ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3

-. MM

■v:jS

- . F- ■

M'Wquot;

ocr page 4
ocr page 5
ocr page 6
ocr page 7

WOORDEN DER WIJSHEID

VOOR HET

DAGELIJKSCH LEVEN.

ocr page 8

CA-üflnQ

|Ü£niT£5ANsnf^Fl|

ocr page 9

GUNNING

/

WOORDEN DER WIJSHEID

VOOR H ET

DAGELIJRSCH LEVEN,

0lfaai ijcl' êngcllvlj

VAN

C. H. SP URGE ON.

t

■9 i

-r

U'J'RECHT. — H. HONIG. — iigt;93-

BIBLIOTHEEK DER RIJKSUNIVERSITEH UTRECHT.

ocr page 10

Gedrukt ter „Utreditsche ürukkeryquot; — V. df.n Bokr — Jornzalemsteei;.

ocr page 11

f

INHOUD.

_ Blailz.

Wat is hoogmoed?..............j

Goede werken en qedroken sleutels.

Een voorval te Niagara ... ...... 7

Be dübuelhartige.

Het standbeeld van Lord Byron....... 11

Een drama in vijf bedrijven.

1 Cor. VII : 29 — 31........... 15

Het feestmaal des kwaads.

De tafel der losbandigen...................gt;3

Het feestmaal des kwaads.

De eigengerechtige gasten . . ......

Het feestmaal des kwaads.

De wereldwijzen................0,-

Door het vüuk gaan............ 4;!

De heillooze gevolgen der luiheid.

Raad van mijnheer Greenham..........- ^

Bi.i de belegering van Kopenhagen.

De kwakers in Ierland................,-y

De slaap een geschenk van God............

~L

-U

I

ocr page 12

Blad/.

Het oebed van ekn herbergier.........68

De doodstraf.

Het plaatsvervangend offer..........70

Rowland Hiix en Lady Erskine.........7(!

God sprekende tox at.len...........78

De verdachte herüeug ............ 84

Benige volksdwalingen............87

Winst en verlies.

De ziel verkoopen voor een daalder.......93

De sneeuwval en de sprinkhanen........9G

Hoe de wereld geeft.

De dicliter Burns.............103

Sta pal!

De Koning en de Bisschop..........111

Groote es kleine talenten .......... 11C

Licht in den avondstond...........119

Bedden, die tekort zi.in.

Wat Lord Byron zei de......... .123

Verkeerd geplaatste t.iver..........131

Gemakzucht................136

„Wees nuchterquot;...............140

„Door vloed en vlamquot;............144

Kleur bekennen...............148

Verzorg uw eigen huis............151

Een praatje over den dood..........156

ocr page 13

WAT IS HOOGMOED?

Er is niets, waartoe het hart des menschen zoo gemakkelijk vervalt, als Hoogmoed, en toch is er geen ondeugd, die door de Schrift menigvuldiger, nadrukkelijker en welsprekender veroordeeld wordt.

Hoogmoed is een ding zonder redelijken grond. Het rust op zand; of erger nog: gaat op watergolven, die onder zijn tred wegzinken; of nog erger; staat op zeepbellen, die onder zijn voet barsten. Van alle dingen heeft Hoogmoed den zwaksten steun; het heeft op aarde geen enkel vast punt voor het hol van zijn voet. Voor bijna alles hebben wij redenen, maar voor den Hoogmoed hebben wij er geen enkele. Hoogmoed moest ons iets onnatuurlijks zijn, want wij hebben niets om hoogmoedig op te wezen.

Hoogmoed is bovendien een even dwaas als onredelijk ding, want het brengt geen voordeel aan. Er ligt in zelfverheffing geen wijsheid. Voor alle andere ondeugden kan men verontschuldiging aanvoeren, want men schijnt er bij te winnen; gierigheid, genot, wellust hebben hun schoone zijde, maar do hoogmoedige verkoopt zijn ziel al zeer goedkoop. Hij zet de sluizen zijns harten wijd open, en laat iedereen zien, hoe diep het water daarbinnen

1

ocr page 14

AVAT IS HOOGMOED ?

staat; in eens stroomt het leeg, en dan — is alles weg, en er blijft niets overig, want één vlaag van ijdelen wind of één woord van levendige toejuiching, en — de ziel is ledig: er is geen druppel meer in. Van schier elke zonde verzamelen wij de asch, wanneer het vuur uit is, maar hier blijft hoegenaamd niets over. De begeerige heeft zijn blinkend goud, maar wat heeft de hoogmoedige? Hij heeft minder dan hij zonder zijn hoogmoed zou hebben; zijn winst is nihil. Hoogmoed geeft geen kroon; niemand eert die zoude ooit, zelfs niet de lage slaven van het stof, want iedereen ziet laag neer op de hoog-moedigen en acht ze geringer dan zij zichzelven.

Hoogmoed is voorts het onzinnigste ding ter wereld; het verteert zijn eigen levenskracht; het ondermijnt zijn eigen bestaan en maakt van zijn eigen bloed een mantel om zijn schouders te sieren; het ondergraaft zijn eigen huis om het dak hooger op te schroeven, en dan stort het geheele gebouw ineen. ïfiets bewijst de onzinnigheid des menschen zoo duidelijk als de Hoogmoed.

Het is een kameleon gelijk: het heeft een veranderlijke kleur; het vertoont zich onder alle vormen; men kan het in iedere gewenschte gedaante vinden; het schuilt zoowel onder de lompen eens bedelaars, als achter het prachtgewaad der rijken; het woont bij aanzienlijken en geringen. AVie barrevoets gaat, kan ligt even hoogmoedig zijn, als wie met equipage rijdt. In eiken stand der maatschappij, onder alle rangen van menschen ontmoet gij Hoogmoed. Nu is het een Remonstrant, die op den vrijen wil van den mensch stoft; dan weder een Gereformeerde, die zich zoo zeker waant, maar zijn Maker vergeet, welke alleen ons geloof kan staande houden. Hoogmoed schikt zich naar elke belijdenis; huist in den

2

ocr page 15

WAT IS HOOGMOED?

Kwaker, die een jas draagt zonder kraag; jjveit vooreen Staatskerk en roept God aan iu een prachtige kathedraal; is „Afgescheidenquot;, en begeeft zicli naar een eenvoudige vergaderzaal; is zoo katholiek (algemeen) mogelijk en bezoekt allerlei kerken en kerkjes: ga, waar gij wilt, overal ontmoet gij Hoogmoed Hij begeeft zich met ons naar het huis des gebeds; hij gaat met ons naar onze woningen; men treft hem op de markt en op de beurs, op straat, ja overal aan.

Het zij mij vergund u nog op een paar vormen te wijzen, die de Hoogmoed aanneemt. Soms treedt hjj op als leermeester. Hij onderwijst de loer der zelfgenoegzaamheid. Hij zegt ons, wat do mensch kan doen, en wil niet toestemmen, dat wij verloren, gevallen, ontaarde en diep ellendige schepselen zijn, gelijk toch werkelijk het geval is. Hij haat de goddelijke souvereiniteit en lacht met de verkiezing. — Wordt hem die bewering uit de handen geslagen, dan gooit hij het over een anderen boeg; dan stemt hij toe, dat de leer der vrije genade waar is, maar hij voelt er niets van. Hij erkent, dat de zaligheid alleen van den Heere is, maar hjj spoort toch do menscheu aan te trachten den hemel in bezit te krijgen door middel van hun goede werken, zelfs door de werken der wet. — En wordt hij op het verkeerde van die loer gewezen, dan zal hjj de menschen trachten over te halen, om in zake de zaligheid iets van het hunne bij het werk van Christus te voegen; en wanneer dat alles in Harden gescheurd is en de vodden onzer gerechtigheid tot asch verbrand zijn, zal de Hoogmoed evenzeer in het hart des Christens als in dat des onweder-geborenen sluipen — hij zal zich tooien met den naam van zelfgenoegzaamheid en den Christen wijs maken,

3

ocr page 16

WAT IS HOOGMOED?

dat hij „vijk en verrijkt is en geens dings gebrek heeft.quot; Hij zal hem infiuisteren, dat hij geen behoefte heeft aan dagelijksche genade, dat de ervaring van gisteren voldoende is voor morgen—■ dat hij genoeg weet, zich genoeg afslooft, genoeg bidt. Hij wil hem doen vergeten, dat hij .,het nog niet gegrepen heeft;quot; en niet toelaten dat hijT vergetende hetgeen achter is, zich uitstrekke naar hetgeen vóór is. Hij komt liet hart des geloovigen binnen en verlokt hem om voor zichzelven een onafhankelijk zaakje te drijven, en zoolang de Heere hem niet geestelijk bankroet maakt, zal de hoogmoed hem weerhouden van tot God te gaan. 1 loogmoed komt in duizend gestalten voor: hij is niet altijd die stijve en stroeve beer, dien gij u voorstelt; hij is ook een lage, kruipende vleier, die als een slang ons hart binnensluipt. Hij zal van nederigheid spreken en zeggen, dat do mensch slechts stof en asch is. Ik heb monschen gekend, die op wonderbare wijze over hun verdorvenheid konden praten en het deden voorkomen, alsof zij de nederigheid zelve waren, en intusschen waren er aan deze zijde dos grafs geen hoogmoediger schepselen te vinden dan zij.

O mijn vrienden! gij kunt niet al de vormen opnoemen, die Hoogmoed aanneemt. Kijkt scherp toe, of gij zult er door bedrogen worden, en wanneer gij denkt engelen te herbergen, is het best mogelijk, dat gij, onwefende, duivelen huisvest.

De wezenlijke troon des Hoogmoeds is allerwegen he: hart des monschen. Indien wij door Gods genade den hoogmoed willen fnuiken, moeten wij beginnen met het hart. Dat is het eenige middel.

Vergun mij u nu een gelijkenis in den vorm van een oostersch verhaal mede te deelen, hetwelk de zooeven genoemde waarheid in het juiste licht voorstelt. Een

4

ocr page 17

WAT IS HOOGMOED?

O

wijs man in het Oosten, een derwisch, kwam op zijn zwerftochten plotseling op een berg, en onder aan den voet zag hij eer. bekoorlijk dal, en een rivier, die midden door dat dal srroomde. De zou bescheen die rivier en het w ater, dat het zonlicht weerkaatste, zag er rein en verrukkelijk uit. Aan den voet van den berg gekomen, bevond hij, dat do rivier troebel was, en het water volstrekt ongeschikt om als drank gebruikt te worden. Dichtbij zag hij een als schaapherder gekleed jong mensch, die druk bezig was met het water voor zijn schapen te zuiveren. Eerst goot hij water in een kan, liet het dan een poosje stilstaan, en als het bezonken was, goot hij de zuivere vloeistof in een drinkbak. Daarna ging hij op een andere plaats den stroom afleiden, en over zand en steenen voeren, zoodat het water op die wijs van onreinheden bevrijd werd. Terwijl de jonkman bezig was een grooten drinkbak met helder water te vullen, kwam de derwisch bij hem en zeide : „Mijn zoon, waarvoor getroost gij u al die moeite? Met welk doel doet gij dat?quot; De jonkman antwoordde: „Vader, ik ben schaapherder; dit water is zoo morsig, dat mijn schapen het niet willen drinken, en daarom zie ik mij verplicht het bij kleine hoeveelheden te reinigen, en op die wijze genoeg bij elkander te krijgen, om hen te doen drinken; maar het is een zwaar werk.'' Dit zeggende wischte hij zich het zweet van het voorhoofd, zoo uitgeput was hij van zijn arbeid. „Gij hebt daaraan wèl gedaan,'' zeide de wijze man, „maar weet gij wel, dat gij het met al uw inspanning toch verkeerd aanlegt? Met de helft van uw moeite zoudt ge veel beter uitslag bekomen. Ik houd het er voor, dat de bron van dit riviertje onzuiver en verontreinigd moet zijn; laat ons samen naar die bron

ocr page 18

WAT IS HOOGMOED?

gaan zien.quot; Zij legden toen een wandeling van eenige mijlen af en moesten onderweg over menige rots klimmen, totdat zij aan een plaats kwamen, waar het riviertje ontsprong. Toen zij in de nabijheid waren, zagen zij het gevogelte des hemels en de wilde dieren der aarde naar het bosch vluchten; deze waren komen drinken, en hadden het water met hun voeten bezoedeld. Zij vonden een open bron, die onophoudelijk water opgaf, maar naardien die dieren voortdurend den stroom betraden, was hij troebel en modderig. „Mijn zoon,quot; zeide de wijze man, „begin nu, met de bron tegen bezoedeling te bewaren; en als gij dat gedaan hebt, en gij die wilde dieren en vogelen er van af kunt houden, zal de stroom zelf rein en helder water leveren, en gij zult niet langer zoo zwaar behoeven te werken.quot; De jonkman deed dit, en terwijl liij arbeidde, zeide de wijze man tot hem: „Mijn zoon, hoor het woord der wijsheid: indien uw hart boos is, zoek dan niet uw uitwendig leven te verbeteren, maar tracht allereerst uw hart beter te krijgen, want daaruit zijn de uitgangen des levens, en uw leven zal rein zijn, als eerst uw hart maar rein is.quot;

Willen wij dus bevrijd worden van Hoogmoed, dan moeten wij niet beginnen met onze kleeding in orde te brengen, door een bepaalde dracht aan te nemen, of met onze taal te wijzigen, door op zijn boersch te spreken; maar wij moeten Gods aangezicht zoeken en Hem smeeken. dat Hij onze harten van Hoogmoed reinige; en is eenmaal het hart daarvan gezuiverd, dan zal ook ons leven een leven des ootmoeds zijn. Maak den boom goed, dan zal ook de vrucht goed zijn; maak de bron zuiver, en de stroom zal liefelijk wezen.

6

ocr page 19

GOEDE WERKEN EN GEBROKEN SLEUTELS.

Eex voorval te Niagara.

Het geloof is noodig tot zaligheid, want de Schrift zegt ons, dat uit de werken der wet geen vleesch zal gerechtvaardigd worden. Vergun mij u een zeer eenvoudige geschiedenis te vertellen, zoodat ook de minst ontwikkelde mij verstaat. Een leeraar ging op zekeren dag uit, om te prediken. Onderweg beklom hij eon heuvel. Beneden hem lagen de dorpen rustig in al hun schoonheid, en de korenvelden verkwikten zich in den zonneschijn; maar hij keek er niet naar, want zijn aandacht werd getrokken door een vrouw, die aan haar huisdeur stond, en die, zoodra zij hem zag, met de grootste bezorgdheid op hem aankwam en zeide: „O mijnheer, hebt gij ook sleutels bij u? Ik heb den sleutel van mijn latafel gebroken, en er is het een en ander in, dat ik dadelijk moet hebben.quot; Hij zeide: „Ik heb geen sleutels.quot; Zij was zeer teleurgesteld, want zij dacht, dat iedereen sleutels bij zich had. „Maar veronderstel eens, vrouwtje,quot; zeide hij, „dat ik eenige sleutels bij mij had, dan konden zij nog wel op uw slot niet passen, en dan kondet gij toch niet de dingen bekomen, die gij noodig hebt. Doch kwel u niet al te zeer; wacht, totdat iemand anders hier langs komt. Maar, vrouwtje, hebt gij wel eens gehoord van den sleutel des hemels?quot;

ocr page 20

GOEDE WERKEN EN GEBROKEN SLEUTELS.

8

vroeg de leeraar, die zieli deze gelegenheid ten nutte wilde maken. „O ja,quot;' zeide zij, ik heb lang genoeg geleefd en ben lang genoeg naar de kerk gegaan, om te weten, dat, als wij hard werken, en in 't zweet van ons aanschijn ons brood verdienen, en onze naasten goed behandelen, en ons eerbiedig gedragen jegens allen, die boven ons gesteld zijn, en in den levensstand, waarin het God beliefde ons te plaatsen, onzen plicht doen, en onze gebeden geregeld opzenden, dat wij dan zullen zalig worden.quot; „Och vrouwtje,quot; zeide hij, „dat is een gebroken sleutel, want gij hebt de geboden geschonden, gij hebt geen uwer plichten vervuld. Het is op zich zelf wel een goede sleutel, maar gij hebt dien gebroken.quot; In gedachte, dat hij haar begreep, en eenigszins ontsteld, vraagde zij: „Wel, mijnheer! wat ontbreekt er aan?quot; „Wel,quot; zeide hij, „het allerbelangrijkste, het bloed van Jezus Christus. Weet gij niet, dat er geschreven staat, dat de sleutel des hemels aan zijn gordel hangt; dat Hij opent en niemand sluit; dat Hij sluit en niemand opent?quot; Eu om het haar nog nader te verklaren, zeide hij: „Christus, en Christus alleen, kan de hemel u openen; uw goede werken kunnen dit niet.quot; „Wat, mijnheer!quot; zeide zij, „zijn onze goede werken dan nutteloos?quot; „Neen,quot; zeide hij, „niet als zij met het geloof gemengd zijn. Indien gij slechts gelooft, bezit gij een overvloed van goede werken; maar indien gjj gelooft, zult gij er uw vertrouwen niet op zetten, want als gij er uw vertrouwen op stelt, hebt gij ze bedorven, en zijn zij niet langer goede werken. Al hebt gij ook nog zooveel goede werken, stel toch uw vertrouwen geheel en alleen op Jezus Christus; want doet gij dit niet, dan zal uw sleutel de hemelpoort nimmer openen.quot;

ocr page 21

GOEDE WERKEN EX GEBROKEX SLEUTELS.

Wij moeten dus liet ware en oprechte geloof bezitten, want wij allen liebben den ouden sleutel der werken zoodanig gebroken, dat wij er nimmer liet Paradijs mee binnengaan. Ik wenscli ronduit met u te spreken, Indien gij meent, dat gij geen zonden hebt, bedriegt gij u, en de waarheid is niet in u. Indien gij meent, dat gij door uw goede werken den hemel zult binnenkomen, verkeert gij in het grootste zelfbedrog, en zult gij in den grooten dag der dagen bevinden, dat al uw verwachtingen niets waard zijn, en dat, gelijk verdorde bladeren van de boomen in den herfst, zoo uw edelste daden worden weggeblazen, of dat zij verbranden in een vlam, waarin gij zelf voor eeuwig moet lijden. Beschouw uw goede werken uit het goede oogpunt; laat ze met het geloof vermengd zijn, maar bedenk wel, dat de weg om zalig te worden eenvoudig is te gelooven in Jezus Christus.quot;

Zonder geloof is het onmogelijk behouden te worden en Gode te behagen, omdat er zonder geloof geen vereeniging met Christus is. ïvu, vereeniging met Christus is onniisbaar tot onze zaligheid. Indien ik met mijn gebeden tot Gods troon nader, zal ik nimmer verhooring vinden, indien ik zonder Christus kom. Toen de Molossers uit den ouden tijd zekere gunst van hun koning niet konden bekomen, namen zij 's konings eenigen zoon in hun armen, en op hun knieën vallende, riepen zij: „O koning, sta, om uws zoons wil, ons verzoek toe.quot; Hij glimlachte en zeide: „Ik weiger niets aan hen, die iets vragen in den naam mijns zoons.quot; Zoo is het bij God. Hij zal niets onthouden aan hem, die tot Hem komt in den naam van Jezus Christus; maar hij, die in zijn eigen naam komt, wordt afgewezen. Vereeniging met Christus is ten slotte het groote punt in zake de zaligheid.

9

ocr page 22

GOEDE WERKEN EN GEBROKEN SLEUTELS.

10

De volgende geschiedenis diene ter opheldering dezer waarheid. De reusachtige waterval van Niagara hij is zeer gevaarlijk voor het leven der menschen geweest, wanneer door een of ander toeval iemand dien stroom werd afgevoerd. Eenige jaren geleden zaten twee mannen, een schipper en een kolenhandelaar, in een schuit; zij bemerkten, dat zij haar niet naar eisch konden besturen en be-heerschen, omdat de stroom haar zoo snel medevoerde; zij moesten onvermijdelijk naar de diepte gedreven en te pletter geworpen worden. Personen op de kust zagen hen, maar konden niet veel tot hun redding verrichten. Eindelijk gelukte het hun toch één man te redden door hem een touw toe te werpen, dat hij vatte. Op hetzelfde oogenblik kwam een blok hout den ander te hulp. De onnadenkende en ontstelde schipper greep dien balk. inplaats van het touw. Het was een noodlottige vergissing: beide mannen verkeerden in dreigend gevaar, maar de een werd naar de kust getrokken, omdat hij met het volk op het land in verbinding stond, terwijl de ander, door zich aan den balk vast te klemmen, on weerstaanbaar meegevoerd werd; men heeft nooit meer iets van hem gehoord. Is het niet een aanschouwelijke voorstelling van de waarheid, dat het geloof een ziel met Christus verbindt? Christus is op do kust en houdt, om zoo te spreken, het touw des geloofs vast, en indien wij het met de hand van ons vertrouwen vastgrijpen, trekt Hij ons aan land; maar onze goede werken, die met Christus niet verbonden zijn, voeren ons in den afgrond van eindelooze wanhoop. AI grijpt gij ze zoo vast aan, als gij kunt, met haken van staal, zij kunnen u niet het minste baten.

ocr page 23

DE DUBBELHARTIGE.

Het standbeeld van Lord Byrox.

Bileam zeide: „Ik heb gezondigd;quot; toch ging hij later op zijn zondigen weg voort. Een der zonderlingste karakters van de geheele wereld is Bileam. Ik heb mij dikwijls over dien man verwonderd: hij schijnt werkelijk geopenbaard te hebben, wat Ralph Erskine in een andere beteekenis schreef:

„Tot goed en kwaad gelijkelijk genegen, Een duivel, maar een heilige ook.quot;

Want hij scheen dit te zijn. Bij wijlen kon geen mensch hem in welsprekendheid of waarheid overtreffen, en op andere tijden vertoonde hij de laagste en verach-telijksche begeerlijkheid, welke de menschelijke natuur kan onteeren. Stel u voor, dat gij Bileam ziet; hij staat op den bergtop, en aan den voet van den berg liggen de Israëlieten; hem wordt verzocht hen te vloeken, en hij roept: „Hoe zal ik vloeken, dien God niet vloekt?quot; En als God zijn oogen opent, begint hij zelfs over de komst van Christus te spreken en zegt hij ; „Ik zal Hem zien, maar nu niet; ik zal Hem aanschouwen, maarniet nabij.quot; En dan eindigt hjj zijn rede met de woorden : „Mijn ziele sterve den dood des oprechten, en mijn einde

ocr page 24

DE DUBBELHARTIGE.

zij gelijk liet zijne!quot; En als gij dat alles hoort, zult gij van dien man zoggen, dat hij een veelbelovend karakter is. Wacht, totdat hij van den bergtop is afgekomen, en gij zult hem don meest duivelschen raad, dien zelfs de Satan kou bedenken, aan den koning van Moab hooren geven. Hij zeide tot den koning: „Gij kunt dit volk in den krijg niet overwinnen, want God is met hen; maar gij moet hen van hun God trachten af te trekken.'' En gjj weet, hoe de Moabieten door hoererij de kinderen Israëls tot ontrouw aan Jehovah zochten te verlokken, zoodat deze man op een en denzelfden tijd de stem van een engel en de ziel van een duivel scheen te hebben. Hij was een gevaarlijk karakter, een man hinkende op twee gedachten, wiens dubbelhartigheid zich dikwijls ver uitstrekte.

Ik weet, dat de Schrift zegt: „Niemand kan twee hee-ren dienen.quot; Uit is dikwijls verkeerd begrepen. Eenigen lezen dat woord aldus: „Niemand kan twee heeren dienen.quot; Ja, dat kan men wel; men kan er wel drie of vier dienen. Men moet dat woord aldus lezen : „Niemand kan twee heeren (meesters) dienen.quot; Niet beiden kunnen meesters zijn. Hij kan er wel twee dienen, maar niet beiden kunnen zij zijn meester zijn. Een man kan er twee dienen, die niet zijn meesters zijn, ja wel twintig; hij kan zijn krachten aan twintig verschillende dingen wijden, maar hij kan slechts één overheei-schend doel, niet meer, beoogen. Maar Bileam trachtte twee heeren te dienen, het was bij hem, als bij de men-schen, van welke gezegd werd : „Zij vreesden den Heere en dienden andere goden.quot; Of gelijk Rufus, die een brood van hetzelfde deeg was; want het is bekend, dat onze koning Rufus op de eene zijde van het schild God

12-

ocr page 25

DE DUBBELHARTIGE.

en o|) de andere zijde den duivel schilderde, en daaronder liet motto: „rt Is mij om liet even; die mij hebben wil, neem mij maar.quot; Dergelijke personen, „wien het om liet even ia,quot; zijn er velen. Zij ontmoeten een leeraar; en o, hoe vroom en godvreezend zijn zij dan! Des Zondags zijn zij de eerbiedwaardigste en oprechtste menschen van de wereld, die gjj u kunt voorstellen; zij gewennen zich aan iets teemends in hun spreken, en meenen, dat dit nu bij uitnemendheid godsdienstig is. Maar als gij op een dag door de week naar de grootste schelmen en bedriegers zoekt, kunt gij onder hen eenige dier mannen vinden, die zoo schijnheilig vroom zijn. Houd u intus-schen verzekerd, dat geen belijdenis van zonden oprecht kan wezen, zoo zij niet met het gansche hart geschiedt. Te zeggen: „Ik heb gezondigd,quot; en dan met zondigen voort te gaan, zal u niet baten. „Ik heb gezondigd,quot; zegt gij, eu gij zet een mooi, blij gezicht: helaas, helaas! gij zult u op nieuw aan die zonde schuldig maken.

Sommige menschen schijnen reeds dubbelhartig ter wereld te komen. Jn de bibliotheek te Cambridge zag ik een zeer schoon standbeeld van Lord Bvron. De bibliothecaris zeide tot mij: „Ga hier slaan, mijnheer!quot; Ik keek en zeide: „Welk een schoon verstandig gelaat! Welk een groot genie was hij!quot; „Kom ook eens hier aan don anderen kant staan,quot; zeide hij. „O, wat een duivel! Daar staat de man, die do Godheid kon uitdagen!quot; Hij scheen norsch van uitzicht te zijn, vreeselijk loensch was zijn blik; juist zooals Milton Satan geschilderd zou hebben, toen hij zeide: „Beter om te heerschen in de hel, dan om te dienen in den hemel.quot; Ik keerde mij af en zeide tot den bibliothecaris: „Denkt gij, dat de kunstenaar dit bedoelde?quot; „Ja,quot; zeide hij, „hij wenschte de twee karak-

13

ocr page 26

DE DUBIiELHARTIGE.

ters uit te drukken — het groote, het grootsche, het bijna bovenmenscheljjke genie, dat hij bezat, en tevens de verbazende massa zonde, die er in zijn ziel was.quot;

Dergelijke menschen zijn er. Ik durf zeggen, dat zij, gelijk Bileam, met hun bezweringen alle gronden van redeneering omverwerpen; en toch is er terzelfder tijd iets in al hun doen, dat een afschuwelijk karakter verraadt, hetwelk zich naar de zonde uitstrekt, even sterk als de lust naar de gerechtigheid, die ook een karaktertrek schijnt te zijn. Ge weet, Bileam offerde Gode offeranden op het altaar van Baiil: dat was juist de grondtrek van zijn karakter. Zoo doen velen: zij offeren Gode offers op het altaar van Mammon; en terwijl zij voor het bouwen van een kerk en voor een uitdeeling aan de armen een goede bijdrage leveren, zullen zij aan de andere deur van hun kantoor den arme zich dood laten werken voor een stukje brood, en de weduwe het bloed uitzuigen, om zichzelven te verrijken. Och, het is een ijdele klank, en zonder nut voor u, als gij zegt; „ik heb gezondigd,quot; en dit niet met uw geheele hart meent. Die belijdenis van den dubbelhartige geeft geen bate.

14

ocr page 27

EEN DRAMA IN VIJF BEDRIJVEN.

1 Cor. VII: 29—31.

Het eerste bedrijf voert op het tooneel hen, die vrouwen hebben. Het opent met een bruiloft. De bruid en de bruidegom naderen liet altaar in feesttooi. De klokken luiden; aan de deur staat een groote schare hen met blijdschap te verwelkomen en van binnen heerscht enkel vreugde. Een ander tooneel der handeling doet ons huiselijk geluk en huiselijken voorspoed, een liefhebbenden man en een gelukkige echtgenoote aanschouwen. En in het verdere der voorstelling ziet men gezonde kinderen op 's vaders knie klimmen en lispelen de kleine babbelaars den naam hunner moeder. „Dit is maar al te waar en laat zich goed verstaan,quot; zegt onze metgezel, die alles met verrukking gadeslaat; „ik ken het bij ondervinding; ik ben er ook wel meê tevreden en vraag ook niets anders. Ons t'h u i s is voor ons een hemelsch woord, en een lieele hoop gezonde en gelukkige kinderen is zulk een heerlijk bezit, als de engelen niet beter kunnen verlangen. Op deze rots wil ik al mijn hoop bouwen; iaat dit mijn deel zijn, dan geef ik ook al het zoete van het godsdienstig gevoelsleven gaarne prijs.quot; Wij fluisteren hem in het oor, dat dit alles slechts een

ocr page 28

16 EEX DRAMA IN VIJF BEDRIJVEN.

voorbijgaand tooneel is, en dat al dat aangename langzamerhand een einde zal nemen; want de tijd is kort en vrouw en kinderen zijn sterfelijk. De man belacht ons en zegt: „Dwepers en geestdrijvers mogen eeuwige vreugde zoeken, maar dat aardsch genoegen is voor mij voldoende.quot; Hij gelooft, dat, zoo iets in het heelal van blijvenden aard mag heeten, dit het geval is met ten huwelijk nemen en ten huwelijk gegeven worden, kinderen op te voeden en groot te brengen en hen allen naar genoegen gevestigd te zien. Dat hij dien zegen hoogschat, is goed, maar dat hij daarvan zijn alles maakt, is verkeerd. Zal hij zijn dwaling inzien, vóór het gordijn valt? Of zal hij de verwachtingen van zijn onsterfelijken geest blijven vestigen op voorbijgaande vreugde? Zie de met gras begroeide graven op het kerkhof en dc zerken met het opschrift: „Hier ligt hij.quot; Ach, ongelukkige, arme bedrogen wereldling, waar is uw ziel nu ? Troost het u, dat het stof van uw kroost zich zal vermengen met uw asch? Waar hebt gij nu uw tehuis? Voor welk gezin hebt gij thans te zorgen? Het eerste bedrijf is afgeloopen; schep even adem en zeg: „Ook dit is ijdelheid!quot;

Do loop van het drama ondergaat verandering, helaas, hoe spoedig! Huiselijke vreugd is geschakeld aan huiselijke smart. Z ij, die w e e n e n, staan nu in het tweede bedrijf vóór onze oogen. Do bewolkte en donkere dagen zijn gekomen. Ouders wringen hun handen: een geliefd kind is gestorven en zij volgen zijn lijk naar het graf. Xiot lang daarna lijdt de koopman een ontzaglijk verlies; hij brengt zijn hand aan zijn lijdend hoofd en hij weeklaagt, want hij weet niet, wat het einde zijner rampen zal zijn. De vrouw is door de hand des doods aan-

■

ocr page 29

EEN DRAMA IX VIJF BEDRIJVENquot;.

geraakt; of zij ligt te bed, vermagerd door krankheid en afgemat door pijnen; haar man weent bitterlijk aan haar sponde, en dan volgt weer een begrafenis en op niet verren afstand zie ik de rouwkoetsen al weder en weder. De ellende der menschenkinderen zijn veelvuldig en de bezoeken, die de smart hun brengt, zijn niet gelijk die dor engelen, weinig in getal en met groote tusschenpoozen. Onze wereldsche man, die vooral door het verlies zijner vrouw is getroffen, omdat hij daarin vooruitziet, welke smarten hem wachten, schreit, ja snikt het uit van droefheid, grijpt met hartstochtelijkheid onze hand en roept: „Voorzeker, dit is een ontzaglijke werkelijkheid; dit kunt gij geen voorbijgaande smart, geen lichte verdrukking noemen. Ik zal niet ophouden mijn handen te wringen; de wellust mijner oogen is mij ontnomen; al mijn blijdschap heb ik thans verloren, mijn geliefde, op wie ik mijn vertrouwen zoo gevestigd had, is als een blad in den herfst voor mijn oogen verwelkt; nu verkeer ik in wanhoop, en zal ik het hoofd wel nooit meer opbeuren!quot; „Ik heb mijn vermogen verloren,quot; zegt de zwaar beproefde koopman ; „het verdriet overstelpt mij; deze wereld is inderdaad een woestijn voor mij; al haar bloemen zijn verflenst;het leven is mij niets meer waard, want alles dat mij het leven dierbaar deed zijn, is mij ontnomen.quot;

Ofschoon wij innig deelnemen in het verlies van onzen vriend, zoo wagen wij het toch, hem onder 't oog te brengen, dat deze beproevingen voor den Christen niet doodelijk zijn, omdat zij zoo kort duren en zulk duurzaam heil voortbrengen. „Och!quot; zegt hij, „gij mannen des geloofs moogt op die wijze praten, maar ik kan het niet; ik zeg u, dat deze beproevingen werkelijkheid zijn.quot;' Evenals de zeeman, die in den schouwburg het tooneel

17

ocr page 30

EEN DRAMA IN VIJF BEDRIJVEN.

opsprong, om een in nood verkeerendc dame te redden, dewijl hij alles wat zij deed voor werkelijkheid hield, zoo weenen en zuchten dergelijke menschen, alsof zij altijd moeten treuren wegens het aardsche goed, dat hun is ontnomen. O, wisten zij maar, dat do diepten der smart nog nooit door een treurenden sterveling gepeild zijn! O, mogen zij ontkomen aan dien afgrond, waar onsterfelijke zielen weenen en klagen onder den last van allerlei ellende. En toch zijn de smarten des tjjds kleinigheden in vergelijking met de pijnen der eeuwigdurende straf; en wij van onze zijde achten, dat zij niet waardig zijn vergeleken te worden met de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden. Het zijn maar lichte verdrukkingen, die slechts een oogenblik duren, een bloote speldeprik voor den man des geloofs. Gelukkig is de man, wiens oogen geopend zijn om te zien, dat de erfgenamen des hemels niet treuren, gelijk zij, die geen hope hebben. Bij de geloovigen is altijd een ware vreugde aanwezig, die van hemelschen oorsprong is, en het is slechts de schaduw der droefheid, die op hen valt. Laat hier het gordijn zakken en stellen wij ons de eeuwige zaligheid voor : wat is er dan van die tijdelijke smarten overgebleven?

Maar het derde bedrijf vangt aan en vergunt ons een blik te slaan op hen, die zich verheugen. Misschien is de eerstgeboren zoon meerderjarig geworden en hebben er daarom groote feestelijkheden plaats. Er wordt gegeten en gedronken in de dienstbodenkamer en in de feestzaal; er heerscht een uitbundige vreugde, men biedt elkander gelukwetischen, en de glimlachende huisvader is zoo blijde mogelijk. — Of de dochter treedt in 't huwelijk, en bloedverwanten en vrienden spreken haar duizenden zegenwenschen toe, eu haar vader glimlacht

18

ocr page 31

EEN DRAMA lü VIJF BEDRIJVEN.

en neemt deel aan de vreugde. — Of er is in het bedrijf een groote winst behaald, er is een voordeelige koop gesloten; de fabriekszaak heeft goede baten opgeleverd, die wel langzaam maar toch zeker in de kas vloeien, en den man is de blijdschap op 't aangezicht te lezen; hij heeft een woning, een gezin, vrienden, een goeden naam, hij wordt geëerd en is in de oogen van allen, die hem kennen, gelukkig; zij, die hem niet kennen, denken, dat hij zonder zorgen is en zelfs geen verdriet kan hebben, dat zijn leven één aanhoudend feest moet zijn en dat er in zijn zon geen vlek, in zijn levensjaren geen winter kan wezen en op zijn vloed geen ebbe kan volgen. Onze vriend naast ons glimlacht bij dit zonnig schilderijtje. „Ziedaar dan,'' zegt hij, „is dat nu geen werkelijkheid? Ik kan er niets anders in zien. Wat wilt go toch racer? Mocht zulk een heerlijk lot ook mijn deel zijn, dan gun ik u de genoegens des geloofs, den hemel en de onsterfelijkheid, laat mij maar lachen en pret maken, dan kunt gij bidden, zoo veel gij wilt. Vul voor mij den beker tot den rand; zet het gebraad en de lekkernijen op de tafel, en laat raij eten en drinken, want morgen sterf ik.'

Indien wij onzen vriend beleefdelijk ouder 'toog brengen, dat dit alles gelijk een visioen in don nacht voorbijgaat, en dat wij het leerden beschouwen, alsof het er niet ware, lacht hij ons uit, en acht hij ons dwaas, terwijl hij toch zelf allerdwaast is. Wat onszei ven betreft, wel verre van ons over te geven aan al hot zoete genot, dat deze aarde ons kan geven, zien wij op al dat voorbijgaand genoegen met verachting neder.

Thans wordt het vierde bedrijf van bet drama gespeeld en zij, die koopen, vragen onze aandacht. De koopman is noch een rouwdrager noch een pretmaker;

19

ocr page 32

EEX DRAMA IX VIJF BEDRIJVEN.

20

naar de opvatting vao zekere Mammouieten geeft hij acht op liet eene noodige,— op de belangrijkste zaak, die er is. Laat hier uw oogen te gast gaan, hardvochtigen, dieniets doet, dan in de aarde wroeten. Ziet daar zijn geldzakken; hoort hoe zij op de tafel klinken! Daar liggen stapeltjes schuldbekentenissen, kantoorboeken, eigendonisbewijzen van bezittingen, hypotheken en effecten, en bewijzen van soliede geldbelegging in de gevestigde staatsschuld van zijn eigen vaderland. Hij heeft al zijn leven hard gewerkt en nog altijd drijft hij drukke zaken; en gelijk een vlijtig arbeider is hij nog steeds bezig niet zijn goudstapel grooter en liooger te maken, akker aan akker, bezitting aan bezitting te voegen, totdat hij eerlang een geheele provincie in eigendom hoopt te hebben. Hij heeft zoo pas een groot en zeer mooi huis gekocht, alwaar hij zjju overige dagen denkt door te brengen ; want hij staat op het punt stil te gaan leven r de notaris is bezig de overdracht te schrijven; de koopsom ligt reeds gereed en de geheele zaak is zoo goed als beklonken. „Zie nu eens,'' zegt onze vriend, die het blijspel beziet, „gij zult mij nu toch niet toevoegen, dat dit alles een schaduw is? Dat is niet zoo; in dit alles is iets zeer solieds^ iets dat waarheid bevat, althans iets, dat mij volkomen bevredigt.quot; Wij zeggeu tot hem, dat, al bevredigt h e m dit, onze wen-schen zich verder uitstrekken en dat niets dan het oneindige ze kunnen vervullen. Ongelukkig de mensch, die in aardsche dingen voldoening kan vinden. Het zal slechts voor een tijd zijn; want wanneer hij op zijn sterfbed komt te liggen, zal hij ervaren, dat zijn aankoopen en verkoopen armzalige stof is, om er een doodspeluw mee te vullen; hij zal bespeuren, dat al zijn winsten en inkomsten bitter weinig troost voor het lijdende

ocr page 33

EEX DRAMA IX VIJF BEDRIJVEN.

hart aanbrengen en niet den minsten vrede aan een geweten, dat gekweld is door de vrees voor den toekomenden toorn. „Och, och!quot; roept hij uit, en met een bitteren spottenden lach duwt hij ons op zjjde, omdat hij ons aileen geschikt acht voor het krankzinnigengesticht. „Laat mij maar handel drijven en geld verdienen; daar ben ik mee tevreden!quot; Helaas, arme dwaas! de vreugde des njkdoms smelt als sneeuw voor de zon; de troost, dien schatten ons aanbrengen is even onvast als de rook uit den schoorsteen.

