-ocr page 1-

i-Xi-

V

nm i

-ocr page 2-

GUNNING

7

c

49

üxmm

-ocr page 3-

JU

-ocr page 4-
-ocr page 5-

gelijkenissen des heeren

-ocr page 6-
-ocr page 7-

g u n n» n

y (?i/.

7

Gelijkenissen des Heeren

h. p i e r s o n.

I PiiBUOTHcEK DER f R i J K S U NiVE R 31T £ IT ü T i v E C H ï.

's-GRAVENHAGE

W. A. B E S C H O O R

r/lt;

-ocr page 8-

SNELPERSDRUK VAN H. C. A. THIEME TE NIJMEGEN.

-ocr page 9-

VOORREDE.

De Gelijkenissen des Heeren zijn vaak behandeld, en door iedereen op zijne ivijze. Het is geen ivonder, dat de een er iets anders in vindt dan de ander. Zij zijn zoo rijk, zoo diepzinnig, dat er meer dan één beteekenis in kan liggen. Gegrepen uit het leven, hebben zij al de veelzijdigheid van het leven en maken zij noodzakelijk een verschillenden indruk, naarmate er een ander licht op valt.

Het zij mij vergund van sommige gelijkenissen mijne opvatting te geven. Ik heb die niet gezocht; zij kwam tot mij en werd mij vaak door de omstandigheden des levens aangebracht. Op volledigheid maak ik geen aanspraak. Te midden van allerlei arbeid heb ik ze saamgevoegd, gedeeltelijk uit de Bode der Hcldringgestichten, gedeeltelijk uit aanteekeningen.

Men leze en oordeele.

Mocht hier of daar een verklaring te vreemd schijnen, men

-ocr page 10-

veroordeele ze daarom nog niet, maar overwege en toetsc haar

aan de gelijkenis zelve.

„Nooit heeft een mensch gesproken gelijk deze mensch , is de

indruk, dien elk nauwgezet lezer van de gelijkenissen noodzakelijk

ontvangt. Indien ik daarom den indruk weergeef, zooals ik dien ontving, is het vooral om tot dieper nadenken aan te sporen, gedachtig aan het vermanende woord: ivte ooren heeft

cm te hooren, die hoore.

Zetten, 30 October 1891.

-ocr page 11-

INHOUD.

Bladz.

1. VERZOENENDE BETEEKENIS DER GELIJKENISSEN . I II. EEN HEERLIJKE VERKLARING EN EENE TROOSTE-

LIJKE TOEPASSING..........................6

III. EEN SCHRIFTVERKLARING OP DE GESTICHTEN

GELEERD..................................12

IV. NOG EEN SCHRIFTVERKLARING OP DE GESTICHTEN

GELEERD..................................ig

V. HET KONINKRIJK DER HEMELEN EN DE MAMMON. 24

VI. DE ONRECHTVAARDIGE RENTMEESTER..........30

VII. LAZARUS EN DE RIJKE MAN..................37

VIII. HET ZAAD DAT ONMERKBAAR OPKOMT..........43

IX. ZAAIER, GEEN PLOEGER OF PLANTER............48

X. HET MOSTAARDZAAD..........................51

XI. DE ZUURDEESEM............................57

XII. DE SCHAT IN DEN AKKER EN DE PAREL VAN

GROOTE WAARDE..........................Ó4

XIII. HET VISCHNET..............................70

XIV. BIDDEN ZONDER OPHOUDEN....................75

-ocr page 12-

INHOUD.

Bladz.

XV. DE ONRECHTVAARDIGE RECHTER..............8o

XVI. BEKEERING ZONDER STRIJD....................86

XVII. ONNUTTE DIENSTKNECHTEN....................91

XVIII. DE BARMHARTIGE SAMARITAAN................0

XIX. TER ELFDER URE..............101

XX. ZANDGROND EN STEENROTS..........lOJ

XXI. DRIE ZUIVER GETROKKEN BEELDEN......112

VIII

-ocr page 13-

DE VERZOENENDE BETEEKENIS DER GELIJKENISSEN.

Er zijn vele christenen, die met de gelijkenissen min of meer verlegen zitten. Zij passen niet goed in hun stelsel en zij beschouwen ze daarom als zeer nuttig, om een waarheid duidelijk te maken, maar voorts min of meer als bijzaak.

Als zij den brief aan de Romeinen lezen, gaat hun hart open voor de heerlijke en diepe waarheden daarin vervat, bij de gelijkenissen overkomt hun dit niet licht. Zij spreken het niet uit, want de eerbied voor het woord des Heeren verbiedt hun dit, maar in hun hart voelen zij er niet veel voor. Die gelijkenissen zijn hun eigenlijk te algemeen menschelijk, te gewoon. Een moderne voelt zich — zoo meenen zij — in die gelijkenissen ook thuis en dit verkoelt hun liefde daarvoor.

Geen moderne zal ooit vrede hebben met den brief aan de Romeinen of aan de Galaten; die taal is hem vreemd, maar bij de gelijkenissen is het wat anders, en ernstige modernen zullen vaak den orthodoxen die gelijkenissen voorhouden als een wapen, om hun catechismus of hun formulieren te bestrijden.

-ocr page 14-

DE VERZOENENDE BETEEKENIS

„Zie,quot; zal de moderne zeggen, „gij die altijd den mond vol hebt van het verzoenend bloed des kruises, waar blijft gij met die leer, als gij de gelijkenis van den verloren zoon leest? De zoon komt immers terecht, zonder dat er eenige andere verzoening noodig is dan de liefde van zijn vader. Kon de verloren zoon er komen zonder bloedstorting, waarom dan wij niet?quot;

Op die vraag hebben vele Christenen geen antwoord; zij maken er zich zoo wat van af, of wel zij trachten de gelijkenis, in hun stelsel te wringen.

Dit is geen bewijs, dat wij de waarheid kennen.

Laat ons trachten het beter te doen.

Vooreerst, indien ernstige modernen zich in de gelijkenissen thuis gevoelen, dan is dit ten deele een reden van blijdschap, ten deele een reden van smart. Van blijdschap, omdat wij ons steeds hebben te verheugen, wanneer Christus verkondigd wordt, zij het onder een deksel en hij die de gelijkenissen eenvoudig vertelt, zooals zij daar liggen, verkondigt Christus. Niemand zal ook door de gelijkenissen een kracht doen in Christus naam en openlijk van Hem kwalijk spreken. Maar een reden van smart is het ook, want als een moderne de gelijkenissen gebruikt, waar hij Paulus niet genieten kan, is het een bewijs, dat hij de gelijkenissen slechts oppervlakkig neemt en hun dieper zin hem ontgaat. De schuld ligt daarvan gewis bij hem ook, maar niet minder bij de orthodoxen, die hem hiertoe aanleiding geven.

Immers de leer der verzoening, wel verre van vreemd te staan naast de gelijkenissen, gaat geheel van dezelfde gedachte uit en spruit uit denzelfden bodem voort. Laat mij dit aantoonen.

Dat de gelijkenissen niet bedoelen de waarheid duidelijk te maken, bewijst reeds het feit dat zij zelve

2

-ocr page 15-

DER GELIJKENISSEN.

verklaring noodig hebben. Zij zijn alles behalve duidelijk, telkens komen de apostelen den Heere Jezus om verklaring vragen en Hij zelf noemt ze „verborgenheden van het Koninkrijk der hemelenquot; of m. a. w. geheim en is sen.

De schijn bedriegt ons vaak en nergens meer dan in de gelijkenissen. Zij schijnen glashelder, omdat de taal zeer eenvoudig en het verhaal zelf gemakkelijk te volgen is.

Maar juist hunne helderheid brengt ons op een dwaalspoor. Wij denken dat het water ondiep is, als het, bijzonder klaar en helder, ons vergunt tot den bodem te zien. Baad er u in en gij zult bespeuren, hoeveel gevaar gij loopt te verdrinken.

De bedoeling der gelijkenissen is: verhalen te geven, aan de natuur en de menschenwereld ontleend, die gemakkelijk zijn te onthouden, maar moeielijk om te verstaan.

Waartoe dienen zij dan? Zij bedoelen ons te leeren, dat onze oogen, door de zonde beneveld, overal Gods beeld voorbijzien, terwijl het aan alle zijden, hoe bezoedeld ook, ons tegenstraalt.

De Zoon Gods moest op aarde komen, om ons met God te verzoenen, en daarvoor was allereerst noodig, dat Hij ons gelijkenissen leerde. De gelijkenissen zijn bij uitstek Zijn eigendom. Niemand heeft ooit zoo gesproken als deze mensch en wie ooit beproefd heeft een gelijkenis te maken zal zelf inzien, welk een volheid van het leven Gods Hij in zich moest hebben, om zooveel gelijkenissen met kwistige hand om zich heen te strooien. Alleen Hij, die in den schoot des Vaders was kon dit, omdat Hij overal God zag.

Immers deze zondige wereld is evenals een oude versleten schoonheid. Gelijk wij van een tachtigjarige

3

-ocr page 16-

DE VERZOENENDE BETEEKENIS

vrouw vaak zegden: „men kan wel zien, dat zij schoon moet geweest zijn in haar jeugdquot; — zoo oordeelt onze Heiland over deze zondige wereld.

Hij daalt in die wereld af en ziet scherp al het slechte, bezoedelde, onreine, diep verdorvene van haar toestand, maar met Zijn goddelijke oogen ziet Hij overal de oude trekken van haar goddelijke afkomst. Hij ziet niet alleen haar schoonheid — die zien wij allen — Hij ziet haar goddelijkheid en die zien wij niet, tenzij Hij er ons de oogen voor opent.

Evenals een schilder, voor een oud, bedorven,, bezoedeld schilderij staande, daarin misschien het werk van een meester in het vak zal herkennen, terwijl wij het voor een prul aanzagen, zoo ook heeft Christus, met deze wereld gedaan.

Dit is het verzoenende in de gelijkenissen, dat Hij ons leert zien, en waar een moderne dus spreekt over den Verloren Zoon, zooals ik hierboven beschreef, maakt hij zich schuldig aan den grofsten ondank, nL te vergeten; wie deze gelijkenis heeft gegeven.

Zoo is het wel beschouwd met al de gelijkenissen. Niet alleen wat verhaald wordt, maar wie het ons. verhaalt, moet daarbij worden bedacht en hij, die gelijkenissen schoon vindt, maar den gever daarbij vergeet, mist juist het hoogste, nl. de erkenning, dat wij ze Hem danken, die op aarde kwam om onze Profeet te zijn, maar ook onze Koning en Hooge-priester.

Ja ik ga verder. Stel u de vraag; waarom Christus, nooit fabelen, maar altijd gelijkenissen gaf, — en gij zult Zijn doel nog beter vatten.

Een fabel is aan de verbeelding ontleend, een gelijkenis aan het werkelijke leven. Indien de Zoon Gods ons fabelen had verhaald, zooals menigeen er heeft

4

-ocr page 17-

DER GELIJKENISSEN.

gemaakt, Hij zou ons den indruk hebben gegeven, alsof het goddelijke buiten de wereld stond en alleen door woorden der verbeelding kon worden weergegeven.

Hij doet dit niet. Hij toont ons, dat het beeld Gods verduisterd is door de zonde, zoowel in ons, als in de natuur rondom ons. Zoo verduisterd, dat wij het niet weten weer te vinden en daarom onze toevlucht nemen tot fabelen en redeneeringen. Maar daarin blijkt te meer onze verdorvenheid; wij zien niet meer, wat vlak voor de hand ligt.

Hij komt om ons de oogen te openen. Hij daalt neer midden in deze wereld en nu ontspringt voor Zijn voeten overal het leven Gods. Waar Hij Zijn treden zet, daar druipt het alles van vettigheid, zooals Psalm 65 het uitdrukt. Uit duisternis komt licht, uit dood leven, uit deze zondige wereld het beeld Gods te voorschijn.

Wanneer Hij straks nog dieper afdaalt en zelfs tot in den dood, ja den dood des kruises zich vernedert, de zonden dragende en uit het graf herrezen het nieuwe leven aanbrengt, wordt de lijn eenvoudig doorgetrokken. Hij verzoent deze wereld met God, door in woord en wandel, in leven en sterven, tot de diepte afdalende, overal het eeuwige leven en de onverder-felijkheid aan het licht te brengen. Daarom is Hij in alles de Middelaar Gods en der menschen.

5

-ocr page 18-

EEN HEERLIJKE VERKLARING EN EENE TROOSTELIJKE TOEPASSING.

Hebt gij, mijn lezer, al kennis gemaakt met het schoone opstel door ds. Adama van Scheltema, den welbekenden schrijver van den „Bijbelschen Almanakquot; voor 1888, ons ten beste gegeven over mej. vonFin-kelstein en hare voordrachten over Palestina ? Zoo niet, koop er dan een en lees het; gij zult er in klein bestek heel wat nieuws vinden, dat u boeien en leeren en stichten zal.

Mej. von F. is een Engelsche dame, maar in Palestina geboren en grootgebracht en zij kent, beter dan de meeste reizigers, het huiselijk leven aldaar omdat zij als vrouw in veel nauwer aanraking daarmede kwam, dan eenigen man ooit vergund wordt.

Zij hield allerwege voordrachten, in Amerika en Engeland en gaf een schat van kleine bijzonderheden, die voor de kennis der Schrift van groot belang zijn.

Een daarvan wil ik u meedeelen ; zij is voor onzen arbeid van de hoogste beteekenis en heeft mij diep getroffen.

Het is de gelijkenis van den verloren penning, welke ik bedoel. Zie hier, wat zij er van meedeelt.

-ocr page 19-

EEN HEERLIJKE VERKLARING ENZ.

7

„De zilveren penning door de vrouw verloren, was één der tien van het halssieraad, dat haar als een gehuwde vrouw doet kennen. In Palestina geeft de man bij het trouwen niet, zooals hier, een eenvoudigen gouden ring, maar een zilveren halssieraad. Dit is het teeken der afgelegde huwelijksbelofte en elke getrouwde vrouw draagt er de uiterste zorg voor, dat niet één van deze tien stukken verloren raakt, want dit zou haar tot een groote schande worden aangerekend, als een bewijs van de uiterste zorgeloosheid. Hare geburen zouden haar met argwaan, misschien met onverholen minachting gadeslaan en gewis zou haar echtgenoot haar scherpelijk over de luttele zorg voor zijne huwelijksgave berispen. De beteekenis schuilt niet in de geldswaarde van het stuk zilver, maar in de bijzonderheid, dat het een beteekenisvol geschenk van haren echtgenoot is.quot;

Welk een verrassend licht werpt deze mededeeling op de gelijkenis. Dat zij juist is, wordt bovendien bevestigd door hetgeen mej. Rogers, die 30 jaar geleden geruimen tijd in Palestina verkeerde, in haar schoon geschrift over het huiselijk leven aldaar meedeelt. 1) Deze woonde te Haifa een trouwplechtigheid bij en zag de bruid versierd met een halssnoer van gouden munten, dat de jonge vrouw werkelijk goed stond. Mej. Rogers maakt echter de toepassing niet, die wij bij mej. v. F. vinden, al kan men ook van haar boek verzekeren, dat het ons meer leert tot verklaring van de schrift dan menig godgeleerd werk. Vrouwen letten veel meer dan mannen op zulke kleinigheden, die vaak van de hoogste waardij zijn voor het rechte verstand van de schrift.

1) Domestic life in Palestine, Londen, Bell and Daldy, tweede editie 1863, p. 92 en verv.

-ocr page 20-

EEN HEERLIJKE VERKLARING EN

Doch nu wij dezen sleutel hebben tot de gelijkenis, gaan wij nog een stap verder dan de schrijfster en zien in de drie gelijkenissen van het verloren schaap, den verloren penning en den verloren zoon, niet alleen een opklimming, gelijk zij die aanwijst, maar tevens een teekening van de roeping der gemeente tegenover het verlorene, die niet mag versmaad worden.

Mej. von Finkalstein toch zegt wel zeer juist: „hoe groot de betrekking van een herder op zijn schaap zij, van nog meer waarde is voor de brave gehuwde vrouw het liefdepand. .. terwijl boven hare waard-schatting weder de liefde eens vaders voor zijn zoon gaat;quot; — maar er ligt naar het mij voorkomt nog meer in.

In de gelijkenis van den herder herkent ieder geloo-vige het beeld van den Zoon Gods; in de gelijkenis van den verloren zoon het beeld des Vaders. Mij dunkt, indien aan den herder en aan den vader een bepaalde beteekenis moet worden toegekend, dan volgt daaruit van zelf, dat de gelijkenis van den penning niet begrepen is, tenzij ook het beeld der vrouw is verklaard.

Nu weten wij, dat de Heere Jezus gedurig zijne gemeente bij Zijn bruid of bij Zijn vrouw vergeleken heeft, ja zelfs in de gelijkenis van den onrechtvaardigen rechter bij eene weduwe, die, de bescherming van haren man missende, aan schandelijke behandeling is blootgesteld. Het ligt voor de hand ook hier, tusschen den herder en den vader in, aan de vrouw met hare halsketen van tien penningen zulk een beteekenis toe te kennen.

De christelijke gemeente heeft van haren echtgenoot een schoon sieraad ontvangen en zij mag daarvan niets laten verloren gaan.

Toch heeft zij er een schakel van verloren en hare

8

-ocr page 21-

EENE TROOSTELIJKE TOEPASSING.

schande is openbaar geworden. Is het zorgeloosheid, is het ruwheid, is het lichtzinnigheid, hoe het zij, zij mag niet rusten tot zij dat verlorene terug heeft.

Nu doorzoekt zij alle hoeken, keert het gansche huis met bezemen, tot zij het verlorene vindt. Wat anders kan dit beteekenen, dan dat men heel wat stof en ontuig en zonde moet trotseeren, om dien éénen penning, waarom het te doen is, te ontdekken.

Inderdaad, dat is ons werk hier eiken dag. Men vraagt ons dikwijls; „hebt gij veel zegen op uw arbeid?quot; Vaak moeten wij met schouderophalen antwoorden en erkennen, dat wij soms veel stof en ongerechtigheid zien op walmen en het ons soms toeschijnt, alsof wij nutteloos werk deden. Maar ieder, die zoekt, moet zich dat getroosten. Om dat stof is het ons niet te doen, maar wie zal zeggen, waar de penning ligt, die aan het halssnoer ontbreekt? Wie zal zeggen, hoe menigmaal de bezem vergeefs werkt, eer het edele geldstuk wordt gevonden? Zoeken is vervelend en langwijlig; men is telkens gereed het op te geven; men bedenkt de zonderlingste plekjes en de onwaarschijnlijkste mogelijkheden. Doch gewoonlijk vindt men het verlorene nog op een plaats, die het allerminst deed hopen, het daar juist te ontdekken. Aan verrassingen ontbreekt het nooit bij het zoeken, evenmin als aan teleurstellingen.

Dit geeft ons goeden moed voor de toekomst. Gods kinderen schuilen overal; Gods uitverkorenen zijn vaak onder een laag van stof in een verborgen hoek te vinden. Laat dus menigeen tot ons worden gebracht, van wie men niet de minste verwachting kan hebben; laat er menige ziel vergeefs tot ons komen; laat men zich telkens en telkens weer vergissen in het opsporen — het deert ons niet, om dien éénen penning, om dat

9

-ocr page 22-

EEN HEERLIJKE VERKLARING EN

ééne geldstuk, om dien éénen schakel in het halssnoer is het toch te doen en wij zoeken overal om die ééne ziel, en naar die ééne ziel, zonder te weten, waar zij zich verscholen houdt.

Zonder die ééne is de gansche keten niets waard in ons oog, want de goddelijke bruidegom eischt terecht, dat zijn huwelijksgave in haar geheel blijve.

Schande en smaad voor de christelijke gemeente, indien zij uit Gods uitverkorenen eenen enkelen zou missen. Hoe zal zij voor haren Heer verschijnen zonder sieraad of met een geschonden sieraad? Wat den stempel van Gods beeld draagt, wat het teeken is van Christus huwelijkstrouw, mag niet verloren gaan. Het moet gezocht, het koste wat het wil, ook door een eindeloos tal van teleurstellingen heen.

Doch aan de andere zijde: welk een voorrecht voer de christelijke gemeente, om in deze gelijkenissen te worden opgenomen als de derde in het drievoudig verbond tot redding van verlorenen.

De Eengeboren Zoon des Vaders, onder het beeld van den herder, de Vader zelf onder dat van een aard-schen vader — zij deelen hunne liefde met de Gemeente van Christus, die door den Heiligen Geest bezield het verlorene zoekt.

Zeer merkwaardig is het ook, dat juist de penning verloren ging door onachtzaamheid. Bij het schaap en bij den zoon kan men een verkeerden wil aannemen, maar bij den penning onmogelijk. Deze kan niet voor zich zeiven zorgen, deze kan niet verloren gaan door eigenzinnigheid, de oorzaak ligt altijd bij de vrouw, hetzij dan door schuldige of onwillekeurige achteloosheid. Helaas er zijn zoovele zondaars, die maar wegrollen in de zonde, doordat de gemeente des Heeren niet oplet.

Maar terwijl de gelijkenis van den penning in dit

IO

-ocr page 23-

EENE TROOSTELIJKE TOEPASSING. I i

opzicht verschilt van de twee andere, komt zij in één punt weer overeen met die van den goeden herder en staat daarentegen die van den verloren zoon weer op zich zelve.

De beide eerste gelijkenissen stellen het zoeken voorop, terwijl de vader niet zoekt, maar wacht tot zijn kind terugkeert. Zoeken is de taak des Zoons en ook de taak des Heiligen Geestes in Zijn gemeente; doch het goddelijk uitzien en wachten is de eigenaardige vorm van liefde bij den Vader.

Met één verschil nochtans. De Vader zoekt zijn jongsten zoon niet, maar Hij gaat wel uit om den Farizeeuwschen oudsten zoon te bewegen binnen te treden. Is dit niet beschamend ? Is het geen onvergefelijke zonde van de brave maar eigengerechtige lieden, dat zij den Vader dwingen tot hen te komen, om hun hoogmoed en liefdeloosheid te overwinnen?

Kan er ooit scherper en tevens aandoenlijker verwijt tot hen komen dan het woord: „Kind, gij zijt altijd bij mij.quot;

De oudste zoon keere tot zich zeiven in; hij eischt ten slotte nog meer geduld van zijn vader dan zijn verloren broeder.

-ocr page 24-

EEN SCHRIFTVERKLARING OP DE GESTICHTEN GELEERD.

„Vergeef ons onze schulden gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren,quot; is een bede, waar ik lang geen weg meê heb geweten. Een ontzettend woord door een diep gezonken vrouw gesproken, heeft er mij een oog op gegeven, zooals nimmer te voren. Wie eerlijk zijn meening uitspreekt, zal met mij erkennen, dat wij de bede stellig niet in dien vorm zouden hebben gegoten. Het klinkt ons vreemd in de ooren, tot God te zeggen: „vergeef Gij, gelijk ik vergeef.quot; Gewoonlijk bedenkt men er wat op en legt er eerst iets anders in, om het er dan weer uit te leggen. Zoo vat de een het op alsof er stond; „vergeef ons onze schulden, opdat ook wij onze schuldenaren vergeven.quot; Men is dan in eens gereed, maar vergeet dat men de zaak eenvoudig omdraait. De ander legt ze aldus uit: „vergeef ons onze schulden, want wij zijn, door Uwe genade, ook voornemens onzen schuldenaren te vergeven.quot; Heel fraai, maar dat staat er niet en het laat zich allerminst rijmen met de woorden .zooals zij bij Lukas {XI: 4) voorkomen: „want ook wij vergeven,quot; enz.

-ocr page 25-

EEN SCHRIFTVERKLARING ENZ.

Trouwens de woorden, die er in Matth. VI: 14, 15 op volgen, verbieden die uitleg-ging. Daar staat uitdrukkelijk, dat Gods vergeving afhangt van ons vergeven, m. a. w. dat wij geen vergiffenis kunnen ontvangen, wanneer wij niet beginnen met vergeving te schenken. Dit is bovendien geheel in overeenstemming met de woorden van Matth. V: 23, 24, waar de zaak wel omgekeerd is, maar toch ook de vergiffenis der menschen moet vooraf gaan aan de vergiffenis, die wij van God hopen te ontvangen.

Dit klinkt in onze Gereformeerde ooren zoo Roomsch, dat wij er niet aan willen, en hopelooze pogingen doen, om aan de beteekenis der woorden te ontkomen. „Hoe,quot; zegt menigeen in zijn hart, „wij zouden dan Gods genade moeten verdienen door genade te bewijzen? Wij zouden door onze vergevensgezindheid aanspraak hebben op Gods vergiffenis? Dat kan niet waar zijn en dus moet'er wat op gevonden worden.quot;

Doch dit is onze wijsheid boven Gods wijsheid plaatsen. Wij mogen des Heeren woorden niet plooien en wenden tot zij lijnrecht het tegendeel beduiden van hetgeen er staat. Dit is geen schriftverklaring maar schriftverdraaiing.

Maar wat dan ?

Allereerst de woorden aannemen, zooals zij er staan. De Heere Jezus weet het beter dan wij, maar Hij heeft ons niet in het duister gelaten en zelf een gelijkenis gegeven, die ons op den weg kan helpen. Ik bedoel de gelijkenis van den onbarmhartigen dienstknecht: Matth. 18: 21—35. Versta mij wel. Ik zeg niet, dat die gelijkenis volkomen past op onze bede, maar alleen dat zij ons helpen kan in onze verklaring. Die gelijkenis is veel gemakkelijker te begrijpen dan de bede. In die gelijkenis gaat alles geregeld; immers de

15

-ocr page 26-

EEN SCHRIFTVERKLARIXG

Koning vergeeft en uit dankbaarheid voor die vergeving moet de dienstknecht ook vergeven; doch daar hij dit niet doet, wordt de schuld hem weder aangerekend. Dit is volkomen helder. Maar wat daar vooraf gaat (namelijk Gods vergeving) komt in de bede: „Vergeef onsquot; enz. juist achteraan. De mensch vergeeft eerst en vraagt dan aan God: vergeef mij nu ook, gelijk ik vergeef. Daar zit de moeilijkheid.

Vaak had ik getracht dit te mogen verstaan, maar het was en bleef mij duister. Op Steenbeek heb ik er meer van geleerd dan de theologische handboeken mij duidelijk konden maken.

Nog heugt mij jaren geleden een vrouw, die bij haar aankomst met heete tranen haar schuld scheen te be-weenen, zoodat zij mij althans den indruk gaf van diep berouw, schoon wel wat hartstochtelijk. Zij had zich uit een slecht huis moeten loswringen, want men wilde haar niet laten gaan. In den aanvang ging het goed, maar van lieverlede kwam haar ware aard aan het licht. Driftig stoof zij op bij de minste aanmerkingen was een toonbeeld van de meest overdreven lichtgeraaktheid. Eindelijk durfde zij zoo onbeschaamd mogelijk een der christelijke vrouwen, welke uit liefde voor den Heere zich aan dezen arbeid wijden, toevoegen; „Ik kom althans eerder in de wereld terecht dan gij, want gij zijt hier ook, omdat gij niet beter kunt.quot; En vanwaar die woede ? Om niets, om een kleinigheid, der moeite niet waard te vertellen. Sedert heb ik bespeurd, dat bij de diepst gezonkenen lichtgeraaktheid een van de hoofdzonden is en ik heb er ontmoet, die moorden op het geweten hadden en jaren lang met alle geboden Gods den spot gedreven en wier kittel-oorigheid aan krankzinnigheid grensde.

