmv. w. g. ik zond â, heb âgezonden; een knecht â, ontslaan, heenzenden; â v. Wegzetten, ik heb âgezet; wij znllen die taartjes â ter zijde zetten, bewaren; zij hebben hem l cel ijk âgezet, openlijk gehekeld. Wlt;gt;$;-xiiik^ii. ik zonk ben âgezonken; de zon zinkt teeg aan de westerkrm, zinkende verdwijnen. \V4'K-zijlt;lo9 v. âzijden. Ouk: Wegkant. \V«'I (veld), v. Zie: Wei (hai), v. gmv.; â van melk, de zoete waterdeelen, die na do kaasbereiding overblijven; een houten nap nuts goed genoeg voor de getrone â. (Potg.); ook waterdeelen v. h. bloed; â aolilip (waterachtig).bn.; â Im»!or. v. gmv.; â kaaM. v. âkazen; âvaatje, o. â s; â vlic» (dun doorsehijnend bindweefsel van de borstholte, enz.), o. âvliezen. Wei (graslamt), v. weiden; een knaap de â in staren, hem voor zijn gezondheid vrij laten loopen, zonder studie: âMovtn (bl00tipje der weide), v. âen: âft'eUI (voor het toten grazen),o. â en: â ft'rax.o. â grassen: -^'r^ieii. o. gmv.; â inmr (â pachi ), v. gmv.; â klaver, v. gmv.; â |»a«l (voetpad door de weide), n. â -padon: â vei«l (groote weide), o. -velden. \Vei«le (ingewand), «». gmv. Wlt;'i4leii (grazen, hel ve hoeden), ik bob geweid; de herten laten â ; Dijb. weid mijn schapen, tueid mijn lammeren! Fig. laten rondgaan: zijn oogm laten â overeen vbii.te; den blik laten â ; de vlam gaat â (Ventiel.): â er. 111. âs; âerij. v. gmv. Weidman. Weiniiin (jager), m. -lui, -lieden. WeirinheM. Wlt;'iiiilt;'s ( jagersmes),o. â messen. Wei^lseli. bn. en bw.; ien âe prooi, een âc tooi, rijk, kostbaar; in âen dos, in prachtige kleeding; â lieiri, v. Wei«lM|»ei. Weis|M'l (de jacht), o. âspelen: en er menig â hielden in voorouderlijke praal. (v. Leun.) Weifelaar (besluiteloos mensch), 111. -s, -aren. Weifelen (narzelen, niet kunnen besluiten), ik heb geweifeld; -iii^-. v. Weifeliiioeililt;;-. bn.; een â karakter, drnlend, aarzelend; â liekl. v. |
Weig-er^'n. ik heb geweigerd; een verzoek â, afslaan, niet inwilligen; iem.eengunst â ; het geweer weigerde, ging niet af; die pianotoets weigert, slaat niet aan: de vrouw weigerde alle voedsel, afwijzen; â aclitig:. bn.; -is*, bn.; -iii»-. v. Weikaa*, v. âkazen; dit is â, slecht gezuiverde kaas. WeilaiMl (grasland), o âlanden. Weiman, m. âlieden, âlui. Zi1»: Weidman. Weimes. 0. âmessen. Zie: Weiilmen. Weinig (minder, [het] minst), telw. en bw.; zij heeft â aanleg, maar nog minder vlijt; bij de minste overtreding volgt straf; âje. lt;gt;. Wlt;'ini^-Je,o. heb een â geduld,een beetje. Weit {tarwe), v. gmv. Weifaseli (jagerstasrh), v. â tasschen. Weitebrood (tarwebrood), o. â brooden. Weitâ¬kkolt;'k (tarwekoek), m. âkoeken. Wei tem eel (tarwemeel), o. gmv. Wekelijks, bw.; deze courant verschijnt â, d. i. eens per week. We kei ijk*/«'li. bn.; een â loon, bij de week. Wekken (wakker maken), ik heb gewekt; â er (persoon), m. Wekker,m. âs; waar is mijn âr'Amerik. uurwerk met klingel: een der schoolbladen heette de â ; deze man doet dienst als â, porde â¢. Wel (bron), v. â len; bij 't graven stootte uwn op een â, opborrelend water, âgrond, m. â xand, lt;gt;. gmv. Wel (goed, zooals het behoort), bn. en bw.; ik ben niet â ; dit pak staat u wrl, goed; kan hij dit â lezen? als zn. o.; het â en wee des levens; ook tw.; â, hoe vindt ge het? Welaan (lustig op, kmnaan), tw. Welbegrepen, bn.; het â belang drr vorsten; dat is in het â belang der banjers. Welbehagen, o. gmv.; in dat l.ind heb ik mijn â, lust, genoegen. Welbeklant, bn .; een âc winkel, metdrukke nering. Welberaamd, bn.; een â plan, goed doordacht, overlegd. Weltereid (ruim voorzien), bn.; een âediseh; het is hier tafeltje â. Weïbespraakf. bn.; een â volksvertegenwoordiger, glad van tong; âbeid. v. Welboot (soort v. Holt, boot), v. âbooten. Weldaad (goede, edele daad), v. -dadon. Weldadig, bn. en bw.; een â heer, mild; âc armoe l tonde ////.(Staring.): dat doet drongen â aan: die woorden deden het hart â aan; â beid. v.: maatschappij van -beid. Weldoen (goed doen), onr. ik deed â, heb â gedaan; âdoener, m. Weldra (spoedig, binnenkort), bw. Weledel (titel can cli: fatsoenlijk heer), bn.; â beid. v. Weledelgeboren (titel van een aanzienlijk man), bn. Weledelgestreng (titel van een hoofdambtenaar, o If icier, enz.), bn. Weleer (coorheeti, eertijds), bw.; â, hoe vloi d die winter om! (De Genestet.) Weleerwaard (titel van een geestelijke, va)l een kapelaan), bn. Wellsel (g ewrlf), o. âen, âs; de tooverkol is zichtbaar bij het lieht, dat door het â valt, (Staring.) Welgaan, het ging â. is âgegaan; moge het u â, voorspoedig zijn: de zaken gaan wel, loopen voorspoedig. |
W li. ï .G K no lï !â¢: N - W E R ELD.
m
|
Welgeboren (titel v. e. voomamn man), bn. Welgebouwtl (lt;yolt;v/ van ycslalte), bn. Welgedaan (fjocdgedaan; uezond), bn.; een â landman, v. e. gezond voorkomen; â heid, v. Welgelegen, bn.; een â winkelhuis, een â huiten, d. i. gunstig gelegen. Welgeiueentl, bn.; een â(jemeende huiuc-lijksaanvraag. Welgeseliapen, bn.; een â kind, zonder lichaamsgebreken. Welgesteld, bn.; een â koopman, gegoed, rijk; â lieid, v. Welgetroftten {welgelijkend), bn.; een â portret. Welgevallen {welbehagen), o.; de Holland-srhe jonge}), beschikt over vriezen en dooien naar (C. O.) Welgevallig, bn.; moge n dit geschenk â zijn! aangenaam; âlieid. v. WelgeziiKi. bn.; een â hurger, goedgezind, rustig; âlieid. v. Welhaast {wlt; 'Idra, spoedig), b\v. Welig, bn.en b\v.; een âeplantengroei, tierig, weelderig; â tieren; â liâ¬kid. v. Welk. vrag. vnw.; â hoek wilt gij? âcn hond koopt gij'/ ik weet niet, â lot mij wacht; ook betr. vnw.: de man, âe daar gaat. Welken {verflensen), zij beeft gewelkt; die bloemen staan te Welkom, bn.; gij zijl o}is â, uw komst is ons aangenaam; deze denkwijze ivas mij â. (Koetsveld); een âe gast; een âe bode. Welkomst, v. gin v.; drinken op ion. -. Welkomtliiiis (geschenk bij thaiskonist ran een reis), o. gmv.; â tliuisje, o. â s. Wellen (smidsw.), ik beb geweld; twee stuiken Zweedsch ijzer â, aan elkaar smeden. Wellen (opborrelen), bet is geweld; de wijn welt a it de spon; wat op 'slierten gronl teil. dat welt mij naar de keel. (Vondel.) Wellevend, bn. en bw.; een â man, bescbaafd, beleefd, welgemanierd; âlieid, v. Wellieiit (misschien), bw. WelliiideiKl, bn. on bw.; een âe slem, een âe toon: het â gezang van den nachtegaal; â lieid. v.; â lieidslialve, bw. Wellust (zinnelijk genoegen), m. âlusten; lig. zielsgenot; âig, bn.; â iglieid. v. Wellusteling (wereldling), m. on v. â lusto-lingen; voor bet v. ook âe. Welmeenend, bn.; een â vriend, een âc ratal; âlieid, v. Welnemen (welbehagen), o. gmv.; met utv â, onder aw -. d. i. als bet u aangenaam is. Welnu (na dan), bw.; â, wat d e jeV Welopgevolt;'d, bn.; 'rn â jongmenseh, eon goede opvoeding genoton bebbende. Welp (jong van een hond of van een leeuw), o. âen: ook: Wnlp. Welriekend, bn.; etn âebloent, die lekkeren geur geeft; âlieid, v. Welsmakend bn.; een âe vracht, een â gerecht, aangenaam van smaak. Welsprekend, bn. en bw.; een â redenaar, indruk-makend; een â zwijgen; âlieid, v.: met onversierde âheid. Welstaan. liet stond â, heeft âgestaan; zulk een kleed zal n â, passen, goed staan. Welstaanshalve, bw.; wij hebben â gezwegen, om de well«vendheid; wij kochten â ook iels, om niet achter te blijven. Welstand (toestand, gezondheid, goed voorkomen^, m. gmv.; zij vernamen naar onzen â. |
Welvaart (geluk, voorspoed), v. gmv. Welvaren (voorspoed), o. gmv.; zij dronken op 's lands â, welzijn. Welvaren (gezond zijn), ik voer â, heb â -gevaren. Fig. bloeien, vooruitkomen. Welvarend (gezond, voorspoedig), bn.; â -heid, v. Welven (boogvormig maken), ik heb gewelfd; een koepeldak doen â ; â ing. v.; zich â. Welversneden (fijn, scherp), bn.; een - pen. Welvoeglijk (welgemanierd, net, kiesch), bn. en bw.; -heid, v. Welvoorzien, bn.; een âe disch. Welu illend. bn.; een â beoordeelnar, goedgunstig; â lieifi, v. Welzalig (zeer gelukkig), bn.; â de man, die tevreden is. W'elzijn, o. gmv.; een glas op u beider â ! welvaart, geluk, voorspoed. Wem (ankertand), m. âmen. Wemelen (heen en weer gaan), het hoeft gewemeld; het wemelde er van menschen, woelen, door elkaar bewegen; zijn (gt;pstel uu-melt van fouten, krioelen, er zijn er zeer vele. Wen (gezwel, uitwas), v. â ncn. Wen (dicht, wanneer), vgw. Wenden (keeren, richten), ik heb gewend; iets keeren en â, draaien, van allo kanten bezien; ik weet mij niet te keeren of te d. i. te bewegen, fig. ten einde raad zijn; zich tot iem. â, zich tot iem. vervoegen, hem schrijven; wend u lot de)i redacteur, zich per brief richten tot; het over een anderen blt;.eg â , iets op geheel andere wijze aanpakken, verdedigen, bestrijden, enz. Wending (keer, draai), v. â en; de ziekte nam een â; een geestige â, b.v. in eon gedicht. Wenk (teel,en), m. âen; hij gaf mij een dai-delijken â : ik kreeg een brief vol âen en aanduidingen, waarschuwing, voorlichting ; ik vlieg op zijn âen, ik hang van zijn âen af, bevelen ; hij had een â gekregen, hoe te handelen, een stille mededeeling, eon heimelijke voorlichting; ik zag hem met een â, schijn. Wenkbrauw, v. âbrauwen; zie, zijn âen (nl. die can Jan Salie) fronsen zich. (Votg.) Wenken (een wenk geren), ik heb gewenkt; met de oogen â; met handen of hoofd â. Wennen (gewoon makoi), ik hob on ben gewend; gij moet u hier zioi te â ; ik zal hier nooit het gewoon worden; de kinderen waren gewend aan orde. Wenseii. m. âen; 'rome âen, die weinig kans op vervulling bobben; o, zijn (Pools) heimelijke â ! (Potg.) Wenselielijk (te icenschen, gewensrhl), bn. en bw.: al, wat â is 'Nieuwjaar); â lieid, v. Wensehen (toewe)ischen,verlangen,begveren), ik bob gewensebt; iem. een zalig nieuwjaar â; ik wensch naar nw komst, verlangen; ik kan geen beter kosthuis â; de behandeling der zieken liet te â over. Wentelen (draaien, keeren), ik heb gewenteld; een rad wentelt om de as, een gh.be om de spil; een steen â, omrollen; zich zij wentelden zich in het gras; âing, v. Wentelteefje (fijn pannekoekje), o. âs. Wenteltrap (draai!rap), v. âtrappen. Wereld (het heelal), v. âen; hij leeft in de groote â, hoogere kringen; tie booze â, do lastertongen; een man van de â, van aanzienlijken stand; hij verslaat zijn â , heeft |
W KI J ELD AS - \V ER V EN.
/»01
|
beschaiifde manieren; iem. naar de andere â zenden, sturen, hem dooden; 7 is een (even van de andereâ, een duivelsch leven; hij bezit ter â niets; zij is der â afgestorven, als kloosterling of kluizenaar leven; de geleerde â, de mannen van studie; de oude â; de nieuwe â, Amerika; liet jaar der â, na de schepping. Wereldais. v. gmvv, âbedwinger (â veroveraar), m. â s; - iM'lu'ersclier, m. âs; â boNClioiiwei*. m. â s: â beMC'lioiiwiiig, v. âen; âbeschrijver (cosmoyraaf), m. â s; â beMehrijviiift*, v. -en: âbewoner, in. âs; âbol (aorrfto/), m. â len; âbnrg-er (cosmopuliet), m. âs; âdeel {een der vijf groute aarddtelen), o. âen; â gebenrteniK (grootsch feit), v. âsen; âgebouw {heelal), o.gmv.; â gâ¬'seliielt;ieni«. v. gmv.: â liandel. m. gmv.; â lieerseliappij. v. gmv.: Karei V streefde naar de â heet schappij; âkaart (nl. der beide halfronden), v. -en: âkennis (menschenkennis), v. gmv.; âlijk {tot de ivereld behoorende), lm.: âe liederen* niet-kerkelijk; ârond (heelal), o. âen; âruim, o. gmv.; âstad, v. âsteden: Londen, Parijs is een âstad; âstelsel (het heelal in zijn samenstel), o. â s; âstreek (luchtstreek, oord, windstreek), v. âstreken; âtentoonstelling (van producten enz. uil alle landen der aarde), v. âen; âzee (oceaan), v. â ën. Wereldkundig, bn.; iets â maken, open- baar maken, aan de groote klok hangen; â beid. v. Wereldlijk, bn.; het â (jezan, niet-geestelijk. Wereld ling. in. en v. -en; voor liet v. ook â e; hij is een â, beminnaar van de weiold-sche genoegens. Werelds (volgens de wereld), bw.; zij leefl erg -. Wereldseb, bn.; de âe goederen, zij is nog enj â; âe geestelijken, die niet tlt;jt eenige kloosterorde behooren. WereUlsebgeziml. bn.; deze duin es zijn zeer â , prijs stellend op de vermaken der wereld: â beid, v. W «'ren (te keer gaan), ik heb geweerd; om hel onheil te â, afwenden; zich â : gij moet n inspannen, uw best doen; â ing, v. Werf (werkplaats), v. werven ; een schip van de â laten loopen. Werf (kade, wul), v. werven; wij verkozen een tafeltje op de â te hebben. (C. O.); er wus op die â niet veel te zien voor een sentimenteel meisje. (C. O.) Werl'brietquot; (bewijs van dienstneming), m. â brieven; âgekko.âen: âlniis.(gt;.-huizen; â kantoor, o. âkantoren; âoflieier. m. â s, âen. Zie: Werven, Wering (hel weren, afwenden), v. âen. Werk (arbeid, laak), o. âen; de âen van Vondel, al de gedichten; een â van Beethoven, een toonzetting; een goed â, daad; een liefdeâ; er is â aan den winkel, drukte; te â gaan, handelen, doen; in '£ â stellen. aanwenden; â van iels of iem. maken, belangstelling tuonen. Werk (vlasdraad), o.; de matrozen moeten lot in het oneindige touwpluizen voor â; de naden worden met â gebreeuwd of gedicht, d.i. met geplozen touwwerk. Werkbank (smidsbunk), v. âbanken. Werkbij (die honig aanhaalt), v. -bijen. Werkdadig, bn.; de â meetktimlc, practisch, niet-bespiegelend; -beid. v. |
Werkdag, m. âen; een week heeft zes âen. Werkelijk (inderdaad bestaande), bn. en bw.; een â gevaar; ze zijn â gekomen; in âen dienst. Werkelijkiieid (wezenlijkheid), v. gmv. Werkeloos (zonder te wei km), bn. en bw.; daar staat die knecht weer â ; - beid. v. Werken (bezig zijn, iets uitvoeren, doen), ik heb gewerkt; (in verheven stijl ook onr. ik wrocht, heb gewrocht); âer, m.; -ing*. v. Werkend (arbeidend), bn.; de âe leden eener harmonie, die n.1. meeblazen. Werking (het werken, uitwerking, gevolg), v. âen. Werkinrieliting (werkhuis), v. âen. Werkkraelit, v. âen; deze jongen zal een goede â ivorden; vermeerderimj van âen, werklieden. Werkkring (heziyheden), m. â en; de geleerde vond een hem passenden â; dat behoort niet tot mijn â, ambt; de â van een onderwijzer, van een notaris, enz. Werkloos (zonder werk zijnde), bn.; zijn vader was den heelen winter â. Werklooze (werk zoekende), m. â loozen. Werkman, in. âlieden, âlui. Werkplaats (winkel, fabriek), y. âplaatsen. Werkstaking (algemeene staking der arbeiders eener fabriek enz.), v. âstakingen. Werkstellig, bn.; â maken, in het werk stellen, bewerkstelligen. Werkstuk, o. âken; een â der meetkunde, problema: opgave om uit bepaalde gegevens een figuur te teekenen; een fraai â , vervaardigd voorwerp. Werktuig, o.âen; âkunde, v.; âkundig. bn.; âkundige, m.; âmaker, in. Werktuiglijk, bn. en bw.; ik besloot met een bijna â gebed. (Koetsveld); iels â doen, zonder nadenken, machinaal; iem. â volgen; -beid, v. Werkwoord (naam eener werking), o. âen: het â is het belangrijkste rededeel. Werkzaam {vlijtig, naarstig), bn. en bw.; een â kind, een â mon, oppassend; â lieid, v. Werpen {smijten, gooien, slingeren), ik wierp, heb geworpen; met steenen â; brandkogels in een fort â; troepen in een vesting â ,d. i. snel er in brengen; in de gevangenis â, gevangen zetten; tien oogen â, nl. met dobbel-steenen: olie in '/ vuur â, iets erger maken; ihui steel naar de bijl â, alles uit de hand geven, alles opgeven; âer. m. Werpen (van dieren: jongen krijgen), het I konijn wierp, beeft geworpen zes jongen. Werpsebiebl (pijl), m. âschichten. Werpspel (dobbelspel), o. âspelen. \%'oritspiotH9âHines( voormalig oorlogst n ig), 1 v. âspietsen. i Werptol (kinderspeelgoed), m. âtollen. Werptros (zeew. scheepstouw), m. â trossen. Werptuig, o. âen; het â rust, (gelijk het \ snijdend staal. (Staring), de Rom. blijde. Werst (Itussische mijl, ruim I l\.M.), v. âen. Wervel, m. âen, âs; de halsâ, de âs van f de raggegraat; den â draaien (Vondel), de eerste bewindsman zijn: -«fraaier, m. â s. Wervelen (draaien), het heeft gewerveld; ! het stof begint te â. Werv«klkoloni (ruggegraat), v. âkolommen. W«gt;rvelwin«l (draaiendestormwind), m. âen. Werven (in dienst nemen), ik wierf, heb ge-1 Wüvvau; soldaten, matrozen â; lig. leden â, |
W E li WA ARTS - \V KZK XSTR K K.
492
|
overhalen tot zijn partij; âor, m.; âin$r. v. WorwaarlH (naar welke plaats), vgw. en bw.; ik zal ijmn, - (jij (jaat; het eiland, â ik mij begeef. Woslialv*' (daarom, am welke reden), vgw.; â men hem (Keesje) bij een apotheker besteld had. (C. 0.) Wesp (vliesvleuf/elifi insert), v. âon. Wewiienei, o. âeieren; â nest. o. âen. WespeNteeli, m. -steken. West (het Westen), o.; (Nederlands West-indische bezittingen), v.: hij gaat naar de â. West. bw.; Oost, -, thuis best, niets gaat i»oven eigen haard. Westelijk, bn.; het âhalfrond. Westelijken, de wind is gewestelijkt; de wind begint te â, naar het westen te draaien. Westen,o.; buiten â zijn, bewusteloos, dronken zijn. Westenwind (wind uit het Westen), m. âen. Westerkim (gezichteinder in het U'.), v. gmv. Westerlengte (nl. ten W. van den eersten meridiaan), v. gmv. Zie: Oosterlengte. Westerling {bewoner v. h. Westen), m. en v. â en; voor liet v. ook âe; liet tegengest. van Oosterling. Westerseli (uit het Westen), bn.; 7 is â, wat de Turk nog tot zich nemen mag van leven. (Da Costa); het â Hom. rijk. Westerzon (avondzon), v. gmv. Westfries (man uil U'. Friesland), m. -friezen. Westfrieseli, bn.; de âe kleederdracht. Westfrlesclie (wv/w uit W. Friesland), v.-n. Wlt;kst-Fri«'slan4i (de noordpunt van N.-ll. met Alkmaar als eerste stud), o. gmv. West-Indië. WestinJlt;'. o. gmv. Westinclievaarder,' Westiii jevaarder (schip, gezagvoerder), m. â s. Wostindiseli. bn.; de â e Compagnie(1621 â 1701): haar moeder was een âe. (C. O.) Westinje. o. Zie. West-lndië. West land (streek, bezuiden Leiden), o. gmv.; de dr ui ventelers van het â. West-moesson (Ind. regentijd), m. âs.; op Java van Oct. tot Maart. West noord west, bw. (als zn. o.); de wind is â. Weswege (om welke reden, daarom), bw.; de lijnen too pen evenwijdig, â zij elkaar niet kunnen snijden. Wet, v. âten; de â der nutuur; de â op het lager onderwijs; nood breekt â; de heer en van de overheid; de â verunderen, verzetten, do regeering eoner stad; iem. de. â stellen, voorschrijven; de â van Mozes of de oude â : de nieuwe de leer van Christus; de Kortenbergsche âten, van Jan II, hertog van Hrabant (1312); de Sa Use he âten, Frankische wetten overstrarbepalingen opvolging (422): de â run Archimedes (2S7 â212 v. (quot;.), over den tegendruk van vloeistoiren. Wetboek, n. âboeken; â gelegerde der wetten ), m. â n; â glt;'leer4l heiil. v. gmv.; â geventl, bn.: de âe macht, nl. de Kamers, Ministers en Koningin; âgever, m. âs: Solon was de âgeeer der Atheners: â ge-ving. v. -en: -liomler (lid v. h. dagelij ksch bestuur eener gemeente), m. âs: linr-gemeester en âhouders; â Ii4»ii4lerslt;'lia|» (waardigheid van wethouder), o. gmv. |
Weten (Av mnen, met bewustheid omvatten), onr. ik wist, heb geweten; ik weet alles reeds. het is mij bekend; van wien weet gij dat'.' iets van iem. â , het vernomen hebben van of omtrent hem: ttdcn.iloen â, bekend maken: iem. dank erkentelijk zijn; hij wil niets van dit voorstel â, hooren; hij is erg gevallen, maar weet er niet veel van, geen ongemak, of last of pijn hebben; hij weet te geven en te nemen, slag hebben om met menschen om te gaan. I 1 Weten (kennis), o. gmv.; buiten â ; met mijn â , voorkennis. Wetens, bw.; willens en â, opzettelijk. Wetenseliap, v. âpen; de â steekt in geen bed met pluimen. (De Decker), kennis, geleerdheid; welke is uw â omtrent die zaak:' Wetenselia|»|»elijk (^o/j/ens de wetenschap), bn. en bw.; een â onderzoek; â liâ¬Â»id, v. Wetenswaardig, bn.; een â voorval, feit, belangrijk; âheid, v. Wetering' (een loopend watertje), v. âen. Wetplank (slijpplank), v. âplanken. Wetsartikel (een bepaling e. wet), o. âartikels, â en; âhepaling, v. âen: âlier-ziening (verbetering), v.âen; âontwerp (plan van wet), o. âen: â voordraelit ( â indiening), v. âen: âvoorstel, o. âlen: â uitlegging ( â veWM/rmz/Xv. â en: â verandering, v. âen. Wetstaal (slagersstaal), o. âstalen. Wetsteen (slijpsteen), m. â steenen. Wettelijk, lm. en bw.; een â voorschrift,een âe bepaling, d. i. volgens de wet; âlieid, v. Wetteloos (zonder wet of orde), bn. en bw.; â lieid, v. Wetten (slijpen), ik heb gewet; de vogel wet zijn snavel op een steen, scherp maken; lig. om het verstand, het vernuft ^â, scherpen. Wettenverzanieling. v. âverzamelingen, b.v. der Homeinsche wetten. Wettig (echt, geldig), bn. enbw.; eoi â aandeel; een â kind, â I,'roost; âe middeb n; â e zijn â getrouwd, d. i. voor de wet; â lieid. v. Wettigen (wettig maken of verklaren), ik heb gewettigd; uw toorn wettigt nog niet die misdaad; â ing', v. Wottiseh (naar de wet Gods), bn.; lig. stipt zich houdend aan d'3 letter der wet; deze burgemeester is zeer â. Wevei (draad van het kettinggaren), m. â s. Wevelingen (touwuulder), v. m; scheepst. touwtjes tusschen de hoofdtouwen gespannen, en den bootsgezellen dienende om naar de mars te klimmen. Weven (een weefsel muken), ik weefde, heb geweven, âer. m.; â erij. v.; âing. v.: Weversambacht, o. gmv.; âImmiiii (dol v. h. weefgetouw), m. âen: âMoh( âspoel), m. âklossen; âkno4»p (zeer hechte knoop), m. âen; âsplt;»el (waarom het insluggaren zit), v. âen. Wezel (marteruchtig roofdier), v. âs.; hij rous zoo bung als een â, erg bang. Wezen (zijn), onr. w.w. ik was, ben geweest; (lod is, bestaat; dut was in ifiOO, geschiedde, viel voor; er zij licht, ontsta; (lod zij met ons, verlilijve. Wezen (het zijn, het beslaan ; elk tehepsel; het gela'tl), o. âs. Wezenlijk (blt; 'Staande, werkelijk), bn.en bw.; Marco, de ezel, tuas zoo â, verstandig, vol bezinning; hot is â wuar, inderdaad; â lieiil.v. Wezenloos, bn. en bw.; een â mensch,zorniei verstand of levensgevoel; â lieiil. v. Wezenstrek (gelaatstrek), m. âtrekken. |
WHIG-WIJL. '|03
|
Whitf- (tcf/enstander der Tonj-puvtij in Etnjc-Imnl, vrijliriilfivriotul, vofksyczindi'), m. â s. Whiskf^ (Ierse!ic t/ersl-nwiit-brnndeivijn, de jenever in Schotland, en Ierland), v. Whist (£/lt;Æ/. of Anier. kaartspel), o.; (maat, medehelper), m. âen; âkaartPii, v. inv.; âspel. o. â Icn. Mhistcii (het whistspel spelen), ik heb ge-wliist; â «»r, m. Wichelaar (toovenaar, ivanrzoijfjer), m. â s, â su'en: â lares, v.; -laarstiMv v. â s. WiclK'lrocdo (staafje), v. â n; met de â of den tooverstaf raakte da too ver kol de voor-werpen aan, om ze te veranderen. Wiclit (klein kind), o. âen. Wiclii (tjewicht), o. âen; heb-je je â ivcl'i weer/ In't eens na. Wiclili^- (belarnjrijk), lm.; hij heeft zal',-een âe hoadimj, als man van gewicht; â -iM'id. v. Wie. vrag. vnw.; tvie komt daar\' â zijn dat\} ik weet niet, â het zijn. Ook betr. vnw.: â kaatst, moet den hal verauichtrn. Ook onbop. vnw.: Wie er ook kon te. ik hen niet thuis. WiolM'lcii. ik heb gewielield; zit zoo niet op dien stoel Ie â, heen en weer bewegen. Wilt;gt;«llt;gt; (nihferakt onkruid), v. gmv. W ilt;'lt;l(gt;iiiaaii4l (zomermnand, .Inni), v. âen. Wicfloai (onkraid verwijderen), ik heb gewied: â lt;'1% m.; â«tor. v. âs; â ihoh. o. âson. Wioilouaal» rn. walen. Zie Wielewaal. Wiejï. v. â en; van de â tot het draf', de /dek, waar eens mijn â op stond. (Tullens); die male heer Harend is ook niet in de â (jesmoord. (('. O.); hij was ook niet in de â Hel end om ; icneraal te worden^ daarvoor niet grootgebracht, opgevoed. Wio^'«gt;kl«M'lt;l. o. âen; âkoord, o. âen; â touw. o. gmv.; â xaii^r. m. âon. Wiebelen (schomtnelen), ik beb gewiegeld; de vink zit Ie â op ecu takje', het bootje wieiielt op de (folven; â iii$f. v. âen. Wi( 'tt'eii (in (h' wieff scliommelen), ik heb gewiegd; een kindje in slaaf) â, lig. het lt;jcweten in slaap â, doen zwijgen; de voyel wicr/t zich op dit takje. Wiek (vleat/cl, vlerk), v. âen; 't vinkje r-gt;crt de â n/W. (Bild.); de âen van den windmolen, vlongels; op eifjen âen drijven, voor eigen onderhond zorgen; hij was cru in de â Æ/'â¢-schoten, moedeloos; iem. âen, korten, zijn macht besnoeien. Wiel (rad), o. âen; iem. in de âen rijden, hem bemoeielijken; een spaak in het â steken, den voortgang vorhinderen. Wieilmmi (wielbest au), m. -banden. Wieiflraaier. m. âdraaiers; Uc Hauler was als knaap â. Wielen (draaien, keeren), ik hob gewield: de wateren van die kolk â; de menig te wielde door de straat, kringswijze dringen. Wieier (/iets, rijwiel, velocipede), m. â s. Wielerbaan {/ictsbaan), v. âbation. Wivler**n(wielrijden,lietsen),\k bob â wiolor-l. Wiel rijden (/(/ â¢tsrijden), ik (ja wat â,onkol in de onbej». wjjs; â rijder, in.âs; -rijdster, v. â s. Wi«'lewaal (trekvogel, tot de raven behoo-rende), m. âwalen. Wieling (draaikolk, draaiing), v. âen; de Zwaan wist â, bank en plaat door seinen te doen kennen. (Bild.) |
Wielrijder (/ietsrijder), in. -s; -rijdster (dame, die ren rijwiel berijdt), v. â s; â rij-dersseliool. v. âscholen. Wieme (plaats aan den zolder, bij den schoorsteen, waar het rookspek hangt), v. â n.; gew. Wim, Wimme. Wieincllt;'n (aanhoudend ben'egen), zij hebben gewiemeld; wat zitten die kinderen op h-'n stoel te â, heen en weer te draaien. Zie: Wiebelen. Wier (zeegras), o. âen. Wiet ren (algen), o. mv. Wierijs* (vlag, leeendig), bn. enbw.; welkeen â kind!] â liei^i. v. Wierook (gewijde rook), m. gmv.; iem. â toezwaaien, lof, hulde; âboom (.irabische gomharsboom), m. â boomen: âdainp. m. â en: âdraper (I*. K. koorknaap), in. â s. Wilt;kr4K»klt;'n (prijzen, huldigen), ik heb gewierookt; â er, m.; â in^, v. Zie: I5i'-wierlt;»4»keii. Wiewanwen (zich heen en weer bewegen â¢, benzelen, treuzelen), ik heb gowiewauwd. Wie won ter (vlinder), m. âs. Zie: Vijf-wonter. Wi^quot;. Wijsjje (houten of ijzeren spie), v. â -wiggen. Wisselen (heen en weer bewegen), ik hob gewiggeld; een tand â met den vinger. (C. O., Wij, We, pers. vnw.; - studceren, ie pers. mv. Wijbisseliop, m. â jien: de bisschop als wereldlijk heer had een â naast zich, een geestelijken verzorger van hot bisdom. Wijd (ruim), bn. en bw.; zijn roem klonk â en zijd, overal; de âe wereld ingaan', â Iieid, v. Wijd beroemd, bn.; een â dichter, geteerde, veldheer. Wijden (zegmen), ik heb gewijd; de vaandels â , een kerk â, priesters â, zalven; hij wijdt zijn leven min de stadie, d. i. toewijden; â iiiK', v. Zie: tiewijd. Wijders (orerigens, bovendien), bw. Wijâ¬lloo|»i$ï, lm. enbw.; een â c besch rij ring, nitvoerig, breedvoerig, gerekt; â lie id, v. Ook: Wijdlafti^. Wijillnfiig(wijdlo(ipig),bn.en bw.; â iiei«i. v. Wijdte (omvang), v. â n; de â van den hals-, de â van een kanon, monding; de â der spoorstaven, tusschenrnimte. Wijdvermaard, bn. Ook: Wijdberoemd. Wijf, o. wijven ; daar heb je nu mijn â, huisvrouw, gmz.; 't is een echt â, ongemanierde vrouw; geen oud â bleef aan het spinnewiel, ieder bestjo zelfs liep uit. Wijfje. o.; het â van een vink. Diornamen met wijfjes te verbinden, b.v.: wijfjesarend, 'vijfjesolifant, wijfjeseend, enz. Wijk (vlucht), v. gmv.; hij nam de â naar Amerika, ging uitwijken. Wijk (afdeeling van een stad), v. -en; hij woont in de nieuwe â, buurt; â meester (opzichter), m. â s. Wijken (teruggaan, uit den weg gaan), ik week, ben geweken; âills', v. Wijkplaats (toevluchtsoord), v. âen; zij verduljblen hun vlucht, }iu 'ginds een â daagt. (Tollens, Overwint.) Wijl. Wijle (sluier), v. wijlen, vero.; zij gaat de zwarte â dragen, in *t klooster. Soms: Wiele. Wijl (poos), y. â en; nog een â, en ik vertrek, korte tijd; ik kom bij tjd en â ; bij âen, soms. |
WIJLâWILDELING.
|
Wijl (afkorting van dewijl of van terwijl), vw. Wijlen (ove)'leden), bw.; dit huis ivas van â mijn oom', â Koning Willem JU. Wijn (druivensap), m. âen; â aeliti^. bn.: ee}i âachtige smaok; âappel (met rood vrnchtvleesch), m. â s, âen; âazijn ((jetrokken van drilivenschUien), m.; âbak (bewaarplaats der flesschen), m. âbakken; â beker, m. â s: âfirinker. rn. âs: â -flrnif (wijnbes), v. âdruiven; âflcsch, v. -flesschen. Wijngaard, m. -en; âenier, m. âs; arbeiden in den â des Heer en, nl. als geestelijke. Ook: Win^rei*«l. Wijns:aarlt;iliiiK (insert, plnjlox'era), v. â -luizen. Wijn^ee.st (vluchtige vloeistof, spiritus), ui. gmv. Wijnglas (romer), o. âglazen; -handel, ni. gmv.; â liandelaar, m. â s; â liniN (bodega), o. âhuizen: âjaar (met rijken wijnoogst), o. âjaren; âkelder, m. âs; â kleur. v. gmv.; âkleurig-, bn.: een â kleurig vocht: âkoop (aankoop v. wijn), m. âen; â kooper (handelaar in wijn), ni. âs; -land (groeiplaats), o. âen; â -lezen (het inzamelen der druiven), o. gmv.: âlezer, m. â s: âlezing-, v. â en; â maand (October), v. âen; -oogst. m.âen; âpers (druivenpers), v. âen; âpijp (tang en smal wijnvat), v. -en; ârank (druivenboom. â tak), m. â en: âroeien (gevulde wijnvaten opmeten voor den wijninhoud), o.; âroeier, m. âs. Wijnruit(r^idelijkcheester, tuinplant), v.-en. Wijnsaus, v. âsausen; âschaal (bokaal), v. âschalen; âsmaak. m. gmv.; âsoep. v. âen; â Sfiort, v. âen; âsteen (wijnsteenzuur), v.: de -steen hecht zich als korst a. d. binnenwand der vaten', â zunr (organisch zuur voorhanden in druivensap), o.: â steker (tvijnhandelaar), m. â s; âstok (klimplant, waaraan de druif groeit), m. -stokken; âtapper (aftapper in flesschen), m. âs; âteelt (-bouiu), v. gmv.; -ton, v. â tonnen; âvat, o. âvaten: âverlaten (wijn overgieten), o.; âveriater (kelder-knecht), m. âs; âversnijden (merïfifen mef water of lichter en wijn), o. gmv.: â ver-valsehen, o. gmv.; â vervalseher, m. â s; -voorraad, m. âvoorraden. Wijs (manier), v.; gij moet dat op een andere â in richten; hij was ge) wel van de in de war; 's lands â, 's lands eer, zeden, gewoonten. Ook: Wijze. Wijs (verstandig, door ervaring geleerd), bn. en bw., wijzer, wijst; Salomon was de wijste koning', een â besluit', 't kind is niet wijzer; ik kan uit dut gekrabbel niet â worden; -heid, v. Wijsbegeerte (philosophic), v. gmv. Wijsgeer (denker, philosoof), m. â geeren. Wijsgeerig, bn. en bw.; een â stelsel, een -e verklaring; een â onderzoek, d. i. als van een wijsgeer, komende van een wijsgeer; -heid, v. Wijshoofd {waanwijze), m. en v. âhoofden. Wijsmaken (op de mouw spelden), ik heb â gemaakt. Wijsneus (waanwijs), m. en v. âneuzen; â -neuzig. bn.: een âneuzig ventje. Wijsvinger {voorste vinger), m. -vingers. |
Wijten, ik weet, heb geweten; gij hebt dat aan uw haast te â; het ongeluk was te â aan onvoorzichtigheid, ten laste leggen. Wijting (een soort van schelvisch), m. âen; (als stofnaam), v.; de â leeft i.d. Noordzee. Wijwater (gezegend of gewijd water, R. K.), o. Wijze (wijs man), m. â n; de â kent zijn tijd, devies van Alfred den Grooten; de ân kwamen uit het Oosten, de drie Koningen; Griekenland had zeven ân, beroemde denkers; een ebbenhouten stok kon in des Wijzen hand voorheen het zwerk regeeren. (Staring), magiër, priester bij de Oostersche volken. Wijze, Wijs (manier; zangwijs), v. wijzen; bij â van voorbeeld; op de gewone â ; een wijsje neuriën; de wijzen der w.tv., spraakk. Wijze, Wijs (spraakk. achtervoegsel), b.v. boogsgewijze, berg wijs, speelwijze, d. i. op de wijze of manier van. Wijzen (toonen, aantoonen, doen zien), ik wees, heb gewezen; iem. de deur â, fig. noodzaken tot heengaan; iets van de hand â, afwijzen; de thermometer wijst mooi weer, aangeven; -ing, v. Wijzen (oordcelen, vonnissen), ik wees, heb gewezen; het wetsontwerp is in staat van â, gereed ter openbare beoordeeling of behandeling; een vonnis â, d. i. vellen. Wijzer, m. â s; de âs van een klok, vaneen horloge; een bladâ, een wegâ of handâ; â -naald. v. âen; âplaat. v. âplaten. Wijzerbarometer (die met een wijzer de drukking der lucht aanwijst), m. â s. Wijzigen (eenigszins veranderen), ik heb gewijzigd; een wetsartikel â; âIng, v. Wik (iedere afzonderlijke weging op de schaal der stadswaag), v. âken. Wik, Wikke (vlinderbl. plant), v. wikken. Wikgeld (weeggeld), o. âgelden. Wikkelen, ik heb gewikkeld; iets in kladpapier â ; een kind in doeken â; zij waren in een oorlog, in een samenzwering, in een proces gewikkeld, betrokken; zij wikkelde Pieter in een zeer druk gesprek. (C.Ã.); - ing, v. Wikken (wegen op de hand), ik heb â -wikt; iets â en wegen, rijpelijk overdenken; de mensch wikt (besluit tot iets), en God beschikt; â ing, v. Wil. m. gmv.; uit vrijen â, verkiezing; Itet is (lods â, beschikking; om des gewetens â, zaak; ik zal dit doen om Gods â. uit liefde tot God; ik doe het om uwent â, om u aangenaam te zijn; dit is zijn uiterste â, beschikking; iets tegen â en dank gaan doen. gedwongen; ik heb daar â aan, in, plezier; wat hebben die kinderen een â gehad, genoegen; iem. ter wille zijn, hem zijn zin geven; â letje. o. âs. Wild (niet lam), bn. en bw.; âheid, v. Wild. o. gmv.; die houden loopen in het â . ongeregeld, ordeloós; die bloemen groeien in het â, zonder kweeking in de vrije natuur; hij laat zijn kinderen in 't â loopen, vrij opgroeien; zij sloegen, schoten in 't â, zonder te zien waar. Wild, o. gmv.; er zit veel â in deze bosschen; klein â, hazen, gevogelte; rood â, herten, reeën; zwart â, wilde zwijnen, evers. Wildbraad (gebraden vleesch van wild), o. gmv. Wilde (onbeschaafde, barbaar), m. en v. â n. Wildebras (wild kind), m. âbrassen. Wildeling (wilde boom, vooral wilde appel), m. âen. |
WILD K M A N - WIN K KI. KN.