Maar wij moeten het v ij f d e b e d r ij f niet overslaan. Ziet den rijken man, onzen vriend, dien wij onlangs in het huwelijk zagen treden, en dien wij daarna eerst in droefheid, later in vreugde en in voorspoed zagen: hij heeft een krachtigen ouderdom bereikt, heeft zich uit zijn zaken teruggetrokken en zal nu wat van de wereld gaan genieten. De wereld zegt, dat hij een wijs man geweest is en goed gehandeld heeft; want alle menschen prijzen hem, die goed voor zichzelven zorgt. Nu ontvangt hij gedurig vrienden aan zijn tafel, bij heeft een fraaien tuin, uitmuntende paarden en een aantal dienstboden; hij bezit al de geriefelijkheden, die de rijkdom kan bezorgen, en als gij zijn prachtig park en zijn oprijlaan van fraaie oude boomen beschouwt, of een dag of twee op zijn buitenverblijf vertoeft en op al de voorwerpen van weelde aldaar acht geeft, dan hoort gij uw vriend zeggen: „Dit mag dan toch terecht leven heeten, hè? Wat dunkt u er van?quot; Wanneer wij er op wijzen, dat de grijze haren van den eigenaar van al die schatten aanwijzen, dat zijn tijd kort is, en dat, indien dit alles is, wat hij bezit, hij nog een zeer arm mensch mag heeten, omdat hij het weldra zal moeten achterlaten, en dat zijn

21

ocr page 34

EEN DRAMA IN VIJF BEDRIJVEN.

leed daarover zijn dood beklagenswaardiger maakt dan dien van den doodarme, dan antwoordt onze vriend: „Ocli, och! zoo spreekt gij altijd. Ik zeg u, dat dit geen tooneelspel is. Ik houd het alles voor wezenlijkheid en werkelijkheid, en al uw praten zal mij niet doen denken, dat het schijn is en spoedig voorbij zal wezen.quot;

O wereld, gij hebt bedreven acteurs, om de menschen zoo geducht te bedriegen, of wel, de sterfelijke mensch laat zich gemakkelijk in uw net vangen, gelijk de vis-schen der zee. 't Is duidelijk voor iedereen, dat alles enkel schijn is en toch geven de menschen hun zielen voor dien schijn. Waarom, o menschenkinderen, zijt gij zoo tegen uzelven ? „Waarom weegt gij lieden geld uit, voor hetgeen geen brood is, en arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan ?quot;

22

ocr page 35

HET FEESTMAAL DES KWAADS.

De tafel der losbandige^.

Slaat eens tot uw waarschuwing het oog- op het Feestgebouw, dat Satan heeft gesticht; want evenals de quot;Wijsheid haar huis heeft gebouwd en haar zeven pilaren uitgehouwen, heeft ook de Dwaasheid haar feesttempel en haar feestkroeg, waarheen zij bestendig de onvoor-zichtigen verlokt. Slaat het oog binnen het feestgebouw en ik zal u vier tafels wijzen, benevens de gasten, die er aan zitten, en als gij naar die tafels kijkt, zult gij tevens zien, wat er opgedisclit wordt.

Aan de eerste tafel, waarop ik u verzoek de aandacht te vestigen, — doch met de dringende bede, dat gij eru nooit aan nederzet en uooit aan de drinkgelagen deelneemt — zijn de losbandigen gezeten. De tafel der losbandigen is een opgesierde tafel; zij is geheel bedekt met een vurig rood kleed, en al haar gereedschap ziet er buitengewoon blinkend en glinsterend uit. Yelen zijn er aan gezeten, maar zij weten niet, dat zij de gasten der hel zijn, en dat het feest zal uitloopen in den afgrond des verderfs. Ziet gij nu den hoofd aanlegger van het feest binnenkomen P Er speelt een lief glimlachje op zijn gelaat; hij draagt geen somber, maar een veelkleurig gewaad; honigzoete woordjes komen over zijn lippen en

ocr page 36

HET FEESTMAAL DES KWAADS.

24

iets betooverends ligt er in de tinteling van zijn oog. Hij zet den beker op tafel en zegt: „Heidaar, jongeling, drink hier eens uit! Het fonkelt in den beker. De wijn gaat recht op! Ziet gij het? Het is de wijnbeker des v e r m a a k s.quot; Dit is de eerste beker aan den feestdisch van Satan. De jongeling vat hem aan en proeft even van den drank. Hij is aanvankelijk zeer voorzichtig; hij zal slechts weinig nemen, en verder zeer matig zijn. Hij is niet voornemens aan zijn lusten toe te geven en denkt er niet aan, zich blindelings in 't verderf te storten. Op den rand van gindsche klip staat een bloem; hij wil slechts een weinig zich voorover buigen en haar plukken; maar het is volstrekt niet zijn bedoeling zich van die steilte neer te storten en zich het leven te benemen. Verre van daar! Hij acht het zeer gemakkelijk den beker weg te zetten, wanneer hij van den inhoud slechts even iets geproefd heeft. Hij heeft het plan niet, zich tot dronkenschap te verlagen. Hij-neemt slechts een klein teugje. O, hoe lekker smaakt die drank! Hoe wordt zijn bloed er door geprikkeld! Hoe dwaas was het van mij, dat ik er niet reeds vroeger van geproefd heb! denkt hij. Was er ooit een vreugde aan deze gelijk? Had ik ooit kunnen denken, dat een mensch in zulk een verrukking kon geraken, als ik nu ondervind ? Hij drinkt andermaal; maar thans neemt hij een grooter teug, en de wijn verhit zijn aderen. O, hoe gelukkig gevoelt hij zich! AVat zou hij nu niet wenschen te zeggen tot lof van Bacchus of Venus, of van iedere andere gestalte, die Beëlzebub verkiest aan te nemen! Hij wordt zelfs een lofredenaar der zonde! Zij is vriendelijk, zij is bekoorlijk! Het diep rampzalige van den wellust schijnt hem hemelsche verrukking toe. Hij drinkt.

ocr page 37

HET FEESTMAAL DES KWAADS.

drinkt andermaal, drinkt nog eens, totdat zijn hoofd begint te suizebollen door de bedwelming van zijn zondig genot. Dit is de eerste stap. Drinkt, o gij dronkaards van Efraïm, en bindt de kroon des lioogmoeds om uw hoofd, en noemt ons dwazen, om dat wij uw beker van ons stooten. Drinkt met de hoer en slurpt met de wellustige; doch al acht gij u wijs, door zoo te handelen, wij weten, dat na dat alles de ellende komt; want uw wijnstok is do wijnstok van Sodom en van de velden van Gomorrah; uw wijndruiven zijn vergiftige wijndruiven; zij hebben bittere beziën, haar wijn is vurig drakenvenijn, en een wreed adderenvergift.

Met een loensclien blik rijst de listige hoofdaanlegger van hot feest van zijn zetel op. Zijn slachtoffer heeft genoeg gehad van den bosten wijn. Hij neemt dien beker weg en zet een anderen, die niet zoo fonkelt, op tafel. Bekijkt dien drank eens; gij ziet er de pereltjes der verrukking niet op liggen : hij is geheel verschaald, dof en smakeloos: deze beker is de beker der verzadigdheid. De man heeft het vermaak volop genoten en braakt gelijk een hond, maar hij zal ook gelijk een hond tot zijn uitbraaksel wederkeeren. Bij wien is wee? Bij wien is roodheid der oogen? Bij degenen, die bij den wijn vertoeven. Ik spreek nu van den wijn zoowel in figuurlijken als in letterlijken zin. Ook de wijn van den wellust veroorzaakt dezelfde roodheid der oogen; de losbandige ontdekt eerlang, dat het voortdurend najagen van alle vermaken op verzadigdheid uitloopt. „Wat kan ik nog meer doen?quot; zegt hij. „Ik heb iedere slechtheid bedreven, die men zich voorstellen kan, en ik heb iederen beker des vermaaks geledigd. Geeft mij iets nieuws! Ik heb al de schouwburgen bezocht; ik geef geen cent voor alle

25

ocr page 38

HET FEESTMAAL DES KWAADS.

samen. Ik heb iedere soort van genot opgezocht, die ik maar bedenken kon. Het is nu alles voorbij. Al wat pleizier is, wordt zelf dof en verschaald. Wat moet ik nu beginnen?quot; Dit is des satans tweede cursus — de cursus der verzadigdheid — een bij tusschenpoozen zich vertoo-nende dofheid en slaapzucht, als gevolg der voorafgaande buitensporigheid. Duizenden drinken den sma-keloozen beker der verzadigdheid iederen dag, en iedere nieuwe uitvinding, waarmede zij den tijd kunnen dooden, iedere nieuwe ontdekking, waardoor zij aan hun ongerechtigheid den vrijen teugel kunnen vieren, is een verrassing voor hen; en indien er ergens een man mocht opstaan, die een nieuwen vorm van goddeloosheid, eenige diepere diepten in de afgronden van de allerlaagste hel der wellustigheid uitvond, zij zouden zijn lof verheften, omdat hij hun iets nieuws ter hunner prikkeling bezorgd had. Dat is de tweede cursus van den duivel. En ziet gij er hen aan deelnemen? Gij, die reeds een goeden teug uit dien beker genomen hebt, gij zijt de afgebeulde rossen van den boozen geest der ontucht, de teleurgestelde volgers van het dwaallicht des zinnelijken genots. God weet, dat, indien gij uw hart recht uitspraakt, gij zoudt moeten zeggen: „Zie, ik heb het zinnelijk genot nagejaagd, en ik bevind het geen genot te zjjn; ik heb de rondreis gedaan, en ik ben gelijk aan het blinde paard in den molen, ik moet de zonde opnieuw doen. Ik ben aan de zonde gekluisterd, maar ik kan er geen vreugd meer in vinden, gelijk ik eenmaal deed, want al haar heerlijkheid is als een verwelkende bloem en gelijk een vroegrijpe vrucht.quot;

Intusschen blijft de brasser in de vuile zee zijner bedwelming; maar een nieuw tooneel opent zich. De

26

ocr page 39

HET FEESTMAAL DES KWAADS.

27

hoofdaanlegger van het feest beveelt, dat een andere drank worde ingeschonken. Dezen keer draagt de booze geest een zwarten beker en met oogen vol helsch vuur, waaruit de boosheid der verdoemenis flikkert, biedt hij hem dien aan, en zegt; „Drink hiervan, mijnheer!quot;' en de man slurpt het op, schrikt terug en roept uit: „O God, moest het zoover met mij komen!quot; Gij moet drinken, mijnheer! Die don eersten beker inzwelgt, moet ook den tweeden en den derden ledigen. Drink, al brandt de drank u ook in de keel! Drink, al werkt hij gelijk de lava van den Etna in uw ingewanden! Drink! drinken moet gij! Hij, die zondigt, moet lijden. Die in zijn jeugd zich aan losbandigheid overgeeft, moet verrotting ontvangen in zijn beenderen en krankheid in zijn lenden. Die tegen Gods wetten opstaat, moet de gevolgen daarvan in zijn eigen lichaam in dit leven ondervinden. O, van dezen derden cursus zou ik u vreeselijke dingen kunnen vertellen. Satans woning heeft een voorkamer, gevuld met alles, wat het oog aanlokt en den zinnehjken lust betoovert; maar er is een achterkamer en niemand kent, niemand zag ooit al do afgrijselijkheden van dat vertrek. Aldaar is een geheime kamer, waaruit hij de schepselen werpt, die hij zelf ten verderve heeft gebracht, — een kamer, onder welker vloer de hel brandt, en boven welken vloer de hitte van die afschuwelijke plaats gevoeld wordt. Misschien is het meer de taak van een arts dan van mij, de ijselijke pijnen te schetsen, die sommigen als gevolg hunner ongerechtigheid moeten lijden. Ik onthoud er mij van; maar vergun mij den loszinnigen verkwister te zeggen, dat de armoede, die hij zal ondergaan, de vrucht is zijner buitensporige levenswijze; en ook dat de gewetenswroeging, die hem zal aangrijpen,

ocr page 40

HET FEESTMAAL DES KWAADS.

niet iets bijkomstigs is, dat zoo maar op eens uit de lucht kwam vallen, maar liet gevolg is zijner eigene ongerechtigheid ; want rekent er op, mannen broeders, de zonde gaat zwanger van ellende en vroeger of later moet zij vau haar verschrikkelijk kind verlost worden. Van het zaad, dat wij zaaien, halen wij ook den oogst binnen. Als wet van het huis der hel geldt: „eerst de goede wijn, en later do slechtere.quot;'

De laatste cursus moet nog worden besproken. Gij sterke mannen, die met de waarschuwing spot, welke ik zoo gaarne met de stem eens broeders en met een hart vol liefde, al zij het dan ook in scherpe taal, tot u wensch te richten, komt hier en drinkt uit dezen laatston beker. De zondaar hoeft zich eindelijk ten grave gebracht. Zijn verwachtingen en zijn vreugd waren als goud, dat in een zak vol gaten gedaan werd: zij zijn alle verdwenen, verdwenen vooi eeuwig, en nu is hij aan het einde gekomen; zijn zonden verschrikken hem, zijn overtredingen ontstellen hem; hij is als een stier in een net gevangen, en hoe zal hij er uit komen? Hij sterft en gaat uit de krankte over inde verdoemenis. Zal de taal des stervelings u de afgrijselijkheden trachten te schetsen van dien laatsten ontzettendeu beker, waaruit de verkwister moet drinken, moet drinken voor eeuwig? Slaat er het oog op: gjj kunt er den bodem niet van zien, maar werpt een blik op zijn ziedende oppervlakte. Ik verneem het geraas van een her- en derwaarts dringende volksmenigte, het is mij, of ik tandengeknars en het weeklagen van wanhopige zielen hoor. Ik kijk in dien beker en ik hoor een stem, die uit zijn bodem oprijst: „Dezen zullen gaan in de eeuwige pijn,quot; want „Tophet is van gisteren bereid, het vuur en het hout zijns brandstapels is veel; de adem des Heeren zal hem

28

ocr page 41

HET FEESTMAAL DES KWAADS.

29

aansteken als een zwavelstroom.quot; En wat zegt gij van dezen laatsten cursus van Satan ? „Wie onder ons zal bij het verterend vuur wonen ?quot; Losbandigen, ik smeek u, in den naam Gods, verlaat ijlings dezen discli! O, zit niet zoo onbezorgd voor uw bekers; slaapt niet door, gerust wegens den vrede, dien gij thans geniet. Mensch! de dood staat aan de deur, en een snel verderf volgt hem op de hielen! Wat u betreft, die door een zorg-dragenden vader en door de waakzaamheid eener bekommerde moeder vooralsnog zijt terug gehouden, ik smeek u, vermijdt het huis der zonde en dor dwaasheid. Laat de woorden van den wijze in uw hart geschreven zijn en gedenkt er aan in de ure der verzoeking: „Maak uw weg verre van haar; en nader niet tot de deur van haar huis: want de lippen der vreemde vrouw druppen honigzeem, en haar gehemelte is gladder dan olie, maar 't laatste van haar is bitter als alsem, scherp als een tweesnijdend zwaard. Haar voeten dalen naar den dood; haar treden houden de hel vast.quot;

ocr page 42

HET FEESTMAAL DES KWAADS.

De eigengerechtige gasten.

Ziet gij die andere tafel daar ginds in liet midden van 't paleis? Acli, gij geruste zielen! Velen uwer hadden gedacht, dat gij nooit naar het feest der hol zoudt gaan, maar ziet, ook voor u is daar een disch; geheel meteen mooi wit laken en met het reinste en bevalligste gereed-schap voorzien. De wijn ziet er niet uit als de wijn van Gomorrah; hij gaat rechtop, gelijk de wijn uit de druiven van Eskol; hij schijnt niets bedwelmends te bevatten en is gelijk aan den wijn uit den ouden tijd. die men uit de trossen in den beker perste en die geen doodolijk vergif bevatte. Ziet gij de mannen, die aim deze tafel zitten!'1 Hoe met zichzelven ingenomen zien zij er uit! Als gij aan de duivelen, die in de gedaante van engelen hen bedienen, vraagt, wie het zijn, zullen zij u zeggen: „Dit is do tafel der eigengorechtigen: hier zit do Earizeër, Gij kunt hem kennen: hij heeftzi'n gedenkcedel tusschon zijn oogen; de zoom van zijn kleed is van buitengewone breedte; van de beste belijders is hij een der beste.quot; „Och!quot; zegt Satan, terwijl hij het gordijn optrekt, on de tafel afsluit, waar de losbandigon aan 'tzwelgen zijn; „houdt u bedaard; maakt nietzoo'n leven, opdat die schijnheiligen niet vermoeden, in welk gezel-

ocr page 43

HET FEESTMAAL DES KWAADS.

schap zij zich bevinden. Deze eigengerechtige menschen zijn even goed mijn gasten als gij, en ik heb hen even goed in mijn macht als u. En nu brengt Satan, als een engel des lichts, een vergulden beker, die er als de kelk van den avondmaalsdisch uitziet, op tafel. En wat voor wijn is daarin? Het schijnt precies dezelfde wijn te zijn als die van het avondmaal der Roomschen. Die wijn heet de wijn der zelfvoldoening, en rondom den rand kunt gij de blaasjes van den hoogmoed zien. Kijkt naar het schuim, dat boven in den bokaal opkomt: „O God, ik dank U, dat ik niet ben gelijk andere menschen, roevers, onrechtvaardigen, overspelers, of ook gelijk deze tollenaar.quot; Gij kent dien beker, mijn lezers, die u zeiven misleidt. O, mocht gij ook het doodelijke vergif kennen, dat er in zit! „Zondigen gelijk de andere menschen? Dat doet gij niet; volstrekt niet! Gij onderwerpt u niet aan de gerechtigheid van Christus; wat ontbreekt u? Gij zijt evengoed als uw naasten; indien gij niet zalig wordt, zoo wordt u onrecht aangedaan, meent gij. Betaalt gij niet iedereen, wat gij schuldig zijt? Hebt gij ooit in uw leven iemand iets ontstolen ? Gij behandelt uw naasten goed; gij zjjt even goed als andere menschen.quot;

Dat is de eerste beker, dien de duivel geeft, en wanneer de dampen van dezen goede wijn uw hart binnendringen en hot met een vervloekte trotschheid opblazen, ontvangt gij een hoogen dunk van uzelven. Ja, ik zie u in de zoo zindelijke en net gemeubeleerde kamer zitten, terwijl uw bewonderaars in grooten getale rondom do tafel staan, — en onder hen zelfs velen van Gods kinderen, die zeggen: „O ware ik half zoo vroom als hij!quot; Intusschen bezorgt juist de nederigheid der rechtvaardigen u voedsel voor uw hoogmoed. Wacht nog een wijle, gij

31

ocr page 44

HET FEESTMAAL DES KWAADS.

huichelaar, die op zoo zalvende wijze spreken kunt; wacht een weinig, want er volgt nog iets anders op. Satan ziet ditmaal met dezelfde voldoening op zijn gasten neer, als hij op den troep zwelgers nederzag. „O!quot; zegt hij, „die vroohjke snaken bedroog ik met den beker des vermaaks — later gaf ik hun don smakeloozeu beker der verzadigdheid, — en u heb ik ook verleid; gij denkt, dat bij u alles in orde is, maar ik heb u tweemalen bedrogen, ia ik heb u werkelijk bedot.quot; Eu nu brengt hij een beker op tafel, dien hij zelf soms ongaarne toereikt. Hij draagt den naam van beker der ontevredenheid en des zielsangstes, en velen moeten dien na al hun zelfvoldaanheid uitdrinken. Gij, die in uw eigen schatting zoo vroom zijt, maar van Christus niet weten wilt, bevindt gij niet, wanneer gij in de eenzaamheid neerzit en uw rekeningen voor de eeuwigiieid overziet, dat die rekeningen niet goed sluiten — dat gij de balans ten slotte toch niet zoo precies naar uw kant kunt doen overslaan, als gij wel gedacht hadt? Hebt gij het niet soms ondervonden, dat, als gij meendet op een rots te staan, de grond onder uw voeten begon te waggelen? Gij hoordet den Christen vrijmoedig zingen ;

„Wie zal zich in den dag der dagen Vermeten om mij aan te klagen?

Ik vrees alsdan geen onderzoek.

Wijl ik in U geborgen ben.

Mij in üw bloed gewasschen ken. En vrijgesproken van den vloek.quot;

En gij hebt gezegd: „Wel, dat kan ik niet meezingen. Ik ben zoo godsdienstig geweest als de beste; mijn geheele leven lang werd mijn plaats in de kerk niet ledig ge-

32

ocr page 45

HET FEESTMAAL DES KWAADS.

vonden, maar ik kan niet zeggen, dat ik een vast vertrouwen op de zaligheid heb.quot; Uw zelfvoldoening vervulde u eens met hoop; maar nu gij den tweeden beker gedronken hebt, zijt gij niet zoo heel gerust meer. „Wel,quot; zegt een ander, „ik heb mijn kerk getrouw bezocht, en ik ben gedoopt, en ik heb belijdenis afgelegd, maar ik leerde nooit in waarheid en oprechtheid den Heere kennen; er was een tijd, dat ik dacht, dat het goed met mij gesteld was, maar mij ontbreekt iets, en ik weet niet wat.quot; :sTu begint het hart te beven. Op zijn eigengerechtigheid te steunen, is nu bij lange niet zoo aangenaam, als men eerst dacht. iSki, dat is de uitwerking van den tweeden beker.

Wacht nog wat, en de duivel zal, misschien in uw leven, maar anders zekerlijk in de ure uws doods, deu derden beker, „dien der ontzetting b ij de ontdekking van uw verloren t o e s t a n d,quot; u toereiken. Hoe menig mensch, die zijn geheele leven lang rechtvaardig was in eigen oog, ontdekte ten laatste, dat alles, waarop hij zijn vertrouwen gesteld had, hem ontviel ! Ik heb eens liooren vertellen van een leger, dat, na in den strijd verslagen te zijn, op een goeden aftocht bedacht was. Met inspanning van al hun krachten vluchtten de soldaten naar een rivier, waar zij een brug hoopten te vinden, over welke zij konden trekken, om behouden te zijn. Doch toen zij bij de rivier kwamen, werd de ontzettende kreet vernomen: ..De brug is afgebroken, de brug is afgebroken Iquot; Maar er werd naar dien kreet niet geluisterd: de menigte, die in allerijl het laatst aankwam, drong de vluchtelingen vóór hen met kracht voort, en dreef hen de rivier in, zoodat de stroom opgevuld werd met de lijken der verdronken manschappen.

ocr page 46

HET FEESTMAAL DES KWAADS.

Dat moet het lot zijn der rechtvaardigen in eigen oog. Gij dacht, dat er een brug van uiterlijke plechtigheden was: dat doop, belijdenis en 's Heeren Avondmaal do stevige bogen waren van een brug van goede werken en plichten. Maar als gij sterft, zal de kreet gehoord worden; „Do brug is gebroken, de brug is gebroken!quot; Tevergeefs zult gij dan trachten terug te koeren. De dood zit u op de hielen; hij dringt u voort; en gij ondervindt, wat het is te moeten omkomen, omdat gij op de groote zaligheid geen acht hebt gegeven en door uw eigen goede werken getracht hebt uzelven te behouden.

Dit is op één na de laatste beker- de allerlaatste, de slechtste wijn, uw deel voor eeuwig moet hetzelfde zijn als dat van den loszinnige. Hoe goed gij uzelven ook achttet, gij moet, omdat gij Christus trotschelijk verwicrpt, den beker van den wijn des toorns Gods drinken, den beker, die vol grimmigheid is. De goddeloozen der aarde moeten dien beker tot op don droesem toe ledigen, en ook gij moet dit evenzeer doen als zij. O, bekeert u bijtijds ! Legt uw hooge gedachten van u, en vernedert u onder Gods krachtige hand. Gelooft in den Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden.

34

ocr page 47

HET FEESTMAAL DES KWAADS.

De wereldwijzen.

Thans zijt gij er nog goed afgekomen; maar er is een derde tafel, met een menigte van de achtenswaardigste gasten bezet. Ik geloof, dat aan deze tafel meer vorsten en koningen, ministers en burgemeesters en groote kooplieden gezeten hebben, dan aan eenige andere. Zij heet de tafel der wereldwijsheid. „Hm hm!quot; zegt een man, „ik houd niet van de losbandigen. Ik wijs u op mijn oudsten zoon. Ik heb mijn leven lang hard gewerkt, om geld op te sparen, en zie nu eens dien jongen snaak, hij wil zich niet met zaken bezighouden: hij is een eerste doorbrenger geworden. Ik ben blij, dat de 'eeraar dat punt zoo scherp besprak! Wat mij betreft — ziedaar! ik geef geen cent om die menschen, die ge rechtvaardigen in eigen oog noemt; zij zijn bij mij niet in tel; ik geef ook niet het minst om iets, dat godsdienst heet; wat ik gaarne weet, is, of de fondsen rijzen of dalen, en of er gelegenheid is om een goeden koop te sluiten; maar dit is dan ook alles, waarin ik belang stel.quot; Ach, wereldling, ik heb gelezen van een vriend van u, die gekleed was in scharlaken en fijn linnen en

ocr page 48

HET FEESTMAAL DES KWAADS.

iederen dag in overdaad leefde. Weet ge, wat vau hem geworden is? Gij moet het goed onthouden, want hetzelfde einde wacht u. Het einde van zijn feest moet het einde van uw feest zijn. Indien deze wereld uw god is, reken er dan op te zullen ervaren, dat uw weg vol bitterheid zal zijn. Nu, zie die tafel van den wereldschen mensch, vau den zuiveren wereldling, die enkel naar winstbejag vraagt. Satan reikt hem een vollen beker over. „Ziedaar, jonkmanquot;, zegt hij, „als gij zaken doet, behoeft gij u niet om de aangenomen regelen der eerlijkheid te bekommeren, noch omtrent de gebruikelijke ouder-wetsche grillen van den godsdienst;, zie zoo snel mogelijk rijk te worden. Zie geld te krijgen; zie geld te krijgen langs eerlijken weg, als gjj kunt, maar kunt gij dat niet, dan op iedere andere wijs,quot; zegt de duivel en hij zet zijn wijnkan neer. „Hier is een schuimende drank voor u,quot; zoo vervolgt hij. „Ja, nu is overvloed mijn deel,quot; zegt de jongeling. „Mijn verwachtingen zijn inderdaad verwezenlijkt.quot; Hier ziet gij dus den eersten en besten wijn van het feest des wereldiings, en velen uwer verkeeren in de verzoeking dezen man te benijden. „O had ik in mijn zaken zulk een vooruitzicht!quot; zegt iemand. „Ik ben niet half zoo geslepen als hij; ik zou niet kunnen handelen, gelijk hij doet; dat zou mijn godsdienst mij niet toelaten. Maar iioe snel wordt hij rijk! O viel mij ook zulk een voorspoed ten deel als hem!quot;

Kom, mijn broeder, vel geen oordeel vóór den tijd, een tweede proef is optil: de troebele en walgelijke drank der zorg en dos angstes. Ue man heeft zijn geld bekomen; maar zij, die rijk willen worden, vallen in de verzoeking en in den strik. Langs slinkschen weg verkregen of tot een verkeerd doel gebruikte of opgehoopte

3ö

ocr page 49

HET FEESTMAAL DES KWAADS.

schatten brengen een kanker met zich, die niet het goud en zilver, maar 's menschen hart verkankert; en een verkankerd hart is een der ijselijkste dingen, die een mensch kan hebben. Ach, sla dien liefhebber van 't geld eens gade en let eens op de zorg, die zijn hart bezwaart Dicht bij de poort van zijn verblijf woont een arme oude vrouw. Zij heeft slechts een beetje inkomen in de week, maar zij zegt: „Den Heere zij dank, ik heb genoeg!'' Nooit vraagt zij, hoe zij door het leven zal komen, of hoe zij eens zal kunnen sterven, of hoe zij zal begraven worden, maar zacht slaapt zij op de peluw der tevredenheid en des geloofs; en zie daartegenover, hoe die arme dwaas met zijn onnoemeljjke schatten, zich ongelukkig gevoelt, omdat hij onder het wandelen toevallig een kwartje heeft verloren, of omdat men een buitengewoon beroep op zijn liefdadigheid gedaan heeft, waaraan hij wegens de tegenwoordigheid van een vriend gehoor moest geven; of mogelijk ook zucht hij diep, omdat zijn jas te spoedig versleten is.

Hierna komt de gierigheid. Yelen hebben uit dien beker moeten drinken: moge God ons voor zijn gloeiende droppelen bewaren ! Een groot Amerikaansch prediker heeft gezegd: „Hebzucht is de moeder der ellende. Het zien van huizen beter dan de onze, van kleeding die onze middelen te boven gaan, van juweelen kostbaarder dan wij kunnen dragen, van deftige equipage en buitengewone zeldzaamheden, die buiten ons bereik zijn, — dit alles doet het addergebroedsel van begeerige gedachten te voorschijn komen, doordien het den arme kwelt, die gaarne rijk zou zijn, en den rijke pijnigt, die nog rjjker wenscht te wezen. De begeerige mensch kwijnt, als hij vermaak ziet, is droefgeestig in tegenwoordigheid

37

ocr page 50

HET FEESTMAAL DES KWAADS.

van blijmoodigen, en do vreugde der aarde is zijn smart, omdat al liet geluk van anderen niet het zijne is.quot; Het verwondert mij niet, dat God liem verafscliuwt. Hij onderzoekt zijn hart zoo nauwkeurig, alsof het een verzameling bevatte van roofvogels, of een nest van ratelslangen, en een walg krijgt van die schuifelende dieren. Voor den hebzuchtige is het leven een nachtmerrie en God laat hem zoo goed hij kan er mee worstelen. Het geheele paleis weerklinkt van wereldsch genot en hoe ook al zijn tooi moge bevallen, het zijn vermaken in een grafkelder en kransen op een grafzerk.quot; Wanneer een mensch gierig wordt, rekent hij alles wat hij heeft voor niets. „Nog meer, nog meer, nog meer!'' zegt hij, evenals ongelukkigen, die, door een felle koorts aangetast, roepen: „Drinken, drinken, drinken!quot; en gij geeft hun te drinken, maar het drinken vermeerdert bij hen den dorst. Evenals de bloedzuiger roepen zij: „Geef, geef!quot; De gierigheid is een verslindende razernij, die de wereld in haar macht zoekt te krijgen, en toch den overvloed veracht, welken zjj reeds bezit. Dit is een vloek, waaraan menigeen is gestorven; eenigen zijn gestorven met den zak vol goud in de hand, en met het merkteeken der ellende op hun voorhoofd, omdat zij het goud niet mede konden nemen in hun doodkist en niet over konden dragen in een andere wereld.

Daarna volgt een andere proef. Baxter en andere vreeselijke predikers van vroeger dagen waren gewoon den vrek, en den man, die alleen leefde om geld bijeen te schrapen, voor te stellen als zijnde midden in do hel, waar Mammon gesmolten goud in hun keel goot. „Zie daar,quot; zeiden de spottende duivelen, „dat hebt gij zoozeer begeerd; nu hebt gij uw zin; drink, drink!quot; en

38

ocr page 51

HET FEESTMAAL DES KWAADS.

liet gesmolten goud vloeide naar binnen. Ik zal mij echter met zulk een verschrikkelijke voorstelling niet inlaten; maar zooveel weet ik wel, dat hij, die op aarde voor zichzelven leeft, ten verderve moet gaan. Hij, die zijn hart zet op de vergankelijke dingen dezer aarde, heeft niet diep gegraven — hij heeft zjjn huis op het zand gebouwd; en als de slagregens nedervallen en de waterstroomen komen, zal zijn huis instorten en moet de val ervan groot zijn. Maar ook hier ziet ge eerst den besten wijn, namelijk den achtenswaardigen man, geëerd en geacht door iedereen; en later den slechtsten wijn: namelijk wanneer gemeenheid hem tot den bedelstaf gebracht en de hebzucht hem het verstand benomen heeft. En zoo gaat het met ieder, die zich aan wereldzin overgeeft.

De vierde tafel staat in een zeer afgezonderd hoekje, in een afgesloten deel van Satan's paleis. Aldaar is een tafel gezet voor geheime zondaar s, en wordt naar den ouden regel te werk gegaan. Aan die tafel, in een zeer duister vertrek, zie ik een man zitten, en Satan, die hem bedient, stapt zoo zachtkens binnen, dat niemand hem kan hooren. Hij reikt den eersten beker over — o, hoe zoet is die wijn! Het is de beker der geheime zonde. „De gestolen wateren zijn zoet, en het verborgen brood is liefelijk.quot; Hoe heerlijk smaakt die bete, die men zoo geheel alleen eet! Kwam er ooit iets over zijn tong, dat zoo lekker was ? Dat is de eerste beker; na dezen wordt een beker met anderen wijn binnen gebracht — den wijn van een ontrust geweten, 's Mans oogen zijn geopend. Hij zegt: „Wat heb ik gedaan? Wat ben ik begonnen ? Ach!quot; roept deze Achan, „in den eersten beker, dien gij mij bracht, zag ik dien gouden gesp en

39

ocr page 52

HET FEESTMAAL DES KWAADS.

van blijmoedigen, eu de vreugde der aarde is zijn smart, omdat al het geluk van anderen niet het zijne is.quot; Het verwondert mij niet, dat God hem verafschuwt. Hij onderzoekt zijn hart zoo nauwkeurig, alsof het een verzameling bevatte van roofvogels, of een nest van ratelslangen, en een walg krijgt van die schuifelende dieren. Voor den hebzuchtige is het leven een nachtmerrie en God laat hem zoo goed hij kan er mee worstelen. Het geheele paleis weerklinkt van wereldsch genot en hoe ook al zijn tooi moge bevallen, het zijn vermaken in een grafkelder en kransen op een grafzerk.quot; Wanneer een mcnsch gierig wordt, rekent hij alles wat hij heeft voor niets. „Nog meer, nog meer, nog meer!'' zegt hij, evenals ongelukkigen, die, door een felle koorts aangetast, roepen: „Drinken, drinken, drinken!quot; en gij geeft hun te drinken, maar hot drinken vermeerdert bij hen den dorst. Evenals de bloedzuiger roepen zij : „Geef, geef!quot; De gierigheid is een verslindende razernij, die de wereld in haar macht zoekt te krijgen, en toch den overvloed veracht, welken zij reeds bezit. Dit is een vloek, waaraan menigeen is gestorven; eenigen zijn gestorven met den zak vol goud in de hand, en met het merkteeken der ellende op hun voorhoofd, omdat zij het goud niet mede konden nemen in hun doodkist en niet over konden dragen in een andare wereld.

Daarna volgt een andere proef. Baxter en andere vreesehjke predikers van vroeger dagen waren gewoon den vrek, en den man, die alleen leefde om geld bijeen te schrapen, voor te stellen als zijnde midden in de hel, waar Mammon gesmolten goud in hun keel goot. „Zie daar,quot; zeiden de spottende duivelen, „dat hebt gij zoozeer begeerd; nu hebt gjj uw zin; drink, drink!quot; en

38

ocr page 53

HET FEESTMAAL DES KWAADS.

het gesmolten goud vloeide naar binnen. Ik zal mij echter met zulk een verschrikkelijke voorstelling niet inlaten; maar zooveel weet ik wel, dat hij, die op aarde voor zichzelven leeft, ten verderve moet gaan. Hij, die zijn hart zet op de vergankelijke dingen dezer aarde, heeft niet diep gegraven — hij heeft zijn huis op het zand gebouwd; en als de slagregens nedervallen en de waterstroomen komen, zal zijn huis instorten en moet de val ervan groot zijn. Maar ook hier ziet ge eerst den besten wijn, namelijk den achtenswaardige!! man, geëerd en geacht door iedereen; en later den slechtsten wijn: namelijk wanneer gemeenheid hem tot den bedelstaf gebracht en de hebzucht hem het verstand benomen heeft. En zoo gaat het met ieder, die zich aan wereldzin overgeeft.

De vierde tafel staat in een zeer afgezonderd hoekje, in een afgesloten deel van Satan's paleis. Aldaar is een tafel gezet voor geheime zondaars, en wordt naar den ouden regel te werk gegaan. Aan die tafel, in een zeer duister vertrek, zie ik een man zitten, en Satan, die hem bedient, stapt zoo zachtkens binnen, dat niemand hem kan hooren. Hij reikt den eersten beker over — o, hoe zoet is die wijn! Het is de beker der geheime zonde. „De gestolen wateren zijn zoet, en het verborgen brood is liefelijk.quot; Hoe heerlijk smaakt die bete, die men zoo geheel alleen eet! Kwam er ooit iets over zijn tong, dat zoo lekker was? Dat is de eerste beker; na dezen wordt een beker met anderen wijn binnen gebracht — den wijn van een ontrust geweten, 's Mans oogen zijn geopend. Hij zegt: „Wat heb ik gedaan? Wat ben ik begonnen? Ach!quot; roept deze Achan, „in den eersten beker, dien gij mij bracht, zag ik dien gouden gesp en

39

ocr page 54

HET FEESTMAAL DES KWAADS.

dat prachtige Babylonisch overkleed schitteren, en ik dacht: „O, dat moet ik hebben;quot; maar thans denk ik: „Hoe zal ik het kunnen verbergen? Waar zal ik het verstoppen? Ik moet graven. Ja, ik moet zoo diep als de hel graven, vóór ik het kan verbergen; want het zal zekerlijk ontdekt worden.quot;

De norsche gastheer brengt een zware bokaal, gevuld met een zwart mengsel, binnen. De geheime zondaar drinkt, en geraakt in de war; hij vreest dat zijn zonde hem zal vinden. Hy heeft geen vrede, geen geluk; hij is vol angst; hij vreest ontdekt te worden. Des nachts droomt hij, dat iemand hem achternazit; een stem fluistert hem in het oor: „Ik weet er alles van; ik zal het verklappen.quot; Hij denkt, dat de zonde, die hij in 't geheim begaan heeft, misschien ter kennis van zijn vrienden zal komen; zijn vader zal ze vernemen; zijn moeder zal er van hooren. Zelfs de dokter zal het ellendige geheim overbrengen. Zulk een mensch heeft geen rust. Hij verkeert steeds in vrees voor gevangenneming. Hij is gelijk aan den schuldenaar, van wien ik gelezen heb. Die man was een groote som gelds schuldig, en vreesde dat de gerechtsdienaars hem op de hielen zaten, en toen nu op zekeren dag de slip van zijn jas aan de punt van een paal vastraakte, zeide hij: „Och, laat mij los; ik moet gauw maken, dat ik t'huis kom; ik zal u morgen betalen.quot; Hij verbeeldde zich namelijk, dat iemand hem had gevat. Zoodanig is de toestand van den man, die zich in 't geheim aan oneerlijkheid en zonden schuldig maakt. De vrees voor ontdekking maakt, dat hij geen rust heeft voor het hol van zijn voet. Eindelijk heeft de ontdekking plaats : dat is de laatste beker. Dikwijls geschiedt dit reeds op aarde; want wees

40

ocr page 55

HET FEESTMAAL DES KWAADS.

er van verzekerd, dat uw zonde u zal vinden en in 't algemeen u reeds in dit leven zal vinden. Welke vree-selijke dingen worden er in onze gerechtshoven aan 't licht gebracht door mannen, die dien laatsten zwarten drank der ontdekking moesten drinken.