Er ging mij een licht op. In zulke schelgekleurde

14

-ocr page 27-

OP DE GESTICHTEN GELEERD.

karakters kunnen wij als in een spiegel ons eigen beeld herkennen. Wat dezulken in het overdrevene toonen, ziet God wellicht in ons hart op ditzelfde oogen-blik en de slotsom, waartoe wij moeten komen, is deze: „de lichtgeraakte heeft geen berouw.quot;

Laat ons met deze gedachte gewapend èn de gelijkenis van Matth. 18 èn de bede: „Vergeef ons onze schuldenquot; enz. van nabij bezien.

In Matth. 18 vergelijkt de Heere Jezus onze schuld jegens God bij een som van 10000 talenten, dat is, als wij Hebreeuwsche talenten nemen, ongeveer 47 millioen gulden, of als wij Grieksch rekenen: 27 mil-lioen en de schuld van den naaste jegens ons bij 100 penningen, d. i. ongeveer 40 gulden. De reden van die groote tegenstelling in de cijfers is duidelijk. De Heiland wil zeggen, dat onze schuld bij God onnoemelijk groot is en er aan geen afdoen te denken valt, terwijl de schuld van den naaste daarbij in het niet verdwijnt.

Past men dit toe op de bede: „Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenarenquot; 200 blijkt daaruit het volgende: God verlangt allereerst, dat er waarachtig berouw zij. Hij vergeeft gaarne, mits de vergeving in oprechtheid en ootmoed gevraagd wordt. Maar waaruit zal nu blijken of er ootmoed is ? Hieruit, dat wij onze zonden groot achten. En waaruit zal blijken of wij dit doen ? Hieruit dat wij de zonden van den naaste jegens ons gering schatten. De vraag is, of wij de zaken zien gelijk zij zijn. Het is niet meer dan de eenvoudige waarheid, dat onze zonden millioenen en millioenen bedragen tegen een 4otal van onzen naaste jegens ons. Erkennen wij die waarheid ? Het is gemakkelijk om ze te erkennen als een leerstuk, en zich zeiven te noemen: arm, ellen-

15

-ocr page 28-

EEN SCHRIFT VERKLARING

dig, verdoemelijk, enz. enz. maar dat zijn klanken. De zaak wordt veel spoediger beslist langs een anderen weg, wanneer men nl. als tweede vraag stelt: op hoeveel rekent gij uw zonde jegens God, op hoeveel de zonde van den naaste jegens u ? Is uw berekening overeenkomstig het bovengenoemde, dan is het toch wel heel zonderling om /40 meer te achten dan 47 millioen. Wat zoudt gij oordeelen van den man, die 47 millioen te betalen heeft en met angstige oogen zijn boeken zit na te cijferen, maar die, op eens bespeurende, dat hij nog f \o heeft in te vorderen, van blijdschap opspringt ? Zijt gij dwaas — zullen allen hem toeroepen — wie krijgt het in het hoofd f 40 te gaan opeischen, als hij 47 millioen heeft te betalen!

Ik ga nog verder. Hoe zou ons oordeel zijn over den man, die tot zijn schuldeischer sprak: „scheld mij de 47 millioen kwijt, want ik ben ook zoo braaf: ik scheld wel y40 kwijt.quot; Zal niet ieder hem antwoorden : „dwaze mensch, durft gij daarvan nog een deugd maken, dat gij /40 kwijtscheldt, terwijl gij van 47 millioen kwitantie vraagt? Staan die twee gevallen gelijk?quot; Heel wat anders wordt het echter, wanneer de schuldenaar spreekt: scheldt mij die 47 millioen kwijt gelijk ik de f i\o kwijtscheld, dat wil zeggen: ik weet wel dat, naar mijn schuld gemeten, f 40 niets beteekent en der moeite niet waard is om over te denken, maar ik vraag slechts: doe gij met die ontzettende schuld, zooals ik met die kleine rekening doe, nl. ze vernietigen, er de pen doorhalen. Ik vraag niet, dat gij de gevallen gelijk stelt, maar ik vraag: geheele kwijtschelding, zonder akkoord, zonder er verder over te spreken, zooals men doet, als het kleine sommen geldt.

Wanneer wij dus deze bede tot God richten, dan is.

-ocr page 29-

OP DE GESTICHTEN GELEERD.

dit niet in Roomschen zin, alsof wij de genade verdienden, want hoe ter wereld kan iemand ooit door ƒ40 kwijt te schelden verdienen, dat hem 47 millioen kwijt gescholden wordt? Wel verre van te willen verdienen, zeggen zij dus veeleer: ik geef mij op genade over, ik kan alleen vragen: wees Gij in groote dingen zoo barmhartig, alsof het een kleinigheid betrof. Zijn wij evenwel lichtgeraakt, dan kunnen wij die bede niet bidden, want dan keeren wij de dingen om: dan is f 40 ons een onoverkomelijke som en 47 millioen niets hoegenaamd.

De bede is dus ontzaggelijk ernstig. Die haar bidt, velt over zich zeiven een streng oordeel; hij slaat zijn eigen zonden zoo hoog aan, dat al de rest daarbij in het niet verdwijnt. Hij laat alle gedachte van verdienen varen en haalt de schouders op, als gij er nog van spreekt.

Is dit zoo, dan is de vraag, of ons berouw echt of valsch is, spoedig beantwoord. Geen tranen, geen aandoeningen, geen diepe bevindingen bewijzen iets voor ons schuldgevoel, zoolang wij de zonde geheel anders berekenen dan de Heere Jezus, m. a. w. zoolang wij lichtgeraakt zijn.

„Dat is een heerlijk evangelie voor goedige men-schen,quot; zegt deze of gene wellicht bij zich zeiven. Inderdaad? Hebt gij wel eens iemand ontmoet, die van nature niet lichtgeraakt was? Ik nooit. Wij zijn het allen, zelfs de onverschilligste, het is maar de vraag op welke punten. Indien gij u sommige dingen niet aantrekt, die ik mij wel aantrek, omgekeerd is dit evenzeer het geval. Wij hebben in dezen elkaar niets te verwijten.

Doch hoe minder de zonde jegens God gevoeld is, hoe lichtgeraakter men' wordt en daarom is er

17

-ocr page 30-

18 EEN SCHRIFTVERKLARING ENZ.

niets vreemds in gelegen, wanneer bij een diep gevallene die lichtgeraaktheid zich het duidelijkst openbaart.

„Vergeef ons onze schuldenquot; enz., kan dus dan alleen in waarheid gebeden worden, wanneer de mensch zijn eigen zonden aanziet voor hetgeen zij zijn. Als God ziet, hoe gij anderer zonden beschouwt, dan weet Hij ook, hoe zwaar uw eigen zonden u wegen. Lichtgeraakt en berouwvol gaat nooit samen.

-ocr page 31-

NOG EEN SCHRIFTVERKLARING OP DE . GESTICHTEN GELEERD.

Twee texten uit Mattheus V en Mattheus VI worden door iedereen, die de Bergrede leest en goed leest, onwillekeurig tegenover elkaar gesteld en zoo goed of kwaad men vermag in overeenstemming gebracht.

Ik bedoel Mattheus V : 16: „Laat uw licht alzoo „schijnen voor de menschen, opdat zij uwe goede „werken mogen zien en uwen Vader, die in de hemelen „is verheerlijkenquot; ; en daartegenover Matth. VI : 3, 4: „als gij aalmoes doet, zoo laat uw linkerhand niet „weten wat uw rechter doet, opdat uw aalmoes in 't „verborgen zij.quot;

Hoe moet ik die twee rijmen? ,,0, zegt men, dat is doodeenvoudig; die twee texten strijden in het minst niet. In Matth. VI bedoelt de Heere Jezus, dat men met zijn goede werken niet te koop moet loopen, gelijk de Farizeën doen ; in Matth. V wil Hij, dat wij onze goede werken niet verborgen houden, en onze christelijke wandel overal een getuigenis aflegge van de genade Gods, die ons geschonken is. Met andere woorden: wij behoeven onze goede werken niet ver-

-ocr page 32-

NOG EEN SCHRIFTVERKLARING

borgen te houden, maar wij moeten ze zoo betrachten dat, niet wij, maar de Vader, die in de hemelen is, verheerlijkt worde.quot;

Dat klinkt heel fraai, maar het baat mij niet veel, als het op de praktijk aankomt. Hoe moet ik het nu met mijn aalmoezen aanleggen : behoor ik ze verborgen te houden of niet ? Moet ik ze in stilte geven, ja dan neen ?

„Zeer zeker,quot; antwoordt men, en ik stem het van harte toe. Maar ik beweer op mijn beurt, dat, als gij wezenlijk u aan dit woord houdt, de wereld er ook niets van bespeuren zal en gij het zelf onmogelijk maakt uwe goede werken te zien. Ik kan toch niet te gelijker tijd verholen houden en openbaren. In Matth. V zegt Christus uitdrukkelijk: „laat uw licht schijnen.quot; Nu zou ik wel eens willen weten, hoe men een lamp kan aansteken, zoodat iedereen het schijnsel ziet en toch die lamp zoo bedekken, dat het licht verborgen blijft.

Men versta mij wel. Jezus zegt: gij moet het er op aanleggen, dat men uwe goede werken ziet en zelfs begeert Hij, dat men er mee doe als met een kaars, die men opzettelijk op een kandelaar plaatst, doch in Matth. VI zegt Hij : „gij moet het er op aanleggen, dat men uwe goede werken niet ziet.quot;

Ik heb er veel boeken op nagelezen, maar geen schijnt die moeilijkheid goed te voelen, of een poging te doen ze op te lossen. Op de gestichten leerde ik beide texten eerst in hun volle waarheid erkennen, ja ik bespeurde, dat men beide zaken welbewust in het oog moet houden, zal de eere Gods daaruit voortkomen. Hoe meer de Christen zijn werken opzettelijk verbergt, hoe meer hij opzettelijk het licht doet stralen. Omgekeerd; hoe meer hij in het openbaar het licht

20

-ocr page 33-

OP DE GESTICHTEN GELEERD. 2 1

aansteekt en doet schijnen, hoe gemakkelijker het wordt, in stilte te doen wat zijn hand vindt om te doen.

Dit schijnt vreemd en toch is het eenvoudig-.

De eerste text Matth. V: 16 is tot de Christelijke gemeente, de tweede text tot ieder geloovige in het bijzonder gesproken. Dit is duidelijk uit Matth. V: 14: „gij zijt het licht der wereld; een stad boven op een berg liggende kan niet verborgen zijn.quot;

Wij moeten dus alles doen, wat wij kunnen, om de gemeente groot en heerlijk te maken; het hemelsche Jeruzalem, dat van boven is, moet hoog opgebouwd worden; het geestelijke Sion behoort niet maar van zelf uit de aarde te verrijzen, maar behoort als een tempel Gods door geregelden arbeid steeds verhevener te stralen.

Ieder moet het zien, dat deze stad bestaat, dat zij zich uitbreidt, dat zij op een berg hoog boven de wereld is gegrondvest. Wij behooren haar alle eere te geven, alle sieraden daaraan toe te voegen, die in onze macht staan. Doch wat is het middel daartoe ? Dat elk in de meest mogelijke stilte doet, wat de Heere God hem oplegt.

Zie dit leert men op de gestichten in stoffelijken en in geestelijken zin.

Stoffelijk. Als een vreemdeling bij ons komt en hij wandelt de gestichten rond, dan zal het hem wel nimmer in het hoofd komen, den directeur er op aan te zien, wanneer overal de muren en de vloeren helder wit zijn, want hij weet, dat ik daar nooit een hand naar uitsteek. Hij begrijpt ook, dat niet één, maar een aantal handen daaraan arbeiden; hij beseft voorts, dat wanneer niet in stilte door elke verpleegde gewerkt wordt, het geheel zulk een oog niet hebben zou. Zul-

-ocr page 34-

NOG EEN SCHRIFTVERKLARING

len de kannen en het vaatwerk, zullen de kleederen en de bedden er helder uitzien, zoo moeten allen opzettelijk meewerken om het zulk een uiterlijk te geven. Wanneer echter ieder liep te pronken met zijn werk, zag het geheel er zeker ellendig uit. Daarom hoe meer elk met opzet zijn aandeel in het werk verbergt, hoe meer hij opzettelijk het geheel kan doen stralen.

Welnu men gevoelt zeer goed, dat dit van niemand afhangt, maar van den geest van orde en netheid die allen beheerscht.

Geestelijk. Wij wezen er vroeger reeds op, dat wij hier niets kunnen uitrichten zonder geschikte christelijke harten en handen, die ons bijstaan. Of hier zielen zullen gered worden, hangt voor een zeer groot deel af van de vraag of de Heilige Geest allen, die ons ter zijde staan, leert,' leidt, vermaant en bekrachtigt. Ik wenschte wel eens sommigen eenigen tijd naast mij te zien, om te bespeuren, hoe weinig men eigenlijk doen kan, wanneer men aan het hoofd van inrichtingen staat en hoe veel juist die naast ons arbeiden van beteeke-nis zijn. Wanneer dezen in stilte arbeiden, zal het geheel te meer aan zijn doel beantwoorden.

Leert men dit in het klein alzoo inzien, des te rijker van beteekenis worden beide texten, wanneer men die op de geheele gemeente toepast.

Geheel de gemeente moet één stad zijn. Welnu, indien wij in een vreemde stad kwamen, waar wij niemand kenden en wij zagen alle straten schoon en rein; alle huizen keurig net, zelfs in de achterbuurten geen woning vervallen; geen kleeding haveloos; geen kroegen om de 10 huizen; geen rumoer over straat of bij het voorbij wandelen in de school, zoo zouden wij aanstonds weten: hier doet elk in stilte zijn plich':. Het kan niet anders of de overheid, de geestelijken.

22

-ocr page 35-

OP DE GESTICHTEN GELEERD.

de onderwijzers, de huisvaders, de huismoeders doen hier in het verborgen wat hun hand vindt om te doen, want anders zou dit stadje er zoo net niet uitzien. Liepen allen uit bij onzen doortocht, wij zouden juist den tegenovergestelden indruk krijgen.

Zoo behoort de gemeente te zijn. Alles moet ter eere Gods geschieden en daarom behoort alles in stilte te gebeuren en daardoor juist in het openbaar. Helaas, dat het zoo vaak andersom gaat!

2 3

-ocr page 36-

HET KONINKRIJK DER HEMELEN EN DE MAMMON.

Voor onze gestichten is het een belangrijke vraag: hoe wij te oordeelen hebben over het geld en de beteekenis, die het hebben moet voor den Christen. Ik zeg; voor onze gestichten, omdat er in de besturen der gestichten naast verscheidenen, die geen geld hebben, ook anderen zijn, die er lang niet van misdeeld zijn en over het geheel Heldring vele aanzienlijken in den lande geleerd heeft, hun tijd en hun geld aan de gestichten ten offer te brengen. De giften en contributies, die wij jaarlijks ontvangen, komen van alle zijden; het penningske der weduwe is er, Gode zij dank, even goed te vinden als de groote giften van rijker met aardsche goederen bedeelden en indien de laatsten stoffelijk voordeel aanbrengen, aan het eerste is een zegen verbonden, dien wij aan de laatsten niet mogen toekennen. Geen rijke kan geven wat een arme geeft, om de eenvoudige reden, dat hij niet van zijn armoede geeft en hij niet veel meer doet, dan misschien eenig genot opofferen.

Daarom heeft iedere rijke en aanzienlijke allereerst te bedenken, dat hij met diepen ootmoed behoort te

-ocr page 37-

HET KONINKRIJK DER HEMELEN ENZ. 25

geven en hij dan eerst een zegen op zijn gaven mag afsmeeken, wanneer hij afstand doet van de gedachte: „ik doe het koninkrijk Gods een dienst.quot; — Neen: het koninkrijk Gods, doet u, rijken, een dienst, door u de gelegenheid te geven uw geld den Heere te lee-nen. De zaak staat niet alzoo, dat men zou mogen zeggen: het is een eer voor het koninkrijk Gods, dat ik er aan mee doe, maar veeleer: het is een eer voor mij, dat ik aan het koninkrijk Gods mag meewerken. Dat de Heere God de groote giften van rijker bedeelden wil aannemen, is een gunst aan hen bewezen, want wij weten, dat de penningskens der weduwen Hem veel aangenamer zijn.

Wordt dit blijmoedig en dankbaar erkend, dan kunnen wij verder gaan.

Immers, er is bij velen in de Christelijke Kerk een zonderlinge beschouwing van den Mammon. Men schippert en plooit zoowat met de woorden in Matth. VI : 19—21 en tracht er den zin uit weg- te nemen, omdat men de bedoeling des Heeren niet verstaat in verband met Zijne andere uitspraken.

Christus heeft het geld den onrechtvaardigen Mammon genoemd en blijft dat steeds zoo noemen. Toch heeft Hij nooit den rijkdom als zoodanig afgekeurd. Hij nam het geld aan van aanzienlijke vrouwen (Lukas 8:3); Hij ging bij Martha en Maria aan huis, die stellig niet arm waren, want Maria kon f 120 betalen voor een flesch zalf; Hij zelf had een rentmeester aangesteld in Judas, die dus bewaarde, wat er in kwam en uitgaf, wat er gegeven moest worden; Hij droeg een kostbaren mantel en keurde de aanmerkingen af, die op Maria vielen, toen zij die kostbare olie over Zijn hoofd uitgoot; Hij ging aan tafel bij aanzienlijken, al sprak Hij daar woorden, die zeker niet altijd

-ocr page 38-

HET KONINKRIJK DER HEMELEN

naar hun zin mochten heeten (Lukas 14 : 12—14).

Wat bedoelt de Heere dus?

Geld is en blijft onrechtvaardig-; want als alles uit liefde gedaan werd, zooals in het koninkrijk Gods, zou geld een onding zijn. Iedere cent, dien men uitgeeft is een bewijs, dat het koninkrijk Gods op aarde niet voltooid kan worden en' slechts als flauw begin aanwezig is. Een oogenblik heeft het koninkrijk Gods bestaan, nl. in den eersten christentijd, doch wij weten, hoe Ananias en Safiira het toen schandelijk en voor goed bedorven hebben, doordat zij den schijn in plaats van de waarheid gingen stellen en het vertrouwen onmogelijk maakten.

Juist deze gebeurtenis doet ons echter de zaak helder inzien en geeft ons den sleutel in de hand, om al die uitspraken over het geld goed te verstaan. Ananias was vrij om te doen, wat hij goedvond. Niemand had het hem kwalijk genomen, als hij gezegd had: „ziedaar, ik heb mijn akker voor _/200 verkocht, / 100 houd ik voor mij en /100 geef ik u.quot; Het beginsel der liefde was dan zuiver gebleven, hij had uit christelijke liefde en met een eenvoudig hart gegeven, niemand zou gezegd hebben: gij hadt wel meer kunnen doen, doch hij zou tevens hebben gevoeld, dat zijn daad juist zooveel beteekende, als de christelijke liefde in zijn hart waard was. Doch nu stelde hij den schijn voorop en daardoor was zijn gift een wettische daad, onzuiver, berekenend, onwaar, en miste zij den stempel des Heiligen Geestes. Een beker koud water uit christelijke liefde gegeven, heeft meer te beduiden dan al zijn goed aan de armen te geven (1 Corinthen 13 = 3)-

Wat begeert de Heere dus? Dat wij ons geld zullen wegwerpen? Dat wij monniken zullen worden?

26

-ocr page 39-

EN DE MAMMON.

Dat wij Franciscus van Assisi zullen navolgen, die de vrijwillige armoede predikte? Dat wij onszelven een dwang zullen opleggen en anderen eveneens?

Volstrekt niet. Dat is alles Wet en geen Evangelie. Maar dit begeert Hij, dat wij letterlijk zullen opvatten het woord: „gij zult uwen naaste liefhebben als tt zeiven.quot; Doe ik dat ? Helaas neen; ik erken eerlijk, dat ik veel meer van mijzelven houd dan van mijn naaste.

Wat zal ik nu doen? Moet ik mij nu aanstellen, alsof ik van mijn naaste evenveel hield? Moet ik mij nu verbeelden, dat, als ik alles weggaf, de volmaakte liefde in het hart zou bestaan? In geenen deele. Veeleer dit: die waarachtig liefheeft, ziet niet op geld, denkt niet aan geld, maar daarom is het omgekeerde nog niet waar; daarom kan men nog niet zeggen: wie om geen geld denkt, heeft waarachtig lief.

Indien ik nu overtuigd wil zijn, da,n zal ik dagelijks in de schuld vallen en gedurig zal mij duidelijker worden, dat ik verre, zeer verre sta van dat leven Gods, hetwelk louter liefde is. Ja het kan gebeuren, dat juist het geld, dat ik geef, mij tot beschaming wordt, wanneer het niet gul, met blijdschap, in den Heiligen Geest, gegeven wordt. God wil niet het geld, maar het hart, en indien het hart er is, zal het geld wel komen; indien het hart er niet is, kan al het geld dat men geeft, dit niet maken.

De geloovige en ootmoedige Christen zal dus dan alleen zich tegenover het geld zuiver gevoelen, wanneer hij de hoofdzaak in het oog houdt: gij zult liefhebben. Dat liefhebben is niet aan geld alleen verbonden, maar aan allerlei zaken. Zeker is het evenwel, dat de rijke zijne liefde nooit openbaren kan in de hoeveelheid zijner gaven, want al geeft hij nog zooveel, hij geeft altijd minder dan de weduwe.

27

-ocr page 40-

HET KONINKRIJK DER HEMELEN

Maar de Heere Jezus heeft de rijke Alaria geprezen om hare kostbare olie en heeft haar zelfs verheven boven Martha, toen deze veel deed en veel gaf, terwijl Maria alleen zat te luisteren naar zijn woord, doch niets voor Hem deed en niets aan Hem gaf.

Wanneer dus iemand vraagt: hoeveel moet ik geven ? Dan is het antwoord: zoekt gij het in het geven, in het volbrengen van een plicht, dan is het eenige antwoord: alles, gelijk bij den rijken jongeling.

Vraagt hij: hoe moet ik zijn? Dan is het antwoord: gij behoort lief te hebben en dan zal al wat gij doet, den stempel daarvan dragen.

„Maar ik heb niet lief, zooals ik Hem moest liefhebben, die mij zoo uitnemend heeft liefgehad.quot; Zeker, en daarom zult gij steeds toenemen in ootmoed, in kleinheid, in zelfkennis, en lederen keer, dat gij bespeurt, hoe Gods Heilige Geest in u een beginsel der eeuwige liefde legt, en u tot een daad van waarachtige liefde beweegt, zal het u niet verheffen, maar verootmoedigen, in de schuld doen vallen en doen smeeken om genade.

Is hiermede het onderwerp uitgeput?

In geenen deele.

Wij zullen een volgende maal spreken over Lukas 16 : i —14, waaruit voor rijk en arm heel wat te leeren valt.

Dit staat intusschen vast: men behoort zich klein te gevoelen, om des Heeren woorden recht te verstaan.

Zoo deden de apostelen, die arm waren, in Markus 10 : 26—28. Zij voelden dat, als de rijke niet zalig kon worden, zij evenmin reden hadden om gerust te zijn, en toen Petrus vraagde, of hij nu op den rechten weg was, daar hij alles verlaten had, zei de Heere met andere woorden: gij behoeft aan dat verlaten zooveel waarde niet te hechten, want gij zult er vol-

28

-ocr page 41-

EN DE MAMMON.

strekt niet bij te kort komen, maar bedenk wel, dat de eerste nog- wel eens de laatste kan worden, wanneer hij het waarachtige beginsel niet gevat heeft.

Petrus had weinig reden, om op die woorden trotsch te zijn, en de armen, die dit lezen, evenmin.

29

-ocr page 42-

DE ONRECHTVAARDIGE RENTMEESTER.

In Lukas 16 : i —14 geeft de Heere Jezus een les die velen verkeerd verstaan, omdat zij het woord: „onrechtvaardige Mammonquot; niet begrijpen.

Eerst moeten wij weten, wat dit woord beduidt; dan kunnen wij verder gaan. Er staat eigenlijk; Mammon der ongerechtigheid, en de rentmeester heet ook: een rentmeester der ongerechtigheid, evenals in Lukas 18:6 de rechter, daar bedoeld, een rechter der ongerechtigheid genoemd wordt. Daarmede bedoelt de Heere niet, dat die rentmeester oneerlijk handelt, of dat alle geld oneerlijk verkregen is. De beteekenis is veel dieper.

Er is tweeërlei gerechtigheid: de gerechtigheid Gods, die in het koninkrijk der hemelen wordt gehuldigd en de gerechtigheid dezer wereld. Nu kan een en dezelfde zaak, naar de wereldsche gerechtigheid gerekend, volkomen zuiver en eerlijk zijn en toch naar Gods gerechtigheid gemeten: onzuiver, ongerechtig. Wanneer ik alleen de wereldsche gerechtigheid ken, dan is he: hoogste, waartoe ik komen kan, recht doen, met gelijke munt betalen en daarom is de leer; oog om oog en tand om tand, volkomen billijk. Slaat gij mij een tand

-ocr page 43-

DE ONRECHTVAARDIGE RENTMEESTER. 31

uit, zoo hebt gij niets te klagen, als ik het u doe. Gij krijgt dan uw loon.

Maar naar Gods gerechtigheid gerekend is dit onrecht. Men zou dus het woord onrechtvaardig kunnen opvatten als wereldsch. Lees Lukas 18 : 6 in dier voege en gij ziet, dat die woorden er veel duidelijker door worden ; daar zegt dan de Heere: „hoort, wat de wereldsche rechter zegt.quot; Hij is een wereldsch man, hij vraagt alleen naar zijn eigen gemak en genoegen en al doet hij ten slotte recht, hij blijft door en door wereldsch, want de reden waarom hij de weduwe helpt is uitsluitend: opdat zij hem niet het hoofd breke. Hij is dus geen „onrechtvaardigequot; rechter in den gewonen zin, want hij doet recht; maar hij is een „rechter der ongerechtigheidquot;; en hij blijft dit, omdat hij naar Gods gerechtigheid niet vraagt. Hij doet dus goed, maar hij blijft even slecht als te voren. Als er morgen weer zoo iets voorkomt, zal hij eveneens doen: ziet hij er voordeel in om goed te doen, dan doet hij goed; maar zoo niet, dan laat hij het. Dat is door en door wereldsch, aardsch, gewoon, natuurlijk. Men zou dus kunnen zeggen : deze rechter deed recht maar ivas slecht; want hij deed recht tut een zondig hart.

Is dit duidelijk, dan begrijpen wij de uitdrukkingen: Mammon der ongerechtigheid en rentmeester der ongerechtigheid beter. Men kan ze omzetten met de woorden: „de natuurlijke, wereldsche Mammonquot; en: „de natuurlijke, wereldsche rentmeester.quot; Dat geld en die rentmeester behooren thuis in deze natuurlijke, wereldsche toestanden, waarin wij nu eenmaal door de zonde leven en die wij moeten dragen.

