(icrt'liiniicci n. ...
â lt;atechet.4fh f)nèlt;ru'ij[s met Aaufeeliêiunocn âº;lt;
H« E. GR AVE MEIJER, |
C*n* vc m tii5-c?rc?v kaïvt. Si
Y
:evskde druk.
;i!
it
w i n s e ii o t V. xj M
!'⢠TJAMAN (Firma P. HITISIXfiH). j 1891. y
Y
ijjt â «
j
gt;.1 â i
35 cent. _j^
'Ãj.iui'!.' â¢'iit-j
'
i
k
11)
or
CATECHETISCH ONDERW'
i'moi;
j
J Qj
' lt;Aj
H. E. C-RAVEMEIJEE.
hiiicnrus-1 red
/i.VKNDI-: i»I i i' k .
/./ / â /
l-M ca a ': i) ? X
av i x s c ii o 'i; i: n. 1'. K A M A X (1 :;;ma \\ 11 T I S I X Cr
CATECHETISCH ONDERWi
POOR
m ^ o i
1b
H. E. GrEAVEMEIJER,
Emeritus-Predikant.
ZEVEXDE DRUK.
t
l/rv^ny
t ? lt;fiw\yó
AV I X S C H O T E X,
P. R A 31A N (FIRMA P. ][ 1' I S I X G H). 1891.
ri
. £Vquot;- â¢
» LIBERALITEIT.
Gij schenkt Gods waarheid weg en noemt dit liberaal, 't Is maklijk mild zijn van een anders kapitaal!
Hebt gij 't in vruchtgebruik, deel mede van de vruchten. Die meer doet heeft het recht des eigenaars te duchten.quot;
Beets.
IETS UIT DE VOORREDE VOOR DE EERSTE UITGAVE.
Was do catechisatie altijd een belangrijk deel van het werk waartoe de Leeraar in onze Kerk is geroepen, gewichtiger nog is zij geworden in onze dagen.
Ik heb gepoogd met deze Geloofsleer aan mijne eigene behoefte te voldoen en voor leergrage leerlingen den weg tot grondig inzicht in de waarheid te openen, naar de leer onzer Kerk, die, hoe meer wij haar aan de Heilige .Schrift toetsen, des te meer blijkt de leer der Schrift zelve te zijn. De leerling getrooste zich de moeite de aangehaalde bijbelplaatsen na te zien en zich die zooveel mogelijk eigen te maken, om alzoo gefundeerd te worden op den vasten grondslag des geloofs : »er staat geschreven lquot;
Wat de Aanteekeningen betreft, deze geven stof tot nadere behandeling der zaken, ten einde het catechiseeren voor leeraar en leerling beiden gemakkelijk tc maken en zij strekken deels tot toelichting en staving der waarheid, deels tot afwering der voornaamste dwalingen, die onder allerlei vormen zich helaas steeds vernieuwen. Dies bevreemde niet het noemen van oude namen, als «Pelagianen//, «Socinianen» en dergelijke ; het is noodig en nuttig bij eene dwaalleer met een wenk te toonen, bij wie zij eigenlijk te huis hoort. Men mag ook bij de Geloofsleer wel bedenken wat een beroemd Godgeleerde (tholuck) van de Exegese (Schriftuitlegging) ergens aanmerkt, als een teeken des tijds, hoe men sedert het begin dezer eeuw haren histori-schen draad vallen liet en zij daardoor al meer en meer haar kerkelijk karakter verloor. Terugkeer van dwaling en menschenvond tot de Schrift, dat is de ware vooruitgang. Hervorming van onze hoofden en harten naar het eeuwig blijvende Woord van God , dat is de ware Reformatie. Onze nnam «Gereformeerden// zelf (ontleed uit Rom. 12 : 2 naar de Latijnsche Vertaling: reformamini, wordt veranderd, hervormd!) moet ons daartoe een spoorslag zijn. Dan zijn wij echte Gereformeerden, wanneer wij toonen hervormd te zijn van hart en wandel; dan ware Protestanten, wanneer wij protesteeren en strijden tegen den duivel en zijn rijk, tegen zonde en leugen, maar ook tegen de aanmatigingen der religie van den natuurlijken mensch. Overigens hoe het ook ga, Gods Woord blijft, de Schrift kan niet gebroken worden. En daarbij hebben wij de heerlijke belofte van een waarachtig en getrouw God. Jes. 55 : 10, 11 : «Gelijk de regen en de sneeuw van den hemel nederdaalt en derwaarts niet wederkeert, maar doorvochtigt de aarde en maakt dat zij voortbrenge en nitspruite en zaad geve den zaaier en brood den eter; Alzoo zal mijn woord, dat uit mijnen mond uitgaat, ook zijn, het zal niet ledig tot mij wederkeeren maar het zal doen hetgene dat mij behaagt en het zal voorspoedig zijn in hetgene waartoe ik het zend.// Geve de Vader der lichten ook bij het gebruik van dit Onderwijs zijnen zegen, geve Hij den vroegen en den spaden regen op het zaad der waarheid in verstand en hart, opdat het vruchten voortbrenge tot het eeuwige leven!
onstwedde, 10 Juli 1865. G.
DE TWEEDE DRUK
van dit Cateclietiscli Onderwijs onderscheidt zich van dfm eersten nagenoeg niet dan door duidelijker letter in de Vragen en Antwoorden. Ik heb geen reden gehad om iets van belang te veranderen. Verkorting was mij niet mogelijk, scheen ook niet noodig noch geraden. 3)c jongelieden voor wie dit leerboek het naast bestemd is, vinden er behoorlijk werk in, doch, bij lust en vlijt, geen ondoenlijk werk, gelijk eene verblijdende ervaring mij leert.
Het zal wel oveibodig zijn te herinneren, dat in dit Onderwijs de orde gevolgd is van het bekende Voorbeeld der Goddelijke Waarheden van a . hellenbroitk. Dat vragenboek werd vroeger ook door mij gebruikt, omdat het, bij gebrek aan beter, mij nog het meest geschikt voorkwam om met de waarheden van onzen Godsdienst tegelijk ⢠hare gronden den leerlingen zooveel mogelijk tot bewustzijn te brengen en de dwalingen met hare ongegrondheid aan te duiden, hetgeen in onze dagen dringende behoefte is. De redenen, waarom ik het eindelijk niet langer kon gebruiken, lagen in hetgeen deze («eloofsleer van het Voorbeeld verschilt Eu had hellenbroek thans geleefd, hij zelf zou zijn vragenboek anders hebben geschreven, ik stel mij voor ongeveer zooals dit. Het boekje heeff bij den eersten uitgang zijnen weg gevonden, begeleide de zegen des Heeren het nu wijder op zijn tweede reis.
onstwedde, 22 October 1866. GRAVEME1JER.
BIJ DEN VIJFDEN DRUK.
De derde uitgave van dit vragenboek verscheen 1872. De vierde 1877. Nu gaat het ten vijfden male wandelen. God zegene 't op zijne reis ! Achter hetzelve komt «en uitlegger aan, genoemd Leeshoek over de Gereformeerde Geloofsleer, waarvan tot hiertoe vier Stukken zijn verschenen, bij iederen boekhandelaar te bespreken. â Moge het boeksken door Gods zegen verder nut doen en in zijnen deele bij velen medewerken om de leer onzer kerk in hare schriftuurlijke gronden dieper na te sporen, haren hechten samenhang klaarder te bevatten en hare onbetwistbare waarheid met overtuiging te erkennen. â â¢Worde ook aan ons Nederlandsch Sion nog eens vervuld de Godspraak van Zacharia 8:3: //Jeruzalem zal geheeten worden eene stad der waarheid en de berg des Heeren der heirscharen, een berg der heiligheid.// En moge de gisting en strijd onzer dagen daartoe leiden dat men eindelijk blij en dankbaar «loofhuttenfeest viere« in den zin van Zaeharia's voorzegging (14 : 16).
elburg, 24 September 1880. DE SCHRIJVER.
Gerei jrmeerde GeloofsleeF.
M, OotlsfliciiJit. Bi'onnen dei'
1 Vr. Wat moet onze voornaamste zorg zijn? Antw. Wij moeten bovenal voor onze ziele zorgen
en naar het eeuwige leven trachten. (Matth. 6 ; 33. 1 Kon. 3 : 10.)
2 Vr. Waarom is dat zoo noodig?
Antw. O;is leven op aarde is kort en onzeker, de wereld wisselvallig en al het zichtbare kan ons in het einde niet oaten. (Matth. 1G : 26. Pred. 1 ; 2.)
3 Vr. Wat moet ons nog meer daartoe aanzetten? Antw. Wij zijn menschen, met een redelijken, on-
sterfelijken geest, vatbaar voor een eeuwige zaligheid: wanneer wij alleen voor het tijdelijke zorgen, handelen wij tegen onze bestemming en stellen ons aan de rede-looze dieren gelijk. (Pred. 12 : 13, 14.)
4 Vr. Hoe wordt de zaligheid verkregen?
Antw. De weg der zaligheid is de tcare Godsdienst en bestaat in God te kennen, te beminnen, te genieten en te verheerlijken. (Ps. 73 : 25â28.) fgt; Vr. Waarop is de Godsdienst gegrond?
Antw. De grond van den Godsdienst ligt in deze erkende waarheid: er is een God, in wiens gemeenschap onze zaligheid bestaat. (Hebr. 11 : 6.)
G Vr. Wat geeft de naam God te kennen?
Antw. âGodquot; is de eenig en eeuwig âGoedequot;, oneindig volmaakt in zich zeiven en oorzaak van alle
r
6 I
goed, Schepper, Onderhouder en Regeerder van het heelal. (Matth. 19 : 17. Jac. 1 : 17. Nederl. Geloofsbel. Art. I.) 7 Vr. Hoe weten wij van God?
Antw. Er zijnftweé bronnen, waaruit onze Godskennis vloeit, eene algemeene en eene bijzondere: natuur
en Schrift. (Ps. 19 : 2, 8.)
$ O ; V) v Ntv,quot; {Natuur is liier; de aanleg.
aard en staat van het geschapene, zoo van den mensch zeiven als van de dingen buiten ons.)
8 Vr. Hoe onderscheidt zich onze kennis van God uit de natuur?
Antw. De natuurlijke Godskennis is tweeërlei: eene aangehorene en eene verkregene.
(De eerste is de grond en wortel, de tweede de ontwikkeling daarvan; de eerste het vermogen, de tweede de vrucht van zjjne oefening. De natuurlijke Gods- 1 kennis door sommigen (Socinianen) geloochend, door anderen overdreven.)
9 Vr. Wat is de aangeboren Godskennis?
Antw. De ingeschapen kennis van God is niet een
duidelijk denkbeeld van God, maar een indruk in onzen redelijken geest van een Opperwezen, van hetwelk wij quot;\*i en alle schepselen afhangen.
(Dit Godsbesef is ons zoo aangeboren als de redelijkheid; het zedelijk gevoel, het geweten, is er een uitvloeisel van. â Het is geen overblijfsel van het beeld Gods nauw genomen, ook geen gave na den val, maar behoort tot het beeld Gods in ruimer zin.)
10 Vr. Is dat zoo in ieder mensch?
Antw. Deze aanleg behoort met rede en geweten tot J,
1
I
liet wezen van den mensch en onderscheidt den mensch I boven de redelooze schepselen, die voor het bovenzin
nelijke en daarom voor Godsdienst onvatbaar zijn.
(Een ongodsdienstig mensch onteert alzoo niet alleen God, maar ook zich zeiven en is een smaad voor de
TT menschheid.)
j
11 Vr. Leert de H. Schrift ook. dat er zulk een indruk en vermogen om God te kennen in den mensch
. list?
1 Antw. Ja: want ook van de Heidenen getuigt de
Schrift: zij hebben en toonen de kennis van God uit 3 zijne werken. (Rom. I : 19, 20.)
12 Vr. Wat leert het woord Gods nog meer daarvan ?
Antw. De H. Schrift zegt verder van de Heidenen:
e zij toonen eene wet te hebben in hunne harten, terwijl
, bij hunne handelingen hun geweten medegetuigt â een bewijs van een aangeboren besef van een hoogsten Wetgever en Yergelder en van de verantwoordelijkheid jegens Hem. (Rom. 2 : 14, 15. â Hand. 17 ; 27, 28).
13 Vr. Wordt dit voortgaande door de ervaring n bevestigd ?
n Antw. Er wordt geen volk op aarde gevonden of
ij amp; het erkent een bovenaardsche Macht en heeft eenige soort van Godsdienst: dit kon zoo algemeen niet zijn, wanneer het niet lag in de natuur des menschen.
gt; 14 Vr. Maar zijn er geen Godloochenaars?
gt; Antw. Uit wezenlijke overtuiging en zonder eenige d vrees voor het tegendeel kan geen mensch het bestaan r van God loochenen. (Spr. 28 : 1 Jez. 57 : 21.)
15 Vr. Wie zijn dan de Atheïsten of Ongodisten?
Antw. Ongodisten zijn allen, die zoo leven als of )t J. er geen God was; ook die eenen anderen God verzin-
7
10
ïpenhariny aan Adam en de vaderen na hem, aan ibraham en het volk Israël, ter voorbereiding tot zijne loogste openbaring in Jezus Christus. (Joh. 1 : 18. lebr. 1:1.)
23 Vr. Vanwaar verkrijgen wij nu de zaligmakende cennis ?
Antw. Al wat wij van noode hebben om zalig te vorden, is met de tijdsomstandigheden, onder welke iet trapsgewijs geopenbaard werd, beschreven in de ï. Schriften; deze zijn voor ons de eenige bron van zaligmakende kennis. (2 Tim. 3 ; 15.)
24 Vr. Welke is nu dan de ware Godsdienst?
Antw. Dat is de Christelijke godsdienst, gegrond op
ie volkomen openbaring van den waren God in Chris-;u8, gebouwd op het fundament der Apostelen en Proeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste hoeksteen. 1 Tim. 3 : 16. Ef. 2 ; 20.)
(Buiten en tegen staan 1. Joden (omtr. 5 mill.) die len hoeksteen verworpen hebben en alleen het eerste leel van de openbaring Gods aannemen, zonder het te verstaan. (Hom. 10 : 1â4. 2 Kor. 3 : 14, 15.) 2. Mohammedanen, (omtr. 130 m.) aanhangers van Mo-'lammed (geb. 571 te Mekka, in Arabië, opgetreden gt;11 n. C.), met de hoofdleer; âer is maar één God 3n Mohammed is zijn profeetquot;. 3. Heidenen, (omtr. ^00 m. die in hunne blindheid menigerlei valsche go-ien dienen. (Ps. 96 : 5.) De dwaasheid daarvan is .reffend tentoongesteld Jez. 44 : 9-â20.)
25 Vr. Kan men niet bij iederen Godsdienst zalig ivorden ?
Antw. Christus is de eenige Zaligmaker en de zaligheid in (jeenen anderen: want er is ook onder den he-
I
11
I
mei geen ander naam, die onder de meuschen gegeven 1% door tvelken ivij moeten zalig worden. Hand. 4 : 12.
(Hiertegen strijdt niet Hand. 10 : 34, 35. Petrus spreekt van de aanneming der Heidenen, van de gelijkstelling der natiën, niet der religiën; hij zegt niet: âbij alle religie''' of âbij ieder geloofquot; maar âin alle voW en hij zelf betuigt v. 43 de noodzakelijkheid des ge-loofs in Jezus.)
26 Vr. Hebben de belijders van het Christendom zich getrouw aan de H. Schrift gehouden ?
Antw. Er zijn velen afgeweken en bijzonder door de Pausen te Rome zijn er leeringen en gebruiken ingevoerd strijdig tegen het Woord van God.
(Vereering van Heiligen, voornamelijk van Maria; misse, vagevuur, aflaat, monniken, verdienstelijke goede werken ; bijbelverbod ; pauselijke heerschappij).
27 Vr. Werd de waarheid ooit geheel verduisterd ?
Antw. God zorgde dat het licht te geenen tijde
geheel werd uitgedoofd ; in de 16e eeuw deed Hij het wederom met kracht doorbreken, zoodat de Kerkhervorming tot stand kwam.
(Getuigen der waarheid. Bijzonder Joh. Wiclef, in Engeland, gest. 1384; Hiëronymus van Praag en Joh. Hus, beiden verbrand. Hm 1415, Hiëronymus 1416. Kerkhervormers: Luther, geb. 1483, gest. 1546. (31 Oct. 1517 : 95 Stellingen tegen den aflaat der Dominicanen), Melanchthon, gest. 1560; Zwing li, gest. 1531; Calvijn, geb. 1509, gest. 27 Mei 1564.)
28 Vr. Zijn degenen, die de leer der Hervorming aannamen, vereenigd gebleven ?
12 I
Antw. Do Christenen, die de Roomsche dwalingen verlieten, hebben zich, ofschoon in de hoofdzaak eenig, in twee kerkgenootschappen gescheiden, Lutherschen en Gereformeerden, binnen welke ook weder verschillende, afdeelingeu zijn ontstaan.
(Gemeenschappelijke naam en strekking: Protestanten, sedert hun 'protest op den rijksdag te Spiers 1529 : âde H. Schrift alleen auctoriteit en bron in zaken der religie in plaats van enkel meerderheid van stemmen van vroeger of heden,quot; in tegenstelling tegen de lioomsch Katholieken en de Griekse hen. De Protestanten verdeeld in Lutheranen en Gereformeerden. De Gereformeerden in Nederland maken de Nederlandsche Gereformeerde (Hervormde) Kerk uit, gekenmerkt in hare Belijdenis (37 artikelen, 1561) als uitdrukking van het gemeenschappelijk geloof op grond der h. Schrift. Daarbij de Heidelbergsche Catechismus, uitgegeven 1563, opgesteld door Gaspar Olerianus, geb. 1536, leerling van Calvijn, en Zacharias Ursinus, geb. 1534, leerling van Melanchthon ; Formulieren bij kerkplechtigheden, (doop, avoudm. enz.) of liturgische schriften, gewichtig â als een belijden telkens van de gemeente bij monde van den bedienaar; Leerregelen van de Dordrechter Synode tegen de Remonstranten. De Leerschriften {Symbolische schriften. Formulieren van eenigheid) zijn noodig en dienstig voor de kerk als verklaring van hare schriftopvatting, als regel voor hare leeraren en godsdienstonderwijzers, als onderscheiding steeken tegenover andere kerken, als hand van eenigheid in de kerk zelve.')
w
13
II
MM. Vod* If oortl.
1 Vr. Wat is de Heilige Schrift?
Antw. De Heilige Schrift is het beschreven Woord van God of de verzameling der gedenkschriften van de Goddelijke openbaringen.
(Schrift in tegenstelling tegen mondelinge overlevering; vóór de boekdrukkunst waren alle boeken schriften. (Beweeglijke lettervormen uitgevonden 1436 n. C. door Gut-tenberg in Straatsburg.) Heilig wegens 1. oorsprong, 2. inhoud, 3. doel, 2 Tim. 3 : 15, 1G.âBijbel bcteekent âhet Boekquot; boven alle boeken.)
2 Yr. Op welke mjs geschiedden de Goddelijke openbaringen ?
Antw. God maakte zijnen raad en wil bekend door mondelinge aanspraken, hoorbare stemmen, gezichten en droomen.
(God sprak tot Adam zoo vóór als na den val: Gen. 2, 3 ; tot Kaïn Gen. 4; tot Noach Gen. 6 ; daarna bijzonder tot Abraham ; zelfs tot Abimelech te Gerar, Gen. 20 : 3.)
3 Vr. Werden de openbaringen vroeg opgeschreven^
Antw. Gedurende het tijdperk vóór Mozes, omtrent
derdehalf duizend jaren lang, had men ce Goddelijke openbaringen niet in geschrift.
(De schrijfkunst was vroeg bekend, bij de Egyptiërs in algemeen gebruik ; de Israëlieten begonnen met het schrijven der geslachtstafelen.)
4 Vr. Hoe bleven in dien tijd de openbaringen heir aard?
14
Antw. De vaderen verhaalden liet geopenbaarde aan hunne kinderen, om die tot geloof en godzaligheid op te leiden.
{Adam en Eva verhaalden, wat zij nog van het paradijs af wisten, ook de belofte van het Zaad der vrouw. â Onderlinge mededeeling en vereeniging in de waarheid blijkt onder Enos, Seths zoon. Gen. 4 : 20. â Lantech. Noachs vader, wist hetgeen Grod in het paradijs had gesproken, Gen. 5 : 29. â Abrahams taak; Gen. 18 : 19.)
5 Vr. Was de mondelinge overlevering zeker ? Antw. Ja, vooral wegens het lange leven der men-
schen : men kon eeuwen lang alles uit den mond der stamvaderen zelve hooren.
{Adam (930 j.) leefde nog 5C jaren met Xoachs vader Lamech ; Noach (950 j.) tot aan Abrahams geboorte; Sem nog 50 j. in Izaiiks tijd.)
6 Vr. 15jj wie werd de waarheid voortgeplant? Antw. Het licht der Goddelijke openbaringen bleef
eerst bij het geslacht van Seth; na den zondvloed bij de nakomelingen van Sent, daarna bij Abrahams zaad, het Israëlietische volk.
7 Vr. Bleef de mondelinge overlevering voldoende? Antw. Wat God voor de menschen gedaan en gesproken had, dat moest, zou 't op den duur zuiver bewaard blijven, onder zijn eigen bijzonder bestuur in schrift gesteld worden.
8 Vr. Wanneer is de beschrijving begonnen?
Antw. De eerste schrijver was Mozes, ook de eerste
wonderdoener : hij beschreef hetgeen tot daartoe geopenbaard was, met de gewichtigste gebeurtenissen van de schepping aan. (Hand. 7 : 22. Sum. 12 : 7, 8.)
II
15
II
9 Vr. AVanneer is de beschrijving van Gods Woord voltooid ?
Antw. Nadat God op onderscheiden tijden heilige mannen daartoe had verwekt en bekwaam gemaakt, heeft hij eindelijk den Apostel Johannes, meer dan 1500 iaren na Mozes, het laatste bijbelboek doen schrijven. (Openb. 1 : 9.)
10 Vr. Hoe zijn de H. Schriften verzameld?
Antw. De verzameling der Schriften beide des O.
en des N. T. is allengs tot stand gekomen onder de bijzondere voorzienigheid vau God, die de kerk do ware heilige Schriften deed onderscheiden en als gezaghebbend (canoniek) erkennen.
(De verzameling van het O. 7'., begonnen voor de Babylonische ballingschap, werd na de wederkeering der Joden vervolledigd door Ezra en Nehemia (die naar 2 Makk. 2 : 13 eene tempelbibliotheek aanlegde.) Reeds in het oudste der apocryphe boeken wordt het O. T. als één gesloten geheel met de bij de Joden gewone verdeeling genoemd: âde Wet en de Profetieën en de overige Boekenquot;. Jezus Sirach, voorrede v. 7 (131 v. C.). â De algemeene verbreiding en erkenning van het geheele N. T. kon bij de uitgebreidheid der kerk slechts langzaam geschieden; vastgesteld 393 n. C. op de kerkvergadering te Hippo in Noord-Afrika.)
11 Vr. In welke taal is het O. T. geschreven?
Antw. Het O. ï. is geschreven in het Hebreeuwsch,
de taal van dat volk, aan hetwelk God zijne woorden toevertrouwde. (Rom. 3 : 2. Ps. 147 : 19, 20.)
(Eenige stukken van Daniël en Ezra in den Chal-deeuwschen tongval, die in het land der ballingschap gesproken werd; de Chaldeërs behoorden even als de
II
Israëlieten tot het geslacht van Sein. genen uit' diem ;oon Aram, dezen uit Arphachsad.)
12 Vr. In welke taal is het jV. T. geschreven? Antw. Het K. T. is geschreven in de Grieksche
aal, die toon meest algemeen gesproken en verstaan iverd, de taal der volken. (Matth. 28 : 19.)
(De Bijbel is voornamelijk sedert de kerkhervorming n al meer talen overgebracht. â De L'oomsche kerk acht le drie talen van het kruis (Joh. 19 : 20) xoot genoeg m kent aan hare Latijnsche Overzetting ( Vulgata) het-lelfde njèg als aan den grondtekst toe. â De Neder-'andsch^^eerzetting (Statenbijbel 1637) munt uit door getrouwheid en nauwkeurigheid. â Door middel van cle Bijbelgenootschappen, waarvan het Evgelsche (1804) liet eerste was, wordt Gods Woord nu reeds in meer dan 200 talen en tongvallen gelezen.
13 Vr. Waardoor onderscheiden zich de Bijbelquot; boeken van alle andere schriften?
Antw. Al de Bijbelboeken zijn geschreven onder een bijzonderen invloed van God, overeenkomstig het doel der Goddelijke openbaring. (2 Tim. 3: 16. 2 Petr. 1 : 21.)
14 Yr. Waarvoor moeten wij dan den Bijbel houden? Antw. De Bijbel Gods Woord naar inhoud en hc
schrijving.
15 Vr. Waarom moeten wij den Bijbel naar zijnen inhoud Gods Woord noemen?
Antw. De Bijbel is Gods AVoord, omdat hij de Goddelijke openharingen bevat; de heilige mannen hebben niet hunne eigene of menschelijke wijsheid daarin neergelegd, maar die wijsheid, welke de Geest Gods door onmiddelbare verlichtinfc in hunnen ceest had voort-
o O
gebracht. (1 Kor. 2 : 5.)
â
.
II 17
1G Vr. Maar hoe kan de gelieele Bijbel Gods Woord zijn, daar er immers veel ongoddeJijks in voorkomt ?
Antw. De Bijbel vermeldt wel nevens de heilige wegen en reden Gods ook de zondige werken en woorden van duivel en menschen (van Gen. 3 aan), maar ook dat behoort mede tot Gods Woord, omdat het er van Godswege in beschreven is, tot leering en waarschuwing voor ons.
(Booze woorden van Kaïn, Saul, Achab, Xebukad-nezar enz. Kwade samensprekingen als 1 Kor. 15 : 32. Spr. 9 : 17. â Job 42 : 7.)
17 Vr. Wat is dienvolgens de eigenlijke grond van al de Uitnemendheid des Bijbels ?
Antw. De ingeving der Heilige Schrift door den H. Geest is de ware grond, waarop haar naam en gezag als het Woord Gods rust.
18 Vr. Waarin bestond dan die werking van den H. Geest ?
Antw. Het was 1. eene aandrijving, eene werking op den uil der heilige schrijvers : op Goddelijke aandrift hebben zij gesproken en geschreven.
(Exod. 17 : 14 totMozes: Schrijf dit tot gedachtenis in een [eigenlijk : het] hoek. Openb. 1:19 tot Johannes : Schrijf hetgeen gij gezien heht en hetgeen is en hetgeen geschieden zal na dezen. Twaalfmaal kwam tot Johannes het bevel van den Heere, om op te schrijven wat-hem geopenbaard werd.)
19 Vr. Waarin bestond die werking meer?
Antw. Het was 2. de eigenlijke ingeving, eene werking des H. G. op hun verstand, waardoor liun de zaken, die zij schrijven zouden en ook de gepaste woorden te binnen kwamen.
.
2
18 II
(Dit nam niet weg liet eigen onderzoek en nadenken en le eigenaardige zegswijs der schrijvers. 1 Kor. 12: 11.)
20 Vr. Hoe werkte de H. G. nog daarbij ?
Antw. liet was 3. eene besturing onder liet sclu'jj-
ven, waardoor de heilige schrijvers voor dwaling bewaard en de Goddelijke openbaringen onvervalscht beschreven werden.
21 Vr. Werd hnn alles wat zij schreven eerst in dienzelfden oogenblik en onmiddellijk geopenbaard ?
Antw. /ij schreven ook wat zij gehoord en gezien of zeiven naarstiglijk onderzocht hadden, doch zij werden ook daarin door den PI. G. zoo geleid, dat zij niets verkeerd en onwaar en niets onnoodigs schreven (1 Joh. 1:1. Lnc. 1 : 3.)
22 Vr. Welke zijn de hen-ijzen van (Je Goddelijkheid der H. Schrift ?
Antw. De 11. Sclirift bewijst zelve hare Goddelijkheid 1. door do verhevenheid harer leer, namelijk door de verborgenheden die zij ontdekt en door de heiligheid en zuiverheid harer voorschriften. (1 Kor. 2 : 9, 10.)
23 Vr. Waardoor meer ?
Antw. 2. Door hare voorzeggingen^ wier vervulling al voortgaat: deze kunnen niet anders cian van God zijn, door openbaring van zijne raadsbesluiten. (Jez. 41 : 21, 22. 42 : 9.)
24 Vr. Waaruit blijkt de Goddelijkheid der H. Schrift nog meer ?
Antw. 3. Uit de eigenaardige kracht en werking van het bijbelwoord en de bijbeltaal op het hart des men-schen : het maakt een indruk als geen menschenwoord.
(Jer. 23 : 29 : â als een vuurââ en als een hamer. Hebr. 4 : 12 : â een zwaard. Jez. 55: 10, 11. Ps. 19
II
t
19
en 119. Ook de filgemeene uitwerkingen in de mensch-heid getuigen er vun: de Israëliet en hadden geheel hunnen voorrang boven de Heidenen hieraan te danken, dat hun de woorden Gods waren toebetrouwd (Rom. 3 : 2), en al wat de Christenheid vooruit heeft boven de andere volken, heeft zjj door middel van den Bijbel.)
25 Vr. Wat is bovendien een voornaam bewijs van de Goddelijkheid der H. Schrift ?
Antw. 4. De eigene (/eiuir/enis van Christus en de Apostelen.
26 Vr. Wat getuigen zij van liet O. T. ?
Antw. Christus en de Apostelen hebben dezelfde Schriften, die wij het O. T. noemen, als Goddelijke Schriften gebruikt en hare woorden als uitspraken van God zeiven aangehaald, die men zonder verder bewijs moest eerbiedigen.
27 Vr. quot;Welke getuigenis hebben wij van Christus zeiven voor het V. T. 'â f
Antw. Christus heeft aan zijne Apostelen den H. Geest beloofd en geschonken : Hij heeft do zaligheid gesteld op het geloof, de verdoemenis op het ongeloof omtrent hetgeen zij predikten : dat kon niet, wanneer, wat zij mondeling en schriftelijk leerden, uit hen zeiven was. (Joh. Ifi : 13. â Hand. 2:4. â Mare. 10:15, 16. Luc. 10 : 16. â Matth. 15 : 9.)
28 Vr. Wat getuigen daarvan de Apostelen ?
Antw. De Apostelen verzekeren zeiven, dat hunne
leer niet is van menschelijken oorsprong.
(Gal. 1 : 11, 12. Hetgeen Paulus daar van zich zegt, geldt ook van de overige Apostelen : want hij stelde zich niet boven de andere, maar hun gelijk.)
20 II
29 Vr. Maar is de eigene getuigenis der Apostelen hierin geloofwaardig en zeker ?
Antw. Ja: want het waren vrome, waarheidlievende, oprechte en onbaatzuchtige menschen, gelijk zjj door geheel hunnen wandel hebben bewezen.
30 Yr. Wat maakt hun eigen getuigenis nog meer geloof waardig ?
Antw. Zij toonden daarbij eene lieldcrliehl van verstand en eene verzekerdheid die alle gedachten van zelfbedrog uitsluit; en God zelf getuigde mede door teekenen en wonderen. (Hebr. 2 : 4. Hand. 2 ; 48.)
31 Vr. Wat is mede een blijk van de Goddelijkheid der H. Schrif t ?
Antw. 5. De innerlijke eenheid en samenhang van al de Bijbelboeken : ofschoon zij door zoovele mannen, in zoo verschillende tijden zijn geschreven, heerscht er toch één Geest in alle.
(Geschreven in een tijdsverloop van meer dan 1500 jaren door meer dan 30 mannen. Hierbij komt de opmerkelijke hewariny.)
32 Vr. Wat is het beste en voor allen noodige bewijs van de Goddelijkheid der H. Schrift ?
Antw. G Dat is de (jetuigenis des Heilif/en Geestes in ons door ondervinding en beleving van de zaligmakende waarheid. Joh. 7 : 17. â Rom. 1 : 1(gt; â 1 Joh. 5 : G. â Ned.. Belijd. Art. V.
33 Vr. Wat volgt uit de Goddelijkheid der H. Schrift?
Antw. De Heilige Schrift heeft Goddelijk fjezmj: de
Bijbel is de eenige regel voor ons geloof en leven, de toeis van alle Godsdienstleer, ârechter der geschillenquot; over de religie.
{Ned. Belijd. Art. VIT. Daarom âcanoniekequot; Schriften
t
i
21
II
gouuemd. â⢠Wat nier, meer geldt (bijv. de wet dei-ceremoniën), wijst de Bijbel zelf' aan. â De H. Schrift heeft haar gezag niet van de Kerk (Roomsche stelling), maar van haar eigen Goddelijkheid.)
34 Vr. Welke schriften zijn er achter de canonieke boeken des O. T. gevoegd?
Antw. De Apocryphen, geschreven door godvruchtige Joden na den laatsten Profeet voor de komst van Christus
{Ned. Belijd. Art. VI. â Met de Grieksche Overzetting der LXX zijn zij tot de Christenkerk gekomen. Apocryph zegt: verborr/en, niet in synagoge en kerk gebruikt, in tegenstelling tegen de Goddelijke, gezaghebbende (canonieke) Schriften.)