|
Wilclenian (ruw persoon), m. ânen; ilc â of reus der middeleeuwsche vartellingen', in 't binnenst van dat gruwzaam woud vernacht een â. (Bild.) Wildeman {in de wapenkunde), in. â s; het Bossche wapen bevat twee âs. Wildernis (woestenij), v. âsen; Uaafner reisde in de âsen van Ceil on (1782). WildM-liiit (jager), m. âten. Ook: Wild-Molintter, m. â s. Wildvang (wild dier), m. âen; (irnaf Ot wurmt om den â (paard) te beschrijden. (Staring.) Wilflxan^ (dt nik kind), ni. en v. âzangen. Wilfizang: (gezang van cén of meer vogels in de vrije natuur), ni. gin v.; de â van het woud; ivat heeft de - stof! (Vondel.) Wilg1 (loofboom), ni. âen. Wil^eblad, o. âen, âeren; â boom. m. âen; â tak. rn. âken. Wil^eiibloeK(gt;iii. m.; â boseh, o. âbosschen; â hout, o; laan. v. âlanen. Willekeur Tm/e wil, vrije verkiezing), v. gmv.: Willekeurig-, lm. en b\v.; {-rn âe handeling, eigendunkelijk, eigenmachtig; âlieilt;i. v. WillelooK (zonde}quot; wil), bn.; â lieid, v. Willem*orfle (de militaire â), v. gmv.; deze orde is op 30 April 1815 door Koning Willem I ingesteld ter belooning van uitstekende daden van moed, beleid en trouw in den krijgsdienst te land en te water. Willempje (gouden tientje), o. â s. Willen (verlangen, beg eer en, eischen), ik heb gewild. Willens (met opzet), bw.; gij hebt het â en wetens gedaan, voorbedachtelijk; â of onwillens, gij moet mee, goedschiks (»1* kwaadschiks; ik ben â, voornemens. Willig, bn. en bw.; een âkind, karakter, gedienstig, volgzaam; de markt, de beurs was â, er was veel kooplust; d»' fondsen waren â. Willigen (in prijs stijgen), het is gewilligd. Wilvaardig (gaarne), bn. en bw.; elk brengt â voor den dag, wat raars of schoons hij zwervend zag. (Staring); â lieid, v. Wimpel (lange smalle vaan), m. âs; met vlag en â iets winnen, met glans, niet roem. Wimper (ooghaartje), o. â s. Wind (luchtstroom), m. âen; het zeil naar den â zetten', het schip was ten prooi aan â en golven; uit welken hoek waait de âV lig. hoe is de zienswijze, meening; hij heeft den â in het zeil, een voordeeligen wind, voorspoed; in den â slaan, veronachtzamen; hij draait met alle âen, poliueke richtingen; hij ivas als de â verdwenen, zeer snel; hij kreeg den â van voren, een uitbrander, een standje; wie â zaait, zal storm oogsten, het kwaad loont zijn meester: door den â gaan, zijn, aan 't zwieren raken; van den â kan men niet leven, middel van bestaan moet er zijn; een landâ, die van de landzijde waait; een zeeâ, van uit zee waaiende; een voor-de-wind, voorspoed, de wind in 't zeil; een bij-de-wind, als de wind meer dan dwars inkomt of invalt. Wind (tvindhond), m. âen. Windas (werktuig tot het ophijschen of verplaatsen van zware lasten; verzetbare draaispil), o. âassen. Windbnil (snoever), m. âbuilen. Winfle (katrol, windas, dommekracht), v. â n. Winde (de haagbloem), v.ân; â aditig'en, bn. Windei (ei zonder schaal), o. âeieren; dat zal hem geen âeieren leggen, hij zal er veel prolijt bij hebben. |
Windel (luier, strook linnen), m. âen, â s. Winden (draaien), ik wond, heb gewonden; â er, m.; â ing-, v.; â sel (zwachtel, band), o. Winderig, bn.; eoi â weer, een âe stijl, opgeblazen, gezwollen; een - jong men sch, blufferig; â heid, v. Windlialm (een soort van struisgras der weide), m. âhalmen: âhandel (onzekere handel, zonder vasten grond), m. gmv.: verbod der Staten tegen den âhandel in granen (1750); âharp (waarvan de snaren door den wind tonen geven), v. âharpen; âhond (ranke, snelle hond), m. âen; -hoos. v. â hoozen; âi{y (onstuimig, ruw, los), bn.; â kanaal (in het orgel, de windbuis of windgeleider), o. âkanalen; âkant (kant, vanwaar de wind komt), m. gmv.; âketel (bij de perspomp), m. âs; â klep (aan orgels), v. âpen; â lade (in het orgel, de langwerpige lade, waarop de pijpen staan \ v. â n; â maker (praalhans, snoever), m. â s; âmakerij (snoeverij), v. âen; ânieter (werktuig tot pet meten v. d. kracht v. d. wind), m. -s; â molen (molen, die door wind wordt bewogen), m. â s: -om (akkerwinde, duizendknoopblad), v. gmv.: âplank (deel van ecu molenwiek), v. âen; âreep (zeew. touw. om de stengen te hijschen), m. âen; - roer (geweer, dat door samengeperste lucht wordt gedreven), o. âen; âroos (kompasroos), v. â rozen; âschade (door storm veroorzaakt), v. gmv.; âscherm, o. âen; âMclint. o. â schutten; âstil (kalm van wind), bn.; â stilte, v. â n: de streek der âstilten op den Urooten Oceaan; âstreek (hoek, waaruit de wind komt, luchtstreek), v. -streken; â -vaan (vlaggetje om den wind aan te wijzen), v. -vanen; âvlaag: (bui van korten duur). v. âvlagen: â vleng-el (deel van een speet-uurwerk, speeldoos, enz.), m. âs; âwijzer (vaandel of haan, om den wind aan te wijzen), m. âs; âzak (doedelzak), m. âzakken: â â¢zijde (kant, van welken de wind komt), v. gmv.: âzucht (buikziekte), v. gmv. Windspil (kaapstander), v. âspillen. Windstreek (plaats, van waaruit de wind waait), v. âstreken; er zijn 32 âstreken aangegeven op het kompas. Windzak (doedelzak), m. âzakken; lig. pocher, snoever. Wingerd (wijnstok), m. â s, âen. Wingewest (veroverde landstreek), o. âen. Winjewanje (onbekend oord), o.; hij is vertrokken naar 't land van â. Winkel (verkoopplaats of -huis), m. âs; een straat vol fraaie âs; ook: werkplaats van ambachtslieden; er werken op den â van dien timmerman tien knechts; lig. dat is daar een rare â, alles is er in de war. Winkel (hoek), m. âen. âs; een lorgnet, dut geschikt was om in den â van het oog te blijven staan. (C. O.) Winkelbank (toonbank), v. -banken: â -bediende, m. en v. ân: âboek {waarin de dagelijksche verkoop wordt genoteerd), o. â en; âdochter (vrouwelijke winkelbediende), v. ân: fig. artikel ot'boek, dat reeds overjarig i. d. winkel is: ik heb roo'n -dochter niet, hernam Willis. (Potg.) Winkelen (een winkel dooi, winkel bezoe-ken), ik heb gewinkeld. |
WIN K VA AIA A K - WISSKI.LOON.
|
Winkelliaak ({fcrccdschap r. d. timwcrmtn^ tcckenaar, 0117..). m. âhaken; fijr. rechtlioekige sclifnr in 0011 kleedingstuk. Wiiikollilt;»iilt;llt;kr (zetbaas, winkelier), m. --houders; hij is tc .\. â van Eigen llal/i; â Imis. o. âhuizen; â huur v. gmv.: â -flier (die winkel doel), in. âs; â elierMtcr. -s; â Joii^-eu (loopjongen), m. â s; --ku«'lt;'lit. m. â s, â en: â j u f 11*lt;gt; n w (bediende). v. â en: âU.itst (uitstalkast, berykast), v. â en; -niork ((eeken), o. âen: â ueriu^ (klandizie), v. gmv.; -opstand (toonbank, rekken, rakken, enz.), rn. gin v.: te koop een â -opstand: â raam (uitstalraam), o. âramen; â Ntaiifl (straat of plaats, waar de nering trekt), 111. gmv.; â vlt;gt;rlt;'lt;gt;ui;;'iii$;* (eoöiteratieve vereeniging b.v. van Eigen 11 alp), v. â en; â uaar( âgoed), â waren: kruidenierswaren; â wachters (nnverkaopbare winkel-artikelen), m. mv. w.g. Zie: Wiiiklt;gt;ld»lt;*lillt;'r. Miuklt;'t (deurtje), o. âten. Zie: Kliukol. WiuiK'ii (verkrijgen, bekomen), ik won, hel) gewonnen; zijn brood -; een prijs â, behalen; een veldslag â, geld â; tijd â; aller genegenheid â ; iem. voor ziek 'â ; de aanhouder zal â ; het boet: wint bij kennismaking; hij zal zijn kost wel -, verdienen; de bijen â honing, verzamelen; zoo gewonnen, zoo geronnen, wat gemakkelijk komt, vergaat snel. Wiuiilt;gt;r (die de winst heeft), m. â s; de pot is voor den eerlijken â. Winst {voordeel, profijt), v. -en. Wiiistaault;l«gt;lt;gt;l (dividend), o. âaandeelen; -iM'Jaji-. o. gmv.; â lt;llt;gt;rviu;;' (Ivt missen v. winst), v. -en; â â¬Â»11 vcrlifsrckvniu^-(afdeeling v.m h. handelsrekencn), v. â¢âen; -}*â lt;'v«'imI (_ opleverend), lm.: een âgevende handel. Wiutor (jaargetijde, van 22 Dee. â2:* Maart). m. âs; lig. de â des levens, de ouderdom. WiutvrachliK' (koud, guar), lm.: een âe dag in November; âavond. m. âen; â â¢dag;', m. âdagen; â lt;»ii (Loud weer zijn i. tl. winter), het heeft â winterd; het is fel aan 't winteren; â IV«'st (ijs feest, harddraverij, enz.), o. âen; â gt;farsf. âgerst (die 's winters op 't veld staat), v. gmv.; â got'd (wollen of baaien stof), o. âguedoren: â -haar (dik haar. b.v. bij paarden, koeien, enz.), o. âharen; â haudou (opgezwollen handen), v. mv.; âhaver ('s winters op het veld slaand), v. gmv.; â hotHl. o. âen; â -jas, v. âjassen; â kers (rowtlobbige steenraket) , v. gmv.; -knol, v. âknollen; â -koniukje (klein zangvogeltje, dat den winter overblijft), o. âs; âkool (boerenkool), v. âen; âkost (zwaarder middageten), m. gmv.; âkoude. v. gmv.; âkraai (bonte kraai), v. âen; â knartier (âf»er-liljf), o. âen: tie âen betrekken, van een loger, dat hot kamp opbreekt; âleeuwerik strandvogel), m. âen; â lijster (wijnlijster), v. âs; âling (pijpkruid, dollekervel), v.; â â¢liieht (grauwe lueht, nok vrieslucht), v. -en; â maaiid (December), v. âen; â -nacht (koude nacht), m. âen; ârogge (die op 't veld overwintert), v. gmv.; âslaap, m. gmv.: vele dieren houden een âslaap; -tarwe. v. gmv.; âtijd, m. gmv.; â verblijf ( â huis. âwoning), o. âverblijven; -vogc»!, m. â s; âvoorraad (provisie), m» âvoorraden; -vrucht, v. -en; -neer |
(koud weer), 0. gmv.; âzou (llauwe zon) v. gmv.; â Kouiiestaud, m. gmv. Winzucht naar winst), v. gmv.; -ig, bn. Wip. m. gmv.; in een â, zeer vlug. Wip (de wipgalg; ook zeker werktuig der brouwers; een wipplank, deel v. e.ophaalbrug), v. âpen. Wip. tw.; een â, tiaar was hij weer! Wiphrug (ophaalbrug, valbrug), v. â bruggen. Wipneus (opgebogen neus), m. âneuzen. Wipnâ¬kus (persoon), m. en v. âneuzen. Wippen, ik ben en heb gewipt; een jongen vogel â, in de lucht slingeren; uit de kamer, uit het bed â; over iets heen â; ecu âdeplank. Wippen (met de wipplank spelen), ik heb gewipt; de kinderen kunnen daar schommelen en â. Wipplank, v. âplanken. Wipstaart (kwikstaart), m. âstaarten. Wis (gewis), bn.; â heid, v.: â selijk, bw. Wiscii (vaatdoek), v. wisschen. Wiseh (teen, twijg), v. wisschen. Wisch (handvol, buntlcllje), v. wisschen; een â stroo. Wischdo«'k (afneemdoek, vaatdoek), m. â en. Wisjewasjlt;', Wissewasje (beuzeling, nietigheid), o. â s. Wiskunde (meetkunde en algebra), v. gmv. Wiskundig, bn.; een â beloog, een âe stelling, een - vraagstuk. Wiskundige (kenner tier 1 vis kunde*, m. â n; Archimetles (287 â 212 v. ('.) wtis een grootâ. Wiskunst (wiskunde), v.; âenaar. m.; â ig, bn. en bw.; het is âig zeker. Wispelen (schudden, heen-en weer bewegen), ik bob âwispeld; zit zoo niet je stoel tc â. Wispel«gt;n (zacht spreken, /luisteren), ik heb â wispeld. Wispelstaarten. Zie: liwispflstaarten. Wispelturig (veranderlijk, onslandvasliij), bn. en bw.; âheid, v. Wisschen (vegen, afvegen, schoonmaken), ik heb gewischt; âer. m.; -ersklos (poets-stok van een kanonnier), m. âsen. Wiss*' (kub. el, stère), v. â n. Wissel. m. âs; een â op zicht; een â trekken; een â endosseeren, op een ander overbrengen; den â verzetten, om den trein, op een antler spoor te brengen; dat is een hcele â in je ltd, verandering. WissdiX'tW (geldhandelaar), m. âsen âlaren. Wisselagent (bankhouder, kassier), m. â -agenten; âschap, o. âpen. Wisselbank (kassierskt(ntotgt;r), v. âbanken. Wisselbrief (wissel), n. âbrieven, vero. Wisselen, ik heb gewisseld; brieven â, geld â ; woorden â, geschil hebben, spreken; van tantien â, van paarde)) â; beleefdheden â. Wisselhandel (bankzaak), m. gmv.; âaar (bankier), m. âs. Wisselkantoor (bank, waar )nen gebl kttn omzetten), o. âkantoren. Wisselkoers (stund v. b. agio), m. â koersen. Wisselkoers (percentage, sttoul v. d. wissel), m. -koersen. Wisslt;'lllt;Kni (co)))'lage), o. â loonen; â niaklt;'-laar (tassehenpersoon i. tl. luDulel), m. â s; â protest (dwtmg tot wisselbetaling), o. âen; â provisie (courtage), v. gmv.: ârecht (regele)) en wetten in den wisselhandel), 0. gmv.; -rekening (theorie over den wisselhandel, ook tv aar debere kening v. d. wissel), v. gmv. |
WISSELPLAATS-WOLLKN.
497
|
WisNlt;»l|»laafM (rnstfilaats), v. âplaatsen. \ViMS«'lriiif cri j (bedrog in den hand:;l\ v. ginv. WisM'lvallij (onbestendiy), bn.; â lioiil. v. WiHsvi\\'nvhtvr(}ipoorbc(nnble),m.-\\'nc)itei'ti. \Viss«'wasje. o. â s; lt;lr menschen laten âom (die âje halen. (C. O.). Zie: \Visjâ¬'U'aKjigt; (beuzelinfj). Wit, bn.; de sneeuw fs â; hij za/j â van schrik, bleek; âte Donderdag, Dundertiag vóór Paschen; de âte luijven, tooverkollen; een â voetje bij iemand hebben, l»ij hem in de gnnst staan; l'icter was bijna zoo â als zijn bal. (('.O.), bleek; -heul. v. Wil (de tuitte kleur), o. gmv.; in hrl â ije-kleed', het â van een ei; het â van hel ootj; zwart o/i â hebben, eea geschreven bewijsstuk hebben. Wit (doel), â¢Â». gmv.; zijn â niet uil hel ooij verliezen. Without, bn.: een â kalfje, wit met zwart. WitKOiKl (platina, edel metaal), u. mnv. WitKold (zilvergeld), o. gmv. Witharig, bn.; een âe poedel. Witlioen (sneeuwhoen), o. â hoenders. Witiioiit (zeker Amerikaanseh houl),o. gmv. Witje (kleine vlinder, koolwitje), lt;». âs. Witjes (lief, vriendelijk), bw.; zij lachte â. Witkalk (witsel voor de muren), v. gmv. Witkop (zekere vogel), m. âkoppen. Witko|gt;iioiiiicgt;tJ(kf zangvogel in Afrika), o. -s. Witkwast (werktuig ran den stukadoor), m. âkwasten. Witloof- (loog der goudsmeden en munters), v. gmv. Witoo;? (witoogigeaardlor, krekel),o. âoogen. Wittebrood (fijn tarwebrood), o. â brooden. Witt«'brooclskiii4i (kind van weelde), u. â kinderen. Wiltebroodsu eken {ilc eerste zes huwelijksweken), v. mv. Ook: âdagen. Wittekool (savoge-kool), v. âkooien. Witteen (met witkalk bestrijken), ik heb gewit; een muur â; witsel, o.; witter (werk-man), m. â s. Witviseh (allerlei kleine visch), m. gmv. Witwerk (meubels van wit hout gemaal:!), o. gmv. Witwerker (timmerman, grove âmeubelmaker), in. â s. Witzijden, bn.; een â japon. Wladimir, m.; orde van SI. â. Unssischf j ridderorde. Woeile (gramschap, razernij), v. gmv. Woeden (hevig razen en tieren), ik heb gewoed; de storm gaal â, hel â der zee, onstuimig zijn; hij werd âd; hij keek mij âd aan, gramstorig. Woeker (onwettige winst, te hooge rente. enz.), m. gmv. Woekeraar, m. âs en âaren; âster, v. âs. i Wof'kerdier (dat leeft op andere dieren), ' âdieren. W«gt;ekeren. ik hol» gewoekerd; hij heeft zich zelf rijk en anderen arm geufoekerd, up im- | wettige wijze geld bij elkaar schrnpen; lig. 1 met zijn gaven â, met den lijd â, zijn [ voordeel doen. Woekerhandel (ongeoorloofde handel), m. i : gmv. Woekerplant (plant, levende en tierende op ; andere), v. âen; de zwam, de schimmel is j C''n â. Ook: Parasiet. Woekerwinst (overmatige winst), v. âen. j koenen, Verkl. Uandwdb. d. Nederl. taal. |
Woelen (onrustig zijn), illt; heb gewoeld; wat woelt dal kind in den slaap; de mol heeft hier gewoeld; de varkens â den grond om, het onderst boven; een lapje 'jgt;u den bezeerden vinger â, losjes er om winden; â in;;, v. Woelgeest (onruststoker), m. âgeesten. Woelig*, bn. en bw.; een â kina. lastig, druk; een âe straal; 'lis hier â druk: â beid, v. Woelwater (druk persoon), m. en v. â s; de kleine .hm is een echte â, hij kern geen rust. Woensdag', m. âen; .\schâ, de eerste dag der groote H. K. vasten; des âs, op Woensdag: â avond. m. âen; âuuivUt (ïnarkl/dcia, waar des âs markt wordt gehouden), v. âon ; â nii4ilt;iag', m. âen; âmorgen, m. âs; â ocditeiKl. m. âen. Woensdagseli.bn.;/töl was d'âe bijeenkamsl. Wlt;»er«l. Woord (mumwljeseend), m. âen. Zie: Waard. Woerhaan (fazant), m. âhanen. Wlt;»erhlt;'n (udjfje van den fazant), v. ânon. M'oest, bn. en bijw.: een âe knaap, wild: een â gevecht, ongeregeld; een âeblik; â heid.v. W4»lt;gt;staar«l (hanp, ruw atensch), m. âs. W4»lt;gt;steling (wild, ruw mensch), m. en v -en; voor het v. ook â linge. Woestenij (wilde streek), v. âen. Ook: Woestijn. Woestijn (barre zandvlakte), v. âen. Woiwoïde (heirvoerder, vorst, stadhouder in Polen, Moldavië, Wallach je), m. âs. Ook: Wtnicode. Wol. v. â len; veel geschreeuw en weinig â, voel omslag on woinig zaaks: door de â geverfd zijn, alle schaamte verloren bobben. Wolachtig, bn.: de negers hebben â haar, een âe stof, op wol gelijkende; âlieid, v. Wolbereiden( â kaarden, -kammen, âplukken, âscheiden, âspinnen, enz.), «». gm^ Woldistel (kaardendislel), v. â distols. Wol4lrag-«'iHl {âopleverend), hu.; â vee, b. schapen. Woll' (vet 'scheurend dier), m. wulven; chn als een â; honger hebben als een â: met »/»â wolven in het bosch huilen, meedoen met den grooten hoop; den â bij de ooren houden, in neteligen toestand verkeeren. Wolt'al»rilt;'k (waar de wol verwerkt wordt), v. -fabrieken. Wolfaehtig (lijkende op een loolf), bn.; de hgena is een â roofdier. Woll'kers (plant met vergiftige bessen, nachtschade), v. gmv. Wolfram (delfstof can grijszivarte kleur), o. ârammen. Wolfsklauw (de klauw van een wolf), m. â klauwen. Wolfsmelk (plant), v. gmv.; er zijn in ons land vele soorten van â. Wolfsk^nw (plant), v. âklauwen. Wolfswortel (giflplanl), v. Zie: Ak4»niel. Wolgras (zeker gewas, ook kaloengras o/ kaloenbloem gelwelen), â¢Â». gmv. Wol handel, m.; de â van Vlaanderen in de Middeleeuwen. Wolk, v. âen; een kind als een â, krachtig; een â van balsemgeur. (Ledeganck); een â van gezondheid dartelt om haar knieën. (I *' 'tg.); een â van schepen. (Potg.), menigte. Wolkaarden.o.: âer,m. âs.Zie: Kaarden. Wolkammen, lt;â¢.: â kammer, m. âs. Wollen (van wol), bn.; een â das, een â borstrok, een â kous. â |
WOLLKNAAIKN
-WOHSTKLKN.
|
Wolllt;'iiaailt;'ii. o.: -naaister, v. -s. Wolligquot;, bn.; het â ver, een âe slof, met wol bedekt; â iilt;gt;ilt;l, v. Wolspimien. o.; âer, m. âs; -erij. v. -en. (heet v. e. wolf), 111. -beten. \V4»lve«iak (dalgt;\ hetwelk met :i of 4 hoeken schuin oflnopt), o. âdaken. Wolvepreut (wolvespooi'), v. -prenten. Wol verven, o.; âer, m. â s; âerij, v. âen. Wolve«|Mgt;or (afdruksel i\ cl. wolfsklauir), o. âsporen. Wolvin (ivijfjeswolf), v. ânen. Wond. v. âen; ook Wonde; ecu versche â, een oude â; een pleister op de â leggen: balsem voor de â, troost; den vinger op de â deze aanwijzen, liet gebrek bij den juisten naam noemen; alle âen genezen he-halve die der eer. Wondarts (heelmeester), m. -artsen. Wonden(kwi tsen, \ig.grieren),\k heb gewond. Wonder (mirakel), âen: de zeven âen der wereld: het stadhuis van Anfsterdani gold destijds voor het achtste â der wereld. Wonderbaar, bn.: een â geval, een â verschijnsel, verwondering wekkend, vreemd, /.onderling; âlieid, v. Wonderbaarlijk, bn. en bw.: het âe van zijn (des knapen) vroege ontwikkeling. (C. ().). Womlerbalsein (zeer heilzame balsem), in. gmv. Wonderbloem (zekere Peruaansche bloem), v. âbloemen. Wonderboom (wolfsmelkachtige boom in (). /.), in. âboomen. Zie Kieinnsbooni. Wtmderfladig, bn. en bw.: een âegenezing. Wonderen, heeft gewonderd; dat wondert mij niet, geeft mij geen verbazing. Wonderkind (kind met zeldzame gaven), o. âeren; liilderdijk was een â ; de âeren op de piano worden ieder jaar menigvu Idiger. (Klikspaan). WoiKlerlijk. bn. en bw.; een â geval, een â e genezing-, ik werd zoo â, raar, ongesteld; hij deed, sprak â: â heifi, v. Wondersehoon (zeldzaam schoon), bn.; ons â hai*, nl. ons lichaam. Wonderspreuk (valsche stelling), v. - -spreuken. Zie Paradox. Wonderspreukig' (zonder l i ng, paradoxaal). bn. en bw. Wondlieeler (heelmeester, chirurg), m. â s. Wonen, ik heb gewoond; bij iem. â, gehuisvest zijn; zij â 'amp;* zomers op het land, verblijf houden. Woning (huis, verblijf), v. â en; woninkje, o. Woon, v. Zie: Metterwoon. Woord, {mannetjeseend), m. -en. Ook: Waard. Woord, o. âen; hij sprak geen â; iets met andere âen zeggen, op een andere manier: ik heb hem den brief van â tot â voorgezegd-, gij neemt mij de âen uit den mond, gij zegt, wat ik juist wilde zeggen; een goed â spreken, hidden; het â voeren, in 't openbaar spreken; â en krijgen, twist krijgen; iem. te â staan, met hem spreken; tvie heeft het wie zal gaan spreken: een gedachte onder â en brengen, uitdrukken; ergens zijn â op geven, iets plechtig beloven; op mijn â van eer', een goed â voor iem. doen, in zijn voordeel spreken; een quot;goed verstaander heeft maar een half â noodig, begrijpt iets spoedig: een goed â vindt een goede plaats, met beleefdheid komt men altijd het verst; het hooge â is er uit, er is gezegd. |
wat men haast niet durfde zeggen; zijn -honden, breken, gelofte; een man een man, een â een â,een eerlijk man houdt zijn woord. Woordalleiiler (taalvorscher), m. -s. Zie Ktymoloog*. Woordafleiding (onderzoek naar de vorming der woorden), v. â en. Zie Kt.vinologie. Woordafleidkiinde (wclenschap der woordvorming), v. gmv. Woordbuiging (verbuiging en vervoeging), v. âen. Zie: Declinatie en Conjugatie. Woordelijk, bn. en bw.; een âe vertaling, naar de letter: iets â nazeggen, letterlijk.. Woordenboek, o. âboeken. Woordenlijst, v. âlijsion. Woordenpraal (hoogklinkende taal), v. gmv. Woordenseliat (rijkdom een er taal), m.gmv. Woordenstrijd (een mondelinge strijd-, ook: een strijd, die niet loopt aver een zaak zelf, maar over de woorden, die er over die zaak gezegd zijn), m. gmv. Woordenwisseling (gekijf, discussie), v. -en. Woorilenxif'fer (vitter), m. âzifters. Woordseliikking (spraakk. plaatsing der woorden of zinsleden), v. âon; de vragende â. Woordspeling (stijllig., gebruik van Izelfde woord in verschillenden zin), v. âen; b.v. waar de witte zeilen varen, varen maar met groot gevaar! (Poot). Woordtoon (verhouding van de toonsterkte der ivoorden in een zin), m. gmv. Woord voerder (spreker), m. âvoerders. Woord vorming (leer van de vorming dei-woorden door afleiding en samenstelling), v. gmv. Zie: Ktyniologie. Worden, ik werd, ben geworden; God sprak en de wereld werd, ontstaan; gij wordt nag arm. in de toekomst zijn; het wordt licht, beginnen te zijn; -ing, v. Worg {keelontsteking der paarden), m. gmv. Worgen (wurgen, de keel toesnoeren), ik heb geworgd en gewurgd; worging, ook wurging, v. Worgkoord (om tem. te worgen). lt;». â koorden. Worgpaal (straftuig), m. â pnlen. Work (kikvorsch), m. âen. Worken (het kn aken der kikvorschen), hij heeft gewerkt; de kikker-s beginnen te â. te rikkekikken. Worm. Wurm (diertje), m. wormen en wurmen: de knagende â des gewetens-, er kiiaagt eeii â aan zijn hart, nl. verdriet; hel arme wurmpje, kindje. Wormer (polder in N. Holland), v. gmv. Wormkoekje (wormartsenij-), o. â s. Wormkruid (geneesmiddel), o. gmv. Worm poeder (poeierige wor mart se hij), o. gmv. Wormsteek (gaatje, door de wormen geknaagd), m. âsteken. Wormstekig, bn.; â fruit, door «Ion worm aangetast: â heid, v. Wormvaren (plant, reinvaren), v. â s. Wormxaad (tegen de wormen), o. gmv.; â -zalf, v. gmv.; âziekte (onder de schapen), v. Worp (het werpen), m. âen; den eerstol â hebben. Worst, v. â en; het bekomt hem als den hond de â, het genoegen of genot boet hij duur. Worstebrood (brood met ingebakken stuk worst), o. âbrooden.; met Kerstmis eet men Worstelaar (athleet), m. â s of âlaren. Worstelen, ik heb geworsteld; twee kamp- |
kïLJ
WOHSTELKl* N ST - WH OK K l'gt; N.
|
vcchtcrs â quot;gt;// den prijs; het schip '.vorstelt met de yoiuwi, kampen, strijden met; bij een diner â met de veruelinij. (C. O.); hij worstelt met den dood. hij ligt te zieltogen; â in;s, v. WorstelkmiNt, v. gmv.; âperk. o. âen; â plaats, v. âen. â«pel, o.; âNfrifd, u. Worsttiorlt;'iitje {trechtervormig buisje, dienend bij het worst maken), o. âhorentjes. Wart (most r. (jehopt bier), o. gmv. Wortel. m. â s; de â ran een boom, de â van een land, de â van een fjetal', (ig. met â en tal: uitroeier,, geheel en al; de kwaal der ter inn echoot âen. (De (Joneslet). Wortel (mode moesjilant), m. âon; hoadt ye van een â V WortellMH»iii (Indische boom, welks ion rieten weder stammen voortbrengen), m. â -hoornen. Worteldraad (fijne ai Hooper, veiethaar), m. âdraden. Wortelen (wortel schieten), het is geworteld; het bijaeloof was daar noy diep ijeworteld; de haal wortelt in zijn hart. Worteltfrootlieid (algebra, nildrukkimj met het wortelteeken, b.v. v. â hedon. Wortelteeken (algebra, het teeken V), o. â -teekens. Worteltrekking- (rekenk. bewerking), v. -en. Wond (oorspronkelijk bosch), o. âon: de specht is de timmern an van het â : een â van dennen. Wondanenioon (bloonpje), v.âanemonen : â dnif (houtduif), v. âduiven; âezel (luilde ezel), ni. -s; zie Onager: â Kod (sater), m. âgoden; â ^odin (boschnimf), v. ânen; â marter (roofdiertje), m. â s; âmier (boschmier), v. â lt;lt;n; âos (wilde os), m. â -ossen; - raaf. v. âraven; â slang1.v.âen: â snip (houtsnip), v. âpen; -spin (boseh-spin), v. âspinnen; ânil {(jemeetie grauwe uil), m. ânilen; âvaren (boschvaren), v. â s; â vogel (boschbewoner o. d. vinjels), m. -s. Wonld-be (ralsch, zoogenaamd), lm.; een â hervormer, een â tetter kundige, een â jager (zondagsjager). Wonter (meerkol), m. â s. Wonw (vrij groote roofvogel), m. âen. Onk: Knikendief. Wonw (plantje, soort van reseda), \. gmv. Won won (Ind.Borneo, langarmige aap), m. âs. Wraak, Wrake, v. grov.; iets uit â doen-, naar â dorsten; dat schreeuwt om â, ver-gelding. Wraakbaar, hn.: een âare daad, een âare verwerpelijk, alquot;te keuren; â heid.v. Wraakgierig*, bn.; een â karakter, een â volk, dat de wraak bemint; â lieid, v. Wraakgodin (furie, razernij), â godinnen. W'raakznelit (begeerte naar wraak), v. gmv. WraakziK'litig. bn.: een â karakter. Wraddel (krop onder den hals van een rund), in. â s, w.g. Zie: Kossem. Wrak (romp van een gestrand schip), o. â ken. Wrak. bn. en bw.: dat is daar een. âke boel, de zaken staan slecht; â ke kaas, slechte kaas; -held, v. Wraken (veroordeelen), ik heb gewraakt; de rechtbank kan een getuige â, afwijzen, niet toelaten: âing? (het wraken), v. Wrang (den mond wringend), bn. en bw.: een ^ âe appel, peer, scherp, zuur; de âe vruchten, i lig. de onaangenaamheden; â heid. v. Wrat (huidknobbeltje), v. âten. |
Wreed, bn. en bw.; een â mensch, zonder gevoel, hardvochtig; een â besluit, onbarmhartig; een dier â behandelen, ruw; âelijk (op wreede wijze), bw.; â lieid, v. Wreedaard (gevoelloos mensch), m. â s. Wreedaarfiig (met wreedheid), bn. en bw.; â heifi. v.; âlijk, bw. Wreef (het bovenste van den voet), v. wreven. Wreken (wraak nemen), ik wreekte, heb go-wroken; ik wit mij op hem â; zich over iets â; â ing. v.: âer. in. . Wrenielen. Zie Wriemelen. Wrenselien (hinniken), de hengst heoll ge-. wrenscht. Wrevel (boosheid, bitterheid), m. gmv.; hij kon zijn â niet verkroppen. Wrevel (toornig), lm.; een â gemoed. Wreveldaad (euvel-laad), v. âdaden. Wrevelig (bons, wrevel), lm. on bw.: â lieid. v. W revelnioed (boosheid, misnoegdheid, bitterheid), m. gmv.; â igv bn. Wricgt;mlt;'len (door elkaar woelen), hr t heelt gewriemeld; een broed van adders, w riem lend aan den voet der stronken. (Staring), krioelend, duor elkaar krielend: âing:, v. Wrigg'elen (doen wankelen of wiggelen), ik heb gowriggeld. Wrijf borstel, m. âs; âlap. m. âpen; â -mand. v. âen. Wrijfiloek (lap om er meubels mee te wrijven), m. âdoeken. Wrijfpaal (weidepaal), in. âpalen; lig. de hertog van Brunswijk was de â der Patriotten, het voorwerp van hekeling: Van Hoel richtte zich tot (Ierrit als (C. O.) Wrijfster (zij, die wrijft), v. â s. Wrijfwas (boenwas), o. gmv. Wrljten (twisten, kibbelen), ik heb gowrijl; â er (iem. die steeds afkeurt, tegenwerkt), m. Wrijven, ik wreef, heb gewreven; een meubelstuk â , de handen â; iem. iets onder den neus â, verwijten; hij doet niets liever dan schrijven en â. tegenschrijven; âer, in. Wrikken (waggelen, heen en weer bewegen), ik heb gewrikt; men wrikte aan den paal. pogingen doen om hem uit zijn stand te brengen; die roeier kan goed â, met cên riem aan den kant van het roer werken; âing*, v. Wringen (klemmend persen of draaien), illt; wrong, heb gewrongen; het waschgoed â: zij wrong de bleeke handen saam. (De Genestet); iem. iets uit de handen â, losrukken: zich in allerlei bochten â, telkens wat anders doen om uit een verlegenheid te geraken; daar wringt de schoen, daar hapert het ; âing. v. Wrochten, heeft gewrocht; een wonder â; beur gast herhaalt het afscheidswoord, dat zulk 'een wonder wrocht. (Staring). Zie: Werken. Wroegren (verwijten, aanklagen, beschuldigen), het geweten heeft gewroegd: âing. v. Wroeten (gravende zoeken), ik heb gewroet; een mol wroet in den grond; een varken wroet met den snuit: Frankrijk wroette in eigen ingewanden, zich zelf benadeelen: met â en tobbe)i komt hij aan den kost, mot zwaar, met slavelijk werken: âer, m. Wrok (bittere haat), m. gmv.; een stille en sombere â. (Koetsveld). Wrokken (mokken; haat, wrok koesteren^ ik heb gewrokt: hij wrokte tegen zijn broeder: de duivel wrokt tegen God, een voortdurenden haat voeden. |
32-
WIJONG-ZAL.
|
\VriMi^ (sanicmjeiuronucn (lock, ook vlecht] kroon eens ijraven] alsmede het tv ringen zelf), v. âen. Wrongel ({jestrenule melk), v. gmv. {dooi strennnen), ik hob â -wrongeld; de melk â. W'litt{vei'imderlijA),I⢠n.o11 hw.'Jiet âc l-'ransche mik, wispelturig; â lii'iil. v. Wiii (scheepst. haspel), v. -en. Wuit. Wiiivâ¬kli (zicaaien. z-n-hl hciunjcn), ik hel» gc-wuifd; met den zakdoek â, mrl ern ehej â, mei de hoeden â; âer, in.; â iii;;'. v. |
Wulf {(jewelfde zolderiny), o. wulven. Wulp (jong van leeiiiven,beren,eii/..),o.âen. Zie: Welp. Wulp (de refjenroriel of jdauietquot;, ook een onbedacht jongelhv/), m. âen. Wulpseli(dartel, speelseh), l»n. en Inv. -heiil. v. Wurgen. Zie: Wi^r^u. Wurm (diertje), in. âen. Zie: Worm. Wurm (stamper, sokkel), m. âen. WuriiK'ii (sloren, tohhen, moeite doen), ik hol) gewurmd: die jongens â om door han examen te komen; âer, in.; â i'rij, v. |
x.
X, v. x s. IH' 2'n' lel ter v:m hot :dpli;iltnt. Als \-vui*i£ri\itUiv(ken)iisdergesehrei'en ereemde
Hum. geUdmerk is \ = 10; in de nlgelna is lalen), v. gmv.
.».â de te zoeken grontlnMd nf do onliekende. Xeri's. â wijn (Spttansehe leijn. Eng. sherrip,
Xautliiiie (gele k le ars tof ait meekrap), m. gmv. Ook: .lereswijn.
v. gmv. XiliK (zwaardbloetn, stinkende liseh), v. âson.
Xantippe (booze, kijfachtige vroate; helle- X-straleu (electrische lichtstralen, dour prof'
reeg, haisptaag, mannenverdriet), v. âs. lUmtgen ontdekt), m. mv.; met â l.an men
Xaverius (de 11. Franeiseus, 756/6'-7552), j door vaste lichamen heen photographeeren.
apostel der Indiërs. X.ylo^'raaf (haat snee maker, hoalsncedruk-
Xebek, Xebeek (Spaansche driemaster, ker), m. âgralen.
oorlogsschip in de Midd. Zee), v. â s. X.ylolojiio (leer of beschrijving der hoat-
Xeiiiëu (geschenken voor (jasten bij de drie- soorten), v. gmv.
ken; soort van pant- en hekeldichten), v. mv. X.yU^mi'ti'i* (hoiitmeter, iverkt door water),
Xi'iio^'raaf (iemand, die ervaren is in hel m. â s.
lezen van het schrift van uil heemsche talen), X.yslus (overdekte z ui lengt mg), m. âsen. m. âgralen.
Y.
|
Y. v. y s. Uo vijlquot; en twintigste letter van liet alpliaiiet. Taelit (Ned. jacht d. i. klein, zeilend vaartuig), o. âen. Taelit-elul» (zeil- en roei vereenig ing), v. â clubs. Yaek, Yak (knor os, ba ff el van Thibet), m. -s. Yam, â wortel (broodtuo.'lcl, broodplant), m. Yama (Ind. godheid der onderwereld), m. gmv. Yamakiu {Gr. danseres bij de Turken), v. Vamakins. Yankees (spotnaam bij de Eng. voor de Amerikanen), m. â s; het land der â Noord-Amerik. staten. Yaiike(k-lt;looilkk (N.-A merik. volkslied, oorspronkelijk zegelied, 7775), o. vero. Yanl (Eng. en .\merik. el of lengtestandaard â 0.014383 M.), in. â s. |
; Yata^au. .lata^an (Tarksche houwdegen i oj sabelbajoiu't), m. â s. j Ylt;gt;mlHe. .Ilt;gt;ml»ilt;' (Arabisch lang krom tweesnijdend mes), o. â s. Yeomau (klein grondbezit ter in Engeland, \ heereboer; dienaar van den baljuw, onder-i olficier op een schip), m. yeomen. Yoeiift' (bekkenachtuj speeltuig der Chinee-zen), o. â s. Yokolu (brood uit vischslof bereid, bij de Kamschatdalen), o. Youk. .louk (Chin, koopuaardijer), v. âen. Ypsilon (de (Jr. i, bijv. in Egypte, syno-i niem), v. en o. â s. Ysop, ll.yMMop (Zuid-Eur. plant), m. â s. Yuea, Yueea (N.-Am. 'eUeachtige sierplant), v. â 's. Yu^-aila (veld- of vlaktemaat in Spanje), v. |
z.
'Ij. v. z.'s. â Ue zes en twintigste en laatste â Zuid of Zuiden. letter van liet alphabet; zij beteekent als Ho- z. a. â zie aldaar. meinsch cijfer 2000. zal. â zaliger.
