ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4

bene

Egyptische Koningsdochtek

ocr page 5
ocr page 6
ocr page 7
ocr page 8

T

ï'j féö 3£r

E E N E

Egyptische Koningsdochter

HISTOE ISCHE R O M A N ^

quot;AN

GEORGE EBERS

V' IJ F -D E D E U K

BEWERKT DOOR

Prof. D E. H. C. ROGGE

lt; /- , \ f- V

ogt;

AMSTERDAM VAN HOLKEMA amp; WARENDORF

O

/7Plfl

ocr page 9
ocr page 10

EERSTE BOEK.

ocr page 11
ocr page 12

EE IIS TE 11 O 0 EDS TUK.

De NijI was buiten zijne, oevers getreden. Daar, waar anders het ooy met welgevallen rustte op weelderige akkers en bloeiende velden, breidde zicli thans heinde en verre eene onmetelijke watervlakte uit. Alleen de door dammen beschermde steden, met hare reusachtige tempels en paleizen, de daken der dorpen en de kronen der hoogstammige palmen en dor bladerrijke sykomoren verhieven zich boven den waterspiegel. De wil^enboomen lieten hunne takken nederhangen in den vloed, terwijl de hooge zilverpopulieren, met hunne naar boven gerichte takken, het vochtige element schenen te willen ontwijken. De volle maan was opgegaan en goot haar zacht, en liefelijk licht uit over de Lybische heuvelrijen in het westen, welker omtrekken zich slechts flauw tegen den wolkloozen hemel afteekenden. Op den effen waterspiegel dreven blauwe en witte lotusbloemen. Yledermuizen van verschillende soorten zwierden en (ladderden door de stille, van de geur der acaci£i.'s en jasmijnbloesems vervulde nachtlucht. In de toppen der boomen sluimerden wilde duiven en andere vogels, terwijl pelikanen, ooievaars en kraanvogels zich verscholen hielden tusschen het papyrus-riet en de nijlboonen, die langs den oever wiesen. De eerste verborgen slapend hunne langge-snavelde koppen onder do vleugelen en bewogen zich niet; de kraanvogels evenwel schrikten op, telkens wanneer zich een riemslag of het gezang van nog werkende schippers deed hooren, en zij tuurden in de ruimte, terwijl zij de slanke halzen angstig her- en derwaarts keerden. Geen koeltje zelfs woei er, en het spiegelbeeld der maan, dat als een zilveren schild op het watervlak scheen te drijven, bewees, dat de Nijl, die zich eerst zoo woest van de rotsen neerstort en zoo driftig de reuzentempels van Opper-Egypte voorbijsnelt, daar, waar hij, in verscheidene armen verdeelt, de zee nadert, zijn onstuimig jagen heeft laten varen, om zich over te geven aan een kalme rust.

In dezen schoonen nacht doorkliefde, 528 jaren vóór onze

ocr page 13

jaartelling, eene bark den Canobischen mond ') van den Nijl, waarin schier geen stroom te bespeuren was. Een Egyptenaar zat op het hooge achterdek, terwijl hij met beide handen den langen stuurriem vasthield, waarmede hij den koers van het vaartuig regelde 1). In het ruim van het schip zaten halfnaakte roeiers, die zingende de riemen bewogen. In eene van voren opene kajuit, die groote overeenkomst had met een houten prieel, lagen twee mannen op lage matrassen. Zij waren, naar hun uiterlijk te oordeelen, geen van beiden Egyptenaren. Zelfs bij het maanlicht kon men hunne Grieksche afkomst herkennen. JJe oudste van de twee, een ongemeen groot en krachtig man van even zestig jaren, wiens zware grijze lokken vrij en los tot op zijn korten gevulden hals nedervielen, was in een eenvoudigen mantel zonder sieraad gehuld. Hij staarde met somberen blik in den stroom, terwijl zijn metgezel, die ongeveer twintig jaren jonger was, een slank en schoon gebouwd man, nu eens naar den hemel opzag, dan weder tot den stuurman enkele woorden richtte, dan weder zijn violetblauwe chlanis 2) verschikte en verplooide, of met de hand over zijne welriekende bruine lokken of zijn fijngekroesden baard streek.

De bark had omtrent een half uur geleden Naucratis 3), de eenige Grieksche havenplaats in het toenmalige Egypte, verlaten. De grijze sombere man had gedurende de gansche vaart geen woord gesproken, en de ander had hem in zijn gepeinzen niet gestoord. Als nu het vaartuig den oever naderde, richtte zich de bewegelijke jonkman op, zijn metgezel toeroepende: »Zoo aanstonds hebben wij het einde van onzen tocht bereikt, Aristo-

1

Van welke schepen de Egyptenaars zich bedienden, kan men o.a. zien bij Üümichen, D i e F 1 o 11 e einer Egyptische n K ö n i g i n. I)c oude gedenkteekenen doen ons duidelijk opmerken, welka vorderingen zij langzamerhand in den scheepsbouw hebben gemaakt. Reeas oji monumenten uit den pyramidentijd vinden wij afbeeldingen van scheepstimmerwerven, en in het museum te Leiden scheepsmodellen. Vgl. verder: Ebers, Cicerone durch das alte und neue Aegypten en A. Erman, Aegypten und agyptisches L e b e n i m A 11 e r t u ir..

2

een lichte zomermantel van zeer fijne stof, die elegante Af.heners gewoon waren te dragen. De Dorische Grieken, met name de Spartanen, droegen een eenvoudigen mantel (himation).

3

Deze stad lag in de zoogenaamde Delta, in de Saïtische provincie, aan den linkeroever van den Canobischen Nijlarm. Zij werd omstreeks 749 v. Chr. door Milesiers gesticht. Door de zorg van de Egypt. Exploration Fund werden in den jongsten tijd hare grondslagen teruggevonden. In de nabijheid van deze bloeiende handelstad koos Alexander de Groote later de plek tot stichting van Alexandrië.

ocr page 14

5

machus. Daar in de hoogte, links, dat zoo lieflijk gelegen huis, in dien zich boven de overstroomde velden verhefienden tuin van palmboomen is de woning mijner vriendin Rhodopis. Haar overleden echtgenoot Charaxus heeft het doen bouwen, en al hare vrienden, tot zelfs de koning, beijveren zich, er ieder jaar nieuwe verfraaiingen aan te brengen. Noodelooze moeite! Het beste sieraad van dit huis zal, al werden ook alle schatten der wereld er aan ten koste gelegd, toch steeds zijne schoone bewoonster zelve zijn.quot;

De oude stond nu op, wierp een vluchtigen blik op bet gebouw, bracht met de hand zijn dichten grijzen baard, die kin en wangen doch niet de lippen 1) omgaf, eenigszins in orde, en vroeg kortaf: ;AVaf is die Rhodopis toch voor eer; wezen in uwe oogen, Phanes? Sinds wanneer dweepen de Atheners met oude vrouwen?quot;

Hij, die dus werd aangesproken, glimlachte en hernam met zekere zelfvoldoening: »Ik acht. dat ik de menschen, en vooral de vrouwen, zeer goed ken; maar ik geef u nogmaals de verzekering, dat ik in geheel Egypte geen edeler, geen voortreffelijker wezen ken, dan deze oude vrouw. Als gij haar en hare lieve kleindochter zult hebben gezien, en uwe meest geliefkoosde liederen door een koor van uitmuntend geoefende slavinnen zult hebben hooren zingen 2). voorzeker, dan zult gij er mij voor danken, dat ik u derwaarts geleid heb!quot;

»En toch,quot; antwoorde de Spartaan ernstig, »zou ik u niet zijn gevolgd, zoo ik niet de hoop had gekoesterd, den Delpbiër Phryxus hier te ontmoeten.quot;

»Gij zult hem aantreffen. Ook vertrouw ik, dat het gezang eene weldadige werking op u zal oefenen, en u uit uwe sombere overpeinzingen zal opwekken.quot;

Aristomachus schudde ontkennend het hoofd en zeide: »U, levenslustige Athener, mogen de vaderlandsche liederen verkwikken, mij echter zal het bij het vernemen van Alkman's 3) heer-

1

Spartanen droeffen geen knevels.

2

Gelijk de Grieken hunne gastmalen door muziek opluisterden, zoo vinden wij ook op de oud-Egyptische afbeeldingen bij de maaltijden vrouwen, blazende op dubbele fluiten, blinde harpspelers, enz.

3

Alkman (Alkmaeon) leefde in Sparta omstreeks 650. Om de vele door hem vervaardigde maagdenkoren (Partheniën), om zijne lofliederen op de vrouwen, en om de vriendschappelijke betrekkingen, waarin hij tot vele Spartaansche vrouwen stond, zou hij den Lacedaemonischen „vrouwenvereerder'' genoemd kunnen worden. Zijne liederen waren ook in Egypte bekend, blijkens enkele die men op een papyrus heeft gevonden.

ocr page 15

n

lijke zangen, zijn als in zoo vele nachten, die ik droomend heb doorwaakt. Mijn verlangen zal niet bevredigd, het zal slechts verdubbeld worden.quot;

»Meent gij dan,quot; vroeg Pbanes, »dat ik niet vurig verlang, mijn geliefd Athene, de speelplaatsen mijner jeugd, en het vroo-1 ijk gewoel van de markt weder te zienquot;.' Geloof mij, het brood der ballingschap smaakt ook mij niet; maar door een verkeer gelijk dit huis biedt, wordt bet eenigszins smakelijker. En als de geliefde Helleensche liederen, zoo wonderbaar schoon gezongen, tot mijn oor doordringen, dan zie ik in mijne verbeelding mijn vaderland voor mij; dan zie ik zijne olijf-en pijnbosschen, zijne frissche smaragdgroene stroomen, zijne blauwe zee, zijne prachtige steden, zijne met sneeuw bedekte bergtoppen en marmeren zalen. Wanneer dan de tonen zwijgen, biggelen mij tranen van weemoed en verrukking langs de wangen, als ik tot mij zeiven moet zeggen, dat ik nog in Egypte toef, dat eentonige heete wonderbare land, dat ik, den Goden zij dank, weldra verlaten zal. Maar, Aristomachus, is het verstandig d(! oasen in de woestijn te mijden, wijl gij laler toch weder met de go-varen en ontberingen der zandzee te strijden zult hebben? Is het wijs, het geluk van één uur te ontvlieden, omdat vele droeve dagen u verbeiden'? — Halt, hier moeten wij zijn! Toon nu een vroolijk gelaat mijn vriend, want het past niet iu een treurig!' stemming den tempel der Charitinnen') binnen te treden.

Bij deze woorden landde de bark aan den door den Nijl bo-spoelden muur van den tuin. Met een sprong verliet de A Ihener het vaartuig; de Spartaan volgde hem met zwaren doch vasten, tred. Aristomachus had een houten been; toch stapte hij zoo gemakkelijk en snel naast den vluggen Phanes voort, dat men bijna in verzoeking kwam om te denken, dat hij met het houten been ter wereld was gekomen,

In den tuin van Hhodopis geurde, biocide en gonsde het, als in een nacht uit de tooververtellingen. Acanthus, gele mimosa's hagen van sneeuwballen, jasmijn en vlier, rozen en goudenregen-struiken betwistten elkander de ruimte; hooge palmen, nylaca-cia's en balsemboomen verhieven hunne statige kruinen boven de lage gewassen. Groote vledermuizen zweefden op hunne dunne fijne vleugels boven deze liefelijke plek rond, terwijl gezang en gelach de stilte op den stroom bij wijle verlevendigden.

Door een Egyptenaar was deze tuin aangelegd. De bouwmeesters dei' pyramiden hadden van oudsher den naam van zeer

1) Meer bolicnd ondor hare Romcinsclie naam Gratiën (Agl.-ija, Tti.ilia, Knphrosyne).

ocr page 16

bekwame hoveniers te zijn '). Zij verslonden de kunst om bloembedden scherp af te steken, om boomen en struiken in regelmatige groepen te planten, om waterleidingen en springbronnen aan te leggen, om sierlijke prieeltjes en tuinhuisjes te bouwen, ja zelfs om de paden met kunstig besnoeide hagen af te perken, en in steenen bekkens goudvisschen te onderhonden en aan,te kweeken.

Phanes bleef voor de poort in den tuinmuur staan, zag oplettend om zich heen, luisterde een wijle, als om eenig geluid op te vangen, en schudde eindelijk het hoofd, zeggende: »Ik begrijp niet, wat dit te beduiden heeft, lie verneem geene stemmen, zie geen licht, alle barken zijn weg, en toch hangt de vaan aan gindschen bontgekleurden staak nevens de obelisken aan weerszijden der poort -'). Rhodopis moet afwezig zijn. Zou men vergeten hebben....?quot;' Hier viel hem eene zware stem in de rede: »Ah, de overste der lijfwacht!quot;

»Goeden avond, Knakias!quot; riep Phanes den op hem toetredenden grijsaard vriendelijk groetende toe. «Hoe komt het, dat deze tuin zoo stil is als eene Egyptische grafkamer, terwijl ik toch de vaan der verwelkoming geheschen zie? Sinds wanneer noodigt het witte doek te vergeefs ile gasten uit?quot;

»Sinds wanneer?quot; antwoordde de oude slaaf van Rhodopis lachende. ))Zoo lang de Farcen •quot;) mijne gebiedster genadig verschoonen, kan men er zeker van zijn, dat deze vaan zoo vele gasten herwaarts zal roepen, als dit huis slechts bevatten kan Rhodopis is niet te huis, doch zij zal weldra terugkeeren. De avond was zoo schoon, dat zij den lust niet, kon weerstaan, met hare vrienden een tochtje op den Mijl te maken. Twee uren geleden, bij het ondergaan der zon, staken zij van wal, en de maaltijd is reeds bereid 4). Zij kunnen niet lang meer uitblijven. Ik'bid u, Phanes, heb dus een weinig geduld, en volg

•1) De boste iifbeeldingon zijn in do graven van Tel el Amarna (-ISo dynastie) gevonden. Ze worden ook aangetroffen in de graven van de doodenstad van Thebe, bijv. in het door Ébers ontdekte graf van Amen em heb, die een groot liel'hebber van bloemen was. Vgl. Lepsius. Denk-m a Ier a u s A e g y p t e n u n d A e t h i o p i e n.

2) Aan den ingang van Egyptische landhuizen stonden gewoonlijk obelisken, waarop de namen van do eigenaars to lezen waren. Vanen of wimpels komen bijna uitsluitend bij tempelpoorten voor, en men kan nog de sporen der krammen zien, waar eens de vlaggestok werd ingestoken. Uit opschriften blijkt, dat men had opgemerkt, hoe de masten, die bij de pylonen (poorten) voor tiet hijschen van wimpels soms werden opgericht, ook als bliksemafleider dienst deden. De vanen waren ook aan de Grieken niet onbekend.

3) Schrikgodinnen.

4) De hoofdmaaltijd, het „deipnon,quot; werd door de Atheners eerst laat in den avond gebruikt»

ocr page 17

8

mij intusschen naar binnen. Rhodopis zou hel mij niet vergeven, als ik zulk een aangenamcn gast niet had uitgenoorligd om een wijle te toeven. En u, vreemdeling,quot; ging hij voort, den Spartaan aansprekende, «verzoek ik dringend ie blijven, want als vriend van haar vriend zult gij mijne meesteres dubbel welkom zijn!quot;

De beide Grieken volgden den dienaar, on zetten zicb in een prieel neder. Aristomachus wijdde nu al zijne aandacht aan zijne omgeving, die door de maan helder werd verlicht, en sprak na eenige oogenblikken: »Verklaar het mij, Phanes, aan welk geluk deze Rhodopis, eene gewezene slavin en hetaere '), bet te danken heeft, dat zij als eene koningin leven en hare gasten vorstelijk ontvangen kan?quot;

«Deze vraag verwachtte ik reeds lang,quot; riep de Alhener vroo-lijk, sen het verheugt me dat ik u alvorens gij het huis dezer vrouw binnentreedt, met haar verleden bekend kan maken. Gedurende onze vaart op den Nijl wilde ik u met mijne verhalen niet storen. Deze oude stroom dwingt met onweerstaanbare kracht tol zwijgen en tot stille gepeinzen. Toenik, gelijk gij daarstraks, voor de eerste maal een nachtelijken tocht deed op dezen stroom, was het ook mij als was mijne anders zoo radde tong verlamd.quot;

»Ik dank u,quot; antwoordde de Spartaan. »Toen ik den honderd vijftigjarigen priester Epimenides van Cnossus -) op Greta, voor de eerste maal zag, werd ik door een bijzonder gevoel van eerbied aangegrepen. Zijn ouderdom en zijne heiligheid maakten op mij een onbeschrijfelijken indruk. Hoeveel ouder, hoeveel heiliger echter is deze grijze stroom Algyptos 3)! Wie zou zich aan zijn betooverenden invloed vermogen te onttrekken? Doch ik bid u, verhaal mij van Rhodopis!quot;

»Rhodopis,quot; aldus ving Phanes aan, »werd, toen zij nog een klein kind was, bij gelegenheid dat zij met hare speelgenootjes aan het ïhracische strand zich verlustigde, dooi- Phoenieische zeevaarders geroofd en naar Samos gebracht, waar zij door Jadmon, een geomoor 4), gekocht werd. Het meisje nam met den dag toe in schoonheid, aanvalligheid en in versland, en weidra werd zij door allen die haar kenden bemind en bewonderd.

t) Men k;in de Grieksche hetaoren niet met onze lichte vrouweii vergelijken. De beste onder hen hebben door vernuft en beschaving uil-gemunt. Men denke aan Aspasia. In de publieke opinio stonden zij geenszins laag aangeschreven. Ylg. Becker, Char ikies II, 51—OP.

2) Volgens Xenophanes, zijn tijdgenoot, werd hij 104, volgens Phnius 99 jaren oud. In 570 was hij te Sparta.

3) Zoo werd de Nijl oudtijds, bijv. in de gedichten van Homerus, door de Grieken genoemd.

4) Een geboren Samiër van adellijke familie.

ocr page 18

n

sAesopus 1), de dichter der dierenfaLelen, die toen evenzeer als slaaf' bij Jadmoii diende, had een bijzonder welgevdlen in de aanminnigheid en geestigheid van het kind. Hij onderrichtte het in allerlei zaken, en zorgde voor Rhodofus, gelijk een pae-dagoog dien wij, Atheners, voor onze jongens in dienst nemen. De goede leermeester vond in haar eene discipelin, die zich gemakkelijk liet. leiden en zeer ving van bevatting was. De jonge slavin sprak, zong en musiceerde binnen korten tijd beter en schooner, dan de zonen van Jadmon, die eene allerzorgvuldigste opvoeding genoten. Op haar veertiende jaar was llhodo-pis zoo schoon en zóo ontwikkeld, dat de ijverznchtige gade van Jadmon het meisje niet langer in haar huis wilde dulden, en de Samiër na lang tegenstribbelen, zijne lieveling aan zekeren Xan-thus verkoopen moest. Te Samos heerschte toenmaals nog de weinig bemiddelde adel. Ware Polycrates reeds aan het. bestuur geweest, zoo had Xanthus voorzeker niet lang naar een kooper behoeven uit te zien. Die tyrannen vullen bnnne schatkamers, gelijk de eksters hunne nesten! Hij begaf zich dus met zijn kleinood naar Naucratis, en won hier door de bekoorlijkheden zijner slavin groote schatten. Rhodopis doorleefde nu drie jaren van diepe vernedering, waaraan zij nog altijd met afkeer denkt.

))Toen eindelijk de roep barer schoonheid door geheel Hellas op de vleugelen der faam was rondgedragen, en vreemden uit de verst verwijderde oorden, alleen om haar te zien, naar Naucratis kwamen ::), gebeurde er iels, dat op het lot. van Rhodopis grooten invloed had. liet volk van Lesbos verdreef zijn adel en verkoos den wijzen Piltacus tot gebieder. De aanzienlijkste fa-miliën moesten Lesbos verlaten, en vluchten deels naar Sicilië, deels naar de Grieksche volkplantingen in Italië, of eindelijk naar Egypte. Alcaeus 2), de grootste dichter van zijntijd, en Charaxus, de broeder dier Sappho 3), wier lierzangen te leeren de laatste

1

Do bekende fabotdictiter vertoefde werkelijk voor zijne vrijlating toprelijk met Rhodopis bij Jadmon.

2

Een der voortrelï'elijkste lierdicliters der oudheid. Zijne liederen getuigen van een vurigen geest en zijn onberispelijk van vorm. Het lijdt geen twijlol ol' bij beeft zicb met Cbaraxus ook te Naucratis opgehouden. Vgl. over hem en andere hier genoemde Grieksche dichters: enz. J. C. Spakler en J. Heemskerk. H a n d I. tot de s t, u d i e d er o u d h e i d, en W. Wagner, Hellas, vert, door J. C. van Deventer.

3

Dichteres, bekend door bare ongelukkige liefde voor Phaon. J. van Lennep koos deze legende tot onderwerp voor een zangspel. Grillparzer,

ocr page 19

JO

wensch van onzen Solon was, kwamen over naar Naucratis, dat reeds lang, als stapelplaats van den Egyplischen handel met alle andere landen, bloeide. Charaxus zag Jlhodopis, en van stonde aan beminde hij haar zoo hartstochtelijk, dat hij eenc ontzaggelijke som ten offer bracht, om haar van dengeldgierigen Xanthus, die naar zijn vaderland verlangde weder te keeren, te koopen. Sappho bespotte haren broeder wegens dezen koop, in bijtend scherpe verzen; Aleaeus evenwelliet Charaxns recht wedervaren, terwijl hij Uhodopis in liederen vol gloed en geestdrift bezong.

»De broeder der dichteres, die tot nog toe onder do vele vreemdelingen te Naucratis onopgemerkt was gebleven, verwierf op eenmaal door Pihodopis een groote vermaardheid. In zijn huis verzamelden zich om harentwille alle vreemdelingen, die haar met geschenken overlaadden. Koning Hophra die veel van hare schoonheid en haar versland gehoord had, liet haar naar Memphis komen, en wilde haar van Charaxus koopen. Deze echter had haar reeds lang de vrijheid geschonken, en beminde haar te vurig, dan dat hij zich van haar zou hebben kunnen scheiden. Wederkeerig had ook Uhodopis den schoonen Lesbiër hartelijk lief, zoodat zij niets liever wenschte dan bij hem te blijven, in weerwil van de schitterende aanbiedingen, die haar van verschillende zijden gedaan werden. Ten laatste verhief Charaxns de merkwaardige vrouw tot den rang zijner wettige gade, en bleef met haar en haar dochtertje Kleïs te Naucratis, tot Pitlacus de ballingen in het vaderland terugriep. Nu stevende hij met zijne vrouw naar Lesbos. Op de reis derwaarts werd hij ziek, en kort na zijne aankomst op Mytilene stierf hij. Sappho, die aanvankelijk haren broeder om zijn dwaas huwelijk bespot had, werd zeer spoedig de vriendin der schoone weduwe. Zij toonde een ongeveinsde bewondering voor deze vrouw, en wedijverde met haren vriend Aleaeus, om Rhodopis in hartstochtelijke liederen te bezingen.

»Na het overlijden der dichteres keerde Rhodopis met hare dochter naar Naucratis terug, en werd hier als eene godin ontvangen. Amasis 2), de tegenwoordige koning van Egypte, had .zich intusschen van den troon der pharaoneu meester gemaakt, en wist zich daarop met de hulp der krijgslieden, uit wier kaste

voor een drama. Van haar zijn maar twee volledige oden en eenige fragmenten bewaard gebleven.

1J Aldus genoemd in het O. Test. P.ij do Grieken beet bij Apriës en Uapbris: op zijn naamschild in biërogtypben tJah-ph-ra-liet. Hij boboorde lot de '201! dynastie en regeerde van 588—ÖC9.

2) Hij beet op do naamsebitden (cartoucbes) Aabmes, d. i. jonge maan. Zijn bijnaam was Se-Net, d. i. zuon van Neitli. Zijn naam vindt men o. a. op een monoliet-tempeltje van rood graniet in het museum te Leiden,

ocr page 20

-li

hij gesproten was, lo handhaven. Dewijl zijn voorgangei'Iloplira, door zijne voorliefde voor de Grieken en zijn omgang met de door alle Egyptenaren gehaalte vreemdelingen, zijn eigen val bewerkt en verhaast had, daar hij de priesters en krijgslieden tot openbaren opstand had aangezet, hield men 't voor zeker dat Amasis, gelijk de vorsten van oudsher plachten te doen, het land voor de vreemdelingen sluiten, de Grieksche soldaten afdanken, en in plaats van aan den raad der Hellenen het oo;- te leenen, op de bevelen dor priesters acht geven zou. Gij hebt het kunnen opmerken, hoezeer die goede Egyptenaren zich, bij hunne keuze van een nieuwen koning, vergist hebben, en hoe zij van de Scylla in de Charybdis '), zijn gevallen. Was Hophra een vriend der Grieken, dan voorzeker kunnen wij van Amasis getuigen, dat hij ons hartelijk liefheeft. De Egyptenaren, en voornamelijk de priesters en krijgslieden, spuwen vuur en vlam, en zouden ons gaarne allen in eens verworgen. Om do laatste bekommert zich de koning niet veel, daar hij wel weet welke gewichtige diensten wij en welke zij hem bewijzen. Met de priesters moet hij evenwel altijd zeer omzichtig te werk gaan; want eensdeels oefenen deze een onbegrensden invloed uit op het volk, en ten andere hecht de koning meer, dan hij ons wil laten blijken, aan een ongerijmden godsdienst die in dit wonderbare land sinds duizenden jaren onveranderd heeft bestaan, en aan haren ouderdom in de oogen barer belijders eene nog grooiere heiligheid ontleent. De priesters verbitteren 's konings leven, zij vervolgen en benadeelen ons zooveel zij maar kunnen; ja, ik zóu reeds lang het kind van de rekening geweest zijn, zoo de koning zijne beschermende hand niet over mij had uitgestrekt.

»Maar ik hel) den draad van mijn verhaal laten glippen. Pihodopis werd dan te Naucratis met opene armen ontvangen, en door Amasis, die haar weldra leerde kennen, met bewijzen zijner koninklijke gunst overladen. Hare dochter KI cis, die evenmin als thans Sappho, ooit de dagelijksche avondbijeenkomsten in haar huis mocht bijwonen, en bijkans nog strenger dan de andere jonkvrouwen van Naucratis werd opgevoed, huwde Glaukus, een rijk koopman uit Phocis van adellijke afkomst, die met groote dapperheid zijne vaderstad tegen do Perzen had helpen verdedigen, en volgde haar gemaal naar het kortelings op de Keltische kust gestichte Massalia 3). Do jeugdige echtelingen

1) Eon bekend spreekwoord der oudheid, ontleend aan de gevaarlijke rots en draaikolk in de zeeëngte tusschen Italië en Sicilië.

2) Ongerijmd voor zooverre men oordeelde naar de uiterlijke vormen. Do wijsheid der Egyptische priesters word echter door de Grieken zeer gewaardeerd. Do Nieuw-Platonische wijsgeeren hebben daaraan veel ontleend.

3) Het tegenwoordige Marseille, omstreeks 600 v.Chr. door Phocaeërs gesticht,

ocr page 21

•12

stierven ten gevolge van het ongunstige klimaat, nadat hun eene dochter Sappho geboren was. Rhodopis ondernam zelve de reis naar het verre westen, om de hulpelooze wees af te halen. Zij nam dit kind in haar huis op, liet. het met. de meeste zorg opvoeden, en ontzegt het thans, nu het den maagdelijken leeftijd heeft bereikt, het verkeer met de mannen. Want zij heeft zulk een diep gevoel van schaamte over de vlekken, die aan hare eigene vroegste jeugd kleven, dat zij hare kleindochter, die hare grootmoeder hierin niet weerstreeft, verder verwijderd houdt van den omgang met ons geslacht, dan de Egyptische zeden wel ver-oorlooven. Voor mijne vriendin is het gezellig verkeer even onontbeerlijk, als het water voor de visschen, als de lucht voor de vogelen. Alle vreemdelingen bezoeken haar, en wie eenmaal hare gastvrijheid ondervonden heeft, zal, wanneer hem de tijd niet ontbreekt, zich niet laten wachten, zoodra de vaan aan de poort tot een avondbezoek noodt. Ieder Helleen, onverschillig van welken rang, bezoekt dit huis; want hier overlegt men, hoe men zich het best tegen den haat der priesters zal kunnen wapenen; en hoe men den koning tot dit of dat zal weten over te halen. Hier verneemt men steeds de laatste berichten uit. het vaderland en uit alle oorden der wereld. Hier vindt de vervolgde eene onschendbare wijkplaats, want de koning heeft zijne vriendineen vrijbrief gegeven tegen alle aanrandingen van de zijde der veiligheidsbeambten 1). Hier hoort men zijne moedertaal spreken en de vaderlandsche liederen zingen. Hier wordt beraadslaagd, op welke wijze Hellas van de steeds toenemende macht derty-rannen 2) zal kunnen worden verlost. In één woord, dit huis is het. brandpunt van alle Helleensche belangen in Egypte, en van hoogere staatkundige beteekenis, dan zelfs het Hellenion alhier, waar de aangelegenheden van onzen godsdienst en onzen handel besproken worden. Binnen weinige minuten zult gij de eerbiedwaardige grootmoeder, en misschien ook, wanneer wij alleen overig blijven, de kleindochter zien, en gij zult spoedig tot de overtuiging komen, dat. deze menschen niet aan eenig geluk, maar alleen aan hunne eigene voortreffelijkheid alles verschuldigd zijn.

ffHa, daar komen zij. Zie, daar richten zij hare schreden naar

1

In Kgyi'to Ijpstoml oen strenge politie. Amasis zou zich ten opzichte viin liin-e organisatie zeer venlienstelijk hebben gemaakt. Men nam in dit corps bij voorkeur vreemilelingen op, gelijk uit talrijke op-scln-iflen en papyrussen blijkt.

2

Kort vóór het tijiiperk, waarin deze geschiedenis aanvangt, hadden Pisistratus van Athene, Polycrates van Samos en Lygdamis van Naxos de heerschappij van den adel doen vallen, en zich meester gemaakt van het bestuur.

ocr page 22

13

het huis. Hoort gij de slavinnen zingen? Nu treden zij binnen. Laat ons wachten tot zij eerst gezeten zijn, en volg mij dan. Bij het afscheid zal ik u vragen, of het u berouwt met mij te zijn gegaan, en of Rhodopis niet veeleer eene koningin, dan wel eene vrijgelatene slavin gelijkt.quot;

Het huis van Rhodopis 1) was in Griekschen stijl gebouwd. De buitenzijde van het slechts éene verdieping hooge lange gebouw was, ten minste naar onze begrippen van bouwkunst, hoogst eenvoudig. Bij de inwendige inrichting had men echter de schoone Grieksche vormen aan de Egyptisclie kleurenpracht weten te paren. Door de breede hoofddeur kwam men in bet voorportaal. Dan zag men, ter linkerzijde eene groote eetzaal, waarvan de vensters het uitzicht hadden op de rivier. Tegenover deze was de keuken, waarvoor slechts in de woningen der rijke Hellenen eene ruimte was afgezonderd, daar de minder vermogenden hunne spijzen aan den haard in het woonvertrek plachten te bereiden. De receptie-zaal bevond zich vlak tegenover de hoofddeur, en vormde een zuiver vierkant, dat door een zuilengang omgeven was, waarop onderscheidene vertrekken uitkwamen. In het midden dezer zaal, die bestemd was voor de mannen, brandde op een sierlijken metalen haard, in den vorm van een altaar, dooreen Aeginaetisch kunstenaar vervaardigd2), het huiselijk vuur. Over dag ontving deze zaal haar licht door een groote opening in het dak, door welke tegelijk de rook van het haardvuur een uitweg vond. Aan het einde van deze zaal, tegenover het voorportaal, bevond zich een gang, die door een zware deur was afgesloten, en naar het groote, slechts aan drie zijden door zuilen omgeven vrouwenvertrek geleide. Hier vertoefden de bewoneressen van het huis, wanneer zij niet aan het spinrokken of voor het weefgetouw zaten in de zijvertrekken, die op de hoogte van de zoogenaamde tuin- of achterdeur gelegen waren. Tusschen deze en de vertrekken, die het vrouwenvertrek ter linker- en rechterzijde begrensden en tot huishoudkamers waren ingericht, lagen de slaapzalen, in welke tegelijk de schatten van het huis bewaard werden. De muren der mannenzaal waren met roodachtig bruine verf beschilderd, waartegen de witte marmeren beelden en groepen, alle geschenken van een kunstenaar op Chios, in scherpe omtrekken zeer goed uitkwamen. De ingelegde vloer was schoon van teekening en kleur. Langs de zullen waren lage met pantervellen overtrokkene matrassen nedergelegd, en in de nabijheid van

1

Vgl. Becker, Charikles, I, PI. 1, Ijl. 16G—205.

2

Over de beroemde plastische kunst der Aegineten kan men oor-deelen naar de groepen uit den gevel van den Atïiene-tempel op Aegina, door Thorwaldsen gerestaureerd en naar de glyptotheek te Munchen overgebracht. Afgietsels vindt men op het museum te Leiden.

ocr page 23

-—p.

14

den kunstig bearbeidden haard stonden bijzonder fraaie Egyptische leunstoelen en fijn besnedene tafeltjes van thyahout ^ op welke allerlei muziekinstrumenten, als eene luit, een cyther en een phorminx 1) lagen. Aan de wanden hingen talrijke met kikiolie 2) gevulde lampen van onderscheidene vormen; deze had de gedaante van een vuurspuwenden dolfijn, gene die van een vreemd gevleugeld monster, welks muil stralen uitschoot, terwijl allen hun licht met den gloed van het haardvuur vereenigden.

In deze zaal stonden thans eenige mannen, zeer van elkander verschillende in gelaatstrekken en in kleeding. Een Phocniciër uit Tyrus, in een lang karmozijnkleurig gewaad, was in eene zeer levendige woordenwisseling met een man, wiens scherpe trekken en zwart krullend haar den Israëliet deden kennen. Hij was uit zijn vaderland naar Egypte gekomen, om voor Serubabel, don koning van Juda, Egyptische paarden en wagens, die toen zeer beroemd waren, te koopen 3). Naast dezen stonden drie Grieken uit Klein-Aziö. Hunne kostbare kleederen, die in breede plooien neerhingen, lieten aanstonds vermoeden, dat Mylete hun vaderland was. Zij voerden een ernstig gesprek met Phryxus, den eenvoudig gekleedden afgezant van de stad Delphi, die Egypte bezocht om gelden in te zamelen voor den Appollo-tempel. Het oude heiligdom der Pythia 4) was, tien jaren geleden, eene prooi der vlammen geworden, en men wenschte het thans schooner uit zijne asch te doen herrijzen. Twee der Myletiërs, leerlingen van Anaximander en Anaximes (i), bevonden zich aan de boorden van den Niji, om te Heliopolis de sterrenkunde en de wijsbegeerte der Egyptenaren te beoefenen. De derde was een rijk koopman en scheepsreeder, Theopompus geheeten, die zich te Naucratis metterwoon had gevestigd.

llhodopis zelve onderhield zich zeer belangstellend met twee Grieken van Samos, den alom beroemden bouwmeester, metaalgieter, beeldhouwer en goudsmid Tiieodorus en den jamben-

1

Eene soort van cither.

2

Olie geperst uit do vruchten van den wonderboom (ricinus communis). Ue Fgyptenaars noemden de olie, die zij gebruikten om te b •andeu, en zicli te zalven, en misschien ook den boom „kiki.quot;

3

Reeds Salomo liet wagens en paarden in Egypte koopen. (1 Kon. X, '28 v.); een paard kostte ongeveer 135, een wagen 540 gulden. Paarden en wagens komen op Egyptische monumenten veelvuldig voor.

4

Naam der priesteres te Delphi, die het orakel uitsprak.

ocr page 24

dichter Ibycu.s van Rhegium '), die voor eenige weken het hof van Polycrates verlaten hadden, ten einde Egypte te leeren kennen, en den koning geschenken van wege hun heer aan te bieden. Nabij den haard lag een gezet man, Philoinus van Sybaris 1), met sterk sprekende zinnelijke gelaatstrekken, zoo lang als hij was uitgestrekt op een met bont overtrokken voor twee personen bestemden stoel. Hij streek gedurig met zeker welbehagen door zijne welriekende met gouddraad doorvlochten lokken, of speeldo met de gouden kettingen, die van zijn hals nederhingen op het saflraankleurig kleed, dat hem tot aan de voeten reikte.

Rhodopis had voor iederen gast een vriendelijk woord; doch op dit oogenblik richtte zij zich meer uitsluitend tot de beroemde Samiërs. Zij onderhield zich met hen over kunst en poëzie. De oogen der Thracische vrouw gloeiden nog van jeugdig vuur. Hare hooge gestalte was gevuld en nog niet door den ouderdom gebogen. Hoewel hare lokken vergrijsd waren, golfden zij nog altijd weelderig om het schoongevormde hoofd, en schenen zich slechts met weerzin van achteren door een net van gouddraad te laten bedwingen. Op het hooge voorhoofd prijkte een fonkelende diadeem. Dat edel Grieksch gelaat was bleek, maar schoon en, ofschoon zij reeds zeer bejaard was, door rimpel noch prooi ontsierd. Die kleine mond, die volle lippen, die witte tanden, die schitterende en toch zachte oogen, dat edele voorhoofd en die fijnbesneden neus hadden nog het sieraad eener maagd kunnen zijn. Men moest Rhodopis voor jonger houden, dan zij werkelijk was, en toch handelde of sprak zij nooit in strijd met hare hooge jaren. Uit elke barer bewegingen sprak de waardigheid eener matrone, en hare minzaamheid was niet die der jeugd, die zoekt te behagen, maar die des ouderdoms, die zich aangenaam wil maken, die achting heeft voor anderen en tegelijk achting vordert.

Thans verschenen ook de ons bekende mannen in do zaal. Aller oogen vestigden zich op hen, en als Phanes nader trad zijn vriend bij de hand leidende, werd hij op de hartelijkste wijze wolkom geheeten.

»Ik dacht al,quot; riep een dei' Mylesiërs, yer ontbreekt ons iets, hoewel ik niet wist wat! Nu is het mij volkomen duidelijk: zonder Phanes geene vroolijkheid !quot;'

Philoinus de Sybariet verhief daarop zijne diepe zware stem, en riep, zonder zijne gemakkelijke houding ook maar in het

1

Stad in Boneden-Italië, berucht wegens hare weelderige levenswijze. Eon zwelger, ecu lekkerbek werd daarom een Sybariet genoemd.

ocr page 25

10

minst te veranderen: »De vroolijkheid is een kostelijk ding, en zoo gij haar medebrengt zijt gij ook mij welkom, Athener!quot;

«Wat mij aangaat,quot; sprak llhodopis, terwijl zij hare nieuwe gasten tegemoet ging, sweest hartelijk gegroet, wanneer gij vroolijk zijt, maar niet minder welkom, als gij onder kommer of smart gebukt gaat: ik ken toch geen grooter genot, dan de rimpels op het voorhoofd van een vriend glad te strijken. Ook u, Spartaan, heel ik vriend, want zoo noem ik een ieder, die mijnen vrienden dierbaar is.quot;

Aristomachus boog zich zwijgend; de Athener evenwel riep, zich half tot llhodopis en half tot den Sybariet wendende: »Welnu dan, gij, llhodopis, zult gelegenheid hebben, mij, uw vriend te troosten, want maar al te spoedig zal ik u en uwe vriendelijke woning moeten verlaten. Doch gij, Sybariet, zult uw hart kunnen ophalen aan mijne vroolijkheid, want eindelijk zal ik mijn Hellas wederzien, en dit land, dat veel heeft van een vergulden muizenval, zij 't dan ook met weerzin, verlaten !quot;

»Gij gaat heen ? Hebt ge dan uw ontslag gekregen ? Waarheen denkt gij u te begeven T' klonk het van alle zijden.

»Geduld ! geduld! vrienden,quot; riep Phanes; »illt; moet n eene lange geschiedenis vertellen, die ik evenwel wil bewaren tot we aan tafel zijn. Maar, van den maaltijd gesproken, hoste vriendin, mijn honger is op dit oogenblik bijna even groot, als mijn leedwezen dat ik u verlaten moet.quot;

«Honger is een voortreffelijk ding,quot; philosopheerde de Sybariet, »als men een goeden maaltijd in liet vooruitzicht heeft.quot;

))Stel u gerust, Philoiuus,quot; hernam Rhodopis, »ik heb den kok bevolen zijn uiterste best te doen, en hem gewaarschuwd, dat de lijnste lekkerbek uit de weelderigste stad der gcheele wereld, dat een Sybariet, dat Pbiloinus een streng gericht zal houden over de werken zijner handen. — Ga, Knakias, en zeg dat men aanrichte! — Zijt ge thans tevreden, gij ongeduldige heeren'? Ondeugende Phanes, mij hubt gij intusschen met uwe tijding alle eetlust benomen !quot;

JDe Athener maakte eene buiging. Intusschen zette de Sybariet zijne wijsgeerige overpeinzingen voort: «Tevredenheid is een kostelijk ding, als men de middelen heeft om al zijne wenschen te bevredigen. U, llhodopis, dank ik, dat gij aan mijne onvergetelijke vaderstad recht hebt laten wedervaren. Gij weet wat Anakreon zegt ?

'k Leef bij 't heden, niemand weet toch Wat de dag van morgen brengt.

Proef, geniet dan 's levens vreugde,

Wijl liet noodlot zulks gehengt.

Werp den teerling, oiler Bacchus,

ocr page 26

•J 7

Drink en smaak zijn koslbren wij li:

Immers, als een ziekte u nadert,

Moogt yij niet meer vroolijk zijn.

Zeg! Ibycus, hob ik uw vriend, die mei u aan de tafel van Polycrates smult, niet zeer juist te berde gebracht'? Maar ik zeg u, dat, al maakt Anakreon betere verzen dan ik, uw onderda-dige dienaar desniettemin zoo goed als de beste bedreven is ;u de kunst om er heerlijk van te leven. In geen zijner liederen zingt hij den lot' van het eten; en is toch het eten niet van meer belang, dan het spel en de liefde'? Ofschoon deze beide uitspanningen, ik bedoel spel en liefde, ook mij zeer na aan 't hart liggen. Als ik niet te eten had, ging ik zeker dood, maar zonder spel en liefde kan ik het leven rekken, zij het dan ook een leven zonder kleur of geur.quot;

De Sybariet barstte in een schaterend gelach uit over zijne eigene geestigheid, en terwijl de verzamelde gasten in dezer voege voort keuvelden, wendde zich de Spartaan tot den Delphiër 1'hryxus, troonde hem naar een hoek van de zaal, en vroeg hem, zijne gewone bedaardheid geheel verloochenende, in groote opgewondenheid, of hij hem reeds het antwoord van het orakel had medegebracht'? De ernstige tronie van den Delphiër nam eene meer vriendelijke uitdrukking aan. Hij tastte in de horst-plooien van zijn chiton1), en bracht een klein rolletje van perkamentachtig schaapsleder te voorschijn, waarop eenige regels, geschreven stonden.

De handen van den reusachtig sterken, dapperen Spartaan sidderden, toen hij ze naar het rolletje uitstak. Hij tuurde op de letters, als wilde hij met zijne blikken hel leder doorhoren. Doch hij bezon zich, en zeide mistroostig het grijze hoofd schuddende : » VVij, Spartanen, leeren andere kunsten dan lezen en schrijven; zoo gij 't kunt, lees mij dan voor wat de Pythia zegt.quot;

De Delphiër doorliep hel geschrevene, en antwoordde: »Verheug u! Loxias -) belooft u een gelukkigen terugkeer iu uw vaderland. Hoor wat de priesteres u verkondigt:

Ats van 'l besneeuwd ïjebcrgt oen ruitersehaur komt daten In ' ellen land, (tooi' vruchtbaar nat gedrenkt,

Dan vuert (te ranke lioot u, inoè van 'l ommedwaten.

Waar quot;t vreedzaam oord den zwervting i uste sctienkt.

Kn van de vijl' moogt gij in 't eind verwerven

Wat gij zoo lang, met rouw in :l bart, moest derven.

Met gespannen aandacht luisterde de Spartaan naar deze

1) tiet onderkleed, een soort van hemd.

3) Een bijnaam, dien men Ajiotlo gal', om zijne dubbelzinnige duistere orakelspreuken.

ocr page 27

woorden; No^ eenmaal liet bij zich de uilspruiik van hel orakel voorlezen ; daarop herhaalde hij ze uit het hoofd, dankte Phryxus, en stak het rolletje hij zich.

De Delphiër mengde zich vervolgens in het algemeen gesprek. De Spartaan prevelde echter voortdurend hij zich zeiven de geheimzinnige regels der orakelspreuk, om ze toch niet weer te vergeten en deed al zijn best om deze raadselachtige laai te verklaren.

ocr page 28

T WE EDE II OOEDSTUK.

De vleugeldeuren der eetzaal werden geopend. Aan weèrszijden van den ingang stond een schoone blonde knaap, met myrten-kransen in de hand. In hel midden van de zaal zag men eene groote, lage, glad gepolijste tafel, omgeven door purperroode matrassen, die de gasten noodigden om zich neder te vlijen ') Op den disch prijkten heerlijke bouquetten. Groote stukken gebraad, glazen en schalen vol dadels, vijgen, granaatappelen, meloenen en druiven waren naast kleine zilveren bijenkorven met honig gerangschikt. Op gedreven koperen borden lag fijne zachte kaas van het eiland Trinakria 1). In het midden der tafel verhief zich een zilveren plateau in den vorm van een altaar, dal geheel met myrten- en rozenkransen omwonden was, en waarop reukwerk brandde, dat de geheele zaal met de liefelijkste geuren vervulde. Aan het uiterste einde van den disch zag men het zilveren mengvat2), dat blonk als een spiegel, een kostelijk Aeginetisch kunstwerk, welks omgebogen handvatten twee giganten voorstelden, die onder het gewicht der schaal, die zij torschten, schenen te bezwijken. Dit vat was, evenals het altaar in het midden, met bloemen omwonden. Evenzoo had men om lederen beker een rozen- ofmyrtenkrans gevlochten 3). Over de geheele oppervlakte der zaal waren rozenbladeren gestrooid, terwijl langs de gladde, wit gepleisterde muren een tal van lampen hingen.

Nauw hadden zich de gasten op de matrassen nedergelegd, of de blonde knapen traden binnen, bekransten de hoofden en omwonden de schouders der aanliggenden met myrten- en klimop-

1

SieiliL'. Deze kaas werd voor een bijzondere lekkernij gehouden.

2

De Grieken dronken altijd wijn met water, gewoonlijk in de verhouding van quot;/g tot 3/3. Het drinken van onvermengden wijn, behalve als geneesmiddel, was door Solon en Zaleucus streng verboden.

3

De Egyptenaars wisten evenals de Grieken keurige bekers en drinkschalen te vervaardigen, hetzij van metaal, hetzij van fijne kleiaarde met glazuur, zelden van glas. Zij komen in verschillende vormen voor, bijv. van bloemen, van zoogdier- of vogelkoppen. In de musea van T.onden l'arijs, I3erliju, Turijn, alsmede te Leideu worden er vele bewaard.

ocr page 29

20

kransen, en wieschen hunne voeten in ziveren bekkens. Reeds had de voorsnijder de eerste stukken gebraad van de tafel genomen, om ze volgens den eisch te ontleden, en nog altijd was de Sybariet onder de handen van een der knapen, door wien hij zich, schoon zijne kleederen en lokken reeds doortrokken waren met de geuren van alle denkbare Arabische reukwerken, letterlijk geheel in rozen deed wikkelen. Toen evenwel het eerste gerecht, tonijnen met mostaardsaus, was rondgediend, vergat hij idle bijzaken en bepaalde zich uitsluitend bij het genot der voortreffelijk bereidde spijzen.

llhodopis zat op een armstoel aan het hooger einde der tafel, naast het mengvat en hield niet slechts het toezicht over de dienende slaven, maar gaf ook den toon aan bij de verschillende gesprekken1). Met zekeren trots overzag zij hare opgeruimde gasten, en hei was of zij zich met ieder in het bijzonder bezig hield. Nu eens vroeg zij den Delphiër naar den uitslag zijner inzameling ten behoeve van den Apollo-tempel; dan eens verlangde zij van den Sybariet te weten, hoe hem de gewrochten van haren kok bevielen, of wel zij luisterde naar Ibycus, die verhaalde, hoe Phrynichus van Athene de godsdienstige schouwspelen van Thespis van Icaria iu het burgerlijk leven had ingevoerd, en met koren en sprekende personen geheele geschiedenissen uit den voorlijd liet voorstellen 2).

Ook richtte zij het woord tot den Spartaan, zeggende, dat hij de eenige was, bij wien zij zich niet behoefde te verontschuldigen over den eenvoud, maar wel over de weelde van dezen maaltijd. Wanneer hij zijn bezoek eens hervatte, zou haar slaaf Knakias, een uitgeweken Spartaansch heloot 3), die zich beroemde eene voortreffelijke bloedsoep — bij dit woord rilde de Sybariet over zijn gansche lichaam — te kunnen koken, een echt Lacedaemonischen maaltijd bereiden.

Toen de gasten verzadigd waren, wieschen zij zich opnieuw de handen. Het tafelgereedschap werd nu weggeruimd, de vloer gereinigd, en eindelijk het mengvat met wijn en water gevuld ?')?

1

Do vrouwen zaten aan tafel, meestal op een stoel met eene liooge steile i'ug en armleuningen. In tien rejjei koos men door het lol iemand die liet gastmaal leidde (symposiarch). Hier was Rhodopis zelvo de aangewezen persoon. Een slaal des huizes had het toezicht o\er de andeie bedienden, voor een deel dooi' de gasten medegebracht.

2

Het drama was nop in zijne kindsheid. Thespis zou het eerst aan de reizangers bij de Bacchus-feesten den vorm van een drama hebben gegeven, door een gemaskerd persoon daarbij ten tooneele te voeren.

3

Naam der Spartaansche slaven.

ocr page 30

21

Toen Rhodopis zich overtuigd had, dat alles in de befte orde was, richtte zij zich tot Phanes, die in een woordenstrijd met de Milesiërs gewikkeld was, en sprak:

»Edele vriend! wij hebben ons ongeduld reeds zoolangonder-drukt, dat thans voorzeker de verplichting op u rust ons mede te deelen, welk noodlottig voorval u uit Egypte en uit onze kring dreigt te verbannen. Gij kunt u met een luchtig gemoed, dat de goden u allen, Joniërs, bij de geboorte als een kostelijk geschenk plegen mede te geven, van ons en van dit land losmaken, wij zullen niettemin lang met droefheid u gedenken, wantik ken geen grooter verlies dan dat van een vriend, wiens trouw ons sinds jaren is gebleken. Sommigen onzer hebben ook te lang aan den Nijl vertoefd om niet een weinig van het onveranderlijk en standvastig karakter der Egyptenaren te hebben overgenomen. Nii ja, gij lacht: toch weet ik dat het u, ofschoon gij reeds lang naar Hellas smacht, ook wel iets kosten zal van ons te schéiden. Niet waar, gij geeft mij dit toe. Nu, ik wist wel dat ik mij niet bedroog, maar laat ons thans vernemen, waarom gij Egypte moet of wilt verlaten, opdat wij mogen overleggen, of er mogelijkheid bestaat uwe verbanning van bet hof te doen herroepen, en u alzoo in ons midden te houden.''

Eene pijnlijke glimlach plooide Phanes' lippen. ))Ik dank u, Pihodopis,quot;' antwoordde hij, svoor uwe vleiende woorden. Het doet mij goed te hooren, dat mijn vertrek u bedroeven zal, en gij gaarne al het mogelijke zoudt doen, om het te verhinderen. Maar honderd nieuwe aangezichten zullen u weldra het mijne doen vergeten; want, al woont gij ook lang aan de boorden van den Nijl, zoo zijt gij toch, en daarvoor inoogt gij de goden danken, van top tot teen eene Helleensche gebleven. Ook ik heb de trouw lief, even vurig, als ik de^dwaasheid der Egyptenaars haat; en ïs er onder u allen wel één, die het verstandig kan achten zich te kwellen over het noodlot? De Egyptische trouw is,mijns erachtens, geene deugd, maar een ijdele waan. Menschen, die hunne dooden van duizenden jaren her tot heden toe bewaren, die zich eerder het laatste brood, dan een stukje van het gebeente hunner voorvaderen zouden laten ontnemen '), zijn niet trouw maar dwaas. Kan ik er behagen in schoppen, hen, die ik liefheb, treurig te zien? Voorzeker niet! Gij moet niet maanden lang. onder dagelijks herbaalde weeklachten, mijner gedenken, gelijk de Egyptenaren doen, als een vriend van hengescheiden is. Neen! Wilt gij in waarheid den verwijderden of voor altijd van u gescheiden vriend, — want, zoo lang ik leet mag ik den

2) Een Egyptenaar, die in schulden zat, kon de mummiën zijner voorvaderen verpanden. Vgl. Ebers, Warda 1)1. T. Iloofdst. II.

ocr page 31

22

bodem van Egypte nimmer moor betroden, — Lij wijle gedach-tig zijn, zoo doe liet met een glimlach om de lippen, en roep niet uil ; «Ach, waarom moest Phanes ons verlatenquot;?'' maar zeg: » Wij willen vroolijk zijn gelijk Phanes was, toen liij nog in onze kring verkeerde.quot; Zoo behoort gij u tc gedragen. Dal ieer-det gij reeds van Simonides, als hij zong:

Dwaasheid is het, tal van dagen Too to wijden aan quot;t verdriet.

Geven wo aan de sarkophagen

Eén dag rouw, en langer niet.

Och do dooil komt snel en vroeg;

Zonder dat wij quot;t ons vergallen.

Blijft het leven voor ons allen Bitter arm en kort genoeg.

Kn als men niet over zijne dooden mag treuren, dan voorzeker hebben wij nog veel minder het recht, ons aandoenlijk te maken over het gemis van verwijderde vrienden. Want genen zijn voor immer van ons heengegaan, dezen roepen wij echter bij den laatsten handdruk toe: slot weerziens!quot;

Thans kon de Sybariet, die al lang op gloeiende kolen had gezeten, niet meer zwijgen, en met klagende stem riep hij: sMaar begin dan toch eindelijk met uw verhaal, afgunstig schepsel! Ik kan geen droppel drinken, zoo gij niet ophoudt van den dood te spreken. Het bloed stolt mij in de aderen, en ik gevoel mij geheel onwel, als ik over. . . . nu ja, als ik daarvan hoor gewagen, dat wij niet eeuwig leven! '

Het gebeele gezelschap lachte, doch Phanes begon nu werkelijk te vertellen, wat er met hem gebeurd was.

«Gelijk gij weet, woon ik te Saïs in het nieuwe slot; te Memphis, evenwel werd mij, in mijne hoedanigheid van overste der Grieksche lijfwacht, die den koning vergezellen moet, waar hij ook heentrekt, een gedeelte van den linkervleugel van het. aloude paleis ten verblijve aangewezen '). Sedert de regeering van Psam-

1) Memphis, waarvan de overblijfselen bij het dorp Mitrahennoh zijn weergevonden, zon door Menos, volgens oude getuigenissen do eerste koning van Egypte, aan don linkeroever van den Nijl gesticht, on door kanalen en dammon tegen de overstrooming beveiligd zijn. Monos' zoon on opvolger zou het paleis van Memphis hebben gebouwd. Hier stoi d oons de tempel van den god Serapis (Serapeum), waarin de heilige stieren (Apis) worden begraven, en een tempel van Ptah, en in later lijd het kolossale standbeeld van Ramses If. Do doodonstad (do pyramiden) is bet best bewaard gebleven. Mariëtto, een Fransch geloerde in dienst van don onderkoning van Egypte, heelt zich door talrijke uitgravingen en ontdekkingen voor do kennis van dezen ouden zetel dor pbaraonen hoogst vo rd i en stel ij k gemaakt.

ocr page 32

23

lik I ') houden zicli de koningen te Saïs op, zoodal liet inwendige van de andere paleizen wel eeaigszins verwaarloosd is geworden. Mijne woning was zonder twijfel uitmuntend gelegen, zeer goed ingericht, en zou niets te wensclien hebben overgelaten, als ik niet, dadelijk nadat ik hier mijn intrek had genomen, eene vreeselijke plaag had ontdekt. Over dag, wanneer ik buitendien zelden te huis was, vond ik niets op mijne woning af te dingen, maar des nachts was er aan slapen niet te denken, daar duizenden ratten en muizen onder de vermolmde vloeren, rustbedden en oude tapijten aan de wanden allervreeselijkst te keer gingen. Ik wist geen raad tegen deze schrikkelijke bezoeking, lot eindelijk een Egyptisch soldaat mij twee mooiegroote katten verkocht, die mij binnen eenige weken van het gezelschap mijner kwelgeesten verlosten.

sliet zal u allen wel bekend zijn, dat eene der beminnelijkste wetten van dit wonderlijke volk, welks beschaving en wijsheid gij, mijne Milesische vrienden, niet genoeg prijzen kunt, de katten heilig verklaart. Men bewijst aan deze viervoetige gelukskinderen, gelijk aan zoo menig ander dier, goddelijke eer, en het dooden van zoo'n exemplaar wordt even streng gestraft als het vermoorden van een mensch,quot;

Uhodopis, die tot dusverre met een opgeruimd gelaat geluisterd had, scheen ernstiger te worden, toen zij vernam, hoe de verbanning van Plumes met zijne minachting van de heilige dieren in verband stond. Zij wist maar al U; goed hoevele oilers, ja hoevele menschenlevens dit bijgeloof der Egyptenaren reeds gekost had. Het was nog niet lang geleden, dat koning Araasis een ongelukkigen Samiër, die eene kat gedood had, niet tegen de wraak van het verwoede voikhad kunnen beveiligen -).

»Toen wij, twee jaren geleden Memphis verlieten,quot; vervolgde de overste, »was alles nog goed. Ik had het kattenpaar aan de verzorging van een Egyptischen bediende toevertrouwd, wel begrijpende, dat deze gezworene muizenvijanden mijne woning, ook voor het gevolg, wel zuiver zouden houden. Ik begon zelfs voor

1) De Psnmnticlms der Grieken, de oetfsto koning uit ilc 2Cstc o' Saïtische dynastie, die Egypte opende voor tiet verkeer met liet buitenland. Uit de opschriften op da Apis-graven weten wij, dat hij den aden Febr. C04 den troon besteeg.

2) T)e kat went van atle dieren door de Kgyptenaren voor liet heiligste gebonden en overat vereerd. Wie zulk een dier van kant 'lad gemaakt, werd zonder genade ter dood veroordeeld, ot' wel door het woedend gepeupel op staanden voet omgebracht. De lijken dezer dieren worden zorgvuldig gebalsemd, en kattenmuimniên vindt men in atte musea, o.a. te Leiden. Toch was er aan muizen geen gebrek. De papy-rus-Ebers behelst middelen tegen do muizen. Een papyrus te Turin vertoont een katten- en muizenoorlog.

ocr page 33

24

deze vriendelijke schepseltjes, die zoo goed waren geweest mij van dat muizengebroed te bevrijden, eene zekere achting te koesteren. Het vorige jaar werd Amasis ziek, vóór dat het hof zich naar Memphis kon begeven, en wij bleven dus te Saïs. Eindelijk omtrent zes weken geleden, begaven wij ons op weg naar de pyramidenstad. Ik betrok mijn vorig kwartier weder en zag er zelfs geen schaduw meer van een muizenstaart. In plaats van rallen, wemelde het er echter van eene andere diersoort, waarop ik evenmin gesteld was als op de verdrevene. Het kattenpaar was namelijk, gedurende de twee jaren van mijn afzijn, tot vier en twintig aangegroeid. Ik poogde hot lastige katergebroed, van alle leeflijden en kleuren, te verdrijven; maar het gelukte mij niet, en alle nachten werd mijn slaap door de afgrijselijke kooi-gezangen dezer viervoeters, door het krijgsgeschreeuw en de minnezangen van katers en katten verstoord.

»Jaarlijks, ten tijde van het Bubastisfeest1), heeft men verlof alle overtollige muizenvangers in den tempel van Pacht, de godin met den kattenkop, af te leveren, alwaar zij verpleegd,en, gelijk ik voor zeker houd, gedood worden in geval zij zich al te sterk vermenigvuldigen. De priesters van dezen tempel zijn rechte schelmen!

^Ongelukkig bad de groote optocht naar genoemd heiligdom niet plaats gedurende ons verblijf bij de pyramiden. Ik kon het evenwel niet langer uithouden met dit heirleger van kwelgeesten, die het er allen op schenen toe te leggen mijn leven te verbitteren. Toen twee der moeders mij op nieuw een dozijn gezonde en wel geschapene kindertjes hadden vereerd, besloot ik deze althans uit den weg te ruimen. Mijn oude slaaf Mus 2), reeds naar zijn naam te oordeelen een geboren vijand van het kattengeslacht, ontving den last de jongen van kant te maken, ze in een zak te stoppen en vervolgens in den Nijl te werpen. Wij konden er niet buiten de diertjes eerst om hals te brengen, anders toch zou het miauwen den wachters van het paleis den inhoud van den zak verraden hebben. Toen bet donker begon te worden, begaf zich de arme Mus met zijn gevaarlijken last door het Hat horbosch 3)

1

Bu bast is was eenn stad in Neder-Egypte, nabij Saqaziq, tlians Teil Bastah gebeelen. Do godin Pacht had hier haar voornaamste heiligdom. Vele katten-mummiën werden daarheen gebracht. Men schijnt Pacht ook vereerd te hebben als de beschermgodin van de geboorte en de kraamvrouwen.

2

Mus, een eigennaam bij de Grieken zeer in gebruik, beteekent: muis.

3

Hathor was bij de Egyptenaars de godin der liefde. Zij was eene der voornaamste godheden, en had baar groeten tempel in de dooden-stad van Thebe (Ebers, Warda Dl I, lloofdst. XIV.) Zij is de hemelsche moeder, die de moeders op aarde ter zijde staat, de geefster aller zegeningen. Men beeldde haar af met een koekop, want de koe was haar

ocr page 34

25

naar den Nijl. Maar de Egyptische bedienden, die mijne dieren gewoonlijk voederde en ieder katje bij name kende, had dadelijk ons geheele plan doorzien.

»Mijn slaaf ging met de groolste bedaardheid, als had hij niets buitengewoons te verrichten, door de groote sphinxenlaan. den tempel van Plah 1) voorbij, terwijl hij het zakje onderzijn mantel had verborgen. In liet. heilige bosch bemerkte hij reeds, dat men hem volgde. Hij lette er echter niet verder op, en zette zijn weg voort, volkomen gerust dat alles goed ging, tot hij /.ag dat de lieden, die hem op de hielen zaten, hij den tempel van Ptab bleven staan, en zich met. de priesters onderhielden. Eindelijk had hij den oever bereikt. Nu hoorde hij zich bij zijn naam roepen. Eenige lieden kwamen hem haastig achterop. Tegelijk snorde oen slingersteen vlak langs zijn hoofd.

)gt;Mus begreep volkomen welk gevaar hem dreigde. Al zijne krachten inspannende snelde hij nu op den Nijl toe, slingerde den zak een eind ver in den vloed en bleef nu met een kloppend hart op den oever staan, hoewel hij zich overtuigd hield dat niemand zijne schuld bewijzen kon. Weinige oogenblikken later was hij door' een honderdtal tempeldienaren omringd. De opperpriester van Ptab, Ptahotep, mijne oude vijand, had het niet beneden zich geacht, in persoon (leze jacht op mijn dienaar bij te wonen.

sEenige lieden, en onder hen ook die verraderlijke dienaar van bet paleis, waren aanstonds te water gegaan en vonden tot ons ongeluk den zak met. de twaalf lijken, onbeschadigd hangende te midden van het papyrusriet. en de boonenranken aan den oever. In tegenwoordigheid van den opperpriester, eene schaar van tempeldienaren en minstens duizend toegestroomde inwoners van Memphis, werd de vreeselijke katoenen sarkophaag geopend. Nauw werd men zijn noodlottigen inhoud gewaar, o!' er ging zulk een geweldig gehuil, zulk een ontzettende wraak-kreet op, dat ik bet tot in het paleis hooren kon. De verhol-gene menigte stortte zich, in wilde razernij, op mijn armen knecht, wierp hem ter aarde, trapte hem onder de voeten, en zou hem aan stukken hebben gescheurd, als de machtge opperpriester niet ,halt' geboden had — met. het plan mij, in wien hij

1

Een der beroemdste gebouwen van oud-E.aypte, dat reeds dastoe-kende van den vroegsten tijd. en door latere koningen telkens werd uil-gebreid en verfraaid. Ramses II richtte er standbeelden op voor zich, zijne gemalin en twee zijner kinderen. Beelden, die Amasis er deed plaatsen, lagen in den tijd van Herodotus reeds omver.

ocr page 35

20

den eigenlijken bewerker der gepleegde misdaad onderhielde,

mede in het verderf' te slepen — en bevolen den gruwelijk mishandelden booswicht in de gevangenis te werpen.

»Een half nur later werd ook ik achter slot gezet.

»Mijne oude Mus nam alle schuld der misdaad op zich, lot de opperpriester hem door eene bastonade de bekentenis afdwong, dat ik hem gebodon had de katten om hals te brengen, , en hij, als oen getrouw dienaar, mijn bevel had moeten opvolgen.

»Het oppergerechtshof'), tegen welks uitspraken zelfs de koning niets vermag, is uit priesters van Memphis, Heliopolis en Tliebe samengesteld. Gij kunt u dus wel voorstellen, dat men zoowel dien armen Mus ais mijn persoontje, oen verachten Helleen, zonder omwegen ter dood veroordeelde; den slaaf wegens twee halsmisdaden: ten eersten ?wegens den moord aan heilige dieren gepleegd, ten andere wegens de twaalfvoudige verontreiniging van den heiligen stroom door liet inwerpen van lijken;

mij, omdat, ik do oorzaak en de bewerker was dezer vier en twintigvoudige halsmisdaad 2), gelijk zij het geliefden te noemen.

Aan Mus werd nog dienzelfden dag bat vonnis voltrokken.

Drukke de aarde hem zaclit. In mijne herinnering zal hij niet als mijn slaaf, maar als mijn vriend en weldoener blijven voortleven. In tegenwoordigheid van zijn lijk werd ook mij het vonnis des doods voorgelezen, en reeds bereidde ik mij tot delan-ge reis naar de benedenwereld, als de koning bevelen liet de voltrekking mijner straf uit te stellen. Ik werd in de gevangenis teruggebraclil. Een Arkadisch taxiarch 3), die zich onder mijne bewakers bevond, deelde mij mede, dat al de bevelhebbers der Grieksche lijfwacht en eene menigte krijgslieden, te zamen meer dan vierduizend man, gedreigd hadden hun ontslag te zullen nemen, wanneer men mij, hun overste, geen genade zou willen schenken. Zoodra liet duister was geworden,

werd ik voor den koning gevoerd, die mij zeer vriendelijk ontving. Hij zelf bevestigde de mededeeling van den taxiarch en *• verklaarde, dat hel hem leed deed een overste tv^ moeten verliezen, waaraan hij zoo gehecht was. Wat mij aangaat, ik be-

•1) Het lu\stfuiil uit dcrtiir rechters, namolijU Urn uit Memphis, en even zooveel uit Heliopolis en Thotie. De voortrelïelijkste word tot voorzitter gekozen. Klueliton en verdedigingen moésten scliriftelijk worden ingebracht, opdat men door woord en gebaren geen invloed op de rechters zou oefenen.

2) Volgens do Egyptische wet was hij, die van een misdrijf kennis had gedragen, even schuldig als de dader,

3) Aanvoerder eener taxis of hoofdman eoner compagnie.

ocr page 36

lijd gaarne, dat ik jegens Amasis geen wrok voelde, dat ik zelfs medelijden had met den in schijn zoo machtigen koning. O, gij hadt er getuigen van moeten zijn, hoe hij zich beklaagde,nooit en nergens te kunnen handelen gelijk hij wilde, en zelfs in zijne persoonlijke aangelegenheden overal door de priesters en hun invloed tegengewerkt en heheerscht te worden. Hing het alleen van hem af, hij zou mij, den vreemdeling, het overtreden eener wet, die ik niet verstond en daarom, schoon ook ten onrechte, voor onzinnig bijgeloof moest houden, gaarne vergeven. Docli uit vrees voor de priesters durfde hij mij niet ongestraft laten. Verbanning uit Egypte was do zachtste boete die hij mij kon opleggen. Gij kunt niet hegrijpen — met deze woorden eindigde iiij zijn klacht, — in hoeveel zaken ik de priesters te wille lieb moeten zijn, om genade voor u te erlangen. Want bet opperste gerechtshof is zelfs van mij, den koning, onafhankelijk.

»Ik kreeg derhalve mijn ontslag, nadat ik met een duren eed gezworen had, nog dienzelfden dag Memphis en binnen drie weken Egypte te zullen verlaten.

»Aan de poort van het paleis ontmoette ik Psamtik, den kroonprins, die mij sinds lang geen goed hart toedraagt, ter zake van eene ergerlijke geschiedenis, die ik echter niet, mag openbaren. Gij, llhodopis, kent hem. Illt; zeide hem vaarwel, hij echter keerde mij den rug toe, terwijl hij mij toesnauwde: sook ditmaal Atbener, zijt gij den dans ontsprongen, maar aan mijne wraak zijt gij daarom nog niet ontkomen. Waarheen gij u ook moogt begeven, ik zal u weten te vinden.quot; Ik mag alzoo hopen u weder te zien ! gaf ik hem tot, bescheid. Spoedig was mijn boeltje in eene bark geladen, waarna ik mij naar Naucratis begaf, alwaar ik het geluk had mijn ouden vriend, Aristomaclius van Sparta, te ontmoeten, die, als gewezen bevelhebber over de troepen van Cyprus1) hoogstwaarschijnlijk tot mijn opvolger zal worden benoemd. Het zou mij verheugen mijne plaats door zulk een voortreffelijk man te zien vervullen, indien ik niet reden had om te vreezen, dat zijne uitstekende verdiensten do door mij bewezene diensten nog geringer zullen doen schijnen, dan zij in waarheid geweest zijd.quot;

»A1 lofs genoeg, vriend Phanes!quot; viel Aristomaclius den Athener in de rede. ))Spartaansche tongen zijn zoo buigzaam niet. Met daden zal ik u echter, zoodra gij mijne hulp behoeft, een antwoord geven, dat den spijker juist op den kop slaat.quot;

llhodopis zag beide mannen aan met. een welgevallig lachje. Daarop reikte zij ieder van hen de hand, zeggende: »Uw ver-

1

Amasis had met goetl gevolg fen oorlog tegen Cyprus gevoerd.

ocr page 37

28

haal, arme Phanes, heeft mij helaas tot de overtuiging gebracht, dat gij onmogelijk langer in dit land kunt blijven. Ik wil u om uw lichtzinnigheid niet berispen, maar gij hadt toch vooruit kunnen berekenen, dat gij u om eene weinig beteekende zaak aan groote gevaren blootsteldet. Een wijs en waarlijk kloekmoedig man onderneemt slechts dan een waagstuk, wanneer het, voordeel minstens gelijk staat met het nadeel, dal het hem kan opleveren. Fioekeloosheid is even dwaas als laf heid, hoewel niet even verachtelijk; want beiden mogen schaden, alleen de laatste schandvlekt. Uwe onnadenkendheid beeft u ditmaal bijna het leven gekost, een leven, dat velen dierbaar is, en te booge waarde beeft, dan dat gij bet dooi- een dwazen streek zoudt verspelen. Wij kunnen geene enkele poging wagen om u voor onzen vriendenkring te behouden, want het zou u toch niet baten en ons zeiven slechts schaden. In uwe plaats zal voortaan deze edele Spartaan, als overste dor Grieksche lijfwacht, onze natie bij het hof vertegenwoordigen, en zich steeds ten doel stellen, haar tegen alle listen der priesters te beschermen, en haar bij voortduring in de gunst des konings aanbevelen. Ik heb uwe band gevat, Aristomachus, en laat haar niet los, zoolang gij mij niet belooft, voor zooveel in uw vermogen is, ook den geringsten onder de Grieken tegen den overmoed der Egyptenaren te beschermen, gelijk Phanes vóór u gedaan beeft, en eer uw post te zullen prijsgeven dan bet minste onrecht een Helleen aangedaan, onge-straft te laten. Wij zijn weinige duizenden onder even zoovele millioenen vijandig gezinde menschen ; maar wij zijn sterk door onzen moed. en moeien trachten door eendracht machtig te blijven. Tot op den huidigen dag hebben zich de Hellenen in Egypte als broeders gedragen. Eén offerde zich op voor allen, allen voor éen, en juist deze eenheid maakte onze kracht uit, en zal ook in de toekomst ons mnchlig doen zijn. Ach, ware het ons gegeven aan het moederland en zijne volksplantingen deze zelfde eendracht te schenken, en allen stammen hunne Dorische, Joni-scbe of Aeolische afkomst Ie doen vergeten, zoodat zij geen anderen roem kenden dan die van Hellenen te zijn, euals kinderen van éen huis, als schapen van éene kudde te leven, waarlijk dan zou de geheele wereld niets tegen ons vermogen, dan zou Hellas eenmaal dooi' alle volkeren als de koningin der aarde worden erkend quot;

Fiij deze woorden schitterden de oogen der oude matrone van edel vuur. De Spartaan drukte hare hand met buitengewone heftigheid, stampte met zijn houten been op den grond en riep: »Fiij Zeus, de opperste god dei'Lacedaemoniërs, ik zal niet dulden dat een Helleen, wie hij ook zijn moge, éen haar gekrenkt worde; gij echter, Rhodopis, verdiendet eene Spartaansche te zijn.quot;

ocr page 38

'29

»En eene Atheensche!quot; riep Phanes.

»Eene .Ionische.quot; de mannen van Milete.

ȟe dociiter van een geomoor van Sanios!'' de beeldhouwer.

»Maar ik ben meer dan dat alles,quot; riep de edele vrouw in geestdrift uit, »ik ben meer, veel meer ; ik ben eene Helleensche !quot;

Al de gasten deelden in hare vervoering, zelfs de Syriëi en ' de .lood werden medegesleept. Alleen de tjybariel liet zich niet

uit zijne welbehagelijke rusl opwekken, en zeide met vollen mond, zoodal men hem nauwelijks verstaan kon: »Gij zoudt ook waardig zijn eene Sybariete te heeten, want uw rundergebraad is beier, dan al wat ik sedert mijn vertrek uit Italië geproefd heb, en uw wijn van Anthylla 1) smaakt mij bijna even goed als die van den Vesuvius en van Chios!quot;

Allen schoten in den lach, met uitzondering van den Spartaan, die den smulpaap een blik vol toorn en verachting toewierp.

»VVeest allen gegroet!quot; riep plotseling eene ons nog onbekende zware stem door hel open venster.

»Wees gegroet!quot; antwoordde het geheele gezelschap als uil éen mond, vragende en gissende, wie loch deze lale gast mocht zijn.

Doch de onbekende liet zich niet lang wachten, want eer noy de Sybariet tijd had gehad, eene nieuwe teug wijns nauwkeurig • met de tong te proeven, stond een groot mager man, van over

de zestig jaren, met een langwerpig lijnbesneden geestig gelaat, naast llhodopis. Het was Kallias, de zoon van Phaenippus van Athene. Met de heldere, verstandige oogen zag dt nieuw aangekomene, — een der rijkste bannelingen uil Athene, die tot tweemaal toe de goederen van Pisislratus van de stad had gekocht, en ze telkens bij diens terugkeer had moeten prijsgeven, — den kring zijner bekenden rond. Ka met ieder hunner in hel bijzonder een vriendelijken groet te hebben gewisseld, riep hij op vroolijken toon: ))Zoo gijlieden mijn bezoek van heden niet hoog waardeert, dan houd ik het er voor, dat alle dankbaarheid uit de wereld verdwenen is.quot;

»\Vij hebben u sinds lang gewacht,quot; antwoordde een der Milesiërs. »Gij zijt de eerste, die ons betrelïende den uitslag van de Olympische spelen bericht kunt geven!quot;

dEh wij zouden ons geen beleren verslaggever kunnen wen-schen, dan den overwinnaar van weleer,quot; liet Rhodopis er op volgen.quot;

1

StaJ in het westen van Neder-Egypte. Vandaar kwam een van de beste Egyptische wijnen. Op de gedenkteekenen komen ook^ nog verschillende andere roode en witte wijnsoorten voor, o. a. van Kakein.

ocr page 39

oU

»Kom, neem plaats,quot; riep Phanes ongeduldig, »en verhaal ons, kort en bondig, al wat gij weet, vriend Kallias 1quot;

«Zoo aanstonds, mijn waarde landgenoot,quot; hervatte deze. sHet is reeds tamelijk lang geleden, dal ik Olympia verliet, en te Kenchreae 1) op een Samisch vaartuig van vijftig roeiers, het beste dat ooit gebouwd werd, scheep ben gegaan. Het verwondert mij volstrekt niet, dat vóór mij nog geen Helleen te Nau-cratis is binnengeloopen. We hadden tocli zware stormen door te staan en zouden er ie nauwernood ons leven te hebben alge-bracht, als deze Samische zeekasteelen, met hunne stevige kielen, ibis-snavels en vischstaarten, niet zoo voortreffelijk getimmerd en bemand waren. Waarheen de anderen, die huiswaarts keerden, verwaaid zijn, weet ik niet. Wij konden ons echter nog in de haven van Samos bergen, vanwaar we, na een oponthoud van tien dagen, de reis weder aanvaardden.

sToen wij eindelijk heden morgen vroeg den Nijl binnengestevend waren, wierp ik mij dadelijk in mijne bark, en werd door Boreas -), die mij toch bij het einde der reis nog eens toonen wilde, dat hij zijn ouden Kallias nog liefhad, zoo snel voortgestuwd, dat ik reeds voor weinige oogenblikken de vriendelijkste aller woningen mocht wederzien. Ik zag de vaan in het avondkoeltje fladderen, ik zag de opene vensters verlicht, en was nog een oogenblik met mij zei ven in strijd, of ik al dan niet zou binnengaan. Maar tevergeefs, lUiodopis, beproefde ik uwe tooverkracht te wederstaan, en buitendien zou ik zeker van al het nieuws, dat ik nog te vertellen heb, gebersten zijn, zoo ik niet ware uitgestapt, om u allen, onder een beker wijn en bij een stuk gebraad, dingen mede te deelen, waarvan gij niet hebt kunnen droomen.quot;

Kallias strekte zich zeer gemakkelijk op eene matras uit, en overhandigde Rhodopis, alvorens een aanvang te maken met het uitkramen van zijne nieuwtjes, een prachtigen gouden armband in den vorm van een slang, dien hij te Samos, in de werkplaats van denzelfden Theodoros, die met hem aanlag, voor eene groote som gekocht had.

Dit heb ik voor u medegebracht3), zeide hij, zich tot ds oude vrouw wendende, die hoogst voldaan was over zijn geschenk.

tl Oostelijke haven van Coiinthe.

2) De Noordenwind.

3) Reeds in de oudheid bestond de gewoonte, om zijne vrienden van epn? reis kleine geschenken mede Ie brengen. Theocritus bracht voor de vrouw van Nicias een elpenbeenen spinrokken mede, dat hij haar zond met eenige dichtregelen, die door F. Rückert vertaald zijn. Ook de ligyptenaars droegen armbanden in den vorm van slangen.

ocr page 40

lil

sVuor u. vriend Phanes, liob ik evenwel no^ iels beiers. Raad eens wie in 't wayenmeneen met. bel vierspan den prijs bebaakle'.'quot;

))Een Atbener?quot; vroeg Pbanes met gloeiende wangen. Want scboon het gebeele volk zicb den roem van iedere overwinning-in de Olympische spelen loeëigende, voor den burger, ilie ze behaalde, was toch de Olympische olijftak de hoogste eere en hel grootste gebak, dat een Helleen, ja een geheelen Griekschen stam te beurt kon vallen.

jijnist geraden, Pbanes!quot; anlwoordde de vreugdebode; »een Atbener beeft den eersten prijs gewonnen, en wat voor u nog meer zegt, uw neef (,'imon, de zoon van Kypselus, de broeder van dien Miltiades, die ons voor negen Olympiaden dezelfde eer verwierf, was het, die dit jaar niet dezelfde paarden, die bij het vorige feest, den prijs voor hem wonnen, ten tweede male de zege behaalde 1). Voorwaar, de Philaïden -) verduisteren meer en meer den roem der Alkmaeoniden! Welnu, Pbanes, voelt gij thans uwe borst niet zwellen, verblijdt gij u niet over den roem van uw geslacht1?quot;

Buiten zich zeiven van verrukking, was de aldus aangesprokene opgestaan, cn zijne gestalte scheen plotseling wel een hoofd langer te zija geworden. Met een onbeschrijfelijk gevoel van trots en eigenwaarde, reikte bij zijn landgenoot de band. Deze omhelsde hem, en vervolgde daarop: ))Ja, wij hebben alle reden om lier en geluKkig te zijn, Pbanes. En gij vooral moogt u verblijden; want. nadat de rechters eenstemmig aan Cinion den prijs hadden toegewezen, liet deze den tiran Pisislralus door de herauten als den bezitter van bet heerlijk schoone vierspan, en dus ook als den overwinnaar uitroepen. Pisislralus liet. daarop terstond afkondigen, dat uw geslacht naar Athene terug mocht koeren. Dus is ook voor u het. uur niet verre meer, waarnaar gij zoo lang smachtend hebt uitgezien, dal gij uw geliefd Athene weder zult aanschouwen!quot;

Bij deze laatste woorden verdween de blos der vreugde van de wangen des oversten, en zijne oogen gloeiden niel meer van zelf bewusten trots, maar van toorn, toen hij uitriep; »Hoe, ik zou mij verheugen, dwaze Kallias? Ik kan van spijt mijne tranen nauwelijks bedwingen, als ik bedenk, dat een afstammeling van Ajax in staat is, zijn welverdienden roem zoo schandelijk aan de voeten van den overweldiger neèr te leggen. — Ik zou naar

1

Cimoii liet voor deze paanlen, waarmede liij driemaal overwon, na-liij Alliene oen gedenkteekeu oprichten.

ocr page 41

32

mijn vaderland wederkeeren? Neen! ik zweer bij Athene, bij vader Zeus en Apollo, dal ik liever in den vreemde zal ver-hongeren, dan een voet te zetten op den geliefden grond, zoo lang Pisistratns mijn vaderland in slavernij doet zuchten. Ik ben zoo vrij als een adelaar in de wolken, nu ik uit den dienst van Amasis ontslagen ben; maar liever werd ik in een vreemd land de slaatquot; van een boer, dan in het land mijner geboorte de eerste dienaar van 1'isistratus. Ons, den adel, komt de heer-sehappij over Athene toe; Gimon echter heeft, door zijn krans aan de voeten van Pisistratns neer te leggen, de rechten van den tyran erkend, en zicbzelf als slaaf gebrandmerkt. Ik, Pha-nes, en dat zal ik Gimon zelf doen weten, bekommer mij bitter weinig over de genade van den tyran; ja, ik wil balling blijven, totdat mijn vaderland weder vrij is geworden, en adel en volk wederom zicüzelven regeeren, zichzelven wetten geven! Phanes huldigt den verdrukker niet, ook al kropen alle Phi-laïdcn en Alkmaeoniden, ja zelfs uw geslacht. Kallias, de rijke Daduchen '), voor Pisistratus in het stof!quot;

Met vlammende blikken zag de Athener in het rond. Doch ook de oude Kallias monsterde, hoogmoedig en met zelfvoldoening, den kring der gasten, terwijl hij de aanwezigen één voor één schoen te willen toeroepen;

))Ziel, vrienden, op zulke mannen kan mijn roemrijk vaderland bogen!quot; Daarop vatte liij andermaal Phanes'hand en zeide: »Niet minder dan gij, mijn vriend, haat ik den dwingeland. Maar ik heb de overtuiging gekregen dat de macht der tyrannen, zoo lang Pisistratus in leven blijft, niel omvergeworpen kan worden. In Lygdamis van Naxos en Polycrates van Samos heeft hij bondgenooten, tegen wie wij bezwaarlijk iets zouden vermogen. Doch nog gevaarlijker voor onze vrijheid dan deze twee is uo gematigheid en wijsheid van Pisistratus zelve.

«Gedurende mijn laatste oponthoud in Hellas heb ik met verbazing opgemerkt, dat de massa van het Atheensche volk den overheerscher als een vader liefheeft. Ofschoon liij zich oppermachtig gevoelt, houdt hij de wetgeving van Solon in eere. liij versiert de stad met de prachtigste bouwwerken. De nieuwe tempel van Zeus, die dooi' Kallaeschrus, Antistates en Porimus, — mannen die gij zeker wel kent, Theodorus,— uit het kostelijkste marmer wordt opgetrokken, moet alle tot nog toe in Hellas verrezene gebouwen verre overtreffen. Kunstenaars en dichters van groote verdienste weet hij naar Athene te lokken. De zangen

1) Zij, Jie bij de Eleusinische mysteriën fakkels mochten dragen, welk recht in Kailius' familie erfelijk was.

ocr page 42

33

van Homerus laat hij afschrijven, en de spreuken van Musaeus door Onomacritus opteekenen en verzamelen. Hij legt nieuwe wegen aan en voert nieuwe feesten in. De handel bloeit onder zijn bestuur, en het volk gevoelt zich, ondanks de belastingen die hij het oplegt, zeer gelukkig. Maar wat is het volk'? Een gemeene hoop, die, even als de muggen, zich laat aantrekken door alles wat blinkt, en al zengt liet ook de vleugels, toch om de kaars blijft lladderen, zoolang die slechts brandt. Laat het licht van Pisistratus maar eens worden uitgedoofd, Phanes, en ik zweer u, dat, de wufte menigte den terugkeerenden adel, het nieuwe licht tegemoet zal snellen, gelijk het tol dusverre zich om deu tiran verdrong. — Waardige zoon van Ajax, geef mij nog eenmaal de hand! — Maar ik ben u, mijne vrienden, nog menig nieuwtje schuldig.

»In bet rennen met den wagen was alzoo Cimon overwinnaar, die aan Pisistratus zijn olijftak vereerde. Nooit zag ik vier schoonere paarden dan de zijne. Ook Argesilaus van Cyrene, Cleosthenes van Epidamnus 1), Aster van Sybaris, Hecataeus van Mylete, en vele anderen hadden kostbare vierspannen naar Olym-pia gezonden. Over het algemeen waren de spelen ditmaal buitengewoon schitterend. Geheel Hellas had afgezanten gezonden. I!hoela, de Ardeaten-stad in het ver verwijderde Iberiö het rijke Tartessus, Sinope in het verre Oosten, aan de kust van den Pontus Euxinus :i), kortom iedere stad die roem draagt op hare Hellecnsche afkomst, was op dit feest vorstelijk vertegenwoordigd. De Sybarieten hadden gezanten gezonden, die uil-blonken door hunne kostbare kleeding, de Spartanen daarentegen eenvoudig gekleede mannen, maar schoon als Achilles en groot en sterk als Hercules. De Atheners onderscheidden zich dooide buigzaamheid hunner leden, door hunne vlugheid en bevalligheid. Aan het hoofd der Krotoniaten stond Milon 2), de sterkste mensch die ooit geboren werd. De Samische en Milesische feest-genooten wedijverden in pracht en rijkdom met de Korinlhiërs en Mytileners. De geheele keur der Helleensche jongelingen was te Olympia verzameld, en op de voor de toeschouwers bestemde plaatsen zaten, naast mannen van ouderen leeflijd, van iederen stand, uit ieder volk een aantal schoone jonkvrouwen, die uit

3

1

Deze overwon drie Olympiaden I;iter met zijne vier hengsten, Pliönix, Korax, Samos en Knakias, waarvoor hij gedenkteekenen liet oprichten.

2

Ongelooflijke wonderen werden van hem verhaald. Zevenmaal overwon hij te Olympia, negenmaal te Nemea, zesmaal bij de Pythische, tienmaal hij de Isthmische spelen.

ocr page 43

31

Spuria waren overgekouicii, om dooi' hare loejuickiugeii de speleu dor mannen op te luisteren1). Op den tegenoverliggenden oever van den Alphaeus was gelegenheid oin handel te drijven. Daar kon men kooplieden zien uit alle oorden der wereld. Hellenen, ICarchedoniërs -), Lydiërs, l'hrygiërs, en scliacherende Phoeni-ciërs uit Palaeslina deden onderling groote zaken at', ol' stelden in ki'amen eTi onder tenten hunne waren Ie koop. Hoe zal ik u eene schildering geven van het gewoel en gejoel der tallooze menigte; van de koorzangen, die dooi- de lucht weergalmden; van de rookende leesthekatomben 2); van de bonte kleederdrachten; van de kostbare wagens en paarden; van liet geklank van al die verschillende talen en tongvallen; van de blijde ontmoetingen van oude vrienden, die elkander hier, na eene scheiding van vele jaren, wederzagen; van den glans der feestgezanten; van het gewemel van toeschouwers en kooplieden; van den spanning over den uitslag der spelen: van het heerlijk schouwspel, dat de met toeschouwers opgepropte ruimte aanbood; van het eindelooze gejuch bij iedere nieuwe overwinning; van het plechtig overhandigen van den olijftak, die door een knaap uit Elis, wiens beide ouders nog in leven moesten zijn, met een gouden mes van den heiligen olijfboom in de Altis 3), door Hercules zeiven voor eeuwen geplant, moest worden gesneden'? Hoe zal ik u eindelijk eene beschrijving geven van het aanhoudend gejubel, dat als een rollende donder door het stadium ,3) weerklonk, toen Milon van Groton verscheen, en zijn door Dameas van brons gegoten standbeeld, zonder dat zijn knieën een oogenblik knikten, op de schouders dooi' bet stadium naar de Altas droeg? Een stier zou onder zulk een gewicht bezweken zijn; Milon evenwel droeg dit ontzaglijk gevaarte gelijk eene Lacedaemonische baker 0) een knaapje draagt.

»De schoonste kransen, na dien van C.imon, vielen aan een paar broeders uil Sparta len deel, le weten: aan Lysander en Maron, zonen van eenen verbannen edelman, Aristomaclms genaamd. Maron behaalde den prijs bij het wedloopen. Lysander trad onder de toejuichingen van alle aanwezigen legen Miion, den

1

i A;lii frcliuwdi' vrouwen was liet up itoodstrar verboden hij de sjKdeu tegenwoordig te zijn.

2) ICaithagers.

.')) Een oll'er van honderd ossen, een feestoller.

2

5) De ruimte waarin de wedstrijden plaats hadden.

3

Gj Spartaansche bakers waren door geheel Griekenland beroemd.

ocr page 44

3.')

nog ouovorwonuea overwiiiimtir van 1'isa 1j, van de Pylliisulie cu de Isthmisclic spelen, in liet worstelperk. Milo» was groeier (Mi sterker dan de Spartaan, wiens lichaamsbouw aan Apollo deed denken, en wiens jcugdijf voorkomen overtuigend bewees, dat hij ternauwernood den paedanomos 2) ontgroeid was. Schoon iu limine naaktheid, glanzend van de gele zalfolie, stonden de jongeling en de man tegenover elkander, een panter en een leeuw gelijk, die zich tot den strijd toerusten. Alvorens opzijn tegenstander toe te springen, hief de jonge Lysander zijne handen omhoog, om de goden te bezweren, en riep: ,Voor mijn vader, mijne eer en den roem van Sparta!' De Crotoniaat meesmuilde, terwijl liij op den jongeling uit de iioogte neerzag, evenals een lekkerbek lacht, alvorens liij zich neerzet om een kreeft fe ontleden.

»De worsteling begon. Lang duurde het, eer het een van beiden gelukte den anderen beet te krijgen. Uit al zijn macht, ja met onweerstaanbaar geweld, greep de Crotoniaat naar zijn tegenstander, die zicli als eene slang loswond uit de geweldige grepen der athletische, zich als eene tang vastklemmende handen. — Lang hield na eiken aanval de worsteling aan, waarvan do gansche vergadering zwijgend en ademloos getuige was. Men hoorde niets dan het steunen der worstelaars, en het gezang der vogelen iu het woud van de Altis. Eindelijk, — eindelijk was het den jongeling gelukt, zich door een meesterlijken greep, zooals ik nooit een gezien heb, aan zijn tegenstander vast te klemmen. Lang spande Milon vruchteloos al zijne krachten in, om zich uit de gespierde armen van den jongeling los te rukken. Het zand van het stadium werd rijkelijk gedrenkt door het zweet van zulk een reuzenarbeid.

»Naarmate de spanning der toeschouwers hooger eu hooger klom, vermeerderde nog de stilte, werden de aanmoedigingskreten zeldzamer, en hoorde men luider het steunen der beide kampvechters. Ten laatste ontzonken den jongeling de krachten. Duizenden stemmen riepen hem moed toe. Nog eenmaal verzamelde hij, met schier bovenmenschelijke inspanning, al zijne krachten, nog eenmaal beproefde hij den Crotoniaat ter aarde l(gt; werpen. Doch deze had zijn voordeel gedann met de oogenblik-kelijke afmatting van zijn tegenstander, en hield hem nu met oiiweèrstaanbaar geweld, terwijl hij beide armen om hem sloeg, tegen zijn borst gedrukt. Daar golfde een zwarte, dikke bloed-

1

Stad nabij Otympia, Het lot bepaaUto welke kampvechters tegen elkaar zouden optreden, wanneer gebleken was, dat zij vrijgeborenen waren, en dat er op hun leven niets viel aan te merken.

2

Titel van den persoon, aan wion in Sparta tiet toezicht over de opvoeding was toevertrouwd.

ocr page 45

36

straal over de schoone lippen van den jongeling, en levenloos ontzonk hij aan de vermoeide armen van den reus. Democedes '), de beroemdste arts van onzen tijd, dien gij, Samiërs, aan het hof van Polycrates zeker wel hebt leeren kennen, snelde toe; doch de kunst vermocht dezen gelukkige niet meer te redden Hij was dood.

»Milon moest afstand doen van den krans De roem van dien jongeling zal daarentegen door gansch Hellas worden bezongen. Ik zelf zou veel liever gestorven zijn als Lysander, de zoon van Aristomachus, dan leven als Kallias, die in den vreemde in werkeloosheid oud wordt en vergrijst, zonder iets te kunnen uitrichten. Geheel Griekenland, vertegenwoordigd door zijne edelste zonen, droeg den jongeling ten grave, en zijne eerezuil zal in de Altis nevens die van Milon, den Crotoniaat, en Praxidamas van Aegina 1) ei Tie plaats erlangen. Eindelijk verkondigden de herauten de uitspraak der kampvechters: Sparta zal voor den gestorvene den krans der overwinning ontvangen; want niet Milon, maar de dood heeft den edelen Lysander doen bezwijken. Wie echter, na een strijd met den sterksten aller Grieken, die twee uren duurde, onoverwonnen blijft, hem voorwaar komt de olijftak wel loe.quot;

Kallias zweeg eenige oogenblikken. De levendige man had, onder de schildering van deze voor iederen Griek zoo dierbare tooneelen, op de aanwezigen geen acht geslagen. Voor zich uit starende, had hij het beeld dier worsteling voor zijne oogen laten voorbijgaan. Thans zag hij om zich heen en bemerkte met groote verbazing, hoe de grijsaard met het houten been, dien hij, zonder hem te kennen, reeds vroeger had opgemerkt, zijn aangezicht met de handen bedekt hield en schreide als een kind. Aan zijne rechterzijde stond Rhodopis, aan zijne linkei-Phanes. Al de overige gasten zagen den Spartaan aan, al ware hij tie held van Kallias' verhaal geweest. De verstandige Athener begreep aanstonds, dat de grijsaard in nauwe betrekking tot een der overwinnaars in de Olympische spelen stond. Toen hij echter vernam, dat Aristomachus de vader was van dat Spartaansche broederpaar, hetwelk met zooveel roem werd bekroond, welke schoone gestalten nog steeds, als eene verschijning uit de godenwereld, voor zijne verbeelding zweefden, toen zag ook hij mei afgunstige bewondering den snikkenden grijsaard aan, en ook in

1

Hij overwon in het vuistgevecht, in de SiJste Olympiade.

ocr page 46

37

zijn oog- parelde een ft-aan, dien hij niet zoolil weg te pinken. In dien tijd weenden de mannen, zoo vaak zij in den balsem der tranen eenige verliching hoopten te vinden. De sterkste helden zien wij, in toorn, onder groote vreugde, bij elke ziele-smart, weenen, terwijl zich de Spartaansche knaap voor het altaar van Artemis Orthia, zonder eene klacht te uiten, ten bloede, ja, menigmaal dood liet geeselen, om den lof der mannen deelachtig Ie worden.

Gedurende eenige oogenblikken bewaarden al de aanwezigen bet stilzwijgen, uit eerbied voor de aandoeningen van den grijsaard. Eindelijk maakte Jesua, de Israëliet, daaraan een einde, in gebroken Grieksch den oude aldus toesprekende: sWeen vrij uii, Spartaansche man! tk weet wat het. zeggen wil, een zoon te verliezen. Heb ik niet, elt'jaren geleden, in bet vreemde land. aan de wateren van Babyion, waar mijn volk in bailjiugschap zuchtte, een schoonen knaap grafwaarts gedragen! Had bet beste kind nog slechts een enkel jaartje geleefd, zoo zou het in 't lieve vaderland gestorven zijn, en hadden wij het in het graf zijner vaderen kunnen bijzetten. Maar Cyrus, de Pers,— Jahveh zegene zijne nakomelingschap! — heeft ons een jaar te laat vrij gemaakt, en illt; beween nu dubbel dat kind mijns harten, wijl zijn graf in hel land der vijanden Israels gedolven is. Bestaat er wel iets treurigers dan te moeten beleven, dat onze kinderen, onze grootste schat, voor ons ten grave dalen'? En, — Jahveh zij mij genadig! — zulk een voortreffelijk kind, als uw zoon moet zijn geweest, te verliezen, wanneer hij juist oen beroemd man staat te worden, dat moet wel de grootste aller smarten zijn Iquot;

De Spartaan verwijderde de handen van zijn streng gelaat en zeide onder zijne tranen glimlachende: gt;Gij dwaalt,Pboeniciër; ik ween van blijdschap, niet van droefheid, en gaarne had ik ook mijn tweeden zoon verloren, indien bij gestorven ware gelijk mijn Lysander.quot;

De Israëliet schrikte van deze woorden, die hem onnatuurlijk en goddeloos in de ooren klonken, en schudde afkeurend het hoofd. De aanwezige Hellenen daarentegen overlaadden den door allen benijdden grijsaard met gelukwenschingen. Aristomacbus scheen door de vreugde zijner ziel vele jaren jonger Ie zijn geworden, en riep Rhodopis loe: «Waarlijk, vriendin, uw huis is voor mij rijk gezegend, want sedert ik het betrad, is dit het tweede geschenk der goden, hetwelk mij hier ten deel valt!quot;

»En wat was hel eerste?quot; vroeg de gastvrouw.

»Een gunstig orakel.quot;

»Gij vergeet bet derde!quot; riep Plumes. »Op den dag van heden hebben u namelijk de goden Rhodopis leeren kennen. Maar wat is er van die godspraak?quot;

ocr page 47

38

))Mag ik liaar aan de vnemlon openbaren1?quot; vroeg diï Dèlpliicr.

Ai'istomachus knikte toestemmend, en Pliryxus las ten tweeden male het antwoord van de Pythia:

Als van quot;t bcsiiocuwil gcbergt eon luilcrscliaar komt Jalcn

In quot;t fH'on land, dooi' viiii litliaai1 nat gedrenkt,

Dan voort de ranke hoot n, moo van quot;t ommcdwalon.

Waar 't vreedzaam oord den zwervling ruste sclienkl,

En van de viil' moogt gij in quot;t eind verwerven.

Wat gij zoo lang met rouw in 't hart, moest derven,

Nauw had Phryxus het laatste woord gelezen, toen Kallias, de Athener, Juichend van zijne ligplaats opsprong, uitroepende: »De vierde gave, het vierde geschenk der goden, znll gij llians van mij in dit huis ontvangen. Weet dat ik de nieuwstijding, die wel het meest uwe verbazing zal wekken, tot liet laatst bewaarde: de Perzen komen naar Egyple.quot;

Geen der gasten, behalve de Sybariet, bleef op zijne plaats, en Kallias werd door allen met vragen bestormd, zonder dat men hem tot antwoorden den tijd liet. »Bedaart wat, vrienden; houdt, uw gemak!quot; riep hij eindelijk. »Laat mij u geregeld vertellen al wat ik weet, anders kom ik heden niet aan het einde. Een groot gezantschap van Cambyses, den tegenwoordigen alleenheer-scher van het machtige Perzië, en geen leger, gelijk Phanes misschien reeds vermoedde, is op weg naar dit land. 'J'e Samos werd mij gezegd, dat het al op Mylete was aangekomen. Binnen weinige dagen moet het hier zijn. Bloedverwanten van den koning, en ook de oude Gresus van Lydië, moeten er deel van uitmaken. Wij zullen eene buitengewone pracht te zien krijgen. Met welk doel dit gezantschap komt weet niemand zeker, doch men gist, dat koning Cambyses met Amasis een verbond verlangt te sluiten. Daar zijn er zelfs die beweren, dat de Persische vorst de dochter van den pharao tot vrouw begeert,quot;

»Ken verbond?quot; vroeg Phanes, ongeloovig de schouders ophalende. »Op dit oogenhlik overheerschen de Perzen reeds bijna de halve wereld. De grootste natiën van Azië hebben zich oikIt hun schepter gebogen ; alleen Egypte en het Grieksche moederland hebben den veroveraar nog niet erkend als hun meester.quot;

»Gij vergeet het goudrijk Indië en de groote Nomadenstammen van Azië,quot; antwoordde Kallias. »Gij vergeet verder, dat een i-ijk, zoo samengeflanst als het Persische, hetwelk uit zeventig volkstammen bestaat van allerlei talen en zeden, dat voortdurend de kiem des oorlogs in zich draagt, wel zeer op zijne hoede moet zijn om niet opnieuw in buitenlandsche oorlogen Ie worden gewikkeld. Want, bij afwezendheid van de hoofdmacht des legers, zonden enkele afgelegene provinciën deze gewenschte gelegen-

ocr page 48

no

held lot afval kunnen aangrijpen. Vraag den Mi les Iers of zij rustig zouden blijven, indien liet hun ter ooiv kwam dat hel leger Imnncr verdrukkers in eeu of andoren slag liet onderspit had gedolven.quot;

Daarop viel Theopompns, de koopman van Milete, den spreker in de rede, en riep opgewonden; «Als de Perzen eenmaal de nederlaag lijden, /00 krijgen zij wel honderd andere vijai:deu op den lials, eu mijn volk zou voorzeker niet het laatste zijn, dat zich tegen den overweldiger verzette!quot;

»AVat ook de last der gezanten zij,quot; vervolgde Kallias, »ik houd staande, dat do Perzen op zijn laatst hinnen drie dagen hier zullen aankomen.quot;

»En daarmede is tegelijkertijd uw orakel vervuld, gelukkige Aristomachus,quot; zeide Rhodopis. »Met de ruiterschaar van het gebergte kunnen alleen de Perzen bedoeld worden. Wanneer deze de oevers van den ISijl naderen, zullen de vijf rechters, uwe ephoren 1), van gezindheid veranderen, en 11, den vader van twee der overwinnaars te Olympia, in het vaderland terugroepen.— Vul nog eens de bekers, Knakias! Wijden wij dezen laatsten dronk aan de schim van den roemrijken Lysander. Maar dan raad ik n allen op te staan, want het is reeds lang middernacht. De waarlijk gastvrije breekt de tafel op, wanneer de vreugde haar toppunt heeft, bereikt. De aangename, door geene droefheid gestoorde herinnering aan dezen avond zal u weldra in dit huis terugvoeren, terwijl gij het voorzeker liever niet weder betreden zoudt, zoo gij ook de ure der ontspanning gedenken moest, die zoo licht op de vreugde volgen.quot;

Al de gasten stemden met Rhodopis in, Ihycus noemde haar een echte leerlinge van Pythagoras, en gaf zijne hooge ingenomenheid te kennen met den opgeruimden, feestelijken toon, die dezen avond in den ganschen kring had geheerscbt. Ieder maakt zich nu tot vertrekken gereed. Ook de Sybariet, die, om zijne aandoeningen, die hem zoo te onpas kwamen storen, te onderdrukken, overmatig veel gedronken had, richtte zich, door zijne slaven 2), die men inmiddels binnengeroepen had, ondersteund uit zijne gernakkeiijke houdiiigop, onderwijl zoo wal pnillelendc over inbreuk maken op het gastrecht.

1

Oorspronkelijk aangesteM om do koningon te vervangen god arende den Messenischen krijg, had do adel zieh van dezo staatsboliekking lie-diend 0111 tegenover de macht der vorston eeno andere to stellen. Als hoogste rechterlijke beambten, die tegelijk liet toezicht hadden over do opvoeding en eeno zedelijke politie nitoefonden, wisten zij zich in vele aangelegenheden zelfs boven hot koningschap te plaatsen.

2

De Grieken lieten zich gewoonlijk door hunne slaven naar de gasl-malen begeleiden.

ocr page 49

?w

Toen Rhodopis hem tof, afscheid de hand wilde reiken, riep liij, door den wijn beneveld: nlüj Herknies! Rhodopis, gij smijt ons liet huis uil, als waren wij lastige schnldeischers. Ik hen niet gewoon van een gastmaal op te staan, zoolang mijne beenen mij nog kunnen dragen, en nog minder, mij als een tafelschuimer het gat van de deur te laten wijzen 1quot;

»Maar, begrijp dan toch, gij, onmatige drinkeboer.begon Rhodopis zich lachende te verontschuldigen. I '1111 oinus evenwel, die in zijn roes geen tegenspraak kon verdragen, barstte uit in een spottend geschater en beet haar toe, terwijl hij naar de deur waggelde: «Onmatige drinkebroer, zegt ge'.' Goed! Ik geef n daarop ten antwoord: onbeschaamde slavin. Waarachtig, men kan bet u altijd nog aanzien, wat ge in uwe jeugd geweest zijt. Vaarwel, slavin van Jadmon en Xanthus, vrijgelatene van Cbaraxus! ..

Maai' hij kon niet uitspreken, want plotseling sprong de Spartaan op hem toe, wierp hem met een geweldigen vuistslag ter aarde, en droeg den hewustelooze, als ware hij een kind, in het vaartuig, dat met zijne slaven aan de tuindeur hem wachtte.

ocr page 50

DERDE HOOFDSTUK.

Al de gasten hadden het huis veilalen.

Gelijk oen hagelslag in een bloeiend graanveld, zoo was de hoonende taal van den slemper in de vreugde dor scheidende vrienden gevallen. Jlhodopis zelve stond, bleek en bevende, in de nu ledige, maar nog feestelijk versierde zaal. Knakias doofde de lampen langs de wanden uit. Het helle liclil van zoo even hegon nu allengs plaats te maken voor een onaangenaam schemerdonker, dat het onachtzaam dooreengeworpen tafelgereedschap, de overblijfselen van den maaltijd en de van hunne plaats ge-schovene rustbedden slechts spaarzaam verlichtte. Door de opene deur stroomde eene koude nachtlucht binnen; want de morgen brak reeds aan, en in Egypte is de temperatuur, onmiddellijk voor het opgaan der zon, doordringend koel. Eene lichte huivering voer door de leden van de slechts luchtig gekleede vrouw. Met weemoed liet zij hare blikken dwalen door de ledige ruimte, die nog voor weinige minuten weergalmde van vroolijk gejubel. Zij vergeleek haar gemoed met deze verlatene feestzaal. Het was haar, als knaagde een worm aan haar hart, als stolde haar bloed tot sneeuw en ijs.

Lang stond zij dus, onbewust van wat om haar heen plaats ' greep, totdat hare oude slavin verscheen en haar naar het slaapvertrek voorlichtte. Zwijgend liet Fihodopis zich ontklee-den. Zwijgend opende zij het voorhangsel, dat een tweede slaapvertrek van het hare scheidde. In het midden er van stond eene ahorn-houten rustbank1), waarin op een matras van zachte schaapswol, waarover witte lakens waren gespreid, onder een lichtblauw dek, een engelachtig, wonderschoon meisje sluimerde.

1

De bedden der oudheid waren van hout. brons of elpenbeen, soms ook gemetseld in den vorm van eene 7—8 voet lange en 2—21 /g voet hooge trede, waarvan de voorrand een weinig was verhoogd. De matrassen en lakens werden daarop gelegd.

ocr page 51

I

4-2

Hot was Sappho, iV kleindoclitor van Rliodopis. Do toodoihoid, de zachte ronding der vormen, liet fijngevormde gelaat dezer jeugdige maagd waren onberispelijk. i)e zalige, vreedzame lach om die lippen bewees, dat dit kind zich nog van geen kwaad bewust was. nog niets anders kende dan geluk. De eeue hand der slapende, waarop het lieve hoofdje rustte, was door het dichte donkerbruine haar verborgen; de andere hield eene kleine amulet van groenen steen1), die van haar hals nederhing, losjes omvat. De lange oogwimpers bewogen zicli nauw merkbaar, en over de wangen van dit bekoorlijk wezen lag een tccdof rozenrood verspreid, dat onmerkbaar samenvloeide met de blankheid van het gelaat. De tijnc neusvleugels rezen en daalden gelijkmatig bij iederen ademtocht. Zoo zon men de onschuld voorstellen, zoo lacht eene reine ziel, zulk een slaap schenken de goden aan de zorgelooze jeugd.

Zonder het minste geritsel te weeg te brengen, het zware tapijt nauwelijks met de teenen aanrakende, naderde Uhodopis het bed. Met onbeschrijfelijke teederheid aanschouwde zij het lachende, kinderlijke gelaat. Zachtkens, en bijna zonder te ademen, knielde zij neder. Behoedzaam drukte zij haar aangezicht in het zachte dek, zoodat de hand van het meisje in aanraking kwam met hare grijze haren. Nu welden er tranen in de oogen der diepgekrenkte vrouw, en zij liet ze den vrijen loop, als wilde zij met die tranen de vernedering, die zij geleden had, en al den kommer barer ziel afwasschen. Kindelijk stond zij op,

drukte eene kus op het voorhoofd van het kind, dat haar zoo onuitsprekelijk dierbaar was, hief de handen hemelwaarts, en.

keerde dan naai- haar eigen vertrek terug, even behoedzaam als zij gekomen was.

De oude slavin stond nog altijd bij hare slaapstede te wachten. »Wat wilt gij nog zoo laat, Melitta'? vroeg Uhodopis vriendelijk en zacht. »Ga naar bed. Dat lange waken deugt niet voor uwe hooge jaren. Gij weet, dat ik u niet meer noodig heb. Goedennacht. Kom morgen niet voordat ik u laat roepen. Ik zal niet veel kunnen slapen en blijde zijn, als ik tegen den morgen even mag insluimeren!quot;

Nog altijd aarzelde de slavin. Men kon het haar aanzien, dat,

zij nog iets te zeggen had, maar niet durfde spreken.

»Hebt gij mij misschien iets te vragen4?quot; zeide Rhodopis. ^

De oude vrouw weifelde nog.

?|) De Giickon {li-oojïpn niet zeMen armiloücn, om zicli te lioveiligon tejjen gevaren ol' voortiliiremte gezomlheiil te genieten. Nog menigvntcli-ger komen zij hij de Kgyplemiren voor, niet alleen om hot kwaail van ilc levenden, maar ook van de zielen der dood en al' te wenden.

ocr page 52

«Spreek vrij uit, spreek; maar maak het kort!quot;'

»Ik zag u weeneu,quot; begon de trouwe slavin ten laatste; ))liet schijnt mij toe, dat gij onder kommer gebukt gaat, of krank zijt. Mag ik niet bij u waken; wil gy mij niet zeggen, wat u deert'! Reeds menigmaal hebt gij ondervonden, boe bet de borst verruimt en de smart draaglijker maakt, wanneer men aan een ander zijn leed kan mededeelen. Vertrouw mij ook thans de oorzaak uwer droefheid toe; het zal n goed doen, o zeker, hot zal uwe ziel rust geven.quot;

»Neen, ik kan niet spreken!quot;' antwoordde hare meesteres. Daarop vervolgde zij, smartelijk lachende; »Wederom is het mij gebleken, dat eene godheid zelfs niet bij machte is, het verleden eens menscben uit te wisscben, en dat ongeluk en schande in den regel samengaan. Goedennacht! Verlaat mij thans, Melitta.quot;

Den volgenden dag, omstreeks den middag, legde dezelfde bark, die 'savonds te voren den Athener en den Spartaan had overgevoerd, voor den tuin van Rhodopis aan. Do zon scheen zoo helder, zoo warm en zoo vriendelijk aan den wolkloozen donkerblauwer! Egyptjscben hemel; de luchl was zoo zuiveren lijn; de kevers gonsden zoo lustig; de schippers in do tallooze booten zongen uit zoo ruime borst hunne eenvoudige, telkens herhaalde liederen; do boorden van den Nijl bloeiden zoo liefelijk en vertoonden zulk eene vroolijke mengeling van bonte vanen en van bedrijvige menscben; de palmen, sykomoren, acacia's en bananen verhieven zoo fier hunne groene en bloesemrijke kruinen; het gebeele landschap scheen, zoo ver het oog strekte, zoo ongemeen rijk bedeeld te zijn door eene milde godheid, die bet geven niet moede werd, — dat de wandelaar wel denken moest: uit dit oord is alle ongeluk verbannen, bier is do w^oon-steè van ware vreugde en levensgenot.

Hoe menigmaal wanen wij, wanneer we een tusschcn bloeiende vruebtboomen half verscholen dorpje voorbijtrekken, dat daar de zetel is van den vrede, dat niemand daar onvervulde wenscben kent, maar ieder tevreden is met zijn bescheiden deel! Doch nauw treden wij de nederige huizen en hutten binnen, of die voorstelling blijkt geheel onwaar te zijn. Wanf, gelijk overal, vinden we ook daar angst en nood, begeerlijkheid en hartstocht, vreeze en berouw, smart en ellende naast, belaas, zoo weinig geluk en vreugde! Wie toch zou kunnen vermoeden, indien hij aan de oevers van den Nijl verplaatst werd, in bet aloude Egypte, dal dit lachende, rijk bedeelde, veelkleurige, zonnige land, welks heldere hemel zich nooit achter wolken verbergt, de woonplaats is van de ernstigste menscben? Wie zou kunnengelooven, dat in dio' sierlijke, door kransen en bloemfestoenen als omwevene

ocr page 53

gastvrije woning van de gelukkige Rliodopis, een hart klopte met naamloozen kommer vervuld ? Wie der gasten van deze zoozeer gevierde Thracische vrouw kon denken, dat dit hart geen ander was dan dat der schoone, altijd zoo vriendelijk lachende matrone'?

Bleek, maai- schoon en minzaam als altijd, zat zij met Phanes in een dicht belommerd prieel, naast den verfrisschenden waterstraal der fontein. Men kon het haar aanzien, dat zij langen veel gew eend had. De Athener hield hare hand in de zijne en zocht, haar te troosten. Rhodopis luisterde geduldig toe, nu eens met een bitteren lach, dan weer, ten teeken harer instemming met zijne woorden, even het, hoofd buigende. Eindelijk viel zij den welmeenenden vriend in de rede, zeggende:

sik dank u, Phanes ! binnen kor te fen of langeren tijd moet ook deze beleediging vergeten worden. De tijd is een goed heelmeester. Ware ik zwak, zoo zou ik Naucratis verlaten, en voorlaan in strenge afzondering alleen voor mijne kltindochter leven. In dit jeugdig schepseltje, zeg ik u, sluimert eene ge-heele wereld. Duizendmaal kwam het denkbeeld in mij op Egypte te verlaten, duizendmaal onderdrukte ik dien wensch. Niet de begeerte naar eene hulde, die mij door uw geslacht zoo ruimschoots wordt gebracht, hield mij hier terug. Daarvan heb ik zooveel genoten dat, ik er oververzadigd van ben. Ik, de zwakke, eens zoo diep verachte vrouw, de slavin van weleer, gevoel mij in Egypte op mijne plaats, want het, bewustzijn, dat ik voor edele, vrije mannen, zoo al niet onontbeerlijk, dan toch van groot nut ben, bond en bindt mij nog voortdurend aan deze plaats. Aan een grooten werkkring onder zulke mannen gewoon, zou ik mij niet kunnen vergenoegen met de zorg voor mijne geliefde kleindochter alleen. Ik zou verdorren als eene plant, die uit een vetten bodem in de woestijn is overgeplant, en mijne Sappho zou weldra geheel alleen, en driemaal meer verlaten dan eenige andere weeze, in de wereld overblijven. — Ik blijf in Egypte.

«Juist nu, na uw vertrek, zal ik den vrienden volkomen onmisbaar zijn. Amasis wordt oud; wanneer Psamtik hem opvolgt, dan zullen wij met groote zwarigheden te worstelen hebben, waarvoor wij tot nog toe bewaard bleven. Ik moet blijven, en mij met nieuwe kracht, eu nieuwen moed aangorden, om voor de vrijheid en de welvaart der Hellenen te kampen. Dat is het levensdoel, dat ik mij zelve heb gestold. En deze taak zal ik te getrouwer vervullen, daar het maar hoogst zelden gebeurt, dat eene vrouw zich aan zulk een levensdoel kan wijden. Velen zullen mijn streven onvrouwelijk noemen, het zij zoo. Indezen nacht, dien ik onder tranen heb doorwaakt, ondervond ik, dat

ocr page 54

er nog veel, zeer veel van die vrouwelijke zwakheid in mij woont, die tegelijk het geluk en het ongeluk van mijn geslacht uitmaakt. Deze zwakheid, gepaard met een teeder, vrouwelijk gevoel in zijne hoogste ontwikkeling, bij mijne kleindochter aan te kweeken, is de eerste plicht, dien ik mij zelve heb opgelegd ; de tweede is, bij mij zelve alle weekelijkheid te overwinnen.

«Maar het is onmogelijk strijd te voeren tegen zijne natuur, zonder soms eene nederlaag te lijden. Zoodra eenige smart mij dreigt neèr te drukken, ot' ik gevaar loop tot wanhoop te geraken, dan zoek en vind ik alleen hulp en troost in de woorden van Pythagoras, den uitnemendste aller menschen, den trouwste aller vrienden, en bij de herinnering zijner waarschuwing; Houd in alle dingen den middelweg, hoed u voor uitgelatene vreugde, evenzeer als voor buitensporige droefheid, en streef er steeds naar, dat de stemming uwer ziel harmonisch en welluidend zij, gelijk de snaren eener zuiver gestemde harp !quot; Dezen Pythagorischen zielevrede, deze diepe, ongestoorde gemoedsrust, aanschouw ik dagelijks in mijne Sappho, en ik traclit onophoudelijk ze ook tot mijn eigendom te maken. De strijd vait soms onbegrijpelijk zwaar, daar hel noodlot met zijn ruwe grepen maar al te dikwijls de snaren van het speeltuig mijns harten ontstemt. Maar nu ben ik kalm en rustig! — Gij kunt niet begrijpen, welk eene macht de gedachte alleen aan dien grootste aller denkers, aan dien stillen, wijzen man, op mij uitoefent. Als hij mij voor den geest staat, is het alsof eene zachte liefelijke toon de snaren mijner ziel doet trillen. Ook gij hebt hem gekend en moet verstaan, wat ik niet in woorden vermag uit te drukken. — En nu bid ik u, mij de reden van dit uw bezoek te doen kennen. Mijn hart is rustig, als de wateren van den Nijl, die zoo stil en zonder eenige stoornis ons voorhij-vlieten. Hetzij gij goede, hetzij gij kwade tijding brengt, ik ben bereid u te hooien.quot;

sïhans herken ik u weder,quot; sprak de Athener. »Waart gij den edelen vriend der wijsheid, gelijk Pythagoras zichzelf placht te noemen '), eerder gedachtig geweest, zoo zou uwe ziel reeds gisteren tot hare gewone kalmte zijn gekomen. De meester geeft den raad, zich iederen avond de gebeurtenissen, gewaarwordingen en gedachten van den verloopen dag nog eens voor den geest te brengen. Hadt gij dat gedaan, dan zoudt gij hebben ingezien, dat de ongeveinsde bewondering van al uwe gasten, onder welke zich mannen van uitstekende verdiensten

1) Hij was de eerste Grieksche denker, die zich „philosophosquot;, vriend der wijsheid noemde en is zeker in Amasis' tijd ia Egypte geweest.

ocr page 55

4()

T

licvondeii, ruiiascliuols legen den smaad van een onhesnisden dronkaard opwoog'. Gij liatlt moeten begrijpen, dat gij toch inderdaad eene vriendin der goden zijt. Want het was in uw huis, dat de onsterfelijken een edelen grijsaard, na jaren van tegenspoed, de hoogste zaligheid lieten smaken, die ooit eenmensch ten deel kan vallen. Ja, zij ontnamen n een vriend, orn u echter in denzelfden slond een anderen, veel beteren te schenken. • Spreek mij niet tegen, en vergun mij thans u met,mijn verzoek hekend te maken.

sGij weet dat men mij nu eens een Athener, dan weer een Halicarnassiër ') noemt. De .Ionische, Aeolische en Dorische soldaten hebben zich van oudsher nooit goed met de Cariscbe kunnen verstaan. Daarom kwam mij, den aanvoerder van beide legerafdeelingen, mijne afkomst van, ik zou wel iiaast mogen zeggen drie stammen, bijzonder te stade. Welke uitnemende eigenschappen Aristomachus ook bezit, Amasis zal mij toch missen, want het viel mij gemakkelijk de eendracht in het leger te bewaren, terwijl de Spartaan tegenover de Cariërs dikwerf op groota zwarigheden stooten zal.

))Deze mijne dubbele afkomst heeft haar grond hierin, dat mijn vader met eene Halicarnassische vrouw uit een edel Dorisch geslacht gehuwd was, en met mijne moeder juist op het tijdstip mijner geboorte te Halicarnassus vertoefde, waarheen zij zich hadden begeven, om bezit Ie nemen van de nalatenschap barer ouders. Ofschoon men mij reeds in de derde maand mijns levens naar Athene terugbracht, ben ik toch eigenlijk een Cariër, want,

waar een mensch geboren wordt, daar is zijn vaderland.

»Te Athene werd ik, als jong Eupalride ^ uit het aanzienlijke,

aloude geslacht van Ajax, met al de weelde en al den rijkdom van een Attisch edelman grootgebracht en opgevoed. De dappere en wijze Pisistratus, gesproten uit een geslacht, dat wel van gelijke afkomst was als het onze, maar ons in macht en invloed volstrekt niet overtrof-—• er bestaat geen aanzienlijker stamhuis dan dat mijns vaders — wist zich tot alleenheerscher te verbetfen.

Aan de vereende pogingen van den adel gelukte het tot tweemaal hem ten val te brengen. Toen hij ten derden male, door Lygdamis van Naxos en door de bewoners van Argos en Eretria onder-

' -1

1) Halicarnassus aan de zuiil west-kust van Kloin-Azië, thans Boitru. Ui' opgravingen van Newton en Pullans, in 'ISoG aangevangen, hebben hier ile prachtigste overblijfselen van Grieksche kunst, o. a. hel gral' van Koning Mausolos aan liet liclit gebracht. Ofschoon Herodotus getuigt,

ilat l'hanes uit deze stad afkomstig was, heeft Ebers dezen tot een Athener gemaakt, omdat bij in don persoon van l'hanes opzettelijk een Joniër handelend wilde doen optieden.

2) Kdelman,

f

ocr page 56

!7

stound, Milde teruykeercH, stelden wij ons legen hem. Wij hadden ons gelegerd nabij den tempel van Athene op Pallene ^). Terwijl wij vóór het ontbijt aan de godin ollerden, verrastte ons de listige tyran, overviel onze ongewapende manschappen, en behaalde eene gemakkelijke overwinning, zonder een druppel bloeds te storter. Daar aan mij het bevel over de helft der troepen was opgedragen, besloot ik liever te sterven, dan mijn post te verlaten. Ik streed als een razende, bezwoer mijne soldaten stand te houden en verloor ook geen duimbreed gronds. Doch eene noodlottige speer wondde mijn schouder en ik viel.

sPisistrotus en de zijnen werden meester van Athene. Ik vluchtte naar Halicarnassus, mijn tweede vaderland, waarheen mij mijne vrouw met onze kinderen volgde. Mijn naam was niet geheel onbekend, daar ik eene overwinning in de Pythische spelen 2) behaald en nog eenige andere dappere daden verricht had. Men benoemde mij dus tot overste bij het leger in Egypte. Ik maakte den veldtocht op Cyprus mede, deelde met Aristo-machus den roem, de geboorteplaats van Aphrodite voor Amasis gewonnen te hebben, en werd ten laatste tot opperbevelhebber van al de troepen in Egypte verheven.

»Den vorigen zomer stierf mijne vrouw. Mijne kinderen, een knaap van elf en een meisje van tien jaren, bleven bij hunne moei te Halicarnassus. Ook deze werd de prooi van den onver-biddelijken Hades8). Nu heb ik do kleinen eenige dagen geleden hierheen ontboden. Zij kunnen evenwel niet vroeger dan over drie weken te Naucratis zijn, en zullen reeds zijn afgereisd, alvorens zij een tegenbevel van mij kunnen ontvangen. Binnen veertien dagen moet ik Egypte verlaten, en kan dus zelf mijne lievelingen niet afwachten. Ik ben besloten, mij naar den Thracischen ('.hersonesus te begeven, waar, gelijk gij weet,mijn oom door don stam dor Dolonkers ') tot vorst is verheven. Daarheen moeten de kinderen mij volgen. Korax, mijn oude trouwe slaaf, zal te Naucratis blijven oin ze tot mij te brengen. Wilt gij thans metterdaad toonen, dal gij mijne vriendin zijt, zoo ontvang die kleinen in mv huis; zorg voor hen tot er een schip naar Thracië onder zeil gaat, en verberg ze zorgvuldig voor

li Hot moest wo.gt;U'lijkc der ilric scliieroilamleu van Jlaccilonu'.

2) Zij werden om de vier jaren te Delphi gevierd, ter cere van Ajiollo, den Python-dooder.

I!) Hades (Plnto), de god der onderwereld.

4) Miltiades was dooi' dezen volksstam, die den Thracischen Chersonesus (liet schiereiland Gallipoli) bewoonde, tot koning uitgeroepen, omdat hij hunne naar Delphi trekkende gezanten had {jeiierbergd.

ocr page 57

48

de blikken van de spionnen van den kroonprins Psamtik '). Gij weef, dat deze mij een doodelijkcn haal. heeft gezworen, en zich gaarne in de kinderen op den vader zou wreken. — Ik kom tot u met deze bede, ten eerste wijl ik uw goed hart ken; ten andere omdat uw huis, krachtens den vrij biet'des konings, die het lot een asyl heel't gemaakt, de kinderen voor alle nasporingen der politie-beambten vrijwaart. Want deze personen moeten, in dil land van formaliteiten, kennis nemen van alle vreemdelingen, zelfs al zijn dit kinderen, om daarvan aangifte, te doen bij de district-beambten.

»Gij ziet, hoezeer ik u hoogschat, want ik vertrouw u het eenige toe, wat mij nog waarde doet hechten aan mijn leven. Zelfs het vaderland heeft voor mij niets aantrekkelijks, zoolang het zich onder den voet des geweldenaars kromt. Welnu, vriendin, wilt gij aan het gefolterde vaderhart de rust hergeven, wilt gij.. . Vquot;

sik wil, ik wil, Phanes!quot; antwoordde Rhodopis met ongeveinsde blijdschap. »Gij hebt mij geene bede gedaan, gij hebt mij een voorrecht geschonken. O, reeds nu verheug ik mij hij de gedachte aan de lieve kleinen! En hoe verrukt zal Sappho zijn, als die aardige schepseltjes hare eenzaamheid komen vei-vroolijken! Maar dit zeg ik u vooruit, l'hanes, met het eerste het beste Thracische schip laat ik mijne jonge gasten niet weggaan. Gij kunt het nog wel een half jaartje langer zonder hen uithouden, want ik sta er voor in, dat zij voortretlelijk onderricht zullen genieten, en dat hun al wat waarlijk schoon en goed is dagelijks zal worden voorgehouden.quot;

»Wat dat aangaat, ben ik volkomen gerust,quot; hernam Phanes met een dankbaren glimlach; »maar ik sta er bepaald op, dat gij de beide wildzangen met het eerste schip het beste laat vertrekken. Mijne vrees voor de wraakzucht van Psamtik is, helaas! maar al te gegrond. En ontvang nu bij voorbaat reeds mijn hartelijken dank voor uwe liefde en goedheid jegens mijne kinderen. Overigens geloof ik zelf, dat de aileiding, door het gezelschap van twee zulke vroolijke gasten, aan uwe Sappho in hare eenzaamheid goed zal doen.quot;

))En eindelijk,quot; liet Rhodopis met neergeslagene oogen volgen, skan dit bewijs van vertrouwen duizendvoudig opwegen tegen den hoon, mij door een dronkaard aangedaan. — Daar komt Sappho!quot;

1) Zoo heet hij op koiuugsschilden, te Karnak en op liet eiland l'hilac gevonden. Dc Grieken noemden hem Psammetichos ol' Psamenitos.

ocr page 58

VIE R D E H O O F D S T U K.

Vijf dagen na dien merkwaardigen avond in het huis van Rho-dopi^, heerschte er eene meer dan gewone drukte aan de haven van Saïs. Egyptenaren van iederen leeftijd, van allerlei rang, stand en geslacht, stonden dicht opeengepakt aan den waterkant. Soldaten, en kooplieden in witte, met veelkeurige franjes omzoomde kleederen, welker meerdere of mindere lengte afhankelijk was van den hoogeren of lageren rang dergenen, die ze droegen, bewogen zicli onder eene groote menigte gespierde, halfnaakte mannen uit de laagste volksklasse, wier eenige kleeding slechts uit een schort bestond. Geheel ongekleede kinderen verdrongen, stompten en sloegen elkaar, om toch de beste plaatsen in te nemen. Moeders, met korte mantels om de schouders '), hielden hare kleinen in de hoogte, al moesten ze daai-door ook het voorrecht missen om zelfiets van het verwachte schouwspel te zien te krijgen. Een tal van honden en katten basten en miauwden, en zaten elkander na tusschen de voeten der nieuwsgierigen, die uiterst voorzichtig waren, om toch geen der heilige dieren te trappen of te bezeeren.

Overal liepen politie-agenten rond, met lange stokken1) inde hand, welker metalen knoppen den naam des konings droegen. Zij hadden voor rust en orde te waken, maar vooral daarvoor, dat niemand door het gedrang der achteraf staanden in het water viel. Want de arm van den Nijl, die gedurende den over-stroomingstijd de muren van Saïs bespeelde, was hoog gezwollen. En het bleek niet zelden, dat de voorzorgen dezer beambten allesbehalve overbodig waren.

1

Zulke stokken zijn bijna in aüe musea aanwezig, ook te Leiden. Te Thebe moet men er gevonden hebben van kersenhout, hetgeen dubbel merkwaardig zou zijn, daar kerse- en pruimeboomen thans in Egypte niet meer worden gekweekt.

ocr page 59

50

Aan de breede met splduxen bezette oeverlrappeu, de aanlegplaats der koninklijke barken, had zich eene geheel andere klasse van menschen verzameld. Hier zaten op steenen banken de voornaamste priesters, deels in lange witte gewaden, deels met een schort, kostbare bandelieren, breed halssieraad en panterhuiden gekleed. Sommigen droegen met vederen bezette banden, die zij om het voorhoofd, de slapen en de dichte, valsche haarlokken, die op den rug nederviclen, hadden bevestigd. Anderen schenen te willen pronken met hunne zorgvuldig geschorene, glinstei'eiide kale schedels, die meestal goed gevormd waren. Onder hen was de opperrechter aanstonds te herkennen, want zijn hoofdtooisel was versierd met eene schoone, golvende struisveder, en eene kostbare amulet van saffier hing, aan eene gouden keten, op zijne borst ').

De bevelhebbers van hit Egyptische leger droegen veelkleurige wapenrokken en korte zwaarden in hunne gordels. Eene afdee-ling van de lijfwacht, met strijdbijlen, dolken, bogen en groote schilden gewapend, stond ter rechterzijde van de trap geschaard. Ter linkerzijde had men de Grieksche soldaten geplaatst, uitgedost in hun Jonischen wapentooi. Hun nieuwe aanvoerder, de ons welbekende Aristomachus, stond met eenige Grieksche ouderbevelhebbers, van de Egyptenaren afgezonderd, naast de kolossale standbeelden van Psamtik I, die, met de aangezichten naar den stroom gekeerd, op het plein boven de trap waren opgericht. Vóór de trap zat de kroonprins Psamtik, op een zilveren troon. Hij droeg een bonten met gouddraad doorweven rok, die hem eng om het lichaam sloot. 1!ondom hem stonden de voornaamste hovelingen, kamerheeren, raadslieden en vrienden des konlngs, die staven in de handen hielden, met pauwenve-deren en gouden lotusbloemen versierd «).

De volksmenigte had al lang, door schreeuwen, zingen en onderling twisten, duidelijke teekenen van haar ongeduld gegeven. De priesters en rijksgrooten daarentegen, die wij nabij de trap hebben opgemerkt, keken met waardigheid en zwijgend voor zich. Ieder van deze afgemetene, onbeweeglijke mannen in het bijzonder, met zijne stijve krulpruik 1) en zijn valschen, regelmatig

1

In het Berlijnsch museum is zulk eene pruik aanwezig, waarvan de krullen 2 voet (i duim lang zijn. Het dragen van dit hoofddeksel, dat

ocr page 60

51

gek roesden baard, had bijzonder veel overeenkomst met die, onderling volkomen op elkander gelijkende standbeelden, die rustig, ernstig en met onafgewend gelaat in den stroom zaten te turen, en onbeweeglijk op hunne plaatsen bleven.

Eindelijk werd men in do verte de zijden, purperrood en blauw geruite zeilen ') van schepen gewaar. Het volk hief een iuiden jubelkreet aan. sDaar komen ze, daar zijn ze! riep men. terwijl het gedrang toenam. — »Pas op, dat ge niet op dat katje trapt!quot; — »Minne, houd het. meisje wat hooger, opdat betook wat te zien krijge van al dat moois.quot; — »Heila, je zult me nog in 't water duwen, Sebek!quot; — »Zie dan toch toe, Phoeniciër, die jongens werpen klissen in je langen baard!quot; ?— sNu, nu. Helleen, je moei niet denken dat je in Egypte den baas moogt spelen, omdat Amasis je toestaat aan de oevers van den heiligen stroom Ie wonen!quot; — «Onbeschaamd volk, die Grieken! Weg met hen!quot; riep een tempeldienaar. — aWeg met de zwijneneters 3), die verachters der Goden!quot; klonk liet van alle zijden. Reeds dreigde men tol dadelijkheden over te gaan. Maar de politie-agenten toonden, dal zij hier niet voor niets waren. Spoedig herstelden ze orde en rust, daarbij een krachtig gebruik makende van hunne lange stokken. De groote bonte zeilen, die zeer gemakkelijk te onderscheiden waren van de blauwe, witte en bruine zeiltjes der kleine Nijlvaartuigen, kwamen intusschen al nader en nader. De menigte was in gespannen verwachting. Thans rezen de grootwaardigheidsbekleeders en de kroonprins van liunne zitplaatsen op. De koninklijke trompetters deden eene schetterende, oorverdoovende fanfare door de lucht weerklinken, en de eerste der met ongeduld verbeide barken legde voor de oevertrap aan. Het vrij lange vaartuig was rijk verguld, en voerde op den boeg liet zilveren beeld van een sperwer. In liet midden van de bark was een gouden baldakijn opgericht, met, purpeitjn hemel, waaronder lange matrassen lagen. Vóór in het schip zaten aan weerszijden twaalf roeiers, wier schorten met kostbare gordels waren vastgesnoerd 3).

Ucn schedel voor ile lelie zonneslraleu en ile plolseiing invalleinle avoud-koelte moest beschutten, had zijn oorsprong zeker te danken aan het godsdienstig voorschrift om de haren te laten alscheren.

1) „Uw zeil was van gestikte zijde uit Egypte.'' (Ezecliiël 27 vs. 7).

2) De Kgyptenaars mochten geen zwijnenvleesch eten. In een graf te Abd-el-Qoernah kan men dit verbod lezen, liet zwijn werd voor een onrein dier gehouden. De god ïyphon (Setb) had do gedaante van een zwijn aangenomen. Zwijnenhoeders werden diep veiaclit. Alleen bij het feest van Osiris en de Eileithyia werd zwijnenvleeseli geollerd. Waarschijnlijk is het Mozaïsch verbod aan de Egyptische voorschriften ontleend.

3) Naar eene afbeelding in hot museum te Berlijn. Alle aanzienlijke

ocr page 61

52

Onder den troonhemel lagen zes mannen, allen sierlijk uitgedost en van een statig voorkomen. Eer nog de bark aan den oever landde, sprong de jongste hunner, die ook de voornaamste in rang scheen te zijn, een schoon jongeling met hlonde lokken, op de trap. Bij het zien van dezen jongen man konden de lippen van menige Egyptische maagd een lang gerekt ))Ah!quot; niet weerhouden. Ja zelfs de strakke gelaatstrekken van eenige waardigheidsbekleeders plooiden zich tot een welgevallig lachje.

Hij, die aldus zoo algemeen de bewondering en de aandacht trok, was Bartja '), zoon van den overledenen en broeder van den regeerenden koning van Perzië. De natuur had hem alles geschonken, wat eeu jeugdig hart op twintigjarigen leeftijd zou kunnen wenschen. Van onder de blauwe en witte banden, waarmede zijn tiara omwonden was, kwamen dichte,goudgele haren in weelderige lokken te voorschijn. Uit zijn helderblauwe oogen straalden levenslust, goedheid en dapperheid, ja vermetelheid. Zijn edel gelaat, dat de eerste sporen vertoonde van een baard zou een waardig model zijn geweest voor den beitel van een Griekschen beeldhouwer. Zijne ranke, gespierde gestalte getuigde van groote kracht en ongemeene vlugheid. De pracht van zijn gewaad was evenredig aan zijne schoonheid. In het midden van zijne tiara fonkelde eene groote ster van diamanten en turkooizen. Zijii tot over de knie reikend opperkleed van zwaar wit goud-brocaat, werd boven de heupen door een gordel van blauw en wit 3) bijeengehouden. In dezen gordel hing een kort zwaard met gouden schede, die evenals het gevest, tot overladens toe, met witte opalen en blauwe turkooizen bezet was. De benedenklee-deren, die nauw om de beenen sloten, bestonden evenals het opperkleed uit goudbrocaat. Aan de voeten droeg hij lage schoenen van lichtblauw leder. Zijne krachtige armen, die de wijde lange mouwen van zijn kleed voor een groot deel zien lieten, waren met onderscheidene kostbare armbanden van goud en edelgesteente versierd. Van zijn slanken hals hingen gouden ketens tot op de hooggewelfde borst neder 3).

Egypteuaars bezaten meer of minder kostbare Nijlbarken, Op een graf uit den pyramiden-tijd vinden wij reeds gewag gemaakt van een hooi'd-opzichter over deze talrijke schepen. In het Leidsch museum zijn modellen van Egyptische vaartuigen.

i) Meer bekend ouder den naam Smerdis, zooals de Grieken hem noemden, men weet niet zeker waarom. Op de opschriften in spijkerschrift van liisitoun of Behistan heet hij Bartja of Bardiya, Babylouiseh Barzia.

'2) De kleuren van het Perzische koningshuis.

3) Deze beschrijving van de Perzische kleederdracht is ontleend aan Aeschylus, Xenophon, Curtius, het boek Esther en een te Porapeji gevonden mozaïek, den slag bij Issus voorstellende, waarschijnlijk afkomstig yan eene Egyptische schilderes Helena, dochter van Timon.

ocr page 62

Deze jongelinfr was de eerste, die den oever betrad. Hem volgde Darius, de zoon van Hystaspes, een aanzienlijke Pers, evenals Bartja van koninklijke bloede en slechts weinift minder kostbaar gekleed dan deze. De derde persoon die de bark verliet, was een grijsaard met sneeuwwitte haren. Op zijn vriendelijk, zacht gelaat zetelden de goedheid van het kind, de wijsheid van don ouderdom en de krachtige geest van den man. Hij droeg een langen, purperkleurigen rok met mouwen, en gele Ly-dische laarzen ») Zijne geheele voorkomen was hoogst eenvoudig en zonder eenige aanmatiging. En toch was deze nederige grijsaard eenmaal de meest benijdde man van zijn lijd, met wiens naam fhans nog het, toppunt van aardschen rijkdom wordt, uitgedrukt. In hem leeren wij Cresus, den onltroonden koning van Lydië kennen, die thans als vriend en raadsman aan het hof van Cambyzes leefde, en den jongen Barlja als mentor naar Egypte vergezelde. Hem volgden Prexaspes, de eigenlijke gezant van den koning Zopyrus, de zoon van Megabyzes. een Pers van adel, de vriend van Bartja en Darius, en eindelijk Gyges, de magere, bleeke zoon van Cresus, die, in zijn vierde levensjaar stom geworden, tengevolge van den doodsangst, dien hij bij de inneming van Sardes ter wille van zijn vader had uitgestaan, de spraak teruggekregen had.