Laat ons thans nog een ander punt verklaren. Een rentmeester bij ons en een rentmeester in het Oosten verschillen hemelsbreed. Bij ons krijgt een rentmeester

-ocr page 44-

32 DE ONRECHTVAARDIGE RENTMEESTER.

óf een vast salaris óf een zeker aantal percenten. Hij is dus in alles gebonden.

In het Oosten ging- het anders. Daar liet men een rentmeester volkomen vrij. Hij mocht met zijns meesters goed handelen, alsof het zijn eigen goed ware; mits hij zorgde altijd geld in kas te hebben, was zijn heer tevreden. Wij vinden daarvan voorbeelden genoeg in de Oostersche verhalen, die tot ons zijn gekomen. In den Bijbel hebben wij er twee voorbeelden van, maar daar zijn het koningen, die zulk een eersten dienaar aanstellen en naar hartelust laten regeeren. Jozef is de eene, Haman de andere. Jozef vraagt nooit naar des konings goedvinden, maar regeert, alsof hij de koning in eigen persoon ware. Haman krijgt den zegelring van Ahas-véros en neemt besluiten van zeer gewichtigen aard, waarbij duizenden menschenlevens gemoeid zijn, zonder dat de koning er iets van weet. Zulk een manier van doen is ons geheel vreemd. Doch de zwarte kant van die vrijheid is in Haman's geschiedenis duidelijk genoeg. Zoodra de koning er achter komt, dat Haman misbruik maakt van zijn rechten, laat hij hem terstond, zonder verder onderzoek, ophangen. Een rentmeester van een koning had dus een gevaarlijken post, ieder oogenblik kon hij zonder eenige aanleiding worden afgezet en ter dood gebracht. Het zwaard hing aan een draad boven zijn hoofd en zijn vrijheid was dus alles behalve begeerlijk. Een rijk heer had natuurlijk zulke groote rechten niet, maar het is al erg genoeg, als men het ruim gewend is. op stel en sprong in de diepste armoede gedompeld te worden.

Zie nu de gelijkenis aan en zij is niet duister meer. De rentmeester is een echt wereldsch man, die aan niemand denkt dan aan zichzelven. Hij zorgt voor zijn eigen genot en denkt aan geen verplichting. Hij is

-ocr page 45-

DE ONRECHTVAARDIGE RENTMEESTER.

geen dief, want hij neemt niets, dan wat hij nemen mag en hij denkt er niet aan, iets van zijn heer mee te nemen. Maar hij handelt als een natuurlijk mensch, hij rekent naar zich toe zooveel hij kan.

In zijn natuurlijke wijsheid blijft hij echter strikt eerlijk. Graven wil hij niet, te bedelen schaamt hij zich; welnu, zoo zal hij vrienden maken met het geld zijns heeren. Zoolang hij rentmeester is, mag hij doen wat hij wil. Daarom geeft hij al den pachters van zijn heer afslag, hij maakt daar geen geheim van, zijn heer ziet het dadelijk en roemt zijn slimheid, waar hij niets tegen zeggen kan, al lijdt hij er schade door. Doch een rijk man als hij kan daar wel tegen en zooveel kan het hem ook niet verschelen.

Ziedaar de gelijkenis. En nu de toepassing. Juist zooals deze rentmeester is een ieder, die geld heeft: God is zijn heer en meester, die hem alles in handen laat. God heeft niemand eenigen regel gesteld aangaande zijn manier van met geld om te gaan. Wij zijn zoo vrij daarin, als Jozef bij Farao, of Haman bij Ahasvéros. Doch daar staat tegenover, dat wij elk oogenhlik kunnen worden afgezet, wanneer onze Heer het goedvindt. Wij hebben niets in deze wereld gebracht, wij kunnen daar ook niets uit meenemen. Doch des te gewichtiger is alle bezit, want alles wat wij hebben is Gods eigendom ; Hij en Hij alleen is de bezitter en wij zijn niets anders dan beheerders van hetgeen Hem geliefd heeft ons toe te vertrouwen. Dit behoort ieder te bedenken, dien God over Zijne goederen heeft gesteld.

Doch welk een verschil nu tusschen de kinderen der wereld en de kinderen Gods. Deze rentmeester, een echt kind dezer wereld, is slim genoeg, om als hij weet: ik word afgezet! nog bij tijds te zorgen, dat

-ocr page 46-

DE ONRECHTVAARDIGE RENTMEESTER.

hij vrienden maakt met het geld zijns heeren, en hoe menig kind Gods vergeet dit. Terwijl God hem geld en goed heeft toevertrouwd en hij dus in de gelegenheid is met Gods geld zegeningen te verspreiden, het koninkrijk Gods te helpen stichten, de gemeente Gods te helpen bouwen, gebruikt hij het alleen om het te verteren, of tot zijn eigen genoegen te besteden.

De Heere Jezus waarschuwt dezulken. „Maakt u vrienden, zegt Hij, uit den wereldschen Mammon, opdat, wanneer hij ti begeeft, (zoo schijnt mij de juiste vertaling te zijn), zij u mogen ontvangen in de eeuwige tabernakelen.quot; De wereldsche Mammon, die in deze ongerechtige wereld vol zonde thuis hoort, kan en moet gebruikt worden voor het Koninkrijk Gods. Al is dat geld wereldsch, aardsch, natuurlijk, men kan er niet buiten, maar toch kan dat geld met een veel hooger doel, met een veel heerlijker bestemming worden gebruikt dan het genot dezer aarde. Zelfs die wereldsche rentmeester gebruikt het geld zijns heeren om een doel na te jagen, dat verder reikt dan zijn rentmeesterschap. Zoo ook kan de geloovige dien mammon gebruiken, voor een doel, dat verder reikt dan die wereldsche belangen.

Daarom laat de Heere er ook op volgen: „zoo gij in den onrechtvaardigen mammon niet getrouw zijt geweest, wie zal u het ware vertrouwen,quot; een woord dat volkomen onverklaarbaar is, wanneer men „onrechtvaardigquot; verstaat als »goddeloos, oneerlijk, bedriege-lijk.quot; Zeer duidelijk wordt het als men daaronder verstaat: „den wereldschen, aardschen, natuurlijken mammon,quot; zonder welken men nu eenmaal in dit koninkrijk der wereld niet leven kan. Getrouw zijn in „gestolenquot; geld is onzin, maar getrouw zijn in het »wereldschequot; geld — dat geeft een verstaanbaren zin.

-ocr page 47-

DE ONRECHTVAARDIGE RENTMEESTER. 35

Daaraan sluit zich dan ook het woord: »wie zal u het ware vertrouwen?quot; De mammon is »het onware,quot; want geld hoort thuis in deze onware, zondig-e bedeeling, waar niets uit zuivere liefde geschiedt en het hoogste wat men bereiken kan is: billijk te zijn. „Het warequot; is de Hemelsche bedeeling van het Koninkrijk Gods, waar alles uit liefde geschiedt en het geld dus niet meer noodig is. Doch juist dat aardsche, wereld--sche geld is een kostelijk middel om de kinderen Gods aan te beproeven. Dat geld is hun goed niet, het is „eens anders goedquot; namelijk Gods eigendom en nu geeft God dit aan wien Hij verkiest, doch opdat zij, die het ontvangen, als Zijn rentmeesters zouden handelen. Daarom volgt er ook: »indien gij in eens anders goed niet getrouw zijt geweest, wie zal u het uwe geven ?quot; dat is: indien gij niet begrepen hebt, dat al uw goed Gods goed was, indien gij het niet beheert als Zijn goed, dan zult gij nooit ■eigendom bezitten, want gij weet het niet te gebruiken tot Gods eer.

, De toepassing van dezen text is dus ontzaggelijk ernstig. God stelt rentmeesters aan; Hij bepaalt niets; Hij zegt niet hoeveel Zijn rentmeesters mogen verteren ; Hij laat hun de volle verantwoording, maar Hij is en blijft eigenaar, en daarom, weet wel wat gij doet, gij die een kind Gods meent te zijn, want als gij in het minste, dat is in dit wereldsche geld, niet eens trouw kunt zijn, hoe zult gij in het Koninkrijk Gods de eeuwige schatten der liefde weten te behee-ren, die de Koning eenmaal aan Zijne dienaren in vollen eigendom wenscht te geven.

Luther wandelde eens met zijn vriend Dr. Jonas in een nabij gelegen dorp, waar vele armen waren. Dr. Jonas begon onder de armen geld uit te deelen en

-ocr page 48-

36 DE ONRECHTVAARDIGE RENTMEESTER.

zei zoo voor zich henen: „ik hoop dat God er mij voor loonen zal.quot; Luther begon hartelijk te lachen en riep uit: „wel nu nog fraaier; gij deelt uit Gods beurs uit en wilt nog een belooning toe hebben, omdat gij zoo mild zijt met eens andermans geld. Gij moest er God liever voor danken, dat gij over Zijn goed moogt beschikken.quot;

Zeer juist gezien. Hoe kan ooit een rentmeester zich zeiven prijzen, omdat hij mild is van zijns heeren goed. Wie meent, dat zijn giften goede werken zijn, waardoor hij den hemel kan verdienen, vergeet geheel wiens eigendom hij beheert.

Wel verre van trotsch te worden op zijn geld en op zijn giften, zal de geloovige met diepen ootmoed de zware verantwoording dragen van eiken cent, dien hij bezit en den Heere bidden; leer mij Uw goed en geld als een trouw rentmeester beheeren.

-ocr page 49-

LAZARUS EN DE RIJKE MAN.

Gaarne beroept zich de Socialist op de gelijkenis van Lazarus en den Rijken man. Het schijnt trouwens ook wel, bij oppervlakkige lezing, dat die gelijkenis onverholen predikt, hoe hiernamaals alles juist andersom zal zijn dan op aarde. Hier is de arme, daar de rijke uitgestooten, en bovendien schijnt de gelijkenis een verheerlijking van de armoede, want Lazarus wordt niet anders dan als arme en omdat hij arm was in Abrahams schoot opgenomen.

Bij nauwkeuriger beschouwing zien wij, dat hiervan geen woord waar is.

Zonder twijfel, deze gelijkenis is allesbehalve naar den trant van vele bekrompen christenen, die altijd een toelichtende verklaring noodig achten bij elk woord, dat zij spreken. Indien dezen de gelijkenis hadden gemaakt, zij zouden er terdege voor gezorgd hebben, dat men hen niet misverstond en zij hadden gewis eerst goed doen uitkomen, dat Lazarus een kind Gods was en derhalve als zoodanig volkomen besefte, niet door zijn armoede, maar alleen door genade zalig te zullen worden.

De Heere Jezus zou waarschijnlijk na het uitspreken

-ocr page 50-

LAZARUS EN DE RIJKE MAN.

dier gelijkenis wel een aanmerking of althans een vraag van hunne zijde hebben moeten hooren en zij hadden gewis geoordeeld, dat de voorstelling door Hem gegeven voor het minst hoogst gevaarlijk moest heeten en den ontevredenen een wapen in de hand gaf.

Wij hebben echter met deze bekrompen lieden niet te maken en buigen ons eerbiedig voor des Heeren wijsheid, wel wetende dat Hij het beter weet dan wij. Hij is zoo bevreesd niet om misverstaan te worden en heeft niet van noode, dat waanwijze christenen Zijn woorden komen verbeteren.

Trouwens, de Heere Jezus heeft in Zijn gelijkenissen op goede hoorders gerekend, die hoorende hooren en ook verstaan, maar van de ongehoorzamen zegt Hij, dat hun hart dik is geworden en Hij oordeelt, dat zij Zijn woorden toch niet verstaan, al maakt men het hun zoo helder als de dag. Die bekrompen christenen, welke ik bedoelde, behoorden ook hun eigen wijsheid eens af te leeren en te bidden om de voorlichting des H. G., dan zouden zij niet in het hoofd krijgen des Heeren redenen te willen verbeteren.

Wanneer ik de gelijkenis nauwkeurig lees, wat verneem ik dan?

Hier zit een rijke man, die geen oog hoegenaamd heeft voor de ellende van dien arme aan zijn poort en wiens eenigste bestaan is alle dagen vroolijk en prachtig te leven. Hij heeft zijn goed in dit leven en als dit leven- uit is, heeft hij niets meer, zijn ziel is geheel ledig. Neem hem zijn geld, zijn goud, zijn huis, zijn kleeding, zijn tafelvrienden af — en hij houdt niets over. Zijn alle rijken zoo ? Neen, hoe gevaarlijk de rijkdom zijn moge, de Heere Jezus heeft er voor gezorgd, dat wij billijk zouden oordeelen en Hij maakt het zoo duidelijk als men verlangen kan. In den hemel

38

-ocr page 51-

LAZARUS EN DE RIJKE MAN.

is ook een rijke man, de schatrijke Abraham, die daar niet vroolijk en prachtig, maar voor eeuwig blijde en in de volle heerlijkheid zit aan den hemelschen maaltijd. De tegenstelling is zoo kras mogelijk. Maar Abraham was rijk in God, en had zijn goed niet gehad in deze wereld, hij zocht een toekomende.

Buiten de poort ligt Lazarus en begeert verzadigd te worden met de kruimkens, die van de tafel des rijken vielen. Met dien eenen trek wordt zijn geheele bestaan geteekend. Zoo doet de Heere Jezus vaak. Als Hij de ellende van den verloren zoon schetst, vat Hij alles samen in dit weinige; hij begeerde zijn buik te vullen met den draf, dien de zwijnen aten. Als Hij straks de vreeselijke smart der hel beschrijft, is alles gezegd in dit weinige: de rijke man begeerde één druppel water, nog minder dus dan Lazarus. Welnu, ik vraag wederom: zijn alle armen zooals Lazarus? Deze mensch is gespeend aan alle jaloezie. Waar is de arme, die niet jaloersch is, die zich tevreden stelt met den afval des rijken? Hoe rijk moet die man vanbinnen zijn, om zoo hoog te staan! Kan men zoo hoog staan zonder geoefend te zijn en even als Paulus te zeggen: „ik heb geleerd vergenoegd te zijn in hetgeen ik ben.quot; Bovendien: hij heeft de Engelen tot vrienden en wie zij zijn, over wie de Engelen zich verheugen, weten wij genoeg uit de gelijkenissen van het verloren schaap en den verloren penning. In die weinige woorden is genoeg gezegd.. Lazarus behoeft niet luide te roepen, dat hij zijn schat in den hemel heeft, zijn geheele bestaan predikt dit. Veilig mogen wij verzekeren, dat elke arme, die zoo alle jaloezie heeft afgelegd en overwonnen, een kind Gods moet zijn. Of zou hij een hooghartige Stoïcijn zijn, die zich door zijn geestkracht weet te verheffen boven het

39

-ocr page 52-

LAZARUS EN DE RIJKE MAN.

leed en zich verlustigt in zijn hoogmoed? Ook die gedachte is uitgesloten: hij lijdt geen gebrek voor zijn genoegen, hij houdt zich niet groot, maar is eenvoudig en nederig genoeg om de kruimkens te begee-ren. Het Evangelie maakt geen hoogmoedige Stoïcijnen tot heiligen. Paulus voor Agrippa zegt ook: ik wenschte wel, dat allen waren gelijk ik ben, of m. a. w. gij moogt wel jaloersch zijn van mij, maar hij voegt er aan toe: „uitgenomen deze banden.quot; Ik gun u mijn schat, maar ik gun u de ketenen niet, waarmede ik beladen ben en als ik ze kan afleggen, zal ik ze niet langer dragen dan noodig is.

Met dat al: mag de les, die Lazarus geeft, voor den arme een hoog ernstige zijn, als hij zich afvraagt: ben ik zoo? niet minder is de vermaning tot alle rijken gericht van ontzettende beteekenis. De vloek van den rijkdom is, dat men dagelijks de ellende kan zien en er nooit over nadenken. Ik hoorde eens van een schatrijke dame, die in haar zondige onnoozelheid zich niet kon voorstellen, dat er wezenlijk menschen waren, die geen honderd gulden in huis hadden! Welk een oordeel velt zulk een ziel over zich zelve! Hoe leeg moet het van binnen zijn, als men zoo weinig de wereld kent! Wie geen hart heeft, merkt niets van al wat hem omringt; wie eenig hart heeft, vindt gedurig allerlei nooden op zijn levensweg; wie geleerd heeft waarlijk lief te hebben, ziet geen einde aan al de smarten en verootmoedigt zich, naarmate hij meer bezit, steeds dieper voor Gods aangezicht, biddende dat de Heere hem beware voor den vloek van het geld en hem leere waarachtig uit dankbaarheid voor de groote genade hem geschonken, het toevertrouwde met wijsheid en tot Gods eere te gebruiken.

De gelijkenis is dus precies het tegendeel van wat

-ocr page 53-

LAZARUS EN DE RIJKE MAN.

de socialisten prediken en spaart inderdaad niemand.

Doch er is nog een punt, dat verklaring behoeft, omdat men bij gebrek aan menschenkennis zich allicht laat bedriegen door de listen der goddeloozen.

Als de rijke man in de hel is, schijnt hij vrij wat beminnelijker te zijn dan Abraham. Hij heeft nog hart voor zijn broeders. Abraham antwoordt hem tot twee malen toe schijnbaar vrij bits; als zij Mozes en de profeten niet hooren, zal het niet baten, of Lazarus al uit de dooden terugkeert.

Ook hier laat de Heiland aan ons over Zijn woorden recht te verstaan. Indien wij ons eigen hart kennen, dan zullen wij Hem niet misverstaan. Hebben wij niet tallooze malen hetzelfde gedaan, als de rijke man in de hel. Het eenigste wat hem in zijn pijn overblijft is: een verontschuldiging te vinden. Als zijn plan gelukt, heeft hij een wapen in handen, ook tegenover God, hij kan dan immers zeggen: „God zelf, die Lazarus naar mijn broeders zendt, erkent daarmede, dat ik niet genoeg gewaarschuwd ben. Het is dus niet mijn schuld maar Gods schuld, dat ik verloren ging.quot; Zoo venijnig is het zondige menschenhart, dat het den schijn van liefde voor de broeders gebruikt, om eigen schuld uit te wisschen en tegen God zeiven als aanklager op te treden. Abraham laat zich niet bedriegen, hij antwoordt hem op zijn geweten af; gij hadt het kunnen weten! en wijst hem met heilig recht terug. God is niet onrechtvaardig. Gij hebt al Gods gaven misbruikt, ten slotte zoudt gij Gods recht willen krenken.

Tevens doet hij ons gevoelen, dat vrees voor de hel geen waarde heeft. Ik heb wel eens van predikers gehoord, dat zij van rijke lieden in hun gemeente de beurs wisten los te maken door met het eeuwig

41

-ocr page 54-

LAZARUS EN DE RIJKE MAN.

42

vuur te dreigen. Dat hielp, maar het middel was even onchristelijk als de uitkomst onbevredigend was. Al de donders van Sinaï kunnen niet bewerken, dat men één enkel gebod Gods lief krijgt. Gij hebt Mozes en de profeten, gij hebt uw Evangelie, hoort dat. Ziedaar de eerste en de laatste boodschap.

-ocr page 55-

HET ZAAD, DAT ONMERKBAAR OPKOMT.

Dat de gelijkenissen nauwkeurig moeten gelezen a7 or den, en elke trek in den regel beteekenis heeft, wordt gewoonlijk weinig beseft. Onze lezers zullen, hoop ik, daarvan overtuigd zijn, en om hen in die overtuiging te bevestigen, kiezen wij ditmaal oene, die niet moeielijk is om te verstaan, maar die juist daarom meestal oppervlakkig wordt gelezen, nl. de gelijkenis Markus 4 : 26—29: Alzoo is het koninkrijk Gods, alsof een mcnsch het zaad in de aarde wierp, en voorts sliep en opstond nacht en dag en het zaad uitsproot en lang werd, dat hij zelf niet wist hoe; want de aarde brengt van zelve vrucht voort, eerst het kruid, daarna de aar, daarna het volle koren in de aar. En als de vrucht zich voordoet, terstond zendt hij de sikkel daarin, omdat de oogst daar is.

Allereerst heb ik een aanmerking op de vertaling, die juister had kunnen zijn. Het woord: „de aarde brengt van zelve vrucht voort,quot; zou ik niet gaarne voor mijn rekening nemen, want de aarde doet dat niet, en het hart des menschen brengt ook van zelf geen goede vrucht voort.

Wat de aarde van zelve doet en ons hart ook, is:

-ocr page 56-

44 het zaad, dat onmerkbaar opkomt.

onkruid voortbrengen. Doch de Heere Jezus heeft dat ook niet gezegd; Hij zegt: „de aarde brengt werktuigelijk vrucht voort,quot; of wel onbewust, zonder besef; „automatischquot; staat er letterlijk en wie weet, wat een automaat is, begrijpt die uitdrukking terstond.

Voorts voor kruid leze men liever halm, dat op hetzelfde neerkomt, maar veel duidelijker is: „eerst de halm, dan de aar, daarna het volle koren in de aar.quot;

Eindelijk, in plaats van „als de vrucht zich voordoetquot; leze men liever: „als de vrucht het toelaat.quot; Geen onkele landman zal het graan snijden, zoodra de vrucht zich voordoet, maar wel zoodra de vrucht het toelaat, en dan wacht hij ook geen oogenblik, maar doet het terstond, zooals de gelijkenis ook zegt. Ieder, die buiten woont, kan in den zomertijd dit alle dagen zien.

Dat ik het woord van zelve verander en, naar een betere vertaling, lees: „de aarde brengt werktuigelijk -vrucht voortquot; heeft zijn goede reden. De aarde heeft: geen leven, alle leven ontstaat uit het zaad en zoo komt ook alle leven Gods in de ziel door het Woord Gods. Wel beteekent de aarde veel, maar zij doet niets anders dan het goede zaad in haren schoot ontvangen; dan werkt het zaad, ontkiemt, maakt wortels, trekt sappen uit den grond en groeit uit de aarde op. Zoo gaat het ook in het koninkrijk Gods. Er is in ons geen mogelijkheid, om het leven Gods deelachtig te worden, indien het Woord niet tot ons komt. Daarom heet het ook: „ontvangt met zachtmoedigheid hec Woord, dat in u geplant wordt, hetwelk uwe zielen kan zalig maken.quot; (Jak. i : 21). De vraag is maar of de aarde, of het hart inderdaad lijdelijk is en in die lijdelijkheid het Woord Gods in zich laat werken. Wij kunnen niet te lijdelijk zijn en ik heb er daarom ook groot bezwaar in, wanneer men tegen lijdelijkheid

-ocr page 57-

HET ZAAD, DAT ONMERKBAAR OPKOMT.

ijvert. Veeleer moeten wij hun, die de lijdelijkheid gaarne prediken, niet alleen gelijk geven, maar hun voorhouden, dat zij lang niet lijdelijk genoeg zijn. Op het oogenblik, dat zij de lijdelijkheid vooropstellen, verzetten zij zich vaak hevig tegen het werk Gods.

Doch laat ons verder zien. De mensch, die het goede zaad in de aarde wierp, sliep en stond op, nacht en dag en het zaad sproot uit en werd lang, hij wist zelf niet hoe. Zoo is het in de natuur, zoo in het geestelijk leven. Alles gaat zijn ouden gang, men eet en drinkt en werkt en leeft voort van den eenen dag op den anderen, maar wie een goed zaad heeft opgenomen in zijn hart, voelt dat het werkt onder alles door. Over eenigen tijd staat hij zelf verbaasd, dat hij zoo geheel anders is geworden en hij begrijpt het volstrekt niet; hij is zich zeiven een raadsel. Hoe menige ziel heeft dit niet betuigd; ik denk anders, ik voel anders, ik leef anders, ik ben anders dan vroeger, en ik weet niet hoe het gekomen is. Dit is een heerlijke ervaring en een van de stelligste bewijzen, dat het werk een werk Gods is. Hij legde in mij het goede zaad en mijn hart bracht werktuigelijk vrucht voort.

Doch daarbij blijft het niet. Er is in Gods natuur regelmaat en zoo ook in het geestelijk leven. Daarom heet het „eerst de halm, dan de aar, daarna het volle koren in de aar.quot;

Eerst de halm. Het is reeds veel als men ziet dat het zaad opschiet en naar boven gaat. Het eerste bewijs, dat het Woord Gods werkt, is dat er een zoeken is van de dingen die boven zijn. Dat is nog niet veel en beteekent zelfs minder dan het in menig oog schijnt, maar het is de noodzakelijke voorbereiding voor hetgeen later komen moet. Jonge Christenen, pas bekeerde zielen zijn in den regel aan zulke halmen

-ocr page 58-

46 HET ZAAD, DAT ONMERKBAAR OPKOMT.

gelijk. Zij gaan recht naar boven; zij schieten welig omhoog; zij hebben een gelukkigen, heerlijken tijd, vol vreugde in God, vol genot van de eerste geestelijke ervaringen. Er is nog geen aar en nog veel minder koren in de aar. Het is bij hen alles nog dun ■en schraal; bezwaren kennen zij niet; zorgen voelen zij niet; alles is opgewekt, vol levenslust en levensmoed. Zelfs ziet menig volleerd Christen op dien eersten tijd terug en verbeeldt zich vaak, dat hij toen hooger stond dan nu. Toch is dit een vergissing; de halm kan rechtop staan, juist omdat er nog niets aan is; hij buigt makkelijk voor den wind, hij schikt zich in alles en richt zich even spoedig weer op, als hij werd neergeslagen. Die toestand is voorbijgaande en moet voorbijgaande zijn.

Daarna de aar. Zal er later vrucht komen, dan moet ■er eerst een aar zijn. Eerst het omhulsel en dan wat er in groeien moet; eerst de vorm en dan de inhoud. Dit klinkt vreemd en toch is het doodeenvoudig en in volkomen overeenstemming met de gewone wegen, die God met zijne ware kinderen volgt. Het is een bewijs van ons gebrekkig Christendom, dat wij dit niet aanstonds inzien.

De bekeering is en blijft een vrije, verrassende daad Gods; dat is het lt;7« van het zaad; daardoor

daalt God in ons leven neer. Dit geschiedt op eens, in één oogenblik dat voor ons geheele leven beslist; het is een wonder der genade. Maar daarna gaat alles zonder sprongen, ordelijk en regelmatig. Als de halm door blijft groeien, komt de aar, dat wil zeggen: als ons geestelijk leven toeneemt, komt er behoefte aan geestelijke kennis, geestelijk inzicht in de waarheid, geestelijk verstand van de goddelijke dingen. Dit is de vorm, het omhulsel, het bekleedsel, waar nog weinig

-ocr page 59-

HET ZAAD, DAT ONMERKBAAR OPKOMT.

in zit, maar waar later de vrucht in groeien kan.

Als dit niet geschiedt, blijft ons leven dun en onvruchtbaar. Vandaar dat er zoovele fladdergeesten bestaan, die van den eenen leeraar naar den anderen, van het eene stelsel naar het andere overspringen; die geen half jaar bij hetzelfde kunnen blijven, omdat zij altijd wat prikkelends noodig hebben. Zij leven niet van de waarheid, maar van aandoeningen, indrukken, gevoelens en blijven schraal in al wat zij voortbrengen.

