ocr page 1

E. E. DEEDES

Lessen over liet Oude-Testament

ocr page 2

GUNNING

2 A

78

i

üKiinm

füfRIT£5MÜ5F£^ft

ocr page 3
ocr page 4

gt;' ' ■•«• • '*quot;■• «•.'..'..v,.^.-Si*** : ..--••• • .... a* • -

I •:*•gt;lt;;gt; ^:;M -:Tn ,! !:■; Tv gt; | f i5.i i'ïFï-s-si:::: :.:■' ■

! . .quot;; « 7 ;•;?.gt; :..

ocr page 5

Z~-r4-

BIBLIOTHEEK VÓÓR ZONDAGSSCHOOL-ONDERWIJS

/p

/^V v

'quot; li f

LESSEN

OVER HET

X\

■

m

OUDE TESTAMENT

EMILY E. DEEDES.

UIT HET EXGELSCH.

v'

ocr page 6
ocr page 7

VOORREDE.

In deze „Lessen over het Oude Testamentquot; is dezelfde methode gevolgd als bij die in „Lessen over het leven van den Heere Jezus,quot; n.1. om, waar dit mogelijk bleek, éen onderwerp of éene gebeurtenis voor iedere les te nemen en op de volgende wijze uit te werken : Ongeveer 14 verzen — n.1. die, waarin de hoofdpunten van het verhaal voorkomen — zijn uitgekozen om de kinderen gedurende de les te laten lezen, het overige deel van het verhaal wordt door den onderwijzer óf verteld óf voorgelezen, met herhaalde vragen, voorbeelden en toelichtingen 1). Hetgeen gelezen moet worden is in de lessen aangegeven door de woorden (Lees den kinderen voor, enz.) (Lees hoofdst.... of vers.... enz.). De lessen zijn op die wijze opgesteld, om hen, die zich niet ten volle in staat achten de beteekenis duidelijk in hunne eigene woorden weer te geven, te hulp te komen, maar denzul-ken wordt toch ernstig de raad gegeven, zich te oefenen in de kunst om het gelezene duidelijk mondeling weer te geven. Een middel om daartoe te geraken is bijv. een geschiedenisje te lezen en dit thuis aan broertje of zusje te vertellen. De meeste kinderen luisteren veel beter naar eene hun vertelde geschiedenis, dan naar eene, die hun wordt voorgelezen. Toch blijft het altijd wenschelijk om sommige gedeelten uit den Bijbel letterlijk voor te lezen, zooals bijv. bijzondere beloften of

1

De in de lessen voorkomende teksten zijn afzonderlijk gedrukt en tegen onderstaande prijzen verkrijgbaar gesteld.

Ofschoon gaarne wordt toegegeven, dat het veel wenschelijker zijn zou, als de kinderen in een medegebracht Bijbeltje de teksten opzochten, zoo vordert dit gedurende de les te veel tijd en zou het wachten gereede aanleiding tot wanorde geven.

De boekjes kunnen worden uitgedeeld en daarna weer opgehaald.

Zonder twijfel is integendeel het gebruik der tekstenboekjes een uit de methode voortvloeiend uitnemend middel om orde te bewaren. De kinderen moeten n.1. daardoor voortdurend aan de les deelnemen, zoodat hunne gedachten niet zoo licht afdwalen. Natuurlijk is het verstandig, juist dien leerling te vragen den tekst te lezen, die op dat oogenblik niet luistert.

Voor onderwijzers, die de boekjes van Deedes gebruiken, is een ex. ter kennismaking op aanvrage gratis bij den uitgever verkrijgbaar.

Tekstenboekjes voor het N. T. 10 c. per ex.; 25 exx./quot;2.—; 100 exx. ƒ 6.—.

„ „ „ O. T. 20 c. „ „ 25 exx. y 4.—; 100 exx. ƒ12.—.

ocr page 8

VOORREDE.

vermaningen van God en sommige gedeelten, waar bepaalde gezegden of redevoeringen van personen in worden medegedeeld. Zij, die evenwel niet goed kunnen vertellen, behooren in ieder geval den kinderen, na het lezen van ieder vers, omtrent de beteekenis te ondervragen; en wanneer in een vers misschien verscheidene namen voorkomen, hun doen kennen, welke de meest belangrijke is, die zij moeten trachten te onthouden.

Zoo moet er bijv. in Les XXXIX, waar 2 Kron. XXIII: 1 — 7 wordt aangegeven om den kinderen te worden voorgelezen vooral op gelet worden, dat zij een goed begrip er van krijgen, dat Jojada, de priester, de man was, die de samenzwering tegen Athalia en de kroning van den jeugdigen koning voorbereid had, Jonge kinderen begrijpen dat niet, tenzij hierop in 't bijzonder wordt gewezen. In de nogal ingewikkelde geschiedenis van de koningen van Israel en Juda is het natuurlijk van 't hoogste belang, dat de onderwijzer zelf eene heldere voorstelling van de feiten bezit. Zonder dat toch is het voor de kinderen onmogelijk er iets van te vatten.

De groote moeielijkheid om de geschiedenis van het Joodsche volk van Samuel :ot Maleachi in 52 lessen saam te dringen, maakte het noodzakelijk veel uit het Boek Daniël en het geheele Boek Ester met nog eenige gebeurtenissen weg te laten. Ofschoon leerrijk, wordt hetgeen overgeslagen werd niet beslist vereischt voor een goed begrip van den samenhang der geschiedenis. Op grond van de noodzakelijkheid, dat in een klein bestek — dikwijls in eene enkele les — een groot aantal gebeurtenissen moest worden ingeperkt, was het niet mogelijk veel werk te maken van de toepassing op iedere les, en moest deze in sommige gevallen zelfs tot een paar zinsneden besnoeid worden. De onderwijzer kan evenwel met behulp daarvan en met een weinig beleid en nadenken, dit hoogst belangrijke deel zelf aanvullen. Wees in ieder geval nimmer tevreden met het maken van eene of andere algemeene opmerking, maar poog de beteekenis er van breeder te ontwikkelen en die helder voor te stellen door grepen te doen uit het leven en de omstandigheden der leerlingen. Het zal vooral goed zijn, de te trekken leering, ook al staat deze hier aan 't einde der les, niet aan 't einde te geven. Dan toch is de aandacht der leerlingen minder levendig. Het is beter de leerzame gevolgtrekkingen onder de geschiedenis door te pas te brengen.

VI

Laat het mij ten slotte vergund zijn, allen aan te sporen, biddende te zaaien, in de volle verwachting van een overvloedigen oogst op Gods tijd.

EMILY E. DEEDES.

ocr page 9

LES I.

De Schepping I.

Te leer en: Ps. 145 : 2, (onterijmd); Gez. 15 : x. SCHETS VAN DE LES.

Wij gaan nu eens iets lezen over het begin van de wereld. Gij weet, alles moet een begin hebben. De oudste, nu reusachtige eikeboom was eenmaal een eikeltje. Hoe zijn b. v. de huizen, waarin we wonen, ontstaan ? Zeker, gebouwd. Ge hebt wel eens een huis zien bouwen, niet waar? Waar is een huis alzoo van gemaakt? Steenen, hout, ijzer. Goed, maar waar komt dat alles vandaan ? De mensch kan steenen maken uit klei, kan steenen houwen uit een rots of groeve, maar kunnen de menschen ook klei maken, of rotsen, of een steengroeve ?

Wie kan dat wèl? We gaan nu terug naar den tijd toen er nog geen boomen of huizen, ja zelfs nog geen steen of klei was, tot den tijd, vóór deze wereld, waarin wij nu leven, bestond.

Lees Gen. 1 : 1. Scheppen beteekent, maken uit niets. Kan een mensch dat doen ? (Verklaar, een timmerman moet hout hehhen om een tafel te maken,. enz. Een kleermaker moet stof hehhen om een jas te kunnen maken ? Kunnen ivij nu zeggen dat zij iets scheppen ?) Nu let eens op, hoe de aarde er uitzag toen zij was geschapen. Lees vers 2. „woest en ledigquot;. Nu zijn er bergen en dalen, rivieren en meren, weilanden en bosschen, (A oem eenige bekende her gen, rivieren enz.) toen niets van dat alles, dan „duisternis en waterquot;. Waren er dan geen visschen in het water? Neen, het water was eveneens „ledig.quot; Welkeen wereld! Geen licht, geen leven, niets dan water, zonder leven !

Maar er kwam verandering. Wat gebeurde er? Laat ons zien. Lees vers 3—5. Hoe maakte God het licht? Denk

11.

eens aan, hoe heerlijk schoon de eerste lichtstraal moet geweest zijn, over die donkere watermassa. Hoe noemde God het licht? Hoe de duisternis? Zijt gij niet allen blijde, als het dag wordt? Dan kan er gewerkt, gespeeld en gewandeld worden. Waartoe dient de nacht? Denk eens, dat er geen nacht was. Geen stil oogenblik om uit te rusten en nieuwe kracht te verzamelen voor den arbeid van den volgenden dag. lederen morgen zijn wij door de rust van den nacht bekwaam, opnieuw te beginnen. De nacht ook eene verpoozing voor de ziel. lederen morgen ons voornemen, na te laten wat we gisteren verkeerd hebben gedaan. Ik was ongehoorzaam of boos, ik ben lui geweest; vandaag zal ik trachten beter te doen, en God vragen mij te helpen, dan zal iedere dag een stap dichter naar den Hemel zijn.

Lees vers 6 en 7. Dat uitspansel is wat wij gewoonlijk de „luchtquot; noemen. Waarvoor dient het ? Wat beteekent het „de wateren die boven het uitspansel zijn ? Is daar water boven in de lucht ? Wolken bestaan uit water. Hoe komt het, dat ze daar boven blijven zweven ? Juist, door de lucht; als er geen lucht was, zouden de wolken altijd dadelijk vallen. Hoe onaangenaam zou dat zijn ! En zou er dan wel wat groeien en rijpen ? Ziet ge wel, hoe nuttig het uitspansel is? Lees v. 8. Beteekent het woord „hemelquot; hier de plaats, waar de engelen zijn? Neen, alleen uitspansel. Hoe schoon van kleur is het, niet waar ? Welk een genot voor hen, die in groote steden met nauwe gangen en straten wonen, op te zien naar dien heerlijken blauwen hemel. Verbeeld U, dat de lucht

1


ocr page 10

2

zwart of bruin was! Hoeveel minder liefelijk zou het zijn. Laat ons nu zien, wat God op aarde deed.

Lees v. 9, 10. Nu niet langer éen groote massa water, over de geheele aarde! Wat was er van geworden ? Hoe werd het genoemd? Wat een geweldige omkeer moet er op Gods Woord hebben plaats gegrepen! Al het water saam gehoopt in de plaats door God bepaald. Ps. 104 : 9 zegt: Gij hebt een paal gesteld, dien zij niet overgaan zullen; zij zullen de aarde niet weder bedekken. (Geef een beschrijving van eb en vloed: de teruggedrongen wateren rijzende, maar, als op ee7i „tot hiertoe en niet verderquot; wijken zij steeds terug,) Hoe noemde God het droge? Zag die er toen al even schoon uit als nu? Slechts kale grond. Laat ons nu zien, hoe God die aarde bekleedde.

Lees vers 11, 12, 13. Hoe wijs is alles gemaakt. Wat zou er geschied zijn, als het geen zaad zaaiejid kruid was geweest. Als de eerste planten gestorven waren, zou de aarde opnieuw woest zijn geweest. Maar nu, geeft niet ieder plekje zijn kruid en gewas ? Op 't veld en in den tuin zaait de mensch, o zeker, maar wie zaait, waar geen mensch leeft? Zijn eenzame eilanden waar niemand leeft woest? Immers neen. (Vraag den kinderen eenige namen van zaden, en van onbewoonde streken.) Wie zaait daar? Juist, God, door Zijn Woord, dat de aarde zal voortbrengen en dat zaad en vruchten van alle planten in de aarde zullen vallen, zoodat zij nieuwe vrucht voortbrengen. Welk een verschil, de aarde met al haar grassen, planten en boomen, of de „woeste en ledige plaatsquot; vóór den eersten dag. En dan: God gaf niet enkel groenten en vruchten tot voedsel, maar gaf evenzeer bloemen die de aarde versieren en den mensch bekoren. ( Vraag den kinderen welk hun lie-velingsbloem is enz.) Hoeveel dagen waren nu verloopen ?

Wat is noodig voor den groei van planten en het rijpen der vruchten ? Zon. Was er toen al zonneschijn? Neen; het licht was er, de zon niet. Lees vers 14—

19. Hoe noemen wij „dat groote lichtquot; ; bloer hoe „dat kleine lichtquot; ? Zij waren niet alles alleen gemaakt tot „heerschappij heb- Vadt ben —quot; schijnen — over dag en nacht, voor maar ook om andere redenen. (Zie vers 14.) De aarde draait om de zon. Al draaiende, keert zij nu de eene, dan weer de volgende plek naar de zon, zoodat eerst een zeker deel en daarna een ander deel door de stralen beschenen wordt. Zoo wordt onze dag bepaald. h

Wanneer begint onze dag ? Wanneer laze eindigt hij ? Juist als de zon opkomt vers en ondergaat. Hoe heeten de vier jaarge- Is £ tijden ? Ontstaan door dat de aarde in den pen

zomer naar de zon toe wentelt en 's win- de

ters van haar af gaat. Hoeveel dagen het

zijn er nu voorbij? Let nu eens op, hoe- schquot;

veel er in die dagen is geschapen. He- de

mei, aarde, licht, land en zee geschei- het

den, gras, kruid, vruchtboomen — met bogt;

wat? Juist met zaad en vruchten. Ten ma

laatste, zon, maan, en sterren. Wat het

dacht God van het werk, dat hij gedaan toe

had ? Zie vers 18 laatste gedeelte. Juist,

God zag, dat het goed was. Wat was alles schoon ! De zon en de maan scheen,

ieder op den bepaalden tijd; prachtig

geboomte, beladen met vruchten, de zee di(

bewogen door den wind, beukt schui- de

mend het land, maar toch, blijft binnen op

de haar van God gestelde grenzen — zi(

alles goed, schoon, en liefelijk. Glt;

Maar God's werk is nog niet gedaan. zilt;

In de geheele wereld nog geen levende vi

ziel. Geen visschen in de zee, geen vo- vi

gel in de lucht, geen dier op het land vi

en — boven alles geer mensch nog. V

Den volgenden Zondag zullen wij zien, vlt;

hoe dat alles werd geschapen. Waarom «

maakte God dat andere eerst? Opdat n

de aarde geschikt zou zijn voor het a

gebruik van levende schepselen en in o

het bijzonder voor onderhoud en genot h

van den mensch (Evenals een liefheb- 7.

bend vader, die een huis gereed maakt lgt;

voor zijne kinderen, er alles in brengt, •

wat hun dienstig e7i tot vreugde kan c

zijn, en in den tuin de bloemen zal 1

planten, die hij weet, dat het aan ge- t naamste zijn.) Zoo moet de schepping

ons God leeren loven, de vriendelijke 1 zonneschijn, de schoone en welriekende


I

ocr page 11

3

:htquot; ; niet heb-acht, (Zie zon. , dan zooeen enen laid, neer omt rge-den vin-igen 10e-He-hei-met Fen Vat aan ist, vas en, Ltig zee ui-ien

die gaven doen genieten en zal grooter vreugde schenken dan hun, die ze gedachteloos gebruiken, zonder aan den Gever te denken.

bloemen, de keur van vruchten, het is alles de gave van onzen Hemelschen Vader en wij moeten er Hem dankbaar voor zijn. Dat alleen kan ons waarlijk

LES II. De Schepping II.

Te leeren: Gen II : 3; Psalm 92 : 1.

SCHETS VAN DE LES.

m. de

'O-□d

m, m at et in ot b-kt t, n

il g

e e

Wij hebben gelezen van de dingen die God geschapen heeft — den hemel, de aarde, de vruchten, de planten enz., op aarde groeiende — maar een levende ziel is er op aarde nog niet. Lees nu Gen. 1 : 20, 21. Wat zijn de levende zielen, die het water voortbrengt. Ja, visschen. Noem mij alle namen van visschen, die gij bedenken kunt. Welke visch wordt er in vers 21 genoemd. Wat schiep God om de lucht te bevolken ? (Laat de kinderen verschillende namen van vogels opnoemen.) Welk nut hebben visschen en vogels? Zeker als voedsel zijn ze nuttig, maar vergeet ook de zangvogels niet. Zij zijn er om het gehoor des menschen te streelen, zooals de bloem is om het oog te bekoren. En is er eveneens geen schoonheid onder de vogels ? Ook gebood God, dat vogels en visschen jongen zouden hebben, om zoo de geheele aarde er van te voorzien. Lees vers 22 en 23.

Laat ons nu zien, wat God vervolgens schiep.

Lees vers 24 : 25. Noem mij den

Herhaling van de vorige les. — Wat lazen wij in onze vorige les? Wat is het verschil tusschen scheppen en maken ? Is alles op deze wereld te gelijk geschapen. Was er licht of duisternis, toen de aarde geschapen is ? Hoe schiep God het licht? Was er toen land? Hoe scheidde God de wateren op de aarde van de wateren boven de aarde ? Maakte het uitspansel. Wat beteekent, wateren boven de aarde? Wolken. Hoe dan maakte God het droge? Vergaderde het water in éene plaats. Groeide er toen al iets op de aarde ? Hoe maakte

naam van een of ander wild dier, insect of ander beest dat gij kent. Wat is het nut van paarden, koeien, honden, schapen enz.

In sommige landen worden andere beesten dienstbaar gemaakt. B. v. worden kameelen in Egypte, rendieren in Lapland, olifanten in Indië, gebruikt voor het doel, waarvoor wij paarden bezigen. (Alle bijzonderheden, die de onderwijzer mocht kunnen mededeelen, om den kinderen te helpen de voorzienigheid en goedheid Gods heter te verstaan, zijn hier op hun plaats.) En nu, toen visschen, vogels, insecten en vee geschapen waren, werd de edelste aller schepselen, hij, die heerschappij zou voeren over dit alles, de mensch, geschapen.

Lees vers 26, 27. Naar wiens beeld is de mensch geschapen? Naar Gods beeld. Naar zijn beeld in het lichaam: schoon, sterk; naar zijn beeld ook in de ziel: goed, onbevlekt, zonder neiging tot, ja, zonder kennis van het kwaad en dus, gelukkig. Man en vrouw. Vers quot; van het volgende hoofdstuk leert ons

God de vruchtboomen, grassen en planten zóo, dat er van iedere soort meer dan éen zouden komen ? Wat stelde God in het uitspansel om licht te geven ? Zijn die er enkel om licht te geven ? Waarvoor dienen ze nog meer ? Tot het bepalen van dag en nacht, jaargetijden enz. Als wij van de schepping lezen, en zien, hoe God, behalve het noodige voor voedsel, ook het aangename, als bloemen vruchten enz. gaf, hoe behooren wij ons dan tegenover Hem te gevoelen? Herhaal tekst en versje.

ocr page 12

4

hoe God den mensch schiep. (Lees het vers voor.) Waarvan is het lichaam gemaakt? Hoe schiep God de ziel in het lichaam? Hoe wonderlijk toch, te denken, dat onze beenen, armen, voetenen handen, waarmede we kunnen loopen, schrijven, werken, enz. gemaakt zijn uit stof. Maar . .. denk er om, de ziel is iets geheel anders ; de ziel is gemaakt door den adem van God. Wat zal met ons lichaam geschieden? Ja, het zal sterven en tot stof wederkeeren. Zal ook de ziel tot stof vergaan ? Neen; het leven, dat van God uitgegaan is, kan niet sterven, het moet voor altijd leven, hetzij dan in gelukzaligheid, hetzij in rampzaligheid. Wat is dus van hooger belang, het lichaam of de ziel?

Lees Gen. i : 28. Wat zeide God tot den mensch? Vermenigvuldigt, d.i. maakt vol! Slechts éen man en éene vrouw, Adam en Eva, en uit dat paar alle menschen. Wat een wereld vol is er nu! Wat moest de mensch onderwerpen? Met welk doel? Om te heer-schen, d. i. te besturen. Nu denk eens, hoe waar dat is. Hoe veel sterker is een paard of koe dan een man of jongen, en toch heeft een kleine jongen macht over koeien en paarden. Hoe komt dat ? God heeft het beest vrees voor den mensch ingeschapen, ofschoon de mensch zwakker is. De mensch kan zelfs heer-schen over wilde dieren, kan ze temmen, omdat de mensch van God wijsheid en vernuft heeft ontvangen, boven het dier. Maar heeft God den mensch die macht over het dier gegeven, opdat hij het zoude mishandelen? Neen, God neemt ook het dier onder zijne hoede. De Bijbel leert ons, dat geen muschje ter aarde valt, zonder Gods wil, zoodat Hij alle wreede behandeling, zijn schepselen aangedaan, zekerlijk straffen zal. (Hier is een uitnefnende gelegenheid meer uitgebreid over d ic re n 771 is handeling te spreken.) Nu zal ik U leeren, hetgeen God aangaande het voedsel, dat Hij voor mensch en dier gegeven heeft, zegt.

(Lees vers 20—31 voor.)

Het einde der schepping is nu daar. Wat zeide God van alles, dat Hij gemaakt had? Zeer goed. Geen gebrek, geen onvolkomenheid, alles volkomen, schoon naar zijnen aard. Van de geringste mossoort en het kleinste insect, op tot den mensch. Lees Gen. II vers 1—3. Wat deed God op den zevenden dag? Hij rustte, daarom heet die dag Sabbat, dat rust beteekent. Hij zegende en heiligde dien dag, (vers 3). Herhaal het 4e gebod. Welken dag van de week is Sabbat? Zaterdag, de laatste, zevende dag. Houden wij den laatsten dag of den eersten ? Die verandering is gemaakt, nadat onze Heere Jezus Christus uit den dood was opgestaan. Welken dag was dat? Paasch-Zondag. Van dien tijd is Zondag, de dag des Heeren genoemd en geheiligd. Hoe behooren wij dan den Zondag door te brengen ?

Sommige menschen denken, door 7iiets doen, dien dag te heiligen. Zij vatten het rusten aldus op: slapen lang, gaan wat wandelen, en hebben iets bijzonders op tafel, in éen woord, zij behagen zich zelf dien dag. Het is een rustdag, dus rusten zij ! Maar wat vergeten zij ? Gedenk den Sabatdag, dat gij dien heiligt. De manier, waarop zij den Zondag doorbrengen is heel goed voor het beest, dat geen ziel heeft, maar wij, menschen, behooren rust te schenken aan onze ziel, door dien dag aardsche bezigheden te laten varen en bijzonder de ziel in gemeenschap te brengen met zijn Schepper, door gebed, een gezang, door het lezen en overdenken van Gods Woord, door opgaan naar de plaats waar de gemeente samenkomt enz. Rust is verwisseling van arbeid. (Verklaar: als ge stijf zijt van het stilzitten^ vindt ge rust en ontspanning in loopen \ indien af gemat van een lange quot;wandeling, rust ge uit en wordt verkwikt, door te gaan zitten.

Zij, die den Zondag op rechte wijze besteden, beginnen 'sMaandags, verfrisdit en verkwikt hunnen arbeid. Deze, evenals al de andere wetten des Heeren, zijn gemaakt tot nut van den mensch. Nu zal ik U voorlezen, hoe God de aarde frisch en groen hield. (Lees \ers 4—6.) Waar is de regen goed voor? als het niet regende zou er dan ooit


ocr page 13

iets rijp worden ? En toch, houden wij wel van regenachtige dagen ? 't Is niet prettig, als de hemel grijs is van wolken, en de regen bij stroomen valt, en de kinderen, die naar school en de werklieden, die naar hun werk gaan, nat maakt; dan spijt het ons wel eens, dat het regent, ook al weten wij, dat het goed doet. Maar in die dagen viel er geen regen; wat dan ? Mist en dauw, die na het ondergaan der zen de landen bevochtigden en verfrischten, en de planten groeien deden. De dagen waren zonnige, vroolijke dagen. Er was niets dat treurig stemde. Laat ons nu lezen, welk een tehuis God voor Adam maakte.

Lees vers 8—10. Die tuin was een lusthof. Wat liet de Heere er in groeien ?

Er waren schoone bloemen, heerlijke vruchten, alles wat Adam tot voedsel of veraangenaming wenschen kon.... en God zelf als vriend. Hoe gelukkig moet hij wel geweest zijn! Hoe heeten de twee boomen in dien tuin, die afzonderlijk worden genoemd ? Wij zullen er aanstaanden Zondag meer van lezen. Had Adam eenig werk te doen? Lees vers 15. Het was gemakkelijk en aangenaam werk. En opdat hij zich niet eenzaam zou gevoelen, gaf God hem eene gezellin. (Lees vers 18—23 voor.) Hoe goed was God voor Adam en Eva, hun alles gevende, wat hen gelukkig maken kon! Gelooft gij niet, dat zij God behoorden zeer lief te hebben ?


LES III.

De Val.

Te leeren: Openb. II: 7; (laatste gedeelte); Gez. 32 13.

Herhaling van de vorige les. — De laatste keer hebben wij gelezen, hoe alle levende wezens geschapen zijn. Wat schiep God het eerst? Visschen. Welke groote visch wordt genoemd? Wat is daarna geschapen ? Wie is het laatste geschapen ? Naar wiens beeld en gelijkenis ? Waaruit is de mensch geschapen ? Hoe werd er leven in hem gebracht? Waarover, zeide God, dat Hij heerschappij zou hebben ? Heerscht de mensch nog over de dieren ? Waarom gehoorzamen zij ons? Wat dacht God over alles wat Hij gemaakt had? Wat deed

Hij op den zevenden dag? Wat was zijn gebod aangaande dien dag? Hoe wordt die dag genoemd ? Wat beteekent het woord Sabbat? Houden wij het vierde gebod als wij 's Zondags slechts in niets doen doorbrengen. Wat behoo-ren wij te doen ? Houden wij Zaterdag of Zondag? Waarom is dat veranderd? Hoe werd de aarde bevochtigd? Waar plaatste God Adam ? Hoe zag die plaats er uit ? Welke twee boomen worden genoemd? Welke taak had Adam? Was het een moeielijke taak? Wie gaf God hem tot hulpe ? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN ÜE LES.

Adam en Eva waren nu in dien heerlijken lusthof, waarin God hen geplaatst had. Ze hadden niet hard te werken, maar er was éen gebod, dat zij houden moesten. Laat ons zien, hoe het luidt. Lees Gen. II : 16, 17. Die eene boom was een verbodene! Van al de anderen mochten zij eten. Kunt gij gissen, waarom die eene verboden was? Hoe heet hij ? Zou het goed of verkeerd voor hen zijn, het kwade te kennen ? Zoudt gij niet meenen, dat zij zeiden: „Zonder twijfel weet onze lieve Vader, die ons in dezen lusthof geplaatst heeft, en ons alles heeft gegeven, wat wij wenschen kunnen, het best wat goed voor ons is. Hij zou ons dien éenen boom niet verbieden, als ons het gebruik van haar vrucht niet schaden Icon? Laat ons zien of zij aldus dachten. Lees Gen. III : 1—3. Wie was het, die Eva verzocht? Geen gewone slang, maar de duivel in de gedaante van een slang. Listig meent slim, sluw. Wat


ocr page 14

6

zeide hij eerst ? Dat was om hen in den waan te brengen, dat God hen onvriendelijk behandelde, door hen het eten van dien boom te verbieden. Dat is juist, zooals hij nog heden de menschen verzoekt. Hij geeft het hun in het hart te denken : Hoe onvriendelijk is het toch van God, mij niet den rijkdom te geven, dien anderen bezitten. Hoe hard is het, dat ik ziek moet zijn en pijn lijden, terwijl anderen gezond zijn. Hoe onaangenaam is het toch, al die geboden te moeten houden, en niet te kunnen doen, zooais ik wil. Weet gij waarom de duivel tracht, menschen verkeerd te laten doen? Hij was eens een engel in den Hemel, maar stond tegen God op, werd uitgeworpen en is nu voor altijd in ellende. Toen hij nu Adam en Eva zoo gelukkig in Eden zag, kon hij dat niet verdragen en wilde hij het werk van God bederven, om hen even ellendig te maken als hijzelf was. We zullen zien of het booze plan gelukte. Wat antwoordde Eva? Dat antwoord was waar; maar wat zou beter geweest zijn dan te antwoorden ? Juist, zich van hem afgekeerd te hebben. Wanneer dus de duivel in onze harten slechte gedachten opwekt, denk er niet over en sta hem niet te woord, bid God om hulp, en ga heen, keer u af.

Laat ons zien, wat hij verder zegt.

Vers 4, 5. Was dat de waarheid? Wat beloofde hij hun? Geloofde Eva hem ? Lees vers 6.

Zij overtraden dus Gods gebod, door dat éene te doen dat God, die hen overigens alles had geschonken, hun verboden had. Let nu eens op, hoe hunne zonde begon. Eva zag en begeerde (zooals kinderen zoo dikwijls naar iets zien en begeer en, dat ze niet mogen hebben.)

Dan nog een reden. „Begeerlijk om verstandig te maken.quot; Satan's eerste woorden hadden bij haar de gedachte opgewekt, dat God een harde meester was, en de begeerte om wijs als God te zijn, verblindde haar. God, zoo meende zij, onthield haar, wat haar gelukkig kon maken.

Let op het verkeerde van ontevredene gedachten. Men (vooral een kind) zegt veelal, in het wenschen naar iets, ligt toch niets verkeerds, maar gij ziet, het is wèl verkeerd. Welk gebod verbiedt ons te begeeren, hetgeen wij niet bezitten? Lees het ioe gebod. Laat ons nu zien wat er het gevolg van was, of zij gelukkiger waren, nadat zij gedaan hadden naar hunne begeerte.

Lees vers 8. Vóór hunne overtreding, hadden zij zonder twijfel tot God als tot een vriend gesproken, zich verheugd wanneer Hij hen riep (gelijk kinderen die vroolijk springende op het geroep van htin vader, naar hem toesnellen.) Maar wat deden Adam en Eva nu ? Waarom ? Ziedaar het eerste werk van Satan: van God verwijderd. Zoo gaat het nog. Zij die in zonde leven, willen niet bidden, willen liefst aan God niet denken, zijn boven alles bang voor den dood, omdat zij weten: dan moeten zij voor Hem verschijnen. (Voorb. — Als kinderen gedurende de afwezigheid van ouders of onderwijzers ondeugend geweest zijn, zullen zij hen dan vroolijk te gemoet loopen en blijde zijn hen weer te zien, of honden zij zich niet liever schuil? Waarom ?) Ik zal U voorlezen wat God zeide, toen hij tot hen sprak. (Lees vers 9—13 voor.)

Toen God hun hunne ongehoorzaamheid verweet, zeiden zij toen, dat zij er berouw over hadden ? Adam zeide : „De vrouw, die Gij mij gegeven hebt.... die heeft mij van dien boom gegevenquot;. Bijna dus God beschuldigende, die hem Eva als vrouw gegeven had, en in ieder geval de schuld van zich op Eva werpende. En wat zeide Eva? „De slang heeft mij bedrogen, en ik heb gegetenquot;. Verontschuldigde hen dit in Gods oog ? Wanneer personen of kinderen verkeerd doen, trachten zij zich dikwijls op dezelfde wijze te verontschuldigen. Zij zeggen : „Die of die vroeg mij; ik zou nief. gegaan zijn, als hij ook niet gegaan wasquot; enz. Zijn dat geldige verontschuldigin-gen ? Kunnen die voor Gods oog bestaan? Het is veel beter ongelijk te erkennen en berouw te toonen. Niemand is gedwongen voor de verzoeking te bezwijken. God wil ons altijd kracht ge-


ocr page 15

7

ven, het booze en den booze te overwinnen, als wij Hem maar vragen. Hunne verontschuldigingen ontsloeg Adam en Eva dan ook niet van de straf.

Lees vers 14, 15. Vijandschap is haat. God wilde haat verwekken tusschen de vrouw en haar zaad (kinderen) en den duivel, maar meer dan dit, éen zou uit eene vrouw geboren worden, die de slang (den duivel) den kop zou vermorzelen d. i. zijn macht vernietigen. (Verklaar, uuaarom een slag op het hoofd veel gevaarlijker ïs dan ergens anders.) Ofschoon de duivel Hem de verzenen (hielen) zal vermorzelen, d. i. Hem zal wonden, maar niet overwinnen. quot;Weet gij wie dit is? Het is Jezus Christus. Hij overwon den duivel, door al zijn verzoekingen te weerstaan, zoodat wij door Hem macht hebben te weerstaan. De duivel vermorzelde zijn hiel, wonde Hem, door den VrmsHoodi. (Dit behoort nader verklaart, en meer omschreven te worden, dan de ruimte hier toelaat.)

Lees nu de straf, die Adam en Eva trof. (vers 16—19.) Voor Eva was de straf smart, en dat zij aan den man ondergeschikt zou zijn. Voor Adam, smart en harden arbeid (zie 17, 18). Groeiden

LE Kaïn

Tc leeren: 1 Joh

Herhaling van de vorige les. — Hoe heeten de twee boomen, genoemd in Eden? Van welke verbood God Adam en Eva te eten ? Wie verzocht Eva er van te nemen ? In welke gedaante verscheen hij? Waarmede begon hij zijne verzoeking? At Eva er dadelijk van? Wat vertelde hij haar? Wat had zij moeten doen ? Hoe kwam zij er toe, God ongehoorzaam te zijn ? quot;Wien gaf zij van de vrucht, toen zij zelf gegeten had? Wie riep hen? quot;Wat deden zij? Hadden zij zich ook vroeger voor God verborgen ? Waarom nu dan ? Hoe strafte

SCHETS v.

Vandaag zullen wij iets lezen van de eerste kinderen, die ooit geboren zijn — de twee eerste broeders op aarde. Waren

er voor dien tijd doornen en onkruid? Neen, maar nu zouden distelen en onkruid opspruiten, die uitgewied moesten worden. (Gij weet immers wel, dat een tuin, die niet onderhouden wordt, vol groeit met allerlei onkruid?) En dan, voor beiden den dood. Hoe ontzettend! Alles wat God hun had gegeven: geluk, Zijn vriendschap, een aangenaam leven, dat alles weg! En waardoor ? En nu zal ik U voorlezen welke smart hen nog wachtte. (Lees vers 22—24 voor.) Hadden zij van den boom des Levens vroeger mogen eten ? Ja, maar nu lag de dood in 't verschiet, en daarom, weg van den boom des Levens! Wat deed God ? En hoe werd de poort bewaakt ? O, wat zal het hun gesmart hebben, die engelen te zien en te denken aan het gelukkig Eden, waaruit zij verdreven waren! En toch in zijn toornen is God nog Liefde; nog had Hij hen lief. Hij gaf de belofte van het Kind, die den duivel overwinnen zou. En wanneer wij er naar streven, zonde en Satan te overwinnen, dan zullen wij eenmaal dien boom des levens zien en zijn vrucht smaken.

IV.

i Abel.

. Ill: T5; Ps. 5: 4.

God hen ? Smart, hard werk, dood. En toch, gaf God hun niet eene belofte aangaande Een, die de slang den kop zou vermorzelen ? Wie zou dat zijn ? Wat beteek ent, het vermorzelen van den kop? Wanneer had de duivel macht Jezus te kwetsen? Mochten Adam en Eva in den hof blijven? Waarom niet? Hoe werden zij verhinderd weer te kee-ren? Zullen wij van den boom des levens nog eenmaal kunnen eten ? Op welke voorwaarde, waar, en wanneer? Herhaal tekst en versje.

N DE LES.

Adam en Eva ooit kinderen ? Neen, God schiep hen als volwassen menschen. Gij herinnert U, dat zij, toen God hen schiep.


ocr page 16

8

naar Zijn beeld en naar Zijne gelijkenis „zeer goedquot; waren, zonder een wensch of gedachte van kwaad in hun hart. Maar bleven zij zoo? Gelooft gij, dat de kinderen, die Adam en Eva zouden krijgen, goed, zooals Adam en Eva geschapen waren, of slecht (zondig) zouden zijn, zooals hunne ouders geworden waren ? Ja, zondig. (Verklaar: Dat de vruchten va7i een wilde?! boom, naar den aard van den stam wild moeten zijn ; dat een kwaal als b. v. de melaatschheid eiiz. van de ouders in het lichaam der kinderen wordt overgebracht, dat zoo ook de zonde zich verspreidt.) Vandaag zullen wij zien dat, en hoe de zonde zich in de kinderen van Adam en Eva openbaarde.

Lees Gen: IV : i, 2. Hoe blijde moet Eva met hare kinderen geweest zijn ! Toen zij opgroeiden, koos ieder een verschillende bezigheid. Wat koos Abel? Wat ging Kaïn doen? Als kinderen waren zij saam waarschijnlijk gelukkig, maar later kregen zij twist. Laat ons zien, hoe die begon.

Lees vers 3—5. Welk offer bracht ieder? Gelooft gij, dat God een welbehagen had in vruchten en een lam ? Behoorde niet de geheele aarde aan God? Toch, kan God zulk een offer aangenaam zijn, niet om het offer zelf, maar als een bewijs van liefde en dankbaarheid van hem die het bracht. ( Verklaar: Een kind geeft vader of moe-der een in zich zelf waardelooze bloem. Dat is vader of moedir aangenaam, niet zoozeer om de bloem, als om het bewijs van liefde in den gever.) Er was nog een andere reden voor den mensch om God offers te brengen. Gij weet, dat God beloofd had de kracht van den duivel te niet te doen, door de komst van Christus, en den mensch zalig te maken, door Zijn kruisdood. En Hij beval den mensch een lam te brengen, het te dooden en het Hem op een altaar te offeren, als een zinnebeeld van den dood van Christus, opdat de mensch naar dien Christus zou uitzien en vergeving zou vragen om Zijnentwil. Wie der broeders bracht dat offer ? Wie van hen toonde aldus in de belofte van God aan den Zaligmaker te gelooven ? Daarom nam God Abels offer aan. Behaagde hem Kaïns offer ook ? Hoe gevoelde Kaïn zich? „Hij ontstakquot; d. i. werd boos. Deze soort boosheid, die in den mensch opkomt, wanneer anderen bevoorrecht worden boven hen, of meer worden geprezen, of meer gegeven is, wordt afgunst, jaloezie genoemd.

Lees vers 6, 7. De Heere strafte Kaïn niet, maar trachtte hem te doen inzien, waarom zijn offer niet was aangenomen. (Zie vers 7) Als Kaïn Gods belofte geloofd had, welk offer zou hij dan gebracht hebben ? Zou God het dan aangenomen hebben ? Dan nog een andere reden — „de zonde ligt voor de deur.quot; Kaïn leefde slecht, en dacht, dat hij maar door ieder offer dat hij verkoos te brengen God kon verzoenen. Mocht hij dat doen ? Zou God zulk een offer aannemen ?

Verklaar: (Stel een zoon is voortdurend ongehoorzaam, maar brengt toch zoo nu en dan kleine geschenken aan zijne ouders, denkt gij, dat hij daardoor zijn ongehoorzaamheid goed maakt, en zouden de ouders zulk een gedrag wel goedkeuren?) Maar als nu Kaïn eens berouw had gevoeld over zijn slechte levenswijs en het offer had gebracht, dat God ingesteld had, en aldus getoond had, dat hij op Gods belofte van den Messias vertrouwde, zou God zijn offer dan niet aangenomen hebben ? We zullen zien of hij dit deed.

Lees vers 8. Welke vreeselijke gevolgen had zijn toorn ! Zonder twijfel werden Kaïns woorden al meer en meer bitter, tot hij ten slotte met een hart vol van haat Abel zijn broeder te lijf ging en . . . hem doodsloeg! De eerste man die stierf, gevallen door de hand zijns broeders! De eerste moord op aarde! Wiens werk was het denkt gij? Zeker van den duivel. Die had den dood in de wereld gebracht, hij was het, die afgunstige gedachten in Kaïns hart wekte, die tot haat groeiende, hem booze woorden deden uiten, twist deden ontstaan, en ten slotte hem tot een broedermoorder maakten! Maar toch ook, was Kaïn overgelaten aan de macht des


ocr page 17

9

•duivels? Trachtte niet God zijn toorn af te wenden — hem terug te leiden in het rechte spoor? Maar hij wilde niet. Nu, nu hoorde hij nog eens de stemme Gods.

Lees vers 9—12. Wat vroeg God hem ? Wat antwoordde hij ? Misschien dacht hij zijn daad te kunnen verbergen; kon hij ? Toen Kaïn dacht, dat hij met zijn broeder alleen in 't veld was verre van hunne ouders, wie zag hen ? Zoo is het nu nog. Daar wordt geen onrechtvaardigheid, geen wreedheid, geen zonde op aarde begaan, hoe in 't geheim ook gepleegd, of God ziet het, ja God is er bij tegenwoordig. En Hij zal voorzeker eenmaal tot verantwoording roepen, die de slechte daad beging. Die dag der verantwoording komt stellig en zeker. Als gij ooit in de verzoeking komt iemand te mishandelen of onrecht aan te doen, vooral iemand, die zwakker of jonger is dan gij zijt, gij moogt meenen alleen te zijn, alleen in huis of in den tuin of eenige afgelegen plaats, houd op, denk even na, daar is God, die U ziet. Hoe vreeselijk, als gij eenmaal Zijn stem zult hooren, als Hij zegt: „Wat hebt gij gedaan?quot; Hoe werd Kaïn gestraft? (Zie vers 12). Hoe hard Kaïn voortaan ook werkte, niets zou er meer groeien, wat hij zaaide of plantte, al .zijn arbeid tevergeefs, zoodat hij met moeite voedsel genoeg zou kunnen verzamelen voor zich zelf en hij „zwervende

Het Huisgezin

Te leeren: Heb.

Herhaling van de vorige les. — Over wien hebben wij verleden Zondag gelezen? Waarmede hield Kaïn zich bezig? Wat was het werk van Abel ? Welk offer bracht ieder van hen aan God ? Welk was het beste? Welk nam God aan? Wat gevoelde Kaïn daarna? Wat zeide God tot hem? Waar sprak Kaïn daarna tot Abel? Wat was het einde van den twist? Wie riep Kaïn? Wat vroeg God hem? Wat antwoordde en dolendequot; zijn zou op aarde, zonder vaste woonplaats dus, zonder huis. En waar hij ook heen zwierf, overal zou hij de vreeselijke gedachte met zich omdragen : Ik heb mijn broeder vermoord!

Lees vers 13, 14, 15. Kaïn geloofde het een zware straf — verdreven van Gods nabijheid, verdreven van zijne ouders (die, er aan denken wat hij gedaan had, hem niet langer in hunne nabijheid konden dulden); maar was de straf meer dan hij verdiende? Hij vreesde, dat ieder, die hem vinden zou, hem zou trachten te dooden, maar God wilde het niet en Hij stelde een teeken aan Kaïn.

Lees vers 16. O, wat een treurige geschiedenis hebben wij vandaag gelezen ! De eerste vrucht van de zonde van Adam en Eva. En gij meent misschien „Ik zou toch nooit zulk een slechte daad kunnen doen als Kaïn deed.quot; Maar denk er om hoe het begon. Afgunst, omdat God Abel meer liefhad. Als een ander in de klasse geprezen wordt, of prijzen krijgt, en gij wordt voorbijgegaan, zijt ge dan boos? Gevoelt ge afgunst, of denkt gij: Het is, omdat ik het niet heb verdiend : een volgenden keer zal ik beter mijn best doen?quot; O, als er afgunst in uw hart is, vraag God om een onzelfzuchtig, liefhebbend harte. Denk er om, in Gods oog is haat gelijk aan doodslag.

gt; V.

iat God diende.

XI: 7 ; Gez. 55 : 2.

hij ? Wat was de straf? Wat vreesde hij ? Hoe voorkwam God, dat hij gedood werd ? Wie verzocht Kaïn tot die groote zonde. Waarmede verzocht hem de duivel eerst? Worden wij wel eens op dergelijke wijze verzocht ? Kunt gij mij een geval noemen waarin personen tot afgunst werden verleid ? Is het mogelijk, in Gods oog een moordenaar te zijn, zonder dat wij iemand gedood hebben ? Herhaal tekst en versje.


ocr page 18

IO

SCHETS VAN DE LES.

Na den dood van Abel, schonk God Adam een anderen zoon, wiens naam was Seth, en bovendien nog vele andere zonen en dochteren. Ik zal U de namen van eenigen van hen voorlezen, van hen en van hunne kinderen en kleinkinderen en gij zult zien, dat de menschen in die dagen veel ouder werden dan tegenwoordig. (Lees Gen 3—14 en 21—27 voor.) Ik heb U een menigte namen voorgelezen; we weten alleen van hen, dat ze geleefd hebben, maar er is éen naam onder die vele n.1. Henoch, waarvan gezegd wordt, dat „hij wandelde met God.quot; Weet gij wat dat beteekent? (Verklaar: Twee vrienden wandelen saam, zijn dikwijls bij elkander, houden van elkaar, en van dezelfde dingen, praten met elkaar, genieten saam enz. enz.) Zoo had ook Henoch God lief, beschouwde Hem als een vriend, sprak met God, (hoe noemen wij het spreken met God ?) vond er vermaak in aan Hem te denken; en God zegende hem op wonderlijke wijze: Hij nam hem op in den Hemel zonder dat hij stierf! Slechts van nog éen man lezen wij in den Bijbel wien dat groote geluk te beurt viel.

Behalve, dat de menschen toen erg oud werden, waren zij ook zeer sterk; groote, sterke mannen, die bovendien knap waren (Lees Gen. IV : 20—22 voor.) Gij kent de fabrieken en werkplaatsen van tegenwoordig ? welnu de vakken daar beoefend, zijn ontstaan in die lang vervlogen dagen, ook de muziek, die den mensch zooveel genot verschaft, werd reeds beoefend. Waar kwam die knapheid, kracht en bekwaamheid om dat alles te doen, vandaan ? Ja, van God. We zouden dus verwachten kunnen, dat hoe meer de menschen leerden, en doen konden, hoe meer zij God voor Zijne gaven zouden danken. Wij zullen zien of het zoo was. Lees Gen. VI: 4, 5. Zooals ge gehoord hebt, waren er toen „reuzenquot; en geweldigen op aarde. Hoe gebruikten zij hunne kracht? Ja, om kwaad te doen in plaats van goed. Denk nu eens, hoeveel verschil tusschen dien tijd en het begin, toen Adam en Eva pas geschapen waren! Toen „zeer goedquot; nu de „boosheid menigvuldig.quot;

Zie wat de Heere er van zegt (vers 6, 7). Waarom berouwde het den Heere? Wat zeide Hij, dat Hij doen zoude ? Maar gelooft gij, dat indien er ook slechts éen goed mensch op aarde was. God die met de slechte straffen zou? Er was een goed man.quot;

Lees vers 8—10. „Vond genadequot; beteekent, dat God met welgevallen op hem nederzag. Welke drie redenen worden daarvoor in het volgende vers gegeven ? Van wien hebben wij zooeven gesproken waarvan ook gezegd werd „Hij wandelde met God?quot; Wat beteekent het? Noach, de eenige op de ge-heele aarde getrouw in den dienst des Heeren! Gelooft gij, dat dit gemakkelijk voor hem was?

(Verklaar: als een van al de jongens uit een school tracht te doen wat de onderwijzer zegt, en al de anderen tegen hem waren — wat zouden ze hein uitlachen, hem een „braven Hendrikquot; noemen, sarren en misschien wel afranselen. Is het dan gemakkelijk voor dien eenen, stoer zijn plicht te doen?)

Tot op zekere hoogte kunnen wij in Noach's geval verkeeren. Een in een gezin, die tracht God te dienen, te bidden, ter kerk te gaan, slechte gewoonten na. te laten. Eéne dienstbode in een huishouden, die haar plicht doet als de huisvrouw afwezig is of haar niet kan nagaan — éen die oplet geen tijd te verliezen, geen goed voedsel weg te werpen, die eerlijk is, en trouw, en die geen verboden uitspanningen najaagt. Eén jongen in de werkplaats, die niet wil drinken, noch vloeken enz; die allen hebben zonder twijfel veel te lijden van de overigen, die altijd kwaad willen. Weik eene verzoeking voor Noach te denken: Waarom zou ik verschillen van geheel de wereld rondom ? (Dat is een der wijzen waarmede „de wereldquot; ons verzoekt.) Maar hij hield stand. Hij wandelde met God (hield zich dicht hij


ocr page 19

Hem) en God sterkte hem om niet te zondigen.

Hoeveel zonen had Noach, en hoe heetten zij ?

Lees vers 13. Waarmede was de aarde vervuld ? „wrevelquot; met geweld, wreedheid, haat, twist, moord.quot; De sterke verdrukte den zwakkere, geen recht, geen genade, ieder doende wat hij verkoos, en verkiezende slechts kwaad. Daarom besloot God die booze menschen van de aarde te verdelgen; maar Noach de getrouwe zou behouden worden. Laat ons zien hoe.

Lees vers 14. Ik zal U voorlezen hetgeen geschreven is omtrent de grootte van de ark. (Lees voor vers 15, 16.) Waarmede moest de ark waterdicht gemaakt worden ? (Verklaar het gebruik rn de eigenschappen van pek.) Voor wie was de ark bestemd? Juist, voor Noach en zijne vrouw en zijn zonen en hunne vrouwen. Maar is zulk een groot schip wel noodig voor 8 personen ?

Lees vers 17—20. Wat moest Noach bovendien in de ark nemen? Waarom? Zeker, om ze in 't leven te houden. God wilde niet opnieuw dieren scheppen, en daarom werden van iedere soort twee behouden. Maar hadden die dieren, zoowel als Noach met zijn gezin geen voedsel noodig ? Daaraan dacht God eveneens. (Lees vers 21, 22 voor.)

Dat alles nam een langen tijd om te doen. Gedurende 120 jaren was Noach bezig met den bouw van die groote ark. Toen hij begon, waren zijn kinderen nog niet geboren, jaar in jaar uit, zwoegde hij aan zijn taak. Zeker hebben de andere menschen hem dikwijls uitgelachen en hem verteld, dat al zijn moeite nergens toe dienen zou, geen enkel teeken was er immers, dat de watervloed zou komen. Maar. Noach hield vol. Van een andere plaats uit den Bijbel weten wij, dat hij, terwijl hij arbeidde, de menschen waarschuwde, hen aanzeggende dat, indien zij zich niet bekeerden, ze allen zouden verdrinken ; maar zij wilden hem niet gelooven en zagen hem voor gek aan. Gelooft gij niet, dat het moeielijk voor hem was, in Gods woord te blijven gelooven, terwijl niemand anders het deed. Maar hij hield getrouw aan zijn geloof vast. Toen zijn drie kleine jongens opgroeiden, leerden ook zij in God gelooven — zagen hun vader „wandelen met God,quot; stelden zonder twijfel veel belang in het groote schip, dat als het ware de levenstaak van hun vader was — hielpen hem, toen zij oud genoeg waren, trouwden, maar bleven in 't rechte spoor wandelen. Welk een gelukkig gezin ! God dienende, onder Zijn bescherming levende, niets te vreezen hebbende, wetende dat, wat er ook gebeure, zij veilig zijn met Hem! Anderen mogen zeggen, wat domme lieden, zich zooveel moeite te geven ; maar in hun hart zullen sommigen toch zeker wel gedacht hebben: „Als Noach eens gelijk had, en de watervloed komt, wat zal er dan van ons worden?quot; Zoo zien wij dan wel een godvreezend gezin, uitgelachen door oppervlakkige lieden, maar ook in de harten van die lieden, zal dikwijls een duistere vreeze voor den dood hebben geleefd. De volgende week zullen wij zien wie gelijk had.


LES VI.

Gods Volk gered.

Te leeren : Matth. XXIV : 44; Ps. 06 : 9.

Herhaling van de vorige les. — Wat lazen wij verleden Zondag omtrent de menschen op aarde ? Wat betreffende hun lichaam? Wat aangaande hun verstand ? Wat met betrekking tot hun ouderdom ? En toch, waren zij bij hunne kracht, hun moed en verstand ook goed ? Was er niet éen goed man onder allen? Ja, twee. Wat gebeurde met den eenen ? Hoe heette de andere ? Hoeveel zonen had hij? Wat wordt, zoowel van hem als van Henoch gezegd? Ja, hij „wan-


ocr page 20

12

delde met God.quot; Wat beteekent dat? Wat zeide God hem, dat Hij zou doen ? Welke taak droeg hij Noach op? Hoe groot was de ark ? Waarom zoo groot ?

Hoe langen tijd bouwde Noach er over? Wat deed hij, terwijl hij de ark bouwde ? Geloofde het volk hem? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

Ten laatste was de ark gereed — de 120 jaren voorbij. Daar stond dan het groote schip op het droge. Waarschijnlijk lachten de ongeloovigen over de gedachte een schip te bouwen midden op het land. De ark was nu gereed voor de bewoners en wij zullen nu zien hoe die er in kwamen.

Lees Gen. VII : 1—4 „Huisquot; beteekent hier gezin, familie. Hoe verheugd moet Noach geweest zijn, te weten, dat zijn geheele gezin, zoowel als hij zelf, behouden zoude worden! Hij had zijn kinderen onderwezen God te vreezen, en Zijn woord te gelooven en dit nu was de vrucht van zijn onderwijs. Denk ook eens, hoe dankbaar zijne zonen geweest moeten zijn, dat zij zijne wegen hadden bewandeld en niet die der overige booze mannen, die zonder twijfel getracht zullen hebben, hen in verkeerde sporen te leiden. Heeft een goed vader altijd goede kinderen? Worden zij niet soms overgehaald in slecht gezelschap te verkeeren, en om te leven als achtelooze en slechte menschen ? Maar Noach's zonen hadden vast gehouden aan het geloof huns vaders. Nu kwam de belooning. Hoe spoedig zou de watervloed nu komen ? Lees nu vers 7—9. Hoe konden Noach en zijne zonen al die schepselen in de ark brengen ? Denk eens aan — leeuwen, tijgers, beren, wolven. God's macht deed hen de ark binnengaan. Verbeeld U de verbazing van de andere menschen, toen zij van alle zijden de dieren kalm naar de ark zagen komen; gelooft gij niet dat sommigen van hen gedacht hebben : Waarlijk deze Noach, dien wij veracht hebben, moet wel God's macht aan zijn zijde hebben ! Zoo kwamen voortdurend viervoetige dieren en vogels en kruipend gedierte de ark binnen en Noach wist, door God onderwezen, waar ieders plaats in de ark was.

De dag was voorbij. Elk levend wezen, dat God sparen wilde, was in de ark. (Lees vers 16 voor.) Wie sloot de deur ? Ja, de Heere zelf. Veilig, door God zelf van een schuilplaats voorzien. Daarna de zeven laatste dagen. Nog was er geen enkel teeken van den komenden watervloed. lederen morgen kwam als gewoonlijk de zon op in al hare pracht, om des avonds weer onder te gaan. Hoe dwaas, zullen de menschen gezegd hebben, van dien • Noach zich midden in het land in een schip op te sluiten. Zij gingen als gewoonlijk aan hunnen arbeid of jaagden hunne vermaken na, aten, dronken en maakten zich vroolijk over den zonderlingen man, Noach, zonder er aan te denken berouw te betoo-nen en Gods woord te gelooven. Zoo gingen er dagen voorbij totdat, niemand wist het, de laatste dag gekomen was. Het oogenblik waarop de sluizen des hemels geopend werden, kan gekomen zijn over dag, toen alles zijn gewonen gang liep, of in den nacht, toen ieder sliep, en ter ruste gegaan was, zonder te denken aan God, en zonder dat een enkel gebed tot Hem opgezonden was.

Lees vers 10, 11. Misschien dachten sommigen aan een voorbijgaanden storm, en dat er niets was te vreezen. Maar, dag na dag stortte de regen neder, dag bij dag rees de stand van het water op de aarde. Men vluchtte naar de heuvels, van de heuvels naar de bergen, maar ook daar zagen zij, hoe de vloed allengs de overhand kreeg en meer en meer hunne schuilplaats naderde. Welk een schrik, wat bittere kreten van zorg en vrees! Te laat! Te laat voor berouw! Misschien naderden sommigen de ark en klopten aan en vroegen om binnengelaten te worden. Maar Noach zou geantwoord hebben: Ik kan niet! God sloot de deur! Lees vers 17—20. De geheele aarde was nu bedekt — niets dan water overal. Al


ocr page 21

13

de menschen van de aarde weggevaagd door den geweldigen vloed. Tot zelfs de toppen der hoogste bergen waren bedekt. Hoe diep was het water over den hoogsten berg? O, wat had God zijn woord letterlijk vervuld! Lees slechts vers 21—23. Hoe dankbaar moet Noach en zijn gezin zich wel gevoeld hebben, veilig in de ark te zijn. Gij zult zoodra hoo- • ren, dat zij iets deden om hunne dankbaarheid te toonen. Laat mij U eerst voorlezen wat er verder geschiedde (Lees vers 24 en hoofdstuk VIII vers 1—5.) Hoe lang bleven de wateren op de aarde? Waar rustte de ark bij het vallen van het water? Hoe blij moet Noach geweest zijn, de bergtoppen weer te zien! Maar al het overige was nog met water overdekt (Lees vers 6—9.) Welke vogel werd eerst uitgelaten? Kwam hij terug ? Een raaf is een sterke vogel en gewoon zich met vleeschspijzen te voeden. Zonder twijfel voedde deze vogel zich met de lijken van dieren en menschen. Maar wat deed de duif? De duif houdt van warmte en droogte, eet geen vleesch en vond daarom geen voedsel (Lees vers to—12.) Hoe lang wachtte Noach voor hij de duif een tweede maal uitzond? Wat bracht zij mede? Wat bewees dat? Ja, dat de olijfboomen niet meer onder water stonden. Kwam de duif de derde maal terug ? Zij vond rust, een schuilplaats en voedsel op aarde. (Lees vers 13—14). Wat zag hij toen hij uitkeek? Haastte hij zich daarop de ark te verlaten? Neen, hij wachtte het oogenblik af, dat God hem zeggen zou dat te doen.

(Lees vers 15 —19.) Hoe blijde en dankbaar, opnieuw op vasten grond te staan — de velden groen te zien, de geur der bloemen te ruiken, vruchten te smaken! Wij zullen nu zien, hoe

LES

Opzet verijdeld. He

Te leeren : Hebr.

herhaling van de vorige les. — Wie ging in de ark toen zij gereed was ? Hoe kon N oach de dieren in de ark doen komen ? Ja, door Gods hulp.

zij hunne dankbaarheid aan God toonden. (Lees van vers 20 tot het einde.) Weet gij nog wat deze offers beteeke-nen — waarom zij gebracht werden ? Ja, als een type of karakterbeeld van den dood des Heeren Jezus Christus. Zij wezen er op, dat zij, die deze offers brachten, hoopten op en uitzagen naar de komst en het sterven van Christus, die hunne zonden zou wegnemen en dat zij geloofden in de belofte Gods, dat door Hem en Zijn lijden de zonde zou worden vergeven. Daarom was Gode dit offer aangenaam en Hij beloofde, dat hij nimmer meer al het levende op de aarde zou vernietigen op de wijze, zooals Hij nu gedaan had. Gelooft gij niet, dat de menschen na dien vreeselijken vloed soms beangst waren, als er een groote regenstorm kwam ? Daaraan dacht God — en gaf den mensch daarom een teeken als bewijs van de gegeven belofte, (Lees hoofdstuk IX : 12—16 voor.)' Hoe noemen wij dien boog ? Hebt gij hem niet dikwijls gezien ? Gij vindt hem mooi, kijkt graag naar de mooie kleuren ; maar let nu, wanneer gij den boog weer ziet, niet alleen op de schoone kleuren, doch denk er aan, dat het een teeken is van Gods goedheid en dat Hij zijn beloften altijd gedenkt. De aarde zal nimmer aldus overstroomd worden, maar zal de wereld altijd blijven? Neen, de Heere Jezus heeft ons geleerd, dat zijne komst plotseling zal zijn, evenals de vloed plotseling en onverwacht kwam voor hen die er niet aan geloofden. (Lees Matth. XXIV : 37—39 voor.) Dan zullen de boozen en ongeloovigen voor altijd vernietigd worden — alleen zij gered, die behooren tot de getrouwen — tot Zijn volk, tot hen die in Hem gelooven en Hem ter eere leven.

VII.

t uitverkoren volk.

XI : 8; Gez. 58 : 3.

Wie sloot daarna de deur? Kwam de watervloed dadelijk? Wie alleen bleven gespaard ? Hoe lang bedekte het water de aarde (150 dagen.) Op welken berg


ocr page 22

I4

rustte de ark? Welke vogel zond Noach ■eerst uit? Wat deed de vogel? Wat zond Noach daarna uit? Waarom kwam lt;le duif terug? Wat bracht zij den tweeden keer mede? Wat deed zij de derde maal? Wat bewees dat? Ging Noach daarna dadelijk uit de ark? Waarom wachtte hij? Welke was zijn eerste daad

SCHETS \

Na den zondvloed werden Noach vele kinderen en kleinkinderen geboren, zoo-lt;lat de wereld opnieuw bevolkt werd. Het was Gods wil, dat de menschen •over de geheele aarde zouden verstrooid worden. Maar sommigen meenden, dat het beter was bij elkaar te blijven. Zij meenden wijzer te zijn dan God! Vandaag zullen we van die mannen hooren.

Lees Gen. XI : i. Is dat nog zoo in onzen tijd? Als gij naar Frankrijk, Rusland of Spanje gingt, zoudt gij dan de taal dier menschen verstaan, of zij de uwe? We zullen zien hoe de verandering plaats greep. Lees vers 2—4. Waarvan maakten zij hun toren? Het waren knappe mannen en zij wilden deze groote stad en dien toren bouwen om zich een „naam te maken,quot; d. i. om bewonderd en gezien te zijn in de oogen van andere menschen. Zij meenden, niettegenstaande Gods wil, bij elkander te kunnen blijven en geloofden, dat zij dan zóo machtig zouden zijn, om hun eigen weg te kunnen gaan. Maar lees nu eens vers 5—7. Zou dit niet al hunne plannen verstoren ? Konden zij met het bouwen doorgaan, indien zij elkaar niet konden verstaan? Hoe gemakkelijk dwong God hen op te houden! Hoe groot is Zijne macht! Alzoo leerden zij, hoe vruchteloos het is tegen God te strijden.

Lees vers 8, 9. De naam Babel, be-teekent verwarring; God verwarde of verdeelde hunne taal, zoodat iedere groep een verschillend woord had voor éen-zelfde voorwerp. Herhaalde malen lezen wij in den Bijbel van zulke eigenzinnige mannen als deze waren, mannen, die hun eigen weg kozen, hun opzet met geweld wilden doordrijven, tegen God strijdende en altijd weer leerende, dat nadat hij uit de ark gegaan was? Wat beloofde God ? Welk teeken gaf God in de lucht, om ons bij het zien er van te herinneren aan Zijne belofte? Zal, omdat er geen andere watervloed komt de wereld altijd blijven ? Herhaal tekst en versje.

J DE LES.

Hij grooter is dan zij zijn, altijd teleurgesteld in hunne plannen en gestraft voor hun opstand. Later zult ge hooren van een man, die bij een koning geroepen werd, om eene slechte zaak ten uitvoer te brengen. God zeide hem niet te gaan, maar hij wilde het toch doen, omdat de koning hem een groote belooning toegezegd had. Hij volgde zijn eigen weg en ging. Maar, toen hij bij den koning kwam, maakte God hem onbekwaam, om te doen hetgeen de vorst van hem verlangde, waardoor hij niet alleen zijne belooning verloor, maar bovendien nog het groote ongenoegen des konings zich op den hals haalde, die den man liet wegjagen. Kinderen begaan dezelfde zonde wanneer zij in zich zeiven zeggen ; „Ik wil doen zooals mij gelieftquot; aangaande een plan of genot, dat de ouders hun misschien verboden hebben. (Ouders door God over ons gesteld.) Indien zij aldus opgroeien, zullen zij later zonder twijfel vinden óf dat zij menigmaal teleurgesteld worden in het kunnen volgen van hun eigen weg, óf dat, indien zij het doel bereiken, het hen niet gelukkig maakt.

Wanneer wij in het „Onze Vaderquot; bidden : „Uw wil geschiedde,quot; meent dat toch immers niet, dat wij onze eigen wenschen vervuld willen zien, maar Gods wil, waarvan gij zeker kunt zijn, dat H;j U ten slotte gelukkig zal maken, ook al kunnen wij dat niet altijd vooruit zien. Wanneer de menschen die half gebouwde stad daar midden op de vlakte zagen staan, herinnerde hun dat aan Gods' macht en aan de zwakheid en eigenwilligheid des menschen.

Het overige van dit hoofdstuk geeft ons de namen van een groot aantal mannen, die geboren werden en stierven,


ocr page 23

5

I

maar van een van hen wordt ons meer verteld. Hij heet Abram. Later zult gij van dezen man op de Zondagsschool nog veel en dikwijls hooren, omdat hij een uitnemend en groot man werd, meer gezegend door God, dan bijna een der andere personen van wie wij in den Bijbel lezen.

Het einde van dit hoofdstuk deelt ons de namen mede van zijn vader en broeders en zegt ook iets meer aangaande hem.

(Lees vers 26—28 voor.) Wie was de vader van Lot? Ja, Haran, de broeder van Abraham. Zoo ziet gij dus dat Lot Abrahams neef was. Lees vers 31,32. De volgende verzen zullen U zeggen, waarom Terach en Abram en Lot en Sarai uit Ur togen.

Lees Gen. XII : 1—3. Wat gebood God aan Abraham? „Maagschapquot; be-teekent familie. Naar welk land moest hij gaan ? Hij kende het land niet, maar God zeide, dat Hij het hem wijzen zou Abram leefde te midden van vrienden — had bedienden, vee, een prettig huis — was een rijk man. Zouden niet velen gezegd hebben: „ Ik kan dat alles niet verlaten, om in een onbekend land te gaan — wat zal ik er bij winnen ? Hoe weet ik, dat het mij zoo voorspoedig zal gaan, als hier ? Maar God gaf hem cenige beloften. Hoe luiden zij ? Een volk — alle menschen die in éen land wonen, éen taal spreken, naar éen wet geregeerd worden enz.

( Voorbeeld : Nederlanders, E?igehchen, Franscheit, enz.) Wat beteekent het, dat God Abram tot een groot volk zou maken? Zijn kleinkinderen, achter-kleinkinderen enz., zouden zoo talrijk zijn, dat zij zich over het geheele land zouden verspreiden en een afzonderlijk volk worden, een volk bovendien geheel verschillend en onderscheiden van alle anderen op de aarde. Zij zouden Gods uitverkoren volk zijn. Zijn bijzonderen zegen ontvangen, geleid en onderwezen worden, en boven dat alles zouden zij groote eer ontvangen. Zie het laatste deel van vers 3. Denk eens wat het beteekent. Hoe kon Abram en zijn kinderen een zegen zijn voor alle geslachten (families) op aarde ? Omdat uit hen de Eene geboren is, die een zegen is. Een, die vrede en eeuwige verlossing bracht voor heel de wereld. Wie was dat ? Ja, Jezus Christus. Daarom is dit een belofte, dat Jezus geboren zou worden uit het geslacht (de familie) van Abraham. Welk eene eer! De Zoon van God, nedergedaald, in zijne familie gekomen, toen Hij uit den Hemel kwam om de natuur van een mensch aan te nemen! Toen deze belofte gedaan werd had Abram nog geen kind, ofschoon hij reeds 75 jaren was en ook zijne vrouw reeds oud was; en toch beloofde God, dat zijne kinderen en kleinkinderen zóo talrijk zouden zijn, dat zij een groot volk zouden vormen en dat, uit dat volk Jezus Christus zou worden geboren! Hoe onwaarschijnlijk geleek het, en toch geloofde Abram Gods belofte onmiddellijk en toonde zijn geloof, door te doen hetgeen God hem bevolen had.

Lees vers 4, 5. Zij hadden een langen weg af te leggen — wel 300 mijlen. Hoe vreemd, zulk een langen weg te gaan zonder te weten, waar hij moest ophouden. Toch vertrouwden zij op God en Hij bracht hen dan ook veilig in het land Kanaiin (Lees vers 6—8 voor.) Het bouwen van een altaar was een bewijs van dankbaarheid aan God voor Zijne bescherming en bewaring en diende tevens tot een openbare erkenning voor de menschen, dat de Heere zijn God was. Ofschoon de andere menschen in het land Heidenen waren, schaamde Abram er zich niet voor den eenen waren God te aanbidden.

Den volgenden Zondag zullen wij meer van dezen Abram vernemen.


ocr page 24

6

LES VIII. Een dwaze Keuze.

Te leeren : Matth. VI : 33; Ps. 1 : 1.

Herhaling van de vorige les. — Welk plan vormden de menschen, door wie de aarde na den zondvloed weer was bevolkt geworden ? Met welk doel wilden zij een stad en toren bouwen ? Waarvan wilden zij die bouwen ? Hoe verstoorde God hun plan ? Zoo werden zij verstrooid. Hoe heette de stad? Wat beteek ent het woord Babel? Van wien hoorden wij daarna?

Hoe heette Abram's vader? Wat gebood God aan Abram ? quot;Welke belofte ontving hij, aangaande zijne kinderen. Ja, dat zij tot een groot volk zouden worden. quot;Welke andere belofte werd hem gegeven ? Had Abraham toen reeds kinderen ? Geloofde hij Gods woord ? Verliet hij het land, waar hij woonde? Hoe heette dat? Waar zond God hem heen ? Wat deed Abram, toen hij daar aangekomen was? Waarom bouwde hij den Heere een altaar ? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

Nadat Abram in Kanaan was gekomen, kwam er hongersnood in dat land, d. i. er was gebrek aan voedsel. Waarschijnlijk een slecht jaar voor koorn, duur en moeielijk te krijgen. Daarom ging Abram eenigen tijd naar Egypte — waar geen hongersnood heerschte en keerde later naar Kanaan terug.

Lees Gen. XIII: 1, 2. Herinnert gij U nog in welke familie-betrekking hij tot Lot stond ? Lees nu vers 5—7. Waarom konden zij niet samen wonen ? Het land was niet, zooals dat bij ons het geval is, verdeeld in akkers en boerderijen, maar het was woest open land (Als de kinderen in een hetivelachtig gedeelte of in de heidestreek wonen waar weinig weiland is, licht dan daarmede den toestand toe.) Abram en Lot, ofschoon rijk, leefden niet in huizen, maar in tenten. Hun vee en schapen graasden in 't rond, en werden door veehoeders van het eene deel naar het andere gevoerd. Nu ontstond er zoo nu en dan twist tusschen de herders van Lot en die van Abraham, omdat ieder voor zijn heer de beste gedeelten verlangde om 't vee te laten grazen — plaatsen waar veel gras en goed water was. De Ka-naiinieten en Ferezieten waren de eigenlijke bewoners van het land. Zoo gij weet, waren Abram en Lot vreemdelingen. Wie behoorde bij eenigen twist over weiland of water toe te geven denkt gij, de oom of de neef, de oudere of de jongere ? Laat ons nu zien wie toegaf.

Lees vers 8, 9. Wat meende Abram met de uitdrukking mannen broeders ? Hij bedoelde familie en vrienden. Zou Abram niet het beste deel kunnen gekozen hebben voor zich ? Deed hij het ? Aan wien liet hij de keus? Hoe onzelfzuchtig was dat! Hoe menigeen zou in zijne plaats, anders gehandeld hebben! (Ga b. v voorbij een troep twistende en schreeuwende jongens en vraag eens naar de oorzaak van hun strijd — gij zult hooren, dat ieder van hen de grootste appel wil hebben, of het spel dat hij voorstelt spelen wil. En als de anderen weigeren, hoort men maar al te dikwijls. „Dan speel ik niet mede.quot; Of ook in eene familie — strijd om het bezit va?i geld of goed, ieder wil het meeste en '/ beste — leidt tot haat en verwijdering. De oudsten en sterk-sten maken gebruik van hun meerderheid e7i onderdrukken de kleineren en zwakkeren.) Lot had dus de keus. Laat ons zien, welke keuze hij deed.

Lees vers 10, 11. Hij dacht alleen aan overvloed van gras en geen gebrek aan water. Waarom lokte hem het bezit daarvan aan? Ja, omdat hij vee


ocr page 25

17

had — rijker wilde worden, in de wereld vooruit wilde komen. Moet men bij het zoeken naar een ander huis of nieuwe woonplaats alléén daaraan denken ? Neen, er is nog iets anders, dat werkelijk van grooter belang is — of het een goede plaats is om God te dienen. Let nu eens op, of Lot daaraan dacht bij zijne keus. Vers, 12, 13. Welk soort plaats was Sodom? Was het dus een goede plaats om zijn huis te bouwen — zijn tent op te slaan ? Waarom niet? Ja, omdat Lot aan die boozemen-schen gelijk zou kunnen worden — hunne booze bedrijven van hen zou kunnen leeren. Zoo gij weet, had Lot tot heden bij zijn goeden oom Abraham gewoond. {Hij was ook waarschijnlijk door hem opgevoed, omdat hij zijn eigen vader verloren had.) Hij ging nu dit god-vreezende gezin verlaten, om te gaan wonen bij booze menschen in een stad waar de gruwelijkste zonde heerschte. Waarom toch deed hij dat? Omdat hij rijker wilde worden. Waarschijnlijk dacht hij: „Ik behoef immers mij niet aan hunne boosheden over te geven. Ik kan wel oppassen zoo slecht niet te worden als zij zijn.quot; De menschen handelen dikwijls zooals Lot deed, wanneer zij van betrekking veranderen. Een jongen, die naar een werkplaats of kantoor gaat, een meisje, dat naar de fabriek of in een dienst gaat, denkt dikwijls alleen: „Koe zal ik het beste in staat zijn om hooger op te komen, zonder ooit te vragen: Zijn het godvreezende menschen bij wie ik in dienst kom, of met wien ik ga saamwonen. Zal ik op Zondag naar de kerk kunnen gaan? Wanneer zij misschien gewaarschuwd worden voor de lieden — de meester of de bezoekers — als het een goede plaats is, om vooruit te komen, wordt o, zoo licht gedacht: Ik zal wel oppassen en op den rechten weg blijven — ik moet toch in mijn onderhoud voorzien enz. Menschen, die aldus handelen, kiezen de wereld boven God — hebben God niet lief hoven alles. Dienstboden of leerlingen, die op zulke wijze hunne plaats kiezen, worden langzamerhand even slecht als de gezellen, óf gevoelen zich erg ongelukkig in het huis, dat zij uitkozen. \Over dit onderwerp kan door den onderwijzer (de onderwijzeres) uitgeweid worden, naar gelang den leeftijd en de omstandigheden van de leerlingen.] Zoo straks zult gij hoo-ren, wat het einde was van Lot's keuze.

Let nu eens op wat er met Abram gebeurde, nadat Lot hem verlaten had (vers 14—16.). Gods zegen ontvangen altijd zij, die onzelfzuchtig zijn, zij, die niet altijd hun eigen voordeel zoeken, maar die anderen trachten goed te doen en aangenaam te zijn. Wat nu beloofde God aan Abraham? (vers 15.) Ja, dat het geheele land zijn eigendom worden zou en dat van zijn kinderen. (Zaad be-teekent kinderen.) Niets van zulk eene belofte aan Lot, die gedacht had rijk te zullen worden. Wat zeide God aangaande het getal van Abrahams kinderen? (vers 16.) Dat beteekent niet alleen zijn eigen zonen en dochteren, maar allen, die uit zijne familie zouden geboren wórden — het geheele geslacht. {Licht het toe door het noemen van den naam van een groote familie in de plaats uwer inwoning. Merk op, dat familie-naam en geslachtsnaam hetzelfde heteekent). Hadden Abram en Sarai op dien tijd kinderen? Neen, en bovendien waren beiden oud, zoodat 's Heeren belofte wondervol klonk; en sommigen dachten misschien, dat het onmogelijk zou kunnen gebeuren ; maar Abram vertrouwde op Gods woord.

Het volgende hoofdstuk vertelt ons, hoe Lot in moeielijkheden geraakte, omdat de koningen van eenige der naburige landen in oorlog kwamen tegen Sodom en Gomorra, de vorsten dier steden versloeg, en vele krijgsgevangen maakte (waaronder ook Lot), die allen met have en goed in slavernij werden weggevoerd. Een der mannen, die gevangengenomen was, ontsnapte en deelde Abram mede, hetgeen er gebeurd was.

En wat denkt ge wel, dat Abraham deed? Meent gij, dat hij zeide: Wel Lot is zijn eigen weg gegaan, hij moet er de gevolgen maar van dragen ? Neen,


2

ocr page 26

i8

ik zal u voorlezen wat hij deed. (Lees Gen. XIV : 14—16 voor.) Hoe dapper en hoe goed was dat! Het vervolg van het hooldstuk vertelt ons, hoe Abraham, toen hem een deel van den eigendom, werd aangeboden, dien hij mede teruggenomen had, weigerde te nemen. Hij wilde voor zijn daad niet beloond worden op die wijze. En toch, al ontving hij geen aardsche belooning, hij bezat de liefde en gunst des Heeren en dat maakte hem gelukkig. (Lees hoofdstuk XV : 1—6 voor.)


LES IX.

Het Verbond der Besn\jdenis. Abraham als Middelaar.

Te leercn: Jac. V : 16; Gez. 79 : 2.

Herhaling van de vorige les, — Wie trokken met Abram uit Egygte ? Waren zij arm of rijk? In welke betrekking stond Lot tot Abram ? Wat veroorzaakte twist tusschen hunne dienstknechten ? Wat zeide Abram toen ? Aan wien had de keus overgelaten moeten worden ? Welk deel koos Lot? Waarom koos hij dit? Waardoor bleek zijne keus eene slechte geweest te zijn ? Waaraan had hij alleen gedacht ? Welke was Gods belofte aan Abram betreffende dit land? Welke omtrent zijne nakomelingschap? Had hij toen kinderen? En geloofde hij toch in die belofte ? In welke moeielijkheid geraakte Lot later? Hoe vernam Abram dit ? Wat deed hij ? Werd hem iets aangeboden ? Wilde hij het aannemen? Waarom niet? Wie gaf hem opnieuw de belofte van voorspoed en zegen? Waarbij werd zijne nakomelingschap in aantal vergeleken ? Geloofde hij dit? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

In het eerste gedeelte van Gen. XVII wordt verhaald dat Abram's naam veranderd werd in dien van Abraham, hetwelk beteekent Vader van vele volkeren. Het volgende bevel van God aan Abraham was, dat alie mannelijke leden van zijne familie en zijne dienstknechten moesten besneden worden — dat is een kenteeken ontvangen aan hun lichaam. Dit was als een teeken, dat zij Gods eigendom waren, want Hij wilde het geslacht van Abraham tot Zijn eigen verkoren volk maken. God wilde met hen een verbond, of overeenkomst sluiten. Een verbond bestaat tusschen twee of meer personen, die elk zijnerzijds iets belooft. Nu zult gij zien welke belofte God deed.

Lees Gen. XVII : 7, 8. Wat zeide God dat Hij geven zou? Wien zou Hij dat geven ? Bovendien zon Hij hun God zijn, d. i., zou hen zegenen, over hen waken, hen helpen, voor hen strijden, hen verdedigen. Daarop volgt, wat het volk doen moest als hun deel aan het verbond. Vers 9, 10. Deze besnijdenis zou een teeken zijn, dat zij bereid waren God te gehoorzamen en Hem lief te hebben. Hem te aanbidden en Zijne geboden te houden. Kinderen moesten op den achtsten dag na hunne geboorte besneden worden. Alleen zij, die besneden waren, werden beschouwd tot Gods volk te behooren en konden aanspraak maken op Zijne belofte — het land Kanaan, enz. Konden die kleine kinderen iets aangaande Hem begrijpen ? Neen, echter beval God hunne ouders, hen alzoo onder Zijn volk op-te nemen, opdat zij in Zijn geloof en Zijne vreeze zouden opwassen. Wat geschiedt er met de kinderen van Christenouders, waaraan dit ons doet denken ? Ja, zij worden gedoopt. Er zijn menschen die vragen, waartoe dat dient, daar die kleine kinderen omtrent God toch niets verstaan. Maar wij gelooven, dat Hij even goed zorgt voor die kleine Christenkinderen als toen voor de Joodsche. Herinnert gij u, wat Jezus zeide, toen


ocr page 27

19

de moeders hare kinderen tot Hem brachten, opdat Hij hen zegenen zou en de discipelen hen wilden verhinderen ? „Laat de kinderkens tot mij komen,quot; enz. Alzoo zien wij dat Hij wil, dat de kinderkens tot Hem gebracht worden om Zijne kinderen te worden, en op te wassen als Zijne getrouwe krijgsknechten en volgelingen. (Vcor kinderen, die meer gevorderd zijn, kan hierover breedvoeriger gesproken worden, hun aantoonende, dat de doop in de plaats der besnijdenis gekomen is. — Zie het formulier van den H. Doop.)

De tijd was nu genaderd, dat de beloofde zoon aan Abraham zou geschonken worden, maar vooraf verschenen hem hemelboden. Gen. XVIII : i, 2. Abraham woonde niet in een huis, waarin hij jaren achtereen wonen kon, maar in eene tent, [beschrijf deze, zoo de kinderen die niet kennen\ die gemakkelijk van het eene einde des lands naar het andere kon vervoerd worden. Dit was wegens zijne aanzienlijke kudden schapen en runderen, die van het eene deel naar het andere gedreven werden, waar zij maar water en weide voor haar konden vinden. Wie zag hij tot zich naderen ? Hoe gedroeg hij zich jegens hen ? Het waren geen menschen maar engelen, daarom beijverde Abraham zich hun alle eer te bewijzen. Ik zal u nu voorlezen 07 welke wijze hij dit deed. \Lces den kinderen vers 3—8 voor.] In dat land draagt men geen schoenen, maar sandalen, dat zijn strooken leer, die de voeten niet genoegzaam tegen vuil en stof beschutten; wanneer dan iemand ergens aankwam, was het de gewoonte hem water aan te bieden om zijne voeten te wasschen. Wat deed Abraham nog meer voor hen ? Toen zij nu uitgerust waren en zich verfrischt hadden, brachten zij hem hunne boodschap van God over. Lees vers 10. Toen Sara dit hoorde, kon zij het eerst niet gelooven, maar lachte bij die gedachte in haar hart. Dit was zeer verkeerd, en God Lerispte haar daarover: Zij had niet overluid gesproken, maar God kende hare gedachten en zeide tot haar: „Zou er voor den Heere iets te wonderlijk zijn?quot; Toch was Hij zoo genadig, dat Hij haar niet voor haar ongeloof strafte, maar haar toonde, door haar een zoon te schenken, dat Zijn woord altijd waarachtig is. Gods barmhartigheid en goedertierenheid zijn zeer groot, maar zoo de mensch geen berouw toont over zijne zonde en er niet naar streeft Hem te gehoorzamen, zal hij ondervinden, dat Hij even rechtvaardig als genadig is — dat wil zeggen, dat Hij den goddelooze straffen, zoowel als den goede zegenen zal. [Het denkbeeld va?t rechtvaardigheid kan den kinderen duidelijk gemaakt worden, door het voorbeeld van een vader of onderwijzer. Zoo hij alle kinderen, de ondetigenden en de goeden, op dezelfde wijs behandelde, zon hij dan rechtvaardig zijn?] Nu zullen wij ziêti hoe rechtvaardig God is.

[Lees den kinderen vers 16—/p voor?i De engelen hadden hunne blijde boodschap aan den geloovigen Abraham gebracht; nu hadden zij nog een geheel ander werk te verrichten. Waarheen gingen zij ? De volgende verzen zullen u doen zien, wat zij daar te doen hadden. Lees vers 20—22. Jarenlang hadden de inwoners van Sodom en Gomorra tegen God gezondigd. Alle soorten van goddeloosheid hadden zij bedreven — zij hadden slechte woorden gesproken en daden van geweld verricht; de sterken hadden de zwakken verdrukt, geleefd zonder ooit aan God te denken — zij zeiden waarschijnlijk: „God weet niet, wat wij doen, of slaat er geen acht op.quot; Maar was dat zoo? Zie vers 21. De tijd was gekomen dat God besloot hunne goddeloosheid te straffen. Abraham was over hun lot bewogen, en besloot hen te helpen, zoo hij kon. Hoe kunnen wij zondaren helpen ? Het gebed is een zeker middel om anderen te helpen, en dit middel gebruikte hij.

Lees vers 23—25. Abraham meende, dat er in zulk eene groote stad, die misschien duizenden inwoners telde, toch wel vijftig rechtvaardigen zouden zijn, en hij hield zich verzekerd, dat God dezen niet met de goddeloozen zou verdelgen. Zie, wat God antwoordde. Vers 26. Toen waagde Abraham het


ocr page 28

20

voort te gaan voor het volk te bidden. \Lees den kinderen vers 27—33 voor^\ Hoe ootmoedig sprak Abraham en toch. hoe hield hij aan in zijn gebed. Vertoornde God, omdat hij zoo bleef vragen? Verhoorde God zijn gebed? Hoe barmhartig en goed was Hij : Hij wilde de geheele stad sparen, zoo er slechts tien rechtvaardigen in gevonden werden. In de volgende les zult gij zien, of Hij er tien rechtvaardigen vond. Denk er aan, dat God nu nog even bereid is ons te hooren, als wij voor anderen bidden.


LES X.

Behoudenis en Verdelging.

Te leeren : Ps. 11:3.

Herhaling van de vorige les. — Hoe werd de naam van Abram veranderd? Wat beteekent het woord Abraham ? Wat gebood God, dat met al de knapen en mannen van zijn geslacht geschieden zou ? Waarvan was de besnijdenis een kenteeken ? Zeg mij, welk Gods deel was van het verbond? Wat het deel van den mensch? Konden zij, die niet besneden waren, aanspraak maken op Gods beloften? Welke boden werden daarna aan Abraham gezonden ? Waar bevond hij zich? Waarom woonde men toen in tenten ? Welke was de boodschap der engelen ? Wie geloofde er niet aan ? Zeide zij iets daarvan ? Maar wist God het? Waarheen gingen de engelen, nadat zij Abraham verlaten hadden? Waartoe? Wie deelde Abraham het gevaar van Sodom mede? Wat deed hij? Hoe vroeg hij aan God Sodom te sparen ? Verhoorde God zijn gebed ? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

God had aan Abraham beloofd dat, zoo er tien rechtvaardigen in de stad gevonden werden. Hij deze om hunnentwil sparen zou. Maar toen Hij het oog sloeg op Sodom, vond Hij onder al die honderden, die in de huizen waren, dag aan dag op de straat arbeidden, speelden en praatten, aten en dronken, dat er geen tien waren, die God vreesden en liefhadden en Hem geloovig dienden. Bedenk eens, zoo er zoovelen gevonden werden, welk een zegen dezen voor de geheele stad zouden geweest zijn ! Zoo is nu nog een oprecht god-vreezende man of vrouw een zegen voor zijne of hare geheele omgeving. Maar er was éen man onder hen, die God vreesde. Weet gij wie dat was? Het was Lot. Weet gij nog, hoe het kwam, dat Lot in Sodom woonde ? Hij dacht toen, dat het voor hem eene goede plaats was om te wonen, wegens de uitmuntende weiden en het goede water, dat daar was; maar waaraan had hij vergeten te denken? Vandaag zullen wij zien of zijne keus bij de uitkomst goed bleek te zijn.

Lees Gen. XIX: 1, 2. Wat bood Lot hun aan te doen ? Gij ziet, dat dit juist was, zooals Abraham gedaan had. Het bewijst dat, ofschoon Lot eene dwaze keuze gedaan had, hij niet tot de goddeloosheid zijner naburen vervallen was, maar God nog liefhad en wenschte dezen engelen eer te bewijzen, omdat hij wist, dat zij van God gezonden waren. Eerst wilden de engelen niet in zijn huis komen, maar toen hij bij hen aanhield traden zij binnen, en hij bereidde hun een maaltijd. Toen had er iets plaats, hetwelk bewees, hoe groot de goddeloosheid van de inwoners van Sodom was. Zij hoorden, dat er twee vreemdelingen in het huis van Lot waren gekomen, en nu kwamen zij met groot geweld zijn huis omsingelen, en riepen luid, dat Lot de mannen naar buiten zou brengen, voornemens zijnde hen te mishandelen en geweld aan te doen. Toen Lot naar buiten kwam om


ocr page 29

hen van hunne goddeloosheid af te brengen, stonden zij gereed hem te doo-den. Toen trokken de engelen hem in huis en sloegen die mannen met blindheid, zoodat zij de deur niet konden vinden. Bewijst dit gedrag niet duidelijk genoeg, hoe zij den toorn Gods verdiend hadden?

Lees nu vers 12, 13. Wie gelastten de engelen, dat Lot buiten de stad zou breogen? Alleo, die hem toebehoorden, zouden om zijnentwille behouden blijven, zoo zij met hem wilden gaan. Wat moet Lot zich gehaast hebben om zijne schoonzoons te waarschuwen ! Lees vers 14. Met welk een ernst moet Lot gesproken hebben — hoe moet hij hen gesmeekt hebben dadelijk met hem te gaan — hun verhaald hebben alles wat de engelen gezegd hadden, en hoe dezen bewezen hadden meer dan menschen te zijn, door de wijze waarop zij de goddelooze mannen op de straat overwonnen hadden ! Maar sloegen zijne schoonzoons geloof aan hem? Neen. Zij achtten zijne woorden als leugens. Zij zagen geen teekenen van een naderend onheil — zij dachten, waarom zouden zij hun huis, hunne zaken, hunne vermaken verlaten, om deze Lots dwaze inbeelding? De geheele stad zag er dien nacht uit als gewoonlijk. Hij moest zich voorzeker vergissen. Dus wilden zij niet gaan. En Lot keerde met een zwaarmoedig hart naar huis terug en zeide aan de engelen, dat zijn bloedverwanten niet met hem wilden gaan.

Lees vers 15—17. God wilde hem niet met de goddeloozen en ongeloovi-gen doen omkomen. Deze engelen hadden een dubbel werk te verrichten — de verlossing van Gods geloovigen dienstknecht — de straf over de goddeloozen. Op welke wijze legden de engelen hun spoed aan den dag? Ja, zij grepen hem bij de hand. Wat zeide een hunner tot hem, toen zij hem buiten de stad gebracht hadden? (Vers 17.) Welk eene haastige, ellendige reis? Hij had zijn gelukkig te huis, alles wat hij had achtergelaten, en wist ook, dat al zijne vrienden en betrekkingen op het punt stonden van om te komen. Er was nauwelijks tijd over om aan dat ailes te denken, want zij hadden een langen weg af te leggen. Zij waren in de vlakte gekomen, een effen landstreek — geen veiligheid voor hen, vóór dat zij den verwijderden berg bereikt hadden — het was een lange weg. \Lees den kinderen vers 18—23 voor.] Hoe liefderijk erbarmde God zich over de zwakheid van Zijn getrouwen dienstknecht! Hoe heette de stad, waarheen zij vluchtten? Zoar beteekent nietigheid. Alzoo spaarde God dit nietige stadje, opdat Lot er eene schuilplaats mocht vinden! De nacht was voorbijgegaan — de laatste nacht voor de bewoners van Sodom en Gomorra. De dag was aangebroken, de zon verrezen. Lees vers 24. 25. Wat liet de Heere regenen? Hoe vreeselijk verschrikt moeten die menschen niet geweest zijn, toen zii den eersten vuurgloed zagen nedervallen ! Zullen Lots verwanten niet ernstig ge-wenscht hebben gevlucht te zijn, toen hij het hun smeekte ? Denk aan die kreten van schrik, het branden dier huizen, het zich verheffen der vlammen, het geroep om hulp, zonder dat er iemand was, die hun hulp kon bieden ! Misschien bad toen menigeen tot God, maar het was nu te laat. Zelfs van de vier personen (wie waren dat), die God uit Sodom gevoerd had, bereikte eene nooit de plaats van behoud.

Herinnert gij u, hoe de engel hun gezegd had niet om te zien, maar om snel op hunne reis voort te gaan ? [Zie vers 17.] Eene was er, die aan dit bevel ongehoorzaam was. Het was Lots huisvrouw onmogelijk de goddelooze stad te verlaten. Misschien dacht zij aan de goederen en eigendommen, die zij had achtergelaten, of verlangde zij naar een dier zondige vermaken of vrienden, die zij te Sodom had: hoe het zij, zij zag om. Lees vers 26. Het is eene waarschuwing voor ons niet tot de zonde terug te keeren, als God ons eens geholpen heeft haar vaarwel te zeggen, en ons op den rechten weg teruggebracht heeft.

Lees nu vers 27—29. Waarheen ging Abraham ? Hoe bedroefd moet hij


ocr page 30

geweest zijn, toen hij, in plaats van twee groote steden niets anders zag als op-opstijgende rookkolommen als uit een oven (grooten brand)! Toch had God zijn gebed verhoord. (Zie vers 29.) Wij hebben vandaag eene droevige geschiedenis gelezen. Hoor wat zij ons leert; I. Aangaande Lot's keuze. Waarom had hij gekozen te Sodom te gaan wonen ?

LES

Eene groote

Te leeren: Heb. XI

Herhaling van de vorige les. — Wie kwamen des avonds te Sodom? Wie zag hen? Wat verlangde Lot van hen? Hoe gedroegen zich de inwoners der stad ? Wie ging tot hen uit ? Op welke wijze straften de engelen hen? Wat zeiden zij toen aan Lot dat hij doen moest ? Kwamen zijne schoonzoons met hem ? Waarom niet? Hoe bracht de engel hem en zijn gezin buiten Sodom ? Wat vraagde hij aan God hem te laten doen ? Hoe heette de stad waar hij eene wijkplaats vond ? Wat deed de Heere van den

SCHETS \

Eindelijk was de tijd gekomen, dat Abrahams zoon der belofte geboren werd, en hij noemde hem Izak, de naam, dien God hem vroeger gegeven had. Izak werd, toen hij acht dagen oud was, besneden, naar Gods bevel. Abraham was toen honderd jaar. Eenige jaren na de geboorte van Izak zond God aan Abraham eene groote beproeving. Hierover zullen wij nu lezen.

Lees Gen. XXII : 1. Verzoeking beteekent hier, op de proef stellen. Wij zeggen, dat de duivel ons verzoekt, dat is, dat hij ons wil doen zondigen en rampzalig maken; maar God beproeft den mensch om hem kracht te geven tot het goede en om hem zeiven te doen zien (zoowel als God het ziet) of zijn godsdienst al of niet oprecht is, en hoe hoog of laag die staat. [Ophelder mg. — Een onderwijzer geeft een

Hij had de goederen dezer wereld gekozen, maar had huis, vrienden, vrouw en bezittingen verloren. 2. De komst van Christus zal even plotseling en schrikwekkend zijn, voor hen die zich niet beijveren om Hem te dienen, als deze verwoesting was voor de bewoners van Sodom en Gomorra. \Lees den kinderen Lukas XVII: 28—30 voor.]

XI.

Beproeving.

: 17—19; Gez. 55 : 2.

hemel regenen, toen de zon opkwam ? Wie van Lot's gezin stierf vóór zij Zoar bereikt had? Wat overkwam haar? Waarom had dit plaats? Waarom was het slecht van haar om te zien? Hoe gaf God verhooring op Abrahams gebed? Wat leert ons deze geschiedenis betreffende het kiezen van een huis, eene betrekking, een beroep, enz.? Wat zal even plotseling komen als de verwoesting dezer steden ? Herhaal tekst en versje.

.N DE LES.

knaap eene moeielijke som, niet om hem te doen struikelen, of met het doel om hem moeite te veroorzaken, maar om te zien of hij die maken kan en om hem in het rekenen vordering te laten maken. Verklaar ook, hoe het goud wordt gezuiverd door het in de smeltkroes te doen smelten en het daardoor heter te doen worden.] Zoo worden ons beproevingen door God gezonden, niet, omdat God toornig op ons is, maar om ons beter te maken. Wij zullen zien, welke die beproeving was.

Lees vers 2. Wat moest Abraham doen ? Welk een moeielijk bevel! Zijn eenigen zoon te dooden, den zoon, dien hij zoo lang had gewenscht, en dien te dooden met eigen hand! Zou het goed zijn, dat een vader zijn eigen zoon doodde? Wat kan het in dit geval tot eene goede daad maken ? Gods bevel, nief waar? Maar zoudt gij nog iets an-


ocr page 31

23

ders kunnen bedenken, dat Abraham had kunnen weerhouden aan God te gehoorzamen, behalve zijn liefde voor Izak? Wat had God hem aangaande zijn zaad of nakomelingschap beloofd? Het zou zijn als de sterren aan den hemel — het zou het land Kanaan bezitten — uit dat zaad zou de Christus geboren worden. Dit zouden allen kinderen, kindskinderen, enz. zijn van Izak. Zou Abraham niet hebben kunnen zeggen : „Als ik Izak dood, nu hij nog een kind is, hoe kan hij dan kinderen hebben?quot; Doch Abraham zeide dit niet; hij geloofde aan Gods woord — vertrouwde, dat Hij in staat was Zijne belofte te houden en het ook doen zou, ofschoon Abraham niet zien kon hoe. Dus gehoorzaamde hij. Lees vers 3—5. Hoe lang moest hij reizen om de door God aangewezen plaats te bereiken ? Welk een smartelijke reis moet het voor Abraham geweest zijn? Hoe menigmaal zal hij gewenscht hebben, terug te keeren! Hij ging echter door. Eindelijk bereikten zij de plaats. Wat zeide hij tot de knechten?quot; Lees vers 6—8. Wist Izak wat er zou plaats hebben? Voorzeker kon zijn vader het hem niet mededeelen voor het laatste oogenblik. Izak dacht, dat zij een dier offers gingen brengen, zooals zij ze vroeger gebracht hadden. Welke diersoort werd gewoonlijk daartoe gebruikt? Van welk offer is dit een zinnebeeld of voorstelling? Van Jezus, niet waar, die het Lam Gods genoemd wordt. Zoo bestegen dan vader en zoon den berg terwijl Abraham dacht, „Dit is de laatste gang, dien wij te zamen doen.

Het oogenblik kwam, waarop hij Izak zeggen moest, wat hij gereed stond te doen. Izak was gereed, bereid om op Gods bevel zijn leven te geven. Lees vers 9, 10. Denk eens na: Izak gebonden, liggende op het hout — geheel bereid — Abraham met uitgestrekte hand gereed hem te dooden! Op het laatste oogenblik kwam er een stem van den hemel. Lees vers 11 —13. Wat sprak God tot hem? Hoe had Abraham getoond, dat hij God liefhad en vreesde? Waarlijk; ofschoon hij Izak liefhad, had hij God meer lief. Wat offerde hij nu in plaats van zijn zoon? Welk een gevoel van dankbaarheid moet in zijn hart opgekomen zijn! Lees vers 14. Denk eens, waarom hij dezen naam aan die plaats gaf. Wat zeide hij tot Izak aangaande het lam ten brandoffer? (Zie vers 8.) Zijn deze woorden niet bewaarheid geworden ? Hij wilde ook zeggen dat, indien wij op Gods liefde en genade vertrouwen, en doen wat Hij ons gebiedt. God ons schenken zal, alles wat wij behoeven — voor ons zal zorgen — ons voor alle kwaad behoeden zal.

Wij zullen waarschijnlijk nooit geroepen worden zulk een zwaar offer als dit te brengen, maar zij, die er naar streven God te dienen, hebben toch wel iets, dat zij er om Gods wil aan moeten geven. [Voorbeeld — Een jongen of een meisje is ergens in betrekking, ia aar zij een goed loon verdienen, maar zijn daardoor huiten staat hunne plichten jegens God te vervullen. — Iemand heeft vrienden, die hem zeer dierbaar zijn, maar die hen steeds trachten tot het kivaad te verleiden. Hoe zal elk dezer nu handelen, indien zij God oprecht lief hebben? Zoo hij het geloof heeft van Abrahaw, zal hij zich verzekerd houden, dat God hem het loon schenken zal, dat hij noo-dig heeft, zulke vrienden als het best voor hem zijn.\

Nu zal ik u voorlezen van den zegen, dien God aan Abraham schonk, nadat hij op deze wijze zijn vertrouwen op en zijne liefde tot God getoond had. \Lees den kinderen voor van vers /5—18] Opnieuw de belofte van zegen, en dat uit zijn geslacht zou voortkomen Hij, die alle volkeren der aarde ten zegen zou zijn. Wie was dat? Aldus heeft deze geschiedenis een gelukkigen afloop. Hoezeer verschilt zij van die, welke wij de laatste maal van Lot lazen, die vrienden, huis, bezitting, ja, zelfs zijne vrouw verloor, maar zelf behouden bleef. Vergeet niet, waardoor dit groot onderscheid — omdat Abraham op God vertrouwde, zeggende : „De Heere zal voorzien,quot; en Lot trachtte voor zich zelf te zorgen. Er valt nog iets anders uit deze geschiedenis te leeren. Izak is de afschaduwing, het beeld van Christus. Even


ocr page 32

24

bereidvaardig als Abraham zijn zoon afstond, evenzoo gaf God Zijn eenigen Zood, onzen Heere, om mensch te worden, en te lijden en te sterven — gelijk Izak op het altaar zoo Jezus aan het kruis.

Het volgende hoofdstuk vermeldt ons den dood van Sara, en hoe Abraham een stuk lands kocht om haar daarin te begraven. \Lees ^ den kinderen voor hoofdstuk XXIII: i—^.] In dien tijd had men begraafplaatsen voor zijne eigene

LES

Een getrouwe

Te leeren : Col. III :

Herhaling van de vorige les. — Den vorigen Zondag lazen wij van Abrahams groote beproeving. Wat beval God hem te doen ? Was dit moeielijk of gemakkelijk? Ja, zeer moeielijk. Waarom? En deed hij het? Wie ging met hem? Wat nam hij mede? Hoe ver lag de plaats van zijne woning? Wat gelastte Abraham den knechten te doenf1 Wien nam hij alleen met zich? Wat vroeg Izak hem ? Wat antwoordde Abraham ? Wat deed hij, toen zij aan de plaats gekomen waren? Wat belette hem Izak te doo-familie — er bestonden geen kerkhoven. Dadelijk waren de eigenaars van dat land bereid het aan Abraham af te staan, want zij eerbiedigden, beminden hem, hadden gezien dat God hem gezegend had. Zoo doet God Zijne dienaren eeren, zelfs door hen, die niet in Hem geloo-ven, want deze menschen, waren heidenen. Doch Abraham wilde liever deze begraafplaats betalen. [Lees voor hen vers 16—20.]

XII.

Dienstknecht.

3, 24; Psalm 143 : 10.

den? Weet gij de woorden, die de engel tot hem zeide? Wat offerde Abraham nu in plaats van zijn zoon ? Waarom had God hem zoo beproefd? Welke belofte gaf Hij hem opnieuw, omdat hij Hem gehoorzaam geweest was? Van wier dood lazen wij verder? Waar begroef Abraham haar ? Hoe verkreeg hij die begraafplaats? Verkochten de zonen van Heth hem dat land ? Waarom wilden zij het hem ten geschenke geven ? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

Heden zullen wij lezen van een dienstknecht, die een zeer moeielijke zaak voor zijn meester had te doen en hoe hij deze volbracht. Wij moeten bedenken dat in die dagen dienstknechten geen vrije mannen waren, die betaald werden voor hetgeen zij deden, zooals tegenwoordig, maar slaven, die als vee gekocht en verkocht, somtijds zeer hard behandeld — maar door sommige meesters als leden van hun gezin beschouwd werden. Hoe zoudt gij meenen dat Abraham zijne slaven behandelde? Heden zult gij hooren, hoe zij dit vergolden door hem trouw te dienen. Ook zullen wij zien welk het beste middel is om een moeie-lijken plicht te volbrengen.

Lees Gen. XXIV : 1—4. De naam van dezen oudsten dienstknecht was

Eliëzer. Was Abraham toen in zijn eigen land? Neen. Hij woonde in Kanaan. Gij weet, dat God hem uit zijn eigen land geroepen had. Maar hij wilde niet, dat Izak eene dier vreemde vrouwen huwen zou. Dus zond hij zijn ouden dienstknecht, dien hij wist te kunnen vertrouwen, naar zijn eigen land, om daar eene vrouw voor Izak te kiezen. Was dit niet een zeer moeielijke taak voor hem ? Zie, wat de dienstknecht antwoordde. Vers 5—7. Welke zwarigheid maakte Eliëzer? (Zie vers 5.) Hij dacht dat eene vreemde misschien niet met hem zou willen gaan, en wat moest hij dan doen ? Hoe zou hij zijne belofte aan zijn meester houden ? Wat antwoordde Abraham? Waarom wilde hij niet, dat Izak naar het land teruggebracht werd, van waar hij geko-


ocr page 33

25

men was? Wat had God aan Abraham beloofd ? Daarom wilde hij, dat Izak in Kanaan blijven zou. Maar hij zeide tot Eliëzer dat, indien de vrouw, die hij gekozen had, niet met hem wilde afreizen, hij van zijne belofte zoude ontslagen zijn — dat hij dan alles gedaan had, wat hij doen kon. Eliëzer beloofde nu te zullen doen, gelijk zijn meester gezegd had en aanvaardde de reis.

Lees vers 10. Gij weet, dat deze man behoorde tot de hoofden onder Abrahams slaven, — het toezicht had over zijne bezittingen. Kameelen worden algemeen in dat land gebruikt, omdat zij het langer zonder water, dat daar zeer schaarsch is, kunnen uithouden, en hitte en vermoeienis beter kunnen doorstaan, dan paarden. Eliëzer nam al die kameelen en dienstknechten om ze te leiden, omdat hij de vrouw met zich moest terugbrengen. Maar toen hij het land naderde, gevoelde hij meer dan ooit, hoe zwaar zijne taak was. Hoe kon hij weten, wie van de vrouwen van dat land voor Izak de beste huisvrouw zijn zou ? Sommige menschen zouden gezegd hebben: „Dat is eene onmogelijkheid om te volbrengen, ik zal maar geen moeite doen,quot; of zouden hierin zorgeloos te werk gegaan zijn. Maar Eliëzer was een trouwe dienstknecht — iemand, die God vreesde, evenals hij ook zijn meester liefhad. Hij sloeg den besten weg in, om zijne reis voorspoedig te doen uit-loopen.

Lees vers 11 —14. Waar liet hij zijne kameelen uitrusten ? Bij een waterput, niet waar? Hij wist, dat al de vrouwen uit die streek des avonds daar komen moesten — met welk doel ? Wat deed Eliëzer nu, om eene goede keuze te doen ? Wat vroeg hij aan God, om hem te doen zien, welke de beste vrouw voor Izak was ? Schijnt het niet bespottelijk en vreemd. God om iets dergelijks te vragen? Vele menschen meenen genoeg te doen, als zij God vragen om vergeving van zonden, of om hen goed te maken, maar niets aangaande hunne werkzaamheden. Wij zullen zien uit hetgeen volgde, of hij goed of kwalijk gebeden had.

Lees vers 15. Wie kwam er juist aan, voor dat Eliëzer zijn gebed geëindigd had? Rebekka was eene kleindochter van Abrahams broeder, Nahor, en dus eene nicht van Izak. Natuurlijk wist de dienstknecht niet, wie zij was, maar hij trachtte te weten te komen, of God zijn gebed verhoord had.

{Lees den kinderen vers /7—21 voor,) Wat vroeg hij haar? Wat deed zij toen bovendien? Wat deed dit Eliëzer denken? Toch kon hij nauwelijks gelooven, dat hij zoo spoedig een antwoord op zijn gebed had ontvangen. Xu wilde hij onderzoeken wie zij was ? (Lees den kinderen vers 22—27 voor.) Wiens dochter zeide zij, dat zij was? Waarom bad de dienstknecht tot den Heere ? Immers omdat hij zijn gebed verhoord zag ? Hij vergat het niet, dankbaar te zijn. Intus-schen zal ik u voorlezen, wat Rebekka deed. [vers 28—33.] Hoe heette de broeder van Rebekka? Wat maakte hij voor Eliëzer gereed ? Waarom kregen zij water om hunne voeten te wasschen ? Hij bood Eliëzer ook spijzen aan ; maar wat antwoordde deze ? Hij dacht meer aan de zaken zijns meesters, dan aan zich zeiven en zijn gemak. Toen deelde hij hun zijnen last mede in de volgende woorden. \_Lees den kinderen vers34—49 voori]

Eliëzer had nu op eenvoudige wijze zijne geschiedenis verhaald, maar hoe wisten Laban en Bethuel, dat dit verhaal waarheid was? Wilden zij hem gelooven? Laat ons zien. (Leesvers 50—$2) Aldus neigde de Heere hunne harten om Rebekka mede te doen reizen, en te gelooven, wat Eliëzer gezegd had. En wat deed nu de dienstknecht? Hij aanbad den Heere — dankte Hem, die zijn gebed verhoord had. Het overige van het hoofdstuk meldt ons, hoe de dienstknecht haar naar zijn meeester bracht. \Lees den kinderen van vers 5J—66 voor.\ Het laatste vers, het 67e zegt ons, hoe zij eene gelukkige en goede huisvrouw werd.

Wij hebben vandaag van een trouwer, dienstknecht gelezen. Waarom was Eliëzer zoo trouw ? Omdat hij God diende boven alles, en zijn meester om Gods


ocr page 34

20

wil. Daarom hielp God hem, zegende hem, maakte hem geëerd onder de men-schen. Kinderen moeten beginnen met trouw te zijn. [ Voorbeeld, — Een loopjongen moet bij het doen van boodschappen niet rondslenteren; een meisje moet haar werk doen, zoowel als hare moeder of meesteres afwezig is; kinderen moeten op de school werken^ al is de meester niet tegenwoordig^ Gij ziet ook, dat Eliëzer goed en wijs handelde met God om Zijne hulp te vragen bij zijn werk. [Voorbeeld, Indien kinderen een moeielijke som te maken, of moeieljke les te leer en hebben; indien dienstboden, bij Juin werk, enz, moeie-lijkheid ondervinden, moeten zij,, in plaats van achteloos te zijn. God om hulp vragen. JVant weet wel, alle goed werk komt van God, is op Zijn bevel, ofschoon door ouders, onderwijzer of meester opgelegd^


LES XIII.

Het Eerstgeboorterecht veracht en verloren.

Te leeren: Heb. \2 : 17 Gez. 99 : 4.

Herhaling van de vorige les. — Hoe heette Abrahams dienstknecht ? Wat gelastte Abraham hem te doen? Was dit eene gemakkelijke of moeielijke taak om te volbrengen? Waar hield hij het eerst stil op zijne reis ? Wat deed hij ? Hoe vroeg hij aan God hem de vrouw aan te wijzen, die Izak's huisvrouw worden zou ? Werd zijn gebed spoedig verhoord? Wie kwam aan de waterput ? Wat verzocht hij haar? Voldeed zij aan zijn verzoek? Waarheen bracht zij hem, toen hij om huisvesting vroeg? Hoe heetten haar vader en broeder ?

Hoe ontvingen zij Eliëzer ? Ging hij dadelijk aanzitten om te eten, toen zij hem daartoe noodigden? Waarom niet? Wat bewijst dit? Gewis, dat hij zich meer bekommerde om de zaken zijns meesters dan om zijn eigen gemak. Wat vroeg hij hun ? Stemden zij er in toe ? Wie zonden zij met haar? Waar was Izak, toen zij in de nabijheid hunner tenten kwamen ? Waren zij te zamen gelukkig? Wat leert deze geschiedenis ons hoofdzakelijk? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

Heden zullen wij lezen van de twee zonen van Izak en Rebekka, wier namen waren Ezau en Jakob. Toen zij groo-ter werden, was Ezau een jager, maakte met boog en pijlen jacht op herten en andere dieren (toen waren er geen geweren), en Jakob was een herder, leefde, gelijk zijn vader, in tenten, trok van de eene plaats naar de andere, opdat zijne kudden frissche weiden en water hebben mochten. Weet gij u nog te herinneren welke belofte God aan Abraham gedaan had, omtrent eene groote eer, die zijn zaad (kinderen) zou geschonken worden? Dat in zijn zaad al de geslachten der aarde zouden gezegend worden, dat wil zeggen, dat Jezus Christus uit zijn geslacht zou geboren worden. Deze belofte ook aan Izak overgebracht, werd herhaald aan allen, die na hem gekomen zijn, tot zij is vervuld toen Jezus geboren werd. Welke zoon van Izak kon zich deze belofte in de eerste plaats toeëigenen? Immers de oudste? De oudste zoon had het eerste recht op zijns vaders eigendom en titel. In Engeland is dat heden nog zoo. Een we-reldsche titel ging altijd van vader op zoon over, maar deze was eene hemel-sche belofte Gods. Is het waarschijnlijk, dat God die belofte herhalen zou aan iemand, die er zich niet om bekommerde? Wij zullen zien, dat Ezau daardoor zijne belofte verloor! Ik wil u nu iets voorlezen, dat met de broeders plaats had, toen zij tot mannen waren opgegroeid.


ocr page 35

27

\Lees den kinderen voor Gen. XXV\ 29, 30.] Linzenmoes is een vleeschsoep. Ezau was, misschien zeer lang, op de jacht geweest — was zeer vermoeid en hongerig; toen hij zijn broeder de spijs zag bereiden, verlangde hij die. quot;VVat had Jakob moeten doen? Hij had Ezau immers er van moeten geven ? Maar hij deed dit niet. [Lees vers 31 tot het eindequot;]. Wat vroeg Jakob in ruil voor de soep? Het eerstgeboorterecht — het recht van den oudsten zoon — zoodat Gods belofte op hem, in plaats van op Ezau zou komen. Was Ezau bereid om dit eerstgeboorterecht af te staan ? Waarom? hij zeide: „Ik moet toch sterven;quot; maar zou hij inderdaad nu juist gestorven zijn, omdat hij honger had? Gij ziet dat hij onverschillig was omtrent zijn eerstgeboorterecht. Hij was Tzak's meest geliefde zoon — misschien dacht hij: „Al verkoop ik mijn eerstgeboorterecht, zal mijn vader mij toch het grootste deel van zijne bezittingen geven;quot; en wat Gods beloften betrof, om dezen bekommerde Ezau zich niet — zij betroffen een hemelschen Zaligmaker, — zijn hart had zich gezet op jagen, eten en drinken, wereldsche zaken. Zoo verkocht hij dan zijn eerstgeboorterecht voor een schotel linzenkooksel; maar de tijd kwam, zooals gij zien zult, dat hij er berouw over had.

Lees Gen. XXVII: 1—4. Wat verlangde Izak dat Ezau doen zou ? Wildbraad — het vleesch van herten. Hij beloofde Ezau te zullen zegenen en in die dagen hechtte men zeer veel aan den zegen eens vaders — geloofde men dat, waarom hij bidden zou, vervuld zou worden. Maar er was er een, die Izak's verzoek hoorde, en den zegen voor den jongsten zoon verlangde. Lees vers 6—10. Rebekka had Jakob het meeste lief. Wat zeide zij, dat hij doen moest? Zij meende het geitebokje zoo te kunnen toebereiden, dat Izak het voor wildbraad houden zou. Hoe kwam het, dat zij niet vreesde dat Izak het onderscheid tusschen zijne zoons zien zou. Zijne oogen waren dof, verblind. Toch was Jakob beangst. Ik zal u nu voorlezen, wat hij zeide.

[Lees den kinderen vers 11—/7 voor.] Welk verschil was er in hunne huid? Jakob dacht: „Mijn vader kan voelen, ofschoon hij niet zien kan,quot; en vreesde gevloekt in plaats van gezegend te worden. Hoe kwam zijne moeder deze moeielijkheid te boven ? Was dit goed ? Aan welke zonden maakten zij zich beiden schuldig ? Aan bedrog, niet waar? Beiden werden later voor deze zonde gestraft, ofschoon zij, voor eenigen tijd althans, in hun plan, schenen geslaagd. Laat ons nu zien, wat er gebeurde, toen Jakob het vleesch aan zijn vader bracht. [Lees vers 18—25.] Hoe slecht was het van Jakob zijn blinden vader op deze wijze te bedriegen. Waarom dacht Izak dat hij Ezau was? Toen zegende Izak Jakob. [Lees vers 26—2p.] Hierdoor kwam Jakob in de plaats van den oudsten zoon, ofschoon Izak niet wist, wie hij was. Wij zullen nu hooren, wat Ezau gevoelde, toen hij hiervan hoorde. [Lees vers 30—jlt;S'.J Arme oude Izak 1 Hoe verslagen was hij, toen hij zijne vergissing vernam en dat de zoon, dien hij gezegend had, niet zijn meest geliefde was, en hoe treurig en boos gevoelde hij zich. [ IVïjs op vers 36] Jakob beteekent voetlichter — onderkruiper, dat is iemand, die zich in de plaats van een ander dringt. Door welke twee middelen had Jakob dit gedaan? Was dit echter niet voor een gedeelte Ezau's eigen schuld ? Waarom had hij zijn eerstgeboorterecht verkocht? Dat bewijst, dat hij het niet achtte — zich niet bekommerde om de zegeningen en beloften van God, die van Abraham, zijn grootvader, tot hem behoorden gekomen te zijn. God schenkt Zijne beloften niet aan hen, die ze niet op prijs stellen. Indien Ezau inderdaad een getrouw, geloovig dienaar van God geweest was, ziende op de aanstaande vervulling Zijner beloften, zou hij dan zoo gemakkelijk afstand gedaan hebben van zijn eerstgeboorterecht, alleen omdat hij honger had? En zoudt gij meenen, dat God hem door bedrog van zijn geboorterecht had laten beroo-ven? Izak trachtte hem te troosten. [Lees den kinderen vers jp, 40 voor.] Nu zullen wij lezen, hoe Jakob voor


ocr page 36

28

zijn bedrog gestraft werd. Lees vers 41—45. quot;Wat zeide Ezau, dat hij doen zou? Jakob vermoorden. Hoe vreeselijk als een broeder zulke gedachten koestert! Wie hoorde dit? Wat zeide zij aan Jakob, dat hij doen moest? Naar wien werd hij gezonden ? — Zoo vertrok Jakob alleen — moest zijn tehuis, zijn ouden vader en moeder verlaten, onvriendelijkheid ondervinden, hard werken, misleid en bedrogen worden, [zooals hij zijn vader gedaan had]; dit alles was de straf voor zijne zonde van bedrog. En toch maakte God van die zonde gebruik, om de goddelijke belofte aan Ezau te ontnemen, die haar veracht

LES

Troost van een e^

Te leeren: Hebr.

Herhaling van de vorige les. — Hoe heetten de twee zonen van Izak ? Welk was Ezau's bedrijf? Wat deed Jakob ? Wie van de zonen zou natuurlijk Gods belofte geërfd hebben ? Hoe verloor Ezau zijn eerstgeboorterecht? Waarom verkocht hij het? Wat bewijst dit ? Wat beval Izak op zekeren dag zijn zoon Ezau ? Wat is wildbraad ? Wat beloofde hij hem ? Ging hij ? Wie riep Jakob, toen Ezau vertrokken was? Wat beval zij hem te doen ? Waarom beval zij hem dit? Welke

schets

Wij hebben gezien, dat Ezau den zegen en het eerstgeboorterecht verloor, omdat hij er onverschillig voor was. Jakob waardeerde het, ofschoon hij verkeerde middelen gebruikte om het deelachtig te worden. Wij zien hoe beiden, zijne moeder en hij, gestraft werden voor hun bedrog, doordat hij zijn huis verlaten moest. Wij zien ook, dat, toen hij ouder werd en berouw had over zijne zonde, God hem zegende en bijstand verleende — hem somtijds in ongelegenheden brengende om hem beter te maken, maar hem door alle gevaren heen hielp.

had. Zoo gaat het ook met ons. God geeft ons de belofte van aanneming tot kinderen, schuldvergeving door Jezus Christus, zaligheid, den hemel. Wanneer werd ons die het eerst gegeven ? Bij den doop, toen wij gerekend werden als uit Zijn geslacht ge boren te zijn, toen Hij ons maakte „Leden van Christus, kinderen van God, erfgenamen van het koninkrijk der hemelen.quot; Maar als wij op deze zegeningen — ons geboorterecht — geen acht geven, maar ons hechten aan dit leven, aan eten en drinken, vermaken, arbeid, enz. zullen zij van ons genomen worden.

XIV.

mzamen Zwerver.

11:6; Ps. 130 : 4.

tegenwerping maakte hij ? Hoe maakte zij. dat het vel van Jakob op dat van Ezau geleek? Was dat goed? Welke zonde begingen zij beiden ? Werd Izak bedrogen? Wie kwam binnen op het oogenblik dat Izak Jakob gezegend had ? Hoe was hij gestemd, toen hij zag, dat Jakob zijnen zegen ontvangen had ? Wat zeide hij dat hij doen zou ? Wat deed Jakob nu? Hoe werden hij en zijne moeder gestraft voor hun bedrog? Wat is ons geboorterecht? Hoe kunnen wij het verliezen? Herhaal tekst en versje.

lN de les.

Vandaag zullen wij lezen van de eerste maal, dat God tot Jakob sprak. Lees Gen. XXVIII : 1—4. Waar gelastte Izak Jakob heen te gaan? Welken zegen bad hij van God voor zich ? Den zegen immers van Abraham — dat vooral wil zeggen; de belofte van den Zaligmaker. Zoo aanvaardde Jakob dan zijn eenzame reis — zonder twijfel zeer bedroefd zijne ouders te moeten verlaten — niet wetende, wat hem wachtte — welke moeite en gevaren hij zou ondervinden — of dat hij een vriend vinden zou om hem bij te staan. Hij reisde den geheelen dag voort — het werd


ocr page 37

29

avond, hij was vermoeid en uitgeput, en legde zich neder. Lees in vers 11, wat er toen gebeurde. Hoe troosteloos klinkt dat — geen dak om hem te beschutten — steenen tot zijn hoofdkussen, — geheel alleen in eene onbekende landstreek ; toen zond God hem vertroosting. Lees vers 12—15. Wat zag hij? Wie gingen de ladder op en af? Wie stond bovenaan ? Wat beloofde God aan Jakob aangaande het land ? Wat aangaande zijn zaad? Wat betee-kent het, dat zijn zaad zijn zou, als het stof der aarde. Kunt gij zelfs wel de korrels tellen van een handvol zand? Zoo zou het nageslacht van Jakob talloos zijn. Welke woorden waren in deze belofte dezelfde als die God tot Abraham gesproken had? „in u,quot; enz. Wat wil dat zeggen? Ja, dat Christus tot dat geslacht zou behooren. Dit was de onschatbare belofte, de beste van alle. Maar er was nog meer. Lees vers 15. Wat zeide God, dat Hij doen zou? Hij zou met Jakob zijn, „hem behoedenquot; d. i. voor hem zorgen, hem weder-brengen in dit land — hem niet verlaten tot — wanneer? Wil dit zeggen, dat Jezus zou geboren worden tijdens het leven van Jakob ? Neen, maar dat God met zijn geslacht (zaad) zijn zou tot de komst van Christus. [Deze ver-troostende woorden van God waren alsof een vader tot zijn zoon, die te zamen op reis gaan naar een vreemd land, of op een onstuimige zee zijn, zegt •' „ Vrees niet, mijn zoon, ik zal met tc zijn, uwe hand vasthouden, n geleiden door het land, of het schip sturen op zee.11 Hoe zou de zoon zich dan gevoelen? Gelukkig, veilig, omdat zijn vader met hem is.]

Laat ons nu zien, wat Jakob gevoelde, toen hij' uit dien vreemden, schoonen droom ontwaakte. Lees vers 16, 17. Wat zei Je hij eerst? Is God niet overal ? Ja, maar hoe dikwijls vergeten wij het. Toen Jakob dien nacht daar nederlag, dacht hij alleen te zijn, maar nu gevoelde hij, hoe dicht God bij hem was. Toen vreesde hij, maar het was geen bange, akelige vrees, zooals iemand gevoelt tegenover een snood, wreed mensch, maar een gevoel van eerbied, ontzetting, stilheid voor God — gevoelende hoe groot God, en hoe zwak en zondig hij was. Hoe noemde Jakob deze plaats? Welk huis noemen wij een huis Gods ? Dit gevoel van eerbied moet ons bezielen in de kerk, want waartoe gaan wij daarheen ? en Christus zegt, Matth. XVIII : 20 : „Waar twee of drie vergaderd zijn in Mijnen naam, daar ben Ik in het midden van hen.quot; Bedenk dus altijd wanneer gij naar de kerk gaat: God is daar.

Ofschoon Jakob vreesde, was hij toch dankbaar aan God, omdat Hij hem in zijn nood had vertroost. Nu zal ik u voorlezen, hoe hij die dankbaarheid toonde. \Lees de kinderen vers 18, ig, voor.] Het woord Bethel wil zeggen huis Gods. Die steen was tot een opgericht teeken van de goedheid Gods. Zie in de volgende drie verzen, hoe Jakob beloofde een dienstknecht Gods te zijn. Lees vers 20 tot het einde. Eene gelofte is eene plechtige belofte. Wat beteekent het laatste gedeelte van vers 21? „De Heere zal mij tot een God zijn,quot; wil zeggen: dat hij God boven alles zou liefhebben, aanbidden en gehoorzamen. Hebben wij ooit zulk eene belofte aan God gedaan ? Deden wij het zeiven ? Wie heeft het vocrr ons gedaan? Wanneer zullen wij die belofte hernieuwen? Als gij meer van Jakobs geschiedenis lezen zult, zult gij zien, of hij die belofte gehouden heeft. Denk er steeds aan, of gij tracht de uwe te houden. In onze vorige les spraken wij van Gods beloften, de zegeningen des doops — die gelofte van Jakob doet ons aan de onze denken. \Laat de kinderen het eerste der tien geboden opzeggen en toon aan dat, wat ons daarin als plicht wordt voorgehouden, ook geheel hetzelfde is als Jakobs gelofte.]

Uit het volgende hoofdstuk zal ik u voorlezen, hoe God Jakob bij vrienden bracht in het vreemde land, waar hij heen trok. [Lees den kinderen voor Gen. XXIX : 1 —12.] Wie ontmoette hij het eerst? Wat vroeg hij hun? Wie kwam toen kort na dezen ? Wiens dochter


ocr page 38

3°

was Rachel ? In welke betrekking stond Laban tot Jakob? [Lees voor vers 13, 14.] Hoe hartelijk werd hij door zijn oom ontvangen! Wie was vroeger tot Laban gezonden ? quot;Was hij ook met vriendelijkheid ontvangen? Kunt gij mij zeggen waarom ? Zoo werd Jakob ook dadelijk bij zijne vrienden gebracht, omdat hij op God vertrouwde. Jakob woonde vele jaren bij Laban, arbeidde voor hem, werd rijk en huwde zijne dochters. Lea en Rachel. In dien tijd trouwde een man meer dan éene vrouw, nu is het verboden, want God heeft ons geleerd, dat hel verkeerd is. Wij hebben meer kennis, daarom verwacht Hij van ons een heiliger leven. [Opheldering, — Fouten, die in een klein kind worden verschoond, zijn niet meer verschoonbaar op onderen leeftijd,] Jakob had

LES De Ven

Te leeren : Matth. V!

Herhaling van de vorige les. — Op welk eene plaats hield Jakob den eersten nacht stil, nadat hij zijn vader verlaten had ? Ja, het was eene woeste, eenzame plaats. Wat had hij tot hoofdkussen? Welken heerlijken droom had hij dien nacht ? Wie sprak tot hem ? Welke was Gods belofte? Wat deed Jakob tot gedachtenis aan dien droom ? Welke gelofte deed hij aan God ? Wie ontmoette hij in Paddan-Aram ? Werd hij wehvil-

schets ni

Jakob naderde nu zijns vaders huis, en God vertroostte hem andermaal door zijne hemelboden. [Lees voor Gen, XXXIL : /, 2.] Wien zoudt gij mee-nen, dat Jakob bevreesd was te ontmoeten bij zijne tehuiskomst? Wat had Ezau gezegd, dat hij doen zou ? Dat was twintig jaren geleden en misschien had Ezau de beleediging nog niet vergeten. Laat ons dan zien, wat Jakob deed.

Lees vers 3—5. Wat gebood hij zijnen boden tot Ezau te zeggen ? Hoor, hoe onderdanig hij sprak. „Dat ik genade

elf zonen, en toen hij twintig jaren in Paddan-Aram gewoond had, sprak God tot hem in een droom, en zeide hem met zijne vrouwen en kinderen heen te trekken naar zijn vader in Kanaan. Jakob had altijd op God vertrouwd en getracht Hem te dienen, daarom deed hij nu, wat God hem bevolen had — nam afscheid van Laban en ging op reis huiswaarts. Den volgenden Zondag zullen wij vernemen, wat er aan het einde der reis plaats had. Heden hebben wij geleerd van Jakobs gelofte aan God, hoe hij die hield en God hem zegende en behoedde. Bedenk ook, dat gij eene belofte aan God gedaan hebt. Zoo gij nu in uwe kindsheid er ernstig naar streeft, die belofte te verstaan en te houden, dan kunt gij ook Gods zegen gedurende uw leven verwachten.

XV.

: 14, 15; Gez. 71 : 1.

lend ontvangen? Hoe lang woonde hij bij Laban ? Wie huwde hij ? Hoeveel kinderen had hij? Wat wilde God, dat hij doen zou, toen die twintig jaren voorbij waren ? Gehoorzaamde hij aan Gods wil? Hebben wij ooit eene belofte aan God gedaan? Wanneer? Door wie?Be-hooren wij die te houden? Indien wij trachten dit te doen, wat kunnen wij dan verwachten? Ja, Gods bijstand en zegen. Herhaal tekst en versje.

.n de les.

vinde in uwe oogen,quot; dat wil zeggen, dat gij mij uwe gunst, vergeving schenke. Hoe ontving Ezau deze boden? Lees vers 6—8. Met hoeveel mannen trok Ezau hem te gemoet ? Hoe gevoelde Jakob zich, toen hij dit vernam? Ezau's mannen waren sterk en woest, soldaten of jagers, terwijl die van Jakob herders waren, aan vechten niet gewoon. Wie zou hier waarschijnlijk de overwinnaar zijn? Bovendien had Jakob zijne vrouwen en kinderen bij zich. Hoe vreeselijk zoo de soldaten dezen doodden of over-


ocr page 39

3

last aandeden! Zoo ziet gij, dat dit voor Jakob een gedeelte der straf was voor de vroeger bedreven zonde. Al heeft men berouw gehad, toch treft Gods straf ons voor onze zonden, om ons te leeren, dat de zonde ellende met zich moet brengen. Wat deed Jakob met zijn gezin, dienstknechten en vee ? Hij verdeelde hen. Kon hij nu niets meer doen?

Lees vers 9—12. Hoe noemde hij God in zijn gebed ? Gij herinnert u, dat God hem dezelfde belofte gedaan had als aan Abraham en Izak. In het tiende vers spreekt hij van zijn eigen onwaardigheid, en van Gods goedheid en trouw (dat is, hoe trouw Hij Zijne beloften aan hem gehouden had). Weet gij wat de woorden beteekenen: „met mijn staf,quot; enz. Hij was bij zijn vlucht voor Ezau de rivier de Jordaan alleen overgetrokken, nü had hij eene groote menigte van bloedverwanten,* kindereo, dienstknechten, vee, enz. bij zich. Wie had hem dit alles gegeven ? Omdat God zoo goed over hem geweest was, vraagt Hij' hem ten goede te blijven en — wat te doen? Aan het einde van zijn gebed herinnert Jakob God aan Zijne belofte. Welke was die? (vers 12) Indien Ezau al de kinderen van Jakob doodde, zou deze belofte niet kunnen vervuld worden. Kinderen zeggen dikwijls tot hunne ouders : „Gij hebt mij dit of dat beloofd,quot; een vrijen dag, of een geschenk — en dan geven de ouders het hun.

Toen Jakob gebeden had, bedacht hij een plan om het hart zijns broeders te verzachten — misschien had God het hem in het hart gegeven (Toon aan dat bidden èn werken noodig is.) Ik zal u zeggen, wat hij deed. \Lees aan de kinderen voor vers 13—20.] Welk een groot geschenk! Geiten, rammen, kamee-len, stieren, ezels! Jakob was een rijk man en hij meende dat geen geschenk te groot was, zoo hij maar zijne vrouw en kinderen tegen gevaar kon behoeden, en in vrede met zijn broeder leven. Dien nacht overkwam Jakob iets zeer zonderbaars. [Lees den kinderen vers 21—24 voor.} Deze man was een gezant van God. Worstelen wil zeggen door strijden zien, wie de sterkste is Laat ons zien wie de sterkste was. [Lees vers, 25—29.] Hoe wonderbaar, dat Jakob de sterkste zou geweest zijn! Israël wil zeggen strijder Gods. Hetgeen hier met Jakob gebeurde leert ons dat, indien wij volharden, aanhouden in het gebed tot God, wij gehoord en verhoord zullen worden, ofschoon het soms schijnt, dat de verhooring lang uitblijft. Jakob worstelde den geheelen nacht, zelfs nog toen het bleek, dat het gewricht zijner heup verwrongen was. Hij zeide: „Ik zal u niet laten gaan, tenzij gij mij zegent,quot; en hij ontving den zegen. Wees daarom nimmer twijfelmoedig. Een kind, dat eene booze neiging tot liegen heeft, bestrijdt somtijds die zonde, maar vervalt er opnieuw toe of denkt: „Wat baat het mij, of ik al strijd, of om hulp bid.quot; Denk aan Jakob — klem u aan God vast. Hij zal u de kracht geven om te overwinnen.