Psamtik steeg de trappen af en ging de vreemdelingen tegemoet, intusschen beproevende zijn geelachtig, streng gelaat tot een minzamen glimlach te plooien. De waardigheidbekleeders, die hem volgden, bogen zich bijkans ter aarde, terwijl zij de armen slap lieten neerhangen. De Perzen kruisten de handen over de borst, en wierpen zich voor den kroonprins neder. Toen de eerste plichtplegingen voorbij waren, kuste Bartja. volgens de gewoonte van zijn land, tot groote verbazing van het volk, dat zoo iets nog nooit had aanschouwd, de gele wang van den Egyptischen koningszoon, wien eene rilling door de leden ging bij deze aanraking van de onreine lippen eens vreemdelings. Hierna begaf hij zich met zijn gevolg naar de draagstoelen, die gereed stonden om allen naar de voor hen in het koninklijk paleis te Saïs gereedgemaakte verblijven te brengen.

Een deel van het volk stroomde de vreemdelingen achterna; de meeste toeschouwers bleven echter waar zij waren, wetende, dat zij nog vele dingen zouden aanschouwen, die hunne oogen nooit te voren hadden gezien.

»Zoudt gij dien opgeschikten aap, en die andere Typhons-

quot;1) Om deze laarzen noemde liet orakel Cresus „weekvoetig.quot;

ocr page 63

kinderen ') naloopen?quot; vroeg een tempeldienaar, die alles behalve in zijn Immeur was, zijn buurman, een eerzamen kleermaker uit. Saïs.

sik verzeker u, Poehor, en ook de opperpriester heeft liet gezegd, dat deze indringers niets dan onheil over het zwarte land 2) brengen! Och konden wij dien goeden ouden lijd nog eens beleven, toen geen vreemdeling, die zijn leven liefhad, den voet op Egyptischen bodem durfde zetten. Thans wemelen letterlijk onze straten van Hebreeuwsche bedriegers, maar vooral van die onbeschaamde Hellenen, die de Goden mogen verdelgen'. Daar, zie eens aan, dat is reeds de derde bark vol vreemdelingen. En weet gij, wie die Perzen zijn? De opperpriester heeft gezegd, dat in hun gansche rijk, hetwelk de halve wereld omvat, geen enkele tempel is voor de goden. Zij laten de lijken hunner dooden, in plaats van ze eene eervolle begrafenis te gunnen, door de honden en gieren opeten 3).quot;

Do kleermaker toonde zich over deze mededeeling niet weinig verbaasd en nog meer verontrust, Met den vinger naar de aanlegplaats wijzende, riep hij uit: »Zoo waarachtig als de zoon van Isis tien Typhon vernietigt: daar komt nu het zesde schip met vreemdelingen aan wal!quot;

».la, wel is het erg!quot; zuchtte de tempeldienaar. »Men zou baast denken, dat een geheel leger in aantocht was. Amasis zal het nog zoover drijven, dat hem de vreemdelingen van den troon en het land uil jagen; dat zij ons armen, evenals weleer de booze Hyksos4), die pestmensclien, en de zwarte Ethiopiërs hebben gedaan, uitplunderen en tot slaven maken.quot;

ij Po Grielion veroonzelvigdcn hun boozon yod Typhon met dien der Egvptenaars, Solli.

2) Zoo noemden do Egypteuaars zelve linn land, naar de donkere kleur van den bodem.

3) De Perzen hadden werkelijk onder de Acliaemeniden iteene tempels, alleen altaren. Wat do dooden aangaat, het onreine lijk mocht nocli de reine aarde bezoedelen, noeh aan liet reine vuur oi' het reine water worden oveigegeven. Men legde dus dakhma's ol' begraafplaatsen aan die ten minste vier duim dik met cement bepleisterd en met touwen omgeven moesten zijn. Dit beteekende, dat het gelieelo gebouw in de vrije lucht hing.

4) Dal een vreemde volksstam van dezen naam, over welks herkomst verschil van gevoelen bestaat, werkelijk meer dan 400 jaren over het grootste gedeelte van Egypte heelt geheersebt, is uit monumenten en papyrussen gebleken. Zij drongen de wettige koningen naar het Zuiden terug. Hunne verdrijving, omstreeks 1600 v. dir., had plaats onder den laatsten koning van de '17de dynastie en den eersten van de ISde. De vreemde indringers, die niet met de Joden verward mogen worden, weiden aat-u, geesels, pestmensclien genoemd. — De Ethiopiërs voerden later onder drie koningen heerschappij over Egypte, waarvan Taharka (ïirhaka), de laatste was, Zij werden m 693 terruggedroven.

ocr page 64

»De zevende hark!quot; riep de kleermaker.

»Mijne gebiedster Neilh, de groote godin van Saïs, moge mij verderven;quot; klaagde de tempeldienaar, »als ik den koning begrijp! Drie schepen heeft Lij naar dat vervloekte giftnest Nau-cratis gezonden, om de bedienden en de pakkage der Persische gezanten herwaarts over te brengen. Maar de drie bleken bij lange na niet voldoende; nog vijf andere schepen waren er noodig. Want behalve eene ongehoorde menigte keukengereedschappen, honden, paarden, wagens, kisten, manden en balen, hebben deze verachters der goden, deze lijkenschenners, een heir van knechten duizend mijlen ver hierheen gevoerd. Onder dezen moeten er zijn, die niets te doen hebben, dan kransen te vlechten of zalven te bereiden1). Ook priesters, die zij magiërs noemen, hebben ze bij zich. Nu zou ik wel eens willen weten, waarom zij er deze op na houden'? Want wat beduidt een priester waar niet eens een tempel is?quot;

De grijze koning van Egypte, Amasis, had het Persische gezantschap, kort na zijne aankomst, met de hem zoo eigene minzaamheid bij zich feu gehoore ontvangen. Vier dagen later ging hij, na de bezigheden, waaraan hij zich geregeld iederen morgen wijdde, te hebben afgedaan, met den ouden Cresus in den luin van het paleis wandelen, terwijl de overige leden van het gezantschap, onder geleide van Psamtik, een tochtje op den Nij 1 naar Memphis deden. De koninklijke tuin, die, hoewel volgens een veel grootscher plan, in denzelfden geest, als die van Rho-dopis was aangelegd, bevond zich nabij den koningsburg, die in het noordwestelijk gedeelte der stad op een heuvel was gelegen.

De beide grijsaards zetten zich neder onder het lommer van eene breedgetakte sykomore, niet ver van een reusachtig bekken uit rood graniet gehouwen, waarin krokodillen van zwart bazaH, uit wijdgeopende muilen, een overvloed van kristalhelder water spoten. Was de onttroonde koning ook al eenige jaren onder dan de machtige vorst aan zijne zijde, zijn gelaat was toch veel frisscher en zijne gestalte veel krachtiger dan die van Amasis. Deze, ofschoon overigens hoog gebouwd, ging reeds gebogen; de beenen die zijn groot lichaam droegen waren bijzonder schraal; zijn aangezicht was welgevormd, maar reeds gerimpeld. Een jeugdig vuur straalde nog altijd uit zijne kleine, bliksemende

1

Oadei' hot govolff van Darius, dat Aiexamler ilp Gi'ootc povaugcn nam, waren 277 koks, '29 keukenjongens, 17 kuipers, 70 hofmeesters, 40 zalfbereiders en (30 kransenvlechteiv

ocr page 65

56

oogen, en een schalke, ja dikwerf spotachtige trek speelde voortdurend om zijne dikke lippen. Het lage doch breede voorhoofd van den grijsaard en zijn groote, schoongewelfde schedel getuigden van de kracht zijns geestes De afwisselende kleur van zijn oog liet vermoeden, dat deze zeldzame man, die zich van gemeen soldaat tot den troon der pharao's had weten te verheffen, groote schranderheid bezat, doch ook de macht der hartstochten kende. Zijn stemgeluid was hard en snijdend, zijne bewegingen waren, in tegenstelling met de afgemetenheid van den geheelen Egyp-tischen hofstoet, bijkans overdreven levendig.

De houding van zijn metgezel was een koning waardig, doch tegelijk bevallig. Zijn geheele wezen verried, dat hij veel met de edelste Grieken verkeerd had. Thales, Anaximander en Anaxi-rnenes van Milete, Bias van Priëne, Solon van Athene, Pittacus vau Lesbos, de beroemdste Helleensche wijsgeeren, hadden zich weleer als gasten aan den disch van Gresuste Sardes vereenigd. Zijn volle, heldere stem klonk als liefelijk gezang, b\j het schrille geluid van Amasis.

»Maar zeg mij thans onbewimpeld,quot; sprak de pharao, in tamelijk vloeiend Grieksch, »hoe Egypte u bevalt. Ik weet niemand, op wiens oordeel ik hoogeren prijs stel, dan op het uwe. Want vooreerst kent gij de meeste volken en landen van de wereld, ten andere hebben de goden u de geheele ladder der fortuin op en af doen stijgen, ten derde zijt gij niet tevergeefs zoo lang de eerste raadsman van den machtigste aller koningen geweest. Ik zou wel willen, dat mijn rijk u zoo beviel, dat gij genegen waart, als een broeder bij mij te blij ven. Waarlijk, Cresus, schoon de goden mij eerst gisteren uw aangezicht hebben doen aanschouwen, zijt gij toch reeds lang mijn vriend.quot;

»En gij de mijne,quot; haastte de Lydiër zich te zeggen, sik bewonder u om den moed, waarmede gij uwe omgeving trotseert, en weet door te zetten wat gij goed oordeelt. Ik ben u dankbaar voor de bescherming, die gij mijne vrienden, de Hellenen, verleent. Ik beschouw u als een lotgenoot, want ook gij hebt al het wél en wee, dat het leven bieden kan, bij ervaring leeren kennen!quot;

)gt;Met dit onderscheid echter,quot; hernam Amasis glimlachend, »dat wij op zeer verschillende wijze begonnen zijn. U viel eerst het goede, daarna het kwade ten deel. ' Mij ging het juist omgekeerd, altijd namelijk onderstellende,quot; vervolgde hij zuchtende, ))dat ik mij in mijn tegenwoordigen toestand gelukkig gevoel.quot;

•1) Het portret viui Amasis als Jongeling wordt in de werken van Ro-sellini en Lepsius gevonden. Uit de trekken blijkt, dat Herodotus het karakter van dezen vorst goed geteekend heelt.

ocr page 66

»En ook,quot; vulde Cresus aan, «dat ik onder mijn zoogenaamd ongeluk lijde.quot;

»Hoe zou -dit anders kunnen zijn, na het verlies van zulk een heerlijk rijk en zoo groote schatten?quot;

»Is dan het geluk alleen fe vinden in het bezit van aardsche goederen of macht?quot; vroeg Cresus. ))Is het wel in iets stoffelijks gelegen? Geluk is niets anders dan eene gewaarwording, een gevoel, dat de wangunstige goden eer den behoeftige schenken, dan den machtige, wien anders zoo heldere blik niet zelden door den van zijne schatten verblind wordt, en wiens hart bloedt

bij elke nederlaag. Zich bewust van zijn kracht om veel te erlangen, moet hij telkens onderliggen in den strijd om het bezit van alle goederen, die hij zou wenschen de zijne te noemen, maar niet verkrijgen kan.quot;

Amasis zuchtte weder en antwoordde: ))Tk wenschte wel,dat ik n van dwaling kon overtuigen. Maar wanneer, ik mij mijn verleden herinner, dan moet ik bekennen, dat sedert het uur, hetwelk mij het zoogenaamde geluk aanbracht, ook de zorgen mijns levens zich quot;begonnen te doen gevoelen.quot;

»En ik verzeke • u,quot; liet Cresus er dadelijk op volgen, ))dat ik u dankbaar ben voor dit woord, al hebt ge het ook uws ondanks gesproken, daar mij het uur, dat voor mij zoo noodlottig was, het eerste waarachtige geluk te smaken gaf. Toen de Perzen de muren van Sardes beklommen, verwenschte ik mij-zelven en de goden ; haatte ik het leven en vloekte ik mijn bestaan. Al vechtende week ik in vertwijfeling met de mijnen terug. Daar zwaaide een krijgsknecht zijn zwaard over mijn sehedel; mijn sedert jaren stomme zoon viel den moordenaar in de armen, en wederom hoorde ik het eersfe woord uit dien dierbaren mond, die door den angst was ontsloten. De tong van mijn spraakloos kind Gyges was ontboeid, en ik, die de goden had gevloekt,boog mij voor hun macht. Ik ontrukte den slaaf het stanl, waarmede ik hem bevolen had mij te dooden, als ik in de hand der Perzen viel. Ik was een ander man. geworden en leerde langzamerhand de telkens weder boven komende ontevredenheid over mijn lot en den weerzin tegen mijn edelen vijand bedwingen. Gij weet, dat ik eindelijk Cyrus' vriend werd; dat mijn zoon, die het gebruik van zijn spraak vermogen behield, naast mij als vrij man mocht opgroeien. Al wal ik schoons in mijn langdurig leven had gezien gehoord en gedacht, vereenigde zich van nu voor mij in dien eenigen, die mijn rijk, mijne kroon, mijn schat was geworden. Als ik zag hoe de zorgen Cyrus dag noch nacht rust lieten, kreeg ik een afkeer van mijne eigene vroegere grootheid en macht, en werd het mij steeds duidelijker, waar het waarachtig geluk te vinden is. Een ieder draagt het als eene verborgene kiem in zijn

ocr page 67

ris

hart om. De tevredenheid en liet geduld, die den menscli in staat stellen zicli niet alleen over het groote en sclioone, maar ook over den geringsten zegen te verblijden, het leed zonder klachten aan te nemen, en het door de gedachten aan een beter verleden te verzachten; dat zich zeiven gelijkblijven onder alle omstandigheden; het onwankelbaar vertrouwen op de bescherming der goden, en de overtuiging, dan ook liet ergste ons voorbijgaat, wijl alles aan verandering en omkeer onderworpen is, — dit alles doel ontwijfelbaar de in onze borst verborgene kiem des geluks rijpen, en schenkt ons de kracht om te glimlachen, als het troetelkind van de fortuin versaagt en vertwijfelt.quot;

Amasis luisterde aandachtig toe, terwijl hij inmiddels met den gouden kop van een hazewind op zijn staf liguren in het zand teekende: 11 ij zeide daarop: «Inderdaad, Cresus, ik, de groote God, de zon der gerechtigheid, de zoon van Neitli, de heer van den krijgsroem gelijk de Egyptenaren mij noemen, zou u, den armsten, den beroofden en onttroonden vorst haast kunnen benijden. In vroeger dagen was ik even gelukkig als gij thans zijt. Geheel Egypte kende mij, den armen zoon van een hoofdman, en gewaagde van mijne dartelheid, mijne guitenstreken, mijne luchthartigheid en mijn aan roekeloosheid grenzenden moed. De gemeene soldaat droeg mij op de handen. Mijne meerderen vonden veel in mij te berispen; maar uit liefde voor den dollen Amasis zag men alles door de vingers. Mijne makkers, de onderbevel hebbei-s van het leger, hadden geen genoegen op hef heerlijkste feest, als ik er niet bij was.

sOp zekeren dag zond mijn voorganger, Hophra, ons ten strijde tegen Gyrene. In de woestijn van dorst versmachtende, weigerden we verder ie trekken. 'Wij begonnen den koning Ie verdenken, dat hij ons in de macht der Helleensche krijgsbenden wilde overleveren, en kwamen tot openbaren opstand. Schertsend, als allijd, riep ik den vrienden toe: Zonder koning kunt gij u niet redden, maakt mij dus tot uw vorst; een vroolijker vindt gij zeker nergens! Do soldaten hadden dit woord vernomen. Amasis wil koning worden! klonk het van gelid tot, gelid, van mond tot mond! De goede, de vroolijke Amasis zij onze koning! jubelde het gansche leger na weinige oogenblikken. Een mijnor oude tafi'1 vrienden zette mij don veldheershelm op hel hoofd, en toen deed ik de scherts in ernst verkeeren. De hoofdmacht: van liet leger sloot zich bij mij aan, en wij versloegen Hophra bij

1) Titel van Amasis. Allo andere plKirao s voerden dergelijke liijnamen en werden als goden vereerd, gelijk uit ontelbare liiëroglyphisclie opschriften is gebleken. In de 26o dynastie komt de titel Neb-pehti, lieer van den krijgsroem, meermalen voor.

ocr page 68

TiO

Momempliis. Het volk nam aanstonds deel aan den opstand. Ik beklom den troon. Men noemde mij gelukkig. Ik, die tot dusverre de vriend was van alle Egyptenaren, werd spoedig do vijand van de besten in den lande.

»De priesters huldigden mij eu namen mij in hunne kaste op, maar alleen omdat zij hoopten mij geheel naar hunne band te kunnen zetten. Zij, die vroeger boven mij stonden, benijdden mij, of wilden op denzelfden toon als voorheen met mij blijven ver-keeren. Ik begreep dat dit niet mogelijk was en mijn gezag zon ondermijnen. Op zekeren dag, toen de oversten van liet leger bij mij ter maaltijd waren en met mij wilden schertsen, wees ik bun op het gouden bekken, waarin men, voor wij aan tafel gingen, hunne voeten gewasscben had. Vijf dagen later waren zij wederom mijne gasten, en toen deed ik een gouden beeld van den grooten god Ha ^ op don rijk voorzienen discb plaatsen. Zoodra zij bet beeld zagen, vielen zij neder om te aanbidden. Toen zij wederom waren opgestaan, greep ik mijn scbepter, hield dien plechtig in de hoogte en riep ; Dit beeld van den God heeft oen menscb in vijf dagen vervaardigd uit bet verachte bekken, in hetwelk gij spuwdet. en waarin men uwe voeton wiesch. Ikzelt was eens zulk een veracht vat; de godheid evenwel, die beter en sneller dan een goudsmid weet te scheppen, heeft mij tot. uw koning gemaakt. Valt dus voor mij neder, en aanbidt. Wie ongehoorzaam is, of voortaan den eerbied, dien hij don koning verschuldigd is, uit het oog verliest, is des doods schuldig.

»Zij vielen voor mij neder, allen. Mijne waardigheid was go-red; maar mijne vrienden bad ik verloren. En nu gevoelde ik behoefte aan een anderen, vasteren steun. Uozon vond ik bij de

1) Ra, met liet maimclijk artikel Phra, was het midilelpunt van ilen Egyptischen zoimedienst. Hij werd inzonJerheid te Heliopolis (Heb;-. On. Egypt. An) vereerd. Hij komt op de gedenkteekenen voor met eeno roodc kloui. Do sperwer was hem geheiligd. Aan hem zijn de moeste hymnen en geljedon gericht, en in liet Doodenhoek spoelt hij de hoofdrol. I'lato, Endoxiis eu waarschijnlijk ook Pythagoras hebben aan de voeten zijner priesters gezeten. De obelisken, volgons Plinius afbeeldingen van de zonnestralen, waren hem geheiligd. Als lichtgod bostinirde hij de zichtbare schepping, gelijk Osiris do geestenwereld. Ra was de openharing van Osiris, gelijk deze weder de ziel van Ra. Als Ra treedt Osiris eiken morgen zichtbaar te voorschijn, om 's avonds tot zijn eigenlijk rijk terug to koeren. De Osiris-, Isis- en llorus- mythe gal'aan dozo voorstelling een allegorisch-:! ra ma tisc hen vorm (Vgl. Ebers, W a r d a. Dl. I, hl. 1J5. v.). Tot zijn dienst behoorde do phoenix (Bennoe), die om de 500 jaren uit het palmenland (oost-Phoenicië) kwam, om zich in don tempel te Heliopolis te verbranden on uit zijn asch te verrijzen. Zoo vernieuwden ook die tijdperken zich eeuwig. ITot zesmaal terugkoeren van dit tijdperk bepaalde den tijd, dien oene ziel noodig had, om geheel gelouterd uit hare omzwerving terug te koeren.

ocr page 69

cr»

Hellenen. Een Griek if?, wat de krijgstucht betreft, meerwaard dan vijf Egyptenaren. Dat wist ik, en met het oog hierop waagde ik het door te petten, wat ik voor mijzclven raadzaam achtte. Van toen af was ik altijd omringd door Grieksche soldaten. Ik leerde hunne taal, en maakte door hunne tusschenkomst. kennis met den edelsten mensch, dien ik ooit ontmoette, namelijk Pythagoras. Het werd mijn streven in Egypte Grieksche kunsten Grieksche zeden in te voeren. Want ik was tot de overtuiging lt;relsompn, dat het allerdwaast is halsstarrig vast te houden aan het gebrekkige, dat ons door de vaderen is overgeleverd ; dat voor de hand lag wat verbeterd moest worden; dat de Egyptische grond gereed was om liet, goede zaad te ontvangen en slechts wachtte op de hand, die 't uit zon strooien.

»Ik maakte eene nieuwe en veel doelmatiger rijksverdeeling, nam do hestc maatregelen voor de openbare veiligheid, en het gelukte mij veel door te zetten. Mijn hoogste dool evenwel, om namelijk den Griekschen geest, den Griekschen schoonheidszin, den Griekschen levenslust en de vrije Helleensche kunst in dit schoone, weelderige en toch nog zoo onbeschaafde land ingang te doen vinden, leed schipbreuk op de klip, die mij, zoodia ik op iets nieuws het oog had, met oen volkomen ondergang bedreigde. De priesters binden mij de handen en werken mij tegen. Zij zijn mijne meerderen. Zij, die met bijgeloovigen eerbied aan alle overleveringen gehecht zijn, voor wie al bet vreemde een gruwel is, en die in iederen buitenlander een natuurlijken bestrijder zien van hun gezag en hunne leerstellingen, regeeren het godsdienstigste van alle volkeren met bijna onbeperkte macht. En dit is de oorzaak, dat ik hun mijne beste plannen ten ofier moet brengen ; dat ik, de minste vrije in geheel Egypte, mijn leven naar hunne strenge inzettingen doelloos moet laten voorbijgaan; dat ik onvoldaan zal sterven, en misschien bij mijn dood niet eens zeker zal zijn, dat deze toornige en trotscbe middelaars tusschen den mensch en de godheid mij de eeuwige ruste in het oraf zullen gunnen !quot;

»Bij Zeus, den vader der goden en menschen, arme gelukkige!quot; viel Cresus thans meewarig den koning in de rede, sik begrijp uwe klacht. Want hoewel ik gedurende mijn langdurig leven reeds menigeen bel) gekend, die somber en afgetrokken zijne dagen sleet, zoo kon ik toch niet denken, dat er een geheel geslacht van menschen zou bestaan, die allen met dezelfde som-berheid bedeeld zijn, gelijk de slangen met gifttanden. Zoovele priesters als ik op mijne reize bierheen en aan uw hof ontmoet heb, zoovele norsche en wrevelige aangezichten heb ik ook gezien. Zelfs de jongelingen die u bedienen, zag ik zelden lachen; en vroolijkheid pleegt toch, als de schoonste gave der godheid,

ocr page 70

61

een kenmerk der jeugd te zijn, gelijk de bloemen dat der lente.quot;

»Gij zoudt u zeer vergissen,quot; antwoordde Amasis, sundien gij alle Egyptenaren voor sombere menschen wildef. houden. Onze godsdienst eischt wel, dat wij steeds ernstig aan den dood zullen denken, maar overigens zult -dj ternauwernood een volk vinden, dat zoo geneigd is tot vroolijke scherts. Is er aanleiding tot feestvreugde, geen volk zal zoo gemakkelijk alle zorgen vergeten en zoo uitgelaten jubelen als het mijne. Maar uwe tegenwoordigheid aan mijn hof is den priesteren een doorn in het oog, en zij laten mij In, n wrevel over mijne gemeenzaamheid met u als vreemdeling duidelijk gevoelen. Die knapen op welke gij doelt, de zonen der aanzienlijksten onder hen, zijn de grootste plaag van mijn leven. Zij bewijzen mij slavendiensten en vliegen op elk mijner wenken. Men zou hen, die hunne kinderen eene zoo nederige betrekking laten vervullen, oppervlakkig voor de gehoorzaamste en eerbiedigste dienaren houden van een vorst, die zij als een God vereeren. Maar geloof mij, Cresus, juist achter dit oiler van hnnne zijde, dat geen koning zonder te be-leedigen van de hand kan wijzen, schuilt eene fijne en listige berekening. Ieder dezer jongelingen is mijn bewaker, mijn spion. Ik kan geene hand verroeren, zonder dat zij het weten. En wat zij te weten komen, wordt in hetzelfde uur aan de priesters overgebracht.quot;

sMaar hoe kunt gij zulk een leven verdragen ? Verban deze schandelijke spionnen uit uwe tegenwoordigheid, en kies uwe dienaren, bijvoorbeeld uit de kaste der krijgslieden, ilie u niet minder nuttig kan zijn dan die der priesters.quot;

))Kon ik maar, durfde ik slechts 1quot; riep Amasis. Doch opeens ging hij voort op zachter toon, als ware hij van zichzelf geschrikt: »Ik geloof zeker, dat men ons beluistert! Morgen zal ik het vijgenboschje daar ginds laten uitroeien. Het is dien jongen, priesterlijken hovenier, die daar de nog nauwelijks rijpe vijgen plukt, stellig om andere vruchten te doen, dan die hij zoo langzaam in zijn korfje legt. Met zijne hand zamelt hij het ooft in, en met zijn oor de wóórden uit den monds zijns konings.quot;

»Maar bij vader Zeus en Apollo!...quot;

»Ik begrijp uwe verbazing,quot; vervolgde Amasis fluisterend, »eu kan er in deelen. Maar ieder recht brengt zijne plichten mede. Als koning van dit land, waarin men de overlevering als hoogste godheid vereert, moet ik mij aan het duizenden jaren oude hof-ceremoniël, althans voorzoover de hoofdzaak betreft, onderwerpen. Waagde ik het mijne kluisters te verbreken, dan kon ik mij verzekerd houden, dat men mijn lijk onbegraven zou laten liggen. Want weet, dat de priesters over iederen afgestorvene een doodengericht houden, en een iegelijk dien zij schuldig oor-

ocr page 71

deelen de ruste van het graf ontzeggen '). De genegenheid die zij voor mijn zoon koesteren, waarborgt mijne mummie wel eene eerlijke begrafenis. Doch wat mijn lijk te wachten staat van hen, die voor de doodenoflers moeten zorgen. ...quot;

»Wat bekommert go u om het graf!quot; riep Gresns met eeni-gen wrevel. »Men leeft voor het leven, niet voor den dood!quot;

«Zeg liever,quot; hervatte Amasis, opstaande, swij, die als Grieken denken, achten een schoon leven het hoogste, wat een mensch ten deel kan vallen. Ik echter, Cresus, dank mijn bestaan aan een Egyptischen vader, ik ben door eene Egyplische moeder gezoogd, met Egyptische spijze gevoed, en heb ik ook veel van de Hellenen overgenomen, in mijn innerlijk wezen blijf ik toch steeds Egyptenaar. Wat ons in onze kindsheid is aangeprezen, en in onze jeugd als heilig en goed is voorgesteld, dat leeft in ons hart voort, totdat men ons wikkelt in het lijkkleed der mummiën. Ik ben een grijsaard en heb nog slechts een kort eind-wegs af te leggen, om den grenspaal te hereiken, waar de onbekende toekomst aanvangt. Zal ik nu, om mijne nog weinige levensdagen te verzoeten, de duizenden jaren, die mij bij den dood wachten, verbitteren'? Neen, mijn vriend! juist hierin ben ik Egyptenaar gebleven, dat ik als al mijne landgenooten vast en zeker geloof, dat van het behoud mijns lichaams, de woning der ziel, het geluk van mijn tweede leven -) afhankelijk is, wanneer ik nog niet waardig word bevonden om op te gaan in de wereldziel en, zelf een bestanddeel dier ziel, als Osiris deel te nemen aan het bestuur van al het geschapene. Maar genoeg van deze dingen, die gij toch niet verstaat. Beantwoord liever mijne vraag; Hoe bevallen u onze tempels en onze pyramiden

Cresus bedacht zich een oogenblik, waarna hij glimlachend antwoordde : »Ue steenmassa's der pyramiden maken op mij den indruk, als waren zij door de onmetelijke woestijn, de bonte zuilengangen uwer tempels, als waren zij door de bloeiende lente geschapen. Maar terwijl de spinxen, die tot de tempelpoorten leiden, den weg naar het heiligdom wijzen, zoo schijnen de steile

1) Gncksdic berichtgevers niet «llcon, maur ook dü luonumeüten kun-iumi dit yotui^en. In soininiVe kamers lieell men dc opschriften gevonden in een toestand, die duidelijk bewees, dat ze opzettelijk vernield waren. In de groote pyrainide van Choefoe (Cheops), die liet volk met geweld had gedwongen aan zijn reusachtig graf' te bouwen, ja, Ie tempels had doen sluiten, opdat de godsdienst den arbeid niet vertragen zou, vond men eene ledige en vernielde sarkophaag.

2) Elke menschelijke ziel werd beschouwd als een deel der wereldziel, Osiris, waarmede hij zich na den dood des lichaams weder ver-eenigde, om dan Osiris genaamd te worden. De Egyptische kosmos bestaat uit hemel, aarde en onderwereld. Op den oceaan, die het hemelgewelf

ocr page 72

03

vesüngaeliti^e muren der pylonen opgetrokken om ieder af te weren. Evenzoo hebben de veelkleurige biêrog'lyphen-beelden iets aantrekkelijks, maar ii^lieiiinzinni^ als ze zijn, sclirikkeu zij den onderzoekenden geest af. Overal staan beelden van uwe goden in allerlei gestalten, zoodat men ze zien moet, of men wil of niet, en toch vermoedt ieder, dat zo iets anders beteekenen dan zij voorstellen, dat zij, naar ik hoor, de zinnebeelden zijn vau diepe gedachten, die maar weinige menschen begrijpen kun-uen. Alles trekt mijne aandacht, alles wekt mijne belangstelling, doch mijn warm gevoel voor het schoone wordt door niets van-wat ik zie weldadig aangedaan, veel minder bevredigd. Indien mijn geest, mocht willen indringen in de geheimnissen van uwe wijze mannen, zou mijn hart en mijn verstand toch zeker vreemd blijven aau do hootddenkheelden, waarop uw denken, leven en streven berust. Zij schijnen mij te leeren, dat men het leven heeft te beschouwen als cene korte bedevaart naar het graf, den dood daarentegen als het eigenlijke, ware leven.quot;

»En toch wordt ook dooi' ons het leven, dat men door heerlijke feesten opluistert, in zijne volle waarde erkend, heeft ook voor ons het graf zijne verschrikkingen, en poogt men deti dood te ontvluchten, wanneer hij zich vertoont. Onze geneesheeren zouden niet zoo beroemd en geëerd zijn, als men hun het vermogen met toeschreef om ons aardsche leven te verlengen. Doch dit doet mij aan den oogarts jSebenchari denkon, dien ik naar Susa zond, om den koning zijne diensten te bewijzen. Hand-haalt hij zijn roem, is men tevreden over hem?quot;

^Uitmuntend,quot; antwoordde Cresus. »Zulkevertegenwoordigers der wetenschap doen uw land eer aan. Het. was ook Neben-chari, die C.ambyzes het eerst sprak over de bevalligheid uwer dochter. Reeds vele blinden heeft hij hersteld, maar quot;s konings moeder mist helaas nog' altijd het gezicht. Wij bejammeren het slechts, dat hij alleen bedreven is in de oogheelkunde. Toen de

omgeeft, vaart do zouncyod in oen schuit, getrotikon iloor steiTon on pta-iii'ton. De godon wonen daarboven in eeuwige rust. De inonsch nu behoort, wat zijn ziet aangaat, tot ileu hemel, zijn lichaam tot do aaide, zijne gedaante ol' schim lot de onderwereld, liij zijn dood worden deze tijdelijk, vereenigdo deelen gescheiden, om tot die drie rijken weder te koeren. Het was een der voornaamste voorschriften in de Egyptische godsdienstleer, dat het lichaam zoowel voor bedeiT als voor vernieling bewaard moest worden. Misschien hebben de priesters, bij het opstellen van deze verordening, ook wel de gezondheid op het oog gehad. Daarbij stelde men zich voor, dat do ziel nog gedurende oen grooteu cyclus van zonnejaren aan hot lichaam gebonden was, dat zij ook naar welgevallen verlaten kon, om zich in allerlei andere gedaanten aan de menschen te vertoonen.

ocr page 73

64

prinses Atossa de koorts had, was hij niet Ie bewegen haar eenigen raad te geven.quot;

»i)at is zeer natuurlijk, daar onze geneesmeesters ieder slechts éen bepaald deel van het lichaam mogen behandelen. Wij hebben hier oor-, tand- en oogartsen, dokters voor beenbreuken, en weer andere voor inwendige ziekten. Overeenkomstig de oude priesterlijke verordeningen, mag een tandendokter geen doove, een beenarts geen ingewandslijder behandelen, ook al ware hij volkomen bekend met het geheele inwendige samenstel van het lichaam ^). Deze verordening heeft ten doel, meerdere grondigheid in de beoefening van de geneeskunde te bevorderen. Nu is het zeker ook waar, dat de priesters, waartoe de artsen behooren, over het algemeen zich met hoogst lolïelijken ernst op de wetenschap toeleggen. G inds ziet gij het huis van den opperpiester Neithotep, wiens sterren- en meetkundige kennis zelfs door Pythagoras hoog geroemd werd. Het staat naast den zuilengang, die tot den tempel der godin Neitli, de gebiedster van Saïs, toegang verleent. Ik wenschte dat het mij geoorloofd ware, u het heilige bosch met zijne prachtige boomen, de kostbare zuilen van het heiligdom, welker kapiteelen in den vorm van lolusbloemen -) zij [i uitgehouwen, en de kolossale kapel van graniet, die ik te Elephantine uit een enkelen steen liet vervaardigen, tot een geschenk voor de godin 1), te toonen. De priesters hebben mij echter uitdrukkelijk verzocht ook u niet verder te brengen dan tot aan den ringmuur en het poortgebouw van den tempel. Kom, laat ons thans tot mijne vrouw en dochter gaan, die u ook reeds als een oud vriend liefhebben. Ik hoop, dat gij het arme kind zult bewijzen, dat gij waarlijk baar vriend zijt, voordat gij met haar henen trekt naar het verre land en tot tie vreemde menschen, wier vorstinne zij wezen zal. Niet waar, gij wilt toch wel haar beschermer zijn?quot;

«Verlaat u daarop,quot; verzekerde Cresus, de hand drukkende, die Amasis hem toereikte. »Ik wil uwe Nitetis als een vader ter zijde staan, en mijne hulp zal niet gansch overbodig zijn.

1

Volgens Herodotus zouden tweeduizend sterke schippers drie jaren bezig zijn geweest, om dit gevaarte uit de steengroeven van Syëne naar Saïs te brengen.

ocr page 74

65

De vrouwenvertrekken der Persische paleizen hebben een glibbe-rigen bodem. Maai' ik verzeker u, dat zij met acbting en onderscheiding bejegend zal worden. Cambyzes mag over zijne keuze tevreden zijn, en hij zal er zich zeker zeer erkentelijk voor betoonen, dat gij hem uw schoonste kind hebt afgestaan. Want ofschoon Tacbot niet minder aanvallig schijnt dan Nilctis, zoo onderscheidt deze laatste zich toch door hare fiere houding, hetgeen eene toekomstige koningin van Perzië niet zal misstaan. Nebencbari had slechts van uwe dochter Tacbot gesproken.quot;

«En toch geef k u mijne schoone Nitetis mede. Tacbot is zoo teer en zwak, dat zij de vermoeienissen van de reis en de smart der scheiding nauwelijks zou kunnen doorstaan. Handelde ik naar de inspraak van mijn hart, zoo behield ik ook Nitetis bij mij. Maar Egypte heeft behoefte aan vrede, en ik was koning eer ik vader werd!quot;

ocr page 75

V LI F D E J ! O O F D S T TJ K.

Dc overige leden vim liet Persische gezantscliup waren van hun tochfje langs den Nijl naar lt;le pyramiden te Sai's teruggekeerd; alleen Prexaspes, de gezant van Carnbyzcs, had reeds de terugreis naar Perzië aanvaard, oin den koning bericht te hren-gen van tien gunsligen uitslag zijner zending. In het groote paleis van Amasis heerschten de grootste drukte en vroolijkheid. Het gevolg der gezanten van Camhyzes, dat uit bijna driehonderd personen bestond, en tie aanzienlijke gasten, aan wie men allo denkbare oplettendheden bewees, vulden alle zalen van het vorstelijk verblijf te Saïs, terwijl de hoven en pleinen wemelden van lijfwachten en waardigheidshekleeders, jonge priesters en slaven, allen in den rijksten feestdosch.

De koning wilde heden, op een feest ter eere van de verloving zijner dochter, al den rijkdom en de pracht van zijn hof op eene luisterrijke wijze ten toon spreiden. De hooge receptiezaal, welker blauw geverfde zoldering, met rijk gesierde beelden voorzien, gedragen werd door bontbeschilderde zuilen, had het uitzicht op den tuin en maakte een waarlijk betooverenden indruk. Aan de met beelden en hiëroglyphen rijk beschilderde wanden en zuilen hingen lampen van gekleurd papyrus, die een vreemdsoortig licht verspreidden, niet ongelijk aan dat der zonnestralen, die door geschilderde glasruiten vallen. De ruimte tusschen dc wanden en pilaren was met uitgelezene tamarisken, bladplanten en bloeiende struiken opgevuld, en achter deze waren een aantal harp- en fluitspelers verborgen, die de gasten met feestelijke, hoewel zeer eentonige melodiën ontvingen 1). Op bet

1

Het tafereel van itit gezelschap is ontleend aan muurscliildcringen die Lepsius, Wilkinson, Uosellini e. a. in liunno werken hebben algebeeld, en gevonden worden in do rotsgraven van rijke Egyptenaars, vooral in de Nekropolis van Thebe. Als de naastbestaanden van den overledene in de grafkamers zich vereonigden om te oll'eren, dan brachten die muurschilderingen hun liet leven van den afgestorvene weder voor den geest, met zijne werkzaamheden, bezittingen, uitspanningen, enz.

ocr page 76

(37

midden van den vloer, die met steenen van wit en zwart marmer was ingelegd, stonden sierlijke tafels, waarop koud gebraad, zoete gerechten, net gerangschikte korven mot vruchten en koeken, gouden wijnkruiken, glazen bekers en kunstige bloemvazen waren geplaatst. Rondom de tafels was eene menigte rijk getooide slaven druk in de weer, die, onder de leiding van den hofmeester, de gasten spijzen en dranken aanboden. l)eze onderhielden zich met elkander; hetzij staande, hetzij in leunstoelen gezeten.

Het gezelschap bestond uit mannen en vrouwen van eiken leeftijd. Aan de vrouwen die binnentraden boden jonge priesters, de persoonlijke dienaren des konings, sierlijke bloemruikers aan. Ook had menig aanzienlijk jongeling bloemen medegebracht, die hij in den loop van het feest aan de uitverkorene van zijn hart niet alleen overhandigde, maar dicht onder den neus hield. De Egyptenaars, die gekleed waren als bij gelegenheid van de ontvangst der Persische gezanten, gedroegen zich zeer hoffelijk, ja bijna onderdanig jegens de vrouwen, onder welke zich weinige uitstekende schoonheden bevonden. Wel is waar was er een zekere tooverglans op te merken in menig ovaalvormig oog, die nog verhoogd werd doordat de randen met zeker blanketsel, smestemquot;1) geheeten, waren beschilderd. Het hoofdhaar van de meeslen was naar hetzelfde model gekapt, en wel zóo, dat de gefriseerde golvende lokken allen naar achteren vielen, en van voren zorgvuldig achter de ooren waren gestreken, behalve dat er rechts en links een haarlok was bespaard, die bezijden de oogen tol, op de borst, neerhing. Een breede diadeem hield dit, kapsel samen, waartoe niet minder de kapper, gelijk de kameniers maar al te goed wisten, dan de natuur het hunne hadden gedaan. Bij enkele hofdames was over den schedel een lotusbloem gelegd, welker stengel langs het, achterhoofd neerhing. In de lijne met ringen beladene vingers, waarvan de nagels, naar Egyptische gewoonte, rood waren geverfd, hielden zij waaiers van veelkleurige vederen. De bovenarm, lief. handgewricht, en de enkels waren met gouilen en zilveren vingen gelooid. Voorts was de kleeding van al de aanwezige Egyptische dames even schoon als kostbaar, namelijk dooi' fijnheid en doorzichtigheid van weefsel, en bij de meeste zoo uitgesneden, dal de rcchterliorsl onbedekt bleef. Gelijk zich onder de mannen de jonge Persische koningszoon, Bartja, door schoonheid en bevalligheid onderscheidde, evenzoo was Nitetis, de dochter van den pharao, verreweg de bekoorlijkste

1

De gewoonte om rle oogleiten to verven, liestaat in Egypte nog. Men bezigt daartoe vooral het sap van do honna-plant. Het Arabische spiesglas, dat zij „mestemquot; noemden, komt op de monumenten en ook in den papyrus-Ébers voor.

ocr page 77

68

oiuler al de Egyptische vrouwen. De koninklijke maagd, die in een doorschijnend rozerood gewaad gehuld, met frissche rozen in het zwarte haar, aan de zijde harer eveneens gekleedde zuster door de zaal wandelde, was bleek als de lotusbloem, die het hoofd harer moeder sierde.

De koningin Ladiee 1), eene geborene Griekin, de dochter van Battus van Gyrene, ging aan de zijde van Amasis, om de jonge Persen aan hare dochters voor te stellen. Een dun kanten kleed hing als een doorzichtige nevel over haar vorstelijk gewaad van met goud doorwerkte purperstof. Op bet schoongevormde Grieksche hoofd droef zij een gouden Uraeus-slang, het hoofdsieraad van de Egyptische vorstinnen Haar gelaat was even edel als bekoorlijk, en elke harer bewegingen kenmerkte zich door eene vlugheid en bevalligheid, die alleen eene Helleensche opvoeding vermocht te geven. Toegevende aan zijne ingenomenhe.d met de Grieken, en den toorn der priesters trot-seerende, had Amasis deze vrouw na den dood zijner tweede gade, de Egyptische Tentcheta 3). de moeder van den troonopvolger Psamtik, tot zijne koningin verheven.

De beide meisjes aan de zijde van Ladice, Tachot en Nitetis, werden tweelingzusters genoemd; maar zij vertoonden geen spoor dier gelijkenis, welke anders tusschen tweelingen gewoonlijk bestaat. Tachot had blauwe oogen, blonde haren en eene fraaie doch kleine gestalte 4). Nitetis daarentegen was groot en kloek, zij had zwarte oogen en haren, terwijl zij in elk harer bewegingen hare koninklijke afkomst verried.

»Wat ziet gij bleek, mijne dochter,quot; sprak Ladice, Nitetis op de wang kussende. »\Vees opgeruimd en zie getroost de toekomst tegemoet. Ik stel u den broeder voor van uw toekomsti-gen gemaal, den edelen Bartja.quot;

D Deze gemalin van Amasis moet volgens haar naamschild Sebaste hebben geheeten. Deze naam zou Egyptisch kunnen zijn, en Jan betee-kcncn: jochtei- tier godin Bast. Maar waarschijnlijk is het een Grieksche bijnaam, beteekenende: „de geëerde, de aangebedene.quot;

'2) Vgi. Ebers. Warda, Dl. I, bl. 60. In het museum te Leiden wordt zulk een koninklijk hooldsieraad bewaard.

3) Ancbnas, de weduwe van Psamtik II. schijnt Amasis' eerste vrouw geweest te zijn.

4) Egyptische vrouwen werden in de oudheid juist niet voor schoon gehouden, hoewel Euripides spreekt van de schoone meisjes aan de oevers van den Nijl. Onder de portretten der koninginnen en prinsessen zijn inderdaad lieve gezichtjes, en ouk bij uitgravingen van Saqqara heeft men proeven gevonden van zeer fijne gelaatstrekken. Er werden in Egypte ook blondine's gevonden. Op de gedenkteekenen hebben de vrouwen meest eene lichtgele huidkleur. Onder de Koptische vrouwen, die men voor afstammelingen mag houden van de oude Egyptenaars, munten vele door schoonheid uit.

ocr page 78

Niteüs sloeg liare verstandige donkere oogen op, en liet ze lang met, een onderzoekenden blik op den schoonen jongeling rusten. Deze boog zich diep, kuste bet kleed der blozende maagd, en zeide: «Wees gegroet, als mijne toekomstige koningin en zuster! Gaarne geloof ik, dat u bet afscheid van vaderland, ouders, zusters en vriendinnen het hart beklemt. Heb niettemin goeden moed, want uw gemaal is een groot held en een macli-tig koning. Onze moeder Cassandane is de edelste der vrouwen, en vrouwelijke seboonbeid en deugd worden door de Persen geëerd als bet levenwekkende licht der zon. U, zuster van de ielie Nitetis, wie ik nevens baar ,de roos' zou kunnen heeten, ii bid ik om vergeving dat wij gekomen zijn om u de liefste vriendin te ontrooven.quot;

De blikken van den jongeling ontmoetten, terwijl hij deze woorden sprak, de blauwe oogen der scboone Tachot, die, terwijl zij de band tegen het hart drukte, zwijgend eene buiging maakte en Bartja nog lang nastaarde, toen Amasis hem met. zich voorttrok, om hem de stoel aan te wijzen tegenover de danseressen, die zooeven begonnen waren tot vermaak der gasten hare kunsten te vertoonen. Deze meisjes, slechts in een dun onderkleed gehuld, spreidden op de maat van harpen en tam-bourijns de grootste vlugheid en buigzaamheid van leden ten toon. Vervolgens gaven Egyptische zangers 1) hunne liederen, en potsenmakers hunne grappen ten beste.

Eindelijk verlieten eenige hovelingen de zaal, omdat zij. door liet overmatig gebruik van wijn, hunne deftige houding niet meer wisten te bewaren 2). Do vrouwen begaven zich in bontgekleurde draagstoelen huiswaarts, afgehaald door slaven, die de fakkels droegen. Alleen de krijgsoversten, de Persische gezanten en eenige waardigheidsbekleeders, bijzondere vrienden van Amasis,

1

AfbeeMin^on van danseressen on muzikanten vindt, men in de wei-ken van Wilkinson e. a.. muziekinstrumenten in de musea, o. a. ook to Leiden. De zingende danseressen, zoools men in Egypte nog vindt (Ghawasi), droegen den naam van Achennoo on scliijnon tot hot personeel van aanzienlijke heerén gehoord te hebben. Voorname familiën haddon hunne huiszangers; een hunner ziet men afgebeeld in liet graf van Neferhotep to Ahd-ol-Qoernah, waarbij een zijner niet onverdienstelijke liederen te lezen staat.

2

Op de monumenten zijn zoowel besehonken mannen als vrouwen afgebeeld. Bijv. eon man wordt, bijwijze van een balk, door drie slaven op hun hoofd naar huis gedragen; een ander slaat op zijn hoofd; sommige dames zijn dooi' hot overtollig gebruik van wijn onpasselijk geworden. Bij het groote Techoe-feest te Dendera schijnt de roes tot het feestprogram te bobben behoord. Toch werd de dronkenschap veroordeeld en vaak gestraft. In den papyrus-Anastasi IV wordt van den dronkaard gezegd: „Gij zijt een tompol zonder godheid, een huis zonder brood.quot;quot;

ocr page 79

70

werden door den hofmeester teruggehouden, als zij zich ingelijks wilden verwijderen, en ia eene kostbaar versierde zaal geleid, waar ecne op Grieksche wijze aangerichte tafel, waarop een reusachtig mengvat prijkte, tot een nachtelijk drinkgelag noodigde.

Amasis zat op een hoogen leunstoel aan het hoofd van de tafel, aan zijne linkerhand was Bartja, aan zijne rechter- rle grijze Gresus geplaatst. Behalve deze en de vertrouwelingen van den Pharao, hevonden zich ook de ons bekende vrienden van Polycrates, Theodoras en Iljycus, alsook de nieuw benoemde overste der Helleen-sche lijfwacht Aristomachus, onder de gasten van den koning. Amasis, dien wij nog maar kort geleden zoo ernstig met Gresus hoorden spreken, had thans alle zorgen op zijde gezet, en gaf zich over aan vroolijke scherts. Het was of hij weder de uitgelaten onderbevelhebber, de lustige drinkebroer was van weleer. Hij scheen onuitputtelijk in spotternijen en geestige zetten, en menigeen zijner gasten moest het zich getroosten, ten doelwit te verstrekken aan de luimige aardigheden van zijn heer en meester. Een schaterend gelach beantwoordde, ofschoon soms gedwongen, zijne scherts. Beker op beker werd geledigd en de feestvreugde had haar topput bereikt, toen de hofmeester met eene kleine vergulde mummie binnentrad, en deze aan het gezelschap ver-toonende uitriep: »Drinkt, schertst en zijl vroolijk, want slechts al te spoedig zult gij aan deze gelijk zijnquot;

sis men hier Ie lande altijd bij feestmalen gewoon, de gasten op deze wijze aan den dood te doen gedenken,quot; vroeg Bartja, ernstiger wordende, aan den koning, »of is dit eene aardigheid, die zich uw hofmeester slechts bij deze gelegenheid veroorlooft'?quot;

»Siuds eeuwen,quot; antwoordde Amsis, »pleegt men de gasten zulke mummiën voor te houden, om de feestvreugde teverhoo-gen, en de vrienden te herinneren, dat men moet genieten zoolang liet tijd is. Gij, jonge vlinder, hebt nog vele jaren van vreugde te goed; wij oudjes echter, vriend Gresus, zulen wel doen met de ons gegevene waarschuwing in acht te nemen. — Schenkel-, vul schielijk onze bekers, opdat geen oogenblik des levens ongebruikt voorbijga! — Gij zijt een stevig drinker, gij Pers met uwe goudgele haren! Waarachtig, de groote goden hebben u zoowel eene flinke keel. als schoone oogen en eene bevallige gestalte geschonken. Laat mij u kussen, mijn beste

•1) Zulke beeldjes zijn er velen gevonden. Do Grieken te Alexandrië namen later deze gewoonte over, maar zij gebruikten een gevleugelden genius dos doods, in plaats van eene mummie. In vele graven leest men spreuken als de volgende, uit dat van Neferhotep: „Vergeet allo zorgen. Gedenk vroolijk te zijn, tot de dag aanbreekt voor de groote ivi-;, wanneer men aankomt in het rijkj waar alles zwijgt.quot;'

ocr page 80

jongen, yij ondeugd! — Wat zegt gij er wel van, Cresus? Mijne dochter Tachot spreekt van niemand anders dan van dezen melkbaard, die eerst met zijn betoo veren den blik en daarna met zoete woordjes haar hoofdje op hol schijnt te hebben gebracht. — Nu, nu, gij behoeft niet te blozen, jonge wildzang! een man als gij mag wel naar koningsdochters vrijen. Maar, al waart gij uw vader Gyrus zelf, Tachot geef ik niet mede naar Persië!quot;

»Vader!quot; viel de kroonprins Psamtik,den koning in de rede en fluisterde hem toe; »Vader, betoom uw tong en denk aan Phanes!quot; De koning zag zijn ^oon aan met een donkeren blik, volgde evenwel zijn raad, en als ware zijn tong verlamd, mengde hij zich van nu aan slechts zelden in het gesprek, dat meer algemeen werd.

Aristomachus, die schuins over Cresus zat, had tot nog toe zonder een enkel woord te uiten, of met de lachers over de scherts van den koning in te stemmen, de Perzen onafgebroken gadeslagen. Toen nu de pharao ophield het hoogste woord te voeren, wendde hij zich op eenmaal tot Cresus, met de vraag: »Ik wenschte wel te weten, Lydiër, of de bergen met sneeuw bedekt waren, toen gij Persië verliet?quot;

Verwonderd en glimlachende over dit vreemde begin, antwoordde Cresus: »De meeste bergen van hetPersischegebergte prijkten met heerlijk groen, toen wij vóór vier maanden naar Egypte opbraken. Maar er zijn hooger bergtoppen in het gebied van Cambyzes, op welke zeli's in het heetst van den zomer de sneeuw niet smelt1), en deze zagen wij in het zonlicht schitteren, toen wij naar de vlakte afdaalden.quot;

Het gelaat' van den Spartaan nam onmiddellijk eene vroolijker uitdrukking aan. Cresus, die in den erastigen man behagen schepte, vroeg hom naar zijn naam.

»Ik heet Aristomachus.quot;

))Dien naam heb ik meer gehoord.quot;

y.Gij hebt vele Hellenen leeren kennen, en vele dragen denzelfden naam als ik.quot;

»Naar uwe uitspraak te oordeelcn, behoort gij tot de Doriërs. Zijt gij mischien een Spartaan?quot;

alk was het.quot;

//oo zijt gij het dus niet meer'?quot;

»\Vie het vaderland zonder verlof verlaat, is des doods schuldig.quot;

a Verliet gij het vrijwillig?quot;

».Ta!quot;

» Waarom ?quot;

ij Vooral ilo Domawpnrl in het El lm rs-geber^te.

ocr page 81

»0m de schande te ontvluchten.quot;

))Wat hadt gij misdreven?quot;

»Niets!quot;

))Gij werd dus ten onrechte van misdaad Leschuldicrd?quot; »Ja!quot;

»\Vie was de bewerker van uw ongeluk?quot;

»Gij!quot;

Cresus stond driftig op. De ernstige toon en het sombere gelaal van den Spartaan maakten het hem onmogelijk hier aan scherts te denken. Ook de in de nabijheid der heide mannen aanzittende gasten, die dit vreemdsoortige onderhoud gevolgd hadden, ontstelden, en verzochten Aristomachus om eene verklaring van zijn geheimzinnige woorden.

De Spartaan aarzelde. Men kon het hem aanzien dat hij liefst gezwegen had. Eindelijk echter, toen ook de koning hem lot spi eken drong, begon hij: «Ingevolge de uitspraak van het orakel, hadt gij, Cresus, ons Lacedaemoniërs als de machtigste stam der Hellenen, tot uwe hondgenooten tegen de Perzen gekozen, en ons het goud, dat noodig was voor het beeld van Apollo-Herme op den berg Thornax, geschonken. De ephoren besloten daarop u, len bewijze onzer dankbaarheid, een reusachtig groot en kunstig bronzen mengvat aan te bieden. Tot overbrenger daarvan koos men mij uit. Alvorens wij Sanies bereikten, werd ons schip door een storm vernield. Het kost bare mengvat verzonk in de diepte. Wij konden alleen ons leven op de kust van Samos redden. Zoodra wij in het vaderland terug waren gekeerd, werd ik door afgunstige vijanden beschuldigd, het schip en het mengvat aan Samische kooplieden verkocht Ie hebben. Daar men mij niet van schuld kon overtuigen en tot mijn ondergang besloten had, werd ik veroordeeld om twee dagen en twee nachten in de boeien te slaan. Des nachts smeedde men mijn voet aan het schandhlok vast. Voordat de morgen over mijne onteering aanbrak, kwam mijn broeder heimelijk tot mij en bracht mij een zwaard, opdat ik mij zeiven zou doorsteken. Maar ik kon niet sterven, zonder mij op die ellendelingen gewroken te hebben. Daarom hieuw ik mijn vastgesmeden voet van het heen af, en verborg mij tusschen de biezen aan den oever van den Eurotas. Mijn broeder bracht mij in stilte spijs en drank. Binnen twee maanden kon ik weder op dit houten been gaan. De van verre treffende Apollo belaste zich met mijne wraak, en mijne beide grootste vijanden stierven aan de pest. Maar toch durfde ik niet in het vaderland terugkeeren. Eindelijk ging ik te Gythium scheep, om met u, Cresus, van Sardes, uit, tegen de Persen strijd te voeren. Toen ik te Teos aan land stapte, vernam ik dat gij geen koning meei-waart. De groote Cyrus, de vader van

ocr page 82

dezen sclioonen jongeling, had binnen weinige weken liet machtige Lydië veroverd, en den rijksten koning tot een bedelaar gemaakt.quot;

Al de gasten staarden den ernstigen krijgsheld vol verwonde-ring aan. Cresus schudde hem krachtig de hand. De jonge Bartja riep in volvoering: «Spartaan, ik wenschte dat ikunaar Susa kon medenamen, om mijne vrienden te toonen wat ik gezien heb, namelijk den moedigsten en eerbiedwaardigsten aller menschen!quot;

»Geloof mij jonge.'ing,quot; antwoordde Aristomachus glimlachende, »ieder Spartaan zon even als ik gehandeld hebben. Bij ons te lande behoort er meer moeds toe om laf, dan wel om dapper te zijn!

«Maar gij Bartja,quot; riep Darius, de neef van den koning van Perzië, Dzoudt ijcij het hebben kunnen verdragen, aan den schandpaal te staan?quot;

Bart ja bloosde, doch 't was hem aan te zien, dat ook hij den dood boven de schande zou hebben verkozen.

»En gij, Zopyrus?quot; vroeg Darius, zich tol den derden jongen Pers wendende.

sik zou uit louter vriendschap voor ulieden mij zei ven verminken !quot; ') riep deze, en drukte onder de tafel de handen zijner beide vrienden.

Psamtik zag de jonge belden aan met een spottenden lach. Cresus, Gyges en Amasis beschouwden hen met het grootste welgevallen. De Egyptenaren wisselden onderling veelbeteekenende blikken, en de Spartaan beschouwde de jonge helden met innige vergenoegdheid. Thans verhaalde Ibycus van hot orakel, dat aan Aristomachus het uitzicht had geopend om, wanneer een ruiterschaar van de met sneeuw bedekte bergen zou afdalen, naar zijn vaderland teruggeroepen te zullen worden, en gewaagde daarbij van de gastvrije woninyr van Bhodopis.

Psamtik werd onrustig toen hij dezen naam hoorde uitspreken. Cresus deed blijken, dat hij de oude Tracische vrouw gaarne zou leeren kennen, van wie Aesopus hem zooveel goeds en schoons had verhaald. En toen de gasten, voor het meerendeel in bijna bewusteloozen toestand, de zaal verlieten, scheiden ook de onttroonde koning, de dichter, de beeldhouwer en de Spartaansche held, met de afspraak, den volgenden dag naar Naucrat is te gaan, om eenige aangename uren te slijten in gesprekken met Bhodopis.

1) Deze verzekering hoeft liij, gelijk blijken zul, tot waarheid gemaakt.

ocr page 83

Z E S D E [I O O E D S T U K.

Koning Amasis had zich, na het beschrevene gastmaal, nauwelijks drie uren slaaps gegund. Gelijk alle andere dagen werd hij ook heden, hij het, eerste hanengekraai, door jonge priesters gewekt. Als altijd geleidden zij hem naar het had, tooiden hem vervolgens met zijn koninklijk plechtgewaad, en voerden hem naar liet altaar in den voorhof van het paleis, alwaar hij voor de oogen des volks zijn offer bracht, terwijl de opperpriester met luider stemme gebeden zong, de deugden des konings opsomde en, om elke overtreding van het vorstelijk hoofd af te weren, zijne slechte raadslieden voor alle vloekwaardige, in onwetendheid bedrevene zonden verantwoordelijk stelde. Als op alle andere dagen vermaanden hem de priesters, terwijl zij zijne voortreffelijke hoedanigheden opliemelden, tot het goede, lazen zij hem de edele daden en ondernemingen van groote mannen uit de heilige schriften voor, en geleidden hem dan naar zijne vertrekken, alwaar brieven en berichten uit alle deelen van het land zijne aandacht vereischten 1). Aan deze iederen morgen weder-keerende ceremoniën onderwiep Amasis zich zonder morren, en met de grootste nauwgezetheid wijdde hij zich. gedurende de daartoe bestemde ochtenduren, aan den arbeid en de belangen des rijks. Het overige van den dag gebruikte hij naar hem goed dacht, en meestal bracht hij dit door in vroolijk gezelschap. Daarom verweten de priesters hem, dat hij een onkoninklijk leven leidde. Eens gaf hij echter den vertoornden opperpriester ten antwoord: »Ziet gij dezen boog? Als gij dien onafgebroken gespannen houdt, zal liij spoedig zijne kracht verloren hebben; gebruikt gij hem echter den halven dag, om hem verder rust te gunnen, zoo blijft hij sterk en bruikbaar, totdat de pees breekt.quot;

1

Dat ooii konins' vr,n Egypte op dozo wijzo den flag verdccMo, zooals DMorus mededeelt, wordt bevestigd door de gedenkteekenon,

ocr page 84

Amasis had juist den laatsten brief gelezen, inhoudende het verzoek van een nomarch ') om gelden voor onderscheidene afdammingen 1), die na de overstrooming noodzakelijk moesten gemaakt worden, en op dat verzoek toestemmend beschikt, toen een der dienaren hem meldde, dat de kroonprins Psamtik zijn vader voor eenige oogenblikken gehoor verzocht. Amasis, die recht verheugd over de gunstige berichten uit alle deelen des lands, den binnenkomende met een vergenoegden glimlach had welkom geheeten, wem op eenmaal ernstig en afgetrokken. Na lang-aarzelen antwoordde hij evenwel: »Ga, en zeg den prins, dat, hij komen kan!quot;

Het gelaat van Psamtik was bleek en somber als altijd, toen hij den drempel van zijn vaders vertrek overschreed, en zich diup en met eerbied nederboog.

Amasis dankte hem zwijgend met een wenk; daarop vroeg hij hem kortaf en op ijskouden toon. ;»Wat begeert gij van mij Mijn tijd is beperkt.quot;

»Vooral voor uw zoon,quot; antwoordde de kroonprins met bittere ironie. »Zevenmaal ht'b ik u om de groote gunst laten verzoeken, die gij mij heden voor het eerst bewijst.quot;

sGeene verwijten! Ik vermoedde de reden van uwe komst. Gij verlangt zeker, dat ik uw twijfel zal ophelderen betredende de afkomst van Nitotis.quot;

»Ik ben niet nieuwsgierig, en kom veeleer om u te waarschuwen en u te herinneren, dal. er buiten mij nog iemand loeft, die dit geheim kent.quot;

»Bedoelt. gij Phanes'?quot;

))Wien anders? Hij, de uit Egypte on uit zijn eigen vaderland verbannene zal binnen weinige dagen Xaucralis verlaten. Welke waarborg hebt gij, dal hij ons niet aan de Persen zal verraden?quot;

»De goedheid en vriendschap die ik hem altijd bewezen heb.quot;

»Zoo geloolt gij aan de dankbaarheid der menschen?quot;

))Neen! maar ik vertrouw op mijne bekwaamheid in hol be-

1

De jaarlijksche overstroomingen van den Nijl, maakten het aanleggen van dijken en dammen noodzakelijk. Verschillende vorsten rekenden het zich lot oen eer voor deze werken te zorgen. Het is niet onwaarschijnlijk dat Menes reeds den westelijken Nijlarm bij Memphis deed afdammen. Ook wordt het niet meer betwijfeld, of het meer Mcui'is is gegraven om de overstrooming te regelen.

ocr page 85

70

oordeelcn van mensclien. Phanes zal ons niet verraden! Ik herhaal het, hij is mijn vriend!quot;

»Uw vriend; — maar mijn doodvijand!quot;

»Wees dan op uwe hoede voor hem! Ik heb niets van hem te vreezen.quot;

»Gij niet, maar wel ons land! O, bedenk mijn vader, dat hoewel gij mij, uw zoon ook een bitteren haat toedraagt, ik u toch na aan het hart moet liggen, omdat gij in mij Egypte's toekomst ziet. Bedenk toch, dat na uw dood, waarv or de goden ons nog lang mogen bewaren, ik, gelijk gij thans zijt, het leven en de ziel van dit heerlijke land moet worden, dat mijn val de val van uw huis, de ondergang van Egypte zijn zal.

Het gelaat van Amasis werd hoe langer zoo ernstiger, terwijl Psamtik steeds met meer aandrang vervolgde; »Gij zult, gij moet mij recht laten wedervaren. Deze Phanes bezit de macht om ons land iederen buitenlandschen vijand in handen te spelen, want hij kent hot even goed, als gij en ik. Voorts sluimert in zijne borst een geheim, welks openbaarmaking onzen machtigsten vriend in onzen vreeselijksten vijand kan verkeeren.quot;

»Gij dwaalt! Nitetis is wel niet mijne, maar toch eens konings dochter, en zij zal het hart van haren gemaal zeker weten te winnen.quot;

»A1 ware zij de dochter van een god, toch zou Cambyzes, als hij het geheim te weten kwam, uw vijand worden. Weet .gij dan niet, dat bij de Persen de leugen de ergste misdaad '), en bedrogen te worden de grootste schande wordt geacht? En toch hebt gij den hoogmoedigsten, den machtigsten hunner om den tuin geleid. Wat zal een enkel onervaren meisje op hem vermogen, terwijl honderd in alle listen en streken volleerde vrouwen de gunst van haren heer en meester zoeken te verwerven '?quot;

«Zouden er wel betere leermeesters in de welsprekendheid zijn, dan haat en wraak?quot; vroeg Amasis scherp, süwaze zoon, meent gij dan waarlijk, dat ik zulk een gevaarlijk spel zou wagen, zonder alle omstandigheden rijpelijk overwogen te hebben. Wat mij betreft, laat Phanes nog heden aan de Persen vertellen, wat hij niet eens weet, wat hij slechts vermoeden doch nimmer bewijzen kan. Ik, de vader, en Ladice, de moeder, moeten wel het best weten, wie ons kind is. Wij beiden noemen Nitetis onze

'1) Herodotus en Xenopbon verzekeren, dat het liegen bij de Persen voor de grootste misdaad werd gehouden. Volgens den Zend-Avesta was bet zondigen tegen den alwetenden God des lichts. Darius zegt in een opschrift van Behistan: „Ahoeramazda en de andere goden verleenden mij bijstand, omdat ik geen leugenaar was.quot;

ocr page 86

77

dochter; wie zal durven beweren dat zij het niet is'? — Wil Phanes aan een anderen vijand dan de Persen de zwakke punten van ons land verraden, laat hem zijn gang gaan; ik vrees niemand. Wilt gij mij bewegen een man, wien ik grooten dank schuldig ben, een vriend, die mij tien jaren lang trouw diende, uit den weg te ruimen, omdat hij mij misschien zou kunnen benadeelen, zoo weet dat ik hom, in plaats van hem een haar te krenken, zal beveiligen tegen uwe wraakzucht, waarvan ik de onzuivere bron al ze goed ken.quot;

» Vader!quot;

»Gij zoudt dezen man gaarne in het ongeluk storten, daar hij u verhinderde Ce kleindochter van Rhodopis met geweld in uw bezit te krijgen; omdat ik hem in uwe plaats tot veldheer benoemd heb, aangezien gij u tot het vervullen dier betrekking onbekwaam had getoond. Gij verbleekt? Welnu, ik ben Phanes zeer dankbaar, dat hij mij uwe roekelooze ontwerpen mededeelde, en mij zoodoende in staat stelde, de steunpilaren van mijn troon aan wie Rhodopis zoo dierbaar is, vaster aan mij te verbinden.quot;

»0, vader! hoe is het mogelijk, dat gij de vreemdelingen aldus betitelt, dat gij den ouden roem van Egypte zoo geheel kunt vergeten! Beleedig mij zooveel gij wilt; ik weet dat gij mij niet liefhebt. Maar zeg niet, dat wij die vreemdelingen noodig hebben om groot te zijn. Wrees indachtig aan ons verleden! Wanneer waren wij het grootst? In de dagen, toen wij voor alle vreemdelingen zonder uitzomlering de poorten van ons land gesloten hielden, en op eigene beenen staande, op eigene kracht vertrouwende, naar de aloude wetten van onze vaderen en onze goden leefden. Die tijden zijn getuigen geweest, hoe Ramses de groote 1) met onze zegevierende wapenen de verst verwijderende volken ten onder bracht. Die tijden hebben vernomen, hoe de gansche wereld Egypte het eerste, het grootste, het schoonste land der aarde noemde. — En wat zijn wij thans? Door uw, door 's konings eigen mond hoor ik vreemde bedelaars en gelukzoekers de steunpilaren van het rijk noemen. U, den koning, zie ik eene armzalige list smeden, om de vriendschap van een volksstam te winnen, waarop wij, eer de vreemdelingen naar den Nij 1 kwamen, groote overwinningen konden behalen. Egypte was weleer eene rijkgetooide, machtige koningin, thans is het eene geblankette met klatergoud versierde deerne!quot;

«Bedwing uwe tong !quot; riep Amasis stampvoetende. «Nooit was Egypte zoo machtig en groot als juist thans! Ja, Ramses heeft

1

Vgl. voor Ramses It eu liet Egypte van zijn tijd: Eibers' War da

ocr page 87

onze wapenen in ver verwijderde landen gedragen en er bloed mede verworven; ik echter heb het zoover gebracht, dat de werken onzer handen tot de versie einden der aarde worden gevoerd, en ons, in plaats van bloed, schatten en zegen aanbrengen. ,1a, Ramses liet zijne onderdanen stroomen bloeds en zweet verspillen, alleen om den roem van zijn naam te verbreiden; ik echter heb weten te bewerken, dat in mijn land slechts weinig bloed wordt vergoten, weinig zweet afgeperst, en dat ieder burger in veiligheid, in geluk en vrede zijne levens-reize voleinden kan. Aan de boorden van den Nijl verrijzen thans tienduizend volkrijke steden. Geen voet gronds is onbebouwd. Geen kind in Egypte wordt uitgesloten van den zegen, die de vrucht is der handhaving van recht en wet. Geen boosdoener kan zich aan het wakend oog der overheid onttrekken. — Mocht de een of andere vijand ons willen overvallen, welnu, zoo staan, naast onze vestingen, de bolwerken ') ons door de goden geschonken, namelijk: de watervallen, de zee en de woestijn, behalve de Egyptische krijgslieden, dertig duizend Hellenen, de beste soldaten die ooit de wapens droegen, tot onze verdediging gereed. Zoo is het met Egypte gesteld. Den glans van ijdelen roem heeft ditzelfde Egypte aan Ramses met bloedige tranen betaald. Het echte goud van waarachtig burgergeluk en vreed-iame welvaart is het aan mij en mijne voorgangers, de koningen van Saïs verschuldigd!quot;

»En toch zeg ik u,quot; riep de prins, «dat Egypte een boom is, aan welks merg een doodelijke worm knaagt. Het jagen en streven naar schatten, naar pracht en glans heeft alle harten bedorven. De weelderigheid van de buitenlanders heelt de eenvoudige zeden van onze burgers den doodsteek toegebracht. Voor goud is alles veil. Hier en daar boort men zelfs Egyptenaren, die zich door de Hellenen hebben laten verleiden, met de goden den spot te drijven. Twist en tweedracht scheiden en scheuren de kasten van priesters en krijgslieden. Dagelijks komen klachten in over bloedige vechtparlijen tusschen Grieksche en Egyptische soldaten, vreemden en inboorlingen. Herder en kudde bes. rijden elkander. De eene steen van den staalsmolen schuurt den andere stuk, lotdat het geheel in puin en gruis zal samenvallen. Ja, vader, doe ik het niet heden, dan zal ik nimmer spreken. Ik moet. eindelijk uiten, wat reeds zoolang mijn hart beklemt. Terwijl gij strijd voerde!, met onze eerwaardige priesterschap, de beste steunpilaar van den troon, hebt gij lijdelijk toegezien, boe zich de nog jeugdige macht der Persen van het oosten naar

1} Do Esyptenaaars waren zeer bedreven in de vestingbouwkunde, zouals nil de afbeeldingen op de monumenten blijkt.

ocr page 88

het westen uitbreidde, gelijk een monster dat gaiische volken verslindt, dat bij iedere prooi vraatzuchtiger en vreesdij kei-wordt. In plaats van de Lydiers en Babyloniërs fc hulp te snellen, gelijk aanvankelijk uw voornemen was, hebt gij de Grieken geholpen om tempels voor hunne valsche goden te bouwen. En toen eindelijk iedere tegenstand onmogelijk bleek, toen Perzik-de halve wereld onderworpen had, en in zijn overmoed van alle koningen durfde eischen wat het wilde, toen schenen do onsterfelijken u nog eenmaal do hand te reiken tot redding van Egypte. Cambyzes begeerde uwe dochter tot vrouw; en gij,die te zwak zijt om uw eigen kind aan de welvaart van uw land ten oiïer te brengen, zendt den machtigen koning eeue onderge-schovene maagd, en spaart nog bovendien met uwe gewone ilauwhartigheid een vreemdeling, die het geluk of het ongeluk van uw rijk in zijne handen heeft, en Egypte's ondergang zeker bewerken zal, zoo het niet reeds vroeger door innerlijke verdeeldheid vermolmd ineenstort!quot;

Tot hiertoe had Amasis, bleek en bevend van toorn, zijne edelste bedoelingen laten miskennen. Thans echter kon hij niet langer zwijgen, en met eene stem, die als bazuingeschal door de ruime zaal weerklonk, riep hij: »Weet ge wel, wien ik moest opolleren, als het leven mijner kinderen en de instandhouding van het door mij gestichte vorstenhuis mij niet liever waren, dan de welwaart van dit land'? Weet gij, grootspreker,wraakzuchtig ongelukskind, wie de toekomstige verwoester van dit heerlijke, eeuwenoude rijk is'? Dat zijt gij, Psamtik, gij, gebrandmerkte door de goden, gij, verafschuwde door de men-schen. gij, wiens hart geene liefde, wiens borst geene vriendschap, wiens gelaat geen glimlach, wiens ziel geen mededoogen kent! — Gij hebt uw rampzalig bestaan aan den vloek der goden te danken, en de vijandschap der onsterfelijken tegen u doet alles wat gij aanvangt treurig eindigen. Verneem thans, want te eeniger lijd moet gij het toch weten, wat ik zoolang voor u meende te moeten verzwijgen. Ik had mijn voorganger van den troon gestooten, en hem gedwongen mij zijne zuster Tentcheta tot vrouw te geven. Zij kreeg mij lief, en een jaar na ons huwelijk verblijdde zij zich in het vooruitzicht moeder te zullen worden. In den nacht, die uwe geboorte voorafging, viel ik voor bet bed uwer moeder gezeten in slaap. Toen had ik dezen droom:

)gt;Uwe moeder lag op den oever van den Nij 1 en klaagde over pijn in de borst. Ik boog mij over haar neder, on zag hoe een cypres uit haar hart opwies. De boom werd grootor en grooter, al breeder en zwaarder, en zijne wortelen wonden zich om uwe moeder heen en verworgden haar. Een koude

ocr page 89

so

siddering overviel mij. Ik wilde vluchten. Plotseling' verhief zich in liet oosten een hevige orkaan, die den cypres ontwortelde en omverwierp, zoodat zijne breede takken in den Nijl stortten. De stroom hield op te vloeien, zijn wateren stolden, en in plaats van de rivier lag daar eene reusachtige groote mummie voor mij. De steden langs de boorden van den vloed krompen inéén en veranderden in ontzaglijke lijkurnen, die, als in een graf, om de geweldige mummie van den Nijl heenstonden. Nauwlijks was ik ontwaakt, ol' ik ontbood aanstonds dedroom-uitleggers. Geen hunner was in staat het wonderbare gezicht te verklaren, tot eindelijk de priesters van den Libyschen Amnion mijn droom aldus uitlegden : Tentcheta zal sterven bij het ter wereld brengen van een zoon. Du cypres die zijne moeder doodt, heteekent uw zoon, een zwarlgallig, rampzalig wezen. Onder zijne regeering zal een volk uil liet Oosten den Nijl, dus de Egyptenaren, tot lijken, en hunne steden tot doodenurnen, dat wil zeggen tot puinhoopen maken.quot;

Psamtik stond als versteend voor zijn vader, terwijl deze vervolgde: »U\ve moeder stierf bij uwe geboorte. Vuurrood haar, het teeken van de zonen Typhons '), omgaf uwe slapen. Gij groeidet op tot een somber man. liet noodlot vervolgde u. want het ontnam u eene geliefde vrouw en vier uwer kinderen. Evenals ik onder het gelukkige teeken van Amnion geboren werd, zoo zaagt gif het levenslicht, de sterrekundigen hebben het berekend, bij het opkomen van de schrikkelijke planeet Seth '-). Gij...quot;

Amasis brak eensklaps af, want Psamtik, overweldigden verpletterd door al hot vreeselijke dat hij vernam, smeekte hevig snikkend, meer kermend dan sprekend, terwijl hij voor hem nedorviel; »Houd op, wreede vader, en verzwijg ten minste, dat

1) Typhon, Egyptisch Seth, was de geil van liet kwade. Eerst sedert de dagen der Hyksos, die hem vereerden, scliijnen tie Egyptenaars hem als eene verderfelijke godheid te hebben beschouwd. Hij heel. „de almachtige verwoester.quot; De schadelijke krachten in de natuur stonden onder zijn bestuur, ook de bedriegelijke onvruchtbare zee. De weerbarstige ezel, het logge Nijlpaard, de verslindende krokodil en het wilde zwijn zijn zijne lievelingsbeesten. Rood was zijne kleur, roodharige men-schen heeten zijne kinderen. Schadelijke dingen worden daarom ook „roodequot; genoemd. Men stelde hem voor met den kop van een krokodil, ezel of nijlpaard, en met hangende borsten op den rug.

2) De Egyptische astrologen waren wereldberoemd. Elk uur hr.d zijne planeten, die geluk of ongeluk voorspelden ; Ammon (Jupiter) was bijv. steeds gunstig, Seb (Saturnus) steeds ongunstig, Toth (Mercurius) wisselvallig. De gesternten konden ook op enkele ledematen invloed oefenen. De gedenkteekenen zijn vol van astronomische voorstellingen, terwijl ook meer dan een feestkalender bewaard bleef.

ocr page 90

81

ik de eenige zoon in Egypte ben, dien de haat zijns vaders on. schuldig vervolgt!quot;

Amasis zag neder op den bleeken man, die, met hot aangezicht in de plooien van zijn kleed verborgen, voor hem op den grond was gezonken. Zijn snel ontvlamde toorn veranderde in medelijden. Hij moest voor zichzelven erkennen, dat hij te hard was geweest, dat hij door zijn verhaal het hart van zijn kind met een giftigen pijl had getroffen, en dacht daarbij aan de voor veertig jaren ontslapene moeder van den ongelukkige. — Na langen tijd zag hij thans weder voor het eerst als vader, als geroepen om de zijnen te troosten, op dezen somberen, alle liefdebetoon afwijzenden, hem in alle opzichten zoo vreemden man. Ofschoon week van gemoed, was hij thans voor het eerst in de gelegenheid, om een traan in het anders zoo koude oog van zijn zoon te drogen. Hierover verheugd, greep hij haastig deze gelegenheid aan. Hij boog zich over den snikkende neder, kuste hem op het voorhoofd, richtte hem op en sprak met zachte stem:

»Vergeef mij mijne hardheid, geliefde zoon! He booze woorden, die u zoozeer kwetsen, kwamen niet uit het hart van Amasis, maar werden mij door onbesuisde drift op de lippen gelegd. Gij hebt mij vele jaren lang door koelheid, onverschilligheid, weder-spannigheid en zonderlingheid vertoornd. Heden heleedigdet gij mij in mijne heiligste overtuiging, daarom gaf ik toe aan eene onverstandige toomlooze heftigheid. Maar thans zal alles weder goed zijn tusschen u en mij. Zijn wij ook van te uiteenloopende karakters, dan dat onze harten volkomen zouden kunnen samen-stemmen, zoo willen wij in het vervolg toch eensgezind in onze handelingen en toegevend jegens elkander zijn.quot;

Psamtik boog zwijgend het hoofd, en kuste het kleed van zijn vader. »Niet alzoo,quot; riep deze, »kus mij op den mond! Juist, zoo moet het zijn, zoo betaamt het tusschen vader en zoon. Wat den dwazen droom betreft, dien ik u verhaald heb, geef daar verder geen acht op. Droomen zijn bedrog': en worden zij ook al werkelijk dooi- de goden ons toegezonden, dan zijn toch de uitleggers aan menschelijke dwalingen onderworpen. Uwe hand beeft nog a!lijd en uwe wangen zijn hleeker dan uw linnen kleed. Ik was te hard voor u, harder dan een vader....quot;

«Harder zelfs dan een vreemde iemand behandelen mag, die hem vreemd is,quot; viel de kroonprins den koning in de rede. ))Gij hebt mij gebroken en verbrijzeld. Heeft mijn gelaat zich tot hiertoe zelden geplooid tot een lach, van nu aan zal het de spiegel zijn van de diepste ellende.quot;

»Ga zoo niet voort,quot; hernam Amasis, en legde de hand vertrouwelijk op den schouders zijns zoons. »Indien ik wonden sla,

G

ocr page 91

82

bezit ik ook do macht zo te gonezen. Spreek uit, welke de in-nigste wensch is van uw hart; ik zal hem inwilligen.quot;

Psamtik's oogen helderden op; ?t scheen dat zijne valowangen een oogenhlik kleurden. Hij antwoordde zonder zich te bezinnen, met eene krachtige stem, die echter nog trilde van zijne ontroering in de laatste oogenblikken: »Laat Phanes, mijn vijand, aan mij over !quot;

üe koning stond een oogenhlik in gepeins verzonken, toen zeide hij: »lk zal aan uw verlangen moeten voldoen, maarliever had ik gezien, dat gij de hell't van mijn vermogen hadt gevraagd dau dit. Duizend'stemmen in mijn binnenste zeggen mij, dat ik iets ga doen, dat mijner onwaardig is, dat verderfelijk zal blijken te zijn voor mij, voor u, voor Egypte, voor ons allen. Overleg alles nog eens, eer gij handelt. Uit echter zeg ik u, wat gij ook met Phanes voorhebt, Uhodopis mag geen haar op het hoofd gekrenkt worden. Ook moet alles met de grootste geheimhouding geschieden. Geen Griek mag ook maar het minste van uw aanslag te weten komen. Waar zal ik een veldheer, een raadsman, een discbgenoot vinden, als hij was'? — maar ik zie hem nog niet in uwe macht, en gij moogt wel bedenken dat, hoe loos gij als Egyptenaar ook zijn moogt, Phanes als Helleen niet minder slim is. Blijf vooral bij uw eed van alle gedachte aan het bezit van Uhodopis' kleindochter te zullen opgeven. De vergoeding die ik u bied, is mijns erachtens meer dan aannemelijk; want zoo ik u goed ken, dan is u de wraak meer waard dan de liefde. Wat nu eindelijk Egypte betreft, ik herhaal het n, dat hot nooit grooter geluk heelt gekend dan Ihans. Het tegendeel te beweren is nog niemand ingevallen behalve den ontevredenen priesters en hun, die dezen in hunne onwetendheid nabazelen. — En nu zoudt gij no.n gaarne de geschiedenis vernemen van Niletis' afkomst'.' Welnu, luister! I w eigenbelang zal u het stilzwijgen opleggen.quot;'

i'samtik hoorde met gespannen aandacht de mededeeling zijns vaders aan. Als Amasis ophield met spreken, zeide hij hem dank met een krachtigen handdruk.

»Vaarwel thans!quot; zoo besloot Amasis dit gewichtig onderhoud met zijn zoon. »Vergeet niets van wal ik u gezegd heb, en dit vooral bid ik u, vergiet, geen bloed! Wat er ook met Phanes geschiedde, laat mij er niets van te weten komen. Want ik haat alle wreedheid, en zou niet gaarne willen, dat ik u, mijn zoon. moest verafschuwen. Hoe blijde glinstert thans uw oog! Arme Athener, het ware u beter dit land nooit betreden te hebben.quot;'

Toen Psamtik het. vertrek van zijn vader verlaten had, ging deze nog langen tijd nadenkend op en neder. Zijne toegevendheid berouwde hem, en reeds zag hij in zijne verbeelding den

ocr page 92

vermoorden Phanes, nevens de schim van den door hem onl-troouden Hophra voor zich staan. »Maar, het is waai', hij zou ons werkelijk le gronde kunnen richten;quot; alzoo poogde Lij zich voor den rechter in zijn binnenste te rechtvaardigen. Ten laatste maakte hij eene beweging als wilde hij alle zorgen van zich afwerpen, richtte zich op. riep zijne dienaren, en verliet met een glimlach om de lippen zijn kabinet.

Had de luchthartige man, het troetelkind der fortuin, zijn beschuldigend geweten zoo spoedig het stilzwijgen opgelegd, of was hij sterk genoeg om de pijn die hij leed, achter een glimlach te verbergen'?

ocr page 93

bezit ik ook do niaclil zc le genezen. Spreek uit, welke de innigste wensch is van uw hart; ik zal hem inwilligen.quot;

Psamtik's oogen helderden op; quot;t scheen dat zijne vale wangen oen oogenblik kleurden. Hij antwoordde zonder zich te bezinnen, met eone krachtige stem, die echter nog trilde van zijne ontroering in de laatste oogenblikken: sLaat Phanes, mijn vijand, aan mij over !quot;'

Do koning stond een oogenblik in gepeins verzonken, toen zeide hij: sik zal aan uw verlangen moeten voldoen, maarliever had ik gezien, dat gij de hell't van mijn vermogen hadt gevraagd dan dit. Duizend stemmen in mijn binnenste zeggen my, dat ik iets ga doen, dat mijner onwaardig is, dat verderfelijk zal blijken te zijn voor mij, voor u, voor Egypte, voor ons allen. Overleg alles nog eens, eer gij handelt. Dit echter zeg ik u, wat gij ook met Phanes vóórheld, lihodopis mag geen haai'op het hoofd gekrenkt worden. Ook moet alles mot do grootste ge-heimhoLiding geschieden. Geen Griek mag ook maar het minste van uw aanslag te weten komen. Waar zal ik een veldheer, een raadsman, een discligenoot vinden, als hij was'? — maar ik zie hem nog niet in uwe macht, en gij moogt wel bedenken dat, hoe loos gij als Egyptenaar ook zijn moogt, Phanes als Helleen niet minder slim is. Blijf vooral bij uw eed van allo gedachte aan het bezit van lihodopis' kleindochter te zullen opgeven. De vergoeding die ik u bied, is mijns erachtens meer dan aannemelijk; want zoo ik u goed ken, dan is u de wraak meer waard dan dr liefde. Wat nu eindelijk Egypte betreft, ik herhaal het u, dat het nooit grooter geluk hooit gekend dan thans. Hot tegendeel to beweren is nog niemand ingevallen behalve den ontevredenen priesters on hun, die dezen in liunno onwetendheid nabazelen. —- En nu zoudt gij nog gaarne de ge-«chiodenis vernemen van Nitetis' afkomst'.' Welnu, luister! L'w eigenbelang zal u het stilzwijgen opleggen.quot;

Psamtik hoorde met gespannen aandacht de medcdeoling zijns vaders aan. Als Amasis ophield met spreken, zeide hij hem dank met een krachtigen handdruk.

»Vaarwel thans!quot; zoo besloot Amasis dit gewichtig onderhoud met zijn zoon. »Vergeet niots van wat ik u gezegd heb, en dit vooral bid ik u, vergiet geen bloed! Wat er ook mot Phanes geschiedde, laat mij er niets van te weten komen. Want ik haat alle wreedheid, en zou niet. gaarne willen, dat ik u, mijn zoon. moest verafschuwen. Hoe blijde glinstert thans uw oog! Arme Athener, het ware u beter dit land nooit betreden te hebben.quot;

Toen Psamtik hel vertrok van zijn vader verlaten bad, ging deze nog langen tijd nadenkend op en neder. Zijne toegevond-hoid berouwde hem, en reeds zag hij in zijne verbeelding den

ocr page 94

vermoorden Phanes, nevens de seliim van den door hem onl-troouden Hophra voor zich staan. »Maar. het is waai-, liij zon ons werkelijk te gronde kunnen richten;quot; alzoo poogde Iiij zich voor den rechter in zijn binnenste te rechtvaardigen. ïen laatste maakte hij eene beweging als wilde hij alle zorgen van zich afwerpen, richtte zich op. riep zijne dienaren, en verliet niet een glimlach om de lippen zijn kabinet.

Idad do luchthartige man. het troetelkind der fortuin, zijn beschuldigend geweten zoo spoedig het stilzwijgen opgelegd, of was hij sterk genoeg om de pijn die hij leed. achter een glimlach te verbergen'?

ocr page 95

ZEVENDE II O O E D S T U K.

Toen hij de vertrekken van zijn vader verlalen had, begaf Psamtik zich onverwijld naar den tempel der godin Neilh. Alvorens binnen te treden, vroeg hij naar den opperpriester. L)e tempeldienaren verzochten hem een oogenblik te toeven, daalde groote Neithotep zich juist in hel allerheiligste 1) van de verhevene koningin des hemels bevond. Kort daarop verscheen een jong priester, en meldde dat zijn gebieder den prins wachlte.

Psamtik verliet oogenhlikkelijk hel koele plekje, dat hij zich had uitgekozen in het lommer der zilverpopulieren van het aan de godin gewijde bosch, aan den oever van het aan de groote Neith geheiligde meer -'). Hij stak het met asphalt bevloerde eerste voorhol'des tempels over, waarop de verblindende zonnestralen als gloeinde pijlen neerschoten, zooveel doenlijk in de schaduw blijvende van eene der lange rijen van sphinxen, die tot de geheel op zichzelve staande pylonen2) van het groolsche huis der godin geleidden. Vervolgens trad hij de ontzaglijk groote hoofdpoort binnen, die, evenals alle Egyptische tempelpoorten, met de breedgevleugelde zonneschijf3) versierd was. Aan weerszijden

1

Do Egyptische tempels zijn zóo gebouwd, dat zij, daar do op elkander volgende zalen steeds lager worden, den aanbidder stommen tot aandacbtigen ernst. Zie eene beschrijving in Schnaase, Kunstge-sc li i c li t e. I, 394.

2

Poortgebouwen, of wel de torens, die door een poortdoorgang verbonden waren.

3

De jongste ontdekkingen hebben geleerd, dat volgens het geloof der Egyptenaren de god Hor — lloet (Horus) den booze en zijne medestanders in de gedaante van eene gevleugelde zonneschijf overweldigde, en dat, ter herinnering hieraan, de gevleugelde zonneschijf met de Uraeus-slang op alle tempels en heiligdommen moest worden aangebracht. Dit symbool verkondigde dus den teinpelganger, dat het goede het kwade overwint, het licht de duisternis, de vruchtbaarheid de dorheid en het leven den dood.

ocr page 96

85

van de wijdgeopende vleugeldeuren verhieven zicli schninoploo-pende gebouwen, slanke obelisken en van booge staken wapperden vanen. Zoo kwam hij in het hof, dat aan de linker-en rechterzijde door een zuilengang was afgesloten, in het midden waarvan het offer aan de godbeid werd gebracht. De geheele voorgevel van den eigenlijken tempel, die als een vestingmuur in een stompen hoek voor den steenen vloer van de ruime zuilengang oprees, was met veelkleurige beelden en opschriften bedekt. Door de portiek kwam hij ia een booge voorzaal en vervolgens in de groote ruimte, welker blauwe, met duizend gouden sterren bezaaide zoldering door vier rijen reusachtige zuilen gedragen werd. De schachten dezer zuilen en harekapiteelen inden vorm van lotusbloemen, dezij-wanden en tie nissen van deze ontzaglij ke zaal, kortom alles waarop het oog rustte, was met bonte kleuren en hiëroglyphenteekens,bedekt. De pijlers verhieven zich in kolossale afmetingen en de ruimte was ontzagwekkend hoog en uitgestrekt. De lucht, die de tempelbezoekers inademden, was geheel vervuld met wierook en kyphi-geuren, en van de dampen die voortkwamen uit het bij den tempel behoorende laboratorium. Zonder ophouden liet zich eene zachte muziek hooren, door onzichtbare kunstenaars voortgebracht, nu en dan alleen afgebroken door het zwaar gebrul der heilige Isis-koeien of het krassend geluid van de Horus-sperwers, die in eene bijzaal waren gehuisvest. Zoodi a het plechtstatig gebrul van eene koe, als van den donder uit de verte, of de schrille zenuwschokkende kreet van eenen sperwer, als van een bliksemstraal, die van de aarde opschiet naar den hemel, werd gehoord, bogen zich alle aandachtigen, die op den grond lagen neergehurkt, zoodat hun voorhoofd de steenen vloer van het, met zuilengangen omgeven voorhof raakte. Zij zagen allen met diep ontzag naar het voor hen gesloten inwendig gedeelte des tempels, in welks allerheiligste, uit éen enkel geweldig stuk graniet in den vorm van eene kapel gehouwen, talrijke priesters stonden, van welke eenige struisvederen op hunne glimmend kale hoofden,anderen panthervellen over de schouders droegen. Onder zacht gebrom en luid gezang lagen zij nu'eens ter aarde, hieven zich dan weder op, slingerden wierookvaten en sprenkelden voor de goden zuiver water uit gouden plengvatten. Hoe nietig moest de mensch zich niet gevoelen in deze reuzenhal, waarin echter alleen den meest bevoorrechte onder de Egyptenaren toegang werd verleend. Zijn oog, zijn oor, ja zelfs zijne ademhalingswerktuigen stonden hier enkel onder den invloed van indrukken, die hemelsbreed verschilden van die in het dagelijksch leven, indrukken die de borst beknelden en de zenuwen deden trillen. Als bedwelmd en geheel ontrukt aan het werkelijke leven, moest de smeekeling wel een steunpunt buiten zich zoeken. De stem van den priester wees hem

ocr page 97

op zulk een steun, en de geheimzinnige muziek, zoowel als het geroep der heilige dieren, waren voor hem teekenen van do nabijheid der godheid.

Nadat Psamtik voor een oogenblik eene biddende houding had aangenomen op de voor hem bestemde gouden en met een kussen bedekte rustbank, zonder evenwel te kunnen bidden, kwam hij bij de vermelde zaal. die iets lager en kleiner was, in welke de heilige koeien van Isis-Neith en de sperwers van Horus verpleegd werden. Een met gouddraad rijkbestikt voorhangsel van de kostbaarste stof verborg deze zaal voor de oogen der tempelbezoekers. want slechts zelden was het den volke geoorloofd, zich te verheugen in de aanschouwing der dieren, die eene goddelijke eer genoten. Juist toen Psamtik voorbijkwam werden in melk geweekte koeken, zout en klaver in de gouden kribben dei' koeien, en kleine vogels met bonte vederen in het sierlijk bewerkte huisje van de sperwers gelegd. In de stemming waarin hij thans verkeerde, had de prins geen oog voor dingen, die hem zoo goed bekend waren, en zonder een oogenblik te verliezen, klom hij langs een verborgen trap naar de naast de sterrenwacht gelegene vertrekken, alwaar zich de opperpriester na het verrichten van den godsdienst, placht op te houden en uit te ruston.

Neithotep, een grijsaard van zeventig jaren, zat in een prachtig vertrek, waarvan de vloer met zware Babylonische tapijten was belegd, op een vergulden leunstoel mot een purpen kussen. Zijne voeten rustten op eene kunstig gesnedene voetbank. Hij hield eene met hiëroglyphen beschrevene rol in de hand. Achter hem stond een knaap, die met eenen waaier van struisvederen de insekten van hem verwijderd hield. Het aangezicht van den grijzen priester was vol diepgegroefde rimpels, maar als jongeling moest hij eens zeer schoon geweest zijn. Uit zijne groote blauwe oogeu sprak nog altijd een levendige geest en een ki'ach-tig zelfbewustzijn.

Neithotep had zijne valsche lokken afgelegd. Zijn gladde kale schedel stak zeer scherp af bij het gerimpeld gelaat, en deed het bij de Egyptenaren gewoonlijk vlakke voorhoofd ongemeen hoog schijnen. Het bonte vertrek, waarvan de wanden met duizend spreuken in hiëroglyphenschrift beschilderd waren, de verschillende gekleurde standbeelden der godin, die hier en daar stonden, en de sneeuwitte kleeding des priesters moesten op den vreemdeling een even diepen als vreemden indruk maken.

De grijsaard ontving don troonopvolger met groote hailelijk-heid, en vroeg hem: »Wat voert mijn doorluchtigen zoon tot den armen dienaar der godheid?quot;

?quot;Tk heb u zeer veel te berichten, mijn vader;quot; antwoordde

ocr page 98

87

Psamtik, mot zegeviercndon glimlach, swant ik kom zoo ovon van Amasis!quot;

»Zoo, heeft hij u eindelijk gehoor verleend?quot;

»Eindelijk!quot;

»Uw gelaat zegt mij, dat gij door onzen heer, uw vader, met goedheid ontvangen zijt geworden.quot;

»Nadat ik den storm van zijn toorn had doorgestaan! — Toen ik het verzoek, dat gij mij in den mond hebt gelegd, had voorgedragen, ontvlamde hij in woede en verpletterde mij schier met de vreeselijkste woorden.quot;

»Gij znlt hem getart hebben. 01' zijt gij den koning, gelijk ik u aanried, als een ootmoedig smeekeling en als een onderdanig zoon genaderd?quot;

»Neen. mijn vader; ik was scherp en onwillig.quot;

»Dan had ook Amasis het recht om toornig te worden, want het betaamt den zoon nooit zijn va ler tegen te treden met wrok en spijt in 't hart, en allerminst als hij hem iets te verzoeken heeft. Gij kent de spreuk: Wie zijn vader eert. zal een lang leven ontvangen 1). Zie, mijn zoon, daarin dwaalt gij altijd, dat gij zaken, die met goedheid en zachtheid gemakkelijk te verkrijgen zouden zijn, met geweld en norschheid zoekt dooi- te zetten — Een stoed woord vindt eene goede plaats, en het komt er vooral op aan, hoe men zijn verzoek inkleedt. — Hoort mij, ik wil u eene geschiedenis verhalen: Voor vele jaren heerschte over Kgyple koning Snefroe, die te Memphis zijn verblijf hield. Deze droomde op zekeren dag, dat hem al de tanden uit den mond vielen. Aanstonds ontbood hij een droomuitlegger en deelde dezen zijn geziclit mede. En nu riep de uitlegger: ,Wee u, o koning, al uwe bloedverwanten zullen voor u sterven!' De vertoornde Snefroe liet den ongeluksbode geeselen, en riep een tweeden uiHegger. Deze verklaarde den droom op de volgende wijze: .Heil u, o groote koning, want gij zult langer leven dan al uwe bloedverwanten!' de koning glimlachte over deze woorden, en liet den tweeden uitlegger met geschenken heengaan; want alzeidedeze hem ook hetzelfde als de eerste, hij had toch zijne verklaring in vrij wat lieflijker termen weten in te kleeden. — Begrijpt gij denzin mijner geschiedenis? Zoo laat het in de toekomst uw streven zijn, uw wenschen in aangenamer vormen voor te dragen, want voor het ooi- van een koning komt het evenzeer aan op de wijze waarop men spreekt, als op hetgeen men zegt.

»Acb, mijn vader, hoe dikwerf hebt gij mij dit voorgehouden.

1

Dit Egyptisch gebod, dat zoo veel overeenkomst heeft met het Vierde der Tien Geljnden, komt voor in den Papyrns-Prisse, het oudste ons bekomlp hiëratisrh lianflsr.hrift.

ocr page 99

88

bof dikwerf heb ik ingezien, dat ik mij zeiven met mijne ruwe woorden en toornige gebaren scliade berokken. Ik kan evenwel mijne natuur niet veranderen, ik kan niet....quot;

»Zeg liever: ik wil niet; want wie in waarheid man is, moet,

als hij eenmaal iets gedaan heeft dat hom berouwde, dit niet meer doen. Maar genoeg hiervan voor heden! Vertel mij, hoe gij den toorn van Amasis bezworen hebt.quot; f

sGij kent mijn vader. Toen hij zag dat zijne vreeselijke woorden mij in het diepst mijner ziel gewond hadden, had hij berouw over zijne opvliegendheid. Hij gevoelde dat bij té ver was gegaan, en wilde zijne hardheid tot iederen prijs weder goedmaken.quot;

»Hij heeft een edel hart, maar zijn geest is verblind en zijn gemoed is verhard,' riep de priester. )gt;Wat zou Amasis voor Egypte niet knnnen zijn, als liij acht wilde geven op onzen raad en op den wil der goden!quot;

«Ontroerd als hij was, stelde bij ten laatste bet leven — hoort gij wel, mijn vader! — het leven van Phanes in mijne handen.quot;

»Hoe vonkelen uwe oogen! Dat is niet zooals'het behoort,

Psamtik! De Athener moet sterven, daar hij de goden beleedigd heeft. De rechter behoort wel met strengheid oordeel te vellen,

maar moet zich eer bedroeven dan verblijden over bet onjjeluk van den veroordeelde. Spreek uit; wat verkreegt gij verder van uw vader?quot;

»De koning deelde mij mede, aan wien Nitetis haar aanzijn verschuldigd is.quot;

»Anders niets?quot;

»Neen, mijn vader. Maar brandt igt;ij niet van verlangen, om te vernemen....quot;

«Nieuwsgierigheid is eene ondeugd van de vrouw; ook weet ik uw geheim sinds lang.quot;

»En gisteren hebt gij mij eerst opgedragen, het mijnen vader te vragen.quot;

»Dat deed ik om u op de proef te stellen, om mij te overtuigen, of gij de bevelen der goden gehoorzaam genoeg waart, om waardig te zijn toegelaten te worden tot den hoogsten graad van het weten. Ik hoor nu, dat gij ons eerlijk verslag geeft van alles wat gij vernomen hebt, en zie dat gij de eerste priester-deugd, de gehoorzaamheid, in beoefening weet te brengen.quot;

»Alzoo weet gij, wie de vader van Nitetis was?quot;

»Ik zelf lieb het gebed bij het graf van koning Hopbra uit-gesproken.quot;

»Maar wie heeft u dit geheim verraden?quot;

»De eeuwige sterren, mijn zoon, en mijne kunst om in dit boek des hemels te lezen.quot;

I

ocr page 100

89

»En befliie£?en deze sterren nooit?quot;'

» Hen, d ie d e taal der sterren waarlijk verst a.m,bedriegen zij nooil.quot;

Psamtik verbleekte. De droom van zijn vader en zijn eigen vreeselijk horoscoop kwamen hem als ontzettende schrikbeelden voor den geest. De priester bespeurde aanstonds de verandering op het gelaat van den prins, en voegde hem nu met zachter stem toe; »Gij denkt aan de booze hemelteekenen, bij gelegenheid uwer geboorte, en acht u zeiven reddeloos verloren; — wees echter getroost Psamtik, de sterrenkundiger; hebben toen éen sterrenbeeld over het hoofd gezien, dat aan mijn blik niet ontgaan is. Uw horoscoop was zeer onrustbarend, voorzeker, maai1 het kan ten goede verkeeren, het kan....quot;

»0, spreek, mijn vader, spreek!quot;

»11 et moet ten goede verkeeren, als gij alle andere dingen ?wilt vergeten, en alleen voor de goden leven ; als gij u voorneemt naar hunne stem, die wij alleen in het allerheiligste verstaan, te luisteren, en onvoorwaardelijk op te volgen wat zij u gebieden.quot;

))Geef slechts een wenk, mijn vader, en ik zal gehoorzamen.quot;

«Dat geve de godin van Saïs, de groote Neith!quot; riep de priester op plechtigen toon. •—? »Laat mij thans echter alleen, mijn zoon,quot; vervolgde 'lij minzaam, sik ben zeer vermoeid van het, langdurig bidden, want ik gevoel dagelijks meer den last mijner jaren. Stel het ombrengen van Phanes zoo lang uit. als het u mogelijk is, ik zon hem gaarne spreken voor hij sterft. — Toch nog iets! Gisteren is er eene bende Ethiopiërs hier binnengetrokken. Deze lieden verstaan geen woord Egyptisch of Grieksch. Onder de leiding van een vertrouwd man, die den Athener en de plaatselijke gesteldheid kent, zuilen zij de meest geschikte werktuigen zijn, om den veroordeelde uit de wereld te helpen, daar hunne onbekendheid met de taal en met de toedracht der zaak alle verraad of geklap onmogelijk maakt. Vóór hun vertrek naar Nancratis mag deze lieden niets omtrent het doel van den tocht ter oore komen. Ts de zaak afgeloopen. dan zenden wij hen naar Koesch ') terug. Een geheim, merk dit. wel op, dat meer dan één weet, is reeds voor de helft verraden. Vaarwel!quot;

Psamtik verliet, het vertrek van den grijsaard. Weinige oogen-blikken later trad een jong priester, een dei- dienaren des ko-nings, binnen, en vroeg den priester: »Heb ik goed toegeluisterd, vader?

»Voortreffelijk, mijn zoon. Niets is u ontgaan van hetgeen Amasis met Psamtik gesproken heeft. Moge Isis 2) u lang uw gehoor laten !

t) Ethiopië.

8) De pfemalin of zuster van Osiris» Zy is de natuur, waarin de godquot;

ocr page 101

»Ocli, vader, oen doove had heden in liet. aangrenzende vertrek ieder woord kunnen verstaan, want de koning brulde als een stier.quot;

»De groote Neith heeft hem met onvoorzichtigheid gelagen. Ga thans, houd de oogon wijd open, en breng mij dadelijk bericht, ingeval Amasis, wat zeer wel mogelijk is, den aanslag-togen Plirmes mocht zoeken te verijdelen. Gij vindt mij altijd te huis. Bevee1 den dienaren, dat zij allen moeten afwijzen, die mij mochten komen bezoeken, met te zeggen dat ik in het allerheiligste bid. De Onnoembare geleide uwe schreden!quot;

Terwijl Psamtik alle noodige maatregelen nam tot de inhechtenisneming van l'hanes, ging Cresus met zijn gevolg scheep in een koninklijk Nijlvaartuig, om naar Naucratis te varen, en dien avond bij Uhodopis door te brengen. Zijn zoon Gyges en de drie jonge Persen bleven te Saïs, alwaar zij den tijd zeer genoeglijk sleten.

Amasis overlaadde hen met vriendelijkheid, veroorloofde hun volgens het Egyptisch gebruik, met zijne vrouw en de zoogenaamde tweeling-zuster te verkeeren, en onderwees Gyges in het damspel '). Hij was vroolijk en onuitputtelijk in geestigheden. wanneer hij zag, hoe de krachtige en behendige jonge helden zich vermaakten, door met zijne dochters ballen en ringen te werpen, een lievelingsspel der Egyptische jonge dochters 2).

»Waarlijk,quot; riep Bartja. nadat Nitetis den fijnen, met bonte linten versierden ring, zonder een enkele maal te missen, minstens voor den hondersten keer mot haar dun ivoren staafje had opgevangen, »dit spel moeten wij ook in ons land invoeren. Wij, Perzen, donken geheel anders dan gij, Egyptenaars. Al wat nieuw en vreemd heet, is ons even welkom, als het bij ulieden gehaat schijnt te zijn. Ik zal or onze moeder Cassandane van verhalen, en zij zal gaarne aan de vrouwen mijns broeders verlof geven, zich met dit spel te vermaken.quot; .

»0, doe dat, doe dat!quot; riep de blonde Tachot, terwijl zij

lieid zich openbaart. Zij kan ook beschouwd wonion als de vorporsoon-lijking van ilo door do godheid vruchtbaar gemaakte aarde. Do koe was haar geheiligd on meermalen wordt zij met den koekop afgebeeld.

'1) Op de monumenten zien wij niet alleen geringe Egyptenaars, maar ook de pharao's zich met dammen on dergelijke spelen bezighouden. Zoo bezitten wij eone voorstelling van Ramses, spelende met zijne dochter. In de musea van het Louvre on Boularj worden sclioonc damborden bewaard.

3) Op alln musea vindt men znlke brillen, o. a. te f.oiden,

ocr page 102

01

l)Iooscle tot achter de ooron. »Niletis zal dan modespelen, on zicli verbeelden weder in het vaderland hij hare geliefde betrekkingen te zijn. Gij echter, Bartja,quot; vervolgde zij zachter, »moet ook aan dit uur denken, zoo dikwerf gij de ringen ziet vliegen.quot;

De jonge Pers antwoordde glimlachend: »11; zal ze nirnmor vergeten! Daarop riep hij luide en opgeruimd, zich lot zijne aanstaande schoonzuster wendende: »Heh goeden moed, Nitetis, het zal u bij ons beter bevallen, dan gij wel denkt. De Aziaten weten de schoonheid te eeren; dit bewijzen wij reeds daardoor, dat wij vele vrouwe 11 nemen.quot;

Nitetis zuchtte, en Ladice, de koningin, riep: ji)Juist daardoor toont gijlieden, dat gij het karakter der vrouw volstrekt niet weet te waardeeren. Gij kunt zelfs niet vermoeden Bartja, wat eene vrouw gevoelt, als zij bemerkt dat de man, die haar dierbaarder is dan het leven, om wiens wille zij alles wat haar lief en heilig is ten offer wil brengén, op haar neerziet als op een schoon stuk speelgoed, een edel ros, een kunstig bewerkt meng-vat. En het is nog duizendmaal smartelijker de liefde, die men zoo gaarne alleen zou bezitten, met honderd andere te moeten deelen.quot;

»Hoor me nu die jaloersche vrouw eens!quot; riep Amasis «Spreekt zij niet, als had zij zich reeds over mijne ontrouw te beklagen gehad?quot;

»0, neen, mijn beste,quot; hervatte Ladice, «daarin staat gij Egyptenaars boven alle andere mannen, dat gij trouw en standvastig zijl in uwe liefde, en dat gij u tevreden stelt met hen, die u eens dierbaar zijn geworden. Ja, ik durf tegen iedereen vol te houden, dat geene vrouw ter wereld zoo gelukkig is, als de gade van een Egyptenaar1). Zelfs de Grieken, die ons anders in vele dingen ten voorbeeld kunnen strekken, weten de vrouw niet naai' waarde te schatten. In bedompte vertrekken, onafgebroken dooi- de moeders of door huishoudsters aangezet tot den arbeid aan weefstoel en spinrokken, verkwijnen de meeste Helleensche meisjes reeds in hare kindsheid, om wanneer zij eenmaal huwbaar zijn, in het stille huis van een haar onbekenden echtgenoot te worden verplaatst, wiens vele staatkundige en maatschappelijke werkzaamheden hem slechts zelden veroorloven den voet in het vrouwenvertrek te zetten. Alleen dan, wanneer

1

Do gedenkteekencn en koningslijsten bewijzen, dat, ook vrouwen konden regeeren. Do echtgenoot van eene kroonprinses, werd door haar koning. Vorstinnen hadden haar eigen inkomen, en wanneer zij na haren dooit onder do godinnen werden opgenomen, hare eigene priesterschap. Kortom, uit allo getuigenissen hlijkt, dat do vi ouwen hy alle K^yptonaars geI\jko rechlon haddon als ito mannon.

ocr page 103

02

do naaste vrienden en verwanten Mj den heer des huizes le gast, zijn. maï zij, maar ook dan nopr altijd schuchter en zwijgend, iri den kring der mannen verschijnen, om iets te vernemen van wat er in de wereld omgaat en wat te leeren. Ach. ook in ons woont de zucht naar kennis, en aan ons geslacht behoorde men allerminst de wetenschap van sommige dingen te onthouden, daar wij als moeders wel hot eerst geroepen zijn, onze kinderen te onderwijzen. Wat zal eene Helleensche moeder, die zelve niets weet, omdat zij nooit iets geleerd heeft, hare dochters leeren'? Daarom kan zich de Griek ook maar zelden met zijne, door het huwelijk aan hem verbondene, doch in geest en verstand ver bij hem achterstaande, vrouw tevreden stellen. Hij gaat naar de huizen der hetaeren, die gestadig met het mannelijk geslacht verkeeren, die de mannen hunne kennis weten af Ie luisteren, en die de dus verkregene wetenschap met de bloemen van vrouwelijke bevalligheid weten te tooien en met het zout van haar fijneren, zachteren geest te kruiden.

»Tn Egypte is het geheel anders. Hier mag de bloeiende maagd deelnemen aan het ongedwongen gezellige verkeer met deedel-sten en besten der mannen. Do jongeling en de jongedochter leeren elkaar op de vele feesten kennen en beminnen. De vrouw is hier te lande niet de slavin, maar de vriendin van den man. Zij vullen elkander aan. Geldt het levensvragen, zoo beslist de sterkere; de geringe zorgen des levens worden aan de vrouw overgelaten, die juist in het kleine grooter is. De dochters groeien op onder hare uitnemende leiding, want de moeder is vrouw zonder kennis of ervaring. Het wordt de vrouw gemakkelijk gemaakt, deugdzaam en huiselijk te blijven, want juist door hare deugd en huiselijkheid verhoogt zij het. geluk 'van hem, die haar alleen toebehoort, wiens liefste bezitting te zijn haar eenige roem is. Wij, vrouwen, zijn nu eens gewoon te doon wat quot;ons behaagt, doch de Egyptenaren verstaan de kunst ons zóo te leiden, dat ons alleen behagen kan wat goed

is._ nier aan den Nijl zouden Phocylides van Mylete en Hip-

ponax van Ephesus nooit den moed gehad hebben, hunne smaad-liederen op ons te dichten; hier zou nooit de legende van Pandora') in eenig menschelijk brein zijn opgekomen.

?1) SimonMcs van Amorgos, .!(gt; dichter der Pandoia-sage, nad het vooral op de vrouwen geinunt, die liij vergelijkt inet allerlei onreine dieren. Do vrouw die het karakter der bij had, was alleen goed. Phocylides, een barsch, vinnig maar scherpzinnig uian, en de mismaakte llipponax waren zijne navolgers. Onder de Egyptenaars waren er niet minder, die op slechte vrouwen scholden, en ze bij hyena's en panthers vergeleken.

ocr page 104

93

«Inderdaad, gij spreekt voortreffelijk!quot; riep Bartja. sliet heefl mij ontzaglijk veel moeite en inspanning gekost Griekscl; te lee-ren; thans echter verheugt het mij, dat ik den moed niet verloor, en van het onderwijs van Gresus zoovee! mogelijk partij heb getrokken.quot;

»Maar wie zijn die booze mannen, die het waagden van de vrouwen kwaad le sprekenvroeg- Darius.

»Een paar Grieksche dichters,quot; antwoordde Amasis, »de stoutste menschcn die ik ooit heb gekend. Want eer zou ik liet wagen eene leeuwin, dan eene vrouw boos te maken. Maar die Grieken deinzen voor niets ter wereld terug. Verneem slechts dit staaltje van de poëzie van Hipponax:

Tweemaal in 't leven kan ons een' vrouw behagen.

Wanneer zij trouwt en — als zij grafwaarts wordt gedragen.

»Houd op, houd op, ondeugd!quot; riep Ladico, de ooren dicht houdende. );Ziet, Persen, zoo is deze Amasis altijd. Als hij spotten en gekscheren kan, dan doet hij het, ook al is hij het volkomen eens met het voorwerp van zijn spot. Er is voorzeker geen beter echtgenoot dan hij...quot;

»En geen slechtere vrouw dan gij,quot; hernam Amasis lachend; «want gij laadt waarachtig den schijn op mij, dat ik een maar al te gehoorzaam gemaal ben. — quot;Vaarwel kinderen; de jonge lieden verlangen van naderbij met ons Saïs kennis te maken. Maar eerst wil ik hun nog laten hooren, wat de booze Simo-nides van de beste vrouw zingt;

Één is der bij verwant. Gelukkig hij,

Wien zulk een vrouw haar hart en hand rnocht geven ;

Ze is trouw en teer; zij siert en kroont zijn leven,

En grijst, bemind en minnend, aan zijn zij.

Een wakker kroost, uit haren schoot gesproten,

Vlecht om haar kruin een nieuwen stralenkrans Zij prijkt aan 't hoofd van haar geslachtsgenooten

In reinen, meer dan sterlelijken glans.

Zij zit niet neer bij wufte gezellinnen,

Die ijdle scherts en dartle taal beminnen,

Geen schooner lot schonk Zeus dan aan den man.

Die zulk een vrouw de zijne noemen kan.

))Eeii zulke is nu ook mijne Ladice. Vaarwel!quot;

flNogquot; niet!quot; riep Bartja. ))Ik moet eerst mijn arm Persie rechtvaardigen, om mijne aanstaande schoonzuster met nieuwen moed te bezielen. Maar neen! Darius, spreek i;ij voor mij, want gij verstaat de kunst van spreken evengoed, ais die van het rekenen en het hanteeren van het zwaard!quot;

ocr page 105

»Gij spreekt, al^ ware ik een zwetser en eeu kramer 1),quot; anl-woordde de zoon van Hyslaspes. «Maar dat doet niets ter zake; ik brand reeds lang van begeerte, om de zeden van ons vaderland te verdedigen. Weet dan Ladice, dat uwe dochter in geenen deele de slavin, maar do vriendin van onzen koning zal worden, wanneer slechts Aoeramazda 2) zijn hart ten haren gunste neigt. Weet, dat ook in Persië, hoewel alleen op hooge feesten, de vrouwen des konings aan de tafel der mannen aanzitten, en dat wij gewoon zijn onze vrouwen en moeders de hoogste achting te bewijzen. Oordeelt gijlieden zei ven, of de Egyptenaren hunne vrouwen een schooner en grooter geschenk kunnen vereeren, dan zekere koning van Babylon, die eene Persische tot vrouw nam. Gewoon aan de bergen van haar vaderland, gevoelde deze zich in de uitgestrekte vlakten van den Euphraat diep ongelukkig, en kwijnde weg van hartzeer en heimwee. En wat deed nude koning? Op hooge gewelven liet hij een reusachtig groot gebouw optrekken, en het bovenste gedeelte ervan met eene zware laag vruchtbaren tuingrond bedekken. Hierin deed hij de schoonste bloemen en hoornen planten, terwijl door een zeer kunstig samengesteld werktuig het onmisbare water werd opgepompt, om ze te besproeien. Als het grootsche ontwerp geheel ten uitvoer was gelegd, voerde hij zijne Persische vrouw naar dezen too vertuin, en gaf haar den kunstberg, van welks top zij als van de kruin van den Rachmed in de vlakte kon nederzien, ten geschenke 3).quot;

»En werd de Persische gezond?quot;' vroeg Nitetis, met neergeslagene oogen.

»Zij herstelde en werd vroolijk, gelijk ook gij u binnen korten tijd in ons land gezond en gelukkig zult gevoelen.quot;

Ladice glimlachte en vroeg; gt;AVat zou wel het meeste hebben hijgedragen tot de genezing der jonge koningin, de kunstige berg, of de liefde van den echtgenoot, die zulk een reuzenwerk tot stand bracht om haar op te beuren ?quot;

«De liefde van haar gemaal!quot; riepen de meisjes.

»Maar Nitetis zal toch zeker den berg niet versmadenvroeg Bartja. «Ik zal er ton minste zorg voor dragen, dat zij op de

•1) Over dezen selieldnaam, die men later aan Darius gal', nader in hot. 3ile Uoek.

2) Aoeramazila (Ahoera-Mazda) wordt in de spijkeropschriften de groote en reine god der Persen genaamd, meer bekend onder den naam Ormusd. 11 ij staat tegenover Angramainjns of Ahriman, den god der duisternis en van het hooze.

3) Nebucadnezar zou dit reuzenwerk hebben doen vervaardigen voor zijne Persische gemalin Amytis.

ocr page 106

hangende luinen !lt;omL tu wonen, lelkens wanneer zich lid hof te Babyion bevindt.quot;

^Maar komt thans!quot; riep Amasis; «anders zult yij de slad nog in het donker moeten bezien. Ginds slaan reeds een uur lang twee schrijvers op mij te wachten. Hola, Sachons, beveel den hoofdman der lijfwacht onze hooge gasten met honderd man te volgen!quot;

«Maar waartoe dit? Eén gids bijvoorbeeld, een Grieksch onderbevelhebber is meer dan voldoende.quot;

»Zoo is het beter, vrienden. Als vreemdeling kan men in Egypte nooit te voorzichtig zijn. Neemt dii wel in acht; en zorgt ook vooral, dat gij den spot niet drijft met de heilige dieren. — Vaartwel, mijne jonge helden; heden avond hoop ik ii bij den vroolijken beker weder Ie zien!quot;

De Persen verlieten het koninklijke paleis, voorafgegaan door hun tolk, een Griek, die in Egypte was opgevoed, en beide talen 1) even gemakkelijk sprak.

De straten van Saïs, in de nabijheid van het verblijf des vorsten, zagen er zeer fraai en vriendelijk uit. De huizen, waaronder vele van vijf verdiepingen hoog, waren meerendeels met beelden en hiërogh phen bedekt. Ook hadden de meesten aan de tuinzijde houten balkons met balustraden van bontgekleurd beeldhouwwerk, door beschilderde pijlers ondersteund. Op sommige der goed geslotene huisdeuren stond do naam en de stand van de bewoners te lezen. Op de platte daken zag men bloemen en boompjes, te midden van welke de Egyptenaren des avonds vertoefden; als hen ten minste de nood niet drong om het muggentorentje te bestijgen, dat op weinige woningen gemist werd, en waar men de lastige insecten, door den Nijl in menigte aangekweekt, doch die alleen in de laagte zweven, ontvluchten kou -).

De jonge Persen maakten /.ich vroolijk over de groole,])ij kans overdrevene zindelijkheid van ieder huis in het bijzonder en zelfs van de straten. De schilden op de deuren en de kloppers schitterden in het zonlicht; de schilderingen op de muren, balkons en kolommen waren zoo frisch en helder, als had men er zoo-even de laatste hand aan gelegd. Zelfs het plaveisel der straat wekte het vermoeden op, dat men gewoon was het tc schrobben. Naarmate de Persen zich verder van den Nijl verwijderden, werden de straten onaanzienlijker. De stad was tegen de

•1) l'it zulke in Egypte opgevoeilo Hellenen 7.011 Psamlik I cone kaslo der tolken hebben gevormd. Herodotus is zeker door zulk een „dragomanquot; rondgeleid.

2) Zulke torentjes vindt men daar heden nog.

ocr page 107

96

helling van een tamelijk hoogen heuvel gebouwd, en had zich sinds voor derdehalve eeuw de residentie der pharao's hierheen was verlegd, iu betrekkelijk korten tijd uit hare onbeduidendheid en armoede tot eene machtige en grnote stad ontwikkeld. In het gedeelte der stad, dat zich langs den Nijl uitstrekte, waren de straten fraai en zindelijk. Daarentegen lagen aan de andere zijde van den heuvel, slechts zeldzaam door betere huizen afgewisseld, de uit Nijlslib en acacia tak ken samengestelde woningen der armen. In het noordwesten der stad verhief zich de versterkte burg van den koning.

»Laat ons hier omkeeren,quot; riep Gyges, de zoon van Cresus zijn jongere makkers toe, over wie hij bij afwezigheid zijns vaders het toezicht had, daar hij zag dal de menigte der nieuwsgierigen, die hen volgden, bij iedere schrede grooter en lastiger werd.

»Crij hebt slechts te hevelen,quot; gaf de tolk ten antwoord. »Anders, daar beneden in het dal, aan den voet van gindschen heuvel, ligt de doodenstad der Saïten, en deze is, zoo ik ineen, wel waardig door vreemdelingen bezocht te worden.quot;

»Ga gij ons dan maar voor,quot; riep liartja. »Wij zijn toch immers Prexaspes alleen gevolgd, om de merkwaardigheden van het buitenland te zien.quot;

Toen zij eindelijk nabij de doodenstad op een open, door de kramen der handwerkslieden ^ omgeven plein waren gekomen, hooide men op eens door de nog steeds volgende menigte een luid geschreew aanbellen, JDe kinderen juichten, de vrouwen gilden, en eene slem die boven alle andere hoorbaar was brulde : »Koml herwaarts in het voorhof des tempels, om de werken van den grooten toovenaar te zien, die uit de oasen in het westen van Libye geboortig is, en door Ghoensoe, den uitdeeler van goede vindingen, en de groote godin Hekt met alle wonderkrachten is toegerust!quot; -')

«Volgt mij naar den kleinen tempel daarginds,quot; zeide de tolk, »dan zult gij zoo aanstonds eene zonderlinge vertooning zien.quot;

Hierop baande bij zich met de Persen een weg door de menigte, nu eens een naakt kind, dan weer eene taankleurige vrouw op zijde duwende, en keerde spoedig terug met een priester, die de vreemdelingen in het voorhof des tempels

1) De handwerkslieden waren eu zijn nog allijd gewoon in de vrije lucht, ol' in wijdgeopende werkplaatsen te arbeiden.

2) Toovenaars en slangenbezweerders waren in het oude Egypte in het geheel niet zeldzaam. Nog worden er ontelbare gevonden, llekt was de godin der magie, Choensoe komt op een schild in de bibliotheek te Parijs voor als verdrijver der booze geesten.

ocr page 108

97

voeide. Hier stond een man in priestergewaad, tusschen onderscheidene kisten en kasten. Twee Mooren knielden naast hem op den grond. Deze Libyëi een reusachtige kerel, met zeer buigzame ledematen en vurige zwarte oogen, hield een blaasinstrument in den vorm onzer klarinet in de hand; om zijne borst en zijne armen kronkelden zich ettelijke, in Egypte als veigit'tig bekende slangen.

Toen hij de Persen gewaar werd, hoog hij zich en noodigde hen met een plechtig gebaar uit, om goed toe te zien. Daarop legde hij zijn wit gewaad af, en begon toen allerlui kunststukken met zijne slangen te verrichten. Nu eens liet hij zich door dezen bijten, dat het bloed van zijne wang droop, dan weer dwong' hij ze door de vreemde tonen zijner fluit zich op te richten en bewegingen te maken, die op een dans moesten gelijken, een andermaal deed hij ze, door ze in den bek te spuwen, in onbeweeglijke staven veranderen. Eindelijk wierp hij al de slangen op den grond en voerde in haar midden een wilden dans uit,/.ouder een der dieren met de voeten te raken. Als een razende draaide en kromde de toovenaar zijn slappe ledematen, tol hem de oogen uitpuilden eu bloedig schuim op zijne lippen stond. Eensklaps wierp hij zich als dood ter aarde. Niels bewoog zich aan zijn lichaam, uitgenomen de lippen, die een schel gesis deden hooren. Op dit teeken kropen de slangen op hem toe,en legden zich als levende ringen om zijn hals, zijne beenen en zijne armen. Eindelijk stond hij op en zong een lied ter eere van de wonderbare macht der godheid, die hem, zichzelve ter eere, tot toovenaar had gemaakt. Hierop opende hij een der kasten, en borg daarin het meerendeel der slangen, slechts eenige, waarschijnlijk zijne lievelingen, behield hij als hals en armsie-raden bij zich.

De tweede afdeeliug zijner voorstelling bestond uit eenige goed uitgevoerde proeven zijner goochelkunst. Hij at brandend vlas, hield al dansende zwaarden, die met de spits in zijne oogholten rustten, in evenwicht, haalde lange linten en strikken uit de neuzen van de om hem heen staande Egyptische kinderen, vertoonde het bekende ballen- en bekerspel, en deed de verbazing der toeschouwers ten toppunt stijgen, door uit vijf struiseieren even zoo vele levende jonge konijnen te voorschijn te goochelen.

De Persen waren op verre na niet de ondankbaarsten zijner toeschouwers; op hen toch maakte dit nooit te voren door hen geziene schouwspel een verbazenden indruk. Het. was hun, als bevonden zij zich in het rijk der wonderen. Van al de zeld-

1) Libyë hoette ite westelijke Nijtoever, met het land daarachter. De streek die aan de woestijn grensde, was rijk aau slangen.

?

7

ocr page 109

!Igt;S

/atuiilii'den, ilie zij in E^yplc a! hadilcn gezien, goloolduii zij Ihans wel de allermcrkwaanligste aanschouwd te hebben.

Deukende over helgeeu zij gezien hadden, waren zij weder tol ilc meer aanzienlijke straten teruggekeerd, zonder op te merken iioe velen der hen omringende Egyptcnaars daar henen liepen zonder handen, neuzen ol' ooi en. Hel was voor de Aziaten niel vreemd zulke ongelukkigen le zien, want ook hij hen werden vele misdrijven met het afsnijden van eenig lichaamsdeel gestraft. Hadden zij naar de redenen dier verminking onderzoek gedaan, zij zouden vernomen hebben, dal in Egypte de van zijne baud berooide een op heeterdaad betrapte bedrieger, de vrouw zonder neus eeue overspelige, iemand zonder tong een landverrader ol' een lasteraar, een man zonder ooren een verspieder was. De bleeke vrouw, zou men hun gezegd hebben, die er uilziet als eene zinnelooze, is de moordenares van haar kind. Tol straf voor deze misdaad, heeft zij het lijkje van den verworgden zuigeling drie dagen en drie naciiten op hare armen moeten houden. Welke vrouw zou, na het einde van zulk eene marteling, nog het verstand hebben behouden? De meeste strafvvelten der Kgyptenaars hadden evenzeer de strekking om de misdaad te strallen, als om den misdadiger bulten de mogelijkheid te stellen, zijn eerste vergrijo le herhalen.

Kensklaps werden de vreemdelingen verhinderd verder te gaan. Ken massa menschen had zich namelijk verzameld voor eender schoonste buizen in de straat naar den Neith-tenipel, welks weinige vensters — do meeste bevonden zich aan de zijde van hel voorhof en den tuin — met luiken gesloten waren. In de geopende huisdeur stond een grijsaard, gekleed in een eenvoudig wil gewaad, dat in hem den dienaar van een priester deed herkennen. Onder luid geschreeuw trachtte hij een aantal lieden van zijn eigen stand le beletten, een groote kist uit hel huis to verwijderen.

»Wie goefl u het recht, mijn lieer te bestelen?quot; riep bij met woedende gebaren. »lk ben de bewaarder van dit buis,en mijn heer heeft mij. toen bij door den koning naar Perzië gezonden werd, — dat de Goden mogen verdelgen! — bevolen vooral acht le geven op deze kist, in welke zijne gescbriften liggen!quot; sStel u gerust, oude Hib!quot; riep de tempeldienaar, dien wij bij de aankomst van het Perzische gezantschap hebben leeren kennen.

»De opperpriester van de groote ^Seilb, de heer van uw beer, beeft ons herwaarts gezonden. In deze kist moeien al zeer zeldzame stukken verborgen zijn, anders zou Neithotep ons niet vereerd hebben met het hevel ze te halen.quot;

«Maar ik zal niet gedoogen, dat het eigendom van mijn heer, den groolen arts Nebenchari. weggevoerd worde!quot; schreeuwde

ocr page 110

09

de oude man. »Ik /ui mij iuuislouds recht verscliallun, e:i des noods tol den koning' gaan.quot;'

sVoorziclitig, mannen!quot;' rieji de tempeldienaar tot zijne ondei'-iioori^en. »Zóo is Jiet goed. Maak nu maar voort en breng de kist dadelijk naar den opperpriester. Kn ^ij. oude, zoudtwijverhandelen, als gij uwe tong in toom hieldt, en bedacht dat ook gij een dienaar van mijn lieer den opperpriester zijt. Kom, maak maar dat gij in buis komt, anders sleepen wij morgen uzelven nog weg, gelijk wij beden de kist doen!quot; — Bij deze woorden sloeg bij de zware buisdeur dicht, zoodat do oude man in bet voorbuis teruggeworpen en aan dehlikken der steeds aangroeiende menigte onttrokken werd.

Do Perzen badden dit vreemde tooneel aangezien, en lieten bel zicli door hun tolk verklaren. Zopyrus lachte, loon hij vernam, dat de eigenaar der door den oppermachtigen opperpriester in beslag genomeue kist de oogarts was, die zich ter bebandeling van de oogziekte der koningin-moeder in Perzie ophield, en zich door zijn ernstig, norsch karakter aan bet bol' van Cambyzes niet zeer bemind had gemaakt. Bai lja wilde aan Amasis vi'agen, wat deze zonderlinge diefstal te beduiden kon hebben; doch Gy-ges verzocht hem dringend zich niet te mengen in zaken, die hem volstrekt niet aangingen.

i)o duisternis, die in Kgyple snel op den dag volgt, begon zich reeds over do stad uit te breiden. Toen de stoet bijna bet paleis bereikt, had, werd Gyges plotseling staande gehouden door iemand, die hem bij zijn kleed greep. Hij koek om en zag een hem onbekenden man, die hem te kennen gal' dat bij zwijgen moest, door den vinger op de lippen te leggen.

sWanneer kan ik u alleen en onopgemerkt spreken?quot; fluisterde bij den zoon van Gresus in het oor.

vgt;Wat wilt ge van mij ?quot;

^Vraag niets, maar antwoord schielijk, liij Mithra 1), ik heb u belangrijke dingen mede te deelen!quot;

ïgt;Gij spreekt Persisch'? Zijl i^ij dan geen Egyptenaar, gelijk ik uit uwe kleeding zou opmaken?quot;

»Ik ben een Pers; maar antwoord spoedig', opdat wij niet te zamen gezien worden. Wanneer kan ik u alleen vinden?quot; «Morgenochtend vroeg.quot;

»Dan is bet te laat!quot;

»Welnu, dan binnen een kwartier, wanneer het volkomen donker is, aan deze poort van het Paleis.quot;

»lk zal u wachten.quot;

1

Eon eed bij Mitlna, Jeu zonnegod, was den IVm-zi-u bijzonder lu-ilijf.

ocr page 111

•100

Mot deze woorden verdween de man. Zoodra de stoet het paleis was binnengegaan, verwijderde Gyges zich van Barlja en Zopyrus, stak zijn zwaard iu den gordel, verzocht Darius hetzelfde te doen en hem te volgen. Weldra stond hij in het stikdonker aan de groote poort van het paleis tegenover den vreemdeling.

sAoeramazda zij geloofd, dat gij daar zijl!quot; fluisterde hij den jongen Lydiër in het Persisch loe. »Maar wien hebt gij bij u'.'quot;

«Mijn vriend, een Achaemenide 1), Darius, de zoon van Hystaspes!quot;

De vreemdeling boog zich diep, en zeide: »Goed, ik vreesde reeds dat gij een Egyptenaar hadt medegebracht.quot;

»Neen, wij zijn alleen en willen u hooren. Maar, maak het kort! Wie zijt gij, en wat verlangt gij'?quot;

»Ik heet Bubares, en was onder den grooten Gyrus een arm hoofdman. Toen wij Sardes, de stad uws vaders, ingenomen hadden, kregen wij verlof om te plunderen. Maar uw wijze vader bad Gyrus, dat hij bevelen zou de plundering te staken, dewijl hij, nu Sardes in zijne macht was, niet den voorrnaligen koning maar zichzelven plunderde, Alzoo werd op straffe des doods bevolen, al het buitgemaakte aan de hoofdlieden uit te leveren, en dezen vervolgens opgedragen alle kostbaarheden, die bun gebracht zouden worden, op de markt bijeen te vergaderen. Daar lagen geheele lioopen gouden en zilveren vaatwerk, vrouwen- en manssieraden, die van edelgesteenten fonkelden....quot;

»Maak wat voort, wij hebben weinig tijd!quot; viel Gyges den spreker in de rede.

»Gij hebt gelijk, ik mag geen woorden verspillen. Ik verbeurde mijn leven, doordien ik een gouden, rijk met edelgesteenten bezette zalfdoos, uit het paleis uws vaders afkomstig, voor mij had behouden. Gyrus wilde mij ter dood doen brengen; Cresus redde evenwel mijn leven, door mijn voorspraak te zijn bij zijn overwinnaar. Gyrus gaf mij de vrijheid, doch verklaarde mij voor eerloos. Alzoo dank ik uw vader het leven. Maar in Perzië kon ik niet blijven, daar de eerloosheid al te zwaar op mij drukte. Een Smyrnaasch schip braclil mij naar Cyprus. Daar trad ik weder in den krijgsdienst, leerde Grieksch en Egyptisch, streed tegen Amasis, en werd door Phanes als krijgsgevangene hierheen gebracht. Ik bad altijd als ruiter gediend; ik werd dus gevoegd bij de slaven, die voor de paarden van den koning zorg dragen. Ik paste goed op, en werd na zes jaren opzichter van den stal. Nooit heb ik uw vader en wat

1

Achaemonitlea heeten ile van Ach lomenes (Ilakhamanis) afstammende koningen en de met hen verwante edelen.

ocr page 112

-101

ik hem verschuldigd ben vergeten. Heden is de beurt aan mij gekomen hem een dienst te bewijzen.quot;

«Betreft het mijn vader? — Zoo spreek! Zeg mij dadelijk v.-at er is!quot;

»Aanstonds. Heeft Cresus den prins Psamtik beleedigd ?t'

»Dat ik weet, niet.quot;

sUw vader is hedenavond de gast van Rhodopis, te Nancratis.quot;

»Hoe weet gij dat?quot;

sUit zijn eigei mond, want hedenmorgen, toen liij naar de bark ging, volgde ik hem, om mij aan zijne voeten te werpen.quot;

»En heht gij uw doel bereikt?quot;

s.Ta. liij sprak mij minzaam toe; doch hij kon mij niet lang aanhooren, daar zijne metgezellen reeds in de bark plaats hadden gen omen, toen liij aankwam. In haast deelde zijn slaat' Sandon dien ik ken, mij nog mede, dat zij naar Nancratis zonden gaan, naar de Helleensche vrouw, die zij Rhodopis noemen.quot;

51 Hij zeide de waarheid.quot;

Dan moeten wij aanstonds alles in het werk stellen om hem te redden. Toen de markt vol was ') zijn er tien wagens en twee barken met Ethiopische soldaten onder aanvoering van een Egyptisch hoofdman, heimelijk naar Naucratis getogen, om dezen nacht het huis van Rhodopis te omsingelen en hare gasten gevangen te nemen.quot;

»Die verraders!quot; riep Gyges.

»Maar wat zouden zij uw vader durven aandoen?quot; vroeg Darius. ))Zij weten toch dat de wraak van Cambyzes....quot;

sik weet niets anders,quot; herhaalde Bubares, »dan dat het huis van Rhodopis, waarin thans ook uw vader is, hedennacht door Ethiopische soldaten zal worden omsingeld. Ik zeil' heb de wagens ingespannen en goed verstaan, hoe de waaierdrager van den kroonprins den hoofdman Pentaoer toeriep: »Houd ooren en oogen open. Laat het huis van Rhodopis omsingelen, opdat hij niet door do achterpoort ontsnappe. Spaar zijn leven, indien het mogelijk is, en dood hem alleen wanneer hij zich mocht willen verzetten. Zoo gij hem levend te Saïs brengt, zult gij twintig gouden ringen ontvangen1)!quot;

1

afwegen tegen koopwaren; anderen, die hunne belastingen met gouden ringen betalen. Deze ringen komen nog voor in den tijd der Ptolemaeën.

ocr page 113

102

ïiZou dit workclijk mijn vader geklon?quot;

sOiimo^clijk !quot; i-ii'p Darius.

»Men kan niet weten,quot; mompelde Bubares. »In dit land is alles mogelijk!quot;

))lii hoeveel tijds kan een g'oed paard den weg' van hiernaar Nancratis adeg^en T'

sin drie uren, als het tot het einde toe flink doordraaft, en de Nijl den weg niet te hoog onder water heeft gezet.quot;

»Binnen twee uren hen ik te Nancratis!quot;

»Ik vergezel u!quot; riep Darius.

«Neen, gij moet met Zopyrus hier blijven, ter bescherming van Bartja. Geef onzen dienaren de noodige bevelen, zoodat zij op alles voorbereid zijn.quot;

»Maar, Gyges......quot;

»Gij blijft hier en verontschuldigt mij bij Amasis. (iij zegt, dat ik wegens hoofd-, of maag-, of tandpijn geen deel aan hei. drinkgelag kan nemen, hoort gijquot;? Ik zal het ISisaeische ros van Bartja hestijgen. Gij, Bubares, volgt mij op dat van Darius. Gij wilt het mij toch zeker wel leenen, broeder?quot;

»Hacl ik er tienduizend, gij kondt er over beschikken.quot;

»Kent gij den weg naar Nancratis, Bubares'?quot;

))Als mijne oogen 1quot;

»Ga dan, Darius, en gelast, dat men uw en Bartja's paard gereed boude. De minste vertraging is hier eene misdaad. Vaarwel Darius, wellicht voor immer! Bescherm Bartja! Vaarwel!quot;

ocr page 114

A r. IIT S T K II 0 0 r I) S T U K.

Hcl was noi;' twco iitpii vóór miildcnuiflil. Door dc ^eopoiulo vensters van liet. buis van Pihodopis kou men het scliijusel zicu der lielder l)raudeude lampen, en de onbepaalde klanken opvangen der vroolijke gesprekken. Dien avond was dc talel der eerwaardige vrouw, ter eere van Gresus. bij/onder i'ijk voorzien. Op de matrassen lagen, met populierlakken en rozen bekransl, de ons bekende gasten van llbodopis: Tbeodorus, Ibycus, Pbanes, Aristomaebus, dc koopman Tbeopompus van Milcte, Cresus en nog ondersc bei dene anders mannen.