Daarvoor wil de Heere Jezus ons bewaren. Er moet geestelijk onderwijs zijn, een flinke degelijke aar, een goed omhulsel en wie dat zoekt, toont het leven Gods in zich te hebben.

Daarna het volle koren in de aar. Dit is na het voorafgaande duidelijk genoeg. De goed onderwezen geloovige, bij wien de aar reeds tot volle lengte ontwikkeld is, zal die aar voelen zwellen, zwaar worden en steeds toenemen in gewicht tot rijp worden toe.

Zoodra zulk een leven rijp wordt, zoodra de vrucht het toelaat (niet eerder, maar ook geen oogenblik later) slaat de goddelijke landman de sikkel daarin. Terstond heet het daarom in onze gelijkenis, terstond doet hij dit. Dat wil zeggen: De Heere Grod zal geen oogenblik langer wachten dan noodig is en zoodra Zijn werk voltooid is. vergadert Hij de zijnen in Zijn hemelsch koninkrijk.

Daarin ligt juist: het groote verschil tusschen hetgeen naar Zijnen wil rijpt en hetgeen verloren gaat. Wat ryp is blijft geen oogenblik langer staan dan het behoeft, wat rot is blijft hangen, zoolang tot alle kracht er uit is. Wat rijpt wordt terstond afgesneden, wat rot is valt eindelijk af.

47

-ocr page 60-

ZAAIER, GEEN PLOEGER OE PLANTER.

In de gelijkenis van den zaaier geeft de Heere Jezus zich een zeer bescheiden naam. Hij noemt zich hier alleen zaaier.

Dat is niet toevallig; dit blijkt uit het volgende, daar deze zaaier niets doet om den grond te bewerken. Hij zaait voort zonder er naar te vragen, waar het neerkomt. Het harde pad kon immers onmogelijk het zaad opnemen, evenmin was er van den steenachtigen bodem iets te verwachten en wanneer men midden onder doornen zaait, kan men vooraf berekenen, dat er niets van terecht komt, zoo er geen ijverige handen aan het werk worden gezet, om het onkruid te wieden. Het is duidelijk, dat de zaaier zich met niets van dit alles inlaat, hij is geroepen om te komen zaaien, hij vervult zijn taak, niets meer en ook niets minder.

Elders heeft de Heiland zich anders uitgelaten. Hij spreekt o'ok van een hovenier, die den vijgeboom bewerkt, den bodem los woelt, er mest in legt, maar dan heeft hij een plant op het oog. Als er van planten wordt gesproken in de Schrift, schijnt dit beeld meer de gemeente in haar geheel te beteekenen, terwijl zaaien

-ocr page 61-

ZAAIER, GEEN PLOEGER OF PLANTER.

meer betrekking heeft op ieder persoon in het bijzonder.

Reeds Jesaja (61 : 3) spreekt van de gemeente als „van eikenboomen der gerechtigheid, een planting des Heerenquot;, en Paulus zegt van de gemeente te Corinthe; „ik heb geplant, Apollos heeft nat gemaakt.quot; Christus stelt geheel Israël herhaaldelijk voor als een wijngaard, waarmede dus niet ieder Israeliet in het bijzonder gemeend is, en ook, als Hij zich zeiven den wijnstok noemt, doet Hij dit in verband met de gemeente, die als de rank uit den wijnstok, uit Hem en door Hem leeft.

Als Hij dus zich zaaier noemt, heeft Hij niet de gemeente, maar de afzonderlijke hoorders, ieder voor zich, op het oog. Van dezen nu zegt Hij in de gelijkenis a. h. w.: »Ik kom wel zaaien, maar niet bewerken. Het bewerken laat ik over aan den Geest Gods.quot;

Dit is geheel in overeenstemming met de gelijkenis van het zaad, dat onmerkbaar opkomt (Markus 4 : 26—29), waar ook de zaaier, hoewel niet onverschillig, het zaad aan zijn lot overlaat en afwacht, wat er van zal komen.

Zien wij daarin recht, dan verstaan wij ook veel beter des Heeren doen en laten. Hij is niet gewoon de harten te bewerken. De manieren van sommige christenen, die het woord wel zouden willen opdringen aan den mensch, en zijn hart dwingen het aan te nemen, zijn Hem ten eenenmale vreemd. Hij zendt den rijken jongeling heen en laat hem gaan, zonder iets te doen om hem tot terugkeer te bewegen. Menigeen zou heel anders hebben gedaan en den jongeling hebben achter-nageloopen, om hem nog eens ernstig tot inkeer te bewegen en als het ware te smeeken zich te bekeeren. Zoo doet onze Heer en Meester niet. Hij zaait, maar bewerkt de harten niet. Valt het zaad in weltoebereide

49

4

-ocr page 62-

ZAAIER, GEEN PLOEGER OF PLANTER.

aarde, het zal vruchten voortbrengen, zoo niet, de bewerking is de taak des Heiligen Geestes.

Trouwens, wij behoeven den H. G. het werk niet uit de handen te nemen. Het is Hem wel toevertrouwd. Iemand maakte eens aanmerking op mijne prediking, omdat er te weinig toepassing aan was. Mijn antwoord was: „Gij gelooft niet aan den H. Geest.quot; Indien het waar is, dat die Geest zelfs de wereld, de onbekeerde wereld bewerkt en overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel, wat behoeven wij dan toepassingen te maken. Daar zorgt de H. G. voor en veel beter dan wij kunnen vermoeden.

Maar indien het waar is, dat de Heere Jezus wel de plant bewerkt, m. a. w. de gemeente Gods, dan blijkt daaruit opnieuw hoe schromelijk vele Christenen mistasten, wanneer zij het bewerken van Gods kerk, het waken over de inrichting der kerk, van geen belang achten, maar er altijd op uit zijn zielen te bewerken.

De Heer deed juist andersom en doet nu nog hetzelfde. Hij waakt over zijne gemeente, wier Hoofd Hij is, wier koning Hij zijn wil en moet.

Wat wij dus in dezen verzuimen, moesten wij doen en wat wij vaak doen, moesten wij nalaten.

-ocr page 63-

HET MOSTAARDZAAD.

De verklaring van deze gelijkenis en die van den znurdeesem heeft zooals die gewoonlijk gegeven wordt, mij nooit voldaan en scheen mij te oppervlakkig toe. Het zij mij vergund eene andere voor te stellen en aan de belangstellende aandacht mijner lezers te onderwerpen. Ik vlei mij, dat hun de moeite niet rouwen zal.

Om de gelijkenissen goed te verstaan, behoort men zich ter dege te verdiepen in het Oude Testament. De Heere Jezus heeft zich daarmede gevoed en zich daarbij gedurig aangesloten. Bekend is het, hoe de gelijkenis van den wijngaard zich aansluit bij Jesaja en die van het verloren schaap doet althans eenigs-zins denken aan Nathans gelijkenis, voor David uitgesproken.

Zoo staat de gelijkenis van het mostaardzaad in verband met eene van Ezechiël in H. 17 van zijn profetiën en meer bepaald met Ezechiël 17 : 22—24.

Ezechiël vertelt in dat hoofdstuk de volgende gelijkenis. Een arend plukte van den bovensten tak eens ceders op den Libanon een jonge loot af en nam die mede; daarop legde hij een ander zaad in den akker en daaruit sproot een wijnstok voort, die rustig had

-ocr page 64-

HET MOSTAARDZAAD.

kunnen groeien, indien hij niet de dwaasheid had gehad zich te wenden tot een anderen arend, wiens bescherming hij inriep en die hem toch niet helpen kon. De wijnstok zou daarom verdorren door een Oostenwind en voor goed vergaan. Doch nu zou Jehovah zelf een veel heerlijker planting aanleggen, zooals in vs. 22—24 wordt beschreven in deze merkwaardige woorden: Ik zal ook van dm oppersten tak des hoogen ceders nemen, dat Ik zetten zal; van het opperste zijner jonge takjes zal Ik een teederen afphtk-ken, denwelken Ik op een hoogen en verheven berg planten zal. Op den berg der hoogte van Israël zal Ik hem planten; en hy zal takken voortbrengen en vrucht dragen en hij zal tot een heerlijken ceder worden, dat onder hem wonen zal alle gevogelte van allerlei vleugel; in de schaduw zijner takken zullen zij wonen, enz.

De bedoeling van die gelijkenis is niet moeielijk te vatten. De eerste arend is Nebukadnezar, die den .ongen koning Jojachin mee naar Babel nam en diens ■'broeder Zedekia in de plaats stelde. Deze neigde zich tot den tweeden arend; Egypte, maar het zou hem niet baten, want Babel zou hem (als een Oostenwind den wijnstok) verschroeien en beletten te groeien. Doch nu zou de Heere zelf een nieuwe loot nemen uit den ouden ceder, dat is uit het oude geslacht van David, en die planten op zijn heerlijken berg Sion en haar laten wassen tot een boom, waaronder alle vogelen des hemels, dat is alle volken der. aarde zich konden nestelen. Nu, wie de laatste boom is, laat zich gemakkelijk raden, niemand anders dan de Messias.

Met deze gelijkenis voor ons, wordt die van het mostaardzaad duidelijk en kan onder den boom, daar beschreven, geen ander dan de Messias bedoeld zijn.

Doch gelijk onze Heer gewoonlijk doet, handelt Hij

52

-ocr page 65-

HET MOSTAARDZAAD.

ook hier. Hij neemt de gelijkenis over, maar maakt er iets veel schooners van.

De ceder is Hem een te hoog beeld. Hij daalt veel lager — ik zou haast zeggen veel meer tot het huiselijke af. Te recht is vaak opgemerkt, dat er geen akker, geen bouwland, maar een tuin bedoeld is. Deze zoowel als de volgende gelijkenis staan daarom in zeer nauw verband. De eerste doet ons in den moestuin, de tweede in de woning binnentreden, waar een vrouw brood bereidt.

Wat de eerste gelijkenis aangaat, het mostaardzaad hier bedoeld is een zeer klein zaad, maar dat zeer snel opschiet, indien het behoorlijk gekweekt wordt en als éénjarige plant vaak in Palestina een hoogte bereikt van 8 tot 12 voet. De kleine vruchten daarvan zijn bijzonder in trek bij de vogels, die gewoonlijk met zwermen daarop neervallen en het wegpikken, als zij niet verhinderd worden.

Laat ons nu de schoone gelijkenis van nabij beschouwen.

r Het volk Israël, het geestelijk Israël wel te verstaan, is de moestuin vol moeskruiden. Heerlijke gaven heeft God aan dit zijn volk gegeven en het O. T. is vol van kostelijke spijze, goed van smaak en gezond van inhoud, waarmede de zielen zich voeden kunnen en waardoor Jehovah wordt verheerlijkt. Dat Israël bij een tuin vergeleken wordt, is zeer gewoon en het w^is bij de Farizeën zelfs een geliefkoosde uitdrukking, die wij trouwens ook bij den Heere Jezus zei ven terugvinden in de gelijkenis van den wijngaard en de landlieden. Onder al die moeskruiden zaait God de Heere (de mcnsch in de gelijkenis) een zeer onbeduidend zaad, geen ceder zooals bij Ezechiël maar een mostaardzaad. De Zoon des Menschen schijnt de minste onder de

53

-ocr page 66-

HET MOSTAARDZAAD.

moeskruiden; de man van smarten, de onwaardigste . onder de menschen, voor wien een iegelijk was als verbergende het aangezicht, was waarlijk niet veel meer dan in deze gelijkenis beschreven wordt. Hij zelf heeft het gezegd: leert van Mij, dat ik zachtmoedig ben en nederig van harte. De Zoon des Menschen heeft niets, waarop Hij het hoofd kan nederleggen.

Wie hem volgen, zijn in het oog der wereld niet veel bijzonders. Armen, ellendigen, zondaressen, tollenaren, eenvoudigen des lands. Er was geene gedaante noch heerlijkheid, dat wij Hem zouden begeerd hebben.

Doch Hij zal snellijk groeien en al de moeskruiden uit den tuin van Israël in heerlijkheid overtreffen. De anderen blijven moeskruiden, Hij echter wordt een boom, van verre zichtbaar; Hij krijgt een naam, die boven allen naam is, opdat in den naam van Christus zich zou buigen alle knie, en alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heere zij, tot heerlijkheid Gods des Vaders.

Weldra vertoonen zich zijne vruchten en hij lokt alle vogels uit, die gretig azen op die kleine vruchten. Hoe wordt Israels moestuin in een oogenblik tot een aantrekking voor alle volken! Welk een beweging ontstaat allerwege! Welk een vraag onder de heidenen naar het woord Gods! Welk een verlangen, zich uitende in de woorden van den Macedonischen man^ kom over en help ons!

En hoe waarachtig is hetgeen ons hier voorgesteld wordt, als wij gedenken aan al de kleine zaadkorrelen, die overal meegenomen worden door de gansche wereld heen. Ieder woord des Heeren is een spijze geworden. De boom is onuitputtelijk. Elk jaar groeit hij weder op en levert dezelfde en toch steeds nieuwe korrelen. Hoe menige zaadkorrel, hoe menig woord

54

-ocr page 67-

HET MOSTAARDZAAD.

des Heeren is als gangbare munt van den een op den ander overgegaan!

Het penningske der weduwe is duizenden armen ten goede gekomen. Het woord; „wie van u zonder zonde is, werpe eerst den steen op haar,quot; heeft honderden beschermd tegen hooghartige Farizeën. De noodiging: „komt herwaarts tot Mij, die vermoeid en belast zijt,quot; heeft een tal van moede en beladen zielen rust gegeven. Ja dat ééne heerlijke woord; „Alzoo lief heeft God de wereld gehadquot; enz. aan ziek- en sterfbedden, aan verlorenen en ellendigen gepredikt, is een spijs des eeuwigen levens voor allen, die het hooren. En nu spreek ik alleen van Zijne woorden. Maar gedenk eens aan Zijne wonderen van genade en liefde, aan Zijne wonden, aan Zijn geopenbaarde waarheden, aan Zijn werken, sedert Hij aan de rechterhand des Vaders verhoogd Zijne gemeente bestuurt!

Hij heeft den ganschen moestuin van Israël tot heerlijkheid gebracht en aangelokt door het zaad van dezen boom, heeft geheel het O. T., met al wat het oplevert, dubbele beteekenis voor ons verkregen.

Het was niet noodig, dat Hij prijkte als een ceder. Ezechiëls gelijkenis is verheven, is grootsch, is Zijner heerlijkheid waardig; doch onze Heer toont hier weder, dat Hij gekomen is, niet om gediend te worden, maar om te dienen en Hij wil liever met al de ontfermingen Zijner liefde alles tot zich trekken, wat op de takken zich wiegelen en van zijne vruchten genieten kan.

Ziedaar de gelijkenis in hoofdtrekken verklaard. Verdiep er u in en gij zult de toepassing nog veel heerlijker maken.

Zijt gij een kleine vogel, zwervende en dolende, zoekende naar spijze? Hebt gij dezen boom, uit het mostaardzaad gesproten, reeds opgemerkt? Veracht

55

-ocr page 68-

HET MOSTAARDZAAD.

dien, gelijk velen in onze dagen? Zie dan de scharen van nederige, kleine vogelen, van kinderen, van gevallenen, van bedroefden over de zonden, die tot Hem komen, en laat uw hart brandende worden van verlangen, om bij dien Messias rust, vergeving, verzoening en wedergeboorte te vinden.

Straks bespreken wij de tweede gelijkenis, die ons in het huis verplaatst. Deze staat in nauw verband met de eerste. Daar wordt niet het werk van den Messias, maar de arbeid der Christelijke kerk bescnreven.

56

-ocr page 69-

DE ZUURDEESEM.

Wat heeft men al niet geredeneerd over de drie maten meels, welke een vrouw nam om daarin het zuurdeeg te verbergen, waarmede zij het geheel doortrekken wilde. De een maakte er van: Grieken, Joden en Samaritanen; de ander: Sem, Cham en Japhet of het geheele menschelijke geslacht; de derde zei, dat zij hart, ziel en verstand beduidden.

Zulke verklaringen zijn niets dan spel. Men kan er van maken, wat men wil, en met recht heeft men er wel eens van gezegd: ,,gij legt het er eerst in, om het er later weer uit te leggen.quot;

Wij zullen dien weg niet inslaan. De gelijkenissen — ik ben er vast van overtuigd — zijn zeer rijk van inhoud, elk woord heeft beteekenis, en men mag daarom geen woord verwaarloozen, doch wanneer men niet op vasten bodem staat, is het beter te erkennen: ik begrijp dezen of dien trek in de gelijkenis niet, dan er op goed geluk af iets op te verzinnen.

Wij zagen het reeds in de gelijkenis van het mostaardzaad, dat men in het Oude Testament moet leven, om de beteekenis der gelijkenissen te verstaan. Niet zoo echter, dat men overal zou kunnen aanwijzen, uit welken tekst

-ocr page 70-

DE ZUURDEESEM.

dit of dat woord is genomen; maar in dien zin, dat men den geest des Ouden Testaments in zich moet opnemen om den zin te verstaan. Men zou kunnen zeggen; het Oude Testament is het gekleurde glas, waardoor men de gelijkenissen moet bezien.

Door Ezechiël 17 te lezen werd ons het mostaardzaad duidelijk en zagen wij, dat de Heere Jezus daarin zich zeiven teekent. Hij is de kleine zaadkorrel, de verachte, in den schoonen moestuin van Israël gezaaid, die eindelijk alle moeskruiden overtreft en waar heirlegers van kleine vermoeide en hongerende zielen- uit alle volken der aarde op aanvallen, om de kostelijke vruchten te genieten.

Van den moestuin brengt Christus ons nu naar de woning en zegt (Matth. 13 : 33): ,,Het koninkrijk der hemelen is gelijk een zuurdeesem, welken eene vrouw nam en verborg in drie maten meels, totdat het geheel gezuurd was.quot;

Wij hebben hier dus een duidelijke tegenstelling met de vorige van het mostaardzaad. Daar de moestuin, hier het huis: daar een mensch, (niet een man), hier een vrouw. De gedachte, dat onder dien mensch God moet verstaan worden en onder de vrouiv daarentegen de Christelijke kerk is niet nieuw en ligt trouwens vlak voor de hand; vooral ook omdat hetgeen de tuin oplevert veel meer aan Gods werkzaamheid doet denken, dan het huiswerk, wat onze taak is.

Doch wat zijn de drie maten? Daarop komt het voornamelijk aan.

De uitdrukking drie maten komt, behalve hier en in den gelijkluidenden tekst bij Lukas (13 : 21), nergens in de Schrift voor dan op één enkele plaats in het Oude Testament1) en wel Genesis 18:6. In deze plaats van

1

Voor degenen, die eenigc kennis hebben van de geschiedenis, voeg

-ocr page 71-

DE ZUURDEESEM.

59

Genesis komt de Engel des Verbonds met zijn twee medegenooten uit het hemelsche heirleger bij Abraham te gast. Het is een zeer gewichtig oogenblik, ja, eigenlijk het gewichtigste oogenblik in Abrahams en Sara's leven. Het oude echtpaar krijgt de aankondiging, dat zij vader en moeder zullen worden van den lang beloofden zoon, in wiens geslacht alle volken der aarde zullen gezegend worden. Nu zegt Abraham: haast u en kneed drie maten meels. Hij wil dus een rijkelijken maaltijd bereiden, om zijne goddelijke gasten waardig te ontvangen. Het moet, om het zoo eens uit te drukken, een goddelijke maaltijd zijn, overvloedig, ruim, vorstelijk. Deze opvatting is nog te meer waarschijnlijk, daar wij op goede gronden mogen aannemen, dat drie maten samen een Efa maken en Gideon (in Richteren 6: 12) ook voor den Verbondsengel een Efa meel bereidt, terwijl Hanna aan den Hoogepriester Eli dezelfde hoeveelheid brengt, om Jehovah in zijn dienstknecht te danken voor hetgeen zij op haar vurig gebed ontvangen heeft.

Is dit alles juist, dan meen ik te mogen aannemen,

ik er nog dit aan toe. Het Nieuwe Testament is, zooals wij weten, in het Grieksch, het Oude Testament in het Hebreeuwsch geschreven, terwijl er een Grieksch Oud Testament bestaat in de vertaling der zeventigen, of de Alexandrijnsche vertaling. Nu staat in Matth. 13 : 33 voor drie maten \ drie sata', maar sata (meervoud van saton) is geen Grieksch, het is een Hebreeuwsch woord Grieksch uitgesproken, want het Hebreeuwsch is s'ah. Het gebeurt nooit in het Nieuwe Testament, dat de Heer een Hebreeuwsch woord zoo wat vergriekscht. In de Alexandrijnsche vertalling (die bijna altijd in het N. T. wordt aangehaald staat voor het Hebreeuwsche s'ah nooit saton (meervoud sata) maar metron (meervoud metra.) In Genesis 18 : 6 staat er in het Grieksch: „Haast u en kneed drie metra meelbloem — maar in het Hebreeuwsch: kneed drie s'ah (meervoud s'im) evenals in Matth.: drie sata. [Aquila vertaalt Genesis 18: 6 ook met sata].

-ocr page 72-

DE ZUURDEESEM.

dat gelijk wij zeggen: „het gemeste kalf werd geslacht en daarbij denken aan den verloren zoon, zoo ook in Israël de uitdrukking: drie maten meels aanduidde: een maaltijd van de heerlijkste en heiligste soort, waarmede men Gods hoogste afgezanten mag ontmoeten. Het belangrijkste oogenblik in Saras leven, toen de belofte stond vervuld te worden, had zoo groote betee-kenis, dat het waarlijk niet gewaagd is dit aan te nemen.

Door deze opmerking geleid, bezien wij de gelijkenis nog eens en dan krijgen de drie maten een geheel anderen zin. Het getcil drie is dan de hoofdzaak niet, maar veeleer de gcdcichte, die door die uitdrukkingj-

wordt opgewekt.

Sara bereidt den Engel des verbonds een maaltijd, haren hoogen gast waardig. Ook de Christelijke kerk heeft een hoogen gasr. te wachten en zij heeft Hem de toebereidselen te maken in overeenstemming met de heerlijkheid zijner Majesteit.

Nog waarschijnlijker wordt deze opvatting, wanneer wij bedenken dat, behalve in onzen tekst, zuurdeesem altijd het beeld is van zonde en dood. Nooit mocht men iets gedeesemds offeren; ongezuurd moesten de Paaschbrooden zijn en de Heere zelf gebruikt het woord zuurdeesem in een slechten zin als Hij zegt: wacht u voor den zuurdeesem der Farizeën en der Sadduceën. Hier evenwel is de zuurdeesem iets goeds en heerlijks. De wereld moet met het Evangelie als met een zuurdeesem doortrokken worden, opdat deze wereldzin Gods oog een smakelijk toebereide spijze moge zijn. Duidelijk is het dus, dat wij ons hier moeten losma-maken van de gewone denkbeelden aangaande zuurdeesem. Trouwens er was één feest in Israël, waarbij het uitdrukkelijk aan de priesters was voorgeschreven.

-ocr page 73-

DE ZUURDEESEM.

om gedeesemd brood te gebruiken, nl. het Pinksterfeest. In Levit. 23 : 17 heet het: „gedeesemd zullen zij gebakken worden, het zijn de eerstelingen des Heeren.quot; Het eerste dus, hetgeen Gode wordt geheiligd en toegewijd, op het Pinksterfeest — later het feest des Heiligen Geestes — moet geen gewoon offer zijn, maar een feestelijke, smakelijke, wel toebereide maaltijd en gelijk Sara aan het drietal gasten geen offer bracht, maar een welvoorzienen disch aanrechtte, zoo moet ook de gemeente van Jezus Christus in afwachting van Zijne komst Hem de heilige eerstelingen van Pinkstervreugde en Pinkstervruchten aanbieden, smakelijk door den zuurdeesem die daarin gemengd is.

Treffend is daarom ook de tegenstelling met de vorige gelijkenis, als wij bedenken, dat in het mostaardzaad de Heere zich zeiven voorstelt als den boom, waar alle vogelen, alle zielen, die over Gods wijden aardbodem zwerven, uitlokkende en smakelijke vruchten komen zoeken. Hij is de boom des levens, die voor allen een zegen heeft. Omgekeerd evenwel, moet de Christelijke kerk Hem een spijze, een maaltijd gereed maken, de gansche aarde en hare volheid moet des Heeren zijn, als Hij komt om onder ons te wonen.

Nu wij de gelijkenis hebben verklaard, zal niemand ons euvel duiden, als wij de gedachte daarin vervat, wat breeder toepassen en met de herinnering aan Sara's maaltijd verrijken, als een liefelijke speling.

Hoe lang had zij gewacht, de moeder van het groote volk, dat ontelbaar zijn zou als het zand aan den oever der zee en als de sterren aan den hemel, — hoe lang had zij gewacht, eer de belofte vervuld werd! Doch nu kwam ook de dag, en de Engel des Verbonds wil haar zelf meedeelen, dat de tijd is aangebroken, waarop hare lang vertraagde hope waarheid zal worden.

-ocr page 74-

DE ZUURDEESEM.

Lachend mag zij het aanhooren — het oogenblik is nabij. De Heere vergeet Zijn toezeggingen. Zijn bezworen eeden niet.

Ook de Christelijke kerk heeft lang te wachten. Maar het is niet zonder reden. Er valt veel te doen, eer de maaltijd gereed is. Het deeg heeft veel tijd noodig, eer het geheel is doortrokken van den zuur-deesem des Geestes en, zoo lang dit niet is geschied, mag de maaltijd niet aangeboden worden.

Intusschen gaat zij met haren stillen arbeid voort, als de trouwe huismoeder, die de spijzen gereed maakt in het afgelegen deel van de woning, waar zij haren arbeid verricht.

„Waartoe al die arbeid, waar zijt gij mede bezig?quot; — vragen de kinderen des huizes aan de mosder. En haar antwoord luidt; „weet gij het niet? wij hebben een hoogen gast te wachten. Hebt gij het niet gehoord, dat Hij bij ons komt wonen, in onze tenten, onze eenvoudige, nederige woning? Dan zal Hij zijn beloften vervullen, dan worden de beden verhoord, dan gaat het gelooven over in aanschouwen.quot;

„Doch wij mogen Hem niet anders dan Pinksterbrood, niets dan heilige eerstelingen, niets dan een goddelijken maaltijd voorzetten. Daaraan ben ik bezig. Houd mij niet op. De drie maten meels, de volle Efa moet geheel doortrokken zijn. Er mag geen onsmakelijk deel aan dezen maaltijd zijn.quot;

Ziedaar wat de Christelijke kerk als haar taak beschouwt. Ach, hoe vaak vergeet zij het in het gewoel dezer wereld! De kalme tenten van Abraham, bij de eikenbosschen van Mamre. waren een heerlijke rustplaats voor de Engelen, die daar kwamen. Waarom is dat beeld zoo zeer in tegenspraak met de treurige toestanden rondom ons?

62

-ocr page 75-

DE ZUURDEESESr.