Hoe gelukkig moet Jakob zich gevoeld hebben, toen hij dien zegen hoorde uitspreken. Het was voor hem een teeken, dat God zijn gebed aangaande Ezau verhoord had. Hunne ontmoeting was nabij. Nu zal ik u hiervan het verhaal voorlezen. [Lees den kinderen hoofdstuk XXXIII : 1—3 voor.'] Jakob gedroeg zich zeer onderdanig; hij wist, dat hij in het ongelijk was, en hij was bereid dat te belijden, en alles te doen, wat hij kon, om vrede te maken. Laat ons nu zien, hoe Ezau zich gedroeg. Lees vers 4. Twintig jaren geleden waren die twee broeders toornig van elkander gegaan, de een had zelfs gezegd, dat hij den ander dooden zou, maar nu was dit alles vergeten en vergeven. Toen Ezau zag, dat Jakob berouw had over zijn bedrog, toornde hij niet langer, zijn hart was verteederd. Hij was blijde de familie zijns broeders te zien. Hij vroeg aan Jakob, waarom hij die geschenken en dat vee, die hij ontmoet had, had gezonden, en Jakob antwoordde: »Om genade te vinden in de oogen mijns heeren.quot; Hij wilde zeggen ze gezonden te hebben, opdat Ezau hem vergeving mocht schenken. Lees Ezati's antwoord in vers 9—11. Gij ziet, dat hij niet baatzuchtig was —


ocr page 40

28

zijn bedrog gestraft werd. Lees vers 41—45. Wat zeide Ezau, dat hij doen zou? Jakob vermoorden. Hoe vreeselijk als een broeder zulke gedachten koestert! Wie hoorde dit? Wat zeide zij aan Jakob, dat hij doen moest? Naar wien werd hij gezonden ? — Zoo vertrok Jakob alleen — moest zijn tehuis, zijn ouden vader en moeder verlaten, onvriendelijkheid ondervinden, hard werken, misleid en bedrogen worden, [zooals hij zijn vader gedaan had]; dit alles was de straf voor zijne zonde van bedrog. En toch maakte God van die zonde gebruik, om de goddelijke belofte aan Ezau te ontnemen, die haar veracht

LES

Troost van een e

Te leeren: Hebr.

Herhaling van de vorige les. — Hoe heetten de twee zonen van Izak ? Welk was Ezau's bedrijf? Wat deed Jakob ? Wie van de zonen zou natuurlijk Gods belofte geërfd hebben? Hoe verloor Ezau zijn eerstgeboorterecht? Waarom verkocht hij het? Wat bewijst dit ? Wat beval Izak op zekeren dag zijn zoon Ezau ? Wat is wildbraad ? Wat beloofde hij hem ? Ging hij ? Wie riep Jakob, toen Ezau vertrokken was? Wat beval zij hem te doen ? Waarom beval zij hem dit? Welke

schets vi

Wij hebben gezien, dat Ezau den zegen en het eerstgeboorterecht verloor, omdat hij er onverschillig voor was. Jakob waardeerde het, ofschoon hij verkeerde middelen gebruikte om het deelachtig te worden. Wij zien hoe beiden, zijne moeder en hij, gestraft werden voor hun bedrog, doordat hij zijn huis verlaten moest. Wij zien ook, dat, toen hij ouder werd en berouw had over zijne zonde. God hem zegende en bijstand verleende — hem somtijds in ongelegenheden brengende om hem beter te maken, maar hem door alle gevaren heen hielp.

had. Zoo gaat het ook met ons. God geeft ons de belofte van aanneming tot kinderen, schuldvergeving door Jezus Christus, zaligheid, den hemel. Wanneer werd ons die het éérst gegeven ? Bij den doop, toen wij gerekend werden als uit Zijn geslacht ge boren te zijn, toen Hij ons maakte „Leden van Christus, kinderen van God, erfgenamen van het koninkrijk der hemelen.quot; Maar als wij op deze zegeningen — ons geboorterecht — geen acht geven, maar ons hechten aan dit leven, aan eten en drinken, vermaken, arbeid, enz. zullen zij van ons genomen worden.

XIV.

mzamen Zwerver.

11 : 6; Ps. 130 : 4.

tegenwerping maakte hij ? Hoe maakte zij, dat het vel van Jakob op dat van Ezau geleek? Was dat goed? Welke zonde begingen zij beiden? Werd Izak bedrogen? Wie kwam binnen op her. oogenblik dat Izak Jakob gezegend had r Hoe was hij gestemd, toen hij zag, dat Jakob zijnen zegen ontvangen had ? Wat zeide hij dat hij doen zou ? Wat deed Jakob nu ? Hoe werden hij en zijne moeder gestraft voor hun bedrog? Wat is ons geboorterecht? Hoe kunnen wij het verliezen? Herhaal tekst en versje.

lN de les.

Vandaag zullen wij lezen van de eerste maal, dat God tot Jakob sprak. Lees Gen. XXVIII : 1—4. Waar gelastte Izak Jakob heen te gaan ? Welken zegen bad hij van God voor zich ? Dc n zegen immers van Abraham — dat vooral wil zeggen; de belofte van den Zaligmaker. Zoo aanvaardde Jakob dan zijn eenzame reis — zonder twijfel zeer bedroefd zijne ouders te moeten verlaten — niet wetende, wat hem wachtte — welke moeite en gevaren hij zou ondervinden — of dat hij een vriend vinden zou om hem bij te staan. Hij reisde den geheelen dag voort — het werd


ocr page 41

29

avond, hij was vermoeid en uitgeput, en legde zich neder. Lees in vers 11, wat er toen gebeurde. Hoe troosteloos klinkt dat — geen dak om hem te beschutten — steenen tot zijn hoofdkussen, — geheel alleen in eene onbekende landstreek ; toen zond God hem vertroosting. Lees vers 12—15. Wat zag hij? Wie gingen de ladder op en af? Wie stond bovenaan ? Wat beloofde God aan Jakob aangaande het land ? Wat aangaande zijn zaad? Wat betee-kent het, dat zijn zaad zijn zou, als het stof der aarde. Kunt gij zelfs wel de korrels tellen van een handvol zand? Zoo zou het nageslacht van Jakob talloos zijn. Welke woorden waren in deze belofte dezelfde als die God tot Abraham gesproken had ? „in u,quot; enz. Wat wil dat zeggen? Ja, dat Christus tot dat geslacht zou behooren. Dit was de onschatbare belofte, de beste van alle. Maar er was nog meer. Lees vers 15. Wat zeide God, dat Hij doen zou? Hij zou met Jakob zijn, „hem behoedenquot; d. i. voor hem zorgen, hem weder-brengen in dit land — hem niet verlaten tot — wanneer? Wil dit zeggen, dat Jezus zou geboren worden tijdens het leven van Jakob ? Neen, maar dat God met zijn geslacht (zaad) zijn zou tot de komst van Christus. {Deze vertroostende woorden van God. waren alsof een vader tot zijn zoon, die te zaïnen op reis gaan naar een vreemd land, of op een onstuimige zee zijn, zegt: „Vrees niet, mijn zoon, ik zal met u zijn, uwe hand vastbonden, u geleiden door het land, of het schip sturen op zee.quot; Hoe zou de zoon zich dan gevoelen ? Gelukkig, veilig, omdat zijn vader met hem is.]

Laat ons nu zien, wat Jakob gevoelde, toen hij' uit dien vreemden, schoonen droom ontwaakte. Lees vers 16, 17. Wat zei Je hij eerst? Is God niet overal ? Ja, maar hoe dikwijls vergeten wij het. Toen Jakob dien nacht daar nederlag, dacht hij alleen te zijn, maar nu gevoelde hij, hoe dicht God bij hem was. Toen vreesde hij, maar het was gsen bange, akelige vrees, zooals iemand gevoelt tegenover een snood, wreed mensch, maar een gevoel van eerbied, ontzetting, stilheid voor God — gevoelende hoe groot God, en hoe zwak en zondig hij was. Hoe noemde Jakob deze plaats? Welk huis noemen wij een huis Gods ? Dit gevoel van eerbied moet ons bezielen in de kerk, want waartoe gaan wij daarheen ? en Christus zegt, Matth. XVIII : 20 : „Waar twee of drie vergaderd zijn in Mijnen naam, daar ben Ik in het midden van hen.quot; Bedenk dus altijd wanneer gij naar de kerk gaat: God is daar.

Ofschoon Jakob vreesde, was hij toch dankbaar aan God, omdat Hij hem in zijn nood had vertroost. Nu zal ik u voorlezen, hoe hij die dankbaarheid toonde. \Lees de kinderen vers 18, ig, voor.] Het woord Bethel wil zeggen huis Gods. Die steen was tot een opgericht teeken van de goedheid Gods. Zie in de volgende drie verzen, hoe Jakob beloofde een dienstknecht Gods te zijn. Lees vers 20 tot het einde. Eene gelofte is eene plechtige belofte. Wat beteekent het laatste gedeelte van vers 21 ? „De Heere zal mij tot een God zijn,quot; wil zeggen: dat hij God boven alles zou liefhebben, aanbidden en gehoorzamen. Hebben wij ooit zulk eene belofte aan God gedaan ? Deden wij het zeiven ? Wie heeft het voor ons gedaan? Wanneer zullen wij die belofte hernieuwen? Als gij meer van Jakobs geschiedenis lezen zult, zult gij zien, of hij die belofte gehouden heeft. Denk er steeds aan, of gij tracht de uwe te houden. In onze vorige les spraken wij van Gods beloften, de zegeningen des doops — die gelofte van Jakob doet ons aan de onze denken. \Laat de kinderen het eerste der tien geboden opzeggen en toon aan dat, wat ons daarin als plicht wordt voorgehouden, ook geheel hetzelfde is alsfakobs gelofte.]

Uit het volgende hoofdstuk zal ik u voorlezen, hoe God Jakob bij vrienden bracht in het vreemde land, waar hij heen trok. [Lees den kinderen voor . Gen. XXIX : 1 —12.] Wie ontmoette hij het eerst? Wat vroeg hij hun? Wie kwam toen kort na dezen ? Wiens dochter


ocr page 42

30

was Rachel ? In welke betrekking stond Laban tot Jakob? \Lees voor vers 13, 14.] Hoe hartelijk werd hij door zijn oom ontvangen! Wie was vroeger tot Laban gezonden ? Was hij ook met vriendelijkheid ontvangen? Kunt gij mij zeggen waarom? Zoo werd Jakob ook dadelijk bij zijne vrienden gebracht, omdat hij op God vertrouwde. Jakob woonde vele jaren bij Laban, arbeidde voor hem, werd rijk en huwde zijne dochters. Lea en Rachel. In dien tijd trouwde een man meer dan éene vrouw, nu is het verboden, want God heeft ons geleerd, dat het verkeerd is. Wij hebben meer kennis, daarom verwacht Hij van ons een heiliger leven. [Opheldering-, — Fouten, die in een klein kind worden verschoond, zijn niet meer verschoonbaar op ouderen leeftijd.] Jakob had elf zonen, en toen hij twintig jaren in Paddan-Aram gewoond had, sprak God tot hem in een droom, en zeide hem met zijne vrouwen en kinderen heen te trekken naar zijn vader in Kanaan. Jakob had altijd op God vertrouwd en getracht Hem te dienen, daarom deed hij nu, wat God hem bevolen had — nam afscheid van Laban en ging op reis huiswaarts. Den volgenden Zondag zullen wij vernemen, wat er aan het einde der reis plaats had. Heden hebben wij geleerd van Jakobs gelofte aan God, hoe hij die hield en God hem zegende en behoedde. Bedenk ook, dat gij eene belofte aan God gedaan hebt. Zoo gij nu in uwe kindsheid er ernstig naar streeft, die belofte te verstaan en te houden, dan kunt gij ook Gods zegen gedurende uw leven verwachten.


LES XV.

De Verzoening.

Te leeren : Matth. VI : 14, 15; Gez. 71 : 1.

Herhaling van de vorige les. — Op welk eene plaats hield Jakob den eersten nacht stil, nadat hij zijn vader verlaten had ? Ja, het was eene woeste, eenzame plaats. Wat had hij tot hoofdkussen? Welken heerlijken droom had hij dien nacht? Wie sprak tot hem ? Welke was Gods belofte? Wat deed Jakob tot gedachtenis aan dien droom ? Welke gelofte deed hij aan God ? Wie ontmoette hij in Paddan-Aram ? Werd hij welwillend ontvangen ? Hoe lang woonde hij bij Laban ? Wie huwde hij ? Hoeveel kinderen had hij? Wat wilde God, dat hij doen zou, toen die twintig jaren voorbij waren ? Gehoorzaamde hij aan God? wil? Hebben wij ooit eene belofte aan God gedaan? Wanneer? Door wie?Be-hooren wij die te houden? Indien wij trachten dit te doen, wat kunnen wij dan verwachten? Ja, Gods bijstand en zegen. Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

Jakob naderde nu zijns vaders huis, en God vertroostte hem andermaal door zijne hemelboden. \Lees voor Gen. XXXII : /, 2.] Wien zoudt gij mee-nen, dat Jakob bevreesd was te ontmoeten bij zijne tehuiskomst ? Wat had Ezau gezegd, dat hij doen zou ? Dat was twintig jaren geleden en misschien had Ezau de beleediging nog niet vergeten. Laat ons dan zien, wat Jakob deed.

Lees vers 3—5. Wat gebood hij zijnen boden tot Ezau te zeggen ? Hoor, hoe onderdanig hij sprak. „Dat ik genade vinde in uwe oogen,quot; dat wil zeggen, dat gij mij uwe gunst, vergeving schenke. Hoe ontving Ezau deze boden? Lees vers 6—8. Met hoeveel mannen trok Ezau hem te gemoet ? Hoe gevoelde Jakob zich, toen hij dit vernam? Ezau's mannen waren sterk en woest, soldaten of jagers, terwijl die van J akob herders waren, aan vechten niet gewoon. Wie zou hier waarschijnlijk de overwinnaar zijn? Bovendien had Jakob zijne vrouwen en kinderen bij zich. Hoe vreeselijk zoo de soldaten dezen doodden of over-


ocr page 43

3i

last aandeden! Zoo ziet gij, dat dit voor Jakob een gedeelte der straf was voor de vroeger bedreven zonde. Al heeft men berouw gehad, toch treft Gods straf ons voor onze zonden, om ons te leeren, dat de zonde ellende met zich moet brengen. Wat deed Jakob met zijn gezin, dienstknechten en vee ? Hij verdeelde hen. Kon hij nu niets meer doen?

Lees vers 9—12. Hoe noemde hij God in zijn gebed ? Gij herinnert u, dat God hem dezelfde belofte gedaan had als aan Abraham en Izak. In het tiende vers spreekt hij van zijn eigen onwaardigheid, en van Gods goedheid en trouw (dat is, hoe trouw Hij Zijne beloften aan hem gehouden had). Weet gij wat de woorden beteekenen: „met mijn staf,quot; enz. Hij was bij zijn vlucht voor Ezau de rivier de Jordaan alleen overgetrokken, nü had hij eene groote menigte van bloedverwanten,* kinderen, dienstknechten, vee, enz. bij zich. Wie had hem dit alles gegeven ? Omdat God zoo goed over hem geweest was, vraagt Hij hem ten goede te blijven en — wat te doen? Aan het einde van zijn gebed herinnert Jakob God aan Zijne belofte. Welke was die? (vers 12) Indien Ezau al de kinderen van Jakob doodde, zou deze belofte niet kunnen vervuld worden. Kinderen zeggen dikwijls tot hunne ouders : „Gij hebt mij dit of dat beloofd,quot; een vrijen dag, of een geschenk — en dan geven de ouders het hun.

Toen Jakob gebeden had, bedacht hij een plan om het hart zijns broeders te verzachten — misschien had God het hem in het hart gegeven (Toon aan dat bidden èn werken noodig is.) Ik zal u zeggen, wat hij deed. \Lees aan de kin-deren voor vers 13—20.] Welk een groot geschenk! Geiten, rammen, kamee-len, stieren, ezels! Jakob was een rijk man en hij meende dat geen geschenk te groot was, zoo hij maar zijne vrouw en kinderen tegen gevaar kon behoeden, en in vrede met zijn broeder leven. Dien nacht overkwam Jakob iets zeer zonderbaars. \_Lees den kinderen vers 21—24 voor.] Deze man was een gezant van God. Worstelen wil zeggen door strijden zien, wie de sterkste is Laat ons zien wie de sterkste was. [Lees vej-s 25—29.] Hoe wonderbaar, dat Jakob de sterkste zou geweest zijn! Israël wil zeggen strijder Gods. Hetgeen hier met Jakob gebeurde leert ons dat, indien wij volharden, aanhouden in het gebed tot God, wij gehoord en verhoord zullen worden, ofschoon het soms schijnt, dat de verhooring lang uitblijft. Jakob worstelde den geheelen nacht, zelfs nog toen het bleek, dat het gewricht zijner heup verwrongen was. Hij zeide : „Ik zal u niet laten gaan, tenzij gij mij zegent,quot; en hij ontving den zegen. Wees daarom nimmer twijfelmoedig. Een kind, dat eene booze neiging tot liegen heeft, bestrijdt somtijds die zonde, maar vervalt er opnieuw toe of denkt: „Wat baat het mij, of ik al strijd, of om hulp bid.quot; Denk aan Jakob — klem u aan God vast. Hij zal u de kracht geven om te overwinnen.

Hoe gelukkig moet Jakob zich gevoeld hebben, toen hij dien zegen hoorde uitspreken. Het was voor hem een teeken, dat God zijn gebed aangaande Ezau verhoord had. Hunne ontmoeting was nabij. Nu zal ik u hiervan het verhaal voorlezen. [Lees den kinderen hoofdstuk XXXIII : 1—3 voor^\ Jakob gedroeg zich zeer onderdanig; hij wist, dat hij in het ongelijk was, en hij was bereid dat te belijden, en alles te doen, wat hij kon, om vrede te maken. Laat ons nu zien, hoe Ezau zich gedroeg. Lees vers 4. Twintig jaren geleden waren die twee broeders toornig van elkander gegaan, de een had zelfs gezegd, dat hij den ander dooden zou, maar nu was dit alles vergeten en vergeven. Toen Ezau zag, dat Jakob berouw had over zijn bedrog, toornde hij niet langer, zijn hart was verteederd. Hij was blijde de familie zijns broeders te zien. Hij vroeg aan Jakob, waarom hij die geschenken en dat vee, die hij ontmoet had, had gezonden, en Jakob antwoordde: »Om genade te vinden in de oogen mijns heeren.quot; Hij wilde zeggen ze gezonden te hebben, opdat Ezau hem vergeving mocht schenken. Lees Ezau's antwoord in vers 9—11. Gij ziet, dat hij niet baatzuchtig was —


ocr page 44

32

niet begeerig om alles te nemen, wat hij kon — of het eigendom zijns broeders te aanvaarden als een prijs voor zijne vergevingsgezindheid, maar hij wilde hem zonder dat, vergeving schenken. En was Jakob blijde dit geschenk terug te ontvangen r Wat zeide hij ? Het zou hem zijn, alsof hij geen genade in de oogen zijns broeders gevonden had, zoo zijn broeder het geschenk niet had willen aannemen. Toen Ezau nu zag, dat hij het hem waarlijk geven wilde, stemde hij er in toe en nam het aan.

Dit is het laatste, wat wij van Ezau en Jakob bij elkander in den Bijbel lezen. quot;Welk een gelukkig einde, na zulk een treurig begin ! In de laatste les lazen wij van de zonden dier beide broeders, opdat zij ons tot waarschtiwing mochten zijn: geen bedrog te plegen, gelijk Jakob, niet zorgeloos omtrent Gods beloften, noch wraakgierig te zijn als Ezau.

LES

Afgunst en hare Vruchten.

Te leeren : Rom. ]

Herhaling van de vorige les. — Wie kwam Jakob te gemoet op zijne reis huiswaarts? Hoe gevoelde Jakob zich? Hoe kwam dat? Hoeveel mannen had Ezau bij zich ? Waardoor waren zij veel sterker dan de mannen van Jakob? Wat deed Jakob allereerst? Wie verscheen hem ? Hoe lang worstelde hij ? Wie over-mocht? Waarin werd zijn naam veranderd? Wat beteekent Israel? Wat kunnen wij uit de geschiedenis van Jakobs

SCHETS V

Vandaag zullen wij lezen van een gezin, een vader en twaalf zonen. Dikwijls leven talrijke gezinnen gelukkig bij elkander, maar zoo is het niet altijd. Nu zullen wij eene oorzaak leeren kennen, die vaak onvriendschappelijke gevoelens ten gevolge heeft.

Lees Gen. XXXVII : 3, 4. Jozef en Benjamin waren de twee jongste zonen — waren nog zeer klein, toen hunne oudere broeders reeds volwassen waren. De kleineren in een gezin worden dik-

Vandaag hebben wij van hen gelezen, opdat wij Jmn voorbeeld zouden volgen. Hebben wij ons slecht jegens een ander gedragen — een speelmakker, broeder, zuster, enz — wat behooren wij dan te doen ? Zoo wij kunnen een geschenk geven, of den een of anderen goeden dienst bewijzen om het gedane onrecht te vergoeden. Hiertoe is men vaak te trotsch; de duivel fluistert: „Verneder u niet voor hem, hij heeft even groot ongelijk als gij.quot; Zoo duurt de twist voort; zij spreken niet meer tegen elkander, die eertijds goede vrienden waren ; misschien wordt die twist nooit bijgelegd. Hoe kwaad is dit in Gods oog. En zoo gij de beleedigde zijt, hoe behoort gij dan het voorbeeld van Ezau te volgen ? Gij moet gereed zijn om te vergeven. Wat zeggen wij hieromtrent in het „Onze Vaderquot; ? Bid om een vergevensgezinden jjeest.

XVI.

De Geschiedenis van Jozef.

CU : 10; Ps. 72 : 7.

worsteling leeren ? Wat deed hij vervolgens om Ezau vredelievend te stemmen ? Hoe ontving Ezau hem ? Waarom wilde hij zijn geschenk niet aannemen? Nam hij het daarna aan ? Wat kunnen wij leeren uit Jakobs ootmoedig gedrag jegens zijn broeder? Wat leert ons Ezau's vergevensgezindheid en zijne weigering om het geschenk aan te nemen ? Herhaal tekst en versje.

N DE LES.

wijls geliefkoosd, ofschoon de ouders de ouderen misschien even liefhebben, maar dit niet zoo toonen. Wat gaf, bij voorbeeld, Jakob aan Jozef? Waarschijnlijk was die rok geschikt voor een knaap, maar niet voor een volwassene. Hoe schoon is het, als oudere broeders ook hunne welwillendheid jegens den kleinen betoonen. Maar deden deze broeders dit ? Hoe noemen wij dat gevoel van haat jegens een ander, die boven ons voorgetrokken wordt ? Afgunst, jaloerschheid,


ocr page 45

33

niet waar? Eerst zijn het booze woorden, die de afgunst doen toenemen, en eindelijk gebeurt er iets, dat nog meer verbittert.

Lees vers 5—10. Welke was de eerste droom van Jozef? Tegenwoordig behoeven wij geen beteekenis meer aan droomen te hechten, maar in die dagen ontvingen de menschen somtijds aanwijzingen, boodschappen van God. {Dat luas voor den tijd dat den mensch Gods woord tot onderricht gegeven iverd.\ Wat dachten de broeders, dat deze droom beduidde? Zie vers 8. Al was het dat God hem boven hen wilde plaatsen, hadden zij zich dan daartegen moeten verzetten ? Zou het ergens toe gediend hebben ? Welke was zijn tweede droom ? Hoe stemde deze droom de broeders jegens hem ? Zoo nam hun haat met den dag toe, tot zich eindelijk eene gelegenheid aanbood om zich op hem te wreken. Zij waren herders — gewoon hunne kudden naar verschillende deelen van het land te leiden, om ze te laten weiden, maar Jozef bleef bij zijn ouden vader te huis. Eens wenschte Israel te weten, hoe zij het maakten, en verzocht daarom Jozef hen te gaan opzoeken. Geen aangename boodschap voor Jozef, omdat zijne broeders altijd zoo onvriendelijk jegens hem waren, maar hij wilde zijn vader gehoorzamen. Hij ging dan heen om hen op te zoeken — kon hen eerst niet vinden — ontmoette toen een man, wien hij vroeg, of hij de herders gezien had. \Lees den kinderen vers 15—n voor.] Zij zagen hem aankomen — eene snoode gedachte kwam in hunne harten op — zie wat die was. Lees vers 18. „Een listigen raad slaanquot; wil zeggen: beraamden een plan tegen hem — om wat te doen? Denk eens tien mannen (want Benjamin was niet bij hen) tegen éenen knaap samenspannende, en wel hun eigen broeder! Maar een hunner was minder onbarmhartig. Ruben zeide: „Doodt hem niet, maar werpt hem in dezen diepen kuil.quot; Hij dacht: „Als de broeders zijn heengegaan, zal ik hem er 3til uithalen en hem aan mijn vader brengen.

Intusschen was Jozef naderbij gekomen, niet wetende welke booze plannen tegen hem beraamd werden. Lees vers 23, 24. Arme Jozef! In een volgend hoofdstuk (Gen, XLII: 21.) lezen wij, dat hij hen om genade bad; maar zij wilden niet hooren — hunne harten waren vol boosheid tegen hem. Ondanks al zijn bidden en worstelen werd de knaap met geweld in den diepen kuil geworpen. Wat ontnamen zij hem ? Toen deze goddelooze daad geschied was, zetten de broeders zich neder om te eten, zich niet bekommerende om den onge-lukkigen jongeling.

Daar zagen zij op eens in de verte een gezelschap kooplieden op kameelen gezeten, op reis naar Egypte om specerijen te verkoopen. Eene nieuwe gedachte kwam in den geest van Jozefs broeders op — waarom zouden zij hem niet tot slaaf verkoopen ? In dien tijd kocht en verkocht men menschen, gelijk het vee. (De slavernij bestaat nog in sommige landen.) Zulke menschen werden slaven genoemd, — waren het eigendom van hen, die ze kochten — waren verplicht zonder eenig loon voor hunne meesters te arbeiden, en werden dikwijls geslagen en mishandeld. Zou dit niet een treurig leven voor Jozef zijn ? Ja, maar daarover bekreunden de broeders zich niet. Lees vers 28, De arme Jozef zal wel gesmeekt hebben om niet als slaaf verkocht te worden, maar tevergeefs. Hoeveel werd voor hem betaald? Alzoo werd de jongeling van zijn vader weggevoerd — van zijn lief te huis — ver weg naar Egypte.

Wie was de broeder, die gemeend had hem in veiligheid te brengen? Ruben, niet waar? Hij was niet daar, toen Jozef verkocht werd — elders was hij heen getrokken — hij kwam terug — zag in den kuil — vond dezen ledig — was diep bedroefd, toen hij vernam, wat er gebeurd was — maar kon niets uitrichten — het was te laat. Toen begonnen de goddelooze broeders er aan te denken, wat zij hunnen vader zeggen zouden. Zij konden de waarheid niet zeggen en bedachten een middel om hem te misleiden. Zij namen den fraaien rok — doodden een geitje — doopten


3

ocr page 46

34

dien in het bloed, en brachten dien toen aan den ouden man, zeggende dat zij dien gevonden hadden. Was dit waar? Wat dacht Jakob? Lees vers 33, 34. In dat land zijn veel wilde beesten. Een knaap kon lichtelijk door zulk een dier gedood worden. O, hoe bedroefd moet de oude man niet geweest zijn bij de gedachte, dat het dierbare kind verscheurd was ! Zelfs beklaagden hem zijne zonen, toen zij zijne smart zagen. [Lees voor vers J5.]

Het is eene treurige geschiedenis, die wij heden gelezen hebben. — Laat ons zien, wat haar zoo treurig maakte. Het is de zonde — de oorzaak van al de ellende op de wereld. Wat voor menschen zoudt gij zeggen, dat de broeders van Jozef waren ? Goddelooze menschen immers — maar laat ons zien, hoe hunne zonde begon. Waarom haatten zij in den beginne hun broeder ? Door afgunst. Velen denken, dat er niet veel kwaad in is. [ Voorbeeld. Een vlugge, vlijtige knaap wordt door zijne onder-wijzers geprezen, ontvangt belooningen, enz.; wat gevoelen daarbij sommige

LES

Vervolging om der

Te leeren: Ps. XXXV

Herhaling van de vorige les. — Hoeveel zonen had Jakob ? Hoe heetten de twee jongsten? Welken had hij het meest lief? Hoe waren de anderen omtrent dezen gezind? Welke waren de twee droomen van Jozef? Wat was hunne beteekenis? Waar weidden de broeders hunne kudden ? Wie werd naar hen heen gezonden? Waarom? Wat zeiden zij, dat zij doen zouden, toen zij hem zagen aankomen ? Wie verzocht hun hem niet te dooden, maar hem in

SCHETS v.

Hoe treurig moet Jozef geweest zijn, toen hij door de Midianieten van zijns vaders huis en zijn ouden vader, die hem zoo innig liefhad, werd weggevoerd! Vandaag zullen wij zien, wat er met hem gebeurde.

leerlingen ? Werklieden zijn voorspoedig in hnn bedrijf, waarschijnlijk door eigen volharding — hindert zulks niet vaak andere werklieden — misschien zeggefi zij, dat hij door bedrog is vooruitgekomen. Zulke gevoelens worden als niets beteekenend geacht, maar zie, waartoe zij leiden.] De broeders gingen van afgunst tot norsche woorden over, daarna tot geweld, wreedheid en verkochten hem eindelijk als slaaf. Zoo kinderen en volwassenen aan de afgunst toegeven, worden zij door Satan in verzoeking gebracht hem, dien zij benijden, het grootstp leed aan te doen. [ Wijs op Kaïn en Abel.] Maar bedenk bovendien, dat in Gods oog niet alleen daden, maar ook gedachten zonde zijn. De Bijbel zegt I Joh. III: 15a: „Een iegelijk, die zijnen broeder haat, is een doodslager.quot; Laat ons daarom God bidden dat Hij ons geve een liefhebbend, onbaatzuchtig gemoed, opdat wij nooit de jaloerschheid of den toorn plaats geven in onze harten, maar onze naasten liefhebben als onszelven.

Gerechtigheid wil.

I : 39, 40; Gez. 28 : 3.

een kuil te werpen ? Wat wilde hij doen ? Vonden zij goed, wat Ruben hun voorstelde ? Wie naderden, nadat zij hem in den put geworpen hadden ? Wat deden zij met Jozef? Waarheen brachten de Midianieten Jozef? Wie hunner was niet tegenwoordig, toen zij hem verkochten r Wat deden de broeders met Jozefs rok? Wat dacht Jakob dat er gebeurd was? Hoe was Jakob hierbij? Welke was de oorzaak dier groote zonde ? Herhaal tekst en versje.

I DE LES.

Lees Gen. XXXIX : 1. Hoe noemt men hen, die gekocht en verkocht worden? Zulke slaven kunnen niet doen, wat zij willen — werken niet voor loon — kunnen niet vrij van meester veranderen, enz., maar worden gedwongen te werken.


ocr page 47

35

krijgen geen geld, ondergaan vaak mishandelingen, en zijn het eigendom hunner meesters, evenals vee. Zoudt gij niet meenen dat Jozef in dien toestand er slecht aan toe, zeer ongelukkig was?

Lees vers 2—4. Jozef was niet verlaten, ofschoon hij ver van zijn huis was. Wie was met hem? Jozef had God gediend in de goede en gelukkige dagen zijner jeugd, en nu hij hulp van noode had, zegende hem God. Indien wij willen, dat God ons in lijden nabij is, moeten wij Hem in voorspoed, als alles naar wensch gaat, dienen. De menschen zijn altijd gereed tot God te bidden, als zij in nood zijn, maar in andere tijden vergeten zij Hem. Dit had Jozef niet gedaan, daarom had hij dezen grooten Vriend om hem in zijn nood te helpen.

Wat deed de meester met Jozef? Hij stelde hem over zijn huis en zijne overige dienstknechten. Waarom deed Poti-far dit ? Hij zag dat alles, wat Jozef ondernam, voorspoedig ging, en dat God met hem was, zoo, ofschoon hij zelf niet in God geloofde, gevoelde hij, dat het beste voor zijne zaken zijn zou Jozef over alles aan te stellen.

Lees vers 5, 6. Aldus bezat Jozef het volle vertrouwen van zijnen meester. [ Voorbeeld. — Een opzichter over een landgoed — een pachter van een boerderij — een meesterknecht in eene fabriek, enz. Verklaar hoe deze allen hebben te koopen en te verkoopen, loo-nen uit te betalen, enz. voor hun meester; zij zonden zulk eene betrekking niet gekregen hebben, zoo Juin heer hen niet kon vertrouwen.] Had Jozef zich niet kunnen bevoordeelen door het groote vertrouwen en zijn meester bedriegen? Zoudt gij meenen, dat hij dit deed? Neen, want de Heere was met hem. Zou God een man kunnen zegenen, die zijn meester bedroog? Alles ^ing dus goed met Jozef, (behalve, dat hij dikwijls dacht aan zijn te huis en verlangde daar te zijn) toen hem eene groote ramp trof.

Eens was hij alleen te huis met de vrouw zijns meesters en zij wilde hem tot een groot kwaad verleiden. Niemand zou het gezien hebben, maar wie zag het? God. Hieraan dacht Jozef, en hij zeide: „Hoe zou ik dit een zoo groot kwaad doen, en zondigen tegen God ?quot; Dus weigerde hij. Herhaalde malen trachtte zij hem te overhalen, maar hij weigerde steeds. Toen was deze ondeugende vrouw zoo boos op hem, dat zij haren echtgenoot zeide, dat, gedurende zijne afwezigheid. Jozef zich zeer slecht tegen haar gedragen had. Dit was geheel onwaar, maar Potifar geloofde, wat zij zeide, en werd zeer boos op Jozef. Het volgende vers zegt ons, hoe hij hem strafte.

Lees vers 20. Hoe hard scheen dit, dat Jozef zoo wreed en onvriendelijk moest behandeld worden, terwijl hij onschuldig was ! Waarom kwam dit ongeluk over hem ? Waarom was Potifar's vrouw zoo boos op hem ? Omdat hij niet wilde zondigen. Indien wij God dienen, mogen wij somtijds door booze menschen slecht behandeld worden, maar daarover moeten wij ons niet beklagen. [Opheldering. — Een jongen of een meisje is dienstbaar, een werkman, een winkelbediende, een kind. op school, e?iz. wordt dikwijls gevraagd iets te doen, dat door hiimie meerderen verboden is, of dat zij weten niet goed te zijn. Weigeren zij, dan worden zij dikwijls bespot, ja, valsch bij den meester beschuldigd.] Onze Heere Jezus Christus werd aanhoudend miskend of weersproken door slechte menschen, en wij, als Zijne dienstknechten, moeten hetzelfde verwachten. Maar Jozef werd in zijne verlatenheid niet alleen gelaten.

Lees vers 21—23. Wie was zelfs in de gevangenis met hem? Wien werd het door den Heere ingegeven, hem welwillend te behandelen ? Hij werd door den overste der gevangenis zoo geacht, dat hij hem over al de gevangenen aanstelde. Hij zag, dat Jozef een man was, dien hij kon vertrouwen, en zij, die vertrouwbaar zijn, worden altijd ontzien en goed behandeld. Echter bleef hij in de gevangenis. Ongetwijfeld bad hij God dikwijls om zijne invrijheidstelling, en eindelijk verloste God hem. Dit geschiedde op eene ongewone wijze.


ocr page 48

36

Lees hoofdstuk XL : I. De schenker was de bediende, die den koning bediende — hem bij den maaltijd wijn schonk, enz. De bakker was zijn kok. Beiden hadden den koning beleedigd, ofschoon wij niet weten, wat zij gedaan hadden. Pharao liet hen beiden in de gevangenis werpen, waar Jozef was, en deze had het toezicht over hen. \Lces den kinderen vers 5—8 voor?\ In die dagen hechtten de menschen veel aan hunne droomen. Herinnert gij u de droomen van Jozef, toen hij nog een knaap was? Vóór God Zijn woord gegeven had om de menschen te onderrichten, zond hij dikwijls Zijnen last door droomen, en daarom was men toen altijd verlangend de beteekenis er van te kennen. Daarom verlangde Jozef, dat deze mannen hem hun droom vertelden.

[lees den kinderen vers g—/5 voor.} Wat droomde de overste der schenkers ? Hoeveel takken had de wijnstok ? Wat gebeurde daarna? Wat deed hij met de druiven ? Welke beteekenis zeide Jozef, dat deze droom had ? Wat vroeg hij den overste der schenkers voor hem te doen? [Lees vers 16—/p.] Wat was de droom van den bakker? Wat was zijne uitlegging? Dit was eene zeer treurige uitlegging, maar het was goed voor Jozef, dat hij ze deed, omdat God hem gezegd had, wat gebeuren zou. Nu zullen wij zien, of zijne woorden uitkwamen.

Lees vers 20—23. Wat moeten de oversten der schenkers en der bakkers zich overtuigd gevoeld hebben, dat God het aan Jozef medegedeeld had! Maar wat zegt het laatste vers van den schenker? Schijnt dit niet ondankbaar ? Toen hij zelf weer gelukkig was, vergat hij den armen Jozef geheel. Dit was zeer zelfzuchtig. Laat ons zorgen hem niet gelijk te zijn. [Voorbeeld. — Alsvroo-lijke kinderen een schreiend kind op den weg zien, en niet stilhouden o?n het naar zijn leed te vragen of te helpen — of zij, die gezond zijn, he-ko mme ren zich niet over hen, die ziek zijn, misschien zelfs zijn het huisgenoot en, dan zijn de zoodanigen gelijk aan den schenker.} En, ofschoon de schenker Jozef vergat, wie was toch met hem om hem te zegenen en te vertroosten? Waarom? Omdat hij op God boven alles vertrouwde en Hem diende.


LES XVIII.

Van de Gevangenis naar het Paleis.

Tc leeren: Matth. XXIII : 12; Ps. 33 : 10.

Herhaling van de vorige les. — Aan wien werd Jozef verkocht, toen hij in Egypte kwam? Was hij daar gelukkig of ongelukkig? Waarom gelukte hem alles, wat hij deed? Waartoe stelde Potifar hem aan ? Wie wildejozef doen zondigen ? Gaf hij toe? Waarom niet? Bij wien beschuldigde zij hem toen ? Hoe strafte zijn meester hem? Wie was zelfs in de gevangenis bij hem ? Hoe toonde de opziener der gevangenis, dat hij hem vertrouwde ?

Welke twee mannen werden in dezelfde gevangenis gebracht ? Wie had het toezich t over hen? Wat droomde de overste der schenkers? Wie gaf hem de uitlegging, en hoe was die? Welken droom had de overste der bakkers? En zijne beteekenis ? Werd Jozefs verklaring bewaarheid? Wat had hij den schenker gevraagd voor hem te doen? Deed hij dit? Waarom n;.et? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

Wij lieten Jozef nog in de gevangenis achter, terwijl de overste der schenkers, voor wien hij zoo goed was geweest, hem vergat. Maar God had hem niet vergeten, en heden zullen wij zien, hoe er een einde kwam aan zijn lijden.

Lees Gen. XLI : 1—4. Wat droomde Koning Pharao? Een vreemde droom,


ocr page 49

37

niet waar? Daarna had hij oen even vreemden droom. (Zie vers 5—8). Pha-rao was een heiden, maar de heidenen hechtten ook eene groote waarde aan hunne droomen, en geloofden, dat zij eene beteekenis hadden, juist gelijk de Joden. Wie ontbood hij om hem de beteekenis dier droomen uit te leggen ? Konden zij dit ? Daardoor was hij zeer ongerust en teleurgesteld. Lees nu vers 8. Wat dacht de overste der schenkers? Hij dacht aan de belofte, die hij vóór twee jaren gedaan had (aan wien ?), en hoe hij zich baatzuchtig verheugd en Jozef geheel vergeten had. Ik wil u voorlezen, wat hij nog meer zeide. \Lees voor dc kinderen vers 10—/j.] Hoe verheugde zich de koning van dezen wijzen man te hooren, die de droomen van zijne knechten zoo naar waarheid had uitgelegd! Onmiddellijk liet hij Jozef roepen.

Denk eens na, hoe de arme gevangene te moede was. „Dc koning heeft om u gezonden! Maak u spoedig gereed.quot; Hoe blijde moet Jozef geweest zijn, toen hij zich gereed maakte — hem betere kleederen werden gegeven, want die hij in de gevangenis droeg waren niet geschikt om mede voor den koning te verschijnen. Zie, wat Pharao tot hem zeide. Vers 15. Er was niemand, die ze uitleggen kon. Wat dacht hij dan van Jozef? Hij dacht dat hij verstandiger was dan al zijne wijze mannen. Zou Jozef niet gedacht hebben: „Ha! het is alleen mijn eigen verstand, dat mij uit de gevangenis verlost heeft, omdat ik doen kan, wat niemand anders kon doen?quot; Laat ons zien, of hij zoo dacht. Vers 16. Wat zeide hij? Hoe nederig sprak hij! Hij wist, dat het niet zijne eigen bekwaamheid was. Van wien zeide hij, dat het antwoord komen moest? Bedenk wei, dat dit waar is van alle vlugheid in het leeren of werken. Als wij beter kunnen antwoorden, of hooger in de wereld worden dan anderen, zouden wij ons dan daarop verheften en denken: „Wat heb ik dat goed gedaan;quot; „Wat ben ik knap!quot; Waarom niet? Omdat alle wijsheid en verstand van God komt. Een van de redenen, waarom Jozef door God gezegend en geholpen werd, was, omdat hij nooit zich zeiven de eer en den lof gaf, die alleen aan God toekwamen.

Toen vertelde Pharao zijne droomen aan Jozef[Z^ den kinderen voorvers /7—24, of deel hun den inhoud mede.} God leerde Jozef de beteekenis dezer vreemde droomen, die den koning zoo verontrust hadden. Hoor, wat hij zeide. Vers 26—28. Wat waren de zeven schoone koeien en de zeven schoone aren ? Jozef legde het nog duidelijker uit in de volgende verzen. \Lees voor vers 2g—J2.] Weet gij wat hongersnood is ? Schaarschte aan voedsel. Het kan zijn dat het koorn, of de rijst [zooals in Indiè') of de aardappelen mislukken, door gebrek aan, of te overvloedigen regen. Dan worden de levensmiddelen zeer duur. De armen hebben geen geld genoeg om voor zich en hunne kinderen spijs te koopen — duurt de hongersnood voort, dan lijden ook de rijken gebrek — velen sterven den hongerdood — kinderen verzwakken door te weinig voedsel. Tracht nu te begrijpen, waarom God deze droomen aan Pharao zond. Wat zou er gebeuren vóór de zeven jaar van hongersnood? Wat zouden de Egyptenaren gedacht hebben, zoo zij niet gewaarschuwd waren ? Ja, dat die jaren van overvloed steeds zouden voortduren. Zij zouden er niet aan gedacht hebben, tegen een slechten tijd te besparen, want waartoe zou dat dienen ?

Nu zal ik u voorlezen welken raad Jozef aan Pharao gaf, zonder twijfel door goddelijk onderricht. \_Lees den kinderen voor vers 33—J7.] Wat raadde hij hem aan gedurende de jaren van overvloed te doen ? Pharao en zijn dienstknechten konden dadelijk zien, hoe wijs die raad was; dus was het eerste, dat gedaan moest worden, naar een man uit te zien, die deze groote zaak naar behooren kon besturen. Laat ons zien, wien hij koos. [Lees hun vers 38—40 voor.] Wat maakte Jozef zoo wijs en verstandig ? Hij had den Geest Gods in zijn hart. Pharao verhief hem tot den eersten in rang, die op hem volgen zou in gansch Egypteland. [Lees hun vers 41—43 voor.] Wat gaf de koning aan Jozef? Zie eens


ocr page 50

36

Lees hoofdstuk XL : I. De schenker was de bediende, die den koning bediende — hem bij den maaltijd wijn schonk, enz. De bakker was zijn kok. Beiden hadden den koning beleedigd, ofschoon wij niet weten, wat zij gedaan hadden. Pharao liet hen beiden in de gevangenis werpen, waar Jozef was, en deze had het toezicht over hen. [Lees den kinderen vers 5—8 voorï\ In die dagen hechtten de menschen veel aan hunne droomen. Herinnert gij u de droomen van Jozef, toen hij nog een knaap was? Vóór God Zijn woord gegeven had om de menschen te onderrichten, zond hij dikwijls Zijnen last door droomen, en daarom was men toen altijd verlangend de beteekenis er van Ie kennen. Daarom verlangde Jozef, dat deze mannen hem hun droom vertelden.

[Lees den kinderen vers g—15 voor.'] Wat droomde de overste der schenkers ? Hoeveel takken had de wijnstok? Wat gebeurde daarna? Wat deed hij met de druiven ? Welke beteekenis zeide Jozef, dat deze droom had ? Wat vroeg hij den overste der schenkers voor hem te doen? [Lees vers 16—/p.] Wat was de droom van den bakker? Wat was zijne uitlegging? Dit was eene zeer treurige uitlegging, maar het was goed voor Jozef, dat hij ze deed, omdat God hem gezegd had, wat gebeuren zou. Nu zullen wij zien, of zijne woorden uitkwamen.

Lees vers 20—23. Wat moeten de oversten der schenkers en der bakkers zich overtuigd gevoeld hebben, dat God het aan Jozef medegedeeld had! Maar wat zegt het laatste vers van den schenker? Schijnt dit niet ondankbaar ? Toen hij zelf weer gelukkig was, vergat hij den armen Jozef geheel. Dit was zeer zelfzuchtig. Laat ons zorgen hem niet gelijk te zijn. [ Voorbeeld. — Als vroo-lijke kinderen een schreiend kind op den weg zien, en niet stilhouden om het naar zijn leed te vragen of te helpen — of zij, die gezond zijn, bekommeren zich niet over hen, die ziek zijn, misschien zelfs zijn het huisgenoot en, dan zijn de zoodanigen gelijk aan den schenker.} En, ofschoon de schenker Jozef vergat, wie was toch met hem om hem te zegenen en te vertroosten? Waarom? Omdat hij op God boven alles vertrouwde en Hem diende.


LES XVIII.

Van de Gevangenis naar het Paleis.

Tc leeren : Matth. XXIII : 12; Ps. 33 : 10.

Herhaling vafi de vorige les. — Aan wien werd Jozef verkocht, toen hij in Egypte kwam? Was hij daar gelukkig of ongelukkig? Waarom gelukte hem alles, wat hij deed? Waartoe stelde Potifar hem aan ? Wie wildejozef doen zondigen ? Gaf hij toe? Waarom niet? Bij wien beschuldigde zij hem toen ? Hoe strafte zijn meester hem ? Wie was zelfs in de gevangenis bij hem ? Hoe toonde de opziener der gevangenis, dat hij hem vertrouwde ?

Welke twee mannen werden in dezelfde gevangenis gebracht? Wie had het toezich': over hen? Wat droomde de overste der schenkers ? Wie gaf hem de uitlegging, en hoe was die? Welken droom had de overste der bakkers? En zijne beteekenis ? Werd Jozefs verklaring bewaarheid? Wat had hij den schenker gevraagd voor hem te doen? Deed hij dit? Waarom niet? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

Wij lieten Jozef nog in de gevangenis achter, terwijl de overste der schenkers, voor wien hij zoo goed was geweest, hem vergat. Maar God had hem niet vergeten, en heden zullen wij zien, hoe er een einde kwam aan zijn lijden.

Lees Gen. XLI : 1—4. Wat droomde Koning Pharao? Een vreemde droom,


ocr page 51

37

niet waar? Daarna had hij oen even vreemden droom. (Zie vers 5—8). Pha-rao was een heiden, maar de heidenen hechtten ook eene groote waarde aan hunne droomen, en geloofden, dat zij eene beteekenis hadden, juist gelijk de Joden. Wie ontbood hij om hem de beteekenis dier droomen uit te leggen? Konden zij dit ? Daardoor was hij zeer ongerust en teleurgesteld. Lees nu vers 8. Wat dacht de overste der schenkers? Hij dacht aan de belofte, die hij vóór twee jaren gedaan had (aan wien ?), en hoe hij zich baatzuchtig verheugd en Jozef geheel vergeten had. Ik wil u voorlezen, wat hij nog meer zeide. \Lees voor de kinderen vers 10—/j.] Hoe verheugde zich de koning van dezen wijzen man te hooren, die de droomen van zijne knechten zoo naar waarheid had uitgelegd! Onmiddellijk liet hij Jozef roepen.

Denk eens na, hoe de arme gevangene te moede was. „De koning heeft om u gezonden! Maak u spoedig gereed.quot; Hoe blijde moet Jozef geweest zijn, toen hij zich gereed maakte — hem betere kleederen werden gegeven, want die hij in de gevangenis droeg waren niet geschikt om mede voor den koning te verschijnen. Zie, wat Pharao tot hem zeide. Vers 15. Er was niemand, die ze uitleggen kon. Wat dacht hij dan van Jozef? Hij dacht dat hij verstandiger was dan al zijne wijze mannen. Zou Jozef niet gedacht hebben: „Ha! het is alleen mijn eigen verstand, dat mij uit de gevangenis verlost heeft, omdat ik doen kan, wat niemand anders kon doen?quot; Laat ons zien, of hij zoo dacht. Vers 16. Wat zeide hij ? Hoe nederig sprak hij! Hij wist, dat het niet zijne eigen bekwaamheid was. Van wien zeide hij, dat het antwoord komen moest? Bedenk wel, dat dit waar is van alle vlugheid in het leeren of werken. Als wij beter kunnen antwoorden, of hooger in de wereld worden dan anderen, zouden wij ons dan daarop verheffen en denken: „Wat heb ik dat goed gedaan;quot; „Wat ben ik knap!quot; Waarom niet? Omdat alle wijsheid en verstand van God komt. Een van de redenen, waarom Jozef door God gezegend en geholpen werd, was, omdat hij nooit zich zeiven de eer en den lof gaf, die alleen aan God toekwamen.

Toen vertelde Pharao zijne droomen aan Jozef [Zéro den kinderen voorvers /7—24, of deel hun den inhoud mede.} God leerde Jozef de beteekenis dezer vreemde droomen, die den koning zoo verontrust hadden. Hoor, wat hij zeide. Vers 26—28. Wat waren de zeven schoone koeien en de zeven schoone aren ? Jozef legde het nog duidelijker uit in de volgende verzen. [Lees voor vers 2g—J2.] Weet gij wat hongersnood is ? Schaarschte aan voedsel. Het kan zijn dat het koorn, of de rijst {zooals in Indië) of de aardappelen mislukken, door gebrek aan, of te overvloedigen regen. Dan worden de levensmiddelen zeer duur. De armen hebben geen geld genoeg om voor zich en hunne kinderen spijs te koopen — duurt de hongersnood voort, dan lijden ook de rijken gebrek — velen sterven den hongerdood — kinderen verzwakken door te weinig voedsel. Tracht nu te begrijpen, waarom God deze droomen aan Pharao zond. Wat zou er gebeuren vóór de zeven jaar van hongersnood ? Wat zouden de Egyptenaren gedacht hebben, zoo zij niet gewaarschuwd waren ? Ja, dat die jaren van overvloed steeds zouden voortduren. Zij zouden er niet aan gedacht hebben, tegen een slechten tijd te besparen, want waartoe zou dat dienen ?

Nu zal ik u voorlezen welken raad Jozef aan Pharao gaf, zonder twijfel door goddelijk onderricht. [Lees den kinderen voor vers 33—37.] Wat raadde hij hem aan gedurende de jaren van overvloed te doen ? Pharao en zijn dienstknechten konden dadelijk zien, hoe wijs die raad was; dus was het eerste, dat gedaan moest worden, naar een man uit te zien, die deze groote zaak naar behooren kon besturen. Laat ons zien, wien hij koos. [Lees hun vers 38—40 voor.} Wat maakte Jozef zoo wijs en verstandig ? Hij had den Geest Gods in zijn hart. Pharao verhief hem tot den eersten in rang, die op hem volgen zou in gansch Egypteland. [Lees hun vers 41—43 voor.] Wat gaf de koning aan Jozef? Zie eens


ocr page 52

3»

welk ecne verandering met hem ontstaan was sedert zijn treurig verblijf in de gevangenis, waar hij door iedereen vergeten scheen. Wat was hij nu groot geworden; de eerste na wien ? Nu zal ik u voorlezen, hoe hij zijn werk aanving.

(Lees hun voor vers 46—^p.) Welk een overvloedige oogst gedurende de eerste zeven jaren! Waar borg Jozef al dien voorraad? Indien God deze waarschuwende droomen niet gezonden had, voorzeker ware er dan veel verspild geworden, maar nu werd voor alles zorg gedragen. En nu Jozef zoo rijk en aanzienlijk was, ijverig bezig met tal van bedienden onder zich, al zijn tijd en krachten wijdde aan zijne zaken, geëerd en ontzien door al de Egyptenaren, zoudt gij meenen, dat hij God vergat en trotsch was op zijn eigen doorzicht, denkende: „Dit alles heb ik door mijn eigen wijsheid en verstand verworven?quot; We zullen het zien, [Lees den kinderen vers 50—52 voori\ „Manassequot; beteekent „vergetende.quot; Waarom noemde hij hem zoo? Hoe noemde hij zijn tweeden zoon ? Ephraïm, dat wil zeggen „vruchtdragend.quot; Het was uit dankbaarheid aan God, die hem die kinderen geschonken had. Kinderen worden in den Bijbel dikwijls zaad of vracht genoemd. Wat bewijzen nu deze namen van Jozefs zonen ? Zij bewijzen, dat hij God in zijnen voorspoed niet vergat, maar gevoelde, dat alles van Hem komt, en hij dankte Hem daarvoor.

De zeven jaren van overvloed en zorgvuldige besparing gingen voorbij en de andere zeven jaren volgden. \Lees den kinderen virs 53 tot het einde voorï\ Zoo ziet gij, dat de droomen, die God aan Pharao zond, en de wijsheid, die Hij aan Jozef verleende, om ze te kunnen uitleggen, ten zegen werden ook voor anderen behalve voor de Egyptenaren. Dit gedeelte van Jozefs geschiedenis leert ons, dat God den nederige verheft en zelfs reeds in deze wereld zegent. \Dit kan verder opgehelderd hü or den door Lnkas XIV : 7—//.]


LES XIX.

Een vergeten Zonde indachtig gemaakt.

Te leeren: Ps. CXXXIX: 23 onberijmd; Ps. 139:1.

Herhaling van de vorige les. — Welke waren de twee droomen van Koning Pharao ? Aan wie vroeg hij de beteekenis er van uit te leggen ? Konden zij hem die geven ? Wie sprak toen van iemand, die droomen kon uitleggen ? Waar was Jozef? Waardoor dacht de overste der schenkers aan hem? Werd Jozef ontboden? Wat zeide Pharao tot hem ? Herinnert gij u het antwoord van Jozef? Welke zeide hij, dat de beteekenis was der zeven vette koeien en der zeven schoone aren ? Wat betee-kenden de zeven slechte aren en de slechte koeien? Wat raadde hij Pharao te doen ? Wien stelde Pharao hierover aan? Wat gaf hij aan Jozef? Hoe stelde hij hem in eere ? Hoeveel zonen werden. Jozef geboren ? Hoe heetten zij ? Wat beteekent Manasse ? Wat Ephraïm ? Wat geschiedde er, toen de zeven vruchtbare jaren voorbij waren ? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

Waar waren Jozefs vader en broeders I gedurende al den tijd dat Jozef in Egypte leefde, eerst bij Potifar, daarna in de gevangenis (hoe lang was hij daar ?), toen als regent, en zeven jaren lang den voorraad koorn inzamelende en later dien ver-koopende? In Kanaiin, niet waar? Zouden zij hem vergeten hebben? Waarschijnlijk spraken de broeders niet van hem — zij zullen dit opzettelijk vermeden hebben, als zij er aan dachten, hoe zij hem behandeld hadden; maar ongetwijfeld zullen zij somtijds aan den knaap gedacht hebben, dien zij zoo


ocr page 53

39

wreed als slaaf verkocht hadden. Wat dacht de vader, dat met Jozef gebeurd was? Voorzeker, dat hij dood was. Nu was het geheele gezin in lijden — de hongersnood kwam ook in hun land. Zij hadden gebrek aan koorn, dat niet tot rijpheid kwam, duur was om te koopen, en moeielijk te verkrijgen. Al Jakobs zonen, behalve Benjamin, waren gehuwd, hadden een talrijk huisgezin en verkeerden in grooten nood om brood voor hunne kinderen te krijgen. Wij zullen zien wat hun vader hun aanraadde te doen. Lees Gen. XLII : i—6. Watzeide Jakob hun, dat zij doen zouden ? Hoe-velen gingen er heen? Waarom zond hij Benjamin niet met hen? Hij was bevreesd dat, na Jozef verloren te hebben, zijnen jongsten zoon eenig onheil overkomen mocht. Wien zagen de broeders, toen zij in Egypte kwamen? Misschien zagen zij in eene prachtige zaal een regent, in rijke kleederen gekleed — allen bogen voor hem ter aarde, om hun grooten eerbeid te toonen. Zij dachten er niet aan, dat deze hun lang verloren broeder was. Vele jaren waren er verloopen sedert zij hem het laatst zagen, en hij was veel ouder geworden. Herkende hij hen? Dat zullen wij nu zien.

Lees vers 7. Hoe sprak hij hun toe ? Ja, op harden toon. Hij wilde hen beproeven, of zij nog evenzoo waren als vroeger, of dat zij zich verbeterd hadden. Ik zal u voorlezen, wat hij tot hen zeide. [Lees den kinderen vers g—14 voor^\ Verspieders zijn mannen, die in een vijandelijk land uitgezonden worden, om te zien waar het land bloot ligt, als het eene volk het andere den oorlog wil aandoen. Wat zeiden zij aangaande hunne twee broeders ? „Eén is niet meer,quot; wil zeggen: hij is dood; maar wisten zij, dat Jozef dood was? Dus zeiden zij de geheele waarheid niet. Natuurlijk wist Jozef dit en hij wilde hen verder op de proef stellen. Wanneer iemand in éen geval geen waarheid spreekt, hoe kunnen wij dan zeggen, wat hij in een ander geval doen zal. Wij gevoelen, dat hij niet te vertrouwen is. Dit liet hij hun dan ook gevoelen. \Lees hun vers 15—/7 voor.] Wat wilde hij, dat zij doen zouden? Waarom wilde hij, dat zij Benjamin zouden halen ? Hij had hem lief — verlangde hem te zien. Hij gevoelde echter, zoo hij hen liet gaan, zelfs al beloofden zij Benjamin met zich te zullen brengen, dat zij nooit weer terug zouden komen. Waar liet hij hen brengen? „In bewaringquot; beteekent „in de gevangenis.quot; Hij schijnt intusschen overlegd te hebben, wat hij doen zou. Hij dacht toen: „Indien ik hen allen op éen na hier houd, wat zal er dan van hunne kinderen worden bij het gebrek aan voedsel ? Hij wilde dezen niet laten lijden voor de zonde hunner echtgenooten en vaders. Zie nu, wat hij deed.

Lees vers 18—21. Wat beval hij hun te doen? Waarom hield hij er een in de gevangenis ? Zoo zouden de anderen zeker terugkomen en Benjamin medebrengen. Maar tot welke gedachte bracht hen deze ongelegenheid? Vers 21. Zij gevoelden, dat God hen nu strafte voor de vroeger bedreven zonde. Misschien dachten zij er niet meer aan. Op het oogenblik, dat zij die zonde bedreven, dachten zij er weinig aan, want herinner u eens, wat de broeders deden, nadat zij Jozef in den kuil geworpen hadden. Ja, zij zetten zich neder om te eten en te drinken — bekommerden zich niet om zijn ongeluk — misschien hadden zij sedert dien tijd zeer weinig aan hem gedacht. Maar wie had hunne zonde niet vergeten? God. Geen zonde wordt ooit door God vergeten. En Hij zendt dikwijls rampen, om den mensch aan zijne zonde te doen denken, en berouw bij hen op te wekken, opdat zij vergeving zouden kunnen ontvangen. Er was éen broeder, die hem tegen onheil had willen behoeden. Weet gij nog, wie het was? Ruben. Lees vers 22. „Zijn bloed, ziet, het wordt gezocht,quot; dat wil zeggen: de straf, misschien de dood van een onzer, zou over hen van God komen. Nu zagen zij hunne zonde, gevoelden, dat zij Gods gramschap verdiend hadden; misschien dachten zij, dat hij, die achterbleef, door dien vreemden regent zou gedood worden. En weet gij wat die regent (Jozef) intusschen


ocr page 54

4°

deed? Hij weende over hunne smart! [Lees den kinderen vers 23, 24 voor.] Zij spraken Hebreeuwsch en wisten niet, dat Jozef die taal verstond, want hoe had hij tot hen gesproken ? Een taalman of tolk is iemand, die verscheidene talen spreekt; zoo kon deze hun in het Hebreeuwsch zeggen, wat Jozef in het Egyptisch sprak. Indien Jozef zoo met hen bewogen was, waarom deed hij dit dan ? Hij wist, dat de smart noodig was, om hun hunne zonden te doen gedenken; en ook verlangde hij zoozeer om Benjamin, zijn broeder, weder te zien. quot;Wat Jozef vervolgens deed, bewees dat hij wel vergevingsgezind was en hen liefhad.

[Zees voor de kinderen vers 25, 26.] Het was Jozef onmogelijk hun geld aan te nemen — hij wilde het koorn voor zijn vader en broeders schenken. En wat gaf hij hun nog meer? Bewijst dit niet, dat hij hun goed gezind was ? Maar zij wisten niets van het geld. Laat ons zien, wat zij dachten, toen zij het ontdekten. \Lees voor vers 27—J5.] Hoe vond de eerste het geld? Was hij er blijde mede? Zij konden het niet begrijpen. Wat vertelden zij hunnen vader aangaande den heer van dat land? Was er meer dan éen, die zijn geld terugvond? Welken indruk maakte het op hunnen vader en hen, toen zij al dat geld terugvonden? Waarom meent gij dat zij bevreesd werden? Misschien, dachten zij, had iemand, buiten voorkennis van Jozef, het geld in hunne zakken gedaan, en dat hij zeer verstoord zijn zou, als hij vernam, dat zij het geld medegenomen hadden — zou hen voor oneerlijke lieden houden — en Simeon misschien straffen.

LES

Geen Wraak,

Te leeren: Matth.

Herhaling van de vorige les. — Waar was ook nog hongersnood, behalve in Egypte? Wat beval Jakob zijnen zonen te doen ? Gingen zij allen ? Wien hield hij tehuis? Waarom? Wat deden zij, toen zij in Egypte kwamen, voor

De arme oude Jakob was zeer bedroefd dien anderen zoon te verliezen. Zie, wat hij zeide in vers 36. Wat be-teekent: Jozef is er niet? Welk een leed hadden zij over hun vader gebracht! Was het niet alles door hunne zonde, dat hij Jozef en Simeon verloren had, en Benjamin nu ook verliezen zou? Maar er was een van de zonen, die beter dacht dan de andere — hoe was zijn naam? Ruben. Hij beloofde zijn vader, dat hij voor Benjamin zorgen zou, en hem behouden terug zou brengen. De arme Jakob kon niet vertroost worden. Lees wat hij zeide in vers 38. Hoe bedroefd was de vader — hij dacht, dat hij al zijne zonen verliezen zou. Aanstaanden Zondag zullen wij zien, of hij Benjamin al dan niet liet vertrekken.

Maar zie nu, wat de geschiedenis van Jozef ons leert. Vele jaren geleden waren zij norsch en wreed geweest. Toen hadden zij hunne zonde vergeten, maar God had ze niet vergeten. Hoe deed Hij hen er aan denken ? Indien ook wij tot eene of andere zonde vervallen, welke ook, en er niet meer aan denken, toch is zij opgeschreven in Zijn Bock. Eén dag zal komen, dat die zonde tegen ons zal getuigen. Welke dag ? Veel beter is het vóór dien dag tot erkenning dier zonde te komen, er berouw over te gevoelen, haar te belijden, opdat ons vergeving geschonken worde. {Bijvoorbeeld: kinderlijke zonden, als bedrog, o ngehoorzaa/nheid, onv riendelijkheid, twistgierigheid, snoeplust, enz.\ Wij moeten God vragen ons reeds nu onze zonden te toonen.

XX.

maar Genade.

T: 44. 45; Gez. 70:5.

Jozef? Kenden zij hem? Wien dachten zij, dat hij was? Kende hij hen? Hoe sprak hij hen toe? Naar wien vernam hij ? Wat wilde hij, dat zij doen zouden? Waar liet hij hen brengen, en voor hoe lang? Wat deed hij toen met een hun-


ocr page 55

mm

ner ? Wien hield hij gevangen ? Waaraan deed dit onheil hen denken? Verstond Jozef hen, als zij spraken? Waarom dachten zij dat hij hunne taal niet verstond? Wat beval hij in hunne zakken te bergen? Wat gaf hij hun daarenboven? Wat bewijst zulks? Dat hij hen liefhad, niet waar? ofschoon hij hun hard toescheen. Wanneer vonden zij hun geld? Hoe gevoelden zij zich toen? Waarom? Wat zeide de vader aangaande het medegaan van Benjamin ? Wat beloofde Ruben? Wat leert dit verhaal ons aangaande vergeten zonde ? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

De tijd kwam, dat al het koorn, dat Israels zonen van Egypte hadden medegebracht, verteerd was. Waaraan zoudt gij meenen, dat zij allen dachten? Natuurlijk om meer spijzen uit Egypteland te halen. Ik zal u voorlezen, wat Israel dienaangaande tot zijne zonen zeide. [Lees den kinderen Gen. XLIII: i—w voor.] Wien zeiden zij, dat zij met zich moesten brengen? Waarom zeiden zij dit? Waarom wilde Jakob Benjamin niet met hen laten gaan ? Wie beloofde over hem te waken ? Toen zag Jakob, dat hij zijnen geliefden zoon moest laten meetrekken, of dat zij anders van honger zouden omkomen; maar hij bedacht een plan, waardoor de Egyptische regent vriendelijker jegens hen gezind zou zijn. [Lees vers n—/4.] Waarin moest dat geschenk bestaan ? Ofschoon zij nu de vruchten des lands en het geld met zich namen, vertrouwde Israel hierop niet, maar op God, want zeide hij: „God, de Almachtige, geve u barmhartigheid voor het aangezicht van dien man.quot; Zoo is het juist dat men handelen moet — alle middelen beproeven om ons uit den nood te redden, en daarop toch niet te vertrouwen, maar op God, die ze alleen kan doen gelukken.

Lees nu vers 15. Toen Jozefs broeders voor hem stonden, sprak hij hen niet dadelijk toe — misschien had hij eenigen tijd noodig om te bedenken hoe hij handelen zou — toen besloot hij dat zij dien dag met hem den maaltijd zouden gebruiken. [Lees den kinderen vers 16—24 voor.] Wat dachten zij, toen zij naar Jozefs huis werden gebracht? Wien vroegen zij omtrent het geld? Wat antwoordde hij hun? Wat werd hun gebracht? Hoe blijde waren zij, Simeon weder in vrijheid in hun midden te zien? Weet gij waarom de bediende hun water gaf voor hunne voeten ?

Toen kwam Jozef om het middagmaal te houden, zij boden hem de geschenken aan, en zij bogen voor hem ter aarde, om hunnen eerbied te betuigen. [Lees den kinderen vers 2g voor,] Hoe verheugd was Jozef dien lieven broeder te zien, dien hij misschien de laatste maal als een kleinen knaap gezien had en nu een volwassen man was! Hoe gaarne zou hij zich bekend gemaakt hebben, maar hij achtte het beter zijne broeders nog verder te beproeven. Hij gevoelde, dat zijne tranen hem zouden overweldigen (want dit kan ook bij groote blijdschap geschieden), daarom ging hij in eene andere kamer en weende daar. Toen hij terugkwam, zaten zij allen aan tafel. Zij zaten niet allen te zamen aan; maar hij, als een groot regent, had eene afzonderlijke tafel, de broeders zaten bij elkander, en de Egyptische grooten afzonderlijk. Hij plaatste zijne broeders juist volgens hunne jaren, van den oudsten tot den jongsten. Dit verbaasde hen opnieuw. Zij dachten hoe het zijn kon, dat deze vreemde vorst zoo juist elks leeftijd kende. Daarop begon de maaltijd.

Jozef had de beste gerechten op zijne tafel, maar gij zult zien, dat hij ze niet alleen voor zich hield. Lees vers 34. Aan wien liet hij het meest dienen? Waarom deed hij dat? Omdat hij hem het meeste liefhad, en ook waarschijnlijk om te zien of zijne broeders zich waarlijk verbeterd hadden, dan of zij afgunstig waren, als zij zagen, dat Benjamin boven hen begunstigd werd. Jozef wilde nog op eene andere wijze beproeven of


ocr page 56

42

zijne broeders jegens Benjamin beter gezind waren dan vroeger jegens hem.

Lees hoofdst. XLIV : i, 2. Wat beval hij den hofmeester te doen ? Dit geschiedde zoo, dat de broeders er niets van bemerkten — misschien des nachts, terwijl zij sliepen. Nu zal ik u voorlezen, wat daarna gebeurde. \Lees den kinderen vers 3—g voor.] Zij waren onbevreesd, want zij wisten, dat zij eerlijke mannen waren. Hoe weinig dachten zij waar de beker zou gevonden worden! [Lees den kinderen voor vers 10—/j.] Kunt gij u niet voorstellen, hoe de broeders daar rondom de zakken stonden, terwijl de dienstknecht die een voor een doorzocht — hoe hun gelaat meer en meer verhelderde, daar niets gevonden werd — toen eindelijk de beker uit den zak van Benjamin te voorschijn kwam? O, wat waren zij bedroefd! Er staat: „Zij scheurden hunne kleederenquot; — dat was altijd een teeken van groote smart. Treurig keerden zij allen naar de stad terug.

Lees nu wat hun daar gebeurde, vers 14—17. Wie nam nu het woord tot Jozef? Waarom sprak hij ? Gij herinnert u, wat hij aan zijn vader beloofd had? Wat zeide Jozef, dat met Benjamin geschieden zou? (vers 17.) Wat wilde hij, dat de anderen doen zouden ? Vroeger zouden zij dit goed gevonden hebben — vooral daar Benjamin boven hen begunstigd was geworden en zijns vaders lieveling was — maar nu was dit geheel anders. Ik zal u voorlezen, wat Juda zeide, waarbij hij alles aan Jozef verhaalde, wat zijn vader aangaande Benjamin gezegd had, en hoezeer hij hem liefhad. [Lees den kinderen voor vers 18—2g.'\ Lees nu de laatste woorden vers 30—33. Wat zeide hij aangaande het leven zijns vaders? (vers 30.) Wat wil dat zeggen ? Dat hij Benjamin zoo liefhad, dat hij het gewis zou besterven, zoo hem iets overkwam. Welke gunst vraagde Juda toen? Was dit niet geheel onbaatzuchtig? Wat is een borg ? Iemand, die in de plaats van een ander treedt. Hier zou Juda als slaaf voor Benjamin blijven. Hij zou nooit zijne vrouw en kinderen wederzien — hard moeten werken in een vreemd land ver van hen, die hij liefhad — misschien dikwijls mishandeld worden. En dat alles voor eene straf, die hij niet verdiende. Zoudt gij meenen dat Jozef dit doen zou? Neen. Nu was de beproeving voorbij — de tijd was gekomen, dat hij kon vertroosten en vergeven, ziende dat zij berouw gevoelden over hunne vroegere wreedheid, aan hem gepleegd.

Lees Gen. XLV: I. „Kon zich niet bedwingen,quot; dat is: kon zich niet langer van hen terughouden. Wie zond hij weg? Nu zal ik u de hartelijke woorden voorlezen, die hij tot hen sprak. [Lees den kinderen voor vers 2—5.] Eerst waren zij verschrikt, toen zij hoorden, wie hij was. Waarom? Maar hoe vriendelijk sprak hij tot hen in.vers 5. „Weest niet bekommerd,quot; enz. [Lees nu voor vers 6—8.] Was het waar, dat God hem daarheen gezonden had ? Ja, want God werkt dikwijls door middel van slechte zoowel als van goede menschen. Het maakte daarom hunne zonde niet minder, maar God had het zoo beschikt, dat Jozef daardoor den hongersnood voorspelde en daardoor het leven van vele Egyptenaren, zoowel als van zijn eigen geslacht, redden zou. Jozef was niet tevreden met zijnen broeders alleen te vergeven, maar hij wilde hen ook helpen. [Lees den kinderen vers g—13 voor?\ Wie moesten zij naar Egypte brengen ? Hij wilde hun alles geven, wat zij noodig hadden. Was dit niet kwaad met goed vergelden ? Hoe verheugd en dankbaar hoorden zij deze woorden ! Wat waren zij samen gelukkig!

Lees vers 14, 15. Wij zullen hen voor heden verlaten. Waarin strekt Jozef ons tot voorbeeld ? Van edelmoedigheid en vergevingsgezindheid. Geen wrok meer over hun goddeloos gedrag jegens, hem. Hij gaf hun zelfs geen ver wij tingen, maar trachtte hen te troosten door hun te toonen, hoe God hunne zonden ten goede had doen uitloopen. Zoo moeten wij ook hun vergeven, die ons slecht behandelen — en hun zelfs goed doen, zoo wij kunnen. Dit zal hunne harten


ocr page 57

43

zachter stemmen, en hun berouw doen gevoelen over hun vergrijp, meer

LES

De Dood des I

Te leeren : Ps. XX5

Herhaling van de vorige les. — Toen al het koorn, dat Jakobs zonen hadden medegebracht, op was, wat wilde hij toen, dat zij doen zouden? Wat antwoordden zij ? Wie bood zich aan om over hem te waken ? Wat gaf Jakob hun nog bovendien mede ? Wat beval Jozef zijnen hofmeester, toen zij in Egypte kwamen ? Hoe aten zij met hem ? In welke rangorde plaatste hij hen ? Aan wien zond hij het beste voedsel van zijne tafel? Wat beval hij zijn hofmeester den volgenden morgen te doen ? Wat

SCHETS Vi

Koning Pharao hoorde weldra, dat Jozef zijne broeders gevonden had, en hij hield zooveel van Jozef, dat hij zich over zijn geluk verheugde. Hoor, wat hij zeide. \Lees den kinderen hoofdstuk XLV : 17—23 voor?[ Wat moesten zij met zich brengen? Wat gaf hij elk hunner ? Hoeveel gaf hij aan Benjamin ? Wat zond hij aan zijnen vader?

Lees na vers 24—29. Wat vertelden zij aan Jakob? Waarom bezweek zijn hart ? Hij kon het niet gelooven — hij vond het zoo wonderlijk, dat het niet waar kon zijn. Zijn zoon zou een groot regeerder zijn! Zie nu, hoe zij hem overtuigden, Vers 27, 28. Dus aanvaardde Jakob verheugd de reis. Wat al wonderbaars had hij in zijn leven ervaren ! Sommige menschen zeggen: „Wat ben ik gelukkig geweest! Alles gaat voorspoedig met mij,quot; enz., maar Jakob dankte God altijd voor zijn geluk — wist dat niets bij toeval gebeurt, maar dat alles van God komt — zoo was het eerste, dat hij op zijne reis deed, een offer brengen te Berseba, om te too-nen hoe dankbaar hij aan God was voor Zijne goedheid over hem. Toen sprak de Heere wederom tot hem — de laatste maal, dat wij dit lezen gedurende Jakobs

dan booze woorden zulks vermogen.

XXI.

J : 7, 8; Gez. 12 : 6.

deden zij allen, toen de beker gevonden werd? Wat zeide Jozef, dat met Benjamin geschieden moest? Wie sprak voor hem ? Wat verzocht Juda aan Jozef te doen? Wat deed Jozef? Was er iemand anders tegenwoordig, toen hij zich aan zijne broeders bekend maakte ? Wat gevoelden zij, toen zij hoorden wie hij was ? Hoe vertroostte hij hen ? Wat zeide hij hun te doen ? Wat beloofde hij hun ? Waartoe strekt Jozef ons tot voorbeeld ? Herhaal tekst en versje.

M DE LES.

leven. Lees hoofdstuk XLVI: 2—4. Waarvoor zeide God hem, dat hij niet moest vreezen? Wat zeide God dat Hij doen zou? Hem tot een groot volk maken — dat is: zijn geslacht zou een groot volk worden. Zie hoe in vers 4 God hem beloofde met hem te trekken — voor hem te zorgen — hem voorspoedig te maken — hem te zullen zegenen en behoeden. Zoo God met hem was, zou Jakob dan bevreesd behoeven te zijn ? Zoo sloegen zij den weg in naar Egypte.

In het vervolg van het hoofdstuk worden Jakobs zonen en kleinkinderen opgenoemd — te zamen behoorden er zeventig tot zijn geslacht, die met hem naar Egypteland togen. Het landschap, waarin zij wonen zouden, heette Gosen; zij hadden zeer veel runderen en schapen en dat land bood hun goede weiden aan voor hun vee. Lees vers 29, 30. Ofschoon Jozef nu een groot vorst was, wachtte hij niet tot zijn vader bij hem zou komen; hij verlangde hem eerbied te bewijzen en vol liefde en verlangen trok hij hem te gemoet. Hoe verschillend is dit gedrag van vele andere zonen en dochters, die voorspoed gehad hebben in de wereld — misschien

ocr page 58

44

rijker geworden zijn dan hunne ouders, en dan uit de hoogte op hen nederzien — zich schamen, dat de schamel ge-kleede vader of moeder bij hen komt, of om zeiven naar hunne nederige woning te gaan!

Wat zeide Israel? Hij was zoo dankbaar Jozef in leven en gelukkig te zien, dat hij wilde sterven, nu hij wist dat alles met zijn geliefden zoon wèl was. Doch God nam hem nog niet weg, maar spaarde hem nog vele jaren. Jozef dan zorgde voor zijnen vader en zijne broeders, Ik zal u voorlezen op welke wijze hij dit deed. \_Lccs den kinderen hoofdstuk XL VII : i—p voor.} Hoe oud zeide Jakob aan Pharao dat hij was? Hij noemde de jaren zijns levens weinig, ofschoon zij ons een hoogen ouderdom toeschijnen, maar in vroeger tijden werden de menschen veel ouder dan thans. Hij sprak er van als van kwaad geweest te zijn, wegens de moeite en het verdriet, die hij gehad had, en wegens zijne zonden. [Lees vers 10, 12.) Gij ziet, dat Jozef zijn vader niet alleen eerbied bewees, maar hem hielp en verzorgde. Welk gebod leert ons onzen plicht jegens onze ouders? Het vijfde immers. Zeg het op. De plicht jegens onze naasten, zegt ons, dat dit beteekent: „mijn vader en moeder lief te hebben, te eeren en te helpen.quot; Hoe kunt gij dit nu doen, nu gij nog kinderen zijt ? [Laat ieder kind iets opnoemen^ dat hij voor zijn vader of moeder doen kan.} Vooral als zij ziek of zwak zijn, te trachten hen bij te staan. En wat kunt gij doen, als gij ouder zijt? Immers voor hen werken. Het is bedroevend arme oude lieden in het armhuis te zien opgenomen, of lijden door gebrek aan voedsel en kleeren, terwijl hunne kinderen alleen op zich zeiven bedacht zijn. Wat zou er van u geworden zijn, toen gij nog een hulpeloos wicht waart, of indien uwe ouders niet voortdurend voor u gezorgd hadden ? Dus moet gij trachten, die liefde en zorgen te vergelden. Zij, die dit niet doen, kunnen zeker zijn vroeger of later daarvoor gestraft te worden. [ Vertel aan de kinderen de geschiedenis van den man, wiens vader cenigen tijd bij hem woonde, maar toen zijn gezin grooter werd, meenende dit niet langer te kunnen doen, hem wegzond. Hoe hij een zijner zoontjes naar hoven zond, om de deken zijns grootvaders te halen, zeggende dat hij deze met zich kon nemen. Toen de knaap toefde terug te kome?i, riep zijn vader eindelijk: „fan, wat doet gij ?quot; De knaap antwoordde: „Ik snijd de deken in tweeën, om de eene helft te beware?! tegen den tijd, dat gij oud zijt en ik n de deur uitzethoe de vader toen gevoelde, welk onrecht hij beging, en besloot dubbel zijn best te. doen om den ouden ?nan bij zich te kunnen houden

Jakob leefde zeventien jaren in Egyp-teland, en aan het einde van dien tijd werd hij krank en liet Jozef bij zich ontbieden om hem te zien. Jozef kwam, en bracht zijne twee zonen Ephraïm en Manasse met zich. Jakobs oogen waren dof, zoodat hij de knapen niet zien kon, maar Jozef zeide hem, wie zij waren, en hij legde zijne handen op hun hoofd om hen te zegenen. Lees de woorden, in welke hij hen zegende. Gen. XLVIII: 15, 16. „De Engel,quot; wil hier zeggen. God Zelf, want God had hem verlost van alle kwaad. Wat zeide Jakob nog meer dat God vóór hem gedaan had ? (vers 15). Gij ziet, dat Jakob altijd de gedachte aan God in zijn hart had — altijd vol dankbaarheid was, voor Zijne goedheid. Toen hij zijne kleinzonen gezegend had, riep hij al zijne zonen bij zich, en voorspelde vele dingen, die hun en hunnen kinderen geschieden zouden, en hij verzocht hun na zijnen dood zijn lijk te nemen en het in de spelonk te begraven, waar zijn vader en grootvader begraven waren. \Lees den kinderen voor Gen. XLIX: 2g—jj.] Jozef en zijne broeders waren .seer bedroefd over hunnen vader. Uit het volgende hoofdstuk zal ik u voorlezen hoe zij rouw over hem bedreven. \Lees voor de kinderen hoofdstuk L : 1—/o.] Een lijk balsemen is het door specerijen tegen bederf bewaren; dit is de gewoonte in vele oostersche landen.

Lees vers 12, 13. Toen Jozefs broeders waren teruggekeerd, na hunnen


ocr page 59

45

vader begraven te hebben, overviel hun eene groote vrees. Wat meent gij, dat dit was ? [Lees den kinderen voor vers /5—2/.] Het was weder de oude zonde, die hen verontrustte. Maar wat zeide Jozef? Zijne vergevingsgezindheid was oprecht geweest, niet alleen om zijnen vader genoegen te doen. Zoo leefden zij hun geheele leven te zamen gelukkig. Het einde van het hoofdstuk verhaalt ons Jozefs dood. \Lees den kinderen vers 22—26 voor!\ Laat ons nu zien,

LES

Het Kind van

Te leeren: Hcbr. 5

Herhaling van de vorige les. — Geloofde Jakob terstond, toen zijne zonen hem Jozefs boodschap overbrachten ? Wat deed hem gelooven ? Wie verscheen hem, toen hij zijne reis aanvaard had? Wachtte Jozef tot zijn vader aan zijn huis kwam ? Hoe oud zeide Jakob aan Pharao dat hij was? Welk gedeelte van het land gaf Pharao aan Jakob en zijne zonen? Hoeveel jaren woonde Jakob in Egypte ? Wiens zonen zegende hij, toen

nadat wij het leven van Jakob enjozet behandeld hebben, wat over hen beiden een zegen gebracht heeft. Toen J ozef in Potifars huis — in de gevangenis — een regent was, zeide hij: „De Heere was met hem,quot; Hij had altijd het oog op God gericht, en in de verzoeking: „Zou ik zulk een groot kwaad doen en zondigen tegen God?quot; Jakob bad en dankte God altijd, vertrouwde op Hem gedurende zijn geheele leven. Beiden dus wandelden met God.

m Dood gered.

: 24, 25; Ps. 62 : 5.

hij op zijn sterfbed lag? Hoe heetten zij ? Wie riep hij nog meer bij zich eer hij stierf? Wat voorspelde hij ? Ja, veel dat hun overkomen zou. Waar verlangde hij begraven te worden ? Deden zijne zonen dit ? Wat vreesden de broeders van Jozef, toen hun vader dood was? Wat zeide Jozef tot hen? Hoe oud is Jozef geworden ? Wat was de oorzaak, dat Jakob en Jozef beiden van God gezegend werden ? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

Vele jaren waren voorbijgegaan. Jozef en al zijne broeders waren de een na den ander gestorven, maar hunne kinderen en kindskinderen leefden nog — velen werden er nog geboren, want zie, wat het eerste vers zegt. Exod 1:7. Zoo lang de goede koning leefde, woonden zij rustig in het landschap Gosen, w-aren gelukkig en leefden in vrede met de Egyptenaren. Maar eindelijk stierf ook hij.

Lees vers 6. Deze nieuwe koning had Jozef niet gekend, maar wist natuurlijk van de groote diensten, die Jozef tijdens den hongersnood aan de Egyptenaren had bewezen ; om zijnentwil had hij het volk welwillend moeten behandelen, maar hij deed het niet. Hij vreesde hen. [Lees den kinderen voor vers g—14 ] Welk soort van werk legden de Egyptenaren hun op ? Wie stelden zij over hen aan ?

Indien zij aan dit steenen-bakken en bouwen niet hard werkten, werden zij door de oversten der schattingen geslagen en op allerlei wijzen mishandeld. Zulk werk is bovendien in Egypte veel moeie-lijker, waar de zon brandend heet is, veel heeter dan bij ons. Hoe verschillend was hun leven, als slaven zulk een zwaren arbeid te moeten verrichten, in plaats van, zooals te voren, voor hun vee te zorgen en het te leiden naar goede weiden en waterbronnen, of in de schaduw van het geboomte in het landschap Gosen. Maar deze slechte behandeling doodde hen toch niet. Zij groeiden aan en vermenigvuldigden dag aan dag. Toen beval de wreede koning, dat al de pasgeboren knaapjes in de rivier de Nijl zouden verdronken worden, de groote rivier, die door Egypte stroomt, maar de meisjes werden in het leven gespaard. Waarom


ocr page 60

46

zoudt gij meenen, dat de jongens moesten gedood worden en de meisjes niet ? Omdat zij tot mannen zouden opgroeien en tegen de Egyptenaars zouden kunnen strijden. Hoe ongelukkig moeten die moeders niet geweest zijn, hunne zoontjes zoo te moeten verliezen ! Nu zullen wij lezen van eene moeder, die trachtte het hare te behouden.

Lees Ex. II : i, 2. Hoe lang hield deze moeder haar kind verborgen ? Misschien bewaarde zij hem in eene binnenkamer — vertoonde hem aan geen vreemdeling, of bracht hem nooit buiten, opdat geen Egyptenaar hem uit hare armen mocht rukken en in de rivier werpen. Wat moet zij opgepast hebben, wanneer een vreemdeling naderde! De knaap werd grooter — moeielijker werd het, hem te verbergen — hij schreeuwde luider — zij gevoelde van hem te moeten scheiden. Laat ons zien, wat zij deed.

Lees vers 3, 4. Waarvan maakte zij het kistje? Waarom bestreek zij het met pek ? Om het waterdicht te houden. Kunt gij u niet voorstellen, hoe de moeder haren lieveling kuste, toen zij hem in het biezen kistje nederlegde — hoe zij God bad over hem te waken ? Er waren vele gevaren, want in die rivier zijn zeer veel krokodillen, (zeer vraatzuchtige dieren met groote rijen tanden) die zulk een knaapje in één oogenblik konden verslinden; maar zij wist, dat God haar kind tegen hen kon beschermen en ook tegen booze menschen, indien dit Zijn wil was. Wie stond aan den oever, om op het kind een wakend oog te houden ? Zie nu, wat er gebeurde. Lees vers 5—9. Wie kwam zich in de rivier baden ? Wat zag zij ? Wie zond zij om het te halen? Toen zij het kind daar zoo verlaten zag schreien, „werd zij met barmhartigheid bewogen,quot; dat is: zij had medelijden met hem. Wat zeide zij ? De Israelieten werden ook He-breërs genoemd. Waarom dacht zij, dat het een hunner kinderen was? Toen naderde de zuster. Wat zeide zij? Wie ging zij roepen? Wat zeide Pharao's dochter tot haar? O, hoe gelukkig was de moeder haar kind terug te hebben !

Nu behoefde zij hem niet meer verborgen te houden. Zij zal voorzeker God gedankt hebben, die haar gebed verhoord en aan haar kind zulk eene lieve beschermster gegeven had.

Het knaapje wies op en eindelijk moest zijne moeder, toen hij oud genoeg was, van hem scheiden. Lees vers 10. Wiens zoon werd hij genaamd? Natuurlijk was zijne moeder zeer bedroefd van hem te verliezen, maar dit verlies was geheel anders dan het eerste. Zij wist, dat hij goed als een prins verzorgd werd — eene goede opvoeding ontvangen — alles hebben zou, wat hij in de wereld noodig had. Hoe noemde Pharao's dochter hem ? Mozes beteekent „uit het water getogen.quot; Zoo groeide Mozes op als een rijke Egyptische prins — behoefde niet hard te werken — zou zich in alle opzichten hebben kunnen vermaken, indien hij ook niet aan anderen gedacht had ; maar hij vergat niet, dat hij geen geboren Egyptenaar was, doch een Israeliet — hij zag zijn eigen volk kwalijk behandeld — verlangde het te helpen.

Eens ging hij uit om zijne broeders te bezoeken en zag dat een Egyptenaar een Hebreër sloeg. Hij trok partij voor den Hebreër, zijn eigen stamgenoot — verdedigde hem tegen den Egyptenaar en sloeg dezen dood. Toen was Mozes zeer verschrikt — verborg het lijk van den Egyptenaar in het zand, en hoopte dat niemand het weten zou. Hij dacht er aan, wat Pharao's dochter of de koning denken zou, als zij wisten, dat hij voor den Hebreër partij had getrokken. Wat hij vreesde geschiedde. Den volgenden dag ging hij wederom uit en zag twee Hebreërs met elkander in twist. Hij vocht nu niet, maar trachtte hen te bevredigen, meenende dat zij naar hem hooren zouden, daar hij tot hun volk behoorde. \Lees den kinderen vers 13—is voor.} Wat zeide de Israeliet? Vernam Pharao het? Wat zocht hij te doen? Dus moest Mozes vluchten — des konings paleis, alle eer, al de schoone dingen, waaraan hij gewoon was geworden, verlaten — om ver weg te trekken, als vreemdeling in


ocr page 61

47

een vreemd land. Maar waarom was dit onheil over hem gekomen? Omdat hij den zwakke en verdrukte had bijgestaan — zich aan de zijde van Gods volk geschaard had. Daarom zult gij ook zien, dat God hem niet alleen liet, zonder vrienden.

Hij had zich bij een waterput nedergezet — waarschijnlijk zich treurig en verlaten gevoelende. \Lees den kinderen voor vers 16 en /7.] Wie verdreef hen van daar? Wie hielp hem? Hier vatte Mozes weder zijn vroeger werk op: den zwakke bij te staan. Deze hulpvaardigheid was het middel om hem een vriend te doen vinden. \Lees den kinderen voor vers 18—2/.] Zoo geleidde God hem naar die vriendelijke menschen — hij huwde eene der dochters, en bleef bij hen — hielp zijn schoonvader voor de kudden te zorgen*. Na eenigen tijd werd hem een zoon geboren. Mozes noemde hem Gerson, hetwelk beteekent „balling,quot; ter herinnering aan den tijd, toen hij als vreemdeling in een vreemd land was gekomen en er echter een gelukkig te huis had gevonden. Lees nu vers 20, 21. Wie stierf? De opvolgende koning behandelde de Israëlieten met dezelfde wreedheid. Wien riepen zij aan ? Gedacht Hij hunner ? Wat gedacht Hij? Het Verbond met Abraham. Hij had hun beloofd hun een God te zijn — voor hen te zorgen. Het laatst was Hij aan Jakob verschenen \Zie de laatste les Gen, XL VI : j, 4.] Hij had hem beloofd hem, dat is zijne kinderen, weder uit Egypte te brengen. .In Zijnen tijd zou Hij Zijne belofte vervullen. In de volgende les zullen wij zien hoe dit geschiedde. Het begin van Mozes' leven heeft ons getoond, dat hij niet zelfzuchtig was — iemand, die zich het lot van anderen aantrok — die God vreesde [ofschoon hij onder heidenen was grootgebracht], liever smaadheid wilde lijden met het volk van God dan rijk te zijn onder Zijne vijanden. Streeft gij er naar onbaatzuchtig te zijn, vrede te stichten, den zwakke te helpen, hun vriendelijkheid te bewijzen ? Dat is het begin van een edel bestaan.


LES XXIII. Een moeielijke Taak.

Te leeren : Phil. IV: 13; Gez. 76:2.

Herhalijig van de vorige les. — Hoe werden de Israelieten door den opvolgenden Pharao behandeld na den dood van Jozef en zijne broeders? Welk werk moesten zij voor hem verrichten? Wie stelde hij over hen aan ? Waarom behandelde hij hen zoo wreed? Welk bevel gaf hij omtrent de kinderen, die geboren werden? Waarom moesten de jongskens en niet de meisjes gedood worden ? Wat deed die eene vrouw met haar knaapje? Hoe lang verborg zij hem? Toen zij hem niet langer verbergen kon, wat maakte zij toen voor hem? Waar legde zij het kistje? Wie stond op den uitkijk? Wie kwam naaide rivier ? Wie zond zij om het kistje te halen? Wat gevoelde zij, toen zij het schreiende wicht zag? Wat zeide zij ? Wie bood zich aan om eene voedster te halen ? Wie bracht zij mede ? Wanneer bracht de moeder het kind terug aan Pharao's dochter ? Hoe noemde zij hem, en waarom? Wat gebeurde er op zekeren dag, toen Mozes een man geworden was ? Wat deed hij ? Wat gebeurde er den volgenden dag ? Wat deed Pharao? Waarheen vluchtte Mozes ? Wie ontmoette hij het eerst ? Hoe hielp hij haar? Wie werd zijn vriend? Welk soort van mensch toonde Mozes te zijn ? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

Aan het einde van de laatste les hebt gij gelezen, dat de kinderen Israels tot God schreiden, en dat Hij de beloften aan hunne voorvaderen indachtig werd. De tijd was nu gekomen om haar te vervullen. Vandaag zullen wij de won-


ocr page 62

48

derbare middelen gadeslaan, waardoor Hij dit deed. Vele jaren was Hij bezig geweest den man op te voeden, om in dit werk Zijn dienstknecht te zijn — Mozes.

Lees nu Exod III: i—3. Wiens kudde was Mozes bezig te hoeden ? Bij welken berg kwam hij ? Welk een grootsch gezicht verscheen hem op eens? Ofschoon het braambosch brandde, verteerde het toch niet. Mozes stond verbaasd en staarde naar het vlammende bosch. Hoe was dat mogelijk? Lees vers 4, 5. Wie riep tot hem van uit het bosch? Wat antwoordde Mozes? Wat beval God hem te doen? In dat land, en in al de Oostersche landen, betoont men zijn eerbied, niet zooals bij ons door den hoed af te nemen, als in de kerk, maar door zijne schoenen uit te trekken. Waarom moest Mozes dit doen? Waardoor werd die grond heilig? Ir. er nog eene andere plaats, die wij eene heilige plaats noemen ? Waarom wordt de kerk eene heilige plaats genoemd, daar God toch overal is ? Omdat Hij gezegd heeft: „Waar twee of drie in Mijnen naam vergaderen, daar ben Ik in het midden van hen.quot; Hoezeer moeten wij dan zorgen in de kerk niet te praten, of te spelen, of beuzelingen te doen. Wij moeten eerbiedig en ernstig zijn, zelfs bij het in- en uitgaan. — Daarop sprak God verder tot Mozes.

Lees vers 6—8. Wat zeide God dat Hij gezien had? Naar welk land zou Hij hen heenleiden ? Een land overvloeiende van melk en honig — dat wil zeggen: een land waar overvloedige weide is voor het vee — waar vruchten en bloemen weelderig groeien — een schoon, bekoorlijk land. Dit was eene goede tijding voor Mozes, iets, dat hij blijde was te vernemen. Maar ofschoon hij niet met zijn volk zwaar arbeidde, had hij dan toch medelijden met hen ? Door zijne liefde voor dat volk leefde hij nu als een gering herder, in plaats van als een koningszoon in Pharao's paleis. Hoor nu, wat God verder zeide. Vers 9—12. Wat zeide God in vers 10 ? Wat antwoordde Mozes? Hij dacht : „Hoe ben ik in staat de Israelieten uit te leiden ? Pharao zal niet naar mij willen hooren — zal mij wellicht dooden, als hij mij ziet.quot; Het scheen hem eene hopelooze, onmogelijke taak. Maar zie nu, wat God antwoordde (vers 12). Mozes zou niet alleen gaan. Wie zou met hem zijn? Wat beloofde God hem? Mozes was eenigszins vertroost. Hij herinnerde zich echter dat de Israelieten, toen hij vroeger tot hen gesproken had, niet naar hem wilden hooren, of gelooven dat hij hun vriend was. Daarom dacht hij, hoe hij hun zou kunnen doen gelooven, als hij hun zeide dat God hem gezonden had, om hen te verlossen.

Zie, wat hij vervolgens zeide: Vers 13, 14. Hoe noemde God zich hier? Dat wil zeggen, voor zooverre wij het vatten kunnen, dat vóór de wereld, of eenig mensch geschapen was. God leefde, en als alles dood was. Hij nog zeggen zou: „Ik ben; dat Hij nog zou leven als de onveranderlijke. Die naam dan: „Ik ben,quot; toont ons hoe ver Hij boven ons staat, en hoezeer van ons verschillende. De mensch leeft zoo kort, \denk eens hoeveel kleine graven op het kerkhof zijn, zelfs dat zuigelingen worden weggenomen] is zoo veranderlijk; Hij blijft altijd dezelfde, heilig, barmhartig, liefderijk, steeds zoekende alle menschen gelukkig te maken.

God gaf aan Mozes nog eene boodschap voor de Israelieten. [Lees den kinderen vers /5—18 voorï\ Hoe noemde God zich nu? De kinderen Israels zouden wel weten, Wien Mozes bedoelde als hij tot hen in Diens naam sprak, want gij herinnert u zeker wel de belofte, die Hij aan Abraham en zijne kinderen gedaan had. Wat moesten zij tot den koning zeggen ? God wist evenwel dat hij niet naar hen hooren zou. \Lees vers ig tot het einde.] Wat zeide God dat Hij Egypteland doen zou? En dat het volk ten laatste heen zou trekken niet arm en nooddruftig. Waarom? Zoo voorspelde de Heere juist al wat geschieden zou; maar nog twijfelde Mozes of de Israelieten zijne woorden gelooven zouden. [Lees den kinderen voor Exod. IV: 1—p.] Waarom gaf God aan Mozes


ocr page 63

49

de macht om deze wonderen te doen ? Wat was het eerste teeken? Dat de staf in eene slang, en de slang weder in een staf veranderd werd. Wat moest hij daarna met zijne hand doen? De me-laatschheid was eene vreeselijke ziekte, die zich vertoonde in witte zweren over het geheele lichaam en ongeneeslijk was. Zoudt gij niet meenen dat Mozes zeer verschrikte, toen hij zijne hand geheel melaatsch zag? Maar zijne vrees werd spoedig weggenomen, want wat beval God hem vervolgens te doen ? Welk was het laatste teeken, dat God hem zeide te doen, om het volk te toonen dat hij waarlijk van God gezonden was ?

Maar er was nog eene moeielijkheid. \Lecs den kinderen vers 10—12 voor.'] Wat zeide Mozes aangaande zijne spraak ? Er is een groot verschil bij de menschen in het spreken. Sommigen kunnen gemakkelijk meedeelen, wat zij gezien hebben, of duidelijk vragen, wat zij verlangen ; anderen weder kunnen niet licht de juiste woorden vinden. [Zoo de leerlingen eener school iets aan den meester wilden vragen, zonden zij dan daartoe een goed of slecht hespraakten jongen kiezen.?] Zoo meende ook Mozes dat hij niet de rechte man was om tot Pharao of de Israelieten te spreken — dat hij zijn last niet behoorlijk volvoeren zou. Maar wat antwoordde de Heere?„Wie heeft den mensch den mond gemaakt? of wie heeft den stomme, den doove, enz. gemaakt?quot; Hij is de beste rechter, om te weten, wien Hij zenden moet — Hij beloofde Mozes ook met hem te zijn, en hem in den mond te leggen, wat hij zeggen moest. Mozes was nog bevreesd voor zijn eigen vermogen om goed te kunnen spreken, en daarom zeide

LES ^ Een verhj

To leeren: Ps. LI : 10

Herhaling van de vorige les. — Waar hoedde Mozes zijne kudde, toen hij eene grootsche verschijning zag ? Wat was het? Waarin verschilde die brand van andere? Wie sprak tot hem ? Wat beval God

God, dat Hij hem een helper zou geven. Lees vers 14—16. Wie zou die helper zijn ? Aaron, die goed ter tale was, zou hem ter zijde staan. Wat had Mozes te doen ? Hij moest hem zeggen, wat hij zeggen moest.

Toen trok Mozes af met zijne vrouw en zonen naar Egypte — nu was er geen gevaar voor zijne terugkomst. (Vers 19.) [Lees den kinderen vers 27—31 voor.] Wat deden Aiozes en Aiiron allereerst, toen zij in Egypteland kwamen ? Geloofde het volk hun? Wat deden de Israelieten, toen zij deze goede tijding vernamen ? Zoo zou dan Gods belofte aan Mozes beginnen vervuld te worden: „Ik zal met u zijn.quot; Want door Zijne macht op de harten des volks geloofden zij, wat Mozes zeide. Wij hebben vandaag gelezen van de zware taak, die God aan Mozes had opgelegd. Waardoor was die zoo zwaar? [Wijs terug op eenige pnnten — Pharaohs aanzien, krijgslieden, dienstknechten, zijn woest karakter — JMozes alleen — zijne moeielijke spraak — de moeielijkheid om hei volk te doen gelooven dat God hem gezonden had, enz.] Maar welke reden had Mozes om volkomen zeker te zijn dat hij slagen zou? Omdat God met hem was. Hebben wij soms eene moeielijke taak voor God te verrichten ? Onze strijd tegen den duivel — onze zonde — ons booze hart — luiheid — baatzucht — opvliegendheid. Het schijnt ons dikwijls onmogelijk — wij vergeten onze voornemens, wij worden boos, enz. Maar wie gebiedt ons te strijden ? Wie zal dan met ons zijn, als wij trachten te strijden ? Dan zullen wij zeker (zoo wij volharden) overwinnen.

Hart.

onberijmd; Ps. 51 : 6.

hem te doen ? Waarom moest hij zijne schoenen uittrekken ? Hoe noemde de Heere Zich? Wat zeide Hij dat Hij gehoord had ? En waartoe was Llij neder-gekomen ? Wat dacht Mozes? Ja, dat

4


ocr page 64

50

het volk hem niet zou gelooven. Hadden zij vroeger naar hem gehoord? Welke teekenen toonde God hem, waardoor het volk moest gelooven? Welke moeie-lijkheid bestond er? Wie zeide God dat zijn helper zijn zou? Waarom was Aiiron in staat hem te helpen ? Waarheen ging Mozes ? Wie nam hij met

SCHETS V.

Mozes en Aiiron hadden nu tot de kinderen Israels gesproken — aan wien moesten zij vervolgens den last van God mededeelen ? Wij zullen zien, hoe de koning hen ontving. Lees Exod. V: l, 2. Wat zeiden zij ? Wat antwoordde Pha-rao? Was dit dezelfde koning, in wiens huis Mozes was opgevoed? Hij aanbad den waren God niet, maar beelden van hout, steen, koper, enz. Daarna spraken de broeders weder tot hem.

Vers 3, 4. Hoe antwoordde de koning? Hij werd zeer toornig, want hij dacht dat Mozes en Aiiron het volk van hun werk wilden aftrekken, en lui maken, en in plaats van hen te laten gaan, besloot hij hun nog zwaarder werk te geven dan te voren. \Lees den kinderen vers 5—11 voor.'] Welk werk hadden de Israelieten te doen ? Het stroo werd gebruikt om met het leem te vermengen, en dit was hun altijd gegeven, gereed tot het gebruik, maar wat zeide Pharao nu? Natuurlijk zou dit veel tijd kosten; maar zou hun dit niet verhinderen zooveel tichelsteenen te maken ? [Lees den kinderen vers 12—2ivoor?\ Wat geschiedde er met de drijvers ? Aan wien klaagden zij ? Wat zeide Pharao ? Hoe wreed en onrechtvaardig! Toen de drijvers Pharao verlaten hadden, ontmoetten zij Mozes en Aiiron, en zij spraken toornig tot hen, hun vragende waarom zij dit alles over hen gebracht en veroorzaakt hadden dat Pharao hen zoo wreed behandelde? Mozes was zeer bedroefd over hun rampspoed. Hij scheen geen goed gedaan te hebben, — hij wist niet hoe hen te helpen, daarom deed hij het best dat hij doen kon. Weet gij, wat dat was? Ja, hij bad God. \Lees den kinderen vers 22, 23 voor?[ Gij ziet dat Mozes dacht.

zich? Wie ontmoette hem, en waar? Wat deden zij, toen zij het eerst in Egypte kwamen ? Geloofde het volk in hunne woorden? Wat toonden zij hun? Wordt ons ook somtijds iets te doen gegeven? Wat kan dat zijn? Hoe kunnen wij zeker zijn er toe in staat te wezen ? Herhaal tekst en versje.

1 DE LES.

omdat God het volk niet dadelijk verloste, Hij het in het geheel niet doen zou ; maar de waarheid was, dat Gods tijd nog niet gekomen was. [Somtijds bij eigen ziekte, of die van anderen, bidden sommige menschen dat God die moge wegnemen ; en omdat dit niet terstond gebeurt, denken zij dat God hu7i gebed niet hoort, terwijl het misschien is, dat Hij het V best voor hen oordeelt hun gebed niet dadelijk te verhooren. Ziekten en rampen kruinen grootezegeningen zijn — zij kunnen den mensch tot God terugbrengen en hem zijne zonden doen zien. Dus moeten wij ook om geduld bidden, opdat wij leer en, Gods tijd af te wachten om ziekten en rampen van ons weg te nemen

God verliet Zijnen dienstknecht niet in den nood zonder hem te troosten. Lees Exod. VI : 1, 6, 8. Wat moest hij tot de kinderen Israels zeggen ? Zouden zij niet hard meer behoeven te werken ? Zouden zij geen slavenjuk, geene slagen, geen voortdrijven naar den brandenden ticheloven, onder eene brandende zon, meer te verduren hebben ? Hoe zeide de Heere dat Hij hen verlossen zou ? Hij sprak van Zijne macht om hen geruster en minder bevreesd voor hunne vijanden te doen leven — opdat zij op Hem mochten vertrouwen [Opheldering. — De geschiedenis van den zoon eens kapiteins, wien bij een storm door een vreemdeling gevraagd werd, of hij niet beangst was, antwoordde: »Mijn vader staat aan het Wat be

loofde God aangaande het land ? Een erfdeel, dat is eene nalatenschap of bezitting, die van den een op den £-nder — meestal van vader op zoon, overgaat. Dit waren vertroostende beloften, maar


ocr page 65

5

i

toch kon het volk ze eerst niet geloo-Ten. Zie vers 7. Zoo was het met de Israelieten. Maar indien zij geloofd hadden, zouden zij zich dan niet minder rampspoedig gevoeld hebben? Is er een gelukkig land, waarnaar wij mogen uitzien ? Ja, de hemel. Heeft God beloofd ons daarheen te zullen brengen? Indien wij op Hem vertrouwen en voor H^m leven. Wat is dan de grootste troost in rampen? De gedachte aan dat heerlijke land. Zoo gij iemand kent, die in groot leed verkeert, moet gij doen zooals Mozes deed — hem spreken van dien grooten Vriend, die heengegaan is om hem in den hemel plaats te bereiden.

God begon toen Zijne beloften aan de Israelieten te vervullen. \Lees defi kinderen hoofdstuk VII: 8—12 voor^\ Wat deed Aaron met zijn staf? Wat gebeurde er mede ? De wijzen — toove-naars — waren mannen, die inderdaad bedreven waren, en vele vernuftige zaken wisten te verrichten — ook vonden zij waarschijnlijk hulp bij den duivel, opdat zij de menschen zouden kunnen misleiden. Zij veranderden ook hunne staven en slangen (of schenen het te doen — misschien als goochelaars iets dergelijks beweren); maar wat deed Aarons staf? Aldus toonde hij dat Gods macht ver boven alle andere was. Kon Pharao nu gehoorzamen? Lees vers 14. Nu ging de Heer niet alleen Zijne macht openbaren, maar die ook gebruiken om dien goddeloozen koning te straffen. Hij beval Mozes den volgenden morgen vroeg naar Pharao te gaan aan den Nijl.

Lees vers 19, 20. Wat deed Aaron? Wat gebeurde toen? Bedenk eens hoe vreeselijk! In plaats van de helder glinsterende wateren eene voortrollende rivier van bloed! Geene vrouwen togen er meer heen om hare kruiken te vullen, geene kinderen, die aan den oever speelden, geene mannen en knapen om te visschen. Want wat was er gebeurd met de visch? Zij waren allen gestorven. Voorzeker zou Pharao beven en dien grooten God gehoorzamen, nu Hij op deze vreeselijke wijze Zijne groote macht getoond had! Maar neen! \_Lees den

kinderen vers 22—25 voor?^ Zijne too-venaars deden, of beweerden althans, hetzelfde te doen, wat Mozes en Aaron gedaan hadden, zoodat de koning zich hardnekkig tegen God bleef verzetten. Toen zond de Heere eene andere plaag. \Lees den kinderen hoofdstuk VIII : 1— 6 voor.] Wat moest Aaron doen? Wat kwamen er op? Van waar kwamen die kikvorschen ? Hoe afzichtelijk, het geheele huis er door vervuld te zien! Het koninklijk paleis zoowel als elke andere woning. Ze verdrijven was onmogelijk — er kwamen er steeds meer en meer. Eindelijk werd Pharao bevreesd. Lees vers 8. Wat verzocht hij Mozes te doen? Wat beloofde hij? Zoudt gij gelooven, dat Mozes voor dien goddeloozen man bad? Wij zullen het zien. [Lees den kinderen vers g—14 voor?\ Wat gebeurde er met de vorschen ? Nu was het tijd voor Pharao om woord te houden. Maar [Lees den kinderen vers /5 voor.] wat deed hij ? Zie, hij had nog geen berouw over zijne goddeloosheid. Waarom had hij beloofd de Israelieten te zullen laten uittrekken ? Toen de plaag voorbij was. bekommerde hij zich niet over zijne belofte.

Nu zond de Heere eene derde en eene vierde plaag over Egypteland. \Lecs den kinderen vers 16—ig voor.] Waarin veranderde het stof? Konden de toovenaars dit doen ? Zij erkenden dat dit boven hunne macht ging. Wat zeiden zij tot Pharao ? Wilde hij luisteren ? Neen, hij bleef zijn hard verharden. [Lees den kinderen vers 20—24 voor?\ Wat was de vierde plaag? Waar was geene vermenging van ongedierte? Nu scheen Pharao geneigd toe te geven. \Lees den kinderen vers 25—31 voor?] Wat verzocht Pharao? Werd het ongedierte weggenomen ? Bleven er nog over ? En hield Pharao nu zijne belofte? Lees I vers 32. Zoo ziet gij, dat hij het niet oprecht meende het volk te laten trekken, of God te gehoorzamen — hij wenschte alleen van die vreeselijke plaag verlost te worden. Somtijds gelooven kinderen evenals Pharao — willen hunnen ouders niet gehoorzamen \die door God over hen gesteld zijn] voordat


ocr page 66

52

zij gestraft en bedreigd worden. Dan gehoorzamen zij. Waarom? In zulk eene gehoorzaamheid is geene verdienste — het is slaafsche gehoorzaamheid, niet de vrijwillige,

ware gehoorzaamheid | gemakkelijk vallen en gelukkig maken,

LES XXV.

Verdere Oordeelen.

Te leeren: Ps. LXXXIX : 13, 14; Ps. (

uit liefde, die Gode alleen welgevallig is. Bidden wij Hem onze harten te veranderen, opdat wij een oprechten geest hebben — zoo zal de gehoorzaamheid

Herhaling van de vorige les. — Hoe antwoordde Pharao, toen Mozes en Aaron hem hunnen goddelijken last gebracht hadden? Hoe behandelde hij daarna de Israelieten ? Wat eischte hij van hen ? Mochten zij nu minder tichelsteenen maken, daar hun geen stroo gegeven werd ? Hoe werden zij gestraft ? Wat zeiden zij tot Mozes? Tot wien riep hij ? Hoe vertroostte Hem de Heere ? Wilden de kinderen Israels hem geloo-ven ? Waarom niet? Welk teeken deed hij voor Pharao ? Wie deden evenzoo ? Wilde Pharao hem gehoor geven ? Welke was de eerste plaag, welke God over hem zond? Hoe geschiedde dit?

Gaf de koning toe? Wat was de tweede plaag? Wat vroeg Pharao toen aan Mozes te doen? Deed hij het? Wat gebeurde er met de kikvorschen ? Hield Pharao zijne belofte? Wat was de derde plaag? Konden de toovenaars dit ook doen? Wat was de vierde plaag? Waar werd die vermenging van ongedierte niet gevonden ? Wat beloofde Pharao toen? Was hij oprecht? Waarom deed hij deze belofte ? Wanneer handelen kinderen evenals hij ? Waarom moeten wij bidden, opdat wij in oprechtheid gehoorzaam zoowel aan God als aan menschen kunnen zijn ? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

Vier plagen waren nu over den trotschen koning van Egypte gekomen, maar nog wilde hij niet bukken. Misschien dacht hij dat alle middelen waren uitgeput en niets hem meer kon treffen. Hij had het nog niet geleerd hoe vreeselijk en hopeloos het is tegen God te strijden. Lees Exod. IX : 1—4. Eene pest is eene vreeselijke ziekte (zooals bij ons de veepest, maar waarschijnlijk moeie-lijker om te genezen). En trof deze alleen het rundvee? Welke dieren werden er ook mede bezocht? De eerste plagen waren walgelijk, kwellend, onaangenaam geweest, deze was erger, omdat er verlies van eigendom en voedsel, het vleesch, het gevolg er van was. Wie der inwoners verloren niets ? Weder werd Pharao één dag geschonken om hem berouw te doen toonen, maar hij wilde niet, en de plaag kwam. [Lees den kinderen vers 5—7 voor.] Toen Pharao vernam dat het vee der Hebreërs gezond en wel bleef, terwijl het bij honderden onder de Egj-p-tenaren stierf, zal hij ongetwijfeld woedend geweest zijn, maar nog bukte hij niet. Nu gaf God hem geen tijd om aan de straf te ontkomen, die Hij wilde zenden.

Bij de laatste plaag hadden de Egyp-tenaren hun eigendom verloren. Nu zouden zij ook hunne gezondheid verliezen — zij zouden aan hun lichaam bezocht worden. [Lees den kinderen vers 8—11 voor.] Wat zeide de Heer tot Mozes ? Waarin veranderde het stof? Misschien zullen wij zeggen: „Waarom strafte God het geheele volk voor de zonde van Pharao ?quot; Maar bedenk dan ook dat het geheele volk de Israelieten had verdrukt en mishandeld, zoodat het ve rdiende gestraft te worden. Maar ook deze ziekte en pijn deden Pharao's trotsche hart niet buigen, en God zond hem eene andere boodschap.

Lees vers 13, 14. Waarom zeide God dat Hij zijne plagen zenden zou over Pharao en zijn volk? „Opdat gij weet,quot;


ocr page 67

53

«nz. Pharao dacht dat hij, die zulk een groot koning was, zooveel krijgsknechten en bedienden had, die voor hem bukten, doen mocht wat hem goed dacht. God gehoorzaam of ongehoorzaam zijn; daarom zond God hem die groote plagen, om hem zijne eigene zwakheid en Gods almacht te doen zien. De Bijbel is vol van verhalen, die ons toonen dat, indien de mensch God niet wil gehoorzamen, Hij Zijne grootheid toont door hem zware straffen te zenden. Maar dat is de weg niet, waardoor Hij zich aan ons bekend wil maken. Hij wil liever bemind dan alleen gevreesd zijn. Zelfs nog in dien tijd, waarvan wij nu lezen, ofschoon God het volk van Egypte strafte. Voor wie zorgde, wie hielp en beschermde Hij ? En waarom ? Omdat de Israelieten Zijn volk waren en om Zijne beloften aan — wie? Lees het overige van de boodschap aan Pharao, vers 15, 16. quot;Waarom zeide God dat Hij hem had verwekt ? Niet alleen opdat Pharao, maar opdat alle volken der aarde in Gods almacht gelooven zouden. Na deze vreeselijke boodschap werd de zevende plaag gezonden. \Lees den kinderen vers 18—22 voor.] Wat zeide God dat Hij zenden zou? Toch toonde Hij nog Zijne barmhartigheid aan dit weerspannige volk. Want wat raadde Hij hun te doen? Waren er die dien raad in acht namen ? Wie ? Wie zouden dus alleen onder deze plaag lijden?

Lees vers 23, 24. Gij hebt voorzeker wel eens eene donderbui bijgewoond — misschien waart gij somtijds verschrikt, als de donder rolde en de bliksem aan den hemel flikkerde en de hagel kletterend nederviel; maar toch gebeuren er niet dikwijls ongelukken. Maar waar schoot de bliksem neder bij die plaag? Welk een vreeselijke storm! Hoe zullen zij, die op het veld waren, berouw hebben gehad, dat zij de barmhartige waarschuwing Gods niet in acht hadden genomen en te huis gebleven waren! Nu was het te laat; van alle kanten hoorde men het gejammer en geklag van hen, die getroffen waren — menschen lagen dood op het veld, boo-men en allerlei gewassen waren terneergeslagen en verbrijzeld door den hagel, die als een regen van steenen nederviel,

[Lees den kinderen vers 25, 26 voor.] Het geheele land moet bedekt geweest zijn met gevallen boomen, verbrande struiken, enz. Waar was geen hagel gevallen ? Dit vreeselijke onweder scheen Pharao toch verschrikt te hebben.

[Lees den kinderen vers 27, 28 voori\ Nog nooit had hij beleden boos van hart te zijn. Het scheen nu dat hij de les scheen te begrijpen, die God hem had willen geven. Zie nu, wat Mozes deed. Vers 29, 30. Wat zeide Mozes dat hij doen zou? TVaaro?n wilde hij dat doen ? Maar geloofde hij dan, dat het hart des konings veranderd was? En toch wilde hij voor Pharao bidden (zijne handen tot God opheffen), om hem te doen zien dat God even spoedig het onweder kan wegnemen als het zenden. [Lees den kinderen vers 31—J5 voor.} Wat werd getroffen? quot;Wat werd gespaard? God spaarde de tarwe en de rogge, opdat er nog eenig voedsel voor het volk mocht overblijven. Wat deed Pharao, toen de hagelbuien hadden opgehouden ? Daardoor haalde hij zich nog grooter straften op den hals. Eer de Heere echter de achtste plaag zond, schonk Hij aan Pharao nog de gelegenheid om te ontkomen. [Lees den kinderen hoofdst. X: 1 — 6 voor.] Wat dreigde God te zullen zenden? Sprinkhanen zijn vliegende insecten, die van bladeren en allerlei groene gewassen leven. Somtijds komen zij in de Oostersche landen voor, en verslinden het koorn, terwijl het nog groen is, en veroorzaken vaak hongersnood. Maar deze plaag van sprinkhanen zou nog grooter en vreeselijker zijn dan er ooit een geweest was.

Zie, wat de Egyptenaren dachten, toen zij dit hoorden. [Lees den kinderen vers 7—11 voorï] Wat wilden zij dat Pharao doen zou? Wat bood hij aan? Wat antwoordde Mozes? Wat hernam Pharao toen? Het land kon niet van ellende verlost worden door de verstoktheid des konings. [Lees den kinderen vers /2, 13 voorï] Hoe werden de sprinkhanen aangevoerd? Lees vers 14. Zij waren gelijk eene zwarte wolk, een dichte


ocr page 68

54

zwerm vraatzuchtige insecten, die overal neerstreken. \Lees den kinderen vers 15—ig voorï\ quot;Wat aten de sprinkhanen ? Pharao zag dat, indien de plaag aanhield, hij en zijn gansche volk van honger zouden moeten omkomen, door gebrek aan voedsel; wat deed hij nu? Voldeed Mozes aan zijn verlangen? Hoe verdwenen de sprinkhanen weder ? Doch de koning verstokte zijn hart opnieuw, zoodra de plaag was opgeheven.

En nu zond God eene plaag, die zelfs in het hart van den stoutmoedigste angst en schrik moest verspreiden. Lees vers 21. Zie hoe dit gebeurde. (Vers 22, 23.) quot;Wanneer is het bij ons donker? Des nachts, maar toch zelden „pikdonker,quot;— immer blijft een schijnsel van licht over. De duisternis des nachts is een zegen — zij brengt ons den slaap, de arbeid moet gestaakt worden, enz. Maar deze was ook bij dag, eene plechtige, ontzagwekkende duisternis — zij overviel eensklaps — geen tijd om licht te ontsteken — schrik beving alle harten. Hoe lang duurde zij? Zij hadden nu den tijd om na te denken. quot;Waar was het licht ? Voor heden genoeg. Zie hoe deze les ons leert hoe Gods almacht zich hier ten toon spreidde met twee bedoelingen (1) om te straffen — wie? (2) om te beschermen — wie ? Zoo zal het altijd zijn. Hij is in staat en bereid Zijn volk te beschermen en hen, die tegen Hem opstaan, te straffen.


LES XXVI.

De Dood der Eerstgeboornen.

Te leeren: 1 Cor. V : 7, .8; Gez. 130 : 6.

Herhaling van de vorige les. — quot;Welke was de vijfde plaag, waarvan wij den vorigen Zondag gelezen hebben — iets aangaande het vee ? quot;Wat was de zesde ? Ja, zweren op menschen en dieren. Hoe ontstonden zij ? Wat was de zevende plaag ? In welk opzicht waren deze donderbuien erger dan gewoonlijk? quot;Wat deed de hagel ? quot;Wat bad Pharao Mozes te doen ? Bad Mozes voor hem ? Hoorde God zijn gebed? quot;Welke gewassen verhagelden? quot;Welke bleven gespaard? Hoe handelde Pharao, toen de hagel had opgehouden? quot;Wat was de achtste plaag? Kwam die op eens, of gaf God den koning nog de gelegenheid om door gehoorzaamheid er aan te ontkomen ? Wie wilden van hem, dat hij de Israelieten zou doen trekken? quot;Wie wilde hij laten gaan? Wilde Mozes dit aanbod aannemen? Hoe bracht God de sprinkhanen? quot;Waaraan waren zij gelijk? (Aan eene groote donkere wolk.) Wat aten zij ? Wat deed Pharao? Hoe werden de sprinkhanen weder weggenomen ? Hoe gedroeg de koning zich nu weder? Wat was de negende plaag? Hoe lang duurde zij? Wat toonen ons deze plagen? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

Die plaag der duisternis brak weder voor een oogenblik het trotsche hart van Pharao, en hij bood aan mannen, vrouwen en kinderen te laten trekken, maar zij moesten hunne schapen en runderen achterlaten. Dat was Gods wil niet. Zoo werd opnieuw, en wel voor de laatste maal, eene plaag gezonden — eene nog verschrikkelijker dan er een geweest was. Deze tiende plaag verschilde ook geheel van al de andere, omdat er groote toebereidselen moesten gemaakt worden door de Israelieten, en om nog eene reden, die gij zoo straks vernemen zult.

[Lees den kinderen Exod. XI : 1—6 voor,] Wat zou deze plaag zijn? De eerstgeboorne, dat is de oudste in elk huis, zou sterven. Dit vreeselijk vonnis werd aan Pharao bekend gemaakt, maar nog wilde hij niet zwichten. Hem was de tijd gegeven tot berouw, want verscheidene dagen vooraf was hem deze plaag aangekondigd, en toch verstokte


ocr page 69

55

hij zijn hart. Intusschen was er een werk voor Gods volk te verrichten.

\Lees den kinderen hoofdstuk XII : i—5 voor?\ Wat moest ieder hoofd van een huisgezin (vader of moeder) nemen ? Het lam moest „volkomenquot; zonder gebreken zijn — gezond, sterk, ongeschonden ledematen — het beste, dat zij hadden. Zie nu, wat er met dit lam geschieden moest. \Lees den Milderen vers 6—13 voor,} Wat moesten zij doen met het lam? Wat met het bloed ? Waartoe was dit? Als de Heere het bloed zien zou aan de deurposten, wat zou Hij dan doen aan dat huis? Laat ons nu eens nadenken, waartoe de Heere dit bevel gegeven heeft. Zoudt gij niet gelooven dat God de huizen der Israelieten wel kende, zonder dat teeken van bloed aan de deurposten? Ja, maar Hij gaf dit bevel, opdat zij zien zouden dat zij, die het deden. Zijn woord geloofden — geteld wenschten te worden tot Zijn volk en Zijn eigendom te zijn. Er was ook nog eene andere reden. Het lam, dat geslacht moest worden, was een beeld, eene voorstelling van Jezus Christus, die voor onze zonden geslacht werd. Het was Hem gelijk, omdat het vlekkeloos was — Jezus was zonder zonde. Het bloed van het lam redde de leden van het huisgezin, waar het gesprenkeld was, van den dood. Het bloed van Jezus redt hen, die Hem toebehooren, van den eeuwigen dood — dat is de hel. En ofschoon Jezus toen niet gekomen is om Zijn volk te redden — maar dat Hij eerst zeer vele jaren later komen zou — toch weet gij dat het den Israelieten geleerd was Zijne komst te verwachten. \Denk aan de belofte aan Abraham; efiz.] Dit leerde hun nog duidelijker, hoe Hij hen redden zou.

Toen zeide Mozes hun dat het eten van dat lam, hetwelk Pascha zou heeten, elk jaar zou moeten herhaald worden, ter gedachtenis van Gods goedheid, die hen uit Egypteland geleid en van het juk der slavernij verlost had. [Lees den kinderen vers 14, /5, 24—27 voor.] Ongezuurd brood is zonder zuurdeeg of gist. Weet gij waartoe de gist dient?

Zij doet het deeg „rijzen.quot; Maar geschiedt dit in een oogenblik, of is er tijd toe noodig? Gij hebt misschien wel eens gezien dat uwe moeder het deeg laat staan om te rijzen. God wist dat de Israelieten het land ia de grootste haast zouden moeten verlaten, in denzelfden nacht, dat Hij voorbij zou gaan, om de Egyptenaren te slaan — er zou geen tijd zijn om het brood te laten rijzen, zij moesten het ongezuurd met zich nemen. Daarom beval Hij hun ter gedachtenis daaraan op het Pascha ongezuurde brooden te eten. De dagen ter voorbereiding waren welhaast voorbij. De groote nacht brak eindelijk aan. Hoe verwonderd moeten de Egypte-naars niet geweest zijn, toen zij zagen, hoe de Israelieten zich gereed maakten om uit te trekken.

Lees nu, hoe dit gebeurde. Vers 21—23, 28. Zie hoe haastig de vader in elk gezin het lam slachtte, en den post zijner deur met het bloed besprenkelde; hoe zij toen, met den staf in de hand, hunne kleederen en draagbare goederen, in bundels gepakt, met de vrouwen en kinderen om hen heen, het Paaschlam aten — den laatsten maaltijd, dien zij in dat land houden zouden. Lees vers 29, 30. Welk een angstkreet moet dat geweest zijn! Denk aan de smart in ieder huis. Indien in deze straat of in een stad of dorp eensklaps in elk huis een doode was, de oudste zoon — misschien een krachtvol jongeling, de hoop en de steun zijner ouders — een lief, aanvallig kind, gisteren nog spelende aan den oever der rivier, werkende op het veld, en nu levenloos, koud en stijf op het bed uitgestrekt; broeders en zusters weenende, vader en moeder door vrees en smart sprakeloos — hoe vreeselijk moet dat schijnen! En dat alles had niet plaats in eene straat, éen stad of dorp, maar door het geheele land. De trotsche Pharao, staande bij het sterfbed van zijn oudsten zoon, gevoelde zich eindelijk overwonnen. Zijn hart en dat van al zijne onderdanen waren door eene ontzagwekkende vrees aangegrepen. Zij wilden den morgenstond niet


ocr page 70

56

afwachten — stonden op, wanneer?

Lees nu vers 31—34. quot;Wat zeide hij tot Mozes en Aaron ? Waarom wilden de Egyptenaren dat zij zoo haastig vertrekken zouden ? Zij vreesden dat God, na hunne kinderen gedood te hebben, ook hen zou dooden, indien zij zich tegen Hem bleven verharden. Nu ziet gij, waarom God gewild had dat zij het Pascha eten zouden, met de schoenen aan de voeten, den staf in de hand, geheel uitgerust om hunne reis te aanvaarden. Lees vers 34—36. Het was niet meer dan billijk dat zij eene belooning ontvingen voor al de jaren, die zij de Egyptenaren zonder loon gediend hadden. Dus begon eindelijk hunne groote reis. [Geef eene beschrijving van het optrekken dier gezinnen in het midden van den nacht — hunne blijdschap en dankbaarheid — alle slavernij had opgehouden. De spoed der Egyptenaren, om he7i te zien gaa7i, — die kudde7i schape7i e7i ric7idere/i, tvzs.] Laat ons zien, hoe lang zij in Egypte gewoond hadden. Lees. vers 40, 41. Hoe lang was het? Aldus hield God Zijne belofte en leidde hen uit.

Dit is eene wondervolle geschiedenis, maar niet slechts bestemd om door ons gelezen te worden en te zeggen, hoe wondervol! Waarvan was het Paaschlam het zinnebeeld? Hoe redde het de Israëlieten ? Door het bloed immers, dat aan de posten hunner deuren gesprenkeld werd, Hoe redde Christus ons? Door Zijn dood aan het Kruis. Maar hoe moest elk Israeliet het toonen dat hij in Gods belofte, om hen te redden, geloofde ? Door de besprenging des bloeds. Zoo hij dit niet gedaan had, zou hij dan beveiligd geweest zijn? Kunnen wij iets doen,opdat wij door Christus' dood behouden worden ? Door tot God te komen, om vergeving te vragen door die7i dood — door onze liefde tot Hem te toonen, dat wij Hem tot onzen Zaligmaker gekozen hebben — te strijden tegen onze zonden, die Hem den dood hebben aangedaan — door onze gehoorzaamheid aan Zijne geboden — als wij oud genoeg zijn aan dat gebod te gehoorzamen, hetwelk zegt: „Doe dit ter Mijner gedachtenis,quot; den maaltijd, door Christus ingesteld en waarvoor het Joodsche Pascha in de plaats gekomen is. Dit alles is als de besprenging des bloeds ee7i uiterlijk teeken van i7i7ierljk geloof. \Dit alles kan 77teer breedvoerig ten nutte worden aangewend en vereenvoudigd door te wijzen op ki71derlijke foute7i, e7i door de overee7iko77ist tusschen de beide feesten duidelijk te makeni\


LES XXVII. De Verdelging van Gods Vijanden.

Te leeren : Ps. XXVII: 1 onberijmd; Gez. 70:4.

Herhaling va7i de vorige les. — Welke was de laatste der tien plagen, waarmede God Pharao bezocht? Welk bevel ontvingen de Israelieten, om zich voor te bereiden voor den nacht, waarin die plaag gezonden werd? Wie zou voorbijgaan ? Wat zou hij doen, als hij dat bloed zag ? Wat moesten zij doen met het lam ? Hoe moesten zij het eten ? Van wien was dit lam de voorstelling ? Hoe behoudt ons het bloed van Christus ? Wat moesten zij in volgende jaren doen ter gedachtenis aan dezen nacht ? Waarom ? Geschiedde alles, zooals God voorzegd had? Op welken tijd ging de Heere voorbij? Wat werd in het geheele land gehoord ? Wat zeide Pharao en zijn volk? Trokken de Israelieten dadelijk op? Hoeveel jaren waren zij in Egypteland geweest? Noem de tien plagen op, waarmede God Pharao bezocht heeft. I. Het water werd in bloed veranderd. 2.Kik-vorschen. 3. Luizen. 4. Vermenging van ongedierte. 5. Veepest. 6. Zweren op menschen en beesten. 7. Hagel. 8. Sprinkhanen. 9. Duisternis. 10. Dood der eerst-geboornen. {De ki7ideren 77ioete7i ze herhaalde 77ialen te gelijk e7i daar7ia elk afzonderlijk opzeggen.) Herhaal tekst en versje.


ocr page 71

57

SCHETS VAN DE LES.