».Ia, dit Egypte,quot; zeide Tbeodorus, de beeld bouwer, smaakt op mij den indruk van een meisje, dat. een gouden schoen bezit, dien zij, ofschoon bij baar knelt en pijn doet, niet besluiten kan af te loggen, niettegenstaande de schoonste en gemakkelijkste schoeisels voor baar staan, waarnaar zij slechts de band beeft uit. te strekken, om zich op eens vrij en ongedwongen te kunnen bewegen.quot;

«Gij bedoelt dat halstarrig vasthouden der Egyptenaren aan hunne, door do voorvaderen over gele ven Ie vormen en gewoonten '?quot; vroeg Gresus.

».Tuist.,quot; antwoordde de beeldhouwer. »Vóór twee eeuwen was Egypte ontegenzeglijk nog bet eerste land der wereld. Zijne kunst en zijne wetenschap overtrof alles, wat wij toen voortbrengen konden. Wij zagen echter den Kgyptenaren huime handgrepen af; we wisten deze te volmaken; we gaven aan de stijve geil wongen e vormen losheid en schoonheid; we hielden ons aan geene vaste afmetingen, maar namen de natuur tot model. Kn thans zijn we onze meestérs ver vooruitgestreefd. Hoe kon dit geschieden'? Alleen omdat de leermeester, door onverbiddelijke wetten gebonden, op zijn oude plaats moest blijven staan. Wij daarentegen konden ons naar vermogen en welgevallen op h l gebied der kunst, vrij bewegen.'quot;

»Maar boe kan men den kunstenaar dwingen, zijne beeld wer-

ocr page 115

lOi

ken, die toch altijil verschillende onderwerpen hebben, naar

vaste afmetingen uit te voeren?quot;

»Dit laat zicli in dit geval gemakkelijk verklaren. De Egyp-tenaren verdeelen hot geheele menschelijke lichaam in 21 '/ deelen r), en berekenen daarnaar de verhoudingen der afzonderlijke ledematen. Aan de/e getallen houden zij vast en otleren daaraan de hoogere eischen dei* kunst. Ik zelf heb Amasis, in tegenwoordigheiJ van den voornaamsten Egyptischen beeldhouwer, een priester van Tliebe, deze weddenschap aangeboden, dat ik niijn broeder Telecles te Ephesus de grootte, de verhouding en den stand volgens de Egyptische voorschriften zon opgeven van een met hem te vervaardigen standbeeld, dat als door éene hand en uit een stuk zon schijnen bewerkt te zijn, ofschoon Telecles het benedendeel er van ie Ephesus, en ik het bovendeel te Saïs onder de oogen van Amasis zou bewerken.quot;

»Eii zoudt gij de weddenschap winnen?quot;

»Zonder eenigen twijfel. Ook bon ik bepaald van voornomen dit werk onderhanden te nemen. Een kunststuk zal het wel niet zijn, evenmin als eenig Egyptisch standbeeld dezen schoonen naam verdient.quot;

«Maar toch zijn enkele beeldhouwwerken, onder andere die welke Amasis als geschenk voor Polycrates naar Samos zal zenden, uitmuntend bearbeid. Ik zag te Memphis een beeld, dat drieduizend Jaren oud moet zijn. Men zeide dat het den koning voorstelde, die een der groote pyramiden liet bouwen. Hot wekte in alle opzichten mijne bewondering. Mot hoeveel zekerheid is de buitengewoon harde steen bewerkt; hoe juist zijn de borstbeen- en voetspieren weergegeven; hoe zuiver zijn de omtrekken en hoe oordeelkundig is het geheel ontworpen! Bij dit en andere beelden trof mij vooral de harmonie in de gelaatstrekken.quot; 2quot;)

sVolkomen waar. Wat het handwerk in de kunst, dat wil zeggen de gemakkelijke on zekere bewerking ook van de hardste stoffen betreft, daarin zijn ons de Egyptenaren, al zijn zij ook

t) quot;Volgons Dimlorus. Plato meldt, dat de Egyptenaars in zijn tijd liij de wet verplicht waren hunne beelden even schoon ol' liever even leo-lijli te maken als voor duizend jaren; de gedenkteekenen bevestigen dit. Toch heeft de studie der gedenkteekenen bewezen, dat elk tijdperk zijn kunststijl had. In het oude rijk zijn de vormen gedrongen; onder Seti I liereikt de scl loonheid der proportiën haar hoogste punt; onder de 20e dynastie begint de kunst te vervallen, om nogquot; eens onder de 26e, de dynastie der Psamtiks, te bloeien.

2) Het h er bedoelde standbeeld is dat van Chefren in het museum to Boelaq, dat in 1867 op de tentoonstelling te Parijs algemeen de aandacht trok. Hetzelfde museum bezit een houten beeld, te Saqqara gevonden. Hot is uit den pyramiden-tijd, en als kunstwerk niet genoeg- te roemen.

ocr page 116

103

lang op dezelfde hoogte gebleven, nog altijd vooruit. Geen Grieksch standbeeld is zoo iiitermale schoon gepolijst, als dat van Amasis in den hof van het paleis. Maar de vrije vorming, den Promc-theusarbeid, het geven van ziel en leven aan den steen, dit zullen zij niet loeren, zoolang zij niet met hunne oude vormenkraam geheel gebroken hebben. Door zuivere proporties geeft men nog geen leven aan zijne beelden. De Egyptische beelden missen de zoo bevallige verscheidenheid in lichamelijke vormen. Beschouw eens opmerkzaam de honderdduizend standbeelden, die van Nan-cratis tot aan de watervallen bij allo tempels en paleizen sedert dertig eenwen zijn opgericht. Alle stellen zij gemoedelijk ernstige menschen op middelbaren leeftijd voor, en toch is het eene het beeld van een grijsaard, terwijl een ander ten doel heeft bet aandenken aan een jongeling van koninklijken bloede te vereeuwigen. Krijgshelden, wetgevers, wreedaards en menschen-vrienden hebben allen omtrent hetzelfde voorkomen, en onderscheiden zich alleen van elkander door hmmc grootte, waarmede de Egyptische kunstenaar meerdere of mindere macht en kracht uitdrukt, en door hun portret.quot;

»Doch onder deze poi trel ten,quot; zeide Pbanes, het woord nemende, gt;gt;heb ik zeer voortreiïelijke gevonden. Onder de oudere, die zich te Memphis bevinden en die maar weinig Grieken te zien krijgen, zijn er enkele zoo sprekend van uitdrukking, dat men zon meenen do origineelen gekend te hebben. Tk zou wel wensclien, dat gij die voortreffelijk uitgevoerde beelden, zoo vol karakter, eens kondet aanschouwen.quot;

»Amasis,quot; sprak de beeldhouwer, )gt;heeft mij enkele getoond, en ik geef toe dat zij allen lof verdienen, ja dat ik niet in staat zou zijn die kunstwerken te overtreffen. Doch de Egyptische kunstenaar van heden staan bij hunne voorvaderen zeer verre ten achter, al moet ik erkennen, dat ik zeer goede af heeldingen van Amasis en zijne voorgangers heb gezien. Ze zijn beter gepolijst, maar op verre na niet zoo krachtig als de andere kunstwerken. Over het geheel neem ik niets van het gezegde terug. Gelijk ik mij een zwaard bestel, evenzoo geeft do koning last lot het vervaardigen van een standbeeld. Alvorens de meester zijn werk begonnen heeft, weten wij beiden reeds, als wij namelijk slechts de lengte en breedte nauwkeurig hebben opgegeven, wat wij aanschouwen zullen, wanneer het. werk gereed is.-—? Hoe zou ik een grijsaard, die onder den last. der jaren gebukt gaat. op gelijke wijze kunnen voorstellen als een Jongeling, die het hoofd vol levenslust omhoog heft; een vuistvechter gelijk aan een hardlooper; een dichter gelijk aan een krijgsman? — Plaats Ibycus naast onzen vriend, den Spartaan, en bedenk eens wat gij wel zeggen zoudt, als ik den dichter met gebalde vuist, den

ocr page 117

•100

lioli! mol een aanminiiig' gelaat on bovallige gebaren wilcU^ voorstellen '?quot;

»Eii wat antwoordt Atnasis op uwe aanmerkingen betreflencie dezen stilstand'?quot;

»Hij betreurt dien zeer, maar voelt zicli niet sterk genoeg om de wetten der priesters op te hellen, die de kunst aan banden leggen.quot;

»En toch,quot; zeide de Delphiër, «heeft hij ter versiering van onzen nieuwen tempel, om de Grieksche kunst aan te moedigen, — ik bezig zijne eigene woorden — eene belangrijke som toegestaan.quot;

))Dal 's ferm gehandeld,quot; riep Cresus. »Zulien doAlkmaeoni-den weldra do driehonderd talenten, die zij lot do voltooiing van den tempel behoeven, b ij eenhebben ? ') Ware ik nog maar de rijke man, die ik eens geweest ben, dan zon ik gaarne al de kosten voor mijne rekening nemen, hoewel uw booze god mij, in spijt van al mijne geschenken, leelijk bedrogen heeft. Toen ik hem namelijk liet vragen, of ik den oorlog tegen Gyrus zon durven ondernemen, gaf hij mij ten antwoord, dat ik een groot rijk ten onder zou brengen, zoo ik de rivier Halysovertrok. Ik vertrouwde op deze godspraak, verzekerde mij, overeenkomstig zijn bevel, van de vriendschap dor Spai tanen, en bracht werkelijk oen groot rijk len val, toen ik de grensrivier had overschreden. Dit rijk was evenwel niet het Medisch-Persische, maar mijn eigen armLydië, dat thans als eene satrapie van Gambyzes zich maar noode in zulk eene ongewone afhankelijkheid kan voegen.quot;

»Ten onrechte beklaagt gij u over don god,quot; antwoordde Pliry-xus, jiwant het is niet zijne schuld, dat gij in uwe mensohe-lijke ijdelheid aan zijne uitspraak eene valsche verklaring hebt gegeven. Hij zeide niet: ,het rijk der Persen', maar een rijk zal door uw strijdlust ten onder worden gebracht. Waarom hebt ge niet gevraagd, wolk rijk hij bedoelde'? Heelt Apollo n bovendien niel naar waarheid het lot van uw zoon voorspeld en n gezegd, dat deze op een onheilsdag de spraak terug zon krijgen? En loen gij, na den val van Sardes, van Gyrus verlof hadt gekregen, om aan het orakel van Delphi te vragen, of de Grieksche goden zich tot. eene wet hadden gesteld, hunne weldoeners mol ondank Ie boloonen, loen antwoordde Loxias u, dat hij hot goed met u had gemeend; maar dat het onverbiddelijke nood-

•1) Toen de Alkvnaeonklon voor Pisitralus gevlucht waren, namen zij don bouw van den nieuwen tempel fe Delphi np zich, waarvoor ile Delphiërs echter een vierde dor henoodigde gelden moesten opbrengen. Zij collecteerden o. a. in Egypte eene niet onbelangrijke som. — Driehonderd talonten W ongeveer 810,000 gulden.

ocr page 118

107

lot. hetwelk mach%or is dan liij, reeds aan uw g-rooton voorvader1) voorzegd had, dat de vijfde na hem en dit waart, idj, ten ondergang' was bestemd!quot;

))Uwe woorden;quot; liet C.resus hier dadelijk op volgen, »•/.ouden mij in lt;le dagen van mijn ongeluk heter te stade zijn gekomen, dan thans. Er is eene ure geweest, waarin ik uw god en zijn orakel vervloekte. Toen ik echter met mijne macht en mijn rijkdom ook mijne vleiers verloren had, en ik mijne daden begon te beoordeelen naar een maatstaf, dien ik mij zeiven bad gesteld, za^ ik in dat niet Apollo, maar mijne ijdelheid mij in bet verderf bad gestort. Het rijk dat verniet igd zou worden, kon toch hel mijne, bet machtige rijk van tien machtigen Cresus, den vriend de goden, die als veldheer nog dooi' niemand overwonnen was, niet zijn! Als een vriend in die dagen mij opbel dubbelzinnige van bet orakel had gewezen, ik zou mei bemden spot hebben gedreven; misschien bad ik hem zelfs gestraft. Evenals een paard den arts slaat, die zijne wond betast, om te genezen, zoo handelt ook de despoot ten opzichte van een oprecht. vriend, die de wonden van zijne kranke ziel durft aanraken. Alzoo heb ik niet opgemerkt, wat ik zoo gemakkelijk liad kunnen zien. De ijdelheid verblindt bet oog, dat ons gegeven is tot een onbevangen onderzoek, en geeft voedsel aan de begeerlijkheid van het hart, dat toch bovendien, den goden zij dank, zich wijd openzet voor elke hoop op gewin, maar zicb ook haastig sluit, wanneer verlies of onbril in aantocht is. Xu ik beider zie, en toch niets te verliezen heb, ben ik veel meer bezorgd, dan toen niemand meer te verliezen had dan ik. In vergelijking met betgeen ik vroeger was ben ik arm, Pbryxus; maar Cambyzes laat mij geen gebrek lijden, en ik ben lócli nog bij machte een talent -) voor bei lot stand brengen van uw tempel bij te dragen.quot;

Pbryxus dankte den ouden koning; maar Pbanes zeide; »De Alkmaeoniden zullen een schoon werk tot stand brengen, omdat zij eerzuchtig zijn en rijk, en zich de gunst der Amphiktyonen :') willen trachten te verwerven, ten einde, door dezen ondersteund, den tyran te verdrijven, mijn geslacht te overvleugelen en zicb van het roer van den staat meester te maken.quot;

))Tot den rijkdom van dit geslacht hebt gij, Cresus, naar men

1

Cimrlaules, die zich iloor liet vermoonlen van Koning' Gyges van Jen troon had meester gemaakt.

2) Het oude Attisolie zitvortalent bedroeg zoowat 2700. oen mine iïi gulden ; een drachme was ongeveer 8 stuivers, een oliotus iets moer dan een stuiver.

.0). Do volkstammen, die rondom eon gémeenschappelijk heiligdom woonden, zooals dat van Delphi.

ocr page 119

108

zegt, na Agariste die Megacles zoo groole scliaften ten huwelijk medebracht, wel het meeste bijgedragen,quot; zeide Ibycns.

»Zeer waar, zeer waar!quot; hernam Cresus lachend.

»Verhaal ons, lioo zich dit heefl toegedragen,quot; verzochtRhodopis.

»Alkmaeon van Athene kwam eens aan mijn hof. De vroo-lijke, fijn beschaafde man behaagde mij zoozeer, dat ik hem langen tijd hij mij hield. Op zekeren dag toonde ik hem mijne schatkamers, hij den aanblik waarvan hij schier in vertwijfeling geraakte. Hij noemde zichzelven een gemeenen bedelaar, en verbeeldde zich een allergelukkigst leven te zullen leiden, zoo hij slechls een enkelen greep in al die heerlijkheid mocht, doen. Ik gaf hem verlof zooveel goud met zich te nemen, als hij maar dragen kon. Wat deed Alkmaeon nu? Hij liet zich hooge Lydische rijlaarzen aantrekken, een schort voorhinden en eene mand op den rug hangen. Deze mand vulde hij met. schatten; in het schort laadde hij zooveel geld als hij maar dragen kon, in zijne laarzen liet hij gouden munten glijden, terwijl hij op zijn haar en in zijn baard stofgoud deed strooien. Ja, hij nam zelfs den mond vol goud, zoodat zijne wangen er zoo gezwollen uitzagen, als ware hij op het punt aan een groote ramenas te stikken. Eindelijk hield hij in iedere hand een gouden schotel, en sleepte zich zoo do deur der schatkamer uit, terwijl hij bijna onder zijn last bezweek. Maar nauw w-as hij buiten, of hij zeeg neder. Nooit heb ik hartelijker gelachen, dan dien dag.quot;

«En gij liet hem die schatten behouden?quot; vroeg Rhodopis.

»Zeker, mijne vriendin; ik achtte toen de ervaring, dat het goud zelf een verstandig man tot een dwaas maakt, niet te duur betaald.quot;

»Gij waart de mildste van alle vorsten! riep Phanes.

))En ik bon thans de tevredenste van alle bedelaars. Maar zeg mij, Phryxus, hoeveel heeft. Amasis tot den tempelbouw bijgedragen ?quot;

))Hij gaf duizend centenaars aluin!quot;

))Dat komt mij voor een vorstelijk geschenk te zijn. En do kroonprins?quot;

»Toen ik hem om zijne medewerking verzocht, en mij op de mildheid van zijn vader beriep, antwoordde hij met een hoonenden lach, en zeide, mij den rug toekeerende: Indien gij eens eene inzameling voor de verwoesting uwer tempels doet, dan ben ik bereid voor dubbel zooveel te teekenen als Amasis.quot;

))Die ellendige!quot;

»Zeg liever: die echte Egyptenaar! Psamtik haat alles, wat niet uit dit land afkomstig is.quot;

1) De rijke erfdochter van Clisthenes van Sicyon.

ocr page 120

)) Hoe veel liebben de Grieken te Naucratis bijeengebracht?quot;

»Behalve de rijke bijdragen van afzonderlijke personen tee-kende iedere gemeente voor twintig minen.quot;

»Dat is veel.quot;

sPlüloinus, de Sybariet, zond mij geheel alleen duizend drachmen en deed dit bedrag vergezeld gaan van een zeer zondenin-gen brief. Mag ik hem voorlezen, Uhodopis?quot;

»Ongetwijfeld,' antwoordde de gastvrouw. »Gij zult er uit vernemen, dat hij berouw gevoelt over de beleedigingen, die hij mij in zijn roes onlangs beeft aangedaan.

De Delphiër haalde het briefrolletje uit zijn zak te voorschijn, en las: «Philoinus laat Phryxus weten, dat het hem van harte leed doet, onlangs bij Rhodopis niet nog meer gedronken te hebben; want luidde ik dat gedaan, dan zou ik mijn bewustzijn geheel verloren hebben, en niet bij machte zijn geweest zelfs de kleinste vlieg kwaad te doen. Mijne verwenschte malig-heid is er dus alleen de schuld van, dat ik mij voortaan niet meer te goed mag doen aan den best voorzienen disch van geheel Egypte. Desniettemin ben ik Rhodopis zeer dankbaar voor het genotene, en zend u, lot gedachtenis aan dat heerlijke rundergebraad, om der wille waarvan alleen ik den kok der Thra-cische gaarne tot iederen prijs zou willen koopen, twaalfgroote spietsen tot het roosten van ossen. Gij moogt ze in eene der schatkameren van den tempel te Delphi, als geschenk van Uhodopis, laten ten toon stellen. Daar ik een rijk man ben, teeken ik zelf voor de ronde som van duizend drachmen. Dij de eerstvolgende Pythische spelen moet dit geschenk openlijk worden uitgeroepen. — Gelieve dien lomperd Aristomachus van Sparta uit mijn naam te bedanken. Hij heeft mij het doel mijner Egyptische reis ineens doen bereiken. Ik was derwaarts gekomen, om mij door dien Egyptischen arts '), die de kunst moet verstaan om kwade lauden zonder veel pijn uit te trekken, van zulk een leelijk exemplaar te laten verlossen. Aristomachus heeft mij met zijn vuistslag van hel kranke deel mijns gebils verlost, en me die verschrikkelijke kunstbewerking bespaard, waaraan ik niet zonder siddering kon denken. Toen ik tot mij zeiven kwam, vond ik drie uitgeslagen tanden in mijn mond, den zieken en twee gezonde, welke laatsten alle kentee-kenen droegen, dat zij mij waarschijnlijk ook nog veel pijn zouden hebben veroorzaakt.

«Groet Rhodopis en den schoonen Phanes van mij; u echter noodig ik uit, heden over een jaar deel te nemen aan een

1) De Egyptische tandmeesters moeten zeer knaji zijn geweest. Men heeft werkelijk in de kaken van mummiën kunsttanden gevonden.

ocr page 121

110

^uslimuil Ie liiijiicn huize, Ie SyLuris. I'ithool'do ei' vele kleine toebereitlseleii moeien gemaakt worden, zija wij gewoon onze uilnooiligingen in lijds te doen.

»ll\ laat dezen brief door mijn geleerden slaaf Sopbotatns in bet naaste vertrek scbrijven; wanl ik voor mij krijg reeds kramp in de vingers, wanneer ik een ander slechts zie schrijven.quot;

Al de gisten barstten in een schaterend gelach uit; Khodopis hervatte echter: gt;ilk verheug mij zeer over dezen brief, omdat er mij uil blijkt, dat Philoinus geen slecht mensch is. Op echt Sybarietische wijze opgevoed...,quot;

»Vergeef mij, heeren, als ik n stoor, en gij, ei'rbiedwaardige Helleensclie, dat ik ongenood uw vriendelijk huis binnendring!quot; Met deze woorden, brak iemand, dien de oude matrone volstrekt niet kende en die door niemand opgemerkt de eetzaal was ingetreden, het gesprek der gasten plotseling af. —sik ben Gyges, de zoon van Gresns, en het is niet voor de grap, dat ik nauwelijks drie uren geleden Saïs verliet, om hier nog ter rechter tijd aan te komen!quot;

»Menon, cene matras voor onzen nieuwen gastlquot; riep Khodopis. »\Vees hartelijk welkom in mijn huis, en neem uw gemak na uw wilden, echt Lydischen rit.quot;

nliij lt;leii hond'), Gygesquot; zeide Cresus, zijn zoon de hand reikende, »ik begrijp niet wat u zoo laat herwaarts voert. Ik had n mtzocIiI. niet van de zijde van Barlja te wijken, die aan mijne zorg is toevertrouwd, en toch... Maar hoe ontsteld ziet gij er uit'! Is er iets gebeurd'.' Is er eon ongeluk voorgevallen'/ Zoo spreek dan toch, spreek !quot;

Gyges was gedurende de eerste oogenblikken niet in staat, een woord op de vragen zijns vaders te antwoorden. Toen hij den geliefden man, voor wiens leven liij zoo bezorgd was geweest, veilig en wel aan den rijk bezetten disch zag aanliggen, was het hem als had hij ten tweeden male de spraak verloren. Kindelijk was hij weder in staat Ie spreken, en nu antwoon de hij: »Den Goden zij dank, vader, dat ik u levend terugzie! Geloof niet dat ik mijn post aan Bartja's zijde lichtvaardig verlaten heb. Ik werd door de omstandigheden genoodzaakt, als een ongeluksvogel dezen vroolijken kring binnen te dringen. Weet dan mannen, — want ik mag mijn tijd niet met onnutte voorbereidingen verspillen, — verraad en overrompeling bedreigen u!quot;

Al de aanwezenden sprongen als door de bliksem getrofl'en

1) Eed van Hliailamanthus, den zoon van Zons. om don naam der gotlcu niet op ilo lippen to nemen.

ocr page 122

ovcri'iial. Arislomuclnts trok oiiwillukcurig' zijn zwaard lorlu'lll uit dc sclieedc, en 1'lianes rcklc zijne adilclisclK^ armen uil, als om zicli tc veriiewissen, ol' ze nogquot; even veerkrachtig en sterk waren als voorheen.

»Wat is er'? — Wat wil men met ons?quot; klonk het van trlle zijden.

))üil huis is geheel omsingeld door Klhiopisclie krijgslieden,quot; hervatte Gyges. aKone trouwe ziel heeft mij medegedeeld, da! de kroonprins één uit nw midden wil gevangennemen en wegvoeren, ja, dat hij bevolen heeft den bedoekten persoon te (louden, indien hij zich mocht willen verweren; ik vreesde voorn, vader, en spoedde mij hierheen. — De man, die mij deze me-dedeeling heeft gedaan, heeft, niet gelogen. Dit huis is geheel ingesloten. Toen ik aan de poort van uw tuin kwam, llhodopis, schrikte mijn paard, hoe vermoeid het ook was. Onder het afstijgen bespeurde ik bij het heldere maanlicht achter iederen struik de flikkerende wapenen en gloeiende oogeu van menschen, die zieli daar verscholen hadden. Zij lieten ons echter ongehinderd binnengaan quot;

»Gewichtig' nieuws!quot; met deze woorden viel Knakias, die de zaal kwam binnenst liven, (iyges in de rede. »Toen ik zoo even naar den Nijl ging, om water voor het mengvat te halen '), v loog mij een meusch tegen het lijf, die mij bijna omverwierp. Ik herkende hem aanstonds. Het was een Ethiopisch roeier van I'hanes. Hij vertelde me dal, toen hij een oogenblik te voren om zieh te baden uil de boot in den Nijl was gesprongen, eene koninklijke bark het vaartuig van l'hanes was genaderd. Ken soldaat had aan de manschap, die daarin de wacht hield, gevraagd, aan wien deze boot toebehoorde. ,Aau l'hanes,' anl-woordde de stuurman. De koninklijke bark voer langzaam vinder, schijnbaar zonder zich om uw vaartuig te bekommeren, overste! Maar de badende roeiknecht had zich zonder eenige bedoeling op het roer van het vreemde vaartuig neergezet, en hoorde nu, hoe een Kthiopisch soldaat een zijner kameraden toeriep: »Houd die boot goed in het oog; wij weten nu waaide vogel zijn nest heeft. Nu zal het niet veel moeite kosten hem te vangen. Bedenk dat Psamtik ons vijftig gouden ringen toegezegd heeft, wanneer wij den Athener, dood of levend, te Saïs brengen.quot; — Dit berichtte mij Sebek, de roeier, die u sinds zeven jaren dient, l'hanes!quot;

1) liet Nijlwatcr smaakt liijzoiukr lokker Een reiziger noemde liet ilen champagne onllei? do wateren. Do vrouwen uit clou harem van den sultan laten Nijlwater naar Constanlinopol tirengen. De Arabieren zeggen dat Mohammed, bijaldien hij er van gedronken had, eeuwig zou hebben willen leven.

f

i

ocr page 123

•112

Met de grootste kalmte had de Athener het verhaal van Gyges en dat van den slaaf aangehoord.

Ilhodopis heet'de, en Aristomachus riep: »Ik zal niet dulden dat een haar van uw iiool'd gekrenkt worde, al moet ik ook geheel Egypte verslaan!quot; Grosus gaf den raad om toch voorzichtig te handelen. Een geweldige ontroering was op aller gelaat te lezen,

Eindelijk brak Plianes het stilzwijgen af: »Nooit is overleg noodzakelijker dan in gevaar. Ik heh alles rijpelijk overwogen en begrijp, dat ik moeielijk te redden ben. De Egyptenaren zullen beproeven mij uit den weg te ruimen, zonder opzien te wekken. Zij weten, dat ik voornemens ben morgen in de vroegte met eene Phoceïsche triëre van Naucratis naar Sigeum ') te zeilen, en hebben dus geen tijd te verliezen, zoo zij mij willen oplichten. Uw geheele tuin, lUiodopis, is omsingeld, blijf ik bij u, zoo kunt gij u verzekerd houden, dat men uw huis zal doorzoeken en mij van bier wegsleepen. Het Phoceïsche schip, dal mij naar de mijnen moest overbrengen, zal quot;wel evenals dit huis bewaakt zijn. Om mijnentwil moet niet nutteloos bloed gestort worden.quot;

»Gij moogt u niet overgeven!quot; schreeuwde Aristomachus.

»Ha! Ik heb er wat op gevonden!quot; riep plotseling Theo-pompus, de Milesische koopman, terwijl de anderen allerlei plannen beraamden. »Morgen bij liet opgaan der zon, zeilt een schip met Egyptisch koorn, niet van Kaucratis maar van Cano-pus naar Milete. Neem het paard van den edelen Pers en rijd daarheen. Wij banen u met geweld een weg door den tuin!quot;

»Onze ongewapende schaar zou gewis aanstonds het onderspit delven,quot; hernam Gyges. »\Vij zijn tien man sterk, en slechts drie van ons hebben een zwaard. Die kerels daar buiten, wier aantal minstens honderd beloopt, zijn tol aan de tanden gewapend.quot;

»En al hadt gij, Lydier, nu ook tienmaal gein moed, en al waren ze ook tweehonderd sterk,quot; riep Aristomachus, »ik zal vechten!quot;

Phanes drukte zijn vriend de hand. Gyges verbleekte. Die oude hold, die reeds zoo menige proef had doorgestaan, noemde hem een lafaard! Weder ontbraken hem de woorden om zich te rechtvaardigen. Dij iedere heftige gemoedsbeweging begaf hem zijn spraakvermogen. Eensklaps echter kleurde een vluchtig rood zijne wangen, en snel en op beslissendentoon riep hij : sVolg mij, Athener! en gij, Spartaan, die u anders wel beraadt alvorens gij spreekt, noem voortaan niemand laf, dien gij niet kent. — Vrienden, Phanes is gered! Vaarwel, vader!quot;

^ Voorgebergte aan de westkust van ivlein-Azic.

ocr page 124

-113

In de grootste verbazing staarden zij, die bleven, de twee mannen na, die daarheen gingen. Eenige minuten na hun vertrek vernamen de gasten, die in angstige spanning- zaten te luisteren, den hoefslag van een paar wegrennende paarden. Daarop hoorden zij na eene poos een langerekt gefluit en een geroep om liulp van den Nijlkant.

Waar is Knakias?quot; vroeg Rhodopis aan een barer slaven.

gt;)Hij is mei Phanes en den Pers in den tuin gegaan.quot; Op hetzelfde oogenblik trad de oude dienaar bleek eu bevend het vertrek binnen.

»Hebt gij mijn zoon gezien T' riep Cresus hem reeds uit de verte tegen.

»Waar is Phanes?quot;

«Beiden laten u door mij hun afscheidsgroet brengen.quot;

«Zijn zij dan ontkomen?— Hoe zijn zij er door gekomen? — 'Waarheen zijn zij gegaan ? —

»Daar in het vertrek hiernaast,quot; verhaalde de slaaf, «spraken de Athener en de Pers eerst een oogenblik met elkaar. Toen moest ik beiden ontkleeden. Phanes deed de broek, den rok en den gordel van den vreemdeling aan, en zette diens spitse muts op. De Pers daarentegen hulde zich in den chiton en den mantel van den Athener, versierde zijn voorhoofd met diens gouden band, liet zich het haar van de bovenlip wegsnijden, en gebood mij hem in den tuin te volgen.

«Phanes, wien iedereen in zijne nieuwe kleeding voor een Pers zou hebben aangezien, sprong op een der voor de poort gereed staande paarden. De vreemde riep hem herhaaldelijk toe: «Vaarwel, Gyges! Vaarwel, edele Pers! Reis voorspoedig, Gyges!quot; De dienaar, die aan de poort wachtte, reed hem achterna. In de struiken vernam ik onophoudelijk wapengekletter, doch niemand trad den vluchteling in den weg. De soldaten twijfelden er geen oogenblik aan, dat hij een Pers was.

«Toen wij weder voor het huis stonden, gebood de vreemdeling mij: ,Vergezel mij nu naar de boot van Phanes, en noem mij dikwerf bij den naam van den Athener.' — ,Maar de matrozen zouden u kunnen verraden,' bracht ik hier tegen in. ,Ga dan eerst alleen tot hen, en zeg hun, dat zij mij moeten ontvangen alsof ik hun meester ware.' Ik bad hem nog mij toe te staan, dat ik mij in zijne plaats in het kleed van den ontvlo-dene zou laten vangen. Doch hij wees mijn verzoek met vastheid van de hand, en hij had gelijk toen hij zeide, dat mijne houding mij aanstonds zou hebben verraden.

Ach, slechts de vrije kan met opgeheven hoofd daarheen wandelen; de nek van een slaaf is altijd gebogen, en zijne bewegingen missen de bevalligheid, die gij, edelen, op de scholen

8

ocr page 125

114

en in de gymnasiën leert. Zoo zal het eeuwig blijven, want onze kinderen moeten aan hun vader gelijk worden. Uit een armzaligen ui kan geene roos, uit den grauwen ramenas geene hyacint voortkomen 1). De slavernij kromt den rug, gelijk het bewijstzijn der vrijheid ons het hoofd fier omhoog doet heffen!quot;

» VVat is er van mijn zoon geworden?quot; riep Cresus, den slaaf in de rede vallende.

»Hij nam mijn welgemeend offer niet aan, en zette zich, terwijl hij mij duizend groeten aan u, o koning, opdroeg, in de boot neder. Ik riep hem nog toe; ,het ga u goed. Plumes! Voorspoedige reis Plumes!' Eene wolk onderschepte het licht van de maan, zoodat het buitengemeen donker was geworden. Daar hoorde ik op eenmaal om hulp roepen. Dit duurde evenwel slechts kort, en toen deed zich een gillend gefluit hooren, waarna ik niets meer vernam dan den gelijkmatigen slag der riemen. Juist wilde ik in huis gaan, om u van het voorgevallene kennis t;1 geven, als Sebek de roeier opnieuw kwam aanzwemmen. Hij verhaalde mij het volgende: De Egyptenaren hadden in het vaartuig van Phanes, waarschijnlijk door duikers, een gat doen hooren. Zoodra het zich een weinig van den oever verwijderd had, begon het te zinken. De matrozen schreeuwden om hulp.

Toen kwam het koninklijk schip dat hen volgde naderbij, nam den gewaanden Phanes aan boord, als om hem te redden, en belette de matrozen van den Athener hunne banken te verlaten.

Zij zijn allen met de boot in de diepte verdwenen; alleen de stoute zwemmer Sebek bereikte den oever.

sGyges bevindt zich dus op het koninklijke vaartuig. Phanes is ontkomen, want dat fluiten strekte zeker om de krijgslieden aan de achterpoort te onderrichten, dat de zaak in orde was.

Toen ik huiswaarts keerende de struiken langs den weg onderzocht, vond ik daar niemand meer. Doch in de verte vernam ik het wapengekletter en het praten der soldaten, die op den terugweg naar Saïs waren.quot;

Met koortsachtige spanning hadden de gasten van Rhodopis den slaaf aangehoord.

Toen hij zijn verhaal geëindigd had, waren de aandoeningen natuurlijk tweeërlei. Aanvankelijk had bij de meesten het gevoel van blijdschap over het geluk, dat de geliefde vriend aan een dreigend levensgevaar ontkomen was, de overhand. Maar •

daarna deed zich bij velen de vrees voor het lot van den koenen Lydiër gelden. Men zwaaide zijner edelmoedigheid grooten lof toe. Men wenschte den vader geluk met het bezit van zulk een

1

Naar eenige verzen van Theognis van Megara.

ocr page 126

115

zoon en kwam na rijpe overweging eindelijk tot een eenparig besluit, dat de kroonprins, zoodra hij de dwaling zijner lieden zou hebben bespeurd, Gyges niet alleen zonder verwijl in vrijheid zou moeten stellen, maar ook verplicht was, hem eene genoegdoening ie geven voor den hoon hem aangedaan. Cresus zelf stelde zich daarmede gerust, gedachtig aan de vriendschap van Amasis en de vrees, die deze voor de macht der Perzen aan den dag had gelegd. Kort daarop verliet hij het huis van Rhodo-pis, om bij den Milesiër Theopompus te overnachten.

»Groel Gyges van mij!quot; riep Aristomachus, toen de grijsaard zich verwijderde. »Ik bid hem om vergeving. En zeg hem uit mijn naam, dat ik zou wenschen, hem tot vriend te hebben of zoo dit niet zijn kan, in een eerlijken krijg als vijand tegenover hem te staan.quot;

,»Wie zal zeggen wat de toekomst nog brengen kan 1quot; antwoordde Cresus, den Spartaan de hand reikende.

ocr page 127

N E G E N D E H O O F D S T U K.

Hel licht van een nieuwen dag was over Egypte opgegaan. De overvloedige dauw van den nacht, die aan de oevers van den Nijl den regen vervangt, lag als smaragden en edelgesteenten op de bladeren en in de hloemkelken. De zon was nog maar weinige oogenblikken te voren in het oosten verrezen, en de door den frisschen noordwestenwind bekoelde morgenlucht lokte een ieder uit, om zich te vermeien in de vrije natuur, voordat de drukkende warmte van den middag dit hijkans onmogelijk zou maken.

Uit het ons welbekende landhuis traden twee vrouwen te voorschijn, de oude slavin Melitta en Sappho, de kleindochter van Rhodopis. Als eene gazelle liuppelde het aanvallige meisje dooiden tuin. Zij was ook nu, evenals toen wij haar in den slaap bewonderden, bekoorlijk in hare maagdelijke schoonheid. Bovendien speelde er thans een schalksche trek om haren rooskleuri-gen mond, en om de kuiltjes in kin en wangen. Het volle bruine haar vertoonde zich als ter sluiks van onder den purperrooden hoofddoek, en het lichte witte morgengewaad met wijde mouwen fladderde los en vrij om hare buigzame leden.

Nu hukte zij, brak een nog gesloten rozeknopje af, sprengde den dauw er van hare oude bewaakster in het aangezicht, lachte hartelijk over hare schalkschheid op een toon, zuiverder dan de zuiverste klank eener klok, stak daarna de roos op don boezem, en begon toen met eene verwonderlijk heldere en liefelijke stem te zingen:

Amor wilde een roosje plukken In Cythere's bloemenhof,

Toen op eens een honigbietje.

!n heur blaadjes neêrgedoken, hem den donzen vinger trof.

't Knaapje, door de smart gefolterd,

Barstte los in luid geween;

En terwijl een vloed van traantjes Langs zijn bleeko koontjes dauwde, vloog hij naar Cythere heen :

ocr page 128

117

„Moeder!quot; riep hij, „'k ben verloren!

Red mij op mijn jammerklacht;

Ach, een kleine slang met vleugels.

Door den landman bie geheeten, heeft me een won.Ie toegebracht!quot; 1)

«Is mijn lied niet schoon?quot; lachte het meisje. »Och, watwas die kleine Eros toch dom, eene bij voor eene gevleugelde slang te houden! Grootmoeder zegt, dat zij nog een paar verzen kent van dit lied, dat door den grooten dichter Anakreon gemaakt is, maar die wil zij mij nu nog niet leeren. Zeg eens, Me li 11;., wat zou er wel iu die strophen staan? Gij glimlacht? Lieve, eenige Melltta, zing mij het laatste coupletje eens voor! Ot', kent gij het misschien niet? Neen? Dan kunt gij het mij ook niet leeren.quot;

))Dat is een heel nieuw lied,quot; antwoordde de oude vrouw, »en ik ken alleen de zangen van don goeden ouden tijd. Maai', wat is dat? Hoordet gij daar den klopper niet op de poort vallen?quot;

«Zeker, en ik verbeeldde mij ook dat ik den hoefslag van een paard op den weg vernam. Daar klopt men weder. Zie toch eens, wie zoo vroeg in den morgen binnen gelaten wenscht te worden. Wellicht is de goede Phanes gisteren toch niet vertrokken, en komt hij ons nog eens vaarwel zeggen.quot;

»Phanes is weg,quot; antwoordde de oude, ernstiger wordende. aRhodopis heeft mij bevolen u in huis te zenden, indien er bezoek mocht komen.. Ga dus, meisje, opdat ik de poort open-sluite. Kom, verwijder u spoedig, daar klopt men reeds voor de derde maal.quot;

Sappho deed als liep zij hard naar huis. Maar in plaats van aan het verlangen harer bewaakster te voldoen, verborg zij zich achter een rozestruik, om vandaar den ontijdigen bezoeker te kunnen gade slaan. — Men had haar de gebeurtenissen van den vorigen avond verzwegen, ten einde haar niet noodeloos te verontrusten, en Sappho was gewoon op dit vroege morgenuur slechts de meest vertrouwde vrienden harer grootmoeder te zien verschijnen.

Melitta opende de poort, en geleidde kort daarop een iijkuit-gedost jongeling met blonde haren door den tuin.

Sappho verroerde zich niet; zij was in stomme verbazing over deze haar geheel vreemde kleederdracht en de zeldzame schoon-

1) Naar de vertaling van Ten Kate en Van den Bergh, waarvan liet laatste couplet luidt:

Cytherea kuste 't wichtje.

„Voelt ge,quot; sprak zij, „zulk een smart,

Enkel door eens bietjes angel,

Denk dan eens wat pijn zij lijden, die ge uw Hitsen jaagt in 't hart.quot;

ocr page 129

118

heid van den Persischen koningszoon. Want deze was 't (iiein den vroegen ochtend Rhodopis kwam bezoeken. Zij kon hare oogen niet van zijn gelaat afwenden. Juist zoo had zij zich den hlondlokkigen Apollo, den voerman van den zonnewagen en den aanvoerder van de Muzen, voorgesteld.

Melitta en de vreemdeling naderden intusschen haar schuilhoekje. In plaats van zich nog heter te verbergen, drong zij haar kopje tusschen do rozen naar voren, om den jongeling, die minzaam maar in gebroken Grieksch tot de oude slavin sprak, Ie beter te kunnen verstaan. En nu hoorde zij, hoe hij met zekere drift onderzoek deed naar Gresus en zijn zoon. Vervolgens vernam zij uit den mond der slavin, in antwoord op de haaiquot; gedane vragen, alles wat er den vorigen avond had plaats gegrepen. Zij werd vol angst over Phanes. Zij dankte in haar hart den edelen Gyges, en vroeg zichzelve af, wie deze koninklijk uitgedoste jongeling zou kunnen zijn. Wel had Rhodopis haar van de heldendaden van Cyrus, van den val van Gresus, van de macht eu den rijkdom der Perzen verhaald; maar dit was ook alles wat zij van de Aziaten wist, die zij overigens voor een woest, onbeschaafd volk hield. Hoe langer zij nu den scboonen Bartja aanschouwde, des te sterker werd bare belangstelling in de Perzen.

Ais eindelijk Melitta zich verwijderde, om hare grootmoeder te wekken en kennis te geven van het vroegtijdig bezoek, wilde het meisje haar volgen. Maar Eros, de dartele knaap, over wiens kinderlijke onwetendheid zij nog een oogenblikte voren gelachen had, had het anders besloten. Haar kleedje werd door de doornen van den rozestruik vastgehouden, en voordat zij nog in staat was zich te bevrijden, stond reeds de schoone Pers voor haar. en hielp haar, terwijl zij sterk bloosde, om het kleedje van den verraderlijken struik los te maken.

Sappho was niet in staat een enkel woord van dank uit Ie brengen, en sloeg beschaamd en toch glimlachende de oogen neder. Bartja, de anders zoo moedige knaap, zag zwijgend, en evenals zij met hoogroode kleur, op haar neder. Maar dit zwijgen duurde slechts kort, want het meisje, dat zich spoedig van haar schrik hersteld had, barstte op eenmaal met kinderlijke vroolijk-heid in een helderen schaterlach uit over den zwijgenden vreemdeling en het vreemdsoortige dezer ontmoeting. Toen snelde zij als eene opgejaagde hinde naar huis.

Nu echter herkreeg ook de Pers de hem eigene vrijmoedigheid. In twee sprongen had hij het meisje ingehaald. Snel als de gedachte vatte hij hare hand, en hield ze in spijt van haar weerstreven in de zijne geklemd.

»Laat mij los!quot; bad Sappho, half ernstig, half glimlachende, hare donkere oogen tot den jongeling opbellende.

ocr page 130

li 9

»Hoe zou ik dat kunnen!quot; antwoordde dez». »lk heb u van don rozestmik geplukt, en houd u gevangen, tot ge mij in uwe plaats uwe zuster daar aan uw boezem als eene gedachtenis me-degeeft naar mijn ver verwijderd vaderland.quot;

«Ach, ik bid u, laat mij,quot; herhaalde Sappho. «Zoolang ge mij niet loslaat, treed ik in geene onderhandeling.quot;

»Maar, zult gij niet weder wegloopen, als ik aan uw verlangen voldoe?quot;

»Zeker niet!quot;

sWelnu, zoo schenk ik u de vrijheid terug, maar nu moet ge mij ook uwe roos geven.quot;

sGinds aan den struik zijn nog veel schoonere. Pluk er van, zooveel u lust. Waarom wilt gij juist deze1?quot;

»Om ze, als eene gedachtenis aan liet schoonste meisje dat ik ooit gezien heb, zorgvuldig te bewaren.

»Nii geef ik u de roos in het geheel niet, want hij die mij zegt dat ik schoon ben, die meent het niet goed met mij. Maar wie mij zegt dat ik goed ben, hij is mijn vriend.quot;

?»Wie heeft u dat geleerd?quot;

«Mijne grootmoeder Rhodopis.quot;

«Welnu, dan zeg ik u, dat gij het beste meisje opdegeheele wereld zijt.quot;

«Hoe kunt gij nu zoo iets zeggen, gij, die mij volstrekt, niet kent? O, ik ben dikwijls zeer ondeugend en ongehoorzaam. Ware ik goed, zoo zou ik thans, in plaats van met u te staan praten, reeds lang in huis zijn gegaan, gelijk mij betaamde. Want grootmoeder heeft mij streng verboden in den tuin te blijven als er vreemdelingen zijn, en ik verlang ook volstrekt niet naar het bijzijn van de mannen, die steeds over dingen spreken waarvan ik niets versta.

«Zoo zoudt gij dan ook maarliefst zien, dat ik mij verwijderde?quot;

«Ach neen, u begrijp ik zeer goed, ai spreekt gij ook op verre na zoo schoon niet, als bij voorbeeld Ibycus of de arme Phanes, die gisteren, gelijk ik eerst straks van MeliHa vernam, zoo jammerlijk vluchten moest.quot;

«Hadt gij hem lief?quot;

«Of ik hem liefhad? O ja, ik mocht hem zeer gaarne lijden. Toen ik nog klein was, bracht hij altijd ballen, ledepoppen') en kegelspellen uit Saïs en Memphis voor mij mede; en toen ik groo-ter was geworden, leerde hij mij schoone nieuwe liederen. Bij het afscheid bracht hij mij een zeer klein Siciliaansch scboot-

1

Op het museum te Leiden is een ledepopje, een man voorstellende die dees kneedt.

ocr page 131

120

hondje mede, dat ik Argos zal noemen 1), daar het zoo wit en /.00 vlug is. Binnen weinige dagen zullen wij nog een ander geschenk van den goeden Phanes ontvangen. — Dan., ziet gij, zoo ben ik. Bijna had ik daar nu een groot geheim verklapt. Grootmoeder heeft mij streng verboden, aan iemand ter wereld te vertellen, welke lieve kleine gasten wij wachtende zijn. Maar het is mij, al kenden wij elkaar reeds sinds lang. Uwe oogen zijn zoo goed, dat ik u gerust alles zou durven zeggen wat ik weet. Doch, ziet ge, builen grootmoeder en de oude Melittaheh ik ook niemand wien ik kan toevertrouwen, wat mij verblijdt; en ik weet zelve niet hoe het komt. maar menigmaal begrijpen die twee, hoe lief zij mij ook hebben, in het geheel niet, hoe deze of gene kleinigheid mij zoo groote vreugde kan geven.quot;

»Dat komt daar vandaan, dat zij oud zijn, en de blijdschap van een jeugdig hart niet meer verstaan kunnen. Maar hebt gij dan in het geheel geene speelgenoot, niemand van uw eigen leeftijd, die gij liefhebt'?quot;

«Niemand. Wel zijn er, buiten mij, vele meisjes in Naucratis, doch grootmoeder zegt, dat ik haren omgang niet mag zoeken. Omdat zij niet tot ons willen komen, werd het mij ook niet vergund tot hen te gaan.quot;

»Arm kind! Waart gij in Perzië, zoo zou ik u spoedig eene lieve vriendin bezorgen. Ik heb eene zuster, zij heet Atossa,die zoo jong, zoo schoon en zoo goed is, als gij.quot;

»Ach, hoe jammer, dat zij niet met u gekomen is. Maar nu moet gij mij ook zeggen, hoe ik u moet noemen.quot;

alk heet Bartja.quot;

:»Bart ja ? Een vreemd woord Bartja! — Bartja! Weet gij wel, dat die naam mij best bevalt'? Hoe beet toch de goede zoon van Cresus, die onzen Phanes zoo edelmoedig redde?quot;

»Gyges is zijn naam. Darius, Zopyrus en hij zijn mijn beste vrienden. Wij hebben wederzijds gezworen, elkaar nimmer te znllen verlaten, en voor elkander desnoods bloed en leven ten offer te brengen'-). Zoo ben ik dus heden in de vroegte, in spijt van hun bidden en smeeken, heimelijk hierheen gereden om mijn vriend bij te staan, ingeval hij hulp mocht behoeven.''

)En uwe reis was vergeefs.quot;

1

Zoo heette de trouwe hond van Odysseus (Ulysses). Italiaansche schoothondjes waren in de oudheid zeer beroemd.

ocr page 132

sNeen, bij Mitlira! dal was zij niet, want op mijn rit heb ili 1.1 gevonden. Maar nu moet yij mij ook zeggen hoe gij heetT' »Men noemt mij Sappho.quot;

sEen schoone naam. Zijl gij misschien nog eene bloedverwante van de dichteres, wier schoone liederen Gyges mij zoo dikwerf heeft voorgezongen'?quot;

«Voorzeker! De tiende Muze of de Lesbische Zwaan,gelijk de oudere Sappho genoemd wordt, was de zuster van mijn grootvader Charaxus. Uw vriend Gyges schijnt in het Grieksch beter te huis te zijn, dan gij ?quot;

»Van zijn geboorte af heeft hij niet alleen de Lydische maai ook de Grieksche taal leeren spreken, eu van beide bedient hij zich met evenveel gemak. Ook liet Perzisch is hij volkomen machtig; en, wat meer zegt, hij heeft zich ook alle deugden der Perzen eigen gemaakt!quot;'

»Wat houdt gij dan wel voor de hoogste deugden?quot; »Waarheidsliefde is de eerste van alle deugden; de tweede noemen wij dapperheid, de derde gehoorzaamheid. Deze drie, gepaard aan eerbied voor de goden, hebben de Perzen groot gemaakt.quot;

»Maar gij erkent immers geene godenquot;?quot;'

»Dwaasheid, liefkind! Wie zou zonder goden, zondereen hoo-geren bestuurder kunnen bestaan? Het is waar, wij laten die hemelsche wezens niet, gelijk gij, iu huizen en heelden wonen, want al het geschapene is hunne woning. De godheid, die overal moet zijn en een ieder hooi en en zien, laat zich niet binnen muren opsluiten!quot; 1)

))Maar waar aanbidt en offert gij dan, zoo gij geene tempels hebt?quot;

»Op het. grootste van alle altaren, in de vrije natuur, het

1

De Perzen hadden ten tijde dei' Achaeineniden geene tempels en godenbeelden. (Vgl. Tiele, De godsdienst van Zarathustra, ld. 71 vv.). Hot goede en het booze beginsel, Aoeraraazda en Angramainjus, waren onzichtbare wezens, die de gansclie schepping vervulden met een talloos heir van goede en booze geesten. De eeuwige tijd schiep het vuur en het water. Hieruit ontstond Ormuzd, de goede geest. Deze was jein, helder als liet licht, en wilde alleen het goede. Nadat hij in 12000 Jaren den hemel, de aarde, het paradijs en de sterren had geschapen zag hij den boozen geest, Ahriman (Angramainjus), die zwart was en onrein, en niet anders wilde dan het kwade. Ormuzd besloot Ahriman te vernietigen. Er ontstond eene groote strijd, waarin de booze werd overwonnen, om 3000 jaren lang machteloos neder te liggen. Gedurende dezen tijd schiep Ormuzd het uitspansel, het water, de aarde, de goede planten, den stier en het eerste menschenpaar. Hierna kwam Ahriman weer te voorschijn. Mij werd opnieuw bedwongen maar niet gedood. Men had Ahriman dan alleen kunnen dooden, waneer zijne onreinheid zich had kunnen veranderen in reinheid, zijne duis-

ocr page 133

liefst op tie toppen der bergen 1). Daar zijn wij onzen Mithra, de groole zon. en Aoeramazda. het reine scheppende licht, he: meest nabij. Daar valt het duister het laatst en breekt het licht liet eerste door. Alleen het licht is rein en goed, de duisternis is zwart en boos. Ja, liet' kind, op de bergen is ons de godheid het meest nabij, daar toeft zij het liefst. Hebt gij nooit op de met wouden gekroonde toppen van een hooggebergte gestaan en, onder het plechtig zwijgen der natuur, het zachte suizen van den adem der godheid vernomen, zoodat u eene siddering door de leden voerquot;.' Hebt gij nooit in het groene bosch, aan eene heldere bron, onder den blooten hemel neergezeten, en geluisterd naar de stem van den God, die in het ritselen der bladeren, en in het ruischen van de wateren spreekt'? Hebt, gij nooit opgemerkt, hoe de vlam met onweerstaanbare macht opwaarts stijgt tot haren vader, de zon, en het gebed in den ten hemel klimmenden rook tot den grooten stralenden schepper draagt'? — Gij hoort mij verwonderd aan; maar, meisje, ik verzeker u,gij zoudt met mij nederknielen en aanbidden, zoo ik u naar een altaar op den top van het hooggebergte kon voeren.quot;

»0, dat ik met u konde gaan! O, dat ik eens van een berg neder mocht zien, op alle dalen en stroomen en wouden en weiden! Ik geloof, dat het mij daarboven, waar niets voor mijn blik verborgen zou wezen, zijn zou, als ware ik zelve een alziende godheid. — Maar, wat was dat'? — Grootmoeder roept. Ik moet gaan.quot;

»0, verlaat mij nog niet!quot;

»De gehoorzaamheid is ook eene Perzische deugd.quot;

»En mijne roos?quot;

»Hier hebt gij ze.quot;

»Zult gij u mijner herinneren?quot;

»Hoe zou ik niet?quot;

»Lief meisje, vergeef mij, maar sta mij nog eene tweede gunst toe.quot;

«Spoedig, spoedig, grootmoeder roept alweder.quot;

»Neem deze ster van diamanten tot eene gedachtenis aan dit uur.quot;

»Ik mag niet!quot;

»0, ik bid u, neem ze aan. Mijn vader gaf ze mij tot belooning

1

Nog staan de vuuraltaren der Perzen op de bergen. Zij kunnen altijd bidden, als er maar vuur en water in de nabijheid is.

ocr page 134

toen ik den eersten beer met eigen hand geveld had '). Zij was tot dusver liet liefste, wat ik had, thans moet gij haar van mij aannemen, want van nu aan is mij niets zoo dierbaar als gij!quot;

De jongeling nam de keten met, de ster van zijne borst, en wilde het meisje dit kleinood om denhals hangen. Sappho bleef echter dit kostbare geschenk weigeren. Toen sloeg Bartja zijn arm om baar heen, kuste haar op het voorhoofd, noemde haar zijn eenige geliefde, wierp haar met zacht geweld het sieraad om den hals, en staarde een oogenblik diep in de donkere oogen van het bevende kind.

Rhodopis riep ten derden male. Sappho wond zich los uit den arm van den koningszoon, en wilde zich snel verwijderen. Maar nog eenmaal wendde zij, op de smeekende stem van den jongeling, het hoofd om, en antwoordde op zijne vraag: »Wanneer mag ik u wederzien?quot; met zachte stem: »Morgen ochtend vroeg, bij gindsche rozenstruik.quot;

»Die, als mijn bondgenoot n vasthield.quot;

Sappho spoedde zich nu naar binnen. Rhodopis ontving Bartja, en deelde hem omtrent de geschiedenis van zijn vriend mede, wat zij zelve wist.

Zonder verder dralen keerden nu dejongePers naar Sais terug.

Toen Rhodopis aan den avond van dien dag, als gewoonlijk, voor de sponde harer kleindochter trad, sliep deze niet zoo kalm en rustig, als zij placht. Hare lippen bewogen zich en, als werd zij door booze droomen gekweld, de schoone slaapster zuchtte soms diep en smartelijk.

Bartja ontmoette op den terugweg zijne vrienden Darius en Zopyrus, die hem, zoodra zij kennis droegen van zijn heimelijken aftocht, terstond gevolgd waren. Zij konden bezwaarlijk vermoeden dat Bartja, in plaats van strijd en gevaar, zijn eerste liefdesgeluk gevonden had.

Kort vóór de drie vrienden kwam Cresus te Saïs aan. Op staanden voet begaf hij zich tot den koning, en verhaalde dezen zonder omwegen alles, wat den 'vorigen avond te Naucratis geschied was. Amasis veinsde de grootste verwondering over den aanslag van zijn zoon, verzekerde zijn vriend, dat Gyges aanstonds op vrije voeten zou worden gesteld, en maakte zich vroolijk over de verijdelde wraakneming van Psamtik.

Nauwelijks had Cresus zich verwijderd, of de kroonprins liet zich aandienen.

1) Df koningen rlei' oudheid waren reeds gewoon met dergelijke geschenken de daden hunner onderdanen te licloonen.

ocr page 135

TIENDE HOOFDSTUK.

Toen Amasis zijn zoon zag binnentreden, barstte hij uit in schaterend gelacli, volstrekt geen acht slaande op diens bleek en verstoord gelaat. »Heb ik het u niet gezegd,quot; zoo begon hij, ))dat het voor een eenvoudig Egyptenaar geene lichte taak is, zulk een Helleenschen vos te vangen? Ik had gaarne tien steden van mijn rijk gegeven, zoo ik tegenwoordig had kunnen zijn, toen gij in den gewaanden wel bespraakten Athener den stotterenden Lydiër herkendet.quot;

Psamtik werd nog bleeker. Hij beefde van toorn, en met heesche stem antwoordde hij; »Het staat u niet mooi, vader, u te verheugen over den hoon uw zoon aangedaan. Had ik mijn drift niet beteugeld ter wille van Gambyses, zoo zou, bij de eeuwige goden, de onbeschaamde Lydiër heden voor het laatst het licht der zon aanschouwd hebben. Maar wat raakt bet u of ik, uw zoon, ten doelwit verstrek aan den spot van dit Grieksche bede-laarspak Iquot;

»Zie niet met minachting neder op hen, die bewezen hebben verstandiger te zijn dan gij.quot;

Verstandiger? — verstandiger? — Mijn ontwerp was zoo lijn

en zoo kunstig aangelegd, dat.....quot;

j)De fijnste weefsels scheuren het lichtst.quot;

sDat mij de geslepen Helleen niet zou zijn ontkomen, zoo zich niet, in strijd met alle wetten en gebruiken, de gezant eener vreemde mogendheid lot redder van dezen door ons Ier dood veroordeelden had opgeworpen.quot;

)gt;Gij dwaalt, uiijn zoon! Hier is geen sprake van de voltrekking van een rechterlijk vonnis, maar eenvoudig van het gelukken of mislukken eener persoonlijke wraak.quot;

))De werktuigen van die wraak waren evenwel beambten des konings, en daarom is het geringste, wat ik als genoegdoening van u eischen moet, dat gij den koning van Perzië verzoekt, den man te straffen, die zich ongeroepen in de tenuitvoerlegging uwer

ocr page 136

125

bevelen heeft gemengd. Zulk een vergrijp zal in Perzië, waar zich alles voor den koning als voor de godheid buigt, naar recht en billijkheid ver-golden worden. Cambyzes is ons de bestraffinu van Gyges schuldig.quot;

»Maar ik zal er hem toch niet toe aanmanen, want ik wil :i bekennen, dat ik mij hartelijk verheug over de redding van Phanes. Gyges heeft mijne ziel bewaard voor het verwijt, onschuldig bloed vergoten te hebben, en u verhinderd lage wraak te oefenen ann een man, aan wien uw vader groote verplichting heeft.quot;

»Zoo wilt gij dan dit voorval voor Cambyzes geheel verzwijgenT'

»Neen! ik zal het hem in een brief mededeelen, doch schertsende, gelijk dit, mijne gewoonte is, en hem tegelijk voor Phanes waarschuwen. Ik zal er hem op voorbereiden, dat. hij ter nau-wernood aan onze wraak ontsnapt, het zich ten doel zal stellen liet machtige Perziö tegen Egypte op te ruien, en mijn schoonzoon verzoeken zijn oor voor den indringer te sluiten. De vriendschap van Gresus en Gyges zal ons van meer nut zijn, dan de haat van Phanes ons schaden kan.quot;

»Is dat. uw laatste woord '! Wilt gij mij geene genoegdoening verschaffen

sNeen! Het blijft bij hetgeen ik gezegd heb.quot;

»Zoo beef niet slechts voor Phanes, maar voor een anderen, wiens lot wij in onze handen hebben, maar die wederkeerig uw lot in zijne handen heeft!quot;

»Gij wilt mij dreigen, wilt den gisteren geknoopten band weder verbreken? Psamtik, Psamtik, ik raad u te bedenken, dat gij voor uw vader den koning staat!quot;

»En gij, wees indachtig dat ik uw zoon ben! Want, zoo gij mij dwingt te vergeten, dat ik u het leven verschuldigd ben, en ik op geene hulp van viwe zijde rekenen mag, zoo zal ik van mijne eigene wapenen gebruik weten te maken.quot;

)gt;Ik ben waarlijk nieuwsgierig, die te leeren kennen.quot;

»Waarom zou ik die voor u verbergen? Weet dan, dat ik en mijne vrienden, de priesters, in den oogarts Nebenchari een bondgenoot bezitten.quot;

Amasis verbleekte.

»Vóor dat gij kondet vermoeden, dat Cambyzes aanzoek om uwe dochter zou doen, zondt gij dezen man naar hot afgelegene Perzië, ten einde iemand, die het geheim der af komst van mijne zoogenaamde zuster Nitetis kende, uit Egypte te verwijderen. Daar bevindt hij zich nu nog, en op d^n eersten wenk der priesterschap zal hij den misleiden koning mededeelen, dat gij hem, in plaats van uw eigen kind, de dochter van uw voorganger Hophra tot vrouw hebt gegeven. Alle p,-pieren van den arts zijn in ons bezit. Het gewichtigste stuk van allo, een eigen-

ocr page 137

•120

handigen brief van u, gericht aan zijn vader, die Ladicebij hare bevalling ter zijde stond '), houdt in, dal gij duizend gouden ringen belooft, zoo hij zelfs voor de priesters geheim wilde houden, dat Nitetis uit een ander stamhuis dan het uwe afkomstig is.quot;

«Wie bezit die papieren?quot; vroeg Amasis op ijskouden toon.

»D(i priesters.quot;

aEn deze spreken door uw mond

«Gelijk gij zegt.quot;

«Herhaal dan, wat gij van mij begeert.quot;

»Eisch van Carnbyzes de bestraffing van Gyges, en geef mij volmacht om den voortvluchligen Phanes te vervolgen naar mijn goeddunken.quot;

»Is dit alles?quot;

))Leg in handen der priesters den eed af, dat gij van nu aan den Hellenen beletten zuil, in Egypte nieuwe tempels voor hunne leugengoden te bouwen, en bevelen zult, dat men de oprichting van den Apollo-tempel te Memphis stake!quot;

sik verwachtte diergelijke eischen; want voorzeker, men heeft een scherp wapen tegen mij gevonden. Ik ben bereid aan de wenschen mijner vijanden, die gij u tot vrienden hebt uitgelezen, gehoor te geven. Maar ook ik stel twee voorwaarden. Ten eerste verlang ik den bewusten brief terug, dien ik werkelijk 011 voorzichtig genoeg aan den vader van Nebenchari heb geschreven; want liet ik dit document in hunne handen, zoo kon ik verzekerd zijn, in plaats van koning te blijven, weldra de onderdanige slaaf van ellendige priesterlisten te zullen worden.quot;

»Uw wensch is billijk. Gij zult den brief ontvangen, als...quot;

»Geen tweede: als! Verneem veeleer, dat ik uw wensch, om Cambyzes aan te manen tot het straffen van Gyges, zoo dwaas acht, dat ik dien niet vervullen zal. Laat mij nu alleen, en treedt mij niet onder de oogen voordat ik u ontbied. Gisteren had ik een zoon gewonnen, om hem heden weder te verliezen. Sta op! Ik begeer geene bewijzen van eene onderdanigheid en liefde die gij nooit gekend hebt. Als gij in het vervolg troost of raad noodig hebt, ga dan lot de priesters, en zie of zij uw vader vervangen kunnen. Zeg aan Neithotep, die u kneden kan als zachte was, dat hij het rechte middel heeft gevonden, om mij af te persen wat ik hem anders geweigerd zou hebben. Om Egypte groot en gelukkig te maken, was ik tot heden tot ieder

1) In liet OLule Egypte schijnen gewoonlijk vroedvrouwen de vrouwen te hebben bijgestaan, gelijk daar nog het geval is. Koninginnen worden overigens, evenals in onze sprookjes, bijgestaan door goede feeën en godinnen, meestal de Hathors.

ocr page 138

?127

persoonlijk oiler bereid; nu mij echter duidelijk wordt, dat de priesterschap het niet beneden zicii acht mij met het verraad van liet vaderland te dreigen, teneinde hare eigene bedoelingen te verwezenlijken, kon ik er wel eens toe komen de zoo bevoorrechte kaste voor gevaarlijker vijanden van mijn rijk te houden dan zelfs de Perzen. Neem u in acht! Neem u in acht! Dil-maal buig ik nog voor de listen mijner vijanden, want ik heb zeil', door vaderlijke zwakheid gedreven, een groot gevaar over Egypte gebracht. Voortaan echter zal ik, bij de groote Neitli, mijne gebiedster! handtastelijk bewijzen dat ik koning ben, en eer de gansche priesterschap, dan het kleinste deel van mijn koninklijken wil ten offer brengen. Zwijg — en vertrek!quot;

Psamtik ging. Ditmaal echter had de koning meer tijd noo-dig, om met een vroolijk gelaat zijne gasten te kunnen ontmoeten. De prins begaf zich dadelijk tot den opperbevelhebber der inlandsche troepen. Hij gebood hem den Egyptiscben hoofdman, het onbekwame werktuig zijner verijdelde wraak, naar de steengroeven van Chennoe te verbannen1) en do Ethiopische krijgslieden naar hun land terug te zenden. Daarop spoedde hij zich naar den opperpriester van Xeil h, om dezen mede te deelen wat hij van den koning had weten te verwerven.

Neithotep schudde bedenkelijk het verstandig hoofd bij het vernemen der dreigende woorden van Amasis, en zond den troonopvolger heen met eenige vermaningen, zonder welke hij hem nooit van zich liet gaan.

Psamtik trad nu zijne woning binnen. Zijne mislukte wraak, de nieuwe rampzalige breuk met zijn vader, de vrees voor do bespotting der vreemdelingen, het gevoel zijner afhankelijkheid van den wil der priesters, het geloof aan eene vreeselijke toekomst, die hem van zijne geboorte af boven het hootd hing, drukten loodzwaar op zijn hart en verduisterden zijn geest. Eens was hij gelukkig geweest in het bezit eener geliefde vrouw en van vijf bloeiende kinderen. Van dat alles was hem niets overgebleven dan eene dochter en een zoontje, dat hij met zijne gansche ziel liefhad. Tot dien knaap voelde hij zich thans heengetrokken. In de nabijheid van dit kind hoopte hij Iroost en nieuwen moed te vinden. Het helderblauwe oog en de lachende mond van zijn zoon waren alleen in staat, het als met eene ijskorst omgeven gemoed van dezen man te verwarmen.

»Waar is mijn zoon?quot; vroeg hij den eersten den besten hoveling, die hem tegenkwam.

1

Eene vreeselijke straf voor groote misdadigers, die dikwijls werd toegepast.

ocr page 139

»Zoo even heeft de koning prins Neclio en zijne oppasster laten halen,quot; was het antwoord.

De hofmeester van den kroonprins naderde nn zijn meester, en overhandigde hem met eene diepe buiging een vei zegelden, op papyrus geschreven brief, zeggende; «Van uw vader, den koning!quot;

Met toornige drift verbrak Psamtik het gele was van het zegel, dat hel naamcijfer des konings droeg1), en las: Ik heh uw zoon bij mij ontboden, opdat hij niet evenals gij tot het blinde werktuig der priesters opgroeie, en niet vergeten zal wat hij zichzelven en zijn vaderland verschuldigd is. Ik zal voor zijne opvoeding zorg dragen, want de indrukken, in de kindsheid ontvangen, doen het gansche leven door hun invloed gevoelen. Wilt gij Necho bezoeken, het is mij wel; maar dan moet gij mij van te voren van uwe komst verwittigen.quot;

De kroonprins beet zich de lippen aan bloed, om voor de hem omringende dienaars zijne woede te verbergen. De wensch van zijn vader, den koning, was in Egypte even verbindend als het strengste bevel. Eenige oogenblikken stond hij in diep gepeins. Daarop riep hij om jagers, bonden, bogen en lansen, sprong op een lichlen wagen, en deed zich door zijn wagenmenner in bet westelijk gelegene moerasland brengen, om daar, terwijl hij de bewoners der wildernis met honden en werpspietsen vervolgde 2), te vergeten wat zijn hart benauwde, en op de dieren zijne verijdelde wraak te verhalen.

Gyges was, oogenblikkelijk na het onderhoud van zijn vader met Amasis, op vrije voeten gesteld, en door zijne vrienden met luid gejubel ontvangen. De pharao scheen de gevangenneming van den zoon zijns vriends dooi'verdubbelde hartelijkheid weder goed te willen maken. Hij schonk den jongen Lydiër nog dienzelfden dag een kostbaren wagen met twee bruine rossen van edel ras bespannen, en verzocht hem tot een aandenken aan Saïs een zeer kunstig damspel naar Perzië mede te nemen. De schijven van dit spel waren vervaardigd van ivoor en ebbenhout. Sommige dier schijven waren met zinspreuken in hiëroglyphen-

1

Zegelringen worden reeds vroeg door do EgYPtenaars gedragen. (Vgl. Genesis 4i, 42). In alle Egyptische musea, o. a. te Leiden, zijn zulke ringen, waarvan sommige vierduizend jaren oud zijn. Men heeft er vele gevonden aan de handen van mummiën.

2

2| De Egyptische koningen en rijksgrooten waren bijzondere liefhebbers van de jacht. Men richtte daarvoor honden en andere dieren af. Op de monumenten vindt men afbeeldingen van jachten op gazellen, en steenbokken, ook op vogels met slagnetten en werptuigen. Op een .leeuwenjacht komt Ramses IV voor, terwijl een met pijlen doorboorde leeuw naast hem nederzijgt en eene gewonde leeuwin in het riet vlucht.

ocr page 140

120

teekens van goud en zilver ingelegd. Amasis maakte zicli met zijne gasten recht vroolijk over de list van Gyges, liet de jonge helden ongehinderd met zijn gezin verkeeren, er; behandelde hen gelijk een opgeruimd vader zijue levenslustige zonen. Alleen bij den maaltijd bewees hij, dat hij in zijn hart toch nog een Egyptenaar was; vvatil de Perzen moesten aan eene afzonderlijke tafel eten. Hij zou zich, volgens het geloof zijner vaderen, verontreinigd hebben, war neer hij met de vreemdelingen aan dezelfde tafel gespijsd had ').

Toen Amasis eindelijk, drie dagen na de invrijheidstelling van Gyges verklaarde, dat zijne dochter Nitetis bimren twee weken tot de afreize naar Azië gereed zou zijn, betreurden al de Perzen, dat zij niet langer in Egypte konden toeven. Cresus bail vele gelukkige uren gesleten in het gezelschap van den Sami-schen dichter en beeldhouwer. Gyges koesterde, evenals zijn vader, eene voorliefde voor de Helleensche kunstenaars. Darius, die zich te Babyion reeds met de beoefening der sterrenkunde had bezig-gehouden '-), was op zekeren avond, toen hij den hemel beschouwde, door den grijzen opperpriester van Neith aangesproken en uitgenoodigd hem op den hoogsten pylon, de voornaamste sterrenwacht van den tempel, te volgen. Mocht hem deze toenadering van den priester ook verbazen, de naar wijsheid begeerigo jongeling bad zich geen tweemaal laten nooden, en deed sedert dien avond alle nachten uit den mond van den grijsaard nieuwe kennis op.

Psamtik ontmoette op zekeren dag den vreemdeling bij zijn meester, en toen Darius zich verwijderd bad, vroeg hij Neitho-tep, hoe deze er toe kwam een Pers in te wijden iir de Egyptische geheimenissen.

»Ik onderwijs hem,quot; antwoordde de priester, »in zaken, welke ieder geleerd Chaldeër te Baliylon evengoed weet als wij, en maak ons daardoor een man tot vriend, wiens gesternte dat van Cam-byzes in glans overtreft, gelijk de zon tie maan.— Deze Darius, zeg ik u, zal eenmaal een machtig heerscher worden. Ja, ik heb zijne planeet zelfs over Egypte zien lichten. Den wijze voegt het niet bij het tegenwoordige Ie blijven stilstaan; hij moet pogen ook in de toekomst door te dringen; hij moet niet alleen zijn eigen weg, maar ook zijne omgeving trachten te overzien. Gaat

1) Volgens Herodotus moctit een Egyptenaar geen vreemdeling kussen of met dezen uit éen schotel eten; hij mocht zelfs het vleesch niet aanroeren, ilat met het mes van een Griek gesneden was. Men herinnere zich, hoe de broeders van Jozef afzonderlijk moesten eten.

2) Na de Egyptenaars waren de Chaldeën te Babyion de eerste sterrenkundigen. Zij moeten reeds in het bezit zijn geweest van astronomische tafels.

9

ocr page 141

130

gij een huis voorbij, zoo kunt gij bezwaarlijk weten, of niet binnen de wanden dier woning iemand wordt opgevoed, die later uw weldoener zijn zal. Laat niets onopgemerkt van hetgeen ge op uw pad ontmoet; maar zie vóór alle dingen op naar de sterren. Gelijk de hond des nachts waakt, om zijn meester te kunnen waarschuwen zoo er dieven in aantocht, zijn,'waak ik sedert vijftig jaren, om de zwervers aan den hemel, de eeuwige in den aether schitterende boden van het noodlot, die den menschen niet slechts dag en nacht, zomer en winter, maar ook geluk en ongeluk, roem en schande verkonden, te bespieden. Zij, die nooit liegen, hebben mij in Darius eene plant doen aanschouwen, die tot een grooten boom z:lI opwassen,quot;

De nachtelijke leeruren van Darius, die hem veroorloofden langer dan gewoonlijk te slapen, waren Bartja uiterst welkom, want zij maakten 'them gemakkelijker zijne heimelijke morgen toertjes naar Naucratis uit te voeren, op welke Zopyrus, dien hij tot zijn vertrouwde had gemaakt, hem gewoonlijk verzelde. Terwijl hij zelf bij Sappho was, hield zijn vriend zich gewoonlijk met zijne dienaren onledig, om eenige springhazen, snippen, pelikanen of vossen te schieten. En bij hunne terugkomst, wanneer hun mentor Cresus naar de oorzaak van hun vroegtijdig uitstapje onderzoek deed, heette het, dat de vrienden zich in de lievelingsbezigheid der aanzienlijke Perzen, de edele jacht, geoefend hadden.

Buiten Tachot, de dochter van Amasis, was er niemand, die de verandering bespeurde in liet gemoed van den koningszoon, door de macht eener eerste liefde uitgewerkt. Zij voedde, sedert den dag waarop Bartja voor het eerst tot haar gesproken had. een stillen hartstocht voor den schoonen jongeling. Met de fijne voelhorens der liefde bemerkte zij alras, dat een derde zich tus-schen haar en hem geplaatst moest hebben. Had Bartja haar vroeger als een broeder bejegend en haar bijzijn gezocht, thans vermeed hij zorgvuldig alle vertrouwelijke toenadering. Hij vermoedde het geheim van haar hart, en meende dat hij verraad pleegde jegens Sappho, met haar slechts vriendelijs aan te zien. De arme koningsdochter leed zeer onder de koelheid van den jongeling, en vertrouwde eindelijk hare smart aan Nitetis. Deze bemoedigde haar en bouwde luchtkasteelen voor en met haar. De beide meisjes spiegelde zich voor, hoe heerlijk het zijn zou, als zij met twee vorstelijke broeders gehuwd zich niet van elkander zouden behoeven te scheiden, maai1 aan éen hof zouden kunnen leven. Maai- de eene dag vóór de andere na verstreek, en de schoone Pers vertoonde zich aan de dochter van Amasis steeds zeldzamer, en wanneer hij in haar gezelschap was, dan behandelde hij Tachot koel en vormelijk. Toch moest de onge-

ocr page 142

J 31

lukkige zichzelve bekennen, dat Bartja gedurende zijn verblijf in Egypte nog schooner en mannelijker was geworden. Fierheid en het bewustzijn van eigenwaarde straalden thans uit zijne groote oogen, welker zachte uitdrukking daaronder echter niet leed; en, inplaats van den vroegeren jeugdigen overmoed, was er allengs eene eigenaardige kalmte waai' te nemen in al zijne handelingen. Zijne wangen waren minder rooskleurig, maar die bleekheid stond h?m goed, heler althans dan haar, die van dag tot dag verviel als sneeuw voor de zon.

Melitta, de oude slavin van Rhodopis, was de bondgenoote der minnende geworden. Op zekeren morgen had zij Bartja en Sappho in hunne minnekoozerij verrast; doch zij was door den koningszoon zoo rijkelijk bedacht, door zijne schoonheid zoo geheel betooverd, door haar hartediefje zoo innig gebeden en met zulke fraaie namen betiteld geworden, dat zij beloofd had tegenover hare meesteres te zullen zwijgen. Ten laatste had zij, toegevende aan de neiging van alle oude vrouwen om verliefden voort te helpen, de samenkomsten der minnenden zelfs op alle mogelijke wijzen begunstigd. De oude zag reeds in hare verbeelding haar »zoet dochterken'7 tot beheerscheresse der halve wereld verheven. Zij noemde haar, als zij met haar alleen was. «vorstinquot; en «koningin.quot; In menig zwak oogenblik zag zij zichzelve met het oog baars geestes als rijkgetooide waardigheidsbe-kleedster aan het Perzische hof.

ocr page 143

ELFDE HOOFDSTUK.

Drie dagen voor de afreis van Nitelis, had Rhodopis een groot aantal gasten, onder welke zich Gresus en Gyges bevonden, ten harent genoodigd. Gedurende den maaltijd zouden, onder begunstiging van den nacht en met de hulp der slavin, de verliefden elkander in den tuin ontmoeten. Nadat Melitta zich overtuigd had, dat het tafelgesprek in vollen gang was, opende zij de poort, liet den koningszoon in den tuin, en voerde hem de geliefde maagd te gemoet. Dan verwijderde zij zich, om voor hen te waken, en door in de handen te klappen te waarschuwen, zoo zich ongeroepen getuigen van hun onderhoud mochten opdoen.

»Nog slechts drie dagen kan ik mij opbeuren met de overtuiging, dat gij in mijne uabijlieid zijt,quot; fluisterde Sappho. «Menigmaal is het mij: als had ik u gisteren voor het eerst gezien. Gewoonlijk ben ik evenwel te moede, als of gij mij reeds gedurende eene eeuwigheid toebehoort, en ik u mijn leven lang heb lief gehad.quot;

»Ook mij is liet, als waart gij van mijne vroegste jeugd de mijne geweest; want ik kan mij niet voorstellen, dat het mij ooit mogelijk zou zijn zonder u te leven.quot;

»Ware die lijd der scheiding slechts voorbij!quot;

»0, geloof mij, die tijd vliegt sneller om, dan gij meent. Het wachten zal ons wel lang, zeer lang toeschijnen; maar wanneer wij weder bij elkander zijn, moet het ons, dunkt mij, wezen, als hadden we elkaar eerst kort geleden vaarwel gezegd. Ziet gij, zoo ging het mij dagelijks. Hoe vurig verlangde ik altijd naar den morgen en naar uw bijzijn! En was ik weder hier, en waart gij weder aan mijne zijde gezeten, dan scheen liet als had ik u geen oogenblik verlaten, als had uw hand sinds den vorigen dag bestendig op mijn hoofd gerust.quot;

))En toch overvalt mij een, mij anders geheel onbekende angst, wanneer ik aan het oogenblik van scheiden denk. Niet dat ik vrees voor die ure. Wel zal mijn hart bloeden, als gij mij vaarwel zegt; maar ik weet dat gij wederkomen en mij niet verge-

ocr page 144

133

ten zult. Melitta heeft het orakel willen raadplegen, of gij mij getrouw zult blijven; zij wilde ook naar een oude vrouw gaan, die onlangs uit Phrygië is aangekomen, en des nachts uit het trekken van strikken de toekomst kan voorzeggen. Daarbij .heeft zij voor de reinigingen, wierook, styrax, maanvormige koeken en bladeren van wilde doornstruiken noodig'). Maar ik heb Melitta verzocht niets van dit alles te doen, want mijn hart weet beter dan Pythia, strik en offerrook, dat gij mij trouw blijven en mij steeds liefhebben zult.quot;

))En uw vertrouwen bedriegt u niet!quot;

»ïoch ben ik niet volkomen gerust geweest. Want ik hel) gelijk de meisjes gewoonlijk doen, wel honderdmaal in een papaverblad geblazen en er dan op geslagen. Als het dan knalde, jubelde ik: »hij zal mij trouw blijven, hij zal mij niet vergeten!quot; Maar als hot blaadje zonder eenig geluid scheurde, dan werd ik bedroefd.— Doch ik vernam bijna altijd den zoo vurig begeerden knal, en ik had meestal reden om vroolijk, zelden reden om treurig te zijn 1).quot;

»En zoo zal het blijven!quot;

»Ja, zoo moet het blijven. Spreek echter zacht, liefste, opdat Knakias, die daar naar den Nijl gaat om water te scheppen, ons niet bemerke!quot;

»Ja, ik zal zacht spreken.... Zoo! Nu strijk ik uwe zijden lokken achterwaarts en fiuister in uw oor: Ik bemin u! — Hebt gij het verstaan?quot;

»Wat men gaarne hoort, zegt grootmoeder, verstaat men zoo licht, Maar al hadt gij mij zoo even ook toegeroepen: sik haat u!quot; zoo zou mij uw blik toch met duizend stemmen toegezongen hebben, dat gij mij bemint. De zwijgende taal van het oog is veel welsprekender, dan alle tongen der wereld.quot;

))Kon ik zoo, als gij, de schoone taal der Hellenen spreken, dan zon ik....quot;

»0, het verheugt mij, dat gij niet beter spreekt; want dan zoudt gij alles wat gij gevoelt onder woorden kunnen brengen, en gij zoudt mij, dunkt me, veel minder teeder in de oogen zien. Want wat zijn woorden? Hoort gij daar den nachtegaai? De gave der spraak werd hem niet verleend, en toch geloof ik dat ik hem versta.quot;

1

Zulk een bloemen-orakél, dat ons doet denken aan het uitplukken van acacia-, rozen, en madelievenblaadjes (men denke aan Gretchen in den „F a u s tquot;), was in de oudheid niet vreemd. Men /.egt dat meisjes in Hellas tegenwoordig nog dit orakel raadplegen.

ocr page 145

134

))Ocli toe, wilt gij 't mij zeggen? Ik zou gaarne weten, wat Bulbul, gelijk wij Perzen den nachtegaal noemen, met zijne liefste ginds in den rozenstruik te verhandelen heeft. Moogt gij mij verklappen, wat de vogel spreekt?quot;

sik zal 't u zachtens zeggen. Philomele zegt zingende tot zijn wijfje: ,Ik min u!' en zij antwoordt, luister slechts: ,Itys, Ito, Itys'1).quot;

»En wat beteekend dat: Ito, ito?quot;

)gt;Ik neem het aan, ik neem het aan!quot;

»En Itys?quot;

sDil laat zich niet zoo in een enkel woord vertolken. Itys is een kring. De kring bet eekent, dat leerde men mij althans, de eeuwigheid, want hij heeft begin noch einde. Daarom roept het wijfje: ,ik neem het aan, — ik neem het aan voor alle eeuwigheid !'

sEn wanneer ik nu tot u zeg: Ik min u?quot;

))Zoo antwoord ik, gelijk de zangster van den nacht met verrukking: ik neem het aan voor heden, voor morgen, voor de eeuwigheid!quot;

»0, welk een nacht! Alles rust en zwijgt; ik hoor zelfs den nachtegaal niet meer. Thans zit hij in gindschen acacia-boom, welks bloesemknoppen zulk een liefelijken geur uitwasemen. De kronen der palmen spiegelen zich in den Nijl, en daartusschen wiegelt het beeld der maan gelijk een witte zwaan.quot;

»En hare stralen houden met zilveren draden alles wat leeft geboeid. Daarom ligt de geheele wereld als eene gevangene vrouw zwijgend en roerloos neder. Hoe gelukkig ik mij ook gevoel, zou ik thans toch niet kunnen lachen, en nog veel minder met luider stem kunnen spreken.quot;

»Zoo fluister, — of zing!quot;

«Gij hebt gelijk. Geef mij mijn speeltuig. Ik dank u. Laat mij mijn hoofd aan uwe borst leggen en u een eenvoudig vrede-liedje voorzingen. Alkman, de Lidyër, die in Sparta woonde, heeft het gezongen den stillen nacht ter eere. Luister nu goed. want dit liefelijke slaapliedje moet zacht, zeer zacht over de lippen zweven. — Kus mij nu niet meer, neen, ik bid u, kus mij niet vóór ik gedaan heb; dan echter vorder ik zelve een kus tot belooning:

„De slaiip is neórgedaald op vlakte en dal:

Der bergen kruin, de klip in 't grondloos zout,

?1) Aldus laat Aeschylus den nachtegaal fluiten. Volgens de oude mythe, die door Ovidius zoo aandoenlijk wordt bezongen, is het de weeklacht van Philomele over Itys, die, om zich op zijn vader Tereus te wreken, dooi' zijne eigene moeder Prokue geslacht werd.

ocr page 146

De stroom en 't ineir. 't gebladerte van het woud,

De worm der aarde — 't rust en sluimert al.

Het wild gedierte slaapt, en ademt zwaar;

Na d'arbeid slaapt de nijvre bijenschaar;

In d'af'grond slaapt, zich schomlend in den vloed,

Des oceaans ontzaglijk monsterbroed;

En hijgend, borst aan borst, slaapt moêgekoosd, Het vooglenpaar te midden van zijn kroost.quot;

»En nu mijn beste, een kus?quot;

»Ik had onder het luisteren het kussen vergeten, gelijk ik straks bij het kussen het luisteren vergat.quot;

»Gij ondeugd! Maar is mijn liedje niet schoon?quot;

«Schoon, als alles, wat gij zingt.quot;

»En wat de groote Helleensche zangers dichten.quot;

»Ook dit geet' ik u toe.quot;

«Hebt gij in Perzië geene dichters?quot;

»Hoe kunt gij dit vragen? Zou een volk met mogelijkheid op edele gevoelens roem kunnen dragen, als het de edele dichtkunst verachtte?quot;

»Maar de Perzen hebben toch kwade zeden.quot;

»Hoe bedoelt gij dat?quot;

«Gijlieden kiest u zoo vele vrouwen.quot;

«Mijne Sappho... .quot;

«Versta mij niet verkeerd! Zie, ik heb u zoo liet', dat ik geen andere wensch heb, dan u gelukkig te zien en alle lief en leed met u te mogen deeleu. Bezondigt gij u tegen de zeden van uw vaderland, wanneer gij mij alleen tot vrouw neemt, mocht men u wegens uwe trouw willen verachten of slechts berispen; — want wie zou het wagen mijn Bartjate verachten — zoo neem u andere vrouwen nevens mij; maar laat mij eerst slechts twee, drie jaren lang u geheel alleen bezitten. Wilt gij mij dat beloven, Bart ja?quot;

«Dat wil ik!quot;

«En dan, wanneer mijn tijd voorbij is, en gij u aan de zeden van uw land onderwerpen moet, — want uit liefde zult gij geene tweede vrouw nemen, — zoo laat mij uwe eerste slavin blijven. O, ik heb mij dit zoo schoon voorgespiegeld! Als gij ten strijde trekt, zet ik u den tulband op de lokken, gord ik u het zwaard om de lendenen, geef ik u de lans in de hand. Als gij als overwinnaar huiswaarts keert, druk ik het eerst u den krans op het hoofd. Gaat gij ter jacht, zoo gesp ik u de sporen aan; en begeeft gij u naar een feestmaal, dan tooi en zalf ik u, vlecht ik voor u populier- en rozenkransen, en slinger ze u om voorhoofd en schouderen. Zijt gij gewond, dan verbind ik u; zijt gij krank, zoo wijk ik niet van uwe zijde; zijt gij .gelukkig, dan trek ik mij terug, en vermei me op een afstand

ocr page 147

-130

in uwe eere en in uw voorspoed. Misschien roept ge mij dan wel tot 11, en uwe kus zal mij zeggen, dat gij over uwe Sappho tevreden zijt, en dat gij haar nog altijd lief hebt.quot;

»0 Sappho, waart gij reeds heden mijn vrouwtje! Wie zulk een groote schat bezit als ik in u, die mag hem zorgvuldig bewaren, maar hij zal niet naar andere schatten trachten, die bij deze éene vergeleken niet anders dan armelijk kunnen zijn. Wie u liefheeft, bemint geene andere meer. Wel is waar is het in mijn vaderland de gewoonte, dat ieder man vele vrouwen neemt, maar dit is alleen geoorloofd, het wordt niet door eene wet bevolen. Mijn vader had wel honderd slavinnen, doch inderdaad slechts éene vrouw, onze moeder Cassandane.quot;

»En zal ik dan uwe Cassandane zijn?quot;

»]NTeen, mijne Sappho, want wat gij nu mij zijn zult, dat was nog geene gade van haar echtgenoot.quot;

«Wanneer komt gij weder om mij met u te nemen?quot;

«Zoo spoedig ik maar kan en mag.quot;

»0, ik zal geduldig wachten.quot;

sEn zal ik ook tijding van u ontvangen?quot;

sik zal u lange, zeer lange brieven schrijven, en aan alle winden draag ik mijn groet voor u op.. . .quot;

sDoe dat, mijne liefste! Waf de brieven betreft, geef die met den bode mede, die aan Nitetis van tijd tot tijd berichten uit Egypte zal brengen.quot;

sWaar vind ik dien?quot;

»Ik zal u te Naucratis een man aanwijzen, die alles, wat gij hem zult doen toekomen, bezorgen zal. Het overige wil ik met Melitia bespreken.quot;

))Wij kunnen haar vertrouwen, want zij heeft overleg, en houdt veel van mij. Maar ik heb nog eene andere vriendin, die mij na u het metst bemint, en die ook ik na mijn Bartja het liefste heb.quot;

))Gij bedoelt uwe grootmoeder Rhodopis?quot;

»Mijne trouwe opvoedster en leermeesteres!quot;

»Zij is eene edele vrouw, Cresus noemt haar de voortreffelijkste aller vrouwen, en hij kent de menschen, gelijk een arts de kruiden en wortels. Want deze weet dat sommigen een doode-lijk gif, anderen genezinghrengende sappen bevatten. Rhodopis, zegt Cresus dikwerf, gelijkt eene roos, die liefelijk geurt en aan zwakke lijders verkwikkenden balsem schenkt, zelfs dan nog, wanneer zij verwelkende blad voorblad verliest, en geduldig den wind verbeidt die haar het laatste zal ontrukken.quot;

sO, moge zij nog lang gespaard biijven! Liefste, sta mij nog eene groote gunst toe!quot;

»Zij is u toegestaan, nog eer ik ze vernomen hel).quot;'

ocr page 148

«Wanneer gij mij met u neemt, zoo laat Rhodopis liier niet alleen achter. Dat zij met ons trekke! Zij is zoo goed, en heelt mij zoo innig lief, (lat zij dan alleen gelukkig kan zijn, als zij mijne dierbaarste wenschen vervuld ziet.quot;

«Zij zal de eerste gast in ons li nis zijn!quot;

»Wat zijt gij goed! Thans ben ik volmaakt tevreden en gelust. De goede \rouw lieefl mij zoo noodig! Zij kan niet leven zonder mij, baar kind. Ik lach bare droeve zorgen weg. Als zij bij mij zit om mij te leeren, als zij liederen voor mij zingt, of mij wijst boe men de schrijfstift banteeren moet, ot de luit bespeelt, dan straalt een rein licht van baar voorhoofd en efie-nen zich al de voren, door de smart geploegd; hare zachte oogen lachen, en zij vergeet menigen kwaden dag, terwijl zij blij het tegenwoordige geniet.quot;

«Alvorens wij scheiden zal ik haar vragen, of zij ons naar mijn afgelegen vaderland wil volgen.quot;

«O, hoe verheugt mij dit! — Fin wilt gij wel gelooven, dat mij nu de eerste tijd van uw afzijn in het geheel niet vreesdijk schijnt? Thans mag ik u, mijn bruidegom, wel alles zeggen, wat mij verblijdt of bedroeft.; voor anderen echter moet ik zwijgen. Weet dan, mijn beste, dat wij, terwijl gij naar uw vaderland terugkeert, twee kleine gasten in ons huis verwachten, de kinderen van den goeden Phanes, van den man, voor wien uw vriend, de zoon van Cresus, zijn leven in de waagschaal stelde. Ik wil voor de kinderen steeds als eene moeder zorgen, en als zij zoet zijn geweest, zal ik hun scboone sprookjes vertellen van een koningszoon, een sterken held, die zich een eenvoudig meisje tot vrouw koos. En als ik bun dan beschrijf, hoe die prins, die jonge held er uitzag, dan zal ik u in mijne verbeelding voor mij zien. Zonder dat mijn lief tweetal er iets van merkt, zal ik u van bet hoofd tot de voeten afschilderen. Mijn held is van uwe lengte, hem sieren uwe gouden lokken, uwe blauwe oogen verlevendigen zijn voorhoofd, eu uwe vorstelijke. prachtige kleeding omgeeft zijne edele gestalte. Üw edel hart, uw trouw, oprecht karakter, uw eerbied voor de goden, uwe dapperheid, kortom, alles wat ik in u liefheb en hoogschat zal het deel van den held mijner verhalen zijn. De kinderen zullen aandachtig luisteren. En wanneer zij zullen uitroepen ; ,0, hoe lief hebben wij den koningszoon, wat is hij schoon en goed ; ach, konden wij dien edelen jongeling eens zien!' — dan druk ik hen vol liefde aan mijn hart en kus hen, gelijk ik u gekust zou hebben. Dan is ook der kinderen wensch vervuld, want daar gij in mijn hart woont, zoo leeft gij in mij en zijt gij hun nabij; en daarom, als zij mij omarmen,omarmen zij ook u .quot;

ocr page 149

•138

^En ik ga tot mijne zuster Atossa, en verhaal haar van alles wat ik op mijn tocht gezien heb. En als ik de minzaamheid der Grieken, de pracht hunner werken en de bekoorlijkheid hunne)- vrouwen prijs, dan wil ik uw liefelijk wezen schilderen, gelijk het beeld der gulden Aphrodite. Jk zal haar van uwe deugd, van uwe schoonheid en zedigheid, van uw welluidend gezang, dat zelfs den nachtegaal dwingt te luisteren, wanneer hij u hoort, van uwe liefde, van uwe teederheid spreken. Maar dit alles breng ik over op de goddelijke gestalte van Cypris '), en ik kus mijne zuster als zij roept; ,0, Aphrodite, kon ik u eens zien!'quot;

»Hoor, wat was dat? — Daar klapt onze trouwe schildwacht in de handen! Vaarwel, wij moeten van hier! Totwederziens!quot;

»Nog eene kus!quot;

» Vaarwel!quot;

Melitta was op haar post van ouderdom en vermoeidheid in slaap gevallen. Eensklaps werd zij door een groot gedruisch in hare droomen gestoord. Aanstonds klapte zij in de handen, om hel paar te waarschuwen en Sappho naar huis te roepen, daar zij aan de sterren bespeurde, dat de dag weldra zou aanbreken.

Toen de oude vrouw met het. meisje, dat aan hare hoede was toevertrouwd, het huis naderde, bemerkte zij, dat het gedruisch, waardoor zij gewekt was, veroorzaakt werd door de gasten, die zich gereed maakten om te vertrekken. Zij drong Sappho om toch spoed te maken, en bracht het verschrikte meisje door de achterdeur in huis en in haar slaapvertrek. Zij wilde juist beginnen met haar te ontkleeden, toen Rhodopis binnentrad.

»Nog niet te bed, Sappho?quot; luidde haar vraag. »Wat beduidt dit, mijn kind?quot;

Melitta beefde en had reeds een leugen gereed; maar Sappho wierp zich aan de borst harer grootmoeder, omhelsde en kuste haai- teeder, en verhaalde haar de geheele geschiedenis harer liefde.

Rhodopis verbleekte.

»Verlaaf, ons!quot; gebood zij de slavin op strengen toon Daarop plaatste zij zich voor hare kleindochter, legde de handen op hare schouders, en zeide : »Zie mij in de oogen, Sappho! Kunt, gij mij nog even helder, even kinderlijk rein aanzien, als voor de aankomst van dezen Pers?quot;

Het meisje zag lachend en met open gelaat tot hare grootmoeder op. Toen drukte Rhodopis haar aan hare borst, kuste

1) Bijnaam van Aphrodite (Venus).

ocr page 150

lot)

haar en zeide: «Sinds gij de kinderschoenen hebt uitgetrokken, was het mijn streven u tol eene waardige jonkvrouw op te voeden, en u tegen de liefde te vrijwaren. Ik had zoo spoedig mogelijk een gesehikten echtgenoot voor u willen kiezen, en u hem volgens Hclleensch gebruik 1) tot vrouw willen geven. Maaide goden hebben het anders gewild. Eros drijft den spot met alle muren en bolwerken, door menschenhanden tegen hem opgericht. Het warme Aeolische 2) bloed in uwe aderen heeft liefde geëischt: het driftige hart uwer Lesbische voorvaderen klopt ook in uwe borst. Aan het gebeurde valt niets te veranderen. Bewaar dan de genotvolle uren dezer uwe reine eerste liefde als een kostbaar kleinood in de schatkamer uwer herinnering, want het leven van ieder mensch wordt vroeger of later zoo arm en ledig, dat hij zulke schatten van het verleden behoeft, öm niet te versmachten. Gedenk den schoonen knaap in uwe eenzaamheid. Zeg hem vaarwel als hij naar zijn vaderland wederkeert, maar onderdruk met al uwe krachten de hoop van hem ooit te zullen wederzien. Do Perzen zijn wuft en wispelturig; al wat nieuw is bekoort hen; naar al wat vreemd is strekken zij de open armen uit. Uw lief gezichtje behaagde den koningszoon. Hij gelooft vast en zeker, dat hij u bemint; maar hij is jong en schoon, hij wordt in zijn land door al de maagden van voorname huize begeerd, en hij is en blijft een Pers. Trok gij uw hart van hem af, opdat hij u niet vergeefs late wachten.quot;

«Hoe zou ik dat kunnen, grootmoeder! Heb ik hem niet voor eeuwig' trouw gezworen?quot;

„Gij kinderen, speelt met de eeuwigheid, als duurde zij slechts een oogenblik! Wat uw eed betreft, dien keur ik zeer af. Maar dit verblijdt me. dat ge aan hem vasthoudt, want ik verfoei dat misdadig spreekwoord: ,Zeus hoorl deeeden der minnenden niet.' Waarom zou de godheid den eed, met betrekking'tot het heiligste wat er in de mensch is, geringer achten dan een, die slechts do nietige vragen van liet mijn en dijn betreft? Zoo houd dan wat gij beloofd hebt, vergeet nimmer uwe liefde, maar gewen u aan de gedachte afstand te moeten doen van den persoon dien gij bemint.quot;

»Nooit, grootmoeder! Zou dan Bartja mijn vriend zijn geworden, als ik hem niet kon vertrouwen? Juist, omdat hij een Pers is, die de waarheidsliefde zijne schoonste deugd noemt, mag ik

1

De Spartanen huwden naar de neiging van hun hart, maar te Athene trad uien met de ouders der bruid over een huwelijk in onderhandeling, een natuurlijk gevolg van het afgezonderd leven der Attische meisjes.

2

Sappho's grootvader, Charaxus, de broeder van de dichteres, was, als op Lesbos geboren, een Aeoliër.

ocr page 151

?140

met vol vertrouwen liepen, dat hij zijn eed weilaclitiji zal wezen-en mij, in spijt der treurige gewoonte van zijn land, tot zijne eenige vrouw zal verheffen.quot;

»En als hij toch zijn eed eens vergat, dan zou uwe jeugd helaas in droefheid verkwijnen, en met een vergiftigd hart.quot;

»0, goede, lieve grootmoeder, zeg zulke verschrikkelijke dingen toch niet! Als gij hem kendet, gelijk ik hem ken, zoudt gij u met mij verblijden, en moeten toestemmen, dat eer de Nijl opdrogen en de pyramideu instorten zullen, dan dat mijn Bartja mij bedriegen zal!quot;

Het meisje sprak deze woorden met zulk een büj vertrouwen, met zoo overtuigende zekerheid, en hare donkere oogen, waarin tranen opwelden, glinsterden daarbij van zulk een gloed en van zoo groote zaligheid, dat ook het gelaat harer grootmoeder weder eene vriendelijke uitdrukking aannam.

Nog eenmaal sloeg Sappho hare armen om den hals der geliefde vrouw, herhaalde voor haar ieder woord, de de beminde jongeling lot haar gesproken had, en besloot haar verhaal niet den uitroep: »0, grootmoeder, ik ben zoo gelukkig! En als gij nu met ons naar Perzië trekt, zie, dan heb ik niets meer van de Onsterfelijken te begeeren.quot;

a .Maar al te spoedig zullen uwe armen zich weder naar hen uitstrekken!quot; zuchtte Rhodopis. »Met afgunstige blikken beschouwen zij het geluk der stervelingen, en wegen hun het booze met kwistige, het goede met karige handen toe. Ga thans ter ruste, mijn kind, en bid met mij, dat dit alles een gelukkig einde móge nemen. Aan een kind bracht ik mijn morgengroet, eene jonkvrouw zeg ik goeden nacht; mocht gij mij eens als gade even vroolijk den mond tot kussen bieden als nu.—Morgén zal ik met Cresus over u spreken. Van zijne uitspraak zal bet afhangen, of ik ii kan toestaan u als de bruid van den Pers te beschouwen, dan wel of ik u bezweren moet den koningszoon te vergeten, om weldra de vronw van een Helleen van mijne keus te worden. Slaap gerust, mijne lieveling, slaap gerust; uwe oude grootmoeder waakt over u!quot;

Sappho sluimerde aanstonds in, door zalige droomen zachtkens in slaap gewiegd. Doch Rhodopis zag nog lang, nu eens glimlachende, dan weder bedenkelijk het voorhoofd fronsende, naaide opgaande zon en het aanlichten van den dag.

Den volgende morgen liet Rhodopis Cresus verzoeken, haar een uurtje gehoor te schenken. Zij deelde den grijsaard zonder grooten omhaal van woorden mede, wat Sappho haar beleden had, en eindigde aldus; sik weet niet welke eischen de Perzen doen aan de gemalin van een vorst. Dit kan ik u echter zeggen, dat Sappho mij de eere overwaardig schijnt, om de vronw van

ocr page 152

•141

?den eersten aller koningen te zijn. Zij stamt af van eou edelen vrijen vader, en ik meen dat, volgens uwe wetten, de stand des vaders alleen de afkomst van het kind bepaalt. Diodorus beweert hetzelfde van de Egyptenaren, de gedenkteekenen loeren ons echter, dat hier veeleer de moeder het kind adelde. Overweldigers huwen dochters van pharao's, om hunne kinderen het erfrecht op den troon te verschaften.quot;

sik heb u zwijgend aangehoord,quot; antwoordde Cresus, »cn moe' u bekennen, dat ik, evenmin als gij, op dit oogenblik kan beslissen, of ik mij verheugen, dan wel of ik met deze liefde me-d 'lijden hebben moet. — Cambyzes en Cassandant, de moedor van Bartja en van den koning, hadden reeds vóór ons vertrek den prins willen doen huwen. De koning zelf mag zich tot heden niet in het bezit van een nakomeling verheugen. Mocht hij kinderloos blijven, zoo rust de eenige hoop op de voortplanting van het geslacht zijns vaders Cyrus op Bartja. Want de groote grondlegger der Perzische heerschappij mocht zich slechts in hel bezit van twee zon?n verheugen, Cambyzes en den vriend uwer kleindochter. Deze laatste is de roem aller Perzen, de lieveling van hel geheele hof, ja van het gansche land, do hoop van allo waardigheidsbekleeders en onderdanen. Hij is even schoon als edel, even deugdzaam als beminnelijk. — Wel vergl men van de koningszonen, dat zij met vrouwen uit hun, dat is het geslacht der Achaemeniden huwen; maar de Perzen hebben een-onbegrensde voorliefde voor al wat vreemd is, en zullen, verruk l over de schoonheid uwer kleindochter en zeker uit genegenheid voor Bartja, de oogen sluiten, en deze zonde tegen het oude gebruik lichtelijk vergeven, te eerder daar de onderdanen niets mogen inbrengen tegen alles, wat do goedkeuring des konings wegdraagt. Ook levert de Iranische geschiedenis voorbeelden genoeg op, dat zelf slavinnen koningen tor wereld hebben gebracht 1). De moeder van den monarch, die evenzeer geëerbiedigd wordt als deze zelf, zal aan hot geluk van haren jongst en meest geliefden zoon wel geene hinderpalen in den wegstellen. Als zij ziet, dat Bartja geen afstand wil doen van Sappho, als zij bemerkt, dat het lachende gelaat van dit aangebeden evenbeeld van haar overleden echtvriend met een waas van treurigheid wordt overtogen, dan zou zij, geloof ik, om hem zijne vroo-lijkheid te hergeven, zelfs niet weigeren eene Scytische als schoondochter aan te nemen. En ook Cambyzes zal, wanneer zijne moeder er hem op het rechte oogenblik om verzoekt, zijne toestemming niet onthouden.quot;

t) De stam van de zonen van FerMoen bleef door eene slavin voort bestaan.

ocr page 153

•142

»quot;Welnu, dan zouden alle bezwaren uit den weg zijn geruimd, riep Rhodopis zeer verheugd.

sNiet de voltrekking van het huwelijk, maar de tijd daarna baart mij groote zorg.quot;

»Meent gij dan, dat Bartja....quot;

»Van zijne zijde ducht ik niets, Hij heeft een trouw hart en is zoolang onkwetsbaar gebleven voor de liefde, dat hij, nu zij hem eens uetrolVen heeft, met warmte en duurzaam beminnen zal.quot;

»Maar....quot;

»Maar gij moet niet vergeten dat, al ontvangen ook alle mannen met geestdrift de bekoorlijke gemalin van hun lieveling, in de vrouwenvertrekken der Perzische grooten duizend vrouwen ledig nederzitten, die er zicli op zullen toeleggen, om de jeugdige nieuwelinge door allerlei listen en lagen te benadeelen, en geene hoogere vreugde zullen kennen, dan het onervaren kind in het ongeluk te storten.quot;

»Hebt gij dan zulke kwade gedachten van alle Perzische vrouwen ?quot;

»Zij zijn niet slechter dan andere vronwen; maar zij zullen haar benijden, die het hart van den man wist te winnen, naar wien zij met smachtend verlangen voor zichzelve of voor hare dochters uitzagen. De nijd ontwikkelt zich in de vertrekken van den harem, waar vadsige rust en eentonigheid hare tenten hebben opgeslagen, lichtelijk tot haat, en de bevrediging van dezen hartstocht is voor die beklagenswaardige wezens als het ware eene vergoeding voor hel volslagen gebrek aan liefde en vrijheid. Juist de buitengewone schoonheid uwer Sappho zal, ik herhaal het u, haar des te bitterder vijandinnen op den hals halen. En al bemint Bartja haar nog zoo vurig, en ai blijft zij de eerste jaren zijne eenige gade, zij zal toch zulke bange uren te doorleven hebben, dat ik in waarheid niet weet, of ik u met de in schijn zoo glansrijke toekomst uwer kleindochter wel geluk mag wenschen.quot;

»Ik ben volkomen van dezelfde meening. Een eenvoudig Helleen zou mij als schoonzoon verreweg verkieslijker zijn geweest, dan deze edele zoon van den grooten koning.quot;

Op dit oogenblik trad Bartja, door Knakias voorgegaan, het vertrek binnen. Hij smeekte Bhodopis hem de hoop op liet bezit barer kleindochter niet te ontnemen. In welsprekende taal schilderde hij zijne vurige liefde voor het schoone meisje, en bezwoer dat zij zijn geluk ten top zou voeren, als zij zelve met hem naar Perzië wilde trekken. Daarop vatte hij de hand van Cresus, bad hem om vergeving, dat hij hem, zijn vaderlijken vriend, zoolang verzwegen had, wat zijn hart met zoo groote

ocr page 154

1

ir.i

zaligheid vervulde, en smeekte hem zijn aanzoek bij Rhodopis te ondersteunen.

Glimlachend hoorde de grijsaard de hartstochtelijke laai van den jongeling aan, en zeide toen: «Hoe dikwijls, mijn Bartja, heb ik u tegen de liel'de gewaarschuwd! Zij is een verlerend vuur.quot;

»Maar hare vlammen zijn vol gloed en kleuren!quot;

«Zij doet pijn!quot;

«Maar die pijn is zoet!quot;

»Zij verwart den geest!quot;

«Maar zij versterkt hot hart!quot;

«O, die liefde!quot; riep Rhodopis. «Spreekt die knaap, door Eros bezield, niet als had hij zijn leven lang bij een Attischen taalmeester ter school gegaan'.'quot;quot;

«En toch,quot; hervatte Cresus, «noem ik verliefden de ongezeg-gelijkste van alle scholieren. Bewijs hun zonneklaar, dat hun hartstocht vergift, vuur, dwaasheid, dood is, zij zullen niettemin uitroepen: «maar hij is zoet,quot; en tegen beter weten in blijven beminnen!quot;

In dit oogenblik trad ook Sappho het vertrek binnen. Een wit feestgewaad, met purperrood gestikte boordsels en wijde mouwen, omgaf in losse plooien hare schoone gestalte, en werd op de heupen door een gouden gordel bijeengehouden. In heure haren had zij frissche rozen gestoken, en haar boezem was getooid met de vonkelende ster, het eerste geschenk van den geliefde. Lieftallig en blozende boog zij voor den grijsaard, wiens blikken lang op haar gevestigd bleven. En hoe langer hij dit jonkvrouwelijk gelaat beschouwde, des te vriendelijker uitdrukking nam het zijne aan. Beelden uit het verleden doemden voor zijne verbeelding op, en voor een oogenblik gevoelde hij zichzelven weder jong. Onwillekeurig naderde hij het meisje; hij drukle een warmen kus op haar voorhoofd, vatle hare hand, voerde haar Bartja tegemoet, en riep : «Neem haar, zij moet uwe vrouw worden, zelfs al spanden alle Achaemeniden tegen ons samen!quot;

«Gaat dat alles maar zoo buiten mij om ?quot; vroeg Rhodopis, met vreugdetranen in de oogen.

Nu vatte Bartja de rechter-. Sappho de linkerhand der grootmoeder, en vier smeekende oogen zagen tot haar op. Rhodopis sprak als eene profetes, terwijl zij het hoofd fier oprichtte:

«Moge Eros, die u elkaar in de armen voerde, mogen Zeus en Apollo u beschermen ! In de lente des levens zie ik u beiden bloeien, gelukkig en vol liefde, als twee rozen aan éen stengel; wat de zomer, de herfst en de winter u zullen brengen is alleen den goden bekend. Mogen de schimmen uwer gestorven

ocr page 155

ouders, rnijiio Sappho, u vriendelijk toelachen, als deze tijding-van u in de benedenwereld tot hen komt.'''

Drie dagen later verdrong zich aan de landingsplaats te Saïs wederom eene dichte volksmenigte, die getuige wenschte te zijn van do afreis der naar den vreemde vertrekkende dochter des konings, en haar een laatst vaarwel verlangde toe te roepen. Bij deze gelegenheid hleek, dat de Egyptonaren, in spijt van allo opruiingen der priesters, met innige liefde aan het regeerendo vorstenhuis verknocht waren. Toen Amasis en Ladice Nitetis voor de laatste maal weenend omhelsden, toen Tachot, voor de oogen van alle Saïten, op de groote trap zich snikkende aan de borst barer zuster wierp, toen eindelijk de boot, waarin do bleekc dochter van den koning had plaats genomen, zich met gezwollen zeilen van den oever verwijderde, toen bleven weinig oogen zonder tranen. Alleen de priesters zagen ernstig en koud als altijd, het treffend schouwspel aan. Toen eindelijk ook do schepen der vreemdelingen, die do Egyptische maagd naar hare bestemming zouden geleiden, door den zuidenwind zeewaarts werden gestuwd, uitte zich menig Egyptenaar in vloeken on verwenschingen. Maar do achtergeblevene dochter des konings wuifde den vertrekkendon nog lang met haren sluier een laatst vaarwel toe. Zij weende vele en boete tranen. Golden deze uitsluitend do lieve speolgenoote barer jeugd; golden zij soms ook den schoonon en beminden koninszoon ?

In tegenwoordigheid der menigte omarmde Amasis zijne gade en dochter. Hij hief den kleinen Necho, zijn kleinzoon in de hoogte, en dezen ziende, barstten do Egyptonaren los in een luid gejuich. Psamtik, de vader van het kind, stond zwijgend on oogonschijnlijk koel naast don koning, die hem niet eens scheen op te merken. Eindelijk trad Neithotep de opperpriester nader, leidde don prins, die nog in twijfel stond, tot zijn vader, logde beider handen inéén en smeekte met luider stemden zegen der goden af over het koninklijke huis. Terwijl hij sprak, knielden de Egyptonaren met opgeheven handen neder. Amasis drukte zijn zoon aan zijn hart, en fluisterde den opperpriester toe, toen deze zijn gebed geëindigd had: »Laat ons den vrede bewaren, om ons zelfs en om Egypte's wil.quot;

»Hebt gij den brief van Nebenchari ontvangen?quot;

»Een Samisch zeerooverschip vervolgt de triëre van Phanes.quot;'

»Ginds vertrekt hot kind van uw voorganger de rechtmatige erfgename van don Egyptischen troon, onverlet naar het vreemde land.quot;

ocr page 156

145

»De opbouw van den Helleenschen tempel te Memphis zal geen voortgang hebben.quot;

»Isis geve ons vrede! Geluk |en welvaart mogen zich over Egypte uitbreiden!quot;

Te Naucratis hadden de in Egypte wonende Hellenen de dochter van hun beschermer, die naar den vreemde vertrok, een feest bereid. Op de altaren der Grieksche goden werden tal van offerdieren geslacht, en toen de Nijlbarken in de haven aanlegden, verhief zich een luid »Ailinos 1)!quot; Feestelijk uitgedoste maagden boden Nitetis een gouden band aan, die als bruidskrans met duizend geurige viooltjes omwonden was 2). Als de schoonste jonkvrouw van Naucratis genoot Sappho de eer haar dien te mogen overhandigen. Nitetis nam het geschenk dankbaar aan en drukte het meisje een kus op het voorhoofd. Daarop beklom zij de triëre, die haar wachtte.

De roeiers begaven zich aan den arbeid, en hieven het ke-leusma 3) aan. De zuidenwind vulde de zeilen, en ten tweeden male weergalmde de lucht van een duizendvoudig sAilinosquot;, ten afscheid. Op het dek van het koninklijk schip wuifde Bartja zijner verloofde de laatste liefdesgroeten toe. — In haai- hart bad Sappho tot Aphrodite Euploia, de schutsgodin derschippers. Een traan bevochtigde hare wang; maar om haar mond speelde een lachje van hoop en van liefde, terwijl de oude slavin Me-litta, die bet zonnescherm der jonkvrouw droeg, als eene wanhopige weende. Doch toen aan den krans, die het hoofd harer lieveling sierde, toevallig eenige blaadjes ontvielen, vergat de oude voor een oogenblik haar leed, en fluisterde zachtkens: ))Ja, mijn hartje, men kan wel zien dat gij bemint, want alle meisjes, die blaadjes uit hare kransen verliezen, zijn door Eros in het hart getroffen.quot;

10

1

Klaaglied.

2

De Grieksche bruidskransen bestonden gewoonlijk uit viooltjes en rnyiten.

3

Het lied, op welks maat de Grieksche matrozen gewoon waren te roeien. De melodie werd meestal door een fluitspeler (triëraules) aan gegeven.

ocr page 157
ocr page 158

TWEEDE BOEK.

ocr page 159

• :-vV^v;

ocr page 160

EERSTE HOOFDSTUK.

Zeven weken later bewoopt zich op den grooten koningsweg '), die uit het westen naar Babyion voerde, een lange trein van allerlei wagens en van ruiters van verschillenden rang naar de reuzenstad, die reeds op verren afstand zichtbaar was.

Onder den door houten pijlers gedragen hemel van een kunstig verguld, van binnen met goudbrocaat bekleed voertuig op vier wielen, de zoogenaamde harmamaxa 1), die aan de vier zijden door gordijnen kon worden gesloten, zat Nitetis, de dochter van den koning van Egypte. Naast dezen wagen reden hare begeleiders, de ons bekende Perzische edelen, en de onttroonde koning van Lydië met zijn zoon. Hen volgden vijftig andere voertuigen en zeshonderd lastdieren, terwijl eene afdeeling Perzische krijgslieden, op prachtige paarden, den trein opende.

De weg volgde de kronkelingen van den Euphraat, door rijk beladene tarwe-, gerst- en sesamvelden2), die tweehonderd-, ja, dikwerf driehonderdvoudig vrucht droegen. Rijzige dadelpalmen, vol goudgele vruchten stonden allerwegen verspreid over de akkers, die in alle richtingen dooi- goed onderhouden slooten en kanalen doorsneden werden. Niettegenstaande het in den wintertijd was, schoot de zon uit den wolkenloozen hemel warme en heldere stralen over de velden. De breede stroom wemelde van groote en kleine vaartuigen, die de voortbrengselen van het Armenische hoogland naar de vlakten van Mesopotamië vervoerden, en de meeste waren, uit Griekenland en Klein-Azië

1

Dit voertuig komt het eerst bij Xenophon voor, die er eene koningin in laat rijden. De Romeinen gebruikten het later als reiswagen.

2

Een Oostersch peulgewas, dat in de omstreken van Babyion zeer weelderig groeide, en uit welks zaden eene zoete, heldere olie werd geperst.

ocr page 161

150

afkomstig, van Thapsacus l) naar Babylon brachten. Pompwerk-luigen en schepraderen besproeiden de akkers en beplantingen langs de oevers, die met hunne talrijke dorpen een levendig en vriendelijk landschap opleverden. Al wat zich aan hel oog voordeed bewees, dat men het middelpunt, van een ouden, met groote zorg bestuurden, hoofdzakelijk door den akkerbouw bloeienden staat naderde.

Voor een lang baksteenen huis, dat met zwart aardpek3) was bestreken, en aan welks zijden zich boschjes van platanen uitstrekten, hield de wagen van Nitetis en haar gevolg stil. Cresus liet zich van zijn paard helpen, naderde het voertuig der Egyptische koninsdochter, en riep deze toe: »Wij zijn tot de laatste pleisterplaats genaderd. Die hooge toren daarginds, die zich zoo scherp tegen den gezichtseinder afteekent, is de beroemde tempel van Bel, nevens uwe pyramidden een der meest grootsche werken van menschenhanden. Eer nog de zon ondergaat, zijn wij voor de metalen poorten van Babyion. Sta mij toe, dat ik u uit den wagen help, en uwe dienstmaagden in dit huis tot u zende. Thans moet gij u verkleeden, naar de wijze der Perzische vorstinnen, opdat de oogen van Cambyzes een welgevallen in u mogen hebben. Binnen weinige uren zult gij voor uw gemaal staan. — Wat ziet gij bleek! Draag zorg, dat de vrouwen, door middel van blanketsel, aan uwe wangen den blos der blijde ontroering geven. De eerste indruk is dikwerf beslissend. Dit is voorzeker op niemand zoozeer van toepassing, als op uw aanstaanden echtgenoot. Zoo gij hem, waaraan ik niet twijfel, bij de eerste ontmoeting behaagt, kunt gij u verzekerd houden, zijn hart voor altijd gewonnen te hebben; wanneer gij hem daarentegen heden mishaagdet, zou hij u, tengevolge van zijn ruwe geaardheid, nimmer weder met een hlik verwaardigen. — Moed, mijne dochter, moed! Indien gij slechts ter harte neemt, wat ik u gezegd heb, zal alles wel gaan !quot;

Nitetis pinkte een traan weg, dien zij niet vermocht te weerhouden, en antwoordde: »Hoe zal ik u danken voor al uwe goedheid, Cresus, mijn tweede vader, mijn beschermer en raadsman! 0, verlaat mij ook in het vervolg niet! Blijf mijn leidsman, gelijk op deze lange reis over gevaarlijke bergpaden, wanneer mijn levensweg met smart en zorg geplaveid mocht zijn. Dank, mijn vader, duizendwerf dank!quot;

*1) Belangrijke handelsstad aan den Euphraat. Hier trok men gewomilijk den stroom over, want hier vereenigden zich de groote handelswegen. Deze stad was ook het middelpunt der metingen van Eratosthenes.

2) Het aardpek, thans nog in groote hoeveelheid daar aanwezig, werd door de Babyloniërs gebezigd om de muren te bepleisteren.

ocr page 162

151

Dit zeggende, sloeg de jonkvrouw hare molligs armen orn den hals van den grijsaard, en kuste zijn mond, als ware zij zijne eigene dochter geweest.

Toen zij het voorhof van het donkere huis betrad, kwam haar een man tegemoet, die door een aantal Aziatische dienstmaagden werd gevolgd. Deze man, de overste der eunuchen 1), een der aanzienlijkste Perzische hofbeambten, was hoog van gestalde en zeer gezet. Een honigzoete lach speelde om zijn mond; op zijn aangezicht was niet het geringste spoor van een baard te ontdekken; aan zijne ooren bengelden kostbare sieraden; zijne armen en beenen , zijn hals en zijne voor een man veel te lange kleederen waren overladen met gouden ringen en kettingen; en zijne stijve, gefriseerde lokken, die door een purperen band bijeen werden gehouden, waren doortrokken van allerlei sterk riekende oliën.

De eunuch, Boges genaamd, boog zicli eerbiedig voor de Egyptische maagd neder en zeide, zijne vleezige, met ringen overladene hand voor den mond houdende: sCambyzes, de beheerscher der wereld, zendt mij tot u, o koningin, opdat ik uw hart met den dauw van zijn groet verkwikke. Hij zendt u verder door mij, zijn armsten knecht, de kleederen der Perzische vrouwen, opdat gij, gelijk het der gade van den grootsten aller koningen betaamt, in Medische dracht heden de poort der Achaemeniden zoudt naderen. Deze vrouwen, uwe dienstmaagden, wachten op uwe bevelen. Van een Egyptischen smaragd zullen zij u in een Per-zischen diamant veranderen.quot;

Boges trad, na dit gezegd te hebben, terug, en veroorloofde den waard van de herberg, met een teeken van nederbuigende goedheid, de vorstin als welkomstgeschenk een korf aan te bieden, waarin de keurigste vruchten bijzonder smaakvol waren geschikt.

Nitetis dankte de beide mannen op minzamen toon, trad daarop het huis binnen, legde onder vele tranen den tooi van haar vaderland af, en liet de dikke vlecht ter linkerzijde van het hoofd, het onderscheidingsteeken van Egyptisch vorstendochters2), losmaken, om zich volgens Medische wijze door vreemde handen te laten kleeden.

Haar gevolg beval intusschen een maaltijd op te dragen. Rappe knechten haalden stoelen, tafels en gouden vaatwerk van de wagens; de koks begaven zich met den meesten spoed aan den.

1

Gesneuenen.

2

Bijna alle Egyptische beelden, die zonen of dochters van pharao's voorstellen, dragen zulke haarvlechten, die van het voorhoofd tot a»a den hals reiken.

ocr page 163

152

arbeid, en allen hielpen elkander zoo snel en gewillig, dat als in een oogwenk een rijk voorziene disch, waarop zelfs de bloemen niet gemist werden, de hongerige reizigers toelachte. Op dezelfde wijze hadden zij het zich gedurende deze lange reis altijd draaglijk weten te maken. De lastdieren, die hen volgden, waren met alle mogelijke voorwerpen tot gemak beladen, van wachterdichte met goud doorwerkte tenten, tot zilveren voetschabellen toe. Voorts werd een heer van bakkers, koks, schenkers, voorsnijders, zalfbereiders, kransvlechters en haarkrullers op wagens medegevoerd.

Buitendien waren er langs den grooten weg, van vier tot vier mijlen, goed ingerichte vreemdelingshuizen. Hier werden de vermoeide paarden en die onderweg waren neergevallen tegen andere verwisseld, hier verleenden schaduwrijke boschjes eene beschutting tegen de hitte van den middag, terwijl men in de huizen op de bergen, bij een warmen haard, eene schuilplaats vond tegen sneeuw en koude. Deze Perzische herbergen, die groote overeenkomst hadden met onze poststations, dankten haar bestaan en hare verfraaiing aan den grooten Cyrus, die door goed onderhouden wegen de geweldig groote afstanden in zijn wereldlijk had zoeken te verkorten. Dezelfde vorst had ook eene geregelde postbodendienst ingevoerd. Op elk station vonden deze boden een plaatsvervanger op een versch paard, die gereed stond om aanstonds te vertrekken. Na de brieven ontvangen te hebben; rende deze postillon weder met de snelheid van den wind voort, om bij de eerstvolgende herberg zijn valies aan den daar wachtenden ruiter toe te werpen. Deze koeriers werden Angaren geheeten, en voor de snelste ruiters ter wereld gehouden ')

Toen het gezelschap, waarbij zich ook Boges gevoegd had. van tafel opstond, werd de deur van de herberg weder geopend. Een lang gerekt ))Ha!quot; ontsnapte den mond der Perzen toen zij Nitetis aanschouwden in de kostbare Medische hofkleeding. Zij stond daar voor hen, het hoofd met vorstelijke waardigheid omhoog geheven, in het bewustzijn barer zegevierende schoonheid, en tegelijk met een maagdelijken blos over de verrukking harer vrienden. Onwillekeurig vielen de knechten, naar Aziatisch gebruik, voor haar neder; de edele Achaemeniden daarentegen boog diep en eerbiedig. Het was als had de koningsdochter, met de meer eenvoudige kleeding van haar vaderland, ook alle schuchterheid afgelegd, en met het van goud en edel-

\) Bij de overblijfselen van den Perzischen koningsweg, die (lesleden Niniveh en Ekbatana verbond, vindt uien thans nog de oude mijlsteenen, die de tegenwoordige Koerden, keli-Shin, d. i. blauwe zuilen, noemen.

ocr page 164

153

gesteenten flonkerende zijden gewaad der Perzische vorstin, den trots en de waardigheid eener koningin aangetogen.

Dit bewijs van eerbied scheen haar te streelen. Met eene soort van nederbuigende minzaamheid wenkte zij met de hand, en dankte hare vrienden voor deze hulde. Daarop wendde zij zich tot den overste dor eunuchen '), en zeide vriendelijk, maar tegelijk uit de hoogte: »Gij hebt uw plicht gedyan. Ik ben niet onvoldaan over de kleederen en de slavinnen, die ge mij bezorgd hebt. Ik zal mijn gemaal een lo(lelijke getuigenis geven van uw ijver. Ontvang intusschen deze gouden keten, ten teeken mijner erkentelijkheid.quot;

De alvermogende opzichter van de vrouwen des konings kuste haar kleed, en nam het geschenk zwijgend aan. Met zulk een trots was hij nog nooit door eene der aan zijne zorg toevertrouwden bejegend. Tot nu toe waren al de vrouwen van Cam-byzes Aziatische, en deze plachten altijd, de onbeperkte macht van den overste dor eunuchen kennende, al het mogelijke in het werk te stellen, om zijne gunst door vleierijen en onderworpenheid te winnen.

Ten tweeden male boog de eunuch zich voor Nitetis. Zij wendde zich echter, zonder verder op hem acht te geven, tot Cresus, en zeide: »U, mijn liefderijken vriend, kan ik noch door woorden, noch dooi- eenig geschenk vergelden, wat. gij aan mij gedaan hebt: want u alleen zal ik het dank weten, als mijn leven aan dit hof, zoo al niet een gelukkig, dan toch een vreedzaam leven zijn mag. — Neem dezen ring,quot; zeide zij nu met luider stem, zoodat zij ook door de overige leden van het reisgezelschap kon worden verstaan, »die sinds mijn vertrek uit Egypte mijne hand niet verlaten heeft. Zijne waarde is gering; doch zijne beteekenis is schoon. Pythagoras, de edelste aller Hellenen, gaf hem aan mijne moeder, toen hij in Egypte de wijsheid onzer priesters kwam afluisteren. Mijne moeder schonk hem mij, toen ik van mijn vaderland afscheid nam. Op den eenvoudigen turkoois staat eene zeven 1). Dit volstrekt ondeelbare getal is het zinnebeeld van de gezondheid van lichaam en ziel; want niets is ondeelbaarder dan de gezondheid. Wanneer ook maar het kleinste deeltje van het lichaam krank is, zoo lijdt de geheele mensch; wanneer zich eene slechte gedachte in ons hart nestelt, dan is de harmonie der geheele ziel verstoord.

1

liet „moederloozequot; getal heeft tot tien geen factor.

ocr page 165

154

Deze zeven moge, zoo dikwerf gij er het oog op vestigt, u toeroepen, wat ik u wenscli: het ongestoord en onverdeeld genot van eene lichamelijke gezondheid, en de lange voortduring van de liefderijke zachtmoedigheid, die u tot den deugdzaamste, en daarom tot den gezondste aller menschen maakt. Geen dank, mijn vader, want ik zou uwe schuldenares blijven, zelfs al vermocht ik Cresus de schatten van Gresus weer te geven. — Gij, Gyges, ontvang deze elpenbeenen Lydische lier, en gedenk de geefster, zoo dikwijls gij de snaren lokkelt. — U, Zopyrus, bied ik deze gouden keten aan, want gij zijt, gelijk ik gezien heb, de trouwste vriend van uwe vrienden; en wij, Egyptenaren, geven aan onze godin der liefde en der vriendschap, de schoone Hathor, als zinnebeeld van haar bindend vermogen, banden en strikken in de liefelijke handen1). — U, Darius, u beminnaar van de wijsheid der Egyptenaren en van den helderen sterrenhemel, schenk ik tot aandenken dezen gouden band, op welken gij den dierenriem ziet, door eene bekwame hand in liet metaal gegraveerd 2). — Gij, Bartja, mijn lieve schoonbroeder, zult eindelijk het kostbaarst kleinood ontvangen, dat ik bezit. Neem deze amulet van blauw steen 3). Mijne zuster Tachot hing ze mij om den hals, toen ik haar voor de laatste maal goeden nacht wenschte, en mijne lippen op de hare drukte. Zij zeide: deze talisman verschaffe allen, die hem dragen, onvermengd geluk op aarde Zij weende, terwijl ze dat zeide, Bartja! — Ik weet niet aan wie de lieve dacht, maar ik hoop in haar geest te handelen, als ik haar kleinood in uwe handen leg. Houd het er voor, dat ïachol het u door mijne tusschenkomst aanbiedt, en gedenk nog dikwijls onze spelen in de tuinen van Saïs.quot;

Tot hiertoe had zij Grieksch gesproken. Thans richte zij in gebroken Perzisch liet woord tot de op eerbiedigen afstand wachtende dienaren: »Ontvangt ook gijlieden mijn dank! Te Babyion zal ik u duizend gouden staters ') doen uitbetalen. Ik beveel u, Boges,quot; vervolgde zij, zich tot den eunuch wendende, «uiterlijk overmorgen deze som onder de lieden te doen verdee-len. — Leid mij thans naar mijn wagen, Gresus!quot;

1

Zie boven bl. 24.

2

Volgens Dioilorus moei in het graf van koning Osymandyas (het palais van Ramses II te Tbobe, liet Ramesseum) een gouden cirkel hebben gelegen, die een omtrek had van 365 el, een el breed was, en eenen volledigen astronomischen kalender bevatte. De te Parijs aanwezige dierenriem van Dendera is eerst uit den laatsten tijd der Ptolemaeên afkomstig.

3

Lapis lazuli was een in het oude Egypte zeer geliefkoosd edelgesteente, dat men, evenals het smaragd, kunstig wist na te maken.

ocr page 166

155

De grijsaard haastte zich aan dit verzoek te voidoen. Terwijl hij Nitetis naar het voertuig geleidde, fluisterde zij hem toe, zijn arm aan hare horst drukkende: »Zijt gij over mij tevreden,mijn vader?quot;

sik zeg u, meisje,quot; antwoordde de grijsaard, ))gij zult aan dit hof de eerste worden, na de moeder van den koning, want op uw voorhoofd zete l de ware trots der koningin, en gij verstaat de kunst met weinig veel te doen. Geloof mij dat een klein geschenk, gelijk gij het weet te kiezen en aan te bieden, den edele grooter vreugde verschaft, dan een hoop goud, dien men hem voor de voet werpt. Kostbare geschenken te geven en te ontvangen is de gewoonte dei- Perzen. Zij verstaan de kunst elkander te verrijken. Gij zult hen loeren, elkaar gelukkiger te maken. — Wat zijl, gij schoon! — Zit gij zóó goed, of verlangt gij hooger kussens? — Maar wat is dat? Ziet gij, in de richting van de stad, geene stofwolken oprijzen? Dat zal Cambyzes zijn die u tegemoet trekt. Het hoofd omhoog, mijne dochter! Beproef toch vooral den blik van uw gemaal te doorstaan en te beantwoorden. Slechts weinigen kunnen het bliksemen van dat oog verdragen. Gelukt het u hem vrij en onbedeesd in het gelaat te zien, zoo is uw spel gewonnen. Moed, moed, mijne dochter! Aphrodite siere u met hare schoonste bevalligheid!—Te paard mijne vrienden, ik geloof dat de koning ons te gemoet trekt!quot;

Nitetis zat in den gouden wagen met opgeheven hoofd, en drukte de handen op haar hart. De stofwolken kwamen intus-schen al nader en nader. Reeds zag men de zonnestralen flikkeren op de blinkende wapenen der naderende ruiterschaar, als bliksemstralen aan een donkeren hemel. Nu eens verdeelde zich de wolk, om enkele afzonderlijke gedaanten te laten zien, dan weer was de trein achter dicht geboomte, bij eene kromming van den weg. verborgen. Maar op eens vertoonden zich de ruiters zeer dicht in de nabijheid, nauwelijks honderd schreden van haar verwijderd, volkomen duidelijk aan haar starenden blik.

De geheele stoet geleek eene bonte massa van paarden, mannen, purper, goud. zilver en edelgesteenten. Meer dan tweehonderd personen, allen op sneeuwwitte Nisaeische rossen gezeten, welker tuig en schabrakken met gouden klokjes en gespen, vederen, kwasten en stikwerk waren gemonteerd, volgden den man, die aanstonds te onderkennen was aan den raafzwarten hengst dien hij bereed 1). Telkens werd hij door het edele dier in dolle vaart meegevoerd, doch even dikwijls deed hij den vurigen, schuimenden viervoeter met reuzenkracht voelen, dat hij juist de

1

Naar voorstellingen op de geilenkteekenen, waarvan o. a. Layard ?afbeetilingen heeft gegeven.

ocr page 167

150

man was, orn zijn overmoed te temmen. Deze ruiter wiens gespierde dijbeenen den hengst zoo krachtig omklemden, dat het dier beefde en hijgde, droeg een kleed van scharlakenrood en wit, bedekt met schier ontelbare zilveren arenden en valken van stikwerk1). Zijne onderkleederen waren van purper en zijne laarzen van geel ieder. Om zijne heupen was een gouden gordel gegespt, waarin een korte dolkvormigesabel stak, welker greep en schede met edelgesteenten bezaaid waren. Evenals de tulband van Bartja, was ook de zijne met blauwe en witte banden der Achaemeniden omwoeld. Van ouder dit hoofdsieraad kwamen dichte gitzwarte lokken te voorschijn. Een ontzaglijke baard van dezelfde kleur bedekte gelieel liet benedendeel van zijn aangezicht. Zijn gelaat was bleek en strak; zijne oogen daarentegen waren nog zwarter dan haar en haard, en daaruit straalde geen verwarmend, maar een verzengend vuur. Een vuurrood litteeken, het gevolg van een sabelhouw van een Massagetischen krijger, vormde een diepe groef over zijn hooggewelfd voorhoofd, zijn grooten gebogen neus en zijn smalle lippen. Geheel zijn uiterlijk droeg den stempel van groote kracht en mateloozen trots.

Het was Nitetis niet mogelijk, ook maar voor éene seconde haar blik van dezen man af te wenden. Zijn evenbeeld had zij nog nooit aanschouwd. Als door toovermacbt voelde zij zich tot hem getrokken. Zij meende in dit onbedwingbaar trotsch gelaat het kort begrip van alle mannelijke deugden te lezen. Het scheen haar, als was de gansche wereld en in de eerste plaats zijzelve, geschapen om dezen man te dienen. Zij vreesde hem, en toch verlangde haar hart met vrouwelijke onderworpenheid vurig, zich als de wijnrank em den olmboom aan dezen sterken man te mogen vastklemmen. Zij wist niet recht, of zij zich den vreeselijken Seth 2) den vader van al wat boos is, of wel den gever van al wat licht en goed is, den grooten Ra, dus had voorgesteld. Op haar gelaat wisselden hoogrood en vaalbleek elkander af, gelijk licht en schaduw op den middag, wanneer de hemel met wolken overtogen wordt. Zij vergat de raadgevingen van haai' vaderlijken vriend, en toch staarde zij, toen Cam-byzes zijn woest snuivend ros ter zijde van haren wagen tot stilstaan dwong, met ingehouden adem in de vlammende oogen van den man, in wien zij den koning zou hebben erkend, al had niema id het haar gezegd.

Het strenge gelaat van den beheerscher der halve wereld werd

Ij De kleederen en de opschik van den Perzischen koning zouden volgens Plutardms, eene waarde van -12,000 talenten, d. i. ongeveer 27,000,000 gulden hebben gehad.

2) Zie boven bl. 79.

ocr page 168

157

steeds vriendelijker, hoe langer zij, tengevolge van eene soort van aantrekkingskracht, zijn doordringenden blik doorstond. Eindelijk wenkte hij haar met de hand een welkomstgroet toe, en reed dan naai' hare geleiders, die van hunne paarden waren gesprongen, en zich deels voor den koning in het stof hadden geworpen, deels diep gebogen en, volgens Perzisch gebruik, met de handen in de mouwen van hun gewaad hun vorst ontvingen.

Thans sprong hij zelf van zijn hengst. Al de met hem gekomen ruiters volgden zijn voorbeeld. Reeds hadden's konings tapijtenleggers, snel als de gedachten, een zwaar pui peren dekkleed op den weg uitgespreid, opdat de voet van ikn vorst het stof niet beroeren zou, en weinige oogenblikken later begroette Cambyzes zijne vrienden en bloedverwanten, terwijl hij hun zijn mond tot kussen bood. Vervolgens schudde hij Cresus de rechterhand, gebood hem zijn paard weder te bestijgen, en hem als tolk naaiden wagen van Nitetis te volgen.

De aanzienlijkste hovelingen snelden toe, en hieven den koning op zijn ros. Deze wenkte nu, en de trein stelde zich opnieuw in beweging. Cresus draafde nevens Cambyzes aan de zijde van den gouden wagen.

sZij is schoon en mijn hart welgevallig,quot; riep de Perzische vorst den Lydischen grijsaard toe. «Breng mij nu getrouw over, wat zij op mijne vragen zal antwoorden, want ik versta geen andere dan de Perzische, de Assyrische en de Medische taal.quot;

Nitetis had deze woorden verstaan. Eene zalige vreugde vervulde haar hart, en nog voordat Cresus den koning had kunnen antwoorden, sprak zij met zachte stem en sterk blozende, in gebroken Perzisch: »Hoe zal ik de goden danken, dat zij mij genade in uwe oogen hebben laten vinden! Ik ben niet geheel vreemdelinge in de taal van mijn heer, want deze edele grijsaard heeft mij op onze lange reize in het Perzisch onderricht. Vergeef mij, dat ik u slechts in gebroken volzinnen vermag te antwoorden. Mijn leertijd toch was kort, en mijne bevatting is slechts die eener eenvoudige, ongeleerde maagd 1).quot;

Om den anders zoo ernstigen mond van Cambyzes speelde een glimlach. Zijne ijdelheid voelde zich gestreeld door den ijver van Nitetis om hem aangenaam te zijn, en de volhardende vlijt van eene vrouw kwam den Pers, die gewoon was de vrouwen te zien opgroeien in onwetendheid en traagheid, terwijl zij zich slechts met opschik en het smeden van listen bezighielden, even verwonderlijk als prijzenswaardig voor Daarom antwoordde hij met blijkbaar welgevallen: „Het verheugt mij, dat ik zonder tolk met

1

Ook Themistocles leerde, volgens Diodorus, het Perzisch op de reis naar Susa, ofschoon Nepos van een ander gevoelen is.

ocr page 169

158

u kan spieken. Ga voort u toe te leggen op het aanleeren van de schoone taal mijner vaderen. Mijn dischgenoot Cresus zal ook in het vervolg uw leermeester zijn.quot;

sGij maakt mij zeer gelukkig door dit bevel,quot; antwoorddede grijsaard, »want ik zou mij geene dankbaarder en ijveriger leerling kunnen wenschen, dan de dochter van Amasis.quot;

»Zij bevestigt den ouden roem dei' Egyptische wijsheid,quot; hervatte de koning, »en ik vertrouw, dat zij ook het onderwijs dei-magiërs, die haar in onzen godsdienst zullen onderrichten, zeer spoedig verstaan en in hare ziel opnemen zal.quot;

Nitetis sloeg de oogen neder. Wat zij zoozeer gevreesd had was aanstaande. Tn plaats van de Egyptische, zou zij voortaan vreemde goden moeten dienen.