De man, die godsdienstige vergaderingen leidde, de man, die als een heilige geëerd werd, wordt eindelijk ontmaskerd. En wat zegt nu de rechter, en wat zegt de wereld van hem? Iedereen noemt hem een schandvlek, iedereen jouwt hem uit en laakt hem. Maar veronderstel eens, dat hij listig genoeg ware om zoo te leven, dat hij niet ontdekt werd — hetgeen ik bjjna onmogelijk acht—-welk een ontzettenden beker moet hij dan drinken, wanneer hij ten slotte vóór Gods rechterstoel staat. „Breng hem voor, cipier! Gevreesde bewaarder van den helschen kerker, breng den gevangene voor.'' Hij komt! De ge-heele wereld is bijeen. „Sta op! Zijt gij niet opgetreden als belijder der ware religie? Hield niet ieder u voor een geloovige?quot; Hij verstomt. Maar velen onder die groote menigte, die er omheen staat, roepen: „Wij hielden hem daarvoor.'' Het boek is geopend; zijn werken worden voorgelezen; de eene overtreding na de andere wordt geheel blootgelegd. Hoort gij dat gesis? De rechtvaardigen zijn verontwaardigd geworden en verheffen hun stem tegen den man, die hen bedroog en als een wolf in schaapskleeren onder hen verkeerde.

O, hoe ontzettend moet het toch zijn, de bespotting van liet heelal te verduren! De godvruchtigen kunnen den spot der goddeloozen wel dragen, maar geheel iets anders zal het zijn de schande en eeuwigdurende verachting te oudergaan, die volgens een rechtmatige verontwaardiging de goddeloozen over zich zullen gebracht zien.

41

ocr page 56

HET FEESTMAAL DES KWAADS.

42

ITet zal voor dezen een der vreeselijkste dingen zijn, en het naast grenzen aan het eindeloos verduren van des Aller-hoogsten toorn, hetwelk — behoef ik dit er nog bij te voegen? — de laatste beker van het verschrikkelijke feest des duivels is, de beker, waaruit de geheime zondaar eeuwig en altoos zal moeten drinken.

ocr page 57

DOOK HET VUUR GAAN.

Ik zie aan alle zijden de onserechtighoid woeden. Haar vlammen worden door lederen toongevenden wind aangewakkerd en bij voortduring komen versche slaclit-offers in haar macht. Zij verspreidt zich onder alle rangen der maatschappij. Paleis noch hut is veilig. Veilig zijn zoo min de zware gebouwen, die voor den koophandel zijn opgericht, als do bevallige kerkjes, die tot bedehuis dienen. De ongerechtigheid, welker besmetting te vreezen is als vuur, verspreidt zich onder en aast op alles wat bevallig en lieftallig is; het nuttige en het heilige zijn niet buitengesloten. Wij moeten door het vuur heenwandelen. Wij, die Clods getuigen zijn, moeten midden in het vuur staan, om de stroomen van levend water op de brandende stoften te werpen, en kunnen wij den brand niet blusschen, wij moeten ten minste trachten zijn uitbreiding te beletten.

Ik zie voor 't oog mijns geestes de zwart geworden geraamten van honderden schoone belijdenissen. In liet dal der verzoeking zijn groote menigten omgekomen, die naar aller oordeel op weg waren naar den hemel en naar het uitwendige heel wat vertooning maakten. Hoe velen zijn ook onder de aanvallen van Satan bezweken ! Dit is een vuur, dat wel degelijk brandt. Menigeen heeft gezegd; „Ik wil een pelgrim zijn,quot; maar hij heeft Apollyon

ocr page 58

DOOR HET VUUR GA IN'.

onderweg ontmoet en is teruggekeerd. Menigeen heeft liet harnas aangetrokken, maar den strijd spoedig opgegeven; zijn hand aan den ploeg geslagen en achterom gezien. Er zijn meer zoutpilaren dan één. Indien Lots vrouw als waarschuwend voorbeeld op zichzelve stond, het ware genoeg, maar tienduizenden zijn er geweest, die geljjk zij naar Sodoms vlakten hebben teruggezien, en gelijk zij, voor eeuwig gebleven zijn wat zij waren in hun geest — verloren zielen. Wij moeten op onze gevaren niet met minachting nederzien; het zijn gevaren, het zijn beproevingen. Wij behooren onze verzoekingen te beschouwen als een vernielenden brand. Indien gij ze daar niet voor houdt, vergist gij u. Treedt gij ze dus ia uw eigen kracht te gemoet, zeggende: „O, ik kan ze wel verdragen,quot; dan zmt gij bevinden, dat zij werkelijk vuur zijn, hetwelk met gespleten tongen uw bloed zal oplekken, en het in een oogenblik verteren, indien gij met geen andere dan uw eigen eindige kracht er tegen waakt.

„Als gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken.quot; Dr. Alexander, een uitstekend en voortreffelijk Amerikaansch bijbelverklaarder, zegt, dat er in de vertaling een vergissing schijnt te zijn, omdat hij die twee zinnen voor een dalende klimax houdt. Eerst: „Gij zult niet verbranden,quot; en daarna : „En de vlam zal u niet aansteken.'' Het komt mij echter voor, dat wij in het tweede lid een stijgenden klimax hebben. „Gij zult niet verbranden,'' zóó, dat gij uw leven verliest, gij zult zelfs niet zoo geschroeid of verzengd worden, dat ge de meest oppervlakkige beleediging ondergaat, want de vlam zal u niet eens aansteken. Juist gelijk gezegd werd, toen de drie geloovige jongelingen

44

ocr page 59

DOOR HET VUUR GAAN.

uit den vurigen oven kwamen: „Het vuur had over huu lichamen niet geleerscht; en het haar huns hoofds was niet verbrand; hun mantels waren niet verbrand, ja de reuk des vuurs was niet daardoor gegaan.quot; De tekst schijnt mij dus toe, te leeren, dat de Christelijke Kerk onder al haar beproevingen niet verteerd is, ja, wat meer is, niet het minste door haar lijden verloren heeft. De Kerk des Heeren is nog nooit door haar vervolgers en door haar beproevingen uitgeroeid. Zij dachten haar te vernietigen, maar zij leeft nog. Zij hadden zich verbeeld, haar het leven te hebben ontnomen, maar krachtiger dan tevoren sprong zij op.

Ik vermoed, dat er geen volk is, waaruit Christus' Kerk ooit geheel en al is verdreven. Zelfs Spanje, dat eindelijk door de langdurigste barbaarschheden haar scheen uitgeroeid te hebben, heeft nog een klein getal geloovigen, die een doorn is in de zijde van Spanje's overdreven godsdienstijver, en wat onze eigen kerkelijke gemeenschap betreft, in liet zelfde land, waar men dacht, dat door de verschrikkelijkste menschenslachterij de sekte der Anabaptisten volkomen was uitgeroeid, werd de heer Oncken het middel, om haar te doen herleven, zoodat wij door geheel Duitschland, en in gedeelten van Denemarken, Pruisen, Polen en zelfs van Rusland tot een nieuwe krachtige, ja wonderbare herleving zijn gekomen. En in Zweden, waar, onder een Luthersche regeering, de meest vervolgzieke besluiten tegen ons waren uitgevaardigd, zagen wij tot onze verbazing plotseling gemeenten verrijzen ; want de waarheid bevat in zich ecu levend zaad, dat niet kan worden uitgerooid.

Doch de Kerk verliest niet slechts haar bestaan niet, zij verliest in 't geheel niets. De Kerk is nooit in haar

45

ocr page 60

DOOR HET VUUR GAAN.

aantal leden verminderd. Vervolgingen hebben haar gezift en het kaf doen wegstuiven, maar niet één tarwekorrel is van den graanhoop weggenomen. Neen, zelfs in zichtbaar ledental is de Kerk niet door vervolging verminderd. Zij is gelijk aan Israël in Egypte: hoe meer zij verdrukt werden, hoe meer zij vermenigvuldigden. Werd vandaag een bisschop terdoodgebracht, den volgenden morgen verschenen tien jongelingen bij den ïtomeinschen procureur en boden zichzelven aan tot liet ondergaan van den dood, omdat zij dienzelfden nacht voor den gedooden bisschop ge loopt waren en hun geloof beleden hadden, ten einde zijn plaats te kunnen innemen. „Ik bezet de ledige plaats in de kerk en sterf dan, gelijk hij.:' Werd er een vrouw geworgd of in het openbaar op de pijnbank gebracht, den volgenden dag boden twintig vrouwen zich aan, en verlangden te lijden gelijk zij, opdat zij Christus mochten verheerlijken.

A\ erd in den nieuweren tijd door de kerk van Rome één onzer roemwaardige hervormers —Johannes Huss—■ verbrand. Maarten Luther trad moedig op den voorgrond, alsof de asch van Huss Luther had geteeld. Was nier juist de vervolging van Wycliffe na diens dood bevorderlijk tot verspreiding zijner leer? en werden er niet honderden jongelieden gevonden, die in iedere marktplaats van Engeland de Schriften der Lollards lazen en het geloof der Lollards verkondigden ? En zoo zal het steeds zijn, reken er op. Wie een hond wil slaan, kan altijd wel een stok vinden en zoo kunt gij ook lichtelijk voor een Christen een scheldwoord bedenken, maar dan eert gij hem. Geef aan den eenen of anderen Christen een leelijkeu naam en eerlang neemt een Christelijke gemeenschap dien naam voor zichzelve aan en het zal een eeretitel

4f!

ocr page 61

DOOR HET VUUR GAAN.

47

worden. Toen George Fox k w a k e r geheeten werd, was dat een zonderlinge benaming — een benaming waarmee men den spot dreef; maar de mannen Gods, die hem volgden, noemden zich ook kwakers, en zoo was die naam niet langer een blaam. De volgelingen van Whitefield en quot;Wesley werden Methodisten geheeten; zij namen dien naam aan en het werd een achtenswaardige onderscheiding. Toen velen onzer Baptistische voorvaders wegens vervolging in Engeland naar Amerika gingen, om aldaar ongehinderd te leven, dachten zij te midden der Puriteinen volkomen rustig te kunnen wonen, maar Puriteinsche gewetensvrijheid beteekende: „Het recht en de vrijheid om te denken, gelijk zij deden, maar geen verdraagzaamheid omtrent degenen, die van hen verschilden.quot; Zoodra een Baptist zich onder de Puriteinen van Meuw Engeland kwam nederzetten, vervolgden zij hem even gewetenloos, als de Episkopalen de Puriteinen gedaan hadden. Nauwelijks trof men er een Baptist aan, of hij werd vóór zijn eigen Christelijke broederen gebracht, die hem tot geldboete, gevangenisstraf, verbeurte zijner goederen en verbanning veroordeelden. Let wel: dat deden dezelfde mannen, die in eigen persoon vervolging hadden geleden. En wat was de vrucht hiervan ? Dat wij in Amerika, waar wij vervolgd werden, het grootste kerkelijk lichaam zijn. Waar het vuur het felste brandde, werd de goede oude Gereformeerde leer onderwezen, en werd de Baptist beslister Baptist dan ergens elders, met de meeste zuiverheid en het minste schuim. Wij hebben ook nooit onze vaste overtuiging omtrent de grondwaarheid, waarvoor onze voorvaderen den doopvont met hun bloed verfden, laten varen, welke beproevingen en vervolgingen ons deel ook waren; en wij zullen dit nimmer doen.

ocr page 62

DOOK HET VUUR GAAX.

In het einde der dagen zal liet blijken, dat aan de geheele Kerk zelfs niet „de reuk des vuursquot; zal zijn. Ik zie haar uit den vuuroven komen. Ik zie, hoe zij den heuvel beklimt, om eindelijk in de heerlijkheid van haar Heer en Meester te deelen, en hoe do engelen haar kleedcren bezichtigen; zij zijn niet gescheurd. Neen, de klauwen barer vijanden hebben er geen enkelen scheur in kunnen maken. De engelen naderen haar, bekijken haar golvende lokken: deze zijn van de hitte niet gekruld. Zij bekijken ook haar voeten, en ofschoon deze de brandende kolen hebben betreden, zoo hebben zij toch geen blaren gekregen; en haar oogen hebben van de felheid der buitengewoon sterke vlammen niet geleden. Het vuur heeft haar schooner, prachtiger, heerlijker gemaakt, maar niet in 't minst beschadigd; dat kon ook niet. En wend u nu tot deu afzonderlijken christen en bedenk, dat voor iederen geloovige de belofte even zeker en vast is. Christen, indien gij waarlijk een kind van God zijt, zoo zullen uw beproevingen u niet kunnen dooden; ja wat meer zegt, zij kunnen u geen verlies aanbrengen. Voor 't oogenblik kan het schijnen, dat gij verlies lijdt, maar wanneer de groote rekening wordt opgemaakt, zult gij bevinden, dat al de verzoekingen der gansche wereld, al de aanvallen des Satans, die gij hebt ondergaan, u geen cent verarmd hebben. Integendeel, de winst zal, o wonder! aan uw zijde zijn. Uw beproevingen zullen u rijk maken, omdat zij u in lijdzaamheid en ervaring hebben geoefend. Uw verzoekingen zullen u sterk maken, omdat zij u uw zwakheid hebben leeren kennen, en u hebben aangewezen, waar uw kracht ligt.

Ginds is een broeder, over wiens hoofd de eene baai-der verdrukking na de andere is gegaan: allo dingen

48

ocr page 63

DOOR HET VUL'R GAAN.

zijn tegen hem. Hij is een oprecht, eerlijk, onvermoeid koopman, en toch, wat liij ook doe, zijn vermogen slinkt weg als sneeuw voor de zon. Het schijnt dat voor ieder zijner schepen de wind uit den verkeerden hoek waait, en terwijl anderen met te wagen winnen, verliest hij alles ;

„Iedere dag schijnt nieuwe ellenden.

Nieuwe jammeren te zenden.

Ach, hoe zal dat alles enden rquot;

Toen ik over het gaan door het vuur sprak, zeide hij: „Ach, dat is het juist, wat ik heb gedaan; ik heb maanden achtereen door het vuur moeten gaan, en aan God en mijn ziel alleen is hot bekend, hoe heet de oven is.quot; Broeder, wilt gij dezen tekst beschouwen, als tot u gesproken ? „Als gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden.quot; Als uw wederwaardigheden geheel voorbij zijn, zult gij nog zijn overgebleven en wat meer is, „de vlam heeft u niet aangestoken.quot; Wanneer de tijd tot afsluiting der rekening komt, zult gij niet het minste verlies geleden hebben. Terwijl gij denkt, dat u werkelijke schatten zijn ontvallen, zult gij uit de Schrift vernemen, dat gij slechts den schijn er van zijt kwijt geraakt. Uw eigenlijke schat was immer veilig, want die is aan Christus in den hemel ter bewaring gegeven. Gij zult uit de gevolgen ontdekken, dat deze uw beproeving het beste was, dat u kon overkomen. De dag za\ aanbreken, waarop gij met David zult zeggen: „Ik zal van goedertierenheid en recht zingen.„Yóór ik verdrukt was, dwaalde ik, maar nu onderhoud ik uw geboden.quot;

Of misschien is er een jonge vrouw — die in de toestand verkeert, welke zeer algemeen, helaas! al te algemeen in deze stad is. Gij hebt den Zaligmaker lief,

4

49

ocr page 64

DOOR HET VUUR GAAN.

mijn zuster, maar gij zijt zeer arm, en gij moet uw dagelijkscli brood op de treurigste wijze verdienen. Zoodra de zon des morgens opgaat, ziet zij u met de naald in de hand,

„Naaiend tegelijk met een dubbelen draad

Een lijkkleed zoowel als een hemd,quot;

en den ganschen dag door kunt gij u ternauwernood den tijd gunnen, om den maaltijd te gebruiken, en des avonds, wanneer de vingeren doodmoede en de oogen zwaar zijn, zult gij u van slaap moeten onthouden, dewijl uw verdiensten zoo schraal zijn, dat gij er nauwelijks van leven kunt. Honderden van die personen kennen wij, die steeds ons medelijden opwekken, omdat zij voor zulk een klein loon zoo hard moeten werken. Misschien is uw moeder gestorven en zorgt uw vader niet voor u; hij is een dronkaard, en het zou u spijten, dat gij hem misschien op straat tegenkwaamt. Gij hebt geen vrienden; niemand biedt u hulp. Gij hebt geen lust aan iemand uw toestand te vertellen; gij zoudt niet gaarne iets aannemen, watu als aalmoes wordt aangeboden; niets valt u zoo zwaar dan de verzoeking waaraan gij blootstaat. Gij ziet een zijpad open, dat u tot overvloed, en in zekeren zin tot blijdschap voert. Maar gij hebt gezegd: „ISTeen, neen!quot; en gij hebt van dat pad gewalgd, hebt de verzoeking afgeslagen en zijt staande gebleven — en het is mij bekend, hoe het eene jaar voor en het andere na eenige uwer met de verzoeking hebben gestreden en geworsteld, wanneer soms de hongerdood nabij was; maar dat groote kwaad tegen God hebt gij niet willen bedrijven.

Mijn zuster, ik bid u, neem de bemoediging der Schrift aan, ter uwer versterking tegen den toekomstigen strijd. Gij zijt door het vuur gegaan. Maar gij zijt nog niet

50

ocr page 65

DOOR HET VUUR GAAN.

verteerd, en Gode zij dank, de reuk des vuurs is niet door uw kleederen gegaan. Houd moed, mijn zuster! houd vol te midden van al uw wederwaardigheden, en van al de bitterheid, die fel genoeg is, om uw geest te doen bezwijken; houd vol, want uw Meester ziet u. Hij zal u bemoedigen en u versterken, u ten slotte door alles heen brengen en u meer dan overwinnaar doen zjjn.

Hoe wreed gedragen wereldsgezinde jongelieden zich soms jegens Christelijke jongelieden! Wreed, zeg ik, want wanneer er een dozijn werelddienaars en slechts één christen bij elkander zijn, achten zij het vereerend voor dat dozijn, op dien éénen aan te vallen. Twaalf groote, sterke kerels zullen het soms een aardig spelletje achten de een na den ander een kleinen jongen van vijftien jaren onder handen te nemen, en zich over hem vroolijk te maken en den spot met hem te drijven. Dieven hebben eergevoel, zegt men, maar onder wereldlingen schijnt niet het geringste eergevoel te zijn, wanneer zij een jong Christen aldus kunnen behandelen. Jonkman, gij hebt wel gedaan, gij hebt verdragen; gij hebt gezegd; „Ik zal zwijgen en geen woord zeggen,quot; ofschoon liet binnen in u warm werd ja tijdens uw zwijgen brandde. Bedenk, dat het aanbeeld niet breekt, al blijft gij er ook op slaan, maar dat het zelf al de hamers breekt. Doe gij hetzelfde. Houd slechts vol, en die vlammen zullen u niet verteren. Indien het vuur uw godsvrucht verteerde, zoude dit slechts een bewijs zijn, dat uw godsvrucht niet van den echten stempel was. Kunt gij niet wat kwinkslagen en spotternijen verdragen, dan zjjt gij nog niet recht t'huis in Gods woning, die door zijn beschikking tegen het vuur bestand is. Verdraag, en ten slotte zult gij bevinden, dat dit uw hard lot, deze strenge kastijding, u tot

51

ocr page 66

DOOR HET VUUR GAAX.

groot nut heeft gestrekt, eu u tot een beter menseli heeft gemaakt, dan gij ooit zoudt geweest zijn, indien gij op den schoot der vroomheid waart gewiegd geworden en buiten den strijd waart gehouden. Dat gij in later jaren van uitnemend nut voor anderen zijt, zult gij misschien te danken hebben aan de felle en harde beproevingen, die gij in de dagen uwer jongelingschap moest ondergaan. „Het is goed voor een man, dat hij het juk in zijn jeugd draagt.quot;

Maar misschien spreek ik tot iemand, die van zijn eigen goddelooze bloedverwanten tegenstand heeft ondervonden. Gedenk, datjezus gezegd heeft; „Ik ben gekomen, om vuur op de aaide te werpen: en wat wil ik, indien het alreeds ontstoken is ? Van nu aan zullen er vijf in een huis verdeeld zijn, drie tegen twee, en twee tegen drie.quot; Misschien heeft uw vader u bedreigd, of wat nog bitterder is, heeft uw man gedreigd u weg te jagen. Nu wandelt gij inderdaad door het vuur. Hij lacht met uw godzaligheid, spot met alles wat gij liefhebt, en doet zijn best om door wreedheid uw hart te breken. Mijn waarde zuster in Christus, gij zult door het vuur niet verbrand worden. Indien er genade in uw hart is, zal de duivel ze er niet uit drijven, nog veel minder uw man. Indien de Heere door zijn genade u geroepen heeft, zullen alle menschen op aarde en alle booze geesten in de hel die roeping niet kunnen vernietigen; en gij zult ton slotte bevinden, dat gij niet het minste verlies geleden hebt; de vlam heeft u niet aangestoken. Gij zult door het vuur gaan, en God er voor danken. Van het sterfbed of althans door de poorten van het Paradijs zult gij op uw donker levenspad terugzien en zeggen : het was tot mijn welzijn, dat ik dat kruis moest tor-schen en daarom is mij thans vergund deze kroon te dragen.

52

ocr page 67

DE HEILLOOZE GEVOLGEN DER LUIHEID.

Raad vax jiijxiieer Green ham.

Een mensch kan niet lui zijn en tocli het liefelijk gezelschap van Christus genieten. Christus wandelt vlug en wanneer zijn discipelen met Hem willen spreken, moeten zij ook vlug voortstappen, anders zullen zij spoedig zijn gezelschap verliezen. Christus, mijn Meester, gaat het land door goeddoend e, en indien gij met Hem wenscht te gaan, moet gij dezelfde zending beoogen. De almachtige Vriend van de zielen der menschen is niet gewoon omgang te hebben met luie personen. De Schrift leert mij, dat de meeste grootsche verschijningen aan uitnemende geloovigen hun te beurt vielen, als zij druk bezig waren. Mozes hoedde de kudde zijns schoonvaders, toen hij het brandende braambosch zag; Jozua ging rondom de stad Jericho, toen hij den engel des Ileeren ontmoette; Jacob was biddende, toen Gods engel hem verscheen; Gideon was aan het dorschen en Eliza aan het ploegen, toen de Heere hem riep; Mattheüs was bezig met de tolgelden te beuren, toen hem geboden werd Jezus te volgen; en Jacobus en Johannes waren aan het visschen. Het manna, dat de kinderen Israels tot aan den volgenden dag bewaarden, kreeg wormen en begon te stinken: genade, die zich niet in werkzaamheid openbaart, zal

ocr page 68

54 DE HEILLOOZE GEVOLGEN DER LUIHEID.

liet woelen des vijands bevorderlijk zijn. — Bovendien, vadsigheid verhardt het geweten; traagheid is een dei-brandijzers, waarmede het hart wordt toegesehroeid. Abimelech huurde luie en lichtzinnige personen, om hein bij gelegenheid ten dienste te staan, en de vorst der duisternis doet hetzelfde. O vrienden, het is een treurig iets, als de snede van iemands gemoed gaat roesten en als het zedelijk bevattingsvermogen zijn scherpte verliest; en toch, dit zal zekerlijk bij ons gebeuren, als wij ons aan luiheid overgeven. David ondervond de ontzenuwende kracht der luiheid, hij verloor de werking zijns gewetens en hij was tot alles in staat. Het ergste lag voor de hand. Hij wandelt op het dak van het huis, en ziet het voorwerp, dat zijn lust gaande maakt; hij laat de vrouw halen en — de daad is gepleegd; deze zonde leidt tot een andere misdaad: hij brengt Uria in verzoeking; zij brengt tot moord: üria wordt ter dood gebracht en hij neemt Uria's huisvrouw. Ach, David! ach, David! hoe zijn de machtigen gevallen! Hoe is de vorst van Israël gevallen en gelijk geworden aan de wellustigeo, die in den avondstond samenrotten. Van dezen dag af verandert zijn zonneschijn in wolkenfloers, wordt zijn vrede door lijden vervangen, en loopt hij als een geplaagd en gedrukt man grafwaarts; hij, die kon zeggen: ,.God heeft met mij een eeuwig verbond gemaaktquot;, maar toch deze betuiging moest doen voorafgaan door de veel beteekenende woorden: „Hoewel mijn huis alzoo niet is bij God.quot;

Is er iemand onder 's Heeren kinderen, die den Heere andermaal zou willen kruisigen en openbaar te schande maken? Is er iemand, die met Judas zijn Meester zou willen verkoopen, met Demas Christus verlaten ? Gij kunt er gemakkelijk toe komen. Zegt gij, dat gij dat niet

ocr page 69

DE HEILLOOZB GEVOLGEN DER LUIHEID.

zoudt kunnen doen; ik antwoord: op dit oogenblik zoudt gij het misschien niet kunnen, maar indien gij u aan lediggang overgeeft, en de oorlogen des Heeren niet strijdt, zoo zal het u niet slechts gemakkelijk vallen te zondigen, maar gij zult ook voorzeker het slachtoffer der zonde worden. O, hoe verblijdt Satan zich, als hij Gods kinderen in de zonde doet vallen! Want dan drijft hij als het ware andermaal den nagel in de bloedige hand van Christus en bezoedelt hij het zuiver witte lijnwaad van Christus' kleed; dan beroemt hij zich, op den Heere Jezus een overwinning behaald en een van 's Meesters gunstelingen tot een gevangene aan zijn wil gemaakt te hebben. Willen wij dus de hel niet van Satanisch gelach doen weerklinken en Gods kinderen doen weenen, omdat de cederen van Libanon zijn geveld, laat ons dan waken in den gebede, ijverig zijn in het werk onzes Heeren, vurig van geest zijn en den Heere dienen.

Davids ziel was gered. Tk spreek alleen tot u, wier ziel gered is, en smeek u dringend ter uwer waarschuwing acht te geven op Davids val en op den lediggang, waaraan hij zich vooraf schuldig maakte. Enkele verzoekingen zijn het deel der arbeidzamen, maar allo verzoekingen vallen de luiaards aan. Merk eens op de list, die door plattelandsbewoners wordt aangewend, om wespen te vangen. Zij doen een beetje van een zoete vloeistof in een lange tiesch met een nauwen hals. De nietsdoende wesp nadert, ruikt den zoeten drank, gaat de flesch in en — verdrinkt. Maar de bij nadert ook, en al zit zij een oogenblik stil, om te ruiken, toch gaat zij de flesch niet in, want zij moet voor zichzclve honig maken; zij is te druk in het werk van het ge-

55

ocr page 70

PE HEILLOOZE GEVOLGEN DER LUIHEID.

meenebest, dan dat zij zich aan het genot der verlokkende zoetigheden overgeeft.

Mijnheer Greenham, een Puriteinsch leeraar, werd eens opgewacht door een vrouw, die door groote verzoekingen werd gekweld. Na het noodige onderzoek omtrent haar levenswijze te hehhen ingesteld, bevond hij, dat zjj weinig te doen had, en Greenham zeide: „Uw levenswijze geeft mij het geheim van uw vele verzoekingen, Zuster, indien gij zeer druk bozig zijt, kan Satan u ook wel verzoeken, maar hij zal niet gemakkelijk slagen, en zijn pogingen spoedijr opgeven.quot; Luie christenen worden niet zoo zeer door den duivel verzocht, maar zij zei ven verzoeken den duivel veeleer, hen te verzoeken. Lediggang zet de deur des harten op een kier, en vraagt Satan binnen te komen; maar indien wij van den morgen tot aan den avond druk bezig zijn, zal Satan, om binnen te komen, door de deur moeten breken. Voor hen, „die onder de genade zijnquot; (Rom. YI: 14), is het geloof het beste schild tegen verzoeking, mits zij „niet traag zijn in het benaarstigen, vurig van geest zijn en den Heere dienen.quot;

Sta mij toe, u, die weinig voor Christus doet, te herinneren, dat gij in vroegeren tijd niet zoo koel waart. Er was eens bij David een tijd, dat de klank van de krijgsklaroen zijn bloed zou hebben geprikkeld en hem ten strijde zou hebben doen trekken. Er was eens eer, tijd, dat het gezicht van Israels in bevallige orde geschaarde legerbenden David zoo moedig als een leeuw zouden hebben gemaakt. O, wat is het treurig den leeuw zoo veranderd te zien! De held Gods blijft bij de vrouwen t'huis. Zoo was er ook een tijd, dat gij over heggen en slooten zoudt zijn gesneld, om een preek te hooren, en toen hinderde het

56

ocr page 71

DE HEILLOOZE GEVOLGEN DER LUIHEID.

57

u niet, of gij al op de gaanderij moest staan; maar thans zijn de preeken voor eenigen uwer vervelend, hoewel gij op zachte kussens kunt zitten. Was er in dien tijd een bijeenkomst in een hut, of een prediking op straat, gij waart er altijd bij. Och, zegt gij, toen was ik al te vurig. Gelukkige overgroote ijver! De Heere geve u dien grooten ijver terug, want al is het te grooto ijver, dan is te groote ijver toch nog beter dan in 't geheel geen ijver; het is beter een dweper genoemd te worden, dan een hommel in de christelijke bijenkorf.

ocr page 72

BIJ DE BELEGERING VAN KOPENHAGEN.

De kwakers ix Ierland.

Een zeeofficier vertelt de volgende zonderlinge gebeurtenis tijdens het beleg van Kopenhagen, onder Lord Nelson. „Tets, dat ik drie ot' vier dagen na het verschrikkelijke bombardement dier plaats zag, heeft een bjjzonderen indruk op mij gemaakt. Verscheidene nachten vóór de overgave werden we in de duisternis onthaald op een verschrikkelijk gebulder uit kanonnen en mortieren, vergezeld door gesis en gefluit van die vernielende en brandende krijgswerktuigen, welke wij Congrevische vuurpijlen noemen. De vreeselijke uitwerking van dit alles was weldra zichtbaar aan het schitterende licht, dat zich dooide geheele stad heen deed aanschouwen. De vlammende huizen der rijken en de brandende hutten der armen verlichtten de lucht; en bij de zich uitbreidende vlammen, die in het water weerkaatst werden, werd een bosch van schepen zichtbaar, die de stad omringden, om haar te verwoesten. Dit werk der brandstichting duurde verscheidene nachten; eindelijk gaven de Denen de stad over; maar toen ik eenige dagen later een wandeling deed tusschen de puinhoopen zoowel van de hutten der armen als van de huizen der rijken, zoowel van fabrieken en hooge torens als van onaanzienlijke bedehuizen, ont-

ocr page 73

BIJ DE BELEGERING VAN KOPENHAGEN.

dekte ik te midden van dit treurige terrein der verwoesting een eenzaam huis, dat ongedeerd was gebleven; alles rondom dit huis was een verbrande massa, dit alleen was door het vuur niet aangetast, als een gedenkteeken van Gods goedertierenheid. „Wiens huis is dat?quot; vroeg ik. „Dat behoort aan een Kwaker,quot; zeide de tolk. „Hij wilde niet strijden of zijn huis verlaten, maar bleef gedurende het geheele bombardement met zijn gezin in het gebed.quot; De rechtvaardige is voorzeker welgelukzalig, dacht ik. God is u een schild geweest in den strijd, een vurige muur rondom u, een krachtige hulpe in tijd van benauwdheid. Mocht iemand dit verhaal een verzinsel van mij achten, ik weet dat deze gebeurtenis in echtheid voor geen ander behoeft onder te doen.

ISTog een andere, bijna dergelijke geschiedenis wordt uit dien Dcenschen oorlog verhaald. „Spoedig na de overgave van Kopenhagen aan de Engelschen in het jaar 1807 werden afdeelingen soldaten voor een tijd in de omringende dorpen gelegd. Op zekeren dag werden drie soldaten uitgezonden, om levensmiddelen in de naburige boerderijen te gaan halen. Zij bezochten verscheidene hoeven, maar vonden ze geplunderd en verlaten. Eindelijk kwamen zij aan een grooten tuin, of boomgaard vol appelboomen, die onder de zwaarte van het fruit bogen. Zij traden een poort binnen en volgden een pad, dat hen aan een net boerenhuis bracht. Van buiten getuigde alles van rust en veiligheid; maar toon zij door de voordeur binnentraden, snelden de vrouw des huizes en haar kinderen onder luid geschreeuw de achterdeur uit. Het inwendige des huizes was een voorbeeld van orde en geriefelijkheid, verre boven de verwachting, die men in dat opzicht van menschen van dien stand en van

59

ocr page 74

BIJ DE BELEGERING VAN KOPENHAGEN.

60

de gewoonten des plattelands koestert. Naast den haard hing een horloge, en een nette, goed gevulde boekenkast trok de aandacht van den oudsten soldaat. Hij nam er een hoek uit. Het was in een hem onbekende taal geschreven, maar de naam Jezus Christus stond op iedere bladzijde te lezen. Op dit oogenblik kwam de huisvader binnen door dezelfde deur, uit welke zijn vrouw en zijn kinderen gevlucht waren. Een der soldaten vroeg met dreigende gebaren om levensmiddelen; de man was en bleef onbevreesd, doch schudde het hoofd. De soldaat, die het boek in de hand hield, naderde hem, en terwijl hij op den naam Jezus Christus wees, legde hij zijn hand op zijn hart en sloeg de oogen ten hemel. Onmiddellijk greep de boor zijn hand, schudde die hartelijk, en snelde toen de kamer uit. Spoedig keerde hij met zijn vrouw en kinderen terug, die melk, eieren, spek enz. meebrachten en hun gul aanboden; en toen twee soldaten ter vergoeding daarvoor geld wilden geven, werd dit eerst geweigerd, maar die twee waren godvruchtige mannen, welke tot ergernis van den derden soldaat, alles wat zij ontvingen, wilden betalen en dit ook deden. Bij hun vertrek brachten zij den boer onder het oog, dat hij wol zou doen, zijn horloge te verbergen; maar met veelbe-teekenende gebaren gaf hij hun te verstaan, dat hij geen kwaad vreesde, omdat zijn vertrouwen op God gevestigd was; en dat, hoewel zijn buren, zoowel die rechts als die links van hem woonden, hun woningen ontvlucht waren, en door stroopende troepen alles verloren hadden, wat zij niet hadden kunnen vervoeren, — hem geen haar van zijn hoofd was gekrenkt en geen appel van zijn boomen was geroofd. De man wist, dat „hij, die het zwaard neemt, door het zwaard zal vergaan,'' daarom

ocr page 75

BIJ DE BELEGERING VAX KOPENHAGEN.

bracht hij liet beginsel in toepassing van geen weêrstand te bieden, en God, op Wien hij een onbepaald vertrouwen stelde, liet niet toe, dat hem eenig leed geschiedde.

Het is opmerkelijk, dat tijdens den moord, die lang geleden op de Protestanten in Ierland, gepleegd werd, duizenden Kwakers zich in dat land bevonden, en dat er slechts twee van werden gedood; en juist die twee stelden geen vertrouwen in hun eigen beginselen; want de een liep weg en verborg zich op een veilige plaats, en de ander bewaarde wapens in zijn huis; maar de overigen wandelden ongewapend tusschen de verwoede soldaten, zoo Roomschen als Protestanten, rond eu werden ongemoeid gelaten, omdat zij sterk waren in de kracht van Israëls God, en /ij staken hun zwaard in de scheeden, overtuigd dat elkander te beoorlogen niet goed kan zjjn, dewijl Christus gezegd heeft: „Wederstaat den booze niet, maar zoo wie u op de rechterwang slaat, keert hem ook de andere toe.quot; „Zijt met alle vreeze onderdanig den heeren, niet alleen den goeden en bescheidenen, maar ook den harden.quot; „Vergeeft uwen vijanden.quot; „Zegent degenen, die u haten, en bidt voor degenen, die u geweld aandoen on u vervolgen.quot; Maar wij schamen ons hiervoor; wij doen het niet gaarne; wij durven niet op God vertrouwen ; en zoolang wij dit nalaten, zullen wij onbekend zijn met de majesteit des geloofs, en Gods almacht om ons te beschermen niet bij ervaring kennen. „Mijn ziele, verlaat u op den Heere; want mijn verwachting is van Hem.quot;

Cl

ocr page 76

DE SLAAP EEX GESCHENK VAN GOD.

De slaap des lichaams is een geschenk van God. Dit zeide Homerus in den ouden tijd reeds, toen hij den slaap beschreef als afdalende uit de wolken en rustende op de tenten der krijgslieden rondom Troje. Zoo zong Virgilius, toen Inj zeide, dat Palinurus op den voorsteven van het schip in slaap viel. God schenkt den slaap. Wij denken, dat, als wij onze hoofden op onze peluws leggen en onze lichamen zacht op het bed nedervlijen, wij dien tengevolge wel moeten slapen. Maar dat is niet zoo. De slaap is Gods geschenk; en geen mensch zou zijn oogen sluiten, indien God zijn vinder niet op zijn oogleden legde — indien de Almachtige niet een zachten en wel-dadigen invloed op zijn gestel uitoefende, waardoor zijn gedachten tot rust werden gewiegd en hij in dien gelukkigen staat van kalmte geraakte, welken wij slaap noemen, 't Is waar, er zijn kruiden en verdoovende middelen, waardoor de menschen zich kunnen vergiftigen, zoodat zij bijna dood schijnen, en dat noemen zij dan slaap; maar de slaap van het gezonde lichaam is een geschenk van God, De God der liefde zendt hem; zijn teedere zorg wiegt ons iederen nacht; zijn vriendelijkheid laat het gordijn der duisternis om ons heen vallen, en gebiedt de zon haar vurige lamp te bedekken. De liefde komt

ocr page 77

DE SIjAAP EEN GESCHENK VAN GOD.

en zegt: „Slaap zacht, mijn kind, ik geef u slaap.quot; Gij weet immers wel, wat het is soms op uw bed te liggen, terwijl al uw moeite om in te sluimeren, vergeefsch is ? Wat van Darius gezegd is, kon dus ook van u gezegd worden: „De koning liet geen vreugdespel voor zich brengen en zijn slaap week verre van hem.quot; Gij hebt getracht den slaap te vatten, maar hij ontsnapte u; hoe meer gij trachttet te slapen, des te zekerder bleeft gij wakker. Het is buiten uw vermogen u een gezonde rust te verschaffen. Gij verbeeldt u, dat indien gij uw gedachten op zeker onder-werp vestigt, totdat gij er geheel mede vervuld zijt, gij dan zult slapen; maar gij bevindt, hiertoe buiten staat te zijn. Tienduizend dingen kruisen door uw brein, alsof de geheele wereld zich voor uw oogen ronddraaide. Alles wat gij ooit aanschouwdet, ziet gij in wilde verwarring voor uw aangezicht dansen. Gjj sluit uw oogen, maar gij ziet nog; en er zijn dingen in uw oor en hoofd en brein, die niet toelaten, dat gij in rust zijt. De slaap heeft de sponde verlaten, waarop gij om haar invloed vleit. Het is God alleen, die de oogen van den scheepsjongen in den schuddenden raast sluit en den monarch rust schenkt; want welke middelen er ook worden aangewend, ook de koning kan zonder Gods hulp niet slapen, maar legt zich heen en weer en benijdt zijn slaaf, vrien wegens louter vermoeidheid de heilzame sluimering ten deel viel. Het is God, die het gemoed alles doet vergeten en ons gebiedt te slapen, opdat onze lichamen mogen verfrischt worden en wij, voor den arbeid van den volgenden dag met nieuwe kracht bedeeld, van onze legerstede mogen opstaan.

Ploe dankbaar moesten wij voor den slaap zijn! De slaap is de beste geneesheer, dien ik ken. De slaap heeft meer pijn

63

ocr page 78

BIJ DE BELEGERING VAN KOPENHAGEN.