85 Vr. Zijn de Apocryphe boeken Gods Woord niet?
Antw. Xe en, want 1. er zijn fabelachtige dingen in en met het erkende Woord Gods strijdende; 2. zij zijn door de Joodsche kerk, aan welke toch de woorden Gods waren toebetrouwd. [Rom. 3 : 2], nooit voor Goddelijk gehouden.
[1. B. v. IV. Ezra 14 : 21 v v.: wonderbare beschrijving iler Goddelijke openbaringen in 204 boeken binnen 40 dagen; het boek van Tobias 3:8: Asmodi en de 7 bruidegoms van Sara â, kap. 6 : verdrijving van booze geesten met gebraden hart en lever van een visch. â II Makk. 12 : 43 v.v. : offerande voor dooden (zielmis); kap. 14 : Razis' zelfmoord geprezen, tegen het Ge gebod. De leer en hope der verlossing is er niet in. 2. Toen het oudste der apocr. boeken geschreven werd, het boek van Jezus Sirach, hetwelk de kleinzoon van dezen uit het Hebreeuwsch in het Grieksch vertaalde,
22
was de verzameling der canonieke Schriften des O. T. reeds gesloten. (Zie boven vr. 10) â- Christus en de Apostelen halen ze niet aan. â¢â De Roomsche kerk neemt ze voor Goddelijk aan ; zij heeft op de kerkv. te Trente (1545â15G3) aan al de in hare Latijnsche Overzetting (Vulgata) bevatte schriften even gelijk gezag toegekend, tegen Openb. 22 : 18.)
3G Yr. Is do H. Schrift cohnaaht ?
Antw. De Bijbel behelst al de openbaringen van God en leert ons alles, wat wjj moeten kennen, ge-looven en betrachten om zalig te worden. I's. 19:8. 2 Tim. 3 : 15â17. Gal. 1 : 8.
37 Vr. Is er van de II. Schrift niets verloren gegaan of vervalscht ?
Antw. Al de canonieke Hoeken zijn onder Gods bijzondere voorzienigheid ongeschonden bewaard gebleven door de groote zorgvuldigheid der Joden voor liet O. T. en der Christelijke kerk mede voor het N. T.
(Het Boek des Oprechten (Joz. 10 : 13), der Oorlogen des Hoeren (Num. 21 : 14), een brief van Paulus aan de Korinthiërs (1 Kor. 5 : 9) zijn nooit canoniek geweest. â Jer. 8 : 8. 2 Thess. 2 : 2.)
38 Vr. Zijn er geene gezaghebbende overleveringen bij het geschreven Woord ?
Antw. Neen, de H. Schrift is de eenige en volledige regel voor de kerk. Matth. 15 : 9: Te vergeefs eer en zij mij, leerende. leeringen, die geboden van menschenzijn.
(De Farizeeën beriepen zich op inzettingen sinds Jlozes bij monde voortgeplant. In de Roomsche kerk: leeringen en voorschriften van Christus aan de Apostelen gezegd en langs hunne door den H. G. onfeilbare opvolgers
II
23
II
(do Pausen) als van hand in hand overgebracht. (Joh. 16 : 12. 2 Those. 2 : 15.| Feestdagen? Syn. te Dordrecht 1574 art. 53 : âis besloten dat men met den Zondag alleen tevreden zal zijn.quot; Anders 1619, Nahan-delingen, 162ste zitting: âdo kerken zullen onderhonden â ook den Christdag, Paschen en Pinksteren met den volgendon dag â ook den dag der besnijdenis en dor hemelvaart van Christus.quot; Uitwendige besturing en orde kan iedere particuliere kerk zelve bepalen, mits niet strijdig tegen hot Evangelie. 1 Kor. 14 : 40.)
39 Vr. quot;Welke eigenschap maakt de H. Schrift bijzonder bruikbaar ?
Antw. Hare klaarheid: al wat tot de wezenlijke geloofswaarheden behoort, staat in do Heilige Schrift voor ieder opmerkend lezer klaar on verstaanbaar geschreven. Ps. 119 : 105: l' ir Woord is eene la tup voor mijnen voet en een licht op mijn pad..
[Dent. 30 : 11 â14. 2 Petr. 1 : 19. â Do Protes-fanUche kerk tegen de 1'oomsche. Onverstaanbaarheid der Schrift zou strijden tegen hare bestemming voor de kerk, zij is verstaanbaar onder gebed, studie en beproeving. â Er zijn verhorgenheden in, ondoorgrondelijk in zich zelve, maar klaarblijkelijk bijbelleer, âGods Woord is als de wolkkolom Exod. 14 : 20. 2 Petr. 3 : 16. 2 Kor. 4 : 3, 4.]
40 Vr. Is en blijft het geschreven Woord voor de kerk noodig ?
Antw. De Heilige Schrift is onmisbaar, om de geopenbaarde leer in de kerk onvervalscht te bewaren en van menschehjke verontreinigingen telkens weer to zuiveren.
24
(Tegen de Roomse hen, die wel do overlevering, maar niet de H. S. voor volstrekt noodig achten; tegen geest-drijvers, die door openbaringen buiten het Bijbelwoord willen geleid worden ; tegen do oncjeloovlgen, die eigen verstand en rede voor bron en toets van alle waarheid houden, den Bijbel gering achten en zijn gezag verduisteren.)
41 Yr. Mag en moet elk den Bijbel lezen ?
Antw. Ja, rijken en armen, geleerden en ongeleer-den, ouden en jongen moeten naarstig lezen in het Boek des Hoeren.
[Deut. 6 : G v.v. Joh. 5 : 39. Hand. 17:11.1 Thess. 5 : 27. â Bij de Roomschen is voor de leeken het lezen van den Bijbel in hunne moedertaal zonder vergunning van hunne kerkelijke oversten (niet in de Symbolische boeken hunner kerk maar) door vele Pausen (sedert In-nocentius III 1199) verboden. De Protestantsche kerk wil geen blind geloof, maar zegt: kom en zie /]
42 \ r. Hoe moet men de H. Schrift lezen ?
Antw. 1. In de vreeze des Heeren, die het beginsel der wijsheid is : met eerbied en ontzag voor dien God, die daar tot ons spreekt. 2. Aandachtig, niet haastende : de gedachten moeten er bij zijn. 3. Met onde.neerpinfi. 4. Met een biddend hart.
[a. 1 Sam. 3 : 10. Jez. 66 : 2. b, Joh. 5 : 39 : Onderzoekt de Schriften â : zoekende wat er onder ligt. c, 2 Kor. 10 ; 5. 1 Sam. 15 : 22. d, Ps. 119 : 18.]
II
Ill
IMM. Wexett) Nanteti, f'if/ensvhnpjn-n.
1. HET OPPERWEZEN.
1 Yr. Kunnen wij weten irat God is?
Antw. God is kenbaar, zoo ver ons noodig is, uit zijne openbaringen; maar zjjn Wezen kan geen eindig schepsel doorgronden. Job 36 : 20: Zie God is (/root en wij heg rijpen het niet.
[Simonides bij Hiëro te Syracuse, gest. 469 v. C.]
2 Vr. Wat kunnen wij met zekeriieid van het Goddelijke Wezen zeggen?
Antw. God is een geestelijk Wezen, oneindig en allervolmaaktst, noodzakelijk en alleen van zich zelfbestaande, van de wereld verscheiden, oorzaak en grond van alle wezen.
3 Vr. Hoe heeft Jezus daarvan gesproken?
Antw. God is [een] (feest en die Hem aanbidden,
moeten Hem aanbidden in (jeest en waarheid. Joh. 4 ; 24.
(Vergelijk Jez. 31 : 3; Want de Egyptenaars zijn nien-schen en geen God en hunne paarden zijn vleesch en geen geest. Geest is God d.z. I. onlichamelijk, onstoffelijk, daarom onzienlijk en niet af te beelden, 2. levend met bewustheid en wil werkende, in en voor zich zeiven bestaande, persoonlijk.)
4 Vr. Maar indien God geest is, hoe kunnen Hem dan lichaamsleden, zintuigen en zichtbare verschijningen toegeschreven worden ?
Antw. De H. Schrift spreekt menschelijk van God, om voor ons verstaanbaar te zijn en om ons te toonen dat Hij een levend God is, en God heeft zich werkelijk in zijne openbaringen tot de wrijze der menschen neer-
25
III
gelaten, om eindelijk in Christus de menscliheid aan te nemen.
(Spr. 15 : 3. Jez. 59 ; 1. 1 ; 20. De verschijningen onder het O. T., naar eene diepe behoefte van het men-sehelijke hart, waren voorteekenen van de menschwor-ding van Gods Zoon en namen met deze een einde.)
5 Vr. Hoe veel goden zijn er?
Antw. Er kan maar één onafhankelijk, allerhoogst en allervolmaakst Wezen zijn: er is maar één God. Jez. 44 : 6: Zoo zegt de Heere, de honing van [sraël en zijn verlosser, de Heere der Heirsciiareii Ik hen de eerste en 11c hen de laatste en hehalve mij is er (jeen God. [Dent. 3 : 4. Ef. 4 : 6.]
(i Vr. Spreekt de Schrift niet van andere goden?
Antw. De goden der Heidenen zijn geen levende wezens maar door de menschen verzonnen en voor goden gehouden: de erkentenis van één God was altijd de grondslag der ware religie.
(Exod. 20 : 3. 1 Kor. 8 : 4. De eenheid Gods stelt de Christelijke kerk tegen Heidensch veelgodendom of (Perzisch) twergodendom, ook tegen kettersch driegoden-dom. De Heidenen vereerden doorgaans éénen van hunne goden als den hoogsten en stelden het Noodlot boven den wil der goden.)
7 Vr. Wanneer is de afgoderij opgekomen?
Antw. Vóór den zondvloed vertoont zich geen spoor van eigenlijke afgoderij, toen heerschte woest ongeloof, na den zondvloed brak hot bijgeloof uit in vereering van levenlooze, levende of geheel verzonnen e schepselen.
(Sterrendienst: Deut. 4 : 19. Job 31 : 20.Boek dei-Wijsheid. 13 : 2: Zij hehhen gemeend dat of het vuur of
26
Ill
de wind of de snelle lucht of de omloop der sterren of het krachtiye weder of de lichten des hemels (joden waren, die de wereld regeerden. Dieren, menschen, enz. Rom. 1 : 25. â Ook in Israël beeldendienst en daarna afgoderij. Na de Babylonische ballingschap gruwt de Jood van beeld en afgod.)
2. GODS NAMEN.
8 Vr. Heeft het Opperwezen ook namen noodig gelijk de menschen ?
Antw. Niet om God van gelijken te onderscheiden: want er is maar één God; ook kan geen naam volkomen uitdrukken wat Hij is.
(Als er maar één mensch was, behoefde deze geen anderen naam dan mensch (Adam.) Er is geen geslacht van goden : Ps. 86 : 10. Jer. 10 ; C. â Spr. 30 : 4. Geii. 32 : 29. Eicht. 13 : 18,)
9 Vr. Waarom heeft God dan namen aangenomen ?
Antw. Dit was noodig om der menschen wil: 1.
om Hem te onderscheiden van de afgoden en van alle schepselen ; 2. opdat wij Hem daardoor nader zouden hennen.
(Een God zonder naam is een onbekende God.
Hand. 17 : 23. â Ps. 5 ; 12. Eev. 24 ; 1G.)
10 Vr. Zijn dan al de namen van liet Opperwezen in de H. S. belangrijk?
Antw. Ja. God openbaart zich in zijn. namen,: liet zjjn waarachtige uitdrukkingen en merkteek^nen van zijne volmaaktheden, van zjjne irerkzaamhcid en van zijne betrekkingen tot al het geschapene en tot zijn volk.
27
28 HI
(Namen van zijn Wezen, hoogheid, macht en lieer-schappij ; persoonlijke namen : Vader, Zoon, H. Geest. â Ex. 23 : 20, 21.)
11 Yr. Hoe onderscheiden zich de namen God en Heere?
Antw. De naam God ziet op het rijk der natuur, de naam Heere (Jehovah) op het rijk der genade.
{God aanstonds in het eerste Bijbelvers, J. C. Heere genoemd in het laatste. De naam Jehovah was vóór Mozes' tijd niet geopenbaard (Exod. 6 : 2,) doch werd door dezen gebruikt bij zijne beschrijving van de eerste geschiedenissen (Gen. 2 v.v ) ten bewijze dat die'God, die de wereld geschapen en zich aan de eerste men-schen geopenbaard had, geen ander was dan Jehovah, de God van Israël.)
12 Vr. Wat beteekent de naam Johovah?
Antw. De naam Jehovah geeft te kennen : 1. dat
hij alleen van zich zeioen is, de oorzaak van het wezen aller dingen; 2. dat hij zich zelcen gelijk blijft, een onveranderlijke Verbondsgod, getrouw in zijne beloften en alvermogende in derzelver uitvoering : Heere is zijn (ledenhiaam, Hoz. 12 : 6. (Ex. 3 : 14. Openb. i ; 4. â- Christus: Hebr, 13 : 8.)
3. GODS EIGENSCHAPPEN.
13 Vr. Hoe verkrijgen wij een klaarder denkbeeld van het Opperwezen ?
Antw. Wij moeten de oneindige volmaaktheid Gods bij deelen beschouwen naar hare verschillende litlatin-lt;jen, waardoor wij eene bevatting krijgen van Gods eigenschappen.
t
Ill
14 Vr. Hoe kan men de Goddelijke eigenschappen
verdeden ?
Antw. Wij onderscheiden onmededeelbare 'en mededeelbare eigenschappen Gods.
(Gewichtig: 1. bij de wederlegging der Luthersche leer van Christus menschheid, 2. bij het bewijs van de Godheid des Zoons en des H. G.)
ff. Ou mededeelbare.
15 Vr. Welke zijn de onmededeelhare eigenschappen Gods ?
Antw. De onafhankelijkheid, eenvoudigheid, eeuwigheid, overaltegenwoordigheid en onveranderlijkheid.
[Deze behelzen de tegenstelling van God en schepsel, zijne wezenlijke verscheidenheid van de wereld, zijne verhevenheid boven al het eindige. Het geschapene, de wereld, is afhankelijk, samengesteld, tijdelijk, plaatselijk, veranderlijk.]
10 Vr. Wat is de onafluoikelijhheid Gods?
Antw. God is van zich zeiven en wordt ook in zijn treten, willen en irerlrn door niets buiten Hem bepaald. (Joh. 5 : 26. â Jez. 40 : 13. â Hand. 17 : 25. Rom. 11 : 30. â Wij oflinnlielijlc, Jac. 4 ; 15.)
17 Vr. Wat is de eenvoudigheid of enkelheid Gods ?
Antw. God heeft niets van stoffelijkheid en zinnelijkheid : geen samenstelling van deelen, geen uitbreiding noch gedaante.
[Ook de drie Personen zijn geen drie deelen des Wezens. In God is dan ook geen veelheid van veranderlijke en tegenstrijdige besluiten.]
29
in
18 Yr. Wat is Gods emwic/henl?
Antw. Op God is het denkbeeld van tijd niet toepasselijk: Hij is tijdeloos : zonder begin, wissel en einde. (Ps. 90 ; 1, 2.)
19 Yr. Is er bij Hem ook geen vervol[/ van tijd? Antw. Xeen : één day is hij den llccre als duizend
jaren en duizend jaren als één dag. 2 Petr. 3 : 8.
(Ook in zijn verstand en wil (besluiten) komt niets eerst met den tijd op ; alleen in zijne tijdelijke werken is eene opvolging. De tijd is als de omloopende stip van een cirkel, God als het onbewogen middelpunt; de tijd een vlietenden stroom, God, hoog daarboven, ziet en bestuurt geheel den loop. Hij is zelf de oorzaak en ordineerder van den tijd en hot tijdelijke. 1 Tim. 1:17.)
20 Yr. Wat is Gods overalteyenwoordiyheidV Antw. God is door geen ruimte beperkt, door haar
niet ingesloten noch van haar uitgesloten. (1 Kon. 8 : 27. Jerem. 23 : 23, 24. Ps. 139 : 7â10.)
21 Yr. Zjjn alleen zijne werkingen of is ook zijn Wezen zelf overal tegenwoordig !J
Antw. Hij is niet verre van een iegelijk van ons. Want in Hem leven wij en bewegen wij ons en zijn wij. Hand. 17 : 27, 28.
(God is buiten de wereld en in de wereld, doch niet zoo als de ziel in haar lichaam : de H. S. noemt nergens do wereld Gods lichaam noch God de ziel der wereld. Hij is bij ieder ding zoo als de oorzaak bij haar gewrocht, als Schepper, Onderhouder en Regeerder en zoo is Hij de levende God en een eeuwig koning. Jer. 10 : 10.)
30
Ill
22 Vr. Waarom wordt God dan gezegd in den hemel te zijn ?
Antw. Omdat Hij daar aan Engelen en zalige men-sehen zijne heerlijkheid het luisterrijkst vertoont. Jez. 66 : 1: AJzoo zegt de Heere: de hemel is mijn troon en i de aarde is de voetbank mijner voeten.
gt;4» (Troost voor de godvreezenden: Gen. 28 : 15. Jez. 57 : 15. Ps. 145 : 18. 23 : 4. Jae. 4:8. â Een schrik voor de goddeloozen: Am. 9 : 2â4')
23 Vr. In welken zin wordt in het O. T. een ko-
men en gaan, nederdalen en opklimmen aan God toegeschreven ?
Antw. Dat geeft te kennen de opevhai'ing en verberging van Gods tegenwoordigheid tot Iiulpbetoon of strafoefening en het waren voorteeketien van de komst des Zoons in het vleesch en van diens hemelvaart tot zegen en oordeel. (quot;Gen. 11 : 5. Ex. 19 : 18. 34 : 6- 1 Kon. | 19 : 11 v v. Hoz. 5 : 15. Efez 4 : 8â10.)
24 Vr. Door welke eigenschap onderscheidt God zich nog van alle schepsel?
Antw. God is onveranderlijk: in zijn Wezen, kennis, wil en raadsbesluiten. (Jac. 1 ; 17. 1 Tim. 1 ; 17. â Hand. 15 : 18. - Mal. 3 : 6.)
r
[Ook in zijne beloften en dreigingen verandert Hij niet; de zondige mensch moet veranderen.]
25 Vr. Wat is dan Gods heromv?
Antw. Gods berouw is Goddelijk en niet mensche-lijk en betoont zich in eene andere handelwijs zonder dat zijn wil verandert.
(Het bewijst dat God niet een ijzeren ^Noodlot is?
31
III
18 Vr. Wat is Gods eemriyheid?
Antw. Op God is liet denkbeeld van tijd niet toepasselijk: Hij is tijdeloos : zonder begin, wissel en einde. (Ps. 90 ; 1, 2.)
19 Vr. Is er bij Hein ook geen vervoh/ van tijd ?
Antw. Neen : één day is bij den Heere als duizend jaren en duizend jaren als één day. 2 Petr. 3 : 8.
(Ouk in zijn verstand en wil (besluiten) komt niets eerst met den tijd op ; alleen in zijne tijdelijke werken is eene opvolging. De tijd is als de o;nloopende stip van een cirkel, God als liet onbewogen middelpunt; de tijd een vlietenden stroom, God, hoog daarboven, ziet en bestuurt gebeel den loop. Hij is zelf de oorzaak en ordineerder van den tijd en hot tijdelijke. 1 Tim. 1 : 17.)
20 Vr. Wat is Gods overalteyenwoordiyheid f
Antw. God is door geen ruimte beperkt, door haar
niet ingesloten noch van haar uitgesloten. Cl Kon. 8 : 27. Jerem. 23 ; 23, 24. Ps. 139 : 7â10.)
21 Vr. Zijn alleen zijne werkinyen of is ook zijn Wezen zelf overal tegenwoordig ?
Antw. Hij is niet verre van een iegelijk van ons. Want in Hem leven wij en bewegen wij ons en zijn wij. Hand. 17 : 27, 28.
(God is buiten de wereld en in de wereld, doch niet zoo als de ziel in haar lichaam: de H. S. noemt nergens de wereld Gods lichaam noch God de ziel der wereld. Hij is bij ieder ding zoo als de oorzaak bij haar gewrocht, als Schepper, Onderhouder en Regeerder en zoo is Hij de levende God en een eeuwig koning. Jer. 10 : 10.)
30
Ill
22 Yr. Waarom wordt (lod dan gezegd in den hemel te zijn ?
Antw. Omdat Hij daar aan Engelen en zalige men-selien zijne heerlijkheid het luisterrijkst vertoont. Jez. 66 : 1: Alzoo zexjt de Heere: de hemel is mijn troon en de aarde is de voetbank mijner voeten.
» (Troost voor de godvreezenden: Gen. 28 : 15. Jez. 57 : 15. Ps. 145 : 18. 23 : 4. Jac. 4:8. â Een schrik voor de goddeloozen: Am. 9 ; 2â4-)
23 Yr. In welken zin wordt in liet O. ï. een l-o-
men en gaan, nederdalen en opldimmen aan God toegeschreven ?
Antw. Dat geeft te kennen de openhariii;/ en verberging van Gods tegenwoordigheid tot Iiulphetoon of strafoefening en liet waren voorteekenen van de komst des Zoons in het vleesch en van diens hemelvaart tot zegen en oordeel. (Gen. 11 : 5. Ex. 19 : 18. 34 : 6-1 Kon. 19 : 11 v v. Hoz. 5 : 15. Efez 4 ; 8â10.)
24 Yr. Door welke eigenschap onderscheidt God zich nog van alle schepsel?
Antw. God is onveranderlijk: in zijn Wezen, kennis, wil en raadsbesluiten. (Jac. 1 : 17. 1 Tim. 1 ; 17. â Hand. 15 : 18. - Mal. 3 : 6.)
lt; â¢gt;
[Ook in zijne beloften en dreigingen verandert Hij niet; de zondige mensch moet veranderen.]
25 Yr. AYat is dan Gods berouiv?
Antw. Gods berouw is Goddelijk en niet mensche-lijk en betoont zich in eene andere handelwijs zonder dat zijn wil verandert.
(Het bewijst dat God niet een ijzeren Noodlot is^
31
32
maar een persoonlijk, levend God, niet onverschillig bjj den ondergang van liet schepsel, dat zich zelf verderft. Gen. 6 : 6, 7: de mensch was anders geworden, dies anders behandeld. -Ter. 26 : 13; wierden zij anders. Hij zou hen van het gedreigde kwaad ver-schoonen. Jon. 3 : 9, 10. â De H. S. weerspreekt zich nie maar verklaart zich zelve: Num. 23 : 19 : Balak kon Israels verlossing en Gods verbond met hen niet tenietdoen.]
It. Mededeelbare eigenschappen.
20 Vr. Welke zijn de mededeelbare eigenschappen Gods ?
Antw. Deze behooren tot Verstand, 1 Vil er. Macht, die aan ieder geest eigen zijn, dus aan God allervolmaaktst.
(Als geest is Hij een levend God; zijn leven is het volmaaktste bewustzijn met de volmaaktste werkzaamheid : daarin vertoonen zich Verstand, AVil en Macht, ieder met bijzondere eigenschappen.)
27 Vr. Waarom worden deze mededeelbaai'genoemd?
Antw. Omdat er eenige afspiegeling van is in de
schepselen, hoewel ook zij, zooals zij in God zijn, oneindig en onmededeelbaar zijn.
[Hierbij wordt God beschouwd naar zijne betrekking tot de wereld, als Schepper en Regeerder.]
28 Vr. Hoedanig is Gods Verstand?
Antw. God is alwetend.
[1. Aard: onmiddellijk, allerduidelijkst en gewis, niets
Ill
vergetende, Ps. 139 : 6. 2. Vooncerpen: alle dingen werkelijke en mogelijke, verledene, tegenwoordige en toekomende; menschen; Ps. 147 : 4 : de sterren; Richt. 6 : 25 : de varren op den stal; daden, woorden, gedachten !)
29 Vr. Waartoe moet dit bij ons dienen, dat God alles weet?
Antw. Gods alwetendheid is vertroostend bij nooden, opbeurend voor wie onrecht lijdt, overtuigend en afschrikkend van verborgen kwaad. (Matth. 6 : 8. â Ps. 10 : 14. â 1 Joh. 3 : 20. Jer. 17 : 9, 10. Joz. 7 ; 11. Hebr. 4 : 13.)
30 Vr. Weet God ook alle toeJcomende en toevallige dingen ?
Antw. Ja, God weet ook de vrij ivic handel in gen des menschen, alvorens zij geschieden.
(Door Socinianen en Me uw eren geloochend. Bewijs : Ps. 139 : 2, 4. Ezech. 11 : f»; voorzeggingen, Jez. 41 : 22 v.v. Dat God verzoekt, beproeft (Deut. 13 : 3), dat Hij iets âhad verwachtquot; (Jez. 5 : 2), zegt niet dat Hij 't niet wist, maar dat Hij op 's menschen doen acht geeft, om er naar te vergelden.)
31 Vr. quot;Welke eigenschap behoort nog tot Gods verstand ?
Antw. De wijsheid Gods, de deugd van het verstand en het besturend beginsel van zijn doen, waardoor Hij de beste middelen kent en gebruikt om de beate einden te bereiken.
(Zij openbaart zich in geheel de voorzienigheid bijzonder in het werk der verlossing, in de vestiging en bewaring der kerk, in den weg van ieder qelooviqe. Ps. 104 : 24. Hom. 11 : 33.)
33
3
III
32 A r. Heeft God ook eeuen Wil?
Autw. Ja, God werkt niet gelijk een blinde natuui'-kracht, maar als persoonlijk, zelfstandig Wezen met vrije zelfbepaling.
33 Vr. Hoe wordt Gods wil onderscheiden ?
Antw. In God is één eenige wil, doch naar de zaken
welke liij wil en de wijs hoe Hij die wil, is het of een wil van besluit of een wil van benei, de eerste verbor-f/en, de andere geopenhaanl.
(De besluitende wil bepaalt de wording eener zaak, de wetgevend^ wil het recht, wat goed is of kwaad. â Gods bevel aan Abraham, Gen. 22 : 2, bepaalde niets van de uitkomst. â Voorwaardelijke beloften en bedreigingen behoaren tot den wetgevender! wil. Ook 1 Tim. 2 : 4 en 2 Petr. 3 : 9 zegt niet wat God besloten heeft: daartegen zou de uitkomst strijden, Matth. 25 : 4G.)
34 Vr. Wat is de wil van Gods besluit ?
Antw. Gods eenwig voornemen, naar hetwelk Hij zelf alles doet in den tijd : die alle dingen werkt naar den raad zijns willens (Efez. 1 : 11.)
{Raad d. i. wijs plan, doelvorming en keus der middelen, en wel van zijnen wil, geheel vrijmachtig. Deze is onwederstaanbaar, Jez. 46 ; 10.)
35 \ r. AVat is Gods hevelende of geopenbaarde wil? Antw. Dat is al wat Hij ons voorschrijft in zjjn
AVoord en door ons wil gidaan hebben. (Matth. 7 : 21. Rom. 12 : 2.)
(Tegen dezen wil zondigt men.)
34
Ill
36 Vr. Naar welken van die twee moeten wij ons gedragen ?
Antw. Naar den wil des bereis, want het onbekende besluit kan onze regel niet zijn. De verborgene dingen zijn voor den Ileere onzen God, maar de geopenbaarde zijn voor ons en voor onze kinderen tot in eeutcigheid, om te doen al de woorden dezer iret, Dent. 29 : 29.
(âTe blijven binnen de palen van zijn geopenbaard Woord, om dat te onderzoeken, te gelooven en daarna te levenquot;. Kantt. Den wil des bevels moeten wij doen, den wil des besluits lijden met onderwerping en vertrouwen.)
37 Vr. Welke zjjn de voornaamste eigenschappen van Gods wil?
Antw. Goedheid, heiligheid en rechtvaardigheid.
38 Vr. Is God goed?
Antw. God is liefde, hetwelk Hij bewijst in al zijn goeddoen, allermeest in de zending van zijnen Zoon tot verzoening voor onze zonden. (1 Joh. 4 : 8â10. Matth. 5 : 45.)
39 Vr. Hoe vertoont zich de liefde Gods onderscheidenlijk ?
Antw. Gods liefde breidt zich in eene veelheid van stralen uit: ;il3 'jrHade jegena schuldigen, barmhartigheid jegens elleinligen ; geduld, verdraagzaamheid en lankmoedigheid «u het uitstel van straf en in vergunning van tijd, gelegenheid en middel tot bekeering.
35
|
(Dent. 33 : 3. Ex. 34 : (gt;. ren. Jon. 3 : 4 : 40 dagen, jaar! Kom. 2 : 4.) 40 Vr. Is God heilig? - Gen. 6 Luc. 13 |
3 ; 120 ja-8 : Nog dit |
i
III
Antw. God is licht en er is gansch (jeene duisternis in Hem, 1 Joli. 1 : 5. Hij haat het kwade, Hij wil het goede.
(De heiluiheid is de weergalooze innerlijke voortreffelijkheid van het Goddelijke Wezen (Jez. G : 3), zijne verhevene afgezonderdheid van al het eindige en beperkte, bijzonder van het zondige.)
41 Vr. Wat is de rechtvaardigheid Gods?
Antw. De rechtvaardigheid is de openharing van
zijne heiligheid 1. wetgevende: in het voorschrijven van zijn recht door geweten en Woord; 2. rechterlijk: in de handhaving van zijn recht, door veroordeeling of vrijspraak; 3. vergeldende: in belooning of straf.
(1, Rom. 2 : 15. Jac. 4 : 12. 2, Hom. 2 : 2. 3,. Rom. 2 ; 5. De zegening en redding van verdrukte rechtvaardigen is genade jegens hen, rechtsoefening jegens de vijanden : Ps. 7 : 7â12. 0 ; 3â 5.)
42 Tr. Wat zegt Gods toorn ?
Antw. De straffende of wrekende gerechtigheid, Gods wordt in de H. S. de toorn Gods genoemd, hetwelk den ernst, de werking en onzaglijkheid van zijn mishagen te kennen geeft.
{Toorn is eene menschelijke uitdrukking, maar even zoo naar als de liefde. Velen, in het Sociniaansche spoor, ontkennen de straffende gerechtigheid van God, en dienvolgens ook de genoegdoening van Christus.)
43 Vr. Moet God de zonde noodzakelijk straffen ?
Antw. Ja, want 1. alle zonde is strijdig tegen Gods
heilige natuur, 2. als hoogste Wetgever en Rechter moet
36
Ill
Hij het recht handhaven. (1, 2 Kor. 6 ; 14. 2, de justitie. Hebr. 10 : 30. Ps. 58 : 12.)
44 Vr. Waarom moet nog meer op de zonde straf volgen ?
Antw. 3. Zonde is verbreking van Gods Wet; deze is geen raad maar regel voor al de redelijke schepselen, de uitgedrukte teil van God, die gestaafd moet worden door gehoorzaamheid of door de gedreigde straf, niet alleen innerlijk in liet geweten, maar ook in het openbaar. (1 Petr. 1 : 16. Gal. 3 : 10.)
45 Vr. quot;Waaruit blijkt verder dat de straffende rechtvaardigheid aan God eigen is ?
Antw. 4. Ket geweten gelijk de geschiedenis van den mensch getuigt, van eene vergeldende gerechtigheid Gods, daar ook de Heidenen het recht Gods weten, namelijk dat degenen, die zulke dingen doen, des 'doods waardig zijn. (Rom. 1 : 32.)
(Met het besef van eene Godheid ligt onafscheidelijk liet gevoel van eene vergeldende gerechtigheid diep in liet gemoed, een bewijs dat zij geen willekeur is, maar tot Gods natuur behoort. â â Rom. 1 : 18.)
4G Vr. Is dit dan Bijbelleer ?
Antw. 5. Geheel de H. S. betuigt allernadrukkelijkst, dat de heilige en waarachtige God de zonde straffen moet, niet alleen het O. maar ook het N. T. Vreeselijk is het te vallen in de handen des levenden Gods, Hebr. 10 : 31. Want onze God is een verterend vuur, Hebr. 12 : 29. â (Ps. 5 : 5â7. Nah. 1 : 2, 3. Matth. 7 : 19. Rom. 2 : 5â11.)
47 Vr. Is deze noodzakelijkheid om te straffen een dwang voor God ?
Antw. JSeen, de gerechtigheid Gods in zijn heilige
37
III
teil om liet kwaad te straffen en naar zjjne eigene tm-tuur kan Hij niet anders willen.
(Een menschelijk i'echter is gebonden aan de wet, die huiten hem ligt. Maar de zedelijke wereldorde, het in het heelal geldende heilige Recht is zelf het uitdruksel van Gods natuur, waarnaar Hij zich in het regeeren en oordeelen van zijne redelijke schepselen van zelf richt.)
48. Vr. Kan God van dat Recht niet afstaan ?
Antw. Neen, God kan zich zeiven niet verloochenen, 2 Tim. 2 : 13.
(Job 34 : 10â12. Jez. 5 : 1G. Uitstel, verzachting, overbrenging op een borg en plaatsbekleeder behoort tot de omstandigheden en wijs der straf, maar het straffen zelf, de betooning van zijne rechtvaardigheid, laat Hij immers ook dus niet na.)
49 Vr. Maar God vergeeft toch aan de geloovigen de schuld en de straf hunner zonden ?
Antw. Vergeven is geen afstand van gerechtigheid : God vergeeft op grond van Christus' voldoenhy en met een rechtvaardig (lericht over de zonde.