De lange tijd der slavernij was voorbij. Hoe gelukkig moeten de Israelieten zich gevoeld hebben, toen zij daar voorttrokken naar het land, dat de Heere beloofd had hun te zullen geven! Geene tichelsteenen meer onder de brandende zon — geene slagen, geene mishandeling meer. Wie was hun aanvoerder ? Het was Mozes; maar wie leerde hem alles, wat hij hun bevelen moest ? Dus was de Heere hun eigenlijke Aanvoerder. Hij waakte over hen met de teedere zorg van een vader over zijne kinderen. Het land der Philistijnen lag op hunnen weg, maar God wilde hun dit niet laten doortrekken, want Hij dacht dat zij misschien bevreesd zouden zijn, indien de Philistijnen den strijd tegen hen begonnen (want zij waren een woest, oorlogzuchtig volk), daarom beval Hij hun een anderen weg te gaan. Zij moesten het gebeente van iemand mede-nemen. Weet gij, wie het was? De eerste Israeliet, die in Egypte kwam. Jozef.

[Lees den kinderen Exod. XIII: ig tot het einde voor^\ God gaf het volk een teeken van Zijne tegenwoordigheid — iets, dat zij altijd konden zien en hun de verzekering gaf, dat Hij met hen was. Wat was dit teeken bij dag? Maar des nachts hadden zij die wolk niet kunnen zien; wat gaf Hij hun dan ? Zoo konden zij immer het oog houden op die kolom en zich veilig achten, als zij er aan dachten dat hun goede Vader met hen was. Wij hebben geen uitwendig teeken, dat God bij ons is, maar wij hebben ook meer kennis dan zij. Christus is gestorven — wij hebben het gebed, de sacramenten, enz. — den Bijbel om ons te onderrichten, — den Heiligen Geest om ons te helpen — dus hebben wij geen zichtbaar teeken ?ioodig, om ons te doen gelooven, dat God bij ons is. [ Opheldering, — Wanneer kinderen een tochtje gaan doen, houden de kleineren hujine ouders bij de hand, de onderen gaan vooruit — zij vreezen niets, want zij zijn verzekerd dat hun vader het oog op hen heeft.'] Hoe goed van God, dat Hij hun die kolom gaf om hen gerust te doen zijn en te helpen! Maar wij zullen heden zien dat al de gevaren van hunnen ouden vijand nog niet voorbij waren.

Lees Exod. XIV : 5. Wat zeiden zij ? Na al die vreeselijke dingen, die zij geleden hadden, waren hunne harten nog hard — zoodra de plagen hadden opgehouden, waren zij gereed tot hunnen boozen weg terug te keeren. Zieken zijn hun somtijds gelijk — zoolang de ziekte duurt, en vooral bij de vrees voor den dood, schijnen zij bekommerd over hunne zonden, maar niet weder zijn zij hersteld, of zij keeren tot hunne oude goddeloosheid terug. Of, als een kind gestraft wordt, gevoelt het berouw; maar als de straf geleden is, keeren zij tot hetzelfde kwaad terug; in beide gevallen is het een bewijs dat zij geene smart gevoelden over de zonde, maar over hare gevolgen. Zooals wij in eene vroegere les zagen, zal geene straf het hart van den mensch veranderen — alleen kan God dat doen. Nu zal ik u voorlezen, wat Pharao deed.

[Lees den kinderen vers 6—8 voorï\ Hoeveel strijdwagens (wagens, die in den oorlog gebruikt worden) nam hij met zich ? Hij nam ook zijn leger met zich, de soldaten met zwaarden en pieken gewapend, mannen in den strijd geoefend — woest en verlangend om die slaven terug te brengen, die gewoon waren voor hun volk te arbeiden. Waren de Israelieten aan den strijd gewoon? Tal van hulpelooze vrouwen en kinderen waren onder hen. Wat zouden zij gevoeld hebben, dupkt u, toen zij de zee voor zich zagen (geene booten of bruggen), achter zich de 600 krijgswagenen, het geduchte leger, den wreeden koning ?

Lees vers 10. Wat lezen wij dat zij gevoelden ? Zij waren verschrikt en ontroerd — zij vreesden zeer. Wien riepen zij aan ? Dat was het best wat zij doen konden; maar zij hadden niet tot Mozes moeten zeggen, hetgeen nu volgt.

[Lees den kinderen vers //, 12 voor^\ Denk eens aan hetgeen zij nu tot Mozes


ocr page 72

5«

zeiden, dat het beter zou geweest zijn, zoo hij hen in Egypte had doen blijven! Waarom zeiden zij dit? Wat vreesden zij ? Dit zou zeer natuurlijk en niet verkeerd geweest zijn, zoo zij alleen hadden gestaan, en tegen de Egyptenaren in eigen kracht hadden moeten strijden, maar wie was met hen ? Hoor, wat Mozes hun antwoordde. \Lces den kinderen vers 13—18 voor.'] Hij zeide niet: „Ik zal u helpen,quot; maar hij bad hen op God te vertrouwen en zeide tot hen: „De Heere zal voor u strijden.quot; Toen Mozes dit zeide, wist hij niet, hoe God voor hen strijden zou, maar hij geloofde volkomen dat Hij, die hen uit Egypte gebracht had, hen nu niet zou laten omkomen. Dat is een waar geloof en onbepaald vertrouwen — als wij gelooven dat God uitkomst zal geven en helpen, ofschoon wij niet weten langs welken weg die hulp komen zal. [Opheldering. — Een kind staat op de trap van een donkeren kelder en wenscht hij zijn vader te komen, die er in is. Deze zegt: „Als gij alleen afkomt, zult gij vallen, doch spring en ik zal u opvangen.'''' Het kind geloofde, sprong en werd veilig in zijne armen opgevangen.] En wat zeide God hun te doen? Wat zeide hij dat gebeuren zou?

Nu zult gij zien, hoe God Zijn woord hield (vers 19, 20.) Waar plaatste zich de kolom nu ? God gaf haar twee zijden : eene verlichtende, helder schijnende — welk volk zag die zijde? Wat was de andere zijde ? Hoe veilig moeten de Israëlieten zich gevoeld hebben met de schijnende kolom van Gods tegenwoordigheid tusschen hen en hunne vijanden! Was er ook licht voor de Egyptenaren ? Gods aangezicht keerde zich van hen af, zooals het altijd is, wanneer wij kwaad doen.

Lees vers 21, 22. Hoe deed God de zee terugwijken? Waaraan waren de wateren gelijk ? Denk aan een muur van water! Welk een gezicht moet dat geweest zijn ! Hoe moeten de Israelieten dien muur in dien nacht hebben aangestaard, al hooger en hooger rijzende! De morgen brak aan, en toen ging het volk op Gods bevel midden door de zee. Zou dat overtrekken lang of kort geduurd hebben ? Zeer lang, natuurlijk, voor zulk eene menigte met kleine kinderen in hun midden. „Nu,quot; dachten de Egyptenaren, „nu is voor ons de tijd gekomen om te volgen.quot;

Lees vers 23—25. Hoe verschrikte God de Egyptenaren? Hoe ging het met de wagens ? Waren de Egyptenaars verschrikt? Wat zeiden zij? Wat veroorzaakte het verlies hunner raderen? Ja, zij gingen zeer langzaam voort. Toen zij al hunne krachten vol vrees inspanden om te vluchten, kwam Gods toorn over hen.

Lees vers 26, 28. Wat beval God Mozes te doen ? Wat deed de zee ? Welk eene vreeselijke worsteling! Wat ging het snelst, de golven of de Egyptenaren? Zoo kwamen Pharao en al zijne trotsche, wreede dienaren jammerlijk om.

Lees vers 30, 31. De Israelieten, nu veilig aan de overzijde gekomen (want dit deel der Roode Zee was zeer eng) zagen om en bemerkten dat het leger, dat zij zoo gevreesd hadden, was omgekomen ! Wat deden de Israelieten, toen zij dit zagen ? Het volk vreesde den Heere en geloofde in Hem, die Zich zoo machtig getoond had om Zijn volk te redden en Zijne vijanden te straffen. \_Z00 de tijd het toelaat, zal het goed zijn den kinderen den lofzang van Mozes en de Israelieten op hunne bevrijding voor te lezen, hoofdstuk XV : 1—21.] Wie is de groote vijand, dien Christus overwonnen heeft, en dien Hij ook nog voor ons zal overwinnen? De duivel, niet waar? Zoo wij dan Gods eigendom zijn, aan Hem vasthouden, op Hem vertrouwen, in Hem gelooven. Hem volgen, zullen wij altijd veilig zijn.


ocr page 73

59

LES XXVIII.

Gods zorgende Liefde.

Te leeren: Matth. VI: 31—33; Ps. 33 : lt;

Herhaling van de vorige les. — Als de Israelieten hunnen uittocht uit Egypte begonnen, welk land lag toen in hunne nabijheid? quot;Waarom wilde God hen daar niet laten doortrekken ? Hoe toonde Hij hun dat Hij met hen was? quot;Waarop geleek de wolkkolom des nachts ? Waarom? quot;Wat zeiden Pharao en zijne dienstknechten, nadat de Israelieten waren uitgetrokken ? quot;Wat nam hij metzich ? Waaf haalde hij de Israelieten in? Hoe gevoelden dezen zich? Wat zeiden zij tot Mozes ? Wat was zijn antwoord? Wat beval God hem te doen? Wat gebeurde er toen met de zee ? Hoe belette God den Egyptenaren dien ganschen nacht hen te volgen? Hoe staken de Israelieten over? Wie volgden hen ? Hoe verschrikte God de Egyptenaren? Wat beval Hij toen aan Mozes te doen? Wat overkwam den Egyptenaren? Wat bewees dit aan de kinderen Israels? Hebben wij nu nog een grooten vijand ? Wie is dat? Wie heeft hem eens overwonnen ? Wat moeten wij doen, zoo wij hem willen overwinnen ? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

Toen de Israelieten hunne vijanden dood aan den oever der zee achtergelaten en hunne dankliederen aan God opgezonden hadden, vervolgden zij hunnen tocht. Zij moesten eene groote reis doen, en vele jaren zouden verloopen, voordat zij het beloofde land bereikten. Zij zouden op hunnen weg veel moeielijk-heden en onheilen ontmoeten, maar wie was hun Aanvoerder ? Die eerste moeie-lijkheid deed zich weldra zien.

Toen zij de Roode Zee achter zich lieten, kwamen zij in de woestijn Sur. Eene woestijn is eene eenzame, woeste plaats, vol zand en met weinig boomen en water. Het is er zeer heet en de reiziger lijdt er grooten dorst. Eindelijk kwamen zij te Mara. Daar vonden zij tot hunne blijdschap een helderen waterpoel. Kunt gij u niet voorstellen, hoe zij daar aan den oever nederhurkten om te drinken? Maar hun wachtte teleurstelling. Lees Exod. XV : 23. Waarom konden zij niet drinken ? Mara betee-kent „bitterheid.quot; Wat deden zij ? Zie vers 24. Het was natuurlijk dat zij teleurgesteld waren, maar hadden niet moeten murmureeren, doch geduldig en vol vertrouwen tot Hem moeten gaan, om hen te helpen. Mozes ging tot God en de Heere zeide hem, wat hij doen moest.

Lees vers 25, 26. Wat gebood God hem te doen? Wat gebeurde er, toen hij er het hout in had geworpen? Wat dronk het volk toen gretig van het water, door de liefderijke zorg van hunnen Hemelschen Vader zoet geworden ! Toen gaf God hun ook eene belofte. Welke was die? Zie het laatste gedeelte van vers 26. „Ik zal geene van de krankheden,quot; enz. Er was eene voorwaarde bij die belofte, iets, dat zij doen moesten. Welke was die? Maar indien zij dit slechts deden — zich toonden Zijn volk te zijn door aan Zijne geboden te gehoorzamen — konden zij zeker zijn, dat Hij hen tegen alle kwaad behoeden en hun alles geven zou, wat zij behoefden. Er is nog eene andere les te leeren uit de geschiedenis van dit bittere water. Hoe werd het zoet gemaakt ? De boom, door welken de Heere het zoet maakte, is de voorstelling van het Kruis van Christus, waardoor de zonden der menschen worden weggedaan — hun leven zoet, dat is gelukkig en goed wordt gemaakt» Laat ons zien, hoe dit is. Stel u voor eene groep kinderen, die tevreden met elkander spelen — allen zijn vroolijk en vermaken zich, tot een hunner een ander spel wil spelen — de anderen wijzen dit norsch af, er vallen driftige woor-


ocr page 74

6o

den, misschien volgen er slagen — de pret is voorbij — ontevreden, booze gezichten vertoonen zich, het spel is verbroken ; waardoor? Ja, door de zonde. Of een huiselijke kring, waar ouders en kinderen in het genot zijn van eene goede gezondheid, heeft overvloed van voedsel, eene aangename woning — toch wordt dit alles verstoord door de booze luimen van den een, of de eigenzinnigheid van een ander. Zoo worden hier de zoete wateren bitter gemaakt door de „zonde.quot; Wanneer dan ziekte komt en men gevoelt zich zeer krank, waardoor ontstaat dan de vrees voor den dood? Door hunne zonden. Zoo brengt ten allen tijde de zonde bitterheid. Wie is er dan gestorven om de zonde weg te nemen, die den mensch bekwaam maakt om hunne zonde te overwinnen en de vrees voor den dood weg te nemen ? Jezus Christus. En waaraan stierf Hij ? Daarom worden door het Kruis het bittere water zoet gemaakt, onze droefheid in blijdschap veranderd. [Dzt zal waarschijnlijk meer uitbreiding ver-eischen dan de plaatsruimte ons hier toelaat.]

Toen de Israelieten van het genezen water gedronken hadden en zich ver-frischt gevoelden, zetten zij hunnen tocht voort en kwamen weldra aan eene aangename plaats, Elim genaamd, waar zij twaalf waterbronnen en zeventig palmboomen vonden. In deze verkwikkende schaduw sloegen zij hunne tenten op en vertoefden er eenigen tijd; maar dit kon niet lang hunne rustplaats zijn. [Lees den kinderen hoofdst. XVI: i voor.] In deze woestijn werden zij door eene andere ramp bezocht: zij hadden geen brood. Waarschijnlijk was alles, wat zij uit Egypte hadden medegebracht, opgeteerd. Hier in de woestijn konden zij geen ander koopen. Hier woonden geene menschen — hier groeide geen koorn. Wat hadden zij moeten doen? Zie of zij dit deden. Leesvers 2j 3» Tegen wien murmureerden zij? Wat wenschten zij dat gebeurd was ? Denk aan hun vroegeren wensch om tot de slavernij terug te keeren! Hoe ondankbaar schijnt dat, na al Gods goedheid! Vervallen wij ooit tot zulk eene zonde ? Hooren wij niet dikwijls kinderen zeggen, dat zij mooier kleederen, lekkerder voedsel, enz. wenschen te hebben, dan zij hebben? Maar wie heeft hen in dien stand geplaatst ? Als zij dan morren, hun lot zeer hard vinden, tegen wien morren zij dan? Zij hebben ook vergeten, evenals de Israelieten, alles wat God hun gegeven heeft — gezondheid, voedsel, vrienden, en nog grooter zegen — Christus om hen zalig te maken, den Hemel in 't vooruitzicht, den Heiligen Geest om hen te helpen!

Wij zouden ons niet behoeven te verwonderen, zoo God dit ondankbaar volk liet lijden. Maar neen! Hij bleef toch goed en liefderijk. Lees vers 4, 5. Wat zeide Hij te zullen zenden? Op welken dag moesten zij tweemaal de hoeveelheid van andere dagen inzamelen ? De Tien Geboden waren toen nog niet gegeven, maar de wet van op den Sabbat te rusten was reeds ingesteld, toen God de wereld geschapen had, en op den zevenden dag gerust had. Toen spraken Mozes en Aaron tot het volk. [Lees den kinderen vers 6—10 voor.] Wat zeide Mozes hun aangaande hun murmureeren ? Wat gebood hij hun te doen ? Zij moeten gesidderd hebben. Een last kwam, maar niet van gramschap, ofschoon de woorden bewezen, dat God hunne ontevredenheid gehoord had.

Lees vers 11 —14. Wat zond de Heer hun des avonds ? Kwakkelen zijn vogels — deze dienden hun tot vleesch-spijs. Wat des morgens? Dit was het brood uit den hemel. [Lees den kinderen vers /5—20 voor\ Hoeveel moest elk verzamelen ? Gulzigheid was hun verboden. Zij moesten slechts voor éenen dag inzamelen, en het voor den dag van morgen aan God overlaten. (Geef 07is heden, e?iz) Wat gebeurde er met hetgeen overbleef? [Lees den kinderen vers 21—30 voor.] Waarom bleef het manna van den zesden dag goed ? Wat - gebeurde er met hen, die op den zevenden dag uitgingen ? Er moest ook een gedeelte van het manna bewaard blijven om het aan hunne kinderen te doen zien, opdat dezen het


ocr page 75

6i

weten zouden dat de Heere hen van uit den hemel gevoed had. \Lces den kinderen vers 32—J5 voor^\ Hoeveel jaren aten zij manna ? Zij konden geen gebrek aan spijzen meer hebben, maar nu kwam er weder een tijd, dat zij gebrek aan water hadden.

\Lees den kinderen hoofdst. XVII: /, 2 voor^\ Wederom murmureerde het volk. Zie wat zij verder zeiden. Lees vers 3. Weder bracht Mozes zijne moeite tot den Heere. \Lees den kinderen vers 4, 5 voor.] En lees nu Gods belofte aan hem. Vers 6. Zoo bracht Gods almacht uit een dorren steen zuiver water te voorschijn! Zie, boe goed en groot Hij is! Onze les leert ons vandaag hoe Gods Voorzienigheid voor Zijn volk zorgt. Geeft Hij ook ons niet wat wij behoeven? [Laat ieder kind iets opnoemen, dat God geefti\ Dus moeten wij altijd naar Hem opzien, op Hem vertrouwen, tevreden met en dankbaar zijn voor wat Hij ons geeft.


LES XXIX. De Wetgeving.

Te leeren: Matth. XXII : 37—39; Psalm 19 : 6.

Herhaling van de vorige les. — Hoe heette de plaats, waar de Israëlieten het eerst kwamen, nadat zij de Roode Zee achter zich hadden gelaten ? Waaraan hadden zij toen groote behoefte? Hoe was het water daar? Wat zeide God aan Mozes dat hij doen moest? Wat gebeurde toen? Welke belofte gaf God hun daar? Waarvan was die boom het zinnebeeld? Waarom is het Kruis van Christus gelijk aan dien boom? Wat vonden zij te Elim? Bij welke volgende gelegenheid murmureerde het volk weder ? Wat zond God hun voor spijs? Wat voor brood? Hoeveel moest elk inzamelen ? Wat werd hun gezegd aangaande het overlaten? Wat deden sommigen, en wat gebeurde toen met het manna? Wanneer moesten zij eene dubbele hoeveelheid inzamelen? Waarom? Wat deden eenigen? Vonden zij dan manna? Wat werd Mozes bevolen met een potvol te doen? Waarover murmureerde het volk kort daarna ? Hoe gaf God hun water ? Wat was hunne zonde bij al die gelegenheden ? Zorgt God voor ons ook ? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

Wij zagen in de vorige les, hoe God voor Zijn volk als een Vader zorgde, en hen zelfs droeg niettegenstaande hun ongeduld en ontevredenheid. Nu zullen wij lezen, hoe Hij handelde als hun Koning, voor hen strijdende in het gevecht en hun wetten gevende.

Lees Exod. XVII : 8. Wie kwam op tot den strijd ? Amalek beteekent „de bevolking van Amalek,quot; Amalekieten ge-heeten. Het waren sterke mannen, goede soldaten. Waren dit de Israelieten ook ? Neen, zij waren hoofdzakelijk herders. Zie nu wat zij deden, toen zij deze woeste mannen tegen zich zagen opkomen. Lees vers 9, 10. Wien zond Mozes om het volk aan te voeren ? Mozes streed zelf niet mede. Waarheen ging hij? Wat had hij in zijne hand? Dit toont

aan, dat hij van God hulp verwachtte, bedenkende de wondervolle dingen, die God vroeger door dien staf gewrocht had. Wie was bij hem? Daar bad hij voor het volk; zie nu den uitslag. Vers 11 —13. Wat gebeurde als Mozes zijne handen omhoog hief? Wat, wanneer hij ze liet zinken? Waarom was het moeielijk voor hem ze steeds op te houden ? Zij werden bezwaard ; hij was een oud man. Hoe hielpen hem toen Aiiron en Hur? En wie overwonnen — de Israelieten of de Amalekieten? Was het inderdaad door het opsteken der handen dat de Israelietische herders machtiger waren dan hunne woeste vijanden? Neen; het was Gods macht, — als een antwoord op het onderworpen, i aanhoudend gebed. Hetzelfde is nog


ocr page 76

62

waar. Welke zijn onze vijanden ? De satan, de zonde, enz. Hebben wij tegen de zonde, als drift, baatzucht, vloeken, enz. te strijden, dan schijnt het zeer moeielijk om die te overwinnen; wij doen ons best, maar bezwijken. Wat moeten wij doen ? Niet ééns of tweemaal bidden, maar aanhouden — dan is het zeker, dat God ons Zijne kracht geeft om te kunnen overwinnen. Het volgende hoofdstuk deelt ons mede, dat Mozes' schoonvader Jethro hem zijne vrouw en twee zonen bracht, die bij hem geweest waren gedurende den tijd, dat Mozes de Israelieten uit Egypte voerde. Jethro zag welk eene zware taak Mozes had om alleen het volk te richten. \Lees den kinderen hoofdst. XVIII : 13—22 voo/'.] Mozes volgde zijn wijzen raad. [Lees nu vers 23—26 voor.']

Nu komen wij aan den tijd, toen God aan het volk wetten gaf om die te houden. Toen God aan de Israelieten Zijne wetten gaf, begon Hij met hun te zeggen, dat Hij hen tot een afgezonderd volk zou maken, boven al de koninkrijken der aarde. [lees den kinderen hoofdst. XIX : 1—6 voor.] Wat zeide Hij, dat zij zijn zouden? Ja, zijn bijzonder eigendom.

Ook een „koninklijk priesterdom,quot; — een „heilig volk.quot; Priesters zijn zij, die de offeranden aan God brengen — Gods dienstknechten. Zoo de kinderen Israels dit wilden zijn, moesten zij een goed volk wezen, en daarom zou God hun wetten geven om die te houden; maar eerst wilde Hij hooren of zij gezind waren naar die wetten te luisteren en die te gehoorzamen. [Lees den kinderen vers 7, 8 voorï] Voordat die wetten gegeven werden, moest er eene plechtige voorbereiding zijn. [Lees htm vers g—13 voor.] Zij hadden twee dagen ter voorbereiding. Toen dit geschied was, en de derde dag aanbrak, was het volk vol verwachting — over de dingen, die het zien en hooren zou.

Lees nu vers 16, 17. Wat zagen zij ? Wat hoorden zij ? Welk een indruk maakte dit op het gemoed des volks? Zij waren toen in de legerplaats (in tenten) — maar waar bracht Mozes hen? Daar stonden zij allen aan den voet van den berg, gingen niet hooger, want wat had God hun geboden? Eene dikke wolk bedekte den top. Maar weldra zagen zij iets wonderbaars. Lees vers 18, 19. Hoe daalde de Heere neder? Zij zagen Hem niet, maar zij zagen eene helder brandende vuurvlam op den berg nederdalen en wat gebeurde met den berg? Wat hoorden zij toen weder? Geene bazuin door menschen geblazen, maar de bazuin eens engels — weinige woorden van Mozes — en eene stem van God. Wij kunnen begrijpen, hoe het volk daar stond, van vrees bevangen, maar God vreesde dat zij door de omheining om den berg zouden komen en toesnellen om den Heere te aanschouwen. Weet gij waarom zij dit niet moesten doen ? Zij zouden gedood worden — Gods heerlijkheid en heiligheid waren te verheven voor zondige menschen om te aanschouwen en dan nog te leven. Terwijl zij daar allen in ademlooze stilte stonden, sprak God weder tot hen uit de wolk en het vuur, en gaf hun Zijne wetten, die wij de Tien Geboden noemen.

Lees hoofdst. XX : 1, 2. God begon met hun te herinneren, hoe Hij hen gevoerd had — waaruit ? Nu had Hij hen vrij gemaakt. Had Hij dan niet bovenal recht op hunne liefde en gehoorzaamheid ? Wat gebood Hij hun dan allereerst? Lees vers 3. Dat God bij hen de eerste moest zijn, in wien zij geloo-ven, dien zij vreezen en liefhebben moesten meer dan eenig mensch — ah in den eenigen waren God. Daarop zeide Hij hun, hoe zij zich jegens Hem op andere wijze gedragen moesten. [Laat den kinderen het 2?, 3e en 4egebod opzeggen.] Wat wordt in het 2e gebod verboden? Wat in het 3e? Dat wil zeggen dat de Heere moest geëerd en vereerd worden. Wat schrijft het 4e gebod voor ? Wat lazen we hieromtrent in de laatste les? [Indien de kinderen de plichten omtrent God en de naasten kennen, zal het goed zijn hen daarop te wijzen, maar hier is niet getracht eene gehecle verklaring van de gebo-


ocr page 77

63

den elk in het bijzonder te geven.^ De eerste plicht der Israelieten was omtrent God — maar de volgende? Omtrent den naaste, dat is omtrent andere menschen, niet waar? Wie worden het eerst genoemd onder de plichten jegens den naaste ? Onze vader en moeder. Lees nu het 12e vers — het vijfde gebod. Hoe kan dit gehouden worden? De andere geboden {zeg ze op) geven aan, wat jegens anderen verboden is. Zijn deze geboden ook aan ons gegeven, of alleen aan de Israelieten, aan wie ze het eerst gegeven werden ? Hoe weten wij dat ze ook voor ons zijn bestemd? Omdat alle ware Christenen, Gods volk zijn, daarom moeten zij Zijne wetten houden. Jezus Christus leerde ons dat.

indien wij God en onzen naaste waarlijk liefhebben, wij in staat zijn zouden deze geboden te houden.

Nog iets. Wij hebben heden van een ontzagwekkend tooneel gelezen. Toen het volk daar rondom den Sinaï stond, en de Heer in de vlam des vuurs nederkwam, met donder en bliksem, toen kwam Hij neder om de wet te geven. Zal er nog eenmaal zulk een tooneel plaats grijpen ? Ja, in den Oordeelsdag — wanneer Hij komen zal om niet alleen den Israelieten, maar de geheele wereld te vragen, hoe zij die geboden gehouden hebben ! Laat ons op dien tijd voorbereid zijn door het hartelijke gebed: „Heere, ontferm U onzer, en schrijf al Uwe geboden in onze harten!quot;


LES XXX. De Wet aangenomen.

Te leeren: 2 Cor. IX : 7 ; Gez. 60 :1.

Herhaling van de vorige les. — Wie deden den kinderen Israels den oorlog aan ? Wien verkoos Mozes als hun aanvoerder? Wat deed hij? Wat gebeurde er als hij zijne handen omhoog hief? En als hij ze liet zakken ? Waarom was het mceielijk voor hem ze omhoog te houden ? Wie hielden ze voor hem op ? Aan welken kant was de overwinning? Wie kwam kort daarna Mozes bezoeken? Welken raad gaf hij hem aangaande het volk te richten ? Bij welken berg kwamen de Israelieten daarna ? Wat zeide Mozes hun dat zij zijn moesten ? Waartoe moesten zij zich voorbereiden ? Hoe geschiedde dit? Wat werd hun omtrent den berg gezegd? Waarom mochten zij dien niet aanraken ? Wat hoorden zij op den derden dag ? Wat zagen zij ? Waarom geschiedde dit alles, toen God de Tien Geboden gaf? Wat is het eerste gebod? Hoeveel zijn er, die ons op de plichten jegens God wijzen? Hoeveel leeren ons de plichten jegens den naaste? Moeten wij die geboden houden, evenals de Israelieten ? Waarom ? Wanneer zullen eens weder alle menschen voor God verschijnen? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

Behalve de Tien Geboden, die aan alle menschen gegeven zijn, om die te houden, waren er nog andere wetten, uitsluitend voor de Hebreërs. Toen de Heere dezen aan Mozes gegeven had, sloot Hij opnieuw een plechtig verbond met de kinderen Israels.

Lees Ex. XXIV : 1, 2. Wie verlangde de Heere, dat den berg beklimmen zou ? Wat zou er geschieden ? Wie alleen mocht naderen? Lees vers 3. Wat zeide het volk? Dat was goed, maar die belofte moest op nog plechtiger wijze gegeven worden. Er moest iets geschieden, dat hun die belofte aan God moest herinneren. Laat ons zien wat het was. Lees vers 4—8. Wat is een verbond? Eene overeenkomst tusschen twee partijen. [ Opheldering. — Tusschen heer en knecht, elk belooft iets, — de een te arbeiden, de ander het loon. Tusschen een koning en zijn volk — hij belooft met verstand te regeere?i, zij hem te gehoorzamen^


ocr page 78

64

Gij weet, wat God aan de Israelieten beloofd had. Wat was dat? Hem als Zijn eigen volk aan te nemen, enz. Bovendien had Hij hun beloofd hen nu te helpen. [Lees den kinderen hoofdst. XXIII: 20—31 voor^\ Deze woorden werden tot Mozes gesproken, nadat God hem de Tien Geboden gegeven had. Wat was er geschied om ze hun te doen onthouden ? [Zie hoofdst, XXIV vers 4.] Dit was dan Gods deel van het verbond. Zijne beloften. Wat was dat van het volk? Zie vers 7. Wat beloofden zij? En zie nu, wat er geschiedde om dit verbond te bevestigen. Wat bouwde Mozes ? Hoeveel kolommen? Waarom? Wat werd geofferd? Wat deed Mozes met het bloed ? Dcrk nu eens, waarvoor dit was. Waarvan waren alle offeranden de voorstelling ? Om den mensch te doen denken aan — wat? Het was slechts door den dood van Jezus Christus, dat men vergeving kon ontvangen, alleen tot God kon naderen, om Zijn volk te zijn. Dit was zoowel voor Zijn dood als later en elk offer was een beeld van Zijnen dood. Daarom werd het bloed op het volk gesprengd om te toonen, dat zij door Hem zouden behouden worden. Weet gij waardoor zij behouden werden vóór de sprenging des bloeds ? Heeft God met ons een verbond gemaakt? Wanneer? Wie deed toen de belofte voor ons ? Wat werd beloofd ? [Zie het formulier vjd, Doop.\ Wat is het aandeel van God in het verbond des doops? Hij maakt ons tot kinderen Gods, erfgenamen van het koninkrijk der hemelen, lidmaten van Christus. Wordt er ook bij den doop bloed gesprengd ? Waarom niet ? Omdat Christus Zijn bloed heeft gestort, behoeven wij nu geene zinnebeeldige voorstelling er van. Toch wordt er een uitwendig teeken gebruikt. Wat is dat ? Besprenging met water — het teeken des Kruises op het voorhoofd — om wat te toonen ? Dat onze zonden afgewasschen zijn door het bloed van Jezus — door Zijnen dood aan het Kruis. Xog iets meer. Toen het voik zijne belofte aan God deed, zooals wij zooeven gelezen hebben, meent gij, dat de jonge kinderen die ook deden'? Wie deed het voor hen ? Werden zij dan niet tot Gods volk gerekend ? Waren zij niet gehouden deze belofte te volbrengen ? Strekten ook Gods beloften zich niet tot hen uit? Zoo is het ook bij ons — ofschoon wij zeiven die belofte niet gedaan hebben, zegt de Catechismus: „want mitsdien zij (de kinderen) zoowel als de volwassenen in het verbond van God en in Zijne gemeente begrepen zijn,quot; enz. (ant7v. op vr. 74). Wij zullen zien, als wij verder lezen, dat hetzelfde volk, dat die belofte deed, haar verbrak, en daarom het beloofde land niet binnen ging; terwijl de kinderen, die te jong waren geweest om die belofte te doen, haar hielden en Gods beloften aan zich vervuld zagen.

[Lees den kinderen vers 12—18 voor.] Wat zcide God dat Hij aan Mozes geven zou? Terwijl hij daar was, leerde God hem vele dingen, die hij het volk moest onderwijzen, en beval hem een tabernakel te maken of tempel, waar de kinderen Israels komen moesten om te aanbidden. Het kon geen tempel zijn op vaste in den grond gebouwde fondamenten. Waarom niet? Omdat de Israelieten niet altijd op dezelfde plaats woonden, maar steeds voorttrokken van de eene plaats naar de andere. Het gebouw werd geen tempel, maar tabernakel genoemd. Ofschoon hij altijd medegevoerd moest worden, moest hij toch zeer schoon, van allerlei kostbare stoffen vervaardigd worden. Nu zullen wij zien van waar die kostbaarheden komen moesten.

[Lees den kinderen hoofdst. XXV : 1—g voor.] Alleen zij, die gewillig waren een offer te brengen, mochten het doen. Er was veel noodig en van verschillenden aard, zoodat ieder in staat was iets te doen. Goud, zilver, koper, purper, scharlaken, fijn linnen, enz. Laat ik u vertellen wat zij brachten. Gouden sieraden. Zij moeten wel veel daarvan gehad hebben, want de Egyptenaren waren gewoon er zeer vele te dragen en gij weet, dat zij aan de Israelieten bij hun uittocht uit Egypte zooveel gaven, als dezen maar verlangden, opdat ze toch spoedig zouden vertrekken. Beiden, mannen en vrouwen,


ocr page 79

65

droegen die sieraden en eene groote menigte kwam tot Mozes om hem armbanden, ringen, oorringen en andere sieraden te brengen. Bovendien bezaten zij zilver en koper in gereedschap en vaatwerk. Ook fijn linnen, rood, blauw, purper en wit, zooals dat in Egypte gemaakt werd. Dat alles bracht het volk, en de oudsten — hoofdmannen — oversten — brachten edelgesteenten, olie — en welriekende specerijen, hetgeen zeer kostbare zaken waren, die het volk niet bezat (Zie ook Ex. XXXV : 27, 28.) Verder was er hout noodig. Sittimhout, hetzelfde, dat wij acasiahout noemen en dat zeer veel op en rond den Sinaï groeide. Dat hout is zeer hard en rot niet; ook moesten de vrouwen spinnen om van het geitenhaar, dat zij van hunne kudden konden verzamelen, eene sterke stof te vervaardigen.

Het sittimhout moest o. a. gebruikt worden om eene ark van te maken, d. i. eene soort kist of koffer. Vers 10. Mozes legde er later op Gods bevel de Getuigenis, d. i. de Tien Geboden, in. Die ark moest met louter goud overtrokken worden van binnen en van buiten (vers 11) en er boven-op moest een zetel of troon zijn — het verzoendeksel — waarop twee gouden engelen (cherubs) moesten geplaatst worden. Kunt gij begrijpen waarom het een verzoendeksel heette? (vers 22.) Daar ontmoette God den mensch, daar was gemeenschap tusschen den Heilige en den gevallene. Beeld van verzoening, wijzende op Christus, onzen Hoogepriester, onzen ge-nadetroon, ons verzoendeksel, waar God den mensch wil ontmoeten.

Een volgenden keer zullen wij meer hooren van dezen tabernakel, van hetgeen er nog meer in kwam en waartoe dat alles diende. Heden hebben wij gelezen van het verbond, dat God met Zijn volk maakte — waaraan doet dit ons denken ? — en van de heilige plaats, die op Gods bevel moest gemaakt worden. quot;Waarom, denkt gij, moest die zoo fraai worden ? Wat noemen wij Gods huis ? De kerk. Is het goed die ook fraai te maken? Waarom? Omdat wij het beste van alles, dat wij hebben, aan God behooren te geven. Maar vergeet daarbij vooral niet, vóór alles uw hart Hem te geven, dat te maken tot een tempel des Heeren, dan zullen wij de gaven voor een stee-nen gebouw, waarin de gemeente 's Heeren lof verkondigt, niet inhouden.


LES XXXI.

Overtreding der Wet. — De Macht der Voorspraak.

Te leeren: Col. 111:23; P5- io3 : 4»

Herhaling van de vorige les, — Wie riep de Heer tot Zich om den berg te beklimmen ? Mochten zij allen tot Hem naderen? Wie alleen? Wat bouwde Mozes, toen hij tot het volk teruggekeerd was? Hoeveel kolommen werden er opgericht? Wat werd op het altaar geofferd? Wat sloot God toen met Zijn volk? Welke waren Zijne beloften? Wat beloofde het volk? Wat deed Mozes met het bloed ? Waarom was dit ? Heeft God ooit een verbond met ons gemaakt? Wanneer? Wat is ons deel aan dat verbond? Wat Gods deel?

Waarheen ging Mozes hierna ? Hoe lang bleef hij daar? Wat zeide God hem, dat hij maken zou? Waarop geleek de tabernakel? Waarom werd hij niet op een vast fondament gebouwd? Noem mij eenige dingen op, die er voor noodig waren. Van waar moesten al die schoone en kostbare dingen komen? Vrijwillige gaven van het volk. Van welk voorwerp hebben wij gelezen, dat in den tabernakel moest komen? Waarom moest de tabernakel zoo schoon zijn ? Herhaal tekst en versje.


5

ocr page 80

SCHETS VAN DE LES.

Hoeveel dagen bleef Mozes op den berg Sinaï ? Wie moesten in zijne plaats het volk Israels richten (regeeren) ? Aaron en de zeventig oudsten. Hadden zij de Tien Geboden niet om hun te leeren, wat goed was? Wat hadden zij beloofd te doen ? Immers die geboden te houden ? Maar overheden, wetten en beloften kunnen het volk niet van d3 zonde afhouden, indien hunne harten niet zoeken God te dienen, en zij niet tegen de eerste beginselen des kwaads waken. Aldus vervielen de Israelieten, toen zij aan zich zeiven overgelaten waren, tot de ergerlijkste goddeloosheid.

Lees Ex. XXXII : i. Wat zeiden zij tot Aaron? Waarom wilden zij, dat voor hen goden (beelden) gemaakt werden ? Veertig dagen is een lange tijd, toch wisten zij wel, waar Mozes was — en onderstel dat Mozes gestorven ware en niet weder zou keeren, was het dan toch Mozes wel, die hen uit Egypte had gebracht? Wie was het? Wat had God hun pas beloofd, bij dat plechtige offer, nadat Hij hun de wet gegeven had? Ex. XX : 24b. Wat hadden zij moeten doen ? Ja, in Zijn Woord geloo-ven — zich verzekerd houden dat Hij voor hen zou zorgen. Reeds begonnen zij eenige der geboden te overtreden — welke twee? Het eerste en het tweede. [Herhaal ze.] Maar Aaron zou aan die goddelooze gedachte geen gehoor geven, denkt gij. Ach! Aiiron dacht er niet aan, hoe hij aan God, maar wel hoe hij aan het volk kon behagen.

Lees vers 2—4. In die landen dragen de menschen veel gouden sieraden — oorringen, armbanden, enz.; en gij weet dat God de Israelieten genade had doen vinden in de oogen der Egyptenaren, zoodat dezen hun veel van die voorwerpen bij hunnen uittocht hadden gegeven. Deze gaven nu van God werden tegen Hem gebruikt! Wat maakte Aiiron van het goud ? Zij hadden de Egyptenaren beelden van dieren, visschen, enz. zien aanbidden, en daar zij Mozes nu niet bij zich hadden om hen aan den waren

God te herinneren, wilden zij het beeld hebben van een kalf. Wat zeiden zij van dezen afgod ? Hoe ontzaglijk snood en ondankbaar! Lees vers 5, 6. Wat zeide Aiiron ? Dit schijnt, alsof zij de aanbidding van God niet geheel wilden verwerpen, maar misschien in het kalf God wilden aanbidden. Zou dit den Heere behagen ? Zonde tegen het 2e gebod. Zij begonnen dus feest te vieren — schenen alles, wat Mozes hun geleerd had, te hebben vergeten en aan zich zeiven overgelaten. Maar was er toch niet Een, die hunne zonden zag? Mozes wist er niets van, maar wie zag en wist het? \Lees den kinder en vers 7—10 voor De Heere was natuurlijk zeer misnoegd over het volk. Wat zeide Hij te zullen doen? „Hen verterenquot; — dat is doo-den — en Mozes tot een groot volk maken. Weet gij, wat dat beteekent? Herinnert gij u, hoe Hij die belofte aan Abraham gedaan had ? Hoe had Hij die belofte vervuld? Gij denkt misschien, dat Mozes zeer verblijd was, toen hij dit hoorde — eene groote eer voor hem — de vader te zijn van Gods volk! Ik zal u zeggen, wat hij zeide. [Lees den kinderen vers 11—14 voor.\ Wat deed hij ? Hij bad voor het volk, vroeg aan God het te vergeven — het niet te verdelgen. Herinnerde hij God aan Zijne belofte — aan wien gedaan ? Hij dacht niet aan zich zelf, maar aan het volk — was geheel onbaatzuchtig. Verhoorde God zijn gebed? Lees nu vers 15, 16. Wat had hij in zijne hand? Waarvan waren die tafelen gemaakt? Van steen. Wat stond op deze tafelen geschreven? Waarom was steen beter dan papier, hout of ijzer, om er de geboden op te schrijven? Voorzeker omdat zij duurzamer zijn. Wie had ze geschreven ? (vers 16.)

Toen Mozes van den berg afkwam, hoorde hij een geraas — gelach en gejuich. Wat was dat? Lees vers 19. Wat zag hij ? Het volk, dat eenstemmig beloofd had : „Al wat de Heere gespreken heeft, zullen wij doen en gehoorzamen,quot; knielde nu neder voor een gouden kalf!


ocr page 81

6;

En dat zij geen berouw gevoelden over hunne zonde, bewees hun lachen en juichen. Hoe gevoelde Mozes zich ? Wat gebeurde met de twee steenen tafelen? Zie nu, wat hij daarna deed. Vers 20. Dit was om aan het volk te doen zieo, dat het kalf geen god was, maar een zielloos beeld. Toen zij dat water dronken, vermengd met het stof van hetgeen zij aangebeden hadden, moeten zij gevoeld hebben, hoe dwaas zij geweest waren. Zij moeten begrepen hebben dat, indien het gouden kalf in waarheid een god geweest was, Mozes gecne macht zou gehad hebben het tot stof te vermalen. Toen verweet Mozes aan Aaron zijne zonde, dat hij dit gouden kalf gemaakt had. [Lees den kinderen vers 21—24 voor.] Op wie wierp Aaron de schuld? Op het volk; maar had hij moeten doen, wat zij hem gevraagd hadden ? Hij vreesde misschien het volk — dacht dat het tegen hem zou opstaan, zoo hij niet deed, wat zij verlangden — maar wien moest hij gevreesd hebben ? Aldus overtrad hij het eerste gebod — het volk was hem als zijn god. De straf zou komen, en nu moest men zien, wie aan God getrouw wilde blijven.

Lees vers 26, 27. quot;Wat zeide Mozes? Wie kwamen tot hem? De zonen van Levi waren zij, die behoorden tot den stam of het geslacht van Levi. Wat beval hij hun te doen? Wasditmoeie-lijk of gemakkelijk ? Zonder twijfel zeer moeielijk — hadden zij hunne broeders, hunne metgezellen niet lief? [ Voorbeeld.— Een soldaat in oorlogstijd is ongehoorzaam aan de gegeven hevelen en handelt bovendien in lijnrechte tegenspraak niet den hem opgelegden plicht. Hij komt voor dc7i krijgsraad, wordt veroordeeld tot den dood. Nu worden eenigen van zijne krijgsmakkers, aan wier zijde hij eenmaal streed, met wie hij lief en leed deelde, en waaronder misschien zijn, die hem liefhebben, aangewezen, hun ka?neraad dood te schieten. Treurige plicht, jnaar toch .-plicht is het]. Ofschoon bevreesd hen te dooden, was het toch goed — het was Gods bevel. Zoo ontving God een bewijs van volstrekte gehoorzaamheid aan Hem, waarvoor zij later groote eer ontvingen boven alle andere stammen.

Op dien dag werden er 3000 gedood, maar zij hadden het zich door hunne goddeloosheid op den hals gehaald. Deze Levieten waren van denzelfden stam als Mozes, en waren, evenals hij, aan den dienst van God getrouw gebleven, zelfs toen Hij hun beval eene moeielijke taak te volbrengen. Later zult gij meer van hen lezen. Mozes moest, op Gods bevel, het volk straffen, maar toch had hij het nog lief.

Lees vers 30. [Lees den kinderen vers 31—33 voor.] Mozes beleed hunne zonden ; wat bad hij ? Zelfs vroeg hij of, zoo God hun niet vergeven wilde, hij zelf uit het boek Gods mocht weggedaan worden. Hij had hen zoo lief, dat hij het niet verdragen kon behouden te worden zonder hen, of wenschte misschien in hunne plaats gestraft te worden. Wat antwoordde God ? Lees vers 34. God verhoorde zijn gebed en beval hem het volk verder te leiden. Wie, zeide hij, dat aan hunne spits zou optrekken ? Evenwel zouden zij voor hunne zonden boeten. De Heere had beloofd de Israëlieten niet te zullen verdelgen, maar dreigde hen, ook niet langer met hen te zijn, als te voren. [Lees den kinderen Exod. XXXIII: 1—4 voor.\ Toen bad Mozes weder tot God. (Vers 12—/7.) Zoo verhoorde God in Zijne goedheid niet alleen dit gebed, maar beloofde ook met Zijn getrouwen dienstknecht en het volk te zijn, dat Hij zich had uitverkoren, ondanks hunne goddeloosheid, nu zij berouw hadden betoond. Er zijn twee groote lessen in hetgeen wij heden gelezen hebben. (1) Hoe kwam het, dat de Israelieten tot die groote zonde vervielen ? Omdat hun dienst oogendienst was — zij steunden op Mozes om hen in den rechten weg te houden — vreesden God niet boven alles — dachten niet aan Zijn alziend oog. Ook wij zullen in vele zonden vallen, zoo wij alleen het goede doen om onzen ouders, onderwijzers of heeren te behagen en God vergeten. [Helder dit op uit het leven in huis, school of dienst.] (2) Zie de macht van het gebed voor anderen in hen, die zeiven God dienen.


ocr page 82

68

LES XXXII.

Afstralende Heerlijkheid. — De Tabernakel voltooid.

: 3*

Tc leeren: Hebr. IX: n, 12; Gez.

Herhaling van de vorige les. — Hoeveel dagen bleef Mozes op den top van den Sinaï ? Wat vroeg het volk in dien tijd aan Aiiron? Waarvan maakte hij den afgod ? Wat stelde hij voor? Wat zeide de Heere te zullen doen, toen hij dit zag ? Wenschte Mozes dat Hij dit deed ? Aan wien maakte hij den Heere gedachtig in zijn gebed voor het volk? Wat hoorde en zag hij, toen hij van den berg afkwam? Wat had hij in zijne handen ? Wat gebeurde daarmede ? Wat deed hij met het gouden kalf? Waarmede verontschuldigde zich

Aaron, toen Mozes hem berispte over hetgeen hij gedaan had ? Wat zeide Mozes tot het volk? Wie verklaarden zich, aan den Heere getrouw te blijven? Wat beval hij hun te doen ? Hoevelen werden er gedood ? Had hij gelijk of ongelijk? Wat deed Mozes toen voor het volk ? Hoorde God naar hem ? Wat zeide God eerst dat Hij doen zou? Hij zou immers een engel zenden en Zelf niet met hen gaan ? Waarom bad Mozes ? Werd zijn gebed verhoord? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

[Bij de voorbereiding voor deze les zal de onderwijzer voel doen Ex. XXXIV— XL te hestudeeren in verband met Hebr. IX, X.]

Na de zonde des volks en zijne straf, beval God aan Mozes twee steenen tafelen opnieuw te houwen, en weder cp den top van den berg Sinaï te komen, opdat Hij andermaal de Tien Geboden voor de Israelieten schrijven zou. Mozes deed dit, en bleef daar weder veertig dagen en veertig nachten. Daar bad hij voor Aiiron (dat zijne zonde van het gouden kalf gemaakt te hebben mocht vergeven worden) en voor het volk, en God leerde hem vele dingen, en toonde hem Zijne heerlijkheid.

Toen de veertig dagen om waren, kwam Mozes van den berg weder af. [Lees den kinderen Exod. XXXIV: 2g—35 voorï\ Wat blonk er? Hoe kwam dat? Omdat hij in Gods tegenwoordigheid geweest was — het licht van Gods heerlijkheid omstraalde hem nog. Wat deed Mozes ? Hoe nadert de mensch nu tot God? In het gebed en in het lezen van Gods Woord, dat is alsof men naar Zijne stem luistert. Zij, die dit dikwijls doen, toonen dit in hun leven. Blinkt het gelaat dan ook ? Neen, maar zij toonen in hun gedrag — zachtmoedigheid, vriendelijkheid, waarheidsliefde, een eerlijken handel, gehoorzaamheid, enz. — dat zij met God geweest zijn.

[Als voorbeeld dient de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes, verhaald in Hand. IV: 1—/J.]

En nu zou het groote werk, dat God aan Mozes geboden had, beginnen. Lees Exod. XXXV : 30—35.

God had twee mannen aangewezen, Bezaleël en Aholiab, om het voornaamste deel van het werk te doen en de anderen daarin te onderwijzen. Wel hadden de Israelieten verschillende werkzaamheden in Egypte geleerd, die hun nu te pas kwamen, [ Wijs er op dat ook daarvoor de slavernij in Egypte goed was geweest. — Die onder Gods hoede leeft, werkt alles mede ten goede, dikwijls, ja vooral, hetgeen voor kwaad wordt aangezien^ maar het werk, dat zij nu doen moesten, was van geheel verschillenden aard. Zij stonden in dienst van God, en moesten nauwkeurig alles doen zooals God het Mozes had getoond. God gaf daarom Zijn H. Geest, die hen leidde en de bekwaamheid gaf om alles volkomen naar het model af te werken. Nadat het volk dag aan dag zijne gaven had gebracht, was er zooveel ingekomen, dat er genoeg, ja, over was en het volk moest worden aangezegd dat het moest ophouden meer te brengen. Welk een


ocr page 83

69

-offervaardigheid! Wat zal God met welgevallen hebben neergezien op zooveel liefde voor een Hem te bouwen huis! Laat ik u nu iets vertellen over de dingen, die gemaakt werden. Allereerst de tabernakel of „woonstede.1' Naar dien tabernakel moest het volk opkomen om tot God te naderen. De tabernakel was gemaakt van sittimhout, dat met goud bedekt werd. De planken werden rechtop gezet en verbonden door andere planken, kruiselings en dwars daarover. Gordijnen van blauw, purper en scharlaken kunstig geborduurd werden daarover gelegd. Daarover werd eene tent gemaakt (Ex. XXVI: 7 en Ex. XL: 19), die hem geheel bedekte en die, evenals andere tenten, van geitenhaar gemaakt was. Bovendien werden over die tent nog twee gordijnen als deksel gemaakt, éen van roodgeverfde ramsvellen en éen van dassenvellen daarover (Ex. XXVI: 14 en XXXVI: 19.) Met dassenvellen gelooft men, dat bedoeld is, het vel van eene soort zeehond, die in de Roode Zee wordt gevonden.

Verder moest de ark gemaakt, waarvan gij de beschrijving reeds vroeger hebt gehoord (zie les XXX.) [Vraag wie het nog weet en wat de heteekenis er van zsj] In die ark legde Mozes de „Getuigenisquot;, d. i. de wet, eene met manna gevulde kruik en werd later ook Aarons staf, waardoor God zoo groote teekenen gedaan had, gelegd. Dan eene tafel, de tafel der toonbrooden, ook van sittimhout, en met goud overkleed. °Ook moest er een gouden kandelaar gemaakt, met zeven armen, éen rechtop naar boven en drie in gebogen vorm aan iederen kant daarvan, en een klein altaar — het reukofferaltaar, ook met goud overtrokken. Al die voorwerpen werden gedragen op staven van sittimhout. Dan moest er nog een groot koperen altaar .gemaakt— het brandofferaltaar — en een koperen waschvat tot reiniging van de priesters, die hunne handen en voeten er in waschten. Rondom den tabernakel stonden koperen pilaren, bedekt met gordijnen, die eene open plaats of afgesloten ruimte vormden rondom den tabernakel.

Ten slotte moesten er nog kleederen voor de priesters gemaakt worden en een prachtig kostbaar kleed voor den hooge-priester. (Ex. XXXIX : 2—5, 6, 7, 14.) De priesters waren om de offers te brengen en den dienst waar te nemen. De stam van Levi werd gekozen om de priesters in de bediening van hun ambt bij te staan — afbreken, vervoeren en opbouwen van den tabernakel — toonbrooden gereed maken — muziek maken. Alleen de mannen uit Aiirons geslacht waren erfelijk priesters en Aaron zelf — hun hoofd — hoogepriester. De borstlap, die door Aaron gedragen moest worden telkens wanneer hij eenig deel van dienst waarnam, was een teeken, dat hij als priester dit deed in plaats va7i en voor het volk. Daarom waren de twaalf namen der stammen op de steenen gegraveerd.

Ten laatste was het werk gereed en werd de tabernakel op den eersten dag van het nieuwe jaar opgezet. De ark werd er in geplaatst en vóór de ark werd een dik gordijn gehangen, het „voorhangselquot; genoemd, dat den tabernakel in twee deelen scheidde. Het deel, waar de ark met het verzoendeksel stond, werd het „Heilige der Heiligenquot; genoemd. Het andere deel het „Heiligequot;. In het Heilige werden de tafel der toonbrooden, de gouden kandelaar en het gouden reukaltaar geplaatst. Op de tafel der toonbrooden werden zes brooden gelegd, die elke week door versche werden vérvan-gen. De gouden kandelaar diende tot verlichting, want het daglicht had nergens toegang, en het altaar diende tot het ontsteken van welriekende specerijen. Een gordijn hing voor den ingang, waarmede tevens de tabernakel gesloten was.

Het groote koperen altaar (brandofferaltaar) werd daarna recht voor den ingang geplaatst en het koperen waschvat tusschen het altaar en den ingang. Eindelijk, nadatookderuimte voor den „voorhof was afgebakend, de koperen pilaren opgezet en de gordijnen er overgehangen waren, stond de tabernakel geheel gereed voor de oogen des volks.

Toen die alzoo geheel gereed was, en alle voorwerpen geheiligd, d. i. afgezonderd, waren voor den dienst des Heeren,


ocr page 84

7°

daalde eene wolk op den tabernakel neder en vervulde de heerlijkheid des Heeren hem. Want dit was de plaats, waar God beloofd had Zijn volk Israel te ontmoeten. Gedurende al de omzwervingen in de woestijn bedekte de wolk den tabernakel, wanneer die was opgezet, en rustte de heerlijkheid des Heeren op het verzoendeksel boven de ark, het Heilige der Heiligen vervullende.

Wat kon het volk van dien prachtigen tabernakel zien ? Niets. Het gordijn vóór den ingang bleef gesloten en het binnenste volkomen verborgen. Zij konden niets dan de dikke buitenste bedekking zien en mochten niet binnengaan, noch ook het gordijn oplichten. Alleen de priester mocht in het Heilige binnengaan, om reukoffers te offeren, de lamp van olie te voorzien en de toonbrooden op de gouden tafel te leggen. De priester kon de ark evenwel niet zien. Niemand dan de Hoogepriester mocht binnen het voorhangsel gaan, dat de ark verborg, en ook die zelfs slechts eenmaal per jaar, wanneer hij het bloed der verzoening voor het volk moest medenemen. Zonder dat bloed kon ook hij niet binnengaan. Aldus leerden de Israelieten, dat zondige menschen ongeschikt zijn te naderen in

LES :

Het verder Optrekken. — Gulz

Te leeren : i Tim.

Herhaling van de vorige les. — Hoe verkregen zij de schoone dingen voor den tabernakel? Waren er velen, die gaven, of alleen de rijken ? Noem mij eenige dingen op, die gegeven werden. Hoe heetten de mannen, die de vervaardiging van den tabernakel leidden ? Hoe hadden de Israelieten dat geleerd ? Op welke wijze was de tabernakel in tweeën gescheiden? Hoe heette het voorste gedeelte? Het Heilige. Wat werd er in geplaatst? De tafel der toonbrooden, de gouden kandelaar, het reukofferaltaar. Hoe heette de andere ruimte ? Het Heilige der Heiligen. Wat bevatte deze? De ark (wat was er in?) met het verzoendeksel. Wat stond in den voorhof? Het brandofferaltaar en

de tegenwoordigheid van den Heiligen God.

Waar diende het z/ö/iè God ? Het volk kwam aan de deur van den voorhof, dierondom den tabernakel was,waar zij het koperen brandofferaltaar konden zien, waarop de offers verteerd werden. Het stond recht vóór den ingang van den tabernakel. Dat leerde hun, dat de weg naar God leidde door den dood van een ander. Wij weten, dat Jezus Christus die weg is. Hij stierf voor ons. Hij is het offer, waarvan de in den tabernakel gebrachte offers zinnebeelden waren. Sedert de Heere Jezus-gekomen is en voor ons is gestorven,, hebben wij geene zinnebeeldige voorstellingen meer noodig. Voor ons geene offers, of wierook, of kandelaars, of welk ander zinnebeeld ook, omdat het een miskennen is van de algenoegzaamheid en volkomenheid der offerande, door Christus gebracht in Zijn kruisdood. Wij aanbidden God niet meer in zinnebeeld en schaduw, maar in geest en waarheid, d. i. werkelijkheid.

Toch is het heel goed uit den Bijbel die zinnebeelden te kunnen leeren kennen, omdat zij ons veel aangaande den Heere Jezus leeren en begrijpen doen, dat anders duister voor ons zijn zou.

* Verlangen en zijne Gevolgen.

VI : 8; Ps. 99 : 1.

het koperen waschvat. Wie werden tot priesters in den tabernakel gekozen ? Hadden zij eene bijzondere kleeding? Wat moest Aiiron op zijne borst dragen ? Waartoe ? Uit welk geslacht moesten de priesters altijd gekozen worden? Welke stam was belast met de zorg voor den tabernakel? Hoe hadden zij getoond, dat zij aan God getrouw waren gebleven? Hoe werden de tabernakel en zijn toe-behooren en de priesters afgezonderd (gewijd) ? Waar rustte de wolk van God,, toen dit alles geschied was ? Wie mocht alleen in het Heilige der Heiligen ? Wie in het Heilige? Waarvan was de dienst in alle opzichten eene afschaduwing ? Herhaal tekst en versje.


ocr page 85

7i

SCHETS VAN DE LES.

Van den tijd af, toen de kinderen Israels nit Egypte togen, werden zij bij dag door eene wolk-, des nachts door eene vuurkolom geleid. Waar bleven nu die wolk en dat vuur? Boven den tabernakel. Zoo toonde de Heere, dat Zijn zegen rustte op het huis, dat Hij hen voor Zijn dienst had laten bouwen.

\Lees den kinderen Nt/m. IX : /5— 23 voorï\ Hoe lang bleven de Israëlieten op dezelfde plaats? Zoolang de wolk boven den tabernakel bleef. Maar wanneer zij zich verhief, wat moesten zij dan doen? Het volgende hoofdstuk (vers 35, 36) zegt ons, welk gebed Mo-zes bad, als de wolk rustte en als de wolk voorwaarts trok. Welk een gelukkig gezicht moet het geweest zijn, het volk in hunne tenten op rijen heinde en ver verspreid te zien, en in het midden den prachtigen tabernakel met zijne gouden kolommen en zijne gordijnen van blauw, rood en wit — boven hem de wolk, die van de tegenwoordigheid des Heeren getuigde, die over het volk de wacht hield — steeds gereed hen tegen elk gevaar te behoeden — en hen daar naar die wolk of dat vuur des nachts te zien opblikken, gelijk een klein kind de hand zijns vaders grijpt, hem in de oogen ziet, zich bij hem veilig gevoelende ! Ja, het waren gelukkige dagen, zoolang de kinderen Israels op God vertrouwden en tevreden waren met wat Hij hun gaf; maar welhaast kwamen zij in verzoeking, aan welke zij geen weerstand boden, en zoo vervielen zij opnieuw tot zonde, gevolgd door onheilen, zooals dit altijd zijn moet.

Lees Num. XI : 4—6. „Met lust bevangenquot; wil zeggen : „verlangden naar iets.quot; Wie werden door lust bevangen? (vers 4quot;!. Gij zult u herinneren dat, toen de Israelieten uit Egypte kwamen, er zich allerlei volk onder hen bevond, dat met hen medetrok: Egyptenaren, die sommigen gehuwd hadden, vrienden, enz. Dezen, hier het gemeene volk genoemd, werden het eerst het manna moede, dat zij nu eenigen tijd gebruikt hadden als eenig voedsel, en verlangden naar — wat ? (Zie vers 4.) Murmureerden de Egyptenaars alleen ? De Israelieten wisten, hoe goed God voor hen geweest was, en dat deze reis door de woestijn slechts voor eenen tijd duurde, waarna zij allerlei spijzen zouden hebben, want het land, waarheen zij reisden, was rijk aan vruchten en bloemen, heerlijke weiden voor het vee, enz., zoodat het gezegd werd „over te vloeien van melk en honig.quot; Hiervan hadden zij tot de anderen kunnen spreken, en hun gemor doen ophouden, maar in plaats hiervan, zwichtten zij ook. In stede van dankbaar te zijn voor het hemelsche brood, gaven zij toe aan hun gulzig verlangen naar iets lekkerders dan wat God had goed gevonden hun te geven.

In de volgende verzen zult gij zien, waaraan het manna gelijk was. Lees vers 7—9. Gij ziet, het was geene oudbakken spijs, maar iederen dag versch. Hoe blijde moeten zij geweest zijn, toen zij het den eersten dag zagen 1 Nu waren zij kieskeurig geworden.

Lees vers 10, 11. Wat gevoelde Mo-zes, toen hij hunne ontevredenheid hoorde ? Wat zeide hij tot den Heere ? „De last van het gansche volkquot; wil zeggen: „zijne klachten en zondig gedrag.quot; Mozes gevoelde, dat hij hun niet geven kon, wat zij wilden. \Lees den kinderen vers 13—17 voor.] Hoe genadig vertroostte God hem, toen hij bijna bezweek door de weerspannigheid der Israelieten ! Wie zeide God dat hij met zich moest nemen om hem te helpen ? Zie nu wat Hij gereed was voor het volk te doen.

Lees vers 18—20. Wat beloofde Hij hun te geven ? Voor hoeveel dagen vleesch beloofde hij hun ? De Heer zou hun geven, wat zij verlangden, maar in plaats van er genot van te hebben, zou het hun een walg worden — zouden zij er een afkeer van krijgen — meer hebben dan zij verlangden. [Opheldering. — Evenals kinderen, die htinne moeder kwellen om iets lekkers en er ziek van worden, of die naar een vermaak reikhalzend uitzien, als naar eene kermis


ocr page 86

te gaan en er dat genoegen niet vinden, dat zij zich hadden voorgesteld.quot;] Maar van waar kwam die spijs ? Mozes was zeer in verlegenheid bij de gedachte, hoe dit zijn kon. [Lees den kinderen vers 2i—23 voor.] Hoe talrijk waren de Israelieten? Hoeveel voedsel zou er voor hen noodig zijn ! Maar God zeide aan Mozes niet te vreezen — Hij kon Zijn woord waar maken, hoe moeielijk het ook scheen. Herinnert gij u, hoe Hij Mozes had getroost door hem te zeggen, dat hij iemand hebben zou om hem in de zorg voor het volk bij te staan ? Nu zullen wij lezen, hoe dit geschiedde.

[Lees den kinderen vers 24, 25 voor.\ Hoeveel mannen werden er gekozen? Waar werden zij geplaatst? Allen rondom het huis Gods. Wat gebeurde toen ? Toen God hun macht en wijsheid gaf, gelijk Hij die aan Mozes gegeven had, profeteerden zij ook — voorzeiden de dingen, die komen zouden, en spraken den last Gods tot het volk. Zoo werden zij in staat gesteld ware leeraren en oversten des volks te zijn. De dag liep ten einde, de morgen was aangebroken — de dag verschenen, waarop het volk het vleesch ontvangen zou, waarnaar het zoo hunkerde. Zie hoe dit geschiedde.

Lees vers 31, 32. Wat zond de Heere ? Ja, een wind. En wat voerde die wind met zich? Kwakkelen zijn eenesoort van vogels. Zij lagen opeengehoopt rondom de legerplaats. Nu was er voor allen genoeg — gij kunt u voorstellen met welke vreugdekreten zij die inzamelden — de gretige haast van elk, om zijn aandeel te krijgen. Misschien bewaarden zij, wat zij niet eten konden, door het te drogen of te zouten. Zij dachten : „nu zullen wij overvloed van smakelijk voedsel hebbenquot; — maar zij vergaten éene zaak — zij genoten Gods zegen niet — en daarom kon die vroolijkheid hun geene ware vreugde zijn.

Lees nu vers 33* De toorn, dat is een groot misnoegen, des Heeren ontstak over hen. Waarmede strafte Hij het volk ? „Eene groote plaagquot; beteekent: „eene zeer ernstige ziekte.quot; De spijs, waarnaar zij zoo verlangd hadden, werd het middel om het volk te straffen voor hunne gulzigheid en maakte hen ziek. Al hun genot was voorbij, velen waren dood of stervende; waartoe diende hun dat voedsel, hetwelk al hunne gedachten had beziggehouden? Eene treurige geschiedenis voorwaar, die wij heden gelezen hebben ! Laat ons zien, wat zij ons leert. Zij leert ons welk eene groote zonde ondankbaarheid, gulzigheid en ontevredenheid is. Wat had het volk te eten, toen het zoo murmureerde ? Ja, manna. Werd het hun schaars toebedeeld ? Was er niet genoeg voor allen ? En waarom dan te morren? Zij verlangden iets, dat lekkerder was dan hetgeen God hun gegeven had.

Vallen wij ooit in die zonde? Wanneer wij morren — niet tevreden zijn met den stand, waarin God ons geplaatst heeft — lekkerder spijzen, fraaier klee-ren, enz. verlangen. Wie heeft ons gegeven, wat wij hebben ? [ Wijs de kinderen er op, hoe hunne ouders voor hen werken — God geeft toch de krachten, den arbeid, enz., dus geeft Hij ook de spijzen.] En tegen wien morren wij ? Deze geschiedenis leert ons ook, hoe te sterk verlangen naar iets tot ongeluk leidt. God heeft ons voor den Hemel geschapen. Hij zal ons nooit geheel tevreden en volkomen gelukkig doen zijn met ons eten, onze kleeren, ons slapen, (gelijk het redeloos gedierte er genot in vindt) anders zouden wij nooit leeren naar hooger te haken. Bovendien is wat God geeft het beste. Het gelukkigst zijn wij zonder twijfel, als wij bij alles wat ons wedervaart denken: God weet het best wat ik behoef.


ocr page 87

73

LES XXXIV. Het verloren Erfdeel.

Te lceren: Jes. XLI: to—13; Gez. 61 : 12.

Herhaling van de vorige les. — Welke was de spijze, die God aan de Israeli eten gegeven had ? Hoe waren zij gestemd, toen zij ze het eerst zagen? Waarom klaagden zij nu? Wie begonnen het eerst te klagen ? Stemden de Israelieten met hen in ? Wat deed Mozes, toen hij hunne klachten hoorde? Wie beloofde de Heere hem tot helpers te geven? Waar plaatste hij de zeventig mannen, die met hem regee-ren zouden ? Wat gebeurde toen ? Wat beloofde God aan het volk te zullen zenden ?

Genoeg voor hoe lang? Welke soort van vleesch werd gezonden? Hoe zond God die ? Gaf hun het voldoen aan hun verlangen vreugde ? Hoe strafte God hen? Wat leert ons deze geschiedenis? Waarom moeten wij tevreden zijn met wat wij hebben? Daar God ons alles gegeven heeft, wat wij hebben, wat moeten wij Hem dan geven? Een dankbaar hart. Kunnen wij in aardsche goederen — rijkdom, eten en drinken — geluk vinden? Waarom niet? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

De kinderen Israels naderden nu het land, dat de Heere beloofd had hun te zullen geven — het heerlijke vooruitzicht van eene vaste woonplaats te hebben. Lees Num. XIII: 1,2. Watzeide God dat Mozes moest doen ? Hoeveel mannen moest hij zenden ? Hoor nu, wat zij doen moesten. Vers 17—20. Waarnaar moesten zij, aangaande de bevolking, onderzoek doen ? Naar wat aangaande de steden en het land ? Kunt gij niet begrijpen, hoe verlangend de Israelieten de terugkomst dier twaalf mannen te gemoet zagen — hoe blijde dezen waren verkozen te zijn daarheen te gaan ? Dit land zouden zij ontvangen om te bewonen. Hoe verlangden zij het te zien !

Zij begonnen hunne reis. \Lees den kinderen vers 21—25 voor^\ Welke vruchten vonden zij ? Druiven; zij vonden in het dal te Eskol een tros, die zoo mooi was, dat zij dien, om hem geheel gaaf over te brengen, niet in de handen wilden dragen, maar dien aan een stok hingen, dien twee mannen over hun schouder droegen. Denk eens hoe zwaar — hoe beladen. Wat nog meer ? Hoe lang waren zij weg geweest? De Israelieten zagen verlangend hunne terugkomst te gemoet — zagen steeds naar hen uit —

eindelijk zagen zij hen komen, de vruchten met zich brengende — zij liepen hun te gemoet — verlangden naar hetgeen zij zeggen zouden. Lees vers 26, 27. Wat zeiden zij van het land ? Maar waarvan moesten zij nog meer hunne bevinding verhalen ? Ja, van de bevolking en de steden.

Hoor wat zij hiervan zeiden. \Lees deit kinderen vers 28, 2g voor.\ Gij hadt eens de gezichten van het volk moeten zien, zoo vroolijk en verheugd over de tijding van het schoone, aangename land— het gezicht der heerlijke vruchten — hoe bezorgd en smartelijk zij werden, toen zij hoorden van de groote steden met hare hooge muren en „de kinderen van Enak,quot; dat is : reuzen, die daar woonden. Hoe zouden zij ooit in staat zijn zulk een volk te overwinnen ? Lees vers 30, 31. De twaalf mannen waren echter niet eenstemmig. Wat zeide Kaleb ? Josua sprak gelijk hij, doch wat zeiden de andere tien ? Deze mannen waren twijfelmoedig, lafhartig — zij vertrouwden niet op Gods macht om hun de overwinning te geven — en dus in plaats van het volk te bemoedigen, ontmoedigden zij het. \Lees den kinderen vers 33 en hoofdst. XIV: 1—4 voor.'] I Wat was het einde van dit kwade


ocr page 88

74

bericht? De kinderen Israels waren zoo moedeloos, dat zij voorstelden — wat te doen ? Hoe snood murmureerden zij tegen God {Herhaal vers j.) „Dat onze vrouwen,quot; enz. wil zeggen dat zij door de Kanaanieten gevangengenomen zouden worden. Zou de Heere dan, die hen door de Roode Zee had geleid, toen Hij de Egyptenaars verdelgde, hen nu aan zich zeiven overlaten ?

Sommigen trachtten hen tot betere gedachten te brengen, op den Heere te vertrouwen en moed te vatten. \Lees den kinderen vers 6—g voorï\ Wie waren dat ? Wat zeiden zij van het land ? Niet alleen, omdat het een goed land was raadden zij het volk aan er heen te trekken. Waarom nog meer? Omdat God het hun gebood. „De Heere is met ons; vreest hen niet.quot; Wat waren dat goede, dappere, geloovige woorden! Het zou voor de Israelieten goed geweest zijn, indien zij er naar geluisterd hadden, maar dit deden zij niet. Zij waren zóo vertoornd op die moedige mannen, dat zij op het punt waren hen te steenigen. Toen verscheen eensklaps de lichtende wolk, die hun toonde dat de Heere daar was, boven den tabernakel. De ontevredenen moeten gedacht hebben : „Zou God die goddelooze woorden gehoord hebben, die zij gesproken hadden ?quot;

Lees vers n. Denk aan de teekenen en wonderen, die Hij voor hen gedaan had. Scheen het niet vreemd, dat zij in Hem niet gelooven wilden ? Opnieuw bedreigde Hij hen te verdelgen. \Lees den kinderen vers 12—16 voorï\ God zou hun het erfdeel onthouden, dat hun beloofd was ? Wat was dat ? Soms wordt een zoon, die slecht leeft, veel geld opmaakt en zijnen ouders tot schande is, onterfd, dat is hij verliest de erfenis — het land — het geld, dat hij zou verkregen hebben na den dood zijner ouders. Van wien zeide God dat Hij hem tot een grooter en machtiger volk zou maken ? Wenschte Mozes dit voor zich ? Wie, zeide hij, zouden daarvan hooren ? Wat zouden zij zeggen? (vers 16.) Toen maakte Mozes God gedachtig aan Zijne belofte van barmhartigheid en aan Zijne goedheid, zoolang aan dat volk betoond, en pleitte dat dit reden mocht zijn om toch zijne goedheid te blijven betoonen[Z^ den kinderen vers 17—ig voor.] God heeft van Zich Zelf tot Mozes gezegd, dat Hij lankmoedig en groot van goedertierenheid is, en daarom bidt Mozes Hem dat zondige volk te blijven dragen en te vergeven. En het gebed van Mozes werd verhoord, gelijk zoovele malen te voren. (Vers 20, 21.) De Heere zou hun vergeven en niet verdelgen, zooals Hij hen gedreigd had, maar toch wilde Hij hen niet ongestraft laten.

Lees vers 22, 23. Hoe menigmaal zeide God, dat zij Hem verzocht (of getergd) hadden ? Welke zou hunne straf daarvoor zijn ? Zij zouden het goede land niet zien. Zij weigerden op te trekken, toen de Heere het hun zeide — wilden niet gelooven, dat Hij het hun zou geven en in staat stellen, dat machtige volk te overwinnen en hunne bemuurde steden in te nemen, daarom zouden zij het beloofde land niet bezitten. Hoe bedroevend, zoo nabij te zijn, en toch het land, het tehuis, te verliezen, waarnaar zij zoo lang verlangend hadden uitgezien ! Maar waren er dan niet eenigen, die getrouw, vertrouwend en gehoorzaam waren gebleven? Ja. Lees vers 24. Wie zeide de Heere dat Hij in het land zou brengen? Wat zou er met de overige Israelieten gebeuren? \Lees den kinderen vers 25—2g voor.] Zij zouden naar de woestijn terugkeeren. Geen der volwassenen zou in het land Kanaiin komen. Zij zouden opnieuw hunne omzwerving beginnen, daar zij het goede land, dat het hunne zou geweest zijn, geweigerd hadden. Wie was behalve Kaleb aan God getrouw gebleven? Josua; daarom zou hij ook in Kanaiin komen. Maar waren er niet zeer veel kinderen, en zij, die onder de twintig jaren waren, die niet zoo tegen God gezondigd hadden? Zouden zij met hunne vaders gestraft worden ? Lees vers 31. Het volk had gezegd dat hunne kinderen eene „prooiquot; zouden worden, en juist aan deze kleinen zou het land gegeven worden.

[Lees den kinderen vers 32—38 voor.]

Hoeveel jaren, zeide Hij, zouden zij in de woestijn moeten omzwerven ? Wat


ocr page 89

75

gebeurde er met de verspieders, die het volk misleid hadden? Zoo verloren de Israelieten het beloofde land door hunne eigen zonde — omdat zij tegen de reuzen niet strijden wilden — omdat zij op den Heere niet vertrouwd hadden, die hun de overwinning schenken zou. Welk is ons beloofde land ? De Hemel, de ons beloofde gave. Zijn er ook cp onzen weg reuzen, die wij moeten bevechten ? Onze zonde — hoogmoed — opvliegendheid — leugentaal — ongehoorzaamheid — zondige woorden — zelfzucht, enz. Indien wij niet willen strijden —

LES : Opstand

Te leeren : Jac. IV : 6 (laa

Herhaling van de vorige les. — Hoeveel mannen zond Mozes uit om het land Kanaan te verspieden? quot;Waaromtrent moesten zij inlichting brengen ? Hoe lang bleven zij daar? Wat zeiden zij bij hunne terugkomst van het land ? Wat hadden zij meegebracht? W^at zeiden zij van de bevolking en de steden? Wat zeiden tien hunner omtrent het optrekken der Israelieten daarheen ? Wat zeiden de twee anderen ? Hoe heetten zij ? Wat dachten de kinderen Israels ? Wat wilden zij doen? Wie trachtte hen te overreden er heen te gaan? Wat dreigden zij Ka-

SCHETS v.

Het volk was zeer bekommerd, nu zij zagen dat zij zich, door hun eigen ongehoorzaamheid en gebrek aan vertrouwen op God, buiten het land van belofte hadden gesloten. Zij waren nu even belust op den strijd, als zij dien te voren gevreesd hadden. \Lees den kinderen Num. XIV : 40—43 voorJ\'WaX zeide Mozes hun? Waarom moesten zij niet optrekken ? Maar zij meenden dwaselijk dat zij overwinnen zouden — wilden niet naar de woestijn terugkeeren en geduldig de welverdiende straf dragen. Dus waagden zij het op te trekken.

Zoudt gij meenen dat Mozes met hen ging? \Lees den kinderen vers 44 voor?\ De Israelieten trokken nu op zonder

zeggen dat wij ze niet overwinnen kunnen — het niet willen beproeven — noch een begin maken, moedeloos worden en den strijd opgeven — zullen wij dan ooit in den Hemel komen ? Zie Mark. 13 : 13. Moesten de Israelieten in hunne eigen kracht strijden? Neen, zoo ook wij niet. Indien wij dat willen beproeven, dan zullen wij bezwijken. Wij moeten God om kracht vragen — steeds geloovig tot Hem opzien — Hem vragen voor ons te strijden, en dan, welken plicht Hij ons ook oplegt, niet vreezen,, maar trachten dien te volbrengen. *

en Straf.

;e gedeelte); Ps. 106 : 10.

leb en Josua te doen? Hoe zeide de Heere dat Hij hen straffen zou ? Wie bad voor hen ? Werd zijn gebed verhoord? Wat zeide God echter dat gebeuren zou met hen, die weigerden te gelooven dat Hij hun het beloofde land geven kon ? Wie zouden alleen het land Kanaan zien ? Hoeveel jaren moesten zij nog in de woestijn zwerven? Welk is ons land van belofte? Welke zijn de reuzen, die wij te overwinnen hebben? Wie heeft beloofd ons te helpen ? Herhaal tekst en versje.

[ DE LES.

hunnen aanvoerder, en zonder God. Wat was het gevolg ? \Lees den kinderen vers 45 voor.] De Amalekieten en Kanaanie-ten waren machtiger dan zij — overwonnen hen — dreven hen terug. Waarom ? Omdat God niet met hen was. Herinnert gij u dien knaap, van wien wij vóór eeni-gen tijd gelezen hebben, die als slaaf verkocht — ver van zijn vader weggevoerd — valsch beschuldigd werd in een vreemd land; en toch, in al zijne ellende gerust — overal vrienden vond — eindelijk tot een aanzienlijken post in het koninkrijk werd verheven, en schoon hij niet naar zijn land terugkeerde, toch zijn vader en broeders tot zich teruggebracht zag? Het was Jozef. En de reden waarom


ocr page 90

76

liet hem zoo voorspoedig ging, was juist dit — de Bijbel zegt het ons — „de Heere was met hem.quot; Waarom was de Heere met hem en niet met de Israelieten op den tijd, waarvan wij zooeven gesproken hebben ? Omdat hij op God vertrouwde om hem te geleiden — Hem bad — in alle dingen trachtte Hem gehoorzaam te zijn. Wat deden de Israelieten ? Zij waren ongehoorzaam, zonder vertrouwen — en dachten dat zij zonder God konden overwinnen. Eene der zonden van deze menschen was hoogmoed — meenende dat zij het zonder Gods hulp konden doen. Wij zullen vervolgens zien, hoe sommigen hunner wederom door hoogmoed zondigden — nu hadden zij hun trotschen geest tegen den mensch getoond.

Lees Num. XVI : i—3. Wat waren de namen der hoofden, die tegen Mozes opstonden ? Korach, Dathan, Abiram en On. Hoe velen waren er met hen ? Wat zeiden zij tot Mozes ? Zij wilden niet dat Mozes en Aaron boven hen stonden, en lt;le eer hadden over hen te regeeren. Had Mozes zich zelf tot regeerder opgeworpen ? Zie, wat hij antwoordde. Lees vers 4—7. Wat deed Mozes allereerst? In het gebed zou God hem toonen, wat hij doen moest. Hoeveel beter was dit dan harde woorden! Voorzeker smartte het Mozes, dat zij zeiden dat hij zich zei ven verheven had. [ Ondeitgcnde knapen cn mannen zeggen dikwijls hetzelfde tot hen, die trachten God te dienen. Dezen moeten dan niet in toorn antwoor-den, maar, naar het voorbeeld van Mozes, God om hij stand vragen.} Toen kwam het antwoord van God; en wat verlangde Hij van hen, dat zij doen zouden ? Wierook is eene welriekende specerij, welker rook moest opstijgen tot God, als een beeld van de gebeden Zijns volks , die Hem welgevallig zijn. Wie had God aangewezen om het reukwerk in den tabernakel te offeren ? Ja, de priesters. Doch deze mannen meenden, dat zij het ook mochten doen. Wie waren sommigen onder hen ? (Zie vers 7.) Zonen van Levi. Weet gij nog welk werk God hun in den tabernakel had opgedragen? Voor Hem te zorgen — alles wat tot Hem behoorde in goeden staat te houden — zangers te zijn. Mozes herinnerde hun dit.

[Lees den kinderen vers 8—11'voor.] God had de Levieten uit al de andere stammen gekozen voor den tabernakel-dienst, maar hiermede waren zij niet tevreden. Wat wilden zij ? Was dit, omdat zij God liefhadden ? Neen, zij waren hoogmoedig — wilden boven anderen staan. ,

[Lees den kinderen vers 12—14 voor.} Zoo leidde hun trotsch gemoed hen tot openbaren opstand en ongehoorzaamheid. Toen was de tijd gekomen, dat de Heere toonen zou wie er gelijk had, zij of Mozes. [Lees den kinderen vers 16—ig voor.} Wat deden zij met hunne wierookvaten ? Een wierookvat is een pot, waarin de wierook gedaan wordt. Korach had het volk weten over te halen hem ter zijde te staan tegenover Mozes en Aiiron. Daar was eene groote menigte volks — misschien luid sprekende in den voorhof des tabernakels — de 250 mannen trotsch hunne wierookvaten gereed houdende — meenende nu even groot als de priesters te zullen worden, en tegenover hen Aaron alleen met zijn wierookvat.

Nu zal ik u voorlezen wat gebeurde. [Lees den kinderen vers 20—22 voori\ Wat beval God aan Mozes en Aiiron te doen? „Verterenquot; beteekent „verdelgen.quot; Hoe ondankbaar hadden de Israelieten zich tegen die twee mannen gedragen [Breng den kinderen alles voor den geest, wat zij voor het volk gedaan hadden.} en toch baden zij weder voor hen ! Gelijk Jezus, die voor Zijne vijanden en moordenaars bad. [Lees hun vers 23—27 voor.} De Heere hoorde hun gebed, zoodat Hij niet het geheele volk zou verdelgen, maar wij zullen hierna zien dat eenigen voor hunne zonde gestraft werden. Wat beval Mozes het volk te doen ? Welk een vreemd gezicht moet het geweest zijn alle mannen, vrouwen en kinderen zich naar alle kanten te zien teixg-trekken, zoodat er eene ruime plaats in het midden bleef, waar de tenten van Korach, Dathan en Abiram stonden. Groote stilte. De stem van Mozes sprak. [Lees den kinderen vers 28—30 voorï} Wat gebeurde er, toen Mozes gesproken


ocr page 91

77

had ? \Lees vers 31—jj.] Denk hoe het volk verschrikte ! Hoe vreeselijk was het einde dezer mannen! Geen tijd voor berouw — afgesneden te midden hunner zonde! De Israelieten, die hunne zijde gekozen hadden, waren van schrik ver-p\et.[Lees den kinderen vers 34 —40 voor.] Wat gebeurde met de 250 mannen, die wierook offerden ? Aldus verdelgde de Heere die mannen, die zich durfden verzetten tegen de opzieners, die Hij over hen gesteld had, en zich een ambt toeeigenen, waartoe Hij hen niet aangesteld had. Wat beval Hij hun met de wierookvaten te doen ? Sedert zij gebruikt waren in den dienst van God (ook al waren ze slecht gebruikt), toch bleven zij heilig.

[Lees den kinderen vers 41—45 voor.] Hoe hardnekkig keerden de Israelieten naar hunne zonde weder, na de ontzagwekkende waarschuwing, die zij gehad hadden! Doch Mozes en Aaron baden voor hen. Lees vers 46. Wat moest Aiiron doen ? De pest — eene doodelijke ziekte, van God gezonden. Eene „verzoe-^ ning doenquot; is een op Gods bevel gebracht offer voor de zonden des volks, waardoor Hij weder met hen werd ver-

LES X

zoend. Lees vers 47,48. Hoe vurig verlangde Aaron hen te redden ! Nam God zijn offer aan? Aldus hield de plaag op. Alzoo deed Jezus voor ons verzoening aan het Kruis, opdat wij niet in de hel, maar in den Hemel zouden komen.

Wij hebben gezien welk eene vreese-lijke straf over Korach en zijne vrienden kwam. Welke was hunne zonde? Kunnen wij ook op dezelfde wijze zondigen ? Ja (1) Door op te staan tegen hen, die God over ons gesteld heeft — ouders, onderwijzers, enz. (2) Door voor ons een heilig werk te aanvaarden, waartoe wij door God niet geroepen zijn. De oorzaak hunner zonde was een trotsch gemoed — dezelfde, die de eerste menschen tegen God deed opstaan en waardoor zij uit den hof verdreven werden. Nog verleidt ons de duivel tot hoogmoed en het is een zijner werken, die wij door den doop gehouden zijn te weerstaan. [Dit kan opgehelderd voorden door voorvallen in de kinder-•wereld — norsche antwoorden aan ouders, onwilligheid in het gehoorzamen, enz. Stel hiertegenover de gehoorzaamheid van Christus aan Zijne aardsche ouders.


De Zonde der

Te leeren : Joh. III

Herhaling van de vorige les. — Wat wilden de Israelieten doen, toen Mozes hun gezegd had, dat zij veertig jaren lang in de woestijn moesten blijven ? Ja, tegen hunne vijanden optrekken. Wat zeide hij hun? Deden zij dit? Wat gebeurde er? Wie stonden daarna tegen Mozes en Aiiron op ? Waarom kwamen zij in opstand? Wat wilden zij doen ? Hoeveel mannen waren met hen ? Wat beval Mozes hun te doen ? Waren de overige Israelieten op de zijde van Korach of van Mozes? Was

SCHETS v.

Na den opstand van Korach en zijne gezellen tegen Mozes en Aiiron, gaf God een teeken om nog duidelijker aan het

Aanvoerders.

: 14, 15; Gez. 130:5.

de Heere toornig? Wat dreigde Hij te zullen doen ? Wie bad voor het volk ? Wat zeide Mozes hun toen ? Wie bleven alleen? Wat gebeurde er? Hoe werden de 250 mannen gestraft? Maar wat zeide het volk den volgenden dag? Hoe strafte God hen? Wie bad voor hen ? Wat offerde Aaron voor hen ? Hoorde God naar Aiiron ? Welke was de zonde van Korach en zijne metgezellen ? Zondigen de menschen nu nog wel op dezelfde wijze ? Hoe dan ? Herhaal tekst en versje.

DE LES.

volk te doen zien, dat Aiiron en zijne zonen door God tot Zijne priesters waren aangesteld en zij zich deze eer


ocr page 92

8

niet hadden aangematigd. [Lees den kinderen Num. XVII: i—7 voor.\ Hoeveel staven moesten er genomen worden ? Welke naam moest op elk daarvan staan ? Ja, die van het hoofd van eiken stam. Al de staven werden plechtig in den tabernakel neergelegd — het volk verbeidde angstig den volgenden dag — verlangende naar hetgeen zij zien zouden. De morgen kwam — allen vergaderden zich om den tabernakel. Lees vers 8—10. Toen Mozes naar binnen ging en de staven naar buiten bracht, zie, wat er aan éen daarvan geschied was. Van wien was die ? Toen kon het volk niet langer twijfelen, wien God gekozen had. Wat zeide God dat met Aarons staf geschieden zou ? Dus werd hij in de ark gelegd met de twee steenen tafelen en den pot met manna, als een teeken van Gods keuze.

Wij zullen nu weder lezen van eene oude verzoeking, die andermaal bij de Israelieten opkwam — die van te mur-mureeren — en nu ook deed hunne zonde hunne leiders zondigen. Lees Num. XX 12, 3. Waaraan hadden zij gebrek ? Wat zeiden zij ? Herinnert gij u nog, hoe vroeger, toen zij ook gebrek aan water hadden, God hen uit den nood hielp ? Dat was aan het begin hunner reizen, lang geleden, maar toch hadden zij het niet moeten vergeten. Wat hadden zij moeten doen ? In plaats hiervan vervielen zij tot hunne oude zonde van klagen. \Lees den kinderen •vers 4—6 voor.'] Hoe dikwijls hadden zij geklaagd, zelfs over hunne wonderbare verlossing van hunne vijanden! God had nog geduld met hen, en wilde hun toonen, op even wondervolle wijze als te voren, hoe Zijne macht in staat was op eens in al hunne behoeften te voorzien. [Lees den kinderen vers 8, g voor.\ Wat zeide Hij Mozes en Aliron te doen? Welk verschil was er tusschen deze en de vorige maal, toen er water uit eene rots gekomen was ? Toen kreeg Mozes het bevel op de steenrots te slaan, nu zou zijn woord genoeg zijn. God kan even gemakkelijk het water uit de steenrots doen vloeien op een woord als na een slag, en misschien had Hij dit bevolen, opdat het volk des te meer in Zijne macht en goedheid zoude gelooven. Maar ongelukkig lieten Mozes en Aiiron, die reeds zoo vaak door de ontevredenheid des volks waren getergd, zich door toorn en hoogmoed vervoeren.

\Lees den kinderen vers /0, // voor^\ Wat zeiden zij, toen zij met het volk voor de rots stonden? Wat was zondig in deze woorden? „Zullen wijquot;, enz. Waren zij het, die water zouden voortbrengen? Zij namen voor zich den lof en de eer, die alleen aan God toekwam. En wat deden zij ? Had God hun gezegd dat te doen ? Het was in haast en drift geschied, maar het was eene groote zonde tegen God ; en ofschoon het water overvloedig uit de rots vloeide, toch kon God zulk eene daad van hoogmoed en ongehoorzaamheid niet ongestraft laten. God zeide dat Mozes en Aiiron niet in Hem geloofden. Het schijnt dat zij dachten dat zulk een wonder, als water op een enkel woord te doen voortkomen, niet geschieden kon — zij moesten voorzeker iets doen — dus hadden zij, in plaats van God de eer te geven, zich als daders van dit machtige werk op den voorgrond gesteld. Wat zou nu hunne straf zijn ? Dat noch Aaron noch Mozes het beloofde land zien zoude — beiden zouden in de woestijn moeten sterven. Hoe treurig, niet waar? Het is een bewijs, dat zelfs menschen, die God dienen, voor hunne zonden te lijden hebben. Het is niet, omdat God hen haat, maar omdat Hij hen liefheeft. [ Voorbeeld. — Onderstel een vader, die veel kinderen heeft, eenige braaf, andere onge-hoorzaam. JVat zal hij den ongehoor-zavien doen ? Hen straffen — niet omdat hij hen haat, maar hen heter wil maken. Maar zoo een der braven iets verkeerds doet, zal hij he7n dan ook straffen of hem ontzien, o?ndat hij altijd braaf geweest is? Zoo hij dit deed, wat zouden de ongehoorzamen dan zeggen? Dat hij onrechtvaardig was — gunstelingen had — dat hij hen niet allen op dezelfde wijze behandelde — en wat zouden de goeden misschien gaan denken ? „ Wij kunnen ons zoo


ocr page 93

nu en dan wel eens slecht gedragen, vader zal ons toch niet straffenquot;} Zoo is God niet alleen goed en barmhartig, maar ook rechtvaardig. En ofschoon Hij Zijnen dienaren vergeeft, zij moesten toch als gevolg van hunne zonden straf ontvangen, opdat het volk een afschrik krijge zich tegen God te misdragen. „Omdat gij Mij niet geloofd hebt, dat gij Mij heiligdet (of eerdet) voor de oogen der kinderen van Israel, daarom zult gijlieden deze gemeente niet inbrengen in het land, hetwelk Ik hun gegeven heb.quot; (vers 12.)

Mozes en Aiiron zouden niet dadelijk sterven, maar Alirons dood volgde spoedig na de zonde. Zij waren aan een berg gekomen. Hor geheeten, toen de Heere tot Mozes zeide dat de tijd van Aiiron gekomen was. Wat beval God Mozes te doen ? Waarom moesten de kleederen van Aiiron uitgetrokken worden? Omdat hij hoogepriester geweest was en zijn zoon, Eleazar, in zijne plaats zou komen. Welk eene treurige reis bergopwaarts — het was zijne laatste reis! Het volk stond om den berg geschaard, hen nastarende. Zij wisten waarom hij daarheen ging — dat zij hem niet weer zouden zien. Zoudt gij niet meenen dat het hun speet hem getergd te hebben om die driftige woorden te spreken? Hoe dikwijls gevoelen vrienden bij het sterven van een vriend smart, omdat zij hem gekweld — zich niet goed jegens hem gedragen hebben. [Voorbeeld. — Kinderen jegens ouders en onderwijzers.]

[Lees vers 28.] Aiiron was dood. Hij had het beloofde land verloren door eigen schuld ; zouden wij echter niet mogen gelooven dat hij ingegaan is in de gelukkige plaats der rust, die overblijft voor het volk van God? Ofschoon hij had gezondigd, toch was hij een trouw dienstknecht van God — droeg zijne straf met geduld — zag uit naar vergeving door den dood van Christus (waarvan de offeranden, die hij dagelijks bracht, een beeld waren) — bad beide voor zich en voor anderen. Zoo was zijn dood, ofschoon treurig, niet vreesdij k en schrikwekkend, als de plotselinge dood van Korach en zijne makkers, maar in vrede en hoop.

Na den dood van Aiiron ontmoetten de Israelieten een vijand, die tegen hen optrok, en de Heere schonk hun de overwinning, en toch vinden wij hen kort daarna weder murmureeren en ontevreden zijn, wegens het manna, hunne eenige spijs. Lees Num. XXI 15, 6. Wat zeiden zij? Hoe werden zij voor hunne ontevredenheid gestraft? Toen zag het volk zijne zonde in. Mozes bad voor hen en God hoorde naar zijn gebed. Lees vers 8, 9. Wat zeide God dat Mozes doen moest ? Wat moest het volk doen ? Die er op zag, werd behouden. Sommigen dachten misschien: Van welk nut is het zien naar die koperen slang? Die werden niet genezen. Zij moesten gelooven, dat dit hen zou redden vóór zij konden genezen worden. Jezus zeide dat die koperen slang een beeld was van Hem, verhoogd aan het Kruis. Wij zijn allen gewond door den duivel — niet ons lichaam, maar onze ziel — stervende door de zonde. Zoo wordt ons gezegd op Christus te zien, te gelooven dat Hij voor ons gestorven is, onze straf heeft gedragen aan het Kruis en dat wij behouden kunnen worden. Indien wij in dit vaste geloof staan, zullen wij niet voortgaan te zondigen, maar Hem liefhebben, die voor ons gestorven is — trachten hem welbeha-gelijk te leven — Hem te prijzen, en te strijden om onze zonden te overwinnen.


LES XXXVII.

Hoe een eigenzinnige Profeet teleurgesteld werd.

Tc leeren: Joh. VI : 38 ; Ps. 119 : 67.

Herhaling van de vorige les. — Her- | dat Hij Aiiron boven al de anderen als innert gij u, hoe God aan het volk toonde j hoogepriester had aangesteld? Wat werd

ocr page 94

8o

er met deze staven gedaan ? Hoevele waren er ? Wiens naam was op eiken staf geschreven? Waar werden zij gelegd? Wat zag men den volgenden dag, dat er met Aarons staf gebeurd was? Wat bewees dit? Waar werd hij geborgen? Waarom morde het volk, toen het in de woestijn Zin gekomen was? Hoe zeide God aan Mozes hun water te geven ? Wat deden hij en Aaron, dat kwaad was ? Kwam er water uit de rots ? Hoe zeide God dat Hij Mozes en Aaron zou straffen ?

Stierven zij dadelijk ? Waar stierf Aaron ? Wie gingen met hem naar den top des bergs ? Wat werd hem ontnomen ? Wien werden zij aangedaan? Waarom? Om welke reden morden de Israelieten weder tegen Mozes en God? Hoe strafte Hij hen ? Hadden zij berouw over hunne zonde ? Wat beval God aan Mozes te doen? Wat moesten zij doen? Waarvan is dit het beeld? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

De kinderen Israels naderden nu meer en meer het land Kanaan en op hunne reizen kwamen zij in aanraking met verschillende stammen of volken. Een dezer waren de Amorieten. Hun koning heette Sihon. Hij weigerde hun door het land te laten trekken en op Gods bevel streden de Israelieten tegen hem, behaalden de overwinning en namen zijn land in bezit. Toen hoorde een zijner naburen, Og, koning van Bazan, van hunne overwinning op de Amorieten, en trok tegen hen op; maar hij vermocht niets te doen, omdat Gods macht met de Israelieten was, en zij behaalden de overwinning op hem.

Nu was er nog een ander volk, de Moabieten, die gehoord hadden hoe de Israelieten de Amorieten en den koning van Bazan verslagen hadden, en zij begonnen bevreesd te worden. Het scheen dat de Israelieten tegen ieder bestand waren en hen te bestrijden doelloos was, daarom bedacht hun koning, Balak, een ander plan. Lees Num. XXII : 3, 4. Wat zeide hij, dat „deze gemeentequot; doen zou ? Zie, wat hij deed. Lees vers 5, 6. Tot wien zond hij ? Deze Bileam was een profeet, iemand, aan wien God de macht gegeven heeft om te voorspellen, wat gebeuren zou. Kunnen de menschen dat in het algemeen? Wat zegt hij in het laatste gedeelte van vers 6? „Ik weetquot;, enz. Dus gingen de boodschappers des konings naar Bileam.

Lees vers 7, 8. Wat hadden zij in hunne hand ? Het loon der waarzegging, dat is, het geld, dat Balak aan Bileam geven zou, indien hij deed, wat hij verlangde. Wat antwoordde Bileam, toen de vorsten hem vroegen de Israelieten te vloeken? Ik zal u voorlezen, wat er gebeurde. [Lees den kinderen vers g—11 voorï\ Lees wat het antwoord des Hee-ren was. Vers 12, 13. Wat zeide God hem? „Vloekenquot; beteekent: „kwaad over hen inroepen.quot; Dit was Gods uitverkoren volk, en dus wilde Hij hun geen kwaad, maar goed doen toekomen. Bileam gehoorzaamde aan Gods woord, en dat was goed, maar gij zult zien dat hij niet met rust gelaten werd, maar opnieuw in verzoeking gebracht werd het tegendeel te doen. \Lees den kinderen vers 14—ig voor.] Balak wilde niet ophouden hem op de proef te stellen. Hij verlangde zeer Bileam voor zich te winnen, om hem te helpen ; daarom deed hij groote beloften. [Lees nog eens vers /7.] Zeer hoog vereeren, wil zeggen: hem tot een vorst, een landvoogd verheffen en hem geven, wat hij wenschte. Welk eene verzoeking was dit! Bileam verlangde zeer heen te kunnen gaan. Wat verzocht hij den boodschappers te doen ? Had God niet duidelijk gezegd, wat Hij verlangde ? Bileam hoopte dat hij nog een ander bevel krijgen zou.

Lees nu wat God tot hem zeide. Vers 20, 21. Wat zeide Hij? Waarlijk een ander bevel. Hoe verheugd was Bileam te hooren dat hij gaan mocht — al die rijkdommen, enz. verkrijgen, die hem aangeboden waren — begon er aan te denken zoo spoedig mogelijk te vertrekken — bepaalde waarschijnlijk reeds bij zich


ocr page 95

8i

zeiven welk loon hij vragen zou — doch sloeg geen acht op de voorwaarde^ waarop hij gaan mocht.

„Dewijl deze mannen gekomen zijn om u te roepen,quot; — aanhouden u te verzoeken — welnu „sta op en ga met hem,quot; nochtans zult gij dat doen, hetwelk Ik tot U spreken zal.quot; Wat deed hij nu vroeg in den morgen ? Niet omdat zijn hart geneigd was om aan God welgevallig te zijn, maar om te verkrijgen, wat hij voor zich begeerde, en gij zult zien wat er gebeurde. [Lees den kinderen vers 22—26 voor.\ Wie werd gezonden om zich in Bileams weg te stellen? Zag hij den engel ? Wie zag hem ? Wat deed de ezelin de eerste maal ? Wat de tweede? Hoe behandelde Bileam haar? Hij dacht dat zij koppig was. Waar stond de engel de derde maal ? Nu kon de ezelin niet ontkomen.den kinderen vers 27—33 voor.} Waartoe stelde God de ezelin in staat? Hoe verrast moet Bileam geweest zijn. Bileam was een groot profeet — iemand, die veel ziet wat anderen niet wisten. Maar God toonde hem hier, dat, wanneer hij zondigde, het zelfs voor zijn ezel mogelijk was meer te zien dan hij deed. De menschen hadden een hoogen dunk van hetgeen hij zeide, maar als hij eigenzinnig en ongehoorzaam was, kon God zelfs een ezel gebruiken om te spreken en hem te berispen. Toen opende de Heere zijne oogen en wat zag hij ? Vol vrees en schaamte boog Bileam zijn aangezicht, en toen zeide de engel hem, dat de arme ezelin, die hij geslagen had, hem het leven had gered. Toen zag Bileam hoe slecht en eigenzinnig hij was. \Lees den kinderen vers 34, 35 voor.] Bileam wilde nu terugkeeren, maar wat beval Hem de Heere door den engel te doen ?

Dus zette hij de reis voort tot hij bij Balak kwam, die hem vroeg waarom hij niet terstond gekomen was? „Kan ik u niet terecht vereeren,quot; d. i. heb ik geen macht u met eereposten te bekleeden? Was het twijfel daaraan, die u terughield? En dan antwoordt Bileam (vers 38): Ja, ik ben wel gekomen, maar uit mij zeiven kan ik niets. God doet mij spreken. Diens woord zal ik zeggen.

Den volgenden dag bracht Balak hem op een heuvel, van waar hij op een afstand de Israelieten en hunne tenten, met den tabernakel in het midden,zien kon. Wat deden Balak en Bileam eerst? [Lees den kinderen hoofdst. XXIII: 1—6 voor.] Hoeveel altaren richtte hij op ? Wat werd op elk daarvan geofferd ? Dit waren offeranden aan God gebracht, als een beeld van geloof in God, gehoorzaamheid, liefde. Maar had Bileam God waarlijk lief? Wenschte hij Hem te gehoorzamen ? Kon God mannen zegenen, die tegen Zijn wil wenschten te vervloeken ?

Toen kwam de Heere tot Bileam en zeide hem, wat hij zeggen moest terwijl Balak en zijne vorsten verlangend op zijne woorden wachtten [Lees den kitide-ren vers 7—12 voorï\ Kon Bileam de Israelieten vloeken ? Hoe teleurgesteld was Balak! Hij wilde het andermaal beproeven. [Lees vers 13—/5 voor.'] Een andere hooge heuvel — weder zeven altaren, op elk een stier en een ram — maar zou God door deze offers Zijn voornemen veranderen? Hoe dwaas en verkeerd van Bileam op deze wijze voort te gaan ! [Lees den kinderen vers 16—ig voorï] Kwam er verandering ? Bij God is geen verandering, als bij de menschen. Bileams zucht naar rijkdommen en Balaks vrees konden nimmer den grooten God zich tegen de Israelieten doen keeren. Hoe machteloos stonden zij daar tegenover hem ! Lees vers 20. „Keeren,quot; beteekent „veranderen, omwenden.quot; Nog eens trachtte Balak de vervloeking te verkrijgen, die hij wenschte. [Lees den kinderen vers 25 tot het einde ; hoofdst. XXIV : 1—6, 8, g voor.\ Tegen zijn wil was Bileam genoodzaakt het volk te zegenen, terwijl hij gekomen was om het te vloeken. En hoe ging het met de belooningen, die hij zoozeer gewenscht had? Lees vers 10, 11. Waarom was Balak toornig ? Wat beval hij Bileam te doen ? Naar huis te gaan. Geen geld, geene eer, geen aanzien voor hem. Wat had hij dan gewonnen met zijne lange reis, zijn eigenzinnig streven naar rijkdommen, zijne ongehoorzaamheid ? Niets.

In een later hoofdstuk lezen wij, dat 6


ocr page 96

82

Bileam in een gevecht tegen de Israëlieten gedood werd. Laat ons nu zien, hoe Bileam tot die zonde verviel. Wat wenschte hij ? Geld, aanzien — deze had hij lief boven God. Als God hem verbood te gaan, wat had hij dan moeten doen ? Maar hij streefde steeds naar eigen doel. \Dit is gelijk een kind, dat naar eenig ver?naak verlangt of ergens wenscht heen te gaan — een jongeling, die een werkkring verlangt — die hij denkt dat hem past — waardoor hij in de wereld kan vooruitkomen, enz. De

LES x:

Laatste Raadgevingen ^

Te lecrcn : Jcs. XL

Herhaling van de vorige les. — Wilde het volk, door welks land de Israelieten trekken wilden, hun dit vrijwillig toestaan ? Wat deden zij toen ? Overwonnen zij ? Wie was voor hen zeer bevreesd ? Wat deed hij ? Waarom dacht hij dat Bileams vloek hun onheil zou aanbrengen? Wat bood hij Bileam aan? Wat zeide God tot Bileam te doen? Zond Balak weder tot hem ? Wat deed Bileam nu? Wat was Gods bevel ? Hoe handelde Bileam ? Wie werd gezonden om hem in den weg te komen?

schets v

De tijd van Mozes' dood naderde, en de Heere zeide het hem. Lees Num. XXVII : 12—14. Op welken berg moest hij klimmen ? Van diens top zou hij het goede land kunnen zien, dat zijn volk zou bezitten. Waarom zou hij daar niet in komen? Wat verkeerds had hij gedaan aan de wateren van Meriba ? Wiens eer hadden zij zich toegeëigend? Dit is eene groote zonde; de zonde van den hoogmoed — zich den lof toekennen, die Gode toekomt, maar die zonde is zeer algemeen. Wanneer kinderen of volwassenen geprezen worden om hunne schranderheid, braafheid, bekwaamheid, enz. moeten zij zich daarop niet verheffen, veel van zich zeiven denken, maar bedenken dat het Gods gaven zijn, en Hem daarvoor danken.

ouders kenren het af. JVat behoort zulk een kind te doen ? Menigmaal doet het dit niet, blijft het halsstarrig aanhonde?i, tot de ouders toegeven. Maar Gods zegen ritst er niet op. Schijnbaar is hij voorspoedig, maar niet in werkelijkheid. Onheil en telenrstelling wachten hem ge wis.\ Wij leeren hieruit, dat wij onzen wil aan Gods wil moeten onderwerpen; dan eerst zullen wij zegen en waar geluk genieten. Halsstarrig streven naar geld7 vermaak, eer brengt onheil en een treurig einde.

CXVIII.

/an den grooten Leider.

: 29—31; Gez. 59 : 4.

Wie zag den engel ? Wat deed zij ? Hoeveel malen sloeg Bileam haar ? Wat gebeurde eindelijk ? Waar bracht de koning Bileam, toen deze bij hem kwam ? Wat bouwden zij ? Wat werd op elk daarvan geofferd? Welken last gaf God aan Bileam ? Hoe menigmaal beproefde hij den zegen in vloek te veranderen ? Gelukte het hem ? Hoe voelde Balak zich gestemd ? Kreeg Bileam eene belooning ? Wat was het einde van Bileam ? Hoe kunnen kinderen tot deze zonde vervallen? Herhaal tekst en versje.

.n de les.

\Herhaal de geschiedenis van Herodes, die zoo trotsch was, dat, toen hij eens eene rede tot het volk gehouden had. en dit om hem te behagen, zeide: „Eene stem Gods en niet eens 7nenschen,quot; dat eerbetoon aannam, waarom God hem een vreeselijke ziekte zond, waaraan hij ellendig stierf. Hand. XII : 20—23.]

Het smartte Mozes zeer te moeten sterven zonder in Kanaan te komen, maar hij dacht niet alleen aan zijne eigen smart, zijne gedachte was over het volk, en door wien dit kon geleid en behoed worden.

\Lees den kinderen vers /5—18 vGor?[ Wat vroeg hij dat God doen mocht? Hoe had Mozes als een herder over de Israelieten gewaakt! Hij had hen geleid, spijs en water voor hen gevonden, hen


ocr page 97

83

«door Gods genade behoed, om niet door ■de vijanden gedood te worden (gelijk ^en herder de kudde tegen het ivild gedierte verdedigt). Wie zou hun herder •en leider zijn, als hij niet meer was ? Weet gij nog, wie Jozua was? Jozua was gedurende vele jaren Mozes' dienstknecht en helper geweest. Wat moest Mozes doen ? Door handoplegging werd men tot den dienst van God afgezonderd.

Toen zeide God aan Mozes tot het -volk te spreken — hun te zeggen dat Jozua in zijne plaats zou komen en zij gehouden waren hem te gehoorzamen.

[Lees den kinderen vers ig—23 ■voor]. Het geheele volk stond rondom geschaard toen Mozes Jozua de handen oplegde, en hun zeide hem als hun hoofd te erkennen. Was dit voor Mozes geen zware taak? Toch wilde Mozes (niet gelijk Bileam) zijn eigen wil aan Gods wil onderwerpen, daarom gehoorzaamde hij en wijdde Jozua als den nieuwen leider. Maar er bleven voor Mozes nog twee dingen te doen vóór hij stierf. Het eene was de Israelieten tegen de Midi-anieten, de vijanden des Heeren, aan te voeren. Niet het geheele volk werd in ■dezen oorlog uitgezonden, maar duizend van iederen stam. Hoeveel was dat te zamen ? De Heere schonk hun de overwinning, en na den krijg ontvingen de stammen van Ruben, Gad en de halve stam van Manasse dit veroverde land, waarin zij zich vestigden. In dezen oorlog werd Bileam gedood.

Het laatste werk van Mozes was aan de kinderen Israels menigen wijzen raad te geven, en hun al de goedertierenheden van God te herinneren. Het geheele boek Deuteronomium is vol van zijne laatste woorden. Hij herinnerde hun, hoe God hen uit Egypte uitgeleid en hunne vijanden verdelgd had, [Lees den kinderen Dent. XI: 1—p voor.] hen op hunnen weg had gespijzigd. \Lees Dent. VIII: 2.] Hoe Hij al die jaren van omzwerving hen had geleid, zonder dat hunne kleederen waren versleten, of hunne voeten gezwollen. Toen waarschuwde hij hen voor eene verzoeking, die komen zou, als hunne reis volbracht | was en zij veilig in het land Klanaan | wonen zouden. (Vers 10—18). Wanneer men gezond en gelukkig is, overvloed van alles heeft, is men zoo geneigd God te vergeten, in plaats van dankbaar te wezen — trotsch te zijn en te zeggen of te denken: „Het is mijne schranderheid, mijne vlijt, waardoor ik nu zoo welgesteld ben en eene veilige woning heb.quot; Dat is eene reden waarom God tegenspoed zendt, het geld of de gezondheid of vrienden wegneemt, om ons te doen gevoelen, dat alles van Hem komt, en ons leert dankbaar te zijn voor wat Hij ens geeft.

Opdat zij Gods toorn zich niet op den hals mochten halen met hun hoogmoed of gebrek aan dankbaarheid, wees Mozes hun bepaalde tijden aan om God te danken voor de vruchten van den grond — elk voor zich, die een tuin of akker had. [Zees den kinderen Dent. XXVI: 1—10 voor.] Gij ziet, de eerstelingen moesten naar Gods huis gebracht, voor het altaar geplaatst en dankgebeden opgezonden worden. Er moesten ook drie feesten in het jaar gehouden worden, alle feesten van dankzegging. Een was het Pascha. Wat moest men dan herdenken ? [Her-inner den kinderen de Laatste plaag, het geslachte lam, het sprengen des hloeds, de verlossing, enz.] De twee andere feesten werden genoemd het feest der weken en het feest der loofhutten. [Lees hun Dent. XVI : 10—16 voor.] Het laatstgenoemde heette het feest der loofhutten, omdat het volk dan tenten van boomtakken maakte om er eenige dagen in te wonen. Het was een gelukkige, vroolijke tijd — vrienden ontmoetten elkander, allen God dankende voor het koorn en den wijn, die zij juist ingezameld hadden.

Ook herhaalde Mozes voor hen de Tien Geboden en herinnerde hun, hoe plechtig God toen tot hen gesproken had. [Lees den kindcrenDcnt. V: 22—2jVoor.] Eenige van zijne laatste woorden vindt gij in Deut. XXX : 15, 16, 19. Mozes was als een vader, die zijnen kinderen twee wegen aanwijst, hen vermanende dien ter rechterzijde te houden, hen waarschuwende voor het gevaar, waarheen de andere leidt, die zelf daar


ocr page 98

84

staan blijft om hen te zien vertrekken, hen verlangend met de oogen volgt, maar niet in staat is met hen te gaan. De laatste woorden van raad en waarschuwing waren gesproken. Mozes maakte een lied om God te prijzen voor al Zijne goedertierenheden, en zegende het volk, dat hij zoo liefgehad en zoo lang geleid had, waarna de tijd was gekomen om te sterven.

Hij beklom alleen den berg Pisga, van waar God hem het geheele land Kanaan liet zien. Lees Dent. XXXIV: 4, 5. Geen mensch was bij hem, maar wie was daar ? God; en Mozes had

LES gt; De nieuwe

Te leeren: Matth.

Herhaling van de vorige les. — Waarmede werd Mozes door God bekend gemaakt? Wat vroeg Mozes aan God te doen? Wie werd door Hem gekozen ? Wat zeide Hij dat Mozes Jozua doen zou? Waarvan was de op-legging der handen een teeken ? Hoe worden onze geestelijken tot hun ambt gewijd? Wie was Jozua? Wat had Mozes nog voor zijnen dood te doen? Wie viel in den slag tegen de Midianieten? In welk Boek vindt men vele der laatste woorden van Mozes ? Waaraan herinnerde hij het volk? Wat zeide hij hun dat zij doen moesten, als zij in het

schets

De dagen van rouw over Mozes waren voorbij. De kinderen Israels begonnen vol hoop uit te zien naar het beloofde Kanaan, want de veertig jaren omzwervens begonnen eindelijk ten einde te loopen, en zij stonden gereed het beloofde land in bezit te nemen. Was dit hetzelfde volk, dat niet op God had willen vertrouwen, en geweigerd had op Zijn bevel naar Kanaan op te trekken ? Wie waren het? Hunne kinderen. Wie zou nu aanvoerder zijn? Alvorens te zien, hoe Jozua zijn werk begon, willen wij een blik terugslaan op zijn vroeger leven.

God lief, zijn grootsten Vriend; alzoo was zijn dood niet droevig, maar vol van hoop, dankbaarheid, zegen. Lees vers 6. Wie begroef hem ? Welk eene eer van God begraven te worden! Wat deed het volk? Nu, ongetwijfeld bedroefd, dat zij hem zoo dikwijls gekweld hadden, konden zij hunne smart toonen door Jozua te gehoorzamen. Er valt veel uit Mozes' leven te leeren — misschien is het voornaamste, dat zij, die op God vertrouwen. Hem gehoorzamen en liefhebben, door Hem worden geleid om groote dingen te volbrengen.

Aanvoerder.

C.XV : 21; Ps. 91 : 7.

beloofde land gekomen waren? Welke tijden van dankzegging werden vast-gesteld voor elk man? Welke voor hel; geheele volk? Wat hebben wij, dat eenigszins hiermede overeenkomt? Welke waren de laatste woorden van Mozes* raadgevingen ? Hij zeide hun dat hij hun gegeven had — wat? Wat beval hij hun te kiezen ? Op welke plaats stierf Mozes ? Wat toonde hem de Heere ? Wie was alleen bij zijn sterven tegenwoordig? Waarom was zijn sterven geene reden tot droefheid ? Wie begroef hem ? Hoe lang bedreef het volk rouw over hem? Herhaal tekst en versje.

n de les.

Het eerst, dat wij van hem hoorden, was, toen de Amalekieten tegen de Israelieten oorlog voerden, kort na den overtocht over de Schelfzee. \Lcls den kinderen Exod. XVII: 8—13 voe r of vertel deze gesehiedenis, als dit u heter dnnkt.'] Het was hun eerste gevecht. De Amalekieten waren dapper en krijgszuchtig — de Israe'.ie-ten waren slaven geweest — niet gewoon aan vechten; Jozua echter, vertrouwende op de kracht van Mozes* gebed {het opheffen zijner handen tot God) deed wat hem bevolen werd. En wat volgde? De overwinning. Daarna


ocr page 99

«5

lezen wij van Jozua, dat hij met Mozes den berg Sinaï besteeg, in den tijd toen Mozes daar veertig dagen en veertig nachten bleef, en de Tien Geboden, op twee steenen tafelen geschreven, voor de eerste maal ontving. Weet gij nog wat de Israelieten deden, terwijl Mozes afwezig was ? Maar Jozua nam geen deel aan deze zonde. Hij had waarschijnlijk op het hoogste gedeelte van den berg zijn meester opgewacht; aldus was hij, zich rustig aan zijn plicht wijdende, buiten de verzoeking gebleven, waarvoor de overigen des volks bezweken waren. Maar de voornaamste gelegenheid, in welke Jozua zijn vertrouwen op God aan den dag legde, was, toen de twaalf verspieders waren uitgezonden om het land te onderzoeken. Wat zeiden zij allen aangaande de vruchtbaarheid, enz. van het land ? Maar wat zeiden tien hunner aangaande den strijd te voeren tegen de inwoners ? Stemden Jozua en Kaleb met hen overeen ? Waartoe spoorden zij de Israelieten aan ? Om welke reden, meenden zij, dat de Israelieten op een goeden uitslag konden rekenen ? [Lees den kinderen Num. XIV: 6—g voor.'] „De Heereis met ons,quot; zoo dachten zij, „vreest hen niet.quot; Luisterde het volk naar hen? Zij wilden hen steenigen. Zoo bracht hen hun geloof in God in groot gevaar. Gedurende dit levenstijdperk was hij een getrouw dienstknecht geweest, niet om te regeeren, maar om te gehoorzamen, ^n hij had gehoorzaamd — gedaan wat Mozes hem gelastte — waarschijnlijk er nooit aan gedacht hebbende, eens over ^1 die duizenden gesteld te worden — bijna als een koning te zijn. Wist hij hiervan vóór Mozes' dood? Hoe verwonderd moet Jozua geweest zijn ! Welk •eene eer; en was er dan niets, dat hem tegen deze taak kon doen opzien? Het was niet alleen om de Israelieten in het land Kanaan te brengen. Wat nog meer? Ja, hij moest tegen de inwoners strijd voeren — het land in bezit nemen — het onder hen verdeelen. Was dit gemakkelijk ? Misschien zouden er twisten ontstaan — hij moest deze beslechten. Hij wist hoe spoedig zij tot murmuree-ren overgingen — hij moest hunne ontevredenheid verdragen — trachten hen op den rechten weg te brengen — hun leeren, voor hen bidden — vele moeilijkheden lagen voor hem.

Lees Jozua i : I—5. Hoe wordt Jozua in het eerste vers genoemd? De dienaar van Mozes. Wat zeide God dat Hij hem geven zou? Welke was de belofte aan Jozua ? Na gesproken te hebben van de hulp, die Hij geven zou, gaat de Heere voort met hem te zeggen welk het werk was, dat hij te doen had en hoe hij het goed doen zou. Lees vers 6—9. Welk bevel ontving hij in vers 6 ? Verdeel het erfgoed, geef aan eiken stam een zeker deel — zie toe, dat niemand verongelijkt wordt — voer hen aan in den strijd. Welk boek zou, sprak de Heere, zijn gids zijn ? Wie had het geschreven ? Ja, Mozes, in Exodus, Leviticus, Numeri, Deuteronomium. Maar was het het onderricht van Mozes? Dus was het als een handwijzer, die hem den weg zou aanwijzen, opdat hij niet zou afwijken [of gelijk eene zeekaart, die de zeeman behoeft om de klippen te ontgaan, opdat het schip er niet op stoote en volgens welke hij het schip sturen moet om spoedig en veilig zijne reis te volbrengen,] En opdat hij niet bevreesd zoude zijn bij de gedachte aan het moeielijke werk, dat hem wachtte, eindigde God Zijne woorden —waarmede ? Vers 9. Dat is de beste troost, dien hij hebben kon. Bemoedigden hij en Kaleb het volk niet, dat te voren zoo bevreesd was, door te-zeggen: „De Heere is met ons,quot; zoo gaf God hem dus moed.

Jozua zou het volk nu zijne eerste bevelen geven. Lees vers 10, 11. Zij moesten hun leeftocht bereiden, opdat alles gereed zoude zijn, want wat zouden zij binnen drie dagen doen ? Sommigen hadden reeds land in bezit gekregen, en waren reeds begonnen met er zich te vestigen vóór den dood van Mozes. Dit waren de stammen van Ruben en Gad en de halve stam van Manasse. Hun land lag aan deze zijde der Jor-daan, maar zij hadden Mozes beloofd dat zij hunne broeders niet aan zich zeiven zouden overlaten om alleen te


ocr page 100

86

strijden, als de tijd gekomen was, dat de overige Israelieten de rivier moesten overtrekken en den worstelstrijd met de Kanaanieten aanvangen, maar met hen zouden overtrekken en hen helpen, om na den strijd naar hun land terug te keeren. Jozua herinnerde hun nu deze belofte. \Lees den kinderen vers 12— 15 voor.] Wie alleen zouden in dit land achterblijven ? quot;Wie moesten toen overtrekken ? Toen Mozes hun dat bevel gegeven had, had hij hen gewaarschuwd, zoo zij hunne belofte niet hielden, baatzuchtig, lui en lafhartig waren, en dus thuis bleven in plaats van met hunne broederen ten strijde te trekken, hunne zonde op hen zeiven zou nederkomen — dat God hun een vloek en geen zegen zou geven. God beveelt ook ons, niet baatzuchtig te zijn. Indien gij overvloed van spijs en kleeren hebt, geef daarvan aan hen, die armer zijn. Zoo gij eene goede opvoeding gehad hebt, onderwijs dan anderen. [Een kind, dat begint te lezen, ka?i een kleinere aan de letters helpen, of een zieke een vers uit den Bijbel voorlezen.] Ook bezitten wij de kennis van God, Bijbels, kerken, leera-

LES

Eene heidensche Vrouw d

Te leeren: Heb.

Herhaling van de vorige les. — quot;Wie zou na Mozes' dood zijn opvolger zijn ? Wat was Jozua te voren geweest? Mozes' dienstknecht. Met wien was hij uitgetrokken om Kanaan te verspieden ? Wat deden tien der verspieders ? Wat zeiden Kaleb en Jozua ? In welk gevaar geraakten zij ? Wanneer was Jozua als aanvoerder gekozen? Hoe was hij daartoe door Mozes gewijd ? Was dit een moeielijk of een gemakkelijk werk ? Wat zou hij moeten doen ? Hoe bemoedigde

SCHETS V.

Jozua zou nu het beloofde land binnentrekken, en zijn eerste werk was eenige mannen als verspieders uit te zenden om heimelijk door het land te gaan en alles te ontdekken, wat zij

ren — daarom moeten wij, al is het maar een cent, iets afzonderen voor de arme heidenen.

Zie nu, of de Rubenieten, Gadieten. en de anderen bereid waren om niet zelfzuchtig te zijn. Leesvers 16—18. Aldus-werd Jozua's eerste bevel dadelijk gehoorzaamd. Dit zou hem verder moed geven. In de volgende les zullen wij zien, hoe hij slaagde. Laat ons, vóór deze les te sluiten, eens nadenken, waarom hij tot den hoogen post van over duizenden te gebieden gekozen was. Omdat hij eerst geleerd had tc gehoorzamen — als Mozes' dienstknecht zijn plicht gedaan had. Allen willen gaarne heerschen — over anderen gesteld worden. Maaralleen zij zijn geschikt, die eerst onder-danig geweest zijn, voortdurend zeiven gehoorzaamd hebben. Zoo een kind nu kleine plichten geloovig, geduldig vervult,, zal hij later (zoo niet in deze wereld , dan hiernamaals) geroepen worden voor God te heerschen. [Dit kan nader opgehelderd worden door de gelijkenisder Talenten, waaraan de tekst om-van bniten te leeren ontleend is.] Mat.. XXV.

XL.

or haar Geloof behouden.

.1: 31; Gez. 4 : 1.

de Heere hem? Welke drie stammen} waren reeds in het bezit van hun land ?■ Wat had Mozes hun gezegd dat zij; doen moesten? Waarom moesten zij medestrijden, als zij reeds hun erfdeel ontvangen hadden ? Wat leert ons dit? Zeide Jozua hun hieromtrent iets? Waren zij bereidvaardig mede te gaan ? Waarom werd Jozua als aanvoerder gekozen ? Zoo wij dan willen heerschen, wat moeten wij dan eerst leeren ? Herhaal tekst en versje.

A.N DE LES.

ervan konden waarnemen. Wie hadden dit vroeger gedaan? Hoe velen werden er toen gezonden? Toen waren het er twaalf, nu twee. Zij behoefden geene berichten te brengen aangaande de


ocr page 101

87

voortbrengselen, enz., want Jozua wist hiervan alles (was hij er zelf niet geweest?), maar bovenal moesten zij alles aangaande de inwoners ontdekken.

Lees Joz. II : i. Waarheen moesten zij gaan? Jericho was eene groote stad. In wier huis gingen zij ? Was het eene veilige of gevaarlijke zaak, die zij ondernamen ? Wat zouden de inwoners van dat land waarschijnlijk doen, zoo zij die twee mannen ontdekten ? Denk eens of de Israelieten er gerust binnengingen — geheel onder vreemden — het volk bespieden — zien hoe sterk de bevolking en hoe hoog de muren waren — onderzoeken of er ook krijgslieden waren. Maar ofschoon zij dit zoo stil mogelijk deden, toch zagen de bewoners hen rondzien en zeiden zij wellicht tot elkander : „Wie zijn die twee vreemdelingen ? Waar kijken zij toch zoo naar?quot; Zie, wat er vervolgens gebeurde. Vers 2—6. Wat werd den koning geboodschapt ? Tot wie zond de koning? Leverde Ra-chab de twee verspieders uit? Wat deed zij met hen ? De daken der huizen zijn in dat land niet hellend, zooals bij ons, maar vlak. Dikwijls zat men op die daken, en gewoonlijk is er eene buitentrap om er op te komen. Waarmede was Rachabs dak bedekt? Van vlas wordt het linnen gemaakt. De vlasstoppelen lagen daar misschien om te drogen — het was dus gemakkelijk de mannen liggende daaronder te verbergen. De afgezondenen zouden zeer mogelijk op het dak gekomen zijn om te zoeken, (als dit het geval geweest was, wat zouden de verspieders gebeefd hebben !) maar zouden niets hebben gezien dan een hoop vlasstoppelen, zooals op andere daken. Wat zeide Rachab hun ? (Vers 1—5.) In die van hooge muren omgeven steden waren groote poorten, die des avonds gesloten werden en dit den geheelen nacht bleven, zoodat geen vijand er des nachts in kon komen.

Maar waarom zocht Rachab deze twee mannen te redden ? Waren zij geene vreemdelingen voor haar? Wist zij, waartoe zij gekomen waren ? Als dit het geval was, moest zij dan hare landslieden helpen of tegenstaan ? Wij zullen hiervan de reden vernemen in vers 7—11. Waarheen gingen de vervolgers? Zie nu, wat Rachab tot de verspieders zeide. Van welke wonderen hadden de Kanaanieten gehoord? Wat had dit Rachab doen gelooven ? Ja, dat de Heere God was. Zoudt gij meenen, dat zij het wenschte, dat de Israelieten haar land veroverden ? Maar zij zag, dat het zoo zijn moest. „Ik weet, dat de Heere u dit land gegeven heeft.quot; Waartoe zou men tegen God strijden? Deed zij geen gevaarlijk werk met de twee Israelieten te verbergen? Zoo het ontdekt was, zou men haar voorzeker gedood hebben. Maar toen dacht zij: „Die machtige God, die Pharao en zijn volk in de Schelfzee deed omkomen, alsook Sihon en Og doodde, kan ook over mij waken.quot; Aldus toonde deze heidensche vrouw haar geloof in God door over Zijne dienstknechten te waken. Zij dacht ook, zeer natuurlijk, dat, zoo zij zich aan 's Heeren zijde schaarde, zij ook het lot Zijner vijanden ontkomen zou, als Zijn volk kwam om dit land in bezit te nemen.

Lees nu vers 12, 13. Aan wie vroeg Rachab weldadigheid te doen? Wat vroeg zij hun, haar te geven ? Een waar teeken is een zichtbaar teeken — iets, dat zij slechts te toonen had, om haar en hare familie van den dood te redden, tot vergelding van den door haar bewezen dienst. Nu zult gij hooren wat dit teeken was. Lees het antwoord der verspieders in vers 14. „Onze ziel zij voor ulieden om te stervenquot; wil zeggen dat zij haar in het leven zouden sparen, zooals zij het hunne gered had, indien zij van hunne komst het geheim bewaarde. Toen zij dit beloofd hadden, moesten zij dadelijk vertrekken. Maar hoe zouden zij ontvlieden? De stadspoorten waren gesloten — langs dien weg geen kans van ontkomen. Hier toonde Rachab weder hunne beschermster te zijn.

{Lees den kinderen vers /5, 16 voor.) Door het venster kon zij hen buiten den muur aflaten. Hoe behoedzaam en stil had dit plaats, in den donkeren nacht! De mannen stonden behouden


ocr page 102

88

op den grond — doch toefden nog — dachten aan het beloofde teeken, en aan de veiligheid van de vrouw, die zoo goed voor hen geweest was — zagen op naar het venster — spraken zacht. [Zees den kinderen vers /7—21 voor^ Wat zeiden zij haar te doen ? Zoo moest het scharlakensnoer (helder rood) het teeken zijn, waardoor haar huis kenbaar zou wezen, opdat niemand in dat huis eenig nadeel geschiede. Wie moest zij in het huis nemen ? Alzoo zou hare goedheid voor de verspieders het middel zijn om zoowel hare geheele familie als haar zelve te redden. Daarop vertrokken de twee verspieders. \Lees den kinderen vers 22—24 voor.] Hoe lang vertoefden zij op het gebergte ? Kwamen zij behouden bij Jozua aan ? Wat zeiden zij hem?

Later zullen wij lezen hoe het scharlakensnoer, toen de Israelieten in Jericho kwamen, aan Rachabs venster hing, en hoe de belofte der verspieders nagekomen werd. Laten wij ons nu herinneren, dat het geheele Oude Testament vol is van beelden, afschaduwingen van het Nieuwe en van den Christelijken godsdienst. Laat ons zien, wat deze geschiedenis van Rachab ons leert. Hoe kwam zij er toe de verspieders te on tvangen en hun te helpen ? Door het geloof in God — dat haar daarna van den dood redde. Wij zullen van den eeuwigen dood gered worden door in Hem te gelooven. Rachab toonde haar geloof door Gods dienstknechten te helpen — zich aan Zijne zijde te scharen. Wij moeten toonen ook zóo in Hem te gelooven. [Voorbeeld. — Zoo wij een knaap of meisje zien uitlachen,

LES

De Tocht doo

Te lecrcn : Jac. X!

Herhaling van de vorige les. — Wie zond Jozua af naar Jericho ? In wier huis gingen zij ? Wie achtervolgden hen ? Wat zeide Rachab ? Waar had zij hen verborgen? Welke soort van daken heeft men in dat land ?

omdat zij gehoorzaam zijn, naar de kerk gaan, bidden, enz., moeten wij niet mede lachen, of hen alleen laten staan, maar luinne partij kiezen — ons niet schamen of bevreesd zijn hen te helpen.\ Waarom was Rachab niet bevreesd voor hetgeen de inwoners van Jericho haar konden doen, als zij ontdekten dat zij hunne vijanden geholpen had ? Omdat zij God meer vreesde dan de menschen. Zoo gij een geloof hebt als Rachab, zult gij geen uitlachen of onaangename woorden vreezen. \Lees de kinderen Luk as XII: 6 — p voor^[ In éen geval moeten wij Rachabs voorbeeld niet volgen. Wat zeide zij tot de vervolgers aangaande de verspieders ? Was dit waar? Zij deed dus verkeerd onwaarheid te spreken ; maar denk hierbij, dat zij eene heidin was — de zonde van liegen niet kende — aldus kunnen wij van haar dezelfde waarheidsliefde niet verwachten als van ons. [Opheldering. — Een ondeugend gedrag in een klein kind wordt somtijds verschoond, omdat wij zeggen: het weet niet beter J\ En eindelijk, het scharlakensnoer is het beeld van het bloed van Jezus Christus. Door Zijn dood worden wij behouden van den eeuwigen toorn Gods — tot Zijne vrienden gerekend, in plaats van tot Zijne vijanden; maar wij moeten dan ook toonen, dat wij in Hem gelooven, op Zijne genade vertrouwen, aan Zijne beloften vasthouden, door ons leven. Zoo Rachab en hare familie niet in het huis gevonden waren, gewaarmerkt door het scharlakensnoer, zouden zij dan behouden of gedood zijn geworden ?