Cambyzes bemerkte hare innerlijke ontroering niet, en vervolgde: »Mijne moeder Cassandane zal u de verplichtingen, die op u als mijne gemalin rusten, leeren kennen. Ik zelf zal u morgen tot haar geleiden. Wat gij toevallig afluisterdet, herhaal ik u: Gij zijt mijn hart welgevallig. Zorg dat dit zooblijve! Wij willen beproeven uwe liefde voor ons land te winnen. En als uw vriend geef ik u den raad, Boges, dien ik u tegemoet heb gezon-dan, met minzaamheid te bejegenen, want gij zult in vele dingen hem te gehoorzamen hebben, daar hij de bestuurder is van hel vrouwen verblij f.

»A1 is hij de bestuurder van het vrouwenverblijf,quot; antwoordde Nitetis, »zoo denk ik toch, dat over uwe gemalin zelve geen sterveling dan gij alleen te bevelen heeft. Wenk, en ik zal gehoorzamen ; bedenk evenwel, dat ik eene koningsdochter ben en uit een land af komstig, waar de zwakke vrouw in de rechten van den sterken man deelt; dat ook mijne borst doordrongen is van den trots, dien ik uit uwe oogen zie lichten, mijn gebieder! — U, den grooten man, mijn gemaal en heer, wil ik als eene slavin gehoorzamen; maai- om de gunst van den onmannelijkste aller mannen, van een omkoopbaren knecht bedelen, dat kan ik evenmin, als ik de wetten zou kunnen gehoorzamen, die hij mij mocht willen voorschrijven.quot;

De verbazing en het welgevallen van Cambyzes namen steeds toe. Zoo had hij nog nooit eene vrouw, behalve zijne moeder, hooren spreken, en de behendige wijze waarop Nitetis, zonder het zelve te vermoeden, zijne macht, over haar geheele bestaan erkende en op den voorgrond stelde, bevredigde zijne eigenliefde. De trots behaagde den hoogmoedigen man. Hij knikte de jonkvrouw goedkeurend toe en zeide : »Gij hebt gelijk. Ik zal u eene eigene woning doen aanwijzen. Ik alleen zal u bevelen, hoe gij u te gedragen hebt. Het vriendelijke huis boven op de hangende tuinen zal nog heden voor u in orde worden gebracht.

ocr page 170

159

j)Daiik, duizendwerf dank!quot; riep Niletis. »0, zoo gij wist, hoe gelukkig gij mij met dit geschenk maakt! Van de hangende tuinen heeft uw waarde broeder, Bartja, mij veel moelert verhalen; en geene der heerlijkheden van uw groot rijk behaagde ons zoozeer als de liefde van dien koning, die dezen schooncri berg liet opwerpen.quot;

«Morgen zult gij uwe nieuwe woning kunnen betrekken; zeg mij thans, hoe mijne boden u en den Egyptenaren bevallen zijn?quot;

»Hoe kunt gij dit vragen? Wie zou dezen edelen grijsaard kunnen leeren kennen, zonder hem te beminnen ? Wie zou niet de schoonheid der jonge helden, uwe vrienden, bewonderen? Zij allen zijn ons huis dierbaar geworden. Maar vooral uw schoone broeder heeft aller harten gewonnen. De Egyptenaren haten de vreemdelingen, doch zoodra Bartja zich vertoonde, doorliep een gemompel van bewondering de menigte, die zich rondom hem verdrong.quot;

Terwijl de koningsdochter deze laatste woorden sprak, ti-ok er eene wolk over 'skonings gelaat. Eensklaps gaf hij zijn paard een harden slag zoodat het steigerde, wendde het om, stelde zich aan de spits van zijn gevolg, en bereikte na eenige minuten de muren van Babyion.

Nitetis, die als eene Egyptische van jongs af in dc gelegenheid was geweest, de stoutste gewrochten der bouwkunst te leeren kennen, was desniettemin ten hoogste verwonderd over de verbazende uitgestrektheid en de grootschheid dezer reuzenstad. Zij scheen haar volstrekt onneembaar. De muren toch waren vijftig el hoog, en zóo breed, dat twee wagens met het grootste gemak elkaar konden voorbijrijden. Tweehonderd vijftig hooge torens kroonden en versterkten dezen reuzenwal, en dit aantal zou nog niet voldoende zijn geweest, zoo Babyion niet aan éene zijde dooi' ondoorwaadbare moerassen ware beschermd geworden. De stad was op de beide oevers van den Euphraat gebouwd, Haar omtrek was meer dan negen mijlen, en binnen den steenen gordel barer muren verhieven zich gebouwen, die in grootte zelfs de pyramiden en de tempels van Thebe en Memphis overtroffen J).

1) Deze opgaven zijn aan de berichten van Herodotus en andere oude schrijvers ontleend. Volgens Aristoteles had Babyion niet de grootte van eene stad, maar van een volk. De bouwvallen zijn nog zoo ontzaglijk uitgebreid, dat men daaruit genoeg kan op maken, hoe verbazend groot die stad geweest moet zijn.

ocr page 171

-10Ü

De poort door welke de koninklijke stoet de stad binnentrok, had voor de aanzienlijke personages hare vijftig el hooge metalen deuren wijd geopend. Deze toegang werd aan weerszijden bestreken door een vesting-toren, voor welken zich als schildwacht een reusachtige gevleugelde stier van steen, met een ernstig, baardig menschelijk aangezicht, in liggende houding verhiel' 1). Deze monsters waren eene zinnebeeldige voorstelling-van de almacht der goden. De hoogste kracht was uitgedrukt door de gestalte van den stier, het hoogste verstand door het menschelijk hoofd, de grootste snelheid door adelaarsvleugels. Met verbazing zag Nitetis tot deze reuzenpoort op; met blijde ontroering dwaalden hare oogen door de straten der groote stad, die haar ter eere haar schoonste feestgewaad had aangetogen.

Zoodra de koning en de gouden wagen zichtbaar werden, barstte de saamgevloeide menigte in luide vreugdekreten los. Maar het gejuich klom tot een onafgebroken en donderend gejubel, toen het volk den terugkeerenden Bartja, zijn lieveling, opmerkte. De menigte had ook Cambyzes in langen tijd niet gezien, want de koning vertoonde zich, overeenkomstig Medisch gebruik, slechts zelden in het openbaar. Hij behoorde onzichtbaar te regeeren, evenals de godheid, en zijne verschijning voor de oogen des volks moest, als het grootste feest, door allen steeds met smachtend verlangen verbeid worden. Zoo had zich dan ook heden geheel Babyion opgemaakt, om den gevreesden gebieder en den geliefden jongsten zoon van Gyrus te zien en te begroeten. Alle vensters waren door nieuwsgierige vrouwen bezet, die de voorbijtrekkende bloemen voor de voeten wierpen, en welriekende wateren over het hoofd uitstortten. De geheele weg was met myrten- en palmtakken bestrooid; allerlei groene hoornen stonden voor de deuren; uit de vensters hingen tapijten en stukken doek; van huis tot huis waren bloemguirlanden opgehangen ; de geuren van wierook en sandelhout vervulden de lucht, en dicht op elkander gepakt stonden, aan beide zijden van den weg, duizenden gapende Babyloniërs, in witte linnen hemden, veelkleurige wollen rokken .gt;n korte manteltjes, die lange stokken, op wier punten gouden, zilveren en ivoren granaatappels, vogels of rozen bevestigd waren, in de handen hielden 2).

1

Exemplaren en afgietsels van deze voortbrengselen der oud Assyri-sche kunst weiden in het Britsch Museum, het Louvre, en in het nieuwe museum te Berlijn gevonden.

2

riërs, die onder de vertegenwoordigers van vreemde natiën op de Egyptische gedenkteekenen gevonden worden.

ocr page 172

IGl

Al de straten, waardoor de stoet voorttrok, waren breed en .recht; de van gebakken steen gebouwde huizen deftig en hooi' '). Maar boven alle huizen en torens verhief zich de reuzentempel van den god Bel, met zijn verbazende trap, die zich buitenom het ronde, torenvormige gebouw, dat uit acht verdiepingen bestond, gelijk eene monsterslang omhoog slingerde, naar de spits, die het eigenlijk heiligdom droeg1).

Nu naderde de trein den burcht des konings 2), welks afmetingen geheel evenredig waren aan den grootschen aanleg van de ganscbe stad. De muren die het paleis ongaven, waren met verglaasde veelkleurige beeldwerken bedekt, die in eene bonte mengeling menschen, vogels, zoogdieren en visschen, jachtpartijen, krijgstooneelen en feestelijke optochten voorstelden. Noordwaarts, langs den rivieroever, verrezen de hangende tuinen 3), oostwaarts, op den tegenovergestelden oever, lag de tweede, kleinere konings-burcbt, met den eersten door eene vaste steenen brug verbonden.

De stoet trok de metalen poorten der drie het paleis omgevende muren binnen. De paarden van den wagen van Nitetis stonden stil; voetbankdragers bielpen haar uitstappen. Zij was nu in haar nieuw vaderland, en kort daarop in de haar voor-loopig tot woning aangewezene vertrekken van het vrouwenhuis aangekomen.

Gambyzes, Bart ja en do ons bekende vrienden stonden nog, door honderd aanzienlijke waardigheidsbekleeders omgeven, op het slotplein, dat met veelkleurige tapijten belegd was, toen men luide vrouwenstemmen vernam, en eene bij uitnemendheid schoonejonge Perzische maagd, in kostbare kleeding, wier volle blonde haren

1

Deze tempel, waarvan Herodotus e. a. eene beschrijving geven, wordt door sommigen voor den toren van Babel uit de Bijbelsche overlevering gehoiiden. De ruïnen worden door de tegenwoordige bewoners dier streken „Birs Nimroed,quot; d. i, burg van Nimrod, genoemd. De hoogte dei-eerste verdieping, die tot heden bewaard bleef, bedraagt 260 voet. De muren die dezen tempel omgaven, moeten nog zeer goed te herkennen zijn. Ze waren 4000 voet lang en 3000 breed. Dit reusachtig gebouw moet tijdens Gambyzes nog in al zijn pracht hebben bestaan, want wij weten dat Nebucadnezar het liet voltooien.

2

Nebucadnezar zou ook dezen burcht hebben doen optrekken, Althans op de tegels, die men in de bouwvallen bij Hillah heelt gevonden, komt in spijkerschrift de naam van dezen grooten koning voor. Men vindt aldaar ook nog vele fragmenten van verglaasde reliëfs.

3

Zie boven bl. 94. Aan den oever van den Euphraat in het noordelijk gedeelte van Babyion vindt men een uitgestrekten puinheuvel, Ba-bil geheeten Men heeft er bronnen en overblijfselen van waterleidingen gevonden, die met de rivier in verbinding stonden. Vgl. F. Mürdter, Geschic/ile Babyloniens unci Assyriens, Stuttgart.

M

ocr page 173

•J 62

met rijke parelsnoeren waren omwonden, door verscheidene andere vrouwen gevolgd, het plein op en de mannen tegemoet snelde. Cambyzes stelde zich het driftige meisje glimlachend in den weg; zij wist hem echter met eene vlugge wending voorbij te komen, en hing een oogenblik later, nu eens lachende dan weer weenende aan Bartja's hals.

De vrouwen die haar volgden, wierpen zich op eerbiedigen afstand ter aarde. ïoen het meisje inmiddels voortging den wedergekeerde met liefkoozingen te overladen, riep Cambyzes: »Schaamt u, Atossa! Bedenk dat gij, sedert gij de oorringen draagt1), opgehouden hebt, een kind te zijn. Ik heb er niets tegen, dat gij u verblijdt over de behoudene wederkomst van uw broeder; maar zelfs te midden der vreugde mag eene koninklijke jonkvrouw de betamelijkheid niet uit het oog verliezen. Maak thans, dat gij weder bij uwe moeder komt! Daar ginds zie ik uwe dienstmaagden. Ga, en zeg haar, dat ik u ter wille van dezen vreugdedag ongestraft zal laten. Waagt gij 't echter andermaal tot deze plaats door te dringen, die voor iederen ongeroepene gesloten is, zoo zal ik Boges last geven u twaalf dagen lang op te sluiten. Onthoud dit, gij wildzang, en zeg aan onze moeder, dat ik haar aanstonds met Barlja een bezoek zal brengen. Geef mij nu een kus! — Gij wilt niet? Zijt ge boos? Wacht maar, slijfhoofd!quot;

Bij deze woorden sprong de koning op het meisje toe, hield hare beide handen met zijne linker zoo vast te zamen, dat zij kermde van pijn, boog met de rechter het lieve hoofdje achterwaarts, en kuste zijne weerstrevende zuster, die daarop weenende hare dienstmaagden tegemoet liep, en ijlings naar hare woning terugkeerde.

Toen Atossa verdwenen was, zeide Bart ja: »Gij hebt de arme kleine te hard aangegrepen, Cambyzes; zij kreet van pijn.quot;

Het. gelaat van den koning betrok. Hij hield echter het bar-sche antwoord terug, dat hem op de lippen zweefde en zeide, zich naar het huis keerende: »Kom thans mede naar onze moeder; zij heeft mij verzocht u tot haar te leiden, zoodra gij zoudt zijn aangekomen. De vrouwen hebben geen rust, vóór dat zij haren aangebeden lieveling weder bij zich hebben. Nitetis zeide

1

Men gaf ile Perzische meisjes oorringen, wanneer zij op haar vijftiende jaar huwbaar werden. Zoowel meisjes als knapen moesten zich niet den heiligen band, ku^ti of kosti, omgorden. Alleen in den nacht mochten zij zich van dezen ontdoen. De vervaardiging van zulk een gordel is nog bij de tegenwoordige Perzen met allerlei formaliteiten verbonden. Hij moet uit 72 draden bestaan. Er mag geen zwarte wol voor gebruikt worden.

ocr page 174

163

mij, dat gij ook de Egyptische vrouwen met uwe blonde lokken en rooskleurige wangen betooverd hebt. Bid Mitbra ^ toch gedurig, dat hij u een eeuwige jeugd schenke, en u de rimpels van den ouderdom spare!quot;

i)Wilt gij daarmede zeggen,quot; vroeg Bartja, »dat ik geene deugd bezit, die ook den ouderdom ten sieraad kan verstrekken ?quot;

sik ben aan niemand verklaring schuldig van den zin mijner woorden. Kom!quot;

»Ik zal u echter verzoeken, mij in de gelegenheid te stellen u te bewijzen, dat ik in mannelijke deugden bij geen enkelen Pers achtersta.quot;

oHet gejubel der Babyloniërs had u anders kunnen leeren, dat gij geene daden behoeft te doen, om liefde en achting te verwerven.quot; BCambyzes!quot;

»Kom nu! De oorlog met de Massageten staat voor de deur. Alsdan zult gij gelegenheid te over hebben, om te toonen wat gij kunt, en wie gij zijt!quot;

Weinige oogenhlikken later rustte Bart ja aan den boezem zijner blinde moeder, die met een kloppend hart den lieveling, die zoolang van haar gescheiden was geweest, verbeid had. En thans, nu zij eindelijk het geluid zijner stem vernam, en hare handen het dierbare hoofd betastten, vergat zij alle anderen om haar heen, ja, sloeg zij zelfs geen acht op baren eerstgeboren zoon, den machtigen koning, die het met verkropte spijt aanzag, hoe zich een volle stroom van moederliefde over zijn jongeren broeder ontlastte.

Van Cambyzes' vroegste jeugd was elke zijner wenschen vervuld geworden, iedere zijner oogwenken als een bevel gehoorzaamd. Vandaar dat hij geene tegenspraak kon dulden, en zich geheel aan zijn snel opbruisenden toorn overgaf, wanneer een zijner onderdanen, en hij kende geene andere menschen dan dezulken, het waagde hem tegen te spreken. Cyrus, zijn vader, de machtige veroveraar der halve wereld, wiens groote geest het kleine volk der Perzen tot het toppunt van aardsche macht had gebracht; die zoo goed had begrepen, hoe hij aan tallooze ten onder gebrachte stammen ontzag moest inboezemen, deze Cyrus had niet geweten, hoe hij in den kleinen kring van zijn gezin het opvoedingswerk moest volbrengen, waarin hij ten opzichte van groote staten zoo uitstekend geslaagd was. Beeds in den knaap Cambyzes zag hij den toekomstigen koning. Hij vergde van zijne onderdanen, dat zij het kind blindelings zouden gehoorzamen, ofschoon hij daarbij vergat, dat hij die eenmaal bevelen wil, eerst moet geleerd hebben zelf te gehoorzamen.

1) De zonne- en lichtgod der Perzen.

ocr page 175

De vrouw zijns harten en de beminde zijner jeugd, Cassan-dane, had hem eerst Cambyzes, toen drie dochters en eindelijk, vijftien jaren later, Bartja geschonken. De eerstgeboren zoon had zich sinds lang aan de ouderlijke lief koozingen onttrokken, toen de jongere broeder het levenslicht aanschouwde, en al de zorgen en de teederheid der moeder voor zich alleen vorderde. De schoone, gevoelige, aanvallige Bartja werd de oogappel van beide ouders; hem wijdden zij hunne koesterende liefde,terwijl Cambyzes zich slechts over de groote toegevendheid van vader en moedei' te verblijden had. De toekomstige koning onderscheidde zich in menigen oorlog door moed en dapperheid, maar zijn heerschzuchtig en trotsch karakter deed hem slechts sidderende slaven vinden, terwijl de minzame, hartelijke Bartja de hem omringenden met volle recht zijne vrienden mocht heeten. Het volk eindelijk vreesde Cambyzes, en beefde als hij naderde, in spijt van de rijke geschenken, die hij gewoon was met kwistige hand uit te strooien; terwijl het den vriendelijken Bartja liefhad, en in dezen het evenbeeld van den gestorven Cyrus, »den vader zijns volks,quot; aanschouwde.

Cambyzes gevoelde zeer goed, dal hij de liefde, die men zijn broeder van alle zijden geheel vrijwillig schonk, niet koopen kon. Hij haatte Bartja niet, maar het verdroot hem dat een knaap, die zich door geene daden had doen kennen, door alle Perzen als een held en een weldoener vereerd en bemind werd. Alles ?wat hem niet behaagde, hield hij voor onrecht, wat hij onrecht heette moest hij bestraffen, en een bestraffend woord uit zijn mond was sedert zijne kindsheid zelfs door de aanzienlijksten altijd gevreesd geworden. De opgewondene vreugdekreten van het volk, de welsprekende uitingen van de liefde zijner moeder en zustei', maar vooral de warme lofuitingen van Nitctis, ontstaken thans eene ijverzucht in hem, die zijn trotsch hart tot op dien dag niet gekend had.

Nitetis behaagde hem ongemeen. Deze vorstentelg, die zich aan zijne grootheid volkomen onderwierp, en evenals hij al het geringere met zekeren trots verachtte; deze dochter van een machtig koning, die, om zijne gunst te winnen, zich groote moeite had getroost tot het aanleeren der Perzische taal; deze aanzienlijke jonkvrouw, wier eigenaardige, half Egyptische, half Grieksche schoonheid (hare moeder was eene Helleensche geweest), als iets nieuws, als iets dat hij te voren nooit aanschouwd had, zijne bewondering in de hoogste male had gewekt, — had een diepen indruk op hem gemaakt. Daarom was hij ontstemd geworden door hare, zoo geheel uit eigen beweging over Bartja uitgesprokene loftuitingen, en hadden deze slechts gestrekt, om zijn hart voor de ijverzucht te ontsluiten.

ocr page 176

165

Toen liij met zijn broeder de vertrekken der vrouwen verliet, nam hij eer, kort besluit, en riep hem toe, alvorens van, hem te scheiden: »Gij hebt mij verzocht u in de gelegenheid te stellen, uwe dapperheid door daden te toonen. Ik wil u hierin ter wille zijn. De Tapoeren1) zijn opgstaan. Ik heb een leger naar hunne grenzen gezonden. Begeef u naar Rhagae, neem lt;?» het opperbevel over, en toon wat gij zijt en vermoogt!quot;

sik dank u, mijn broeder,quot; riep Bartja; »mogen mijne vrien-v den Darius, Gyges en Zopyrus mij vergezellen?quot;

«Ook deze gunst wil ik niet afslaan. Gedraag u als een held en talm niet, opdat gij binnen drie maanden weder bij het groote leger moogt zijn, dat in het voorjaar ter wraakoefening tegen de Massageten 2 zal optrekken.quot;

»Morgen reeds vertrek ik!quot;

))Het. ga u goed!quot;

«Wanneer Aoeramazda mijn leven spaart, en ik als overwinnaar terugkeer, wilt gij mij dan ééne bede toestaan?quot;

))Dat wil ik.quot;

t »0, llians zult gij zien dat ik de zege behaal, ook al stond ik

met duizend man tegenover tienduizend Tapoeren! — 's Jongelings oogen fonkelden. Hij dacht aan Sappho.

»Het zal mij verheugen, als gij uwe schoone woorden verwezenlijkt. Maai-, wacht even, ik heb u nog iets te zeggen. Gij ^ .zijt twintig jaar oud en moet trouwen. Roxane, de dochter van

den edelen Hydarnes, is huwbaar geworden. Zij moet schoon zijn, en is uwer waardig, wat hare afkomst betreft.quot;

»0, mijn broeder, spreek mij niet van trouwen, ik....quot;

»Gij moet eene vrouw nemen, want ik ben kinderloos.quot;

«Maar gij zijt jong, en zult niet zonder nakomelingen blijven. Ook zeg ik niet, dat ik in het geheel niet wil huwen. Wees niet boos op mij, maar juist thans, nu ik bewijzen zal man te zijn, wil ik niets van trouwen weten!quot;

«Dan moet gij Roxane trouwen, wanneer gij uit het Noorden t zult zijn teruggekeerd. Maar ik raad u de schoone met u in

het veld te nemen. De Pers vecht gewoonlij k veel beter, wanneer hij, behalve zijne schatten, ook eene schoone vrouw in zijne legerplaats te verdedigen heeft.quot;

«Verschoon mij hiervan, mijn broeder. Bij de ziel van onzen f'' vader bezweer ik u, straf mij niet met eene vrouw, die ik niet

i ken en niet mag kennen. Geef Roxane aan Zopyrus, die de

vrouwen bemint, geef haar aan Darius of Bessus, beiden ver-

i

1

Zij woonden in tie noordelijke provinciën van Perzië.

2

Een volksstam aan de oostkust van de Caspische zee.

ocr page 177

?1Ö0

wanten van Hydarnes. Ik kan haar niet beminnen, en gij zo vu It mij dus slechts ongelukkig maken. ...quot;

Gambyzes lachte en riep, zijn broeder in de rede vallende; »Het is als had gij opgehouden een Pers te zijn; als waart gij geheel een Egyptenaar geworden. Voorwaar, het berouwt mij reeds, dat ik een knaap als gij zijt in den vreemde heb gezonden! Maar ik ben niet gewoon mij te laten weerstreven, en na afloop van dezen krijg neem ik dus geene verontschuldigingen aan. Thans kunt gij mijnentwege zonder vrouw ten strijde gaan, want ik wil u niet iets opdringen, dat, naar gij meent, slechts gevaarlijk zou zijn voor uwe dapperheid. Overigens komt het mij voor, dat gij nog andere geheime gronden hebt, om geeir genoegen te nemen in mijn broederlijken voorslag. Dat zou mij om uwentwil leed doen. Trek nu met lief leger op. Na den krijg laat ik geen tegenspraak gelden. Gij kent mij 1quot;

»Misschien kom ik zelf u na den krijg om datgene vragen, wat ik thans niet van u mag aannemen. Even slecht als het is, iemand in zijn ongeluk te storten, even onverstandig is het, een mensch te willen dwingen om gelukkig te worden. Ik dank u voor uwe toegevendheid.quot;

«Stel die maar niet te dikwijls op de proef! — Hoe gelukkig-ziet gij er uit! Ik geloof vast dat gij verliefd zijt, en ter wille uwer schoone alle andere vrouwen veracht.quot;

Bartja bloosde tot achter de ooren, terwijl hij de hand van zijn broeder greep, en riep; «Onderzoek thans niet verder. Ontvang nogmaals mijn dank, en vaarwel! Veroorlooft gij mij, nadat ik van onze moeder en van Atossa afscheid genomen heb, ook Nitetis vaarwel te zeggen?quot;

Gambyzes beet zich op de lippen, en zag Bartja doordringend aan. Toen hij bemerkte dat zijn broeder zijn bliksemend oog niet verdragen kon, riep hij scherp en dreigend; «Maak gij maar dat ge bij de Tapoeren komt! Mijne gemalin heeft uwe bescherming niet meer van noode. Zij heeft thans anderen die haar bewaken.quot;

Dit zeggende, keerde hij Bartja den rug toe, en begaf zich naaide met goud, purper en edelgesteenten rijk versierde voorzaal, waar veldheeren, satrapen, rechters, schatmeesters, schrijvers, raadsheeren, eunuchen, deurwachters, beambten, wier roeping was de vreemdelingen voor den koning te geleiden, kamerdienaars, uit- en aankleeders, schenkers, stalmeesters, jachtoversten, lijfartsen, oogen en ooren des konings 1) en boden van allerlei soort

1

Deze beambten kunnen eenigermate met onze politie-commissarissen vergeleken worden. Cyrus liet, volgens Herodotus, als knaap een zijner speelnooten de rol vervullen van „oog des konings.quot; Met stelsel van

ocr page 178

167

T'

hem verbeidden. Herauterj met staven in do handen traden voor hem uit, terwijl hij gevolgd werd door een gansch heir van waaier-, draagstoel- en voetbankdragers, tapijtleggers en schrijvers, welke laatsten ieder bevel huns heeren, iedere met een wenk gedane inwilliging, elke uitgeloofde belooning of gevelde straf aanstonds opteekenden, en aan de bevoegde ambtenaren ter uitvoering overbrachten.

In het midden der helder verlichte zaal stond eene vergulde ^?1 tafel, die bijkans bezweek onder den last van gouden en zilveren

vaatwerk, horden, bekers en schalen, die in de keurigste orde waren geschikt. In een door purperen gordijnen afgesloten zijvertrek zag men eene kleine tafel, bezet met w'lgereedschappen, welker waarde vele millioenen moet hebben bedragen. Hier placht de koning den maaltijd te gebruiken. Het voorhangsel verborg hem voor de blikken der andere spijzenden, terwijl hij de geheele zaal kon overzien, en de minste beweging zijner disch-genooten waarnemen ') Tot het getal dezer dischgenooten te behooren was, ook voor den meest eerzuchtige, de grootste on-i , derscheiding die men zich denken kon, ja, reeds hij mocht zich

beroemen een bijzonder bewijs van gunst te hebben ontvangen, aan Avien slechts een deel van «ie tafel des konings was toegezonden.

Toen hij de zaal binnentrad, wierpen zich bijna al de aanwezigen voor hem neder; alleen zijne bloedverwanten, kenbaar aan de blauwe en witte strepen op hunne tulbanden, vergenoegden ^ zich met een eerbiedige buiging.

Nadat de koning in zijn vertrek had plaats genomen, zetten zich ook zijne gasten, en nu begon men op eene verbazende wij ze den disch eere aan te doen. Gebradene dieren werden in hun geheel opgebracht, en toen de eetlust bevredigd was, werd dooreen tal van dienaren eene ontzaglijke massa van de vreemdsoortigste snoeperijen opgedragen, die later als «Perzisch nagerecht,quot; zelfs bij de Grieken groote vermaardheid verkregen2). Daarop verschenen slaven, die de tafel van de overblijfselen van het maal zuiverden, terwijl andere dienaren reusachtige wijnkruiken brachten. De koning verliet zijn vertrek, om zich aan het hoogereinde der tafel in de groote zaal te plaatsen. Een tal van schenkers

spionneeren bestond reeds onder de Meden. Ook op Egyptische gedenk-f' leeketien, bijv. in het giat' van Amen em heb te Abd el Qoernah, wordt

gesproken van de twee oogen des konings van Oppei-Egypte en de twee ooren des konings van Neder-Egypte.

1) Plutarchus verhaalt echter, dat de moeder en de uitverkoren gemalin des konings met hem aan tafel zaten. -

2) De Grieken gingen, naar het oordeel der Perzen, nooit verzadigd van tafel, omdat men bij hen na den maaltijd niets meer opdroeg. De tegenwoordige Iraniërs houden nog veel van lekkernijen.

ï 4

ocr page 179

?16S

vulden op de sierlijkste wijze de gouden bekers en proefden den wijn, ten bewijze dat dezen geen vergif bevatte. Weldra was een dier drinkgelagen in vollen gang, waarbij later Alexander de Groote de matigheid, ja zelfs de vriendschap vergat').

Cambyzes was dien dag buitengewoon stil. In zijne ziel had zich hot vermoeden genesteld, dat Bartja zijne nieuwe gemalin beminde. Waarom had de jongeling zich, tegen alle gebruiken in, zoo bepaald atkeerig getoond van een huwelijk met eene aanzienlijke schoone maagd, terwijl hem dit zoo vaak als een plicht was voorgehouden, omdat zijn broeder kinderloos was? Waarom w:!de hij Niletis, vóór zijn vertrek naar de Tapoeren, nog eenmaal zienquot;? Waarom bloosde hij zoo, toen hij dit verzoek deed? Waarom had die Egyptische hem zoo geroemd? »Het is goed, dat hij van hier gaat, want bij mocht mij anders ook eens de liefde van deze vrouw ontrooven,quot; dacht de koning. « Ware hij niet mijn broeder, ik zond hem daarheen, van waar niemand ooit terugkeert.quot;

^?a middernacht maakte hij een einde aan het zwelgen. Boges, de overste der eunuchen, verscheen, om hem naai1 het vrouwenverblijf te geleiden, waarheen hij zich op dit uur als zijne dronkenschap namelijk niet te groot was, placht te begeven. »Phaedime wacht u met ongeduld,quot; zeide de eunuch.

))Laat haar wachten!quot; antwoordde de koning. »Hebt gij maatregelen genomen tot het in gereedheid brengen van het paleis op de hangende tuinen.quot;

«Morgen kan het betrokken worden.quot;

»Welke vertrekken hebt gij voor de Egyptische bestemd?quot;quot; »De vroegere woning van de tweede gemalin van uw vader Cyrus, de gestorvene Amytis.quot;

j)Het is goed. Xitetis moet met den grootsten eerbied behandeld worden. Gij zelt hebt haar geene andere bevelen te geven, dan die ik u aan haar zal opdragen.quot;

De eunuch boog zich zwijgend.

))Zorg er voor, dat niemand, zelfs Gresus niet, met haar spreke, alvorens mijn.... zoo lang ik u ueenc andere bevelen geef.quot;

sCresus was hedenavond bij haai-.quot;

j)Wat wilde hij van mijne gemalin?quot;

»Ik weet bet niet, want ik versta geen Grieksch! maar ik hoorde meermalen den naam Bartja uitspreken, en hond het er voor, dat de Egyptische eenig treurig bericht heeft ontvangen.

1

Hij doodde zijn gunsteling Clitus, die in den slag bij den Granieus-zijn leven had gered.

ocr page 180

iGO

Haar gelaat stond droevig, toen ik, nadat Cresus vertrokken ?was, kwam vernemen, of zij nog iets te bevelen had.quot;

Angramainjus doe uwe tong verlammen!quot; bromde de koning, Boges den nig toekeerende, en de fakkeldragers en de uitkleeders volgende, die hem naar zijne vertrekken geleidden.

Den volgenden dag, omstreeks den middag, vertrok Bartja met zijne vrienden en een grooten stoet van dienaren, naar de Tapoerische gren;:en. f.resus verzelde de jonge helden to' aan de poort van Babyion. Toen Bartja zijn grijzen vriend voorliet laatst omarmde, fluisterde hij hem toe: sMocht de bode uit Egypte ook voor mij een schrijven in zijn valies hebben, zoo zend mij dit achterna.quot;

))Zoiidt gij dan de Grieksche schrijfteekens kunnen ontcijferen ?quot;

»Gyges en Eros zullen mij helpen!quot;

sNitetis, wie ik van uwe afreize kennis heb gegeven, laat u groeten, en u zeggen, dat gij toch vooral de Egyptische vrienden niet moet vergeten.quot;

«Voorzeker niet!quot;

»Zoo mogen de goden u behoeden, mijn zoon. Wees gelijk uw vader, jegens de opstandelingen zachtmoedig, die niet uit woelzucht maar ter verkrijging van liet schoonste, dat de mensch bezit, de vrijheid, aan liet muiten zijn geraakt. Bedenk ook, dat weldaden bewijzen beter is dan bloed vergieten. Want het zwaard doodt, maar de goedheid en de zachtmoedigheid van den heerscher, maken de menschen gelukkig. Staak den strijd, zoodra gij kunt, want hij verandert den loop der natuur. Gedurende den vrede toch overleven de zonen hunne vaders, als 't oorlog is de vaders hunne zonen. Vaarwel, jonge belden, de overwinning zij met u!quot;

ocr page 181

T W E E D E H O O F D S T U K.

Cambyzes l^'aclit een slapeloozen nacht door. De jaloezij, die hij tot hiertoe niet in die mate gekend had, versterkte zijne begeerte naar het bezit der Egyptische. Vooralsnog mocht hij haar niet zijne gemalinne noemen, want de Perzische wet schreef voor, dat het den koning eerst dan geoorloofd was eene vreemdelinge tot zijne gade te nemen 1), wanneer zij zich met de Iranische gebruiken vertrouwd had gemaakt, en den godsdienst van Zoroaster 2) had aangenomen. Volgens die wet zou er een geheel jaar hebben moeten verloopen, eer Nitetis de vrouw van een Perzischen vorst mocht worden.

Maar wat bekommerde Cambyzes zich om de wet? Hij beschouwde zichzelven als de verpersoonlijking ervan, en was van oordeel, dat voor Nitetis drie maanden voldoende zouden zijn, om alle leerstukken der Magiërs te verstaan, en het feest van haar huwelijk met hem te vieren. Zijne andere vrouwen schenen

1

Volgens liet üoek Esther werd dit leerjaar besteed, om de'vrouwen te onderwijzen in liet gebruik van zalven, specerijen en welriekende oliën. Ebers merkt op, dat dit wel wat lang was, om deze zeker niet ingewikkelde kunst te leeren, en dat het veel waarschijnlijker is, lat men dien tijd besteed heeft, om vreemde vrouwen in te wijden in de leer van Zoroaster.

2

Zoroaster, eigenlijk Zarathustra of Zeretoschtro, was een der grootste godsdienststichters en wetgevers. De etymologie van zijn naam is onzeker. Kern verklaart dien uit de woorden „zaraquot;, gulden, en „thwistraquot; glanzend. Het is ook onzeker of hij in Baktrië, Medië of Perzië geboren is. De geleerde Anquetil du Perron zegt, dat hij het levenslicht aanschouwde te Urmi, eene stad in Aderbedjan. Zijn vader heettePoroschasp, zijne moeder Dogda. Hij beroemde zich van koninklijke afkomst te zijn. Het tijdperk zijner geboorte is „hopeloosquot; donker. Kern is zelfs van oordeel dat het bestaan van Zoroaster tot de mythen gerekend moet worden. Wij bezitten dus aangaande hem slechts onwaarschijnlijke tradities, en het is genoeg te verzekeren, dat de leer van Zoroaster voor het tijdsbestek waarin deze geschiedenis speelt, reeds algemeen ingang had gevonden. Zie Tiele. De godsdienst van Zarathustra en Versl. en Meded. der kon Akad. v. wetensch, Afd. Letterk. Amst. 1867.

ocr page 182

•171

liem thans hatelijk, ja, hij had zelfs een afkeer van haar gekregen. Heeds in zijne jeugd had men zijn huis met vrouwen opgevuld. Zijn harem bevatte schoone meisjes uit alle deelen van Azië. Zwartoogige maagden uit Armenië, schitterend blanke jonkvrouwen van den Kaukasus, teedere maagdelijns van den oever van den Ganges, weelderige dochteren Babylons, goudlokkige Perzische meisjes en weekelijke kinderen uit de Medische vlakte, ja, zelfs onderscheidene telgen van de edelste Acliaeme-niden hadden den koningszoon als echte gemalinnen de hand gereikt. Phaedime, de dochter van den edelen Otanes en nicht van zijne moeder Gassandane, was tot heden zijne meest geliefde vrouw, of beter gezegd, de eenige geweest, van wie men zeggen kon, dat zij hem nader aan 't hart lag dan eene gekochte slavin. Maar ook deze kwam thans den gemelijken en on verzadigden koning gering en verachtelijk voor.

De Egyptische scheen hem echter uit edeler en waardiger stof gevormd, dan al die andere. Zij waren maar vleiende deernen, maar Nitetis was eene koningin. De andere bogen in het stof aan zijne voeten, maar dacht hij aan Nitetis, dan zag hij haar rechtop staan, even trotsch en hoog als hijzelf. Zij zou van nu aan niet alleen Phaedime's plaats innemen; hij wilde haar veeleer zoo hoog verhellen als weleer zijn vader Gyrus zijne gemalin Gassandane. Nitetis alleen vermocht met hare kennis en haren raad hem ter zijde te staan, terwijl de andere, onwetend als kinderen, slechts voor opschik en kleeding, voor verachtelijke samenzweringen en niet ige twisten leefden. De Egyptische moest hem liefhebben, want hij was haar steun, haar heer, haar vader en haar broeder, in het land dat haar geheel vreemd was.

»Zij moet!quot; zeide hij in zichzelven, en zijn wil scheen den tyran even voldoende, als de reeds volbrachte daad. «Laat Bartja slechts wederkomen,quot; mompelde hij; »hij zal ondervinden wat hem wacht, die het waagt zich mij in den weg te stellen!quot;

Ook Nitetis had een onrustigen nacht. In de aan hare vertrekken grenzende gemeenschappelijke zaal der vrouwen, zong en joelde en krakeelde men tot middernacht. Dikwijls herkende zij de krijschende stem van Boges, die met de aan zijne hoede toevertrouwden schertste en lachte. Als het eindelijk in de ruime zalen van het paleis rustig was geworden, dacht zij zich weer terug in het afgelegene vaderland en bij de arme Ta-chot, die naar haar en naar den schoonen Bartja smachtte; naar Bartja, die, gelijk Gresus haar gezegd had, morgen ten strijde zou trekken, en misschien wel zijn dood te gemoet ging. Dan sliep zij in, afgemat door de vermoeienissen der reis, en van haar

ocr page 183

172

toekomst!gen gade dioomende. Zij zag hem rijdende op zijn zwarten hengst. Het wilde dier schrikte van Bartja's lijk, dat aan den weg lag, wierp den koning uit het zadel en sleepte hem voort in den Nijl, die eensklaps met bloedroode golven begon te stroomen. In haar angst riep zij om hulp; haar geroep werd door de pyramid en weerkaatst, en het klonk steeds luider en geweldiger, tot zij van de vreeselijke echo ontwaakte.

Maar wat was dat? — De klagende, galmende toon, dien zij in den droom vernomen had, klonk nog voort nu zij ontwaakt was. Zij rukte de luiken van oen venster open en zag naar buiten. Een groote, prachtige tuin, met springfonteinen en lange rijen hoornen, door den Irisschen dauw bevochtigd, lag daar voor haar 1). Geen geluid werd vernomen, behalve dien vreemden toon. Maar ook deze stierf eindelijk in het ochtendkoeltje weg. Na weinige oogenblikken hoorde zij in de verte schreeuwen en joelen. Daarop ontwaakte allengs het leven in de reuzenstad. ïen laatste vernam zij nog slechts een dof bruisen, als dat van de golven der zee.

De koele morgenlucht had haar zoo geheel den slaap uit de oogen gedreven, dat zij geen lust meer gevoelde om zich andermaal neder te leggen. Zij keerde naar het venster terug. Zie, daar traden twee menschen uit het door haar bewoonde huis in den tuin. Zij herkende den eunuch Boges, die met eene schoone, slechts half gekleede Perzische vrouw sprak. Zij naderden haar venster. Nitetis verborg zich achter het half geopende luik en luisterde, want zij meende haren naam te hebben hooren noemen.

))De Egyptische slaapt nog,quot; zeide de eunuch. ))Zij zal wel zeer vermoeid zijn van de reis.quot;

»Zoo antwoord spoedig,quot; hernam de Perzische. ))Geloolt gij werkelijk, dat deze vreemdelinge mij gevaarlijk zou kunnen worden'?quot;

»Zeer zeker, mijn popje.quot;

))Wat brengt u tot dat vermoeden?quot;

»Deze nieuwe vrouw behoeft niet mijne, maar alleen de bevelen des konings te gehoorzamen.quot;

»Is dat alles ?quot;

\) De Perzische tuinen waren door de geheele oudheid beroemd en werden, naar het schijnt, veel vrijer en ongedwongener aangelegd dan de Egyptische. Zelfs de koningen stelden er eene eer in zich met den tuinbouw bezig te houden, en de voornaamste Achaemeniden waren gewoon schoone parken, die zij paradijzen noemden, met bijzondere zorg aan te leggen. Hunne vóórhelde voor slanke gewassen ging zoo ver, dat Xerxes een bijzonder schoonen plataan, dien hij op weg naar Griekenland aantrof, met een gouden sieraad tooide. Firdausi, de grootste epische dichter van Perzië kent geen hooger lof voor de menschelijke schoonheid dan het epitheton: „rank als eene cypres.quot;

ocr page 184

?173

»Neen, mijn schatje. Maar ik ken den koning, en lees op zijn aangezicht, gelijk een magiër in de heilige boeken.quot;

»Dus moeten wij haar uit den weg ruimen.quot;

»Dat is licht gezegd, maar moeielijkuit te voeren, mijn duifje.quot;

»Laat mij los, onbeschaamde!quot;

»Kom, kom, men ziet ons niet, en gij zult mij noodig hebben.''

»Nu dan, maar zeg mij spoedig, wat er gedaan moet worden.quot;

»Dank, mijn zoet hartje Phaedime! — Om te heginnen, moeten wij ons stilhouden en eene gelegenheid afwachten. Wanneer Cresus, die zich de Egyptische bijzonder schijnt aan te trekken, weg is, dan moeten wij een strik zien te spannen..

Zij, die dit gesprek voerden, hadden zich zoover verwijderd, dat Nitetis niets meer kon verstaan. In de hevigste ontroering sloot zij het luik en riep hare dienstmaagden, om zich Ie laten kleeden. Zij kende thans hare vijanden. Zij wist nu, dat duizend gevaren haar bedreigden. Toch voelde zij zich sterk en trotsch, want zij moest de echte vrouw van Cambyzes worden. Nooit had zij zulk een besef van eigenwaarde gehad, als tegenover deze ellendige schepsels. De ontwijfelbare zekerheid van te zullen overwinnen vervulde haar hart, dat stellig' geloofde aan de toover-kracht van het goede en van de deugd.

»Wat had dat akelig geluid, hedenmorgen vroeg, te beduiden?quot; vroeg zij aan de eerste van hare Perzische kamerjuffers, die haar toilet maakte.

»Bedoelt gij het slaan op het koperen bekken, meesteres?quot;

«Nauwelijks twee uren geleden werd ik door een vreemdsoortig geluid gewekt.quot;

»0 ja, meesteres, dat was het koperen bekken, hetwelk de zonen der edelen, die aan de poort van het koninklijk paleis worden opgevoed, iederen morgen wekt. Gij zult aan dat geluid spoedig gewoon zijn. Wij hooi en het reeds lang niet meer, wij ontwaken daarentegen juist door de ongewone stilte, wanneer het op hooge feestdagen uitblijft. Op de hangende tuinen zult gij iederen ochtend, onverschillig of het koud dan of het warm is, die knapen naar het bad kunnen zien voeren. De arme kleinen worden reeds op hun zesden geboortedag aan hunne moeders ontnomen, om met de andere jongens van hun stand gemeenschappelijk, onder de oogen des konings, te worden opgevoed.quot;

»Moeten zij reeds zoo vroeg kennis maken met de weelderigheid van dit hof?quot;

»0, volstrekt niet; die arme jongens hebben het heel kwaad. Zij moeten op den harden grond slapen, en vóór het opgaan dei-zon weder op de been zijn. Hun voedsel bestaat uit brood en een weinig vleesch; hun drank is water. Wat wijn en toespijs is, weten zij niet eens. Menigmaal moeten zij, zelfs dagen achtereen

ocr page 185

174

, zonder eenilt;ïe noodzakelijkheid honger en dorst lijden, om hen aan ontberingen te gewennen, zoo men zegt. Wonen wij te Pa-sargadae of te Ekbatana '), dan kunnen zij zich verzekerd houden, ook bij de grootste koude naar 't bad gebracht te zullen worden. Zijn we daarentegen hier of te Susa, dan laat men hen, hoe sterker de zon brandt, des te moeielijker marschen maken.quot;

»En uit deze geharde, eenvoudig opgevoede knapen groeien zulke weelderige mannen?quot;

»Ja, dat gaat zoo! Hoe langer men honger moet lijden, hoe beter de maaltijd smaakt! Zulk een jong edelman ziet dagelijks al den glans dezer omgeving, weet dat hij rijk is, en moet toch gebrek lijden. Is het wonder dat hij, als men hem loslaat, alle genietingen van het leven met tiendubbelen ijver najaagt? Gaat hij evenwel ten strijde of op de jacht, dan klaagt hij ook niet als hij honger en dorst moet lijden. Lachende doorwaadt hij dan de moerassen, met zijne dunne laarzen en zijn purperen broek en slaapt op eene rots even goed, als op zijn bed van zachte Arabische wol. Gij moest eens zien, welke waagstukken die knapen ondernemen, vooral wanneer de koning bij hunne oefeningen tegenwoordig is. Cambyzes zal u zeker wel eens met zich nemen, als gij 't hem vraagt,quot;

))lk ken die oefeningen. In Egypte moeten zoowel knapen als meisjes hunne ledematen oefenen. Ook ik heb door loopen, moeielijke houdingen, bal- en ringspel, vlugheid en buigzaamheid verkregen.quot;

»Hoe vreemd! Hier te lande groeien de meisjes op, gelijk ze willen. Zij leeren niets, dan een weinig weven en spinnen. Is het waar, dat de meeste vrouwen in Egypte zelfs de kunst van lezen en schrijven verstaan?quot;

»Bijna alle meisjes van aanzienlijke ouders worden daarin onderwezen.quot;

))Bij Mithra, de Egytenaren moeten een verstandig volk zijn. Behalve de magiërs en schrijvers, beoefenen slechts weinige Perzen deze moeielijke kunst. De zonen der aanzienlijken leert men niets dan waarheid spreken, gehoorzaamheid en dapperheid, de goden te eeren, jagen, rijden, hoornen planten, en kruiden onderscheiden. Die wil leeren schrijven, mag zich later, gelijk de edele Darius, tot de magiërs wenden. Aan de vrouwen is het verboden, zich op zulke wetenschappen toe te leggen. — Maar thans zijt gij gereed. Dit parelsnoer, dat de koning u heden-

1) De beide zomer-residentiën, waar het vrij koud kon zijn. Ekbatana lag in de omstreken van het tegenwoordige Hamadan, aan den voet van het EUvend (Orontes) gebergte, Pasargadae niet verre van den Rachmed op het hoogland van Iran, bij het tegenwoordige Sjiras.

ocr page 186

175

morgen gezonden heeft, staal prachtig hij uwe raafzwarte haren. Mag ik u verzoeken op te staan? Waarlijk, deze schoenen zijn u te groot. Pas dit paar eens! — Thans ziet gij er uit ais eene godin, doch men kan het u aanzien, dat gij niet gewoon zijt de wijde zijden beenkleederen en laarzen met hooge hakken te dragen. Loop echter slechts een paar maal op en neer, dan zult gij zelfsin sierlijkheid van gang alle Perzische vrouwen overtreffen/'

Op dit oogenblik werd er aan de deur geklopt, en trad de eunuch Boges binnen, om Nitetis tot de blinde Cassandane te geleiden, bij wie Cambyzes haar wachtte.

De eunuch nam de houding aan van een nederigen slaaf, en overstelpte haar met een stroom yan bloemrijke vleierijen, haar met de zon, den sterrenhemel, eene reine bron van geluk en een rozengaard vergelijkende. Nitetis verwaardigde zich niet, hem een enkel woord te antwoorden, en trad met een kloppend hart het vertrek van de moeder des konings binnen. Voor de vensters hingen gordijnen van groene Indische zijde, die de heldere stralen der middagzon temperden, en in het vertrek een, voor de oogen der blinde weldadig schemerdonker verspreidden. De vloer was met een zwaar Babylonisch tapijt bedekt, waarin de voeten als in mos wegzonken. Het bekleedsel der muren bestond uit een mozaïek van ivoor, schildpad, goud, zilver, malachiet, lazuursteen, ebbenhout en barnsteen. De zittingen der gouden zetels waren met leeuwenhuiden overtrokken, en de tafel, die naast de blinde stond, was van zuiver zilver. Cassandane, gekleed in een vioolkleurig, rijk met zilver bestikt gewaad, zat in een kostbaren leuningstoel. Over hare sneeuwwitte haren hing een lange sluier van de fijnste Egyptische kant, welks lange slippen om haren hals geslagen en onder de kin in een grooten strik vereenigd waren '). Het door den kanten doek omlijste gelaat der blinde, die tusschen de zestig en zeventig jaren oud scheen te zijn, was bijzonder regelmatig gevormd, en getuigde niet alleen van een verheven geest, maar ook van goedheid des harten en van warme menschenliefde. De blinde oogen der grijze vrouw waren gesloten, maar wie haar aanzag, stelde zich ongetwijfeld voor een paar zachte en vriendelijke sterren te zullen zien lichten, indien zij zich openden. Te oordeelen naar de houding en de grootte, terwijl zij gezeten was, had zij eene rijzige gestalte. Haar geheele voorkomen was de weduwe van den grooten en goeden Cyrus volkomen waardig.

1) Nergens werden in dien tijd fijner weefsels vervaardigd dan aan don Nijl, volgens getuigenis der oude schrijvers en der gedenkteekenen. Wat de prachtige ini icliting van liet woonvertrek van Cassandane betreft, de details zijn ontleend aan Xenophon, Aeschylus, e. a.

ocr page 187

•176

Op eene laa;e bank, aan de voeten der oude koningin, zat hare jongste telg, het kind van haar ouderdom, Atossa, spelend met. de draden van haar gouden spinrokken. Tegenover de blinde stond Gambyzes, en op een afstand, ternauwernood zichtbaar in het schemerlicht, dat in het vertrek heerschte, de Egyptische oogarts Nebenchari.

Toen Nitetis den drempel van dit vertrek overschreden had, trad de koning haar tegemoet, en leidde haar tot zijne moeder.— De dochter van Amasis zonk voor de eerbiedwaardige oude vrouw op de knieën, en kuste haar met hartelijkheid de hand.

»Wees ons welkom!quot; sprak de blinde, hare hand al tastende op het hoofd der jonkvrouw leggende. »Ik heb veel goeds van u vernomen en hoop eene lieve dochter in u te winnen.quot;

Nogmaals kuste Nitetis de teedere hand der koningin, en antwoordde met zachte stem: »Ik dank u voor dat woord. O, veroorloof mij, u, gade van den grooten Gyrus, moeder te noemen. Mijne lippen, die zoo lang gewoon waren dien zoeten naam uit te spreken, beven van zalige verrukking, nu ze, na vele weken, weder voor liet eerst mogen uitroepen: ,mijne moeder 1' Ja, met al mijne krachten wil ik er naar streven uwe goedheid waardig te worden. Maar houdt gij dan ook de belofte, die uw vriendelijk gelaat mij schijnt te doen. Sta mij in dit vreemde land met raad en onderricht ter zijde. Laat mij aan uwe voeten een toevlucht vinden, als het verlangen naar liet land mijner vaderen mij overweldigt,»en mijn hart te zwak blijkt om de smart of het geluk alleen te dragen. Wees, met dit éene woord is alles gezegd, wees, o, wees mijne moeder!quot;

De blinde voelde warme tranen vallen op hare hand ; zij drukte hare lippen op het voorhoofd der weenende, en zeide: »Ik gevoel wat er in u omgaat. Mijn hart en mijne vertrekken zullen ten allen tijde voor u geopend zijn, en, gelijk ik u met mijne geheele ziel ,docliter' heet, kunt gij mij met vol vertrouwen uwe moeder noemen. Binnen weinige maanden zult gij de gemalin van mijn zoon worden, en later gunnen de goden u wellicht een geluk, waarbij gij de moeder kunt ontberen, als ge u zelve moeder gevoelt.quot;

«Daartoe geve Aoeramazda zijn zegen!quot; riep Gambyzes. »Het verheugt mij moeder, dat mijne gemalin ook aan uw hart welgevallig is. Wees overtuigd dat zij zich bij ons gelukkig zal gevoelen, zoodra zij slechts eerst alle Perzische zeden en gebruiken kent. Als zij nauwlettend acht geeft op hetgeen haar zal worden voorgehouden, kan binnen vier maanden ons huwelijksfeest gevierd worden Iquot;

»Maar de wet,quot; wilde de moeder hier tegen inbrengen.

»Ik beveel: binnen vier maanden!quot; riep de koning, en zou

ocr page 188

wel eens willen weten, wie daar tegen op zou durven komen. En thans, vaarwel, vrouwen! Denk aan de oogen der koningin, Nebenchari, en wanneer mijne gemalin het u toestaat, moogi gij, als haar landgenoot, haar morgen bezoeken. Vaarwel! Bartja laat u groeten. Hij is op weg naar de Tapoeren.quot;'

Atossa wischte zwijgend een traan uit het oog. Cassandane zeide; »Gij hadt den knaap toch nog wel eenige maanden bij ons kunnen laten. Uw veldheer Magabyzus zal het kleine volk der Tapoeren alleen wel tot zijn plicht weten te brengen.quot;

«Daar twijfel ik niet aan,quot; antwoordde de koning; «maar Bartja zelf was verlangend naar eene gelegenheid, om zijne heldhaftigheid te toonen. Ik vond dus goed hem aanstonds in het veld te zenden.quot;

»Zou hij niet liever gewacht hebben op den grooten krijg tegen de Massageten, waarin meer roem te behalen zai zijn?quot; vroeg de blinde.

))En als hij nu eens dooreen Tapoerischen pijl getroffen werd,quot; riep Atossa, »dan zoudt gij hem belet hebben zich van den heiligsten plicht, die op een man kan rusten, te kwijten; dan zoudt gij oorzaak zijn, dat hij de ziel van onzen vader niet had kunnen wreken!quot;

«Zwijg,quot; snauwde Cambyzes zijne zuster toe, «opdat ik u niet leere, wat de plicht van vrouwen en kinderen is. Het gelukskind Bartja zal in leven blijven, en zich, zoo ik hoop, de liefde waardig maken, die men hem thans als eene aalmoes in den schoot werpt.quot;

«Hoe kunt gij zoo spreken'? Bezit uw broeder niet al de deugden van den man? Is het zijne schuld, dat hij nog niet in de gelegenheid is geweest, zich, evenals gij, in den krijg te onderscheiden?quot; vroeg Cassandane. »Gij zijt de koning, wiens bevelen ik eerbiedig; mijn zoon zou ik echter kunnen berispen, omdat hij zijne blinde moeder, ik weet niet op welken grond, van de schoonste vreugde van haren ouderdom berooft. Bartja ware gaarne tot aan den Massageten-krijg bij ons gebleven, doch mijn stijfhoofdigen eerstgeborene behaagde het anders...quot;

»En wat ik wil, is goed!quot; zeide Cambyzes, wiens wangen bleek waren geworden, zijne moeder in de rede vallende. »Ik verlang niets meer over deze zaak te hooren!quot;

Dit zeggende, verliet hij ijlings het vertrek, en begaf zich, vergezeld door zijn groot gevolg, dat altijd in zijne nabijheid bleef, waarheen hij ook zijne schreden richtte, naar de gehoorzaal.

Een vol uur verliep, nadat Cambyzes zijne moeder verliet, en nog altijd zat ïs'itetis naast de bekoorlijke Atossa, aan de voeten der edele vrouw. De Perzische vrouwen luisterden naar de verhalen der nieuwe vriendin, en hielden niet op onderzoek te doen naar de merkwaardigheden van Egypte.

ocr page 189

»0. hoc gaarne zou ik uw vaderland eens zien,quot; riep Atossa. ))Uw Egypte moet zoo heel, heel anders zijn dan Perzië, en • lies wat ik tot nog toe gezien heb. De vruchtbare oevers van den verbazenden stroom, nog groot er en grootscher dan onze Euphraat, de godentempels met hunne vele bonte zuilen, de kunstmatige bergen, die men pyramiden noemt, waarin koningen uit de hooge oudheid begraven liggen, dat alles moet recht r-choon en treffend zijn om te aanschouwen. Maar het schoonste van alles zijn toch, dunkt me, uwe gastmalen, op welke mannen en vrouwen vertrouwelijk met elkander kouten, zooveel hun lust. Wij Perzische, mogen ook, bij gelegenheid van het nieuwjaars- en het geboortefeest des konings, met de mannen samen spijzen, maar het is ons dan verboden te spreken, en het zou zelfs zeer onbetamelijk zijn als wij de oogen opsloegen. Hoe geheel anders is het Jjij u ! — Bij Mithra, moeder, ik zon een Kgyptische willen zijn, want wij, arme vrouwen, zijn niets dan ellendige slavinnen. En toch gevoel ik, dat ook ik een kind van den grooten Cyrus, en niet slechter ben dan een man. Spreek ik niet de waarheid, kan ik niet bevelen en gehoorzamen, smacht ik niet naar roem, zou ik niet te paard kunnen stijgen, den boog spannen, vechten en zwemmen, als men ook mij in de gelegenheid had gesteld, mij te oefenen en mijne krachten ie sterken ?quot;

De oogen van het meisje tintelden. Zij was van hare zitplaats opgesprongen, en zwaaide njet het spinrokken, niet bemerkende hoe het vlas in do war raakte en de draad brak.

«Verlies toch de betamelijkheid niet uit het oog,quot; vermaande Cassandane. «De vrouw behoort zich nederig en stil in haar lot te schikken, en vermete zich niet naar de daden van den man te streven.quot;

»Maar er zijn toch vrouwen, die even als de mannenleven,quot; riep Atossa. »Aan den Thermodon in Themiscyra, en aan den Iris-stroom te Komana, wonen immers de Amazonen '), die groote ooi'logen gevoerd hebben, en thans nog even als de mannen gewapend en gekleed gaan.quot;

O Van wie weet gij dat ?quot;

«Mijne dienstmaagd, de oude Stephanion uit. Sinope, door vader als krijgsgevangene naar Pasargadae gevoerd, heeft het mij verhaald.quot;

1) Volgens de sage bestond het volk der Amazonen alleen uit vrouwen, die zich de rechterborst lieten afschroeien, om des te beter don boog te kunnen spannen. Ook bij de Chineezen heeft men zulk eene Amazouen-sage aangetroffen, gelijk o.n. blijkt uit eene afbeelding in bet ethanografisch museum te Jona.

ocr page 190

»lk kan u echter dienaangaande beier onderrichten,quot; zeide Zsiletis. Te Themiscyra en te Komana leven werkelijk eene menigte vrouwen, die als strijdbare mannen zijn uitgedost. Dil zijn priesteressen, die zicli, even ais de krijgsgodin die zij dienen, plegen le kleeden, om de aanbidders in hare eigene gestalte het beeld der godheid te toonen. Cresus zegt, dat er nooit een heir van Amazonen bestaan heeft. De Grieken evenwel, die uit alles ras eene schoone sage wisten samen te stellen, hebben ook. nadat zij deze priesteressen gezien hadden, van een stoet gewapende jonkvrouwen van die godin, een geheel volk van strijdbare Vi onwen gemaakt.quot;

))Maar dan zijn zij leugenaars!quot; riep hel verbaasde kind.

»Voorzeker,quot; antwoordde Niletis, »is den Hellenen üe waarheid niet zoo heilig als uw volk, maar zulke sprookjes op testellen, en den opgetogen hoorderen in schoone verzen voor te zingen, noemen zij niet liegen, maar dichten.quot;

5)Juist. als bij ons;quot; hernam Cassandane. ;»Zoo hebben de zangers, den roem van mijn echtgenoot verkondigende, de gescbie-denis van zijne jeugd allerwonderlijkst verdraaid en opgesierd, zonder daarom toch den naam van leugenaars te verdienen. — Maar zeg mij, mijne dochter, is het waar, dat deze Hellenen schooner zijn dan de andere menschen, en alle kunsten beter verstaan, dan zelfs de Egyptenaren?quot;

»Daarover durf ik geen oordeel vellen. De voortbrengselen van onze kunst zijn zoo geheel verschillend van die der Helleen-schc. Als ik onze reusachtige tempelgebouwen binnentrad om te bidden, was het me altijd, alsof ik mij voor de grootheid dei-goden in 't stof moest werpen, en bun bidden mij, kleinen worm niet te verpletteren. Maar te Samos, in het heiligdom aan Hera gewijd, voelde ik mij gedrongen de handen op te heffen en de goden te danken, dat zij de aarde zoo schoon hadden gemaakt. In Egypte dacht ik altijd, gelijk men mij geleerd had: ,Het leven is een slaap; in de ure van onzen dood zullen we eerst tot. hel rechte leven ontwaken, in het rijk van Osiris.quot; In Griekenland fluisterde alles mij toe: »Gij zijl geboren voor dit leven en de genietingen dezer wereld, die u zoo vroolijk toedacht, en zoo liefelijk bloeit en geurt.quot;

))Ach, verhaal ons meer van Griekenland!quot; riep A tossa. «Maar quot;ersl zal Nebenchari de oogen van moeder opnieuw verbinden.quot;

De oogarts, een lange man met een ernstig gelaal, in hel wille Egyptische priestergewaad gehuld, kweet zich van zijne laak, en trad dan, nadat Nitetis hem hartelijk begroet had, zwijgend op den achtergrond terug, toen een eunuch verscheen, en voor Cresus verlof vroeg, om de moeder des konings zijn eerbiedigen groet te mogen komen brengen.

ocr page 191

?ISO

Kort daarop trad de grijsaard binnen. Als een trouw vriend van het Perzische koningshuis, werd hij met de grootste hartelijkheid ontvangen. De onstuimige Atossa viel den ouden vriend, flien zij zoolang gemist had, om den hals, de koningin reikte hem de hand, en Nitetis begroette hem als ware hij haar vader geweest.

))lk dank de goden, dat zij mij de vreugde gunnen u weder te zien,quot; zeide do wakkere grijsaard. ))Öp mijn leeftijd moet men ieder nieuw jaar als een onverdiend geschenk der goden dankbaar aannemen, terwijl de jeugd het leven als iets, dat zoo vanzelf spreekt, als een onbetwistbaar eigendom beschouwt.quot;

«Hoezeer benijd ik u om uwen moed en levenslust,quot; hernam Cassandane met een zucht. »Ik ben jonger dan gij: en toch komt mij iedere dag, voor welks licht de goden mijne oogen gesloten hebben, als een vernieuwde straf der onsterfelijken voor.quot;

))Hoor ik de gade van den grooten Cyrus spreken?quot; vroeg Cresus. »Sedert wanneer is het krachtig gemoed van Cassandane zonder moed en zonder hope'? Gij zult weder ziende worden, zeg ik u, en evenals ik de goden voor uw schoonen en hoogen ouderdom danken. Hij, die ernstig ziek geweest is, weet den schat der gezondheid beter dan iemand anders te waardee-ren. Wie eens blind was en het licht der oogen terugkrijgt, moet, meer dan iemand anders, een vriend der eeuwige goden zijn. Stel u slechts een oogenblik de zalige vreugde voor die gij smaken zult in de ure, als gij na lange jaren voor de eerste maal het heldere licht der zon, de aangezichten uwer geliefden en de schoonheid van al het geschapene weder zult aanschouwen, en zeg mij dan, of de heerlijkheid van dat uur niet tegen een geheel leven van duisternis en blindheid kan opwegen. Wannec;' gij genezen zult zijn, begint voor u in uw ouderdom een nieuw en verjongd leven, en het is mij, als hoorde ik u reeds Solons woorden tot de uwe maken.quot;

»Wat zeide Solon dan?quot; vroeg Atossa.

»Hij wenschte, dat Mimnermus van Colophon, die in een zijner gedichten gezegd had, dat een schoon leven met het zestigste jaar moest eindigen, zijn vers mocht verbeteren, en van de zestig tachtig maken.quot;

»0 neen,quot; riep Cassandane, »zulk een lang leven zou mij, zelfs wanneer Mithra mij het gezicht mocht willen wedergeven, een last zijn. Sedert mijn Cyrus is gestorven, beschouw ik mij-zelve als eene zwerveling, die zonder doel en gids in de woestijn omdoolt.quot;

«Vergeet gij dan geheel uwe kinderen en dit rijk, dat gij hebt zien ontstaan en groot worden?quot;

»0, neen! Maar de kinderen hebben mij niet meer van noodo,

ocr page 192

184

«ri de beheerscher van ilit rijk is te trotscl) om acht te geven op den raad van eene oude vrouw.quot;

Nu vatte Atossa de rechter-, Nilctis tie linkerhand der blinde moeder, en de Egyptische riep: »Om den wil uwer dochters en van haar geluk, moet gij voor u zelve een lang leven wenschen. Wat werd er van ons zonder uwe bescherming en hulp'.'quot;

Cassandane lachte, en prevelde nauw hoorbaar: »Gij hebt gelijk. gij zult de moeder nog noodig hebben.quot;

»Aan deze woorden herken ik de gade van Cyrus,quot; riep Cresus, liet kleed der blinde kussende. »Ik zeg u, Gassandane, dat men u noodig zal hebben; wie weet hoe spoedig! Cambyzes is gelijk aan het harde staal, dat vonken wekt waar het treft. Uwplich!, is het te maken, dat deze vonken geen brand stichten binnen den kring van hen, die uw hart het dierbaarste zijn. Gijzijtde eenige, die de opwellingen van 's konings toorn met een woord van terechtwijzing durft bezweren. U alleen acht hij zijnsgelijke. Het oordeel der menschen is hem onverschillig, maar een bestraffend woord van zijne moeder doet hem leed. Zoo is het dus uw plicht, als bemiddelaarster tusschen den koning, zijn volk en de uwen, op uw plaats te blijven en te verhoeden, dat de trots van uw zoon, in plaats van door uwe wenken en vermaningen, dooide straf der goden vernederd worde.quot;

»0, als ik eens zulk een invloed op hem had!quot; antwoordde de blinde, »doch hoe zelden luistert mijn trotsche zoon naar den raad van zijne moeder.quot;

»Maar hij zal toch moeten aanhooren, wat gij hem voorhoudt,quot; hervatte Cresus; »en daarmede is reeds veel gewonnen. quot;Want al volgt hij ook uwe raadgevingen niet, deze zullen toch als stemmen der goden tot zijn geweten blijven spreken, en hem van veel kwaads terughouden. En ik wil u een bondgenoot blijven. Zijn stervende vader vermaande mij, hem met raad en daad bij te staan. Vandaar dat ik meermalen den moed heb, zijne uitbarstingen met een krachtig woord te trotseeren. Wij beiden zijn de eenige menschen aan dit hof. wier af keuring hij vreest. Omgorden we ons met de noodige koenheid, om onze roeping als ver-jnaners en raadgevers getrouw te vervullen; doe gij het uit liefde voor uw zoon en voor Perzië, ik zal het doen uit dankbaarheid jegens den grooten man, die mij het leven en de vrijheid schonk. Ik weet, dat het u leed doet, Cambyzes niet anders te hebben opgevoed; maar dat berouw moet men vlieden als een doodend vergif. Herstelling, niet berouw, is het geneesmiddel voor de gebreken der wijzen; want berouw verteert het hart, herstelling daarentegen vervult het met edelen trots en doet het vrijer en ruimer kloppen.quot;

,.)Bij ons in Egypte,quot; zeide Nitetis, »rekent men het berouw zelfs onder de twee-en-veertig doodzonden. ,Gij moogt nietdul-

ocr page 193

182

den, dat uw hart verteerd worde,quot; iuidt een onzer eerste geboden 1).quot;

»Gij brengt mij met deze woorden te binnen,quot; sprak do grijsaard, »dat ik op mij genomen heb uw tijd te verdeden, tot het onderricht in de Perzische gebruiken, godsdiensten taal. Gaarne zou ik mij naar Barene, de stad door Cyrus mij afgestaan, hebben begeven, om daar, in liet stilste en liefelijkste van alle dalen, uit te rusten van de vele vermoeienissen der laatste maanden. Om uwent- en des konings wil blijf ik echter hier en zal ik voortgaan met u in de Perzische taal te onderwijzen. Cassandane zelve zal u inwijden in de zeden van de vrouwen aan dit hof. Oro-pastes, de opperpriester, zal u, overeenkomstig 's konings bevel met do Iranische godenleer bekend maken. Hij zal uw geestelijk. , ik uw wereldlijke voogd zijn 2).

Nitetis, om wier lippen lot op dit oogenblik een opgeruimde glimlach had gespeeld, sloeg nu de oogen neder, en vroeg met doffe stem: »Moet ik den goden van mijn land, die ik tot hiertoe heb aangebeden, en die mijne smeekingen nooit onverhoord heten, ontrouw worden'? Kan ik, mag ik hen wel vergeten?quot;

»Gij kunt, moogt en moet,quot; zeide Gassandane met nadruk, swant de vrouw zal geene andere vrienden hebben dan haarman. De goden zijn de machtigste, trouwste en eerste vrienden van den man, daarom is het uw plicht als vrouw hen te eerbiedigen; en gelijk gij eenmaal gehuwd zijnde voor alle minnaars de deur sluit, zoo moet ge ook uw hart voor de goden en het bijgeloof van uw vroeger vaderland sluiten.quot;

,/En dan,quot; zeide Cresus, ))is men ook niet van meening u de godheid te ontnemen; men stelt ze u slechts onder een anderen naam voor. Want evenals de waarheid zichzelve eeuwig gelijk blijft, of gij ze als de Egyptenaren „Maa,quot; dan wel als de fh 1-lenen „Aletheiaquot; noemt, zoo verandert ook het wezen der waarheid nooit en nergens. — Zie, mijne dochter, ik zelf heb, tot n

1

In het DooiJenboek (Zie War da. Dl. H, bl. 3 v.) wordt eene beschrijving gegeven van de ziel, waarvan het hart gewogen en geoordeeld wordt. De rede die zij houdt, wordt hare negatieve rechtvaardiging genoemd. Deze rechtvaardiging is dubbel merkwaardig, omdat men daarin de geheele Mozaïsche zedenwet vindt. De ziel verzekert voor de twee-en-veertig doodenrechters, dat zij de twee-en-veertig doodzonden nief. heeft begaan. Ook Pythagoras, die veel aan de Egyptenaren ontleende, gebood: dat men zijn hart niet moest verteren, m. a. w. zich voor berouw wachten.

2

Van het oogenblik dat een kind der Perzen den gordel „kostiequot; droeg, moest het zicli een schutspatroon kiezen onder de Yazatas en een geeestelijk raadgever onder de Destürs (priesters). Evenals vader en moeder de vleeschelijke ouders waren van het kind, zoo was deze raadgever de geestelijke vader.

ocr page 194

'183

ik nog koning' was, met ongeveiusden eerbied aan den Helleen-schen Apollo geofferd, en begreep met deze godsdienstige hiüdlt;-den Lydischen zonnegod Sandon niet te beleedigen. De Joniërs aanbidden met geheel hun hart de Aziatische Cybele 1). En Ihans, nu ik een Pers ben geworden, hef' ik mijne handen op lot Mithra, Aoeramazda en de schoone Anahita -). Pythagoras, wiens leerlingen ook n niet vreemd zijn, aanbidt slechts tene godheid. Hij noemt haar Apollo, daar zij, evenals de Helleensche zonnegod, de oorsprong is van het reine licht en van al wat schoon is en wel luidt. Xenophanes van Colophon2) eindelijk spot met het veelgodendom van Homerus, en erkent ook slechts éene godheid, namelijk: de rusteloos voortbrengende natuurkracht, wier wezen de gedachte, het verstand en de eeuwigheid is. Uit haar is alles voortgekomen. Zij is de kracht, die zich zelve eeuwig gelijk blijft, terwijl de stoffelijke schepping onder bestendige afwisseling zich volmaakt en vernieuwd. Dat onweerstaanbaar en smachtend verlangen in onzen boezem naar een hooger wezen boven ons, dat ons steunen kan, wanneer onze eigene krachten ontoereikend blijken; dat onverklaarbare gedreven worden naar een stilzwijgenden vertrouwde, wien wij van het lijden en al de zaligheid van ons hart deelgenoot kunnen maken; de dankbaarheid, die wij ondervinden bij de aanschouwing dezer schoone wereld, en van al het goede dat ons dee! is, noemen wij vroomheid. — La;it dat gevoel in u blijven leven, maar vergeet niet, dat niet de Egyptische, niet de Grieksche, niet de Perzische goden, allen op zichzelve staande, de wereld regeeren, maar dat zij allen een zijn; dat eene ondeelbare godheid, hoe onderscheiden men haar ook moge noemen en voorstellen, het lol aller volkeren en menschen bestuurt.quot;

De Perzische vrouwen hoorden den grijsaard met de hoogste verbazing aan. Haar weinig geoefend verstand vermocht den gedachtenloop van den grijsaard niet te volgen. Nitetis echter had hem begrepen en antwoordde: »Mijne moeder Ladice, ook eene leerlinge van Pythagoras, heeft mij hetzelfde geleerd. Maar de Egyptische priesters noemen zulke begrippen misdadig', en hen

1

De soiiin der vruchtbare natuur, der alles voortbrengende aarde.

2

Een bekende vrijgeest, die wegens zijne bespotting van de Homerische godenwereld werd vervolgd.

ocr page 195

184

«lie ze aanhangen godenverzakers. Daarom heb ik altijd mijn best gedaan, om zulke gedachten uit mijn hart te verbannen. Maai- van nu aan geef ik dien strijd op. Wat de goede, deugdzame en wijze Cresus gelooft, kan niet slecht, niet goddeloos zijn. Oropastes kan komen! Ik ben bereid zijn onderricht te ontvangen, en voor onzen Anion, den God van Thebe, Aoera-rnazda. voor Isis of Hal hor, Anahita in de plaats te stellen. Kerbiedig zal ik opzien tot de godheid, die de gansche wereld omvat, die ook hier alles laat groeien en bloeien, en die ook verkwikking en troost doet nederdalen in de harten dor Perzen,, die zich tot hem wenden.quot;

Cresus glimlachte. Hij had zich voorgesteld, dat het vrij wat meer moeite zou kosten, Nitetis te bewegen afstand te doen van de goden van haar land, daar hij de halsstarrige ingenomenheid 'Ier Egyptenaren met hunne oude overleveringen en eenmaal opgevatte meeningen kende. Maar hij had niet bedacht, dat de moeder dezer jonkvrouw eene Helleensche, en de leer van Pythagoras aan de dochter van Amasis niet vreemd gebleven was. Bovendien wist hij ook niet, met welk eene vurige begeerte het hart dezer maagd vervuld was, om haar trotschen heer en gemaal welgevallig te zijn. Amasis zelf zou, hoe hoog hij den Samischen wijze ook achtte, hoezeer hij zich ook dikwijls door Griekschen invloed liet beheerschen, en met volle recht een vrijdenkend Egyptenaar mocht worden geheeten. liever zijn loven hebben afgelegd, dan zijn veelgodendom met het begrip van eene ..godheidquot; te verwisselen.quot;

»Gij zijt eene zeer ontvankelijke leerling,quot; zeide Cresus, terwijl hij de hand op het hoofd zijner beschermeling legde. »Tot belooning daarvoor zal u worden toegestaan, uwe ochtenden en namiddagen, tot aan het ondergaan der zon, bij Cassandane door fe brengen, of op de hangende tninen te slijten, in gezelschap van Atossa.quot;

Deze blijde tijding werd door de Perzische maagd mot een jubelkreet, dooi- de Egyptische met een dankbaren blik beantwoord.

;gt;)Eindelijk,quot; vervolgde Cresus, »heb ik u een bal-en ringspcl uit Saïs medegebracht, opdat gij u zoudt kunnen vermaken, gelijk gij dat in Egypte placht te doen.quot;

»Ballen?quot; vroeg Atossa verwonderd. »Wat zullen wij met die zware houten kogels1) beginnen?quot;

«Maak u niet ongerust,quot; zeide Cresus, lachende. »De ballen, waarvan hier sprake is, zijn zeer fijn en licht, en van eene op

\) In Perzië vermaken de mannen zich nog heden met het balspel. De eene speler werpt of stoot den ander houten kogels toe, gelijk bij ons kaats- of kolfspel en het Engelsche cricket-spel.

ocr page 196

geblazene vischhuid of van leder gemaakt. Een kind van twee-jaar zon ze kunnen opwerpen, terwijl gij zulk een houten kogel, waarmede de Perziche knapen en jongelingen spelen, bezwaar-lijk zoudt kinnen tillen. Ziji gij over mij tevreden, Nitetis?quot;

»Hoe zal ik u genoeg danken, mijn vader!quot;

»Laat mij n nu nog eens de verdeeling van uw dag herhalen: quot;s morgens bezoekt gij Cassandane, keuvelt ge met Atossa, of leent ge een luisterend oor aan het. onderricht uwer verhevene moeder.quot;

De blinde boog toestemmend het hoofd.

»Tegen den middag kom ik bij u, en onderwijs u in het Perzisch, terwijl ik daarbij niet verzuimen zal u over Egypte en de uwen te spreken. Als gij er ten minste niet tegen hebt.quot;

Nitetis glimlachte.

»0m den anderen dag zal Oropastes bij u zijne opwachting maken, om u in den godsdienst der Perzen in te wijden,quot;

(ilk zal mij alle moeite geven, om hem spoedig te verstaan.quot;

?•VS Namiddags zult gij, zoo lang gij verkiest, met Atossa samen zijn. Is het zoo goed'?quot;

gt;gt;0 Gresus, mijn vader!quot; riep hel meisje, terwijl zij de hand var; den grijsaard kuste.

ocr page 197

D E 11 D E H O O F D S T U K.

Den volgenden dag betrok Nitetis liet landhuis op do hangende tuinen, en leidde daar een eentonig, maar genoeglijk en werkzaam leven, geheel overeenkomstig de voorschriften van Cresus. Dagelijks werd zij, in een dicht gesloten draagstoel, naar Cassandane en Atossa gebracht. De blinde koningin was voor haar spoedig eene liefhebbende ea geliefde moeder, en de wilde, levenslustige dochter van Cyrus vergoedde der Egyptische bijna het gemis barer aan den Isijl achtergeblevene zuster ïa-chot. Nitetis had zich geene betere gezellin kunnen wenschen, dan bet dartele kind, dat door hare scherts en vroolijkbeid wist te verhinderen, dat ontevredenheid of heimwee zich in het hart van hare vriendin nestelden. De ernst der eene nam een vroo-lijke tint aan, onder den invloed van de opgeruimdheid der andere, terwijl de kinderlijke overmoed van het Perzische meisje, door de kalme beradenheid der Egyptische allengs overging in eene meer ingetogene vroolijkbeid.

Cresus en Cassandane waren beiden uiterst voldaan over hunne nieuwe dochter en leerlinge. Oiopastes, de magiër, sprak den koning dagelijks met den meesten lof over de vlugge bevatting en den ijver der jonkvrouw. Nitetis maakte zich de Perzische taal bijzonder spoedig en zeer goed eigen. De koning ging dan alleen tot zijne moeder, wanneer hij begreep de Egyptische daar te zullen vinden, en schonk haar alle dagen kostbare sieraden en kleederen. Hij bewees haar de grootste gunst, met haar nooit in hare eigene vertrekken te bezoeken. Hierdoor gaf hij duidelijk te kennen, dat hij voornemens was Nitetis eene plaats te gunnen onder bet kleine getal zijner uitverkorene, echte gemalinnen, eene onderscheiding, waarop zich menige vorstendochter, die als bijwijf in zijn harem leefde, niet beroemen kon.

Het schoone, ernstige meisje oefende op dien ontembaren man des gewelds een betooverenden invloed uit. Alleen bare tegenwoordigheid scheen voldoende om de ijskorst, dien zijn hart om-

ocr page 198

187

gaf te ontdooien, Uren achtereen toefde hij bij liet ringspel, en dan wendde hij zijn oo^ niet af van de sierlijke bewegingen der Egyptische schoone. Eens, toen een bal in het water was gevlogen, sprong hij dien na, ondanks zijn zware, kostbare kleeding, en redde den drenkeling. Nitetis liet een luiden angstkreet hooren, toen de koning zich onverwachts tot deze ridderlijke daad gereedmaakte. Cambyzes overhandigde haar echter dt-ii druipenden bal met een glimlach, zeggende: «Wees nu voorzichtiger, anders zon ik u opnieuw moeten verschrikken!quot; Tegelijkertijd nam hij een gouden met edelgesteenten bezette keten van zijn hals, en schonk deze aan de blozende maagd. Zij dankte hem met een blik, die duidelijker dan de meest welsprekende taal te kennen gaf, wat haai- hart voor den toekomstigen gemaal gevoelde.

Cresus, Cassandane en Atossa bemerkten weldra, dat Nitetis den koning met hare geheele ziel beminde. Uit hare vrees voor den oppermachtigen trotschen man was werkelijk een vurige hartstocht ontstaan. Het was haar, als zou zij moeten sterven, wanneer zij uit zijne tegenwoordigheid gebannen werd. Het was haar of zij in zijn persoon een almachtige godheid aanschouwde, die licht rondom zich verspreidde. Den wensch hem te bezitten scheen haar vermetel en misdadig; en toch de bevrediging van dien wensch achtte zij verkieslijker dan zelfs den terugkeer naar haar vaderland, dan zelfs de hereeniging met hen die zij tot nog toe alleen had liefgehad. Zij was zichzelve nauw bewust van dezen hartstocht, en beproefde aan de gedachte vast te houden, dat zij hem slechts eerbiedig vreesde, dat tegen het uur waarop zij hem gewoonlijk wachtte, hare zenuwen van angst en niet van onuitsprekelijk verlangen trilden.

Cresus had haar spoedig doorgrond, en joeg zijne lieveling een hoogen blos op de wangen, toen hij haar, met zijne min of meer bevende stem, het nieuwste lied van Anacreon, dat hij te Saïs van Ibycus geleerd had, ondeugend \oorzong;

„Men brandde 's meesters naam voorheen

De heupen in van 't paard En aan den tulband kent elkeen Den Parther, trotsch van aard ;

Maar ik ontdek op 't eerst gezicht,

Wie zich der min verpandt:

Want ieder werd door 't minnewicht Een merk in 't hart geplant.quot;

Alzoo vlogen voor Nitetis dagen, weken, maanden zelfs, ongemerkt voorbij, onder oefening en spel, onder ernst en schei ts, onder liefde en wederliefde. Het bevel van Cambyzes: «Gij moer hier gelukkig zijn!quot; werd verwezenlijkt, en toen de Mesopotami-

ocr page 199

188

sche lente *), welke in die streken op de regenachtige Decembermaand volgt, verstreken was; loen men gedurende de voorjaarsdag- en nachtevening het grootste feest der Aziaten, het nieuwjaarsfeest gevierd had; toen de Mei-zon het aardrijk begon te stoven en ie schroeien, gevoelde Nitetis zich te Babyion volkomen tehuis, en wisten alle Perzen, dat de jonge Egyptische, Phaedime, de dochter van Otanus, uit de gunst van den koning had verdrongen, en iu het zekere vooruitzicht leefde, de eerste bevoorrechte gemalin van Cambyzes te zullen worden.

Het aanzien van den eunuchen-overste Boges verminderde dagelijks. want men wist maar al te goed, dat de koning zijn harem niet meer bezocht, en de eunuch zijn invloed alleen verschuldigd was aan de vrouwen, die, wat hij voor zichzelven of voor anderen begeerde, door liefkoozingen en vleierijen van Cambyzes moesten trachten te verwerven. Dagelijks trad de gekrenkte man in overleg met de in ongenade gevallene Phaedime, over de middelen die den ondergang der Egyptische zouden kunnen bewerken. Maar hunne fijnst gesponnen listen, hunne strikken met het meeste overleg uitgezet, mistten alle hun doel, tengevolge van de groote liefde des koning, en van het vlekkeloos gedrag der koninklijke bruid.

Phaedime, de ongeduldige, naar wraak dorstende, vernederde vi'ouw, porde den voorzichtigen Boges onophoudelijk tot eene beslissende handeling aan. Deze vermaande haar echter, om locb geduldig hef rechte tijdstip af te wachten. Eindelijk, verscheidene weken na de aankomst van Nitetis, kwam hij bijzonder vroolijk bij zijne bondgenoote, en riep; ))Als Bartja teruggekeerd is, mijn schatje, dan is onze ure gekomen. Ik heb een plannetje beraamd, dat de Egyptische zoo zeker in het verderf zal storten, als ik Boges beet.quot;

Dit zeggende, wreef zicb de gesnedene, die altijd lachte, de zachte vleezige handen, en toonde zich zoo uitermate verheugd als ware hem het grootste geluk te beurt gevallen. Maar hij paste wel op Phaedime ook maar het geringste van zijn plannetje te laten gissen, en beantwoordde hare dringende vragen met te zeggen; sLiever vertrouwde ik mijn hoofd in den muil van een leeuw, dan dat ik mijn geheim in het oor eener vrouw zou leggen. Ik waardeer, ja, uw moed ; maar bedenk wel, dat de koenheid van den man in zijn handelen, die der vrouw in hare gehoorzaamheid moet blijken. Doe dus wat ik u zeggen zal, en wacht geduldig af wat de toekomst u brengt.quot;

Nebenchari, de oogarts, ging steeds voort met Cassandane te behandelen, en vermeed allen omgang met de Perzen, onder

']) .liinuaii tot April.

ocr page 200

189

wie zijn somber in zichzelf gekeerd karakter tot een spreekwoord was geworden. Men noemde aan het hof eiken gelukkige: een Bartja, en eiken ouden knorrepot: een Nebenchari. Hij slee' zijn dagen in de vertrekken van de moeder des konings, zonder een enkel woord te spreken, terwijl hij zich bezighield met het doorbladeren van groote papyrus-rollen, die hij het boek van Athothes 1) noemde. Des nachts beklom hij meermalen, met verlat van den koning en van Tritantaechmes, den satraap 2) van Babylon, eenen der hoogste torens op de muren, om de sterren gade te slaan.

De Chaldeeuwsche priesters, de aloude beoefenaren der sterrenkunde, hadden hem aangeboden zij ne waarnemingen te doen op den top van den grooten Bel-tempel, hunne sterrenwacht. Hij weigerde evenwel bepaald aan deze uitnoodiging gevolg te geven, en hield zich voortdurend van iedereen afgezonderd. ïoen Oropastes, de magiër, hem den beroemden Babylonischen zonnewijzer, dien Anaximander van Milete ook in Griekenland had ingevoerd, verklaren wilde, glimlachte hij, met minachting de schouders ophalende, en keerde den overste der Medische priesters den rug ioe, zeggende: «Dezen kenden wij reeds, voordat gij nog wist wat een uur isquot; 3).

Nitetis had hem met de grootste minzaamheid bejegend. Maar hij bekommerde zich volstrekt niet om haar, ja, scheen haar opzettelijk te ontwijken. Toen zij hem eens vroeg: »Merkt gij iets verkeerds in mij op, Nebenchari, of heb ik u beleedigd?quot; gaf hij haar ten antwoord: »Gij zijt voor mij eene vreemdelinge; want hoe zou ik iemand kunnen liefhebben, die hare beste vrienden, de goden, en de zeden van haar land, zoo gewillig en zoo spoedig verloochent?''

Boges, de eunuch, begreep ras, dat de oogarts niet hoog was ingenomen met de toekomstige gade van zijn koning, en stelde dus pogingen in het werk, hem tot zijn bondgenoot te maken.

1

l)e Egyptische priester Horapollüii muakt in ziju geschrift (uitgegeven door G. Leemans) gewag van een hoek der krankheden, terwijl Ma-netho verhaalt, dat de opvolger van den eersten koning Menes, Athothes, reeds anatomische hoeken schreef. Daar geneeskundige werken geacht werden van de god ïoth afkomstig te zijn, kan wel aan dien koning zijn toegeschreven, wat op den god betrekking heeft. Ouder de heilige schriften der Egyptenaren worden ook zes geneeskundige boekon genoemd.

2

Gouverneurs der provinciën, die, als plaatsbekleeders van den koning, eene vrij onbeperkte macht hadden. Tiele leidt het woord af van „khsha-tra,quot; heerschappij, en „pavan,quot; beschermer. Op de gedenkteekenen zien wij de grooten des rijks de zonneschermen achter de vorsten dragen, doch het is de vraag of hiermede ook satrapen bedoeld zijn.

3

Hoewel de Chaldeërs in het bezit war- n van sterrekundige berekeningen, die tot 2234 v. Chr. opklimmen, zoo is het toch boven allen twijfel verheven, dat de astronomie der Egyptenaren nog veel ouder is. Volgens de Egyptische priesters hadden de Chaldeë; s alles aan hun ouderwijs te danken.

ocr page 201

•J 90

Doch Nebencbari wees zijne kruipende toespraken, zijne geschenken en voorkomendheden met vastheid ai'. Zoo dikwijls een angaar het plein voor het paleis opreed, met eene boodschap aan den koning, haastte zich de ennuch hem uil te hooren van waar hij kwam, en of' hij geene tijding had van het leger tegen de Tapoeren. Eindelijk verscheen de langgewenschte bode, met hel bericht, dat de oproerige stam volkomen ten onder was gebrach', en Bartja binnenkort huiswaarts zou keeren.

Drie weken verliepen. De eene bode voor, de andere na, meldde de nadering van den vorstelijken overwinnaar. De straten vertoonden zich wederom in den rijksten feestdos. Het leger trok Babyion binnen. Bartja dankte het jubelende volk, en rustte weinge oogenblikken later aan de borst zijner moeder.

Ook Gambyzes ontving hem met welgemeende hartelijkheid, en bracht hem met voordacht zelf bij zijne moeder, op het oogenblik dat Nitetis zich bij haar bevond. Hij was in zijn hart verzekerd, dat de Egyptische hem beminde. Hij wilde Bartja bewijzen dat hij haar vertrouwde, en hield zich overtuigd, dat zijne vroegere ijverzucht eene dwaze inbeelding was geweest. De woeste man was, gedurende de laatste weken, de weldoener van zijn volk geworden. Zijne liefde had hem toegevend en minzaam gemaakt. Zijne handen werden des gevens niet moede. Zijn toorn was ingesluimerd, en de kraaien van Babyion zwierden thans, van honger schreeuwende, boven do plaats, waar anders de hoofden van talrijke gevonnisten, als waarschuwend voorbeeld waren ten toon gesteld.

De edele Perzen uit het geslacht der Achaemeniden stegen in aanzien, naar gelang de invloed der vleiende en geveinsde eunuchen afnam. Deze klasse van menschen was, door de inlijving van Medië, Lydië en Babylonië, in welke rijken zij vele der hoogste ambten in den staat en aan het hof bekleedden, in het paleis van Cyrus gekomen. Gambyzes gewende zich in het belang van zijn land, meer acht te geven op de stem zijner verwanten, dan op de raadgevingen der eunuchen. De grijze Hystaspes, de vader van Darius en stadhouder van het oorspronkelijk Perzische gebied, die in den regel te Pasargadae zijn verblijf hield, een neef van den koning; Pharnaspes, de grootvader van Gambyzes van moederszijde; Otanes, zijn oom en schoonvader; Intapher-nes, Aspathines, Gobryas, Hydarnes, de veldheer Megabyzes '), de vader van Zopyrus, de gezant Prexaspos, de edele Gresus, de oude held Araspes, kortom, de voornaamste stamhoofden der Perzen bevonden zich juist toen aan het hof van den koning.

1) Oe/.e namen, door Herodotus genoemd, zijn, hoewel in eenigszins anderen vorm, in de opschriften van Behistfln wedergevonden.

ocr page 202

191

Daarbij kwam nog, dat. de geheele adel uii, liet gansche rijk, de satrapen of stadhouders van alle provinciën, en de opperpriesters uit, alle steden zich te dier tijde te Babyion bevonden, om den geboortedag 1) van den koning te helpen vieren. De gezamenlijke waardigheidsbekleeders en afgevaardigden uit al de provinciën stroomden naar de koningsstad, om den vorst geschenken aan te bieden, hem geluk te wenschen, en deel te nemeu aan de groote offers, voor welke gewoonlijk duizenden van paarden, herten, stieren en ezels, ter eere der goden geslacht werden. Op dezen feestdag ontvingen alle Perzen geschenken, en elk mocht den koning een verzoek voordragen, dat maar zelden geweigerd werd. Ook werd in alle steden het volk op kosten van den vorst onthaald.

Cambyzes had besloten, dat zijn huwelijk met Nitetis acht dagen na zijn geboortedag zou worden voltrokken, en allegrooten des rijks zouden genood worden, daarbij tegenwoordig te zijn. Do straten van Babyion wemelden van vreemdelingen. De reusachtige paleizen op de beide oevers van den Euphraat waren overvol van gasten, en alle huizen waren versierd. Deze ijver van zijn volk, het opkomen van tallooze afgvaardigden, die zijn geheele rijk vertegenwoordigden, droegen niet weinig bij om de stemming-des konings nog gedurig te vervroolijken. Zijn trots was bevredigd, en de ledigheid in zijn hart, het gebrek aan liefde, door Nitetis aangevuld. Voor de eerste maal in zijn leven geloofde bij volkomen gelukkig te zijn, en strooide hij zijn geschenken uit, niet omdat dit een koning van Perzië voegde, maar omdat hij werkelijk met vreugde gaf.

De veldheer Megabyzes was onuitputtelijk in lotuitingen over de heldenfeiten van Bartja en zijne vrienden. Cambyzes omarmde de jeugdige dapperen, begiftigde hen met gouden ketens en paarden, noemde hen sbroedersquot; en herinnerde Bartja aan de bede, die hij hem mocht voordragen, wanneer hij als overwinnaar uit den strijd zou zijn teruggekeerd, en welker vervulling hem was toegezegd. Toen de jongeling zijne oogen nedersloeg, en niet aanstonds wist hoe zijn verzoek in te kleeden,lachtte de koning, fjn riep: »Ziet vrienden, hoe onze jonge held als een maagdelijn bloost! Ik geloof, dat, hij mij iets buitengewoons zal vragen,

1

De geboortedag des konings was het grootste feest dor Perzen, en heette ,,het volkomene.quot; Herodotus verhaalt, dat geen dag' luisterrijker bij de Perzen werd gevierd, dan een geboortedag. Er werd een kostelijk maal aangericht, waarbij de rijksten zelfs een os, een paard en een kameel lieten opdragen. Over het algemeen werd in de oudheid van koninklijke geboortedagen veel werk gemaakt, o. a. heet het op een gedenksteen, in betrekking tot Ptamses II; „vreugde was er in den hemel op zijn geboortedag.quot;

ocr page 203

daarom moet liij nog maar wat geduld hebben tol op mijn geboortedag. Bij het drinkgelag, wanneer de wijn hem moed kan geven, zal hij mij toefluisteren, wat hij nu niet durft uiten. Laat uw eisch groot zijn, Bartja! Ik ben gelukkig en wensch ook al mijne vrienden gelukkig te zien.quot;

Bartja glimlachte en begaf zich naar zijne moeder, om haar thans voor de eerste maal mede te deelen, wat zijn hart zoo onrustig en tegelijk zoo zalig deed kloppen. Hij had gevreesd van hare zijde vele onoverkomelijke bezwaren te zullen hooren opperen. Maar Cresus had zijn aanval op de moederlijke teederheid zoo goed voorbereid, en der blinde zooveel liefelijks van Sappho verhaald, hare deugd en bevalligheid, hare kunstvaardigheid en talenten zoo hoog verheven, dat de meisjes den grijsaard met de kleindochter van Hhodopis waren gaan plagen, en Cassandane thans, na een korten en zwakken tegenstand te hebben geboden, aan de bede van haar lieveling toegaf.

»Eene Helleensche de echte vrouw van een Perzische koningszoon !quot; riep de blinde. »Dat is nog nooit gebeurd. Wat zal Gambyzes zeggen'? — Hoe zullen we ooit zijne toestemming verkrijgen ?quot;

«Wat dat aangaat, lieht gij niets te vreezen, moedertje,quot; hervatte Bartja. sik ben van de toestemming mijns broeders even verzekerd, als dat ik mij overtuigd houd, dat Sappho een sieraad van ons huis zal zijn.quot;

Cresus heeft mij veel schoons en goeds van de jonkvrouw-verhaald, en het verheugt mij, dat gij eindelijk besloten zijt te huwen. Maar eigenlijk past zulk eene verbintenis den zoon van Gyrus niet. Ook geef ik u wel in overweging, dat de Achaemeni-den nimmer een zoon dezer Grieksche vrouw als hun koning zullen erkennen, wanneer Gambyzes geene mannelijke nakomelingen mocht hebben.quot;

sik vrees niets, want ik verlang volstrekt niet naar eene kroon. Maar buitendien zijn er verschillende Perzische koningen geweest, die eene minder aanzienlijke vrouw dan mijn Sappho tot moeder hadden. Ik weet zeker, dat mijne bloedverwanten mij niet laken zullen, wanneer ik hun bet kleinood toon, dat ik aan den Nijl gevonden heb.quot;

«Mocht Sappho slechts onze Nitetis gelijken! Deze heb ik lief, als ware zij mijne eigene-dochter, en ik zegen den dag, waarop zij den Perzischen grond betrad. Met hare koesterenden blik heeft zij de halsstarrigheid, de stugheid en den hoogmoed van mijn zoon gebroken. Hare goedheid en zachtmoedigheid verlichten den altoos durenden nacht, die mij omgeeft, en veraangenamen mijn leven. Haar opgeruimde ernst heeft uwe zuster Atossa van een onbesuisd kind in eene zedige jonk vrouw

ocr page 204

193

herschapen! — Roep nu de meisjes, die beneden in den tuin spelen, opdat wij haai- mededeelen, dat, zij door uw tusschen-komst eene nieuwe vriendin rijker zullen worden.quot;

«Vergeef mij, moeder,quot; hervatte Bartja, »maar ik bid u, deze zaak voor mijne zuster geheim te houden, tot wij de bepaalde toestemming van den koning hebben verkregen.quot;

«Misschien hebt gij gelijk, mijn zoon. Wij moeten de meisjes nog onkundig laten van uwe liol'de, al ware liet slechts om haar eene mogelijke teleurstelling te hesparen. De verijdeling eener sclioone hoop valt zwaarder te dragen, dan onverwacht leed. Laat ons dus niet te vast rekenen op de bewilliging van uw broeder, schoon ik met u geloot', dat deze niet zal uitblijven, zoolang zijne tegenwoordige stemming aanhoudt. Mogen de goden u hun zegen schenken!quot;

In den vroegen morgen van 'skonings geboortedag brachten de Perzen aan den oever van den Euphraat hunne oilers. Op een kunstmatigen berg stond een ontzaglijk groot zilveren altaar, waarop een zeer groot vuur zijne vlammen en welriekende geuren hemelwaarts deed stijgen. In het wit gekleede magiërs voedden gestadig den gloed met sierlijk gesnedene stukken van het fijnste sandelhout, en wakkerden de vlammen met takkenbossen aan. Het hoofd van eiken priester was met een breeden band omgeven, de Paiti-dliana 1), welks uiteinden den mond bedekten, en verhinderden, dat de onreine adem over het reine vuur heenging. Op eene weide langs den stroom, had men de offerdieren geslacht, het vleesch in stukken gesneden2), met zout bestrooid en op een zacht tapijt van klaver, mirtenloof en laurierbladen uitgespreid, opdat niets van het doode en bloedige, de schoone dochter van Aoeramazda, de geduldige, heilige aarde mocht besmetten.

Nu trad Oropastes, de opper-Destoer3), voor het vuur, en wierp er versche boter in. De vlammen sloegen hoog op. Al de Perzen vielen op de knieën,en bedekten hun aangezicht; want zij geloofden, dat de heldere vlam opsteeg tot haren vader, den grooten God. Vervolgens nam de magiër een mortier, vulde ditn voor een deel met de bladen en stengels van het heilige haomakruid *) kneusde deze, en goot het roodachtige sap der plant, de spijze der goden, in de vlammen.

13

1

Zulk een vierhoekig, van twee tot zeven vingers breed stuk doek, moeten alle Perzen voor den mond hebben als zij bidden.

2

Anquetil geeft in zijn Zend-Avesta eene beschrijving en afbeelding van het geheele oll'ergereedschap der hedendaagsche Perzen,

3

b) Priester.

ocr page 205

I'.li

Eindelijk hiel' hij zijne lianden ten hemel en zonjï, terwijl andere priesters voortgingen de vlam met versche boter aan te wakkeren, een lanir gebed uit de heilige boeken van Zoroaster. In dil gebed werd de zegen der goden afgesmeekt over al het reine en goede, en vóór alles over den koning en het gansche rijk. De goede geesten, van het licht, van het leven, van do waarheid, van edele daden, van de vruchtdragende aarde, van het levende en verl'risschendo water, van de glanzende metalen, van de weiden, van de boomon en van de reine schepselen werden geprezen. De booze geesten van de duisternis, van den leugen, die de menschen bedriegt, van ziekten, van dood, van zonden, van de woestijn, van de verstijvende koude, van de dorheid die het leven vernietigt, van alle afschuwelijke morsigheid, van alle ongedierte werden, met den vader van deze allen, den boo-zen Angramainjus, vervloekt. Ten laatste vereenigde zich de ge-lieele onafzienbare menigte in liet feestgebed: «lleinheid en heerlijkheid verbeiden den reine en rechtvaardige!quot;1)

Daarop maakte het gebed van den koning een einde aan de oflerplechtigheid. In het rijkste plechtgewaad besteeg Cambyzes den met vier sneeuwwitte Nisaeische paarden bespannen gouden wagen, die als het ware bedekt was met een bekleedsel van corneolen, topazen en barnsteen, en liet zich naar degroote gehoorzaal brengen, om de waardigheidbekleeders en afgevaardigden der provinciën te ontvangen. — Zoodra de koning en zijn gevolg vertrokken waren, zochten de priesters voor zichzelve de beste stukken van het ollervleesch uil, en lieten toen het volk, dat meer en meer opdrong, de vrijheid het overschot mede naar huis te nemen. Want de Perzische goden versmaadden het, oll'er als spijs; zij begeerden slechts de zielen der geslachte dieren. Eu menige arme, namelijk onder de priesters, rekte zijn leven met het vleesch dei' rijke koningsoffers.

Gelijk de magiër gebeden had, moesten alle Perzen bidden. Hun godsdienst verbood, dat een iets voor zich alleen van den liemelschen geest zou vragen. Veeleer moest ieder deugdzame voor alle Perzen, maar bovenal voor den koning bidden; want was ieder Pers sleclits een deel van het. gelieele volk, dan werd toch ook ieder in het bijzonder gezegend, als de goden rijke weldaden over het gebeele rijk uitstortten. Dit verloochenen van het eigen ik, dit samensmelten van alle bijzondere belangen tot één groot algemeen belang, had de Perzen grootgemaakt. Alleen was men gewoon voor den koning afzonderlijk te bidden, maar dit had geene andere oorzaak, dan dat men hem als de

1

Dit verheven sebed moest de Pers eigenlijk uitspreken, wanneer hij uil ilcn slanji ontwaakte.

ocr page 206

?195

verpersoonlijking van het gelieelo rijk beschouwde. Ook mocht niemand om een hijzonder hezit vragen, doch slechts om het goede in het algemeen, want geen sterveling, de godheid alleen, wist wat den menschen tot vooi1-of nadeel zou strekken. De Egyptische priesters stelden de pharao's als werkelijke godliedeu voor, de Perzen noemden hunne vorsten slechts zonen der goden gt;). En toch lieerschten dezen inderdaad veel onhepevkter dan genen, daar zij zich hadden weten te vrijwaren tegen de voogdij der priesterkaste, die, gelijk wij reeds zagen, de pharao's, zoo al niet beheerschte, dan toch in gewichtige aangelegen lieden naar haren wil wist te leiden.

Van het onverdraagzame karakter der Egyptenaren,diegeene andere dan hunne eigene goden aan de boorden van den XijI duldden, was in Azië geen zweem te ontdekken. De door Cyrus overwonnen Babyloniërs mochten na hun inlijving in het groote Aziatische rijk, als te voren lol hunne oude goden bidden. De Joden, Joniërs en Klein-Aziaten, kortom al do. aan den schepter van Cambyzes onderworpene stammen, hadden alle hun godsdienst en hunne zeden behouden. Zoo stegen dan ook le Babyion op het geboortefeest dos konings, naast do altaren der magiërs, vele ollervlammen ten hemel, door de afgovaar-digden uit de provinciën ontstoken ter eere van de goden, die zij in hun land aanbaden. De dichte rookwolken die boven de torens hingen en hot liclil der gloeiende Mei-zou verduisterden, deden de stad op een afstand op een reusachtigon smeltoven gelijken.

Toen de koning in het groote rijkspaleis was aangekomen, schikten zich de feeslgezanten lot een onafzienbaren stoot, die dooi' de rechte straten van Babylon in de richting van het paleis voorttrok. Alle wogen waren bedekt met mirtenloof en palmtakken, met rozen, papaver-en oleanderbloemen, met bladeren van zilverpopulieren, palmen en laurieren. Wierook-, myrrbe- en duizend andere geuren vervulden de lucht. Van alle huizen wapperden vanen en hingen tapijten neder. Het juichen en jubelen van de tienduizenden Babyloniërs, die, eerst sedert weinige jaren aan de Perzische heerschappij onderworpen, naar Aziatische gewoonte hunne ketenen als een sieraad droegen, zoolang zij althans geen kans zagen zich van het juk te bevrijden, — overstemde de schetterende fanfares der Medische trompetten, de zachte tonen dor Pbrygische fluiten, de cymbalon en harpen der Joden, de tamboerijns der Paphlagoniërs, de snarenspeel-tuigen der Joniërs, de Syrische pauken en bekkens, de horens

1

In tater tijil lieten Je Perzische koniiigeii zich echter ook gotlde-lijke eer bewijzen.

ocr page 207

?106

en trommels der Ariërs van den mond van den Indus en de heldere tonen der Baktrische krijgsbazuinen. Al die geuren, die verscheidenheid van kleuren en tinten, dat schitteren en flonkeren van goud en edelgesteenten, dat gehinnik van tallooze paarden, dat juichen en zingen vereenigden zich, om de zinnen te bedwelmen en de harten tot de meest uitgelatene feestvreugde te stemmen.

Geen der feestgezanten was met ledige handen gekomen. Deze brachten een span paarden van het edelste ras; gene geweldig groote olifanten en potsierlijke apen; een derde verscheidene met schabrakken en kwasten behangen rhinocerossen en buffels; een vierde tweehultige Baktrische kameelen, met gouden ringen om den ruigenhals. Anderen boden wagens aan, beladen met vreemde houtsoorten en elpenbeen, kostbare weefsels, zilveren en gouden vaatwerken, goud in stof en in baren, zeldzame gewassen voor de tuinen, en voor het wildpark van den koning vreemde dieren, onder welke men vooral antilopen, zebra's, vreemde apen en vogelsoorten 1) opmerkte, welke laatsten aan groene hoornen geketend waren, en daar zij telkens de vleugels uitsloegen, een vroolijk schouwspel opleverden. Deze geschenken maakten de schatting uit van de onderworpene stammen. — Nadat zij aan den koning vertoond waren, werden zij door de schatmeesters en schrijvers gewogen, onderzocht, en óf voldoende gekeurd, óf als te gering afgewezen. In het laatste geval moesten de karige gevers een dubbele schatting opbrengen

Zonder oponthoud bereikte de stoet de poorten van het rijks-paleis, hetgeen men voor een groot deel te danken had aan de zweepdragers en aan de soldaten, die aan weerszijden van den weg eene levende schutting vormden, en het opdringende volk in bedwang hielden.

Zoo de optocht des konings naar de offerplaats reeds meer dan prachtig was geweest (achter den vorstelijken wagen toch had men vijfhonderd rijk getooide paarden geteld en de trein der gezanten had niet minder de verbazing van het geheele vergaderde volk opgewekt), de groote troonzaal bood nu een verblindend en tooverachtig schouwspel aan. Aan het einde dezer zaal verrees, op eene verhevenheid van zes treden, waarvan ieder twee

1

Deze optocht is beschreven naar de reliëfs, die door Layard zijn uitgegraven, en een obelisk van Nimroed (Niniveh), waarvan in verschillende musea afgietsels aanwezig zijn.

ocr page 208

197

Ecouden honden als schildwachten droeg-, de vergulde troon, onder een pui-peren, door vier gouden met edelgesteenten bezette pijlers gedragen hemel, die wederom twee gevleugelde schijven,deFe-ruers 1) des konings, torste. Achter den troon stonden dragers van strnisveeren en waaiers, aanzienlijke hofbeambten; aan weerszijden zag men de dischgenooten, bloedverwanten en vrienden des konings, de grootwaardigheidsbekleeders van het rijk, de voornaamste priesters en eunuchen. De wanden en de zoldering van de geheele zaal waren bekleed met platen van gepolijst goud, en de vloer belegd met purperen tapijten. Gevleugelde stieren met men-schenboofden lagen als schildwachten vóór de zilveren deuren, en in het voorhof van het paleis stonden de lijfwachten gerangschikt, wier lansen met gouden en zilveren appels versierd waren. Zij droegen over hunne purperen rokken gouden pantsers, scherpe zwaarden in gouden, van edelgesteente fonkelende scheeden en hooge Perzische tulbanden. Te midden dier krijgers viel aanstonds de schaar der Onsterfelijkenquot;) in het oog, die altijd bestond uit mannen van eene rijzige gestalte en kloeke houding.

Personen, die de vreemdelingen aanmelden, geleiders, met korte elpenbeenen staven in de handen, brachten de feestge-zanten de zaal binnen tot voor den troon. Daar gekomen, wierpen deze zich ter aarde, als wilden zij den grond kussen, en verborgen de handen in de mouwen van hun kleed. Alvorens zij den koning op eenige vraag antwoordden, werd hun een doek voor het benedendeel van het aangezicht gebonden, opdat hun onreine adem den reinen persoon des konings niet bezoedelen zou.

Cambyzes sprak, minzaam of streng, naargelang hij voldaan was over de geschenken en de gehoorzaamheid van de vertegenwoordigde provincie, met de aanzienlijksten van ieder gezant-

Ij De Feruer of Ferwer is het geestelijk ilecl van den mensch, zijne met oordeel begaafde ziel. Deze bestaat reeds lang vóór zijne lichamelijke geboorte, veréenigt zich met hem zoodra hij het levenslicht aanschouwt, en verlaat het lichaam weder bij den dood. De Ferwer strijdt tegen de Diws (booze geesten) en is de oorzaak van ons behoud. Zoodra hij afscheid neemt van den mensch, moet het lichaam noodzakelijk worden ontbonden. Na den dood wordt de Ferwer onsterfelijk, zoo hij het goede heeft gedaan; heeft hij daarentegen het booze liefgehad, dan wordt hij in de hel geworpen. Men moest den Ferwer aanroepen en met offers om hulp smeeken. Hij brengt ook het gebed tot de godheid over, weshalve hij wordt voorgesteld onder de gedaante van eene gevleugelde schijf.

2) Deze „Onsterfelijkenquot; dankten dien eernaam aan de omstandigheid, dat, zoodra een hunner stierf of viel, er dadelijk een ander voor hem in de plaats trad, zoodat hun aantal nooit verminderen kon en altijd 10.000 man moest bedragen. Cyrus zou deze garde reeds opgericht hebben.

ocr page 209

•108

scliap. Toen hol laalste, dat der Joden, zijn troon naderde,riep liij den Hebreërs, die door twee deftige mannen met .scherpe trekken en langen haard werden voorafyeiiaan, een vriendelijk »lialtr' toe. De eerste van dezen was gekleed op de wijze als de voornaamste en rijkste Bahyloniërs. De tweede droeg een nit een stuk geweven, met schellen en kwasten behangen purperen ideed, dat door een gekleurde gordel van blauw, rood en wit bijeen werd gehouden, en een blauw schouderkleed. Om zijn hals hing een taschje met de heilige loten'), dat met twaalf in goud gevatte edelgesteenten, waarop do namen der stammen Israels te lezen waren, prijkte. Ecu witte band, welks slippen lot over de schouders neervielen, bedekte het ernstige voorhoofd van den hoogepriester.

»Hel verheugt mij u eens weder te zien, Beltsazar,quot; riep de koning den op Babylonische wijze gekleedeu man toe. «Sedert den dood van mijn vader hebt gij u niet aan mijne poort laten zien!quot;

Hij, die aldus werd toegesproken, boog zich diep en antwoordde: «De genade van mijn heer verheugt het harte van uw knecht! Wilt gij de zon uwer genade over uw knecht laten lichten, zijne onwaardigheid niet gedenkende, zoo bewillig mijn arm volk, dal uw groote voorganger naar het land zijner vaderen liet terugkeeren, eene bede! Deze grijsaard aan mijne zijde, Jozua, de hoogepriester onzes Gods, heeft den verren wegnaar Babyion niet geacht, daar hij gekomen is om die bede aan uw goedgunstig oor voor te dragen. Mogen zijne reden u aangenaam zijn, en zijn woord een vruchtbaren grond in uw hart vinden.quot;

sik gis reeds, wat gij vragen wilt,quot; riep de koning. sHeb ik ongelijk, priester, als ik vermoed, dat uwe bede wederom betrekking heeft op de herbouwing van uw tempel?quot;

»Voor mijn heer kan niets verborgen blijven,quot; antwoordde de priester, diep buigende. »Uwe knechten te Jerusalem verlangen zeer het aangezicht van hun heer te aanschouwen, en smeeken u door mijn mond, af te komen tot het. land hunner vaderen, en hun verlof te geven den tempelbouw, waartoe uw doorluchtige vader, wien Jahveh genadig zij ! zijne toestemming verleende, voort te zeiten.quot;

De koning glimlachte, en antwoordde: »Gij weet uwe bede voor te dragen met eene slimheid, die uw volk eigen is, en het juiste woord en het rechte uur te kiezen! Op mijn geboortedag kan ik een trouw volk bijkans geene enkele bede afslaan.

li De Urim en Thummim.

ocr page 210

190

Ik beloof ii dus, zoodra ilif mij mogelijk is, «Ie goede ^ad .Te-ruzalem en hel land uwer vaderen te zullen bezoeken.'

sGij zult uwe knechten groote vreugde bereiden,'7 hervatte de priester, sünze olijfboomen en wijnstokken zullen bij uwe nadering schooner*; vrnchten dragen; onze poorten zullen verwijd worden om u te ontvangen, en Israël zal zijn heer met gejubel inhalen, dubbel verheugd, wanneer het hem als nieuwen bouwheer.. .

»Hall. priester, niet verder!quot; riep Cambyzes. »Uweeei-stebede zal, gelijk ik zeide, niet onvervuld blijven, want sinds lang reeds koesier ik den wensch, het. rijke Tyrus, liet gouden Sidon en uw Jeruzalem met zijn wonderlijk hijgelool te leeren kennen. Maar gaf ik u thans reeds verlol tot het voortzetten van den tempelbouw, wat bleef mij dan nog over, dat ik u een volgend jaar zon kunnen toestaan'?quot;

»[Jwe knechten zullen het ooi' hnns heeren niet meer vermoeien,quot; antwoordde de priester, sals gij hun verlof geeft, den God hunner vaderen een huis te bouwen.'

»Vreemde mensdien, die mannen van Palaestina. riepCam-byzes. »Men heeft mij dikwijls gezegd, dat gij aan eene enkele godheid gelooft, die door geene afbeelding wordt voorgesteld, die niets is dan een geest. Meent gij dan, dat dit alomtegenwoordig wezen een huis van noode heelt\ oorwaar, uw groote geest moet al zeer zwak en erbarmelijk zijn, als hij een dak behoeft tegen wind en regen, en eene beschutting legen de zon, die hij zelf eens schiep. Is uwe godheid evenals de onze overal tegenwoordig, welnu, valt dan voor haar neder en aanbidt haar aan alle plaatsen gelijk wij het doen, en gij kunt n verzekerd houden overal door haar gehoord te zullen woi'den.

»De God Israëls hoort zijn volk aan alle plaatsen,quot; riep de hoogepriester. »Hij heeft ons geroep gehoord, toen wij, ver van ons land als slaven van den pharao, tichelen bakten en versmachtten. Hij hoorde en zag ons, toen wij aan de wateren liabvlons weenden. Hij koos uw vader tot het werktuig onzer bevrijding, en zal ook heden mijn gebed verhooren en uw hart vermurwen. O, groote koning, veroorloof uwen knechten eene gemeenschappelijke offerplaats te bouwen voor de twaalt verdeelde stammen van hun volk, een altaar voor welks trappen zij te zamen voor u kunnen bidden, een huis in hetwelk zij gemeenschappelijk hunne feestdagen kunnen vieren. Voor deze gunsl zullen wij de genade onzes Heeren over uw hoofd, en zijn vloek over uwe vijanden afsmeeken.quot;

^Veroorloof mijnen broederen hun tempel op te bouwen ! bad ook Beltsazar, de rijkste en aanzienlijkste der Joden, die in Babel waren achtergebleven, dien Cyrus met groote onderscheiding behandeld en dikwijls om raad gevraagd had.

i

ocr page 211

200

ïiZoudl gij clan den vrede bewaren, indien ik aan uwe bede gehoor gaf?quot; vroeg de koning. »Mijn vader vergunde u liet werk te beginnen, en verschafte u de middelen om het te volbrengen. Eendrachtig en gelukkig zijt ge van Babyion naar uw land getogen. Maar nauw waart ge aan het bouwen, of daar barstten twist en tweedracht los. Tallooze verzoekschriften, dooide aanzienlijkste Syriërs onderteekend, bestormden Cyrus, of het hem behagen mocht den tempelbouw te doen stakèn. Nog niet lang geleden ben ik zelf door uwe landslieden, de Samaritanen, dringend aangezocht, de voortzetting van het werk te verhinderen. Bidt dus tot uw God, waar en op welke wijze gij wilt: maar hoe genegen ik u ook ben, kan ik loch mijne toestemming niet verleenen tot voortzetting van een werk, dat slechts twist en oneenigheid onder uw volk sticht.quot;

»Wilt gij op dezen dag eene bewilliging intrekken, die uw vader ons in een koninklijken brief heeft gedaan?quot; vroeg Belt-sazar.

»Een brief?quot;

»Bie op den huidigen dag nog voorhanden moet zijn onder de bescheiden van uw rijk 1).quot;

»Zoodra gij hem vindt, en mij vertoont,quot; hervatte de koning, »wil ik niet slechts verlof geven lot het bouwen van den tempel, maar u zelfs op alle mogelijke wijze ondersteunen, opdat het werk spoedig voltooid zij. Be wil van mijn vader is mij even heilig als een bevel van de goden!quot;

»Is het mij dus toegestaan,quot; vroeg Beltsazar, ))het archief van Ekbatana, waar het geschrift aanwezig moet zijn, door uwe schrijvers te laten doorzoeken?quot;

»Ik geef u daartoe verlof; maar ik vrees, dat gij niets vinden zult! Zeg uwen landslieden, priester, dat ik tevreden ben over de uitrusting der krijgslieden, die zij naar Perzië zonden, om den tocht tegen de Massageten mede te maken. Mijn veldheer Megabyzus roemt hunne houding en hun krijgshaftig voorkomen. Mogen zij, evenals in de oorlogen mijns vaders, de goede gedachten, die men van hen koestert, niet teleurstellen! — U, Beltsazar, noodig ik op het feest van mijn huwelijk met de Egyptische, en ik draag u op aan uwe landslieden Mesacl; en Abed Nego, de eerste mannen van Babyion na u, te zeggen, dat ik hen hedenavond aan mijne tafel verwacht.quot;

»Be God onzes volks Israel schenke u geluk en zegen!quot; sprak Beltsazar, I er wij 1 hij diep Ier aarde boog.

»Bezen wensch neem ik aan,quot; riep de koning, swant ik acht uw grooten Geest, die groote wonderen moet hebben gedaan niet voor

1

Zie Esi-a, VI, 2—12. Zacharia, 1—8.

ocr page 212

geheel machteloos. — Hoor nog dit, Beltsazar! Vele Joden hebben in den laatsten tijd van de goden der Babyloniers op smadelijke wijze gesproken, en zijn daarvoor gestraft geworden. Waarschuw uw volk! Het maakt zich gehaat door zijn stijfhoofdig bijgeloof en zijn hoogmoed, omdat het wil staande honden, dat zijn groote Geest de eenige ware godheid is! Neemt gijlieden een voorbeeld aan ons, die, tevreden met wat wij hebben, anderen in bet rustig bezit van het hunne laten. Hondt u zelve niet voor beter dan alle andere menschen. Ik ben u genegen, uw trots en uw gevoel van eigenwaarde behagen mij; zorgt evenwel dat uw trots niet, tot uwe eigene schade, in hoovaardij ontaarde! — Vaarwel en weest verzekerd van mijne voortdurende bescherming!quot;

üe Hebreërs verwijderden zich, wel teleurgesteld, doch niet geheel zonder hope, want Beltsazar wist bepaald, dat, dit stuk, hetwelk op den .Teruzalemschen tempelbouw betrekking had, in bet archief van Ekbatana voorhanden moest zijn.

Hen volgden ce gezantschappen der Syriërs en .Tonische Grieken. Het laatst van allen vertoonden zich mannen van woest uiterlijk en vreemden gelaatsvorm, in dierenhuiden gekleed. Hunne gordels, schouderbanden, boog-foedralen, strijdbijlen en lansspitsen bleken van ruw bearbeid, doch zuiver goud te zijn, en hunne hooge pelsmutsen waren met gouden sieraden overladen. Vóór hen ging een man in Perzische kleederdracht, wiens trekken echter bewezen, dat bij tot denzelfden stam behoorde, als de mannen die hem volgden ]).

De koning zag met verwondering op deze gezanten, terwijl zij den troon naderden. Hij fronste zijn voorhoofd, en den vreemdeling wenkende, die hen binnenleidde, zeide hij: »Wat begeeren deze menschen van mij ? —? Bedrieg ik mij niet, zoo behooren zij tot de Massageten, die weldra voor mijn wraak zullen sidderen. Zeg hun, Gobryas, dat een behoorlijk uitgerust leger in de Medische vlakte gereedstaat, om hun op iederen eisch met het zwaard te antwoorden!quot;

De vreemdeling boog zich en sprak: »Deze menschen zijn hedenmorgen, tijdens het offer, zwaar beladen met het zuiverste goud Babyion binnengetrokken, om den vrede van u te koopen. Toen zij vernamen, dat men een groot feest u ter eere vierde, drongen ze bij mij aan, dat ik hun nog heden de gelegenheid

1) Dezo episode is aan Herodotus, Diodorus en Justinus ontleend. Volgens Ctesias is Cyrus in een oorlog met de Derbiërs aan een wond gestorven. Xenophon geeft hem een rustig sterfbed, maar blijkbaar om den stichter van het Perzische rijk eene fraaie afscheidsrede in den mond te leggen.

ocr page 213

202

zou verscliaiïen, voor uw aangezicht to vei'scliijnen on u mede te deelen, met weikeu last zij door hunne landslieden uaar uwe poorte zijn gezonden.quot;

De wolk op 'skouings voorhoofd dreef af, zijn gelaat verhelderde. Met scherpen hlik nam hij ze op, die forsche mannen met hunne zware baarden en riep dan; »Dat. zij nadertreden! Ik hen nieuwsgierig' te hooren, welke voorstellen de moordenaren van mijn vader mij zullen doen.quot;

Gobryas gaf hun een teeken. De grootste en oudste der Mas-sageten trad, door den op Perzische wijze gekleeden man vergezeld, tol dicht voor den troon, en begon toen in de taal van zijn vaderland met luider stem te spreken. De man die naast hem stond, een Massagetisch krijgsgevangene van Gyrus, die de Perzische taal aangeleerd had, vertolkte den koning, volzin voor volzin, de toespraak van den woordvoerder der nomaden.

» \Vij weten,quot; ving- deze aan, ))dat gij, groote vorst, met wrok en wrevel jegens de Massageton vervuld zijl, wijl uw vader in een strijd tegen ons, dien liij zelf begon, schoon wij hem nooit heleedigden, gevallen is.quot;

»Mijn vader had reden te over om u te straiten,quot; viel de koning den spreker in de rede, »want uwe vorstin Tomyris ontzag zich niet, hom een weigerend antwoord te geven, toen hij naar hare hand dong.quot;

«Vertoorn u niet, o koning,quot; antwoordde de Massageet; omaar weet dat ons gansche volk deze weigering billijkte. Men had een onnoozel kind moeten zijn, om niet te doorzien, dat de grijze Gyrus slechts daarom onze koningin onder het getal zijner vrouwen verlangde op te nemen, wijl hij, heerschzuchtig als hij was, en onophoudelijk begeerig naar nieuwe uitbreiding van zijn gebied, met de koningin ook haar land hoopte machtig to worden,quot;

Gambyzes zweeg, maar de gezant vervolgde: «Gyrus lieteene brug slaan over den Araxes '), onze grensrivier. Wij waren zonder vreeze; daarom liet Tomyris hem weten, dat hij zich de moeite van eene brug te maken wel kon besparen, daar wij bereid waren, óf hem in ons land rustig af te wachten, en hem ongehinderd den Araxes te laten overschrijden, óf hem in zijn eigen land tegemoet te trekken.

«Gyrus besloot, en dat wel, gelijk wij later uil den mond van krijgsgevangenen vernamen, op raad van den onttroonden koning

1) Do Araxes (Aras) ontspringt in Armenië en ontlast zich in do Caspische zoo.

ocr page 214

203

van Lyilië, Gresus, ons op ons eigen gebied te komen bestoken en door list ten onder te brengen. Hij zond slechts een kleine ageeling van zijn leger er op at', liet dit door onze pijlen- en lansen verdelgen, en zag het aan, hoe wij zijne legerplaats zonder slag of stoot bemaclitigden. Wij dachten den veroveraar overwonnen te hebben, en hielden feest van den rijken voorraad der Perzen. Toen wij vergiftigd door den zoeten drank, dien gijlieden wijn noemt, en dien wij nog nooit geproefd hadden, in een diepen slaap verzonken waren en weerloos nederlagen, overviel ons mv leger en vermoordde een groot deel onzer beste krijgers. Velen werden ook gevangen genomen, onder anderen de heldhaftige Spargapises, do jeugdige zoon onzer koningin. Toen deze hoorde, dat zijne moeder bereid was vrede met uw vader te sluiten, op voorwaaafde dat de jonge held op vrije voeten zou worden gesteld, bad de edele jongeling, dat men hem van zijne ketenen zou ontdoen. Men voldeed aan zijn verlangen. Daarop vatte hij een zwaard en doorstak zich, uitroepende; »Ik offer mij op voor de vrijheid van mijn volk!quot;

Nauw hadden wij bericht gekregen van den dood van dezen dapperen jongeling, of wij trokken al de strijdkrachten samen, die niet onder uw zwaard gevallen waren, of niet in boeien zuchtten. Zelfs knapen en grijsaards grepen naar de wapens, en als een eenig man trokken wij uw vader te gemoet, omden edelen Spargapises te wreken, of gelijk hij, voor de vrijheid der Massageten te sterven. Het kwam tot een treffen. De Perzen werden geslagen. Gyrus sneuvelde. Tomyris vond zijn lijk, drijvende in een zee van bloed, en richtte deze woorden lot den doode: dOm verzadel ij ke. Ihans, zou ik meenen, hebt. gij nw dorst naar bloed kunnen lesschen!quot; De edele schaar, die gij de onsterfelijken noemt, wierp ons terug, en voerde uit onze dichte rijen het. overschot van uw vader met zich. Gij zelf streedt aan hunne spits; nw moed en uwe dapperheid waren die van een leeuw. Ik herken n, want het zwaard, dat aan mijne zijde hangt, sloeg de wonde, welker bloedig litteeken nu nog uw mannelijk gelaat siert!quot;

De menigte, die met ingehouden adem had geluisterd, sidderde voor het leven van den man, die zoo stout durfde spreken. Doch Cambyzos knikte hem minzaam toe, in plaats van toornig op te vliegen: «Ook ik herken u thans. Op dien dag bereedt gij een vuurrood ros, dat met gouden sieraden was bedekt. Wij Perzen, weten do dapperheid te waardeeren. ook in onze vijanden. Dat zult ook gij onder- inden ! Mijne vrienden, nooit zag ik scherper zwaard of onvermoeider arm, dan van dezen man. Buigt u voor hem neder, want heldengrootheid verdient, den eerbied van alle dapperen, onverschillig of zij zich bij vriend

ocr page 215

204

of bij vijand openbaart1). — Maar u, Massageet, raad ik, ijlings naar huis en haard terug te keeren, en u ten strijde uit te rusten, want de herinnering aan uw moed en uwe kracht prikkelt des te meer mijn verlangen, om met u te kampen. Sterke vijanden als gij, zijn mij bij Mithra, liever dan zwakke vrienden ! Ik wil u onverlet naar uw land laten trekken, Maar blijf niet te lang in mijne nabijheid, anders kon de gedachte aan de wraak, die ik mijns vaders ziel schuldig ben, mijn toorn wel eens doen ontwaken, en dan zou het einde uws levens niet verre zijn.quot;

De gebaarde krijgsman glimlachte, en antwoordde: «Wij Massageten zijn van oordeel, dat de ziel uws vaders meer dan gewroken is. l)e Perzen verloren hun koning, maar onze koningin had haar eenigen zoon te heweenen, die de trots was van ons volk, en niet minder edel en groot dan Cyrus. Vijftigduizend lijken van mijne landslieden lagen als een doodenofl'er aan do boorden van den Araxes, terwijl in dezen strijd slechts dertig duizend Perzen vielen. Wij vochten niet minder dapper dan gijlieden, maar uwe wapenrustingen zijn dichter en steviger dan de onze, en bieden weerstand aan de pijlen, die ons dadelijk de huid doorboren. Eu wat de kroon op alles zet, en de maat uwer wraak zekerlijk ten boorde vult, ook onze koningin Tomyris hebt gij gedood.quot;

))Tomyris leett niet meer!'?quot; riep Cambyzes, den spreker in de rede vallende. WVij Perzen, zouden eene vrouw vermoord heb-den? Wat is uwe koningin overkomen? Spreek!quot;

»De smart over den dood van haar eenigen zoon heeft haar, nu tien maanden geleden, doen bezwijken. Dus kon ik met alle recht zeggen, dat ook zij als een offer van den oorlog met de Perzen en voor de ziel uws vaders viel.quot;

»Zij was een groote vrouw,quot; zeide Carnbyzes zacht, als tot zichzelven. Dan vervolgde hij, zijne stern verheöende: «Waarlijk, Massageten, ik begin te gelooven, dat de goden zelve op zich genomen hebben, mijn vader op u te wreken. Maar hoe zwaar uwe verliezen ook schijnen mogen, Spargapises, Tomyris en vijftig duizend Massageten kunnen nog niet opwegen tegen de ziel van éen Perzischen koning, en allerminst tegen die van een Cyrus!quot;

»Bij ons te lande,quot; antwoordde de gezant, sis in den dood alles gelijk, en de ziel van een gestorven koning niet grooter dan die van een armen knecht. Uw vader was een groot man, maar onbeschrijfelijk veel hebben wij om zijnentwil geleden. Weet ook, o koning, dat ik u nog al de rampen niet heb op-

1

Deze trek is geheel overeenkomstig liet Perzisch karakter.

ocr page 216

205

gesomd, die sedert dien ongelukkigen krijg over ons land zijn uitgestort. — Na deu dood van Tomyris werden de Massageten door tweedracht verdeeld. Twee mannen stonden op, die'beweerden gelijke rechten op den ledigen troon te hebben. Het volk splitste zich in twee partijen. Een vreesdijke burgeroorlog, aanstonds gevolgd door eene besmettelijke ziekte, die talrijke offers eischte, dunde de schare onzer krijgers. Mocht gij volharden in uw voornemen om ons den oorlog aan te doen, zoo zouden wij u niet kunnen weerstaan, en daarom zijn wij gekomen om voor veel gouds den vrede van u te koopen.quot;

»Gij wilt u dus zonder slag of stoot onderwerpenvroeg Cam-byzes. »De sterkte van het leger, dat in de Medische vlakte bijeengetrokken is, kan u bewijzen, dat ik betere verwachting van uw heldenmoed heb gekoesterd. Zonder vijanden kunnen wij niet strijden, ik zal dus mijne macht ontbinden en u een stadhouder zenden. Ik heet u welkom als nieuwe onderdanen van mijn rijk.quot;

Bij deze woorden des konings kleurde een hoog rood de wangen van den Massagetischen held. Met bevende stem antwoor-de hij. »Gij dwaalt, o koning, indien gij meent, dat, wij de oude dapperheid verleerd hebben, of gezind zijn knechten te worden. Maar wij kennen uwe macht en weten, dat het kleine getal onzer, door het zwaard en de pestilentie gespaarde landslieden, tegen uwe ontzaglijke goed uitgeruste krijgsheeren niet is opgewassen. Hond en eerlijk, gelijk alle Massageten zijn, belijden wij u dit. Maar tegelijk verklaren wij, dat wij ons zelve zullen blijven regeeren, en niet voornemens zijn ooit van een Perzischen satraap wetten en voorschriften te ontvangen.— Gij ziet mij toornig aan! Toch hebt gij ons laatste woord vernomen.quot;

»Gij hebt slechts te kiezen,quot; antwoordde Cambyzes. »Buigtu onder mijn schepter, laat uw land onder den naam van de Mas-sagetische provincie bij Perzié inlijven, ontvangt met den ver-eischten eerbied een satraap, als vertegenwoordiger van mijn persoon, of beschouwt u als mijne vijanden, en rekent er dan op, dat gij door mijne legers tot dezelfde tlingen gedwongen zult worden, die ik u thans uit goedwilligheid aanbied. — Op den dag van heden kunt gij nog een vader in mij winnen; latei-zult gij mij slechts als een veroveraar en wreker over u zien komen. Bedenkt u dus wel, aleer gij een beslissend antwoord geeft 1quot;

»Wij hebben alles van te voren rijpelijk overwogen,quot; hernam de krijgsheld, jen begrepen dat wij, de vrije zonen der steppen, aan den dood boven de slavernij de voorkeur moesten geven.

))Hoor, wat onze oudsten u door mijn mond verder verkonden en

ocr page 217

ÜOÜ

raden. quot;Wij Massageten zijn niet door ons eigen toedoen, maar tengevolge van zware bezoekingen van onzen god, de zon, te zwak geworden om Perzië te wederstaan. Wij weten, dat gij een groot leger tegen ons hebt uitgerust, en zijn bereid door jaarlijkscbe schatting den vrede en de vrijheid van u te koopen. Weet dat, zoo gij desniettemin zoudt willen beproeven ons door geweld van wapenen ten onder te brengen, gij u zeiven de grootste schade zoudt berokkenen. Zoodra uwe krijgsmacht den Araxes nadert, zullen wij allen met vrouwen en kinderen opbreken, en een ander vaderland zoeken. Want wij wonen niet, gelijk gijlieden, in vaste steden en hnizen, maar zijn gewoon op onze paarden om te zwerven, en onder onze tenten slechts lijdelijk te rusten. Ons goud zullen wc met ons voeren, en de verborgene groeven, die nog groote schatten kunnen leveren, ontoegankelijk malven. Wij kennen al de plaatsen, waar edele metalen te delven zijn, en verklaren ons bereid, u jaarlijks daarvan groote hoeveelheden te schenken, zoo gij ons vrede en vrijheid gunt. Wilt gij ons daarentegen beoorlogen, zoo zult gij niets te bestrijden hebben dan eene ontvolkte wildernis en een onzichtbaren vijand, die u zeer geducht kan worden, zoodra hij van degeledene verliezen een weinig op zijn verhaal is gekomen. Laat gij ons den vrede en de vrijheid, zoo willen wij u, behalve het goud, jaarlijks nog vijfduizend snelvoetige steppenpaarden,benevens hulptroepen leveren, wanneer het Perzische rijk door ernstige gevaren mocht worden bedreigd.quot;

De gezant zweeg. Camhyzes staarde langen tijd peinzend voor zich op den grond. Eindelijk verhief hij zich van zijn 1roon, zeggende: sHedenavond, bij het drinkgelag, zullen wij krijgsraad beleggen, en morgen verneemt gij, welk antwoord gij aan uw volk hebt te brengen. Zorg Gohryas, dat deze lieden goed onthaald worden, en zend den Massageel, wien ik het litteeken op mijn aangezicht te danken heb, een deel der gerechten van mijne eigene tafel.quot;'

ocr page 218

V I K 11 D !•: H O O F D S T U K.

G-etlurondo (ill oiulerhoud zul. Ni lel is eenzaam en treurig in haar verbiijt' op tie hangende Ininen. Uien dag had zij voorliet, eerst de gerneenschajipe 1 ijke oilers van de vrouwen des konings bijgewooud, en beproeld onder den vi ijen hemel, voor het hoog opvlammende altaarvuur, onder hel rulschen der haar zoo vreemde tonen, tot hare nieuwe goden te bidden. De meeste bewoneressen van den koninklijken harem zagen de Egyptische bij deze feestelijke gelegenheid voor de eerste maal, en hielden de blikken niet van baar afgewend, in plaats van op te zien tot de godheid daarboven.

Beangstigd door de nieuwsgierige en vijandige blikken barer mededingsters; afgeleid door de duizenderlei tonen, die tul de stad haar tegenklonken; smartelijk aangedaan bij de herinnering aan de vurige gebeden, die zij in de plechtige,indrukwekkende stille dei- reuzentempels van haar vaderland, aan de zijde van moeder en zuster, tot de goden barer kindsheid had opgezonden, kon Nitetis, hoe groote behoefte haar hart ook gevoelde om voor den beminden koning op zijn feestdag geluk en voorspoed van de goden af te smeeken, hare ziel niet verheffen tot godsdienstige overdenkingen. Cassandane en Atossa lagen aan hare zijde geknield, en stemden van ganscber harte in met de gezangen der magiërs, die voor liet bedrukt gemoed dor Egyptische slechts ijdele klanken waren.

Deze gebeden, die soms een verheven dichterlijken geest ademen, vermoeien echter het oor door de gedurige herhaling van namen en aanroepingen van ontelbare goede en booze geesten. De Perzische vrouwen werden daardoor in de hoogste godsdienstige stemming gebracht; zij toch hadden van jongs afgeleerd, deze verhevene lofzangen als de heiligste en heerlijkste aller liederen te beschouwen. Deze gezangen hadden hare eerste gebeden begeleid, en waren haar dierbaar en heilig, gelijk alles wat wij van onze vaderen erven; gelijk alles wat ons in onze jeugd als 't gemoed nog zoo ontvankelijk is voor eiken indruk, als

ocr page 219

208

vereerenswaardig cn goddelijk wordt voorgehouden. Deze liederen konden evenwel den geest der Egyptische niet hoeieu, die vertrouwd was met de schoonste zangen van Hellas' dichters. Zij had zich nog niet vereenzelvigd met hetgeen zij onder zooveel inspanning had aangeleerd, cn terwijl de Perzische vrouwen de uitwendige vormen van haar godsdienst verrichtten, als ietsdat zij van jongs afhadden gekend, als iets dat vanzelf sprak, moest zij al hare geestkracht te hulp roepen, oin de voorgeschrevene ceremoniën niet te vergeten, en zich zoodoende niet bloot te geven voor de afgunstig loerende argusoogen harer mededingsters. Buitendien bad zij, weinige oogenblikken voordat de dienst een aanvang nam, den eersten brief uit Egypte ontvangen. Deze lag nog ongelezen op hare tafel en hield hare gedachten gansch en al bezig, zoodra zij zich tot bidden nederboog. Welke tijding zou hij haar brengenquot;.' Hoe zou het den geliefden ouders gaan Hoe zou zich Tachot houden, gescheiden van haar en van den beminden koningszoon'?

Toen de feestviering was afgeloopen, omarmde zij Gassandane en Atossa met verruimde borst, als ware zij aan een dreigend gevaar ontsnapt. Daarop liet zij zich naar hare woning dragen, en snelde zoodra zij binnenkwam met driftig verlangen naar de toilettafel, op welke het dierbaar schrijven lag. De eerste harer dienaressen, dezelfde jonge maagd die haar op de reis voor bet eerst in Perzisch gewaad had gekleed, ontving haar met een ondeugend en veelbeteekenend lachje, dat spoedig overging in een trek van de grootste verbazing, toen hare meesteres de op de tafel liggende sieraden met geen enkelen blik verwaardigde en slechts oogen had voor den lang verwachten brief.