(1, Grond: voldoening â niet door den zondaar zeiven of door eenig ander persoon buiten het Goddelijke Wezen, dus voor den ontslagenen enkel genade : 2 Kor. 5 : 21. Efez. 1 : 6, 7. 2, Wijze en neg : een gericht: a. berouw en belijdenis; 1 Joh. 1 : 9. Ps. 32 : 5. h. afstand van de veroordeelde zonde : Rom. 8:4. Iedere zonden vergeving is een crisis, een oordeel over de zonde en eene scheiding van de zonde.)
50 Vr. Hoedanig is Gods Macht ?
38
Ill
! na- Antw. God is almachtiy, door niets tuiten Hem beperkt: Hij kan uitwerken al wat luj iril. Wantycen die zal hij God onmogelijk zijn. Luc. 1 : 37.
liet (Bemoedigend bij nood en gevaar: Jer. 32: 17 ; bij vsel den strijd om in te gaan : Mattli. 19 : 20. â Alle i en tweede oorzaken, middelen en natuurwetten r/.;jn door ht.) God zeiven geordend en van Hem afhankelijk. Won-clerwerlien zijn gelijksoortige werkingen als waardoor Hij eens de krachten en wetten der natuur heeft doen e)l: ontstaan. De vrijheid van redelijke schepselen is geene beperking maar bewijs van zijne almacht: vrij in hunne 3^. bewegingen en toch afhankelijk, gelijk iemand op een )e. varend schip. Hand. 17 : 2S.)
ar 51 Vr. Wat kan God niet?
S' Antw. God kan niet 1. wat in zich zelf strijdig
is; 2. wat tegen zijne natuur, volmaaktheid, wil en besluiten strijdt.
m
(1. ]). i. onding, niets: b.v. alomtegenwoordig I: lichaam (Luth.), evenals rond vierkant. 2. li.v. lijden,
ït sterven : als Christus stierf, is God in Hem niet ge
storven : 't zou geen macht maar onmacht zijn; liegen Tit. 1:2: God die niet liegen lean.)
I
e ' 52 Vr. Waarom noemt gij God nog den Almachtige ?
j Antw. Omdat alle macht en kracht der schepselen
j van God is, (1 Kron. 29 : 11, 12.)
ïïtmtuls Btrifëeitheid.
1 Vr. Wat zegt ons de Bijbel nog nader van dien God, aan wien alle deze eigenschappen eigen zijn ? Antw. De H. S. leert ons het eenige Goddelijke We-
ó
39
IV
zen vereeren in den Vader en den Zoon en den //. Geest: een Drieëenig God.
{Nederl. Geloofsbel. Art. VIII. TJeidclb. Cafech. Z. VIII. â Grondslagen voor dit allergewichtigst leerstuk : 1. de H. Schrift eigent al wat Goddelijk is aan Drie toe, genaamd de V. en de Z. en de H. G., inzonderheid de zaligmaking van zondaren. 2. Bjj alle gelijkstelling worden zij geregeld onderscheiden. 3. Nochtans scherpt dezelfde Schrift altijd in, dat er niet meer dan één God is)
2 Vr. Wat heteekent dan het woord Drieëenheid?
Antw. Een een if/ Goddelijk Wezen, bestaande in
drie Personen.
(Da naam Drieëenheid stint niet letterlijk in den Bjjbsl â âvoorzienigheidquot; ook niet, mxar de zaak wel, het naast komt 1 Jolt. 5:7: d?zs drie zijn één â Het is eeue drieheid in God zeivent niet alleen in zijne opsnbctrin'/, en tocli geen der drie goden. Geschapene geesten hebben eene enkelvoudige persoonlijkheid (één Ik); de levensvolheid van den oneindig en God is niet in één persoon besloten en toch één.)
3 \ r. Is de Drieëenheid Gods uit de natuur kenbaar ?
Antw. Neen. het is eene verborgenheid,: buiten het
A'V oord onbekend en voor het eindige verstand niet te doorgronden.
(De rede, door Gods Woird de Drieëenheid kennende, kan haar eenigszins aflidden 1, uit de zelferkentenis Gods, zonder welke Hij u. niet zijn b. zich niet openbaren kon, 2. uit zijne zelfliefde. En men vergelijkt: in de buitenwereld licht, glans, verlichting, inden mensch: gedachte, woord, zin. Hebr. 1 : 3. Joh. 1:1.)
40
IV
4 Vr. Behelst ook reeds het O. T. deze waarheid?
Antvv. Ja, want het O. ï. spreekt niet slechts van
God in liet algemeen, maar ook van den Zoon Gods onder velerlei benamingen en van den H. Geest. (Gen. 1 : 1, 2. Ps. 51 ; 13. âNum. 6 : 24â26. Ps. 33 : 6.)
{Belijd. Art. IX.)
5 Vr. Waar worden in het 0. T. de drie Personen het kennelijkst aangeduid ?
Antw. In ul die plaatsen, waar de verlossing het duidelijkst wordt beloofd, als Jez. 48 : 16, waar de knecht Gods, de Messias, spreekt: de Heere Heere en zijn Geest heeft mij gezonden. En Jez. 61:1: de Geest des Heeren Heeren is op mij, omdat de Heere mij gezalfd heeft.
(Desgelijks Jez. 63 : 9, 10, waar na den Heere genoemd worden de Engel zijns aangezichts en zijn Heilige Geest.]
6 Vr. Wanneer is de heilige Drieëenheid het klaarst geopenbaard ?
Antw In het X. 2'., inzonderheid bij den doop van Jezus in de Jordaan, Matth. 3 : 16, 17.
7 Vr. Heeft de Zoon Gods er zelf van getuigd?
Antw. Jezus zelf heeft deze waarheid nader verklaard
en bevestigd in al wat Hij gesproken heeft van den Vader en van zichzelven als den Zoon en van den H. Geest, waarop hij eindelijk het zegel drukte door de verordening van den doop in den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes, Matth. 28 : 19.
8 Vr. Spreken de Apostelen er veel van ?
Antw. Overal in hunne zendbrieven voegen de Apostelen de heilige Drie samen: zij leiden alle heil af ran
41
IV
deze Drie die één zijn, den Vader en den Zoon en den H. Geest (B.v. Efez 1. 1 Kor. 12 : 4â6. 2 Kor. 13 : 13. 1 Petr. 1 : 2. Openb. 1 ; 4, 5.)
9 V r. elke Bijbelplaats is hierbij nog bijzonder opmerkelijk ?
Antw. 1 Joli. 5:7: 11 ant drie zijn er, die getuigen, in den hemel, de Vader, het Woord en dé Heilige Geest, en deze drie zijn één.
(Deze woorden worden in de Grieksehe handschriften niet gevonden. Doch 1. de aloude Latijnsche Overzetting heeft ze en deze is ouder dan al de bekende gr. handschriften. 2. Zeer vroege kerkvaders halen ze aan of spelen er op toe, b v. Cyprianus in de 3e eeuw. 3. De samenhang is er niet tegen maar vóór.)
10 Vr. Waarin zijn de drie Personen één?
Antw. /jj zijn één in Wezen en alzoo is er maar
één God.
(1. De Zoon en de H Geest zjjn geen andere Wezens dan de Vader, 2. Hun Wezen is niet slechts eensoor tig maar één in getal. 3. Het Goddelijke Wezen met zijne eigenschappen is niet in drie deelen gedeeld: er' is maar ééne almacht, alwetendheid, enz.)
11 Vr. In welk opzicht zijn het drie?
Antw. Het zijn drie Personen, zelfstandigheden, in welke liet Goddelijke Wezen van eeuwigheid bestaat.
(Persoon is een Ik, een onderwerp dat zelf geen gezegde van een ander onderwerp zijn kan : de eene is niet de andere. â De Drie zijn niet gelijk drie men-schelijke personen (individu's); niet buiten liet Wezen, niet zakelijk van liet Wezen verscheiden: zij zijn het
42
IV
den Goddelijke Wezen in deze bijzondere wijzen van bestaan.
13 â Dit is dan wel boten maar niet tegen de rede. Dat zou zijn wanneer men stelde : het ééne Wezen is drio der Wezens of; de drie personen zijn één Persoon; dan kon men tegenwerpen ; 1 is niet 3 en 3 is niet 1. ew, Maa het Wezen is één, de Personen zijn drie; het Ige zjjn ralzoo in een ander opzicht drie dan waarin zij één zijn.
en 12 Vr. Zijn het werkelijk drie onderscheidene Vex-
jj. sonen ?
ri._ Antw. Ja, dat blijkt allerklaarst hieruit, dat de
m Vader niet gezegd wordt in de wereld te zijn gekomen
g en Christus zegt niet, dat Hij do Vader is maar dat
Hij is van den Vader gezonden en wederom wordt van beiden de 11. G. onderscheiden.
(Met de loochening van dc drie Personen vervalt geheel het Christendom. â Dwaling van Sdbellius in Libyë 255 na C.: âéénpersoon naar zijne onderscheidene s wijzen van teer ken nu Vader, dan Zoon, dan H. G.
/ genoemd.)quot;
13 Vr. Waarin ligt nog de noodzakelijkheid om eene eeuwige Drieheid van Personen in het Goddelijke Wezen te stellen ?
Antw. In de bijbelsche leer van het Woord, dat voor de wereld hij God was en God icas, met onderscheiding van den Geest Gods, die de diepten Gods kent, gelijk de geest des menschen den mensch kent. (Joh. 1:1. 1 Kor. 2 : 10, 11.)
14 Vr. Hoe zijn zij dan onderscheiden ?
Antw. Zij onderscheiden zich niet in natuur of tijd maar naar de orde van hun bestaan als Personen: de
43
IV
Vader is de eerste; de Zoon de tweede, de H. Geest de derde Persoon, overeenkomstig hunne 'persoonlijke eigenschappen.
15 Vr. Wat is de persoonlijke eiyenscluq) van den Vader ?
Antw. Dat Hij als Vader is van zich zeiven, niet gegenereerd en niet uitgaande van een ander : de Vader heeft het leven in zich zeiven. Joh 5 : 26«.
(De grond van zjjn persoonlijk bestaan als Vader ligt in Hem zeiven : Hij is Vader door dat Hij den Zoon genereert )
16 Vr. Wat is de persoonlijke eiyenschap van den Zoon ?
Antw. Dat Hij grg ener eer d is van den Vader : de Vader heeft den Zoon gegeven het leven te hebben in zich zeiven. Joh. 5 : 26//
17 Vr. Wat is de persoonlijke eigenschap van den 11. Geest ?
Antw. Dat Hij uitgaat van den Vader en den Zoon als de adem des levenden Grods. {Vergel. Joh.20:22)
18 Vr. Waarom noemen wij dat persoonlijke eigenschappen en niet wezenlijke ?
Antw. Omdat zij niet aan het Wezen, maar ieder alleen aan één Persoon eigen zijn.
(Het zijn persoonlijke, inblijvende daden Gods: God zelf is de grond van de wijze zijns bestaans als Vader en Zoon en H. Geest, zoo eeuwig en noodzakelijk als Zijn bestaan zelf: Hij is door zich, voor zich en in zich. Stelt men echter drie personen zonder de gezegde betrekking tot elkander, dan stelt men drie goden.)
44
IV
19 Vr. Wanneer is de Zoon van den Vader lt;jelt;jene-reerd ?
Antw. Van eeuwigheid doet de Vader den Zoon uit zich bestaan als het afschijnsel zijner heerlijkheid en het uitgedrukte beeld zijner zelfstandigheid. Hebr. 1 ; 3. Joh. 1 : 1 Spr. 8 : 22. v.v. â Joh. 8 : 58. 17:5.)
⢠(Genereeren zegt: een zelfstandig, pirsoonlijk leven,
een ander Ik, uit zich te doen bestaan ; het is geen scheppen, voortbrengen uit niet. De Zoon is uit den Vader, als licht uit licht, en ééns wezens met Hem.)
20 Vr. Waar wordt dat nog bijzonder klaar geleerd ?
Antw. Kol. 1 : 15â17, waar van den Zoom gezegd
wordt: Ditcelke het beeld is des onzienlijhen Gods, de eerstgehorene aller creature Want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in den hemel en die op de aarde zijn, die zienlijk en die onzienlijk zijn. â En Hij is \ vóór alle dingen en alle dingen bestaan te zamen door Hem.
{Geboren met geschapen. Op. 3 : 14 : IT ij is het Begin der scheppinge Gods, in eenen werkenden zin, de oorzaak. â Ps. 2:7: Ik zal van het besluit verhalen : de Heere heeft tot mij gezegd: gij zijt mijn Zoon, heden heb ik u gegenereerd. Al zegt dit eerst; âIk heb u heden koning gemaakt, zoo sluit liet toch in en veronderstelt de eeuwige ' generatie ', want alleen die uit God en zelf God was, kon almachtig koning zijn en zaligmaken die op Hem betrouwen. Hand. 13 : 33. Hebr. 1 : 5. 5 : 5.
21 Vr. Hoe wordt de naam Zoon Gods door hen verstaan, die de eeuwige Godheid van Christus loochenen ?
' Antw. Zij leeren dat Christus Gods Zoon genoemd
wordt alleen wegens zijne ontvangenis uit den H. G..
45
i
IV
of om zijne macht en waardigheid als Messias of wegens zijne liooge (j e lij kvonn iy h e kl aan God.
{Sociniaansch is de dwaalleer, dat de Verlosser vóór zjjne geboorte uit Maria geheel niet heeft bestaan {Lap-lius Socinus en vooral zijn neef Faustus Socinns, gest. 1604); Ariaansch, dat Hij wel vóór zijne menschelijke geboorte bestond, maar toeh eens een begin gehad heeft, alzoo, hoe verheven ook, toch maar een schepsel. Arlus te Alexandrië, gest. 330 ; tegen hem de Kerkvergadering te Nicéa in Bithynië 325 met den vurigen Athanasnis, van Alexandrië, gest. 373.)
22 Vr. Is dan de Zoon de eigene en natuurlijke Zoon van Grod ?
Antw. Ja; de ware en eerste grond, waarom Hij de Zoon heet, is zijne eeuwige geboorte uit God en daardoor alleen kon Hij de Middelaar zijn.
(Rem. 8 : 32 : zijn eigen Zoon. Joh. 5 : 18 : God ijjn eigen Vader. Joh. 1 ; 18 : de eeniggeboren Zoon, lie in den schoot des Vaders is. Gal. 4 : 4 vergel. met Filipp. 2 : 7.)
23 Vr. Gaat de H. Geest alleen van den Vader uit ?
Antw. De H. Geest gaat uit van den Vader en den Zoon: daarom wordt Hij ook genoemd do Geest des 5oons, de Geest van Christus, dezelfde Geest, die reeds n de Profeten was. (Joh. 14 : 2G. 15 ; 2'J. 16 : 15. [ Petr. 1 : 11.)
(Op. 22 : 1 : het water des levens uit den troon Gods n des Lams. In den tijdelijken uitgang openbaart zich e eeuwige. â De Grieksche kerk: âalleen van den
46
Vaderquot;, dan is de generatie van te onderscheiden en do wezeMS en de ware grond van dat Christus Goddelijken levens wordt weggenomen.)
24 Vr. Is de H Geest niet maar een naam om de kracht of da heilige natuar Gods aan te duiden?
Antw. Xcoii, de H. Geest is eene zelfstandigheid, een Persoon, en is zelfs uitdeeler der krachten en gaven. 1 Kor. 12 : 11: Doch deze diin/en alle werkt een en dezelfde Geest, de^Jntide aan een iegelijk in het hijzonder gelijkeririjs Hij wil.
1
i
(Naar de Socin. is de li. Geest de Goddelijke kracht; naar de nieuwere dwaalleer; de heilige zin en geaardheid (heilig beginsel) van den Yader en van den Zoon, en door dezen van de Gemeente. â Op. 1 : 4 zjjn de 7 geesten, die voor Gods troon zijn (niet: staan) de eene H. G. (1 Kor. 12 : 4) aangemerkt in zijne menigerlei gaven en krachtsbefcooningen en wel met opzicht tot de 7 gemeenten)
25 Vr. Zijn er voldingende bewijzen voor de per-soonlijkheid des H. Geestes?
Antw. 1. De H. Geest wordt bij de Twee, die Personen zijn, als een derde gesteld. (Matth. 28 : 19. 2 Kor. 13 : 13.) 2. Hij heeft zich onderscheidenlijk en zelfstandig (/eopenhaard. (Lnc. 3 : 22. Hand 2 : 2â4 )
26 Vr. Waaruit blijkt nog nader, dat de H. G. een Persoon is?
Antw. 3. Aan den H. G. worden al die eigenschappen en werkingen toegeschreven, die alleen aan een Persoon eigen zijn.
(Hij hoort (Joh. 16 : 13) onderzoekt, weet, leert
i
48 IV
(1 Kor. 2 : 10â13), spreekt (Hand. 8 : 29), Hij zegt: Ik (Hand. 10:20. 13:2;, heeft eencn Avil(l Kor. 12 : 11), men kan Hem smarten aandoen (Jez. 63 : 10). Hem bedroeven (Efez. 4 : 30), tegen Hem liegen (Hand. 5 : 3); Hij is Jezus' plaatsvervanger op aarde. Trooster en Bestuurder der gcloovigcn; ook kon de kerkvergadering Hand. 15 : 28 van een onpersoonlijk Iets niet zeggen: Het heeft den H. G. en ons yoedge-dacht. â Alles tezamen bewijst persoonlijkheid en niets slechts persoonsverbeelding (personificatie, als Joh. 3 : 8.)
27 Vr. Maar indien de H. Geest een Persoon is, is Hij dan misschien de Vader of de Zoon zelf?
Antw. JSTeen, de H. Geest wordt uitdrukkelijk een ander genoemd en van beiden onderscheiden. Joh. 14 : 1G : Ik zal den Vader bidden en Hij zal u eenen anderen Trooster (/even, opdat Hij hij u hlijve in der eeuwigheid.
(Door of in den H. G. werken de Vader en de Zoon (in de wereld â in de gemeente). Personen door een Persoon, die van hen uitgaat, die zelf kracht heeft en krachtdadig werkt.)
28 Vr. Zijn de Zoon en de H. Geest zoowel God als de Vader?
Antw. Ja, de Zoon en de H. Geest zijn met den Vader het ééne Goddelijke quot;Wezen, want al wat Goddelijk is en God van schepsel onderscheidt, wordt hun toegeëigend : Goddelijke namen, eigenschappen, werken, eer.
29 Vr. Draagt de Zoon Goddelijke namen?
Antw. De Zoon wordt Heere (Jehovah) en God genoemd.
IV
(Jerem. 23 : 6. Joh. 1 : 1. 20 : 28. Rom. 9 : 5. 1 Tim. 3 : 16. 1 Joh. 5 : 20 (nergens noemt Johannes den Vader het eeuwige leven) Hehr. 1 : 8, 9 leert dat het de Zoon is die Ps. 45 : 7, 8 tweemaal âGodquot; aangesproken wordt. â De naam God wordt doorgaans aan den Vader gegeven, omdat de Zoon de Middelaar is geworden. Al de blijken van minderheid eu ondergeschiktheid des Zoons bewijzen slechts de waarheid van zijne menschwording en vrijwillige vernedering. Ook Joh. 14 : 28: â mijn \'ader is meerder dan II: â ziet niet op zijn Wezen maar op zijnen staat. - Joh. 17 : 11 : Vader en Zoon zijn één van natuur (om deze eenheid bidt Hij niet), de geloo-vigen door genade in den Zoon (Ex. 23 : 21); ook zegt Hij niet: opdat zij en wij één zijn, maar opdat zij één zijn gelijk als wij (vergel. v. 21); Hij zegt tot den Vader : wat geen schepsel kon, ook Mozes niet.)
30 Vr. Wordt ook de H. Geest God genoemd ?
Antw. Ja, Hand. 5 : 3, 4 ; En Petrus zeide : Ananias I waarom heeft de Satan uw hart vervuld, dat gij den Heiligen Geest liegen zoudt? Gij hebt den men-schen niet gelogen maar Gade.
[Heilige Geest is daar niet maar een ander naam voor God, want Hij is een onderscheiden Persoon (verg. 1 Thess. 4:8): niet God wordt de H. Geest, maar de H. Geest wordt God genoemd. â 1 Kor. 3:16: Gods tempel, vergl. 1 Kor. 6 : 19 : tempel van den H. Geest.)
31 Vr. Worden er Goddelijke eigenschappen aan den Zoon toegeschreven ?
Antw. Ja, aan den Zoon wordt toegeëigend een 4
49
IV
eeuwig zijn : Mich. 5:1: trien* uiU/angen zijn van oucls, van de dagen der eeuirigheid; alwetendheid, almacht eiiz_
(Joh. 10 : 30. Matth. 11 : 27. Daartegen strijdt niet Mare. li» : 32 ; te verklaren uit Fil. 2 : 7.)j
32 Vr. Worden er ook aan den H. Geest Goddelijke eigenschappen toegekend ?
Anhv. De Selirift leert dat de H. Geest over alt eg en-woordig is (Ps. 139 : 7), volstrekt heilig, alwetend (1 Kor. 2 : 10), almachtig.
(Het is in den H. Geest dat God alles vervult en doordringt sedert Gen. 1 : 2. Zonder Hem zou alles verwelken, Job 34 : 14, 15. Immanentie Gods in de wereld.)
33 Vr. Welke Goddelijke werken worden mode aan den Zoon en den H. Geest toegeschreven ?
Antw. De schepping en herschepping, de onderhouding en regeering der wereld worden nevens den Vader ook aan den Zoon en den H. Geest toegeeigend.
(De Zoon: schepping: Joh. 1:3: Kol. 1 : 13; â-herschepping: Hebr. 1 : 10 v.v. vergel. Ps. 102; onderhouding en regeering: Hebr. 1 : 3. Kol. 1 : 17.â De H. Geest : Gen. 1 : 2. Job 33 : 4. Ps. 104 : 30. -â De Zoon en de H. Geest zijn niet werktuigen van den Vader buiten en beneden Hem : het is één God, die alles werkt met een eenige werking, maar drievoudig bepaald naar de orde der drie Personen : de Vader werkt door den Zoon in den H. Geest, beide in natuur en genade.)
34 Vr. Welke Goddelijke eere komt hun toe?
Antw. Den Zoon en den H. Geest komt met den
50
VI
Vader godsdienstige vereering toe; het doopen in hunnen naam met geloof en aanbidding.
Matth. 28 : 19. vergel. 1 Kor. 1 : 13. â 2 Kor.
13 : 13. Openb. 1 : 4, 5. â Joh. 5 : 23. Het rechte bidden is : in den H. Geest (Rom. 8 : 26) door den Zoon (Joh. 14 : 6) tot den Vader, Efez. 2 : 18.
35. Vr. Is de leer van de Goddelijke Dieëenheid noodig tot zaligheid ?
Antw. Ja, de openbaring van den Vader en den Zoon en den H. Geest, als onzen Schepper en Verlosser en Heiligmaker is de grondslag van het zaligmakend geloof en van het ware, christelijke leven.
(Blijkbaar uit de doopformule Matth. 28 : 19 en uit den apostolisehen zegenwensch 2 Kor. 13 : 13. â Die God is 0)w een God van volkomen zaligheid, Vs. 68:21. â De Drieëenheid den Heidenen onbekend, verworpen door de Mohammedanen en (op Deut. 6 : 4) door de hedendaagsche Joden, beleden door de Eoomsch-Kath. en door de Grieksche kerk, bestreden door de Socinianen : (âGod één in persoonquot;), verduisterd door de Remonstranten : (de Zoon en de H. Geest ondergeschikt onder den Vaderquot;), verzaakt door alle Eationalisten.)
V. tmotl* Mtestuilen J'oorverordiiieering.
1 Vr. Wat zijn de Goddelijke hesluiten?
Antw. Gods besluiten zijn de eeuwige bepaling in zijn verstand en wil van al wat ooit worden en geschieden zou.
(De' leer van Gods besluiten is de gepaste en noodzakelijke overgang] tot zijne werken : want God werkt niet als een blinde natuurkracht, maar met vrije zelfbepaling als de hoogste Rede.)
51
52 V
2 Vr. Neemt God zijne besluiten eerst voor en na, up aanleiding van omstandigheden ?
Antw. Gods besluiten zijn eeuwig, buiten en boven allen tijd. Hand. 15 : 18 ; Gode zijn al zijne werken van eeuwigheid bekend.
(Ef. 1:4. 2 Tim. 1 : 9. Er is geene onzekerheid bij hem. Een eerder on later is er alleen in onze bevatting en in de beslotene zaken en hare orde)
'i Vr. Is God in zijn besluiten ook af hankelijk vun iets buiten Hem ?
Antw. Neen, God is vrij om dus of anders te willen en alleen door zijn oiaone redenen bepaald. (Matth. 11 : 26. Ef. 1 : 9.)
(Niet dat hij ook zonder besluit kon zijn : dat ware . zonder verstand en wil.)
4 Vr. Wat moeten wij daarbij van de Goddelijke besluiten roemen ?
Antw. God is niet alleen vrijmachtig, maar ook wijs in zijne besluiten, daar Hij bij alles wijze redenen heeft waarom Hij hot wil en met het einde ook de gepaste miiddelen beraamt. Bom. 11 : 33, Jez. 55 o lt;S, 9.)
5 Vr. Kan God ooit van besluit veranderen r'
Antw. Neen, zijn besluiten zijn onveranderlijk, Hij
zegt: Mijn raad zal bestaan en ik zal (d mijn welbehagen doen, Jez. 46 : 10 (Ps. 33 : 11. Hebr. 6: 17.)
(Verandering zou strijden tegen zijne voorkennis en almacht. In de zaak van Abraham Gen. 22, Israël Num. 14, Hizkia Jez. 38 werd Gods besluit niet ver-
r
V
anderd maar bij deelen geopenbaard, om tot bet beoogde einde te leiden.)
6 Vr. Zijn er ook besluiten onder eene voorwaarde die van 's menschen vrijen wil afhangt?
Antw. Neon, want God hangt van den mensch niet af en de voorwaarde, als bekeering en geloof tot zaligheid, behoort zelve mede tot het besluit, hetwelk met het einde ook de middelen en wegen bevat die er toe brengen.
(Pelagianen, Remonstranten en Lutheranen stellen een voorafgaand of algemeen (Joh. 3 : 16) en een volgend of bijzonder besluit van de zaligheid, met een verkeerd begrip van 's menschen vrijen wil. â Geen algemeen besluit dat niets besloot, maar algemeene belofte en dreiging. Joh. 3 : 36. Hand. 10 : 43.)
⢠7 Vr. Waarover gaan Gods besluiten?
Antw. Over alle dingen: Hij werkt alle dingen naar den Baad zijns willens, Efez. 1 : 11.
(Niets gebeurt er of het is naar Gods eeuwig besluit, 't zij om het (goede) te doen, 't zij om het (kwade) toelatende te besturen. Hand. 2 : 23. 14:16.)
8 Yr. Gaat Gods besluit ook over den eeuwigen staat der redelijke schepselen?
Antw. De Schrift leert, dat zelfs geen haar van ons hoofd, geen musch op de aarde valt zonder Gods wil: veel meer gaat zijn raadsbesluit over ons eeuwig lot. (Matth. 10 : 29, 30. 1 Sam. 14 : 45.)
(Redenen: 1. God voorziet het einde van alles zonder eenige onzekerheid. 2. De grond van deze nooit
54
falende voorkennis kan alleen zijn dat alles rast bepaald is. 3. Deze bepaling kan alleen van Hem zeiven zijn, overeenkomstig zijn doel met de schepping: openbaring en verheerlijking van Hem zei ven in al zijne volmaaktheden.)
9 Vr. Hoedanig een besluit is dat?
Antw. Het is de bepaling Gods aangaande den eeuwigen staat aller menschen beide van zaligheid en van rampzaligheid, tot verheerlijking van zijne genade en van zijne macht en straffende rechtvaardigheid. (Efez. 1 : 6. Hom. 9 ; 21â23).
{Ned. Belijd, art. XVI. Praedestiiiatie of voorverordi-neering: 1. verkiezuig, 2. niet-verkiezing d.i. verwerping. Eene verkiezing aan te nemen zonder hare keerzijde, de verwerping, is ongerijmd en strijdig tegen de H. Schrift. Matth. 25:41. Roin. 11 : 7. 1 Thess. 5 : 9 vergel. v. 3. 1 Petr. 2 : 8. Jud. 4. Matth. 11:25,26. Spreuk. 16 ; 4. Dwaling, dat de verwerping alleen zijn zou een tijdelijk achterstellen. â Ook is de verwerping niet een enkele voorkennis als bij den arts van den dood eens zieken, maar een besluit.)
10 Vr. Bestaat het besluit der verwerping hierin, dat God een deel der menschen tot de zonde (als middel) en tot de verdoemenis (als het einde) voorbestemd zou hebben ?
Antw. Neen, het doeleinde Gods is niet de verdoemenis, maar de betooning van zijne rechtvaardigheid en het middel tot dat doel is niet de zonde maar de rechtvaardige verdoemenis der zondaren om hunne zonden.
(Het einde is in het besluit het eerste. Door het besluit der verwerping te loochenen, neemt men de be-
V
55
V
zwaren niet â \veg. Want 1. vast staat: niet alle menschen worden zalig (Mattli. 25 : 40), '2. God had liet kwaad (zonde en lijden) kunnen verhoeden, ware dit zijn wil geweest, maar de zonde is er en de straf met haar : 3. er blijft dus niets over dan : bij Gsd een ondoorgrondelijk besluit, bij den mensch eigen schuld van zijn verderf. Hand. 13 : 46.)
11 Arr. Wanneer is de verkiezinj geschied ?
Antw. De verkiezing is Gods ecuiriye wil. Ef- 1:4:
Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Christus vóór de yrond-leggincj der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde.
(Hom. 9 : 11, 12. 2 Tim 1 : 9. Zij maakt bij de menschen geen onderscheid vóór de roeping en wedergeboorte, zij openbaart zich eerst door deze. Ef. 2 : 3.)
12 Yr. Is er eene algemeene verkiezing en zijn alle menschen uitverkoren ?
Antw. Neen, dan ware bet geene verkiezing en dan moesten ook alle menschen bekeerd, geloovig en zalig worden of het zou een krachteloos besluit zijn. (Matth. 20 : 16. Hand. 13 : 48.)
(Men brengt hiertegen in a. 1 Tim. 2:4; maar verg. daarmede v. 1 en 2. en Matth. 5 : 45. b. 2 Petr. 3:9; maar vergel. Ezech. 33 : 11. c. Rom. 11 : 32; maar verg. Rom. 9 : 6â8 en Gal. 3 : 22.)
13 Vr. Is de verkiezing persoonlijk of is zij (naar de Remonstranten) alleen de bepaling van voorwaarde, middel en weg tot zaligheid ?
Antw. God heeft niet alleen besloten allen, die ge-looven en in het geloof volharden, zalig te maken, maar
56
ook de personen zijn bij Hem met name bekend en bepaald.
{Abraham Gen. 18 ; 19 ; de 70 Luc. 10 : 20 ; Paulus Hand. 9; 15; Jacob tegen Ezau. Rom. 9: 13 enz.)
14 Vr. Om welke reden is de een uitverkoren en de andere niet ?
Antw. Het is niet om iets waardoor de een zich boven den ander onderscheidt, maar alleen uit Gods vrije genade en welbehagen. (Rom. 11 : 5â7. 1 Kor. 4:7.)
(De reden waarom anderen niet uitverkoren zijn en alzoo niet zalig worden, is niet dat God hen niet buigen kon, maar zijn heilige wil. Rom. 9 : 17. Er blijft dan slechts over met Rom. 9:18 te bekennen : Zoo ontfermt Hij zich dan diens Hij wil en verhardt (d. i. geeft rechtvaardig aan de eigene verharding over) dien Hij wil.)
15 Vr. Is het dan niet omdat God de bekeering, het geloof en de goede werken van iemand vooruitzag?
Antw. Neen, want de zaligheid is enkel uit (jenade en al het goede van de eerste begeerte aan is zelf reeds Gods werk en gave, terwijl het booze voortkomt uit het eigen hart. Ef. 2 : 8. Matth. 15 : 19.
(De verkiezing is niet om maar tot goede werken. Ef. 1 : 4. Rom. 8 : 29. De genadige verkiezing staat juist tegen de werken der menschen over. Rom. 9:11. 11 : 5, 6. 1 Kor. 1 : 28. â Ook is de verkiezing niet om Christus maar in Christus, als haren uitvoerder, door wien God de vastgestelde zaligheid bedeelt. Joh. 3: 16. Rom. 8 : 29, 32. Ef. 1 : 3, 4. 1 Petr. 1 : 2.
V
57
V
â Besluit: Rom. 9 : 16 : Zoo is het dan niet desgenen die wil noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods.)
16 Vr Is liet niet hard en onr edit vaar d ig wanneer God voor evengelijke personen zoo ongelijke dingen bepaalt ?
Antw. Geenszins, want God is aan niemand iets verschuldigd en allen hebben tegen Hem gezondigd. (Rom. 11 : 35. 5 : 12.)
(Het voorwerp van de voor verordineer ing als zoodanig is het menschdom als nog zullende geschapen worden en zullende vallen ; van de verkiezing en verwerping de gevallene, geheel schuldige menschheid. â Ook in het tijdelijke is er ongelijke bedeeling. â Wie God liefheeft mag en moet zich voor uitverkoren houden en zijne genade prijzen. Rom. 9 : 14, 15; en men moet het hooge recht Gods erkennen Rom. 9:20, 21. â De goddelooze zondigt niet om Gods besluit te volbrengen, maar volgt zijne eisrene begeerlijkheid tearen rede, sreweten en Gods Woord. (Hand. 4 : 27, 28.)