XLL

? de Jordaan.

JU: 2; Ps. 145 : 7.

Welke was de reden, zeide Rachab, waarom zij dit gedaan had? Van waar liet zij ze af? Waarom konden zij niet door de stad ontkomen ? Wat beloofden zij haar? Wat geboden zij haar aan hot venster vast te maken? Wie moest zij


ocr page 103

89

in haar huis nemen, als de kinderen Israels in de stad kwamen ? Hoe lang bleven de twee verspieders in het gebergte? Kwamen zij behouden bij Jo-zua aan ? Hoe werd Rachab behouden ? Waarvan is het scharlakensnoer het beeld? Hoe toonde zij haar geloof?

SCHETS V

Hoe heette de rivier, die de landstreek, waar de Israelieten waren, van het land der Kanaiinieten scheidde ? Zij moesten er nu aan denken, hoe haar over te trekken. Er waren doorwaadbare plaatsen, die de manschappen zich konden ten nutte maken bij het overgaan. Maar waren er geene anderen, die den tocht medemaakten — zwakke vrouwen en kleine,hulpbehoevende kinderen ? Konden zij de rivier doorwaden ? Bovendien voerden zij hunne goederen, tenten, enz. met zich en hunne runderen en schapen moesten zij drijven. Hoe gaat men doorgaans eene rivier over? Met booten en over bruggen, niet waar? Was het wel waarschijnlijk, dat de Israëlieten booten hadden ? Om eene brug te bouwen, zou te veel tijd kosten. Nu zullen wij zien, hoe de overtocht plaats had.

Eerst moesten de Israelieten uitrusten. \Lccs den kinderen Jozna III : i—5 VOO''.'] Wat moest vooraan gedragen worden ? Wie moesten haar dragen ? Wanneer de ark in beweging gesteld werd, moest het volk volgen. De twee tafelen der Tien Geboden — door wien aan hen gegeven ? — de pot met manna ; het brood, dat God in de woestijn gegeven had; Alirons bloeiende staf, het teeken, waardoor Hij getoond had, dat Hij hem en zijn geslacht tot priesters had gekozen. Dit alles waren teekenen van Gods macht en heerschappij over ■de Israelieten — van Zijne grootheid, en ook van Zijne goedertierenheid; en boven de ark zelve tusschen de gouden chembims werd de glans en de heerlijkheid des Heeren aanschouwd, als Hij nederdaalde om tot het volk te spreken. Daarom was de ark het zichtbaar teeken Zijner tegenwoordigheid en daar zij hen altijd op hunne tochten door de

Hoe moeten wij toonen, dat wij in God gelooven ? Werden zij en hare familie beschouwd als vrienden of als vijanden van God ? Hoe kunnen wij onder Zijne vrienden geteld worden in den oordeelsdag ? Herhaal tekst en versje.

r DE LES.

woestijn vergezeld had, zoo zou zij het ook nu doen bij het binnentrekken van het beloofde land. Het volk wist nog niet, hoe zij die diepe wateren der rivier zouden oversteken; alleen wisten zij, dat zij de ark hadden te volgen en het overige aan God over te geven.

Lees nu Jozua III: 6—11. Wat beveel Jozua den priesters te doen ? Wat zeide de Heere tot Jozua ? „Verheerlijkenquot; wil zeggen : „groot makenquot;. Alzoo dat het volk, ziende dat Gods macht met hen was, hem even als aan Mozes zouden gehoorzaam zijn. Wat moest hij den priesters bevelen te doen? Daarop riep hij het volk — zeide hun dat zij, door de machtige werken, die God hun zou doen zien, zich verzekerd konden houden, dat Hij hen in het vreemde land, waarheen zij gingen, niet zou verlaten, maar met hen zijn zou om — wie uit te drijven? De volkeren, die toen in het land woonden, waren allen heidenen, en daarom moesten zij er uit gedreven worden, — omdat zij, Gods uitverkoren volk, in hunne plaats zouden wonen. Toen zeide Jozua tot het volk, hoe zij de rivier zouden overtrekken. Lees vers 12, 13. Hoeveel mannen werden uit hun midden genomen ? Straks zult gij zien, waartoe dit was. Wat zeide hij hun dat geschieden zou, zoodra de voetzolen der priesters in het water zouden rusten ? Wanneer had iets dergelijks plaats gehad? Maar was dit hetzelfde volk, dat door de Roode Zee was gegaan? Neen, hunne kinderen. Wie waren de twee mannen, die nu nog alleen van hen waren overgebleven? Kaleb en Jozua. Zoudt gij niet meenen, dat deze Israelieten hunne vaders hebben hooren spreken van den tijd, toen zij droogvoets door de Schelfzee gingen, welker wateren zich aan beide zijden tot een muur had-


ocr page 104

9°

den opgehoopt ? De herinnering aan hetgeen toen gebeurd was zal hen niet hebben doen vreezen de ark nu te volgen.

Lees vers 14—16. De priesters trokken vooraan, met de ark op hunne schouders rustende — dan eene tus-schenruimte — daarna het volk in hunne stammen en familien — in de grootste orde — allen op hunne plaats — verlangend uitziende naar hetgeen gebeuren zou. Het water der rivier was zeer hoog, want wat zegt vers 15? [ V/ijs den kinderen op eene rivier in de nabijheid, wanneer hij aanhoudenden regen of hij springtij het water zeer hoog wordt.] Wat gebeurde er met het water, dat boven afkwam, toen de priesters het hadden aangeraakt ? Vers 16. Indien het water van eene rivier eensklaps ophield te vloeien, wat zou er dan met het water benedenwaarts gebeuren ? Het zou wegvloeien, omdat her geen toevoer kreeg. Zoo was in éen oogenblik de doortocht gebaand, aan de eene zijde een hoogen muur van water, steeds hooger wordende, want het water, dat van hoogerop de rivier af kwam, deed den muur steeds rijzen — aan de andere zijde werd de bedding der rivier steeds droger en droger. „Maar,quot; had het volk kunnen zeggen, „wat belet dien grooten muur in te storten en ons in éen oogenblik te verdelgen ?quot; God gaf hun een teeken, dat hen weerhield bevreesd te zijn.

Lees vers 17. Waar stonden depriesters? Zoolang de ark des Heeren daar was, weerhield God het water — niets was voor hen te vreezen. Wat moeten die duizenden mannen, vrouwen en kinderen verbaasd hebben opgezien naar dien grooten muur van water, die al hooger en hooger werd, en dan naar de ark, die, gevoelden zij, hun eene geruststelling was — hen zich veilig deed achten ! Laat ons een oogenblik nadenken, waarom dit zoo was. Waarvan, zeiden wij, was de ark het teeken ? Van Gods tegenwoordigheid — dat Hij daar was. Daarom vreesden zij de bruisende rivier niet, omdat de Heere er eerst door was gegaan, en Zijne ark nog in het midden stond, om te toonen dat Hij hen tegen-gevaar zou behoeden. Gij weet, dat ik u gezegd heb, dat alles wat er met de Tsraelieten gebeurde, zinnebeelden waren van hetgeen Christenen doen en dragen moeten. Zoo is ook dit overtrekken der Jordaan het beeld der beproevingen, verzoekingen, moeilijkheden, die wij in het leven ontmoeten, en wij kunnen dezelfde hulp verwachten, omdat Christus ze eerst doorstaan heeft, en dat Hij met ons zijn zal om ze te weerstaan en te dragen. [Opheldering. — In verzoekingen. Als de menschen ons onvriendelijk bejegenen, valsch beschnldigen, smaden, bespotten, als wij het goede doen, is dat zeer moeilijk te dragen; maar heeft fezns dit niet eerst gedragen? Hij is ons voorgegaan — heeft nooit nagelaten God te dienen — is nooit in toorn ontstoken, of heeft kwaad met kwaad vergolden; laat ons Hem dan vragen ons geduldig te doen zijn — den rechten weg te bewandelen — Hij zal het doen. Wij zullen de moeilijkheden doorkomen (de for daan overtrekken) en er niet te slechter door zijn. Of verder — in verdriet — zoo gij een dierbaren vriend door den dood verliest, eene scheiding— fezus weet wat smart is. Moest Hij niet scheiden van Zijne moeder en Zijn huis, toen Hij het Evangelie moest gaan prediken ? Weende Hij niet bij het graf van Lazarus? Dus kan Hij medelijden met ons hebben en ons helpen om onze smart te dragen.] Eindelijk, eens moeten wij allen eene groote beproeving doorstaan — den dood. Niemand weet wanneer. Het kan zijn op jeugdigen leeftijd (denk aan de kleine graven op het kerkhof) of als gij ouder geworden zijt. Geen aardsche vriend kan met u de doodsrivier overtrekken. Maar is Jezus ons niet voorgegaan ? Ja, en Hij zal daar dan zijn, als gij nu getracht hebt Hem tot uw vriend te maken. Hij zal u vrede en blijdschap geven — u doen gevoelen veilig met Hem te zijn. \Gelijk een kind, dat de hand zijns vaders vasthoudt, om zoo veilig door een overstroomden, of over een gevaarlijken weg ie gaan.]

Nu zal ik u voorlezen, wat de Israe-


ocr page 105

9i

lieten deden, toen zij behouden den overkant bereikt hadden. \Lees den kinderen hoofdst. IV : i—7 voor.] Lees vers 8, 9. Hoeveel steenen werden opgenomen? Waar werden ze gezet? Waar werden nog twaalf steenen opgericht ? Waartoe was dit? Een gedenkteeken — een teeken van dankbaarheid voor de groote goedertierenheid Gods. Zoo moeten wij ook gedenkteekenen oprichten in onze harten, wanneer God ons in eene verzoeking heeft geholpen — eene-smart geduldig heeft doen dragen.


LES XLII.

De Inneming

Te leeren: Rom. V

Herhaling van de vorige les. — Welke rivier moesten de Israelieten overtrekken voordat zij in het beloofde land kwamen? Wat zond Jozua voor hen uit? Wie droegen haar? Wat was er in de ark? Waarvan was de ark een teeken? Wat zeide hij, dat het volk doen moest? Was de rivier op dien tijd hoog of laag? Wat gebeurde er, toen de voeten der priesters het water aanraakten ? Wat vormde het boven hen uit ? Ja, een „hoopquot;, eene groote massa. Wat gebeurde met het water stroomafwaarts ? Wat deed toen het volk ? Waarom waren zij niet bevreesd, dat de watermassa

SCHETS v.

Toen al het volk aan de overzijde der Jordaan gekomen was, gebood Jozua den priesters uit het midden der rivier te komen, en nauwelijks hadden zij den oever betreden, of de wateren stortten neder en vloeiden door de bedding als te voren. Hoezeer moet het volk, aan den oever staande, de grootheid van Gods macht hebben gevoeld, die de wateren kon doen stilstaan tot het Hem behaagde ze weder te doen vloeien! Kn Jozua beval hun steeds den tijd te gedenken, toen de Heere hun Zijne goedertierenheid en macht betoond had, en hunnen kinderen de beteekenis dier steenen te leeren, welke in de Jordaan en in Gilgal waren opgericht, opdat de overtocht der Jordaan nimmer door hen mocht vergeten worden.

Het volgende hoofdstuk spreekt ons van den tijd, die spoedig komen zou, wanneer God niet langer het manna van den hemel zond, omdat het niet langer

van Jericho.

II : 37 ; Gez. 56 : 7.

zou neerstorten en hen doen verdrinken ? Waarom waren zij gerust, toen zij de ark midden in de Jordaan zagen stilstaan?' Hoeveel mannen koos Jozua uit het midden des volks? Wat beval hij hun te doen? Waar moesten zij die steenen plaatsen? Waar werden de andere twaalf steenen opgericht ? Waarom werden die vier en twintig steenen in de Jordaan en aan de andere zijde van de Jordaan opgesteld ? Wat leert ons deze geschiedenis? Is er iets in ons leven, dat overeenkomt met het overgaan der Jordaan? Wat kan ons dan tot hulp en vertroosting zijn? Herhaal tekst en versje.

N DE LES.

noodig was. \Lees den kinderen Joz„ V : 10—12 voorï\ Wat aten zij ? Nu zij aardsch koorn te eten hadden, hield het manna op — het was hun alleen beloofd, zoolang zij geene andere spijs krijgen konden. Zij moesten nu den grond bebouwen, zaaien en oogsten, gelijk andere volken, want God geeft alleeij wat de mensch waarlijk behoeft, niet om zijne luiheid aan te moedigen. En daar lag nu het land vóór hen, en de eerste stad, die zij moesten innemen, was die, waar de twee verspieders reeds te voren geweest waren. Weet gij haren naam nog? Jericho, niet waar? Op zekeren dag stond Jozua te denken, misschien hoe hij de stad zou bemachtigen. Gij weet, zij had hooge muren, was door poorten gesloten — hoe zouden zij er binnen komen — hoe kon de stad genomen worden ? Op eens zag hij een vreemd gezicht.


ocr page 106

92

\Lees den kinderen vers 13—15 voor.] quot;Wat zag hij? Wat had de man in zijne hand ? Jozua vroeg, of hij een vriend of vijand was. quot;Wat antwoordde hij ? Hij zou de aanvoerder zijn van het heir des Heeren. Was Jozua boos of afgunstig, toen hij hoorde van een ander aanvoerder, een, die boven hem zou staan? Wat deed hij ? Hij boog zich eerbiedig voor dezen boodschapper van God, en hij kreeg hetzelfde bevel als Mozes ontving bij het brandende braambosch. Welk was dat? Ja, zijne schoenzolen te ontbinden. Waarom was dit? Een bewijs van grooten eerbied — diepe ontroering en onderwerping. Hoe moet Jozua zich verheugd hebben bij de gedachte, dat hij een aanvoerder des Heeren bij zich had — hoe zeker moet hij zich gevoeld hebben van de overwinning ! Nu zullen wij zien op welke wijze de overwinning zou behaald worden.

[Lees den kinderen Joz. VI: 1 voor.] Jericho nu was met de grootste voorzorg gesloten. Hoe veilig schenen de bewoners der stad achter de hooge, dikke muren — met die talrijke krijgsknechten, om hen te verdedigen — goed gesloten, gegrendelde en bewaakte poorten! De Israelieten dachten misschien: „Hoe kunnen wij ooit daar binnen komen ?quot; Gij zult hooren welke plannen God met hen had. \_Lees den kinderen vers 2—5 voor?\ Hoeveel malen moesten zij de stad rondtrekken? Wat moesten zij doen op den zevenden dag ? Wat zeide God dat dan gebeuren zou ? Welk een vreemd plan scheen dit! Zie nu, hoe het afliep. Lees vers 6, 7. Wat moest vooruit gedragen worden? Evenals de ark met de Israelieten door de woestijn en over de Jordaan gegaan was, zoo zou zij nu met hen gaan. Elk krijgsman met zwaard, boog en pijlen, speer, enz. moest daar zijn. Lees vers 8—10. Wat moesten de priesters doen ? Op de bazuin blazen. Maar mocht het volk eenig geluid doen hooren? Geen woord mocht er gesproken — geen kreet of gejuich gehoord worden — in alle stilte maakte het geheele leger zijne rondgangen. De bewoners van Jericho moeten wel verbaasd geweest zijn — eerst hadden zij zich gereed gehouden, meenende ieder oogen-blik aangevallen te zullen worden, daarna waren zij verwonderd, dat dit niet plaats had. \Lees den kinderen vers 11—75 voor.} Hoeveel dagen trokken zij om de stad? Waarschijnlijk waren hunne vijanden aan deze omgangen gewoon geworden — lachten misschien de Israelieten uit — dachten dat zij vreesden den strijd te beginnen en niets anders doen konden dan rond de stad te trekken! En scheen het niet nutteloos — een groot tijdverlies ? Toch deden zij het; waarom?

Hoeveel malen trokken zij om de stad op den zevenden dag? Lees vers 16— 19. Wat beval Jozua het volk te doen? Wie alleen zouden gespaard blijven ? Alle anderen moesten gedood worden. Moesten de Israelieten het goud en de kostbaarheden, die zij in Jericho vonden, voor zich nemen ? Wat moest er mede gedaan worden ? Lees vers 20— 24. Wat geschiedde, toen het volk juichte? Welk een wonderbaar gezicht, hoe groot de schrik hunner vijanden, toen op eens de muren bezweken — de Israelieten de straten binnentrokken — het volk voor hen vluchtte! Wie moesten zij geheel uitroeien? Vers 21. Dit klinkt wreed; maar bedenk wel: dit waren zeer goddelooze menschen. — Gods vijanden. Lang had hij geduld met hen geoe • fend, maar zij waren steeds slechter geworden, daarom had Hij de Israelieten gezonden om hen te straffen. Volkeren zoowel als bijzondere personen zullen, zoo zij in hunne goddeloosheid volharden, door God gestraft worden. Bedenk ook, dat God hun eene gelegenheid gegeven had om zich aan Hem te onderwerpen, in Hem te gelooven, om zoo van deze verdelging gespaard te worden. Want werden er niet eenigen gespaard ? Wie waren dat ? Waarom werden Rachab en hare vrienden gespaard ? Wat deed haar in God gelooven? Had de koning van Jericho en zijne onderdanen niet gehoord van al Gods machtige werken, zoowel als Rachab? En toch, in plaats van voor Zijne macht te bukken, verkoos hij tegenstand te bieden — daarom werd hij, evenals Pharao, gedood. De Israelieten waren het mid-


ocr page 107

93

del in Gods hand om hen te verdelgen.

Wat werd met de stad gedaan? Er waren in deze stad veel schoone dingen — goud, zilver, fraaie kleederen, prachtige meubelen — mochten de Israelieten iets daarvan voor zich nemen? Zij waren het eigendom geweest van goddelooze mannen — eenige daarvan waren gebruikt in de aanbidding der afgoden en op andere goddelooze wijzen. Dus mochten zij er zich niet mede inlaten. En niet alleen werd toen de stad verwoest, maar God zeide dat zij nooit weder mocht worden opgebouwd met sterke muren, zooals Hij had neergeworpen. [Lees den kinderen vers 26 voorï\ Dat wil zeggen, dat de man, die haar weder opbouwen zou, zijn oudsten zoon zou verliezen bij het leggen der fondamenten en zijn jongsten zoon, als hij de stad voltooid zou hebben. Zeshonderd jaren later werden deze woorden bevestigd (1 Kon. XVI : 34.) God vergeet nooit, wat Hij beloofd of bedreigd heeft.

Denk nu eens na in welk opzicht wij gelijk zijn aan de Israelieten, toen zij stonden voor Jericho. Zij hadden een groot werk te verrichten — hooge, dikke muren neder te werpen — hadden niets om het er mede te doen. Wij hebben ook een groot werk te verrichten — tegen de zonden te strijden. (Voorbeeld. — Oploopendheid) eigenliefde, traagheid^ de gewoonten van te vloeken, te liegen, die met moeite overwonnen worden.)* Hoe overwonnen zij ? God was met hen — streed voor hen. Maar hadden zij niets te doen? Zij vertrouwden op God, en deden juist, wat Hij hun bevolen had. Zoo moeten wij in kleine dingen gehoorzaam zijn, over onze woorden, onze driften waken — dagelijks bidden, geregeld en met ernst ter kerk gaan, steeds op God vertrouwen, die ons de overwinning kan schenken — en Hij zal het doen. Hij, die met ons is indejordaan des lijdens of des doods, zal met ons zijn in den hevigen strijd tegen de wereld, het vleesch en den duivel, en door Hem zullen wij overwinnen.


LES XLIII.

Een Wortel

Tc leeren: Spr.

Herhaling van de vorige les. — Welke was de eerste stad, die op den weg der Israelieten lag, toen zij in het land Ivanaan kwamen ? Wat maakte het moeielijk haar te veroveren ? Wie verscheen aan Jozua, terwijl hij eens de stad stond te beschouwen ? Wat had hij in zijne hand ? Waartoe zeide hij gekomen te zijn? Wat zeide de Heer aan Jozua, dat hij doen moest? Wat voerden zij met zich ? Mocht het volk eenig geraas maken ? Welk geluid werd alleen gehoord ? Hoeveel dagen trokken zij om de stad? Hoeveel malen deden

SCHETS V

Hoe verblijd moeten de kinderen Israels niet geweest zijn bij de overwinning, op Jericho behaald ! Zij wisten het wel, dat dit niet geschied was door hunne macht en kracht, maar door de groote macht van God, dat zij overwonnen had-

Lil Bitterheid.

T : 3; Ps. 5 : 4.

zij het op den zevenden dag ? Wat beval Jozua hun te doen ? Wat gebeurde er, toen zij juichten ? Wat deden toen de Israelieten ?# Wie was de eenige, die met hare vrienden gespaard werd ? Waarom werd zij gespaard? Wat wilde God dat geschieden zou met hetgeen in de stad gevonden werd ? Waarom? Wat moest er geschieden met het zilver, goud, koper en ijzer? Werd de stad weder opgebouwd? Welke vloek werd uitgesproken over den man, die dit doen wilde? Werd dit ooit vervuld ? Herhaal tekst en versje.

DE LES.

den; zij moesten zich zeker gevoelen, dat zij in Zijne kracht al hunne vijanden overwinnen zouden. Maar weldra gebeurde er iets, dat al hunne vreugde verstoorde. Heden zullen wij lezen, wat dit was.


ocr page 108

94

Lees Jozua VII : i. Wat deden de kinderen Israels ? „Overtraden door overtredingquot; wil zeggen — zij bedreven •eene zonde, iets dat verboden was. Waarom noemen wij onze zonden overtredingen? Welke was die zonde? Zij hadden genomen van het verbannene. Weet gij nog, welke dingen verbannen waren ? Wat had God gezegd, dat er mede gedaan moest worden ? Hoe heette ■de man, die deze zonde bedreven had? Wij weten niet, wat hij genomen had — niemand wist het — behalve wie ? Gij zult zien, hoe zijne zonde aan het licht kwam.

Er was eene kleine stad Aï op den weg bij het voorttrekken der kinderen Israels. Lees vers 2, 3. Wie zond Jozua? Verspieders, evenals naar Jericho. Wat zeiden zij ? Weinig bevolkt — het geheele leger behoefde niet tegen haar op te trekken. Misschien had zij geen muur — 2000 a 3000 man zouden voldoende zijn om haar in te nemen. Dat meenden zij. Maar zie, wat gebeurde ! Vers 4, 5. Hoeveel trokken er op ? De overigen wachtten in hunne tenten — verwachtten ongetwijfeld weldra juichtonen der overwinning te hooren — in plaats hiervan zien zij hen terugvlieden, door de inwoners van Aï achtervolgd. Hoevelen werden er gedood? Zij waren niet eens in de stad geweest — door de weinige vijanden, die zij veracht hadden, van voor de poorten verjaagd. Hoe waren de anderen gestemd, toen zij dit hoorden ? Wat waren zij terneergeslagen en moedeloos! „Het hart des volks versmolt.quot; Zoo hunne krijgslieden geen weerstand konden bieden aan de mannen van eene kleine stad, wat zouden zij dan doen, als zij groote legers voor zich zagen ? Wie was het meest teleurgesteld van allen ? Jozua.

Lees vers 6. Wat deed hij ? Hij scheurde zijne kleederen, strooide asch op zijn hoofd, tot teeken van rouw. Maar hij treurde niet alleen — hij deelde zijne smart mede — aan wien ? Hij wist, dat dit de toevlucht van Mozes geweest was, als hij in kommer verkeerde. Wij behooren hetzelfde te doen — al ons leed aan God toevertrouwen. Hoor, wat hij zeide. [Lees den kinderen vers 7—p voor.} Gij ziet dat hij vreesde, dat de andere inwoners des lands, van hunne nederlaag hoorende, moed zouden vatten, hen omsingelen en verdelgen zouden. Het was eene natuurlijke vrees; maar God wilde hem in deze smart niet verlaten. Het antwoord op het gebed volgde terstond.

Lees vers 10—12. Wat zeide de Heere, dat Israel gedaan had ? Er wordt van drie zonden gesproken : „Mijn verbond overtredenquot; — „ongehoorzaamheid, diefstal, bedrog. „Daarom konden de kinderen Israels niet bestaan voor het aangezicht hunner vijanden.quot; Waarom was dit? De Heere was niet met hen. Hij wil hen niet zegenen of helpen, die in de zonde volharden. De verspieders meenden zeker Aï te overwinnen, omdat er zoo weinig manschappen waren; maar dit bewijst dat de Israelieten zonder Gods tegenwoordigheid machteloos waren. Wat zeide de Heere in vers 12? „Ik zal voortaan,quot; enz. Wist Jozua, wie de man was, die gezondigd had? Toen zeide God hem, hoe dezen te ontdekken. [Lees den kinderen vers 13— 15 voor.} Hoeveel stammen waren er? Elke stam was verdeeld in geslachten, en de geslachten in huisgezinnen — vader, moeder, kinderen — waarschijnlijk woonden de kinderen, die gehuwd waren, en de volwassenen nog in hetzelfde huisgezin tot aan den dood hunner ouders. Allen moesten staan op hunne plaats ; de Heere zou (waarschijnlijk door het lot) den stam, het geslacht, het huisgezin, eindelijk den man aanwijzen, die gezondigd had.

[Lees den kinderen vers 16 —18 voor.} In welk eene plechtige stilte zullen zij daar gestaan hebben, in de verwachting wie zou aangewezen worden! [ Opheldering. — Op eene school, waar iets ontvreemd, of in de afwezigheid des o 7iderwijzers eenig kwaad bedreven is, onderzoekt hij, tracht den schuldige te ontdekken. Allen staan rondom hem. Zijn allen bevreesd? Wie is dit alleen ? Maar er is een groot verschil tusschen de school, die wij hier ons voorstelden, en de Israelieten hij die gelegenheid.


ocr page 109

Kan dc onderwijzer zich niet vergissen, den onschuldige straffen en den schuldige vrijlaten? Zoo kon het met de Israel iet en niet zijn — zij wisten, dat de schuldige zou ontdekt worden — dat er geene vergissing kon plaats hebben — waarom niet ? Omdat de Heere de Rechter was.] Welke stam werd aangeraakt? Welk geslacht? Huisgezin? Man? Aldus werd eindelijk ontdekt, •dat Achan de schuldige was.

Lees vers 19—21. Hoe ongelukkig moet Achan zich gevoeld hebben, toen hij daar voor het gansche volk stond en zijne goddeloosheid beleed ! Wat had hij onder den buit opgemerkt ? Een sierlijk Babylonisch overkleed, purper of scharlaken, met goud- en zilverdraad gestikt ; misschien had Achan, die in de woestijn was opgevoed, nooit zoo iets prachtigs gezien — beschouwde het, verlangde het te bezitten en dacht: „Hoe gemakkelijk dit in mijne tent te verbergen.quot; Hij wist dat het verboden was, maar •dacht: „Wie zal het weten ? Dan had hij nog goud en zilver genomen. Wat behoorde Achan gedacht te hebben, toen de verzoeking daar was, de lust om het te bezitten ontstond ? Ja, hij behoorde zich afgekeerd, er niet langer naar gezien hebben. Maar eerst begeerde hij (welk gebod overtrad hij toen ?) en nam daarna het kleed (welk gebod overtrad hij daarna ?). Waar had hij ze verborgen ?

Hij had een kuil gegraven in zijne tent, de schoone zaken daarin gelegd — durfde ze er niet uitnemen — kon ze niet genieten, uit vrees van ontdekt te zullen worden. Geen genoegen gaven zij hem — alleen ellende.

[Lees den kinderen vers 22, 23 voor.] Daar werden het zilver en het goud en het sierlijke kleed, die al deze ellende teweeggebracht hadden, voor het aangezicht des Heeren gelegd, in tegenwoordigheid van het gansche volk, terwijl de ongelukkige man er bij stond en zijne zonde aan het licht gebracht zag. En daarop volgde het vonnis — de straf, die de Heere bevolen had.

Lees vers 24, 25. Waarheen werden hij en alles, wat hij bezat, heengevoerd ? Wat gebeurde toen? Hij werd met. groo-te steenen gesteenigd — hij en zijn gestolen buit en alles, wat hij bezat, lag daar bijeen — zijne beenderen werden verbrand. Daarna werd een groote steenhoop over hem opgericht, om de plaats aan te wijzen, en zij werd genoemd het Dal van Achor (Achor beteekent beroering).

Welk eene treurige geschiedenis is dit! Zie, wat ze ons leert: (1) Welke was de reden, waarom de Israelieten voor hunne vijanden vluchtten en overwonnen werden ? Waarom was de Heere niet met hen ? Wegens die geheime zonde. Indien wij dan éene zonde bij de hand houden, trachten haar te verbergen, zal God ons helpen, noch zegenen. Wat moeten wij doen ? Haar me-dedeelen aan Hem, berouw toonen, haar trachten te overwinnen, om langs dien weg vergeving te ontvangen. (2) Hoe begon Achans zonde? Door te zien, te begeeren. [Gelijk Eva met de verboden vrucht?) Wij moeten trachten te waken geen geld, fraaie kleederen, of vermaken te begeeren, die God ons niet gegeven heeft. Keer u er van af, bid en gij zult in staat zijn de verzoeking te weerstaan. Van begeerlijkheid werd Achan gebracht tot ongehoorzaamheid, tot diefstal, tot bedrog en zoo tot de zonde tegen God door het goud en het zilver te nemen, dat tot den schat des Heeren komen moest. Zoo leidt de eene zonde tot de andere. (3) Zonde brengt schande voort. Vroeger of later wordt zij ontdekt. Gewoonlijk in dit leven [dieven, moordenaars worden bijna altijd ontdekt, zoo ook kleine vergrijpen op de school), enz., maar zoo niet in dit leven, in den oordeelsdag zullen alle menschen en engelen haar kennen. Hoe vreeselijk zal het dan zijn, evenals Achan schuldig en beschaamd daar te staan! Belijd uwe zonden aan God nog heden, bid Hem over u te waken en u heilig te maken.


ocr page 110

96

LES XLIV.

Bene verkeerde Belofte letterlijk nagekomen.

Te leercn : Ps. XV : i, 2 onberijmd; Gez. 82 : 1,2.

Herhaling van de vorige Les. — Tegen welke stad trokken de Israelieten nu op, na Jericho veroverd te hebben? Wie zond Jozua eerst naar Ai? Welk bericht brachten de verspieders? Hoeveel mannen werden tegen haar afgezonden ? Wat gebeurde er ? Wat deed Jozua? Wat zeide God hem ? Hoe werd de man ontdekt? Hoe heette hij ? Welke dingen had hij achtergehouden ? Waar had hij ze gelegd ? Welke zonden had hij hierdoor begaan ? Waarom was het vooral kwaad zilver en goud te nemen ? Hoe werd hij gestraft ? Wat werd boven hem opgericht ? Waarmede begon de zonde van Achan ? Welk gebod overtrad hij eerst ? Welk daarna? Hoe kunnen wij op dezelfde wijze zondigen ? Wat leert ons deze geschiedenis aangaande het zijn van God met ons en Zijne hulp? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

Hoe heette de plaats, tegen welke de Israelieten optrokken, toen de Heere niet met hen was, wegens de zonde van Achan? Wat gebeurde er? Zij werden verslagen, moesten voor de mannen van Aï vluchten — het gansche volk was moedeloos. Nu de zondaar ontdekt en gestraft, de zonde aldus van onder de Israelieten weggedaan was — wilde de Heere weder met hen zijn en hun toonen dat Hij hen had verlaten alleen wegens die zonde. Zoo zouden zij wederom tegen diezelfde stad optrekken, waar zij eerst eene nederlaag geleden hadden.

\Lces den kinderen Jozua VIII: 1— 3 voorï\ Eene hinderlaag wil zeggen, dat een zeker aantal mannen zich in eene vallei, of achter rotsen verbergen, zoodat zij plotseling kunnen te voorschijn komen om te strijden. Wij zullen zien, hoe dit geschiedde. [Lees den kinderen vers 4—p voor.] Terwijl de mannen, die hij aangewezen had, in hinderlaag lagen, zou hij met een ander deel van het leger de stad aanvallen, daarna vluchten, zoodat zij het volk achter zich aanlokten. Wat moesten dan de mannen in hinderlaag doen? [Lees den kinderen vers 10—iS voor.] Hoe werden de bewoners van Aï verlokt om de stad te verlaten ? Wat beval God aan Jozua te doen ? \Lees den kinderen vers ig — 22 voor^\ Aldus werd de bevolking van Aï gedood en de stad verbrand — dezelfde mannen, die kort te voren de Israelieten verslagen hadden. Hoe kwam het, dat zij nu daartoe sterk genoeg'wa^ ren ?

Na den strijd bouwde Jozua den Heere een altaar, en offerde daarop brandoffers, als een dank aan God, en schreef op den steen (d. i. hieuw ze in den steen uit) de wet van Mozes. En daarna las hij aan het volk de zegening en den vloek uit het wetboek, door Mozes hun gegeven. Intusschen verspreidde zich het gerucht dezer groo-te zegepraal over het geheele land. De verschillende stammen en volken begonnen er aan te denken hoe zich tegen dien geduchten vijand te verdedigen.

[Lees den kinderen hoofdst. IX /, 2 voor]. Zij dachten dat zij, door zich te vereenigen, de Israelieten zouden kunnen overwinnen.

Er was echter éene stad, die zich met hen niet verbond. Deze was de stad Gibeon. Zij woonden niet ver van Aï — vreesden dat hunne stad nu aan de beurt lag — maar wilden niet vechten — zij wilden een ander plan beproeven. Wij zullen zien wat dit was» Lees vers 3—5. „Arglistigquot; wil zeggen : „op listige wijze.quot; Wat legden zij op hunne ezels? De wijn werd bij hen niet bewaard in glazen flesschen, maar in lederen zakken — de huiden van geiten en schapen — deze waren oud, gescheurd, gelapt. Van welke soort waren


ocr page 111

hunne schoenen en kleeren ? Oud, gescheurd, morsig. Lees vers 6.Vanwaar, zeiden zij, dat zij kwamen ? Wat verlangden zij van Mozes ? Een verbond is eene overeenkomst, zoodat de Israëlieten en Gibeonieten op vriendschappelij-ken voet zouden staan, en elkander niet bevechten. \Lees den kinderen vers 7—13 voorï\ Wat wilden zij bewijzen met hun beschimmeld brood, oude schoenen, wijnzakken, kleederen, enz.? Zou het niet waarschijnlijker zijn, dat zij vriendschap met hen zouden sluiten, die zoo veraf woonden? Omdat zij, die in hunne nabijheid woonden, op Gods bevel overwonnen moesten worden.

De Israelieten dachten misschien: „Deze mannen zijn uit een ander land — niet onze vijanden — zullen ons geene moeite aandoen, als wij ons in dit land gevestigd hebben — dus is er geen kwaad in, vriendschap met hen te sluiten. „Maar wat hadden zij eerst moeten doen ? Zij hadden den Heere eerst behooren te vragen, wat zij doen moesten. Laat ons zien, of zij dit deden. Lees vers 14, 15. In dat land is het eene gewoonte, als twee volken met elkander in vrede wenschen te leven, brood en zout met elkander te eten tot teeken van vriendschap. Aldus „atenquot; Jozua en de oversten met deze mannen — beloofden hun in het leven te behouden. Wat hadden zij niet gevraagd? Zij meenden deze zaak zeiven te kunnen afdoen. Zie, hoe het afliep. \Lees den kinderen vers 16—18 voor.] De mannen trokken af — alles scheen in orde te zijn. Maar hoe spoedig vernamen de Israelieten, dat deze mannen hunne naburen waren ? Reeds den derden dag. Trokken zij tegen hunne steden op ? Sloegen zij hen? Waarom niet? [Lees den kinderen vers ig—21 voor.] Het volk, vertoornd over den hun gespeelden streek— wilde hen dooden en hunne steden innemen. Maar wat zeiden de oversten ? Zij moesten hunne geloften gestand doen — het was toch ten slotte hunne eigen schuld, dat zij zich hadden laten bedriegen. Waarom? Echter zouden de Gibeonieten voor hun bedrog gestraft worden. Lees vers 22—24. „Knechtenquot; beteekent „slaven.quot; Zij moesten het hout hakken voor de offeranden, water putten tot reiniging van den tabernakel, en alles, wat men van hen vorderde, zonder daarvoor betaald te worden. Zoo redden zij hun leven, maar verloren hunne vrijheid. Welke reden gaven zij aan Jozua op voor hun bedrog? Maar zonder deze leugens hadden zij van den dood kunnen gered worden. Wie was de vrouw, die den Heere vreesde en zich en hare familie redde, toen hare overige stadgenooten gedood werden ? Indien zij zich onderworpen hadden, zouden ook zij ongetwijfeld gespaard zijn. Bedrog leidt immer tot moeielijk-heden. [Voorbeeld. — £en kind doet kwaad — zegt eene leugen om het kwaad te verbergen. Wordt het ontdekt, dan volgt dubbele straf.]

\Lees den kinderen vers 25—27 voor.] Wij kunnen uit het gedrag van Jozua en de Israelieten twee lessen trekken. 1. Waarin handelden zij verkeerd? In elke moeielijke omstandigheid moeten wij van God vragen ons aan te wijzen, wat wij doen moeten. En Hij zal het doen. 2. In welk opzicht handelden zij goed? Als wij iets beloofd hebben en wij zien later, dat het tot ons nadeel is — moeten wij toch die belofte houden. [ Voorbeeld. — Beloof iemand een werk voor eene bepaalde som te verrichten — een ander te helpen, eene boodschap te doen — wij zien later dat het meer tijd e7i moeite kost dan wij gedacht hadden — dan moeten wij o?is er niet aan onttrekken — getrouw onze belofte houden en God zal ons zegenen,] Hiervan is in het volgende hoofdstuk een voorbeeld. [Lees den kinderen hoofdst. X : 1—4 voor,] De andere koningen waren zeer vertoornd op de Gibeonieten, omdat zij vrede met de Israelieten gemaakt hadden, daarom sloten de vijf andere een verbond tegen hen.

Lees hoofdst. X vers 5. De Gibeonieten waren zeer bevreesd, zonden aan Jozua om hulp. Zou hij hen helpen, die hem bedrogen hadden? Ja, hij dacht aan zijne belofte van vriendschap — maakte zijn leger strijdvaardig. Eén leger tegen vijf! Lees vers 9—11. Wie


ocr page 112

98

overwon — de vijf of het éene leger? En waarom? Het overige van het hoofdstuk verhaalt ons dat al de vijf koningen gevangengenomen en gedood en hunne steden verwoest werden. Zoo

LES

Het beloofde Lanlt;

Te lecren ; Openb.

Herhaling van de vorige Les. — Hoe maakten de Israelieten zich van Aï meester? Wat was er gebeurd, toen zij de eerste maal tegen die stad optrokken ? Waarom werden zij toen verslagen ? Waarom waren zij nu voorspoedig ? Wat bouwde Jozua na de overwinning? Wat las hij aan het volk voor? Welk volk kwam om vrede met hen te maken? Welke soort van kleederen, flesschen en brood brachten zij met zich? Waarom deden zij dat? Wat zeiden zij tot Jozua? Werden zij door Jozua en de oversten

schets v.a

De groote slag bij Beth-horon, toen God het hagelsteenen op de Kanalinieten deed regenen, was het begin van eene reeks van overwinningen door de Israelieten in het beloofde land. Er werd een ander groot verbond van koningen tegen de Israelieten in het noorden des lands gesloten. Er was zulk een machtig heir, dat zij, naar hoofdstuk XI, waren „gelijk aan het zand aan den oever der zee.quot; Weet gij, wat dat beteekent? Dat zij schier niet te tellen waren. Maar opnieuw zeide de Heere tot Jozua „vrees niet,quot; want Hij zou ze in Zijne hand geven; en de Israelieten behaalden eene volkomen overwinning op hen. Een en dertig koningen werden door Jozua, in Gods kracht, na elkander overwonnen.

Lees Jozua XI : 23. Het volgende hoofdstuk verhaalt ons, hoe het land op Gods bevel onder de verschillende stammen verdeeld werd.

Die verovering van het land Kanaiin was niet als een gewone oorlog van het eene volk tegen het andere, waarin de overwinnaars nemen wat zij kunnen, terwijl ieder voor zich het beste neemt.

rustte Gods zegen op hen, die aan hunne belofte getrouw bleven — en werden Zijne vijanden door Zijne macht overwonnen.

I wordt verdeeld.

II : 10; Ps. 62 : 5.

geloofd ? Wat deden zij ? Waarin begingen zij een misslag ? Hoe spoedig ontdekten zij, dat de Gibeonieten hunne naburen waren ? Hoe straften zij hen ? Waarom doodden zij hen niet, noch namen hunne steden in ? Wie verbonden zich toen tegen de Gibeonieten? Wat deden dezen ? Kwam Jozua hun te hulp ? Wat gebeurde er? Hoequot; streed de Heere voor hen? Waarin handelden de Israelieten in dit geval verkeerd? Waarin handelden zij goed? Herhaal tekst en versje.

n de les.

Alles werd door God geregeld — alles was eene gave van God. Daarom aam ieder dankbaar zijn deel aan. Terwijl de verdeeling des lands plaats had — geheel het land bevolkt werd — kwam een man de vervulling eener oude belDfte vragen. Lees hoofdst. XIV : 6—8. Wie kwam tot Jozua ? AVaaraan herinnerde hij hem ? Hij en Jozua waren toen metgezellen geweest — ongetwijfeld waren zij nu nog vrienden. Welk onderscheid was er geweest tusschen hen en de tien andere verspieders? Hoe had de Heere hen beloond voor hun trouw en moed ? Maar aan Kaleb was eene bijzondere belofte gedaan. Lees vers 9—11. Wat had Mozes hem beloofd ? Hoeveel jaren was dat geleden? Hoe oud was Kaleb toen? Vijf en tachtig jaren. Oude lieden van vijf en tachtig jaren zijn in den regel zwak — dikwijls doof, of halfblind — somtijds niet in staat iets te doen noch zelfs te gaan. Was het zoo met Kaleb ? Daarom zeide Kaleb dankbaar „De Heere heeft mij in het leven behouden.quot; Niet zijne eigene kracht, maar Gods goedheid maakte hem zoo sterk. Hij was er niet


ocr page 113

99

trotsch op, zooveel te kunnen doen, maar hij was dankbaar.

Het land, dat hem beloofd was, was niet zonder moeite binnen te trekken. Lees vers 12. Hoe heette het volk ? Het waren reuzen. Hun voorkomen had de Israelieten vroeger zoo bevreesd gemaakt om tegen hen op te trekken. Hoe waren de steden ? Zij waren ommuurd — hadden hooge torens — waren moeielijk in te nemen; maar wat zeide Kaleb ? Vijf en veertig jaren geleden had hij dat gezegd, maar toen wilde het volk er zich niet aan wagen. Hij was daartoe nog bereid. quot;Waarom had hij het niet gedaan zonder Jozua's verlof? Ofschoon vroeger twee vrienden, gelijk in rang, ivas Jo-zua nn door God over het volk gesteld. Daarom wilde hij zich aan hem onderwerpen, toonde alzoo gehoorzaamheid aan het wettig gezag. En stond Jozua het hem nu toe? Lees vers 13. Jozua zegende hem, verheugd zond hij hem heen, gaf hem zijn aandeel in het beloofde land.

Laat ons zien, of er zoo iets in ons leven voorkomt. Aan wien zijn wij geroepen als dienstknechten getrouw te zijn ? Aan wien gehoorzaam te zijn, evenals Kaleb?

[Kinderen dienen God als zij hunnen ouders gehoorzaam zijn, evenals Kaleb, toen hij Mozes en Jozua gehoorzaamde^ Een goed voorbeeld te geven, en anderen aansporen goed te doen. Deed Kaleb dit niet, toen hij de Israelieten trachtte te overtuigen op Gods bevel naar Ka-naiin op te trekken? \T00n hun aan, hoe jongens en meisjes in ce7i huisgezin of in de school de jongeren kunnen aansporen zich goed te gedragen, vooral als ouders of onderwijzer afwezig zijn. Bit wordt getrouwheid genoemd.]

Wat zijne belooning aangaat, wat is voor ons het beloofde erfdeel ? quot;Wie geeft het ons ? Jezus — deze naam beteekent Jozua — Redder. Echter werd Hebron niet aan Keleb gegeven zonder —wat? Het moest door strijd in zijn bezit komen — zoo ook moeten wij strijden, om den hemel te beërven. Waartegen ? Strijdt gij nu reeds? De strijd — niet alleen tegen groote ondeugden, maar ook tegen kleine (zooals wij ze noemen alledaagsche) zonden, onwaarheid, hebzucht, baatzucht, vuile woorden. Streed Kaleb in zijne eigene kracht, en verwierf hij zoo het erfdeel door zijne eigene macht en schranderheid ? Zoo zal de Heere ook met ons zijn, als wij Hem er om vragen. De hemel wordt niet verdiend, maar is eene vrije gave — echter gebiedt God ons er voor te strijden — belooft met ons te strijden, zoodat wij zullen overwinnen en de belooning wegdragen.

Kaleb en zijn geslacht trokken, na Jozua's zegen ontvangen te hebben, tegen de Enakieten op, overwon hen met Gods hulp, en gingen in de stad Hebron wonen. Langzamerhand namen de stammen het land in bezit, hun door Jozua aangewezen, begonnen te bouwen en te planten en leefden vreedzaam in het land. Eén stam ontving geen land — het was de stam van Levi. Weet gij nog, wat het werk der Levieten was? Zij waren belast met de zorg voor den tabernakel en alles wat tot den dienst van God behoorde. Zij hielden zich hiermede voortdurend bezig, zoodat zij geene landhoeven, tuinen, wijngaarden, enz. konden bezitten, waardoor hunne gedachten en hun tijd zouden kunnen worden afgeleid van hetgeen, waarvoor God hen gewijd had. Maar hoe moesten zij dan leven ? God had gezegd, dat het geheele volk hun een tiende geven zou van hetgeen zij bezaten, als een offerande aan Hem, waardoor de priesters en Levieten in hun onderhoud zouden kunnen voorzien.

Toen het land geheel onder het volk verdeeld was, was er nog iets, waarvoor God wilde, dat Jozua zorgen zou. Lees Jozua XX : 1—3. Wat was dat? Eene vrijstad — eene veilige plaats in geval van gevaar. Wie moesten daarheen vluchten ? Een doodslager wil zeggen : iemand, die zonder het te willen iemand gedood had. [ Voorbeeld. — Twee mannen vellen boomen; de een kan een boom doen vallen op den ander; of iemand schiet een hert en de pijl gaat zijdelings af en doodt iemand, enz.} In die landen zou de naaste bloedverwant van den gedoode (hier bloedwreker genoemd)


ocr page 114

IOO

zoeken den doodslager te dooden. Dan kon hij naar eene der vrijsteden vluchten. Lees vers 4, 5. Aan wien moest hij de reden van zijne komst mededee-len? Zoo zij bevonden, dat hij zonder opzet den doodslag begaan had, moesten zij hem bescherming verleenen. Zoo lang hj in de stad hlcef mocht de bloedwreker hem niet aanraken. Zes steden werden als vrijsteden aangewezen. \Lees den kinderen vers 6—g voor.^

Deze steden doen ons denken aan Jezus, die onze Toevlucht is. Wanneer wij bevreesd zijn, als wij kwaad gedaan

les :

Jozua's

Te leeren : Joz. XS

HerhaWig van de vorige les. — Wie kwam een afzonderlijk erfdeel vragen toen het land Kanaan onder de Israelieten verdeeld was? Door wien was het hem beloofd ? Waardoor had hij het verdiend ? Hoe oud was hij toen ? Wie woonden in het land, dat Kaleb wenschte te bezitten? Waarom meende hij die reuzen te kunnen verdrijven? Waarom nam hij uit eigen beweging Hebron niet? Wat zeide Jo-zua ? Overwon Kaleb de reuzen en verkreeg hij zijn erfdeel? Waarvan is dit erfdeel het beeld? Ofschoon de he-

SCHETS A

De tabernakel, die door de Israelieten werd medegevoerd sedert hij gemaakt was, ten einde met hen te zijn, waarheen zij ook gingen, kreeg nu eene vaste plaats te Silo. Daar werd de aanbidding van God vastgesteld, en het volk trok ieder jaar derwaarts heen, op zijne plechtige feesten. (Pascha, dank-zegging voor den oogst, enz.) Maar allen woonden niet dicht bij elkander. Herinnert gij u dat God aan de stammen van Ruben en Gad en den halven stam van Manasse een gedeelte lands gegeven had aan de overzijde der Jordaan? Zij hadden hunne vrouwen en kinderen achtergelaten, en waren de rivier overgetrokken om hunne broederen te heihebben, om van God gestraft te zullen worden — of in nood zijn — of de dood dreigt — kunnen wij, evenals de doodslager, tot Jezus vluchten. Hij kan ons van de zonde verlossen — ons van de hel redden — in lijden troosten — ons zelfs voor den dood niet doen vreezen 7 zoo wij slechts hij Hem blijven. Niet slechts een- of tweemaal bidden, maar aanhoudend — leven in Zijne liefde en vreeze — iederen dag, ieder uur tot Hem opzien. Wat moeten wij God danken, dat Hij ons die Toevlucht gegeven heeft!

Einde.

[V : 24; Gcz. 2 ; 1.

mei eene gave Gods is, wat moeten wij doen om dien te beërven ? Ja, strijden — tegen wat? Moeten wij geheel alleen strijden? Wie zal ons helpen? Herhaal den tekst. Welke stam kreeg geene landstreek, toen het land verdeeld werd ? Waarom was dit? Hoe moesten de priesters en Levieten onderhouden worden ? Waartoe werden zes steden afgezonderd ? Wie vluchtten daarheen ? Wie zou hen willen vervolgen ? Wat moesten de oudsten dier steden doen? Wie is onze Toevlucht? Waartegen wil Hij ons beveiligen? Herhaal tekst en versje.

N DE LES.

pen in den strijd tegen de Kanaanieten. Jozua riep hen nu tot zich, en zeide hun dat, nu zij hunnen plicht volbracht hadden in hunne broederen te helpen, zooals zij beloofd hadden, zij naar hunne haardsteden konden terugkeeren.

\Lees den kinderen Jozua XXII : 1—8 voor.'] Zij behoefden niet met ledige handen terug te keeren, maar namen den buit, door de Israelieten in den oorlog gemaakt, met zich. Zij vertrokken van Silo naar hun eigen land, Gilead geheeten, terug. Nu zullen wij zien, wat het eerste was, dat zij deden, toen zij daar aankwamen. [Lees den kinderen vers 10—12 ■t/öö;'.] Wat bouwden zij? Waartoe dient een altaar?


ocr page 115

101

Verheugden de kinderen Israels zich hierover, toen zij het hoorden? Neen, zij waren zeer verbolgen. Waarom? {Lees den kinderen vers 13—16 voor^ Zij zonden Pinehas, een der priesters, en tien vorsten (overheden) met hem, om hun omtrent dit altaar te vragen. Zij meenden, dat hunne broederen dit gedaan hadden, om aan een afgod te offeren — dat zij tegen God opstonden en van Hem afvallig waren geworden. Zij ergerden zich en dachten: „Hoe ondankbaar en snood; zij zullen Gods toorn over ons brengen.quot; \Lees den kinderen vers 17, /5 ï'öoa-.] Daarom herinnerden zij hun een vroegeren tijd, toen zij God hadden gehoond en van Hem waren afgeweken, om de goden na te volgen van de volken, door wier land zij trokken. Toen had Hij hun tot straf eene pest gezonden. [Lees den kinderen vers ig voor.] In plaats van zulk eene goddelooze daad, een altaar aan een valschen god op te richten, toe te laten, wilden de Israelieten hun liever een gedeelte van hun eigen land afstaan. Hoezeer verlangden zij hunne vrienden van het kwade terug te houden! Zoo moeten wij ook doen, trachten anderen van het kwaad terug te houden en hen tot het goede aansporen. {Indien een knaap of meisje iveet, dat een ander de orde der school wil verstoren — of zijnen ouders ongehoorzaam zijn — een verboden vermaak wil gaan genieten — uit de school of de kerk hlij-■ven, enz., moet hij niet zeggen: „Dat gaat 7nij niet aanquot; „V kan mij niet schelen wat hij doetquot; enz,, maar trachten hem er van terug te houden.]

Laat ons nu zien, wat de Rubenieten, Gadieten en de halve stam van Manasse antwoordden, toen Pinehas en de tien vorsten tot hen gesproken hadden. Wanneer iemand van iets beschuldigd wordt, hoe gevoelt hij zich dan en hoe spreekt hij ? Op boozen toon. Al is hij schuldig, wil hij er niet van hooren spreken — is hij onschuldig, dan ontsteekt hij vaak in toorn, of is te trotsch om te spreken en zich te verklaren. [Hierover kan worden uitgeweid naar de bevatting en den leeftijd der kinderen,] [Lees den kinderen vers 21—29 voorï\ Het altaar was niet gebouwd om er brandofferanden op te brengen, maar tot een teeken, een getuige — om te too-nen tot de Israelieten te behooren, en dat de Heere ook hun God was. Welke rivier liep er tusschen hen en de andere stammen? Wat vreesden zij, dat de andere stammen in latere jaren zeggen zouden ? Dan zouden dezen antwoorden. (Vers 28.) Waarom mochten de Rubenieten, de Gadieten en de Manassers niet zeiven een altaar hebben, daar zij zoo ver van Silo woonden, en daar den Heere offeren? Omdat het Gods wil was, dat Zijn volk te zamen zou aanbidden — niet verdeeld zou zijn — daarom wilden zij zich niet van hunne broederen scheiden. Een voorbeeld voor ons.

[Lees den kinderen vers 30 tot het einde voorP\ Welken indruk maakte het op Pinehas en de tien vorsten, toen zij hoorden, waartoe het altaar diende? (Geheel anders dan als schoolknapen lachen als een hunner makkers berispt of gestraft wordt —gaan aanbrengen, alsof zij blijde waren, dat hij of zij kwaad heeft gedaan.] Het altaar, Ed geheeten, beteekent „getuige.quot; Deze zaak was dus gelukkig geschikt.

De tijd ging voort en Jozua's einde naderde. Lees Jozua XXIII : 1—3. Wie riep hij tot zich? Allen stonden rondom hem. Het was de laatste maal, dat hij tot hen spreken zou. [Opheldering. — Kinderen bij het sterfbed van vader of moeder. De laatste woorden van een onderwijzer, die vertrekt. Hoe ernstig luisteren allen toe, schoon zij vroeger geen acht op zijne woorden gavenï\ Jozua gevoelde, dat de tijd naderde, wanneer hij niet langer hun aanvoerder zijn zou, maar wie zou hen bijblijven? Daarom herinnerde hij hun alles wat God voor hen gedaan had en nog doen zou, zoo zij op Hem vertrouwden en Hem gehoorzaamden. [Lees den kinderen vers 11—13 voor^\ Hij zeide tot hen: „Een eenig man onder u zal er duizend jagen.quot; Waarom? Maar daarom moesten zij zich wel wachten zich met hen te vermengen, huwen, enz., de booze wegen niet leeren aan het volk,


ocr page 116

102

dat nog in het land was. Deden zij dit, dan zou de Heere die vijanden niet meer voor Zijn volk verdrijven, maar hen daar laten blijven om de Israëlieten voor hunne boosheid te straffen.

Lees vers 14. Wat bedoelde Jozua met „Ik ga heen.quot; AVat wisten zij ? Dat al Gods beloften vervuld waren, daarom konden zij ook verzekerd zijn; dat Hij Zijne bedreigingen zou nakomen. In het volgende hoofdstuk herinnert Jozua het volk alles, wat God voor hen gedaan heeft. [Lees den kinderen, met vragen, hoofdst. XXIV: 2—14 voor.'] In Egypte hadden zij geleerd andere goden, afgoden, te dienen, en van de Amalekieten ook —nu vermaande Jozua hen voor altijd zich van de aanbidding van afgoden te onthouden. Leesvers 15—18. quot;Wat beval Jozua hun te doen? Te kiezen. Wat zeide hij, dat hij doen zou? Wat antwoordde het volk ? [Dikwijls is het zoo op een kinderpartijtje. De een zegt : „Ik wil zoo en zoo.quot; Anderen roepen: „ wij ook,quot; Jozua vreesde, dat zij te haastig zouden antwoorden, niet oprecht meenen zouden hunne belofte te houden. Hij zeide hun dat het somtijds moeielijk zijn zou God te dienen ; Hij wilde eene geloovige aanbidding — hun gansche hart. Het volk beloofde.

les gt; Een afval

Te lecren: 1 Cor.

Herhaling van de vorige les. — Welke stammen hadden hun erfdeel aan de andere zijde der Jordaan ? Wie waren daar al dien tijd achtergebleven? Wat hadden de mannen gedaan ? Wat zeide Jozua hun? Wat werd hun gegeven om mede naar huis te nemen ? Wat richtten zij op kort nadat zij Gilead bereikt hadden ? Wie hoorden hiervan ? Wie werden gezonden om hun hierover te spreken? Wat dachten de Israelieten

schets yh

Gedurende eenigen tijd hielden de Israelieten de belofte, die zij zoo plech-

Lees vers 22—25. Wat zeide hij hun weg te doen? Het schijnt dat zij in het geheim afgoden hadden bewaard — sommigen ze zelfs aanbaden. Deze zonde moesten ze opgeven. Wat baatten beloften, zoo men nog eene zonde aan de hand hield. \Lees den kinderen vers 26— 28 voor.) Deze steen was een gedenk-teeken, die hen aan hunne belofte moest doen denken. Die groote bijeenkomst was de laatste handeling van Jozua. Wat was zijn vurig verlangen ? Niet dat het volk alles zou gedenken, wat hij voor hen gedaan had, maar wat? Jozua had God lief meer dan zich zeiven. Getrouw tot in den dood.

Moeten wij, evenals de Israelieten, den dienst van God kiezen ? Wanneer is dit voor ons beloofd? Wanneer beloven wij het voor ons zei ven ? Bij onze belijdenis. Maar vóór die belijdenis moeten wij óf God óf iets anders kiezen. Wat wij het meeste liefhebben is onze god. Het kan zijn : geld, vermaken, onze eigen wil, ons zeiven. Zoo wij dezen volgen tegen hetgeen God van ons verlangt, maken wij ze tot onze goden, kan uitgeweid wordenLees vers 29, 31. Zoo geloovig stierf Jozua, en gedurende eenigen tijd ten minste bleven de Israelieten getrouw door aan zijne wenschen gehoor te geven.

:lvii.

lig Volk.

I : 27; Ps. 62 : 4.

van dit altaar? Hoe verklaarden de Rubenieten, Gadieten en Manassers, wat zij gedaan hadden ? Waren de Israelieten hierover voldaan? Wat deed Jozua vóór zijn dood? Hij riep het volk te zamen. Waarover sprak hij hun ? Wat beval hij hun te doen ? Wat moesten zij wegdoen ? Wie beloofde God te dienen? Wat richtte Jozua tot een gedenk-teeken op? Hoe oud was hij, toen hij stierf? Herhaal tekst en versje.

.n de les.

tig gedaan hadden voor Jozua stierf, en de overheden en oudsten zullen hun dik-


ocr page 117

io3

wijls die groote vergadering herinnerd hebben, toen zij die gedaan hadden. AVat zon hun bovendien er aan hebben doen denken ? Maar weldra waren allen, die Jozua's metgezellen geweest waren, gestorven.

Lees Richteren II ; 10. [Verklaar geslacht — al degenen* die omtrent denzelfden tijd geboren waren. Licht dit toe door de leerlingen, hunne neven, enz. als éen geslacht, hunne ouders een ander, hunne grootouders weder een ander, enzï\ Hoe kwam het dat zij God vergaten en Hem verlieten ? Dit zullen wij zien in vers li, 12. Welke goden volgden zij na? Gij ziet, dat zij door de bewoners van dat land tot die zonde gebracht werden — de Kanaiinieten, die om hen woonden, aanbaden goden van hout, steen, koper, enz. God had tot hen gezegd „Vermaagschapt u niet met hen,quot; maar de Israelieten hadden Hem niet gehoorzaamd. Het eerste gedeelte van dit hoofdstuk noemt ons den gezant, dien Hij zond om hen te waarschuwen voor de gevolgen hunner ongehoorzaamheid aan Hem, denkende dat zij wijzer waren dan Hij. \Lees den kinderen vers 1—5 voor?[ Een verbond is eene overeenkomst. Het volk was geboden geene overeenkomst met hunne vijanden te sluiten — hunne altaren omver te werpen en zich niet met hen in te laten. Daar zij hierin aan God ongehoorzaam geweest waren, wat zeide Hij hun ? \Lees nogmaals vers j.] (Zoo is het dikwijls onder kinderen. Vader of moeder zegt: „Gij moet met dezen of dien niet omgaanquot; vik heb niet gaarne, dat gij met die ruwe knapen speelt,'''' of „met die lichtzinnige meisjes wandelt.quot; De kinderen denken, dat het niet schaden kan en zeggen hij zich zeiven: „ Ik behoef hunne manieren niet over te nemen, ik zal niet worden gelijk zij,quot; cn gaan om met Z7ilke kennissen, als er gelegenheid toe is; ten slotte vervallen zij tot dezelfde zo/ide.) De eenige veilige weg is zich aan slecht gezelschap geheel te onttrekken. Heeft geen vader of moeder ons gewaarschuwd. God heeft ons geboden : „Kom niet op het pad der goddeloozen, en treed niet op den weg der boozen.quot; (Spreuken IV : 14.) Wij zijn Zijn volk, evenals de Israelieten — gehouden Hem te volgen van onzen doop af. Nu zullen wij de gevolgen zien van de zonde, waartoe de Israelieten vervielen door hunne heidensche vrienden.

[Lees den kinderen vers 13—/5 voorJ\ Wat deed de Heere ? In plaats van te overwinnen werden zij dus geslagen. Nu zij aan God ongehoorzaam geweest waren, wilde Hij hen niet helpen. Hunne vijanden maakten hen tot slaven — namen hunne bezittingen — mishandelden hen. Toen riepen zij tot God om hen te helpen, en Hij ontfermde zich over hen, ofschoon zij hun lot verdiend hadden. [Opheldering. — Somtijds komt een kind in ongelegenheid door verkeerd gezelschap — zij doen iets slechts en het vertnoeden valt op allen, die 7?iet hen geweest zijn — het kind gaat tot zijn vader — hij wil het gewoonlijk helpen, zoo hij kanï\ Zoo is de Hemelsche Vader ook. Lees vers 16. Deze nieuwe bestuurders werden richters genaamd. Zoudt gij niet meenen, dat het volk zijne booze wegen nu verliet ? [Jl'ijs op de vroegere opheldering. Indien een kind zich laat waarschuwen voor de moeiten, waarin slechte makkers het kunnen brengen — verlaat het hen — zal voortaan goed handelen en gelukkig zij7i.] Laat ons zien, of de Israelieten dit deden.

Lees vers 17 —-19. AVat deden zij? Zoo was hunne straf voor hen van geen nut, maar keerden zij langzamerhand naar hunne valsche goden terug. [Lees den ki7ideren vers 20 tot het einde voorï\ Waarom, zeide de Heere, zou Hij de volken niet uit het land drijven ? Het volgende hoofdstuk vermeldt ons de namen der volken, die er in bleven wonen. Het volk van God vermengde zich met hen, namen hunne zonen en dochteren ten huwelijk en dienden hunne goden, en alzoo liet Godhen vallen in de handen van den Koning van Mesopotamië. Maar toen zij tot den Heere riepen om hulp, verwekte Hij onder hen een verlosser, Othniël, den zoon van Kaleb. [Herin-7ier h7e7i, wie Kaleb was.] Na den dood van Othniël deden de Israelieten weder.


ocr page 118

104

wat kwaad was in de oogen des Heeren, en werden door den Koning van Moab overwonnen, en Ehud werd tegen hem afgezonden, die hem doodde en zijn volk versloeg. Maar toen Ehud gestorven was, vervielen de Israelieten weder tot hunne goddeloosheid en zoo zeker als zij zondigden, geraakten zij ook in moeielijkheden.

Zie nu, in wiens macht zij vielen. Lees hoofdst. IV : 2, 3. Hoe heette de koning, die hen overwon ? Hoe heette zijn veldoverste? Zijne „negenhonderd ijzeren wagensquot; bewezen, dat hij een groot leger en veel woeste soldaten had — de Israelieten konden niets doen om zich zeiven te helpen — hij „onderdrukte hen met geweld,quot; dat is mishandelde hen zeer. Wat deden zij ? Hoe dikwijls had God hen vroeger geholpen — gelijk een liefhebbend vader, wiens kinderen telkens tegen hem opstaan, zich nog over hen ontfermt! Nu zou de Heere hen helpen door twee vrouwen. Zie op welke wijze. Vers 4—7. Wie richtte toen Israel? Het was de Heere, die den rechter leerde, hoe de twisten bij te leggen, wat het volk te raden, enz. Wien riep zij? Wat zeide zij hem te doen? Wat zeide zij, dat God doen zou? Vers 7. Zie wat Barak antwoordde. Vers 8. Waarom wilde hij, dat Debora met hem ging ? Echter moest hij zich niet op zijne eigen kracht verlaten en zeggen: „Indien gij niet,quot; enz. Hij had op God moeten vertrouwen — daarom \lecs den kinderen vers g voo?'] moest hij de eere niet hebben bij deze onderneming.

[Lees den kinderen vers /0,/2,13 voor^\ Barak aan de eene. Sisera aan de andere zijde — deze met een talrijk le-

LES De Roeping

Te leeren: Joh. VI

Herhaling van de vorige les. — Wat deden de Israelieten na den dood van Jozua en de Oudste van zijn tijd? Wat overkwam hun toen? Hoe kwam het, dat zij zoo gedurig van Godafwe-ger — ijzeren wagens. — Baraks soldaten waren niet zulke goede krijgslieden — waren twintig jaren in slavernij geweest — hadden geen ijzeren wagens. \Lees den kinderen vers 14—16 voor.ai gebeurde er? Wie overwon? Het volk overwonnen zijnde, waar bleef de veldoverste ? Hij vluchtte — meende nu in veiligheid te zijn. Maar welke soort van man was Sisera? Een wreed man. Dezulken blijven door God niet ongestraft. Zie, wat er met hem gebeurde. [Lees den kinderen vers /7 voor^\ Er was vrede tusschen zijn meester Jabin en Heber — hij zag diens tent, wilde die binnengaan om te rusten — nu vreesde hij geen kwaad. [Lees den kinderen vers 18—22 voor.] Wat deed Jael? Eene wreede daad, maar eene wel verdiende straf voor hem, die het volk des Heeren kwalijk behandeld en verdrukt had. Jael werd door God gebruikt om dezen goddelooze te straffen. (Matt. VII : 2) Lees vers 23. Ofschoon Debora, de profetes, de Israelieten ten strijde opriep, Barak hen aanvoerde, Jael Sisera doodde, wien kwam echter de eer dei-overwinning toe ?

Dit verhaal leert ons dat, als wij Gods weg verlaten, wij onheil hebben te wachten — niet gelukkig kunnen zijn, als wij een slecht leven leiden. Ook dat God de allerzwakste kan gebruiken om Zijn werk te volbrengen. Toen de Israelieten door wreede vijanden verdrukt werden, was het Debora, die hen opzette om weerstand te bieden, — Jael, die den wreeden veldoverste doodde. Daarom moeten kinderen niet gelooven, dat zij te klein zijn om van nut te wezen, maar gereed zijn om in elk goed werk hulp te bieden.

van Gideon.

I : 34 ; Gez. 84 : 12.

ken en de afgoden aanbaden? Wat kunnen wij hieruit leeren ? Het gevaar van den omgang met slecht gezelschap. Gaf God hun nieuwe leidslieden ? Hoe werden zij genoemd ? Kunt gij den naam


ocr page 119

van eenigen hunner opnoemen? Hoe heette de Koning van Kanaan, die de Israelieten overwon ? Hoe heette zijn veldoverste? quot;Welke soort van man was Sisera ? Hoeveel ijzeren wagens had hij ? Wie richtte toen Israel? quot;Watverlangde zij van Barak ? Wat zeide hij ? Welk was haar antwoord ? Wat gebeurde er toen de Israelieten de Kanaiinieten ontmoetten? Waarheen vluchtte Sisera? Wie kwam hem te gemoet? Wat bood zij hem aan? Wat gebeurde toen? Van wiens werk waren Jael en Debora de werktuigen? Was het door hun eigen kracht? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

Na de groote verlossing, die God den kinderen Israels zond door de hand van Debora en Jael, leefden zij gedurende veertig jaren in vrede en rust. Hoe aangenaam na de ellende en de verdrukking van den tijd, toen zij door de Kanaiinieten werden mishandeld ! Maar, helaas! zij hadden niet geleerd door hunne vroegere rampen, maar na de veertig jaren zien wij, dat zij zorgeloos werden in hun gemakkelijk leven. Wederom verlieten en vergaten zij God, die zoo goed voor hen geweest was. {Opheldering. — Zoo gaat het dikwijls met den viensch — als alles met hem 'voorspoedig gaat, rijk, gezond, zonder zorgen is, dan leeft hij onbekommerd, vergeet God, denkt niet aan den hemel, is geheel tevreden met dit leven; maar wanneer God rampen, ziekten, het verlies van vrienden of geld zendt, dan denkt hij aan Hem, vraagt hij om Zijne hnlp.'] Zoo bracht God wederom ellende over de Israelieten.

[Lees den kinderen Richt. VI: i—6 voorï\ Hoe heetten deze vijanden ? De Israelieten waren zoo bevreesd voor hen, dat zij vluchtten — hun have en goed verlieten — als wilde dieren in holen en spelonken woonden, om zich te verbergen. De Midianieten waren zoo talrijk, bijna ontelbaar, namen hunne runderen en schapen weg, lieten hen zonder brood. De hongerdood wachtte allen. Hoe ellendig! Tot wien riepen zij ? Nu zal ik u zeggen, welk antwoord de Heere gaf. \Lees den kinderen vers 7—lo voor.] Waaraan herinnerde Hij hen ? Wien had Hij hun geboden niet te vreezen ? Maar wat hadden zij gedaan ? Vandaar die ellende, welke over hen gekomen was. Maar ofschoon de Heere hen hunner zonde deed gedenken, liet Hij hen in dezen rampspoed niet aan zich zeiven over.

Lees vers 11. Aan wien verscheen de engel? Wat deed Gideon? Dit was de gewone plaats niet om tarwe te dor-schen — in den wijngaard — op eene verborgen plaats, opdat de Midianieten haar niet vinden zouden. Wat zouden zij gedaan hebben ? Plotseling verscheen een blinkende engel dicht bij hem. Hoor, wat hij zeide. Lees vers 12—14. Welke waren zijne eerste woorden? Wat antwoordde Gideon? Toen deed God hem zien (vers 14), dat Hij een verlosser zenden zou, en wie moest dat zijn? Zoudt gij meenen, dat Gideon er trotsch op was daartoe gekozen te zijn? Zie vers 15. Was zijne familie rijk of arm ? Hij was de jongste ; hoe kon hij dan dat groote werk verrichten ? God toonde hem, vers 16, hoe hij daartoe in staat zou zijn. Herinnert gij u den man, van wien wij vroeger gelezen hebben, die tot verlosser geroepen werd, en die eerst zeer bevreesd was ? Mozes, niet waar? Hoe bemoedigde God hem? Immers door dezelfde woorden : „Voorzeker zal ik met u zijn.quot; Bestond er dan reden om bevreesd te ziyii [Opheldering. — Stel ïl voor een kind, dat in een donkeren, stormachtigen nacht om eene boodschap wordt uitgezonden, en bevreesd is te verdwalen — eensklaps ziet het, dat zij71 vader denzelfden weg gaat, zijne hand in de zijne legt — nu gevoelt het geene vrees meer. Of de geschiedenis van den knaap, wien in een stormachtigen nacht door een der passagiers gevraagd wordt, of hij niet bevreesd is, en die antwoordde : „Mijn vader staat aan het roer.quot;


ocr page 120

io6

Gideon gevoelde zich door deze woorden bemoedigd, maar evenwel was hij zoo verrast door het bezoek en den last van den engel — dacht dat hij droomde, daarom vroeg hij den engel een tee-ken om te doen zien, dat het werkelijkheid was. \ Lces den kinderen vers /7—23 voor^\ Wat verlangde hij, dat de engel doen zou? Wat bereidde hij? Wat deed de engel met het vleesch en de koeken ? Toen de heldere vlam uit de rots omhoog steeg en de spijzen verteerde, waarvan was Gideon toen zeker ? Dat dit plaats had door goddelijke macht. Dit maakte hem eerst bevreesd — hij dacht zulk een bezoek niet waardig te zijn. Maar wat zeide God tot hem? \Lees den kinderen vers 21 voor.\ Jehova Salem beteekent: „de Heere is vrede.quot; Gideon bouwde dit altaar om zijne dankbaarheid en bereidvaardigheid te toonen, gereed om te doen alles wat God hem gebood. Nu begon hij zijn werk van verlossing. Maar vooraf moest er iets anders gedaan worden.

Waarom had God toegelaten, dat de Israelieten door de Midianieten verdrukt werden? Omdat zij de afgoden aanbaden. Zoo was de zonde de bron hunner ellende, en vóór die ellende kon ophouden, moest de zonde worden weggedaan. Zelfs nam Gideons eigen vader deel aan deze zonde, misschien had hij zelf haar ook begaan. Nu zou hij moedig voor aller oog toonen, dat hij den Heere voor zijn God gekozen had en alle val-sche goden had afgezworen. Lees vers 25, 26. Wat moest hij nederwerpen ? Wat moest hij bouwen? Zou dit niet gevaarlijk voor hem zijn ? Wat zou zijn vader vertoornd wezen ! Zie of hij den moed er toe bezat. Vers 27. Wanneer deed hij het ? Hij en zijne knechten moeten dien geheelen nacht hard gewerkt hebben — een geheel bosch uit te roeien, een altaar af te breken, een ander te bouwen — den var te slachten en te dooden — dit alles was zoo haastig geschied, dat alles den volgenden morgen gereed was. Lees nu vers 28. Hoe waren zij gestemd ? Zij waren zeer toornig. Wat verlangden zij van Gideons vader? Laat ons zien of zijn vader gezind was als de anderen. Vers 31. De woorden van Joas waren veel-beteekenend. Indien Baal een ware God was, zou hij zijne eigene zaak verdedigen — kon Gideon straffen zonder dat zij het deden. Het volk zag dat dit waar was en zij schaarden zich om Gideon als hun aanvoerder. Hij zag dat hij dapper was om hen te leiden, en zij gevoelden dat de Heere met zulk een man zijn zou.

\Lecs den kinderen vers 33 — 3$ voor?^ De vijanden brachten hunne legers bijeen in het dal van Jizreël, en wat deed Gideon? Op zijne roepstem kwamen er mannen van verschillende stammen, om zich bij zijn leger te voegen. Gideons hart werd versterkt toen hij het volk op zijne stem zag toesnellen, maar toch wist hij, dat zij zwakker en minder in getal waren dan de Midianieten ; daarom bad hij God hem een ander teeken te geven, en de Heere hoorde zijn gebed. Lees vers 37 tot. het einde. Wat vroeg hij God de eerste maal te doen? Wat de tweede? Werden deze teekenen gegeven? Dus verkreeg hij den moed om zijn werk te beginnen. Aanstaanden Zondag zullen wij zien, hoe hij dit deed.

Denk nu eens na over hetgeen wij gelezen hebben. Waarom waren de Israelieten onder de macht der Midianieten overgegeven ? Omdat zij zich van God afgekeerd hadden. Welke was de eerste stap, dien Gideon doen moest, voor hij zijn verlossingswerk kon aanvangen? Dus belooft God ons niet ons in onze zonden, maar van onze zonden te verlossen. Wie is onze groote vijand ? Satan. Hij verleidt tot zonde en daardoor tot rampzaligheid. De mensch kan niet gelukkig zijn, zoo lang hij de zonde dient. Kunnen wij ons echter aan zijne macht onttrekken? Hij is gelijk „de sterke gewapende man,quot; (Lukas 11: 21) maar God is sterker. Maar wij moeten het willen, d. i. van harte wen-schen dat onze zonden uitgedelgd en weggenomen worden (niet alleen om de straf te ontkomen), dan zal God, zoo wij tot Hem opzien, ons vrij maken.


ocr page 121

LES XLIX.

De Zegepraal van Gideon.

Te leeren: Rom. VIII: 31; Ps. 46 : 6.

Herhaling van de vorige les. — Hoe heette het volk, dat de Israelieten verdrukte? Waarom werd het hun toegelaten hen kwalijk te behandelen ? Tot wien riepen zij ? quot;Wie werd geroepen om hen te verlossen? Wat deed Gideon toen de gezant tot hem kwam ? Waarom dorschte hij de tarwe bij de wijnpers ? Hoe toonde de engel hem, dat hij van God gezonden was? Wat werd Gideon geboden eerst te doen ? Deed hij dit ? Wanneer deed hij het ? Waarom bij nacht? Wat gebeurde den volgenden morgen? Wat zeide zijn vader? Stemde het volk met zijne woorden in? Wat deed Gideon vervolgens? Schaarden zich velen bij zijn leger? Welke tcekenen vroeg Gideon nog meer van God? Werden zij hem gegeven?quot; Waarvan was hij nu zeker?


SCHETS VAN DE LES.

Wij hebben in de vorige les gelezen, hoe het volk van alle deelen des lands toekwam op de roepstem van Gideon. Hoe kwam dit? Zij haatten de Midia-nieten — zoo stroomden er iederen dag meer mannen toe — weldra had hij een leger van 32,000 man. Dit leger sloeg zich neder bij den heuvel Gilboa — de vijanden stonden beneden in het dal geschaard. Maar hoor nu welk een vreemd bevel God aan Gideon gaf voor zij den strijd begonnen.

Lees Richt. VII : 2. Wat zeide Hij aangaande het volk ? Waarom waren er te veel? „Opdat het volk zich niet tegen mij beroeme.quot; Zoo Hij hun de overwinning schonk, zouden zij zeggen zich zei ven verlost te hebben — trotsch zijn op de overwinning — God er niet voor danken. Zie nu, hoe Hij het leger dunde.

Wie beval Hij eerst terug te zenden ? Hoevelen keerden terug? Deze 10,000 man waren niet moedig genoeg — klein-moedigen wil God niet dat voor Hem strijden. Hoeveel bleven er over? En zou Hij toch al die 10,000 gebruiken ? Waarheen moest hij hen voeren? Nu zal ik u zeggen hoe zij verder gescheiden werden. \Lees den kinderen vers 5, 6 voor^\ Het volk had ongetwijfeld dorst — velen snelden naar den waterkant en brachten hun mond aan den stroom — anderen, bedaarder en voorzichtiger, bedenkende dat de vijand nabij was, doopten hunne hand in het water.

De eersten had God gekozen om ten strijde te trekken.

Hoeveel waren er? Lees vers 8—11, Wat beval God aan Gideon te doen ? Stel u voor die twee mannen, die zacht-kens voortsluipen — den heuvel af in diepe duisternis — een gevaarlijke tocht — werden zij ontdekt, dan zouden zij gedood worden. — Gideon wist dat God over hen waakte; daar lagen de tenten der Midianieten in lange rijen voor hen — allen sliepen gerust — de kameelen vastgebonden, en zulk eene menigte volks! \Lees den kinderen vers 12 voor.} Zij konden nauwelijks geteld worden. Zou Gideon den moed niet ontzinken, als hij dacht die 300 man te moeten aanvoeren tegen zulk eene macht? Eensklaps hoort hij stemmen. Ik zal u voorlezen, wat zij zeiden. [Lees den kinderen vers 13—/5 voor}. Welken droom hoorde hij den eenen man vertellen ? En wat antwoordde de andere? Wat deed Gideon, toen hij dit hoorde ? Allereerst aanhad hij, want hij zag dat God die gedachte in het hart van dien man gegeven had (zoo de Midianieten hunne zaak voor hopeloos hielden, waren zij niet in staat zoo goed te vechten), daarna keerde hij terug om zijn volk aan te moedigen door hetgeen hij gehoord had.

Lees vers 16—18. Hoe werden zij verdeeld ? Wat had ieder man in zijne hand ? Wat moesten zij doen ? Zij moes-


ocr page 122

o8

ten den vijand van'alle kanten tegemoet trekken, en dan zullen wij zien, waartoe hunne fakkels en kruiken dienen moesten.

Lees vers 19—22. „De middelste nachtwaakquot; wil zeggen „in het midden van den nachtquot; — het was geheel donker — de vijanden sliepen in hunne tenten — maar wat hooren zij daar opeens ? De bazuinen schalden van alle kanten — de Israelieten juichten en riepen — wat ? En wat zagen de vijanden ? Eerst was alles donker, de fakkels waren in de kruiken verborgen, maar opeens een helder licht — de fakkels walmden in de duisternis. Wat waren zij verschrikt! Wat deden zij? En wie streed tegen hen ? Vers 22. Zij doodden elkander in hunne ontsteltenis en de duisternis. Zoo ziet gij, dat God hen overwon, niet de Israelieten; het eenige, dat zij deden, was hun schrik aan te jagen door te doen, wat God hun geboden had.

Toen mochten de mannen van Israel hen najagen en velen werden gedood. Eenigen der mannen, die eerst niet geroepen waren, werd nu gevraagd te volgen, om den vijand van Gods volk het ontkomen te beletten. \Lees den kinderen vers 24, 25 voor.] Welke waren de namen der koningen, die dooide Ephraïmieten gevangengenomen werden? Wij vinden echter in het volgende hoofdstuk, dat de Ephraïmieten zeer boos waren op Gideon, omdat hij hen niet in den aanvang tot den strijd had toegelaten. Zij waren hoogmoedig — meenden dapper en sterk te zijn — het was alsof hij hen minachtte. [Lees den kinderen hoofdst. VIII: 1 voor.'] Trotsche menschen zijn licht beleedigd, zoeken in alles eene beleediging. \Ophelde-ring, — Als eenigen kinderen door den onderwijzer of de onderwijzeres wordt verzocht iets voor hen te doen in den tuin of de huishouding, zal een ingedeeld kind zeggen: „O, ik geloof, dat hij denkt, dat ik het niet goed genoeg ■doen kanquot; — is norseh en uit zijn humeur; terwijl een nederig kind er geen acht op slaat — niet verwacht gevraagd te worden en veel gelukkiger is.] Laat ons zien, hoe Gideon die onverstandige Ephraïmieten antwoordde. [Lees den kinderen vers 2, 3 voor.] Hij sprak niet op norschen toon, alsof hij* twist met hen had, waaruit misschien slagen zouden volgen — maar hij sprak alsof zij meer gedaan hadden dan hij — hij was nederig, niet hoogmoedig — aldus waren zij tevreden — was een twist vermeden. Het Woord van God zegt: „Een zacht antwoord keert de grimmigheid af; maar een smartend woord doet den toorn oprijzen.quot; (Spreuken XV : 1). [ Opheldering. — Hoe dikwijls spreekt eefi opvliegende knaap een boos woord — anderen, in plaats van een „zachtmoedig antwoordquot; te geven, worden ook norsch, misschien om hem te plagen, wetende dat hij driftig is, derhalve doen zij het werk des duivels; brengen hem in verzoeking. Hoe slecht!].

Toen trok Gideon verder voort, overwon de twee koningen van Midian, Zebah en Tsalmuna, en verloste de kinderen Israels geheel van de overheer-sching der Midianieten. De Israelieten verzochten in hunne blijdschap Gideon hun koning te zijn. Welk eene eer voor hem ! Wij zullen zien, wat hij zeide: \Lecs den kinderen vers 22, 23 voor.] Wat antwoordde hij ? Gij ziet dat hij niet voor zich verlangde een aanzienlijk man te zijn. Alleen had hij gedaan, wat God hem had opgelegd. Een nederig, eenvoudig man.

Het is jammer dat hij hierna iets deed, dat geschikt was om de Israelieten op een verkeerden weg te brengen, ofschoon hij het vermoedelijk niet met opzet deed. [Lees den kinderen vers 24—27 voori] Wat verlangde hij van hen ? Een ephod is een priesterlijk gewaad — waarschijnlijk zeer fraai, ter herinnering aan deze groote overwinning; maar het volk, en zelfs zijn geslacht, begon het te aanbidden. Hoe kon hij zulk eene groote fout begaan hebben ? Het was doordat hij God niet eerst om raad gevraagd had. Dus verleidde hij, zonder het te willen, anderen tot zonde. Hoe voorzichtig moeten wij zijn om nooit iemand iets ver-


ocr page 123

109

keerds te doen verrichten. \Dit kan

verder worden verklaard door i Cor. VIII De invloed breidt zich uit als de cirkel, ontstaan door een steen in het water te werpenBedenk ook dat

LE

Kracht en

Te leeren : i Cor.

Herhaling van de vorige les. — Hoe heette het volk, tegen hetwelk Gideon ten strijde toog ? Hoeveel mannen kwamen hem te hulp ? Stond God hem toe met dezen ten strijde te trekken ? Op welke wijze beval Hij Gideon er van terug te zenden ? Waarom ? Hoeveel bleven er nog ? Hoe koos hij er vervolgens eenigen uit? Hoeveel werden er dus uitgekozen ? Wat moesten Gideon en zijn knecht op Gods bevel den nacht voor den slag doen ? Wat hoorden zij ? Wat besloot hij hieruit? Wat nam hij

SCHETS

Na de verlossing der Israelieten door de hand van Gideon had het land vrede gedurende veertig jaren en ongetwijfeld zou deze voortgeduurd hebben, zoo het volk niet afgedwaald was om andere goden te aanbidden, en daaruit volgde eene reeks van rampen. God was lankmoedig en goedertieren met Zijn volk — gedurig verwekte Hij Richters onder hen om hen te helpen en te bevrijden — maar telkens en telkens weder keerden zij van Hem af. In deze les zullen wij lezen van een zeer zonderlingen verlosser, dien Hij hun zond.

Lees Richt. XIII : i. Hoe heetten deze nieuwe vijanden ? Zij bewoonden een hoek van het land en togen van daar op tegen den stam van Dan. Waarom konden de Danieten hen niet bestrijden en overwinnen? Hoe lang verdrukten hen de Philistijnen? Echter vergat God hen niet. Lees vers 2—5. In het dorp Zora woonde Manoach en zijne vrouw. Hadden zij een kind? Wie verscheen aan de vrouw van Manoach? Wat zeide hij haar? Een Nazireër wil eggen : „een door God afgezonderdequot; —

de geschiedenis van Gideons overwinning, ons leert, dat God al onze vijanden,, onze zonden, enz. overwinnen kan, zoo wij slechts op Hem vertrouwen en doen wat Hij ons gebiedt,

5 L.

Zwakheid.

X : 12 ; Gez. 74 : 7.

met de 300 man met zich? Wat deden zij met de bazuinen? Wat met de kruiken ? Wat gebeurde er ? Wie werden daarna geroepen om den vijand te helpen vervolgen? Waarom waren zij ontevreden ? Wat antwoordde Gideon hun ? Hoe heetten de vier koningen en vorsten van Midian, die gevangengénomen werden? Wat wilden de Israelieten doen om Gideon te beloonen? Wat antwoordde hij ? Wat maakte hij van een gedeelte van den buit ? Tot welke zonde verleidde dit? Herhaal tekst en versje,

r DE LES.

zulk een man dronk nooit wijn of sterke dranken — zijn haar groeide lang als dat eener vrouw. Johannes de Dooper was een Nazireër. Wat beloofde de engel nog meer ? \Lees den kinderen vers 6, 7 voor.] Manoach was zeer verheugd deze tijding te hooren, maar dacht ook : „Hoe zullen wij weten, hoe dit kind op te voeden?quot; Hij vroeg het daarom aan God.

Lees vers 8, 9. Waarom bad hij ? Werd zijn gebed verhoord? Toen liep de vrouw naar Manoach en zeide hem dat de engel weder verschenen was? [Lees den kinderen vers 11—14 voor.] Gij ziet, moeder en kind moesten zich beiden onthouden van sterke dranken; toch moest, ofschoon de knaap een wonder van lichaamskracht zijn zou, dit niet toegeschreven worden aan iets uitwendigs, dat hij gebruikte — alleen als eene gave Gods. Nu zal ik u voorlezen, hoe de engel aan Manoach en zijne vrouw bewees, dat hij van God gezonden was. [Lees den kinderen vers 15—23 voor.] Wat bood Manoach aan om voor den engel toe te bereiden ?


ocr page 124

I IO

Maar wat gebood de engel er mede te doen ? Waarom vreesde Manoach, toen hij dit zag? Maar wat antwoordde zijne Trouw? Zie nu, hoe de belofte des engels vervuld werd.

Lees vers 24. Hoe noemden zij hem ? Gij kunt wel begrijpen, dat de ouders hem opvoedden, zooals God hun geboden had. Toen hij nog zeer jong — een knaap — een jongeling was, speelde, leerde, groeide hij op in het dorp Zora en begon te toonen, dat hij eene bijzondere gave van God ontvangen had. Lees vers 25. Maar grooter wordende, paarde hij aan zijne groote kracht eene groote mate van eigenzinnigheid — wilde steeds zijn eigen hoofd volgen. Dit is dikwijls het geval met sterke, vlugge kinderen. Is het kwaad eigenzinnig te zijn ? Zoo het staat tusschen den wil der ouders of van God — wiens wil moet dan zwichten ? [Opheldering. — Jezus zei de: » JVant Ik hen uit den hemel nedergedaald, niet opdat Jk Mijn eigen wil zou doe??, e?iz. Joh. VI: 38.] Simson wilde eene vrouw uit de Philis-tijnen huwen. Zijne ouders waren zeer bedroefd — kenden de rampzalige gevolgen van eene vermenging met de heidenen — ook was het tegen Gods wet — trachtten hem te overtuigen — tevergeefs — daarom gingen zij met hem naar de plaats, waar zij woonden {Thimnath). Maar zie, wat er op den weg gebeurde.

Lees hoofdst. XIV : 5, 6. Wat deed Simson met den leeuw ? Hij verscheurde hem. Welk een wonder zonder een stok of mes of eenig wapen. Maar zie, hoe hij dit vermocht. De Geest des Heeren werd vaardig over hem. Het was dus niet zijne kracht, maar Gods kracht. Hij vervolgde zijnen weg — dacht niet meer aan hetgeen hij gedaan had — zijne ouders waren op dat oogenblik niet bij hem. [Lees den kinderen vers 7—10 voor.'] Zijn huwelijk werd vastgesteld — op weg om zijne vrouw tot zich te nemen, ging hij zien naar — wat? Wat vond hij daar? Huwelijksfeesten duurden gewoonlijk zeven dagen. Een hunner vermaken was het opgeven van raadsels. [Lees den kinderen vers 11—14 voor.] Welk was Simsons raadsel? Zij konden het niet raden. Toen werden zij boos — wilden de voorwerpen niet geven, die afgesproken waren. [Lees den kinderen vers 15—ig voor.] Wier hulp zochten zij om de oplossing voor hen te ontdekken? Was dat eerlijk? Hoe laag om te bedriegen, zelfs bij het spel! Men vindt het somtijds schrander, maar het leidt doorgaans tot de eene of andere straf voor hen, die bedriegen. [Opheldering. —Een knaap bedriegt, dobbelt — het einde zal zijn de gevangenis.] Simson was nu zeer vertoornd — wat deed hij ? Was dit goed ? Neen, maar bedenk dat Simson geen heilig man was, maar een „werktuigquot; in Gods hand om de goddelooze Phi-listijnen te straffen. Dit is het begin van de slachting, die hij onder hen aanrichtte.

Toen behandelde zijn schoonvader hem slecht — gaf zijne dochter aan een ander. Simson wilde zich op eene vreemde wijze wreken. [Lees den kinderen hoofdst. XV : 4—8 voor.] Wat deed hij ? Toen beklom hij een hoogen heuvel — hij woonde aldaar in eene spelonk. De Philistijnen wilden hem gevangennemen. Maar zoudt gij niet mee-nen, dat zijn eigen volk hem helpen zou ? Zij deden het niet — vreesden de Philistijnen. [Lees den kinderen vers g— 13 voori] Hoeveel kwamen er om hem te binden? Waarmede? Lees nu vers 14, 15. Wat gebeurde er met de touwen ? Waarmede streed hij ? Verbeeld u, hoe allen voor hem vluchtten — 1000 vielen er door éen man! En toch, wiens kracht was het? Vers 14. Simson gevoelde dit en gaf de eer aan God; en toen de slag ten einde was en hij uitgeput was door dorst, riep hij den Heere aan. \Lees den kinderen vers 16—ig voor.] God verhoorde zijn gebed en gaf hem water in zijnen nood. De Philistjnen vloden verschrikt weg — daarna richtte Simson de Israëlieten gedurende twintig jaren in vrede.

Nu komt een zeer treurig gedeelte van Simsons leven. Hij sloeg geen acht op de goede gave, die hij van God ontvangen had, en daarom werd ze hem


ocr page 125

111

ontnomen. [Opheldering. — Een vader geeft aan zijn kind een kostbaar boek, een tuintje, enz. — het heeft er geene zorg voor, daarom wordt het hem ontnomen^ Simson ging met geen goed doel naar Gaza, eene der Philistijnsche steden. Zij dachten : „Nu is hij in onze macht.quot; \Lees den kinderen hoofdst. XVI: 2, 3 voor.] Wat deed hij? Nu was hij gered — maar spoedig in gevaar door zijne eigene dwaasheid. [Lees den kinderen, met vragen, vers 4—20 voor,] Hoe menigmaal misleidde hij Delila? Hoe dwaas en slecht haar het geheim zijner kracht te vertellen. Hij dacht ongetwijfeld, dat zij zijn haar niet durfde afsnijden. Maar wat gebeurde er ? Arme Simson; al zijne kracht is verdwenen! [Lees vers 2/.] Blind, gevangen — bestemd om in het gevangenhuis koorn te malen. De Philistijnen, buiten zich zeiven van blijdschap, meenden dat hun god hun de overwinning gegeven had en richtten daarom een groot feest aan. Zie, wat er dien dag gebeurde. [Lees denkinderen vers 23—2g voor.] Zij wilden Simson in zijne ellende bespotten. Duizenden waren bijeen om er getuigen van te zijn. Wat was Simsons gebed? Werd het verhoord? Lees vers 30. Welk een ontzettend einde — een oordeel over deze wreede mannen. Twee dingen kunnen wij hoofdzakelijk uit Sim-soms leven leeren. 1. God kan éen man, even gemakkelijk als velen, verkiezen om een geheel volk te verdelgen. 2. Zie het gevaar van Gods gaven te misbruiken. Wij hebben ook gaven — gezondheid, tijd, geld, bekwaamheden. Zoo wij ze verspillen — ze zorgeloos, verkeerd besteden, in plaats van voor God, zoo hebben wij zeker rampen te wachten en verbeuren wij de gaven.


LES LI. De Geschiedenis van Ruth. I.

Te leeren: Efcze VI : 1, 2; Tien Geboden : 6.

Herhaling van de vorige les.—Van wien hebben wij in de laatste les gelezen ? Tegen welke vijanden werd hij verwekt? Wie voorspelde zijne geboorte ? Hoe heette zijn vader? Waarom bad zijn vader ? Wat moest Simson zijn van zijne geboorte af? Wat was het zichtbaar teeken van een Nazireër? Welke bijzondere gave had hij van God ontvangen ? Wie wilde hij huwen, toen hij grooter werd ? Wie waren daartegen, en -waarom ? Hoorde Simson naar zijne ouders ? Wat gebeurde er toen hij die vrouw ging bezoeken ? Wat vond hij later in het lichaam van den leeuw ? Welk raadsel gaf hij hierover op bij zijn huwelijksfeest? Wat deed hij later, toen de Philistijnen hem mishaagden ? Hoeveel mannen zonden zij af, om hem te binden ? Wat gebeurde er? Waarmede versloeg hij hen? Wat deed hij met de poorten van Gaza? Hoe ontdekten zijne vijanden het geheim van zijne groote kracht? Wat deden zij hem? Hoe stierf hij? Welke was zijne zonde? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

Na den dood van Simson volgde een tijd van beroering, verwarring en ellende. \Lees den kinderen hoofdst. XVII : 6 voor.] Sommige kinderen denken: „Hoe heerlijk te kunnen doen, wat wij willen, geene bevelen te hebben, aan welke wij moeten gehoorzamen.quot; Maar wat gebeurt er in eene school, waar de onderwijzer afwezig is, of de orde niet bewaart? De ruwe, sterke kinderen mishandelen de zwakkeren — ontnemen hun hun gced, enz., en in een land, waar geen koning, geene wet is, steelt, moordt het volk, doen kwaad naar hun lust —- niemand kan het hun beletten. Zoo lezen wij in de laatste hoofdstukken der Rich-teren van mannen uit den stam van Dan, die naar eene rustige verafgelegene stad trokken, haar verbrandden, de bewoners doodden en haar in bezit namen.


ocr page 126

12

I

quot;Wij lezen van een man, die zijne moeder haar zilver ontstal, het daarna teruggaf, en hoe de moeder er een afgod van maakte en een valschen eeredienst instelde. Wij lezen van gevechten tus-schen de stammen van Israel, zoodat er overal goddeloosheid en ellende heerschte en opstand tegen Gods wetten. Hoe dankbaar moeten wij niet zijn in een Christenland te leven, met eene goede koningin, goede wetten, rechters en overheden om den booze te straffen, politie om over de eigendommen te waken, en geestelijken om in alle plaatsen godsdienstonderwijs te geven!

Na van al die boosheden gehoord te hebben, is het verkwikkend eene lieve geschiedenis te hooren, die in het volgende boek van den Bijbel verhaald wordt — de ware geschiedenis van eene brave vrouw. Lees Ruth I: i, 2. Wat is een hongersnood? Een man uit Bethlehem met zijne vrouw en zonen, die niet te huis wilde blijven om van honger te sterven, hoorde dat er koorn in Moab was — zoo verliet hij met zijne vrouw en zonen zijn huis — vertrok naar het vreemde land en woonde daar. Hoe heetten zij ? Maar ook werden zij in hunne nieuwe woning door rampen bezocht. Zie wat het was (vers 3). Wie stierf? Naomi had nog hare beide zonen — haar eenigen troost; maar toen zij groot waren geworden, trof haar eene nieuwe ramp — zij kozen zich vrouwen uit de Moabieten, onder welke zij woonden. Waarom was dit eene ramp voor hunne moeder ? Laat ons zien, hoe deze vrouwen heetten. Lees vers 4.

Tien jaren woonden zij daar in rust en vrede — toen kwam er eene nieuwe ramp over Naomi. Lees vers 5. Het schijnt dat zij omtrent denzelfden tijd stierven. De arme Naomi — eene weduwe zonder kinderen. Geene kleinkinderen om haar in een vreemd land te troosten — onder vreemden, die niet den waren God, maar afgoden aanbaden. Wat gevoelde zij zich verlaten! Toen dacht zij aan hare oude woning te Bethlehem — aan de oude vrienden, die zij had achtergelaten — verlangde ze weder te zien — niets hechtte haar nu langer aan Moab. Was er nog iemand overgebleven, om voor Naomi te zorgen? Ja, hare twee schoondochters — de vrouwen harer zonen. Maar behoorden die tot haar volk? Lees vers 6, 7. Wat had zij gehoord?

Wie gingen met haar ? Zij vergezelden haar een eind weegs, zooals wij vaak doen met goede vrienden, om daarna stil te staan en afscheid te nemen. Dat oogenblik was ook voor het drietal gekomen. Lees vers 8, 9. Wat zeide zij tot haar? Zij herinnerde haar, hoe zij altijd goed voor haar en hare echt-genooten geweest — hoe gelukkig zij geweest waren. Geene scherpe woorden, geene ontevreden blikken. Wanneer wij scheiden moeten van hen, die wij liefhebben, hetzij door den dood of om eene andere reden, hoe aangenaam, zoo wij kunnen terugzien en zeggen : „Wij hadden nooit den geringsten twist.quot; Waren zij bedroefd vqn de oude Naomi te moeten scheiden ? In zooverre, dat zij eerst zeiden. [Lees den kinderen vers 10 voor.'] Maar Naomi wilde niet toegeven, dat zij met haar gingen. Zij wist, dat de jonge vrouwen in haar eigen land een gelukkig te huis, overvloed van eten en drin ken, goede vrienden konden hebben. In Judea zouden zij alleen haar hebben — eene arme oude vrouw — met zeer weinig om van te leven. Zie, wat zij deden. Vers 14. Orpha kuste hare schoonmoeder. Het speet haar zeer haar te moeten verlaten, maar zij kon haar eigen land, haar gemakkelijk leven onder hare vrienden niet opofferen. Maar wat deed Ruth ? Zij wilde niet gaan. Zij kon de gedachte niet verdragen die bekommerde oude vrouw de reis alleen te laten doen. Naomi echter dacht niet aan zich zelve. Zou zij dan niet gaarne Ruth bij zich houden? Toch dacht zij aan hetgeen het best voor hare schoondochter zijn zou. Lees vers 15. Die twee stonden daar Orpha naziende, die naar huis terugkeerde, en in de verte verdween. „Keer gij ook weder uwe zwagerin na,quot; zeide Naomi. Lees nu wat Ruth antwoordde. Vers 16, 17. Wat zeide zij? Was dit niet de ware liefde van een braaf kind?


ocr page 127

ii3

Naomi mocht hard moeten werken, eene armoedige woning moeten betrekken, Ruth wilde in alles met haar deelen. Kon de oude moeder langer aan die liefdevolle woorden weerstand bieden? Lees vers 18. Hoe blijde moet Naomi in haar hart geweest: zijn, dat Ruth volhardde in haren wensch met haar te gaan. Niet langer een verlaten, vreugdeloos leven vóór haar, daar zij die éene lief hebbende dochter bij zich had.

Toen zij Bethlehem naderden, hadden oude vrienden reeds van hare terugkomst gehoord en gingen haar te gemoet. {Lees den kinderen vers ig tot het einde voorï\ „Naomiquot; wil zeggen „aangenaamquot; — „Maraquot;: „bitterheid.quot; Haar leven was nu veranderd van een aangenaam in een leven van bitterheid, daarom verlangde zij zoo genoemd te worden. Het was zeer treurig voor haar in haar oude huis terug te komen zonder haren man en hare zonen, die het met haar verlaten hadden. Echter leefden Naomi en Ruth in vrede en eendracht, ofschoon zij de dooden niet vergeten konden. In de volgende les zullen wij zien, hoe voorspoedig het haar ging.

Merk eens op welk een voorbeeld

Ruth geeft van een plichtmatig gedrag jegens onze ouders. Denk in de eerste plaats, wat moeders doen voor hare kinderen — hen voeden, voor hen arbeiden, hen in ziekte oppassen, hun leed verzachten, — nooit moede worden hen te helper . Wanneer hunne ouders ziek zijn, hoe moeten hunne kinderen hen dan verzorgen, moeite noch geld ontzien. Het is stootend een zoon, die welgesteld is, zich zeiven geen genot te zien ontzeggen, terwijl zijne moeder in een armhuis zucht, of in eene armoedige woning gebrek lijdt. Zulke kinderen zullen voorzeker hunne straf niet ontgaan, somtijds door het slecht gedrag hunner kinderen. [ Verhaal de geschiedenis van Absalom, en vergelijk die met de liefderijke zorg van Jezus voor Zijne moeder, toen Hij aan het kruis hing.\ Welk gebod betreft den plicht van kinderen jegens hunne ouders ? Dit eischt niet alleen gehoorzaamheid en eerbied, maar ook liefde en hulpvaardigheid. [Laat de kinderen de verschillende wijzen opnoemen, waarop zij hunne ouders kunnen helpen.] In de volgende les zullen wij zien, hoe Gods zegen op deze brave dochter rustte.


LES LIL

De geschiedenis van Ruth. II.

Te leeren : Ps. XXXI: 21 onberijmd; Gez. 38 :1

Herhaling van de vorige les. — In welken toestand verkeerden de kinderen Israels na den dood van Simson? Hoe kwam dat? Van wie wordt ons de geschiedenis verhaald in het volgende Bijbelboek ? Hoe heette de man en zijne vrouw, die naar Moab trokken? Waarom verlieten zij hunne eigen woning ? Hoe heetten hunne zonen? Wat gebeurde er met Elimelech ? Hoe ging het hun zonen? Waartoe besloot Naomi na hunnen dood ? Wie vergezelden haar een eind weegs ? Wat zeiden de dochters tot Naomi, toen zij van haar afscheid wilde nemen ? Stemde zij hierin toe ? Wie keerde terug ? Wie wilde haar niet verlaten? Kunt gij u ook iets herinneren, van wat Ruth zeide? Bij welke stad kwamen zij ? Wie kwamen haar te gemoet? Hoe wilde Naomi dat men haar noemen zou, en waarom ? Wat kunnen wij uit dit gedeelte van Ruths geschiedenis leeren? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

In welke stad ging Naomi met hare dochter wonen na hare terugkomst van Moab? Ruth en Naomi waren arm — moesten hard voor haar onderhoud werken en toch waren zij in hare armoedige woning gelukkig. Waarom?

Lees Ruth II : 1. Bloedvriend is een bloedverwant. Hoe heette hij? Was hij


8

ocr page 128

4

rijk of arm ? Hij had landerijen, koorn-velden, en gij weet zeker nog dat Ruth en Naomi te Bethlehem kwamen bij het begin van den gersteoogst. Lees vers 2, 3. Wat stelde Ruth aan hare moeder voor? [Veramp;laar wal arenlezen zs.] In ons land is dit arenlezen niet geoorloofd, voordat de oogst van het veld is. Was het daar ook zoo ? Naar wiens akker ging zij ? Zij wist niet, dat het de zijne was — wij zouden zeggen toevallig ging zij daarheen, maar wij zullen zien dat God ongetwijfeld haar daarheen bracht. De oogsttijd is een vroolijke tijd — allen zijn druk aan 't werk, en toch blijde, dat zij dat werk doen kunnen — veelal mooi weder. Troepen van buren werken daar pratende, somtijds zingende met elkander. Daar komt de meester om te zien, hoe de maaiers arbeiden.

Lees vers 4. Wat waren zijne eerste woorden tot de maaiers ? En hun antwoord? Welk eene schoone begroeting! Die woorden worden nog dikwijls in het Oosten gebezigd. Hoeveel schooner dan te hooien, zooals dikwijls geschiedt, hoe meesters soms op ruwen toon of vloekende tot hunne knechts spreken, of dezen op norschen toon antwoorden. Boaz liet zijn oog over den akker gaan — zag daar eene vreemde aan het arenlezen. Lees vers 5—7. Wat antwoordde de knecht? Sommige menschen willen met vreemden niets te doen hebben — spreken hen vaak op ruwen toon toe — en wordt hun gevraagd hen te helpen, zeggen: „O, ik weet niets van hen. Ik bemoei mij niet met dat vreemde volk.quot; Is dat goed? Van de Israelieten werd inzonderheid verlangd, dat zij vriendelijk waren jegens vreemdelingen ter herinnering aan den tijd, toen zij vreemdelingen waren in Egypte. (Ex. XXII, 21 ; Lev. XIX : 33, 34.) Laat ons nu zien, hoe Boaz Ruth behandelde. Lees vers 8, 9. Welke vriendelijke woorden! Hij geeft haar niet alleen de vrijheid aren te lezen, maar als zij dorst heeft, water te drinken — hij wil haar als zijne dienstmaagd behandeld zien, zoodat zij zich als te huis zou gevoelen. Wat zeide zij? Lees vers 10—12. Ruth was zoo verrast door deze vriendelijke bejegening van iemand, dien zij nooit te voren gezien had, dat zij vroeg, waarom de meester zoo goed voor haar was. Wat zeide hij ? Gij ziet, dat hij gehoord had van haar braaf gedrag jegens Naomi — hij achtte haar daarom. Men denkt altijd goed van hen, die hunne ouders met eerbied en goedheid behandelen en de woorden van Christus (Luk. VI : 38) worden altijd waar bevonden. Zoo ook nu.

Vers 12 behelst een zegen over Ruth, van God ingeroepen door een man, die een goed en godvreezend man moet geweest zijn. Men kan goedhartig zijn, zonder godsdienstig te wezen, maar wij zien dat Boaz beide was. Ik zal u het antwoord van Ruth voorlezen, (vers 13) Hoe nederig sprak Ruth! Zij wist, niet tot Gods uitverkoren volk te behooren — drong zich niet op den voorgrond — juist de zoodanigen worden door anderen geëerd. Jezus zegt: „Wie zich zeiven vernedert zal verhoogd worden.quot; Boaz was gereed haar alle mogelijke goedheid te bewijzen. \Lees den kinderen vers 14—16 voor.] Geroost koren was, en is nog, het gewone voedsel van de inwoners van dat land, en zij doopten het gewoonlijk in een zuren drank, hier azijn genoemd. Wat beval Boaz verder ain de jongens ?

Eindelijk was de dag ten einde, al de maaiers en lezers gingen naar huis. Zij waren gewoon het graan met een stok of grooten steen uit de schillen te slaan. Ruth deed dit ook, en bracht de gerst aan hare schoonmoeder. Ook had zij iets van het eten medegebracht, dat zij bij den maaltijd ontvangen had — en had het voor Naomi bewaard. ÏLees den kinderen vers ig tol hel einde voor^\ Hoe aandachtig luisterde de moeder naar Ruth, die haar vertelde hoe zij het gehad had — bad Gods zegen af over den man, die haar weldadigheid bewezen had — zeide dat Boaz een bloedverwant van haar was, zijnde van het geslacht van Elimelech. Zoo ging Ruth voort met arenlezen gedurende den gerste- en tarweoogst in de velden van Boaz — hij zag haar stil en zedig gedrag —


ocr page 129

hare liefde voor Naomi — hoe hard zij voor haar werkte.

Hoe kwam het dat Ruth en Naomi zoo arm waren? Elimelech had al zijne landerijen verkocht, toen hij naar Moab vertrok. [Opheldering. — Een hoer heeft soms slechte jaren, moet zijn land vei'koopen, of het ïvordt voor zijne schulden verkocht.\ Er was onder de Israelieten een gebruik, dat de naaste bloedverwant van een man, die door armoede zijn land had moeten verkoo-pen (en daarna stierf) dit land voor de weduwe moest terugkoopen en haar huwen. Nu was Boaz niet de naaste bloedverwant van Elimelech, er was een nadere bloedverwant dan hij. Boaz vroeg dien man of hij doen wilde volgens het gebruik, doch ziende dat hij daartoe niet gezind was, zeide hij, dat hij het land zou lossen (terugkoopen) — deed dit weldra en huwde Ruth. God gaf hun een zoon, die Obed genaamd werd. Hoe gelukkig moet hunne woning geweest zijn! Zoudt gij meenen dat Naomi alleen gelaten werd ? Waarlijk niet. Lees hoofdst. IV : 16. Dit kind was haar tot kleinzoon. Hoeveel houden grootouders niet van hunne kleinkinderen! En gij kunt er zeker van zijn dat Ruth den kleinen Obed zoo opvoedde, dat hij goed voor Naomi was.

Lees vers 17. Obed werd later de grootvader van David, koning van Israel.

Ruth was dus zijne overgrootmoeder. Welk eene eer voor de arme Moabieti-sche arenleester. En nog meer — wie werd lang daarna in „Davids stad,quot; uit „Davids geslachtquot; geboren ? Zoodat Ruth tot het aardsche geslacht behoorde, waaruit Jezus geboren werd! Welk een blij einde van de treurige geschiedenis, die wij den vorigen Zondag begonnen! Aldus beloonde God die brave en liefhebbende dochter. Ruth verliet haar eigen huis en vrienden — verzaakte gemak en overvloed om hard te werken voor hare oude schoonmoeder en haar te ondersteunen — om te leven in eene armoedige hut, onder een vreemd volk, dat, naar zij meende, haar verachten zou — doch vertrouwende dat God haar niet van honger zou doen omkomen. En zoo werden de woorden van Boaz tot haar bevestigd, (hoofdst. 11 : 12) God deed meer dan zij had durven hopen — maakte haar geacht en geëerd door allen — gaf haar een gelukkig te huis, een goeden echtgenoot en lief kind, en nam haar op in het geslacht, waaruit Christus zelf is voortgekomen! Gods zegen rust op het ouderlievend kind. Wat wij ook verzaken uit liefde tot onze ouders, zal Hij vergelden, niet altijd door aardsche goederen, maar door hetgeen rijkdommen niet geven kunnen — vrede, een goed geweten, een gelukkig te huis.


LES LUI. Het Gebed van Hanna.

ïe leeren: 1 Sam. II ; 7 ; Ps. 55 : 1.

Herhaling Tan de vorige les. — In de twee laatste lessen hebben wij de geschiedenis gelezen van eene jonge vrouw, die zeer goed was voor hare schoonmoeder. Herinnert gij u haren naam ? En dien van hare schoonmoeder ? Wat was er met hare echtgenooten gebeurd? Tot welk land behoorde Ruth? Waarheen besloot Naomi terug te kee-ren na den dood van haren man en hare zonen ? Hoe heette hare andere schoondochter? Wie keerde met Naom1 naar Bethlehem terug? Wilde Naom1 dit? Waarom niet? Deed zij het toch? Hoe werkte Ruth voor haar te Bethlehem ? Op wiens akkers ging zij ? Hoe gedroeg Boaz zich jegens haar? Waarom was hij zoo welwillend ? Wat deed hij ten laatste? Wie woonde bij hen? Had Ruth een kind? Hoe heette het? Van wien was dit kind later de grootvader? Herhaal tekst en versje.


ocr page 130

SCHETS VAN DE LES.

Wij hebben gezien, hoe God de brave Ruth zegende en beloonde; vandaag zullen wij lezen van eene andere vrouw, die in hare groote smart vertroost werd, omdat zij op Hem vertrouwde.

Lees I Sam. I : i, 2. Hoe heette deze man ? Hoeveel vrouwen had hij ? Hoe heetten zij ? Tegenwoordig is het zeer verkeerd meer dan éene vrouw te hebben, maar toen was het geoorloofd. Dit schijnt wel vreemd, maar bedenk, dat men toen nog niet de volkomen kennis van God had — Christus was nog niet gekomen — geen Bijbel bezat men om hun te leeren, wat goed was. Wij verwachten van een klein kind niet zulk een goed gedrag als van een ouder kind; is het ondeugend, dan zegt men wel eens: „het weet niet beter;quot; is het ouder en wijzer geworden, dan zijn de ouders niet zoo toegevend. Zoo liet God toen somtijds dingen toe, welke Hij nu verbiedt. Welke van de twee vrouwen van Elkana had kinderen ? Het was voor eene Israelietische moeder een groot verdriet geene kinderen te hebben, want iedere vrouw hoopte, dat zij de moeder zijn zou van het kind der belofte — den Zoon van God, die de Zaligmaker der wereld zijn zou. Het gaf Hanna veel verdriet geen kind te hebben; en dit verdriet werd nog grooter door het gedrag van Peninna, de andere vrouw. Dikwijls beschimpte Peninna haar of lachte haar uit, en snoefde op hare zoons en dochters, dat voor Hanna zeer hard was om aan te hooren. Het is geene kleine beproeving, als men bespot of gekweld wordt; zij, die een driftig karakter hebben, beantwoorden dit dikwijls met bittere woorden, slagen, enz. Wij zullen zien, hoe Hanna deze beproeving doorstond.

\Lees den kinderen vers 3—8 voor.] Silo was de plaats, waar de Tabernakel des Heeren zich bevond — derwaarts ging het volk van alle deelen des lands op de drie groote feesten, het Pascha, Pinksterfeest en het Loofhuttenfeest. Elkana vreesde God en ging daarom jaarlijks op — bracht zijne offeranden en gaf op dien tijd een geschenk aan zijne vrouwen en kinderen. Maar aan wie gaf hij het meest ? Wie was hierover zeer boos? Daarom was Peninna op dien tijd alleronvriendelijkst. — Hanna sprak hiervan niet tot Elkana, maar wat bemerkte hij op zekeren tijd ? Zij weende — at niet. Sprak zij tot hem over Peninna's gedrag jegens haar ? Hoe verdraagzaam was dit! [Als kinderen geplaagd of slecht behandeld worden en de onderwijzer ontdekt dit, doet er onderzoek naar, dan zijn die kinderen dikwijls blijde het zoo erg mogelijk te kunnen maken, zich op hunne kwelgeesten te kunnen wreken. Geheel anders als de jonge scheepsjongen in het ware verhaal — die door andere knapen aan boord geplaagd werd oindat hij had. De kapitein vernam dit, riep hem en drong er op aan de knapen te noemen, die zich tegen hem misdragen hadden — maar hij weigerde; later deden zij het niet weder, maar baden met hem.\ Nu zullen wij zien, dat Hanna beter deed dan haar leed aan menschen te klagen.

Lees vers 10, 11. Aan wien klaagde zij het? Dat is de eenige weg om hulp en troost te vinden. Niets is er voor Hem te klein, om er niet in te helpen. [Voorbeeld. — Zoo een kind geplaagd wordt, zijne lessen te moeilijk vindt, voedsel of kleeding behoeft en niet wetende tot wien zich te wenden, dati zegge het dit alles aan God. Hij zal helpenWelke gelofte deed zij, zoo God haar een kind wilde geven? „Geen scheermes;quot; dat is, zijn haar zou altijd lang blijven, ten teeken dat hij tot den dienst van God was afgezonderd. Gij herinnert u, dat Simson ook werd afgezonderd — een Nazireër genoemd werd; ook dit kind zou een Nazireër zijn. Maar terwijl Hanna bad, was Eli, de priester Gods, in den tempel.

Lees vers 12—15. Bad Hanna hardop? Wat dacht Eli? Wat zeide hij? Zoudt gij niet verwachten, dat Hanna zeer boos werd, toen hij haar dronken noemde ? Hoe antwoordde zij echter? Een voor-


ocr page 131

quot;7

beeld van geduld bij valsche beschuldiging. Zij deelde Eli hare smart niet mede, noch wat zij van God gevraagd had, maar hij zag, dat zij de waarheid sprak en richtte vriendelijk het woord tot haar. [Lees vers 17.)

Lees vers 18, 20. Hoe verheugde zich Hanna. Al hare smart had opgehouden. Haar gebed was verhoord. Hoe lief had zij den zuigeling, dien God haar gegeven had. Hoe noemde zij hem ? „Samuelquot; wil zeggen „van God afgebeden.quot; Was dat geen goede naam voor dit kind? Hij was „van God afgebeden,quot; en God had hem aan zijne moeder gegeven. En wat had zij gezegd met het kind te zullen doen, zoo God er een aan haar gaf? Zij vergat hare belofte niet.

De tijd was weder gekomen, dat El-kana en zijn gezin naar Gods huis opgingen ) maar Hanna ging thans niet met hem. Zij wachtte tot het kind oud genoeg was om haar te verlaten, en toen brachten Elkana en zij hem naar Silo. Lees vers 25—28. De stier werd als een offer gebracht, want elke dienst van God ging gepaard met offeranden — welke offeranden het beeld zijn van Gods Zoon, die voor de zonde der wereld zou geslacht worden. Wat zeide Hanna tót Eli ? Zoo zou het kind den Heere geleend worden, steeds in den tabernakel zijn, al datgene verrichtende, wat een kind doen kan, en groeide aldus op als Gods getrouwe dienstknecht. Zoudt gij denken dat Hanna en Elkana gaarne van hun kind scheidden ? Maar zij verloren hem niet geheel. Zij konden hem van tijd tot tijd gaan bezoeken, bovenal wisten zij dat hij op een goeden en heiligen weg geleid werd. Hoeveel denken ouders er aan, hoe hunne kinderen opwassen. {Eene moeder hekommert zich minder over de scheiding van haar kind, als zij weet „het is voor zijn bestwilquot;) Zoo kon Hanna nu ook denken, want zij wist, dat Samuel bij Eli woonde, een zeer goeden grijsaard; dat hij deelnam aan den dienst in den tabernakel, en zij mocht zeker verwachten, dat Gods zegen op het kind rusten zou, dat eerst van Hem afgebeden en daarna aan Hem teruggegeven was.

In de volgende les zullen wij zien, hoe het den knaap ging in zijn nieuw leven in den tabernakel; nu zullen wij, vóór wij besluiten, zien, wat deze geschiedenis ons leert. 1. Al onze zorgen en bezwaren aan God te zeggen en wij kunnen zeker zijn, dat Hij zal hooren en uitredding geven. 2. Hem te danken voor Zijne goedheid, „maar niet alleen ; met onze lippen, maar in ons leven, I door ons aan Zijnen dienst toe te I wijden.quot;


LES LIV. De Stem in den Nacht.

Te leeren : 1 Sam. II : 26; Gez. 39 : 7.

Herhaling van de vorige les. — Den vorigen Zondag lazen wij van eene vrouw, die in grooten kommer verkeerde; hoe heette zij? Welke was haar kommer? Hoe heette haar man? Wat deed hij elk jaar? Wat deed Hanna bij een dier gelegenheden ? Wie zag haar bidden ? Wat dacht hij van haar? Waarom dacht hij dit? Wat antwoordde zij? Wat hernam Eli? Werd haar gebed verhoord? Hoe noemde zij het kind ? Wat beteekent Samuel? Wat had zij beloofd te zullen doen? Welk was het zichtbaar teeken van hen, die aan God gewijd waren ? Kunt gij u ook iemand herinneren, die ook afgezonderd was? Hield Hanna hare belofte? Waarop wachtte zij? Waarheen bracht zij den kleinen Samuel? Welk offer brachten zij en haar man ? Scheidden zij gaarne van hun kind ? Waarom ? Wat kunnen wij uit dit verhaal leeren? Herhaal tekst en versje.


ocr page 132

SCHETS VAN DE LES.

Samuel woonde met Eli in den tabernakel — niet in dat gedeelte, waar de offeranden gebracht werden, maar in eenige vertrekken, in de nabijheid, voor de priesters ter bewoning bestemd. Zoodra hij oud genoeg was, begon Samuel eenige geringe bezigheden in den tabernakel te verrichten — de lampen te ontsteken, de deuren te openen en hoofdzakelijk hielp en bediende hij Eli, die zeer oud begon te worden en iemand noodig had om hem in zijn priester-werk bij te staan. Het was voor den kleinen knaap eene groote eer in den tempel gebruikt te worden — al de diensten bij te wonen — werk te verrichten voor God. [Lees den kinderen I Sam. II: 18 voor.] De linnen ephod, dien Samuel droeg, was een klein wit kleed. Elk, die in de kerk eenigen dienst heeft te verrichten, mag het zich tot eer rekenen, maar moet daarbij trachten aan Samuel gelijk te zijn.

Nu zullen we zien, wat voor een knaap Samuel was. Intusschen vergat zijne moeder hem niet. Elk jaar bezocht zij hem, en bracht dan een kleinen mantel voor hem mede. Hoe blijde zullen moeder en zoon geweest zijn, als zij elkander weerzagen! Met blijdschap zal zij gezien hebben, hoe hij grooter was geworden, enz. [Opheldering. — Als een knaap op de kostschool, of een meisje in betrekking is, hoe blijde zijn zij dan, als moeder hen komt opzoeken — als zij kan, brengt zij een klein geschenk voor hen medeï\ (Lees vers 26.) Wij weten dan, dat Samuel een brave jongen was — Eli had hem lief — en hij beminde Eli. God had hem ook lief, en zag, hoe hij zich beijverde alles goed te doen. God slaat de kinderen in alles gade — hoe zij zich op de school, in de kerk en tehuis gedragen. Nu zullen wij iets buitengewoons hooren, dat Samuel overkwam.

Lees I Sam. Ill : 1. Wat noemen wij het Woord van God? Maar in die dagen was nog slechts een klein deel van den Bijbel geschreven — de eerste vijf of zes boeken. God sprak tot godvruchtige menschen en gaf hun Zijnen last, om dien aan de menschen over te brengen, maar in dien tijd waren er zooveel goddelooze menschen in Israelt dat God zeer zelden tot hen sprak. Hij had hen bijna aan zich zeiven overgelaten, omdat zij naar Hem niet wilden hooren. Maar nu er een was, die in zijne jeugd naar Hem wilde hooren, begon Hij tot dezen te spreken. Lees vers 2—4. Het was nacht — alles was duister, behalve éene lamp, die in den tabernakel flikkerde — Samuel was te bed — alles was stil. Wat hoort hij daar eensklaps? Wien dacht hij, dat het was? Lees vers 5, 6. Hoe haastig stond hij op en liep naar Eli — bekommerde zich om de moeite niet. Misschien was de oude man ziek geworden — of had hij iets vergeten. Wat antwoordde Eli de eerste maal ? Wat de tweede ? Lees vers 7—9. Werd er voor de derde maal geroepen ? Wat deed Samuel ? Zie welk een goede, gehoorzame knaap hij was; niet morrende, zeide hij niet: „Ik zal de moeite niet nemen weder op te staan, het is maar verbeelding,quot; enz. Hoeveel kinderen zouden boos zijn, zogt; zij driemaal in den slaap werden opgeroepen ? Maar wat dacht Eli nu? Wat beval hij Samuel te doen ? Misschien zoudt gij denken, dat Samuel zeer angstig was. Maar waarom zou hij vreezen ? Was God niet zijn hemelsche Vader? Was hij niet in den dienst van God ? Alleen zij, die kwaad doen, moeten voor God bevreesd zijn. [Opheldering. — , Adam en Eva, na den val, trachtten zich voor God te verbergen^ Daarom legde Samuel zich weder gerust neder.

Lees vers 10—14. Laat ons nu zienr welke die boodschap was. Zij was zeer treurig. Wat zeide Hij in vers 11 ? Dit wil zeggen, dat God iets vreeselijks doen zou? Tegen wien? „Eli's huisquot; wil zeggen „zijn geslacht.quot; Ongerechtigheid is hetzelfde als goddeloosheid. Wanneer de menschen oprecht over hunne zonden bekommerd waren, vergunde God hun een offer te brengen — een lam, stier of geit — en leerde hun, dat het bloed


ocr page 133

ii9

dier dieren het beeld was van het bloed van Christus. Door Zijnen dcod (al was Hij nog niet gekomen om te sterven) zouden zij vergeving ontvangen. Maar de zonen van Eli bekommerden zich niet om hunne zonden — geen vergeving nu, noch later zonder waar berouw. De zonen van Eli waren priesters in den tabernakel Gods. Zij waren, evenals Samuel, in het huis Gods opgevoed — hadden de gebeden gehoord — de offeranden zien brengen — hadden een goed voorbeeld voor zich gehad — want Eli, hun vader, was een zeer goed man — hadden de eer gehad tot priester aangesteld te worden en Gods wegen lee-ren kennen — toch waren zij goddelooze mannen. Een hunner zonden was deze: Als iemand een lam tot een offer bracht, mochten de priesters een gedeelte van het vleesch als spijs voor zich nemen, en het overige werd geofferd. Maar de beide zonen van Eli, Hophni en Pine-has, waren niet tevreden met hun deel, maar namen gulzig en hebzuchtig meer dan hun toekwam. Daardoor werden zij, die offerden, ontevreden, en wilden niet meer komen offeren. Behalve hun baatzucht, en het stelen van dit vleesch, weerhielden Hophni en Pinehas, door hunne zonden, het volk God te komen aanbidden. Welk eene vreeselijke zonde, en dat door priesters Gods!

Zoudt gij meenen, dat Eli zulke handelingen goedkeurde? Voorzeker niet; het bedroefde hem dit te hooren — sprak er over tot zijne zonen, en wees hen op de goddeloosheid er van. En zulks was goed — toch keurde God het in hem af, dat hij hen niet bestrafte. Zoo zij niet naar hem hadden willen hooren, had hij hen van het priesterschap moeten ontzetten — hen niet langer als priesters toelaten. Ongetwijfeld begon dit kwaad reeds, toen zij nog kleine knapen waren — toen reeds leerde hij hun gcene gehoorzaamheid. [ Opheldering. — Een hoorn moet langs den muur geleid worden als hij nog jong is, anders groeit hij niet goed op en brengt geene goede vruchten voort.] Kinderen vinden het vaak hard, wanneer vader of moeder hen straft — zij waren minder goed voor hen, zoo zij het niet deden. \Als een vader een kind van eene helling zag afglijden, waar hij door zijn val zou kunnen gedood worden, zou het dan niet beter geweest zijn hem met een hevigen rtik naar boven te trekken, daii hem zacht aan te raken, waardoor hij hem niet redden zou.?] Ofschoon Eli een goed man was, zoo was deze fout, zijne kinderen niet te straffen, een groot kwaad in Gods oog. God zou hem straffen, door op éenen dag zijne zonen van hem weg te nemen.

Toen Samuel deze boodschap van God gehoord had, lag hij stil te bed tot den volgenden morgen. (Lees vers 15—18). Het verontrustte hem zeer aan Eli zulk eene slechte tijding te moeten brengen. Niet zooals sommige kinderen, die zich haasten om eene slechte tijding aan te brengen, zonder te bedenken aan de smart, die zij veroorzaken, misschien zich verheugen anderen te zien straffen. Maar zeide hij het, toen Eli het hem vroeg? Eli wist, dat hij het verdiende — was gewillig te dragen, wat God hem zenden zou. Onze les van heden heeft eene donkere en eene lichte zijde. De lichtzijde — de jonge Samuel, gehoorzaam, liefhebbend, opgroeiend in Gods huis om Gods werk te doen. De donkere zijde — Eli's beide zonen, met dezelfde zorg, hetzelfde onderwijs, in denzelfden heiligen dienst opgevoed, opgroeiende tot goddeloosheid, anderen tot zonde vervoerende om het werk des duivels te doen. Zoo is het nog dikwijls met kinderen in hetzelfde huisgezin ; dezelfde opvoeding ontvangende, gaan zij verschillende wegen uit. Niet genoeg dat zij gedoopt zijn — een goed tehuis hebben — eene goede opvoeding ontvangen — geregeld ter kerk gaan; zij moeten in hunne jeugd reeds hun hart aan God geven. Bid God, dat gij worden moogt gelijk aan den kleinen Samuel.


ocr page 134

120

LES Straf en

Te leeren: Pred. V : i

Herhaling •van de vorige les. — Van wien lazen wij in onze laatste les? Waar woonde Samuel? Met wien ? Wat bracht zijne moeder hem ieder jaar ? Wat had hij te doen ? Wat gebeurde met hem in zekeren nacht? Wien dacht hij, dat hem riep ? Wat zeide Eli hem te doen? Hoeveel malen riep God hem? Wat zeide Eli hem, dat hij zeggen moest? Welken last gaf God hem? Waarom was God toornig over de zonen

SCHETS quot;V

In de laatste les lazen wij van de boodschap van God aan Samuel — dat Hij een einde maken zou aan het geslacht van Eli; heden zullen wij hooren, hoe die bedreiging vervuld werd. Maar het was niet alleen op het geslacht van Eli, dat Gods gramschap nederkwam — het Israelietische volk was te dier tijd zeer van den Heere afgedwaald — zij waren ongehoorzaam geweest aan Zijne woorden — ophouden met den dienst in den tabernakel beteekende inderdaad: „leven zonder God.quot; En zoo waren de oordeelen, die over Eli en zijne god-delooze zonen kwamen, ook bestemd om de overigen des volks te straffen.

De Philistijnen waren opnieuw tegen hen te velde getrokken. Deze slag viel geheel ten nadeele der Israelieten uit — hoe velen werden er gedood ? De Israelieten konden niet begrijpen, hoe dit kwam. De Oudsten (Richters) spraken er veel over. Wij zullen zien, wat zij besloten te doen. [Lees vers 3—5.) Waarom zonden zij? Weet ge nog, wat in de ark was ? Gij weet dat zij het bewijs was, dat God met hen was. Bij het overtrekken der Jordaan ging de ark vooraan; toen zij Jericho innamen, ging de ark voor hen uit. Nu dachten zij: „Daar wij de ark bij ons hebben, zullen wij zeker overwinnen.quot; Allen verheugden zich haar te zien. Maar éene zaak hadden zij vergeten. Toen de ark met hen over de

LV.

Herstel.

; Ps. 31 : 19.

van Eli? Wat hadden zij gedaan, dat zoo goddeloos was, met betrekking tot de offers? Wat deed het volk daardoor? Waarom was God toornig op hun vader ? Zeide Samuel hem gaarne deze tijding? Maar zeide hij aan Eli, wat God gezegd had ? Beklaagde Eli zich ? Waarom niet? Wat leert ons dit aangaande de plichten van ouders jegens hunne kinderen ? Herhaal tekst en versje.