Haastig verbrak Nitetis het was van het zegel, en wilde zich juist neerzetten, om een aanvang te maken met den ingespannen arbeid van het lezen, toen de dienstmaagd dicht bij haar kwam, en de handen in elkaar slaande, uitriep: »Bij Mitbra, meesteres, ik begrijp u niet! Gij moet krank zijn! Bevat dit grauwe, ellendige stuk papyrus misschien eenige tooverij,die hem of haar, die het beschouwt, voor al het schoone blind maakt'.' Leg dit rolletje maar spoedig op zijde, en bewonder de heerlijke zaken, die de groote koning, dien Aoeramazda met roem en eere krone, u toezond, terwijl gij bet feest bijwoondet. Bezie toch dit kostbare purperen kleed met witte strepen, er. dat prachtig zilveren stikwerk! Zie dezen tulband, met vorstelijke diamanten overladen! Weet gij dan niet, dat zulke gaven meer beduiden dan gewone feestgeschenken'.' Gambyzes iaat u verzoeken — verzoeken, heeft de bode gezegd, niet bevelen, — u met deze schoone en koninklijke sieraden te tooien voor den feestmaaltijd van heden. Of Phaedime ook woedend zal zijn!

ocr page 220

209

Welke oogen zullen de andere vrouwen opzetten, die nooit iets •dergelijks ontvingen! Tot op heden was Cassandane, de moeder van den koning, (ie eenige vrouw aan het hof, die purper en •diamanten mocht dragen. Nu Cambyzes u deze geschenken aan-hiedt, stelt hij u op gelijken rang met zijne doorluchtige moeder, en verheft u voor de oogen van het gansche volk tot zijne meestgeliefde gemalin en koningin. O, ik bid u, sta mij toe u met al deze nieuwe heerlijkheden te versieren. Wat zult gij schoon zijn! Wat, zullen die andere vrouwen afgunstig wezen! Wat zullen zij razen en woeden! Mocht ik er maar bij tegenwoordig zijn, als gij de feestzaal binnentreedt. Kom, goede meesteres, laat mij u van dit eenvoudige gewaad ontdoen, en u kleeden, gelijk het der nieuwe koningin past, al ware het slechts om te zien, hoe het u staan zal.quot;

Nitetis had de snapster bedaard aangehoord, en de kostbare geschenken met een glimlach bekeken. Zij was vrouw genoeg, om er zich over te verheugen. Zij werden haar toch gezonden door den man, dien zij liever had dan haar leven, en bewezen deze geschenken haar niet, dat zij den koning meer was dan al zijne andere vrouwen; dat, zij door Cambyzes bemind werd'? De brief, naar welken zij met hijgend verlangen had uitgezien, oniglipte nog ongelezen hare hand. Zwijgend gaf zij toe aan cle bede der dienstmaagd, en binnen weinige oogenblikken had zij eene volkomene gedaanteverwisseling ondergaan. Het vorstelijk purper verhoogde hare vorstelijke schoonheid, en hare edele, rijzige gestalte kwam onder den hoogen, van edelgesteenten schitterenden tulband eerst recht goed uit. Toen deep de kleedtafel liggende metalen spiegel haar voor de eerste maai haar eigen beeld vertoonde, in het volledig plechtgewaad eener koningin, nam haar gelaat een veranderde uitdrukking aan. Het was als spiegelde er zich een deel van den trots baars gemaals en gebieders op af. — De lichtvaardige kaïnerjuffer zonk onwillekeurig op de knieën, loen de fonkelende blik der meest geliefde vrouw van den machtigste aller mannen haar van blijde verrukking tintelend oog ontmoette.

Gedurende eenige seconden zag Nitetis op het meisje, dat vol eerbied aan hare voeten lag. Daarop schudde zij, van schaamte blozende, het schoone hoofd, boog zich tot de knielende neder, richtte haar vriendelijk op, kuste haar op het voorhoofd, en schonk haar een gouden armband. Toen daarop haar blik viel op den brief, die op den grond was gevallen, verzocht zij het meisje zich te verwijderen. Mandane verliet het vertrek van hare meesteres op ecu drafje, om het rijke geschenk aan hare on-derhoorige vrouwen, de lagere kamerjullers cn slavinnen, te toonen. Nitetis vlijde zich in den voor de toilettafel staanden

li

ocr page 221

'210

elpenbeenen leunstoel neder. Hare oogen vloeiden over van vreugdetranen; 'tscheen dat haar hart te klein was om al dit geluk te bevatten. Zij zond een kort dankgebed op tot hare Egyptische lievelingsgodin, de schoone Hathor, kuste de gouden keten, die Cambyzes haar, na het redden van haren bal, had omgehangen, bracht den brief uit het vaderland aan hare lippen, en ontrolde dien met van blijdschap bevende vingeren, terwijl zij zich diep in de purperen kussens verschool en prevelde: »Hoe komt het toch, dat. ik zoo vroolijk, zoo overgelukkig ben ? Arme brief, zij, die u geschreven heeft, kon zich zeker niet voorstellen, dat Ni iet is u een kwartier uurs lang ongelezen op den grond zou laten liggen!quot;

Met den lach der opgeruimdheid om de lippen begon zij te lezen; maar die lach verdween allengs, om plaats te maken voor een trek van bekommering. Toen zij aan het einde van den brief was gekomen, ontgleed hij wederom aan hare hand. Die oogen, welker trotsche blik de dienstmaagd had doen neêr-knielen, baadden in tranen; het hoofd, dat zich straks zoo fier verhief, zonk mat en lusteloos neder op de sieraden, die de tafel bedekten. Tranen bevochtigden de parelen en diamanten. Voorwaar, eene vreemde tegenstelling! Weinig paste de trotsche tulband bij de ingezonkene gestalte van haar die hem droeg.

De brief bevatte het navolgende:

iLadice, vrouw van Amasis en koningin van Opper en Neder-Egypte, aan hare dochter Nitetis, gemalinne van den machtigen koning van Perzië.

a Wanneer gij, beminde dochter, zoo langen tijd zonder berichten uit uw vaderland zijt gebleven, lag de schuld daarvan niet aan ons. De triëre, die de voor u bestemde brieven naar Sidon zou overbrengen, is door Samische oorlogsschepen, die men liever zeeroofschepen moest noemen, genomen en in de haven van Astypalaia 1) opgebracht.

uDe vermetelheid van Polycrates, wien alles wat hij onderneemt, gelukt, wordt dagelijks grooter. Geen vaartuig is; voor zijne roofschepen veilig, sedert hij de Lesbiërs en Milesiërs, die het monster zochten te breidelen, overwonnen heeft. De zonen van den overleden Pisistratus zijn zijne vrienden. Lygdarnis is hem veel verplicht, en heeft de hulp der Samiërs van noode, om zijne heerschappij op Naxos te handhaven. De grieksche Am-phiktyonen heeft hij in zijn belang gewonnen, door Appolo van Delos het naburige eiland Rhenia 2) te schenken. Alle vaartuigen,

1

Sidon was eene havenstad in Syrië. Met Astypalaia is de burclit van Polycratus van Sarnos bedoeld, die met ronde torens was versterkt,

2

Een der noordelijke Cycladen.

ocr page 222

2 i 1

onverschillig tot welke natie zij behooren, worden verontrust door zijne vijftigriemsschepen, die te zamen eene bemanning van twintigduizend matrozen hebben. Toch waagt niemand het hem aan te tasten; want hij is altijd door voortreffelijk geoefende lijfwachten omgeven, en heeft zijn burcht en de prachtige haven-dammen van Samos zoo versterkt, dat zij onneembaar mogen heeten. De kooplieden, die den gelukkigen Kolaeus ') naar het westen volgden, en de roofschepen, die niemand ontzien, zullen Samos tot het rijkste eiland, en Polycrates tot don mach tigs ten vorst maken, wanneer ten minste niet, gelijk uw vader zegt,de goden het zoo buitengewoon groot geluk van dezen mensch met afgunst aanzien, en hem een onverwachten ondergang bereiden.

»Dit vreezende, ried Amasis zijn ouden vriend Polycrates, ten einde zich van de bescherming der goden te verzekeren, afstand te doen van datgene, waarvan het verlies hem quot;t meest zou bedroeven, en wel op zulk een wijze, dat hij het nimmer terug kon krijgen. Polycrates gaf gehoor aan dezen raad, en wierp den kostbaarsten zegelring dien hij bezat, een meesterstuk van Theodoras, bestaande uit een sardonyx van ontzaglijke grootte, die door twee dolfijnen gedragen werd, en waarop eene lier, het wapen van den tyran, bijzonder kunstig gegraveerd was, van den top des ronden torens van zijn burcht in zee 1). Zes dagen later vonden zijne koks den zegelring terug in het lichaam van een visch. Polycrates liet ons dadelijk deze vreemde gebeurtenis boodschappen ; maar in plaats van zich te verblijden, schudde uw vader verdrietig het grijze hoofd en zeide: hieruit leeren wij. dat men niemand aan zijn noodlot kan ontrukken. Op denzelfden dag zeide hij Polycrates de oude vriendschap op, en liet hem weten, dat hij zijn best zou doen hem te vergeten, opdat hem de smart bespaard mocht worden, een mensch dien hij liefhad ongelukkig te zien. Polycrates maakte zich vroolijk over deze boodschap, en zond ons de brieven, die zijne zeeroo-vers onze triëre ontnomen hadden, met een spottenden groet terug. Van nu aan zullen al onze brieven aan u over Syrië gezonden worden.

»Gij vraagt, waarom ik u deze lange geschiedenis, waarin gij zeker niet half zoo veel belang stelt als in de kleinste berichten

1

Ygl. Schillers Ballade: „Der Pang des Polykrates.quot; De hedendaagsche Arabieren vertellen eene dergelijke geschiedenis, doch zij laten den held hunner geschiedenis den ring bij toeval verliezen.

ocr page 223

uit hel ouderlijke huis, geschreven heb? Mijn antwoord is, om u op het vernemen van den toestand uws vaders voor te bereiden.

«Herkent inj den vroolijken, levenslustigen, zorgeloozen Ama-sis uit die sombere woorden, die hij den Samischen vriend toeriep'?

»Ach, mijn echtgenoot heeft wel reden om treurig te zijn, en de oogeu uwer moeder zijn sedert uw vertrek naar Perzië nooit, zonder tranen. Van het ziekbed uwer zuster spoed ik mij tot uw vader, om hem te troosten en zijne schreden te besturen. Ik maak mij den nacht ton nutte, om u deze regelen te schrijven, schoon ik groote behoefte aan rust heb.

»Tot zoover was ik gekomen, toen ik door de waaksters werd geroepen om bij uwe zuster ïachot te komen, die u zoo innig liefheeft. Hoe dikwijls heeft onze dierbare, als de koorts haar deed ijlen, uw naam uitgeroepen! Hoe zorgvuldig bewaart zij een wassen beeltenis 1) van u, welker gelijkenis de voortreffelijkheid der Grieksche kunst en het meesterschap van dengroo-ten Theodoras bewijst! Morgen zullen wij het beeldje naar Aegina zenden, om, het daar in goud te doen namaken. Het feeder was is niet bestand tegen de brandende handen en lippen uwer zuster, die zoo dikwijls met het portretje in aanraking komen.

«Verzamel thans al uw moed, mijne dochter, gelijk ik al mijne krachten wil inspannen, om u in behoorlijke orde te schetsen al wat de goden over ons huis hebben doen komen.

»Na uw vertrek heeft Tachot drie dagen lang zonder ophouden geweend. Al onze troostwoorden, alle vermaningen van uw vader, alle offers en gebeden waren niet in staat, de smart van het arme kind te verzachten of af te leiden. Op den vierden dag eindelijk droogden hare tranen. Met zachte stem, en schijnbaar zeer gelaten, beantwoordde zij de vragen, die haar gedaan werden, het grootste gedeelte van den dag zat zij evenwel zwij-. gend voor haar spinrokken. De anders zoo vlugge en behendige vingers rukten de draden stuk, wanneer zij niet uren lang met de handen roerloos in den school zat te droomen. Zij, die anders zoo hartelijk kon lachen om de geestige scherts van uw vader, hoorde hem nu slechts met ijskoude onverschilligheid aan; en naar mijne moederlijke vermaningen luisterde zij in angstige spanning. Als ik haar op haar voorhoofd kuste en bad zich-zelve te bebeerschen, vloog zij mij met een hoog rooden blos op de wangen om den hals, zette zich dan weer voor haar spinrokken, en trok met een bijkans woeste drift hel vlas van

quot;1) Men boetseerde in dien tijd niet alleen vruchten maar ook beeldjes in was. Zoo maakt de dichter Anacreon gewag van een wassen Eros-beeldje, dat hij van een knaap voor negen stuivers kocht.

ocr page 224

213

den haspel. Maar een halfuur later lagen hare handen wederom werkeloos in haren schoot, en was haar blik opnieuw in (iroomerig gepeins op éen enkel punt in de lucht of op den grond gevestigd. Drongen we bij haar aan om deel te nemen aan het een of ander feest, dan sloop zij onrustig tusschen de gasten rond, zonder zich met iets of met iemand in te laien.

»Toen wij haar op de groote bedevaart naar Bubastis met ons namen, gedurende welke het Egyptische volk zijn ernst geheel aflegt, zijn gevoel van eigenwaarde verloochent, en de Nijl met zijne oevers een groot schouwtooneel oplevert, waarop dronken koren saterspelen uitvoeren, die spelers en toeschouwers beiden tot de grootste uitgelatenheid opwinden; toen zij dan voor de eerste maal van haar leven te Bubastis 1) het geheeie volk, dat zich aan de meest onbeperkte vreugde overgaf, vereenigd zag, ontwaakte zij uit hare sombere mijmeringen, en begon als in de eerste dagen na uwe afreize opnieuw hartstochtelijk te weenen. Diep bedroefd, bijna radeloos, brachten wij uwe arme zuster naar Saïs terug.

sHaar geheeie voorkomen had eene groote verandering ondergaan, en zoo iets edels, zoo iels verhevens aangenomen, dat men had kunnen denken eene godheid te aanschouwen. Zij was veel magerder, maar langer geworden, naar wij allen meenden op te merken. De tint harer huid was in een doodschij-nend wit overgegaan, terwijl hare wangen met een licht blosje gekleurd waren, teer als de kleur van een jong rozeblad ofhet eerste gloren van het morgenrood. Nog voortdurend schitteren hare oogen zoo wonderbaar schoon en helder. Het komt mij altijd voor, dat die oogen meer aanschouwen, dan wat zich op de aarde en aan den hemel beweegt. Het is mij, als moeten zij over het geschapene heen in eene andere wereld zien. — Daar hare handen en haar voorhoofd gedurig heeter werden en menigmaal eene lichte huivering haar teeder lichaam doorliep

1

Bubastis lag ten oosten van den Pelusinischen Nijlarin, op de hoogte van een kanaal, dat naar de Arabische golf liep. Herodotus geeft van dit uitgelaten feest de volgende schildering: Mannen en vrouwen varen te zamen in groote booten den Nijl af. Sommige vrouwen houden kleppen in de handen, waarmede zij voortdurend klepperen. De mannen spelen op de fluit, en het overige gezelschap klapt in de handen. Komen zij aan eene stad, dan legt de boot aan en maken zij allerlei zonderlinge misbaar. Te Bubastis worden dan groote offers gebracht. Meer dan 700.000 menschen komen er gewoonlijk samen. Op dit feest wordt meer wijn gedronken dan gedurende al de overige dagen van het jaar. — Uit de opschriften weten wij, dat te Dendera een dergelijk feest ter eere van Hathor werd gevierd. Ebers meende in de jaarmarkt van Tanta, een stadje eenige mijlen van het oude Bubastis gelegen, nog een overblijfsel van het oude feest te zien (Vgl. Ebers, Aegyplen in Bild und Wort, I, 88 f).

ocr page 225

214

ontboden wij Imhotep, den meest beroemden arts voor inwendige krankheden, uit Thebe naar Saïs.

»De geleerde priester, die zooveel ondervinding heeft, schudde het hoofd, zoodra hij uwe zuster zag, en voorspelde dat zij eene zware ziekte onder de leden had. Van dit oogenblik mocht zij niet meer spinnen en slechts weinig spreken. Zij moest allerlei dranken innemen. Men hield lange consulten over den aard van haar lijden, en trachtte de kwaal te bezweren 1). De sterren en orakels werden geraadpleegd, den goden rijke offers gebracht en geschenken aangeboden. De Isis priesters van het eiland Philae zonden ons voor de zieke eene gewijde amulet, de Osiris-priesters van Abydus eene in goud gevatte haarlok van Osiris. Neithotep, de opperpriester onzer beschermgodin, deed een groot offer plaats hebben, hetwelk aan de arme kranke de gezondheid zeker zou hergeven.

»Maar artsen, noch bezweringen, noch amuletten brachten hulp. Neithotep ontveinsde mij ten laatste niet meer, dat Ta-chot's sterren weinig hoop gaven. In die dagen stierf de heilige stier van Memphis. De priesters vonden geen hart in zijn lichaam en verkondigden dat er groote onheilen over Egypte zouden komen. Tot op den huidigen dag heeft men nog geen nieuwen Apis gevonden. Men houdt het er voor, dat de goden vertoornd zijn op het rijk van uw vader, en het orakel van Buto heeft verkondigd, dat de onsterfelijken eerst dan hunne gunst wederom aan Egypte zullen verleenen, als alle, voor den dienst van vreemde goden op de zwarte aarde2) gebouwde tempels vernield, en zij die den valschen goden offeren uit Egypte verbannen zullen zijn.

»De booze voorteekenen hebben niet gelogen. ïachot werd door eene heftige koorts aangetast. Negen dagen lang zweefde zij tusschen dood en leven. En thans is zij nog zoo zwak, dat zij gedragen moet worden, en hand noch voet verroeren kan.

»Öp den tocht naar Bubastis had Amasis een oogontstek.ug gekregen, hetgeen hier in Egypte geen zeldzaamheid is 3). In

1

De Egyptische geneesheeren schijnen de krankheden dikwijls bezworen te hebben. Er zijn verschillende papyrussen gevonden met geneeskundige voorschriften, die allermerkwaardigste bijzonderheden dienaangaande behelzen. Sommige ziekten worden er nauwkeurig in beschreven, allerlei geneesmiddelen opgesomd. Van hetgeen o.a. voorkomt in den medischen papyrus, door Ebers zeiven ontdekt en uitgegeven, heeft luj op meer dan ééne plaats in zijne Ward a gebruik gemaakt.

2

Egypte, dat door zijne oudste bewoners Cham, d.i. het zwarte werd genoemd, naar de zwarte kleur van den grond.

3

De Egyptische oogziekte, die ook bij ons niet onbekend is gebleven, moet reeds in de vroegste tijden aan de boorden van den Nijl gewoed hebben. De Egyptische oogartsen waren in dezen tijd reeds zeer beroemd.

ocr page 226

plaats van zijne oogen, deze zoo onontbeerlijke zintuigen, rust te gunnen, ging hij voort met, als voorheen, van het opgaan tier zon tot op den middag te arbeiden. Zoolang de koortsen uwer zuster het hevigst waren, week hij, in spijt onzer vermaningen en smeekingen geen oogenblik van de sponde der dierbare.

»Maar ik moet kort zijn, mijne dochter! — De oogziekte nam van dag tot dag in hevigheid toe, en op denzelfden dag, op welken wij het bericht uwer behoudene aankomst, te Babyion ontvingen, werd Amasis blind. Sedert is de opgeruimde, krachtige man van voorheen een in zichzelven gekeerde, zwakkelijke grijsaard geworden. De dood van den Apis, de onheilspellende teekenen aan den hemel, en de ongunstige godspraken verontrustten zijn gemoed. De duisternis die hem onafgebroken omgeeft, werpt een somber floers over zijne vroolijkheid. Het bewustzijn, zich zonder hulp niet te kunnen bewegen, berooft hem van zijne wilskracht. De moedige, zelfstandige monarch is op het punt een lijdelijk werktuig der priesters te worden. Uren achtereen toeft hij in den tempel van Neith, om te bidden en te offeren. Een groot aantal arbeiders bouwen daar, op zijn last, eene woning voor zijne eigene mummie, terwijl een niet minder groot aantal het heiligdom van Apollo, dat de Hellenen te Memphis zijn begonnen te bouwen, met den grond gelijk moeten maken. Zijn eigen ongeluk en dat van Tachot noemt hij eene rechtvaardige straf van de Onsterfelijken.

)gt;Zijne bezoeken aan het bed der kranke verschaffen haar weinig troost; want in plaats van het lieve kind op te beuren, poogt hij haar te bewijzen, dat ook zij deze bezoeking verdiend heeft. Al de kracht zijner welsprekendheid put hij uit, om. Tacliot tot de overtuiging te brengen, dat zij de aarde geheel moet vergeten, en door onophoudelijke gebeden en offeranden, de genade van Osiris en van de rechters in de benedenwereld moet zoeken te verwerven. Zoo foltert hij de ziel onzer lieveling, die nog zoo gaarne zou blijven leven. Misschien ben ik voor eene Egyptische koningin te veel Griekin gebleven; maar de dood is zoo lang en het leven zoo kort, dat ik de wijzen onwijs noem, die door eeuwig aan den donkeren Hades te denken, aan dezen heerschappij verleenen over de helft van ons leven.

»Opnieuw ben ik in mijn schrijven gestoord geworden. Im-

Heroiiotus zegt dut tiet in Egypte van oogartsen wemelde, en op de gedeukteekenen vinden wij vele afbeeldingen van blinden. Geweldige, oogontstekingen worden beden ten dage zeer dikwijls in Egypte aange-trotl'en. De door Ebers uitgegeven papyrus behelst ook hierover belangrijke bijzonderheden.

ocr page 227

2!0

hotep, de groote geneesmeester, was gekomen, om naar tien. toestand onzer lieve kranke te zien. Hij geeft weinig hoop, ja schijnt er zich over te verbazen, dat dit brooze lichaam de heftige aanvallen van den dood zoolang weerstand heeft kunnen bieden. Zij zou al lang niet meer onder de levenden zijn, zeide hij gisteren, -oo zij niet den vasten wil had nog op aarde te blijven, en niet gesterkt werd door een rusteloos heimwee om te leven. Zij zou, zoodra zij de begeerte om te blijven leven opgaf, kunnen sterven, gelijk wij ons nederleggen om in slaap te vallen. W ordt haar hoogste wensch vervuld, dat niet waarschijnlijk is, zoo kan zij misschien haar leven nog enkele jaren r kken. Blijlt hare hoop nog eenigen tijd onverwezenlij kt, dan zal zij door hetzelfde hijgende verlangen, dat haar nu belet te sterven, inwendig geheel verteerd en eindelijk gedood worden. Kunt gij gissen waarnaar hare ziele smacht'? Ik kan het met een enkel woord zeggen. Onze Tachot heeft zich door den schooiden broeder van uw gemaal laten betooveren. Ik wil hiermede niet zeggen, dat de jonkman, gelijk de priester Amen-em-an gelooft, zich van magische middelen heeft bediend, om haar in liefde te doen ontgloeien; want zulk eene schoonheid en aanvalligheid als Bartja bezit, is zeker wel in staat om het hart van eene onschuldige jonkvrouw, die nog ternauwernood den kinderleeftijd is ontwassen, te veroveren. Maar zij heeft hem zoo hartstochtelijk lief, en de verandering is hij haar zoo groot dat ik zelve dikwijls aan een bovennatuurlijken invloed heb gedacht. Reeds vóór uw vertrek bemerkte ik, dat uwe zuster hooglijk was ingenomen met den jongen Pers. Aanvankelijk meenden we, dat hare tranen u golden, die van haar was weggegaan; maar toen zij ophield met weenen en in doffe mijmeringen verzonk, zeide Ibycus, die toen ter tijd nog aan 'het hof was, dat de jonkvrouw gewis aan een man haar hart moest hebben geschonken.

sToen zij op zekeren dag droomend voor haar spinnewiel zat,, zong hij zachtkens het minneliedje van Sappho:

:Wil quot;iet treuren, lieve moeder!

Wijl mijn taak niet is volbracht.

Want de liefde bindt mijn handen,

Wie weerstaat toch Cypris macht?'

»Zij verbleekte, bij het vernemen dezer woorden en vroeg: ,Hebt gij zelf dit liedeken gemaakt, Ibycus?'

'Neen,' antwoordde hij, »Sappho van Lesbos zong het voor omtrent vijftig jaren.quot;

,Vóür vijftig jaren,' herhaalde Tachot peinzende.

ocr page 228

,De liefde blijft steeds zichzelve gelijk,' viel de dichter haar in de rede; ,gelijk Sapplio voor vijftig jaren minde, heeft men eeuwen geleden bemint, zal men na duizenden jaren nog beminnen.'

»De kranke gaf door een vriendelijk lachje te kennen, dat zij van dezelfde gedachte was. Van toen af neuriede zij dikwijls dat liedje, als zij werkeloos hij haar spinrokken zat. Desniettemin vermeden wij angstvallig alle vragen, die haar aan den geliefde konden herinneren. Maar telkens, als de koorts op het hevigst was, hielden hare brandende lippen niet op den naam van Bartja uit te roepen. En toen zij haar bewuslziin had teruggekregen, en wij haar zeiden hoe zij geijld had, stortte zij hare gansche ziel voor hare moeder uit, en zeide met eene stem. zoo plechtig als verkondigde ze eene godspraak, en met den blik ten liemel geslagen: ,Ik weet dat ik niet sterven zal, voordat ik hem zal hebben wedergezien.'

»Onlangs hadden wij haar in den tempel doen dragen, omdat zij zoo vurig verlangde in de heilige voorhoven te bidden. Toen de godsdienstoefening was afgeloopen, en wij de aan de poort spelende kinderen voorbijgingen, viel haar oog op een klein meisje, dat met groote ingenomenheid iets aan hare speelgenootjes verhaalde. Aanstonds beval zij den dragers den draagstoel neer te zetten en het kind ie roepen.

»\Vat zeidet ge daar?quot; vroeg ze aan het meisje.

,Ik vertelde van mijne oudste zuster.'

)),Mag ik liet ook weten?' vroeg ïachot, zoo vriendelijk en goedig, dat de kleine, zonder de minste verlegenheid, dadelijk haai' verhaal begon; ,Bataoe, de bruigom mijner zuster, is gisteren geheel onverwacht uit Thebe teruggekomen. Toen deïsis-ster ') opging, klom hij eensklaps op ons dak, waar Hathor juist met vader zat te dammen. Hij bracht een schoonen gouden bruidskrans voor baar mede.'

))Tachot kuste het kind en schonk het haar kostbaren waaier. Toen wij tehuis kwamen, zeide zij met een schalksch lachje: ,Gij weet wel, lief moedertje, dat de woorden der kinderen in het voorhof des tempels voor godspraken gehouden worden. Zoo de kleine niet gelogen heeft, dan moet hij komen! Hebt gij niet gehoord, dat hij den bruidskrans mede zal brengen! O moeder, ik weet zeker, ik ben er stellig van overtuigd, dat ik hem zal wederzien!'

sToen ik Tachot gisteren vroeg, of zij ook iets aan u te zeg-

1) Dp planeet Venus. Gelijk ons uit zeer oude gedenkteekenen blijkt, waren de Egyptenaren reeds vroeg bekend met de indeutiteit van de morgen- en avondster.

ocr page 229

gen had, verzocht zij mij u te melden, dat zij u duizend groeten en kussen zond, en voornemens was zelve aan u te schrijven, zoodra zij sterker zou zijn geworden; want zij had u veel, veel te vertellen. — Daar zend ze mij juist bijgaand briefje, dat voor u alleen bestemd is. Zij heeft het met veel moeite geschreven.

«Thans moet ik mij haasten, om dezen brief te eindigen, want de bode wacht er reeds lang op.

«Zoo gaarne zou ik u nog eens iets verblijdends molden. Maar waarheen zich mijn blik ook wendt, ik bespeur niets dantreu-righeid. Uw broeder wordt hoe langer hoe meer de slaaf onzer heerschzuchtige priesterkaste, en heeft in den laatsten tijd, onder voorlichting van Neithotep, in de plaats van uw armen vader het rijk moeten besturen. Amasis laat Psamtik de handen geheel vrij. Het is mij onverschillig, zegt hij, of mijn zoon eenige dagen vroeger of later den troon beklimt. Hij belette uw broeder ook niet, de kinderen van den gewezen overste der lijfwacht, Phanes, gewelddadig uit het huis der Helleensche Rhodopis op te lichten. Hij billijkt zelfs, dat de prins in onderhandeling trad met do nakomelingen der tweemaal honderdduizend strijders, die onder de regeering van Psamtik I, wegens de bevoorrechting der Jo-nische krijgslieden, naar Ethiopië waren uitgeweken. Ingeval zij bereid mochten zijn in hun vaderland terug te keeren, zouden de Grieksche soldaten ontslagen kunnen worden. Maar de hiertoe door hem gedane stappen bleven zonder gevolg. 13e Hellenen achtten zich daarentegen zwaar beleedigd door de onwaardige behandeling der kinderen van Phanes. ïoen het zoontje van Phanes, op bevel van uw broeder was ter dood gebracht, dreigde Aristomachus met tienduizend der beste soldaten Egypte te zullen verlaten, en verlangde op staanden voet zijn ontslag. Aristomachus is evenwel opeens verdwenen. Niemand weet waarheen hij gegaan is, doch de Grieken hebben zich dezen nieuwen hoon niet zwaar aangetrokken naar 't schijnt, althans zich voor groote sommen laten vinden om in Egypte te blijven.

«Amasis zweeg onder dit alles, offerde en bad, gelaten toeziende, hoe zijn zoon alle klassen van het volk nu eens zwaar beleedigde, dan weer in hunne dierbaarste belangen griefde. Helleensche en Egyptische krijgsoversten, gelijk ook de nomarchen, uit onderscheidene provinciën, hebben mij verzekerd, dat de tegenwoordige staat van zaken op den duur onhoudbaar is. Men weet niet meer hoe men 't heeft met den nieuwen rijksbestuurder. Heden beveelt hij, wat hij gisteren met heftigheid verbood. Hij schijnt het er alleen op toe te leggen, den schoonen band, die tot dusverre het Egyptische volk en zijne koningen veree-nigde, te verbreken.

«Vaarwel mijne dochter! Denk vaak aan uwe arme, lijdende

ocr page 230

213

vriendin en aan uwe moeder! Duid hel uw ouders niel (en kwade, dat zij u deelgenoot.e maakten van wat zij zoo lang voet-u verzwegen hebben. Bid voor Tachot! Breng onze groeten over aan Cresus en de jonge Perzen, die wij hier leerden kennen! Stel Bartja den groet uwer zuster ter hand, en zeg hem, dat ik hem bidde dien te beschouwen, als hem door eene stervende vermaakt. Wellicht kunt gij uwe zuster een bewijs zenden, dat de jonge Pers haar niet geheel iieeft vergeten.

»Leef gelukkig in uw nieuw bloeiend vaderland!quot;

ocr page 231

V IJ F DE li O O F D S T U K.

Voorspelt het gulden morgenrood niet zelden een regenach-tigen dag, de blijde verwachting is meermalen eene voorbode van droeve gebeurtenissen.

Hoe hartelijk had Nitetis zich over dezen brief niet verheugd, die toch slechts bestemd was, alsem in den zoeten kelk van liaar geluk te druppelen. Met een tooverslag had hij een schoon gedeelte van haar innerlijk leven, de blijde herinnering aan het lieve vaderland, en aan de deelgenooten van het reine geluk barer kindsheid vernietigd. Terwijl zij daar in het vorstelijk purper weenend neerzat, kon zij aan niets anders denken dan aan de smart van hare moeder, aan het ongeluk van haar vader en aan de krankheid van hare zuster. De heerlijke toekomst die haar tegenlachte, die sprak van geluk, van machten van liefde, verdween voor haar door tranen verduisterden blik. De bevoorrechte bruid van Cambyzes vergat den geliefde, dié haar met geopende armen verbeidde; de toekomstige koningin van Perzië kon slechts tranen storten over het ongeluk van liet Egyptische vorstenhuis.

Sinds lang reeds had de zon haar middaghoogte bereikt,, toen Mandane, de kamerjufl'er, het vertrek binnentrad, om de laatste hand te leggen aan de kleeding barer meesteres. »Zij slaapt,quot; dacht het meisje; »een kwartiertje kan ik haar nog wel laten rusten. Het offerfeest zal haar vermoeid hebben, en aan het feestmaal moet zij in volle frischheid en schoonheid verschijnen,, om helderder te schitteren dan al de anderen, gelijk het licht der maan dat der sterren overtreft.quot;

Zonder door hare meesteres te zijn opgemerkt, sloop zij uit bet vertrek, waarvan de vensters een verrukkend uitzicht hadden op de hangende tuinen, de reuzenstad, de rivier en de vruchtbare Babylonische vlakte. Zonder om te zien, liep zij naar een bloembed om rozen te plukken. Hare oogen waren als gekluisterd aan den nieuwen armband, in welks edelgesteente zich de stra-

ocr page 232

len der middagzon spiegelden. Zij bemerkte dus den rijkgeklee-den man niet, die met uitgerekten hals door een venster in hel vertrek gluurde, waar Nitetis bedroefd nederzat. De gestoorde en, zoo bij meende, op beeterdaad betrapte spion, wendde zich aanstonds tot het meisje, en riep met krijschande stem: »Wees gegroet, scboone Mandane!quot;

De kamerjuffer maakte eene beweging van schrik en zeide, toen zij den eunuch gewaar werd: »Het staat u niet mooi, heer, een arm meisje zoo te doen ontstellen! Ik zou, bij Mithra, ii: onmacht zijn gevallen, als ik u gezien bad, alvorens het geluid uwer stem te hooren. Vrouwenstemmen verschrikken mij niet; een mannelijk wezen daarentegen is in deze eenzaamheid eene «ven groote zeldzaamheid, als een zwaan in de woestijn.quot;

Boges lachte uiterst minzaam, ofschoon hij de moedwillige zinspeling op zijne vrouwelijke stem zeer goed begrepen had, en antwoordde, terwijl hij in zijne dikke handen wreef: inderdaad, het is wel hard voor een jong, schoon duifje, als gij zijt, in zulk een eenzaam nest te moeten wegkwijnen. Doch geduld maar, mijn hartje; weldra wordt uwe meesteres koningin, en dan zal zij zeker een aardig jong mannetje voor u uitzoeken, met wien ge het zeker beter in de eenzaamheid zult kunnen uithouden, dan met de schoone Egyptische?!quot;

»Mijne meesteres is schooner dan misschien menigeen wel lief is; en ik heb niemand opgedragen een man voor mij te zoeken,quot; antwoordde zij snibbig. »Ook zonder u zal ik den rechten wel vinden!quot;

»Wie zou daaraan kunnen twijfelen'?quot; Zulk een lief poppetje lokt de mannen, evenals de worm de visscben.quot;

»Ik bengel niet naar mannen, allerminst naar mannen van uwe soort.quot;

«Waarachtig, ik geloof het gaarne!quot; hernam de eunuch al grinnikende. «Maar, zeg mij, mijn schatje, waarom zijt gij zoo hard tegen mij? Heb ik u iets misdaan'!' Ben ik bet niet geweest, die u deze aanzienlijke plaats heb bezorgd? Ben ik niet uw landsman, een Mediêr'?''

))En zijn wij beiden niet menscben, en hebben wij beiden niet tien vingers aan onze handen, en staan onze neuzen niet midden in ons aangezicht? De helft van alle menscben bier zijn Mediërs; als deze allen mijne vrienden waren, omdat zij mijne landslieden zijn, dan kon ik morgen wel koningin worden. Wat mijne betrekking betreft bij de Egyptische, gij hebt mij die niet verschaft; ik heb haar te danken aan den opperpriester Oi'opastes, die mij aanbeval bij de koningin Cassandane, en niet aan u!quot;

»Wat ge zegt, mijn liefje! Weet ge dan niet,dat eenekamer-jutïer zonder mijne bewilliging niet kan aangesteld worden?quot;'

ocr page 233

«Dat weet ik zoo goed, als gij, maar.....quot;

»Maar gij, vrouwen, zijt een ondankbaar volkje, dat onze goedheid niet verdient.quot;

»Vergeet niet, dat ge tot een meisje van goeden huize spreekt.quot;

))Dat weet ik maar al te goed, mijn lammetje! Uw vader was een magiër, en uwe moeder de dochter van een magiër. Beiden stierven vroeg, en gaven u over aan de zorg van den destoer Ixabates, den vader van den opperpriester Oropastes, die u met zijne kinderen liet opgroeien. Toen gij uwe eerste oorringen hadt ontvangen, raakte de broeder van Oropastes, Gaumata1) — nu, nu, gij behoeft niet zoo rood te worden, Gaumata is een mooie naam, — op uwe fijne koontjes verheft, en hoewel hij nog slechts negentien jaren telde, wilde hij u maar dadelijk tot vrouw nemen. Gaumata en Mandane, of dat ook schoon klinkt! Mandane en Gaumata! Als ik een dichter was, dan moest mijn held Gaumata, en zijne liefste Mandane heeten.quot;

«Verschoon mij van uwe spotternijen!quot; riep het meisje, sterk blozende en stampvoetende.

))Zijt gij boos op mij, omdat ik vind, dat uwe namen zoo goed bij elkaar passen! Wees dan liever toornig op den trot-schen Oropastes, die zijn jongeren broeder naar Rhagae 2) zond, en u een plaatsje aan het hof bezorgde, opdat gij elkander zoudt vergeten.quot;

«Lasteraar die gij zijt! Mijn weldoener zou....quot;

«Mijn tong moge verdorren, als ik niet de zuivere waarheid spreek ! Oropastes scheidde u van zijn broeder, omdat hij groo-tere dingen met den schoonen Gaumata voorbad, dan een huwelijk met de arme wees van een eenvoudigen magiër. Amytis of Menische zouden hem als schoonzusters beter aanstaan. Èen arm meisje als gij, dat alles aan zijne mildheid verschuldigd is, kan zijne heerschzuchtige ontwerpen slechts tegenwerken. Onder ons gezegd en gezwegen, zou hij zoo gaarne het rijk als stadhouder besturen gedurende den oorlog met de Massageten, en het zou hem, om dit doel te bereiken, veel waard zijn, indien hij door banden van bloedverwantschap aan de Achaemeniden verbonden was. Op zijn leeftijd denkt men echter niet meer aan

1

4) De Grieken noemden hem SmerJes. In de spijkeropschriften leest men Goemata of Gaumata. Hij heet bij Justinus, Kometis. Aan dezen schrijver is ook de naam Oropastes ontleend, dien Herodotus Patizeithes noemt.

2

Rhagae, tijdens Alexander Europes, later door Seleuces Nicator Arsacia, heden Rei genoemd, is eene der oudste steden van Perzië. Er was eene beroemde prieslerschool. Hier zouden Zoroaster en Haroen al Raschid geboren zijn.

ocr page 234

223

nieuwe vrouwen; maar zijn broeder is jon^ en schoon. Velen zeggen zelfs, dat hij op prins Bartja gelijkt.quot;

»IDat is zoo,quot; riep de kamerjufler. üiToen ik met u mijne tegenwoordige meesteres tegemoet trok, meende ik Gaumata te zien, toen ik Bartja op liet plein van het wachthuis vooi het eerst in het gezicht kreeg. Zij gelijken op elkaar als tweelingen, en zijn de schoonste mannen in het gansche rijk!quot;

VWat krijgt ge een kleur, mijn roosje! Zóo erg is het met de gelijkenis niet. Toon ik hedenmorgen den broeder van den opper-priester groette. .. .quot;

»Is Gaumata dan hier?quot; viel de kamerjufler den eunuch met hartstochtelijke drift in de rede. »Hebt gij hem inderdaad, gezien V Of' wilt gij mij maar eens uithooren en mij beetnemen?quot;

»Bij Mithra, mijn duifje, ik heb hem heden het voorhoofd gekust, en hem veel moeten vertellen van zijn schoon schatje. ,ia, ik wil het onmogelijke voor hem beproeven, want ik gevoel mij te zwak, om aan deze lieve blauwe oogjes, deze goudgele lokken en deze wangen, zoo frisch en blozend als perziken, weerstand te bieden! Gij behoeft niet te kleuren, mijn kleine granaatbloesem, luister slechts; ik zal u alles zeggen. In het vervolg zult gij den armen Boges niet meer zoo wantrouwen, en leeren inzien, dat hij een goed hart heeft, dat hij van vriendschap gloeit voor zijne kleine, schoone. snibbige landgenoote Mandane.quot;

»Ik vertrouw u niet,quot; hervatte het meisje. sMen heeft mij gewaarschuwd voor uw gladde tong, en ik kan niet begrijpen waarmede ik uwe belangstelling zou hebben verdiend.quot;

»Kent gij dit?quot; vroeg nu de eunuch, haar een witten band toonende, kunstig met gouden vlammetjes bestikt.

3gt;Dit is het laatste geschenk, dat ik voor hem vervaardigde!quot; riep Mandane.

sik heb Gaumata om dit teeken gevraagd. Ik wist wel, dat gij mij niet zoudt vertrouwen. Wie heeft ook ooit gezien, dat de gevangene zijn bewaker bemint!quot;

»Kom, zeg mij spoedig, wat mijn oude speelgenoot van mij verlangt! Want zie, ginds in het westen begint de hemel reeds te kleuren. Het wordt avond, en ik moet mijne meesteres nog kleeden voor het feest.quot;

»Ik zal kort zijn, en wilt gij dan al niet gelooven, dat ik mij uit vriendschap voor u aan een groot gevaar blootstel, neem dan aan, dat ik ulieder bondgenoot wil zijn, om den trots van Oro-pastes te fnuiken, die mij uit de gunst van den koning dreigt te verdringen. In spijt van alle listen en streken van den overste der magiërs, zult ge en moet ge, zoo zeker als ik Boges heet, de vrouw van uw Gaumata worden. Morgenavond, na

ocr page 235

224

het opgaan der Tistar-ster r) zal uw liefste u bezoeken, Ik zal alle wachten weten te verwijderen, opdat liij zonder gevaar tot u kan komen en éen uur, maar ook niet langer, hoort gij, bij u blijven, om alles verder met u te bespreken. Uwe meesteres zal. dit weet ik zeker, de uitverkorene gemalin van Cambyzes worden. Later biedt zij de behulpzame band, om uw huwelijk met Gaumata tot stand te brengen. Want zij bemint u, en weet u niet genoeg te prijzen, wegens uwe trouw en bekwaamheid. »Morgenavond,quot; ging hij voort, weder op den ouden vleienden toon, die hem eigen was, — «morgenavond, wanneer de Tistar-ster zal zijn opgegaan, begint de zon van uw gelukte schijnen. — Gij slaat de oogen neder, en zwijgt? De dankbaarheid houdt zeker uw klein mondje gesloten. Is het zoo niet? ik bid u, mijn duifje, gebruik uwe tong wat beter, wanneer het er eens op aankomt, aan uwe gebiedster een loffelijk getuigenis van den armen Boges te geven! — Zal ik den schoonen Gaumata van u groeten? Mag ik hem zeggen, dat gij hem niet vergeten zijt, en hem met blijdschap verwacht? — Gij aarzelt? O wee, de duisternis begint reeds te vallen; ik moet weg om te onderzoeken, of al de vrouwen overeenkomstig het voorschrift voor een grooten feestmaaltijd zijn getooid. — Nog eens, Gaumata moet overmorgen Babyion verlaten. Oropastes vreest dat hij u weder zal zien, en heeft hem dus geboden, dadelijk na afloop der feesten, naar Rhagae terug te keeren. — Gij zwijgt nog altijd? Welnu, dan kan ik u en den armen knaap niet helpen! Ook zonder u zal ik mijn doel bereiken, en liet is toch ook maar beter, dat gij uwe liefde vergeet. Vaarwel!quot;

Het meisje had een zwaren strijd. Zij kon de gedachte niet van zich zetten, dat Boges haar wilde bedriegen. Eene inwendige stem gebood haai-, den geliefde de gevraagde samenkomst te weigeren. Plichtgevoel en voorzichtigheid behaalden in haar gemoed de overhand, en reeds wilde zij den eunuch toeroepen; sZeg hem dat ik hem niet kan wachten,quot; toen haar oog viel op den zijden band, dien zij eens voor den schoonen knaap gestikt had. Oude herinneringen aan uren in zalige droomen doorgebracht, aan oogenblikken van bedwelmend mingekoos, rezen plotseling voor baar geest op, en liefde, lichtzinnigheid en smachtend verlangen verkregen de overhand op deugd, waarschuwend voorgevoel en voorzichtigheid. Eer Boges zijn vaarwel had kunnen uitspreken riep zij, bijna tegen wil en dank, terwijl zij als een opgejaagd hert naar huis snelde : sik zal hem verwachten!quot;

1) Dgt;; Sirius of hondster. Zij werd als ecu helder en machtig gesternte in Perzie aangebeden, omdat het den zoo noodigen regen aanbracht.

ocr page 236

2^5

Met rassche schreden ging' Boges door de bloeiende lanen der hangende tuinen. Tot de borstwering genaderd zijnde bleef hij staan en opende voorzichtig eene verborgene valdeur. Deze diende tot afsluiting van een geheime trap, die de koninklijke Louw-rneester waarschijnlijk had doen aanbrengen, om door een der kolossale pijlers, waarop de hangende tuinen rustten, van den oever der rivier onopgemerkt de woning zijner gemalin te kunnen bereiken. De deur draaide gemakkelijk op bare hengsels, en was, nadat Boges ze weder gesloten en er eenige schelpen, waarmede de paden bedekt waren, overheen gestrooid had, zelts voor hem die er naar zocht moeilijk te vinden. De eunuch wreef zich oudergewoonte, met een honigzoeten glimlach, de met ringen beladene handen, en mompelde: «Thans moet het gelukken! Het meisje loopt in het net. Haai' beminde gehoorzaamt mijn wenk, de oude trap is toegankelijk, Nitetis heei't op dezen feestdag bitter geweend, de blauwe lelie bloeit morgen nacht; ja, ja, mijn plannetje moet gelukken! Schoon Egyptisch katje, uwe fluweelen voetjes zullen morgen in den vossenklem blijven zitten, dien de arme, verachte Boges, die u niets mag bevelen, heeft opgezet.quot;

Terwijl hij dit woord tot zichzelven sprak, schitterde betoog van den vrouwenbewaker van eene duivelsche vreugde. Hij spoedde zich nu voort. Aan de groote trap ontmoette hij den eunuch Nerigiissar, die als oppertuinman op de hangende tuinen woonde.

))Hoe staat het met de blauwe lelie?'' vroeg hij dezen.

))Zij ontwikkelt zich kostelijk!quot; antwoordde de tuinman, die in geestdrift geraakte bij de gedachte aan dat kind zijner vele zorgen. «Morgen, bij het opgaan der Tistar-ster, zal zij, gelijk ik u wel gezegd heb, in vollen bloei staan ! Mijne Egyptische meesteres zal zich bijzonder verheugen, want zij houdt veel van bloemen. Ik bid u ook den koning en de Achaemeniden te verwittigen, dat het mijn ijver is mogen gelukken, deze zeldzame plant aan het bloeien te krijgen. Zij vertoont zich alle tien jaren slechts een enkelen nacht in hare volle schoonheid. Zeg dit den edelen Achaemeniden, en breng hen hierheen.quot;

))IIw wensch zal vervuld worden,quot; antwoordde Boges met een vroolijk gelaat. »Op een bezoek van den koning behoeft gij evenwel niet te rekenen, want ik geloof niet dat hij voor zijn huwelijk met de Egyptische, de hangende tuinen zal betreden. Maar eenige der Achaemeniden zullen zeker komen. Zij zijn, gelijk alle Perzen, zoo groote liefhebbers van tuinen en bloemen, dat zij dit zoo zeldzame schouwspel niet gaarne zouden missen. Misschien leid ik ook Cresus hierheen; hij heeft wel minder kennis van het hovenieren, maar daarentegen een fijnen blik voor al wat schoon is.quot;

-15

ocr page 237

226

)gt;Laat hem gerust komen,quot; riep de tuinman, »hij zal u er dankbaar voor zijn, want mijne nachtvorstin is schooner dan alle bloemen, die ooit in een koninklijken tuin zijn gekweekt! Gij hebt in den kristalhelderen waterbak den door groene bladeren omkransten knop gezien; als deze openbreekt, vertoont zich mijne lelie als eene hemelsblauwe, reusachtige roos. Mijne bloem...quot;

De opgewonden hovenier wilde nog meer zeggen tot lof zijner kweekeling. Maar Boges liet hem alleen, na hem minzaam gegroet te hebben, daalde de trap af, plaatste zich in den houten wagen op twee wielen, die hem wachtte, en liet zich door den naast hem staanden menner van de met kwasten en klokjes getooide paarden in snellen draf brengen tot voor de poort van den tuin, die het groote vrouwenverblijf des konings omgaf.

In den harem van Cambyzes was het dien dag ongemeen levendig. Boges had bevolen, dat al de vrouwen van liet hof vóór het groote feestmaal, zich baden zouden, teneinde zoo schoon en frisch mogelijk te verschijnen. Derhalve begaf zich de vorst van het vrouwenverblijf, zondereen oogenblik te verliezen, naar den vleugel van het paleis, waarin zich de badplaats der vrouwen bevond. Reeds op een afstand hoorde hij een verward rumoer van schreeuwende, lachende, babbelende stemmen. In de uitgestrekte bovenmatig verwarmde zaal bewogen zich meer dan driehonderd vrouwen 1 j, dooi' eene dichte wolk van vochtigen waterdamp omgeven.

Als nevelbeelden woelden de halfnaakte wezens, wier los omgeworpen dunne zijden kleederen, doortrokken van het vocht, aan hare leden kleefden, in bont gewemel door elkander over den verwarmden marmeren vloer van de badzaal, van welks zoldering lauwe droppels nedervielen, die op den steenen grond uiteenspatten. Hier lagen groepen van tien tot twintig dei-schoonste vrouwen, vroolijk keuvelende en zich vermakende, meestal ten koste van elkaar of van andere leden van den harem. Een eind verder krakeelden twee vrouwen des koning als be-dorvene kinderen. Eene schoone, die met de sierlijke pantoffel barer buurvrouw op eene gevoelige wijze had kennis gemaakt, stoof gillend op; eene andere lag, in vadsige rust, halfdroomend en bewegingloos als een lijk, op den heeten, vochtigen bodem. Zes Armenische schoonen stonden naast elkaar, en zongen met

1

Volgens Üiodorus had de koning van Perzië zooveel vrouwen, als er dagen in het jaar waren. In den slag bij Issus werden door Alexander den Groote, de 329 vrouwen van den laatsten Darius gevangen ge-lomen. Men bedenke echter, dat deze cijfers betrekking hebben op de bijwijven. Na het onderdrukken van den opstand der magiëis werd door de edelen van het rijk vastgesteld, dat een koning alleen uit hunne dochters zijne echte gemalinnen mocht kiezen. Hieraan schijnt men zich sedert gehouden te hebben. Darius had latei' vier echte gemalinnen, waarvan Atossa de voornaamste bleef.

ocr page 238

227

schelle stemmen een ondeugend minneliedje in de taal van haatland, terwijl een aantal blondlokkige Perzische vrouwen vuur en vlarn spuwden tegen de arme Nitetis, haar belasterende op een wijze dat een vreemdeling, die hare woorden had afgeluisterd, zou hehben moeten gelooven, dat de schoone Egyptische een dier monsters was, waarmede men de kinderen schrik aanjaagt.

Tusschen deze verschillende groepjes waren de naakte slavinnen druk in de weer. Zij droegen doeken op het hoofd, ten einde ze hare meesteressen om te werpen. Het geschreeuw der eunuchen, die de deur der zaal bewaakten, en de badenden gedurig toeriepen dat zij spoed moesten maken, de gillende vrouwenstemmen, die de slavinnen bij herhaling riepen, als ze niet aanstonds bij de hand waren, en de sterke, met den heeten waterdamp opstijgende geuren, verleenden aan dit tooneel van verwarring iets bedwelmends en betooverends.

Een kwartier later leverde de harem des konings een gansch ander tafereel op, geheel verschillend van het hierboven beschrevene. Als door den dauw bevochtigde rozen lagen de vrouwen stil neder. Zij sliepen niet maar rustten, half droomende, op weeke matrassen, • die langs de wanden van een groot vertrek lagen uitgespreid. Het welriekende nat hing nog altijd aan de losse, onafgedroogde haren, terwijl vlugge slavinnen het geringste spoor van het vocht, dat diep in de poriën was gedrongen, met zachte kussentjes van kemelshaar van de teedere lichamen wreven. Vervolgens werden zijden dekens over de vermoeide schoo-nen uitgepreid, en zorgde eene schaar van eunuchen, datgeene moedwillige of twistzieke de rust van het droomende vrouwen-heir verstoorde. Maar in spijt van de wachters, was het zelden zoo stil als heden in deze zaal, die voor de sluimering na het bad bestemd was; want zij die thans den vrede waagde te verstoren, liep gevaar tot straf van het groote feestmaal te zullen worden uitgesloten.

Omtrent een vol uur hadden de schoonen in deze diepe rust doorgebracht, toen de klank van het metalen bekken weder eene verandering van tooneel ten gevolge had. De rustende vrouwen sprongen van hare matrassen op. Een tal van slavinnen stormde de zaal binnen. Deze goten zalven en welriekende wateren over de schoonen uit, wier haren kunstig gevlochten en met edelgesteenten versierd werden. Geheele bergen kostbare sieraden werden aangedragen, benevens zijden en wollen kleedingstuken in al de kleuren van den regenboog. Schoenen, stijf van paarlen en edelgesteenten, werden aan de teedere voetjes bevestigd, en rijke gouden gordels om de heupen gegespt ^). Alles te zamen ver-

1) Sommige vorsten gaven aan hunne vrouwen, als gordelgeld (spel-denduitje), het inkomen van gansche steden.

ocr page 239

tegenwoordigde wel de waarde van een geheel koningrijk. Toen Boges de zaai binnentrad, waren de meeste vrouwen reeds gereed. Met een luid gejubel werd hij door allen ontvangen. Een twintigtal vrouwen begonnen hand aan hand in een kring tc dansen om haren altijd lachenden bewaker. Zij zongen een in den harem samengeflanst laf en vleiend lofiied op zijne deugden. Ou dezen gewichtigen dag was het 's konings gewoonte, aan elk zijner vrouwen een billijken wensch toe te siaan. Nadat de rondedans was afgeloopen, stormde dus eene geheele schaar smee-kelingen op Boges los, om hem, onder het streelen zijner wangen en het kussen zijner vleezige handen, de meest uiteenloopende verzoeken in het oor te blazen en zijne voorspraak te vragen. Üe vroolijke vrouwentyran stopte zijne ooren dicht, en stiet de scboonen, die hoe langer zoo meer op hem aandrongen, al stoeiende en schaterlachende terug. Hij beloofde de Medische Amytis, dat de Phoenische Esther, en de Phoenicische Esther, dat de Medische Amytis gestraft zou worden. Hij beloofde Parmys een kostbaarder gewaad dan dat van Parisatys, en Parisatys M een veel kostbaarder dan dat van Parmys. Als het hem len laatste onmogelijk werd, de aanvallen der verzoeksters van zich af te weren, bracht hij een gouden fluit je aan de lippen, welks schelle toon als met een tooverslag de rust herstelde. De opgehevene handen zonken plotseling neder, de trippelende voeten stonden roerloos, de geopende lippen sloten zich, het rumoer veranderde op eens in eene ademlooze stilte. Wie aan den toon van dit fluitje, die zoo veel beteekende als: »Stil in naam des konings!quot; niet gehoorzaamde, kon zich verzekerd houden eene strenge straf te zullen ondergaan. Op dezen dag werkte het schelle geluid beter en sneller nog dan anders. Boges merkte dit op met groote zelfvoldoening, hij gunde der geheele schaar een welwilienden blik van tevredenheid, beloofde in eene bloemrijke rede de bede van al zijne lieve witte duifjes aan den koning te zullen voordragen, en beval haar ten laatste zich in twee lange rijen te verdoelen. De vrouwen gehoorzaamden terstond, en lieten zich, als soldaten door hun aanvoerder, als slaven door hun kooper, monsteren.

Boges was over hot algemeen voldaan. Enkele vrouwen gebood hij zich nog meer te blanketten, andere de te hooge kleur met wit poeder te temperen, de haren booger op te steken, de wenkbrauwen zwarter te maken, of de lippen beter te zalven. Na afloop der monstering verliet hij de zaal, en begaf zich naar Phaedime, die, als echte vrouw van Cambyzes, gelijk al zijne wettige gemalinnen, afzonderlijke vertrekken bewoonde.

De gevallen gunstelinge, de vernederde dochter de Achae-

1) Deze naam beteekent; „uit het geslacht der Peri.'

ocr page 240

meniden verwachtte den eunuch reeds lang. Zij was prachtig uitgedost en bijna overladen met kostbare sieraden. Van haren kleinen tulband, zooals de vrouwen gewoon waren te dragen, hing een dichte sluier van met goud doorwerkt floers, terwijl hij omwonden was met het blauwe en witte band, dat in haar aanstonds eene Achaemenide deed herkennen. Men moest haar schoon noemen, ofschoon men in haar de al te sterke ontwikkeling der vormen reeds opmerkte, welke de vrouw van het Oosten, na eenige jaren hei vadsige haremleven geleid te hebben, gewoonlijk eigen is. Het overvloedige goudblonde, met, zilveren kettinkjes en kleine goudversierselen doorvlochten haar, drong van onder haar hoofddeksel te voorschijn en was, door middel van zalven, tegen haar blanke slapen bevestigd.

Toen Boges bij haar binnentrad, sprong zij ijlings op hem toe wierp nog een blik in den spiegel, een tweeden op den eunuch en vroeg in hartstochtelijke opgewondenheid: »Zijt gij over mij tevreden'? Zal ik genade in zijne oogen vindon

Als altijd glimlachte I3oges, terwijl hij antwoordde: sin mijne oogen vindt gij altijd genade, mijne gouden pauwin, en ook den koning zoudt gij welgevallig zijn, als hij u zien kon gelijk ik u gezien heb. Toen gij mij zoo even toeriept: «Zal ik genade in ?zijne oogen vinden?quot; toen waart ge waarlijk schoon, want de hartstocht verfde uwe blauwe oogen zoo zwart, dat het de nacht van Angramainjus geleek; en de haat trok uwe lippen op en vertoonde twee rijen tanden, witter dan de sneeuw van den De-mawend.quot;

Zij liet duidelijk blijken, dat zij zich door deze aanspraak gevleid gevoelde. Zij trachtte Boges andermaal met zulk een blik aan te zien, en riep; aLaat ons spoedig naar de feestzaal gaan, want ik verzeker u, Boges, dat mijne oogen nog zwarter zullen schitteren, en mijne tanden nog beter zullen uitkomen dan straks, wanneer ik de Egyptische zal zien op de plaats, die haar niet toekomt.quot;

»Zij kan die niet lang meer behouden.quot;

j)Uw plan gelukt dus'? O, spreek Boges, verzwijg mij niet langer wat gij in het schild voert, ik wil stom zijn als een lijk en u helpen

»Ik kan en rnag niet klappen, maar om u de bittere teugen, die gij dezen avond te verzwelgen zult hebben, te verzoeten, wil ik u zeggen, dat alles voortreffelijk in zijn werk gaat; dat de afgrond gegraven is, waarin wij onze vijandin zullen neerstorten, en ik mijne gouden Phaedime weldra op hare oude plaats, en wellicht nog hooger denk weder te zien, zoo zij mij slechts blindelings gehoorzaamt.quot;

•»Zeg maar, wat ik doen moet; ik ben tot alles bereid.quot;

ocr page 241

'230

sGoed gesproken, dappere leeuwin! Volg mijne hevelen, en alles zal goed gaan. Verg ik iets moeilijks van u, uw loon zal er te schooner om zijn. Spreek nu niet tegen, want wij hebbea geen oogenblik meer te verliezen. Leg dadelijk alle overtollige sieraden af en hehoud alleen de keten, die de koning u hij de huwelijksplechtigheid schonk. In plaats van deze rijke kleederen, moet gij een donker, een eenvoudig gewaad aantrekken. Wanneer gij u voor Gassandane, de moeder des konings, nedergewoi-pen hebt, buigt gij u diep voor de Egyptische!quot;

«Onmogelijk!quot;

))Geene tegenspraak! Ontdoe u gezwind van al die pracht, ik verzoek u daarom! Zoo is het goed! Alleen wanneer gij gehoorzaamt, kunnen wij van den goeden uitslag zeker zijn. De hlankste hals eener Peri is donker in vergelijking met de uwe!''

))Maar....quot;

»Als de beurt aan u komt, om den koning iets te verzoeken, zoo zegt gij, dat uw hart opgehouden heeft te wenschen, sedert uwe zon u haar licht onthoudt.quot;

»Goed.quot;

»Als uw vader u vraagt hoe het u gaat, dan weent ge.quot;

»Ik zal weenen.quot;

»Goed, en zoo heftig, dat alle Achaemeniden u zien weenen.quot;

»Welk een vernedering!quot;

»Geene vernedering, slechts het middel om des te zekerder in de hoogte verheven te worden. Wisch snel hel blanketsel van uwe wangen, en verf ze bleek, doodelijk bleek.quot;

»Ik zal dit niet behoeven te doen om mijn blos te verbergen. Gij vergt vreeselijk veel van mij, Boges! Maar ik wil u gehoorzamen, als gij mij slechts een reden opgeeft, waarom gij dit alles van mij verlangt.quot;

»Kamerjulfer! Breng spoedig het nieuwe donkergroene gewaad uwer meesteres

»Ik zal eene slavin gelijken!quot;

»De ware bevalligheid is schoon, al is zij in lompen gehuld.quot;

))De Egyptische zal mij geheel in de schaduw stellen!quot;

»Ieder moet zien, dat gij er niet aan denkt u met haar te willen moten. Men zal zich afvragen: zou Phaedime niet even schoon zijn als deze hoogmoedige vrouw, wanneer zij zich opgetooid had'?

))Maar ik kan mij niet voor haar nederbuigen.quot;

»Gij moet!quot;

»Gij wilt mij ongelukkig maken en diep vernederen.quot;

»Kortzinnige gekkin! Welaan verneem dan, waartoe dit alles dienen moet, en gehoorzaam! Het is mij te doen, dat de Achaemeniden een wrok zullen opvatten tegen onze vijandin. Hoetoor-

ocr page 242

231

nig moet uw grootvader Intaphernes, hoe woedend uw vader Otanes niet worden, als zij u zien neerbuigen voor eene vreemdelinge! Hun gekrenkte trots zal lieu tot onze bondgenooten maken; en zijn ze ook zelve te edel, gelijk zij bet noemen,om iets tegen eene vrouw te ondernemen, zij zullen toch als ik hen van noode heb mij liever helpen, dan in den weg staan. Als de Egyptische uit den weg is geruimd, zal de koning, als gij mij althans gehoorzaamt, zich uwe bleeke wangen, uwe nederigheid, uwe belangeloosheid herinneren. De Achaemeuiden en zelfs de magiërs zullen hem bidden, eene aanzienlijke vrouw uit zijn geslacht tot koningin te verheffen. En welke vrouw in Perzie kan zich op eene lioogere geboorte beroemen dan gij ; wie anders zal het purper ontvangen, dan mijn bonte paradijsvogel, mijne schoone roos Phaedime'? Gelijk men niet bang moet zijn om van het paard te vallen, als men wil leeren rijden, zoo moet men ook niet tegen eene vernedering opzien, als het geldt den hoog-sten prijs te winnen.quot;

»Ik zal gehoorzamen!quot; riep de vorstendochter.

«Dan moeten wij overwinnen!quot; antwoorde de eunuch. »Zie, nu schitteren uwe oogen weder, nu zijn ze weder gitzwart. Zoo zie ik u gaarne, mijne koningin; zoo moet Cambyzes u zien, als zich de honden en vogelen aan het malsche vleesch der Egyptische vergasten, en ik hem voor het eerst sedert vele maanden, in de stilte van den nacht uw slaapvertrek ontsluit.— Hei daar, Armorges, beveel de andere vrouwen, dat zij zich gereed houden en in de draagstoelen plaats nemen; ik ga vooruit om baar heure plaatsen te wijzen.quot;

De groote feestzaal was helder verlicht dooi' duizenden lampen welker vlammen zich spiegelden in de gouden platen, waarmede de wanden bekleed waren. In het midden van de zaal stond eene onafzienbaar lange tafel, die onnoemelijke schatten droeg, in de gedaante van zilveren bekers, borden, schotels, kruiken, kannen, vruchtschalen en reukaltaren. Het was inderdaad prachtig om aan te zien.

»De koning zal zoo dadelijk verschijnen,quot; zeide de overste der tafeldekkers tot een voornaam hofbeambte, den bijzonderen schenker des konings, een edelen bloedverwant van Cambyzes. »Zijn al de kruiken gevuld, al de wijnen geproefd, de bekers opgezet, en de lederen zakken die Polycrates gezonden heeft geledigd?quot;

»Alles is gereed!quot; antwoordde de schenker. ))Die wijn van Chios overtreft in deugdelijkheid alles, wat ik tot heden gedron-

ocr page 243

232

ken heb, en stelt zelfs den lievelingsrdank van Nebukadnezar, liet druivensap van Chelbon. in de schaduw1), Proef maar!''

Dit zeggende greep hij met de eene hand een sierlijk gouden bekertje, met de andere een kruik van hetzelfde metaal, hief deze aan het oor in de hoogte, als ware zij zoo licht als eene veer geweest, en goot den edelen drank met een groofen boog zoo behendig in de nauwe opening van den beker, dat er geen druppel op den grond viel. Daarop vatte hij den beker met de vingertoppen aan en overhandigde dien met zeer veel gratie aan den tafefdekker 2).

Deze dronk langzaam het kostbare vocht, proefde liet zeer nauwkeurig, en riep, den schenker den beker teruggevende: »Waarlijk, een edele drank, die dubbel goed smaakt, als hij zoo bevallig den drinker wordt aangeboden, gelijk gij alleen dat weet te doen. De vreemdelingen hebben gelijk, als zij de Perzische schenkers de bekwaamste in de geheele wereld noemen.quot;

olk dank u,quot;' antwoordde de man, die aldus werd toegesproken. Hij kuste het voorhoofd van zijn vriend en vervolgde: »Waarlijk ik ben trotsch op mijn ambt, dat de groote koning slechts aan zijne vrienden opdraagt. Toch wordt het mij in dit smoorheete Babyion bijna een last. Wanneer zullen we eindelijk de zomerresidentie te Ekbatana of Pasargadae betrekken?quot;

Juist heden heb ik daarover met den koning gesproken. Met het oog op den Massageten-krijg wilde hij nog niet van verblijf plaats verwisselen, maar van Babyion uit onmiddellijk te velde trekken. Mocht echter, wat na de heden ontvangene boodschap niet onwaarschijnlijk is, vrede met dat, volk gesloten worden, dan zullen we drie dagen na het huwelijk van den koning, dus binnen eene week, naar Susa opbreken.quot;

»Naar Susa'?quot; vroeg de schenker. ))Daar is het weinig fris-scher dan hier, en buitendien wordt de oude Memnonsburcht3) verbouwd.

»De satraap van Susa heeft den koning geboodschapt, dat het nieuwe paleis gereed is, en in schoonheid en pracht, alles overtreft, wat tot nog toe menschenoogen aanschouwden. Nauw had Cambyzes dit woord vernomen, of hij riep uit; :?) Dan trekken we drie dagen na het huwelijksfeest daarheen! Ik wil der Egyptische koningsdochter toonen, dat wij Perzen niet minder

1

Do wijn van Chios werd door de Grieken voor den fijnsten gehouden. De wijn van Chelbon was in de oudheid inzonderheid om zijn bouquet beroemd. Ezech. 27 : 18.

2

Xenophon roemt zeer de Perzische schenkers, wegens hunne vlugheid en gratie.

3

Zóo heette in de oudheid de burcht van Susa, zelfs nog in de dagen Tan Ctesias, die zich langen tijd aan het Perzische hof ophield.

ocr page 244

233

bedreven zijn in het bouwen, dan hare voorvaderen. Zij was aan den Nijl van haar kindsheid af, aan heete dagen gewoon, en zal zich in ons schoon Susa zeker zeer op haar gemak gevoelen. De koning schijnt eene groote voorliefde te hebben voor deze vrouw.quot;

»Zoo dat hij om harentwil alle andere vrouwen verwaarloost, en haar weldra tot koningin zal verheften.quot;

))Dat zou onbillijk zijn; de Achaemenide Phaedime heeft oudere en betere rechten.quot;

«Voorzeker; maar wat de koning wil is goed.quot;

))De wil van den vorst, is de wil der godheid.quot;

sGoed gesproken! Dc echte Pers verblijdt zich de hand van zijn meester te mogen kussen, ook al druipt die van het bloed van zijn kind.quot;

sCarnbyzes heeft mijn broeder ter dood doen brengen; maar ik haat hem daarom evenmin, als ik de goden haat, die mij mijne ouders ontnamen. — Hei daar, knechten, trekt het voorhangsel op zijde, want de gasten naderen! Rept je, gij honden, en past op je zaken ! — Houdt u goed, Artabazos; een heete nacht verbeidt ons!quot;

ocr page 245

ZESDE H O O F D S T U K.

De oppertafeldekker ging den gasten, die binnenkwamen, tegemoet, en wees hun, door eenige andere aanzienlijke stafdragers ^ geholpen, hunne plaatsen aan. Toen allen gezeten waren, verkondigde eene fanfare der trompetten, dat de koning in aantocht was. Zoodra hij de zaal binnentrad, stonden de gasten op, en ontvingen hun gebieder met den donderenden, meermalen herhaalden kreet: »Heil den koning!quot;

Een Sardisch purpertapijt, hetwelk hij en Cassandane alleen mochten betreden, wees den weg naar zijne plaats aan. De blinde moeder van den koning ging, dooi- Cresus geleid, voor haren zoon uil, en zette zich neder op een troon aan de spits der tafel, hooger dan de gouden zetel van Cambyzes, die naast den haren stond. Ter linkerzijde van don koning namen zijne echte gemalinnen plaats. Nitetis zat naast hem, dan volgde Atossa, dan de eenvoudig gekleede, bleeke Piiaedime, en naast de laatste gemalin van den koning zat de eunuch Boges. Nu volgden de opperpriester Oropastes, eenige andere hooggeplaatste magiërs, de satrapen van onderscheidene provinciën, onder welke zich de Jood Beltsazar bevond, en een menigte Perzen, Meden en eunuchen, die hooge staatsambten bekleedden. Rechts van den koning zat Bartja. Op hem volgden Cresus, Hysta.spes, Gobryas, Araspes en andere Achaemeniden, overeenkomstig hunnen ouderdom en rang. De bijwijven zaten voor een deel aan het benedeneinde der tafel; voor een deel stonden zij ook tegenover den koning, om door spel en zang de feestvreugde te verhoogen. In haar midden en achter haar zag men onderscheidene eunuchen, die moesten zorgen dat de vrouwen de oogen niet naar de mannen ophieven.

De eerste blik van Cambyzes gold Nitetis, die in al de pracht

1) Kamerheeren of ceremoniemeesters.

ocr page 246

en waardigheid eener koningin, bleek, maar boven alle beschrijving schoon, in het, vorstelijk purper naast hem zat. De oogen der verloofden ontmoetten elkander. Cambyzes voelde, dat hem uit den blik zijner bruid eene vurige lietde tegenstraalde. Toch bemerkte hij met liet fijne instinct der liefde, dat het dierbare meisje iets zeer onaangenaams moest zijn bejegend. Een zekere trek van weemoedigen ernst speelde heden om haar mond, terwijl een droeve, slechts voor hem merkbare sluier haar anders zoo gelijkmatig helderen en opgeruimden blik overtogen had.

»Ik zal haar later vragen, wat haar is overkomen,quot; daclil de koning: «mijne onderdanen mogen niet opmerken, boe lief' ik dit meisje heb.quot;

Nu kuste bij het voorhoofd zijner moeder, zuster en naaste bloedverwanten, sprak een kort gebed uit, waarin hij de goden voor hunne genade dankte en een nieuw gelukkig jaar voor zich-zelven en voor alle Perzen afsmeekte; noemde de ontzaglijke som, waarmede hij op dezen dag zijne landslieden begiftigd had; en gebood ten laatste den stafdragers, allen die op dit feest der genade de inwilliging van eenigen billijken wensch verwachtten, voor zijn aangezicht te doen treden, Geen der verzoekers ging onbevredigd heen; den dag te voren toch had ieder hunner den opperstafdrager zijn wensch moeten openbaren, en zich omtrent het al of niet mogelijke der inwilliging moeten laten onderrichten. Op gelijke wijze werden de verzoeken der vrouwen, alvorens den koning te mogen worden voorgedragen, door de eunuchen overwogen.

Nadat de mannen wederom gezeten waren, voerde Boges de schaar der vronwen (alleen Cassandane bleef zilten) voor hel aangezicht van den monarch voorbij. Atossa en Nitetis openden den stoet. Phaedime en eene andere schoone volgden de twee koningsdochters. De laatste was allerprachtigst gekleed en opgetooid, en door Boges opzettelijk naast de vernederde gunstelinge geplaatst, om den bijna armoedigen eenvoud van deze te scherper te doen uitkomen. Intaphernes en Otanes beschouwden hunne kleindochter en dochter, die zoo bleek en zoo armoedig gekleed in deze feestzaal verscheen, met een somberen blik, gelijk Boges wel vermoed had.

Cambyzes, die van vroeger de verkwistende pronkzucht van Phaedime kende, merkte, toen zij tegenover hem stond, met verbazing het eenvoudige gewaad en de bleeke trekken der Achae-menide op. Zijn voorhoofd werd bewolkt, en met barsche stem riep hij de voor hem ter aarde neigende vrouw toe: ))\Vat, beduidt dit bedelpak aan mijn disch en op mijn feestquot;? Kent gij dan niet meer de gewoonte van ons volk, om niet dan prachtig gekleed voor zijn vorst te verschijnen? Ware het heden een

ocr page 247

23Ü

gewone dag, en ontzag ik n niet, als de dochter van een onzer meest geliefde verwanten, ik liet u door de eunuchen in den harem terugbrengen, opdat gij in de eenzaamheid zoudt kunnen nadenken over hetgeen betamelijk is.quot;

Deze woorden maakten der vernederde gunstelinge de taak gemakkelijker, die Boges haar had opgelegd. Luid en bitter weenende, hiel zij hare blikken en handen zoo smeekend tot den in drift ontstoken vorst op, dat zijn toorn in medelijden overging, en hij haar vroeg, terwijl hij de knielende oprichtte: »Hebt gij eene bede op het hart?quot;

»Wat zou mij nog begeerlijk kunnen schijnen, sedert mijne zon mij haar licht onthoudt?quot; luidde haar, door snikken afgebroken, aarzelend antwoord.

Cambyzes haalde de schouders op, en vroeg nog eenmaal: sBegeert gij dan niets? In vroegere dagen kon ik met geschenken uwe tranen drogen; vorder gij dan ook heden een gouden troost.quot;

iiPhaedirne wenscht niets meer! Voor wie zou zij schoone kleederen en opschik behoeven, sinds de koning, haar gemaal, bet licht van zijn oog niet meer op haar laat schijnen?quot;

i)Dan kan ik u niet helpen!quot; riep Cambyzes, zich met onwil van haar afwendende.

De raad van Boges, dat Phaedime zich het aangezicht met blanketsel zou bedekken, was zeer goed geweest, want onder de witte verf gloeiden hare wangen van toorn en schaamte. Toch wist zij zich te bedwingen en gehoorzaamde bet bevel van den eunuch, door zich diep en eerbiedig zoo voor de koningin als voor Nitetis te buigen, daarbij hare tranen vrijen loop latende, zoodat alle Achaerneniden ze opmerkten. Otanes en Intaphernes verborgen slechts met moeite hunne verbittering over den hoon, hunner dochter en kleindochter aangedaan. En menig Acbaeme-nide zag met innige deelneming op de ongelukkige Phaedime neder, met heimelijken wrok tot de bevoorrechte, sclioone vreemdelinge op.

^ Alle ceremoniën waren nu afgeloopen, en de maaltijd nam dus een aanvang. — Voor den koning lag in een gouden korf een reusachtige granaatappel ter grootte van een kinderhoofd '), door andere vruchten sierlijk omgeven. Thans merkte hij dezen op. Met het oog van een kenner beschouwde hij de zeldzaam schoone en groote vrucht, en vroeg: »Wie heeft dezen kolossalen appel gekweekt?quot;

))Uw knecht Oropastes,quot; antwoordde de overste der magiërs,

\) Hel gewone pischkesch of gastgeschenk, hetwelk de Perzen lieden, elkander nog vereeren, bestaat uit zoetigheden, of uit korven, die sierlijk met de schoonste vruchten zijn gevuld. Men roemt den smaak, waarmede ïij het ooft weten te schikken.

ocr page 248

zicli diep buigende. sSederl vele jareu le^ ik inij op het hovenio-ven toe, en heb mij vermeten deze heerlijke vrucht, het schoonste resultaat van mijn rusteloos pogen, aan uwe voeten nederte leggen.quot;

»Ik dank u!quot; was het antwoord. »Mijne vrienden, deze granaatappel zal mij de keuze van een stadhouder gemakkelijker maken, als wij ten strijde trekken. Bij Mithra, die een kleinen boom zoo zorgvuldig verpleegde, zal ook in groote dingen getrouw zijn. Welk eene vrucht! Wie zag ooit de weerga er van'? Nog eens, ik dank u, Oropastes, en wijl de dank van den koning niel alleen in woorden mag bestaan, boaoeni ik u reeds heden, voor het geval dat er een oorlog mocht uitbarsten, lol stadhouder van het gansche rijk. Ja, mijne vrienden, wij zullen niet lang meer in vadzige rust onzen tijd verbeuzelen. De Pers verliest zijne vroolijkheid als de krijg haar geen voedsel geeft!quot;

Een goedkeurend gemompel doorliep de rijen der Achaemeni-üen. )iHeil den koning!quot; klonk het opnieuw. De wrok over do vernedering hunner bloedverwante was weldra vergeten; gedachten aan veldslagen, droomen van onsterfelijken roem en zegekransen, herinneringen aan vroeger verrichte heldendaden deden de feestelijke stemming der aanzit tonden met ieder oogenblik klimmen. De koning zelf, die in den regel op dezen dag matiger was dan anders, spoorde nu zijne gasten tot drinken aan, en verheugde zich in de uitgelaten vroolijkheid en den opge-wekten strijdlust zijner helden. Maar vooral genoot hij in de aanschouwing van de betooverende schoonheid der Egyptische, die marmerbleek aan zijne zijde zal, uitgeput door de vermoeienissen en aandoeningen van den morgen die voorafging, en bovendien gedrukt onder den haar ongewonen last van den hoo-gen tulband. Zoo gelukkig als op dezen dag, had Cambyz.es zich nog nooit gevoeld.

En wat ontbrak hem ook'? Wat kon hij nog te wenschen hebben, hij, wien de goden het geluk der liefde, en alle schatten die het hart kan begeeren, in den schoot hadden geworpen? Zijne stugheid scheen in zachtmoedige welwillendheid, zijn strenge hardheid in minzame toegevenheid te zijn overgegaan, toen hij Bartja, die aan zijne zijde zat, toeriep: »Welnu, broeder, hebt gij mijne belofte vergeten? Weet gij niet meer, dat gij heden van mij moogt vragen wat uw hart begeert, terwijl gij zeker kunt zijn dat hel u zal worden toegestaan? Welaan, ledig dan den beker en vat moed! Maar eisch geene geringe gunst. Ik ben heden juist in eene stemming om groote geschenken te geven. Ha! gij wilt mij in het oor fluisteren wal gij begeert? Kom dan nader bij mij ! Ik ben toch nieuwsgierig te vernemen, wat do gelukkigste jongeling in mijn gansche rijk zoo vurig begeert dal hij als een meisje bloost, zoodra men doelt op wat hij wenschl.quot;

ocr page 249

238

Bart,ja, wiens wangen werkelijk van ontroering gloeiden, boog zich glimlachend naar liet oor van zijn broeder over, en verhaalde hem fluisterend, in weinige woorden, de geschiedenis zijner liefde. De vader van Sappho had zijne vaderstad Phocaea 1) tegen de legers van Cyrus helpen verdedigen. Deze omstandigheid stelde de jongeling zeer behendig op den voorgrond. Vervolgens betitelde hij zijne geliefde, overeenkomstig de waarheid, als de dochter van een Helleenschen krijgsman van adellijke afkomst, doch verzweeg, dat hij zich door handelsondernemingen groote schatten had verworven 2). Hij schetste zijn broeder de bevalligheid, de beschaving en de liefde zijner bruid, en wilde zich juist op het getuigenis van Cresus beroepen, toen Cambyzes hem in de rede viel, en zijn voorhoofd kussende uitriep: «Spaar uwe woorden, mijn broeder, en volg den wensch van uw hart. Ik ken de macht der liefde, en wil u helpen om de toestemming onzer moeder te verwerven.quot;

Bartja wierp zich, dronken van geluk en door het gevoel der dankbaarheid overweldigd, aan de voeten van zijn koninklijken broeder. Cambyzes richtte hern echter met minzaamheid op en riep, zich in het bijzonder tot Nitenis en Cassandane wendende: »Let wel op hetgeen ik u zeggen zal, geliefden! De stam van Cyrus zal nieuwe loten schieten, want onze broeder Bartja heeft besloten aan zijn ongehuwden staat, die tien goden niet welgevallig was 3) een einde te maken. Binnen weinige dagen trekt de verliefde jongeling naai- uw vaderland, Nitetis, om het tweede edelgesteente van de boorden des Nijls naar ons bergachtig land over te brengen.quot;

»Wat schort u, zuster?quot; riep de jonge Atossa, eer Cambyzes had uitgesproken. Nitetis was bewusteloos in hare armen neergezegen. Zij trachtte haar bij te brengen, door het voorhoofd met wijn te bevochtigen.

«Wat scheelt u?quot; vroeg de blinde Cassandane, als de bruid van den koning na weinige oogenblikken tot zichzelve kwam.

«Welk eene vreugde, welk een geluk, o Tachot!quot; stamelde Nitetis.

Cambyzes was, evenals zijne zuster, de in zwijm liggende

1

Zie boven biz. II.

2

De wet verbood den Perzen schulden te maken, aangezien een schuldenaar in de noodzakelijkheid kwam om onwaarheid te spreken. Zij hadden daarom een afkeer van geldzaken, waartoe hun oorlogzuchtig karakter ook veel bijdroeg. Den handel lieten zij over aan de overwonnen volken.

3

De godsdienst gebood den Perzen te huwen. De ongehuwden stelden zich aan eene algemeene verachting bloot. Men stelde groote eer in het bezit van vele kinderen.

ocr page 250

'239

ijlings ter hulp gesteld. Toen zij zich geheel hersteld had, verzocht hij haar zich met eene teuge wijns te versterken, bood haar zelf' den hek er aan en vervolgde, zijne mededeeling herhalende en aanvullende: ))Bartja zal naar uw land trekken,mijne gemalin, en de kleindochter van eene zekere Rhodopis, de dochter van eeti edelen krijgsheld, uit het heldhaftige Phocaea, van Naucratis aan den Nijl, hierheen voeren als zijne gade.quot;

«Wat was dat?quot; riep de blinde moeder van den koning.

« Wat schort utocli?quot; vroeg de vroolijke Atossa, op bezorgden, bijna verwijtenden toon.

»Nitetis!quot; riep Cresus zijne beschermeling vermanend toe.

Maar deze waarschuwing kwam te laat, want reeds was de beker, dien Cambyzes zijne geliefde gereikt had, aan hare handen ontgleden en kletterend op den grond gevallen.

De biikken van al de aanzittenden hingen in angstige spanning aan hef gelaal van den koning, die, bleek als de dood, met sidderende lippen en krampachtig gebalde vuist, opnieuw van zijn zetel was opgesprongen.

Nitefis zag met smeekend oog tol haren geliefde op, om zijne vergeving af te bidden. Maar hij duchtte de betoovering van dien blik; daarom wendde hij het hoofd af, en riep met heesche stem: «Breng de vrouwen naar hare vertrekken. Boges, ik wil

ze niet meer zien!.....Het drinkgelag zal beginnen... Slaap

wel, mijne moeder, en wees op uwe hoede, dat gij geene adders zoogt met uw hartebloed. Paist wel, Egyptische, en bid de goden, dat zij u beter leeren veinzen. Vrienden, morgen gaan wij ter jacht! Geef mij te drinken, schenker! Vul den grooten beker! Maar proef' goed, neem een fiksche teug, want heden vrees ik voor vergif', heden voor de eerste maal. Hoort gij, Egyptische, ik vrees voor vergif, en alle vergiffen en artsenijen '), — ja, ja, dat weet zelfs ieder kind, — alle vergiffen komen uit Egypte!quot;

Nitefis verlief de zaal met wankelenden tred. Boges geleidde haar en gebood den dragers spoed te maken. Bij de hangende tuinen aangekomen, leverde hij haar over aan de eunuchen, die het huis moesten bewaken, en voegde haar, terwijl hij in zijne handen wreef, met een duivelsch lachje tot afscheid eenige woorden toe, die in quot;l geheel niet meer van den vroeger haar betoonden eerbied, maar van eene onbetamelijke gemeenzaamheid getuigden: «Droom van den schoonen Barfja en zijn Egyptisch

1) Reeds in de dagen van Homerus was Egypte bekend nis Lijzonder rijk aan artsenijen. In de opschriften op de wanden van tempel-laboratoria, bijv. te Dendera en Edfoe, en in de medische papyrussen worden een menigte drogerijen opgesomd. De Egyptische vergiften, inzonderlieid de strychnine, waren beroemd.

ocr page 251

'240

lieije, mijn wit Nijlkatje! Hebt gij niets te zeggen aan den mooien knaap, wiens verliefdheid gij u zoo iiebt aangetrokken ? — Bedenk u goed. De arme Boges wil u gaarne van dienst zijn. De verachte Boges houdt veel van u. De nederige Boges zal zich bedroeven, als hij de trotsche palm van Saïs ziet vallen. De ziener Boges voorspelt u een sposdigen terugkeer naar Egypte, of een zachten slaap in de zwarte aarde van Babyion. De goede Boges wenscht, u een ongestoorde rust. Houd 11 goed, geknakt bloempje, bonte adder, die zichzelve wondde, gevallen pijnappel.quot;

«Onbeschaamde!quot; riep de koningsdochter in hare verontwaardiging.

))ik dank u,quot; antwoordde het lachende monster.

»lk zal mij over u gedrag beklagen!quot; dreigde Nitetis.

))Wat zijt gij beminnelijk!quot; antwoordde Boges.

«Verwijder u uit mijne oogen! riep de Egyptische.

»Ik gehoorzaam den minsten uwer wenken,quot; fluisterde ue eunuch, als had hij haar een liefdesgeheim te openbaren.

Voi walging en ontzetting over deze beleediging, waarin zij slechts eene voorbode van nog diepere vernederingen zag, trad zij achteruit, en snelde naar hare woning, terwijl zij Boges den rug toekeerde. Deze echter riep haar nog na: «Gedenk mijner schoone koningin, gedenk mijner! Alles, wat u in de eerstvolgende dagen overkomen zal, is een geschenk van den armen, verachten Boges!quot;

Zoodra de Egyptische verdwenen was, veranderde hij van toon, en gebood den wachters, streng en uit de hoogte, de hangende tuinen zorgvuldig te bewaken. «Wie van u een mensch,buiten mijn persoon, deze plaats laat genaken, is des doods schuldig! Niemand, hoort gij, niemand! Allerminst mogen boden van de moeder des konings, van Atossa of van andere grooten den voet op deze trap zetten. Wanneer Gresus of Oropastes de Egyptische begeert te spreken, dan wijst gij hen bepaald af! Verstaan'? — En ik herhaa', dat gij allen, zonder onderscheid, den langsten tijd geleefd zult hebben, wanneer gij u door beden of geschenken tot ongehoorzaamheid laat verleiden. Niemand, niemand mag deze tuinen betreden, zonder mijne uitdrukkelijke mondelinge toestemming! Ik geloof dat gij mij kent. Neemt deze gouden staters bij voorbaat tot loon, voor uwen verzwaarden dienst, en hoort mij bij Mithra zweren, dat ik den nalatige of ongehoorzame niet verschoonen zal!quot;

De wachters bogen zich, vast besloten hun overste te gehoorzamen. Want zij wisten, dat hij niet met zich liet spotten, indien hij ernstig dreigde ; en ze vermoedden, dat er groote dingen op til waren, daar de gierige Boges niet gewoon was zijne staters met zoo kwistige hand uit te strooien.

ocr page 252

241

Dezelfde draagstoel, die Nitetis vervoerd had, bracht den eunuch naar de feestzaal terug. De vrouwen des konings waren vertrokken, doch de bijwijven stonden nog op de haar aangewezene plaatsen, en zongen, terwijl niemand luisterde, hare eentonige liederen.

De brassende gasten waren de Egyptische en wat er met haar gebeurd was reeds lang vergeten. Iedere nieuwe beker deed het joelen en verwarde schreeuwen in woestheid toenemen. Niemand bekommerde zich meer om het verhevene karakter der plaats, of om de tegenwoordigheid van den machtigen vorst. Hier sloeg een beschonkene de meest onzinnige taal uit; daar omarmden twee krijgers elkaar, die eerst na het gebruik eener groote hoeveelheid wijns bespeurd hadden, dat zij groote vrienden waren; ginds werd een nieuweling in het zwelgen door sterke knechten de zaal uitgedragen; een eind verder greep een oud drinker eene kruik, in plaats van zijn beker, en ledigde ze in éene teug, onder het gejubel zijner buren.

Aan het hoogereind der tafel zat de koning, bleek als een doode, onverschillig en ongevoelig voor wat om hem heen plaats had, in zijn beker te staren. Telkens als zijn oog voor een oogenblik op zijn broeder rustte, balden zich zijne vuisten. Hij sprak hem niet aan en liet zijne vragen onbeantwoord. Hoe langer hij dus in somber gepeins neerzat, des te vaster vestigde zich do overtuiging in hem, dat de Egyptische hem bedrogen en liefde voor hem gehuicheld had. terwijl haar hart, Bartja toebehoorde. Welk een schandelijk spel had zij met hem gespeeld! Hoe diep moest de t rouweloosheid dezer behendige huichelaarster niet wortelen, daar het bloote bericht, dat zijn broeder eene andere liefhad, niet alleen te machtig was voor hare bedrevenheid in het veinzen, maar zelfs voldoende om haar van haar bewustzijn te berooven.

Otanes, de vader van Phaedime, had, toen Nitetis de zaal verliet, uitgeroepen; »De Egyptische vrouwen schijnen zeer naijverig te zijn op de liefde barer zwagers ; de Perzische zijn minder vrijgevig met hare genegenheid, en besparen die geheel voor hare mannen!quot;

De trotsche man had den schijn aangenomen, als bad hij die woorden niet gehoord. Gelijk de struisvogel sloot hij zijne ooren en oogen om het gemompel en de blikken zijner gasten, dio onverholen te kennen gaven dat hij bedrogen was, niet op te merken.

Bartja kon geene schuld hebben aan hare ontrouw; zij alleen beminde den schoonen jongeling, en wellicht te vuriger, daar zij geene hoop durfde koesteren op beantwoording van haar hartstocht. Had hij den geringsten argwaan jegens zijn broeder op-

16

ocr page 253

242

gevat, zoo zou hij hem gewis op staanden voet gedood hebben. Bartja was onschuldig aan deze zijne teleurstellingen smart. Maar hij was er toch de oorzaak van, en daarom ontwaakte opnieuw de oude wrok, die voor korten tijd was ingesluimerd. En gelijk iedere instorting gevaarlijker is, dan de eerste aanval eener ziekte, woedde die wrok nu veel heftiger,

Hij peinsde en dacht, maar kon niet tot een vast besluit komen, hoe hij de valsche vrouw zou straffen. Haai- dood bevredigde zijne wraakzucht niet; neen, zwaarder moest zij boeten. Zou hij haai', met smaad en schande overladen, naar Egypte terugzenden'.' O neen! zij had haar vaderland lief, en zou door haar ouders slechts met open armen ontvangen worden. Zou hij, nadat zij hare schuld had bekend, — want hij was vast besloten, haar deze bekentenis af te persen, •— de trouwelooze ineen eenzamen kerker opsluiten, of haar als dienstmaagd zijner bijwijven aan Boges overleveren? Dat was het beste! Zoo wilde hij de huichelaarster, die zich vermeten had met hem, den machtigen koning, een misdadig spel le spelen, tuchtigen en doen boeten.

Vervolgens zeide hij tot zichzelven; »Bartja moet van hier, want vuur en water zullen eer te zamen vrede hebben, dan dit gelukskind en ik, beklagenswaardig mensch! Zijne nakomelingen zullen eens mijne schatten deelen, en deze kroon dragen. Maar nog ben ik koning, en ik zal toonen, dat ik het ben.

Als een bliksemstraal schoot de gedachte aan zijne trotsche, almachtige grootheid dooi- zijn verhit brein. Uit zijne droome-rijen tot de werkelijkheid terugkeerende, wierp hij in wilde hartstochtelijkheid zijn gouden beker midden in de zaal, zoodat de wijn, als eene regenvlaag, over de aanzittenden werd uitgestort, en riep: »Houdt op met dit ijdel gesnap, en dwaas getier! Laat ons, dronken als we zijn, naar de gewoonte der Perzen 1), krijgsraad houden, en overleggen, welk antwoord den Massageten zal gegeven worden. U, Hystaspes, u vraag ik, als den oudste in onzen kring, het eerst naar uw meening!quot;

De grijze vader van Darius antwoordde: ))Het komt mij voor, dat de gezanten dezer nomaden ons geene keus hebben gelaten. Tegen ontvolkte steppen kunnen wij niet ten strijde trekken. Daar echter ons leger nu toch marschvaardig is, en onze zwaarden reeds te lang gerust hebben, moet er oorlog gevoerd worden. Om dezen te kunnen voeren, ontbreken ons slechts een paar goede vijanden, en vijanden temaken, is de gemakkelijkste zaak die ik ken!quot;

1

Volgens Herodotus waren de Perzen gewoon in dronkenschap over de gewichtigste aangelegenheden te beraadslagen. Het bestolene werd daarna, als zij nuchteren waren, nog eens overwogen. Iets dergelijks verhaalt Tacitus van de Germanen.

ocr page 254

243

De Perzen barsaten bij deze woorden in luid gejubel uit. Doch toen de stilte eenigszins hersteld was, vatte Cresus liet woord op en zeide; »Gij zijt een grijsaard, evenals ik, Hystaspes; maar als een echte Pers, denkt gij slechts op 't veld en in den strijd gelukkig te kunnen zijn. De staf, eenmaal het teeken uwer veldheerswaardigheid, strekt ii thans ten steun; en toch spreekt gij als een jongeling, wien het warme bloed nog driftig door de aderen snelt. Vijanden, ik geef het u toe, zijn gemakkelijk te vinden, maar slechts dwazen leggen het er op toe zich vijanden te maken. Wie ze zich moedwillig op den hals haalt gelijkt een misdadiger, die zichzelven verminkt. Hebben we vijanden, dan betaamt het ons tegen hen te strijden, gelijk het den wijze past het ongeluk moedig onder de oogen te zien! — Laat ons geen onrecht begaan mijne vrienden, en geen onbillijken oorlog beginnen, die een gruwel is in de oogen der goden, maar wachten tot men ons onrecht aandoe, en dan, met het volle bewustzijn voor een goede zaak het zwaard te hebben aangegord, overwinnen of sterven.quot;

Een zacht goedkeurend gemompel deed den grijsaard afbreken. Het werd echter onmiddellijk overstemd door het geroep: ))Hys-taspes heeft gelijk, laten wij een vijand zoeken!quot;

De gezant Prexaspes, die nu aan tie beurt was om te spreken, riep lachende: :gt;)Volden wij den raad van beide edele grijsaards! Laten wij wachten tot men ons eenig onrecht aandoe, en intus-schen ons wat gevoeliger toonen, en vaststellen dat ieder, die zich niet gewillig en met blijdschap een medelid van hetgroote rijk van onzen vader Cyrus mocht willen noemen, onder de vijanden van Perzië zal worden gerekend. Beginnen wij bij voorbeeld met den Indiërs te vragen, of zij niet trotsch zouden zijn zich onder uw schepter te mogen buigen, Cambyzes. Zeggen zij neen, dan hebben zij ons niet lief, en wie ons niet liefheeft is onze vijand!quot;

»Niets van dat alles!quot; riep Zopyrus. »Wij moeten oorlog hebben tot iederen prijs!quot;

))Ik stem voor Cresus!quot; riep Gobryas.

»Ik ook! riep de edele Artabazus.

))))Wij zijn voor Hystaspes! schreeuwden de held Araspes, de grijze Intaphernes, en andere oude strijdmakers van Cyrus.

aGeen krijgtegen de Massageten, die ons ontvluchten; maar oorlog lot eiken prijs!quot; brulde de veldheer Megabyzes, de vader van Zopyrus, met zijne zware vuist op de tafel slaande, dat de gouden vaten tegen elkaar stieten en verscheidene bekers omvielen.

sGeen strijd tegen de Massageten, aan wie Cyrus door de goden zelve gewroken is,quot; zeide de opperpriester Oropastes.

«Strijd! Strijd!quot; schreeuwden de dronken Perzen wild dooreen.

ocr page 255

244

Koel en rustig sloeg Gambyzus eenige oogenblikken de teugel-looze geestdrift zijner krijgers gade; dan stond hij van zijn zetel op, en riep met donderende stem: gt;gt;Zwijgt en hoort uw koning!quot;

Als een tooverslag werkten deze woorden, zelfs de meest be-schonkene gehoorzaamde, haast zonder het zelf te weten, het bevel van zijn \orst, die thans minder luid sprekende vervolgde; »Ik heb u niet gevraagd of gij oorlog dan wel vrede begeert, want ik weet dat ieder Pers aan de inspanning van den strijd de voorkeur geeft hoven eene roemlooze rust. Ik heb slechts willen weten, wat gij in mijne plaats den Massageten zoudt antwoorden. — Ach! gij de ziel van mijn vader, van den man, wien gij uwe grootheid verschuldigd zijt, genoegzaam gewroken?quot;

Een dof gemompel van toestemming, slechts door enkele heftige uitroepingen in ontkennenden zin afgebroken, was bet antwoord. De tweede vraag van den koning: .«Zullen wij de voorwaarden der gezanten die tot ons kwamen aannemen, en het verzwakte, doorquot; de goden zoo zwaar bezochte volk den vrede schenken?quot; — werd door alle aanwezenden met een levendig ».1a!quot; beantwoord.

»Dat is het, wat ik weten wildequot; vervolgde Cambyzes. »Morgen, als wij nuchter zijn, willen we, naar oud gebruik, overwegen, wat we in onzen roes besloten. Doorbrast de nog restende uren van den nacht; ik verlaat uw kring en wacht u bij het laatste gekraai van deu heiligen vogel Paródar ') aan de poort van Bel, om met u ter jacht te gaan.quot;

Met deze woorden verliet de monarch de zaal. Een donderend: »Heil zij den koning!quot; deed hem uitgeleide. Boges, de eunuch, was vóór zijn gebieder de zaal uitgeslopen. In den voorhof vond Inj een knaap van den boomkweeker op de hangende tuinen.

»Wat zoekt gij hier?quot; vroeg hij hem.

»Ik heb aan prins Bartja iets te overhandigen.quot;

»Bartja? Heeft hij uw heer dan om zaden of stekjes gevraagd?quot;

De knaap schudde met een schelmsch lachje het hoofd, dat door de zon half verbrand was,

))Zijl gij dan door iemand anders gezonden?quot; vroeg Boges, die vermoedde dat hier iets achter stak.

«Ja, eene andere heeft mij gezonden.quot;

»Ah! De Egyptische laat haar zwager door u in't geheim ists weten!quot;

))Wie beeft u dit verraden?quot;

»Nitetis sprak er mij van. Geef hier wat gij hebt, ik zal bet Bartja aanstonds ter hand stollen.quot;

1) De haan was een heilig dier bij de Perzen, want hij joeg de duistere geesten van den nacht in hunne holen terug. Hij heette Parodarsh cn word ook onomatopoetisch Kahrkatac genoemd.

ocr page 256

245

sik mag het aan niemand geven, dan aan hein zeiven.quot;

sGeelquot; op! ik kan deze boodschap beter doen dan gij.quot;

»Ik mag niet.quot;

»Gehoorzaam mij, of...quot;

Op dit oogenblik naderde de koning. Bogo« bezon zich eene wijle; daarop gebood hij met luider stem den aan de deur wacht-houdenden zweepdragers, den onthutsten knaap te grijpen.

)gt;Wat gebeurt hier'?quot; vroeg Gambyzes.

»Deze vermetele knaap,quot; antwoordde de eunuch, »is het paleis binnengedrongen, om Bartja eene boodschap van uwe gemalin Nitetis over te brengen.quot;

Toen de jongen den koning gewaar werd, zonk hij op de knieën, met het voorhoofd den grond aanrakende.

Doodelijk bleek zag Gambyzes op den rampzaligen bode neder. Daarop wendde hij zich tot den eunuch met de vraag; ))Wat verlangt de Egyptische .van mijn broeder?quot;

»De knaap houdt vol, dat hij slechts aan Bartja zeiven mag overhandigen, wat hij voor hem bij zich heeft.quot;

Met smeekenden blik tot den koning opziende, reikte de knaap thans aan dezen een klein papyrus-rolletje over.

Gambyzes ontrukte hem het blad, en stampvoette van toorn, toen hij de Grieksche schrijfteekens zag, die hij niet in staat was te ontcijferen.

Na eenige seconden herkreeg hij zijne bedaardheid, en vroeg den knaap, terwijl hij zijn doorborenden blik op liem vestigde: »quot;Wie heeft u dit gegeven?quot;

»De kamerjuffer van mijne Egyptische meesteres, Mandane, de dochter van den magiër.quot;

«Voor mijn broeder Bartja?quot;

))Zij zeide dat ik dit blad, voor den maaltijd, aan den schoo-nen prins moest overhandigen, hem de groete van hare meesteres Nitetis doen, en zeggen, dat uwe zuster Atóssa hem morgen den inhoud van het briefje verklaren zou.quot;

De koning stampvoette van gramschap en ongeduld, waardoor de knaap zoo verschrikte, dat zijn stem hokte en hij slechts met moeite kou uitbrengen: ))Ik kou den prins vóór den maaltijd niet naderen, daar hij naast u ging. Thans wacht ik hem hier op, want Mandane beloofde mij twee goudstaters, als ik mijne boodschap goed ten uitvoer bracht.quot;

gt;;gt;Dat hebt gij niet gedaan!quot; bulderde de, gelijk hij meende, schandelijk bedrogen vorst. gt;)Dat hebt gij niet gedaan! Trawanten, grijpt den knaap!quot;

De jongen sloeg een smeekenden blik op den koning en bad om genade. Doch vruchteloos, want, snel als de gedachte hadden de zweepdragers hem gegrepen, en de koning, die zich ijlings

ocr page 257

246

naar zijne vertrekken begaf, vernam zijn kermend smeeken om genade en vergiffenis niet meer.

Boges wreef zich weder de dikke handen, terwijl hij den vorst volgde, en lachte met zijn gewonen duivelschen lach.

Toen de uitkleeriers zich van hunne taak wilden kwijten, wees de koning hunne diensten toornig af, zeggende dat zij zich oogen-blikkelijk moesten verwijderen. Nadat zij hem met Boges alleen hadden gelaten, zeide hij tot dezen; »Van dit uur heiast ik u met het toezicht over de hangende tuinen en de Egyptische. Bewaak haar goed! Wanneer iemand of eenig bericht, zonder mijn weten, tot haar doordringt, dan hebt gij uw leven verbeurd!quot;

»Maar als Cassandane of Atossa iemand tot haar zendt1?quot;

»Zoo wijst gij de boden af en laat weten, dat ik iedere poging om Isitetis te spreken te krijgen, als eene beleediging mij aangedaan zal beschouwen.quot;

»Mag ik u om eene gunst bidden, o koning?quot;

»Het tijdstip daartoe is slecht gekozen.',

))Ik gevoel mij zoo krank. Zoo gij slechts voor den dag van morgen aan een ander het toezicht op de tuinen wildet toevertrouwen ....

»Neen! — Verlaat mij!quot;

»Eene hevige koorts doet mijn bloed koken. Heden heb ik tot driemaal toe het bewustzijn verloren. — Indien op zulk een oogenblik eens iemand. . ..quot;

))Wie zou u dan kunnen vervangen?quot;

»De Lydische eunuchenhoofdman Candaulis. Hij is eerlijk als goud, en onverbiddelijk streng. Een dag rust zal voldoende zijn om mijne gezondheid te herstellen. Wees genadig!quot;

)gt;Niemand wordt zoo slecht gediend als ik, de koning! Can-daules mag morgen uwe plaats vervangen. Geef hem strenge bevelen, en zeg hem dat de kleinste nalatigheid hem zijn leven zal kosten. — Verlaat mij thans!quot;

))Nog iets, mijn koning! Gij weet, dat morgennacht in de-hangende tuinen de zeldzame blauwe lelie in bloei moet staan. Hystapes, Intaphernes, Grobryas, Cresus en Oropastes, de beste beoordeelaars der hovenierskunst aan uw hof, zouden ze gaarne zien. Mogen zij voor enkele minuten de hangende tuinen betreden? Gandaules zal wel zorg dragen, dat zij de Egyptische niet naderen.quot;

))Als Gandaules zijn leven liefheeft, zal hij zijne oogen openhouden. — Ga!quot;

Boges groette eerbiedig, en verliet 's konings vertrek. Den slaven, die hem met fakkels voorlichtten, wierp hij eenige goudstukken toe. Hij was recht gelukkig. Al zijne ontwerpen slaagden boven verwachting, want het lot van N itetis scheen henr. zoo

ocr page 258

247

goed als beslist, en het leven van Candaules, den man, wiea hij een onbegrensden haat toedroeg, hield hij in zijne handen.

Tot aan den morgen hep Cambyzes in zijne vertrekken op en neder. Toen de haan kraaide was hij tot het vaste besluit gekomen, Nitetis eene bekentenis van haar misdrijf af te persen, en haar dan, als dienstmaagd zijner bijwijven, in den grooten harem te plaatsen. Bartja, de verwoester van zijn geluk, zou op staanden voet naar Egypte reizen, en later als satraap naar eene afgelegene provincie worden gezonden. Hij deinsde terug voor de misdaad van broedermoord, maar kende zichzelven goed genoeg om te weten, dat hij in een oogenblik \an drift den gehaten jongeling zou kunnen dooden, zoo deze niet buiten het bereik van zijn hartstocht was.

Twee uren na het aanbreken van den dag stoof Cambyzes, op zijn snuivenden en brieschenden hengst gezeten, zijn onafzienbaar, met schild, zwaard, lans, boog en vangsnoer gewapend gevolg ver vooiuit, om een groote slachting aan te richten onder het door meer Jan duizend honden opgejaagd wild van den diergaarde van Babylon, die vele mijlen uitgestrekt was 1).

1

De jachtstoet der Perzische koningen was natuurlijk even grootsch en luisterrijk als hun reisgevolg. Daar tie jacht tot de lievelingsbezigheden van deu t'erzischen adel behoorde, worden de knapen reeds in hun vroegste jeugd hierin geoefend. Zelfs koningen beroemen zich op hunne grafschriften, dat zij groote jagers geweest zijn. In de ruïnen van Persepolis is een reliëf gevonden, waarop de koning wordt voorgesteld, eene leeuwin met den rechterarm wurgend, eene symbolische voorstelling, waaraan geene historische waarde is toe te kennen. Layard heeft te Niniveh vele schoone overblijfselen van jachtpartijen gevonden, en de Grieken weten ons veel te verhalen van de groote diergaarden der Perzische koningen en den jachtstoet, die uit ruiters en voetknechten bestond. Ieder jager moest, behalve met pijl en boog, nog gewapend zijn met twee lansen, een zwaard en een schild. Ook maakte men gaarne gebruik van het vangsnoer. Reeds sedert onheuglijke tijden was de valkenjacht aan de Perzen bekend.

ocr page 259

ZEVENDE HOOFDSTUK.

De jacht was afgeloopen. Wagens vol gedood wild, waaronder ettelijke reusachtige evers, die Cambyzes rnet eigen hand geveld had, volgden de huiswaarts keerende jagers. Voor de poorten, van het paleis gingen dezen uiteen, om in hunne woningen het oud Perzisch jachtgewaad van eenvoudig leder met de schitterende Medische hofkleeding te verwisselen.

Onder het jagen had de koning zijn broeder op scliijnbaar minzamen toon, schoon het hem moeite kostte zijn toorn te verbergen, het bevel gegeven den volgenden dag te vertrekken, om Sapplio af te halen en naar Perziê te geleiden. Tegelijkertijd had hij hem de inkomsten der steden Bactra, Rhagae en Sinope toegezegd, ter bestrijding der meerdere kosten van den nieuwen staat, dien hij als gehuwd man zou moeten voeren. Voorts schonk hij aan de jonge vrouw, als zoogenaamd speldengeld, de opbrengst van haar vaderstad Phocaea.

Bartja dankte zijn milden broeder met ongeveinsde hartelijkheid; Cambyzes echter hernam zijn koele stugheid, riep hem eenige woorden tot afscheid toe, en wendde zich van hem af',, om het spoor van een wilden ezel te volgen.

Op den terugtocht noodigde de jonge held zijne vertrouwste vrienden Cresus, Darius, Zopyrus en Gyges uit, met hem een beker tot afscheid te drinken. Cresus wilde zich eerst later bij hen voegen, daar hij beloofd had bij het opkomen der Tistar-ster de blauwe lelie te zullen komen zien. Toen de grijsaard in den vroegen morgen Nitetis op de hangende tuinen had willen bezoeken, was hij door de wachters onbepaald afgewezen; thans scheen het bloeien der blauwe lelie hem eene gelegenheid aan de hand te doen om zijne geliefde beschermelinge, wier gedrag bij gelegenheid van den feestmaaltijd hij zich niet verklaren konr en wier strenge bewaking hem zeer bezorgd maakte, te zien en te spreken.

Toen het begon te schemeren zaten de jonge Achaemenidea

ocr page 260

'249

in een lommerrijk prieel van den koninklijken tuin, naast hetwelk kristalheldere fonteinen ruisehten, omie.''vrooiijke gesprekken hijeen. •— Araspes, een voorname Pers en vriend van den overleden Cyrus, had zich aangesloten hij de jongelieden, die druk aan het praten waren, en deed zich te goed aan den voor-treffelijken wijn, dien de koningszoon met milde hand schonk.

«Gelukkige Bartja,quot; riep de oude vrijgezel. 9Gij trekt weldra naai' een heerlijk land, om de vrouw uwer keuze af te halen, terwijl ik, arme oude vrijer, door iedereen bespot, naar mijn graf voortstrompel, zonder vrouwen en kinderen na te laten, die mij zouden kunnen beweenen en de goden bidden om een genadig oordeel over mijne ziel.quot;

»Hoe is het mogelijk zulke gedachten te koesteren!quot; riep Zopyrus, den beker opheftende. sGeene vrouw ter wereld iszóo volmaakt, dat het haar echtgenoot niet minstens eenmaal per dag berouwt, eene vrouw te hebben genomen ! Wees blij te moede, vadertje, en bedenk, dat gij u beklaagt over iets dat uwe eigene schuld of liever uwe eigene wijsheid is. Men kiest vrouwen toch als noten, met enkel op de schaal te letten. Wie kan vooruit weten, of er een goede, of een slechte, of in het geheel geen kern in schuilt! Ik spreek uit uitvaring, want ofschoon ik pas twee en twintig jaar oud ben, heb ik reeds vijf uitverkorene vrouwen en een ganschen stoet der schoonste slavinnen in mijn huis.quot;

Araspes glimlachte weemoedig.

»En wie belet u, nog heden te huwen'?quot; riep Gyges, »Gij zijt wel zestig jaar oud; maar gij beschaamt menig jonkman door uwe forsche houding, uwe kracht en uwe volharding. Gij behoort bovendien tot de edelste bloedverwanten van den koning. Waarlijk ik verzeker u, Araspes, dat gij nog wel twintig schoone vrouwen kunt krijgen.quot;

»Veeg het vuil maar weg voor uw eigen deur,quot; duwde de oude vrijer den zoon van Cresus toe. olu uwe plaats zou ik zeker niet tot mijn dertigste jaar ongetrouwd zijn gebleven!quot;

sEene godspraak heeft mij verboden te huwen.quot;

«Gekheid! Welk verstandig mensch stoort zich aan eene godspraak! Alleen in droomen openbaren de goden ons de toekomst! Ik zou toch meenen dat gij uit het voorbeeld van uw eigen vader genoeg hebt kunnen leeren, hoe schandelijk die Grieksche priesters hunne beste vrienden bedriegen.quot;

«Gij spreekt over dingen, die gij niet verstaat, Araspes.quot;

sEn die ik niet verlang te verstaan, jonge vriend! Waarom anders gelooft gij aan orakelen, dan omdat gij ze niet verstaat! Wat gijlieden niet begrijpt, dat noemt gij in uw bekrompenheid een wonder, en in alles wat u wonderbaar toeschijnt stelt gij

ocr page 261

250

meer vertrouwen, dan in de eenvoudige waarheid, die voor de hand ligt. Het orakel heeft uw vader bedrogen en in het verderf gestort; maar het orakel is een wonder, en daarom laat ook gij u met het volste vertrouwen door dat zelfde orakel van uw geluk afhouden!quot;

«Gij lastert, Araspes. Is het de schuld der goden, wanneer wij hunne uitspraken verkeerd uitleggen?quot;

»Ongetwijfeld, want als zij ons waarlijk helpen wilden, moesten zij ons met hunne woorden ook het noodige doorzicht schenken, om ze te verstaan. Wat haten mij de schoonste toespraken, zoo zij worden voorgedragen in eene voor mij onverstaanbare taal!quot;

»Houdt op met dit nutteloos gekibbel!quot; sprak nu Darius. «Verklaar ons liever, Araspes, waarom gij u zoolang door de priesters bestraffen, bij de feesten terugzetten en door de vrouwen smaden het; waarom gij vrijgezel zijt gebleven, ofschoon gij iederen bruidegom zijn geluk schijnt te benijden'?quot;

Araspes staarde een oogenblik peinzend op den grond ; daarop hief hij plotseling het hoofd op, nam een fiksche teug uit zijn beker, en zeide : »Ik heb daarvoor mijne redenen, vrienden, maar ik kan u die thans niet mededeelen.quot;

»Laat hooren, laat hooren!quot;

»Ik kan niet, kinderen, ik kan niet! Dezen beker ledig ik op het welzijn uwer schoone Sappho, gelukkige Bartja, en dezen wijd ik aan uw toekomstig geluk, mijn lieveling Darius!quot;

»Ik dank u!quot; antwoordde Bartja, terwijl hij den beker lustig aan de lippen zette.

«Gij meent bet goed,quot; prevelde Darius, die zeer bedrukt naaiden grond keek.

«Zeg eens, gij zoon van Hystaspes,quot; riep de oude krijger, toen hij zag dat de jongeling op eens zoo ernstig was gestemd: «zulk een donker gelaat past den bruidegom, wien een dronk gebracht wordt op het welzijn zijner liefste, volstrekt niet! Is liet lieve dochterke van Gobryas, na Atossa, niet de aanzienlijkste van alle jonge Perzische meisjes? Is zij niet schoon?quot;

«Artystone bezit al de voorrechten en voordeelen eener Achae-menide,quot; antwoordde Darius, wiens gelaat echter bij deze verklaring nog geene vroolijker uitdrukking aannam.

«Nu wat verlangt gij dan nog meer, gij ontevredene?quot;

Darius hief den beker op, en keek schijnbaar met aandacht in den wijn.

»De knaap is verliefd zoo waar als ik Araspes heet!quot; riep de oude.

«Wat zijt gijlieden toch dwaas,quot; sprak Zopyrus, die zich nu in het gesprek begon te mengen. «De een is, in strijd met alle Perzische gebruiken, vrijgezel gebleven; een ander trouwt niet,

ocr page 262

25-1

daar eene godspraak hem vrees aanjaagt; Barlja wil slechts eene vrouw hebben, ea Darius zet een gezicht als een destoer, die de liederen der dooden zingt, omdat zijn vader hem beveelt gelukkig te worden met het schoonste maagdelijn uit gansch Perziëlquot;

sZopyrus heeft gelijk,quot; zeide de oude man opgeruimd; »Darius is een ondankbaar mensch!quot;

Bartja wendde zijn blik niet af van den vriend, die dus al schertsend werd doorgehaald. Hij zag 't hem aan, dal de woorden zijner makkers eene teedere plaats in zijn hart pijnlijk aandeden, en drukte hem de hand, omdat bij zijn eigen geluk dubbel gevoelde, zeggende: »Het doet mij leed, dat ik bij uw huwelijksfeest niet tegenwoordig kan zijn. Als ik terugkom, dan hoop ik, dat gij u met de keuze van uw vader verzoend zuil hebben.quot;

«Misschien,quot; antwoordde Darius, met een smartelijk lachje, »kan ik u, bij uwe terugkomst, wel eene tweede, ja eene derde vrouw toonen.quot;

»Dat geve Ananita,quot; riep Zopyrus. ))De Achaemoniden zouden spoedig uitsterven, als allen deden gelijk Araspes en Gyges. Gij met uwe éene vrouw, Bartja, handelt ook niet, als het behoort. Om den stam van Cyrus in leven te houden, moest gij eigenlijk drie vrouwen te gelijk huwen.quot;

»Ik haat het Perzische gebruik, van vele vrouwen te hebben,quot; antwoordde Bartja. »Door zoo te handelen stellen wij ons beneden de vrouwen, van wie wij eischen, dat zij haar gansche leven ons trouw blijven, terwijl wij, wien de trouw boven alles heilig behoorde te zijn, vandaag deze, morgen gene vrouw eene eeuwige liefde zweren.quot;

»Bah!quot; hernam Zopyrus. »Ik sneed mij liever de tong af, dan een man te misleiden; maar onze vrouwen zijn zulke bedrieglijke schepsels, dal men geen kwaad doet haar met dezelfde munt te betalen.quot;

De Helleensche vrouwen zijn geheel anders, daar zij anders behandeld worden,quot; antwoordde Bartja. »Sappho verhaalde mij van eene Grieksche vrouw, zij heette geloof ik Penelope, aio twintig jaren lang geduldig, en met dezelfde liefde en trouw, op haren voor dood gehouden echtgenoot1) wachtte, ofschoon dagelijks vijftig vrijers haar huis platliepen.quot;

1

Odysseus of Ulysses. Penelope werd, volgens de sage, gedurende hare omzwervingen door meer dan honderd minnaars bestormd. Zij bleef echter trouw, en verzocht uitstel totdat het lijkkleed voor haar schoonvader Laërtes gereed zou zijn. Doch wat zij bij dag weefde, tornde zij 's nachts weer los. Toen het eindelijk tot eeno beslissing zou komen, keerde Ulysses terug en doodde do minnaars.

ocr page 263

j)Mijne vrouwen zouden zeker niet zoo lang op mij wachten!quot; zeide de vroolijke Zopyrus. »Ik beken ronduit dat ik mij ook niet zou doodtreuren, als ik, na zulk een lange afwezigheid,, bij mijne terugkomst mijn geheele huis ledig vond. In de plaats van die ontrouwe vrouwen, die intusschen tamelijk oud geworden zouden zijn, kon ik dan jonge en schoone deerntjes in mijn harem opnemen. Maar niet iedere vrouw vindt een minnaar om haar te schaken, en onze vrouwen hebben nog liever een man die afwezig is, dan in het geheel geen,quot;

»Als uwe vrouwen u zoo eens hoorden spreken!quot; zeide Aras-pes, terwijl l;ij hem lachend aanzag.

»Zij verklaarden mij bepaald den oorlog, nf, wat nog erger zou zijn, ze sloten onderling vrede.quot;

))Hoe meent gij dat?quot;

;gt;gt;Hoe ik het meen'? Nu ik kan wel merken, dat gijlieden geen ervaring hebt op dit gebied!quot;

sWijd ons dan eens in de geheimen van uw huwelijksleven in.quot;

»Zeei' gaarne! Gij kunt u wel voorstellen, dat vijf vrouwen in éen huis niet zoo vreedzaam samenleven als vijf duiven in éen til. De mijne ten minste voeren onafgebroken strijd op leven en dood. Daar ben ik aan gewoon, en het doet mij altijd genoegen als de lieve schepseltjes zich onderling zoo vermaken. Een jaar geleden waren zij liet voor de eerste maal eens, en deze dag des vredes was de ongelukkigste mijns levens.quot;

»Gij spotvogel!quot;

oNeen, ik spreek in vollen ernst. De ellendige eunuch, die dit vijftal moest bewaken, liet een ouden juwelier uit Tyrus bij haar toe. Ieder koos zich een kostbaar tooisel. Toen ik tehuis kwamT viel Subade mij aanstonds op liet lijf, en bad mij om het geld voor het door haar gekozen sieraad. Het ding was zóo duurr dat ik weigerde het te betalen. Eén voor éen kwamen ook de vier andere vrouwen mij geld vragen voor haar opschik, maar allen kregen hetzelfde antwoord en ik ging naar bet hof. — Toen ik weer terugkom, zitten al mijne vrouwen bij elkaar te pruilen en te klagen. Zij omarmen elkaar, en noemen elkaar vriendinnen en deelgenooten in het ongeluk. Met een waarlijk aandoenlijke eensgezindheid staan ze alle vijf als vijandinnen tegen mij op, en overladen me met scheldwoorden en dreigementen, tot ik het vertrek verlaat. Ik wil me te slapen leggen, maar jawel, ik vind vijf geslotene deuren. Den volgenden morgen begint het gejammer en getier op nieuw. Ik neem wederom de vlucht en rijd met den koning ter jacht. Vermoeid, hongerig en verstijfd, (het was in de lente, en reeds was het hof teEk-hatana, terwijl de sneeew nog ellenhoog den Orontes bedekte),

ocr page 264

•?loS

kom ik tehuis, en vind yeen vuur aan den haard, geen maaltijd gereed. Mijne lieve vrouwtjes hadden, om mij te straffen, vrede met elkaar gesloten, hel vuur uitgedoofd, den koks verboden hun plicht te doen, en wat het ergste was, de juweelen behouden? — Nauw heb ik den slaven geboden vuur aan te maken en een maaltijd te bereiden, of daar verschijnt de onbeschaamde juwelier andermaal en vordert zijn geld. Wederom weiger ik hem te betalen, breng opnieuw, door de vrouwen buitengesloten, eenzaam den nacht door, en offer den volgenden morgen om des lieven vredes wille tien talenten. Sedert ducht ik de eendracht mijner vriendinnen evenzeer als de booze Diws, en heb niets liever, dan dat zij elkander lagen leggen, krakeelen en plukharen.quot;

«Ongelukkige Zopyrus!quot; zeide Bart ja lachend.

«Ongelukkige'?quot; hernam de echtgenoot van het vijftal. »Ik zeg u, dat ik de gelukkigste sterveling op aarde ben. Mijne vrouwen zijn jong en aanvallig, en als hun gelaat begint te rimpelen, wie zal mij dan beletten schoonere in mijn huis te nemen'? De leelijkheid der verouderde vrouwen zal dan de schoonheid mijner jeugdige vriendinnen te sterker doen uitkomen. — Hei daar slaaf, zorg voor lampen! De zon is ondergegaan, en de wijn smaakt dan alleen als de tafel helder verlicht is!quot;

»Hoort, hoe schoon de vogel Bulbul slaat!quot; riep Darius, die buiten bet prieel onder den vrijen hemel was gaan staan, zijnen vrienden toe.

»Bij Mithra, zoon van Hystaspes, gij zijl tot over de ooren -verliefd,quot; viel Araspes don jongeling in de rede. «Wie den wijn laat staan om naar den nachtegaal te luisteren, is door den bloesempijl der liefde1) getroffen, zoo zeker als ik Araspes heet!quot;

»Gij hebt gelijk, vadertje!quot; zeide Bartja. sPhilomele, gelijk de Hellenen onzen Buibul noemen, wien de liefde zoo schoone tonen in den gorgel geeft, is bij alle volken de vogel der min-nenden. Van welk maagdelijn droomdet gij, Darius, toen ge straks in het duister ons verliet, om naar Bulbul te luisteren?quot;

»Ik dacht niet aan meisjes,quot; antwoordde de jongeling. «Gij weet, dat ik gaarne den sterrenhemel beschouw. De Tistar-ster kwam , heden zoo buitengewoon luisterrijk op, dat ik den wijn vergat om naar haar te zien. Ik had echter mijne ooren wel moeten dichtstoppen, om den welluidenden beurtzang der nach-galen niet te vernemen.quot;

1

Dit is ontleend aan de Indiërs, wier liefdegod Karna de harten wondt met puntige bloesems. De nachtegaal speelt eene groote rol in de liederen der Perzen. Hij is de vogel der verliefden, en zijn lied werd gehouden voor de uitdrukking van al wat liellijk is.

ocr page 265

»Gij liieldt ze wijd genoeg open, want uwe opgetogene ontboezeming bewees, dat het gezang van den vogel diep in uw hart was gedrongen!quot; hernam Araspes plagende.

«Genoeg!quot; riep Darius, dien deze scherts verdroot.

«Onvoorzichtige,quot; fluisterde nu de oude den jongeling toe, »nu hebt gij u zeiven verraden! Waart gij niet verliefd, zoo zoudf gij lachen in plaats van dus op te vliegen. Maar ik wil u niet kwellen; zeg mij liever wat gij in de sterren gelezen hebt4?quot;

Darius zag bij deze woorden nogmaals naar den hemel op, en hield zijne blikken onafgewend op een helder lichtend sterrenbeeld gevestigd, dat juist boven den horizont oprees. Zopyrus sloeg den Astroloog opmerkzaam gade, en riep zijnen vrienden toe: «Daarboven moet iets gewichtigs plaatsgrijpen. He,Darius, deel ons mede wat de hemel u verkondigt!quot;

«Niets goeds,quot; antwoordde deze. «Ik wenschte u even alleen te spreken, Bartja.quot;

«Waartoe dat? Araspes kan zwijgen, en wij hebben immers geene geheimen voor eikaar!quot;

«Toch....quot;

«Kom, spreek gerust!quot;

«Neen, ik bid u, volg mij in den tuin.quot;

Bartja knikte de vrienden toe, legde zijn arm op Darius' schouder, en ging met hem in het maanlicht naar huiten. Toen zij alleen waren, vatte de zoon van Hystaspes beide handen van zijn vriend, en zeide: «Heden voor de derde maal merk ik aan den hemel verschijnselen op, die u niets goeds beloven. Uw boos gesternte nadert uwe heilbrengende ster zoo dicht, dat men slechts geringe kennis van de hemellichten behoeft te hebben, om te kunnen voorzeggen, dat u een groot gevaar bedreigt. Neem uwe voorzorgen, Bartja, en reis nog heden naar Egypte, want de stenen verkondigen mij, dat het ongeluk u aan de oevers van den Euphraat, niet in het verre land zal overkomen.quot;

«Gelooft gij zoo vast aan de voorspellende kracht van die gesternten T'

«Voorzeker! De sterren liegen nooit!quot;

«Dan zou het eene dwaasheid zijn, zich te willen onttrekken aan hetgeen zij ons voorspellen.quot;

«Gij hebt gelijk, de mensch kan niet ontgaan wat over hem besloten is. Maar het noodlot heeft groote overeenkomst met de onderwijzers in de krijgskunst, wien zulke leerlingen het liefst zijn, die het moedigst en behendigst met hen vechten. Pieis nog heden naar Egypte, Bartja!quot;

«Ik kan niet, want ik heb van mijne moeder en van Atossa nog geen afscheid genomen.quot;

«Zend haar door een bode uw afscheidsgroet, en draag Gresus

ocr page 266

255

op haar de reden van uw overhaast vertrek mede te cleelen.quot;

)gt;Zij zullen mij voor een lafaard houden.quot;

sVoor een mensch te wijken is een bewijs van lafheid; zijn noodlot te ontvlieden, als men kan, is wijs.quot;

«Gij weerspreekt u zeiven, Darius ! Wat zou de leermeester in de krijgskunst van den vluchtenden leerling zeggenquot;?quot; , »Hij zou zich verheugen over den krijgslist, waardoor een

enkele aan de overmacht tracht te ontkomen.quot;

sDie hem toch ten laatste inhalen en verdelgen zou. — Hoe zou ik een gevaar, dat, pij zegt het zelf, niet kan worden afgewend, zoeken te ontwijken! Als mij een tand pijn doet, laat ik dien aanstonds uittrekken, terwijl vrouwen en lafaards zich weken lang kwellen en angstig maken, om de smartelijke kust-bewerking slechts niet op staanden voet, maar zoo lang mogelijk te ondergaan. Ik verbeid het gevaar met onwankelbaren moed, en hoop dat het zich spoedig moge vertoonen, om het des te eerder achter mij te hebben.quot;

»Gij kent er de grootte niet van.quot;

»Vreest ge voor mijn leven?quot;

sNeen 1quot;

sLaat mij hooren, wat gij ducht.quot;

süie Egyptische priester te Saïs, onder wiens voorlichting ik de sterren gadesloeg, heeft uw horoscoop met mij getrokken. Hij was de bekwaamste in de wetenschap der sterren dien ik ooit ontmoette. Hem ben ik veel van hetgeen ik weet verschuldigd, en ik wil u niet verzwijgen, dat hij mij opmerkzaam heeft gemaakt op gevaren, die u toen reeds boven het hoofd hingen.quot;

»Waarom mij dat verzwegen'?quot;

«Waarom u vóór den tijd schrik aangejaagd! Thans waarschuw ik u, daar ik zie, dat hetgeen u bedreigde nadert.quot;

»11; dank u, en zal op mijne hoede zijn. Vroeger zou ik mij aan uwe waarschuwing niet hebben gestoord; maar sedert ik bemin, is het mij altijd als mag ik niet meer zoo vrij over mijn lt; leven beschikken.quot;

))Ik begrijp dat gevoel....quot;

))Gij begrijpt mij'? A ras pes heeft dan goed gezien'? — Gij zegt niet neen ?quot;

»Ach, een droom zonder hoop!quot;

* »Welke vrouw zou u kunnen versmaden'?quot;

«Versmaden?

»Ik vat u niet. Ontzinkt u, den stoutsten jager, den sterksten worstelaar, den wijste van alle jonge Perzen, ontzinkt u de moed en het zelfvertrouwen, waar gij staat tegenover eene vrouw?quot;

sKan ik u vertrouwen, meer vertrouwen, dan ik mijnen vader vertrouwen zou, Bartja?quot;

ocr page 267

150

«Dal kunt ge!quot;

«Ik bemin de dochter van Cyrus, uwe en dos konings zuster,

.Afossa;quot;

»Heb ik u goed verstaan; gij bemint Atossaquot;? Daarvoor dank ik u, reine Amescha Qpenta1)! Van nu aan geloof ik niet meer aan uwe sterren, want in plaats van de gevaren, waarmede zij mij bedreigen, over mij Ie zien komen, ontvang ik een onver-wachten zegen. Omarm mij, mijn broeder, en verhaal mij de geschiedenis uwer liefde, opdat ik in staat zij u te helpen, en te verwezenlijken wat gij een droom zonder hoop noemdet!quot;

«Vóór ons vertrek naar Egypte,trokken we, gelijk gij weet, met het geheele hof van Ekbatana naar Susa. Ik had toen het bevel over de afdeeling der Onsterfelijken, die de wagens van de gemalinnen des konings moesten beschermen. Op den bergpas over den Oron-tes, gleden de paarden uit, die den wagen uwer moeder en zuster trokken. Het juk, waaraan de dieren bevestigd waren 2), brak van den dissel, en voor mijne oogen stortte de zware vierwielige wagen in den afgrond. Bevend van schrik zagen wij het voertuig verdwijnen. Wij gaven onze paarden de sporen, zoodat hun het bloed uit de zijde sprong, en snelden toe om, zoo mogelijk, nog hnlp te bieden. Op de plaats van het ongeluk gekomen, bereidden we ons reeds voor op het ijselijke gezicht van den verbrijzelden wagen en van bloedende, vreeselijk misvormde lijken. Maar de goden hadden de uwen onder hunne alvermogende bescherming genomen, en de in den afgrond geslingerde wagen rustte, met gebrokene raderen, in de armen van twee reusachtige cypressen, welker taaie wortels zich diep in de spleten der steenrotsen hadden vastgewrongen, en die hunne donkere kronen tot aan den rand van den weg verhieven.

«Bliksemsnel sprong ik van mijn paard en klauterde, zonder mij een oogenblik te bezinnen, langs een der cypressen af. Uwe moeder en zuster riepen om hulp, en strekten hare armen naar mij uit. Zij verkeerden in een ontzettend gevaar, want de houten wanden van den wagen, door den geweldigen schok uit de voegen gelicht, dreigden ieder oogenblik van elkaar te splijten. Dan zouden de vrouwen onvermijdelijk in den afgrond zijn gestort, die peilloos diep en donker, als het verblijf der boozeDiws,

1

Hoilige onsterfelijken. Zij kunnen vergeleken worden met de aartsengelen der Joden. Zij omgeven den troon van Aoerainazda en stellen zinnebeeldig de hoogste deugden voor. Later werd hun getal op zes bepaald.

2

Aan liet einde van den disselboom der Perzische wagens was een juk bevestigd, dat op do ruggen der paarden word vastgemaakt, hetwelk gelijke diensten bewees als bij ons de borst- en disselriem. Op dezelfde wijze werden ook de Egyptische paarden aangespannen.

ocr page 268

257

bereid scheen de schoone offers in zijne kaken te verzwelgen.

))Daar stond ik, mij aan den stam der cypres vastklemmende, voor den zwevenden wagen, die ieder oogenblik bezwijken kon, en toen werd ik voor het eerst getroffen door den smeekenden blik uwer zuster. Sinds dat oogenblik beminde ik Atossa. Maar ik wist toen nog niet, wat er in mijn hart omging, want daar was geen tijd cm op iets anders, dan de redding uwer dierbaren bedaciit te zijn. In een ommezien hief ik de vrouwen uit den wagen, die een oogenblik later in duizend stukken sprong, en krakende in de diepte stortte. 'Ik ben sterk, maar toch zou ik, zonder de uiterste iiispaiiiiing mijner krachten, de beide vrouwen en mij zeiven niet zoo lang boven den afgrond zwevende hebben kunnen houden, tot men kooiden had afgelaten. Atossa hing aan mijn hals, Cassandane rustte, door mijn linkerarm omklemd, aan mijn borst. Met de rechterhand slingerde ik den strik om mijn lichaam. Men trok ons naar boven, en weinige minuten later stond ik, met mijn kostbaren last, behouden op den vasten bodem.

))Nadat een magiër de wonde, die het sterk aangetrokken koord in mijne zijde had gesneden, verbonden had, liet de koning-mij roepen, schonk mij deze halsketen en de inkomsten van eene gelieele provincie, en leidde mij in eigen persoon lot de vrouwen, die mij in de warmste taal haren dank Detuigden. Cassandane stond mij toe haar voorhoofd te kussen, en deed mij al de sieraden, die zij op dat gevaarvolle oogenblik gedragen had, voor mijne toekomstige gemalin ter hand stellen. Atossa trok een ring van haar vinger, stak dien aan mijne hand, en kuste die met hare gewone levendigheid, alleen gelioor gevende aan de inspraak voor haar dankbaar iiart. Gij hebt te dien tijde dat alles vernomen, maar wat gij niet weet, dat ik sedert dien dag, den gelukkigsten mijns levens, uwe zuster liefheb, de goden alleen weten hoe innig en feeder! Nochtans heb ik tot op gisteren avond uwe zuster niet wedergezien. Bij den grooten feestmaaltijd zaten wij tegenover elkander. Mijn oog ontmoette het hare. ik zag niemand dan Atossa, en ben overtuigd dat zij wederkeerig haren redder niet vergeten heeft. Cassandane....quot;

»0, mijne moeder zal u volgaarne als haar schoonzoon aannemen, daarvoor sta ik u borg. Laat uw vader zich tot den koning wenden; hij is onze oom, en mag met alle recht de dochter van Cyrus voor zijn zoon tot vrouw verlangen!quot;

»rlcriniiort gij u nog dien droom van uw vader'? Sedertdien nacht heeft Cambyzes nooit opgehouden mij te wantrouwen.quot;

»Dat is lang vergeten! Kort voor zijn dood droomde mijn vader, dat gij vleugelen had; en nu vreesde hij op een dwaalspoor gebracht door de droomuitleggers, dat gij, een achttienjarige

17

ocr page 269

knaap, naar do kroon zouill staan. CamLyzes kon dal geziclil maar uiel vergelen, lol (jresus, nadat ge mijne moeder en zuster liadt gered, verklaarde dal do droom verwezenlijkt was; wanl alleen een gevleugelde arend of Darius was in staal zoo behendig boven een afgrond le zweven.quot;

))lJocli deze verklaring bad niet. de eer uw broeder te bevallen. Hij wil de eenige adelaar in Perzië zijn. Cresus vleit echter nooit zijn trots.quot;

))\Vaar zou hij locb zoo lang blijven'?quot;

»Hij is op de hangende tuinen. Mijn vader en Gobryas zullen hem ophouden,quot;

))Dal noem ik toch waarlijk bijzonder beleefd!quot; liet zich op eens de stern van Zopyrus hoeren. »Barlja noodigi ons aan zijn disch, en laat ons, terwijl hij geheimen behandelt, zonder gastheer zitten Iquot;

»\Vij komen, wij komen!quot; antwoordde deze. Daarop vatte bij de hand van Darius, drukte die en zeide: »Uwe liefde voor Atossa maakt mij onbeschrijfelijk gelukkig. Ik blijf nog lot overmorgen, al bedreigden mij ook de sterren met de verschrikkelijkste gevaren. Morgen zal ik Atossa's hart peilen en eerst wanneer alles behoorlijk is voorbereid, aanvaard ik mijne reis, aan mijn gevleugelden Darius overlatende op eigene wieken zijn doel te bereiken.quot;

Dit zeggende ging Bartja naar hel prieel terug, terwijl zijn vriend andermaal den blik ten hemel richtte. Hoe langer hij de sterren gade sloeg, des te somberder werd de uitdrukking van zijn gelaat. Toen de Tislar-ster onderging, sprak hij bij zichzelven: »Arme Bartja!quot; Zijne vrienden riepen hem en juist wilde hij lot hen terugkeeren, als eene nieuwe ster zijne aandacht trok, waarvan hij plaats en rich ling opmerkzaam gadesloeg. De ernst zijner trekken ging in een zegevierenden glimlach over, zijne hooge gestalte, scheen nog te rijzen, en terwijl hij de hand op zijn hart legde, fluisterde hij; »Gevleugelde Darius, gebruik thans uwe wieken; uwe ster zal u ter zijde slaan!quot; Daarop keerde hij tol de vrienden weder, die hem met ongeduld zalen te wachten.

Kort daarop naderde Cresus het prieel. De jongelingen sprongen van hunne zitplaatsen op, om den eenvaardigen man welkom te beeten, die, als door den bliksem getrollen, bleef staan, toen hij het gelaat van Bartja herkende, dat door het maanlicht helder werd verlicht.

»Wal is ii overkomen, vader'?quot; vroeg Gyges, terwijl hij bezorgd de hand van den grijsaard vatte.

»Niets, niets,quot; stamelde deze nauw hoorbaar, drong zijn zoen op zijde, naderde Bartja, en beet hem in het oor; sRaiopzu-

ocr page 270

251»

lijio, zijl ^ij noi; hier'.' Verzuim ireen seconde meer, en vlucht* J)e zweepdraiders, die uiilt;;ezonden zijn om u in hechlems te nemen, volden mij op de hielen! JJenk a:iii Suppho, en-eloormij als ik u zeii', dat ^ij, door no^ een oojicnhlik te aarzele.'i, uwe dnhhcle onvoorziciiti^'heid met den dood zult hokoopen.quot;

»Maar (Iresus, ik heb....quot;

»Gij hebt de wet van dit land, van dit hot met voeten getreden en althans in schijn de eer van uw broeder gekrenkt...quot;

»Wat zejjt -ij'?quot;

»Vlucht, vlucht, ze- ik u! Want. al waart jdj ook met de meest onschuldige bedoeling op de han-ende tuinen en bij de K-yptische geweest, zoo zoudt, -ij toch alles te vreezen hebbei.. Ho- kondet -ij, die de opvlie-endheid van Cambyzes kent,toch zoo dwaas wezen, zijn uitdrukkelijk veibod te overtreden'?quot;

))Ik be-rijp er niets van! Ik....quot;

»Geene uitvluchten! Pak u weg! Gij weet niet dat Cambyzes u reeds lan- met een jaloer'scli oo- aanziet, en dat uw nachtelijk bezoek bij de E-yptisehe....quot;

sSedert Nitetis hier is, heb ik op de hangende tuinen -een voet -ezet!quot;

«Maak thans uwe overtreding' niet no- er-er door een leugen. Ik...