60

de gewoonten des plattelands koestert. Naast den haard hing een horloge, en een nette, goed gevulde boekenkast trok de aandacht van den oudsten soldaat. Hij nam er een boek uit. Het was in een hem onbekende taal geschreven, maar de naam Jezus Christus stond op iedere bladzijde te lezen. Op dit oogenblik kwam de huisvader binnen door dezelfde deur, uit welke zijn vrouw en zjjn kinderen gevlucht waren. Een der soldaten vroeg met dreigende gebaren om levensmiddelen; de man was en bleef onbevreesd, doch schudde het hoofd. De soldaat, die het boek in de hand hield, naderde hem, en terwijl hij op den naam Jezus Christus wees, legde hij zijn hand op zijn hart en sloeg de oogen ten hemel. Onmiddellijk greep de boer zijn hand, schudde die hartelijk, en snelde toen de kamer uit. Spoedig keerde hij met zijn vrouw en kinderen terug, die melk, eieren, spek enz. meebrachten en hun gul aanboden; en toen twee soldaten ter vergoeding daarvoor geld wilden geven, werd dit eerst geweigerd, maar die twee waren godvruchtige mannen, welke tot ergernis van den derden soldaat, alles wat zij ontvingen, wilden betalen en dit ook deden. Bij hun vertrek brachten zij den boer onder het oog, dat hij wèl zou doen, zijn horloge te verbergen; maar met veelbe-teekenende gebaren gaf hij hun te verstaan, dat hij geen kwaad vreesde, omdat zijn vertrouwen op God gevestigd was; en dat, hoewel zijn buren, zoowel die rechts als die links van hem woonden, hun woningen ontvlucht waren, en door stroopende troepen alles verloren hadden, wat zij niet hadden kunnen vervoeren, — hem geen haar van zijn hoofd was gekrenkt en geen appel van zijn hoornen was geroofd. De man wist, dat „hij, die het zwaard neemt, door het zwaard zal vergaan,'' daarom

ocr page 79

BIJ DE BELEGERING VAX KOPENHAGEN.

bracht lüj het beginsel in toepassing van geen weêrstand te bieden, en God, op Wien hij een onbepaald vertrouwen stelde, liet niet toe, dat hem eenig leed geschiedde.

Het is opmerkelijk, dat tijdens den moord, die lang geleden op de Protestanten in Ierland, gepleegd werd, duizenden Kwakers zich in dat land bevonden, en dat er slechts twee van werden gedood; en juist die twee stelden geen vertrouwen in hun eigen beginselen; want de een liep weg en verborg zich op een veilige plaats, en de ander bewaarde wapens in zijn huis; maar de overigen wandelden ongewapend tusschen de verwoede soldaten, zoo Roomschen als Protestanten, rond en werden ongemoeid gelaten, omdat zij sterk waren in de kracht van Israels God, en zij staken hun zwaard in de scheeden, overtuigd dat elkander te beoorlogen niet goed kan zijn, dewijl Christus gezegd heeft: „Wederstaat den booze niet, maar zoo wie u op de rechterwang slaat, keert hem ook de andere toe.quot; „Zijt met alle vreeze onderdanig den heeren, niet alleen den goeden en bescheiden en, maar ook den harden.quot; „Vergeeft uwen vijanden.quot; „Zegent degenen, die u haten, en bidt voor degenen, die u geweld aandoen en u vervolgen.quot; Maar wij schamen ons hiervoor; wij doen het niet gaarne; wij durven niet op God vertrouwen; en zoolang wij dit nalaten, zullen wij onbekend zijn met de majesteit des geloofs, en Gods almacht om ons te beschermen niet bij ervaring kennen. „Mijn ziele, verlaat u op den Heere; want mijn verwachting is van Kern.quot;

G1

ocr page 80

DE SLA.AP EEN GESCHENK VAN GOD.

De slaap des lichaams is een geschenk van God. Dit zeide Homerus in den ouden tijd reeds, toen hij den slaap beschreef als afdalende uit de wolken en rustende op de tenten der krijgslieden rondom Troje. Zoo zong Virgilius, toen hij zeide, dat Palinurus op den voorsteven van het schip in slaap viel. God schenkt den slaap. Wij denken, dat, als wij onze hoofden op onze peluws leggen en onze lichamen zacht op het bed nedervlijen, wij dien tengevolge wel moeten slapen. Maar dat is niet zoo. De slaap is Gods geschenk; en geen mensch zou zijn oogen sluiten, indien God zijn vinder niet op zijn oogleden legde — indien de Almachtige niet een zachten en wel-dadigen invloed op zijn gestel uitoefende, waardoor zijn gedachten tot rust werden gewiegd en hij in dien gelukkigen staat van kalmte geraakte, welken wij slaap noemen, 't Is waar, er zjjn kruiden en verdoovende middelen, waardoor de menschen zich kunnen vergiftigen, zoodat zij bijna dood schijnen, en dat noemen zij dan slaap; maar de slaap van het gezonde lichaam is een geschenk van God, De God der liefde zendt hem; zijn teedere zorg wiegt ons iederen nacht; zijn vriendelijkheid laat het gordijn der duisternis om ons heen vallen, en gebiedt de zon haar vurige lamp te bedekken. De liefde komt

ocr page 81

DE SLAAP EEX GESCHEKK VAN GOD. 63

en zegt: „Slaap zacht, mijn kind, ik geef u slaap.quot; Gij weet immers wel, wat het is soms op uw bed te liggen, terwijl al uw moeite om in te sluimeren, vergeefsch is? Wat van Darius gezegd is, kon dus ook van u gezegd worden: „De koning liet geen vreugdespel voor zich brengen en zijn slaap week verre van hem.quot; Gij hebt getracht den slaap te vatten, maar hij ontsnapte u; hoe meer gij trachttet te slapen, des te zekerder bleeft gij wakker. Het is buiten uw vermogen u een gezonde rust te verschaffen. Gij verbeeldt u, dat indien gij uw gedachten op zeker onderwerp vestigt, totdat gij er geheel mede vervuld zijt, gij dan zult slapen; maar gij bevindt, hiertoe buiten staat te zijn. Tienduizend dingen kruisen door uw brein, alsof de geheele wereld zich voor uw oogen ronddraaide. Alles wat gij ooit aanschouwdet, ziet gij in wilde verwarring voor uw aangezicht dansen. Gij sluit uw oogen, maar gij ziet nog; en er zijn dingen in uw oor en lioofd en brein, die niet toelaten, dat gij in rust zijt. De slaap heeft de sponde verlaten, waarop gjj om haar invloed vleit. Het is God alleen, die de oogen van den scheepsjongen in den schuddenden mast sluit en den monarch rust schenkt; want welke middelen er ook worden aangewend, ook de koning kan zonder Gods hulp niet slapen, maar legt zich heen en weer en benijdt zijn slaaf, wien wegens louter vermoeidheid de heilzame sluimering ten deel viel. Het is God, die het gemoed alles doet vergeten en ons gebiedt te slapen, opdat onze lichamen mogen verfrischt worden en wij, voor den arbeid van den volgenden dag met nieuwe kracht bedeeld, van onze legerstede mogen opstaan.

Hoe dankbaar moesten wij voor den slaap zijn! De slaap is de beste geneesheer, dien ik ken. De slaap heeft meer pijn

ocr page 82

64 DE SLAAP EEN GESCHENK VAN GOD.

van vermoeide hoofden, harten en beenderen geheeld dan de beroemste dokters op aarde. Het is de beste medicijn; de uitgelezenste van alle geneesmiddelen, die de apotheek bevat. Geen tooverdrank van den geneesheer is met den slaap te vergelijken. Welk een goedertierenheid is het, dat de slaap geen voorrecht is van een enkelen stand der maatschappij. God doet den slaap geen weldaad voor den rijke alleen zijn; hij geeft hem niet enkel aan de edelen of aanzienlijken, zoodat zij hem als een bijzondere weelde voor zich kunnen toeëigenen; maar Hij schenkt hem ook aan de armsten en de geringsten. Ja, indien er verschil zij, dan is het dit, dat de slaap des arbeiders zoet is, hetzij hij weinig of veel gegeten hebbe. Die liet hardst werkt, slaapt des te vaster wegens zijn arbeid. Terwijl de weelderige verwijfdheid niet rusten kan en zich op een bed van eiderdons nu eens op de eene zijde, dan weder op de andere legt, werpt de daglooner na zijn zwaren arbeid zich met zijn sterke en forsche leden afgemat en vermoeid op zijn hard leger en slaapt; en bij zijn ontwaken dankt bij God, dat hij verkwikt is. Gij weet niet. hoeveel gij Gode schuldig zijt, omdat hij u in den nacht ruste schenkt. Indien gij slapelooze nachten hadt gehad, zoudt gij den zegen waardeeren. Indien gij weken achtereen u op uw bed om en om hadt geworpen, zoudt gij God voor die gunst danken. Dewijl de slaap de goedertierens beschikking van God is, is het een allerkostbaarst geschenk, een geschenk dat men eerst kan waardeeren, als het ons ontnomen is; ja, en ook dan zelfs kunnen wij het niet zoo naar waarde schatten, als wij wel behoorden.

De Psalmist zegt, dat sommige menschen dwaas genoeg zijn, om zich den slaap te ontzeggen. Um winst ofroem te behalen, staan zij vroeg op en gaan zij laat naar bed.

ocr page 83

DB SLAAP EEX GESCHENK VAX GOD.

Ook wij kunnen ons daaracin hebben schuldig gemaakt. Wij zijn vroeg in den morgen opgestaan, om een lijvig boekdeel te bestudeeren, opdat wij kennis verzamelden; wij hebben des nachts opgezeten, totdat onze uitgebrande lamp ons bestrafte en ons vertelde, dat de zon aan het opgaan was; intusschen hebben onze oogen ons pijn gedaan, hebben onze hersenen geleden, en heeft ons hart fel geklopt. Wij zijn vermoeid en afgetobd; zijn vroeg opgestaan en hebben laat opgezeten; en zijn er langs dien weg toe gekomen, om het brood der smarten te eten wegens geknakte gezondheid en gedruktheid van geest. Velen uwer, die drukke zaken hebben, zwoegen op die wijs. Wij veroordeelen u deswege niet; wij verbieden u niet vroeg op te staan en laat op te zitten, maar wij herinneren u dezen tekst: „Het is te vergeefs, dat gijlieden vroeg opstaat, laat opblijft, eet brood der smarten: 'tis alzoo dat Hij zijnen beminden den slaap geeft.quot;

De slaap wordt in Gods Woord gedurig in een ongunstige beteekenis gebruikt, om den toestand van vleesclielijke en wereldsgezinde menschen aan te duiden. Sommige menschen slapen den slaap der vleesclielijke gemakzucht, van welke Salomo zegt, dat zij, die in den oogst vast slapen, zoons zijn, die beschaamd maken, zoodat zij, wanneer do oogst voorbijgegaan en de zomer ten einde is, uiet verlost zijn. — Slaap drukt dikwijls een toestand van vadsigheid, van doodscbheid, van onverschilligheid uit, waarin alle goddelooze menschen verkeeren, volgens de woorden der Schrift: „Het is de ure, dat wij nu uit den slaap opwaken. Zoo laat ons dan niet slapen, gelijk als de anderen, maar laat ons waken en nuchteren zijn.quot; — Velen slapen den slaap des luiaards en blijven zich op het bod der traagheid bewegen; maar hun wacht een

5

ocr page 84

DE SLAAP EKJf GESCHENK VAN GOD.

vreeselijke ontwaking, wanneer zij zullen bevinden, dat zij den tijd hunner voorbereiding verspild hebben; dat de gouden zandkorrelen huns levens onopgemerkt uit hun zandlooper zijn gevallen; en dat zij gekomen zijn in die wereld, waar geen vergiffenis meer wordt geschonken, geen hoop geen toevlucht, geen behoudenis meer is.

Op andere plaatsen vindt gij den slaap in figuurlijke beteekenis gebruikt ter aanduiding van de vleeschelijke gerustheid, waarin zoo menigeen wordt aangetroffen. Zie, hoe Saul in vleeschelijke gerustheid ligt te slapen. Hij is niet gelijk David, die zeide: „Ik zal in vrede samen nederliggen en slapen, want gij, o Heere! alleen zult mij doen zeker wonen.quot; Abner, de hoofdman van Sauls leger, was aldaar en al de soldaten lagen rondom hem, maar Abner sliep. Slaap voort, Saul! Slaap voort! Abisaï staat bij uw peluw en met een speer in de hand zegt hij: „Laat mij hem nu met de spies op eenmaal ter aarde slaan.quot; Nog steeds slaapt hij; hij weet niet, dat hij op het punt staat van in den eeuwigen slaap te storten. Zoo zetten ook velen uwer al slapende het behoud uwer zielen op het spel. Satan staat vlak tegenover u, de wet staat gereed u te treffen, de wrake dreigt; zelfs de Goddelijke Voorzienigheid schijnt te zeggen: „Zal ik hem slaan ? Ik zal hem slechts ditmaal slaan, en hij zal nimmer weer ontwaken.quot; Jezus, de Middelaar, roept: „Terug, Wraak, terug!quot; Zie de spies trilt nog altijd. „Terug! Spaar den slaper nóg een jaar, in de hoop, dat hij uit dezen langen slaap der zonde alsnog ontwake.quot; Ik zeg u, o zondaar, gelijk Sisera ligt gij in de tent van den verderver te slapen; al hebt gij ook boter gegeten uit een heerenschaal, gij ligt te slapen op den drempel der hel. Op dit oogenblik heft de vijand

66

ocr page 85

DE SLAAP KEN GESCHENK VAN GOD. 07

den hamer en den nagel op, om u door de slapen uws hoofds te slaan en u aan de aarde vast te spijkeren, opdat gij voor eeuwig in dien dood der eindelooze pijn neerligt, die den gewonen dood oneindig verre te boven gaat.

De Schrift spreekt ook van een slaap van den wellust, gelijk die, welken Simson sliep, toen liij zjjn haarlokken verloor, een slaap waarin velen verkeeren, die zich in de zonde dompelen en die bij hun ontwaking zich beroofd, verloren en ellendig bevinden. — Ook heeft men den slaap der achteloosheid, gelijk de maagden hadden, van welke gezegd wordt; „Zij werden allen sluimerig en vielen in slaapquot;; en den slaap der smart, die Petrus, Jacobus en Johannes, in den hof van Gethsemané overviel. Maar geen dezer zijn geschenken van God. Zij zijn verbonden aan de zwakheid onzer natuur; zij bekruipen ons, omdat wij gevallen menschen zijn; zij overmeesteren ons, omdat wij de spruiten van een verloren en bedorven geslacht zijn. Deze soorten van slaap zijn geen zegeningen van God; ook geeft Hij ze niet aan zijn beminden.

ocr page 86

HET GEBED VAN EEN HERBERGIER

Men zegt. dat Rowland Hill eens op een dorp zijn intrek in een herberg moest nemen, omdat er geen ander huis tot dat doel voor hem was; en naardien hij twee paarden bij zich had en het beste vertrek van die herberg binnenging, achtte men hem oen voordeeligen gast voor dien nacht, üe waard kwam binnen en zeide: „Ik ben blij u te zien, mijnheer Hill.quot; — „Ik denk hier van nacht te blijven,quot; was het antwoord. „Staat gjj mij toe, dat ik van avond met uw gezin het avondgebed houde?quot; — „Een avondgebed met mijn gezin heb ik hier nooit gehouden,quot; zeide de herbergier, „en ik wil het nu ook niet hebben.quot; „Zeer goed; haal dan mijn paarden uit den stal; ik kan niet blijven in een huis, waar men niet tot God wil bidden. Breng de paarden voor.quot; De waard wilde zulk een voordeeligen gast toch niet gaarne verliezen, kwam dus tot betere gedachten en stond den huisgodsdienst toe. „Ja maar,quot; zeide Hill, „ik ben niet gewoon in eens anders huis in het gebed voor te gaan. Gij moet zelf in het gebed voorgaan.quot; De man zeide, dat hij niet kon bidden. „Maar gij moet,quot; zeide Rowland Hill. — „Och, ik heb nooit gebeden.quot; „Dan moet gij er van avond nog meê beginnen, mijn goede vriend,quot; was het antwoord. Toen de tijd voor het avondgebed gekomen was en het gezin op de knieën lag, zeide Rowland Hill: „leder man bidt in zijn eigen huis: gij moet van avond het gebed

ocr page 87

HET GEBED VAN EEN HERBERGIER.

doen.quot; „Ik kau niet bidden, Ik kan het niet,quot; zeide de waard. — „Wat, man, gij hebt van daag zooveel goeds ontvangen, en zijt gij zoo ondankbaar, dat gij er God niet voor kunt danken? Bovendien, welk een goddeloos zondaar zijt gij geweest! Kunt gij God niet zeggen, welk een zondaar gij zijt geweest, en hem vergiffenis vragen ?quot; De man begon te roepen: „Ik kan niet bidden, mijnheer Hill, ik kan niet, wezenlijk, ik kan niet.quot; „Zeg dan den Heere, man, dat gij 't niet kunt; zeg Hem, dat gij niet kunt bidden,quot; zeide mijnheer Hill, „en vraag hem om hulp.quot; Nu knielde de ongelukkige waard neder, en zeide: „O Heere, ik kan niet bidden; ik wenschte, dat ik het kon.quot; „Komaan, gij zijt begonnen te bidden,quot; zeide Rowland Hill, „gij hebt een begin gemaakt met bidden, en zult het nu nimmer meer nalaten. Zoodra God u aan 't bidden gezet heeft, hoe zwak dat bidden ook zij, zult gij er nimmer meè ophouden. Nu zal ik voor u bidden.quot; Hij deed dit nu, en niet lang daarna behaagde het den Heere door dat zonderlinge middel het harde hart van den herbergier te verbreken en hem tot Christus te brengen. Daarom zeg ik tot u: indien iemand uwer niet kan bidden, zeg dan den Heere, dat gij het niet kunt. Vraag Hem zijn hulp tot het gebed; vraag Hem, dat Hij u de behoefte doe kennen om zalig te worden; en indien gij niet kunt bidden, vraag Hem dan, dat Hij u alles geve, wat gij behoeft. Christus zal zoowel de bede geven als de bede aannemen. Hij zal uw gebed met zijn eigen bloed verzoenen, en de Vader zal den Heiligen Geest u toezenden, om uw geloof te versterken en uw vertrouwen op Christus te vermeerderen.

ocr page 88

DE DOODSTRAF.

Het plaatsvervangend offer.

Eenigen tijd geleden verzocht een aanzienlijke dame een onderhoud met mij, ten einde mijn genegenheid te winnen voor de anti-doodstrafkwestie. Ik hoorde de uitnemende gronden, die zij tegen het ophangen van hen, welke een moord begaan hadden, te berde bracht, en ofschoon ik er niet door overtuigd werd, deed ik toch ook geen moeite om ze te wederleggen. Zij stelde voor, den man, die een moord bedreven had, levenslang in de gevangenis te sluiten. Ik merkte hiertegen op, dat zeer vele menschen, die men gedurende de helft van hun leven had opgesloten, er geen haar beter om geworden waren; en wat haar geloof betrof, dat zij dan voorzeker tot berouw zouden gebracht worden, zoo vreesde ik, dat dit louter een droom was. „Ach!quot; zeide de goede ziel, „het komt, omdat wij allen een verkeerd denkbeeld van straffen hebben gehad. Wij straffen de menschen, dewijl wij denken, dat zij verdienen gestraft te worden. Neen, wij moeten hun toonen,quot; zeide zij, „dat wij hen liefhebben; dat wij alleen straffen, om hen te verbeteren.quot; „Mevrouw,quot; zeide ik, „ik heb die redeneering reeds zeer dikwerf gehoord, en ik heb menig fraai geschrift over dat onderwerp onder 't oog gehad, maar ik ben het er

ocr page 89

HET PLAATSVERVANGEND OFFER.

niet mede eens. Het doel der straf moet verbetering 'T zijn, dat is waar, maar de grond der straf ligt in de

werkelijke schuld van den boosdoener. Ik geloof, dat, wanneer een menscli kwaad bedrijft, hij er voor gestraft moet worden, en dat er in de zonde een schuld bevat is, die rechtvaardigljjk straf verdient.quot; „O neen! dat kon . zij niet inzien. De zonde was iets zeer verkeerds, maar

straf was geen juist denkbeeld. Zij dacht, dat de men-schen in do gevangenis al te wreed behandeld werden, ■ff en dat hun moest worden geleerd, hoezeer wij hen lief

hebben. Door hen in de gevangenis vriendelijk te behandelen en door liefderijk met hen om te gaan, zouden zij zeer verbeteren; dat was haar vaste overtuiging.quot;

Met het doel om haar meening duidelijk in 't licht te stellen, zeide ik: „Ik neem dus aan, dat gij aan misdadigers in de gevangenis allerlei genot zoudt willen verschaffen. Den oenen of anderen grooten vagebond, die in den loop des tijds eenige dozijnen inbraken heeft gepleegd, zoudt gij bij voorbeeld des avonds in een lagen armstoel bij een lekker vuurtje laten zitten, hem een grogje maken, hem zijn pijpje overreiken en in een woord hem gelukkig maken, om hem te toonen, hoe lief wij hem hebben.quot; — „Wol neen, geestrijke dranken zou zij hem niet willen geven, maar al het andere zou hem voorzeker goed doen.quot; Ik hield dat voor een verrukkelijke schildering. Het kwam mij voor, dat men in zijn eenvoudigheid geen methode kon uitdenken, welke vruchtbaarder was, om schelmen te kweeken. Ik verbeeld mij, dat men •V» op die wijze het getal dieven zoo hoog mogelijk kon op

voeren ; want het zou een bijzonder middel zijn, om allerlei schelmerij en boosheid te bevorderen. Deze alleraangenaamste theorieën waren voor zulk een eenvoudig

71

6

ocr page 90

11EÏ PLAATSVERVANGEND OFFER.

gemoed als liet mijne, de bron van veel vermaak; liet denkbeeld om schurken te liefkoozen en hun misdrijven te beschouwen voor struikelingen en tuimelingen van kinderen, deed mij hartelijk lachen. Ik verbeeldde mij, dat ik de Regeering haar ambtsplichten aan die uitnemende personen zag overdragen, en dat ik de grootsche vruchten van hun wonderbare vriendelijke proefnemingen aanschouwde. Het zwaard der Overheid veranderde in een brijlepel en de kerker werd een liefelijk verblijf voor hen, wier goede naam schade geleden had.

Weinig vermoedde ik evenwel, dat ik zulke theorieën zelfs van den kansel zou hooren bepleiten; ik had geen begrip, dat er leeraars zouden te voorschijn treden, die Gods zedelijk wereldbestuur van het ontzaglijk standpunt, in de Schrift geopenbaard, verlagen tot een kinderachtige sentimentaliteit, welke een Godlieid aanbidt zonder eenige kracht of zelfstandigheid. Maar wij weten vandaag niet, wat morgen kan gebeuren. quot;Wij hebben het nog beleefd, dat menschen op de proppen kwamen—Goddank, dat het geen Baptisten zijn, ofschoon ik tot mijn spijt moet zeggen, dat zeer vele Baptisten reeds op weg zijn om hun spoor te volgen — met de leer, dat God aller Vader is, en dat onze denkbeelden, alsof Hij met de onboetvaardigen als Rechter en niet als Vader zou handelen, overblijfselen van een verouderde dwaling zijn. Volgens deze menschen is de zonde veeleer een ziekte dan een schuld, een dwaling dan een misdaad. Zij kunnen geen andere eigenschap waarnemen dan de liefde, en Hem, in Wieu de volheid der Godheid lichamelijk woont, hebben zij nooit gekend. Enkele dezer menschen gaan zoo ver met hun valsche leer, dat zij de eeuwige straf bespottelijk voorstellen, als zoude zij louter een droom zijn. Inderdaad

72

ocr page 91

HET PLAATSVERVANGEND OEFER.

komen er thans boeken in het licht, die ons Jeeren, dat er geen plaatsbekleedend offer van onzen Heere Jezus Christus bestaat. Zij gebruiken wel het woord verzoening, maar hebben aan dit woord zijn oude beteekenis ontnomen. Zij erkennen, dat de Vader zijn groote liefde jeyens den armen zondigen mensch getoond heeft, door de zending van zijn Zoon, maar niet, dat God onkreukbaar rechtvaardig was in de openbaring zijner barmhartigheid, niet dat Hij Christus de straf deed ondergaan voor zijn volle, noch ook dat God ooit iemand in zijn toorn zal straffen, of dat er iets is, hetwelk wij gerechtigheid kunnen noemen, en van kastijding is te onderscheiden. Zelfs zonde en hel zijn slechts oude bewoordingen, die men thans in een nieuwe en veranderde beteekenis gebruikt. Dat zijn ouderwetsche begrippen, en wij, onnoozele zielen, die nog altijd van verkiezing en toegerekende gerechtigheid spreken, zijn met onzen tijd niet meegegaan.

Ik geloof, dat al die nieuwe denkbeelden niet beter kunnen wederlegd worden, dan door er op te wijzen, dat het ware evangelie steeds aan de armen gepredikt werd. „Den armen wordt het evangelie verkondigd.quot; Ik houd er mij van overtuigd, dat de armen het evangelie dezer nieuwere godgeleerden nooit zullen leeren, want zij kunnen er niets van begrijpen; de rijken ook niet; want als gij een hunner boeken hebt doorgelezen, hebt gij niet het minste begrip van den inhoud van dat boek. Eerst als gij het acht of tien malen doorgelezen hebt, begint gij te denken, welk een dom schepsel gij zijt, dat gij zulk een opgeblazen ketterij zijt gaan lezen, want zij verbittert en maakt u boos, omdat gij Gods dierbare waarheid zoo schandelijk ziet vertrappen. Eenige onzer zijn geroepen die aanvallen op de

ocr page 92

HT.T PLAATSVERVAUGEND OFFER.

74

waarheid te weerstaan, ofschoon strijdvoeren ons lievelingswerk niet is. quot;Wij verheugen ons over de vrijheid onzer medemenschen, dat zij hun overtuiging mogen uitspreken, maar als zij die dierbare zaken aanraken, raken zij onzen oogappel aan. Wij kunnen duizenderlei gevoelens in de wereld verdragen, maalais er inbreuk gemaakt wordt op do dierbare leer der verbondsgenade, door de toegerekende gerechtigheid onzes Heeren Jezus Christus, dan moeten en willen wij, zoolang God ons het leven gunt, er van ganscher harte en met allen ernst tegen getuigen. Ontneemt ons die heerlijke leer, en wat rest ons dan nog, broeders ? Dan kunnen wij ons wel nederleggen om te sterven, want dan hebben wij niets meer, dat het leven waard is. .-Vis deze leer onwaar is, zijn wij in de vallei der doodsschaduw gekomen. Indien deze zaken niet behooren tot de waarheid, die in Christus is, dus niet waar zijn, dan is er voor geen enkel mensch onder Gods hemel eenige troost meer, en zou het beter voor ons zijn, dat wij nooit geboren waren geweest. Met Jonathan Edwards mag ik wel zeggen: „Indien iemand kon aanwijzen, dat de leer des evangelies dwaling bevat, dan mocht hij wel gaan schreien bij de gedachte, dat zjj onwaarheid was, want grooter ellende kon de wereld niet overkomen, dan even een blik in die waarheden te mogen werpen, om ze daarna in de fijne lucht der verdichting te zien verdwijnen, omdat zij niet de minste werkelijkheid bevatten.quot; Staat voor de waarheid in Christus pal; ik bedoel niet, dat gij een overdreven godsdienstijver betoont, maar dat gij beslist zijt. Stemt toch op geenerlei wijze in met dien zotteklap en die dwaalleer, die men verspreidt, maar staat pal. Laat u niet door vermeend diep inzicht en zoogenaamde hooge

ocr page 93

HET PLAATSVERVANGEND OFFER.

75

wijsgeerige redeneeringen afrukken uit uw vastigheid, maar strijdt met allen ernst voor liet geloof, dat eenmaal den heiligen overgeleverd is, en houdt het voorbeeld der gezonde woorden, die gij van ons gehoord hebt, en die u geleerd zijn, gelijk gij gelezen hebt in het Boek, hetwelk de weg ten eeuwigen leven is.

ocr page 94

ROWLAND HILL EN LADY ERSKINE.

Op zekeren dag, toen Rowland Hill in de open lucht aan liet preeken was, kwam Lady Ann Erskine toevallig er aan rijden. Zij vroeg aan haar koetsier, waartoe al die menschen daar bijeen waren. Hij antwoordde: „Zij zijn daar, om Rowland Hill te hooren.quot;' Zij had zeer veel over dien zonderlingen man hooren spreken, die voor den dolsten prediker gebonden werd: zij reed dus wat dichter bij. Nauwelijks had Rowland Hill haar gezien, of hij zeide: „Kom, ik ga een veiling houden, ik ga Lady Ann Erskine verkoopen.quot; Natuurlijk Hetzij het rijtuig stilhouden, uit nieuwsgierigheid, hoe over haar beschikt zou worden. „Wie wil haar koopen?quot; De wereld biedt zich aan. „Wat wilt gjj voor haar geven?quot; „Ik wil haar al de pracht en al de ijdelheid van dit tegenwoordige leven geven; zij zal een gelukkige vrouw op aarde zijn, zij zal zeer rijk wezen, zij zal veel bewonderaars hebben en gedurende haar geheele leven de eene bljjdschap na de andere genieten/' Gij zult haar niet hebben; haar ziel zal eeuwig bestaan; de prijs, dien gij aanbiedt, is al zeer gering; gij geeft al zeer weinig; en wat zal het haar baten, al wint zij de geheele wereld en zjj verloor haar ziel?

Daar komt een andere kooper — het is de duivel. „Wat wilt gij voor haar geven?quot; „Wel,quot; zegt hij, „ik

ocr page 95

ROWLAND HILL EN LADY ERSKLSE.

wil haar al de vermaken der zonde voor een tijd doen genieten; zij zal vrij mogen doen alles, wat haar hart wenscht; alles wat oog en oor bekoort, zal zij ontvangen; en iedere zonde, iedere ondeugd, die eenig kortstondig genot kan schenken, zal zij mogen bedrijven.quot; Och, Satan, wat wilt gij in de eeuwigheid met h a a r doen? Gij zult haar niet hebben, want ik weet wie en wat gij zijt; gij zoudt een bedroefde kleinigheid voor haar betalen, en daarna haar ziel in alle eeuwigheid ten verderve voeren.

Maar daar zie ik een anderen kooper — ik ken Hem — het is de Heere Jezus. „Wat wilt Gij voor haar geven ?quot; Hij zegt: „Het is de vraag niet, wat ik wil geven,maar wat ik heb gegeven; ik heb mijn leven voor haar gegeven, mijn bloed voor haar gestort; ik heb haar met een duren prijs gekocht en wil haar voor eeuwig en altoos den hemel schenken; ik wil thans genade in haar hart uitstorten en haar in alle eeuwigheid met de heerlijkheid bedeelen.quot;

„O Heere Jezus Christus,quot; zeide Rowland Hill, „Gij zult haar hebben. Lady Ann Erskine, hebt gij iets op den koop tegen ?quot; Zij stond geheel verbluft en kon geen woord uitbrengen. „Het is afgeloopen,quot; zeide hij, „de koop is gesloten; gij behoort den Zaligmaker; ik heb u met Hem verloofd; verbreek dat verbond nooit.quot; En dat heeft zij nimmer gedaan. Van dien tijd afhield zij op een levenslustige, wufte dame te zijn, en werd zij een der ernstigste nienschen, een der grootste steunpilaren van de evangeliewaarheid in die tijden; en zij stierf in de heerlijke en zekere verwachting, dat zij het koninkrijk der hemelen binnenging. Christus wil hem tot discipel aannemen, die Christus tot zijn Zaligmaker verkiest.

77

ocr page 96

GOD SPREKENDE TOT ALLEN.

Ieder menscli bezit in zjjn bedrijf een predikatie, die hem toespreekt en vermaant. De 1 andbouwer verneemt wel duizend predikatiën. Hij kan geen voet verzetten, of hij hoort het gezang van engelen en de stem van geesten, die hem tot rechtvaardigheid aansporen; want de geheele natuur rondom hem zien wij meteen tong bedeeld, wanneer wij maar een oor hebben om te hooien.

Maar er zjjn ook menschen, die een bedrijf uitoefenen, dat hun slechts zeer weinig van de natuur vergunt te zien, nochtans zendt God ook hun zijn roepstemmen. Denk maar eens aan den bakker, die ons van brood voorziet. Hjj werpt zijn brandstof in den oven, maakt hem gloeiend heet, en zet er brood in. Indien hij een goddeloos mensch is, mag hij wel sidderen en beven, als hij voor den ovenmond staat, want de Schrift bevat de volgende duidelijke woorden: „Want ziet, die dag komt brandende als een oven; dan zullen alle hoog-moedigen en al wie goddeloosheid doet, een stoppel zijn, en de toekomstige dag zal ze in vlam zetten. En men zal hen in den vurigen oven werpen en zij zullen verbranden.quot; Uit den mond des ovens komt dus een vurige, dringende waarschuwing, die 's mans hart als was binnen in hem zou doen smelten, als hij er maar acht op sloeg.

ocr page 97

GOD SPREKENDE TOT ALLEN.

Let ook op den slager. Hoe krachtig spreekt het dier tot hem! Hij ziet, dat het lam zijn mes bijna aflikt, en dat de os zonder het te weten ter slachtbank gaat. Hoe moest hij telkens, als hij het argelooze dier, dat niets van den dood weet, den doodsteek toebrengt, aan zijn eigen lot denken! Worden wij allen, voorzooverre wij buiten Christus zijn, niet vetgemest voor den dag der slachting? Zijn wij niet dwazer dan de os, want volgt de goddelooze zijn beul niet en wandelt hij niet zijn eigen verderver na tot in do kaken der hel ? Wanneer wij een dronkaard zich bij voortduring aan dronkenschap zien overgeven, of eeu wellusteling den weg der losbandigheid zien ophollen, gaat hij dan niet gelijk een os ter slachtbank, totdat een pijl zijn lever doorsnijdt? Heeft God niet zijn mes gewet en zijn bijl gereed gemaakt, om de vetgemeste dieren der aarde te dooden, wanneer hij tot de vogelen der lucht en tot de beesten des velds zeggen zal: „Zie, ik heb een feest der wrake voor u aangericht, en gij zult het vette eten tot verzadiging toe, en bloed drinken tot dronkenschap toe?quot; O slager, uw bedrijf bevat een predikatie tot u, en kan heel wat ter uwer beschuldiging zeggen.

En gij, die wegens uw handwerk den ganschen dag moet stilzitten, en schoeisel voor onze voeten moet maken,— de klopsteen op uw schoot kan u bestraffen, want uw hart is misschien even hard als die steen. Zijt gij niet even dikwijls geslagen als uw klopsteen, en is nochtans uw hart onverbroken, onvermurwd gebleven ? En wat zal de Heere ten laatste tegen u zeggen, wanneer gij uw steenen hart nog altijd hebt en Hij u moet veroordeelen en verwerpen, omdat gij zijn bestraffingen niet wildetaannemen en op de stem zijner vermaningen u niet wildet bekeeren ?

79

ocr page 98

GOD SPREKENDE TOT ALLEN.

De b r o u w e r gedcnke, dat hij zijn eigen brouwsel moet drinken. De potten bakker beve, opdat hij niet gelijk zij aau een op het wiel bedorven vat. De boekdrukker zorge, dat zijn leven in hemelsche letters gezet zij en niet in de zwarte letters der zonde. Schilder, noem u in acht! want verf zal niet voldoende zijn; wij moeten ongcverniste waarheid hebben.

Gij kunt ook bezig zijn in een bedrijf, waarin gij voortdurend maten en gewichten gebruikt. Zoudt gij u zeiven niet gedurig in die schalen kunnen zetten ? Zoudt gij u niet kunnen voorsteijen, dat gij dien grooten Hechter bij u zaagt staan, dat Hij zijn evangelie in de eene schaal legde en gij in de andere stondt, en dat Hij u ernstig aanzag en zeide: e n e, mene, t e k e 1, —gij zij t in de weegschalen gewogen en te licht bevonden ?quot; Eenigen uwer gebruiken den meter, en als gij gemeten hebt, knipt gij van de stof het deel af, dat uw klant vraagt. Denk ook aan uw leven; het zal een bepaalden lengte hebben; ieder jaar brengt de maat iets verder op het einde aan, en eindelijk komt de schaar, die uw leven zal afsnijden, en het is gedaan. Waaraan weet gij, dat gij aan den laatsten centimeter gekomen zijt? Wat is die ziekte, waaraan gij lijdt, anders dan de eerste knip van de schaar? Wat is dat beven in uw beenderen, dat verzwakken van uw oogen, dat wijkon van uw geheugen, dat verliezen van uw jeugdige kracht anders dan de eerste scheur? Hoe spoedig zult gij vaneen gescheurd zijn, zal het overschot uwer dagen vervlogen, en zullen al uwe jaren geteld en verloopen, kwalijk besteed en voor eeuwig verloren zijn!

Maar gij zegt, dat gij een knecht zijt en dat uw bezigheden zeer verschillen. Dan zijn de lessen, die God u

so

ocr page 99

GOD SPREKENDE TOT ALLEN.

predikt, ook verschillend. „De dienstknecht hijgt naaide schaduw en de daglooner verwacht zijn werkloon.quot; Deze woorden wijzen u op hetgeen er geschieden zal, wanneer gij uw dag op aarde zult teneindegebracht hebben, en eindelijk uw loon zult ontvangen. Waar is dus uw Meester? Dient gij Satan en de lusten des vleesches, en wilt gjj aan het einde het vloeiend metaal uit den poel des verderfs als uw loon ontvangen ? of dient gij den beminnelijken Vorst Immanuel en zal de gouden munt uw hemelloon zijn ? O, gelukkig zijt gij, indien gij een goed Meester dient! want naardat uw meester is, zal uw belooning zijn; naardat uw arbeid is, zal het einde wezen.

Of mogelijk zijt gij iemand, die de pen voert, en van uur tot uur u moede schrijft. O, mensch! weet, dat uw leven een geschrift is. Wanneer uw hand de pen niet voert, zijt gij een schrijver; altijd zijt gij aan het schrijven op de bladzijden der eeuwigheid: gij beschrijft óf uw zouden óf uw heilig vertrouwen op Hem, die u heeft liefgehad. Gelukkig zal het voor u zijn, o schrijver, indien uw naam in liet boek des levens des Lams geschreven is, en indien dat zwarte schrift van u, in de geschiedenis van uw pelgrimstocht op aarde, met het roode bloed van Christus zal zijn uitgewischt, en de heerlijke naam van Jehovah op u zal geschreven zijn, om daar voor eeuwig te worden gelezen.

Doch gij zijt wellicht een dokter of een schei-kundige; door u worden medicijnen voorgeschreven of bereid voor 's menschen lichaam. God staat naast uw stamper en uw vijzel en bij de tafel, waar gij uw recepten schrijft, en Hij zegt: „Mensch, gij zijt ziek; ik heb een recept voor u. Het bloed en de gerechtigheid van Christus,

(J

81

ocr page 100

GOD SPREKENDE TOT ALLEN.

De b r o u w e r gedenke, dat hij zijn eigen brouwsel moet drinken. De potten bak ke r beve, opdat li ij niet gelijk zij aan een op het wiel bedorven vat. De boekdrukker zorge, dat zijn leven in hemelsche letters gezet zij en niet in de zwarte letters der zonde. Schilde r, neem u in acht! want verf zal niet voldoende zijn; wij moeten ongcverniste waarheid hebben.

Gij kunt ook bezig zijn in een bedrijf, waarin gij voortdurend maten en gewichten gebruikt. Zoudt gij u zeiven niet gedurig in die schalen kunnen zetten ? Zoudt gij u niet kunnen voorsteijen, dat gij dien grooten Rechter bij u zaagt staan, dat Hij zijn evangelie in do eene schaal legde en gij in de andere stondt, en dat Hij u ernstig aanzag en zeide: „Mono, mene, te kei, —gij zijt in de weegschalen gewogen en te licht bevonden ?quot; Eenigen uwer gebruiken den meter, en als gij gemeten hebt, knipt gij van de stof het deel af, dat uw klant vraagt. Denk ook aan uw leven; het zal een bepaalden lengte hebben; ieder jaar brengt de maat iets verder op het einde aan, en eindelijk komt de schaar, die uw leven zal afsnijden, en het is gedaan. Waaraan weet gij, dat gij aan den laatsten centimeter gekomen zijt ? Wat is die ziekte, waaraan gij lijdt, anders dan de eerste knip van de schaar? Wat is dat beven in uw beenderen, dat verzwakken van uw oogen, dat wijkon van uw geheugen, dat verliezen van uw jeugdige kracht anders dan de eerste scheur ? Hoe spoedig zult gij vaneen gescheurd zijn, zal het overschot uwer dagen vervlogen, en zullen al uwe jaren geteld en verloopen, kwalijk besteed en voor eeuwig verloren zijn!