N DE LES.

Jordaan rondom Jericho trok, wie had hun toen bevolen haar met zich te nemen ? Nu was er geen bevel van God. Zij hadden het zichtbare teeken Zijner tegenwoordigheid, maar Hij zelf was niet bij hen. Welke twee mannen waren bij de ark ? Zou dat hun waarschijnlijk wel ten zegen zijn ?

{Lees vers 6—p.) Wat gevoelden de Philistijnen het eerst, toen zij het gejuich hoorden ? Maar daarna schepten zij moed, (lees nogmaals vers p) besloten des te dapperder te strijden. Maar nu zullen wij naar Silo terugkeeren, waar de oude Eli wachtte — verlangend hoe het met het leger gesteld was. Lees vers 12 en 13. Wat wordt er gezegd van de kleederen van den man, en wat was op zijn hoofd ? Dit waren teekenen van grooten rouw. Waar was Eli? Hij beefde,vree-zende dat de ark iets mocht overkomen zijn — misschien was het tegen zijn wil geweest, dat de ark zonder een duidelijk bevel van God was medegenomen. Lees vers 14—17. Hoe oud was Eli? Arme grijsaard! Welk eene allerdroevigste dj-ding ! Vier rampen op eens. Israel op de vlucht geslagen — eene groote slachting — velen gedood. Wat nog meer? Hophni en Pinehas gesneuveld — en het ergste van alles, de ark van God was weggevoerd. Eli achtte dit het ergste, omdat zij het teeken was van Gods tegenwoordigheid. Hij wist wel, dat God het nooit


ocr page 135

121

zou hebben toegelaten, dat zij genomen werd, tenzij Hij opgehouden hadde met de Israelieten te zijn — dit was dus een bewijs, dat God hen niet meer helpen wilde. De gedachte hieraan was voor Eli zoo sterk dat — Lees vers 8 — wat gebeurde ?

Het einde van het hoofdstuk deelt ons nog een ander treurig voorval mede. De vrouw van Pinehas hoorde dez2 vreese-lijke tijding — haar man en haar vader beiden dood — de ark weggevoerd — haar werd een kind geboren — zij noemde het knaapje Ikabod, een vreemde naam, welke beteekent: „De eer is weggenomenquot;, waarna ook zij stierf. Die naam wijst ons de oorzaak aan van al deze rampen — God had Zijn volk verlaten — wilde hen niet zegenen, noch met hen zijn vanwege hunne zonden. Zoo is het nu nog. Terwijl zij, die in de zonde leven, nergens eenigen troost in hunne rampen vinden, „zullen alle dingen medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben;quot; hen zullen rampen treffen, maar zij hebben vrede, en gevoelen zich gelukkig, omdat God met hen is. Hij zal uit schijnbaar kwaad goed doen voortkomen.

Nu zullen wij zien, wat de Philistijnen met de arke deden, toen zij haar weggenomen hadden. [Lees den kinderen hoofdst. V : i, 2 voor^\ De Philistijnen waren heidenen — geloofden niet in den waren God — aanbaden afgoden. Zij hadden een groot beeld, Dago ge-heeten — het bovenste gedeelte was gemaakt als een mensch, het onderste als een visch. Dit beeld stond in een grooten tempel te Asdod. De Philistijnen waren er zeer trotsch op de ark van de Israelieten genomen te hebben — dachten zeker, dat hun god hen in staat gesteld had Israel te overwinnen, zoodat hij de grootste zijn moest. Maar zie, wat er gebeurde. {Lees vers j, 4.) Wat de eerste maal ? Wat de tweede ? Hoe verwonderd en ontsteld was men! Daarom zonden zij ze naar Gath en onmiddellijk werden hare inwoners met eene ziekte bezocht. Toen zonden zij de ark naar Ekron en ook hier werd men met dezelfde ziekte bezocht. {Lees vers /0, //.)

Toen zagen de vijf vorsten der Philistijnen, hoeveel grooter de macht van God was, dan die hunner afgoden. Ontsteld beraadslaagden zij, en besloten de ark naar de Israelieten terug te zenden. Ik zal u nu voorlezen, hoe zij dit deden. \Lces, al vragende, hoofdst. VL: 1—J, 6—/o, 12—16 voor.] Hoe blijde waren de inwoners van Beth-Semes haar terug te zien en zij dachten dat God hen nu weder zegenen zou. Maar helaas ! te midden hunner vreugde kwam eene smart — zij deden wat God uitdrukkelijk had verboden. (Lees vers ig.) Hunne zonde was oneerbiedigheid jegens God. Zie, hoe groot die zonde in Zijne oogen is! Alles wat aan God gewijd is, moet met den grootsten eerbied behandeld worden — Zijn naam — Zijn woord — Zijn dag — Zijn huis. {Het is zondig Bijbels weg te werpen of te verscheuren — zich onverschillig in de kerk te gedragen — op de kerkhoven te spelen — gebeden en teksten snel en luid op te dreunen.) Na deze straf waren de mannen van Beth-Semes angstig om de ark bij zich te houden. {Lees vers 20, 21, hoofdst. VII : /, 2.) Waarheen zonden zij haar ? Hier bleef zij vele jaren. Kiijath-Jearim ligt tusschen de grenzen van Juda en Benjamin. De ark werd nooit weder naar Silo gebracht, dat onder Gods toelating door de Philistijnen verwoest was, om de goddeloosheid van Eli's beide zonen. De ark was van de Philistijnen genomen om hun de groote macht van den waren God te doen zien; echter was zij niet teruggekomen om Zijn volk te zegenen, omdat zij niet berouwvol tot Hem waren teruggekeerd.

Lees nu vers 3 — 5. Wat moesten zij uit het midden van hen wegdoen ? Oprecht berouw, niet alleen zeggen : wij hebben berouw, maar de zonde vaarwel zeggen. Zoudt gij denken, dat God zou hooren ? Hij is altijd gereed naar hen te hooren, die berouw hebben. (Voorbeeld van den Verloren zoon.) Toen toonde Hij, dat Hij hen weder in Zijne gunst had aangenomen; want terwijl de Israelieten tot het gebed vergaderd waren, kwamen de Philistijnen onverhoeds op hen aan. De Israelieten waren zeer bevreesd, maar lees vers 8—10.


ocr page 136

122

Wat deed Samuel? Wat gebeurde er? En de volgende verzen zeggen ons, hoe hij een gedenkteeken oprichtte voor deze groote overwinning. {Lees vers n—13.) Wij hebben uit deze les te leeren: r. Het kan niemand welgaan, geluk aanbrengen, zonder God tot vriend te hebben. Het moge schijnen dat Hij hen liefheeft, die ter kerk gaan, gedoopt zijn,

LES

De eerste Kor

Te leeren: Hebr. ]

Herhaling van de vorige les. — Welk volk trok, volgens onze laatste les tegen de Israelieten op ? Welk overwon ? Wat namen de Israelieten in hunne legerplaats om hen te helpen ? Waren zij nu voorspoedig? Waarom niet? Waar was Eli? Hoe vernam hij de tijding? Wat verhaalde hein de boodschapper? Wat beschouwde hij als de ergste der rampen ? Wat overkwam hem ? Wat gebeurde met de vrouw van Pine-has? Waar brachten de Philistijnen de ark ? Wat gebeurde de eerste maal met

schets v;

Samuel was nu een oud man geworden. Hij had Israel gedurende vele jaren te Rama als richter en raadsman geleid en geleerd, maar was nu niet langer tot dat alles in staat. Wij zullen zien, wien hij als helper kreeg.

Lees 1 Sam. VIII : 1, 2. Hoe heetten zijne zonen? Eene schoone taak voor zonen van een goeden vader hem te helpen — indien zij geworden zijn, zooals hij was. Maar lees vers 3. Zij neigden zich tot geldgierigheid. In plaats van rechtvaardig in een geschil tusschen twee menschen uitspraak te doen, beslisten zij ten gunste van dien, welke hun geldof een geschenk aanbood. Dit noemt men zich laten omkoopen. Is dat goed? {Leg dit nader uit, als de kinderen het niet goed begrijpen.) Het is vreemd, dat Samuels zonen zoo slecht waren, als die van Eli. Maar er is éen groot verschil — wij lezen niet dat het Samuels schuld was. Hoe treurig voor kinderen van

maar zoo zij Hem niet waarachtig liefhebben, in Hem gelooven, ontvangen zij geen zegen. De ark zonder God kan de Israelieten niet redden. 2. Het gevaar van oneerbiedigheid. Denk aan de inwoners van Beth-Semes. 3. Gods groote bereidvaardigheid om allen aan te nemen en te helpen, die met een oprecht berouw over hunne zonden tot Hem vlieden.

LVI.

ng van Israel.

: 14 ; Gez. 74 : n.

hun afgod? Wat de tweede maal? Wat deden toen de Philistijnen ? Hoe strafte God het volk der plaatsen, waarheen zij de ark zonden ? Hoe zonden zij haar toen aan de Israelieten terug ? Hoe zondigden de mannen van Beth-Semes met betrekking tot de ark? Wat leert ons dit ? Wie bad de Israelieten met oprecht berouw tot God terug te keeren ? Deden zij dit ? Hoe toonde hun de Heere, dat Hij hun vergeven had? Wat richtte Samuel op ter gedachtenis van deze overwinning ? Herhaal tekst en versje.

n de les.

goede ouders zoo slecht te zijn! Deze zonde van Samuels zonen bracht de Israelieten ook op den zondigen weg — evenals de goddeloosheid van Hophni en Pinehas hen terughield van het brengen van offeranden. Niemand kan een slecht leven leiden zonder anderen daardoor te schaden. {Een ondeugend kind in eene klasse kan ook de anderen bederven?) Zie, waartoe het volk gebracht werd. Lees vers 4—6. Wie schoolden samen ? Zij kwamen om voor het volk te spreken. Wat verlangden zij, dat Samuel doen zou? Hoe dacht hij daarover ? Maar zie, wat de Heere zeide, toen Samuel Hem van dit verzoek sprak — vers 7, 8. Wien zeide God, dat zij verworpen hadden ? Dit was hunne zonde — zij wilden gelijk andere volken zijn (vers 5) — niet tevreden met door God geregeerd te worden, wilden zij liever zijn gelijk de heidensche volken, die om hen woonden.

Zoudt gij gelooven, dat God hun ge-


ocr page 137

123

ven zou, wat zij wilden ? Lees vers 9. Hij wilde hun toestaan, wat zij verlangden, maar eerst moest Samuel hen op de gevolgen wijzen van dezen dwazen wensch. \Lees de kinderen vers 10—18 voor^\ De richters, die God over hen gesteld had, hadden hen met wijsheid bestuurd, hen tegen hunne vijanden aangevoerd en voor hen gestreden, maar deze koning zou hen als slaven beschouwen — hen hard laten werken — dan zouden zij er spijt van hebben. Maar hoor, wat dit dwaze volk antwoordde. {Lees vers ig—2/.) Zij wilden zijn „gelijk andere volken.quot; [Opheldering. — Kinderen, die gaarne naar eene comedie of iets dergelijks willen gaan, behagen scheppen in hetgeen hunne ouders niet goed voor hen achten, zeggen: »Waarom ?noge?t wij niet doen gelijk die en die ?quot; De ouders weten, dat het niet goed voor hen is — zeggen hun de gevolgen, maar toch volharden die kinderen door eigenzinnig te vragen, tot vader, eindelijk misschien, toegeeft.} Zoo stond de Heere hun hun verlangen toe — wij zullen er de gevolgen van zien.

Het volgende hoofdstuk zegt ons, wie het was, die hun eerste koning zijn zou. [Lees hoofdst. IX : 1—ó ] Kis, een rijk man — Saul jong, schoon, van kloeke gestalte — hoeveel grooter was hij dan de overigen des volks? quot;Wat gingen hij en zijn knecht zoeken ? Eindelijk waren zij verdwaald. „Waarom zouden wij het niet aan den man Gods vragen, die hier woont ?quot; {Lees vers 7—14.) Wat besloten zij hem te geven ? Wie zeide hun, waar hij was? Wat ging hij doen ? Wij zullen zien, dat Samuel Saul verwachtte. Hoe kwam dit? {Lees vers 151, 6.) Hoe kwam het dat Samuel Saul verwachtte ? Lees vers 17. Samuel kende Saul, maar Saul kende Samuel niet. (Lees vers 18—20.) Wat vroeg Saul hem? Hoe wist Samuel iets aangaande hen? Maar Saul moest nog meer verbaasd zijn over hetgeen volgde — over de wijze, waarop hij hem ontving. {Lees vers 21—26.) De eerste plaats werd hem aan den niaal-tijd gegeven, de beste der spijzen voor hem bestemd. Waarheen bracht Samuel hem toen om met hem te spreken ? De huizen in die landstreek hebben platte daken, niet zooals de onze. Samuel deelde hem mede, dat God hem gekozen had, om de eerste koning van Israel te zijn. Welk eene wondervolle tijding!

Maar behalve deze mededeeling bleef er voor Samuel nog iets anders te doen, hetgeen altijd met koningen geschiedde — de zalving genaamd. (Lees vers 27, hoofdst. X : /.) Dit uitgieten van olie was een teeken, dat hij tot koning was bestemd. Profeten en priesters werden ook gezalfd. En toen gaf Samuel hem drie teekens, die bewijzen zouden, dat zijne woorden waar waren. (Lees vers 2—7, en vraag over de drie teekens.) En toen hij zich omkeerde om Samuel te verlaten, gaf God hem nog kostelijker gift dan het koningschap over Israel zelfs. (Lees vers (j.) ;,Een ander hart,quot; wil zeggen, dat de Heere zijn hart veranderde om Hem te dienen. Tot hiertoe had Saul zich slechts over aardsche dingen bekommerd — nu werd hij profeet,, verkreeg eene macht en wijsheid, die hij nooit te voren gekend had. Waarom zoudt gij meenen, dat God dit deed ? Om hem voor zijn nieuwen arbeid geschikt te maken. Voor elke nieuwe betrekking moet de mensch geoefend worden. (jongens voor winkelbedienden, klerken, — meisjes voor naaister, enz?) Nu zullen wij zien hoe Saul ten aanzien van het gansche volk tot koning gekozen werd. {Lees vers 17—ig.) Waar was het volk bijeen gekomen? Zij hadden God als hunnen koning verworpen, nu zou hij aan hun verlangen voldoen. {Een vader bewilligt dikwijls in hetgeen de kinderen vragen, doch waarschuwt hen, dat het niet tot hun waar geluk zijn zal.) {Lees vers 20—22.) Wie werd voorgebracht? Waar was hij? Hij had zich verborgen, maar niet uit vrees — zedigheid, nederigheid, gevoel van onwaardigheid om koning te zijn vervulden zijn hart — daardoor was hij des te meer geschikt. (Lees vers 23—25.) Hoeveel grooter was hij dan de andere mannen ? Wat juichte het volk? Hoor, hoe welwillend Samuel tot het volk sprak, (vers


ocr page 138

124

24.) Deze zou nu de bestuurder zijn in zijne plaats. Hoe onbaatzuchtig!

Saul aanvaardde niet dadelijk de regeering — ging naar huis — deed daar zijne gewone bezigheden. Maar weldra gebeurde er iets, dat hem opriep om voor het volk te strijden. (Lees hoofdst. XI : 1—/J, bij ieder vers ondervra-jfende.) Hoe verheugd waren de Israëlieten met hunnen nieuwen koning ! Wat wilden zij doen met de mannen, die gezegd hadden: „Zou Saul over ons regeeren? Wilde hij dat? Hij schreef niet zich zeiven, maar den Heere de eer toe. (vers 13, „de Heere,quot; enz.) Lees vers 14, 15. Wat zeide Samuel? Dit was de dag der kroning. (Verklaar wat dit beteekent.) Zie nu, wat wij heden van Saul geleerd hebben. Hij was nederig — arbeidzaam — dapper in den strijd —bereid om zijnen vijanden te vergeven — gaf Gode alleen de eer. Een goed begin van zijn leven als koning. God bewees hem groote gunst — veranderde zijn hart — maakte het volk aan hem gehoorzaam. Welk een goed begin! Wij zullen zien, of hij in Gods weg bleef wandelen. [Het is niet genoeg in een wedstrijd goed te beginnen — wij moeten volkarden, of zullen nooit den prijs behalen.} Zoo hebben wij een goed begin in onzen doop— „kind, erfgenaam van God,quot; maar wij moeten volhouden.


LES LVII.

De Koning

Te leeren : 1 Sam. !

Herhaling van de vorige les. — Wie hielpen Samuel in zijn richterschap? Waren zijne zonen zooals hij? Welk kwaad bedreven zij? Wat kwam het volk toen vragen? Waarom berouwde dit Samuel? Was God over hen tevreden ? Stond hij hun verzoek toe? Wat beval Hij Samuel hun te zeggen? Ja, alles wat de koning hun doen zou. Bleven zij toch bij hun verlangen om een koning? Wien verkoos de Heere? Wat gaf aanleiding, dat hij Samuel ontmoette? Welke drie teekenen

SCHETS Vi

Wij eindigden den laatsten Zondag met de vreugde der Israelieten over hun nieuwen koning — zagen hoe dapper hij was — verheugd over de overwinning op de Philistijnen. Maar Samuel bleef ernstig onder het zegegejuich des volks. Hij was niet afgunstig op Saul, maar bevreesd dat hunne blijdschap in .smart zou veranderen. Nu zullen wij zien, wat hij tot het volk op dien kroningsdag zeide.

Lees 1 Sam. XII : 1. Gij weet, hoe vurig zij dezen koning begeerd hadden — nu was hun wensch voldaan — hij zou hen regeeren — Samuel niet langer regent, maar nog altijd richter en leeraar —

verworpen.

IV : 22 ; Ps. 89 : 17.

gaf hij hem, waardoor hij zien zou, dat zijne woorden waar waren ? Hoe werd Saul verkozen tegenover het geheele volk ? Aanvaardde hij dadelijk zijne regeering ? Wat had later plaats met de inwoners van Jabes in Gilead ? Wie voerde de Israelieten tegen hunne vijanden aan ? Overwon hij ? Wat wilden eenige Israelieten doen na de overwinning? Wilde Saul dit toelaten? Welke soort van man scheen hij op dien tijd te zijn? Herhaal tekst en versje.

N DE LES.

staat voor hen. Hoor, wat hij zeide. (Lees den kinderen vers 2—5 voor.) Wat vroeg hij hun? Vervolgens sprak hij hun over Gods goedheid jegens hen. (Lees vers 7—//.) Samuel herinnerde het volk hieraan, opdat het gevoelen mocht, hoe ondankbaar zij geweest waren. En opdat zij niet zouden denken dat alleen Samuel (niet God) hun dit wilde doen gevoelen, werd een teeken van den hemel gezonden. {Lees vers 16—/9.) Welken indruk maakte dit op het volk? Wat vroegen zij aan Samuel voor hen te doen? [Lees vers 20—23.) Gij ziet, dat Samuel hen liefhad, in weerwil hunner eigenzinnigheid, nog voor


ocr page 139

125

hen wilde bidden en hen onderwijzen — en nu zij berouw toonden en hunne zonde inzagen, troostte hij hen. Vers 24, 25. Wat beval hij hun te doen? Waarom? Hebben wij niet dezelfde reden om God te vreezen en Hem te dienen ? Wat heeft Hij voor ons gedaan? Samuel eindigde met eene waarschuwing. Wij zullen nu zien, hoe de nieuwe koning handelde. De Israelieten, trotsch op hunnen nieuwen koning, dachten dat nu alles goed met hen was. Zie, of het zoo was. (Lees den kinderen hoofdst. XIII: /, 2 voor.) Jonathan was de zoon van Saul, een krijgsoverste, een dapper man ; wij lezen verder, dat hij met zijne duizend man tegen de Philistijnsche bezetting te Geba optrok en hen aanviel. De Philistijnen waren zeer verbitterd. (Lees vers 4, S-) Duizenden trokken tegen de Israelieten te veld. De Philistijnen hadden een groot voordeel op hen, behalve hunne overmacht. (Lees vers ig—22.) De Philistijnen hadden al de smeden weggenomen — waarom ? Derhalve hadden de Israelieten slechts stompe wapenen. Zij waren zeer terneergeslagen en bevreesd. {Lees vers 6, 7.) Wat deden zij ? Hoe geheel verschillend van hetgeen zij verwacht hadden ! Waar was Saul ? Samuel had hem gezegd, dat hij daar bij hem zou komen, voor hem en het volk offeren, en voor hen bidden zou. Binnen zeven dagen zou hij komen. Dit moest Saul opbeuren. Hij wist, dat Samuel Gods uitverkoren profeet was — dat elke last van hem een last van God was. Hij wachtte al de zeven dagen, de laatste morgen was gekomen. Saul werd ongeduldig. (Lees vers 8—/0.) Het volk begon zich te verstrooien. Hij vreesde dat allen heen zouden gaan, zoo de offeranden niet spoedig gebracht werden — wat deed hij toen ? Nauwelijks waren zij geofferd — of, wien zag hij komen? Hoor, wat Samuelzeide. Leesvers 11 — 13. Wat bracht Saul tot zijne verschooning in ? Waarom was het verkeerd van Saul het brandoffer te offeren ? Zie nu welke zijne straf zijn zow. (Lees vers 14.) Dus zou hij het koningschap verliezen — het zou van hem genomen worden. Misschien denkt gij, welk eene zware straf voor zulk een gering vergrijp, maar,, let wel, ongehoorzaamheid is geen gering vergrijp. (Herinner hun, hoe de ongehoorzaamheid van Adam en Eva zonde, en lijden en dood in de wereld brachtï) Wat moet Saul bedroefd geweest zijn ! Deze was zijne eerste beproeving sedert hij koning geworden was, en hij was er voor bezweken. (Kinderen denken somtijds., als zij grooter geworden zijn, dat zij geen acht meer behoeven te slaan op de vermaningen hunner ouders; maar gij ziet, koningen zelfs moeten gehoorzamend) Hij trok huiswaarts met slechts 600 man — bijna zonder zwaard of speer — de Philistijnen verwoestten en overstroomden het gansche land.

Het volgende hoofdstuk verhaalt ons eene kloeke daad van Jonathan, den zoon van Saul. Hij was een schoon, kloek jongeling — dapper en ook godvreezend.

Hij en zijn wapendrager stonden op den heuvel van Gilboa, waar het Israe-lietische leger zich bevond — tegenover den heuvel Michmas. Hij dacht: „Kan ik niet iets doen om mijn volk te bevrijden?quot; (Lees hoofdst. XIV : 4—6.) Gij ziet, dat hij niet alleen op zijne eigen kracht steunde, maar op Gods macht. (Lees vers 7—12.) Wat zeiden de Philistijnen tot hen? Toen gevoelden zij, dat dit het teeken was, waarnaar zij uitzagen, dat de Heere met hen zou zijn — klommen op — twee mannen tegen een geheel leger; hoe dapper! Wij zullen zien, hoe zij slaagden. (Lees vers 13—75.) Het pad was zoo steil en eng, dat slechts éen man te gelijk de rots beklimmen kon. Hoe gemakkelijk konden de Philistijnen hen dooden \ Wat gebeurde echter? God kwam hen te hulp door eene aardbeving — verbazende ontsteltenis onder de vijanden, zoodat zij tegen elkander het zwaard trokken. Dit zagen de Israelieten op den anderen heuvel. (Lees vers 17— Het volk verzamelde zich om Saul — de Heere had hun de overwinning geschonken door de dappere daad van Jonathan — vertrouwende op Hem. Maar Saul was trotsch en halsstarrig — deed een dwazen eed — dat is eene plechtige


ocr page 140

6

belofte aan God. {Lees vers 24.) Zie wie dien verbrak, daar hij niet wist dat hij gedaan was. (Vers 25—j/.) Toen de strijd geëindigd was, was het volk afgemat, ten gevolge van den dwazen eed, door Saul gedaan. God had het volk verboden vleesch met het bloed te eten — door den grooten honger overtraden zij die wet. Maar wie droeg de schuld van dien honger ? Weet gij wat Jonathan in het bosch gedaan had? Hij wist niets, toen hij dit deed, van hetgeen zijn vader gezegd had. [Lees vers 36, 3/.) Daar er geen antwoord kwam, was dit een ongelukkig teeken, er moest iets slechts gebeurd zijn. (Lees vers 3S—^^.)Saul meende dat Jonathan sterven moest, al was hij met den eed onbekend geweest. Maar ik zal u zeggen, wat het volk dacht. (Vers 45.) Het wilde niet, dat Jonathan sterven zou. Wij zien duidelijk, dat de zonde aan Sauls zijde was* door dien dwazen eed te doen; maar wij zien ook dat eene belofte aan God eene ernstige zaak is, en niet lichtvaardig mag gedaan of verbroken worden.

De volgende verzen doen nog zien, dat Saul wederom God mishaagde. Lees hoofdstuk XV : 1—3. De Amale-kieten waren de eerste en bitterste vijanden van Gods volk — zij moesten

LES : De Zalving

Te leeren: 1 Sam. XVI : 7 (

Herhaling van de vorige les. — Wie alleen was ernstig, terwijl het gehecle volk over hunnen nieuwen koning vreugde bedreef? Wat zond God op dien dag ten teeken van Zijn misnoegen ? Wenschte Samuel, dat Saul of het volk eenig onheil treffen mocht ? Wie trok, nadat Saul twee jaren geregeerd had, tegen de Israelieten op? Waren zij talrijk? Wat deden de Israelieten ? Waarom konden zij hunne zwaarden en speren niet scherpen ? Waar had Samuel beloofd te komen, om voor hem offeranden te offeren ? Hoe lang wachtte Saul ? Wat deed hij toen? Was dat goed? Waarom niet?

verdelgd worden tot straf hunner groote goddeloosheid — al hunne bezittingen moesten ook vernield worden. (Als teen Jericho genomen -was?) Ik zal u nu voorlezen, hoe Saul tegen hen streed. (Lees vers 4—7.) Behaalde Saul de overwinning ? Wie gaf hem daartoe de macht? Hoe dankbaar had hij moeten zijn ! Maar lees nu vers 8, 9. Was dit goed? Waarom niet? \Lees, ondervragende, vers 10—2/.] Hoe legde hij de schuld op het volk? Had hij toch niet alles hebben kunnen laten dooden, zoo hij gewild had? Zie, wat Samuel antwoordde. Vers 22,23. Wat baat het of wij voorgeven God door offers te te dienen, als wij trachten Hem ongehoorzaam te zijn ? Saul was zeer bekommerd, toen hij hoorde, wat Samuel zeide — bekommerd over de straf, niet over de zonde; hij kreeg geene vergeving. (Lees vers 24—ji.) Samuel bleef echter goed voor Saul. Zie vers 35. Sauls geschiedenis leert ons, dai; het niet genoeg is goed te beginnen, dat waken en bidden groote vereischter. zijn. Herhaling : De eerste ongehoorzaamheid — de onzinnige eed — het nemen van den buit, de bedriegelijke verontschuldigingen doen zien, hoe hij al verder en verder van God afviel.

van David.

aatste gedeelte); Gez. 73 :13.

Wat zeide Samuel, toen hij kwam? Hoe heette Sauls zoon ? Wat voor een man was hij ? Welke kloeke daad bedreef hij en zijn wapenknecht ? Slaagden zij ? Vervolgde Saul en zijn leger de Philistijnen ook ? Welken dwazen eed deed Saul ? Wie gebruikte voedsel, en wat was het? Wat gebeurde ten gevolge daarvan ? Tegen welk volk beval God aan Saul op te trekken ? Wat moest hij doen? Waarom? Gehoorzaamde hij aan Gods bevel? Waarom niet? Welke straf werd tegen hem uitgesproken ? Herhaal tekst en versje.


ocr page 141

127

SCHETS VAN DE LES.

Toen de Heere Saul van het koning- j schap vervallen had verklaard, was er iemand, die hierover smart gevoelde, maar ook over zijne goddeloosheid en zijne straf. Dit was Samuel.Hij bedroefde zich zoowel om Sauls als om des volks wil. Dit was eene edele, belanglooze droefheid. Bedenk eens, Saul had de plaats van Samuel ingenomen — was regent geworden in zijne plaats en die zijner zonen. [ Opheldering. — Zoo een kind een moeilijk werk wordt opgelegd, en het hem niet gelukt, zeggen somtijds anderen : » O / hij is immers niet knapper dan wij!quot; De liefde jegens elkander oiitbrcekt hier.] Het gevoel van Samuel was gelijk dat van een vader, die teleurgesteld wordt door het slechte gedrag van zijn zoon.

Maar er was nog een ander, wien het bedroefde. Zie het laatste vers van de vorige les. I Sam XV : 35. Wie was dat? Wanneer een knaap of een meisje, die eerst den goeden weg zijn ingeslagen, door den doop als Gods kind zijn aangenomen, onderwijzers gehad hebben om hen op dien weg voort te leiden, toch op den weg der zonde afgedwaald zijn, bedroeven zij daardoor niet alleen ouders en onderwijzers, maar ook God. Maar nu was de tijd gekomen, dat Samuel niet langer over Saul denken moest — er was een ander werk voor hem te doen. Lees 1 Sam. XVI : 1. Wat gebood God aan Samuel te doen? Weet gij waartoe hij die oliekruik moest met zich nemen? Om te zalven, of olie uit te gieten zooals gebruikelijk was, op het hoofd van priesters, profeten en koningen, waardoor zij in hun dienstwerk werden ingewijd. Was Saul ook gezalfd ?

Zie, wat Samuel antwoordde. Lees vers 2,3. Wat zeide hij, dat Saul doen zou, zoo hij dit hoorde? Zie, hoe goddeloos hij geworden was — hoe snel kleine zonden tot grootere vervoeren. Wat beval de Heere hem te doen ? Een vaars, dat is een jonge koe. Die Jesse of Isaï, de voornaamste man te

Bethlehem, was de kleinzoon van Ruth en Boaz. {Herinner de kinderen aan de geschiedenis van Ruth.) Lees vers 4, 5. Waarom moesten de oudsten beven ? Ongetwijfeld dachten zij, dat hij eene boodschap van God bracht — waren bevreesd te vernemen wat het zijn mocht. Wat antwoordde hij hun? Zij moesten zich heiligen, d. i. moesten zich gereed maken om bij de ofler-ande tegenwoordig te zijn — zich klee-den — wasschen — en biddende, in stille en ernstige stemming; volstrekt niet haastig, dat zou oneerbiedig zijn tegenover God. Ook wij moeten ons heiligen, als wij naar Gods huis gaan. Wij trekken om dezelfde reden onze beste kleeren aan, en moeten ons door het gebed voorbereiden, stil in de kerk komen en, daar van God om een zegen vragen. Jesse en zijne zonen deden zooals Samuel hun geboden had. Het offer werd gebracht en daarna zou een maaltijd gehouden worden voor de aanbidders. Maar vooraf moest er iets anders plaats hebben — de koning moest gezalfd worden.

Al Jesse's zonen waren daar — de oudste Eliab was van eene lange gestalte en een edel gelaat. Wat dacht Samuel ? Lees vers 6. Dacht God eveneens? Vers 7. Wat zeide de Heere? „Ik heb hem verworpen.quot; Wij weten niet juist, waarom God Eliab verworpen had, maar het schijnt, dat zijn hart niet recht was in Gods oog.Kan de mensch ook in eens anders hart zien? Neen. Zij kunnen alleen het uitwendig gedrag gadeslaan, niet de redenen, die er toe leiden. [Voorbeeld. — Een jongen gedraagt zich behoorlijk in de kerk, niet om aan God te behagen, maar om geprezen te worden, of hij werkt goed in zijn bedrijf, is eerlijk, vlijtig, enz. om in de wereld vooruit te komen. De wereld noemt hem een goeden* bedaarden jongen, maar God ziet in zijn hart, dat hij er zich niet om bekommert Hem te behagen: zijn gedrag heeft geene waarde in Gods oog]. Iemand prijst en bewondert vaak een


ocr page 142

belofte aan God. {Lees vers 24.) Zie wie dien verbrak, daar hij niet wist dat hij gedaan was. [Vers 25—j/.) Toen de strijd geëindigd was, was het volk afgemat, ten gevolge van den dwazen eed, door Saul gedaan. God had het volk verboden vleesch met het bloed te eten — door den grooten honger overtraden zij die wet. Maar wie droeg de schuld van dien honger? Weet gij wat Jonathan in het bosch gedaan had? Hij wist niets, toen hij dit deed, van hetgeen zijn vader gezegd had. (Lees vers 36, 37.) Daar er geen antwoord kwam, was dit een ongelukkig teeken, er moest iets slechts gebeurd zijn. [Lees vers 3S—^.)Saul meende dat Jonathan sterven moest, al was hij met den eed onbekend geweest. Maar ik zal u zeggen, wat het volk dacht. (Vers 45.) Het wilde niet, dat Jonathan sterven zou. Wij zien duidelijk, dat de zonde aan Sauls zijde was,* door dien dwazen eed te doen; maar wij zien ook dat eene belofte aan God eene ernstige zaak is, en niet lichtvaardig mag gedaan of verbroken worden.

De volgende verzen doen nog zien, dat Saul wederom God mishaagde. Lees hoofdstuk XV : 1—3. De Amale-kieten waren de eerste en bitterste vijanden van Gods volk — zij moesten 1

verdelgd worden tot straf hunner groote goddeloosheid — al hunne bezittingen moesten ook vernield worden. (Als teen Jericho genomen was.) Ik zal u nu voorlezen, hoe Saul tegen hen streed. (Lees vers 4—7.) Behaalde Saul de overwinning ? Wie gaf hem daartoe de macht? Hoe dankbaar had hij moeten zijn ! Maar lees nu vers 8, 9. Was dit goed? Waarom met? [Lees, o?ider-vragende, vers 10—21.] Hoe legde hij de schuld op het volk? Had hij toch niet alles hebben kunnen laten dooden, zoo hij gewild had? Zie, wat Samuel antwoordde. Vers 22,23. Wat ^aat: het of wij voorgeven God door offers te te dienen, als wij trachten Hem ongehoorzaam te zijn ? Saul was zeer bekommerd, toen hij hoorde, wat Samuel zeide — bekommerd over de straf, niet over de zonde; hij kreeg geene vergeving. (Lees vers 24—31.) Samuel bleef echter goed voor Saul. Zie vers 35. Sauls geschiedenis leert ons, dat het niet genoeg is goed te beginnen, dat waken en bidden groote vereischten zijn. Herhaling : De eerste ongehoorzaamheid — de onzinnige eed — het nemen van den buit, de bedriegelijke verontschuldigingen doen zien, hoe hij al verder en verder van God afviel.


LES LVIII.

De Zalving van David.

Tc leeren: 1 Sam. XVI : 7 (laatste gedeelte); Gez. 73 :13.

Herhaling van de vorige les. — Wie alleen was ernstig, terwijl het gehecle volk over hunnen nieuwen koning vreugde bedreef? Wat zond God op dien dag ten teeken van Zijn misnoegen ? Wenschte Samuel, dat Saul of het volk eenig onheil treffen mocht ? Wie trok, nadat Saul twee jaren geregeerd had, tegen de Israelieten op ? Waren zij talrijk ? Wat deden de Israelieten ? Waarom konden zij hunne zwaarden en speren niet scherpen ? Waar had Samuel beloofd te komen, om voor hem offeranden te offeren ? Hoe lang wachtte Saul ? Wat deed hij toen? Was dat goed? Waarom niet?

Wat zeide Samuel, toen hij kwam? Hoe heette Sauls zoon ? Wat voor een man was hij ? Welke kloeke daad bedreef hij en zijn wapenknecht ? Slaagden zij ? Vervolgde Saul en zijn leger de Philistijnen ook ? Welken dwazen ^ed deed Saul ? Wie gebruikte voedsel, en wat was het? Wat gebeurde ten gevolge daarvan ? Tegen welk volk beval God aan Saul op te trekken? Wat moest hij doen? Waarom? Gehoorzaamde hij aan Gods bevel? Waarom niet? Welke straf werd tegen hem uitgesproken ? Herhaal tekst en versje.


ocr page 143

I 27

SCHETS VAN DE LES.

I Bethlehem, was de kleinzoon van Ruth en Boaz. {Herinner de kinderen aan de geschiedenis van Rnth.) Lees vers 4, 5. Waarom moesten de oudsten beven ? Ongetwijfeld dachten zij, dat hij eene boodschap van God bracht — waren bevreesd te vernemen wat het zijn mocht. Wat antwoordde hij hun? Zij moesten zich heiligen, d. i. moesten zich gereed maken om bij de ofler-ande tegenwoordig te zijn — zich klee-den — wasschen — en biddende, in stille en ernstige stemming; volstrekt niet haastig, dat zou oneerbiedig zijn tegenover God. Ook wij moeten ons heiligen, als wij naar Gods huis gaan. Wij trekken om dezelfde reden onze beste kleeren aan, en moeten ons door het gebed voorbereiden, stil in de kerk komen en, daar van God om een zegen vragen. Jesse en zijne zonen deden zooals Samuel hun geboden had. Het offer werd gebracht en daarna zou een maaltijd gehouden worden voor de aanbidders. Maar vooraf moest er iets anders plaats hebben — de koning moest gezalfd worden.

Al Jesse's zonen waren daar — de oudste Eliab was van eene lange gestalte en een edel gelaat. Wat dacht Samuel ? Lees vers 6. Dacht God eveneens? Vers 7. Wat zeide de Heere? „Ik heb hem verworpen.quot; Wij weten niet juist, waarom God Eliab verworpen had, maar het schijnt, dat zijn hart niet recht was in Gods oog.Kan de mensch ook in eens anders hart zien? Neen. Zij kunnen alleen het uitwendig gedrag gadeslaan, niet de redenen, die er toe leiden. [ Voorbeeld. — Een jongen gedraagt zich behoorlijk in de kerk, niet om aan God te behagen, maar om geprezen te worden, of hij werkt goed in zijn bedrijf, is eerlijk, vlijtig, enz. om in de wereld vooruit te komen. De wereld noemt hem een goeden% bedaarden jongen, maar God ziet in zijn hart, dat hij er zich niet om bekommert Hem te behagen: zijn gedrag heeft geene waarde in Gods oog]. Iemand prijst en bewondert vaak een

Toen de Heere Saul van het koning- ; schap vervallen had verklaard, was er iemand, die hierover smart gevoelde, maar ook over zijne goddeloosheid en zijne straf. Dit was Samuel.Hij bedroefde zich zoowel om Sauls als om des volks wil. Dit was eene edele, belanglooze droefheid. Bedenk eens, Saul had de plaats van Samuel ingenomen — was regent geworden in zijne plaats en die zijner zonen. \Opheldering. — Zoo een kind een moeilijk werk wordt opgelegd, en het hem niet gelukt, zeggen somtijds anderen: »0/ hij is immers niet knapper dan wij !quot; De lief de jegens elkander ontbreekt hier.'\ Het gevoel van Samuel was gelijk dat van een vader, die teleurgesteld wordt door het slechte gedrag van zijn zoon.

Maar er was nog een ander, wien het bedroefde. Zie het laatste vers van de vorige les. I Sam XV : 35. Wie was dat? Wanneer een knaap of een meisje, die eerst den goeden weg zijn ingeslagen, door den doop als Gods kind zijn aangenomen, onderwijzers gehad hebben om hen op dien weg voort te leiden, toch op den weg der zonde afgedwaald zijn, bedroeven zij daardoor niet alleen ouders en onderwijzers, maar ook God. Maar nu was de tijd gekomen, dat Samuel niet langer over Saul denken moest — er was een ander werk voor hem te doen. Lees 1 Sam. XVI : 1. Wat gebood God aan Samuel te doen? Weet gij waartoe hij die oliekruik moest met zich nemen? Om te zalven, of olie uit te gieten zooals gebruikelijk was, op het hoofd van priesters, profeten en koningen, waardoor zij in hun dienstwerk werden ingewijd. Was Saul ook gezalfd ?

Zie, wat Samuel antwoordde. Lees vers 2,3. Wat zeide hij, dat Saul doen zou, zoo hij dit hoorde? Zie, hoe goddeloos hij geworden was — hoe snel kleine zonden tot grootere vervoeren. Wat beval de Heere hem te doen ? Een vaars, dat is een jonge koe. Die Jesse of Isaï, de voornaamste man te

ocr page 144

128

ander met een goed uiterlijk, eene flinke gestalte, die verstand heeft, maar is daarin iets om trotsch op te zijn ? Zoo was Samuels keuze niet Gods keus. Maar er waren nog andere zonen van Isaï. Lees vers 8—10. Hoe heetten de twee volgende, die voor het aangezicht van Samuel voorbijgingen ? Wat zeide hij aan dezen ? Hoeveel zonen werden er in het geheel aan hem voorgesteld? Zalfde hij een dezer? Waarom niet? Hoe vreemd moet dit aan Samuel en den vader voorgekomen zijn ! Lees vers ii, 12. Wie was afwezig? Wat deed hij ? Een knaap, die de schapen hoedde — zijn eenvoudig werk op het veld verrichtende — op wien het overige gezin weinig acht sloeg, was naar de schapen heengezonden, terwijl de anderen in hunne beste kleeren het offerfeest bijwoonden, om daarna aan den maaltijd aan te zitten, maar Samuel zeide: „Wij zullen niet gaan aanzitten, voordat hij hier is.quot; Stel u voor hoe het geheele gezin zat te wachten, tot de knaap eindelijk binnenkwam. Lees nu vers 13. Hoe verbaasd zijn al de broeders, toen zij den jongsten zagen verkiezen! Hoe verrast was de jonge David zelf! Was het slechts eene uitwendige eer ? Wat ondervond David van dien tijd af? Gij zult u herinneren dat Saul, na gezalfd te zijn, met zijn gewone werk voortging — dat hij eerst eenigen tijd later koning werd — dit was ook zoo met David. Hij keerde weder naar zijne schapen — bereid om gerust den tijd af te wachten, dat God hem tot koning roepen zou. Echter had hij somtijds ander werk te doen — de rest van het hoofdstuk

LES

De Reus en de

Te leeren : Phil.

Herhaling can de vorige les. — Waar werd Samuel van God gelast heen te gaan, om een nieuwen koning te zalven ? Waarom vreesde hij eerst te gaan ? Wat zeide God hem te doen ? Wie riep hij tot het offer ? Hoe heette Isaï's oudste zoon ? Hoe

vermelde, dat kort daarna Saul zeer zwaarmoedig werd — zij, die den dienst van God hebben verlaten, zijn nooit gelukkig, al zijn zij rijk en aanzienlijk. Hij had iemand van noode, die voor hem op de harp kon spelen. David had dikwijls gespeeld, terwijl hij de schapen hoedde, en werd nu geroepen om voor Saul te spelen — deed zijn best — beviel aan Saul — voor eenigen tijd gevoelde deze zich beter.

Wij hebben heden gezien, dat David, de geringe schaapherder, in tegenwoordigheid van allen tot koning verkozen werd. Denk eens waarom — omdat zijn hart oprecht in Gods oog was. Hij had geene groote dingen gedaan, was niet bekwamer dan anderen — zijn streven was alleen zijn plicht te huis te doen,, zoo dat God quot;welgevallen in hem had. Dat moet ook ons streven zijn. {Kna~ pen denken somtijds: »Als ik maar in de wereld vooruit komen, een groot krijgsman, een moedig zeeman worden, nieuwe landen ontdekken kon, enz., wat zou ik veel goed doen en door de menschen geprezen worden, enz. Meisjes verlangen in een goeden dienst, in een winkel, enz. geplaast te worden, denkende: ygt;Dan zou ik vooruitkomenquot; Leer van David eerst uw dage lijksch werk {geef hiervan voorbeelden) te doen, trachtende aan God te behagen, dan zal Hij 21, als het goed voor u is, tot grootere dingen roepen?) Zoek niet de goedkeuring van menschen, maar van God. Hoe verblijdend eens van Hem te hooren: „Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht.quot;

LIX.

Herdersknaap.

V : 13; Ps. 68 : 11.

was zijn voorkomen ? Wat dacht Samuel ? Werd Eliab verkozen? Hoeveel zonen gingen Samuel nog voorbij ? Zalfde hij een dezer? Waarom niet? Wie was niet tegenwoordig? Wat deed hij? Wat zeide Samuel ? Wat deed hij, toen David kwam ? Werd hij dadelijk koning ?


ocr page 145

129

Wat deed hij intusschen ? Hoe kwam hij later bij Saul ? Wat scheelde Saul ? Hoe wekte David hem op ? Wat leeren wij uit deze keus van David tot koning ? Waarom werd hij gekozen ? En waarom werden zijne broeders verworpen ? Wat

SCHETS v

Wij hebben gezien, hoe de Heere David, toen hij nog een herdersknaap was, tot koning over Israel verkoos — heden zullen wij zien, hoe hij toonde die groote eer waardig te zijn, die God hem bewezen had.

Wederom was er oorlog tusschen de Israelieten, en de Philistijnen hunne oude vijanden. {Lees den kinderen I Scifn. XVII : I—3 voor.] [Geef eene beschrijving van de twee legers, oj) tegenover elkander gelegen hergen gelegerd — eene vallei tusschen heji — soldaten met spiesen, schitterende in de zon, tenten, enz.) Het volk hunkerde naar den strijd, verlangende, hoe zij slagen zouden, toen er op eens een man van een vreemd voorkomen uit het midden der Philistijnen te voorschijn trad. Lees vers 4. Hoe heette die man ? Een kampvechter is iemand, die voor anderen vecht. Deze man was verbazend groot — een reus, negen voet negen duim lang. Dus stak hij boven allen uit. Behalve zijne lengte, had hij eene zeer sterke wapenrusting (zijne kleeding was van koper en ijzer). [Lees den kin-der e7i vers 5—7 voorï\ Wat had hij op zijn hoofd ? Aan zijne beenen ? Eene verbazend groote spies in zijne hand. Hoe waren aller oogen gevestigd op die in het oog loopende gestalte, nieuwsgierig waartoe hij daar verschenen was ! Hoor, wat hij zeide. Lees vers 8—10. Wat zeide hij hun te doen ? Zoo hij verslagen werd, wat dan ? Maar zoo hij den Israeliet versloeg, wie zouden dan de overheerschers zijn ? {Lees vers 11.) Hoe gevoelden zij zich, bij het hooren dezer woorden ? Geen wonder. Wie zou tegen zulk een reus durven opkomen ? Hoe druk bespraken de Israelieten dit voorval! Er waren onder hen veel dapperen, maar niemand zou zulk een vijand durven trotseeren !

moeten wij doen, zoo wij wenschen tot een groot en goed werk geroepen te worden ? Ja, wij moeten onzen plicht doen, waar wij zijn, en wachten tot God ons roept. Herhaal tekst en versje.

.N DE LES.

Laat ons nu zien, waar David en zijne broeders toen waren. (Lees vers 12, 13.) Wat zeiden de drie oudste zonen van Isaï ? Gij herinnert u, hoe zij aan Samuel voorbijgingen, en verworpen werden. Nu waren zij onder de krijgslieden. Waar was David ? (Lees vers 14, 15.) Te Bethlehem, zich met het hoeden der schapen bezighoudende, dacht hij er weinig aan, dat God hem weder tot een groot werk — tot groote eer zou roepen. (Lees vers 17—20.) Wat zeide Isaï tot David, dat hij doen moest ? Deed hij het ? Juist trok het leger toen uit naar het strijdperk. (Lees vers 22—25.) Wie vertoonde zich, terwijl hij met zijne broeders sprak? Reeds gedurende veertig dagen had Goliath hetzelfde gedaan, nog niemand had den strijd met hem durven wagen. Wat deden de Israelieten ? Daar stond de herdersknaap, opziende naar den reus — zijne stalen wapenrusting glinsterde in de zon — zijne hoonende woorden weerklonken door de vallei. Maar ik zal u zeggen, wat David zei. (Vers 26.) David wilde zeggen, dat men dien stoutmoedigen man niet behoefde te vreezen, want hij was een heiden — zij hadden God met zich. Er was iemand, die hem hoorde, en meende dat David snoefde op zijne macht en sterkte. (Lees vers 28, 2p.) Eliab was boos — misschien bracht hij zich den dag te binnen, toen David tot koning gezalfd werd — was hij jaloersch — meende hij, dat hij zich boven hem wilde verheffen. Davids antwoord was zeer verdraagzaam; hij zeide niet gekomen te zijn om den strijd te zien, maar omdat zijn vader hem had gezonden.

Hij wendde zich van Eliab af en sprak met andere mannen hetzelfde. (Vers 30, 31.) Weldra verspreidden zich zijne woorden door de legerplaats —


9

ocr page 146

130

kwamen eindelijk den koning ter oore, die hem liet ontbieden. Zie, wat er gebeurde, toen David voor hem stond. Lees vers 32, 33. Wat zeide David? Maar wat antwoordde Saul ? Deze man, aan den strijd gewoon zijnde, dacht Saul, was het onmogelijk, dat David hem overwinnen kon. Maar zie nu de oorzaak, waarom David niet vreesde dien man te bestrijden. Lees vers 34—37. Hij had vroeger aan een groot gevaar blootgestaan. quot;Wat was dat ? De meeste herders zouden misschien gevlucht zijn, als een leeuw en een beer zich vertoonden, — zouden de schapen aan hunne vraatzucht overgelaten — alleen aan hun eigen behoud gedacht hebben. David niet zoo — hij wist, dat het zijn plicht was de kudde zijns vaders te beschermen. En Wie verloste hem ? Hij zegt niet: „Ik verloste mij zeiven,quot; maar wat dan? (37) Zoo ook nu — al was dit een grooter gevaar, gevoelde hij, dat God hem verlossen zou. Wat zeide Saul? Hij dacht nog, dat David eene wapenrusting moest hebben als Goliath — dat hij anders terstond zou gedood worden. {Lees veis 38.) Wat deed hij hem aan ? Maar deze waren zeer zwaar. David gevoelde dat zij hem hinderlijk zouden zijn. (39) Nu zal ik u zeggen, wat hij als wapen met zich nam. (Vers 40—42.) Welk een vreemde aanblik aan de eene zijde de reus in zijne blinkende wapenrusting, met zwaard en spies — aan de andere een jongeling met een rustig voorkomen, in schaap-herderskleeding — een slinger en een staf in zijne hand — Goliath verachtte David, lachte hem uit. Hoor, wat hij zeide (43, 44.) Zie nu, wat David antwoordde (45—47.) Goliath had aard-sche kracht, maar David hemelsche. Wat zegt hij in vers 47? Zij naderden elkander. Hoe gespannen staarden de beide legers hen aan — waarschijnlijk lachten en spotten de Philistijnen — waren de Israelieten bevreesd. Lees vers 49. Wat deed hij met den steen? Wat gebeurde er? Eene wond aan het hoofd is altijd gevaarlijk — de reus viel — maar misschien was hij niet geheel dood. Toen voltooide David zijn werk. {Lees vers 50, 51.) Hoe sloeg David Goliaths hoofd af? Ja, ?net diens eigen zwaard. Wat deden toen de Philistijnen? In wilde haast sloegen zij op de vlucht — hun snoeven bleek ijdel — hun kampvechter was gevallen.

(Lees vers 52—54.) Nu Goliath gevallen was, waren de Israelieten niet langer bevreesd — zij zetten hen na — behaalden eene groote overwinning — door wiens geloof en moed was dit ? Wat deed hij met het hoofd van Goliath ? Toen werd hij voor Saul gebracht, die hem over zijne dappere daad zeer prees. Het was inderdaad eene dappere daad — maar bedenken wij, hoe hij er toe in staat was? Was het, omdat hij zich zoo sterk en bekwaam tot den strijd achtte ? Op wien was zijn vertrouwen? Was dit zijne eerste beproeving ? Evenals God hem toen geholpen had, was hij zeker, dat God hem weder de kracht zou geven.

Zie nu, wat wij uit deze overwinning van David leeren kunnen. 1. Hebben wij een vijand als Goliath te bestrijden ? Hij is een beeld van den Duivel — deze heeft ook vele middelen om ons te overwinnen, en haat ons. Wij zijn zwak, gereed om te vallen. 2. Zal God, die iian David de kracht gaf, ook ons geene kracht geven, zoo wij op Hem vertrouwen? Geen vertrouwen dus op ons zeiven, maar op Hem. [Opheldering. — Zoo een kind denkt: »//£ weet, dat ik op den goeden weg hen, ik gedraag mij steeds goed in de kerk, vloek niet, steel niet, gelijk die en die, ik vrees dus niet schande over mij te brengen,quot; dat is vertrouwen op zich zeiven. Het behoorde veeleer te zeggen: »//£ weet, dat ik dikwijls kwaad doe, mij niet van de zonde kan afhouden, .maar ik wil God vragen mij te bewarenquot; dat is vertrouwen op 6W.] 3. God zendt ons dikwijls eene k.eine beproeving voor eene grootere. Zoo wij de eerste doorstaan, helpt het ons voor eene volgende; zoo wij dan bezwijken, zullen wij dan ook zeer waarschijnlijk daarna bezwijken. (Voorbeeld. — De moed ontzonk Petrus op de zee, later in de zaal van Pitalics.) Tracht dan dagelijks in Gods kracht kleine gebreken te overwinnen, zoo zullen wij later groote overwinningen behalen.


ocr page 147

13'

LES Sauls Jalc

Te lecrcn : i Joh.

Herhaling van de vorige les. — Welke vijanden trokken opnieuw tegen de Israelieten op? Waar stonden de beide legers ? Hoe heette de groote Philistijn, die zich voor de beide legers stelde ? Hoe lang was hij ? Wat had hij aan ? Wat wilde hij, dat de Israelieten doen zouden ? Wat zeide hij dat er gebeuren zou, als hij overwon? Maar zoo hij overwonnen werd? Was er iemand, die den strijd met hem durfde wagen? Waar was David toen? Waar waren zijne broeders? Wie zond hem naar het leger? Waarom ? Wat gebeurde juist, toen hij daar aankwam ? Wat zeide hij ? Bij wien werd hij door het volk

SCHETS Vi5

Gij weet dat, toen de reus Goliath gedood was, al de Philistijnen vluchtten en de Israelieten hen vervolgden ? Het was voor een tijd eene volkomen overwinning op hunne vijanden, en aan wien hadden zij, naast God, hunne overwinning te danken ? Het geheele volk prees David zeer, en Saul was in den beginne zeer met hem ingenomen — wilde niet, dat hij tot zijne schapen zoude terug-keeren, hield hem bij zich om voor hem te strijden, Maar weldra veranderde Sauls gezindheid. Laat ons zien, hoe dit kwam.

Lees I Sam. XVIII 6, 7. Er was groote vreugde wegens de overwinning. Wat deden de vrouwen ? De straten waren vol volk als op een feestdag. [Opheldering. — Op dagen van volksfeesten, bij de leerlingen hekend, 'wapperen de vlaggen, hoort men muziekcorpsen, enz?^ Wat zeiden zij van Saul? Wat van David ? Niet dat David inderdaad tienduizenden verslagen had, maar dat zijn strijd met Goliath de oorzaak der overwinning geweest was. Wien prezen zij het meest ? Zie nu, wat Saul hiervan dacht. Lees vers 8, 9. Saul ontstak zeer, hij was zeer boos. Waarom ? Wat zeide hij? Hij dacht: „Ongetwijfeld zal

LX.

III : 10; Gcz. 58 : 9.

gebracht? Geloofde Saul, dat David met Goliath strijden kon ? Waarom niet? Wat verhaalde David hem, dat hij vroeger gedaan had? Wien zeide hij, dat hem verlost had? Wat liet Saul David eerst aantrekken? Wilde hij hiermede gaan ? Waarom niet? Wat nam hij tot wapenen? Toen hij bij Goliath kwam, wat deed deze toen? Wat gebeurde er? Wat deed David, nadat hij Goliath had doen vallen ? Hoe kwam het, dat David den strijd met Goliath niet vreesde? Hebben wij een grooten vijand ? Wie is dat ? Hoe moeten wij hem bestrijden ? Herhaal tekst en versje.

DE LES.

David nu trachten het koningschap voor zich te krijgen, het volk verheft hem boven mij.quot; Hoe noemen wij dat gevoel van toorn, omdat een ander meer dan wij geprezen of beloond wordt ? Jaloerschheid. {Jozefs broeders waren jaloersch op hem — waarom ? Waarom was Kaïn jaloersch op Abel?) „Sau had het oog op Davidquot; — zag hem nie vriendelijk aan, maar met wrevel.

Nu zult gij zien, dat dit zondige gevoel aanleiding gaf tot eene goddelooze daad. Lees vers 10, 11. Gij weet, dat God niet langer met Saul was om zijne ongehoorzaamheid — vandaar overviel hem nu en dan een booze geest — maakte dat hij zich ongelukkig gevoelde — bijna krankzinnig. David trachtte door zijn snarenspel hem op te beuren. Wat had Saul in de hand ? Wat deed hij ? Doodde hij David? Waarom niet? Zijne jaloerschheid had hem bijna tot een moordenaar gemaakt. Als de mensch aan zulke gevoelens toegeeft, wordt hij dikwijls tot vreeselijke zonden vervoerd. Ofschoon Saul een koning was, vreesde hij David. Hoe kon dit zijn ? Lees vers 12—15. Waarom vreesde Saul hem? Waartoe stelde hij hem aan ? Was David trotsch op die verheffing tot veld-


ocr page 148

128

ander met een goed uiterlijk, eene flinke gestalte, die verstand heeft, maar is daarin iets om trotsch op te zijn ? Zoo was Samuels keuze niet Gods keus. Maar er waren nog andere zonen van Isaï. Lees vers 8—10. Hoe heetten de twee volgende, die voor het aangezicht van Samuel voorbijgingen ? Wat zeide hij aan dezen ? Hoeveel zonen werden er in het geheel aan hem voorgesteld ? Zalfde hij een dezer? Waarom niet? Hoe vreemd moet dit aan Samuel en den vader voorgekomen zijn ! Lees vers ii, 12. Wie was afwezig ? Wat deed hij ? Een knaap, die de schapen hoedde — zijn eenvoudig werk op het veld verrichtende — op wien het overige gezin weinig acht sloeg, was naar de schapen heengezonden, terwijl de anderen in hunne beste kleeren het offerfeest bijwoonden, om daarna aan den maaltijd aan te zitten, maar Samuel zeide: „Wij zullen niet gaan aanzitten, voordat hij hier is.quot; Stel u voor hoe het geheele gezin zat te wachten, tot de knaap eindelijk binnenkwam. Lees nu vers 13. Hoe verbaasd zijn al de broeders, toen zij den jongsten zagen verkiezen! Hoe verrast was de jonge David zelf! Was het slechts eene uitwendige eer ? Wat ondervond David van dien tijd af? Gij zult u herinneren dat Saul, na gezalfd te zijn, met zijn gewone werk voortging — dat hij eerst eenigen tijd later koning werd — dit was ook zoo met David. Hij keerde weder naar zijne schapen — bereid om gerust den tijd af te wachten, dat God hem tot koning roepen zou. Echter had hij somtijds ander werk te doen — de rest van het hoofdstuk

LES

De Reus en de

Te leeren : Phil.

Herhaling can de vorige les. — Waar werd Samuel van God gelast heen te gaan, om een nieuwen koning te zalven ? Waarom vreesde hij eerst te gaan ? Wat zeide God hem te doen ? Wie riep hij tot het offer ? Hoe heette Isaï's oudste zoon ? Hoe

vermelde, dat kort daarna Saul zeer zwaarmoedig werd — zij, die den dienst van God hebben verlaten, zijn nooit gelukkig, al zijn zij rijk en aanzienlijk. Hij had iemand van noode, die voor hem op de harp kon spelen. David had dikwijls gespeeld, terwijl hij de schapen hoedde, en werd nu geroepen om voor Saul te spelen — deed zijn best — beviel aan Saul — voor eenigen tijd gevoelde deze zich beter.

Wij hebben heden gezien, dat David, de geringe schaapherder, in tegenwoordigheid van allen tot koning verkozen werd. Denk eens waarom — omdat zijn hart oprecht in Gods oog was. Hij had geene groote dingen gedaan, was niet bekwamer dan anderen — zijn streven was alleen zijn plicht te huis te doen, zoo dat God welgevallen in hem had. Dat moet ook ons streven zijn. {Knapen denken somtijds: »Als ik maar in de wereld vooruit komen, een groot krijgs??ian, een ?noedig zeeman wordenf nieuwe landen ontdekken kon, enz., wat zoit ik veel goed doen en door de menschen geprezen worden, enz. Meisjes verlangen in een goeden dienst, in een winkel, enz, geplaast te worden, denkende: ygt;Dan zou ik vooruitkomen.^ Leer van David eerst uw dagelijksch werk {geef hiervan voorbeelden) te doen, trachtende aan God te behagen, dan zal Hij u, als het goed voor u is, tot grootere duigen roepen.) Zoek niet de goedkeuring van menschen, maar van God. Hoe verblijdend eens van Hem te hooren: „Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht.quot;

LIX.

Herdersknaap.

V : 13; Ps. 68:11.

was zijn voorkomen ? Wat dacht Samuel ? Werd Eliab verkozen? Hoeveel zonen gingen Samuel nog voorbij ? Zalfde hij een dezer? Waarom niet? Wie was niet tegenwoordig? Wat deed hij? Wat zeide Samuel ? Wat deed hij, toen David kwam ? Werd hij dadelijk koning ?


ocr page 149

129

Wat deed hij intusschen ? Hoe kwam hij later bij Saul ? quot;Wat scheelde Saul ? Hoe wekte David hem op ? Wat leeren wij uit deze keus van David tot koning ? Waarom werd hij gekozen ? En waarom werden zijne broeders verworpen ? Wat

schets v

Wij hebben gezien, hoe de Heere David, toen hij nog een herdersknaap was, tot koning over Israel verkoos — heden zullen wij zien, hoe hij toonde die groote eer waardig te zijn, die God hem bewezen had.

Wederom was er oorlog tusschen de Israelieten, en de Philistijnen hunne oude vijanden. \Lees den kinderen I Sam. XVII : I—3 voor.'] [Geef eejie beschrijving van de twee legers, op tegenover elkander gelegen hergen gelegerd — eene vallei tusschen heft — soldaten met spiesen, schitterende in de zon, tenten, enz.) Het volk hunkerde naar den strijd, verlangende, hoe zij slagen zouden, toen er op eens een man van een vreemd voorkomen uit het midden der Philistijnen te voorschijn trad. Lees vers 4. Hoe heette die man ? Een kampvechter is iemand, die voor anderen vecht. Deze man was verbazend groot — een reus, negen voet negen duim lang. Dus stak hij boven allen uit. Behalve zijne lengte, had hij eene zeer sterke wapenrusting (zijne kleeding was van koper en ijzer). \Lees den kinderen vers 5—7 voor.] Wat had hij op zijn hoofd? Aan zijne beenen? Eene verbazend groote spies in zijne hand. Hoe waren aller oogen gevestigd op die in het oog loopende gestalte, nieuwsgierig waartoe hij daar verschenen was! Hoor, wat hij zeide. Lees vers 8—10, Wat zeide hij hun te doen ? Zoo hij verslagen werd, wat dan ? Maar zoo hij den Israeliet versloeg, wie zouden dan de overheerschers zijn ? (Zees vers 11.) Hoe gevoelden zij zich, bij het hooren dezer woorden ? Geen wonder. Wie zou tegen zulk een reus durven opkomen ? Hoe druk bespraken de Israelieten dit voorval! Er waren onder hen veel dapperen, maar niemand zou zulk een vijand durven trotseeren !

moeten wij doen, zoo wij wenschen tot een groot en goed werk geroepen te worden ? Ja, wij moeten onzen plicht doen, waar wij zijn, en wachten tot God ons roept. Herhaal tekst en versje.

n de les.

Laat ons nu zien, waar David en zijne broeders toen waren. [Lees vers 12,13.) Wat zeiden de drie oudste zonen van Isaï ? Gij herinnert u, hoe zij aan Samuel voorbijgingen, en verworpen werden. Nu waren zij onder de krijgslieden. Waar was David? [Lees vers 14, /5.) Te Bethlehem, zich met het hoeden der schapen bezighoudende, dacht hij er weinig aan, dat God hem weder tot een groot werk — tot groote eer zou roepen. [Lees vers iy—20.) Wat zeide Isaï tot David, dat hij doen moest ? Deed hij het ? Juist trok het leger toen uit naar het strijdperk. [Lees vers 22—25.) Wie vertoonde zich, terwijl hij met zijne broeders sprak? Reeds gedurende veertig dagen had Goliath hetzelfde gedaan, nog niemand had den strijd met hem durven wagen. Wat deden de Israelieten ? Daar stond de herdersknaap, opziende naar den reus — zijne stalen wapenrusting glinsterde in de zon — zijne hoonende woorden weerklonken door de vallei. Maar ik zal u zeggen, wat David zei. (Vers 26.) David wilde zeggen, dat men dien stoutmoedigen man niet behoefde te vreezen, want hij was een heiden — zij hadden God met zich. Er was iemand, die hem hoorde, en meende dat David snoefde op zijne macht en sterkte. [Lees vers 28, 29.) Eliab was boos — misschien bracht hij zich den dag te binnen, toen David tot koning gezalfd werd — was hij jaloersch — meende hij, dat hij zich boven hem wilde verheffen. Davids antwoord was zeer verdraagzaam; hij zeide niet gekomen te zijn om den strijd te zien, maar omdat zijn vader hem had gezonden.

Hij wendde zich van Eliab af en sprak met andere mannen hetzelfde. (Vers 30, 31.) Weldra verspreidden zich zijne woorden door de legerplaats —


9

ocr page 150

,0

kwamen eindelijk den koning ter oore, die hem liet ontbieden. Zie, wat er gebeurde, toen David voor hem stond. Lees vers 32, 33. Wat zeide David? Maar wat antwoordde Saul ? Deze man, aan den strijd gewoon zijnde, dacht Saul, was het onmogelijk, dat David hem overwinnen kon. Maar zie nu de oorzaak, waarom David niet vreesde dien man te bestrijden. Lees vers 34—37. Hij had vroeger aan een groot gevaar blootgestaan. Wat was dat ? De meeste herders zouden misschien gevlucht zijn, als een leeuw en een beer zich vertoonden, — zouden de schapen aan hunne vraatzucht overgelaten — alleen aan hun eigen behoud gedacht hebben. David niet zoo — hij wist, dat het zijn plicht was de kudde zijns vaders te beschermen. En Wie verloste hem? Hij zegt niet: „Ik verloste mij zei ven,quot; maar wat dan? (37) Zoo ook nu — al was dit een grooter gevaar, gevoelde hij, dat God hem verlossen zou. Wat zeide Saul ? Hij dacht nog, dat David eene wapenrusting moest hebben als Goliath — dat hij anders terstond zou gedood worden. {Lees vers 38.) Wat deed hij hem aan ? Maar deze waren zeer zwaar. David gevoelde dat zij hem hinderlijk zouden zijn. (39) Nu zal ik u zeggen, wat hij als wapen met zich nam. (Vers 40—42.) Welk een vreemde aanblik aan de eene zijde de reus in zijne blinkende wapenrusting, met zwaard en spies — aan de andere een jongeling met een rustig voorkomen, in schaap-herderskleeding — een slinger en een staf in zijne hand — Goliath verachtte David, lachte hem uit. Hoor, wat hij zeide (43, 44.) Zie nu, wat David afit-woordde (45—47,) Goliath had aard-sche kracht, maar David hemelsche. Wat zegt hij in vers 47? Zij naderden elkander. Hoe gespannen staarden de beide legers hen aan — waarschijnlijk lachten en spotten de Philistijnen — waren de Israelieten bevreesd. Lees vers 49. Wat deed hij met den steen? Wat gebeurde er? Eene wond aan het hoofd is altijd gevaarlijk — de reus viel — maar misschien was hij niet geheel dood. Toen voltooide David zijn werk. (Lees vers 50, 51.) Hoe sloeg David Goliaths hoofd af? Ja, met diens eigen zwaard. Wat deden toen de Philistijnen? In wilde haast sloegen zij op de vlucht — hun snoeven bleek ij del — hun kampvechter was gevallen.

(Lees vers 52—5^.) Nu Goliath gevallen was, waren de Israelieten niet langer bevreesd — zij zetten hen na — behaalden eene groote overwinning — door wiens geloof en moed was dit ? Wat deed hij met het hoofd van Goliath ? Toen werd hij voor Saul gebracht, die hem over zijne dappere daad zeer prees. Het was inderdaad eene dappere daad — maar bedenken wij, hoe hij er toe in staat was? Was het, omdat hij zich zoo sterk en bekwaam tot den strijd achtte ? Op wicn was zijn vertrouwen? Was dit zijne eerste beproeving ? Evenals God hem toen geholpen had, was hij zeker, dat God hem weder de kracht zou geven.

Zie nu, wat wij uit deze overwinning van David leeren kunnen. 1. Hebben wij een vijand als Goliath te bestrijden ? Hij is een beeld van den Duivel — deze heeft ook vele middelen om ons te overwinnen, en haat ons. Wij zijn zwak, gereed om te vallen. 2. Zal God, die aan David de kracht gaf, ook ons geerte kracht geven, zoo wij op Hem vertrouwen? Geen vertrouwen dus op ons zeiven, maar op Ham.[Opheldering. — Zoo een kind denkt: »//amp; weet, dat ik op den goeden weg ben, ik gedraag mij steeds goed in de kerk, vloek niet, steel niet, gelijk die en die, ik vrees dus niet schande over mij te brengen,^ dat is vertrouwen op zich zeiven. Het behoorde veeleer te zegge?!: »Ik weet, dat ik dikwijls kwaad doe, mij niet van de zonde kan afhouden, .maar ik wil God vragen mij te bewaren,quot; dat is vertrouwen op 6W.] 3. God zendt ons dikwijls eene kleine beproeving voor eene grootere. Zoo wij de eerste doorstaan, helpt het ons voor eene volgende; zoo wij dan bezwijken, zullen wij dan ook zeer waarschijnlijk daarna bezwijken. ( Voorbeeld. — De moed ontzonk Petrus op de zee, later in de zaal van Pila-tus.) Tracht dan dagelijks in Gods kracht kleine gebreken te overwinnen, zoo zullen wij later groote overwinningen behalen.


ocr page 151

i3i

LES Sauls Jalc

Te leercn : i Joh.

Herhaling van de vorige les. — quot;Welke vijanden trokken opnieuw tegen de Israelieten op? quot;Waar stonden de beide legers ? Hoe heette de groote Philistijn, die zich voor de beide legers stelde ? Hoe lang was hij ? Wat had hij aan? Wat wilde hij, dat de Israelieten doen zouden? Wat zeide hij dat er gebeuren zou, als hij overwon? Maar zoo hij overwonnen werd? Was er iemand, die den strijd met hem durfde wagen? Waar was David toen? Waar waren zijne broeders ? Wie zond hem naar het leger? Waarom ? Wat gebeurde juist, toen hij daar aankwam ? Wat zeide hij ? Bij wien werd hij door het volk

SCHETS V/

Gij weet dat, toen de reus Goliath gedood was, al de Philistijnen vluchtten en de Israelieten hen vervolgden ? Het was voor een tijd eene volkomen overwinning op hunne vijanden, en aan wien hadden zij, naast God, hunne overwinning te danken ? Het geheele volk prees David zeer, en Saul was in den beginne zeer met hem ingenomen — wilde niet, dat hij tot zijne schapen zoude terug-keeren, hield hem bij zich om voor hem te strijden. Maar weldra veranderde Sauls gezindheid. Laat ons zien, hoe dit kwam.

Lees i Sam. XVIII 6, 7. Er was groote vreugde wegens de overwinning. Wat deden de vrouwen ? De straten waren vol volk als op een feestdag. [Opheldering. — Op dagen van volksfeesten, hij de leerlingen bekend, wapperen de vlaggen, hoort men muziekcorpsen, r;z£.] Wat zeiden zij van Saul? Wat van David ? Niet dat David inderdaad tienduizenden verslagen had, maar dat zijn strijd met Goliath de oorzaak der overwinning geweest was. Wien prezen zij het meest ? Zie nu, wat Saul hiervan dacht. Lees vers 8, 9. Saul ontstak zeer, hij was zeer boos. Waarom ? Wat zeide hij? Hij dacht: „Ongetwijfeld zal

LX.

III : 10; Gez. 58 : 9.

gebracht? Geloofde Saul, dat David met Goliath strijden kon ? Waarom niet? Wat verhaalde David hem, dat hij vroeger gedaan had? Wien zeide hij, dat hem verlost had? Wat liet Saul David eerst aantrekken? Wilde hij hiermede gaan ? Waarom niet? Wat nam hij tot wapenen? Toen hij bij Goliath kwam, wat deed deze toen? Wat gebeurde er? Wat deed David, nadat hij Goliath had doen vallen ? Hoe kwam het, dat David den strijd met Goliath niet vreesde ? Hebben wij een grooten vijand ? Wie is dat ? Hoe moeten wij hem bestrijden ? Herhaal tekst en versje.

N DE LES.

David nu trachten het koningschap voor zich te krijgen, het volk verheft hem boven mij.quot; Hoe noemen wij dat gevoel van toorn, omdat een ander meer dan wij geprezen of beloond wordt ? Jaloerschheid. [Jozefs broeders waren jaloersch op hem — waarom ? Waarom was Kaïn jaloersch op Abel F) „Sau had het oog op Davidquot; — zag hem nie vriendelijk aan, maar met wrevel.

Nu zult gij zien, dat dit zondige gevoel aanleiding gaf tot eene goddelooze daad. Lees vers 10, 11. Gij weet, dat God niet langer met Saul was om zijne ongehoorzaamheid — vandaar overviel hem nu en dan een booze geest — maakte dat hij zich ongelukkig gevoelde — bijna krankzinnig. David trachtte door zijn snarenspel hem op te beuren. Wat had Saul in de hand? Wat deed hij? Doodde hij David? Waarom niet? Zijne jaloerschheid had hem bijna tot een moordenaar gemaakt. Als de mensch aan zulke gevoelens toegeeft, wordt hij dikwijls tot vreeselijke zonden vervoerd. Ofschoon Saul een koning was, vreesde hij David. Hoe kon dit zijn? Leesvers 12—15. Waarom vreesde Saul hem? Waartoe stelde hij hem aan? Was David trotsch op die verheffing tot veld-


ocr page 152

132

overste? Hij gedroeg zich wijs — was voorzichtig, kalm, nederig. „De Heere was met hem,quot; zooals wij van Jozef lezen. Sauls vrees voor hem nam toe, hij durfde niets in het openbaar doen, uit vrees voor het volk, dat David liefhad, en daarom bedacht hij een ander middel om hem te doen omkomen .

Lees vers 17. quot;Welke was eene der beloften van Saul aan den man, die den reus zou bevechten en verslaan ? Ja, dat hij Sauls dochter zou ten huwelijk krijgen. Saul zou nu (zooals hij zeide) zijne belofte houden, maar zeide ook, dat David in dat geval voor hem de Philistijnen moest beoorlogen. De ware reden hiervan was: dat David gedood zou worden, zonder dat hijzelf hem aangeraakt had. Hoe laag en verraderlijk ! {Evenals een jongen, die vreest een ander openlijk te treffen, maar zijn heen uitsteekt om hem te laten vallen, of hem in de duisternis naar eene gevaarlijke plaats leidt.)

David achtte het eene groote eer Sauls dochter tot vrouw te krijgen, maar toen de tijd kwam, hield Saul zijne belofte niet, maar gaf zijne dochter een ander tot vrouw. Saul had eene andere dochter, Michal geheeten. Zijn volgend plan was dit; hij zeide zijnen knechten tot David te zeggen dat, zoo hij andermaal tegen de Philistijnen optrok en hen overwon, Michal zijne vrouw zou worden. Maar wat hoopte Saul eigenlijk? Dat David in den strijd mocht gedood worden. David echter trok op, streed en overwon — hij keerde veilig terug.

En zoudt gij meenen, dat Sauls toorn nu overwonnen en hij beter gezind jegens David was, die zich zoo wijs en dapper betoond had? Maar gij zult zien, of dit zoo was. Lees vers 28, 29. Wat zag Saul ? David gezegend door God, en door zijne dochter bemind. Daardoor werd de booze geest der jaloersch-heid opnieuw in zijn hart opgewekt, en wat lezen wij dat hij werd ? Al zijne plannen, om den dood van David door de Philistijnen te veroorzaken, waren mislukt. Op welke wijze trachtte hij nu dit goddelooze plan te bereiken ? Lees hoofdst. XIX : 1. Tot wie sprak hij? Maar zij hadden David lief en bewonderden hem ; zij wilden niet zijne moordenaars worden. In het vervolg van dit hoofdstuk lezen wij, dat Saul andermaal trachtte David met zijne spies te doorsteken, maar David sloop weg en ontkwam. Toen zond Saul boodschappers uit naar zijn huis om hem te dooden, maar zijne vrouw, dit gehoord hebbende, liet hem heimelijk den vorigen nacht door een venster vluchten.

David vluchtte en ontkwam en woonde bij Samuel. De goede oude Samuel wilde hem gaarne ontvangen en David bleef een korten tijd bij hem, en bij de jongelingen, die profeten of leeraars genoemd en door Samuel onderwezen werden. Saul zond driemalen boden daarheen, maar Gods hand rustte zoo zwaar op hen, dat zij, toen zij daar kwamen, niets konden doen, en toen Saul zelf hen volgde, was hij geheel machteloos iets tegen David uit te richten. Zoo hield God de wacht over Zijn getrouwen dienstknecht, al was zijn vijand een machtig koning.

Als gij deze geschiedenis leest, denkt gij dan niet welk een goddeloos man Saul was ? Misschien zegt gij tot u zei ven: „Zoo slecht zou ik nooit kunnen zijn!quot; Maar denk eens: hoe begon Sauls zonde? Immers, toen de vrouwen David meer prezen dan hem. Hebt gij u nooit ontevreden gevoeld, als een uwer schoolmakkers geprezen of beloond werd en gij niet ? Dat is het begin der jaloerschheid. Geeft gij er aan toe, evenals Saul, dan wordt zij gramschap, haat — eene zucht tot benadeelen — misschien tot kwaadspreken, terwijl gij tracht te bewijzen, dat hij niet zoo braaf of verstandig is, als men zegt. [ 'Voorbeeld. — Eenige kinderen dingen naar denzelfden prijs, een hnn-ner krijgt dien, dan zullen anderen zeggen, dat het dien niet meer verdiend heeft dan zij; of onders prijzen een hunner kinderen, de oudere broeders en zusters morren, betoonen hunne spijt op de eene of andere wijze, hoe verkeerd!} Jaloerschheid kan alleen door


ocr page 153

133

liefde genezen worden. Zoo er waarlijk liefde bestaat, zal men er zich in ver-lieugen, als het een ander welgaat. Bid daarom om den geest der liefde, en tracht de eerste jaloersche gedachten te ver-dooven.


LES LXI.

Ware Vriendschap.

Te leeren : Gal. VI : 2 ; Ps. 113 :4.

Herhaling van dc vorige les. — Wat deden de Philistijnen, toen David Goliath verslagen had ? Wie vervolgden hen ? Wie kwamen de Israelieten bij hunne terugkomst te gemoet? Wat zeiden de vrouwen ? Hoe gevoelde zich Saul, toen hij dit lioorde? Wat deed hij kort daarna? Doodde hij David? In welk een toestand werd David gebracht? Hoe gedroeg hij zich? Wie beloofde Saul hem als vrouw te zullen geven ? Hield hij zijne belofte? Op welke wijze trachtte hij David te doen dooden ? Werd hij evenwel door de Philistijnen gedood ? Wie gaf hij hem ten huwelijk? Was het een gelukkig huwelijk? Werd Saul nu vredelievender jegens hem gezind ? Waarom niet? Wie beval Saul hem te dooden ? Wilden zij dit doen ? Hoe trachtte hij andermaal hem om te brengen ? Ontkwam David ? Waar zond hij toen heen ? Maar was David daar ? Hoe was hij ontsnapt? Waar ging hij toen heen en bleef daar eenigen tijd? Liet Saul hem toen met rust? Hoeveel malen zond hij boden tot hem ? Wat gebeurde er ? Wat deed hij daarna ? Kon hij David dooden? Waarmede was het goddelooze gedrag van Saul begonnen? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

Wij hebben gezien, hoe Sauls jaloersch-heid op David hem tot groote zonde vervoerd had; heden zullen wij van een ander lezen, die natuurlijk even jaloersch {ja, zelfs meer) had kunnen zijn, maar in wien de liefde zulk een gevoel onmogelijk maakte. Toen David in de tent van Saul gebracht werd, met het hoofd van Goliath in zijne hand, was er éen daar vol bewondering over den moed van den herdersknaap, die met den reus in het strijdperk had durven treden. Dit was de zoon van Saul, Jonathan. Weet gij of Jonathan een dapper man was? {Lees het gebeurde, in Les L VII verhaald.) De eene krijgsman is somtijds jaloersch op den anderen, maar Jonathan niet.

Lees 1 Sam. XVIII : 1, 3, 4. Wat lezen we daar van Jonathans gezindheid? Zij sloten een verbond — werden trouwe vrienden. Wat gaf Jonathan hem? Zijne eigen kleeding en wapenrusting, die zonder twijfel zeer schoon waren, daar hij de zoon des konings was. Zijne liefde was onbaatzuchtig, hij gaf niet een geschenk, dat weinig kostte, maar het beste, dat hij had. Eerst na dien tijd werd Saul zoo jaloersch. Wij hebben in hoofdst. IX : 1 gezien, dat Saul, zoowel Jonathan als zijn knechten, bevolen had David te dooden. Zoudt gij denken, dat Jonathan dit doen wilde? Integendeel deed hij al, wat hij kon, om zijn vader van zijne goddelooze bedoelingen af te brengen. Lees 1 Sam. XIX : 2, 3. Gij ziet, dat hij David van het gevaar verwittigde. Wat zeide hij te zullen doen ? Hij zou met zijn vader over hem spreken. Lees vers 4, 5. Waaraan herinnerde Jonathan zijnen vader? Het is niet aangenaam op zulk eene wijze tot eenen toornigen koning te spreken, maar Jonathan bekommerde er zich niet over, dat onaangename voor zijnen vriend te verdragen — zijne vriendschap was oprecht, niet slechts in naam.

Zie of zijne woorden iets goeds uitrichtten. Lees vers 6. 7. Wat zwoer Saul ? {beloofde hij plechtig?) Hoe verheugde zich Jonathan — nu, dacht hij, is er geen gevaar meer voor David. Wat deed hij ? Hij bracht hem weder tot zijn vader, en voor eenigen tijd was alles goed. Een


ocr page 154

134

andere krijg ontstond met de Philistijnen. {Lees vers 8.) Davids vernieuwde zegepraal schijnt Sauls jaloerschheid weer te hebben opgewekt — hij had zijn plech-tigen eed vergeten, of wilde er niet aan denken. Toen was het, dat hij de drie andere aanslagen deed op Davids leven, waarvan wij aan het einde onzer vorige les lazen. Slaagde hij er in hem te doo-den? Waarom niet? Waarheen zien wij dat David gegaan was ? Naar Samuel, in eene plaats, Najoth geheeten. Toen dacht David in zijn ongeluk, zoo door Saul, die naar zijn bloed dorstte vervolgd wordende, aan zijn trouwen vriend Jonathan. Vroeger had hij zijn vader weten over te halen zijne plannen tegen David op te geven, misschien kon hij dit nogmaals doen.

Lees hoofdst. XX : i, 2. Wat zeide David tot Jonathan ? Wat was zijn antwoord ? Het schijnt, dat Jonathan van de drie laatste aanslagen op Davids leven niets wist — David dacht dat Saul het hem verhaald had, maar zie, wat David antwoordde. Vers 3. Ofschoon Saul een slecht mensch was, had hij zijn zoon lief — wilde hem geen verdriet aandoen, schaamde zich misschien hem zijne booze plannen mede te deelen — wilde hij ze echter opgeven ? Nu zal ik u doen hoo-ren, hoe Jonathan zijne oprechte vriendschap voor David aan den dag legde. {Lees vers 4—6.) David vreesde aan 'skonings tafel aan te zitten, daarom moest Jonathan hem bij zijn vader verontschuldigen. (Lees vers 7, 8.) David herinnerde zijn vriend het verbond, dat zij gesloten hadden, om elkander te helpen en bij te staan.

Zie nu, wat Jonathan antwoordde. (Lees vers g—ij.) Jonathan beloofde David te doen weten of zijn vader nog toornig op hem was of niet, en toen vroeg hij aan David of hij in eeuwigheid weldadigheid doen zou aan zijn huis. (Lees vers 14—/7.) Jonathan wist, dat God met David was en hem in den strijd tegen zijne vijanden zou bijstaan ; daarom vroeg hij hem nu te beloven, dat, als hij van die vijanden zou verlost zijn, weldadigheid te doen aan Jonathan en diens kinderen. Hoe gaarne deed David deze belofte, want hij had Jonathan van harte lief. Daarop kwamen zij overeen het plan, in vers 18—23 vervat, te volgen.. David zou zich verbergen, hoe lang? In dien tijd moest Jonathan uitvorschen welke plannen zijn vader had, en dit zou hij door een teeken aan David doen weten. Hoeveel pijlen, zeide hij, zou hij afschieten ? Wat zou hij tot zijn schildknaap zeggen, als er vrede en geen gevaar was? Maar zoo Saul het nog op Davids leven gemunt had, wat dan ? Zoo-scheidden zij. David verborg zich in zijne schuilplaats, Jonathan keerde naar zijns vaders huis terug. Op den eersten dag der nieuwe maan (het begin der maand) merkte Saul op, dat David niet tegenwoordig was, maar zeide niets, want hij dacht dat hij toevallig afwezig was. Maar den volgenden bleef Davids plaats weder onbezet. (Lees vers 27, 28.) Wat vroeg hij aan Jonathan?-Wat antwoordde deze ? Het was een; antwoord, waarin niets oneerbiedigs lag» zoodat de koning geene reden daarin vinden kon om toornig te worden, maar dit werd hij toch. (Lees vers jo, j/.) Op wien was hij nu boos? Hij zeide tot Jonathan, dat David hem tot het koningschap in den weg zou staan — en eindigde met hem te gelasten — wat?quot; Hoe woedend Saul was, toch wilde Jonathan zijn vriend niet verloochenen, maar verdedigde hem openhartig. (Lees vers 32, 3J.) Jonathan trachtte zijn vader reden te doen verstaan, maar wat deed Saul ? In zijn waanzinnigen hartstocht zou hij Jonathan gedood hebben, dien hij toch liefhad. Zoo gevaarlijk is het,, aan zijne drift gehoor te geven !

Toen zag Jonathan, dat het niets baten zou, iets ten gunste van David te zeggen, was bedroefd en toornig, omdat zijn vader zoo bitter tegen hem was ingenomen. (Lees vers 34 —40.) Wat deed hij met zijne pijlen? Hoe verlangend moet David in zijne schuilplaats (een rots of boom misschien) gewacht hebben, om te zien wat Jonathan doen zou! Wat wist hij aangaande de woorden van Jonathan, dat hij die pijlen verder zoeken moest? Lees nu vers 41,. 42. Wat deden zij nu? Dit was hun:


ocr page 155

35

afscheid. David kon niet weder in Sauls huis terugkeeren — geene aangename wandelingen en gesprekken meer met zijnen vriend. David moest vluchten. Wij lezen van nog slechts eene ontmoeting tusschen hen, maar vergaten zij elkander? Wat beloofden zij elkander?

(42-)

Heden hebben wij een voorbeeld van eene edele, trouwe vriendschap gezien. Welk een verschil tusschen Jonathan en Saul! Geenejaloerschheid in zijn hart. Hoe kwam dat? Omdat hij David liefhad. Geene baatzucht — het was hem wèl, dat David koning zijn zou in zijne plaats. Geene lafhartigheid — daar hij zelfs zijn leven waagde in de kloekmoedige verdediging van zijn vriend. Tracht te zijn gelijk Jonathan — kies goede vrienden, hen, die God liefhebben en Hem zoeken te behagen. Wees hun getrouw, verdedig hen, als zij valsch beschuldigd worden, bevorder hun welr zijn, help hen in hunne ongelegenheden. Zulk eene vriendschap is een zegen voor het gansche leven.


LES LXII.

Vervolgd doch

Tn leeren : Rom. quot;V

Herhaling van de vorige les. — Hoe heette de zoon van Saul? Was hij gelijk zijn vader? Wanneer vatte hij het eerst vriendschap voor hem op ? Wat gaf hij hem toen? Toen Saul wilde, dat zijne knechten en Jonathan David dooden zouden, hoe trachtte Jonathan toen zijn vader vredelievender te stemmen? Slaagde hij hierin? Maar hoeveel malen trachtte Saul later hem te dooden? Op welke wijze vroeg David aan Jonathan bij zijne afwezigheid van den maaltijd hem bij zijn vader te verontschuldigen, bij gelegenheid van de nieuwe maan? Welk plan beraamden

SCHETS V/

Jonathan en David scheidden, want van toen af leidde David een zwervend, onbestendig leven, omdat Saul hem voortdurend vervolgde, om hem te dooden. Wij zullen zien, waar hij het eerst heenging na zijn afscheid van Jonathan. Lees 1 Sam. XXI : 1. Hoe heette de plaats? Nob lag in de nabijheid van Jeruzalem. Op dien tijd was de tabernakel aldaar, de ark echter niet. Veel priesters woonden daar met hun huisgezin. Het volk ging er heen om te aanbidden en te offeren. Hoe heette de hoogepriester ? Hij was verwonderd David alleen te zien komen — en wist dat hij een van Sauls hovelingen was.

niet Verlaten.

[II : 13 ; Gcz. 12 : 6.

de vrienden? Zeide Saul iets, toen David den eersten dag niet gekomen was ? Aan wien vroeg hij den volgenden dag iets aangaande hem? Wat antwoordde Jonathan? Wat hernam Saul toen? Wat deed Jonathan ? Hoe trachtte zijn vader hem te dooden ? Werd hij gekwetst? Op welke wijze wist Jonathan zijn vriend van het gevaar te verwittigen? Toen de knaap weg was, wat deden zij toen ? Wat maakte hen zoo bedroefd ? Welke belofte deed elk hunner? In welke drie opzichten strekt Jonathan ons tot voorbeeld ? Hij was een waar, edel, onbaatzuchtig vriend. Herhaal tekst en versje.

N DE LES.

Ik zal u Davids antwoord voorlezen. [Vers 2, 3.) Was dit waar? Neen, en deze onwaarheid van David gaf later aanleiding tot eene groote ramp. De waarheid is altijd het beste. Wat verlangde hij, dat de priester hem geven zou? Abimelech had geen ander brood dan de toonbrooden : twaalf daarvan lagen op eene tafel voor den Heere, als eene soort van aandenken aan de twaalf stammen Israels. Het was hoogst zelden aan anderen vergund die te eten, daar zij uitsluitend voor de priesters bestemd waren, maar in dit geval, nu David en zijne manschappen groot gebrek aan voedsel hadden, gaf Abime-


ocr page 156

lech hun er van. Lees vers ö, 7. Abi-melech wist nog niets van Davids vlucht voor Saul, maar wie was daar op dien dag ? Wij zullen meer van Doeg hoo-ren, en dan zult gij zien, dat het veel beter geweest was, zoo David de waarheid aan Abimelech gezegd had.

David had nog behoefte aan iets anders. Lees vers 8—10. Waarom vroeg hij? Wat gaf Abimelech hem? Hij had alle recht op dat zwaard. Waarheen ging hij van Nob ? Eene vreemde plaats om juist daarheen te gaan, want Gath was de stad van Goliath, dien hij gedood had. Maar de arme David werd zoo opgejaagd, dat hij niet wist, waarheen te gaan. Welhaast zag hij, daar niet te kunnen blijven. (Lees vers 11—/5.) De koning vernam, wie hij was, en David vree-zende gedood te zullen worden, hield zich krankzinnig, waarom hij uit 's konings huis werd weggezonden. Waarheen nu? Lees hoofdst. XXII : 1. De spelonk van Adullam, een groot hol in de helling van een heuvel, zeer donker en vochtig, was een ellendig verblijf, maar David achtte zich daar veilig. Wie kwamen daar bij hem? Behalve zijn eigen familie, kwamen er ook anderen. Lees vers 2. Hoeveel mannen waren er? Wat voor menschen waren het? Eenigen waren ontevreden over Sauls regeering — gevoelende hoe slecht hij David behandeld had, waren zij gereed voor hem te strijden. Maar er waren ook twee oude lieden, die niet konden vechten — bescherming noodig hadden — konden zulk een ruw leven in holen niet verdragen — Davids vader en moeder. Zij hadden Bethlehem verlaten, misschien uit vrees voor Saul. Zie, wat David met hen deed. Vers 3. Gij weet dat Isaï's grootmoeder, Ruth, eene Moabietische was. Alzoo werden Isaï, die honderd jaar oud was, en zijne vrouw welwillend aldaar ontvangen en verzorgd, terwijl David in de spelonk bleef. Echter werd hij daar niet lang met rust gelaten — hij ontving eene waarschuwing om te vluchten. (Lees vers 5.) Waar ging hij heen?

Keeren wij nu tot Saul terug. (Lees vers 6—8.) Hoe onrechtvaardig en toornig was Saul! Alsof David het op zijn leven toelegde. Wat was de waarheid? Een zijner bedienden wilde hem behagen. (Lees vers g—//.) Wat deed de koning, toen hij Doëgs verhaal gehoord had? Al de priesters kwamen — waren zich geen kwaad bewust (Lees vers 12—/5.) Zie, hoe vrijmoedig hij het woord opnam voor David — hij wist niet dat Saul hem haatte, — laat zien dat het zijne bedoeling niet was den koning te belee-digen door hetgeen hij gedaan had. Terwijl hij sprak, nam Sauls toorn steeds meer en meer toe. Hoor, wat hij zeide. (Lees vers 16, /7.) Wat beval hij zijnen knechten te doen ? Hoe vreeselijk, Gods priesters te dooden! Wilden zij het doen ? Zij waren beter dan hun meester. Maar er was daar een ander tegenwoordig, die gereed was het booze werk te verrichten. Lees vers 18. Hoe velen doodde Doëg er op dien dag? Vijf en tachtig. In het volgende vers (lees het) vinden wij, dat niet alleen de volwassenen, maar zelfs de kinderen, het ge-heele priestergeslacht op éen na gedood werden. Welk een vreeselijke moord! Tot zoo ver was Saul door zijne jaloersch-heid gebracht! Tot wien begaf zich dien eenig overgeblevene ? (Lees vers 20—23.) Wat zeide David? Wat had David een zelfverwijt! Zoo hij Abimelech de waarheid had gezegd, zou hij zich misschien op eene andere wijze hebben kunnen verbergen, en Doëg zou hem daar niet gezien hebben — deze wreede moord zou voorkomen zijn — echter bleef de daad even slecht, zoowel voor Saul als voor Doëg. Alles wat David nu doen kou, deed hij — zeide tot Abjathar bij hem te blijven — hij zou hem met zijn eigen leven beschermen.

Wij lezen in het volgende hoofdstuk eene dappere daad van David, waardoor hij eenige door de Philistijnen mishandelde Israelieten redde. (Lees hoofdst. XXIII : /—j.) De dorschvloer is de plaats, waar het koorn gedorscht wordt. Wie beroofden de inwoners van Kehila van hunne tarwe? Wat vroeg David ? Wat zeide hem de Heere ? Maar wie waren bevreesd om te gaan ? David greep het beste middel aan, om tot een


ocr page 157

137

1

goed einde te komen. [Lees vers 4, 5.) Werd Gods belofte vervuld ? Hoe blijde moeten de bewoners van Kehila geweest zijn! Zoudt gij niet denken, dat zij zeer dankbaar — waren blijde om David te helpen, die hen geholpen had ? Dat zult gij zien. (Lees veis 6.) Een ephod is een deel van het priesterlijk gewaad, dat zij altijd droegen, wanneer zij den Heere iets vraagden. {Lees vers 7—13.) Welke vragen deed David aan God ? Welk was het antwoord? De inwoners van Kehila waren zoo laaghartig (bevreesd voor Saul), dat zij David aan zijn vijand wilden in handen leveren, maar wie was aan zijne zijde ? Zoo vermocht geene goddeloosheid iets op hem. Wat deden hij en zijne manschappen? Lees vers 14. Daar verborg hij zich in rotsen, bosschen en holen. Wie bleef hem steeds zoeken ? Wie beschermde hem ? Het was echter een treurig leven voor David, steeds voortgejaagd van de •eene plaats naar de andere. In deze verlatenheid kreeg hij eene onverwachte vertroosting. Jonathan kwam tot hem, met het doel om hem te troosten. Wat zeide hij ? Hoe onbaatzuchtig van Jonathan ! Hij was tevreden met de tweede te zijn, ofschoon hij de zoon des konings was. Hoe moeten die liefdevolle woorden David hebben opgebeurd ! Het was de laatste ontmoeting, die zij hadden, welke altijd eene aangename herinnering naliet.

Het was een treurig gedeelte van Davids leven, dat wij heden gelezen hebben — maar vergeet niet, dat God goede redenen had om hem in zoovele beproevingen te leiden — het was om hem tot een beter mensch, en ook geschikt te maken voor het koningschap. Er was ook eene lichtzijde in, want wie was met hem ? Zie, hoe David in al zijne nooden tot God opzag. Zijn raad en zegen vroeg en die ook ontving. En wie was hier de wezenlijk gelukkige, Saul, de koning, of David, de voortvluchtige ?


LES LXIII.

Edele Verdraagzaamheid.

Te leeren ; Matth. V : 44; Ps. 109: 2.

Herhaling van de vorige les. — quot;Waarheen ging David, toen hij Jonathan verlaten had ? Wat wilde hij, dat Abimelech hem geven zou ? Gaf hij het hem ? Deelde David hem de waarheid omtrent zich zeiven mede ? Wie was daar ? Wat verlangde David nog meer, behalve het brood? Waar vluchtte hij toen heen? Wie sprak tot Achis over hem ? In welke spelonk zocht hij eene schuilplaats? Wie kwamen daar bij hem? Hoe zorgde hij voor zijne ouders ? Wie vertelde aan Saul, dat Abimelech brood en een zwaard aan David gegeven had ? Wie ontbood Saul ? Wist Abimelech iets van Sauls gramschap tegen David? Wat beval Saul zijnen knechten? Wilden zij dit doen? Wie deed het? Wie werden behalve de priesters gedood ? Wie ontkwam? Waarheen ging hij ? Wat beloofde David hem ? Wat deden de Philis-tijnen aan de bewoners van Kehila? Wie trok tegen hen ten strijde? Wie beval hem dit? Overwon hij? Wat wilden echter de inwoners van Kehila later doen ? Wie bracht dit aan David over ? Wie kwam David vertroosten ? Wat zeide hij hem ? Zagen zij elkander ooit weder? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

Hoe bitter scheen Saul op dien tijd tegen David! Had David hem echter eenig leed gedaan? Wat was de oorzaak van dien haat? Dus moest David van de eene plaats naar de andere vluchten — gelijk een opgejaagd hert. Zoudt gij niet meenen, dat hij verlangde zich te kunnen wreken — Saul zijne goddeloosheid te vergelden? {Opheldering.— Wanneer een knaap door een ander


A

ocr page 158

slecht behandeld wordt, tracht hij hem dit betaald té zetten door hem de straf van den meester op den hals te halen, of de gelegenheid af te wachten hem op het onverwachtst een slag te geven Zucht naar wraak is natuurlijk, maar zondig, zoo men er gehoor aan geeft. Laat ons zien, of die zucht bij David bestond.

Lees i Sam. XXIV: i, 2. Saul was eenigen tijd genoodzaakt geweest de vervolging van David te staken. De Philis-tijnen hadden wederom een inval gedaan in zijn land, hij had tegen hen gestreden — en keerde nu terug. Waar zeiden zij hem dat David was? In eene wildernis, eene woeste plaats — dor, rots- en heuvelachtig. Hoeveel man nam hij met zich ? 3000 tegen 600! Langs een dier woeste paden heuvelopwaarts trekkende, kwamen zij aan een hol in den heuvel — bij de schaapskooien, die den ingang omgaven. Saul ging het binnen om uit te rusten — weinig vermoedende dat David en zijne manschappen achter in de spelonk waren. quot;Welk eene gelegenheid voor David, om zich van zijn wree-den vijand te ontslaan, hem te dooden of gevangen te nemen, zoo dachten althans zijne manschappen. [Lees vers 4.) Wat sneed hij af? Gij zult later zien, wat hij hiermee deed. Maar zelfs dat afsnijden van de slip van Sauls mantel had hem leed gedaan. (5) Wat antwoordde hij, toen zijne manschappen wilden, dat hij Saul dooden zou? Lees vers 6, 7. Waarom wilde hij de hand niet aan hem slaan? Hij wist, dat God hem tot koning had doen zalven — dus moesten zij hem gehoorzamen en geen leed doen. Het zou oneerbiedig geweest zijn, Gods gezalfde aan te raken. David dacht er niet over, hoe Saul herhaalde malen beproefd had hem te dooden. Hoe geheel anders dan Saul, die vijf en tachtig gezalfde priesters had doen ombrengen!

Saul had zich verwijderd — de mannen waren teleurgesteld — echter gehoorzaamden zij hun opperhoofd. Lees nu, wat er vervolgens gebeurde. Vers 8. Wat deed David? Zie, welken eerbied hij aan Saul, zijn bittersten vijand, bewees, dien hij echter als zijn door God aangestelden koning beschouwde. Het was, omdat David God vreesde, dat hij dien eerbied betoonde en Sauls leven spaarde. Zie, wat David tot Saul zeide. Vers 9, 10. Hoe vol ernst sprak David 1 Hij had inderdaad getoond, dat hij Saul niet wilde dooden, en bewijst dit nog nader door hem de slip te toonen, die hij had afgesneden. (Lees vers 11— /5.) De slip, die hij in de hand hield, bewees hoe dicht hij bij Saul geweest was — hoe gemakkelijk hij hem kon gedood hebben! Wie, zeide David, zou tus-schen hen richten? Deze zachtmoedige woorden troffen het hart van Saul dieper dan de bitterste verwijten zouden gedaan hebben. Vriendelijkheid vermurwt een onvriendelijk gemoed, maar gramschap leidt tot meer gramschap. Lees het antwoord van Saul. Vers 16, 17. Hoe noemde hij David? Ja: „mijn zoon hij dacht aan den tijd, toen hij hem zoo gaarne voor zich op de harp hoorde spelen, hoe hij zijn moed had bewonderd, vóór dat onzalige gevoel van afgunst hem had bekropen en zijne ziel tegen hem had vergiftigd. Hij beleed zelfs dat David beter was dan hij. Want wat zeide hij in vers 17? Voorts dankte hij hem voor zijne verdraagzaamheid, en verzocht hem even goed voor zijn geslacht te zullen zijn, als hij dood zou wezen. (Lees vers 18—22.} Gij ziet dus, dat Saul wist, dat David na hem koning zijn zou. Hieraan was misschien een groot gedeelte van zijne jaloerschheid te wijten. {Een jongen of meisje zijn dienstbaar en kunnen In ut werk niet goed doen — zij hooren dat een ander in lumne plaats komt en zullen nu trachten deze te benadeelenï) Wat vroeg hij aan David hem te zweren ? [te beloven?) In dien tijd doodde een nieuwe koning dikwijls het. geheele geslacht van den laatsten, opda: het niet tegen hem zou opstaan — daarom vroeg Saul aan David zijne zonen in het leven te sparen. Beloofde David dit ?

Nu scheen er vrede tusschen hen te zijn, en wij zouden kunnen verwachten dat aan Davids rampen een einde gekomen was. Maar, helaas! het was zoo


ocr page 159

139

niet. Op dat eerste oogenblik was Sauls hart verteederd, maar hij had bij God de toevlucht niet gezocht, om den boo-zen geest van jaloerschheid uit zijne ziel te verdrijven, en zijne bedreven zonden te vergeven. Het was dus slechts eene verandering ten goede voor korten tijd. [Opheldering, — Het is niet genoeg de toppen van het onkruid af te snijden ; het moet uitgeroeid worden, of het komt weer des te weliger opJ\ Kort daarna kwamen de Ziphieten Saul opnieuw tegen David aanstoken. [Lees hoofdst. XXVI : /. 2. quot;Waar zocht hij David? Lees vers 3. Eerst kon David het schier niet gelooven, dat Saul hem wederom vervolgde — daarom zond hij verspieders uit, en ging toen zelf langs zijpaden, van waar hij Sauls legerplaats overzien kon. [Lees vers 5, öquot;.) Wie ging met hem ? Lees nu vers 7. Bedenk eens: deze twee gingen alleen door de legerplaats — vonden alles in genisten slaap — geen enkele wacht — hoor wat Abisaï zeide. Vers 8. Wat wilde hij doen ? Welk eene verzoeking voor David ! Hij kon zich van zijn vijand ontdoen — koning worden — geen strijd meer — hij had zich op zijn felsten vijand gewroken, dat alles in éenen slag! Hij behoefde het zelf niet eens te doen — het kostte hem slechts éen woord. Zie, wat hij deed. Vers 9. Wat weerhield hem? Ja, de vrees voor God. Ik zal u

LES

De Dood van Samuel

Tc leercn: Ps. XXXVII : 3

Herhaling van de vorige les. — Waarheen, hebben wij de laatste maal gelezen, vervolgde Saul David? Hoeveel manschappen bad hij met zich genomen ? Hoeveel telde David er? Waar had David zich met zijne volgelingen verborgen? Wie kwam ook daar? Wat wilden Davids mannen doen? Wilde hij dit toelaten? Waarom niet? Wat deed hij ? Wat deed David, toen Saul vertrokken was? Wat toonde hij aan Saul ? Welken invloed had Davids zachtmoedigheid op Saul ? Welke belofte vroeg hij van David ? Beloofde hij dit ? Vervolgde

zeggen, wat hij meer zeide. [Lees vers-10—12.) Wat nam David weg ? De water-flesch. Waardoor sliepen die mannen zoo gerust? Toen liet David wederom zien, wat hij gedaan had. \Lees vers 13—/ó.] Waar stond hij ? Hij riep Abnei;, den veldoverste, en zeide hem hoe slecht hij de wacht gehouden had. Welk bewijs had David in de legerplaats geweest te zijn? Saul hoorde het roepen van den heuvel. {Lees vers 77—ig.) Zie, hoe zachtmoedig en eerbiedig David om zijn leven smeekte — vroeg welk kwaad hij gedaan had — zeide, hoe treurig het was uit zijn erfdeel te zijn gedreven — verstoken van den eeredienst in den tabernakel. Sauls hart werd wederom verteederd. [Lees vers 21 tot het ei?ide.) Wat beloofde hij ? Hij beleed gezondigd te hebben. Aldus behaalde de zachtmoedigheid opnieuw de overwinning. Leer uit Davids gedrag: 1. Te vergeven aan hen, die ons beleedigen. Jezus geeft ons daartoe het voorbeeld, zeggende: „Vader, vergeef het hun,quot; enz. Bid om vergevensgezindheid, wetende dat hiervan de vergiffenis onzer schuld afhangt. (Het Gebed des Heéren.) 2. Eerbied te bewijzen aan hen, die God boven onamp; gesteld heeft. Knapen meenen soms dat het manlijk staat ruw te zijn. David echter was dapper en vol eerbied, omdat hij godvreezend was.

en de Dood van Saul.

7, 38, onberijmd; Gez. 20:3.

Saul David opnieuw? Waar zocht hij hem nu op ? Wie ging des nachts met hem in Sauls legerplaats ? Hoe bevonden zij het daar ? Hield iemand de wacht? Wat wilde Abisaï doen? Wilde David dit toelaten ? Wat nam hij weg ? quot;Waarheen ging hij vervolgens ? Wicn riep hij ? Wie hoorde het? Wat zeide Saul, toen hij vernam dat David wederom zijn leven gespaard had ? Waarvan strekt David ons tot voorbeeld? Wie geeft ons datzelfde voorbeeld ? Herhaal tekst en versje.


ocr page 160

140

SCHETS VAN DE LES.

Kort na den dag, toen David Saul in de spelonk gezien en zijn leven gespaard had, stierf een grijsaard, die langen tijd beiden bemind en tot raadsman gestrekt had. quot;Wie was dat? Lees 1 Sam. XXV : 1. Wie kwamen bijeen? Eene groote rouwplechtigheid — het gansche volk nam er aan deel. Zij hadden alle reden rouw over hem te bedrijven. Hoe had hij hen onderwezen, voor hen gebeden, met wijsheid hen geleid! \Ophcl-dering, — Evenals men rouiv he-dnjft bij den dood. van een geliefd leeraar, die getrouw zijne plichten jegens hen vervuld en getracht heeft hen op den weg naar den hemel te leiden. Dan denkt menigeen: „0, hadden wij maar meer naar hem geluisterd, toen hij nog met ons was /quot;] Samuels sterven was een vreedzaam en geëerd heengaan — het einde van een goed leven. {Gelijk de zon onder de prachtigste kleuren wegzinkt na een schoo-nen dag.)

Maar thans moeten wij het oog slaan op een geheel ander leven, welks einde ook nabij was — dat van Saul. Nadat David voor de tweede maal zijn leven gespaard had, weet gij, dat hij hem beloofde hem geen leed te doen. David echter wantrouwde hem en vluchtte naar het land der Philistijnen. Daar woonde hij zestien maanden. Intusschen werd Sauls leven hoe langer hoe ellendiger — God had hem verlaten. Hij wist tegen God te hebben gestreden, toen hij David vervolgde — Samuel was dood. Hij had al de priesters Gods vermoord, behalve Abjathar, die tot David gegaan was, zoodat hij van alle raad en hulp verstoken was.

En nu trokken de Philistijnen opnieuw op Israel aan. Lees hoofdst. XXVIII : 4, 5. quot;Waar legerden zich de Philistijnen ? Dat was in het midden des lands — Saul op den berg Gilboa. De Philistijnen waren zeer talrijk. Hoe gevoelde Saul zich nu, anders een dapper man ? Hij beproefde, of God hem helpen wilde. (Lees vers 6.) quot;Wilde God hem antwoorden? Toen trachtte hij een anderen weg in te slaan, om te vernemen wat hij doen moest. Hebt gij ooit van waarzeggers gehoord? Dat zijn menschen, die voorgeven te kunnen voorspellen, wat gebeuren zal. Denkt gij dat zij dit werkelijk kunnen? Toen Saul begon te regeeren, liet hij in zijn toorn alle waarzeggers uit het land drijven. Maar nu was hij zoo diep gezonken — had geen enkelen goeden raadsman — dat hij beproeven wilde wat deze zeggen zou. (Lees vers 7—//.) Deze menschen beweerden, dat zij den geest van overledenen konden doen opkomen. Maar wat antwoordde de vrouw eerst? Zij kende Saul niet, maar vreesde dat hij haar in moeielijkheden zou brengen, als zij dit deed — wetende dat de koning al zulke dingen verboden had. Wat antwoordde Saul? Wien wilde hij, dat zij zou doen opkomen ? In vroegere dagen had hij geen acht op Samuels woorden gegeven, nu wilde hij hem weder hooien. (Evenals een kind, dat zijn vader ongehoorzaam was, maar als hij gestorven zal zijn hem terug zo2c wenschen.) God voldeed aan Sauls wensch — zond eene verschijning van Samuel, maar deze bracht hem geen troost. (Lees vers 12—14.) De vrouw verschrikte — zij herkende Saul. Wat dacht zij ? Ja, dat hij haar zou straffen. Hij beloofde dat haar geen leed zou geschieden voor hetgeen zij gedaan had. Waarop, zeide zij, dat de verschijning geleek ? Saul zag zijn wensch vervuld — nu zullen wij zien, wat Samuel zeide. {Lees vers /5—/p.) Waarom zeide Saul hem geroepen te hebben ? Gaf Samuel hem eenigen troost ? Kon hij hem helpen, zoo God hem verlaten had ? Waarom niet? (18) Waarmede was Saul begonnen van den Heere af te vallen — zijne eerste groote ongehoorzaamheid. [Herinner de leerlingen het voorval, in het laatste gedeelte van Les L VII verhaald.') Wat zeide Samuel, dat den volgenden dag gebeuren zou? Arme Saul! Welk eene vreeselijke tijding voor hem! {Lees vers 20—25.) Wat overkwam hem? Wat gaf hem de vrouw? Wilde hij eten? Waarom niet? Wie


ocr page 161

i4i

haalden hem er toe over ? Het was niet de macht der vrouw, die den geest van Samuel deed opkomen, maar voorzeker Gods macht.

Wij zullen nu zien, hoe de woorden van Samuel bewaarheid werden. Lees i Sam. XXXI : i, 2. Wie behaalden de overwinning ? Wie werden door de Phi-listijnen gedood ? Gij weet dat God door Samuel gezegd had, dat Sauls zonen zouden sterven, daarna komen wij aan den dood van Saul zelf. Lees vers 3—6. Ernstig gewond door de pijlen der Philistijnen — was hij bevreesd in hunne handen te vallen en mishandeld te worden. Wat verlangde hij daarom van zijn wapenknecht? Wilde hij dit doen? Wat deed Saul toen? Welk een treurig en ellendig einde ! Toen het volk deze treurige tijding vernam, lieten zij den moed zinken en vluchtten. (Lees vers 7.) De Philistijnen verheugden zich natuurlijk. Zie, wat zij deden. Lees vers 8—10. Wat deden zij met Sauls hoofd ? Waar plaatsten zij zijne wapenrusting? Astharoth was hun afgod — zij meenden dat deze voor hen de overwinning behaald had — wisten niet dat het Gods oordeel was overeen goddeloos man. Waar hechtten zij zijn lichaam vast? Alles om hem te ont-eeren.

Maar er waren eenige mannen, die zich eene goede daad herinnerden, jaren geleden aan hen bewezen — zij konden niet zien, dat zijn lichaam bespot werd en besloten het weg te nemen. Dit waren de mannen van Jabes, in Gilead. (Verwijs de leerlingen naar het laatste gedeelte va7i Les L VI. 1 Sam. XI om te zien n'at Sanl voor hen gedaan had.)

Lees nu, hoe zij hunne dankbaarheid betoonden, vers n, 12. Zij kwamen des nachts, namen de lichamen weg — brachten ze zorgvuldig naar Jabes. Wat deden zij er mede? Zij verbrandden ze, opdat ze niet weder in de handen hunner vijanden mochten komen. Daar bedreven zij rouw over hen gedurende zeven dagen. Eene moedige, edele daad.

De geschiedenis van Saul is nu ten einde. Zij biedt ons vele lessen aan. Wij noemen er twee hiervan. 1. Rijkdom, aanzien, macht kunnen u geen geluk aanbrengen zonder den zegen van God. Saul, tot koning verheven — had dienstknechten, paarden, rijtuigen, geld, alles wat hij begeeren kon; was hij echter een gelukkig man ? David, zelfs toen hij door het land werd voortgejaagd, door de vlucht zijn leven trachtte te redden, was verreweg gelukkiger, omdat hij vrede met God had. Hij kon zeggen : „God is aan mijne rechterhand, ik zal niet vreezen; wat zal een mensch mij doen?quot; 2. Zoo wij, in het bezit zijnde van gezondheid en krachten, als alles naar onzen wensch gaat. God niet willen gehoorzamen en dienen, naar Zijne stem niet willen hooren, die door ouders of onderwijzers tot ons komt, ons eigen hoofd willen volgen, stijfhoofdig en weerspannig zijn, kunnen wij niet verwachten, dat Hij onze Vriend en Vertrooster zijn wil in tijden van droefheid, gevaar of dood. \Lees den kinderen Spreuken 24—33 voorï\ Dit ondervond Saul. Zoek mt reeds Gods weg te volgen. Hem welbe-hagelijk te leven, en dan zullen de woorden van vers 33 voor u waarheid bevatten, zoowel in dit, als in het volgende leven.


LES LXV.

David wordt Koning over gansch Israel.

Te lecren: Luk. I : 51, 52; Ps.103 : 1.

Herhaling van de vorige les. — Welke vijanden kwamen tegen Saul en de Israëlieten op ? Hoe gevoelde Saul zich ? Wien vroeg hij het eerst ? Wilde de Heere hem antwoorden? Tot wie ging hij toen? Wien verlangde hij, dat de vrouw zou doen opkomen? Verscheen Samuel? Was hij door de macht der vrouw opgekomen, of door die van God? Troostte hij Saul? Wat zeide hij ? Welken indruk maakten zijne woorden op Saul ? Wat overkwam hem tegelijkertijd ? Waartoe trachtte de vrouw hem te overhalen ? Hoe spoedig werden Samuels woorden vervuld? Hog


ocr page 162

4°

SCHETS VAN DE LES.

Kort na den dag, toen David Saul in de spelonk gezien en zijn leven gespaard had, stierf een grijsaard, die langen tijd beiden bemind en tot raadsman gestrekt had. Wie was dat? Lees I Sam. XXV : i. Wie kwamen bijeen? Eene groote rouwplechtigheid — het gansche volk nam er aan deel. Zij hadden alle reden rouw over hem te bedrijven. Hoe had hij hen onderwezen, voor hen gebeden, met wijsheid hen geleid! \Ophel-dering, — Evenals men rouw he-dnjft hij den dood van een geliefd leeraar, die getrouw zijne plichten jegens hen vervuld en getracht heeft hen op den weg naar den hemel te leiden. Dan denkt menigeen: „O, hadden wij maar meer naar kent geluisterd^ toen hij nog met ons was /quot;] Samuels sterven was een vreedzaam en geëerd heengaan — het einde van een goed leven. {Gelijk de zon onder de prachtigste kleuren wegzinkt na een schoo-nen dag.)

Maar thans moeten wij het oog slaan op een geheel ander leven, welks einde ook nabij was — dat van Saul. Nadat David voor de tweede maal zijn leven gespaard had, weet gij, dat hij hem beloofde hem geen leed te doen. David echter wantrouwde hem en vluchtte naar het land der Philistijnen. Daar woonde hij zestien maanden. Intusschen werd Sauls leven hoe langer hoe ellendiger — God had hem verlaten. Hij wist tegen God te hebben gestreden, toen hij David vervolgde — Samuel was dood. Hij had al de priesters Gods vermoord, behalve Abjathar, die tot David gegaan was, zoodat hij van alle raad en hulp verstoken was.

En nu trokken de Philistijnen opnieuw op Israel aan. Lees hoofdst. XXVIII: 4, 5. Waar legerden zich de Philistijnen ? Dat was in het midden des lands — Saul op den berg Gilboa. De Philistijnen waren zeer talrijk. Hoe gevoelde Saul zich nu, anders een dapper man ? Hij beproefde, of God hem helpen wilde. [Lees vers 6.) Wilde God hem antwoorden? Toen trachtte hij een anderen weg in te slaan, om te vernemen wat hij doen moest. Hebt gij ooit van waarzeggers gehoord ? Dat zijn menschen, die voorgeven te kunnen voorspellen, wat gebeuren zal. Deukt gij dat zij dit werkelijk kunnen? Toen Saul begon te regeeren, liet hij in zijn toorn alle waarzeggers uit het land drijven. Maar nu was hij zoo diep gezonken — had geen enkelen goeden raadsman — dat hij beproeven wilde wat deze zeggen zou. {Lees vers 7—ƒ/.) Deze menschen beweerden, dat zij den geest van overledenen konden doen opkomen. Maar wat antwoordde de vrouw eerst? Zij kende Saul niet, maar vreesde dat hij haar in moeielijkheden zou brengen, als zij dit deed — wetende dat de koning al zulke dingen verboden had. Wat antwoordde Saul ? Wien wilde hij, dat zij zou doen opkomen ? In vroegere dagen had hij geen acht op Samuels woorden gegeven, nu wilde hij hem weder hooien. {Evenals een kind, dat zijn vader ongehoor-zaam was, maar als hij gestorven zal zijn hem terug zou wenschenï) God voldeed aan Sauls wensch — zond eene verschijning van Samuel, maar deze bracht hem geen troost. (Lees vers 12—14.) De vrouw verschrikte — zij herkende Saul. Wat dacht zij ? Ja, dat hij haar zou straffen. Hij beloofde dat haar geen leed zou geschieden voor hetgeen zij gedaan had. Waarop, zeide zij, dat de verschijning geleek? Saul zag zijn wensch vervuld — nu zullen wij zien, wat Samuel zeide. {Lees vers /5—ig.) Waarom zeide Saul hem geroepen te hebben ? Gaf Samuel hem eenigen troost ? Kon hij hem helpen, zoo God hem verlaten had ? Waarom niet? (18) Waarmede was Saul begonnen van den Heere af te vallen — zijne eerste groote ongehoorzaamheid. {Herinner de leerlingen het voorval, in het laatste gedeelte van Les L VIL verhaald.) Wat zeide Samuel, dat den volgenden dag gebeuren zou ? Arme Saul! Welk eene vreeselijke tijding voor hem! {Lees vers 20—25.) Wat overkwam hem? Wat gaf hem de vrouw? Wilde hij eten ? Waarom niet ? Wie


ocr page 163

I4i

haalden hem er toe over ? Het was niet de macht der vrouw, die den geest van Samuel deed opkomen, maar voorzeker Gods macht.

Wij zullen nu zien, hoe de woorden van Samuel bewaarheid werden. Lees i Sam. XXXI : i, 2. Wie behaalden de overwinning ? Wie werden door de Phi-listijnen gedood ? Gij weet dat God door Samuel gezegd had, dat Sauls zonen zouden sterven, daarna komen wij aan den dood van Saul zelf. Lees vers 3—6. Ernstig gewond door de pijlen der Philistijnen — was hij bevreesd in hunne handen te vallen en mishandeld te worden. Wat verlangde hij daarom van zijn wapenknecht? Wilde hij dit doen? Wat deed Saul toen? Welk een treurig en ellendig einde ! Toen het volk deze treurige tijding vernam, lieten zij den moed zinken en vluchtten. (Lees vers 7.) De Philistijnen verheugden zich natuurlijk. Zie, wat zij deden. Lees vers 8—10. Wat deden zij met Sauls hoofd ? Waar plaatsten zij zijne wapenrusting? Astharoth was hun afgod — zij meenden dat deze voor hen de overwinning behaald had — wisten niet dat het Gods oordeel was overeen goddeloos man. Waar hechtten zij zijn lichaam vast? Alles om hem te ont-eeren.

Maar er waren eenige mannen, die zich eene goede daad herinnerden, jaren geleden aan hen bewezen — zij konden niet zien, dat zijn lichaam bespot werd en besloten het weg te nemen. Dit waren de mannen van Jabes, in Gilead. (Verwijs de leerlingen naar het laatste gedeelte van Les L VI. 1 Sam. XI om te zien wat Sanl voor hen gedaan had.)

Lees nu, hoe zij hunne dankbaarheid betoonden, vers 11, 12. Zij kwamen des nachts, namen de lichamen weg — brachten ze zorgvuldig naar Jabes. Wat deden zij er mede? Zij verbrandden ze, opdat ze niet weder in de handen hunner vijanden mochten komen. Daar bedreven zij rouw over hen gedurende zeven dagen. Eene moedige, edele daad.

De geschiedenis van Saul is nu ten einde. Zij biedt ons vele lessen aan. Wij noemen er twee hiervan. 1. Rijkdom, aanzien, macht kunnen u geen geluk aanbrenger zonder den zegen van God. Saul, tot koning verheven — had dienstknechten, paarden, rijtuigen, geld, alles wat hij begeeren kon; was hij echter een gelukkig man ? David, zelfs toen hij door het land werd voortgejaagd, door de vlucht zijn leven trachtte te redden, was verreweg gelukkiger, omdat hij vrede met God had. Hij kon zeggen: „God is aan mijne rechterhand, ik zal niet vreezen; wat zal een mensch mij doen?quot; 2. Zoo wij, in het bezit zijnde van gezondheid en krachten, als alles naar onzen wensch gaat. God niet willen gehoorzamen en dienen, naar Zijne stem niet willen hooren, die door ouders of onderwijzers tot ons komt, ons eigen hoofd willen volgen, stijfhoofdig en weerspannig zijn, kunnen wij niet verwachten, dat Hij onze Vriend en Vertrooster zijn wil in tijden van droefheid, gevaar of dood. \Lees den kinderen Spreuken 24—33 voor.] Dit ondervond Saul. Zoek mt reeds Gods weg te volgen. Hem welbe-hagelijk te leven, en dan zullen de woorden van vers 33 voor u waarheid bevatten, zoowel in dit, als in het volgende leven.


LES LXV.

David wordt Koning over gansch Israel.

Te lecren: Luk. I : 51, 52; Ps.103 : 1.

Herhaling van de vorige les. — Welke vijanden kwamen tegen Saul en de Israëlieten op ? Hoe gevoelde Saul zich ? Wien vroeg hij het eerst ? Wilde de Heere hem antwoorden? Tot wie ging hij toen? Wien verlangde hij, dat de vrouw zou doen opkomen? Verscheen Samuel? Was hij door de macht der vrouw opgekomen, of door die van God? Troostte hij Saul? Wat zeide hij? Welken indruk maakten zijne woorden op Saul ? Wat overkwam hem tegelijkertijd ? Waartoe trachtte de vrouw hem te overhalen ? Hoe spoedig werden Samuels woorden vervuld? Hoe


ocr page 164

142

was Saul gewond ? Wien vroeg hij hem te dooden ? Deed deze dit ? Wie doodde hem? Wie stierf op denzelfden tijd? Wat deden de Philistijnen met hunne lichamen ? Wie kwamen de lichamen wegne-

SCHETS v

Saul was dood. David was toen ver van het land der Philistijnen. Hij had daar eenigen tijd te voren met zijne manschappen geleefd, om van Sauls vervolgingen bevrijd te zijn, zoodat hij eerst niets van Sauls dood vernam. Zoudt gij niet gelooven, dat hij zeer blijde was, toen hij die tijding hoorde? [Ophcldc-riiig. — Een kind, dat door een ander vaak gekweld en bedroefd wordt, is dikwijls zeer blijde als dit gestraft wordt.quot;] Wij zullen zien of het zoo was.

Lees 2 Sam. I: i, 2. Van waar kwam David ? De Amalekieten waren oude vijanden van de Israelieten — zij waren naar de stad Ziklag getogen — hadden haar verbrand en al de inwoners gevankelijk weggevoerd. Onder dezen Davids vrouwen en zijne manschappen. God had David geboden hen te vervolgen — hij had dit gedaan en overwonnen — bracht allen, die gevangengenomen waren, weder, benevens den buit, het geld, enz. Wie kwam tot hem op den derden dag na zijne terugkomst? Gescheurde kleederen, aarde op het hoofd, een teeken van groote droefheid. Lees vers 3, 4. Wat vroeg David hem? Wat was het antwoord ? David geloofde hem eerst niet — hij wist dat men zeer dikwijls nieuwtjes verspreidt, die ten slotte blijken onwaar te zijn. {Lees vers 5—10.) Wat zeide hij, dat geschied was ? Komt dat verhaal overeen met dat, hetwelk wij in het laatste hoofdstuk gelezen hebben ? Hoe staat daar dat hij stierf ? Het schijnt dat de jongen, ofschoon hij dit verhaal verzon, zonder twijfel dacht, dat David zich zeer verblijden zou over Sauls dood — hem misschien eene goede belooning geven zou. Misschien had hij Sauls lijk gevonden en beroofd van de kroon en den armband. Wat moet hij verwonderd gestaan hebben! Want zie vers 11, 12. Wat deden zij ? In weerwil van Sauls bitteren haat en vervolging.

men? Gingen zij bij dag of des nachts? Wat deden zij er mede? Waarom deden zij zulks? Welke lessen kunnen wij uit de geschiedenis van Saul trekken ? Herhaal tekst en versje.

f DE LES.

haatte David hem niet. Hij toonde oprechte smart, toen hij hoorde dat hij door de hand zijner vijanden gevallen was. David herinnerde zich Sauls vroegere goedheid voor hem — Jonathans standvastige vriendschap — er was geene vreugde, geene zegepraal in zijn hart. (Ui/ zeide niet: ygt;Hij heeft zijn verdiende loonquot; zooals dikwijls het geval is, als iemand, die een ander mishandeld heeft, een ongeluk treft.) David had zijn vijand lief — wenschte hem niets kwaads toe. Een edel voorbeeld. Geen sprake was er van eene belooning voor den man, die beweerde Saul gedood te hebben. (Lees vers 13, 14.) Wat zeide David tot hem ? Hij beschouwde hem als een moordenaar, en die zonde was te grooter, omdat hij „den gezalfde des Heerenquot; had gedood. Oneerbiedigheid jegens God, zoowel als eene zonde jegens een mensch gepleegd. David strafte haar.

Lees vers 15, 16. Wat deed hij hem ? De dood was altijd de straf van den moordenaar. Toen maakte David een klaaglied op den dood van Saul en Jonathan. Vooral betreurde hij den dood van Jonathan, die voor hem zulk een oprecht vriend geweest was. (Lees vers 26.)

Wie zou nu, na den dood van Saul, koning worden? En toch liet David zich daarop niet voorstaan, noch haastte zich het koningschap te aanvaarden. (Een meisje geeft dikwijls, bij afwezigheid harer moeder, bevelen aan de kleineren?) Lees hoofdst. II : 1. Wat deed David ? Hij zocht zich door God in alles te laten leiden. Waarheen beval de Heere hem te gaan? De mannen van Juda waren gereed hem te ontvangen. Zie, wat ;jij deden, toen hij daar aankwam. Vers 4. Dit was de tweede zalving — wanneer was hij het eerst gezalfd en door wien ? Wat had hij sedert dien tijd niet geleden ! Maar dit alles was noodzakelijk geweest, om hem voor zijn volgend leven


ocr page 165

43

geschikt te maken. [Opheldering. — Een knaapy die als leerjongen in eene # zaak geplaatst is, vindt het nioeielijk; maar hij moet volhouden, of hij zal nooit zijn beroep leer en Zoo worden ons in dit leven beproevingen gezonden, om ons voor den Hemel te vormen. Wat zeiden eenige mannen aan David? Misschien dachten zij, dat hij boos op die mannen zijn zou, die Saul, weleer zulk een wreed vijand voor hem, begraven hadden. Zoudt gij dit ook denken? (Z^y vers 5, 6.) Wat zeide David ? Hij achtte het als eene weldadigheid, aan hem bewezen — er was geene lage jaloerschheid of wraakzucht in zijn hart. Het „huis van Judaquot;, dat is, de stam van Juda, had hem tot hun koning gemaakt, maar de andere stammen wilden hem niet gehoorzamen. [Lees vers 8, p.) Wie werd tot koning over Israel aangesteld? Zie, hoe lang dit duurde. Lees vers i o, 11. Welke van die twee koningen werd op Gods bevel op den troon geplaatst? Abner was een groot veldoverste, hij streed voor Isboseth tegen de dienstknechten van David. Maar wie, denkt gij, dat de overhand behield ? David immers, omdat het Gods wil was, dat hij koning zijn zoude.

David had ook een groot veldoverste, Joab geheeten, wel dapper, maar niet braaf. Ik zal u het verhaal van een hunner veldslagen voorlezen. [Lees hoofdst. II: 12—J2.) Abner doodde Asahel (die

LES

De Ark weder teruggebracl

Te lecren : i Cor. X

Herhaling van de vorige les. — Wie bracht aan David de tijding van Sauls dood ? Wat verhaalde die man dienaangaande ? Wat verwachtte hij van David ? Geschiedde dit? Was hij blijde of bedroefd? Wat deed hij den man, die zeide Saul gedood te hebben ? Waarom ? Ging David dadelijk heen, om het koningschap te aanvaarden? Aan wien vroeg hij, wat hij doen moest ? Wie kroonde hem het eerst tot koning? Hoe gedroeg David zich jegens de mannen van Jabes, in Gilead, toen men hem verhaalde dat zij Saul en

hem achterna joeg) om zijn eigen leven te redden. Joab was zeer vergramd over den dood van Asahel en later nam hij de gelegenheid waar om zich te wreken, door Abner, niet in openbaren strijd, maar door sluipmoord, te dooden. Abner kwam op zekeren dag tot David, om hem het koningschap over gansch Israel aan te bieden. (Lees hoofdst. III: 20— jp.) David betreurde het zeer, dat Abner op zulk eene sluwe wijze was omgekomen, maar kon Joab en zijn broeder niet straffen — had daartoe de macht niet. (39) Niet lang daarna werd Isboseth, de zoon van Saul, zijn vijand, gedood. (Lees hoofdstuk IV : /, 2, 5—5.) Die twee snoode mannen dachten: „De koning zal ons voorzeker beloonen, omdat wij Isboseth, den zoon van Saul, zijn vijand, gedood hebben.quot; Lees nu Davids antwoord. Vers 9—11. Gij ziet welk een edelen, edelmoedigen geest David aan den dag legde — geene wraakzucht in zijn hart — geen juichtoon over zijne vijanden — hij gevoelde alles aan God verschuldigd te zijn. En nu was al zijn onspoed voor een oogenblik weggenomen — God had zijn weg effen gemaakt. (Lees hoofdst. V : 1—3.) Zoo ver wij nu de geschiedenis van David gevolgd zijn, zien wij dat hij niets voor zich zeiven zocht, het was Gods verkiezing aan hem, Gods leidende hand, die hij volgde. Zoo zal God hen, die nederig en onbaatzuchtig handelen, verheffen en zegenen.