17 Vr. Kan een uitverkorene ooit verworpen worden ?
Antw. Het voornemen Gods blijft vast en er is geen
afval der heiligen, naar de gulden keten der zaligheid Rom. 8 : 30 : Die Hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt. (Rom. 11 : 29. Joh. 10 : 28.)
(Rom. 11 : 23 : niet evendezelfde Joden, maar de Joodsche natie voor haar grootst gedeelte op zijn tijd, v. 25, 26. â Uitdelg ing uit het boek des Heeren, des
58
levens Ex. 32. : 32 en Ps. 69 : 29, het boek der levenden op aarde : plotsehjke en ontijdige dood. Op. 22 : 19 boek des eeuwigen levens ; voorwaardelijke bedreiging gelijk Ez. 18 : 24.
18 Vr. Leidt de leer van de verkiezing niet tot traagheid en vleesehelijke gerustheid ?
Antw. Neen, want God heeft met de zaligheid tegelijk ook vastgesteld de middelen en den weg, zonder welke zij niet verkregen wordt. (2 Thess. 2 : 13â15.)
(De middelen moeten â evenzeer als, schoon het levenseind vast staat, spijs en drank â gebruikt, de weg moet bewandeld worden en daaronder wordt eerst de verzekering van de verkiezing verkregen. Maar tot een oordeel is deze leer voor degenen, âdie, de genade der verkiezing of lichtvaardig vooronderstellende of zonder eerbied en roekeloos daarover pratende, in de wegen der uitverkorenen niet willen wandelen.quot; Dorclr. Leer-rey. H. I, Art. 13.)
19 Vr. Wat zijn de teekenen van de verkiezing?
Antw. 1. Droefheid naar God over de zonde. 2.
honger en dorst naar de gerechtigheid, 3. waar geloof in Christus, 4. kinderlijke vreeze Gods, â vruchten, waaruit voortgaande de boom al meer gekend wordt. (1 Thess. 1 ; 3, 4. 2 Petr. 1 : 10.)
20 Vr. Is de leer van de verkiezing belangrijk en nuttig ?
Antw. Ja. 1. zij staat met geheel de leer der zaluj-heid uit enkel cjenade in onlosmakelijk verband; 2. zjj verspreidt licht over de tveejen der mensehheid en staaft Gods macht en regeering bij de schijnbare onoverwinnelijkheid der weerspanningen. (1, Hom 9: 11. 11 : 6, 7. â 2, Kom. 9 : 17.)
V
V 59
21 Vr. Welk nut heeft zij meer?
Antw. 3. Zij dient tot onze vernedering voor God, als van wien wij geheel afhangen en aan wien wij alles verschuldigd zijn; en 4. zij is de troost der Christenen hij verzoeking en gevaar. (3, 1 Kor. 1 : 26 vv. 4:7. 4, Rom. 8 ; 28â31.
§ ' I. S c h e ip p i ti Æ/.
1 Vr. Brengt God ook ten uitvoer wat Hij heeft besloten ?
Antw. De almachtige en onveranderlijke God voert zijne besluiten uit door zijne werken naar buiten. (Jez. 46 : 10.)
2 Vr. Hoe onderscheiden zich de werken Gods? Antw. Het zijn werken in de natuur, bevattende
alle schepselen en gebeurtenissen, en werken van ye-nade tot zaligmaking van zondaren.
3 Vr. Welke zijn Gods werken in de natuur? Antw. De natuurwerken van het Goddelijke Wezen
zijn schepping en voorzienigheid. (Joh. 5 : 17.)
4 Vr. Waarmede zijn de werken Gods begonnen? Antw. Gods eerste werk tot uitvoering van zijne
besluiten is geweest de schepping van hemel en aarde. (Gen. 1:1.)
5 Vr. AVat is scheppen?
Antw. Scheppen zegt; iets wat niet was voortbrengen zonder middel en Averktuig door een enkelen alvermo-genden wil.
6 Vr. Wat zegt het dan, dat God de wereld geschapen heeft?
Antw. De schepping der wereld is die daad van den
VI
Imaclitigen wil Gods, waardoor de wereld naar stof en onn begonnen heeft te zijn. (Openb. 4 : 11.)
7 Vr. Komt de schepping aan al de drie Goddelijke 'ersonen toe?
Antw. De schepping wordt als het eerste werk bij-onder toegeëigend aan den eersten Persoon, den Vader, nt wien alle dingen zijn, doch mede aan den Zoon loor wien, en den H. Geest in wien alle dingen zijn: ij is het werk van het drieëenig quot;Wezen. (Joh. 1 ; 3. 5fez. 3:9. â Gen. 1 : 2. Job 26 : 13. Ps. 33 : 6.)
8 Vr. Is er eens van deze wereld niets voorhanden ;eweest ?
Antw. De wereld heeft niet van eeuwigheid bestaan: xod had haar niet nooclig, Hij schiep haar naar zijn vrij relbehagen en met hare schepping begon eerst de tijd.
9 Vr. Waaruit is alles geschapen?
Antw. Uit niet: God sprak en het was er. Hebiv 1:3: Door het geloof verstaan irij, dat de wereld 'oor het Woord Gods is toebereid, alzoo dat de dingen, 'ie men ziet, niet geworden zijn uit dingen, die gezien -orden.
(Ps. 33 : 9. Kom. 4 : 17. Gen. 1 : 3 v.v. (2. Mak-ab. 7 : 28.) Alles uit niet, want 1, de stoffen en envoudige grondbestanddeelen zijn uit niet geschapen; . deze stoifen konden uit zich zelve die gedaanten en lamgestelde dingen niet voortbrengen, die er uit ont-;aan zijn. â Alleen de Bijbel leert de schepping uit iet.)
10 Vr. Van waar weten wij, hoe de schepping der ereld geschied is?
Antw. Uit het verhaal van Mozes Gen. 1 en 2, ie er kennis van had door de overlevering van Adam
30
VI
af en het beschreef naar eene nadere openbaring van God.
(Aan Mozes werd misschien in een gezicht de schepping vertoond, gelijk als aan de profeten de toekomst.)
11 Vr. Was de wereld in een oogenblik voltooid?
Antw. In zes dagen heeft de IJ eer e den hemel en de
aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is en Hij rustte ten zevenden doge, Ex. 20 : 11.
(Eigenlijke dagen, z. Catech. Leerb. des O. V. Ie Stukje I. vr. 8; geene groote tijdvakken, vooral ook blijkbaar uit de schepping van den mensch, die immers niet gedurende een lang tijdsverloop is geschied.)
12 Vr. quot;Waartoe is het scheppingswerk zoo in zijne trappen beschreven ?
Antw. 1. Om Israël en ons nadrukkelijk te leeren, dat er maar één God is, één schepper van al de deelen des heelals; 2. om ons in de heschouwing van Gods werk langer op te houden en zijne macht, wijsheiden goedheid klaarder te toonen ; 3. opdat wij naar Gods voorbeeld zes dagen zouden arbeiden en den zevenden dag rusten.
(Opmerkelijk is de betrekking tusschen de 3 eerste en de 3 laatste dagwerken: 1. licht; 4. lichten. â 2. uitspansel, scheiding tusschen de wateren boven (wolken) en beneden; 5. waterdieren en in het uitspansel vogelen. â 3. land met gras, kruiden en geboomte: 6. landdieren en mensch.)
13 Vr. quot;Welke zijn de voornaamste schepselen?
Antw. Boven alle andere schepselen staan de jper-
soo)ilijke, redelijke wezens: Engel en mensch.
61
VI
14 Vr. Wat zijn de Engelen?
Antw. Zij allen zijn gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden om dergenen wil die de zaligheid beërven zullen. Hebr. 1 : 14.
(Ps. 104 : 4. 91 : 11. â Gen. 19 : 10 : Lot. Matth. 2 : 13 : Jozef. Luc. 10 : 22 : Lazarus. Mattli. 24 : 31. â 2 Kon. 19; 35 : 185000 Asstjriêrs. Hand. 12 : 23 : Herodes. â De Sadducëen : Hand. 23: 8. â Het zijn geesten : zonder eigen lichaam ; verschenen in aangenoriiene gedaanten; niet overal tegenwoordig, telkens tot éóne plaats bepaald ; kunnen niet werken dan naar den wil van God, als dienaren der voorzienigheid.)
15 Vr. Wanneer zijn zij geschapen ?
Antw. De Engelen zijn niet vóór het begin, ook niet ia de zes dagen geschapen: want in zes dagen zijn volbracht de hemel en de aarde en al hun heir, Gen. gt; : 1.
(Naar Job 38 ; K, 7, waarmede overeenkomt Ps. 04 : 4, 5, waren zij er vóór het werk van den derden lag. â Ontelbaar, geschapen zonder geslacht en ver-neerdering (Matth. 22 : 30), met verscheidenheid van â¢ang).
16 Vr. In 'hoedanigen staat zijn de Engelen ge-ichapen.?
Antw. Zij waren allen goed en heilig: want God ag al wat Hij gemaakt had en ziet het was zeer goed, ren. 1 : lil.
{Natuurlitj'ke goedheid : uitnemend in verstand (2 Sam. 4:: 20) en in kracht (2 Petr. 2 ; 11); doch niet al-
62
VI
wetend (2 Kron. G : 30); zij zien, hooren en werken niet gelijk de mensch, maar op eene wijze, die met hunne natuur overeenkomt. â Zedelijk goed: naar Gods beeld geschapen, Job 1 ; 6 met Kantt.; doch met vrijheid van wil.)
17 Vr. Zijn zij allen goed gebleven?
Antw. Neen, een opperste Engel is in de waarheid niet staande (/eblecen en de vader der leugen en aller zonde geworden en heeft vele Engelen mede doen afvallen, van welke hij het hoofd is. (Joh. 8 : 44. 1 Joh. 3 : 8. Jud. G.)
(Hij viel door eigenliefde, zelfverheffing, hoogmoed 1 Tim. 3 : G, ook blijkbaar uit zijne voorspiegelingen Gren. 3 : 5 en Matth. 4 : 3, G, 9. â Hij heet Satan d. i. wederpartijder, vijand. Duivel, d. i. lasteraar (verklager) en verleider. â Er is een rijk des Satans, Matth. 12 : 26. â Het meerdertal bleef getrouw en is onafvalbaar in het goede bevestigd. Calvijn op Efez.
1 : 10. â De duivel werkt, Efez. 2 : 2, doch niet onweerstaanbaar, Jac. 4:7.)
18 Vr. Wie waren de eerste menschen?
Antw. Adam en Eva, vóór wie er geen menschen geweest zijn.
(Een korte twist in de Geref. kerk door Izaak de la Peyrère, Hugenoot, later Roomsch, 1G55: Vóór-Adamieten. Naar hem âGen. 1 ; 27 schepping van de stamouders der Heidenen lang voor Adam; Gen.
2 : 7 v.v, schepping van Adam, den stamvader.der Joden; Gen, 6 : 1,2 Gods zonen Adams nakomelingen, de dochteren damp;r menschen, der vóór Adam geschapene m.; Hom. 5 : 13 de wet Adams, bewijs dus, dat er vóór
63
VI
Adam reeds in alle werelddeelen menschen waren.quot; â Gen. 1 : 27 waren geen andere menschen dan Gen. 2 : 7, 22, naar Gen. 2:5. â Maar Gen. 4:14? Het geslacht van Adam was reeds zeer vermenigvuldigd, na meer dan eene eeuw. 1 Kor. 15 : 45. â Tie rede leidt tot eerste ouders, de II. S. alleen leert, dat deze maar één paar waren. Hand. 17 : 2tl.)
19 Vr. Wat is de niensch?
Antw. De mensch is een persoonlijk wezen, een levende (feest of redelijke ziel met een HcJinam als woning en werktuig. (Matth. 10 : 28.)
(Waar de H. S. ff eest en ziel onderscheidt, als 1 Thess. 5 : 23 : tiw-ffeest en ziel en lichaam, daar beteekent ffeest het hoogere, redelijke wezen des mensclien, waardoor hij van van de redelooze dieren verschilt.)
20 Vr. Hoe ontstonden de eerste menschen naar he1 lichaam ?
Antw. God formeerde Adam uit het sto^ der aarde en Era van een ribbe, die Hij van Adam had genomen. (Gen. 2 : 7, 22.)
(Uit stof leert ons nederigheid: Gen 18 : 27. Jez* 64 : 8 ; uit de ribbe: nauwe betrekking tusschen den man en zijne vrouw; Gen. 2 : 23, 24. â Eva werd geschapen na het proefffebod en de dierenmonsterinff Gen. 2 : 17, 19, doch op den zesden dag. Gen. 1 :27).
21 Vr. Van waar kwam de ziel ?
Antw. De ziel is door God in den mensch onmiddellijk geschapen : als de 11 eere God den mensch ff eformeer d had uit het stof der aarde heeft Hij in zijne neus ff aten ffeblazen den adem (of geest) des levens: cdzoo
64
VI
iverd de mensch tot eene levende ziel. Gen. 2 : 7 (Zach. 12 : 1.)
(Door den geest in het lichaam, de .ziel, is de mensch levend; groeiend, gevoelend en redelijk. â Door zijnen (jeest is de mensch van Gods geslacht, door het lichaam van den aanvang af een van de aardsche wezens. De natuur zou beheerscht worden door een van haars gelijken, die echter toch tot eene hoogere orde behoorde; de (verloste) menschheid door eenen Godmensch, 1 Kor. 15 : 47.)
22 Vr. Wat is het doel der schepping ?
Antw. God heeft naar zijn vrij welbehagen de wereld geschapen om er zijne heerlijkheid in te openbaren. Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle din-qen: Hem zij de heerlijkheid in der eeuuigheid, Rom. 11 : 36. (Jez. 40 : 26).
(âEen iegelijk schepselquot; is gemaakt âom zijnen Schepper te dienenquot;. â De redelijke mensch, het laatst geschapen, is de kroon der schepping; alles op aarde bestemd âom den mensch te dienen, teneinde dat de mensch zijnen God diene.quot; Nederl. Belijd. Art. XII.)
VMM. 1'aor~iriiif/hcifl.
Ie Vr. Wat is de Goddelijke voorzienigheid?
Antw. De voorzienigheid is de zorg van God voor de schepselen, zijne bestendige werking omtrent het geschapene van de schepping aan. (Joh. 5 : 17. Jez. 40 : 28.)
65
5
VI
2 Vr. Hoeveel daden Gods moeten wij hierbij onderscheiden ?
Antw. Gods voorzienigheid bestaat in onderhouding, medewerking en regeering : want liet schepsel is in wezen, werk en einde geheel afhankelijk van God.
(Niet minder daden. Men kan ze brengen tot twee, onderh. en reg., wanneer men deze ook tot de werking der schepselen uitstrekt, maar niet om met Socin., Roomschen en Remonstr. de medewerking uit te sluiten. Heid. Cat. vr. 27: onderhouding en regeering, maar vr. 28 ook de medewerking.)
8 Vr. Wat is de onderhoudende voorzienigheid?
Antw. De onderhouding is die almachtige en overal-tegenwoordige werking van God, waardoor Hij alles doet voortbestaan zoodanig en zoolang als Hem behaagt.
{Onmiddellijk: zon, maan en sterren, aardbol, Engelen, zielen. Door middelen: wat op aarde leeft, Ps. 104 : 14: Hij doet het gras uitspruiten voorde heesten en het kruid tot dierst des menschen, doende het brood uit de aarde voortkomen; soms wonderbaar, door onmiddellijke tusschenkomst: Mozes Ex. 34 : 28, Israël Deut. 8 : 3, 4, Elia 1 Kon. 19 : 5â8. â Ps 104 : 27â30 Natuurorde, Ps. 148 : 6. Wonderen niet door de krachten der natuur. Num. 16 : 30.)
4 Vr. Wat is de Goddelijke medewerking?
Antw. De medewerking Gods is z'jn bestendige in-rloed bij alle bewegingen en werkingen van die schepselen, die Hij tot zelfwerkzaamheid schiep: uant in Hem leven wij en beuegen we ons en zijn wij, Hand. 17 : 28. (1 Kor. 12 : 6.)
66
VII
(Het werken volgt liet zijn : in het zijn is de luensch geheel afhankelijk, dus ook in de beweging of werking; evenwel niet bloot lijdelijk, daar hij uit zich zeiven zijne daden als de zijne voortbrengt ; daarom verantwoordelijk. â Jez. 10 : 15 : de koning van Assyrieâ bijlâzaagâstaf, vergel. v. 13. â Jac. 4 : 15, 16.)
5 Vr. Wat is de regeerende voorzienigheid Gods? Antw. De regeeriug Gods is dat Hij de wereld en
al wat er in is door zjjn almachtige kracht beheersch t en met wonderbare wijsheid naar zijnen wil tot zijn doel bestuurt. Ps. 93 ; 1 ; De Heere regeert. (Ps. 135 : 6â9.)
6 Vr. Waarover gaat de Goddelijke voorzienigheid ? Antw. Gods voorzienigheid gaat over alles, ook
over het allergeringste; Hij irerld alle dingen naar den rand zijns willens, Efez. 1:11. (Matth. 10 : 29, 30.)
7 Vr. Is Gods voorzienigheid ook werkzaam in hetgeen hij geval gebeurt ?
Antw. Ja, ook de toevalligste omstandigheden worden door God beschikt. Spr. 16 : 33 : Het lot wordt in den schoot geworpen, maar het geheele beleid daarvan is van den Heere.
{Toevallig, geval is het tegengestelde van noodzalielijk wat uit een natuurlijk verband met zijne oorzaak vloeit.)
8 Vr. Geschiedt er dan niets bij geval ?
Antw. Voor ons is veel toevallig, maar niets voor God.
(Buiten ons weten, willen of toedoen. 1 Kon. 22 : 34 : Achab geschoten. Deut. 19 : 5 : de houthakker. Gen. 22 : 18 : de ram voor Abraham. Luc. 10 : 31 :
hij geval kwam een zeker priester.)
67
Vil
9 Vr. Gaat Gods voorzienigheid ook over ons Jeceti
en sterven ?
Antw. Ja, tijd, plaats en weg van ieders leven zijn bij God bepaald, m wiens hand de ziel is van al wat leeft en de geest van alle vleesch des menschen, Job 12 : 10. (Hand. 17 ; 26.)
10 Vr. Kan do mensch zijn leven niet verlengen of verhorten ?
Antw. Geen mensch kan zijn leven langer of korter maken dan God bepaald heeft; maar door onmatigheid en losbandigheid of geweld leeft menigeen korter dan hij volgens de natuur kon leven. Spr. 10 : 27 : De
vreeze des He er en vermeerdert de dagen, maar de jaren der goddeloozen worden verhort.
(Ps. 55 ; 24. Pred. 7 ; 17. â Ex. 20 : 12^ â Het levensperk van Hizhia Jez. 38 : 5 en van de Nine f ie ten Jon. 3 : 4 werd hij God niet veranderd.)
11 Vr. Maar zoo toch alles bij God bepaald is, is het dan onverschillig of wij de middelen gebruiken of niet ?
Antw. Xeen, God hoeft de middelen tot het einde verordend en wij zijn verantwoordelijk over hun gebruik, niet over de uitwerking daarvan.
(Leerzaam Hand. 27 : 21 : â men behoorde dezen hinder en deze schade verhoed te hebben, v. 22 : er zal geen verlies geschieden van iemands leven onder u ; toch v. 31 : indien dezen â niet blijven, gij kunt niet behouden worden, en v. 34: â spijs te nemen, want dat dient tot uwe behouding. â Geneesmiddelen : Jez. 38 : 21 (Hizkia). 2 Kron. 16 : 12 (Aza). Jac. 5 : 14. â Vlijt â luiheid : Spreuk. 24 : 30â34. 6 : 6â8.)
68
VIÃ
12 Vr. Gaat Gods voorzienigheid ook over onze vrijtvilUge handelingen ?
Antw. Ja, zelfs over onze gedachten en woorden. Spr. 16 : 1 : De tnensch heeft schikkingen des harten, maar het antwoord der tong is van den Heere.
Jerem. 10 : 23. â Spr. 21 : 1 : des konings hart, â b.v. van Reh abeam 1 Kon. 12 : 15. Kor es 2 Kron. 36 : 22. Augustus Luc. 2:1.)
13 Vr. Indien God alles bestuurt, is de menscli
dan vrij ?
Antw. De Goddelijke besturing is geen voelbare dwang en 's menschen vrijheid is geen onafhankelijkheid, maar is het vermogen, om zich uit bewuste redenen tot het een of ander te bepalen en met redelijk overleg te handelen.
(De vrijheid is eene vanzelfheid, inzonderheid tegenover ondergeschikte oorzaken. God heeft de vrijwillige daden van het redelijke schepsel juist zoodanig bepaald, dat zij vrijwillig zouden geschieden. â Vrije wil; 1 Petr. 5 : 2. Hebr. 10 : 26. â Luc. 16 : 3, 4. â Bewijs: het oordeel des gewetens Rom. 2:15. â Joh. 8 : 34, 36.)
14 Vr. Staan ook de goddelooze menschen en booze geesten onder Gods Voorzienigheid ?
Antw. Ja, God heeft ze in zijne macht en alle schepselen zijn alzoo in zijne hand, dat zij tegen zijnen wil zich noch roeren, noch bewegen kunnen. (2 Kon. 19 : 27, 28. Job 1 : 12.)
15 Vr. Hoe is Gods voorzienigheid werkzaam omtrent de zonde ?
Antw. God verhindert nog veel meer kwaad dan
69
VII
T
70
er gedaan wordt; wat er geschiedt is door Hem toe-lt;j el aten en Hij bestuurt dat tot een heilig einde.
(Gen. 31 : 7, 24. Hand. 18 : 10. â Gen. 50 : 20.
Hand. 4 : 27, 28. Het goede einde vloeit niet uit de natuur der zonde voort.)
16 Vr. Wordt dan het zedelijk kwaad niet door â¢*» God zeiven veroorzaakt' ?
Antw. Neen, de heilige God kan geen oorzaak van de zonde zijn : Hij haat, verbiedt en straft haar. (Jac. 1 : 13, 14.)
(Men moet onderscheiden de natuurlijke beneyiny (door Gods medewerking) en de verkeerdheid in haar, de daad waarin de zonde is en de zonde (onwettelijkheid) die in de daad is. De zonde is niets zelfstandigs, maar is de onwettelijkheid (kwaadheid) eener hebbelijkheid of daad , van een persoonlijk wezen.)
17 Vr. Werkt God dan het goede?
Antw. Ja, God leert en gebiedt ons wat goed is. Hij geeft tijd, gelegenheid en middelen, wijsheid, wil en kracht tot het goede en alle goede gave en volmaakte gif te is van boven, van den Vader der lichten, Jac. 1 : 17. (2 Kor. 3 : 5. Pil. 2 : 13. Joh. G ; 44, 45.)
18 Vr. Waartoe leidt ons de erkentenis van Gods voorzienigheid ?
Antw. Dat wij, wanneer wij in Gods wegen wandelen, gemoedigd. zijn mogen onder de rampen dos levens, Hem danken bij allen zegen en voor de donkere toekomst op Hem vertrouiren. (Hom. 8 : 28. â 1 Thess. 5 ; 18. Gen. 32 : 10. â 1 Petr. 5:7.)
Nederl. Belijd. Art. XIH.
i
vin
§'MMl: Mh' mfèt.svh in tien slaat tiet rcvhtheiU.
1 Vr. Hoedanig lieeft God den menscli gescliapen ?
Antvv. God heeft den menscli (joed geschapen, zonder eenig gebrek aan lichaam of geest, bekwaam tot zijne bestemming.
(Gen. 1 : 31. Ned. Belijd. Art. XIY: âkunnende met zijnen wil in alles overeenkomen met den wille Godsquot;.)
2 Vr. Was de mensch dan niet eerst in een onb)' paalden staat, tusschen goed en kwaad?
Antw. Xeen, de mensch is geschapen in eene werkelijke zedelijke rechtheid. Pred. 7 : 29: Dit heb ik
gevonden, dat God den menscli recht gemaald heeft, maar zij hebben vele vonden gezocht.
(Een zwevende middelstaat en kindsche onnoozelheid strijdt tegen de redelijke natuur van volwassene men-schen, die of goed of kwaad is en ook in Adam geen oogenblik onwerkzaam zijn kon. Nog ongerijmder is de stelling van een dierlijken toestand.)
3 Vr. Wat zegt do h. 8. daarvan nader?
Antw. God schiep den mensch, beide man en vrouw, naar Zijn beeld, Gen. 1 ; 27.
(Het was niet eene na zijne schepping toegevoegde gave boven zijne natuur (Roomsch), maar was hem natuurlijk, gelijk de gezondheid. â Men moet onderscheiden 1. het beeld Gods in ruimeren zin, d.i. al wat den mensch als redelijk, persoonlijk schepsel van de dieren onderscheidt (ook genoemd âhet wezenlijkequot;); 2. het beeld Gods in wajwerew zin (âhet bijkomstigequot;)^ d.i. wat de mensch verloren heeft, terwijl hij mensch bleef.
71
VIII
Het eerste, de redelijke geest, de grond, liet tweede de vorm.)
4 Vr. Waarin bestond het beeld Gods nauw genomen ?
Antw. In kennis, gerechtigheid en heiligheid.
5 Vr. Bestond het niet in de uitwendige gestalte des lichaams?
Antw. ^Neen, want God is een geestelijk Wezen, naar hetwelk geen lichaam gelijken kan.
(Men zegt; God verscheen in eene zichtbare gedaante; naar deze zou de mensch geschapen zijn. Integendeel: God voegde zich in zijne verschijningen naar den mensch. Anderen stelden het in eene gelijkheid aan Christus lichaam; omgekeerd, Fil. 2 : 7.)
6 Vr. Was het niet de heerschappij over de dieren?
Antw. Neen, de heerschappij over de aarde was
een gevoly van het beeld en de weg om het te oefenen en te openbaren. (Gen. 1 : 28 )
(De Socinianen stelden het daarin alleen.)
7 Vr. Hoedanig was de ingeschapen kennis dei-eerste menschen ?
Antw. Zij hadden een helder en wijs verstand, bijzonder een zuivere kennis van God, die in de wedergeboorte vernieuwd wordt. (Kol. 3 : 10.)
(Adam kende en benoemde de dieren Gen. 2 : 20 en de uit hem geschapen vrouw Gen. 2 ; 23. Beiden kenden God als hunnen Schepper, Weldoener en Heer, blijkens Gen. 2 en 3. Doch hunne kennis van God en van de natuur was vatbaar voor ontwikkeling.)
8 Vr. Waren zij ook heilig en rechtvaardig?
72
VIII
Antw. Ja, zjj waren met God gemeenzaam, zij hadden God en elkander lief, hun hart en wil was heilig en recht en zij waren zuiver in al hunne aandoeningen, zonder eenige verkeerde drift (Gen. 2 :25. Ef. 4 ; 24.)
(Deze staat der rechtheid sloot niet in de onmogelijkheid om te zondigen, het was tegelijk een staat van beproeving,)
9 Vr. Was de mensch in den staat der rechtheid sterfelijk ?
Antw. Had de mensch niet gezondigd, hij zou ook niet gestorven zijn : want op de zonde alleen was door God de dood gedreigd en werd daarna bij vonnis uitgesproken. (Gen. 2 : 17. 3 : 19. Hom. 5 : 12.6:23.)
10 Vr. Wat was de] algemeene regel voor den mensch ? lt;
Antw. De wet der liefde, die den mensch door God was ingeschapen.
(liiefde is de hoogste wet, Matth. 22: 37â40. Rom. 13 : 10. â- Wat Paulus Rom. 2 : 14, 15 van den bedorven mensch zegt, dat moet in volle kracht geweest zijn in den reinen mensch.)
11 Vr. Welk bijzonder gebod gaf God daarbij?
Antw. Bij de wet der natuur stelde God den mensch
een proefgebod: Van allen hoorn dezes hofs zult gij vrijelijk eten ; maar van den hoorn der kennisse des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet eten: want ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven. Gen. 2 : 16, 17.
Tot beproeving van gehoorzaamheid en vertrouwen ;
73
vin
tot betooning van afhankelijkheid; tot dienstbewijs ook in het uitwendige. â Gepast: betreffende de eerste behoeften. De dood is in de eerste plaats de lichamelijke (Gen. 3:19, vergelijk 1 Kon. 2 : 37), doch be-teekent mede het verderf der ziel.)
12 Vr. Welke belofte was in de dreiging begrepen ?
Antw. Was ongehoorzaamheid met den dood bedreigd, zoo stond op gehoorzaamheid het leven, lichamelijk, geestelijk en eeuwig. (Rom. 10 ; 5.)
13 Vr. Waardoor werd dat nader bevestigd?
Antw. Door den boom des levens, die voor den
mensch, ware hij onder de beproeving staande gebleven, een Goddelijk pand van leven en zegen zou zijn geweest.
(Gen. 2 : 9. 3 : 22â24 â De boom des levens had niet de natuurlijke kracht, om den mensch levend te houden. (Roomsch. en Socin.) â Na den val is hij een beeld van Gods Zoon, den levengever. Openb. 2 : 7.)
MX. n t- Xo ii fl e.
1. De zondenval.
1 Vr. Is de mensch staande gebleven ?
Antw. Neen, maar hij heeft zich zeiven willens der zonde onderworpen en is in al zijne wegen goddeloos, verkeerd en verdorven geworden.
(Nederl. Belijd. Art. XIV. Rom. 3 : 23. â Gen. 6 : 5. 1 Joh. 2 : 16.)
74
IX
75
rr
2 Vr. quot;Wat was de eerste zonde?
Antw. De overtreding van het proefgebod: Adam en Eva hebben gegeten van den verboden boom.
(Zware zonde : tegen eenen God, wiens macht en goedheid zij kenden ; zonder noodzaak; trots de nadruk-^ kelijke dreiging. â De boom naar velen een vijgeboom wegens Gen. 3:7, zoodat zij met hun eigen schande zich dekten ; naar anderen een appelboom Hoogl. 8 : 5 of zelfs een wijnstok Num. 6 ; 3.)
3 Vr. Waardoor zijn zij tot den val gebracht?
Antw. De duivel heeft Eva verleid door eene slangen Adam door middel van de vrouw.
(Joh. 8 : 44. 1 Joh. 3 : 8. Openb. 20 : 2. Verg. i Matth. 4: 1 v.v. â De vrouw had het verbod niet onmiddellijk uit Gods mond gehoord. Als het hoofd der menschheid is Adam de schuldige bij uitnemendheid Hoz. 6 : 7 (niet: âaIs menscheii, naar menschenaard,quot; maar: ais Adam). Rom. 5 : 12 : om hem was het den verzoeker te doen. â 1 Tim. 2 : 14 : de slang heeft de vrouw verleid, maar de vrouw den man overreed Gen. 3 : 17. â De val geschiedde niet reeds op den ^ zesden dag, ook niet op den zevenden (Luther), doch T ook niet lang na de schepping.)
4 Vr. Waarmede begon de verleiding?
Antw. De verzoeker zaaide ongeloof in 's menschen hart, daar hij het Goddelijke verbod betwistte en de waarheid der dreiging loochende. (Gen. 3 : 1â4.)
5 Vr. Hoe ging de verleiding voort ?
Antw. De Booze prikkelde den mensch tot zelfverheffing door hem voor te spiegelen dat hij van een
76 IX
afhankelijk schepsel zelfstandig en vrij kon worden als God, met Goddelijke wetenschap. (Gen. 3 : 5.)
6 Vr. Was dat de rechte vrijheid ?
Antw. Neen, tot wave vrijheid komt de mensch,
wanneer hij zich uit vrije keus aan God en zijn Woord onderwerpt.
(âSlechts God is vrij, slechts God bestemt zich zeiven. En vrijheid is vereeniwj met dien God.quot; Bilderdijk. âGod dienen is vrijheid.'''' Augustinus. Joh. 8 : 31, 32, 36.)
7 Vr. Waardoor werd de verleiding voltooid? Antw. Zinnelijke hegeerlijkheid ontstak in het begoochelde hart, het verbodene werd meest aantrekkelijk â en Eva nam van de vrucht en at en zij gaf ook haren man met haar en hij at, Gen. 3 : 6.
8 Vr. Wat lag er in deze daad?
Antw, Door het slangemvoord vervoerd wilde de
mensch heerlijk en gelukkig zijn huiten God: hij werd zijn eigen, hij scheidde zich van God af â hetwelk de oorzaak is van alle ellende. (Luc. 15 : 13.)
9 Vr. Wat is dienvolgens het wezen of het eigenlijke kwaad van de eerste en van alle zonde?
Antw. Ongeloof dat Gods Woord verwerpt, zelfzucht die het eigen Ik in de plaats van God stelt en zinnelijkheid die zich aan het geschapene hecht.
10 Vr. Openbaarde zich nu terstond het bederf der eerste mensehen?
Antw. Hun schaamte en schrik voor God en voor zich zeiven bewees dat hun geweten bevlekt was ; hunne poging om zich voor God te verbergen toonde dat de zonde hun verstand verblindde-, hunne ontschuldigingen
JX
T
77
getuigden van onrechtvaardigheid en verkeerdheid van hart en wil. (Gen. 3 : 7â13.)
11 Vr. Welke gevolgen had de val meer voor Adam ' en Eva?
Antw. Zij werden van toen af aan moeite en smart en aan den dood onderworpen en uit het paradijs ge-â *gt; dreven. (Gen. 3 : 19, 23, 24).