»Maar ik zweer u.. . .quot;

»Wilt gij eene daad van lichtzinnigheid door meineed tot eene misdaad maken'? De zweepdragers komen reeds, vlucht, vlucht!quot;

»Ik lilijf', want ik houd mij aan mijn eed.quot;

»Verblinde! Weet dat. ik zelf, Hystaspes en andere Acbaeme-niden, u, nog geen uur geleden, op do hangende tuinen gezien hebben....quot;

Bartja liet zich in zijne verbazing, haast zonder het te bemerken, door den grijsaard voortleiden; doch toen hij diens laatste woorden had vernomen, bleet' hij staan, riep zijne vrienden naderbij, en zeide: »Gresus beweert, dat hij mij, nog geen uur geleden, op de hangende tuinen heelt gezien. Gelijk gij allen weet, heb ik sedert het ondergaan der zon deze plaats niet verlaten. Bevestigt hem (och door ulieder getuigenis, dat hier een booze Diw met onzen vriend en wie met hem waren zijn spel moet hebben gespeeld!quot;

))Ik zweer u, vader,quot; riep Gyges, »dat Bartja sedert de laatste uren dezen luin niet verlaten heelt!quot;

»Dat bezweren wij allen,quot; verzekerden Araspes, Zopyrus en Darius levendig, als uit een mond.

))Wilt ge allen mij bedriegen, mij, uw besten vriend1?quot; hernam Gresus op klagenden loon, den een na den ander verwijtend aanziende. «Gelooft gij dan, dal ik blind of krankzinnig

ocr page 271

200

ben? Meent gij dan, dat uw getuigenis de verklaring der edelste grijsaards, van Hystaspes, Goljryas, Intaphernes en den opperpriester Oropastes zal kunnen ontzenuwen'? In spijt van ulieder valsche eeden, die zelfs uwe vriendschap voor Bartja niet billijken kan, is hij een kind des doods, als hij niet vlucht!quot;

sAngramainjus moge mij verderven,quot; riep de oude Araspes, den angstigen grijsaard in de rede vallend, »als de zoon van Gyrus de laatste uren op de hangende tuinen is geweest.,'

»Noem mij uw zoon niet meer,quot; liet Gyges volgen, »als on? getuigenis valsch is.quot;

sBij de eeuwige sterren!quot; wilde Darius uitroepen, als Bart;, de door elkander schreeuwenden het stilzwijgen oplegde, en met vaste stem zeide: »Ginds komt eene afdeeling van de lijfwacht den tuin in. Ik zal gevangen genomen worden en kan niet vluchten; omdat ik, onschuldig zijnde, juist daardoor den schijn van schuld op mij zou laden. Bij de ziel mijns vaders, bij de blinde oogen mijner moeder, bij bet reine licht der zon, zweer ik u, Cresus, dat ik u niet bedrieg!quot;

))Zal ik u gelooven, ondanks het getuigenis mijner beide oogen, die mij tot heden nog nooit bedrogen hebbenquot;? Ik wil u gelooven, jongeling, want ik heb u lief en eer u. Of gij schuldig dan wel onschuldig zijt, weet ik niet en wil ik ook niet weten. Maar dit weet ik, dat gij vluchten moet, in allerijl vluchten ! Gij kent Cambyzes! Mijn wagen wacht voor de poort. Ontzie de paarden niet, maar vlucht! De soldaten schijnen te weten wat het doel uwer gevangenneming is, want het is ontwijfelbaar dat zij zoo talmen, ten einde u, hun lieveling, den lijd te laten om te ontkomen. Vlucht! vlucht.! of het is met u gedaan!quot;

»Vlucht, Bartja!quot; riep ook Darius, terwijl hij zijn vriend vooruit drong, »en denk aan de waarschuwing, die de hemel zelf u in sterrenschrift heeft gegeven.quot;

Bartja schudde echter zwijgend het hoofd, en zeide, terwijl hij de vrienden afwees, die zich om zijnentwil zoo verontrustten; »Ik ben nog nooit gevloden, en heb mij voorgenomen ook in deze ure pal te staan. Lafheid schijnt mij vreeselijker dan de dood, en liever lijd ik van anderen onrecht, dan dat ik mij zeiven met schande zou overladen. — Daar zijn de soldaten. Wees welkom Bischen! Moet gij mij gevangen nemen'? Ja'? Wacht dan een oogenhlik, tot ik mijn vrienden vaarwel heb gezegd.quot;

Bischen, een oud hoofdman van Cyrus, die Bartja het eerste onderricht had gegeven in bet pijlschieten en speerwerpen, die in den krijg tegen de Tapoeren aan zijne zijde had gestreden, en hem liefhad als zijn eigen zoon, viel den jongeling in de rede, zeggende: ))Gij behoeft van uwe vrienden geen afscheid te nemen, want de koning, die builen zichzelven is van razernij,

ocr page 272

201

heeft mij bevolen, u, en allen, die ik bij u mocht vinden, in hechtenis te nemen.quot;

Daarop liet hij fluisterend volgen: »De koning is woedend, en bedreigt uw leven. Gij moet vluchten. Mijne lieden gehoorzamen mij blindelings en zullen u niet vervolgen; ik ben echter oud en Perzië verliest er niets bij, als ik met mijn booftl mijne ongehoorzaamheid boeten moet.quot;

»Ik dank u, vriend,quot; hernam Bartja, diep geroerd over dit blijk van gehechtheid, »maar ik kan uw ofl'er niet aannemen, want ik ben onschuldig, en weet dat Cambyzes wel opvliegend, maar volstrekt niet onrechtvaardig is. Komt vrienden, ik geloof dat de koning ons nog heden in het verhoor zal nemen.quot;

ocr page 273

A C II T S T E H O O F D S T ü K.

Twee ureu later stonden Bartja en zijne vrienden voor den koning. Doodsbleek en met holle oogen zat de sterke man 0|) zijn gouden zetel, waarachter twee lijfartsen, die allerlei vaatwerk en instrumenten in de handen hielden, stonden. Cam-byzes toch was eerst voor eenige minuten weer tot zijn bewustzijn gekomen, nadat hij langer dan een uur, onder een aanval «lier vreeselijkc krankheid, die lichaam en ziel beiden uitput en sloopt , en die wij met deu naam van vallende ziekte of epilepsie bestempelen, had neergelegen. Sedert de aankomst van Nitetis was iiij van zulke aanvallen verschoond gebleven, maar heden had de ziekte, tengevolge van gemoedsbewegingen van do laatste uren, hem niet vernieuwde woede aangegrepen M

Had hij liartja een paar uur geleden ontmoet, hij zou hem met eigen hand gedood hebben. Het toeval had evenwel zijne woede, zoo al niet geheel neergezet, dan toch in zooverre dóen bodaren, dat hij in staat was beschuldigers en beschuldigden beiden te hooren. Rechts van den troon stonden Hystaspes, de grijze vader van Darius, Gobryas, de toekomstige schoonvader van dezen, de hoogbejaarde Intaphernes, de grootvader van Phae-dime, die ter wille van de Egyptische 's konings gunst verloren had, de opperpriester Oropastes, Cresus, en achter dezen Doges, de overste der eunucheu. Links stonden Rarlja, wiens bander met zware ketenen beladen waren, Araspes, Darius, Zopyrus en Gyges.

Meer op den achtergrond bevonden zich lionderde waardig-heidbekleeders en grooten.

Na lang het stilzwijgen bewaard te hebben, hief de koning-zijne oogen op, liet ze een oogenblik vol afkeer en toorn op den geketend en jongeling- rusten, en sprak dan met doffe stem: «Opperpriester, zeg ons, wat hem te wachten staat, die zijn broeder

1) Als Herodotus verhaalt, dat Cambyzes reeds geboren was rnet den aanleg tot. eene gevaarlijke krankheid, die sommigen „de heiligequot; noernen, ihiTi bedoelt bij daarmede waarschijnlijk de epilefisio.

ocr page 274

2(1.1

bedriegt, ilea koning onteert on Leleedigt en/ijn hart met zware leugens bevlekt!quot;

Oropastes trad vooruit en antwoordde: sHern wacht, zoodra hij van zijne misdaden overtuigd zal zijn, een pijnlijken dood in deze wereld en een vreeselijk oordeel op de brug Schinvat'); want li ij heeft de hoogste geboden overtreden en, omdat bij drie misdaden begaan heeft, de genade onzer wet verbeurd, welke hem die slechls eenmaal zondigt, al ware het maar een slaaf, het loven laat behouden -).

sDerhalve is Bartja des doods schuldig! Voert hem weg, wachters, en verworgt hem! Voort hem weg!— Zwijg,ellendeling, ik wil uw huichelachtig geteem nimmermeer hooren,nimmermeer in deze leugenachtige oogen zien, die slechts tot verleiding geschapen zijn en den Diws hunnen oorsprong danken. Voort met hom, wachters!quot;

De hoofdman Bischen naderde, om het bevel ten uitvoer te leggen. Thans trad echter Gresus voor den koning, wierp zich voor den troon neder, raakte den grond mot het voorhoold aan, hief do handen smeekond op en sprak: »Ieder jaar, iedere dag brenge u niets dan geluk! Aoeramazda schenke u al het goede des levens en de Amescha Cponta mogen de wachters van uw troon zijn! Sluit uw oor niet voor de woorden van een grijsaard en bedenk dat Cyrus, uw vader, mij als uw raadsman heeft aanbevolen. Gij wilt uw broeder doen ombrengen; ik waarschuw u echter aan uw toorn geen gehoor te geven, maar met al de kracht die in u is u zeiven Ie beheorschen! Bedachtzaamheid is de plicht van wijzen on koningen. Wacht u wol hot bloed van oen broeder te vergieten, want weet, dat de dampen er van opstijgen ten hemel en tot wolkon worden, die al de dagen van een moordenaar verduisteren, en eindelijk don bliksem dor wrake op hem nederslingoren. Maar ik weet dat gij richten en niet moorden wilt. Handel dus naar do wijze van hen, die bij het rechtspreken beide partijen hooren, alvorens uitspraak te doen. Heht gij dit gedaan, is do misdadiger overtuigd geworden en heeft hij zijn schuld moeten belijden, dan zal de bloedwolkuw

1) Op iIcmi ilni'ilcn ilaij na lt;len dood, zoodra do heldere zon opging, werden de zielen door de Diws gevoerd naar de brug Scliinvat, om ondervraagd te worden over hetgeen zij gedacht en gedaan hadden. Daar kampen (ie beide hemelsehe machten om de ziel. De zielen der vromen vinden steun bij de reine geesten Yazataz, en trekken zegepralend den heinel binnen. De zielen der boozen worden door den Diw Yizareshö gebonden en naar de hel gesleept. Ygl. 'tiele, a. w. hl. 251 v.

2) Volgens Herodotus mocht zelfs de koning niemand om een enkel misdrijf laten ombrengen. Eerst wanneer na rijpe overweging bleek, dat i!e misdaden menigvuldiger en gewichtiger waren dan de bewezen diensteiij mocht men aan zijn toorn den vrijen loop laten.

ocr page 275

2Gi

levensstroom niet meer verduisteren, maar u beschaduwen. Inde plaats van de straf der goden zuil gij u den roem verwerven van een verstandig rechter te zijn,quot;

Cambyzes hoorde den grijsaard zwijgend aan, wenkte Bischen om terug te treden, en heval Boges zijn aanklacht te herhalen.

De eunuch boog en begon: »Ik was ziek, en moest daarom hut opzicht over de Egyptische opdragen aan mijn ambtgenoot Candaules, die zijne onachtzaamheid met don dood bekocht. Tegen den avond voelde ik mij veel beter, en beklom dus de hangende tuinen, om te zien of alles in orde was, en de zeldzame bloem, die dezen nacht in bloei moest staan, in oogenschouw le nemen. De Koning, wien Aoeramazda zege verleene, had geboden de Egyptische strenger te bewaken dan anders, wijl zij zich vermeten had den edelen Bartja een brief....quot;

»Zwijg,quot; viel de koning den eunuch in de rede, »en blijf bij de zaak!quot;

»Toen de Tistar-ster was opgegaan, kwam ik op de tuinen, en stond eenige tijd mei deze edele Achaemeniden, den opperpriester en den koning Cresus bij de blauwe lelie, want die was inderdaad betooverend schoon. Daarop riep ik mijn ambtgenoot Candaules, en vroeg hem, in tegenwoordigheid dezer aanzienlijke getuigen, of alles in orde was. Hij beantwoordde deze vraag toestemmend, en voegde er bij, dat iiij juist van Nitetis kwam, die den ganschen dag geweend had en drank nog spijze had willen gebruiken. Bezorgd voor de gezondheid mijner hooge gebiedster, droeg ik Candaules op een geneesheer te halen, en juist wilde ik, om mij zeiven van den toestand uwer gemalin te overtuigen, van de edele Achaemeniden afscheid nemen, toen ik in den maneschijn eene mannelijke gedaante gewaar werd. Ik was zoo zwak tengevolge der doorgestane koorts, dat ik ter nauwernood staan kon, en had niemand tol hulp bij mij dan den tuinman.

»Mijne onderhoorigen hielden op grooten afstand van ons, aan de ingangen de wacht. Ik klapte in de handen, om te waarschuwen dat er onraad was, en toen zij niet verschenen naderde ik het huis, door deze edelen vergezeld. De mannelijke gedaante stond voor de vensters der Egyptische, en liet, toen wij in dezelfde richting voortwandelden, een zacht gefluit hooren. Aanstonds verscheen, duidelijk zichtbaar bij het heldere maanlicht, eene tweede gedaante, die uit het venster van het slaapvertrek der Egyptische in den tuin sprong, en met haren geleider ons te gemoet kwam.

»Wie beschrijft mijne verbazing toen ik in den indringer den edelen Bartja herkende. Een vijgenboschje onttrok de vluchtenden voor een oogenblik aan ons gezicht. Eene minuut later snelden zij voorbij, op geen vier schreden afstands van ons.

ocr page 276

20 5

/oodat wij gele^cnlieid liadden hem nogmaals goed op te nemen. Terwijl ik mij nog bedacht, of illt; wel het recht had aan een zoon van Cyrus de handen te slaan, en Cresus hem hij zijn naam liep, verdwenen de vluchtelingen plotseling achter een cypres. Wij volgden hen, en zochten lang, doch te vergeefs naar de op onverklaarbare wijze ontkomenen. Toen ik terstond daarop het huis onderzocht, vond ik do Egyptische in onmacht op den divan in haar slaapvertrek liggen.quot;

Al de aanwezigen luisterden in angstige spanning. Cam by zes verbeet, zich ven woede, en vroeg met een verschrikkelijke stem: ))Kunt «jij de woorden van den eunuch bevestigen, Hystaspes?quot;

»,la!quot; '

«Waarom hebt gij den misdadiger niet gevat!quot;

»Wij zijn krijgslieden, maar geene gerechtsdienaars.quot;

»Zeg liever: wij hebben dien knaap liever dan onzen koning.quot;

))Wij eeren u. maar hebben een afschuw van den misdadigen liartja, gelijk wij den schuldeloozen zoon van Cyrus liefhadden.quot;

»Zïjt uij wel zeker dat Bartja die indringer was?quot;

».Ta!quot; '

»Kn gij, Cresus, kunt gij mijne vraag ontkennend beantwoorden T'

»Neen. Tk geloof in den maneschijn uw broeder, even duidelijk als hij bier voor mij staat, gezien te hebben; en toch schijnt het mij, dat wij allen door een onverklaarbaar gezichtsbedrog misleid zijn geworden.quot;

Bij deze woorden verbleekte Boges, die tot dusverre in zijn vuistje had gelachen. Cambyzes schudde echter afkeurend het hoofd, en zeide: »Wie zou ik mogen gelooven, wanneer de oogen mijner beproefde helden zich hebben kunnen bedriegen'? Wie zou nog rechter kunnen wezen, wanneer getuigenissen, als de uwe, niet meer van kracht zijn?quot;

»Andere getuigen, wier verklaring even geldig is, zullen u bewijzen, dat wij stellig en zeker gedwaald moeten hebben.quot;

»Wie waagt het voor dezen misdadiger in de bres te springen ?quot; vroeg Cambyzes, terwijl hij opvloog en stampvoette van drift.

»Wij!quot; »Ik!quot; sWij!quot; riepen Araspes, Darius, Gyges enZo-pyrus, als uit één mond.

»Verraders, schurken!quot; schreeuwde de koning. Als echter zij n ooi; den kalmen, afkeurenden blik van Cresus ontmoette, daalde zijne stem aanmerkelijk en sprak hij: «Wat hebt gijlieden dan ten gunste van dezen misdadiger in te brengen? Bedenkt u wei, eer gij spreekt, en acht de straf die den valschen getuige bedreigt, niet te licht.quot;

»Wij hebben deze waarschuwing niet van noode,quot; zeide Araspes :igt;maar wij kunnen bij Mitbra bezweren, dat wij, nadat we

ocr page 277

200

van de jacht tehuis gekomen zijn, Bartja en zijn tuin geen oogenblik verlaten hebben.quot;

»En,quot; liet Darius volgen, sik, de zoon van Hystaspes, kan de onschuld van uw broeder zonneklaar bewijzen, want ik sloeg met hem de Tistar-ster gade, wier licht, vólgens het getuigenis van Boges, zijne vlucht moet hebben begunstigd.quot;

Hystaspes keek na deze verklaring zijn zoon met verbazing en vragend aan. Carnbyzes wendde, onderzoekend en besluiteloos, nu eens den blik naar de eene dan naar de andere partij, die beide zoo volkomen zeker waren van hunne zaak en elkander toch niet gelooven konden.

Bartja had tot hiertoe gezwegen en slechts weemoedig neergezien op de ketenen, die zijne handen boeiden. Hij maakte nu gebruik van de heerschende stilte, en zeide, terwijl hij diep ter aarde boog: «Veroorlooft ge mij, eenige woorden te spreken, mijn koning?quot;

«Spreek!quot;

«Onze vader galquot; ons het voorbeeld, om slechts het goede en reine na te streven; daarom was mijn wandel lot hiertoe onbevlekt. Kunt gij mij van een enkele booze handeling overtuigen, zoo geloof mij niet. Vindt i;ij evenwel geene vlekken op mijn verleden, zoo vertrouw mijne woorden, en overweeg, dat een zoon van Gyrus liever sterft dan een leugen te spreken. Ik erken dat nog nooit een rechter in moeilijker toestand verkeerde, dan gij thans. De besten van uw rijk getuigen tegen de beste, de vriend tegen den vriend, de vader tegen den zoon. Ik echter zeg u dat, wanneer geheel Perzië zijne hand tegen u ophief, en allen bezweren wilden: Carnbyzes heeft dit of dat bedreven, en gij verzekerdet: 'Ik deed het niet,' ik, Bartja, geheel Perzië zou logenstrallen en zeggen: Gij zijt allen valsche getuigen, want eer zal de zee vuur uitwerpen, dan de mond eens zoons van Gyrus leugens verkondigen! Wij beiden zijn van zoo hooge geboorte, dat gij slechts tegen mij, gij echter alleen tegen u zeiven moogt getuigen.quot;

Gambyzes zag na deze woorden minder ioornig op zijn broeder neder. Deze vervolgde: «Ik bezweer u dus, bij Mithra en allo reine geesten, mijne onschuld. Wanneer ik, sedert mijne terugkomst uit Egypte, op de hangende tuinen ben geweest, wanneer mijn mond u thans leugens vertelt, dan moge het leven mij ontnomen worden, en ik zonder nakomelingschap ten grave dalen!quot;

Bartja had dezen eed op zulk een vasten, overtuigenden toon afgelegd, dat Gambyzes gebood hem zijne ketenen af te nemen. Na zich nog eene wijle bezonnen te hebben, zeide hij: «Ik wil u gelooven, want het is mij niet mogelijk u voor den ver-

ocr page 278

(lorvenste al lei' mensclien to liouden. Morgen zullen wij do sterrenwichelaars, zieners en priesters raadplegen. Wellicht kunnen zij de waarheid aan den dag brengen. Ziet gij eenig licht in deze duisternis, Oropastos'?quot;

))Uw kneclit vermoedt, dat een Diw de gestalte van Ba,quot;tja heeft aangenomen, om uw broeder in het ongeluk te storten en uwe koninklijke ziel met het bloed van den zoon uws vaders te bevlekken.quot;

Cambyzes en al de aanwezigen gaven door een teeken te kennen dat zij hiermede instemden; ja, reeds wilde de koning zijn broeder de hand reiken, toen een stafdrager binnent: ui, en den koning een dolk overhandigde. Een eunuch had dien ouder het venster van Nitetis' slaapvertrek gevonden.

Cambyzes beschouwde het wapen, waarvan bet kostbare gevest met robijnen eu turkooizen rijk bezet was, met onderzoekenden blik. Op eens werd hij doodsbleek en wierp den dolk met zulk eene kracht voor de voeten van zijn broeder, dat de edelgesteenten uit liunue kassen sprongen.

»Dit is uw dolk, ellendeling!quot; brulde hij, en vloog andermaal in woeste drift op. »Heden morgen hebt gij er den ever, dien ik geveld had, den laatsten stoot mede gegeven. Ook gij, Gresus, moet hein kennen, want mijn vader nam bom uit uwe schatkamer te Sardes. Thans zijt gij overtuigd, gij, leugenaar en bedrieger! De Diws hebben geene wapenen van noode en dolken als deze zijn niet overal te vinden. Gij grijpt, naar uw gordel? Gij verbleektquot;? Uw mes is verdwenen'.'quot;

»Hel is weg. Ik moet liet verloren hebben, en een vijand van mij....quot;

»Bind hem, boei hem, Biscben! Leid den verrader en zijne valsche getuigen naar den kerker. Morgen worden ze allen geworgd. De dood is de straf voor den meineed. Als zij ontkomen, dan verbeuren de wachters hunne hoofden. Geen woord wil ik meer hooren; voort met u, meineedige schurken! Gij Boges, spoedt u naar de hangende tuinen, en breng de Egyptische vóór mij. — Maar neen, ik wril de slang niet meer zien. Weldra breekt de morgen aan; omstreeks den middag zal deverraderes met zweepslagen door de stad gedreven worden. Dan wil ik.

Hier verstomde de koning. Hij stortte op den marnieren vloer neder. Een nieuwe aanval der vreeselijke ziekte bad hem getroffen.

In dit schrikkelijk oogenblik trad de blinde Gassandane, door den grooten veldheer Megabyzus geleid, de zaal binnen. Het bericht van het voorgevallene was tot in haar stil vertrek doorgedrongen, en dadelijk had zij zich, ondanks dit nachtelijk uui', gereed gemaakt om, zoo mogelijk, achter de waarheid te komen,

ocr page 279

208

en haai' eerstpreborene voor overijling te waarschuwen. Vast en onwankelbaar was hare overtuiging hef rellende de onschuld van liart ja en Nitetis, schoon /ij het raadselachtige in het gedrag der laatste, en van do verschijninp: des eersten op de hangende tuinen niet vermocht op te lossen. Rij herhaling had zij beproefd met de Egyptische een onderhond te hebben, doch bet had haar niet mogen gelukken. Toen zij eindelijk in persoon naar de hangende tuinen was gegaan, hadden de wachters de stoutmoedigheid gehad haar af te wijzen.

Gresus trad de edele vrouw te gemoet, deelde haar in vergoelijkende bewoordingen mede, wat er had plaats gegrepen, versterkte de blinde in haar geloof aan de onschuld der aangeklaagden, en leidde haar naar het rustbed van haar zoon, den koning.

De aanval der ziekte was ditmaal niet van langen duur. Tlif-geput en bleek lag hij op zijn gouden rustbed, onder een purperzijden dek. Naast hem zat zijne blinde moeder, aan het voeteneind stonden Gresus en Oropastes en aan het andere einde der zaal beraadslaagden vier lijfartsen ,), zadit fluisterend, over den toestand van den lijdei'.

Gassandane vermaande haar zoon met liefderijke woorden, om zich toch te wachten voor dat hartstochtelijk opvliegen, en te bedenken, hoe noodlottig iedere nieuwe vlaag van drift voor zijne gezondheid moest zijn.

gGij hebt gelijk, moeder,quot; antwoordde de koning, op smarte-lijken toon. sliet zal noodig zijn alles wat mijne drift gaande maakt uit den weg te ruimen. De Egyptische moet sterven, en mijn verraderlijke broeder zal zijne boeleerster volgen.quot;

Gassandane gebruikte al hare welsprekendheid, om de onschuld der veroordeelden te bewijzen en den woedenden man neder te zetten. Maar beden, noch tranen, noch moederlijke vermaningen waren in staat Gambyzes te doen wankelen in zijn besluit, om zich namelijk te ontdoen van de gewaande moordenaars van zijn geluk en zijne rust.

Eindelijk belette Gambyzes de weeklagende vrouw met hare verdediging voort te gaan, en zeide : »Ik gevoel mij doodelijk afgemat, en kan uw snikken en kermen niet meer aanbooren. De schuld van Nitetis is bewezen. Een man heeft tegen den nacht haar slaapvertrek verlaten, en deze man was geen dief,

1) tti't wiis natuurlijk dat ito Perzou, die zulk eone hooge waarde aan tiel leven hechtten, zich in 't bijzonder op de geneeskunst toelegden, In do Avesta werden dan ook vele geneeskundige voorschriften gevonden. Wij vinden daarin zelfs eene gedetailleerde opgave van hetgeen men voor versf'hitlciide genezingen betalen moest, en welk examen iedere genees-heer moest afleggen, alvorens hij bekwaam werd geacht.

ocr page 280

269

maai' de schoonste van alle Perzen, aan wien zij gisterenavond beproefd heeft een brief te doen toekomen.quot;

»Kent gij den inhoud van dat schrijven?quot; waagde Cresus te vragen, terwijl hij het bed naderde.

«Neen, het is in 't Grieksch gesteld. De trouwlooze kiest voor hare misdadige boodschappen teekens, die niemand aan dit hof bij machte is te ontcijferen.quot;

«Veroorlooft yij mij den brief voor u te vertolken?quot;

Cambyzes wees met de hand op een elpenbeenen kastje, waarin het gewichtig schrijven geborgen was, enzeide: «Neem en lees! Maar verzwijg mij geen enkel woord, want morgen zal ik den brief nogmaals door een der kooplieden van Öinope, die te .Babyion wonen, doen voorlezen.quot;

Gresus ademde nu weder vrijer. Nieuwe hoop bezielde hem, terwijl hij den brief ontrolde. Maar als hij die gelezen had, stonden er tranen in zijne oogen en zijne lippen fluisterden: »Ue sage van Pandora behelst dan toch waarheid, ea ik heb geene reden meer mij te vertoornen op de dichters, die de vrouwen beschimpen1). Alle, alle zijn valsch en trouwloos! — O, Cassandane, hoe misleiden ons de goden. Zij schenken ons een hoogen ouderdom, maar alleen om ontbladerd te worden,gelijk de boomen als de winter nadert, en om ons te doen ondervinden, dat alles, wat wij voor goud hielden slechts koper is, dat hetgeen waarvan wij verkwikking en sterkte verwachtten, enkel gif bevat 1quot;

En hij stortte zulk een vloed van tranen, dat hij de letters nauwelijks kon onderscheiden. Cassandane weende met hem en scheurde haar kostbaar gewaad. Cambyzes echter balde de vuisten, als Cresus met bevende stem de volgende woorden las:

»Nitetis, dochter van Amasis van Egypte, aan Bartja, zoon van den grooten Cv rus.

»lk heb u, maar u alleen iets gewichtigs te zeggen. Morgen spreek ik u misschien bij uwe moeder. Gij hebt het in uwe hand, een arm beminnend hart te troosten en het alvorens het sterft, een gelukkig oogenblik te doen smaken. Jk heb u vele en zeer treurige dingen mede te deelen, en herhaal dus, dat ik u spoedig spreken moet.quot;

Het gelach van Cambyzes, dat klonk als de lach van een waanzinnige, sneed Cassandane door de ziel. /ij boog zich over hem heen en wilde een kus op ziju voorhoofd drukken; doch hij weerde hare liefkoozingen af, met te zoggen: «liet is een twijfelachtige eer, tot uwe lievelingen te behooren. .Bartja heeft zich door de verraderes niet tweemaal laten roepen, en zich door

1

Zie boven IjIz. 9ü.

ocr page 281

valsclic et'dcn oiilecrd. Zijne vrienden, de bloem onzer jonge-lin gscliap, liebben zicb om zijnentwil mei onuilwiscbhare scbande Ledt.'kl, en uwe meesl polierde docbler is dooi' hem.... Maar neen, Jiartja heeft aan den misdaad van dit monster, dal de ye-staite eener Peri heelt aangenomen, geene schuld. Haar leven was een samenweel'sel van huiclielarij, leugen en bedrog. Haar dood zal u bewijzen, dat ik weet te straiïen. Verlaat mij thans, ik moet alleen zijn.quot;

isauw luidden zich de aanwezigen verwijderd of( 'anibyzes sprong van zijne legerstede op, en vloog als een razende het vertrek op en neder, totdat de heilige vogel Parodar het aanbreken van den dag verkondde. Toen de zon was opgegaan, legde hij zich wederom te bed en verzonk in een vasten slaap, die hem echter verkwikking noch rust kon schenken.

Intusschen zaten de jeugdige gevangenen en de oude Araspes, nadat Bart ja G yges een afscheidsbrief aan Sappho in de pen had gegeven, onder een beker wijn bij elkander. »Laat ons vroolijk zijn,quot; riep Zopyrus; »want ik geloof, dat het met de vreugde spoedig gedaan zal zijn! Ik wil niet langer leven, als wij morgenochtend niet allen, zoo als wij hier zitten, dood zijn. .lammer dat wij menschen maar éen hals hebben; hadden wij er twee, dan zou ik meer dan éen goudstuk voor ons leven verwedden.quot;

»Zopyjus heeft, gelijk,quot; voegde Araspes er hij; »we moeten vroolijk zijn, en de oogen Ier dege openhouden, want ze zullen zich spoedig genoeg en wel voor altijd sluiten.quot;

»Wie onschuldig den dood tegengaat, beeft geen reden om te treuren,quot; zeido Gyges. »Vul den beker, schenker!quot;

»Hé, Bartja en Darius!quot; riep Zopyrus dezen toe, die zich lluisterend met elkaar onderhielden. »Hebt gijlieden weer geheimen'? Komt naderbij en neemt den beker. Ik heb, bij Mithra, nog nooit naar mijn dood gewensebt, heden echter verbeid ik met vreugde den zwarten Azis 1), want hij zal ons allen tegelijk van de aarde doen verdwijnen. Zopyrus sterft liever met zijne vrienden, dan dat bij zonder hen zou willen leven.quot;

»Vóor alle dingen,quot; zeide Darius, nu bij met Bartja plaats nam in den kring der drinkers, smoelen wij beproeven het voorgevallene te verklaren.quot;

»Mij is het onverschillig,quot; riep Zopyrus, »of ik met, dan zonder deze opheldering sterf, zoo ik slechts weet, dat ik on-

1

Een lioozo geest, dio do menschcn doodt.

ocr page 282

'J71

schuldig ben, cii do dood van een valsch niet, verdiend

lieb. Hezoi'g' ons jonden bokiden, JJischenl TTil deze ellendige ijzeren kroezen smaakt do wijn niet. A l verbiedt ( 'ambyzes onzen vrienden en vaders ook ons te bezoeken, bij zal tocli we! niet van ons vergen, dat wij in onze laatste levensuren gebrek lijden.quot;

»Niet de sleebte beker, maar bet smartelijke dat er in ligt zoo jong te moeten sterven, verbittert n den wijn,quot; zeide Bar'ja.

»/oo waar ik nog leef, neen !quot;' riep Zopyrus. »lk bad bijna reeds vergeten, dat op bet worgen gewoonlijk de dood volgt.quot; Dit gezegd hebbende, stiet hij Gyges aan, en fluisterde dezen in: sWees loch wat opgeruimder! Ziet gij dan niet dal onzen Bartja bel scheiden van de aarde moeilijk valt'? Wat zegt gij, Darius?quot;

»Ik houdt het er voor, dat het is gelijk Oropastes vermoedt, dat een boozo Diw Bartja's gestalte heeft aangenomen, en tot de Egyptische is gegaan om ons in 't ongeluk te storten.quot;

«Dwaasheid, ik geloof niet aan zulke dingen.quot;

«Herinnert gij u niet de sage van koning Kawoes, aan wien ook een Diw verscheen, in de schoone gestalte van een dichter?quot;

«Zeker!quot; riep Araspes. «Gyrus liet deze sage zoo dikwijls onder den maaltijd zingen, dat ik zo van buiten kon. Wilt gij ze hooren?quot;

«Gaarne, gaarne! Zing op! Laat hooren!quot; riepen de jongelingen. Een oogenblik bedacht Araspes zich, dan begon bij, balfsprekend, halfzingend;

„Als Kawoes koning was van 't Perzisch rijk,

En er geen koning was aan hem gelijk.

Als hij de wereld voor zich heven zag,

Van pracht en rijkdom zich omgeven zag,

Zijn troon met goud en paarlen zag getooid,

Zijn kroon met diamanten overstrooid,

Zijn Thasir-paaj'den van het edelst hloed,

Zoo werd hij trotsch, en zwol van overmoed.

Kens toen hij op zijn geurig rustbed zat,

Kn zich verzaadde aan ('onklend druivennat Vertoonde een Diw zich aan de pooit van 't hof,

In zangerdos gehuld, en vroeg verlof Om tot den koning in 't paleis te gaan:

,Ik ben een zanger uit Masenderan 1),

Zoo klonk zijn taal; „ontga mij 't voorrecht niet Des konings oor te streelen inet mijn lied.'

1) Eene streek aan den noordelijken rand van Iran, in de heldensagen om hare vruchtbaarheid zeer geroemd, maar ook het verblijf van booze geesten genoemd. Tegenwoordig wordt daar nog een tropische plantengroei gevonden, terwijl de aanzienlijken zich, met zekeren trots, Diws noemen.

ocr page 283

272

't Gedwee verzoek vond bij den koning gunst.

„Hij nader, sprak de vorst, ,,en toon zijn' kunst !quot;

Toen kwam üe Diw en sloeg de snaren aan,

En zong dit lollied op Masenderan.

»Wilt gij het lied van Masenderan hooren »Zing steeds voort!quot;

,,0 vaderland, u klinkt mijn lied ter eer;

i)e zegen Gods dale op uw vlakten neer.

Waai- zicli de roos in wonderpracht ontplooit,

Waar anemoon en tulp de heuvelen looit.

Waar 't groenend veld in eeuwigen feestdos prijkt, Üe lentelucht voor kon noch hitte wijkt.

De nachtegaal in 1t loof der wouden zingt,

De hinde langs den rug der bergen springt,

De lucht steeds klaar is en het leven zoet,

Waar alles zweemt in geur en kleurengloed,

Waar rozenwater stroomt door beek en vliet.

En weelde en wellust in de zielen giet; —

Daar groeit de bonte tulp in eik seizoen : 1)

Daar slingert, tusschen nooit verwelkend groen,

De zilvren vloed zich voort; daar is de jacht Nooit vruchteloos en toont de valk zijn kracht.

Daar schittert alles. Louter goud is daar Het hoofdsieraad der achtbre priesterschaar.

De grooten spreiden er hun glans ten toon In gouden borstborduursels, rijk en schoon.

Wie daar den toegang zich geweigerd ziet,

Die kent het waar geluk des levens niet.quot; 2)

»En Kai Kawoes luisterde naar de woorden van den Diw, die in de gestalte van een zanger tot hem gekomen was en trok naar Masenderan, alwaar hij door de i)iws geslagen en van zijn gezicht beroofd werd.quot;

»Maar,quot; viel Darius in, »Rustem, de groote held kwam, en sloeg den Erscheng en de andere iiooze geesten, en bevrijdde den gevangene, en gaf den blinde het gezicht weder, door hem

1

Ebers vrijheid te hebben een dichter sprekend te mogen invoeren, die zooveel eeuwen later leefde.

ocr page 284

'J73

het bloed dei- gedoode Diws in de oogen te druppelen. Evenzoo zal het ons gaan vrienden! Wij gevangenen zullen bevrijd, Cambyzes en onzen met blindheid geslagen vaders zullen de oogen geopend worden, zoodat zij onze onschuld erkennen. Hoor eens, Bischen, wanneer wij toch ter dood gebracht worden, ga dan tot de magiërs, de Chaldeërs en don Egyptenaar Neben-chari, en zeg hun, dat zij nimmermeer naar de sterren moeten opzien, want dat Darius ze heeft loeren kennen als leugenaars en bedriegers.quot;

»lk heb hot altijd wel gezegd,quot; viel Araspos hem in de rede, »dat slechts droomen ons de toekomst kunnen onthullen. Voordat Abradat in den slag voor de muren van Sardos viel, zag de onvergelijkelijke Panthea in den droom, hoe hij door eenLydi-schen pijl doorboord werd.quot;

«Gruwzaam mensch!quot; riep Zopyrus. ))Moet gij er ons aan herinneren, dat het vrij wat schooner is op het slagveld te sterven, dan met den hals in een strop'?quot;

sGij hebt volkomen gelijk!quot; antwoordde de oude; ik heb menigeen zien sterven, wiens dood mij verreweg verkieselijker voorkwam dan de onze, ja, dan het leven zelfs. Ach, kinderen, daar zijn veel betere tijden geweest, dan de tegenwoordige.quot;

»Vertel ons iets uit die dagen!quot;

«Verhaal ons, waarom gij nooit gehuwd zijt geweest. In de andere wereld zal het u niet schaden, zoo wij soms uw geheim openbaar maken.quot;

»Ik heb geene geheimen ; want hetgeen gij wilt, dat ik u verhalen zal, kan ieder uwer vaders u mededeelen. Luistert dan! — Toen ik jong was, vermaakte ik mij met de vrouwen, maar dreef de spot met de liefde. Nu wilde hot toeval dat Panthea, de schoonste van alle vrouwen, in onze handen viel. Cyrus stelde mij tot haar bewaker aan, omdat ik mij meermalen beroemd had een onkwetsbaar hart te hebben. Ik zag Panthea dagelijks, en mijne vrienden, ik deed de ervaring op, dat de liefde sterker is dan onze wilskracht. Zij wees mijne aanzoeken af, bewoog Cyrus mij uit hare nabijheid te verwijderen, en een verbond te sluiten met haar echtgenoot Abradat. De trouwe, edele vrouw tooide daarna haar gade, toen hij ten strijde toog, met al wat zij kostbaars had, en zeide, dat hij de deugd van Cyrus, die haar als gevangene gelijk eene zuster behandeld had, slechts met zelfopofferende vriendschap en de grootste dapperheid vergelden kon. Abradat dacht gelijk zijne vrouw, streed als een leeuw voor Cyrus, en viel. Bij zijn lijk doodde Panthea zich zelve. Toen hare dienaren dit vernamen, maakten ook zij, bij het graf der schoonste meesteres, een einde aan hun leven. Cyrus beweende het edele paar, en liet te hunner eere een lijk*

18

ocr page 285

274

steen oprichten, die tol op den Imidigen day Lij Saides te zien is. Slechts deze eenvoudige woorden zijn er op vermeld: ,Aaii Panthea, aan Abradat, en aan de trouwsten van alle dienaren!' — Ziel, kinderen, wie eenmaal zulk een vrouw bemind heelt, kan voorzeker nimmermeer aan een andere denken.quot; 1)

De jonge helden hadden don grijsaard zwijgend aangehoord en bewaarden, nog lang nadat hij bad opgehouden met spreken, het stilzwijgen. Kindelij k hief liartja de handen ten hemel en riep; »0, groote Aoeramazda! Waarom laat gij mij dit leven niet besluiten als Abradat; waarom moeten wij als moordenaars een schandelijken dood sterven'?quot;

Op dit oogenblik trad Gresus, door zwcepdragers geleid met geketende handen, in den kerker. De vrienden snelden den grijsaard tegemoet, en bestormden liem met vragen. Gyges wierp zich aan de borst van zijn vader, en liartja naderde den door hem zoo hooggeschatten man niet geopende armeni

Het anders zoo opgeruimd gelaat van den grijsaard was somber en streng; zijn heldere, zachte oogen. stonden dolquot; en bijkans dreigend. Met een koele, gebiedende beweging van zijne hand wees hij den koningszoon terug, en zeide met bevende en verwijtende stem: »Raak mij niet aan, verblinde knaap! Gij zijt de liefde niet waard, die ik u tot op lieden toedroeg. Trouweloos zonder wedergade, hebt gij uw broeder bedrogen, uwe vrienden verleid, het arme llt;iiid, dat in Naucratis naar u smacht, verraden, en het hart van de ongelukkige dochter van Amasis vergiftigd.quot;

Aanvankelijk luisterde Bail ja bedaard en lijdzaam toe; toen echter Gresus het woord »bedrogenquot; uitsprak, balde hij zijne vuisten, en stampvoetende riep hij op woesten toon: nllwe jaren, uwe zwakheid en de groote verplichting die ik aan u heb, beschermen u, oude; anders ware deze uwe hoonende laai uw laatste woord geweest!quot;

Gresus hoorde deze uitbarsting van rechtmatigen toorn gelaten aan, en antwoordde: »Gambyzes eu gij zijt van één bloed; dit bewijst uwe dwaze opvliegendheid. Het ware u echter beter zoo gij berouw loondet over uwe euveldaden; zoo ge mij, uw leermeester en vriend, om vergeving wildet bidden, en niet nog de ondankbaarheid voegdet bij uwe trouweloosheid.quot;

Deze woorden deden den toorn van den beleedigdenjongeling-een weinig bedaren. Zijne gebalde vuisten zonken krachteloos neder en zijne wangen werden doodsbleek.

1

liet verhaal is van Xonoiihon, Jic liet misschien verzonnen heeft Ier wille van zijn held Cyrus.

ocr page 286

Aan deze .«chijnhare t.eekcncn van berouw kon het. zaclitmoe-digc liart. van den ouden man geen weerstand Lieden. Zijne liet'de Avas sterk genoeg, dat zij zoowel den schuldigen, nis den onscliuldigen Uartja kon omvatten. Hij sloeg zijn arm om's'jon-gelings hals, en vroeg hem, gelijk eenemoeder haar kind waagt, als zij op het. dierbare gelaat de sporen van lijden meent op te merken: »Reken mij toch, mijn lieve, arme zoon, hoe was het mogelijk, dat uw rein hart zich zoo snel aan den hooze overgafquot;;'quot;

Bartja hoorde deze woorden huiverend aan. Zijn aangezienI kleurde zich wederom vuurrood, en zijne ziel werd met wrevel vervuld. Voor de eerste maal in zijn leven gaf hij het geloof aan de rechtvaardigheid der goden prijs. Hij noemde zichzel-ven het slachtofl'er van een wreed, onverbiddelijk noodlot. Hij gevoelde hetzelfde, wat het. onschuldige gejaagde wild moet ondervinden, als het nederstort en het. rumoer van het naderen der honden en jagers verneemt. Zijn teeder gemoed was nog zoo kinderlijk gestemd, dat hij niet wist hoe zich onder deze eerste ernstige slagen van het. lot te gedragen. Men was er wel op bedacht geweest zijn lichaam en zijn moed voor den strijd met aardsche vijanden te harden en te ont wikkelen, maar zijne opvoeders hadden hem, evenmin als zijn broeder geleerd, de slagen van het lot af te weren. Want Cambyses en liartja schenen toch slechts bestemd te zijn, om uit den beker van het. geluk en der vreugde te drinken.

Zopyrus kon de diepe neerslachtigheid van zijn vriend niet langer aanzien. Toornig voerde hij den grijsaaard tegen, dat hij hard en onrechtvaardig was. Clyges zag zijn vader smeekend aan. Araspes plaatste zich tusschen den bestralfenden grijsaard en den gekrenkten jongeling. Doch Darius, die een tijd lang al de aanwezigen peinzend had gadeslagen, trad met kalm overleg op Cresus toe, en zeide; «Gij kwetst en beleedigt eikaar, zonder dat de beschuldigde schijnt te weten, wat men hem ten laste legt, en zonder dat de rechter zijne verdediging aanhoort. Ik bid u Cresus, deel ons mede ter wille van de vrienschap die ons lot. heden toe aan elkander verbond, wat n toch bewogen heeft Bartja, aan wiens onschuld gij nog zoo kort geleden geloofdet, zoo hard te veroordeelen.quot;

De grijsaard voldeed aan dit verlangen, en verhaalde dat hij een eigenhandigen brief van de Kgyptische gelezen had, waarin zij Bartja hare liefde belijdt, en tol eene geheime samenkomst uitnoodigt. Zijne eigene oogen, het getuigenis der eerste mannen in het rijk, ja zelfs de voor liet huis van Nitetis gevonden dolk, dat alles had hem niet van de schuld van zijn lieveling kunnen overtuigen. Maar die brief was als een brandende tak-

ocr page 287

270

kol in zijn hart geworpen, om het laatste overschot van zijn geloot aan deugd en vrouwelijke reinheid te verteren.

)gt;Ik verliet den koning,quot; zoo besloot hij, »vast en zeker overtuigd van dc werkelijkheid eener misdadige verbintenis tusschen uw vriend en de Egyptische, wier hart ik tot nu toe voor den spiegel hield van al wat goed is en schoon. Kunt ge het mij euvel duiden, dat ik hem berisp, die dezen helderen spiegel en de niet minder vlekkelooze reinheid van zijne eigene ziel zoo schandelijk bezoedelde?quot;

»lloe zal ik u mijne onschuld loch bewijzen?' riep Bartja, de handen wringende. »Zoo gij mij liefhadt, zoudt jaij mijne woorden gelooven. Waart iiij mij slechts genegen....quot;

»Knaap! om uw leven te redden, heb ik weinige oogenblik-ken geleden het mijne verspeeld. Toen ik vernam, dat Cam-byzes werkelijk bevel had gegeven lol uwe terechtstelling, spoedde ik mij tot hem, bestormde hem met beden, en had de vermetelheid, ziende dat mijn smeeken ijdel was, den billijk vertoornden man bittere verwijten te doen. Maar op eens scheurde bet dunne weefsel van zijn geduld, en opstuivende gebood hij den trawanten mij onmiddellijk het hoofd voorde voeten te leggen. De overste der zweepdragers, Giw, nam mij in hechtenis, docb schonk mij tot morgen liet leven. Hij heeft verplichting aan mij, en zal de opschorting van het vonnis wel geheim weten te houden. Het verblijdt mij intusschen, mijne zonen, dat ik u niet behoef te overleven en dat ik onschuldig sterf. Mocht ik dit laatste ook van u kunnen getuigen!quot;

Deze woorden verwekten eene nieuwe uitbarsting van de zijde der verdachten.

Alleen Darius bleef andermaal kalm en bedaard, te midden der algemeene onstuimigheid. Hij verhaalde den grijsaard opnieuw, op welke wijze zij te zamen den avond hadden doorgebracht, en bewees daardoor nogmaals de onmogelijkheid van Bartja's schuld. Daarop eischte hij dat Bartja, dien Cresus van trouweloosheid bad beschuldigd, zelf zou spreken. Deze ontkende zoo stellig en zoo beslissend, dat hij ooit eene samenkomst met Ni-te lis zou hebben gehad, en bekrachtigde zijne verklaring met zulk een duren eed, dat de overtuiging van Cresus begon te wankelen, en hij ten laatste in het geheel geen geloot' meer sloeg aan al de tegen den jongeren zoon van Cyrus ingebrachte beschuldigingen. Toen Bartja zweeg, zuchtte de oude man diep, als was zijne borst van een zwaren last ontheven, en hij sloot den jongeling in zijne armen.

Hoe zich de vrienden nu verder ook inspanden om het voorgevallene te verklaren, hun peinzen en gissen bleef zonder vrucht. Hierin waren allen het eens, dat Niteüs Bartja

ocr page 288

277

beminde, en den brief met booze bedoelingen geschreven had.

»Wie haar gezien heeft,quot; riep Darius uit, — »op hetoogenblik dat Cambyzes den gasten mededeelde, dat Bart ja zich eene vróuw bad gekozen, kan niet langer aan baar hartstocht voor hem twijfelen. Toen zij den beker liet vallen, hoorde ik den vader van Pbaedime reeds zeggen; de Egyptische vrouwen schijnen zeer naijverig te zijn op de liefde barer zwagers.quot;

Gedurende dit gesprek was de zon boven de kim gerezen, en wierp haar helder, vriendelijk lichl in bet verblijf der gevangenen.

»Mithra wil ons het scheiden moeielijk maken,quot; mompeldo Bartja.

»Neen,quot; sprak Cresus, »hij licht ons slechts vriendelijk voor in de eeuwigheid.quot;

ocr page 289

N E G K N D E H O O F D S T U K.

Nitetis, de onsclmklijie oorzaak van al deze treurige verwikkelingen liad, sinds den geboortedag van den koning, onbeschrijfelijk smartelijke uren doorleefd. Na de harde woorden, waarmede Cambyzes de arme jonkvrouw de deur der zaal had gewezen, wijl haar onverklaarbaar gedrag zijn ijverzucht had opgewekt, was niel de minste ti jding van haar toornigen geliefde, van zijne moeder of zuster tot haar gekomen. Sedert zij te Babylon aankwam, was zij lederen dag gedurende eenige uren met Cassandane en Atossa samengeweest. Toen zij zich tot de eerwaardige weduwe wilde doen brengen, om deze haar zonderlinge houding te verklaren, verbood Candaules, haar nieuwe bewaker haar, in weinige niet zeer eerbiedige bewoordingen, het huis te verlaten. Tot dusverre had zij zich gevleid, dat acne vrijmoedige openbaring van wat zij uit den brief barer moeder had vernomen, alle misverstand uit den weg zou ruimen. In bare verbeelding zag zij Cambyzes reeds, berouw gevoelende over zijne dwaze ijverzucht, haar om vergeving biddende en de hand reikende. Eindelijk kwam er een weinig opgeruimdheid in hare ziel, als zij zich een woord te binnen bracht, eens uit den mond van Ibycus opgevangen: quot;Gelijk een krachtig man veel heviger dan een zwak mensch door de koorts wordt aangetast, zoo oefent de ijverzucht ook grooteren invloed uit op oen waarlijk beminnend hart, dan op een, dat slechts door oogenblikke-lijken hartstocht in verrukking is gebracht.quot; Had de groote kenner der liefde waarheid gesproken, dan moest Cambyzes, wiens ijverzucht zoo snel en zoo heftig ontvlamd was, baar wel vurig liefhebben.

Maar te midden dezer gedachten, die haar weer eenige hoop gaven, mengden zich voortdurend andere droeve herinneringen aan het. land barer geboorte en duistere vermoedens, voor welke zij haar hart niet: vermocht te sluiten. Toen de middagzon het aardrijk met hare gloeiende stralen verzengde, en er nog altijd

ocr page 290

27!)

{feenc boodschap van hem, dien zij beminde, lol haar werd gebracht, werd zij door eene koorlsachiige onrust overvallen, die van oogenblik tol oogenblik haar meer benauwde, naarmate de nacht zijne schaduwen begon uit te breiden. Toen het. begon te schemeren, trad 1'oges in haar vertrek, en verhaalde haar in de grievendste en beleedigenste bewoordingen, dat de, koning in hel bezit was van haar brief aan liartja, en dat de tuinmansjongen, die dezen had moeten bezorgen, ter dood gebracht was. Hare gemartelde zenuwen waren niet sterk genoeg dezen nieuwen schok te weerstaan. Alvorens Boges baar verliet, had hij de bewustelooze in haar bijzonder vertrek moeten dragen, hetwelk hij zorgvuldig van buiten had gesloten.

Weinige minuten later klommen twee mannen, een jongeling en een oude man, door de valdeur, die Boges twee dagen te voren zoo nauwkeurig had onderzocht. 13e oude hield zich dicht aan den muur van het huis, en bleef daar staan, terwijl de jongeling den wenk van eene uit het venster wuivende hand volgde, en in c!e kamer sprong. Er worden ettelijke verzekeringen van liefde en de namen Gaumala en Mandane zacht gefluisterd, tal van kussen gewisseld en beloften van trouw vernieuwd. Eindelijk klapte de oude in de banden. De jongeling gaf onmiddellijk aan dit afgesproken teeken gehoor. Na de dienstmaagd van Nitetis nog eenmaal omarmd te hebben, sprong hij wederom dooi' het venster iu den tuin, liep haastig voort in de richting van de plek waar de Achaemeniden zich bevonden, die toen juist de blauwe lelie kwamen bewonderen, vloog deze rakelings voorbij, sloop met zijn geleider door de opengelatene valdeur en sloot deze zorgvuldig boven zich dicht.

Mandane spoedde zich nu naar het vertrek, waar hare gebiedster gewoon was den avond door te brengen. Zij kende hare gewoonten, en wist, dal zij alle avonden bij het opkomen dei-sterren nederzat aan het venster, dat op den Euphraat uitzag, om van daar uren achtereen iu den stroom en over de vlakte te staren, terwijl zij de dienstjuffers wier hulp zij dan nietnoodig had, de vrijheid liet dien lijd naar welgevallen te besteden. Aldus had zij, zonder van deze zijde voor ontdekking te vreezen te hebben, en door de overste der eunuchen zeiven beschermd, haar minnaar rustig kunnen verbeiden.

Nauw had zij hare gebiedster in haren bewusteloozen toestand gevonden, of zij hoorde hoe de tuin met menschen werd gevuld, hoe mannen en eunuchen verward dooreenschreeuwden, en hoe de trompetten werden gestoken om de wachters te verzamelen. In den beginne beefde zij voor haar geliefde, vreezende dat hij ontdekt, mocht zijn. Toen Boges echter verscheen, en haar tor-lluisterde: »Mij is gelukkig ontkomen!quot; beval zij dedienstm: ;';.:-

ocr page 291

280

den welke uit liet vrouwenverblijf, waai- zij dezen ter wille harer afgesproken samenkomst bevolen had te blijven, in menigte kwamen aanloopen, de Egyptische in haar slaapvertrek te dragen. Daarop wendde Mandane alle mogelijke middelen aan, om Nitetis weder bij te brengen. En deze had nog ternauwernood de oogen opgeslagen, toen Bogesbinnentrad en de twee eunuchen, die hem volgden, beval de teedere armen van Nitetis te ketenen.

Onmachtig om een woord uit te brengen, liet Nitetis de mannen begaan; ja, zij dacht er zelfs niet aan iets te antwoordden, toen Boges haar bij het verlaten van liet vertrek toeriep: sMoge het u in uw kooitje goed bevallen mijn vogeltje ! Zoo even heeft men uw heer het bericht gebracht, dat zich een koningsmarter in zijn duiventil is komen vermaken. Het ga u goed! Wees er den armen geplaagden Boges dankbaar voor, als bij deze hitte de vochtige aarde u een weinigje zal afkoelen, of misschien wel zeer koud maken. Ja, mijn duifje, in den dood leert men zijne ware vrienden kennen; daarom zal ik u niel in een zak van grof linnen, maar in een laken van zachte zijde doen begraven. Leef gelukkig, mijn hartediefje!quot;

De zwaar beproefde vrouw hoorde deze woorden sidderend aan. Nadat de eunuch zich verwijderd had, bad zij Mandane haar het voorgevallene op te helderen. Overeenkomstig den raad, door Boges haar gegeven, verhaalde Mandane haar, dat Bartja in de hangende tuinen was geslopen, en door verscheidene Achaemeniden was opgemerkt, juist op het oogenblik dat hij door een venster wilde klimmen. Men had den koning kennis gegeven van het door zijn broeder gepleegde verraad, en vreesde nu het ergste van 's vorsten ijverzucht. Het lichtzinnige meisje stortte onder dit verhaal een vloed van tranen van bitter berouw, die een balsem waren voor hare niets kwaads vermoedende meesteres, wijl deze ze beschouwde als een bewijs van hare oprechte liefde en deelneming.

Toen Mandane zweeg, zag Nitetis in doffe wanhoop op hare ketenen neder, en er verliep een geruimen tijd, eer zij zich eene tamelijk heldere voorstelling van haar toestand kon maken. Zij las den brief van hare moeder nog eens over, schreef op een briefje de enkele woorden; ))lk ben onschuldig,quot; beval hare snikkende kamerjuffer na haren dood beide aan de moeder van den koning te overhandigen, en doorwaakte daarna een nacht, waarop geen dag meer scheen te zullen volgen. In haar zalven-kastje was een middel ter verfraaiing van de huid, dat gelijk zij wist, den dood ten gevolge had, wanneer men er eene zekere hoeveelheid van innam. Dit vergift liet zij zich brengen, en met kalm overleg nam zij het besluit, zichzelve het leven te benemen, zoodra de beul tot haar mocht komen. Yan nu af

ocr page 292

281

verheugde zij er zich over, zoo spoedig te zullen sterven, en zeide tot zichzelve; »Hij doodl u wel, maar liij doodt u uit liefde.quot; Eindelijk kwam zij op de gedachte hem een brief ie schiijven, en hem daarin den omvang en de diepte harer liefde te openbaren. Eerst na haren dood zon hij dit schrijven ontvangen opdat hij niet zou gelooven, dat zij het gedaan had om haar leven te redden. De hoop, dat de onbuigzaam sterke man dozen laatsten groet misschien met zijne tranen zou bevochtigen, vervulde hare ziel met eene weemoedige vreugde.

In weerwil van hare zware ketenen, schreef zij dus de volgende woorden; ))Canibyzes zal dezen brief eerst dan, wanneer ik niet meer zijn zal, ontvangen. Dit schrijven strekt om mijn vorst te doen weten, dat ik hem vuriger liefheb dan de goden, dan de wereld, ja, dan mijn eigen jeugdig leven. Cassandane en Atossa mogen mij in liefde blijven gedenken! Uit don brief van mijn moeder zullen zij vernemen dat ik onschuldig ben, en Dartja alleen ter wille mijner arme zuster verlangde te spreken. Boges heeft mij gezegd dat mijn dood onherroepelijk besloten is. Zoodra de beul nadert, zal ik zelve een eind aan mijn leven maken. 1 k bega eene misdaad aan mij zelve, om , Cambyzes, voor een verachtelijke daad te bewaren.quot;

Dit, schrijven stelde zij, met den brief van hare moeder in de handen van de snikkende Mandane, met verzoek beide aan Cambyzes te doen toekomen, wanneer zij niet meer onder de levenden zou zijn. Vervolgens wierp zij zich op de knieën, verhief het hart tot, de goden van haar vaderland, en smeekte dezen om vergiffenis voor haren afval.

Toen Mandane haar aanmaande om toch aan hare zwakte te denken, en toch wat rust te nemen, antwoordde zij: »Ik behoef niet meer te slapen, want ik heb nog maai'korten tijd te waken !quot;

Hoe langer zij bad en de oude Egyptische hymnen zong, des te inniger wijdde zij zich weder met haar gansche hart aan de goden van haar land, die zij na zoo korten strijd, verloochend had. Bijna al de gebeden, die zij kende, hadden betrekking op het leven na den dood. In het rijk van Osiris, de onderwereld, waar de twee en veertig doodenrechters de waarde of onwaarde der ziel, nadat deze door de godin der waarheid en den hemel-schrijver Thofh zou zijn gewogen, moesten beoordeelen, dui'fde zij hopen hare dierbaren weer te zullen zien, indien ten minste hare ongerechtvaardigde ziel niet den tocht door de lichamen der dieren moest aanvaarden, indien ten minste haar lichaam, de woning van hare ziel, behouden mocht blijven 1). Dit sindien ten minstequot;

1) Zie boven bi. 59. v. Daar de afgestorvene, volfrens het Doodenboek, zijne ledematen noodig heeft, moesten deze alte behouden blijven. De Egyptenaren wisten de idee der onsterfelijkheid in allo richtingen

ocr page 293

1^2

bracht li aar in cene koorlsachlige onrust. Do leer, dat liet geluk van de ziel athankelijk was van liet behouden blijven van 'smenscheu stoll'elijk overblijfsel, was baar van kindsbeen ingeprent. Zij stond vast in dezelfde overtuiging, die pyramiden had gebouwd en rotsen tot graven uitgehold. Zij beefde, zoo vaak zij er aan dacht, hoe haar lijk volgens Perzisch gebruik, aan honden, roofvogels en de vernielende machten der natuur prijsgegeven, en daarmede aan hare ziel alle hoop op het eeuwige leven ontnomen zou worden. Ook kwe n de gedachte bij haar op om andermaal de oude goden te verloochenen, en zich voor de nieuwe geesten des lichts neder te werpen. Deze loch gaven het gestorven lichaam terug aan de elementen waaruit het gevormd was, en hielden slechts gericht over de ziel van den overledene. Doch toen zij hare handen tot de groote zon ophief, die zoo even mot hare gouden stralen de inliet dal van den Euphraat hangende nevelen verdreven had, toen zij wilde beginnen met zich lot Mithra te verhellen en liederen te zingen, die zij pas had aangeleerd, begaf haar de stem, en in plaats van Mithra, zag zij in het gesternte van den dag den god, dien zij in Egypte zoo menigmaal geprezen en gedankt had, den grooten Ra Harmachis, en in plaats van de hymne der magiërs, zong zij het lied, waaarmede de Egyptische priesters de opkomende zon plachten te begroeten :

„U, hoogverheven Ra, zij !of gebracht U, hemeltelg, verheit ons staamleml liod,

Uien elke dag door eigen scheppingskracht Verjeugdigd en vernieuwd, herrijzen ziet.

,,U prijst ons hart. Gij schiept liet schepslenheir.

Zoover 't azuren vlak des hemels strekt,

O, bron des lichts, die uit hel blauwe meir,

Daar boven zogen stort, en leven wekt!

„Gij koestert en gij waakt. Uw stralenkrans lioept vreugde en hoop in quot;t onbevlekt gemoed.

Zon dikwijls Go aan den ongemeten trans Uw krcitsloop aflegt met gewiekten voet.

toe te passen. Evenals do zon des nachts niet sterft, maar de benedenwereld verlicht, zoo is ook de gestorven Egyptenaar niet dood. Zijne eeuwige ziel begint veeleer, na bet scheiden van deze aarde, eerst recht te loven. Zij gaat naar de onderwereld, om daar, of gerechtvaardigd te worden, en dan in het reine licht van het oosten in de vlakte Aloe heerlijke akkers te bezaaien, tot zij rijp is als een deel der wereldziel in Osiris op te gaan, of na vreeselijkë martelingen uit de onderwereld gezweept te worden, om door allerlei dierlijke lichamen om te zwerven. Na deze omzwerving kan zij, gereinigd en verzoend, zich rnet Osiris vereenigen, ol' moet zij opnieuw dezen reinigingsweg alleggen.

ocr page 294

2s;J,

„Zoo roepen monsch en goden blij te moè,

O, hDmeltelg! u 'l welkom, welkom loe'J).quot;

Haar hart putle rijken troost uit dit gezang. Met voclitigo oogen zag zij, terwijl zij zich hare kindsheid weder voor den geest bracht, in het licht der rijzende zon, welker stralen haar oog nog niet verblindden. Dan liet zij haren blik over de vlakte weiden. Daar kabbelde de Euphraat mot zijne geelachtige golven, die haar deed denken aan den geliefden Nijl. Evenals langs den reuzenstroom in haar vaderland, vertoonden zich ook hier talrijke dorpen, te midden van rijke korenvelden en vijgen-boschjes. Naar het westen strekte zich do diergaarde des ko-nings, met hare hooge cypressen en noteboomen, mijlen ver uit. Op ieder blad, op eiken halm fonkelde de dauw, en in de boschjes en struiken van den door haar bewoonden tuin lieten tallooze vogels hunne liefelijke stemmen hooren. Daar verhief zich een zacht koeltje, dat zoete rozengeuren tot haar voerde, en niet de kronen der palmen speelde, die langs de oevers van den stroom en op alle akkers in de rondte, in een ontelbare menigte verrezen. Dikwerf had zij deze schoone boomen bewonderd, dikwerf had zij ze met danseressen vergeleken, wanneer de wind hunne zware kronen aangreep, en hunne slanke stammen nu naar deze dan naar gene zijde overboog. Hoe menigmaal had zij niet tot zichzelve gezegd; hier moet het vaderland zijn van den Phoenix 3), den vogel uit het palmenland, die, gelijk de priesters verhaalden, om (ie vijfhonderd jaar naar den tempel van Ra te Heliopolis kwam, waar hij zich in heilige wie-rookvlammen verbrandde, om weder schooner uit zijne asch te verrijzen, en na drie dagen naar zijn vaderland in het Oosten terug-te keeren. Eu terwijl zij aan dezen vogel dacht, en de wensch bij haar opkwam, evenals deze vogel, uit, de vernedering van het ongeluk tot een nieuw en schooner geluk op te staan, vloog uit de cypressen, die de woning van hem, dien zij liefhad en die haar zoo miskend had, voor haar oog verborgen, oen groote vogel met schitterende vederen op, die hooger en hooger steeg en zich ten laatste op een palmboom op kleinen afstand van haar venster neerzette. Zulk een vogel had zij nog nooit gezien, en het kon ook geene alledaagsche verschijning wezen, want een gouden kettinkje hing aan zijn poot, en zijn staart bestond niet uit vederen, althans naar zij meende, maar uit zonnestralen. Het was Benuo s), de vogel van Ra. In deze gods-

•1) Naar een grlt;ifgt;gt;ps^|rifl, dal in hel museum teCerliju wordt bewaard.

2) Zie boven bl. 59.

3) Naam van den phoenix in oud-Egypüscli.

ocr page 295

284

flienstige stemming zonk zij andermaal op de knieën en zong het oude Phoenix-lied, terwijl zij inmiddels den blik niet afwendde van den prachtigen luchtbewoner:

„Ik roei door den ether, ik spreid aan den trans

Mijn kleuren ten toon, in haar vlekloozen glans.

Die dank ik den Schepper; zijn glorie en macht

Straalt af op mijn kleed, dat in rijkdom en pracht

Het bloementapijt evenaart, dat in Mei

Den akker bedekt en de grazige wei.

Of het blinkend gewaad, dat de godheid omgeeft,

Wier eeuwige hoede de wereld omzweeft;

't Is kunstig geweven, 't is heerlijk gemaakt,

Als het kleed van den god, die de wolken bewaakt 1)

Het met golvende vederen versierde kopje met de verstandige oogjes nieuwsgierig her- en derwaarts bewegende, luisterde de vogel naar dit gezang. Zoodra het geëindigd was vloog hijweg. Kiteüs zag den gewaanden Phoenix, een paradijsvogel, die het kettinkje gebroken had, waarmede bij aan een boom van de diergaarde bevestigd was geweest, met vriendelijken blik na. Zij was zoo wonderbaar te moede. Vertrouwen op redding daalde in haar hart, daar zij geloofde dat de god Pgt;a zijn vogel tot haar gezonden had, welks gestalte zij als gezaligde geest zou aannemen. Zoolang men nog wenscht en hoopt, kan men veel smart dragen; en komt bet geluk niet, dan blijft toch de verwachting er van in ons levend, en met deze het zoet gevoel, dat tot bet wezen van het geluk behoort. Deze stemming is op zichzelve voldoende, om eene soort van genot te schenken dat ons de werkelijkheid kan doen vergeten. Met vernieuwde hoop legde Nitetis zich afgemat als zij was, op den divan neder, en viel weldra tegen haar wil, zonder het vergif te hebben aangeraakt, in een diepen door geene droomen verontrusten slaap.

Ongelukkigen, die den nacht doorweenen, stort de opgaande zon gewoonlijk troost in 't harte, terwijl dezelfde zon met haar rein licht in den regel voor de schuldigen, die de duisternis zoeken, eene onwelkome verschijning is. Terwijl Nitetis sliep, waakte Mandane, gekweld door het vreeselijke knagen van haar geweten. Hoe gaarne zou zij de zon, die hare meesteres door hare schuld don dood zou brengen, teruggehouden en van nu af in een eeuwigen nacht geleefd hebben, indien zij daardoor

l) Vrije vertolking van het begin van het 83e hoofdst. uit het Doo-denboek, „het hoofdstuk van de verandering in den Benno-vogelquot; ge-heeten. De zielen worden vaak in de gedaante van oen phoenix of van andere vogels voorgesteld.

ocr page 296

285

hare den vorigen dag- gepleegde daden ongedaan had kunnen maken. Het goede maar lichtzinnige schepsel hield niet op, zichzelve eene verachtelijke moordenares te noemen. Honderdmaal nam zij zich voor, alles overeenkomstig de waarheid te bekennen en Nitetis te redden; maar telkens behaalden de begeerte om te blijven leven en de vrees voor den dood de zege over haar zwak har'. Beleed zij, wat zij gedaan had, dan was haar dood zeker, en het leven was haar nog zoo hef, het graf was haar zulk een gruwel, zij hoopte nog zooveel van de aarde! Had zij slechts eene levenslange gevangenschap te vreezen gehad, dan zou zij misschien voor de waarheid zijn uitgekomen; maar sterven, neen, sterven kon zij niet! Eu buitendien, zou de veroordeelde door hare bekentenis te redden zijn? Had zij zelve dan niet den ongelukkigen tuinmansjongen met een brief voor Bartja belast'.' Deze geheime briefwisseling was ontdekt geworden, en dus zou Nitetis, ook zonder hare medewerking, toch verloren zijn geweest! Nooit zijn wij verstandiger en listiger, dan wanneer het er op aankomt het door ons gepleegde onrecht in ons eigen oog te vergoelijken.

Toen de zon opging, knielde Mandane bitter weenende neder voor den divan, waarop hare meesteres rustte, en kon maar niet begrijpen, hoe deze zoo gerust kon slapen.

Ook Boges, de eunuch, had een slapeloozen, maar toch een allergelukkigsten nacht gehad. Zijn plaatsvervanger en ambtgenoot Candaules, dien bij met zijne gansche ziel haatte, was om zijne onachtzaamheid, ja misschien wel omdat hij zich had laten omkoopen, op bevel des konings op staanden voet ter dood gebracht, en Nitetis was niet alleen in ongenade gevallen, maar zelfs tot een smadelijken dood veroordeeld. De invloed der koningin-moeder was aanmerkelijk minder geworden. Maar vooral verheugde hij zich over zijne eigene slimheid, in de zekerheid dat zijn ontwerp volkomen gelukt was, en in de hoop weldra weder, door zijn lieveling Phaedime, de alvermogende gunsteling van voorheen te zullen worden. Het over Cresus en de jonge helden uitgesproken doodvonnis was hem niet minder welkom geweest; want waren zij in het leven gebleven, dan had eene ontdekking van zijne duivelsche listen niet onder de onmogelijkheden behoord. De dag begon reeds aan te breken, toen hij het vertrek van den koning verliet, om zich naar Phaedime te begeven.

De trotsche Perzische had zich nog niet ter rust begeven. In koortsachtig ongeduld verbeidde zij den eunuch, want reeds was

«5

ocr page 297

280

de marc van het voorgevallene in het vrouwenverblijf en tot hare ooren doorvoel ronden. Slechts in een dun zijden hemd gekleed, en met gele pan to Hels, die van turkooizen en parelen schitterden, aan de voelen, lag zij, door een twintigtal dienstmaagden omgeven, op den purperen divan in hare kleedkamer. Zoodra zij Boges hoorde naderen, zond zij liare slavinnen weg, sprong overeind cn liep hem te gemoet, hem overstelpende met een vloed van onsamenhangende vragen, die alle betrekking hadden op bare vijandin Xitetis.

»Bedaar, mijn duifje!quot; zeide Jïoges, zijne vleezige band op baar schouder leggende. »Bedaar! Zoo gij niet doodstil en zonder te vragen mijn verslag kunt aanhooren, verneemt gij heden geen onkel woord. Ja, mijne gouden koningin, ik heb u zooveel te zeggen, dat ik niet voor morgen gedaan zou hebben, als ik u toestond mij naar hartelust in de rede te vallen. Ach, mijn lammetje, ik heb heden nog zooveel te doen! Vooreerst een Egyptischen ezelrit bij te wonen, ten tweede getuige te zijn van eene Egyptische terechtstelling.... Maar ik loop mij zeiven vooruit, en wil van liet begin af alles ordelijk verbalen. Gij moogt weenen, lachen, ja juichen van blijdschap, zooveel gij wilt: maar vragen is u verboden, totdat ik aan het einde ben. — Ja, deze liefkoozing heb ik wel verdiend! — Zoo, nu lig ik goed en kan beginnen. — Daar leefde in Perzië een groot koning, die vele vrouwen bad, van welke bij Phaedime het meest beminde, en boven al de anderen stelde. Maar op zekeren dag kwam hij op den inval, de hand van de dochter des konings Amasis van Egypte te vragen. Dus vaardigde bij een groot gezantschap naar Saïs af, met zijn eigen broeder, als zijn zaakgelastigde. ...quot;

sAltemaal dwaasheid!quot; riep Phaedime, van ongeduld overmeesterd. »Ik wil weten wat er beden is voorgevallen.quot;

«Geduld, geduld, mijn onstuimige Ader-wind1)! Zoo gij mij nog eenmaal in de rede valt, dan ga ik heen en vertel aan de hoornen mijne geschiedenis. Gun mij toch de vreugde de laatste maanden nog eens in den geest te doorleven. Terwijl ik verhaal, voel ik me zoo recht wel te moede, als een beeldhouwer, die den hamer uit zijne hand heeft gelegd, en nu zijn voltooid werk beschouwt.quot;

»Neen, neen,quot; begon Phaedime nogmaals, »ik kau thans niet aanhooren, wat ik al lang weet. Ik sterf van ongeduld. Sedert uren wacht ik hier in de vreesdijkste spanning. Elk nieuw gerucht, dat door den mond van slavinnen en eunuchen tot mij

1

Ader bet. Maart.

ocr page 298

t!87

kwam, ileed mijn ongedulil s lij gen. Ilc hoL de koorts van verlangen en kan niet langer wachten. Begeer van mij, wat gij will, maar verlos mij uit deze ontzeUeudü spanning. Later,wil ik, zoo gij dat wenscht, dagen achtereen naar n luisteren.quot;

lioges glimlachte vergenoegd, en zeide, zich in de handen wrijvende: slleeds als kind kende ik geen heerlijker vermaak, dan een aan den hengel spartelend vischje gade te slaan. Thans hangt gij, de schoonste goudkarper die mijne oogenooit zagen, aan mijn snoer, en ik kan u niet loslaten, voordat ik mij aan uw ongeduld verzadigd heb.quot;

Phaedime spiong nu van het rustbed op. dal zij met lioges had gedeeld, stampte met den voel en ging te keer als.een kind, dat om de vervulling van zijn wensch dwingt. Den eunuch scheen haar woeden en razen ontzaglijk te vermaken. want hij wreef zich onophoudelijk de handen, lachte dat hem de tranen langs de bolle wangen biggelden, en ledigde verscheidene bekers wijn op do gezondheid der gemartelde schoone, alvorens hij op deze wijze zijn verslag vervolgde. »Het was voor mij niet. geheim gebleven, dat Camhyzes zijn broeder Barlja, die ile Egyptische hierheen had geleid, enkel en alleen uit ijverzucht tegen de Tapoereu zond. Doch de hoogmoedige vrouw, wie ik niets bevelen mocht, scheen naai- mij dacht, even weinig aan den schoonen knaap te denken, als een Jood aan varkensvleesch, ot' een Egyptenaar aan witte boonen1)- Desniettemin besloot ik de ijverzucht van den koning aan te wakkeren, door de onbeschaamde, wie het scheen te zullen gelukken ons beiden uit de gunst van C.ambyzes te verdringen, onschadelijk te maken. Maar ik zocht lang tevergeefs naar een deugdelijk plan.

»Toen eindelijk het nieuwjaarsfeestdaar was, verzamelden zich alle priesters uil het rijk te Babyion. Acht dagen lang was do stad het tooneel van gejuich, maal lijden en drinkgelagen. Ook aan het hof was het een lustig leventje, en ik had weinig lijd, om over mijne plannen te peinzen. Doch daar deed de goedgunstige Amescha Qpenla mij, juist toen ik het allerminst uitzicht had op welslagen, een jongeling ontmoeten, dien A ngra-mainjus zelf voor mijn plannen scheen te hebben geschapen. Gaumata, de broeder van Oropastes, was naar Babylon gekomen, om het groote nieuwjaarsolfer bij te wonen. Toen ik den jongeling voor de eerste maal zag bij zijn broeder, wien ik eene boodschap van den koning moest overbrengen, meende ik een

1

Do Egyptouarcn mochten indmdaad gccno boonen otcn. Pythagoras ontleende dit verbod aan hen. In den 1'apyius-Ebers komen boonen als geneesmiddelen voor.

ocr page 299

'288

geestverschijning le zien, zoo volmaakt geleek hij op Bartja. Nadat ik mijne zaken met Oropastes liad algehaiiduki, geleidde de knaap mij naar mijn wagen. Ik liet hem niets van mijne verbazing blijken, overlaadde hem met beleefdheden, en verzocht hem dringend, mij een bezoek te komen brengen. Denzelfden avond klopte bij aan mijne deur. Ik liet den besten wijn opzetten, spoordde hem tot drinken aan, en deed bij vernieuwing de ervaring op, dat de voortreffelijkste eigenschap van bet druivensap deze is, dat het den minst spraakzame aan het praten brengt. In zijn roes bekende de jongeling, dat bij niet om het oil'er, maar Ier wille van een meisje, dat de betrekking van eerste kamerjuffer bij de Egyptische bekleedde, naar Babyion was gekomen. Hij beminde haar van zijne kindsheid af, zeide hij, maar zijn eerzuchtige broeder had hoogere plannen met hem voor, en wist de schoone Mam lane, alleen om die twee te scheiden, eene plaats bij de nieuwe gemalin van den koning te bezorgen. Eindelijk verzocht hij mij dringend, hem in de gelegenheid te stellen zijn liefste te spreken. Ik hoorde hem bedaard aan, opperde een tal van bezwaren, en verzocht hem ten slotte zich den volgenden dag nogmaals bij mij aan te melden. Hij kwam. Ik zeide dat zich alles schikken zou, indien bij beloofde mijne bevelen blindelings te volgen. Hij maakte natuurlijk geene zwarigheid, reisde dadelijk op mijn verzoek naar Bhagae terug, en kwam eerst eergisteren heimelijk binnen Babyion, als wanneer ik hem in mijn huis eene schuilplaats bezorgde.

Intusschen was Bartja uit den strijd teruggekeerd. Nu kwam het er op aan de ijverzucht van den koning op nieuw te doen ontbranden, en de Egyptische met een enkelen slag te doen vallen. Door uwe vernedering wekte ik den wrevel uwer bloedverwanten jegens de Egyptische op en maakte verder alle toebereidselen tot de groote onderneming. Het lot was mij bijzonder gunstig. Gij weet hoe, geheel buiten mijn toedoen, bij gelegenheid van den feestmaaltijd, Nitetis zich aanstelde. Maar gij weet niet, dat zij dienzelfden avond een tuinmansjongen met een brief lot Bartja in den koningsburcht zond. De onhandige bode liet zich betrappen, en werd in dien eigen nacht, op bevel van den woedenden koning, een hoofd kleiner gemaakt. Ik droeg intusschen zorg, dat Nitetis zoo geheel van alle gemeenschap met hare vrienden verstoken bleef, dat zij als in het nest van den Simurg 1) leefde. Het overige weet gij!quot;

»Maar hoe ontkwam Gaumata'?quot;

1

De Perzisclic wondervogel, die met den vogel Rock of Grijp te vergelijken is. In het nest van dien vogel werd Sal, de vader van Rustem, opgevoed.

ocr page 300

'289

sDoor eene mij alleen bekende valdeur, die den vluchteling opeens aan alle verdere nasporingen onttrok. Alles is uitnemend in zijn werk gegaan; zelfs was het mij gelukt een dolk van Bartja, dien hij op de jacht verloren had, in handen fe krijgen, en ongemerkt onder het venster van Nitetis te leggen. Om den prins te verwijderen, en hem te beletten op het beslissend oogenbl k bij den koning ot' in gezelschap van andere invloedrijke getuigen te zijn, had ik den Griekschen koopman Colaeus, die tegenwoordig te Babyion Milesische lakens verkoopt, en veel voor mij overheen, wijl ik hem al de voor het vrouwenverblijf benoodigde wollen stollen laat leveren, verzocht, een brief in de Grieksche taal te schrijven, die Bartja namens zijne beminde, die Sappho heet, uitnoodigde, zich geheel alleen, op bet tijdstip van het opkomen der ïistar-ster, aan de eerste pleisterplaats buiten de Euphraat-poort te laten vinden. Doch met dien brief liep het mij tegen, want de bode, die met de bezorging er van belast was, kweet zich slecht van zijne taak. Wel beweert hij. dat hij den brief aan Bartja zeiven heeft ter hand gesteld, maar daar is geen twijfel aan, dat hij hein aan iemand anders, waarschijnlijk aan Gaumata, bezorgd heeft. Ik ontstelde hevig, (oen ik vernam dat Bartja 's avonds met zijne vrienden onder een beker wijn te zamen was geweest. Maar het gebeurde kon niet ongedaan worden gemaakt, en getuigenissen als die van uw vader, Hystaspes, Cresus en Intaphernes wogen rijkelijk op tegen de verklaringen van Darius, Gyges en Araspes. Hier sprak men tegen, daar vóór den vriend. Ten slotte kwam toch alles best in orde. De jonge heeren zijn ter dood veroordeeld, en Cresus, die zich als altijd aanmatigde den koning onbeschaamde dingen te zeggen, zal zijn laatste uurtje reeds achter den rug hebben. Met betrekking tot de Egyptische heeft de opperschrijver zoo even het volgende stuk moeten opstellen. Hoor maar eens, mijn duifje, en wees blijde!

Nitetis, de overspelige dochter van den koning van Egypte, zal, tot straf voor hare schanddaden, volgens al tie gestrengheid der wet worden terechtgesteld, en wel op de volgende wijze: Men plaatse haar schrijdelings op een ezel, en voere haar door de straten dei' stad, opdat het volk van Babyion erkenne, dat Cambyzes de dochter van een koning even streng weet te tuchtigen, als zijne rechters de geringste bedelaars straffen. Na het ondergaan der zon zal de snoode levend begraven worden. — Dit bevel wordt den overste der eunuchen, Boges, ter uitvoering in handen gesteld.

De opperschrijver Ariabignes, op last van den koning Cambyzes.'

«Nauwelijks had ik dit geschrift in mijne mouwen geborgen,

19

ocr page 301

'iÜO

toen ile nioeilor van den koning', iluor Alossa geleid, niet gescheurde kieederen de zaal liinnenvloog. — Aan linilen, sclneien, vervvijliugeij, vloeken, beden en bezweringen geen gebrek ! Maaide koning Vvas onvermurwbaai', en ik geloof waarlijk, dal Gas-sandane en A lossa, Cresus en IJai'tja naar de andere wereld zouden zijn nagezonden, indien niet do vrees voor de scltim van zijn vaderden zoon had weerhouden, de liand te slaan aan de weduwe van Cyrus. Althans van woede stond hem het schuim om den mond. — Ten gunste van Nitetis verspilde Cassandane overigens geen enkel woord. Zij schijnt, even als wij, ten volle overtuigd te zijn van hare schuld. — Den verliefden Gaumata hebben wij ook niet meer te vreezen, want ik heb drie mannen gehuurd, die hem, als hij naar llhagac terugkeert, een koel bad in de golven van don Kuphraat zullen doen nemen. De visschen en wormen zullen vroolijke dagen hebben, ha, ha'?quot;

Phaedime stemde van ganscher harte in met dit gelach,overstelpte den eunuch met de vleiendste namen, die zij van hem geleerd had, en zich te dezer stonde herinnerde, en hing hem eene zware gouden keten, met kostbare edelgesteenten bezet, als bewijs barer dankbaarheid om den hals.

ocr page 302

T I E N D K F! O O FD S T UK.

De lijding van hetgeen er voorgevallen en oj) hantlen was scheen, eer de zou hare middaghoogte Lereikl had. reeds tol. in de armste hullen van Jiabylon doorgedrongen te zijn. De straten waren opgevuld met incnschen, die hel zeldzame schouwspel dat de terechtstelling der tromvlooze gemalin des konings zou aanbieden,-met ongeduld verheidden. De zweepdragers hadden de handen meer dan vol met het in bedwang houden der elk oogenhlik aangroeiende menigte. Toon zich later het gerucht verbreidde van de op handen zijnde terechtstelling van Barlja en zijne vrienden, openbaarde zich de belangstelling van het volk, dat nog dronken was van den palmwijn, die op het geboortefeest van den koning en de daaropvolgende dagen zoo mild had gevloeid, en dus zijne opgewondenheid bezwaarlijk meester was, op gansch andere wijze. Beschonkene mannen schoolden samen en trokken de straten door, roepende: »Barlja, de goede zoon van Gyrus, zal vermoord worden!quot; De vrouwen, die in hare afgelegene vertrekken waren neergezeten, vernamen nauw dien kreet, of ze ontvloden hare bewakers, en volgden, terwijl zij in drift zelfs hare sluiers vergaten, huilende de mannen, wiei'brooddronkenheid met ieder oogenhlik toenam. De vreugde over de aanslaande vernedering eener, hoven zoo vele andere, schoone en bevoorrechte zuster, maakte plaats voor deernis met het lot van den beminden jongeling. Mannen, vrouwen, kinderen schreeuwden, vloekten, raasden en tierden, elkander onophoudelijk aanhitsende tot betoogingen, die meer en meer een onrustbarend karakter aannamen. Alle werkplaatsen liepen ledig; de kooplieden sloten hunne kelders, en de schoolknapen en dienstbaren, die hij het geboortefeest van den koning gewoonlijk acht dagen vacantie hadden, maakten van hunne vrijheid gebruik, om hunne stemmen to oefenen, door boven allen uit te gillen, of luidkeels te jammeren, meerendeels zonder te weten, waarom toch zooveel misbaar werd gemaakt. Eindelijk werd het rumoer zoo grool, dat de macht en het gezag der zweepdragers tekort

ocr page 303

'202

scholen om de rust te herstellen, en eene afdeeling van de lijfwacht moest oprukken, teneinde de straten schoon te vegen. Zoodra het volk de glinsterende wapenrustingen en lange lansen gewaarwerd, week het terug, bezette de zijstraten, en rotte opnieuw samen als de soldaten voorbij waren.

Bij de zoogenaamde Bel-poort, waar de grooto weg een aanvang nam, die naar het westen voerde, was het gedrang liet grootst, daar het volk vernomen had dat de Egyptische door deze poort, die zij eenige maanden geleden met zooveel luister was binnengetrokken, op eene smadelijke wijze de slad zou worden uitgevoerd. Zoo was dan ook te dezer plaatse eene sterke bende zweepdragers geposteerd, wier plicht was ruimte te maken voor de voetgangers, die door de poort moesten. Doch heden verlieten slechts weinige inwoners de stad, want de nieuwsgierigheid was sterker dan de drang der zaken, ot' het verlangen om zicli bni-ten te gaan ontspannen. Die ecliter van buiten kwamen, hoopten zich bijua allen bij de poort op, loen zij vernamen welk belangwekkend schouwspel dooi' die woelige menschenmassa's verwacht werd.

Reeds stond de zon hoog aan den hemel, en moest het nog maar enkele uren duren, alsvorens de ezelrit van Nitetis een aanvang zou nemen, toen een reisgezelschap, bestaande uit eene zoogenaamde harmamaxa, die met vier paarden bespannen was, eene tweewielige kar en een met muildieren bespannen goederenwagen, in vliegende vaart de poort naderde. In het eerste voertuig zaten een schoon aanzienlijk man van omtrent vijftig jaren, in Perzische hofkleeding, en een grijsaard in een lang wit gewaad, terwijl onderscheidene slaven in eenvoudige hemden, met breedgerande vilten hoeden en zeer kort afgeschoren baai- in de kar hadden plaats genomen. Naast deze laatste reed een oud man, in de kleeding van een Perzisch dienstknecht. De menner van het vierspan kon niet dan met de grootste moeite door de opeengepakte menigte voor zijne, met kwasten en klokjes behan-gene paarden ruim baan maken! Dicht voor de poort gaf bij den moed op en liep eenige zweepdragers ter hulp. »Maak plaats!quot; schreeuwde bij een hoofdman der politiebeambten toe, die met zijn volk tot bij bet voertuig doordrong. »Dl' koninklijke post heeft geen tijd te verliezen, en ik beb een voornaam heer in den wagen, die u voor iedere minuut uitstel zwaar zou doen boeten!quot;

»Bedaar, mijn vriend!quot; antwoordde de hoofdman. »Gij ziet wel, dat het vandaag gemakkelijker gaat, de stad uit, dan erin te komen. Wie is die voorname heer'?quot;

slemand, die een vrijpas van den koning bezit. Kom, maak ons nu spoedig plaats!quot;

ocr page 304

293

))Hm! Het gevolg ziet er niet bijzonder koninklijk uit!/

»Dat gaat u niet aan! i)e vrijpas....quot;

»Dien moet ik zien, alvorens ik u in de stad kan laten.quot;

Deze waarschuwing richtte hij half tot den reiziger, dien hij aandachtig en wanu-ouwend opnam, half tot den koetsier.

Terwijl de man die het Perzisch gewaad droeg in de mouwen van zijn kleed naar den vrijpas zocht, wendde zich de zweep-drager lot een zijner makkers, en zeide, op het onbeduidende gevolg wijzende: plicht gij ooit zulk een wonderlijken stoet gezien? Mijn naam zal niet Giw zijn, als deze vreemde snaken niet iets bijzonders in het schild voeren. De minste tapijtlegger van den koning reist met viermaal grooter gevolg dan deze kerel, die een vrijpas bezit, en de kleeding van 's konings disch-genooton draagt.quot;

Thans overhandigde de verdachte persoon hem een, naar mus-cus riekend, zijden rolletje, waarop 's konings zegel en eenige schrijfteekens zichtbaar waren.

De zweepdrager nam het aan, en onderzocht liet zegel. igt;Dit is in orde,quot; mompelde hij. Daarop begon hij het schrift te ontcijferen. Maar nauw was hij daarmede begonnen, of hij zag den reiziger scherp in de oogen, en riep : »Nadert mannen, omsingelt den wagen; deze man is een bedrieger!quot; — te gelijk de paarden bij de teugels grijpende.

Nadat liij zich overtuigd had, dat de vreemdeling niet ontsnappen kon, naderde hij hem andermaal en zeide: ))Gij toont een vrijpas, die u niet toebehoort: Gyges, de zoon van Gresus, voor wien gij u uitgeeft, zit in de gevangenis, en zal nog heden terechtgesteld worden. Gij gelijkt volstrekt niet op hem, en het zal u berouwen onder een valschen naam hier te zijn gekomen. Stijg uit en volg mij.quot;

De reiziger gehoorzaamde niet aan dit bevel, maar verzocht den hoofdman in gebroken Perzisch, zich naast hem in den wagen le zetten, daar hij hem belangrijke zaken had mede te deelen. Een oogenblik aarzelde de beambte; toen hij echter zag, dat eene nieuwe bende zweepdragers aanrukte, wenkte hij deze voor de van ongeduld trappelende paarden te blijven staan, en klom toen in de harmamaxa.

De vreemdeling zag den hoofdman glimlachend aan, en vroeg: »Zie ik er uit als een bedrieger?quot;

«Neen, want schoon uwe spraak verraadt, dat gij geen Pers zijt , zoo hebt gij toc h geheel het voorkomen van een edelman.quot;

»Ik ben een Helleen, en hierheen gekomen, om Cambyzes een grooten dienst te bewijzen. Gyges, die mijn vriend is, leende mij, toe hij in Egypte was, zijn pas, voor het geval dat ik naar Perzië mocht willen komen. Ik ben bereid mij zei ven voor

ocr page 305

'29't

den koning ie rechtvaardigen, on hel) niets te vreezen; integendeel zal de koning mij hoogst dankbaar zijn voor de berichten, die ik hem breng. Laat mij, als uw plicht zulks gebiedt, zonder uitstel tot Cresus brengen; deze zal borg voor mij blijven, en u uwe lieden, die gij heden boog noodig schijnt te hebben, aanstonds terugzenden. Verdeel deze goudstukken onder hen, en zeg niet een paar woorden wat mijn arme vriend Gyges misdaan heeft, en wat deze verbazende volksoploop beduidt.quot;

De vreemdeling had wel in gebroken Perzisch, maar mot zulk eone waardigheid en overtuiging gesproken, en zijn geschenk was zóo rijk geweest, dat de dienaar, die gewoon was voor lyrannon te bukken en te kruipen, tegenover een vorst meende Ie zitten, zijne armen eerbiedig kruiste, verschooning vroeg voor zijne onheuschheid van zoo even, en in korte woorden begon te verhalen wat er gaande was. Hij had in den at-geloopen nacht, gedurende het verhoor in de groote zaal do wacht gehad, en kon dus den vreemdeling van bet. voorgevallene tamelijk nauwkeurig mededeeling doen. De Griek hoorde den man in groote spanning aan. Meermalen, vooral toen er sprake was van de ontrouw van Amasis' dochter en van den zoon van Cyrus, schudde hij ongeloovig het hoofd. De gevelde doodvonnissen, vooral dat van Cresus, schenen hem diep te treffen. Maar de droeve trek verdween allengs van zijn levendig gelaat; ja, nadat hij een wijle had nagedacht, nam het zelfs eene vroolijke uitdrukking aan, waaruit was op te maken, dat zijn overleg tot eenig goed resultaat had geleid. Op eenmaal begon hij hartelijk te lachen, sloeg zich met de vlakke hand op het hooggewelfde voorhoofd, vatte met do finker de hand van den verbaasden hoofdman, drukte die, en zeide:

«Zou het u verblijden, als Barlja kon worden gered?quot;

^Onuitsprekelijk!quot;

»Welnu, dan beloof ik u plechtig, dat gij ten minste twee talenten ') zult ontvangen, als gij mij in de gelegenheid steil den koning te spreken, voordat het eerste der doodvonnissen voltrokken is geworden.quot;

»Maar, hoe zou ik, een arm hoofdman. ...quot;

»Gij moet, gij moet.quot;

)gt;Ik kan niet !quot;

alk weet wel, dat het voor een vreemdeling moeilijk, ja, bijkans onmogelijk is, een gehoor bij uw gebieder te erlangen; maar mijne boodschap duldt geen uitstel, want ik kan de onschuld van Bartja en zijne vrienden bewijzen. Hooit, gij, dat kan ik! Gelooft gij nu, dat ge mij helpen moet?quot;

•I) 5100 gulden.

ocr page 306

igt;o:.

•IMaai-, hoc zou het. mogelijk zijn?quot;

sVi'iiag niet, maar haiiflel! — Zeidei. gij niet, dal ook Darius lot lt;le veroonleelden behoort7quot;

».Ta!quot;

»Ik heb gehoord, dat zijn vader een zeer aanzienlijk persoon is.quot;

»Hij is de eerste in liet rijk, na de kinderen -van Gyrus.quot;

»Breng mij dan tot hem. Hij zal mij vriendelijk ontvangen, als hij verneemt, dac ik het in mijn macht heb zijn'zoon te redden.quot;

Wonderlijke vreemdeling! I it uwe woorden spreekt zulk eene hoopvolle zekerheid, dat. ilv. ...quot;

»Dat ge mij gerust kunt, vertrouwen. Zorg nu maar gezwind, dat. uw volk ons door het gedrang helpt, opdat wij spoedig'het palels mogen bereiken?quot;

Na den twijfel is er niets, dat. zich schielijker verbreidt, dan de hoop op de vervullling van oen vurigen wensch, vooral wanneer die lioop ons met volle overtuiging wordt voorgespiegeld. De hoofdman der zweepdragers stelde opeens een onbeperkt vertrouwen in den zonderlingen reiziger, sprong, zijn geesel zwaaiende, uit den wagen, en riep zijn onderhoorigeu toe: sDeze edele heer is gekomen, om Bartja's onschuld te bewijzen, en moet aanstonds voor den koning gebracht worden. Volgt mij vrienden, en maakt ons plaats!quot;

Op dit oogenblik verscheen juist een afdeeling van de lijfwacht te paard. De hoofdman snelde op den aanvoerder toe, en bad hem, ondersteund door het. geroep der menigte, die reeds begreep dat de bedoeling was, den vreemdeling naar het paleis te geleiden. Inmiddels besteeg de reiziger liet paard van zijn knecht, en volgde de Perzen, die hem ruim baan maakten.

Snel als de wind verbreidde zich de heuglijke tijding door de reusachtige stad. Hoe verder do ruiters kwamen, des te gewilliger scheidden zieli de volksdrommen, des te luider verhief zich het gejuich der menigte, zoodat de rit van den vreemdeling ten laatste een zegetocht geleek. Na weinige minuten hielden de ruiters voor do poort van het paleis slii. Nog waren hun de metalen deuren niet geopend, toen een tweede stoet, opdaagde. Aan het hoofd van dezen reed langzaam de grijze Hystaspes, in bruine, geseheurde rouwkleederen, op een blauwgeverfd paard, welks staart en manen afgeschoren waren. De grijsaard was gekomen om don koning genade voor zijn zoon te smeeken.

Nauwelijks werd de hoofdman der zweepdragers den edelen grijsaard gewaar, of hij wierp zich vol vreugde voor zijn paard neder, en deelde hem, met. de armen op de borst gekruist, mede, welke hoop de vreemdeling in hem had doen ontwaken. Hystapes wenkte den reiziger, die zich op zijn paard bevallig voor hem boog, en liet zich door dezen de verklaring van den zweepdrrvrer

ocr page 307

20G

lievestig-en. Ook in zijn liart werd de hoop weder levend. Hij verzocht den vreemdeling hem te volgen, voerde hem hinnen het paleis en verlangde van den opperstafdrager, dat hij hem voor den koning zou brengen. Hij gebood den Griek zoolang aan de deur van 's konings vertrek te wachten.

Cambyzes lag, op het oogenblik dat zijn grijze bloedverwant binnentrad, doodsbleek op zijn purperen divan uitgestrekt. Aan zijne voeten knielde een schenker, die bezig was met de scherven op te rapen van een kostbaren glazen bokaal, dien de koning, wijl de hem daarin geboden drank niet smaakte, ongeduldig op den grond had geworpen. Eene menigte hofbeambten omgaven liim vertoornden gebieder op eerbiedigen afstand. Het was allen aan te zien, dat zij de opbruisende drift van den vorst vreesden, en zicb liefst zoo ver mogelijk van hem verwijderd hielden, Eene ademlooze stilte heerschte in de uitgestrekte zaal, door welker geopende vensters het verblindende licht en de drukkende hitte van een Babylonischen Mei-dag naar binnen stroomden. Een groote hond, van edel Epirotisch ras, was de eenige, die het waagde de diepe stilte af te breken. Cambyzes had met een forschen schop het hem liefkoozende dier afgewezen, dat nu een kermend gehuil aanhief. quot;Voordat de stafdrager Hystaspes binnenleidde, was de koning van zijn divan afgesprongen. Hij kon de vadsige rust niet meer verdragen; hij dreigde van smart en woede te stikken. Het gehuil van den hond deed aanstonds eene gedachte opkomen in zijn afgemarteld, naar vergetelheid smachtend brein.

»Op de jacht!quot; brulde hij, overeindspringende, zijne ontstelde hovelingen toe.

De jagermeesters, stalmeesters en de opperbewaker der honden spoedden zich voort, om het bevel van hun heer ten uitvoer te leggen, die hun nog toeriep: ))Ik wil den ontembaren hengst Reksch ^ bestijgen. Brengt de valken in gereedheid, laat al de honden los, ontbiedt een ieder die de speer kan voeren! Wij zullen de diergaarde eens terdege opruimen 1quot;

Als hadden deze weinige woorden zijn geweldig lichaam geheel uitgeput, zoo viel hij opnieuw op den divan neder. Hij bemerkte niet, dat Hystaspes was binnengekomen; zijne sombere blikken volgden onafgebroken het vroolijk spel der stofjes in de cl oor het venster vallende zonnestralen. De vader van Darius durfde den vertoornden vorst niet aanspreken. Om 's konings aandacht op zich te vestigen, ging hij voor het venster staan, zoodat zijne schaduw de breede lichtstraal verdeelde.

Cambyzes sloeg eerst een toornigen, daarna een smartelijken

1) Zoo heet ook de beroemde hengst van Ruamp;tem. De naam beteekent blikspm.

ocr page 308

297

blik op dien man in zijne gescheurde kleeding, en vroeg: »Wat wilt ge? Waarom knielt ge?quot;

«Heil zij den koning! Uwe arme dienaar en oom is gekomen, om de genade van zijn heer in te roepen!quot;

»Sta open verwijder u! Gij weet, dat ik voor meineed igtn en valsche getuigen geene genade ken. Beter is het een dooden, dan een eerloozen zoon te hebben.quot;

»Maar als Bartja eens onschuldig ware, en Darius....quot;

))Gij vermeet u mijne uitspraak te bedillen?quot;

ȟat zij verre. Wat de koning doet is goed, en duldt geene tegenspraak ; maar.. ..quot;

»Zvvijg! Tk wil niet, dat men deze zaak opnieuw aanroere. Gij zijl als vader te beklagen, maar mij hebben de laatste uren ook geene vreugde gebracht. Ik heb medelijden met u, grijsaard, maar ik mag het vonnis van uw zoon niet intrekken, evenmin als gij het bedreven kwaad ongedaan kunt maken.quot;

))Maar zoo Barlja toch eens onschuldig ware. Wanneer de goden....quot;

»Meent gij, dat de geesten des hemels bedriegers en meineedi-gen ondersteunen?quot;

»Neen, mijn koning! Maar een nieuwe getuige heeft zich opgedaan, die... .quot;

))Een nieuwe getuige ? Voorwaar ik zou gaarne de helft van mijn rijk geven, als ik overtuigd kon worden van de onschuld van zoo velen, die aan mijn huis zoo nauw verwant zijn!quot;

«Heil zij mijn heer, het oog des rijks! Buiten toeft een Helleen, naar zijne gestalte en houding te oordeelen, een der edel-sten van zijn stam. Deze beweert de onschuld van Bartja te kunnen bewijzen.quot;

De koning hernam met een bitteren lach: »Een Helleen! Wellicht een bloedverwant van de schoone, die Bartja voorgat zoo hartstochtelijk te beminnen? Wat zou deze vreemdeling van de aangelegenheden van mijn huis welen? Maar ik ken die Ionische hongerlijders, vermetel en schaamteloos mengen zij zich in alles, en meenen ons met hunne listigheid om den tuin te kunnen leiden. Hoeveel hebt gij, oom, voor dezen nieuwen getuige betaald? De Grieken zijn even mild met leugens, als de magiërs met zegenspreuken, en ik weet zeer goed, dat zij voor goud tot alles in staat zijn. Ik ben nieuwsgierig uw nieuwen getuige te zien. Boep hem ! Maar als hij mij bedriegen wil, laat hem dan blijven waar hij is, en bedenken dat. waar het hootd van een zoon van Gyrus valt, het op de koppen van duizend Grieken niet aankomt ! — Bij deze woorden fonkelde quot;s konings oog opnieuw van toorn ; Hystaspes antwoordde niets, maar liet den Helleen roepen.

ocr page 309

Alvorens deze binnentrad, bonden de stafdragers een doek voor zijn mond, en zeiden hem, dat bij zieb voor den koning moest nederwerpen. De Griek trad in eene ong'edwongene, edele houding naar den vorst toe, die met zijn bliksemend oog tot op den bodem zijner ziel scheen te willen doordringen, en wierp zich overeenkomstig Perzisch gebruik, voor hem neder en kuste den grond.

Het innemend gelaat en de fiere gestalte van den vreemdeling, die zijn blik rustig en met bescheidenheid beantwoordde, scheen een gunstigen indruk op den koning te maken; althans hij liet hem niet lang in zijne slaafsche houding, en vroeg hem, op vrij minzamen toon;

»Wie zijt gij'?quot;

»Ik ben een Grieksch edelman, mijn naam is Phanes, mijne vaderstad Athene. Tien jaren lang heb ik, als krijgsoverste en aanvoerder der Grieksche soldaten, in dienst van Amasis niet zonder roem gestreden.quot;'

»Zijt gij dezelfde, die de Egyptenaren de overwinning op Cyprus deed behalen T'

»Dezelfde.quot;

)gt;Wat voert u naar Perzië?quot;

sDe roem van uw naam, o Cambyzes, en de begeerte, mijn zwaard en mijne ondervinding aan u ten dienst te stellen.quot;

Verder niets? Wees oprecht, en bedenk, dat een enkele leugen u bet loven kan kosten. Wi j Perzen, hebben andere begrippen van de waarheid, dan gij. Hellenen!quot;

))Ook ik haat de leugen, al ware bet alleen omdat zij de schoonheid van 'smenschen karakter misvorml.quot;

»Welnu, spreek dan !quot;

»Gij hebt gelijk, o koning, er bestaat nog een derde ooi-zaak, om welke ik naar Perzië kwam, en deze zal ik u ook laterdoen kennen. Zij betreft iets ongemeen belangrijks, tot de bespreking waarvan wij echter veel tijd noodig hebben; heden echter....quot;

sluist heden wil ik gaarne iels nieuws hooren. Verzei mij op do jacht! Gij komt, als waart gij geroepen, want nooit had ik grootere behoefte aan afleiding dan thans.quot;

»lk zal uw gaarne vergezellen, wanneer gij....quot;

»Men steil den koning geen voorwaarden! Zijt gij bedreven in de jacht'.'quot;

»Ik heb rnenigen leeuw in de Lybische woestijn gedood.quot;

sVolg mij dan Iquot;

Bij de gedachte aan het jachtvermaak scheen de koning zijne uitputting geheel te boven te zijn, en reeds wilde hij de zaal verlaten, toen Hystaspes zich andermaal aan zijne voeten wierp, i'ii met ophebevene handen uitriep: ïgt;Mnet mijn zoon. mnet uw

ocr page 310

290

brooder dan onschuldig sterven'? Bij de zie! uws vaders, die mij zijn trouwsten vriend placht te noemen, bezweer ik n, dezen edelen vreemdeling' aan te hoeren Iquot;

Gambyzes bleef staan. Hij fronste hel voorhoofd, zijne stem klonk dreigend en hol, en zijne oogen schoten vuur, toen hij den Griek toeriep, terwijl hij zijne hand tegen hem ophief: »Zegwat gij weet! Maar bedenk, dat gij met het eerste leugenachtige woord uw eigen doodvonnis uitspreekt!quot;

Phanes hoorde deze dreigende woorden met de grootste kalmte aan, en antwoordde, mot eene bevallige buiging: Voor de zon en voor mijn koning kan niets verborgen blijven. Hoe zou een arm sterveling voor den almachtige de waarheid kunnen bedekkenquot;? De edele Hystaspes zegt, dat ik stellig de onschuld van uw broeder zal bewijzen; ik kan echter slechts hopen en wen-schon dat ik dit groote doel bereiken moge. Dit is zeker, dat de goden mij een spoor hebben doen ontdekken, waardoor't mij mogelijk schijnt een geheel nieuw licht over de gebeurtenissen van gisteren te verspreiden. Oordeel zelf of mijne hoop zoo geheel ijdel is, en of ik mij met een droombeeld gevleid heb. Maar bedenk steeds, dat het mijn oprecht verlangen was u te dienen, en dat mijne dwaling, gesteld dat ik mij bedrogen heb, zeer vergeeflijk is. Bedenk, dat er niets zekers op de wereld is, en dat een ieder geneigd is dat, wat hij waarschijnlijk acht, ontwijfelbaar zeker te noemen.quot;

«Gij spi-eekt goed, en uwe woorden doen mij denken aan... Vervloekt! Spreek, en maak het kort! Eeeds verneem ik het gebas der honden in het voorhof.quot;

gt;ilk bevond mij nog in Egypte, toen uw gezantschap daar aankwam om Nitetis af te halen. In het huis mijner voortreffelijke, beroemde landgenoote en vriendin Bhodopis maakte ik kennis met Cresus en zijn zoon, terwijl ik uw broeder en zijne vrienden slechts vluchtig mocht ontmoeten. Desniettemin bleef mij de herinnering aan het schoone gelaat van den koninklijken jongeling zeer levendig bij ; want toen ik later te Samos de werkplaats van den grooten beeldhouwer Theodorus bezocht, herkende ik dadelijk zijne trekken....quot;'

»Hebt gij hem dan op Samos ontmoet'!quot;

«Neen, maar Theodorus had aan het hoofd van een zonnegod, dien de Alcmaeoniden voor den nieuwen tempel te Delphi bij hem besteld hadden, de gelaatstrekken van uw broeder gegeven, die hij vast in zijn geheugen had geprent.quot;

«Het begin van uw verhaal is reeds niet zeer geloofwaardig. Hoe was het mogelijk, de trekken van een gelaat, dat men niet vóór zich beeft, zoo trouw weer te geven!quot;

•iTheodorusJ heeft dit meestersluk volbracht, en zoo gij zijne

ocr page 311

P.OO

kunstvaardigheid op de proef wilt slellen, zal hij 11 met genoegen een tweede beeltenis van uw broeder....quot;

»Ik begeer die niet. Ga voort!quot;

»Op mijne reis herwaarts, die ik, dank zij de voortreffelijke maatregelen mvs vaders, in ongelooflijk korten tijd heb gedaan, daar ik hij iedere vierde mijl van paarden wisselde....quot;

»Wie heefl u vrijheid gegeven, als vreemdeling, van de postpaarden gebruik te maken'?quot;

»De voor den zoon van Cresus opgestelde pas, die toevallig in mijn bezit kwam, toen Gyges, om mijn leven te redden, mij dwong, zijne kleederen met de mijne te verwisselen.quot;

»Een Lydiër bedriegt den vos, een Syriër den Lydiër; maar een Toniër beiden,quot; zeide de koning zacht, terwijl er voor de eerste maal weer tien glimlach om zijne lippen speelde. »Gresus verhaalde mij deze geschiedenis. — Arme Cresus!quot; Bij deze woorden trok er wederom een wolk over Camhyzes' gelaat, en zijne hand beproefde de rimpels op zijn voorhoofd glad te strijken.

De Athener ging intusschen voort: «Zonder eenige ontmoeting vervolgde ik mijne reis, tot ik hedenmorgen, in liet eerste nur na middernacht, door een vreemdsoortig voorval werd opgehouden . ...quot;

De koning luisterde reeds met meerdere opmerkzaamheid, en drong den Athener, die het Perzisch niet zeer vlug sprak, wat voort te maken.

»Wij waren,quot; ging Phanes met zijn verhaal voort, »tusschen het laatste en voorlaatste posthuis Babyion genaderd, en hoopten reeds voor het opgaan der zon de stad te zullen bereiken. Ik dacht aan mijn veelbewogen verleden, en mijne droeve, door de herinnering aan ongewrokene heleedigingen gekwelde ziel vond geene rust, terwijl de Egyptische grijsaard aan mijne zijde, door het. eentonig geluid der tegen liet paardentuig bengelende klokjes, den gestadigen hoefslag der paarden en het rniscben van den stroom slaperig geworden, aan mijne zijde zachlkens ingedommeld was. IJe nacht was boven alle beschrijving schoon en stil. De maan goot liaar licht over den weg uit, en vereenigde haar schijnsel met het flikkeren der tallooze sterren, om het vreedzaam landschap in al zijne schoonheid voor mijn bewonderend oog' te ontsluieren. Sinds een uur hadden wij geen enkel voertuig, geen enkelen ruiter gezien. De geheele bevolking uit de omstreken van Babylon was, gelijk wij later vernamen, naar de stad getrokken om, bij gelegenheid van uw geboortefeest, de pracht van uwe hofhouding te aanschouwen en in uwe milde gaven te deelen. Op eens echter trof het geluid van een onre-gehnatigen hoefslag en het geklingel van klokjes mijn oor, en weinige oogenblikkcn later hoorde ik duidelijk om hulp roepen. Mijn

ocr page 312

301

besluit was aanstonds genomen. Ik verzocht den Perzisclien dienaar, die mij te paard begeleidde, af te stijgen, wierp mij in den zadel, beval den voerman van de kar, waarop mijne slaven zaten, de muildieren niet Ie ontzien, maakte mijn dolk en mijn zwaard los, gat' mijn ros de sporen, en rende naar de plaats van waar liet hulpgeschrei, dat ieder oogenblik luider werd, tot mij kwam. Nog geene minuut later was ik getuige van een ontzettend tooneel. Drie knapen, van een woest voorkomen rukten een jongeling, die het witte kleed der magiërs droeg, van zijn paard, begroetten hem niet, eene hagelbui van slagen, en waren, toen ik op de plek aankwam, juist voornemens bun slachtoller in den Kupbraat le wei pen, die daar ter plaatse de wortels der palm- en vijgeboomen langs den weg bespoelt. Zonder mij te bedenken iiief ik mijn Helipi-nscli krijgsgeschreeuw aan, dal reeds menigen vijand deed beven, en wierp mij op de moordenaars, die laf als alle lieden van dat soort het hazenpad kozen, zoodra zij een hunner kameraden met gekloofden schedel op den grond zagen liggen. Ik liet de ellendelingen loopen, en boog mij over den zwaargewonden jongeling neder. Maar wie beschrijft mijne verbazing, loen ik in bom uw broeder liarlja meende le herkennen ! Ja, dat waren volmaakt dezelfde (rekken, die ik te Naucratis en in (ie werkplaats van Theodorus gezien had, dat waren ...quot;

^Zonderling 1quot; kon Hystaspes niet nalaten uit le roepen.

«Misschien al te zonderling, om geloofd le kunnen worden,quot; liet Cambyzes volgen. «iSeeni u in acht, Helleen, en bedenk, dat mijne arm ver reikt! Ik zal de waarheid van uw verhaal doen onderzoeken.quot;

»Ik ben gewoon,quot; antwoordde de Athener met eene diepe buiging, »de leer te volgen van den wijzen Pythagoras, wiens roem misschien ook tot uw oor is dooigedrongen, en steeds, alvorens ik spreek, bij mij zelven te overleggen, of hetgeen ik zeggen ga mij vroeger of later ook zou kunnen berouwen.quot;

«Dal klinkt schoon en wijs; maar, bij Mithra, ik heb een schepsel gekend, dat den naam van denzelfden leeraar gestadig op de lippen bad, en zich in hare daden als de trouwste leerlingevan Angramainjus heeft doen kennen. Gij kent de verraderes, die nog heden als een giftige adder van de aarde zal worden verdelgd.quot;

»Zult gij het mij niet euvel duiden,quot; vroeg Phanes, die de sporen eener vreeselijke smart op het gelaat van den koning duidelijk opgemerkt had, sals ik u eene andere spreuk van onzen grooten meester voorhoude'?quot;

«Spreek 1quot;

»Elk goed wordt even snel verloren, als verworven. Als dus

ocr page 313

de yoden ii smarten loezemleii, zoo draag /c met i;edukl. Mor niet ornvilli^, maar J)edeiik dat de goden niemand zwaardere lasten opleggen, dan iiij vermag te dragen. Hebt gij eene wonde in het hart, zoo raak die evenmin aan als een lijdend oog. Tegen zielelijden bestaan slechts twee geneesmiddelen: hoop en geduld !quot;

Cambyzes luisterde aandachtig naar deze gulden spreuken, uit den mond van Pythagoras opgevangen, en lachte pijnlijk, toen hij het woord »gcduldquot; vernam. Maar het verhaal van Plumes had hem bijzonder geboeid, en hij noodigde dezen dus uit voort te gaan.

AVij droegen,quot; vervolgde Phanes met eene nieuwe buiging, )gt;den bewusteloozen jongeling in mijn wagen, en brachten bom naar het niet ver moor verwijderde posthuis. Daar sloeg hij de oogen op, en vroeg, mij angstig aanziende, wie ik was cn waar hij zich bevond ? De waard uit het posthuis stond hij ons; daarom moest ik mij, om den vrijpas niet te logenstraflen, die mij nieuwe paarden bezorgde, voor Gyges, den zoon van Cresus uitgeven.

)iDe gewonde scheen hem te kennen, wiens naam ik mij toeeigende, want hij schudde zachtkens het hoofd en fluisterde : Gij zijt niet. degeen, voor wien gij u uitgeeft. Daarop sloot hij weder de oogen en kreeg eene hevige koorts. Wij ontkleedden hem, deden hem eene aderlating en verhonden zijne kwetsuren. Mijn Perzische dienaar, die Bart ja had gezien aan het hof van Amasis, alwaar hij de betrekking van opzichter over de stallen bekleed had, en de Egyptische grijsaard, die mij vergezelde, boden mij de behulpzame hand, en de eerste hield niet op te verzekeren, dat de gekwetste niemand anders dan uw broeder was. Zelfs do waard van hot posthuis zwoer, toen we 'sjon-golings gelaat van hot bloed gezuiverd hadden, dat do aangerande zonder eenigen twijfel de jongere zoon van uw lt;rrooien vader was. Intusschen was mijn Egyptische reisgenoot naar buiten gegaan, en had uit do reisapotheek '), zonder welke een Kgyptonaar niet dan ongaarne zijn vaderland verlaat, eon drank gekregen, waarvan hij don kranke een weinig ingaf. De droppols werkten zoo wonderbaar, dat het door de kooris heftig bewogen bloed na weinige uren lot rust kwam, en de jongeling hij hot opkomen dor zon wederom de oogen opsloeg. Nu Logen wi j ons voor hom neder, als voor uw broeder, en vroegen hem of hij verlangde naar het paleis te Babyion vervoerd te worden.

') Zii)k oonp roisapotlicck is tegenwoordig nof; lo zien in het museum te Cerlijn. Zij is zeer netjes en lgt;el;nopt ingericht, en afkomsti? uit ilen tijtl van koning Mentoehotep, ilns uit liet laatst van do 30ste eeuw v. Clir.

ocr page 314

;!u:!

Hij verzekerde ons editor met drilt, dal hij niet diegeeu was, voor wieu wij hem aanzagen, maar . . .

»Wie mag zoo sprekend op i'artja gelijken'.' Spreek'. Ik beu nieuwsgierig, dit te vernemen!quot; viel de koning den spreker in de rede.

»Hij gaf voor de broeder 1c zijn van uw opperpriestev, dat zijn naam was Gaumata, en dat men dezen op den pas, die in de mouwen van zijn kleed verborgen was, kon vinden. De waard van de herberg vond liet bedoelde stuk, en bevestigde de bewering van den lijder, die kort daarop weder door eene nieuwe heftige aandoening van koorts werd aangegrepen, gedurende welke hij allerlei onsamenhangende woorden uitbracht.quot;

»Kondet ge ook verstaan, wat. hij zeideT'

» Voorzeker! Hij herhaalde onophoudelijke helzelfde. j)e hangende tuinen schenen vooral zijne gedachten bezig te houden. Wij moest kort te voren aan een groot, gevaar zijn ontkomen, en heeft op gemelde plaats waarschijnlijk eene samenkomst ge-bad met zijne liefste, Mandane geheeten.quot;

»Mandano!quot; prevelde Gambyzes voor zichzelven, «Mandane! Als ik mij niet bedrieg, draagt de eerste kamerjuffer van de dochter van Amasis dien naam.quot;

Aan het. fijne gehoor van den Griek ontsnapten deze woorden niet. Kenige seconden bezon hij zich; dan plooide een blijde glimlach zijne lippen, en riep bij: Stel de gevangenen gerust op vrije voeten, mijn koning, want ik blijf n met mijn hoofd borg, dat Bartja niet op de hangende tuinen geweest is!quot;

IJe koning zag den koenen spreker verwonderd, maar vriendelijk aan. Het opene en innemende gelaat, do vrije en onged won-gene houding, waarmede de Athener tegenover hem stond, was hem iets geheel nieuws, en oefende een wonderlijken invloed op hem uit, evenals de zeelucht op iemand, wiens verhit voorhoofd voor de eerste maal door haar wordt afgekoeld. Terwijl zijn groo-ten, ja zelfs zijne naaste bloedverwanten hem slechts met ge-kromden rug durfden toespreken, stond deze Griek, met zijne rijzige. Here gestalte, als zijns gelijke voor hem. Terwijl do Perzen ieder woord dat zij tot hun gebieder richtten, niet bloemrijke volzinnen en vleiende spreekwijzen plachten op te sieren, sprak de Athener rond, eenvoudig en ongekunsteld, baarbij ging zijne rede met zulke bevallige gebaren en zoo sprekende blikken vergezeld, dat de koning, ondanks Phanes' onbedrevenheid in de Perzische taal, hem beter verstond, dan de, in den regel in gelijkenissen inge-kleede berichten zijner eigene onderdanen. Alleen tegenover dezen man en tegenover Nitetis vergat hij, dat hij vorst was. Hier stond de mensch voor den mensch; hier voelde do despoot niet meer, dat bij met iemand sprak, wiens leven of dood een speelbal zijner

ocr page 315

304

luimen was. Zoo machtig werkten de waardigheid van denman, hel gevoel van eigenwaarde in een mensch, die zichzelven bewust is rechtmatige aanspraak op vrijheid te hebben, en de zedelijke meerderheid zelfs op den strengen dwingeland. Ook was er nog niets anders, dat Cambyzes zoo snel voor dezen man innam. De Griek toch scheen gekomen te zijn, om hem mis-schien den dierbaarsten en reeds verloren geachten schat weder te geven. Maai- kon hel leven van dezen vreemden avonturier als borg voor de zonen van de eersten in Perzië worden aangenomenquot;.' En toch voelde zich de koning door den voorslag van Plumes niet beleedigd. Hij glimlachte veeleer over de stoutheid van den Helleen, die zich in zijn ijver van den doek, die zijn mond en haard bedekte, bevrijd had, en riep; »Bij Mithra, het. komt mij voor. Helleen, dat gij het goed met ons meent! Ik neem uw voorslag aan. Zijn de gevangenen in spijt uwer vermoedens, schuldig, dan zijt gij verplicht uw leven lang als mijn dienaar aan dit hot' te blijven; gelukt het u echter datgene te bewijzen, waarnaar mijn hart zoo vurig verlangt, dan verhef ik u tot den rijkste uwer landgenooten.quot;

l'hanas maakte glimlachend een gebaar, als wilde hij zeggen, dat hij dit niet begeerde, en vroeg: «Veroorlooft gij mij, tot u en uwe hofbeambten eenige vragen te richten?quot;

»Spreek en vraag, hoe en wat gij wilt!quot;

Op dat oogenhlik trad de opperjachtmeester in de zaal, en kondigde aan, dat alles in gereedheid was.

»Men wachte!quot; sprak de koning op barschen toon tot zijne dischgenooten, die tengevolge van den gemaakten spoed, om 's konings bevel ten uitvoer te leggen, bijkans buiten adem waren. »Ik weet niet, of er heden wel van jagen zal komen. Waar is de hoofdman der zweepdragers Bischen?quot;

Dut is, het zoogenaamde oog des konings, het hoofd van alle politiebeambten des rijks, snelde naar buiten en keerde binnen weinige minuten, die Plumes zich ten nutte had gemaakt, om verscheidene der aanwezige grooten over allerlei voor hem gewichtige bijzonderheden te ondervragen, met den genoemden persoon terug.

»VVat doen de gevangenen?quot; vroeg Cambyzes den voor hem op den grond liggenden hoofdman.

slleil zij den koning! Zij verwachten rustig den dood. want het is zoet door uw wil te sterven.quot;

»Hebt gij ook iets van hunne gesprekken afgeluisterd'?quot;

))Ja; mijn koning!quot;

«Belijden zij elkander, dat zij schuldig zijn?quot;

sMithra alleen vermag in het hart te zien; maar gij, mijn vorst, zoudt, als ik, uw armste knecht, aan de onschuld dezer veroordeelden gelooven, als gij hen hoordet spreken.quot;

ocr page 316

305

De hoofdman zag angstig tot den koning op, vreezende dat deze woorden misschien zijn toorn zouden hebben opgewekt. Gambyzes antwoordde echter met een blik van tevredenheid, in plaats van op te vliegen. Plotseling deed eene sombere gedachte eene wolk over zijn voorhoofd trekken, en nauw hoorbaar vroeg hij: «Wanneer is het vonnis aan Cresus voltrokken?quot;

De hoofdman sidderde, toen hij dit woord vernam; het angstzweet parelde op zijn voorhoofd, en slechts stamelend konden zijne lippen uitbrengen: ))Hij is..... hij heeft..... wij dachten....quot;

»Wat dacht gij?quot; hernam Gambyzes, in wiens borst een straal van hoop doordrong. »Hebt gij misschien mijn bevel niet op staanden voet ten uitvoer gebracht? Leeft Gresus wellicht nog? Spreek, spreek, ik wil de volle waarheid weten!quot;

De hoofdman kromde zich als een worm aan de voeten van zijn gebieder, en stamelde eindelijk, de handen smeekend naar hem opheffende: »Genade, genade, mijn koning! Ik ben een arm man, en heb dertig kinderen, van welke vijftien....quot;

«Ik wil weten, of Gresus leeft of niet!quot;

»Hij leeft! Ik dacht, dat ik niet misdeed, als ik hem, wien ik alles verplicht ben, een paar uren langer in het leven liet, opdat hij....quot;

»Het is genoeg!quot; riep thans de koning, ruimer ademhalende. «Ditmaal zal ik u uwe ongehoorzaamheid niet toerekenen, en wijl gij zoovele kinderen hebt, mag de schatmeester u vijf talenten uitbetalen. — Ga thans naar de gevangenen; verzoek Gresus hier te komen, en zeg den anderen, dat zij, zoo ze onschuldig zijn, goedsmoeds kunnen wezen.quot;

»Mijn koning is het licht der wereld en een oceaan van genade !quot;

«Bartja en zijne vrienden behoeven niet langer opgesloten te blijven. Zij mogen zich onder uwe bewaking in het voorhof van het paleis begeven. Gij, Datis, ga dadelijk naar de hangende tuinen en beveel Boges, de voltrekking van het vonnis der Egyptische op te schorten. Wijders moet eene afdeeling der lijfwacht naar het posthuis worden gezonden, waarvan de Athener gesproken heeft, om den daar liggenden gekwetste herwaarts te brengen.quot;

Het oog van den koning wilde zich verwijderen. Phanes hield hem evenwel terug, en vroeg: «Veroorlooft mijn koning mij éene opmerking?quot;

«Spreek!quot;

«Het komt mij voor, dat de overste der eunuchen ons de beste inlichtingen kan geven. Die jongeling sprak, terwijl hij ijlde, zijn naam meermalen uit, en wel in verhand met dien zijner liefste.quot;

«Haast u, Datis, breng Boges dadelijk hier!quot;

20

ocr page 317

306

«Ook moet, dunkt mij. de opp rpriesterOropastes, als broeder van Gaumata, verhoord worden en evenzeer Mandane, die, gelijk mij zoo even voor vast is verzekerd, de eerste kamerjuffer der Egyptische is.quot;

»Zend beiden hierheen, Datis!quot;

«Wanneer men eindelijk Nitetis zelve....quot;

Bij deze woorden van den Athener verbleekte de koning, en eene lichte huivering voer door zijne leden. Hoe gaarne zou hij de geliefde hebben wedergezien! Maar de sterke vorst vreesde de betooverende of verwijtende blikken van deze vrouw. Daarom riep hij, naar de deur wijzende, Datis toe: »Ga, en haal Boges en Mandane; de Egyptische moet nog, onder goede bewaking, op de hangende tuinen blijven!quot;

De Athener boog eerbiedig, als wilde hij zeggen: »Gij alleen hebt op deze plaats te bevelen.quot;

De koning beschouwde hem met zichtbaar welgevallen, en zette zich weder op zijn purperen divan. In gepeins verdiept, liet hij het hoofd in de hand rusten, en vestigde zijn blik op den grond. Het beeld der eenmaal zoo innig geliefde vrouw trad, ondanks alle inspanning om het te verdrijven, telkens helderder voor zijne verbeelding, en de gedachte, dat deze trekken onmogelijk die eener bedriegster konden zijn, dat Nitetis misschien toch nog onschuldig was, verkreeg steeds vaster voet in zijn voor de hoop opnieuw ontsloten hart. Bleek Bartja werkelijk onschuldig te zijn, dan was ook iedere andere dwaling denkbaar; dan wilde hij in persoon naar de hangende tuinen gaan, hare hand vatten en hare verdediging aanhooren. Heeft de liefde een man, in de kracht des levens, in het hart getroffen, dan slingert zij zich, gelijk de aderen door het lichaam, door zijn gansche wezen heen, en kan slechts met zijn leven worden uitgeroeid.

Toen Cresus in de zaal verscheen, ontwaakte Cambyzes uit zijne mijmeringen, hief den grijsaard, die zich aan zijne voeten geworpen had, vriendelijk op, en zeide: »Gij hebt u aan mij vergrepen; ik wil echter genade bewijzen, gedachtig aan het laatste woord van mijn stei-venden vader, waarmede hij mij gebood u als raadgever en vriend te eeren. Neem uw leven uit mijne hand terug, en vergeet mijn toorn, gelijk ik uwe oneerbiedigheid vergeten wil. Laat u thans door dien man, die voorgeeft u te kennen, mededeelen wat hij onderstelt. Daarna verneem ik gaarne ook uwe meening.quot;

Diep bewogen wendde Cresus zich tot den Athener, en liet zich door dezen, na hem hartelijk welkom te hebben geheeten, in zijne vermoedens inwijden. De grijsaard werd met ieder oogen-blik oplettender, hief, toen Phanes zweeg, zijne handen ten hemel op, en riep: «Vergeeft mij, gij eeuwige goden, dat ik ooit aan

ocr page 318

307

uwe rechtvaardigheid heb getwijfeld, is het niet opmerkelijk, Gambyzes? Mijn zoon waagde zijn leven, om het leven van dezen edelen mensch te redden, en thans voeren de goden den geredde naar Perzië, om wat Gyges hem deed tienvoudig te vergelden . Ware Phanes door de Egyptenaren vermoord geworden, dan zouden wellicht reeds in dit uur de hoofden onzer zonen zijn gevallen.quot;

Bij deze woorden wierp Cresus zich aan de borst van Hystas-pes, die, gelijk bij, zijn geliefden zoon als ten tweede male zag geboren worden.

De koning, Phanes en de Perzische grootwaardigheidsbekleeders aanschouwden met diepe ontroering de elkander omarmende grijsaards. Geen der aanwezigen twijfelde meer aan de onschuld van Bartja, ofschoon die tot nog toe slechts door vermoedens kon worden bewezen. Waar het geloof aan schuld zwak is, vindt de verdediger gewoonlijk wijd geopende ooren.

ocr page 319

ELFDE HOOFDSTUK.

Met echt Attische scherpzinnigheid had Phanes uit het gehoorde de ware toedracht dezer treurige zaak opgemaakt. Hij had al spoedig begrepen, dat ook de boosheid hare hand in het spel moest hebben gehad; want Bartja's dolk kon niet anders, dan door tusschenkomst van een verrader, op de hangende tuinen zijn gekomen. Terwijl hij dit zijn vermoeden den koning te kennen gaf, werd de opperpriester Oropastes door de stafdragers binnengeleid.

De koning zag hem toornig aan en vroeg, zonder een enkel woord tot inleiding: sHebt gij een broeder?quot;

sJa, mijn koning. Hij en ik zijn de eenigen, die nog in leven zijn, van zes broeders en zusters. Mijne ouders ...quot;

»Is deze broeder ouder of jonger dan gij?quot;

»Ik was de oudste van ons allen, terwijl hij, de jongste, mijn vader tot vreugde van zijn ouderdom geboren werd.quot;

«Het gij ooit eene in het oog vallende gelijkenis tusschen hem en een mijner bloedverwanten opgemerkt?quot;

»Ja, mijn koning. Gaumata gelijkt zoo sprekend op uw broeder Bartja, dat men hem steeds in de priesterschool te Rhagae, waar hij zich thans nog bevindt, den prins noemde.quot;

»Was hij in de laatste dagen te Babyion?quot;

«Tijdens het nieuwjaarsfeest voor het laatst.quot;

«Spreekt gij de waarheid?quot;

«Mijn kleed en mijn ambt zouden mij dubbel strafbaar maken, als ik mijn mond opende om een leugen te zeggen.quot;

Het gelaat van den koning werd vuurrood van toorn, en met een barsche stem riep hij: «En toch liegt gij, want Gaumata was gisterenavond hier! — Gij beeft! Daartoe hebt gij alle reden.quot;

«Mijn leven behoort u. wien alles toebehoort; desniettemin zweer ik, de opperpriester, bij den hoogsten God, dien ik dertig jaren lang trouw gediend heb, dat ik er niets van weet, dat mijn broeder gisteren binnen Babylon is geweest.quot;

ocr page 320

309

»Uw aangezicht draagt den stempel der waarheid.quot;

sGij weet dat ik, gedurende den gewichtigen dag van gisteren, geen oogenblik uwe zijde verlaten heb.quot;

»Dat weet ik.'quot;

Andermaal openden zich de deuren, om de sidderende Man-dane binnen te laten. De opperpriester zag haar met verbaasden en vragenden bl;k in het ontroerde gelaat. Aan het scherpziend oog van den koning ontging het niet, dat de kamerjuffer in zekere betrekking stond tot Oropastes; daarom vroeg hij dezen, zonder verder acht te slaan op de maagd, die sidderend aan zijne voeten lag: »Kent gij deze vrouw?quot;

»Ja, mijn koning. Door mijne voorspraak verwierf zij de hooge betrekking van eerste kamerjuffer en opperste van aile dienstdoende personen bij de Egyptische koningsdochter — Aoeramazda schenke haar vergiffenis!quot;

»Hoe kwaamt gij, een priester er toe, om deze jonge vrouw zoo uitermate te begunstigen'?quot;

»Haar ouders stierven aan dezelfde pest, die mijne broeders wegrukte. Haar vader was een eerbiedwaardig priester en een vriend van ons huis. Daarom namen wij het meisje tot ons, gedachtig aan de leer: «Geeft gij den reinen man en zijner weduwe en zijne weezen niets, dan zult gij van de reine en onderworpene aarde in stekende brandnetels, in gruwzaam lijden en in de vreeselijkste plaatsen geslingerd worden.quot; Aldus werd ik haar pleegvader, en liet ik haar met mijn jongsten broeder opvoeden, tot deze naar de priesterschool vertrok.quot;

De koning wisselde een blik van verstandhouding met Phanes, en vroeg: »Waarom behieldt gij het meisje, dat toch schoon van gelaat is, niet bij u?quot;

Toen zij de oorringen had gekregen, oordeelde ik het voegzaam haar, eene jonkvrouw, uit mijn priesterlijk huis te verwijderen, en haar eene zelfstandige toekomst te verzekeren.quot;

«Heeft zij. als volwassen meisje, uw broeder nog weergezien'?quot;

»Ja, mijn koning. Zoo dikwijls Gaumata mij bezocht, liet ik hem met Mandane als met, zijn zuster verkeeren; toen mij echter duidelijk werd, dat zich in de kinderlijke vriendschap de hartstocht der jeugd begon te mengen, kwam het besluit meer en meer tot rijpheid om het meisje uit mijn huis te verwijderen.quot;

»Wij weten genoeg,quot; zeide de koning, den opperpriester door een wenk te kennen gevende, dat hij zich ter zijde kon begeven. Daarna zag hij op het meisje neder, en zeide op gebiedenden toon: Sta op !quot;

Mandane stond sidderende en bevende overeind. Haar anders zoo blozend gelaat was bleek als de dood, en hare roode lippen hadden eene blauwe tint aangenomen,

ocr page 321

310

«Verhaal, waf gij van den avond van gisteren weet; maar bedenk, dat éen enkele leugen uw doodvonnis is!quot;

De knieën van het angstige kind begonnen zoo sterk te knikken, dat zij zich ternauwernood staande kon houden. De vrees belette haar een enkel woord uit te brengen.

))Mijn geduld is kort!quot; riep Cambyzes haar waarschuwend toe,

Mandane dreigde neder te zijgen; haar aangezicht werd nog bleeker, hare tong was als verstijfd. Daar trad Phanes naar den vorst toe, die opnieuw in toorn was ontstoken en vroeg hem bijna fluisterend, vergunning om het meisje teverhooren. Haar mond thans door angst gesloten, zou met een zacht woord oogenblik-kelijk geopend worden.

Cambyzes gaf met een hoofdknik zijne toestemming. Wat de Athener voorzien had, gebeurde; want nauwelijks had hij Mandane van de welwillendheid van al de aanwezigen verzekerd, zijne hand op haar hoofd gelegd, en haar vriendelijk toegesproken, of zij barstte los in snikken, en een stroom van tranen bevochtigde hare bleeke wangen. Hij wist den band, die hare tong gesnoerd had, los te maken, en nu verhaalde zij, dikwerf met een snik afbrekende, alles wat zij wist. Zij verzweeg niet, dat Boges die heimelijke samenkomst had in de hand gewerkt, en het minnend paar in zijne bescherming had genomen, en eindigde met de woorden: »lk weet wel, dat ik mijn leven verbeurd heb, en dat ik het slechtste en ondankbaarste schepsel van de geheele wereld ben. Maar al dat kwaad ware voorkomen geworden, als Oropastes zijn broeder toegestaan had mij te huwen!quot;

Bij deze haastig uitgesprokene woorden, begon zij opnieuw te snikken en biggelden groote tranen haar langs de wangen, terwijl de ernstige toehoorders, ja zelfs de koning, zich niet weerhouden konden even te glimlachen.

Deze glimlach redde haar leven, dat zeker ernstig werd bedreigd. Na hetgeen Cambyzes gehoord had, ware het hem zeker onmogelijk geweest, zijne lippen tot een lach te plooien, als Mandane niet, met dat fijne instinct, dat der vrouw juist in de ure van het dreigendste gevaar zoo gereedelijk ten dienste staat, geweten had, hoe den koning in zijne zwakke zijde aan te tasten en daarvan partij te trekken. Veel langer dan noodig was, had zij dus stilgestaan bij de verrukking van Nitetis over de geschenken van haar koninklijken geliefde.

«Duizendmaal,quot; riep zij, »kuste mijne meesteres al de dingen die men haar van uwentwege, o koning, bracht. Maar vooral drukte zij dikwerf hare lippen op den bloemruiker, dien gij, eenige dagen geleden, met eigen hand geplukt hadt. En toen de ruiker begon te verwelken, nam zij bloem voor bloem

ocr page 322

311

in de hand, breidde de fijne blaadjes zorgvuldig uit, legde ze tusschen wollen doeken, en plaatste zelve hare zware gouden zalfdoos daarop, om ze te drogen en als cone gedachtenis aan uwe goedheid te bewaren.quot;

Zij merkte op, dat lint gelaat van haar strengen rechter , bij deze woorden verhelderde, en schepte daaruit nieuwen moed, om barer meesteres woorden in den mond te leggen, die zij nooit had geuit. Zij beweerde honderdmaal gehoord te hebben, dat Nitetis' den naam »Cambyzesquot; met onuitsprekelijke teeder-heid in den slaap uitriep. Eindelijk zweeg zij, na nog met eene door snikken nauw hoorbare stem om genade te bebhen gesmeekt.

Zonder toorn, maar met diepe verachting zag de koning op haar neder. Haar met den voet van zich stootende, riep hij. »Uit mijne oogen, verachtelijk schepsel! Bloed als het uwe zou de bijl van den beul slechts bezoedelen! Uit mijne oogen!quot;

Mandane het zich geen tweemaal zeggen de zaal te verlaten. Dat suit mijn oogenquot; klonk in haar oor als de liefelijkste muziek. Als eene opgejaagde hinde vloog zij door de wijde voorhoven van het paleis, om op de straat de saamgedrongene menigte als eene krankzinnige in de ooren te gillen: »Ik ben vrij ! Ik ben vrij!quot;

Nauwelijks had zij de zaal verlaten, toen Datis, het oog des konings, terugkeerde en den koning het bericht bracht, dat men den overste der eunuchen overal tevergeefs gezocht had. Op eene raadselachtige wijze was hij van de hangende tuinen verdwenen. Hij, Datis, had echter zijne onderhoorigen gelast, den vluchteling op te sporen, en hem dood of levend over te leveren.

Deze boodschap deed den vorst in eene geweldige vlaag van toorn uitbarsten, en hij bedreigde den politiebeambte, die van den volksoploop opzettelijk voor zijn vorst had gezwegen, met zware straf, indien men den voortvluchtige niet vóór den volgenden morgen achterhaald had.

Nauwelijks had hij uitgesproken, toen de stafdrager een eunuch van de moeder des konings binnenleidde, door wien zij haar zoon om een mondgesprek liet verzoeken.