.XVI.

b. Davids Zonde en Berouw.

: 12. Gez. 30 : 2.

zijne zonen begraven hadden ? Wie werd koning over de andere stammen van Israel ? Hoe heette hun groote veldoverste ? Wie doodde Abner? Hoe doodde Joab hem? Was David blijde over zijn dood ? Hoe betoonde hij zijne droefheid ? Waarom strafte hij Joab niet? Wie doodde Isboseth ? Aan wien brachten zij zijn hoofd ? Beloonde of strafte hij hen ? Wie kozen David toen tot koning ? Welk een geest bezielde David bij den aanvang zijner regeering? Herhaal tekst en versje.


ocr page 166

144

SCHETS VAN DE LES.

Toen David in zijn koninkrijk bevestigd was, wenschte hij de ark, het teeken van Gods tegenwoordigheid, in zijne hoofdstad Jeruzalem te hebben. Gij weet nog, dat wij in eene vorige les (Les L V) gelezen hebben dat, toen zij door de Philistijnen weggezonden was naar eene plaats Kirjath-Jearim gebracht werd. Daar bleef zij twintig jaren. Nu is het zeer natuurlijk, dat David haar te Jeruzalem wenschte te hebben, waar hij woonde. [Lees den kinderen 2 Sam. VI : i—5 voor.) Zij hadden die muziek, om hunne blijdschap aan den dag te leggen en God te verheerlijken. (Helder dit op door de plechtigheid hij gelegenheid van eene nieuwe of vernieuwde kerk?) Maar te midden hunner vreugde werden zij door een treurig voorval gestoord.

Gij weet dat God vroeger hun geleerd had aan de ark den grootsten eerbied te bewijzen — alleen mocht zij door de priesters worden aangeraakt — een man vergat dit, of misschien dacht hij er wel aan, maar wilde dit gebod niet gehoorzamen. (Lees vers 6—io.) Hoe heette die man? Misschien denkt gij, dat dit eene strenge straf was voor zulk een klein vergrijp, maar leer hieruit dat God ongehoorzaamheid en oneerbiedigheid niet als kleine vergrijpen beschouwt. (Als kinderen met geraas in de kerk komen, fluisteren, of zitten rond. te kijken, de oogen hij het gehed niet sluiten, Bijhels en gezangboeken slordig behandelen, enz., meenende dat niemand er acht op slaat, komen deze slechte gewoonten uit dezelfde oorzaak voort, die Uzd's voortvarende handelwijs en dood veroorzaakte — gebrek aan eerbied, dat wil zeggen, eerbied voor God.) Naar wiens huis werd de ark gebracht? Deze was zeker een godvreezend man ; daarom bracht de ark hem ook zegen aan.

Lees vers 12. David was zeer verheugd, en legde dit aan den dag door dansende en zingende vóór de ark uit te gaan te midden van het geheele volk. Michal, zijne vrouw, zag dit uit een venster, en was zeer toornig hem gelijk al de anderen te zien doen en meende dat een koning zulks niet betaamde. Maar ik zal u voorlezen, wat hij antwoordde. (Vers 21.) David achtte zijne macht en grootheid als niets, nu het cr op aan kwam den Heere te vereeren — en Michal, die hem wilde weerhouden, kreeg tot hare straf haar geheele leven geen kind. Nadat David koning was geworden, had hij voor zich een prachtig huis gebouwd, maar er was geen huis voor God. De ark werd nog altijd in een tabernakel (tent) bewaard, zooals ten dage van Mo-zes. David achtte het niet goed, dat hij een mooi huis bewoonde, maar de ark en alles, wat tot den dienst van God noodig was, in eene tent bewaard bleef. [Lees den kinderen hoofdst. VIL: I—6 voor.] God wilde niet, dat David een huis voor Hem zou bouwen; toch was-zijn wensch Hem welgevallig — het was een bewijs dat David Hem liefhad, en Hem eerbied wilde bewijzen. En God zond David door Nathan, den profeet^ eene boodschap van vrede en liefde, hem zeggende, dat God zijn geslacht zou zegenen, en dat zijn zoon na hem regeeren zou en een huis voor den Heere zou bouwen. (Lees vers 8—17.) David was aan God zeer dankbaar voor deze belofte,, en hij maakte een schoon gebed, dat ik u zal voorlezen. (Vers 18—2g.)

Tot hiertoe was het leven van David onbewolkt en gelukkig, omdat hij dicht bij God bleef — op Hem zijn oog hield en zich door Hem in alles liet leiden. Nu echter komen wij aan een treurigen, donkeren tijd, omdat de schaduw van zonde over hem kwam. Er was oorlog tusschen de Israelieten en de Ammonieten ; Davidquot; trok zelf niet uit, maar stelde zijn leger onder het bevel van Joab. Terwijl David te Jeruzalem was, zag hij eene zeer schoone vrouw, Bathseba genaamd, de vrouw van een krijgsoverste,. Uria geheeten. David nam haar tot zich,, en deze zonde bedreven hebbende, viel hij in eene andere. Hij wenschte zich van Uria te ontdoen, daarom zond hij een brief aan Joab, die aan het hoofd des legers stond voor de stad Rabbagt;


ocr page 167

I45

en schreef hem het volgende: {Lees hoofdst. XI : 15—/7.) David wilde Uria niet zelf dooden, daarom deed hij hem vallen door middel van den oorlog, maar was dit niet even slecht ? Welke zijn de twee geboden, die hij overtrad ? Ja, het 7de en het 6lt;le. Eenige dagen na den dood van Uria, liet hij Bathseba tot zich brengen, om met haar te leven.

Het scheen dat Davids snood plan gelukt was, maar éen had zijne zonde gezien en was toornig op hem. Wie was dat? Lees nu hoofdst. XII : 1. Toen Nathan de laatste maal bij David gekomen was, had hij eene goede boodschap, nu kwam hij om hem zijne zonde onder het oog te brengen. Hij deed dit door hem eene geschiedenis te vertellen. Lees vers 2—4. Wat deed de rijke man, toen een vreemdeling bij hem kwam ? Hoor nu, hoe David over zijn gedrag oordeelde. Vers 5, 6. Wat zeide hij? Hij kon zien, hoe wreed en onrechtvaardig de rijke man uit het verhaal zich gedragen had, weinig bedenkende, dat hij zich veel slechter gedragen had. Wij zijn vaak blind voor onze eigen gebreken. (Een kind zegt: „Meester, zie dien jongen eens, hij verscheurt zijn boek, slaat een ander, enz,quot; maar bedenkt niet, dat hij dikwijls hetzelfde doet.) De duivel verblindt onze oogen voor onze eigen zonden, maar God zal ze openen, zoo wij het willen toelaten. Lees vers 7, 9, 10. Wat zeide Nathan ? God had David alles gegeven, wat hij wenschen kon, en toch was hij niet tevreden, gelijk de rijke man in het verhaal, zonder Uria's vrouw te nemen en hem te dooden. Welke straf, zeide God, voor die zonde over hem te zullen brengen? (10) „Het zwaard zal van uw huis niet afwijken,quot; enz. wil zeggen, dat er altijd oorlog en beroering zijn zou, en dat er zelfs éen van zijne kinderen tegen hem zou opstaan. En laat ons nu zien, hoe David deze woorden opnam. Lees vers 13. Wat zeide hij ? Hij zag zijne zonde in, gevoelde hoe goddeloos hij geweest was — had een oprecht berouw en daarom vergaf hem de Heere. Hier schijnt hij niet veel te zeggen, maar om dezen tijd heeft hij den 51 sten Psalm gemaakt, {lees hem den kinderen voor) die bewijst hoe groot zijn berouw was. Maar ofschoon hij vergeving ontvangen had, wil dat niet zeggen dat hij niet gestraft werd. Wij zien bijna altijd, dat Gods volk op de eene of andere wijze voor zijne zonde gestraft werd, en zoo is het nog. Straf is niet slechts uit toorn, maar ook uit liefde — om den mensch beter te maken. [Opheldering, — Ee7i vader straft zijn kind, opdat het niet weder kwaad doe — zoo hij het ongestraft liet, zon dit geen bewijs van goedheid zjnï\ Lees vers 14, 15. Als brave menschen een misstap begaan, worden zij door de goddeloozen gelasterd, dat is, zij spreken met minachting over hen en zeggen : „Gods volk blijkt ten slotte niet beter dan andere menschen,quot; enz. „Hij houdt hen niet van zonde terug. Hunne braafheid is slechts schijn,quot; enz. [Lees den kinderen vers 16—23 voori] Zoo verloor David zijn kind en verviel door zijne groote zonde tot droefheid. Wij kunnen uit deze les van heden twee voorname lessen leeren. 1. Denk nooit dat gij tegen zondigen beveiligd zijt. „Waak en bid.quot; 2. De zonde brengt altijd op de eene of andere wijze straf, lijden.


LES LXVII.

Een goddelooze Zoon.

Te leeren : Job V : 8 ; Ps. 51:6.

Herhaling van de vorige les. — Waar was de ark bij den aanvang van Davids regeering ? Ja, te Kirjat-Jearim. Waarheen wenschte David haar te brengen? Hoe betoonden de Israelieten hunne blijdschap, toen zij teruggebracht werd ? Wat deed zeker man, hetgeen zondig was ? Waarom was het zondig? Hoe werd hij gestraft? Wat leeren wij hieruit? Weet gij nog, wat er eens vroeger gebeurde, toen eenige menschen in de ark wilden zien ? In wiens huis werd de ark gebracht na den dood van


10

ocr page 168

146

Uza ? Leed Obed-Edom schade, doordat hij de ark in zijn huis had, of werd hij gezegend? Waarheen bracht David haar toen ? Wie zag hem zingende en dansende voor de ark uitgaan ? Wat dacht zij? Was dit goed of kwaad ? Wat wilde David doen, toen hij de ark te Jeruzalem gebracht had? Stond God het hem toe dien te bouwen? Maar was die wensch aan God welgevallig? Tot welke groote zonde verviel David eenigen tijd later ?

SCHETS V.

Na Davids groote zonde was zijn leven van nog vele jaren vol onrust, door het slechte gedrag zijner kinderen. Zij gedroegen zich slecht jegens elkander

— twistten en deden andere goddeloosheden, en een hunner, Absalom genaamd, nam de gelegenheid waar om zich op Amnon, zijn broeder, te wreken, op eene sluwe, bedriegelijke wijze.

[Lees den kinderen 2 Sam. XIII: 23— 25 voor.'] Dit was eene soort van feest, dat Absalom aan zijne geheele familie gaf bij gelegenheid van het schaapscheren. Hij noodigde ook zijn vader uit, maar wilde deze? Toen verzocht hij hem al zijne broeders te laten gaan. {Lees vers 26, 27.) Het had den schijn, alsof Absalom niet anders dan vriendelijkheid met dit feest bedoelde, maar gij zult zien, wat er in zijn hart omging. (Lees vers 28, 2p.) Verbeeld u welk een schrik te midden van dit feest — de knechten schoten op Amnon toe en doodden hem — al de anderen vluchtten — dachten misschien, dat het ook hunne beurt zou worden. David hoorde iets van die slechte tijding vóór zijne zonen bij hem kwamen. {Vers 30, 31.) Wat hoorde David ? Erger dan het inderdaad was; maar iemand zeide hem, dat Amnon alleen gedood was. {Lees vers 34—36.) Welk eene treurige tehuiskomst van wat een vroolijk feest had moeten zijn ! Een was er dood achtergebleven

— en de broeder, die de misdaad begaan had, was ver weg. Hoe kon hij zijn vader onder de oogen gekomen zijn, bezoedeld met het bloed zijns broeders!

Absalom bleef drie jaren weg en toen verzocht Joab, zijn veldoverste, hem te

Hoe liet hij Uria ombrengen ? Wien zond God tot hem, om hem zijne zonde te doen zien ? Welk verhaal deed Nathan hem? Wat zeide David van den man, die dit gedaan had? Wat antwoordde Nathan toen? Had David berouw over zijne zonde? Welken Psalm schreef hij bij die gelegenheid? Werd hem zijne zonde vergeven ? Hoe werd hij echter gestraft ? Herhaal tekst en versje.

sT DE LES.

vergunnen terug te keeren. David deed dit, maar nog bleef zijn zoon twee jaren afwezig. Hierna vroeg Absalom aan Joab nogmaals zijn vader ten gunste over hem te spreken, opdat hij hem zien mocht en vergeving erlangen. {Lees vers 33.) Na dit alles zouden wij meen en, dat Absalom eene les gehad had door zijne zonde en zijne vijf jaren afwezens, en getracht zou hebben zijn vader welgevallig te leven, die hem volkomen vergiffenis had geschonken; maar, helaas! het was niet zoo. Zijn berouw schijnt alleen geweest te zijn vrees voor de gevolgen zijner zonde, niet over de zonde zelve, misschien veinsde hij alleen berouw, opdat hij weder in zijns vaders gunst zou worden aangenomen. [Opheldering. — Evenals een kind, dat, als het straf ontvangt, zegt berouw te hebben, om daardoor verdere straf te ontgaan, maar is de straf afgewend, zich om niets meer bekommert^ Ook zult gij zien, dat Absalom niet treurde, omdat hij God had gehoond (zooals David in zijne zonde), niet alleen zijn vader — zulk eene droefheid vloeit niet voort uit berouw. Het is daarom niet te verwonderen, dat wij hem later zich tegen zijn vader zien keeren. Eerst rustte hij, in alle stilte, eenige ruiters en strijdwagens uit, en nu zult gij zien, waartoe hij die noodig had.

Lees hoofdst. XV : 2, 3. „Een geschilquot; beteekent: „eene twistzaak.quot; Men kwam dan tot David om uitspraak tusschen de twistenden te doen — maar wat zeide Absalom in vers 3 ? Dat was om hun te doen gelooven, dat David door onverschilligheid niet goed rechtsprak.


ocr page 169

147

Zie, wat hij verder zeide. Lees vers 4—6. Dus won hij, door voor te geven dat hij hun een vriend was, de harten van velen — maakte dat zij hem liefhadden in plaats van zijn vader. Nu zult gij zien welk plan hij had. \Lees den kinderen vers 7—p Absalom

was nu veertig jaar — vroeg aan David naar Hebron te mogen gaan om daar den Heere te offeren — voorwendende dat het was om eene gelofte te vervullen, die hij gedaan had gedurende zijne afwezigheid. Zijn vader geloofde hem — gaf bereidvaardig zijne toestemming — misschien verheugde het hem, dat hij aan God een offer wenschte te brengen — arme vader — weldra zou hij de waarheid vernemen. (Lees vers io, //.) quot;Wat had Absalom uitgezonden, om aan de stammen te zeggen? Aldus verhief hij zich tot koning, verzette zich tegen zijn vader! Welk eene goddelooze daad van een zoon! Hoevelen gingen er met hem van Jeruzalem ? Zij wisten eigenlijk niet, wat hij ging doen, maar spoedig werd het duidelijk. Lees vers 12, 13. Wat was Achitophel ? Ja, Davids raadsman, hij, die hem raad gaf wat te doen. Zelfs had die goddelooze zoon hem voor zich weten te winnen. Wat kwam de boodschapper aan David zeggen ? Welk eene bittere smart voor David ! Nog erger, toen hij vernam dat gansch Israel Absalom volgde. Hij wist dat het voor hem niet langer veilig te Jeruzalem was. Zie, wat hij zeide in vers 14. Hoe vreeselijk voor een vader, te moeten vluchten, opdat hij niet door zijn zoon gedood worde!

David en zijne dienaren begaven zich op dc vlucht, maar, ofschoon zijn zoon hem zoo slecht behandelde, een vreemdeling schaarde zich aan zijne zijde. {Lees vers 17—20.) David wilde eerst Ithaï niet met zich nemen, wilde hem in zijne ellende niet medesleepen. Hoe onbaatzuchtig, want het zou voor hem eene groote hulp geweest zijn. Nu zal ik doen hooren, wat Ithaï zeide [Vers 21, 22.) Hij wilde David steeds getrouw blijven en dapper zijn, den koning in zijn rampspoed helpen, en David was blijde hem bij zich te hebben. Hij werd een van

Davids krijgsoversten. Eene edele daad den zwakke te helpen, zich aan den kant der rechthebbenden te voegen, zich niet te schamen in het gezelschap te verkeeren van hen, op wien anderen uit de hoogte nederzien, maar toch Gods trouwe dienaren zijn.

Er waren nog anderen, die in Davids lot deelnamen. Lees vers 23, 24. Hoe bitter was Davids droefheid, toen hij zijne eigen stad verlaten moest — met zijne getrouwe vrienden door zijn eigen zoon verdreven te worden. Zij moesten in eene vallei afdalen, waar eene beek of rivier was. Hoe-heette zij ? Kidron. Wie ging ook met David, de ark dragende? Zadok was hoogepriester. Hij gevoelde, dat het recht aan Davids zijde was — wilde daarom bij hem blijven. Maar zie, wat David zeide. Lees vers 25, 26. Wat zeide hij aan Zadok te doen ? Waarom zeide hij dit ? Hij wist, dat de ark hem de overwinning niet kon schenken zonder Gods wil. Hij was geheel bereid zich in Gods handen over te geven — zich in alles aan Hem te onderwerpen. (Vergelijk Davids gedrag met dat der Israelieten, in 1 Sam. IV verhaaldï) Hij beval Zadok en zijn zonen naar Jeruzalem terug te keeren, en hem tijding te zenden, hoe de zaken daar stonden. Lees vers 29, 30. Toen zij de beek waren overgetrokken, kwamen zij aan een berg, den Olijfberg, {denzelfden, op welken onze Heere later zich dikwijls bevond, en van waar Hij ten hemel voer.) Hoe beklommen zij dien berg ? Ja, zij weenden allen.

Wij moeten hen voor heden daar verlaten. Staan wij een oogenblik stil om twee lessen te trekken uit dit treurige gedeelte van Davids leven. 1. Welk eene bittere smart veroorzaakt een slechte zoon aan zijne ouders! Wij kunnen wel niet hetzelfde doen, dat Absalom deed, maar hoe dikwijls doen kinderen het hart hunner ouders wee door ruwe woorden, eigenzinnigheid, bedriege-lijke plannen tegen hunnen wil te beramen. 2. Zie, hoe een braaf mensch lijden verdraagt, hoe geduldig en onbaatzuchtig David was, hoe leidzaam om datgene te dragen, wat God over hem beschikt had.


ocr page 170

148

LES L Het Einde van ee:

Te leeren: Luk. 1

Herhaling van de vorige les. — Hoe heette die goddelooze zoon van David, van wien wij in de vorige les gelezen hebben? Hoe hoonde hij eerst zijn vader? Wat deed hij, toen hij zijn broeder Amnon gedood had ? Hoe lang bleef hij weg ? Wie deed zijn vader besluiten hem te laten terugkeeren ? Zag David hem terstond, toen hij terugkwam? Hoe stal hij het hart des volks? Wie was de man, dien hij zijn vader wist te ontrooven ? Wat

SCHETS v.-1

Gij weet zeker nog, dat Achitophel, een van Davids vrienden en raadslieden, zich bij Absalom gevoegd had. Toen David dit hoorde, bad hij dat God Achi-tophels raad tot dwaasheid mocht maken — dat wil zeggen: dat het hem niet gelukken mocht in zijn goddeloozen krijg tegen zijn vader de overwinning te behalen. God gaf antwoord op zijn gebed door hem een oprecht vriend te zenden, Husaï geheeten — deze wilde met David gaan, maar David verzocht hem naar Jeruzalem terug te keeren, en, zoo hij kon, Absalom tot raadsman te zijn, waardoor hij den snooden raad van Achitophel kon te niet maken, en hem ook tijding te doen toekomen van alles, wat daar geschiedde, door middel van twee jongelieden, Ahimaaz en Jonathan, zonen van de priesters Zadok en Ab-jathar.

Daarna lezen wij hoe David bedrogen werd door een slecht man, die voorgaf zijn vriend te zijn, opdat David hem het eigendom zijns meesters mocht geven. \Lces den kinderen 2 Sam. XVI: 1—3 voor.} Ziba was de knecht van Mephi-boseth, een van Sauls zonen — David was Mephiboseth steeds goedgunstig geweest. {Lees of verhaal den inhoud van hoofdst. IJ£.) Dit klonk zeer ondankbaar, maar straks zullen wij zien, dat het bedrog was. Ziba had met zijn verhaal een zeker doel. (Lees vers 4.)

a goddeloos Leven.

5 : 20; Gez. 63 : 2.

hoorde David plotseling ? Van waar vluchtte hij ? Waarom ? Hoe heette de vreemde, die met hem ging ? Waren er nog anderen, die hem getrouw bleven ? Wie kwamen ook, de ark dragende? Wat zeide David, dat hij doen moest? Waarom wilde hij de ark niet bij zich houden ? Hoe verlieten hij en zijne volgelingen Jeruzalem? Wat kunnen wij uit dit hoofdstuk leeren ? Herhaal tekst en versje.

„N DE LES.

Aldus won deze valschaard iets door zijn verhaal, maar later zult gij zien, dat zijn bedrog aan het licht kwam, zooals dit met bedriegers en leugenaars vroeger of later het geval is. Verder lezen wij van iemand, die kwam om David te vloeken, zich in zijn ongeluk te verheugen — deze was van het geslacht van Saul. {Lees vers 5—13.) Hoe be-leedigend sprak Simeï, vergetende dat David het geslacht van Saul goedgunstig was geweest — dat hij alleen het koningschap had aanvaard, omdat het zoo Gods wil was. (Wijs op de laagheid en zonde van een wraakzuchtig gemoed, dat zich verheugt, als iemand, dien men niet liefheeft, tot rampspoed vervalt, bijv. te glimlachen, als een ander kind gestraft wordt.)

Laat ons zien, hoe het intusschen met Absalom ging. Hij kwam, eenigen tijd na de vlucht van zijn vader, te Jeruzalem, nam zijns vaders huis en alles, wat deze had achtergelaten, in bezit. Hoe goddeloos van een zoon, maar gij zult zien, dat zijn voorspoed niet lang duurde. Hij vroeg nu om raad, wat hij doen zou — eerst aan Achitophel, die voor zulk een wijs raadsman gehouden werd. {Lees hoofdst. XVII : 1—4.) Welken raad gaf hij ? Hoe beviel Absalom deze raad? Verheugd door de gedachte van zijn vader te vervolgen, als deze afgemat was, en hem te doo-


ocr page 171

149

den. Welk eene vreeselijke snoodheid! Zie, hoe de eene zonde tot de andere leidt. Maar een tweede raadsman moest nog geraadpleegd worden. [Lees vers 5—/^.) Husaï zeide: „Neen, wacht nog eenigen tijd tot gij een grooter leger bijeen kunt brengen.quot; Hij dacht: David zou dan meer tijd hebben om te ontkomen. Welken raad volgde Absalom? quot;Wie spoorde hem aan dien te volgen ? Husaï zond nu bericht aan David aangaande hetgeen bepaald was, door Jonathan en Ahimaaz, die eenige moeielijkhe-den ondervonden om veilig bij David te komen. {Lees vers 17—22.) Hoe werden de jongelieden verborgen? Zoo ziet gij, dat God hen behoedde en David tegen de booze plannen zijns zoons beschermde.

En nu was de tijd gekomen, waarop de beide legers elkander zouden ont: moeten. Lees hoofdst. XVIII : 1—4. Wie waren de drie veldoversten van David ? Wat wilde David doen ? Wilde het volk hem toestaan met hen te trekken? Waarom niet? Wat zoudt gij nu -verwachten, dat David tot zijne krijgslieden zou zeggen, aangaande zijn zoon Absalom ? Hem straffen, hem gevangennemen, hem zelfs dooden misschien. Hoor, wat hij zeide. Vers 5. Zie eens, welk een onderscheid tusschen hem en zijn zoon! Hoor nu den uitslag van het gevecht. Lees vers 6, 7. Wie werden geslagen ? Hoeveel Israelieten werden er gedood ? Een gevecht in een bosch is natuurlijk zeer moeielijk. Boomen en struiken, die den voortgang belemmeren, enz. Dit bosch was het middel, waardoor Absalom eindelijk voor zijne goddeloosheid gestraft werd. Lees vers 9, 10. Hoe werd Absalom gevangen ? Hij had zich, zonder twijfel, dikwijls verhoovaardigd op zijn lang en zwaar haar, {Zïe hoofdst. XLV : 25, 26.} Dit haar nu voerde hem ten verderve. Ik zal u zeggen, wat Joab zeide, toen hij dit hoorde. (Lees vers 11—13.) Waarom had de man Absalom niet gedood? Ja, hij was bevreesd, wegens den last van David aan het volk. Joab liet zich echter daardoor niet terughouden. Hij was een woest en wreed man — had Absalom gevangen kunnen nemen, maar dat wilde hij niet. Lees vers 14. Wat deed Joab? Toen omringden eenigen zijner krijgsknechten en doodden den zoon des konings en begroeven hem. {Lees vers 16—18.) Ahimaaz was verlangend de tijding aan David te brengen, maar eerst wilde Joab hem niet laten vertrekken. {Lees vers ig—23.) Liet hij hem later gaan ? Zie nu, waar David was. Lees vers 24. Wat zag de wachter? Wie was dat? Ja, Ahimaaz.

{Lees vers 25—30.) Denk eens* hoe opgewonden het volk was — den adem-loozen looper te gemoet gaande. Wat zeide hij ? Maar omtrent wien was David het meest verlangend ? Ahimaaz durfde de tijding niet plotseling aan David mede-deelen — hij wilde tijd winnen. Zie nu, wat Cuschi zeide. Lees vers 31, 32. Wat vroeg David? Dezelfde vraag — welk antwoord ? Zoudt gij nu meenen, dat David over zulk een ontaarden zoon treuren kon? Zie vers 33. Gij ziet dat hij aan zijne overwinning niet dacht — zich niet verheugde, omdat het nu vrede was — zijn huis en zijn koninkrijk weer in bezit kon nemen — hij treurde alleen zijn zoon te hebben verloren. Zie, hoe lief ouders hunne kinderen hebben! Al staan dezen tegen hen op, gedragen zich slecht jegens hen — zij mogen hen berispen en straffen, maar toch hebben zij hen lief. De liefde bleef nog, ofschoon het kind zooveel gedaan had om haar uit te dooven. De liefde, door God in het hart van vaders en moeders gelegd, wil ons ook doen zien, hoe lief Hij, onze Hemelsche Vader, ons heeft. ( Vertel de gelijkenis van den Verloren Zoon, of laat de kinderen die vertellen : Lit kas XV : 11 tot het einde,} Ofschoon wij dagelijks aan God ongehoorzaam zijn. Hem vergeten en op zoovele wijzen bedroeven, toch heeft Hij ons lief, waakt over ons, steeds bereid ons te vergeven, zoo wij ons tot Hem wenden. Zijn wij Zijne onverschillige, weerspannige, of Zijne liefhebbende, trouwe kinderen ?


ocr page 172

So

LES LXIX.

Voor- en Tegenspoed.

Te leeren: Mark. XIV : 38; Ps. 18 : 9.

Herhaling van dc vorige les. — Herinnert gij u nog, wie David met vruchten, enz. te gemoet kwam, toen hij Jeruzalem verlaten had ? quot;Wiens knecht was hij ? Wat zeide hij aangaande zijn heer? Geloofde David hem ? Waarom zeide Ziba dit ? Wie kwam later en vloekte David? Waarom dee^j hij dit? Hoe gedroeg David zich onder die slechte behandeling? Wat deed Absalom, toen zijn vader Jeruzalem had verlaten? Wie waren zijne twee raadslieden? Welken raad gaf Achi-tophel? Wat zeide Husaï ? Wiens raad volgde Absalom ? Wie kwam aan Koning David zeggen, welk plan Absalom had?

Wat gebeurde hun onderweg? Toen de twee legers slagvaardig waren, welken last gaf hij aan elk zijner drie veldoversten ? Op welk eene soort van plaats viel de strijd voor? Wie overwon? Wat overkwam Absalom? Aan wien werd dit bericht ? Wat zeide Joab ? Wat antwoordde de krijgsknecht? Wat deed Joab? Waar was David? Wie kwam hem de tijding brengen ? Wat vroeg hij ? Wat zeide Ahimaaz ? Wat zeide Cuschi? Wat deed David? Wat zeide hij? Aan wiens liefde doet ons de liefde van David denken ? Herhaal, tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

David treurde zoo bitter over zijn zoon Absalom, dat Joab eindelijk tot hem ging en zeide, dat hij zich aan het volk moest vertoonen, daar dit zou gaan meenen dat de koning zich alleen over zijn dooden zoon bekommerde, en het hem zou afvallen. [Lees den kinderen 2 Sai?i. XIX : 1—8 voor^\ Toen zonden de inwoners van Jeruzalem tot David het verzoek tot hen terug te keeren ; en toen hij en zijne volgelingen langs denzelfden weg kwamen, dien zij kort te voren weenende gegaan waren, kwamen vele vrienden hun te gemoet, om hunnen koning welkom te heeten. Onder dezen was ook Mephiboseth, wiens dienstknecht, Ziba, aan David gezegd had, dat hij tegen hem was. Nu kwam de waarheid aan het licht. (Lees vers 24—jo.) Wij lezen ook van een oud man, die David in het ongeluk zoo welwillend had behandeld. ( Vers 31, 32.) De koning wilde, dat Barzillaï met hem naar Jeruzalem zou terugkeeren. (33, 36.) Wilde Barzillaï dat doen ? Waarom niet? Hij waste oud geworden om zijne woonplaats te verlaten, maar hij verzocht of David zijnen zoon Chimham in zijne plaats met zich wilde nemen. Aldus werd het bepaald. [Lees vers J7—40.)

David keerde toen in vrede terug, naar zijn eigen huis te Jeruzalem, en gedurende eenige jaren na dien tijd schonk God hem vrede en de overwinning op zijne vijanden. Hij had nog vijanden, ofschoon zijn goddelooze zoon dood was. Een man, Seba geheetenr stond tegen hem op en bracht een leger op de been, waarmede hij het koningschap voor zich zocht te verkrijgen ; maar spoedig werd hij door Joabr 's konings veldoverste, onderworpen. Vervolgens kwamen Davids oude vijanden, de Philistijnen, tegen hem op; onder hen waren vier reuzen, zonen van Goliath, dien David, toen hij nog een jongeling was, met een steen uit zijnen slinger gedood had; maar zij vielen allen door de hand van Davids knechten.

Na deze overwinningen schreef David eenige dier Psalmen tot dank en lof aan God, die wij bij onze godsdienstoefeningen vaak zingen. De i8(,e werd in dien tijd geschreven en wij vinden dezen ook opgeteekend in hoofdst. XXII van het 2(,e Boek van Sam. {Lees er eenige verzen van voor.) Gij ziet, dat David niet zeide: „Ik ben zoo bekwaam en zoo sterk,quot; enz. Zoo moeten wij ook altijd bedenken, dat, zoo wij sterk en


ocr page 173

bekwaam zijn, zoo wij iets beter kunnen doen dan anderen, wij dit niet vermogen door eigen kracht, maar dat het eene gave Gods is, zoodat er niets is, waarop wij ons kunnen verheffen. {Opheldering. — Zoudt gij het niet dwaas vinden een bedelaar te hooren snoeven, zeggende meer dan een ander ontva7igen te hehhen .lt;gt;]

Zoolang David dus nederig en dankbaar bleef, ging alles met hem goed; maar wij zullen zien, dat de volgende moeielijkheid, waarin hij geraakte, ontstond, doordat hij te veel aan aard-sche macht en grootheid dacht. Wij zullen het verhaal hiervan lezen in het Boek der Kronieken. Een kroniek is een opgeschreven geschiedverhaal. De twee Boeken der Kronieken bevatten gelijktijdige gebeurtenissen als in de Boeken van Samuel en der Koningen worden verhaald, zoodat wij die geschiedenissen in een van beiden lezen kunnen. Zij zijn waarschijnlijk door verschillende personen opgeteekend, zoodat wij somtijds meer leeren door nu eens in het eene, dan weer in het andere te lezen. Evenals wij ook eene vollediger kennis van het leven van Jezus krijgen door de vier Evangeliën te lezen, dan zoo er slechts éen was. Lees nu I Kron. XXI : i. Wie stond tegen Israel op ? Waartoe zette hij David aan ? Dat wil zeggen dat Satan onheil over het volk brengen wilde, en David verzocht en dwong zijn volk te tellen. Nu zult gij zien wat Joab van het plan der volkstelling dacht. [Lees vers 2—7.) Wenschte Joab het volk te tellen? Joab wist, op de eene of andere wijze, dat het den Heere mishagen zou. Wij weten niet juist, waarom God die volkstelling niet wilde, maar het is waarschijnlijk dat David meer op het aantal zijner onderdanen dan op God vertrouwde. In elk geval zien wij, dat ze den Heere mishaagde. Zie nu, wat er gebeurde. Lees vers 8 —12. Wat zeide David? Wij zien altijd dat, als David gezondigd had, hij bereid was zijne schuld te belijden. Hij was niet te hoovaardig om zich voor God te vernederen en berouw te toonen over zijn misdrijf. Zoo moeten ook wij doen. God wilde hem vergiffenis schenken, maar toch zou hij gestraft worden. Een van drie dingen zou over hem komen. Welke waren zij? Wat is een hongersnood ? Pest, ziekte. Dit alles was zeer vreeselijk. David wist nauwelijks, wat hij kiezen zou. Zie, wat hij zeide. Lees vers 13, 14. Wat koos hij? Niet in de handen der menschen te vallen wil zeggen : niet voor zijne vijanden te moeten vluchten. Hij wist, hoe wreed Saul jegens hem geweest was — hij was zeker, dat hij en zijn volk niet zooveel zouden te lijden hebben, zoo God eenig kwaad over hen bracht, als van hetgeen hunne vijanden over hen brengen zouden. Hoe velen stierven er aan die ziekte? Het schijnt eerst hard, dat zij moesten lijden voor hetgeen David misdreven had, maar wij lezen in een ander hoofdstuk, dat het volk God had gehoond door zijne zonden, zoodat het daarvoor werd gestraft, en niet alleen om Davids zonde. En zelfs in Zijnen toorn ontfermde de Heere zich over Zijn volk.

Lees vers 15. Wat zeide God tot den engel? Waar stond hij stil? Nu zal ik u voorlezen, wat David deed. [Lees vers 16—21.) David en zijne oudsten waren met zakken omgord, ten teeken van hun berouw. Wat bad David? Zij zagen den engel met zijn uitgetogen zwaard — gevoelden het hoe vreeselijk Gods gramschap was. Wat werd David bevolen te doen? Het altaar was bestemd om offeranden te offeren, opdat hunne zonden mochten vergeven worden. Den menschen werd altijd gezegd een offer te brengen, zoo zij vergiffenis wilden ontvangen — niet dat de dood van een lam, een os, enz. de zonde kan wegnemen, maar het was eene zinnebeeldige voorstelling — waarvan ? Ja, van den dood van Christus, de eenige ware offerande. Lees vers 22, 23. Wat vroeg David aan Ornan ? Wat antwoordde hij? Eene vrijwillige en goede gift, maar denkt gij dat David die wilde aannemen ? Lees vers 24, 25. Vindt gij het vreemd, dat David hetgeen voor de offerande van noode was, niet wilde aannemen.


ocr page 174

152

omdat het hem gegeven werd? Hij wist dat het dan geene gave aan God zijn zou van hem zeiven. [Opheldering, — Twee knapen geven hunne penningen in de bns voor de zending; de een vraagt ze daartoe aan zijne moeder, de ander neemt ze van zijne spaarpenningen. Welke is hier de beste gave?} En zoo is het niet alleen met het geven van geld, maar alles, wat wij voor God doen, moet iets zijn, dat tijd, moeite, opoffering kost, niet slechts dat, wat gemakkelijk valt; en zoo kan het alleen Gode welgevallig zijn. Hoeveel gaf David ? Eene zeer groote som gelds, maar zij werd bereidvaardig gegeven. Lees vers 26, 27. Gaf God een antwoord op Davids gebed? Hij zond vuur van den hemel, ten teeken, dat het offer Hem welbehagelijk was. quot;Wat beval de Heere den engel te doen?

Dat tellen van het volk leert ons drie dingen. 1. Hoe streng wij moeten achtgeven, om ons af te houden van hetgeen tot de zonde leidt; hoe spoedig nemen wij een raad aan, als een vriend tot ons zegt: „Mij dunkt, dat het beter zijn zou, dit of dat zoo niet te doen.quot; 2. De zonden, zelfs die van brave menschen, worden altijd gestraft. 3. Hoe gaarne God hun vergeeft, die een oprecht berouw over hunne zonden hebben.


LES LXX.

Vrijwillige Offers.

Tc leeren: 2 Cor. IX : 7; Gez. 60 : I

Herhaling van de vorige les. — Wquot;aar keerde David terug, toen Absalom dood was ? Wie kwamen hem te gemoet ? Weet gij nog den naam van den zoon van Saul, die zich onder hen bevond? Wat had Ziba, Mephiboseths knecht, aangaande zijn meester gezegd? Was dat waar? Wie verwekte later een opstand tegen David ? Slaagde hij of niet? Welke oude vijanden deden hun weder den oorlog aan? Welke reuzen waren onder hen? Schonk God aan David de overwinning? Wat deed David kort daarna, hetgeen aan God mishaagde? Wie waarschuwde hem, dat het misschien niet aan God welbehagelijk was ? Wilde David naar Joab luisteren? Wat zeide God tot hem? Welke straf koos David? Hoevelen stierven er aan de pest ? Waar beval God den engel op te houden ? Wie zag den engel? Wat had hij in zijne hand? Wat beval God aan David te doen? Van wien wilde hij datgene koopen, wat voor het offer noodig was ? Wat zeide Ornan? Wilde David dit als eene gift aannemen ? Waarom niet? Wat leert ons het gelezene ? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

Toen het offer op den dorschvloer van Ornan gebracht was, ontving de engel het bevel zijn vernielingswerk te staken — de pest hield op. Een beeld (zooals alle offers zijn) van de wijze, waarop de dood van Christus de straf der zonde wegnam voor allen, die in Hem gelooven. Dit was Davids laatste bezoeking. I-iet einde van zijn leven naderde en die laatste dagen werden niet meer verduisterd door eene wolk van zonde en verdriet; maar hem was nog een werk overgebleven — niet door God hem opgelegd, maar uit eigen wil door David ondernomen — uit liefde tot zijnen Heere. Herinnert gij u nog wat hij had willen bouwen, eenige jaren te voren? Ja, een tempel, een huis Gods. De Israëlieten hielden nog altijd hunne godsdienstoefening in den tabernakel (tent), zooals ten tijde van Mozes in de woestijn werd opgericht. David gevoelde dat er voor den dienst van God een schoon huis moest zijn — wenschte het zelf te doen bouwen. Maar vergunde God het hem? Wie, zeide Hij, zou het na


ocr page 175

153

hem bouwen ? David gehoorzaamde altijd aan het woord van God — dacht «r niet aan tegen Zijnen wil te handelen, maar toch was er iets, dat hij doen kon. Wij zullen zien, wat dit was.

Lees I Kron. XXII : 5. Hoe, zeide hij, moest het huis zijn? „Tot heerlijkheidquot; wil zeggen: schoon — hij mocht het niet bouwen, maar wat deed hij ? Zie eens, welke reden hij aan Salomo geeft, waarom hij het niet mocht bouwen ! Lees vers 6—8. Welke was de reden ? David was het niet waardig den tempel te bouwen, omdat hij te veel bloed vergoten had. Het was wel eene groote teleurstelling voor hem, maar hoe geduldig verdroeg hij haar! Hoe nederig deelde hij zijn zoon de reden mede en belastte hij hem met dat werk ! \Lees den kinderen vers g—16 voor.} Het woord „Salomoquot; beteekent „vreedzaamquot;. Welke groote toebereidselen had David gemaakt! Goud, zilver, koper, ijzer, hout, steen! Bovendien was het volk bereid het werk te verrichten. Er bleef Salomo niets te doen over dan hen aan het werk te zetten. Waarom had David zich al die moeite gegeven — waarom zooveel van zijne eigen rijkdommen afgestaan, daar hij toch nimmer het genoegen hebben zou den tempel voltooid te zien? Hierin ziet gij, dat hij God liefhad — dat hij verlangde een schoo-nen tempel voor Zijn dienst te hebben, al zou hij dien zelf nimmer zien. Hij was verheugd alles te doen, wat hij kon, ofschoon hij alles niet doen kon, wat hij gaarne zou gedaan hebben. {Hoe geheel verschillend van den geest van sommige kinderen, die, zoo hunne ouders of onderwijzers hun 7iiet de leiding van een werkplan of van een spel opdragen, weigeren daaraan mede te doen. Zij willen daaraan niet deel-nemen, als zij niet de eersten zijn. Zij willen niet spelen, zoo zij hun eigen zin niet kunnen volgen?)

Maar ofschoon David zulk een groo-ten voorraad van bouwstoffen had opgelegd, dacht hij dat er nog meer noodig was om den tempel zoo fraai te maken, als hij wenschte, en eveneens wilde hij er niet allen den naam of het genoegen van hebben door alles te geven, daarom zullen wij zien wier hulp hij inriep. Lees 1 Kron. XXIX : 1, 2. Waarom zeide hij dat het werk groot was ? Het beste, dat wij hebben, moeten wij aan God geven, en dat had David gedaan. Wat wordt er nog in vers 2 opgenoemd, behalve datgene, waarvan wij reeds hierboven spraken? Fonkelende of veelkleurige steenen — bovendien marmer voor de buitenmuren. Het volgende vers zegt ons hoeveel welgevallen David aan het huis zijns Gods had. Lees het voor. Waardoor werd hij gedreven dit huis zoo schoon te maken? Omdat hij God liefhad — niets te goed achtte voor Zijnen dienst. Lees vers 5. „Wie is er willig, heden zijne hand den Heere te vullen?quot; dat is: zijn geld, zijne bekwaamheid in het vervaardigen van voorwerpen, enz. aan God af te staan. Nu zullen wij zien, of het volk bereid was, om mede te helpen, of dat zij zeiden: „De koning heeft zooveel gegeven, dat wij niets behoeven te geven.quot; Lees vers 6—8. Hoeveel goud, zilver, koper, ijzer gaven zij ? Wat nog bovendien? Stel u voor, hoe het volk toestroomde — met hunne schatten in de hand — de rijken met hunnen grooten voorraad, maar niet dezen alleen — elk gaf, wat hij kon; en werd het met blijdschap of met weerzin gegeven? Zie vers 9. Er was geluk in aller hart — blijdschap op elks gelaat — het was hun een vermaak hun goud, zilver en edelgesteenten te geven En wie verblijdde zich ook? De oude koning verblijdde zich, het volk zoo bereidwillig van het hunne te zien geven; hij was dankbaar dat zij het huis van God zoo op prijs stelden, en de gedachte aan dien fraaien tempel, al zou hij dezen nimmer zien, verheugde hem.

Ik zal u de woorden voorlezen, waarmede David de schatten den Heere aanbood en Hem dankte. {Lees den kinderen vers 10—15 voor.] David was niet trotsch op hetgeen hij en zijn volk gegeven hadden. Hij wist dat al hun goud on zilver en edele steenen gaven waren van God. Zij werden Hem slechts teruggegeven als Zijn eigendom. Konden zij


ocr page 176

152

omdat het hem gegeven werd? Hij wist dat het dan geene gave aan God zijn zou van hein zeiven. [Opheldering. — Twee knapen geven hunne penningen in de bus voor de zending; de een vraagt ze daartoe aan zijne moeder^ de ander neemt ze van zijne spaarpenningen. Welke is hier de beste gave?] En zoo is het niet alleen met het geven van geld, maar alles, wat wij voor God doen, moet iets zijn, dat tijd, moeite, opoffering kost, niet slechts dat, wat gemakkelijk valt; en zoo kan het alleen Gode welgevallig zijn. Hoeveel gaf David ? Eene zeer groote som gelds, maar zij werd bereidvaardig gegeven. Lees vers 26, 2;. Gaf God een ant-

LES

Tc leeren: 2 Cor.

Herhaling van de vorige les. — Waar keerde David terug, toen Absalom dood was ? Wie kwamen hem te gemoet ? Weet gij nog den naam van den zoon van Saul, die zich onder hen bevond? Wat had Ziba, Mephiboseths knecht, aangaande zijn meester gezegd? Was dat waar? Wie verwekte later een opstand tegen David ? Slaagde hij of niet? Welke oude vijanden deden hun weder den oorlog aan ? Welke reuzen waren onder hen? Schonk God aan David de overwinning? Wat deed David kort daarna, hetgeen aan God mishaagde? Wie waarschuwde hem, dat

SCHETS VJ

Toen het offer op den dorschvloer van Ornan gebracht was, ontving de engel het bevel zijn vernielingswerk te staken — de pest hield op. Een beeld (zooals alle offers zijn) van de wijze, waarop de dood van Christus de straf der zonde wegnam voor allen, die in Hem gelooven. Dit was Davids laatste bezoeking. Het einde van zijn leven naderde en die laatste dagen werden niet meer verduisterd door eene wolk van zonde en verdriet; maar hem was nog een werk overgebleven — niet door God woord op Davids gebed? Hij zond vuur van den hemel, ten teeken, dat het offer Hem welbehagelijk was. Wat beval de Heere den engel te doen?

Dat tellen van het volk leert ons drie dingen. 1. Hoe streng wij moeten achtgeven, om ons af te houden van hetgeen tot de zonde leidt; hoe spoedig nemen wij een raad aan, als een vriend tot ons zegt: „Mij dunkt, dat het beter zijn zou, dit of dat zoo niet te doen.quot; 2. De zonden, zelfs die van brave menschen, worden altijd gestraft. 3. Hoe gaarne God hun vergeeft, die een oprecht berouw over hunne zonden hebben.

LXX.

Offers.

IX : 7; Gcz. 60 : 8.

het misschien niet aan God welbehagelijk was ? Wilde David naar Joab luisteren? Wat zeide God tot hem? Welke straf koos David ? Hoevelen stierven er aan de pest ? Waar bevai God den engel op te houden ? Wie zag den engel? Wat had hij in zijne hand? Wat beval God aan David te doen? Van wien wilde hij datgene koopen, wat voor het offer noodig was ? Wat zeide Ornan ? Wilde David dit als eene gift aannemen ? Waarom niet? Wat leert ons het gelezene ? Herhaal tekst en versje.

I DE LES.

hem opgelegd, maar uit eigen wil door David ondernomen — uit liefde tot zijnen Heere. Herinnert gij u nog wat hij had willen bouwen, eenige jaren te voren? Ja, een tempel, een huis Gods. De Israëlieten hielden nog altijd hunne godsdienstoefening in den tabernakel (tenr), zooals ten tijde van Mozes in de woestijn werd opgericht. David gevoelde dat er voor den dienst van God een schoon huis moest zijn — wenschte het zelf te doen bouwen. Maar vergunde God het hem? Wie, zeide Hij, zou het na


ocr page 177

153

hem bouwen ? David gehoorzaamde altijd aan het woord van God — dacht «r niet aan tegen Zijnen wil te handelen, maar toch was er iets, dat hij doen kon. Wij zullen zien, wat dit was.

Lees I Kron. XXII : 5. Hoe, zeide hij, moest het huis zijn? „Tot heerlijkheidquot; wil zeggen: schoon — hij mocht het niet bouwen, maar wat deed hij ? Zie eens, welke reden hij aan Salomo geeft, waarom hij het niet mocht bouwen ! Lees vers 6—8. Welke was de reden ? David was het niet waardig den tempel te bouwen, omdat hij te veel bloed vergoten had. Het was wel eene groote teleurstelling voor hem, maar hoe geduldig verdroeg hij haar! Hoe nederig deelde hij zijn zoon de reden mede en belastte hij hem met dat werk! \Lees den kinderen vers g—16 voor.] Het woord „Salomoquot; beteekent „vreedzaamquot;. Welke groote toebereidselen had David gemaakt! Goud, zilver, koper, ijzer, hout, steen! Bovendien was het volk bereid het werk te verrichten. Er bleef Salomo niets te doen over dan hen aan het werk te zetten. Waarom had David zich al die moeite gegeven — waarom zooveel van zijne eigen rijkdommen afgestaan, daar hij toch nimmer het genoegen hebben zou den tempel voltooid te zien? Hierin ziet gij, dat hij God liefhad — dat hij verlangde een schoo-nen tempel voor Zijn dienst te hebben, al zou hij dien zelf nimmer zien. Hij was verheugd alles te doen, wat hij kon, ofschoon hij alles niet doen kon, wat hij gaarne zou gedaan hebben. [Hoe geheel verschillend van den geest van sommige kinderen, die, zoo hunne on-ders of onderwijzers hun niet de leiding van een werkplan of van een spel opdragen, weigeren daaraan mede te doen. Zij willen daaraan niet deelnemen, als zij niet de eersten zijn. Zij willen niet spelen, zoo zij hun eigen zin niet kunnen volgen.)

Maar ofschoon David zulk een groo-ten voorraad van bouwstoffen had opgelegd, dacht hij dat er nog meer noodig was om den tempel zoo fraai te maken, als hij wenschte, en eveneens wilde hij er niet allen den naam of het genoegen van hebben door alles te geven, daarom zullen wij zien wier hulp hij inriep. Lees 1 Kron. XXIX : 1, 2. Waarom zeide hij dat het werk groot was ? Het beste, dat wij hebben, moeten wij aan God geven, en dat had David gedaan. Wat wordt er nog in vers 2 opgenoemd, behalve datgene, waarvan wij reeds hierboven spraken? Fonkelende of veelkleurige steenen — bovendien marmer voor de buitenmuren. Het volgende vers zegt ons hoeveel welgevallen David aan het huis zijns Gods had. Lees het voor. Waardoor werd hij gedreven dit huis zoo schoon te maken? Omdat hij God liefhad — niets te goed achtte voor Zijnen dienst. Lees vers 5. „Wie is er willig, heden zijne hand den Heere te vullen?quot; dat is: zijn geld, zijne bekwaamheid in het vervaardigen van voorwerpen, enz. aan God af te staan. Nu zullen wij zien, of het volk bereid was, om mede te helpen, of dat zij zeiden: „De koning heeft zooveel gegeven, dat wij niets behoeven te geven.quot; Lees vers 6—8. Hoeveel goud, zilver, koper, ijzer gaven zij ? Wat nog bovendien ? Stel u voor, hoe het volk toestroomde — met hunne schatten in de hand — de rijken met hunnen grooten voorraad, maar niet dezen alleen — elk gaf, wat hij kon ; en werd het met blijdschap of met weerzin gegeven? Zie vers 9. Er was geluk in aller hart — blijdschap op elks gelaat — het was hun een vermaak hun goud, zilver en edelgesteenten te geven En wie verblijdde zich ook? De oude koning verblijdde zich, het volk zoo bereidwillig van het hunne te zien geven; hij was dankbaar dat zij het huis van God zoo op prijs stelden, en de gedachte aan dien fraaien tempel, al zou hij dezen nimmer zien, verheugde hem.

Ik zal u de woorden voorlezen, waarmede David de schatten den Heere aan • bood en Hem dankte. {Lees den kinderen vers 10—/5 voor.] David was niet trotsch op hetgeen hij en zijn volk gegeven hadden. Hij wist dat al hun goud on zilver en edele steenen gaven waren van God. Zij werden Hem slechts teruggegeven als Zijn eigendom. Konden zij


ocr page 178

154

al die kostelijke gaven hebben, zoo Hij ze hun niet eerst gegeven had ? Daarom zeide hij, dat zij waren als vreemdelingen en bijwoners, het land doortrekkende en alles, wat zij op hunne reis hadden, was slechts geleend, en zij konden het niet met zich nemen. Gij weet dat het leven des menschen snel voorbijgaat. Een jaar schijnt bij den aanvang lang, maar als het verloopen is, hoe weinig kan men er zich dan van voorstellen! Hoe snel schijnt het voorbij te zijn gegaan ! En als ons leven tot zijn einde gekomen is, kunnen wij dan goud, of zilver, of kostbaarheden medenemen ? Hoeveel beter dus er nu een goed gebruik van te maken door ze tot den dienst van God af te staan! Lees vers 16, 17. Dit vers toont ons in welke wijze van geven God een welbehagen vindt. Waarin, staat er, heeft Hij een welgevallen? Dat is, als men geeft om Hem te behagen en omgeene andere reden. Zij hadden, bijvoorbeeld, kunnen geven om David genoegen te doen, of om geprezen te worden en te hooren zeggen, hoe goed zij waren ! {Ananias en Saphira werden tot de zonde van liegen gebracht door de he-

LES ] Het Einde van

Te leeren : Ps. XXI : 2,

Herhaling van de vorige les. — Wat had David wenschen te bouwen ? Waarom stond de Heere hem dit niet toe? Wie moest het doen? Wat beteekent het woord Salomo ? Wat deed David voor den bouw van den tempel ? Wien vroeg hij hem hierin te helpen ? Hielpen zij ? Deden zij het bereidwillig, of dachten zij dat het moest ? Hoe kwam het dat David en het volk zoo bereidwillig waren tot geven ? Ver-hoovaardigden zij zich op hunne gaven ? Wat zeide David in zijn gebed tot God, toen hij Hem de schatten aanbood ?

SCHETS v

Wij zagen in de voorgaande les,-hoe groot de schat was, dien David had bijeengebracht voor het huis des Heeren.

geerte om van de menschen geprezen te worden?)

Wij hebben vandaag heelwat geleerd over de rechte wijze van aan God te geven. 1. Wij moeten bereidwillig geven, om Hem te behagen. De liefde moet het beginsel onzer gaven zijn. 2. Zoo wij niet veel kunnen geven, moeten wij geven, wat wij kunnen. David zou gaarne den tempel zelf gebouwd hebben, maar toen hem dit ontzegd werd, zeide hij niet: „Indien ik God niet dienen kan op de wijze, die ik wil, wil ik Hem gansch niet dienen.quot; Dus gaven niet alleen hij en de rijken, maar wie nog meer? Ja, het geheele volk. 3. Wij moeten meteen nederig hartgevenr bedenkende dat wij al ons geld van God ontvangen hebben. Hoe kunnen wij aan God geven ? Door het bouwen en verbeteren van kerkgebouwen — door geld te geven aan de Zendings-vereenigingen, enz. Wij moeten al onzen tijd en al onze krachten geven, om langs verschillende wegen Gods werk te doen. Wij hebben twee vragen aan ons zeiven te doen, betreffende het geven. Zoo wij geven, waarom geven wij ? Zoo wij niet geven, waarom doen wij het niet?

Davids Leven.

7 onberijmd; Ps. 24 : 2.

Ja, dat alles van God kwam. Is dit niet waar met alles, wat wij in staat zijn voor God te doen? Waaraan worden wij dikwijls geroepen te geven? Hoe moeten wij geven? Ja, bereidwillig —♦ nederig — om aan God te behagen. Zoo wij niet veel kunnen geven, of niet op de wijze, als wij wel wenschten, wat moeten wij dan toch doen? Wat had David gaarne willen doen ? En toch deed hij, wat hij kon. Herhaal tekst en versje.

r DE LES.

Dit was echter niet het eenige, dat hij voor den tempel deed. Hij wist dat voor zulk een prachtig gebouw, als hij hoopte


ocr page 179

I55

dat verrijzen zou, veel menschen noodig zijn zouden om er het toezicht te houden, de offers gereed te maken, de lich' ten te ontsteken, die steeds brandende moesten blijven. God te loven door gezang en muziek. Aan dat alles dacht David. De mannen, daartoe noodig, waren er — allen uit éen stam. Weet gij uit welken ? Ja, allen uit dien der 3_evieten. [Lees den kinderen i Kr on. XXIII: 3—5 voor.] Acht en dertig duizend konden niet te gelijk gebruikt worden, zoodat David ze in afdeelingen of groepen verdeelde, van welke elk een bepaalden tijd in den tempel dienst doen zoude.

Maar er was nog eene andere zaak, waaraan gedacht moest worden — hoe moest de inrichting uit- en inwendig zijn ? Bij het bouwen van een huis of kerk wordt altijd een plan of teekening gemaakt, waarnaar het gebouw moet gemaakt worden. ( Voorbeeld.— Eene school moet hebben: een portaal, schoollokalen voor jongens en voor meisjes, speelplaats, enz, Eene kerk moet hebben een schip, koor, toren, vleugels, enz. Van dit alles te zamen wordt eerst teekening gemaakt?) Hij, die zulk een plan maakt, heet architect (bouwmeester.) David zou de architect van den tempel kunnen genoemd worden, maar hij tee-kende dit plan niet naar zijne eigen gedachte. Lees 1 Kron. XXVIII: 11, 12. Waarvan gaf hij hem voorbeelden ? De tempel moest niet alleen eene plaats zijn voor de offeranden en de aanbid-ding (gelijk de tabernakel), maar hij moest kamers hebben, die er omheen gebouwd waren — voorhoven, schatkamers, die kamers, om er de schatten van den tempel te bewaren. Hoe wist David het beste middel om het plan van dit gebouw te maken ? Zie vers 12. „Door den Geestquot; wil zeggen: door God onderwezen. \Lees den kinderen vers ig voor.] Wien had God eens te voren geleerd, hoe een huis voor Zijn dienst moest ingericht worden ? Ja, Mozes; zoo onderwees Hij nu David.

Eindelijk waren al Davids toebereidselen voor den tempel volbracht. Zijn einde naderde. Hij wist dat hij niet veel langer leven kon. Hij riep zijn volk bijeen; | eene groote samenkomst. Laat ons zien,, wat hij tot hen sprak. Zie 1 Kron. XXVIII : 1. Welk eene menigte was daar bijeen! Al zijne veldoversten en regenten — allen „kloeke mannen.quot; De oude koning op zijn troon. Allen luisterden aandachtig, om te hooren, wat hij te zeggen had. Toen stond David op. Lees vers 2—4. Waarvan sprak hij het eerst? Zeide hun ronduit, waarom hij den tempel niet had mogen bouwen — hoe God hem tot koning gekozen had.. Toen deelde hij hun mede, wie zijn opvolger zijn zou. Lees vers 5. Gij ziet,, dat David in alles Gods leiding volgde — koos zelf niet wie zijner zonen koning zijn zou. God had hem aangaande dien zoon eene belofte gegeven. {Lees vers 6, 7.) En toen sprak David eenige woorden van goeden raad tot Salomo en het geheele volk. [Lees vers 8, g.) Gij herinnert u dat Mozes en Jozua elk vele wijze woorden voor zijnen dood tot de Israelieten gesproken hadden. Hoeveel beter zou het voor hen geweest zijn, zoo de Israelieten daaraan gedacht en er naar gehandeld hadden! De woorden van David tot zijn zoon bevatten eene waarschuwing en eene belofte. Welke was de belofte? Welke de waarschuwing ? Gij ziet dat hij Salomo vermaande God met „een volkomen hartquot; te dienen, dat wil zeggen in oprechtheid — niet slechts met den ui terlij ken schijn. Kunnen wij God bedriegen ? Waarom niet? Hij ziet in het hart — ziet wat men in waarheid meent. [Onderwijzers kunnen het gedrag van een kind slechts in de school zien, maar God kan dit ten allen tijde, of het zich goed gedraagt, omdat het zijn plicht is, of omdat het wenscht eene belooning te ontvangen of straf te ontgaanï)

Wij zullen verder in 1 Kon. II nog, meer vinden van den raad, dien hij aan Salomo gaf. Lees vers 1, 2. Wat beval hij Salomo te doen ? Salomo was op dien tijd nog zeer jong — misschien geene twintig jaren — zou over een groot rijk moeten regeeren — wetten moeten maken — en moest daarom wijs en voorzichtig zijn. Hij zeide: „Wees een man.quot; Wat wil dat zeggen? Somtijds


ocr page 180

denken jongens, dat het zeer manlijk is niet meer naar de kerk te gaan — met slecht gezelschap te verkeeren — de herberg te bezoeken, kortom, te doen wat hun goed dunkt, hetzij goed of kwaad! Zij denken te oud te zijn om aan onderwijzers of ouders te gehoorzamen. Dit is niet echt manlijk, het is een slaaf zijn van den duivel — van trotschheid, eigenzinnigheid, enz. Bedenk dat God den mensch schiep naar Zijn eigen beeld, dus is een echt man hij, die sterk en vrij is om het goede te doen — zich door slechte raadgevers niet van den rechten weg laat afbrengen — door vrees of schrik zich niet op den slechten weg laat voeren — die voor de wereld den dienst van God kiestj en vrijwillig er aan getrouw blijft. Zulk een man wenschte David dat Salomo zijn zou. Bovendien herinnerde hij hem, dat hij niet alleen stond, zonder gids of onderwijzer, om hem te helpen. Lees vers 3. Welke geschreven wet had hij? Juist de weinige eerste boeken van den Bijbel. Zij zouden hem leeren, hoe hij zijn volk met wijsheid moest regeeren. {Gelijk een reiziger, die eene lange reis onderneemt — zich van eene reiskaart voorziet, om hem den hesten weg aan te wijzen — of als een zeekapitein, die de noodige zeekaarten gebruikt om zijn koers goed te nemen?) Salomo had, in vergelijking van ons, een zeer klein gedeelte van Gods quot;Woord, maar zoo hij slechts volgde, wat hij had, zou het hem op den goeden weg leiden. (Verhaal de geschiedenis van e*n heidenhoofdman, die een blad van den Bijbel, in zijne taal geschreven, opraapte, waarop het vierde gebod stond. Hij wist niets anders, maar thuisgekomen, gaf hij zijn volk een rustdag en begon met hen God te bidden, dien zij niet kenden, om hem meer te leeren. Na eenige jaren kwamen er zendelingen |

in die landstreek, die hun de volle waarheid verkondigden, en zij werden allen Christenen.) Ziehier eene vraag voor ons ter beantwoording: Handelen wij naar hetgeen wij weten ?

Hier is nog eene belofte, die God aan David gegeven had. Lees vers 4. Wat wil dat zeggen? Juist, dat het koninkrijk zou overgaan op Davids kinderen, indien — wat? Vervolgens gaf David zijnen zoon eenige raadgevingen aangaande eenige gevaarlijke mannen, die hij zorgvuldig moest gadeslaan, opdat zij geene onlusten of eenig ander onheil mochten verwekken; en toen had hij, vóór hij stierf, de voldoening zijn zoon koning te zien maken. \Lees den kinderen 1 Kr on. XXIX : 23—27 voor.\ Hoeveel jaren was David koning geweest ? Lees vers 28.

Zie nu eenige oogenblikken terug op Davids leven. Wat al wisselingen had hij doorgemaakt! Wat was hij eerst? Wanneer liet hij het herdersleven geheel varen ? Hoe kort daarna werd liij door Sauls jaloerschheid van het hof verdreven ! Wat al treurige jaren van omzwerving en vervolging door den koning ! Hoe gedroeg hij zich jegens Saul ? Toen tot koning verheven. Zijn geheele leven geeft ons éene les — hij klemde zich vast aan God — vertrouwde op Hem, en daarom hielp en zegende God hem. Eens verviel hij tot groote zonde, en door deze tot eene andere — maar toch werd hij niet verworpen, omdat hij oprecht berouw betoonde. In al de Psalmen, hoofdzakelijk door David geschreven, zult gij vele gebeden vinden om schuldvergiffenis, vele woorden van smart over begane zonde — en vele dankgebeden, voor Gods goedheid. Laat ons ook trachten ons geheele leven dóór tot God op te zien — zoo zal Hij ons zegenen en beveiligen tot aan het einde.


ocr page 181

57

LES LXXII.

Bene wijze Keuze.

Te leeren: Jac. 1:5; Gez. 79 : 2.

Herhaling van de vorige les, — Welke waren Davids laatste toebereidselen voor den tempel? Tot welk einde waren er mannen noodig ? Uit welken stam moesten zij gekozen worden? Wat gaf David aan Salomo om hem te wijzen, hoe de tempel gebouwd moest worden ? Waren die plannen naar Davids eigen denkbeelden ? Wie leerde ze hem ? Wien was het vroeger geleerd, hoe een huis voor God te bouwen ? Hoe werd dat huis genoemd ? Wie riep David te zamen, toen al zijne plannen en voorbereiding voor den tempel voltooid waren? Weet gij ook eene der raadgevingen, die hij hun gaf? Wie hadden het volk vroeger ook wijzen raad gegeven voor hun dood? Had het volk er acht op geslagen ? Werd Salomo tot koning aangesteld vóór of na zijns vaders dood? Hoeveel jaren had David over de Israelieten geregeerd? Noem mij eenige der wisselingen, die hij ondervonden had. Was zijn leven geheel vreugde of geheel verdriet geweest ? Waardoor had hij steeds Gods zegen ondervonden? Hoe keerde hij tot God weder, na gezondigd te hebben? Juist, met een oprecht berouw. In welke zijner geschriften vinden wij duidelijk zijn berouw over de zonde opgeteekend ? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

David was gestorven. Salomo stond alleen om over al de stammen van Israel te regeeren, zonder zijns vaders wijzen raad tot hulp. Was hij jong of oud, toen hij begon te regeeren ? Ja, nog zeer jong, zeker niet ouder dan twintig, anderen meenen slechts twaalf of veertien jaren. Welk een verlies voor een kind, zijn goeden vader of moeder te verliezen, als hij het leven gaat intreden! Een slecht begin is doorgaans de oorzaak van later even slecht te handelen. {Voorbeeld. — jEen knaap, die in een •winkel of hij een handwerk, een meisje, dat in een dienst geplaatst wordt, kleinen, zoo geen vader of moeder hun kan rade71, in slecht gezelschap geraken, zich in zaken steken, ïvaartoe zij niet bekwaam zijn — verliezen hunne gezondheid, of, wat nog erger is, hun goeden naam, omdat zij geen wijzc7i raadsman hadden?) Dus had Salomo eene moeielijke taak voor zich. Laat ons zien, hoe hij het aanlegde.

Lees 1 Kon. III : 3, 4. Dit was vóór de tempel gebouwd was, zoodat Salomo, zoowel als het volk, op bepaalde plaatsen offerden, „hoogtenquot; genaamd.

waarschijnlijk sommige heuveltoppen. Welke was de groote hooge plaats? Daar was de tabernakel. Hoeveel offers bracht David daar ? Dit was zeer goedr echter werden er wel brandoffers gebracht zonder ware liefde tot God te gevoelen, of Hem te gehoorzamen. ( Voorbeeld. — Toen Saul de kostbaarheden der Amalekieten achterhield, zooals hij zeide, om ze aan God te offeren; of als menschen, die ter kerk gaan, wel in schijn God dienen, maar God niet in waarheid liefhebben, en niet trachten He}n te behagen door va7i humie zo7ide7i af stand te doen?) Was de dienst van Salomo slechts schijn of oprecht? Ja, oprecht. Zie het eerste gedeelte van vers 3. Dat was een goed begin, en wij zullen zien, dat God hem zegende. Lees vers 5. Welk eene wondervolle belofte! Alles te hebben wat hij wilde! Wat zoudt gij denken, dat hij koos ? Zoudt gij denken zeer rijk te zijn, goud en zilver, paarden en rijtuigen, eene menigte bedienden te hebben? Menigeen zou dit gekozen hebben. Of la7ig te leve7i? Niemand wenscht te sterven — het is natuurlijk, gaarne jarenlang te


ocr page 182

leven, vooral voor een jongmensch, die pas de regeering aanvaard heeft. Of geëerd te worden, zoodat iedereen tegen hem opziet, goed van hem spreekt — nederig voor hem buigt — hem prijst? Dat hebben alle menschen gaarne. Of over zijne vijanden te zegevieren, hen te overwinnen, een machtig krijgsoverste te zijn ? Ook dit begeeren de meeste koningen. Maar Salomo vroeg niets van dat alles.

Zie, wat hij vraagde. Lees vers 6—8. Hoe noemde hij zich in het 7,,e vers ? Oij ziet dat hij zich niet op zijn koningschap verhoovaardigde — hij gevoelde zijne eigene zwakheid — wist dat hij veel wijsheid behoefde. Juist zij, die ge ene groote gedachte van zich zeiven Jiehben, zijn de beste regenten. Waarom vroeg hij? Hij wist, dat God hem een verstandig hart, die wijsheid, kon geven, welke hij noodig had om het volk te regee-ren. In vele gevallen moest de koning beslissen tusschen twee twistenden — boosdoeners straffen, enz. Zie nu, welk antwoord God hem gaf. Lees vers 10—13. Was Salomo's gebed Gode aangenaam ? Verhoorde Hij het? Gaf Hij hem nog iets bovendien ? Wat was dat ? Zoodat hij meer verwierf dan hij gevraagd had. En er was nog eene andere belofte, zoo hij in Gods wegen wilde wandelen, gelijk zijn vader gedaan had. Zie, wat dit was. Vers 14. Uwe dagen verlengen, d. i. hem een lang leven schenken. Zie, hoe goed God voor hem was ! Wijsheid — rijkdom — eer — dit alles werd hem beloofd, ook een lang leven, zoo hij den Heere wilde gehoorzaam zijn. Wij zullen zien, of hij deze laatste gave al dan niet ontving. De Heere schonk hem al die zegeningen, omdat zijne keuze Hem welbehagelijk was. Wat hij vroeg was niet slechts voor zich zeiven, het genot van rijkdom, enz., maar ook voor het welzijn van zijn volk — eene onbaatzuchtige keus, eene keus, welke toonde dat hij zijn plicht wenschte te doen. Lees vers 15. Wat vond hij? Hij was er zeker van, dat het hem van God toegeschikt was. Wat deed hij om zijne dankbaarheid te toonen? Straks zullen wij zien, dat God den jongen koning de gaven geschonken had naar Zijne belofte.

In hetzelfde hoofdstuk lezen wij een verhaal, hoe hij een zeer moeielijk geschil, dat vóór hem gebracht werd, besliste. [Lees den kinderen vers 16—27 voor of verhaal hun dit voorval?^ Salomo kon niet zeggen van wie het levende kind was ; wat deed hij dus ? De bedoeling was niet het kind te doo-den, maar hij gevoelde dat de ware moeder liever van haar kind afstand zou doen dan het in tweeën te zien slaan. Dit bleek ook. Welk een wijs middel had Salomo bedacht! Dit vond het volk ook, want lees vers 28. Nu zal ik u ook voorlezen, hoe God hem rijkdom en eer gaf, die Hij hem had beloofd. {Lees 1 Kon. IV: 21—23.) Salomo had eene groote huishouding, vele bedienden en opzichters om hem te bedienen, daartoe had hij zulk een grooten voorraad noodig. Hij had ook vele paarden en rijtuigen. [Vers 26—28.) Wij lezen in een ander hoofdstuk van het goud en de kostbaarheden, die hij bezat. [Hoofdst. X : 14—22.) Hoe fraai moet zijn gouden troon geweest zijn, met die twaalf gebeeldhouwde leeuwen op de treden! En hij had niet alleen goud, maar wat nog meer? Ja, zilver, ivoor, apen en pauwen. Hoe overvloedig had God dus Zijne beloften aan den jongen koning gehouden ! Ook leefde hij in vrede met al zijne vijanden. [Hoofdst. IV: 24, 25.)

Maar boven dat alles stond de gift der wijsheid, die hij uitsluitend gevraagd had. {Lees vers 20 tot het einde.) Wij hebben de Spreuken, den Prediker en het Hooglied van Salomo in den Bijbel, en door alle eeuwen heen zijn zij velen tot leering geweest. Zij zijn vol wijze gezegden, en wij zien uit vers 33, dat hij zeer veel wist van alles, wat door God geschapen is — boomen — bloemen — viervoetige dieren — vogels — visschen — insecten. Welk eene veelomvattende kennis! Somtijds bestudee-ren wijze mannen den aard en de namen van éene plant of diersoort en wij noemen hen zeer wijs — maar Salomo kende ze alle. Hield hij zijne kennis voor zich ? Dagelijks kwamen menschen


ocr page 183

159

hem hooren — vragen doen — door koningen van andere landen gezonden — Salomo was gereed allen te antwoorden.

Hoofdzakelijk kunnen wij twee lessen uit Salomo's eerste levensjaren trekken, i. Bid om wijsheid in uwe jeugd. Salomo was ook nog jong, zooals gij. Hij had vele vijanden — een koninkrijk om met wijsheid over te regeeren; door éene fout kon hij zijn koninkrijk, zelfs zijn leven verliezen. Herinner u eens hoe spoedig Saul den verkeerden weg was ingeslagen en daardoor Gods zegen verloor. Wij hebben ook vijanden — den duivel — de wereld — ons vleesch — die allen ons van den rechten weg trachten af te voeren. Wij hebben een koninkrijk, een kroon te verwerven — zijn erfgenamen gesteld, enz. Wanneer? Toch kunnen wij die erfenis door eigen schuld verbeuren. Vraag daarom om wijsheid, opdat gij voor afdwalen bewaard blij-vet. 2. Zie, hoe onbekrompen God Zijne beloften houdt. Salomo's rijkdom, eer, wijsheid waren gaven van God. Bedenk ook dat alles, wat wij hebben: gezondheid, voedsel, opvoeding, vrienden, een tehuis, Zijne gaven zijn. Zie voor alles tot Hem op — dank Hem voor Zijne goedheid — zie op de heerlijkheid, die Hij voor het leven na dit leven beloofd heeft.


LES LXXIIT.

Het Bouwen en Heiligen van den Tempel.

Te leeren: Ps. CXXXII : 8, 9 onberijmd; Ps. 116 : 7.

Herhaling van de vorige les. — Was Salomo jong of oud, toen hij de regeering aanvaardde ? Wie verscheen hem in een droom ? Waar was het ? Wat zeide de Heere? Waarom vroeg Salomo? Hoe sprak hij van zich zeiven ? Had God een welbehagen in zijn gebed ? Wat beloofde Hij hem bovendien te geven ? En wat zou Hij hem nog geven, indien Salomo Zijne wetten hield? Heeft de Heere Zijne belofte vervuld ? Met welke zaak kwamen twee vrouwen voor den koning ? Wat zeide elk van haar ? Kon de koning weten, wie de moeder was van het levende kind? Hoe ontdekte hij het ? Bewees Salomo zijne wijsheid nog op andere tijden? Welke boeken van den Bijbel heeft hij geschreven ? Wie kwamen hem dikwijls vragen voorleggen ? Over welke dingen sprak hij ? Wat vernemen wij aangaande zijne rijkdommen ? Had hij ook ruiters, wagenen en knechten? Voerde hij ook oorlog gedurende zijne regeering? God gaf hem dus niet alleen wat hij gevraagd had, maar wat nog meer ? Wil God ons ook wijsheid geven, zoo wij er Hem om vragen ? Heeft Hij ons ook andere beloften gedaan? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

Vandaag zullen wij lezen van Salomo's groote werk — het bouwen van den tempel. Wie had vooraf de meeste bouwstoffen verzameld, als steen, goud, zilver, enz. ? Juist, maar het hout voor de balken ontbrak nog. Niet van gewoon hout, maar van cederhout. Het moest komen van het gebergte Libanon, in het naburige koninkrijk Tyrus. Ik zal u voorlezen, hoe Salomo dit hout kreeg. \Lees den kinderen 1 Kon, V: 1—11 voor^\ Wat eene menigte werklieden om de ceders te vellen — ze tot het vervoeren over zee en verder naar Jeruzalem tot vlotten te maken — alles was gereed om het te ontvangen en op zijne plaats, den berg Moria, te brengen, waar de tempel gebouwd moest worden. Eindelijk was de arbeid begonnen. Wat wordt het eerst gemaakt bij het bouwen van een huis ? — het fondament. Daartoe werden groote steenen gebruikt.

Het volgende hoofdstuk beschrijft ons nauwkeurig, hoe de tempel gebouwd werd. Gelijk aan den tabernakel, maar tweemaal zoo groot. Eerst een voorhof voor het volk — een binnenhof voor de priesters. Vervolgens in den tempel twee dee-len. Het Heilige, waar de priesters dagelijks hunne brand- en reukoffers brachten.


ocr page 184

i6o

en het Heilige der Heiligen (hier de aanspraakplaats genoemd), waar de Hooge-priester slechts eenmaal 's jaars mocht binnengaan op den Grooten Verzoendag. Hierin moest de ark bewaard worden. quot;Weet gij, wat de ark was ? Gij weet dat de ark het zichtbaar teeken was van Gods tegenwoordigheid — door haar leidde Hij het volk door de woestijn — daarom verkreeg zij de voornaamste plaats in den tempel. Wij lezen dat alles in dit huis van God zoo schoon mogelijk gemaakt werd. {Lees hoofdst. VI: 22—35.) {Helder dit op door de eene of andere kerk, hij de kinderen hekend, niet haar heeld-houiv- eji schilderwerk.) Waarom werd dit alles zoo fraai gemaakt ? Juist, omdat het bestemd was voor den dienst van God. Wij moeten Hem het beste geven, dat wij hebben. Maar zoo wij al niet eene even schoone kerk bouwen, moeten wij er dan in het geheel geene hebben ? Zeker niet, wij moeten haar zoo ordelijk en schoon maken als wij kunnen. Wij zullen zien, dat het uitwendig schoon niet het eenige, zelfs niet het voornaamste is, waaraan wij bij het bouwen eener kerk moeten denken.

Eindelijk was het werk voltooid' — het huis gereed. Maar zou de dienst er in dadelijk beginnen? Neen. Hij moest gewijd worden voor zijn heilig doel. Zoo zullen wij nu lezen van hetgeen wij noemen kunnen : de inwijding van den tempel. Lees 1 Kon. VII : 51. Dit waren eenige kostbaarheden, die David voor zijnen dood had gereed gemaakt. Nu kwam de plechtige dag der heiliging of wijding. Lees 1 Kon. VIII : 1—4. Wie waren bijeen? Wat brachten zij? Wie droegen nu de ark ? Herinnert gij u nog, wat er gebeurde, toen David de ark van de eene plaats naar de andere liet vervoeren? Eene straf voor oneerbiedigheid. Maar nu gaf men beter acht. Niet zulk eene treurige vlek op hunne vreugde !

Toen werden er groote offers gebracht. Bij vreugde en leed beide brachten de Israelieten offeranden, omdat zij wisten dat al hunne aanbidding gepaard ging met zonde. En waarvan waren die offers eene voorstelling (type) ? Door die eenige ware offerande worden alle gebeden en alle aanbidding door God aangenomen. Lees vers 6. In het Heilige der Heiligen waren twee cherubs (engelen) aangebracht, met uitgespreide vleugelen, en hier moest de ark geplaatst worden. [Lees den kinderen vers 7—p voor.} Wat was er in de ark ? Wat bevond er zich vroeger nog meer in ? Aarons staf en de pot met manna. Wij weten niet wanneer of waarom deze werden weggenomen, maar wij weten dat het voornaamste er in was — de steenen tafelen, waarop God zelf de Tien Geboden geschreven had. Weet gij nog hoe God Zijne heerlijkheid in den tabernakel geopenbaard had, ten tijde van Mozes? Nu gaf Hij weder door hetzelfde teeken te kennen, dat de tempel Hem welgevallig was en Hij den dienst, Hem hier aangeboden, wilde aannemen.

Lees vers 10. Hoe blijde en in welke plechtige stemming moet het volk niel; geweest zijn! Die wolk op den tempel, te zien nederdalen — hem vervullen. Te gevoelen dat God bij hen was! Salomo sprak tot het volk, herinnerde hun hoe zijn vader dezen tempel had willen bouwen, maar dat het hem niet vergund was, en hoe de Heere hem daartoe had gekozen. En daarna deed hij een schoon gebed voor zich en voor het gansche volk, dat wij zullen voorlezen in 2 Kron. VI. Lees vers 12, 13. Let wel op, hoe eerbiedig Salomo was! Niet alleen stond hij, maar wat meer? Behooren wij ook te knielen, als wij bidden? Niet alleen Salomo, maar Jezus zelf geeft ons daartoe het voorbeeld. Leesvers 14. Gij ziet, dat Salomo begon met God te loven, dankte Hem voor Zijne goedheid voor hem en voor David zijnen vader. Zoo behooren ook wij God te loven en te danken. Zoo doen wij het in onze liederen bij de godsdienstoefening, als: „Geloofd zij God met diepst ontzag,quot; enz. Verder vroeg hij van God naar de gebeden te hooren, die in dezen tempel aan Hem zouden worden opgedragen. [Lees den kinderen vers ig—21 voorï\

Toen bad Salomo dat God al de gebeden hooren mocht, die daar in tijden van allerlei gevaar zouden worden opgezonden. In oorlogstijd {Vers 24, 25) — in


ocr page 185

i6i

voortdurende droogte, in tijden van ziekte en wanneer schadelijke insecten den oogst kwamen opeten. Hij bad God te hooren naar de smeekingen Zijns volks in deze plaats en hen te helpen. (Vers 26—31.) Salomo gedacht ook dat er vreemdelingen, heidenen, konden zijn, die in den waren God mochten leeren gelooven, besneden worden en zich bij het volk Gods aansluiten. Voor hen bad hij ook. (Vers 32, 33.) En eindelijk dacht hij er aan, dat de Israelieten te eeniger tijd gevankelijk konden worden weggevoerd, ver van hunnen fraaien tempel, en daarom bad hij, dat God hen in dat land der vreemdelingschap hooren mocht. (Vers 34—jp.) Hij eindigt zijn gebed met eenige verzen uit een der Psalmen zijns vaders. [Vers 40—einde.) Zie, hoe God op dit schoone gebed antwoordde. Lees 2 Kron. VII : 1—3. Vuur van den hemel — de heerlijkheid des Heeren vervulde het huis ! Welk een heerlijk en ontzagwekkend gezicht moet dat geweest zijn !

Let op drie punten in deze geschiedenis. 1. Waarom werd de tempel zoo prachtig gemaakt ? Ja, omdat hij bestemd was voor den dienst des Heeren. Niets is te goed voor Hem. 2. Wat overtrof al de heerlijkheid in dien tempel ? Gods tegenwoordigheid en zegen. Wij mogen geen zichtbaar teeken hebben Zijner tegenwoordigheid, maar wil Hij ook niet bij ons zijn in onze gebeden? Ja, want Christus heeft gezegd: (Matth. XVIII: 20.) „Waar twee of driequot;, enz. 3. Wij bidden, evenals Salomo, in onze kerken voor allen, die in lijden zijn.


LES LXXIV. Salomo's Zonde.

Te leeren : Luk. XII : 47 ; Ps. 139 : 14.

Herhaling van de vorige les. — Waarover hebben wij in onze laatste les gelezen ? David had daartoe alles voorbereid, behalve — wat? Weet gij nog van waar Salomo dat hout kreeg ? Welke soort van hout was het? Waren er veel werklieden voor noodig om de boomen te vellen, enz.? Waarop geleek de tempel ? Grooter of kleiner? Hos werd hij verfraaid? Waarom zoo fraai ? Begon de dienst dadelijk, nadat hij voltooid was? Wat eerst? Hebben wij ook iets dergelijks na het bouwen een er nieuwe kerk ? Hoe noemen wij dat? Wat werd geofferd? Wie hield eene toespraak tot het volk ? Waaraan herinnerde hij hen? Welk offer bracht Salomo? Stond of knielde Salomo get durende zijn gebed? Wat vroeg hij, da-God doen mocht ? Voor wie bad hij ? Was het alleen voor zijn eigen volk, of ook voor andere? Welk teeken gaf de Heere, om te toonen dat Hij dit gebed wilde verhooren ? Bidden wij ook in onze kerk voor hen, die in een of ander lijden verkeeren ? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

Na het bouwen van den tempel, Salomo's gebeden en Gods beloften, zoudt gij dan niet verwachten te hooren, dat hij gedurende zijn geheele leven God getrouw diende en zich gelukkig gevoelde, en, evenals zijn vader David, in hoogen ouderdom, zat van dagen, in rijkdom en eer, stierf? Ach, het was zoo niet! Gedurende vele jaren leefde hij in voorspoed. Toen hij het huis des Heeren voltooid had, bouwde hij voor zich een prachtig paleis. Alle volken in den omtrek bewonderden en vereerden hem. Velen

I kwamen van verre landen om zijne wijsheid te hooren. En echter, te midden van al dat uitwendig geluk, week Salomo meer en meer van God af. Laat ons zien, hoe dit kwam.

Lees 1 Kon. XI : 4. In die dagen mocht een man meer dan éene vrouw hebben, en Salomo had de zijne uit vele heidensche volken gekozen. In den beginne liet hij haar toe hare afgoden te aanbidden — later wisten zij hem waarschijnlijk te overreden, zich nu en dan met haar in die aanbidding te vereenigen


ocr page 186

102

en toen — deed hij ten laatste erger. Lees vers 5. Welke namen droegen die vreemde goden? Waarschijnlijk had Salomo den dienst van God niet geheel verlaten — het volgende vers zegt ons dat hij niet volhardde den Heere te volgen, zooals zijn vader David gedaan had. Hij schijnt getracht te hebben, beiden te aanbidden; maar zou God zulk eene aanbidding aannemen ? \Lees den kinderen Matth. V : 24 voor.] Wij moeten ons geheele hart aan God geven. Gij weet: niemand kan twee heeren te gelijk dienen, elk zou hem zijne eigene bevelen geven, hoe kan hij dan beiden gehoorzamen ? Zoo ook in den godsdienst. Welk gebod had Salomo overtreden ? Nog zijn er menschen, die het beproeven twee meesters te dienen: zij vestigen hunne aandacht geheel op vermaken of in de week op hun werk, en denken dat zij dat alles goed kunnen maken met des Zondags naar de kerk te gaan. Welk eene dwaze gedachte! Zij zouden zulk een dienst aan geen mensch willen aanbieden, hoe kunnen zij dan gelooven dat de Heere der Heeren dien zou aannemen ? (Dit kan opgehelderd worden door te wijzen op een soldaat, die in het leger der Koningin heeft dienst genomen en voor hare vijanden strijden zou?)

Maar Salomo ging zelfs verder in zijne afgoderij. Lees vers 7. Tegenover dien schoonen tempel des Heeren, dien hij met zooveel blijdschap gebouwd en met zulke plechtige gebeden geopend had, bouwde hij twee heidensche tempels. Wat moest het volk hiervan denken ? Hoe bedroefd en verlegen wat te gelooven, als zij hunnen koning, dien zij wisten zoo wijs te zijn, afgodstempels zagen bouwen en valsche goden dienen ! Moloch is dezelfde als Milchom, in vers 5 genoemd. En niet alleen deze twee, maar een ander en weer een ander voor de goden der vreemde vrouwen, die hij genomen had. Maar zie nu, wat de Heere zeide. Lees vers 9. Hoe goed was God voor Salomo geweest! Wat had hij Hem gegeven? Ja, wijsheid, rijkdom, eer, meer dan ooit iemand vóór of na hem. Hoe ondankbaar was Salomo geweest!

Er was eene straf voor deze groote zonde. Lees vers 11 —13. Wat zeide God, dat Hij doen zou? Zelfs nog in Zijnen toorn gedacht hij de belofte, aan David gedaan, en om zijnentwil zou hij het koninkrijk aan Salomo bij zijn leven niet ontnemen, maar wanneer? Welk gedeelte zou Hij hem laten behouden? Ongetwijfeld was dit zeer hard voor Salomo, maar wij weten niet, of hij berouw getoond heeft en tot God is teruggekeerd of niet. Rampen moesten hem nu treffen. In verschillende deelen van het land ontstond opstand en werd tegen hem gestreden. Een der aanleggers was door God verkozen, om na Salomo over tien der stammen van Israel koning te worden. \Lees den kinderen vers 26—38 zwr.] Jerobeam had groote beloften, maar er was eene voorwaarde aan verbonden. Wat was die? Spoedig zullen wij zien, of hij in Gods wegen wandelde, en daardoor de vervulling dier beloften ontving. Salomo was zeer toornig, toen hij vernam, wie koning zou worden. (Lees vers 40.) Maar zoudt gij gelooven, dat Grod Salomo zou toelaten hem te dooden, zoo Hij hem tot koning bestemd had? Het is tevergeefs tegen God te willen strijden. {Bedenk eens, hoe Her odes het kindeke Jezus dacht te dooden?) En nu zijn wij aan den dood van Salomo gekomen.

Lees vers 43. Weet gij wat God hem beloofd had, behalve wijsheid, rijkdom en eer, indien hij aan God gehoorzaam bleef, gelijk zijn vader David gedaan had? Juist, een lang leven. Maar had Salomo dit gedaan? Daarom is hij niet oud geworden. Hij was zeker niet ouder dan zestig jaar, toen hij stierf.

Weldra zien wij bevestigd, wat God gezegd had aangaande het koninkrijk. Lees hoofdst. XII : 1. Dit scheen dsof Rehabeam opeens over het geheele volk, zonder eenige moeielijkheid, koning zou worden. Maar lees verder vers 2—4. Wie werd geroepen? Jerobeam wierp zich niet als koning op. Hij kwam in den naam des volks tot Rehabeam. Wat zeide hij? Met het „zware jukquot; en den „harden dienstquot; van Salomo bedoelden zij het vele geld, enz., dat zij hadden moeten opbrengen voor zijn huis en huishouding, en op verschillende wijzen voor


ocr page 187

163

hem hadden moeten werken. (Verwijs naar hoofdst. IV : /j, 14 ; IX : 25, 23.) Indien Rehabeam die dienstbaarheid wilde verlichten, zou hij hun koning zijn. Nu zult gij hooren, wat hij zeide. {Lees vers 5—7.) Wien vroeg hij om raad ? Wat zeiden zij ? „Goede woorden sprekenquot; wil zeggen: „vriendelijk, voorkomend behandelen.quot; Dit was zeer verstandig. Hoeveel meer kunnen wij doen door goede dan door norsche woorden! Maar volgde Rehabeam hun raad ? (Lees vers 8—14.) Welk een dwazen raad gaven hem die jongelieden ! „Schorpioenenquot; be-teekent hier „harde zweepslagen.quot; Niet dat hij hen inderdaad slaan zou, maar hij zou niet minder streng, ja, strenger dan zijn vader zijn. Wij behoeven ons niet te verwonderen over hetgeen volgde. Lees vers 16, 17. Door dit dwaze gedrag verloor Rehabeam het geheele koninkrijk, behalve den stam van Juda en dien van Benjamin. Het was in zeker opzicht zijne eigen schuld, maar wij lezen dat God dit had toegelaten, om de zonde van Salomo, die zich tot de afgoden gekeerd en den Heere alleen niet gevolgd had.

Het is eene treurige geschiedenis, welke wij vandaag gelezen hebben — een verhaal van een meer en meer afwijken van God en Zijne straf. Het bevat twee waarschuwingen voor ons allen. 1. Waardoor werd Salomo tot het aanbidden van afgoden verleid ? Door zijne vreemde vrouwen. Zoo hij gehoorzaam geweest was aan de wet, in Deut. VII : 1—4 [lees dit voor) vervat, zou hij nooit tot de zonde vervallen zijn, die Gode zoo mishaagde. Ziehier den noodlottigen invloed van slechte makkers. {Een jongen of meisje, in de vreeze Gods opgevoed, gewoon geregeld ter kerk te gaan, te bidden, enz,, geraakt in kennis met onverschillige kinderen, ivordt langzamerhand hun gelijk, en maakt zoo het vermaak of het werk tot „zijn god,quot; door zich alleen daaraan over te geven in plaats van aan den dienst van God.) 2. Salomo's leven bevat eene bijzondere waarschuwing voor hen, die schrander, goed onderwezen zijn, enz. Een kind is er dikwijls trotsch op de eerste zijner klasse te zijn, prijzen te krijgen, enz. Maar bedenk: schranderheid is geene deugd. God verwacht meer van hen, die goed onderwezen zijn, dan van de onwetenden. Zij moeten als een licht zijn voor anderen, hen op den weg naar den hemel voortleiden. Hoe treurig, niets méér te zijn dan een wegwijzer, die alleen den weg aanwijst, maar dezen niet bewandelt!


LES LXXV. Ongehoorzaamheid en hare Straf.

Te_leeren: Deut. V : 29; Gez. 33 : 6.

hem

opr

van zijn

Herhaling van de vorige les. — Wat bouwde Salomo voor zich, na den tempel gebouwd te hebben ? Ja, een prachtig paleis. Bleef hij zijn geheele leven aan den dienst van God getrouw ? Wie verleidde hem ? Waartoe brachten zij hem ? Hij aanbad niet alleen de afgoden, maar wat deed hij nog meer? Kunt gij u de namen der goden herinneren, voor welke hij tempels bouwde? Welke geboden overtrad hij? Wat dacht de Heere van deze zonde? Hoe zeide Hij hem te zullen straften ? En toch gedacht Hij Zijne belofte aan David en daarom zeide Hij — wat? Wat had God aan

zoon ? Wat kwam het volk hem vragen? Wat antwoordde hij? Aan wien vroeg hij, gedurende de drie dagen, het eerst om raad? Wat rieden zij hem? Bij wie zocht hij daarna raad? Wat was hun raad? Welken der twee volgde hij ? Wat deed toen het volk ? Waarom gedoogde God, dat het koninkrijk verdeeld werd ? Hoe verviel Salomo tot de zonde der afgoderij ? Herhaal tekst en versje.

Salomo beloofd, aangaande een lang leven? Leefde hij tot in hoogen ouderdom ? Hoe oud werd hij? Wie stond tegen

? Hoe was de naam

ocr page 188

Ib4

SCHETS VAN DE LES.

Toen Rehabeam zag, dat zijn dwaas antwoord het volk van hem afkeerig had gemaakt, trachtte hij hen terug te doen keeren. Daartoe zond hij een zijner dienaren tot hen, Adoram genaamd. Maar zij wilden niet naar hem hooren

— het volk was zelfs zóo verbitterd, dat zij hem steenigden. Zij waren vast besloten Rehabeam te verwerpen en Jerobeam te kiezen, dien God te voren als hun koning had aangewezen. Ik zal u nu voorlezen, wat Rehabeam daarna deed. {Lees i Kon. XII : 21.) Hij dacht hen te beoorlogen en te overwinnen, en had zijn leger strijdvaardig. Maar hij werd teruggehouden. (Lees vers 22—24.) Rehabeam was dus verplicht zich te onderwerpen.

Van dien tijd af was het land verdeeld in twee koninkrijken : het koninkrijk Israel of der tien stammen, en het koninkrijk Juda, er twee bevattende. Wij zullen de geschiedenis van beiden nagaan. Bedenk wel, dat zij beiden aan God behoorden, en het op Zijn bevel was, door de zonde van Salomo, dat zij verdeeld waren. Wie was de eerste koning van Israel? Ja, Jerobeam. Eene moeielijkheid deed zich aan Jerobeam voor. Lees 1 Kon. XII : 26, 27. Wat dacht hij, dat gebeuren zou, indien zijn volk naar Jeruzalem ging om te aanbidden ? Dit scheen waarschijnlijk. Maar wat had hij in die moeielijkheid moeten doen? Juist, aan God, die hein koning gemaakt had, vragen hoe hij zijn koninkrijk kon behouden. Dat deed hij niet. Lees vers 28—30. Wat maakte hij ? Het was juist niet, dat het volk die gouden beelden moest aanbidden — maar God door hen. Was dat dan verkeerd? Ja, ook was het Jerobeams eigen plan — een godsdienst van zijn maaksel — door God niet geboden. Aldus werd het zonde

— leidde het volk van Gods eigen huis, den tempel te Jeruzalem, af. Jerobeam had nu ook priesters noodig voor dezen eeredienst. Al de geordende priesters waren te Jeruzalem; zoo zie nu, wat hij deed. Lees vers 31—33. God had bepaald, dat Zijne priesters zouden genomen worden — uit welken stam ? Evenwel beweerde Jerobeam God te aanbidden, koos priesters uit de „gering-sten des volksquot; — richtte een feest aan, dat de Heere niet bevolen had, en bracht zelfs een reukoffer, waardoor hij zich zeiven priester maakte. Er zijn menschen, die denken, dat, zoo lang zij God aanbidden, het er niet op aankomt hoe, het geen kwaad kan zich van anderen af te scheiden en een eigen godsdienst te maken. Zie, of God dit ook dacht.

Lees hoofdst. XIII: 1. Een gezant Gods werd naar Bethel gezonden. De koning was daar — het feest begonnen — de menigte stond rondom. Wie was die vreemde man ? Hij naderde den koning — sprak vrijmoedig. Ik zal u voorlezen, wat hij zeide. [Lees vers 2, 3.) Hij voorspelde dat een koning, Josia, menschenbeenderen op het altaar, waaraan Jerobeam zoo hechtte, verbranden zou — als wilde hij zeggen : „God wil dat reukoffer niet aannemen, ook niet dat willekeurig kiezen van uw eigen godsdienst.quot; Welk teek en t zeide hij, te zullen geven, dat zijne-woorden zouden tot waarheid komen r Jerobeam was zeer toornig — zijn groot feest door zulk eene voorspelling bedorven. Zie, wat hij zeide. Vers 4, 5. Wat beval hij het volk ? Wat gebeurde met zijne eigen hand? Stel u de blikken voor van hen, die rondom stonden 1 Toen nog iets vreeselijks. Wat gebeurde er plotseling met het altaar? Het werd vanéengescheurd — het offer viel op den grond. Een zeker teeken, dat God het niet wilde aannemen. Hoe ontsteld waren zij! Lees vers 6. Wat vroeg de koning aan den man Gods ? Deed hij het? Wat volgde? Hoe goed van God, die verdorde hand te herstellen ! Voorzeker zou Jerobeam zijn zondig werk nu opgeven! [Lees den kinderen vers 7—10 voor.'] Wat vroeg de koning den man Gods te doen? Wilde hij? Waarom niet? Hij was ongetwijfeld vermoeid en hongerig.


ocr page 189

lós

toch gehoorzaamde hij aan Gods bevel — hij deed wèl.

Maar spoedig kwam eene andere verzoeking. (Lees vers //—/7.) Een oud profeet woonde te Bethel. Zijne zonen namen deel aan de aanbidding, door den koning ingesteld. Wat hadden zij hem gezegd? Wat deed hij toen? Waar vond hij den man Gods van Juda ? Wat zeide hij tot hem ? Welk antwoord gaf de man Gods? Altijd nog getrouw en gehoorzaam aan Gods bevel, maar er kwam eene nieuwe beproeving. {Lees vers /5.) Wat zeide de oude profeet? Was dat waar? Wat had de man Gods moeten doen ? Ik zal u voorlezen, wat hij deed, en de gevolgen daarvan. {Vers ig—22,) Terwijl zij aan den maaltijd zateu, kwam het woord des Heeren tot den ouden profeet — wat was dat ? Hij zou niet in het graf zijner vaderen begraven worden — liij zou onderweg een onnatuurlijken dood sterven. Welk eene treurige tijding !

{Lees vers 23—32.) Wat ontmoette hem op den terugweg ? Wat had er plaats ? Doodde de leeuw den ezel ? Wie ging het lijk opzoeken? Hoe vreemd, den leeuw en den ezel daar bijeen te zien staan — het bewees duidelijk, dat het een oordeel Gods was. Wat deed de oude profeet? Wat verlangde hij van zijne zonen ? Hij schijnt waarlijk bedroefd te zijn geweest ovelden treurigen dood van den man Gods, maar wie was de oorzaak van zijn dood ? Zeker, hijzelf, door hem tot ongehoorzaamheid te verleiden. Hij wist niet, toen hij den man Gods vroeg met hem terug te keeren, wat er het einde van zijn zou, maar wel wist hij dat het niet goed was. Zoo wij een ander tot kwaad verleiden, kunnen wij niet weten op welke zonde en ellende het zal uitloopen. [Opheldering. — Een meisje haalt een ander er tot over ergens heen te gaan of iets te doen, dat hare moeder verboden heeftv en zegt: „Het kan voor êen keer geen kwaad.'''' Het meisje geeft toe, ontmoet slecht gezelschap, vervalt tot meer kwaad en komt misschien nimmer weder op den rechten weg terug. Een knaap vraagt een ander met hem naar het kofjiehnis te gaan, »slechts voor tensquot; — hij gaat — het bevalt hem — gaat weder, wordt een dronkaard!} Geen berouw kan het begane kwaad goed maken.

Voorzeker zou Jerobeam dit als eene waarschuwing, tot hem gericht, beschouwen. Lees vers 33, 34. Verliet hij zijnen boozen weg ? Wat beteekent het, dat het zijn huis tot zonde werd ? De straf volgde zeer spoedig. \Lees den kinderen hoofdst. XIV : 1—9, 11—18 voor^\ Stel den kinderen dit verhaal voor — het kind Abia ziek — de ouders zeer beangst — Jerobeam wil een der ware profeten vragen, wat gebeuren zou — schaamt zich, zelf te gaan. Wie zond hij ? Zij gaf voor eene arme vrouw te zijn. Maar wist Ahia, wie zij was ? Zelfs al was hij blind. Hoe wist hij het? Wat zeide hij? Geene straf voor Abia. (13.) Weggenomen vóór het kwaad kwam, dat komen zou — ingegaan in de rust van God. Wien trof de straf? Stierf het kind? Het volk weeklaagde, bedreef rouw — een bewijs, dat het kind geliefd en geëerd werd, al was het slechts een kind. Wij hebben heden twee voorbeelden van ongehoorzaamheid en hare straf gelezen — Jerobeam in zijne ongehoorzaamheid een godsdienst invoerende, welke van dien van God afweek — den man Gods in zijne, wij zouden zeggen, mindere ongehoorzaamheid, te Bethel etende en drinkende, in strijd met Gods bevel. Beiden zondig in Gods oog — beiden gestraft. Laat ons op deze waarschuwing acht geven!


ocr page 190

166

LES LXXVI.

Rehabeam en Abia.

Te leeren: Ps. IX : 10 onberijmd; Ps. 106 : 2-

Herhaling van de vorige les. — Wat deed Rehabeam om de tien stammen onder gehoorzaamheid terug te brengen ? Wat deden zij zijnen dienstknecht ? Wat wilde hij vervolgens doen ? Wat weerhield hem ? Wie werd koning van Israel ? Hoe werd Rehabeams koninkrijk genoemd? Wat had God aan Jerobeam beloofd? Welke was zijne eerste moeielijkheid ? Hoe kwam hij haar te boven? Was dit goed of kwaad ? Hoe kreeg hij priesters voor zijne nieuwe tempels te Bethel en te Dan ? Dacht hij God te aanbidden, of de kalveren ? Welke was dan zijne zonde? Juist, dat hij zelf een nieuwen godsdienst gemaakt had en daardoor velen van het volk tot afgoderij bracht. Wie kwam op zijn eerste groote feest als een van God gezondene tot hem ? Welke boodschap bracht hij ? Hoe gevoelde zich Jerobeam? Wat zeide hij? Wat overkwam hem ? Wat verzocht hij den man Gods te doen? Deed hij het? Werd zijne hand genezen ? Wat gebeurde met het altaar? Wat vroeg Jerobeam aan den man Gods te doen ? Wilde hij ? Waarom niet? Wie haalde hem daarna over met hem naar zijn huis te komen ? Hoe haalde hij hem daartoe over? Wat was hiervan het gevolg ? Hoe werd Jerobeam voor zijne ongehoorzaamheid gestraft? Wat leeren wij uit deze twee voorbeelden? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

Wij hebben gezien, hoe Jerobeam zijne regeering begon met een nieuwen godsdienst in te voeren, en hoe de Heere hem voor die zonde strafte. Laat ons nu tot het koninkrijk Juda terugkeeren, hetwelk, zooals gij weet, uit de twee stammen Juda en Benjamin bestond, en zien of Rehabeam, Salomo's zoon. in zijne regeering voorspoedig was. In éene zaak begon hij goed. Gij weet dat hij een leger op de been bracht tegen Jerobeam, om te trachten de tien afgevallen stammen terug te krijgen. Wat weerhield hem ? Juist, het bevel van God. {Ik wil ii het geheele verhaal voorlezen, ons gegeven in 2 Kr on, XI: i—5). Ook kwamen de priesters en Levieten, die uit het koninkrijk Israel verdreven waren, tot hem.

Lees 2 Kron. XI ; 17. Wat zegt dit vers van hem ? Hoevele jaren wandelde hij in de wegen zijns vaders en grootvaders? Alles ging toen goed, maar, helaas! het duurde niet lang. Lees hoofdst. XII : 1. Wat gebeurde er, toen Rehabeam het koninkrijk bevestigd had ? Dikwijls gebeurde het, dat menschen, wien het in het leven voorspoedig gaat, rijk worden, in aanzien stijgen, gezond zijn, enz.. God beginnen te vergeten. Zij gevoelen niet. Zijn hulpen zegen te behoeven. Denken dat het hun eigen bestuur, schranderheid, enz. iSy die hen zoo heeft doen vooruitkomen. Dan zendt God dikwijls rampen om hen weder terug te brengen. Zoo was het met Rehabeam. [Lees den kinderen vers 2—4 voor?\ Sisak, koning van Egypte, kwam met een groot leger — nam verscheidene steden in — het volk vol schrik op die tijding — welhaast stond het leger voor Jeruzalem. Weldra zag men de oorzaak in. [Lees vers 5.} Wat zeide Semaja tot Rehabeam ? Ho5^ vreeselijk, van God te vernemen: „Ik heb u overgelaten in de hand van Sisak Konden zij zich zeiven verlossen, zoo» God hen verlaten had?

Zij gevoelden, hoe hopeloos het was — misschien ook dat zij de straf verdiend hadden, en nu zal ik u voorlezen, wat zij deden. [Vers 5, 12.) Wat deden zij ? Wat is de Heere gereed om te vergeven ! {Herinner aan de gelijkenis van den Verloren Zoon.) Ofschoon de Heere hen niet wilde verdelgen, wilde Hij hun


ocr page 191

ló;

toch een groot verlies laten lijden, opdat zij er door leeren mochten. (Lees vers 8 nog eens.) Het was om hun te too-nen, hoeveel harder de dienst der men-schen dan die van God is — en hun te doen gevoelen, dat zij door hunne zonden deze ramp over zich gebracht hadden. Wat voerde Sisak mede ? Zoo verloren zij hunne gouden schilden en al hunne schatten. Sisak schreef, zegevierend, een verhaal van deze overwinning op den buitenmuur van een Egyp-tischen tempel te Karnak, waar het niet laug geleden gevonden is.

Zoudt gij nu niet denken dat Reha-beam en zijn volk, na zulk eene harde les, Gods wegen voortaan houden zouden? Eenigen wel, want wij lezen: „Er waren in Juda nog goede dingen,quot; dat is: er waren er, die den Heere dienden. Maar wat den koning aangaat, hij regeerde nog veertien jaren daarna; maar lees vers 14. Waarom deed hij wat kwaad was? Dat wil zeggen: hij vestigde zijn hart niet op God — was niet standvastig in Zijn dienst — dus baatten al zijne rampen hem niet. Lees vers 16. Hoe heette Rehabeams zoon? Verwar dezen niet met Abia, den zoon van Jerobeam. Wat gebeurde dien en waarom? Lees hoofdst. XIII : 1, 2. Hij regeerde drie jaren in vrede, toen een oorlog ontstond tusschen hem en Jerobeam, tus-schen de twee koninkrijken Israel en Juda. Zie, hoe sterk de beide legers waren. Vers 3. Hoe sterk was dat van Abia en dat van Jerobeam ? Het laatste tweemaal zoo sterk als het eerste. Geen wonder, want uit hoeveel stammen bestond het? En dat van Juda? Maar Abia vertrouwde niet alleen op zijn leger. Hoor, hoe hij tot hei volk van Israel sprak. Lees vers 4, 5. Wat zeide hij dat de Heere gedaan had ? Gij weet: een verbond is eene overeenkomst tusschen twee partijen. Toen herinnerde Abia hun, dat Jerobeam niet van Davids geslacht was, maar tegen Rehabeam was opgestaan. {Lees vers 6—8.) Hij sprak van de gouden kalveren, deed hen daardoor aan Jerobeams zonde denken, en eindelijk wees hij hen op het onderscheid tusschen hunne valsche en de ware priesters te Jeruzalem. [Lees vers g—//.) Wat zeide hij, dat de priesters en Levieten eiken morgen deden ? Dit alles werd gezegd om de harten en gedachten des volks van Israel tot de ware aanbidding van Gods heiligen tempel terug te brengen, en hoor, hoe hij zijne toespraak eindigde. Lees vers 12. Wie, zeide hij, was hun aanvoerder? Eene zeer vrijmoedige en goede toespraak. Maar nu werd zij opeens afgebroken. Want terwijl de koning met zijn leger op den heuvel stond — het groote leger der Israelieten tegenovei hem — had Jerobeam in alle stilte eenigen zijner manschappen achter aen heuvel om laten trekken {Lees vers 13). De mannen van Juda zagen zich omsingeld. Lees vers 14. Hoe verschrikkelijk — van alle zijden door vijanden omringd — maar zij verloren den moed niet. Wat deden zij ? Zie, wat nu volgde. Vers 15. Wat deed God? Stel u voor het plotseling gejuich van het volk — het geschal van de bazuinen der priesters — de harten der Israelieten door schrik aangegrepen — het groote leger voor het tweemaal kleinere in wanorde vluchtende !

{Lees vers 16—ig.) Hoeveel vielen er aan de zijde van Israel? Let wel op hetgeen hier als de reden wordt aangegeven, waardoor de kinderen van Juda zegevierden over de kinderen van Israel: „omdat zij vertrouwden op den Heere God hunner vaderen.quot; De overwinning werd voortgezet en Abia nam verscheidene steden van Jerobeam in. Indien dit het eenige verhaal was van Abia, zouden wij gelooven dat hij een man was, die eene groote overwinning behaalde door zijn vertrouwen op God, en zouden hopen dat hij tot het einde toe in den dienst van God volhardde. Maar er staat een klein vers in 1 Kon. XV : 3, dat ons toont dat het niet zoo was. Lees het.

In het leven van Rehabeam en Abia vinden wij hetzelfde gebrek — hun hart was niet volkomen met den Heere. Vergelijk 2 Kron. XII : 14 met het vers, dat gij zooeven gelezen hebt. Vader en zoon hadden beiden iets goeds in


ocr page 192

i08

zich. Rehabeam vernederde zich, als de Heere hem strafte, en zijn gebed vol berouw redde hem en zijn volk. Abia legde een volkomen vertrouwen op den Heere aan den dag en behaalde eene volkomen overwinning, zelfs toen het onmogelijk scheen. Wie maakte het mogelijk? Beide koningen hadden een slecht einde, omdat zij hun hart niet richtten om den Heere te zoeken. Kinderen en volwassenen gaat het somtijds eenigen tijd goed, maar zij volharden niet, juist omdat zij den Heere niet met een volkomen hart zochten — zij dienden Hem slechts met een half hart. Deze beide levens geven ons zoowel eene bemoediging als eene waarschuwing; zij moedigen ons aan tot een berouwvol en geloovig gebed — zij waarschuwen ons tegen lauwheid in den godsdienst.


LES LXXVII.

Vertrouwen op God en Vertrouwen op Menschen.

Te leeren : Ps. LXIX : 10; Gez. 88 : 9,

Herhaling van de vorige les. — Wij lazen den vorigen Zondag over het koninkrijk van Juda. Wie werd koning na Salo-mo's dood ? Hoe begon hij te regeeren, goed of slecht? Hoe lang regeerde hij goed? Maar wat deden hij en zijn volk, toen het hun voorspoedig begon te gaan en zij rijk werden? Wat zond God om hen tot Zijn dienst terug te doen keeren? Wie trok tegen hen op ? Wie werd met eene boodschap tot Rehabeam gezonden ? Wat behelsde die boodschap ? Wat deden Rehabeam en zijn volk, toen zij dit hoorden? Hoorde God hun gebed? Wat was echter Sisak, koning van Egypte, door God toegelaten te doen? Waarom? Bleef Rehabeam getrouw, toen dit gevaar voorbij was ? Wie werd na zijnen dood koning ? Met wien had hij oorlog ? Wie had het grootste leger? Waar stond Abia voor het begin van den strijd, om de mannen van Israel toe te spreken ? Wat herinnerde hij hun? Wat deed Jerobeam gedurende zijne toespraak? Wat deden de mannen van Juda, toen zij hunne vijanden zoowel achter als vóór zich zagen? Wat gebeurde er? Bleef Abia getrouw aan den dienst des Heeren ? Welke groote fout hadden beiden, vader en zoon ? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

Wij hebben het laatst van twee koningen gelezen, die van God afweken, omdat hun hart zich niet vasthield aan Zijne vrees en liefde — heden zullen wij eene meer opwekkende geschiedenis hooren. Laat ons zien, wie Abia opvolgde. Lees 2 Kron. XIV : 1—3. Hoe heette de nieuwe koning? Hoe begon hij ? Juist, hij begon goed — wat liet hij uitroeien? Dus ziet gij dat niet alleen in Israel het volk begonnen was andere goden dan den Heere te aanbidden — in Juda schijnt het, dat zij ook van den waren godsdienst zijn afgeweken en afgoden ter aanbidding hebben opgericht. De bosschen waren groepen boomen, die geplant waren in de nabijheid der afgodstempels — waarschijnlijk waren er onder dezen uit den tijd van Salomo overgeblevene. Asa maakte dus eer qoed begin door deze afgoden te vernielen, althans velen, en God gaf hem gedurende tien jaren rust en vrede.

{Lees vers 4—7.) Asa was wijs, dat hij sterke steden met hooge muren en gegrendelde poorten deed bouwen, terwijl het land in vrede was, ten einde voorbereid te zijn, als de eene af andere natie hem den oorlog mocht aandoen. Hij bracht ook een leger op de been, want in die dagen waren oorlogen niet zeldzaam, zoodat het voor koningen goed was steeds gereed te zijn. (^.) Vijfhonderd tachtig duizend! Wij zouden dit een groot leger noemen, maar lees nu vers 9. Wie trok tegen hem op? Met hoeveel man? Een millioen! Zij schaarden hunne legers in slagorde, aan de eene zijde de mannen van Juda, zeer klein in vergelijking met het andere, dat bijna twee-


ocr page 193

169

maal zoo groot was. Het scheen hopeloos, maar lees vers 11. Welk een goed gebed! Ten eerste was het een ootmoedig gebed. Asa dacht niet te kunnen overwinnen door zijn moed, of zijne goede soldaten, of iets dergelijks. Op wien vertrouwde hij ? Vervolgens was het een gebed van geloof; hij geloofde, was zeker dat God hem in zijnen nood helpen zou. Zie nu op het antwoord, vers 12. Wat gebeurde er? Evenals met Asa's vader, Abia, toen hij den Heere bad tegen Jerobeam en zijn leger, zoo wts het ook nu. God gaf hem niet alleen de overwinning voor dat oogenblik, maar ook de macht om zijne overwinning voort te zetten door hunne vijanden te vervolgen en te verslaan. [Lees vers '3—'5-)

Laat ons aan dit gebed van Asa denken, als wij in eenige moeielijkheid of nood zijn, en inzonderheid in den strijd tegen onze vijanden. Tegen welke vijanden moeten wij dan strijden? Ja, tegen den duivel en al onze zonden. De duivel is zeer machtig — zeer listig

— zal ons nu eens op de eene, dan weder op de andere wijze in verzoeking brengen

— onze zonden, die ons overheerschen, als: drift, eigenliefde, opvliegendheid, eigenzinnigheid, enz., zijn moeielijk te overwinnen. Dikwijls willen kinderen haar bestrijden, maar het schijnt vruchteloos. Zij willen wanhopig den strijd opgeven. [Dat is de verzoeking des duivels^) Zoo gij iets dergelijks gevoelt, gebruik dan Asa's gebed : „Help ons, o Heere onze God, want wij steunen op U!quot; Of, zoo wij iemand kennen, die in grooten nood verkeert, denk dan niet „Ik kan niets voor hem doen,quot; — bid dan voor hem, met het geloof van Asa, en gij kunt zeker zijn — uw gebed zal verhoord worden. En nu, na deze groote overwinning, kunt gij u voorstellen, hoe Asa en zijn leger naar Jeruzalem terugkeerden. Hoe vol blijdschap was het gansche volk!

Te midden van dit alles kwam een man tot hem. Zie, wie het was. Lees hoofdst. XV : 1, 2. Zijne boodschap bevatte eene bemoediging en tevens eene waarschuwing. De Heere zou hem en zijn volk altijd helpen, gelijk Hij nu gedaan had, indien zij getrouw aan Hem vasthielden; maar wat, indien zij Hem loslieten ? Toen herinnerde Aza-ria hem, hoe het geweest was in de dagen der Richters. (Lees vers 3—7.) Zoolang zij van God verwijderd bleven, was er geen vrede voor hen, allen stonden tegen elkander op, maar „als zij den Heere zochten,quot; werd Hij door hen gevonden. Hetgeen hier van het volk van Israel gezegd wordt, geldt ook voor huisgezinnen. (Indien een huisgezin bui-ten God leeft — twisten broeders en zusters — zijn baatzuchtig, hebzuchtig, ontevreden — de ouders steeds bezorgd

— ontevreden, al gaat het hun wel en zijn zij gezond, en erger nog in ziekten of rampspoed. Maar zie datzelfde gezin, als het zich tot God bekeerd heeft. Dan is er liefde en vriendelijkheid onder elkander — geduldig — vredelievend — ge ene bezorgdheid bij rampen

— wetende dat God met hen is, en dat alle dingen medewerken ten goede voor hen, die God liefhebbend) Zie, wat Asa deed, toen hij Odeds boodschap ontvangen had. Lees vers 8. Wat deed hij weg? Hij had dit reeds gedeeltelijk gedaan — nu voltooide hij zijn werk — riep het volk tot een groot offerfeest samen. [Lees vers g—//.) Niet alleen zijn volk van Juda en Benjamin, maar wie nog meer? Ja, velen van Israel. Lees vers 12. Wat beloofden zij te zullen doen ? Geene afgedwongen belofte, maar vrijwillig. [Lees vers /5.) Zij waren verheugd den Heere te dienen, en wat deed Hij voor hen? In zijne oprechte begeerte, om het kwaad uit te roeien, spaarde hij zelfs zijne eigen grootmoeder niet. (Lees vers 16.) Maacha was eene zeer goddelooze vrouw, de vrouw van Rehabeam. Zij had een houten beeld gemaakt, dat zij aanbad

— zij was niet langer geschikt koningin te zijn. Wat deed Asa er mede?

Alles ging nu voorspoedig. Vrede gedurende twintig jaren. Asa zou misschien tot aan zijn dood vrede gehad hebben, maar hij bezweek voor dezelfde beproeving, die hij vroeger zoo wel overwonnen had. (Lees hoofdst. XVI : /.)


ocr page 194

I/O

Baeza zag dat zijn volk naar Juda aftrok, en wilde dit beletten — begon eene groote stad te bouwen — rustte zich uit tot den strijd. Wat zoudt gij verwacht hebben dat Asa deed ? Ja, God bidden, maar hij deed het niet. Hij trachtte een bondgenoot te winnen, die hem zou helpen. (Lees vers 2—6.) Hij nam nu de schatten uit het huis des Heeren, zond die aan Benhadad, om hem tegen Baeza om te koopen, die vroeger vrienden geweest waren.

Deed Benhadad het ? Baeza staakte den bouw van Rama, zoodat Asa's plan gelukt scheen. Maar lees vers 7. Wie kwam tot hem? Wat zeide hij ? „Omdat gij gesteund (vertrouwd) hebt,quot; enz. Hen „zienerquot; wil zeggen een „profeetquot; — Hanani gaf hem nog eene verdere boodschap. [Vers 8, g.) Welk kwaad had Asa hierdoor gedaan ? Ja, hij had op zijne eigen plannen vertrouwd en op de hulp van Benhadad, in plaats van op den Heere. Wat zeide Hanani dat hij hebben zou? Laat ons zien, hoe Asa zijne berisping opnam. [Lees vers 10.) Hoe onrechtvaardig en snood! Het laatste, dat wij van hem lezen, was ook treurig. Lees vers 12, 13. Waaraan was hij lijdende? Bij wien zocht hij genezing? Het is niet verkeerd geneesheeren te raadplegen, maar Asa vertrouwde op dezen en niet op God. Zoo treurig was het einde van zijn leven. Wij willen hopen, dat hij, vóór hij stierf, zijne zonden ingezien en berouw betoond heeft.

De lessen uit Asa's leven zijn : 1. De zegen en het vertrouwen op den Heere boven alles. 2. De zonde en het gevaar van zijn vertrouwen op menschen te stellen. Tracht zijn vroeger leven na te volgen en bid God u van de zonde zijner laatste jaren ver te houden.


LES LXXVIII.

Achat) en Isebel. — De Hongersnood.

Te leeren : Matth. XVIII: 7; Ps. 92 : 5.

Herhaling van de vorige les. — Van welken koning lazen wij den vorigen Zondag? Hoe begon hij zijne regeering? Wat roeide hij uit? Hoeveel jaren had hij vrede? Wie trok daarna tegen hem op ? Hoeveel man telde Asa's leger ? En dat van Zera? Wat deed Asa? Op wien . ertrouwde hij ? Wat gebeurde er? Wat deden toen de mannen van Juda? Wie ontmoette hen, toen zij naar Jeruzalem terugkeerden? Wat was zijne boodschap ? Wat deed Asa, toen hij dit hoorde ? Met welk doel kwam het volk ,11 grooten getale bijeen en waar? Wat beloofden zij ? Wie had een afgodsbeeld in een bosch? Wat deed Asa er mede en met de koningin ? Wie bouwde daarna eene sterke stad tegen Juda? Wat deed Asa? Hielp Benhadad hem tegen Israel strijden? Wie was misnoegd over deze handelwijs van Asa? Waarom? Wien zond hij tot Asa ? Met welke boodschap ? Hoe ontving Asa deze boodschap? Aan welke zijner leden werd Asa daarna krank? Wat deed hij in zijne ziekte? Herstelde hij? Wat was zijne grootste deugd? Wat later zijne grootste zonde? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

Wij hebben in de laatste lessen de geschiedenis van het koninkrijk Juda gevolgd in het leven van Rehabeam, Abia en Asa. Nu zullen wij tot dat der andere tien stammen, het koninkrijk van Israel, terugkeeren. Het laatst zagen wij, hoe Jerobeam zijn volk spoedig op een dwaalweg bracht door — wat op te richten? Ja, twee beelden of kalveren, en ofschoon hij meende door deze beelden den waren God te aanbidden, baden weldra velen der Israelieten die beelden slechts aan. Omdat hij hen tot afgoderij vervoerde, wordt hij in den Bijbel dikwijls genoemd Jerobeam, denzoon van Nebat, die Israel deed zondigen. Welk een vreeselijk iets, iemand tot het kwade te verleiden! Het is het werk


ocr page 195

71

I

des duivels. En het ergste is, dat wij niet weten hoe ver wij hem in het kwaad brengen. [Opheldering. — Het is alsof men iemand, die op een hellenden weg staat, die naar een afgrond leidt, voort-duivt.\

De zonde van Jerobeam werd de ondergang van het koninkrijk Israel. Weet gij nog, hoe God hem er voor strafte? Was zijn kind ook goddeloos? Het eenige kind van zijn gezin, dat God vreesde en liefhad. Na den dood van Jerobeam regeerde zijn zoon Nadab in zijne plaats. Lees 1 Kon. XV : 25, 26. Wat voor een man was hij ? Hij volgde het voetspoor van zijn vader. Hoe lang regeerde hij ? Hij had een noodlottig einde — Baeza stond tegen hem op, doodde hem en nam het koninkrijk voor zich. Gij kunt wel denken, dat deze zoon, een moordenaar, geen goed koning zijn kon. Hij was niet tevreden met Nadab gedood te hebben, maar roeide zijn geheele geslacht uit, zoodat de woorden des Heeren vervuld werden, waarin Hij had voorspeld, dat het gansche geslacht van Jerobeam zou worden afgesneden, om zijne en hunne zonde.

Baeza regeerde vier en twintig jaren, en dit is al, wat van hem gezegd wordt. [Lees den kinderen vers 34 en hoofdst. XVI : 1—3 voor.] Zijn zoon, Ela, volgde hem op ; hij was een dronkaard en werd door Zimri, zijn veldoverste, gedood, toen hij dronken was. Zoodra Zimri Ela gedood had, deed hij als Baeza en roeide het geslacht des konings uit (aldus werd Gods woord opnieuw vervuld). Zimri's regeering was echter zeer kort, slechts zeven dagen. {Lees vers /5—18.) Zeven dagen te regeeren en die dagen met bloedstorting, om dan zich te verbranden ! Omri, die hem opvolgde, was niet beter. (Lees vers 21—28.) Wij hebben van al die vijf koningen. Nadab, Baeza, Ela, Zimri en Omri, weinig meer gehoord dan hunne goddeloosheid; doch nu volgt er een, van wien wij veel meer zullen hooren.

Hoe heette de zoon van Omri? Lees hoofdst. XVI : 30, 31. Wat zegt ons het eerste vers ? Hij zondigde meer dan allen — wij zien waarom in vers 31.

Wie huwde hij ? Die Isebel was de dochter van den koning der Sidoniërs, een naburig volk. Zij aanbaden goden, genaamd Baal en Astarot, en wat hun godsdienst nog erger maakte dan die van andere heidenen, was dat zij geloofden dat Baal een welgevallen had aan alle goddeloosheden en gruwelen, zoodat zij trachtten hem daardoor te behagen. Welk een afschuwelijke godsdienst! Hij moest het volk steeds slechter maken. Nooit was er in Israel een donkerder tijd. (Lees vers 32, 33.) Wat deed Achab? Eerst waren het de twee kalveren en ofschoon er veel kwaads in Israel geschiedde, toch was God nog in zekeren zin aangebeden met de afgoden. Maar nu doodde Isebel, die allen dienst van den waren God wilde uitroeien, velen van Gods dienaren — wilde dat allen zich alleen voor Baal zouden buigen — zeer ijverende voor de treurige aanbidding van dien valschen god. Als wij bedenken hoe diep de Israelieten gezonken en hoe slecht zij waren, zou men dan niet denken, dat God hen geheel aan zich zeiven had overgelaten ? Toch was het niet zoo.

Eensklaps verscheen aan dat godde-looze hof (de huishouding en bedienden van Achab en Isebel) een vreemdeling, met een vreemd voorkomen. Zie, wie het was. Lees 1 Kon. XVII: 1. Wie kwam tot Achab ? Wat zeide hij ? Wat zou er gebeuren, zoo er noch dauw, noch regen viel ? Niets zou immers groeien — geen koorn — geen brood — schapen en runderen zouden sterven — menschen verhongeren. (Voorbeeld. — Hongersnood in Indië, China — veroorzaakt door gebrek aan regen — geene rijst, enz.) Zoo gebeurde het ook. Dag aan dag eene brandend-heete zon, maar geen dauw — het koorn verdorde — mannen, vrouwen, kinderen bezwijmden — stierven. Welk een vreeselijke rampspoed! Waarom geschiedde dat? Om hen tot God te be-keeren — om hen op hunne zonden te doen letten. Zoo dit plaats had, zou dan die hongersnood eene wreedheid of eene weldaad geweest zijn? Drie jaren, Elia's woorden waren vervuld — en die ontzagwekkende waarschuwing van God viel in het hart des volks. Laat ons intusschen


ocr page 196

1/2

eerst iets van Elia hooren. Moet hij niet een zeer moedig man geweest zijn, dat hij die boodschap aan den goddeloozen koning en de koningin bracht?

Zoudt gij gelooven dat God hem van honger zou doen omkomen? Ik zal u doen zien hoe en waar hij onderhouden werd. {Lees vers 2—5.) quot;Waar moest hij zich verbergen? Waarschijnlijk in eene spelonk bij het water. De beek zou hem drinken geven — zie, hoe hij voedsel ontving. Lees vers 6. Hoe stil en veilig bij die beek, terwijl Gods zegen op zijn kalm leven rustte ! Eindelijk moest hij zijn stil verblijf verlaten. Lees vers 7. quot;Waarheen moest hij gaan ? Hij behoefde niet lang te aarzelen. Lees vers 8, 9. Waar ging hij heen ? Naar Sidon, het land, van waar de goddelooze Isebel gekomen was. Zou hij daar veilig zijn ? Elia vreesde echter niet. Waarom ? Lees vers 10—12. Wat vond hij te Zarphat? Wat vroeg hij ? Wat antwoordde zij ? Slechts juist genoeg voor een maal voor haar en haren zoon. Hoe kon zij hem iets daarvan geven ? Lees nu Elia's antwoord in vers 13, 14. Wat beloofde hij ? Laat ons zien, of zij hem geloofde. (Lees vers /5, 16.)

LES I De ware en d

Te leeren: Matth.

Herhaling van de vorige les. — Lazen wij de laatste maal over het koninkrijk van Israel of Juda? Wie was de eerste koning van Israel, na de verdeeling van het rijk ? Welke was zijne groote zonde ? Bracht dit hem alleen op den verkeerden weg, of ook anderen? Hoe waren de vijf volgende koningen, die hem opvolgden? Weet gij nog hunne namen ? Juist: Nadab, Baeza, Ela, Zimri, Omri. Stierven zij allen in vrede? Wat overkwam Nadab en Ela? Hoe kwam Zimri aan zijn einde ? Wie was de laatste koning, van wien wij gelezen hebben, •den zoon van Omri ? Op wien geleek hij ?

SCHETS v.

De lange, smartelijke drie jaren van hongersnood waren bijna ten einde —

Eiken dag was er genoeg. God gaf het dagelijksch brood. Zoo leefden zij samen gelukkig.

Er was inderdaad éene groote beproeving, maar die werd ook tot zegen, dooide macht van God en Elia als middel. (Lees vers /7—24.) Wat gebeurde met het kind? Wat deed zij ? Wat deed Elia ? Gaf de Heere het kind het leven weer ? Er is uit dit gedeelte van de geschiedenis van Israel veel te leeren. 1. Zie, hoeveel kwaad éen man of éene vrouw kan stichten. Jerobeams dienst der gouden kalveren bracht vele jaren van ellende over zijn volk. Isebel verleidde haren man en haar volk tot grootere goddeloosheid, en dit werd de oorzaak, dat God hongersnood zond. Zoo kan éen ondeugend kind een geheel gezin — eene geheele klasse bederven, ja, is somtijds van schadelijken invloed op eene geheele school! 2. Zie, hoe Gods zegen op den braven, geloo-vigen Elia rustte, hem behoedde en gelukkig maakte, terwijl anderen in zonde en wanhoop verkeerden. 3. Merk op de belooning, aan eene eenvoudige, onbaatzuchtige daad van goedheid geschonken. „Ga heen en doe desgelijks.quot;

valsche God.

: 24 ; Gez. 48 : 10.

Wie was zijne vrouw? Waartoe gaf dit aanleiding? Wie werd tot Achab en het volk gezonden om hun het groote oordeel aan te zeggen, dat over hen komen zou ? Wat was dat oordeel ? Waar verborg God Elia gedurende den hongersnood? Hoe werd hij gevoed? Waarheen moest hij gaan, toen de beek was uitgedroogd? Wie vond hij daar? Wat verlangde hij van haar? Wat antwoordde zij? Wat beloofde hij haar ? Geloofde zij hem ? Wat overkwam daarna haren zoon ? Hoe werd hij in het leven teruggeroepen ? Herhaal tekst en versje.

f DE LES.

nog was er geen teeken van regen — groote ellende door het gansche land.


ocr page 197

I73

God zag neder van den hemel — bewogen over het volk, dat zoovee' moest lijden — ofschoon door eigen schuld — achtte dezen hongersnood noodzakelijk om hun hunne zonden te doen inzien en te doen gelooven in den eenen waren God — dus was het niet uit gramschap, maar uit liefde. God wenscht nooit den mensch te doen lijden, maar moet somtijds rampen zenden, om hem tot zich terug te brengen. {Opheldering. — Een goed vader smart het immer zijn kind te straffen^ doch moet het somtijds doen, of het zon in hoosheid en goddeloosheid opgroeien^ En dus kunnen wij zeker zijn, dat Hij het lijden nooit langer laat duren dan noodzakelijk is.

Elia werd nu met eene andere boodschap gezonden. Zie, welke die was. Lees i Kon. XVIII : i. Wat zeide God tot Elia, dat hij doen moest? Gevaarlijk, zich aan dien goddeloozen Achab te vertoo-nen; doch zoudt gij meenen, dat hij bevreesd was ? Lees vers 2, De hongersnood was groot — overal ellende. Zeide God tot Elia Achab te zeggen, dat Hij regen zenden zou? Neen, er moest eerst iets gedaan worden. Wij willen zien, wat het was. Elia had den koning nog niet ontmoet, wenschte misschien hem zonder zijne goddelooze vrouw te ontmoeten, daarom ging hij niet naar het koninklijk paleis. \Lees den kinderen vers 3, 4 voorï\ Gij ziet, Achab had een goeden knecht, die den Heere vreesde. Wat had hij vroeger somtijds gedaan ? Dat was even braaf als goed. Isebel had hem gaarne willen dooden, maar God had hem beveiligd. {Lees vers 5—/5.) Wat waren Achab en Obadja gaan doen ? Wien ontmoette Obadja ? Wat deed hij ? Wat zeide Elia hem ? Wat vreesde Obadja? Elia beloofde zich aan Achab te zullen vertoon en — toen was Obadja niet langer bevreesd — ging het den koning zeggen. Hoe boos moet Achab geweest zijn, den naam van Elia te hoo-ren, en was misschien blijde hem te vinden — zou zich gaarne op hem willen wreken.