12 Vr. Hebben wij een zeker bericht van den zon-denval?
Antw. Mozes heeft den val der eerste menschen, zoo als die werkelijk gebeurd is, naar waarheid beschreven, Gen. 3, en in het N. ï. is dit nader verklaard en bevestigd.
(Gen. 3 is irerkelijke geschiedenis, geen zinnebeeld. Want 1. het staat tusschen louter geschiedkundige berichten; 2. het N. T. wijst er op terug als iets dat werkelijk geschiedt is en grondt er leerstellingen op. Joh. 8 : 44. Openb. 12 : 9 Hom. 5 : 12 v.v. 1 Kor. 15 : 21 v.v. â Op den zondenval ziet ook Job 31 : 33. Hoz. 6 : 7. Jez. 43 : 27 : uw eerste vader Adam, niet Abraham )
2. Erfzonde en dadelijke zonde : ellendigheid des menschen,
13 Vr. Hoedanig is de mensch door den val geworden ?
Antw. Door Adams zonde is het beeld Gods verloren en geheel de natuur des menschen verdorven.
(Het beeld Gods in nauweren zin (zie VHI. vr. 3.) is verloren, blijkens 1, den tegenwoordigen natuurlijken toestand des menschen, Rom. 3 : 10 v.v. 2, de noodzakelijkheid der wedergeboorte, Joh. 3 : 3. Kol. 3 : 10. Ãfez. 4 : 23, 24. â Het beeld Gods in
IX.
ruimeren zin is gebleven (dat zijn de âkleine overblijfselenquot; Ned. Belijd. Art. XIV): âDoor den val heeft de menseh niet opgebonden menscb te zijn, met verstand en wil begaafd, de natuur des menscbelijken geslaebts is door de zonde niet weggenomen maar verdorven en geestelijk gedood.quot; Dord. Leer ret/. Hoofdst. III en IV Art. 16. Als persoonlijk wezen, door zijnen redelijken, onsterfelijken geest gelijkt nog de menscb op God: Gren. 0 : 6 Jac. 3 : 9. 1 Kor. 11 : 7.)
14 Vr. Zijn alle nienscben zondaars?
Antw. Geen menseh is er die niet zondigt, 1 Kon. 8 : 46. Zij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods, Hom. 3 : 23.
15 Vr. Vanwaar die algemeenheid der zonde?
Antw. Door voortplanting der verdorven natuur van
Adam is de zonde erfzonde geworden ; de verdorven vader bracht verdorvene kinderen voort.
(Gen. 5 : 3. Job 14 : 4. Joh. 3 : G. â De zonde is de richting en weg van het natuurlijk leven des menschen ; hij leeft van nature in de zonde. Niet enkel navolging ; gelijk Pelag., Socin., Mennonieten stellen.)
16 Vr. Is dan de erfzonde in alle menschen?
Antw. Ja, een ieder menscb moet belijden : ik hen
in ongerechtigheid geboren en in zonde heeft mij mijne moeder ontvangen, Ps. 51 : 7.
(Alleen Christus niet, die ontvangen is uit den H. Geest. De Roomschen (vroeger onder tegenspraak van de Dominicanen) zonderen ook Maria uit.)
17 Vr. Wat gaat met de erfelijke zonde gepaard?
78
IX
Antw. Ook de dood en al die rampen en ellenden, die dooi' Gods oordeel over Adam kwamen, treffen zijne nakomelingen mede. Door éénen mensch is de zonde in de wereld yekomen en door de zonde de dood en alzoo is de dood tot alle menschen doorgegaan, in welken (omdat) allen gezondigd hebben, Rom. 5 : 12.
(In nelhen, naar de Vulgata; gr. omdat, zie Kantt. Intusschen dewijl in allen ook de kinderen begrepen zijn, zoo is liet toch in Adam. 1. Kor. 15 : 22. Vergel. Hebr. 7 : 9, 10.)
18 Vr. Wat is de grond daarvan?
Antw. Adam vertegenwoordigde in zijn staan en in zijn vallen geheel de menschheid.
(Blijkbaar uit de geschiedenis van den eersten mensch, alles wat hem verordend werd, raakte niet alleen hem : maar den mensch in 't gemeen.)
19 Vr. Hoe wordt dat in do Schrift nog nader in het licht gesteld ?
Antw. Do H. S. leert, dat wij op dezelfde wijze door de óóne gehoorzaamheid van Christus gerechtvaardigd worden als wij door de ééne misdaad van Adam onder het oordeel des doods gebracht zijn, dat is door toerekening. (Rom. 5 : 19.)
. 20 Vr. Wat is het dienvolgens, dat wij van Adam hebben geërfd ?
Antw. Het is niet alleen een erfelijk gebrek of erf smet, maar vooraan erfschuld, hetwelk bijzonder blijkt uit de heerschappij des doods over de kinderen, die zeiven niet gezondigd hebben.
(Rom 5 : 18. Vergel. Rom. 5 : 16 : want de schuld
79
IX
âhet oordeelquot;, vonnis) is uit ééne misdaad tot verdoemenis, âveroordeelingquot;, die niet plaats kon hebben zonder een toegerekend kwaad.)
21 Vr. quot;Wat wordt door de aangeboren verdorvenheid veroorzaakt?
Antw. De verdorvenheid der natuur brengt allerlei dadelijke zonden voort: âaangezien de zonde daaruit altijd als opwellend water uitspringt gelijk uit eene onzalige fontein.quot;
CNeder!. Belijd. Art. XV. Jac. 1 : 14.)
22 Vr. Wat zijn daadzonden?
Antw. Dadelijke zonde is iedere bijzondere afwijking van een Goddelijk gebod aangaande God of ons zeiven of onzen naaste.
(Vrij daarvan alleen Christus 1 Petr. 2 : 22, en de kleine kinderen Jon. 4 : 11.)
23. Hoe zondigt men al?
Antw. Men zondigt zoowel door nalating van het geboden goede als door bedrijf van het verboden kwaad, zoowel inwendig met gedachten en begeerten als uitwendig door woorden en werken (Jac. 4 : 17. Matth. 25 : 42 v.v. â Spreuk. 6 : 18a. â Matth. 12 : 36. 15 : 19.)
24 Vr Kan de mensch geen goed doen?
Antw. Uitwendig kan een ieder voor velerlei kwaad zich wachten en zijnen plicht doen, maar tot het geestelijke goede, tot een leven in ware liefde voor God zijn wij van nature gansch onbekwaam. (Rom. 8 : 7.)
25 Vr. Heeft de mensch dan geen vrijen wil?
Antw. Bij al de vrijwilligheid zijner daden is toch
de mensch niet in staat om zich zelf voor het wezenlijk
80
IX
(joede te bepalen: quot;want ook de uil is bedorven, door het vleescli beheerscht, slaaf der zonde.
(Joh. 8 : 34. Rom. C ; 1G. 2 Petr. 2 : 19. â Men kan niet tegenwerpen, dat PaulusRom. 7 : 15 v.v. den wil als tegen de zonde gekant voorstelt, want hij schetst den strijd na de bekeering, zie v. 1G en 22. â De dwaalleer, die de erfzonde loochent en den niensch een vrijen tril voor het goede toeschrijft, heet Pelagianisme âde hoovaardige ketterij van Pelagiusquot;, in het begin der 5de eeuw. Tegen hem Avyustinvs, gest. 430 n. C.)
2G Vr. Kan men zich met de aangeboren verdor' venheid ontschuldigen ?
Antw. JSTeen, want wat men nog kon, wordt niet gedaan en ook tegen het licht van rede en geweten wordt er in allerlei wijze gezondigd, hetwelk den mensch geheel onverschoonlijk maakt voor God.
(Rom. I; 18 v.v. Dordr. Leerr. H. Ill en IV. Art. 4.)
27 Vr. Kan de geopenbaarde AVet van God den zondaar niet herstellen ?
Antw. Neon; de Wet ontdekt wel de zonde maar wijst geen middel daartegen aan en, door het vleesch * krachteloos geworden, laat zij den overtreder onder den vloek.
(Rom. 3 : 19, 20. Dordr. Leerr. H. III en IV.Art. 5.)
28 Vr. quot;Wat volgt op de zonde?
Antw. De mensch kan in zijne scheiding van God
niet gelukkig zijn, maar moet er voor lijden: op de zonde staat straf, welke uitloopt op eene eindelooze rampzaligheid voor die in hunne zonden sterven.
6
f
j_____
81
IX
(Rom. 6 : 23 1 Kor. 15 : 5G. â Met ieder âzondequot; begaat men een onrecht, dat âgezoendquot; moet worden; 1 Joh. 3 ; 4.)
29 Yr. Is dan niet liet mensehdom door de zonde diep ellendig?
Antw. Ja, de geheele wereld is voor God verdoemelijk, allen zijn van nature hinderen des 'toorns, dood door de zonden en misdaden, onmachtig om zich zeiven te redden. (Efez. 2 : 3.)
X. Ãh\s fV-r/o»,Persoon.
1 Yr. Yanwaar komt er verlossing voor den ellen-leudigen mensch?
Antw. Hetgeen noch het licht der natuur ncch de Wet vermag, dat werkt God uit door den Heiligen Geest door middel van het Evangelie van Christus.
(Rom. 8 : 3, 4. Dordr. Leerr. H. Ill en IY. Art. G.)
2 Yr. Is God den mensch niet aanstonds na den val met zijne genade voorgekomen?
Antw. God heeft den mensch gezocht, toen die al bevende voor Hem vlood en heeft hem getroost dooide belofte van het Zaad der vrouw, hetwelk des duivels macht en werk in Adams kinderen verbreken zou.
(Gen. 3 : 15. 1 Joh. 3 : 8. Nederl. Belijd. Art XYII.)
3 Yr. Ging de heilsbelofte voors?
Antw. De Yerlosser, die komen zou, werd van tijd tot tijd klaarder aangekondigd, met al nader bepaling-tot Abraham's zaad, Juda's stam en David's geslacht, (Gen. 12 : 3. 49 : 8. 2 Sam. 7 : 16.)
82
83
X
4 Vr. Behelst dan geheel het O. T. voorzeggingen van Christus ?
Antw. Ja, Christus is het pit en merg der Schriften : Dezen geven getuigenis al de profeten, dat een iegelijk, die in Hem gelooft, vergeving der zonden ont-vancjen zal door zijnen naam, Hand. 10 : 43. (Joh. 5 :'39.)
5 Vr. Waardoor werd er nog meer op Christus heengewezen ?
Antw. Behalve de voorzeggingen stelde God ook bijzondere personen en gebeurtenissen tot zinnebeeldige voorteekenen van den. Verlosser, van zijn werk, weg en rijk en al de instellingen des O. V. voornamelijk de offeranden waren eene schaduw der toekomende dingen.
{Melchizédek (van Sein door Lud) Hebr. 7 ; 3. David; Salomo-, Jonai L'ic 11 : 30 â⢠Abrahams opoffering van Izaiik Hebr. 11 ; 19. De verhooging der slang in de woestijn. Joh. 3 : 14. â Kol. 2; 16, 17. Hebr. 10 : 1 v.v. 1 Kor. 5 : 7.)
6. Vr. Werd ook de tijd van zijn verschijning aangeduid ?
Antw. De Verlosser zou komen, wanneer de schepter bij Juda nog was, 7 0 (jaar=) weken na het bevel om Jeruzalem te herbouwen, terwijl de tweede tempel nog stond.
(Gen. 49 : 10: Schiloh d. i. rws^gever. â Dan. 9 : 24, 25 : 490 jaren. â Hagg. 2 : 8, 10. Mal. 3:1.)
7 Vr. Wie is de ware Messias en Verlosser, die alles vervulde?
Antw. Dat is Jezus, van Maria uit den zade Davids te Bethlehem geboren, de in het vleesch geopenbaarde Zoon Gods, in wien al de beloften Gods ja en amen zijn. (2 Kor. 1 : 20. Luc. 24 : 44)
84
8 Vr. Hoedanig een Persoon is de Verlosser ?
Antw. Christus is God en mensch in één Persoon :
want in Hem woont cd de volheid der Godheid lichamelijk. Kol. 2 : 9. (Roin. 9 : 5.}
9 Vr. Kon een schepsel de \erlosser niet zijn?
Antw. 1. Green mensch of Engel kon voor anderen
en dat voor zoovelen de Goddelijke Wet vervullen, de schuld betalen en de eeuwige zaligheid verwerven en mededeelen.
(Ps. 49 : 8, 9. Joh. 10 : 18. â Een bloot men-schelijk verlosser kon zelfs niet voor één enkel zondaar voldoen, omdat de verdiende straf eene eeuwige is; er was een Persoon noodig van oneindige waardigheid en machtig om zonde, dood en duivel te overwinnen.)
10 Vr. Waarom kon nog meer een geschapen wezen de Verlosser niet zijn ?
Antw. 2. De Verlosser moest voor de verlosten ook het voorwerp kunnen zijn van geloof, gehoorzaamheid en aanbidding. (Pil. 2 : 10.)
11 Vr. Is dan Christus het Goddelijk Wezen zelf?
Antw. Siet het Goddelijke Wezen is in de mensch-
heid verschenen, maar één van de drie Goddelijke Personen, de Zoon: God heeft zijnen Zoon nitrjezonden, geirörden uit eene vrouw, (Gal. 4 : 4.)
12 Vr Welke zijn de voornaamste (jctuicjenissen hiervoor dat in Jezus de Godheid des eeuwigen Woords is verschenen ?
Antw. De Godheid des Verlossers wordt bevestigd P 1. door voorzeggingen in het O. T. en door de getuigenis van den dooper Johannes. (Jez. 9 : 5. Mich 5:1. â Joh. 1 : 27, 30.)
13. Vr. Welke bewijzen hebben wij hiervan meer ?
Antw. 2. Jezus eigene gezegden over zich zeiven
X
85
X
li. de getuigenis van den Vader uit den hemel. 4. de getuigenis der heilige Apostelen.
(Joh. 8 : 58. 5 ; 23. Matth. 28 : 20. -â Joh. 5 : 36, 37. â 1 Joh. 1 : 1â3.
14 Vr. Welke getuigenis is er nog voortgaande van de volheid der Godheid in Christus ?
Antw. 5. De getuigenis des H. Geestes in de werking van het Christendom op de wereld en in de ondervinding aller geloovigen. Joh. 16 : 14.)
(Zie boven IV. vr. 28 v.v.)
15 Vr. Waarom moest de Zaligmaker mensch zijn ? Antw. De Verlosser moest waar mensch zijn om als
plaatsbekleeder de wet te vervullen die den menschen was gegeven en om te lijden en te sterven. (Hebr. 2 : 17.)
16 Vr. Wat behoorde tot zijne menschheid?
Antw. Lichaam en ziel, de volledige menschelijke
natuur, gelijk zij ten gevolge van de zonde geworden is, met al hare zwakheden, doch zonder zonde.
(Rom. 8 : 3. Hebr. 4:15. Ned. Belijd Art. XVIII.
Tweede algemeene kerkvergadering 381 n. C. te Kon-stantinopel tegen Apollinaris.)
17 Vr. Ziju de Godheid en de menschheid in Christus twee personen ?
Antw. Christus wordt in de Schrift voorgesteld als één Persoon met twee naturen: Hij, die op aarde wandelde, was dezelfde Persoon die voor Abraham en voor de qrondleqqinq der wereld was. (Joh. 8 : 58. 17:5. 3 : 13. Efez. 4 : 10.)
18 Vr. Wie is dan eigenlijk de Persoon, die wij in Jezus moeten eerbiedigen ?
86
Antw. Het is de Goddelijke Persoon des Zoons, die de gestaltenis eens dienstin echts aangenomen heeft en is den menschen gelijk geworden, Fil. 2 : 7.
{Ned. Belijd. Art. XIX. De Persoon des Zoons, van nature God, heeft zich niet vereenigd met een men-schehjk persoon ââ dan waren liet twee personen â maar met eene volledige menschehjke natuur, die van het eerste oogenblik de zijne was )
19 Vr. Hoedanig is de vereeniging van Godheiden menschheid in Christus ?
Antw. Godheid en menschheid zijn in Christus persoonlijk vereenigd onverdeeld en onscheidbaar, onvermengd en onveranderd.
{Vierde algemeene kerkvergadering 451 n. C. te Chalcedon tegen de dwaling der Nestorianen (: âtwee personenquot;) en der Monophgsieten (: âééno natuurquot;). De persoonlijkheid (het Ik) van den Goddelijken Persoon is ook die van zijne menschheid, vergelijkbaar met het ééne middelpunt van twee cirkels, een kleinen (de menschheid) en een ondenkbaar grooten.)
20 Vr. Wat zegt dat ?
Antw. Iedere natuur heeft hare eigenschappen behouden, doch het is écu Persoon die ze bezit. (Joh. 8 ; 58, 17 : 5.)
21 Vr. Is deze persoonlijke eenheid des Verlossers van gewicht ?
Antw. Hierop rust geheel de waarde en kracht van Jezus' leer, leven en dood: zoo alleen, God en mensch in een Persoon kon Hij de Middelaar Gods eu der menschen zijn. (1 Tim. 2 : 5, 6. Hebr. 8 : 6. 9 : 14, 15.)
X
T2 D 46
87
X
(Christus is Middelaar naar heide naturen, niet alleen naar de Goddelijke (Osiander), noch alleen naar de men-schelijke (Stancarus met de Roomschen.) Al wat Hij deed en leed, was werk en lijden van Gods Zoon. â De eene natuur deelt hare eigenschappen niet aan de andere natuur mede. maar van beide behoort alles aan den éenen Persoon. Gods Zoon stierf., maar alleen naar
zijne menschheid. Hij is aanbiddelijk, maar alleen van zijne Godheid.)
X#. ite» .*«/â¢.* \ttgt;11 ii en â mlili-ii.
1 Vr. Welke eigennaam is den Zoon Gods in de menschheid gegeven?
Antw. Als mensch onder de Joden ontving Hij naar Gods bestel den Joodschen naam Jezus, Zaligmaker, omdat Hij zijn volk zou zalig maken van hunne zonden.
(Luc. 2 : 21. Matth. 1 : 21. Hand. 4 : 12. Jezus = Jozua â Jehovah redtquot;. Vóór Hem droegen velen dien naam; na zijne verhooging niemand, bij de Christenen uit eerbied, bij de Joden uit afkeer.)
2 Vr. Welke is de ambtsnaam van den Heere Jezus?
Antw. Als Middelaar heet Hij Christus (in het
Grieksch) of Messias (in het Hebreeuwsch), de Gezalfde, onder welken naam Israël naar de voorzegging den Verlosser verwachtte.
(Joh. 1 : 42. Het eerst 1 Sam. 2 : 10. â Ps. 2 : 2. Dan. 9 : 25.)
3 Vr. Wat geeft deze naam te kennen?
ïrond
op
i
XI
Antw. Jezus lieet de Christus, omdat Hij is de ware Profeet, Hoogepriester en Koning naar de drie bedieningen ran liet Godsrijk.
4 Vr. Waarom wordt dat door den naam Gezalfde uitgedrukt ?
Antw. Omdat onder het O. V. die mannen, die deze hoogste waardigheden voorbeeldig droegen, tot hunne bediening gewijd werden door zalving met heilige olie.
(Lev. 8 : 12. Ue âolie der heilige zalvingquot;, Ex. 30: 23â25. Ook Aarons zonen gezalfd, Ex. 40 : 15. 1 Sam. 10 : 1. 1 Kon 19 : 16. â De burgerlijke Oversten na de ballingschap niet meer gezalfd.)
5 Vr. Wat werd door de zalving afgebeeld?
Antw. De zalviny mat heilige olie was een teeken
van Goddelijke roeping en bekwaammaking tot de bediening. (Hebr. 5:4. â 1 Sam. 10 : 9.)
6 Vr. Is Christus door God tot Middelaar gesteld ? Antw. Christus heeft zich zelcen niet verheerlijkt om
Hoogepriester te worden, maar die tot Hem gesproken heeft: Gij zijl mijn Zoon, heden heb ik u gegenereerd, Hebr. 5:5.
(Tot Middelaar verordineerd: 1, van eeuwigheid bestemd 1 Petr 1 : 20. 2, gezonden. 3, bevestigd. â David driemaal gezalfd: in zijns vaders huis, 1 Sam. 16 : 13 en tweemaal te Hebron, 2 Sam. 2 : 4, 5 : 3, voor zijne vestiging in de hoofdstad Jeruzalem.)
7 Vr. Is Christus tot het middelaarswerk ook bekwaam gemaakt?
Antw. Ja, Hij i.s naar zijne menschheid van God gezalfd met den Heilir/en Geest en met kracht. Hand. 10 : 38.
88
XI
(1, Heilige ontvangenis en geboorte. 2, zondelooze ontwikkeling Luc. 2 : 40, 52. 3, doop Matth. 3. Joh. 3 : 34 : icant God geeft Hem den Geest niet met mate. Daarom is Hij de Gezalfde bij uitnemendheid. â Naar de Soein. zou Jezus in den tijd van zijn 40daagseh vasten naar den hemel ontrukt en daar tot zijne bediening bekwaam gemaakt zijn.)
8 Vr. Waren deze drie ambten voor den Middelaar noodzakelijk ?
Antw. Om volkomen Zaligmaker te zjjn moest Hij de zaligheid verkondigen, verwerven en mededeelen.
9 Vr. Beantwoordt dat aan onze behoeften ?
Antw. Ja, want de mensch heeft noodig eerst ver-
lichting van het verstand, dan verzoening met God, daarop verlossing uit de dienstbaarheid der zonde. (1 Kor. 1 ; 30.)
I
1. Christus1 profetisch ambt.
10 Vr. Was Christus als profeet beloofd?
Antw. Jrt, Want Mozes heeft tot de vaderen gezegd:
de Ileere nw God zal n eenenprofeet verwekken uit uwe broederen gelijk mij; dien zult gij hoor en in alles wat Hij tot u spreken zal, Hand. 3 : 22. (Deut. 18 : 15. â Joh. 4 : 25 )
11 Vr. Wat waren de (buitengewone) profeteii ? Antw. De profeten waren heilige menschen Gods,
die onmiddellijke openbaringen van God ontvingen en door den H. G. (/erfcei'ew het Woord Gods verkondigden, leer en voorzegging, waarbij dikwijls wonderwerken hunne Goddelijke zending staafden. (2 Petr. 1 : 21.)
12 Vr. Verklaarde Jezus zelf zich voor den beloofden Profeet ?
89
XI
Antw. Hij sprak in de synagoge te Nazaret naar de Godspraak van Jezaja: Be Geest des Heeren is op mij, daarom heeft Hij mij (jcza Ifd; Hij heeft mij gezonden om den armen het evangelie te verkondigen, om te genezen die gvhroken zijn ran harte. â Luc. 4 : 18. (Jez. fil : 1. â Joh. 4 : 26.)
13 Yr. Wat leerde Hij ?
Antw. Hij predikte de Wet tot bekeering, liet Evangelie tot geloof in zijn Persoon en verkondigde ten volle liet Goddelijke raadsbesluit van de verlossing, hetwelk Hij nn zou volbrengen. (Joh. 1 : 18 Hebr. 1 : 1. â Matth. 5 : 17. Joh. G : 40. 14 : 6.)
14 Vr. Heeft Jezus ook toekomende dingen verkondigd ?
Antw. Zijn leeren werd meer en meer voorzegging aangaande Hem zeiven, het Joodsche volk, de wereld en do kerk (Joh. 14 : 29)
15 Vr. Waardoor openbaarde Hij daarbij zijne heerlijkheid ?
Antw. Door ironderen en teehnen, die Hij dagelijks deed, etn profeet krach/iff in woorden en werken voor God en al het volk, Luc. 24 : 19.
(Joh. 7 : 31. Zie Catech. Leerh. N. V. XIX.)
16 Vr. Hoe lanff heeft Christus geleerd?
Antw. Hij begon na zijnen doop. Hij sloot voor het volk met zijne gevangenneminff, voor zijne jongeren met zijne hemelvaart. (Matth. 4 : 17. Hand. i : 1â3.)
17 Vr. Wat behoort al tot de leer van Christus?
Antw. Xiet dat alleen is de leer van Christus wat
Hij zelf in het vleesch verkondigd heeft, maar ook wat zijne Apostelen, door den Geest der waarheid geleid, nader geleerd hebben.
90
XI
(Luc. 10 : 16. â Christus heeft genoeg gezegd, om ons te verzekeren, dat de Apostelen geene nieuwe leer hebben geleerd tegen den zin van Christus. 1 Kor. 2 : 16.)
18 Vr. Is zijne profetische werkzaamheid dan niet met zijne hemelkaart geëindigd?
Antw. Sedert zijne verhooging leert Hij door zijne dienaren, buitengewone en gewone: Dezelve heeftyege-ven sommigen tot apostelen en sommigen tot profeten en sommigen tot evangelisten en sommigen tot herders en leeraars, Efez. 4 : 11. (1 Kor. 1 ; 4, 5.)
19 Vr. Blijft Hij zoo voortwerken ?
Antw. Christus leert al voort door Woord en Geest en alle ware verlichting en opwekking gaat van Hem uit: Hij is het licht der wereld. (Joh. 8 : 12. Matth. 11 : 27.)
(Intusschen openbaart Hij onmiddelbaar niets nieuws meer.)
2. Christus' hoogepriesterambt.
20 Vr. Kon Jezus door zijn leer en heilig voorbeeld zondaren zalig maken ?
Antw. Neen, de Verlosser moest niet alleen weg-wijzer maar ook de weg zelf zijn: Hij moest als Hoo-gepriester de zonden verzoenen. (Joh. 14 : 6.)
21 Vr. quot;Waardoor onderscheidt zich zijn priesterambt van het profetische en het koninklijke ?
Antw. Als Profeet en Koning volvoert Hij wat van Gods wege bij den mensch te doen is, als 11 oog epriester is Hij gesteld voor de menschen in de zaken, die bij God te doen zijn. (Hebr. 5:1)
22 Vr. Was Hij als Priester beloofd?
91
XI
Antw. Christus pi'iesterwerk was afgoschaduwd door net Levietische priesterschap, bijzonder door den liooqe-])) tester in Israël; als eemy en eemcig priester en koninq in een was Hij voorgebeeld door Melchizéclek. (Hebr. 7 : 11. Ps. 110 : 4. (Gen. 14 : 18â20.)
23 Vr. Waarin bestond de priesterlijke dienst? ntw. Het voornaamste werk der priestereu was of-
feren, voorbidden en zegenen. (Hebr. 8:3. â Joël 2 : 17. â jSTmn. 6 : 23â27. Deufc. 21 : 5.)
24 Vr. Welke offerande heeft de ware Hoogeprics-te'r gebracht ? 0 1
Antw. Christus, priester en offer in één, heeft door den eeuwigen Geest zich zeioen Gode onstraffelijk opgeofferd, Hebr. 9 : 14.
(De offerende Priester was de Godmensch naar zijne
on oo\^Ulen ' 'lefc 0ffer ZJjne menschheid, ziel (Matth. ^0 : 28) en lichaam; het altaar het kruis 1 Petr. 2 : 24; het offervuur zijn liefdeijver Ps. 69 : 10 en de toorn Gods over de zonde 1 Thess. 1 : 10.)
25 Vr. Waardoor was zijn offerande voldoende? Antw. Christus heeft door zijne zelfopoffering de
zonde waarlijk verzoend, omdat Hij was niet alleen volmaakt heilig mensch, maar de eenkigeboren zoon Gods. (Hebr. 7 : 26â28. Ps. 40 : 7â9 )
26 Vr. Bestond zijn offer alleen in het sterven? Antw. Geheel zijn leven was een offer, een overgeven van zich zeiven in gehoorzaamheid aan den Vader, maar de dood aan het kruis was de voleinding. (Pil. 2:8) 0
(Xaar ^ de Sociniaansche leer was Christus op aarde ?een priester, maar is het alleen in den hemel, als voorbidder.)
92
XT
27 Vr. Wat zegt het, dat Hij zich geofferd heeft ? Antw. Christus heeft hi de plaats van strafwaardige
zondaren tot den dood toe geleden ter voldoening aan Gods rechtvaardigheid als het ware tegenbeeld en einde van al de schaduwachtige zoenofferanden. (Rom. 3 : 25. Hebr. 10 : 1.)
28 Vr. Wat is zijn priesterwerk in den hemel? Antw. In den hemel is Christus voorbidder, door
wiens voorspraak op grond van zijn offer schuldigen genade ontvangen. (Rom. 8 : 34. 1 Joh. 2:1. Openb. 8 ; 3, 4.)
29 Vr. Mag men Engelen en heil'rjen ook als voorbidders eereu?
Antw. iNeen, want er is één God, er is ook één Mid- 1 delaar Gods en der nu nschcn, de mensch Christus Jezus, 1 Tim- 2 : 5.
By de lioomschen en Griel-en aanbidding Gods, aanroeping en vereerin^ ook van Engcleti en heilJfjen,gestor- i venen die zalig bij God zijn en met Christus regeeren. On nood if/, Hebr. 7 ; 25 ; onteerend voor Christus; geen hevel noch voorbeeld daarvan in de H. S.; vruchteloos, ,Tez. 03 : 16. â Men leze liet uitstekende XXVIste Art. der Nederl. Belijd.)
30 Vr. Zegent Hij ook als Hoogepriester ?
Antw. Van uit liet hemelsche heiligdom zigent Christus zijn volk door werkelijke mededeeling van geestelijke gaven. (Luc. 24 : 50. Efez. 4 : 8. Joh. 1 : 16.)
3. Christus1 koninklijk ambt.
31 Vr. Waarover is Christus Koning?
Antw. Als God. is Hij met den Vader en den H. Geest Heer over alle schepselen, als Godmensch en Middelaar is Hij Koning en Hoofd van de kerk.
93
1
XI
(1. Algemeene heerschappij: koninkrijk der macht of der natuur; daarin 2. het bijzondere, koninkrijk : a. de strijdend'1, kerk; rijk der genade, b. de zegepralende: rijk der heerlijkheid. â llebr. 1 : 2, 3 )
32 Vr. Wat was mede een reden, waarom de Middelaar ook Koning moest zijn?
Antw. Door zijn profetisch en priesterlijk werk zou Hij de verlosten alleen met zich verbonden hebben, maar door zijn koninklijk ambt wilde Hij hen ook met elkander vereenigen als één volk. (Tit. 2 : 14. Joh. 10 : 16.)
33 \ r. Betoonde Hij zich ook reeds in zijn nede-righeid als Koning?
Antw. Jezus verklaarde, dat Hij koning was, had macht over de harten en gaf beloften, iretten en inzettingen voor zijn rijk, maar de volle uitoefening van zijn koninklijke macht begon met zijne troonbeklimming. (Joh. 18 : 37. â Matth. 1G : 19.)
34 Vr. Wat behoort tot het koninklijke werk van den Middelaar?
Antw. De vergadering, bevestiging, regeering, bescherming, uitbreiding en volmaking van de kerk (Joh. 10 : 16. Efez. 4 : 13.)
35 Vr. Waardoor regeert Hij ?
Antw. Christus vormt en regeert zijn volk door zijn woord en zijnen Geest.
(Zending van dienaars, prediking, bondzegelen, openbaar gebed en gezang, kerkelijke tucht. â Niemand mag aan de kerk iets gebieden wat tegeu Christus gebod is.)
36 Vr. Bewaart Hij ook zijn volk?
Antw. Christus beschennt zijne gemeente tegen de
94
XI
wereld, bestrijders en verdrukkers en tegen alle macht der duisternis. (Jez 27 : 2, 3. Matth. 1G : 18.)
37 Vr. Van welken aard is zijn koninkrijk ?
Antw. Christus koninkrijk is geestelijk en liemelsch :
Hij zeide: Mijn koninkrijk is niet van deze wereld, Joh. 18 : 36.
(Tegen 1. alle vleesche.lijke en zinnelijke verwachtingen van grove of' fijne Chiliasten, 2. de wereldsche heerschappij van den Paus. â Kerk en Staat wel onderscheiden, ieder moet in het zijne blijven ; 2 Kron. 19 : 11. Matth. 22 : 21 ; doch niet te scheiden; de Staat behoort in wetgeving en bestuur christelijk te zijn.)
38 Vr. Zal het koninkrijk van Christus zich meer
uitbreiden ?
Antw. Het zal zegevierende voortgaan en men zal eens zeggen: De koninkrijken der wereld zijn f/eworden on zes Heer en en van zijnen Christus en Hij zal a's koning heerschen in alle eeuwigheid. Openb. 11 : 15. (Jez. 33 : 20).
39 Vr. Waartoe verplicht ons de profetische waardigheid des Verlossers ?
Antw. Met verloochening van eigen wijsheid moeten wij naar Christus hooren en ons naar zijne leere richten. (Deut. 18 : 19. Matth. 17 : 5. Joh. 7 : 17.)
40 Vr. Waartoe moet ons yjjn jiriesferdinbt dienen? Antw. Wij moeten met onze zonden tot Jezus gaan,
op zijne offerande pleiten en zijne voorbidding inroepen. (Hebr. 4 : !'gt;.)
41 Vr. Hoe moeten wij Hein als Koning eeren ? Antw. Wij moeten het juk van Jezus op ons nemen,
zijne geboden gehoorzamen en medewerken tot uitbreiding van zijn rijk. (Luc. 6 : 46. Matth. 9 : 37, 38.)
95
i
XII
Xli, He.* Werlosscrs Sinten. Vernederin/f.
1 Vr. Hoe veel staten zijn er bij den Zaligmaker te onderscheiden ?
Antw. De H. Schrift stelt ons Christus tvoor in tweeërlei staat: Vernedering en verliooginc/.