Maar gij zegt, dat gij een knecht zijt en dat uw bezigheden zeer verschillen. Dan zijn de lessen, die God u

so

ocr page 101

GOD SPREKENDE TOT ALLES.

predikt, ook verschillend. „De dienstknecht hijgt naar de schaduw en de daglooner verwacht zijn werkloon.quot; Deze woorden wijzen u op hetgeen er geschieden zal, wanneer gij uw dag op aarde zult teneindegebracht hebben, en eindelijk uw loon zult ontvangen. Waar is dus uw Meester? Dient gij Satan en de lusten des vleesches, en wilt gij aan het einde het vloeiend metaal uit den poel des verderfs als uw loon ontvangen ? of dient gij den beminnelijken Vorst Immanuel en zal de gouden munt uw hemelloon zijn? O, gelukkig zijt gij, indien gij een goed Meester dient! want naardat uw meester is, zal uw belooning zijn; naardat uw arbeid is, zal het einde wezen.

Of mogelijk zijt gij iemand, die de pen voert, en van uur tot uur u moede schrijft. O, mensch! weet, dat uw leven een geschrift is. Wanneer uw hand de pen niet voert, zijt gij een schrijver; altijd zijt gij aan het schrijven op de bladzjjden der eeuwigheid: gij beschrijft of uw zonden óf uw heilig vertrouwen op Hem, die u heeft liefgehad. Gelukkig zal het voor u zijn, o schrijver, indien uw naam in het boek des levens des Lams geschreven is, en indien dat zwarte schrift van u, in de geschiedenis van uw pelgrimstocht op aarde, met het roode bloed van Christus zal zijn uitgewischt, en de heerlijke naam van Jehovah op u zal geschreven zijn, om daar voor eeuwig te worden gelezen.

Doch gij zijt wellicht een dokter of een scheikundige; door u worden medicijnen voorgeschreven of bereid voor 's menschen lichaam. God staat naast uw stamper en uw vijzel en bij de tafel, waar gij uw recepten schrijft, en Hij zegt: „Mensch, gij zijt ziek; ik heb een recept voor u. Het bloed en de gerechtigheid van Christus,

0

81

ocr page 102

ftOD SPREKENDE TOT ALLEN.

aangegrepen door het geloof, en toegepast door den Geest, kunnen uw ziel genezen. Ik kan een medicijn voor u samenstellen, dat u van uw kwalen zal verlossen en u brengen zal naar de plaats, waar geen inwoner meer zal zeggen: „Ik ben ziek.quot; Wilt gij mijn medicijn innemen, of weigert gij het? Is het u te bitter en zijt gij er afkeerig van ? Kom, drink mijn kind, drink, want het geldt uw leven; en hoe zult gij ontvlieden, indien gij op zoo groote zaligheid geen acht geeft?quot; Giet gij ijzer, of smelt gij lood, of smelt gij de harde metalen der mijnen samen ? Bidt dan, dat de Heere uw hart smelte en u naar zijn beeld vernieuwe? Maakt gij kleederen voor de menschen ? O draag toch zorg, dat gjj voor uzelven een kleed voor de eeuwigheid hebt.

Zijt gij den ganschen dag bezig met bouwen, en legt gij dan den eenen steen op den anderen en verbindt gij die door kalk? Gedenk dan, dat gij ook voor de eeuwigheid bouwt. O, dat gij zelf toch op een goed fundament gebouwd wordet! En dat gij daarop niet hout, hooi of stoppelen bouwet, maar goud en silver en kostelijke steenen en dingen, die tegen het vuur bestand zijn! Draag zorg, o mensch, dat gij niet Gods steigerwerk zijt, om op aarde bij 't bouwen zijner kerk dienst te doen, maar om, wanneer zijn kerk \oltooid is, te worden afgebroken en met onuitblusschelijk vuur te worden verbrand. Draag toch zorg, dat gij gebouwd zijt op een rots, en niet op het zand, en dat het roode cement van het dierbare bloed des Zaligmakers u vereenige met het fundament van het gebouw en met iederen steen daarvan.

Zijt gij een juwelier, en zjjt gij van dag tot dag bezig met uw juweel te snijden en uw diamant te slijpen? Gave God, dat gij u liet waarschuwen door de tegenstelling,

82

ocr page 103

GOD SPREKENDE TOT ALLEN. 83

die gij vormt met den steen, waarop gij uw kunst toepast. Gij snijdt hem, en hoe meer gij dit doet, hoe meer hij glinstert, maar ofschoon gij gesneden en geslepen zijt, d. i. ofschoon gij cholera en koorts hebt gehad en menigen dag vóór de poorten des doods hebt gelegen, zoo zijt gij er toch volstrekt niet helderder, maar wel doffer door geworden, want gij zijt, helaas! geen diamant. Gij zijt slechts een keisteen uit de beek, en ten dage, dat God zijn juweelen zal vergaderen, zal hij u geen plaats geven in zijn juweelkist; want gij zijt niet een der kostelijke kinderen Zions, die tegen fijn goud geschat worden.

Kortom, welke ook uw stand, welk ook uw bedrijf zij, voortdurend wordt er een predikatie tot uw geweten gericht. Mijn hartelijke wensch is, dat gij van dit oogen-blik af oog en oor openet, en moogt zien en hooren wat God u wil leeren.

ocr page 104

DE VERDACHTE HERBERG.

De eenvoudige Ananias vreesde naar Saulus te gaan; hij daclit, dat hij bijna even goed zich in een leeuwenkuil kon begeven. „Als ik naar zijn woning ga,quot; zoo dacht hij, „zal Saulus op 'coogenblik, dat hij mij ziet, mij vatten en dadelijk naar Jeruzalem brengen, want ik ben één van Christus' discipelen; ik durf niet gaan.quot; God zegt: „Zie, hij bidt.quot; „Komaan, dat is genoeg voor mij,quot; zegt Ananias. „Als hij een biddend man is, zal hij mij geen kwaad doen; als hij een man van oprechte godsvrucht is, dan ben ik volkomen veilig.quot; Ik weet niet, hoe het komt, maar zelfs ongodsdienstige menschen hebben toch altijd nog eerbied voor een oprecht christen. Een baas heeft toch eigenlijk gaarne een biddenden knecht; al geeft hij zelf niet veel om godsdienst, een vrome knecht lijkt hem, en hij vertrouwt hem eerder dan een ander, 'tls maar al te waar, onder degenen, die naar hun belijdenis biddende menschen moeten zijn, bevinden er zich, die geen greintje behoefte aan 't gebod hebben ; maar wanneer gij ooit een man vindt, die in waarheid een man des ge-beds is, dan kunt gij hem de grootste schatten toevertrouwen. Indien hij werkelijk bidt, behoeft gij niet voor hem te vreezen. Hij, die gemeenschap houdt met God in het verborgen, kan in 't openbaar vertrouwd worden. Ik gevoel mij altijd op mijn gemak bij iemand, die den genadetroon bezoekt.

ocr page 105

DE VERDACHTE HERBERG.

Ik hoorde eens de volgende anekdote vertellen. Twee heeren reisde samen, ergens in Zwitserland. Zij kwamen midden in een bosch. Ge weet, dat er sombere verhalen in omloop zijn van herbergen in afgelegen, eenzame plaatsen, en hoe gevaarlijk het is, aldaar den nacht over te blijven. Een van die twee reizigers, een ongeloovige, zeide tot den ander, die een christen was: „Ik ben er niet op gesteld, hier te blijven; alles ziet er hier zoo vreemd uit.'' „Nu, we kunnen er eens ingaan en op alles goed acht geven.quot; Zij gingen nu het huis in, maar het kwam hun zoo verdacht voor, dat het geen van beiden beviel; gij kunt dus wel denken, dat zij wenschten goed en wel in Engeland aan hun eigen haard te zitten. Kort daarna zeide de waard: „Heeren, ik lees en bid altijd met mijn gezin, vóór ik naar bed ga; wilt gij mij toestaan, dit ook heden avond te doen?quot; „Ja,quot; zeiden zij, „met het grootste genoegen.quot; Toen zij naar boven gingen, om te slapen, zeide de ongeloovige: „Nu ben ik volstrekt niet bevreesd.quot; „Waarom niet?quot; zeide de Christen. — „Omdat onze gastheer geboden heeft.'' „O zoo,quot; zei de ander, „dan schijnt godsdienst toch nog iets voor u te beteekenen. Omdat een man bidt, kunt gij in zijn huis gerust slapen, en vreest gij niet, dat gij uitgeplunderd of vermoord wordt.quot; Het was verwonderlijk, zoo kostelijk als beiden sliepen. Zij hadden liefelijke droomen, want zij waren zich bewust, dat, nu het huis het gebed tot dak en de godsvrucht tot bolwerk had, niemand hun leed zou doen. Om dezelfde reden kon ook Ananias ■veilig naar Saulus' verblijfplaats gaan.

Mevrouw Berry placht te zeggen: „Voor geen duizend •werelden zou ik afstand doen van mijn binnenkamer.quot;

De heer Jay zeide: „Indien de twaalf Apostelen dicht

85

ocr page 106

DE VERDACHTE HERBERG.

bij ii woonden en gij vrijen toegang tot hen hadt, maar die omgang met hen u uw binnenkamer deed verlaten, dan zouden zi] u groote schade aan uw zielen berokkenen.quot; Het gebed is bet schip, dat de rijkste vrucht van de hemelsche kusten aanbrengt. Het gebed is de grond, die den overvloedigsten oogst oplevert.

Broeder, als gij des morgens opstaat, vervult uw bedrijf zoozeer uw hart, dat gij, na in haast een paar woorden gesproken te hebben, u in de wereld begeeft; en des avonds zijt gij afgemat en vermoeid, en geeft gij het uitschot van den dag aan God; en het gevolg van dit alles is, dat gij geen gemeenschap met God oefent. De reden, dat er tegenwoordig niet meerdere waarachtige godsvrucht onder ons woont, ligt hierin, dat het verborgen gebed niet is toegenomen. Vrienden, ik heb een lagen dunk van de hedendaagsche kerken, als er geen gebed gevonden wordt.

Zes tot uw leeraar: „Er moet meer gebeden worden.quot; Spoor de menschen tot meerder gebed aan. Houd een bidstond, al houdt gij dien alleen. Er moet méér ware godsvrucht onder ons komen, anders ziet het er met vele onzer kerken treurig uit. O, moge God ons allen verlevendigen, en ons aan t bidden brengen, want als wij bidden, zullen wij overwinnen. Ik zou gaarne u aanvatten, gelijk Simson de vossen deed, de fakkels des gebeds aan u binden en u dan onder de korenhoopen zenden, totdat gij het geheele veld in vlam staakt. Ik zoude gaarne door mijn woorden een grooten brand stichten en al de kerken met het vuur des ij vers voor Gods eere vervullen.

so

ocr page 107

EEXIGE VOLKSDWALINGEN.

Velen verbeelden zich, dat zij niet anders behouden kunnen worden dan langs een geheimzinnigen weg, die zich niet laat beschrijven; maar de leeraar en de priester kunnen er niet bij gemist worden. Gij, die dit zegt, luistert: al hadt gij nooit in uw leven een bedienaar des evangelies gezien, al hadt gij nooit de stem van een leeraar of ouderling der kerk gehoord, dan zoude toch, indien gij den naam des Heeren aanriept, uw zaligheid even gewis zijn zonder als met één hunner. Wij, die den Heere Jezus Christus liefhebben, zijn allen priesters, en indien God u de bekwaamheid heeft gegeven en u door zijn Geest tot het werk der evangelie-prediking heeft geroepen, zjjt gij er even geschikt voor als ieder ander. Geen handoplegging, geen ordening van menschen is noodig; wij komen op voor do rechten van den mensch, om te spreken wat wij gelooven, en daarnaast voor de roeping van Gods Geest in het hart, die ons dringt om van zijn waarheid te getuigen. Maar noch Paulus noch een engel uit den hemel, noch Apollos, noch Cephas kunnen u in zake de zaligheid van dienst zijn. Geen mensch, hij zij paus, aartsbisschop, bisschop, priester, leeraar of wie ook, heeft over eenige genade ter mededeeling aan anderen te beschikken Ieder onzer moet zelf naar de bron

ocr page 108

EENIGE VOLKSDWALINGEN.

gaan, en op deze belofte pleiten: „Een iegelijk, die den naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden.quot; Indien ik opgesloten ware in de mijnen van Siberië, waar ik nooit het evangelie kon hooren, en ik riep aldaar den naam van Christus aan, dan klom mijn gebed even rechtstreeks tot Hem op zonder den leeraar ais met hem; en het pad ten hemel loopt even onbelemmerd van uit de woestijnen van Afrika en de holen der kerkers, als van uit Gods heiligdom. Dat neemt echter niet weg, dat alle christenen den dienst der leeraren liefhebben, maar als middel ter opbouwing, niet ter zaligheid; hoewel zij noch op den priester noch op den prediker hun vertrouwen stellen, is hun het woord van God toch aangenaam, en „liefelijk zijn op de bergen de voeten desgenen, die het goede boodschapt, die den vrede doet hooren.quot;

Een andere vrij algemeene dwaling is, dat een goede droom een allerkostelijkst iets is, om menschen zalig te maken. Niet allen weten, gelijk ik, hoe ver deze dwaling is doorgedrongen. Veel menschen gelooven, dat, indien gij droomt, dat gij in den nacht den Heere ziet, gij zalig zult worden, en dat, indien gij Hem aan het kruis kunt zien, of indien gij engelen meent te zien, of droomt, dat God tot u zegt: „U zijn de zonden vergevenquot;, alles volkomen in orde is; maar dat gij niet kunt zalig worden, indien gij zulk een mooien droom niet hebt. Dat deuken sommige menschen. Nu, als dat zoo is, hoe spoediger wij dan beginnen opium te schuiven, hoe beter; want niets doet de menschen zooveel droomen ais opium; en ik zou geen beter raad kunnen geven dan dezen: ieder leeraar deele met milde hand opium uit, dan zullen al de leden zijner gemeente droomen, dat zij in den hemel komen.

88

ocr page 109

EENIGE VOLKSDAVALINGEN.

89

quot;Weg met dien zottepraat, die geen grond heeft. Droomen, de ordelooze vrucht eener ordelooze verbeelding, de onzinnige afdwalingen eener weelderige fantasie, — hoe kunnen die genademiddelen zijn? Gij weet wat Rowland Hill zoo wel ter snede sprak; bij gebrek aan beter moet ik dat woord aanhalen. Toen een vrouw beweerde, dat haar ziel gered was, omdat zij dit had gedroomd, zeide hij: „Wel mijn goede vrouwtje, het is wel zeer aardig goede droomen te hebben, als gij slaapt, maar ik wensch gaarne te zien, hoe gij handelt, als gij wakker zijt; want indien uw gedrag niet met den godsdienst bestaanbaar is, wanneer gij wakker zijt, geef ik geen cent voor al uw droomen.quot; O, het verwondert mij, dat iemand ooit zoo dom kon zijn, mij al die droomen te vertellen, die ik al heb moeten hooren. Die arme schepselen ! Toen zij vast in slaap waren, zagen zij de hemelpoorten geopend en kwam een engel in witte kleederen hun zonden wegwasschen, en toon zagen zij, dat zij vergeven waren; en sedert dien tijd hebben zij nooit meer getwijfeld of gevreesd. Is het zoo met u, dan is het waarlijk tijd, dat gij begint te twijfelen, hoog tijd ook; want indien dat al de hoop is, die gij koestert, dan is het een armzalige hoop. Bedenk wel, er staat geschreven: „Een iegelijk die den naam des Heeren zal aanroepenquot; niet: een iegelijk, die van Hem droomt. Droomen kunnen iets goeds uitwerken. Soms worden menschen door droomen zoo verschrikt, dat zij onzinnig worden, en in dien toestand zijn zij nog beter dan wanneer zij bij zinnen zijn, want zij doen in gewonen toestand meer kwaad dan in dezen buitengewonen, zoodat hun droomen inderdaad nog iets goeds uitwerken.. Ook zijn er menschen door droomen ontrust; maar er op te vertrouwen is op een schaduw te

ocr page 110

EEXIGE VOr.KSDWALTXGKX.

vertrouwen, is uw hoop bouwen op waterbellen, die ook zonder eenigen windtocht uiteen spatten en niets achterlaten. O, bedenk wel, gij hebt geen behoefte aan een visioen, aan een wonderbare verschijning. Hebt gij een visioen of een droom gehad, gij behoeft dien niet te verachten; gij kunt er nut uit getrokken hebben; maar laat hij toch niet de grond uwer hoop zijn. Hebt gij echter geen visioen of droom gehad, herinner u dan steeds, dat de belofte enkel aan het aanroepen van den naam des Heeren is verbonden.

Sommige menschen meenen eenige zonderlinge aandoeningen te moeten ondervinden, om zalig te kunnen worden; eenige allerbijzonderste gedachten, zooals zij nooit te voren hadden of — de zaligheid wordt hun deel niet. Een vrouw vervoegde zich eens bij mij, om tot het lidmaatschap dor kerk te worden toegelaten. Ik vroeg haar, of zij ooit verandering des harten had ondervonden. „O ja, mijnheer,quot; zeide zij, „o zoo'n groote verandering. U weet, dat ik in de borst zoo'n pijnlijk gevoel had, mijnheer; en toen ik op zekeren.dag bad, gevoelde ik mij op eens zoo geheel anders, zonder dat ik er de oorzaak van kende. En toen ik op een avond naar de kerk ging, was het mij onderweg zoo geheel anders dan vroeger; zoo licht.quot; „Ja zoo licht in t hoofd, lieve ziel, zeide ik, „dat hebt ge gevoeld, maar ook niets meer, vrees ik.quot; De goede vrouw was eerlijk genoeg; zij dacht, dat het goed bij haar gesteld was, omdat het een of ander gewerkt had op haar longen of een weldadigen invloed op haar lichaam had uitgeoefend. „Neen,quot;' hoor ik u zeggen, „zoo dom kunnen de men-schen toch niet zijn.' Ik verzeker u, dat velen geen betere hoop op den hemel hebben dan deze vrouw; want ik bespreek thans iets,

90

ocr page 111

EEXIGE VOLKSDWALINGEN.

dat zeer veel ingang gevonden heeft onder het volk. Zoo zeide eens iemand tot mij : „Toen ik in den tuin was, dacht ik: Christus zou voorzeker even gemakkelijk mijn zonden kunnen wegnemen, als Hij de wolken kan verdrijven. En ziet u, mijnheer, binnen een minuut of twee was de wolk verdwenen en scheen de zon. Toen zeide ik tot mij zei ven : de Heere is bezig met mijn zonde uit te wisschen.quot; Zulk een belachelijke gedachte kan niet dikwerf voorkomen, zegt gjj. Ik verklaar u, dat zij wel degelijk menigvuldig voorkomt. De menschen zijn in de veronderstelling, dat de grootste onzin van do wereld eon openbaring van goddelijke genade in hun hart is.

Maar het eenige, dat ik steeds wensch te gevoelen, is: dat ik een zondaar ben en dat Christus mijn Zaligmaker is. Gij kunt uw gezichten en verrukkingen en opwindingen voor u houden: het eenige gevoel, dat ik wensch te bezitten, is een diep berouw en een ootmoedig geloof; en indien gij dat hebt ontvangen, arm zondaar, dan zijt gij behouden. Er zijn menschen, die gelooven, dat, vóór zij van behoudenis kunnen spreken, zij een soort van electrieken schok moeten gevoelen, iets zeer wonderbaars, dat hun van het hoofd tot den voetzool moet doortrekken. Luister naar het volgende: „Het woord is nabij u, in uw mond en in uw hart. Indien gij met uw hart gelooft in den Heere Jezus Christus en met uw mond belijdt, zoo zult gij zalig worden.quot; Wat heb ik aan al dien onzin van droomen en bovennatuurlijke gedachten ? Alles wat ik behoef, is, dat ik ais een schuldig zondaar tot Christus kom en mij aan Hem overgeef. Is dat geschied, dan is de ziel in veilige haven, en al de visioenen van het heelal zouden haar veiligheid niet kunnen vermeerderen.

91

ocr page 112

BENIGE VOLKSDWALINGEN.

92

Ik moet nog één dwaling trachten weg te nemen. Onder zeer arme menschen — en ik heb eenige hunner bezocht en weet, dat, wat ik zeg, waar is — onder de zeer armen en onontwikkelden is liet denkbeeld in omloop, dat op de eene of andere wijze de zaligheid verbonden is aan de kunst van lezen en schrijven. Gij glimlacht misschien, maar ik weet, wat ik zeg. Dikwijls heeft een arme vrouw tot mij gezegd: „O mijnheer, dit goede is niet voor arme onwetende schepselen, als wij zijn. Voor mij is er geen hoop, mijnheer; want ik kan niet lezen. Weet u, mijnheer, dat ik geen letter ken ? Mij dunkt, dat ik zalig kon worden, als ik een beetje lezen kon; maar hoe ik zalig kan worden, nu ik zoo dom ben, weet ik niet; want mij ontbreekt het noodige verstand, mijnheer.quot; Ik heb deze meening ook gevonden op het platte land onder menschen, die lezen konden leeren, indien zij dit wilden; en iedereen kan dat leeren, als hij er niet te lui voor is. Xochtans blijven velen in koele onverschilligheid omtrent de zaligheid neerzitten, zich diets makende, dat de leeraar en de voorlezer kunnen zalig worden, omdat zij een hoofdstuk uit den Bijbel zoo mooi kunnen lezen; dat de rijke heer kan zalig worden, omdat hij zooveel weet, en zooveel boeken in zijn bibliotheek heeft; maar dat zij niet zalig kunnen worden, omdat zij niets weten. Mijn arme vriend, gij behoeft niet veel te weten, om naar deu hemel te gaan. Ik raad u zooveel kennis te verzamelen, als gij kunt; zijt nooit traag in het leeren. Maar wat den weg ten hemel betreft, die is zoo eenvoudig, dat, „die dezen weg bewandelt, niet zal dwalen, al is hij een dwaas.quot;

ocr page 113

WINST EN VERLIES.

De ziel verkoopen voor eex daalder.

Het is verwonderlijk, voor hoe weinig een mensch zijn ziel wil verkoopen. Ik herinner mij een anekdote, die ik voor waar houd; ik had bijna gezegd, dat ik hoop, dat zij waar is. Een leeraar, die midden door eenige akkers ging, ontmoette een landman, en zeide tot hem: „Wel, vriend, welk een allerheerlijkste dag is het!'' „Ja, mijnheer.quot; En nadat hij over de schoonheden der natuur rondom hen, en over andere zaken tot hem gesproken had, zeide hij: „Hoe dankbaar behoorden wij te zijn voor al de goedertierenheden, die wij genieten! Ik hoop, dat gij nooit buiten komt, zonder te bidden!'' „Bidden,mijnheer!quot; zeide hij, „wel, ik bid nooit, ik heb niets, waarvoor ik moet bidden.quot; „Welk een zonderling mensch!quot; zei de leeraar „bidt uw vrouw niet?quot; „Als zij wil.quot; „Bidden uw kinderen niet?quot; „Als zij willen, doen zij 't.quot; „Gij wilt dus zeggen, dat gij niet bidt,quot; zei de leeraar; „nu, ik wil u een daalder geven, als gij mij belooft uw leven lang niet te bidden.quot; (Mijns inziens deed de leeraar hier niet goed aan; hij zag ongetwijfeld, dat de man bijgeloovig was.) „Heel goed,quot; zei de man, „ik zie niet in, waarom ik zou moeten bidden,quot; en hij nam den daalder aan. Thuis gekomen trof hem de gedachte: „Wat ben ik

ocr page 114

WINST EX VERLIES.

94

begonnen?quot; En een stem in zijn binnenste zeide: „Wel, Jan, gij zult spoedig sterven, en clan zult gij willen bidden; gij zult voor uw liechter moeten verschijnen, en het zal er treurig uitzien, als gij niet gebeden hebt.quot; Dergelijke gedachten kwamen bij hem op, en hij begon zich vreeselijk ellendig te gevoelen; hoe meer hij nadacht, hoe ellendiger hjj werd. Zijn vrouw vroeg hein, wat hem schortte; hij had in den eersten tijd den moed niet, het haar te zeggen; maar eindelijk beleed hij, dat hij voor een daalder beloofd had nooit te zullen bidden, en dat die belofte nu aan zijn ziel knaagde. De onkundige vrouw dacht, dat de Booze hem verschenen was. „Och, Jan,quot; zeide zij, „dat is vast en zeker de duivel geweest, en gij hebt hem uw ziel voor een daalder verkocht.quot; De arme man kon verscheidene dagen achtereen niet werken en gevoelde zich allerongelukkigst, omdat hij in de volle overtuiging verkeerde, dat hij zich aan den Booze verkocht had. De leeraar vernam, hoe het met hem gesteld was, en ging preeken in een schuur, die dicht bij 's mans woning stond. Hij vermoedde, dat de man er ook zou komen, om zijn gemoedsangst kwijt te raken, en ja, hij bevond er zich op een Zondagavond, en denzelfden man, van wien hij den daalder ontvangen had, hoorde hjj nu tot tekst opgeven: „Wat zoude het een mensch baten, zoo hij de gelieele wereld wonne, en zijner ziele schade leed?quot; „Och,quot; zeide hij, „wat zal het een mensch baten, die zijn ziel voor een daalder verkocht?quot; Meteen springt de landman op en roept uit; „Mijnheer, neem hem terug! neem hem terug!quot; „Waarom?quot; zeide de leeraar, „gij kunt den daalder gebruiken, en gij zeidet, dat gij niet behoefdet te bidden/' „Maar mijnheer,quot; zeide hij, „bidden moet ik; als ik niet bid, ben ik verloren;quot; en na al pratende

ocr page 115

WINST EN VERLIES.

95

hem op de proef gesteld te hebben, werd de daalder teruggenomen, en lag de man op zijn knieën en zond hij zijn gebed tot God op. Deze zelfde omstandigheid bleek op den duur het middel te zijn, om zijne ziel te behouden en hem tot bekeering tc brengen.

ocr page 116

DE SNEEUWVAL EN DE SPRINKHANEN.

Een alom tegenwoordig G o d! Ik kan geen onderwerp bedenken, dat u meer bemoedigen kan in tijden van gevaar en druk dan dit! Het zal u bijzonder tot nut en troost zijn, indien gij God kunt zien in de kleine dingen van uw leven. Ons leven bestaat uit kleinigheden, en indien wij alleen voor de groote dingen een God hadden, en niet voor de kleine, zouden wij inderdaad ongelukkig zijn. Indien wij een God van den tempel hadden, en niet een God van Jacobs tenten, waar moest het dan met ons heen! Maar geloofd en geprezen zij onze hemel-sche Vader, Hij, die den engel van vleugelen voorziet, geleidt ook de musch; Hij, die het wereldrond voort-wentelt, vormt ook den traan en geeft acht op zijn loop, wanneer hij uit zijn bron druppelt. God is evenzeer in de beweging van een zandkorrel, die door het windje wordt voortgeblazen, als in de omwentelingen dei-ontzaglijke planeet; evenzeer in de fonkeling van den glimworm als in het vuur der komeet. Neemt de gedachte mee naar uw woningen, smeek ik u, en maak er u gemeenzaam mee, dat God aldaar is, aan uw tafel, in uw slaapkamer, in uw werkplaats en bij uw toonbank. Erken Gods werkzaamheid en tegenwoordigheid in iedere kleine zaak. Denkt een oogenblik na, en

ocr page 117

DE SNEEUWVAL EX DE SPRIXKHAXEX.

97

gij zult bevinden, dat er vele beloften in de Schrift zijn, die in alledaagsche zaken rjjken troost geven. „Hij zal zijn engelen van u bevelen, dat zjj u bewaren in al uw wegen. Zij zullen u op de handen dragen.quot; quot;Waarom ? Opdat gij niet van een steilte valt ? Opdat gij niet van een toren nederstort? Xeen, „opdat gy uw voet aan geen steen stoote t.quot; Een klein gevaar, maar een groot bewaker, om ons er tegen te beveiligen. En wat zegt de Schrift nog meer? Zegt zij: „Zelfs do dagen uws levens zijn geteld?quot; Dat zegt zij niet, hoewel dat waar zou zijn; maar zij zegt: „zelfs de haren uws hoofds zijn alle geteld.quot; En wat zegt de Schrift verder? Zegt zij: „De Heere kent de arenden, en geen arend valt op de aarde zonder uw Vader?quot; Neen; maar: „Worden niet tweemuschjes om een penninksken verkocht? en niet een van deze zal op de aarde vallen zonder uw Vader.quot; Een groote God in kleine zaken: ik houd mij er van verzekerd, dat gij u een wereld van kwelling zult sparen, indien gij dit in gedachten houdt, want uit de kleinigheden spruiten onze kwellingen. AVij geraken dikwijls om een nietigheid uit ons humeur, terwijl een groote beproeving ons niet ontroert. Wjj worden boos, omdat wij ons met een weinig water hebben gebrand, of omdat wij een knoop van onze kleederen hebben verloren, terwijl de grootste ramp ons ternauwernood kan ontrusten. Gij glimlacht, omdat het waar is. Job zelf, die zeide: „De Heere heeft gegeven, en de Heere heeft genomen,quot; had zich boos kunnen maken, om een ruwen kant in zijn potscherf. Draag zorg, dat gij God in het kleine ziet, dat uw gemoed steeds kalm en bedaard zij, en dat gij niet dwaas genoeg zjjt, om toe te laten, dat een beuzeling een kind van God overheersche.

ocr page 118

DE SXEEUWVAr. EN DE SPRINKHANEN.

98

Ons leven hangt geheel van God af. Op reis ziet men zonderlinge tooneelen, tooneelen die nooit uit ons geheugen zullen gaan. Eenige jaren geleden zag ik, vlak onder een ontzaglijke rots, een zeer groote massa stukken steen, en wild op elkaar geworpen aarde, waardoor groote heuvels werden gevormd. Mijn koetsier zeide tot mij: „Dat is het graf van een dorp.quot; Jaren geleden woonden op die plek blijmoedige en gelukkige menschen. Zij begaven zich aan hun dageljjkschen arbeid, aten en dronken, gelijk de menschen tot op dezen dag gewoon zijn. Op zekeren tijd zagen zij een grooten scheur in den berg, die boven hun hoofd hing; zij hoorden onheilspellend gedruis; maar zulk gedruis hadden zij vroeger ook wel gehooid, en de ouden van dagen zeiden: „Er kon wel iets gebeuren, maar zeker wisten zij 't niet.quot; Doch eensklaps, zonder dat er nieuwe verschijnselen zich hadden voorgedaan, was de geheele zijde van den heuvel in beweging, en voordat de dorpeling uit zijn woning kon ontkomen, lag het dorp onder de nedergestorte rotsen begraven. En daar ligt het nu; onder al dat puin is nooit een menschenbeen, of een stuk van een woonhuis ontdekt; zoo volkomen is alles verpletterd en begraven, dat men ook met het ijverigste onderzoek niets heeft kunnen vinden. Veel dorpen verkeeren heden ton dage in denzelfden toestand. Ik kwam voorbij een andere plaats, waar eens een overhellende berg was, die geheel in het dal was neergestort. Een stad, aan den voet van dien berg gebouwd, was geheel bedolven, en een meer was gedempt door één verschrikkelijke afschuiving van den bergtop. Toch staan aldaar wéér nieuwe huizen en wagen de menschen het tusschen de graven hunner vaderen te wonen. Wij zeggen zoo licht: „Hoe moesten die menschen iederen morgen

ocr page 119

DE SNEEUWVAL EN DE SPRINKHANEN'.

naar boven zien en bidden: „O Heere, spaar ons dorp!quot;' Hoe moesten zij, staande op die plaats, waar zij in een oogenblik konden verpletterd worden, en waar de minste beweging van het inwendige der aarde den berg op hen kon doen nederstorten, hun harten opheffen tot den al-machtigen Bewaarder en zeggen: „O, Gij wachter Israels, behoed ons bij dag en bij nacht!quot;

Och, gij en ik, wij verkeoren iu denzelfden toestand. Al hangen geen overhellende rotsen boven onze woningen, en al dreigt geen berg op onze stad neer te storten, toch zijn er duizend poorten, die naar den dood voeren. Duizenden andere middelen zijn er, waardoor stervelingen snellijk den dood vinden. Gij bevindt u vandaag even dicht bij de kaken dos doods, als de dorpelingen daarginds. O, dat gij het inzaagt! Slechts één verhindering in de ademhaling en — gij zijtdood. Misschien verkeert uw leven ieder oogenblik op duizenderlei wijs in gevaar. Zoo menigmaal als er toevloeiing en wegvloeiing van het bloed plaats heeft, en zoo menigmaal uw longen ademhalen, verkeert uw leven in zulk een gevaar, dat het alleen van Gods wil afhangt, of gij op uw stoel dood neerzijgt en als een bleek, levenloos lichaam wordt uitgedragen.

In de bergpassen der Alpen zijn sommige doelen zóó gevaarlijk voor den reiziger, dat, als gij er in den winter doortrekt, de muilezeldrijvers; de bellen hunner dieren omwikkelen, dewijl zij vreezen, dat zelfs een zwak geluid een sneeuwval kan veroorzaken, die u iu den bodemloozen afgrond zou storten. Wat zal die reiziger dan in het diepe besef verkeeren, dat hij in Gods hand is! zou men denken. Och, gij zijt thans in denzelfden toestand, al ziet gij het niet. Open slechts de oogen uws geestes en gij ziet den sneeuwval op dit oogenblik n reeds bedreigen

99

ocr page 120

DE SNEEUWVAL EN DE SPRINKHANEN.

en de rots reels op het punt, om op u neder te vallen. Indien uw ziel de bliksemen aanschouwt, die God in zijn hand verborgen houdt, zult gij spoedig inzien, dat het Gode gemakkelijker valt op dit oogenblik, ot' wanneer het Hem slechts behaagt, uw leven weg te nemen, dan u met uw vinger een mug dood te drukken.

Gelijk het mot het loven is, is het met de genoegens des levens. Wat zou het leven zijn zonder zijn genoegens? Wat meer is, wat zou het zijn zonder zijn behoeften? En toch, hoe volstrekt afhankelijk zijn wij van God voor het brood, hetwelk de staf dos levens is? Nooit gevoelde ik dieper 's menschen afhankelijkheid van God dan aan den voet van den Splügenpas; ik zag in de verte den geheelen weg overdekt met, naar ik meende, hoopen zwarte aarde. Zoodra wij er bij kwamen, bemerkten wij, dat het sprinkhanen waren, die met hun tienduizend maal tienduizenden snel voorttrokken. Toen wij naderden, verdeelden zij zie'.i zoo regelmatig, alsof zij een leger waren, en maakten zij plaats voor het rijtuig. Nauwelijks was dit voorbij, of de ge-ledereu vulden zich weer en zetten hun verslindenden tocht voort. Wij reden verscheiden mijlen ver en zagen niets anders dan die diertjes, welke den grond hier en daar in dikke lagen als van zwarte sneeuw, letterlijk bedekten. Toen zag ik de waarheid van de taal des pro-feets: „Het land is voor hetzelve als een lusthof, maar achter hetzelve een woeste wildernis.quot; Zij hadden ieder groen blaadje opgegeten. Ik zag maïs staan met enkel kale stengels; ieder groen spruitje was verdwenen. Daar waar Je voorste gelederen der sprinkhanen waren, zag ik, dat de wijngaarden begonnen te rijpen en de graanvelden gereed waren om gemaaid te worden. De on-

100

ocr page 121

DE SNEEUWVAL EX 1)E SPRINKHANEN.

gelukkige landman stond vóór zijn deur het aan te zien, dat de tarwe, die hij verbouwd, en de wijnstokken die hij gekweekt had, geheel kaal gegeten werden. De weiden leefden letterlijk van die verslindende diertjes. Toen zij het eerst op de weide kwamen, was er overvloed van gras voor het rundvee des landmans, een uur latei-was alles kaal; er was niets overgelaten. „Ach, het is een treurige zaak voor die arme menschen,quot; zeide mijn gids; „binnen een maand zullen die diertjes zoo dik en zoo lang zijn als mijn vinger en dan zullen zij de hoornen kaal eten — de moerbeiboomen, waarmede do arme menschen hun zijdewormen voeden, en die hun eenige welvaart bezorgen; zij zullen alle groene spruitjes en blaadjes verslinden, totdat zjj niets anders dan de kale, dorre stammen overlaten.quot; In legers, talrijk als het zand van den zeeoever, en geweldig voor den toeschouwer, trekken zij op. De profeet Joël heeft ze zeer juist beschreven, toen hij ze in zijn verschrikkelijke schildering noemde: „een groot leger des Heeren.quot; O, ik dacht bij mij zeiven: indien God met deze kleine diertjes dit dal kan kaal maken en tot een woestenij doen worden, wat is het dan een genade, dat Hij zulk een vriendelijk en ontfermend God is, om dergelijke diertjes niet over al de volken dei-aarde los te laten, zoodat ons enkel honger, wanhoop en dood zouden toegrimmen!

Wij zijn van God afhankelijk niet enkel ten opzichte van de genoegens des levens, maar ook ten opzichte van het vermogen, om die genoegens te genieten. Er is een kwaad, dat wij gezien hebben onder de zon: een man, die rijkdom en goederen in overvloed heeft, maar niet de macht heeft, om er van te eten. Ik heb een man gezien hongerig en met grooten eetlust, maar zonder

101

ocr page 122

DE SNEEUWVAL EN DE SPRINKHANEN.

102

brood om zijn honger te stillen ; maar ik heb een misschien nog droeviger tooneel aanschouwd: een man, die het allerkostelijkste voedsel vóór zich zag staan, doch aan wien de smaak scheen geweigerd te zijn en die van iedere bete afkeerig was. De Hcere heeft slechts iemand onzer met zenuwachtigheid te slaan en — alles zal donker voor u worden. Hij heeft slechts een gedeelte uws iichaams aan te tasten en gij zult geen helderheid in de zon zien; zelfs de velden zullen hun groen voor u verliezen; de allergelukkigste gebeurtenis zal u een bron zijn van nog dieper droefgeestigheid; gij zult alles door een donker glas bekijken en niets bemerken dan duisternis en wanhoop. Hij heeft u slechts even aan tc raken met ziekte, en een bron van ellende wordt u misschien elke beweging, en wanneer gij op bed ligt en gij u van de eene op de andere zijde legt, kan dit u een bepaalde marteling wezen. Xog erger: de Heere heeft slechts met zijn vinger uw brein aan te raken en-—gij wordt een razende krankzinnige, of een suffende idioot. O, hoe weinig behoeft . Hij dus te doen, om u geheel ter neder te werpen, om het forsche kasteel uwer vreugde ineen te doen storten en de vensters uwer hoop te sluiten. Nog eens: gij zijt ten opzichte van het leven, van uw levensbehoeften en van uw levensgeriefelijkheden even beslist in de hand van God als het leem in de hand van den pottenbakker. Uw verzet is niets anders dan het zich wringen van een worm. Gij kunt murmureeren, maar uw murmureeringen kunnen Hem niet schaden. Gij kunt uw makkers vragen, om zich met u te vereenigen tot een verbond tegen den Almachtigen God, maar zijn voornemen verandert niet en gij moet u onderwerpen.

ocr page 123

HOE DE WERELD GEEFT.