ZAT. - ZADELMA KE17,
r.oi
|
'lAti. â Zaterdag. Z.«. of Z.Bi*. - Znidarhrecdh'. 'Fa. â Zijne Door lurltHnhcid 'Ij. IK II. â Zijne Doorhichtiye Hoogheid ut Hoogtuaanligheid. Z. K. â Zijne Edelheid, Zijn lu nvaarde] ook wel: Zijne E.veellentie. Z. Kxlt;*. â Zijne Exet'Uenlie. Z. Km. â Zijne Eininent ie (kardmaal). Z. II. â Zijne Hoogheid, of van den Paus sprekende, Zijne Heiligheid. Z. II. K. lt;â . â Zijn Hoogedelgestrenge, â¢r. i. â zijns inziens. Z. li. If. â Zijne Keizerlijke of Koninklijke Hoogheid. Z. li. li. 11. â Zijne Keizerlijke amp;n Koninklijke Hoogheid. Z. li. li. lü. â Zijne Keizerlijke en Koninklijke Majesteit. Z. li. ^1. â Zijne Keizerlijke of Knninl, lijke Mn jest ei t. Z. ill. â Zijne Majesteit. Z.O. â Zuidoost. Zigt;ii(l. â Zlt;mdag. Zr. Jls. â Zijner Majesteits. Z.W. â Zuidwest. Z.Z.O. â Zxid-zuidoo^t. Z.Z.W. â Zuid-zuidwest. Zaad, o. zaden; Bijb.: geslacht, nakomeling, b.v. het - van Abraham', ook kiemen, beginselen: ook in u zeiven zijn de zaden aanwezig van reel on hei Is en veel verdriets. (C. O.); op zwart â zitten, bekrompen moeten leven. Zaailbak (eoederhukje i. e. kooi), m. âbakken; â liaii«llt;kl. m. gmv.; â liaiidclaar. m. âs; âlinisjo (zaadbolster), n. âs; â -IiiiIkpI. o. âs: âv. â en; â koopei*. m. âs; âkorrel, v. âs; âlol» (deel r. e. plant), v. âlobben: âoogst, m. âen; â -str4»oier (een soort vim znaimachiné), m. â s; âwinkel, m. ââzak. m. âken; â asolder (graanzolder), m. âs. Zaad|gt;aelit (huur of pacht in zaad of te doen), v. gmv. Zie: 4aarf'paclif. Zaa^ (werktuig), v. zagen. Fig. zanikster: uw zuster is een echte â. Zaag-bok (watervogel), m. âbekken: de - leeft in het .V. van Europa en Azië. Zaagbokken (eendaehtige zivenivogels), m. mv. Zaagblad (sauiengestehlblocm. plant), lt;». gmv. Zaagblad (plat deel e. zaag, waarin dr tanden), o. âbladen; âbok (houten zaag-stellage), m. âbokken; â niaeliiiie. v. âs; â moei (zaagsel, of vat), o. gmv.; âmolen (molen, die hout zaagt), m. âs: âmolm (fijn zaagsel), m. en o. gmv.; â mul (âpoe der), o. gmv.; âsel ( â oieel), o. gmv.; â â snelle» v. â n; âstoel ( â bok), m. âen; â tand (tand eener zaag), m. âen: di' âtand snijdt het hout. (Tollens); â vijl (mn de zaagtanden te scherpen), v. âen. Zaa^'visc*!! (kraakbeenige, ni. e. zaag als verlengsel a. d. kop; familie der roggen), m. â visschen. Zaaien (zaatl In den grond strooien), ik bob gezaaid; met de hnucl* met een machine â ; dg. twist, tweedracht â; wie wind zaait, zal storm maaien; âer. m.; â iii^*. v. Zaaikoron. o. gmv. Zaailing (h ennep), v. gmv. Zaaimaanil (maand, waarin gezuuid worlt;lt), |
v. âmaanden; â maeliine. v. â s; âmand. v. âen: âplant, v. âen; -ploeg- (ploeg, die tevens hel zaad in de voren laat vallen), m. âen; â sel (wat gezaaid is), o. â s; âtijd. m. gmv.; â veld ( â land), o. âen; â xaad, o. âzaden; âzak (waaruit het zaaikoren qestrooid wordt), o. âken. Zaak. v. zaken; het is door een drukke â, winkel; een â van gewicht, onderwerp, pnnt van gewiclit; zijn zaken staan goed, zijn handel bloeit: lig. hij is in liet voordeel; zijn zuken stonden /vel in 't boek der schoone. ! (Staring); die â kond morgen voor, procedure; dat is mijn â, dit betreft mij en niet u; tey zake van moord, wegens; ter zake das, laat ons met ons onderwerp beginnen. Zaakbezorger (die zaken voor iem. behandelt). in. âbezorgers; â gelasligd#» (gevolmachtigde), m. â n; âkennis (grondige kennis), v. gmv.; âregister (inhoudslijst v. e. boek), o. âs; ârijk (bondig, degelijk), bn.: een ârijk verslag; â waarnemer ( â bezorger. prartizijn), in. âs: zij stuitte een oogenhlik maar des â waarnemers radden ratel. (Potg.) Zaal (ruime kamer), v. zalen; een eet â , een slaap â , een raadâ. Zaal (zadel), o. zalen. Zaam (achtervoegsel), b.v. heilzaam, eerzaam, langzaam, gemeenzaam, duurzaatn. spaarzaam, leerzaam; het bet. verbonden met, één zijnde met, overeenkomende met, van nature geneigd tot. Zaan (dikke, geronnen melk), v. gmv. Zabberen (kwijlen, zeeveren), ik heb gezabberd; â aar, m.; â ing. v.: âdoek. m. Zabra (een soort v. fregat in de golf v. Biscage), v. â's. Tjiulvlhiuun (u it heem sche boom), m. -boomen; -bont (ijzerhard hout v. d. âboom), o. gmv. Zaelit. bn. en bw.; een â bed, niet hard; met âe hand, teeder, voorzichtig; een âe slaap, rustig; een âe dood, kalm; het Spaansch is een âe taal, liefelijk, melodieus; een â karakter, vreedzaam; op zijn âst 'genomen, van de gunstigste zijde beschouwd;âlieiil. v. Zaelitaardig (zacht van inborst), bn.: â -beid., v. Zaelitblad (zeker gewas), o. gmv. Zaelitjes, Zaehtken*. bw.; spre k wat â; doe maar â aan, op zachte, kalme manier; de (je le kleur gaat â over in groen, ongemerkt. Zaelitmoedig (zachtaardig), bn. en bw.; â -beid, v. Zaelits (lichtelijk), b .w.; dat kon hij â ge-| tlaan hebben, tenminste. Zaelitzinnig (vriendelijk), bn. en bw.; â -beid. v. Zadel, m. en o. â s; uil den â lichten, uit het â werpen, h.v. in het tornooispel; tig. iem. onderkruipen; iem. weder in den â zetten, hem weer te paard helpen. Zadelen, ik heb gezadeld; een paard â, een ezel. â, een zadel opleggen. Zadelmaker, m. âmakers. Zadelknop (voorste punt v. e. zadel), m. â knoppen. Zadelleen (gesch. leen, dal den leenheer per ⢠jaar een gezlt;(dchl paard oplevert als teeken van hulde), o. â leenen. Zadelmaker van zadels, poor- dentuig, enz.), m. âmakers; âmakerij, v. | âen; -skneeht. m. âen; â paard (rij- |
/.A n FX VA ST - ZA NTi.
rgt;02
|
paard), o. -en; âriem. ra. -en: â o. grav. ZadelvaMt {vast i. 0. zadel zittende), lm.; niet â zijn, een zondagsruiter zijn; tig. niet vast van beginsel zijn. Za^'eu (met een zaan doorsnijden), ik hel» gezaagd; hout â, aan planken â; op de riool â, krassen; âer {houtzager), ra. Zag'er {viool!,â¢rasser, lig. zaniker), ra. â s. Zak, ra. âken; een â rogge, aardappels; een â guldens; met pak en â vertrekken, niet alle have; de âken ran een oud biljart; hoe komt ge in dezen blinde steeg; zijn -tappen, zich op kosten van een ander verrijken; past op uw âken, geld; koop geen kat in den â. geen zaak, die gij niet kent; een duit in het âje doen, ook iets zeggen; steek dat in uw â, trek n dat maar aan, dat is op u gerannt; zij heeft hem den â gegeven, afgeschreven, de verkeering niet hem verbroken; in â en asch zitten. Hijbei, nl. in diepen rouw; luij hebben hem indenâ, kennen hem door en door. Zakalmauak (in zeer klein formaat), ra. almanakken: âatlas {klein kaartenboek), ra, â atlassen; âbijbeltje, o. âs; âboekje, o. âs; âborsteltje, o. âs; âdoek (neusdoek), ra. âen. Zake (raoJr), v. -n. Zie Zaak. Zakelijk, bn. en bw.; de âe inhoud, wezenlijke, feitelijke inhoud, hoofdzaak; â lieid. v. Zakformaat {boeken in klein formaat), o. grav.: een wetboek in â. Zakgeld {klein geld voor loopende uitgaven). o. grav.: de knaap kreeg per week een dubbeltje â. Zakkammetje (kleine haarkam in etui), o. â kararaetjes. Zakken (m zakken doen), ik heb gezakt; wil je dien gulden niet hebben? dan zal ik hem maar â, in den zak steken; â ker, ra. Zakken (dalen, nederwaarts gaan), het is gezakt; het water gaat â, in de modder â, den moed laten â, zinken: het hoofd laten â , den moed verliezen; ik laat hem, die zaak maar â, varen, glijden; hij zul bij dat e.camen tvel â, afgewezen worden. Zakkenroller (beurzensnijder), ra. ârollers. ZakmniN (N. A nier ik. muis met wangzakken), v. âmuizen. Zakwoordenboek {in klein formaat), o. âboeken. Zalf (smeersel), v. âzalven; een âje op de ivond, een troostmiddel. Zalfaelitifi', bn.: een âe stof; âolie (R. K. heilige olie), v. âoliën; âwinkel, m. â s. Zalig1 (hoogst gelukkig), bn. en bw.; iem. â spreken, R. K. heilig verklaren; een âgevoel', de dankbaarheid eener âe moeder. (Potg.); de man is â, ir. dronken; â lield. v.: de steen uit Amsterdam verbrijzelde al die â -heden. (C. O.) Zalige (die de eeuwige gelukzaligheid geniet), ra. en v. â n: de ân in den hemel. Zallg-en (zalig verklaren), ik heb gezaligd; âIngquot;, v. Zaliger (achter een naam: zaliger nagedachtenis, beteekent hetzelfde als âwijlenquot; vóór een naam), bn.; mijn vader mijn oom â. R. K. Zaligmakend (de zaligheid verschaffend), bn.; de âe leer der christelijke liefde. Zaligmaker (de Heiland), 'ra. grav. |
Zaling- (zeew. dwarshout a. d. top van den mast), v. â s. Zalm (een visch), ra. âen; (als stofnaam), v.; -pje, o. Zalmaebtiff. bn.: een âe smaak; âforel (nl. met rood vleesch), v. â forellen; â karper, ra. â s: â kleurig, bn.; een â kleurige japon ; â moot (âschijf ),\. -inooten;ânet. o.-netten; â rooker (persoon, die zalm rookt), ra. â s; âsteur. ra. âen; âtijd (nl. voor de zalm-vangst), m. grav.; â vangst, v.grav.; â vis-selier.ra. â s; â vlsselierij, v. â en; â zegen (-net), v. â s. Zalnw (vuil, geel, tanig, morsig), bn.; â â¢aclitlg, bn. Zalven (met zalf besmeren), ik heb gezalfd; de koningen van Frankrijk werden oudtijds gezalfd te Reims, d. i. met zalf gewijd. Zalvend (fig. vroom, stichtelijk), bn. en bw ; wat een -e taal! hij spreekt â, lijmerig, vol geteem. Zalving (het zalven, ook met gewijde olie), v. âen; de â der priesters en koningen bij de oude Israëlieten. Zambo (kleurling, kind van een neger en een Indiaansche), ra. en v. â quot;s. Zamelen (bijeenbrengen), ik heb gezameld; â aar, ra.; âIng, v.; âplaats, v. Zanien, bw.; te â, gezamenlijk; als eerste lid eener samenstelling altijd samen. Zand. o. âen; iem. â in de oogen strooièn, hem bedotten; die brief hangt aan elkaar als droog â, is zonder samenhang. Zand (zundplaat in zee of rivier, strand, woestijn), o. âen; dicht, de I^ybiaansche âen. Zandaal (een soort v. aal of paling), ra. -alen. Zandbank (rotsachtige zandlaag in zee, vooral bij de kust), v. âbanken. Zanddoórn (plant, zeekruisdoorn), m.-doorns. Zanden (met zand bestrooien), ik heb gezand. Zanderig, bn.; de weg is â, stofferig; â -held, v. Zanderij (zandgroef), v. âen. Zamlg-las (zandlooper), o.; men keert hel â om, pewroch! van Bar ends handen. (Tollens). Zandgrond (heigrond), ra. âgronden; Limburg heeft in het N. veel â. Zandliaver (gerstgras in het duinzand), v. gniv. Zandlioop. ra. â houpen; â lioos (dwarreling van stuifzand), v. â hoozen. Zandig (zanderig), bn.; een âe oever. Zandkorrel, v. âkorrels. Zandkriiid (thijmachtig kruid), o. gmv. Zandlooper, ra. â s; de â wordt alleen nog in de keuken gebruikt, nl. bij het eierkoken. Zandplaat (âbank in de rivier), v. â platen ; â selilp (dat zand vervoert), o. âschepen; â selilpper, ra. âs; âsteen (fijnkorrelij gesteente, b.v. v. d. Pietersberg bij Maastricht), ra. â en; â vlakte (woestijn), â n; â vloo (Amerik. aard vloo), v. âvlooien; âvorm (vorm. v.zand), ra.âen; â wagen (waggon tot vervoer v. zand), ra. â s; âweg (niet âgeharde weg), ra. â wegen; fig.zijn karretje rijdt op een âweg, het gaat hem goed naaiden zin; â wllg,quot;ni. âen; âwoestijn, v. â en; -zak. ra. âzakken; âzee (drijfzand a. d. kust van Bretagne, tig. groote woestijn), v. âzeeën. Zang* (gezang), ni. âen: V is daar (tltijd koekoek één â, nl. hetzelfde; hel is de tweede â . afdeeling van eer dichtstuk. |
ZA NTiBA LK - ZE F. Dl' I VKL.
|
Xaiij^balk (notenbalk), m. -balken. Xang'bc»!*#' (myth. Parnassus, verblijf van Apollo en de Mazen), m. gmv.; d-n â be-Liimmen, bestijgen, dicliten, de dichtkunst beoefenen. %aii;£bodlt;gt;ni (metalen o/- konten bodem in een pianino), m. âbodems. ni. âs; de tamme en de wilde âs, d.i. vogels; zijn oom was voorâ, eerste zanger. (kunstenares in den ra my), v. â sen; een koor van zangers en âsen. Zuii^criK'o bn.: een â lied\ âe verzen, welluidend, zoetvloeiend; een â knaapje. (De Genestet), d. i. zanglustig; â heul. v. Zanjforsleest, Xaii^-fcivst. o. âleesten. Xaiift'if^zelscrliap, o. âpen; het â Melodia. (C. O.). Zaïi^grotl (Apollo), m. gmv. ZHnsU.iHgt;r(verzameliny i'. zanf/ers),o.â koren. Xaii^kuiiMt. v. gmv. Zangles, v. âlessen. %aii$i'Neli4M»l (muziekschool voor den zang), v. âscholen. Zangster (iedere vrouw die zingt), v. âs; zet â. zet dien tocht op de aangeslagen snaren. (Tollens), muze. Zantrvog1?! (vogel die zangerige geluiden voortbrengt), m. â s; de leeuweriken, lijsters, vinken, nachtegalen en kanaries zijn âs. Zang'wedstrijd (concours in het zingen), m. âwedstrijden. Zanik (persoon), m. en v. âen; uw nicht is een echte â, vervelend mensch, zonder opgewektheid. Zaniken (leuterend praten), ik heb gezanikt; jongen, lig toch niet te â! vervelend dwingen of vragen: âer, m. Zat (verzadigd), bn. en liw.; eet en drink u nu maai' â; die man is al weerâ, ir. dronken; ik kan mij niet â kijken aan dat berglandschap-, de grijsaard was der dagen â, verlangend naar den dood; â lieid, v. Zate (bezitting), v. ân. Zie Havezaat. Zaterdag', m. âen; âsell, bn. de âmarkt. Zaterdags (erg, drommels), bw.; hij heeft mij â gefopt. Zavel (grof zand, steengruis), o. gmv. Zavelbooni (zevenboom, kegeldragende), m. â hoornen. Ze. pers. vnw. (= zij, haar, hen, hun). Zelmotli (Hebreeuwsch; der legerscharen)'. Jehova â, de lieer der legerscharen. Zeboe (Ind. grijsachtig rund), m. â quot;s. Zebra (gestreepte ezel, K( tapse he ezel),i\\. â's Zebravink (Z. Afrik, vogel met prachtige â veeren), m. âvinken. Zefle (gewoonte, gebruik, manier), v. ân; der vaadren vrome â n. Zedenknndig (zedenkunde behandelend of bet re/Jende), hn.-, een â leesboek, een â vertoog. Zedenleeratar (moralist), m. âleeraren. Zelt;lelijk, bn. en bw.; een getuigschrift van â gedrag', dat is â onmogelijk', â lieid. v. Zedeloos, bn. en bw.; een â mensch, losbandig van gedrag; âze boeken, plaatwerkeïi; de zedeloosheid bevorderend; â lieitl, v. Zedenbeiierl' (ontaardiw), o. gmv. Zedenkunde (leer der goede zeden), v. gmv. Zedenleer (moraal), v. gmv. Zedenles v. âlessen. Zedenpreek, v. â preeken. Zelt;lens|gt;reiik (vermanend woord), v. âen. 'I*eilen\\ei(wel,regelende de zeden),âweiten. |
Zedig- bn. en bw.; een âmeisje, een âe kleeding, ingetogen, bescheiden, stemmig; â .beid, v. Zee, v. âën; de Middellandsche â, de Noordâ; de vloot stak in â; zij Lozen -; de â doorklieven', in â loopeii, â kiezen, uitzeilen; de â oversteken', het land was -ten bare â, waterplas; hooge, zware âén, go) ven; er gaaf veel â, er is oen sterke stroom; de - breekt, do golven storten kort neder; in â duiken, ondergaan van de zon; uit de â rijzen, opgaan; wij brengen den zomer aan de â door, zeebad, zeeplaats; lig. een â van licht, van tranen, van rampen enz., een groote, krachtige menigte; hij gaai recht door â,\s eerlijk, oprecht; 'f is een â om uit te drinken, een eindeloos, wanhopig werk; water in â dragen, nutteloozen arbeid doen; ergens iets brengen, wat daar in overvloed is. Zeeaal (zeer groote aal uit zee), m. -alen; het vleeseh van den â wordt weinig geacht'. â aap (aapvisch, groote visch in de Noordzee), m. âapen; âadder (een soort tan slang), v. â s; -agaat (steensoort), o. gm â¢.; â ajuin (zeelook), o. gmv.; âalsem (plant der zeekust), m. gmv.; â anentooni (straal-dier; bloondier, blauw of rood), v. â monen; â appel (zee. klit, stekel huidig dier), m. â s; âarend (groote arend), m. âen; -arm (deel der zee dut een eiland omvat), m. âen; â assurantie (verzekering van zeeschepen), v. âs of â tiën; âatlas (verzameling van zeekaarten), m. âsen; âbaak (teeken tot aanduiding van het vaarwater), v. âbaken; â baar (groote golf), v. âbaren; âbaars (baarsachtige zeevisch), \n. âbaarzen; â bad-o. âbaden; âbank (klip, zandplaat), v. â en; âbanket (lig. haring), o. gmv.; â -barbeel (fraai gekleurde stekèlvinnuge zeevisch), m. -en. Zeebeenen (scheepst. een gang als Janmaat), o. mv.; een licht matroos heeft nog geen â. Zeebeer (havenmnur, waterkeering tegen den golfslag), m. -boeren. Zeebeer (zeerob, oorrob), m. âberen. Zeeberil (zeeagaat), o. gmv.; âbeving (beroering der zee ten gevolge van aardbeving), v. âen; âblaas (een soort van worm op het water), v. âblazen; âblei {een soort van zeevisch), v.âen; â bloem (zekere zeeplant), v. âen; â boelit (buiging der zeekust landwaarts in), v. âen; âbodem, m. âs; â -boek (graadboek, zeefakkel), o. âen; â -boezem (golf, in/unn, baai), m. â s; â -bonk (ervaren matroos), m. âen; âboot (stoomboot op zee), v. âen. Zeebrak (zeewater aan de kust), o. gmv. Zeebrand (electrisch verschijnsel; weerlicht zonder onweer), m. gmv. Zeebrasem (stekelvinnige been visch der Midd. Zee), m. â s. Zeebrlel' (zeepas, puspoort op zee voor de koopvaardijschippers), v. âbrieven. Zeeeaflet (adelborst), in. âcadets, âcadetten. Zeedienst (dienst bij het zeewezen), m. gmv.; hij is in â. Zeedraak (stekelvinnige visch, blauw van kleur in O.I.), m. âdraken. Zeedrift (ook strandvond, zeevond), v. gmv. Zeedniker (kortwiekige zwemvogel, voortreffelijk duiker), m. âduikers. Zeeduivel (vreemdsoortige visch, ook zee-kikvorsch), m. -duivels. |
no'. ZKK-ICKNMOOlï N â ZEEPKN.
|
(wirwal. imlvischdrhtiff ro«//-ilicr), m. âs. Ook: â«'lt;gt;â â in. âs. (zcr.slrnal, mm uw ilooriimiij), v. â engten; dr straal r. (!ibrlt;iltlt;ir is em â. Zeef (werl,tni(f om te -il'tcn), v. /even; tieâ ran Eratosthenes, rekenk. manier tot het vinden van de priemgetnllen. Zees* (scheepst. rondte, icrommhnj), v. âen. %«'e^'ans (vetrjans), v. âganzen; âgarnaal (lienpooliti schaaldier), v. â nsilen; â S'at (mondiny ('er stroomen), o. âgaten; â squot;o-lt;1 rod it (uroot zeedier, h.y. een haai), o. âon; â gewest {provincie aan zee geleden), o. â on; â (sehilderij, voorstelh'nde schepen, stranden, enz.), o. âen. %4M'^-liafli^' (zeyevierend), bn. en bw.; wees â, o koning! -heid, v. Xee^ier (fregatvogel), in. âen; â jjort (Nep-timis of' een der minderen), ni. âen; âj;'o-«lin (Amphitrile, gemalin van Neptuin', et/cc vromv. zeegod), v. âgodinnen; â g'olf ook open haai), v. âgolven; â {frappe {zeekraal), v. gmv. gew.; âjjras {lintvormig zeewier), o. gmv.; âgrondel {visch), in. âs: â haai, in. âon; âliaan {ijruute knorhaan), â hanen; â liaiKlel {handel op overzeesche landen), m. gmv.; â liaven. v. â s; â liellt;l. m. âen; â iKien {groote plavier), o. â hoenders; â IioikI {rob), m. âen; âhoofd {havenhoofd), o. âen: âhoren of âhoorn {groote zeeschelp), m. â s. Zeegras (Engelsch gras, standkruid), o. gmv.: de paden waren met madeliefjes en â omzoomd. (C. O.) Zeekaart {kaart met de waterwegen ter zee). v. âen; âhall' {jonge zeerob), â kalveren; -kapitein, m. â s: âleasteel (dicht. zeeschip), o. âen; âkat (inktvisch), v. âion: â kikvorseh {zeeduivel), m. âen; âkoe (een soort van rob), v. âkoeien; â koft (lom, duiker!wen), m. âen; â kompas, o. â sen; âkoning (zeebarbeel), m. âen; --kool {kruisbloem ige plant onzer stranden), v. gmv. Zeeklimaat {der landen dicht bij zee, der eilanden), o. gmv.; het â heeft koele zomers en zachte winters. Zeekoiiin$feii (hoofdlieden der Noormannen), m. mv.; die gevreesde Noormannen, wier hoofden op den naam van â aanspraak maakten, (v. Lenn.) Zeekool (âwinde), v. gmv.; de â is een kruisbloem ige plant. Zeekraal (Zeeuwsche voorjaarsgroente der schorren), v. âkralen. Zeekral» (tienpootig schaaldier), v. âkrabben; â kreeft, m. âen; (zeester, zeenetel), v. âhen; âkwallen (geleiachtig paddenstoelachtig weekdier), v. mv. Zeel {draagriem, touw), o. âen. Zeelamprei (zeeprik, ânegenoog), v. âen. Zeelaml (land, in of aan zee gelegen), o. â en. Onze provincie â is met recht een â. Zeeleeuw [grootste der zeerobben,A merika), m. âen; âleeuwerik (strandkievil), rn. -en; âleliën (fossiele schepselen), v. mv.; â lieden, âlui {zeevolk, matrozen), m. mv.: â liscli (zeebies), o. gmv.; â lon^* (een soort van weekdier), v. âen. Zeelt {een soort van karper, louw), v. âen. Zeelneht (frissche lucht uil of op zee), v. gmv.; Verfrissch' de â mij nog eens! (De tnide Schipper, v. Rijswijk). |
Zeem (zacht bereid leder), o. gmv. Zeem (honig), o. gmv. Zie; lloni^xeem. Zeemaat (Janmaat, matroos), in. âs; â -maeht {vloot; nun ine, ook zeemogendheid). v. âen; âmakelaar (agent in zeezaken), m. â s. Zeeman, m. âlieden, âlui. ZeemaiiMehap, v. gmv.; â gebruiken, wat geven en nemen, naar de omstandigheden. Zeemanshoop (weldadige vereeniging voor zeelieden te Amsterdam), v. gmv. Zeemanshuis (tehuis voor zeelieden die aan wal zijn), v. âhuizen. Zec^manswoordenhoek (verklarend zee-en scheepstermen), o. âboeken: het â van J. v. hennep. Zeemeermin (lab. vrouwelijk wezen met visch lijf en vischstaart), v. âmeerminnon. Zeemehle (plantk. familie der melden), v. â n. Zeemen (schapenhuiden tot leder bereiden), ik hel» gezeemd. Zeemen (de glazen of ruiten reinigen met een zeemleeren doek), ik helquot; gezeemd. Zeemen (van zeemleer), bn.; een â doek, een â lap. Zeemijl (afstandsmaat), v. âen; de Nederl. â is een uur gaans; de Engelsche â is ' ^ uur gaans. Zeemleder, âleer, o. gmv. Zeemlederen, âleeren (van zeemleder), bn.; een paar â handschoenen; een â zakje. (C. O.) Zeemog-endlK'id {volk, dat een zeevlnot bezit), v. âheden; Engeland is de eerste â. Zeemos (zeker gewas), o. gmv.; âmossel (schelpdier), v. âen. Zeemtonwer (bereider van zeemleder), m. â s: â tonwerij, v. âen. Zeemuis {ringworm onzer stranden, schitterend van kleur), v. âmuizen. Zeenaald {een snort zee visch in XAV. Europa), v. ânaalden. Zeenat {zeewater), o. gmv.; ânatie (volk aan en op zee levend), v. â s of â tiën. Zeenetel {weekdier in In die, brandend als een netel), v. â s. Zeenimf (fab. nimf aan of in zee levend, nereide), v. ânimfen. Zeeoflieier (officier der marine), m. â s, â -eieren. Zeeolifant (zeer grooterob of zeehond), m.-en. Zeeoor (oorvormige eenschalige schelp), o. â on; âoorlog- (oorlog ter zee), m. -en; â -otter (zoogdier, snort van marter), m. -s; de âotter leeft aan de N.-kusten van Azië en Amerika. Zeep, v. âon; groene â; Spaansche â, witte harde â; â zieden; hij is om â, hij is ......I. Zeepaap (zonderlinge zeevisch, ster ren kijker, hoog kijker), m. âpapen. Zeepaanlje (zeevischj'i met den kop van een paardje), o. â s; het aquarium te Amsterdam bevat levende âs. Zeepaling; (zeeaal), m. âpalingen. Zeepbel {bel van zeepsop), v. â len; lig. iots, dat schoon is, doch spoedig verdwijnt; â â¢hoom (Ind. groote boom, wiens bes goede zeep oplevert), m. âen; â«loos (blikken nf porceleinen doosje tot het bewaren van zeep), v. â doozen. Zeepeii {met zeep insmeren), ik hêbgozeopl; â er (zeepkoker, zeepzieder), m.; âerij (zeepziederij), v. âen |
/KEPEinr, - ZE RW'AA RDlfr.
:gt;0J
|
5Bee|»l|C« l»n.; deze beschuit sinaahl â, als zeep. XwpiJI {zekere, mujwcrin), in. â en; â pijn-lMM»ni (keijeldt'uqende. boom), m. âen; â -piiikNteniakvi (stekel rnij, pij is taart), v. â pinksternakels. (saponaria, eenjarif/ overblijvend kruid), o. gin v.; de wortel van het â doet het water schuimen. Xeeplaat» (plaats aan. zee gele;/en), v. âen: â prik (zeelamprei), v. âken. %(gt;epxicMllt;»ii (het zerpbereiden), o. gmv. Xcopzieiler (bereide*' v. zeep), m. â /.ieders. Z^ppxieflerij (zeepfabriek), v. -en. Zeer (pijn), o.; gij doet mij â ; iem. opzijn -tasten, op een wondeplek, ook lig. Zeer (pijn lij h), bn.; het kind heeft een â oog, ontstoken; een â hoofd, zwerend, met uitslag. Zeer (erg), bw.; hij was â boos, â rijk, buitengemeen. Zeeraad (college, dat over zeezaken oordeelt), m. âraden; âraaf (i vat er raaf in Lij flanel), v. âraven; -raket (een soort look in onze duinen), v. gmv.; âram (zekere v'.sch), m. -rammen; âramp (ongeval met een schip op zee), v. ârampen; â reclit (wettelijke bepalingen over zeezaken', ook havenkantoor), o. gmv.: Bart ging naar het â ter monstering. (Potg.); âregister (dagboek,journaal aan boord), o. â s; âreis (reis ter of over zee), v. âreizen. Zeergeleerd (titel van een gestudeerd persoon), bn. Zeerg-estreiiK- (titel van een hoofdambtenaar), bn. Zeerijr (pijnlijk, schurftig), bn.; â lieid, v. Zeerob (een zeehond', fig. ervaren zeeman), m. ârobben. Zee roeper (werktuig om op zee op verren afstand met elkaar te spé'eken), m. â roepers; â roof (rooverij op zee aan een schip gepleegd), m. gmv.; â roover (bevelhebber van een roofschip), m. â s; bij uitbr. het kaperschip zelf; â rooverij (hrt plegen van zeeroof), \. â en; ârot (waterrat, fig. matroos),\. -ten; â rols (rots in of aan zee), v. âen. Zeerst (om liet) (als om strijd), bw. Zeerni (zeewier), o. gmv.; â saluut(kanon- srhot als groet op zee), o. gmv.; â seliade (averij), v. gmv.; â»eheefle (huidzakdier, ook zakpijp genaamd), v. â n; -selielp. v. -en; âsellijf (een soort van zeeëgel), v. â -schijven; âseliilder (schilder van zeegezichten). m. âr; -schildpad, v. âpadden; â seliip (vaartuig ter zee), o. âschepen; lig. een lastig, een ongemakkelijk â. persoon; â seliorpioen (een soort van knorhaan), m. âen: âselmim (witte bellen of bruis), o. gmv.; âselmimer (vrijbuiter, zceroover), m. â s; â seliuimerij (kaperj), v. gmv.; â serpent (zeeaal), o. âen; âsalade, âsla (zeekraal), v. gmv.; -slag: (gevecht van vloten afschepen op zee), m. âen; -slak (kleine ringworm), v. âken; â slan^: (slang in de keerkringszeeën), v. âen; âsmaak (smaak van zeewater), m. gmv.; âsoldaat (marinier), m. âsoldaten. Zeespiegel (op/tervlakte der zee), m. â s. Zeespin (zeker zeedier), v. âspinnen; â -sprinkliaan (een soort van eetbare zeekreeft), m. âhanen. Zeestad (stad aan zee), v. âsteden. Zeester (stekelhuidig zeedier), v. âsterren; |
ih' âkruipt op den bodem der zee en voedt zich met schelpdieren. Zeestekelbaars (zeevisrh, ook a((n onze kust), ni. âbaarzen; âstilte (windstilte), v. gmv.; âstorm (storm uit of op zee), m. âen. Zeestraat (zeeëngte), v. âstraten. Zeestroomiiie:(r/o//airwgt;m), m.-stroomingen. Zeestuk (schilderij, een zeegezicht voorstellende), o. âstukken. Zeet (het zitten', ook zitplaats), v. zeten. Ook: Zete. Zeetaetiek (krijgskunst op zee), v. gmv.; â -telegraaf (onderzeesche telegraafkabel), v. â graten; âterm (woord, uitdrukking bij zeevarenden in gebruik), m. âen: â tijdini;' (bericht uit zee% lijst van aangeLomen en vertrokken schepen), v. â en; â toeht (overzeesche reis), m. âen: â ton (ankerton of boei in de zeegaten), v. âtonnen; âtriomf (overwinning op zee behaald), m. â en ; â trompet (scheepsroeper), v. âten; ook; Zeehorenstak. Zeet nip (een soort van mosselki'eeft), v. âen. Ook : Zeepokken of Balanen. Zeeuw (bewoner van Zeeland), m. âen. Zeeuivseli, bn.; de âe kleederdracht', een âe rijksdaalder, oude munt = f 2.60; goed â, goed rond. Zeevaarder (zeeman), m. â vaarders. Zeevaanli^- (gereed om zee ie kiezen), bn.: â Iteid, v. Zeevaart, v. gmv.; aanleg tot de â. (C. O.); kweekschool voor de â. Zeevader (matroos, die een scheepsjongen onder zijn hoede heeft), m. âvaders. Zeevarken (varkenkonijntje in Z. Amerika)-, o. âvarkens; -veder (plantdier naar zijn vorm aldus benoemd), v. â s; âvenkel (schermbloemige plant, wassend in zeerotsen), v. gmv. Zeever (speeksel, kanji), v. gmv. Zeeveren (het laten loopen van kwijl), ik heb gezeeverd; âaar, v.; â insquot;, v. Zeeverzekeraar (die tegen zeeschade verzekert, assuradeur), m. â s; â verzekering, v. âen; â verxekerin$;'-maatseliappij. Zeevestin^; (versterkte stad aan zee), v. âen; â viseli (voorwerp), m. â visschen; (stof), v.; â viselmiarkt, v. âen. Zeevlak (oppervlak der zee), o. âvlakken; â vlakte, v. âvlakten. Zeevloo (schaaldier onzer stranden), v. -vlooien. Zeevoeten, in. mv.; âroeten hebben, vast kunnen loopen op het dek van een zeilend vaartuig. Zie: Zeebeenen. Zeevolk (zeelui, pikbroeken, matrozen), o.; â vooji'd (vlootvoogd, admiraal), m. âen; â voogdij, v. gmv.; âvos (een soort zee-visch), m. âvossen; â vrijbuiter (kaper), m. â s; âwaaier (een soort koraal), in. âs. Zeevoml (voorwerpen uit zee aangespoeld), m. âvonden. Zeewsiar^li^* (in staal om uit te zeilen, van een schip), bn.: een schip in âen toestand brengen', â waarts (in de rich Uiig van de zee), bw.; â u a^en (schelpkaros van Neptuin), m. âs; âwater (zout water der zee), o.; â weegbree (weegbree, ook zeehartshoorn, krokkeling, reiegeheeten), v. gmv.; â wering' (dijkwerk), v. âen; -werving* (het aanwerven van matrozen); v.; â wetten (voorschriften, verordeningen: W'tten de zeevaart betreffende), v. mv.; âwezen (al wat betrek- |
ZRF.WIKR-ZICLFVICRI.OOrilKNINr!.
|
khuf heeft op zeevaart en zeedienst), o. gmv. %«e%vier (zeegras, lintvormig gras), o. gmv.; het â vindt men bij Wie ringen en Elburg; het â, geloogd en gedroogd, is handelsartikel; het gedroogde â dient tot ruiling van bedden en matrassen. Zie Zeegras. Z«Mquot;ivijr (zeemeermin), o. âwijven; de verdichting der â wijven, (.lonath.) Keeivilgr (zekere heester, ook monnikspeper), 111. âwilgen. XootviiMl i iind, over dag uit zee waaiend), in. âwinden; in Batavia wordt de â desmor-g*ns om 10 uur merkbaar. (Vetli.) /«'onolt* (vraatzuchtige stekelvinnige slijm- visch der Noordzee), m. âwolven. Zponorni (worm, die de buitenplanken van een schip doorboort), 111. âwonnen. (zaken, het zeewezen betreffende), v. inv.; de kamer van de admiraliteit. XfM'zcelt (een soort van lipvisch), v. âen. %e«'xilt;kk (misselijk, aangetast door de zeeziekte), hn.; al de passagiers van de Londen-sche boot waren â ; âziekte (ongesteldheid der maag op zee), v. gmv. ägt;%OK' (zuiging van water achter een zeeschip), o. gmv.; âzwaluw (meeuwachtige vogel), v. âen; âzwam (zwamsoort aan rotsen, bodems groeiend), v. âmen; âzwijn (stekelhaai, zuigervisch), o. âen. Zefier, Zelir (koele, zachte westenwind), m.; zefieren, zefirs. Zeg-e (overwinning, triomf), v. gmv.; - boog (eerepoort)\ â«licht (gedicht ter eere van de j overwinning), o.; âfee«t. o.; âgalm, m.; â kar (triomfkar), v.; -krans, m. âen; â lieil, o. âliederen. Zegel. o. â s; een verzoekschrift op â, op gezegeld papier; onder het â des geheims; vrij van â, niet belast met; fig. zijn â aan iets hechten, iets goedkeuren; zijn â op iets drukken, het bekrachtigen. Zegelaarde (Armenische aarde), v. gmv.; de â werd vroeger gebezigd als geneesmiddel. Zegelafdrnk, m. -drukken; -belasting (nl. door en op het zegel), v. -en; âbewaarder (staatsambtenaar; ook oppasser in een verzegelden boedel), m. â s; âdoosje (houten, ivoren, zilveren of gouden platte doos tot bescherming en vrijwaring v. h. aangehechte zegel), o. â s. Zegelen (een zegel op iets drukken, afsluiten, ' waarmerken, stempelen), ik heb gezegeld; â aar, m.; â ing% v. Zegelgeld (belasting v.h. zegel), o. âen; â -hars (om te zegelen), o. en v. gmv.; âkantoor (waar men zegels koopen kan), o. â -kantoren; -klopper (die den zegelstempel op of in het papier maakt), m. â s; âkosten (kosten voor het zegel), m. mv.; âlak, o. gmv.; âlood (plombeerlood), o. gmv.; â -merk (teeken v.h. zegel), o. -en; âpers (om het papier te zegelen), v. âpersen; â -recht (âgeld), o. âen; âring (ring voorzien v.e. stempel), m. âen; âsnijder (graveur), in. âs; -was (was om zegels in af te drukken), o. gmv. Zegen (zegening, heil),m. gmv.; ik wensch u heil Zegen (net) v. â s; Ook: Zein. \en â. Zegenen (den zegen geven), ik heb gezegend; de geestelijke zal de vaandels, het volk, het leger â ; God zegene u: bij nitbr. prijzen, loven: (ïezegentl zij God; iem. nagedachtenis â ; -aar, in.; â ing, v. m j ij |
Zegenrijk (rijk aan zegening), bn.; een â gevolg. Zegepraal (luisterrijke intocht des overwinnaars; lig. overwinning, triomf), v. âpralen. Zegepralen (de overwinning behalen), ik heb gezegepraald. Zegevieren, ik heb gezegevierd; hij heeft over alle vijanden gezegevierd; â over alle moeieiijkheden, d. i. ze alle te boven komen ; de hooge waarde van het christendom âd aantoonen. (Koetsveld.) Zegge (plant, familie der eg pergrassen), y. gmv.; er zijn in ons land meer dan vijftig soorten van â. Zeggen (mondeling mededeelen), ik heb gezegd, gezeid; â ger, m.; een oomzegger, neelquot;. Zeggingskracht {gave van wél te spreken), v. gmv. Zegsman, m. âlieden, âlui; wie is tav wie heeft het u verteld ? Zegswijs, Zegswijze (manier van zeggen, spreekwijze), v. âwijzen. Zeil (zeildoek), o. âen. Zeilag-e (zeiltuig, vaart, loop), v. gmv. Zeilen, ik heb en ben gezeild; uit â gaan, met een zeilboot gaan spelevaren; erg adder-uil â , lig. tegenspoed hebben; âer. m. Zeiljacht (vaartuig), o. âjachten. Zeilklaar (zeilvaardig), bn.; het bootje ligt â. Zeilree, bn.; de boot ligt â, gereed om uit te zeilen. Zeilsteen (voorwerp, magneet), m. âsteenen; (stofnaam), o. gmv. Zeis (werktuig der grasmaaiers), v. -en. Zeisen (zeis), v. âen, â s. vero. Zeker, onbep. vnw. en bw.; in â land; door â koning-. â iemand; op âen dag; ik kom â, gewis; hij heeft het niet â, vast. Zekerheid.'v. gmv.; âshalve (voor de zekerheid), bw. Zelden (niet dikwijls), bw.; ik spreek hem â. Zeldzaam (schaarsch). bn. en bw.; goede appelen zijn van V jaar â; een â mooi exemplaar, â heid, v. Zelf, aanw. vnw.; mijn vader â ; ken a zeiven; de koningin zelve; om uws zelfs wil. Zelt'behêersching, v. gmv.; een goed overste bezitâ; een wezen, gt;il. de leeuw, geheel woede, maar bedwongen door â. (C. O.) Zelfbehoud, o. gmv.; hij school uit zucht tot â. Zelfbewust (//lt;e/ inner lijk besef ),hn.; â heid, v.; -zijn, o. Zelfheid (ikheid), v gmv.; aan 't hoofd der menschheid streve hij (de dichter), om alle â te verdelgen. (Da Costa), nl. egoisme, eigenbaat. Zelfkant (wollen rand a.e. weefsel), m. â -kanten. Zelfklinker (klinker, vocaal), m.; âklinkers. Zelfmoord,m. â moorden; menig ongelukkig speler pleegde â. Zelfonderricht, o. gmv.; brieven om het Fransch te leeren door â. Zelfs, bw.; de koning â zal komen. Zelfslachtig: (hebbende als diernaam een vast taalgeslacht), bn., b.v. olifant, in., mug, v. Zelfstandig', bn. en bw.; een â karakter, dat eigen richting of overtuiging volgt; â handelen, niet aan den leioand loopen; âheid, v. Zelfverloochening, v.; - vernedering, v.; -vertrouwen, o.; âverwijt, o.; âverzaking, v.; - voldoening-, v. |
ZELFZUCHTâZEVEN. r.07
|
â Zelfzucht (eigenbaat^ baatzucht), gmv.; de â doodt vele edele gevoelens, egoïsme. Zeloot (hardnekkig en onverdraagzaam he- 'f'. strijder van andersdenkenden, voornamelijk in el' fiodsdienstzaken; ijveraar), m. zeloten. Zc^ineleii (fiemalen bolsters v. graan), v. mv. quot;ft Zemelen (zeuren, temen, nutteloos praten), II'' hij heeft gezemeld; waf is buurman weer aan 'n; 7 â geweest. -d Zemelig', Lm.; dit roggenbrood is erg â, met zemelen vermengd. v. Zemelkiioupen (kinderachtig stipt zijn, mug-tig genziften), ik heb gezemelknoopt; âer. m. Zeufl (taal, waarin de gewijde schriften der Voor-Indiërs opgesteld zijn), o. ielquot;. ZeiKlavesta (het boek der oude Voor-Indiëra), n), v. gmv.; de â bevat de leer van Zoroaster. Zendbrief (mand on ent), m. âbrieven. Zendeling-, m. en v. âen: voor het v. ook â e; hij werd â onder de Pajak kers op en, Itorneo, verkondiger van het Evangelie; bij de R. K. missionaris. ZeiHleling^sgenootMeliiip, o. âgenootschappen; â linis (leerschool voor zendelin-gen), o. âhuizen; â ijver, m. gmv. âwerk. o. gmv. Zemlen (sturen, doen toekomen), ik zond, heb gezonden; iem. een brief â; om den dokter â ⢠â ; iem. een uitnoodhging â, doen geworden; quot;it iem. naar de andere wereld â, dooden; âer, m.: â ing', v. en: Zeneblad, o. âbladen. Zie Senebiad. Zenegroen (lipbloemige plant), o. gmv.; hel kruipend â leeft op vochtige weiden. Zeng (zeew. plotselinge en kortstondige ver-heffing van den heer schenden wind), v. âen. om Zengen (schroeien, licht branden), ik heb gezengd; zijn haren waren gezengd; een ge-ze- plukte kip â, schroeien boven de vlammen: -Ing. v. â ⢠Zenitli (aardr. schedelpunt, toppunt), o. gmv. quot;p- Zeniin', v. âen; lig. het geld is de â van den 'in- oorlog, van den handel; dit meisje heeft het op de âen, is zenuvvzwak. Zenuwaelitig, bn.; een â schepseltje; waarlijk, men heeft in de maatschappij menig t'sle menschenschuw, bloohartig en â wezen doen ede, opgroeien. (C. O.); een âe glimlach. (Q. O.); een lachje van âe voldoening. (('.O.); eenge-icht voel van âen angst. (J. t. Br.); -held, v. Zenuwgestel (ul de zenuwen samen), o. gmv.; knoop (samenkomst van zenuwen in éen punt), m. âen; âkoorts (tgphus), der v. âen: â krainp. v. âen; -kwaal ( â -ziekte), v. âkwalen; âleer (wetenschap van 'â¢quot;e? het zenuwgestel), v. gmv.; âleven, o. gmv.; â lijden, o. gmv.; â lijder, m. â s; -lij-i- â deres. v. âlijderessen; âloos (zonder zenuwen), bn.; âpijn, v. âen; âtrekking. ers. v. âen; âvezel (zeer fijne witachtige dra-vA'den), v. âs; -ziekte, v. â n. Zerk (vierkante steen; grafsteen), v. âen. het Zero (nul, niets), v. gmv. Zerp (wrang), bn. en bw.; â liâ¬Â»id, v. Zes, telw. âsen: als zn. v.; hij had plezier een voor â; wij waren met ons âsen; hij gooide Æ/gt; v. twee âsen, dobbelspel; een paard van âsen dat klaar, met vier goede pooten en twee goede mie- oogen; hij is van âsen klaar, bijdehand; vlug v. ff Is een meisje van drie zesjes. (Potg.) â¢â¢v.; Zesde (ranggetal), bn.; Juni is de â maand; k er- Vrijdag is de â dag der week; hij stierf den â n Maart; graaf Willem de â. |
Zesderliande. âlei (van zes soorten), on-verb. soortgetal. Zeshoek (veelhoek m. zes zijden), m. â hoeken. Zeshonderd, telw. Zeshonderdste (ranggetal), telw. Zespoiuler (kogel, gewicht), m. â ponders. Zestal, o. âtallen; een â kinderen. Zesthalf (0.27:* gld.) m. âhalver.; âje. Zestien (hoofdgetal), telw.; -de (ranggetal), bn. Zestiental, o. âtallen; âvond, o. âen; â -vondig. bn. Zestig, telw.; ben je â V zijt ge suf of zot? Zestiger {iemand van zestig Jaar; ook wijn van 1860; alsmede een schip van zestig stukken), m. â s. Zestigponder (kogel, kanon), m. âponders. Zestigste (ranggetal), talw. Zestigtal, o. âtallen; âvond, o. -en; â -voudig. bn. Zet. m. âten; een goede op dam-of schaakbord; een geestige â, wouri; een domme â, streek: hij deed het in één â, zeer vlug. Zet angel (hoek of haak aan den hengel), .n. â angels. Zetbaas, m. âbazen: in dat café is hij maar â , agent, strooman. Zetboer (huurling, pachter), m. âboereu. Zetl'.mt (drukfout), v. âfouten. Zethaak (werktuig van den letterzetter), m. â haken. Zetel (stoel, troon), m. âs; de koninklijkeâ, de pauselijke â : de â der regeering, plaats van het rijksbestuur ('s-Gravenhage). Zetelen (zijn verblijf houden), ik heb gezeteld. Zetmeel (wit planten poeder), o. gmv. Zetsehipper. m. âschippers; hij is maar â, het schip behoort een ander. Zetsel (van thee, koffie), o. â s. Zetten (stellen, plaatsen) ik heb gezet; ee}i boek in de kast â ; een diamant â: koffie thee â, bereiden; iets op het papier â, schrijven, opstellen: een gebroken arm of been â; geld op rente in de gevangenis â ; in den lommet^d â : iets op noten â, iem. iets betaald â. zich wreken; ik kan hem of haar niet â, lijden, uitstaan; zijn zin op iets â: alles op haren en snaren â, in rep en roer brengen; iets op touw â, aanvangen, beginnen; iem. terecht â, tot zijn plicht brengen; het op een l o open â : zich iels in het hoofd â ; zij zal er de tering niet van â; een persoon, 'een volk den voet o}gt; den nek â, onderdrukken; de hoot van wal â, afsteken. Zetter (letterzetter), m. â s: aan deze drukkerij werken 'gt;0 âs: het college van âs, ambtenaren, die den aanslag der belastingen regelen Zetterij (werkplaats der letterzetters), v. â en. Zeug (wijfjesvarken), v. âen. Ook: Zen ge. Zoog. Zeulen (aan een touw vgt;ort slee pen), ik heb gezeuld; dees â leeftocht aan. (Tollens); â er, m. Zeunie (varkenstrog), v. â s. Zeur (~ ear kous, zaniker), m. en v. âen. Zeur (vod, beuzeling, kleinigheid), v. âen. Zeuren (zaniken, naden), ik heb gezeurd; lig daarover niet te â, langen vervelend te praten om zijn zin te krijgen; â«Ier, m. Zeurkous (vervelend pruttelaar), m. en v. -kousen. Zeven, telw. â s; als zn. v. |
â ZUDKni'PS.