Is het niet hierom, dat wij vergeten, welk een hoogen gast wij te wachten hebben? Indien wij meer leefden in afwachting van Hem, die staat te komen, de Christelijke kerk zou met blijdschap en volharding haar nederige, stille, bescheiden taak volbrengen.

Zegt het dan elkander aan: „Hebt gij het gehoord? „Wij hebben een hoogen gast te wachten! Kom, „Heere Jezus, ja kom haastelijk!quot;

63

-ocr page 76-

DE SCHAT IN DEN AKKER

EN

DE PAREL VAN GROOTE WAARDE.

Deze twee gelijlcenissen (MiLttlious 13 • 44 4^) ver-toonen ons tweeërlei soort van bekeering'.

De eerste vindt toevallig, de tweede na lang zoeken.

De eerste stelt een grove, de tweede een zeer fijne

bekeering voor.

De man, die in eens anders akker bezig is met spitten, had niet de minste verwachting, daarin een schat te zullen vinden, en het zou ij del werk mogen heeten om er zich op te spitsen, vroeg of laat een verborgen schat te ontdekken. Hij is in alle opzichten het beeld van den zeer gewonen wereldling, die aan niets anders denkt, dan hoe hij de wereld zal doorkomen en die om zijn dagelijksch brood vragende, geen hooger behoefte kent dan dat. Zulken zielen overkomt het echter door Gods genade, dat zij geheel onverwacht bespeuren, hoe er achter en onder den loop der wereldsche dingen een ander leven, een andere wereld bestaat van geestelijke dingen, die door een vreemde hand daarin gelegd, rijk maakt een ieder, die ze vindt.

-ocr page 77-

DE SCHAT IN DEN AKKER ENZ.

Zij komen opeens daarmede in aanraking, zij stuiten op dien schat en beselfen terstond de waarde daarvan. Hun bekeeringquot; is daarom ook van een grove soort. Ieder die gezond verstand heeft, kan, als hij een vat met geld ontdekt, al was het vreemd geld, wel bij benadering berekenen, wat de schat waard is, en is de schat zeer groot, dat die allicht meer bedraagt dan al wat hij tot heden bezat.

Als de dronkaard, die zijn huisgezin verwoest; als de ontuchtige, die zijn lichaam vernielt; als de dief, die gedurig kennis maakte met de gevangenis; als de wereldling, verloopen en verzadigd van de laffe genietingen dezer aarde; als de verloren zoon bij zijnzwij-nentrog tot ontdekking komt van het ellendige van zijn bestaan, dan behoeft hij niet veel inzicht in geestelijke dingen te hebben, om te beseffen, dat een leven overeenkomstig Gods wil, dat een leven van blijdschap in God, vol van den troost des Evangelies, met een heerlijk en rustig uitzicht in de eeuwigheid, heel wat meer waard is dan alles, waar hij te voren zijn lust in vond.

Maar zelfs, al is het leven niet uitwendig zondig geweest, ook dan nog heeft de gelijkenis dezelfde beteekenis. Er is een leven van deze wereld en voor deze wereld, waarbij al de gedachten, al de inspanning van den geest op niets anders gericht zijn dan op vooruitkomen, geld verdienen, naam maken, opklimmen tot eer en aanzien. De mensch slooft zich af, totdat hij plotseling, al wroetende in het stof, staat voor gansch andere dingen. Hij ontdekt een leven, zooals hij nooit had gekend, het leven in het koninkrijk Gods. Daar is alles anders. Daar is niet zelfzucht, maar zelfverloochening; niet het eigen ik, maar Gods eere het een en al en hij staat verbaasd, dat hij het tot heden

65

5

-ocr page 78-

DE SCHAT IN DEN AKKER EN

nooit had gezien, ja nooit had vermoed. De schellen vallen van de oogen en hij begeert niets liever dan dat leven deelachtig te worden.

Geheel anders gaat het met den koopman in schoone parelen. Deze is waarlijk niet toevallig tot de ontdekking gekomen, dat er een parel van groote waarde bestond. Hij is een kenner. Hij doet in schoone parelen. En als hij eindelijk die eene parel heeft ontdekt, kan hij er de waarde van bepalen en er veel voor geven, omdat hij er verstand van heeft.

Zulke zielen behooren tot de voortreffelijkste. Zij vinden niet toevallig; al mag ook het ontdekken zelf van de parel onverwacht wezen, zij weten dat er schoone parelen bestaan. Ook zijn zij reeds in het bezit van edele parelen. Hun bestaan staat dus reeds betrekkelijk hoog. Dezen zijn het, die wetenschap en kunst, die de kostelijke gaven Gods van nabij kennen en beoefenen. Wie zal loochenen, dat er een overvloed van schoone parelen bestaat, door God den menschen gegeven, om zich daarmee te verlustigen niet alleen, maar ook om er onzen geest mee te verrijken, onze krachten mee te verdubbelen, ons leven mee te verhoogen, ja ook God zeiven daarin te aanbidden. Eens menschen leven kan in het zoeken en vermeerderen van zulke parelen opgaan, zonder dat hij een oogenblik behoeft te vragen naar iets beters. Maar deze koopman heeft meer dan dit te wachten. Zoekende naar parelen vindt hij er opeens een, die alles overtreft wat hij tot heden kende en al weet hij, dat de rest veel waard is, voor deze eene wijkt alles en hij biedt er alles voor.

Dat begrijpt de wereld in de verste verte niet. Zij kan zich niet voorstellen, dat al de kleine parelen met elkaar niet zooveel waarde hebben als die eene alleen.

66

-ocr page 79-

DE PAREL VAN GROOTE WAARDE.

Zij zou liever al die kleine bezitten en acht de eene parel, ja wel iets meer dan een der andere, maar niet evenveel waard als de andere te zamen. Het koninkrijk Gods is in haar oog een heerlijke toegift bij al de rest, maar om er al het andere voor prijs te geven, dat is te veel gevergd. Tot dezulken behoort b. v. Paulus niet. Zeer treffend wordt het door hem gezegd: „hetgeen mij gczvi/i was heb ik om Christus wille schade geacht.quot; Let wel op dat „gewinquot;. Dit is het diep weemoedige van hetgeen den christen als eisch gesteld wordt, dat hij niet prijs heeft te geven hetgeen zijn ziel schadc doet, maar juist datgene wat haar voor-deelig is.

Een leven, in de edelste en voortreffelijkste aardsche dingen opgaande, schijnt niet alleen onschadelijk, maar zelfs verheffend, verhoogend, veredelend. En het is dit inderdaad. Wetenschap en kunst zijn geen schade maar gewin. God heeft ze den menschen gegeven en Hij wil er ook in verheerlijkt worden. Wanneer zij met al den ernst, die hun beoefening eischen, worden gezocht, uitgebreid en onderhouden, wie zal dan ontkennen, dat zij de ziel oefenen in zelfverloochening, geduld, eenvoud, zuiverheid van bedoelingen, in één woord in alles, wat den mensch tot mensch maken kan. Het is een oppervlakkig Christendom, dat in alle wetenschap slechts ij delheid en in alle kunst louter vermaak en ontspanning ziet. Indien er niet meer van ons gevraagd werd dan ij delheid en vermaak te laten varen, ter wille van de geestelijke goederen, zoo zou de taak voor ieder diep gemoed zoo moeilijk niet zijn. Elk degelijk man, elke fijngevoelige vrouw is volkomen bereid, om halve wetenschap en onbeduidende kunst prijs te geven en men staat nog zeer laag, als men er nog een oogenblik over aarzelt. Den lof van een wufte

67

-ocr page 80-

DE SCHAT IN DEN AKKER EN

menigte, den tijdelijken roem prijs te geven, zich te verdiepen in zijn wetenschap en zijn kunst, de kooplieden in echte parelen begeeren niets liever.

Maar als men komt te staan voor nog gewichtiger vragen; als Christus ons in al Zijn heerlijkheid is bekend geworden; als men heeft leeren gevoelen, wat het is te hongeren en dorsten naar gerechtigheid, dan wordt de levensvraag op aangrijpende wijze ons gesteld: of alles wat wij hoog schatten daarmee te vergelijken is?

Die levensvraag gaat tot in het diepst der ziel en doet pijn. Oppervlakkige christenen kennen die pijn niet en voelen niet, wat de beteekenis daarvan is. Zij vinden de vraag zoo moeilijk niet, omdat zij nooit bezitters waren van edele parelen, zij begrijpen niet eens, dat het een vraag kan zijn.

„Maar is het dan de roeping des christens om domheid boven wetenschap en wansmaak boven kunst lief te hebben?quot; — zoo vraagt menigeen. Gewis niet. Gelukkig wordt de eisch ons nooit in dier voege door God gesteld. Zij, die wetenschap en kunst oprecht liefhebben, kunnen nooit domheid en wansmaak huldigen; maar zij zullen beseffen, dat ook de hoogste wetenschap en de edelste kunst ons kunnen afhouden • van het eene noodige; Gods gerechtigheid en Zijn koninkrijk te zoeken. Wanneer dit het geval zal zijn, laat zich niet bepalen. De een mag den ander daarin zelfs niets opleggen, ja, ter nauwernood kan men er raad in geven aan zijn beste vrienden. Wat de christen echter weet, is, dat hij met alle wetenschap en kunst nooit op de lijn der gerechtigheid komt en zoodra hij dus bespeurt, dat de weg der gerechtigheid van hem eischt verloochening ook van het alleredelste — mag zijn keus niet twijfelachtig zijn. Dit is de fijnste bekeering, die niemand verstaat, tenzij hij in schoone pare-

68

-ocr page 81-

DE PAREL VAN GROOTE WAARDE.

len heeft gedaan en die eene parel heeft ontdekt.

Wij leven in een wereld, bedorven door de zonde en waarin dus het beste nog bevlekt is. Wie dit heeft leeren inzien, weet dat het hoogste blijft: zalig zijn, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.

6g

-ocr page 82-

HET VISCHNET.

Zoo ergens, dan vinden wij in de gelijkenis van het vischnet een echt voorbeeld van hetgeen een gelijkenis zijn moet. Makkelijk te onthouden en moeilijk te verstaan ; eenvoudig van vorm, diepzinnig van inhoud; kort in de woorden, maar breed en ruim van beteeke-nis, ziedaar het kenmerk van de ware gelijkenis.

Voorts hebben wij ééne hoofdgedachte, die met eiken trek duidelijker wordt.

Vooral hebben wij te letten op de zee, het net, ie visch, den oever en het uitzoeken.

De zee is niet zonder reden het beeld van deze wereld. „Deze zee — zooals het Ps. 104 : 25 heet — die groot en wijd van ruimte is, daarin is het wremelende gedierte en dat zonder getal, kleine gedierten met groote.quot; Zoo is de wereld, woelend en gistend, licht bewogen, tot stormen soms opgezweept en straks weer zoo vriendelijk en kalm, dat men zich ternauwernood den storm herinnert; daarom altijd onveilig, onbetrouwelijk. In Ps. 65 : 8 wordt in één adem van God gezegd, dat Hij het bruisen der zeeën stilt en het rumoer der volken, en in Jes. 57 : 20 worden de goddeloozen vergeleken bij een voortgedreven zee. Wat al diepten, wat

-ocr page 83-

HET VISCHNET.

al geheimenissen bergt zij in haren schoot, hoeveel verborgen stil leven en hoeveel strijd, geweld, oproer! Welk een eenzaamheid hier en welk een dicht opeengepakte bevolking daar, als een school visschen bij duizenden op één punt vergaderd, dat aan een stad gelijk schijnt te zijn. God de Heere echter beheerscht haar; daarin betoont Hij Zijn macht. Hij stelt haar perken, die zij nooit overschrijden zal; daartusschen mag zij bruisen zooveel zij wil, daarbuiten komt zij nimmer.

Maar in deze gelijkenis is het niet om Gods macht te doen, maar om iets heerlijkers. Uit die zee van menschen vergadert Hij de Zijnen en daartoe heeft Hij Zijn dienaars uitgezonden met het net.

Het net is de kerk, dat begrijpt ieder, maar waarom heeft men het woord niet nauwkeuriger vertaald? Er zijn vele soorten van netten: fuiken, werpnetten, kruis-netten, sleepnetten, enz. Welk van die is hier bedoeld?

Bepaald het sleepnet en geen ander. Toevallig is dat niet. Bij de vischvangst is dit wel het minst dichterlijke net, dat men kiezen kan. Bij andere netten, bij het visschen met den hengel, is veel kennis noodig, maar als men eenmaal de plaats heeft aangewezen, waar regelmatig met het sleepnet gewerkt moet worden, is het een volkomen werktuigelijke arbeid daarmede om te gaan. Eenige krachtige mannen trekken het door het water, altijd maar weer van voren af aan, terwijl anderen met de boot, waarin het ligt, voortroeien en het uitwerpen. Vaak zijn er drie tegelijk in werking, één wordt opgehaald, één ligt er in, één wordt er juist ingebracht.

Zoo is de doorgaande arbeid der Christelijke kerk. Als er geestelijke opwekkingen zijn, dan werkt men niet met het sleepnet, maar met werpnet of kruisneL

71

-ocr page 84-

HET VISCHNET.

Toen Petrus op den Pinksterdag 3000 zielen tegelijk won, had hij zijn net uitgeworpen aan de zij de, die deHeere hem aanwees, maar het sleepnet bedoelt die regelmatige, week aan week terugkeerende prediking, catechisatie, huisbezoek, krankenbezoek, armenzorg, die vaak dreigt in de sleur te ontaarden. Doch sleur behoeft het niet te worden. Als de H. Geest ons bezielt, is ook dit werk een heerlijk en Gode welgevallig werk, ja, die daarin getrouw blijft jaar in jaar uit, zal rijken zegen verspreiden en zeker heel wat meer ophalen dan die nu eens hier, dan eens daar zijn net werpt, al willen wij dezen laatsten arbeid volstrekt niet gering schatten.

Bij dezen arbeid met het sleepnet, wacht men niet op een gunstig oogenblik, men vischt altijd door, op het vaste getij, door eb en vloed aangegeven en is op het gegeven oogenblik op zijn post. Altijd door gaat de arbeid, zoodra het uur daar is.

De visch bestaat uit een bonte menigte. Door heel de wereld heen wordt het sleepnet uitgeworpen en wat al soorten van hoorders worden er in de mazen gevangen! De Christelijke kerk behoeft niet nauwkeurig te zijn in de behandeling van het net, haar toe-betrouwd. Zij vischt maar, hoe meer er in 't net komen, hoe liever, 't Is er om te doen om veel, zeer veel visch te vangen, het uitzoeken zal later wel volgen. »Gij moogt in de wereld niet blijven,quot; zegt zij tot de zielen, die zij redden wil. „Ik zal zoo regelmatig wTerken, dat mij bijna geen ziel ontsnapt.quot; Gaaf en ongaaf mag de visch zijn, groot of klein, fijn of grof, keurig of onbruikbaar, zij verzamelt, zij haalt op, zij maakt haar mazen zoo nauw mogelijk. Eenmaal komt de tijd der scheiding. Wanneer? als het net op den oever getrokken wordt, als de tijden vervuld zijn.

De oever is de eeuwigheid. Tegenover het wisse-

72

-ocr page 85-

HET VISCnXET.

lende der zee, het onveilige der wateren, staat de rust, de zekerheid, de vastheid van den oever. Als Johannes in zijn Openbaring (12 : 18) de eeuwigheid tegenover de wereld wil schetsen, zegt hij: »ik stond op het zand der zeequot; en in Openbaring 10:2, 5, 6 staat de Engel, die hem Gods geheimen mededeelt met één voet op de zee en met één op de aarde. Aan het einde der tijden houdt de zee op; »de zee was niet meer.quot; (Openbaring 21 ; 1.) Het zal niet altijd duren. De Heere Jezus stond op den oever, toen Hij een der laatste keeren tot zijn discipelen kwam en zij nog in het scheepke ronddobberden. Eenmaal nu, als de tijd voorbij is, als wij »uit den tijdquot; zijn, zooals het volk zeer schoon van een gestorvene zegt, zal de scheiding plaats hebben. Vestigen wij daarop nog het oog.

Het uitzoeken der visschen wordt ons met een enkelen trek zeer aanschouwelijk voorgesteld. Er staat uitdrukkelijk: „en neder zittende, lezen het goede uit in hunne vaten.quot; Zij doen het rustig; zij gaan er bij zitten. Men was in het Joodsche land zeer kieskeurig op het punt van visch en men is het er nog, maar onder de oude bedeeling kwamen daar de spijswetten bij, die de keurigheid nog verscherpten. Trouwens visch kan niet veel lijden, dat weten allen; er behoeft niet veel aan te ontbreken, of zij is ongenietbaar.

Treffend is dat woord. Zoo zal het oordeel wezen. Er is geen haastig onderzoek in het groot. De Engelen zullen er den tijd voor nemen, want in de eeuwigheid is geen haast en zij zullen één voor één eiken visch door de handen laten gaan.

Aan toevallig doorkomen valt niet te denken, aan onbillijk oordeelen evenmin. Niemand behoeft te meenen: als ik in het net ben, ben ik behouden, want daar staat

73

-ocr page 86-

HET VISCHNET.

juist het woord tegenover: het kwade werpen zij weg. Het goede wordt in de vaten, in Gods koninkrijk verzameld, als er geen kerk meer noodig zijn zal. Gods Engelen zijn talrijk genoeg om het werk te verrichten en niemand, die in het net was gebracht, zal aan hun oog en hand ontsnappen !

Welk een rijkdom van gedachten ! welk een menigte van opmerkingen laat zich aan eiken trek der gelijkenis vastknoopen.

Zegene Gods Geest de overdenkingen van deze gelijkenis voor menig hart en zeggen wij het Jacobus Revius na:

O Heere ! vangt my in het net.

Van uwe dienaers uitgeset.

En als ghy 't treclcet aen de strant,

En werpt my niet meer van het lant;

Behout my als een gave vis En brayckt my daer 't u eerlyck is.

74

-ocr page 87-

BIDDEN ZONDER OPHOUDEN.

Deze gelijkenis, (Lukas 11 ; 5—8) is wel zeer huiselijk. „ Wie van u zal een vriend hebben en zal te middernacht tot hem gaan en zeggen: vriend, leen mij drie broaden, over tails mijn vriend van de reis tot my gekomen is en ik heb niet, dat ik hem voorzette, en dat die van binnen antwoordende zoitde zeggen: doe mij geen moeite aan, de deur is nu gesloten en mijne kinderen zijn met mif in de slaapkamer; ik kan niet opstaan om it, te geven. Ik zeg ulieden, hoewel hij niet zoude opstaan en hem geven, omdat hij zijn vriend is, nochtans om zijner onbeschaamdheid zuil zal hij opstaan en hem geven, zooveel als hij er behoeft.quot;

In weinig woorden is het tafereel geteekend, maar hoe werkt dan ook iedere trek mede, om het ons levendig voor den geest te stellen. Wij zien den man te middernacht uitgaan. Alles ligt in de rust, hij zelf echter heeft moeten opstaan, om zijn vriend in te laten en is vol ijver om hem te helpen. Hij heeft echter geen brood in huis. Dat is minder, meent hij, zijn vriend die nabij woont, heeft wel brood; de man heeft kinderen, zoo wordt ons terloops even medegedeeld, en die kinderen heeft, zorgt gaarne wat voor den nacht in

-ocr page 88-

BIDDEN ZONDER OPHOUDEN.

huis te hebben. Bovendien in een huishouden met kinderen is men wel gewoon in den slaap gestoord te worden. Het valt hem bitter tegen. Daar staat hij in den donkeren nacht, alles stil rondom, hij klopt haastig aan —■ de vriend wordt wakker, maar is zeer onvriendelijk. Hij heeft het wel, maar wil het niet geven. Welnu, als hij het heeft, dan is de vrager ook spoedig zeker van het te zullen krijgen. Kloppen, nog eens kloppen en weder kloppen, ziedaar het onfeilbare middel. Eindelijk staat de ander wrevelig op; aan slapen is toch niet te denken, en de aanhouder wint zijn pleidooi.

Die gelijkenis moet ons leeren bidden en wel bidden om den Heiligen Geest, zooals vs. 13 ons aanwijst. Bidden om dien Geest, opdat wij dien zelf mogen bezitten en aan anderen de gaven Gods mee-deelen.

Hoe rijk aan beteekenis wordt nu dit nachtelijk en huiselijk tafereeltje!

Het is in den nacht, dat de vriend van de reis komt. Nooit voelen wij onze geestelijke armoede meer dan als een onze hulp behoeft. Zwervelingen in deze wereld, zonder dak, moede van het leven, hongerig van een langen tocht, — zij kunnen ons overvallen, gansch onverwacht en in het donker. Wij hebben medelijden met hen, wij zouden hen gaarne helpen, en ach! wij staan zoo radeloos tegenover al de smarten, de wonden, de zonden dezer wereld. Hoe gaarne hielpen wij hen, maar wij missen zelf hetgeen wij zouden willen geven, wij hebben niets over en hebben juist genoeg gehad, om zelf den dag door te komen. Wie heeft dit pijnlijk besef niet over zich voelen komen, als de afgematte vriend bij ons heul en troost zocht? De apostelen hadden wel degelijk dat besef;

76

-ocr page 89-

BIDDEN ZONDER OPHOUDEN.

zij waren met de vraag gekomen: „Heere, leer ons bidden, gelijk ook Johannes zijne discipelen geleerd heeft.quot; Zij hadden die vraag gedaan, toen zij den Heere Jezus hadden hooren bidden en waarvoor zou deze ai niet gebeden hebben ? Immers gewis bovenal voor zooveel nooden, als Hem op het hart wogen. Hun vraag is dus maar niet in het wilde weg, om te leeren bidden, maar om te leeren bidden zooals het apostelen, predikers des Evangelies betaamt voor den arbeid, hun ook bij aanvang toevertrouwd. Zij zien wel den rijkdom des Heeren, om aan anderen uit te deelen en begrijpen wel van waar Hij dien heeft, maar zelf voelen zij zich onmachtig.

Daarom leert de Heere hen, dat zij het niet moeten zoeken in de schoonheid des gebeds, maar in den aandrang en Hij doet het zooals gewoonlijk met groote billijkheid. Wij, predikers, voorgangers, leidslieden van anderen, wij voelen ons arm maar meelijdend. Wij zouden gaarne de ongelukkige zwervelingen, die tot ons komen, helpen. Welnu, wij hebben met een rijken God te doen, wiens kinderen alles bij Hem hebben wat zij behoeven. Wij zullen het Hem vragen. Maar welk een teleurstelling! Hoe vaak bidden wij vergeefs! Hij antwoordt ons niet en indien er antwoord komt, dan schijnt het een weigering. Wij staan in den donkeren nacht, alles is stil daar buiten, daar boven, daar binnen, behalve in ons hart. Ach! hoe is het mogelijk, dat God zijn vrienden, die hier op aarde met zooveel zorgen belast zijn, zoo aan hun lot overlaat. Hij heeft genoeg. Hij heeft meer dan dat; Hij zegt het zelf in Zijn woord dat Hij rijk is. De kinderen in het huis des Vaders, ja zelfs de huurlingen, hebben overvloed van brood en Hij geeft ons niet wat wij behoeven, om de arme zwervelingen te helpen.

77

-ocr page 90-

BIDDEN ZONDER OPHOUDEN.

Welk een juiste voorstelling van hetgeen onsonge-loovig hart telkens van God denkt. Inderdaad, vaak schijnt het ons, alsof wij meer mededoogen hebben dan Hij. Wij kunnen het leed niet aanzien; wij kunnen het niet over ons verkrijgen, den vriend, den broeder, die vermoeid van de reis tot ons in keert, te laten staan; — en de deur voor hem te sluiten, maar Hij, die ons alleen helpen kan, antwoordt; de deur is nu gesloten, ik kan niet opstaan om u te geven.

Hoe kan Hij zoo handelen? en wat moet er dan geschieden als Hij niet wil ?

Christus antwoordt ons op die vraag zeer eenvoudig; aanhouden. Meent gij, dat uw God op een onw il-ligen vriend gelijkt; meent gij, dat Hij onbarmhartiger is dan gij, — welnu dan rest u niet anders dan zoolang bidden tot gij uw doel bereikt.

Hiermede ontwapent de Heere alle ongeloof en twijfel. Hij weerlegt niets. Hij zegt niet: „God is beter dan gij denktquot;; of; „Gij moogt niet zoo verkeerd denken over uwen Schepper, die wijzer is dan gijquot;; Hij treedt geheel in onze bezwaren en klachten; Hij geeft alles gewonnen, om ons juist daardoor met dubbelen aandrang te drijven tot gebed.

Toch, opdat wij niet onheilig over God zouden denken, voegt Hij er een woord aan toe, dat ons beter stemmen kan: „bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal opengedaan worden.quot; Gods zwijgen, Gods weigering moet ons gelijk de Kananeesche vrouw tot dubbelen ernst bewegen.

Bunyan stelt ons in Christiana's reize voor, hoe de arme dienstmaagd Mercy voor de kleine poort was blijven staan, terwijl de anderen binnengingen en hoe zij in zwijm viel, meenende buiten gesloten te blijven. Maar opeens viel haar oog op het woord boven

78

-ocr page 91-

BIDDEN ZONDER OPHOUDEN.

de poort geschreven: Klopt en u zal worden opengedaan. En zij begon te kloppen, te kloppen, zoodat Christiana, die aan de binnenzijde van de poort met den portier stond te spreken, er van schrikte. Later zegt Christiana tot haar: „maar wat kunt gij kloppen! Ik heb het nooit in mijn leven zoo gehoord.quot;

— „„Was hij (de portier) niet boos, toen ik het deed?quot;quot; vraagt Mercy. „Neen zeker niet, er trok een vriendelijke lach over zijn gelaat.quot;

Zoo is het in waarheid. Hij, die ons laat kloppen, weet wat Hij doet. Hij leert ons bidden door te weigeren. Hij wil er om gebeden zijn, krachtig, aanhoudend, onbeschaamd. Hij is niet bevreesd, dat wij Hem verkeerd zullen beoordeelen. Zoo alleen komt er antwoord op de vraag: leer ons bidden.

Wij hebben het geleerd.

79

-ocr page 92-

DE ONRECHTVAARDIGE RECHTER.

Van al de gelijkenissen des Heeren is deze uit Lu-kas 18 : 1 — 8 zonder twijfel de stoutste, de meest forsche om het zoo uit te drukken.

Nergens heeft onze Heiland God voorgesteld, zooals hier, zelfs niet in de gelijkenis, die hiermede de meeste overeenkomst heeft, die van den huisvader, wiens vriend te middernacht tot hem komt, om driebrooden telee-nen. In dat zeer huiselijk tafereel wordt God vergeleken bij een onwilligen vriend, maar dan toch altijd bij een vriend. Hier evenwel ziet men Gods beeld getee-kend met trekken, die ons bijna doen vragen, of wij wel goed verstaan. Een rechter, die God niet vreest, en geen mensch ontziet, is dat, kctn dat zijn een evenbeeld van Hem, wiens lof de engelen verkondigen, met de woorden: heilig, heilig, heilig is de Heere der heirscharen, de gansche aarde is van zijn heerlijkheid vol ?