(Voorzegd en voorgebeeld. Jez. 53. Jozef, David. â Luc. 24 : 26, 27.)
2 Vr. Waarin bestond zijne vernedering ?
Antw. Zijne vernedering was dat Hij het gebruik van zijne Goddelijke eigenschappen vrijwillig verzaakte en met zijne menschhnd zich aan de Goddelijke wet onderwierp om te doen en te lijden wat tot zaligmaking van zondaren vereischt werd. (Fil. 1 : 6â8.)
3 Vr. Wat is zijne v- rhoogiug ?
Antw. Christus' verhooging zegt, dar. Hij naar zijne mcnschclijke natuur verheerlijkt is en nu als Godmensch heerscht met het volle gebruik van zijne Goddelijke eigenschappen. (Fil. 2 : 9â11.)
4 Vr. Welke trappen onderscheidt men gewoonlijk in zijne vernedering ?
Antw. Zijn nederige geboorte, lijden, dood, begrafenis, nederdaling ter helle.
{Nederdaling ter helle door Roomschen en Lutheranen tot de verhooging gerekend.)
5 Vr. Welke zijn de trappen van zijne verhoogiug?
Antw. Zijne opstanding, hemelvaart, zitting aan
Gods rechterhand en wederkomst ten oordeel.
(Beide naar de XII Geloofsartikelen. â De Socin. 4 staten: 1. waardigheid, van geboorte tot lijden; 2. nederigheid, van lijden tot opstanding; 3. verhooging, van opstanding tot voleindiging der wereld ; 4. degradatie, tot in alle eeuwigheid.)
96
XII
1. Nederige geboorte.
6 Vr. Hoe is Gods Zoon mensch geworden?
Antw. Jezus is door eene irondericerldng van den
H. Geest zonder menschebjken vader ontvangen en alzoo heilig geboren uit de nederige, vrome maagd Maria. (Luc. 1 : 35. Matth. 1 : 20.)
7 Vr. Was dat wonder voorspeld?
Antw. Dit was nu de vervulling van de Godspraak bij Jezaja: Ziet, de Maagd zal zwanger worden en tenen zoon haren en gij zult zijnen naam heet en Irnrnamiiil, hetwelk is God met ons. Matth. 1 : 23. (Jez. 7 : 14. Gen 3 ; 15.)
8 Vr. Waar is de Zaligmaker geboren?
Antw. In eene geringe plaats, te Bethlehem, naar de voorzegging Micha 5:1: Gij Bethlehem, Efratah, zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Ju-da? uit u zal Mij voortkomen die een heerscher zal zijn in Israël en wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid.
{Bethlehem broodhuis, Efratah vruehtveld.)
9 Vr. Waardoor kenmerkte zich zijne geboorte nog?
Antw. Hij werd geboren onder de nederigste omstandigheden, terwijl intusschen ook teekenen van den hemel getuigden, dat Hij de Heere was.
(Luc. 2. Zie Catechet. Leerh. des N. ^r. II. vr. 6â13.)
10 Vr. Waarom werd hij zoo arm en nederig geboren ?
Antw. Dit was het noodzakelijke begin van zijne voldoening voor 's nienschen zonde. Want gij weet de genade on zes Heer en Jezus Christus, dat Hij om vwent-
97
7
XII
wille is arm geworden daar Hij rijk was, opdat gij door zijne armoede zoudt rijk worden, 2 Kor. S ⢠9 (Gen. 3:5.)
2. Lijden.
11 Yr. Welke vernedering onderging Jezus kort na zijne geboorte?
Antw. Door zijne geboorte uit eene vrouw aan het menschelijke levenslot onderworpen, werd Hij, acht dagen oud, door de besnijdenis onder do Wet der Joden gesteld. (Gal. 5 : 3, 4 : 4, 5.)
(Zoo alleen mocht hij ook als leeraar in synagoge en tempel optreden.)
12 Vr. Bleek het weldra wat Hein van de wereld te wachten stond ?
Antw. De vervolging door Herodes was reeds een voorteeken van het lijden dat Hij in deze booze wereld moest ondergaan. (Matth. 2.)
13 'N r. Hoe was het met Hem tot aan zijn lijk optreden ?
Antw. Als een gering mensch groeide Jezus leefde nederig en onderworpen in het verachte ret. (Matth. 2 ; 23.)
14 Vr. Hoe werd het daarna?
Antw. Van zijnen doop aan onderging Hij al meerder lijden : verzoekingen van den duivel, haat en smaad van menschen en toenemende vervolging.
15 Vr. Welk een lijden kwam nog hierbij ?
Antw. Hij leed niet alleen van de hoosheid en vijandschap der menschen, maar zijn liefdevol en medelijdend hart leed ook van het lijden der menschheid (Jez. 53 : 4)
98
open-
op en Naza-
i
XII
16 Vr. Wanneer en waar heeft Hij het zwaarst i geleden ?
Antw. Op het einde van zijn leven: in Gethsemané, in de zaal van Kajafas, in het rechthuis van Pilatus en op Golgotha.
3. Dood.
17 Vr. Was des Middelaars dood noodzakelijk?
Antw. Ja, wegens de yerechtiyheid Gods, want door
de zonde was het leven verbeurd, en wegens zijne waar-achtigheid, want Hij had op de zonde den dood gedreigd. (Rom 3 ; 25. Gen. 2 : 17.)
18 Vr. Stierf Jezus alleen tot bevestiging van zijne leer en tot een voorbeeld van lijdzaamheid ?
Antw. Het hoofddoel van het lijden en sterven des Zoons van God was, om door zijne zelfopoffering al de schuld zijns volks voor God te delgen en vergeving van zonden uit te werken. (Matth. 2G ; 28. Ilebr. 9 : 15.)
(Door zijnen dood is niet zoo zeer zijne leer als in tegendeel zijn dood door zijne leer bevestigd, namelijk als het voorname einde van zijne verschijning op aarde als verzoeningsdood.)
19 Vr. Is dan Christus niet alleen ten cjO(de voor maar in de plaats van zondaren gestorven ?
Antw. Christus leed en stierf in de plaats van al zijn volk, als hnrtj, zoenoffer, losprijs. (Hebr. 7 : 22, 27. 1 Joh. 2 ; 2. Matth. 20 ; 28.)
20 Vr. Stierf Jezus tegen zijnen wil?
Antw. Hij stierf geheel vrijwillig, want geene macht der wereld kon anders den Vorst des levens dooden ; doch niet zonder zwaren strijd voor zijne reine men-schelijke natuur. (Joh. 10 :17, 18. â Hebr. 5 : 7.)
99
loo xn
21 Vr. Wat drong Hem?
Antw. Jezns onderging het lijden des doods uit qe-____
lioorzaamlieid jegens den wil des Vaders, naar de voor- 26 zeg gingen der Schrift en uit barmhartige liejcle jegens la-uisi de menschen. (Joh. 14 : 31. â Matth. 26 : 53, 54. Joh. 15 : 13. Efez. 5 ; 2.)
22 Vr. W as niet de boosheid der menschen de oorzaak van zijnen dood ?
Antw. De verbitterde Joden, de goddeloosheid van Judas en de macht des Satans waren niet de oorzaken maar vrijgelaten werktuii/en, tot volbrenging van Gods raad. (Hand. 4 : 27, 28.)
23 A r. Hoedanig en dood moest Christus ondergaan ?
Antw. De Verlosser moest eenen dood sterven 1.
met bloedstorting 2. op welken eene begraving van zijn lichaam kon volgen en 3. waarbij geen heen aan Hem verbroken werd.
(Hebr. 9 : 22. â Joh. 19 : 36. â Daarom geen verworging, verbranding, onthoofding of staeniging.)
24 Vr. Welken dood is Hij dan gestorven ?
Antw. De heilige Jezus heeft den smadelijken,
smartelijken en vervloekten kruisdood ondergaan, opdat het bleek, dat Hij den vloek der zonde droes:. (Gal. 3 : 13. Deut. 21 : 23.)
(Romeinsche straf, door den Christeukeizer Constantijn den Gr. afgeschaft. â Waarheid van Jezus' dood:
Cat'ch. Lcerh. N. V. XXVIII vr. 1â11.)
4. Begrafenis.
25 Vr. Wat was de laatste vernedering, die Christus moest ondergaan ?
Atil voor
XII 101
Alitw. Hij werd hegraven^ de diepste vernedering voor Hem naar liet lichaam.
26 Yr. Hoe kwam liet dat de als misdadiger gelegens kruisigde mocht begraven worden ?
' Antw. De rechter Pilatus, van Jezus dooi]verzekerd
en ook omdat hij Jezus voor onschuldig hield, stond m e toe, dat Hij aan een eerlijke plaats begraven werd door de hand dergenen die Hem liefhadden.
(Uit den politieken stand Jozef van Arinmthea, raadsheer ; uit den kerkelijken Nicodemus, leer aar in Israël; uit den burgerlijken vrome vrouwen. â Mare. 15 : 44â47. Luc. 23 : 55.)
27 Vr. Was dat voorzegd?
r' Antw. Jezaja 53 : 9 : Men heeft zijn graf hij godde-loozen gesteld en Hij is bij den rijke iu zijnen dood ge-
I iveest, omdat Hij geen onrecht gedaan heeft noch bedrog f in zijnen mond geweest is.
j 28 Vr. Is de begraving van Jezus belangrijk?
Antw. 1. De waarheid van zijnen dood is daardoor nog meer bevestigd; 2. het was een teeken dat de
(vloek,vloek, dien hij aan het kruis droeg, was afgedragen ; 3. de schrik van het graf is daardoor voor de zijnen weggenomen. (1 Kor. 15 : 55. Jez. 27 : 2.)
5. Neder da ling ter helle.
29 Vr. Wat behoort nog tot Christus' vernedering? Antw. Zijn inwendig lijden, uitgedrukt in het geloofsartikel : Nedergedaald ter helle.
(Eerst in de Geloofsvorm van Athanasius, waar het begraven niet is vermeld; in de 5de eeuw in de XII i Geloofsartikelen.)
XII
30 Vr. Is Christus plaatselijk in de helle afgedaald?
Antw. Neen, maar op aarde is Hij als in de helle
geweest.
(Naar de Boomschcn is Jezus' ziel in den âvoorburg der vaderenquot; des O. T. neergegaan en heeft dezen op dat heden daaruit opgevoerd naar het paradijs. Naar de Lnfhersche kerkleer is Christus' r/aiische jfrsoon, God en mensch, na de begrafenis in de helle afgestegen en heeft den duivel alle macht genomen of zich daar als zegepralend overwinnaar vertoond. â Naar anderen (Socinianen, ook vele Gereformeerden) zou het alleen zeggen, dat Christus geweest is in den staat en de macht des doods. â De stelling van velen, dat Christus in zijnen dood (naar sommigen tusschen zijne opstanding en hemelvaart) aan f/estorvenen het Evangelie predikte, als begin van voortgaande verkondiging, berust op verkeerde verklaring van 1 Petr. 3 ; 18â20 en 4 : 6; tot de rechte xütlegging geeft 1 Petr. 1 : 11 zelf den sleutel.)
31 Vr. Wat zegt het dan, dat Christus is nedergedaald ter helle ?
Antw. Het beteekent zijn zielslijden : die onuitsprekelijke benauwdheid, smarten, verschrikking en helsche kwaal in welke Hij is gezonken geweest.
(Zoo Calvijn; Heidelh. Ca tech. Z. XVI vr. 44). â 'tls Bijbeltaal: 1 Sam. 2 : 6. Ps. 116 : 3).
32 Vr. Waar is dat geschied ?
Antw. Voornamelijk in den hof Gethse'mané, zonder lichaamslijden, daarna aan het kruis gedurende de duis-ternis onder de vreeselijkste lichaamssmarten. (Luc. 22 : 39 tot 44. Matth. 27 : 45, 46.)
102
XII
33 Vr. Waarom inoost Hij dat zielslijden ondergaan? Antw. ïot volkivnen verzoening van de zonde moest Jezus, de onschuldige, ook de rampzaligheid des eeuwi
gen doods smaken.
(Niet in during en omstandigheden, maar het wezen-
^ hjke daarvan: gemis en gevoel; droeg Plij het en overwon.)
34 Yr. quot;Waartoe heeft Christus al deze vernederingen ondprgaan?
Antw. Om aan de God del ij ki: (jerechtigheid te voldoen in de plaats van een schuldig menschdom. (Jez. 5 : 16. Rom. 3 : 25.)
{Eindoogmerk vsm Christus' komst in] de wereld: dwaling dat Hij ook gekomen zou zijn, ware de mensch niet gevallen, als ware zijn dood slechts iets bijkomstigs.)
35 Vr. quot;Wat eischte de gerechtigheid Gods?
Antw. Volkomen gehoorzaamheid aan de wet der
heiligheid en het lijden van de verdiende straf. (Rom. 10 : 5. Gal. 3 : 10.)
36 Vr. Kon een ander dat in 's menschen plaats volbrengen ?
Antw. Dat kon alleen een zoodanig persoon als Christus is, de Zoon van God, die zelf geene verplichting had en vrijwillig naar den wil Gods alles op zich nam. (Pfi. 49 : 8, 9. Joh. 10 : 18. Hebr. 10 : 6, 7.)
37 Vr. Hoe heeft Christus aan den Goddelijken eisch voldaan?
Antw. 1. Door zijne dadelijke gehoorzaamheid heeft
103
onder zwaren strijd
4 i
XII
Hü de wet, die niet Hem maar den menseh was ge-gegeven, onder alle verzoeking zonder de minste afwijking volkomen vervuld en heeft alzoo gedaan wat de menseh moest maar niet kon, (Gal. 4 : 4, 5. Hom. 5 : 19. Matth. 5 : 17.)
38 Vr. Wat was het andere deel van zijne plaats-bekleedende genoegdoening?
Antw. 2. In zijne lijdende gehoorzaamheid heeft Christus, het Lam Gods, den vloek der wet, de straf der zonde gedragen en heeft aldus geleden wat de zondaar lijden moest maar niet anders dan in eeuwige rampzaligheid afdragen kon. (Gal. 3 : 13. 1 Petr. 3 : 18. Jez. 53 : 5.)
(Christus heeft niet juist datzelfde betaald, wat verschuldigd was, maar evenzooveel, iets evenwichtigs â van wege de oneindige waardigheid zijns Persoons. Geen Remonstrantsche acceptilatie of aanneming van het onvoldoende voor goed bij oogluiking.)
39 Vr. Heeft Christus de zaligheid bepaald verworven of alleen mogelijk gemaakt?
Antw. Christus heeft geen onzekere verlossing aangebracht en allen, voor wie Hij voldaan heeft, worden ook werkelijk zalig.
[Remonstrantsche dwaling: de uitkomst zou afhangen van 's menschen vrijen wil, zoodat het had kunnen gebeuren, dat of niemand of allen de nieuwe voorwaarden vervulden. Daartegen: Dordr. Leerr. H. 11 Verwerp, d. dwal. 1 en 3. Joh. 10 : 15, 27. Jez. 53 : 10.)
40 Vr. Was Christus' voldoening van groote waarde?
Antw. De offerande van Christus was âvan oneindige kracht en waardij, overvloedig genoegzaam om de zonden der geheele wereld uit te wisschenquot;.
104
XII
(Dordr Leerr. H. II. Art. 3.)
41 Vr. Heeft Hij dan voor alle menschen voldaan ?
Antw. De H. S. zegt nergens, dat Christus voor
dezen of' genen niet gestorven is, doch men kan ook niet zeggen, dat Hij voor de ongehoorzamen, op wie de toorn Gods blijft, naar hot Goddelijke oogmerlc heeft genoeggedaan.
(Joh. 3 : 3G. â Matth. 12 ; 32 : lasteraars tegen den H. G. Matth. 26 : 24 : Judas. â â Venrerving en toeeige-ning strekken zich evenver uit; anders zou God niet bereiken wat Hij had beoogd. â God eischt geen betaalde schuld noch weigert een verdiend goed.)
42 Vr. Wordt Christus niet gezegd gestorven te zijn voor de wereld en voor alle menschen ?
Antw. Daardoor is bedoeld het menschdom over het geheel, Jood en Heiden, niet ieder mensch in het bijzonder.
(1 Joh. 2 : 2. Vergel. Op. 5 : 9 â onsâgekocht â uit alle geslacht. 1 Tim. 2:0: â rantsoen voor allen d. z. alle soorten van menschen, naar v. 1â4 )
43 Vr. Maar duidt de Schrift niet aan dat Christus gestorven is ook voor zulken die mogelijk verloren gaan ?
Antw. Dat is naar den mensch gesproken: want die Christus door zijnen dood waarlijk verlost heeft, worden door zijne voorbidding in de kracht Gods bewaard. (1 Petr. 1 : 5.)
(2 Petr. 2 : 1:âvalsche leeraars, verloochenende den Heere die hen gekocht heeft, d. i. zooals zij zich voordoen en anderen eerst in liefde oordeelen. â 1 Kor. 8:11
105
XII
en Rom. 14 : 15 d. z. zooveel in u is, indien het mogelijk ware, Matth. 24 : 24.)
44 Vr. Indien Christus voor velen niet voldaan heeft, geschiedt dan de algemeene noodiying, om tot Hem te komen, niet voor velen slechts in schijn ?
Antw. ie op de roepstem des Evangelies tot Christus komt, wordt van Hem niet uitgeworpen. (Joh. 6 : 37.)
45 A r. Is dit niet ontmoedigend dat Christus geen algemeene verzoening heeft bewerkt ?
Antw. Flet moet de zorgeloosheid wegnemen : want geen mensch mag denken dat hij met God verzoend is, tenzij hij zich bekeert en in Christus komt gelooven en leven. (Joh. 3 : 36.)
46 Vr. Mag een ieder de noodiging tot zaligheid aanmerken als hem aangaande ?
Antw. Elk mensch, die het Evangelie hoort, heeft daarin grond, aanmoediging en bevel om tot Jezus de toevlucht te nemen; die dat weigeren, gaan verloren, omdat zij tot Hem niet wilden komen. (Joh. 5 : 40.)
(Dordr. Leerr. H. Ill en IV. Art. 8, 9.
\fMf. Sirs Verlossers Staten. Verhoogiug.
1. Opstanding.
1 Vr. Waarmede hegon Christus' verhooging?
Antw. Hij is opgewekt ten derden dage naar de Schril ten (1 Kor. 15:4) en naar zijne eigene voorzegging. (Ps. 16 : 10, (Hoz. 6 : 2.) Matth. 17 : 23. â Openb. 1. : 18.)
106
XII
2 Vr. Hoe lang is Hij dood geweest ?
Antw. Jezus stierf Vrijdag om 3 uur na den middag en werd nog tegen den avond begraven : den groot en sahbat over bleef zijn lichaam in het graf en Zondags stond Hij op met den opgang der zon.
(Matth. 12 : 40 : gelijk Jonas drie dagen en drie nachten â d. i. onbepaald gezegd : âdrie etmaal,quot; ofschoon niet volledig, zooals Esth. 4 : 16 vergel. met 5:1. Ook kan men het lijden van donderdagavond aan, hetwelk naar dood en graf voerde, er bij rekenen, gelijk den storm bij Jonas.)
3 Vr. Wie heeft zijn opstanding bewerkt?
Antw. Christus is door den Vader opgewekt en door
zijn eigene; levenskracht opgestaan. Hand. 2 : 24 : Welken God opgewerkt heeft, de smarten des doods ontbonden hebbende, alzoo het niet mogelijk was, dat Hij van den~ zeiven dood zou cjeliouden worden. (Hom. 6:4. â Jolu 2 : 19. 10 : 18.)
Waarheid der opstanding en volgorde der verse hij-dingen. Zie Catech. Leerb. N. V. XXIX.)
4 Vr. Hoedanig was het herleefde UcJiaain des Verlossers ?
10T
Antw. Het was geen nieuw maar hetzelfde lichaam met de litteekens van de kruiswonden, geen geest maar met handen en voeten, vleesch en beenen, bekwaam om spijs te genieten doch haar niet meer behoevende, onsterfelijk, in een staat van overgang tot heerlijkheid.
(Joh. 20 : 27. Luc. 24 : 39â43. â Rom. 6 : 9. Fil. 3 ; 21.)
108 XIII
5 Vr. Waartoe dient de opstanding des Heeren ?
Antw. 1. Jezus is daardoor betoond als de Zoo)i 111
Gods en zijn dood als het voldoende en aangenomen offer voor de zonden. ^
Rom. I : 4. 4 : 25. Zonder de opstanding ontbrak 0
het bewijs en de grond voor het geloof in Hem : Lue. ,
24 ; 19â21. 1 Kor. 15 ; 17.) â n
6 Vr. AVaarin openbaart zioli voorts de kracht van ^ Christus' opstanding? -
Antw. 2. Door mededeeling van zijn leven verlost u
het Hoofd zijne leden van den geestelijken dood en van ^
het verderf der zonde. (Rom. G : 4.) 1
7 Vr. Welk nut list er nolt;gt;' in?
Antw. 3. Christus' opstanding is voor al de zijnen een onderpand van hunne heerlijke opstandiny. (1 Kor.
6 : 14.)
8 Vr. Kunnen niet alle menschen zich daarin verblijden ? quot;
Antw. Die nog in den geestelijken dood liggen, ^
moeten schrikken voor den lichamelijken en eeuwigen dood ; wie geestelijk levend is geworden, weet dat hij niet meer sterven zal. (Joh. 11 : 25, 26 Eom. G : 8.)
2. quot; Hemelvaart.
9 Vr. Wat is de tweede trap van Christus verhooging ?
Antw. Zijne hemelvaart : Hij heeft met zijn lichaam
de aarde verlaten en is overgegaan in den hemel.
(Niet zijne menschheid is opgevaren, maar Hij, de Persoon, naar de menschelijke natuur. â Joh. 1G:28.)
10 Vr. Is dat wonder werkelijk gebeurd ?
XIII
Antw. De daarop gevolgde Letooning van zijne macht en heerlijkheid stelt het buiten twijfel.
(ifen brengt er tegen in: 1. âHet is strijdig tegen
de vatuurnetten (zwaartekracht)quot;. Maar a. ook de opheffing van den arm strijdt daartegen en geschiedt toch. h. Christus' lichaam was aan de gewone wetten niet meer onderhevig, e. Vooral moet men hierbij gedenken wie Hij was. Yergel. Matth. 14 : 24, 25. â 2. âIs dan de hemel hoven? en wel boven den Olijfberg?quot; a. Vast te houden: er is een plaatselijhe hemel, h* Boven is betrekkelijk, naar nacht of dag. hier of elders,, maar 't was niet bij geval dat juist toen en dat van daar de hemelvaart geschiedde; ook werd slechts de aanvankelijke richting gezien. X I'. de hemel zijn niet de sterren.)
11 Vr. Waren er ook ge.tuicjen bij?
Antw. Elf Apostelen, onwraakbare mannen, zagen Hem opvaren en naar hun bericht zijn de omstandigheden van tijd, plaats en wijze nauwkeurig beschreven.
(Men werpt tegen, dat de beschrijving is alleen van Marcus en Lucas en niet van de oof/yetitiyen Mattheüs en Johannes. Maar de zichtbare wederkomst van Christus uit den hemel bij Matth. 24 eu 25 veronderstelt noodzakelijk de lichamelijke hemelvaart. In het Ev. van Johannes wordt van heengaan tot den Vader gesproken, ja van opvaren Joh 3 : 13. 6 : 62, en in de Openh. (kap. 5) vertoont zich Christus aan hem zichtbaar in den hemel; vergel. Op. 12 : 5. Panlus spreekt er gedurig van.)
12 Vr. Wanneer is de hemelvaart geschied?
Antw. Na de opstanding bleef Jezus nog 40 dayen
109
XIII
â op aarde en gaf bij zijne verschijningen aan de Apostelen nader inlichting aangaande het koninkrijk Gods, terwijl Hij door zijn komen en gaan hen gewende om Hem niet meer te zien. (Hand. 1:3)
(Zie Catech. Leeib. N V. XXX. â Het getal 40 is merkwaardig, bij of voor groote gebeurtenissen: Mozes op den berg. El ia zonder spijs op weg naar Horeb, Jezus in de woestijn.)
13 Vr. Vanwaar is Christus opgevaren?
Antw. Van op den Olijfberg, aan welks voet de hof Gethsémané lag, in de nabijheid van Bethanië. Lnc. 24 : 50. Hand. 1 : 12.
(Olijfberg 2000 ellen of % uur gaans ten O. van Jeruzalem ( Bethanië aan den oostkant van den berg.)
fekti
14 Vr. Waarheen is Hij gegaan ?
Antw. Hij is door de zichtbare hemelen doorgegaan naar den derden hemel, de plaats van zaligheid en heerlijkheid (Hebr. 4 : 14. Efez. 4 ; 10.)
15 Vr. Wat moeten wij aangaande de wijze van zijne hemelvaart vasthouden ?
Antw. Hij is waarlijk en eigenlijk, zichtbaar en plaatselijk opgevaren. (Hand. 1;9, 11.3:21. â Matth. 26 ; 11.)
(Niet slechts verandering van toestand maar van plaats. â Luthersche dwaling van âoveraltegenwoordigheid des lichaams, die Hij ook voorheen bezat, maar van nu aan gebruikte.quot;)
16 Vr. Tot wat einde is^ Christus ten hemel gevaren ?
110
VIII
Antw. 1. Om als nemelsch Koning zijne heerscliappij te aanvaarden. 2. Om als Hoogepriester in het heiligdom te gaan en van daar zijn volk te zegenen met de verworvene gaven. 3. Om in het huis des Vaders voor de zijnen plaats te bereiden.
(Bewijs van zijne Godheid: Joh 3 : 13. Luc. 24 : 52, en van dat zijn rjjk nirt van deze wereld was. Joh. 18 : 33. â Hebr. 9 : 24. Efez. 4 : 8 (Ps. 68 : 19). â Joh. 14 : 2, 3.)
3. Zitting aan Gods Rechterhand.
17 Vr. Wat leert ons de H. Schrift van den tegentvoor dig en toestand des Heeren ?
Antw. Sedert zijne hemelvaart is Christus met zijn lichaam in een staat van heerlijkheid en hcerscht als Godtnensch over alle dingen, hetwelk in het O. en N. T. zijn zitten ter rechterhand Gods genoemd wordt. Ps. 110 ; 1. (Matth. 22 : 42â44.) Mare. 16 : 19.
18 Vr. Moet men dat zitten aan Gods rechterhand niet eigenlijk verstaan?
Antw. ïfeen, het is een zinnebeeld van de hoogste eer en macht: want God is geest en heeft geen rech-ter- of linkerhand.
(Daarom wordt ook gezegd: ter rechterhand der kracht Gods Matth. 26 : 64 en : aan de rechterhand der Majesteit Hebr. 1 : 3. Ter rechterhand van een koning was bijzonder de plaats van zijne stedehouders, die, gelijk Jozef in Egypte, met volle koninklijke macht en waardigheid bekleed waren en door wier hand de koning regeerde.)
19 Vr. Hoedanig is nu dan de macht en heerschappij van Christus ?
111
XIII
Antw. Alle schepselen, de Engelen ni machten en krach ten zijn Hem onderdanig gemaakt 1 Petr. 3 : 22 en als liet Hoofd der gemeente regeert Hij de gansche wereld.
(Efez. 1 : 22. Matth. 28 : 18. â Openb. 2 : 23. Matth. 28 : 20.)
4. Wederkomst ten oordeel.
20 Vr. Wat zal de laatste en luisterrijkste openbaring zijn van Christus' heerschappij ?
Antw. Hij zal komen in zijne heerlijkheid op de wolken des hemels en alle oog zal Hem zien ; dan zal Hij de laatste en grootste werken doen als eeuwig Koning. (Matth. 25 : 31. Openb. 1 : 7. â Joh. 5 : 20.)
21 Vr. Wanneer zal dat geschieden?
Antw. Grod heeft daartoe eenen dag gesteld, die aan geen schepsel bekend is, maar welks nadering uit vele teekenen blijkt; den ongeloovigen zal hij komen gelijk een dief' in den nacht. (Hand. 17 : 31. â Matth. 24 ; 86. â Matth. 24 : 14. 2 Thess. 2 : 3. â 1 ïhess. 5 : 2.)
22 Vr. quot;Wat zal Christus dan doen ?
Antw. Hij zal de dooden opwekken en door zijne Engelen al de volken voor zijnen rechterstoel vergaderen. en ze van elkander scheiden, gelijk de herder cle schapen van de bokken scheidt. (Joh. 5 : 28, 29. â-Matth. 25 : 32.)
23 Vr, Wat zal hij daarop volbrengen ?
Antw. Hij zal allo menschen oordeelen, eenen iegelijk naar zijne icerken en ivoor den en naar den grond zijns harten en al het verborgene zal openbaar worden. Openb. 20 ; 12. Matth. 12 : 3G. 1 Kor. 4 :-5.)
112
XIII
24 Vr. Hoe zal het vonnis zijn ?
Antw. Dengenen, die hier Gods kinderen geworden zijn door het fjeloof dat in liefde werkte, zal Hij het rijk der heerlijkheid toewijzen ; den onyeloovigen en owje-hoorzamen het eeuwige vuur. (Matth. 25 ; 34, 41.)
25 Vr. Wat zal het einde zijn ?
Antw. De veroordeelden zullen gaan in de eeuwige pijn met den duivel en zijne engelen, maar de rechtvaardigen in het eemciye leven van den verheerlijkten Godsstaat. (Matth. 25 : 4G. Openb. 21 ; 1.)
[ (Sociniaansche dwaling dat Christus regeering zou eindigen met den jongsten dag, naar verkeerde uitlegging van Ps. 110 : 1 en 1 Kor. 15 : 24, 28.)
.VI f'. Sleilsortle. .8. Itoepiny.
1 Yr. Hoe verkrijgt men deel aan de verlossing ? Antw. Er is eene orde des hei Is, een weg langs
welken de zondaar tot de zaligheid in Christus gebracht moet worden.
(De persoonlijke toepassing van de verworvene zaligheid is noodzakelijk, gelijk van een kleed Hom. 13 : , 14, geneesmiddel Jez. 53 : 5, spijs en drank Joh. ! 6 : 54. â JSa het slachten der offerdieren de bespren-ging met het bloed Hebr. 9 : 19.)
2 Vr. Wat doet God om don menscli het verworven heil deelachtig te maken ?
Antw. De voornaamste genadewerkingen zijn de roe-⢠ping, de rechtvaardiging en de heiligmaking, die van God geschieden door Christus als Profeet, Hoogepriester en I Koning (Hom. 8 : 30. 1 Kor. 1 : 30.)
113
8
X1Y
3 Yr. Eu wat moet er in den menseh gebeuren ? Antw. Bekteriny tot God en (jeloof'm den Heore Jezus Cliristus, waardoor de wedergeboorte tot stand komt.
(Do Boonrsche kerk stelt geloof vóór bekeering. De rechte orde is Marc. 1 : 13. Hand. 20 : 21. Waartegen Calvijn Instit. 111. 3. 1 niet strijdt.)
4 Vr. Wat is alzoo liet eerste dat Grod aan den menseh duet ?
Antw. God roept: door bekendmaking van zijnen heiligen en genadigen wil, door voorstel van verderf en zaligheid, van dood en leven. (2 Tim. 1 : 9. Spreuk. 9 : 1â5.)
5 Yr. Waardoor geschiedt de roeping ?
Antw. Uitwendig door het Woord, voornamelijk in
de prediking, inwendig door den II. Geest. (2 Kor. 5 : 19, 20. â Hand. 1G ; 14. 1 Thess. 2 : 13.) (gt; Yr. Wat is het eerste doel der roeping ?
Antw. Omdat het zondaars zijn die Grod roept, zoo is het eerste eene roeping tot hekeerimj. (Matth. 4 ; 17. Ezech. 33 : 11.)
7 Yr. Wat is de uitiverkiny van de Goddelijke roeping? Antw. Verlichting in liet duistere verstand en opwekking als van een hardslapenden, ja van eenen doode. «3» (Efez. 5 : 14. Hand. 20 : 18.)
8 Yr. Wat is liet wezenlijke van de bekeering ?
Antw. Het is eene geheele omkeering van zin en wil:
een inkeer tot ons zeiven met erkentenis van onze diepe ellendigheid, een berouw en afkeer van de zonde en een werkelijke wederkeer tot God (Luc. 15 : 17-â20«.)
9 Yr. Wat is het tweede doel der Goddelijke roeping? Antw. Omdat de zondaar door zich zeiven tot God
niet komen kan maar alleen door Jezus Christus, zoo
114
2 D 46
XTV
is het eene roeping tot Christus en tot geloof\\\ Hem. (Joh. 14 : 6. 1 Kor. 1 : 9.)
10. Waarin bestaat het Wezen van het zaligmakend geloof?
Antw. Het ware geloof is een vertrouwen des harten op Christus, alzoo dat men, arm en verloren bij zich zeiven naar alle volheid in Hem ziende, zich aan Hem als den eenigen redder uit allen nood overgeeft en aan Hem houdt. (Joh. 1 : 12.)
{âGeloof' van het oudduitsche â/o/«quot; d. i. hand, waarvan ook heioven en verloven. Gelooven is een hand geven, vergel. 2 Kron. 30 : 8, een ondertrouw Hoz. 2 : 18, 19. Jez. 44 : 5 : deze zal zeggen: it ben des Heeren. Het is een komen onder den hand des verhonds Ezech. 20 : 37. â Bij de lioomschen is het geen vertrouwen op Christus maar Goddelijke waarheid.)