/KVKXBLAD
|
%eveiiblalt;l (zeker kruid; ivilde vlier), o. gmv. Xovoiibooni (JiccsterachlUje kegel dragende plant), m. â lioomcn; de â bevat een krachtig plantenvergift. Zevende (rangiietal), ié[\s.\ de â dag der week-, de â maand op deti ân Mei', Karei de â ran Frankrijk. Xevencllialfje (voormalig muntstukje of I tietje = res en een hal re stuiver of twee en dertig en een halven cent), o. âhalfjes. Zevengresternfe {sterrenbeeld d. plejaden), o. Zeveiikruid (riekende klaver), o. gmv. Zevenhoek (meelk. veel vlak), m. âhoeken. Zevenjaarsbloein (roerkruid of droogbloem), v. âbloemen. Zevenklapper (vuurwerk), m. âklappers. Zevenoog: (bloedvin of bloedzweer), v. âen. Zevenslaper (zeker knaagdier), m. -slapers. Zevensier (zevengesternte), v. gmv. Zevenlifffer (/Vwm*/ va)i zeventig jaren: ook wijn van i870; alsmede een srhip van zeventig stukken), m. â s. Zeveiiv4»iilt;l. o. â vouden: 4U is een â, 84 is een Zieli. wederk. vnw.; hij geeft â veel moeite] zij wasschen â. Zielil (kleine zeis), v. âen. Ziehl (vertoon), o.; op â, bij vertoon; betaalbaar acht dagen na â, nl. een wissel; hij zond mij de boeken op â, op beziens. Zielitbaar (duidelijk), bn. en bw.; een âbare maaneclips, waarneembaar; hij is â verouderd: âheld, v. Zielilen (ziften), ik heli gezicht. Zieflen (hevig koken), ik zood, iieb gezoden: zeep â, zout â; âde (die; gezoden olie; gezoden en gebraden; fig. hij ziedde van toorn, kookte; âer. m.; â ingr, v.; âsier. v. Zieg-ezagren (zaniken, zeuren), ik heb gezie-gezaagd; Hg niet langer te â over je verlies. Ziek. bn.: een â kind; hij is er â van; hij hield zich â; ik heb mij â gelachen; â van verlangen. Ziekbed, o. â itedden; ook altijd aan âbedden te staan. (Potg.) Zieke (lijder, lijderes), m. en v. â n. Ziekelijk, lm.; een âe kleur: een â denkbeeld, dwaas, ongezond; â lieid. v. Zieken (ziek zijn, wegkwijnen), ik heb geziekt. Ziekenfonds (geld, door gezamenlijke bijdragen verkregen en waaruit dr leden trekken in geval van ziekte), o. âfondsen. Ziekenoppasser, m. âoppassers; âoppasster. v. â s; -Iroosier (krankbezoe-ker). m. â s; âvader, m. -s. Ziekle. v. â n; zij leden, stierven aan dezelfde â ; een besmettelijke â. Ziel. Ziele. v. zielen; de mensch bestaat uit â i'n lichaam, geest, niet-stollelijk wezen; er was geen levende â ; God hebbe zijn â ! zijn â ruste in vrede! bij mijn â : geld is de â van den handel; een stad van tienduizend â en: de â van een kanon, inwendige ruimte van een kanon. Zieleleven. o. gmv.; â lijdt^n. o. gmv.; â -adel (edelheid van karakter), m. gmv.; â -rnsl. v. gmv.; -smarl, v. gmv.; âvreugde. v. Zielkunde (wetenschap v.d. eigenschujtp 'n en krachten der ziel, psgchologie), v. gmv. Zielsang'sl (groote onrust), v. âon; âbedroefd (erg bedroefd), bn.; âblijde (zeer blij), bn.; â kraelit (wilskracht), v. âen; |
Zijde â ktvellinft', v. âen; â rnsl (kalmte des j gemoeds), v. gmv.; âsmarl, v. âen; â -slrijlt;l, m. gmv.; â v«'el (zeer veel), bw.: â ^-j J -veel van ietn. houden; â verdriel, o. gmv. '| j Zielsverhuizing- (het overgaan der ziel), v. /i'sj.., â verhuizingen; de oude Eggptenaren geloof-den aan de â : de Hindóesche leer predikte ⢠Zifsi'f' Zieltogen (sterven), ik heb gezieltoogd; de gekwetste lag te â; -in;;, v. Ziiare Zielverkooper (ronselaar in soldaten of matrozen), m. â verkoopers. y'jj? , Zielverkwlkkeii«l (verheffend, troostend), /ij|a. bn.; een âe gedachte. Ziilii Zien, ik zag, heb gezien; de kat kan in het donker â; kun de knaap al op de klok â wij â nooit mensehen, bezoek ontvangen; dit meisje ziet scheel: wat ziet gij zuur! men ziet hem naar de oogen, iem. ontzien; iets â ^rij|V) over het hoofd â, niet letten op: door de vingers â, verschoonen: iem. op de vingers ' â, hem in 't oog houden, bevitten: zij isâde '(f*r _ blind: uit eigen oogen â, een eigen oordeel hebben; Jan, zie eens naur de kippen, letten op, zorg dragen voor. staat 7b' . . bij V Zijn ( te -, Zij in* haren Zilvei Zilvei Zilvei Zienlijk (zichtbaar), bn. en bw.; werd â mijn oog, enz. (Staring.) Ziine Zienswijze, -wijs, v. âwijzen; wat is uw âmeening, opvatting. Zier (wormpje: kleinigheid), v.; een â geduld; geef mij een -tje zout, peper, enz. Ziine Ziezoo, tw.; â, dat is al weer klaar. Zift (zeef), v. -en. Ziins Ziflen, ik heb gezift; het meel â; gij ligt aeiiik altijd te -, vitten, haarklooven; een muggen- ,_s. /. zifter, kleingeestig bediller; âer. m.; â ins*. /|j|MI, v.; âsel, o. Xiinel Zigeuner (landlooper. Heiden), m. â s. Ziirelt; 'lAffxnfs (lijn, die uil-en inspringende hoeken maakt), m. -s. Ziiwa Zij (stof), v. Ook: Zijde. Zij, Ze, pers. vnm; wat zeggen -? /ij, ze ^j, (mannen, vrouwen, kiwieren) umchten u. Zilwo Zijd. bw. in: Wijd en â, naar alle kanten, . Zijde, Zij (kant), v. zijden; de ân van een tafel, van een huis, van een tuin; men kuunn /msJ van alle ân; de westelijke â eener stad: /üv,., een oom van moeders â; iets ter âleggen, ^Iiei),rgt; als afgedaan beschouwen; iem. op zijn â hebben, hand; dit is zijn zwakke â, ffêbrek;,Zj| j pijn in de â; een â spek. ' _ Zijfie, Zij (slof, kostbaar weefsel), v. gmv. Zj|V(k| Zijileaeiilig- (lijkende op zijde), bn.; âe ha- . ren; -fabriek, v. âen; â fabrikanl. m. .25-iari â en; âhandel, m. gmv.; -handelaar. *quot;quot; * m. âhandelaars. Zijdelings, bw.; hij keek mij â aan, van ter zijde. â..vei Zijdelin$;-sch. bn.; een âeldik; erfgenamen in de âe linie, niet rechtstreeksche. 'waar Zijden (vnn zijde), bn.; een â japon, eer,, â . .. zakdoek. 2t s, Zijdeplant (Amenkaansche plant, ook in ^ onze duinen), v. âplanten. meeni Zijderups, (groene rups e. e. nachtvlinder), v. -rupsen; -spinner, m. âs; -spin- zj/jn^ quot; nerij. v. âen; âslaarl (pestvogel), u\. âen; v ,n n. â slof. v. (stoffen; âIwijnder (die zijden , . . garen dubbelt), m. -s; -Iwijnderij (werk-. * plaats v.d. âtwijnder), v. âen; âwever. ll:tD.0j m. âs; âweverij, v. -en; âwinkel, m. ® â winkels. |
ZI.IDKWKK-ZITTKN.
|
Xijdewt'f (pijn in de zij, jtlenris), ü. gmv.; een heuiije aanval van. â. %ijlt;lckn'4»rni, Zijworm (zijd rn/ts), m. â en. Xieer (sabel), o. âgeweren, vero. Xijtf-aiiK (het gaan), m. -en; hij ijmg âen, d. i. niet recht door zee. Xijffan^ (gang ter zijde), v. âgangen. Zijden, ik zeeg, ben gezegen; zij â 'ni on-rtiaeht neder. Hauw vallen. Zijden (doorsijpelen), zeeg, heeft gezegen; het water door een filter laten â. Zijden (in unmaehl vallen), zij zeeg, is gezegen. Zijl (waterlouzinij, ook sluisje), v. -en. Zijlaan (dwarslaan), v. -lanen. Zijlijn, v.; de treiti werd op een â ijihrnrltl. Zijlinie, v.; hij behoort tot een â vnn dat adellijk (jestaeht. Zijlv4gt;sfeiiij (in Gronimjen ijebrnikelijk voor ivatersehap), v. âen. Zijlve^tc^r (mede-besta ar der van een waterschap), m. â s. Zijlvlt;vHterliiiiM (gebouw voor de vergadering der zijl oesters), o. âhuizen. Zijluaar«ler (slnisnieester), m. â s. Zijn. ik hen, was, hen geweest; (hul is, bestaat: hij is olfieier; het is zoo. (Zie vorder hij Wezen). Zijn {het zijn, het bestaan), o. Zijnent, te â, hijw. uitdr.; ik kom dikwijls Ie â, in zijn huis, hij hem. Zijnentlialve,(oin)-wil. hw.; doe het maar â, om hem, d. i. uit genegenheid tot hem. Zijnenlwe^e, hijw.; ik groet n â, namens hom, uit zijn naam. Zijn». Zijner, pers. en he/itt. vnw.; dit is â gelijke-, herinnert gij u â nog\' De vrachten â s tuitts, zijns ho/'s, âer bitomen. Zij|»alt;i. o. âpaden. Zijpelen. Zie Sijpelen. Zijreelt;ler (zijdebercider), m. âreeders. Zijreederij. v. â reederijen. Ziju aarts, hw.; hij ging â. Zijwaarls4*li. hu.; een âe beweging, in de richting van ter zijde. Zijworm (zijderups), m. âen. (gt;»»!lt;: Zijdeworttt. Zilt (zout), hu.; het âe wafer der zee; âe tranen; het âe nat, de zee; -lieid, v. Ziltig (zoutig), hu.; â heid. v. Zilver. o.; een horloge van â ; linssiseh â, ' mengsel v:ui zilveren andere metalen; lig. haren van â, witte haren; het â des ojuderdoms. Zilverblank, lm.; eeti âe hand, de âe zwaan, eeti âe visch. Zilvt'ren (van zilver), lm.; dat zijn â lepels; â kandelaars; hij viert zijn â bruiloft, 25-jarig huwelijksleest; een â ambtsfeest; â huren, zilverwit. Zilverling'munt - ± f l,7')),\n. â ei\. Zilvci*Mmi«l, m. âsmeden. Zilveruif, hn.; een âte haarlok. Zin, m. â neu; de tnenseh heeft vijf âtwn; waar zijn uw âtien\' verstand; hij is niet bij zijn ânen; hij is van zijn ânen benut fit: â dat schoot mij in den â, gedachte; zet dat uit uw ânen; veel hoofden, veel ânen, meeningen, richtingen; hij had er zijn ânen op gezet, zijn hart: hij teil zijn â hebben, zijn verlangen ingewilligd zien; ik ben van âs, voornemens; ik heb wel â in dat reisje, lust; dat heeft geen â, heteekenis, dat is onzin; de hoofdleden van een â, spraakk., in woorden uitgedrukte gedachte; de knaap moest zes te des m; â w.: â gmv. !lt;?/), V. teloof-edik te jd; de ten of it end), in het ik -? m: dit ' men i; iets tor de ingers is âde ordeel letten - voor is uw ediild: iij ligt utifien--111». 'toeken ',i\ Zij, ze II II. iten. m een kiem tt ⢠stad: lei men, â ijn - el trek; gmv. -e h'i-nf. in. flaar. n, vnn ncntien ook in] itidey). Mpin- ii. âen; zijden {teerk-ve\er. tel. in. |
â nen sehrijven; spelen van âm', rederijkersvoordrachten met personilicatiën. Zineoffraphïe (afbeelding op zink, doar chemische werking voortgebracht), v. â ën. Zindelijk, {proper, net), hn. en hw.; een âe huisvrouw, een âe bediening; â lieiil, v. Zingen, ik zong, heb gezongen; een tied â; altoos hetzelfde liedje â, hetzell.Ie onderwerp behandelen; ik zing ilen onUrrgang van d'eersten wareldgrond. (Bild.), Itezingen, dichten over. Zink (zeker wit metaal), o. gmv. ZinkUoor (spitsboor, ronde vijl), v. âhoren. Zinken (zakken, omlaag gaan), ik zonk, ben | gezonken; het schip gaatâ; in de modder â; j in diepen slaap â; den moed laten â, ver-j liezen; hij is diep gezonken, zedelijk diep i gevallen; â sel, o. Zinking (ziekelijke aandoening), v. âen. j Zinklood (peillood, dieplood), o. â louuen. Zinkput, m. putten. ! Zinkr4»er (pistool), o. â s. vero. '/Anialifs (zonder inhoud), hu.; een â gezegde, | zonder heteekenis: een â opstel, een âebnrf. \ Zinlijk. Zinnelijk (met de zinnen u:aar 'e i nemen; ook: zingenot beminnend), hn. en bw.; iets â waarnemen; een â mensch. Zinlijjklieid. v. gmv. Zinloos (zonder zin), hn.; een â opstel, i dwaas, zot. Zinnebeeld, o. âen; het anker is hel â der \ hoop; de haan is het â tier uuiakzaamheid; | in.'in pree.',en het â der onbegrijpelijkheid! (Koetsveld.) j Zinnebeeldig', bn.; een âe voorstelling, 1 allegorie. Zinneloos (zonder verstand), bn. eu bw.; een âlooze vroutr, beroofd van zinnen; â gesnap; â lieid. v. Zinnen (peinzen, denken), ik zon, heb gezonnen; h'j zot op wraak te â; ik zal er eens op â, het overdenken. Zinrijk (snedig, geestig, vernuftig, krachtig), hn. en bw.; een â woord, eeti â gezegde, een âe fabel; â lieid, v. Zinsbedrog, o. gmv. Zinspelen, ik hol» gezinspeeld; hij was aan 7 â op uw afkomst, doelen op, bedektelijk aanduiden; â ing:, v. Zinspreuk (leus, devies), v. âon; elke rederijkerskamer had haar â; de â der Haar-lemsche kamer was: Trou moet bijeken. Zinsvâ¬'rbijstering'(/.ragt;*Ar/jm/V//fm/),v.gmv. Zinverwant, bn.; uitvinden en ontdekken zijn âe woorden, d. i. synoniemen. Zit, m. gmv.; dat was een heele â; dat is hier een lief âje, plekje; die jongen heeft geen â in 't lijf, kan zich niet rustig houden; neem eeti â, d. i. een stoel. Zitdag, m. âen; de â eener rechtbank; de â vati een ontvanger, tot hot ontvangen van belastingen. Zitten, ik zat, heb gezeten; hij zit op een bank, gezeten zijn; in den raad â, lid or van zijn; de vogels â op dien tak, rusten; hij zit in de gevangenis; het schip zit op een bank; aan het roer â. regeeren; op den troon â, heerschen; waar mag zij toch â blijven; iem. laten â, verlaten; mijn oom zit er goed of war/n iw, is welgesteld; ergens veel geld in laten â , bij verliezen; die jas zit u gjed, passen, kleeden; het rijtuig bleef in de sneeuw â, steken; er zit niets anders |
â
ZITTING-ZONDK.
|
ei* is niets anders n;m te doen; de win-(leriijr art vocaal riep: Hij zit (C. O.) nl. de Iml is in den zak gestopt, zit daar in; in de rcrleijenhcid zich bevinden; het :il mij in de hecnen, nl. de pijn, de vermoeidheid is daar; bij die menschen zit rjeld, gevonden worden; die jonr/en heeft fjeen zit in zich. kent geen rust; zij bleef met haar eieren â, kon ze niet verkoopen. v. âen; de â ran een stoel, ran eca canape; lig. â laaiden, vergaderen, of ergens zijn om menschen te spreken; â nonen in lt;icn (jenieenteraad. Zode. zoo, zooi (kooksel), v. zoden, zooien; icn â visch; een zooitje; zootje. (affiestoken stak uras), v. â n; zootje. Xolt;liak {dierenriem), m. gmv.; do â is go splitst in 12 aldeolingen van 30°, wier namen zijn: de Ram, de Stier, de Ttueelingen; de Kreeft, de f.eeaw, de Maagd; de Weegsehaal, de Schorpioen, de Schatter; de Steenbok, de Waterman, de Visschen. De «Irie eerste heeten lenteteekens, de drie volgende zomerteekens, enz. Koek (verloren, rerbonjen), hw.; â zijn, â raken, enz.; mijn hoed is â ; die naald zal â raken. Zookon {trachten te vinden), onr. ik zocht, heb gezocht; naar een bock - : een betrekking â ; eigen voordeel â, bedoelen; de schaduw â ; het zonnetje â; neutjes â ; ruzie â, willen maken; twist â ; iem. â te bedriegen, streven naar; âer, m. Xookniakeu, ik hob âgemaakt; hel kind heeft het boekje zoekgemaakt, men kan bet niet vinden; veel geld â, fig. verteren. Xoekraken {verloren raken), het is âgeraakt. Zool, bn. en hw.; het is â weder, warm, niet gnnr; âlieid, v.; âte {lauwe wind), v. Xóen (kus; verzoening, vrede), rn. âen. %oeiilt;loolt;l. m. gmv.; de â van Christus. Xoeiien {kussen, omhelzen; verzoenen), ik hel» gezoend. Zoenjirelfl {geld als boete\ o. gmv. Xoenofler (offer tot delging van schuld), o. â s; Christus als â, oller tot delging der zonden. Zoel, bn. en bw.; een âe appel, â e koek, âe droomen, hoogst aangenaam; een â kind, branf; een â woordje (C. O.), vriendelijk; 's levens â en zuur, als zn. o.; âheid, v. Zoetekauw {lekkerbek), m. en v. âen. Zoetelen {spijs en drank in een leger verkoopen), ik heb gezoeteld; âlaar {marketenter), m. -s; â laar ster {marketentster),v. -s. Zoetelief je {beminde), o. â s. gmz. Zoetemelk, v. gmv. Zoetemelkscli, bn.; een â kaasje, van zoetemelk. Zoeten, ik heb gezoet; de chocolade is te zeer gezoet, d.quot;i. zoet gemaakt. Zoetertl {lieverd), m. â s. Zoethout {plant in Z. Europa), o. gmv. Zoetigheid {snoepgoed, lekkers), v. â heden; keur van lekkers en âjes. Zoetjes, bw.; ga maar â te werk, /.acht, bedaard, langzaam, zonder overijling; hij leest â , zij zingt â, niet overluid. Zoetklinkend {aangenaam van toogt;i), bn.; een âe stem; een âe taal. Zâ¬Â»etsa|»pig: {laf, zouteloos), bn. en bw.; een â antwoord; hij zette een â gezicht; hij sprak erg â, vleiend, verlokkend -heid, v. |
Zoetvijl (smed. fijne vijl), v. â en; de â over iets laten gaan, iots uiterst fijn afwerken. Zoetvijlen {fijn a fvijlen of bewerken), ik heli gezoetvijld. Zoetvloeiend, bn. en .bw.; een â gedicht, liefelijk, welluidend; âe taal, fraai van klank; -hêid, v. Zoetwater (drinkbaar water, rivierwater), o. gmv. Zoetwatervisâ¬*h (ririervisch), m. âvisschen. Zie ook Zout water visch. Zog? (jnelk), o. gmv. Zog- {spoor), o. gmv.; hel â van een schip: in iem. â varen, hem volgen op zijn spoor. Zolder {bovenste vertrek run een buis), rn. â s. Zoldersrhnit {platte rivierschuit met vast plat del*), v. âschuiten; alle âschuiten leken op monsterachtige spiegels, nl. door den regen te Amsterdam. (De Veer.) Zomer {het tweede jaargetijde, van 21 Juni â 23 Sept.), m. â s. Zomeraehtigf. bn. en bw.; een â weertje; hij is nu al â gekleed. Zomeravond, m. âavonden; â«lag. m. âdagen: eeti heerlijke âdag. Zomeren {zomer worden),h(*t heeft g/'zomerd; het begint te â, warm te worden. Zomerfeest (feest buiten, in bosch of park),\ o. âfeesten. ZomergarKt {die in 't voorjaar gezaaid is), v. gmv.; âhaver. v. gmv. Zoniâ¬krhitte. v. gmv.; â hoetl {stroohaed), m. âen; -huis {tuinhuisje), o. âhuizen; â huisje, o. â s; -jas (lichtejas), v. âsen. â kleed. lt;â¢. kleeren, âkleederen; â lurht. v. gmv.; âmaand {Juni), v. âen; â mor-gen. m. âs; â nacht. v. âen; â rogföe. v. gmv. Zomerseh, bn.; een âe dag; hij was op zijn â gekleed. Zon {lichtgevende, vaste ster, hemellichaam). v. â nen; het rijzen der â, het dalen der â, hel opgaan, het ondergaan der â ; de â melen afschieten, haar hoogte berekenen; derijzendc â aanbidden, zich indringen bij hen, die in eer of aanzien komen: hij kan niet zien, dat de â in 't water schijnt, benijdt eens anders voorspoed; lig. het zonnelicht, de zonnestralen; ga toch uit de â; de bloemen uit de â zetten: ridderorde: De orde van de â, Perzische orde; jaar: Mij draaiden boven 't hoofd reeds meer dan vijf en dertig ânen. Zondaar, m. â s. â daren. Zondag- {rustdag), m. âen: âavond, in. âen; â middag, m. â en: â morgen, m.âs. Zondagsblad {krant, die enkel des Zondags uitkomt), o. âbladen; hetâvan het Nieuws van den dag. Zondagseh. bn.; hij is op zijn â gekleed, , d. i. hij heeft zijn â pak aan. Zondagsjager {half bakken jager), m. â s. Zondagskind {gelukskind), o. âeren; ik hen voorwaar een â, en tot geluk geboren. (De Genestet). Zondagsletter (t'jdrekening: letter die aanwijst, op welken dag der week de eerste Zondag in het jaar viel), v. âletters. Zondagsrust , v. gmv.; vereeniging tot bevordering der â. Zondagsschool {school op Zondag met godsdienstig getint onderwijs), v. âscholen. Zonde, v. â n; vloeken is â, groot kwaad een â tegen den H. Geest, die grootelijks |
i i1
Z( )NDKN ROK - ZO( gt;L0( i IK.
511
|
strijdt togen de barmhartigheid (Jods en slechts uit hoosheid geschiedt, het is â en jaoimer^ erg jammer; het is â en schande, zeer te betreuren. Zoiiflenliok. m. âken: hij is op school altijd ih' â, hij moet hot gelag betalei;, hij heelt, voor anderen de schuld Ie dragen. gt;. â s; icm. â ajii'tihyijen. al hot kwaad, door hem bedreven, nauwkeurig . opsommen. v/. en vgw.: hij is â i/cht, buiten; de man nuts â ivcrl,] i/c zei het. â dat ik het teist. ZoiKli'i'haar (rreeimt), bn.; â IiohI« v. Xonderliii^: {vreemd, onuewoon), bn. en b\v.; â lu'id. v. Zonderling {persoon), in. en v. âen; voor het v. ook â liiiffi': mu oom is ern â : die h'.ntjelschc dame is een âe. /.ij doet vroemd. 'JéOttiXïfs{overheltendetol rlt;^^/c),bn.; onsâ hart. {zonde be(jaan), ik heb gezondigd; in onwetendheid zondigt men niet: â teyen ijoddclijke of menschelijke wetten, deze overtreden; â ti'ijen de rebels der taal, lonten maken; â ti-rjen de welvoeglijkheid, handelen tegen. XoihIv1oV«I {fjrootr wereldvloed), in. âen. Xone {aardstreek, aardijordel, luchtstreek), v. â n; de heete â , de verzengde luchtstreek; de â van den rijstbouw; de â van de suiker-cultuur (Ind. tot ongeveer CbO M.); de â cm de koffie (Ind. van WH.)â1250 M.). Zoneclips {z onsver du is tering), v. âeclipsen. Zonk {zakkimj, kloof, diepsel), v. âen: in een â van den heuvel, (v. Beers). Vlaamsch. Zonlicht. Zonnolilt;*lit. o. gmv.; de zomer begunstigt ons met â. Zonncbaan {schijnbare zonsweg), v. âbanen. Zonncbliiifl {luik), o. âblinden; laat de âen neer, de jaloezieën. Zonnebloein {gele same)ngest. bloem), v. â en. Zonnecirkel {reeks van 28 jaar, na verloop waarvan de datums ween' op denzelfden dag vullen), m. âs. gmv.; âtins {tijdruimte van 24 uur), m. âdagen. ZoniK'fianw {moerasplant), v. gmv.: de rondbladige â; â acliti^cn {plantengeslacht drosera), v. mv. 'iAmiwiïivwst{afgoderij,aanbidding der zon), m. gmv.; Zie: Viuirilieiist. Zonii«'^lan«!» {schittering der zon), m. âen; â {ffloc«l, m. gmv.; â^ocl (myth. Helios, Apollo), m. gmv.; âliilte, v. gmv.; âliocd {zomerhoed met breèden rand), m. âen; -jaar {tijd van den omloop der aarde om de zon), o. gmv.; âkever {lievenheersbeestje), m. â s.; âkijker {helioscoop), m. â s. Zonneklaar {helder, zeer begrijpelijk), bn.: nu is het â , dat kennis alleen voor studie veil is; het bewijs is â. Zonii«gt;kriiilt;l {familie der cistusachtigen, mot gele bloemtrossen), o. gmv.; het gevlekte â. Zonneleen (leenstelsel: allodiaal goed), o. â leenen. Inz. Geheel onafhankelijk leen; de bezitter was alleen aan God dank (voor het zonlicht) en rekenschap verschuldigd. ZonneniieroNcoop (buitengewoon vergroo-tende microscoop), m. âmicroscopen. Zonnen {in de zon staan of liggen), ik heb gezond: ziet} â, warmen, koesteren; ik toil van ver mij â in di stralen van uw heil. (Staring.) |
Zonnescherin {parasol, ook valscherm voor een venster), o. âen; âscliifn. in.; spreekw. Na regen komt â, na leed komt vreugde; â spiegel {zonnekijker). m. âs; âstand {de twee tegenovergestelde punten der ecliptica, waarin zich de zon het verst ten X. of ten van dcu evenaar bevindt), m. âen; âstilstand {zonnestand, op 21 Juni en op 22 Dcc.), m. âen. Zonnesteek {aandoening d 'r hersenm bij overmatige zonnehitte), m. âsteken. Zonnesteen {'groenachtige of geelachtig grauwe edelsteen), m. âsteenon. ZoniK'stelsel {groep van hemel'iclunnen met een centraal zelllichtend hemel'iehaam), o. â s; een â bestaal uit een zon, de planeten, de wachters of manen en de kometen. Zonncstotje (stofje dansend in het zonlicht), o. âs; âstraal (lijn van zonlieht),m. âstralen; â tafel (lijst van den stand der zon voor eiken lt;lag des jaars), v. â s; -tempel (afgodische tempel aan den zonnedienst gewijd), m. âs; âtent (uitgespannen zeildoek vóór op een stoomboot), v. âen; â viseli {stèkel-vinnige, makreelachtige), m. â visschen. de â visch leeft in den A tlantischen Oceaan: â vlek {zwarte uitdoovingsvlek op de zon), v. - ken; â voft'el {paradijsvogel), rn. â s; â vuur (dicht, zonnewarmte), o. gmv.; âwagen (myth, karos van den zonnegod), m. âs. Zonnewe;;' (cosm. ecliptica), m. gmv. Zie; Zonsweg. Zonnen en«l4' {kreeftkruid, wrattenkruid), v. âwenden. Zonnen'ij%lt;kr {werktuig lol hel aanwijzen van den tijd door middel van 't licht der zon), in. âwijzers. Zonnig, bn.; een âe morgen, een â hind-schap, warm verlicht. Zonshoogte {hoogte der zon boven den schijnbaren horizon), v.; de â is gelijk aan de breedte der plaats; âondergang, m.; â opgang, m.; âverduistering (het ten deele bedekken der zonneschijf door de schaduw der maan), v. âen: een â kan alleen bij nieu we maan plaats hebben; â weg {eclipt ica: groote cirkel, die in schijn de zon bij haar jaarlijkse he reis doorloopt), m. gmv. Zoo. bw. en vgw.; doe het zoo, op die wijze; ik kom â, terstond; zoo de waard is, vertrouwt hij zijn gasten, zooals; zoo gij kunt, kom dan even, indien. Zoo. Zooi (zode, kooksel), v. zooien; zootje, zooitje. Zooals (evenals), vgw.: doe, â uw broei Ier. Zoodanig, bijv. bep. vnw.; een âe taal past u niet: âe woorden hoort men zelden. Zoodoendâ¬k, bw.; â zult gij er niet komen. op die wijze. Zoogdier {dier, dat zijn jongen zoogt), o. â en; de koe is een â. Zoogeu {voeden met melk), ik heb gezoogd; om 'f (jongste kind) aan haar hart te â. (Ter Haar). Zooi (menigte), v.; een,vreemd â tje, menschen van weinig beteekenis; een âtje schurken: 't is me een âtje! Zool {onderste lap schoen leer), v. zolen. Fig. voet, sandaal. Zoölatrie {dieren-aanbidding, -vergoding), v. Zoölieten (versteende overblijfselen van voorwereldlijke dieren), v. mv. â Zoölogie {dierenleer, dierkunde), dit boek 1 is een â, natuurbeschrijving der dieren. |
ZOO LOG ÃSC11 - Z r 11 )A gt;1KIJIK A A N SC HE A h'CI 11PE L.
512
|
(dicrkiDidiij), bn.; wn âe? fMi»?, (I. i. een dierentuin: â iuusciüh. Zoöloog (dicrcukcnncr, diere aleer kimd'uje), m. zoölogen. Xooni (rand, boord, kanl), m. âen; de â van een kleed, de â van een zakdoek, de â van een rivier, de â van een weide, de â van hel woud; âpje. lt;gt;. âs. Zoomen (omboorden), ik lielj gezoomd: een doek â. Zoomwerk (sclieepsw. licht fdankwerk), o. gmv. Zoon (jontjen, knaaii), in. zonen of â s. Fig. iifstani meling. Zoop (feidj), in. zopen. Zio: Zo4»|gt;Je. Zoö|»lii«gt;leii (ftUnildieren), rn. niv. Zoopje (teuffje, slokje sterke drank), o. âs. ZoopjeNinan {slijter in sterken drank), in. â lui. Z4»or (nav, scherp, hard), bn. en Inv.; een âe bast, een âe tak, een âc huid, het âc zand', â heifl (dorheid), v. Zoöllierapie (veeartsenijkunde), v. gmv. Zootje (kleine (j raszode),' o. â s. Zootje (kleine zoo), o. âs; een â visch; 7 is m' een â, min volkje. Zoöiomie (ontleding der dieren), v. gmv. Zooveel, tehv.; ik heb â boeken, dat ik ze niet kan tellen. Zooveel, bw.; â te beter, ilos te beter; ik heb â rjewerkt, zeer veel. Zoovcgt;elNtck (ram/'jetal), telw. Zooverre. Zoovlt;^r, bw.; na zijn we â. Zor^ (onrust, bekonimeriny), v. âen; deze moeder heeft veel â, een zieltje of hartje zonder â, â voor iets drtnjen, er op letten, passen. Zorgeloos {zonder zon/, achteloos), bn. en bw.; een â jonffeliny, zij stak, door weer en wind, het â neusjen inde tucht, dat onvoorzichtig kind. (De Genestet); â hei«l. v. Zorgen (zonj dragen, waken voor), ik heb gezorgd; God zal voor ons â ; -wees g er ast, ik zal voor alles â ; wij zullen â voor onze rechten; wie zal voor den zieke âV âer, in. Zorglijk. bn. en bw.; de toestand was zeer â , onrustbarend; een weduwe in âe omstandigheden achterlaten; âheifl, v. Zorgstoel (leuningstoel), m. âstoelen. Zorgvuldig (oplettend, nauwkeurig), bn. en bw.; een âc verpleging, een âe opvoeding, vol oplettendheid; iets - afwerken ; â heid. v. Z4»rgxaaiii. bn. en bw.; een â huisvader spaart voor de dagen van tegenspoed; â -heifl, v. Zot (dwaas, gek), bn. en bw.; â lieid. v. Zot, m. âten; zij (Anne t) schonk een â haar trouw (Staring), nl. een dwaas; iem. voor den â houden, gek, hem foppen; hij speelt voor â, hansworst; elke â heeft zijn marot, elk heeft zijn stokpaardje, speelpopje. Zotskap (kap )net belten, narrenkap), \. â kappen. Zotskap (zot persoon), m. en v. âpen. Zotteklap (dwaze laat), m. gmv. Zottepraat (beuzelpraat), m. gmv. Zotternij (dwaasheid, gekheid), v. âen. Zottin (gekkin, dwaze vrouw), v. â nen. Zout, o. âen; fig. vriendschap is het â des levens; achting is het â der vriendschap; een gesprek met Attisch â besprenkelen, geest, luim, humor; ik heb een zak â niet hem gegeten, ik ken hem ids vriend al zeer lang. |
Zont {van smaak), bn.; die soep is â ; â ' -lieid, v. Zoiitaclitig. bn.; - van smaak; -ader I ( â laag i. e. zoutmijn), v. âs; â Imk. m. â bakken; âbelasting {redden op het zout ! geheven), v. âen; âblok, o. âblokken; â bron, v. -bronnen; âdampen, m. mv.; â deelen, o. mv. Zouteloos (laf, /lauw), bn.; een â gesprek, j zonder pit, niet geestig: âheid. v. Zouten (pekelen), ik zoutte, heb gezouten; | het vleesch â, met zout inwrijven; \\£. gezouten j scherts, bijtende scherts; ik heb hem onge-j zouten de waarheid, gezegd, grof. - Zouteviseh (labberdaan), v. gmv. Zie: Ab-berdaan. Zontgrassen (moerasplanten), o. mv. Zoutgroef (zoutmijn), v. groeven. Zontliandel (handel in zout), in. gmv.; â aar, m. â s. Zoutig (zoutachtig), bn.; â heid, v. Zoutkeet (bereidplaats van zoul),\. â keten. Zontlepeltje. o. â s; -inagaxijn o. âen, â mand. v. âen. Z«»ntnilt;klt;kr (welks bodem uit zont bestaat), o. gmv.: het groote â ligt in N. .\. in den staat Utah; zijn luater bevat ^2 % keukenzout. Zoutmijn (mijn, waaruit keukenzout in on gezuiverde n toestand gewonnenword t),\'.-n\ï\noA\. Zoutplanten (die alleen op zouthoudende \ (gronden (groeien), v. mv. ZontrailinaderiJ (fabriek tot zuivering van I berg zo ut), v. âen. Zoiitrallinadeiir (zoutzieder), m. â s. Zoutvat, o. âen; âvaatje, o. â s. Zoutwater (zeewater), o. gmv. Zontwatervisch (zeevisch), m. â visschen; ! Iwt dooreenhaspclen van zout- en zoctwater-visch. (Potg.) Zoutweg'er (werktuig tot bepaling van de I dichtheid eener zoutoplossing), m. âwegers. Zoutzak (persoon), m. en v. âkeu; hij is net een â, oen domme vent. Zoutzieder { â bereider), m. â s; â zieilerij ( â keet, kookplaats r. zout), v. âen. Zontzlt;'Ck (de Dnode Zee, in Palestina), v. gmv.; de bodem van de â ligt AtHJ M. lager dan dh' 1 der Midd. Zee; de rivier de .lor da an loopt i uit in de â. Zoutzuur (chloorwaterstofzuur), i». gmv.; i het dient tot bereiding ran chloor, âkalk, salmiak, tinzout enz. ; het â wordt ook(tan-' gewend als geneesmiddel. Zneht (ademhaling), m. âen; met nog een i dieper â greep hij den borstel op. (C. O.); hij i slaakte een â. Zucht (opzwelling, ziekte, begeerte), v.; degcel- â , de waterâ, de bleekâ ; â naar eer, â I naar roem. Zuchten (zacht hijgen, een zucht loozen), ik hel» gezucht; hij zucht er van; de wind zucht in het geboomte, ruischen. Zuehtig (ziek), bn.; mijn moeder is wat â; â heid. v. Zuchtje (zeew. zeer zacht windje), o. â s. Zuid (ten zuiden), bw.; de wind is â. Zuid (het zuiden), o.; (de zitidel. streken), v.; om de â varen. Znid-Amerika (zuidelijke helft v. Amerika), o.; â heeft den vorm v. e. driehoek. Zuidanierikaansche archipel (eilandengroep a. d. Z. punt van Z. Amerika), m. gmv.; Vuurland behoort tol den â. |
Z r 11 )-A r STR A LI K - / r HI NO.