Cambyzes aarzelde geen oogenblik, om aan den wensch zijner blinde moeder gevolg te geven. Hij reikte Phanes de hand ten kus, eene hooge eer, die in den regel slechts aan dischgenooten werd gegund, en riep: »Men stelle terstond al de gevangenen op vrije voeten. Gaat heen tot uwe zonen, gij beangste vaders, en zegt hun, dat zij zich van mijne gunst en genade kunnen verzekerd houden. Voor ieder hunner zal ik wel een sat rap ie weten te vinden, ter vergoeding van dezen nacht van onschuldige gevangenschap. U, mijn Helleenschen vriend, ben ik grooten dank

ocr page 323

312

verschuldigd. Om mij daarvan te kwijten, en u aan mijn hof te verbinden, verzoek ik u, u door onzen schatmeester honderd talenten ') te doen uitbetalen.quot;

»Zulk eene groote som zal ik ternauwernood weten te gebruiken.quot;

«Misbruik haar dan!quot; antwoordde de koning met vriendelijken lach. Daarop verliet hij de zaal, vergezeld van zijn hofbeambten, aan de deur zich evenwel nog eens omkeerende, om den Athener toe te roepen: »ïot wederziens, aan den maaltijd!quot;

Terwijl dit alles voorviel, heerschte er in de vertrekken van de moeder des konings de grootste neerslachtigheid. Nadat Cas-sandane kennis genomen had van dien rampzaligen brief aan Bartja, geloofde zij aan de ontrouw van Nitetis, maar volhardde in hare overtuiging omtrent de onschuld van haar geliefden zoon. Wien kon ze nu nog vertrouwen, als het meisje, in hetwelk zij tot nog toe de verpersoonlijking van alle vrouwelijke deugden had meenen te aanschouwen, eene verachtelijke boeleerster moest worden genoemd, als de edelste jongelingen zich aan meineed konden schuldig maken ? Nitetis was erger dan dood voor haar; Bartja, Cresus, Darius, Gyges, Araspes, met wie allen haar hart door banden des bloeds en der vriendschap verbonden was, waren zoo goed als gestorven. En zij durfde niet eens hare tranen den vrijen loop laten, want de zware taak rustte op haar, de uitbarstingen der wanhoop van haar woest kind te beteugelen.

Atossa stelde zich aan als eene razende, toen zij vernam dat de doodvonnissen geveld waren. De gematigdheid, die haai' dooiden omgang met de Egyptische eigen was geworden, verliet haar geheel, en haar zoo lang bedwongen omstuimig karakter deed zich nu niet verdubbelde heftigheid gelden. Nitetis, hare eenige vriendin, Bartja haar broeder, aan wien zij met bare gansche ziel hing; Darius, wien zij, nu gevoelde zij het eerst recht goed, niet slechts als den redder van haar leven een dankbaar hart toedroeg, maar dien zij met de innigheid eener eerste liefde beminde, Cresus, dien zij als haar vader vereerde; — kortom allen, die haar dierbaar waren, zou zij nu met één slag verliezen. Zij scheurde hare kleederen, rukte zich de haren uit, noemde Camby-zes een monster van wreedheid, en ieder, die aan de schuld van zulke voortreffelijke menschen geloofde, blind en krankzinnig. Dan smolt zij weder weg in tranen, en zond ootmoedige gebeden

1) Ongeveer 270,000 gulden.

ocr page 324

313

tot de goden op, om weinige minuten later hare moeder te bezweren, haar naar de liangende tuinen te vergezellen, en met haar de verdediging van Nitetis aan te hooren.

Cassandane beproefde het onstuimige meisje tot kalmte en berusting te brengen, en verzekerde haar, dat iedere poging om Nitetis te spreken, zou blijken ijdel te wezen. Nu begon Atossa opnieuw uit te varen, zoodat de oude vrouw haar ten laatste met moederlijke gestrengheid het stilzwijgen moest opleggen, en bij het aanbreken van den morgen haar beval zich naar haar slaapvertrek te begeven.

Het meisje gehoorzaamde, doch zette zich, in plaats van zich ter rust te begeven, aan liet open venster, dat haar het uitzicht gaf op de hangende tuinen. Met. betraande oogen tuurde zij naar het huis tegenover haar, waarin thans hare vriendin, hare zuster, eenzaam, verlaten, verstoeten, een smadelijken dood verbeidde. Plotseling schoen, door eene buitengewone inspanning van den wil, haar door tranen verduisterd oog opnieuw te verhelderen. Het staarde niet meer in de onbegrensde ruimte, maar vestigde zich onafgewend op een zwart punt, dat uit de richting van de woning der Egyptische, van oogenblik tot oogenblik grooter en beter te onderscheiden, recht op haar aankwam, en zich eindelijk op eene cypres voor haar venster neerliet. Opeens verdween de toornige uitdrukking van haar liefelijk gelaat; voor de eerste maal sedert vele uren kon zij met verruimde borst ademhalen. Zij klapte in de handen en riep uit: »0, zie! daar is de vogel Homaï '), de geluksvogel! Nu zal zich alles ten beste schikken!quot; — Dezelfde paradijsvogel, welks verschijning in het hart van Nitetis zulk een troostenden balsem had uitge-gestort, schonk ook Atossa nieuwe hoop.

Zij nam den tuin nauwkeurig op, of ook iemand haar bespieden kon, en toen zij niemand gewaarwerd dan den ouden hovenier, sprong zij, bevende als eene achtervolgde ree, het venster uit, brak eenige rozeknoppen en cypressetakjes af, en naderde daarmede den grijzen tuinman, die hare bewegingen had gadeslagen, terwijl hij zacht kens het. hoofd schudde. Zij streelde de wangen van den oude, als ware hij haar vader geweest, legde hare bloemen in zijne grove hand, en vroeg: oflebt gij mij lief, Sabaces!quot;

»0, meesteres!quot; zeide de grijsaard, waarbij hij den zoom van het gewaad der koningsdochter in vervoering aan de lippen drukte.

))Ik geloof u, vadertje, en wil u bewijzen, dat ik mijn ouden

l) Zoo heet in het Perzisch de paradijsvogel.

ocr page 325

314

goeden Sabaces vertrouw. Verberg deze bloemen goed, en begeef u, zoo snel uwe krachten het u toelaten, naar het paleis van den koning. Zeg, dat gij vruchten voor de tafel brengt. Naast, de wachtkamer der Onsterfelijken worden mijn arme broeder Bartja en Darius, de zoon van den edelen Hystaspes, gevangengehouden. Zorg dat deze bloemen dadelijk, maar hoort gij, dadelijk, met een hartelijken groet van mij, aan die beiden ter hand worden gesteld.quot;

sDe wachters zullen mij niet bij de gevangenen toelaten.quot;

))Neem dezen ring en druk hun dien in de hand. Men kan toch de ongelukkigen niet verbieden, zich in de aanschouwing van bloemen te verlustigen ?quot;

))Ik zal het beproeven.quot;

))Ik wist wel, dat gij mij liefhadt, goede Sabaces! Ga nu, en keer spoedig terug

De grijsaard verwijderde zich haastig. Atossa zag hem peinzend na, en sprak bij zichzelve: «Thans zullen zij beiden weten, dat ik hen tot aan hun dood heb bemind. De roos betee-kent: ik bemin u; de altijd groene cypres: trouw en onwankelbaar.quot; — Na verloop van een uur keerde de oude man terug, en bracht Atossa, die hem te gemoet snelde, den ring van Bartja waaraan hij zoozeer gehecht was, en van Darius een in bloed gedoopten Indischen doek.

Met tranen in de oogen ontving Atossa deze panden uit de hand van den grijsaard; daarop ging zij onder een breedgetak-ten plataanboom zitten, drukte de beide voorwerpen afwisselend aan hare lippen, en zeide tot zichzelve: »Bartja's ringbeteekent, dat hij aan mij denkt; en de in bloed gedoopte doek van Darius, dat hij zijn laatsten druppel bloed voor mij veil heeft.quot;

Atossa lachte weemoedig, terwijl zij deze woorden fluisterde; en van dat oogenblik was zij kalm, en dacht aan het lot barer vrienden met bittere tranen.

Weinige uren later bracht een bode van Cresus aan de aanzienlijke vrouwen het bericht, dat de onschuld van Bartja en zijne vrienden bewezen, en, ook Nitetis zoo goed als gerechtvaardigd was. Onmiddellijk zond Cassandane hare dienaren naaide hangende tuinen, om Nitetis uit te noodigen onverwijld tot haar te komen. In vreugde even uitgelaten als in droefheid, liep Atossa den draagstoel harer vriendin tegemoet, en vloog van de eene harer dienstmaagden naar de andere, om haar toe te roepen: »Allen zijn onschuldig; allen, allen zullen voor ons gespaard blijven!quot;

ocr page 326

315

En toen de draagstoel met hare vriendin eindelijk naderde, toen zij het voorwerp harer liefde, bleek als de dood, weerzag, barstte zij in hevig snikken uit, viel Nitetis reeds onder het uitstijgen om den hals, en bedekie haar gelaat met kussen, tot zij bemerkte, dat de knieën der geredde knikten, en zij een krachtiger steun behoefde dan haar zwakken arm.

De Egyptische werd bewusteloos in de vertrekken van de moeder des konings gedragen. Toen zij de oogen weder opsloeg, rustte haar hoofd, dat bleek was als marmer, in den schoot dei-blinde, voelde zij den druk van Atossa's warme iippen op baai-ijskoud voorhoofd, en stond Gambyzes, die onmiddellijk aan de roepstem zijner moeder gehoor had gegeven, naast baar rustbed.

Verbaasd en angstig zag zij den kring van hen, die haar zoo vurig liefhadden, rond. Eindelijk herkende zij de haar omringenden. Nu streek zij met de vlakke hand over het strakke voorhoofd, als wilde zij een sluier verwijderen, die haar gezicht benevelde, lachte allen vriendelijk toe en sloot dan hare oogen weder. Zij meende, dat de liefde,quot;ij ke Isis haar een schoon droombeeld voortooverde, en beproefde dit met al de kracht harer ziel vast te houden.

Toen riep de driftige Atossa haar nogmaals met teederheid bij haar naam. Andermaal opende Nitetis de oogen en deze ontmoetten opnieuw de liefdevolle blikken dergenen, van wie zij meende gedroomd te hebben. Ja, daar was hare Atossa, daar hare moederlijke vriendin, daar, niet da vertoornde koning, maaide man die haar beminde. Thans ontsloot ook hij de lippen en riep, zijn streng gebiedend oog smeekend op haar vestigende: »0, Nitetis, ontwaak! Gij moogt, gij kunt niet schuldig zijn!'' Zij schudde zachtkens het hoold, en een lachje van geluk zweefde over haar beeldschoon aangezicht, als de adem der jeugdige lente over een rozenbed.

»Zij is onschuldig; bij Mithra, zij kan niet schuldig zijn!quot; riep Gambyzes andermaal, terwijl hij zonder acht te geven op de aanwezigen, op de knieën viel.

Een Perzisch geneesheer naderde thans de als uit den dood verrezene, en bestreek hare slapen met eene zalfolie, die een aan-genamen geur verspreidde, terwijl de oogarts Nebenchari, onder het prevelen van bezweringsformulieren, haar hoofdschuddend den pols voelde, en haar een drank uit zijne kleine apotheek ingaf. Nu herkreeg zij haar volle bewustzijn, en vroeg, zich tot Gambyzes wendende, nadat zij zich met moeite opgericht en de liefdesbetuigingen harer vriendinnen beantwoord had : «Hoe kondet gij zoo iets van mij denken, mijn koning!quot; Geen verwijt, slechts diepe smart sprak uit deze woorden, die Gambyzes alleen beantwoorden kon met de stamelende bede: «Vergeef mij !quot;

ocr page 327

316

Gassandane dankte haar zoon voor dit bewijs van zelfverloochening, met een vriendelijken blik harer blinde oogen, en zeide: sOok ik, mijne dochter, heb uwe vergifTenis noodig.quot;

sik heb geen oogenblik aan u getwijfeld!quot; riep Atossa, de vriendin met zekeren trots en in verrukking op den mond kussende.

»Uw schrijven aan Bartj a bracht mijn geloof aan uwe onschuld aan het wankelen,quot; sprak de koningin-moeder.

»En toch was het alles zoo eenvoudig en natuurlijk!quot; antwoordde Nitetis. »Hier, mijne moeder, neem dezen brief uit Egypte. Gresus zal hem wel voor u ontcijferen. Deze zal u alles verklaren. Misschien ben ik onvoorzichtig geweest. Laat u door uwe moeder aangaande den inhoud voorlichten, mijn koning! O, ik bid u, spot niet met mijn arme, kranke zuster. Als eene Egyptische eenmaal iemand bemint, kan zij hem niet meer vergeten. — Het wordt mij zoo benauwd ! Mijn einde nadert! De laatste uren waren zoo ijselijk! Het verschrikkelijke doodvonnis, dat Boges, die vreeselijke man, mij voorlas, dat vonnis drong mij vergif te nemen. Ach, mijn hart!quot;

Dit zeggende, zonk zij weder in den schoot der blinde neder. Nebenchari, de oogarts, sprong toe, gaf de kranke wederom eenige droppels in, en riep: »Dacht ik het niet'? Zij heeft vergif genomen, en zal onherroepelijk steeven, ook al weerhoudt dit tegengif den dood nog eenige dagen!quot;

Bleek en als gevoelloos elke zijner bewegingen volgende, stond Gambyzes naast hem, terwijl Atossa het voorhoofd der geliefde vriendin met tranen besproeide.

»Men brenge melk en mijne groote artsenij kast!quot; gebood de oogarts. sBoept ook dienstmaagden, om haar weg te dragen, want vóór alle dingen is rust noodig.quot;

Atossa snelde naar een zijvertrek; Gambyzes echter vroeg den arts, zonder hem aan te zien: ))Is er geene hope?quot;

«Het vergif, dat zij genomen heeft, moet onfeilbaar dan dood ten gevolge hebben.quot;

Toen de koning dit woord vernomen had, stiet hij den arts van de kranke weg, en riep: ))Zij zal, zij moet leven! Ik beveel het! Hier eunuch! Ontbiedt €alle geneesmeesters uit. geheel Babyion, roep alle priesters en mobeds 1)! Zij zal leven, hoort gij, zij moet leven, ik beveel het, ik, de koning!quot;

Op dit oogenblik opende Nitetis de oogen, als wilde irij het bevel van haar gebieder aanstonds vervullen. Haar gelaat was naar het venster gekeerd. Daar, op den cypres, zat nog altijd de paradijsvogel, met het gouden kettinkje aan den voet. — De

1

Een soort van priesters. Zij komen in de Avesta niet voor.

ocr page 328

317

blikken der lijdende vielen het eerst op den voor haar neergezonken geliefde, die zijne gloeiende lippen op hare rechterhand drukte. Glimlachend fluisterde zij: »0, welk een geluk!quot; Dan werd zij den vogel gewaar, wees er naar met de linkerhand, en riep: »0, zie, zie! De vogel van Ra, Phoenix!quot;

Hierop sloot zij de oogen, en lag kort daarop in eene hevige koorts.

ocr page 329

?

ocr page 330

DERDE BOEK.

ocr page 331
ocr page 332

E E II S T E H O O F D S T U K.

Prexaspes, de koninklijke gezant, een der eerste beambten aan liet bof, had Gaumata, Mandane's minnaar, die inderdaad op Bartja geleek als twee druppelen water, krank als liij was tengevolge der ontvangene wonden, naar Babyion vervoerd. Hier verwachtte hij in den kerker /ijn vonnis, terwijl zijn verleider Boges, in spijl van de ijverigste nasporingen der politiebeambten nergens te vinden was. Dn volksoploopen in de straten van Babyion hadden zijne vlucht, die hem door de ons bekende valdeur op de hangende tuinen mogelijk was geweest, zeer begunstigd. Verbazende schatten vond men in zijne woning. Kisten vol goud en sieraden, waarmede hij zich in zijne betrekking zoo gemakkelijk had kunnen verrijken, werden teruggebracht in de koninklijke schatkist, waaruit zij afkomstig waren. Maar Cambyzes had gaarne het tienvoudig bedrag dezer rijkdommen uitbetaald, om den verrader zeiven in handen te krijgen.

Twee dagen na de vrijspraak der beschuldigden deed hij. tot wanhoop van Phaedime, al de bewoneressen van bet vrouwenverblijf, zijne moeder, Atossa en de met den dood worstelende Nitetis uitgezonderd, naar Suza overbrengen. Onderscheidene hooggeplaatste eunuchen werden op staanden voet van hunne ambten ontzet. De gelieele kaste moest boeten voor de misdaad van hun medelid, die zijne rechtvaardige straf was ontloopen. Oropastes, die zijn post als plaatsvervanger des konings reeds aanvaard, en zijne onschuld aan de overtreding van zijn broeder ten duidelijkste bewezen had, begunstigde uitsluitend magiërs met de opengevallene plaatsen.

De volksbeweging, die van de zijde der Babyloniërs ten gunste van Bartja had plaats gegrepen, werd den koning eerst bekend, nadal het. volk reeds lang uiteen was gegaan. In weerwil zijner bezorgdheid voor Nitetis, aan wie hij bijkans al zijn tijd wijdde, deed hij zich een nauwkeurig verslag geven van deze wanordelij kboden, en beval de raddraaiers streng te straffen. Uit het voorgevallene meende hij met grond te mogen afleiden, dat

21

ocr page 333

ijurljn zich de gunst van het volk luid zoeken le verwerven en imsschion zou hij hem zijn ongenoegen wel tlnidolijk te kennen hebben gegeven, indien niet zijn beter gevoel hein gezegd had, dat niet Uartja tegen hem maar hij tegen Daiija misdaan had. Toch kon bij de gedachte, dat Bart ja ook zonder zijn toedoen, de oorzaak was geweest van de t reurige gebeurtenissen der laatste dagen, evenmin onderdrukken als den wcnsch, zich gansch en al van zijne tegenwoordigheid te ontslaan. Daarom schonk hij ook zijn onverdeelden bijval aan het verlangen van zijn broeder, om de reis naar Naucratis geen oogenblik langer uit te stellen. Na een teeder afscheid van zijne zuster en moeder, begaf Bartja zich, twee dagen na zijne invrijheidstelling, op weg naar Egypte. Gyges, Zopyrus en een talrijk gevolg, dat van C.ambyzes kostbare geschenken voor Sappho had medegekregen, vergezelden hem.

Darius volgde hem ditmaal niet, daar zijne liefde voor Atossa hem niet kon doen besluiten. Babyion voor zoo langen lijd te verlaten. Ook was de dag niet verre meer, dat hij, op bevel van zijn vader, Artystoue, de dochter van Oobryas, huwen zou. Met een bezwaard hart scheidde Bartja van zijn vriend, wien hij met betrekking tot Atossa den raad gaf, de grootste voorzichtigheid in acht te nemen. C.assandane was in het geheim dezer liefde ingewijd, en had beloofd bij den koning de voorspraak van Darius te zullen zijn. Zoo iemand, dan waarlijk mocht de zoon van Hystaspes zijne oogen tot de dochter van Cyrus opbellen, daar hij ten nauwste aan het regeerende huis vermaagschapt was, en evenals Cambyzes tot de Pasargaden behoorde. Zijn stam was eene jongere linie van de dynastie die thans het bewind voerde, en daarom niet. minder aanzienlijk 1). Zijn vader heette het hoofd van den geheelen rijksadel, en bestuurde als zoodanig de provincie Perzië, het moederland, aan hetwelk dit onmetelijke wereldrijk en zijn bebeerscher hun oorsprong te danken hadden. Na het uitsterven der familie van Gyrus, hadden de nakomelingen van Hystaspes een op goede gronden steunend recht op den Perzischen troon. Daardoor reeds was Darius, zijne persoonlijke vooi trell'elijke hoedanigheden nog daargelaten, wel de meest geschikte echtgenoot voor Atossa. Toch viel er vooralsnog niet aan te denken, de toestemming des konings tot deze verbintenis le vragen. In de sombere gemoedsgesteldheid, waarin hij sedert de laatste gebeurtenissen verkeerde, had hij licht een weigerend antwoord kunnen geven, en zulk een antwoord moest onder alle omstandigheden als on-berroepelijk worden beschouwd.

') Een opschrift van Bclustau Ijohelst een stamboom van Darius, ilio met de geslachtslijst van Herodotus in overeenstemming' te brengen is.

ocr page 334

Aldus trok Bart ja naar den vreemde, zonder een schijn van zekerlieid te hebben betrellende do toekomst van het hein zoo dierbare paar. Cresus belool'do ook hier als bemiddelaar te zullen optreden, en bracht Bartja kort vóór zijn vertrek n.et l'ha-nes in aanrakinii'. De jongeling behandelde den Atbener, van wien bij uit den mond zijner geliefde niets dan schoons en goeds had vernomen, uiterst minzaam, en won spoedig de genegenheid van den aan ondervinding zoo rijken man, die hem memgen nuttigen wenk gaf, en een aanbevelingsbrief') aan den Milesiër Theopompus te Naucratis. Hij verzocht, hem eindelijk om een mondgesprek onder vier oogen. Toen Bartja met den Atbener in den vriendenkring wederkeerde, scheen liij over ietsgewicli-tigs le denken en was er aanvankelijk op zijn gelaat hoogo ernst te lezen; maar weldra had hij de zorgen van zich gezet, ei; schertste bij met de aanwezigen, terwijl de afscbeidsbeker vróolijk geledigd werd.

Voordat hij den volgenden morgen te paard steeg, liet Ne-benchari hem om een mondgesprek verzoeken. De oogarts werd lot hem geleid, en bad hem zich met de bezorging te willen belasten van eene briefrol voor koning Amasis, die tamelijk groot was. Deze rol behelsde een uitvoerig verhaal van het lijden van Nitetis, en eindigde met deze woorden: ;»Zoo zal dus dit arme offer van uwe eerzucht, tot wanhoop gebracht, door het vergif dat zij innam, binnen weinige uren, te vroeg een prooi van den dood worden. Gelijk dc spons eene teekening van de tafel wischt, alzoo vernielt de willekeur van de machtigen dezer aarde het geluk van een mensch. Uit zijn vaderland verbannen, van zijne eigendommen beroofd, kwijnt uw knecht Xebenchari in don vreemde weg. Als zelfmoordenares ligt de ongelukkige dochter van een F^gyptischen koning te zieltogen. Overeenkomstig 1'erziscb gebruik zal baar lijk door honden en gieren verscheurd worden. Wee hem, die de schuldeloozo het geluk dezer aarde en de rust der toekomst ontnam!quot;

Bartja beloofde den in zichzelven gekeerden man, dit schrijven, waarvan do inhoud hem onbekend bleef, te zullen medenemen. Bij zijn vertrek richtte bij voor de poorten der slad, in tegenwoordigheid eener juichende menigte, do steenon op, die hem vol-

1) Do Grieken waren gewoon op reis aanbevelingen meJc te nemen, bestaande in brieven of afdrukken van zegels. Aristophanes vermeldt van een buitenlandseben pas, en in een opschrift wordt gewag gemaakt van zulke brieven of teekenen, die Straton, de koning van Sidon, aan zijn gezant naar Athene zou medegeven. De Locriërs en Ozoliërs voerden de avondster in hun zegel, de Samiers delier, enz. Bij eene mummie uit den tijd der Ptolomaeën vond men zulk een aanbevelingsbrief op papyrus geschreven.

ocr page 335

32i

gens het Perzische bijgeloof1) eene gelukkige reis moesten waarborgen, en verliet Babyion.

Intusschen was Nebenchari reeds weder op weg naar het sterfbed der Egyptische. Bij de metalen poort in den muur, die den tuin van het vrouwenverblijf scheidde van de hoven bij het groote paleis, trad een in het wit gekleed grijsaard op hem toe. Nauwelijks zag liij dezen, of hij deed een paar schreden achterwaarts, en staarde die hooge, magere gestalte aan als ware zij eene geestverschijning. Doch daar de oude hem vertrouwelijk en vriendelijk toelachte, verhaastte hij weder zijne schreden, stak hem de hand toe met eene hartelijkheid, waarvoor geen zijner Perzische bekenden hem vatbaar zou hebben geacht, en riep in het. Egyptisch: »Mag ik mijne oogen gelooven'?! Oude Hib 2), gij hier in Perzië? Eer had ik kunnen verwachten den hemel te zien instorten, dnn dat ik mij met het vooruitzicht zou hebben durven vleien u hier aan den Euphraat te zullen wederzien! Maar zeg mij spoedig in Osiris' naam, wat u, oude ibis, beeft kunnen bewegen, uw warm nest aan den Nijl te verlaten, en de verre reis naar het Oosten te ondernemen'/quot;

De oude, die zich intusschen met slap nederhangende armen diep gebogen had, zag nu don geneesheer met eene uitdrukking van onbeschrijfelijke blijdschap in het gelaat, betastte met sidderende handen zijne borst, en riep, zijne rechterknie buigende en de armen ten hemel opheHende: »Heb dank, groote Isis, dat gij den armen zwerver onder uwe iioede hebt genomen, en hem zijn meester aldus laat wedervinden. Ach, kind, welk een angst heh ik om uwentwil uitgestaan! Ik had mij u voorgesteld uitgemergeld, als een verhongerd gevangene uit de steengroeven, ellendig en wegkwijnende onfier uw verdriet; en ik zie u weder met den blos der gezondheid, eerwaardig en krachtig als te voren! Ach, ware de arme oude Hih in uwe plaats geweest, reeds lang zou hij van louter ergernis gestorven zijn!quot;

»lk geloof het gaarne, oudje! Ook ik heb het vaderland, slechts gedwongen en met een bloedend hart verlaten. De goede goden wonen alleen in Egypte aan den heiligen, gezegenden Nijl; het buitenland behoort aan Seth 3)!quot;

»Dat gezegend mocht ge wel weglaten!quot; bromde de oude. »Gij doet mij schrikken, vadertje, wat is er voorgevallen dat.....

»VoorgevallenHm — Fraaie dingen waai'achtig! Maardaar-

') Dit bijgeloof liecrsclit in Perzië noff.

2) Hib bcteekent in hiëroglyphen-taal: ibis. Vele Egyptenaren droegen den naam van heilige dieren.

3} Zie boven biz. SO.

ocr page 336

van zult gij spoedig genoeg hooren. Kunt gij dan denken, dat ik ons hnis en mijne kleinkinderen zou verlaten hebben, om op mijn tachtigste jaar, als een Helleensch ot' Phoenicisch landloo-per, onder die ellendige vreemdelingen, die de goden verdelgen mogen, te gaan reizen, als het in Egypte nog maar eenigszins uit te houden was?quot;

»Maar spreek dan toch!quot;

»Later, later! Thans moet ge mij, om te beginnen, medene-men naar uw huis, dat ik niet zal verlaten, zoolang wij in dit Typhonsland blij ven.quot;

De grijsaard had deze woorden met zulk een onmiskenbaren afschuw geuit, dal Nebenchari niet nalaten kon even te glimlachen en de vraag te doen: »Heeft men u dan zoo onheusch behandeld, oudje1?quot;

»Pest en Chamsin')!quot; pruttelde de grijsaard. — »A1 de Perzen zijn het nietswaardigste Typhonsgehroed op de gansche aarde ! Het verwondert me, dat zij niet allen roodharig en melaatsch geboren worden. Ach kind, reeds twee lange dagen zit ik in deze hel, en heb al dien tijd te midden van godenverzakers moeten leven! Men zeide mij, dat ik u onmogelijk te spreken zou krijgen, daar ge de sponde der stervende Nitetis niet mocht verlaten. Die arme kleine! Ik heb het altijd wel gezegd, dat dit huwelijk met een vreemdeling slecht zou afloopen. Nu, Amasis krijgt slechts loon naar werken als zijne kinderen hem verdriet aandoen. Aan u alleen heeft hij dat verdiend !quot;

»Gij moest u schamen, oude!quot;

«Kom, kom! Ik zal u zeggen hoe ik over den koning denk ; dat moet. er toch eens uit! Ik haat dezen gelukzoeker, die, toen hij nog een arme jongen was, de dadels van uws vaders boomen en de naamborden van de huisdeuren stal! O, ik heb hem als kind gekend, den deugniet! Het is eene schande, zich door zulk een mensch, die....quot;

«Bedaar, bedaar toch oude!quot; viel Nebenchari den knecht in de rede, die zich hoe langer zoo meer opwond. »\Vij zijn niet allen van hetzelfde hout gemaakt, en wanneer Amasis als knaap werkelijk niet meer was dan gij, dan is het uwe schuld, dat gij op uw tachtigste jaar zooveel minder zijl dan hij.quot;

«Mijn grootvader was tempeldienaar, mijn vader was het, daarom moest ik het natuurlijk ook worden....quot; -)

!) Do zuidwestenwind, zoo gevaarlijk voor het viuclitbare Nijldal,die liet meest waait in April en Mei. Met is de Samoem, dien de reizigers door de woestijn zoo vreezen.

2) Gewoonlijk volgde de zoon den vader in diens betrekking op. Er zijn lange stamboomen gevonden, waaruit bleek dat allen, die er op

ocr page 337

320

»Gij liobt, volkomen gelijk, alzoo luidl. de wol der kasten, volgens welke Amasis nooit iets anders had mogen zijn dan een arm hoofdmun der soldaten.quot;

5)Niet iedereen heeft zulk een ruim geweten als dit gelukskind !quot;'

sGe hlijft toch altijd nog dezelfde! Schaam u Hih! Zoolang ik u ken, en dat is nu reeds een halve eeuw, spreekt gij om het. derde woord een scheldwoord. Toen ik nog eeu kind was, ge-hrniklrt ge mij voor een wi'ijfpaal; llians is de koning het.quot;

»Kn met, alle recht! Wist gij maar alles! Zeven maanden is het. geleden, dat....quot;

sik kan n thans niet aanhooren! lüj het opkomen van liet zevengesternte wil ik een slaaf zenden, die n naar mijne woning zal geleiden. Tol. zoolang hlijft gij, waar ge u tot. nog toe hebt opgehouden, want ik mag mijne zieke niet langer alleen laten.quot;' üiZoo, moogt gij niet? — Goed, ga dan, en laat den ouden Hib sterven. Ik bezwijk, ik s(erf, als ik nog een uur langer bij deze menschen moet blijven f »Maar wat wilt ge dan toch

»In uwe vertrekken mij opsluiten, tot wij weder van hier gaan,quot; »Heeft, men u dan zoo smadelijk bejegend?quot;

»Nog walg ik, als ik er aan denk wat. ze mij gedaan hebben ? Ze hebhen mij gedwongen met hen uit denzelfden pot. te eten, en mijn brood met hun mes te snijden. Een ellendige Pers,die lang in Egypte gewoond heeft en met. mij hierheen gekomen is, heeft hun gezegd wat ons verontreinigt. Toen ik mij wilde scheren, ontnamen ze mij het. mes. Eene nietswaardige deern kuste me op het. voorhoofd, voordat ik nog begreep wat zij wilde. Gij behoeft, niet te lachen; ik heb minstens eene maand noodig om mij van al dat onreine Ie zuiveren. Toen eindelijk het braakmiddel, dat ik genomen had, werkte, lachten ze mij in het aangezicht uit. Maar dit was nog niet alles. Ken verwensclite koksjongen sloeg in mijne tegenwoordigheid een heilig katje zoo erbarmelijk, dat het diertje het bijna bestierf. Een zalfbereider, die vernomen had dat ik uw knecht was, liet mij vragen door denzelfden schavuit Boebares, met wien ik gereisd heb, of ik ook verstand van oogheelkunde had? Ik heb deze vraag half en half toestemmend beantwoord; want, weet gij, in zest g jaren

voorkwamen, ilezellUo betrekking hadtien vervuld. Overigens waren do kasten lang zoo streng niet afgesclieiden als In Indië. Er zijn voorliecl-den, dat zonen van krijgslieden priesters werden en omgekeerd. In den regel was oen jongeling vrij in do keuze van zijn beroep, o'schnon het bij alle volken der oudheid gebiuikclijk was, dat de zoon liet werk van den vader voorzette.

ocr page 338

327

ziel men zijn meester wel iels van zijne kunst af. Ka nu beklaagde zich de ellendige spotter, •— liocbares vertolkte mij alles, — dat hij zich zeer ongerust maakte over eene verschrikkelijke oogkwaal. Toen ik hem vroeg, waarin die bestond, liet.

hij mij antwoorden, dat hij in het duister volstrek! niet. zien k(m r

j)Gij hadt hem moeten antwoorden, dat liet eenige middel legen deze krankheid is, licht aan Ie steken!

»0, ik haat deze booswichten met een volkomen haat! Als ik nog éeu uur bij hen moet blijven, dan besterf ik het!'

Nebenchari lachle, en antwoordde: »(iij zult u tegenover de vreemdelingen zeker vrij dwaas aangesteld en hen boos gemaakt hebben. Üe Perzen zijn over het. algemeen zeer hupsche, beleefde lieden. Beproef het nog maar eens met hen! Hedenavond wil ik u met allo genoegen in mijn huis opnemen; vóór dien tijd kan het evenwel onmogelijk geschieden.quot;

„Dacht ik het niet'? Ook iiij is veranderd! Osiris is dood en Seth heerscht weder op aarde!quot;

)»Tot weerziens, tegen dat het zevengesternte opkomt, wacht u de slaaf Pianchi, onze oude Ethiopiër, op deze zelfde plaats.quot; jiPianchi de oude spitsboef, dien ik niet uitstaan kan I .)Dezelfde!quot;quot;

„Hm, het is altijd nog iets goeds, dat men blijft, wat men eenmaal was. Ik 'ken wel lieden, die dat niet. \an zichzelve kunnen getuigen, die, in plaats van zich bij hunne kunst te houden, ook 'inwendige ziekten willen genezen, die een ouden trouwen knecht....quot;'

»Bevelen zijn mond te houden, en geduldig den avond al te

wachten.quot;

Deze laatste in ernst gesprokene woorden misten hun doel niet. De oude maakte nogmaals eene buiging, en zeide, alvorens zijn lieer hein verliet*. ))ik bon onder cle be.sclierniin^ vim vóormaligen krijgsoverste Phanes herwaarts gekomen. Hij is zeer begeerig u te spreken.

»Niemand zal hem beletten mij te komen opzoeken.

Maar gij zit den geheelen dag bij deze zieke, wier oogen zoo gezond zijn

))Hib!quot;' .. ...

sNu, het kan mij niet schelen, al had zij de staar op beide hare oogen. Mag Phanes dezen avond met mij komen . »Ik wilde ii gaarne alleen spreken.quot;

»Kn ik u ; maar de Helleen schijnt, groote haast te hebben, en weet bijkans alles wat de u te vertellen heb.

:i)Hebt gij dan gebabbeld „Dat juist niet, mnar...

ocr page 339

3'28

sMijn vader roemde uwe trouw, en tot heden toe lieb ik u voor iemand gehouden, die zwijgen kon.quot;

»Ik heb ook altijd mijn mond gehouden, maar deze Griek wist reeds een groot gedeelte van wat ik weet, en het overige. . quot;

» Welnu ?quot;

Het overige heeft hij behendig uit mij weten te krijgen; hoe, weet ik zeil' niet! Droeg ik niet deze amulet tegen booze blikken, dan....quot;

»Tk ken den Athener, en vergeef u ! Het is mij wèl, dat hij hedenavond met u komt. Maar de zon staat, reeds hoog, de tijd dringt, zeg mij in weinige woorden, wat er gebeurd is!quot;

»Ik zou meenen dat het hedenavond....quot;

»Neen, ik moet in ieder geval in hoofdzaak weten, wat er is voorgevallen, voordat ik met den Athener spreek. Wees dus kort!quot;

))Gij zijt bestolen geworden.quot;

«Anders niets

sXoemt gij dat dan niets?quot;

«Antwoord mij! Anders niets ?quot;

«Neen!quot;

«Vaarwel dan!quot;

«Maar, Nebenchari. .. .quot;

De oogarts hoorde zijn knecht niet meer, want reelt;ls had zich de deur, die toegang verleende tot hetverblijf van quot;s konings vrouwen, achter hem gesloten.

Toen het zevengesternte was opgekomen, zat Nebenchari in een der prachtige vertrekken, die hem in den oostelijken vleu-gel van het paleis, nabij de woning van Gassandane, ten verblijf waren aangewezen. De minzaamheid, waarmedte hij zijn ouden dienaar had ontvangen, had weder plaats gemaakt voor den ernst, waardoor hij zich onder de levenslustige Perzen den naam van somberen knorrepot had verworven. Hij was een echte Egyptenaar, geheel en al een kind dier priesterkaste, welker leden, zelfs in hun vaderland, met statigen tred en hoog ernstig gelaat langs de straten gingen, en zich nooit de geringste scherts veroorloofden; terwijl zij in den kring hunner kastgenooten ot van hun gezin alle gemaakte deftigheid vergaten, en vrij en vroolijk, 'ja, dikwerf uitgelaten konden zijn.

Nebenchari ontving Phanes zeer hoflelijk, maar koel, hoewel hij hem reeds te Saïs had gekend, en gebood den ouden Hib, na eene korte begroeting, hem met den overste alleen te laten.

ocr page 340

329

))Ik heb ii opgezoclit,quot; begon de Athener in bet Egyptisch, dat hij volkomen machtig was, »onidat ik belangrijke dingen met u te bespreken heb... .quot;

»Van welke ik reeds onderricht ben!quot; luidde het korte antwoord van den arts.

«Dat betwijfel ik,quot; hervatte Plumes, met een ongeioovig gezicht.

)) Cr ij zijt uit Egypte verdreven; door den kroonprins Psamtik rusteloos vervolgd en bitter gegriefd, en komt nu naar Perzië, om Cambyzes te belezen het werktuig uwer wraakzucht tegen mijn vaderland te worden.quot;

«Gij bedriegt u! Jegens uw vaderland heb ik mij van geem schuld te kwijten; maar des te meer heb ik op het huis van Amasis te verhalen.quot;

»Gij weet, dat iu Egypte staat en koning éen zijn. '

sik meen daarentegen te hebben opgemerkt, dat de priesters van uw vaderland zich gaarne de macht in den staat aanmatigen.quot;

»Dan zijt gij zeker beter op de hoogte dan ik. Tk hield tot dusver de Egyptische koningen voor oppermachtig.quot;

sDat zijn zij ook, zoolang zij zich onafhankelijk weten te houden van den invloed uwer kaste. — Ook Amasis buigt zicli thans voor de priesters.quot;

«Dat is wat nieuws voorwaar!quot;

»Alsof men hel u niet sinds lang zou hebben medegedeeld,quot;

»Meent gij dat'?quot;

«Voorzeker! Maar nog zekerder weet ik dat het hem eene, hooit gij, eene enkele maal gelukt is, den wil zijner meesters voor den zijnen te doen buigen.quot;

»Uit het vaderland komt mij slechts weinig ter oore, ik weet dus volstrekt niet, wat gij bedoelt.quot;

))Ik geloof u. Want zoo ge het wist, en de vuisten niet bal-det, zoudt ge niet beter zijn dan een hond die kwispelstaart, terwijl men hem trapt, en den man die hem kwelt de banden lekt!quot;

De arts verbleekte bij deze woorden, en zeide: »Ik weet, dat ik door Amasis beleedigd ben geworden; maar ik verzoek u wel in overweging te nemen, dat ik de wraak een te uitnemend aerecht acht, dan dat ik het met een vreemdeling zou willen deelen!quot;

»Goed gesproken! Wat evenwel mijne wraak betreft, ik vergelijk die met een wijnberg, die zoo vol is, dat ik alleen niet in staat ben den oogst te plukken.quot;

»En gij zijt hierheen gekomen om behulpzame arbeiders aan te werven?quot;

ocr page 341

»Zoo is hel! En ik laat de hoop ook nog' niet varen, dat ^ij den oogst met mij zult willen doelen.quot;

a(jij dwaalt! Mijne taak is volhraeht; de goden zelve heh-bcn zich daarmede belasl. Amasis is er streng genoeg voor gestraft dat hij mij uit mijn vaderland, uit den kring van vrienden on leerlingen, naar dit onreine land gezonden liceiï, lor bereiking zijnor eigene liaal.znchiige bedoelingen.quot;

»Gij meent zijne blindheid'?quot;

«Misschien.quot;

»Zoo weet gij niet, dat uw kunstbroeder Polammon de huid die den oogappel van Amasis bedekte, doorgesneden, en hem bet licht teruggeschonken heeftT'

»Doze lijding trof den Egyptenaar als een donderslag. Hij werd doodsbleek en knarste op de landen. Maar spoedig was hij zich-zelven weer meester, en antwoordde don Athener: «Vervolgens hebben de goden den vader in zijne kinderen gestraft.quot;

«Hoe bedoelt gij datquot;? Met Psamtik leeft Amasis, zooals hij thans gestemd is, in de beste overeenstemming. Tachot, ja, is lijdende, maar bidt en offert juist daarom te ijveriger met den vader. Wat eindelijk Nitetis betreft, haar dood zal hem, dit weet gij zoo goed als ik, niet zoo diep treffen.quot;

« Wederom begrijp ik u niet,quot;

«Hoogst natuurlijk, zoolang gij onderstelt, dat ik do schoone kranke voor eene dochter van Amasis aanzie.quot;

De Egyptenaar ontroerde andermaal hevig. Zonder schijnbaar daarop acht te geven, vervolgde Plianes: «Ik ben beter onderricht, dan gij u kunt verbeelden. Nitetis is de dochter van Ho-phra, den onttroonden voorganger van uw koning. Amasis heeft liaar doen opvoeden, als ware zij zijne eigene dochter, ten eerste, om uwe landslieden in den waan te brengen, dat, de van den troon gestooten pharao zonder nakomelingen was gestorven; ten tweede echter, om Nitetis van alle aanspraak op een troon, die van rechtswege haar alleen toekomt, te versteken. Aan de oevers van den Nij 1 heeft ook de vrouw de bevoegdheid om te regeeren!quot; *)

«Dit zijn altemaal vermoedens....quot;

«Die ik door onomstootelijke bewijzen tot zekerheid kan maken! Onder de papieren, die uw oude dienaar Hib in een kastje met zich bracht, moeten zich brieven bevinden van uw vader, den zoo beroemden vroedmeester....quot; 1)

1

Op do gedenkteekenen en in de papyrussen komen alleen vroed-vronwon voor. ïocli is het niet onwaarschijnlijk, dat in kritieke gevallen ook de priesterlijke genee.-lieereu werden te hulp geroepen.

ocr page 342

»Gesteld, dat dit zoo ware, dan zijn tocli in ieder preval deze geschriften mijn eigendom, en ben ik niet bereid daar afstand van Ie doen; ten tweede zoudt gij in Perzië te vergeefs naar een man zoeken, die in staat is liel schrift van mijn vader te ontcijferen.quot;

^Vergeef mij, dat ik u weder op eenige dwalingen opmerkzaam moet maken. J)at bedoelde kastje berust onder mij lt;'ii zal, hoezeer ik anders ook liet eigendomsrecht eerbiedig, niet in nwe handen worden gesteld, alvorens ik den inhoud er van aan de verwezenlijking mijner bedoelingen dienstbaar liet) gemaakt; ten andere woont hier te üabylon werkelijk, door de goedgunstige beschikking der goden, een man, die in staat is iedere schrijfwijze, die een Egyptisch priester kan verstaan, te ontcijferen. Herinnert gij n toevallig ook den naam Onoephis'?quot;

Ten derden male ontstelde de arts merkbaar, en zoodra hij zich eenigszins hersteld had, vroeg liij: »Zijt gij er wel zeker van, dat deze man nog altijd tot de levenden behoort'.'quot;

«Gisteren heb ik hem gesproken. Gelijk gij weet, is hij opperpriester te Heliopolis geweest; vandaar dat hij in al uwe geheimen is ingewijd. Mijn wijze landgenoot Pythagoras van Samos kwam indertijd naar Egypte, en na zich aan eenige uwer ceremoniën te hebben onderworpen, kreeg hij verlof het onderricht der priesterkaste van Heliopolis bij te wonen. Hij won door zijne buitengewone geestesgaven en zijne uitstekende hoedanigheden de liefde van den edelen Onoephis, werd door hem met alle mysteriën1) bekend gemaakt, en wist deze dienstbaar te maken aan de ontwikkeling der menschheid. Ik zelf en mijne voortreffelijke vriendin Pihodopis zijn er trotsch op, ons zijne leerlingen te mogen noemen. Toen het uwe mede-

t) De Grieksche schrijvers van later tijil, en wel bopaalil eenige Neo-platonisten, verhalen ons veel van ile Egyptische mysteriën. Maar wij kunnen hunne medoJeelingen niet vertrouwen, en het is daarom uiterst moeielijk ons bene duiilelijke voorstelling van hel een en ander te maken. Ofschoon veel over dit onderwerp in papyrussen voorkomt hebben toch do priesterlijke schrijvers zich van zulke duistere termen bediend, dat hunne bedoeling zeer moeielijk te vatten is. De mysteriën schijnen het uitsluitend eigendom der priesters geweest te zijn. Ze 0111-vatten de verklaring van hetgeen door do heilige ceremoniën zinnebeeldig werd voorgesteld. liet geloot' in eenig goddelijk w-ezen was waarschijnlijk de kern dier geheimzinnige leerstellingen, die zeker veel schoons en voortrelVelijks behelsden. Want Griekenlands grootste wijs-geeren, Lycurgus, Solon, Thales, Pythagoras, Democritus, Plato en zoovele andere, ontleenden daaruit veel voor hunne wijsbegeerte, staatswetenschap, wis- en sterrenkunde, liet kan wel niet geloochend worden dat Mozes, die een kweekeling der priesters was geweest, de voornaamste zijner zedelijke en geneeskundige voorschriften aan die mysteriën dankte.

ocr page 343

332

priesters ter oore kwam, dat Onoephis de mysteriën verraden had, besloten de priesterlijke rechters hem ter dood te brengen. Hij zou moeten sterven door een vergif, dat men uit de pitten van den perzikboom kan bereiden. De veroordeelde vernam iio^- inlijds welk lot hem verbeidde, en vluchtte naar Naucratis, waar hij in het huis van Rhodopis, van wier edel karakter Pythagoras hem veel had verhaald, eene door den vrijbrief des konings gewaarborgde schuilplaats vond. Hier maakte hij kennis met Antimenidas, broeder van den dichter Alcaeus van Lesbos, die jaren achtereen, tijdens hij op bevel van Pitacus, den wijzen heerscher van Mytilene, als balling buiten zijn vaderland omzwierf, te Babyion geleefd en onder Nebukadnezar, den toenmaligen koning van Assyrië, bij het leger gediend had. Deze Antimedidas verschafte hem aanbevelingsbrieven aan de Ghaldeërs. Onoephis reisde naar den Euphraat, zette zich te Babyion neder en moest naar eene broodwinning omzien, daar hij in zeer bekrompene omstandigheden zijn vaderland verlaten had. Hij vond dan ook een middel van bestaan door de aanbeveling van Antimenidas. Op den huidigen dag nog voorziet hij, die eenmaal tot de machtigsten van Egypte behoorde, zij bet ook op karige wijze, in zijn onderhoud, door de Ghaldeërs bij hunne sterrenkundige berekeningen op den toren van Bel, met zijne uitgebreide kennis, die hunne wetenschap verre overtreft, behulpzaam te zijn. Onoephis is bijkans tachtig jaren oud, maar nog volkomen helder van geest. Toen ik hem gisteren sprak en zijne hulp inriep, zeide hij mij die toe metoogen,die van blijdschap straalden. Uw vader was een zijner rechters; maar wel verre van zijn haat van den vader op den zoon over te dragen, laat bij u door mij groeten.quot;

Onder hel aanhooren van dit verhaal, had Nebenchari peinzend voor zich gestaard. Toen Phanes zweeg, zag hij dezen aan met een doordringenden blik, en vroeg: »Waar zijn mijne papieren'?quot;

»[n handen van Onoephis, die daarin naar de oorkonde zoekt, welke ik van noode heb.quot;

»Dat is natuurlijk! Heb de goedheid mij ie zeggen, hoe de kist, die Hib goedvond naar Perzië te brengen, er uitziet.r

«Het is een kod'erlje van zwart ebbenhout. Het deksel is kunstig gesneden. Men ziet in het midden een gevleugelden kever en aan de vier hoeken. ...quot;

Nebenchari haalde weder vrij adem en zeide: Dat bevat niets dan eenige aanteekeningen van mijn vader.quot;

»Die misschien toch toereikend zullen zijn, om mij te doen slagen. Ik weet niet of men u verhaald heeft, dat ik mij verheugen mag in de hoogste gunst bij Cambyzes te staan.quot;

ocr page 344

333

))Des te beter voor u! Ik kan u verzekeren dat de papieren, die u van het grootste uut zouden zijn, in Egypte zijn gebleven.quot;

»In eene groote, met vele kleuren beschilderde kist van syko-morenhout, niet waar?quot;

»Hoe weet gij dat?quot;

»Omdat ik, — let wel Nebenehari, — omdat, ik u naar waarheid kan verzekeren, — ik zweer niet, want Pythagoras, de meester, verbiedt het gebruik van den eed, — dat juist deze kist met haar geheelen inhoud, in het, bosch van den Neith-tempel te Saïs, op bevel des konings verbrand is.quot;

Deze woorden, die Pbanes langzaam uitsprak, terwijl hij amp;p iedere lettergreep drukte, troffen den Egyptenaar als zoovele bliksemschichten. De kalmte en de bezadigdheid, die hij tot, dusver had weten te bewaren, waren verdwenen. Eene onbeschrijfelijke woede zette zijne wangen in gloed, en deed zijneoogen vlammen schieten; maar ook slechls gedurende eene enkele minuut. Toen ging zijn woede in een ijzingwekkende bedaardheid over, zijne gloeiende wangen verloren alle kleur, en zijn akelig vertrokken mond sprak koel en gelaten: «Om mij tot uw bondgenoot te maken, wilt ge mij met haat, jegens mijne vrienden vervullen. Ik keu u, Hellenen! Uitgeleerd in listen en streken, versmaadt gij geen enkel middel, hoe bedriegelijk en leugenachtig ook, om uwe oogmerken te bereiken.quot;

»Gij beoordeelt, mij en mijne landgenooten, gelijk dit van een Egyptenaar le wachten is; dat is, gij houdt ons. als vreemdelingen, voor de slechtste menschen die ge u denken kunt. Dil-maal echter bedriegt gij u! — Naaf, den ouden 11 ib komen, en hij u herhalen, wat gij uit mijn mond niet voor waarheid wilt aannemen.quot;

Nebenchari's gelaat nam weder eene sombere uitdrukking aan, toen Hib, gehoor gevende aan 's meesters roepstem het vertrek binnentrad.

«Nader!quot; luidde Nebenchari's barsch bevel. De knecht gehoorzaamde, de schouders ophalende.

»Hebt gij u door dezen man laten omkoopen? Ja, of neen? Ik verlang de waarheid te hooren, want het geldt mijn geluk of mijn ongeluk voor de toekomst. Zijt gij in de listige en bedrieglijke strikken van dezen meester verward geraakt, ik zal het u vergeven, wijl ik aan u, mijn ouden getrouwen knecht, groote verplichting heb. Zeg de waarheid, ik bezweer bet u in den naam uwer Ösirische vaderen!quot;

Het geelachtige aangezicht van den oude was, gedurende deze toespraak van zijn heer, vaalbleek geworden. Eenige oogen-blikken lang nokte hem, onder veel snikken, de stem in de

ocr page 345

keel. Eindelijk, nadat liet hem gelukt was de tranen, die met alle kracht iu zijne oogen wilden opwellen, terug te dringen, riep hij, halt' toornig, half bedroefd: »Heb ik het niet dadelijk gezegd: Hij is iu dit land der smaadheid en rampzaligheid betooverd en bedorven. Zooals de waard is, vertrouwt hij zijne gaston! Ja, zie mij maar hoos aan, het kan mij niet schelen. Waarover zou ik mij ook verder nog bekommeren, als men mij, ouden man, die zestig jaren lang in hetzelfde huis trouw en eerlijk gediend heb, voor een schurk, een spitsboef, een verrader, ja misschien wel voor een moordenaar uitmaakt!quot;

15ij deze laatste woorden begonnen de oogen van den grijsaard, in weerwil zijner geweldige inspanning om zich goed te houden, in heete tranen te zwemmen.

De lijngevoelige Phanes klopte hem op den schouder, en zeide, zich tot Nebenchari wendende: »1111) is een trouw dienaar. Noem mij een schurk, als hij een obool van mij heeft aangenomen.quot;

De geneesheer had deze woorden van deu Athener niet noodig, om van de onschuld van zijn knecht volkomen overtuigd te zijn. Hij kende hem zoo lang en zoo door en door, dat hij in de, ook tot de geringste veinzerij onbekwame trekken van den oude, als iu een geopend hoek las. Hij trad dus naar hem toe, en zeide op den toon van zacht verwijt: »Ik heb u van niets beschuldigd, oude. Wat behoeft gij u zoo driftig te maken over eene bloote vraag!quot;

:»Ja, ik zou ine zeker nog moeten verheugen over uwe schan-delij ke verdenking

«Neen, dat behoeft niet; — maar ik veroorloof u thans te verhalen, wat er, gedurende mijn afzijn, in mijn huis is voorgevallen.quot;

»Eene mooie geschiedenis! Als ik daaraan denk, wordt het mij zoo bitter in den mond, alsof ik een kolokwintappel kauw.quot;

»Gij zciilet dezen morgen, dat men mij bestolen had.quot;

:»Ja, eu hoe! — Zoo is nog niemand vóór ons bestolen geworden ! Hadden de spitsboeven slechts tot de dievenkaste 1) behoord, dan zouden wij ons nog kunnen troosten; want vooreerst zouden we dan het grootste deel van ous eigendom teruggekregen hebben, en ten andere er niet slechter aan toe zijn geweest, dan vele anderen; maai1....quot;

«Blijf bij de zaak, want mijn tijd is beperkt!quot;

t) Wei'kolijk itestoml er 7,iilk oene kiisto. ])e Egyptonarcn hadden eene wet, volgens wolko zij jaarlijks lgt;ij ile ovoilieid, op stralle dos doods, hun middel van bestaan moesten opgeven. Zij die zich als dieven aangaven, stonden wel onder streng toezicht, maar werden niet gestraft Zie verder Warda, Dl. II.

ocr page 346

ot.5' gt;

«Ja, dul weet ik al! De ouile liib kun liier in Perzië ]iiets naar uw zin doen. Doch dal komt er niet op aan. Gij zijl meester en heb dus maar te bevelen; ik beu maar knecht en moet dus gehoorzamen, jk hoop het niet te vergeten. Nu dan, quot;t was juist in de dagen, dat het, groote Perzische gezantschap naar Saïs kwam om Nitetis te halen, en zich door liet gansche volk als een troep vreemden dieren te laten aangapen, dat het schandelijke feit plaats greep, 's Avonds, terwijl de zon ondergaat, zit ik op het muggentorentje, en speel met mijn kleinzoon, den oudsten jongen van mijn Benra 1), die een heerlijk dik ventje geworden is, en voor zijn leeftijd bijzonder verstandig en sterk. De guit vertelt me juist, dat zijn vader, gelijk de Egyptenaren plegen te doen, als hunne vrouwen de kinderen te veel alleen laten, do schoenen zijner moeder had weggestopt2), en ik.lach, dat de tranen me over de wangen loopen. Want ge moei welen, dat ik Benra, die geen mijner kleinkinderen hij mij wil laten wonen, omdat ik, zoo zegt zij, ze bederf, deze poels van harte gunde. Plotseling wordt er met den klopper zoo geweldig op de huisdeur geslagen, dat ik waarachtig meen, dat er hier of daar brand is, en den jongen van mijne knie laat vallen. Zoo hard ik maar kan, loop ik de trappen af, neem met mijne lange boenen telkens drie treden in eens, en schuif den grendel terug. De deur vliegt open en een gansche bende tempeldienaars en politie-agenten, — daar waren minstens vijftien man, — dringt het huis binnen, nog voordat ik den tijd heb te vragen, wat, ze van mij hebben willen. Piclii, de onbeschaamde tempeldienaar van Neith, — gij kent, hem wel, — duwt mij op zij, grendelt tie deur van binnen dicht, en beveelt den troep mij te knevelen, als ik niet terstond alles doe wat hij mij gebieden zal. Ik laat, het natuurlijk niet ouder mij, maar scheld hem braaf uit. (lij weet, heer, dat ik dit niet laten kan, als iets mij ergert. En nu doet hij mij, — bij onzen God Toth, die do wetenschap beschermt, ik spreek de waarheid, heer, — nu doet die melkmuil mij de handen binden, verbiedt mij, den ouden Hib, verder een woord te spreken, en zegt dat hij van den opperpriester in last heeft, mij vijf en twintig stokslagen te doen geven, als ik mij niet zonder tegenspraak aan al zijne bevelen onderwerp. Tegelijk toont hij mij den ring van den oppei'priester. Nu moest ik, of ik wilde of niet, dezen schoft gehoorzamen, die niets

1

) Do naam heteekent: palm.

2

-) Volgens Plutaichus hielden do Egyptenaren liet voor zeer onvoegzaam, barrevoets over ilc straat Ie gaan. De mannen stopten daarom de sclioenen der vrouwen weg, om liaar tot Imiselijkheid te dwingen. Volgens Herodotus deden de huismoeders de inkoopen op de markt, bij de Grieken geschiedde dit door de mannen.

ocr page 347

336

minder eischte, dan dat, ik hom dadelijk alle gescbriftpn, die gij hadt achtergelaten, zou overhandigen. Maar de oude Hib is zoo dom niet, dal hij zich in den eersten strik den besten laat vangen, hoewel menschen, die hem heter moesten kennen, meenen dat hij omkoopbaar en de zoon van een ezel is. — Wat doe ik dus? Ik stel me aan, alsof ik geheel van mijn stuk ben door het zien van den zegelring, verzoek Pichi zoo beleefd mogelijk mijne handen los te maken, en zeg dat ik den sleutel zal halen. Men maakt mijn handen los; ik ren de trap op, bij vijf lieden te gelijk, ruk de deur van uwe slaapkamer open, duw mijn kleinzoon, die voor de deur staat, naar binnen, en schuif er den grendel voor. Dank mijne lange beenen beu ik de anderen zoover vooruit, dat ik den tijd heb, den knaap het zwarte kastje, dat gij aan mijne bijzondere zorg hadt aanbevolen, onder den arm te geven, het kleine kereltje door bet venster te zetten op hel balkon, dat aan de zijde van den tuin langs het huis loopt, en hem te bevelen het kostbare kastje dadelijk indedui-venlil te stoppen. Daarop open ik de deur, ais ware er niets gebeurd, maak Pichi wijs, dal de jongen een mes in den mond had gehad, en ik daarvan zoo geschrikt was, dat ik uit angst op zulk een dwaze manier de trap was opgevlogen, en den knaap voor zijn straf wat Ie luchten had gezet. De vent, die zoo dom is ais het broertje van een nijlpaard, gelooft me, en laat zich nu het geheele huis door leiden. Eerst leggen ze beslag op de groote kist van sykomorenhout met papieren, die gij mij bevolen had niet minder zorgvuldig te bewaren, dan op de papyrusrollen op uwe schrijftafel, en verder op alle geschrevene stukken, die ia het huis voorhanden zijn. Zonder ze eerst te schiften of in te zien, smijten zij alles in de groote kist, en dragen die naar beneden. Doch het zwarte kastje lag ongeschonden eu veilig in de duiventil. Mijn kleinzoon is de slimste jongen uit geheel Saïs 1

«Toen de kist het huis werd uitgedragen, kon ik mijne, lol dusverre met zooveel moeite onderdrukte woede niet langer bedwingen. Ik dreigde den onbeschaamden indringers, aal ik hen bij de rechters, en als dit niet hielp bij den koning zou aanklagen, en zonder twijfel zou ik ook het volk tegen hen hebben opgehist, als die vervloekte Perzen, die eene wandemig dooide stad deden, niet juist op dit oogenblik de geheele aandacht der saamgestroomde menigte hadden getrokken. Dienzelfdcn avond ging ik naar mijn schoonzoon die, gelijk gij weet, ook tempeldienaar van de godin Neith is, en verzocht hem alles in het werk te stellen, om het lol der gestolene schriften te weten te komen. Die goede man is nog altijd dankbaar voor de rijke huwelijksgift, die gij aan mijne Benra hebt geschonken.

ocr page 348

337

Drie dagen later kwam hij mij zeggen, dat hij er getuige van geweest was. hoe men uwe fraaie kist, met al de daarin geborgen rollen, verbrand had. Van louter ergernis kreeg ik de geelzucht; doch mijne ziekte belette mij niet mijne klachten voor de rechters te brengen. Deze ellendelingen zijn echter, gelijk gij weet, zelve priesters, en wilden dus niets van de zaak weten. Nu diende ik namens u een verzoekschrift bij den koning in, maar werd door dezen afgesnauwd met de niet zeer malsche bedreiging, dat men mij als landverrader zou beschouwen, als ik nog eans van die papieren een woord durfde kikken. Nu had ik mijne tong ') te lief, om nog verder eenigen stap te doen. De grond brandde onder mijne voeten. Ik kon niet in Egypte blijven, want ik moest u spreken; ik moest u zeggen hoe men u beleedigd had; ik moest u, die zeker meer vermoogt dan uw arme knecht, tot wraakneming aansporen; ik moest u ook het zwarte kastje brengen, dat men mij misschien anders nog zou hebben onttroggelil. Alzoo verliet ik mijn vaderland en mijn kleinzoontje met een bloedend hart, om, zoo oud als ik ben, naar het typhonisch buitenland te trekken. — Ach! de kleine jongen is zoo wijs! Toen ik hem bij het afscheid kuste, zeide hij: ,Blijf bij ons, grootvader! Als de vreemdelingenuverontreinigen, dan mag ik u niet meer kussen.' — Benra laat u hartelijk groeten, en mijn schoonzoon doet u weten, uit goede bron vernomen te hebben dat Psamtik, de kroonprins, en Petam-mon, de oogarts, uw oude mededinger, de bewei kers dezer vervloekte daad zijn. Daar ik mij niet aan de typhonische zee durfde toevertrouwen, reisde ik met eene karavaan Arabische kooplieden tot ïhadmor, de palmrijke rustplaats der Phoeniciërs a) in de woestijn, en van daar met Sidonische kooplieden tot Kar-chernis aan den Euphraat, waar zich de weg, die van Phoenicië naar Babylon voert, met dien tusschen Sard es en Babyion vereenigt. Doodmoede zat ik in het boschje voor de herberg, toen een vreemdeling, die met koninklijke postpaarden reisde, daar aankwam. Aanstonds herkende ik in hem den voormaligen overste der Helleensche soldaten.quot;

1) Een staatsverrader moest, volgens Egyptische wetten, de tong uitgesneden worden.

2) ïhadmor, liet latere Palmyra, werd door Salomo gebouwd als rustplaats voor de karavanen die naar het oosten trokken. Het Ing in eene nase in het midden der Syrische woestijn, ontwikkelde zich spoedig en bereikte weldra een hoogen trap van bloei. De trotsche ruïnen van deze reuzenstad wekken nog de verbazing der reizigers. Karchemis aan den rechter oever van den Euphraat, stroomafwaarts van Biredschik waar Nebukadnezar en Necho elkander slag leverden, was het hoofdstation van den groeten weg, die over Palmyra naar Babyion voerde.

22

ocr page 349

))En ik,quot; viel Phanes den verteller in de rede, «herkende even spoedig in u, oude, den langsten en twistzieksten menseh, dien ik ooit gezien heb. Honderd malen heb ik te Saïs om u moeten lachen, als gij de kinderen stond uit te schelden, die u naliepen, zoo dikwijls gij, met het artsenij kastje onder den arm, uw meester dooi- de straten volgdet. Ja, ik herinnerde mij, zoodra ik u zag, eene aardigheid, die zich de koning eens ten uwen koste liet ontvallen. Toen gij beiden op zekeren dag voorbijkwaamt, zeide hij: ^Die oude lijkt wel een grimmige uil, die door kleine vogels omfladderd en voor den gek gehouden wordt; en Nehenchari moet zeker eene booze vrouw hebben, die hem, tot loon voor al de oogen die hij ziende maakt, zijne eigene dreigt uit te krabben!quot;

»Schandelijk, schandelijk!quot; riep de oude, in verwenschingen uitbarstende.

De arts had, zwijgend en in gedachten verzonken, het verhaal van zijn knecht aangeboord. Van tijd lot tijd veranderde de kleur van zijn gelaat. Toen hij hoorde dat men zijne papieren, de vruchten van zoovele doorwaakte nachten, verbrand, met medeweten van zijne standgenooten en van den koning vernietigd had, balde hij de vuisten, en rilde hij over zijngansche lichaam, als werd hij door eene heftige koorts aangegrepen.

Geene enkele beweging van den priester was den Athener ontgaan. Aan menschenkennis ontbrak 't hem niet, en hij wist dat een woord van spot de ziel van den eerzuchtige dikwerf dieper wondt, dan zware beleedigingen. Daarom bracht hij juist nu de scherts te berde, die Amasis zich eens, toen hij aan zijne neiging tot gekscheren toegaf, had veroorloofd. Ook had zijne berekening niet gefaald, want hij zag hoe Nebencbari, bij zijne laatste woorden, eene roos, die vóór hem op de tafel lag, met de vlakke hand krampachtig platdrukte. Terwijl hij een glimlach van voldoening haastig onderdrukte, vervolgde Phanes: »Maar verneem thans in korte trekken het einde van de reisavonturen van den braven Hih. Ik noodde hem mijn wagen met mij te deelen. Eerst weigerde hij met zulk een verwenschten vreemdeling als ik op éen kussen te gaan zitten. Doch eindelijk gaf hij aan mijn verzoek gehoor. Hij had aan de laatste pleisterplaats gelegenheid, op den broeder van den opperpriester Oropastes de proef te nemen van de handgrepen, die hij u en uw vader heeft afgezien, en kwam eindelijk behouden te Babyion aan, waar ik zelf hern in het paleis van den koning een onderkomen verschafte, daar wij u uithoofde der droevige omstandigheid waarin uwe landgenoote zich bevindt, niet te spreken konden krijgen. Het overige is u bekend,quot;

Nebencbari knikte even, ten teeken van toestemming, en gebood Hib met een wenk het vertrek te verlaten.

ocr page 350

339

De oude gehoorzaamde brommend en tusschen de tanden scheldende. Toen de deur zich achter hem gesloten had, trad de geneesheer op den krijgsman toe, en zeide: »Ik vrees, Helleen, dat wij, in spijt van dit. alles, toch geene hondgenooten zullen kunnen zijn !quot;

))En waarom niet?'''

«Omdat ik vermoed dat uwe wraak, in vergelijking met die, welke ik mij verplicht acht te nemen, veel te zacht en te onbeduidend zal zijn.quot;

»Wat dat betreft, hebt gij niet te vreezen!quot; antwoordde de Athener. »Mag ik u mijn bondgenoot noemen?quot;

«Ja! Onder éene voorwaarde !quot;

«Laat hooien !quot;

sGij moet mij in de gelegenheid stellen, met eigene oogeh de uitkomst onzer wraakoefening te zien.quot;

))Dat wil zeggen, als Cambyzes naar Egypte trekt, wenscht gij het leger te volgen?quot;

))Ja! En als mijne vijanden in smaad en ellende nederiiggen, dan wil ik hun toeroepen: »Ziet gij, lafaards, dit ongeluk hebt gij te wijten aan den armen, verbannen oogarts!quot; — O mijne geschriften, mijne geschriften! Zij waren mij even dierbaar als vrouw en kind, die ik beiden verloren heb. Zij waren bestemd, om aan honderden te leeren, hoe den blinden het licht weer te geven, hoe den zienden de zoetste gave der goden, de bloem van het gezicht, de bewaarplaats van bet licht, het ziende oog-voortdurend te doen behouden. Nu mijne geschriften vernield zijn, heb ik tevergeefs geleefd! Met mijne geschriften hebben die ellendelingen mij zei ven verbrand! O, mijne geschriften, mijne geschriften !quot; — Bij deze woorden snikte de ongelukkige man, dat er 't hart van breken moest.

Phanes trad nu op hem toe, vatte zijne rechterhand, en zeide: »U, mijn vriend, hebben de Egyptenaren geslagen, ik ben echter door hen nog schandelijker niishandeld geworden. Dieven zijn, ja, in uwe woning gedrongen, maar mij hebben moordenaars huis en hof in de asch gelegd. Weet gij, Nebenchari, weet gij, wat men mij gedaan heeft? — Toen zij mij verdreven en vervolgden, waren zij in hun recht; want volgens hunne wetten was ik lies doods schuldig. Ware het daarbij gebleven, ik had hun kunnen vergeven, want ik had dezen Arnasis lief, gelijk een vriend zijn vriend liefheeft. Dal wist de ellendeling, en toch liet hij toe, wat bijna ongelooflijk schijnt. O, het is, alsof mijne hersenen branden, als ik aan het ontzettende feit denk ! — Als wolven drongen zij in den nacht, het huis eener weerlooze vrouw binnen en stalen mijne kinderen, een meisje en een jongen, de trots, de vreugde, de troost van mijn eenzaam leven. En wat

ocr page 351

340

deden zij met de arme schepseltjes? Het meisje hielden zij gevangen, gelijk zij voorgaven, om mij te verhinderen Egypte den vreemdelingen in handen te spelen; den knaap evenwel, een toonbeeld van sehoonheid en goedheid, mijn eenigen zoon, heeft de kroonprins Psamtik, misschien wel met medeweten van Amasis, doen vermoorden. Onder de smart der ballingschap was mijn hart eerst ineengekrompen en daarna gevoelloos geworden; thans echter gevoel ik, hoe de hoop op wraak het doet zwellen en van blijde verrukking kloppen !quot;

Nebenchari zag met blikken, gloeiende van een somber vuur, in de vlammende oogen van den Athener, en zeide, terwijl hij hem de hand reikte: »Wij zijn bondgenooten 1quot;

De Helleen vatte de rechterhand van den arts en ant woordde: «Thans geldt het in de eerste plaats, ons van de gunst des konings te verzekeren !quot;

»Ik zal Cassandane het gezicht hergeven !quot;

))Zoudt ge dat kunnen ?quot;

»De kunstbewerking, die Amasis ziende heeft gemaakt, heb ik uitgevonden. Petammon heeft ze van mij geleerd uit mijne verbrande geschriften.

«Waarom hebt gij ze dan niet vroeger toegepast ?quot;

»Omdat ik niet gewoon ben mijne vijanden geschenken te doen.quot;

Bij deze woorden voelde Phanes zich dour eene lichte huivering aangrijpen. Hij herstelde zich evenwel spoedig, en zeide: «Ook ik kan mij verzekerd houden van 's konings gunst. De gezanten der Massageten zijn heden reeds naar hun land teruggekeerd. De vrede is hun toegestaan, en....quot;

Op dit oogenblik werd de deur opengerukt, een eunuch van Cassandane vloog het vertrek binnen, en riep Nebenchari toe: »Onze meesteres Nitetis is stervende! Maak u dadelijk gereed, en volg mij!quot;

De arts groette zijn bondgenoot met een wenk, trok zijne sandalen aan, en begaf zich naar het bed der stervende koningsbruid.

ocr page 352

TWEEDE HOOFDSTUK.

Reeds poogden de eerste zonnestralen heen te boren door de dichte gordijnen voor de vensters van het vertrek, waarin de Egyptische nederlag, toen Nebenchari nog altijd aan hare stervenssponde neerzat. Nu eens betastte hij haar pols, dan weer bestreek hij haar voorhoofd en hare borst met geurige zalven, om daarna gedurende eene korte poos voor zich te staren. Na een aanval van kramp scheen de lijderes in diepen slaap gezonken. Aan het voeteneind van het bed stonden zes Perzische heelmeesters bezweringsformulieren te prevelen, terwijl Nebenchari aan het hoofdeinde zat, en van daar den Aziaten, die zijne meerderheid als geneeskundige volgaarne erkenden, voorschriften gaf. Zoo dikwijls de Egyptenaar den pols der kranke betastte, baalde hij de schouders op, welke beweging zijne Perzische kunstbroeders oogenblikkelijk eenparig navolgden. Van tijd tot tijd werd het voorhangsel van het vertrek geopend, en vertoonde zich een lief vrouwenkopje, welks blauwe oogen den geneesheer vragend aanstaarden, om door dezen telkens met hetzelfde droeve schouderophalen beantwoord te worden. Tweemaal was de lieve vraagster, Atossa, 's konings zuster, terwijl zij het zware tapijt, een weefsel van Milesische wol, nauwelijks met de teeaen beroerde, tot aan het bed der lijdende vriendin geslopen, om een zachten kus te drukken op het voorhoofd, waarop groote zweetdrop pelen paielden; maar telkens was zij door den Egyp-tischen arts met strengen, afkeurenden blik naar tiet zijvertrek verdreven.

Hier lag Cassandane moedeloos neder. Zij verbeidde het laatste bedrijf van dit menschenleven. Zoodra de zon verrezen en Nitetis in slaap gevallen was, had Cambyzes haar vertrek verlaten en zich te paard geworpen, om, door Phanes, Prexaspes, Otanes, Darius en vele, plotseling uit hun slaap gewekte hovelingen vergezeld, in woesten ren de diergaarde door te stuiven. Hij wist toch bij ondervinding, dat hij iedere gemoedsbeweging het best onderdrukken of vergeten kon, wanneer hij in het zadel van zijn wilden hengst was gezeten.

ocr page 353

342

Toen Nebenchari het dreunen der hoefslagen uit de verte vernam, ontroerde hij van top tot teen. Met open oogen droomde hij, dut de koning aan de spits eener onafzienbare ruiterschaar zijn vaderland binnentrok, brandende fakkels in sleden en tempels wierp, en met geweldige vuistslagen de reuzengebouwen der pyramiden tot gruis beukte. Te midden der rookende en smeulende puinhoopen der steden lagen vrouwen en kinderen, uit de graven klommen de kermende stemmen van de mummiën der gestorvenen op, en allen, priesters, krijgslieden, vrouwen, kinderen, dooden en stervenden riepen zijn naam uit, en vloekten hem, hem, den verrader van zijn vaderland. Eene koude, koortsachtige siddering voer door zijne leden, krampachtig klopte zijn hart, gelijk de aderen iter stervende aan zijne zijde. — Wederom opende zich het. voorhangsel van het zijvertrek, wederom sloop Atossa binnen, en legde ditmaal de band op zijn schouder. Huiverend sprong hij op, en ontwaakte. Drie dagen en drie nachten had Nebenchari bijna onafgebroken aan dit leger doorgebracht. Was het wonder, dat zulke droomen den overspannene en vermoeide overvielen ?

Atossa sloop naar hare moeder terug. Doodelijk stil was bet in de drukkend warme ziekenkamer. De Egyptenaar hei'innerde zich zijn droom van straks; hij hield zichzelven voor, hoe bij op het punt was een verrader en een misdadiger te worden. Nogmaals trok alles, wat hij in zijn half slapenden, half wakenden toestand had aanschouwd, voor het oog zijner verbeelding voorbij. Maar ditmaal werden die ontzettende droomgezichten door een nieuw beeld verdrongen. Nebenchari zag zichzelven naast de met ketenen beladen gestalten van Amasis, die hem gebannen en bespot, van Psamtik en de priesters, die zijne werken vernield hadden. Zachtkens bewogen zich zijne lippen. Aan deze plaats durfde hij de onbarmhartige woorden, die hij in den geest zijne om genade smeekende vijanden toeriep, niet uiten. Zie, daar wischt de bardvochtige man zich een traan uit betoog. Zijne ziel doorleefde nog eens de lange nachten, in welke bij met de schrijfstift in de hand, hij het matte schijnsel der lamp had neergezeten, en zijne gedachten en ervaringen, terwijl hij iedere letter zorgvuldig penseelde, in de fijnste hiëratische teekens had neergeschreven. Voor menige oogziekte, die de heilige boeken van Toth ')

1) Aan Tntli, lt;iic met een ibis-kop werd afgebeeld, ilon hemclbeschiij-vlt, later door de Grieken met hun liermes vergeleken, schreef men de uitvinding toe van bijna alle wetenschappen. Hij, de driemaal groote (Ti ismegistos), zou z^s boeken over de geneeskunde hebben geschreven, waarin o. a. ook over de oogheelkunde werd gehandeld. Isis, en later ook Serapis, worden als goden der geneeskunde geroemd.

ocr page 354

343

en de verhandelingen van een oud, hoogberoemd arts van Byblos onherstelbaar noemden, had hij een geneesmiddel gevonden. Maaibij wist wel, dat zijne ambtgenooten hem van misdaad zouden hebben beticht, als hij zich vermeten had er voor uit te komen, dat hij het gewijde boek wilde verbeteren. Daarom had hij dit opschrift voor zijn boek gekozen: sEenige nieuwe door Neben-chari, den oogarts, gevonden geschriften van den grooten Toth, betrelfende de oogheelkunde l).quot; Na zijn dood moest zijn werk het eigendom der boekverzameling te Thebe -) worden, opdat al zijne opvolgers met zijne ervaringen hun voordeel mochten doen, en ontelbare lijders de vruchten van zijn arbeid plukken. Erkenning zijner verdiensten na zijn dood, dat was zijn ideaal ; en om dat te verwezenlijken had hij aan de wetenschap zijne nachtrust ten offer gebracht. Hij dorstte naar roem, als belooning van zijn wroeten en zwoegen, voor de kaste tot welke hij behoorde. — Zie, daar staat zijn oude mededinger Petammon, na hem de uitvinding der staarsnede ontroofd te hebben, aan de zijde van den kroonprins, in het heilige bosch van Neith,en stookt het vernielend vuur op. Do roode gloed der vlammen verlicht de boosaardige trekken dier heiden, en — hoor! hun spotlach, die om wraak schreit, slijgt met de vlammen ten hemel. Ginds stelt de opperpriester aan Amasis de brieven zijns

!) In de geschriften, die tot ons kwamen, wordt dikwijls gesproken van boeken, die ondei' hot beeld van deze of gene godheid zijn gevonden, ot' van oude koningen afkomstig zijn. om er op deze wijze hooger waarde aan toe te kennen. ïojh kennen wij de schrijvers van enkele geschriften. Zoo is het sprookje van de twee gebroeders afkomstig van zekeren Anana, die Ebers in War da laat optreden. Van de hei'metische boeken was er een geheet aan de oogheelkunde gewijd, waarover ook in den papyrus-Ebers zeer uitvoerig wordt gehandeld. In dezen papyrus komt ook de arts Xebsecht voor, die in W ar da zulk eene belangrijke rol vervult.

2) De bibliotheek van Thebe, die volgens Diedorus ten opschi ift voerde : „Inrichting tot genezing der zielquot;, bevatte 20.000 hermetische of priesterlijke boeken. Men vond haar in het Ramesseum of Ramseshuis, dat door Ramses 11 in de veertiende eeuw v. Chr. gebouwd werd. Cham-pollion herkende doze boekenzaal in de ruinen van het Ramesseum. Op den wand vond hij de afbeeldingen van Toth, den god der wijsheid, en van Safech, do godin der geschiedenis. Verschillende biörati-sche papyrussen, die thans nog aanwezig zijn, zijn uit deze boekerij afkomstig, hetgeen niet zelden op Egyptische boekrollen vermeld wordt. Lepsius vond bovendien te Thebe de graven van twee bibliothecarissen onder Ramses II, vader en zoon. De titel van zulk een bibliothecaris was, „overste of chef der boeken.quot; Bibliotheken schijnen altijd bij de tempels behoord te hebben, gelijk wij kunnen opmaken uit opschriften in de tempels van Dendera, Edfoe en Philae. Ook aan het Serapeum te Alexandrië was een groote bibliotheek verbonden.

ocr page 355

344

vaders ter hand. Hoonende en spottende woorden vloeien van de lippen des konings, het gelaat van Neilhotep gloeit van hel-sche vreugde.

Zoo geheel weggezonken was hij in zijne droomerijen, dat een der Perzische geneesheeren hem waarschuwen moest, toen de kranke ontwaakte. Hij knikte zijn kunstbroeder glimlachend toe, terwijl hij op zijne zware oogleden wees, betastte den pols der lijderes, en vroeg haar in het Egyptisch: «Hebt gij goed geslapen, meesteres

»Ik weet het niet,quot; antwoordde de kranke, met nauw hoorbare stem. «Wel was het mij alsof ik sluimerde; toch zag en hoorde ik alles, wat hier in het vertrek voorviel. Ik voelde mij zoo vermoeid, dat ik niet onderscheiden kon, of ik waakte of droomde. Is Altossa niet meermalen bij mij geweestquot;?quot;

»,Tuist.quot;

»En Cambyzes bleef bij Cassandane, tot de zon opkwam; toen ging hij naar buiten, besteeg den hengst Reksch, en reed de diergaarde in.quot;

»Hoe weet gij dat?quot;

»Ik heb het gezien!quot;

Nebenchari zag onafgebroken met bezorgdheid in de glinsterende oogen der jonkvrouw, die verder vroeg: »Heeft men ook niet vele honden in den tuin achter dit huis gebracht?quot;

»De koning wil waarschijnlijk beproeven door de jacht zijne smart over uw lijden een poos te vergeten.quot;

»0, neen, dat weet ik beter! Oropastes heeft mij geleerd,dat bij iederen stervenden Pers honden l) worden gebracht, opdat de Diw des doods in deze beesten vare.quot;

»Gij leeft nog gebiedster, en.....quot;

»0, ik ga sterven, dat weet. ik ! Al had ik niet gezien, hoe gij en die andere geneesheeren, telkens als gij mij beschouwdet, de schouders ophaaldet, toch zou ik weten, dat ik nog slechts weinige uren te leven heb. Het vergif is doodelijk!quot;

«Gij spreekt te veel. meesteres; het spreken zal u kwaad doen.quot;

»Laat mij spreken, Nebenchari! Ik heb nog éene bede aan u te doen, voordat ik sterf,quot;

') Zoodra er een Pers stierf, viel de onreine geest des doods, de Drukhs Xacus in den vorm van een vlieg, op hetn aan en zotte zich op het lijk van den afgestorvene en op een der aanwezigen neer, onreinheid en vernietiging aanbrengende. Het brengen van honden bij een lijk steunt op de oudste Arische mythologie, doch werd bij de latere Perzen beschouwd als. een middel c in de booze Dr ukhs te verschrikken, daar deze tegen de oogen van twee bijzonder gevlekte honden niet. bestand is. De Drukhs Nagus is de booze geest van de ontbinding na den dood. Zij is eigenlijk de persoonsverbeelding van de onreinheid en het bederf, die bij de lijken zich vertoonen. Vgl. Tiele, Godsd, v. Zarath. bl. 184.

ocr page 356

345

«Beveel, ik ben uw dienstknecht!',

»Neen, Nebencliari, mijn vriend moet gij zijn, mijn priester! Niet waar, gij zijt niet meer boos op mij, wijl ik tot de Perzische goden heb gebeden! Onze Hathor is toch altijd mijne beste vriendin gebleven, — Ja, ik zie het op uw gelaat, dat gij mij vergeeft. Nu moet gij mij ook beloven, mij niet door bonden en gieren te zullen laten verscheuren, O, de gedachte daaraan doet mij ijzen! niet waar, gij zult mijn lijk balsemen en met amuletten versieren?quot;

»Als de koning het veroorlooft.quot;

»0, zeker! Zou Cambyzes mij dan mijn laatste verzoek kunnen weigeren?quot;

»Mijne kunst staat u ten dienste!quot;

sik dank u. Maai- nog heb ik éene bede.quot;

»Maak het kort! Mijne Perzische ambtgenooten wenken mij, dat ik u het stilzwijgen moet opleggen.quot;

»Kunt gij lien niet voor een oogenblik verwijderen?quot;

»Ik wil het beproeven.quot;

Nebenchari naderde de magiërs. Hij wisselde enkele woorden met hen; daarop verlieten zij het vertrek. Hij had hen diets gemaakt, dat hij een groote bezwering wilde beproeven, waarbij geen derde tegenwoordig mocht zijn, en een nieuw geheim tegengift wilde aanwenden.

Toen de beiden alleen waren, haalde Nitetis voor een oogenblik vrijer adem, en zeide: »Geef mij u priesterzegen mede op de lange reis naar de benedenwereld, en bereid mij voor tot den tocht naar het rijk van Osiris!quot;

Nebenchari knielde aan hare sponde neder en prevelde met nauw verstaanbare stem eenige liederen, die Nitetis met zachte, plechtige stem beantwoordde. De geneesheer stelde Osiris, den beheerscher der benedenwereld, voor; Nitetis de ziel, die zich voor hem rechtvaardigt1).

Nadat deze ceremoniën afgeloopen waren, was het alsof er een nieuw leven in de borst der kranke ontwaakte. Zij ademde vrij en geregeld, als leed zij niet meer. Niet zonder aandoening zag Nebenchari op de jeugdige zelfmoordenares neder. Hij was zich bewust deze ziel voor de goden van zijn vaderland gered, en de laatste moeielijke uren van eene schuldelooze verlicht te hebben. Gedurende deze oogenblikken was hij, door zuiver medelijden en ware menschenliefde bewogen, zijn haat en zijne wraakzucht vergeten. Maar toen de gedachte bij hem oprees, dat Amasis ook over deze schoone maagd ongeluk had gebracht, werd zijne ziel opnieuw door sombere gedachten verduisterd. — Nitetis, die

1

Zie boven bl. 182.

ocr page 357

346

eenigen tijd zwijgend had neergelegen, keerde zich wederom vrien-delijk glimlachende tot haar nieuwen vriend, en vroeg: sNiet waar, ik zal hij de doodenrechters genade vinden?''

))Ik hoop en geloof het!quot;

«Misschien vindt ik Tachot voor den troon van Osiris, en mijn vader....quot;

»Uw vader en uwe moeder verwachten u! Zegen in uw laatste uur hen, aan wie gij uw leven verschuldigd zijt, en vloek hen, die uw ouders troon en leven ontroofden.quot;

»Ik versta uw niet.quot;

»Vloek hen, mijne dochter, die uw ouders troon en leven ontroofden !quot; riep de geneesheer andermaal, zich oprichtende, en in angstige spanning op de stervende nederziende. «Vloek de boezen, mijn kind, want deze vloek zal u voor de doodenrechters hoogere genade doen vinden, dan duizend goede werken!quot; — Onder het uitspreken dezer woorden, greep de arts de hand der lijderes, en drukte die met hevigheid in de zijne.

Niteiis zag den toornigen man angstig aan, en lispelde, zonder recht te weten, wat zij zeide: »Ik vloek!quot;

»Vloek hen, die uw ouders troon en leven ontroofden!quot;

»Hen, die mijn ouders troon en leven ontroofden!quot; 0 — ach — mijn hart!quot;

Uitgeput zonk zij in haar kussen neder.

Nebenchari hoog zich over de lijderes, drukte, voordat, de ge-neesheeren van den koning binnentraden, een zachten kus op het voorhoofd der stervende, en mompelde: «Zij sterft als mijne hondgenoote. De goden hebben den vloek der stervende onschuld gehoord! Niet slechts als mijn eigen, maar ook als koning Ho-phra's wreker breng ik het zwaard over Egypte!quot;

Eenige uren later opende Nitetis nog eenmaal de oogen.

Ditmaal rustte hare marmerkoude rechterhand in de handen van Cassandane. Aan het voeteneind van het bed knielde Atossa; Gresus stond aan het hoofdeinde, en ondersteunde met zijne zwakke armen het ijzersterke lichaam van den koning, die geheel overweldigd door zijne smart, als een beschonkene waggelde. De stervende zag met een helderen blik den kring rond. Zij was onbeschrijfelijk schoon. Cambyzes boog zich over haar neder, en drukte een vurigen kus op de reeds verstijvende lippen, — den eersten en den laatsten, dien hij haar had mogen geven. Twee groote, warme vreugdetranen ontsprongen aan hare brekende oogen, zachtkens ontgleed de naam Cambyzes aan hare bleeke lippen; toen zonk zij in Atossa's armen, en ontsliep.

ocr page 358

347

Wij zullen niet beproeven eene nauwkeurige beschrijving te geven van hetgeen er gedurende de eerstvolgende uren plaats greep. Want het stuit ons in bijzonderheden mede te deelen, hoe op een teeken van den eersten Perzischen arts, alle aanwezigen, met uitzondering van Nebenchari en Gresus, met overhaasting het vertrek verlieten; hoe men honden bij het bed der overledene bracht, en hunne schrandere koppen naar het lijk toekeerde, ten einde de Drukhs Nacus door deze dieren te doen verdrijven; hoe, nadat de jonkvrouw den laatsten adem had uitgeblazen, Cassandane en Atossa, met al hare dienstbaren, dadelijk eene andere woning betrokken, om door het lijk niet verontreinigd te worden; hoe men allo vuren in de oude woning uitdoofde, opdat het reine element niet in aanraking mocht komen met de onreine geesten des doods '); hoe men bezweringsformulieren prevelde; hoe eindelijk ieder die en alles wat in de nabijheid van het lijk was geweest, talrijke wasschingen met water en 7:underurine moest ondergaan.

Aan den avond van dien dag werd Cambyzes weder door zijne oude kwaal, de vallende ziekte, bezocht. ïwee dagen later kreeg Nebenchari verlof, om het lijk, overeenkomstig den laatsten wensch der gestorvene, op Egyptische wijze te balsemen. De droefheid van den koning kende geene perken; hij reet het vleesch van zijne armen, scheurde zijne kleederen, en strooide asch op zijn hoofd en zijne legerstede. Al de grooten van het hof moesten zijn voorbeeld volgen. De wachten betrokken hunne posten, met gescheurde vanen en onder dofl'en frommelslag. De cymbalen en pauken der Onsterfelijken werden met floers omwonden. De paarden, die de overledenen bediend hadden, en die welke door het hof gebruikt werden, moesten blauw geverfd en hunne staarten afgesneden worden. Het geheele hofpersoneel was in donkerbruine, tot aan den gordel gescheurde rouwkleederen gehuld, en de magiërs moesten drie dagen en di ie nachten zonder ophouden voor de gestorvene bidden, wier ziel in den derden nacht bij de brug Chinvat haar vonnis voor de eeuwigheid te verwachten had a). Ook de koning, Cassandane en Atossa onttrokken zich aan deze reinigingen niet. Zij zeiden, als voor eene naaste bloedverwante, dertig lijkgebeden op, terwijl Nebenchari in een buiten de stadspoort gelegen huis, volgens al de regels der kunst, het lichaam begon te balsemen 1).

1

Over het balsemen der lijken wordt door Ebers zeer uitvoerig gehandeld in W a r d a, Dl. II.

ocr page 359

248

Negen dagen lang bleef Gambyzes in een bijna waanzinnigen toestand. Nu woedend, dan dof en onverschillig, veroorloofde hij zelfs zijnen verwanten en den opperpriester niet hem te naderen. Op den morgen van den tienden liet hij den overste der zeven rechters komen, en beval hem Gaumata, den broeder van Oropastes, zoo zacht mogelijk te vonnissen. Nitetis had hem op haar sterfbed gebeden, het leven van den ongelukkigenjongeling te sparen. Een uur later werd hem het vonnis ter bekrachtiging voorgelezen. Het luidde aldus:

«Heil den koning!

Naardien Gambyzes, het oog der wereld en de zon der gerechtigheid, in zijne zachtmoedigheid, die even uitgestrekt is als de hemel en even onuitputtelijk als de zee, ons bevolen heeft, de misdaad van den magiërszoon Gaumata niet met de strengheid van den rechter, maar met de toegevendheid eener moeder te beoordeelen en te bestraffen, zoo hebben wij, de zeven rechters van het rijk, besloten, hem het leven, dat hij verbeurd had, te schenken. Daar echter door de lichtzinnigheid van dezen jongeling de aanzienlijksten en edelsten van het rijk in levensgevaar hebben verkeerd, en het zeer wel mogelijk zou zijn dat hij zijn aangezicht en zijne gestalte, —welke de goden, in hunne gunst en genade, aan het gelaat en de houding van den edelen zoon van Gyrus, Bartja, zeldzaam gelijkend hebben gemaakt,— nogmaals tot schade der reinen en rechtvaardigen misbruikte, hebben wij besloten zijn hoofd zoodanig te misvormen, dat de onwaardigste in het rijk lichtelijk van den waardigste zal kunnen worden onderscheiden. Daarom zullen, volgens den wil en op bevel des konings, Gaumata de beide ooren afgesneden worden 1), ter eere der rechtvaardigen en tot schande van den onreine!quot;

Gambyzes bekrachtigde aanstonds dit vonnis, 't welk nog dienzelfden dag ten uitvoer werd gelegd.

Oropastes had den moed niet, om een woord ten gunste van zijn broeder te sprekan; de schande hem aangedaan, krenkte echter den eergierigen man dieper, dan zijn dood hem zou hebben gesmart. Hij vreesde door den verminkte veel van zijn aanzien te zullen verliezen, en beval hem daarom zoo spoedig mogelijk Babyion te verlaten, en een landhuis te betrekken, dat hij op den berg Arakadris 2) bezat.

Gedurende de laatste dagen bad zich een armoedig gekleede vrouw, wier aangezicht achter een dichten sluier verborgen was,

1

Zulke straffen werden ook wel op Perzen van hoogen rang toegepast, gelijk uit de opschriften blijkt.

2

Zoo genoemd in een opschrift van Behistan.

ocr page 360

349

dag en nacht voor de groote poort van het paleis opgehouden, en zich noch door de bedreigingen der wachten, noch door de ruwe spotternijen der koninklijke dienaars van haar post laten verdrijven. Geen enkele der mindere beambten, die de poort verlieten, ontsnapte aan hare nieuwsgierige vragen, eerst naar den toestand der Egyptische, dan naar de gezondheid van Gaumata. Toen een spraakzaam lampenopsteker haar, met een boosaa.-digen glimlach, het vonnis mededeelde, dat over den broeder van den grooten opperpriester geveld was, stelde zij zich aan als eene razende, en kuste het gewaad van den verbaasden man, die haar voor eene arme krankzinnige aanzag, en haar eene aalmoes wilde geven. Zij weigerde deze en bleef op haar post, zich voedende met het brood dat meédoogende spijsuitdeeiers haar toewierpen. Toen Gaumata drie dagen later in eene gesloten har-mamaxa, met een verband om 't hoofd, de poort van het paleis verliet, ijlde zij den wagen na, en hield niet op met roepen, totdat de voerman zijne muildieren tot staan bracht, om haar te vragen wat zij wilde. Nu hief zij haar sluier op en toonde den verminkten jongeling haar aanvallig, hoog blozend gelaat. Toen Gaumata haar zag, ontsnapte hem een kreet van verbazing, doch zich spoedig herstellende, vroeg hij: ))Wat wilt gij van mij Mandane?quot;

De ongelukkige hief de handen smeekend naar hem op, en riep; »0 verlaat mij niet, Gaumata! Neem mij met u! Ik vergeef u al het ongeluk, dat gij over mij en mijn arme meesteres hebt gebracht. Ik heb u zoo lief, en wil u verplegen en vooru zorgen, als uwe geringste dienstmaagd Iquot;

De jongeling voerde in zijn hart een korten strijd. Reeds wilde hij de deur van den wagen openen, en de geliefde zijner kindsheid in zijn armen sluiten, toen hij den hoefslag van naderende paarden vernam. Hij zag om, en werd een wagen vol magiërs gewaar, die naar den burcht togen om te bidden, en herkende onder hen verscheidenen zijner oude medeleerlingen aan de pries-terschool. Schaamte overmeesterde hem; hij vreesde door hen, die hij, als broeder van den opperpriester, meermalen uit de hoogte had behandeld, te zullen worden gezien. Hij wierp dus Mandane een beurs met goud toe, die zijn broeder hem bij het afscheid gegeven had, en gebood den voerman zoo snel mogelijk door te rijden. In wilde vaart sleepten de muildieren het voertuig voort. Mandane schopte de goudbeurs weg, liep den wagen na en klemde er zich aan vast. Een der raderen vatte haar kleed en rukte haar neder. Met de kracht der vertwijfeling sprong zij overeind, haalde de muildieren weder in, die ,daar de weg bergopwaarts ging, minder spoed konden maken en vatte ze bij de teugels. Nu maakte de voerman van zijn driesnoerigen

ocr page 361

350

geesel gebruik; de dieren steigerden, wierpen het meisje ter aarde, en joegen voort. Haar laatste angstkreet drong als een dolksteek in de wonden van den verminkte.

Op den twaalfden dag na den dood van Nitetis, ging Cam-byzes weder jagen. Deze uitspanning met hare vermoeienissen, hare gevaren en haar opwekkenden invloed, was het, meest geschikt om hem afleiding te geven. De grooten en waardigheids-bekleeders ontvingen hun heer met daverend gejuich, waarvoor hij hen met een vriendelijk wuiven zijner hand dankte. De weinige dagen smarts hadden den man, die nooit leed of zorg had gekend, zeer veranderd. Zijn aangezicht was bleek, zijn gitzwart hoofd- en baardhaar grauw geworden. Het bewustzijn zijner kracht sprak niet meer zoo duidelijk als voorheen uil zijne blikken; hij had toch de smartelijke ervaring opgedaan, dat er een sterker wil was dan de zijne; dat hij wel verdelgen en dooden, maar een leven dat hem zoo dierbaar was niet redden kon. Alvorens de stoet opbrak, monsterde Cambyzes de jagers, riep Gobryas tot zich en vroeg naar Phanes.

»Mijn koning heeft niet bevolen... .quot;

))Eens voor altijd is hij onze gast, en behoort hij tot ons geleide. Roep hem, en volg ons!

Gobryas boog, keerde haastig naar het paleis terug en voegde zich na een halfuur met Phanes wederom bij 's konings gevolg.

Den Athener viel menige vriendelijke groet van de leden van den stoet ten deel; eene omstandigheid, die des te meer bevreemding moet wekken, omdat er in den regel geene afgun-stiger menschen zijn dan hovelingen, en geen sterveling meer verzekerd kan wezen, van dooi- vele nijdige oogen te worden aangezien, dan de gunsteling van een monarch. Doch Phanes scheen eene uitzondering op dezen regel te maken. Hij was al de Achaemeniden zoo ongedwongen en zoo vriendelijk tegemoet gekomen, had ieder in het bijzonder zoo fijn weten te vleien, had door los daarheen geworpen zinspelingen op een grooten krijg, die niet kon uitblijven, in hunne zielen zoovele blijmoedige gedachten gewekt, en de Perzen door zijne geestigheden, die hij op uitstekende wijze te pas wist te brengen, zoo vi oolijk gestemd, dat, op weinige uitzonderingen na, allen het gezelschap van den Athener hoogt aangenaam was. Toen hij zich van den stoet gescheiden had om met den koning een wilden ezel te vervolgen, moesten de jagers elkander toestemmen, dat zij nog nimmer zulk een uitstekend mensch als Phanes hadden gezien. Men bewonderde de wijsheid waarmede hij de onschuld der

ocr page 362

351

gevangenen aan den dag had gebracht, de behendigheid waarmede hij 's konings gunst had weten te -winnen, de vaardigheid waarmede hij de Perzische taal had aangeleerd. Daarbij werd hij door geen der Achaemeniden in schoonheid en regelmaat van gestalte en gelaatstrekken overtroffen. Op de jacht deed hij zich als een volmaakt ruiter kennen, en in den strijd met een beer ais een bij uitnemendheid stout en geoefend jager. Toen de hovelingen op den terugtocht ;d deze eigenschappen hemelhoog verhieven, riep de oude Araspes: »Ik stem volgaarne toe, dat deze Helleen die zich overigens ook reeds in den krijg van de beste zijde heeft doen kennen, een zeldzaam man is; maar zeker zoudtgij hem niet half zooveel lof toezwaaien, als hij geen vreemdeling, als hij niet iets nieuws voor u was.quot;

Phanes had deze woorden verstaan, want hij bevond zich in de onmiddellijke nabijheid van den sprekei', hoewel dichte struiken hem voor een oogenblik onzichtbaar maakten. Toen Araspes zweeg, voegde hij zich bij de Perzen en zeide glimlachend : ))Ik heb uwe gesprekken verstaan en dank u voor uwe goede gezindheid jegens mij. Het tweede deel van uwe samenspraak was mij bijna nog aangenamer dan het eerste, daar het toch de door mij zeiven reeds gemaakte opmerking bevestigde, dat gij Perzen het grootmoedigste aller volken zijt, daar gij de deugden van vreemdelingen gelijk stelt met, ja zelfs nog hooger aanschrijft dan uwe eigene.quot;

Al de aanwezigen, gevleid door dit woord, zagen hem glimlachend aan. Phanes vervolgde: ))Hoe geheel anders zijn bijvoorbeeld de Joden! Deze houden zich voor het eenige volk, dat den goden welgevallig is, en halen zich daardoor de verachting van alle verstandigen en do haat der geheele wereld op den hals. En dan de Egyptenaren! Gij kunt u niet voorstellen, hoe dwaas dit volk zich aanstelt ! Hing het alleen af van de priesters, die eene groote macht hebben, dan werden alle buitenlanders vermoord, en het geheele rijk van Amasis voor iederen vreemdeling ontoegankelijk gemaakt. Een echte Egytenaar lijdt liever honger, dan dat hij met een onzer uit denzelfden pot zou eten. Nergens vindt men zoovele zeldzaamheden, zooveel dat de bevreemding en verbazing wekt, als daar. Maar, om billijk te zijn, moet ik ook bekennen, dat Egypte met recht als het rijkste en best bebouwde van alle landen der wereld bekend is. Hij, wien dit rijk toebehoort, behoeft zelfs de goden om hunne schatten niel te benijden. En de verovering van dat schoone land zou niet de minste moeite kosten. Een tienjarig verblijf in Egyte heeft mij met dat land nauwkeurig bekend doen worden, en ik weet, dat de geheele krijgerskaste van Amasis tegen eene enkele schaar, als die uwer Onsterfelijken,

ocr page 363

352

niet is opgewassen. — Nu, wie weet, wat de toekomst nog brengt! Misschien doen wij allen te zamen nog wel eens een uitstapje naar den Mijl. Ik houd het er voor, dat uwe goede zwaarden tamelijk lang gerust hebben!quot;

Algemeene en luide kreten van bijval waren het antwoord op deze welberekende woorden van den Athener,

Cambyzes had het gejuich van zijn gevolg nauw vernomen, of hij wendde zijn paard om, en vroeg naar de oorzaak er van. Phanes haastte zich het woord te nemen, en antwoordde, dat de Achameniden hunne blijdschap niet hadden kunnen smoren, bij de gedachte aan de mogelijkheid van een nieuwen oorlog.

»Welken oorlog?quot; vroeg de koning, voor het eerst sedert langen tijd lachende.

»Wij spraken slechts over de mogelijkheid er van, in het algemeen,quot; antwoordde Phanes los weg. Daarop wendde hij zijn paard en reed den koning op zijde. Zijne stem nam een weiluidenden, tot het hart doordringende toon aan. Met weisprekenden blik zag hij den koning in de oogen en zeide: »0, mijn vorst, wel ben ik niet als uw onderdaan in dit schoone land geboren, wel mag ik eerst sinds korten tijd er op roemen den machtigste aller vorsten te kennen, maar toch kan ik de, misschien misdadige gedachte niet van mij zetten, dat de goden mijn hart van mijne geboorte af, tot een innig vriendschapsverbond met u hebben voorbestemd. Niet de groote weldaden, die gij over mij hebt uitgestort, hebben mij zoo onbegrijpelijk snel en vast aan u verbonden. Deze heb ik niet van noode, want ik behoor tot de rijken mijns volks, en ik heb geen zoon, geen erfgenaam, wien ik mijne schatten kan nalaten. Eenmaal noemde ik een knaap den mijne. Het was e'en schoon, een heerlijk schoon kind !... . Maar dat wilde ik u niet zeggen, ik. .. Gij wordt toch niet boos over mijne vrijmoediglieid, o koning?quot;

))Hoe zou ik dat kunnen?quot; vroeg de monarch, tot wien, vóór den Athener, niemand ooit op dergelijke wijze gesproken had, en die zich tot den zonderlingen vriend met onweerstaanbare kracht voelde heengetrokken.

»Tot op den huldigen dag was mij uwe droefheid te heilig, dan dat ik ze had willen storen; thans echter is de tijd gekomen, om u aan uwe smart te ontrukken en uw verkoeld hart opnieuw in gloed te ontsteken. Gij moet thans dingen vernemen, waardoor gij u diep beleedigd zult voelen.quot;

))Er is niets meer, dat mij zou kunnen bedroeven!quot;

»Mijne woorden zullen niet uwe smart, maar uw toorn opwekken !quot;

))Gij maakt mij nieuwsgierig.quot;

sMen heeft u snood bedrogen; u, zoowel als de lieve maagd.

ocr page 364

353

die voor weinige dagen in het schoonste tijdperk des levens werd weggerukt.quot;

Met fonkelende oogen zag Cambyzes den Athener vragend in het gelaat.

«Koning Amasis van Egypte heeft zich veroorloofd, met u, den machtigen beheerscher der aarde, een misdadig spel te spelen. Die schoone jonkvrouw was niet zijne dochter, schoon zij zelve geloofde liet kind van Amasis te zijn. Zij...quot;

«Maar dat is onmogelijk!quot;

Dat zou men oppervlakkig zoo zeggen, en toch spreek ik de zuivere waarheid! Amasis heeft een net van leugen en bedrog geweven, waarin hij een geheel volk, en ook u, o koning, heeft gevangen. Nitelis, het schoonste schepseltje, dat ooit uit eene vrouw geboren werd, was ja, eene vorstentelg, maar niet aan den overweldiger Amasis, neen, aan den onttroonden koning Hophra had deze parel het aanzijn te danken! Frons het voorhoofd, mijn vorst, gij hebt er alle reden toe; want een gruwel ?is het, voorwaar, door vrienden en bondgenooten bedrogen te worden!quot;

Cambyzes gaf zijn hengst de sporen, en riep, nadat Phanes, om zijne laatste woorden beter te doeu werken, een tijdlang gezwegen had; «Verder! Verder! Ik moet meer weten !quot;

»De onttroonde koning had twintig jaren ^ lang in lichte gevangenschap te Saïs geleefd, toen zijne gemalin, die drie kinderen ter wereld en even zoovele ten grave had gebracht, andermaal zwanger werd. Hophra was boven alle beschrijving gelukkig, en wilde, om voor deze genade zijn dank te betuigen, in den tempel van Pacht2), eene Egyptische godin, aan wie de Egyptenaren den zegen der zwangerschap toeschrijven, gaan offeren, toen een voormalige groote van zijn hof, Patarbemis genaamd, dien hij in een oogenblik van toom ten onrechte verminkt had, hem met eene bende slaven overviel en nedersabelde. Amasis liet de weduwe, die op het punt was van te bevallen, dadelijk naar zijn paleis overbrengen, en voor haar een vertrek in gereedheid brengen, naast dat zijner gemalin Ladice, die, gelijk zij, met iederen dag de moedervreugde te gemoet zag. Dewe-

') Herodotus zegt, dat Amasis zijn onttroonden voorganger niet hard behandelde. Hij liet hem het leven, totdat hij door de Egyptenaren -overvallen en van kant gemaakt werd. Om het verhaal van Herodotus ie redden, laat Ebers Hophra zijn val zoovele jaren overleven, met het oog op den leeftijd van Nitetis. Amasis kon toch den koning van Perzië geene veertigjarige tot vrouw aanbieden. Men bedenke dat eene vrouw-van veertig jaren aan de oevers van den Nijl, ouder is dan eene Euro-peesche op den leeftijd van zestig.

*) Zie boven bl. 24.

'23

ocr page 365

354

(luwe van Hophra schonk daar liet leven aan een meisje, doch bezweek zelve onder hare verlossing. Twee dagen later beviel Ladice, en ook zij van eene dochter. — Doch wij zijn hieraan de poort van het paleis genaderd. Zoo gij het mij wilt veroorloven, zal ik u het. bericht van den vroed meester, die de hand heeft gehad in dit vroom bedrog, doen voorlezen. Zijne aantee-keningen zijn. door eene wonderbare beschikking der goden, waarvan ik n later meer zal verhalen, in mijne handen geraakt. Onoephis, een voormalig opperpriester van Heliopolis in Egypte, woonf hier te Babyion en kent alle schrijfwijzen van zijn volk. Nebenchari, de oogarts, zal, gelijk zeer natuurlijk is, weigeren een bedrog, dat zijn vaderland gewis in het verderf zal storten, aan den dag te brengen.quot;

«Binnen een uur wacht ik u met dien man. Cresus, Nebenchari en al de Achaemeniden, die in Egypte zijn geweest, zullen insgelijks bij dit verhoor tegenwoordig zijn. Alvorens ik handel, moet ik zeker van mijne zaak zijn. Uw getuigenis is mij niet voldoende, want van Amasis zeiven heb ik vernomen, dat gij reden te over hebt, om een wrok jegens zijn huis te koesteren.quot;

Op den bepaalden tijd stonden de opgeroepene personen voor den koning, üe gewezen opperpriester Onoephis was een grijsaard van tachtig jaren, wiens beenderig hoofd volkomen opeen doodshoofd zou hebben geleken, zoo niet zijne twee groote grijze oogen, vol geest en gloed, de leden der vergadering hadden aangestaard. Daar zijne verlamde leden hem niet gedoogden te staan, zat hij vóór den koning in een leunstoel en hield een groote papyrusrol in zijne vermagerde hand. Zijne kleeding was, gelijk het een priester betaamde, wit als sneeuw, doch hielen daar gescheurd en gelapt. Voorheen was hij misschien groot en slank van gestalte geweest; thans was hij echter ouder den last der jaren, en tengevolge van lijden en ontberingen, zoo gebogen en ineengekrompen, dat zijn lichaam zich dwergachtig klein, zijn hoofd zich daarentegen onnatuurlijk groot vertoonde. Naast dezen vreemden man stond Nebenchari, die de kussens, welke 'smans rug steunden, te recht schikte. De arts eerbiedigde in hem niet alleen den in alle mysteriën ingewijden

!) Ten tijde van Amasis bestonden reeds de drie schrijfwijzen der Egyptenaren, hoewel het demotisch (volks- of briefschrift) niet veel ouder schijnt te zijn dan hij. Het hiëroglyphen-schrift is verbazend oud. De teekens van dit schrift zijn duidelijke afbeeldingen van allerlei soorten van voorwerpen. Het werd voor opschriften en sommige godsdienstige boeken, zooals het Doodenboek gebruikt. Het hiëratische of heilige schrift was eene afkorting of vereenvoudiging der hiëroglyphen, waarin de oorspronkelijke beelden meestal nog zeer goed te herkennen zijn.

ocr page 366

355

opperpriester, maar ook den hoogbejaarden grijsaard1). Ter linkerzijde van den oude stonden Phanes, Cresus, Darius en Prexaspes.

De koning was op zijn troon gezeten. Zijr; gelaat stond ernstig en somber, toen hij, het stilzwijgen afbrekende, aldut'begon te spreken: »De edele Helleen Phanes, dien ik mijn vriend meen te mogen noemen, heeft mij zeer vreemde mededeelingen gedaan. Amasis van Egypte moet mij allersnoodst bedrogen hebben. Mijne overledene gemalin zou niet zijne, maar de dochter van zijn voorganger geweest zijn!quot;'

Bij deze woorden liet zich een gemompel van verbazing hooien.

«Die grijsaard hier tegenover ons is gekomen, om ons de bewijzen voor dit bedrog te leveren.quot;

Onoephis boog het hoofd, ten teeken van toestemming.

sThans richt ik allereerst de vraag tot u, Prexaspes, mijn gezant; Is u Niietis uitdrukkelijk als de dochter van Amasis voorgesteld geworden

))Uitdrukkelijk! Wel had Nebenchari in een onderhoud met uwe moeder Cassandane de andere tweelingsdochter, Tachot, als de schoonste van de twee koningstelgen geprezen, doch Amasis stond er op, dat Nitetis naar Perzië zou gaan. Ik vermoedde dat hij u, met u zijn liefste kleinood af te staan, een uitnemend blijk van vriendschap wilde geven, en liet dus mijn aanzoek om de hand van Tachot varen. Want inderdaad de overledene verdiende mijns inziens, zoowel in schoonheid als in karaktei-, verre de voorkeur boven hare zuster. In zijn brief aan u schreef hij ook, gelijk gij u wel zult herinneren, dat hij u zijn schoonsteen liefste kind toevertrouwde.quot;

»Dat schreef hij, ja!quot;

i)En Nitetis was stellig de schoonste en edelste van het zus-terenpaar,quot; zeide Cresus, ter bevestiging van de verklaring van den gezant. ^Overigens kwam het mij voor, dat Tachot de lieveling van den koning en van de koningin was!quot;

»Zeer zeker!quot; liet Darius er op volgen; »Amasis plaagde Bartja eens onder den maaltijd zeggende: )gt;Zie niet te diep in de oogen van Tachot, want al waart gij een god, toch zou ik niet gedoogen, dat gij haar naar Perzië voerdet!quot; — De kroonprins Psamtik schrikte geweldig van deze scherts zijns vaders, en riep hem waarschuwend toe : ,Vader, denk aan Phanes !' Wij begrepen echter niet wat dit te beduiden had.quot;

1

Het was tjij de Egyptenaren een heilige plicht den ouderdom te eeren. Men denke aan het vierde gebod van Mozes, dat bijna woordelijk in den papyrus Frisse is weergevonden.

ocr page 367

356

»Aan Phanes?quot;

»Ja mijn koning,quot; antwoordde de Athener. «Amasis had mij eens, in zijn roes, deelgenoot van zijn geheim gemaakt; Psamtik waarschuwde hem nu slechts, zich niet andermaal te vergeten.quot;

«Verhaal mij ook dit geval!quot;

»Toen ik als overwinnaar van Cyprus te Saïs terugkeerde, werd er een groot feest aan het hof gevierd. Amasis gaf mij op allerlei wijzen blijken van zijne hooge ingenomenheid, omdat ik zulk eene schoone provincie voor hem gewonnen had. Hij omarmde mij, tot ergernis en verbazing der overige Egyptenaren. Hoe hooger zijn roes steeg, des te vuriger werd hij ook in de uitdrukking zijner dankbaarheid en vriendschap. Toen ik hem eindelijk met Psamtik naar zijne vertrekken bracht, en wij die zijner dochters voorbijgingen, bleef hij staan, en zeide: ))Daar slapen de meisjes. Als gij uwe vrouw verstooten wilt, Athener, dan geef ik u Nitelis tot gemalin ! Ik zou u gaarne tot mijn schoonzoon hebben! Het is een heel bijzonder geval met dat. meisje, Phanes! Gij hebt veel van haar vader gehoord, van Hophra....quot; Psamtik liet den beschonkene niet voortgaan. Hij legde hem de hand op den mond, en zond mij met een barsch woord naar mijne woning. Daar overdacht ik het gehoorde, en kwam toen tot vermoedens, die mij gebleken zijn de zuivere waarheid te wezen. Ik bid u, koning, dezen grijsaard te bevelen, de op deze zaak betrekking hebbende bladzijden uit het dagboek van den vroedmeester Imhotep voor u te vertolken.quot;

Gambyzes gaf den ouden man een teeken, en deze las nu, met eene zoo luide en heldere stem, als niemand uit zulk een gebrekkig lichaam zou verwacht hebben, het navolgende: »Op den vijfden dag der maand Toth 1) werd ik bij den koning ontboden. Ik was daarop voorbereid, want de koningin lag reeds in barensweeën. Met mijne hulp beviel zij voorspoedig van een zwak dochterken. — Toen de min het kindje had overgenomen, bracht Amasis mij achter het voorhangsel, dat het slaapvertrek zijner gemalin in tweeën scheidde. Daar lag eene tweede zuigeling, waarin ik het kort te voren ter wereld gekomene kind van Hophra's weduwe, die op den derden dag van Toth onder mijne handen gestorven was, herkende. De koning wees op het sterke, goed ontwikkelde kindje, en zeide: ))Dit is een ouderloos schepseltje. Daar de wet gebiedt, dat men zich over de verlatene weezen moet ontfermenquot;), zoo heb-

1

Dezo maand duurde van 29 Aug. tot 27 Sept. De 5de was dus onze 2do Sept.

ocr page 368

357

ben Ladice en ik besloten dit meisje op te voeden, als ware zij onze eigene dochter. Nu is er ons veel aan gelegen, dat de waarheid voor het volk en voor het kind zelf geheim blijve. Daarom verzoek ik u het diepste stilzwijgen in acht te nemen, en te verbreiden dat Ladice mij tweelingen heeft geschonken. Zijt gij ons hierin ter wille, zoo ontvangt gij nog heden vijf duizend gouden ringen, en jaarlijks zoolang gij leeft het vijfde van die som. Ik boog zonder een woord te spreken, gebood alle aanwezigen de kraamkamer te verlaten, en riep hen eenige oogenklikken later terug, om de mededeeling te doen, dat Ladice van eene tweede dochter verlost was. Het eigenlijke kind van Amasis ontving den naam Tachot, het ondergeschovene werd Nitetis geheeten.quot;

Bij deze woorden sprong Cambyzes van zijn zetel op en doorliep de zaal met groote stappen. Zonder zich een oogenblik te laten storen, vervolgde Onoephis onmiddellijk : ))Op den zesden dag der maand ïoth. Toen ik mij hedenmorgen, ten einde een weinig uit te rusten van de vermoeienissen van den afgeloopen nacht, had nedergelegd, verscheen een dienaar van den koning met het mij toegezegde goud en een brief, die het verzoek inhield een kinderlijkje te bezorgen, dat, alsof dit het overleden dochtertje van Hophra ware, met groote plechtigheid zou worden begraven. Niet zonder groote moeite heb ik, een uur geleden de zuigeling van het arme meisje, dat heimelijk bevallen is, bij de oude vrouw die aan den ingang der doodenstad woont, gekregen. Zij wilde van haai' gestorven lieveling, die haar zooveel smart en schande had gebracht, geen afstand doen; en eerst toen ik haar beloofde, dat de kleine op de kostbaarste wijze gebalsemd en bijgezet zou worden, gaf zij toe. In mijne groote artsenij kast, die ditmaal mijn zoon Nebenchari, in plaats van mijn dienaar Hib dragen moest, brachten wij het lijkje in de kraamkamer van Hophra's weduwe. Het kind van het arme meisje zal met alle vorstelijke eer begraven worden. Durfde ik haar maar mededee-len welk een heerlijk lot hare lieveling na den dood wacht.— Zoo even word Nebenchari voor den koning ontboden.quot;

Bij de tweede vermelding van dezen naam bleef Cambyzes staan, en vroeg: »Is onze oogarts Nebenchari dezelfde, van wien dit geschrift melding maakt?quot;

^Nebenchari,quot; antwoordde Phanes, sis de zoon van denzelfden Imhotep, die de beide kinderen verruilde!quot;

blijkt, dat den Egyptenaren steeds op het hart werd gedrukt weldadig te zijn, vooral jegens weduwen en weezen. Een aanzienlijk stadhouder beroemt zich in zijn graf te Benihassan, dat hij geen zwak kind benadeeld, geene weduwe kwaad gedaan heeft.

ocr page 369

358

Da oogarts keek somber voor zich.

Cambyzes nam de papyrusrol uit de hand van Onoeplüs, beschouwde een oogenblik, het hoofd schuddende, de schrijfteekens die ze bedekten, naderde toen den geneesheer, en zeide: »Bezie deze teekens, en zeg mij of uw vader ze waarlijk ueschreven heeft

Nebenchari viel op de knieën, en hief zijne handen smee-kend op.

«Heeft uw vader deze teekens geschreven?quot; vraag ik.

»Ik weet niet, of. . . . Inderdaad....quot;

))De waarheid wil ik hooren! Ja, of neen T'

))Ja, mijn koning; maar....quot;

»Sta op, en wees verzekerd van mijne genade! Het betaamt een onderdaan zijn vorst getrouw te zijn. Vergeet evenwel niet, dat gij thans mij als uw koning hebt te beschouwen. Cassan-dane heeft mij doen weten, dat gij haar morgen door eene kunstbewerking het gezicht zoudt wedergeven. Waagt gij niet teveel';quot;

»Ik ben van mijne kunst zeker, o koning!quot;

))Nog eens, wist gij van dit bedrog af?quot;

s.Ta — mijn vorst.quot;

«En gij liet mij in mijne dwaling'?quot;

))Ik had Amasis moeten zweren, het geheim te zullen bewaren, en een eed....quot;

))De eed is heilig! — Draag zorg, Gobryas, dat aan deze Egyptenaren een deel van onzen tafel worde gebracht. Gij schijnt groote behoefte aan betere voeding te hebben, oude!quot;

»Ik heb niets van noode, dan lucht om te ademen, een stuk brood en een dronk water, om niet van honger en dorst om te komen, een rein gewaad om den goden en mij zeiven te behagen, en een eigen kleine kamer om niemand in den weg te staan. Nooit ben ik rijker geweest dan op den huldigen dag.quot;

«Hoezoo'?quot;

»Ik sta gereed een koninkrijk weg te schenken.quot;

»Gij spreekt in raadselen.quot;

sik heb door mijne vertaling bewezen, dat uwe overledene gemalin eene kind van Hophra is geweest. Volgens onze wet heeft ook de dochter van een koning recht op den troon, indien er geene zonen of broeders zijn; wanneerdeze wederom kinderloos sterft, dan is haar echtgenoot haar wettige opvolger. Amasis heeft de kroon geroofd, terwijl Hophra en zijn nakomelingen door het recht van geboorte aanspraak op den troon hadden. Psamtik verliest alle recht op den schepter zoodra zich een broeder, een zoon, eene dochter of een schoonzoon van Hophra opdoet. Alzoo begroet ik in mijn koning, den toekomstigen heer van mijn schoon vaderland.quot;

ocr page 370

359

Cambyzes nam deze hulde aan, en Onoephis vervolgde; »Ook heb ik in de sterren gelezen, dat Psamtik zal ondergaan, maar-dat de kroon van Egypte voor u is bestemd.quot;

sik zal de sterren niet tot leugenaars maken!quot; riep Cambyzes, »U echter, vrijgevige oude, beveel ik een wensch uit te spreken, het komt er niet op aan welken.quot;

sLaat mij iu een wagen uw leger volgen. Ik heb geene andere begeerte meer, dan aan den Nijl mijne oogen te sluiten.quot;

))Het zij zoo! Laat mij iiians alleen, vrienden, en zorgt dat alle dischgenooten heden aan den maaltijd verschijnen. Onder het genot van den beker zullen wij krijgsraad houden. Een veldtocht naar Egypte schijnt mij oneindig meer de moeite waardig, dan een strijd tegen de Massageten!quot;

»Heil den koning!quot; riepen de aanwezigen jubelend, waarna zij zich verwijderden, terwijl Cambyzes zijne aan-en uitkleeders ontbood, om voor het eerst zijn rouwkleed met het schitterende koninklijk gewaad te verwisselen.

Gresus en Phanes begaven zich gearmd naar den tuin, die, met zijn schoone boomen en fraaie heesters, grootsche waterwerken en veelkleurige bloembedden, aan de oostzijde van het paleis lag. Het gelaat van don Athener straalde van geluk, terwijl de onttroonde koning bezorgd en weemoedig voor zich staarde.

»Hebt gij wel bedacht. Helleen,quot; begon de laatste, «welkeen fakkel gij zoo even in de wereld hebt geslingerd?quot;

»Slechts kinderen en dwazen handelen onbedacht.quot;

»Gij vergeet de door hartstocht verblinden.quot;

»Tol dezen behoor ik niet.quot;

»Toch is de wraakzucht de vreeselijkste van alle hartstochten.quot;

s.Ta, als men er in eene oogenljlikkelijke opwelling gehoor aan geeft. Mijne wraakzucht is zoo koel als dit ijzer; maar ik ken mijn plicht.quot;

»De eerste plicht van ieder deugdzaam mensch is, zijn eigen geluk minder te achten dan dat van zijn vaderland.quot;

»Dut weet ik. ...quot;

»Gij verliest evenwel uit het oog, dat gij met het Egyptische rijk ook uw eigen vaderland den Perzen overlevert!quot;

»Dit ben ik niet met u eens.quot;

«Gelooft gij dan, dat Perzië het schoone Griekenland met vrede zal laten, als het eens in 't bezit is van al de overige kusten der middelzee'?quot;

«Volstrekt niet; maar ik ken mijne Heienen, en houd het er voor, dat zij alle legers der barbaren met roem zullen weder-

ocr page 371

300

staan, en als het gevaar naakt, grooter zullen zijn dan ooit tevoren. De nood zal al onze afzonderlijke stammen vereenigen, ons tot een groot eendrachtig volk maken, en de tronen der tyrannen omverwerpen.quot;

»Alteinaal droomen!quot;

sDie verwezenlijkt zullen worden, zoo waar ik hoop, dat ik weldra gewroken zal zijn!quot;

sik kan de gegrondheid uwer onderstelling kwalijk beoordee-len, daar de tegenwoordige toestand van uw vaderland mij geheel vreemd is. Maar ik houd u voor een verstandig man, die het schoone en goede liefheeft, en te rechtschapen denkt, om uit bloote wraakzucht een geheel volk in 't verderf te willen storten. Het is voorwaar wel vreeselijk, dat een gansche natie boeten moet voor de schuld van een enkele, zoo die enkele eene kroon draagt! Doch verhaal mij thans, als gij ten minste iets aan mijn oordeel hecht, welk onrecht uwe wraakzucht zoo geweldig heeft doen ontbranden 1quot;

«Luister dan, en beproef nimmer weer mij van mijn voornemen af te brengen ! Gij kent den Egyptischen kroonprins, gij kent ook Rhodopis. Eerstgenoemde was mijn doodvijand, om meer dan éene reden; zij de vriendin van alle Hellenen, en in bet. bijzonder de mijne. Toen ik Egypte verlaten moest, bedreigde Psamtik mij met zijn wraak. Uw zoon Gyges redde mijn leven. Eenige weken later kwamen mijne kinderen te Naucratis; van daar zouden zij mij naar Sigeum volgen. Rhodopis nam hen in haar huis en onder bare bescherming. Een ellendeling had het geheim weten uit te visschen, en het den kroonprins verraden. In den volgenden nacht werd het huis der Tracische vi'ouw omsingeld en doorzocht. Men vond mijne kinderen en voerde ze weg. Intusschen was Amasis blind geworden; hij liet in dien toestand zijn verwenschten zoon de banden geheel vrij, en deze ontzag zich niet, mijn eenigen jongen.... te.. .

»Hij liet hem dooden?quot;

«Gij zegt het.quot;

»En uw tweede kind?quot;

»Het meisje is thans nog in zijne macht.quot;

»Maar men zal het arme schepseltje vermoorden, als men verneemt. ...quot;

«Laat het sterven. Liever wil ik kinderloos, dan ongewroken ten grave dalen!quot;

sik versta u, en kan u thans niet meer laken. Het bloed van uw zoon eischt wraak.quot;

Dit zeggende, drukte de grijsaard de rechterhand van den, Athener, die na zijne tranen gedroogd en zijne aandoening overwonnen te hebben, uitriep: ))Kom, thans naar den krijgsraad t

ocr page 372

301

Niemand heeft grootere redenen, om Psamtik voor zijne schanddaden te danken, dan Cambyzes. Deze hartstochtelijke man deugt niet voor vredevorst.quot;

En toch houd ik het voor de eerste plichten eens konings, om aan de innerlijke welvaart van zijn rijk te arbeiden. Maar de menschen zijn nu eenmaal zoo dwaas, dat zij hunne beulen hooger waardeeren dan hunne weldoeners. Hoeveel liederen zijn er niet ter eere van Achilles gezongen, en wie is nog ooit op den inval gekomen, om de wijze regeering van Pittacus te Lezingen 1)

»Er behoort dan ook meer nioeds toe, om bloed te vergieten dan om boomen te planten.quot;

«Maar meer goedheid en verstand, om wonden te heelen dan om wonden te slaan. — Maar, voor dat wij de zaal binnengaan, moet ik u nog eene dringende vraag doen. Zal Eartja, als Amasis met de ontwerpen van den koning bekend wordt, zonder gevaar te Naucratis kunnen blijven?quot;

»Waarlijk niet. Ik heb hem dan ook gewaarschuwd, en aangeraden daar ginds vermomd en onder een valschen naam op te treden.quot;

ï)Was hij aanstonds daartoe bereid?quot;

))Hij scheen ten minste van plan te zijn mijn wenk te ge-gehoorzamen.quot;'

oln ieder geval zal het goed zijn hem een bode na te zenden, om hem aan te iaden op zijne hoede te zijn.quot;

Wij zullen dit den koning verzoeken.quot;

»Kom thans ! Daar rijden reeds de wagens, die den maaltijd voor den hofstoet bevatten, de keuken uit.quot;

»Hoeveel menschen worden er wel dagelijks door den koning gespijzigd !quot;

sOmtrent vijftien duizend 2).quot;

))Dan mogen de Perzen de goden wel danken, dat hunne koningen slechts een maaltijd daags houden !quot;

1

Vgl blz. 9.

2

Deze ongehoorde hofhouding zou dagelijks 400 talenten, dus zoowat 1.080,000 gulden hebben gekost.

ocr page 373

DERDE H O O F D S T U K.

Zes weken na de beschrevene gebeurtenissen naderde eene kleine ruiterschaar in draf de poorten van Sardes. Do paarden en hunne berijders waren zeer bezweet en met stof overdekt. De eersten, wier instinct hun de nabijheid van slal en kribbe deed vermoeden, spanden hunne laatste krachten in, doch schenen voor het ongeduld der twee mannen, die in Perzische hofklee-ding aan het hoofd van den troep reden, nog veel te weinig spoed te maken.

De goed onderhoudene koningsweg, die over het eerste terras van bet Tmolus-gebergte nu eens rees, dan weder daalde, liep door vruchtbaar bouwland van zwarte aarde, en door bosschen van allerlei boomen. Olijven, citroenen, platanen, moerbeziën en wijngaarden bedekten den voet der hoogten, terwijl hooger op de pijn-, cypresse- en notebuumwouden groenden. Aan den rand der akkers stonden vijge- en granaatstruiken met vruchten beladen. In het gras der weiden en in het, lommer der bosschen bloeiden veelkleurige en geurige bloemen. Nu en dan trof men bronnen aan ter zijde van den weg, zorgvuldig door muren afgesloten; en daarnaast waren onder schaduwrijke struikgewassen banken aangebracht, die de reizigers gelegenheid gaven om een wijle te rusten. De weg liep over bergspleten en beken, die tengevolge der zomerhitte half uitgedroogd waren. Op belommerde vochtige plaatsen bloeide de laurierroos, terwijl daar, waar de zon het sterkst brandde, slanke palmen met hunne sierlijke kronen wuifden. Een donkerblauwe, volkomen wolken-looze hemel welfde zich over dit rijke landschap, dat zuidwaarts de besneeuwde toppen van het Tmolus-gebergte, ten westen de blauwachtig schemerende Sipylus-bergen tot gezichteinder had.

Thans voerde de weg door een boschje van berken, om welks stammen zich, met een overvloed van druiven beladene wijn-ranken tot hoog in de toppen slingerden, nederwaarts in een dal. Bij eene kromming, van waar men een heerlijk vergezicht

ocr page 374

363

had, hielden de ruiters stil. Vóór hen lag' de hoofdstad van het voormalige Lydische rijk, eens de residentie van Cresus, het gouden Sardes, in het wijdvermaarde Hermusdal. Eene donkere steile rots stak hoog uit hoven de eenvoudige rieten daken van de tallooze huizen der stad. Op haar top zag men reeds van verre een majestueus gebouw, uit wit marmer opgetrokken. Het was de burcht, om welks driedubbele muren koning Meles, vele eeuwen geleden, een leeuw had rondgedragen, opdat ze onneembaar zouden zijn. De zuidelijke helling van den slotberg was minder steil, en met huizon bebouwd. Noordwaarts van deze rots verrees, op den oever van den stofgoud mot zich voerenden Pactolus, het voormalig paleis van Cresus. Aan gene zijde van het marktplein, dat de van verrukking opgetogene reizigers als eene onbegroeide plek te midden eener bloeiende weide voorkwam, ruischte de rosse stroom, die zich westwaarts in een smal bergdal stortte, om daar den voet van den grooten tempel van Cybele ') te hespoelen. Oostwaarts strekten zich groote tuinen uit, door welker geboomte men hier en daar het kristalheldere Gygaeische meer zag glinsteren. Bont geverfde speelvaartuigen, waarachter een tal van sneeuwwitte zwanen met hunne lange halzen de diepte schenen te peilen, bedekten de oppervlakte van het meer. Op omtrent een kwartier afstand van het water, verhieven zich talrijke, door menschenhanden op-geworpene heuvels, van welke drie vooral door hunne aanmerkelijke grootte en hoogte de aandacht trokken 1).

»Wat beduiden die vreemdsoortige aardhoogten ?quot; vroeg Darius, de aanvoerder van deze schaar, aan Prexaspes, den gezant van Cambyzes die naast hem reed.

))Dat zijn de graven van de oude koningen van Lydië,quot; was het antwoord. »De grootste heuvel, links, niet de middelste, die ter eere van een vorstelijk echtpaar, namelijk Panthea en

1

Het Gygaeische meer was Homerus reeds bekend. Herodotus noemde de provincie der Lydische koningen de stoutste werken, die door menschenhanden waren tot stand gebracht, na de Egyptische en Babylo-lonische. De kegelvormige heuvels zijn nog te zien, niet verre van het meer, bij de puinhoopen van Sardes. De grootste, het graf van Alyat-tes, heeft nog altijd een omvang van 3400 en een hoogte van 650 voet. De Pruisische consul Spiegelthal vond er een grafkamer in.

ocr page 375

364

Abradat, werd opgeworpen, is het gedenkteeken dat men voor Alyattes, den vader van Cresus, opgericht heeft. De koop- en handwerkslieden en de maagden van Sardes hebben dat uit liefde voor hun overledenen koning gesticht. Aan de vijf zuilen op den top kan men lezen, hoeveel arbeids iedere afdeeling van het volk aan dezen berg heeft verricht. De meisjes hebben den grootsten ijver aan den dag gelegd. De grootvader van Gyges moet een bijzonder vriend van het schoone geslacht geweest zijn.quot;

»Dan is de kleinzoon wel een tegenhanger van zijn grootvader !quot;

«Hetgeen te vreemder is, omdat ook Cresus in zijne jeugd volstrekt geen vijand van het vrouwelijk geslacht is geweest, en den Lydiërs in den regel voor het mingenot geboren schijnen te zijn. Ginder in het Pactolus-dal, nabij de groote goudwasscherij, staat de tempel der godin van Sardes, Cybele of Ma geheeten. Gij kunt de witte muren zien door de openingen van het bosch, dat hem omgeeft. Daar is menig lommerrijk plekje waar zich de jonge lieden van Sardes, ter eere der godin, gelijk zij zeggen. minnend en koozend vereenigen.quot;

»Even als te Babyion, op het feest van Mylitta.quot;

sOp de kusten van Cyprus bestaat dezelfde gewoonte. Toen ik op mijne terugreis uit Egypte daar landde, werd ik door eene schaar der schoonste maagden met liefelijk gezang ontvangen. Al dansende onder den klank van cymbalen voerden ze mij naar het bosch van hare godin. Daar moest ik eenige goudstukken nederleggen, en werd toen door het bekoorlijkste meisje dat gij u kunt voorstellen, in een purperen tent geleid, die van de heerlijkste geuren vervuld en waar ons een bed van roze- en leliebladeren gespreid was.quot;

sZopyrus zal zich dan de krankheid van Bartja wel niet te sterk aantrekken.quot;

»En zeker meer tijd in het bosch van Cybele, dan aan de zijde van den lijder doorbrengen. Het verheugt mij, den opge-ruimden jongen weldra te zullen wederzien.quot;

»Hij zal die vlagen van neerslachtigheid, waarin gij sedert den laatsten lijd zoo dikwijls vervalt, wel voorgoed verdrijven P »Ik zal al mijne krachten inspannen ze voortaan te onderdrukken, ofschoon die sombere stemmingen, welke gij met alle recht afkeurt, hare oorzaak hebben. Cresus zegt, dat men slechts dan kwalijk geluimd is, als men te traag of te machteloos is, om te worstelen met de omstandigheden. Onze vriend heeft' gelijk en men zal Darius noch van zwakheid, noch van traagheid kunnen beschuldigen. Kan ik ook de wereld niet beheer-schen, dan wil ik toch voor het minst meester van mii zeiven zijn 1quot;

ocr page 376

365

Dit zeggende, richtte zich de schoone jongeling hoog in den zadel op. Zijn geleider zag hem met verbazing aan, en riep: «Waarlijk, zoon van Hystaspes, ik geloof, dat gij tot groote dingen bestemd zijt. Niet zonder doel hebben de goden hun lieveling Gyrus, toen gij nog een knaap waart, dien droom ingegeven, die oorzaak was dat hij u door uw vader deed opsluiten.quot;

»En toch heb ik nog geene vleugels gekregen.quot;

»Uw lichaam niet, maar wel uw geest. Jongeling, jongeling, gij zijt op een gevaarlijken weg!

»Hoeft de gevleugelde dan voor een afgrond te vreezen?quot;

«Als zijne krachten hem begeven, ja!quot;

»Maar ik ben sterk!quot;

»Doch sterkeren zullen beproeven uwe vleugels te verlammen!'

«Laat hen begaan! Ik weet, dat ik slechts wil wat goed is en vertrouw op mijn gesternte.quot;

»Weet gij ook hoe de naam van dat gesternte is?quot;

»Anahita ') is de naam der ster, waaronder ik geboren ben.quot;

»Ik geloof haar beter te kennen. Brandende eerzucht heet de zon, wier stralen uwe handelingen besturen. Neem u in acht, jongeling! Ook ik heb het pad bewandeld, dat óf tot roem óf tot schande, maar slechts zelden tot waar geluk voert. De eergierige gelijkt een dorstige, die zoutwater drinkt. Hoe meer roem hij oogst, hoe dorstiger hij wordt naar eer en grootheid! Van gemeen krijger ben ik gezant van Cambyzes geworden; maar wat blijft u nog na te jagen overig, gij, die thans reeds na den koning de grootste in geheel Perzië zijt?.... Maar, bedriegen mijne oogen mij niet, dan rijden Zopyrus en Gyges aan de spits der ruiterschaar, die ons van de zijde der stad te gemoet komt. De angaar, die vóór ons de herberg verliet, heeft zeker gezegd dat wij in aantocht waren.quot;

»Ja, zij zijn het!quot;

»Waarlijk! Zie maar. hoe Zopyrus met hel palmblad, dat hij zoo even afbrak, zwaait en wuift!quot;

«Jongens, snijdt ons spoedig een paar takken van dezen struik! — Zoo is het goed! Laat ons nu met purpere granaatbloesems de groene palmen beantwoorden!quot;

quot;Weinige oogenblikken later omarmden Prexaspes en Darius hunne vrienden. Daarop trokken de vereende ruiterbenden door de tuinen, die het Gygaeische meer omgaven, en de voornaamste uitspanningsplaats der bewoners van Sardes, uitmaakten, de volkrijke stad binnen. De zon neigde juist ten ondergang, en een frisch koeltje begon te waaien. De burgers der stad stroomden de poorten uit, om zich in de buitenlucht te gaan vermeien.

2) De planeet Venus.

ocr page 377

oOG

Lydische kiijgers met rijk versierde helmen, en Perzische soldaten met cylindervormige tulbanden, liepen de geblanketteen he-kranste deernen achterna. Dienstmeisjes brachten de aan hare zorg toevertrouwde kinderen naar het meer, om hen de zwanen te laten voederen. Onder een plataanboom zat een blinde grijze zanger, die voor een vrij talrijk gehoor zijne weemoedige liederen met een magadis, of twintig-snarige Lydische luit, begeleidde. Een groot aantal knapen vermaakten zich met dobbel-steenen of met het kegelspel1); half volwassene meisjes stonden naar deze spelen te kijken, en gilden somwijlen van schrik, als eene barer door den met kracht geworpen bal werd getroffen, of deze bij ongeluk in het meer te recht kwam.

De zooeven aangekomene Perzen sloegen nauwelijks acht op dit bonte tooneel, dat ouder gewone omstandigheden in hooge mate hunne belangstelling zou hebben gewekt. Nu echter wijdden zij hunne gansche aandacht aan hunne vrienden, die hun veel van Bartja verhaalden, en hoe hij de ernstige ziekte gelukkig te boven was gekomen.

Aan de metalen poort van het paleis, dat Cresus vroeger bewoond had, kwam hun de satraap van Sardes, Oroetes, te gemoet. Het was een deftig man, die voor deze gelegenheid zijne, met kostbare versierselen overladene hofkleeding had aangetrokken. Zijne kleine zwarte oogen schenen, van onder een paar borstelige ineengegroeide wenkbrauwen, met hun doordringend scherpen blik, de gedachte van alle menschen te willen raden. De provincie, die door hem bestuurd werd, was eene der belangrijkste en rijkste. Zijne hofhouding streefde die van Cambyzes in glans en rijkdom op zijde, schoon zijne dienaren en vrouwen veel minder in aantal waren, dan die van den koning. Toch werden de ruiters aan de poort door eene groote schaar van lij fwachten, slaven, eunuchen en sierlijk uitgedoschte ambtenaren afgewacht.

Het paleis dat nog altijd prachtig mocht worden genoemd, was ten tijde dat Cresus het bewoonde, de heerlijkste aller vor-stenwoningen. Na de inname van Sardes hadden echter de Perzische veroveraars het grootste gedeelte der rijkdommen van den onttroonden koning naar de schatkamers van Cyrus te Pa-sargadae overgebracht, en waren de schoonste kunstwerken door ruwe handen vernietigd geworden. Toen die schrikkelijke dagen voorbij waren, hadden de Lydiërs menigen verborgen schat weder te voorschijn gehaald, en zich gedurende eenigejaren van vrede, onder de regeering van Cyrus en Cambyzes, door kunstvlijt en

1

Volgens Herodotus zouden de Lydiërs liet spelen met dobbelsleenen en met den bal hebben uitgevonden, maar niet liet damspel. Uit laatste schijnt wel van Egytischen oorsprong te zijn. Het is ook zeker, dat men aan den Nijl vroeger dan in Lydië het balspel kende.

ocr page 378

3G7

•werkzaamheid zoover hersteld, dat Sardes thans wederom onder de rijkste steden van Klein-Azië, ja, van de gansche wereld mocht gerekend worden. Schoon Darius en Prexaspes aan de pracht eener koninklijke hofhouding gewoon waren, verwenderden zij zich niettemin over de schoonheid en den luister van het paleis van den satraap. Vooral trofïen hen de kunstwerken van marmer, zooals men er nog te Babyion, noch te Suza, noch te Ekbatana vond 1). Gebakken tegels en cederhout moesten daalde plaats van deze kostbare steensoort vervullen.