11 Vr. Is ieder geloovige verzekerd, dat hij Jezus' eigen is ?
Antw. Het geloof heeft zijne trappen en de verzekerdheid kan meerder of minder zijn, maar zij is verkrijgbaar en allen moeten er naar staan. (2 Tim. 1 : 12quot;. 2 Kor. 13 : 5. 2 Petr. 1 ; 10.)
12 Vr. Is een bloot toestemmen der waarheid genoeg?
Antw. Xeen, men moet door de waarheid tot Christus komen.
(Het historisch geloof, Jac. 2 : 19. Hand. 26 : 27.)
13 Vr. Hoe is het met het tijdgeloof?
Antw. Het tijdgeloof is geen waar geloof, het heeft geen goeden, ontdekten grond en vereenigt wel met de (uitwendige) kerk maar niet met Christus. (Lue. 8 : 13. Matth. 25 : 3. Hand. 8 ; 13.)
115
geloof van de
;
i
110 XIV
14 Vr. Wat is er van liet wondergeloof ?
Antw. Het iconderyeloof, dadelijk of lijdelijk, heeft Gods almacht ten voorwerp, niet de zaligmakende//«««(Ze. | (Matth. 8:10.1 Kor. 13 ; 2. Luc. 17 : 15â19.)
15 Vr. Kan men zich zelf bekeeren en in Christus
gelooven ? j.
Antw. Het is een verleende genade, wanneer een -mensch zich zeiven kan laten varen en zich geheel aan Jezus kan betrouwen. (Efez.2:8. Fil. 1:29. â Luc. 17 :5.) l(i Yr. Werkt G od daarbij onweerstaanhaay ?
Antw. De inwendige werking des H. Geestes is onweerstaanbaar, de uitwendige roeping en aanbieding kan do mensch tegenstaan. (Joh. 6 : 37. â Jez. C5 ; 2. Hand 7 : 51.)
17 Vr. Hoedanig is dan die werking?
Antw. Het is een trekken van den Vader tot den Zoon door innerlijke overreding en krachtige overhuiging, een werk der Goddelijke almacht. (Joh. 6 : 44, 45. Efez. 1 : 19, 20)
18 Vr. Maar zijn dan die zich niet bekeeren en niet gelooven huiten schuld ?
Antw. De schuld ligt in de onhekeerden zelve, die j den raad Gods tegen zich zeiven verwerpen en zijne getuigenis versmaden of voor een leugen achten tot hun ei^en verderf. Luc. 7 : 30. Hand. 13 : 40. 1 Joh. 5 r 10.
{Dordr. Leerreg. H. Ill en IV. Art. 9.)
\f. Meilsortte. W. Stevh t va a vil it) i itf/
1 Vr. Wat volgt onafscheidelijk op het geloof?
Antw. Met dat de mensch Christus deelachtig wordt ^
ii
XV
door het yeloof, wordt liij gerechtvaanUgcl voor God. (Gal. 2 : 16.)
2 Vr. Wat is de rechtvaardiging?
Antw. Het is de uitspraak van God als Wetgever en Rechter, waardoor Hij den geloovige in Christus voor rechtvaardig erkent en verklaart. (Jez. 33 ; 22. Jac. 4 ; 12. Jez. 54 : 17.)
3 Vr. Wat behelst dat in zich?
Antw. God rekent dengene, die bij zicli zeiven veroordeeld is en alleen in Christus zijn heil stelt, de gerechtigheid van Christus toe, spreekt hem vrij van schuld en straf en geeft hem liet recht tot het eeuwige leven. (Rom. 1 : 17. 5 ; 19.)
(De Remonstranten loochenen de toerekening van Christus' gerechtigheid, âzoo min mogelijk als een moor door een blanke wit kan zijn.quot;)
4 Vr. Is de rechtvaardigmaking of (rechtvaardiging niet eene verandering van ondeugend in deugdzaam ?
Antw. ïfecn, het is eene verklaring van God over en tot den mensch, eene rechterlijke uitspraak door middel van het Woord, hetwelk is Gods stem.
(Naar de Roomschen: mededeeling van de vaardigheid tot rechtdoen (heiligmaking), met onderscheid van trappen: de een rechtvaardiger dan de ander; eerste en tweede rechtvaardigmaking: overgang en voortgang.)
5 Vr. Wordt in de H. S. door rechtvaardiging eene rechterspreuk te kennen gegeven?
Antw Ja, want 1. rechtvaardiging staat tegen verdoemen en is alzoo een vonnis, een oordeel. 2. het wordt omschreven als een toerekenen van de rechtvaardigheid. (Spr. 17 : 15. Deut. 25 : 1. Rom. 8 : 33,34. -â Rom. 4 : C, 11.)
117
XV
(Hieruit blijkt ook, dat rechtvaardigen niet alleen zondenvergeven is. Vergeven zullen wjj onzen naaste, die ons kwaad doet, hij zij vroom of goddeloos, maar hem rechtvaardigen niet, in noch buiten gericht. Ste-phanus vergaf zijnen moordenaren, maar hij rechtvaardigde heit niet.
6 Vr. Waar geschiedt de rechtvaardiging?
Antw. In het oordeel van God, voor wicn de zondaar
staat en in het eigen geweten waarin God zich openbaart.
7 Vr. Wie mag er voor houden dat hij gerechtvaardigd is?
Antw. Wie als een geheel schuldige en verlorene zich aan Jezus betrouwt, kan en mag zich de Goddelijke vrijspraak toeëigenen die in het W oord gedaan wordt over degenen die gelooven. (Kom. 10:4. Hand. 13 ; 38, 39.)
8 Vr. Wordt er ook bewustheid en verzekering van de rechtvaardiging verkregen ?
Antw. Wegens zwakheid van het geloof en gedurige bestrijding is er veelal twijfeling en vrees, maar de mensch kan van zijne rechtvaardiging en alzoo van zijne zaligheid aan deze zijde van het graf verzekerd worden en moet er naar trachten. (1 Kor. 2 : 11, 12. Efez. 1 : 13, 14. Rom. 8 : 16, 38«.)
(Ontkend door allen, die eenen afval der heiligen stellen, bijzonder de Roomschen. Bewijs; 1. voorbeelden in de H. S. zelve: Abraham, Job, David, Hizkia, Pau-lus. 2. vermaningen. Vergel. XIV. vr. 11.)
9 Vr. Hoe moet men werkzaam zijn om tot verzekering te komen?
Antw. Men moet de rechtvaardiging niet als eene voorgaande daad vóór het geloof verwachten, maar ira-
118
XV
mer tot Jezus gaan : in de vereeniging met Jezus ligt de verzoening met God. (Rom 5:1.)
10 Vr. Strekt zich de rechtvaardiging over alle geloovigen in gelijke mate uit ?
Antw. Ja, wie tot Christus komt, ontvangt vergeving van al zijne zonden en het volle recht tot al de goederen des genadeverbonds (1 Joh. 1 : 7.)
(Naar de Roomschen geene kwijtschelding van de tijdelijke straffen; van deze (in dit leven of in het vagevuur) kan de kerk aflaat geven.)
11 quot;Vr. Geschiedt de rechtvaardiging eens vooral?
Antw. Be gerechtvaardigde blijft in den staat der-
genade en de eens geschiede rechtvaardiging wordt niet herhaald, docli van de dagelijksche zonden daarna moet vergeving ontvangen worden door eene nieuwe uitspraak Gods van gelijken aard. (1 Joh. 1 : 8, 9. Zach. 13 : 1. Matth. 6 : 12.)
12 Vr. Kan men van alle zonden vergeving ontvangen ?
Antw. Ja, ook van de grootste en zwaarste, uitgenomen de lastering tegen den H. Geest, waaraan echter niemand schuldig staat die beangst is of hij zo heeft begaan. (Jez. 1 : 18. â Matth. 12 : 31, 32.)
(1 Joh. 5 : 16 Kantt.: âwanneer iemand de waarheid der Christelijke leer, waarvan hij door den H. G. is verlicht en overtuigd, loochent en dezelve vijandelijk lastert en vervolgt.quot; â Geref. ânooit vervalt een wedergeborene tot die zonde,quot; 1 Joh. 5: IS. Lutheranen : âgeen ander dan een wedergeborene doet ze.quot;
13 Vr. Op welken grond geschiedt de rechtvaardiging ?
Antw. Alleen op de gerechtigheid can Christus, die
119
120
God ons genadelijk schenkt: wij worden om niet (te geef} yevechtvawdigd uit zijne genade door de verlossing die in Christus Jezus is. Rom. 3 : 24.
14 Yr. Kan jnen zich door werken de rechtvaardiging niet eenigszins verwerven ?
Antw. Integendeel, niemand wordt gerechtvaardigd of hij moet zich zeiven in alles schuldig kennen en de gerechtigheid van Christus aangrijpen. (Rom. 3 ; 28.)
{Socinianen, Arminiarien, Mennonieten, enz. stellen geloof en werken gepaard â geloofsgehoorzaamheid â als de voorwaarde van de rechtvaardiging.)
15 Yr. quot;Waarom kunnen de werken niets bijdragen tot onze rechtvaardiging ?
Antw. Omdat ook zelfs de beste werken van een bekeerd mensch gebrekkig zijn. (Jac. 3 : 2 Jez. 04 : 6. Rom. 4 : 5.)
16 Vr. Leert Jacobus hiervan niets anders dan Paulus?
Antw. Jakobus 2 ; 24 strijdt niet tegen Paulus maar
tegen mondchristenen, daar het uit de werken moet blijken dat men het ware geloof heeft en voor God gerechtvaardigd is.
17 Vr. Wat is het dat God ons, in Christus ge-loovende, de gerechtigheid van Christus toerekent ?
Antw. De toerekening is dat God Christus' gehoorzaamheid op onze rekening stelt als onze eigene en ons zoo aanziet als hadden wij zeiven de wet vervuld en de straf gedragen. (Rom. 5 : 19.)
18 Yr. Is het dan ook niet om het geloof dat wij ' gerechtvaardigd worden ?
Antw. Keen, niet om maar uit en door het geloof. (Rom. 3 : 21, 22.)
19 Yr. Waarom is het niet om QÃwegeiis het geloof?
XV
Antw. 1. Omdat alle werk, dus ook het geloof als een werk, bij de rechtvaardiging is uitgesloten. 2. omdat dit juist de natuur des (jeloofs is alle eigen waardigheid en verdienst te verzaken. (Rom. 11 : 6.)
20 Vr. Maar hoe zegt dan de Schrift dat het geloof gerekend vordt tot rechtvaardigheid?
Antw. Omdat de gerechtigheid van Christus, de grond der rechtvaardiging, het voorwerp is des gelool's.
(Gen. 15:6, waar âgeloofquot; voor de eerste maal in den Bijbel staat. Rom. 4 ; 3 v.v. vergel. met v. 25.)
21 Vr. quot;Wat doet dan het geloof daarbij ?
Antw. Het geloof is alleen als âeen instrument waarmede wij Christus als onze rechtvaardigheid aannemen en hetwelk ons met Hem in de gemeenschap van al zijne goederen houdt.quot;
{Nederl. Belijd. Art. XXH Joh. 1 : 12. Fil. 3 : 9. Rom. 5 : 9.)
22 Vr. Geldt het geloof dan niet voor deugd bij God ?
Antw. Het geloof is geen deugd noch verdienst
maar het einde van alle eigen deugd als niet deugende, doch het is meteen ook het beginsel van alle ware deugd. (Jez. 57 : 12. Rom. 6 : 1, 2.)
\l' t. Mleilsorrle. C. ÃSciHf/maliiiif/.
1 Vr. AVelke verandering gaat met het geloof gepaard? Antw. Het geloof vereenigt ons met Christus, de
bron van het geestelijk leven, en sluit alzoo de wedergeboorte in zich. (1 Petr. 1 : 3, 23.)
2 Vr. Wat is de tvedergehoorte ?
Antw. Het is de overgang tot een geheel nieuw
121
122 XVI
bestaan, tot een leven voor Grod als burger van het koninkrijk Gods, als lid van de gemeente, aan welke de Vader Christus tot een Hoofd heeft gegeven. (Joh. j 3 : 5. 2 Kor. 5 : 17. Rom. 6 : 4.)
3 Vr. Wat volgt daarop?
Antw. De heiligmaking, die de voortzetting is van ^ heheering en geloof en de bevestiging en uitbreiding van de wedergeboorte.
4 Vr, quot;Waarin bestaat de heiligmaking?
Antw. Het is de allengs voortgaande reiniging des harten en wandels van de zonde en vorming en ontwikkeling van het nieuwe leven in den dienst van God. (1 Kor. 5 : 7. Efez. 4 : 22â24.)
5 Vr. Ia de heiligmaking het eigen werk van den mensch ?
Antw. Neen, de heiligmaking is geen zelfverbetering, maar eene Goddelijke genadewerking: want zij berust geheel en al op de gemeenschap met den Verlosser. (Efez 2 : 4â6.)
6 Vr. Is dan de mensch niet zelf daarbij werkzaam ?
Antw. Onder Gods werking werkt de mensch en
door Gods geest geheiligd heiligt hij zich: Gods wet is in zijn hart geschreven en de liefde dringt hem om i voor zijnen God en Zaligmaker te leven. (Lev. 20 : t 7, 8. Pil. 2 : 12, 13. Jer. 31 : 33.)
7 Vr. Wordt er op de aarde eene volkomen heiligheid verkregen ?
Antw. Het blijft een strijd op aarde tusschen vleesch en Geest, tusschen den ouden en den nieuwen mensch. (Rom. 7 : 22, 23. Pil. 3 : 12.)
8 Vr. Hoe is het dan met den wedergeborene ?
Antw. De wedergeborene wil niet zondigen en zondigt toch, heeft vergeving en moet toch dagelijks om â¦
XVI
vergeving bidden, is vrij van den Booze en moet zich tocli nog wapenen negen de listige omleidingen des duivels. (1 Joh. 5 : 18. Efez. 6 : 11.)
9 Vr. Volharden de geheiligden daarin?
Antw. Ja, want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberomcelijk, Rom. 11 : 29 en het zaad des geestelijken levens blijft in den wedergeborene. 1 Joh. 3 : 9.
10 Vr. Is er dan geen afval der heiligen?
Antw. De wedergeborene kan wel diep vallen en
zeer vervallen maar niet geheel en voor altoos afvallen. (1 Petr. 1 : 5. Rom. 5 : 10. 8 : 32â39. â Luc. 22 ; 32.)
(Naar de Lutheranen is er wel een geheele afval mogelijk, maar niet tot in den dood( naar de pelagiaan-sche Remonstranten geheele en blijvende afvul, waartegen Dorddr. Leerr. H. V. â De IT. S. leert geen afval der waarlijk wedergeborenen, ook niet Ezech. 18 : 24 of 2 Petr. 2 : 20 v.v. en dergelijke. De schijnbaar afvalligen waren niet met hun hart bekeerd: Luc. 8 : 13. 11 : 25, 26. 1 Joh. 2 : 19. Hoz. 7. 16. â De apostolische waarschu icing en voor den afval van Christus gemeenschap (Hebr. 6 : 4 v.v. 1 Joh. 5 : 16) als een onherstelbaren stap stellen slechts een denkbaar geval, juist om het te verhoeden.)
11 Vr. Wat is noodig om in de heiligmaking voort te gaan?
Antw. Waken en bidden met naarstig gebruik en overdenking van Gods Woord. (Matth. 26 : 41. Ps. 143 : 10. Ps. 1.)
12 Vr. Is de heiligmaking noodzakelijk'?
Antw. De heiligmaking is het doeleinde van de verkiezing en van Christus' verlossingswerk, begin van
123
XVI
het eeuwige leven en voorvereischte van de heerlijk-making. (Tit. 2 : 14. â Hebr. 12 : 14 naar Matth. 5 : 8.)
13 Vr. Is dat geen waar geloof hetwelk niet tot heiligmaking leidt ?
Antw. Het ware geloof is door de liefde iverlcende en de zaligmakende genade onderwijst ons, dat tcij, de goddeloosheid en de wereldsche heg eerlijkheden verzakende, matig en rechtvaardig en godzalig leven zouden in deze tegenwoordige wereld. (Gal. 5 : 6. Tit. 2 : 12.)
14 Vr. Waarin moet zich de heiligmaking uitwendig openbaren?
Antw. Met slechts in enkele, bijzondere goede werken maar de Godsdienst moet geheel ons leven doordringen en ook het dagelijksche werk moet in God gedaan worden. (1 Kor. 10 : 31.)
Xtlïï. ite Wet.
1 Vr. Wat is het richtsnoer voor den wandel van Gods volk?
Antw. De Wet des Heer en. Jez. 8 : 20 : Tot de
wet en tot de getuigenis: zoo zij niet spreken naar dit woord, 't zal zijn, dat zij geenen dageraad zullen hebben.
(Behalve de natuurlijke wet Hom. 2 : 14, 15 hebben wij de geopenbaarde, geschrevene, aan Israël gegeven.)
2 Vr. Waf behoort tot de geopenbaarde Wet ? Antw. God gaf aan Israël,!, de Wet der heiligheid
of der zeden, 2. de ceremoniëele en 3. burgerlijke Wet.
(Deut. 5 : 31 : (1.) geboden en (2.) inzettingen en (3.) rechten.)
124
XVII
3 Vr. Zijn al deze wetten nog van kracht ?
Antw. De burgerlijke en de ceremoniüele wetten raakten alleen de Joden in hun land en tot de komst van Christus, het lichaam de schaduwen. (Hand. 15 :10. Joh. 4 : 23, 24. Rom. 12 : 1.)
4 Vr. Geldt dan nog de zedenwet ?
Antw. Ja, de zedenwet of wet der heiligheid is de onveranderlijke uitdrukking van Gods wil voor alle men-schen en zij wordt door het geloof niet tenietgedaan maar bevestigd.. Hom. 3 : 31.
5 Vr. Welke is die altoosdurende wet?
Antw. Dat is de AVet der Tien geboden, door God zeiven afgekondigd en op twee steetien tafelen geschreven. (Ex. 31 18. 34 : 1. Deut. 10 : 1â4.)
6 Vr. quot;Waar heeft God de Wet gegeven?
Antw. Op den berg Sinai in het steenachtig Arabië.
(In Mozes' laatste redenen wordt Horeh genoemd, het gebergte tot hetwelk de herg Sinaï behoorde. Gal. 4 : 25.)
7 Vr. Wanneer gaf God de 10 geboden?
Antw. Op den 50sten dag na den uittocht van Israels volks uit Egypte.
(Op den loden dag der eerste maand (Abib-Nisan) togen de Israëlieten uit Egypte Num. 33 : 3, op den eersten dag der derde maand (Sivan), den 45sten dag na den uittocht, kwamen zij in de woestijn Sinaï Ex. 19 : 1 ; naar de Joodsche overlevering op den zesden dag dezer maand de wetgeving.)
8 Vr. Hoe veel hoofddeelen behelst de Wet des Heeren?
Antw, Twee tafelen, waarvan de eerste 4, de tweede
6 geboden bevat.
125
XVII
(Velen : op ieder 5. De Roomschen maken van de 2 eerste geboden één, het tweede verkortende, en van het 10de twee, zoodat 3 tot de 1ste, 7 tot de tweede tafel. Luther liet het tweede gebod weg, als zijnde slechts uitbreiding van het eerste, en verdeelde het 10de ook in twee. Dat het laatste maar één is, blijkt uit vergelijking van Ex. 20 : 17, waar huis vóór vrouw, met Deut. 5 : 21, waar vrouw vóór huis.)
9 Vr. quot;VVat is de inhoud van de eerste wettafel ? Antw. De eerste tafel verbiedt afgoderij, beeldendienst,
misbruik van Gods naam en gebiedt heiliging van den dag des Heeren.
(Een rustdag reeds in het paradijs ingesteld. â De dag veranderd met het einde des O. V. Blijvend voorschrift ; wekelijks een bepaalde dag tot plechtige, gemeenschappelijke godsdienstoefening met staking van het dagelijksche werk. Nahandel. der Dordr. Syn. 164ste Zitting.)
10 Vr. quot;VVat behelst de tweede wettafel?
Antw. De tweede tafel schrijft ons de plichten voor eerst jegens ouders en die over ons gesteld zijn, daarop jegens al onze medemenschen aangaande, leven, echtstaat, eigendom^ goeden naam en verbiedt ten slotte allen hoo-zen lust.
11 Vr. Wat is de hoofdsom van al de geboden? Antw. Liefde is de ziel van alle plichtsbetrachting,
zoowel naar het Oude Testament als naar het Nieuwe. (Deut. 6 : 5. Lev. 19: 18, 34. â- Matth. 22 : 35 v. v.)
(De Joden telden 365 verboden en 248 geboden, samen 613 voorschriften van Mozes, -â Rom. 13 : 8â10.)
126
XVII
12 Vr. Heeft Christus de wet verbeterd of vermeerderd ?
Antw. Neen, de Wet des Heeren is volmaakt; Christus heeft haar 1. als onkreukbaar bevestigd, 2. in haren geestelijken zin uitgelegd en 3, in zijn leven en sterven vervuld. (Matth. 5 : 17.)
13 Vr. Heeft Christus ons niet vrijgemaakt van de Wet?
Antw. De Wet verdoemt den geloovige niet meer, maar zij blijft zijn levensregel; Christus heeft ons verlost van den vloek der Wet (Gal 3 : 18) maar Hij geeft geen vrijheid tot eenige zonde.
14 Vr. Wat moet er met den mensch gebeuren ten aanzien van de Wet ?
Antw. De zondige mensch moet eerst onder de Wet komen, die hem doodt, daarop door het geloof in Christus levend en vrij worden van den dienst der Wet, terwijl hij haar dan in zijn hart ontvangt tot vrijwillige gehoorzaamheid. (Rom. 7 : 1â6.)
\i MM M. tiet aebetl.
1 Vr. Hoe wordt men bekwaam om den heiligen wil van God te doen?
Antw. Het gebod leidt tot het gebed, het middel tot verkrijging van alle goed. (Ps. 119 : 4, 5. Jac. 1 : 5.) '1
2 Vr. 11'at is bidden?
Antw. Bidden is geloovig met God spreken. In zijn Woord spreekt God tot ons, in het gebed spreken wij tot Hem. (Ps. 19 : 15. â Hebr. 5 : 7, 8.J
3 Vr. Moet ieder mensch bidden?
Antw. Ja, het is bevel met eene belofte: Bidt en
127
XVIII
u zal gegeven worden, zoekt en gij zult vinden, klopt en u zal opengedaan worden. Matth. 7:7. (Ps. 50 : 15. Hand. 8 : 22.)
4 Vr. Wie moet aangebeden worden ?
Antw. Alleen de waarachtige, drieëenige God, die zich in zijn Woord heeft geopenbaard. (Matth. 4:10)
5 Vr. Mag Jezus aangebeden worden ?
Antw. Jezus Christus mag en moet aangebeden worden, doch alleen op grond van zijn eeuwige Godheid. (Hand. 7 : 59. 1 Kor. 1 : 2.)
6 Yr. Hoedanig is het rechte bidden?
Antw. Het rechte christelijke gebed is een bidden tot den hemelschen Vader in den naam van Jezus Christus, den Middelaar. (Joh. 34 : 18.)
7 Vr. Mag men ook gestorvene heiligen aanroepen als voorsprekers bij God?
Antw. Neen, het is nutteloos en godonteerend en in de H. 8. is er geen voorbeeld van iemand die oenen gestorvenen heilige heeft aangeroepen dan van den rijken man in de hel. (Luc. 16 ; 24. Hebr. 7 : 25 )
(De lioomsche en Grieksche Kerken loeren eigenlijk geen aanbidding maar aanroeping van deze vrienden Gods, als kunnende ons door hun tot God in Christus naam gericht r/ehed de begeerde weldaden bezorgen. naar de Besluiten van Trente niet godsdienstige plicht, maar als goed en heilzaam aanbevolen. Vergel. boven XI. Vr. 29.)
8 Vr. Wat wordt voornamelijk bij het gebed vereischt?
Antw. Dat wij ootmoedig en met vertrouiven bidden,
en er wel aan denken wat wij zijn en wat God is. (Luc. 18, 13. Jac. 1 : 6, 7. â Gen. 18 : 27. â Matth. 6 : 5â8.)
9 Vr. Om welke zaken moet men bidden?
128
XVIII
Antw. Om al wat wij van noode hebben voor ziel en lichaam. Fil. 4 : G : Weest in geen ding bezorgd, maallaat uwe begeerten in alles door bidden en smeeken met dankzegging bekend worden bij God. (Spreuk. 30 : 7â9.)
10 Vr. Wordt door het gebed de heiligmaking bevorderd ?
Antw. Het gebed is het voornaamste middel tot ver-eeniging van onzen wil met den wil van God en tot toetsing van alle werk eu genot: want al hetgeen waarbij wij om Gods bijstand en zegen niet mogen bidden is idt den boozen. (Lue. 22 : 42. 2 Kor. 12 : 8, 9. â Kol. 3 : 17.)
11 Vr. Welk is het beste voorschrift voor het bidden ?
Antw. Dat is het Gebed, des Heeren, gegeven tot een richtsnoer bij ons bidden, maar ook tot gebruik met dezelfde woorden.
{Richtsnoer-. Matth. 3:9; Gij dan bidt aldus; maar ook formulier : Lue. 11:2: Wanneer gij bidt, zoo zegt. Hoz. 14 : 3. â Het rijksgebed tweemaal in den Bijbel gelijk de rijkswet.)
12 Vr. AVat behelst het Onze Vader?
Antw. Eerst eene aanspraak tot God als Vader voor zijne kinderen door Jezus Christus, daarna zes beden en ten slotte eene lofzegging.
(Luther : 7 beden. De Roomschen laten het slot wegnaar Lucas. De schoone uitlegging in den Heidelh. Ca-tech. Z. XLVI v v. â Ieder drietal beden met opzicht tot de drie Goddelijke Personen.)
129
XVIII
u zal gegeven worden, zoekt en gij zult vinden, klopt m u zal opengedaan worden. Matth. 7:7. (Ps. 50 : 15. Hand. 8 : 22.)
4 Vr. Wie moet aangebeden worden ?
Antw. Alleen de waarachtige, drieëenige God, die zich in zijn Woord heeft geopenbaard. (Matth. 4 : 10 )
5 Vr. Mag Jezus aangebeden worden ?
Antw. Jezus Christus mag en moet aangebeden worden, doch alleen op grond van zijn eeuwige Godheid. (Hand. 7 : 59. 1 Kor. 1 : 2.)
6 Vr. Hoedanig is het rechte bidden ?
Antw. Het rechte christelijke gebed is een bidden tot den hemelschen Vader in den naam van Jezus Christus, den Middelaar. (Joh. 34 : 18.)
7 Vr. Mag men ook gestorvene heiligen aanroepen als voorsprekers bij God?
Antw. Neen, het is nutteloos en godonteerend en in de H. S. is er geen voorbeeld, van iemand die eenen gestorvenen heilige heeft aangeroepen dan van den rijken man in de hel. (Luc. 16 : 24. â Hebr. 7 : 25 )
(De Roomsche en Grieksche Kerken leeren eigenlijk geen aanbidding maar aanroeping van deze vrienden Gods, als kunnende ons door hun tot God in Christus naam gericht gehed de begeerde weldaden bezorgen: naar de Besluiten van Trente niet godsdienstige plicht, maar als goed en heilzaam aanbevolen. Vergel. boven XL Vr. 29.)
8 Vr. Wat wordt voornamelijk bij het gebed vereischt?
Antw. Dat wij ootmoedig en met vertromcen bidden,
en er wel aan denken wat wij zijn en wat God is. (Luc. 18, 13. Jac. 1 : 6, 7. â Gen. 18 : 27. â Matth. 6 : 5â8.)
9 Vr. Om welke zaken moet men bidden?
128
XVIII
Antw. Om al wat wij van noode hebben voor ziel en lichaam. Pil. 4:6: Weest in geen ding bezorgd, maar laat uwe begeerten in alles door hidden en snieeken met dankzegging lekend worden hij God. (Spreuk. 30 : 7â9.)
10 Vr. AVordt door het gebed de heiligmaking bevorderd ?
Antw. Het gebed is het voornaamste middel tot ver-eeniging van onzen wil niet den wil van God en tot toetsing van alle werh e n genot: want al hetgeen waarbij wij om Gods bijstand en zegen niet mogen bidden is uit den boozen. (Lue. 22 : 42. 2 Kor. 12 : 8, 9. ââ Kol. 3 : 17.)
11 Vr. Welk is het beste voorschrift voor het bidden ?
Antw. Dat is het Gebed des Heeren, gegeven tot een richtsnoer bij ons bidden, maar ook tot gebruik met dezelfde woorden.
(Richtsnoer: Matth. 6:9: Gij dan bidt aldus \ maar ook formulier : Lue. 11:2: Wanneer gij bidt, zoo zegt. IIoz. 14 : 3. â Het rijksgebed tweemaal in den Bijbel gelijk de rijkswet.)
12 Vr. AVat behelst het Onze Vader?
Antw. Eerst eene aanspraak tot God als Vader voor zijne kinderen door Jezus Christus, daarna zes beden en ten slotte eene lofzegging.
(Luther : 7 beden. De Roomschen laten het slot weg naar Lucas. De sehoone uitlegging in den Heidelh. Ca-tech. Z. XLVI v v. â Ieder drietal beden met opzicht tot de drie Goddelijke Personen.)
129
XIX
â n
130
V#.V. Etc riet-Ie.
1 Vr. Staat ieder Christen op zicli zeiven alleen?
Antw. De waar geloovige is lid van een groot en âº
eerwaardig genootschap, hetwelk de Kerk genoemd wordt, in de H. Schrift de gemeente Gods of het lichaam ran Christus. i:
{âKerkquot; niet in den Bijbel. Hand. 19 : 35: tempelhe-waarster, v. 37 : heiligschenders, tempelvoovevs. âKerkequot;
niet van âkarenquot; (bekeeren) of âkuren'''' (verkiezen) maar van het Gr. ki/riaké (oikia) d. i. huis des Heeren Efez.
2 : 19â22.)
2 Vr. In hoe veel deelen bestaat de kerk ?
Antw. Een gedeelte van haar is op aarde, het andere reeds in den hemel.
(Naar de lioomschen 3 deelen : op aarde, in het vagevuur, in den hemel.)
3 Vr. Hoe noemt men de vereeniging der zaligen in den hemel ?
Antw. De triomfeerende kerk, hetwelk zijn de geesten der volmaakte rechtvaardigen Hebr. 12 : 23. (Openb. 7:9.) ^
(De Socinianen en hunne hedendaagsche volgelingen loochenen deze)
4 Vr. In welken staat is de kerk in deze wereld ?
Antw. Op aarde is het eene strijdende kerk. (Gen.
3 ; 15. Efez. 6 : 12.)
5 Vr. Wie maken eigenlijk de strijdende kerk uit ? Antw. De ware geloovigen, die geroepen zijn met
XIX
eene hemelsche roeping, âgewassclien door het bloed van Christus en geheiligd door zijnen Geest.quot;
(1 Petr. 1 : 2- Nederl. Belijd. Art. XXVII.)
6 Vr. Kan men deze kerk met oogen zien ?
Antw. Omdat hare ware leden alleen bij God onfeilbaar bekend zijn, zoo is zij een voorwerp des yeloofs,. onzichtbaar en inwendig, in en onder de zichtbare en uitwendige kerk verspreid.
(2 Tim. 2 : 19. Rom. 2 : 28, 29. Kol. 3:3. De Roornschen beschouwen de kerk alleen als eene uitwendige zichtbare vergadering en verdeden hare leden in vrome en onvrome.)
7 Vr. Hoedanig is deze ware, onzichtbare kerk ?
Antw. Zij is éen: één lichaam is het en één Geest
Efez. 4 : 4 en zij is algemeen, âniet bepaald in eene zekere plaats of gebonden aan zekere personen, maar verstrooid door de geheele wereld.quot;
{Nederl. Belijd. Art. XXVII. Matth. 28: 19. Openb.. 7:9. â Algemeen, katholiek, welken naam de Room-sche kerk zich ten onrechte aanmatigt.)
8 Vr. Wie is haar hoofd ?
Antw. Het lichaam heeft maar één hoofd : Christus is het Hoofd der ejemeente en Hij is de behouder des lichaams. (Efez. 5 : 23.)
{Protestant en Griek : âde kerk op aarde heeft alleen een onzichtbaar opperhoofd, Christus,quot; de Roornschen : âook een zichtbaar, 't welk is de Roomsche bisschop (Paus) als opvolger van den door Christus zeiven tot Opperbisschop en tot zijn plaatsbekleeder of Stedehouder
131
132 XIX
aangestelden Petrus..quot; Deze leer is eerst in de 8ste tot de 11de eeuw opgekomen. â Matth. 16 : 18, vergel. Openl). 21 : 14.)
9 Vr. Wie maken de zichtbare kerk uit?
Antw. Tot de uitwendige Christelijke kerk beliooren al degenen, die den driecnigen God, Vader en Zoon en H. Geest en Jezus als den Christus, den in het vleeseli gekomen Zoon van God en Zaligmaker der wereld belijden, die de H. Schrift, het O. en X. T., hebben en eerbiedigen en de instellingen van Christus onderhouden.
10 Vr. quot;Wilde Christus een uitwendige kerk stichten ?
Antw. Ja, dat bewijzen zijne verordeningen van
prediking en gemeenschappelijk gebed, van doop en avondmaal, van onderling verband en bestuur.
(Matth. 5 : 14. â Matth. 18 : 15â20. â Daartegen strijdt niet Joh. 4 : 21â24.)