Ja, het is zoo, en het is een troost dat het zoo is, want nergens heeft Christus het ontzettend raadsel van Gods wereldbestuur zoo scherp gesteld als juist hier. Het doet het harte van iederen denker goed te zien, dat het Evangelie de vraagstukken, die den mensch

-ocr page 93-

DE ONRECHTVAARDIGE RECHTER. Sl

van alle eeuwen bezighouden, niet alleen onder de oog-en ziet, maar ze nog veel krasser uitspreekt, dan wij het zouden durven wagen en nochtans, desniettegenstaande ons laat gelooven, dat God mag aangesproken worden met den naam: „onze Vader, die in de hemelen zijt.quot;

Christus is billijk tegenover ons arme, onwetende zwervelingen. Hij kent den Vader en weet, dat al diens schijnbare hardheid enkel liefde is, maar Hij weet ook, dat God op ons een geheel anderen indruk maakt dan op Hem zeiven, omdat onze onreinheid ons oog benevelt. Afdalende tot onze onkunde wordt Hij dus den menschen een mensch, den onkundigen een onkundige, opdat Hij de onkundigen zou winnen. Hij neemt onze beschouwingen over en wanneer wij door het bezoedeld glas van onze zondige gedachten Gods beeld scheef en verward zien, dan duldt Hij dit niet alleen, maar gaat geheel met ons mede en legt Zijn gedachten, Zijh leering niet op; integendeel. Hij weet ook met onze verkeerde voorstellingen te woekeren voor Zijn Koninkrijk.

Zoo heeft Hij ook gedaan in de gelijkenis van de talenten. Daar zegt de man, die zijn talent in de aarde had verborgen, zoo onbeschaamd mogelijk; „ik wist dat gij een hard mensch waart, maaiende waar gij niet gezaaid hebt,quot; enz. Brutaler leugen kon er wel niet gezegd worden, want hij stond met een zak geld (een zilver talent was ongeveer 2700 gulden) in de hand en zulk een som iemand toevertrouwen, noemde hij te willen maaien zonder zaaien! Zijn heer spreekt hem echter niet tegen, maar neemt zijn woorden over en zegt: zoo gij dit wist, verbaast het mij, dat gij niet meer ontzag voor mij gehad hebt.

Evenzoo, maar nog sterker drukt Hij het hier uit. Deze rechter is een door en door wereldsch man,

6

-ocr page 94-

32 DE ONRECHTVAARDIGE RECHTER.

indien hij recht doet, zoo is het niet omdat hij een geweten heeft, maar letterlijk omdat hij niet anders kan, zoo grillig mogelijk. Hij is een rechter der ongerechtigheid; dit wil niet zeggen, dat hij altijd onrechtvaardige vonnissen velt, maar dat men niet den minsten staat op hem kan maken, omdat hij van luimen, grillen, indrukken afhangt en eigenlijk maar één doel heeft: zoo veel mogelijk alles van zich af te schui\ en, ten einde niet in zijn rust te worden gestoord.

Welnu, laat ons eerlijk zijn, gelijk Christus ons vergunt het te wezen. Zulk een wereldsch rechter schijnt God ons immers ook. Wanneer wij jaren lang in de wereld hebben rondgezien en daarbij de lessen der geschiedenis opnemen, dan krijgen wij geen anderen indruk dan deze: het gaat in den hemel even zonderling toe als hier op aarde. Ja, er wordt wel eens recht gedaan, maar zoo onregelmatig, zoo weinig afdoend, zoo traag, zoo zelden, dat wij ons telkens moeten afvragen: is dat nu recht? Is God inderdaad een rechter in gerechtigheid?

Dit is te smartelijker, omdat wij als gemeente van Jezus Christus sprekend gelijken op de arme weduwe, wier man haar niet meer kan voorspreken. O, indien haar man, haar voorspraak, haar voorbidder maar op aarde was gebleven, zij zou zoo hopeloos met zijn. Maar dit is haar lijden, zij staat er alleen voor en zij heeft met een Rechter te doen, die doof schijnt voor haar klachten. Haar echtgenoot had eens moeten weten, hoe ellendig zij achterbleef, hij zou niet zijn heengegaan. Gewis, het is in menig opzicht haar eigen schuld, als de wederpartij, de Satan, het haar lastig maakt, maar zij is ook zoo onbeholpen, zoo gebrekkig, zoo alleen, zonder raadgever of voorstander, is het wonder dat zij bitter klaagt over zulk een Rechter .J

-ocr page 95-

DE ONR.ECHTVAARDIGE RECHTER. 83

Inderdaad, daar gaat niets af; zulk een indruk maakt God op ons. Het is de oude kwestie van Job, van Asaf, het is de vraag, waar de Griek zich evenzeer over heeft afgetobt als de Jood : Wat is toch die God, wiens ooren heeten open te staan voor het gebed der rechtvaardigen en die eeuw in eeuw uit doof schijnt te zijn, ook als de goddeloozen hun zin willen doordrijven ?

Christus komt tegenover deze bittere ervaringen niet met fraaie redenen, gelijk zij doen, die den mond vol hebben van een liefderijken hemelschen vader. Hij laat zelfs niet eens den toon van profetie en vertroosting hooren, waartoe Hij zonder twijfel recht had. Neen, ditmaal slaat hij een geheel anderen weg in en geeft a. h. w. ons alles gewonnen. God is dus — zoo neemt Hij aan —- God is dus, wat Hij u schijnt, een grillig, wereldsch rechter. Welnu, wat zult gij dan doen? Er is toch recht, als Hij het maar doen wil. Gij, gemeente van Christus, gij weet immers wat gij wilt; gij weet dat uw tegenpartij ongelijk heeft, en gij gelijk. Uw echtgenoot, uw hemelsche eega heeft u immers geleerd, wat gij weten moet. Welaan, doe dan gelijk die weduwe. Geen ander wapen hebt gij dan zij, maar dat wapen hebt gij toch zonder twijfel; blijf vragen, klagen, aanhouden, roepen, bidden, smee-ken. Het recht triomfeert door aanhouden. Houdt God uw recht tegen, vertraagt Hij het — welaan, zoo verbid Hem en gij zult door Hem triomfeeren.

Men gevoelt het, wij staan hier op het toppunt van menschelijke stoutmoedigheid. Ook de Griek heeft soms gewaagd zoo hoog te stijgen en zijn Zeus, zijn oppersten God a. h. w. uitgedaagd om recht te doen; — maar zie hier het onderscheid: als de Griek zoo hooo-stijgt, dan durft hij Zeus, zijnen God, aantasten gelijk

-ocr page 96-

DE ONRECHTVAARDIGE RECHTER.

een oproerling het doet en hij eindigt met zijn God in het ongelijk te stellen, of diens bestaan in twijfel te trekken.

Bij Christus niets van dat alles. Hij maakt de gemeente niet tot rechter, maar tot weduwe. Zij beoordeelt den rechter niet, zij vaart niet tegen hem uit, zij maakt geen oproer, — wat trouwens toch niet baat, want die rechter heeft alles in handen en doet wat hem behaagt — zij vraagt slechts en blijft vragen. Haar vragen is een protest tegen dien rechter, maar een protest, dat veel waardiger en veel meer waard is dan de hoovaardij van den godloochenaar. Waardiger, omdat wij zondige, zwakke, onkundige menschen zijn en meer waard, omdat dit protest is vol te houden, zoolang men wil, terwijl alle opstand de kracht uitput.

Maar daarom is het vooral van beteekenis, wat de Heere aan het einde van de gelijkenis zegt: „de Zoon des Menschen als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op de aarde?quot;

Daarin ligt de oplossing. De Zoon des Menschen, de echtgenoot dezer weduwe, neemt de verantwoording op zich van Gods raadselachtige handelingen. Hij zegt tot de Zijnen; ik voorspel u, dat God vreemd zal doen; Ik verklaar u niet, waarom Hij zoo zal doen, maar Ik zeg u alleen; gij hebt te bidden, gij hebt te volharden tot het einde toe, totdat God u recht doet. Ik zal u laten roepen om u te leeren roepen; Ik zal wachten met Mijn wederkomst tot gij weet wat vurig bidden en verlangen is. Mij kent gij althans, gij weet Mijn gangen, gij zaagt Mijn wegen, gij hebt toch aan Mijne liefde niet getwijfeld — welnu, als Ik terug kom, zal Ik dan nog geloof vinden op de aarde?

Wie zoo tot ons spreekt, spreekt meer dan eenig mensch. De oplossing van het raadsel ligt in 1 lem.

84

-ocr page 97-

DK ONRECHTVAARDIGE RECHTER.

85

Hij stelt zich voor God aansprakelijk. Die in Hem gelooft heeft het eeuwige leven, omdat de toon van Zijn spreken, de diepte van Zijn woorden, de stoutheid van Zijn kennis ons de zekerheid geeft: Hij is dc waarheid.

-ocr page 98-

BEKEERING ZONDER STRIJD.

Overal is namaak, zelfs van de meest verheven, de heiligste zaken. Ook het heerlijk werk der wedergeboorte, geheimzinnig cn onnaspeurlijk in zijn begin, wordt helaas zoo treurig nagemaakt, dat men er van huivert als men het aanschouwt.

Wat is er diepzinniger dan het woord van Joh. 3; 8? Gelijk men het ontstaan van den wind niet kan nagaan, zoo is het ook niet na te gaan, hoe de Geest Gods in de ziel vaart en haar de kiem der wedergeboorte meedeelt. Maar ook dit wordt soms nagemaakt en er zijn bekeeringen zoo onverwacht, zoo raadselachtig, dat men ze daarom alleen voor echt zou houden, terwijl zij blijken niets te zijn.

De Heere Jezus geeft ons daarvan een beschrijving in de vreemdsoortige gelijkenis Matth. 12; 43—45. „ Wanneer de onreine geest van den menseh uitgegaan is, zoo gaat hij docr dorre -plaatsen, zoekende rust en vindt ze niet. Dan zegt hij: ik zal wederkeeren in mijn huis, van ivaar ik uitgegaan hen; en komende vindt hij het ledig, met bezemen gekeerd en versierd. Dan «aat hij heen en neemt met zich zeven andere geesten, boozer dan hij zelf, cn ingegaan zijnde, wonen zij aldaar;

-ocr page 99-

BEKEERING ZONDER STRIJD.

en het laatste van dien mensch wordt erger dan het eerste.quot;

Hebt gij wel opgelet, dat in het begin der gelijkenis niet staat „wanneer de onreine geest van den mensch ■iufgC7üorpen isquot; maar: wanneer hij uitgegaan is? Dit is van beteekenis. De genezing van den bezetene hier beschreven is even raadselachtig als het ontstaan van Gods werk bij den wedergeborene. Er zijn zielen, bij wie geheel onverwacht de onreine geest er uitgaat, men weet volstrekt niet waarom en, juist omdat men het niet weet, is men allicht geneigd er het werk des (rcostcs in te erkennen. Toch bedriegt men zich. De onreine geest is op den een of anderen dag verdwenen, evenals een onwillige gast, die plotseling door een gril aangetast, het huis verlaat om misschien anderen te gaan plagen, of omdat het hem verveelt. De bezetene is hem kwijt en weet zelf niet recht, hoe het in zijn werk ging.

Zulk een goedkoope schijnbekeering treft men vaak aan, en zij is ternauwernood te onderkennen van de echte, omdat deze soms even onnaspeurlijk is in haar wording. Honderc.on malen hebben zij het Woord Gods gedachteloos aangehoord, zij leven in hun zonde voort, de booze geest port ze gedurig aan en heftige tooneelen volgen daar gewoonlijk op. Maar, terwijl gisteren alles nrg verkeerd was, is heden de geheele toestand anders geworden; de booze stemming is weg, de vurige oogen staan kalm, de hartstochtelijke gebaren zijn verzacht, de onwil is weggevaagd, de hardnekkigheid gebroken; zoo dit geen wonder Gods is.—■ wat zal het dan zijn?

Gij vergist u; de onreine geest is er maar uitgegaan en de bekeering is schijnbekeoring. De onreine geest zwerft rond, zoekende rust. ! fet kwaaddoen verveelt

87

-ocr page 100-

BEIvEERING ZONDER STRIJD.

hem; hij zal het nu eens met wat anders beproeven; hij laat zijn oude streken varen; hij wordt den strijd moede. Voor zoolang als het duurt, want er is geen do minste verandering in het wezen der zaak.

Zulke bekeeringen heb ik juist bij bezetenen, bij woeste hartstochtelijke, ongetemde naturen zeer dikwijls gezien. De storm heeft uitgeraasd, het vuur is bij gebrek aan brandstof vergaan en smeult nog slechts onder de asch.

Maar niet alleen bij dezen komen zij voor.

Weinigen zijn er, die zulk soort van bekeering niet vroeg of laat bij zich zeiven hebben waargenomen. Zij oordeelden, dat het toch anders met hen worden moest; die oude leelijke zonde, waaraan zij zich schuldig maakten, kon toch zoo niet blijven. Er was wel geen diepgaande strijd door den Geest Gods in hen gewekt, maar dat was ook niet noodig, het ging van zelf en zoo gemakkelijk, dat zij er verbaasd van stonden en niet begrepen, waarom zij niet vroeger reeds tot hetzelfde gekomen waren.

Maar weldra keert het blad. De booze geest komt weder en vindt het huis, waar hij uitgegaan is, ledig, met bezemen gekeerd en versierd. Ziedaar al vast het bewijs, dat die bekeering schijn is: het huis is ledig. Voorwaar, dat is bij de echte wedergeboorte juist andersom. Als Gods Geest in ons afdaalt, dan is het hart niet ledig, integendeel dan wordt de belofte vervuld: „wij zullen komen en woning bij hem maken.quot; (Joh. 14 : 23). Met een ledig hart kan een mensch niet leven en zij, die tot heden van allerlei zonde leefden, moeten óf iets anders leeren kennen, óf zijn dc prooi van nog treuriger zonden.

Intusschen de namaak gaat ver. Zelfs de vreugde en blijdschap over de verlossing wordt door die schijn-

88

-ocr page 101-

BEKKERING ZONDER STRIJD

bekeering-on nagedaan. Het huis is met bezemen gekeerd en versierd: het ledige hart is opgeruimd en blijde gestemd, wat kan men liefelijker wenschen?

Ach! ook dat is geen wonder. In de gelijkenis van den zaaier, heeft de Heere het ook gezegd: hij die op de steenachtige plaatsen bezaaid is, is degene die het woord terstond met vreugde ontvangt.

Die spoedige onmiddellijke blijdschap is verdacht; al wat diep gaat, wat onze ziel tot de hoogste en heerlijkste weldaad is, wordt eerst langzaam aan recht genoten. Men is niet terstond tot het volle besef van de zegeningen doorgedrongen, wanneer deze zegeningen het innigste van ons hart in ontroering brengen. Verbazing over Gods onnaspeurlijke genade, een heilige beving bij het opengaan van Gods geschenken, een huiverend aannemen van zijn onverdiende gaven is wel zoo begrijpelijk. Eerst later komt de vreugde en zij is er te grooter om, als zij het harte stil maakt. Slechts bij oogenblikken komt zij uitbundig te voorschijn.

Hier daarentegen, in dit ledige hart, is de blijdschap groot. Maar zij is van korten duur. Het gevaarlijkste oogenblik voor des menschen ziel is, als men meent van een zonde verlost te zijn, en wel met weinig strijd. Dan komt de aanval met verdubbelde woede terug en het laatste van den mensch is erger dan het eerste. Hoe menigeen is 's morgens opgestaan met een hart vol van de schoonste plannen en met een blij gelaat, omdat hij meende nu eens in een ommezien reuzenschreden te doen — en eer de klok 12 uur sloeg, was er een val op gevolgd, veel grooter dan ooit te voren. En toch had men zich zulke heerlijke vooruitzichten gevormd en voorgespiegeld!

Wat dan ? De booze onreine geest, die op een

89

-ocr page 102-

BEKEERING ZONDER STRIJD.

schooneu dag eens uitgaat van den mensch is en blijft een gevaarlijke tegenpartij der. Om een gril is hij vertrokken en bij de minste aanleiding komt hij terug.

Er is een andere bekeering, de vrucht van waarachtige wedergeboorte. Daar komt de Heilige Geest, onzichtbaar in zijn werking, maar niettemin voelbaar ; onnaspeurlijk in Zijn gangen, maar niettemin vast in Zijn doen; vrijmachtig in genade maar blazende waar Hij ml en Zijn wil is zuiver en goed. Als die Geest den onreinen Geest uitwerpt, dan moet deze er uit, maar het hart is veroverd en in bezit genomen namens den Koning, die er recht op heeft en de poorten der hel zullen het niet overweldigen.

go

-ocr page 103-

ONNUTTE DIENSTKNECHTEN.

Nog zie ik hem voor mij, rechts van den haard, met zijn oud, gerimpeld gelaat tegenover zijn schoonzoon, die het linksche hoekje gekozen had, terwijl mij in het midden vóór het knappend vuur een plaats was aangewezen. Hij had geen onaangenaam voorkomen, zijn grijze haren, zijn diepliggende oogen gaven hem iets eerwaardigs. Hij maakte gewis indruk, als hij zijn forsche, ja vervaarlijke stem tot het hoogste opvoerde bij het spreken over geestelijke dingen. Dan kwam er ook de eigenaardige klank in, die ons volk nog maar niet kan afleeren en die zoo onnatuurlijk is. Die klank is niet zoo onschuldig als men wel denkt, want als men een afzonderlijken toon aanneemt bij het bespreken der goddelijke dingen, loopt men groot gevaar in onwaarheid te vervallen en een dubbel leven te leiden, waarbij men zich verbeeldt te bezitten, wat men niet bezit, en mistast in de eenvoudigste dingen.

Dit toonde ook onze vriend maar al te duidelijk. Hij besprak de catechismus en liep de voornaamste punten daarvan door. Wij — zijn schoonzoon, die hem hoog vereerde en ik — hadden slechts te luisteren.

-ocr page 104-

ONNUTTE DIENSTKNECHTEN.

Na over de ellende en de verlossing te hebben uitgeweid, kwam hij tot de rechtvaardiging.

Daarbij sprak hij: „En och! als hij dan al die heerlijke stukken heeft afgehandeld — zoo moet hij immers toch nog uitroepen: maar wat baat je dat nu nog of je dat al gelooft!quot;

De toon, waarop dit gezegd werd, was dezelfde, die te pas zou komen, als men vraagde: „wat baat het een mensch of hij de geheele wereld gewon en zijner ziele schade leed ?quot; Men kan dit „ivat baat u ?quot; uitspreken, zoodat het antwoord wel luiden moet: niets.

Hij was ook op het punt dit uit te spreken, toen ik hem in de rede viel met te zeggen; „Dit baat hem dan toch zooveel, dat hij in Christus voor God rechtvaardig is en een erfgenaam van het eeuwige leven, — zooals de catechismus op vraag 59 zegt, dit is nog al geen kleinigheid!quot;

Zijn schoonzoon, die met diepen eerbied de rede had aangehoord, schoot in een lach, want hij voelde zeer goed, dat het antwoord van de catechismus volstrekt niet sloeg op den toon van de vraag. De oude man schrikte min of meer van zich zeiven en zweeg bot stil. Hij was uit den koers geraakt. In zijn overgees-telijkheid had hij zichzelven vastgewerkt. Hij wilde nog dieper, nog dieper in de ellende dalen en onverwachts bracht er hem de catechismus geheel en al uit. Hij mompelde echter nog iets van: „alsgij zult gedaan hebben al hetgeen ubevolen is, zoo zegt; wij zijn onnutte dienstknechten, want wij hebben maar gedaan, hetgeen wij schuldig waren te doenquot; — maar hij voelde zich toch geslagen en zag geen kans er zich uit te helpen.

Trouwens deze text kon hem ook al weinig nut doen, want die bewijst geheel het tegenovergestelde van hetgeen men er soms in legt.

9-

-ocr page 105-

lt; )XXUTTE DIENSTKNECHTEN.

Wat is toch de bedoeling daarvan ? De Heere Jezus zegt: wanneer gij een dienstknecht hebt, die zijn dagwerk heeft verricht en 's avonds thuis komt, behandelt gij hem dan als uw gelijke en noodigt gij hem aan uw tafel? Neen, ge laat hem u bedienen en daarna kan hij voor zichzelven zorgen. Bedankt gij hem daarvoor? Immers neen, hij moet het doen, het is zijn plicht.

Zoo ook is het met uwe verhouding tot den Heere. Als gij alles doet wat gij moest, komt u niet de minste dank toe, gij blijft een onnutte dienstknecht.

„Maar hoe, zegt iemand, als ik alles doe wat ik moest, dan nog onnut? Ik wenschte wel, dat ik het zoover brengen kon, maar als ik het zoover bracht, ben ik dan nog nïctsT

Een tweede zegt er van: „ja maar de Heere kan uit genade nog loon toekennen, waartoe Hij niet verplicht is.quot;

Beide opmerkingen zijn van nul en geener waarde. De zaak staat heel anders.

Wat de Heere Jezus verlangt, is juist, dat wij gp knechten, maar kiudcreu zijn. Zoolang wij knechten zijn, hebben wij niets te wachten; want stel het gunstigste geval, nl. dat iemand alles deed, wat hij moest, dan had hij nog geen aanspraak op eenigen dank. Wie in deze betrekking tot God staat, nl. die van knecht, slaaf, dienstbare, is en blijft voor het Koninkrijk Gods een onnut, want hij is een loondie-naar, meer niet.

God verlangt iets anders; Hij wil in een geheel nieuwe betrekking tot ons staan en eerst als die tot stand komt, is er liefde van weerszijden, en als er liefde is, wordt elke dienst gaarne volbracht zonder hoop op loon of dank, maar ook even gaarne beantwoord met dank en liefde, — het hoogste, heerlijkste loon, — zoo men dien dank loon wil noemen.

93

-ocr page 106-

O X X UTTE Dl E XSÏ KXECHTEX.

Nu is de fout van den mensch, dat hij altijd met God wil afrekenen. Hij onthoudt Zijnen God het hoogste nl. liefde van geheel zijn hart en dan meent hij dit te kunnen vergoeden met diensten zonder hart. Dat baat hem niets. Hij blijft in een knechtelijken toestand en terwijl hij dan juist veel verwacht, ontvangt hij niets, want hij kan zijn Heer niet bevredigen.

Dat denkbeeld moet er dus uit. Vandaar dat de Heere Jezus deze gelijkenis ook terstond laat volgen op hetgeen Hij geantwoord had, toen de discipelen Hem vraagden; „Heere, vermeerder ons het geloof.quot; Die vraag kwam ook al uit dezelfde verkeerde beschouwing voort. Immers men kan ook van zijn geloof een soort van verdienste maken en dat bij God in rekening brengen. Zoo schenen het de discipelen te willen, en daarom wenschten zij ook meer geloof, ten einde daarin meer grond te vinden voor hun zielsrust. „Wat spreekt gij toch van meer geloof — is het antwoord — vraag liever naar echt geloof, waar leven in zit, al was het zoo klein als een mosterdzaad.quot;

Wat leeft, groeit en vermenigvuldigt zich in het oneindige. Hoeveel zaadkorrels kunnen er uit een zaad voortspruiten ? Een onnoembaar getal, als de bodem maar goed is. Nagemaakte korrels blijven alleen, maar korrels waar levenskiemen in zitten, vermeerderen zonder ophouden.

Jezus oordeelt dus, dat èn geloof èn werken niets beteekenen, als de mensch altijd zoekt naar meer, meer — terwijl hij vragen moest naar echt, echt.

God ziet liever één zaadje geloof met leven er in, dan duizend nagemaakte geloofsaandoeningen; liever één daad zooals een kind van God doet uit waarachtige liefde, en uit niets anders —■ dan het sloven en zwoegen van een knecht, die in het zweet zijns aan-

94

-ocr page 107-

ONNUTTE DIENSTKNECHTEN.

schijns werkende, toch altijd knecht blijft en nooit als kind wordt behandeld.

Indien dus mijn oude vriend uitriep: „Wat baat je dat alles nu ?quot; — had hij volkomen gelijk, als hij zelf nog in zulk een knechtelijk geloof of knechtelijk werken verdiept zat; met zulk een geloof kan men evenmin iets verder komen als met zulke werken. Door de werken zalig te worden is onmogelijk, door zulk een geloof zalig te worden is even onmogelijk, beide zijn niets waard.

Maar wat echt is, is Gode altijd welkom, zoo welkom, dat Hij aan het tollenaarsgebed genoeg heeft om een zondaar zalig te spreken; — zoo welkom, dat Hij de twee penningskens van een arme weduwe of de dure zalfolie van een rijke Maria beide hoogelijk roemt, al werd de eerste gave aan een tempel gegeven, die spoedig zou vergaan en de tweede aan de armen onthouden.

Maar dat echte juist, - waar is het? Zoo lang wij ook nog eenige kracht zoeken in iets, — hetzij geloof, hetzij werken — dat niet ccht is voor God, zoolang wordt het nooit ons deel. Alleen het echte is het rechte.

93

-ocr page 108-

DE BARMHARTIGE SAMARITAAN.

Er bestaat een verklaring van de gelijkenis van den Barmhartigen Samaritaan, die in de gemeente nog al opgang heeft gemaakt, maar waarvan men met recht kan zeggen: ingeniosius qiiam vernis, d. i. meer vcrimftig dan 7aaar.

Volgens die verklaring moet alles in die gelijkenis vergeestelijkt worden. De ongelukkige, half vermoorde reiziger is de zondaar; de roovers zijn de satan en zijn dienaars; de Priester is de wet, die hem niet redden kan; de Leviet de uitwendige braafheid of maatschappelijke deugd; de Barmhartige Samaritaan is Christus, die zich over den zondaar ontfermt; de wijn en de olie waarmede hij den gewonde behandelt Zijn bloed en Zijn Geest; over het beest, waarop de man gelegd wordt, is men het niet eens, daar niet duidelijk is, of het een ezel dan wel een paard was, en hiervan veel afhangt; des te beter meent men te weten, wat de herberg en de waard zijn; daaronder verstaat men dan de kerk en de opzieners van de kerk; de twee penningen eindelijk zijn volgens den een: de twee sacramenten, volgens den ander; oud en nieuw testament.

Dit alles sluit fraai in elkander en is niet zonder

-ocr page 109-

DE BARMHARTIGE SAMARITAAN.

vernuft uitgedacht. Eie verklaring heeft aan velen dan ook zooveel genot gegeven, dat mij wel eens gebrek aan geestelijke kennis werd verweten, omdat ik ze stil had laten liggen.

Twee dingen zijn duidelijk: i0. dat deze verklaring niet deugt, en 2°. dat zij daarom zoo geliefd is, omdat vele Christenen bevreesd zijn den waren zin der woorden te erkennen, meenende den Heere Jezus daarmee te kettersche leeringen toe te dichten.

Laat ons dit aantoonen. Dat die verklaring niet deugt, blijkt uit de toepassing: „ga heen en doe gij desgelijksquot;, welke Christus er zelf aan toe heeft gevoegd.

Indien de Samaritaan het beeld is van de reddende genade van onzen Heere en Zaligmaker Jezus Christus aan een ellendigen zondaar bewezen, zoo zou de toepassing al heel verkeerd zijn, want welk mensch kan Christus werk daarin navolgen? Zouden wij dan ook geroepen zijn de zonden te verzoenen en uit te delgen ?