:gt;r.\
|
Zuid-AuNtralië (Hvitsche kolonie in Australië), v. gmv. Xnid-Beveland {eihtnd door (Ie monden tier Schelde gevormd), o. gmv.; â is h.eCyrootslr der Zeeuwsche eilanden. Xuid-Brabanf {provincie v. lichjié), lt;gt;.; Brussel is de hoofdstad v. Zuidelijk, bn. en bw.; de patrijzen trokken â. Zuidelijken {naar het zuiden gaan), de wind ! is gezuidelijkt. Xiiicien, o. gmv.; 't Haantje wees naar het â. Zuidenwind (wind uit het zuiden), m. -en. Zuiderbreedte (cosm. ten Z. van den Evenaar), v. gmv.; Batavia ligt 6° Z. B. Zuiderlialfrond (cosm. z ui del. helft der aarde), o. â halfronden. Zuidcrkroon {sterrenherIda. d. zuid. hemel), v. âkronen; âkruis {idem), o. gmv.; Order van het âkruis, Braziliaansche ridderorde. Zuiderzee (binnenzee in ons land), v. gmv. Zuid-Holland (provincie van Nederland), o.; Den Haag is de hoofdstad van â. Zuidliollandseli, bn.; de âe kleederdracht; de âe eilanden. Zuidkant {richting n.h. zuiden), m. gmv.; tie vogels vlogen naar den â. Zuidkust (zuidelijke kust), v. âen; de â van Java; Marseille ligtupde â van Frankrijk. Zuidoost, bw.; (als zn.). o. Zuidoostelijk (/?./lt;. zuidoosten), bn. on bw. Zniiloosten, o. gmv. Zuidoostenwind (wind uit het Z. ().), m. â winden. Zuidpool (zuidelijk uiteinde v. d. aardas; ook e.d. henielas), v. gmv.; de landen, aan of om de - gelegen. Ziiidpooleirkel (parallel, 23^rl0 v. d. /.-pool), m. gmv. Zuidpoollanden (alle landen en eilanden binnen den Z.-poolcirkel gelegen), o. mv. Zuid poolreizigers (mannen, die uitzeilen om landen a. d. Zuidpool te ontdekken), m. mv. Zuidpunt (het ware zuiden v. eenige plaats op aarde), o. âpunten. Zuidwaarts (naar het Zuiden), bw.; Amerika strekt zich â uit. Zuidwest, bw.; (als zn.), o. Zuidwestelijk (n.h. zuidwesten), bw. Zuidwesten,o.gmv.;-wind(jlt;j7/iefZ.VV'.),m.-eii. Zuidwester (breedgerande zeemanshoed of kap), m. â s. Zuidzee (groote oceaan), v. gmv.; de Stille -. Ziildzee-eonipag'iiie (Britsche handelsver-eeniging, 1710), v. gmv. (schip; gezag voerder), m. âs. Zuidzijde (zuidelijke kant), v. gmv.; graaf Willem Vl had aan de â van het Haagsche bosch een jachthuis gebouwd. Zuid-ziiicloost (kompasstreek, 22Vi;0 v. h. Z. naar het O.), o. gmv. Ook bn: de wind is Zuid-zuidwest (kompasstreek, 221/lgt;9 r.h.Z. naar het W.), o. gmv. Ook bn.: de wind is Zuien (een kind in slaap zingen), ik hel) gezuid. ZuigfcliiiK* (jonggeborene), m. en v. âen. Zuiden, ik zoog, heb gezogen; iets uit de)i duim â, iets verzinnen: de wind zuigt hier, het trekt hier sterk; â ing- (het zuigen), v. Zuiger (iem. die zuigt; ook deel v.e. pomp, v. e. spuit, v.e. stoommachine), m. âs. Zuigerstang- (deel v. e. stoom) na chine), v. -en. Zuig'fleseli. v. â flesschen; -g:las, o. âglazen; â kalt', o. âkalveren; âklep (in den zuiger v.e. pomp), v. -kleppen; -kuil KOKNKN, Verkl. Handwdb. d. Nederl. taal. |
(draaipoet), m. âen; âkunsttanden (die aan het tandvleesch kleven), m. mv.; âlam (zuigend lam), o. âlammeren; ânapje (spierachtig zuigorgaan v. vele waterdieren), o. â s; âpijp (deel een er pomp), v. âen; â pomp (gewone keukenpomp), v. âen; â â¢snavel (b.v. van spinnen en muggen), m. â s; -snuit, m. -en; â viseli (stekelachtige vise li der Middellandsche Zee), m. â vis-schen; âworm (ingewandsworm), m. âen. Zuil (pilaar), v. -en; de â lag in puin; nog ziet men (onder de ruinen) - en staan (Stari ng); de âen der eendracht; de â van den troon; de sociëteit Minerva, geschraagd doo* âde dubbelequot; â van dien bn teder'lij ken zin. (C. O.) Zuilen-eolonnade (deel v. e. gebouw met zuilen omringd), v. âs; âg-ang (dubb.rij v. zuilen), v. âen; ârij ( â reeks), v. âen. Zuilvormig (in den vorm v.e. zuil), bn. 'Ijuimvn(vcrzu'nnen, nalaten), ik heb gézuimd. Zuinig (spaarzaam), bn en bw.; hij is â 0]gt; den tijd; â met zijn woorden, karig; â teven; lig. â kijken, boos zien, onplezierig kijken; â -lieid. v. Zuinigje (profijler!je v. e. blaker), o. â s. Zuinigje, u.; op een zuinige wijze. Zuip. v. gm v.; aaii de â zijn, onmatig drinkea. Zuipen (drinken ran dieren), het paard zoop. -heeft gezopen; â er (dronkaard), m. âs. Zuiplap (dronkaard), m. âpen. gmz. Zuivel (melk en alles, wat men van de melk maakt), o.; dikwijls voert hij met zijn radn, grazig â steewaart aan. (Poot); haar gemoed (nl. van het Melkmeisje), is zoo blank als de â , waarnaar zij heet. (Jonath.): ârijk, bn. 't Mrlkgerecht der -rijke koe. (Lulofs.) Zuiveli»ereiding* (ni. van boter en kaas), :. gmv. Zuiver, bn. en bw.; de âe waarheid; een âe winst; âe boter, natuurboter; âe wijn, âe cognac, onvervalscht; ren â geweten, rein; de kust is â , zonder klippen of banken; de zaak is niet â, niet in 't reine; â lieid, v. i Zuiveren (reinigen, kuisrhrn), ik heb gezuiverd; â aar, nn: âing. v. Zuiverlieid (netheid, reinheid, kuischheid), v. gmv. Zuiveriugseed (eed, waarbij men verklaart niets achter gehouden te hebben), m. âeeden. Zuiveringszout (maagreinigend zout), o. gmv.; universeel Zulk, bv. bep. vnw.; wat kost â een ring? ik kan â brood niet eten. Zulks (dat, dit), aanw. bijw.; â is maar al te waar. Zullen (hulpw. van lijd en v. wijze), ik zal, zoude, vd. ontbreekt; ik zal morgen komen; hij zal u gisteren niet begrepen hebben; had hij alles geweten, hij zou wel anders gehandeld hebben. Zult (hoofdkaas, hoofdvleesch), o. gmv. Zulten (in het zout leggen, inmaken), ik heb gezult; -ing, v. Zultspek (gezouten spek), o. gmv. Zundgat (gat, waardoor men het kanon afvuurt), o. âgaten. Zuren, het heeft gezuurd; het moet eerst nog â , goed in het zuur liggen; fig. het is nog niet in 't vaatje, waarin het â moet, de zaak heeft haar beslag nog niet. Zuren (scheikundige verbindingen), lt;â¢. mv. Zurigheid (zure smaak), v. gmv. Zuring (veelknoop moeskruid), v. gmv. |
ZURINd/OUT - / WA K.
M'i
|
{verlnivl'nuj r. potusch on zu-ringzuur). o. gmv.; het â dchjt inl.tvlekh'n. Zus («Id us), l)\v.; het teas â nf zou, of hij la;i onder den trein, liet scheelde /.oer weinig; ile een doet het â en de onder zoo. Zus {kleine, jonue zuster), v.; lig. een fijne â. een kwezeltje; âjo. â¢gt;. âs. Zuster (verwante), âters, âteren; de toon-l. nnst is de â iter poëzie. (Geel.) Zustei* {geestelijke zuster, religieuze), v. â s; de âs ran liefde, ziekenverpleegsters; deâs van liefdadigheid. Zustor {gebak), v. â s. Zusterlijk, bn. en bw.; een âe liefde-, zij deelde â met mij, als oen zuster. Zusterscïiai»^' betrekking), o.: (uereeniging van geest, zusters), v. âpen; â liuis (klooster), o. â huizen. Zuur. o. gmv.: een hans in '£ â leggen. Zuur {tegenstelling eau zoet; scherp, wrang), bn. en bw.; azijn is â ; dit hier is erg â ; die oiell: is â, bedorven; die grond is â, :il te vochtig; dat voeder is â, niet malscb; lig. het valt mij â, onaangenaam, verdrietig, bezwaarlijk; hij heeft het daar â, hard; bw.: â verdiend geld, moeilijk; â kijken, norsrh, onvriendelijk. Zuurachtig' {een weinig zuur), bn. en bw.; een âe smaak; die peer Sinaakt ZuurlM»oiii {boom in O. en U'. Indië met meloenaehtige vrachten), m. -bommen. Zuunicey {verzuurd deeg), o. gmv. Zuurclec'sein, ni. gmv.; lig. werkend beginsel. Zuurkool {gezuurde gesneden witte kool), v. gmv.; âton. v. âtonnen; â vat, o. âvaten. Zuurkraam {augurkjeskraani), v. âkramen; ook kinderspeelgoed : Wilt ge met de koomenij of de â spelen 1' (De Gen.) Zuuriuuil {norsch mensch), m. en v. â muilen. Ziiiirstcl {tafelstel voor azijn, augurkjes, enz.), o. âstellen. Zuurstof {bestanddeel der lucht), v. gmv. Zuurtje {peredropsje, zoetigheidje), o. â s; geef me een ons âs. Zuurtoot {zuurkijkend persoon), m. en v. -toten. Zuurvrij, bn. âe vetten. Zuurzoet {lichtzuur), bn.; een âeappel; fig. half tevreden: een â gezicht trekken. Zwaai {keer, draai), m. âen; Mijnheer Kegge in een almaviva niet een sierlijken â gedrapeerd. (C. O.) Zwaaien, ik heb en ben gezwaaid; met de hand â. bewegen; den schepter regee-ren; met den hoed â; hij zwaaide als dronken langs de straat, gieren; â injr, v.; â -liaak {zwei v. d. timmerman), rn. âhaken. Zwaan {zwemvogel), m. zwanen: fig. dichter: de Agrippijnsche â. Vondel; de Vaucluser â, Petrarca; de Mantuaansche â, Virgilius; de herberg de â; in het âtje, uithangbord. Zwaar {het tegengestelde van licht), bn. en bw. zwaarder, zwaarst; die last is â ; goud is â der dan zilver (zie Soortelijk); dat is tien pond â ; een zware plank; fig. een zware hand, plomp: â geschut, grot'; â van spraak, lastig; een zware straf, streng; â linnen, dik, dicht; een zware spijs, moèielijk te verleren; een zware ziekte, erge; een zware zee, hoog; zware kosten, aanzienlijke. Zwaard {wapen, b ree de, lange sabel), o. âen: het â in de scheede steken, den strijd staken; |
met den âegestraft worden, onthoofd worden icm. het â over het hoofd zwaaien, eerloos verklaren op het schavot; lig. Honger is een scherp â ; het â der gerechtigheid: de orde van het â, Scandinavische ridderorde; het â van J)amocles,een altoos dreigend doodsgevaar. Zwaard (scheepst.se/tam ovaalbord a.d.zijden van kleinere vaartuigen, dient om het afdrijven te beletten), o. âen. Zwaard, o. âen. Zie: Zwoord. Zwaardbloem {âlelie, -kruid, hebbende zwaardvormige bladeren), v. âen; de â heeft groot e gele bloemen. Zwaardleen {leen, waarin geen vrouwen mochten opvolgen), o. â leenen; Holland was een Zuaardniaa^' (bloedverwant van vaders zijde), m; en v. âmagen; âseliap, v. en o. Zwaardslag {slag met het zwaard), m. âen; ik voel den â nog op 't hoofd en hier in 't hart den wrok. (Bild.) Zwaardveeliter (Hom. gladiator, geoefende kampvechter), m. âvechters. Zwaardvegen {blanke wapens vervaardigen), o. gmv. Znaardveg-er {vervaardiger van zwaarden of blanke wapens), m. âvegers. Zwaardviseli {stekelvin nige beent ge visch), m. â visschen; de gewone â is blauwachtig van kleur en bewoont de Midd. Zee. Zwaarlioofd, in. en v. âen; den dokter een â achten. (C. O.) Zwaarlijvig', bn.; een â heer, dikbuikig, corpulent: een âe, niet heel mooie keukenmeid. (C. O-); â In^ifi, v. Zwaarmoedig' {droefgeestig), bn. en bw.; â lieid, v. Zwaarte {gewicht), v. gmv. Zwaartekracht {aantrekkingskracht der aarde), v. gmv. rMi\\'Vifkrtcfp\uxt{aangrijpingspunt;punt,waar-omheen de zwaarte v. e. lichaam gelijkelijk is verdeeld), o. âpunten; het â van een cirkelvormige platte schijf ligt in het middelpunt; lig. het â van een betoog. Zwaartillend, bn.; oude lieden zijn â, donker inziend, pessimistisch; â held. v. Zwaarwielitig {veel wegend: fig. belangrijk). bn.; een â werk; hij zette een â gezicht. ernstig; â lieid. v. Zwabber {scheepsjongen; ook scheepsdweil), m. â s; schippersknecht, met den â, hè, ecu mooi baantje! (C.O.) Zwabberen {niet den zwabber werken), heb gezwabberd; re zijn aan 't â, dweilen, zeulen; lig. zie dien dronkeman eéns â, zwaaien, zwieren. Zwabberkapitein {jongen, die den zwabber moet schoonmaken), n. âs. Ook: âpaai. m. âen. Zwaelitel {windsel, lange strook), m. â s. Zwaelitelen, ik heb gezwachteld; een wonde â , een kindje â, in een zwachtel winden, draaien; â ing, v. Zwad, v.; zwaden. Zie: Zwade. Zwadder {slangenspog; slijm; lig. vergif van den laster), m. gmv.; â ig {onrein, vuil), bn. Zwade. Zwad (rij of regel afgemaaid gros of koorn; één snede gras met zicht of zeis), v. zwaden. Zwager {sehoonbroèper), m. âs: âin, v. Zwagerseliap {vermaagschapping), v. en o. Zwak. lt;â¢.: iem. in zijn â tasten, zwakke zijde; |
ZWAK-ZWAVICLEN.
|
ik heb daar een â voor, hoiul er veel van; schoon ik een â voor hem had____(Geel.-) Xwak. lm. en b\v.: hij is lirhattielijk â, (/rrs-telijk â, zedelijk â : een âke candidaal. weinig onderlegd; een â kc ijezondheid, wankelend: een âke pofjinu, onlted.'iidend; de â ke zijde van iem.; de âke vcrljidrjiiiii, tic â ke w.w., spraakk. mindei* j-ijk .-lan vurinen; â Iioid. v.: â jâ¬Â»s. bw.; â tlt;k, v. ZwaKKelijl4.(sw/c/le/r'»d). bn. en bw.; âIi«»id,v. %ualk(gt;ii (ronddolen), ik heb gezwalkt; hij zwalkte jaren lamj o// zee. varen; â «»r. m. Xwalm (walm), m. gmv. Zwalp (gulp, (jolf: zeew. dikkt' ribbe r. d. scheepsromp), m. âen. Zn'alpen (ijolven), het heel t gezwalpt; â in^quot;. v. Zwaluw, v. âen; tV*n â maak/ de lente nirt, een goed teeken is niet voldoende; hij is ecu naakte â, een arme drommel. Zwaluwlt;'iM'i (ei eenei' zwaluw), o. âeieren. ZwalnweiikriiHl (schelkrnid), â¢gt;. gmv. rJj\\Hlttwei4»ns(dnizendknoop, zwarte winde), v. gmv. Zwalnwkoekoek (vogel van Cayenne en Urazilië), m. âkoekoeken. Zwaluwstaart, m. âen; lig. een wijze van verbinding bij hout. ZwaliiwviK«*li (een soort ran vliegenden visc.h), m. â visschen. Zwam (woekerplant),âmen; âaeliti^.bn. Zwam (toebereid zwam. tonderstof), lt;». gmv. ZwanedoiiN. ZwaneiKloiis (zachte cederen), o. gmv.; een klein-' mantille met âzen rand. (C. O.) ZwaiK'iibloeni (n'ateriisch), v. - en; âdrift (eenige zwanen bij elkaar), v. âen; â «»i. o. â eren; â hals, m. âhalzen. Zwanenbrood (kalmus, soort v. aronskelk, groeiend langs vaarten en slooten), o. gmv. Zwanonlials (S-cormig gebogen buis), m. â halzen; de â dient bij riolen en privaten als stankafsluiter. ZwanenlialN (fig. zeer lange hals), m. â halzen; deze dame heeft een â. Zwanepen. v. âpennen; â seliaclit (onderdeel v. e. pen), v. âen; âpoot, m. âen; â -veer. v. âen; âvlerk, v. âen; â v1«mi-S'^l, m. â s; âwiek, v. âen. Zwaiiezaii^- (laatste gezang of werk van een overleden dichter of toonki(nstenaar).\\\. â zangen; dit is Da (losta's â . nl. tie Slag bij Nienwpoort. Zwaii^* (gebruik, gewoonte, mode), m. gmv.; dat is bij ons in â, b.v. een kleederdraeht. die algemeen is. Zwanger, bn.; van een plan â gaan, het bepeinzen; â Mclmp. v. Zwanken (waggelen, wankelen, schudden), ik heb gezwankt. Zwans (staart v. koeien, enz.), v. âen. Tj\vfkrifs:iiv\i\(moeiliikheid, 6er^«^r),v.-heden; der is â bij menheer. (C. O.) Zwart (teu donkerste gekleurd), bn. en bw.; het âe bord, schoolbord; een âe jas, zwart-lakenseh; in de âe aarde, âe wolken; wat zien je handen â, vuil, morsig; â brood, grof; de âe pest, de âe pokken : een â paard, moorkop; lig. hij kijkt â, zuur, norsrli; men wil a |
â maken, bekladden; â verdriet, sombere droefheid; âegal, maagkanker; de knon'epotten zijn overstroomd door âe gal (v. Klïen); in het â /gt;oek staan, klachtenboek; met een âr kool staan aangeteekend, als een schadelijk of onnut persoon; een âe daad, snood; hij ziet â van den honger, broodmager; â lieiil. v. Zwart (woel:erzwam in t koren), o. gmv. Zwart (de zwarte kleur), o.; â is de kleur v.d. rouw: â of» wit hebben, bewijs opschrift. Zwartaeliti;u' (z wee mende naar zwart), bn.; â haar, âe wolken; â l»laii^v (donkerblauw), bn.: een âe jas; dit gepolijst ijzer is â. Zwartbloem (zwartachtige ' biesplant). v. -bloemen. Zwartbont, bn.; een âe koe. Zwartbruin (donkerbruin), bn.; een â paard. I Zwarte (neger), m. en v. â n. Zwarteknnst {duivelstooverij), v. gmv. Zwarten (zwart maken), ik quot;heli gezwart. Zwartepieten' kaartspel },\k heb gezwartepiet. Zwartgallig. I â¢n.; een â man, droefgeestig, melanehuliek; men zou verkeerd doen zich Nurks voor te stellen als â. (C.O.); -lieid, v. Zwart^'ei (vuilgeel), bn.; een â sjaaltje. Zwartgevlekt (met zwarte vlekken), bn.; een âe hond, met zwarte spikkels. Zwartgroen (donkergroen), bn.; een âeja pon, een â blad. Zwartharig (met zwarte huren), bn.; een ' neg ei' is â. Zwartharige (persoon met zwarte hun n), j m. en v. â n. Zwart kapje (bastaardnachtegaal), o. â ; â keeltje (vogel met een zwart borstje), o. â s Ztvartkoorn. â klt;»ren (rmkelbloemigc plant), o. gmv.; de wilde weit of dolik is Zwartkop, m. -koppen; dit vogeltje is een â , grasmusch (trekvogel). Zwart kopn4»nnetje(ra/'r//,o//e/ in Z.Afrika), \ o. â s. Zwart koppig (met een zwarten kop), bn.; een âe schimmel. Zwartkrijt. o. gmv.: de knaap teekent met â. ZwartlakeiiNeh, bn.; een âe jas, een â pak. Zwartmaking* (lasterpraat), v. gmv.; de â \ van die partij. Zwartoo;? (persoon), m. en v. âoogen. Zwart rood (donkerrood), bn.; âe bloemen; een haan met âen kam. Zwartsel, o. gmv.; zij poetst het fornuis met olie en â, poeder uit verbrand dennenhout verkregen. Zwartselen (met zwartsel insmeren), ik heb gezwartseld; een Kachel â; âkwast. in. â en; â pot. vn. -potten. Zwartstaart (visch, brasem), m. âstaarten. Zwart vaal (donkervaal), bn.; een â paard. Zwart verven (weefsels in de zwartkuip doen doortrekken met zwarte verf), ik heb âgeverfd; â verver, m. âs; â ververij (/ee/V.-; plaats of het werk zelf), v. Zwart vos (donkerzwart paard), m. âvossen. Zwartxijden. hn.; zij droeg een â japon. Zwartxneht (hooge graad van geelzucht), v. gmv. Zwatelen (ruischen, lispelen), het heeft gezwateld; het â der boomen; het luid geziva-tel der stemmen. (('. O.) Zwavel (lichtgele, broze delfstof), v. gmv. Zwavelaehtitf'. hn.; een âe iurht, als zwavel. Z%vavlt;kll»alt;l (bad van zwavelwater),o. â baden; â bloem (bloem of poeder c. zwacel), v. gmv.; â bron (bron van zwavelig t vat er), v. âbronnen; te Jientheim is een âbron. Z%«'avlt;'len. ik heb gezwaveld; een strooien hoed â, hem reinigen boven zwaveldamp; den wijn â, nl. het wijnvat zuiveren; âinj;'. v. ói |
/\\'.\ V ELKJiTS â / W ER ION.
me
|
Zwavelerts (mijnzwavel), o. gmv.; -ether (fijne, vluchtige olie of' geest), m. gmv. Zwavelgeel (de kleur hebbend van zwavel), bn.; â(iele dampen. 'Ij wa.\ eldest (eiuchlujr olie), rn. gni v.; -|?roef (-mijn), v. âgroeven; â iiaiilt;llt;^l9 rn. gmv.; â liaiKlelaar, m. â s; -lioiulond (-bevat-teiid), bn.: âe ertsen, -e gesteenten; â lint (waarin men zwavel smelt), v. âhutten. Xuavelig:, bn.; een âe lucht', â lieid, v. Zu aveli^zuur (kleurloos gas, zwaveldamp in zuurstof), ü. gmv. Zwaivlt;klliic*lii (stank v. zwaveldamp), v. gmv.; â in \\\\(onderaardsche groeve),v. â en; â olilt;*. v. gmv.; -oplossing, v. âen; âoven (zuiveringsoven r. zwavel), m. â s; â reveil (regen van stikkende zwavèldeelen), m.: bij den ondergang van Sodoma viel een âregen. En de aarde splijt nog niet! Nog valt geen â regen! (Staring). Zwavelreuk (stank of lacht van zwavel), m. gmv. Zwavelstok (vlamhoulje), m. âstokken. Zwaveltje (zwavelstokje), o. â s; geef mij eens een â. Zwavel-waterstofgas, lt;â¢.; â zallquot;. v. gmv.; â zilver (een soort van zilvererts), o. gmv.; -zouten (verbinding van twee zwavel metalen), o. mv.; âzuur (vitrioololie), o. Zweden (koninkrijk, O. Scandinavië), o. gmv. Zwwd (bewoner van Zweden), o. Zweden; â sell, bn.: de âsche kleederdracht', âsell (de taal der Zweden), o. gmv. Zweeden {huiden met kalkbrij ontharen), ik , heb gezweed. Zweem (lichte schijn), m. gmv.; fig. een â van ironie, een â van schuld, een â van toorn; : geen â van berouw, d. i. gelijkenis, bewijsje; hem faalde dien dag alle â van opgeruimd- \ heid. (Potg.) : Zweenien (min of meer gelijken op), liet beeft gezweemd; dat zweemt naar bedrog; dal zweemt naar het blauw; â sel (schijnsel), o. Zweep, v. â en; hij kent het klappen van de â , is volkomen met eenige zaak op de hoogte; met de â er achter zitten, voortjagen; een oude voerman hoort nog gaarne het klappen van de â. Zweepen (aanzetten), ik heb gezweept; de orkaan zweept de wolken, vooruitjagen; â -ing (het zweepen), v. Zweepkoord (touw der zweep), â¢Â». âkoorden; â slag: (klap met de zweep), m. âslagen; âtol (drijftol), m. âtollen; âtouw, o. âen. Zweer (etterbuil), v. zweren; de â is rijp. Zweet, o. gmv.; in het â des aanschijns, al zwoegende; het koude â brak haar uit van angst; het klamme â stond haar op het voorhoofd. Zweetdrank (zweetdrijvend middel), m. âdranken. Zweetdroppel (kraaltje zweet uit een huidporie), m. âdroppels, âdroppelen; de âs vallen mij van 't voorhoofd; na een oogenblik stonden reeds de zilte âdroppelen op haar ( Tri ens) voorhoofd te glinsteren. (Conscience). Zweeten (uitwasemen), ik heb gezweet; lig. nieuwe muren â; het haas heeft erg gezweet, bloeden; etter en bloed â, erg in den angst zitten: â ing:, v. Zweetkamertje (een soort van dampbad), ... -s: fig. wachtkamertje der studenten, die examen gaan doen; dit weinig gezellig vertrek draagt den ondichter lijken naam van het -. (C.O.). |
Zweetluelit (onaangename lucht v. h. zweet), v. gmv. Zweetniilt;ldel(rtwefc/ryvend middel),o. âen: aftreksel van vlier en kamillen zijn âmiddelen. Zweetvoeten {voeten, die erg zweeterig zijn), m. mv. Zweetvos (roodachtig paard), m. âvossen. Zweetziekte (ziekte in de itie eeuw, waarbij de lijder erg zweette), v. gmv. Zwei (timm. beweegbare winkelhaak), v. âen. Zwelen (het uitgespreide en gedroogde hooi-gras met een gaffel omkeeren), ik heb gezweeld; â er (hooier), m. Zwelg* (het zwelgen), m. gmv.: fig. slok, teug. Zwelgen (slokken), ik zwolg, heb gezwolgen; â er (brasser), m.; - erij (slemperij), v. Zwellen, bet zwol, is gezwollen; de zeilen â, zetten zich op; een wonde kan den arm doen â; fig. mijn hart zwelt van vreugde, uitzetten, kloppen; -iug' (gezwel), v. Zwemblaas (in visschen), v. âblazen; ook: met lucht gevulde blaas voor een zwemmer om op te drijven. Zwembroek (kleeding vuor zwemmers), v. â broeken. Zwembuis (zwemgordel van /c'/Wc),o.-buizen. Zwemg-ordel (kurken band om boven te drijven), m.âgordels; in elke hut dier zeeboot liggen âgordels. Zwemkieuwen, v. mv.; âkleed (bad-costuum), o. âkleeren; âkrab (kleine zeekrab), v. âben; -kreeft (kreeft i. d. Ind. Zee), v. âen; âkunst, v. gmv. Zweminei;, ik zwom, heb en ben gezwommen; daar 't vischje â moet. (Spandaw); hij kan over de rivier â; de vloer zwom van wijn; de straten zwommen van bloed; haar oogen zwommen van tranen; hij lag in zijn bloed te â; zij â in weelde; âer, m. Zwemmerigv bn.; âe oogen, waterachtig. Zwemot'fening:, v. âoefeningen; âplaats, v. âen; âpoot (geviiesde poot der zwemvogels), m. âen; â seliool. v. âscholen; â steen (drijvendesteen), m. â en; âtoestel, m. en o. -toestellen; âvin (lichaamsdeel v. e. visch), v. âvinnen; âvlies, o. âvliezen: de teenen der zwemvogels zijn verbonden door een â; â voet (poot v. e. watervogel), m. - en; â voeters (vogels met - voeten), m. mv.: â vogels (orde der zwemmende vogels), m. mv.: eenden, ganzen, zwanen zijn â; â wedstrijd, m. âen. Zwendel (bedrog in handelszaken), m. gmv. Zwendelen (oneerlijk handelen), ik heb gezwendeld; â aar, m.; âarij (bedrog), v. âen. Zwengel (wiek van een molen; arm van een pomp, ook wip van een put), m. â s. Zwenk (draai, keer), m. âen; ik zag hem met een â, schijntje; ik ben er in een â, ommezien. Zwenken (draaien, keeren, zwaaien), ik heb en ben gezwenkt; de troepen zijn geoefend in het â; âer. in.; â ing, v. Zwenkgras (onder af deeling der grassen), o. âgrassen; er zijn in ons land negen soorten van âgras. Zweren (ee l doer^ ook vloeken), ik zwoer, heb gezworen; trouw â aan Vaderland en Koning; hij zwoer bij kris en kras, bij hoog en laag, dat hij onsc'iuhlig was; valschelijk |
ZWKIÃKN-ZWIKKKN.
|
â, een meineed doen; ik durf rr lt;)}gt; â; llannihnl zwoer ilrn Homehwn ren eeuivi{/rn ' hrrnf; torn in ilc handen des Graven de eed roti troniv (jezworen was. (Staring). Xweren (etteren), liet zwoor, heeft gezworen; de wonde aaal â. een âde rinf/er; â v. Zwerfster (landloopster), v. â s; een â K lopte bij ons aan Xwerftooht (zwervende reis), m. âtochten; llaafners âtochten door de binnenlanden van Ceilon (1782). Zwerfvogel (vogel, die neen raste standplaats houdt), m. âvogels. Zwerfseielt (rusteloos zwerve.nd, verander end), hn.; als het eens een begin v. e. â wisselen quot;â¢as. (Potg.) Zwerk (drijvende wolken), o. gmv.; het Koeltje schoot uit 't kalme â.(Staring); (lods Engel sprak tot het â en tot de waatren: Verdelgt!quot; (Staring); hef bonte â. (Staring). Zwerm {menigte), in. âen; een â bijen, een â sprinkhanen. Zwermen ('m een zwerm vliegen), zij hebben gezwermd; de bijen gaan â, uitvliegen; lt;/'⢠soldaten gingot â op'tplatteland, rondloopen, azen; âer (landlooper), m. â s; âer (ruurwerk. roetzoeker), m. â s. Zwerveling (die zwerft), m. en v. âon; voor het v. ook â«»: hij is een arme â; de Zwervling waagt het open spoor te drukken, dat naar tien steenklomp wijst. (Staring). Zwerven (omdolen), ik zwierf, heb gezworven; in vreemde landen â, op zee â; âde honden', â de volken; â er. m.: een arme âer; â in;;, v. Zwerveml (dolend), bn.; een â leren leidett. geen vaste woonplaats hebben: 11^. steeds op reis zijn. Zwetsen (grootspreken, pochen, opstiijdett), ik heb gezwetst; âer (bluffer), m.; âerij, v. Zweveii (drijven] zacht bewegen), ik heb ge-zweefd; de wolken â door de lucht; Zweve, o Her harten zegengroet, den Koning met gejuich te moet! (Staring); Adeline naakt zwevend; een âde gang; dat zweeft mij voor den geest. Zwevend (schommelend, hangend), bn.; gt;rer-ken aan het â rek, aan de âe trapees (gymnastiek) ; âe geschillen. Zwezerik {borstdeel van kalveren), m. âen. Zwiehten (scheepst. de zeilen of touwen oprollen), ik heb gezwicht. Zwieliten (wijken), ik heb en ben gezwicht; hij moest â voor de overmacht, onderdoen; hij zwicht roor niemand. Zwielitlijn (zeew. lijn om de fok of andere zeilen bij stormweer in te korten), v. âlijnen. Zwiepen. Zweepen. ik heb gezwiept; -er, in.; -in«f (overhelling), v.; âenfl {buigend, veerkrachtig), bn. Zwier (tooi), m. gmv.; dat mensch, hier vóór ons, welk een â bij haar (de vorstin)! (Staring), opschik, pronk; met edelen â, bevalligheid; zij volgen den â, mode; lig. ze zijn aan den â , aan den draai. Zwierbol (losbol), m. âbollen. Zwierbollen (losbandig leven), ik heb ge- zwierbold. 'I,\%ieren(z waaiende bewegen), ik heb gezwierd; de dansers â door de zaal; zij hebben den geheelen nacht door gezwierd, gebrast, pret gemaakt. Zwierig- (netjes, losjes, niet stijf), bn. en 1 nv.; een â e gang, een âe kleederdracht; een âe stijl, bloemrijk, opgeschikt; -beid (losheid) v. |
Zwieri$sJeK (netjes, losjes, smaakvol), bw.; zij was â gekleed. Zwijgen, ik zweeg, heb gezwegen; hij braeht den knaap tot â; iem. het â opleggen, tig. geheimhouding gebieden; laten wij daarover â, niet handelen; tvie zwijgt, stemt toe, geen bezwaren opperen; iem. to' â brengen, hem uit het veld slaan; een batterij tot â brengen, het vuur doen staken; spreken is zilver, â is goud. het is soms beter niets te zeggen; de wet zwijgt hiervan: de kronieken â hier-ran, enz., hiervan is niets te vinden in de wet, de kronieken, en/..; âer, »n.; âster. v. Zwijger (de), Willem, prins ran Oranje (1533â1584); huislijk zielsverdriet zelfs voor (geen â meer verzwijg baar. (Da quot;ostaquot;). Zwi|$fteeken (rustteeken in de muziek), o. â teekens. Zwijm (flauwte), v. gmv.; in â vallest, liggen. Zwijmel (roes), m. gmv.; in den â der vermaken. Zwijmelbeker (lig. heker r. d. wellust), m. â bekers; âdrank (dt ank, die doet zwijmen), m. âen. Z w ij meld ron k e n ( f/m ze Hg), b n.; 't bedwelmde volk ontwaakt, vermoeid en â. (Tollens). Zwijmelen (duizelig worden, llauw vallen), ik heb gezwijmeld; â injsquot; (duizeling), v. Zwi jmeltt'eèst (roes, bed wet mi ng door genot), m. gmv.; fig. to gn mi te geestdrift, opgewondenheid. Zwijmelkelk (beker met zwijttwldrank). m. -kolken; de â kelken van den lust. Zwijmlt;kn (bezwijtnen), ik hob gezwijmd; bot-semige luchten, waar dartle nachtegalen in â vatt vermaak. (Bild.). Zwijn (varken), o. âen; tig. hij is een â. vuilaardig mensch; werp geen paarlen vlt;tor de âen; Willem van l.utneg, het wilde der Ardennen. Zwijnaeliti^' (als een zwijn; morsig, vuil), bn. en bw.; een â leven leiden. Zwijne^el(klein stekelvarken onzer wouden), m. âegels; tig. een â van een vent, zedeloos mensch, man zonder beginselen. Zwynen(8lecht leven), hij heeft gezwijnd. ZwijnenlM»el (ordeloos, smerig huishouden), m. gmv. Zwijneii^ras (teeg- of kreupel gras, eett soort duizendknoop), o. gmv. Zwijnenhaar (borstelgras op dorren zandgrond), o. gmv. XwijnentineHer ( â oppasser), m. â hoeders; â hoedster, v. âhoedsters. Zwijnenliok (varkenskot), o. -hokken; â -Jaebt (jacht op zwijnen), v. - en: â jongen (knecht, hoeder v. zwijnen), m. âs; âkot varkenshok), o. -kotten; âirn^ (vreetbak), m. âtroggen. Zwijnenvleeseli, Zwijnevleeseb (var-kensvleesch), o. gmv. [enz.),v.-en. Zwijnerij {grove morsigheid, lig. vuile taal Zwijnjak (lichtmis), m. âjakken. Zwijnshoofd (kop v.d. ever), o. âen; hotel het â te Arnhem. Zwijntje (jong var kot, speenvarken), o. â s; lig. liederlijk persoon; hij is m' een â! Zwik (houten pin; ook wrijfhout), m.; âje,quot;. Zwikboor (timmergereedschap; groote boor met dwarshout als handvat), v. âboren. Zwikgrat (tapgat v.e. vat), o. âgaten. Zwikken (knakken, breken), ik heb en ben gezwikt; zij liet het kind â, d. i. achterover- : N: li. UI s! |
Is.
/ \\ IKST KIJ.I NG - Z WOOI ID AC I1T1G.
|
slaan, de lendenen Ineken; uiijn voet zwikte, omslaan. Xwikstellin^' ({jatnulerij a. e. molen), v. âen. Xwilk {zekere geweven slof' of tijk), o. gmv. %«viii (wad, droogte, kreek, kil, geul), o. â nen. /^viiKlcl. %ivlt;'ii«llt;kl (bedrog), rn. gmv. %«viiilt;lel (duizeling), m. â s. Xwiiulc-len (duizelig maken of worden), het heeft âzwindeld; alles âde mij voor deoogen. Zwiiilt;llt;kii (verdwijnen), het zwond, is ge-zwonden. vero.: Marco slaat de roos binnen, i'n meteen zwindt de ezelshuid. (Staring); en 't oude reiskleed zwiudt voor /iracht. (Staring.) (braakstok voor het vlas), m. â s. Xwiii^'eloii (het vlas reinigeu van de hardere stengetdeelen of /tellen), ik heb gezwingeld; ik hoor, dat er nog al veel te â is dezen winter. (Koetsveld); âaar (vlasbraker\ m.; -iiiK*. v. Z^vinjffelkec^t. v. -keten; âkooi. v. âen: -spaan, v. âspanen. Znin^'linoleii (ijzeren wiel met dunne scherpe plankjes om het vlas le zwingelen), m. âmolens. Xuin^liaan (aanhanger run den hervormer Zwi uglius), m. âanen; I'lrich Zwing li (1'iX'i â 1531) trad quot;/' uls gel o o fshervo rmer in Zwitserland, en sneuvelde bij Koppel. |
'jAwit\1S\\i\\\\snvVi (geloofsleer van Zwi uglius), o. gmv. Zwirrelen (snel vliegen), het heeft gezwirreld; de zwaluwen â om mij heen: de pijlen vloden âd door de lucht; alles zwirrelde mij voor de oogen bij de snelle vaart: alles zwirrelde en zwarrelde Huib voor de oogen. (Potg.); -ints, v. Zwitser (man uit Zwitserland), m. âs: â -sehe, v. â n. 'Ijwitswlixml (bondstaat in Midden-Euro pa), o. gmv.; de hoofdstad van â is Bern. Xwitserseli (van of uit Zwitserland), lm.; âe kaas: ook: op de wijze van Zw.: de âsehe kleederdracht. Zwoegen (zwaren arbeid verrichten), ik hoi» gezwoegd; deze huisvader zwoegt voor de zijnen; âer, rn.; â injr. v.; -ster, v. Zwoel (zoel, worm), hn.; een âe dag: een âe lucht, drukkend: een âe zomeravond, afmattend warm hij stilte van wind; â lieilt;i, v. Zwolp (grondbaIk), v. âen. Zwoord (afgeschrobde huid van het varken), o. âen; lig. hij her ft â achter tie oor en, hij is liardhoorig, wil niet hooren. Ook; Zwoord, Zwoerd. Zwoor«laeiiti$;' (oIs zwoord), hn.: de bruin-visschen hebben een âe huid. |
N A L E Z I N G.
|
Aardbol (onze planeet, aardglobe), rn.; dc os van onzen â is ruim 1713 geogr. mijten. /.ie Mijl. Aiiiiniiiiuni (blank en zeer licht nieuw metaal), o. gmv.; een lorgnetkettinkje van â. Anipiiihraeliiis (dr i e let terg r. versvoet, met de betoonde in het midden), m. âsen; â -braeliiM'ii. lm.: âe verzen. Aiia|ft:estiiK (drielettergr. versvoet, met debc-toondeachteraan), m. âsen; â |Mesfisrli. hn. Aii^'eiiis (li. K. Maria-gebed), o.; driemool daags luidt men in de li. K. gemeente het â. ArisfarHi (gestreng kunstrechter), m. âen. Ifialliselic Zcc (Oostzee), v. gmv. Kastiile (i versterkte staatsgevangenis in l'a-rijs), v.; de â werd door bet volk vernield in 119H. Iilt;'lt;llaiii (groot krankzinnigengesticht in London), o.; een beestenspel, een â vol idioten. (C. Ã.) Keifort (hooge toren met stormklok), o. âen; het â van lirugge; het â diende als bewaar-laats der handvesten, arrhieven, enz. Kcilvtlvxir (fijne tafelappel), v. âs; de straatjongen haalt hoor ile mooiste â van den hoop weg. (.hmath.) Igt;alt;*f,yliis (drieiettergr. versvoet met de betoonde vooraan), m. âs; â iseh. hn.; e verzen. |
Iloortrapt (listig, sluw), hn.; -hoid. v. I^orniter (slaapzaal in kloosters, enz.), m. â s. lgt;ot (huwelijksgift, bruidschid), v. âten. lgt;oiil»llt;M'r4'ii (een klasse of leergang nog eens doorloopen). Iloxaal (zanggalerij), o. -alen. Ook; (gt;./â¢//*//. t:i«l4'r«loiis (zachteborstveeren der eidereend). o. gmv. Kncyeliek (pauselijke zendbrief), v. -en. Frharinelijk jammerlijk), hn. onhw.; een âe toestand, ellendig; hij schreeuwde â. Kxternaat (dagschool, afd. eener kostschold), o. â naten. Faas (wapenk. diearsbal':), v. fazen. Flainiii^'aiit (Vlaamsehgezinde), m. -on. Ilarmattan (droge landwind op de W'.-Kast v. Afrika), m.; de â heerscht van Uee. tut Maart. lllt;'iiaiKti4*iilt;k (dichtk. holve ale.eondrijn), v. â n of â s. IIoetïJxeriK'iis (een soort v. vleermuis), m. â nenzon. Plaiilcnrijk (een v. it. drie rijken, der no-tuur), o.; het â omvat de gezamenlijke plantensoorten. |
SY NON I KM KN. I. S V N O N I 10 .M !â¢: N. i,
(ZINVKfiWANTi; \VOORD I: X.)
|
Aaien - phiiinstrijken â streelen. Aanbelangen â hetreflen â l;elangen â aangaan. Aanbetrouwen â toehetronwen. Aanbevelen â aanprijzen â aanpreeken. Aanbidden â vereeren Aanblikken â aanschouwen â aanstiiien â aanzien â aankijken â aangapen. Aanbreken â aanvangen. Aanbrengen â aandragen â aanhalen â aan-sleepen â aanvoeren. Aanbrengen â aangeven â ovorbrengon â overbrieven - verklikken. Aandacht â oplettendheid â opnierkzaainhoiiJ. Aandachtig â oplettend â opmerkzaam. Aandeel â deel â gedeelte. Aandeelhouder â deelgenoot. Aandenken â gedachtenis. Aandienen â itanmelden. Aandoen â roeren â schokken â trollen â raken. Aandoen â oinduen â ajintrekken â â â¢mshian. Aandoen â aanrimileu â aanvsillen â aangrijpen â aanpakken â aantasten. Aandoening â gevoel â gcwajir wording. Aandoenlijk â gevoelig. Aandrang â nadrnk. Aandrift, â aansporing. Aandrift â instinct â geestdrift. Aandrijven â aansporen â aanvuren â aanwakkeren â aanprikkelen â aanstoken. Aanduiden â aanwijzen â aantoonen. Aanfokken â aankweeken â aanplanten â aanpoten â aantelen. Aangaan â aanloopen. Aangaan â tieren â razen â leven maken â uitvaren. Aangaande â nopens â omtrent â rakendo. Aangapen â /.ie Aanhlikken. Aangeboi'en â ingeschapen â aangeschapeu. Aangedaan â bewogen â getrollen â geroerd â geschokt. Aangehuwd â aangetrouwd. Aangelegen â aangrenzend â aanliggend â belendend. Aangelegenheid â zaak. Aangemerkt â aangezien â vermits â dewijl (wijl) â doordat â omdat â nademaal. Aangenaam â liefelijk â lief â bevallig â behaaglijk â bekoorlijk â aanlokkelijk â plei/.ierig. Aangenomen â ondersteld â indien â bijaldien â gesteld (dat). Aange/icht â aanzicht â aanschijn â gezicht â gelaat - wezen. Aangroeien â aanwassen â toenemen â grootor worden â vermeerderen â zich uitbreiden â zich vermenigvuldigen. Aanhalen â aanlokken â aantrekken. Aanhalen â aanhouden â hekeuren â beboeten. Aanhang â bende â factie â partij. Aanhangen â volgen â voorstaan. |
Aanhanger â volgeling â voorstander â medestander. Aanhangsel - bij oegsel â bijlage. Aanhechten â aanbinden â aanknoopen â aanvoegen â bijvoegen. Aanheffen â aanvangen â beginnen. Aanhitsen â ophitsen â aansporen â aanstoken â aanzetten â aanvuren. Aanhouren â toehooren â luisteren â loc-luisteren. Aanhouden â volharden â volhouden. Aanhoudend - bestendig â blijvend â duurzaam â gedurig â gestadig â onafgebroken â onophoudelijk â voortdurend. Aankanten (zich) â verzetten (zich) â veer-staan â weerstreven â beletten. Aankieeden â kleeden (zich) âaantrekken (zich). Aankleve â aan hoerigheid. Aankleven â gehecht zijn â verknocht zijn. Aauknoopen â aanhechten â aanbinden. Aankomen â komen â naderen. Aankondigen â aanmelden â aandienen -aanzeggen â bekend maken â berichten â kond doen. Aankondigen â voorspellen â voorzeggen. Aankweeken â aanfokken. Aanlachen â toelachen. Aanlanden â belanden â landen. Aanlangen â aangeven â aanreiken. Aanleg â geschiktheid â gave â begaafdheid â talent â vatbaarheid. Aanleggen â bouwen â stichten. A:n leggen â mikken â toeleggen. Aanleggen â ontwerpen. Aanleggen - pleisteren. Aanleiding â gelegenheid â oorzaak. Aanlokkelijk â aangenaam. Aanlokken â aanhalen. Aanloop â toeloop. Aanloopen â aanhouden â duren. Aanmatigen (zich) â toeëigenen (zi« h) â loe-schrijven (zich). Aanmelden â aankondigen. Aanmelden (zich) â aandienen. Aanmerkelijk â aanzienlijk â merkwaardig â opmerkelijk. Aanmerking - bedenking â opmerking. Aanmerking nemen (in) â acht geven op â acht slaan op â letton op â overwegen. Aanminnig â aanvallig â aardig â aanmin-nelijk â beminnelijk â lief â innemend â lieftallig. Aanmoedigen â bemoedigen â moed gevn â moed inboezemen â moed inspreken. Aannemen â opnemen. Aannemen â krijgen â ontvangen â overnemen. Aannemen â aanvaarden. Aanprijzen â aanbevelen. Aanraken â aanroeren â aantasten â betasten â bevoelen. Aanranden â aandoen â aanvallen. |
') Voor de studie van de meeste dezer synoniemen zie men IIa11dwoontenbolt;'k vnn Nrdrr-hnidschc sijnonii'tnen. door .1. V. Hendriks. Met een voorrede van Dr. .1. II. («allee. Tiel lgt;. Mijs. prijs f' 2.50. Zij worden hier gegeven als een logische groepeering.