De dichter Burxs.

Wat de wereld geeft, is in de eerste plaats een schrale gift. Zelfs de beste vrienden der wereld hebben reden gehad, om zich over haar lage behandeling te beklagen. Als ge de levensbesclirijvingen leest van de groote mannen, die de wereld eert, zult gij spoedig overtuigd worden, dat zij een allerondankbaarste vriendin is. Al wijddet gij uw geheele leven aan den dienst en het geluk der wereld, dan moet gij niet denkeu, dat zij er ooit een duit voor terug zal geven. Robert Burns is een voorbeeld van de fraaie dankbaarheid der wereld.

Robert Burns was de dichter der wereld; hij bezong de uitspattingen der lachende drinkebroers; hij bezong de liefde der vrouwen en do genietingen van den wellust; de wereld bewondert hem, maar wat heeft de wereld voor hem gedaan ? Hij moest zijn geheele leven bijna in armoede voortslepen. En toen voor Robert Burns do tijd was aangebroken, om geëerd te worden (hetgeen al te laat was, want hij lag reeds in het graf) hoe heeft zij hem toen geëerd? Hij had arme bloedverwanten; bekijk eens de inteekenlijst en zie eens, hoe prachtig de giften zijn, die zij ontvingen ? Zij eerden hem met drankoffers van brandewijn, dien zij zeiven opdronken: dat was alles, dat zij hem wilden geven. Het huldebetoon der Schotsche

ocr page 124

HOE DE WERELD GEEFT.

dronkaards aan hun dichter is een huldebetoon aan hun dronkenschap, niet aan hem. Ongetwijfeld zijn er veel trouwe mannen, die evenzeer den zondaar betreuren als het genie bewonderen, maar de menigte houdt om zijn fouten niet minder van hem. Doch indien er werd gelast en besloten, dat ieder dronkaard, die Burns vereerd heeft, een week lang zijn brandewijn zou derven, dan zou geen dozijn hunner het wenschen gedaan te hebben — neen geeu half dozijn. Hun eerbewijzing aan hem was een eere-bewjjziug aan zichzelven; het was voor duizenden een goede gelegenheid, om zich dronken te drinken. Toen ik eenigen tijd geleden bij zijn monument stond, zag ik een allertreurigst partijtje verwelkte bloemen daarom heen gezet en ik dacht: „Och, ziedaar het huldebetoon aan hem! O Burns! zoo hebt gij dan uw geheele leven besteed om een verwelkten krans te bekomen, waarmede de wereld het leven van een machtig genie en een stroom van wonderbare zangen betaalt!quot; Ja, wanneer de wereld het best betaalt, betaalt zij niets, en wanneer zij het meest betaalt, betaalt zij haar vleiers met spot; zij beloont hun diensten met veronachtzaming en armoede.

Menig staatsman zou ik kunnen noemen, die zijn leven in den dienst der wereld heeft besteed, en tot wien de wereld eerst zeide ; „Ga voort, ga voort,quot; en hij werd allerwegen toegejuicht; hij deed iets, om zijn tijd van dienst te zijn, maar hij beging een kleine vergissing, een vergissing misschien die later zal blijken in 't geheel geen vergissing geweest te zijn, dan namelijk als de boeken der geschiedenis met een helderder oog zullen gelezen worden. „Weg met hem!quot; zegt de wereld, „wij willen niets meer van hem weten.quot; Alles wat hij vroeger moge gedaan hebben, is nu van nul en geener waarde; één vergissing, één

]04

ocr page 125

HOE DE WERELD GEEFT.

smet op zijn staatkundige loopbaan en men roept: „Weg met hem! Werp hem voor de honden, wij willen niets meer met hem te doen hebben.'' Och, de wereld betaalt werkelijk poover! Wat wil zij doen voor hen, van wien zij het meeste houdt? Wanneer de wereld alles gedaan heeft, wat zij kan, is haar laatste hulpmiddel, dat zij een mensch een titel geeft (en wat beteekent dat?) Ook schenkt zij hein een hooge kolom en zet hem daarop, om alle weêr en wind te verdragen en meedoogenloos aan lederen storm blootgesteld te zijn; daar staat hij dan, o n door dwazen aangestaard te worden, als een der grooten der wereld, die met steen betaald zijn. Met recht kan men zeggen, dat de wereld dat uit haar eigen hart betaald heeft; want van steen is het hart der wereld gemaakt. Schraal is de belooning der wereld; maar hebt gij ooit een christen die klacht omtrent zijn Meester hooren uiten? „Xeen,quot; zal hij zeggen, „wanneer ik Christus dien, gevoel ik, dat mijn werk mijn loon is; die arbeid voor Christus is zijn eigen belooning. Hij geeft mij vreugde op aarde en een volheid van zaligheid hiernamaals.quot; O, Christus is een goede betaalmeester! „De bezolding der zonde is de dood, maar de genadegift Gods is het eeuwige leven.quot; Hij, die Christus dient, moge slechts weinig goud en zilver bekomen, dat deze wereld edele metalen noemt, maar hij verkrijgt schatten, die in het laatste louterend vuur niet zullen smelten en onder de dierbare zaken van het onverderfelijke leven eeu-wigljjk zullen blinken. De wereld betaalt karig en schraal, maar Christus doet dit niet.

Indien gjj de wereld wilt dienen, en geschenken van haar wenscht te ontvangen, zal de wereld u met e e n gedeeld hart betalen. Door de wereld versta ik nu

105

ocr page 126

HOE DE WERELD GEEFT.

evenzeer de godsdienstige wereld als eenig ander deel er van; ik bedoel degelieele wereld, zoo wel de staatkundige, de goede, en de slechte als de onverschillige — kortom alles. Indien gij de wereld dient, betaalt zij u met een gedeeld hart. Laat een man zich uitputten voor de belangen zijner medemenschen: wat zal hij er voor ontvangen? Eenigen zullen hem prijzen, anderen hem beschimpen. De menschen, die in deze wereld aan beschimping ontkomen, zijn zij, die niemendal doen. Die het moedigst en het nuttigst is, moet verwachten, dat hij het meest veroordeeld en verafschuwd wordt. Die menschen, welke op de golven der volkstoejuiehing gedragen worden, zijn niet de menschen, die wezenlijke verdiensten hebben; ware menschenvrienden moeten tegen den stroom op zwemmen. De geheele lijst van de weldoeners der wereld is een leger van martelaars. Het pad der godvruchtigen is over zijn geheele lengte een pad van bloed en vuur. De wereld betaalt de menschen, die haar werkelijk van nut zijn, niet anders dan met ondankbaarheid. Ik zeg uog eens: als de wereld betaalt, betaalt zij met een gedeeld hart. Hebt gij ooit iemand gekend, omtrent wien de wereld het volkomen eens was? Ik nooit. „O,quot; zegt de een, .,die en die is een der beste mannen van zijn eeuw!quot; Sla de volgende straat in, en gij hoort zeggen: „Hij is de grootste vagebond, die er leeft.quot; Deze zegt: „Ik heb nooit iemand hooren spreken, die zulk een genie is als hij.quot; „O,quot; zegt de ander, „hij babbelt maar wat!quot; „Lees deze courant eens,quot; zegt de een; „met welk een bekwaamheid verdedigt zij de rechten des volks!quot; „O,quot; zegt een ander, „louter volksregeering; ze zoekt alles omver te werpen, wat goed en overeenkomstig de grondwet is.quot;

De wereld heeft zich nog nooit omtrent eenig mensch

106

ocr page 127

HOE DE WERELD GEEFT.

met eenstemmigheid uitgesproken. Omtrent geen enkele levende ziel oordeelt de wereld eenparig. Maar alles wat Christus geeft, geeft Hjj met zijn gansche hart. Hij zegt niet tot zijn volk: „Zie daar, dit geef ik u, maar ik denk er tooh nog half aan, om het terug te houden.quot; Neen, Christus geeft zijn hart aan al zijn discipelen. In Jezus is geen dubbelhartigheid. Indien wij door vrije genade worden bekwaamd om Hem te dienen en lief te hebben, kunnen wij er verzekerd van zijn, dat in het rijke loon, dat zijn genade ons zal geven, iedere zegen ons uit zijn geheele hart zal toekomen. Wanneer Christus de arme nooddruftige ziel zegent, geeft Hij niet met de eene en slaat Hij met de andere hand; maar deelt Hij haar met zijn beide volle handen zijn genadegiften mede; en Hij verzoekt den zondaar alles, wat Hij hem aanbiedt, met kinderlijke eenvoudigheid aan te nemen.

quot;Wanneer de wereld iets geeft, geeft zij het meestal aan hen, die het niet behoeven. Ik herinner mij, dat ik als jongen een hond had, waaraan ik zeer gehecht was, en dat een man op straat mjj vroeg, hem dien hond te geven; ik hield dit voor vrij onbeschaamd, en zeide dit ook. Maar een heer, wien ik dat vertelde, zeide: „Yeronderstel eens, dat de Hertog van—,quot; een aanzienlijk man in onze streek — „u om den hond gevraagd had, zoudt gij hem hot dier gegeven hebben?1' Ik zeide: „Ik geloof van ja.quot; „Dan doet gij precies gelijk de geheele wereld; want gij zoudt dan geven aan hen, die geen behoefte aan iets hebben.quot; Wie zou er bezwaar in vinden, iets aan de Koningin te geven? Niemand onzer; en toch is er misschien geen mensch op aarde, die zoo weinig onze geschenken behoeft als zij. Aan hen, die niets vragen, willen wij altijd iets geven; want wij gevoelen.

107

ocr page 128

HOE DE quot;WERELD GEEFT.

evenzeer de godsdienstige wereld als eenig ander deel er van; ik bedoel de gelieele wereld, zoo wel de staatkundige, de goede, en de slechte als de onverschillige —- kortom alles. Indien gij de wereld dient, betaalt zij u met een gedeeld hart. Laat een man zich uitputten voor de belangen zijner medemenschen; wat zal hij er voor ontvangen? Eenigen zullen hem prijzen, anderen hem beschimpen. De menschen, die in deze wereld aan beschimping ontkomen, zijn zij, die niemendal doen. Die het moedigst en het nuttigst is, moet verwachten, dat hij het meest veroordeeld en verafschuwd wordt. Die menschen, welke op de golven der volkstoejuiching gedragen worden, zijn niet de menschen, die wezenlijke verdiensten hebben; ware menschenvrienden moeten tegen den stroom op zwemmen. De geheele lijst van de weldoeners der wereld is een leger van martelaars. Het pad der godvruchtigen is over zijn geheele lengte een pad van bloed en vuur. De wereld betaalt de menschen, die haar werkelijk van nut zijn, niet anders dan met ondankbaarheid. Ik zeg nog eens: als de wereld betaalt, betaalt zij met een gedeeld hart. Hebt gij ooit iemand gekend, omtrent wien de wereld het volkomen eens was? Ik nooit. „O,quot; zegt de een, .,die en die is een der beste mannen van zijn eeuw!quot; Sla de volgende straat in, en gij hoort zeggen: „Hij is de grootste vagebond, die er leeft.quot; Deze zegt: „Ik heb nooit iemand hooren spreken, die zulk een genie is als hij.quot; „O,quot; zegt de ander, „hij babbelt maar wat!quot; „Lees deze courant eens,quot; zegt de een; „met welk een bekwaamheid verdedigt zij de rechten des volks!quot; zegt een ander, „louter volksregeering; ze zoekt alles omver te werpen, wat goed en overeenkomstig de grondwet is.quot;

De wereld heeft zich nog nooit omtrent eenig mensch

106

ocr page 129

HOK DE WERELD GEEFT.

met eenstemmigheid uitgesproken. Omtrent geen enkele levende ziel oordeelt de wereld eenparig. Maar alles wat Christus geeft, geeft Hij met zijn gansche hart. Hij zegt niet tot zjjn volk: „Zie daar, dit geef ik u, maar ik denk er toch nog half aan, om het terug te houden.quot; Neen, Christus geeft zjjn hart aan al zijn discipelen. In Jezus is geen dubbelhartigheid. Indien wij door vrije genade worden bekwaamd om Hem te dienen en lief te hebben, kunnen wij er verzekerd van zijn, dat in het rijke loon, dat zjjn genade ons zal geven, iedere zegen ons uit zijn geheele hart zal toekomen. Wanneer Christus de arme nooddruftige ziel zegent, geeft Hij niet met de eene en slaat Hij met do andere hand; maar deelt Hij haar met zijn beide volle handen zijn genadegiften mode; en Hij verzoekt den zondaar alles, wat Hij hem aanbiedt, met kinderlijke eenvoudigheid aan te nomen.

Wanneer do wereld iets geeft, geeft zij het meestal aan hen, die het niet behoeven. Ik herinner mij, dat ik als jongen een hond had, waaraan ik zeer gehecht was, en dat een man op straat mjj vroeg, hem dien hond te geven; ik hield dit voor vrij onbeschaamd, en zeide dit ook. Maar een heer, wien ik dat vertelde, zeide: „Yeronderstel eens, dat de Hertog van —,quot; een aanzienlijk man in onze streek — „u om den hond gevraagd had, zoudt gij hem het dier gegeven hebben?'' Ik zeide: „Ik geloof van ja.quot; „Dan doet gij precies gelijk de geheele wereld; want gij zoudt dan geven aan hen, die geen behoefte aan iets hebben.quot; Wie zou er bezwaar in vinden, iets aan de Koningin te geven? Niemand onzer; en toch is er misschien geen mensch op aarde, die zoo weinig onze geschenken behoeft als zij. Aan hen, die niets vragen, willen wij altijd iets geven; want wij gevoelen.

107

ocr page 130

HOE DE WERELD GEEFT.

dat door de aanneming ons eenige eer wordt bewezen. — Zie nu eens op Jezus. Als Hij aan zijn vrienden geeft, ontvangt Hij van hen geen eer; het is zijn eere met mildheid te geven aan zulke arme, hulpbehoevende wormen, als wij zijn. Groote mannen zijn tot Christus gegaan met enkel betuigingen, en zij hebben Hem gevraagd hun zijn goedheid te betoonen; maar tegelijk hebben zij verklaard, dat zij een gerechtigheid van zichzelven hadden en niet veel van Hem verlangden; en hij heeft hen ledig weggezonden, en hun niets gegeven. Hij heeft gezegd: „Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekeering.'quot; Wanneer arme, verlorene zondaars tot Christus gingen, is nooit een hunner door Hem afgewezen — neen nooit. Hij heeft hun alles geschonken, wat zij maar begeerden, en oneindig meer dan zij dachten te mogen verwachten. Kon Jezus niet, als wij Hem om de zegeningen zijner genade vragen, tot ons zeggen: „Het is onbeschaamd van u, dat gij durft vragen Maar in plaats daarvan is het Hem welgevallig, dat wij Hem vragen, en Hij geeft mild en gewillig: „niet gelijk de wereld geeft;quot; want Hij geeft aan hen, die de meeste behoefte er aan hebben.

Men kan de geschenken der wereld nog uit een ander oogpunt bezien. De wereld geeft aan li a a r vrienden. Ieder wil zijn eigen vrienden wel helpen. Indien wij onze eigen bloedverwanten en vrienden niet bijstaan, zijn wij erger dan de heidenen en de tollenaars. Maaide wereld biedt gewoonlijk aan haar vrienden en kennissen haar beste wenschen en zegeningen aan. Het komt niet bij haar op, weldaden te bewijzen aan haar vijanden. Hebt gij er wel ooit van gehoord, dat de wereld een harer vijanden zegende ? Nooit. Zij geeft haar weldaden

ocr page 131

HOE DE WERELD GEEFT.

aan haar vrienden, maar ook huu nog zeer schaars. Doch Christus geeft zijn weldaden zelfs aan zijn vijanden. „Niet gelijk de wereld geeft,quot; mag Hij naar waarheid zeggen. De wereld zegt: „Ik moet zien, of gij het verdient; ik moet zien, of het goed aan u besteed is.quot; Zij onderzoekt, en vraagt, en onderzoekt andermaal, maar Christus ziet nauwelijks, dat onze toestand treurig is, of Hij geeft. Niet een goede, maar een hopelooze zaak is Hem welkom. Hij kent onzen nood, en heeft Hij eenmaal onzen nood ontdekt, dan kunnen al onze zonden de hand zijner goedheid niet tegenhouden. O, als Jezus gedacht aan de harde woorden, die wij over Hem gesproken hebben, dan zoude Hij ons voorzeker nooit zegenen, indien zijn wegen niet verreweg hooger waren, dan onze wegen. Denk eens na, o mensch! hebt gij Hem vroeger niet gevloekt, zijn volk bespot, zijn dienstknechten veracht en zijn Bijbel beschimpt? Jezus heeft dat alles achter zijn rug geworpen en u nochtans liefgehad. Zou de wereld dat hebben gedaan? Als een mensch zijn makkers beleedigt, zullen zjj vergeven ? En zullen zij, na hem vergeving geschonken te hehben, hem beginnen te zegenen? Zullen zij voor hun vijanden sterven ? O neen, zoo iets is nooit in 's menschen hart opgekomen. Maar Christus zegent opstandelingen, verraders, vijanden van zijn kruis. Hij doet hen zijn liefde kennen en zijn eeuwige goedertierenheid smaken.

De wereld geeft altijd uit zuinigheid. De meesten onzer worden gedreven dooi' spaarzaamheid. Ais wij aan een arme iets geven, hopen wij in 't algemeen, dat hij niet wederkomt. Ais wij hem een gulden geven, ge-geschiedt dit dikwerf om den man kwijt te raken, zooals wij zeggen. Als wij een kleine liefdegift toereiken, ge-

109

ocr page 132

HOE DE WERELD GEEFT.

110

scliiedt dit in de hoop, dat wij don vrager niet spoedig weder zien; want nu de wereld zoo vol bedelaars is, zieu wij werkelijk niet gaarn, dat dezelfde mensclien voortdurend aan onze deur bedelen. Hebt gij ooit gehoord, dat een mensch een bedelaar iets gaf: om dezen aan te moedigen liet bedelen bij hem vol te houden? Ik moet eerlijk bekennen, dat ik het nooit gedaan heb en het ook niet donk to doen. Maar juist dat doet Christus. Wanneer Hij ons oon kleine gunst bewijst, doet Hij dit, opdat wij om meer zullen vragen; en wanneer Hij ons meerdere genade schenkt, geeft Hij ze, opdat wij toch maar komen en bij vernieuwing vragen. Hij geeft ons zilveren zegeningen, om ons te bewegen tot het vragen van gouden weldaden; en hebben wij gouden gunstbewijzen, dan zijn ons die geschonken, om ons te ernstiger te doen bidden ou onzen mond wijder te openen, opdat wij nog meer ontvangen! Welk een zonderlinge gever is Christus! Welk eon zonderlinge vriend, dat Hij geeft, om ons moei te doen vragen! Hoe meer gij van Christus vraagt, hoe meer gjj kunt vragen; iioo moor gij hebt ontvangen, — hoe meer gij zult behoeven; hoe meer gij Hem kent, hoe meer gij zult wenscheu Hem te kennen; hoe meer genado gij ontvangt, naar des to moer genade zult gij hijgen; en wanneer gij vervuld zijt met genade, zult gij niet tevreden zijn, of gij moet vervuld ziju mot heerlijkheid. Christus' wijze van geven ligt uitgedrukt in deze woorden: „Uit zijn volheid hebben wij ontvangen, ook genade voor genadegenade om ons te doen hijgen naar meerdere genado; genade om ons te doen verlangen naar iets dat nog hooger, nog voller, nog rijker is. „Niet gelijk do wereld geeft, geef ik u.quot;

ocr page 133

STA PAL:

De koning ex de bisschop.

Wat hebben de menschen al tegen elkander gestreden! Do men sell is de vijand van liet nienschdom. De elementen in al hun woede, noch de verscheurende dieren in al hun wreedheid, zijn ooit den niensch zoo vijandig geweest als do mensch tegen zijn niedeinensch. Als gij de geschiedenis der vervolging in Engeland onder de regeering van Maria leest, staat gij verwonderd, dat schepselen in menschelijke gestalte ooit zoo bloeddorstig konden zijn. Zult gij hen, die aldus de Protestanten vervolgden, Katholieke n noemen ? Noemt ze liever kannibalen, want zij hebben zicii meer als wilden dan als christenen gedragen, toen zij Gods kinderen vermoordden of hun een bloedigen marteldood deden ondergaan. In dezen tijd ondervinden wij 's menschen wreedheid niet tot zulk een uiterste, omdat 's lands wetten het niet toestaan, maar velen, die niet met de hand durven slaan, zijn druk bezig met de tong, niet door onze dwalingen aan 't licht te brengen, waartoe zij volkomen recht hebben, maar door in velerlei gevallen Gods kinderen in een verkeerd daglicht te plaatsen, hen te belasteren, te beschimpen, te vervolgen en te bespotten om der waarheid wil; en wij kunnen veel gevallen opnoemen, waarin

ocr page 134

HOE DE WERELD GEEFT.

no

scliiedt dit in de hoop, dat wij den vrager niet spoedig weder zien; want nu de wereld zoo vol bedelaars is, zien wij werkelijk niet gaarn, dat dezelfde menschen voortdurend aan onze deur bedelen. Hebt gij ooit gehoord, dat een mensch een bedelaar iets gaf, om dezen aan te moedigen het bedelen bij hem vol te houden? Ik moet eerlijk bekennen, dat ik het nooit gedaan heb en het ook niet donk te doen. Maar juist dat doet Christus. Wanneer Hij ons een kleine gunst bewijst, doet Hij dit, opdat wij om meer zullen vragen; en wanneer Hij ons meerdere genade schenkt, geeft Hij ze, opdat wij toch maar komen en bij vernieuwing vragen. Hij geeft ons zilveren zegeningen, om ons te bewegen tot het vragen van gouden weldaden; en hebben wjj gouden gunstbewijzen, dan zijn ons die geschonken, om ons te ernstiger te doen bidden en onzen mond wijder te openen, opdat wjj nog meer ontvangen! Welk een zonderlinge gever is Christus! Wolk een zonderlinge vriend, dat Hij geeft, om ons meet te doen vragen! Hoe meer gij van Christus vraagt, hoe meer gij kunt vragen; hoe meer gij hebt ontvangen, — hoe meer gij zult behoeven; hoe meer gij Hem kent, hoe meer gij zult wenschen Hem te kennen; hoe meer genade gij ontvangt, naar des te meer genade zult gij hjjgen; en wanneer gij vervuld zijt met genade, zult gij niet tevreden zijn, of gij moet vervuld zijn met heerlijkheid. Christus' wijze van geven ligt uitgedrukt in deze woorden: „üit zijn volheid hebben wij ont-vangen, ook genade voor genade:quot; genade om ons te doen hijgen naar meerdere genade; genade om ons te doen verlangen naar iets dat nog hooger, nog voller, nog rijker is. „Niet gelijk de wereld geeft, geef ik u.quot;

ocr page 135

STA PAL!

De koning en de bisschop.

Wat hebben de mensclien al tegen elkander gestreden! De inenscli is de vijand van het menschdom. De elementen in al hun woede, noch de verscheurende dieren in al hun wreedheid, zijn ooit den mensch zoo vijandig geweest als de mensch tegen zijn medemensch. Als gij de geschiedenis der vervolging in Engeland onder de regeering van Maria leest, staat gij verwonderd, dat schepselen in menscheljjke gestalte ooit zoo bloeddorstig konden zijn. Zult gij hen, die aldus de Protestanten vervolgden. Katholieke n noemen ? Noemt ze liever kannibalen, want zij hebben zich meer als wilden dan als christenen gedragen, toen zij Gods kinderen vermoordden of hun een bloedigen marteldood deden ondergaan. In dezen tijd ondervinden wij 's menschen wreedheid niet tot zulk een uiterste, omdat 's lands wetten het niet toestaan, maar velen, die niet met de hand durven slaan, zijn druk bezig met de tong, niet door onze dwalingen aan 't licht te brengen, waartoe zij volkomen recht hebben, maar door in velerlei gevallen Gods kinderen in een verkeerd daglicht te plaatsen, hen te belasteren, te beschimpen, te vervolgen en te bespotten om der waarheid wil; en wij kunnen veel gevallen opnoemen, waarin

ocr page 136

STA PAL.

tot andere middelen de toevlucht genomen werd, — alles om Gods dienaren te dwingen tot verlating van hun Meester en van het pad der oprechtheid. Terecht zeide daarom de Heere Jezus ; „Wacht u voor do menschen.quot; „Ziet, ik zend u als schapen in het midden der wolven; zijt dan voorzichtig gelijk de slangen en oprecht gelijk de duiven.quot; Verwacht niet, dat de menschen op hebben met uw godsvrucht, of zoo zij het zijn, verdenk dan de echtheid van die godsvrucht, waarmee de goddelooze mensch op heeft. Gij moet er op rekenen, dat gij nu eens overschreeuwd, en dan onderdrukt, nu eens gevleid en dan weder gedreigd wordt; gij moet verwachten, dat gij den eenen tijd kennis maakt met de zalvende tong, waaronder liet uitgetrokken zwaard verborgen ligt, en op een anderen tijd met het uitgetrokken zwaard zelf. Wees goed op uw hoede, en verwacht, dat de menschen u zullen bestrijden. Maar wat beteekenen zij allen? Stel, dat alle menschen, die op aarde leven, tegen u waren, en dat gij gelijk Athanasius alleen moest staan, dan zoudt g'j gelijk Athanasius kunnen zeggen: „Ik, Athanasius, tegen de geheele wereld; ik weet, dat ik do waarheid aan mijn zijde heb, en daarom houd ik stand tegenover de wereld.quot;

Wat baatte den menschen al hun kwaadaardigheid tegen Maarten Luther? Zij dachten hem te verbranden, maar trots al hun vijandschap stierf hij op zijn bed. Zij waren voornemens hem om hals te brengen, maar zijn geschriftjes verspreidden zich alom, en Luthers woorden schenen op engelenvleugelen gedragen te worden, totdat de Paus in de afgelegenste plaatsen een vijand vond, welke plotseling opsprong, wanneer naar zijn meening het goede zaad geheel en al moest uitgeroeid zijn.

112

ocr page 137

SÏA PAr,.

Ik geloof niet, dat liet van veel nut is, u dit met getallen te bewijzen. Ik vraag, of de waarheid niet in 't algemeen bij de minderheid zij te zoeken, en of het niet even eervol is. God met zijn'tweeën of drieën als met twee of driemillioen menschen te dienen; want indien de waarheid van iets door getallen is uit te maken, moet de afgoderij zeker de ware godsdienst zijn; en indien in overzeesche landen de groote getallen iets stempelen als goed en waar, dan moeten zij, die den Heere vreezen, zeker een klein cijfer uitmaken, en moeten afgoderij en Koomsch-katho-licisme het ware zijn. Laat nooit uw oordeel beheerschen door getallen; zeg ten slotte, dat allen slechts menschen zijn; zijn het godvruchtige menschen, strijd aan hun zijde, maar beginnen zij de waarheid te bestrijden, bestrijd ook hen. Wees een vriend der waarheid; beroep u op de wet en op het getuigenis, en indien zij naar dit woord niet spreken, dan geschiedt dit, omdat zij geen dageraad, geen licht in zich hebben.

Latimer handelde werkelijk groot, toen hij Hendrik VIII in 't aangezicht bestrafte. Hij had Zijn Majesteit groote-hjks mishaagd, door zijn stoutmoedigheid in. een preek, die hij in 't bijzijn des Konings uitsprak, en hij ontving bevel den volgenden Zondag opnieuw te prediken, en zich te verontschuldigen over den aanstoot, dien hij had gegeven. Nadat hij zijn tekst had afgelezen, begon de bisschop zijn preek aldus: „Hugh Latimer, weet gij wel, in wiens tegenwoordigheid gij vandaag moet spreken ? In tegenwoordigheid van den hoogen en machtigen monarch, van Zijn hooge Majesteit den Koning, die uw leven kan •wegnemen, indien gij hem beleedigt; draag daarom zorg, geen woord te spreken, dat mishagen kan; maar bedenk verder wel, Hugh, weet gij niet, vanwaar gij komt; op

S

113

ocr page 138

STA PAX.

wiens last gij gezonden zijt? Immers, gij komt uitnaam van den grooten en machtigen God, die alomtegenwoordig is, die al uw wegen aanschouwt en die uw ziel in de hel kan werpen'. Zorg daarom, dat gij uw boodschap trouw overbrengt.' Daarna hield hij dezelfde predikatie, die hij den vorigen Zondag had gedaan, maar hij deed ze thans met veel meer kracht. Zulk een moed behooren al Gods kinderen te toonen, wanneer zjj met den mensch te doen hebben. Gij zijt zelf niets anders dan een worm; maar als God zijn waarheid in uw mond legt, speel dan niet den lafaard, breng dan zijn boodschap niet stamelend uit, maar sta manmoedig pal voor God en voor zijn waarheid.

Sommige menschen spreken altijd over hetgeen zij een gepaste bescheidenheid noemen. Bescheidenheid is zeer gepast, maar een gezant van God moet bedenken, dat er nog andere deugden zijn dan bescheidenheid. Indien Haar Majesteit een gezant zond naar een land, waarmede wij in oorlog waren, en de man trad in de vergaderzaal en zeide: „Ik hoop in alle bescheidenheid, dat gij mijn tegenwoordigheid alhier zult verontschuldigen; ik wensch in alles mij te voegen naar de hooge heeren gevolmachtigden; ik besef, dat ik een jong man ben, en dat gij mij in jaren verre overtreft, en daarom onderwerp ik blijmoedig mijn oordeel aan uw meerdere wijsheid en ervaring;quot; en zoo voort; wel, ik ben verzekerd, dat Haar Majesteit hem terugroepen, en voor langen tijd uit haar dienst ontslaan zou. Wat beweegt hem, zich te vernederen, terwijl hij een gezant der Koningi.i is? Hij moet bedenken, dat hij bekleed is met de waardigheid van de persoon, die hem zond. Zoo is het ook met Gods dienstknecht: hij houdt het voor een groote schande.

114

ocr page 139

STA PAJj.

115

voor een mensch te buigen; hij neemt tot motto: „Cedo nul li,quot; „ik wijk voor niemand,quot; en door Gods waarheid in liefde en oprechtheid te prediken, hoopt hij ten slotte goede rekenschap te kunnen afleggen van zijn Meester, want met zijn' Meester alleen staat of valt hij.

ocr page 140

GROOTE EN KLEINE TALENTEN.

„Wel, gij goede en getrouwe dienstkneclit: over weinig zijt gij getrouw geweest, over voel zal ik u zetten; ga in in de vreugde uws Heeren.quot;

Daar verschijnt Whitefield, de man, die voor twintig duizend mensehen te gelijk het evangelie stond te prediken, die in Engeland, Schotland, Ierland en Amerika van do waarheid Gods getuigenis heeft afgelegd en die zjju bekeerlingen bij duizenden kon tellen, zelfs onder één preek. Daar verschijnt hij, de man, die vervolging en spot onderging, zonder een stap uit den weg te gaan — de man, die der wereld niet waardig was, die voor zijn medemenschen leefde en eindelijk tot hun heil stierf: treedt toe, gij engelen, en ziet met bewondering, dat de Meester hem bij de hand neemt en zegt: „Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht: treed in, in de vreugde uws Heeren.'' Zie, hoe vrije genade den man eert, dien zij in staat stelde onversaagd te handelen.

Luister! Wie is het, die daar verschijnt? Een arm, mager schepsel, dat op aarde aan de tering leed; nu en dan kwam een verraderlijk blosje op haar wangen, en drie jaren lang lag zij op haar ziekbed. Was zij een koningsdochter, want de hemel schijnt om haar in volle beweging te zijn? Neen, zij was een arm meisje, dat

ocr page 141

GROOTE EJf Kr.EINE TALENTEN.

liaar onderhoud met de naald verdiende en zicli dood werkte! „Piek, piek, piek! van 't eerste gekraai van den haan. Piek, piek, piek! Tot de zon is ondergegaan!quot;' En daar komt zij. Zij ging vroegrijp na haar graf, maalais oen volkomen rijpe korenschoof komt zij den hemel binnen, en haar Meester zegt: „Wel, gij goede en getrouwe dienstmaagd : over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal ik u zetten ; treed in in de vreugde uws Heeren.quot; Zij neemt haar plaats in naast Whitefield. Vraag, wat zij gedaan heeft, en gij verneemt, dat zij op een donker zolderkamertje, achter in een duistere steeg in Londen, woonde; en aldaar placht een ander arm meisje met haar te arbeiden, en toen dat arme meisje het eerst bij haar werkte, was het een dartel, wulpsch ding, en dat teringachtige kind sprak haar van Christus; en zoolang haar gezondheid het nog toeliet, gingen zij gewoonlijk op een avond samen naar een preek of een bijbellezing. ITet kostte haar in 't eerst zeer veel moeite om de andere meê te krijgen, maar zij placht in alle liefde vol te houden, en toen het meisje zich wat wuft toonde, liet zij haar niet ongewaarschuwd voortleven. Zij placht te zeggen : „O, Jane, ik wensch van harte, dat gij den Zaligmaker moogt leeren liefhebben,quot; en wanneer Jane afwezig was. bad zij voor haar, en als zij bij haar was, bad zij met haar; en nu en dan las zij, onder het naaien, haar een bladzjjde uit den Bijbel voor, want Jane kon niet lezen. En onder veel tranen vertelde zij haar van den Zaligmaker, die uit liefde zich voor haar had overgegeven.

Eindelijk na menigen dag van drukke bespreking, na menig uur van droeve teleurstelling en menigen nacht in slapeloosheid en onder veel tranen doorgebracht, beleefde zij liet nog, dat zij het meisje haar liefde tot

117

ocr page 142

GROOTE EX KLEINE TAXES TEN.

Christus hoorde belijden. Zij verliet haar en werd ziek, en zoo lag zij, totdat zij naar het hospitaal gebracht werd, waar zij stierf. Tijdens haar verblijf in het hospitaal had zij gewoonlijk eenige tractaatjes bij zich, die zij te lezen gaf aan degenen, die haar bezochten. In den eersten tijd van haar verblijf in 't hospitaal, trachtte zij, als zij het bed kon verlaten, bij een stervende te komen, en de ziekenoppasser liet haar dit toe; maar toen zij eindelijk te ziek werd, om dat voort te zetten, vroeg zij een vrouw, die aan de overzijde van de ziekenzaal aan 't beteren was, en reeds uitging, haar een hoofdstuk te komen voorlezen; zij verlangde dit niet zoo zeer voor zichzelve, als wel in het belang van de vrouw, die, naar zij hoopte, onder het lezen in het harte mocht getroffen worden. Eindelijk stierf dit arme meisje; zij ontsliep in Jezus; en do arme teringzieke naaister had tot haar gezegd: „Goed goed!quot; —en wat had een aartsengel meer tot haar kunnen zeggen ? — „Zij heeft gedaan wat zij konde.quot;

Hieruit ziet gij dus, dat de goedkeuring des Meesters en de laatste belooning gelijk zullen zijn voor alle menschen, die hun talenten goed gebruikt hebben. Indien er graden in de heerlijkheid zijn, zullen zij niet naar onze talenten worden toegewezen, maar naar onze getrouwheid in het gebruik der talenten. (Jf aldaar graden zijn of niet, is mij onbekend; maar dit weet ik, dat hij, die den wil des Heeren doet, zich het woord zal hooren toevoegen: „Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht.quot;

118

ocr page 143

licht m DEjST avondstond.

Indien onze zon niet vóór den middag ondergaat, mogen wij allen verwachten, dat er voor ons leven een avondtijd kan .aanbreken. Wij zullen of door den dood van deze aarde worden weggenomen, of wij zullen, indien God ons spaart, eerlang den avond des levens bereiken. Binnen nog weinig jaren zal het dorre, gele blad de gepaste metgezel van iederen man en iedere vrouw zijn. Is er iets droefgeestigs in die gedachte? Mij dunkt van neen. De tijd des ouderdoms met al zijn zwakheden schijnt ons toe een tijd van bijzonder geluk en een voorrecht voor den christen te zijn. Voor den wereldsgezindcn zondaar, bij wien de lust tot vermaak door de afneming zijner vermogens en de vermindering zijner kracht, geweken is, moet de oude dag een tijd van verveling en smart wezen; maar voor den geharden krijgsman des kruises moet de ouderdom gewissehjk een tijd van groote vreugde en van groot geluk zijn.

Toen ik op zekeren avond door een bekoorlijke landstreek reed, dacht ik, hoe zeer de avondtijd op den ouden dag gelijkt. De zon van bange zorg is ondergegaan. Die zon zond eens haar stralen op onze vroege godsvrucht, welke niet zeer diepe wortelen geschoten had, en zij verschroeide haar, dat zij stierf; die zon verzengde onze daarop volgende oprechte godsvrucht en bracht ze

ocr page 144

LICHT IX HEX AVONDSTOND.

dikwijls nabij de verwelking, en zou ze geheel hebben verwelkt, indien zij niet langs de waterstroomen ware geplant — die zon is nu ondergegaan. De godvruchtige grijsaard bekommert zich thans zeer weinig meer om de wereld. Tot de bedrijvigheden, tot de drukte, het ge vaar en don strijd der eeuw, waarin hij leeft, zegt hij: „Gij zijt niets voor mij; mijn roeping en verkiezing vast te maken, dit mijn vertrouwen niet los te laten, en te wachten totdat ik verhuis: ziedaar mijn taak: met al uw aardsche vermaken en zorgen sta ik in geen verbintenis meer.'quot; De arbeid zijns levens is afgeloopen; hij behoeft nu niet meer te zweeten en te zwoegen, gelijk hij in zijn jongelingsjaren en in zijn mannelijken leeftijd moest doen; zijn kroost is volwassen en is niet meer afhankelijk van hem; misschien heeft God hem zoo gezegend, dat hij in de behoeften van zijn ouden dag behoorlijk kan voorzien; of mogelijk mag hij de weinige levensjaren, die hem nog gegund worden, in een huis van liefdadigheid doorbrengen. Hoe kalm en rustig! Gelijk de arbeider die, des avonds van het veld terug-keerende, zich op zijn leger nederlegt. zoo rust de grijsaard van zijn arbeid. In den avond komt het gezin bijeen, het vuur wordt aangestoken, de gordijnen worden neergelaten en wij zitten om het haardvuur, en denken niet meer aan hetgeen er in de drukke wereld omgaat: evenzoo is in den ouderdom, het gezin, en niet de wereld, het onderwerp dat het hart beheerscht.