Bovendien, als men de gelijkenis zoo opvat, laat men den Heere een ketterij prediken, die in den mond van zulke vergeestelijkende vromen dubbel vreemd klinkt. Immers als de Samaritaan Christus' beeld is, dan is de gewonde het beeld des zondaars en dan volgt daaruit, dat de zondaar niet dood, maar slechts half dood is, wat zoo Remonstrantsch mogelijk moet heeten.

Zonderling mag zulk een verklaring te meer heeten, omdat zij juist, gelijk ik in de tweede plaats vermeldde, uitgevonden is, omdat men vreesde Christus kettersche leeringen toe te dichten.

Immers, wat is de reden waarom men deze verklaring begeert? Alen vindt, eerlijk gezegd, Christus te werkheilig. Die Samaritaan wordt geprezen om zijne goede werken en hij is toch geen waar geloovige,

97

7

-ocr page 110-

DE BARMHARTIGE SAMARITAAN.

want; „de zaligheid is uit de Jodenquot; (Joh. 4 : 22). Men vreest dus, dat de wereld uit deze gelijkenis het recht zal putten, om te zeggen: het doet er niet toe wat een mensch gelooft, als hij maar goed leeft. En om nu Christus' woorden van die leer vrij te houden, vindt men er wat op en vergeestelijkt de geheele gelijkenis.

Die manier van doen is ongepast. Wij hebben den Heere de wet niet te stellen, en behooren gelijk Maria liever aan Zijne voeten te zitten. Wij behoeven niet bevreesd te zijn, dat Hij niet zuiver in de leer zou zijn, maar hebben zeer zeker ons zeiven af te vragen, of wij het wel zijn.

Er is trouwens ook niet de minste reden om te vreezen, mits wij van één gedachte afstand leeren doen, die helaas in het hart van vele beminnelijke en goedgezinde Christenen veel te veel heeft post gevat. Die gedachte is deze, dat het noodzakelijk zou zijn om telkens, bij iedere gelegenheid den ganschen weg der zaligheid in een kort begrip tot den mensch te brengen. Wie die meening is toegedaan, zal steeds tegenover Christus verlegen staan, want onze Meester geeft hem op iedere bladzijde van Zijn Evangelie ongelijk. Hij handelt nergens naar die manier.

Hij zond den rijken Jongeling weg met een woord, waarvan menig orthodox geloovige zou gezegd hebben: „moet die jongeling nu niet denken, dat hij door zijn goede werken zalig kan worden ? Daar had althans nog iets bij moeten komen, nog een enkel woord over zonde en genade.quot;

Aan zulke waanwijze discipelen stoort zich onze Heiland niet. Zijn manier van doen is een geheel andere. Hij raakt het geweten; Hij plaatst de ziel steeds onmiddellijk tegenover God: Hij dwingt haar

98

-ocr page 111-

DE BARMHARTIGE SAMARITAAN.

tot zich zelve in te koeren: Hij brengt haar onder de leiding- des H. Geestes, die in alle waarheid onderricht.

Hoor goed, neem op in uw hart, wat Hij zegt en pas het op u zeiven toe, dan zult gij geen ketterijen begaan en gij zult heel wat anders leeren, dan de wereld uit Christus woorden put.

Immers wat is de zaak? De gelijkenis van den Barmhartigen Samaritaan is geen antwoord op de geheele vraag: wat doende zal ik het eeuwige leven beërven ? — maar slechts een antwoord op een onderdeel van die vraag: wie is mijn naaste?

De wetgeleerde, die gekomen was om met den Heerc te twisten en die Hem als het ware een examen wilde afnemen, had reeds zelf geantwoord op de vraag, die hij Christus deed. Hij kwam twisten, de Heere maakt het hem onmogelijk, en belet hem die ernstige vraag: „hoe moet ik zalig worden?quot; tot een twistvraag te maken. Hier kunnen wij al Christus manier van doen onderscheiden van die, welke wij menigmaal volgen. Hij behandelt de vragen des eeuwigen levens niet verstandelijk, maar richt zich terstond tot des menschen geweten. „Gij vraagt het Mij - zeg het zelf — hoe leest gij ?quot;

De wetgeleerde leert al vast, dat men o zoo fraai kan theologiseeren en geen besef hebben van eigen zonde. Christus vernedert hem, en doet ons vragen: wat is beter, een helder inzicht te hebben in de leer der zonde, of ter dege te worden vernederd en klein gemaakt ?

Maar voorts, hij tracht te ontsnappen. Hij voelt de pijn der vernedering en redt zich door een vraag, zeer geschikt om eens ter dege te twisten: „wie is mijn naaste ?quot; Op die vraag en op die vraag alleen geeft

99

-ocr page 112-

DE BARMHARTIGE SAMARITAAN.

de Heere nu antwoord. Daarmede is niet te kort gedaan aan het geloof. Bovenaan staat: God lief te hebben enz., maar dit is reeds tusschen beide partijen uitgemaakt. Of die Samaritaan God liefheeft boven alles, wordt niet besproken. Hij wordt tot beschaming voorgehouden aan den wetgeleerde. Er is menschen-liefde mogelijk en zij wordt gedurig aangetroffen, ook zonder zuiverheid des geloofs. Moet men nu die men-schenliefde gering schatten ? Zeer zeker niet, maar men mag ze evenmin hooger schatten dan zij waard is. God heeft de eerste eischen, dat mag de wereld loochenen, de wetgeleerde heeft dat niet ontkend maar bevestigd. En als de Samaritaan dit ontkent, wat Christus in het midden laat, dan onthoudt hij Gode, wat Hem toekomt.

Maar dat is zijn zaak. Christus heeft nu niet met dien Samaritaan, maar met dien wetgeleerde te maken en die wetgeleerde mocht niet ontsnappen. Wie zal tegenspreken, dat zelfs ongeloovigen schoone daden van menschenliefde ten uitvoer brachten ? Zullen wij hen daarom zalig prijzen, wanneer zij Gode onthouden, waarop Hij recht heeft? Tegenover hen hebben wij een ander woord en eischen, dat zij God ook zullen liefhebben met hun verstand, dus wel zeer zeker de rechte kennis van Zijn woord en waarheid zoeken.

Maar als wij, orthodoxe schriftgeleerden, zuiver in de leer, nauwkeurig in de dogmatiek, en streng op het geloof, weigeren ons zondaren te gevoelen; weigeren ons te buigen, als wij daden van liefde zien; weigeren de waarheid daarvan te erkennen en den indruk daarvan op te nemen in ons hart, zoo gaan wij met al onze zuiverheid verloren.

Als wij ons nederig buigen, dan eerst zal onze leer zuiver zijn. Maar waar zijn de ootmoedige zielen te vinden?

100

-ocr page 113-

TER ELFDER URE.

„Met die gelijkenis weet ik geen weg,quot; zoo zeide mij niet lang geleden een van mijn ambtgenooten, sprekende over de gelijkenis van „de arbeiders in den wijngaardquot; uit Mattheus 20 : 1 —16.

Dit geloof ik gaarne. Meer dan 20 jaren van mijn ambsbediening heb ik doorgebracht, eer ik die gelijkenis aandurfde en ik vraag mij zeiven vaak af, of ik er achter ben. Geen beter bewijs voor de diepte der gelijkenissen en geen beter weerlegging voor de dwaze meening, alsof de gelijkenissen zouden gegeven zijn, om ons de zaken duidelijker te maken, dan de erkentenis van vele bijbelverklaarders, dat zij er mede verlegen staan. Het kan niet genoeg herhaald worden: de gelijkenissen en bepaaldelijk die, welke over het koninkrijk der hemelen handelen, zijn geheimenissen, verborgenheden en de bedoeling des Heeren is geweest ons verhalen te geven, zeer gemakkelijk om te onthouden, maar zeer moeielijk om te verstaan.

Laat ons trachten deze gelijkenis te verstaan. De hoofdzaak daarin is, dat de Heer des wijngaards goede, ijverige, trouwe arbeiders zoekt. Maar wie zijn de ware arbeiders ? Zij, die hard werken ? Dit is nog lang niet

-ocr page 114-

TER ELFDER URE.

zeker. Men kan hard werken zonder ijverig te zijn, wanneer men namelijk geen lust in den arbeid heeft, en zeer gaarne niet zou werken, wanneer men niet moest. Iemand, die hard werkt voor zijn brood, zou wellicht niets uitvoeren en zijn dagen in ledigheid doorbrengen, wanneer hij een erfenis kreeg. Hij alleen is ijverig, die liefde heeft tot den arbeid, die nog liever geld zou toegeven, dan zijn tijd verdoen in luiheid. Op den duur zal men aan den besten loondienaar niet genoeg hebben, maar nauwkeurig toezien, of hij al dan niet hart heeft voor het werk.

Nu wil deze heer des wijngaards de beste arbeiders verzamelen, die hij krijgen kan. Tweeërlei soort treft men aan. De eerste soort, die hij 's morgens vroeg ontmoet, schijnt de ijverigste te zijn. Schijnt, zeg ik, want het is nog lang niet zeker. Wanneer iemand loon bedingt en loon ontvangt, zal het altijd eenigen tijd vorderen, eer men er achter komt, of hij om loon werkt, dan wel, of hij door een hooger beginsel gedreven wordt.

De heer des wijngaards weet geen middel om dit aanstonds te onderscheiden. Hij wordt met hen eens voor een penning des daags, en eerst later zal hij er achter zien te komen, of zij inderdaad loondicnaars zijn. Voorloopig gaan zij aan het werk en hij laat hen den ganschen dag aan hun lot over. Hij schort zijn oordeel op.

Nu gaat hij 3, 6, 9 uren later en eindelijk omstreeks de elfde ure, zoodat deze laatsten slechts één uur behoeven te werken.

Dat deze lieden achterstaan bij de eersten, is duidelijk genoeg. Zij, die het laatst komen, zeggen wel, dat zij ledig staan, omdat niemand hen huurde, maar dit is niet waarschijnlijk, want de Heer is tot 4 malen

I02

-ocr page 115-

TER ELFDER URE.

toe reeds op de markt geweest en zij waren er niet.

Doch daarom stelt de heer ook al deze nakomers op de proef. Terwijl hij met de eersten een afspraak heeft gemaakt, handelt hij met de anderen juist andersom. Let wel op het woord in vers 4: „Zoo wat recht is, zal ik u gevenquot; en in vs. 7 : „Zoo wat recht is, zult gij ontvangen.quot;

Zij mogen niets eischen, hij beschouwt hen als luiaards en dus kan hij hen niet beter op de proef stellen, dan door hun te zeggen: „ik beloof u niets, gij moet het afwachten, wat ik u geven zal.quot; Zijn zij nu inderdaad aartsluiaards, zoo zullen zij daar geen genoegen mee nemen en met allerlei voorwaarden aankomen. Maar zij toonen een beteren geest. Die van de derde, zesde ure schamen zich, dat zij te laat op de markt zijn gekomen en durven geen eischen stellen, zij mogen nog dankbaar zijn, als iemand hen wil aannemen. Die van de negende en vooral die van de elfde ure hebben nog minder reden daartoe. Zij staan echter allen de proef goed door. Zeer denkbaar zou het bij onverbeterlijke luiaards zijn geweest, als zij hadden geantwoord: „het is der moeite niet waard, wij kunnen nu toch niet veel loon meer verwachten en voor enkele centen ons in te spannen, trekt ons niet aan.quot; Zij doen dit niet; zij cischen niet, zij vertrouwen en hopen, dat hun berouw in daden getoond den heer des wijngaards misschien zal bewegen, hen ook op de volgende dagen te zoeken.

Nu komt de afrekening. Aan de mannen, die hem vertrouwen, schenkt hij ook vertrouwen en geeft hun niet naar verdienste maar naar zijn hart, want hij verwacht voortaan in hen ijverige, trouwe dienaars te vinden. Hij staat in geheel andere betrekking tot hen dan die van heer en loondienaars.

103

-ocr page 116-

I04 TER ELFDER URE.

Doch nu komt ook de beurt aan de eersten. Zij hebben ook nog- een proef te doorstaan. Willen zij hem ook vertrouwen geven, hebben zij hart voor hun werk, of zijn zij louter loondienaars en niets meer? Helaas, het is duidelijk, dat zij geen ander beginsel kennen dan dat van loon. Zij worden boos. Als zij dat geweten hadden, waren zij ook blijven ledig staan tot de elfde ure. Hadden zij de proef doorstaan, zij zouden gezegd hebben: „wij hebben veel liever arbeid dan ledigheid, en wij stellen vertrouwen in een man, die zoo ruim handelt. Bij zulk een mag men ook voor de toekomst meer verwachten.quot; Nu zij echter van dit vertrouwen geven en vertrouwen genieten niets verstaan, kan de Heer hen niet gebruiken. Zij zijn in hun hart lui en werken alleen uit loonzucht. Hooger beginsel kennen zij niet.

De toepassing is duidelijk genoeg. Loondienaars of luiaards •— ziedaar de twee soorten, waarover de Heere Jezus gedurig spreekt. Zoo in den oudsten zoon en den verloren zoon, zoo in den gewilligen en den on willigen zoon, zoo in de farizeërs en de tollenaars. Hij geeft ons aan de hand, hoe beiden op de proef moeten worden gesteld.

Voor beiden moet de proef zijn, of zij weten wat vertrouwen is, of zij uit het geloof weten te leven.

Luiaards, dat zijn de uitwendige zondaars, moet men op de proef stellen door hun niets te beloven. Hoe noodig die proef is, blijkt ons hier te Zetten eiken dag. Er zijn er vaak tot ons gekomen, die in de hoogste mate veeleischend waren. Zij stelden allerlei voorwaarden. Ja, brutaal wordt het soms uitgedrukt, als er een zegt: „geef mij maar 100.000 gulden en dan zult gij eens zien, hoe vroom ik word.quot; Allen mogen het zoo kras niet uitdrukken, veeleischend te zijn is helaas

-ocr page 117-

TER FLFDER URE.

een fout, die onder de diepst gezonkenen meermalen voorkomt. Van dezen komt ook niets terecht. Indien er echter onder hen een is, die zegt; „laat mij maar arbeiden, neem mij maar aan, ik ben moede van het leven der zonde,quot; dan is het iets geheel anders en dan vergunt ons de Heer des wijngaards hun evenveel te geven als aan anderen.

Maar de loondienaars, dat zijn zij, die uitwendig braaf leven, moeten ook op de proef gesteld worden. Dit vordert meer tijd, want zij werken misschien even hard als een vlijtig arbeider, maar hun beginsel deugt niet en dit komt eerst op den duur aan het licht.

Zij worden op de proef gesteld, als zij met de anderen op een lijn worden geplaatst. En dan bezwijken verreweg de meesten. Hoor maar eens in de wereld spreken over den arbeid onder gevallenen, over al het geld dat dezen kosten. Hoor hoe men b. v. het uitspreekt: „het is wel aangenaam, eerst eenige jaren zijn eigen lust volgen en dan nog geholpen worden toe.quot; Dus, als gij wist; na eenige jaren zal ik mij nog kunnen bekeeren, zoudt gij liefst die jaren in de zonde doorbrengen ? — Ja ? — Dan hebt gij uw eigen vonnis gestreken, dan laat gij de zonde uit vrees, maar niet omdat het leven Gods u de hoogste schat is.

Op de catechisatie vraag ik menigmaal; waarom moet men zijn bekeering niet tot morgen uitstellen ? Dan is het antwoord bijna altijd; „Omdat ik morgen dood kan zijn.quot; Mijn wedervraag luidt dan ; „als ik een bankbiljet van 1000 gulden voor u neerleg en daarbij voeg; gij kunt het of nu of later meenemen — zegt gij dan ook; ik kan morgen wel dood zijn?quot; Immers neen.

Wat bewijst dit? Dat men het leven Gods voorstelt als een verdriet, een ramp, een onwelkome plicht, in

-ocr page 118-

TER ELFDER URE.

plaats van een schat, dien men hoe eer hoe beter aanneemt.

De loondienaar, de brave mensch, die de proef doorstaat en zijn zonde inziet, spreekt anders en zegt; ik schaam mij, dat ik het leven en werken in den wijngaard als een plicht heb beschouwd; neen ik verblijd er mij over en beklaag degenen, die ter elfder ure komen. Het is heerlijk onder dezen Heer werkzaam te zijn, want Zijn juk is zacht en Zijn last is licht en het loon is in Zijn handen veilig, voor ons is het bijzaak. Onder Hem te staan, dat is de hoofdzaak.

io6

-ocr page 119-

ZANDGROND EN STEENROTS.

De toepassing van de Bergrede is zeker al bijzonder kort. Zij zou menigeen in onze dagen te kort zijn. Bovendien : niet onderscheiden genoeg ; slechts twee soorten van hoorders worden beschreven: die de woorden hooren en ze doen en die ze hooren en niet doen. De IIcere Christus kent geen tusschensoort tusschen echt en valsch, gelijk het menschelijk hart zoo gaarne tracht te ontdekken.

Wel erkent Hij, dat er veel overeenkomst zijn kan tusschen het echte en het valsche en wie zal dit tegenspreken? Als het valsche den schijn van het echte niet kon aannemen, zou het spoedig ontmaskerd en weinig gevaarlijk zijn.

Zelfs gaat de Heere Jezus in Mattheus 7 : 24—27 zeer ver in het beschrijven van die overeenkomst. Beiden bouwen een /mis en gevoelen dus hoe noodig het is, niet maar met eenige aandoeningen zich tevreden te stellen, maar werkelijk in de waarheid, als in een deugdelijke woning, te leven. Beiden zijn bouwkundigen, zij kennen dus de waarheid goed en zetten haar ordelijk in elkander. Ook de dwaas weet er alles van. Zijn godsdienstige denkbeelden aangaande de

-ocr page 120-

ZANDGROND EN STEENROTS.

waarheid zitten werkelijk goed in elkander. De groote punten van ellende, verlossing en dankbaarheid, de kleine onderdeelen daarvan zijn hem lang niet vreemd. Gelijk Prater in Bunyan's pelgrimstocht, kan hij u alles behoorlijk, verklaren en op zijn plaats stellen. Beiden voltooien hun arbeid; het huis met dak en al is goed afgewerkt; het is zeer zeker bewoonbaar en de dwaas beseft even goed als de wijze, dat een deugdelijk inzicht in de waarheid, een flink gebouwde woning inderdaad een rustig leven bezorgt.

Tot zoover is alles hetzelfde en als de woning gereed is, kan niemand er eenig verschil in zien, dan dat de eene veel gauwer gereed is gemaakt dan de andere. De dwaas wint het daarin van den wijze.

Doch ziedaar juist het verschil. Dat snelle bouwen bewijst niet veel goeds. De dwaas is daarom zoo spoedig gereed, omdat hij op zand en niet op de steenrots bouwt. De wijze had juist daarom zooveel tijd noodig, omdat hij, gelijk Lukas 6 : 48 zegt, groef, uitdiepte en een stevigen grondslag maakte. Het was hem niet genoeg op een steenrots te bouwen, die steenrots moest nog uitgegraven worden, tot hij op den vasten bodem stuitte. Terwijl dus de dwaas bouwt op den lossen grond van zijn gevoelens, zijn indrukken, zijn aandoeningen en pas bekeerd terstond in de hoogte werkt, heeft de wijze naar wat anders gezocht en beseft, dat hij stevigheid onder zijn gebouw behoeft. Die stevigheid is dan eerst gevonden, als hij tot het diepste van zijn hart uitgraaft. Bouwen kan men door te hoor en, die goed hoort en nadenkt kan gemakkelijk een stelsel in elkaar zetten, maar het fundeeren eischt meer; het vordert dat men den wil raakt en daarom doet wat de Heere zegt.

Het verschil ligt dus juist beneden en niet boven

to8

-ocr page 121-

ZANDGROND EN STEENROTS. 109

den grond. Met andere woorden, de dwaze werkt voor der menschen oog, de wijze werkt eerst onder Gods oog en eerst daarna voor het uiterlijk.

Met dat al, lang kan het duren, eer men het verschil bemerkt. Zoolang er van buiten geen gevaar dreigt, woont men even goed in het huis des dwazen als in dat des wijzen.

Maar de moeilijkheden kunnen niet uitblijven. Men bouwt geen huis voor den tijd van schoon en kalm weder, men bouwt om veilig te zijn, als de slechte tijden komen.

Wat zijn die slechte tijden? Drie dingen worden opgenoemd : slagregen, waterstroomen en winden. Alle drie hebben een onderscheiden beteekenis en zijn niet zonder reden alzoo achter elkander genoemd.

1. De slagregen. Wat dat is leert ons Ezechiël 13 : 11 —13: „zeg tot degenen, die met loozen kalk pleisteren, dat hij omvallen zal, — er zal een overstelpende plasregen zijn.quot; De plasregen overkomt ons van boven en wordt niemand gespaard. De smarten, de beproevingen, die God ons aandoet; het lijden aan het leven eigen; de diepe en pijnlijke wonden door allerlei verliezen ons geslagen, vallen in dichte slagregens op het dak en tegen de muren; nu eens heftig, dan weer zacht en aanhoudend. Maar al door-vochtigen zij alles, al maken zij lek op lek, ze brengen het huis nog niet ten val en ook het huis van den wijze heeft er evenveel van te verduren. Met veel inspanning, met allerlei hulpmiddelen komt men die slagregens te boven en als er niets anders te wachten ware, zou het huis nog lang standhouden. Menig onbekeerd man weet zich te wapenen tegen de tegenspoeden van het leven en ze af te weren met veel beleid en volharding.

-ocr page 122-

ZANDGROND EN STEENROTS.

2. Vreeselijker zijn de waterstroomen. Deze doen meer kwaad, zij ondermijnen het huis en bestormen het als het ware. Ps. 69 : 2, 15, 16 doen ons de be-teekenis daarvan kennen, waar de psalmist zegt, dat de wateren hem tot de ziel raken en hij in het verloop van den psalm ons doet gevoelen, dat het de vijandschap is der wereld, welke hem zoo bitter leed veroorzaakt. Maar ook de goddeloosheid der wereld wordt er mee aangeduid, als het in Ps. 32 : 6 heet: „in een overloop van groote wateren zullen zij hem niet aanraken; waarbij onze gedachten vanzelf tot Noach teruggaan en ons voelbaar wordt gemaakt, hoe de algemeene stroom van goddeloosheid en godsverachting slechts wordt tegengehouden door het krachtig vasthouden aan des Heeren eisch en recht. Dan begint menige ziel te wankelen, de stroom wordt te machtig, de algemeene geest beukt ons geheele stelsel en slaat er overal gaten in. Dezelfde soort van lieden wordt dan kenbaar, als in den zaaier beschreven worden, degenen nl. die wel hoog opgroeien, maar als verdrukking of vervolging komt om des woords wille, zoo worden zij terstond geërgerd. Toch houdt des dwazen huis nog stand, evenals dat des wijzen, maar waar hij niet tegen opgewassen is, het zijn de stormwinden, die het ondermijnde huis met orkanenkracht aanvallen en ten val brengen.

3. De stormwinden hebben een eigenaardige betee-kenis. Zij komen onzichtbaar maar doordringend en onweerstaanbaar. Het zijn de beroeringen en twisten op allerlei gebied, zooals Spreuken 11 : 29 ons leert: „die zijn huis beroert, zal wind erven;quot; de verdeeldheden in den kring rondom ons, als de vader en de /,0011, de moeder en de dochter, de huisgenooten onderling ondervinden, dat Jezus Christus is gekomen niet

I IO

-ocr page 123-

ZANDGROND EN STEENROTS.

om vrede maar het zwaard te brengen. Het is de ij delheid van al ons pogen, het pijnlijk besef van geen kracht van boven, geen kracht van binnen meer te hebben. Het zijn de hartstochten, de verborgen zonden, die ons wegvoeren als de wind, gelijk Jesaja 57 : 13 wordt aangeduid. Maar bovenal zijn het de aanvechtingen, die geheimzinnige, vreeselijke krachten, die zelfs de meest geoefende Christen over zich voelt komen en waardoor hij alles voelt wankelen, zoodat hij met den dichter van Ps. 55 ; 6 uitroept: „Vrees en beving greep mij aan en gruwen overdekt mij,quot; — en wel zou wenschen duivenvleugelen te hebben om (zooals vs. 9 zegt) „aan den drijvenden wind, aan den stormquot; te ontkomen. Dat zijn de oogen-blikken, waarin zelfs de fondamenten van ons geloof ons schijnen te begeven en wij gaan twijfelen aan alles, aan onze zaligheid, aan de waarheid, aan God zeiven.

Maar juist in de oogenblikken van aanvechting blijkt het, of het huis inderdaad op een steenrots stond. De wijze ondervindt dan dat hij steviger staat dan hij zelf wist; de dwaas, dat heel zijn gebouw, hoe goed in elkaar gezet, verdwijnt. De val is groot, en als de wijze zijn huis, doorweekt van regen en waterstroom, weer begint te herstellen, is de ander verdwenen met al wat hij had.

Waar het rechte fondament ontbrak, komt alle herstellen te laat.

Zalig de man, bij wien de waarheid dieper ligt dan de oppervlakte.

1 I I

-ocr page 124-

DRIE ZUIVER GETROKKEN BEELDEN.

Hebt ge ooit Mattheus 25 nauwkeurig bezien ? Vergun mij dit met u te doen en hetgeen u wellicht vreemd schijnt bij den eersten oogopslag, zal u later zoo ik hoop duidelijk worden en met mijn opvatting verzoenen.

In Mattheus 25 hebben wij drie beelden: 10 de wijze en de dwaze maagden, 20 de talenten en 30 het laatste oordeel. Alle drie hangen nauw met elkander samen.

De Heere Jezus beschrijft er Zijn wederkomst in, ten tijde dat het koninkrijk Gods voltooid zal zijn.

Eerst komt de Koning als Bruidegom, dan als Leenheer, eindelijk als Rechter. Als Bruidegom verwacht Hij dat Zijn Bruid — de gemeente — met haar lijfstoet, haar gevolg op Hem wachten zal en de olie in de lampen is het beeld der hoop.

Als Leenheer zal Hij daarna in zijn raadsvergadering rekenschap vragen van zijn dienaren, wegens de talenten, die Hij hun toevertrouwde, en de talenten zijn het beeld van de schatten des gcloo/s.

Als Rechter zal Hij daarna op zijn troon zitten en zijn onderdanen voor zich doen komen, om te zien, wie-al dan niet liefde voor Hem hebben betoond.

-ocr page 125-

URIE ZUIVER GETROKKEN BEELDEN.

Wij vinden dus hoop, geloof en liefde in een andere volgorde dan 1 Cor. XIII: 13.

Voor de eerste gelijkenis neemt Hij vrouwen, maagden; voor de tweede kiest Hij mannen en bij de voorstelling van het laatste oordeel valt het verschil tusschen mannen en vrouwen weg.

De beide eersten staan hooger dan de laatsten gelijk wij straks zullen zien; geheel ten onrechte toch houdt men meestal degenen, die aan de rechterhand staan, voor de uitnemendsten, terwijl zij onder de geloovigen de geringsten zijn.