SY NON I KM EN.
520
|
Aanrichten â veroorzaken â leweegbrengen. Aanroepen â bidden â snieeken. Aanroeren â aanraken. AanschafTen â aankoopen â inkult;ipen â ver-schalTen (zich) â verwerven (zich). Aanschouwen â gewasirworden â waarnemen â zich voorstellen. Aanschouwer â toeschouwer. Aanspannen â inspannen â voorspannen. Aansporen â aandrijven. Aanspraak â toespraak â rede â redevoering. Aansprakelijk â verantwoordelijk. Aanstaan â behagen â bevallen. Aanstalten â toebereidselen. Aansteken â opsteken - ontsteken - in brand steken â vuur maken. Aansteken â besmetten. Aanstekend â aanstekelijk â besmettelijk. Aanstellen â benoemen â beroepen. Aanstoken â aanhitsen. Aanstonds â dadelijk â aldra â dra â eerlang â gauw â onmiddellijk â onverwijld â spoedig â ras â op staanden voet. Aanstoot â ergernis â ontstichting. â¢Aantal â getal â menigte â tal â hoeveelheid. Aantasten â aandoen â aanranden â aanvallen. Aanteekenen â opteekenen â opschrijven â boeken. Aanteekening â aanmerking â noot. Aantijgen â aanklagen â belasteren. Aantoonen â aanwijzen â doen zien. AantrelTen â ontmoeten â vinden. Aanvaarden â aannemen â op zich nemen. Aanvallig â aanminnig. Aanvechting â verzoeking â bekoring â verleiding. Aangehuwd â verwant â bloedverwant. Aanwakkeren â aandrijven. Aanwas â aanspoeling â aanslibbing â aan-slijking. Aanwenden â besteden â gebruiken â bezigen â zich bedienen van â zich ten nutte maken. Aanwensel â gewoonte â hebbelijkheid. Aanwezen â aanzijn â bestaan â leven. Aanwezend â aanwezig â tegenwoordig. Aanwijzen â aanduiden. Aanzienlijk - achtbaar - eerbiedwjuirdig -eerwaard â voornaam. Aanzoek â verzoek â bede. Aard â geaardheid â natuur â karakter â inborst. Aarde â aardbodem â aardbol â aardrijk â wereld. Aardig - koddig - kluchtig - geestig â vernuftig â zinrijk â luimig. Aardigheid â grap. Aardsch â wereldse,!». Aarzelen â weifelen â schromen â zich bodenken â talmen â dralen â in twijfel staan. Aas â voeder â voedsel. Achtbaar â aanzienlijk. Achteloos â onachtzaam â onoplettend â slordig. Achten â schatten â waardeeren. Achten â denken â gelooven - meenen â wanen â rekenen. Achterdocht â argwaan â verdenking â wantrouwen â mistrouwen. Achterklap â laster - aantijging - kwaadsprekerij â lastering. Achterwaarts - achteruit - rugwaarts -ruggelings â terug. |
Acht geven â acht slaan. Achting â hoogachting â hoogschatling â eerbied â ontzag. Acht nemen (zich in) â zich wachten â zich hoedon. Adel â adeldom â adelstand. Adellijk â edel. Ademen â ademhalen â adem schoppen â hijgen. Afbedelen â afbidden â afsmeeken. Afbeelden â afmalen â afschetsen â afschilderen â afteekenen. Afbeelding ~ afbeeldsel â beeld â beeltenis. Afbetalen â afdoen â voldoen â uitbetalen. Afbreken â slechten â sloopen â omhalen. Afbreuk â nadeel â schade â verlies â hinder. Afdanken â afscheid geven (aan) â afzetten â Afdeelen â verdoelen. [ontslaan. Afdeinzen â terugdeinzen â terugwijken. Afdoen â afmaken â eindigen â volbrengen. Afdwalen â afwijken â afraken â verdolen. Afdwingen â afpersen â ontweldigen â ontwringen â afknevelen. Afeischen â afvorderen â opeischen â lt;»|i-vorderen. Afgeleefd â bejaard â bedaagd â oud. Afgelegen â eenzaam â verwijderd. Afgetrokken â verstrooid. Afgezant â gezant â afgevaardigde â zaakgelastigde. Afgrijselijk â afschuwelijk â akelig - gruwelijk â naar â ijselijk â vreeselijk. ! Afgrijzen â afkeer. j Afgrond â kolk â poel â diepte. i Afgunst â nijd â wangunst. Afhouden â aftrekken â onthouden. Afkeer â afschrik â weerzin â tegenzin -j afschuw â walging. I Afkeer â haat â vijandschap. i Afkeuren - laken â misprijzen â gispen - wraken â veroordeelen. : Afkoelen â bekoelen â verkoelen. Afkomeling â afstammeling - nakomeling -nazaat â naneef. Afkomst â afstamming â geboorte - oorsprnng. Afleiden â besluiten â opmaken. Afleiding â uitspanning â verstrooiing. 1 Aflichten â afhellen â afnemen â aftillon â | afzetten â af beuren Afloopen â plunderen â verwoesten. Afloopen â een einde nemen â eindigen, i Aflossen â betalen. ! Afmaken â dooden. Afmalen â afschilderen â beschrijven. Afmatten â vermoeien â afsloven â uitputten. 1 Afnemer â kooper - klant. Afneuzen â afzien. Afpersen â afdwingen. Afraden â ontraden. Afreizen â vertrekken. Afroepen â oproepen. Afschaffen â herroepen â intrekken. Afschaffen â afdanken. Afscheid nemen â vaarwel zeggen. Afscheiden â afzonderen â scheiden. Afschrijven â overschrijven â uitschrijven. Afschrik â schrik. Afschudden â afwerpen. Afslaan â afweren â terugdrijven. Afslaan â veilen. Afslaan â afhakken. Afstaan â afwijzen â van de hand wijzen -weigeren â ontzeggen, |
SVNOMKM KN.
|
Afslaan â dalen â in prijs verminderen â ^oedkooper worden. Afsluiten â afschutten â umlieinen â omsluiten. Afspraak â overeenkomst â ruggospraak. Afstand â verte â verwijdering - verschiet. Afsteken â in het oog vallen â opgt;; iclitig zijn. Afsteken â afschieten â afvuren. Afsteken â afvaren â vertrekken. Afsterven â ontslapen â overlijden â sterven â don geest geven â verscheiden. Afstijgen â afklimmen â afsta ji pen â uitstappen. Afstuiten â stuiten â terngstniton â Itotsen. Aftillen â allichten. Aftrek â vertier. Aftuimelen â afvallen â nodervallen â noilcr-storten â vallen. Afvaardigen â afsturen â afzenden. Afvegen â afdrogen - afwisschen. Afwachten â verwachten â wachten. Afwenden â afkeeren. Afwennen â ontwennen. Afwentelen â afrollen. Afwezigheid â afwezendheid â afwezen â af/.ijn. Afwisschen â afvegen. Afwisselen - verwisselen - vervangen. Afwisseling (l)ij) â lieurtélings. Afzien â .afkijken â afleeren â afneuzen. Afzweren â verloochenen â verzaken. Akelig â naar â vervaarlijk â afgrijselijk. Akker â veld â land. Aleer â alvorens â eerdat â vourdsil.. Altijd â altoos â immer â immermeer â steeds â gedurig. Ambacht â beroep â handwerk. Ambassadeur â afgezant. Ambt â bediening â dienst â post â betrekking â waardigheid - baantje. Ambtenaar â beambte. Angst â bangheid â schrik â schroom â vrees. Antwoorden â beantwoorden â hernemen. Arbeid â bezigheid â werk - werkzaamheid. Arbeidzaam â naarstig â nijver â vlijtig â werkzaam â ijverig. Arglistig â bedrieglijk â listig â loos â slim. Arm â armoedig â behoeftig â haveloos â nooddruftig. Armoede â gebrek â ontbering. Armzalig â ellendig â kommervol. Avontuur â feit â gebeurtenis - toeval â voorval. Kani â golf â inham â kreek â zeeboezem. Haal â buidel â pak - zak. Baan â weg â pad â straat â voetpad â ping. Raar â golf â golfslag â kabbeling. Haar - staaf. Haas â heer â meester â gebieder. Haat â nut â voordeel â winst. Haatzucht â hebzucht - inhaligheid âeigenbaat. Habbelen â praten â snappen â kakelen â kouten â kallen. Hagger â modder â slib â slijk. Hak - k om â nap â pan â schotel. Bakeren â broeien. Hakken â braden â koken â roosten â stoven â zieden. Baksteen â kei â klinker â tichelsteen. Balie â leuning â hek. Balling â banneling â bandiet. Ballingschap â verbanning. Balsem â zalf. Band - boei â keten - ketting - kluister. |
| Bandeloos â teugelloos â toomeloos â ongebreideld â breidelloos â onhandig. Banier â standaard â vaan â vaandel â vlug. Bank â stoel â zetel â troon â schabel.. Banket â gastmaal. Bar â dor â onvruchtbaar â schranl â woest â onbebouwd. Barbaarsch â onmenschelijk â wreed. Barmhartig - medelijdend â .nededoogend. Barsch â norsch â spijtig â stug â stunrsrh. Barst â kloof â reet â scheur â spleet. Bnst â schors â schil â bolster â dop. | Bazuin â horen â trompet. Beamen â toestemmen. I Beademen â beslaan.' Beambte â ambtenaar. Beantwoorden â voldoen a:in. Bedaagd - afgeleefd. Bedaard â bezadigd â gemntigd â kalm. ! Bedachtzaam â behoedzaam â beraden bezonnen â nmzichtig â voorzichtig. Bedanken â danken â 'hink zeggen â d.mk weten. Bedaren â gaan liggen. Bedaren â bevredigen. Bedding â laag âbodem â grond. Bede â verzoek â smeeking. Bedeelen â omdeelen â ronddeeien â n;(-deelen â verdeelen. Bedeesd â beschroomd â blimde â bodrem-ineld â beteuterd â onthntsl â verlegen â versteld â schuchter. He. lek k en â bernanti den - bewimpelen - verbloemen. Bedenkelijk â netelig â zorgelijk â hnehelijk. Bedenking â beraad â overweging. ' Bederf â verrotting â verderf. ! Bediende â dienaar â dienstbode â knecht â | lakei. Bediening â ambt â post. Bedijken - indijken - omdijken. Bedillen â berispen â gispen - laken bestraffen. Beding â voorwaarde. Bedoeling â doel. Bedompt â duf â mnf. Bedotten â bedriegen. Bedrag â beloop. Bedremmeld â bedeesd. Bedreven â ervaren â doorkneed - doortrapt â geoefend â geslepen. Bedriegen â bedotten â foppen â misleiden â verschalken. ' Bedriegerij â bedrog. Bedrieglijk â arglistig. Bedrijf - daad - handeling. Bedrijven â doen â handelen â venii-hten. Bedroefd â bedrukt â droevig â neerslachtig â treurig â zwaarmoedig. } Bedroevend â deerlijk â jammerlijk. 1 Bedrog â bedriegerij. 1 Beduiden â verklaren â uitleggen â aan ; 't verstand brengen. I Beduiden â beteekenen. Bedwelmd â duizelig â verdoofd. Bedwingen â beheerschen â betengelen â betoomen. Beemd â weide â weiland. Beest â dier â vee. Befaamd â beroemd â berucht â vermaard. Begaafd â bekwaam â talentvol â geniaal. Begaafdheid - bekwaamheid â gaaf â talent. Begaan - plegen. |
SVNONIKMKN.
|
Begeeren â verlangen â wensclien â roik-lialzen â smachten â haken (naar) â il»listen (naar). Begeerlijkheid â lust â zucht. Begeerte â neiging â zucht â lust â trek. Begeven â verlaten. Begin â aanvang. Beginsel â regel â stelregel. Begraafplaats â kerkhuiquot; â godsakker. Begrip â voorstelling. Begrip â doordicht. Begrip â bedunken. Begrijpelijk â bevattelijk â duidelijk â holder â klaar â verstaanbaar. Begrijpen â bevroeden. Begrijpen â beselïen â bevatten - verstaan. Begrooten â ramen â schatten â waardeeren. Behaaglijk â aangenaam â prettig. Behagen â aanstaan. Behalen â bekomen. Behandelen â bejegenen. Behandelen â bewerken. Beheer â bestuur â bewind â heerschappij â regeering. Beheerschen (zich) â beteugelen â betuomen â bedwingen â bezitten (zich). Beheerschen â besturen - gebieden â heer-schen (over) â regeeren. Behelzen â bevatten. Behendig â handig â knap â gauw. Behoeden â beschermen â beschuiten - beveiligen - bewaren. Behoedzaam â bedachtzaam. Behoefte â nooddruft â noodwendigheid. Behoeftig â arm. Behoeve (ten) â gunste (ten). Behoeven â noodig hobbcn. Behooren â betamen â passen â voegen. Behoorlijk â betamelijk. Beiden â wachten â toeven. Bejaard â afgeleefd. Bejegenen â behandelen. Bok â mond â muil â snuit â snavel â neb â sneb. Bekend â ruchtbaar. Bekendmaken â aankondigt'ii. Bekendmaken â berichten â kond doen â laten weten. Bekendmaking â bericht. Bekennen â belijden. Beker - kelk. Bekijken â bezien â besclumwen. Bekkeneel â hersenpan â kruin â srhedel. Beklaaglijk â beklagenswaardig â deerniswaardig â rampzalig. Bekladden â bemorsen â bevlekken â bevuilen â bezoedelen â verontreinigen â vuil maken. Beklemming â huur â pacht. Beklimmen â bestijgen â beklauteren. Beknopt â bondig â kort. Bekomen â behalen â erlangen â verkrijgen â verwerven â ontvangen â krijgen. Bekomen â beteren â opkomen â herstellen. Bekommerd â beducht â bevreesd. Bekommeren (zich) â aantrekken (zich) â bekreunen (zich). Bekoopen â betalen â boeten. Bekoorlijk â aanminnig â liefelijk. Bekoren â betooveren â innemen â (het hart) winnen â ven-ukken â vervoeren. Bekrachtigen â bevestigen â bezegelen â staven â verzekeren. |
Bekreunen (zich) â aantrekken (zich). Bekrompen â eng â nauw. Bekrompen â beperkt â eenzijdig - partijdig. Bekwaam â geschikt â kundig. Bekwaam â begaafd. Belachelijk â bespottelijk. Beladen â bevracht. Belang â voordeel. Belangrijk â van belang â gewichtig. Belasting â schatting â cijns â tol. Beleedigen â beschimpen â hoonen â verguizen â krenken â smaden â smalen (op). Beleefd â beschaafd â holfelijk - wellevend. Beleenen â verpanden. Beleid â omzichtigheid â overleg. Belemmeren â stremmen â versperren â storen. Belemmering â beletsel â hindernis â verhindering. Beletten â verhinderen â tegenhouden â terughouden â versperren. Belgen â vergrammen â verstoren â vertoornen. Belijden â bekennen. Belofte â gelofte â verbintenis. Beloonen â loonen â vergelden â betalen. Belooning â betaling â bezoldiging â loon â Beloop â bedrag. | prijs. Beloop â gang â loop. Bemachtigen â vermeesteren â veroveren â zirh meester maken. Bemantelen â bedekken â bewimpelen. Bemerken â bespeuren â gewaar worden -merken â ontdekken â ontwaren â opmerken â waarnemen. Bemiddelaar â scheidsman. Bemiddeld â gegoed. Beminnaar â liefhebber â minnaar. Beminnelijk â aanminnig. Beminnen â houden van â liefhebben â lieven â minnen. Bemoedigen â aanmoedigen â moed geven. Bemoeien â afgeven (zich) - inlaten (zich;. Bemorsen â bekladden. Benaming â naam. Benauwd â bang â bedeesd. Benauwdheid â deuk â angst. Bende â aanhang. Beneden â omlaag â onder. Benomen â ontnemen â «tntrooven â ontweldigen. Benieuwd â nieuwsgierig â weetgierig. Benijden â misgunnen. Benoemen â aanstellen. Benoeming â aanstelling. Beoefenen â oefenen â uitoefenen. Bepalen â vaststellen. Bepeinzen â overdenken â overpeinzen. Beperkt â bekrompen. Bepraten â ompraten. Beproeven â de proef nemen â onderzoekon. Beproeving â bezoeking â onheil â ongeluk â ramp â tegenspoed â wederwaardigheid. Beraadslagen â raadplegen â Ie rade gaan. Beraden (zich) â bedenken (zich) â overwegen. Beraden â bedachtzaam. Bereid â gereed â vaardig â klaar. Bereidwillig â gaarne. Berennen â insluiten â omsingelen â omgeven â omringen. Bergen â bewaren â wegsluiten â wegleggen. Bericht â bekendmaking â mare â naricht â tijding â mededeeling. |
SV NON I KM EN.
|
Itericliteii â iuiiikondigen. Berichten â te kennen geven â uiedeLleelen â melden â verwittigen. Berispen â bedillen. Beroemd â betnamd. Beroep â utnbacht. Beroepen â bijeenroepen. Beroep â roeping. Beroepen â aanstellen. Beroerten â onlusten â oproer â opstand. Berokkenen â bron won â veroorzaken â teweegbrengen â verwekken. Berooven â benemen. Berouw â boetvaardigbeil â leed wo/ei i â spijl. Berncht â befaamd. Beschaafd â beleefd â Ik dl Vd ij k â wtdlevcnd â welgemanierd â hoofsch â galant. Beschamen â teleurstellen. Beschaving â verlichting. Bescheiden â ontbieden. Bescheiden â ingetogen -- stemmig â zedig. Beschermen â behoeden. Bescherming â hoede. Beschijnen â bestralen. Beschimpen â beleedigen. Beschonken â dronken. Beslaan â beademen â bewasemen. Beslag - deeg. Beslnit â einde â slot. Beslnit â voornemen. Besmettelijk â aanstekelijk. Besparen â nitsparen â ui Iwinnen. Bespeuren â bemerken. Bespoedigen â verhaasten. Bespottelijk â belachelijk. Besprenkelen â besproeien. Bespringen â overvallen. Bestand â wapenstilstand â wapeiisrlioising. Besteden â aanwenden. Bestek â ontwerp â plan. Bestellen â bezorgen â lt;t\erhandigen. Bestendig â aanhondend. Bestendig â diinrzaam â slaiulsastig â \;igt;l â onveranderlijk â onwankelbaar â onwnkliaar. Bestralen â beschijnen. Bestraten â bevloeren â plaveien. Bestndeeren â beoefenen. Bestnnr â beheer. Betalen â lomieu â vergelden. Betalen â voldoen. Betalen â aflossen. Betamelijk â behoorlijk _ ^cipasi â voeg/,:i:im. B('tamen â behooren â voegen â passen. Beteekeins â zin. Betoogen â bewijzen. BcUioinen â beheerschen â ImmIw ingen. Botrachten â doen â zich kwijten. Betrappen â verrassen â vangen - vallen. BetrelVende â aangaande â nopens. Betrekken â bewolken â verdnisteren. Betrekking â verband â samenhang. Betwisten â aanspraak maken (op). Benken â kloppen â slaan. Benrt â volgorde â rangorde. Benrtelings â afwisseling (bij). Benzelen â talmen â treuzelen â sokkelen. Bevel â gebod â last â opdracht - order â voorschrift. Beven â rillen â sidderen â trillen. Bevestigen â vastmaken â vasthechten. Bevlijtigen (zich) â toeleggen (zich â op). Bevochtigen â nat maken. Bevoegd â gemachtigd â gerechtigd. |
Bevolkt â volkrijk. Bevredigen â voldoen. Bevredigen â bedaren â stillen â verzoenen. Bevreemden â verbazen â verrassen â verwonderen. Bevreesd â beducht. Bevriezen â stollen â stremmen. Bevrijden â ontslaan â verlossen â redden. Bevroedeif â begrijpen â doorgronden â beselfen â inzien. Beweegreden â drangreden â drijfveer âgrond. Bewegen â aansporen â aanzetten â nopen. Beweren â staande honden. Bewerken â veroorzaken â teweegbi-engen -uitwerken. Bewilligen â toestaan â inwilligen â veroorloven â vergunnen. Bewimpelen â bedekken â verbloemen â verbergen. Bewind â beheer â bestuur. Bewogen â aangedaan â getrollen. Bewolken â betrekken. Bewoner â Inwoner â ingezetene â geëifih. â ingelande â landzaat. Bewoording â uitdrukking â zegswijze â woord. Bewustheid â kennis. Bezadigd â bedaard â stemmig â kalm. Bezeeren â kneuzen â kwetsen â wonden. Bezetten â innemen. Bezien â bezichtigen â bekijk en â büschonwen. Bezig â onledig. Bezigheid â arbeid â werk. Bezinksel â droesem â drab â helle â moer â grondsop. Bezit, â have. Bezit â eigendom. Bezitten â hebben. Bezitten (zich) â beheerschen (zich). Bezitter â eigenaar. Bezonnen â bedachtzaam. Bezorgd â bekommerd â lu'dncht bovrcesd. Bezuren â boeten ( voor). Bezwaar â bedenking â grief. Bi, brengen â aanvoeren. Bi eenkomst, â samenkomst. Bi geloovig â lichtgeloovig. Bijkans â haast â bijna â ongeveer - omtrent. Bi lage â aanhangsel. Bi springen â bijstaan â helpen â onderstHimeii. lil. val â buitenkans â meevaller, val â goedkeuring. . voegsel â aanhangsel. Bi zonder â oj merkelijk â bnitengewixni â zonderling â aanmerkelijk â merkwaardig. Billijk â rechtvaardig â rechtmatig. Billijken ~ goedkeuren. Binnenkort, â eerlang. Bitter â bits â onvriendelijk â snibbig -scherp â spijtig â vinnig â schamper. Bitter â wrang â zunr. Blaam â verwijt. Blaken â blakeren â schroeien â zengen. Blank â wit, â bleek. Blijdschap â blijheid â blijmoedigheid â Inst â plezier â genoegen â vermaak â vreugde â vroolijkheid. Blinken â nikkeren â flonkeren â fonkelen â glanzen â glinsteren â tintelen â schitteren. Bloedverwant â maag â nabestaande. Bloei â bloem â bloesem. Bloei â welstand â welvaart â voorspoed. Bloei â Meur. Bloode â bang â laf â vreesachtig â versaagd. £ |
SY NON I KM KM.
r.2'»
â rist
- woud.
pak.
tas
ilijvig.
menigm
iquot;!
rekenon (op) â verlrouwen (zicli â op).
Rouwen â oplichten â stichten.
Rovpii (Ie â gaan» â overtrellou.
Bovemlien â buitendien â daaroub'i\en.
Rraalquot; â eerlijk â deugdzsuim.
Braak â «inbebouwd â woest.
Brak - zout - zilt.
Rrassen â slempen â smullen â zwelgen. Breidel â gebit â teugel â toom.
Rrengen â leiden â voeren.
Broddelen â knoeien.
Rronimen â gonzen â gromiuou â knorren. Rron â oorsjtroug.
Rrooddronken â uitgelaten â dartel.
Broodwinning â kostwinning â neringâbestaan.
Broos â breekbaar.
Bruidschat â huwelijksgirt â uitzet.
Bruikbaar â geschikt.
Bruisen â ruischen.
Buigbaar â buigzaam.
Buiging â dienaresse â nijging.
Buit â roof â prijs â prooi.
Buitelen â duikelen â tuimelen.
Buitenlandsch â uitheemsch â vreemd.
Bulderen â aangaan â razen â huilen.
Bulderen â tieren â woeden.
Bult. - bochel.
Bult â buil.
Bundel â bos.
Burg â burcht â kasteel â slot.
moot - kaal - naakt - bar.
Bliisschen â rienipeii â ilooven â losschon â smoren â stelpen â stuiten.
Roi-ht â boog â kroimninji â kronkeling. Roedel â prlonis â nalatensrha)).
Roedellniis â erflmis.
Roei â band â keten â kluister.
Hoert â gekheid â jok â luim â scherts â kortswijl.
Roertig - aardig â grappig â komisch. Roeien (voo-) â bezuren.
Roeten â bekoopen.
Rond â genootschap â ge/elschap â vereeni-ging - maatschappij.
Rondig â beknopt â kort.
Rtnit â veelkleurig â geschakeerd.
Roord â kant â kust â oever â wal â strand. Boord â kraag.
Roos â kwaad â slochl.
Roos â driftig â kwaad â nijdig â toornig â wrevelig â verbolgen â oploopend â opvliegend.
â goedspreken â instaan â
Ilaad - bedrijf - handeling.
Dagen - dagvaarden â voor het gerecht roepen - in rechten hetrekken.
Dageraad â morgen â ochtend - morgenstond. Dal - vallei - vlakte.
Dalen â vallen â zakken â zinken. Dam â dijk â waterkeering â beer.
Damp â mist â nevel â uitwaseming.
4'edel (ceel) â lijst Cel â kamertje.
rij ter - getal i nerk. (quot;(jus â belasting â schatting. Cirkel â kring â omtrek.
Rorg blijvei waarborgen. Ros â Itundel Rosch â hout Rot â stomp.
Rouwen (op) (op) â verlaten
regis tor.
Dank â erkentenis.
Dankbaarheid â erkentelijkheid.
Dank zeggen â bedanken.
Dapper â kloek â koen â moedig â onverschrokken â stout â wakker â onversaagd. Dartel â brooddronken â baldadig â uitgelaten. Dartel â speelsch â speelziek â uitgelaten. Dartel â weelderig â wulpsch.
Daveren â dreunen â schudden â trillen. Deeg - beslag.
Doel - lid.
Deel â dorschvloer.
Deel en â scheiden.
Deel (ten â vallen) â beurt (te â vallon). Deelgenoot â deelhebber â aandeelhouder â vennoot.
Deelnemend â barmhartig â medelijdend. Deemoedig â nederig â ootmoedig.
Deerlijk â bedroevend â jammerlijk â ellendig - rampzalig.
Deernis â erbarming â mededoogen â medelijden â ontferming â barmhartigheid. Dèerniswaardig â beklaaglijk.
Deftig - afgemeten â plechtig â statig -stemmig.
Deftigheid â ernst.
Deining â branding â golving â golfslag. Deinzen â terugtrekken â wijkeu â van plaats veranderen.
Dekken â bedekken â bekleeden.
Delven â graven â spitten â rooien.
Denken â peinzen â zinnen.
Derhalve â dus â bijgevolg â gevolgelijk. Derven â missen â ontberen.
Deugdzaam â braaf â vroom.
Deuntje â gezang â lied â zang.
Dienaar â bediende â dienstbode - kuelt; ht lakkei.
Dienen â strekken â nuttig zijn.
Diep â laag.
Dierbaar â lief â waard.
Dol â razend â verwoed â woedend.
Dom â onkundig â onnoozel â onwetend.
Donker â duister â somber.
Dolt;gt;d â gestorven â levenloos â overleden â ontzield.
Dooden â ombrenge.i â afmaken â van het leven berooven â ontlijven â om hals brengen â ter dood brengen.
Doodsch â akelig.
Doorboren â doorsteken â doorvlijmen â doorpriemen.
Doorbrengen â verkwisten â verteren - verspillen â verdoen.
Doordrijven â doorzetten.
Doordringend â schrander â scherpzinnig â snedig.
Doorgaans â gemeenlijk â gewoonlijkâmeestal.
Doorgronden â bevroeden â doorzien.
Doorkneed â bedreven â ervaren.
Doorgaans â gewoonlijk â meestal.
Doorschijnend â doorzichtig.
Dik
men:_
Disch â tafel.
Dobbelen â spelen.
Doel â bedoeling â doeleinde â doelwit â oogmerk â voornemen â plan.
Doelen â zinspelen.
Doemen â verdoemen â veroordeeleu â voii-
Dijen â uitzetten â zwellen. Dik â gezet - lijvig
k wij Is - dikmaals - dikwerf lenigwerf â menigvuldig.
al -
SYNÃNIKM ES.
|
Doorstaan â lijden â verdragen â verduren â dulden â uitstaan. Doortrapt â geslepen â sluw â lo» s. Doorzien â begrijpen. Doorwrocht â geleerd. Doorzicht â begrip â bevatting. Doppen â pellen â schillen â ontbolsteren. Dorschvloer â deel. Dorsten (naar) â reikhalzen. Draad â samenhang. Draaien â keeren â wenden â wentelen. Dragen â torsen. Dralen â talmen. Dreunen â daveren. Driest â dapper â onverschrokken. Drift â boosheid â gramschap â toorn â verbolgenheid. Drift â hartstocht. Driftig â haastig â schielijk. Drijfveer â beweegreden. Drijven â jagen. Drinkgeld â fooi â verval. Dringen â drukken â duwen â stooten. Drinker â drinkebroer â dronkaard - zuiper. Dronk â slok â teug. Droogte â bank â ondiepte â plaat. Droomerig â slaperig â sufferig. Druipen â druppelen â druppen â droppen. Druk â oplaag â uitgave. Druk â nood â ongeluk â benauwdheid â rampspoed â ellende. Dubbelzinnig â twijfelachtig. Duchten â vreezeu. Duf â bedompt â dompig â muf - vochtig. Duister â geheimzinnig â verborgen â raadselachtig. Duister â donker â somber. Duisterheid â duisternis. Duizelig â bedwelmd. Dulden â gedoogen â toelaten â vergunnen â veroorloven. Dun â mager â rank â schraal â slank â tenger. Dun â vloeibaar. Dunken â schijnen - toeschijnen - voorkomen â lijken. Duren â aanloopen. Durven â onderstaan â verstouten (zich) â onderwinden (zich) - wagen. Duur â duurzaamheid â tijd. Duwen â dringen â drukken â persen. Dutten â slapen â sluimeren. Duurzaam â bestendig. Dwaalleer â ketterij. Dwaas â dom â mal â zot â gek â krankzinnig â onverstandig â onzinnig â zinneloos. Dwalen â zwerven. Dwalen â dolen â falen â mistasten. Dwaling â abuis â vergissing â misrekening. Dwars â schuin â scheef. Dwarsboomen â belemmeren â storen â versperren. Dweepzucht â bijgeloof. Dweper â geestdrijver. Dweperij â bijgeloof. Dweperij â dweepzucht â geestdrijverij. Dwingen â dringen â noodzaken â nopen. Echt â onvermengd â waarachtig â zuiver â onvervalscht â louter â rein. Echtgenoot â gade â gemaal â wederhelft. Kdel â adellijk. Kdelaardiquot; â edelmoedig â grootmoedig â edel. |
Eendrachtig - eenparig â eens â eensgezind â eenstemmig. Eenig â alleen. Eeuige â ettelijke â sommige â menig. Eenparig â eend rach tig â eenstemmig. Eensgezind â eendrachtig. Eenvoud â enkelvoudig. Eenzaam â afgelegen. Eenzaam â alleen â afgezondero. Eer â naam â roem. Eerbaar â eerzaam â ingetogen â rein - knisch. Eerbied â achting. Eerbiedwaardig â aanzienlijk. Eergierig â eerzuchtig. Eerlijk â braaf â oprecht. Eerloos â oneerlijk. Eerroover â lasteraar. Eerstkomend â aanstaand. Eertijds â voorheen â \ roeger â weleer. Eervol â vereerend. Eerzuchtig â eergierig. Eetlust â honger. Eetwaar â eten â kost â leeftocht â spij.- â voedsel â nooddruft â teerkost â mondbehoeften. Eeuwig â altijddurend â eindeloos â zonder einde. Elfen â glad â plat â vlak. Eigenaar â bezitter. Eigenbaat â baatzucht. Eigenwijs â ingebeeld â laatdunkend â neuswijs â verwaand â waanwijs â pedant. Eigenzinnig â hoofdig â hardnekkig â halsstarrig â koppig â stijfhoofdig. Einde â besluit. Eindelijk â ten laatste â ten slotte. Eindeloos â oneindig. Eindigen â voleindigen â voltooien â volbrengen. Eindigen â ophouden â uitscheiden. Eischen â vergen â vorderen â vragen â verlangen â verzoeken. Ellendig â armzalig. Eng â bekrompen â nauw. Erkennen â kennen â herkennen â .onderkennen. Erkentelijkheid â dankbaarheid. Erkentenis â dank. Erlangen â bekomen. Ernst â deftigheid. Ernst â gestrengheid â nadruk. Ernst â ijver â vlijt. Ervaren â bedreven. Ervaring â ondervinding. Eten â spijzen â schrokken â vreten. Evemnensch â medemensch â naaste â evennaaste. Fabel â verdichtsel â verhaal â vertelling â sprookje â legende â sage â mythe. Fakkel â flambouw â toorts. Falen â feilen â dwalen. Feest â maal â gastmaal ⢠feestelijk maal. Feilen â falen â mangelen missen. Femelaar (lij meiaar) â huichelaar â -j veinsde â schijnheilige. Fielt â schelm â schurk â buef â guit deugniet. Figuur â vorm â gedaante â gestalte. Fiksch â Hink â degelijk. Flambouw â fakkel â toorts. feestmaal â ontbreken â |
SYNONIKMKX.
520
|
Flauw â laf â zouteloos. Fleemeu - 11 ik (looien â liefkoozeu â vleien. Fleur â liloei â gi-oei. Flikkeren â blinken â glanzen. Fluks â aanstonds. Folteren â martelen â pijniiren. Fooi â drinkgeld. Fortuin â geluk. Frisch â koel. lt;ila(de) â echtgenoot â wederhelft. (Jaaf â gansch â geheel - heel. Gaaf (gave) â gift â geschenk. Gaaf (gave) â hekwaainheid â begaafdheid. Gaan â loopen â wandelen â kuieren. Gaan liggen â bedaren. Gaarne â graag â gewillig â goedwillig. Gadeslaan â zien â bemerken. Gapen â geeuwen. Garf â bos â schoof. Gastmaal â banket â feest. Gebeurtenis â voorval â feit â avontuur, (lebied â beheer â gezag. Gebieden â bevelen â gelasten â verordenen â voorschrijven â heeten. Gebit (bit) - breidel. Gebod â bevel. Gebogen â krom â gekromd. Geboorte â afkomst. Geboortegrond â vaderland â geboorteland. Geborgen - zeker. Gebrek â armoede â nood. Gebrekkelijk â kreupel â lam â mank. Gebruik â gewoonte â zede â mode â zwang - trant. Gebruiken â aanwenden. Gedaante â figuur. Gedachte (in) â verstrooid â afgetrokken. Gedachtenis â heugenis â herinnering â aandenken. Gedeelte â aandeel. Gedeeltelijk â ten deele. («edicht â vers. («edoogen â dulden â toelaten â veroorloven. Gedragen (zich) â aanstelion (zich) â houden (zich). Gedrang â toeloop. Geduld â lijdzaamheid. Gedurig â aanhoudend â altoos â dikwijls. Gedwee â buigzaam. Geest â oordeel â vernuft â vorstand. (â¢eestdrift â vervoering. Geestig â vernuftig â ;iardig. Geeuwen â gapen. Gegoed â welgesteld â bemiddold â rijk â vermogend. Gehecht â verkleefd â vorknorhi. Geheim â heimelijk. Gelaat â aangezicht â aanschijn. Gelast en â gebieden â bevelen. Gelden â kosten. Geldstuk â muntstuk. Geleerd â doorwrocht. Geleerd â verstandig â wijs. Gelegenheid â aanleiding - oorzaak. Gelegenheid â omstandigheid. Geleiden â vergezellen. Gelijken â slachten. Geluid â klank â toon. Geluk â heil â fortuin. Gelukkig â tevreden â vergenoegd. Gemeen - laag â ruw â plat. Genadig â barmhartig. |
Genegen â geneigd â gezind â gunstig. Genoegen â blijdschap. Geoefend â bedreven. Gerechtigheid â rechtvaardigheid. Gereed â bereid. Gereedschap â werktuig - instrument â toestel. Geschiedenis â kroniek. Gesprek â onderhoud â woordenwisseling. Getal - aantal. Getemd â tam â mak. Getroffen â aangedaan â geroerd. Gevaar â nood. Gevangenis â kerker â tuchthuis â verbeterhuis. Gevecht â kamp â slag â strijd. Geveinsdheid â huichelarij â schijnheiligheid. Geven â aanbieden â 'schenken â vereeren. (Je volg â nasleep. Gewag â bericht â melding. Gewas â kruid â plant. Gewichtig â belangrijk. Gezag â gebied - macht â bevel. Gezant â afgevaardigde. Gids â leidsman â wegwijzer. Gierig â begeerig â hebzuchtig â inhalig. Gijzelaar â borg. Gil â kreet â schreeuw. Gissen â raden â vermoeden â veronderstellen. Glans â gloed â gloor. Glimlachen â grimlachen. Glimmen â gloeien â smeulen â branden. Glimp â schijn. Glinsteren â blinken â gla nzen. Gluren â loeren. Goddeloos â zondig. Godsakker â begraafplaats. Godsdienstig â godvreezond â godvruchtig â vroom â godzalig. Golving â deining. Gooien â smijten â werpen. Graan â koren. Gramschap â drift. Grap â aardigheid â geestigheid â kwinkslag â scherts â ui - klucht â gekheid. Grenzenloos â onbegrensd. Grijnen â huilen â kermen â krijten â schreien â weeneti â kreunen. Grijpen â pakken â vangen â vatten. Gril â kuur â luim â nuk. Groei â bloei â llenr. Groeien â gedijen â wassen. Grimmen â brommen. Grootmoedig â edel â edelmoedig. («rootsch â hoogmoedig â trotsch. Grot â hol â spelonk. Gul â openhartig â rond. Gunstig â genegen. Haag â heg â heining â omluining â schutting â hek. Haast â bijna â bijkans â omtrent â schier. Haast â spoed â drift. Haasten (zich) â zich reppen â zich spoeden. Haat â afkeer â vijandschap. Hachelijk - bedenkêlijk. Haken naar â begeerèn â reikhalzen. Hakkelen â stamelen â stameren â stotteren. Hakken â houwen â kappen. Halsstarrig â eigenzinnig. Handel â nering. Handelaar â koopman - kramer â venter. Handwerk â ambacht. |
S VXON1 KM EX.