11 Vr. Is de uitwendige kerk één ?
Antw. De Christelijke kerk is in menigerlei [tdrli-cidiere kerken en partijen verdeeld, welke scheuring reeds in den tijd der Apostelen is begonnen. (1 Kor. 1 : 10â12.)
12 Vr. Van waar die scheuring?
Antw. Waar de inwendige kerk zich uitwendig wil vertoonen, verschijnt zij nooit zuiver wegens haren samenhang met de wereld] vandaar ookdooiden Heere toegelaten, opdat het onderscheid tusschen waarheid en leugen te meer openbaar worde. (1 Kor. 11 : 19.)
(Daarom is gedurige reformatie noodig d. i. terugkeer tot den rechten, apostolischen grond Hand. 2 : 42. Efez. 2 ; 20-)
XIX
13 Vr. Waardoor ziju de bijzondere kerken nog vereenigd ?
Autw. Een band van vereeniging zijn de Twaalf geloofsartikelen (niet Doop en A vondmaal) en al die partijen, die deze aannemen, moeten nog tot de uitwendige Christelijke kerk gerekend worden.
14 Vr. Intussehen is er zoo veel verschil over de bijzondere artikelen : tot welke ulticendnje kerk moet men zich dan houden ?
Antw. Tot die kerk, wier erkende Belijdenis, op welke zij gegrond is, het nauwkeurigst met Gods Woord overeenkomt.
15 Vr. Waarom hebben wij ons dan tot de Gereformeerde of Hervormde Kerk te houden ?
Antw. Omdat hare leer, beleden in hare Formulieren van eenir/heid, do zuiverste uitdrukking is van de leer der H. Schrift zelve. (Zie I. vr. 28.)
16 Vr. Waartoe zijn wij als Gereformeerden verplicht?
Antw. Wij moeten vasthouden aan de gezonde leer
die naar Gods Woord onze kerk belijdt en ons daarnaar richten.
17 Vr. Is er eene zaligmakende kerk?
Antw. Neen, Christus is onze eeuige Zaligmaker. (Hand. 4 : 12.)
(De Boomschen verkeeren de waarheid : â buiten Christus geene zaligheid!quot; in de leugen ; âgeene zaligheid buiten de Roomsch-katholieke kerk!quot;)
18 Vr. Hangt onze zaligheid dan niet af van eenige uitwendige kerkelijke gemeenschap?
Antw. Zalig wordt alleen wie in Christus gelooft en door gemeenschap met het Hoofd is men lid van liet
133
XIX
lichaam, van die ware kerk aan welke al de beloften toekomen.
(Boomsch is het de gemeenschap met Christus afhankelijk te stellen van de gemeenschap met de kerk.)
19 Vr. Wat heeft dan hierbij een iegelijk voor zich zeiven te betrachten ?
Antw. Het is niet genoeg uitwendig tot de kerk te behooren, maar wij moeten Christus' eigen zijn en het Woord en de Sacramenten zoo veel ons aangaat recht gebruiken en daarnaar wandelen. (Ps. 1 : 5, 6. Luc. 13 : 25â27. Rom. 12 : 2.)
VV. StHTamenten.
1 Vr. Wat is bijzonder bevorderlijk en noodig voor het leven en den wasdom der kerk ?
Antw. De verscheidenheid van leden en van bedie-ninqen die de Heere met wijsheid heeft sreordend. (Efez. 4 11, 12. 1 Kor. : 12.)
2 Vr. Welke zijn de voornaamste instellinc/en, die de Heere aan de kerk heeft gegeven ?
Antw. De pmHkiny des Woords en de sacramen ten. (1 Kor. 1 : 21. â Hebr. 10 : 25.)
3 Vr. Waartoe dienen de sacramenten ?
Antw. 1. Van Gods kant beteekenen eu bezegelen zij het genadeverbond en deszelfs weldaden.
{Sacramenten eigenlijk eene geheiligde zaak: een neergelegd pand, een eed, bijzonder krijgsmaneed; bij de Kerkvaders verborgenheid)
4 Vr. Welk ander einde is daarmede verbonden?
134
XIX
Antw. 2. Van onzen kant is liet aannemen en gebruik van deze verbontlszegelen eene bevestiging van onze belijdenis, gelofte van (jehoorzaamheidnx betuiging-van kerkelijke gemeenschap. (1 Kor. 11 : 26. 12 : 13. 10 : 17)
5 Vr Hoedanhje instellingen mogen wij alleen voor sacramenten houden ?
Antw. Alleen zulke, bij welke is 1. een uitwendig teeken 2. eene beteekende geestelijke zaak en 3. eeu Goddelijk woord van instelling en belofte.
6 Vr. Hoe wfc sacramenten hebben wij dienvolgens? Antw. Gelijk God onder het O. T. aan zijn volk
twee bondzegelen gaf, de besnijdenis en \\amp;tpascha, al-zoo hebben wij door Christus twee sacramenten, den doop» en het heilige avondmaal.
(De Quakers verwerpen beide. â De Eoomsche en de Grieksche kerken hebben 7: r/oojj, vomtsel, priesterwijding (onuitwischbaar, niet te herhalen), biecht (berouw, belijdenis, voldoening), avondmaal, huwelijk, laatste Oliesel.)
7 Vr. Zijn deze twee sacramenten voldoende? Antw, Ja, zij bevatten geheel het geestelijk leven:
want de doop) is het sacrament van irederg(hoorteen ingang in Gods rijk en het »pon(/»||Mdaarna van voeding en van gedurige onderhouding en bevestiging der gemeenschap met Christus.
a. De Doop.
8 Vr. Wanneer is de besnijdenis ingesteld?
Antw. God heeft de besnijdenis bevolen aan Abraham
tot bezegeling van het verbond met hem. (Gen. 17 : 12. liom. 4 : 11.)
135
XX
â Verhond des ekjendomsquot; waardoor liet yenadeverbond bepaald werd tot Abrahams zaad tot op de cjehoorte van den lieinen )
9 Vr. Wat gaf de besnijdenis te kennen?
Antw. 1. De onreinheid der natuur; 2. de reinig-making door liet Zaad des zegens; 3. bet burgerrecht in de Joodscbe kerk.
10 Yr. Wanneer is de doop ingesteld?
Antw. Nadat eerst Johannes de Dooper en vervolgens ook de discipelen van Jezus voorbereidender wijze in Israël hadden gedoopt, heeft de Heere Jezus Christus den doop tot een eigenlijk en algemeen sacrament des X. V. ingezet toen Hij ten hemel voer. (Luc. 3 . 2, 3. â Joh. 3 : 22. 4:2,â Matth. 28 : 19.)
11 Vr. Werd deze verordening ook uitgevoerd? Antw. Ja, al degenen aan wie het Evangelie was
gepredikt eu die hun geloof in den Zoor. Gods eu daarmede in den Vader eu den H. Geest beleden, werden door den doop tot de ganeente toegedaan.
8 : 35â38.) dan de doop ?
41.
Wat is
doop is dat sacrament.
door hetwelk wij en van alle andere volken afgezonderd worden,
te
ontvangen
om geheel-
(Hand. 2
12 Vr.
Antw. De
[ de kerke Gods i vreemde religiën ijk Plein toegeëigend te zijn, zijn merk en veldteeken ragende, en dient ons tot eene getuigenis, dat Hij eeuwigheid onze God zijn zal, ons zijnde een ge-iadige Vader.quot;)
{Ned. Belijd. Art. XXXIV.)
13 Vr. Wat is het uitwendig teeken bij den doop?
136
XX
Antw. Daartoe dient alleen rein water, naar instelling, gebruik en gepastheid. (Joh. 1 : 33. â Hebr. 10 ; 22.)
14 Vr. Waarvan is dat water een teeken ?
Antw. Het doopwater beteekent en vertegenwoordigt
het bloed van Jezus Christus en den H. Geest tot reiniging van de zonde.
15 Vr. Wat moet met dat water gedaan worden ? Antw. Het water moet aan den doopeling gebracht
worden, alzoo dat liet op zijn lichaam gezien wordt.
(Besprenging van het hoofd is z. v. a. van het ge-heele lichaam. â⢠De Grieksche kerk: driemalige indompeling ; zij en de Baptisten verwerpen de bespren ging. In den eersten tijd zeker niet altijd onderdompeling maar ruime begieting van het hoofd.)
geheeie
10 Yr. Wat beduidt het gieten of sprengen van het water op het lichaam des doopelings ?
Antw. De toeeiyeniny van Christus' bloed en Geest tot wegneming van de schuld en smet der zonde. (Hand. 2 : 38. Ezech. 36 : 25.)
17 Vr. En wat wordt daardoor den doopeling op-fjeleejd ?
Antw. Die den doop ontvangt, belooft met een goed geweten voor zijnen God te leven en te onderhouden wat Christus geboden heeft en alzoo is de doop eene bevestiging van het verhond tusschen God en den mensch. (1 Petr. 3 : 21. Matth. 28 : 19.)
18 Vr. Heeft de uitwendiye doop door zich zeiven i de kracht om van de zonde te reinigen ?
137
Antw. Neen, het sacrament is de genade Liet zelve J maar teeken en zegel van de genade. (1 Joh. 1 : 7. Tit. 3 : 5â7. Rom. 2 : 28, 29.)
é
9
XX
(De Boomscheit: de doop brengi uit kracht van het gedane werk vergeving toe van allo zonden tot daartoe, met inklevende heiligheid. â De Lutherschen binden de genade aan liet sacrr.ment en stellen dat de doop eene beginnende oorzaak zij van de wedergeboorte: doopgenade.)
19 Yr. Hangt dan de zaligheid van den doop niet af ?
Antw. Neen, de gedoopte wordt niet zalig zonder
geloof en de geloovige niet rampzalig zonder doop, maar verachting van het sacrament is strafbaar. (Mare. 16 : 1G. Joh. 3 : 5. Luc. 7 : 30.)
(De lioomschen : niemand kan zonder doop zalig worden ; kinderen die ongedoopt sterven, besmet met de erfzonde, komen wel niet in de hel, doch blijven van de zaligheid beroofd, in eene bijzondere plaats.)
20 Yr. Mag een ieder doopen ?
Antw. Neen, geen anderen mogen de sacramenten bedienen dan die geordend en gezonden zijn om te prediken. (Matth. 28 : 19. 1 Kor. 4:1.)
[Nooddoop bij Roomschen, Grieken, Lutherschen.)
21 Yr. Hoe komt in den doop het Woord Gods tot het water ?
Antw. Dit geschiedt door dat de bedienaar doopt in den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes.
(De bedienaar vertegenwoordigt daarbij de geloovige en belijdende kerk. â Matth. 28 : 19 : in den naam, niet tot. â Het Gr. duidt eene overbrenging aan, overzetting in de levensgemeenschap met den drieëenigen God.)
22 Yr. Is de doop van hinderen recht ?
XX
Antw. De kleine kinderen van gedoopte ouders mogen en moeten gedoopt worden.
(1 Kor. 7 : 14. Ezech. 1G ; 20, 21 : â uwe zonen en uwe doch teren die gij mij gebaard hadtâmijne kinderen. Geen kinderen van Heidenen, Joden enz)
21 Ari-. Wat ligt bij de verwerping van den kinderdoop wel voornamelijk te gronde ?
Antw. Men beschouwt dan den doop niet als een eigenlijk sacrament en ziet meer op hetgeen de mensch moet doen dan op hetgeen God geeft.
(Tegenwerpingen van Mennonieten on Baptisten : 1 geen hevel. Maar Matth. 28 ; 19 : al de volken â en Mare. 10 : 13, 14. â Daar de besnijdenis bepaaldelijk voor kinderen was, zoo was er een verbod noodig, wanneer het inlijvingsteeken des jSquot;. V. niet aan kinderen zou gegeven worden. â 2. Geen voorbeeld in liet N. T. Maar huisgezinnen gedoopt: Hand. 1G ; 15, 33 e. a. Het vroeg gebruik van den kinderdoop is onverklaarbaar, wanneer niet de Apostelen zelve daartoe den grond hadden gelegd (hetwelk ook de tegenstander Tertullia-nus niet loochent en de kerkvader Origenes betuigt. Ja van eeno eigenlijke invoering van den kinderdoop zegt de kerkgeschiedenis niets.) -â 3. Nutteloos. Gelijk de besnijdenis ! en gelijk het zegenen Mare. 10 : 1G ! â Zaligheid uit genade, naar Gods belofte, niet eerst uit het werk dos menschen. â Bovendien de kinderen komen onder de leiding, tucht en leer der kerk. â 4. Onderwijzing, bekeer ing en geloof vooraf! Bij volwassenen, voor wie geen einder plaatsbckleeder kan zijn. God doet wat Godes is, wat der kinderen is nemen de. ouders voor oen tijd op zich. Mare. 16 : 16 geeft juist
139
T
140 XX
niet de tijdsorde op, maar dringt op het geloof als doel aan : niet de bloot gedoopte, maar die geloofd zal hebben gelijk hij gedoopt is. â Matth. 28 : 19 : maakt tot discipelen (vergel. Joh. 4 : 1) al de volken ! hoe ? «, dezelve doopende b, hen leerende alles onderhouden. De kinderen, die Paulus Ef. 6 : 1 v.v. leert, waren zeker gedoopt.)
24 Vr.^Welke is de voornaamste grond voor den kinderdoop ?
Antw. Dat het verhand, door den doop bezegeld, hetzelfde genadeverbond is hetwelk God aan Abraham op Christus heeft bevestigd en in hetwelk de kinderen uitdrukkelijk mede begrepen zijn.
(Men moet onderscheiden het onveranderlijke verbond met Abraham en het Oude of Sinaïetische Verbond, Gal.
3 : 17. 4 : 25. Dit laatste heeft een einde genomen, maar het eerste begon zich na Christus' offerande uit te breiden tot alle volk ; daarom voor de besnijdenis nu een ander teeken van hetzelfde verbond. Gal. 3:14.)
25 Vr. Is de icederdooj) geoorloofd ?
Antw. Neen, één Heer, één geloof, één doop. Efez.
4 : 5. âWant wij kunnen ook niet tweemaal geboren ' worden.quot; {Ned. Belijd. Art. XXXIV.) ^
(Hand. 19 : 1â7 : door Johannes gedoopt, door Paulus met oplegging der handen bevestigd en denH. Geest ontvangende.)
26 Vr. Hoe is de doop nuttig voor geheel het leven ?
Antw. De eens ontvangene doop is eene gedurige herinnering van het Goddelijk verbond en vermaant f
XX
ons de zonde af te leggen en voor Grod te wandelen. (Jez. 54 : 10. â Rom. 6 ; 4.)
b. Het heilige avondmaal.
27 Vr. Wat was het tweede sacrament des O. V. ? Antw. Het pascha; ingesteld door God in den
nacht toen Israël uit Egypte toog en een nieuwe tijd voor het volk aanbrak. (Exod. 12.)
(âPaschaquot; overspringing, voorbijgang (Exod. 12 : 23), verschooning. â De 14de dag (volmaan) der maand Abib of Nisan, die met de nieuwe maan van onzen Maart begint.)
28 Vr. Wat was de hoofdzaak van het pascha? Antw. Het lam, dat geslacht en welks bloed gesprengd werd tot een zondoffer en welks vleesch gegeten werd als een offennaal en sacrament. (Exod. 12 : 13. Deut. 16 : 6, 7.)
29 Vr. Waarvan was het paaschlam een voorbeeld ? Antw. Van Christus, het Lam Gods, wiens bloed al
de zijnen van het verderf bevrijdt en het eeuwige leven deelachtig maakt. (Joh. 1 : 29. 1 Kor. 5 : 7. Joh. 19 : 36.)
30 Vr. Wat was het doel van geheel het Israëlie-tische jiaaschfeesf ?
Antw. Het was eene gedachtenis van de verlossing door de genade en almacht des Heeren, waaraan het volk zijn bestaan te danken \vaA, ven drangmiddelvooï het verbondsvolk tot aflegging van de zonde en tegelijk een hand van onderlinge gemeenschap. (Exod. 12 : 15, 10.)
31 Vr. Wat is in plaats van het pascha voor de gemeente des N. V. verordend ?
141
XX
Antw. Het heilige avondmaal, hetwelk de lïeere Jezus Christus in den nacht voor zijnen dood heeft ingesteld.
(Zie Catech. Leerh. des N. V. XXII. â Matth., Mare. on Luc. berichten de inzetting. Johannes vervolledigt hunne berichten met de voetwassching en laatste redenen ; daarbij Joh. 6. van het geestelijk eten. Wegens misbruiking in Korintlie gaf Paulus eene nieuwe vaststelling van het sacrament naar onmiddellijke openbaring van den Heere.)
32 Vr. Welke zijn de teehens in het avondmaal ?
Antw. Brood en wijn, zinnebeelden van voeding en
verkwikking, onbloedige teekenen naar den aard des N. V.
(Bij de Roomsche en Protestantsche kerken ongezuurd brood, 't welk de Grieksche als joodsch verwerpt, terwijl zij beweert dat Christus het Avondmaal gehouden heeft vóór het paaschfeest der Joden. In de Hand. der Apost. en bij Paulus alleen âbroodquot; genoemd â Roomschen (en Luth.) ouwels, âhostiequot;. â Roonischen en Grieken wijn met water.)
33 Vr. Hoe heeft Christus het hrood des avond-maals tot een teeken gesteld ?
Antw. De Heere Jezus nam het brood en als Hij gedankt had, brak Hij het en zcide: Neemt, eet, dat is mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt, doet dat tot mijne gedachtenis. 1 Kor. 11 : 23, 24.
34 Vr. Wat heeft Hij van den wijn bepaald ?
Antw. Na het eten nam Hij den drinkbeker en
zeide : Deze drinkheJcer is het nieuwe testament in mijn
142
XX
bloed; doet dat zoo dihuijls als gij dien zult drinken tot mijne gedachtenis. 1 Kor. 11 : 25.
35 Vr. Moet ook de drinkbeker a«n al de leden gegeven â worden ?
-Antw. Ja; Christus heeft tot zijn discipelen gezegd : drinkt allen daaruit en Panlus tot de gemeente : Y de mensch beproeve zich zeiven en i te alzoo van het brood I en drinke van den drinkbeker Matth. 26 : 27. 1 Kor. 11 : 28.
(Kelkonthouding sedert de 12do eeuw begonnen, als lioomsche kerkleer vastgesteld 1415: Christus is onder iedere van beide gestalten geheel tegemvoordig.quot; Alleen de priester die het avondmaal bedient mag den inge-zegenden avondmaalswijn genieten. â Daartegen de Grieksche en Protestantsche kerken.)
36 Vr. Wat moeten wij gelooven van de betrekking des broods en irijns in het avondmaal tot het lichaam en bloed van Christus ?
Antw. Brood en wijn veranderen met] ook is Christus' lichaam en bloed er niet in, met en onder; doch het zijn ook niet enkel beelden, maar teekenen en zegelen van de gemeenschap aan Christus' gekruisigd lichaam en ver ei (j ten bloed.
(Rootnsche (en Grieksche) transsubstantiatie. Luthersche consubstantiatie, Ziringlische^en veler Hervormden) figuratie. Rome zegt: brood en wijn veranderen in Christus' lichaam en bloed wat het wezen, de substantie, aangaat. Luther: brood en wijn blijven onveranderd, maar Christus' 1. en bl. is er in, met en onder. Zivinegli: het be-teekent Jezus: dat (is) mijn lichaam, hetwelk Panlus verklaart : het is eene gemeenschap des lichaams en bloeds van Christus 1 Kor. 10 : 16. Zoo Calrijn en naar dezen
143
XX
de Ned Belijd. xVrt. XXXV en Held.. Catcch. / XXVni en XXIX)
37 Vr. Is Christus in liet li. avondmaal teyeniroordiy ?
Antw. Naar zijne Godheid is Christus wel bij allen
en met zijne c/enade bij de geloovigen, maar naar zijne menschheid is Hij in het avondmaal bij niemand tegenwoordig. (Matth. 18 : 20. 2 Kor. 13 : 13. â Hand. 3 : 21.)
38 Vr. Wordt er in het avondmaal niets anders ontvangen dan 't geen de geloovige ook buiten het avondmaal geniet?
Antw. Ja, iu het avondmaal ontvangt de geloovige die bijzondere panden en zegelen van zijn aandeel aan het zoenoffer die Christus zelf daartoe verordend heeft ! en die men buiten het avondmaal niet hebben kan.
39 Vr. Voor trie is het avondmaal ingesteld?
Antw. Omdat het avondmaal eene voeding zijn zal
van het geestelijke leven, zoo is het bestemd voor degenen in wie een beginsel van dat leven is.
{Ncderl. Belijd. Art XXXV.)
40 Vr. Maar hoe moet de kerk, die de harten niet kent, hierin handelen ?
Antw. De kerk moet alle onergerlijke belijders toelaten, maar alleen de geloovigen en oprecht heilbegee-rigen zijn de geroepenen tot de tafel des Heeren.
{Ergerlijke moeten geweerd worden 1 Kor. 5 : 11â13-Matth. 18 : 17. â De woorden âvoor u,quot; eischen geloof; desgelijks de zelfbeproeving, de onderscheiding van het lichaam des Heeren en de verkondiging van zijnen dood 1 Kor. 11 : 26â29. â De Griehsche kerk geeft het Avondmaal ook aan kinderen.)
144
XX
41 Vr. Mag de zwakgelooviye toegaan ?
Antw. Het f/ekrookte riet zal de Heere niet verbreken en de rookende vlaswiek zal Hij niet uitblusschen, Jez. 42 : 3. En zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden, Matth. 5 : 6.
42 Vr. Wanneer zijn wij recht (/esfehl om liet avondmaal waardiglijk te ontvangen ?
Antw. Wanneer wij onze onwaardigheid voor God diep gevoelen, onze zonden betreuren, naar Jezus' verlangen, den weg der waarheid kiezen en daartoe genade en sterking begeeren. (Ps. 34 ; 19. 51 : 19.)
43 Vr. Wie eet en drinkt onwaardiglijk?
Antw. Dat doen degenen, die er gcdachtenloos, we-
reldsch of uit bijgeloof toegaan en die in hun hart vijanden zijn van de waarheid en godzaligheid. Ps. 107 : 11.
44 Vr. Wat is daarom vóór het avondmaal noodig ?
Antw. Ernstige zelfbeproeving en voorbereiding.-
(1 Kor. 11 ; 28, 31. â Gewichtige en noodzakelijke proefvragen (vergel. Heidelb. Ca tech. vr. 81) bij de openbare en gemeenschappelijke voorbereiding.)
45 Vr. Hoe moeten wij ons beproeven en voorbereiden ?
Antw. Wij moeten onderzoeken, hoe wij met God en onze naasten staan, belijdenis doen van onze zonden, Jezus' lijden en sterven overdenken, op zijne beloften letten en ons oprecht aan zijnen dienst verbinden.
(Ps. 139 : 23, 24. 2. Kor. 13 : 5. Ps. 32 : 5. 119 : 4, 5.
\ Vf. Ite laai»te fliiifjt'u.
1 Vr. Wat is het laatste van dit leven?
145
XXI
Antw. liet einde van dit leven is de dood, een gevolg van de zonde, doch voor degenen oen zegen, voor wie Christus liet leven is geworden. (Hom. 6 : 23. Pil. 1 : 21.)
2 Vr. Houdt de mensch met den dood niet op te bestaan ?
Antw. De ziel is onsterfelijk en zoo blijft ieder mensch eeuwig voortbestaan als dezelfde persoon met bewustheid, geheugen en gevoel van vreugde of smart. (Matth. 10 : 28. Luc. 16 : 27, 28.
3 Vr. quot;Wat geschiedt met den mensch wanneer hij sterft ?
Antw. De stervenden verschijnen voor hun Rechter en een ieder komt naar zijn eigene plaats. (Pred. 12 : 7. Hand. 1 : 25.)
4 Vr. Is er geen tiiischensfaat ?
Antw. Neen, de beslissing van elks lot geschiedt aanstonds met het sterven. (Luc. 16 : 22, 28. Openb. 14 ; 13. Luc. 23 : 43.)
(Geen vagevuur (sedert 1439 lïoomsche kerkleer); Joh. 5 : 24. 13 : 10. Het 'ware vagevuur is de hitte der verdrukking. 1 Petr. 4 ; 12. Hand. 14 : 22. â Geen afzonderlijke plaats voor ongedoopte kinderen. â Geen zielenslaap. â ÃTa dit leven geen genadetijd meer. Hebr. 3:7.)
5 Vr. Hangt het eeuwig wèl of wee alleen van het aardsche leven af?
Antw. Ja alleen, want ook in het laatste oordeel wordt naar het leven in liet \ licliaam beslist (2 Kor. 5 : 10. Hebr. 9 : 27. Matth. 25 : 35 v.v)
6 Vr. quot;Wat wordt er van het lichaam na den dood ?
146
XXI
A ntw. Het lichaam moet tot de aarde wederkeeren waaruit het genomen is, doch het zal eenmaal opgewekt worden. (Rom. 8 ; 23.)
(De opstanding geloochend door de Sadduceeën Matth. 22 : 23 en door de Esseners; te Korinthe door philo-sophische heidenchristenen (âdie van Christusquot;) 1 Kor. 15 : 12 ; door Hymenéüs en Philétus. 2 Tim. 2 : 17.)
7 Yr. Wanneer zal dat geschieden ?
Antw. De dooden zullen opstaan hij de wederkomst van Christus ten oordeel.
(Naar velen eene eerste opstanding van martelaren en rechtvaardigen vooraf. Tegen 1 Kor. 15 : 23. 1 Thess. 4 ; 16. â Openh. 20 : 4â6 is de eerste op-standinr/ geen lichamelijke maar de overgang in de heerlijkheid des hemels, want het tegengestelde is de tweede dood.)
8 Vr. Wie zullen opstaan ?
Antw. Al de dooden, heide de rechtvaardigen eti de onrecht vaardigen. (Hand. 24 : 15. Openb. 20:12. Joh. 5 : 28, 29.)
9 Vr. Wat geschiedt er met die dan nog leven? Antw. De levenden zullen in een punt des tijds
veranderd' worden. 1 Kor. 15 ; 51,52.1 Thess. 4 : 17.)
10 Vr. Waardoor zal de opstanding worden ? Antw. Xiet door natuurlijke ontwikkeling uit een
kiem van het oude lichaam, maar door een uonder der almacht, door de kracht Gods in Jezus Christus. (1 Kor. 6 : 14. 15 : 22.)
11 Vr. Met welke lichamen zullen de dooden opstaan? Antw. Ieder ziel zal wederom haar eigen lichaam
ontvangen. (1 Kor. 15 ; 38. Job 19 : 26.)
147
148 XXI
12 Vr. Zal het lichaam niet anders zijn dan het tegenwoordige ?
.Antw. Het zal bij allen hetzelfde lichaam zijn in wezen, doch met andere hoedanigheden. 1 Kor. 15 : 53.)
13 Vr. Welk onderscheid zal er zijn tusschen het lichaam der zaligen en der rampzaligen ?
Antw. Het lichaam der goddeloozen zal een afgrijzen zijn, het lichaam der rechtvaardigen een verheerlijkt fleesch. (Dan. 12 : 2, 3. Jez. 66 : 24. â 1 Kor. 15 : 39, 40. Luc. 24 : 39. Jez. 26 : 19)
14 Vr. Wat volgt dadelijk op de opstanding?
Antw. Het laatste oordeel. (Matth. 13 : 37â43.)
(Zie hoven XIH. 4 â Op de wolken in de lucht.)
15 Vr. Wat geschiedt er dan nog?
Antw. Deze zichtbare wereld verbrandt en er ontstaat eene nieuwe aarde met nieuwe hemelen, het erfdeel ier zaligen. (2 Petr. 3 : 7, 13. Openb. 21 : 1â4.)
16 Vr. Waar zullen de verdoemden blijven?
Antw. In de helle, de strafplaats der goddeloozen.
jue. 12 : 4, 5. Openb. 21 ; 8.)
(In het binnenste der uitgebrande aarde ? Hoe het zij, ïr is eene plaats der pijniging Luc. 16 : 28, niet alleen jen helle in het geweten, maar een oord, waar de â¢ampzaligen met hun geweten zjjn.)
17 Vr. Zal er voor de rampzaligen ooit een einde ies hjdens komen?
f
Antw. De pijn der goddeloozen zal even zoo einde-oos zijn als het zalig Ie een der rechtvaardigen. (Matth. J5 : 46. Mare. 9 ; 44.)
(De Socinianen stellen eene vernietiging : de eeuwige
XXI
dood z. v. a. eeuwige nietaanwezigheid : Origenes en thans velen een herstel der verdoemden, âwederbrenging aller dingenquot; (Hand. 3 : 21) ook der liellc. â Er is eene eeuwige verdoemenis en straf' zoo gewis en noodzakelijk als er in eeuwigheid geen gedwongene heiligheid van persoonljjke wezens en in eeuwigheid geen zalige onheiligheid zijn kan. Na dit: zij zullen gaan in de eeuwige pijn Matth. 25 : 4G vergel. v. 41 volgt er geen tot mij /quot; ooit weder. 2 Thess. 1 : 8â10.)
18 Vr. Zullen de zaligen elkander kennen?
Antw. Ja, ook die elkander te voren nooit hadden
gezien. (Matth. 17 : 3. Luc. 16 : 9. Hebr. 12 : 22, 23. Vergel. Gen 2 : 23.
19 Vr. quot;Waarin zal de zaligheid bestaan?
Antw. Rein van zonde en vrij van vrees en smart, heerlijk naar ziel en lichaam zullen de verlosten God in Christus door den H. Geest volmaakt kennen, liefhebben, genieten en dienen, met verzadiging van vreugde â een waarachtig leven in een 'eeuwig Godsrijk, waar God alles zal zijn in allen. (1 Kor. 2 : 9. Ãpenb. 21 : 1â4.
149
De schrijver van deze Geloofsleer heeft deze nieuwe uitgave niet mogen beleven. Den 6eu Dec 1890 overleed mijn onvergetelijke vader geheel onverwacht, nadat hij nog een uur te voren gezond en opgeruioid in ons midden zat. Hier werd dus aanschouwd, wat de dichter zegt van ons leven : het tcordl snel-lijfc afgesneden en wij vliegni daarheen.
Geboren den 13en April '813 te Weenermoor in Oostfriesland, werd hij, na gestudeerd te hebben aan de Hoogeschool te Leipzig, in 1838 pred te Tergast, daarna te Rijzum, werd in 1843 ge-introduceerd te Onstweddc, was daarna in verschillende gemeenten werhzaam, het laatst tc Elburg, tot hij in 1885 eervol emeritaat verkreeg.
Hij heeft gewerkt zoolang het dag was, vooral het «Leesboek over de Geref Gel.-leerquot; getuigt daarvan.
Hij was een man, zoo schreef de door hem hooggeachte Ds. J G. Veriioeff in het Kerkel. Weekblad, van degelijke studie en van ijver voor de eero Gods ; een man in de II. Schrift te huis, die veel gelezen en overdacht, het gelezene trouw heeft bewaard
Velen, maar vooral schrijver dezes, hebben in hem een trouwen raadsman, eene betrouwbare vraagbaak verloren. Nu is hij van het lichaam der zonde verlost ; nu juicht hij voor den troon des Lams, vereenigd met al degenen, die denzelfden weg bewandelden ; daar looft en dankt hij zijn God met de vrijgekochte schaar voor al zijne genade; daar geniet hij nu, 't geen God bereid heeft dengenen, die hem lief hebben.
De gedachtenis dezes rechtvaardigen zal tot zegening zijn.
Oldeboorn, Jan. 1891.
E. C. GRAVEMEIJEll.
H O U 1).
Godsdienst. Bronnen der Godskennis .
Gods Woord ....
Gods Wezen, .Vamen, Eigensehappen.
1. Het Opperwezen
2. Gods namen
3. Gods eigenseliappen
a. Onmededeelbare
b. Mededeelbare Gods Drieëenlieid
Gods besluiten. Voorverordineering Schepping ..... Voorzienigheid ....
De inenseh in den Staat der Hechtheid De Zonde
1. Zondenval ..... 3. Erfzonde en Dadelijke Zonde : Ellendigheid des menschen Des Verlossers Persoon Des Verlossers Namen en Ambten
1. Christus Profetisch ambt
2. n Hoogepriesterambt
3. n Koninklijk ambt Des Verlossers Staten. Vernedering,
1. Nederige Geboorte
2. Lijden .....
à jST
Hoofdst. I.
II.
III.
IV. V.
VI. VII VIII. IX.
X
XI.
XII.
T
o 15 â â
Hoofdst. Bladz.
3. Dood ... .... 99â100.
4. Begrafenis ....... 100 â 101.
5. Nederdaling ter helle ..... 101â103. Doel van de Vernedering: Genoegdoening 103â106.
XIII. Des Verlossers Staten. Verhooging.
1. Opstanding ...... 106â108.
2 Hemelvaart . . . . . .108â111.
3. Zitting aan Gods rechterhand . . . 111â112.
4. Wederkomst ten Oordeel .... 112â113.
XIV. Heilsorde. A. Roeping ..... 113â116. XV, n B. Rechtvaardiging .... 110â121,
XVI. * C. Heiligmaking . , . . 121â124.
XVII De Wet ....... 124-127.
XVIII. Het Gebed......' . 127â129.
XIX. De Kerk ....... 130â134.
XX. Sacramenten ....... 134â135.
n De Doop ....... 1S5â141.
b. Het heilige Avondmaal . * . . 141â145. XXI De laatste dingen 145-149.