Zie nu, wat er tusschen hen plaats greep. Lees vers 17, 18. Wat zeide Achab ? Wat bedoelde hij ? Hij sprak.

alsof Elia de eenige oorzaak van den hongersnood was, waardoor hij en zijn volk geleden hadden. Was dit wel zoor Wat antwoordde Elia? Hij en zijn geslacht hadden al dat lijden en die ellende over het land gebracht, door den Baals-dienst in te voeren en daardoor Gods toorn over het land te brengen. Lees vers 19. Wat beval Elia hem te doen ? Zie eens, tot welk eene hoogte de dienst van dien valschen god geklommen was! Achthonderd vijftig profeten — dat is. priesters en leeraars van dien valschen godsdienst, die dagelijks bij Isebel aan tafel aten.

Achab scheen in stilte alles gedaan te hebben, wat Elia hem gezegd had. {Lees vers 20.) In zijn hart geloofde hij dat, wat Elia zeide, waar was. Waar bracht hij hen bijeen? De berg Karmel was eene hooge spits — denk aan de groote menigte volks — de vierhonderd vijftig valsche priesters in hun prachtig gewaad — lager alles verdroogd en verdord door gebrek aan water — aan den voet eene nog vloeiende beek, Kison.Lees vers 21. Wat zeide Elia? Nu moesten zij besluiten. Dit was het werk, dat Elia was komen doen, om te toonen, wie de ware God was. Zou God regen zenden, terwijl zij nog niet geleerd hadden, wat God hun door den hongersnood had willen leeren — te gelooven in den al-machtigen God ? [Lees vers 22.) Eén man slechts aan Gods zijde — tegen hoeveel Baiilspriestcrs ? Hier wordt niet gesproken van de profeten van het bosch — zij behoorden niet tot den Baiilsdienst. Zie nu, wat Elia tot het volk zeide. Lees vers 23, 24. Wat zeide hij hun te doen ? Hoe, zeide hij, zouden zij zien, wie de ware God was?

Baiil werd genoemd de zonnegod. Het volk geloofde dat hij donder en bliksem zond, dus kon hij, als dit ivaar was, vuur op het offer doen nederdalen. Wat antwoordde het volk ? Elia beval den valschen priesters het eerst de proef te nemen. Lees vers 26. Hoe baden zij ? Uren achtereen weerklonk het geroep en geschreeuw dier vierhonderd vijftig mannen — kwam er nog geen antwoord r Wild dansteri zij rondom het altaar —


ocr page 198

74

Elia lachte om hun dwazen eeredienst. [Lees vers 27—2g.) Wat zeide hij ? Zelfs sneden en wondden zij zich met priemen, tot bloedens toe. Heidensche volken ge-looven hunnen goden door zulke wreedheden te behagen. (Voorbeeld. — De Hindoes kruipen mijlen ver op handen en knieën, steken nagels door hunne handen en haken in hun rug — inee-nende hunnen afgoden daardoor 'welgevallig te Dit alles duurde tot den avond — nog geen antwoord. Waarom ? Niemand kon hierop antwoorden.

Zie nu, wat Elia deed. —

J5.) Uit hoeveel steenen bestond zijn altaar? Waarom? Denk eens, hoe al die priesters toekeken. Vol haat, het altaar des Heeren te zien hersteld. Wat legde hij er op? Wat deed hij het laatst? Waartoe? Allen moesten zien, dat hij geen vuur verborgen had — te moeielijker zou zulk een offer verbranden. Lees nu zijn gebed. Vers 36, 37. Welk eene diepe stilte onder de menigte, terwijl Elia bad ! Wat vroeg hij ? „Laat het heden gekend worden, dat Gij God zijt.quot; Nauwelijks was het gebed opgezonden, of het antwoord kwam. Lees vers 38, 39. Wat gebeurde er? Welk eene krachtige vuurvlam ! Het offer, het hout, de steenen verteerd; wat werd er zelfs van het water? Wat deed en zeide het volk, dit ziende ? De waarheid bleek hun ten volle — zij konden het niet loochenen. Nu kon de Heere hun regen zenden — nog bleven er twee dingen voor Elia te doen over. Ten eerste : Een vreeselijk oordeel. (Lees vers 40.) Wat deed hij met de

Baiilspriesters ? Dit schijnt wreed —maar bedenk : het was Gods straf over hen. Zij hadden niet alleen Zijn dienst vrijwillig verlaten en Baal in Zijne plaats gekozen, maar leerden het volk hetzelfde te doen. Erger dan moordenaars, want zij vermoordden de zielen dermenschen. Toen dit geschied was, bleef Elia nog een werk van barmhartigheid te doen over. {Lees vers 41, 42.) Elia stond alleen op den top van Karmel. Het volk had zich verwijderd. Hij bad om regen. [Lees vers 43, 44.) Hoe dikwijls ging zijn knecht uitzien! De hemel helder en klaar — geen schijn van regen — hield Elia toch aan in het gebed? Een voorbeeld voor ons, om te volharden in het gebed. Wat zag hij eindelijk? Welke boodschap zond hij aan Achab ? Lees vers 45. Hoe dankbaar was het volk, toen zij dit zagen — na drie jaren zonder regen — gezonden door den God, dien zij eindelijk beleden hadden de ware God te zijn! Elia ging voor Achab naar Jizreël. (Vers 46.)

Dit is eene ontzaglijke geschiedenis — zie de belangrijke les, er in vervat. „De Heere is Godquot; — geef Hem uw hart. Wij worden tegenwoordig niet in verzoeking gebracht houten of steenen afgoden te aanbidden, maar wat wij ook kiezen: onzen eigen wil, slecht gezelschap, geld, vermaken boven God, dan is dat onze „Baalquot;. Elia was gezonden om de Israelieten tot God terug te brengen — Jezus is gekomen om ons tot Hem terug te brengen. Beslis nu, vóór het te laat is.


LES LXXX.

De moedelooze Profeet vertroost.

Te leeren: Matth. IX : 9; Ps. 25 : 5.

Herhaling van de vorige les. — Hoeveel jaren duurde de hongersnood? Wat zeide God in het derdejaar tot Elia, dat hij doen moest? Wien ontmoette hij opzijn weg? Wat voor een man was Obadja? Wat had hij gedaan, toen Isebel de profeten vervolgde? Wat zeide Elia, dat hij doen moest? Wat dacht hij dat gebeuren zou, als hij ging? Wat zeide Achab, toen hij Elia ontmoette ? Wat zeide Elia hem te doen ? Waar kwam het volk bijeen ? Hoeveel priesters van Baiil waren daar? Wat stelde Elia hun voor te doen? Keurde het volk dit goed? Wie koos het eerst een var ? Hoe baden zij Baal ? Hoe lang hielden zij vol ? Kwam er een antwoord? Hoe bouwde Elia zijn altaar? Wat stortte hij er over.


ocr page 199

1/5

toen het voltooid was? Wat gebeurde er, toen hij God had gebeden? Wat zeide het volk? Wat deed hij met de Baaispriesters? Waarheen ging hij toen? Wat bad hij van God ? Hoe dikwijls ging

schets quot;

Toen de zware regen, die zoo noodig was, nederviel, kort na dat groote offer, waarbij God zoo duidelijk getoond had, dat Hij de God was over alles, zoudt gij dan niet gelooven, dat het volk in dankbare en ootmoedige aanbidding tot Hem zou zijn teruggekeerd en voor altijd den onmachtigen Baiil hebben verlaten, die noch hooren, noch ver-hooren kon ? Ach! zoo was het niet. Er was er eene, die niet op de bijeenkomst op den Karmel tegenwoordig was geweest — Isebel. Laat ons zien, wat zij zeide, toen zij alles vernam, wat plaats gehad had.

Lees i Kon. XIX : i, 2. Wie had het haar medegedeeld ? Isebel, ziedende van toorn over de slachting, onder hare profeten aangericht, dacht er niet eens aan, dat het was door de almachtige hand van God (of hoe zou Elia in staat geweest zijn zulks door eigen kracht te doen?). Wat zeide zij? Wat bedoelde zij daarmede? Gelooft gij dat Achab haar dit zou toelaten? Hij was geheel onder Isebels macht. Zij kon hem tot alles overhalen. Een slechte makker vermag dikwijls zeer veel — zal een jongen of meisje tot het kwade verleiden, al weten zij beter, en in weerwil van hetgeen ouders of onderwijzers zeggen. Maar zoudt gij nu meenen, dat Elia bevreesd was voor Isebel ? Hoe moedig had hij daar tegenover het gan-sche volk gestaan! Hoe kalm had hij Achab ontmoet! Lees vers 3, 4. Wat deed hij ? Hij vluchtte. Schijnt dat niet vreemd? Waar verliet hij zijn knecht? Waarheen ging hij zelf? Wat vroeg hij voor zich ? Elia vreesde niet alleen voor zich zeiven, maar hij wasmoedeloos— teleurgesteld. Laat ons nagaan waarom. Hij dacht dat gansch Israel den Baals-dienst zou verlaten hebben,tot God zou zijn teruggekeerd na dat groote teeken, dat «God hun gegeven had; maar hadden zijn knecht uitzien? Wat zag hij eindelijk? Wat kwam er nu spoedig? Wat leeren wij uit dit verhaal? Herhaal tekst en versje.

lN de les.

zij dat gedaan? Hij scheen niets goeds te hebben uitgewerkt. Ik zeg scheen, want nooit beproeft men tevergeefs Gods werk te doen. Dikwijls kunnen wij niet terstond het goede zien, maar wij moeten geduldig wachten. Eens zullen wij aanschouwen, dat hetgeen wij meenden tevergeefs te zijn, werkelijk vruchten voortgebracht heeft. [ Opheldering, — Een kind strooit zaad in den tuin, gedurende eenigen tijd vertoont zich niets — het denkt niet goed gezaaid te hebben, maar eindelijk komt het plantje te voorschijn?) Zoo wij dus over iets ontmoedigd zijn, blijf wachten en op God vertrouwen. Zoudt gij meenen, dat God zeer toornig was op Elia ? Wij willen zien.

Lees vers 5, 6. Wie raakte hem aan ? Wat zag hij ? Wie had dien koek en dat water gezonden ? God had hem gadegeslagen, toen hij haastig voor Isebel vluchtte — wist dat hij uitgeput was — honger had — zorgde voor hem. Hoe aangenaam voor Elia, te weten dat hij niet alleen was — bovendien dat voor hem gezorgd werd! Nogmaals zeide de engel hem te eten. (Lees vers 7.) Dat was geen gewoon voedsel — daardoor gaf God hem kracht voor langen tijd en eene groote reis. Lees vers 8. Wie bleven, behalve Elia, veertig dagen en nachten zonder voedsel ? Ja, Mozes en onze Heere. Waarheen ging hij? Voorzeker had God hem dit gelast. Zie, wat er gebeurde, toen hij den berg naderde. Lees vers 9, 10. Wat zeide de Heere tot hem? Wat antwoordde hij? Hoe moedeloos klinkt dit! Maar God gaf hem eerst geen rechtstreeksch antwoord. Lees vers 11, 12. Hij besteeg de helling van den berg, en hoor! een stormwind, zóo hevig, dat zelfs rotsen werden losgescheurd. Wat gebeurde verder? De aarde beefde en spleet open. Eindelijk bliksem, donder, enz. Dit alles


ocr page 200

1/6

was vreeselijk om te zien en te hooren; maar was God in een dezer? Toen dat alles voorbij was — alles doodstil — wat hoorde hij toen? Wiens stem was dat? Ik zal u voorlezen, hoe Elia luisterde en wat de stem sprak. (Lees vers 13, 14.) Hij bedekte zijn gelaat ten tee-ken van eerbied — trad naar buiten om te luisteren. quot;Wat sprak die stem? Dezelfde vraag als in vers 9, voor den storm, de aardbeving en den bliksem. Elia's antwoord was hetzelfde.

Laat ons nu overdenken, wat Gods vraag beteekende. Waarom zijt gij hier? Waarom zijt gij zoo heengevlucht ? Uw werk verlaten ? Gij weet: het groote werk van Elia was te trachten het volk van Israel tot de aanbidding van den eenigen waren God terug te brengen. Hoe opofferend had hij het gedaan, alleen staande op den berg Karmel en de vierhonderd vijftig profeten van Baiil uitgenoodigd tot het brengen van het proefoffer ! Maar deed hij nu zijn werk ? Gods woorden waren een verwijt, maar een zeer zacht verwijt. Elia's antwoord wilde zeggen: „Het baat niet, het langer te beproeven. Het volk wil niet geloo-ven en het zoekt mij te dooden. Ik ben gevlucht om mijn leven te redden.quot; Wat had hij vergeten? Ja, dat God hem ook kon beschermen. En nog iets — dat Gods werk nimmer faalt, ofschoon dit voor eenigen tijd moge schijnen. Gij zult dadelijk zien, hoe de Heere hem dit leerde.

Intusschen was er nog meer werk voor hem te doen. Lees vers 15, 16. Wien moest hij tot koning over Syrië zalven? Die Hazael, de nieuwe koning van Syrië, moest Israel voor zijne boosheid straffen. Wien moest hij tot koning over Israel zalven ? Wie zou profeet worden in zijne plaats ? Wat had Elia aan God in het 4de vers gevraagd ? Dit bewijst dat zijne bede hem was toegestaan, maar zijn leven op aarde moest nog niet eindigen. Er was eerst nog meer voor hem te doen, en werd hij weggenomen, dan zou zijn werk worden voortgezet door — Eliza. Toen troostte God hem door hem te doen zien, dat gansch Israel geene aanbidders waren van Balil. Lees vers 18. Hoe-velen dienden God nog? Wat was Elia verrast! Hij had gemeend de eenige te zijn, die den Heere was overgebleven. Het was zeer weldadig van God, hem dit te zeggen, daar het zijn hart bemoedigde en hem frissche kracht gaf om zijn arbeid weder aan te vatten. Het verheugde hem en hij begon dadelijk des Heeren last te volvoeren.

Laat ons nu zien, wat dit verhaal van Elia in de woestijn ons leert. 1. Dat het verkeerd is te vertragen, den moed te verliezen en te zeggen : „Wij kunnen niet doen, wat ons is opgelegd.quot; Zelfs komen kinderen soms in de verzoeking dit te doen. (Ee7i meisje is thuis gebleven, omdat hare moeder uit, misschien overleden is — zij is geneigd te denken, dat zij het huis niet kan schoonhouden, op de kindereit passen, het eten klaarmaken, kleederen verstellen ; zij blijft met de handen iii den schoot zitten, doet niets goed eit brengt den tijd zoek door met de buren te praten. Een knaap vindt zijne les-sen te moeielijk, daarom leert hij in het geheel niet.) Wat moeten wij doen^ als wij iets te moeielijk vinden? Juist: God om hulp vragen, steeds trachten het te volbrengen — zekerlijk zal het ons eindelijk gelukken. 2. Hoe zacht vertroost God degenen, die terneergeslagen zijn, dat is, zoo zij luisteren willen naar Zijne zachte, liefelijke stem t Sommige menschen trachten hun leed alleen te dragen, daardoor vinden zij het zeer zwaar. Elia, ofschoon het verkeerd was moedeloos te worden, bracht zijn leed voor den Heere, en vond daardoor vertroosting. Dat zullen wij ook bevinden, als wij maar tot Hem gaan. 3. God roept dikwijls tot ons: „Wat doet gij hier?quot; Wij mogen in slecht gezelschap zijn, zorgeloos daarheen leven,, niet bidden, enz. De gedachte komt dan wel eens in ons op: „Het is niet goed.quot; Dat is Gods stem, die in ons hart spreekt. Doe als Elia, en luister naar haar !


ocr page 201

177

LES LXXXI. Een goddeloos Plan.

Te leeren : 2 Tim. VI: 69; Gez. 33 : 6.

Herhaling van de vorige les. — Wie vertelde aan Isebel alles, wat Elia op den Karmel gedaan had ? quot;Welken indruk maakte het op haar ? Welke boodschap zond zij aan Elia ? Wat deed hij ? Waar legde hij zich neder om te slapen ? Wie wekte hem ? Wat zeide hij hem te doen? Strekte deze spijs slechts voor ééns? Welke reis deed hij daarna? Waar overnachtte hij? Wat zeide de Heere tot Hem? Wat toonde Hij hem? Was de Heere in de aardbeving, den storm, of het vuur? Wat hoorde hij, toen dit alles voorbij was? Wat zeide God nu tot hem ? Wat antwoordde Elia ? Welken last ontving hij nu van den Heere? Hoe vertroostte Hij hem in zijn verdriet? Wist Elia dat er nog zeven duizend waren, die den Heere vreesden ? Watmeende hij vóór dien tijd? Wat kan die geschiedenis van Elia ons leeren ? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

Heden zullen we weer over Achab en Isebel lezen. Hij had een paleis te Samaria, waar hij doorgaans woonde, zoodat hij somtijds koning van Samaria genoemd wordt; maar hij had nog een ander te Jizreël. Koningen hebben dikwijls meer dan éen paleis. Onze Koningin heeft er éen te 's-Gravenhage, te Amsterdam, te Apeldoorn, te Soest-dijk. Eens wandelde Achab in zijnen tuin te Jizreël — zag daar een stuk land, dat hem niet toebehoorde, ofschoon het aan de muren van zijn paleis grensde. Laat ons zien, wie de eigenaar was.

Lees 1 Kon. XXI : 1. Wien behoorde het ? Achab dacht dat het zeer goed zijn zou, als het zijn eigendom kon worden — hij zou er zijn tuin mede ver-grooten. Hij ontbood dus Naboth. Lees vers 2. Wat bood hij hem aan in de plaats er van ? Dit was een eerlijk aanbod — er lag niets kwaads in — Naboth zou er bij winnen. Maar hoor, wat hij antwoordde. Vers 3. Een huis, een stuk land, dat reeds vele jaren het eigendom eener familie was, wordt door haar op hoogen prijs gesteld; maar dat niet alleen weerhield Naboth zijnen wijngaard te verkoopen. God had het volk bevolen, bij de verdeeling onder de stammen, dat zij het land niet moch-

I ten afstaan. Naboth was dus geheel in zijn recht te weigeren en moedig te antwoorden „Neen,quot; want hij wist welk een geweldenaar Achab was. Hij zou zeer waarschijnlijk heel boos worden, als hij gedwarsboomd werd. Zie, hoe Achab zijne teleurstelling opnam. Lees vers 4. Wat deed hij? Dit was even dwaas als slecht. Evenals een bedorven kind, dat schreit, omdat zijne moeder het speelgoed niet wil koopen, dat het hebben wil. Wat al schoone paleizen en tuinen had hij reeds, toch wilde hij niet tevreden zijn zonder den wijngaard van dezen armen man. Hij had eenmaal zijn hart op het bezit er van gesteld, daarom kon hij geen vermaak scheppen in al het andere, dat hij had.

Terwijl Achab zoo zat te kniezen over zijne teleurstelling, trad Isebel binnen. (Lees vers 5, 6.) Zoo zij eene goede vrouw geweest was, zou zij getracht hebben hem te troosten door te zeggen, dat een ander stuk gronds even goed zou zijn, en zou hem herinnerd hebben aan de wet, waarbij het den Israelieten verboden was hunne erfenis te verkoopen. Waarschijnlijk zou Achab zijn plan dan opgegeven en eene andere plaats voor zijn tuin gezocht hebben. {Dikwijls vermag eene zuster op deze wijze met


12

ocr page 202

weinige vriendelijke woorden veel op een broeder, om dezen van een verboden vermaak of iets begeerlijks af ie bren-gen, dat hij niet langs een eerlijken weg kan verkrijgen. Hoe goed op deze wijze onzen invloed te gebruiken! Dit is een werken voor God.) Zie, wat Ise-bel deed. Lees vers y. Wat zeide zij? Hare eerste woorden waren, alsof zij wilde zeggen: „Indien gij koning zijt, kunt gij nemen, wat gij wilt.quot; Was dit waar? Een koning is over een volk aangesteld om het te regeeren, maar niet om zich het eigendom van iemand toe te eigenen. Zij zeide Achab niet, hoe zij den wijngaard zou weten te verkrijgen, maar hij kon zeker zijn dat het niet langs eenen goeden weg wezen zou. Hij had echter zijn hart op dien wijngaard gezet, — was gereed dien, langs welken weg ook, te bezitten.

Zie, welk plan Isebel had. Vers 8—10. Aan wie schreef zij ? Wat beval zij hun ? Zij schreven een vasten uit, wegens eene bedreven groote zonde (vasten was treuren over zonde en zich van spijs onthouden). Zij moesten voorgeven, dat deze zonde door Naboth bedreven was. Wie brachten zij als getuigen ? Belials kinderen : beteekent: „goddelooze mannen.quot; Wat moesten die mannen zeggen ? Zegenen beteekent hier vervloeken of lasteren ; de straf voor deze zonde was de stee-niging. Welk een goddeloos plan ! Dit alles geschiedde onder den schijn van godsdienst en recht. Wilden de oudsten der stad dit doen? Ongetwijfeld waren zij bevreesd voor de snoode koningin. [Lees vers u—14.) Alles werd gedaan, zooals zij gezegd had. Het vasten — het verhoor — de valsche getuigen (ongetwijfeld voor geld tot dit booze werk gehuurd) — de arme Naboth werd buiten de stad gevoerd — gesteenigd, dat hij het bestierf, als een misdadiger. Isebel zegevierde — verheugd over het welgelukken van haar plan. Lees vers 15, 16. Wat zeide zij tot Achab? Hoe verheugd ging hij op staanden voet be-zitnemen van den wijngaard — hij had verkregen, wat hij zoozeer wenschte! Hij ^schijnt wel geen werkelijk deel aan dit zondige plan te hebben genomen.

maar hij heeft het vóór of na dien tijd vernomen. Hij deelde dus in die v zonde, was zoowel een moordenaar als zij. Er zijn verschillende wijzen, waarop men in het bedrijven cener zonde kan deelen. [Opheldering. — Een knaap steelt vruchten, of lekkernijen, zijne makkers eten er van, wetende dat ze gestolen zijn. Twee jongens vechten, anderen staan er bij, juichen heji toe, of hitsen hen aan. Kinderen verstoren de orde der school, anderen nemen er niet rechtstreeks deel aan, maar lachen er om, vinden het eene grap. Die allen deelen in de schuld; in Gods oog zijn zij allen even schuldig.]

Alles scheen nu uitgeloopen naar den wensch van Achab en Isebel. Maar Eén, dien zij vergeten hadden, had hen niet vergeten! Achab ging zijnen wijngaard bezien. Te midden zijner plannen, verheugd het land in zijn bezit te hebben — hoorde hij een voetstap — iemand staat voor hem. Lees vers 17—19- Totwien had de Heere gesproken? Wat gelastte Hij Elia ? Wat moest hij tot Achab zeggen ? Eene gevaarlijke boodschap aan een moordenaar, maar Elia was nu niet bevreesd. Hij had in de woestijn geleerd, wat vertrouwen was. Hij, die over den storm en de aardbeving beschikte, kon Zijnen profeet tegen den goddeloozen koning beschermen. Elia ging dan — stond voor Achab — sprak plechtige en ontzagwekkende woorden. Lees AchabS antwoord, vers 20. Hoe noemde hij Elia ? Hij noemde hem een vijand, omdat hij zoo dikwijls tot hem gekomen was, om hem Gods toorn over zijne zonden aan te kondigen ; maar was dit Elia's schuld ? [Sommige menschen zijn boos op hunnen predikant, die hun van hunne zenden spreekt, hen waarschuwt voor den aanstaanden oordeelsdag; maar hij ii Gods gezant?) Wat antwoordde Elia? Hij had zich aan den duivel verkocht — in dit geval was Naboth's wijngaard de prijs zijner zonde. Toen ging Elia vojrt met hem te zeggen, dat de Heere zijn geslacht zou uitroeien, en hen wegdoen, gelijk Jerobeam en Baeza, tot straf voor zijne zonden.

Er volgde nog eene voorspelling


ocr page 203

betreffende den dood zijner vrouw en den zijnen. Lees vers 23, 24. Wat zeide hij, dat Isebel overkomen zou? En Achab ? Het werd door de Israelieten als eene groote schande en als een ongeluk beschouwd geene behoorlijke begrafenis te hebben, vooral in het geval van een koning en eene koningin. Deze woorden maakten een diepen indruk op Achab. {Lees vers 27—-2p.) Ongetwijfeld was het op dat oogenblik oprecht, en Ood was zoo barmhartig, dat Hij een gedeelte der straf introk, ofschoon wij later zien zullen, dat Achabs berouw niet van duur was.

Welk een verhaal vol zonde hebben wij vandaag gelezen! Zie, hoe zij begon — doordat Achab zijn hart zette op hetgeen een ander behoorde. Welk gebod overtrad hij ? Dit leidde hem tot het overtreden van een ander. Welk? Wij moeten zeer voorzichtig zijn met niet te begeeren, wat God ons niet gegeven heeft. Denk tevens hoe vreeselijk voor eene zuster, eene vrouw, eene vriendin, zulk een invloed te hebben als Isebel! Bedenk ten slotte: geene zonde blijft ongestraft.


LES LXXXIL De Pijl door God bestuurd.

Te leeren: 2 Petr. II : 9, Ps. 7 : 6.

Herhaling van de vorige les. — Had Achab meer dan éen paleis? Welk stuk gronds wenschte hij te bezitten, in de nabijheid van dat te Jizreël? Aan wien behoorde het? Wat bood hij Naboth er voor aan ? Wilde deze het verkoo-pen ? Waarom niet? Wat deed Achab? Wie vond hem daar? Wat zeide zij? Hoe trachtte zij in het bezit van dat land te komen? Keurden de oudsten haar plan goed? Werd het uitgevoerd?

Wat zeide zij toen tot Achab? Hoe werd hij er door gestemd? Ging hij naar den wijngaard? Wie ontmoette hem daar ? Wie had Elia gezonden ? Welke boodschap bracht hij ? Hoe noemde Achab hem? Wat zeide Elia dat van zijn lichaam en dat van Isebel worden zou ? Wat deed Achab, toen hij deze boodschap vernam? Sloeg God acht op zijn berouw ? Wat zeide Hij? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

Reeds hebben wij sedert eenigen tijd niets gehoord van de koningen van Juda; de laatste, van wien wij gesproken hebben, was de goede koning Asa, lt;iie de afgoden en afgodstempels uitroeide, zooveel hij vermocht. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Josaphat, die in denzelfden goeden weg wandelde, en leeraars door het geheele land zond om het volk de wegen en wetten van God te leeren. [Lees den kinderen 2 Kr on. XVII : 3—10 voor.} God zegende hem met rijkdom en eer, en gaf hem vrede met al de volken in zijne nabuurschap.

Deze man, die over het geheel gedurende zijn geheele leven getrouw was aan den Heere, beging twee groote fouten; hiervan zullen wij vandaag lezen. Hij sloot vriendschap met Achab, den god-deloozen koning van Israel. Waarom was dit verkeerd ? Lees 2 Kron. XVIII: 1, 2. Waarheen ging hij ? Wat deed Achab? Hij legde een groot feest aan — was blijde hem te zien, vooral omdat hij hulp noodig had in een oorlog, dien hij den koning van Syrië wilde aandoen. Achab had Benhadad, den koning van Syrië, eenigen tijd vroeger overwonnen, en Benhadad had beloofd hem eenige steden af te staan — onder welke Ramoth, in Gilead — maar hij had ze hem niet gegeven. Nu wilde Achab Josaphat overhalen


ocr page 204

8o

met hem te trekken, ten einde die steden te nemen. Zie, wat Josaphat hierop zeide. Vers 3. Wat wilde hij doen? Zoowel dwaas als slecht zich zoo geheel met zulk een snood koning als Achab te verbinden, toch zien wij in de volgende verzen, dat hij geheel anders te werk ging dan Achab om dezen oorlog te beginnen. Lees vers 4,5. Wat wilde Josaphat dat Achab doen zou? Achab had hieraan nooit gedacht — meende dat hij en zijn vriend zekerlijk overwinnen zouden — men behoefde God niet te raadplegen — hij vergat, ofschoon hij Benhadad vroeger had overwonnen, dat dit door Gods macht geweest was, die hem had gebruikt om den koning van Syrië voor zijne trotschheid en wreedheid te straffen. Op dien tijd was de Heere misnoegd op hem geweest, omdat hij Benhadad bij het leven gespaard had, dien God gewild had dat hij ook zoude verdelgen, en hem was voorspeld dat zijn leven op een niet ver verwijderd tijdstip zou worden afgesneden. Dit alles scheen Achab vergeten te hebben. Hoeveel profeten vergaderde Achab ? Wat zeiden zij ?

Dit scheen zeer voldoende, maar zie of het Josaphat ook zoo toescheen! Lees vers 6, 7. Wat vroeg hij ? Waarschijnlijk waren die vierhonderd geene ware profeten Gods, maar behoorden tot de aanbidding der gouden kalveren — dat is, beweerden God te aanbidden, maar gebruikten daartoe ook die beelden. Daarom was Josaphat niet tevreden met hetgeen zij zeiden. Wat zeide Achab van Micha? Dit doet ons denken aan hetgeen hij van Elia zeide. Omdat beiden tot hem de waarheid spraken. Om echter Josaphat te behagen, ontbood hij Micha. (Lees vers 8—//.) Intusschen ging de bode Micha halen. Zie, wat hij tot hem zeide. Lees vers 12, 13. Wat verzocht hij hem te zeggen? Wat antwoordde Micha? Een moedig man — onbeschroomd voor iedereen — was gereed om Gods last te brengen — ging met den bode mede. [Lees vers 14, /5.) Dit klonk juist als van de andere profeten — maar Achab zag dat hij het niet meende — vroeg naar de geheele waarheid. Toen meende Micha hem die te moeten zeggen en sprak eene soort van gelijkenis. Lees vers 16. Wie wordt hier bedoeld met den her-^ der ? Ja. de koning. Toen zeide hij hem, dat hij een gezicht of droom gehad had,, die hem had doen zien dat een leugengeest sprak door (jen mond der profeten om valschelijk te spreken en Achab te misleiden, opdat hij optrekken en te Ramoth, in Gilead, vallen zou.

{Lees vers 25—27.) De arme Micha werd in de gevangenis gezet — kwalijk behandeld, omdat hij ronduit gesproken had. Hoe onrechtvaardig! Dikwijls doen de menschen dit nog, vragen om raad, als zij werkelijk reeds besloten zijn hoe te handelen. Lees vers 28. Van Achab verwondert het ons niet, maar het schijnt vreemd dat Josaphat niet wijzer was — gij ziet dat dit was, omdat hij met een goddeloos man zich verbonden had. [ Opheldering. — Somtijds ziet men een goeden jongen eene wilde daad dce 1 — hij is er zelf over verwonderd — ziet dat hij er docr eenige slechte vrienden toe gebracht is

— dat hij een anderen weg had moc~ ten inslaanZij schijnen toch bevreesd te zijn geweest. [Lees vers 2g, 30.) Achabs baatzuchtig plan was om zich tegen gevaar te behoeden — bekommerde er zich niet over of zijn vriend gedood werd — hij meende volkomen veilig te zijn in de kleeding van een gemeen soldaat.

Lees vers 31, 32. Josaphat geraakte in groot gevaar, maar hoe werd hij gered ? Toen keerden zij zich af. Intusschen was Achab niet in het strijdgewoel

— schijnbaar in geen gevaar, toen eensklaps Gods oordeel kwam. Le^s vers 33, 34. Hoe, staat er, schoot deze man zijn pijl af? „In zijne eenvoudigheid,quot; wil zeggen: „doelloos,quot; hij wilde den koning noch een ander bepaald persoon dooden. God richtte dien pijl rechtstreeks tiaar zijne plaats. Waar werd Achab getroffen ? Het pantser is het harnas; men droeg gewoonlijk stalen of koperen kleeding, met gespen verbonden; hier was de eenige plaats, waar een pijl kon doordringen. Wat


ocr page 205

zeide hij tot den voerman ? De woorden van Micha waren vervuld. (Lees i Kon. XXII : 36.) Zooals hij voorspeld had, werd de herder (koning) gedood, en de schapen werden verstrooid. Elias' vonnis over Achab was ook voltrokken. {Lees 1 Kon. XXI : 19; XXII .-38.) Alzoo viel Gods straf op dien godde-loozen man — zijn ellendig leven ■{want was hij gelukkig in weerwil van zijne rijkdommen, bedienden, rijtuigen, „al wat hij begeerdequot;, zelfs Naboths Avijngaard ?) eindigde met een ellendigen dood,

Keeren wij nu tot Josaphat terug! Zijn leven was gespaard, maar zijn strijd, tegen den raad van Gods profeet en in vereeniging met den goddeloozen Achab ondernomen, bracht hem geene eer. De Syriërs behaalden de overwinning — en de Heere was toornig over hem, omdat hij zich met den koning van Israel verbonden had. [Lees 2 Kr on. XIX : /, 2.) Hoe duidelijk bewijzen Jehu's woorden, dat de Heere niet wil, dat Zijne dienaren zich met de goddeloozen verbroederen! Josaphat hoorde dit verwijt ootmoedig aan, en Gods gunst keerde over hem terug, omdat hij zijn volk goed regeerde en op den weg van heiligheid terugvoerde. {Lees vers 4 — 7, p—//.) En in het volgende hoofdstuk lezen wij dat, toen de Moabieten en Amonieten en die van het gebergte Seir vereenigd tegen het koninkrijk van Juda optrokken, de Heere het gebed van Josaphat en zijn volk hoorde en hen bevrijdde, en maakte dat zijne vijanden het zwaard tegen elkander keerden. [Lees den kinderen voor of vertel hun de geschiedenis, in 2 Kron: XX : 1—24 vervat.'] Is het niet vreemd dat hij hierna zich verbond met Ahazia, den zoon van den goddeloozen Achab ? Wij weten niet of de schepen met eene kwade bedoeling waren uitgezonden, maar het is duidelijk dat Josaphat kwaad deed door zijne verbintenis met Ahazia. [Leesvers J5—j/.) God liet een storm opkomen, die de schepen verbrijzelde. Een werk zonder Gods zegen kan niet voorspoedig zijn.

De groote les, ons in het gelezene gegeven, is begrepen in deze woorden ; „De strijd is niet uw, maar Godes.quot; Hoe machteloos was Achab om zijn dood te ontkomen, als Gods vonnis op het punt stond van te worden uitgevoerd ! Hoe gansch onvoorspoedig waren Josaphats plannen, toen zij in strijd waren met Gods wil! Hoe volkomen veilig, ondanks het aantal zijner vijanden, toen hij wandelde in Gods wegen en alleen op Zijne macht vertrouwde!


LES LXXXIII.

Het Einde van twee Levens.

Te lecren: Joh. XI: 25; Gez. 51 : 6.

Herhaling van de vorige les. — Hoe heette de koning van Juda, van wien wij den vorigen Zondag gelezen hebben ? Was hij goed of slecht? Met wien sloot hij vriendschap? Wat wilde Achab dat hij doen zou? Aan wien wilde Josaphat raad vragen ? Wie werden daartoe door Achab geroepen ? Wat zeiden zij ? Bij wien wilde Josaphat nog meer vragen ? Hoe heette de man, dien zij ontboden ? Wat voorspelde hij ? Hoe behandelde Achab hem? Trokken zij ten strijde ? Hoe vermomde Achab zich ? Wie werd door den Syrischen veldoverste vervolgd? Hoe werd hij gered ? Wie trof Achab met een pijl? Schoot hij op hem? Wanneer stierf hij ? Hoe kwamen Elia's en Micha's voorspellingen uit? Wie was misnoegd op Josaphat, omdat hij zich met Achab verbonden had ? Ging het hem later goed of slecht? Hoe regeerde hij zijn volk ? Wie trok tegen hem te velde ? Wat deden hij en zijn volk ? Verhoorde de Heere hun gebed? Hoe verloste hij hen? Met wien verbond Josaphat zich later nog ? Waartoe ? Wat gebeurde er ten gevolge daarvan ? Herhaal tekst en versje.


ocr page 206

182

SCHETS VAN DE LES.

Hoe heette de zoon van Achab ? Juist, Ahazia. Hij was natuurlijk door zijn vader en zijne moeder slecht opgevoed, en toen hij koning werd, zien wij dat „hij wandelde in den weg van zijn vader en zijne moeder,quot; dat hij was gelijk zij, den Baal aanbad, zoowel als de gouden kalveren. Kort na zijne troonsbestijging stonden de Moabieten, die aan zijn vader schatplichtig geweest waren (d. i. hem geld hadden moeten opbrengen) tegen hem op.

Te midden zijner toebereidselen tot den strijd tegen de Moabieten werd hij door een ongeluk gestuit. Lees 2 Kon. i : 2. Wat overkwam hem ? Vreeselijk gewond, moest hij te bed liggen. Zeer ongeduldig. Tot wien zond hij, om te weten of hij herstellen zou? Intusschen werd hem eene boodschap — eene vree-selijke boodschap gezonden van den God, dien hij miskend had! {Lees vers 3,4.) Wat zeide de Heere? Elia bracht de boodschap — ging de mannen, die naar Ekron gezonden waren, te gemoet, en gaf hun die verschrikkelijke woorden aan Ahazia te boodschappen. Lees vers 5, 6. Hoe verwonderd was de koning, zijne mannen zoo spoedig te zien terugkomen ! Wat zeiden zij tot hem ? Ahazia ontstak in toorn — vernederde zich niet voor God (zooals Achab deed, toen Elia hem zijn dood kwam aankondigen.) Lees vers 7, 8. Ahazia wist wie het geweest was aan zijne kleeding. Hij meende hem te kunnen straffen, omdat hij hem kwaad had durven voorspellen — zond mannen uit om hem te grijpen. Die oversten bespotten, evenals hun heer Elia en zijn God — geloofden niet in de macht van den eenigen Waarachtige. Daarom moesten zij en anderen eene les ontvangen. Wat deed Elia ? Wat gebeurde er ? Een plotseling vuur daalde neder en verteerde hen. Hoeveel malen ? Het klinkt verschrikkelijk — sommigen denken misschien zeer streng — maar bedenk dat deze mannen deelden in de zonde van hnnne7i heer — niet geloofden — God door Elia bespotten — en hem hadden willen dooden. Elia riep het vuur niet om neder te dalen, omdat hij toornig was — het was het vuur van God. Die soldaten waren niet verplicht naar het wreeder spottende voorbeeld van hunnen heer te handelen — zoo zij in God geloofd hadden, zouden zij zich anders gedragen hebben. (Herinner den kinderen, hoe de dienstknecht van Saul weigerde de priesters te dooden, 1 Sam, XXIJ: /7.)

Er was een hoofdman, die eene les trok uit den vreeselijken dood zijner krijgsmakkers. (Lees vers 13—/5.) Wat deed deze veldoverste ? Niets Overkwam hem — hij had Gods macht beleden — hadden de anderen zulks gedaan, zoo zouden zij gespaard zijn gebleven. Wat zeide de engel tot Elia ? Moedig ging hij tot den koning — trad in de kamer des kranken — sprak dezelfde woorden,, met welke hij tot de boden gezonden was. Welke woorden? Zie vers 6. Niets overkwam Elia — hij ging heen, en zijne woorden kwamen spoedig in vervulling. Lees vers 17. Ahazia's god, op wien hij vertrouwde, kon hem niet beschermen tegen de hand des Heereiu Wie regeerde in zijne plaats? Joram was zijn broeder, dus ook een zoon van Achab. Wij zullen in de volgende les van hem hooren; nu keeren wij tot den profeet Elia terug.

De boodschap aan Ahazia was het laatste werk, dat God hem te doen gaf— gij herinnert u, dat hij kort te voren aan God gevraagd had hem weg te nemen. Niet terstond kon zijn gebed verhoord worden, want God had eerst een ander werk voor hem te doen — nu dat werk volbracht was, was zijn :ijd van scheiden gekomen. Evenals van Ahazia. Maar welk een geheel ander einde 1

Reeds lang geleden, toen de Heere tot Elia in de woestijn gesproken en hem gezegd had zijn gebed te zullen verhooren, ofschoon niet terstond, had Hij hem den man genoemd, die zijn werk zou voortzetten — Eliza, den zoon van Saphat. Elia had dit toen aan Eliza bekend gemaakt. Ik zal u voorlezen.


ocr page 207

I83

hoe hij (Wi teed. {Lees i Ko?t. X/X: ig.) Wat deed Eliza? Een landman — hij ploegde zijnen akker. Men gebruikte ossen in plaats van paarden, met kleine honten ploegen. Op dezen akker waren er twaalf, elk met twee ossen bespannen — Eliza was bij den laatsten. Wat deed Elia hem ? Hij wierp een mantel op hem — deze of eenig ander kleedingstuk beteekende voor hem, op wien het geworpen werd, dat deze het werk van den anderen moest overnemen. Dit zeide aan Eliza genoeg, dat hij een profeet zou zijn gelijk Elia — hij wist dat het een moeielijk leven was — dikwijls vol van gevaren. Hij behoefde dit werk niet op zich te nemen. Het was wel eene roeping Gods — maar hij was vrij al of niet te gehoorzamen, zooals hij wilde. Ik zal u zeggen, wat hij deed. (Lees vers 20, 2/.) Wat zeide hij tot Elia? Hij keerde terug, gaf een afscheidsmaal aan zijn volk — zeide toen zijn gewone leven, zijn akkerwerk, vaarwel — werd Elia's dienstknecht en vriend. En toen Elia de wereld verlaten zou, was Eliza nog steeds bij hem.

Lees 2 Kon. II : 1. Hoe werd Elia weggenomen ? Zij gingen te zamen — van waar kwamen zij ? Lees vers 2. Waarheen gingen zij ? Te Bethel was eene profetenschool — jongeliéden werden daar opgeleid om Gods werk te doen — leeraars te worden. Elia ging hen voor de laatste maal bezoeken — zij wisten, zoowel als Elia en Eliza, dat het de laatste maal was. Zulk eene school was ook te Jericho. Deze allen dienden den Heere, in spijt vandegod-delooze koningin Isebel en hare afgodspriesters. Dus had Elia een groot werk gedaan in het onderwijzen van deze jongelieden. Zie, wat zij tot Eliza zeiden. {Lees vers 3—5.) Wat antwoordde hij hun ? Zoo gingen zij alleen samen voorwaarts — vijftig profeten-zonen bleven op een afstand staan, hen naöogende — verlangend wat er geschieden zou. Zij kwamen aan de Jordaan — hoe trokken zij die over? Lees vers 8. Wat deed Elia? Wat gebeurde er ? Zijn laatste wonder — het doet ons denken aan de Israelieten, toen zij onder Mozes de Roode Zee en onder Jozua de Jordaan overtrokken. Een laatste verzoek van Eliza. Vers 9, 10. Wat was dat ? Dat is : de zegen Gods, het geloof, de macht en de moed van zijn meester. Welk een wijze wensch! Wat antwoordde Elia? Zij spraken nog, toen het einde daar was. Lees vers 11, 12. Wat verscheen er ? Welk een verbazend gezicht! De vurige wagen en paarden ! Het heldere licht! Elia ging en werd weggenomen. Eliza, vol verbazing, staarde hem na {gelijk de discipelen, toen Jezus van hen ten hemel voer) eindelijk „zag hij hem niet meer.quot; En nu — werd zijn gebed verhoord? Lees vers 13, 14. In de volgende les zullen wij zien, hoe Gods Geest in Zijne volheid op hem rustte.

Vergelijken wij nu het einde van Ahazia's en Elia's leven op aarde. Denk eens na, hoe verschrikt Ahazia — hoe bevreesd voor den dood, hoe toornig hij over de boodschap was — hij moest sterven! En zie, hoe kalm, hoe blijmoedig Elia was! Onbevreesd — hij ging heen om zijneii Vriend te ontmoeten. Aan wien zoudt gij willen gelijken, als uw einde daar is ? Dan moet gij in uw leven hem gelijk zijn — moedig, vertrouwend, vol gebeds, geloovig. En ofschoon gij niet kunt verwachten zonder sterven van dit leven te scheiden, toch zal de dood voor u slechts de overgang zijn tot een heerlijk, eeuwig leven.


LES LXXXIV.

Wonderen van Barmhartigheid en Oordeel.

Tc loeren : Heb. XTII : 17; Ps. 108 : 7.

Herhaling van de vorige les. — | overkwam hem? Tot wien zond hij? Hoe heette de zoon van Achab ? Wat | Wien ontmoetten de boodschappers?

ocr page 208

184

Met welke boodschap ? Wie zond Aha-zia tot Elia? Wat moesten zij doen? Wat gebeurde er? Hoeveel malen zond hij ? Wat deed de derde hoofdman ? Welken last gaf God aan Elia? Wat zeide hij tot Ahazia? Gebeurde het? Wien had God aangewezen als opvolger van Elia ? Hoe riep deze hem en waar? Was Eliza bereid hem te volgen? Wat deed hij eerst? Waarheen ging Elia met Eliza, toen hij weggenomen zou worden ? Welke scholen waren

SCHETS Vigt;

Toen Eliza, naar den hemel starende, zijn meester had zien verdwijnen en hij op dezelfde wonderbare wijze als te voren de Jordaan was overgegaan kwamen de profeten-zonen hem te gemoet, die op een afstand hadden toegezien. Zij hadden Elia zien opnemen, en Eliza, met zijn mantel terugkeerende, de wateren der Jordaan zien klieven, en ontvingen hem aanstonds als hun meester in de plaats van Elia. Lees 2 Kon. II: 15. Echter konden zij niet gelooven, dat Elia was heengegaan, om niet weder terug te keeren. (Lees vers 16—18.) Wat deden zij ? Wat vonden de boodschappers ?

Waar had Eliza op hen gewacht? Te Jericho in de school, waartoe deze jonge profeten behoorden. Er was daar aan iets groote behoefte. Zie, wat dit was. Lees 2 Kon. II : 19. Wat was dat groote gebrek? Het water was bedorven — bitter — was niet te drinken en bedierf hunne landerijen, zoodat hunne akkers en tuinen niets wilden voortbrengen. Het water, een van Gods beste gaven, gebruiken wij dikwijls alsof het niets waard is — maar zijn wij er van ontbloot, dan gevoelen wij eerst de groote behoefte, die wij er aan hebben. Lees vers 20—22. Wat beval hij hun hem te brengen? Eene „schaalquot; is eene flesch of iets van dien aard. Wat deed hij met het zout ? Wat sprak hij daarbij ? Let wel op zijne woorden, niet „ik heb het gezond gemaakt,quot; maar „zoo zegt de Heere, ik heb dit water gezond gemaakt.quot; Wat bewijst dit? Eliza

er te Bethel en te Jericho ? Wat zeiden de profeten-zonen tot Eliza ? Wat gebeurde er, toen de twee profeten aan de rivier de Jordaan kwamen ? Wat vroeg Eliza aan Elia om voor hem le doen ? Wat antwoordde hij ? Hoe werd Elia opgenomen ? Wat gebeurde met zijn mantel? Welk gebruik maakte Eliza er van kort daarna? Wat bewees dit? Wat was het verschil tusschen Ahazia's en Elia's dood? Herhaal tekst en versje.

N DE LES.

gaf de eer niet aan zich zeiven, verlangde niet geprezen te worden voor hetgeen hij gedaan had — gaf alle eer aan God. Hoe verheugd moeten die menschen geweest zijn met dat zuivere, zoete water!

Toch waren er na dit wonder eenigen, die niet wilden gelooven en oneerbiedig zich omtrent Eliza, en daardoor omtrent God, wiens dienstknecht hij was, gedroegen. Zulke menschen hadden eene les van een anderen aard noodig, en ontvingen die ook. Lees vers 23, 24. Wat riepen die kinderen ? Het was alsof zij zeggen wilden: „Ga op, evenals Elia. Wij hebben u, noch uw meester van noode.quot; Ongetwijfeld versterkten hunne ouders hen in deze zondige bespotting van Gods profeet — hadden hen misschien uit gezonden — in elk geval: zij beletten het hun niet. Ploe werden zij gestraft? Welk een schrik onder de kinderen, welk eene smart onder de ouders over den vreeselijken dood dier spotters ! Dezen, ziet gij, waren niet te winnen door een wonder van liefde, dat het bittere water zoet maakte — daarom werd dit wonder van oordeel gezonden. [ Opheldering. — Een onderwijzer tracht dikwijls een kind door goedheid te wi.t-

nen; haat dit niet, dan moet hij straf-/««•]

Wij hebben de laatste maal gelezen, dat, toen koning Ahazia gestorven was zijn broeder Joram hem opvolgde. Ik zal u voorlezen, wat van hem gezegd wordt. (Lees hoofdst. III: 1—j.) Niet in alles zoo slecht als zijn vader en z jne moeder, maar toch aanbad hij het gouden


ocr page 209

185

lcalf. Gij weet dat de Moabieten onder de regeering van Ahazia waren opgestaan. De koning van Moab had aan Achab eene zekere schatting betaald, maar later .geweigerd. (Lees vers 4, 5.) Wat was de schatting geweest? Ahazia was op het punt geweest den Moabieten den oorlog aan te doen, toen hij uit het venster viel en ten gevolge daarvan stierf. Nu zette zijn broeder joram dat werk door. Echter had hij hulp noodig. Lees vers 7. Tot wien wendde hij zich? Wat zeide Josaphat? De Heere schijnt niet toornig op hem geweest te zijn, •omdat hij Joram hielp, misschien daar hij in zooverre beter was dan zijn broeder, de beelden van Baal had weggedaan, ofschoon hij den kalverdienst in eere hield.

Zij gingen op reis. Lees vers 9. Drie koningen met hunne legers, honderden manschappen, maar geen water! Joram was geheel moedeloos, maar zijn vriend wist tot wien hij zich moest wenden. £ Opheldering — In tijden van rampen, ziekten, enz. weten goddelooze menschén niet, wat te doen, ?naar Gods volk heeft zijn Helper altijd nabij zich.\ [Lees vers 11.) Wat vroeg Josaphat ? Wat antwoordde een dienstknecht? „Die water op Elia's handen goot.quot; Hij hoort, dat het Elia's knecht is. Toen gingen de drie koningen tot Eliza. (Lees vers 13—ƒ5.) Wat zeide hij tot den koning van Israel? Voor hem wilde hij niets doen, maar voor wien? Omdat Josaphat een goed man was. Toen het snarenspel klonk, kwam Gods hand op hem en hij vernam, wat hij doen moest. Lees vers 16, 17. De geheele vallei moest met grachten doorgraven worden, en wat zou dan gebeuren ? En dat zou niet alles zijn. De Heere zou hun de overwinning schenken over hunne vijanden. (Leesvers 18, /9.) Geloofden de drie koningen zulk eene wonderbare belofte? Ja. De soldaten begonnen allen grachten te graven, arbeidden den ganschen dag hard — des nachts legden zij zich neder — maar nog geen spoor van water. Maar des morgens (lees vers 20) vloeide de Godsrivier om Zijne belofte te vervullen en Zijn volk te helpen. En datzelfde water.

dat het leger van Israel en Juda van den dood redde, gaf den vijanden de nederlaag.

(Lees vers 21— 25.) Wat zagen de Moabieten? Wat meenden zij te zien? En toen zij aan den buit wilden gaan (de Israelieten uitplunderen) stonden dezen op en versloegen hen. Dit wonder doet ons denken aan de vuurkolom, door welke de Heere de kinderen Israels door de Roode Zee leidde, aan de eene zijde licht, om Zijn volk te beschijnen — de andere donker om hunne vijanden in verwarring te brengen. Zoo misleidde het water, dat de dorstige legers ver-frischte, de Moabieten en bracht hun de nederlaag.

Na een voorbeeld van barmhartigheid, aan een aantal uitgeputte mannen bewezen, zullen wij er nu een lezen van de hulp, aan eene arme, bedroefde weduwe bewezen. Lees hoofdst. IV : r. Wat zeide zij tot Eliza ? „Knechtquot; beteeken t hier: „lijfeigene, slaaf.quot; Zij, die hunne schulden niet konden betalen, werden als slaaf verkocht; of hunne kinderen, als de vader gestorven was; zeven jaren lang moesten zij den man dienen, aan wien het geld betaald moest worden. Deze echtgenoot was een braaf man geweest; „gij weet,quot; enz. Eliza sprak haar vriendelijk toe. Lees vers 2. Wat vroeg hij haar ? Wat was haar antwoord ? Ik zal u zeggen, wat hij haar zeide te doen. (Lees vers 3—6.) Welk een vreemd plan scheen dit! Hoe natuurlijk, zoo zij gezegd had: „Waartoe zouden al die vaten dienen, ik kan ze toch niet uit die éene kruik vullen.quot; Maar deed zij het? Stel u voor, zij en hare zonen alleen in hunne kamer, uit die éene kruik voortdurend gietende, zonder dat de olie ophield te vloeien. Eindelijk waren er geene vaten meer. Lees vers 7. Wat deed zij? Wat zeide Eliza? Hoe dankbaar zullen die weduwe-en hare kinderen geweest zijn — nu konden zij leven zonder vrees voor slavernij.

Wij hebben heden van vier wonderen gelezen, door Eliza gewrocht, maar, in de kracht van God. Laat ons nu eens nadenken, waarom God hem die


ocr page 210

i86

wondermacht gaf — het was om hem in staat te stellen Elia's werk, het terugbrengen der Israelieten tot God, voort te zetten. Deze wonderen geschiedden om hen te doen gelooven, dat hij van God gezonden was — en naar hem te hooien. Wie worden nu uitgezonden om zondaars tot God terug te brengen, erï hen te bemoedigen, die zoeken Hem te dienen. Ja, de predikanten. quot;Wij behoo-ren te bedenken, dat zij Gods dienstknechten zijn, hen met eerbied te behandelen, voor hen te bidden, naar hen-te hooren.


LES LXXXV. De Sunamietische Vrouw.

Te leeren : Matth. XXV: 40; Gez. 69 : 3.

Herhaling van de vorige les. — Waartoe vroegen de vijftig profeten-zonen aan Eliza verlof, nadat Elia ten hemel was gevaren? Gaf hij zijne toestemming ? Stond hij het hun daarna toe ? Vonden zij Elia? Waar wachtte Eliza hen op? Waarover beklaagden zich de mannen van Jericho aan Eliza? Wat beval hij hun hem te brengen? Wat deed hij met het zout? Wat gebeurde er? Wie kwamen er om hem te bespotten, toen hij naar Bethel ging? Wat riepen zij? Wat overkwam hun ? Wie werd koning van Israel na Ahazia's dood ? Wat voor een man was hij ? Was hij even slecht als zijn vader Achab en zijne moeder Isebel? Met wien verbond hij zich om de Mo-abieten te beoorlogen? Welke groote ramp overkwam hun ? Bij wien zochten zij hulp ? Wat beval Eliza hun te doen? Deden zij het ? Wat gebeurde er? Wat dachten de Moabieten ? Wat deden zij daarom ? Wie kwamen tegen hen uit? Slaagden zij ? Welke vrouw kwam tot Eliza om raad ? Wat was haar nood? Wat zeide hij haar te doen? Wat vond zij? Wat zeide hij haar met de olie te doen? Waarom stelde God Eliza in staat al deze wonderen te verrichten ? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

Herinnert gij u de arme weduwe van Zarphat, die in de laatste dagen van den hongersnood aan Elia van het laatste van haar meel gaf ? Hoe werd zij beloond ? Heden zullen wij hooren van eene andere vrouw, die aan den profeet des Heeren liefdadigheid bewees, maar zij was geene arme weduwe, maar eene rijke, aanzienlijke vrouw, die met haren man te Sunem woonde.

Lees 2 Kon. IV : 8. Hoe wordt zij hier genoemd? Eene „grootequot;d. i. aanzienlijke — zij had vele bedienden — een groot huis — fraaie kleederen. Zij hield bij hem aan, d. i. zij overreedde hem bij haar in huis te komen. Kwam hij maar éénmaal ? Zij vroeg hem bij haar zijn intrek te nemen, zoo dikwijls hij dien weg kwam. Lees vers 9, 10. Wat zeide zij tot haren man ? Gij ziet dat zij Eliza liefhad, omdat hij een heilig man was — wilde van hem leeren. Het is een bewijs van hen, die tot Gods volk behooren^ dat zij den omgang van brave menschen begeeren. Wat stelde zij voor, voor hem in gereedheid te houden? Welk eene goede gedachte ! De profeet, dikwijls vermoeid, en ongetwijfeld somtijds in zijnen arbeid teleurgesteld — had deze kamer als een stil tehuis, waar hij kon uitrusten. Aldus geschiedde het. De eerste maal, toen Eliza daarna kwam, vond hij alles gereed — recht voldaan over die vriendelijke oplettenheid. Zijne eerste gedachte was: „Hoe kan ik haar die moeite vergelden, die zij genomen heeft?quot; Hij zond zijn jongen, Gehazi, om haar te roepen. Lees vers 13, 14. Wat vroeg hij haar het eerst ? Dat wil zeggen, of zij hulp behoefde van den koning, zoo iemand haar onrecht had aangedaan. Wat antwoordde zij ? Zij woonde in vrede tehuis.


ocr page 211

I87

had met niemand eenigen twist. Toen dacht Gehazi aan iets, dat haar misschien bekommerde. Wat zeide hij ? Elke Joodsche vrouw verlangde naar een kind, want welk een wondervol kind verwachtten zij, dat uit eene harer zou geboren worden ? Ja, den beloofden Zaligmaker. Niemand wist, wie die begunstigde moeder zijn zou. Aldus wilde God hare goedheid voor Zijnen dienstknecht beloonen met haar een kind te geven. {Lees vers /5, /7.) Eerst kon zij die goede tijding niet gelooven, maar Eliza's woorden werden bevestigd.

Het jaar verliep, het kind werd geboren ; hoe verheugd was zij, toen Eliza wederkwam en zij hem kon doen zien, hoe het kind groeide, begon te praten, te loopen en hem vertellen kon, al wat hij deed, zooals moeders doen. Maar eensklaps kwam er droefheid in dat gelukkige gezin, omtrent den oogsttijd. Lees vers 18. De knaap liep rond op den akker onder de maaiers, hielp zijn vader, zooals kinderen van landbouwers vaak doen. Eensklaps gevoelt hij pijn. Lees vers 19, 20. Waar had hij pijn — zij werd steeds erger — wat deed zijn vader nu ? Hoe bedroefd was de moeder, toen zij haren lieveling zag binnenbrengen onder zooveel pijn. Zij deed wat zij kon om hem te verzorgen en te verlichten — alles tevergeefs. — Wat gebeurde er ? De moeder, door droefheid overstelpt, gaf zich echter niet aan hare smart over.

Laat ons zien, wat zij deed. {Lees vers 21—24?) Tot wien zond zij en waartoe ? Zij zeide haren man niet wat er gebeurd was — zond hem slechts eene boodschap op het veld — misschien was hij mijlen ver — zij spoedde zich voort — wij zullen zien waarheen. Lees vers 25, 26. Wanneer zag Eliza haar? Wat beval hij Gehazi te doen ? Hij was deelnemend bezorgd, dacht dat er iets kwaads geschied was. Wat antwoordde zij Gehazi op iedere vraag ? Misschien gevoelde zij zich niet in staat hem hare smart mede te deelen. Lees vers 27, 28. Wat deed zij, toen zij bij Eliza kwam? Dat is: zij viel neder aan zijne voeten vol bittere smarten biddende. Wat wilde Gehazi doen ? Liet zijn meester het hem toe? Herinnert gij u ook iemand, die eene vrouw wilde keeren, die Jezus achterna riep; moeders, die hare kinderen brachten om gezegend te worden; eene vrouw, die Zijne voeten met olie wilde zalven? Wilde hij toelaten haar weg te zenden ? Zoo betoonde Eliza in dit geval dezelfde barmhartige, goede gezindheid als zijn groote Meester — Gods ware dienaren trachten altijd goed voor hen, die lijden, geduldig en zachtmoedig te zijn.

Wist Eliza eerst, wat er gebeurd was ? Wat zeide zij tot hem? Hieraan hoorde hij, dat er iets met het kind geschied was. Eerst zond hij zijn dienstknecht met een bepaalden last. (Lees vers 2g—32.) Wat moest Gehazi doen? Hij deed het en wat gebeurde er ? Juist, niets. Dit scheen eene mislukking — misschien was het om de moeder — Gehazi, Eliza zelfs te herinneren, dat leven en dood in de hand zijn — van wien ? Bij wien bleef de moeder intusschen? Weldra bereikten zij en de profeet het huis. Zie nu, wat Eliza deed. Lees vers 33. Alleen, met het doode kind, hoe ernstig bad hij? Hij tield steeds aan, daar het antwoord niet terstond kwam. {Lees zwj J5.) Wat deed hij nog meer? Wat gebeurde er eindelijk? Hoe verheugd moet Eliza geweest zijn!

Lees nu vers 36, 37. Wie riep hij ?quot; Wat deed zij? Zij knielde neder, dankbaar niet alleen aan Eliza, maar ook aan zijn God. Hoe dankbaar en gelukkig was zij, nu zij zich haar kind teruggegeven zag!

Laat ons nu zien, wat dit schoon verhaal ons leert. 1. Welke rijke belooningen geeft de Heere aan degenen, die aan Zijn volk weldadigheid bewijzen ! Deze Suna-mietische had zich voor Eliza veel moeite gegeven. Wat had zij voor hem gedaan ? Had hem liefgehad en geëerd, omdat hij een man Gods was, niet slechts om hetgeen hij voor haar gedaan had, want toen zij hem voor de eerste maal aan haar huis ontving, had hij niets voor haar gedaan. Zij wilde van hem ieeren.. Zoo moeten wij ook Gods dienaren, eeren — blijde onderwijs van hen ontvangen, en ook al Zijn volk helpen, die


ocr page 212

i88

•onze hulp noodig hebben. Zelfs kinderen kunnen dit, zoo zij slechts naar de gelegenheid uitzien. (Voorbeeld. — Bloemen aan een zieke brengen, boodschappen doen of waterhalen voor ouden van dagen, somtijds iets van hun eigen eten besparen voor iemand, die armer is dan zi/.) Zie, hoe deze vrouw voor hare goedheid beloond werd. Wat ontving zij eerst? Toen de dood dit van haar had genomen, werd het haar teruggegeven, en verder lezen wij dat Eliza haar voor een hongersnood waarschuwde, die over het land komen zou, zoodat zij en haar zoon (haar man was toen dood) gespaard bleven door naar een ander land te vluchten. Zijn knecht was het middel, waardoor zij bij hare terugkomst haar land terugbekwam. (Lees hoofdst. VIII : i—6.) Dit alles was eene belooning van God voor de weldadigheid, aan Zijn profeet bewezen. Christus zegt, dat Hij al de weldadigheid (zelfs een beker waters), aan Zijn volk bewezen, beschouwen zal als aan hem zeiven geschied. 2. Zie verder de kracht van het geloovig gebed — de staf was machteloos, maar de kracht van het gebed vond verhooring bij God. Bidden voor geestelijk dooden, dat is, voor hen, die dood zijn voor Gods liefde, zich om Hem niet bekommeren. Hem niet dienen. Gij kunt het middel zijn in Gods hand, hen uit den doodsstaat tot het leven te brengen.


LES LXXXVI.

Het kleine Meisje. — De Zonde van Gehazi.

Te lecrcn : Opcnb. XXI: 27; Ps. 120 : 1.

Herhaling van de vorige les. — quot;Waar woonde de rijke vrouw, van wie quot;wij in onze laatste les gelezen hebben ? Wat bereidde zij voor Eliza? Kwam hij er dikwijls? Waarom ontving zij hem gaarne? Wat vroeg hij haar voor haar te kunnen doen? Op welke gedachte kwam Gehazi? Welke belofte gaf Eliza haar ? Waarom verlangden alle Joodsche vrouwen zonen te hebben? Werd het kind geboren? Waarheen ging hij eens, toen hij grooter geworden was ? Waar-over klaagde hij opeens ? Wat zeide zijn vader hem te doen ? Wat gebeurde er ? Wat deed zijne moeder? Wanneer zag Eliza haar? Wien zond hij haar te ge-moet ! Wat deed zij, toen zij Eliza ontmoette? Wist hij terstond, wat er gebeurd was? Wien zond hij naar haar huis? Waarom? Werd het kind weder levend? Wat deed de profeet, toen hij in haar huis gekomen was? Verhoorde God zijn gebed ? Wie riep hij ? Deed hij later nog meer weldadigheid aan de Suna-mietische? Wat was dat? W7at leeren wij uit dit verhaal ? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

Kinderen denken somtijds dat zij, omdat zij jong en teeder zijn, tot niets of voor niemand van nut kunnen wezen. Dit is eene groote vergissing. God kan zoowel een kind, als een man of vrouw, gebruiken om Zijn werk te verrichten. [ Opheldering. — Eene naald, hoe klein ook, kan, in de hand eener bekwame en vlugge naaister, fraai werk voortbrengen.} Wij zullen vandaag lezen van een kind, dat het middel van groote hulp en vertroosting werd voor hen, met wie zij leefde.

Lees 2 Kon. V : 1. Welk beroep had Naaman? Een braaf man — een groot veldoverste — lijk, goed ter naam — gij zoudt licht zeggen, dat hij zeer gelukkig was — maar — wat verstoorde al zijn geluk? Juist, hij werd melaatsch. Wij hebben vroeger reeds van deze — de ergste aller ziekten — gesproken —zij begint met eene kleine vlek — verspreidt zich over het geheele lichaam — is ongeneeslijk — langzamerhand vallen alle ledematen éen voor éen af — hoe ellendig ! Lees nu vers 2, 3. De Syriërs zijn


ocr page 213

189

met de Israelieten in oorlog. Wat hadden de Syriërs gedaan? Beschrijf de ellende in Israel — dorpen onverwacht, somtijds des nachts, overvallen — kinderen als slaven weggevoerd — onder dezen was zij, van wie gesproken wordt. Dit meisje, door hare meesteres misschien met vriendelijkheid behandeld, kreeg haren meester en hare meesteres lief, gevoelde het anders harde lot der slavernij niet — het bedroefde hare haren meester te zien lijden. Wat zeide zij tot zijne vrouw ? Welken profeet bedoelde zij ? Juist, Eliza — zij herinnerde zich al de wonderen, die zij van hem gehoord had in hare woonplaats — sprak er met hare meesteres van. Naamans vrouw sprak er over met haren man — er werd veel over gesproken, zoodat het eindelijk ook ter ooren van den koning van Syrië kwam. Deze zou blijde wezen zijn krijgsoverste weer gezond te zien — dacht dat hij dit doen kon door aan den koning van Israel te schrijven — zond toen Naaman met den brief en een aanzienlijk geschenk in goud, zilver en fraaie kleederen tot hem.

Zie, wat er gebeurde, toen Naaman bij den koning van Israel kwam. Lees vers 6, 7. Wat was de inhoud van den brief? Wat deed de koning van Israel? Het was Joram, de zoon van den god-deloozen koning Achab, die toen over Israel regeerde. Hij wist dat hij niemand van de melaatschheid genezen kon — meende dat de koning van Syrië eene oorzaak tot twist zocht. Maar er was er een, gereed om te helpen — de dienstknecht van den God, Dien hij zoo weinig achtte. {Lees vers 8, g.) Wat zeide hij? Weldra stond Naaman met zijn wagen en zijne paarden en dienaars aan het huis van den profeet. Lees vers 10, 11. Hoe gemakkelijk en eenvoudig, wat hem gezegd werd te doen! Maar hoe dacht Naaman daarover? Niet in het minst, wat hij verwexht had. {Lees vers /2.) De trotsche krijgsoverste achtte de rivieren van zijn land veel beter dan de Jordaan — hij hield zich voor bedrogen — reisde weer af naar zijn huis. Maar wederom waren het zijne dienstknechten, die hem te hulp kwamen. Zij hadden hunnen meester lief,, konden het niet dulden hem ongenezen te zien terugkeeren. {Lees vers 13.) Hij was niet te trotsch om naar hen te hooren — begon zijne verkeerdheid in te zien en schaamde zich niet dit te bekennen. (Hoe dikwijls weten kinderen ongelijk te hebben, maar willen dit niet bekennen of hiin gedrag veranderen ; trotschheid houdt hen af van gelukkig te worden en Gods wil te doen.} Dus volgde hij wijselijk den raad zijner dienstknechten.

Lees vers 14. Wat gebeurde nu? Welk eene verandering! In plaats van die afzichtelijke witte zweren, was zijn vleesch rein en gezond — zijne krachten waren teruggekomen. Welk een zegen! Hoe zou zijn leven voortaan geheel anders zijn — niet meer afgezonderd, zoodat alle menschen van hem weken, maar in staat met zijn gezin te leven, zijn werk te verrichten, te zijn gelijk anderen. Zie nu, wat hij het eerste deed, toen God hem die groote barmhartigheid bewezen had. Lees vers 15. Tot wien keerde hij terug ? Hij wilde zijne dankbaarheid betoonen door een geschenk. Maar Eliza wilde niets aannemen. Hij wilde niets ontvangen voor hetgeen hij door de macht van God gedaan had. Lees vers 16. Niet alleen was Naaman dankbaar op het oogenblik van zijn herstel, maar van dien tijd af wilde hij geene afgoden meer aanbidden, zooals weleer, maar den waren God. {Lees vers /7.) Wat verlangde hij ? Hij wilde een altaar bouwen in zijn land, aan den Heere gewijd, en wilde van de aarde uit Israel medenemen, om het daarvan op te richten. Hij wist echter dat er groote moeielijkheden aan de aanbidding van den waren God in zijn land zouden verbonden zijn — vroeg daarom aan Eliza om raad. {Lees vers 18, ig.) Eliza vertroostte hem. God zou in zijn hart lezen, en zijn oprechten wensch kennen van de valsche goden afstand te doen. Welk eene schoone geschiedenis, tot dusverre ! Het meisje, als slavin weggevoerd, redt haren meester en hare meesteres


ocr page 214

9°

-cloor van den waren God en den profeet van Israel te spreken — de dienstknechten, hunnen meester overredende het eenvoudige geneesmiddel aan te wenden, eerst door hem veracht. Hoe duidelijk bewijst ons dit, dat armen en zwakken, zelfs kinderen, iets voor God doen kunnen door anderen te helpen. {Opheldering. — Een meisje zag haar broertje eene vlieg kwellen en zeide : „Doe het niet! Het is een schepsel van God.quot; Hij dacht er aan, toen hij den volgenden dag eenigen zijner makkers een hond zag mishandelen en zeide tot hen hetzelfde. Een arme dronkaard, die er hij stond, hoorde die woorden en dacht: „Zoo een hoiid een schepsel van God is, hoeveel te ■meer dan ikquot; — besloot zijn gedrag te veranderen; door Gods genade werd hij een geheel ander mensch, alleen door dat êene gezegde van het meisjeWelk een voorbeeld geeft Naa-man, de heiden, van bereidwilligheid om op den rechten weg gebracht te worden — van dankbaarheid voor zijn herstel, van zijn wensclï om zich en zijne rijkdommen te geven aan den God, die zoo goed voor hem geweest was. Dikwijls vergeten zij, die van eene ernstige ziekte hersteld zijn, God daarvoor te danken. {Opheldering, — De tien melaatschen uit Lukas XV/I : 12—18.)

Maar, helaas ! deze geschiedenis heeft •een treurig einde. Lees vers 20. Wat :zeide Gehazi? Begeerig naar geld, kon hij het niet verdragen de kans te verliezen van iets te krijgen. Hij had het recht niet om iets te vragen, maar wij zullen zien, hoe hij die zwarigheid overwon. [Lees vers 21, 22.) Wat vertelde hij aan Naaman? Welk eene god-delooze leugen! Naaman geheel misleid blijde de gelegenheid te hebben iets aan Eliza te geven. Lees vers 23. Wat gaf hij hem? Zelfs meer dan hij vroeg. Gehazi was ongetwijfeld verheugd. [Lees vers 24.) Hij meende dat niemand iets van zijne zonde wist. Lees vers 25. Wat zeide Eliza? Wat antwoordde hij ? Eene nieuwe leugen — zoo leidt bijna altijd de eene leugen tot de andere — het bedrog is als een glibberig pad, dat naar een afgrond voert — na den eersten stap volgen dikwijls andere — de vaart is niet te stuiten — wacht u voor den eersten stap. Maar kon hij Eliza misleiden ? Lees vers 26, 27. Welk een vreeselijk vonnis! Wat baatten hom nu het geld en de wisselkleederen ? Hij had ze met zijne gezondheid en geluk betaald.

Twee belangrijke lessen kunnen wij uit Gehazi's zonde en straf leeren. 1. Hoe hatelijk is de leugen in Gods oog! De mensch denkt lichtvaardig over eene leugen. God niet. [ Opheldering. — Ananias en Saphira.\ Bid om waarheidsliefde en oprechtheid. 2. Gehazi, de dienstknecht van Gods profeet, had zijne wonderen gezien, zijn onderwijs gehoord, daarom was zijne zonde des te grooter. God verwacht veel meer van kinderen, die gedoopt, in een Christenland grootgebracht zijn, den rechten weg geleerd hebben, dan van heiden- of andere verwaarloosde kinderen.


LES LXXXVir.

Ongeziene Vrienden.

Tc leeren: Rom. XII : 20; Gez. 70 : 4.

Herhaling van de vorige les. — Van I welken grooten krijgsoverste hebben wij de vorige maal gelezen ? Aan welke ziekte leed hij ? Was hij jood ofheiden ? Wie had hij als gevangene uit Israel weggevoerd ? Wat zeide zij tot hare meesteres ? Wat deed lt;ie koning van Syrië, toen hij dit hoorde?

Wat dacht de koning van Israel, toen hij dezen brief ontving? Wie ontbood Naaman bij zich? Wat deed hij, toen Naaman kwam? Wat dacht de krijgsoverste, toen hij deze boodschap ontving? Wie haalde hem er toe over, om zich in de Jordaan te wasschen? Wat gebeurde er?


ocr page 215

Wat deed hij toen ? Wat wilde hij dat Eliza zou aannemen ? Wilde hij het geschenk aanvaarden? Wie verlangde daarna iets van Naaman te ontvangen? Hoe deed hij dit? Geloofde Naaman hem? Wat gaf hij hem? Wat deed Gehazi met het ontvangene, toen hij bij het huis kwam ? Waar ging hij vervolgens heen ? Wat vroeg Eliza hem? Wat was zijn antwoord? Welke straf ontving hij voor zijn liegen en zijne hebzucht ? Wat leert ons het gedrag van Naaman? Wat de zonde en de straf van Gehazi? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

Wij hebben den vorigen Zondag gelezen, hoe Gods hand zich uitstrekte om de geheime zonde van Gehazi te straffen; heden zullen wij zien hoe Hij even gereed en in staat is zijne dienstknechten in tijden van gevaar te beschermen. De Syriërs waren weder met de Israelieten in oorlog. Voortdurend hadden er gevechten plaats. Niemands leven of eigendom was veilig. Het geheele land was in een ellendigen staat. Maar de Israelieten hadden éenen Vriend, die in staat was hun van groot nut te zijn. Geen krijgsoverste of aanvoerder; wij zullen zien, wie het was.

Lees 2 Kon. VI : 8. Wij kunnen ons voorstellen, hoe de koning met zijne oversten sprak, bepaalde waarheen het leger te voeren, ten einde van daar op de Israelieten aan te vallen. Een kamp is eene plaats, waar een leger zijne tenten heeft opgeslagen en eenigen tijd vertoeft. De koning van Syrië dacht ongetwijfeld dat hij alles geheim genoeg beraamd had, dat niemand het wist — hij zou in staat zijn zijne vijanden te verrassen. Maar zie, wat er gebeurde. Lees vers 9, ie. Wie was de Godsman? Ja, Eliza. Tot wien zond hij ? Wat zeide hij hem? Niet ééns of tweemaal, maar verscheidene malen gebeurde dit — het baatte den Syrischen koning niet plannen te maken, den Israelieten hinderlagen te leggen, hij kon ze niet verborgen houden, zij wisten het altijd vooruit, en vermeden die plaatsen, waar de Syriërs zich schuilhielden. Eindelijk ontdekte de koning van Syrië het. Lees vers li, 12. Wat zeide hij tot zijne dienaren? Wat antwoordden zij? Was dit waar? Hoe wist Eliza de woorden, die de koning in zijne slaapkamer sprak?

Hoe vergramd was de koning! Deze was dus de groote vijand! Zoo hij hem slechts dooden kon, zou hij zijne plannen kunnen uitvoeren, zeker, zijne vijanden te zullen overwinnen. Hij zond eenige verspieders uit, om te ontdekken waar Eliza zich ophield. Hij vernam dat hij te Dothan was, eene stad omtrent 12 mijlen van Samaria, op een heuvel gebouwd. Eliza leefde daar in stilte met zijnen knecht, zich van geen gevaar bewust. Op zekeren nacht, toen allen in diepen slaap lagen, gebeurde er iets. Lees vers 14. Hoe stil waren zij de stad genaderd! Eerst des morgens ontdekte men de gelederen der soldaten, flikkerende spiesen, wapperende vaandels, de ruiterij her- en derwaarts rennende, de geheele stad was omsingeld [Opheldering. — De meeste kinderen hebben waarschijnlijk wel eens eene parade bijgewoond.} Zie, wie het eerst dat groote leger in het gezicht kreeg. Vers 15, ló. Wat zeide hij? Ongetwijfeld dacht hij dat ontsnappen onmogelijk was. Wat vermochten twee mannen tegen honderden? Maar wat hernam Eliza? De knecht zal wel gedacht hebben: „Wat kan mijn meester bedoelen?quot; Maar weldra bemerkte hij het. Lees vers 17. Wat vroeg Eliza aan God? Welk een ontzaglijk gezicht, toen de oogen van den knecht werden geopend! Voor de wallen van Dothan lag het Syrische leger, verlangende en dorstende naar Eliza's bloed. Maar tusschen den muur van Dothan en de plaats, waar Eliza en zijn knecht zich bevonden, zag hij een veel prachtiger en machtiger leger. Wat waren het? Juist, engelen. Gods legermacht. Er staat „vurig,quot; ongetwijfeld, omdat zij blonken door he-melsch licht.

Kon de knecht nu nog langer, toen hij dit zag, bevreesd zijn? Die blinkende


ocr page 216

192

wezens stonden dicht om hen geschaard— hoe veilig waren zij nu! {Herinner de kinderen aan de woorden des Heer en tot Petrus, als deze voor Hem wilde strijden, toen de soldaten Hein wilden grijpen : »Meent gij dat ik Mijnen vader nh niet kan hidden, en Hij zal mij meer dan twaalf legioenen engelen bijzetten?quot; Matth. XXVI: 33.) Waren die engelen daar nu eerst gekomen, of waren zij er reeds te voren? Ja, zij waren daar steeds, maar de dienstknecht had hen niet gezien. Hoe kwam dat? Zijne oogen waren door God nog niet geopend. En ofschoon het leger der engelen daar was, was het Gods wil niet, dat zij voor Eliza tegen de Syriërs strijden zouden. Het schijnt, alsof het gezicht van dit heerlijke leger daar alleen was om Eliza en zijn knecht te doen zien, hoe veilig zij in Gods handen waren. Hij heeft vele middelen om Zijne dienaren uit gevaren te redden. Lees vers 18. Al hun moed, hunne zwaarden en wapenrusting baatten hun niets, nu zij met blindheid geslagen waren. Toen sprak Eliza tot hen, verzocht hun hem te volgen, en leidde hen naar Samaria. Welk een vreemd gezicht moet het geweest zijn, al die soldaten groepsgewijze denzelfden man te zien volgen, dien zij hadden willen dooden !

Zie, wat er gebeurde, toen zij de stad hadden bereikt. Lees vers 20. Wat deed God ? Schets de verbazing der Syrische soldaten, toen zij zich daar te midden hunner vijanden zagen. (Samaria, de hoofdstad van Israel). Hoe verheugde zich de koning van Israel! Zie, wat hij aan Eliza vroeg. Vers 21. Ongetwijfeld dacht hij, dat het nu een goede tijd was om op zijne vijanden aan te vallen, nu hij ze in zijne macht had. Maar lees Eliza's antwoord. Vers 22. Dat was edelmoedig gehandeld. Er was geene wraakzucht in Eliza's hart. Hij was gereed zijnen vijanden te vergeven. [Evenals onze Heere, toen de overpriesters en de soldaten gekomen waren o?n Hein te grijpen, en Petrus e'en hunner het oor afsloeg. Zijne hand uitstrekte en den gewonde genas.) De koning van Israel deed, zooals Eliza hem beval, en zelfs meer dan dat. Zie vers 23. Er was dus een groote maaltijd. Dit moet de Syriërs boven alles verwonderd hebben ! Zij verwachtten waarschijnlijk een wreeden dood, en in plaats daarvan werden zij vriendschappelijk onthaald. Wat moesten zij daarvan gedacht hebben ? In elk geval had het eene goede uitwerking. De oorlog was geëindigd — zij konden niet weer tegen hen ten strijde trekken,, die hen zoo goed ontvangen hadden.

Zoo overwon Eliza zijne vijanden door goedheid. Dat is dus eene der lessen, die wij uit dit verhaal kunnen trekken. Zoo iemand zich onvriendelijk, wreed jegens u gedraagt, tracht dan, in plaats van hem met onvriendelijkheid te bejegenen, iets te doen om hem te behagen — dat zal zijn hart vermurwen. {De geschiedenis van een man, die een norse hen buurman had, welke hem allerlei onaangenaamheden aandeed, op zijne hoenders jacht maakte, zijne kat doodsloeg, de kinderen schrik aanjoeg; doch hij besloot hieraan een einde te maken door hem vriendelijk te behandelen — beantwoordde ruwe taal met zachtmoedigheid ^ zond hem vruchten, enz. Op zekeren dag was zijne kar in een zeer weeken, modderige?! grond gezakt en hij vroeg zijnen buurman om hulp, maar ontving een norsch bescheid. Kort daarna overkwam den buurman hetzelfde ongeluk — de goede buurman snelde onmiddellijk toe om hem te helpen — het hart van den anderen werd verzacht — den volgenden dag kwam hij tot hem en zeide, hoe hij beschaamd was geworden, enz.') Tweede les. Ons moeten, evenals den knecht van Eliza, de oogen geopend worden. Niet onze lichamelijke oogen, maar die onzer ziel, zoodat wij niet alleen wat in deze wereld is gevoelen, het goede waardee-ren en op prijs stellen, maar bovenal het hemelsche: bijv. gevoelen dat God ons ziet, onze gebeden en al onze woorden hoort. De goddeloozen denken niet aan Hem, omdat hunne oogen niet geopend zijn — zij kunnen de dingen niet zien, zooals zij werkelijk zijn. Bid steeds : „Open mijne oogen, o Heere; Heere, vermeerder mij het geloof.quot;


ocr page 217

193

LES LXXXVIII.

De Poort van Samaria.

Te leeren: Ps, CIV : i, 2. onberijmd ;? Ps. 21 : 1.

Herhaling van de vorige les. — quot;Wie trok in Eliza's tijd tegen de Israëlieten ten oorlog ? Hoe ontkwam de koning van Israel hem twee- of driemaal ? quot;Wie zeide aan den koning van Syrië, dat Eliza zijne plannen aan de Israëlieten openbaarde? Wat deden nu de Syriërs ? Waar was Eliza? Wie stond des morgens vroeg op ? Wat zag hij ? Aan wien ging hij haastig dit nieuws vertellen? Wat antwoordde Elisa? quot;Wat vroeg hij van God? quot;Wat zag de jongeling? Wat gebeurde er met het Syrische leger ? quot;Waarheen bracht Eliza het ?

Wat zeide de koning van Israei tot Eliza ? quot;Wat verlangde de profeet dat hij doen zou? quot;Wat was het gevolg van deze goede behandeling? Hoe, leert dit verhaal, dat we ons te gedragen hebben jegens hen, die ons onvriendelijk behandelen ? quot;Wat zal dit waarschijnlijk op hen uitwerken? Hebben wij het ook noodig, dat onze oogen altijd geopend zijn? De oogen van ons lichaam of van onze ziel ? Wat zullen wij dan duidelijk zien? De waarheid; de hemelsche dingen; den godsdienst, enz. Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

De welwillendheid, door Eliza en den koning van Israel aan het Syrische leger betoond, toen zij het in hunne macht hadden, schijnt den vrede tusschen die twee landen voor eenige jaren ten ge-volge gehad te hebben, maar eindelijk werd die weder verstoord.

Lees 2 Kon. VI : 24. Wat deed Benhadad ? Samaria was ongetwijfeld eene ommuurde stad, met hooge poorten, torens, enz. „Belegerenquot; wil zeggen „met een leger omringen en trachten binnen de stad te komen en haar te nemen.quot; Terwijl de stad door een leger wordt ingesloten, kan er geen leeftocht in gebracht worden. Dus is de voorraad spoedig verteerd en de inwoners beginnen honger te lijden. Lees vers 26. De koning ging door de stad te midden van zijn volk en zag hun lijden. Wat zeide die vrouw tot hem? Hij vroeg haar, wat zij verlangde — hij zag dat zij en hare buurvrouw, door den honger gedreven, haar kind hadden gedood en het hadden opgegeten. — Hare klacht was, dat hare buurvrouw nu weigerde haar kind af te staan om geslacht te worden. Hoe verschrikkelijk! Echter was deze treurige toestand door God voorspeld, zoo het volk Hem ongehoorzaam was en tegen Hem zou opstaan. \Lees den kinderen Lev. XXVI : 27—2p voorï\ Dit hadden zij gedaan —Joram, de goddelooze zoon van den goddeloo-zen Achab, was nu hun koning, en de ellende, die zij nu leden, was de straf wegens de aanbidding der afgoden.

Zoudt gij niet denken dat Joram, op het zien en hooren van de ellende des hongersnoods, berouw gevoelde over zijne zonden en zich tot den Heere wendde om hulp ? Maar neen, het ontstak hem in toorn tegen Eliza. Lees vers 31. Waarom zeide hij dit? Hij dacht dat Eliza iets doen kon, om de Syriërs te overwinnen — de Israelieten helpen — zoo laadde hij al de schuld van hunne ellende op hem. Hoe onbillijk 1 Toch zien wij dikwijls kinderen, die gestraft worden, hunne makkers beschuldigen, die, denken zij, „hun dat kwaad berokkenden,quot; inplaats van te gevoelen dat het door hunne eigen schuld is. Dus zond Joram iemand om Eliza te dooden, maar Eliza wist reeds wie kwam. {Lees den kinderen vers 32, 33 voor.] De koning volgde zijn boodschapper op den voet — sprak driftige, ongeduldige woorden en gaf nu


13

ocr page 218

94

de schuld aan God! (Zoo haalde men zich allerlei ellende op den hals : ziekte door dronkenschap^ armoede door luiheid, en zeide dan: hoe hard is God, mij zoo streng te behandelen /)

Maar God wilde nog Zijne barmhartigheid over die goddelooze Israelieten betoonen en Eliza wist dit. Lees hoofdst. VII: i. Wat wil dat zeggen? Dat er binnen éen dag overvloed van spijs in Samaria zijn zou en dat die zelfs zeer goedkoop zou verkocht worden. Konden zij het gelooven ? Lees vers 2. Wat zeide die spottende hoofdman ? Hij lachte schamper over Eliza's woorden. Wat zeide Eliza daarop ? Gij zult zien, hoe dit uitkwam. De nacht brak aan — geen teeken van verandering in of buiten de stad. Juist waren er eenige Israelietische mannen buiten de poort. Lees vers 3, 4. Gij weet dat de melaatschen niet in steden mochten wonen — zij werden „onreinquot; geheeten. Zij waren voorzeker zoo nabij gekomen, om te trachten voedsel te krijgen; maar wat zeiden zij tot elkander? Wat besloten zij te doen ? Stel u voor, hoe ze daar zacht-kens naar de Syrische legerplaats heen slopen, hopende dat de vijanden zich over hen mochten ontfermen, half bevreesd, gedood te zullen worden. Zie, wat zij vonden. Vers 5—7* Hoe verbaasd waren zij! Wat was er gebeurd? Waarom waren de Syriërs gevlucht? Juist zooals wij in onze vorige les zagen, dat God Zijne dienstknechten had bemoedigd door het gezicht van Zijn hemelsch heirleger, zoo had Hij nu hunne vijanden verschrikt door het geluid van een in aantocht zijnd machtig leger. Wat dachten de Syriërs? Hoe verblijd waren de vier melaatschen! {Lees vers 8, p.) Wat deden zij eerst ? Doch zij gevoelden zelfzuchtig te handelen door die goede tijding voor zich te houden; daarom spoedden zij zich naar de stad.

Lees vers 10. Aan wien deelden zij ze het eerst mede ? Aan den portier, den man, die de poort opende en sloot. Gij kunt begrijpen, hoe haastig hij heenliep om het den bedienden des Ironings te boodschappen. Ik zal u zeggen, wat hij hiervan dacht. {Lees vers 11—14.) Hij dacht dat het een overlegd plan van de Syriërs was om hen buiten de stad te lokken, dan op hen aan te vallen en hen te dooden. Zulk een plan wordt meer bedacht bij de belegering eener stad. Wat deed hij ? Laat ons nu zien, wat de boodschappers vonden. Lees vers 15. Waarmede was de weg als bezaaid? Stel u de vreugde der inwoners voor! Hoe drongen zij naar buiten! Zie vers 16. Een sikkel heeft de waarde van vier en twintig stuivers van onze munt. Hoe volkomen was Gods belofte vervuld, eerst den vorigen dag gesproken, toen het volk op het punt was om van honger te sterven en de vijanden van hunne overmacht zeker waren. Wie had toen het woord van Eliza niet geloofd?

Wat had Eliza gezegd, dat hem overkomen zou? {Vers 2.) Zie, hoe dit bevestigd werd. Vers 17. Waarmede was hij belast? Juist, met de wacht aan de poort. Het volk stroomde naar buiten, elkander in hun hongerige haast naar voedsel verdringende — de hoofdman wordt omver geworpen — onder de voeten vertreden. Aldus zag hij de beloofde spijzen, maar kon er niet van genieten. Waarom werd hij alzoo gestraft ? Omdat hij met Gods beloften gespeten Zijnen dienstknecht bespot had. Zoo vervalt men somtijds tot de zonde van met den godsdienst en Gods volk te spotten. Het is eene zeer groote zonde in Gods oog. [Doe denken aan de kinderen, die Eliza bespotten en door heren verscheurd werden?) Wend u af van zulke spotters — wil met hen niet te doen hebben. De straf van den Israelietischen hoofdman komt. dikwijls op deze wijze over hen — zij spotten met de gedachte aan de hulp, die God Zijn volk verleent, vrede schenkende in den dood, zegenende te midden van aardsche rampen — zij zeggen, dat komt door toeval, enz., en bevinden, als rampen, verliezen, de dood hen treffen, dat Hij verre van hen is — zij moeten alles alleen dragen, terwijl zij zien dat de oprechte dienaars van God vreedzaam, verheugd, zonder vrees


ocr page 219

95

voor dood en oordeel zijn — gelukkig zoowel in deze wereld, als in de toe-komende. God geeft eene ernstige waarschuwing aan schimpers en spotters in Spr. I : 22—31. \Lees dit den kinderen voor.}

Dit verhaal toont ons ook, hoe God aan rampen een einde kan maken en Zijn volk verlossen, zelfs al is hun nood op het hoogst gestegen en als er geene ontkomiog mogelijk schijnt. Zulk een

LES Lgt;

Gods Oordeelen over e

Te leeren: Matth. XII

Herhaling van de vorige les, — quot;Wie trok tegen de Israelieten ten strijde, eenige jaren na de verlossing van Eliza te Dothan? Welke stad belegerde hij ? quot;Wat is eene stad belegeren ? quot;Wat gebeurde er binnen Samaria ? Wie hoorde eene vrouw om hulp roepen ? quot;Wat zeide zij ? Hoe gevoelde zich toen de koning van Israel? Op wien was hij vergramd? quot;Waarom? Waartoe zond hij iemand uit? quot;Wat beloofde Eliza ? Wie geloofde niet aan zijn woord ?

verhaal van de ellende der inwoners van Samaria moet ons dankbaar stemmen voor de vele barmhartigheden, die God ons in ons Vaderland bewezen heeft. Wat leven wij hier rustig en gelukkig! Hoe ruimschoots geeft God ons alles, wat wij noodig hebben! Laat ons dit alles niet beschouwen alsof het zoo zijn moet, maar Hem er voor danken, die ons dit alles schenkt.

gt;11 goddeloos Geslacht.

: 41; 42 ; Gez. 61 : 15.

Wat zeide Eliza, dat hem overkomen zou ? Welke mannen verlieten dien nacht de stad? Wat gingen zij doen? Wat vonden zij ? Waarom hadden de Syriërs de vlucht genomen? Wat deden de melaatschen eerst? Wat daarna? Wat dacht de koning er van? Wat vonden de boodschappers? Waar stroomden de inwoners allen uit ? Wie had de wacht aan de poort ? Wat overkwam hem ? Wat werd hierdoor vervuld? Wat leert ons deze les? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

Somtijds zien wij in een slecht huisgezin den vader en de moeder hunne kinderen slecht opvoeden en de zoons en dochters denzelfden slechten weg bewandelen als hunne ouders. Eenigen tijd schijnt het hun voorspoedig te gaan — dat zij in de wereld vooruit komen, maar aan het einde is het zoo niet — ellende en verderf overvallen hen vroeg of laat. Vandaag zullen wij van zulk een gezin lezen. Gij herinnert u den goddeloozen koning Achab en zijne nog goddeloozer vrouw Isebel ? Zij had den Baalsdienst in het land ingevoerd, afgodstempels opgericht, haren man tot allerlei goddeloosheid vervoerd — toen hij den wijngaard van Naboth begeerde, was zij de schuld, dat hij vermoord werd. Achab was reeds eenige jaren dood, maar zijne beide zonen, eerst Ahazia en daarna Joram, waren hem opgevolgd en gedroegen zich niet veel beter dan hij. Ongetwijfeld zette hunne moeder hen aan tot die goddeloosheid. Eindelijk was de tijd daar, dat de Heere dit snoode geslacht niet langer in zijnen zondigen weg kon gedoogen — een vreeselijk einde naderde.

Lees 2 Kon. IX : 1—3. Wien riep Eliza ? De zonen der profeten waren jongelieden, die tot profeet werden opgeleid ; er waren profetenscholen op verschillende plaatsen. Tot wien moest de jonkman gaan? Wat moest hij hem doen? De jongeling begaf zich op weg. {Lees vers 4, 5.) De Israelieten hadden kort geleden de stad Ramoth, in Gilead, aan de Syriërs ontnomen. De krijgsoversten zaten bijeen — ongetwijfeld spraken zij over hetgeen hun het


ocr page 220

94

de schuld aan God! (Zoo haalde men zich allerlei ellende op den hals : ziekte door dronkenschap, armoede door luiheid, en zeide dan: hoe hard is God, mij zoo streiig te behandelen /)

Maar God wilde nog Zijne barmhartigheid over die goddelooze Israelieten betoonen en Eliza wist dit. Lees hoofdst. VII: l. Wat wil dat zeggen? Dat er binnen éen dag overvloed van spijs in Samaria zijn zou en dat die zelfs zeer goedkoop zou verkocht worden. Konden zij het gelooven ? Lees vers 2. Wat zeide die spottende hoofdman ? Hij lachte schamper over Eliza's woorden. Wat zeide Eliza daarop ? Gij zult zien, hoe dit uitkwam. De nacht brak aan — geen teeken van verandering in of buiten de stad. Juist waren er eenige Israelietische mannen buiten de poort. Lees vers 3, 4. Gij weet dat de melaatschen niet in steden mochten wonen — zij werden „onreinquot; geheeten. Zij waren voorzeker zoo nabij gekomen, om te trachten voedsel te krijgen; maar wat zeiden zij tot elkander? Wat besloten zij te doen ? Stel u voor, hoe ze daar zacht-kens naar de Syrische legerplaats heen slopen, hopende dat de vijanden zich over hen mochten ontfermen, half bevreesd, gedood te zullen worden. Zie, wat zij vonden. Vers 5—7* Hoe verbaasd waren zij! Wat was er gebeurd? Waarom waren de Syriërs gevlucht? Juist zooals wij in onze vorige les zagen, dat God Zijne dienstknechten had bemoedigd door het gezicht van Zijn hemelsch heirleger, zoo had Hij nu hunne vijanden verschrikt door het geluid van een in aantocht zijnd machtig leger. Wat dachten de Syriërs? Hoe verblijd waren de vier melaatschen! (Lees vers 8, p.) Wat deden zij eerst? Doch zij gevoelden zelfzuchtig te handelen door die goede tijding voor zich te houden; daarom spoedden zij zich naar de stad.

Lees vers 10. Aan wien deelden zij ze het eerst mede? Aan den portier, den man, die de poort opende en sloot. Gij kunt begrijpen, hoe haastig hij heenliep om het den bedienden des konings te boodschappen. Ik zal u zeggen, wat hij hiervan dacht. [Lees vers 11—14.) Hij dacht dat het een overlegd plan van de Syriërs was om hen buiten de stad te lokken, dan op hen aan te vallen en hen te dooden. Zulk een plan wordt meer bedacht bij de belegering eener stad. Wat deed hij ? Laat ons nu zien, wat de boodschappers vonden. Lees vers 15. Waarmede was de weg als bezaaid? Stel u de vreugde der inwoners voor! Hoe drongen zij naar buiten! Zie vers 16. Een sikkel heeft de waarde van vier en twintig stuivers van onze munt. Hoe volkomen was Gods belofte vervuld, eerst den vorigen dag gesproken, toen het volk op het punt was om van honger te sterven en de vijanden van hunne overmacht zeker waren. Wie had toen het woord van Eliza niet geloofd?

Wat had Eliza gezegd, dat hem overkomen zou ? (Vers 2.) Zie, hoe dit bevestigd werd. Vers 17. Waarmede was hij belast? Juist, met de wacht aan de poort. Het volk stroomde naar buiten, elkander in hun hongerige haast naar voedsel verdringende — de hoofdman wordt omver geworpen — onder de voeten vertreden. Aldus zag hij de beloofde spijzen, maar kon er niet van genieten. Waarom werd hij alzoo gestraft ? Omdat hij met Gods beloften gespoten Zijnen dienstknecht bespot had. Zoo vervalt men somtijds tot de zonde van met den godsdienst en Gods volk te spotten. Het is eene zeer groote zonde in Gods oog. [Doe denken aan de kinderen, die Eliza bespotten en door beren verscheurd werden?) Wend u af van zulke spotters — wil met hen niet te doen hebben. De straf vaa den Israelietischen hoofdman komt, dikwijls op deze wijze over hen — zij spotten met de gedachte aan de hulp, die God Zijn volk verleent, vrede schenkende in den dood, zegenende te midden van aardsche rampen — zij zeggen, dat komt door toeval, enz., en bevinden, als rampen, verliezen, de dood hen treffen, dat Hij verre van hen is — zij moeten alles alleen dragen, terwijl zij zien dat de oprechte dienaars van God vreedzaam, verheugd, zonder vrees


ocr page 221

95

voor dood en oordeel zijn — gelukkig zoowel in deze wereld, als in de toekomende. God geeft eene ernstige waarschuwing aan schimpers en spotters in Spr. i : 22—31. \Lees dit den kinderen voor.\

Dit verhaal toont ons ook, hoe God aan rampen een einde kan maken en Zijn volk verlossen, zelfs al is hun nood op het hoogst gestegen en als er geene ontkoming mogelijk schijnt. Zulk een

LES Lgt;

Gods Oordeelen over e

Te leeren; Matth. XII

Herhaling van de vorige les, — Wie trok tegen de Israelieten ten strijde, eenige jaren na de verlossing van Eliza te Dothan? Welke stad belegerde hij? Wat is eene stad belegeren ? Wat gebeurde er binnen Samaria ? Wie hoorde eene vrouw om hulp roepen ? Wat zeide zij ? Hoe gevoelde zich toen de koning van Israel? Op wien was hij vergramd? Waarom? Waartoe zond hij iemand uit ? Wat beloofde Eliza ? Wie geloofde niet aan zijn woord ?

verhaal van de ellende der inwoners van Samaria moet ons dankbaar stemmen voor de vele barmhartigheden, die God ons in ons Vaderland bewezen heeft. Wat leven wij hier rustig en gelukkig! Hoe ruimschoots geeft God ons alles, wat wij noodig hebben! Laat ons dit alles niet beschouwen alsof het zoo zijn moet, maar Hem er voor danken, die ons dit alles schenkt.

ïn goddeloos Geslacht.

: 41; 42 ; Gez. 61 : 15.

Wat zeide Eliza, dat hem overkomen zou ? Welke mannen verlieten dien nacht de stad? Wat gingen zij doen? Wat vonden zij ? Waarom hadden de Syriërs de vlucht genomen? Wat deden de melaatschen eerst? Wat daarna? Wat dacht de koning er van? Wat vonden de boodschappers? Waar stroomden de inwoners allen uit ? Wie had de wacht aan de poort? Wat overkwam hem? Wat werd hierdoor vervuld? Wat leert ons deze les? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

Somtijds zien wij in een slecht huisgezin den vader en de moeder hunne kinderen slecht opvoeden en de zoons en dochters denzelfden slechten weg bewandelen als hunne ouders. Eenigen tijd schijnt het hun voorspoedig te gaan — dat zij in de wereld vooruit komen, maar aan het einde is het zoo niet — ellende en verderf overvallen hen vroeg of laat. Vandaag zullen wij van zulk een gezin lezen. Gij herinnert u den goddeloozen koning Achab en zijne nog goddeloozer vrouw Isebel ? Zij had den Baalsdienst in het land ingevoerd, afgodstempels opgericht, haren man tot allerlei goddeloosheid vervoerd — toen hij den wijngaard van Naboth begeerde, was zij de schuld, dat hij vermoord werd. Achab was reeds eenige jaren dood, maar zijne beide zonen, eerst Ahazia en daarna Joram, waren hem opgevolgd en gedroegen zich niet veel beter dan hij. Ongetwijfeld zette hunne moeder hen aan tot die goddeloosheid. Eindelijk was de tijd daar, dat de Heere dit snoode geslacht niet langer in zijnen zondigen weg kon gedoogen — een vreeselijk einde naderde.

Lees 2 Kon. IX : 1—3. Wien riep Eliza? De zonen der profeten waren jongelieden, die tot profeet werden opgeleid ; er waren profetenscholen op verschillende plaatsen. Tot wien moest de jonkman gaan? Wat moest hij hem doen? De jongeling begaf zich op weg. [Lees vers 4, 5.) De Israelieten hadden kort geleden de stad Ramoth, in Gilead, aan de Syriërs ontnomen. De krijgsoversten zaten bijeen — ongetwijfeld spraken zij over hetgeen hun het


ocr page 222

196

eerst in den krijg te doen stond. Eensklaps stond daar een vreemdeling voor hen. Wien wilde hij spreken ? Lees vers 6, 7. Jehu ging met dezen jongeling afzonderlijk. Een last van God! Welke was die? Niet alleen zou Jehu koning worden, maar wat moest hij doen ? Het huis van Achab, d. i. zijn geheele geslacht, moest uitgeroeid worden, zoowel als hunne goddelooze moeder Isebel. De last was gegeven — de boodschapper vluchtte heen.

Hoe vreemd moet het Jehu voorgekomen zijn — hij, koning worden ! Hij keerde tot zijne krijgsmakkers terug. {Lees vers //, /2.) De krijgslieden, zeer opgewonden door dit nieuwe denkbeeld — wilden Jehu, den kloekmoedigen krijgsoverste, gaarne tot hun koning. Lees vers 13. Wat deden zij? De geheele stad werd vervuld door hunne vreugdekreten en den klank der trompetten. Maar nu kwam het geduchte werk, dat God aan Jehu had opgedragen — de geheele uitroeiing van Achabs geslacht. Koning Joram was in den krijg gewond en was naar zijn paleis te Jizreël gegaan, om van zijne wonden genezen te worden — Jehu begaf zich haastig derwaarts, zeggende dat niemand het te Jizreël vertellen zou, wat te Ramoth, in Gilead, geschied was. Lees vers 16. Wie was Joram komen bezoeken? Ahazia had zijne zuster gehuwd en was even goddeloos als de overigen van Achabs huis. Eensklaps hoorden zij een hoop volks langs den weg van Ramoth in Gilead aankomen. (Lees vers /7—20.) Jehu was bekend als een woest rijder. Hoe vreemd kwam het den koning voor, dat de uitgezonden ruiters niet terugkeerden! Zij hielden zich verzekerd dat het een vijand was en togen zelf daarheen, hem te g^-moet. Lees vers 21. Waar ontmoetten zij hem? Hoe had Jorams vader dien wijngaard in zijn bezit gekregen? Het uur der straf voor die snoode daad had geslagen.

Er werden weinige woorden gewisseld. (Lees vers 22, 23.) Zie vers 24. Hoe werd Joram door Jehu gedood? Toen beval hij zijnen hoofdman het lichaam van den dooden koning in den wijngaard te werpen, dien zijn vader door den moord op Naboth verkregen had. {Lees vers 25, 26.) Aldus werd Gods oordeel aan hem vervuld. Wie was bij Joram, toen hij Jehu te gemoet trok? Hij had zich met de familie van Achab vermaagschapt en was geworden zooals zij; daarom moest hij in hare straf deelen. Lees vers 27. Zie hier het gevaar van slecht gezelschap. {Opheldering. — Meisjes verliezen dikwijls eene goede hetrekkingy omdat zij met slechte meisjes gezien zijn. Jongens zijn door de politie gevat, omdat zij gevonden zijn in het gezelschap van dieven, enz?^ Toen begaf Jehu zich naar het koninklijk paleis te Jizreël. De tijding van Jehu's komst en de dood der beide koningen was hem reeds vooruitgesneld en Isebel ter ooren gekomen. Zie, wat zij deed, vers 30. Dat wil zeggen, dat zij zich zeer fraai opschikte — keek onverschrokken naar buiten — zich aanstellende alsof zij niet bevreesd was. (Lees vers 31, 32.) Zimri was een man, die tegen een vroegeren koning, Ela, was opgestaan, hem had gedood, maar zijn leven, door zich in zijn paleis te verbranden, zeven dagen later verkort had. (1 Kon. XVI.) Zij wilde Jehu schrik aanjagen, maar wat antwoordde hij ? Kamerlingen waren beambten, aan Isebels huishouding verbonden. Zie, wat hij dezen gelastte te doen. Vers 33. Het klinkt zeer wreed, maar bedenk hoe goddeloos die vrouw was. God had hem geboden haar te dooden, en zoo hij gewacht had en naar boven was ge gaan om haar te grijpen, had zij kunnen ontsnappen. Welk een verschrikkelijk einde van een leven vol goddeloosheid! Zelfs had haar ontzield lichaam geene eerlijke begrafenis. (Lees vers 34 tot het einde?) In dat land zijn zeer veel rondloopende, woeste honden, en deze hadden het lichaam verslonden — ook dit is de vervulling van Gods last, door Elia gebracht.

Toen de beide koningen Ahazia en Joram en koningin Isebel gedood waren, bleven er nog velen van Achabs geslacht over. Hij had zeventig zonen te Samaria. Herinnert gij u wel, wat


ocr page 223

197

Jehu bevolen was te doen met het ge-heele geslacht van Achab ? Het uitroeien. Het volgende hoofdstuk verhaalt ons dat dit geschiedde. Lees hoofdstuk X : 17. Hierna strafte Jehu de aanbidders van Baiil. (Lees vers 18—28.) Al die menschen hadden voortdurend het eerste en tweede gebod overtreden — waren van den waren God afgeweken — hadden Hem openlijk getrotseerd en waren ongehoorzaam geweest — hadden niet willen luisteren naar de profeten, die Hij hun gezonden had om hen te waarschuwen — en hadden ongetwijfeld gedacht, dat God hen niet konde of wilde straffen — doch nu zagen zij hunne zelfmisleiding — Gods toorn viel op die niet berouw hebbende zondaars Zoo zal het zijn in den laatsten dag. De menschen handelen dikwijls als deze Baaisvereerders. Zij lezen den Bijbel, ofhoo-ren dien lezen, maar zij gelooven niet dat God waarlijk diegenen straffen zal, die Hem ongehoorzaam zijn. Zoo volharden zij hun gansche leven in de zonde. — Hoe vreeselijk zal voor hen de Oor-

LES

De Wegvoering d

Te leeren: Col. I:

Herhaling van de vorige les, — Van wien lazen wij den vorigen Zondag, die door God verkozen werd als koning van Israel ? Hoe werd hij gekozen ? quot;Wat beval God hem te doen ? Waar was hij, toen hij gezalfd werd? Waarheen ging hij eerst? Wie zag hem komen? Wien zond de koning hem te gemoet? Wat beval Jehu aan de boodschappers ? Waar ontmoette hij de twee koningen ? Hoe werd Joram door Jehu gedood ? Wie werd

schets

Onze laatste les bood een droevig too-neel aan — een verhaal van het ontzaglijk oordeel van God over het geslacht van Achab. Wie was de man, aan wien God de uitvoering dier straf opdroeg? Ja, Jehu. Waartoe werd hij ge-deelsdag wezen, wanneer (evenals Jehu de Baaisdienaars zorgvuldig van de anderen afscheidde) de engelen de hardnekkige zondaars zullen afscheiden van hen, die Christus hebben aangehangen en Hem volgden, en de goddeloozen zullen uitgeworpen worden in de eeuwige duisternis.

Dus was Jehu Gods lastdrager geweest om het zondige huis van Achab en zijne volgelingen te straffen, maar het is treurig te zien, dat hij den Heere niet volkomen volgde. Lees vers 31. „De zonden van Jerobeamquot; wil zeggen: „de aanbidding der gouden kalveren,quot; vermeld in 1 Kon. XII : 26—30. Dit was wel geene recht-streeksche afgoderij, want de kalveren werden gebruikt in de aanbidding van God, maar het was de zonde van scheur-making of verdeeldheid. Wij kunnen uit de zonde van Jehu leeren dat, zoo wij geroepen zijn om anderen te berispen of te straffen, wij des te meer waken moeten, zeiven niet in eene andere zonde te vervallen.

xc.

ïr Tien Stammen.

II, 12; Ps. 31 : 13.

nog meer gedood? Waar ging Jehu toen heen ? Wie zag uit het venster naar hem ? Hoeveel zonen van Achab werden op Jehu's bevel gedood? Hoe doodde hij de aanbidders van Baiil ? Waarom geschiedde dit alles? Volgde Jehu echter getrouw den Heere? In wiens zonden verviel hij ? Wanneer zal er eene verdelging plaats hebben van de goddeloozen door middel van de boden van God? Wie zullen dat zijn? Herhaal tekst en versje.

N DE LES.

kozen ? Gij ziet dat hij een dapper, kloekmoedig man was, zoodat wij zouden verwacht hebben dat onder hem het koninkrijk van Israel groot en rijk — het volk sterk, veilig, gelukkig zou geworden zijn. Maar het was zoo niet. De


ocr page 224

IQo

reden hiervan kunt gij' lezen in het laatste vers van onze laatste les. (2 Kon. X ; 31.)

De zonde van Jerobeam, het oprichten der gouden kalveren, in de aanbidding van God gebruikt, was als een wortel van bitterheid, telkens weder opkomende, om het volk van God af te leiden. (Gelijk het onkncid, dat in een tuin diep wortel geschoten heeft, zich telkens weder vertoont en den groei van bloemen en vruchten belemmert.) Misschien achtten Jehu en de Israelieten dit eene kleine zonde. Hij zal wellicht trotsch op zich zei ven geweest zijn — over alles, wat hij gedaan had tegen de aanbidders van den Baal, maar hij heeft vergeten dat er in Gods oog geene kleiner zonde bestaat. [Kinderen denken somtijds goed over zich zeiven, omdat zij niet vloeken of stelen, ?naar zoo zij aan eene kwade gewoonte toegeven, als aan luiheid, drift, ongehoorzaamheid, zijn zij even zondig voor God.) Jehu regeerde acht en twintig jaren, en toen hij stierf, werd zijn zoon Joahaz koning. Hij volgde ook het \oet-spoor van zijn vader. \Lees den kinderen 2 Kon. XIII : 2—7 voor.} Gij ziet, de Heere ontstak zoozeer in toorn over de Israelieten, omdat zij die oude zonde aanhielden, dat Hij hen gaf in de macht van de koningen van Syrië. Toch hoorde God, in Zijnen toorn, naar het gebed van Joahaz, zond een verlosser en bevrijdde hen. Gaven zij echter hunne zonde niet op ?

Joahaz stierf en werd opgevolgd door Joas, zijn zoon. Laat ons zien of Joas beter was dan zijn vader en grootvader. {Lees vers //.) En terwijl nu de Israelieten volhardden in hunne ongehoorzaamheid aan God, kregen zij toen ook een bode van den Heere ? Ja, Eliza leefde nog. Hij was nu een oud man geworden, bijna negentig jaar. Eindelijk naderde de tijd, dat hij moest sterven.

Terwijl hij ziek was, kwam Joas hem bezoeken. Zie, wat hij zeide. Lees 2 Kon. XIII : 14. Wat zeide Joas? Dezelfde woorden, die Eliza gesproken had, toen hij Elia ten hemel zag varen. Gij ziet, dat de koning hem liefhad en gevoelde welk een verlies zijn dood voor Israel zijn zou.

Eliza had nog een laatsten last voor den koning en het volk, dat hij zoo liefhad, namelijk dat zij verlost zouden worden. Lees vers 15 —17. Wat beval hij Joas te doen ? Wat deed Eliza? Gelijk een vader een klein kind helpt — toch was de oude profeet niet half zoo sterk als de jonge koning. Waarom deed hij dat dan ? Het beduidde iets — niet dat Eliza de Israelieten helpen zou tegen de Syriërs, maar dat God het doen zou. Er was echter voor Joas nog iets te doen. Lees vers 18, 19. Waarom werd Eliza toornig op Joas? Hij was twijfelmoedig, hield niet vol en daardoor behaalde hij slechts eene kleiner overwinning dan hij anders zou behaald hebben. Hierin ligt ook eene les voor ons. Wij moeten aanhouden om een gebrek te overwinnen — niet te gemakkelijk moede worden. Hierna stierf de profeet. De woorden, tot Joas gesproken, werden vervuld. (Lees vers 25.)

En nu zijn wij genaderd tot het einde van de geschiedenis der tien stammen van Israel. Joas werd door zijn zoon, Jerobeam, opgevolgd, dien wij Jerobeam II kunnen noemen. Hij regeerde éen en veertig jaren, en in zijn tijd was God den Israelieten zeer goedgunstig, daar Hij hun een gedeelte van het verloren gebied teruggaf. \Lees den kinderen 2 Kon. XIV : 23—27 voor.] Nu zal ik u voorlezen van de koningen, die volgden. (Hoofdst. XV : 8—10, 13, 14, 17, 18, 22—25, 27, 28, 30.) Van hoeveel koningen hebben wij hier gelezen ? Zacharia (gedood door Sallum, waardoor het geslacht van Jerobeam een einde nam), Sallum, Menahem (wederom een moordenaar!), Pekahia (deze werd ook gedood) Pekah, Hosea. Van deze allen lezen wij „hij deed, wat kwaad was in de oogen des Heeren, hij week niet af van de zonden van Jerobeam, die Israel deed zondigen.quot; En daar zonden tegen God altijd leiden tot zonden tegen menschen, zien wij dat vier van deze zes koningen moordenaars waren.

Tot welk een ellendigen staat was het koninkrijk van Israel vervallen! Een goddeloos man, die sterk genoeg was om den koning te dooden, deed het en maakte zich meester van het rijk. Het volk had


ocr page 225

99

den dienst van God geheel verlaten, had zich gehecht aan den kalverdienst, dien Hij hun gezegd had weg te nemen, en daarom zegende Hij hen niet langer en nam hen niet meer onder Zijne hoede. Toch zond Hij profeten om hen te waarschuwen, wat het einde zijn zou van hun goddeloozen wandel. Amos, Hosea, Je-saja kregen allen den last hun het vrce-selijk oordeel aan te kondigen, dat hen bedreigde voor hunne zonden, maar zij wilden niet hooren. (Lees Amos II : 6, 10—12, IV : 7—12.) Zelfs brachten die straffen hen niet tot berouw. Eindelijk was het einde gekomen. Lees 2 Kon. XVII : i, 2. Hoe heette de laatste koning? Hij was een moordenaar en in zijnen tijd deed God een machtig vijand tegen de Israelieten opstaan, den koning van Assyrië. [Wijs de kinderen er op, dat Syrië en Assyrië niet dezelfde landen zijn.) Lees vers 3. Eerst was het Hosea vergund koning te blijven, maar hij werd de onderhoorige van Salmanas-sar, moest hem elk jaar eene groote schatting aan geld opbrengen. Eindelijk stond Hosea op, trachtte den koning van Egypte tot bondgenoot te krijgen, om zich vrij te maken, maar hij dacht er niet aan God om hulp te vragen. Zie, wat er gebeurde. [Vers 4.)

Nu was de koning in de gevangenis — legers werden door Salmanassar tegen de Israelieten afgezonden. Lees vers 5, 6. Samaria was door de legers des vijands ingesloten, velen stierven van gebrek, anderen werden gedood. Eindelijk werd de stad ingenomen — het volk werd gevankelijk weggevoerd naar Assyrië. Af-

LES

Koningin Athalia. — D

Tc leercn: Mark. X

Herhaling van de vorige les. — Hoe heette Jehu's zoon ? Wie stierf er onder zijne regeering ? Wie ging hem bezoeken ? Wat beval Eliza hem ? Met welken vijand was Israel toen in oorlog ? Wat deed Eliza, toen Joas den boog spande? Waartoe was dat? Wat beval

gescheurd van allen, die zij liefhadden — slaven onder een wreed volk — hun gelukkig tehuis, dat goede land, dat God hun gegeven had, voor altijd verloren! Wat schijnt dat vreeselijk! Zie nu de reden van al die ellende. Lees vers 7. Wat was er de oorzaak van ? Ja, de zonde. Het hoofdstuk spreekt verder van al de wijzen, waarop de Israelieten jaar op jaar den Heere hadden gesmaad en Hem ongehoorzaam geweest waren. \Lees den kinderen vers g—18 voor.] Wij zien ook dat de zonde van Jerobeam van vader op zoon was overgegaan, tot het schijnt dat dit de hoofdoorzaak was van hun laatsten ondergang. {Lees vers 2/, 22.) En dan lezen we in het laatste vers, dat de grootste straf van alles was, dat God hen had verworpen en Zijn volk van voor Zijn aangezicht verdreven had. Vers 23.

Drie belangrijke lessen kunnen wij uit de geschiedenis der tien stammen trekken. 1. Ofschoon God lang geduld heeft met de goddeloozen, de straf eindelijk over hen komen zal, indien zij zich niet bekeeren. 2. Eene zonde schaadt niet alleen hem, die er toe vervalt, maar ook anderen — zijne kinderen, zijne omgeving, enz. [Evenals doornen en dis-stelen zich al verder verspreiden en zich jaar aan jaar voortplanten). 3. Wij hebben, evenals de Israelieten, een erfgoed, dat wij kunnen verliezen, zoo wij den Zaligmaker niet volgen en gehoorzamen, die het voor ons gekocht heeft, en in Zijne kracht strijden en overwinnen.

XCI.

j jeugdige Koning Joas.

V : 38. Gez. 75 : 2.

hij Joas met de pijlen te doen? Werden Eliza's woorden vervuld? Wie regeerde na den dood van Joas? Juist, Jerobeam II, een groot, rijk, machtig koning, maar was hij een goed man? Hoeveel koningen kwamen na hem ? Waren zij allen van het geslacht van


ocr page 226

200

Jehu? Waardoor bestegen vier van hen den troon? Hoe heette de laatste ? Welke machtige vijand kwam in zijnen tijd tegen Israel op ? Hoe kocht hij eerst den vrede ? Bij wien zocht hij later hulp ? Wat deed Salmanassar toen? Hoeveel jaren werd Samaria belegerd? Wat geschiedde eindelijk ? Waarom liet God dit toe ? Welke lessen kunnen wij uit de geschiedenis der Israelieten trekken? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

De geschiedenis van Israel is geëindigd. Van nu af zullen we alleen van het koninkrijk Juda lezen. De laatste koning van Juda, van wien wij gelezen hebben, was Josaphat — de goede zoon van een goeden vader (Asa). Echter beging deze goede koning Josaphat éen grooten misslag — hij verbond zich, sloot vriendschap met het goddelooze huis van Achab. Josaphat nam inderdaad Athalia, de dochter van Achab, tot vrouw voor zijn zoon Joram, en wij zullen zien dat zij het voetspoor harer goddelooze moeder, Isebel, volgde.

Lees 2 Kron. XXI : i. Het eerste, dat wij van Joram lezen, is eene daad van wreedheid jegens zijn broeders. (Lees vers 2—^.) Lees vers 6, 7. Hij werd door Athalia geleid, maar de Heere wilde hem nog niet uitroeien. Waarom niet ? Het geloof van David bracht zegen aan zijn geslacht, en om zijnentwil was God zeer geduldig en lankmoedig over hem. Maar na eenigen tijd kwam er eene waarschuwende stem tot hem. \Lees den kinderen vers 12—/5 voor,] Joram kreeg geen berouw en daarom werden deze bedreigingen aan hem vervuld. (Lees vers 16—ig.) Aldus werd hij gestraft voor den moord aan zijne broeders en omdat hij den afgodsdienst invoerde.

Al de zonen van Joram waren gedood, behalve de jongste. Wij zullen nu van dezen lezen. Lees 2 Kron. XXII : 1. Hoe heette zijn jongste zoon ? Zijn vader was dood, maar wie leefde nog ? Lees vers 3. Ahazia's regeering duurde zeer kort — slechts éen jaar ; zijn einde werd veroorzaakt doordat hij in gezelschap geweest was met Joram, koning van Israel (zijn neef), toen Jehu uitgezonden was, om het huis van Achab uit te roeien. ( Verwijs naar LesXXX VII.) Dus was Ahazia's kortstondige en goddelooze regeering voorbij. Wat deed nu zijne moeder ? Lees vers 10. Het „koninklijke zaadquot; wil zeggen : het „geslacht des konings.quot; (Zaad beteekent kinderen, omdat, gelijk het zaad. tot plant opgroeit^ zoo ook kinderen tot mannen en vrou-iven opgroeien.)

Athalia doodde hare eigen kleinkinderen, opdat zij zelve regeeren konde. Hoe gelijk Isebel, hare moeder! Zij meende van het „Huis van Davidquot; verlost te zijn, ondanks Gods beloften aan hem. Maar zie vers 11. Wie werd behouden? Door wie? Hoe? Denk eens na, het wicht en zijne voedster in eene kamer van het paleis verborgen. Wiens vrouw was Josaphat ? Dus werd het kind na korten tijd in het geheim naar den tempel overgebracht en zes jaren verborgen gehouden. Gedurende dien tijd was Athalia koningin over Juda — hare goddeloosheid veranderde niet — de Baiilsdienst openlijk uitgeoefend — zelfs werden de vaten des tempels naar den tempel van Baiil overgebracht. Gods gewijde vaten aan eenen afgod gegeven !

Intusschen waakte en wachtte Jojada, voedde den kleinen Joas, den neef zijner vrouw, op in de aanbidding des Heeren. Eindelijk achtte hij den tijd gekomen om aan Athalia's goddelooze regeering een einde te maken. Ik zal u voorlezen, wat hij deed. \Lees den kinderen 2 Kron. XXIII: 1—7 voor.\ Hij begon met zich van de hulp des volks te verzekeren. Zij verlangden hunnen recht-matigen koning op den troon te zien — waarschijnlijk haatten zij Athalia. Toen verdeelde hij hen in drie groepen, gewapend met zwaarden en pieken., om de wacht te houden, opdat Athalia, zoo zij iets mocht vernemen, geene boden zenden kon om Joas te dooden. Eindelijk


ocr page 227

201

was alles gereed — de dag gekomen. {Lees vers 8—w.) Elke groep stond op hare plaats aan iedere zijde in de voorhoven des tempels.

Lees nu vers II. Wat zetten zij op zijn hoofd? Wat gaven zij hem? De getuigenis was het Boek der Wet van God — om hem te leeren, hoe hij met wijsheid en goed regeeren kon. Athalia hoorde in haar paleis het gejuich van het volk. {Lees vers 12—/5.) Stel u dat tooneel voor! De jeugdige koning aan den ingang met de kroon op het hoofd — het volk om den voorhof geschaard, zingende bij de tonen der muziek. Daar verschijnt opeens Athalia, dol van woede. De straf voor hare goddeloosheid was gekomen. Wat deden zij ? Waarom haar daar niet gedood ? De jonge koning, eerst zeven jaar oud, aanvaardde zijne regeering.

Hij had een goeden raadsman en vriend. Wie was dat? Juist, Jojada. De eerste zorg der priesters was het huis van Baiil af te breken en den dienst van den waren God te herstellen. {Zie vers 16—18.) Joas was door zijn oom en tante goed opgevoed, en zie, wat wij van hem in hoofdst. XXIV : 2 lezen. Hij maakte een goed begin. Toen hij tot jongeling was opgegroeid en zag dat de tempel in verval was, liet hij dezen herstellen. Ik zal u zeggen, hoe hij liet geld daartoe samenbracht. {Lees vers 4—14.) {Evenals wij onze offerhtissen hebben in de kerk en op de catechisatie.) Ook wij behooren gaarne aan zulk goed werk te geven. Maar eindelijk werd Jojada oud en stierf {lees vers /5, 16) in vrede en geëerd. Wat al goeds had hij niet gedaan! Welk een verlies voor Joas! Hij had echter eene goede leiding gehad, voorzeker zou hij den goeden weg blijven bewandelen. Dit zullen we zien.

Lees vers 17, 18. Toen Jojada dood was, kwamen er verleiders tot den jongen koning. Waartoe brachten zij hem? Hoe treurig en vreeselijk voor hem, die zoo wonderlijk door God bewaard en gezegend was ! Al zijne goede werken werden verlaten ! God zond Zijne profeten, om het volk over deze groote zonde te bestraffen, maar het wilde niet hooren. Opnieuw werd er een gezonden. Lees vers 20, 21. Wie sprak tot het volk, door Gods Geest bezield? Wat zeide hij? Wilden zij naar hem hooren? Wat deden zij ? Zij steenigden den braven, getrouwen dienstknecht van God. {Evenals Stephamis stierf hij als martelaar der waarheid.) Op wiens bevel? Zie, hoever de koning tot goddeloosheid vervoerd was. Hij kon het niet verdragen, gewaarschuwd en bestraft te worden — daarom doodde hij den man, wiens vader hem het leven gered, tot koning gemaakt, de plaats eens vaders voor hem vervuld had! Lees vers 22. Wat zeide Zacharia? „De Heer zal het zien en zoeken,quot; en Gods oordeelen kwamen snel over den ondankbaren koning en zijn ondankbaar volk. [Lees deti kinderen vers 23—25 voor.\ Een klein leger der Sy-riërs was in staat een machtig leger der Israelieten te overwinnen ; waarom? Wat Joas zelf aangaat — hij werd eerst door vreeselijke ziekten bezocht — daarna door zijne eigen dienstknechten gedood.

Aldus werd zijne groote misdaad gestraft. Welk een ellendig einde! Toch was hij goed begonnen — zijn afval was daardoor des te droeviger. [Hoe treurig is het, een kind goed te zien leven gedurende het leven zijner ouders, en het zich na hun dood aan de zonde te zien overgeven!) Wat was de oorzaak hiervan ? Zijn godsdienst had geen wortel in zich zeiven {zie ATatth. XIII: 20, 2/), hij had geen oprecht geloof in God, was zoo gemakkelijk van den dienst van God af te leiden, en van de eene zonde tot de andere te vervoeren. Wij moeten ons zeiven wel onderzoeken, of wij God waarlijk in ernst dienen, of slechts naar den schijn, omdat wij goede vrienden hebben.


ocr page 228

202

LES XCII.

Amazia en Uzzia.

Te lecren: Jac. IV : 6; Ps. 125 : 4.

Herhaling van de vorige les. — Was Joram een goed of een slecht koning? Hoe heette zijne vrouw? Wat deed hij met zijne broeders? Hoe stierf hij? Hoe heette zijn zoon? Wat was de hoofdoorzaak, dat Ahazia tot een slecht mensch opgroeide? Waar werd hij gedood en door wien? Wat deed Athalia, toen zij zijn dood vernam ? Waarom doodde zij hare kleinkinderen? Wie bleef alleen gespaard ? Door wie werd Joas gered ? Wie liet hem later tot koning kronen ? Waar had dit plaats? Hoe had Jojada dit aangelegd? Wie hoorde van hetgeen er plaats had? Welk lot trof Athalia? Hoe oud was Joas, toen hij koning werd? Wat deed hij tot herstel van den tempel? Gedroeg hij zich altijd goed? Wanneer verviel hij tot zonde en afgoderij ? Wie sprak vrijmoedig tegen hunne zonde? Wat geschiedde er met Zacharia op last van den koning? Wat waren zijne laatste woorden? Hoe strafte God Joas voor zijne ondankbaarheid? Waarom bleef hij niet op den goeden weg na zoowel als voor den dood van Jojada? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

Joas werd opgevolgd door zijn zoon Amazia. Lees 2 Kron. XXV : 1. Hoe oud was hij ? Gij weet, zijn vader was koning geworden, toen hij nog een kind was — hoe oud? De zoon begon op mannelijken leeftijd te regeeren — oud genoeg om zijns vaders misstappen te vermijden en de gevolgen der zonde te kennen. Laat ons zien, wat van hem verhaald wordt. Lees vers 2. Hij begon goed, maar wat was verkeerd? „Niet volkomenquot; wil zeggen : „niet oprechtquot; — hij had zijn hart niet geheel aan God gegeven. Ik zal u eerst van zijn goeden aanvang vertellen. \Lees den kinderen vers j, 4 voor.\ Wie doodde hij ? Het was goed de moordenaars zijns vaders te straffen. Gods Woord zegt: „Wie des menschen bloed vergiet, zijn bloed zal door den mensch vergoten worden.quot; (Gen. IX : 6.) Amazia deed recht door hunne kinderen te sparen — het zou zeer onrechtvaardig geweest zijn hen voor de zonde huns vaders te straffen; echter geschiedde het dikwijls in die dagen.

Wij zien dus dat hij zoowel rechtvaardig als genadig was, zich door Gods Woord latende leiden. Hij was ook werkzaam — zag hoe diep het land gezonken was — de Syriërs hadden velen van zijn volk gedood - — daarom haastte hij zich weder een leger te vormen. (Vers 5.) Hoe talrijk was het? Toch achtte de koning het niet sterk genoeg om tegen hunne vijanden te strijden, daarom kwam hij op de gedachte soldaten te huren in het koninkrijk Israel om hem te helpen. (Lees vers 6—10.) Wie kwam tot hem en ried hem dit plan af? Waarom wilde de man Gods niet, dat Amazia de mannen van Israel in den strijd met zich nam ? Welke zwarigheid maakte Amazia? Hij dacht al het geld te zullen verliezen, dat hij hun gegeven had. Let wel op het antwoord van den profeet. (Vers 9.) Was de koning aan zijn woord gehoorzaam ? Het was eene groote beproeving van zijn geloof zooveel soldaten te ontslaan — zooveel geld te verliezen — toch geloofde hij, dat God hem het verlies zou vergoeden en hem de overwinning schenken. Hij werd niet teleurgesteld. (Lees vers 11.)

Lees vers 14, 15. Wat deed hij ? Wien zond God hem om hem zijne


ocr page 229

203

zonde onder het oog te brengen? Hoe dwaas, maar ook goddeloos! Hij boog zich voor de afgoden van het overwonnen volk, ofschoon hij wist dat zij hem niet konden helpen — hoe zouden zij hem dan helpen? Welk gebod overtrad hij? Nu was hij trotsch op zijne zegepraal — wilde van zijne zonden niet hooren — dreigde zelfs den profeet te zullen straffen, die tot hem gezonden was, om hem te waarschuwen. Die trotsch-heid vertoonde zich weldra op eene andere wijze. Lees vers 17. Hij meende, nu hij Edom overwonnen had, ook Israel te kunnen overwinnen — daarom nam hij zich voor tegen de Israelieten met zijn leger op te trekken. Lees het antwoord van Joas. Vers 18, 19. Hij sprak in eene soort van gelijkenis — als sprak een distel tot een ceder. In vers 19 zegt hij Amazia de waarheid. Er bestond geene aanleiding tot een oorlog. Joas verlangde dien niet, het was alleen Amazia's trotschheid ; meenende, na de Edomieten overwonnen te hebben, elk volk te kunnen overwinnen. Hij vergat éene zaak. Welke? God was in den eersten oorlog met hem geweest, nu wilde hij alleen strijden, doch kon hij des Heeren hulp verwachten, nu hij zich van Zijn dienst had afgekeerd?