527
|
Hard â gestreng â streng â gevoelluos â hardvochtig â zwaar. Hard â zwaar â gevoelig. Hartelijk - innig - nprechl - welgemeend. Hartstocht â drift â vnnr. Hartzeer - leed - verdriet. Have â bezit â bezitting â goed â middelen â vermogen â rijkdom. Haven â reede â I igplaats. Heimelijkheid â aanwensel â gewoonte. I lebben â bezitten. Hebzucht ig - gierig - inhalig. Heelen â genezen. Heerlijk â aangenaam. Heerlijk â prachtig â verrukkelijk â voor-tretrelijk â uitmunten'l. Heeten â gebieden. Heeten â nlt; jemen. Heil â geluk - voorspoed - fortuin. Heilig â onschendbaar. Hekelen â beilillen â gispen. Helder - klaar - duidelijk. Hollen â overhangen â neigen. Helpen â bijspringen. Herinnering â gedachtenis â aandenken. Hernemen â antwoorden. Hervormen â herscheppen. Hinder â afbreuk. Hinder â letsol â schade. Hindering â hindernis â hinderpaal â beletsel. Hoede â bescherming. Hof â tuin â gaarde â park â warande. Holfel ijk - beleefd. Holte â bol â grot â spelonk. Hoofsch â beschaafd â wellevend. Hoog â verheven. Hoogmoed â hoovaardij â inbeelding â trots. Hoogmoedig â lier - trotsch - verwaand â grootsch â prat â laatdunkend. Hoonen â beleedigen â bespotten - smaden. Hoop â massa â stapel â tas. Hooren â vernemen. Hooren â luisteren. Hopen â wenschen. Horizont - kim - gezichteinder. Houden â nakomen â vervullen. Huichelarij â geveinsdheid. Huichelen â veinzen. Huisraad - meubelen â inboedel. Hulp â bijstand â onderstand. Huur â pacht â beklemming. Huur â loon. Huwelijksgoed - bruidschat. Idioot â zinneloos â krankzinnig. IJdel â hoogmoedig. IJselijk â schrikkelijk â ontzettend. IJver - naarstigheid â vlijt. I.lverig â arbeidzaam â naarstig. Ijverzuchtig â naijverig. I.lzen - schrikken. Inbeelden (zich) â verbeelden (zich). Inbeelding - hoogmoed. Inboedel â huisraad. Inboezemen â inprenten â insrhorpen. Inborst â aard - natuur - karakter. Inbrengen â opperen â te berde brengen. Ingieten â inschenken. Inkomsten â inkomen â rente. Inleveren â indienen. Inmiddels â intusschen â middelerwijl onderwijl - ondertusschen. Innemend â bevallig â aanminnig â lief. |
I Innerlijk â inwendig. j Innig â inwendig. Inprenten â inboezemen â inscherpen. Inschikkelijk â meegaand â volgzaam â toe-1 gelei ijk. Inslaan â opdoen. Inslaan â iuzwelgen. Insluiten â omgeven â omringen â omsingelen â berennen. Instrument âgereedschap âwerktuigâ marliine. Intrekken â afschalfen â herroepen. , Inwendig â innerlijk â innig. Jaarboek â kroniek. Jaarwedde â jaargeld â salaris â soldij â | traktement â gage. .lagen â drijven. ' Jammer â klacht â weeklacht. .lammerlijk â deerlijk â bedroevend. Jeugd - jonkheid. Jok â boert â scherts â grap. .lokken â liegen. Jokken â schertsen. Joligheid â blijdschap â pret â dartelbeMl. Jong â jeugdig â nieuw â versch. Jonkheid - jeugd. .luist â nauwkeurig â stipt. .Inweelen â kleinooden (kleinoodiën). Kaal â bloot â naakt. Kabel â touw. Kalm â bedaard â bezadigd â gematigd. Kamer â kabinet â vertrek - zaal. , Kamertje â cel. Kamp â strijd â gevecht â slag â veldslag. Kansel â predikstoel â spreekgestoelte. kust idsch. klontfi kant â boord â oever Kapittel - hoofdstuk. Kappen â hakken. Karakter â aard â inborst. Kmig - gierig - inlialig. Kasteel â burcht. Kastelein â herbergier â logementhouder waard â hotelhouder. Kastijden â tuchtigen â strallbn. Keel â gorgel - stro» â hals. Kelk â beker â roemer (romer). Kerker â gevangenis. Kerkhof â begraafplaats â godsakker. Kibbelen â kijven â twisten â krakneleu. Kiem â spruit - loot â lot. Kim â gezichteinder â horizont. Kinderachtig â kinderliik â kim Kindschheid - kindsheid. Klauw â poot. Klank â geluid â toon. Klauteren â klimmen. Klem â nadruk. Klieven â klooven â splijten. Klimmen â klauteren. Klimmen â rijzen â stijgen. Klip â rots. Klomp â klont â kluit â hom| Kloof â barst. Khuster â boei - band. Knagen â knabbelen -- kluiven â pluizen. Knap â bekwaam â handig. Knielen â te voet vallen. Knijpen â klemmen â knellen - nijpen. Koel â frisch â lauw â koud. Koel â onvriendelijk â stijf stug. Koppel â paar. Kosten â onkosten. al - kade. |
SVNONIK.MKN.
|
Kracht â sterkte â macht â vermogen. Krachteloos â zwak. Krank â ziek â onpasselijk â ziekelijk. Krankzinnig â waanzinnig â zinneloos â uitzinnig â gek â idioot. Krans â kroon. Kroniek â geschiedenis â jaarboek. Kruid â gewas â plant. Kruin â schedel. Kruis â rarnp â beproeving. Kuisch â eerbaar. Kundig â geleerd. Kunne â geslacht â sekse. Kunst â kunde â wetenschap â geleerdheid. Kunstig â kundig â geleerd. Kuur â gril â luim â nuk. Kwaad â boos â boosaardig â kwaadaardig. Kwaal â ziekte. Kwant â snaak â schalk â guit. I^aagheid â laagte. Laatdunkend â hoogmoedig â verwaand. Lat' â zouteloos. Land â gebied â staat â rijk. Landaard â natie â volk. Langzaam - traag â lui â loom â vadsig. Laven â verkwikken. Leed â verdriet â smart â hartzeer. Leemte â gebrek. Leenen â borgen. Legende â fabel â sprookje â sage â mythe. Leidsman â gids â wegwijzer. Levend â levendig. Lichtgeloovig â bijgeloovig. Lichtvaardig â lichtzinnig â luchthartig. Lid â deksel. Lid â deel â lichaamsdeel. Lieveling â gunsteling â oogappel â oogelijn. Lieden â menschen â personen. Loeren â gluren â turen. Log â langzaam â loom â lui â traag. Logen â onwaarheid. Lommer â schaduw. Lomp â onbeleefd â ongemanierd â onbeschoft. Loochenen â ontkennen. Loon â huur. Loon â belooning â prijs. Los â lichtzinnig â losbandig â ongebonden. Loven â prijzen â roemen. Luchthartig â lichtvaardig. Luim â boert â jokkernij â scherts. Luister â praal â pracht â pronk. Maag â bloedverwant â nabestaande. Maalstroom â draaikolk. Maat â makker â gezel. Maatschappij â genootschap â gezelschap. Macht â gezag â gebied. Macht â vermogen. Malen â schetsen â schilderen â teekenen. Malen â mijmeren. Mangel â gebrek â gemis â ontstentenis. Manslag â moord â doodslag. Mare â tijding â bericht â gerucht. Martelen â folteren â pijnigen. Matig â ingetogen â sober. Matigen â beteugelen. Matigen â verzachten. Mededoogen â deernis â ontferming. Meegaand â inschikkelijk. Meer â oceaan â zee. Melden â berichten â aankondigen. Menschdom â menschheid. |
Mijden â vermijden â vlieden. Misdaad â misdrijf â overtreding â vergrijp. Misgunnen â benijden. Mismaakt â misvormd â wanschapen â wanstaltig. Mismoedig â mistroostig â neerslachtig â moedeloos â terneergeslagen. Misnoegen â ongenoegen â ontevredenheid. Moede â vermoeid â afgemat â afgetobd. Moedig â dapper â koen - stout â kloek. Monster â staal â proefje. Mooi â schoon â fraai â lief â aardig. Morgen â dageraad â ochtend. Muiterij â beroerten â opstand. Mythe â sage â sprookje. Naakt â bloot â kaal. Naam â eer â faam â roem. Nailpen â nabootsen â nadoen â navolgen. Naar â akelig â ijselijk. Nadruk â klem. Nageslacht â nakomelingschap. Naijverig â ijverzuchtig â jaloersch. Naken â genaken â naderen. Nakomen â volbrengen. Nalaten â achterlaten - overlaten. Nar â gek â zot â dwaas. Nauw â eng â bekrompen. Nederig â deemoedig. Neiging- â begeerte â genegenheid. Nering â beroep â kostwinning â broodwinning â bestaan. Net â sierlijk. Netelig â moeielijk. Neuswijs â ingebeeld - waanwijs. Nieuwsgierigheid â weetgierigheid. Nijd â afkeer â afgunst. Nijdig â boos â wrevelig â toornig. Nijver â arbeidzaam - werkzaam. Nood â gevaar. Noodig â noodwendig - noodzakelijk. Noot â aanteekening. Norsch â barsch â stug â spijtig â slnursch. Nu â tegenwoordig â thans. Nuk â gril â kuur. Nut â baat â voordeel. Oceaan â zee â meer. Ochtend â dageraad â morgen. Oever â boord â rand â wal. Offer â offerande â slachtolTer. Offeren â opolferen â idler (ten â brengen). Omarmen â omhelzen â omvangen. Ombrengen â dooden. Omgang â verkeer â vsrkeering. Omhaal â omslag. Omkijken â omzien. Omkomen â sterven. Omlegeren â omsingelen - insluiten. Omringen â insluiten. Omslachtig - breedvoerig â omstandig - wijdloopig â breed - omhalig. Omtrek â omgeving - omstreek. Omtrek â omvang. Omvallen â omslaan â omrollen. Omvatten â omvangen â omgeven â omringen. Omzichtig â behoedzaam â voorzichtig. Onafhankelijk â vrij - zelfstandig. Onbebouwd â braak. Onbegrensd â grenzen loos. Onbekookt â onberadei. â onbezonnen â ondoordacht. Onbekwaam â beschonken â dronken. |
SYNONIEMEN.
529
|
Onbeschaamd â onbescheiden â schaamteloos. Onbezield â zielloos â ontzield. Onbezonnen â roekeloos. Onbezorgd â zorgeloos. Onbuigbaar â onbuigzaam. Ondergaan â doorstaan. Onderling â wederkeerig â wederzijdsch. Onderling â onder elkaar â samen. Ondermijnen â krenken â verzwakken. Onderrichten â onderwijzen. Onderscheid â verschil. Onderstaan â durven â wagen. Ondersteunen â bijspringen â bijstaan. Ondervinding â ervaring. Onderwerp â voorwerp. Onderwijzen â leeren - onderrichten. Onderwinden (zich) â durven â verstouten (zich). Onderzoeken â opsporen â navorschen. Ondoordacht â onbekookt â onberaden â un- bezonnen. Ondraagbaar â ondragelijk. Onduidelijk â duister â donker. Onecht â valsch. Oneenig â oneens. Oneindig â eindeloos. Ongenoegen â misnoegen. Ongestadig â onbestendig â veranderlijk. Ongetrouw â trouweloos. Onlusten â beroerten â opstand â muiterij. Onnoozel â dom â onwetend. Onschuldig â schuldeloos. â Ontaarden â verbasteren. Ontberen â derven â missen. Ontdekken â uitvinden. Ontdekken â bemerken â bespeuren. Ontkennen â loochenen. Ontkiemen â ontspruiten. Ontmoeten â aantreffen. Ontrouw â trouweloos â afvallig. Ontrukken â ontweldigen â ontwringen. Ontslapen â sterven. Ontsluiten â openen. Ontvangen â bekomen â beuren. Ontweldigen â ontrukken â ontwringen. Ontwennen â afwennen. Ontwerp â bestek â plan. Ontzag â gezag. Ontzetting â schrik. Ontzien â sparen â verschoonen. Onveranderlijk â bestendig. Onvervalscht â echt. Onverwachts â onverhoeds â onvoorziens. Onvruchtbaar â dor â bar. Onwetend â dom â onkundig. Onwrikbaar â onwankelbaar. Onzijdig â onpartijdig. Onzinnig â zinneloos â dwaas. Oog (in 't â vallen) â opmerkelijk (zijn). Oogenblikkelijk â aanstonds â terstond. Oogmerk â doel. Oord â plaats â plek. Oordeel â vonnis. Oordeel â verstand â vernuft â gezond verstand. Oorlog â krijg â strijd. Oorsprong â bron. Oorzaak â reden â beweegreden â grond. Oorzaak â aanleiding. Ootmoedig â deemoedig. Op staanden voet â aanstonds. Opdisschen â aanrechten. â¢Openbaar â openlijk. koenen, Vcrkl. Hcindu'db. cl. .W'dcrl. taal. |
Opendoen - openen â ontsluiten. Openhartig â gul â oprecht. Openhartig - rond. Opgeblazen â hoogmoedig â verwaand. Ophemelen â opvijzelen. Oplaag â druk â uitgave. Oplettend â aandachtig. Opmaken â afleiden â besluiten. Opmerken â aanmerken. Oponthoud - vérblijf. Oprecht â echt â onvervalscht - rein â zuiver. Oprecht â openhartig â rondborstig â rond. Oprichten â bouwen â stichten. Oproer â beroerten â opstand â muiterij. Opschik â tooi â dos. Opsnijden â pochen â snoeven â grootspreken. Opsnijden â opzeggen. Opteekenen â aanteekenen. Opvliegendheid â drift â toorn. Opzet â doel â oogmerk. Orakel â godspraak. Order â bevel â last â opdracht. Oud - afgeleefd â bejaard â bedaagd. Overal â alom â wijd en zijd. Overbodig â overtollig â overdadig. Overbrengen â overbrieven â overpraten. Overdenken â bepeinzen. Overdrijven â vergrooten. Overeenkomst â afspraak. Overeenkomst â verdrag. Overeind â rechtop. Overhaasting â overijling. Overhalen â overreden â bewegen. Overhandigen â bestellen â bezorgen. Overkomen - beurt (te â vallen). Overleden â dood â gestorven. Overleggen â sparen. Overleggen â bepeinzen â bezinnen. Overlijden â afsterven â sterven. Overmoed â trotschheid. Overnemen â aannemen. Overreden â overhalen â overtuigen. Overtollig â overbodig. Overvallen - bespringen - verrassen â overrompelen. Overweging â bedenking. Overwinnen â bemachtigen â overmeesteren. Overwinning â triomf â zege â zegepraal. Paal â perk. Paar â koppel. Paard â ros. Pacht â huur. Partij â aanhang. Partijdig â eenzijdig. Passen â behooren. Passend â betamelijk. Pedant â eigenwijs. Peinzen â denken (over) â mijmeren Pijn â smart â wee. Pijnigen â folteren â kwellen. Plaats â plek. Plaats â oord. Plagen â kwellen. Plan â aanleg. Plan â doel. Plan â bestek â ontwerp. Plat â gemeen â laag. Plechtig â deftig â statig. Plegen â begaan. Pleisteren â aanleggen. Pleizier â genoegen â blijdschap. 34 |
SYNOMKMKN.
530
|
Pleizierig â aangenaam - prettig. Plek â oord. Plek â vlak â vlek â smet â klad. Pochen â blulfen â opsnijden. Poel â moeras - afgrond. Pogen â trachten â streven â inspannen (zich). Post â ambt â betrekking. Praal â luister. Prachtig â heerlijk â rijk - luisterrijk. Prat â hoogmoedig â lier â trotsch. Praten â babbelen. Pret â blijdschap â vreugde. Priem â els. Prijs â buit. Prijs â belooning â loon. Prijs â waarde â waardij. Prijzen â loven â roemen. Prins â vorst. Proef (de â nemen) â beproeven. Proetje â monster. Pronk â luister â pracht. Pronk â tooi â versiersel. Prooi â buit â roof â prijs. Punt â stip. Punt â spits. Raadplegen â beraadslagen (met). Raadselachtig - duister - ingewikkeld. Had â wiel. Raden â gissen. Raken â aanbelangen - betrelTen. Rakende â aangaande â betreffende â nopens. Ramen â begroeten. Rand - boord. Rangorde â beurt. Rap - vlug â snel. Ras â aanstonds. Ras â stam. Rasch â vlug â aanstonds. Razen - aangaan - tieren - bulderen. Razen â bulderen. Razend - dol - krankzinnig. Rechtmatig - billijk - rechtvaardig. Rechtschapen â braaf â eerlijk. Rechtvaardigheid - gerechtigheid. Redden â bevrijden - verlossen. Rede â geest. Rede â aanspraak â toespraak. Reede â haven â ligplaats. Reikhalzen â begeeren â haken. Rein â zuiver â schoon. Rekening â rekenschap â verantwoording. Ridderlijk â ruiterlijk. Rijzen â klimmen â stijgen. Rijzig â slank â rank. Rivier â stroom â vliet. Roekeloos â onbezonnen. Roem â eer. Roemen â loven. Roeping â beroep. Roeren â aandoen â treffen. Rondborstig â oprecht â eerlijk. Roof â buit. Rooien - delven - graven - spitten. Rook â damp. Rooven â plunderen â stelen. Rots - klip. Ruchtbaar â bekend. Ruggespraak â afspraak â beraad. Rugwaarts â achterwaarts. Ruig â ruw â borstelig. Ruim - breed â wijd. Ruimte â plaats â uitgestrektheid. |
Ruischen â bruisen. Ruiterlijk â ridderlijk. Rustig â bedaard â kalm. Ruw â ruig. Ruzie â twist â krakeel. Sabel â zwaard â degen. Salaris â jaarwedde. Samenhang â betrekking â verband. Samenkomst â bijeenkomst. Samenvoegen â vereenigen. Sarren â tergen â plagen. Schaal â schelp â schulp. Schaamteloos â onbeschaamd. Schaarsch â zeldzaam. Schade â afbreuk. Schaduw â lommer. Schakel â schalm. Schamper â bits â bitter â hoonend. Schande â oneer. Schatten â achten â waardeeren. Schatting â belasting â cijns. Scheef â schuin â dwars. Scheidsman â bemiddelaar. Schelm â guit â fielt. Schenken â geven â vereeren. Schermutseling â gevecht â kamp. Scherp â bits â bitter â schamper. Scherts â boert â grap. Schertsen â boerten â jokken â gekken. Scheur â barst â kloof â spleet. Schielijk â aanstonds. Schier - haast â bijkans. Schijn - glimp â zweem. Schijnheiligheid â geveinsdheid. Schil â bast â bolster. Schim â schaduw â spook. Schimp â hoon - spot. Schitteren â blinken â glanzen. Schokken â aandoen â roeren. Schoorvoetend â huiverig â ongaarne. Schors â bast. | Schrander â doordringend â scherpzinnig-Schreeuw â kreet â gil. Schrijftrant â stijl. Schrik â angst â ontsteltenis. Schroeien â blaken â zengen. Schromen â aarzelen. Schroomvallig â bedeesd â angstig. Schuilen â verholen zijn â verbergen (zich) â zich schuil houden. Schuin â dwars â scheef. Schuldeloos â onschuldig. Schutting â haag â heining. Sidderen â beven â rillen â trillen. Sieraad â opschik â tooi. Slachten â gelijken. Slachtoffer â uifer. Slag â gevecht â kamp. ; Slager - slachter â vleeschhouwer. Slaken â loozen â los m iken. 1 Slank â dun â rank â mager â tenger, j Slaperig â droomerig. ! Slecht - erg. Slechten â sloopen â afbreken. Slordig â achteloos. Slot â besluit â einde. Slot â burg â burcht. Slotte (ten) â eindelijk. Sluiken â smokkelen. Sluiten - aangaan â treilen - voltrekken-Sluw â arglistig â loos. Smaden â beleedigen â smalen. |
SVNOXI KM KN.
531
|
Smart â pijn â leed. Smeeken â aanroepen. Smet â plak â plek - vlak. Snel â vlug â haastig. Sober â matig. Somber â duister. Soortgelijk â gelijksoortig. Sparen â besparen â bezuinigen â overleggen. Sparen â ontzien. Speelsch â dartel â speelziek. Spelen â dobbelen. Spelonk â grot â hol. Spits â punt. Spot â hoon. Spraak â taal. Sprakeloos â stom. Sprookje â sage â mvthe. Staaf - baar. Staal â monster. Staande houden â beweren. Staatsie - plechtigheid. Stamelen â stameren - hakkelen. Stand (tot â brengen) â bewerken. Standaard - banier - vaan - vaandel. Standvastig - bestendig - vast - duurziu-in Stapel â hoop. Staren â zien â starcogen. Statig â deftig â plechtig. Staven â bekrachtigen. Stelen â rooven â on vreemden. Stelregel â beginsel. Stemmig â deftig. Sterk â krachtig â vermogend. Sterkte â kracht. Sterven â sneven â sneuvelen â omkomen. Stichten â bouwen. Stijfhoofdig â eigenzinnig â kopnig. Sti gen â klimmen. Sti. 1 â schrijftrant â schrijfwijs. Sti â bedaard â rustig â kalm. Stillen â bevredigen â paaien - voldoen. Stipt - nauwkeurig â nauwgezet. Stokoud â afgeleefd. Stom â sprakeloos. Stomp â bot. Storen â belemmeren - stremmen. Stotteren â hakkelen. Stout â dapper â stoutmoedig. Strallen â kastijden â bestrallen. Streelen â aaien. Streelend â aangenaam. Strekken â dienen. Stremmen â belemmeren. Streng â hard â hardvochtig. Streven â pogen. Strijd â gevecht â kamp. Stroomen â vlieten. Stug â barsch â stuursch - norsch. Taal â spraak. Tafel â disch. Tafel (ter â brengen) - te berde brengen - op het tapijt brengen. Talent â aanleg - gaaf. Talentvol â begaafd â geniaal. Talmen â aarzelen. Talmen â beuzelen. Tam maken â temmen. Tasch â beurs â geldzak. Tasten â voelen. Te duur (iets - gekocht hebben)-bekocht (zijn). Tegenhouden â belemmeren â stremmen. Tegenspoed â beproeving â druk â ramp. |
Tegenwerping - bedenking - aanmerkinquot;. Tegenwoordig (zijn bij) - bijwonen. Tegenzin â afkeer. Teleurstellen â beschamen. Tergen â sarren â plagen. Terugtocht â aftocht. Teug â dronk â slok. Teugel â breidel. Teugelloos â bandeloos. Tevreden - gelukkig - vergenoegd. Teweegbrengen - berokkenen. Tieren â aangaan â razen. Tijding â bericht â mare. Tintelen â blinken â vonkelen - glanzen. Toebereiden â aanrechten. Toebereidselen â aanstalten. Toegefelijk â inschikkelijk. Toelachen â aanlachen. Toelaten â dulden â gedoogen. Toeleg - aanslag. Toeleggen (zich) - bevlijtigen (zich). Toeloop â aanloop. Toeloop â gedrang. Toenemen - aangroeien. Toereikend - genoeg â voldoende. Toeschijnen â dunken. Toeschouwer â aanschouwer. Toespraak â aanspraak. Toestaan - bewilligen - toestemmen. Toestemmen â toegeven â beamen. Toeval â avontuur. Toeven â beiden â wachten. Ton â vat - kuip - tobbe. Tooi â versiersel. Toom â breidel. Toon â geluid â klank. Toonen â dag (aan den â leggen). Toorn â boosheid â gramschap. Toorts â fakkel â tlambouw. Torsen â dragen. Traag â lui â vadsig â log. Trachten â pogen â streven. Traktement - jaarwedde. Trant â manier â wijze. Trek â begeerte. Treurig â bedroefd. Treuzelen â beuzelen. Trots â hoogmoed. Trotsch â hoogmoedig â verwaand. Trouweloos - ontrouw. Tuchthuis â gevangenis. Tuchtigen â kastijden â straffen. Tuimelen â buitelen â nedervallen. Tweedracht â twist â tweespalt â oneenigheid. Twijfelachtig â dubbelzinnig. Twist â ruzie â onmin â onaangenaamheden. Uitbetalen â afbetalen â voldoen, j Uitblijven â wegblijven. Uitbreiden â verspreiden. Uitbreiden (zich) â aangroeien â toenemen, i Uitdenken â verdichten â verzinnen, i Uitdrukking â bewoording. j Uiterlijk â aangezicht - gelaat - aanschijn. Uiterlijk â uitwendig. ! Uitgelaten - dartel - speelsch. Uitgeleide - geleide. Uitgemaakt - zeker â vast â onloochenbaar. Uitheemsch - buitenlandsch â uitlandsch. Uithouden â doorstaan â lijden â verduren. Uitlachen â belachen. Uitleggen â omschrijven â verklaren. Uitoefenen â beoefenen. |
3V
SYNONIEMEN.
532
|
Uitputten â afmatten. Uitrekenen â berekenen â becijferen. Uitscheiden â eindigen. Uitschot â uitvaagsel. Uitschrijven â afschrijven â overschrijven. Uitspanning â afleiding. Uitsparen â besparen. Uitstaan â doorstaan. Uitstappen â afstijgen. Uitstekend â uitnemend - uitmuntend. Uitstel â afstel. Uitvaagsel â uitschot. Uitvaren â aangaan â razen â tieren. ⢠Uitvinden â ontdekken. Uitvisschen â uitvorschen â uitvragen. Uitvoeren â bewerken. Uitvoerig â omslachtig - langdradig. Uitwaseming â damp. Uitwendig â uiterlijk. Uitwerken â bewerken. Uitwinnen â besparen. Uitzet â bruidschat. Uitzinnig â krankzinnig â dol â razend. Vaak â dikwijls. Vaan â banier. Vaarwel zeggen â afscheid nemen. Vaderland â moederland â geboortegrond. Vadsig - lui â log. Val â ondergang. Vallei â dal. Vallen â tuimelen â storten â struikelen. Valsch â onecht. Vangen â grijpen. Vangen - betrappen. Vastquot; â bestendig. Vast â gewis â zeker. Vast â dicht â stevig. Vasthechten â bevestigen â vastmaken. Vasthoudend â karig â zuinig â spaarzaam. Vatbaarheid â aanleg â geschiktheid. Veelkleurig â bont. Veil â te koop. Veinzen â huichelen. Vel - blad. Vel â huid. Veld â akker â land. Verachten â smaden â haten. Veranderen â wijzigen â vermaken. Veranderlijk â onbestendig. Verantwoordelijk â aansprakelijk. Verantwoording â rekenschap. Verband â betrekking â samenhang. Verbanning â ballingschap. Verbasteren â ontaarden. Verbazen â bevreemden. Verbeelden (zich) â inbeelden (zich). Verbeelding â inbeelding. Verbeiden â afwachten â verwachten. Verbeterhuis â gevangenis â tuchthuis. Verbintenis â belofte â gelofte. Verblijf â oponthoud. Verbloemen â bewimpelen. Verbolgen â boos â driftig. Verbond â verdrag â verbintenis â overeenkomst. Verborgen â duister â donker. Verdelgen â vernielen â verwoesten â vernietigen. Verdenking â achterdocht. Verdichtsel â fabel â sprookje â mythe. Verdienen â waardig zijn â waard zijn. Verdoen â doorbrengen. |
Verdolen â afdwalen. Verdoofd â bedwelmd. Verdorren â verwelken. Verdrag â overeenkomst â verbond. Verdragen â doorstaan. Verdriet â leed â hartzeer â droefheid â smart. Verduisteren â betrekken â bewolken. Verduren â doorstaan. Vereeniging â bond. Vereeren â aanbidden. Vereeren â schenken â geven. Vereerend â eervol. Vergaderen â verzamelen. Vergeeflijk â verschoonbaar. Vergelden â beloonen. Vergelijking â gelijkenis. Vergen â eischen. Vergenoegd â gelukkig â tevreden. Vergezellen â geleiden. Vergieten â plengen. Vergissing â dwaling â abuis â misrekening. Vergrammen â belgen. Vergrijp â misdaad. Vergrooten â overdrijven. Verguizen â beleedigen â hoonen. Verhaasten â bespoedigen. Verhard â. hardnekkig. Verheven â hoog â grootsch. Verhinderen â afhouden â beletten. Verhindering â belemmering. Verhoeden â verijdelen â voorkomen. Verholen â duister. Verkeer â omgang â verkeering. Verkeerd â averechts. Verklaren â uitleggen. Verklaren â beduiden. Verkleuren â verschieten. Verknocht â gehecht. Verkoelen â afkoelen. Verkoopen â veilen. Verkooping â veiling. Verkrijgen â behalen â bekomen. Verkrijgen â bekomen â verwerven. Verkwikken â laven. Verkwisten â doorbrengen. Verlagen (zich) â vernederen (zich). Verlangen â verzoek. Verlangen â begeerte. Verlangen â begeeren. Verlangen â eischen. Verlaten (zich â op) â bouwen (op). Verlaten â begeven. Verleenen â geven â toestaan. Verlegen â bedeesd â bloode â schuchter. Verletten â verzuimen. Verlichting â beschaving â beschaafdheid. Verlies â afbreuk â hinder â nadeel - schade. Verliezen â kwijt worden â kwijt raken. Verloochenen â afzweren. Verlossen â bevrijden. Verlustiging â genoegen â vermaak. | Vermaak â blijdschap. ! Vermaard â befaamd. , Vermageren â afvallen. Vermeerderen â aangroeien. ⢠Vermeesteren â bemachtigen. Vermetel â roekeloos â stout â driest. Vermoeien â afmatten. Vermogen â gaaf (gave). Vermogend â machtig â aanzienlijk â rijk. Vernederen â verlagen. Vernemen â hooren. Vernielen â vernietigen â verdelgen. |
SYNONIEMEN.
533
|
Vernuft â geest â verstand â genie. Veronachtzamen â verwaarloozen â verzuimen. Veroorzaken â berokkenen. Veroveren â bemachtigen. Verplichting â dankbaarheid. Verrassen â betrappen. Verrassen â bevreemden. Verrassen â overvallen â overrompelen. Verrichten â bedrijven. Verrotting â bederf. Verruilen â verwisselen. Verrukking â blijdschap. Versch â frisch. Verscheiden â afsterven â overlijden. Verschoonen â ontzien. Verschoonlijk â vergefelijk. Verschrikkelijk â afgrijselijk. Versiersel â tooi â opschik â sieraad. Verslaan â dooden â ombrengen. Versmaden â verachten. Versperren â belemmeren. Verspillen â doorbrengen. Verspreiden â verbreiden. Verstaan â begrijpen. Verstand â geest â oordeel. Verstandig â geleerd - wijs. Versteld â verbaasd â onthutst. Verstouten (zich) â durven. Verstrooid â afgetrokken. Verstrooid â in gedachten. Verstrooiing â afleiding â ontspanning. Verteren â doorbrengen. Vertoog â betoog. Vertrek â aftocht â afreis. Vertrouwen (op) â bouwen (op). Venvaand â eigenwijs â hoo vaardig. Verwelken â verdorren â verflensen. Verwerven â bekomen â verkrijgen. Verwijderd â afgelegen â ver. Verwijl â uitstel. Verwisselen â verruilen. Verwittigen â berichten. Verwittigen â waarschuwen. Verwoed â dol â razend. Verwoesten â verdelgen. Verwonden â kwetsen. Verwonderen â bevreemden â verbazen. Verzachten â matigen - lenigen. Verzamelen â vergaderen. Verzekeren â bekrachtigen. Verzetten (zich) â kanten (zich). Verzinnen â uitdenken. Verzoeken â eischen â vragen. Verzoeking â aanvechting â bekoring. Verzoenen â bevredigen. Verzuimen â verletten. Vijandschap â afkeer - haat. Vinden â aantreffen. Vlaag - bui. Vlag â banier. Vlak â effen â plat. Vleesch houwer â slager. Vleugel â vlerk â wiek. Vlieden â vluchten â de plaat poetsen. Vlieten â vloeien â stroomen. Vlijt â ijver â ernst. Vlijtig â arbeidzaam. Vloeibaar â dun. Vloeien â vlieten. Vluchten â vlieden. Vlug â rap â snel â rascli. Vochtig â duf â nat. Voedsel â spijs â aas. |
Volledig â voltallig â volmaakt. Voordeel â belang. Voorgeven â beweren â voorwenden. Voorhanden â aanwezend Voorheen â eertijds â voor dezen â voormaais â oudtijds. Voorkeur â voorliefde. Voorkomen â verhoeden. Voorkomen â dunken â schijnen. Voorlichten â toelichten â inlichten. Voornaam â aanzienlijk â groot. Voornemen â doel â plan. Voornemen â besluit. Vooroordeel â dwaling. Voorouders â voorgeslacht â voorvaderen. Voorrede â voorbericht. Voorschrift â bevel â last. Voorshands â voorbaat (bij). Voorslag â voorstel â voordracht. [ Voorstander â aanhanger â voorvechter. Voorstellen (zich) â aanschouwen. Voorstelling â begrip â denkbeeld â idee. Voortduren â aanhouden. Voortdurend â aanhoudend â gestadig Voortgaan â voortvaren. Voortvloeien â voortkomen â voortspruiten. Voorvaderen â voorgeslacht â voorouders. Voorval â avontuur. Voorvallen â gebeuren â plaatsgrijpen. Voorwaarde â beding. Voorwenden â voorgeven. Voorwerp â onderwerp. Voorzichtig â bedachtzaam â omzichtig Vorderen â eischen. Vordering â verzoek. Vorm â figuur â gedaante. Vreemd â buitenlandsch â uitheemsch. Vreemdeling â vreemde. Vrees â angst. Vreeselijk â afgrijselijk â ontzettend. Vreezen â duchten. Vreugde â blijdschap. Vriendschap â genegenheid. Vrij â onafhankelijk. Vrijmaken â bevrijden â vrijstellen. Vrijmoedig â vrijpostig. Vroed â verstandig â wijs. Vroom â godsdienstig. Vroomheid â deugd â braafheid. Vurig â heet. Waanwijs â eigenwijs. Waanzinnig â krankzinnig. Waar â echt. Waar â waarschijnlijk. Waard â dierbaar. Waard (zijn) â verdienen. Waarde â waardij. Waarde â prijs. Waardeeren â achten. Waardig â dierbaar. Waardig (zijn) â verdienen. Waardigheid â ambt. Waarnemen â bemerken. Waarnemen â aanschouwen. Waarschuwen â verwittigen. Wachten (zich) â acht nemen (zich in). Wachten â afwachten. Wachten â beiden â afwachten. Wagen â durven. Wagen â koets â rijtuig. Waggelen â wankelen. Wal â vest â schans â muur. |
SVNONIKMEN
534
|
Walging - afkeer. Walm - wasem â rook. Wantedrijf â misdaad. Wanbegrip â dwaling. Wand â muur. Wandelen â gaan â kuieren. Wanen â achten. Wang â koon. Wangunst â afgunst. Wanschapen â mismaakt â wanstaltig. Wantrouwen â acnterdocht â mistronwen. Wapenschorsing â wapenstilstand â bestand. Warm â beet. Wassen â groeien. Wederhelft â echtgenoot â eega. Wederkeerig â weder/.ijdsch â onderling. Wedervnren â bejegenen. Wederwaardigheid â beproeving â ramp. Weeg (te â brengen) â berokkenen. Week â zacht. Weelderig â dartel. Weetgierigheid â nieuwsgieriglieid. Weerzin â afkeer. Wegwijzer â gids. Weifelen â aarzelen. Weigeren â afslaan. Weiland â beemd â wei â grasland. Weinig â beetje. Wel â bron. Welbespraakt â welsprekend â wel ter taal. Wellevend â beschaafd â heusch. Welstand â welzijn â welvaart â voorspoed. Welvoeglijk â betamelijk. Welzijn â welstand. Wemelen â krielen â krioelen. Wensch â begeerte â hoop. Wenschen â hopen â begeeren â verlangen. Wentelen â draaien â keeren. Werk â arbeid â bezigheid. Werkman â arbeider â daglooner. Werktuig â gereedschap. Werkzaam â arbeidzaam. Werpen â gooien â smijten. Weten (dank) â bedanken. Wetenschap â kimde â kennis â geleerdheid. Wettelijk â wettig â wettisch. Wijd â ruim â breed. Wijdloopig â omslachtig. Wi ken â deinzen. Wi s â geleerd â verstandig. w( zen - toonen. Wijzen (van de hand) â afwijzen. Wijzigen â veranderen. Wikken â wegen. Wil â begeerte â verlangen. Wild - woest. Wildernis â woestenij â woestijn. Willekeurig â eigendunkelijk. Wingewest â provincie â gewest. Winst â baat â voordeel. Wispelturig â wuft. Wit - blank - bleek. Woede â boosheid â toorn â verbolgenheid. Woeden â bulderen âaangaan. |
Woedend â dol. Woest â wild. Woest â braak. Wonden â bezeeren - kwetsen. Woning - huis - paleis. Woordenrijk â welbespraakt. Woordenwisseling â twist. Worstelstrijd â gevecht â kamp â worsteling. Woud â bosch. Wrak â gebrekkig â bedorven. Wraken â afkeuren. Wrang â bitter â zuur. Wreed â barbaarsch. Wrevel â boosheid â wrok. Wroeging â berouw. Wrok â boosheid â wrevel. Wuft â wispelturig â veranderlijk. Wulpsch â dartel. Zaak - aangelegenheid. Zaak â ding. Zacht â week â murw. Zak â buidel â beurs â tasch. Zakken â dalen â zinken. Zalf â balsem. Zede - gebruik. Zedig â bescheiden â zedelijk. Zeeboezem â baai â inham â bocht. Zege â overwinning. Zegen â geluk â heil â voorspoed. Zegepraal â overwinning. Zeggen â spreken â uiten. Zeker â uitgemaakt. Zeldzaam â bijzonder. Zeldzaam â schaarsch. Zelfstandig â onafhankelijk â vrij. Zengen â blaken â schroeien. Zieden â koken. Ziek â krank â onwel â ongesteld. Ziel - geest. Zielloos â onbezield. Zien â kijken â staren â turen. Zin â beteekenis. Zinneloos â krankzinnig â suf. Zoet - aangenaam. Zondig â goddeloos. Zondigen â dwalen - mistasten - falen. Zoom â boord â rand â kant. Zorgelijk â bedenkelijk. Zorgeloos â onbezorgd. Zorgzaam â zorgvuldig. Zot - dwaas â gek â idioot. Zuil â pilaar â pijler â kclom. Zuiver â echt â onvervalscht. Zwaar â hard. Zwaard â degen â sabel. Zwaarmoedig â bedroefd â neerslachtig. Zwak â krachteloos â onsterk. Zwang â gebruik â mode. Zwelgen â brassen â slempen â slampampen. Zwellen â dijen â uitzetten. Zwerven â dolen â dwalen. Zwierig â opgeschikt â opgedirkt. |
VVOORDTEEKENS.
II. HET GEB1U IK DER WOORDTEEKENS.
Woogt;'dteekens dietien om de juisie opvatting der geschreven woorden te vergemakkelijken. Ze zijn zes in getal en heeten: 1°. Hat koppel teeken, 2°. Het klem toon teeken, 3°. Het weu-latingsteeken (apostrophe), 4°. Het samentrekkingsteeken, 50. Het afbrekingeteeken, 60. Hrt deetteekcn.
I. Het koppelteeken. Men vereenigt de leden van een samenstelling door een koppel tee ken, wanneer het werkelijk aaneenschrijven van die leden een woord zou opleveren van een te vreemd voorkomen, of dat wegens zijn lengte te moeilijk zou te overzien zijn.
Het koppelteeken wordt dus gebruikt:
1°. In woorden, waarin eigennamen of van eigennamen gevormde bijv. nw. voorkomen nis in: Holloway-pi Hen, Jcwa-tabak, Ber lijnsch-b la nw, Pruisisch-zuu)', enz.
2°. In titels, die bestaan uit:
a. Twee bastaardwoorden, als: adjuncA-c.onimles, Initenant-kolonel, gouverneur-generaal:
b. Een Nederlandsch woord en een bastaardwoord, als: kapitein-geweldiger, Slaten-( lener aal.
3°. In aardrijkskundige namen, bestaande uit eenquot; eigennaam en een bijv. nw. of een
bijwoord, als: Klein-Azië, Xieuir-Zeeland, Noord-Holland, Beneden-Egyple.
Bijvoeglijke nw., van deze namen gevormd, worden zonder koppelteeken als één woord geschreven, als: Noordbrabantsch, Zuidhollandsch, enz.
40. In samenstellingen, waarvan het eerste lid alleen betrekking heeft op het eerste gedeelte lt;ler volgende samenste;ling. Dat eerste lid kan zijn: een bijv. nw.. een voornaamw., een lidwoord of een telwoord, als: oude-mannenhuis, gemaa kte-kleerenmagazijn, Mijm-Heer en-land, 's-Hertogenbosch, de Drie-Keizersslag, enz.
TA Om de leden van uitdrukkingen, die als één benaming (of als één begrip) moeten opgeval worden, te verbinden, als: vergeet-mij-niet, kruidje-roer-mij-niet, spring-in-I-veld, kijk-in-den-pot, enz.
II. Het klemtoonteeken. Het dient om aan te duiden, op welk woord of op welke lettergreep de nadruk valt: Deze boer heeft maar êt'm paard.
Evenzoo: cinap*', coupé, enz.
HI. Het weglatingsteeken (apostrophe). Dit staat in den regel in plaats van één of meer weggelaten letters, bijv., 'k voor ik; 't voor het; d' voor den; '.s voor des; eenquot; voor eenen; zoiC voor zoude; solo's, canape's, sofa's, menu's, enz.
IV. Het samentrekkingsteeken. Het duidt aan, dat twee lettergroepen tot één lettergreep zijn versmolten, bijv.: staag voor stadig, boom voor bodem, raan voor raden (raderen), b'n'n voor bieden enz.
Opmerking. Dit teeken wordt alleen gebezigd bij ongewone samentrekkingen, dus bij die, welke in de spreektaal niet voorkomen. Zonder samentrekkingsteeken schrijft men daarom: weer, onweeren, leege, heren (schoenen), enz.
V. Het afbrekingsteek en wordt gebezigd bij afkortingen.
Voorbeelden. gt;?./. = namelijk; b.v. = bijvoorbeeld, enz.
(Zie verder de lijsten der gebruikelijke verkortingen aan 't hoofd van elke letter).
VI. Het deelteeken. Dit dient om aan te duiden, dat een klinker tot een volgende lettergreep behoort, als: Azië, maïs. Kaïn, quotiënt, prieel, poëzie, enz.
Opmerking. Het deelteeken dient alleen om de juiste opvatting van het woord te bevorderen; het wordt alzoo gebezigd, als de twee klinkers één klinker of tweeklank zouden kunnen vormen, dus niet in modeartikel, georgel, Leonard, roggeaar, enz In enkele gevallen wordt het duidelijkshalve gebezigd, als in: prismoïde, Israëlieten.
Volgens algemeen gebruik schrijft men: museum, petroleum.
HOOFDLETTERS.
UI. HET GEBRUIK DER HOOFDLETTERS.
De hoofdletters worden gebezigd om een woord te kenmerken als een eigennaam of daarmede gelijkstaande, of als het eerste eener reeks. Men schrijft dus met een hoofdletter:
1°. Het eerste woord van eiken volzin, en in poëzie van eiken versregel.
20. Alle doopnamen en familienamen, als: Johan, Marie, Tromp.
Ook het lidwoord of voorzetsel, dat een deel uitmaakt van den familienaam en waarmede deze aanvangt, schrijft men met kapitale letter, als: De Witt, Ter Horst, Ten Brink, en evenzoo, indien de familienaam uit drie leden bestaat, als: Van den Berg, Op den Heuvel, enz. Komt echter vóór den familienaam de doopnaam, dan schrijft men lidwoord of voorzetsel öf beide klein, als: Hugo de Groot, Jan Hendrik ran der Palm, enz.
De toenamen, achter de eigennamen gevoegd, hebben een hoofdletter, als: Willem de Veroveraar, Lade wijk de Veertiende, enz.