Hebt gij wel eens opgemerkt, dat waardige grootouders, als zij een brief schrijven, dien vol schrijven met berichten omtrent hun kinderen ? ,,Jan • is gezond.quot; „Maria is ziek.quot; „Ons geheelegezin verkeert in welstand.7' Zeer waarschijnlijk schrijft de handelsman: „Fondsen

120

ocr page 145

LICHT IX DEX AVOXDSTOXD.

dalen,quot; of „de rentevoet is hooger;quot; maar zoo iets vindt ge nooit in de brieven van een godvruelitigen grijsaard; hij solirijft over zijn gezin, zijn onlangs gehuwde dochters en zoo voort. Juist wat ook wij in den avondtijd doen; dan denken wij alleen aan den huiselijken kring en vergeten wij de wereld. Dat is het, wat de grijsaard doet. ITij denkt aan zijn kinderen en vergeet al het andere. Welnu, hoe liefelijk is dan voor zulk een oud man de gedachte, dat er licht in de duisternis is! „Ten tijde des avonds zal liet licht zijn.quot; Maak u niet bevreesd voor uw dagen van vermoeidheid, uw uren van zwakte. O, strijder des kruises, wanneer de oude lichten uitgebluscht zijn, zullen er nieuwe lichten branden; nieuwe kaarsen zullen er aangestoken worden, wanneer de levenslamp uitgaat. Vrees niet! De nacht uwer verzwakking moge naderen; maar „ten tijde des avonds zal het licht wezen.quot;

Ten tijde des avonds heeft de Christen menig licht, dat hij te voren niet had; licht dat aangestoken is door den Heiligen Geest en het schijnsel door zijn licht. Hij heeft o. a. het licht van een blijde ervaring. Hij kan op den afgelegden weg terugzien en zijn Eben-haezer aanheffen: „Tot hiertoe heeft mij de Heere geholpen.quot; Hij kan op zijn ouden Bijbel, de lamp zijner jeugd, terug zien en zeggen: „Deze belofte is aan mij vervuld; dit verbond is gebleken waarachtig re zijn. Ik heb menig jaar mijn Bijbel doorgelezen; maar heb nog nooit een verbroken belofte aangetroffen. De mij gegeven beloften zijn alle gehouden; niet een der goede woorden heeft gefaald.quot; En als hij dan zijn God gediend heeft, komt een ander licht hem vervroolijken, het licht der herinnering van alles, waartoe God hem bekwaamd heeft. Eenige

121

ocr page 146

LICHT IX HEX AYOXDSTOXD.

dikwijls nabij de verwelking, en zou ze geheel hebben verwelkt, indien zij niet langs de waterstroomen ware geplant — die zon is nu ondergegaan. De godvruchtige grijsaard bekommert zich thans zeer weinig meer om de wereld. Tot de bedrijvigheden, tot de drukte, het gevaar en den strijd der eeuw, waarin hij leeft, zegt hij: „Gij zijt niets voor mij; mijn roeping en verkiezing vast te maken, dit mijn vertrouwen niet los te laten, en te wachten totdat ik verhuis: ziedaar mijn taak: met al uw aardsche vermaken en zorgen sta ik in geen verbintenis meer.quot; De arbeid zijns levens is afgeloopen; hij behoeft nu niet meer .'■o zweeten en te zwoegen, gelijk hij in zijn jongelingsjaren en in zijn manneljjken leeftijd moest doen; zijn kroost is volwassen en is niet meer afhankelijk van hem; misschien heeft God hem zoo gezegend, dat hij in de behoeften van zijn ouden dag behoorlijk kan voorzien; of mogelijk mag hij de weinige levensjaren, die hem nog gegund worden, in een huis van liefdadigheid doorbrengen. IToe kalm en rustig! Gelijk de arbeider die, des avonds van het veld terug-keerende, zich op zijn leger nederlegt, zoo rust de grijsaard van zijn arbeid. In den avond komt het gezin bijeen, het vuur wordt aangestoken, de gordijnen worden neergelaten en wij zitten om hot haardvuur, en denken niet meer aan hetgeen er in de drukke wereld omgaat: evenzoo is in den ouderdom, het gezin, en niet de wereld, het onderwerp dat het hart beheerscht.

ITebt gij wel eens opgemerkt, dat waardige grootouders, als zij een brief schrijven, dien vol schrijven met berichten omtrent hun kinderen ? „Jan • is gezond.quot;' „Maria is ziek.quot; „Ons geheelegezin verkeert in welstand.quot; Zeer waarschijnlijk schrijft do handelsman: „Fondsen

120

ocr page 147

LICHT IN DEN AVONDSTOND.

dalen,quot; of „de rentevoet is hooger;quot; maar zoo iets vindt ge nooit in de brieven van een godvruchtigen grijsaard; hij schrijft over zijn gezin, zijn onlangs gehuwde dochters en zoo voort, .luist wat ook wij in den avondtijd doen; dan denken wij alleen aan den huiselijken kring en vergeten wij de wereld. Dat is het, wat de grijsaard doet. Hij denkt aan zijn kinderen en vergeet al liet andere. Welnu, hoe liefelijk is dan voor zulk een oud man de gedachte, dat er licht in de duisternis is! „Ten tijde des avonds zal het licht zijn.quot; Maak u niet bevreesd voor uw dagen van vermoeidheid, uw uren van zwakte. O, strijder des kruises, wanneer de oude lichten uitgebluscht zijn, zullen er nieuwe lichten branden; nieuwe kaarsen zullen er aangestoken worden, wanneer de levenslamp uitgaat. Yrees niet! De nacht uwer verzwakking moge naderen; maar „ten tijde des avonds zal het licht wezen.quot;

Ten tijde des avonds heeft de Christen menig licht, dat hij te voren niet had; licht dat aangestoken is dooiden Heiligen Geest en het schijnsel door zijn licht. Hij heeft o. a. het licht van een blijde ervaring. Hij kan op den afgelegden weg terugzien en zijn Eben-haezer aanheffen; „Tot hiertoe heeft mij de Heere geholpen.quot; Hij kan op zijn oir]en Bijbel, de lamp zijner jeugd, terug zien en zeggen: „Deze belofte is aan mij vervuld; dit verbond is gebleken waarachtig re zijn. Ik heb menig jaar mijn Bijbel doorgelezen; maar heb nog nooit een verbroken belofte aangetroffen. De mij gegeven beloften zijn alle gehouden; niet een der goede woorden heeft gefaald.quot; En als hij dan zijn God gediend heeft, komt een ander licht hem vervrooljjken, het licht der herinnering van alles, waartoe Gorl hem bekwaamd heeft. Eenige

121

ocr page 148

LICHT IN DEN AVONDSTOND.

zijner geestelijke kinderen komen hein bezoeken en spreken hem van tijden, toen God zijn gesprek aan hun zielen zegende. Hij ziet op zijn kinderen en zijn kindskinderen, die opstaan, om den Verlosser te prijzen: ten tijde des avonds heeft hij licht.

Maar eindelijk breekt de avond in vollen ernst aan: hij heeft lang genoeg geleefd en hij moet sterven. De oude man ligt op zijn bed; de zon gaat onder en hij heeft geen licht meer. „Open de vensters en laat mij voor het laatst in de open lucht kijken,quot; zegt de grijsaard. „De zon is ondergegaan; ik kan gindsche bergen niet zien; zij zijn alle één nevel; mijn oogen zijn dof eu de wereld is ook dof.quot; Plotseling schiet een lichtstraal over zijn gelaat en hij roept: „O dochter! dochter, kom hier! Ik kan een andere zon zien opgaan. Hebt gij mij niet gezegd, dat de zon zoo even onderging? Ku zie ik een andere zon; eu waar anders die heuvelen zich verhieven, die heuvelen, die in het duister verdwenen waren, dochter, kan ik heuvelen aanschouwen, die er als gloeiend metaal uitzien; en het is mij, afsof ik op dien top een stad aanschouw, schitterend als jaspis. Ja, en ik zie een poort opengaan, en geesten er uit komen. Wat zeggen zij toch! O, zij zingen! zij zingen! Is dit sterven?quot;En nauwelijks heeft hij die vraag gedaan, of hij is naar de plaats vertrokken, waar hij geen antwoord behoeft te ontvangen, want de dood is daar geheel onbekend. Ja, hij is de paarlen poorten doorgegaan; zijn voeten betreden de gouden straten; zijn hoofd is gedekt met de kroon der onsterfelijkheid; de palmtak der eeuwige zegepraal is in zijn hand. God heeft hem aangenomen in den Geliefde.

122

ocr page 149

BEDDEN, DIE ÏE KORT ZIJN.

Jesaja XXVIII : 20.

Wat Lord Byrox zeide.

Als wij liet oog slaan op de tegenwoordige wereld, hoe vele bedden zijn er dan van 'smenschen eigen uitvinding! Iemand heeft zich een bedstede van goud gemaakt, met pilaren van zilver, en een gehemelte van Tyrisch purper en kussens, die gevuld zijn met dons, zooals hij alleen voor veel hjn goud kon koopen. De behangsels zijn met goud en zilverdraad geborduurd en de gordijnen zijn gevat in ivoren ringen. Zie, deze man heeft uit de gansche schepping zijn weelde-artikelen gehaald en voor zichzelven allerlei vermaken bedacht, die slechts met schatten van geld kunnen verwezenlijkt worden. Hij krijgt uitgebreide akkers en veel landerijen in bezit; hij voegt huis aan huis en veld aan veld; hij graaft, hij zwoegt, hij slooft, hij verkeert in de verwachting alles in overvloed te zullen verkrijgen, een goed vermogen, een voldoende nalatenschap. Hij gaat van de eene onderneming over tot de andere, belegt zijn geld nu eens in deze, dan in gene zaak. Hij tracht zijn goud te vermeerderen, totdat het alle berekening overtreft. Hij wordt een vorst onder de kooplieden, een millionair, en hij zegt tot zichzelven: „Ziel, neem rust, eet, drink,

ocr page 150

BEDDEX, DIE TE KORT ZIJX.

wees vroolijk; gij liebt vele goederen, die opgelegd zijn voor vele jaren.quot;' Benijdt gij dezen man zijn bed niet? Zijn er niet onder u, wier eenig levensdoel liet is, zulk een legerstede voor u zeiven te verkrijgen? Gij zegt: „quot;Wat is die man toch rijk en verrijkt: o gave God, dat ook aan mij!'' Och, vriend, weet gij wel, dat dit bed korter zal zijn, dan dat hij zich daarop kunne uitstrekke? Indien gjj er u voor een oogenblik op nederlegt, is het bed lang genoeg voor u, maar niet lang genoeg voor he m.

Dikwijls is de gedachte bij mij opgekomen, dat iemands rijkdom voldoende zou zijn voor mij, maar niet voldoende is voor hem. Indien hij dien rijkdom tot zijn god maakt en daarin zijn geluk zoekt, zult gij bevinden, dat de man nooit geld genoeg heeft, dat zijn landerijen steeds te gering zijn en zijn bezitting steeds te klein is. Wanneer hij zich begint uit te strekken, bevindt hij, dat er iets ontbreek.1:; kon het bed nu maar een weinig langer gemaakt worden, zoo denkt hij, dan zou hij rustig kunnen zijn en ruimte genoeg hebben. Maar wanneer het bed verlengd wordr, ervaart hij, dat ook h ij langer geworden is; en als zijn vermogen zoo groot is geworden als de bedstede van Ogr koning van Basan, zelfs dan bevindt hij, dat hij er niet gemakkelijk op liggen kan. Xeen, wij lezen van een man, die zich uitstrekte over de geheele wereld, welke hij had overmeesterd, maar toen zag hij, dat hij plaats tekort kwam, en hij begon te weenen, omdat er geen andere werelden te overwinnen waren. Men zou gedacht hebben, dat een klein gewest voor hem voldoende ware geweest, om in te rusten. O neen; als de mensch zich uitstrekt, is hjj zoo groot, dat de geheele wereld hem niet voldoet. Ja, indien God aan de begeerigen al de

124

ocr page 151

BEDDEN, DIE TE KORT ZIJN.

mijnen van Peru, al de glinsterende diamanten van Golconda, al de schatten der aarde gave, en vervolgens de sterren in goud en zilver herschiep en hen beheer-schers maakte van een volkomen heelal, totdat zij konden zeggen honderden, ja duizenden groepen wereldbollen onder hun macht te hebben, zelfs dan zoude het bed niet lang genoeg zijn, waarop zij hun voortdurend vermeerderende begeerten konden uitstrekken. De ziel strekt zich verder uit dan de schepping, breeder dan de ruimte; geef haar alles en zij zou nog onvoldaan zijn en de mensch zou geen rust vinden.

Zegt gij: „Dat vind ik vreemd; zoo ik een weinig meer bezate, zoude ik zeker zeer tevreden zijn,'' dan vergist gij u; want indien gij niet tevreden zijt met hetgene gij hebt, zoudt gij het ook niet zijn met het dubbele daarvan. „Nu, ik zou het wel zijn,quot; zegt iemand. Gij kent uzelven niet. Indien gij uw genegenheid gevestigd hebt op de dingen dezer wereld, is die genegenheid als do bloedzuiger; zij roept: „Geef! geef!quot; Zij zal blijven zuigen in alle eeuwigheid en nog roepen: „Geef! geef!quot; en al geeft gij haar alles, zoo heeft zij toch niet genoeg. Ja, waarlijk, „het bed is korter, dan dat een mensch zich daarop kunne uitstrekken.quot;

Slaan wij den blik in een andere richting. Er zijn menschen geweest, die gezegd hebben : „Ik geef niet om goud en zilver, ik ben. Goddank! niet gierig.quot; Maar zij waren wel eerzuchtig. „O,quot; zegt iemand, „wat zou ik niet willen doen, dat ik beroemd mocht worden! Als mijn naam aan 't nageslacht werd overgebracht als van iemand, die iets gedaan heeft, die een man van beteekenis geweest is, wat zou mij dat een voldoening wezen!quot; Wij nemen aan, dat die man op zulk een wijze

125

ocr page 152

BEDDEN, DIE TE KORT ZIJN.

heeft gehandeld, dat hij zich eindelijk een eerebed gemaakt heeft. Hij is beroemd geworden. In bijna alle nieuwsbladen vindt gij zijn naam vermeld. Zijn naam is op ieders lippen; volkeren luisteren naar zijn woord; zijn daden worden alom uitgebazuind. Hij is een man; de wereld weet dat en bestempelt hem met het bijvoegsel „groot;quot; men noemt hem „een groot man.quot; O, hoe bijzonder zacht is zijn bed! Wat zouden eenigen uwer niet willen geven, om daarop te rusten! Tot op het oogenblik, dat hij inslaapt, hoort hij zijn roem vermelden, de wierook der toejuiching vervult zijn kamer en bij zijn ontwaken wacht hem nieuwe vleitaal. O, wat zoudt gij niet willen missen, om op een bed als het zijne u te slapen te leggen!

Maar hebt gij ooit de levensgeschiedenis van beroemde mannen gelezen, of die onder vier oogen door hen hooren vertellen? „'t Gekroonde hoofd ligt niet gemakkelijk.quot; ook al draagt het slechts den lauwerkrans dereere. 'tls den man niet genoeg, dat hij algemeen bekend is; hij verlangt grooter lof. Eerst maakte de goedkeuring van een paar oude vrouwtjes hem gelukkig; thans telt hij den lof uit tienduizend monden voor niets. Hij spreekt van de menschen, alsof het domme ezels zjjn, en datgene, waar hij vroeger tegen op zag, wordt nu, als te laag voor hem, geminacht. Hooger moet hij stijgen, nog hooger, altijd hooger; al raakt zijn hoofd aan 't suizebollen, al draait het hem voor de oogen en al glijden zijn voeten uit, toch wil en moet hij hooger stijgen. Hij heeft iets groots tot stand gebracht; wat hij thans doet, moet het eerste overtreffen. Hij schijnt snel vooruit te komen in de wereld; maar dat moet nog sneller gaan, want de wereld houdt nooit een mensch voor beroemd, of hij moet

126

ocr page 153

liEDDEX, DIE TE KORT ZUS.

voortdurend ziclizelven overtreffen. Hij moet niet slechts vandaag iets groots verrichten, maar morgen iets, dat nog grooter is, en overmorgen iets, dat het laatste weer te boven gaat; hij moet zijn bergen op elkander stapelen, totdat hjj zelfs den Olympus der halfgoden beklimt. Maar als hij die hoogte bereikt heeft, zegt hij: „O konde ik maar teruggaan naar mijn eenvoudig huisje en aldaar geheel onbekend in den schoot van mijn gezin mijn dagen rustig doorbrengen. De volksgunst is een last, waarvan ik de zwaarte eerst nu gevoel. Ik had nooit kunnen denken, dat zij mij zooveel moeite zou berokkenen. Laat mij haar geheel derven; en in mijn vroegere vergetelheid terugkeeren.quot; Hij walgt van al denwereld-schen roem; en geen wonder, want de mensch kan nooit met iets minders tevreden zijn dan met de goedkeuring des hemels, en zoo lang het geweten die bewustheid mist, zullen al de toejuichingen van de grooten en vorsten der aarde een bed zijn, hetwelk korter is, dan dat een mensch er zich op uitstrekke.

Er is nog een ander bed, waai-op de mensch denkt te kunnen rusten. Er is een heks, een geblankette hoer, die de kostbaarste juweelen in haar ooren draagt benevens een halssnoer van edelgesteenten. Zij is een doortrapte bedriegster. Reeds in Bunyan's dagen was zij oud en rimpelig; zij blankette zich toen, blanket zich heden en zal zich blanketten, zoolang de wereld staat. Zij slentert steeds rond en de mannen houden haar voor jong en schoon, aanminnig en verrukkelijk. Zij heet mevrouw Dartel. Zij houdt een huis, waarin zij de mannen onthaalt en hen dronken maakt met den wellustwijn, die honig voor den mond, maar venijn voor de ziel is. Als het haar mogelijk is, lokt deze

127

ocr page 154

128

heks de manneu in liaar bed. „Zie eens,quot; zegt zij, „hoe keurig ik het gespreid heb!quot; Het is een bedstede, die het vermaak tot [jilaren heeft: boven het bed is het purper der verrukking en beneden is de zachte rust van den weelderigen wellust. O welk een bed is dit! Salomo lag er eens in, en velen na hem hebben aldaar rust gezocht. Zij hebben gezegd; „Weg met uw goud en zilver; laat mij er mee doen, wat ik wil, opdat ik moge eten en drinken en vroolijk zijn, want morgen sterf ik. Spreek mij niet van roem; die kan mij niet schelen. De vermaken des levens, of de vreugde van Bacchus zijn mij liever dan de lauwerkrans van den roem. Ik wil tot bedwelmens toe mij overgeven aan de genietingen dezer aarde, ja mij dompelen in het wijnvat der wereldsche vreugd.quot; Hebt gij ooit dergelijke menschen gezien ? Ik heb er velen gezien, en i.-c heb om hen geweend, en ook thans nog ken ik er, die, door zich op dat bed uit te strekken, het geluk hopen te vinden. Byron is een sprekend beeld van zulke menschen, al ging hij ook verder dan anderen. Op welk een bed strekte hij ach uit! Joeg ooit een wellusteling vrijer de zonde na? Ging ooit een zondaar in zijn godslastering ruwer te werk? Overtrof ooit iemand hem in stoutheid van dichterlijke vlucht ? Berokkende een mensch ooit meer nadeel aan zijn naasten dan hij? En toch, wat heeft diezelfde Byron getuigd? Er bestaat een versje, dat ons zegt, wat hij in zijn hart gevoelde. Ue man had het zinnelijk genot volop gesmaakt, en toch beleed hij:

„ik vlieg gelijk een vogel rond.

Of ik een plaats der ruste vond,

Een balsem in mijn angst en smart,

Een troost voor mijn rampzalig hart.quot;

ocr page 155

BEDDEN, DIE TE KORT ZIJ\.

Maar hij vond dio niet. TTij had geen rust in God. Hij joeg het zinnelijk genot na, totdat zijn oogen er rood van waren; hij dronk de zonde in, totdat zijn lichaam er ziek van was; en hij daalde ten grave als een man, die vóór zijn tijd oud was. Indien gij dien man ondervraagd hadt en hij u een eerlijk antwoord had gegeven, zou hij gezegd hebben, dat het bed korter was, dan dat hij er zich op kon uitstrekken.

Xeen, jongeling, al zijn al de zondige genoegens en vermaken der wereldsteden uw deel — en aldaar wordt veel gevonden, dat ik thans niet noemen zal — dan zult gij toch bespeuren, dat zij niet aan uw verwachting beantwoorden en uw begeerte niet bevredigen. Wanneer de duivel u één beker gekruiden wijn toereikt, zult gij de volgende maal hem vragen den wijn sterker te kruiden; en hij zal dat doen, hij zal hom naar uw vurigen lust bereiden, maar ook dan nog blijft gij onbevredigd, totdat ten laatste, ook al bracht hij een beker wijn zoo sterk gekruid als de hel, uw gehemelte er niets van zou bemerken. Dan zoudt gij zeggen: „Ook hierin vind ik geen smaak, ik proef enkel gal, bitteren alsem en vuur.quot; Zoo is het met alle wereldsch genot gesteld; het bevredigt nooit, het wekt een altijddurenden dorst. ITij, die het najaagt, is gelijk aan den opiumschuiver: deze schuift een weinig, en hij droomt van wonderlijke zaken; hij ontwaakt en alles is verdwenen. Zulke droomers zien er na 't ontwaken als lijken uit en hebben nog juist genoeg leven, om zich voort te sleepen. Een volgenden keer moeten zij. om hun paradijs te bereiken, een grooter hoeveelheid opium gebruiken, en later nog al meer en meer, en intusschen zakken zij met toenemende snelheid langs een hellend vlak naar hun graf. Dat is de vrucht van het zondige

9

129

ocr page 156

130

vermaak en van alle aardsche zinnelijke genoegens; zij eindigen eerst in 't verderf; en hoe lang zij ook duren, onze begeerten strekken zich altijd nog verder, onze verwachtingen nog hooger uit, want liet bed is korter dan dat er een mensch zich op kunne uitstrekken.

Denk nu eens voor een oogenblik aan den Christen, en beschouw de keerzijde van den penning. Ik wil mij den Christen in zijn droevigsten staat voorstellen, hoewel er geen reden voor is. Het is niet volstrekt noodig, dat de Christen arm zij; hij kan ook rijk wezen. Maar denk u thans een arm Christen. Geen voet lands kan hij zijn eigendom noemen; hij leeft bij den dag, en toch heeft hij het goed, want zijn Meester is een mild gastheer en voorziet hem van alles, dat hij noodig heeft. Hij bezit op deze aarde niets dan Gods belofte aangaande de toekomst. De wereldling lacht met die belofte en zegt, dat men daar niets aan heeft. Maar de Christen zegt:

„Niets kan op 'tgansche wereldrond

Voldoening schenken aan mijn streven: Uw dienstknecht. Heer, ziet hijgend uit

Naar eedier vreugd dan de aard kan geven.quot;

Zeg, arme man, zijt gij tevreden, volkomen tevreden? „Ja,quot; zegt hij, „het is de wil mijns Vaders, dat ik in armoede leef. Ik ben volkomen tevreden.quot; „Maar verlangt gij dan naar niets anders?quot; „Naar niets,quot; zegt bij; „God is bij mij ; de gemeenschap met Christus schenkt mij blijdschap; ik weet, dat mij een kroon des levens is weggelegd, die niet verbleekt, en meer kan ik niet wen-schen. fk ben volkomen tevreden. Mijn ziel geniet rust.quot;

ocr page 157

YERKEERD GEPLAATSTE LIVER.

Zij, die kracht en moed missen, kunnen gemakkelijk zichzelven in liet verderf storten, maar zullen niet zoo lichtelijk anderen nadeel toebrengen, terwijl een onverstandig ijveraar gelijk is aan een dolleman, met een brandend hout in de hand. Menschen, die door een verkeerd geplaatsten ijver gedreven worden, kunnen veel kwaad stichten. Wat deden de Schriftgeleerden en Farizeën tijdens Jezus' omwandeling op aarde? Zij waren vol ijver, maar die ijver dreef hen tot kruisiging van den Heere der heerlijkheid. Wat deed Saulus in zijn tijd? Hij was vol ijver, en door dien ijver aangevuurd, sleepte hij mannen en vrouwen naar do gevangenis en dwong hij hen God te lasteren; en als zij terdoodgebracht werden, gaf hij er zijn goedkeuring over te kennen. Ik twijfel niet, of velen, die de martelaren verbrandden, waren in hun geloof even oprecht, als zij, die door hen verbrand werden, 'tls werkelijk ontzettend, als iemand ten volle overtuigd is, dat de wreedheden, die hij pleegde, Gode wezenlijk welgevallig waren; en toch kunnen wij er niet aan twijfelen, of velen hadden die overtuiging. Heeft niet onze Heere zelf gezegd: „Ja, de ure komt, dat een iegelijk, die u zal dooden, zal meenen Gode een dienst te doen?quot; Geschriften, opgesteld door mannen, die hun handen met het bloed van Protestanten bevlekten, strekken tot bewijs,

ocr page 158

VERKEERD GEPLAATSTE IJVER.

dat sommigon hunner oprecht van harte waren tegenover God. In hun verkeerd geplaatsten ijver voor God, voor de waarheid en voor de eenheid der Kerk geloofden zij, dat zij bezig waren een verderfelijke dwaling uit te roeien, en dat de personen, die zij naar de gevangenis en naar 't schavot zonden, misdadigers waren, welke behoorden uit den weg geruimd te worden, omdat zij de zielen der menschen verwoestten.

Draagt zorg, dat niemand uwer door ijver voor het evangelie vervolgziek wordt. Een godvruchtige huisvrouw zou in haar vromen ijver kunnen zeggen: „Ik wil geen dienstmaagd in mijn huis hebben, die niet ter kerke gaat, waar ik ga.quot; Ik heb eigenaars van huizen en landerijen gekend, die zulk een vreemden geloofsijver toonden, dat zij iederen „Afgescheidenequot; uit hun woningen zett'en en geen enkele hunner boerderijen wilden verhuren aan iemand, die niet tot de Staatskerk behoorde. Ik verwonder mij niet over hun gedrag; indien zij vol ijver en tegelijk blind zijn, zullen zij natuurlijk de kinderen Gods zoeken uit te roeien, en zich geroepen achten voor goed aan dwaling en scheuring een einde te maken. Zij willen geen kerkverschil in hun omgeving dulden, en doen daarom in hun ijver hun slagen links en rechts vallen. Zij spreken scherpe en bittere woorden, en slaan daarna tot wreedheden, erge wreedheden, over, oprechtelijk geloovende dat zij in alles M'at zij doen Gode een dienst bewijzen, maar niet bedenkende, dat zij de kroonrechten schenden van God, die alieen lieer van de gewetens der menschen is. Zij zouden zich niet tegen Gods wil verzetten, indien zij dien kenden; en toch doen zij dit. Zij zouden niet gaarne hen bedroeven, die door God geliefd worden, en toch doen zij

132

ocr page 159

VERKEERD GEPLAATSTE IJVER.

dit, wanneer zij den geringen hutbewoner om zijn geloof norscli behandelen. De arme menscben, die een weinig van ben verscbillen, maken zich in bun oog aan ik weet niet welke misdaad schuldig, en nu achten die ij veraars bet bun plicht te zijn, ben op alle mogelijke wijze tegen te werken, en aldus worden zij onder den invloed van den ijver, die ben drijft en die op zichzelf iets goeds is, tot zondige en onrechtvaardige handelingen geleid. Daarom beeft ook de Apostel, nadat hij de zwaarte der steenen uit de banden dor .loden gevoeld bad, voor hun bekeering gebeden; want zoo zij niet tot bekeering kwamen, zoude bun ijver voor God ben moordenaars doen blijven.

Een andere reden, waarom wij de ij veraars wenscben bekeerd te zien, is, dat zij dan zeer nuttig zouden zijn. De man, die in een verkeerde ricbtina: zijn taak met de uiterste gestrengheid volvoert, zal, wanneer gij hem van bet verkeerde kunt overtuigen en bem kunt leeren wat recht is, dezelfde nauwgezetheid ook in de goede richting betoonen. O'welke uitnemende christenen zouden, na bekeering, zjj zijn, die thans met hun gebeele hart bet bijgeloof aanhangen. In spijt van bun bijgeloof, kan ik op menig Roomscbgezinde met bewondering bet oog slaan. Van den vroegen morgen tot den laten avond op te zijn, — bereid tot allerlei boetedoeningen en zelfkastijding, bereid om bun lichamen ter verbranding over te geven, al hun bezittingen den armen te schenken, tallooze gebeden op te zenden en eindelooze kerkelijke voorschriften op te volgen: wat zou een uiterlijke godsdienst nog meer van stervelingen kunnen eischen? O, als zij eens aan Jezus' voeten kwamen zitten, de gedenkcedels en de breedgezoomde kleederen aflegden, God in geest en waarheid aanbaden en niet langer op het vleesch

133

ocr page 160

VERKEERD GEPLAATSTE IJVER.

vertrouwden, welke uitstekende Christenen zouden zij dan zijn!

Zie eens wat Paulus zelf was, toen hij alles, wat hem eerst dierbaar was, schade en drek leerde achten en liet varen, en de behoudenis des zondaars, uit genade alleen, begon te prediken. Terwijl hij onvermoeid en onversaagd door de wereld trok en met alle kracht en vrijmoedigheid het evangelie verkondigde, had hij den Nazarener lief, leefde en stierf hij voor Hem, dien hij eens in zijn blinden ijver voor een bedrieger had gehouden. De menschen moesten uit al hun macht bidden voor alle dwalenden, die een ijver voor God hebben, maar zonder verstand.

Xog eens: wij zijn geroepen om deze menschen tot een onderwerp van bijzonder ernstig gebed te maken, omdat het zoo m o e i e 1 ij k is, hen te b o k e e r e n. Gods almacht wordt er vereischt, om iemand werkelijk te bekeeren; maar een dubbele openbaring dier almacht schijnt er noodig te zijn ter bekeering van een oprecht ijveraar in 't godsdienstige, wanneer zijn ijver gepaard gaat met uroote onkunde en grove dwaling. „O,quot; zegt hij, „ik doe wat recht is; Ik ben stipt in mijn religie. Mijn gerechtigheid zal mjj behouden.quot; Gij kunt hem daarvan niet af brengen. ITet is gemakkelijker een zondaar zijn zonde, dan een eigengerechtig man zijn eigengerechtigheid te laten varen. Even innig als de huid aan het vleesch verbonden is, kleeft het begrip van onze eigengerechtigheid ons aan. De luipaard verliest eerder zijn vlekken dan de hoogmoedige mensch zijn eigengerechtigheid. O die eigengerechtigheid van ons! We zijn er zoo verzot op. Onze hoogmoed koestert ze. Wij denken zoo gaarne, dat wij van nature voor Gods aangezicht goed zijn, dat wij oprecht zijn, dat wij waar zijn, enden

T34

ocr page 161

VERKEEKD GEPLAATSTE IJVER.

135

rechten weg bewandelen, en afsclioon wij op menigerlei gevoelige wijze dit wel anders leeren, zijn wij toch altijd weêr genegen tot datzelfde denkbeeld terug te keeren. Ue eigengerechtigheid is in het hart des menschen gebonden gelijk de dwaasheid in het hart des kinds. Al stiet gij een dwaas in een mortier, met een stamper in het midden van het gestooten graan, zijn eigengerechtige dwaasheid zou toch van hem niet afwijken. Wat er ook gebeure, hij zal blijven gelooven, dat hij zeer vroom is en verdient gezaligd te worden. Jn liet bijzonder mogen wij dus wel voor de zoodanigen bidden, dewijl de eigengerechtigheid een diepe gracht is, en het moeilijk valt hen, die er eens zijn ingevallen, er uit te trekken. Van alle andere tegenstanders is de bevooroordeelde het moeilijkst te overwinnen. De deur is toegesloten. Klop zoolang gij verkiest; maar de man zal haar niet openen. Hij kan niet. Zij is toegesloten eu hij heelt den sleutel weggeworpen. Gij kunt wel tot hem zeggen: „Gij hebt ongelijk, goede vriend,quot; maar hij is zoo ten volle overtuigd, gelijk te hebben, dat hij door al uw praten des te boozer op u wordt, omdat gij zijn vrede tracht te verstoren. O God! wie anders dan alleen Gij kan een mensch uit dit modderig slijk der eigengerechtigheid trekken? Daarom smeeken wij U, dat Gij het uit uw groote genade doet. — Om deze en vele andere redenen moeten zij, die een ijver tot God hebben, maar zonder verstand, een eerste plaats in onze dringende gebeden innemen.

ocr page 162

GEMAKZUCHT.

Dat is de zondo, waarvan Gods Geest door Mozes zegt: „Gij zult uw zonde gewaar worden, als zij u vinden zal.quot; Naar aanleiding van dezen tekst heeft de eene geleerde predikant een preek geleverd over de zonde van den doodslag, een ander over die van den diefstal, een derde over dié van de valscliheid. Dat zijn wel zeer goede preeken, maar zij hebben niets te maken met dezen tekst, wanneer die gelezen wordt in verband metMozes' woorden. Indien gij den tekst leest, zoo als hij in Numeri XXXII staat, vindt gij er niets in van moord, diefstal of eenige andere bepaalde zonde. Hij handelt dan ook werkelijk niet over hetgeen de menschen doen, maar over hetgeen de menschen niet doen. De ongerechtigheid van het nietsdoen is een zondo, waarover niet zoo dikwijls gesproken wordt, als wel behoorde. De zonde der nalatigheid wordt duidelijk bedoeld in deze waarschuwing: „Indien gij daarentegen al/, oo niet zult doen, zoo hebt gij aan den Heere gezondigd, doch gij zult uw zonde gewaar worden, als zij u vinden zal.quot;

Wat was dan die zonde? Gedenkt dat het de zonde is van Gods eigen volk; niet de zonde van Egyptenaren en Filistijnen, maar de zonde van Gods uitverkoren natie;

ocr page 163

GEMAKZUCHT.

en daarom geldt deze tekst u, die tot een van Israels stammen behoort, u, aan wien God een erfdeel onder zijn kinderen gegeven heeft. Tot u, leden van Christus' gemeente, die voor uw belijdenis zijt uitgekomen, tot u komt het woord: „Uw zonde zal u vinden.quot; En wat is die zonde? Zij heerscht, helaas! vrij algemeen onder belijdende Christenen, en wij moeten er ons beslist mede bemoeien; het is de zonde, die velen afhoudt van hun verplichte deelneming aan den heiligen oorlog, welke voor God en zijn gemeente moet gevoerd worden. In dit kwaad loopen veel verkeerdheden ineen, en wij moeten ze trachten te scheiden, om ze op ordelijke wijs u te doen zien.

Voornamelijk was het de zonde der luiheid en gemakzucht. „Wij hebben vee; hier is een land, dat veel weide bevat; laat dit land ons voor ons vee gegeven worden; dan zullen wij schaapskooien bouwen van de vele steenen, die hier rondom liggen, en wij zullen deze steden der Amorieten opbouwen en or in wonen. AYij behoeven er weinig aan te herstellen en onze kinderkens zullen er in vrede wonen. Van strijdvoeren houden wij niet; wij hebben er reeds genoeg van gezien in de oorlogen met Sihon en Og. Ruben wil liever bij de schaapskooiën blijven. Gad heeft meer genoegen in het blaten der schapen en drukt liever de lammeren aan zijn borst, dan dat hij ten strijde trekt.quot;' Helaas, de stam van Ruben is niet uitgestorven en do stam van Gad is er ook nog. Velen, die tot de huisgo-nooten des geloofs behooren, zijn even afkeerig van inspanning, even verzot op geraak. Hoort, wat zij zeggen: „Gode zij dank, wij zijn behouden. V ij zijn uit den dood overgegaan in het leven. Wij hebben den naam van

137

ocr page 164

GEMAKZUCHT.

138

Christus genoemd; wij zijn gewasschen in zijn dierbaar bloed en daarom zijn wij verzekerd van onze behoudenis.quot; Doch in zonderlinge tegenspraak hiermede geven zij aan vleescheljjke gemakzucht toe en roepen: Ziele, gij hebt velo goederen, opgelegd voor vele jaren; neem rust, eet, drink en wees vroolijk!quot; Het toegeven aan luiheid in het geestelijke is een afschuwelijk kwaad, dat wij, helaas! overal aanschouwen. Op Zondag eischen die luiaards goed voedsel; dan zien zij uit naar preeken, waarin hun zielen bijzonder te gast gaan. Bij die menschen komt de gedachte niet op, dat er nog iets anders moet gedaan worden dan te gast gaan. Behoudenis van zielen wordt op den achtergrond geschoven. De menschen sterven bij menigten aan him poorten; de scharen verontreinigen de lucht met haar zonden; het menschelijk geslacht neemt in verdorvenheid toe; en door de wet van ontplooiing, ontwikkelt de mensch zich tot een duivel; en toch willen die menschen, dat hun aangename dingen gepredikt worden. Zij eten het vette en drinken het zoete en bezoeken in groote getalen den „vetten maaltijd van reinen wijn, van vet vol mergs, van reine wijnen die gezuiverd zijn,'' Jes. XXV: C. Feestviering op geestelijk gebied maakt hun blijdschap uit: predikaties, samenkomsten, bijbellezingen en zoo voort, worden door hen bijgewoond, maar geregelde werkzaamheid op gewone wijs wordt verzuimd. Zij willen zich niet de minste moeite getroosten. Zij gorden zich geen wapenrusting aan; zij grijpen niet naar 'tzwaard; zij zwaaien geen slinger; zjj werpen geen steen. Zij zijn gelijk aan menschen, die hun schaapjes op 't droge hebben, en in de bewustheid hiervan rustig nederzitten en behagen hebben in nietsdoen. Xiets kan hen tot werken aansporen: zij

ocr page 165

GEMAKZUCHT.

139

zijn latte leegloopers, zoo lui als zij groot zijn. Zij gevoelen zich nergens anders thuis, clan waar zij te gast gaan om verder Gods water over Gods akker te laten loopen. Zij hebben de sluimering lief, maar willen op de akkers des Heeren zaaien noch maaien. Dit is de zonde, die in den tekst wordt bedoeld. Indien gij niet uittrekt om de oorlogen des Hoeren te strijden, voor den Heere God en voor zijn volk, zoo zondigt gij tegen den Heere, en „gij zult uw zonde gewaar worden, als zij u vinden zal.quot; De zonde van nietsdoen is een der grootste zonden, want de meeste andere zijn er in begrepen. De zonde van stilzitten, terwijl uw broeders ten strijde trekken, is een verbreking van beide tafelen der wet, en is een grove afgoderij van het eigen Ik, die noch van liefde tot God noch van de liefde tot den naaste wil weten. Die afschuwelijke luiheid! Moge God ons er van verlossen I

ocr page 166

„WEES NUCHTER.quot;

„Wees nuchter.quot; Beteekent dat niet allereerst; matig in alles? Wees niet zoo opgewonden van vreugde, dat gij kinderachtig wordt. Laat u door wereldschen voorspoed of aardsche eer niet bedwelmen of vervoeren. Anderszijds wees door voorbijgaand verdriet niet al te zeer terneergeslagen. Sommige menschen zijn zoo verre van nuchter, dat zij bij het minste leed uitroepen: „'k Wou dat ik dood was.quot; Neen, neen, dat mag niet.

„Wees nuchter.quot; Houd den gouden middelweg. Velen hebben deze vermaning noodig. Zijn er niet in onze naaste omgeving menschen, die in een kort tijdsverloop van het eene uiterste tot het andere overslaan, zoodat hun stemming van daag op kookhitte en morgen op poolskoude staat? Den eenen tijd zoudt gij, naar hun spreken te oordeelen, hen voor engelen houden, maar op andere tijden handelen zjj op zulk een wijs, dat zij engelen van een andere soort schijnen te zijn. Zij zijn nu uiterst opgewonden, dan uiterst neerslachtig. Van daag laten zij zich medevoeren met dit, en morgen mot wat anders. Ik ben heel goed bekend geweest met een Christen, wien ik, wanneer ik hem ook zag, op dezelfde wijze begroette. Hij was een goed man, maar veranderlijk. Ik zeide tot hem: „Goedenmorgen, vriend! wat zijtgijnu?quot; Hij

ocr page 167

„WEES NUCHTER.'

was eeus een vurig Remonstrant, die jonge menschen op de dwalingen mijner Gereformeerde prediking met scherpte wees. Kort daarna werd hij zelf uiterst Gereformeerd, en deed hij alle moeite, om ook mij tot uitersten te drijven, maar ik had er geen lust in. Eerlang werd hij Baptist en stemde, voor zooverre ik weet, op alle punten met mij in. Ook dit deugde op den duur niet, en daarom werd hij Darbist; en nog later keerde hij terug tot de Kerk, die hij oorspronkelijk uit beginsel verlaten had. De eerste maal, dat ik hem toen ontmoette, zeide ik: „Goedenmorgen, broeder, wat zijt gij nu?quot; Hij antwoordde: „Dat is te erg, mijnheer Spurgeon; dezelfde vraag hebt gij de laatste maal ook gedaan.quot; Ik antwoordde: „Ja? Maar wat zijt gij nu? Geeft gij er hetzelfde antwoord als toen op?quot; Ik wist wel van niet. Tot alle dergelijke broeders geef ik den ernstigen raad: „Wees nuchter! Wees nuchter!quot; Dat voortdurend van den hak op den tak springen, kan toch geen wijsheid zijn. „Weet goed, waar gij uw voet op gezet hebt, als gij staat; weet het vooral goed, vóór gij verandert.quot;

Nuchter zijn beteekent kalm, helder van hoofd zijn, de zaken naar recht en niet naar de meening van't gepeupel beoordeelen. Laat n niet beheerschen door de luidste schreeuwers op straat of door hen, die de zwaarste trom roeren. Vel als verstandige mannen een zelfstandig oordeel. Vel met kalm overleg een oordeel als in tegenwoordigheid van God.