Over alle drie gaat het oordeel. De maagden worden slechts voor de helft tot de bruiloft toegelaten. Van de 3 dienaars is er één, die buiten geworpen wordt, omdat hij met zijn talent niets had uitgericht, en in het laatste oordeel is er een breede schare, die aan de linkerzijde wordt geplaatst.

Laat ons nu de drie gelijkenissen in bijzonderheden nagaan. Wij zullen slechts aanstippen en moeten aan den lezer overlaten de gedachten nader uit te werken.

I. De wijze en de dwaze maagden. De olie is met recht het beeld der hoop, en dat de Heere Jezus juist maagden kiest, die niets behoeven te doen dan wachten en waken, is in overeenstemming daarmede. Zij hebben echter de hoop levendig te houden en dit geschiedt door het gebed.

„Dat is gemakkelijk werkquot; zegt deze of gene. Meent gij dat, zoo vergist gij u zeer. Van al wat het Christelijk leven eischt is niets zwaarder dan bidden. Wel te verstaan; waarachtig bidden. Prevelen, woorden herhalen is niets waard. De Heidenen verstaan die ellendige kunst maar al te goed, doch in waarheid bidden, biddende de nooden en behoeften der gemeente op het hart dragen, er is geen zwaarder arbeid. In

113

8

-ocr page 126-

DRIE ZUIVER GETROKKEN BEELDEN.

deze sombere, zondige wereld altijd de lamp der hoop brandende te houden en nooit te laten verflauwen, zie eens hoe weinig zielen daartoe in staat zijn. Petrus sliep, toen hij bidden moest en ook de wijze maagden sluimerden in. De zwaarte van die taak is juist daarin gelegen, dat niets en niemand van buiten den bidder wakker houdt, dat alles tot inslapen drijft en men alleen de hoop levendig kan bewaren door een zeer rijken voorraad van Gods Geest te bezitten.

De Heere Jezus zelf acht die taak zoo zwaar, dat Hij de helft der biddende en wachtende vrouwen onvatbaar acht voor de bruiloft.

Hopen en hopen is twee. Er is een opwinding, die een tijd lang de lamp branden doet, maar er is olie des H. G. noodig, om te aller ure bereid te zijn, hoe lang het ook duren moge.

Toch brengen zulke bidders den hoogsten zegen aan. Even als de man in den vuurtoren menig schip voor stranden behoedt; even als een licht uit de woning in het donkere bosch den wandelaar den weg wijst; even als een ster in den nacht den stuurman zijn koers doet houden — even zoo zijn de innige, geloo-vige, dierbare Mariazielen, die voor de eeuwige onzichtbare wereld leven en daarop geduldig wachten, voor allen, die met haar in aanraking komen, een heerlijke vertroosting.

Daarom echter zijn de eischen voor haar veel strenger dan voor anderen. De helft van haar wordt nog afgewezen, omdat zij juist de lampen lieten uitgaan, toen de bruidegom kwam. Zij mochten niet te kort komen, zij konden niets meer inhalen, want zij waren geroepen tot den lijfstoet, den bruidsstoet des Bruidegoms, en Hij moest ten allen tijde op haar kunnen rekenen.

-ocr page 127-

DRIE ZUIVER GETROKKEN BEELDEN. I 15

Daarbij, haar slapen vertraagde des Heeren komst; de Hemelsche Bruidegom kan niet komen, zoo Hij niet biddend, ernstig, heilbegeerig verwacht wordt. »De Zoon des menschen als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op de aarde?quot; vraagt Hij elders met reden. Dubbel gelukkig echter die gereed zijn! Was haar olie het beeld der hoop, die hoop wordt bekroond door blijdschap, en haar loon is de iruiloft.

II. Dc talenten. Hier staan de dienaars, die arbeiden tegenover de maagden, die wachten en waken moeten. De Heere heeft bij Zijn heengaan van de aarde aan Zijn Apostelen, leeraars en voorgangers Zijn goederen, Zijn schatten nagelaten. Met talenten zijn niet bedoeld (zooals men gewoonlijk meent) des menschen gaven en aanleg, maar de geestelijke goederen, die Jezus Christus aan Zijn dienaars gaf, om die te gebruiken, daarmede te werken en ze alzoo te vermeerderen.

Paulus zegt daarom 1 Cor. 4:1, „Alzoo houde ons een iegelijk mensch als dienaars van Christus en tiit-dcelcrs der verborgenheden Gods.quot;

De sleutel tot al die talenten is het geloof, en daarom wordt van de dienaars verlangd, dat zij met die geestelijke goederen vertrouwd zijn.

Niet ieder krijgt evenveel. Het hangt af van onze geestelijke diepte, of wij over vele geestelijke goederen, die J. C. naliet, te beschikken hebben.

Doch alle voorgangers hebben wel te bedenken, dat zij geen eigenaars zijn van de goederen, die zij uitdeden. Geen woord des levens, geen woord van vertroosting, geen werk of daad van waarlijk Christelijk gehalte kan door hen worden geput uit eigen schat, zij hebben zich alleen te gedragen als Christus' uit-deelers. Daarom heeft Hij recht alles weer als Zijn

-ocr page 128-

I 16 DRIE ZUIVER GETROKKEN BEELDEN.

eigendom op te eischen, want zij hebben met Zijn geestelijk kapitaal gewerkt.

Hun Heer en Meester is daarom zeer streng voor hen. Hij schonk hun veel vertrouwen, veel vraagt Hij van hen terug. Wat de luie, derde dienaar zegt; „ik wist dat Gij een hard mensch waart,quot; mag overdreven zijn, Hij eischt toch niet weinig.

Maar die getrouw is in zijn ambt en de geestelijke eigendommen zijns Heeren ten bate van Diens Koninkrijk heeft beheerd, ontvangt aandeel in het bestuur van dat rijk. Voor hem is het loon: heerschappij oefenen, met Christus regeeren: „over veel zal Ik u zetten.quot; Gelijk voor de biddende en hopende zielen het einde is een blijde bruiloft, zoo is voor de arbeiders in het geloof het einde: geestelijk bezit, geestelijk eigendom.

III. Het laatste oordeel. Nadat de Koning als Bruidegom in het inwendige van Zijn paleis Zijn bruiloft heeft gevierd, daarna raadsvergadering heeft gehouden met hen, aan wie Hij als Leenheer Zijn geld ter beschikking had gelaten, eer Hij nog het Koningschap bezat, zal Hij eindigen met een openbare zitting te houden vóór Zijn paleis, op den troon Zijner heerlijkheid, omstuwd van Zijne legerscharen. Dan heeft Hij te doen met de onderdanen van Zijn nieuw Koninkrijk en Hij zal beslissen, wie Hij daartoe al dan niet rekenen kan.

Deze onderdanen zijn de minste van de drie. Zij heeten niet broeders of dienaren maar rechtvaardigen (vs. 46). Ja, zij worden nauwkeurig onderscheiden van de broeders in deze woorden: „voor zooveel gij dit aan een van deze Mijne minste broeders gedaan hebt, zoo hebt gij dat aan Mij gedaan.quot; Zij zijn ook de groote menigte en behooren dus niet tot de edelen Zijns

-ocr page 129-

DRIE ZUIVER GETROKKEN BEELDEN. I I 7

Koninkrijks, immers in vs. 32 heet het: „voor hem zullen alle volkeren vergaderd worden.quot;

Zij worden niet aangesproken met den naam van „goede en getrouwe dienstknechtenquot; maar met dien van „gezegenden des Vadersquot;, een veel flauwer titel.

Dat zij niet zoo hoog staan bewijst hun arbeid. Zij hadden zelf geen honger of dorst of gebrek of gevangenis geleden ter wille van Gods Koninkrijk, maar slechts geholpen en gesteund hen, die leden. Zeiven hadden zij dus brood, en kleederen en alles wat zij noodig hadden.

En waarom worden zij nu zalig geprezen? Omhunno goede werken ? Hebben zij den Hemel verdiend door aan armen en ongelukkigen wel te doen ?

Zoo denkt men vaak, maar daar staat geen woord van. De Heere Jezus bedoelt geen armen en ongelukkigen in maar zeer bepaiald Zijn fo'öÊïamp;v'-v, nl. profeten en martelaars, die om Zijns naams wil lijden en strijden.

De eenige vraag, die Christus beantwoord wil hebben, is deze: bestaat er bij u geestelijk leven? Zijt gij vrienden van Mij ? Is uw oog open voor dehemel-sche waarde van Mijn Koninkrijk ? Dit nu is bij hen gebleken alzoo te zijn uit hunne liefde voor Christus' broeders.

Men kan veel doen aan armen en toch Gods kinderen haten. Dit is zoo vaak vertoond in dagen van vervolging, dat het geen bewijs van noode heeft. In onze dagen zal men er ook vinden, die veel liever armen zullen helpen dan Gods gemeente steunen. Komt gij voor een of anderen arme, zij zijn niet onwillig, maar vraag een gift voor arme ouders, die hunne kinderen een christelijke school willen laten bezoeken, zij bedanken er u hartelijk voor; wellicht zullen zij

-ocr page 130-

ZANDGROND EN STEENROTS.

2. Vreesdijker zijn de ■watcrstroomen. Deze doen meer kwaad, zij ondermijnen het huis en bestormen het als het ware. Ps. 69 : 2, 15, 16 doen ons de be-teekenis daarvan kennen, waar de psalmist zegt, dat de wateren hem tot de ziel raken en hij in het verloop van den psalm ons doet gevoelen, dat het de vijandschap is der wereld, welke hem zoo bitter leed veroorzaakt. Maar ook de goddeloosheid der wereld wordt er mee aangeduid, als het in Ps. 32 : 6 heet; „in een overloop van groote wateren zullen zij hem niet aanraken; waarbij onze gedachten vanzelf tot Noach teruggaan en ons voelbaar wordt gemaakt, hoe de algemeene stroom van goddeloosheid en godsverachting slechts wordt tegengehouden door het krachtig vasthouden aan des Heeren eisch en recht. Dan begint menige ziel te wankelen, de stroom wordt te machtig, de algemeene geest beukt ons geheele stelsel en slaat er overal gaten in. Dezelfde soort van lieden wordt dan kenbaar, als in den zaaier beschreven worden, degenen nl. die wel hoog opgroeien, maar als verdrukking of vervolging komt om des woords wille, zoo worden zij terstond geërgerd. Toch houdt des dwazen huis nog stand, evenals dat des wijzen, maar waar hij niet tegen opgewassen is, het zijn de stormwinden, die het ondermijnde huis met orkanenkracht aanvallen en ten val brengen.

3. De stormnoinden hebben een eigenaardige bet.ee-kenis. Zij komen onzichtbaar maar doordringend en onweerstaanbaar. Het zijn de beroeringen en twisten op allerlei gebied, zooals Spreuken 11 : 29 ons leert: „die zijn huis beroert, zal wind erven;quot; de verdeeldheden in den kring rondom ons, als de vader en de zoon, de moeder en de dochter, de huisgenooten onderling ondervinden, dat Jezus Christus is gekomen niet

I IO

-ocr page 131-

ZANDGROND EN STEENROTS.

■om vrede maar het zwaard te brengen. Het is de ijdelheid van al ons pogen, het pijnlijk besef van geen kracht van boven, geen kracht van binnen meer te hebben. Het zijn de hartstochten, de verborgen zonden, die ons wegvoeren als de wind, gelijk Jesaja 57 : 13 wordt aangeduid. Maar bovenal zijn het de aanvechtingen, die geheimzinnige, vreeselijke krachten, die zelfs de meest geoefende Christen over zich voelt komen en waardoor hij alles voelt wankelen, zoodat hij met den dichter van Ps. 55 : 6 uitroept: „Vrees en beving greep mij aan en gruwen overdekt mij,quot; — en wel zou wenschen duivenvleugelen te hebben om (zooals vs. g zegt) „aan den drijvenden wind, aan den stormquot; te ontkomen. Dat zijn de oogen-blikken, waarin zelfs de fondamenten van ons geloof ons schijnen te begeven en wij gaan twijfelen aan alles, aan onze zaligheid, aan de waarheid, aan God zeiven.

Maar juist in de oogenblikken van aanvechting blijkt het, of het huis inderdaad op een steenrots stond. De wijze ondervindt dan dat hij steviger staat dan hij zelf wist; de dwaas, dat heel zijn gebouw, hoe goed in elkaar gezet, verdwijnt. De val is groot, en als de wijze zijn huis, doorweekt van regen en waterstroom, weer begint te herstellen, is de ander verdwenen met al wat hij had.

Waar het rechte fondament ontbrak, komt alle herstellen te laat.

Zalig de man, bij wien de waarheid dieper ligt dan de oppervlakte.

I I I

-ocr page 132-

DRIE ZUIVER GETROKKEN BEELDEN.

Hebt ge ooit Mattheus 25 nauwkeurig bezien? Vergun mij dit met u te doen en hetgeen u wellicht vreemd schijnt bij den eersten oogopslag, zal u later zoo ik hoop duidelijk worden en met mijn opvatting verzoenen.

In Mattheus 25 hebben wij drie beelden: 10 de wijze en de dwaze maagden, 20 de talenten en 30 het laatste oordeel. Alle drie hangen nauw met elkander samen.

De Heere Jezus beschrijft er Zijn wederkomst in, ten tijde dat het koninkrijk Gods voltooid zal zijn.

Eerst komt de Koning als Bruidegom, dan als Leenheer, eindelijk als Rechter. Als Bruidegom verwacht Hij dat Zijn Bruid — de gemeente — met haar lijfstoet, haar gevolg op Hem wachten zal en de olie in de lampen is het beeld der hoop.

Als Leenheer zal Hij daarna in zijn raadsvergadering rekenschap vragen van zijn dienaren, wegens de talenten, die Hij hun toevertrouwde, en de talenten zijn het beeld van de schatten des gcloofs.

Als Rechter zal Hij daarna op zijn troon zitten en zijn onderdanen voor zich doen komen, om te zien, wic-al dan niet liefde voor Hem hebben betoond.

-ocr page 133-

DRIE ZUIVER GETROKKEN BEELDEN.

Wij vinden dus hoop, geloof en liefde in een andere volgorde dan 1 Cor. XIII: 13.

Voor de eerste gelijkenis neemt Hij vrouwen, maagden; voor de tweede kiest Hij mannen en bij de voorstelling van het laatste oordeel valt het verschil tusschen mannen en vrouwen weg.

De beide eersten staan hooger dan de laatsten gelijk wij straks zullen zien; geheel ten onrechte toch houdt men meestal degenen, die aan de rechterhand staan, voor de uitnemendsten, terwijl zij onder de geloovigen de geringsten zijn.

Over alle drie gaat het oordeel. De maagden worden slechts voor de helft tot de bruiloft toegelaten. Van de 3 dienaars is er één, die buitengeworpen wordt, omdat hij met zijn talent niets had uitgericht, en in het laatste oordeel is er een breede schare, die aan de linkerzijde wordt geplaatst.

Laat ons nu de drie gelijkenissen in bijzonderheden nagaan. Wij zullen slechts aanstippen en moeten aan den lezer overlaten de gedachten nader uit te werken.

I. De -csjijze en de dwaze maagden. De olie is met recht het beeld der hoop, en dat de Heere Jezus juist maagden kiest, die niets behoeven te doen dan wachten en waken, is in overeenstemming daarmede. Zij hebben echter de hoop levendig te houden en dit geschiedt door het gebed.

„Dat is gemakkelijk werkquot; zegt deze of gene. Meent gij dat, zoo vergist gij u zeer. Van al wat het Christelijk leven eischt is niets zwaarder dan bidden. Wel te verstaan: waarachtig bidden. Prevelen, woorden herhalen is niets waard. De Heidenen verstaan die ellendige kunst maar al te goed, doch in waarheid bidden, biddende de nooden en behoeften der gemeente op het hart dragen, er is geen zwaarder arbeid. In

113

8

-ocr page 134-

DRIE ZUIVER GETROKKEN BEELDEN.

deze sombere, zondige wereld altijd de lamp der hoop brandende te houden en nooit te laten verflauwen, zie eens hoe weinig zielen daartoe in staat zijn. Petrus sliep, toen hij bidden moest en ook de wijze maagden sluimerden in. De zwaarte van die taak is juist daarin gelegen, dat niets en niemand van buiten den bidder wakker houdt, dat alles tot inslapen drijft en men alleen de hoop levendig kan bewaren door een zeer rijken voorraad van Gods Geest te bezitten.

De Heere Jezus zelf acht die taak zoo zwaar, dat Hij de helft der biddende en wachtende vrouwen onvatbaar acht voor de bruiloft.

Hopen en hopen is twee. Er is een opwinding, die een tijd lang de lamp branden doet, maar er is olie des H. G. noodig, om te aller ure bereid te zijn, hoe lang het ook duren moge.

Toch brengen zulke bidders den hoogsten zegen aan. Even als de man in den vuurtoren menig schip voor stranden behoedt; even als een licht uit de woning in het donkere bosch den wandelaar den weg wijst; even als een ster in den nacht den stuurman zijn koers doet houden — even zoo zijn de innige, geloo-vige, dierbare Mariazielen, die voor de eeuwige onzichtbare wereld leven en daarop geduldig wachten, voor allen, die met haar in aanraking komen, een heerlijke vertroosting.

Daarom echter zijn de eischen voor haar veel strenger dan voor anderen. De helft van haar wordt nog afgewezen, omdat zij juist de lampen lieten uitgaan, toen de bruidegom kwam. Zij mochten niet te kort komen, zij konden niets meer inhalen, want zij waren geroepen tot den lijfstoet, den bruidsstoet des Bruidegoms, en Hij moest ten allen tijde op haar kunnen rekenen.

ii4

-ocr page 135-

DRIE ZUIVER GETROKKEX BEELDEN. I 15

Daarbij, haar slapen vertraagde des Heeren komst; de Hemelsche Bruidegom kan niet komen, zoo Hij niet biddend, ernstig, heilbegeerig verwacht wordt. »De Zoon des menschen als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op de aarde?quot; vraagt Hij elders met reden. Dubbel gelukkig echter die gereed zijn! Was haar olie het beeld der hoop, die hoop wordt bekroond door blijdschap, en haar loon is de bruiloft.

II. Dc talenten. Hier staan de dienaars, die arbeiden tegenover de maagden, die wachten en waken moeten. De Heere heeft bij Zijn heengaan van de aarde aan Zijn Apostelen, leeraars en voorgangers Zijn goederen, Zijn schatten nagelaten. Met talenten zijn niet bedoeld (zooals men gewoonlijk meent) des menschen gaven en aanleg, maar de geestelijke goederen, die Jezus Christus aan Zijn dienaars gaf, om die te gebruiken, daarmede te werken en ze alzoo te vermeerderen.

Paulus zegt daarom 1 Cor. 4:1, „Alzoo houde ons een iegelijk mensch als dienaars van Christus en zut-deelers der verborgenheden Gods.quot;

De sleutel tot al die talenten is het geloof, en daarom wordt van de dienaars verlangd, dat zij met die geestelijke goederen vertrouwd zijn.

Niet ieder krijgt evenveel. Het hangt af van onze geestelijke diepte, of wij over vele geestelijke goederen, die J. C. naliet, te beschikken hebben.

Doch alle voorgangers hebben wel te bedenken, dat zij geen eigenaars zijn van de goederen, die zij uitdeden. Geen woord des levens, geen woord van vertroosting, geen werk of daad van waarlijk Christelijk gehalte kan door hen worden geput uit eigen schat, zij hebben zich alleen te gedragen als Christus' uit-deelers. Daarom heeft Hij recht alles weer als Zijn

-ocr page 136-

I 16 DRIE ZUIVER GETROKKEN BEELDEN.

eigendom op te eischen, want zij hebben met Zijn geestelijk kapitaal gewerkt.

Hun Heer en Meester is daarom zeer streng voor hen. Hij schonk hun veel vertrouwen, veel vraagt Hij van hen terug. Wat de luie, derde dienaar zegt: „ik wist dat Gij een hard mensch waart,quot; mag overdreven zijn, Hij eischt toch niet weinig.

Maar die getrouw is in zijn ambt en de geestelijke eigendommen zijns Heeren ten bate van Diens Koninkrijk heeft beheerd, ontvangt aandeel in het bestuur van dat rijk. Voor hem is het loon: heerschappij oefenen, met Christus regeeren: „over veel zal Ik u zetten.quot; Gelijk voor de biddende en hopende zielen het einde is een blijde bruiloft, zoo is voor de arbeiders in het geloof het einde: geestelijk bezit, geestelijk eigendom.

III. Het laatste oordeel. Nadat de Koning als Bruidegom in het inwendige van Zijn paleis Zijn bruiloft heeft gevierd, daarna raadsvergadering heeft gehouden met hen, aan wie Hij als Leenheer Zijn geld ter beschikking had gelaten, eer Hij nog het Koningschap bezat, zal Hij eindigen met een openbare zitting te houden vóór Zijn paleis, op den troon Zijner heerlijkheid, omstuwd van Zijne legerscharen. Dan heeft Hij te doen met de onderdanen van Zijn nieuw Koninkrijk en Hij zal beslissen, wie Hij daartoe al dan niet rekenen kan.

Deze onderdanen zijn de minste van de drie. Zij heeten niet broeders of dienaren maar rechtvaardigen (vs. 46). Ja, zij worden nauwkeurig onderscheiden van de broeders in deze woorden: „voor zooveel gij dit aan een van deze Mijne minste broeders gedaan hebt, zoo hebt gij dat aan Mij gedaan.quot; Zij zijn ook de groote menigte en behooren dus niet tot de edelen Zijns

-ocr page 137-

DRIE ZUIVER GETROKKEN BEELDEN. 117

Koninkrijks, immers in vs. 32 heet het: „voor hem zullen alle volkeren vergaderd worden.quot;

Zij worden niet aangesproken met den naam van „goede en getrouwe dienstknechtenquot; maar met dien van „gezegenden des Vadersquot;, een veel flauwer titel.

Dat zij niet zoo hoog staan bewijst hun arbeid. Zij hadden zelf geen honger of dorst of gebrek of gevangenis geleden ter wille van Gods Koninkrijk, maar slechts geholpen en gesteund hen, die leden. Zeiven hadden zij dus brood, en kleederen en alles wat zij noodig hadden.

En waarom worden zij nu zalig geprezen? Om hunne goede werken ? Hebben zij den Hemel verdiend door aan armen en ongelukkigen wel te doen ?

Zoo denkt men vaak, maar daar staat geen woord van. De Heere Jezus bedoelt geen armen en ongelukkigen in het algemeen, maar zeer bepaald Zijn broeders. nl. profeten en martelaars, die om Zijns naams wil lijden en strijden.

De eenige vraag, die Christus beantwoord wil hebben, is deze: bestaat er bij u geestelijk leven? Zij: gij vrienden van Mij ? Is uw oog open voor de hemel-sche waarde van Mijn Koninkrijk ? Dit nu is bij hen gebleken alzoo te zijn uit hunne liefde voor Christus' broeders.

Men kan veel doen aan armen en toch Gods kinderen haten. Dit is zoo vaak vertoond in dagen van vervolging, dat het geen bewijs van noode heeft. In onze dagen zal men er ook vinden, die veel liever armen zullen helpen dan Gods gemeente steunen. Komt gij voor een of anderen arme, zij zijn niet onwillig, maar vraag een gift voor arme ouders, die hunne kinderen een christelijke school willen laten bezoeken, zij bedanken er u hartelijk voor; wellicht zullen zij

-ocr page 138-

DRIE ZUIVER GETROKKEN BEELDEN.

hen zelfs tegenwerken of belasteren zoo hard zij kunnen.

Daaruit blijkt, dat zij wel uit menschelijke goedhartigheid handelen, maar niet uit een beginsel des eeuwigen levens. Het Koninkrijk Gods, de prediking des Evangelies, het brengen van Gods woord tot verlorenen, gevallenen, heidenen, dat alles laat hen volkomen koud, ja wekt hun tegenzin op.

Daarom wordt de voorstelling van het laatste oordeel zeer slecht begrepen, als men er in leest, dat de mensch door armen en ongelukkigen te helpen den hemel kati beërven. Er staat veeleer het tegendeel. Jezus heeft nooit dc armen in het algemeen als Zijn plaatsvervangers op aarde beschouwd. Integendeel, Hij trekt juist een lijn tusschen de armen en Zich zeiven, als Hij (Mth. 26, 11) zegt: »de armen hebt gij altijd bij u, maar Mij hebt gij niet altijd.quot;

Maar de Heiland maakt Zich één met Zijn gemeente, Zijn broeders, die om Zijnentwil honger, dorst, vreemdelingschap, gevangenis lijden, en indien nu iemand deze broeders, door de wereld gesmaad en veracht, liefheeft, zoo toont hij daarmede, dat ook zijn oogen zijn opengegaan voor de eeuwige geestelijke dingen.

Wat deze rechtvaardigen daarom aan de broeders des Heeren deden, was niet veel bijzonders, want zij gaven van hun overvloed, en het goede werk had niet veel waarde, wanneer men het wilde berekenen. Daarbij, zij zei ven hadden niets te lijden en bleven buiten de verdrukking, maar uit een geestelijk oogpunt bezien kreeg het waarde, want zij bewezen te begrijpen wat de wereld niet begrijpt. Zij zouden, als Jezus Christus zelf daar geweest ware. Hem niet hebben verworpen. Op grond van hun geestelijken staat zegt daarom de Heere: »gij hebt dit aan Mij gedaan.quot;

Het is dus een bewijs van Zijne groote mildheid.

118

-ocr page 139-

DRIE ZUIVER GETROKKEN BEELDEN. 119

dat Hij zelfs zulk een onbeduidende liefde, zulk een geringe toewijding aan Zijn Koninkrijk als een teeken van geestelijk leven wil aanmerken. Wel behoorenzij niet tot den bruidsstoet of tot de keurbende; wel worden zij niet toegelaten tot het inwendige van Zijn paleis, of tot het deelen in Zijn heerschappij, maar zij krijgen hetgeen waar zij niet op hadden kunnen rekenen, nl. het leven. Elders heet het: wie zijn leven verliezen zal om Mijnentwil, die zal het vinden. Dat hadden zij juist niet gedaan, zij hadden hun leven behouden. Maar toch worden hun liefdebewijzen hun hoog aangerekend en heet het, dat ook deze rechtvaardigen het eeuwige leven, dat hun niet toekwam, beërven zullen.

Omgekeerd zijn al die aan de linkerhand staan geen hardvochtige en ongevoelige menschen; zij wisten niet, dat zij Jezus ooit hadden veronachtzaamd; wie weet hoeveel armen zij bedeeld hadden. Maar dit is hun fout: Jezus Christus wandelt altijd rond op aarde, verborgen in Zijn geloovigen en zij hebben dezen altijd miskend, ja het is hun niet in de gedachte gekomen, dat die verachten, vervolgden Jezus' broeders konden wezen. Hun oog was blind voor de geestelijke dingen en daarom kunnen zij in dat koninkrijk niet komen, dat een wedergeboren hart eischt, zelfs om het te kunnen zien.

-ocr page 140-
-ocr page 141-
-ocr page 142-
-ocr page 143-
-ocr page 144-