3°. Alle aardrijkskundige eigennamen, als: Frankrijk, Duitschland; de Rhone, de Elbe; de Vesuvius, de Mont-Blanc; Cyprus, kaap Lizard, enz.
Indien deze eigennamen samengesteld zijn, krijgt ieder hoofdlid een kapitale letter, als: Noord-Holland, Beneden-Egypte, de Zwarte Zee, enz.
4°. De namen van week- en feestdagen en van de maanden, als: Maandag, Paaschzondagr Kerstmis, December.
5°. De eigennamen, als soortnamen gebezigd, als: Van der Palm was de Cicero van zijn' tijd: â verder: De Keizer, de Koningin, de Prinses, de Minister, de President, enz.y indien uit de omstandigheden blijkt, dat een bepaalde persoon bedoeld wordt. Zoo is in: De Koningin zal komen, de Koningin = H. M. Wilhelmina,
6°. De abstracte zelfstandige nw., die als personen worden voorgesteld (personificatie), als: De Waarheid reisde door 't gehucht, en vroeg er ook een plaats! (Bild.)
1°. Ieder hoofdwoord in titels, als: de Heer A., Mijnheer B., Mevrouw C., Mijne Heereny Mijne Dames, Weledele Heer, Weledelgestrenge Heer, de Hooge Raad, de Staten-Ceneraalr de Provinciale Staten, enz.
8°. De bijv. nw., van eigennamen afgeleid, als: Groningsche koek, Russisch leder, de Socratische leerwijze, enz.
Bestaan de eigennamen der aardrijkskunde uit twee leden, als: Noord-Brabant, Zuid-Holland, Noord-Amerika, enz., dan worden de bijv. nw., er van afgeleid, aaneengeschreven, en het eerste lid behoudt de hoofdletter, als: Noordbrabantsche kleederdracht, de Zuidhol-landsche eilanden,
9-\ De woorden, die in bijzondere gevallen, door den smaak en het oordeel van den schrijver te bepalen, een opzettelijke aanwijzing vereischen of van de overige onderscheiden moeten worden, als: Hij, Hem, Zijn, de Almacht, de Hemel (van God gebezigd); de rechten der Kroon, enz.
IV. HET AFBREKEN VAN WOORDEN IN LETTERGREPEN.
Het afbreken van woorden in lettergrepen geschiedt het best op het gehoor. Echter zijn door de ontwerpers der spelling enkele regels gesteld, waarvan wij de belangrijkste hier laten volgen.
10. In samengestelde woorden blijft iedere letter in het lid, waartoe zij behoort; men breekt dijs af: voort-aan, aard-appel, land-ouw, bedil-al, mein-eedig, eik-ander, malk-ander.
20. De voorvoegsels: be-, ge-, her-, ont-, ver-, wan- en de min of meer âzelfstandigequot; achtervoegsels: -aard, -heid, -sclmp, -dom; -baar, -raam, -lijk, -loos, -achtig, -haftig worden steeds als afzonderlijke lettergrepen geschreven, dus: be-amen, ge-leiden, ont-adelen, enz.; grijs-aard, wijs-heid, eer-loos, enz. Uitgezonderd: vein-zaard (van vein-zer) en grijn-zaard(ycingrjn-zer).
AFBREKEN VAN WOORDEN.
3°. De achtervoegsels, als: -rfe, -ste, -ster, -nis, -set, enz., die met één of meer medeklinkers beginnen, worden steeds als afzonderlijke lettergrepen geschreven, als: kun-de, /wog-te, diepste, gedweeste, naaister, duister-nis, baksel. Uitgezonderd ter wille van .Ie uitspraak: naus-te, mees-te en bes-te.
4°. De verkleiningsuitgangen: -tje, -pje, -ske, sken mogen in geen geval gescheiden worden, dus: zee-tje, kooi-tje, raam-pje, arm-pje, boek-ske, jongsken, vlagske, penningske. Uitgezonderd zijn ter wille der uitspraak: laat-Je, papaat-je, slaat-je, paraplnut-je. enz. Deze l»reekt men ook wel af: la-tje, papa-tje, sla-tje, Cnto-tje, pnrapla-tje. Echter altijd: Kaat-je, Xaat-je, Daat-je. (Zi9 Opmerking, hieronder).
50. De alleenstaande tusschenletter behoort tot de volgende lettergreep, als: dni-netu pe-ren, be-ren, be-rin, schoo-vcn, lee-raar, lee-ra-res, la-chen, jni-chen.
6«. Van twee tusschenletters behoort de eerste tot de voorgaande, de tweede tot de volgende lettergreep, als: drin-ken, klim-men, gem-zen, bossen, bos-schen, hos-sclmge, enz Evenzoo bij ng, als: ton-gen, spron-gen.
70. Van drie of vier tusschenletters behooren er zooveel tot de volgende lettergreep, als zich gezamenlijk aan het begin van een woord gemakkelijk laten uitspreken, als: vorsten, nf-kom-stig, angstig, kunstig, venster, doch: vorst-je, kunst-je, amb-tenaar, rrw-ten. artsen, koortsig; verder: asch-schop, as-se he-poes-ter, enz.
80. In vreemde woorden beslist de uitspraak, als: Kar-tui-zer, Hen-ri-et-te, Is-)na-el. Ic-ra-e-lie-ten, pris-mo-i-de, a-bri-koos, A-dri-a-nus, lo-co-mo-tief, me-tho-de, am-phi-bie, A-ie:r-un-der, a-lex-an-drij-nen (dichtregels van 42 of 13 lettergrepen), bas-cu-le, bi-jou-te-rie. enz.
Opmerking. Ten opzichte van: kachel. Mee helen, lichaam, boehei, kuchen, papaatje, scha kootje, enz. valt nog op te merken, dat men ze, ter wille eener Juiste uitspraak, niet anders dan hoognoodig achter de eerste lettergreep dient af te breken.
V. HET AANEENSCHRIJVEN VAN WOORDEN.
Samengestelde woorden zijn verbindingen van woorden, die tot één geheel vereenigd zijn ten einde een nieuw begrip uit te drukken, d. i. een begrip verschillend van dat, hetwelk dooide leden, als woorden los naast elkander geplaatst, zou worden benoemd. Zoo is: hooge-school, kleinkind, welgemaakt, rijwiel iets anders dan: hooge school, klein kind, wel gemaakt, rij wiel, enz.
De leden der samengestelde woorden worden aaneengeschreven of dooreen koppel-te eken verbonden. De samenstellingen, welker spelling eenig bezwaar kan opleveren, met het oog op het aaneenschrijven, zijn:
10. De zelfst. nw., voorafgegaan van bijv. nw., welke onverbogen blijven, als: schoonzoon (des schoonzoons), zuurkool (der zuurkool), hoogepriester (des hooge priesters). Nieuwjaar (des Nieuwjaars).
20. Alle samengestelde zeltst. nw. en bijv. nw., die door afleiding ontstonden, alsmede de bijwoorden met de zoogenaamde bijwoordelijke s, als: broodbakker, tvetgever, kolenbrander: schaatsenrijder, vierentwintigponder, drieënnegentiger (wijn), teleurstelling, teraardebestelling; alledaagsch, onderaardsch, goedhartig, viervoetig, zoodanig, snelgewiekt, hoog geschouderd: terloops, vanzins, bijtijds, vanouds, enz.
Opmerking. Ook schrijft men: binnenskamers, buitenslands, binnensmonds, binnens-rands, ondershands, enz., waarin de eerste .s' is ingelascht, en de tweede een bijw. .s- is. die de leden verbindt.
3°. De uitdrukkingen, waarin verbuigingsvormen voorkomen, die buiten samenstelling niet meer in gebruik zijn. Hun eerste lid bestaat uit:
a. een bijv. nw. in den 2en nvl. mannelijk of onzijdig op s: goedsmoeds, blootshoofds. Soms ⢠uitbreekt de s, als in: droogvoets, goedschiks, oudtijds.
b. een bijv. nw. in den 2en nvl. vrouwelijk op er, dat met het volgende zelfst. nw. in
537
AANEENSCHRIJVEN VAN WOORDEN.
figuurlijken zin moet opgenomen worden, als: langzamerhand^ allerwegen, toevalligerwijze, gewapenderhand, stormenderhand.
In eigenlijke bet. blijft ieder lid op zich zelf, als in: onverrichter zake, ouder gewoonte.
c. een voorzetsel, gevolgd door den verscherpten vorm ter, als: metterdaad, mettenvoon, mettertijd, evenzoo uitermate.
d. de vormen der, des, wes, oude 2e nvl. van die, dat, wat, als: derhalve, deskundig, tveswege.
W Opeenvolgingen van woorden, die met eikaar verbonden iets anders beteekenen, dan wanneer zij gescheiden zijn. De voornaamste hiervan zijn:
a. werkwoorden, samengesteld met zelfst. nw., bijv. nw. of bijw., wanneer zij een nieuw begrip aanduiden, als: gadeslaan (hierbij denkt men niet aan slaan = houwen), gevangen-nemen, vrijlaten, enz.
Opmerking. Indien het eerste deel een bepaling vóór zich kan nemen, wordt het natuurlijk als afzonderlijk woord geschreven, bijv. prijs stellen (een Imogen prijs stellen op iets), fraai schrijven (zeer fraai schrijven), acht geven, acht slaan {geen acht, veel acht geven, slaan), staat maken {weinig staat maken op), enz.
h. bijv. naamw.. voorafgegaan door: al, vol, wel, in, door, puik. aller, opper, in de be-teekenis van zeer, als: al goed, volijverig, welbespraakt, indroog, doornat, puikbest, al Ier-nieuwst, opperbest. Evenzoo in titels: Weledel, Weleerwaard, Zeergeleerd, Hooggeboren, Hoogedelgestreng, enz.
c. namen van kleuren, dip uit twee bijv. nw. bestaan, als: donkerblauw, zwartbont, roodbont, oranjegeel, enz.
d. de leden van bepalingaanduidende voornw.: degene, diegene, datgene, dezulke, dezelfde.
e. de telwoorden beneden twintig, als: achttien. Van de getallen boven twintig worden alleen de honderdtallen met den vermenigvuldiger aaneengeschreven, als: driehonderd, achttienhonderd, zeven duizend, negen mil Hoen.
Opmerking. De met en verbonden telwoorden worden steeds los geschreven, als: een en twintig, honderd en drie. Evenzoo de ranggetallen: twee en twintigste, driehonderd vier en vijftigste.
/'. bijwoorden met bijwoorden, als: (veleer, hoelang, zoolang, zoover, hierom, hierdoor; daardoor, daarvan, waarmede, waaronder, waarover, enz.
Opmerkingen. 1°. Men schrijft gescheiden: ergens aan, nergens door, overal bij, er bij, er van, er aan, er door, er over, enz. De uitdrukkingen met ergens, nergens, overal komen vooral in de spreektaal voor en worden meer gesproken dan geschreven; er is meestal door tusscheninstaande woorden van zijn bijwoord gescheiden, als: Hij wil er altijd over spreken. Denk er telkens aan.
2°. Men onderscheidt weleer van wel eer, l»ijv.: Gij hadt wel eer kunnen komen: evenzoo: hoelang van hoe lang: zoolang van zoo lang; zoover van zoo ver; vandaar van van daar; vanhier van van hier; vanwaar van van waar; bijv.: Ik ben ziek, vandaar kan ik niet komen. Ik ben naar Velp geloopen en van daar naar Arnhem. Tot hoelang zal hij blijven:' Hoe lang zal hij blijven:'
g. een voorzetsel met een naamwoord of telwoord, als: achterwege, onderwijl, overeind, bijgeval: â voorwaar, tegelijk, opnieuw: â vaneen, aaneen, overal, vooral.
Opmerking. Het voorzetsel blijft gescheiden, indien het tweede woord een bepaling bij zich kan hebben. In dit geval ontstaan uitdrukkingen, ilie de kracht hebben van voorzetsels, als: uit hoofde van, U' midden van, in weerwil van, in spijt van, met betrekking tot, door toedoen van.
ó0. Verder worden aaneengeschreven:
a. De bijwoorden: terug, terstond, ternauwernood.
h. De voorzetsels: tegenover, rondom, niettegenstaande, ingevolge.
c. De voegwoorden: alhoewel, ofschoon, zoodot, tenzij, tenware, opdat, doordien, enz.
d. De tusschenwerpsels: helaas en eilieve.
538
A-RUN.
VI. BK NAMING EN DEK AA I «Dl» I.I KSKINDK KN Hl'N GKSLACHT.
1. Do namen van werelddeelen. landen, provinciën, steden en dorpen zijn in proza alle onzijdig, met uitzondering van die namen van landstreken, welke altijd liet lidwoord de vóór zich hebben: De Betuive, De Krim. De namen van steden en dorpen, waarvan 't lidwoord een deel uitmaakt, blijven integendeel onzijdig: het welvarende Den Helder.
2. In poëzie of in dichterlijke taal zijn de namen van werelddeelen en landen in den le^el vrouwelijk, bijv.:
Heel Neerland zendt haar wen.sch ten hemel.
Ti n.LKNs, Oeerwinterinff.
'I. Do namen van beryen zijn alle mannelijk.
I. Do namen van rivieren en wateren zijn mannelijk, vrouwelijk ot' onzijdirj. Hio'- volgt een lijstje van de meest, voorkomende stroomen, enz. 1°. van do binnenlandsclie, 2°. van de buitenlandsehe.
539
|
A (N.B.) i), v. A (Almeloosche). O. v. A (Mussel-), Gr. v. A ( Westerwoldsche). Gr. v. Aar (Z. H. ). v. Amer (N. B.), m. Am stel (N.H.), m. Bakkerskil (N. B.), v. Beok (Hurneueldsrhe). (i. v. Beek (f.untersche), v. Beers. Beerse (N. B.), v. Berkel (G.). v. Bieningen (Z. H.). v. mv. Biesbosch (N. B.), m. Bijleveld (U.), v. Bleeke kil (N. B.). v. Boorn (F.), v. Boterdiep (lt; â¢Â»quot;.), o. Braakman (Z.), m. Compagnonsvaart {Dracht- ster-). F. v. Damsterdiep (Gr.), o. Dedemsvaart (().). v. Diep (Zujolsche). Ã. o. Die/.e (N. B.). v. Din kei (N. B.), v. Din tel (N. B.). v. Does (Z. H.), v. Dollard (Gr.), m. Dommel (N. B.), m. Donge (N. B.), v. Drecht (N. H.), v. Ee (F.), v. Kem (ü.). v. Eemskanaal (Gr.), o. Eendracht (N. B. en Z.), v. Eiserbeek (L.), v. Flieussen (F.), v. en o. Gaasp (N. H.). v. Ganzendiep (O.), o. Gein (N.H.), ... Geleen (L.). v. Geul (L.). v. Giesen (Z. H.), v. |
1°. B i n n e n 1 a n d sch e wateren. Goot (O.), v. Gouwe (Z. H.;. v. Gouwzee (N. H.), v. tJracht (l\alenbénjer-). O. v. Grevelingen (Z. H.), v. mv. Grift (G.), v. Gulp (L.). v. Haringvliet, o. H..endiep (Gr.), ... Holendrecht (N.H.). v. Hollandsch diep, ... Hoorfische diep ((«r.). o. Hnnse (D.). v. IJ (N. 11.). ... IJsel {(ieldersche). m. I.lsel (Hollundsché). m. IJsel (Oude), m. Itterbeek (L,), v. Jaar, Jeker (1^.), v. Jeker, Jaar (1^.), v. Kanaal (Ãierensche). (!. o. Kanaa 1 (Noordholta ndsch). N. H. o. Kanaal (Noordzee-). N. H. o. Kanaal (van Sfeenenhoek). /. H. o. Kanaal (Zederik-). Z. H. «â¢. enz. Keeten (Z.). lt;gt;. Keteldiep (O.), o. Kil (üordsche). Z. M. v. Krammer (Z. H.), v. Kreek (Ifnlsirr). /. v. Kreekerak (Z.), o. Kuinder of TJohger (F.), v. Lauwers (F.), v. Lauwerszee (F.), v. Lee (Z. M.). v. I.ei (N.B.). v. Leibeek (N. B.). v. Liede (N. H.). v. Lek (Z. H. en l*.), v. Lichtmiskanaal (().). lt;gt;. Linde (F.), v. |
Linge (G.). v. Loo-lee (O.), v. Maas, v. Maas (Brielsche). Z. II. v. Maas (Nieuwe). Z. H. v. Maas (Oude). N.B. v. Maasje (Oudé), N. B. o. Mark (N.B.). v. Mastgat (Z.), o. Meer (Giethoorfische), O. gt; Meer (Tjeuke-), F. ... Meer (Zuidlaarder). I). ... Meppelerdiep (O.), o. Merwede, v. Mijdrecht (U.), v. Modderbeek (l'.), v. Molenbeek (L. en G.), v. Morra (F.), v. Mosselkreek (Z.). v. Mnssel-A (Gr.), v. Neer (L.). v. Niers (L.j, v. Nienwegraven (O.), v. Noord (Z. H.), v. Noordergat ('/.. H.), ... Oranje-kanaal (D.), o. Overlaat (N. B.), in. Pampus (N. H.). v. Pekel-A (Gr.), v. Raam (N. B.). v. Rechterdiep (O.), ... Keest (O. en D.), v. Kegge (O.), v. Reitdiep (Gr.), o. Keuzel (N. B.), in. Rijn, in. Rijn (Kromme), LJ. rn. Rijn (Oude), Z. H. en n Rijn (Vaartsche), U* m. Roer (1^.). v. Rotte (Z.H.), v. Ruiten-A (Gr.), v. Rul (N. B.). v. Run (N. B.), v. |
!) Bij verkorting w..rden tie provinci(;n, volt;»r do kleine wateren, aangeduid door de begin letters; N.B. beteekent Noord-Brabant; ().. Overijsel; G.. Gelderland, eiiz.
RUNDE-LAI BACH.
540
|
Runde (,D.). v. Rundiep (D.), o. Schelde, v. Schelde (Ooster-), v. Schelde (Wester- of I tout), v. Scheur (Z. H.), quot;⢠Schie (Z. H.), v. Schipbeek (quot;O.), v. Slaak (Z.), o. Slink (G.), v. Sloe (Z.), o. Spaarne (N. H.). o. Spui (Z. H.), o. Steemvijkerdiep (O.), quot;⢠Swalm (L.), v. Tjonger (F.), v. Tongelreep (N. B.), v. Vaart (Tiuickelsche), O. v. Vaart (Keulsche), v. Vaart (f.ei'lsche), Z. H. v. enz. |
Val (van L'rk), N. H. v. Valterdiep (D.), o. Vecht (N. H. en U.), v. Vecht (O.), v. Veersche gat (Z.), o. Vliet (RozmdaaIschc), N. B. Vliet (Z. H.), in. [in. Vlist (Z. H.), v. Volkerak, o. Waal, v. Waterweg (Xieuire), Z. H. in. Waver (N. H.), v. Weerijs (N. B.), v. Westerwoldsche A (Gr.). v. Westgat (Z. H.), o. Wetering (Z. H.). v. Wetering {Biltsche). U. v. Wetering ((Iroute), G. v. Weteringen (Sal tandsche). O. v. mv. enz. |
Wijde (Beulaker). U. v. Wijde (Belter), O. v. Willemsvaart (O.), v. Winschoterdiep (Gr.), o. I Zaan (N. H.), v. Zandkreek (Z.)^ v. Zandwetering (U. en O.). v. Zijpe (Z.), v. Zoom (N. B.), v. Zuiderdiep (Z. H.). lt;â¢. Zuiderzee, v. Zuidvliet (Z.), in. Zuid-Willemsvaart (L. en N.B.), v. Zwarte water (O.). u. Zwin (Z.), o. |
20. Bu i i en la n d slt;-h e wateren.
|
Aar (Zwitserland), v. Adda (zijtak. Po), v. Adige, Etsch (O. Italië), v. Adour (Frankrijk), m. Ahr (zijtakje. Rijn), v. Aisne (zijtak, Oise), v. Aller (zijtak, Weser), m. Allier (zijtak, Loire), v. Aloeta (zijtak, Donau), v. Alzette (zijtak, Sure), v. Amazonenrivier (Z. Amerika), v. ook: Maranon. Arnblève (zijtak, Ourthe), v. Amoe-Darja (Aralmeer, Azië), v. Amoer (O. Azië), v. Arkansas (zijtak, .Mississippi), m. Arno (Italië), v. Arragon (zijtak, Ebro), v. Atlantische Oceaan, m. Avon (Engeland), v. Barito (Java), v. Barrow (Ierland), v. Belt (zeestraat. Den.), v. Beraun (zijtak, Moldau), v'. Beresina (zijtak, Dnjepr), v. Boeg, Bog (Rusland), v. Boslbrus, Bosphorus (rtv- straat, Turk.), m. Brahmapoetra (Britsoh- Indië), v. Bran tas (Java), v. Brenta (N. Italië), v. Charente (Frankrijk), v. Cher (zijtak, Loire), v. Clyde (Schotland), v. Colorado (Vereenigde Staten), v. Columbia (Vereenigde Staten), v. Congo (Z. W. Afrika), in. Dal-Elf (Zweden), v. Darling(zijstroom, Murray ),v. Demer (zijtak, Dyle), v. |
Dender (O. Vlaanderen), v. Desna (zijtak, Dnjepr), v. Dyle, Dijle (zijtak. Netel), v. Djambi-rivier (Ã. Sumatra), v. Dnjepr (Rusland), m. Dnjestr (Rusland), m. Don (Rusland), m. Donau (Duitschland, Oostenrijk), m. Donetz (zijtak, Don), v. Dordogne (Frankrijk), v. Doubs (zijtak, Saone), v. Douro (Spanje en Port.), v. Dra u, Drave (zijtak, Donau), v. Drin, zie Drina, v. Drina (zijtak, Save), v. Duna (Rusland), v. Durance (zijtak, Rhone), v. Dwina (Rusland), v. Ebro (Spanje), m. Eems (W. Duitschland), v. Eger (zijtak, Elbe), v. Elbe (Bohemen, Duitschl.), v. Ens (zijtak, Donau), v. Esla (zijtak, Douro), v. Etsch (Zwits., Tyrol, It.), v. In Italië: Adige. Euphraat (W. Azië), m. Forth (Schotland), v. Fulda (W. Duitschland), v. Gallego (zijtak, Ebro), v. Gambia (W. Afrika), v. Ganges (Britsch-lndië), m. Garonne (Frankrijk), v. Gironde (mond van Garonne en Dordogne, W.-Frank-rijk), v. Glommen (Noorwegen), v. Gota-Elf (monding. Klara- Elf), v. Gran (zijtak, Donau), v. Guadalaviar (O.-Spanje), v. Guadalquivir (O.-Spanje), m. Guadiana(Spanje en Port.), v. j |
Havel (zijtak, Elbe), v. Hellada (Griekenl.), v. Hellespont (doarvaart, Turk.), in. Henares (zijtak, Taag), m. Hoango, Hwangho (O.China), m. Humber (mond van Trent en Ouse, Eng.), v. Hunte (zijtak, Wezer), v. Ill (zijtak, Rijn), v. Hie (zijtak, Donau), v. Hm (zijtak. Saaie), v. Ilse (zijtak, Ocker), v. Indragiri (O.-Sumatra), v. Indus (Voor-Indië), m. Inn (zijtak, Donau), v. Irrawadi (Achter-Indië), m. Irtisch (zijtak, Ob), m. Isar (zijtak, Donau), v. Iser (zijtak^ Elbe), v. Isère (zijtak, Rhone), v. Isla, Ha (zijtak. Tay), v. .lalon, Xalon (zijtak, Ebro), v. Jangtse-Kiang (Blauwe rivier, China), in. Jarama (zijtak, Henares), v. Jaxt (zijtak, Neckar), v. Jenil (zijtak, Guadalq.), v. Jeniseï, Jenissei (Siberië), v. Joeg, Jug (zijtak, Dwina), v. Joekon (Alaska, N. Am.), v. Jordaan (Palestina), v. Jucar, Xucar (Spanje), v. Kama (zijtak, Wolga), v. Kattegat (doorvaart, Den.), o. Kilia (N. mond, Donau), v. Kisil-lrmak (roode rivier^ Klein-Azië), v. Klara-Elf (Zweden), v. Koema (Kaukasië), v. Koer (Rusland), v. ook: Kar. Koeran (Z. O. Borneo), v. Lahn (zijtak. Rijn), v. Laibach (zijtak, Sau). v. |
LA PLATA-ZAMBESI.
541
|
La Plata (Z.-Amerika). v. Lech Czijtak, Donau), v. Leine (zijtak, Aller), v. Lena (O.-Siberië, Azië), v. Lesse (zijtak, Maas), v. Lijs (zijtak. Schelde), v. Limath (zijtak, Aar), v. Limpopo (Z. O. Afrika), v. Lippe (zijtak, Rijn), v. Loire (Frankrijk), v. Lot (zijtak, Garonne), v. Lougen (Noorwegen), v. Maas (Fr. België, Ned.;, v. Mackenzie (Britsch N. A.), v. Madeira (zijtak. Amazone), v. Magdalena (Z.-Amerika), v. Main (zijtak. Rijn), m. Maine (zijtak, Loire), v. Manzanares (zijtak. Hena- res), v. Maranon (Z.-Amerika), v. ook Amazonenrivier. March (zijtak, Donau; hoofdrivier van Moravië), v. Maritza (Boelgarije), v. Marne (zijtak, Seine), v. Maros (zijtak. Theisz), v. Mayenne (zijtak, Maine), v. Medway (Engeland), v. Mekong (Achter-lndië), v. Memel (Rusl. en Oost-Pruisen). v. ook: Niemcn, Njenien. Menam (Achter-lndië), m. Mersey (Engeland), v. Meurtiie (zijtak. Moezel), v. Mincio (zijtak. Po), v. Minho (Spanje), v. Mississippi (Vereenigde Staten), m. Missouri (zijtak, Mississippi), m. Moezel (zijtak. Rijn), v. Moldau (zijtak, Elbe), v. Morawa (Servië), v. Moskowa. Moskwa (zijtak. Oka), v. Mota (Rusland, Ilmen- meer), v. Mulde (zijtak, Elbe), v. Mur (zijtak, Drau), v. Murg (zijtak, Rijn), v. Murray (Nieuw-Holl.), v. Muit (zijtak, Neckar), v. Naab, Nab (zijtak, Donau), v. Nahe (zijtak. Rijn), v. Napo (Ecuador), v. Nare, Nares lt; zijt. Magdalena), Narenta (Dalmatië), v. [v. Narowa (Rusland), v. Neckar, Necker (zijtak. Rijn), m. |
1 Nethe, Groote en Kleine (zijtak, Rupel), v. 1 Netze (zijtak, Warthe), v. Newa (Rusland), v. Niagara (N. Amerika), v. Niemen (Polen, Pruisen), v. ook: Memel, Niger (Midden-Afrika), m. Nijl (Egypte), m. Nogat (arm, Weichsel), v. Noordzee, v. Ob. Obi (Azië, Siberië), v. Ocker. Oker (zijtak. Aller), v. Oder (Moravië, Duitschl.), v. Oeral, Ural (Rusland), m. Oglio (zijtak. Po), v. Ohio (zijtak, Mississippi), v. Oise (zijtak, Seine), v. Oka (zijtak, Wolga), v. Oka (O.-Siberië), v. Onega (Rusland), v. Oostzee, v. Oranje-rivier (Z. Z. \V. Afrika), v. Orinoco (Z.-Amerika), v. Ourthe (zijtak. Maas), v. Ouse (Engeland), v. Parnahyba (Brazilië), v. Parnana (Z.-Amerika), v. Petsjora (Rusland), v. Piave (Italië), m. Pi tea (Zweden), v. Po (Italië), v. Pregel (Rusl., Pruisen), v. Pripet (zijtak, Dnjepr), v. Proeth, Pruth (zijtak, Donau), v. Purus, Paru (zijtak Amazonenrivier), v. Raab (zijtak, Donau), v. Regen (zijtak, Donau), v. Reusz (zijtak. Aar), v. Rhone (Zwits., Frankr.), v. Rijn (Zwits., Duitschl. Ned.), m. Rio-Grande (N.-Amerika), v. Rio-Negro (zijtak, Amaz.), v. ook: Parana. Roer, Ruhr (zijtak. Maas), v. Ruhr (zijtak. Rijn), v. Rupel (zijtak. Schelde), \. Saaie (zijtak. Main), v. Saar (zijtak. Moezel), v. Salambria (Thessalië, Gr.), v. Saloem, Salum (W. Afrika),m. Saluen (Achter-lndië), m. Sambre (zijtak. Maas), v. Saóne (zijtak, Rhone), v. Sarthe (zijtak, Loire), v. Sau, Save (zijtak, Donau), v. Sazawa (zijtak, Moldau), v. Schelde (Fr., België, Ned.), v. |
Segre (zijtak, Ebro), v. Segura (Spanje), v. Seine (Frankrijk), v. Semois,Semoy(zij tak,Maas), v. Senegal (W. Afrika), m. Senne (zijtak. Dyle), v. Sereth (zijtak, Donau), v. Severn (Z. Engeland), v. Shannon (Ierland), v. Sieg (zijtak. Rijn), v. Si-Kiang (China) m. Skagerrak (doorvaart, Den.), o. Soelina (mond, Donau), v. Solo (Java), v. ook: Bengawan. Somme (Frankrijk), v. Sond {zeestraat. Den.), v. Spree (zijtak, Havel), v. St. George (mond, Donau), v. St. Laurens (N. Amerika), m. Stroema (Macedonië), v ook: Strymon. Sure (zijtak. Moezel), v. Syr-Daria (Azië, Aralmeer), v. Taag (Spanje en Port.), n . Tanaro (zijtak. Po), v. Tarn (zijtak, Garonne), v. Tay (Schotland), v. Teems, Theems (Engel.), v. Terek (Z. Rusland), v. Thaya (zijtak, March), v. Theiss (zijtak, Donau), v. Tiber (Italië), in. Ticino (zijtak. Po), v. Tiger, Tigris (Aziat. Turk.),ni. Tobol (zijtak, Irtisch), m. Tormes (zijtak, Douro), v. Tornea (Zweden), v. Trave (N. Duitschl.), v. Trent (Engeland), v. Tweed (Engel, en Schotl.), v. Tyne (Engeland), v. Ural, Oeral (Rusland), m. Uruguay (Z.-Amerika), v. Vaal (zijtak, Oranje-rivier), v. Vardar (Balkan-Schiereil.), v. i Vesdre (zijtak, Ourthe), v. Victoria-rivier(N. Holland), v. Vienne (zijtak, Loire), v. Volturno (Z.-Italië), v. Vomano (Z.-Italië), v. Waag (zijtak, Donau), v. Warthe (zijtak, Oder), v. Weichsel (Silezië, Polen, Pruisen), m. Werra (W.-Duitschland), v. Wezer (W.-Duitschland), m. Wolga (Rusland), y. Wupper (zijtak. Rijn), v. Yonne (zijtak, Seine), v. Zaïre, Congo (Z.W. Afrika), m. Zambesi (O.-Afrika), v. |
ACHILLES-ZEPHYR US.
542
|
VII. BENAMINGEN LIT DE F. Achil'les (de snelvoetige â), de dapperste der Grieken voor Troje. Aescula'pius, Esculaap, (jud der geneeskunde. Agamem'non, koning van Mycene en met Menelans, zijn broeder, de aanvoerder der Grieken voor Troje. Agla'ia, de jongste der drie Gratiën. A'mor, zie Cupido. Andro'mache, gemalin van Hector. Apol'lo (zoon van Jupiter), god van zang en snarenspel^ herdersgod, zonnegod. Ook is hij de stralfende god (boog en pijl) en de reddende god (vader van Esculaap). Argonau'ten, de helden, die (± 1270 v. C.) onder Jason naar Colchis voeren om het gulden Vlies te halen. Ar'gus, de alziende, met honderd oog en. Aflas, reus die de aarde torst. Auro'ra, de rozenvingerige godin des dageraads. Bac'chus (Dionysos), de god des wijns. Beilo'na, godin van den oorlog, zuster van Mars. Calli'ope, muze van 't heldendicht (met wastafels en stift). Cer'berus, de driekoppige helhond, bewaker van 't Elgsium. Ce'res, de godin van bloemen e)i kruiden, koren en brood. Cha'ron, de veerman in de onderwereld, aan den Styx. Cli'o, muze der geschiedenis (met papierrol). ('u'pido(E'ros), god der liefde, zoon van Venus; hij draagt boog en pijl. ( yclo'pen, reuzen der onderwereld. Dia'na, godin der jacht, der maan en van den nacht. Ely'sium, de Elizeesche velden, verblijf der gelukzaligen. E'rato, muze van het minnedichten der mimiek (met de lier). Euter'pe, muze der lierpoëzie (met dwarsfluit). Fa'ma, godin van het gerucht (de Faam). Flo'ra, godin der bloemen en der lente. Kortu'na, godin van 't geluk. Fu'riën, de drie wraakgodinnen. Ganyme'des, de schenker van de goden. Gra'tiën, de drie godinnen der bevalligheid (Euphrosine, Aglaïa en Thalia). Harpij'en, kwelgeesten met vleugels en klauwen van gieren. He'he, godin der jeugd en schenkster der goden. Hec'tor, de dapperste der Trojanen. He'lena, gemalin van Menelaus, door Paris geschaakt. He'cuba, gemalin van Priamus. Her'cules, de nationale held der oude Grieken, beroemd om zijn i£2 werken. I'ris, bodin der goden; de regenboog is haar brug. Ja'nus, bij de Romeinen de god van 't men-sche lijk lot en van de zaken van oorlog; hij opent den dag, het jaar en de jaargetijden; Nieuwjaarsdag was hem gewijd, en de eerste maand draagt zijn naam. .Ta'son, aanvoerder der Argonauten. Ju'no, gemalin van Jupiter; de pauw is haar gewijd. .lu'piter (Zeus), opperste der goden, de algoede en almachtige', hij beschikt over donder en |
BELLEEK EN DE OUDHEID. 1) bliksem, en andere verschijnselen; de arend is hem gewijd; deze draagt de bliksems in zijn klauw. Lycur'gus, wetgever der Spartanen ( ± 880 v.C.). Mars (Mavors), god des oor logs, de schutsgod van V Rom. volk. Maart was hem gewijd. Medu'sa, een der drie schrikgodinnen, gevleugeld monster met ijzeren klauwen. Melpo'mene, muze van het treurspel {met masker). Menela'us, broeder van Agamemnon. Mercu'rius, god van den handel en der reizigers. Miner'va, godin der wijsheid en kennis, der dapperheid en kracht, der kunsten en wetenschappen. Mi'nos, koning van Creta, rechter in de onderwereld. Mu'zen, godinnen van kunsten en wetenschappen; negen in getal. Ne'mesis, de godin der gerechtigheid, wreekster van de deugd, vervolgster van misdrijf. (De wrekende Nemesis). Neptu'nus, god der zeeën of oceanen. Nes'tor, de oudste en wijste der Grieksche vorsten voor Troje. Nim'ten, gesluierde godinnen van l ageren rang; zee-, rivier-, bron-, berg-, dal-, boomnimfen. Ora'kel, godspraak (tempel), als te Dodona (Jupiter), te Delphi (Apollo). Or'pheus, de aloude Gr. zanger en dichter, met een gouden lier (van Apollo). Pan, de leelijke veld- en boschgod, met horens en bokspooten. Pando'ra, de rijkbegaafde, door Jupiter tot verderf der menschen naar de aarde gezonden, met een doos, waarin allerlei kwalen besloten waren. De doos van Pandora, bron van veel leed l Plu'to, god van de onderwereld, gever van rijkdommen. Polyhym'nia, muze der hymnen (lofzangen). Pomo'na, godin der boomvruchten. Pri'amus, de oude koning van Troje. Sa'ter, boschgod. So'lon, wetgever der Atheners ( ± 040â559 v. C.). Styx, rivier, die de onderwereld negenmaal omvloeit. Tar'tarus, afgrond onder de aarde, verblijf der onzaligen. Terpsi'chore, muze van de rijdansen en 't koorgezang (met de Her). Thali'a, muze van 't klucht- of blijspel en 7 herdersdicht (in handen een masker; met klimopkrans). The'mis, tweede gemalin van Zeus (Jupiter)y [Meta was de eerste en Hera (Juno) de derde], moeder der Horen (godinnen van weer en jaargetijden) en der Paveen (Schikgodinnen); bij Homerus de godin van recht e)i billijkheid. Zij had vóór Apollo het orakel te Delphi. Zij wordt voorgesteld (b.v. in rechtszaleny met blinddoek, weegschaal en zwaard. Ura'nia, muze der sterrenkunde (met hemelbol). Ve'nus (Aphrodi'te), godin der schoonheid. Ves'ta, godin van den huiselijken haard. Vulca'nus, Vulcaan', god van 7 vuur en van de smeden. Ze'phyrus, de W.-wind uh god. |
i) Zie verder: Beknopt Handwoordenboek der Grieksche, Romeinsche en Noordsche mythologie, door m. J. koknen en Dr. k. hi'Kk.ma, Groningen, .i. n. wolters, prijs /quot;0.65.
OORDEEL DER PERS OVER DEN lEN DRIX
Noord en Zuid, 21ste jaargang, blz. 219.
.... Al valt er hier en daar op het werkje iets aan te merken, toch bezit het vele goede eigenschappen. Het onderscheidt zich in de eerste plaats van tal van andere, in den laatsten tijd verschenen boeken, hierdoor, dat het werkelijk in eene behoefte voorziet. Het is een Van Dale (Manhave) in 't klein, bijzonder geschikt voor Koogere Burgerscholen en Gymnasia en ook op den kantoorlessenaar kan het van dienst zijn, ter vervanging van de woordenboeken van Kkamer en De Vries en Te Winkel. Bovendien is het een handig boek, in stevig, net gewaad met een duidelijke letter gedrukt. De schrijver heeft er klaarblijkelijk naar gestreefd, er een practisch boek van te maken. Dit blijkt uit het weglaten van tal van afleidingen en samenstellingen bij werkwoorden enz., alsmede van die uitdrukkingen e;i woorden, die in de beschaafde spreek- en schrijftaal zelden worden gebezigd.
Tevergeefs zal men dus zoeken naar onfatsoenlijke woorden: zoogenaamde âschuttingwoordenquot; ontbreken. Velen zullen dit toejuichen: aangezien het boek voor de school bestemd is, valt daar wel iets voor te zeggen.......
Zalt-Bommel. H. BeckeringâVinckers.
In De Schoolwereld van 22 Juli 1897 las men:
De schrijver zegt van zijn boek: âHet vertegenwoordigt een eigen lichtingquot;'; en die duizenden uitheemsche woorden zijn met opzet opgenomen. En zoo is ontstaan een boek, dat werkelijk is wat het wou zijn: âvóór alles een handig boekquot;. Het is vooreerst een vreemde-woordentolk, niet zóó uitgebreid als 't welbekende boekje van Kramers, maar voor dagelijksch gebruik even voldoende; en ten tweede een wdb. der Ned. taal, natuurlijk lang zoo compleet niet als de (quasi-) âvolledigequot; kleine-Kuipers (de groote Van Dale, de groote geïllustreerde Kuipers, de groote Kramers blijven vanzelf door hun prijs al uit de handen van de meeste leerlingen van H. B. S. enz. en van kantoormannen en dus âbuiten mededingingquot;), maar alweer voor dagelijksch gebruik zeer voldoende en in ieder geval heel wat gemakkelijker in 't gebruik.
Dan komt erbij een Aanhangsel met mythologische en geografische eigennamen en met aanwijzingen voor het aaneenschrijven en afbreken van woorden en het gebruik van hoofdletters en woordteekens; en verder met een lijst van 1G blz., bevattende een zeer groot aantal groepen van. synonieme woorden. Die lijst zal menigeen van dienst wezen, die wel eens moet zoeken naar âeen ander woordquot;; men vindt bijv. 'Dun â mager â rank â schraal â slank â tenger', en 'Gedoogen, dulden, toelaten, veroorloven'.
Het streven naar juiste omschrijving is volgens mij de hoofdplicht van den wdhk.maker, die evenwel, vooral in beknopte â \vdbkn., weieens verzuimd wordt. Heel vaak is die âomschrijvingquot; niets anders dan een aanwijzing, alsof iemand spreekt over mijnheer Dinges âje weet welquot;'. Dat komt natuurlijk bij Koeken ook al voor. Maar een wdb. zonder feilen beschouw ik niet als het zooveelste, maar als het eerste wereldwonder. Daarbij hebben de boeken van den heer K. de goede gewoonte aangenomen van nog al eens herdrukt te worden, we kunnen dus hopen, dat de schrijver van nu af aan reeds bezig is aan 't veranderen en verbeteren. Dat hij zich hier en daar een lastigen plicht van den hals heeft geschoven, door een moeielijke omschrijving achterwege te laten en een sprekend voorbeeld te geven, is geen scha voor den gebruiker. Mijn âwaardeerend eindoordeelquot; over het boek, dat er typografisch zoo goed uitziet, zal ik nu maar niet meer afzonderlijk zeggen.
Utrecht. P. J. M.
Christ. Schoolblad. 30 Juli 1897.
Wie kunnen dit handboek gebruiken?
Doen we niet beter met te vragen: wie kunnen het missen ?
Bescheiden verklaart het geen absolute volledigheid te bezitten. Dat verstaan we. Maar dat de zeer betrekkelijke onvolledigheid spoedig gemerkt zal worden door de gebruikers of ook maar in het minst de groote waarde van dit degelijk, rijk boekske kan verduisteren, zal ieder betwijfelen, die het maar even inziet.
Het is bestemd voor leerlingen van gymnasia, hoogere burgerscholen en kweekscholen. Ook kan het op kantoren dienen. En laat er gerust bijgevoegd worden, dat het ieder dienen kan, die iets over de beteekenis, het geslacht, de spelling, den meervouds- of vervoegingsvorm van eenig woord, eigen of vreemd, wil weten.
Door niemand ooit gezochte afleidingen of samenstellingen zijn weggelaten en evenzeer uitdrukkingen en woorden, die in de beschaafde spreek- en schrijftaal zelden of nooit gehoord worden. De ruimte, daardoor uitgewonnen, is gebruikt tot het verklaren van woorden en uitdrukkingen, ook in overdrachtelijken zin, van zegswijzen, spreekwoorden, enz.
Gangbare vreemde of uitheemsche woorden zijn ruimschoots opgenomen en verklaard. Hun aantal bedraagt duizenden.
Ook het aanhangsel is nog een klein schatkamertje.
Laten wij er op wijzen, dat het werkje allergelukkigst nog dienst kan doen tot recht verstand van onze schrijvers. Zoo vindt men bijv. het woord âschutterigquot; met aangehaalde plaats uit de Camera er in opgenomen en vertolkt.
Kortom dit Verklarend Handwoordenboek is een schathuis, eene goudmijn.