„Wees nuchter,quot; d. i. wees helder van geest, De man, die door 't gebruik van sterken drank zich aan onmatigheid overgeeft, wordt beneveld, en verward, en raakt aan 't dwalen. Door op te houden nuchter te zijn^ maakt hij zichzelven bespottelijk. Bega deze zonde niet

141

ocr page 168

„WEES NUCHTER.'

op geestelijke wijs. quot;Wees inzonderheid kalm en helder van geest in de zaken, die Gods Koninkrijk aangaan. Smeek, dat Grods genade u zoo beheersche, dat gij kalm en vreedzaam zijt, en u noch door ijdele vrees aan de eene of door dwaze hoop aan de andere zijde laat ontrusten.

„Wees nuchter,quot; zegt de Apostel. Gij weet, dat het woord, vertaald door „wees nuchter,quot; soms beteekent; „waakquot;; en er bestaat groote verwantschap tusschen die twee zaken. Leef met uw oogen open. Ga niet half slapende de wereld door. Veel christenen zijn in slaap. Geheele gemeenten zijn in slaap. Terwijl de predikant zijn godgeleerd stelsel opdreunt, zitten zijn hoorders in de banken te knikkebollen. Veel arbeid op godsdienstig gebied wordt op een slaperige wijs verricht. Op een Zondagschool kunnen onderwijzers en kinderen in slaap zijn. De bezoekbroeders van een tractaatgenootschap kunnen in slaap de woningen rondgaan; kortom, al.'es kan men op een droomerige manier doen. Maar de Apostel zegt: wees wakker, wees levendig. Broeders, kijkt opgewekt; laat u door de groote drangredenen, die wij reeds hebben onderzocht, zoo wakker schudden, dat gij u aangordt en met al uw kracht in dienst van uw Heer en Meester u begeeft.

Laat ons h o pe n tot aan het einde. Wanhoop nooit; twijfel zelfs nooit. Hoop, ook wanneer de dingen er hopeloos uitzien. Een zieke, lijdende broeder bestrafte mij eens om mijn moedeloosheid. Hij zeidetotmij: „Wij moeten nooit den vijand den rug toekeeren; maar het komt mij voor, dat gij dit somtijds doet.quot; Tk vraagde hem, wat hij bedoelde, en hij antwoordde: „Gij schijnt soms moedeloos en versaagd te worden. Wat mij betreft, ik ben dicht bij den dood, maar mij bevangt noch duister-

142

ocr page 169

„WEES NUCHTER.quot;

nis noch vrees.quot; Het verblijdde mij hem zoo opgewekt te zien en ik antwoordde; „Gij liebt gelijk, mijn broeder, bestraf mij zooveel gij wilt om mijn ongeloof, ik verdien liet ten volle.quot; „Welnu,quot; zeide hij, „van velen onzer zijt gij de vader. Hebt gij niet mij en mijn vriend van den overkant tot Christus gebracht? Als gij na zooveel zegeningen nog mismoedig wordt, behoort gij u over uzelven te schamen.quot; Ik kon niet anders zeggen dan; „Ik schaam mij over mijzelven, en wensch in het vervolg sterker vertrouwen te oefenen.quot; Broeders, wij moeten hopen en niet vreezen. Weest sterk in heilig vertrouwen op Godswoord, en houdt u verzekerd, dat zijn zaak leven en bloeien zal. Blijft hopen tot aan het einde; houdt den roem der hope vast; blijft hopen ook dan, als alles tegenloopt. Hoopt zooveel een mensch maar kan hopen, want indien uw hoop op God is, kan zij nooit te groot zijn.

ocr page 170

„DOOR VLOED EN VLAM.quot;

Veel lieve kinderen, zoo jongens als meisjes, hebben zicli niet geschaamd in de dagen hunner jeugd den Heere Jezus Christus vrijmoedig te belijden. Godzegene hen. Ik verblijd mij over hun optreden. De Kerk zal er zich zeker nooit over behoeven te schamen, dat zij hen als leden heeft opgenomen. Zij althans zullen geen lafheid betoonen; heilige blijdschap vervult hen, nu zij met Gods volk mogen geteld worden, eu zij achten het een eer met Christus en zijn gemeente te zijn verbonden. Schaamt u, gij ouderen, die nog van verre staat! Wat schort er toch aan, dat zuigelingen en kinderkens u in moed overtreffen? li ij de liefde, die gij Christus toedraagt, beveel ik u: treedt voorwaarts en belijdt zijn naam onder dit boos en verkeerd geslacht.

Doet gij dit oprecht? Neemt dan ook met blijdschap de beproeving aan, die zulk een vrijmoedige belijdenis met zich brengt. Beeft niet terug voor de vlammen. Het zij uw vaste voornemen, dat door Gods genade verlies noch kruis, schande noch lijden u den lafaard zullen doen spelen. Zegt gelijk de geloovige jongelingen : „Wij hebben niet van noode u op deze zaak te antwoorden.quot; Zij bogen zich niet neêr voor den koning en riepen niet: „Wij smeeken u, werp ons toch niet in den vurigen oven.

ocr page 171

„DOOR VLOED EX VLAM.quot; 145

Gunt ons een onderhoud met u, o Koning, opdat wij tot schikking komen. Er is misschien een middel te bedenken, waardoor wij aan uw wensch kunnen voldoen, en ook trouw aan onze religie kunnen zijn.quot; Neen, zij zeiden: „Wij hebben niet van noode, u op deze zaak te antwoorden Zal het zoo zijn, onze God, dien wij eeren, is machtig ons te verlossen uit den oven des brandenden vuurs, en hij zal ons uit uw hand, o Koning, verlossen. Maar zoo niet, u zij bekend, o Koning, dat wij uw goden niet zullen eeren, noch het gouden beeld, dat g|j hebt opgericht, zullen aanbidden.quot; Lieve vrienden, laat ons bereid zijn, voor de zaak van Christus te lijden. De een of' ander zal zeggen: „Zijt niet onvoorzichtig!quot; Het is altijd voorzichtig uw plicht te doen. Wij zijn van de deugd, die spottenderwijs onvoorzichtigheid geheeten wordt, heden ten dage niet ruim voorzien. In deze koele, zelfzuchtige dagen, die op berekening uit zijn, zoude ik zoo gaarne eenige blijken van die ouderwetsche onvoorzichtigheid aanschouwen. O, welke schoone dagen van ijver waren het, de dagen toen de raenschen hun leven niet dierbaar achtten voor zichzelven, opdat zij Christus mochten gewinnen. De menschen zitten tegenwoordig uit te rekenen, wat liet hun zal kosten, wanneer zij het goede doen; zij beschouwen hun gedrag als een zaak van winst en verlies en noemen dan zulke booze berekeningen voorzichtigheid, liet is louter eigenbaat. Doe het goede, al moet het u ook het leven kosten! Wat zou er van ons land geworden zijn, indien do mannen, die in vorige eeuwen ons de vrijheid verwierven, met de wereld om winstbejag geschacherd hadden. Mochten zij zoo doende hun lichaam gered hebben, hun zielen hadden zij moeten verliezen, en de zaak dos Ileeren in ons land zou uitgeroeid zijn

10

ocr page 172

„DOOR VLOED EU VLAM.quot;

geworden. Er is geen liefde tot Christus in liet hart van hem, die Christus niet boven alles liefheeft. O, waar zijn de mannen van beginsel, die geen ander verlies kennen dan het verlies des geloofs en geen andere winst begeeren dan de verheerlijkinir Gods? Uw harte zegge:

„Met Jezus aan de spits ga ik door vloed en vlam;

En 'k volg gewillig 't Lam.quot;

't Is mogelijk, dat gij zeer veel om Christus' wil verliest, maar door Christus zult gij nimmer iets derven. Gij kunt verlies lijden voor den tijd, maar zult winst behalen voor de eeuwigheid ; het verlies is kortstondig, maar de winst is eindeloos. Door Christus zult gij winnen, ook al moet gij naar den hemel gaan langs den weg van vervolging, armoede en laster. Bekommer n nooit om den weg; aan 't einde daarvan xuit gij volkomen schadeloos gesteld worden. De schatten van Eg\pte zijn enkel schuim in vergelijking met de rijkdommen der eindelooze zaligheid.

Indien gij in waarheid aldus Christus wilt volgen, reken dan op verlossing. Nebucadnezar moge u in het vuur werpen, hij kan u daar niet houden; evenmin kan hij maken, dat het vuur u verbrande. De vijand werpt u gebonden in het vuur, maar het vuur zal uw banden losmaken, en gij zult tusschen de gloeiende kolen vrij wandelen. Door de verliezen, die gij lijdt, zult gij winnen; door uw nederlagen zult gij rijzen. Yele welvarende mannen danken den stand, waarin zij tegenwoordig zijn, aan de trouw die zij betoonden, toen zij een nederigen werkkring vervulden. Zij waren eerlijk, en mishaagden voor het oogenblik aan hun werkgevers, maar wonnen in het einde hun achting. Toen Adam Clarke als

146

ocr page 173

„DOOR VLOED EN VLiM.quot;

147

leerjongen optrad en zijn meester hem aanwees, hoe hij het laken moest uitrekken, als het wat kort was, vond Adam geen vrijmoedigheid dat te doen. Zulk een simpele jongen moest naar zijn moeder teruggezonden worden; en zijn godvruchtige moeder was blij, dat haar jongen onnoozel genoeg was, om zich niet tot een oneerlijkheid te laten leenen. Het is u bekend, wat er van hem geworden is. Hij ware zijn weg in het leven misgeloopen, indien hij in zijn jeugd niet getrouw ware gebleven aan zijn beginselen. Uw eerste verlies kan een levenslange winst zjjn. Jeugdige vriend, misschien wordt gij uit uw betrekking gestooten, maar de Heere zal den vloek in een zegen veranderen. Indien het in alles zoo gemakkelijk met u ging, zoude uw karakter schade kunnen lijden, en door slechts even een stap op 't verkeerde pad te zetten, zoudt ge zoo licht tot meerdere stappen komen, en aldus uw eerlijkheid verliezen en daarmee alle hoop van ooit uw hoofd vrijmoedig te durven opheffen. Doe het goede om Christus' wil, zonder op de gevolgen te letten, en de gevolgen zullen gunstig genoeg zijn.

ocr page 174

KLEUR BEKENNEN.

Onze Heere vraagt zoowel een openbare belijdenis als een verborgen geloot'; en wilt gij die belijdenis niet atleggen, dan is er voor u geen belofte van zaligheid, maar wel een bedreiging, dat gij op het einde znlt verloochend worden. De Apostel zegt: „Indien gjj met uw mond zult belijden den Heere Jezus, en in uw hart zult gelooven, dat God Hem uit de dooden heeft opgewekt, zoo zult gij zalig worden.quot; Op een andere plaats staat dit aldus uitgedrukt: „Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden,quot; — dat is de wijze, waarop Christus beleden wil zijn. Het ware geloof moet tot belijdenis komen. Indien gij kaarsen zijt, heeft God u aangestoken. Laat uw licht alzoo schijnen voor demen-schen, opdat zij uw goede werken mogen zien en uw Vader, die in de hemelen is, verheerlijken. Krijgsknechten van Christus moeten, gelijk krijgsknechten van Hare Majesteit, hun uniform dragen, en indien zij zich hun uniform schamen, belmoren zij uit den dienst te worden gejaagd. Het zijn geen echte soldaten, die met hun makkers in 't gelid weigeren te loopen. Het allerminste, dat de Heere Jezus Christus van ons kan verwachten, is, dat wij hem belijden, zoo goed als in onze macht is. Indien gij aan een kruis genageld zijt, wil ik u niet uitnoodigen

ocr page 175

KLEUE BEKENNEN.

u te laten doopen. Indien gij aan een boom zijt gebonden om te sterven, zal ik niet van u vergen, dat gij een preekstoel beklimt en aldaar uw geloof beljjdt, want dat kunt gij dan niet. Maar van u wordt gevraagd wat g|j kunt doen, namelijk dat gij een duidelijke en openhartige belijdenis van den Heere Jezus Christus aflegt, gelijk dit in uw tegenwoordigen toestand betaamt.

Ik geloof, dat veel geloovigen in moeite geraken, omdat zij voor hun overtuiging niet eerlijk uitkomen. Bijvoorbeeld, als een werkman op den winkel of een soldaat in een kazerne komt en van den eersten dag af, niet toont, onder wiens banier hij optrekt, dan zal het hem zeer moeielijk vallen, dit later nog te doen. Maar als hij van stonden aan vrijmoedig aanzijn omgeving toont: „Ik ben een Christen, en er zijn dingen, die ik niet kan nalaten, al mishagen zij u;quot; wanneer men dat goed heeft begrepen, zal men na eenigen tijd aan dat zonderlinge gedrag gewend zijn en zal men den man met rust laten; maar gaat hij een weinig kruipend te werk, en meent hij, dat hij de wereld en Christus tegelijk moet behagen, dan kan het niet anders, of er breken bange dagen voor hem aan. Zijn leven zal gelijk zijn aan dat van een padde onder een egge of van een vos tusschen een troep honden, indien hij namelijk tot een vergelijk zoekt te komen. Dat zal nooit goed afloopen. Kom voor den dag. Beken kleur. Laat het bekend worden, wie gij zijt en wat gij zijt, en al moge dan uw pad niet effen wezen, het zal toch veel minder ruw zijn, dan wanneer gij niet weet welke partij gij moet kiezen — welk laatste inderdaad een moeielijk werk is.

De moordenaar aan het kruis verklaarde zich duidelijk.

149

ocr page 176

KLEUR BEKENXEN.

en deed zulk een openhartige belijdenis zijns geloofs in Christus, als mogelijk was.

In de eerste plaats bestrafte hij zjjn makker over de vurige taal, waarmede hij onzen Heere had toegesproken. I k weet niet, welke godslasterlijke woorden die onbekeerde misdadiger had gezegd, maar zijn bekeerde makker sprak hem zeer getrouw aan : „Vreest gij ook God niet, daar gij in hetzelfde oordeel zjjt? En wij toch recht vaardiglij k ï want wij ontvangen straf waardig hetgeen wij gedaan hebben, maar deze heeft niets onbehoorlijks gedaan.quot; Het is meer dan ooit in deze dagen noodig, dat zij, die in Christus gelooven, de zonde niet onbestraft laten bedrijven; en toch laten velen dat toe. Weet gij niet, dat hij, die zwijgt, wanneer iets verkeerds wordt gezegd of gedaan, een deelgenoot aan die zonde kan worden ? Indien gij de zonde niet bestraft — ik bedoel natuurlijk in gepaste bewoordingen en wanneer er geschikte gelegenheid toe is — dan zult gij door uw zwijgen in de zonde toestemmen en er aan medeplichtig zijn. Een mensch, die een diefstal zag bedrijven en niet roept: „houd den dief!quot;' zou men achten in verbond te staan met den dief; en de man, die kan hooren vloeken, of zedeloosheid kan aanschouwen, zonder het met een onkel woord te bestraffen, moge zichzelven wel afvragen, of hijzelf niet schuldig staat. „De zonden van anderenquot; beslaan een grooten post in onze persoonljjke schuld, tenzij wij er op alle wijze tegen getuigd hebben. Onze Heer verwacht dat van ons. De stervende moordenaar heeft het gedaan, en deed het met zijn gansche hart; en daarom overtrof hij verreweg een groot aantal menschen, die in de kerk oen hoogen toon aanslaan.

150

ocr page 177

VEEZORG UW EIGEN TUIN.

Het is goed, dat iemand naar zijn vee ziet, en naar zijn kudden onderzoek doet; maar hij vergete niet het kleine lapje grond te bewerken, dat midden in zijn erf ligt. Hij vuile zijn hoofd op met alle wetenschap, maar vergete toch niet, dat er nog een ander plekje gronds bestaat, hetwelk wij het hart, het karakter, noemen, en nog belangrijker is. Goede beginselen zijn geestelijk goud; het leven van den mensch, die ze bezit en er zich door laat leiden, mag waarlijk leven heeten. Hij, die niet op zijn hart let en niet naar reinheid en vernieuwing des harten uitziet, heeft eigenlijk geen leven, wat overigens zijn bezit moge zijn. Hebt gij wel eens over mv liart gedacht? Ik bedoel niet, of gij hartkloppingen hebt? Ik ben geen dokter. Ik spreek thans van het hart uit het zedelijk en geestelijk oogpunt. quot;Wat is uw karakter, uw aard, en zoekt gij dien te verbeteren ? Hanteert gij ooit de spade om het onkruid uit te roeien, dat zoo weelderig in ons allen opschiet ? Besproeit gij die kleine goede plantjes, welker groei een aanvang hebben genomen ? Houdt gij de wacht, om de kleine vossen af te keeren, die ze zouden vernielen ? Hoopt gij nog vruchten voort te brengen, waarop God met goedkeuring kan neder-zien ? Mijn bede is, dat wij allen toch goed achtgeven

ocr page 178

VERZORG UW EIGEN TUIN.

op onze harten. „Behoedt uw hart boven alles dat te bewaren is, want daaruit zijn de uitgangen des levens.quot; Bidt dagelijks: „Schep in mij een rein hart, o God; en vernieuw in het binnenste van mij een vasten geest;quot; want zoo gij dit niet doet, dan zult gjj op aarde een leven vol afwisseling leiden en zeer veel verrichten, maar ten slotte zult gij het voornaamste verzuimd hebben, en zal uw arme onverzorgde ziel den tweeden dood sterven, welke te vreeselijker is, omdat hij de eeuwige dood is. Hoe verschrikkelijk is het voor een ziel, dat zij sterven moet wegens verzuim! Hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op deze groote zaligheid geen acht geven! Indien wij alle zorg besteden aan onze lichamen, maar niet de minste aan onze onsterfelijke zielen, hoe zullen wij dan ooit een wettige reden voor onze dwaasheid kunnen opgeven? God beware ons voor zelfmoord door verzuim! O, dat wij toch niet eeuwiglijk zullen moeten klagen: „Zij hebben mij gezet tot een hoeder der wijngaarden: maar mijn wijngaard, dien ik heb, heb ik niet gehoed.quot;

Laat ons nu aan een anderen wijngaard denken. Zijn er geen menschen, die hun gezin veronachtzamen ? Na ons eigen hart is ons gezin de wijngaard, waaraan wij de meeste zorg moeten besteden. Ik zal nooit een man vergeten, dien ik op jeugdigen leeftijd leerde kennen, en die mij nu en dan vergezelde, wanneer ik in de dorpen ging prediken. Hij ging gaarne iederen avond met mr mede; maar ik behoefde het hem niet te vragen, want hij noodigde zichzelven, totdat ik met opzet er hem van terughield. Zijn lust om zelf te prediken was veel grooter dan de lust van anderen, om hem te hooien. Het was een man, die, als het hem maar mogelijk was, op den voorgrond trad. Nauwelijks had men hem tot zwijgen

152

ocr page 179

VERZORG UW EIGEN TÜIN.

153

gebracht, of hjj bracht weer een ander onderwerp te berde. Hij was goedhartig. Het was onmogelijk hem tegen te houden, maar ik geloof toch, dat het hem waarlijk ernst was om het goede te doen. Doch twee zijner jongens kende ik voor afgrijselijke vloekers. Zij waren tot alle zonden in staat en stonden onder geen bedwang. De een, die nog maar een jongen was, bracht zich door het drinken van jenever op den rand des grafs. Ik geloof niet, dat zijn vader, die zelf een matig en onberispelijk leven leidde, ooit met hem over zijn dranklust gesproken had. Ik vond in dezen man niets te berispen dan de ernstige fout, dat hij zich zelden t'huis bevond, geen baas in zijn huis was, en zijn kinderen niet onder de tucht had. Man noch vrouw oefenden eenigen invloed van belang in 't gezin uit; zij waren eenvoudig de slaven hunner kinderen; hun kinderen gedroegen zich gemeen, en zij hielden hen niet tegen. Op den bidstond bad deze broeder voor zijn kinderen, maar ik geloof niet, dat hij ooit huisgodsdienst hield. Het is stuitend mannen en vrouwen aan te treffen, die over den weg des levens met het grootste gemak kunnen spreken, terwijl hun huis een schande voor 't Christendom is. Ik neem aan, dat dit bij niemand uwer het geval is, maar, mocht dit wel zoo zijn, eilieve, lees dan eens met de grootste aandacht dezen tekst: „Zij hebben mij gezet tot een hoeder (hoederin) der wijngaarden ; mijn' wijngaard, dien ik heb, heb ik niet gehoed.quot; Den vader, die alle zorg aan zijn kinderen besteedt en hen biddend voorgaat, kan men er niet verantwoordelijk voor stellen, dat zijn zonen het pad der zonde betreden, indien hij hen naar zijn vermogen heeft gewaarschuwd en bestraft. De moeder, die met de meeste nauwgezetheid, ja onder tranen en gebeden haar

ocr page 180

VERZORG UW EIGEN' TUIX.

154

dochter heeft getracht op te voeden in de vreeze des Heeren, kan niet worden berispt, indien die dochter de familie onteert. Maar indien die ouders niet kunnen verklaren, alles te hebben gedaan wat in hun vermogen was, en hun kinderen betreden den weg der zonde, dan zijn die ouders wel degelijk te berispen. Indien ouders niet weten, waar hun kinderen zich bevinden, moeten zij in allerijl hen opzoeken. Indien er onder mijn lezers zijn, die geen ouderlijke tucht uitoefenen, en hun kindereu niet tot Christus zoeken te brengen, smeek ik hun hun taak te huis te verrichten, vóór zij zich aan arbeid buitenshuis wijden. Heeft iemand u evangeliedienaar gemaakt, en wendt gij geen pogingen aan, om uw eigen kinderen te behouden ? Ik zeg u, mijnheer, dat ik niet geloof, dat God u evangeliedienaar gemaakt heeft; want ware dit het geval, zoo zou Hij begonnen zijn met u evangeliedienaar voor uw eigen gezin te maken. „Z ij hebben mij gezet tot een hoeder der wijngaarden.' Z ij hadden moeten weten, dat gij de man daarvoor niet waart, en gij hadt die roeping niet moeten opvolgen. Hoe kunt gij huisbezorger zijn in het groote gezin des Heeren, terwijl gij zelfs uw eigen huis niet kunt regeeren? Een zondagschool-onderwijzer, die de kinderen van andere menschen onderricht, maar met zijn eigen kinderen niet bidt: is dat niet een treurig verschijnsel? Een onderwijzer van een groote klas aankomende knapen, die aan zijn eigen zonen en dochteren niet arbeidt: wat zal hij beginnen, als hij zijn kinderen later het breede pad der zonde ziet betreden, en hij moet verklaren, dat hij hen ten eenen male aan hun lot heeft overgelaten ? Ik weet niet, op wien deze woorden van toepassing zijn. Wien de schoen past, die trekke hem aan. Maar mocht de schoen

ocr page 181

VERZORG UW EIGEN TUIN.

155

u knellen, verbloem de pijn niet. Zegt gij, dat ik „zeer persoonlijkquot; ben? Juist, ik ben dit met opzet. Acht iemand zich er door beleedigd, hij worde boos op zich-zelven en verbetere zijn leven. Laat niet langer van iemand onzer kunnen gezegd worden: „Zij hebben mij gezet tot een hoeder (hoederin) der wijngaarden; maar mijn wijngaard, dien ik heb, heb ik niet gehoed.quot;

ocr page 182

EEN PRAATJE OVER DEN DOOD.

Een deugdzaam mensch, en in 't bijzonder een geloovig mensch, vreest den dood niet, voelt zich er niet over bezwaard en lacht er ook niet mede. Zijn ziel in lijdzaamheid bezittende, is het leven hem lief, ook onder zwaren druk, en is hij ten allen tijde meer verlangend om zjjn loopbaan goed te loopen dan haar einde te bereiken. Het is geen werk van mannen des geloofs hun eigen dood te voorspellen. Die zaak heeft God zich voorbehouden. Hoe lang wij op aarde zullen leven, weten wij niet en moeten wij ook niet wenschen te weten. Wij hebben de keus niet tusscheu een kort en een lang leven; en indien wij die keus hadden, dan zouden wij er wijs aan doen, die keus aan onzen God terug te geven. „Vader, in uw handen beveel ik mijn geest,'' is een uitnemend gebed voor geloovigen in leven en in sterven. Wie uit nieuwsgierigheid een oog zou willen slaan in de toegeslagen bladen van het boek van Gods besluiten, begeert een twijfelachtig voorrecht; wij leven voorzeker gelukkiger, nu wij het oogenblik, waarop wij den eindpaal van dit leven bereiken, niet kunnen vooruitzien.

.Tob vergiste zich omtrent den dag zijns doods, maar niet omtrent die gebeurtenis zelve. Hij sprak waarheid, toen hij zeide: „Tk weet, dat gij mij terdoodbrengen

ocr page 183

EEN PRAATJE OVER DEN DOOD.

Ï57

zult.quot; Den eenen of anderen dag zal de Heere ons uit ous huis boven den grond roepen „tot het huis der samenkomst voor alle levenden.quot; Ik noodig n dringend uit deze onbetwiste waarheid te overwegen. Schrikt gij er voor terug? Waarom doet gij dit? Moet het niet zeer wijs geacht worden, over onze laatste levensuren te spreken? ., Wij hebben behoefte aan een opwekkend onderwerp,quot; zegt ge. Is 't waar ? Is dit geen opwekkend onderwerp voor u ? Het is een ernstig onderwerp, maar dat ernstige onderwerp moet u ook welkom zijn. Gij zegt, dat gij de gedachte aan den dood niet kunt uithouden. Dan hebt gij er juist voel behoefte aan. Dat gij er voor terugdeinst, bewijst, dat gij niet in een goede gemoedsgesteldheid verkeert, anders zoudt gij zonder weerzin die waarheid in behoorlijke overweging nemen. Het geluk, dat gij smaakt, beteekent al zeer weinig, indien gij de belangrijkste gebeurtenis over 't hoofd ziet. Een vrede, die alleen door gedachteloosheid kon gehandhaafd blijven, zou ik niet kunnen uitstaan. Gij hebt behoefte aan een hooger genadestaat, aaneen vaster en krachtiger geloof. Dat gij nog een zuigeling in de genade zijt, is duidelijk uit uw verklaring, dat ontbonden te worden en met Christus te zijn, u niet iets beters toeschijnt dan in het vleesch te blijven. • Moet ons leven op aarde niet een voorbereiding zijn voor het volgende leven, en daarom ook een voorbereiding voor den dood? Maar hoe kan een mensch worden voorbereid voor hetgeen hem nooit in de gedachten komt? Wilt gij dan een sprong in het donker doen? Zoo ja, dan verkeert gij in een ongelukkigen toestand, en ik smeek u, om toch, indien gij uw ziel liefhebt, door de hulp van Gods Heiligen Geest dat gevaar te ontvlieden.

ocr page 184

EEN PRAATJE OVEK DEN DOOD.

„Maar ik gevoel mij niet geroepen, om daaraan te denken,'' zegt iemand. Wel zoo, de herfsttijd roept er u toe. Ieder verwelkend blad vermaant er u toe. Gij zult eens sterven; dat is gewis, waarom zoudt gij niet denken aan hetgeen onvermijdelyk is? Men zegt, dat de struisvogel zijn kop in het zand begraaft, en zich veilig acht, als hij den jager niet langer kan zien. Ik kan moeilijk gelooven, dat zelfs een vogel zoo dwaas kan zijn en smeek u die dwaasheid niet te begaan. Denk ik aan den dood niet, de dood zal toch wel aan mij denken. Is er in mijn bepeinzingen en overleggingen geen plaats voor den dood, de dood zal mij toch wel een bezoek brengen. Laat mij dan als een man den dood tegemoet gaan en hem goed in 't aangezicht zien. De dood treedt onze huizen binnen en neemt onze geliefden weg. Zelden sta ik op den predikstoel, of ik mis alweder een mij bekend gelaat op de gewone plaats. Geen week gaat voorbij, of eenige leden der strijdende kerk zijn overgegaan in de triumfeerende kerk hierboven. Of wij naar den dood willen hooren of niet, de dood predikt ons toe, zoo menigmaal wij in het openbaar bijeenkomen. Komt hij zoo dikwijls Gods boodschap brengen en zult gij weigeren te komen? Neen, laat ons een gewillig oor en hart leenen, en laat ons hooren, wat God de Heere ten allen tijde tot ons wenscht te zeggen.

O gij allen, die nog jong zijt, die nog uw volle gezondheid en kracht geniet, met den drang der liefde verzoek ik u dit onderwerp toch niet uit uw gedachten te zetten. Bedenkt, dat ook de jongsten kunnen weggenomen worden. Ik nam eens mijn zonen, toen zij nog zeer jong waren, mede naar het kerkhof en liet hun eenige der kleine graven aldaar meten, en zij vonden er verscheidene

158

ocr page 185

EEN PRAATJE OVER DEN DOOD.

159

met gras begroeide heuveltjes, die korter waren dan zjjzelven. Op deze wijze trachtte ik de onzekerheid des levens op hun gemoed te drukken. O, mocht ieder kind toch bedenken, dat het niet te jong is, om te sterven! Mogen anderen toch beseften, dat zij niet te sterk zijn om te sterven! De sterkste hoornen van het bosch vallen dikwerf het eerst onder de bijl des verder vers. Paracelsus, de beroemde geneesheer uit den ouden tijd, bereidde een geneesmiddel, waarvan hij beweerde, dat de man, die het geregeld innam, eerst op bijzonder hoogen ouderdom kon sterven; toch stierf Paracelsus zelf op nog jeugdigen leeftijd. Zij, die het geheim der onsterfelijkheid meenen gevonden te hebben, zullen zich deerlijk bedrogen zien. Niemand onzer kan een plaatsje vinden, waar wij buiten het bereik der pijlen van den laatsten vijand zijn, en daarom is het de onnoozelheid zelf, er niet aan te willen denken. Zeker opgeblazen Fransche hertog verbood zijn hovelingen ooit in zijn tegenwoordigheid over den dood te spreken; en toen zijn secretaris hem de woorden: „De overleden koning van Spanje,quot; voorlas, wendde hij zich met trotsche verontwaardiging tot hem en vraagde hem, waarom hij dat deed. De ontstelde secretaris kon niet anders dan stamelend uitbrengen: „Dat is een titel, dien zij aannemen.quot; Zoo is het: het is een titel, dien wij allen zullen aannemen, en het is goed er eens acht op te geven, hoe die titel ons aanstaat. De koning der verschrikking komt tot koningen, maar ontziet zich ook niet den bedelaar zijn weinig vleesch te ontnemen. Hij komt tot u, tot mij, tot allen. Laat ons alles voor zijn komst in gereedheid brengen.

ocr page 186

EEN PRAATJE OVER DEN DOOD.

Een deugdzaam mensch, en in 't bijzonder een geloovig mensch, vreest den dood niet, voelt zich er niet over bezwaard en laclit er ook niet mode. Zijn ziel in lijdzaamheid bezittende, is het leven hem lief, ook ouder zwaren druk, en is hij ten allen tijde meer verlangend om zijn loopbaan goed te loopen dan haar einde te bereiken. Het is geen werk van mannen des geloofs hun eigen dood te voorspellen. Die zaak heeft God zich voorbehouden. Hoe lang wij op aarde zullen leven, weten wij niet en moeten wij ook niet wenschen te weten. Wij hebben de keus niet tusschen een kort en een lang leven; en indien wij die keus hadden, dan zouden wij er wijs aan doen, die keus aan onzen God terug te geven. „Vader, in uw handen beveel ik mijn geest,'quot; is een uitnemend gebed voor geloovigen in leven en in sterven. Wie uit nieuwsgierigheid een oog zou willen slaan in de toegeslagen bladen van het boek van Gods besluiten, begeert een twijfelachtig voorrecht; wij leven voorzeker gelukkiger, nu wij het oogenblik, waarop wij den eindpaal van dit leven bereiken, niet kunnen vooruitzien.

Job vergiste zich omtrent den dag zijns doods, maar niet omtrent die gebeurtenis zelve. Hij sprak waarheid, toen hij zeide: „Ik weet, dat gij mij terdoodbrengen

ocr page 187

EEN PRAATJE OVER DEN DOOD.

157

zult.quot; Den eenen of anderen dag zal de Heere ons uit ons huis boven den grond roepen „tot het huis der samenkomst voor alle levenden.quot; Ik noodig u dringend uit deze onbetwiste waarheid te overwegen. Schrikt gij er voor terug? Waarom doet gij dit? Moet het niet zeer wijs geacht worden, over onze laatste levensuren te spreken? „Wij hebben behoefte aan een opwekkend onderwerp,quot; zegt ge. Is 'twaar? Is dit geen opwekkend onderwerp voor u? Het is een ernstig onderwerp, maar dat ernstige onderwerp moet u ook welkom zijn. Gij zegt, dat gij de gedachte aan den dood niet kunt uithouden. Dan hebt gij er juist veel behoefte aan. Dat gij er voor terugdeinst, bewijst, dat gij niet in een goede gemoedsgesteldheid verkeert, anders zoudt gij zonder weerzin die waarheid in behoorlijke overweging nemen. Het geluk, dat gij smaakt, beteekent al zeer weinig, indien gij de belangrijkste gebeurtenis over 't hoofd ziet. Een vrede, die alleen door gedachteloosheid kon gehandhaafd blijven, zou ik niet kunnen uitstaan. Gij hebt behoefte aan een hooger genadestaat, aan een vaster en krachtiger geloof. Dat gij nog een zuigeling in de genade zijt, is duidelijk uit uw verklaring, dat ontbonden te worden en met Christus te zijn, u niet iets beters toeschijnt dan in het vleesch te blijven. • Moet ons leven op aarde niet een voorbereiding zijn voor het volgende leven, en daarom ook een voorbereiding voor den dood? Maar hoe kan een mensch worden voorbereid voor hetgeen hem nooit in de gedachten komt? Wilt gij dan een sprong in het donker doen? Zoo ja, dan verkeert gij in een ongelukkigen toestand, en ik smeek u, om toch, indien gij uw ziel liefhebt, door de hulp van Gods Heiligen Geest dat gevaar te ontvlieden.

ocr page 188

EEN PRAATJE OVER DEN DOOD.

158

„Maar ik gevoel mij niet geroepen, om daaraan te denken,'' zegt iemand. Wel zoo, de herfsttijd roept er u toe. Ieder verwelkend blad vermaant er u toe. Gij zult eens sterven; dat is gewis, waarom zoudt gij niet denken aan hetgeen onvermijdelijk is? Men zegt, dat de struisvogel zijn kop in het zand begraaft, en zich veilig acht, als hij den jager niet langer kan zien. Ik kan moeilijk gelooven, dat zelfs een vogel zoo dwaas kan zyn en smeek u die dwaasheid niet te begaan. Denk ik aan den dood niet, de dood zal toch wel aan mij denken. Is er in mijn bepeinzingen en overleggingen geen plaats voor den dood, de dood zal mij toch wel een bezoek brengen. Laat mij dan als een man den dood tegemoet gaan en hem goed in 't aangezicht zien. De dood treedt onze huizen binnen en neemt onze geliefden weg. Zelden sta ik op den predikstoel, of ik mis alweder een mij bekend gelaat op de gewone plaats. Geen week gaat voorbij, of eenige leden der strijdende kerk zijn overgegaan in de triumfeerende kerk hierboven. Of wij naar den dood willen hooren of niet, de dood predikt ons toe, zoo menigmaal wij in het openbaar bijeenkomen. Komt hij zoo dikwijls Gods boodschap brengen en zult gij weigeren te komen? Neen, laat ons een gewillig oor en hart leenen, en laat ons hooren, wat God de Heere ten allen tijde tot ons wenscht te zeggen.

O gij allen, die nog jong zijt, die nog uw volle gezondheid en kracht geniet, met den drang der liefde verzoek ik u dit onderwerp toch niet uit uw gedachten te zetten. Bedenkt, dat ook de jongsten kunnen weggenomen worden. Ik nam eens mijn zonen, toen zij nog zeer jong waren, mede naar het kerkhof en liet hun eenige der kleine graven aldaar meten, en zij vonden er verscheidene

(yQ

ocr page 189

EEN PRAATJE OVER DEN DÖOD.

159

met: gras begroeide heuveltjes, die korter waren dau zijzelven. Op deze wijze trachtte ik de onzekerheid des levens op hun gemoed te drukken. O, mocht ieder kind toch bedenken, dat het niet te jong is, om te sterven! Mogen anderen toch beseffen, dat zij niet te sterk zijn om te sterven! De sterkste boomen van het bosch vallen dikwerf het eerst onder de bijl des verdervers. Paracelsus, de beroemde geneesheer uit den ouden tijd, bereidde een geneesmiddel, waarvan hij beweerde, dat de man, die hot geregeld innam, eerst op bijzonder hoogen ouderdom kon sterven; toch stierf Paracelsus zelf op nog jeugdigen leeftijd. Zij, die het geheim der onsterfelijkheid meenen gevonden te hebben, zullen zich deerlijk bedrogen zien. Niemand onzer kan een plaatsje vinden, waar wij buiten het bereik der pijlen van den laatsten vijand zijn, en daarom is het de onnoozelheid zelf, er niet aan te willen denken. Zeker opgeblazen Fransche hertog verbood zijn hovelingen ooit in zijn tegenwoordigheid over den dood te spreken; en toen zijn secretaris hem de woorden: „De overleden koning van Spanje,quot; voorlas, wendde hij zich met trotsche verontwaardiging tot hem en vraagde hem, waarom hij dat deed. De ontstelde secretaris kon niet anders dan stamelend uitbrengen: „Dat is een titel, dien zij aannemen.quot; Zoo is het: het is een titel, dien wij allen zullen aannemen, en het is goed er eens acht op te geven, hoe die titel ons aanstaat. De koning der verschrikking komt tot koningen, maar ontziet zich ook niet don bedelaar zijn weinig vleesch te ontnemen. Hij komt tot u, tot mij, tot allen. Laat ons alles voor zijn komst in gereedheid brengen.

ocr page 190

1

ocr page 191
ocr page 192

■üpm

ocr page 193
ocr page 194

^famp;V v AS'lt;

gt;gt;' V V '-Ai tquot; '

:.£ ■ £4, r . . ..„V* ^-». , ,

V

\ i / S { -:jqf VV- ^7/|

^ f quot;vVt ■ ^\ ■■ gt; .J

- i ^

'? ^.i^. . \ -T /- , v -

r . „^ r f\^. 11- v^?-' /nP%'

^tr; . r-Vy. £%lt;$. ^

Xv».»

l' .^

5^ i;-^- ^

fcV' Ljsquot;JH f gt;-lt; 'Tv

['V- T\ ^ /

röt lt;r-quot; t/ w v-.

I V Q' Ni èl .. H* -T; '-,

r.W-J r' '-'K lt;- A' ^ ^ ^ r\ - ^ ^ f. gt;fK _V-v ^ i ^v, -i

Pv-^V'Si

^clv^y.