Wij zullen het einde zien. {Lees vers 20—24.) Wie behaalde de overwinning ? Wat geschiedde met den muur van Jeruzalem ? Een weinig verder zult gij het ongelukkig einde van Amazia lezen. Lees vers 27. „Eene samenzweringquot; is als eenige menschen zich in het geheim tegen iemand vereenigen. Amazia hoorde het — waar vluchtte hij heen ? Maar wat deden toen de samenzweerders ? Aldus stierf hij, gelijk zijn vader. Dit is eene treurige geschiedenis — waarom ? Wat lezen wij aan het begin zijner regeering ? Vers 2. Omdat hij zijn hart niet aan God gegeven had, vervoerde hem zijne overheerschende zonde, de trotschheid, en veroorzaakte zijn ondergang. Deze zonde is zeer algemeen, vooral bij hen, die zich door verstand, kracht en voorspoed onderscheiden. [Opheldering. — Een knaap, die goede antwoorden geeft, door zijne examens komt, enz., wil dikwijls niet dulden dat hem door zijne ouders of onderwijzers aanmerkingen gemaakt worden. Hij meent op zich zeiven te kunnen passeni] Evenals Amazia, vergeten zij dat him welslagen van God alleen komt, en dan laat Hij hun zeer dikwijls hunne wezenlijke zwakheid gevoelen door Zijnen zegen van hen te nemen.

Lees hoofdst. XXVI: 1. Wie werd nu koning? Hoe oud was hij? Niet zeer oud om over een koninkrijk te regeeren. Hij begon goed, evenals zijn vader Amazia. (Vers 4.) Hij had éen giooten helper, een goed raadsman — een profeet van God. Zie, wie dit was. Lees vers 5. Zie het laatste gedeelte van dit vers. Nu zal ik zeggen, waarin God hem hielp. \Lees den kinderen vers 7, 8 voor?^ Maar hij overwon niet alleen zijne vijanden door de macht van God, bouwde ook huizen en torens, groef putten voor het volk — had veel landerijen — alles scheen in het land voorspoedig te gaan — het volk nam in rijkdom toe, enz. Toen versterkte hij ook zijn leger en voorzag het van allerlei nieuwe wapenen. (Vers 11—/5.) In dit alles was God hem nabij. Maar toen, helaas! viel hij in de zonde zijns vaders. Welke was die ? Ja, trotschheid. Amazia had die getoond door zonder oorzaak krijg te voeren tegen den koning van Israel. Uzzia toonde ze op eene andere wijze.

Lees vers 16. Wat wil het zeggen, dat hij deed? Waarom was dit zondig? Alleen de priesters waren hiertoe gewijd, zij konden reuk- en brandoffers brengen. Uzzia had het priesterambt op zich genomen — eene groote zonde in Gods oog. {Gelijk Kor ach, enz. in de woestijn, Num. XVI.) Zie, wat er gebeurde. Lees vers 17, 18. Wie ging hem na? Wat zeiden zij? Vrijmoedige mannen, die zoo tot den koning spraken — was het goed of kwaad ? Goed immers ? — omdat wij God méér moeten vreezen dan menschen. Hij zondigde tegen God in Zijn huis, en zij waren de priesters des Heeren. Uzzia beleed zijne schuld niet — daartoe was hij te


ocr page 230

204

trotsch — was vertoornd op de priesters — doch zie, wat volgde. Vers 19. Wat gebeurde er? Hoe vreeselijk, die witte vlek der melaatschheid aan zijn voorhoofd te zien opkomen — te weten dat zij nimmer genezen kon worden — Gods straf voor zijne trotschheid en oneerbiedigheid. Hij wenschte zelf niet langer in den tempel te blijven. (Vers 20.) Zoo eindigde Uzzia's schitterend, gelukkig, machtig leven, door zijne eigen zonde, want zie vers 21. Melaatschen moesten altijd zich afzonderen en alleen wonen; zelfs den koning trof hetzelfde.

LES ;

De Profeet Jona

Te leeren : Luk.

Herhaling van de vorige les. — Van welke twee koningen hebben wij den vorigen Zondag gelezen ? Wie regeerde het eerst? Hoe begon Amazia? Wie strafte hij ? Maar hoe toonde hij, rechtvaardig te zijn ? Wie huurde hij, om met zijn leger ten strijde te trekken? Welk eene boodschap ontving hij hierover? Waardoor was hij eerst niet gezind om hen naar huis te zenden ? Welk was het profetische antwoord ? Gehoorzaamde de koning, of niet? Hoe slaagde hij in dezen krijg? Wat deed hij daarna met de afgoden der Edomieten ? Wie werd tot hem gezonden, om hem te waarschuwen ? Wilde hij naar den profeet luisteren ?

Let nu op de twee levens, waarvan wij gelezen hebben: Amazia en Uzzia, beiden bezoedeld door dezelfde zonde. Welke? De een betoonde die jegens de menschen, de ander jegens God. Uzzia's trotschheid leidde tot oneerbiedigheid aan God. Wij kunnen in diezelfde zonde vervallen. {Spreek hier over het gedrag in de kerk, bij het gebed, enz.) Zij wast op denzelfden wortel, trotschheid. Wij hebben geen gevoel van Gods grootheid en onze verdorvenheid. Bid om een nederigen geest — God zegent den nederige.

en zijne Zending.

C: 36; Gcz. 70 : 1.

Met wien zocht hij daarna twist? Waarom was dit ? Wilde de koning van Israel den oorlog? Wat geschiedde er? Waarom liet God toe, dat hij overwonnen werd ? Op welke wijze stierf hij ? Wie besteeg toen den troon ? Hoe oud was hij? Begon hij goed of slecht? Stond God hem bij tegen zijne vijanden? Hoe ging het in dien tijd met het land? Wat gaf hij aan zijn leger? Welke groote zonde bedreef hij later? Waarom was dit verkeerd? Wie zeide het hem? Had hij berouw? Wat gebeurde er? Welke was de zonde van hem en van zijn vader? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

Wij zullen nu voor eenigen tijd de geschiedenis van Juda laten rusten, om te hooren wat er gebeurde met een man, een profeet van God, die hem een last had opgedragen. Lees Jona I : 1, 2. Werwaarts werd Jona gezonden? Ninive was de hoofdstad van het koninkrijk Assyrië, eene rijke, groote stad, een machtig volk, onder welke dappere krijgers, enz., maar wat leert vers 2 ons aangaande hen ? Ja, zij waren zeer goddeloos. Wat moest Jona doen? Was dit voor hem eene aangename taak ?

Het scheen eene gevaarlijke zaak te zijn. Jona dacht dit — vreesde te gaan. Lees vers 3. Waarheen ging hij? Hij wilde naar Tharsis zeilen en zoo op de zee aan Gods tegenwoordigheid ontkomen.

Zie, wat er gebeurde. Vers 4, 5. Wat zond God? De wind stak op — hooge, schuimende, loeiende golven — het schip in groot gevaar. Wat deden de zeelieden? Deze mannen waren heidenen. Zij riepen hunne valsche goden aan — maar was hun dat van eenig nut? Waar was Jona? Hoe vreemd,


ocr page 231

205

zoo gerust te slapen te midden van den loeienden storm, het geschreeuw der zeelieden, enz. Hij was spoedig gewekt. \Lees den kinderen vers 6, 7 voor.] Wie kwam tot hem ? De opperschipper (kapitein) wist niet, wie Jona's God was. Hij achtte het nu geen tijd, om te slapen — 't was beter op te staan en te bidden. En wat deden zij toen? Het lot werpen, gedaan door een aantal kleine boonen, zaadkorrels, enz. in een zak of kan te schudden; elk neemt er een uit, zonder er naar te zien; een der boonen of iets anders verschilt door een merktee-ken van de andere; wie het gemerkte voorwerp trok, op dien „viel het lot.quot; Op wien viel het nu? quot;Wie beschikte dit zoo? Toen vroegen de mannen hem, waarom hij dien storm over hen gebracht had. {Lees vers 8, g.) Toen zij hoorden, hoe groot de macht van Jona's God was, werden zij bevreesd. {Lees vers 10—12.) Wat zeiden zij ? Wat beval hij hun te doen ? De zee nam meer en meer toe in onstuimigheid — de storm werd heviger — aller leven was in gevaar. Echter konden de mannen niet besluiten hem in de onstuimige zee te werpen en te doen verdrinken. Zie, wat zij eerst deden. (Vers 13.) Zij wilden trachten door hard roeien het land te bereiken, zonder Jona over boord te werpen. Maar daar was er Eén onder hen, die veel sterker was dan zij — die de winden en golven in Zijne macht heeft.

Eindelijk bleek alle moeite tevergeefs. (Lees vers 14.) Zij baden den Heere hetgeen zij deden hun niet toe te rekenen, en wat deden zij toen? Lees vers 15. Wat gebeurde er? Te midden van den storm werd het eensklaps stil! Hoe vreemd! Hoe duidelijk, dat deze storm tot straf van Jona gezonden was — of liever als een middel om hem te toonen, dat hij den Heere niet kon ontvlieden. Door verwondering getroffen, werden de zeelieden aangegrepen door groote vrees en tot den waren God gebracht, dien zij aanbaden. (Vers 16.) Verdronk Jona, nadat hij in de bruisende zee was geworpen ? Hij dobberde op en neer tot — wat gebeurde? (Vers 17.) Wij kunnen ons voorstellen, hoe Jona verschrikte op het zien van dien grooten visch — zeker dacht hij: „nu is mijn dood gekomenquot; ; maar het was niet zoo. God spaarde hem in het leven. Toen riep hij in zijn grooten nood tot den Heere, en de Heere verhoorde hem.

[Lees hoofdst. II: 1—p.) Een gedeelte van Jona's gebed is ontleend aan de Psalmen (CXX : 1, LXI : 2, LXXXVIII : 5, 8, XLII: 7, XXXI : 22, enz.) Het is eene groote nuttigheid onzen Bijbel goed te kennen, omdat zijne woorden in tijden van zorgen en ziekten ons voor den geest komen, ons goede gedachten ingeven, ons troosten en tot bidden dringen. Hoe ver scheen Jona van God verwijderd te zijn — in het diepst der zee — in het ingewand van een visch! Echter waarlijk dichter bij Hem met zijn hart, dan toen hij Hem trachtte te ontvlieden, weigerde te gehoorzamen. Hij hoorde en verhoorde Jona's gebed. (Lees hoofdst. II : 10.) Wat deed de visch ? Hoe dankbaar moet Jona niet geweest zijn, weder in veiligheid te wezen, en wij zullen zien dat hij iets uit de ontvangen straf geleerd had — en ook uit Gods onverdiende goedheid voor hem. Jona had zijn last nog niet gebracht. Andermaal kwam het bevel tot^hem. (Lees hoofdst. III: /, 2.) Zoudt gij denken dat Jona weder ongehoorzaam zijn zou en vluchten ?

Lees hoofdst. III : 3. Eene stad van drie dagreizen wil zeggen dat men drie dagen noodig had om rondom haar te gaan. Zie, wat Jona deed, toen hij er kwam. (Vers 4.) Wat was zijn last? Ongetwijfeld meer dan dit — sprak tot het volk over hunne zonden, en waarom de straf over hen komen zou — wegens hunne wreedheid — hunne snoode handelingen — dronkenschap, enz. Maar meent gij dat zij hem geloofden ? Wij zullen het zien. (Lees vers 5 —p.) Wat deden zij? Neen, het was geen schijn — zij vreesden in waarheid Gods toorn — zij schaamden zich over hunne zonde — baden tot God met hun gansche hart. (Lees vers 10.) Wij veranderen dikwijls van gedachten over dezelfde zaak. [0/gt;-helderiyig. — Kinderen vermaken zich


ocr page 232

2o6

ccm'gen tijd met een spel, maar worden het spoedig moede. Somtijds is men _groote vrienden voor eenigen tijd, ?naar de vriendschap wordt verbroken.] Maar is God ook zoo veranderlijk? Neen, er is een vers in den Bijbel, dat zegt: „God is geen man, dat Hem iets berouwen zou. Heeft Hij iets gezegd, en zal Hij het niet doen.quot; Maar in dit geval ver-anderden de Ninivieten — zeiden niet alleen dat zij berouw hadden, maar bewezen het met de daad — niet alleen door gebed en vasten — maar door hunne zonden af te leggen. Gods bedreiging, aan hen gebracht, was als tot hardnekkige, besliste zondaars; toen zij ootmoedig, bezorgd, berouwvol waren geworden, werd de straf opgeheven. Ongetwijfeld had Hij die boodschap uit barmhartigheid gezonden — om hun de gelegenheid — den tijd te geven zich te bekeeren. Hoe dankbaar en verheugd moeten zij geweest zijn! Zoudt gij niet denken, dat Jona zich ook verheugd zal hebben ? Welk een heerlijk gevolg had zijne reis gehad! Laat ons zien, hoe hij er over dacht.

Lees hoofdst. IV : i—3. Hoe gevoelde Jona zich ? Eigenlijk zou hij liever gezien hebben, dat die groote stad met zijne duizenden inwoners verwoest was, omdat hij gezonden was om de verwoesting aan te kondigen. Zijn gevoel was: „Ik heb al die moeite tevergeefs gehad.quot; Hoe baatzuchtig! Hij durfde tot den Heere zeggen het eerste gedeelte van het 2(,e vers. Als wist hij het beter dan God! Gods antwoord was zeer zachtmoedig. Lees hoofdst. IV : 4. Wat zeide Hij ? Toen deed Hij Jona zien, hoe baatzuchtig hij was. \Lecs den kinderen vers 5—einde voori\ Wat deed God opgroeien om hem schaduw te geven ? Wat gebeurde er mede? Waarover gevoelde Jona zich ontevreden ? Hij bekommerde zich wel om dien boom, omdat hij tot zijn ge?nak diende, dacht niet aan de bewoners van Ninive. Maar wie dacht wel aan hen? God dacht aan die kleine kinderen, honderd twintig duizend, alsook aan het vee, en spaarde hen. Wij vinden dit slecht van Jona, maar laat ons zorgen niet tot dezelfde zonde te vervallen. (Kinderen scheppen er soms behagen in, als anderen worden beknord of bestraf t; is dat niet evenals Jona deed?)

Twee groote lessen kunnen wij uit Jona's leven leeren. 1. God kan ons overal zien, dus kunnen wij hem niet ontkomen. 2. Zie op Gods groote liefde voor den mensch en op 's menschen eigenliefde. Bid om een hart vol barmhartigheid, vergevensgezindheid en liefde, gelijk het Zijne.


LES XCIV.

Jesaja.

Te leeren Jesajas: XLIII : 25; Ps. 11 : 4.

Herhaling van de vorige les. — Van Avien lazen wij het laatst? Waarheen zond God hem? Met welken last? Wat voor eene stad was Ninive ? Waarom ging Jona er niet gaarne heen ? Wat deed hij in plaats daarvan? Wat gebeurde er? Wie zocht hem op? Waar was Jona? Hoe onderzochten zij, wie de oorzaak was, dat die storm over hen gezonden werd? Op wien viel het lot? Wat zeide hij hun te doen? Deden zij dit dadelijk? Deden zij het later? Wat overkwam hem ? Tot wien riep hij ? Hoorde God zijn gebed en redde Hij hem ? Wat zeide God hem nu te doen ? Deed Jona het ? Wat deden de Ninivieten, toen zij dit hoorden ? Hoe toonden zij dat hun berouw oprecht was? Werd de straf volvoerd ? Hoe gevoelde Jona zich hierover ? Waarom was hij ontevreden ? Hoe toonde God hem zijne eigenliefde? Wat deed Hij opkomen ? Wat gebeurde er den volgenden dag mede? Hoe was Jona daarover te moede ? Wat zeide God tot hem? Wat leeren wij uit Jona's leven ? Herhaal tekst en versje.


ocr page 233

SCHETS VAN DE LES.

In onze voorgaande les hebben wij van den profeet Jona gelezen. quot;Wat is een profeet ? Juist, iemand, die profeteert, voorspelt wat er geschieden zal. Doch dit was maar een deel van het werk der profeten. Zij waren Gods gezanten voor het volk — om hen voor hunne zonden te bestraffen. — {Nathan werd met dit doel tot David, gezonden) om hun den wil van God te openbaren — somtijds om hen te verheugen en te bemoedigen door hun eene goede tijding te brengen. Tegenwoordig zijn er geene menschen, die de toekomst kunnen voorspellen; maar zijn er geene gezanten van God om Zijn volk te leeren — te bestraffen, te waarschuwen — om den bedroefde op te beuren? Wiens werk is dat? Juist, van de predikanten. Wij moeten bedenken dat zij gezanten zijn van God. Luister daarom naar hunne lessen — heb achting en eerbied voor hen. ^ Vandaag zullen wij lezen van een der grootste van de profeten — hoe hij tot profeet geroepen werd, en van het werk, dat God hem te doen gaf. Gij herinnert u nog wel den laatsten koning van Juda, Uzzia, die door melaatschheid bezocht werd — waarom ? Lees Jesaja VI. Wie was die „Ikquot; ? Ja, Jesaja. Hij was in den tempel — ongetwijfeld was hij daar geweest om te aanbidden. Toen het offer gebracht — het volk heengegaan was — toefde hij nog — de heilige dingen bedenkende — misschien nog biddende. Eensklaps had hij een wonderbaar gezicht, dat anderen niet zagen. Wat zag hij ? Zie vers 2, 3. Serafs zijn eene bijzondere soort van engelen — elk hunner had — hoeveel vleugelen? Wat deden zij er mede? Het bedekken van hun aangezicht was een teeken van heiligen eerbied voor God. Zij riepen tot elkander, d. i. zij zongen beurtgezangen. Wat waren hunne woorden ? „De Heere der heirscha-renquot; dient om de grootheid des Heeren uit te drukken. Lees vers 4. Terwijl de engelen zongen, schudde het geheele huis — werd met rook vervuld. Jesaja noemde het „rookquot;; het was waarschijnlijk eene wolk.

Zie, wat hij gevoelde. Lees vers 5. Wat zeide hij? Zijne eerste gedachte was: „Hoe onwaardig ben ik hier te zijn, met al die heerlijke engelen.quot; Daar zij hunne lippen gebruikten om God te loven, deed dit Jesaja denken, hoe dikwijls hij in zijn leven verkeerde, driftige, booze woorden gebruikt had — dat beteekent het, toen hij sprak van „onreine lippen.quot; Zoo deden hem het zien van Gods glorie, de gedachte aan Gods goedheid aan zijne eigen zonden denken. {Opheldering. — Terwijl eene kamer geheel gesloten blijft) ziet gij niet hoe onzindelijk en stoffig zij is, maar wanneer de vensterluiken opengedaan worden en een stroom van zonlicht naar binnen komt, kunnen wij duidelijk alle vlekken ^ e7iz. opmerken. Alleen door een zonnestraal bemerken wij de stofdeeltjes — ofschoon zij er vóór dien tijd ook reeds waren?[ Jesaja dacht dat hij „vergingquot; een man des doods was, omdat hij gevoelde dat zijne zonden zoo groot waren; maar als de mensch de grootheid zijner zonden gevoelt, is het juist de tijd, dat God tot hem nadert. (Jesaja LVII.) Spoedig werd een bode der vertroosting tot hem gezonden, om hem te helpen. Lees vers 6, 7. Wie kwam tot hem? Wat had hij in zijne hand ? Op dat altaar was kort te voren geofferd — alle offeranden zijn typen — waarvan ? Dit toonde dus dat door het bloed van Jezus Christus zijne zonden zouden vergeven worden. Alle zondaren, kinderen of volwassenen, kunnen op dezelfde wijze vergeving ontvangen. Maar, dan moeten zij, evenals Jesaja, hunne zonden gevoelen. Geene vergeving voor hen, die zorgeloos, onverschillig of te trotsch zijn om hunne zonden te belijden.

Toen Jesaja vergeving had ontvangen, was zijne eerste gedachte dankbaarheid aan God — hij wilde die zoo gaarne toonen door iets te doen. [Opheldering. — Een kind, dat kwaad gedaan heeft, en bedenkt hoe boos zijne moeder zijn zal, wenscht, na vergeving ontvangen te


ocr page 234

2o8

hebben, door zijn gedrag te toonen dat het er spijt van heeft — als wilde het haar hare goedheid vergelden en zijn misdrijf weder goedmaken^ Spoedig kwam de gelegenheid daartoe voor hem. Lees vers 8. Wat hoorde hij? Wat was zijn antwoord ? Er moest een gezant tot den goddeloozen koning van Juda gezonden worden, want in dien tijd was de boosheid ten top gestegen, Jesaja bood zich als die boodschapper aan. Het is volstrekt geen aangenaam werk — dikwijls wilde men niet luisteren — somtijds ontstak men in toorn tegen hem — hij zou niet in staat zijn hen tot God terug te brengen — niemand verricht gaarne iets, dat geen goeden uitslag belooft. [ Opheldering. — Het is eene zware taak kinderen te onderwijzen, die niet willen leer en — een tuin te bearbeiden met een slechten grond, waarin niets wil groeien.] Toch was Jesaja bereid die moeielijke taak te doen, omdat hij niet aan zich zeiven dacht; vergelijk dit met Jona\ alleen wilde hij Gode aangenaam zijn.

Dus begon hij zijn zestigjarig werk als profeet, en nu zullen wij zien, met welken last hij zoo al uitgezonden werd om het volk te verlossen. Lees Jesaja I : i. In wiens dagen sprak hij? Dus werd hij gezonden tot vier koningen van Juda. Aan allen had hij niet dezelfde boodschap — aan den een eene waarschuwing — aan een ander een woord van bemoediging; hiervan zullen wij later lezen. Maar tot het volk, dat bij zijn eerste optreden zeer diep in allerlei zonden verzonken was, sprak hij gestreng over deze zonden. Lees vers 4. Welke vier namen geeft hij hun hier ? Let op den laatsten naam. Zij deden niet alleen kwaad voor zich, maar bedierven anderen, d. i. leerden hun kwaad te doen.

(Zöö is het altijd niet ondeugende jon-gens en meisjes; zij brengen anderen tot het kwade door hun voorbeeld, zoo niet door hunne inblazingen?) (Lees vers 5—7.) Zij hadden den uitwendigen dienst van God niet verlaten, maar zij hadden hun hart niet aan Hem gegeven, dus was het slechts eene voorgewende aanbidding. {Lees vers 13—/5.) Echter werd Jesaja niet alleen gezonden om hen te bestraffen, maar ook om, door op Gods liefderijke beloften te wijzen, hen te dringen tot Hem terug te keeren en weder als Zijne dierbare kinderen te worden aangenomen. Lees vers 16, 17. Zoo zij dit deden, zouden er toch nog de vroegere zwarte vlekken van zonde tegen Hem in Gods boek staan.

Zie nu verder, welke liefderijke woorden Hij door Jesaja hierover sprak. Vers 18. De zonden van alle oprecht berouw hebbende zondaars zouden uit-gewischt worden. Door wien ? Jesaja's profetieën zijn vol van den Zaligmaker. Zijne komst was duidelijk voorspeld in hoofdst. IX : 6. Welk eene heerlijke tijding! Op andere plaatsen sprak Jesaja veel van Hem, inzonderheid in hoofdst. LUI. Hier worden Zijn lijden en dood nauwkeurig beschreven.

Vóór wij deze les eindigen, moeten wij op twee zaken letten aangaande dezen grooten profeet. 1. Zijn karakter. Nederig, boetvaardig, gereed om Gods werk te doen, ware het licht of zwaar. 2, Zijne boodschap. Ernstige bestraffing aan onboetvaardige zondaars. Liefdevolle beloften aan hen, die berouw wilden toonen. Een voortdurend wijzen op den Zaligmaker, die niet alleen van de straf ontheffen zou, maar ook aan de macht der zonde. Bedenk dat zijne boodschap evenzeer aan ons is als aan de Joden. Dat we hierop acht geven !


LES XCV.

Vader en Zoon. — Duisternis en Licht.

Tc lecren: Matth. XXII: 37, 38 ; Gez. 2:1.

Herhaling van de vorige les, — Van wien lazen wij de laatste maal ? Wat was hij? Wat is een profeet?

Waar was Jesaja, toen hij voor het eerst tot profeet geroepen werd? Welk heerlijk gezicht zag hij ? Wie stonden


ocr page 235

209

voor God ? Welke woorden zongen zij ? quot;Wat gevoelde Jesaja, toen hij deze schoone klanken hoorde en de heerlijkheid van God zag ? Wat bracht een engel hem? Wat is de beteekenis van die gloeiende kool van het altaar ? Wat hoorde hij toen God neggen ? Wat antwoordde hij ? Zond de Heere hem?

Welk eene soort van boodschap had hij te brengen? Van wien voorspelde hij ? Sprak hij hun alleen van de komst van Christus? Wat nog meer? Wilde het volk naar hem hooren? Hield Jesaja daarom op, hen te leeren ? Hoeveel jaren is hij profeet geweest ? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

Van welken koning van Juda hebben wij het laatst gehoord ? Juist, van Uzzia, die door melaatschheid werd aangetast, omdat hij durfde wierooken, wat alleen de priesters doen mochten. Het overige van zijn leven moest hij afgezonderd in een huis wonen, en zijn zoon Jotham regeerde in zijne plaats. Hij schijnt een goed man geweest te zijn, naar wat ons van hem verhaald wordt in 2 Kron. XXVII : 6, maar wij hooren niet veel van hem. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Achaz. Lees 2 Kron. XXVIII :i—3. Hoeveel jaren heeft Achaz geregeerd ? Was hij een goed of een slecht koning ? Wat deed hij verkeerds ?

Zie, wat er uit het gedrag van koning Achaz volgde. Vers 5. In wiens hand gaf God hen? Velen werden gevankelijk weggevoerd naar Damascus — door wien werd er nog een groot aantal in den slag gedood ? (Lees vers 6.) Deze Pekah was op éen na de laatste koning van Israel. Gij weet dat de mannen van Israel en Juda eigenlijk tot éen volk behoorden, en ofschoon op dien tijd de Heere Israel verkoos om de zonde van Juda te straffen, wilde Hij niet, dat de Israelieten hunne broederen als slaven behandelden. (Lees vers 5—16.) Wat gelastte Oded, de profeet, hun met de mannen te doen, die zij gevangen hadden genomen ? Gehoorzaamden zij hem ? En ofschoon God den Judaieten zoo genadig was, hen verloste uit de hand der Israelieten — hen niet als slaven wilde doen dienen — toch wilde Achaz zich niet tot God bekeeren. Wij lezen van andere vijanden, die tegen Juda werden afgezonden. (Lees vers 16—ig.) De Phi-listijnen kwamen hunne dorpen in bezit nemen — de Edomieten voerden de bevolking weg — en bij wien zocht Achaz hulp ? Bij de koningen van Aasy-rië — niet bij den Heere. In plaats van hem te helpen, benauwde de koning van Assyrië hem — eischte geld en geschenken — werd echter nimmer een getrouwe vriend. (Lees vers 20, 21.) „Een deel van het huis des Heerenquot; wil zeggen: eenige der gouden en zilveren kostbaarheden uit den tempel (hij bestal Gods huis !) Dit was om de vriendschap en hulp te koopen van Tilgath-Pilnezer ; maar hielp hij hem ?

Somtijds worden de menschen door rampen tot God gebracht — deze doen hen tot Hem de toevlucht nemen om hulp — bidden vertrouwend tot Hem. Maar zoo is het niet altijd. Lees vers 22, 23. De nood van Achaz bracht hem tot grootere zonde. Zie, hoe hier van hem gezegd wordt, dat koning Achaz de slechtste koning van Juda, als Achab dien van Israel geweest was. Aan welke goden offerde hij ? Wij lezen in 2 Kon. XVI dat hij een nieuw altaar in den tempel bouwde, dat, hetgeen David op Gods bevel gemaakt had, ongebruikt latende — zoo verving hij den door God ingestelden eeredienst door dien van zijn eigen wil. De volgende stap diende om den dienst van God geheel op te heffen. Lees vers 24. Wat deed hij met de vaten van het huis des Heeren ? De deuren werden gesloten -— de dienst gestaakt — geene offers — geen psalmgezang meer — de tempel was verlaten — niemand bekommerde zich er om — nog erger. . . bleef ongebruikt. Het Joodsche volk versmaadde dien schoonen tempel, om andere goden te aanbidden. Overal in Jeruzalem werden


ocr page 236

2 IO

altaren opgericht — terwijl het ware altaar in den tempel van den grooten God ongebruikt bleef!

Zoo eindigde de goddelooze en ellendige regeering van Achaz. Zijn zoon Hizkia werd koning in zijne plaats. Wat voor een man zouden wij verwachten in hem te vinden? Voorzeker even slecht als zijn vader was. Maar Hizkia was niet gelijk zijn vader — integendeel, de beste koning, die ooit over Juda geregeerd heeft. Lees 2 Kron. XXIX : i. Hoe oud was Hizkia, toen hij begon te regeeren? Laat ons nu zien, waarmede hij aanving; vers 3. Wat deed hij? Daar was veel te doen — alles lag in onreinheid en stof — niets was in orde. Wie waren het, die den tempel mochten reinigen ? De priesters en Levieten. Lees vers 4. Toen de koning hen had bijeengeroepen, hield hij eene toespraak tot hen. \Lees den kinderen vers 6—11 voori\ Wat beval hij hun te doen? De onreinheden wegnemen — alles in goeden staat brengen — de lampen ontsteken

— alles voor den dienst gereedmaken. Zie, of zij den koning gehoorzaamden; vers 15. Toen begaven de koning en de oversten zich te zamen naar den tempel — vele offeranden werden gebracht

— er werd gezongen — gebeden om vergeving opgezonden — het was eene dankbare en blijde aanbidding. (Lees vers 20—30.) Wat zullen alle braven in het land zich verheugd hebben, den alouden dienst van God te zien hersteld

— nu konden zij weder Gods zegen over het land verwachten!

Maar Hizkia stelde zich niet alleen tevreden met het volk van Juda in den tempel des Heeren te zien — hij dacht aan die anderen, die ook tot Gods uitverkoren volk behoorden — de stammen van Israel — hij dacht er aan, hoe heerlijk het zijn zou eene groote bijeenkomst te houden, om te zamen het Pascha te vieren. Ofschoon de twaalf stammen in twee koninkrijken verdeeld waren, moesten zij daarom ook in hun godsdienst verdeeld zijn? Dit was eene goede gedachte van Hizkia en zijn volk

— zij waren niet tevreden met den waren eeredienst voor zich te hebben — zij wilden ook anderen tot de waarheid brengen.

Zie, wat zij deden. Hoofdst. XXX : 1. Tot wie zond hij ? Wij zullen zien, hoe hij tot hen zond, en wat hij zeide. (Lees vers 2—p.) Hoe zachtmoedig trachtte de koning hen te overreden tot God weder te keeren, door hen aan Gods goedheid en macht te herinneren. (Zoo behoor en ook wij te trachten anderen naar het huis Gods te brengen

— zich met ons in den heiligen dienst te vereenigen?) Toen de loopers {boodschappers, postbeambten als bij ons) in de verschillende steden kwamen en daar hunnen last brachten, zoudt gij meenen dat het volk de uitnoodiging aannam ? {Lees vers /0, //.) Wat deden sommigen ? Ja, zij belachten, bespotten hen — wilden zich met hunne broederen niet tot dit feest vereenigen

— wilden liever gescheiden blijven — sommigen misschien hadden den dienst van den waren God geheel opgegeven. Maar deden allen zoo? Velen van Aser, Manasse en Zebulon luisterden, kwamen gaarne — het was eene zeer verre reis. maar zij achtten die bezwaren niet, {niet zooals zij, die op verren afstand van de kerk wonen, en de wandeling te groot vinden — zeggen vermoeid te zijn, geert tijd te hebben?) Hoe verblijdden zich de mannen van Juda, hen tot het feest te zien opkomen!

{Lees vers 12—14?) Het eerste, wat zij deden, was de altaren weg te nemen, door Achaz opgericht. De zonde moet weggedaan en opgegeven worden vóór wij oprecht tot God kunnen naderen. Toen begon het plechtige Pascha. Ter herinnering waaraan werd dit gehouden? Wij zullen lezen, hoe de Paaschlammeren geslacht werden. (Vers /5—20.) En wie bad, opdat zij God niet zouden hoonen, voor hen, die in haast gekomen waren zonder zich te heiligen? Hoorde God zijn gebed? Lees vers 21, 22. Welk een blijde tijd van hereeniging! Hoe-vele geloften werden daar niet aan God gedaan voor een godsdienstiger leven! Hoeveel gebeden werden niet opgezonden, hoevele lofzangen gezongen! Hoe


ocr page 237

211

lang duurde het feest ? (Lees vers 23—26.) Eene plechtige zegening besloot het. Lees vers 27.

Wij hebben nu van twee koningen gelezen, wier leven eene sterke tegenstelling is — van den goddeloozen vader Achaz — van den goeden zoon Hizkia. De grond van dit onderscheid tusschen hen lag hierin: de een overtrad, de ander hield het eerste gebod. Zie, hoe Achaz ellende, Hizkia zegen en geluk over zijn volk bracht. Leer hieruit van welk groot belang het is, den dienst van en de liefde tot God boven alles te stellen.


LES XCVI.

Sanherlbs Hoogmoed en zijn Val.

Te leeren: Ps. XXIX : 10, 11, cnberijmd; Ps. 28: 6.

Herhaling van de vorige les. — Van welke twee koningen hebben wij het laatst gelezen? Wat voor man was Achaz? Welke aanbidding voerde hij in ? Juist, die van Baal en Moloch. Hoe strafte God hem ? Wie maakte velen van het volk van Juda tot gevangenen ? Wat beval Oded, de profeet, hem te doen? Waarom? Gehoorzaamde hij ? Tot wien ging Achaz om hulp, toen de Philistijnen en Edomieten tegen hem te velde trokken? Wat gaf hij hem ? Hielp hem de koning van Assyrië? Wat richtte Achaz op in den tempel des Heeren te Jeruzalem ? Was dit goed of kwaad? Wat deed hij ver volgens? Hoe heette zijn zoon? Was deze gelijk Achaz? Welke was zijne eerste daad? Wat beval hij den priesters en Levieten te doen? Wie wenschte Hizkia weder tot den tempel te brengen ? Op welke wijze liet hij hen uitnoodigen ? Wat vroeg hij hun te doen? Hoe ontvingen sommigenjdie uitnoodiging? Kwamen er anderen ? Uit welke stammen ? Welk gebod werd steeds door Achaz overtreden en door Hizkia gehouden ? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

Wij hebben gezien, hoe Hizkia zich beijverde om zijn eigen volk en ook dat van Israel tot de ware aanbidding des Heeren terug te brengen, en hoe hij hierin slaagde. Heden zullen wij zien, hoe de God, dien hij zoo trouw diende, hem in een groot gevaar beschermde. Er was in die dagen een machtig volk, dat door al de naburige volken gevreesd werd — de Assyriërs. Het was een hunnerkoningen (Tilgath-Pilnezer), die Achaz „benauwdquot; had.

En nu kwam daar een ander dier machtige koningen, Sanherib, om, niet tevreden Israel overwonnen te hebben, nog andere veroveringen te maken — hij wilde de macht van Egypte vernederen — het kleine koninkrijk Juda lag op zijn weg — daarom wilde hij zich hiervan eerst meester maken. Hij verwachtte ongetwijfeld geen tegenstand — zijne legers waren veel talrijker — telde betere soldaten dan de Joden. Eerst scheen het, als zoude hij voorspoedig zijn. Lees 2 Kon. XVIII : 13. Wat deed hij ? „Vaste stedenquot; zijn steden, door muren omringd, om den vijand te beletten er in te komen. Toen deze eerste steden ingenomen waren, was Hizkia, alsook zijn volk, zeer bevreesd — zij dachten eerst aan een dwaas plan, dat Achaz ook beproefd had — dezen grooten, onverschrokken koning door geschenken om te koopen. (Lees vers 14—16.) Wat gaf Hizkia hem?

Sanherib nam het goud, maar dat belette hem niet, tegen Juda ten strijde te trekken. Het volk was met den tijd verstandiger en dapperder geworden. Lees 2 Kron. XXXII : 2—4. Hizkia met zijne vorsten en helden overlegden, wat zij doen konden. Waarmede begonnen zij ? Het Assyrische leger moest water hebben om te drinken — dit was


ocr page 238

12

een middel om hun marsch tegen te houden. Maar zij deden meer dan dit. Lees vers 5—7. Wat liet Hizkia bouwen en optrekken ? „Geweerquot; wil zeggen: „werpspiesen.quot; Wat zeide hij om het volk te bemoedigen ? Wat kan Hizkia bedoeld hebben met de woorden: „Want met ons is er meer dan hem?quot; Duizenden Assyriërs tegen de honderden van Juda! Zie vers 8. „Een vleeschelijke armquot;; hij had zijne soldaten om voor hem te vechten, maar wien hadden zij tot hulp? Geloofde het volk van Juda Hizkia? Dus werden zij door 's konings woorden bemoedigd en gesterkt — vertrouwden niet alleen op Hizkia, maar op den Heere God. Toen dacht de listige koning van Assyrië de harten des volks van Juda van Hizkia af te trekken, daarom zond hij zijne knechten naar Jeruzalem. Lees vers 9, 10. Wat zeide hij tot hen ? Hij deed alsof hij hen beklaagde, zoo dwaas te zijn hunnen koning te gehoorzamen. [Vers 11, /2.)Als eene stad belegerd wordt, is zij geheel door het vijandelijke leger ingesloten, geene levensmiddelen kunnen er binnen komen, alles wordt verteerd tot eindelijk de hongerdood dreigt. Dus trachtte hij hun schrik aan te jagen en hen voor zich te winnen en verder hun hun vertrouwen op God te benemen. (Leesvers 13—16). Hij had andere volken overwonnen, ondanks hunne goden — meende, dat het nu ook zoo zijn zou. Niet tevreden met boodschappers te zenden, om die vermetele, goddelooze woorden tot de mannen van Juda te spreken, deed hij meer. Lees vers 17. Wat zeide hij in die brieven?

Wij zullen van hetgeen er gebeurde een vollediger verhaal vinden in 2 Kon. XIX. Zie, wat Hizkia deed, toen hij deze brieven ontving. Vers 14. Waar bracht hij ze? Het beste, dat men in den nood doen kan — is dezen aan God te klagen. Klein of groot. Hij zal altijd helpen, als wij er Hem om vragen. Ik zal u Hizkia's gebed voorlezen. {Vers /5—ig.) Welke was de reden, zeide hij, dat andere goden niet uit de macht van Sanherib bevrijden konden ? Zie nu, hoe spoedig de Heere Hizkia's ootmoe-dig, vertrouwend gebed verhoorde. Lees vers 20. Door wien zond God dit antwoord ? Hij had aan de eene zijde het geloovig gebed van Juda's koning gehoord — aan de andere de hoogmoedige, goddelooze snoeverijen van den koning van Assyrië.

Dit is wat Jesaja gelast werd over Sanherib te zeggen. [Vers 21—23,25— 28.) Het was niet door zijne groote kracht en wijsheid, zijn machtig leger, enz., dat hij al die andere landen had kunnen overmeesteren. God had het zoo beschikt. (Zie vers 25.) De groote koning, die zoo hoog van zijne eigen macht dacht, was slechts een werktuig in de handen van den Koning der koningen. God had Sanherib gebruikt om zijn eigen volk van Israel voor zijne ongehoorzaamheid te straffen. Daar hij nu de macht van dien grooten God had durven trotseeren, zou hij behandeld worden als een weerspannig paard of muildier (28) en naar zijn land terug-keeren. [Lees vers 32—34.) Wat zeide God, dat gebeuren zou ? Hizkia wist niet hoe de Heere dit doen zou, maar twijfelde er niet aan — verzekerd dat Hij het doen kon; daarom was alle vrees bij hem geweken. Zie, hce het geschiedde. Lees vers 35. Denk eens — die honderden tenten — alles sliep in dien nacht, behalve zij, die de wacht hielden — de morgen brak aan — de koning, zijne zonen en zijne edelen ontwaken — wat was er met de soldaten gebeurd? Waarom bleef alles zoo stil? Zij traden de eene na de andere tent binnen — allen lagen stijf en dood uitgestrekt — het groote leger was dood'

Waar was nu Sanheribs trotsche taal ? Zonder leger kon hij niet vechten — keerde dus naar zijn eigen land terug — hij woonde te Ninive, de hoofdstad (dezelfde groote en goddelooze stad, tegen welke Jona predikte). D£.ar werd hij door zijne eigen zonen gedood. (Vers 36, 37.) Welk een ellendig einde ! Het volgend hoofdstuk verhaalt ons van Hizkia's einde. [Lees den kinderen hoofdst, XL—3 voorï\ Welke boodschap werd aan Hizkia gebracht ? Wat deed hij? En zijn gebed werd ge-


ocr page 239

213

hoord en verhoord. (Vers 4—6.) Hoeveel jaren werden tot zijn leven toegevoegd ? Hoe spoedig kwam dit antwoord ! Zoudt gij niet gelooven, dat Hizkia die vijftien jaren zeer ootmoedig en voorzichtig doorbracht? Toch lezen wij dat hij in de zonde van den hoogmoed viel — zich verheffende op de dingeo, die God hem gegeven had. (Lees vers 12—17.) Gij ziet dat dit gevoel van met iets te pralen zeer zondig is in Gods oog — daarom werd Jesaja tot hem ■gezonden, om hem te zeggen, dat al die schatten door een der koningen van Babyion zelf zouden weggevoerd worden. Hizkia ontving deze bestraffing zeer ootmoedig. (Vers ig.) Kort daarna stierf hij. Wie regeerde na hem?

In deze les wordt ons ~zeer sterk op •twee dingen gewezen. 1. Op de almacht van God. Zie, hoe gemakkelijk hij de plannen van Sanherib verijdelde. De groote koning, die meende alle volken-naar willekeur te kunnen overwinnen en overheerschen, was eigenlijk niets meer dan een werktuig in de hand des Heeren ! Zoo is het nu nog — oorlogen — andere voorvallen in de geheele wereld — worden door Hem bestuurd. Hoe veilig is dan Gods volk, dit te gevoelen ! Als wij op Hem vertrouwen, zooals Hizkia deed, hebben wij toch niets te vreezen. 2. Op de zwakheid van den mensch. Alle kracht is eene gave van God. San-heribs wereldlijke macht werd spoedig tot niets. Hizkia's ootmoed bezweek voor de verzoeking van met zijne rijkdommen voor den koning van Babyion te pralen. Vraag daarom God om kracht. Vertrouw alleen op Hem.


LES XCVII. Manasse en Josia.

Te leeren: Spr. XX: 11; Gez. 74 : 7.

Herhaling van de vorige les, — Wie kwam op tegen Hizkia en het volk van Juda? Waarheen ging Sanherib? Wat deed Hizkia eerst? Belette dit Sanherib opnieuw te komen ? Welke stad belegerde hij ? Hoe trachtte hij het volk te verleiden, zich aan hem te onderwerpen ? Aan wien schreef hij ? Wien hoonde en smaadde hij ? Wat deed Hizkia met •deze brieven? Werd zijn gebed verhoord? Wie werd tot hem gezonden? Wat beloofde de Heere ? Hoe belette Hij Sanherib de stad te verwoesten ? Wat overkwam Hizkia vervolgens ? Welke boodschap bracht Jesaja hem? Wat deed hij? Verhoorde God zijn gebed? Tot welke zonde verviel hij later? Hoe ontving hij de bestraffing? Welke zijn de voornaamste lessen uit dit gedeelte van zijn leven? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

Wij zeggen somtijds : „Kinderen weten niet, wat het best voor hen is, hunne ouders wel.quot; Even waar is het, dat mannen en vrouwen het ook niet weten, zoo goed als God. Toen Hizkia ziek was, waarom bad hij toen zoo ernstig? Hoeveel jaren levens zeide God hem nog toe ? In die vijftien jaren werd hem «en zoon geboren. Maar zoo Hizkia het vooruit had kunnen zien, kunnen wij ons voorstellen, dat hij dien zoon liever niet gehad had. Wij zullen zien waarom.

Lees 2 Kron. XXXIII : 1, 2. Hoe oud was Manasse? Nog zeer jong om koning te worden. Er lag eene lange regeering vóór hem. Maar was hij een goede knaap, de voetstappen zijns vaders drukkende? Van den beginne af aan volgde hij de zonden der heidensche volken — brak al het goede af, dat zijn vader had opgericht. \Lees den kinderen vers 3—5 voorï\ Hij bouwde altaren voor de afgoden en voor het heir des hemels (zon, maan en sterren) in het huis des Heeren. (Lees vers 6, 7.) Hij ontstak de vuren van Moloch weder en


ocr page 240

I4

2

liet zijne kinderen er door gaan. Hij schijnt vol wreedheid geweest te zijn. Hij doodde er velen, die getrouw gebleven waren aan den dienst van hunnen God, en onder dezen Jesaja. (Lees 2 Kon, XXI : 16.) Het ergste, dat hij deed, was dat hij zijn volk tot al die zonden verleidde. (Dit is het werk des duivels, zielen te verdervend) (Lees 2 Kron. LXXIII: p.) God sprak bij herhaling tot Zijn volk, maar het wilde niet hooren. Daarom strafte Hij het eindelijk. Zie vers 11. Wie trok op hem aan ? quot;Waar werd hij gevangengenomen?

Zie nu, welk eene uitwerking deze beproeving voor Manasse had. Vers 12. Maar zoudt gij denken dat God hem, die zulke groote zonden bedreven had, nu hij in zulk een lijden was, wilde hooren? Zie vers 13. Verhoorde God hem en hield Hij hem staande? Zie, hoe goed God is ! (Zijne liefde is als die van den vader in den Verloren Zoon, gereed denjoji-geling te ontvangen, ofschoon hij eerst terugkeerde, toen al zijn geld verteerd was — zijne vrienden hem verlaten hadden.) Wat deed Hij voor Manasse? Er zijn menschen, die, als zij zeer ziek zijn en denken te zullen sterven, vol angst God bidden — beloven zich te verbeteren, als hun leven gespaard blijft — zij herstellen — keeren zeer spoedig tot hunnen zondigen levensweg terug. Wij willen zien, of het zoo met Manasse was. (Lees vers 75—77.) Geen afgodendienst meer voor hem. Hij had het zondige en dwaze er van ingezien — zijn berouw was oprecht. Ofschoon hij berouw had over zijne zonde en haar van zich deed, toch kon hij de harten van zijn volk, dat hij had doen zondigen, niet tot God terugbrengen. Gij kunt een ander tot zonde — ongehoorzaamheid — dronkenschap — slecht gezelschap, enz. verleiden, maar gij zijt niet zeker hem op den goeden weg terug te kunnen brengen. (Geschiedenis vati twee knapen, zoons van een zeeman — de een bracht den ander in verzoeking, leerde hem vloeken, zich slecht gedragen, enz. Later kreeg de verzoeker berouw, werd een braaf mensch — wist niet, waar de andere was. Eens werd hij bij een stervende geroepen, ziet dat het zijn oudere makker was, die tot hein zeide : »Gij hebt mij geleerd tegen God te zondigen; nu is het te laat,quot; en daarop stierf hij.}

Manasse stierf en werd opgevolgd door zijn zoon Anion, die slechts twee jaar regeerde. (Lees vers 21—25.) Nu komen wij aan een anderen knaap, die koning werd. Manasse was twaalf jaar, toen hij zijn vader, den goeden Hizkia, opvolgde. Josia was eerst acht jaar, toen hij geroepen werd na den goddeloozen koning Amon te regeeren. Manasse had alles vóór zich om hem te helpen, eenen goeden vader opvolgende; Josia had alles tegen zich, afgodsdienst van rondomr allerlei goddeloosheid, door het volk bedreven. Wat zouden wij van hem verwachten ?

Lees 2 Kron. XXXIV : 1, 2. Wat deed hij ? Bewijst dit niet, dat zelfs jonge kinderen geen kwaad behoeven te doen, zelfs al leven zij onder slechte men-schen ? God kan ons overal bewaren, als wij er Hem om bidden. In den beginne kon Josia niets verrichten om de afgodsbeelden weg te doen, omdat hij zoo jong was, maar zelfs toen aanbad hij ze zelf niet. Zie, wat hij deed, toen hij 'oud genoeg was. (Lees vers 3.) Dit deed hij, toen hij twintig jaar was. Lees vers 4. 5. [Lees den kinderen 2 Kon. XXIII: 75—18 voor.] Wie had dit vóór driehonderd jaren voorspeld? (Zie Les XXIII.) Hoe zeker komt Gods woord altijd uit!

Toen de koning de afgoden had vernield, wijdde hij zijne aandacht aan den tempel. Lees vers 8. Hij wilde wat vervallen was, vernieuwen. Het geld verkreeg hij door inzamelingen onder het volk. De volgende verzen zeggen ons, hoe dit werk gedaan werd. ( Vers p—ij.) In den loop van het werk werd iets kostbaars gevonden. Zie, wat het was. Vers 14. Het oude Boek van Mozes (de eerste vijf boeken van den Bijbel.) Denk eens.... dit was verloren geraaktL Het werd dadelijk aan Josia gebracht. (Vers 75—18.) Zie, wat hij gevoelde, toen hij dit hoorde. Lees vers 19. Een teeken van groote droefheid. Waarom zoo bedroefd ? Hij zag hoe ver zijn volk


ocr page 241

215

van God was afgeweken. Hij was bevreesd voor Zijn toorn. Hij zond tot Hulda, eene profetes, om te vernemen, wat er gebeuren zou. {Lees vers 20—25.) Een zeer bedroevend antwoord. Toch was er voor Josia iets goed in. Lees vers 27, 28. Het kwaad zou bij zijn leven niet over deze plaats komen — het zou na zijnen dood zijn. Toen riep hij het volk bijeen in het huis Gods. [Lees vers 2g—32.) Stel u het volk voor, luisterende naar de woorden des boeks, en een verbond sluitende om God getrouwelijk te volgen. quot;Verder lezen wij van het houden van een groot Pascha. Dit was alles goed, indien allen het zoo ernstig gemeend hadden als hun koning. Zeer waarschijnlijk waren er, die er deel aan namen om hem te believen. Maar waartoe diende het dan?

Zie, hoe lang zij den Heere bleven volgen. Vers 33. Gij ziet dus dat Josia's ernst de afgoderij over gansch Israel en Juda uitroeide — zoodat, zoolang als hij leefde, er geene andere aanbidding in het land plaats had. En zoo lang ook ging het 't volk wèl.

Laat ons nu zien, wat er voornamelijk uit de geschiedenis van Manasse en Josia te leeren is. I. Zelfs een kind kan {ja, moet) kiezen tusschen goed en kwaad. Manasse, door een braven vader opgevoed, koos reeds op zijn twaalfde jaar den slechten weg. Josia, acht jaar oud zijnde, diende den Heere, en God sterkte hem om getrouw te blijven tot het einde. Een goed leven is veel gemakkelijker en gelukkiger voor hen, die reeds vroeg de goede keus doen. Ofschoon Manasse berouw had, toch was het voor hem bitter te denken, dat hij zoovelen tot zonde vervoerd en hunne straf verhaast had. 2. Zie, hoe alle brave menschen Gods Woord liefhebben en op prijs stellen. Bestudeeren wij het, niet alleen in de kerk en op de school, maar ook thuis ? Beschouwen wij het als eene boodschap en een brief van God aan ons? Wat zouden wij denken van een kind, dat er niet om geeft een brief van zijn vader te lezen ?


LES XCVIII.

Jeremia en het verbrande Boek.

Te leeren: Matth. XXIV : 35; Ps. 31 : 19.

Herhaling van de vorige les. — Hoe heette Hizkia's zoon? Wat voor een koning was hij ? Hoe strafte God hem ten laatste? Wat deed hij toen? Was Manasse's berouw oprecht of geveinsd? Hoe was zijn zoon, Amon, als koning? Wat overkwam hem? Wie volgde hem op ? Hoe oud was Josia, toen hij koning werd? Wat verkoos hij van den beginne af? Wat herstelden zij, nadat al de afgodsbeelden weggenomen waren? Wat vonden zij daar? Wat deed Josia, toen hij de woorden des boeks hoorde ? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

Het einde van Josia's leven was treurig. De koning van Egypte stond gereed dien van Assyrië den oorlog aan te doen, trok door Juda — wilde met de mannen van Juda niet strijden, maar Josia trok dwaselijk tegen hem op en werd gedood in eene plaats, Megiddo genaamd. (Lees 2 Kron. XXXV: 20— 24.) Het geheele volk bedreef rouw over Josia's dood, en met recht: hij was de laatste goede koning, dien zij ooit gehad hadden.

Lees 2 Kron. XXXVI: 1. Wie werd koning in zijne plaats? Zijne regeering was slechts kort — niet langer dan drie maanden. Necho, koning van Egypte, schijnt over de Joden na den slag te Megiddo groote macht verkregen te hebben. Joahaz mishaagde Necho eenigs-zins, zette hem af . en liet het volk van


ocr page 242

i6

2

Juda hem eene groote som gelds betalen, honderd talenten zilver en een talent goud. (Leesvers 4.) Hoe diep waren de Joden nu gezonken! Zij konden zeiven geen koning kiezen, waren inderdaad slaven van den koning van Egypte. Alles ten gevolge hunner goddeloosheid. Zij wilden den Heere niet meer gehoorzamen, daarom wilde Hij voor hen niet langer strijden. {Lees vers 5.) Wat lezen wij van hem? En echter was er in die dagen een profeet tot hen gezonden, een van de grootste profeten, die God ooit tot Zijn volk zond.

Lees Jer. I: /, 2. Hoe heette deze profeet? Jeremia, de zoon van een priester, Hilkia, die te Anatoth woonde, eene stad, waar vele priesters woonden. Toen God voor de eerste maal tot hem sprak — hem zeide wat hij zijn zou, zie, wat hij zeide. Lees vers 6. Hij gevoelde zich een kind — waarschijnlijk was hij nog een jongeling — hoe kon hij naar be-hooren tot het volk spreken? quot;Wat zeide de Heere tot Jeremia ? Vers 7. Het was eene zeer zware taak, die Jeremia werd opgelegd. Het geheele land was vol ongerechtigheid — hij moest het volk wijzen op hunne zonden, hij moest tot hen zeggen, dat, indien zij zich niet bekeerden, Gods groote toorn op hen zou vallen.

\Lees vers 8—10/ 14—/p.] Deze man zou bekwaam zijn om alleen voor de koningen, de vorsten en het volk te staan; zouden dezen dan niet in staat zijn hem te doen zwijgen of hem te dooden ? — Waarom niet ? Wij vinden den last, dien Jeremia had te brengen, opgeteekend in zijn boek. [Hoofdst, VII: 1—/5 spreekt van eenige der zonden, waardoor zij den Heere getergd hadden.) Menigmaal had Jeremia te lijden voor zijne vrijmoedigheid in het spreken van het woord van God. Hij werd geslagen en in de gevangenis geworpen, moest somtijds vluchten en zich schuilhouden, maar God behoedde zijn leven. Hij had maar zeer weinige vrienden, en onder dezen was zekere Baruch, die alles deed, wat hij kon, om hem te helpen.

Toen Jojakim vier jaar koning geweest was, kwam er een bijzonder bevel van God tot Jeremia. [Lees Jer, XXXVI: /, 2.) Wat verlangde God dat hij doen zou ? Hij had tot het volk gesproken op de straten, in den tempel — op alle plaatsen en tijden — maar hadden zij er acht op geslagen ? Nu beval de Heere hem ze in eene rol of een boek in te schrijven. Laat ons nu zien waaro7?i God wilde, dat de verschillende boodschappen van Jeremia aan het volk werden opgeschreven. [Zie vers j.) Wat was de reden ? Hij hoopte dat zij tot Hem zouden terug-keeren, opdat Hij hun zon kunjien vergeven ! Zie, hoe God arme zondaars liefheeft en ze op den rechten weg wenscht terug te brengen, opdat zij gelukkig zouden zijn! [Gelijk de vader in de gelijkenis van den Verloren Zoon naar de terugkomst van den zoon uitziet, toen hij nog ver weg was, enz?) Zoo lief heeft hij de zondaars nog. Zoo iemand verloren gaat, is het niet omdat God hem wil straffen, maar omdat hij tot Hem niet om redding komen wil.

Jeremia verzocht Baruch hem hierin te helpen. (Lees vers 4—8.) Wie schreef de woorden op? Jeremia hield zich op dien tijd voor zijne vijanden verborgen. Wie ging toen naar den tempel om het volk de rol voor te lezen ? Eene groote menigte kwam op dien dag in het huis des Heeren bijeen — eene goede zaak, zoo hun eeredienst oprecht en welgemeend was geweest; maar wij weten uit eenige van Jeremia's woorden, dat hij slechts geveinsd was. Baruch stond aan een bovenraam of balkon in een huis, dat het uitzicht had op den bovenhof van den tempel — beneden hem stond eene groote menigte, luisterende naar de woorden van Gods boodschap — vergeving belovende aan berouwhebbenden

— ontzettende waarschuwing voor zekere straf, zoo zij in hunne goddeloosheid volhardden. Eén man ten minste was zeer verontrust over hetgeen hij gehoord had

— Michaja, de zoon van Gem ar, a, in wiens huis Baruch was — hij liep terstond heen om het den vorsten en edelen van het volk te zeggen. (Lees vers 11—18.) Welken indruk maakten deze woorden op hen? Aan wien zeiden zij de woorden te zullen mededeelen ? Maar


ocr page 243

217

eerst zeiden zij Baruch en Jeremia eene schuilplaats te zoeken — zeiden niemand waar hunne schuilplaats was. Want zij wisten vooraf, dat de koning zeer toornig zijn zou.

Lees vers 21. Wie was daar, terwijl Jehudi las ? Nu kwam het belangrijke punt — wilde de koning luisteren of niet? Lees vers 22, 23. Een vuur brandde voor Jojakim — toen een weinig uit de rol was voorgelezen — wat deed hij toen ? Hij ontstak in gramschap — verbrandde de rol — meende hierdoor een einde aan alle gevaar te kunnen maken! Eenigen zijner dienstknechten smeekten hem de rol niet te verbranden — maar hij wilde naar hen niet hooren. Zijne booze verhardheid van hart deelde zich alras aan de vorsten mede — alle angst was geweken. [Zie vers 24.) Hoe geheel anders als toen de goede koning Josia de boeken van Mozes hoorde voorlezen! Hoe weinig dachten Jojakim en zijn hof er aan, dat zij hztmte laatste kans van afwending van Gods toorn wegwierpen / Toch was het zoo. Hoe teleurgesteld waren Jeremia en Baruch, dat het lezen der rol niets goeds had uitgewerkt. {Zoo gaat het dikwijls dat predikanten den menschen hunne goddeloosheid onder het oog brengen; dezen willen niet luisteren, worden hoos als zij tot hen spreken, hoe bedroeven de leeraars zich daarover !) Maar zoudt gij denken dat Jojakim door zijne handelwijze de woorden van God had te niet gedaan ? Hij kon zelfs de twee mannen niet vinden, die ze geschreven hadden.

LES

Kracht en Zwakheid. — De

Te leeren : Ps. XXXIV :

Herhaling van de vorige les, — Op welke wijze en waar werd koning Josia gedood ? Wie werd koning na zijnen dood? Wie zette hem af? Wien zette Necho in zijne plaats op den troon ? Wat voor een man was hij ? Hoe gedroeg zich het volk in dien tijd? Wien riep God als een bijzonder profeet voor hen ? Wat beval God hem te doen, na tot het volk gesproken te hebben ? Waarom was dit ? Wie schreef het voor hen op ?

{Lees vers 26.) Daar, in hunne schuilplaats, was er voor de twee vrienden nog een ander werk te doen (Lees vers 27—J2.) Wat gebood de Heere ? Er waren zelfs nog vreeselijker woorden in tegen den koning en het volk, dan in de rol, die Jojakim verbrand had. En ofschoon hij haar had geminacht en verbrand, weldra zou de tijd aanbreken, dat alles waarheid bevonden werd.

Lees 2 Kr on. XXXVI : 6. Nu was het de koning van Egypte niet, die tegen Juda optrok, maar wie? Hij, van wien in die rol voorspeld was. Wat deed hij met Jojakim ?

Twee belangrijke lessen kunnen wij uit de geschiedenis van Jojakim leeren. 1. De liefde en verdraagzaamheid van onzen Hemelschen Vader. De Joden in dien tijd weken al verder en verder van Hem af. Eerst riep Hij een bijzonderen profeet en zond hem uit om hen terug te doen keeren — hen te waarschuwen ; toen zij hierop geen acht gaven, liet Hij die woorden neerschrijven, om hen er meer aan te doen denken. Zoo tracht Hij nog op verschillende wijzen zondaars terug te brengen — door ziekten — zorgen — het verlies van vrienden — bovenal door Zijn ÏVoord. 2. Gods bedreigingen worden altijd stellig vervuld. Sommige zondaars zeggen somtijds: „God is zoo barmhartig, dat Hij niet straffen zal.quot; Jojakims geschiedenis leert ons, er een einde is aan Zijne verdraagzaamheid. Laat ons gewaarschuwd zijn, eer het te laat is!

Verwoesting van Jeruzalem.

gt;3, onberijmd; Gez. 16 : 14.

Waarheen beval hij Baruch te gaan om het geschrevene voor te lezen? Wat gevoelden zij, toen zij het hoorden ? Tot wien spraken zij er van? Wat deed de koning, toen hij het hoorde ? Wat wilde hij Jeremia en Baruch doen? Waarom kon hij hen niet vinden? Wat gebood God aan Jeremia te doen, nadat de rol verbrand was? Hoe werd Gods woord bewaarheid? Herhaal tekst en versje.


ocr page 244

2l8

SCHETS VAN DE LES.

Jojakim was gevankelijk naar Baby-Ion gevoerd, en zijn zoon Jojachin tijds Chonia of Jechoniagenoemd^ volgde hem op. Hij deed ook, wat kwaad was in de oogen des Heeren, en toen hij nog slechts kort geregeerd had, trok de koning van Babyion andermaal tegen het land op. Jojachin, die nog jong, slechts achttien jaar, was, kon hem geen tegenstand bieden en onderwierp zich zonder slag of stoot. \Lees den kinderen 2 Kon. XXIV : 12—16 voor.] Alleen bleven de armen achter — vorsten en oversten, timmerlieden, smeden, enz. werden allen weggevoerd.

Toch kwam er nog een zoogenaamde koning over Juda — een, die door den veroveraar, den koning van Babyion, werd aangesteld; het was de oom van Jojachin, een zoon van den braven Josia. Lees Jer. XXXVII : 1. Hoe heette die laatste koning van Juda? Zoo hij als zijn vader, Josia, geweest was, zou de Heere misschien het overblijfsel des volks, dat achtergelaten was, nog gezegend hebben. Wel waren zij geneigd aan God te vragen, wat er gebeuren zou, maar daarin was geen godsdienst. (Lees vers 3, 4.) Een groot gevaar bedreigde hun opnieuw — het geduchte leger der Chal-deërs (Chaldeërs wil zeggen de Babylo-niërs) overstroomde het land en trok op Jeruzalem aan. De Joden, in plaats van bij God hulp te zoeken, vroegen den koning van Egypte voor hen te strijden, hij kwam, en in den beginne scheen het, dat de Chaldeërs bevreesd waren voor de Egyptenaren. [Lees vers 5, 6.) Ongetwijfeld waren de Joden zeer verblijd, maar hoor, wat Jeremia hun zeide op Gods bevel.

Lees vers 7. Zij behoefden niet te vertrouwen op de hulp van Egypte, want God had den koning van Babyion bestemd om hen te overwinnen. (Lees vers 8—10.) Dat waren vreeselijke woorden ! Velen der Joden waren boos op Jeremia, omdat hij zoo tot hen sprak. Zij vonden weldra eene gelegenheid om hem voor zijne vrijmoedigheid te mishandelen. (Lees en verklaar vers 11 — het einde).

Eenigen van Jeremia's vijanden waren zeer verbitterd over den raad, dien hij aan het volk gegeven had aangaande hetgeen zij doen moesten, als de Chaldeërs kwamen om Jeruzalem te verwoesten. Lees de woorden, die hen zoo verbitterden. Hoofdst. XXXVIII : 2. Zoo ziet gij, dat het Gods wil niet wasr dat de Joden tegen de Babyloniërs zouden vechten, maar zich onderwerpen. Want Hij wilde Jeruzalem in de handen der Chaldeërs stellen — de straf moest komen; door weerstand te bieden zou zijn val des te grooter zijn. (Vers 3.) De vorsten konden het niet dulden, Jeremia zoo te hooren spreken — waren te trotsch om zich voor God te verootmoedigen — en dachten dat Jeremia door zijne woorden de soldaten en anderen zou terughouden zich te verdedigen. Lees vers 4. Wat was het? Wien vroegen zij ? Zoudt gij gelooven dat Ze-dekia hun zou toelaten den profeet te dooden ? Lees vers 5. Welk een lafhartig antwoord! Zedekia wist zeer goed, dat Jeremia een waar profeet was, dat hij alleen sprak, wat God hem gebood; toch vreesde hij zijne partij te kiezen.

Dus werd Jeremia andermaal gegrepen, niet terstond gedood, maar in een donkeren, vochtigen, modderigen kuil geworpen. (Lees vers 6.) Hoe verschrikkelijk scheen dat! Was hij dan inderdaad zonder vriend? O, neen! God had zijn trouwen dienstknecht niet vergeten — zond iemand om hem te helpen. (Lees vers 7—13.) Ebed-melech werd later door God voor deze goede daad beloond. Zedekia wilde Jeremia vragen, wat er geschieden zou. (Vers ia—16.) Wat beloofde de koning hem ? Zie nu, wat Jeremia tot hem zeide. Vers 17. Wat was het? Hetzelfde, dat hij tot het volk gesproken had. Zoo zij slechts aan Gods wil gehoorzaam waren, zich aan Zijne straf onderwierpen, aldus toonden hunne zonden te betreuren, zou de stad niet verbrand worden — hun leven en dat van honderden des volks zouden gespaard blijven. Zoo niet (lees vers 18).

Wij zouden gedacht hebben, dat de


ocr page 245

19

2

koning niet zou geaarzeld hebben over hetgeen hem te doen stond. Maar zie vers 19. Wat zeide hij ? Opnieuw beangst! Hij dacht dat zijn eigen volk vergramd zou worden — hem bespotten — hem aan zijne vijanden overleveren zou. Gij ziet dus: Zedekia had geen vertrouwen op God, geloofde niet dat Hij hem kon beschermer. Zie, wat Jeremia antwoordde. Vers 20. Hoe ernstig smeekte hem de profeet aan Gods stem te gehoorzamen. Dit was zijne laatste kans. Hij hield den koning voor oogen alles wat gebeuren zou, indien hij weigerde. [Vers 21—2j.) Maar alles tevergeefs. Zoo eindigde hun gesprek, Jeremia bevelende niemand te zeggen, wat er tusschen hen had plaats gehad.

De verwoesting van Jeruzalem was nu nabij. Zedekia was, zooals gij weet, door den koning van Babyion tot koning aangesteld. Toen had hij hem op zijn woord gehoorzaamheid beloofd; maar hij wilde liever zijne belofte breken en, in weerwil van Jeremia's waarschuwingen, zich tegen hem verzetten. (2 Kr on. XXXVI : 12, 13.) Lees nu Jer. XXXIX : 1. Opnieuw legerde het Babylonische heir zich om Jeruzalem. De soldaten bezetten alle uitgangen — niemand kon in- of uitgaan. Dit vreese-lijk beleg duurde anderhalf jaar. Honderden waren van honger omgekomen. Eindelijk werden de muren nederge-worpen, de woeste Chaldeërs stormden naar binnen, doodden allen, die hun in den weg kwamen: mannen, vrouwen, kleine kinderen — de straten vol bloed, angstkreten en gekerm van alle kanten.

Waar was de koning? Lees vers 4. Hoe snel en stil vluchtten zij — kwamen buiten Jeruzalem, dachten wellicht gered te zijn. Maar zie, wat er gebeurde. Vers 5—7. Welk een schrik overviel hun, toen de vijanden hun achterna zetten en allen gevangennamen! Waar? Ongelukkige Zedekia! Wie zag hij voor zijne oogen slachten ? Zijne eigen zonen, zijne vorsten — dat was het laatste, dat hij zag, want wat deed men hem? En zie nu, wat de Chaldeërs te Jeruzalem deden. Vers 8. Van twee mannen lezen wij, dat zij in dien bloedigen tijd gespaard bleven. De een was Jeremia, Gods moedige profeet; de ander Ebed-melech, die hem uit den kuil getrokken had. [Lees vers 11—18.)

Het koninkrijk der Joden was niet meer. Vele lessen kunnen wij uit deze geschiedenis trekken. Misschien zijn dit de voornaamste. I. Het vreeselijk einde van hardnekkige volharding in de zonde. De weg der zonde schijnt eenigen tijd bekoorlijk, maar voorzeker loopt hij uit op ellende. 2. De veiligheid en zegen van Gods getrouwe dienaars. Zie, hoe Hizkia, Jeremia en vele anderen onder Gods veilige hoede stonden, omdat zij Hem gehoorzaam waren. 3. God had het Joodsche volk uitverkoren, maar zij kozen Hem niet met hun gansche hart; daarop liepen zij in hun verderf. Wij zijn Christenen in naam (door denDoop); zijn wij ook Christenen in waarheid ^


LES C.

Ezechiël en zijn Visioen.

Te leeren : 1 Cor. II : 12 ; Ps. 81 : 15.

Herhaling van de vorige les. — Wie kwam na Jojakim op den troon ? Wat voor een koning was hij ? Wie nam hem spoedig gevangen ? Was er na hem een koning ? Wie verhief Zedekia tot koning ? Volgde hij het goede spoor van zijn vader of de snoode wegen van zijne broeders en zijn neef? Welke profeet werd in dien tijd door God gezonden, om het volk Zijne boodschap te brengen? Welk leger trok andermaal tegen Jeruzalem op? Wie riepen de Joden te hulp ? Wat deed toen het leger der Chaldeërs? Maar wat zeide Jeremia hun in den naam van God? Welken indruk maakten zijne woorden op eenigen van het volk? Wat deden zij Jeremia? Wie ontbood hem in het


ocr page 246

220

geheim? Wat vroeg de koning hem? quot;Wat raadde Jeremia den koning? Volgde hij dien raad? quot;Waarom niet? Welke stad belegerden de Chaldeërs kort daarna? Hoe lang duurde het beleg? Wat gebeurde eindelijk? Wat deden Zedekia en zijne vorsten ? Wie achterhaalde hen? Wat deden zij hem? Welke twee mannen bleven gespaard, toen een groot aantal inwoners gedood werd? Wie waren dat? Welke drie lessen kunnen wij uit de geschiedenis der Joden trekken? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

Als een goed vader, na lang de ongehoorzaamheid zijner kinderen verdragen te hebben, eindelijk genoodzaakt is hen te straffen (hen misschien in eene kamer opsluit, om eene les te leeren), denken zij dikwijls dat hij onvriendelijk is, meen en dat hij zelf op zijn gemak is, terwijl zij in verdriet verkeeren — gelooven niet dat hij meer verdriet heeft dan zij — hen om hun bestwil gestraft heeft — verlangt hen weder in liefde aan te nemen en hen weder zijne geliefde kinderen te kunnen noemen. Zoo is het ook met onzen Hemelschen Vader.

Gij weet dat het eerste gedeelte dier straf niet plaats had ten tijde van Zedekia, hun laatsten koning, maar onder zijn voorganger, Jojachin, zijn neef, die met al zijne vorsten en voornaam-sten des volks naar Babyion werden gevoerd. Het was een heerlijk land — eene schoone rivier, Chebar, liep er door — eenigen der gevangenen werden welwillend behandeld, echter waren allen verslagen, waarom? Het was niet hun tehuis. \Lees den kinderen Psalm CXXXVII: i—6 voor.} Hoe dikwijls waren hunne gedachten bij dien schoonen tempel — den heiligen dienst, die daar verricht werd, terwijl zij nu door allerlei afschuwelijken afgodendienst omringd waren ! (Gelijk een jonge zeeman, op eene verre reis, verlangt naar den dienst in de kerk van zijn stil dorp, dat hij vroeger onaangenaam en vervelend vond, en alles zou willen geven, om weder de stem zij7ier moeder te hoor en, die hij vroeger veronachtzaamde.) Die gevangenen dachten misschien (evenals die gestrafte kinderen) dat God hen geheel verworpen had, toen Hij hen uit het hun beloofde land naar Babyion had gezonden. Maar zoo was het niet.

Hij had him inderdaad eene les te leeren gegeven, en Hij zond hun een leermeester — een profeet, Ezechiël genaamd. Zooals Jeremia de bode van het volk was, toen het nog in het land van Juda woonde, zoo was Ezechiël bestemd om de gevangenen van Babyion te onderwijzen.

Lees Ezechiël I: i. Het is Ezechiël, die spreekt. Waar zeide hij dat hij was? Wat gebeurde er? Niet de eenige tijd, dat God aan een banneling (iemand, die uit zijn tehuis weggezonden is) heerlijke visioenen (gezichten) deed zien. Toen Johannes naar het eiland Pathmos verbannen was, werden door hem de schoonste gezichten van den hemel gezien, waarvan wij in de Openbaringen lezen. Ezechiëls eerste gezicht was heerlijk en wonderbaar. \Lees den kinderen vers 2—10, 13, 14 voor.] Eerst eene groote wolk — een heerlijke, verblindende glans — vier levende schepselen, die zich bewogen met de snelheid van den bliksem; en daarboven zag hij iets anders — een grooten troon. (Lees vers 26, 27,) Er zat iemand op. Zie, wat dezen omgaf. (Vers 28.) Wat is „de boog in de wolken?quot; Wat deed hij, toen hij dit zag? (Gelijk Mo-zes hij het brandende braambosch.) Terwijl Ezechiël ter aarde lag, hoorde hij eene stem, die hem beval op te staan.

Lees Hoofdst II: 3. Wat zeide de Heere van de kinderen Israels ? Hij moest vertrouwelijk tot hen spreken — hen op hunne zonden wijzen — trachten hen berouwvol tot God te doen gaan. (Lees vers 4—10Ï) Hij kreeg eene rol (boek), die hij moest opeten, opdat hij weten zoude, wat hij moest zeggen; maar waren het opbeurende


ocr page 247

221

woorden? Zij drukten smart en rouw uit — derhalve was het eene bittere en zware taak voor Ezechiël om te ondernemen, maar hij was geheel bereidvaardig het te doen. Hij moest zijn gelijk een wachter, het volk voor hunne zonden waarschuwen. [Lees Hoofdst. III: iquot;]—/p.) Wie zijn nu Gods boden, om hen, die kwaad doen, te waarschuwen ? Juist, de predikanten ; daarom moeten wij naar hunne woorden hooren. Men moet nooit zeggen: „Het gaat hun niet aan, wat ik doe,quot; enz. God sprak tot Ezechiël van de dingen, die nu in Juda plaats grepen. Hij wist welk een zondige dienst in den tempel gedaan werd, en van Gods grooten toorn over deze zonde — hij voorspelde de belegering van Jeruzalem en hoe Zedekia naar Babyion gevankelijk zou worden gebracht, echter zou hij het niet zien. Waarom niet? [Hoofdst, XII: i—3 toont hoe deze daad van Ezechiël de vlucht van Zedekia als in eene schaduw voorstelde?) En ofschoon er veel droevige en vreeselijke boodschappen waren, die Ezechiël hun moest breogen, toch waren er vol liefde en genade, alsof God Zijn volk bad tot Hem weder te keeren. (Lees Hoofdst. XVIII: 27—32.) Zie, hoe de Heere zegt geen lust te hebben in den dood van den zondaar — dat Hij er geen lust in heeft hem te straffen — veeleer in het vergeven — en nadat Jeruzalem ingenomen zou zijn, wanneer wij misschien zouden gedacht hebben „dat nu alles met de Joden voorbij was, niets goeds meer voor hen te wachten stond,quot; had Ezechiël nog een ander heerlijk en vreemd gezicht — een gezicht van hoop.

Lees Hoofdst. XXXVII //, 2. Wat zag hij ? Dorre doodsbeenderen — beenderen van menschen — verstrooid over den grond liggende. Zie, wat de Heere tot hem zeide. Vers 3. Het scheen onmogelijk, maar Ezechiël antwoordde: „Gij weet het.quot; Wat zeide God dat hij doen moest? Vers 4. Tot deze doodsbeenderen spreken! Tot welk nut kon dit zijn ? O, er zou eene belofte komen.

[Lees vers 5, 6.) Zoudt gij denken dat Ezechiël dit geloofde? Hij wist dat niets te moeielijk was voor den Heere. Lees vers 7, 8. Wat gebeurde er ? Slechts eene verzameling van doode lichamen; geen leven was er in. Zie nu, hoe dat leven er in komen zou. Lees vers 9, 10. Nu volgde er een nog wonderbaarder gezicht. Wat gebeurde er, toen Ezechiël tot den wind sprak ? Bedenk wel, dat het een gezicht was — met het doel gezonden om iets te leeren, wat het volgende vers ons zegt. Vers 11. Wie worden met die dorre doodsbeenderen bedoeld? Het volk, dat meende alle hoop verloren te hebben — het land was als het ware dood. Maar zie vers 12—14. Hen uit hunne graven te doen opstaan wil zeggen : uit hunne gevangenschap te verlossen. De Joden beschouwden zich als te Babyion begraven, dus belooft Hij hun hen uit dien toestand op te richten. Wat zeide Hij in hen te zullen leggen ? De wind, die het leven aan de doode lichamen gaf, is het beeld van den Heiligen Geest, die het leven schenkt aan de ziel. Er waren nog andere troostrijke beloften aan de Joden. Zij zouden niet langer verdeeld zijn in twee volken, maar weder éen volk worden. (Lees vers 16—het einde.) Eenige dier beloften zijn vervuld, maar niet alle, ofschoon wij weten dat zij alle vervuld zullen worden, want Gods beloften falen niet.

Laat ons nu zien wat het gezicht en de dienst van Ezechiël ons leeren. 1. God vergeet Zijn volk nooit; ofschoon het moge schijnen alsof zij verworpen zijn — verre van Hem, te midden van ongodsdienstige mannen. Zijn oog is op hen, zorgt voor hen, wenscht hen op den rechten weg terug te voeren. 2. Onze harten zijn gelijk dorre doodsbeenderen, tot de Heilige Geest er in blaast — ons de zonde doet haten. God liefhebben, ons de oogen opent tot het zien van de schoonheid der hemelsche dingen. Bid om steeds meer te ontvangen van de kracht des Heiligen Geestes.


ocr page 248

222

LES CI.

De geloovige Daniël.

Te leeren : Ps. LX: 15, 16, onberijmd; Gez. 24 : 1.

Herhaling van de vorige les, — Werden al de bewoners van Juda te gelijk gevangengenomen ? quot;Welke profeet heeft God verwekt om tot hen te spreken, die met Jojachin gelijktijdig naar Baby-Ion werden gevoerd ? Waar was Ezechiël, toen God hem zijn eerste gezicht deed zien? Waarop geleek het? Welke soort van boodschap moest hij aan het volk brengen ? Waren het alle bedreigingen voor hunne zonde? Wist hij iets aangaande hetgeen toen in Juda geschiedde ? Wat voorspelde hij aangaande Jeruzalem en

Zedekia? Welk een wonderbaar gezicht had hij, nadat Jeruzalem gevallen was ? Wat gebood God hem aan de dorre doodsbeenderen te doen? Wat gebeurde er? Wat ontbrak hun nog? Waaraan zeide God dat de dorre doodsbeenderen gelijk waren ? Wat werd bedoeld met den wind? Wat beloofde Hij te zullen doen ? Wij zijn ook aan dorre doodsbeenderen gelijk, zoo niet de Heilige Geest in onze harten komt. Wat moeten wij dan doen? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

Wij keeren weder terug in deze les tot de gevangenen, die naar Baby ion gevoerd werden, vele jaren vóór de verwoesting van Jeruzalem. Gij weet dat de besten der inwoners door Nebukad-nezar werden gevangengenomen. Wij zullen zien, wat hij met sommigen hunner deed.

Lees Dan. 1:3. Wie werden door den koning ontboden ? Het koninklijk zaad, dat is: de kinderen van dat geslacht. Niet al de prinsen werden voor hem gebracht, alleen zij, die een schoon uiterlijk hadden en vernuftig waren. (Lees vers 4, 5.) Deze jongelingen werden onderwezen in al de wijsheid der Chaldeërs. Zij moesten ook goed gevoed en behandeld worden, opdat zij sterk zouden worden en aan het einde van drie jaren in 's konings huis wonen zouden en zijne dienaren zijn — hem somtijds met hunnen raad dienen. Waarschijnlijk waren die jongelingen met die onderscheiding zeer ingenomen — eene groote eer — zij hadden daardoor het vooruitzicht rijk en van aanzien in het koninkrijk te worden. Onder hen wordt er voornamelijk van vier gesproken. Lees vers 6. Hoe heetten zij ? Die namen waren veranderd. (Lees vers 7.) Dus begonnen die vier Joodsche jongelingen hunne studie en voorbereiding met de andere jongelieden, maar al zeer spoedig ondervonden zij eene moeielijkheid op hunnen weg. Laat ons zien, welke die was.

Lees vers 8. Gij weet dat de Joden van God wetten hadden ontvangen aangaande hetgeen zij eten en drinken mochten — zij mochten niets eten van hetgeen aan de afgoden geofferd werd. Somtijds mocht de spijs, hun gegeven, ofschoon zeer lekker, door hen niet gegeten worden. Zou hen verontreinigen, hen doen zondigen. Het was echter moeielijk voor hen, wat zij doen zouden. Hoe konden zij anders doen dan de anderen? Maar Daniël dacht slechts en het allereerst daaraan, hoe hij Gode welgevallig zijn zou, en de andere drie waren evenzoo gezind. Dus waren zij niet bevreesd den overste der kamerlingen er over te spreken. Deze overste hield veel van Daniël — had hem een beschaafd jongeling bevonden, enz. Doch zie, wat hij antwoordde. Vers 10.

Daniël had hierop zijn antwoord gereed. (Lees vers 11—14.) Voor hoelang zouden zij er eene proef van nemen ? Zie, wat het einde van dien proeftijd


ocr page 249

223

quot;bewees. Vers 15. Hoe zagen zij eruit? Ood maakte dat het voedsel, hetwelk zij gebruikten om Zijn gebod te kunnen houden, hun meer versterkte dan de wijn •en de uitgezochte spijzen, die zij weigerden. En Hij zegende hen ook in hunne studie. Lees vers 17. Wat gaf hij hun ? In die dagen sprak God somtijds in droomen; daarom waren zij zeer gezien, •die zulke droomen konden verklaren.

Hoe lang, hebben wij gezegd, moesten die jongelieden geoefend worden, vóór zij bij den koning aan het hof kwamen ? Juist, drie jaren — een lange tijd om eenvoudige spijs, moeskruiden, enz. te verkiezen boven het vleesch en den wijn, die de andere jongelieden nuttigden ; maar zij volhardden. Zoudt gij niet gelooven dat zij het andere voedsel beter achtten ? Toch konden zij er zich van onthouden, opofferen wat zij gaarne hadden om aan God te behagen — Zijne wetten te betrachten. Daniël en zijne vrienden bekommerden er zich niet om, uitgelachen te worden — zij wilden liever oprecht wandelen dan rijk worden, of dat anderen goed van hen dachten. En toen zij eens Gods wil boven alles gekozen hadden, zegende Hij hen ook in aardsche goederen. (Lees vers 18—20.) Was de koning met die jongelieden ingenomen, toen zij voor hem gebracht werden? Vond hij hen minder verstandig of verstandiger dan de andere?

Daniël, die hun leidsman geweest was in het godsdienstige, werd boven allen geëerd door Nebukadnezar en andere koningen na dezen. Er hadden groote veranderingen plaats in Babyion gedurende het leven van Daniël — er waren verschillende koningen ; en eindelijk werd het koninkrijk overweldigd door de Meden en Perzen, eene andere natie, over welke Darius koning was. Daniël werd door al die koningen bemind en geëerd, om dezelfde reden, waarom Jozef in gunst stond bij zijn meester en bij Pharao, omdat „de Heere met hem wasquot; en hij zich beijverde al zijn werk getrouw te volbrengen. De nieuwe koning Darius, het land veroverd hebbende, maakte nieuwe wetten en beschikkingen. (Lees Hoof cist. VI: /, 2.)

Wien stelde hij boven al de vorsten? Zie waarom in vers 3. Maar er waren er, die zich beleedigd achtten, omdat hij boven hen geplaatst was. Lees vers 4, 5. Zij wisten dat Daniël Gods wet niet wilde breken ; daarom spanden zij goddelooslijk tegen hem samen. {Lees vers 6—p.) Welke wet verlangden zij dat de koning maken zou? Dat niemand in dertig dagen een verzoek dan tot den koning richten zou — en deze wet zóo vast te stellen, dat er niets aan kon veranderd worden. Het schijnt, dat de koning aan deze dwaze en snoode wet zijne goedkeuring gaf zonder veel na te denken. Daniël wist natuurlijk van die wet. Lees vers 10. Aan welke zijde stond het venster open ? In welke houding bad hij ? Dit was zeer gevaarlijk; had hij zittende of liggende gebeden, waarschijnlijk zou men hem dan niet ontdekt hebben. Echter wilde Daniël liever zijn leven verliezen dan zich oneerbiedig jegens God te gedragen. Welk een voorbeeld voor ons! Hoe dikwijls liggen sommige menschen en kinderen ook in de kerk voorover te bidden, of doen hun gebed te bed liggende, zonder te bedenken dat zulks oneerbiedig is.

Daniël werd spoedig ontdekt. Lees vers 11. Wie ontdekten hem ? Hoe blijde waren zij! Zij gingen rechtstreeks naar den koning om hem aan te klagen. (Lees vers 12—/5.) Wenschte de koning hem te straffen ? Maar de vorsten wilden, dat hij gedood zou worden. Zelfs de koning kon eene eenmaal uitgevaardigde wet niet veranderen. Lees vers 16. Zijne vijanden dachten: „Nu zijn wij van hem verlost.quot; Wat zeide de koning? Echter kon hij niet nalaten te vreezen, dat Daniël zou gedood worden. Hij gevoelde zich ongelukkig — kon dien ganschen nacht niet slapen. (Lees vers 18, /p.) Wat deed hij des morgens vroeg? Lees vers 20. Hoor nu het antwoord van Daniël. Vers 22. Wat was er gebeurd? De muilen der leeuwen waren gesloten — Gods dienstknecht zat gerust in het midden van hen. Zie, wat nu volgde. Vers 23. Hoe verheugde zich de koning! Waarom was Daniël ongedeerd gebleven ? De snoodaards, die hem hadden aangeklaagd,


ocr page 250

224

werden zeiven in den leeuwenkuil geworpen en stierven den dood, dien zij een ander hadden toegedacht.

Uit hetgeen wij heden van Daniels leven gelezen hebben, leeren wij: i. De kleinere beproevingen onzer jeugd zijn dikwijls bestemd om ons op verderen leeftijd op grootere verzoekingen voor te bereiden. Zoo Daniël niet getrouw gebleven was aan Gods wet, in zake zijne spijzen — zich om uitgelachen te worden niet bekommerd had, niet moedig geweest was om goed te doen, al was hij in een vreemd land, toen hij nog jong was, zou hij niet volhard hebben in zijne gebeden, toen de verschrikkelijke straf van den leeuwenkuil hem bedreigde. 2. Het gewicht en de noodzakelijkheid van het gebed. Als wij eerbiedig zijn bij ons gebed (knielende, langzaam en niet gedachteloos bidden) vol ernst en bij alle gelegenheden bidden, zijn wij op den goeden, den Hemel welgevalligen weg.


LES CII. De gloeiende Oven.

Te leeren : Jac. 1:12; Ps. 75 : 7.

Herhaling van de vorige les. — Waartoe werden eenigen der Joodsche gevangenen uitgekozen ? Hoe heetten die vier? Waartegen verzette zich Daniël? Waarom? Tot wien sprak hij er over? Wat zeide deze man? Hoe verzochten Daniël en zijne makkers hen te beproeven? Wat gebeurde er? Wat bemerkte de koning, toen zij aan het einde van den proeftijd voor hem gebracht werden? Hoe kwam dat? Was er gedurende Daniels leven meer dan éen koning? Wie maakten zich meester van Babyion? Hoe heette hun koning ? Hoeveel vorsten stelde hij aan ? Hij werd over hen allen gesteld. Waarom? Hoe gevoelden de vorsten zich hierover ? Welk plan beraamden zij ? Vond de koning het goed? Wat deed Daniël? Wilde de koning hem straffen? Wat gebeurde er? Hoe gevoelde zich de koning hierover ? Waarheen ging hij den volgenden morgen vroeg ? Wat zeide hij ? Wat antwoordde Daniël? Wat deed men toen? Wie werden er in zijne plaats in geworpen? Wat leeren wij uit Daniëls leven ? Herhaal tekst en versje.


SCHETS VAN DE LES.

Hoe heetten de drie vrienden, die zich met Daniël verbonden, om van deskonings tafel de spijzen niet te eten en dus Gods wet bewaarden ? Ja, Sadrach, Mesach en Abed-nego. Dit was hunne eerste beproeving, nadat zij in Babyion gekomen waren, en de wijze, waarop zij deze doorstonden, versterkte hen, zoowel als Daniël, voor elke beproeving, die volgen zou. [ Opheldering. — Een landman, die eens sprak met iemand over de moeielijkheid om den ploeg te stieren, zeide : » Gij zorgt slechts de eerste vore recht te hoii-den.quot;] Daniëls groote beproeving kwam eerst eenige jaren later, toen hij een oud man was, maar het was niet lang voor den tijd, toen het geloof en de moed zijner drie vrienden op eene zware proef werden gesteld.

Nebukadnezar, de koning van Baby-Ion, was een zeer trotsch man, hi; was groot en rijk, had vele landen veroverd — had talrijke legers — had allen voorspoed in de wereld — daarom meende hij boven iedereen te staan — te kunnen doen, wat hij wilde — den godsdienst van zijn volk te kunnen regelen, zooals hij verkoos — allen hem moesten gehoorzamen. Hij had van Daniël van den éenen waren God gehoord, maar geloofde niet geheel in Hem — had altijd de afgoden aangebeden. Lees Dan. III : 1. Wij weten, waarvan dat beeld veel had, waarschijnlijk van een mensch


ocr page 251

225

— was zeer hoog — kon op verren afstand gezien worden. Toen het voltooid was, riep hij eene groote volksvergadering bijeen — voornamelijk de oversten en aanzienlijken. [Lees vers 2, j.) Toen zij daar zwijgend rondom dat groote beeld stonden — werd op eens eene luide stem gehoord. Zie, wat deze sprak. Vers 4—6. quot;Wat werd hun bevolen te doen ? Dit was dus eene nieuwe godheid! En welke straf werd bepaald, als zij het niet deden? De verschrikkelijkste dood, die bestaat: levend verbrand te worden. De muziek deed zich hooren

— als het ware het koor van den nieuwen god — en het volk, vol vrees, haastte zich om voor het beeld te buigen. ( Vers 7.)

De menigte omstanders was groot, maar drie mannen onder hen bleven staan — zij maakten niet de minste beweging om zich te buigen. Zie, wie het waren. Lees vers 8. Ja, het waren drie Joden, en straks zullen wij hunne namen hooren. Er waren vijanden genoeg onder de Chaldeërs om hen te beschuldigen — zich haastten om het bij den koning aan te brengen. (Lees vers g—11.) Wij zien, waarom die mannen zoo verlangend waren, dat zij gestraft werden. Lees vers 12. Juist om dezelfde reden, waarom men later Daniël zocht te dooden: omdat zij tot regenten waren aangesteld. Hoe zou Nebukadnezar zich gevoeld hebben, toen Joodsche gevangenen, aan welke hij zooveel gunsten betoond had, hem niet gehoorzaamd hadden ? Zie vers 13. quot;Wat staat daar van hem?

Stel u voor den koning op zijn troon, zijne dienaren om hem heen, de Chaldeërs afwachtende, wat het einde zijn zou, de drie jongelingen vóór hem. Eerst vroeg hij hun, of het waar was dat zij zijn gebod niet gehoorzaamd hadden; of zij wilden, dat hij hun nog de gelegenheid gaf om zich te buigen. (Vers 14,15.) Nebukadnezar was geheel anders als Darius (Dan. VL : 16.) Zijne eenige gedachte was hun te doen gevoelen, dat zij geheel in zijne macht waren — niets stond hun te wachten dan een verschrikkelijke dood, zoo zij erin volhardden hem te trotseeren. Zoo scheen het.

maar zie, wat de drie Joden antwoordden. [Vers 16—18). Welk een edel, braaf antwoord! Wie, zeiden zij, was in staat hen te verlossen? Daardoor verklaarden zij, dat Zijne macht boven die des konings ver verheven was. Waren zij dan zoo geheel zeker, dat zij niets zonden te lijden hehhen ? Moed vertoont zich alleen bij het dreigen van gevaar. Maar zie vers 18. Maar zoo niet, dat is, als Hij niet in staat is ons te verlossen — wat dan? Niet toegeven. Hoe denkt gij dat de koning gestemd was op het hooren dier vrijmoedige woorden ? En toch, waren zij niet in zijne macht? Hij kon hun lichaam dooden, maar hunne ziel kon hij niet schaden. Hoe vergramd was hij! Hij wilde hen nog strenger straffen dan hij bedreigd had. (Lees vers ig—21.)

Wat beval hij dat met den oven zou geschieden ? Denk aan het knetteren van het vuur — de sterke mannen, Sadrach, Mesach en Abed-nego, bindende en hen daarna in den vuurgloed werpende! Hoe verschrikkelijk schijnt dit! Toen zij dit deden, stegen de vlammen zóo hoog op, dat de kleederen der mannen, die hen in den oven geworpen hadden, vuur vatten en hen jammerlijk verbrandden. Wat was er intusschen geschied met de drie mannen, die in den oven geworpen waren ? Lees vers 23. Het scheen alsof God hen niet van dien vreeselijken dood redden wilde, maar lees vers 24, 25. Waarom was de koning zoo verbaasd? Drie mannen waren, gebonden aan handen en voeten, in de vlammen geworpen, en wat zagen zij? Vier mannen ontbonden! Waarop geleek de vierde? Een engel, of de Zoon van God zelf, die hen te midden dier vreeselijke vlammen vergezelde — met hen wandelde — hen beveiligde. Men onderstelt dat een der Psalmen, somtijds „het Lied der Drie Kinderenquot; genoemd, door hen in den gloeienden oven gezongen werd.

Zie, wat nu volgde. Vers 26. Hoe geheel anders was de taal des konings nu, dan toen hij het laatst tot hen sprak! Hoe noemde hij hen? Hij had nu geleerd, dat er eene macht was boven de zijne, dat er een God was zeer verschillend van ieder afgodsbeeld, dat hij


15

ocr page 252

22Ó

mocht oprichten. Toen kwamen de drie mannen uit het vuur. Lees vers 27. Het volk verdrong zich om hen te zien. Bevonden zij, dat zij gebrand waren? Zelfs wat niet? De koning en zijn gevolg stonden verbijsterd over dit groote wonder. (Lees vers 28—30.) Die verlossing deed Nebukadnezar in God geloo-ven en Hem eeren. Hij verhief die drie brave mannen tot aanzienlijke posten, omdat zij liever hun leven hadden willen afleggen dan de geboden huns Gods overtreden. Welke geboden zouden zij overtreden hebben, zoo zij het gouden beeld hadden aangebeden? Juist, het eerste en het tweede gebod.

Bedenk nu eens, wat deze treffende geschiedenis ons leert. 1. Zij stelt een voorbeeld voor ons van moed in den dienst van God. Hoe velen veronachtzamen het bidden, het lezen van den Bijbel, het ter kerk en naar de Zondagsschool gaan, omdat anderen, met wie zij omgaan, dit nalaten — vrienden, makkers, bloedverwanten zelfs zijn som

LES

De Terugkeer der Jode]

Te leeren: Zach. VII

Herhaling van de vorige les. — Wat liet de koning van Babyion oprichten? Waar liet hij het plaatsen? Welk bevel gaf hij ? Gehoorzaamde hem het volk ? Wie alleen wilden zich niet buigen ? Wat deed hij ? Wat vroeg hij hun ? Wat antwoordden zij ? Waren zij er zeker van, dat God hen bewaren zou van niet in de vlammen geworpen te zullen worden ? Wat gevoelde de koning,

SCHETS v.

In onze twee laatste lessen hebben wij gelezen van de Joden, die in Baby-Ion in gevangenschap waren, ver van hun eigen land. Ofschoon wij zagen, dat er velen goed behandeld werden, zelfs tot landvoogden werden verheven, zoudt gij dan toch niet meenen dat zij ernaar verlangden terug te keeren ? Vele gebeden werden tot God opgezonden, opdat Hij hen terug zou brengen. Een heer-tijds boos, omdat gij aan hun kwaad geen deel neemt; hoor naar hen niet, denk aan die drie jongelingen — zeg neen! anders verbreken wij het eerste gebod, zoo dikwijls wij kwaad doen of het goede nalaten om anderen te behagen — dan maken wij hen tot onzen God. 2. De geschiedenis van Sa-drach, Mesach en Abed-nego leert ons, dat God met hen is, die Hem in oprechtheid te midden hunner beproevingen dienen. Wie wandelde met hen in het midden des vuurs? Al degenen, die toorn, onvriendelijkheid, slechte behandeling hebben te verduren, omdat zij zich standvastig aan Gods geboden wilden vasthouden, hebben denzelfden troost en vrede in hunne beproevingen ondervonden, waardoor de bitterheid er aan ontnomen werd. (Voorbeeld. — Pan lus en Silas zongen lofzangen in de gevangenis, Hand. XVI : 23—25; Hand. V.: 40, 41). God kan hier vrede en hiernamaals eene zaligheid geven, die niemand kan wegnemen.

CIII.

i. — De tweede Tempel.

: 14, 15 ; Gez. 28 : 5.

toen zij zoo vrijmoedig spraken? Wie bond hen? Wat gebeurde er met hen, die hen gebonden hadden ? Wie keek kort daarna in den oven? Wat zag hij? Wat zeide hij hun te doen ? Wat zag de menigte aan hen, toen zij er uit kwamen? Wat zeide Nebukadnezar? Wat deed hij voor hen? Wat behooren wij uit hun gedrag te leeren? Op welke wijze? Herhaal tekst en versje.

J DE LES.

lijk gebed van Daniël lezen wij in hoofdst. IX : 4—19. (Lees. het voor.) God hoorde die gebeden. Eindelijk kwam de tijd, dien Hij voor hun terugkeer naar het land van Juda bepaald had, gelijk hij door Jeremia had voorspeld, zeventig jaar na de verwoesting van Jeruzalem. Vandaag zullen wij zien, hoe de Heere hen terugbracht.

Lees Ezra I : 1, 2. Wie was toen


ocr page 253

koning van Perzië ? Welk bevel vaardigde Cyrus uit? Lees vers 3. quot;Welk eene blijde tijding voor de gevangen Joden ! Allen, die wilden, mochten gaan. Hoe snel verspreidde die tijding zich onder hen : „Wij gaan weder naar huis!quot; Weldra begon de reis en de inwoners van Babyion gaven hun geld en geschenken, om met zich te nemen. (Lees vers 5—5.) Wat bracht de koning voor hen te voorschijn? Deze werden onder bescherming van Sesbazar gesteld, wiensJoodsche naam was Zerubbabel. Hij was hun aanvoerder, en in het volgende hoofdstuk vinden wij eene lijst van de namen en het aantal der familiën, die terugkeerden — te zamen meer dan 42,000.

Welk een blijde en toch angstige ! tocht! De reis was volbracht — elk geslacht en elke stam vestigde zich weder in zijne eigene steden. {Hoofdst. 11 : 70.) Maar al aanstonds was voor hen een groot werk te verrichten. Lees hoofdst. III: 1. Allen vergaderden in éene plaats— waar ? In welken toestand vonden zij de stad ? De muren neergeworpen — de huizen in puin; bovenal,hun schoone tempel verbrand — verwoest. Waarschijnlijk groeide het gras in de straten. De heilige plaatsen met allerlei onreinheid. Welk een treurig gezicht! Wat, dunkt u, t zouden zij het eerst beproeven te bou

wen ? Echter konden zij niet wachten met hunne dagelijksche aanbidding en offeranden tot de tempel voltooid was — zij bouwden al aanstonds een altaar.

Zerubbabel, hun aanvoerder, enjosua, hun hoogepriester, deden dit! [Lees vers 2—5.) Hoe verheugd werden die offeranden bijgewoond! Zij hadden de ware aanbidding leeren waardeeren, nu zij er zoo lang van verstoken geweest waren. ( Velen, die in verre landen tvonen, zullen zich twintig mijlen af stands getroosten om naar eene kerk te gaan ; thuis bekommerden zij er zich niet om, toen zij in hnnne nabijheid 7i'as.) De dienst moest in de open lucht plaats hebben, want lees vers 6. Wat was nog niet gelegd ? Eindelijk was alles gereed ^ om te beginnen. Er was eene groote

samenkomst, toen de fondamenten gelegd werden. Lees vers 10, 11. Wie waren

daar ? Davids Psalmen werden als beurtzangen gezongen; misschien CXXXII, CXXXIV en CXXXVI.

Lof en dank waren in aller hart. Toch: in eenige harten was droefheid. Lees vers 12. Echter hadden zij eene belofte, die hen troostte. Een van Gods profeten, Hag-gai, werd tot hen gezonden, om hun iets aangaande dien tempel mede te dee-len. {Lees Haggai II : 1—5, p.) Wie wordt hiermede bedoeld? Ja, Jezus Christus. De bouw was voor eenigen tijd eene oorzaak van groote blijdschap, maar weldra kwam er tegenspoed. [Lees hoofdst. IV : 1—^.) Die mannen waren Samaritanen, menschen, die van Babyion en andere landen gebracht waren en in de steden der tien stammen woonden, toen er zoovelen van hen gevankelijk waren weggevoerd. Zij waren eigenlijk geene Joden; meer dan dat, zij aanbaden den Heere niet in oprechtheid; dus konden de Joden hen niet toelaten om zich bij het bouwen van Gods huis bij hen te voegen. Deze mannen waren toen zeer boos — schreven een brief aan den koning van Perzië, die Cyrus was opgevolgd, hem mededeelende dat de Joden gereed stonden tegen hem op te staan, hem verzoekende dat hij den voortgang van den bouw van stad en tempel zoude beletten. Hij geloofde hen en zond het bevel het bouwen testaken. Lees hoofdst. IV : 24. Hoe bedroefd moeten de Joden geweest zijn, toen zij dat goede werk zagen stilstaan !

Zij zullen voorzeker menigmaal God gebeden hebben, den weg te banen tot voltooiing van hun werk. En eindelijk zond Hij Haggai en een anderen profeet, Z ach arias, om hun te zeggen met het werk voort te gaan. Zie hoofdst. V : 1, 2. Deden zij het? Nu waren zij niet bevreesd meer voor hunne vijanden — zij geloofden in Gods belofte. [Lees Zach. VIII: g, 13—15; Ilagg. II: 20—23.) Te dien tijde was er een onderkoning over Perzië, Darius. Zeer spoedig werd van hem door zijn landvoogd Thathnai een bevel gebracht aangaande hetgeen in Jeruzalem gedaan moest worden. [Lees vers 7—het einde.) Tot groote blijdschap der Joden beval Darius aan Thath-


A

ocr page 254

228

nai, bevonden hebbende dat het waar was, dat Cyrus hen had weggezonden om het huis Gods te Jeruzalem op te bouwen, de Joden niet alleen met rust te laten, maar ook hun alles te geven, wat zij tot dat werk noodig hadden. {Zie hoofdst. VI : 6—12.) Hoe blijde en dankbaar waren de Joden ! Nu ging het werk met spoed voort. Velen hielpen hun in hunnen arbeid — achtten het eene eer te helpen. Lees vers 15, 16. Wanneer was de tempel voltooid ? Eene groote vergadering werd weder gehouden voor de inwijding.

Offers werden gebracht. (Vers /7.) Het Pascha gevierd. Lees vers 21, 22. Van andere volken namen er ook deel aan. Wie waren het? Welk een tijd van vreugde! En zie, waarom waren zij verblijd? ,,De Heere had hen verblijd,quot; enz. In hoofdst. VII en VIII lezen wij van eene andere reis van Babyion, waarbij velen van het volk naar Juda terugkeerden onder aanvoering van Ezra, den priester (den schrijver van het boek Ezra.) Dezen werden ook naar hun land teruggezonden door den koning, wiens naam was Artaxerxes. {Lees hoofdst. VII: 11—23.) Ezra moest hen aanvoeren en werd ook hun vorst en leerde hun de wet van God. {Vers 25, 26.) Bedenk dat de koning, die dit bevel gaf, een heiden was. Wat kan hem genoopt hebben zilver en goudr enz. te geven voor den dienst van God en zoo doen verlangen, dat de wet van God zou gehouden worden? Ezra zegt het in vers 27, 28.

De herstelling der Joden en de herbouwing van den tempel geven ons eene groote les : hoe wonderlijk de macht en goedheid van God is. Het was niet door worstelen en strijden van de Joden zei ven, dat zij in hun eigen land terugkwamen. God bewoog het hart van Cyrus om hen te zenden, van Darius tot de vergunning om het bouwen voort te zetten, van Artaxerxes om Ezra met een tweede gezelschap Joodsche ballingen heen te zenden. Die drie heidenen, die niets van den waren God wisten, werden door Hem gebruikt als werktuigen om Zijn werk te doen, om Zijn volk terug te brengen, evenals Hij andere koningen gebruikt had om hen te straffen, als zij aan Hem ongehoorzaam waren en tegen Hem opstonden. Zoo kan God ons bevrijden van de macht des duivels —ons helpen in den nood — onze harten en die van anderen vernieuwen, en ons behouden in ons hemelsch thuis brengen; en Hij wil dat doen, als wij het Hem vragen.


LES CIV.

Nehemia en zijn Werk. — De aanstaande Verlosser.

Te leeren : Ps. LXV: 3; onberijmd. I Joh. IV: 10. Ps. 72: 2.

Herhaling van de vorige les. — Hoe lang bleven de Joden in Babylon in gevangenschap? Ja, zeventig jaren. Wie baden ernstig of God hen naar hun eigen land terug mocht brengen? Welken koning verwekte Hij om hen naar hun land terug te zenden? Wie zou hun aanvoerder zijn ? Zond Cyrus iets met hen ? Hoeveel Joden keerden naar Juda terug? In welken staat vonden zij de stad en den tempel in het geheele land? Wat deden zij het eerst? Wat was er in het tweede jaar hunner terugkomst begonnen? Bij welke gelegenheid hielden zij eene groote volksbijeenkomst? Welke woorden zongen zij ? Was er veel blijdschap ? Maar waren zij allen blijde ? Wat deden sommigen hunner? Wie waren dat? Waarom weenden zij ? Wat was verloren gegaan, dat in den eersten tempel geweest was? Wie wilden de Joden helpen bouwen? Waarom werd het hun niet toegelaten? Wat deden zij nu? Staakten zij het bouwen? Welke profeten zeiden hun later met het bouwen voort te gaan ? Deden zij het ? Welke koning hoorde hiervan? Hielp hij hen of was hij hun tegen ? Wat werd er weder gehouden, toen de tempel voltooid was ? Welk feest vierden zij ? Wie


ocr page 255

229

-werd, vele jaren later, met een ander hij met hem? Wie bewoog het hart

gezelschap Joden naar Jeruzalem ge- dier koningen om de Joden weer aan

zonden? Wie zond hem? Wat beval hun land terug te geven? Wat leert

Artaxerxes hem te doen? Wat zond | ons dit? Herhaal tekst en versje.

SCHETS VAN DE LES.

Gij moet niet gelooven, dat a/de Joden naar hun eigen land waren teruggekeerd. Sommigen wilden niet terug-keeren — hadden Babyion liefgekregen — hadden daar vrienden, enz. Anderen werden gebruikt in den dienst des ko-nings — konden niet gemist worden. Van éen hunner zullen wij vandaag lezen. Dertien jaren was het geleden, dat Ezra het tweede gezelschap naar Jeruzalem had gebracht. Lees Neh. I: i, 2. Nehe-mia was de schenker des konings (hij, die hem den wijn moest aanbieden). Wie kwam hem bezoeken ? Hanani, zijn broeder, die te Jeruzalem gewoond had, kwam hem bezoeken.

Hoe verlangend was Nehemia om alles aangaande zijn eigen land te vernemen ! Zie, wat Hanani zeide. Vers 3. Wat was gesloopt? Dit was waarschijnlijk geheel anders dan Nehemia verwacht had — de stad verwoest — de muren in puin — de tempel, ofschoon herbouwd, niet veilig tegen aanranding, dewijl er vele vijanden in de nabijheid waren, zoolang de muren nederlagen. Nehemia werd zeer bedroefd, toen hij dit hoorde. (Lees vers 4.) Hij had een goed ambt in 's konings hofhouding — een goed loon, overvloed van eten en drinken — veilig voor alle vrees of gevaar — echter sprak hij niet, zooals anderen misschien zouden gedaan hebben: „Wat gaat mij dat alles aan?quot; Hij dacht niet alleen aan zich zeiven, maar ook aan zijn land, zijn volk, het huis van God en Zijn dienst. Tot Wien moeten wij in den nood de toevlucht nemen ? Nehemia deed dit. (Lees vers 5—//.) Hij deed belijdenis van zijne zonden en die zijns volks en bad God, dat het hem voorspoedig mocht gaan, dat het hem gelukken mocht. Nehemia bad niet alleen, maar trachtte iets voor Jeruzalem te doen. Wij zullen zien, wat het was.

(Lees hoofdst. II: 1—8.) Nehemia vreesde dat de koning toornig worden zou — bad in stilte tot God — en wat was het gevolg ? Dus ging hij op reis, verlangende voor God te arbeiden. Lees vers 11. Hij had niet gezegd, waartoe hij gekomen was — hij zag dat er vijanden waren — eenigen van de landvoogden van Samaria ,* menschen, die ongaarne zagen dat den Joden hulp werd verleend. Zoo ging Nehemia des nachts in alle stilte om Jeruzalem. Lees vers 12 —16. Welk een vreemde, stille tocht in den nacht! Alles zag hij in puin — evenals zijn broeder hem verhaald had — den volgenden morgen riep hij het volk bijeen — zie, wat hij hun zeide. Vers 17, 18. Wat vroeg hij hun? Hij bemoedigde hen door hun mede te dee-len, dat God den koning gunstig voor hem gestemd had. Denk eens, welk eene opgewondenheid deze woorden bij het volk veroorzaakten — allen waren verblijd hem te kunnen helpen. Zie eens, hoeveel goed éen ernstig man (zelfs een kind) doen kan — anderen aanvuren om zich tot een goed werk te vereenigen. {Opheldering. — Een kind houdt eene inzameling voor de Zending, een knaap weet zijne makkers over te halen zich hij de kindervereeniging te voegen, een ander weet zijne vrienden mede naar de kerk te netnen — die allen werken voor God; geschiedt dit in ernst, dan spoort dit weder anderen aani\

Maar evenals Zerubbabel en de Joden vijanden vonden, die hen in het herbouwen van den tempel wilden belemmeren, zoo ook stonden nu booze mannen op, die het beletten wilden de muren weder op te bouwen. (Lees vers ig, 20.) Zoo waren de mannen, die zoo vergramd waren, toen Nehemia gekomen was en zagen dat zijne komst ten doel had zijne landgenooten te helpen — niettegenstaande hunne beschimpingen en


ocr page 256

228

nai, bevonden hebbende dat het waar was, dat Cyrus hen had weggezonden om het huis Gods te Jeruzalem op te bouwen, de Joden niet alleen met rust te laten, maar ook hun alles te geven, wat zij tot dat werk noodig hadden. {Zie hoofdst. VI : 6—/2.) Hoe blijde en dankbaar waren de Joden ! Nu ging het werk met spoed voort. Velen hielpen hun in hunnen arbeid — achtten het eene eer te helpen. Lees vers 15, 16. Wanneer was de tempel voltooid ? Eene groote vergadering werd weder gehouden voor de inwijding.

Offers werden gebracht. (Vers /7.) Het Pascha gevierd. Lees vers 21, 22. Van andere volken namen er ook deel aan. quot;Wie waren het? quot;Welk een tijd van vreugde! En zie, waarom waren zij verblijd? „De Heere had hen verblijd,quot; enz. In hoofdst. VII en VIII lezen wij van eene andere reis van Ba-bylon, waarbij velen van het volk naar Juda terugkeerden onder aanvoering van Ezra, den priester (den schrijver van het boek Ezra.) Dezen werden ook naar hun land teruggezonden door den koning, wiens naam was Artaxerxes. {Lees hoofdst. VII: 11—23.) Ezra moest hen aanvoeren en werd ook hun vorst en leerde hun de wet van God. (Vers 25, 26.) Bedenk dat de koning, die dit bevel gaf, een heiden was. Wat kan hem genoopt hebben zilver en goudr enz. te geven voor den dienst van God en zoo doen verlangen, dat de wet van God zou gehouden worden? Ezra zegt het in vers 27, 28.

De herstelling der Joden en de herbouwing van den tempel geven ons eene groote les : hoe wonderlijk de macht en goedheid van God is. Het was niet door worstelen en strijden van de Joden zeiven, dat zij in hun eigen land terugkwamen. God bewoog het hart van Cyrus om hen te zenden, van Darius tot de vergunning om het bouwen voort te zetten, van Artaxerxes om Ezra met een tweede gezelschap Joodsche ballingen heen te zenden. Die drie heidenen, die niets van den waren God wisten, werden door Hem gebruikt als werktuigen om Zijn werk te doen, om Zijn volk terug te brengen, evenals Hij andere koningen gebruikt had om hen te straffen, als zij aan Hem ongehoorzaam waren en tegen Hem opstonden. Zoo kan God ons bevrijden van de macht des duivels — ons helpen in den nood — onze harten en die van anderen vernieuwen, en ons behouden in ons hemelsch thuis brengen; en Hij wil dat doen, als wij het Hem vragen.


LES CIV.

Nehemia en zjjn Werk. — De aanstaande Verlosser.

Te leeren : Ps. LXV: 3; onberijmd. I Joh. IV: 10. Ps. 72 ; 2.

Herhaling van de vorige les. — Hoe lang bleven de Joden in Babylon in gevangenschap? Ja, zeventig jaren. Wie baden ernstig of God hen naar hun eigen land terug mocht brengen ? Welken koning verwekte Hij om hen naar hun land terug te zenden ? Wie zou hun aanvoerder zijn ? Zond Cyrus iets met hen ? Hoeveel Joden keerden naar Juda terug? In welken staat vonden zij de stad en den tempel in het geheele land? Wat deden zij het eerst? Wat was er in het tweede jaar hunner terugkomst begonnen? Bij welke gelegenheid hielden zij eene groote volksbijeenkomst? Welke woorden zongen zij? Was er veel blijdschap? Maar waren zij allen blijde ? Wat deden sommigen hunner? Wie waren dat? Waarom weenden zij ? Wat was verloren gegaan, dat in den eersten tempel geweest was? Wie wilden de Joden helpen bouwen? Waarom werd het hun niet toegelaten? Wat deden z:.j nu? Staakten zij het bouwen? Welke profeten zeiden hun later met het bouwen voort te gaan ? Deden zij het ? Welke koning hoorde hiervan? Hielp hij hen of was hij hun tegen ? Wat werd er weder gehouden, toen de tempel voltooid was? Welk feest vierden zij ? Wie


ocr page 257

229

Averd, vele jaren later, met een ander hij met hem ? Wie bewoog het hart

gezelschap Joden naar Jeruzalem ge- dier koningen om de Joden weer aan zonden? Wie zond hem? Wat beval hun land terug te geven? Wat leert Artaxerxes hem te doen? Wat zond | ons dit? Herhaal tekst en versje.

SCHETS VAN DE LES.

Gij moet niet gelooven, dat al de Joden naar hun eigen land waren teruggekeerd. Sommigen wilden niet terug-keeren — hadden Babyion liefgekregen — hadden daar vrienden, enz. Anderen werden gebruikt in den dienst des ko-nings — konden niet gemist worden. Van éen hunner zullen wij vandaag lezen. Dertien jaren was het geleden, dat Ezra het tweede gezelschap naar Jeruzalem had gebracht. Lees Neh. I : i, 2. Nehe-mia was de schenker des konings (hij, die hem den wijn moest aanbieden). Wie kwam hem bezoeken ? Hanani, zijn broeder, die te Jeruzalem gewoond had, kwam hem bezoeken.

Hoe verlangend was Nehemia om alles aangaande zijn eigen land te vernemen ! Zie, wat Hanani zeide. Vers 3. Wat was gesloopt? Dit was waarschijnlijk geheel anders dan Nehemia verwacht had — de stad verwoest — de muren in puin — de tempel, ofschoon herbouwd, niet veilig tegen aanranding, dewijl er vele vijanden in de nabijheid waren, zoolang de muren nederlagen. Nehemia werd zeer bedroefd, toen hij dit hoorde. (Lees vers 4.) Hij had een goed ambt in 's konings hofhouding — een goed loon, overvloed van eten en drinken — veilig voor alle vrees of gevaar — echter sprak hij niet, zooals anderen misschien zouden gedaan hebben: „Wat gaat mij dat alles aan?quot; Hij dacht niet alleen aan zich zei ven, maar ook aan zijn land, zijn volk, het huis van God en Zijn •dienst. Tot Wien moeten wij in den nood de toevlucht nemen ? Nehemia deed dit. (Lees vers 5—//.) Hij deed belij-■denis van zijne zonden en die zijns volks ■en bad God, dat het hem voorspoedig mocht gaan, dat het hem gelukken mocht. Nehemia bad niet alleen, maar trachtte iets voor Jeruzalem te doen. Wij zullen zien, wat het was.

[Lees hoofdst. II: 1—8.) Nehemia vreesde dat de koning toornig worden zou — bad in stilte tot God — en wat was het gevolg ? Dus ging hij op reis, verlangende voor God te arbeiden. Lees vers 11. Hij had niet gezegd, waartoe hij gekomen was — hij zag dat er vijanden waren — eenigen van de landvoogden van Samaria; menschen, die ongaarne zagen dat den Joden hulp werd verleend. Zoo ging Nehemia des nachts in alle stilte om Jeruzalem. Lees vers 12 —16. Welk een vreemde, stille tocht in den nacht! Alles zag hij in puin — evenals zijn broeder hem verhaald had — den volgenden morgen riep hij het volk bijeen — zie, wat hij hun zeide. Vers 17, 18. Wat vroeg hij hun? Hij bemoedigde hen door hun mede te dee-len, dat God den koning gunstig voor hem gestemd had. Denk eens, welk eene opgewondenheid deze woorden bij het volk veroorzaakten — allen waren verblijd hem te kunnen helpen. Zie eens, hoeveel goed éen ernstig man (zelfs een kind) doen kan — anderen aanvuren om zich tot een goed werk te vereenigen. [Opheldering-, — Een kind houdt eene inzameling voor de Zending, een knaap weet zijne makkers over te halen zich hij de kindervereeniging te voegen, een ander weet zijne vrienden mede naar de kerk te nemen — die allen werken voor God; geschiedt dit in ernst, dan spoort dit weder anderen cian^\

Maar evenals Zerubbabel en de Joden vijanden vonden, die hen in het herbouwen van den tempel wilden belemmeren, zoo ook stonden nu booze mannen op, die het beletten wilden de muren weder op te bouwen. (Lees vers ig, 20.) Zoo waren de mannen, die zoo vergramd waren, toen Nehemia gekomen was en zagen dat zijne komst ten doel had zijne landgenooten te helpen — niettegenstaande hunne beschimpingen en


ocr page 258

230

oubillijke woorden (geen verzet tegen den koning, want deze had verlof gegeven) werd het werk terstond voortgezet. Het volgende hoofdstuk geeft de namen op dergenen, die werkten — ieder man trok dat gedeelte van den muur op, hetwelk het dichtst bij zijne eigene woning was. Welk een goed plan! {Indien gij voor God wilt werken, begin dan niet uwe eigene ziel — vraag God deze te reinigen en te heiligen — tracht uwe eigene gebreken op te merken en te overwinnen — daarna zult gij ook in staat zijn anderen te helpen. — Lukas VI: 41, 42.) Zoo zou de muur om Jeruzalem spoedig gereed zijn, maar nu werden er nieuwe moeielijkheden door hunne vijanden in den weg gelegd. Laat ons zien, wat deze waren. Lees hoofdst. IV ; 1. Wat deed hij? {Zie vers 43.) Het is zeer pijnlijk tegenover anderen uitgelachen — „machtelooze Jodenquot; genoemd — hun werk bespot te zien worden. Kinderen worden dikwijls uitgelachen, gescholden, enz., omdat zij aan hunne ouders gehoorzaam zijn, weigeren aan slechte dingen -mede te doen ; laat hen een voorbeeld nemen aan die Joden — geen acht geven op zulke spotternijen — standvastig den goeden weg blijven bewandelen. {Vers 6.)

Toen beproefden de vijanden een ander plan — wilden hen niet geweld dwingen het werk te staken. (Lees vers 7—16). In welk gevaar verkeerden de werklieden ! De vijanden dachten in alle stilte te komen, terwijl zij aan het opbouwen waren, en hen te dooden. De Joden deden het beste, dat zij doen konden {vers 9), baden tot God en zetten wachten uit. Zie, op welke wijze zij arbeidden. Vers 17. Wat deed elk ? Een geweer, dat is een spies of zwaard, om zich te verweren. Zoo moeten wij altijd waakzaam zijn, daar onze vijand, de duivel, steeds zoekt ons te doen zondigen. Zij moesten ook gereed zijn om elkander te helpen. {Lees vers 18—20.) En bovenal was hun vertrouwen op God. — „Onze God zal voor ons strijden.quot; Sanballat en zijne medestanders kwamen nooit tot den strijd, toen zij zagen hoe moedig de Joden waren — maakten toen andere plannen om Nehe-mia van het werk af te trekken, en dan weder om verdeeldheid onder de werklieden te zaaien. [Zoo tracht Satan ook scheuring te maken onder de Christenen, om aldus Gods werk te verstoren.) Alles tevergeefs. God maakte hen voorspoedig, en in twee en vijftig dagen was de muur voltooid en waren de poorten opgetrokken. Hoe dankbaar waren Nehemia en zijn volk!

En nu het bouwen van den muur gereed was, bleef er nog een ander werk voor Nehemia te doen over — hij was landvoogd over Juda, gelijk Ezra hooge-priester was — daarom riep hij -eene groote volksvergadering bijeen. Lees hoofdst. VIII : 1. Wat moest Ezra halen ? Hij stond op een predikstoel, hoog boven het volk uit, dertien priesters bij hem, vóór hem eene groote menigte volks, in stilte toehoorende. {Vers 2—4.) Lees vers 5. Wat deden zij, toen hij het boek opende? Een bewijs van eerbied voor Gods Woord. Zie, hoe zij zich met hem in het gebed vereenigden. Vers 6. Wat beteekent „Amenquot; ? „Dat zal waar en zeker zijn.quot; Een voorbeeld voor ons in de kerk — groote dingen volgden uit dat plechtige voorlezen — zij luisterden niet alleen, maar gehoorzaamden ook. {Zie vers 14—het einde.) Zij vierden het feest, zoo lang veronachtzaamd. Zij scheidden zich van alle heidenen af. {Hoofdst. IX: 2.) En den laatsten dag deden zij belijdenis van hunne zonden en vernieuwden hun verbond met God. {Zie vers 3—lt;9, 24—28, 32—het einde.) Nehemia had nu tweeërlei werk verncht: hij had den muur van Jeruzalem opgebouwd — hij had het volk opgebouwd om wederom Gods volk te zijn.

Hun aardsche luister was voorbij, nimmer hadden zij weder een eigen koning. Maar hun was beloofd een Verlosser, een Wetgever, een Koning. —Een, die veel grooter zijn zou dan die zwakke en zondige heerschers, die hen dikwijls in het ongeluk gestort hadden. Malea-chi, die in de dagen van Nehemia leefde, sprak tot hen van Dengene, die komen zou. Lees Maleachi III : 1 — 3. Eerst zou een boodschapper, wegbereider, ko-


ocr page 259

231

men [evenals koningen een bode vooruitzenden, om den weg te bereiden en hunne komst aan te kondigen) en dan de Heere zelf. Hij zou Zijn volk reinigen — hunne offeranden aannemelijk maken voor God. Eenigen zou Hij tot een oordeel zijn. {Zie vers 5.) Wie zijn dat ? Maar anderen zou Zijne komst tot hulp — vrede — zegen zijn; zie, wie dat zijn. Vers 6. Wie was die Zon der Gerechtigheid ? Zoo sluiten wij de geschiedenis van het Oude Testament met de profetie van zegening, vierhonderd jaren voor de komst van onzen Heere geschreven.

Laat ons nu zien op de groote lessen, ons daarin gegeven. God verkoos de Joden voor Zijn eigen volk — gaf hun het land Kanaan, omgaf hen van wetten, om hen op den rechten weg te houden — streed voor hen tegen hunne vijanden, — gaf hun waarschuwingen en beloften — hoe langs zoo meer vervielen zij tot ongehoorzaamheid — verloren hun vertrouwen op Hem, — dwaalden van Hem af en werden er voor gestraft — toch had Hij hen nog lief — hoorde hunne gebeden, als zij, door den nood gedreven, tot Hem wederkeerden — bracht hen weder naar hun eigen land — beloofde hun een machtigen Redder. Hunne geschiedenis toont ons dus aan den eenen kant de zonde der men-schen — aan den anderen kant de liefde van God. Ook wij zijn door den heiligen Doop in Gods geslacht opgenomen, hebben het Woord van God (zoowel het Oude als het Nieuwe Testament) ontvangen, hebben de belofte ontvangen van kracht en hulp, zoo wij er Hem om vragen en op Hem vertrouwen willen — zijn ook wij niet herhaalde malen tot zonde vervallen ? Toch heeft God ons niet verworpen. Hij is nog steeds gereed tot vergeven — tot zegenen — de poorten des Hemels te openen „voor allen, die in waarheid tot Hem vluchtenquot; — maar bedenk wel, dat er Israelieten waren, die in de woestijn omkwamen — die nimmer naar hun geboorteland terugkeerden — denk dus niet dat gij ten allen tijde vergeving ontvangen zult. Sommigen hebben dit gedacht en zagen zich, evenals de dwaze maagden in de gelijkenis, buitengesloten van het Koninkrijk der Hemelen.


EINDE.

ocr page 260

INHOUD.

Bladz.

Bladz.

LES I.

De Schepping I . . ........ i

LES II.

De Schepping II.......... 3

LES III.

De Val.............. 5

LES IV.

Kaïn en Abel........... 7

LES V.

Het Huisgezin, dat God diende ... 9 LES VI.

Gods Volk gered.........11

LES VII.

Opzet verijdeld. — Het uitverkoren Volk..............13

LES VIII.

Eene dwaze Keus.........16

LES IX.

Het Verbond der Besnijdenis. — Abraham als Middelaar........18

LES X.

Behoudenis en Verdelging......20

LES XI.

Eene groote Beproeving.......22

LES XII.

Een getrouwe Dienstknecht.....24

LES XIII.

Het Eerstgeboorterecht veracht en verloren ..............26

LES XIV.

Troost voor een eenzamen Zwerver. . 28

LES XV.

De Verzoening...........30

LES XVI.

Afgunst en hare bittere Gevolgen. — De Geschiedenis van Jozef .... 32

LES XVII.

Vervolging om der Gerechtigheid wil. 34

LES XVIII.

Van de Gevangenis naar het Paleis . 36

LES XIX.

Eene vergeten Zonde indachtig gemaakt..............38

LES XX.

Geene Wraak, maar Genade .... 40 LES XXI.

De Dood des Rechtvaardigen .... 43

LES XXII.

Het Kind van den Dood gered ... 45

LES XXIII.

Eene moeielijke Taak.......47

LES XXIV.

Een verhard Hart.........49

LES XXV.

Verdere Oordeelen.........52

LES XXVI.

De Dood der Eerstgeboornen .... 54

LES XXVII.

De Verdelging van Gods Vijanden. . 56

LES XXVIII.

Gods zorgende Liefde.......59

LES XXIX.

De Wetgeving...........61

LES XXX.

De Wet aangenomen. — Plannen voor den Tabernakel.........63

LES XXXI.

Overtreding der Wet. — Macht der Voorspraak...........65

LES XXXII.

Afstralende Heerlijkheid. — De Tabernakel voltooid..........68


ocr page 261

INHOUD.

Bladz.

LES XXXIII.

Het verder Optrekken. — Gulzig Verlangen en zijne Gevolgen.....70

LES XXXIV.

Het verloren Erfdeel........73

LES XXXV.

Opstand en Straf.........75

LES XXXVI.

De Zonde der Aanvoerders.....77

LES XXXVII. De eigenzinnige Profeet teleurgesteld. 79

LES XXXVIII.

De laatste Raadgevingen van den groeten Aanvoerder.........82

LES XXXIX.

De Nieuwe Aanvoerder.......84

LES XL.

Eene heidensche Vrouw door haar Geloof behouden.............86

LES XLI.

De Tocht door de Jordaan.....88

LES XLII.

De Inneming van Jericho......91

LES XLIII.

Een Wortel van Bitterheid.....93

LES XLIV.

Eene verkeerde Belofte stipt nagekomen. 96.

LES XLV.

Het beloofde Land wordt verdeeld. . 98

LES XLVI.

Jozua's Einde...........100

LES XLVII.

Een afvallig Volk.........102

LES XLVIII.

De Roeping van Gideon......104

LES XLIX.

De Zegepraal van Gideon......107

LES L.

Kracht en Zwakheid........109

LES LI.

De Geschiedenis van Ruth I . . . .111

Bladz.

LES Lil.

De Geschiedenis van Ruth II. . . .113 LES LUI.

Het Gebed van Hanna......115

LES LIV.

De Stem in den Nacht.......117

LES LV.

Straf en Herstel..........120

LES LVI.

De eerste Koning van Israel . . . .122 LES LVII.

De Koning verworpen.......124

LES LVIII.

De Zalving van David.......126

LES LIX.

De Reus en de Herdersknaap. . . .128 LES LX.

Sauls Jaloerschheid........131

LES LXI.

Ware Vriendschap.........133

LES LXII.

Vervolgd, doch niet verlaten.....135

LES LXIII.

Edele Verdraagzaamheid......136

LES LXIV.

De Dood van Samuel en de Dood van Saul............139

LES LXV.

David wordt Koning over gansch Israel 141

LES LXVI.

De Ark weder teruggebracht. — Davids Zonde en Berouw........143

LES LXVII.

Een goddelooze Zoon.......145

LES LXVIII.

Het Einde van een goddeloos Leven. 148

LES LXIX.

Voor- en Tegenspoed........150

LES LXX.

Vrijwillige Offers..........152


ocr page 262

O U D.

1 N H

Bladz.

LES LXXI.

Het Einde van Davids Leven. . . .154

LES LXXII.

Eene wijze Keuze.........157

LES LXXIII.

Het Bouwen en Heiligen van den Tempel.............159

LES LXXIV.

Salome's Zonde..........161

LES LXXV. Ongehoorzaamheid en hare Straf . .165

LES LXXVI.

Rehabeam en Abia.........166

LES LXXV II.

Vertrouwen op God en Vertrouwen op Menschen............168

LES LXXVIII.

Achab en Isebel. — De Hongersnood . 170

LES LXXIX.

De ware en de valsche God . . . .172

LES LXXX.

De moedelooze Profeet vertroost. . .174

LES LXXXI.

Een goddeloos Plan........177

LES LXXXII.

De Pijl, door God bestuurd.....179

LES LXXXIII.

Het Einde van twee Levens . . . .181

LES LXXXIV.

Wonderen van Barmhartigheid en Oordeel...............183

LES LXXXV.

De Sunamietische Vrouw......185

LES LXXXVI.

Het kleine Meisje. — Do Zonde van Gehazi.............188

LES LXXXVII.

Ongeziene Vrienden........190

Bladz.

LES LXXXVIII.

De Poort van Samaria.......193

LES LXXXIX.

Gods Oordeelen over een goddeloos Geslacht.............195

LES XC.

De Wegvoering der Tien Stammen .197

LES XCI.

Koningin Athalia. — De jeugdige Koning Joas...............199

LES XCII.

Amazia en Uzzia..........202

LES XCIII.

De Profeet Jona en zijne Zending . . 204 LES XCIV.

Jesaja...............206

LES XCV.

Vader en Zoon. — Duisternis en Licht. 208

LES XCVI.

Sanheribs Hoogmoed en zijn Val . .211 LES XCVII.

Manasse en Josia..........213

LES XCVIII.

Jeremia en het verbrande Bock . . .215

LES XCTX.

Kracht en Zwakheid. — De Verwoesting van Jeruzalem..........217

LES C.

Ezechiël en zijn Visioen......219

LES CL

De geloovige Daniël........222

LES CII.

De gloeiende Oven.........224

LES cm.

De Terugkeer der Joden. — De tweede Tempel.............226

LES CIV.

Nehcmia en zijn Werk. — De aanstaande Verlosser............228


ocr page 263
ocr page 264
ocr page 265
ocr page 266
ocr page 267
ocr page 268