In de groote zaal vonden de vrienden Bartja, die er bleek uitzag, en van de matras waarop hij lag, de armen naai- hen uitstrekte. Nadat do hereenigde vrienden aan de tafel van den satraap den maaltijd hadden gebruikt, begaven zij zich naar het vertrek van den herstellende, ten einde ongestoord te kunnen spreken.

Toen zij zich daar hadden neergezet, riep Darius Bartja toe: »Thans moet ge mij allereerst vertellen, hoe gij aan deze ongelukkige ziekte zijt gekomen.quot;

«Zoo gezond, als wij maar wenschen konden,quot; begon de koningszoon, «reisden wij, gelijk gij weet, van Babyion af, en bereikten zonder eenige stoornis Germa, een klein stadje aan den Sangarius gelegen. Vermoeid van den forschen rit, verbrand dooide zon van Chordat 2), en ontoonbaar door het stof dat op ons kleefde, sprongen wij van onze paarden, ontdeden ons van onze kleederen, en wierpen ons in den vloed, die voorbij de herberg stroomde, en wiens heldere golven ons tot een bad schenen uit te noodigen. Gyges berispte ons om onze onvoorzichtigheid; wij echter bouwden op onze geharde lichamen, sloegen zijne vermaningen in den wind, en zwommen vroolijk in de groene golfjes rond. Kalm en rustig als altijd liet Gyges ons begaan, ontkleedde zich, nadat wij reeds met baden gedaan hadden, en ging toen op zijne beurt te water. Twee uren later zaten wij weer in den zadel, joegen als gold het dood of leven op de heirbaan voort, wisselden bij iedere pleisterplaats van paarden, en maakten den nacht tot dag.

»In de nabijheid van Ipsus kreeg ik hevige pijn in het hoofd en door al mijne leden. Maar ik schaamde mij te bekennen dat ik mij niet wel gevoelde, en hield mij goed, totdat wij te

1

Het paleis van Persepolis bestond toen nog niet. Dit was gedeeltelijk uit den zwarten steen van den berg Rachmed, gedeeltelijk uit wit marmer opgetrokken. Darius zou dien bouw reeds hebben begonnen. Het paleis van Suza was van tegels gebouwd, dat van Ekbatana van hout, dat met goudplaten van onschatbare waarde bekleed en met tegels van allerlei edele metalen bedekt was.

2

Mei.

ocr page 379

368

Bagis versche paarden moesten bestijgen. Toen ik mij in den zadel wilde werpen, begaven mij mijne krachten en mijn bewustzijn, en viel ik neder.quot;

»Of wij ook schrikten, toen gij inéenzaktet,quot; viel Zopyrus den spreker in de rede. »En het was een zegen dat Gyges bij mij was. Ik had geen raad geweten. Hij behield echter zijne volle tegenwoordigheid van geest en handelde, na aan zijne boosheid lucht te hebben gegeven in woorden, die voor ons juist niet zeer vleiend waren, als een omzichtig veldheer. Die ezel van een geneesheer, die aanstonds kwam aanloopen, zwoer bij hoog en laag, dat Bartja reddeloos verloren was, voor welk bewijs van doorzicht ik hem een pak slaag heb gegeven.quot;

»Dat hij zich gaarne getroostte,quot; lachte de satraap, ))daar gij bevel gaaft, op iédere striem een goudstater te leggen.quot;

«Ja, mijn lust om klappen uit te deelen heeft me reeds veel geld gekost. Doch ter zake. Nauwelijks had Bartja de oogen weder geopend, of Gyges droeg mij op naar Sardes te rijden, om een bekwamen geneesheer en een gemakkelijken reiswagen te halen. Dien rit doet geen mensch mij na! Een uur voor dat ik hier aankwam, stortte mijn derde paard van vermoeidheid neder. Nu liep ik wat ik maar loopen kon op de poort aan. De wandelaars moeten allen wel gedacht hebben, dat het mij in de hersenen scheelde. Den eersten ruiter den besten, een koopman uit Celaenae 1), rukte ik zonder een woord te spreken van zijn paard, sprong er zelf op, en voordat een nieuwe dag was aangebroken, was ik met den besten Sardischen arts en den voortrelïelijksten reiswagen van Oroetes bij onzen zieke terug, dien wij, zoo langzaam mogelijk rijdende, naar dit paleis brachten, waar hij door eene kwaadaardige koorts werd aangetast. Hij kraamde alle dwaasheden uit, die in een men-schenhoofd kunnen opkomen, en joeg ons zulk een angst aan, dat mij, als ik aan die dagen denk, nog telkens het angstzweet uitbreekt.quot;

Bartja greep de hand van zijn vriend en zeide, zicli tot Darius wendende: »Hem en Gyges dank ik mijn leven. Zij hebben mij, tot op het oogenblik dat zij ulieden te gemoet reden, geene minuut verlaten, en mij verpleegd, gelijk eene moeder haar ziek kind. Ook aan uwe goedheid, Oroetes, ben ik veel verplicht, en dubbel, wijl gij er u zeiven onaangenaamheden door hebt berokkend-quot;

))Hoe was dat mogelijk?quot; vroeg Darius.

»Die Polycrates van Samos, wiens naam in Egypte zoo dikwerf genoemd werd, heeft den beroemdsten geneesheer, op welken

1

Eeue groote handelsstad in Phiygië.

ocr page 380

3G0

Griekenland ooit trotsch mocht wezen, aau zich verbonden. Oroetes schrijft terstond, nadat ik ziek in zijn huis bei) gekomen, aan Democedes 1) en verzoekt hem, ouder de schoonste beloften, dadelijk naar Sardes te reizen. Samische zeeroovers, die de geheele Ionische kust onveilig maken, vangen den bode op, en brengen don brief van Oroetes aan hun heer Polycrates over. Deze opent hem en zendt den afgezant naar hier terug met de boodschap, dat Democedes in zijn dienst is. Als Oroetes 2) hem noodig had, kon hij zich tot Polycrates zeiven wenden. Onze edele vriend vernederde zich om mijnentwille, en verzocht den Samiër zijn geneesheer naar Sardes te zenden.1'

»En Polycratesvroeg Prexaspes.

))De hoogmoedige tyran van het eiland zond oogenblikkelijk den bekwamen arts, die mij, zooals gij ziet, geheel genezen heeft, en eerst voor weinige dagen met rijke geschenken Sardes verliet.quot;

«Overigens,quot; viel Zopyrus zijn vriend in de rede, »kan ik zeer goed begrijpen, waarom de Samiër niet lichtvaardig afstand doet van zijn lij.arts. Ik verzeker u Darius, die man heeft zijn gelijke niet. Hij is schoon als Minutscher, verstandig als Piran VVisa, sterk als Rustem 3) en dienstvaardig als het heilige Soma 4). Gij hadt eens moeten zien, hoe hij metalen schijven, die hij discus noemde, wist te slingeren! Ik ben geen kind als 't op worstelen aankomt, maar wij waren geen minuut aan den gang, of ik lag reeds op den grond. En dan kan hij geschiedenissen verhalen, dat den toehoorders er het hart in't lijf van opspringt,quot;

»Wij hebben een diergelijk man leeren kennen,quot; zeide Darius, lachende om de geestdrift van zijn vriend, «namelijk Phanes, den Athener, die gekomen is om onze onschuld te bewijzen.quot;

«Democedes, de geneesheer, is uit Kroton, 't welk dicht bij de plek moet liggen, waar de zon ondergaat.quot;

«Maar,quot; liet Oroetes er op volgen, »dat evenals Athene door Hellenen bewoond wordt. Weest op uwe hoede voor deze men-schen, mijne jonge vrienden, want ze zijn even listig, bedrieglijk en zelfzuchtig, als sterk, verstandig en schoon.quot;

«Democedes is edel en waarheidlievend!quot; riep Zopyrus.

«En Phanes,quot; verzekerde Darius, «wordt zelfs door Cresus voor even deugdzaam als dapper gehouden.quot;

«Ook Sappho,quot; bevestigde Bartja, «heeft van den Athener niets dan goeds getuigd, maar zwijgen wij van de Hellenen.

24

1

Zie boven Mz. 36

2

Dezelfde Oroetes wist Polycrates latei met list naar Sardes te lokken, en liet hem daar kruisigen.

3

Helden uit de Perzische suge.

4

Zie boven blz. 193.

ocr page 381

370

Oroetes is hun vriend niet, wijl zij liem door liunne weerspannigheid de handen vol werk geven.quot;

»Dat weten de goden !quot; zuchtte de satraap. »Eéne Grieksche stad is mocielijker in toom te houden, dan alle landen tusschen den Euphraat en den Tigris.quot;

Terwijl de satraap sprak, was Zopyrus eens naar het venster gegaan om uit te zien. Thans viel hij den spreker in de rede met te zeggen: »De sterren staan reeds zeer hoog, en Bartja heeft rust noodig; haast u daarom Darius, en verhaal ons wat van huis!quot;

De zoon van Hystaspes knikte toestemmend, en deed nu omstandig verslag van de voorvallen, die wij reeds hebben bijgewoond. Het uiteinde van Nitetis vond vooral hij Bartja oprechte deelneming, terwijl het ontdekte bedrog van Amasis allen met verbazing en onrust vervulde.

»Nadat de eigenlijke afkomst der overledene onwederlegbaar bewezen was,quot; vervolgde de verhaler, na eene korte pauze, «scheen Cambyzes een ander mensch te zijn geworden. Hij riep ons allen samen tot het houden van krijgsraad, en had aan tafel, in plaats van rouwkleederen, voor het eerst weder zijn koninklijk gewaad aan. Gij kunt u voorstellen, met welk een gejuich het vooruitzicht op een oorlog met Egypte begroet werd. Zelfs Cresus, die anders Amasis niet ongenegen is, en gewoonlijk voor den vrede stemt, had ditmaal niets hiertegen in te brengen. Den volgenden morgen werd, gelijk dit gewoonlijk geschiedt, nogmaals overwogen, wat in den roes besloten was. Nadat velen hunne zienswijze hadden doen kennen, verzocht ook Phanes het woord te mogen hebben. Hij sprak wel een uur achtereen. Maar welk een taal! Het was alsof de goden hem woord voor woord in den mond hadden gelegd. Onze taal, die hij zich in ongelooflijk korten tijd eigen heeft gemaakt, vloeide als honig van zijne lippen, en perste het eene oogenblik ons allen lieete tranen uit de oogen, om ons het volgende in een stormachtig gejuich of in woeste kreten van verontwaardiging te doen losbarsten. Iedere beweging zijner handen was bevallig als het wenken eener danseres, en toch mannelijk en vol waardigheid.

»Ik ben niet in slaat zijne rede weer te geven, want mijne woorden zouden bij de zijne klinken, als tromgeroffel bij donderslagen. En toen wij eindelijk, door onze geestdrift weggesleept, eenstemmig tot den krijg besloten, nam Phanes nog eenmaal hel woord, en deed de middelen en wegen aan de hand, om op de gemakkelijkste wijze de zege te behalen.quot;

Darius kon niet voortgaan, want Zopyrus was, onder luid gejuich, hem om den hals gevallen. Ook Bartja, Gyges en de

ocr page 382

satraap Oroetes verheugden zich van harte over zijne mededee-ling, en drongen bij den verhaler aan, om hun het einde te doen kennen.

sin de maand Farwardin 1),quot; begon de jongeling opnieuw, ^moeten onze legers aan de grenzen van Egypte staan, wijl in Murdad 2) de Nijl buiten zijne oevers treedt, en den marsch van het voetvolk zeer zou bemoeilijken. De Helleen Phanes is thans op weg naar de Arabieren, om een verhond met hen te sluiten. De zonen der woestijn moeten ons in hun dor en onherbergzaam land van water en van gi(isell voorzien. Verder wil hij het rijke Cyprus, dat hij eens voor Amasis veroverde, in onze hand stellen. De koningen van dit eiland hebben, op zijne voorspraak, hunne kronen behouden, en zullen aan zijne raadgevingen onmiddellijk gehoor geven. De Athener zorgt voor alles, en kent overal den weg, als kon hij gelijk de Zon de geheele aarde overzien. Hij toonde ons ook eene afbeelding van al de landen, op eene koperen tafel.quot;

Oroetes gaf over alles zijne goedkeuring te kennen, enzeide: ;)Ook ik bezit ;:ulk eene afbeelding van de wereld. Een Mile-siër, Hecataeus 3) genaamd, die voortdurend reizen doet, heeft deze geteekend, en mij voor een pas ten geschenke gegeven,quot; ))Die Hellenen bedenken van alles!quot; riep Zopyrus, die zich niet het flauwste denkbeeld kon maken van zulk eene voorstelling van de aarde.

sik zal u morgen mijne tafel laten zien,quot; zeide Oroetes; stlians echter moeten wij Darius niet meer in de rede vallen.quot;

sPhanes trok dus naar Arabië,quot; vervolgde de verslaggever, »ferwijl Prexaspes afreisde, om u, Oroetes, niet slechts te bevelen zoovele soldaten als mogelijk is, — vooral loniërs en Kariërs, over wie het bevel aan den Athener zal worden opgedragen, — bijeen te brengen, maar ook om Polycrates een verbond met ons voor te slaan.quot;

))Een verbond met hem, met den zeeroover'?quot; vroeg Oroetes, wiens gelaat merkbaar betrok.

«Met denzelfden,quot; antwoordde Prexaspes, zich houdende, als ware hem de trek van onwil op het aangezicht van de satraap ontgaan. sPhanes heeft van den man, die over zoovele voortreffelijke schepen te bevelen heeft, reeds toezeggingen

1

Maart.

2

Juli.

3

Hij leefile in dezen tijil. Men zou hem „den vader der geographiequot; kunnen noemen. !lij verbeterde de kaarten van Anaximander en schreef eene „Reis om de Wereldquot;, die helaas, op kleine fragmenten na, verloren ging. Perzië en Egypte kende liij nauwkeurig.

ocr page 383

372

gekregen, zoodat wij ons van den gunstigen uitslag uwer zending verzekerd kunnen houden.quot;

))Ue Phoenicische, Syrische en Ionische oorlogsschepen,quot; hernam de stadhouder, «zullen meer dan voldoende zijn, om de Egyptische vloot Ie overwinnen.quot;

«Daarin hebt gij volkomen gelijk. Maar indien Polycrates zich tegen ons verklaarde, dan zouden wij ons bezwaarlijk ter zee kunnen handhaven. Uit uw eigen mond toch hebben wij gehoord, dat hij in de Aegaeische zee den schepter voert.quot;

«Desniettemin keur ik een verbond niet den zeeschuimer ten sterkste af!quot;

»Vóor alle dingen zoeken wij goede bondgenooten, en de zeemacht van Polycrates boezemt ons ontzag in. Eerst wanneer wij met zijne hulp Egypte veroverd hebben, dan komt de tijd, om zijn overmoed te fnuiken. Maar wat ook verder van de zaak zij, ik moet u verzoeken allen persoonlijken wrok ter zijde te stellen, en slechts op het welslagen van het groote ontwerp bedacht te zijn. Deze woorden spreek ik in den naam des konings, wiens ring ik draag, en verplicht ben u te toonen.quot;

Oroetes boog zich zwijgend voor dit teeken van het vorstelijk gezag, en vroeg; »Wat verlangt Cambyzes van mij '7quot;

»Hij beveelt u, alle mogelijke pogingen in het werk te stellen, om een verbond met den Samiör tot stand te brengen, en verder, dat gij uwe troepen hoe eer hoe liever naar het. hoofdleger in de Babylonische vlakte laat oprukken.quot;

De satraap boog, en verliet in trotsche houding het vertrek.

Zoodra men het geluid zijner schreden in de zuilengang van het binnenhof hoorde, sprak Zopyrus: »De arme man! Het is bijster hard voor hem, den overmoedige, die zich zoo menige beleediging jegens hem veroorloofde, met zulk eene boodschap aan boord te komen. Denk slechts aan de geschiedenis met den arts!quot;

»Gij zijt ai te toegevend,quot; hernam Darius, zijn vriend in de rede vallende. »Deze Oroetes bevalt mij niet! Zoo mag men een bevel des konings niet opnemen. Zaagt gij niet, dat hij zijne lippen aan bloed beet, toen Prexaspes hem den zegelring van onzen vorst toonde?quot;

»In dezen man woont een hoogmoedig hart,quot; voegde de gezant er bij. «Hij verliet ons zoo spoedig, omdat hij zijn toorn niet langer meester was.quot;

«Toch moet ik u verzoeken,quot; zeide Bartja, »het gedrag van den satraap, wien ik grooten dank verschuldigd ben, voor mijn broeder te verzwijgen.quot;

Prexaspes boog even, doch Darius hernam: »In ieder geval moet men dezen man in het oog houden. Juist te^dezer plaatse

ocr page 384

373

zoover van quot;s konings poorten, te midden van vijandige volken, hebben wij stadhouders noodig, die hun heer gewilliger gehoorzamen, dan Oroetes, die zich schijnt te verbeelden koning van Lydie te zijn:quot;

»Zijt gij verstoord op den Satraap ?quot; vroeg Zopyrus.

))Ik geloof ja,quot; luidde het antwoord. «Als ik iemand ontmoet, dan gevoel ik aanstonds iets, dat mij tot hem trekt, of dat mij een onverwinnelijken afkeer van dien persoon inboezemt. Deze plotselinge, onverklaarbare gewaarwording heeft mij nog nooit bedrogen. Oroetes mishaagde mij reeds, voordat ik nog een woord uit zijn mond had vernomen. Evenzoo ging het mij met den Egyptenaar Psamtik, terwijl ik mij door Amasis voelde aangetrokken.quot;

»Gij zijt nu eenmaal geheel anders dan wij!quot; hernam Zopyrus in scherts. ))Maar doe mij het genoegen, en laat den armen Oroetes rusten. Het is goed dat hij weg is, want nu kunt gij vrijer van huis spreken. Hoe maakt het Cassandane en uwe godin Atossa? Hoe is het met Cresus'? Wat voeren mijne lieve vrouwtjes uit'? Zij zullen binnenkort eene nieuwe deelgenoote barer vreedzame uitspanningen krijgen, want ik ben van plan morgen om de hand van liet schoone dochterken van Oroetes te vragen. Met de oogen hebben wij elkaar reeds allerlei lieve dingen verteld. Ik weet niet, of de hare Perzisch of Syrisch spraken; maar wij begrepen elkander toch volkomen.quot;

De vrienden lachten, en Darius riep, weder in de algemeene vroolijkheid deelende: »En nu zult gij eene blijde boodschap vernemen, die ik eigenlijk, als het beste, tot nagerecht bewaard heb. Hé! Bartja, spits de ooien, vriend! Uwe moeder, de edele Cassandane, heeft het gezicht teruggekregen! — ,Ta, ja, het is de zuivere waarheid! — Wie haar genezen heeft? — Wie anders dan die Egyptische knorrepot, die nu zoo mogelijk nog somberder en gemelijker is dan voorheen. Maar boud u nu stil en laat mij voortgaan, anders wordt het nog morgen eer Bartja kan gaan slapen. — Eigenlijk moesten wij u thans aan uw lot overlaten, want het beste weet gij, en gij kunt daarvan dus droomen. — Gij wilt niet'? Dan moet ik in Mithra's naam maar verder verhalen, al bloedt mijn hart er ook bij.

))Laat mij met den koning beginnen! — Zoolang Phanes te Babylon was, scheen hij zijne smart over het verlies der Egyptische niet te gevoelen. De Athener mocht geen oogenblik zijne zijde verlaten. Deze twee waren evenmin van elkander te scheiden als Rekscb en Rustem '). In dit gezelschap had Cambyzes geen tijd om te treuren, want de Helleen had ieder oogenblik nieuwe

i) Zie boven blz. 296.

ocr page 385

374

invallen, en hield niet slechts den koning, maar ons allen op eene bewonderenswaardige wijze bezig. Daarbij waren allen met hem ingenomen; ik geloof, omdat niemand hem recht benijden kan. Zoodra hij toch alleen was, welden er tranen in zijne oogen, bij de gedachte aan zijn vermoorden lieveling. Daarom was zijne opgeruimdheid, die hij, beste Bartja, ook in het hart van uw ernstigen broeder wist over te storten, dubbel bewonderenswaardig. — lederen morgen reed hij met Cambyzes en ons allen naar den Euphraat, en vermaakte zich met het gadeslaan van de oefeningen der jeugdige Achaemeniden. Als hij do knapen spoorslags de zandheuvels zag voorbijrijden, en de potten die er op geplaats waren met pijlen zag doorschieten; als hij aanschouwde hoe zij elkander met houtblokken wierpen, en deze behendig wisten te ontwijken '), beleed hij, dat hij hun dit niet zou kunnen nadoen. Daarentegen verklaarde hij met ons allen in het speerwerpen en worstelen naar den prijs te willen dingen. Levendig als hij is, sprong hij aanstonds van zijn paard, trok tot onzer aller ergernis 1) zijne kleederen uit, en slingerde, tot groot vermaak der knapen, bun onderwijzer in het worstelen als een veertje in het zand. Dan liet hij eene menigte pochhanzen, die zich met hem meten wilden, eene buiteling maken, en mij ware hetzelfde lot beschoren geweest, als hij zich niet reeds teveel vermoeid had. Toch verzeker ik u, dat ik sterker ben dan bij, en veel zwaarder blokken kan optillen. Maar die Athener is onbegrijpelijk vlug en behendig, en slingert zich om zijn tegenstander als de klimop om een stam. Zijne naaktheid kwam hem ook goed te stade. Indien het niet onvoegzaam was, moest men eigenlijk altijd ongekleed worstelen, gelijk de Hellenen, die zich bovendien de huid met olijfolie inwrijven. — In het speerwerpen overtrof hij allen evenzeer. Daarentegen vloog de pijl van den koning, die, gelijk wij weten, trotsch is op den roem van de beste schutter in geheel Perzië te zijn, veel verder dan de zijne. Hij roemde zeer de bij ons bestaande gewoonte, dal, na den worstelstrijd de overwonnene den overwinnaar de band kust. Eindelijk leverde hij een staaltje van eene nieuwe oefening, het vuistgevecht. Doch de nuttigheid hiervan wilde hij niet t.oonen door met een vrije te vechten ; daarom liet do koning den grootste en sterkste van alle slaven. Bessus, mijn stalknecht, komen, die met zijne reuzenarmen de achterpooten van een paard samendrukt, zoodat het dier staat te rillen en zich

1

Ook toen hielden de Oosterlingen de ontblooting van het lichaam voor hoogst ongepast, terwijl de Grieken niets schooner kenden dan het naakt.

ocr page 386

375

niet kan verroeren. Die geweldige sladood, die minstens een hoofd langer was dan Phanes, lachte, en haalde medelijdend de schouders op, toen hij hoorde, dat hij met dezen vreemdeling een vuistgevecht moest houden. Zeker van zijn zegepraal, stelde hij zich tegenover den Athener en deed oogenblikkelijk een onbe-suisden slag naar hem, die een olifant zou hebben gedood. Phanes ontweek dien echter, en bracht op hetzelfde oogenblik den reus met de bloote vuist zulk een geweldigen slag onder de oogen toe, dat een dikke bloedstroom uit zijn mond en zijn neus sprong, en de onbehouwen kerel huilend nederstortte. Toen men hem overeind had geholpen, geleek zijn aangezicht op eene groenachtig blauwe pompoen. De knapen hadden niet weinig pret hierover. quot;Wij bewonderden de vlugheid van den Helleen, en verblijdden ons in de goede stemming van den koning, die nog duidelijker uitkwam, toen Phanes zijne stem met de luit begeleidde, en vroolijke G-rieksche liederen en dansmelodieën zong.

»Intusschen had Cassandane, door de kunst van den Egyptenaar Nebenchari, het gezicht teruggekregen, eene gebeurtenis die natuurlijk veel bijdroeg, om 's koning zwaarmoedigheid te verdrijven. Wij beleefden goede dagen, en reeds maakte ik plannen otn do hand van Atossa te vragen, toen Phanes naar Arable vertrok, en alles een geheel ander aanzien kreeg. Zoodra namelijk de Athener de poort verlaten had, was liet alsof alle booze Diws plotseling in den koning gevaren waren. Somber en zwijgend ging hij in en uit, en om zijne zwaarmoedige gedachten te verdrijven, gebruikte hij reeds in den vroegen morgen kannen vol van den zwaarsten Syrischen wijn. Des avonds was hij in den regel zoo dronken, dat men hem naar zijn vertrekken moest dragen, terwijl hij 's morgens met heftige krampen en hoofdpijnen ontwaakte. Overdag liep hij rond. als zocht hij iets, en 's nachts hoorde men hem meermalen den naam van Nitetis uitspreken. De geneesheeren waren zeer bezorgd voor zijne gezondheid, en gaven hem dranken, die hij echter liet wegwerpen. Cre-sus had volkomen gelijk, toen hij op zekeren dag tot de artsen zeide: ,Eer men iemand wil gaan genezen, gij heeren magiërs en Chaldaeërs, moet men weten aan te wijzen, welk gedeelte van zijn organisme lijdt. Kunt gij dat? — Neen? Dan zal ik u zeggen, wat den koning deert. Hij lijdt inwendig, en heeft eene onzichtbare wonde. Zijn lijden is verveling, de wonde zit in het hart. Voor het eerste is do Athener de beste geneesmeester, voor het andere weet ik geen middel, want de ondervinding leert, dat zulke wonden of van zelve genezen, of den lijder doen doodbloeden.quot;

,Ik weet een geneesmiddel voor den koning!' riep Otanes, toen hij dit woord van Cresus vernam. ,Wij moeten hem zien

ocr page 387

37G

te bewegen om de vrouwen, of althans mijne dochter Phaedime,, van buza terug te ontbieden. De liefde verstrooit de wolken der zwaarmoedigheid, en doet liet bloed sneller door de aderen stroomen!' Wij deelden alle zijne zienswijze, en drongen bij hem aan, dat hij onzen vorst aan do in ballingschap levende vrouwen zou herinneren. Otanes maakte van de gelegenheid, die de eerste de beste maaltijd hem bood, gebruik, om Cambyzes het voorstel te doon de vrouwen terug te laten komen, docb werd zoo ruw door den koning afgesnauwd, dat het ons allen leed deed.

»Kort daarop ontbood Cambyzes op een morgen alle mobeds en Chaldaeërs, om hun de verklaring van een vreemdsoortig droomgezicht te vragen. Hij had namelijk gedroomd, dat hij zich midden op een dorre vlakte bevond, die glad en effen als een dorschvloer, niet het geringste halmpje voortbracht. Ontstemd over het woest en treurig aanzien van die plek, wilde hij andere, meer vruchtbare oorden op gaan zoeken, toen Atossa verscheen, en zonder hem op te merken, op eene bron toeliep, die eensklaps als door een tooverslag liefelijk ruischend uit den dorren grond opborrelde. Verbaasd zag hij dit schouwspel aan, en bemerkte hoe overal, waar de voet zijner zuster den verzengden bodem had aangeraakt, slanke terpentijnboomen ') opschoten, die grooter werden en in cypressen veranderden, welker kruinen tot aan den hemel reikten. Toen hij Atossa wilde aanspreken, ontwaakte hij.

»De mobeds en Chaldaeërs beraadslaagden lang, en legden den droom alzoo uit, dat Atossa, bij alles wat zij ondernam, door het geluk begunstigd zou worden. Cambyzes stelde zich met dat antwoord tevreden, doch toen hij in den volgenden nacht een diergelijk droomgezicht had, bedreigde hij de mobeds met den dood, als zij hem geene andere verklaring gaven. De wijzen bedachten zich lang, en antwoordden eindelijk: ,Atossa zal eenmaal koningin en de moeder van machtige vorsten worden.:

))Over deze uitlegging was de koning volkomen tevreden, en met een zonderling lachende trek om den mond, vertelde hij ons toen zijn droom. Dienzelfden dag werd ik bij Cassandane geroepen, die mij waarschuwde dat ik, als ik mijn leven lief iiad, alle hoop op het bezit barer dochter moest laten varen. Reeds wilde ik den tuin der eerwaardige vrouw verlaten, toen ik Atossa achter een granaat-boschje gewaarwerd. Zij wenkte mij. Ik snelde naar haar toe. Wij vergaten gevaar en smart, en namen eindelijk afscheid, voor eeuwig. Thans weet gij alles. En

1) De koningen van Perzië moesten bij hunne kroning de vrucht van een teipentijnboom eten.

ocr page 388

377

terwijl ik nu afstand heb gedaan van het lieve schepseltje, omdat alle verdere hoop op haar bezit razernij zou zijn, moet ik mij zeiven geweld aandoen, om niet gelijk de koning, ter wille van eene vrouw aan het mijmeren te geraken en mij aan droefgeestigheid over te geven. Ziedaar nu het einde der geschiedenis, dat wij reeds meenden te voorzien, toen Atossa's roos mij, den ter dood veroordeelde, tot den gelukkigste aller stervelingen maakte. Had ik ulieden in die ure, die wij dachten dat onze laatste zou zijn, mijn geheim niet verraden, het zou met mij in het graf zijn gegaan. — Maar wat bazel ik! Weet ik dan niet, dat ik op uwe geheimhouding rekenen kan'? Wat ik u bidden mag, kijk me niet langer zoo droevig aan. Ik geloof dat ik nog altijd te benijden ben, want ik heb een uur van geluk doorleefd, dat tegen honderd jaren van ellende opweegt. — Ik dank u, ik dank u! — Maar, laat mij nu spoedig eindigen!

»Drie dagen na mijn afscheid van Atossa moest ik Artystone, de dochter van Gobryas, huwen. Zij is schoon, en zou gewis ieder ander, behalve mij, gelukkig maken, 's Morgens na de feestviering kwam de angaar met het bericht van Bartja's ziekte te Babyion aan. Ik snelde dadelijk naar den koning, vroeg en verkreeg verlof u te mogen gaan opzoeken en verplegen, en u voor het gevaar, dat in Egypte uw leven bedreigt, te waarschuwen. In spijt van de tegenwerpingen mijns schoonvaders, nam ik van mijn nieuwe gemalin afscheid, en snelde, door Prexaspes vergezeld, herwaarts, om u, Bartja, met Zopyrus naar Egypte te volgen, terwijl Gyges den gezant als tolk naar Samos zal begeleiden. Alzoo beveelt de koning, wiens gemoedsgesteldheid in de laatste dagen veel verbeterd is, doordien hij in de wapenschouwing der aanrukkende legerafdeelingen eene goede afleiding vindt, en de Chaldaeërs hem verzekerd hebben, dat de planeet Adar die hun krijgsgod Chanon toebehoort, den Perzischen wapenen eene groote overwinning belooft. Wanneer denkt gij de reis te kunnen hervatten, Bartja?quot;

»Morgen, als gij wilt,quot; antwoordde deze. »De geneesheeren verzekeren, dat het zeetochtje mij volstrekt niet schaden zal. De reis over land tot Smyrna is slechts kort.quot;

»En ik,quot; liet Zopyrus er op volgen, ^verzeker u, dat uw liefje u spoediger gezond zal maken, dan alle artsenijmengers in de geheele wereld!quot;

»Laat ons afspreken, dat wij binnen drie dagen opbreken,quot; hernam Darius. «Want wij hebben nog velerlei zaken voor de afreis in orde te brengen. Bedenk slechts, dat wij in een zoo

1) Mars.

ocr page 389

378

goed als vijandelijk land komen! Bartja moet, alzoo heb ik de zaak overlegd, zich voor een tapijthandelaar uit Babyion uitgeven. Ik stel zijTi broeder voor, en Zopyrus is een koopman in sardiscli rood 1).quot;

«Zouden wij ons niet als krijgslieden kunnen vermommen?quot; vroeg Zopyrus. ))Het is wat al te vernederend, voor zulke bedrieglijke schacheraars te worden aangezien. Hoe zondt gij bijvoorbeeld er over denken, als wij ons voor Lydische soldaten uitgaven, die in het Egyptische leger dienst komen nemen, om eene straf in het vaderland te ontgaan?quot;

«Dat voorstel is zoo onaannemelijk niet,quot; zeide Bartja. ))Ook geloot ik, dat men ons op t uiterlijk eer voor krijgers dan voor kooplieden zal aanzien.quot;

»Hierin zoudt gij u toch kunnen vergissen,quot; antwoordde Gyges. »Zulk een Helleensch groothandelaar en scheepsgezagvoerder draagt de borst zoo hoog, als behoorde hem de gansche wereld toe. Overigens vind ik den voorslag van Zopyrus nog zoo slecht niet.quot;

«Het zij zoo!quot; zeide Darius, na nog een oogenblik nagedacht te hebben. )gt;Dan moet Oroetes ons aan de kleederen van Lydische taxiarchen 2) helpen.quot;

»Waarom zoudt gij u niet als chiliarchen laten aankleeden?quot; riep Gyges. »Het zou stellig achterdocht wekken omdat gijlieden nog zoo jong zijt.quot;

»Maar wij kunnen toch niet als gemeene soldaten optreden.quot;

))Neen, maar wel als hekatontarcben!quot;

»Ook al goed,quot; hernam Zopyrus vroolijk, sals ik maar geen koopman beboet' te wezen! — Binnen drie dagen aldus van hier. 't Doet mij genoegen, dat gijlieden mij toch nog den tijd laat, om mij van het dochtertje van dezen satraap te verzekeren, en nog eens het Gybele-bosch te bezoeken, waar ik reeds sinds lang naar verlang. Eu nu goeden nacht, Bartja! Slaap morgen een gat in den dag. Wat zou Sappho wel zeggen, als gij met zulke bleeke kaken en zulke fletse oogen tot haar kwaamt!quot;

1

Eene kleur die in de oudheid zeer gezocht werd, en uit de bloesems van den sandix-boom werd geperst.

2

Het Perzisch leger was volgens het tiendeelig stelsel ingedeeld. Eene divisie telde 10.000 man, een regiment 1000, een kompagnie 400. DeTaxi-arch was zoo wat gelijk aan een divisie-generaal bij ons. Een hekaton-tarch stond aan het hoofd van een kompagnie. Een chiliarch was commandant van een regiment. Zij, die later bij de Perzen de waardigheid van chiliarch bekleedden, waren de eersten des rijks, na den koning.

ocr page 390

VIERDE HOOFDSTU K.

De zon van een gloeiend heeten hondsdag was over Naucra-tis opgegaan. De Nijl was reeds buiten zijne oevers getreden, en had quot;de velden en tuinen van Egypte met zijn wateren bedekt. De haven in den mond der rivier wemelde thans van schepen. Egyptische vaartuigen, bemand met de Phoenicische kolonisten van de kust der Delta, brachten fijne weefsels van Malta aan, metalen en gesteenten van Sardinië, wijn en koper van Cyprus. Grieksche triëren brachten fijne oliën en wijnen, mastiktakken, metaalwerken en wollen stollen van Chalcidice; Phoenicische en Syrische vaartuigen, met bontgekleurde zeilen, voerden purperstoffen, koper, tin, edelgesteenten, specerijen, glas- en tapijtwerken aan, bonevens ceders van den Libanon, voor het bouwen van huizen in het aan hout zoo arme Egypte, ten einde deze waren in te ruilen tegen de schatten van Aethiopië: goud, elpenbeen, ebbenhout, veelkleurige tropische vogels, edelgesteenten en zwarte slaven, maar vooral legen het wereldberoemde Egyptische koren, de wagens van Memphis, Saïtisch kantwerk en fijn papyrusriet. Maar de tijd van uitsluitenden ruilhandel was reeds lang voorbij, en de kooplieden van Naucratis betaalden hunne inkoopen niet zelden met klinkend goud en zorgvuldig afgewogen zilver 1).

Langs de haven dezer Helleensche volksplanting zag men groote magazijnen. Daarnaast stonden lichtgebouwde huizen. De muziek, het vroolijk gelach, de verleidende blikken en stemmen van geblankette deernen, lokte daar vele ledigloopende matrozen binnen 2). lloeiers en stuurlieden, in de meest uiteenloopende kleederdrachten, baanden zich, soms op een vrij onzachte wijze, een weg door het gedrang van zwarte en blanke slaven, die zware balen op de schouders droegen. Scheepsbevelhebbers, in Helleensche of kakelbonte Phoenicische kleeding deelden bevelen

1

Zie blz. 101

2

In elke havenstad der oudheid werden zulke huizen gevonden. Van -die aan den Canopischen Nijlmond maakt Strabo opzettelijk melding.

ocr page 391

380

uit onder hunne manschappen, of waren ijverig in de weer om den groothandelaars de voor hen bestemde goederen af te leveren. Waar bijgeval twist ontstond, vertoonden zich dadelijk Egyptische politiebeambten met hunne lange staven, en Hel-leensche havenmeesters, die door de oudste kooplieden van deze Milesische volksplanting waren aangesteld.

Maar allengs verliet de menigte de ba ven, daar de tijd naderde waarop de markt begon 1), en de vrije Helleen was niet gewoon deze onbezocht te laten. Ditmaal echter bleven nog ettelijke nieuwsgierigen achter, om een schoon gebouwd Samisch schip mot langen zwanenhals, de Okeia 2), op welker boeg een bouten beeld van de godin Hera 3) prijkte en dat zoo even de haven was binnengeloopen, aan te gapen. Vooral wekten drie schoone jongelingen in Lydischen krijgsdos hoog opzien, toen zij de triëre verlieten. Zij werden door onderscheidene slaven gevolgd, die hun eenige kisten en pakken nadroegen. De schoonste dezer vreemdelingen, in wie de lezer zonder twijfel reeds onze jonge vrienden Darius, Bartja en Zopyrus heeft herkend, wendde zich tot een havenmeester met verzoek, hem de woning van zijn gastheer Theopompus, den Milesiër te wijzen. Dienstvaardig en beleefd zooals alle Grieken, ging de beambte den vreemdeling voor, en leidde hem over de markt naar een deftig huis, het eigendom van den aanzienlijksten inwoner van Naucratis, den Milesiër Theopompus. Juist kondigde het luiden der klok de opening der markt aan.

Maar niet geheel zonder oponthoud hadden de jongelingen hunne bestemming bereikt. Aan den vrij lastigen aandrang van de vischventers, die gaarne veel geld verdienden, hadden zij zich even gemakkelijk weten te onttrekken, als aan de veelvuldige aanbiedingen van vleesch-, worst-, en groenteverkoopers, pottenbakkers en bakkers. Toen zij echter de standplaats der bloemenmeisjes 4) naderden, klapte Zopyrus hard in de handen, verrukt over het schouwspel, dat zich hier aan hem voordeed. Drie allerbekoorlijkste meisjes, in witte, bijkans doorschijnende

1

Hoe ijverig de Grieken waren om ter markt te gaan, bewijst liet volgend verhaal van Strabo. Een lluitspeler te Jasos werd door allen verlaten, die naar hem stonden te luisteren, toen de klok het marktuur aankondigde. Een bleef er bij hem staan. De muzikant dankte hem dat bij zich althans niet in het luisteren had laten storen. „Ach,quot; riep de man, „beeft de klok dan al geluid?!quot; En meteen liep hij op een drafje heen.

2

Het snelle schip.

3

Juno.

4

üe onderscheidene waren werden binnen afgeslotene ruimten uitgestald. De plaats dei' bloemenverkoopsters, die over het algemeen voor meisjes van zeer verdachte zedelijkheid werden gehouden, heette de myrten-markt. ^ *

ocr page 392

381

kleeding met gekleurde zoomen, zaten daar op lage stoeltjes, door eene vracht van bloemen omgeven, en vlochten gezamenlijk een grooten krans van rozen, violen en oranjebloesem. Hare schoone, bekranste hoofdjes geleken op de drie rozeknoppen, die een harer, welke onze vrienden bet eerst bemerkt had, hun nanbood.

«Koopt mijne rozen, schoone heeren!quot; riep zij met heldere, welluidende stem, «en steekt ze uwe beminden in het haar !quot;

Zopyrus nam de bloemen aan, riep, de hand van het meisje vasthoudende : «Ik kom zoo pas uit verre landen hier aan, liel' kind, en heb nog geene vriendin te Naucratis, laat mij dus deze rozen in uw eigen blonde krullen steken, en dat goudstuk in liW blanke handjes drukken

Het meisje schaderde het uit van blijdschap, toonde de buitengewoon rijke gift aan hare zuster 1), en riep : «Bij Eros! Jongelingen als gij zijt, kan het wel nimmer aan vriendinnen ontbreken! Zijt gijlieden broeders!quot;

«Neen!quot;

«Dat is jammer, want wij zijn zusters!quot;

«Gij wilt zeggen, dat wij anders drie aardige paartjes zouden zijn'?quot;

«Dat heb ik misschien gedacht, maar niet gezegd,quot; hernam zij heel ondeugend.

«En uwe zusters'?quot;

De meisjes lachten, schenen met genoegen aan zulk eene verbintenis te denken, en boden ook Darius en Bartja rozeknoppen aan.

De jongelingen namen ze aan; betaalden insgelijks voor ieder ruikertje een goudstuk, en konden zich niet van de schoonen afmaken, dan nadat zij hunne helmen met laurierbladeren omkranst hadden.

Het gerucht van de ongemeene mildheid der vreemdelingen verspreidde zich intusschen onder de vele bloemenmeisjes, dielinten, bloemen en kransen te koop boden. Ieder maakte de vrienden op hare schoone waar opmerkzaam, en noodigde hen door blikken en woorden tot koopen uit. Zopyrus had gaarne, als zoo menig jongeling uit Naucratis, nog veel langer bij de meisjes vertoefd, die zich bijna alle door schoonheid onderscheidden, en wier genegenheid licht te winnen was; Darius echter herinnerde hem, dat zij spoed moesten maken, en verzocht Bartja den lichtzinnigen

1

Zulk een ruikertje was met een goudstuk meer dan betaald. Aristophanes laat een slaaf van Lamachus een belachelijk hoogen prijs bieden als deze voor een vette aal van Kopaï, 3 drachmen (1 gulden 35 ets.), en voor een paar lijsters, I drachme (9 stuivers) geven wil.

ocr page 393

382

vriend te verbieden zich verder op te houden. Eindelijk bereikten zij dan ook, na de tafels der wisselaars en de burgers, die, op steenen banken gezeten, onder den blooten hemel raad hielden, te zijn voorbijgegaan, het huis van ïheopompus.

Nauw had hun Grieksche gids den metalen klopper op de deur doen vallen, of deze werd door een slaaf geopend. Daar de heer des huizes zich op de markt bevond, werden de vreemdelingen door den portier, een in het huis van Theopompus grijs geworden slaaf, in het andronitis 1) geleid, met verzoek, de terugkomst van den meester daar af te wachten.

Terwijl de jongelingen zich nog onledig hielden met het beschouwen van het schoone schilderwerk op de wanden, en de kunstige bewerking van den steenen vloer, keerde Theopompus, — dezelfde groothandelaar, dien wij reeds in het huis van Rho-dopis leerden kennen, — van de markt terug, gevolgd dooreen aantal slaven, beladen met de door hem aangekochte waren 2). De Milesiër heette de vrienden welkom met bevallige minzaamheid, en vroeg hun met de meeste voorkomendheid, waarmede hij hen dienen kon. Na zich overtuigd te hebben, dat zich geen ongeroepen getuige in de nabijheid bevond, stelde Bartja den heer des huizes de briefrol ter hand, die Phanes hem bij het afscheid voor Theopompus had medegegeven.

Nauwelijks had deze den brief gelezen, of hij boog zich diep voor den koningszoon neder, en riep: »Bij Zeus, die ons den plicht der gastvrijheid oplegt, grootere eer dan die van uw bezoek, had mijn huis wel niet kunnen te beurt vallen! Beschouw al wat ik heb als uw eigendom, en verzoek ook uwe vrienden hun intrek in mijne woning te nemen. Vergeef mij, dat ikuin uwe Lydische kleeding niet herkende. Ik geloof dat uwe lokken korter en uw baard zwaarder zijn geworden, sedert gij Egypte verliet. Vergis ik mij niet, dan wenscht gijlieden onbekend te blijven'? — Zooals gij wilt! De beste gastvrijheid bestaat daarin, dat men zijne gasten geheel vrijlaat. O. nu herken ik uwe vrienden! Ook zij hebben zich vermomd en gelijk gij het haar gekort. Ja, ik zou durven bezweren, dat gij, mijn viiend, wiens naam...quot;

»Ik heet Darius.quot;

sDat gij, Darius, uwe haren zwart geverfd hebt. Is het zoo niet. Gij ziet, dat mijn geheugen mij niet bedriegt. Toch mag

1

•1) Het mannenvertrek.

2

üe aanzienlijkste Grieken schaamden zich niet, in gezelschap van hunne slaven aankoopen op de markt te doen. Eerzame huismoeders durfden zich niet op de markt vertoonen ; gewoonlijk zonden zij hare slavinnen er heen.

ocr page 394

383

ik daar niet al te zeer op roemen; want meermalen neb ik u te Saïs gezien, en ook hier bij uwe aankomst en uw vertrek. Gij, o koningszoon, zult misschen vragen, of anderen u niet evenzeer zullen herkennen ? Stellig niet! De vreemde kleeding, het korte haar en uwe donkergekleurde wenkbrauwen hebben u verbazend veranderd. Maar vergun mij, dat ik mijeenoogen-blik verwijder! Mijn oude portier wenkt mij en schijnt eene belangrijke bocdschap te hebben.'1

Weinige oogenblikken later keerde Theopompus terug, en riep : »Hoort eens, waarde gasten, als gij onbekend wenscht te blijven, dan moet gij u hier, te Naucratis, niet zoo aanstellen, als gij reeds gedaan hebt! Gij hebt gekheid gemaakt met de bloemen meisjes, en haar een paar rozen betaald, niet als ontvluchte Ly-dische hekatontarchen, maar als groote heeren, gelijk gij ook zijt. Geheel Naucratis kent de schoone, lichtzinnige zusters Ste-phanion, Ghloris en Irene, die met hare kransen reeds menig jeugdig hart gevangen, en met hare verleidelijke blikken reeds menigen blankei obool l) uit de beurzen onzer zorgelooze jongelieden hebben getooverd. Zoolang de markt duurt, houden de jongelingen zich het liefst bij de bloemenmeisjes op, en wat daar dan wordt verhandeld, wordt gewoonlijk in de stilte van den nacht met meer dan éen goudstuk betaald. Maar vooreen vriendelijk woord en een paar rozen is men minder mild dan gij. De meisjes hebben met uwe geschenken gepronkt, en haren sclirielen vrijers uwe goudstukken getoond. De faam is eene godin, die in den regel vreeselijk overdrijft, en van een hagedis een krokodil maakt. Spoedig kwam ook den Egyptischen hoofdman, die de wacht op de markt heeft, sedert Psamtik de teugels van het bewind in handen heeft genomen, het bericht ter oore, dat drie, kort te voren aangekomen Lydische krijgslieden goud onder de kransvlechtsters hadden uitgestrooid. Deze tijding wekte achterdocht en gaf den toparch -) aanleiding, om een beambte hierheen te zenden, ten einde naar uwe afkomst en het doel uwei-reis te vernemen. Ik heb eene list moeten gebruiken en den man, die de boodschap bracht, iets wijs moeten maken. Overeenkomstig uw verlangen, heb ik u voor rijke jongelingen van. Sardes uitgegeven, die aan den toorn van den satraap ontvlucht zijn. — Maar daar komt de beamte met een schrijver, die u een pas zal brengen, opdat gij veilig aan den Nijl zoudt kunnen vertoeven. Ik heb hem eene rijke belooning toegezegd, als hij u behulpzaam wilde zijn, om onder de krijgslieden van den koning te worden opgenomen. Hij is in den sfrik geloopen.

1

Zes centen.

ocr page 395

en gelooft mij op mijn woord. Omdat gijlieden nog zoo jong zijt, houdt men zich overtuigd dat gij met geene geheime zending zijt belast.quot;

Nauwelijks had de woordenrijke Helleen uitgesproken, of de schrijver, een mager in het wit gekleed man, trad het vertrek binnen. Hij ging naar de vreemdelingen toe, en ondervroeg hen door tusschenkomst van zijn tolk naar hunne afkomst en het doel hunner reis. De jongelingen herhaalden, wat door Theopom-pus reeds was bericht, namelijk dat zij uitgewekene hekaton-tarchen waren, en verzochten den beambte hun het middel aan de hand te doen, om onder de Egyptische hulptroepen te worden opgenomen, en hen van passen te voorzien. Nadat hun gastheer zich borg voor hen gesteld had, aarzelde de beambte niet langer, en stelde hen in 't bezit der verlangde stukken.

Aldus luidde de pas van Bartja:

sSmerdes, — zoon van Sandon, uit Sardes,—ongeveer twee en twintig jaren oud, hoog en rank van gestalte, met een schoon gevormd gelaat, rechten neus en hoog voorhoofd, in het midden waarvan zich een klein litteeken bevindt, mag zich, dewijl voor hem een voldoende borg is aangewezen, daar waar de wet vreemdelingen duldt, in Egypte ophouden.

In naam des Konings.

Sachons, schrijver.quot;

Do passen van Zopyrus en Darius waren op dezelfde wijze gesteld i).

Toen de beambten het huis verlaten hadden, wreef Theopom-pus zich in de handen, zeggende: »Nu kunt ge u, zoo gij ten minste mijn raad steeds wilt volgen, vrij en gerust in dit land bewegen. Bewaart deze papierrolletjes zoo zorgvuldig als uwe oogen en houdt ze steeds bij u. — Thans noodig ik u mij aan 't ontbijt te volgen, en mij. als mijne vraag niet onbescheiden is, te vertellen, of het gerucht, dat zich als een loopend vuurtje over de markt verspreid heeft, niet als gewoonlijk gelogen heeft. Eene van Colophon komende triëre bracht namelijk liet bericht, dat uw machtige broeder, edele Bartja, zich tegen Amasis ten strijde toerust.

Aan den avond van denzelfden dag zagen Bartja en Sappho elkander weder. Welk een heuglijke ontmoeting! De verschijning van den koningszoon was voor Bhodopis'kleindochter eene verrassing, die hare stoutste verwachting verre overtrof. - De

1) Dergelijke signalementen zijn op papyrussen bewaard gebleven.

ocr page 396

383

jonkvrouw kon gedurende het eerste uur geene woorden vinden, om haar geluk, hare blij (.'schap en hare dankbaarheid te uiten. Toen zij eindelijk weer alleen waren in dat prieel van jasmijnen, waar zij den eersten liefdekus gewisseld hadden, legde Sappho haar hoofdje aan het hart van den dierbaren jongeling. Lang zaten zij sprakeloos naast elkaar, en hadden geen oog voor maan of sterren, die in den zoelen zomernacht, in de diepste stilte, boven hunne hoofden de zooveel beteekenende cirkels he-schreven. Zij hadden geen oor voor het lied van de nachtegalen, die als voorheen, in beurtzang al fluitend hun geliefkoosd »itys itoquot; zongen. Zij gaven geen acht op den vochtigen dauw, dien de nacht over hunne hoofden en de gesloten liloemklokjes uitgoot.

Eindelijk vatte Bartja beide de handen zijner bruid, en keek haar lang zwijgend aan, als wilde hij zich hare trekken voor immer onuit wischbaar in de ziel prenten; zij echter zag blozend voor zich, tot hij eindelijk uitriep; «Wanneer ik van u droomde, dan waart gij schooner dan alles, wat Aoeramazda geschapen hoeft; thans zie ik, dat gij zelfs mijne voorstellingen in den droom in schoonheid nog verre overtreft!quot;

En toen zij hem voor dit woord met een vriendelijken blik dankte, sloeg hij nogmaals zijn arm om haar middel, drukte haar vaster aan zijne borst, en vroeg; «Hebt gij aan mij gedacht

«Alleen, alleen aan u !quot;

»En hooptet ge, mij spoedig weer te zullen zien L7quot;

»Ach, uur aan uur dacht ik: ,hij moet komen!' Als ik 's morgens in den tuin trad, en heenzag naar het oosten, uw geboorteland, en een vogeltje van de rechterzijde op mij toevloog, voelde ik een zeker trekken in hel rechter ooglid ?); wanneer ik mijne kist opruimde, en den laurierkrans vond, die u zoo heerlijk stond, ea dien ik daarom tot een aandenken bewaarde, —. Melitta zegi, dat het bewaren van zulk een krans de trouwe liefde onderhoudt, — dan klapte ik in de handen, en dacht: «heden moet hij komen,quot; liep naar den Nijl en wuifde ieder vaartuig met mijn doek het welkom toe, want ieder nieuw vaartuig, docht mij, kon u in mijne armen voeren. En als ik u niet komen zag, keerde ik treurig noar huis terug, en zong een lied, en tuurde in het vuur van den haard in het vrouwenvertrek, tot grootmoeder mij uit den droom kwam wekken, zeggende: ,hoor eens, meisjelief, wie overdag droomt, loopt gevaar des nachts den slaap niet te kunnen vatten, en 's morgens droefgeestig, met afgematte hersenen en vermoeide leden.

1) De vogel die van de rechterzijde kwam aanvliegen, bracht geluk aan. Ook het trekken van het rechter oog gold voor eeu goed voorteeken.

ocr page 397

386

van zijn leger op te staan. De dag werd ons gegeven, om te; waken, om onze oogen wijd open te houden, en te zorgen, dat geen uur onnut voorbijga. Het verleden behoort aan de dooden. De dwazen hopen veel van de toekomst. De wijze leeft slechts voor het tegenwoordige, dat altijd jeugdig is en nieuw, en gebruikt dit, om alle gaven, die Zeus ons verleend heeft, die Apollo, Pallas en Cypris ons schonken, door arbeid zóo te gebruiken, dat zij met iederen dag in waarde rijzen, volkomener en edeler worden, en ons denken, handelen, gevoelen en spreken ten laatste zoo rein en welluidend zij, als de liefelijke klank der accoorden van het snarenspel. Gij kunt den man, wien gij uw hart geschonken hebt. en dien gij hooger dan u zei ven stelt, wijl-gij hem liefhebt, niet beter dienen, en geene sprekender bewijzen geven van uwe trouw, dan wanneer gij uw geest en uw hart, zooveel uwe krachten toelaten, veredelt. Het schoone en goede, dat gij u eigen maakt en aanleert, wordt voor uw geliefde een geschenk. quot;Want als gij hem uw gansche zijn toewijdt, dan ontvangt hij uwe deugden met u. Maar al droomende heeft nog nooit iemand eene overwinning behaald. De dauw, die de bloem der deugd laaft en leven geeft, noemt rnen zweet !' —Zoo sprak zij; en beschaamd verliet ik ijlings den haard, greep mijn speeltuig, leerde nieuwe liederen, of hing aan den rnond mijner leermeesteres, die mij, — in wijsheid overtreft zij menig man, — met woord en schrift onderwees. Zoo gleed de tijd daarheen, een snel vlietenden stroom gelijk, die, als de Nijl, van rusten noch toeven weet, en nu eens eene, met bonte wimpels versierde, gouden boot, dan eene vraatzuchtige booze krokodil voorbij ons stervelingen heenvoert!quot;

))Thans zitten wij neder in die boot des geluks! Och, dat de tijdstroom nu ophield te vlieden ! Och, bleef het immer, gelijk het nu is! — Allerliefst meisje, wat spreekt ge verstandig, hoe goed begrijpt gij die schoone lessen, en hoe bevallig geeft gij ze weder. Ja, mijne Sappho, ik ben trotsch op u! In uwe liefde bezit ik een schat, die mij veel rijker maakt dan mijn heer en broeder, voor wien de halve wereld zich buigt!quot;

«Gij, trotsch op mij, gij, groote vorstenzoon, de schoonsteen beste van uw heelen stam?quot;

sik vind in mij geen hooger waarde, dan die, dat gij mij uwer waardig keurt!quot;

»Groote goón, hoe kan dit kleine hart zulk een volheid der hoogste zaligheid bevatten, zonder te bersten als eene vaas, die men met zuiver goud heeft overladen!quot;

»Wijl een ander hart, het mijne, u dien last helpt dragen,, wijl uwe ziel de mijne ondersteunt. Met deze hulp tart ik de gansche wereld, en al 't lijden dat de nacht ons brengt,'

ocr page 398

387

»0, wek den nijd, den toorn der goón niet op, wien toch te vaak 't geluk der stervelingen verdriet. Sinds gij van ons zijt weggegaan, hebben wij menigen dag van tranen doorleefd. De arme kinderen van den goeden Plianes, een knaap, schoon als Eros, een meisje zoo zacht en rooskleurig als een wolkje, dat liefelijk door het morgenrood beschenen wordt, brachten eenige dagen door in onze woning. Grootmoeder werd weer vroolijk en jong, toon zij de lieve, bloeiende kinderen aanschouwde. Ik schonk hun van stonde aan mijn hart, schoon dit u geheel alleen behoort. Maar met dat hart is 't zonderling gesteld. Gelijk de zon, verbreidt het licht en warmte, en 't wordt toch niet koud; zelfs houdt 't altijd nog gloed genoeg over, om wie daar aanspraak op hebben mede te koesteren. Ach, die kinderen van Phanes, ik had ze zoo lief! — Op een avond zaten wij met Theopompus alleen in het vrouwenvertrek, toen zich voor het huis een woest getier liet hooren, en de deur als met hamerslagen gebeukt werd. De oude Knakias, onze trouwe slaaf, spoedde zich naar de deur doch had deze nog niet bereikt, toen ze reeds voor't geweld bezweek, en een bende woeste krijgsknechten door het voorportaal in het andronitis, en van daar, na de middendeur verbrijzeld te hebben, tot ons doordrong. Grootmoeder vertoonde hun den brief, bij welke Amasis haar huis tot een onschendbare wijkplaats had verklaard. Maar zij lachten met dat geschrift en toonden een gezegeld stuk, waarin de kroonprins Psarntik uitdrukkelijk gebood de kinderen van Phanes op staandeu voet aan dien ruwen hoop over te leveren. Theopompus bestrafte de soldaten over hunne onbeschoftheid, en zeide, dat de kinderen, die onze gasten waren, te Corinthe tehuis hoorden, en niets met Phanes gemeen hadden. De hoofdman der krijgslieden beantwoordde den edelen man echter met smaad en spot, stiet mijne bezorgde grootmoeder ruw op zijde, drong met geweld in haar slaapvertrek, waar naast hare kostbare schatten, aan het hoofdeinde van hare eigene legerstede, de twee kinderen vreedzaam shiimerden. Ze rukten de kleinen uit hunne bedjes en brachten ze in eene opene boot, — het was een koude nacht, — naar de koningsstad. quot;Weinige weken later was het knaapje dood. Men zeide, Psamtik had het jongske doen vermoorden. Het lieve meisje zucht nog heden in een duisteren kerker, verlangende naar ons en naar haar vader. O, mijn geliefde, spreek, is het niet hard, dat zelfs het reinste geluk niet onvergald kan blijven? De traan van zaligheid in mijn oog vermengt zich nu reeds met den bitteren traan der smart, en deze mond, die straks nog lachte, kan nu geen woorden vinden, sterk genoeg om 't lijden uit te drukken, dat dit hart gevoelt.quot;

»Ik voel, wat gij lijden moet, mijn liefste; doch klagen kan

ocr page 399

388

ik niet als gij, teedere vrouw. Wat u slechts de tranen uit de oogen perst, doet mij de vuisten ballen. De schoone knaap die u dierbaar was, het meisje dat in den kerker wegkwijnt, zullen weldra gewroken worden. Geloof, wat ik u zeg! Alvorens de Nijl andermaal buiten zijne oevers treedt, zal een verbazend leger dit land binnendringen, en rekenschap eischen van dien moord!quot;

»0 liefste vriend, hoe gloeien thans uwe oogen! Zoo schoon, zoo heerlijk zag ik u nog nooit! Ja, ja, de knaap moet gewroken worden, en niemand dan gij mag zijn wreker zijn!quot;'

«Mijne zachte Sappho wordt op eens krijgshaftig!quot;

«Wanneer de hoosheid over hare gruwelen juicht, daar behoort ook de vrouw heldenmoed te toonen. Ook de vrouw verheugt zich als de misdaad gestraft wordt! — Maar zeg mij, is de oorlog reeds verklaard?quot;

«Nog niet, maar toch trekken reeds van alle zijden legerscharen naar het dal van den Euphraat, van waar het groote leger moet oprukken.quot;

»0, reeds ontzinkt mij den moed, straks zoo snel ontvlamd. Ik sidder bij het vernemen van het woord ,krijg.' Koevele moeders maakt hij niet kinderloos! Koevele vrouwen hullen het jeugdig hoofd niet in den sluier der weduwen, als Ares woedt! Koevele legersteden worden niet door tranen besproeid, als Pallas hare huiveringwekkende Aegis zwaait!quot;

«Koe verheft zich daarentegen de man in den woesten strijd, hoe verruimt zich zijn borst, hoeveel krachtiger wordt zijn arm niet! En rekent gij dan uwe vreugde voor niets, wanneer de geliefde held, met roem overladen, als overwinnaar huiswaarts keert? Het hart eener Perzische vrouw moet kloppen van geestdrift, als zij van veldslagen hoort gewagen. quot;Want is het leven van haar gade haar dierbaar, zijn krijgsroem moet haar meer waard zijn.quot;

»Ga ten strijde! Mijn gebed zal u beschermen.quot;

»En de rechtvaardige zaak zal zegevieren! Eerst slaan wij het leger van den pharao, — dan wordt Phanes' dochterke bevrijd....quot;

»En dan de edele Aristomachus, die de plaats van den ge-vluchten Phanes heeft ingenomen. Kij is opeens verdwenen; waar hij bleef, weet niemand. Men beweert, dat de kroonprins den dappere, die hem met zijn wraak dreigde over de mishandeling van Phanes' kinderen, in een donkeren kerker heeft geworpen. Zoo hij hem maar niet — wat erger zou zijn dan de pijnlijkste dood — naar eene afgelegene steengroeve heeft doen sleepen. De arme grijsaard was door booze vijanden onschuldig uit zijn vaderland gebannen. Op den dag zeiven van zijn ver-

ocr page 400

389

dwijnen, kwam er eene boodschap van wege de Spartanen hier aan den Nijl, waarbij Aristomachus, door wiens zonen Sparta in aanzien was gerezen, met al de eer, die Hellas een mensch kan schenken, naar de boorden van den Eurotas werd teruggeroepen. Een schip met kransen versierd wachtte den onvolprezen grijsaard, en aan 't hoofd van het gezantschap stond zijn eigen roemrijke en krachtige zoon.quot;

»Ik ken dien man met zijn stalen wil, die zich/elven verminkte om de schande te ontgaan. Bij de Anahita-ster, die ginds in het oosten tintelend ondergaat, wij zullen hem wreken!quot;

sMaar, mijn beste Bartja, is liet reeds zoo laaf '? De tijd is voor mij omgevlogen als een koeltje, dat onze voorhoolden kust en voorbijsnelt. Hoort gij daar niet roepen? Ja, men wacht ons! Vóór het aanbreken van den dag moet gij in de stad, in het huis van uw7 edelen gastheer zijn. Vaarwel, mijn held!quot;

«Geliefde, vaarwel! Binnen vijf dagen zingen wij het bruiloftslied. — Gij beeft, als ging ik reeds ten strijde!quot;

»Mij u zenuwen trillen bij de gedachte aan de grootte van ons geluk, gelijk dit het geval is bij de aanschouwing van al wat grootsch en ontzagwekkend is.quot;

))De goede Rhodopis roept al weder. Laat ons thans gaan! Ik heb Theopompus verzocht, overeenkomstig het gebruik met uwe grootmoeder te bepalen, wanneer en hoe het huwelijksfeest zal worden gevierd. Ik blijf vermomd in zijn huis, tot ik u,als mijne geliefde gade, tot mij mag nemen.quot;

))Eii ik zal u volgen!quot;

Toen de jongelieden den volgenden morgen met hun gastheer in diens tuin wandelden, riep Zopyrus: »Ik heb dezen ganschen nacht door van uwe Sappho gedroomd, gelukkige Bartja! Zulk een lief schepseltje werd er nog nooit geboren. Wanneer Aras-pes haar heeft gezien, zal hij mij moeten toestemmen, dat Pan-tbea niet de schoonste van alle vrouwen was. Mijne nieuwe gemalin te Sardes, die ik voor een wonder van schoonheid hield, komt mij thans als een nachtuil voor. Aoeramazda is een verkwister! Met Sappho's bekoorlijkheden had hij drie vrouwen gelukkig kunnen maken. Klonk haar stemmetje niet als muziek, toen zij ons in 't Perzisch goeden nacht wenschte?quot;

«Gedurende mijn afzijn,quot; antwoordde Bart ja, sheeft zij de taal van mijn vaderland geleerd van een oude vrouw uit Susa, echt-genoote van een tapijthandelaar uit Babylon, die te Naucratis woont, en met dit met zooveel moeite verworven geschenk verraste zij mij.quot;

ocr page 401

390

))Zij is een voortreffelijk meisje!quot; riep de groothandelaar. sMijne overledene gade beminde de kleine, als ware zij haar eigen kind geweest, en had haar gaarne met onzen zoon, die te Milete aan het hoofd mijner zaken staat, zien huwen. Maar de goden hebben het anders gewild! Toch zou mijne ontslapene gade zich verblijden, als zij de bloemguirlandes ten huize van Rhodopis kon zien!quot;

sis het dan bij u gebruikelijk, de woning eener bruid met bloemen te versieren?' vroeg Zopyrus.

»Voorzeker!quot; antwoordde Theopompus. «Als gij eene met bloemguirlandes behangene deur voorbijgaat, dan weet gij dat daar eene bruid is; ziet gij eene olijftak aan een huis hangen, dan zegt u dit zooveel als dat daar een zoon ter wereld is gekomen; een wollen windsel boven de deur strekt tot teeken, dat er een meisje is geboren '). Een vat met water voor de deur beduidt, dat daar een sterfhuis is. — Maar het marktuur is daar, mijne vrienden! Ik moet u verlaten, want gewichtige zaken vorderen elders mijne tegenwoordigheid.quot;

))Ik vergezel u,quot; riep Zopyrus, som kransen voor het huis van Sappho te bestellen!1'

siia! ha!quot; hernam de Milesiër lachend, »gij voelt u naar de bloemenmeisjes getrokken! O, spreek mij niet tegen, ik heb het wol geraden. Wanneer gij lust hebt, kunt gij gerust met mij gaan; maar ik bid u wat minder mild te zijn dan gisteren, en aan uwe verkleeding te denken, daar gij anders wel eens in gevaar zoudt kunnen geraken, als er bijgeval stellige berichten kwamen, dat Egypte een oorlog met Perzië boven 't hoofd hing!quot;

De Helleen liet zich door een slaaf de sandalen aanbinden, en begaf zich, door Zopyrus gevolgd, naar de markt, van waar hij weinige uren later terugkeerde. Er moest iets gewichtigs zijn voorgevallen, want de anders zoo opgeruimde man keek bijzonder ernstig, toen hij zich bij de achtergeblevene vrienden neerzette.

»Ik vond de geheele stad in rep en roer,quot; begon hij te verhalen, »want het gerucht liep, dat Amasis gevaarlijk ziek was. Toen wij zoo even, tot het afdoen van zaken, op de beurs 2) bijeenstonden, en ik groote kans had op den geheelen voorraad van al mijne hoog in prijs staande artikelen groote sommen te verdienen, die ik, ingeval de prijzen door de zekerheid van den aanstaanden oorlog dalen mochten, tot het aankoopen van nieuwe waren dacht te besteden —want dat ik tijdig bekend ben met de toerustingen van uw machtigen broeder, kan mij van

1

Men ziet: de bekende Ilaarlemsche kloppertjes zijn al van oude dagteekening.

2

De Grieken plachten daar hunne waren op monsters te verkoopen.

ocr page 402

391

'Ontzaglijk veel nut zijn — verscheen de toparch in onzen kring, en bracht de tijding, dat Amasis niet alleen zeer krank was, maar dat alle artsen hem hadden opgegeven. Met een uur kan hst bericht van 's konings dood en van een belangrijken ommekeer in den stand van zaken tot ons komen. De dood vau dezen vorst is het zwaarste verlies, dat ons Hellenen kan treffen; want hij was ons ten allen tijde zeer genegen, en begunstigde ons, waar hij maar kon. Zijn zoon daarentegen, een verklaard vijand van de Grieken, zal alles in het werk stellen, om ons zoo mogelijk allen uit Egypte te jagen. Naucratis met onze tempels is hem sinds lang eeu doorn in het oog. Had zijn vader het hem niet belet, en waren de Helleensche soldaten hem niet onontbeerlijk, dan zou hij ons, gehate vreemdelingen, reeds voor lang uit zijn rijk hebben verdreven. Als Amasis gestorven is. zal geheel Naucratis de legerscharen van Gambyzes als vrienden begroeten. Wij Grieken weten toch bij ondervinding, dat gijlieden ook achting hebt voor volken, die geen Perzen zijn, en hunne rechten pleegt te eerbiedigen.quot;

))Ik zal er wel voor zorgen,quot; zeide Bartja, »dat mijn broeder al uwe oude vrijheden bevestigt, en er u nog meerdere verleent.quot;

»Moge hij spoedig Egypte binnenrukken!quot; riep de Helleen uit. ))Wij weten dat Psamtik, zoodra hij slechts de handen volkomen vrijheeft, ons hevelen zal onze tempels, die hem een gruwel zijn, omver te halen. Reeds sedert lang is ons het bouwen eener offerplaats te Memphis verboden.quot;

»Hier evenwelquot;, zeide Darius, «hebben wij schoone tempels gezien, toen wij van de haven kwamen.quot;

))Wij bezitten er verscheidene. — Doch daar komt Zopyrus met mijn slaven, die hem een berg van kransen nadragen. Hij ziet er zoo recht opgeruimd uit, en heeft zeker al een zeer aangenaam onderhoud met de bloemenmeisjes gehad. Goeden morgen, vriend! Gij schijnt u om de treurige boodschap, die gansch Naucratis met rouw vervult, niet zwaar te bekommeren!quot;

)gt;Ik gun Amasis nog honderd jaren!quot; was het antwoord. »Maar als hij sterft, zal men wel wat meer te doen hebben, dan op ons acht te geven. Wanneer denkt gijlieden naar Rhodopis te gaan, vrienden?quot;

yiZoodra hot duister wordt.quot;

«Breng dan de edele vrouw deze bloemen als een geschenk van mij. Ik had nooit kunnen denken, dat eene oude vrouw zulk een indruk op mij zou maken. Ieder barer woorden klinkt als muziek, en hoe ernstig en verstandig het ook is wat zij zegt, het weet toch, als de vroolijkste scherts, onze ooren binnen te dringen. Ditmaal kan ik u niet begeleiden, Bartja, want ik zou u •toch maar hinderen! Wat zijn uwe plannen, Darius'?quot;

ocr page 403

sik zou niet gaarne de gelegenheid verzuimen, om Rhodopis te spreken.quot;

»Uat kan ik denken! Gij moet altijd alles weten en leeren; terwijl ik er veel van houd. alles te genieten. Wilt gij mij voor hedenavond verlof geven, vrienden? Ziet eens____quot;

»Ik weet alles!quot; viel Bartja den dartelen jongeling lachend in de rede. »Gij hebt de bloemenmeisjes tot heden slechts bij dag opgenomen, en zoudt ook gaarne weten, hoe zij erbij lamplicht uitzien.quot;

»Gij slaat den spijker op den kop!quot; antwoordde Zopyrus,die moeite deed, om een ernstig gezicht te zetten. «In dit opzicht ben ik als üarius zeer begeerig naar kennis.quot;

»Dan vvenschen wij u veel genoegen bij de drie zusters!quot;

))Liever niet; — slechts bij Stephanion, de jongste!

Toen Bartja, Darius en Theopompus het huis van Rhodopis verlieten, brak de morgen reeds aan. Syloson, een aanzienlijk Helleen, een broeder van Polycrates, door wien hij uit zijn vaderland gebannen was, had ook den avond bij Rhodopis doorgebracht en keerde nu met Theopompus en zijne gasten terug naar Naucratis, waar hij sedert jaren woonde. Deze man, dien zijn broeder wel in ballingschap deed leven, maar het hem evenwel nooit aan geld liet ontbreken, voerde den schitterendsten staat van alle burgers van Naucratis, en was evenzeer beroemd om zijne kwistige maaltijden, als om zijne kracht en behendigheid. Buitendien onderscheidde Syloson zich door schoonheid en prachtige kleeding. Alle jongelingen van Naucratis rekenden het zich tot eene eer, de snede en de schikking der plooien van zijn gewaad na te volgen. Ongehuwd zijnde en zonder bezigheden, bracht hij dikwerf den avond in het huis van Rhodopis door, die hem onder hare beste vrienden telde, en hem dan ook in het geheim harer kleindochter had ingewijd.

Op dien avond was men overeengekomen, dat het huwelijk binnen vier dagen, in alle stilte en heimelijk, zou worden voltrokken. Reeds had Bartja den kweeappel met zijne geliefde, die op denzelfden dag Zeus, Hera en de overige beschermgoden van het huwelijk hare offers gebracht had, gegeten en zich door deze zinnebeeldige handeling plechtig met haar verloofd '). Sy-

?I) Plutarchus rerzekeii, dat de Atheensche bruiden, volgens een wet van Solon, vóór de bruiloft een kweeappel moesten eten, die buitendien voor de geliefden zeker eene bijzondere beteekenis had. Het lijdt geen twijfel, dat ook de Grieken onze bruidsdagen hebben gekend.

ocr page 404

393

loson had op zicli genomen, voor de zangers van het huwelijkslied en voor de fakkeldragers te zorgen. De feestmaaltijd zou in het huis van Theopompus, als dat van den bruidegom, worden aangericht. De kostbare bruidsgeschenken van den koningszoon waren reeds aan Rhodopis ter hand gesteld. Bartja had het vrij aanzienlijk erfdeel zijner geliefde van de hand gewezen en op hare grootmoeder overgedragen, die echter bepaald geweigerd had zich dit te laten welgevallen. Syloson geleide de vrienden tot aan het huis van Theopompus, en wilde juist afscheid van hen nemen, toen men, in de stilte van den nacht, een geweldig straatrumoer vernam. Kort daarop kwam er eene Egyptische patrouille voorbij, die een zwaar geboeid man naar de gevangenis bracht. De gevangene scheen zeer boos te zijn, en werd hoe langer zoo driftiger, naarmate de soldaten minder acht sloegen op zijn gebroken Grieksch, en zijn vloeken in eene hun geheel onbekende taal.

Nauw hadden Bartja en Darius de stern van den gebondene gehoord, of zij snelden op hem toe, en herkenden Zopyrus. Syloson en Theopompus hielden de patrouille staande en vroegen den aanvoerder wat hun gevangene misdaan had. De beambte, die, als ieder kind te Naucratis, den Milesiër etr den broeder-van Polycrates kende, maakte een diepe buiging, en vertelde, dat de vreemde jongeling een moord begaan had.

Theopompus nam nu den hoofdman ter zijde, en beloofde hem veel geld, als hij den gevangene wilde loslaten, doch kon van den Egyptenaar niets meer gedaan krijgen, dan dat hij hem toestond met zijn gast even le spreken.

Toen de vrienden bij Zopyrus stonden, verzochten zij hem hun spoedig te verhalen, wat er voorgevallen was, en vernamen dat hun levenslustige vriend, bij het aanbreken van den nacht, de bloemenmeisjes bezocht had, tot aan de eerste ochtendschemering bij Stephanion gebleven en toen de straat opgegaan was. Nauwelijks had hij de huisdeur achter zich gesloten, of hij werd door onderscheidene jongelieden, die hem allerwaarschijnlijkst bespied hadden, aangevallen. Met een hunner, die zich Stephanion's bruidegom noemde, had hij het 's morgens reeds aan den stok gehad. De deerne had den lastigen vrijer op vrij snibbige wijze den rug toegekeerd en Zopyrus bedankt, toen deze den indringer met klappen dreigde. Toen de Achaemenide zag dat hij geheel omsingeld was, trok hij aanstonds zijn zwaard en sloeg de slechts met stokken gewapende aanvallers zonder-moeite terug, doch had daarbij het ongeluk, den jaloerschen vrijer-, die vrij woest op hem indrong zoo zwaar te wonden, dat hij nederstortte. Intusschen was de patrouille genaderd, en wilde Zopyrus, op hel roepen van den gewonde: «moordenaars,

ocr page 405

394

roovers!quot; in hechtenis nemen. Doch de Pers was niet genegen, tot zoo geringen prijs zijne vrijheid te verkoopen. Door het gevaar waarin hij zich bevond nog meer aangevuurd, vloog de strijdlustige jongeling met opgeheven zwaard op de soldaten los, en iiad zich reeds ruim baan gemaakt, toen eene tweede bende toesnelde, en hem met de eerste vereenigd opnieuw aangreep. Wederom zwaaide hij zijn wapen, dat ditmaal een Egyptenaar den schedel in tweeén spleet, Een tweede houw wondde een soldaat in den arm. Toen hij echter een derde houw wilde doen voelde hij plotseling, dat men een strik om zijn hals slingerde, die hoe langer zoo vaster aangetrokken werd. Opeens kon hij geen adem meer halen en verloor zijn bewustzijn. Toen hij weder bijkwam, was hij gekneveld, en moest in spijt van zijn pas en zijn beroep op ïheopompus de bende volgen.

Nadat hij zijn verhaal geëindigd had, gaf de Melesiër den jongeling op de ondubbelzinnigste wijze zijne ontevredenheid te kennen, hem verzekerende, dat zijn ontijdige strijdlust de treu-rigste gevolgen na zich zou kunnen sleepen. Daarop wendde hij zich nogmaals tot den hoofdman, en bad dezen zijn vriend op vrije voeten te stellen. Hij zou voor den gevangene borg blijven. Doch de man wees alle aanzoeken koel maar stellig van de hand, en verzekerde dat hij zijn eigen leven zou verspelen met den moordenaar de geringste gunst toe te staan. In Egypte toch bestond eene wet, die ook den heler van den moord met de doodstraf bedreigde 1). Hij moest, zoo verzekerde de aanvoerder, den misdadiger op staanden voet naar Saïs brengen, en daar aan den nomarch overleveren, die zijn vonnis zou vellen.

»Hij heeft,quot; hiermede eindigde hij, seen Egyptenaar vermoord, en moet daarom door een Egyptische rechtbank gevonnist worden. In ieder ander geval ben ik tot uw dienst.quot;

Intusschen had Zopyrus met zijne beide vrienden gesproken, en hen aangemaand niet bezorgd voor hem te zijn. ))Ik zweer u, bij Mithra,quot; riep hij, toen Bartja hem te kennen gaf dadelijk er voor uit te willen komen wie hij was, ten einde zijne vrijheid te verkrijgen, »dat ik mij, zonder er een oogenblik over te denken, mijn zwaard in het hart stoot, wanneer gij u om mijnentwille in de handen dezer Egyptische honden overlevert. Reeds is het gerucht van den aanstaanden krijg door de geheelestad verspreid; zoodra Psamtik verneemt, welke kostbare vogels in zijn net zitten, zal hij zich niet lang bezinnen, maar het spoedig dichttrekken, om u als gijzelaars te behouden. Aoeramazda schenke u heil en zegen en reinheid! Leeft gelukkig vrienden, en

1

De heler van een moord moest met den knoet gestraft worden, en kree^ in drie dagon eten noch drinken.

ocr page 406

395

deukt menigmaal aan den lustigen Zopyrus, die voor strijd en liefde geleefd heeft, en voor liefde en strijd in den dood gaat T De hoofdman had zich intusschen weder aan het hoofd dei-bende gesteld, en zijnen lieden bevel tot oprukken gegeven.

Eenige oogenblikken later was Zopyrus uit het gezicht der hem nastarende vrienden verdwenen.

ocr page 407

VIJFDEHOOFDSTUK.

Volgens de Egyptische wet, moest over Zopyrus het doodvonnis worden uitgesproken. Zoodra de vrienden dit vernomen hadden, stond het besluit bij hen vast, op staanden voet naar Saïs te reizen, en te beproeven den gevangene door list te bevrijden. Syloson, die daar bekend was en de Egyptische taal verstond, bood uit eigen beweging aan hun behulpzaam te zijn. Bartja en Darius maakten zich onkenbaar door haar en wenkbrauwen te verven, en breedgerande vilten hoeden 1) op te zett en, zoodat zei I's de vrienden zich in hen bedrogen zouden hebben. Bovendien liet Theopompus ze uiterst eenvoudige Griek-sche kleederen aantrekken. Een uur na de inhechtenisneming van Zopyrus kwamen zij met den rijk gekleeden Syloson aan den oever van den Nijl samen, en bestegen een vaartuig, dat aan hun nieuwen vriend toebehoorde, en door diens slaven geroeid werd. Na eene korte door den wind begunstigde vaart, waren zij, eer nog de gloeiende zon der hondsdagen hare middaghoogte bereikt had te Saïs, dat zich als een eiland boven de overstroomde velden verhief.

Op eene afgelegene plaats traden zij aan wal, en kwamen dadelijk daarop in de wijk der handwerkslieden, die in weerwil van de verbazende hitte met onverdroten ijver hun werk verrichtten, In den open hof van een bakker zag men knechten, die liet grove deeg met de voeten, het fijne met de handen kneedden, Brooden van allerlei vorm werden uit den oven gehaald, cirkelen langwerpig-rond gebakken, wittebrooden in de gedaante van schapen, slakken en harten, in manden gelegd. Sterke knapen plaatsten drie, vier of vijf dier manden op het hoofd, en droegen

1

De vilten hoetien (petasos) werden eerst door de Grieken, daarna ook door de Romeinen gedragen, tot bescherming tegen de zonnestralen. Op den beroemden ruiteroptocht van het Parthenon, in liet liritsche museum, dragen bijna alle ruiters den petasos. Dit hoofddeksel komt ook als reishoed voor. Eene figuur met den breedgeranden hoed op den rug duidt een reiziger aan.

ocr page 408

397

(ieze vlug en handig naar de, in de andere deelen der stad wonende klanten1). Een vlecschhomver slachtte vóór zijn huis een os, wiens pooten bijeengebonden waren, terwijl zijne knechts op slijpsteenen hunne messen scherpten, om het lichaam eener wilde geit te ontleden. Vroolijke schoenmakers riepen uit hunne kramen de voorbijgangers aan, en timmerlieden, kleermakers, schrijnwerkers en wevers2) waren allen ij verig in de weer. Bevrouwen der ambachtslieden, met hare naakte kinderen aan de hand, kwamen op straat, om inkoopen te gaan doen, terwijl eenige soldaten naar den wijn- en bierschenker liepen, die zijne bedwelmende waar in het, openbaar op de straat uitventte 3).

Onze vrienden sloegen op dit alles echter geen acht; zwijger.d volgden zij Syloson, die, aan de wacht der Helleensche krijgslieden gekomen, hen verzocht eenige oogenblikken op hem te wachten. De Samiër kende bij toeval den dienstdoenden taxiarcli, en vroeg hem dus of hij ook van een moordenaar gehoord had, die men zeide dat van Naucratis naar Saïs was overgebracht.

»Zeker heb ik van hem gehoord!quot; luide het antwoord. «Nauwelijks een half uur geleden is hij hier binnengebracht. Men vond aan zijn gordel een vollen buidel, en houdt hem vooreen Perzischen spion. Gij weet toch zeker, dat Cambyzes toerustingen maakt tot een oorlog tegen Egypte?quot;

»Dat is niet mogelijk!quot;

?gt;•gt;HeI is de stellige waarheid! Den pharao is dit ook reeds bekend. Door Arabische kooplieden, wier karavaan gisteren te Pelusium aankwam, is dit bericht het eerst tot ons overgekomen.'quot;

»Dit gerucht komt mij voor even dwaas te zijn als het vermoeden betreffende den Lydier. Ik ken dezen zeer goed, en beklaag den armen jongen van ganscher harte. Hij behoort tot

1

Op de oude gedenkteeketien, bijv. te Tliebo, Benihassan en Saq-quara vindt men het leven der nijvere handwerkslieden, zooals schoenmakers, pottenbakkers, schrijnwerkers, vervaardigers van mummie-kisten, timmerlieden, spinners en mattenmakers, glasblazers, goudsmeden, schilders, beeldhouwers, slachters, enz. zeer aanschouwelijk voorgesteld. Bij Ebers, Aegypten in Bi ld und wort, Wilkinson e.a. kan men hiervan afbeeldingen vinden.

2

Wevende en spinnende mannen en vrouwen komen op de monumenten dikwijls voor. In het Berlijnsch museum zijn eenige Egyptische spinrokkens; in het Leidsche vindt men een keurig spinstokje en eene knoopnaald, met het roode garen er nog om, benevens vele monsters van weefsels.

3

Het Egyptische bier, dat de Grieken ,zythos'noemden, was algemeen bekend, maar stond niet hoog aangeschreven. Osiris zou het met den wijrr aan de menschen hebben geschonken. In oud-Egyptische geschriften komt het dikwijls voor onder den naam: ,hek'. Het verdient opmerking dat men Gambrinus, als een zoon van Isis, met Egypte, het land waar men het eerst bier zou hebben gedronken, in betrekking heeft gebracht.

ocr page 409

308

een der rijkste geslachten van Sardes, maar is vandaar gevlucht^ omdat hij een geschil had met den Perzischen satraap Oroetes,. en van diens geduchte vijandschap alles vreezen moest. Ik za^ u de geheele geschiedenis uitvoerig verhalen, als gij mij binnen kort te Naucratis eens een bezoek brengt. Natuurlijk zijt gij dan voor een dag of wat mijn gast, en brengt gij eenigen uwer vrienden mede. Mijn broeder heeft mij van Samos een wijntje gezonden, dat zeker alles overtreft, wat ge tot nog toe gepi-oefd hebt. Slechts eene fijne tong als de uwe gun ik dezen godendrank!quot;

Het aangezicht van den taxiarch glansde van genoegen, terwijl hij, Syloson bij de hand vattende, uitriep : »Bij den hond '), vriend, wij zullen niet op ons laten wachten, en uwe lederzakken eere aandoen! Wat dunkt u, zoudt gij dan Archidike 1) en de drie bloemenmeisjes niet bestellen, met een paar fluitspelers om quot;t ontbijt op te luisteren?quot;

»Geene van die allen zal ontbreken! Maar gij brengt mij daar weer op hetgeen ik u zeggen wilde; juist ter wille dier bloemenmeisjes zit de jonge T.ydiër thans gevangen. Een ijverzuchtige botmuil, door eenigen zijner vrienden ondersteund, overviel den goeden jongen voor haar huis. Mijn Lydische driftkop weerde zich dapper.... '

»En deed zijn belager den grond kussen?quot;

»Zóo, dat hij wel nimmer meer zal opstaan.quot;

J Dan moet die knaap wel goede vuisten hebben!quot;

sllij had een zwaard bij zich.quot;

»Des te beter voor hem.quot;

»Neen, des te erger, want de verslagene is een Egyptenaar.quot;

Dat is eene gekke geschiedenis, die zeker slecht zal afloopen. Een vreemdeling die een Egyptenaar doodt, schiet er zoo zeker het hachje bij in, als iemand die aan de galg 2) hangt te spartelen. In allen gevalle zal hij eenige dagen tijd hebben om zijne oploopendheid te betreuren. Al de priesters zijn verdiept in gebeden voor den stervenden koning, zoodat er geen tijd ia voor gerechtszaken.quot;

»Het zou mij veel waard zijn, als men den armen schelm kon redden. Ik ken zijn vader.quot;

))Och, in den grond heeft hij ook niets gedaan, wat niet ieder ander zou doen, die hart in 't lijf heeft, 't Is toch van niemand, te vergen, dat hij zich gedwee zal laten afranselen.quot;

1

Eene beroemde hetaere van Naucratis.

2

Misdadigers, die ter dood veroordeeld waren, ?werden in Egypte gewoonlijk opgehangen.

ocr page 410

399

Weet gij ook, in welke gevangenis de arme jongen is opgesloten '?quot;

s,la ! Het groote gevangenhuis wordt verbouwd ; daarom is hij voorloopig in het magazijn gezet, dat de hoofdwacht der Egyptische lijfgarde van het bosch van den Keith-tempel scheidt. Ik ben zoo even eerst hier gekomen, en zag den armen schelm er heenbrengen.quot;

»Hij is moedig en sterk, zou het hom met een weinig hulp van buiten niet mogelijk zijn te ontsnappen?quot;

^Onmogelijk ! Het gebouw, dat hem tot gevangenis dient, is twee verdiepingen hoog. en het eenige venster dat het heeft, ziet in het bosch der godin uit, dat, gelijk gij weet, door tien voet hooge muren omgeven is en als eene schatkamer bewaakt wordt. Aan al de poorten zijn dubbele posten uitgezet. Alleen waar de muur door het water bespoeld wordt, plaatst men tijdens de overstrooming natuurlijk geene schildwachten. Deze dieraan-bidders zijn zoo voorzichtig als de kwikstaarten!quot;

»Dat is jammer! Dan zullen wij den armen hals aan zijn lot moeten overlaten. Vaarwel Daemones, geef spoedig gevolg aan mijne uitnoodiging!quot;

De Samiër verliet de wachtkamer, en ging aanstonds weder naar zijne vrienden, die hem met ongeduld zaten te wachten, en zijn bericht in de grootste spanning aanhoorden.

Toen de Helleen hun de gevangenis beschreven had, riep Darius : sgt;Ik geloof, dat het ons met eenig overleg en een weinigje moed wel zal gelukken Zopyrus te redden. Hij is behendig en vlug als eene kat, en sterk als een beer. Ik heb een plan !quot;

«Laat hooren !quot; zeide Syloson. »Maar laat mij vooraf zeggen, dat ook ik nog niet wanhoop.quot;

»Wij koopen touwladders, bindgaren en een goeden boog, bergen dat alles in de boot en varen, zoodra het donker wordt, naar de onbewaakte plaats van den tempelmuur. Gij helpt mij daarover te klauteren. Ik neem de gekochte voorwerpen mede, laat het geluid van den arend hooren. waaraan Zopyrus mij dadelijk zal her kennen, daar wij in onze jeugd er ons meermalen op de jacht van bedienden, om elkaar te waarschuwen, schiet den pijl met het bindgaren in het venster, — ik heb nog nooit mijn doel gemist, — roep mijn vriend toe, aan het uiteinde er van iets zwaars te hechten en dit neder te laten, en maak het garen aan de touwladder vast. Dan haalt Zopyrus het reddingstoestel op, slingert het om den ijzeren nagel, die in elk geval met de ladder naar boven moet, daar wij toch niet weten of er in zijne cel iets te vinden is, waaraan hij de ladder zou kunnen vastmaken, daalt naar beneden, snelt met mij naar de plaats, waar gij met de boot wacht, klautert met behulp van eene

ocr page 411

382

vriend te verbieden zich verder op te houden. Eindelijk bereikten zij dan ook, na de tafels der wisselaars en de burgers, die, op steenen banken gezeten, onder den blooten hemel raad hielden, te zijn voorbijgegaan, het huis van ïheopompus.

Namv had hun Grieksche gids den metalen klopper op de deur doen vallen, of deze werd door een slaaf geopend. Daalde heer des huizes zich op de markt bevond, werden de vreemdelingen door den portier, een in het huis van Theopompus grijs geworden slaaf, in het andronitis ') geleid, met verzoek, de terugkomst van den meester daar af te wachten.

Terwijl de jongelingen zich nog onledig hielden met het beschouwen van het schoone schilderwerk op de wanden, en de kunstige bewerking van den steenen vloer, keerde Theopompus, — dezelfde groothandelaar, dien wij reeds in het huis van Rho-dopis leerden kennen, — van de markt terug, gevolgd dooreen aantal slaven, beladen met de door hem aangekochte waren 1). De Milesiêr heette de vrienden welkom met bevallige minzaamheid, en vroeg hun met de meeste voorkomendheid, waarmede hij hen dienen kon. Na zich overtuigd te hebben, dat zich geen ongeroepen getuige in de nabijheid bevond, stelde Bartja den heer des huizes de briefrol ter hand, die Phanes hem bij het afscheid voor Theopompus had medegegeven.

Nauwelijks had deze den brief gelezen, of hij boog zich diep voor den koningszoon neder, en riep ; ))Bij Zeus, die ons den plicht der gastvrijheid oplegt, grootere eer dan die van uw bezoek, had mijn huis wel niet kunnen te beurt vallen! Beschouw al wat ik heb als uw eigendom, en verzoek ook uwe vrienden hun intrek in mijne woning te nemen. Vergeef mij, dat ik u in uwe Lydische kleeding niet herkende. Ik geloof dat uwe lokken korter en uw baard zwaarder zijn geworden, sedert gij Egypte verliet. Vergis ik mij niet, dan wenscht gijlieden onbekend te blijven'? — Zooals gij wilt! De beste gastvrijheid bestaat daarin, dat men zijne gasten geheel vrijlaat. O, nu herken ik uwe vrienden ! Ook zij hebben zich vermomd en gelijk gij het haar gekort. Ja, ik zou durven bezweren, dat gij, mijn vriend, wiens naam...quot;

sik heet Darius.quot;

»Dat gij, Darius, uwe haren zwart geverfd hebt. Is het zoo niet. Gij ziet, dat mijn geheugen mij niet bedriegt. Toch mag

1

De aanzienlijkste Grieken schaamden zich niet, in gezelschap van hunne slaven aankoopen op de markt te doen. Eerzame huismoeders durfden zich niet op de markt vertoonen ; gewoonlijk zonden zij hare slavinnen er heen.

ocr page 412

383

ik daar niet al te zeer op roemen; want meermalen heb ik u te Saïs gezien, en ook hier bij uwe aankomst en uw vertrek. Gij, o koningszoon, zult misschen vragen, of anderen u niet evenzeer zullen herkennen ? Stellig niet! De vreemde kleeding, het korte haar en uwe donkergekleurde wenkbrauwen hebben u verbazend veranderd. Maar vergun mij, dal ik mijeenoogen-blik verwijder! Mijn oude portier wenkt mij en schijnt eene belangrijke boodschap te hebben.quot;

Weinige oogenblikken later keerde Theopompus terug, en riep : »Hoort eens, waarde gasten, als gij onbekend wenscht te blijven, dan moei gij u hier, te Naucratis, niet zoo aanstellen, als gij reeds gedaan hebt! Gij hebt gekheid gemaakt met de bloemenmeisjes, en haar een paar rozen betaald, niet als ontvluchte Ly-dische hekatontarchen, maar als groote heeren, gelijk gij ook zijt. Geheel Naucratis kent de schoone, lichtzinnige zusters Ste-phanion, Chloris en Irene, die met hare kransen reeds menig jeugdig hart gevangen, en met hare verleidelijke blikken reeds menigen blanken obool ') uit de beurzen onzer zorgelooze jongelieden hebben getooverd. Zoolang de markt duurt, houden de jongelingen zich het liefst bij de hloemenmeisjes op, en wat daar dan wordt verhandeld, wordt gewoonlijk in de stilte van den nacht met meer dan éen goudstuk betaald. Maar voor een vriendelijk woord en een paar rozen is men minder mild dan gij. De meisjes hebben met uwe geschenken gepronkt, en haren schrielen vrijers uwe goudstukken getoond. De faam is eene godin, die in den regel vreeselijk overdrijft, en van een hagedis een krokodil maakt. Spoedig kwam ook den Egyptischen hoofdman, die de wacht op de markt heeft, sedert Psamtik de teugels van het bewind in handen heeft genomen, het bericht ter oore, dat drie, kort te voren aangekomen Lydische krijgslieden goud onder de kransvlechtsters hadden uitgestrooid. Deze tijding wekte achterdocht en gaf den toparch 1) aanleiding, om een beambte hierheen te zenden, ten einde naar uwe afkomst en het doel uwer reis te vernemen. Ik heb eene list moeten gebruiken en den man, die de boodschap bracht, iets wijs moeten maken. Overeenkomstig uw verlangen, heb ik u voor rijke jongelingen van Sardes uitgegeven, die aan den toorn van den satraap ontvlucht zijn. — Maar daar komt de beamte met een schrijver, die u een pas zal brengen, opdat gij veilig aan den Nijl zoudt kunnen vertoeven. Ik heb hem eene rijke belooning toegezegd, als hij u behulpzaam wilde zijn, om onder de krijgslieden van den koning te worden opgenomen. Hij is in den strik geloopen.

1

Zie boven blz. -175.

ocr page 413

en gelooft mij op mijn woord. Omdat gijlieden nog zoo jong zijt, houdt men zich overtuigd dat gij met geene geheime zending zijt belast.quot;

Nauwelijks had de woordenrijke Helleen uitgesproken, of do schrijver, een mager in het wit gekleed man, trad het vertrek binnen. Hij ging naar de vreemdelingen toe, en ondervroeg hen door tusschenkomst van zijn tolk naar hunne afkomst en het doel hunner reis. De jongelingen herhaalden, wat door Theopom-pus reeds was bericht, namelijk dat zij uitgewekene hekaton-tarchen waren, en verzochten den beambte hun het middel aan de hand te doen, om onder de Egyptische hulptroepen te worden opgenomen, en hen van passen te voorzien. Nadat hun gastheer zich borg voor hen gesteld had, aarzelde de beambte niet langer, en stelde hen in quot;t bezit der verlangde stukken.

Aldus luidde de pas van Bartja :

»Smerdes, — zoon van Sandon, uit Sardes,—ongeveer twee en twintig jaren oud, hoog en rank van gestalte, met een schoon gevormd gelaat, rechten neus en hoog voorhoofd, in het midden waarvan zich een klein litteeken bevindt, mag zich, dewijl voor hem een voldoende borg is aangewezen, daar waar de wet vreemdelingen duldt, in Egypte ophouden.

In naam des Konings.

Sachons, schrijver.quot;

De passen van Zopyrus en Darius waren op dezelfde wijze gesteld 'V

Toen de beambten het huis verlaten hadden, wreef Theopom-pus zich in de handen, zeggende: »Nu kunt ge u, zoo gij ten minste mijn raad steeds wilt volgen, vrij en gerust in dit land bewegen. Bewaart deze papierrolletjes zoo zorgvuldig als uwe oogen en houdt ze steeds bij u. — Thans noodig ik u mij aan 't ontbijt te volgen, en mij. als mijne vraag niet onbescheiden is, te vertellen, of het gerucht, dat zich als een loopend vuurtje over de markt verspreid heeft, niet als gewoonlijk gelogen heeft. Eene van Colophon komende triëre bracht namelijk het bericht, dat uw machtige broeder, edele Bartja, zich tegen Amasis ten strijde toerust.

Aan den avond van denzelfden dag zagen Bartja en Sappho elkander weder. Welk een heuglijke ontmoeting! De verschijning van den koningszoon was voor Bhodopis'kleindochter eene verrassing, die hare stoutste verwachting verre overtrof. »De

1) Dergelijke signalementen zijn op papyrussen bewaard gebleven.

ocr page 414

385

jonkvrouw kon gedurende het eerste uur gèene woorden vinden, om haar geluk, hare blijdschap en hare dankbaarheid te uiten. Toen zij eindelijk weer alleen waren in dat prieel van jasmijnen, waar zij den eersten liefdekus gewisseld hadden, legde Sappho haar hoofdje aan het hart van den dierbaren jongeling. Lang zaten zij sprakeloos naast elkaar, en hadden geen oog voor maan of sterren, die in den zoelen zomernacht, in de diepste stilte, boven hunne hoofden de zooveel beteekenende cirkels beschreven. Zij hadden geen oor voor het lied van de nachtegalen, die als voorheen, in beurtzang al fluitend hun geliefkoosd «itys itoquot; zongen. Zij gaven geen achl op den vochtigen dauw, dien de nacht over hunne hoofden en de gesloten bloemkiokjes uitgoot.

Eindelijk vatte Bartja beide de handen zijner bruid, en keek haar lang zwijgend aan, als wilde hij zich hare trekken vooi immer onuitwischbaar in de ziel prenten; zij echter zag blozend voor zich, tol hij eindelijk uitriep : » Wanneer ik van u droomde, dan waart gij schooner dan alles, wat Aoeramazda geschapen heeft; thans zie ik, dat gij zelfs mijne voorstellingen in den droom in schoonheid nog verre overtreft!quot;

En toen zij hem voor dit woord met een vriendelijken blik dankte, sloeg hij nogmaals zijn arm om haar middel, drukte haar vaster aan zijne borst, en vroeg; »Hebt gij aan mij gedacht T'

»Alleen, alleen aan u !quot;

«En hooptet ge, mij spoedig weer te zullen zien

sAch, uur aan uur dacht ik: .hij moet komen!' Als ik 's morgens in den tuin trad, en heenzag naar het oosteu, uw geboorteland, en een vogeltje van de rechterzijde op mij toevloog, voelde ik een zeker trekken in het rechter ooglid 1); wanneer ik mijne kist opruimde, en den laurierkrans vond, die u zoo heerlijk stond, en dien ik daarom tot een aandenken bewaarde, —, Melitta zegt, dat het bewaren van zulk een krans de trouwe liefde onderhoudt, — dan klapte ik in de handen, en dacht; )gt;lieden moet hij komen,quot; liep naar den Nij 1 en wuifde ieder vaartuig met mijn doek het welkom toe, want ieder nieuw vaartuig, docht mij, kon u in mijne armen voeren. En als ik u niet komen zag, keerde ik treurig noar huis terug, en zong een lied, en tuurde in het vuur van den haard in het vrouwenvertrek, tot grootmoeder mij uit den droom kwam wekken, zeggende; ,hoor eens, meisjelief, wie overdag droomt, loopt gevaar des nachts den slaap niet te kunnen vatten, en 's morgens droefgeestig, met afgematte hersenen en vermoeide leden.

1

) Do vogel die van de rechterzijde kwam aanvliegen, bracht geluk aan. Ook het trekken van het rechter oog gold voor een goed voorteeken.

ocr page 415

386

van zijn leger op te slaan. De dag werd ons gegeven, om te-waken, om onze oogen wijd open te houden, en te zorgen, dat geen 'iur onnut voorbijga. Het verleden behoort aan de dooden. De dwazen hopen veel van de toekomst. De wijze leeft slechts voor het tegenwoordige, dat altijd jeugdig is en nieuw, en gebruikt dit, om alle gaven, die Zeus ons verleend heeft, die Apollo, Pallas en Cypris ons schonken, door arbeid zóo te gebruiken, dat zij met lederen dag in waarde rijzen, volkomener en edeler worden, en ons denken, handelen, gevoelen en spreken ten laatste zoo rein en welluidend zij, als de liefelijke klank der accoorden van het snarenspel. Gij kunt den man, wien gij uw hart geschonken hebt, en dien gij hooger dan n zei ven stelt, wijl gij hem liefhebt, niet beter dienen, en geene sprekender bewijzen geven van uwe trouw, dan wanneer gij uw geest en uw hart, zooveel uwe krachten toelaten, veredelt. Het schoone en goede, dat gij u eigen maakt en aanleert, wordt voor uw geliefde een geschenk. Want als gij hem uw gansche zijn toewijdt, dan ontvangt hij uwe deugden met u. Maar al droomende heeft nog nooit iemand eene overwinning behaald. De dauw, die de bloem der deugd laaft en leven geeft, noemt men zweet!' — Zoo sprak zij; en beschaamd verliet ik ijlings den haard, greep mijn speeltuig, leerde nieuwe liederen, of hing aan den mond mijner leermeesteres, die mij, — in wijsheid overtreft zij menig man, — met woord en schrift onderwees. Zoo gleed de tijd daarheen, een snel vlietenden stroom gelijk, die, als de Nijl, van rusten noch toeven weet, en nu eens eene, met bonte wimpels versierde, gouden boot, dan eene vraatzuchtige booze krokodil voorbij ons stervelingen heenvoert!quot;

))Thans zitten wij neder in die boot des geluks! Och, dat de tijdstroom nu ophield te vlieden ! Och, bleef het immer, gelijk het nu is! — Allerliefst meisje, wat spreekt ge verstandig, hoe goed begrijpt gij die schoone lessen, en hoe bevallig geeft gij ze weder, ,1a, mijne Sappho, ik ben trotsch op u! In uwe liefde bezit ik een schat, die mij veel rijker maakt dan mijn heer en broeder, voor wien de halve wereld zich buigt!quot;

»Gij, trotsch op mij, gij, groote vorstenzoon, de schoonsteen beste van uw heelen stam?quot;'

,)Ik vind in mij geen hooger waarde, dan die, dat gij mij uwer waardig keurt!quot;

«Groote goön. hoe kan dit kleine hart zulk een volheid der hoogste zaligheid bevatten, zonder te bersten als eene vaas, die men met zuiver goud heeft overladen!quot;

»Wijl een ander hart, het mijne, u dien last helpt dragen,, wijl uwe ziel de mijne ondersteunt. Met deze hulp tart ik de gansche wereld, en al quot;t lijden dat de nacht ons brengt,'

ocr page 416

387

»0, wek den nijd, den toorn der goón niet op, wien toch te vaak 't geluk der stervelingen verdriet. Sinds gij van ons zijt weggegaan, hebben wij menigen dag van tranen dooiieefd. De arme kinderen van den goeden Phanes, een knaap, schoon als Eros, een meisje zoo zachf, en rooskleurig als een wolkje, dat liefelijk door het morgenrood beschenen wordt, brachten eenige dagen door in onze woning. Grootmoeder werd weer vroolijk en jong, toen zij de lieve, bloeiende kinderen aanschouwde. ïk schonk hun van stonde aan mijn hart, schoon dit u geheel alleen behoort. Maar met dat hart is 't zonderling gesteld. Gelijk de zon, verb.-eidt het licht en warmte, en 't wordt toch niet koud; zelfs houdt 't altijd nog gloed genoeg over, om wie daar aanspraak op hebben mede te koesteren. Ach, die kinderen van Phanes, ik had ze zoo lief! — Op een avond zaten wij met Theopompus alleen in het vrouwenvertrek, toen zich voor het huis een woest getier liet hooren, en de deur als met hamerslagen gebeukt werd. De oude Knakias, onze trouwe slaaf, spoedde zich naar de deur doch had deze nog niet bereikt, toen ze reeds voor 't geweld bezweek, en een bende woeste krijgsknechten door het voorportaal in het andronitis, en van daar, na de middendeur verbrijzeld te hebben, tot ons doordrong. Grootmoeder vertoonde hun den brief, bij welke Amasis haar huis tot een onschendbare wijkplaats had verklaard. Maar zij lachten met dat geschrift en toonden een gezegeld stuk, waarin de kroonprins Psarntik uitdrukkelijk gebood de kinderen van Phanes op staanden voet aan dien ruwen hoop over te leveren. Theopompus bestrafte de soldaten over hunne onbeschoftheid, en zeide, dat de kinderen, die onze gasten waren, te Corinthe tehuis hoorden, en niets met Phanes gemeen hadden. De hoofdman der krijgslieden beantwoordde den edelen man echter met smaad en spot, stiet mijne bezorgde grootmoeder ruw op zijde, drong met geweld in haar slaapvertrek, waar naast hare kostbare schatten, aan het hoofdeinde van hare eigene legerstede, de twee kinderen vreedzaam sluimerden. Ze rukten de kleinen uit hunne bedjes en brachten ze in eene opene boot, — het was een koude nacht, — naar de koningsstad. Weinige weken later was het knaapje dood. Men zeide, Psamtik had het jongske doen vermoorden. Het lieve meisje zucht nog heden in een duisteren kerker, verlangende naai' ons en naar haar vader. O, niijn geliefde, spreek, is het niet hard, dat zelfs het reinste geluk niet onverguld kan blijven? De traan van zaligheid in mijn oog vermengt zich nu reeds met den bitteren traan der smart, en deze mond, die straks nog lachte, kan nu geen woorden vinden, sterk genoeg om 't lijden uit te drukken, dat dit hart gevoelt.quot;

»Ik voel, wat gij lijden moet, mijn liefste; doch klagen kan

ocr page 417

388

ik niet als gij, teedere vrouw. Wat u slechts de tranen uit de oogen perst, doet mij de vuisten ballen. De schoone knaap die u dierbaar was, hel meisje dat in den kerker wegkwijnt, zullen weldra gewroken worden. Geloof, wat ik u zeg! Alvorens de Nijl andermaal buiten zijne oevers treedt, zal een verbazend leger dit land binnendringen, en rekenschap eischen van dien moord!quot;

»0 liefste vriend, hoe gloeien thans uwe oogen! Zoo schoon, zoo heerlijk zag ik u nog nooit! Ja, ja, de knaap moet gewroken worden, en niemand dan gij mag zijn wreker zijn!quot;

«Mijne zachte Sappho wordt op eens krijgshaftig!quot;

«Wanneer de boosheid over hare gruwelen juicht, daar behoort ook de vrouw heldenmoed te toonen. Ook de vrouw verheugt zich als de misdaad gestraft wordt! — Maar zeg mij, is de oorlog reeds verklaard?quot;

«Nog niet, maar toch trekken reeds van alle zijden legerscharen naar het dal van den Euphraat, van waar het groote leger moet oprukken.quot;

»0, reeds ontzinkt mij den moed, straks zoo snel ontvlamd. Ik sidder bij het vernemen van het woord ,krijg.' Hoevele moeders maakt hij niel kinderloos! Hoevele vrouwen hullen het jeugdig hoofd niet in den sluier der weduwen, als Ares woedt! Hoevele legersteden worden niet door tranen besproeid, als Pallas hare huiveringwekkende Aegis zwaait!quot;

«Hoe verheft zich daarentegen de man in den woesten strijd, hoe verruimt zich zijn borst, hoeveel krachtiger wordt zijn arm niet! En rekent gij dan uwe vreugde voor niets, wanneer do geliefde held, met roem overladen, als overwinnaar huiswaarts keert? Het hart eener Perzische vrouw moet kloppen van geestdrift, als zij van veldslagen hoort gewagen. AVant is het leven van haar gade haar dierbaar, zijn krijgsroem moet haar meer waard zijn.quot;

»Ga ten strijde! Mijn gebed zal u beschermen.quot;

»En de rechtvaardige zaak zal zegevieren! Eerst slaan wij het leger van den pharao, — dan wordt Phanes' dochterke bevrijd. ...quot;

«En dan de edele Aristomachus, die de plaats van den ge-vluchten Phanes heeft ingenomen. Hij is opeens verdwenen; waar hij bleef, weet niemand. Men beweert, dat de kroonprins den dappere, die hem met zijn wraak dreigde over de mishandeling van Phanes' kinderen, in een donkeren kerker heeft geworpen. Zoo hij hem maar niet — wat erger zou zijn dan de pijnlijkste dood —• naar eene afgelegene steengroeve heeft doen sleepen. De arme grijsaard was door booze vijanden onschuldig uit zijn vaderland gebannen. Op den dag zeiven van zijn ver-

ocr page 418

389

dwijnen, kwam er eene boodschap van wege de Spartanen hier aan den Nijl, waarbij Aristomachus, door wiens zonen Sparta in aanzien was gerezen, met al de eer, die Hellas een mensch kan schenken, naar de boorden van den Eurotas werd teruggeroepen. Een schip met kransen versierd wachtte den onvolprezen grijsaard, en aan 't hoofd van het gezantschap stond zijn eigen roemrijke en krachtige zoon.quot;

)gt;Ik ken dien man met zijn stalen wil, die zichzelven verminkte om de schande te ontgaan. Bij de Anahita-ster, die ginds in het oosten tintelend ondergaat, wij zullen hem wreken!quot;

sMaar, mijn beste Bartja, is liet reeds zoo laat'? De tijd is voor mij omgevlogen als een koeltje, dat onze voorhooiden kust en voorbijsnelt. Hoort gij daar niet roepen? Ja, men wacht ons! Vóór het aanbreken van den dag moet gij in de stad, in het huis van uw edelen gastheer zijn. Vaarwel, mijn beid!quot;

«Geliefde, vaarwel! Binnen vijf dagen zingen wij het bruiloftslied. — Gij beeft, als ging ik reeds ten strijde!quot;

»Mijn zenuwen trillen bij de gedachte aan de grootte van ons geluk, gelijk dit het geval is bij de aanschouwing van al wat grootsch en ontzagwekkend is.quot;

))De goede Rhodopis roept, al weder. Laat ons thans gaan! Ik heb Theopompus verzocht, overeenkomstig het gebruik met uwe grootmoeder te bepalen, wanneer en hoe het huwelijksfeest zal worden gevierd. Ik blijf vermomd in zijn huis, tot ik u, als mijne geliefde gade. tot mij mag nemen.quot;

sEu ik zal u volgen!quot;

Toen de jongelieden den volgenden morgen met hun gastheer in diens tuin wandelden, riep Zopyrus: sik heb dezen quot;anschen nacht door van uwe Sappho gedroomd, gelukkige Bartja! Zulk een lief schepseltje werd er nog nooit geboren. Wanneer Aras-pes haar heeft gezien, zal hij mij moeten toestemmen, dat Pan-thea niet de schoonste van alle vrouwen was. Mijne nieuwe gemalin te Sardes, die ik voor een wonder van schoonheid hield, komt mij thans als een nachtuil voor. Aoeramazda is een verkwister! Met Sappho's bekoorlijkheden had hij drie vrouwen gelukkig kunnen maken. Klonk haar stemmetje niet als muziek, toen zij ons in 't Perzisch goeden nacht wenschte?quot;

«Gedurende mijn afzijn,quot; antwoordde Bartja, »heeft zij de taal van mijn vaderland geleerd van een oude vrouw uit Susa, echt-genoote van een tapijthandelaar uit Babylon, die te Naucratis woont, en met dit met zooveel moeite verworven geschenk verraste zij mij.quot;

ocr page 419

390

»Zij is een voortrefl'elijk meisje!quot; riep de groothandelaar. »Mijne overledene gade beminde de kleine, als ware zij haar eigen kind geweest, en had haar gaarne met onzen zoon, die te Milete aan het hoofd mijner zaken staat, zien huwen. Maar de goden hebben het anders gewild! Toch zou mijne ontslapene gade zich verblijden, als zij de bloemguirlandes ten huize van Rhodopis kon zien!quot;

»Is het dan bij u gebruikelijk, de woning eener bruid met bloemen te versieren?' vroeg Zopyrus.

«Voorzeker!quot; antwoordde Theopompus. ))Als gij eene met bloemguirlandes behangene deur voorbijgaat, dan weet gij dat daar eene bruid is; ziet gij eene olijftak aan een huis hangen, dan zegt u dit zooveel als dat daar een zoon ter wereld is gekomen; een wollen windsel boven de deur strekt tot teeken, dat er een meisje is geboren *). Een vat met water voor de deur beduidt, dat daar een sterfhuis is. — Maar het marktuur is daar, mijne vrienden! Ik moet u verlaten, want gewichtige zaken vorderen elders mijne tegenwoordigheid.quot;

»Ik vergezel u,quot; riep Zopyrus, «om kransen voor hot huis van Sappho te bestellen!quot;

»Ha! ha!quot; hernam de Milesiër lachend, »gij voelt u naar de bloemenmeisjes getrokken! O, spreek mij niet tegen, ik heb het wel geraden. Wanneer gij lust hebt, kunt gij gerust met mij gaan; maar ik bid u wat minder mild te zijn dan gisteren, en aan uwe verkleeding te denken, daar gij anders wel eens in gevaar zoudt kunnen geraken, als er bijgeval stellige berichten kwamen, dat Egypte een oorlog met Perziê boven 't hoofd hing!quot;

De Helleen liet zich door een slaaf de sandalen aanbinden, en begaf zich, door Zopyrus gevolgd, naar do markt, van waar hij weinige uren later terugkeerde. Er moest iets gewichtigs zijn voorgevallen, want de anders zoo opgeruimde man keek bijzonder ernstig, toen hij zich bij de achtergeblevene vrienden neerzette.

»Ik vond de geheele stad in rep en roer,quot; begon hij te verhalen, »want het gerucht liep, dat Amasis gevaarlijk ziek was. Toen wij zoo even, tot het afdoen van zaken, op de beurs 1) bijeenstonden, en ik groote kans had op den geheelen voorraad van al mijne hoog in prijs staande artikelen groote sommen te verdienen, die ik, ingeval de prijzen door de zekerheid van den aanstaanden oorlog dalen mochten, tot het aankoopen van nieuwe waren dacht te besteden -— want dat ik tijdig bekend ben met de toerustingen van uw machtigen broeder, kan mij van

1

De Grieken plachten daar hunne waren op monsters te verkoopen.

ocr page 420

391

'Ontzaglijk veel nut zijn — verscheen de toparch in onzen kring, en bracht de tijding, dat Amasis niet alleen zeer krank was, maar dat alle artsen hem hadden opgegeven. Met een uur kan het bericht van 's konings dood en van een belangrijken ommekeer in den stand van zaken tot ons komen. De dood van dezen vorst is het zwaarste verlies, dat ons Hellenen kan treffen; want hij was ons ten allen tijde zeer genegen, en begunstigde ons, waar hij maar kon. Zijn zoon daarentegen, een verklaard vijand van de Grieken, zal alles in het werk stellen, om ons zoo mogelijk allen uit Egypte te jagen. Naucratis met onze tempels is hem sinds lang een doorn in het oog. Had zijn vader het hem niet belet, en waren de Helleensche soldalen hem niet onontbeerlijk, dan zou hij ons, gehate vreemdelingen, reeds voor lang uit zijn rijk hebben verdreven. Als Amasis gestorven is, zal geheel Naucratis de legerscharen van Cambyzes als vrienden begroeten. Wij Grieken weten toch bij ondervinding, dat gijlieden ook achting hebt voor volken, die geen Perzen zijn, en hunne ;rechten pleegt te eerbiedigen.quot;

))Ik zal er wel voor zorgen,quot; zeide Bartja, »dat mijn broeder .al uwe oude vrijheden bevestigt, en er u nog meerdere verleent.quot;

»Moge hij spoedig Egypte binnenrukken!quot; riep de Helleen uit. »Wij weten dat Psamtik, zoodra hij slechts de handen volkomen vrijheeft, ons bevelen zal onze tempels, die hem een gruwel zijn, omver te halen. Reeds sedert lang is ons het bouwen eener offerplaats te Memphis verboden.quot;

«Hier evenwelquot;, zeide Darius, »hebben wij schoone tempels gezien, toen wij van de haven kwamen.quot;

«Wij bezitlen er verscheidene, — Doch daar komt Zopyrus met mijn slaven, die hem een berg van kransen nadragen. Hij ziet er zoo recht opgeruimd uit, en heeft zeker al een zeer aangenaam onderhoud met de bloemenmeisjes gehad. Goeden morgen, vriend! Gij schijnt u om de treurige boodschap, die gansch Naucratis met rouw vervult, niet zwaar te bekommeren!quot;

»Ik gun Amasis nog honderd jaren!quot; was het antwoord. »Maar als hij sterft, zai men wel wat meer te doen hebben, dan op ons acht te geven. Wanneer denkt gijlieden naar Rhodopis te gaan, vrienden'?quot;

«Zoodra het duister wordt.quot;

«Breng dan de edele vrouw deze bloemen als een geschenk van mij. Ik had nooit kunnen denken, dat eene oude vrouw zulk een indruk op mij zou maken. Ieder harer woorden klinkt als muziek, en hoe ernstig en verstandig het ook is wat zij zegt, het weet toch, als de vroolijkste scherts, onze ooren binnen te dringen. Ditmaal kan ik u niet begeleiden, Bartja, want ik zou u .toch maar hinderen! Wat zijn uwe plannen, Darius'?quot;

ocr page 421

»lk zou niet gaarne de gelegenheid verzuimen, om Rhodopis te spreken.quot;

ï)Dat kan ik denken! Gij moet altijd alles weten en leeren; terwijl ik er veel van houd. alles te genieten. Wilt gij mij voor hedenavond verlof geven, vrienden? Ziet eens....quot;

alk weet alles!quot; viel Bartja den dartelen jongeling lachend in de rede. »Gij hebt de bloemenmeisjes tot heden slechts hij dag opgenomen, en zoudt ook gaarne weten, hoe zij erbij lamplicht uitzien.quot;

»Gij slaat den spijker op den kop!quot; antwoordde Zopyrus,die moeite deed, om een ernstig gezicht te zetten. »In dit opzicht ben ik als Darius zeer begeerig naar kennis.quot;

))Dan wenschen wij u veel genoegen bij de drie zusters!quot;

»Liever niet; — slechts bij Stephanion, de jongste!

Toen Bartja, Darius en Theopompus het huis van Rhodopis verlieten, brak de morgen reeds aan. Syloson, een aanzienlijk Helleen, een broeder van Polycrates, door w-ien hij uit zijn vaderland gebannen was, had ook den avond bij Rhodopis doorgebracht en keerde nu met Theopompus en zijne gasten terug naar Naucratis, waar hij sedert jaren woonde. Deze man, dien zijn broeder wel in ballingschap deed leven, maar het hem evenwel nooit aan geld liet ontbreken, voerde den schitterendsten staat van alle burgers van Naucratis, en was evenzeer beroemd om zijne kwistige maaltijden, als om zijne kracht en behendigheid. Buitendien onderscheidde Syloson zich door schoonheid en prachtige kleeding. Alle jongelingen van Naucratis rekenden het zich lot eene eer, de snede en de schikking der plooien van zijn gewaad na te volgen. Ongehuwd zijnde en zonder bezigheden, bracht hij dikwerf den avond in het huis van Rhodopis door, die hem onder hare beste vrienden telde, en hem dan ook in het geheim barer kleindochter had ingewijd.

Op dien avond was men overeengekomen, dat het huwelijk binnen vier dagen, in alle stilte en heimelijk, zou worden voltrokken. Reeds had Bartja den kweeappel met zijne geliefde, die op denzelfden dag Zeus, Hera en de overige beschermgoden van het huwelijk hare offers gebracht had, gegeten en zich door deze zinnebeeldige handeling plechtig met haar verloofd '). Sy-

?1) Plutarchus verzekert, dat de Atheensche bruiden, volgens een wet van Soton, voor de bruiloft een kweeappel moesten eten, die buitendien voor de geliefden zeker eene bijzondere beteekenis had. Het lijdt geen twijfel, dat ook de Grieken onze bruidsdagen hebben gekend.

ocr page 422

393

loson had op zicli genomen, voor de zangers van het huwelijkslied en voor de fakkeldragers te zorgen. De feestmaaltijd zou in hel huis van Theopompus, als dat van den bruidegom, worden aangericht. De kostbare bruidsgeschenken van den koningszoon waren reeds aan Rhodopis ter hand gesteld. Bartja had het vrij aanzienlijk erfdeel zijner geliefde van de hand gewezen en op hare grootmoeder overgedragen, die echter bepaald geweigerd had zich dit te laten welgevallen. Syloson geleide de vrienden tot aan het huis van Theopompus, en wilde juist afscheid van hen nemen, toen men, in de stilte van den nacht, een geweldig straatrumoer vernam. Kort daarop kwam er eene Egyptische patrouille voorbij, die een zwaar geboeid man naar de gevangenis bracht. De gevangene scheen zeer boos te zijn, en werd hoe langer zoo driftiger, naarmate de soldaten minder acht sloegen op zijn gebroken Grieksch, en zijn vloeken in eene hun geheel onbekende taal.

Nauw hadden Bartja en Darius de stem van den gebondene gehoord, of zij snelden op hem toe, en herkenden Zopyrus. Syloson en Theopompus hielden de patrouille staande en vroegen den aanvoerder wat hun gevangene misdaan had. De beambte, die, als ieder kind te Naucratis, den Milesiër en den broeder van Polycrates kende, maakte een diepe buiging, en vertelde, dat de vreemde jongeling een moord begaan had.

Theopompus nam nu den hoofdman ter zijde, en beloofde hem veel geld, als hij den gevangene wilde loslaten, doch kon van den Egyptenaar niets meer gedaan krijgen, dan dat hij hem toestond met zijn gast even te spreken.

Toen de vrienden bij Zopyrus stonden, verzochten zij hem hun spoedig te verhalen, wat er voorgevallen was, en vernamen dat hun levenslustige vriend, bij het aanbreken van den nacht, de bloemenmeisjes bezocht had, tot aan de eerste ochtendschemering bij Stephanion gebleven en toen de straat opgegaan was. Nauwelijks had hij de huisdeur achter zich gesloten, of hij werd door onderscheidene jongelieden, die hem allerwaarschijnlijkst bespied hadden, aangevallen. Met een hunner, die zich Stephanions bruidegom noemde, had hij het 's morgens reeds aan den stok gehaii. De deerne had den lastigen vrijer op vrij snibbige wijze den rug toegekeerd en Zopyrus bedankt, toen deze den indringer met klappen dreigde. Toen de Achaemenide zag dat hij geheel omsingeld was, trok hij aanstonds zijn zwaard en sloeg de slechts met stokken gewapende aanvallers zonder moeite terug, doch bad daarbij het ongeluk, den jaloerschen vrijer, die vrij woest op hem indrong zoo zwaar te wonden, dat hij nederstortte. Intusschen was de patrouille genaderd, en wilde Zopyrus, op het roepen van den gewonde: «moordenaars.

ocr page 423

394

roovers!quot; in hechtenis nemen. Doch de Pers was niet geneden, tot zoo geringen prijs zijne vrijheid te verkoopen. Door het gevaar waarin hij zich bevond nog meer aangevuurd, vloog de strijdlustige jongeling met opgeheven zwaard op de soldaten los, en had zich reeds ruim baan gemaakt, toen eene tweede bende toesnelde, en hem met de eerste vereenigd opnieuw aangreep. Wederom zwaaide hij zijn wapen, dat ditmaal een Egyptenaar den schedel in tweeën spleet, Een tweede houw wondde een soldaat in den arm. Toen hij echter een derde houw wilde doen voelde hij plotseling, dat men een strik om zijn hals slingerde, die hoe langer zoo vaster aangetrokken werd. Opeens kon hij geen adem meer halen en verloor zijn bewustzijn. Toen hij weder bijkwam, was hij gekneveld, en moest in spijt van zijn pas en zijn beroep op Theopompus de bende volgen.

Nadat hij zijn verhaal geëindigd had, gaf de Melesiër den jongeling op de ondubbelzinnigste wijze zijne ontevredenheid te kennen, hem verzekerende, dat zijn ontijdige strijdlust de treurigste gevolgen na zich zou kunnen sleepen. Daarop wendde hij zich nogmaals tot den hoofdman, en bad dezen zijn vriend op vrije voeten te stellen. Hij zou voor den gevangene borg blijven. Doch de man wees alle aanzoeken koel maar stellig van de hand, en verzekerde dat hij zijn eigen leven zou verspelen met den moordenaar de geringste gunst toe te staan. In Egypte toch bestond eene wet, die ook den heler van den moord met de doodstraf bedreigde '). Hij moest, zoo verzekerde de aanvoerder, den misdadiger op staanden voet naar Saïs brengen, en daar aan den nomarch overleveren, die zijn vonnis zou vellen.

»Hij heeft,quot; hiermede eindigde hij, »een Egyptenaar vermoord, en moet daarom door een Egyptische rechtbank gevonnist worden. In ieder ander geval ben ik tot uw dienst.quot;

Intusschen had Zopyrus met zijne beide vrienden gesproken, en hen aangemaand niet bezorgd voor hem te zijn. «Ik zweer u, bij Mithra,quot; riep hij, toen Bartja hem te kennen gaf dadelijk er voor uit te willen komen wie hij was, ten einde zijne vrijheid te verkrijgen, ))dat ik mij, zonder er een oogenblik over te denken, mijn zwaard in het hart stoot, wanneer gij u om mijnentwille in de handen dezer Egyptische honden overlevert. Reeds is het gerucht van den aanstaanden krijg door de geheelestad verspreid; zoodra Psamtik verneemt, welke kostbare vogels in zijn net zitten, zal hij zich niet lang bezinnen, maar het spoedig dichttrekken, om u als gijzelaars te behouden. Aoeramazda schenke u heil en zegen en reinheid! Leeft gelukkig vrienden, en

?1) De heler van een moord moest met den knoet gestraft worden, en kreeif in drie dagen eten noch drinken.

ocr page 424

3'.)r.

lt;leukt menigmaal aan den lustigen Zopyrus, die voor strijd en liefde geleefd heeft, en voor liefde en strijd in den dood gaat!quot;

De 'hoofdman had zich intusschen weder aan het hoofd dei-bende gesteld, en zijnen lieden bevel tot oprukken gegeven.

Eenige oogenbiikken later was Zopyrus uit het gezicht der hem nastarende vrienden verdwenen.

ocr page 425

V IJ F D E H O O F D S T U K.

Volgens de Egyptische wet, moest over Zopyrus liet doodvonnis worden uitgesproken. Zoodra de vrienden dit vernomen hadden, stond het besluit hij hen vast, op staanden voet naar Saïs te reizen, en te beproeven den gevangene door list te bevrijden. Syloson, die daar bekend was en de Egyptische taal verstond, bood uit eigen beweging aan hun behulpzaam te zijn. Bartja en Darius maakten zich onkenbaar door haar en wenkbrauwen te verven, en breedgerande vilten hoeden •) op te zetten, zoodat zelfs de vrienden zich in hen bedrogen zouden hebben. Bovendien liet Theopompus ze uiterst eenvoudige Griek-sche kleederen aantrekken. Een uur na de inhechtenisneming van Zopyrus kwamen zij met deu rijk gekleeden Syloson aan den oever van den Nijl samen, en bestegen een vaartuig, dat aan hun nieuwen vriend toebehoorde, en door diens slaven geroeid werd. Na eene korte door den wind begunstigde vaart, waren zij, eer nog de gloeiende zon der hondsdagen hare middaghoogte bereikt had te Saïs, dat zich als een eiland boven de overstroomde velden verhief.

Op eene afgelegene plaats traden zij aan wal, en kwamen dadelijk daarop in de wijk der handwerkslieden, die in weerwil van do verbazende hitte met onverdroten ijver hun werk verrichtten, In den open hof van een bakker zag men knechten, die het grove deeg met de voeten, het fijne met de handen kneedden, Brooden van allerlei vorm werden uit den oven gehaald, cirkelen langwerpig-rond gebakken, wittebrooden in de gedaante van schapen, slakken en harten, in manden gelegd. Sterke knapen plaatsten drie, vier of vijf dier manden op het hoofd, en droegen

1) De vilten hoeden (petasos) werden eerst door de Grieken, daarna ook door de Romeinen gedragen, tol bescherming tegen de zonnestralen. Op den beroemden ruiteroptocht van het Parthenon, in liet Britsche museum, dragen bijna alle ruiters den petasos. Dit hoofddeksel komt ook als reishoed voor. Eene figuur met den breedgeranden hoed op den rug «luidt een reiziger aan.

ocr page 426

397

ueze vlug en handig naar de, in de andere deelen der stad wonende klanten 1). Een vleeschhouwer slachtte vóór zijn huis een os, wiens pooten bijeengebonden waren, terwijl zijne knechts op slijpsteenen hunne messen scherpten, om het lichaam eener wilde geit te ontleden. Vroolijke schoenmakers riepen uit hunne kramen de voorbijgangers aan, en timmerlieden, kleermakers, schrijnwerkers en wevers ^2) waren allen ij verig in de weer. De vrouwen der ambachtslieden, met hare naakte kinderen aan de hand, kwamen op straat, om inkoopen te gaan doen, terwijl eenige soldaten naar den wijn- en bierschenker liepen, die zijne bedwelmende waar in het openhaar op de straat uitventte 3).

Onze vrienden sloegen op dit alles echter geen acht; zwijgend volgden zij Syioson, die, aan de wacht der Helleensche krijgslieden gekomen, hen verzocht eenige oogenblikken op hem le wachten. De Samiër kende bij toeval den dienstdoenden taxiarch, en vroeg hem dus of hij ook van een moordenaar gehoord had, die men zeide dat van Naucratis naar Saïs was overgebracht.

«Zeker heb ik van hem gehoord!quot; luide het antwoord. «Nauwelijks een half uur geleden is hij hier binnengebracht. Men vond aan zijn gordel een vollen buidel, en houdt hem vooreen Perzischen spion. Gij weet toch zeker, dat Cambyzes toerustingen maakt tot een oorlog tegen Egypte?quot;

»Dat is niet mogelijk!quot;

»Het is de stellige waarheid ! Den pharao is dit ook reeds bekend. Door Arabische kooplieden, wier karavaan gisteren te Pelusium aankwam, is dit bericht het eerst tot ons overgekomen.'quot;

»Dit gerucht komt mij voor even dwaas te zijn als het vermoeden betreffende den Lydiër. Ik ken dezen zeer goed, en beklaag den armen jongen van ganscher harte. Hij behoort tot

1

Op de oude gedenkteekenen, bijv. te Tliebc, Benihassan en Saq-quara vindt men het leven der nijvere handwerkslieden, zooals schoenmakers, pottenbakkers, schrijnwerkers, vervaardigers van mummie-kisten, timmerlieden, spinners en mattenmakers, glasblazers, goudsmeden, schilders, beeldhouwers, slachters, enz. zeer aanschouwelijk voorgesteld. Bij Ebers, Ae gyp ten in Bi ld und wort, Wilkinson e.a. kan men hiervan afbeeldingen vinden.

2

Wevende en spinnende mannen en vrouwen komen op de monumenten dikwijls voor. In het Berlijnsch museum zijn eenige Egyptische spinrokkens; in het Leidsche vindt men een keurig spinstokje en eene knoopnaald, met het roode garen er nog om, benevens vele monsters van weefsels.

3

Het Egyptische bier, dat de Grieken ,zythos' noemden, was algemeen bekend, maar stond niet hoog aangeschreven. Osiris zou het met den wijn aan de menschen hebben geschonken. In oud-Egyptische geschriften komt het dikwijls voor onder den naam: ,hek'. Het verdient opmerking dat men Gambrinus, als een zoon van Isis, met Egypte, het land waar men het eerst bier zou hebben gedronken, in betrekking heeft gebracht.

ocr page 427

398

een der rijkste geslachten van Sardes, maar is vandaar gevluchtr omdat hij een geschil had met den Perzischen satraap Oroetes,. en van diens geduchte vijandschap alles vreezen moest. Ik zal u de geheele geschiedenis uitvoerig verhalen, als gij mij binnen kort te Naucratis eens een bezoek brengt. Natuurlijk zijt gij dan voor een dag of wat mijn gast, en brengt gij eenigen uwer vrienden mede. Mijn broeder heeft mij van Samos een wijntje gezonden, dat zeker alles overtreft, wat ge tot nog toe geproefd hebt. Slechts eene fijne tong als de uwe gun ik dezen godendrank!quot;

Het aangezicht van den taxiarch glansde van genoegen, terwijl hij, Syloson bij de hand vattende, uitriep : »Bij den hond vriend, wij zullen niet op ons laten wachten, en uwe lederzakken eere aandoen! Wat dunkt u, zoudt gij dan Archidike 1) en de drie bloemenmeisjes niet bestellen, met een paar fluitspelers om 't ontbijt op te luisteren?quot;

»Geene van die allen zal ontijreken! Maar gij brengt mij daar weer op hetgeen ik u zeggen wilde; juist ter wille dier bloemenmeisjes zit de jonge I A-dier thans gevangen. Een ijverzuchtige botmuil, door eenigen zijner vrienden ondersteund, overviel den goeden jongen voor haar huis. Mijn Lydische driftkop weerde zich dapper. .. . '

»En deed zijn belager den grond kussen?quot;

»Zóo, dat hij wel nimmer meer zal opstaan.quot;

J Dan moet die knaap wel goede vuisten hebben!quot;

»Hij had een zwaard bij zich.quot;

«Des te beter voor hem.quot;

))Neen, des te erger, want de verslagene is een Egyptenaar.quot;

Dat is eene gekke geschiedenis, die zeker slecht zal afloopen. Een vreemdeling die een Egyptenaar doodt, schiet er zoo zeker het hachje bij in, als iemand die aan de galg 2) hangt te spartelen. In allen gevalle zal hij eenige dagen tijd hebben om zijne oploopendheid te betreuren. Al de priesters zijn verdiept in gebeden voor den stervenden koning, zoodat er geen tijd is voor gerechtszaken.quot;

»Het zou mij veel waard zijn, als men den armen schelm kon' redden. Ik ken zijn vader.quot;

sOch, in den grond heeft hij ook niets gedaan, wat niet ieder ander zou doen, die hart in 't lijf heeft, 't Is toch van n;emand te vergen, dat hij zich gedwee zal laten afranselen.quot;

1

Eene beroemde hetaere van Naucratis.

2

Misdadigers, die ter dood veroordeeld waren, werden in Egypte gewoonlijk opgehangen.

ocr page 428

399

Weet gij ook, in welke gevangenis de srme jongen is opgesloten '?quot;

jJa ! Het groote gevangenhuis wordt verbouwd ; daaiom is hij voorloopig in het magazijn gezet, dat de hoofdwacht der Egyptische lijfgarde van het bosch van den Neith-tempel scheidt. Ik ben zoo even eerst hier gekomen, en zag den armen schelm er heenbrengen.quot;

»Hij is moedig en sterk, zou het hem met een weinig hulp van buiten niet mogelijk zijn te ontsnappen?quot;

«Onmogelijk ! Het gebouw, dat hem tot gevangenis dient is twee verdiepingen hoog. en het eenige venster dat het heeft, ziet in het bosch der godin uit, dat, gelijk gij weet, door tien voet hooge muren omgeven is en als eene schatkamer bewaakt wordt. Aan al de poorten zijn dubbele posten uitgezet. Alleeii waar de muur door het water bespoeld wordt, plaatst men tijdens de overstrooming natuurlijk geene schildwachten. Deze dieraan-bidders zijn zoo voorzichtig als de kwikstaarten!quot;

»Dat is jammer! Dan zullen wij den armen hals aan zijn lot moeten overlaten. Vaarwel Daemones, geef spoedig gevolg aan mijne uitnoodiging!quot;

De Samiër verliet de wachtkamer, en ging aanstonds weder naar zijne vrienden, die hem met ongeduld zaten te wachten, en zijn bericht in de grootste spanning aanhoorden.

Toen de Helleen hun de gevangenis beschreven had, riep Darius : »lk geloof, dat het ons met eenig overleg en een weinigje moed wel zal gelukken Zopyrus te redden. Hij is behendig en vlug als eene kat, en sterk als een beer. Ik heb een plan !quot;

xiLaat hooren !quot; zeide Syloson. »Maar laat mij u vooraf zeggen, dat ook ik nog niet wanhoop.quot;

sWij koopen touwladders, bindgaren en een goeden boog, bergen dat alles in de boot en varen, zoodra het donker wordt, naa*- de onbewaakte plaats van den tempelmuur. Gij helpt mij daarover te klauteren. Ik neem de gekochte voorwerpen mede, laat het geluid van den arend hooren, waaraan Zopyrus mij dadelijk zal herkennen, daar wij in onze jeugd er ons meermalen op de jacht van bedienden, om elkaar te waarschuwen, schiet den pijl met het bindgaren in het venster, — ik heb nog nooit mijn doel gemist, — roep mijn vriend toe, aan het uiteinde er van iets zwaars te hechten en dit neder te laten, en maak het garen aan de touwladder vast. Dan haalt Zopyrus het reddingstoestel op, slingert het om den ijzeren nagel, die in elk geval met de ladder naar hoven moet, daar wij toch niet weten of er in zijne cel iets te vinden is, waaraan hij de ladder zou kunnen vastmaken, daalt naar beneden, snelt met mij naar de plaats, waar gij met de boot wacht, klautert met behulp van eene

ocr page 429

400

tweede ladder, die daar hangen moet, over den muur, springt m de boot, en is gered!quot;

«Heerlijk, heerlijk!quot;

»Maar zeer gewaagd!quot; sprak Syloson. )gt;Als wij in het heilige hosch betrapt worden, kunnen wij verzekerd zijn, een zware straf op te loopen. De priesters vieren daar des nachts zeer geheimzinnige feesten, waarvan een oningewijde nimmer getuige mag zijn. Doch het meer in het boscli ') zal het tooneel der mysteriën zijn, en dat is tamelijk ver van de gevangenis verwijderd.quot;

»Welnu, dan is het gevaar ook zoo heel groot niet!quot; riep Darius. «Maar denken wij het eerst aan de hoofdzaak. Op staand en voet moet er eene boodschap naar Theopompus, om hem te verzoeken eene snelzeilende trieêre voor ons te huren en zeilree te doen maken. Reeds is hier de tijding van Cambyzes' krijgtoerustin-gen aangekomen. Men ziet ons voor verspieders aan, en zal dus Zopyrus en zijne bevrijders met den grootsten spoed nazitten. Het zou dus onvergeeflijk zijn, indien wij ons nutteloos aan gevaren blootstelden. Gij, Bartja, moet de boodschap aan onzen gastheer overbrengen, en nog heden Sappho huwen, want morgen moeten wij Naucratis verlaten, wat er ook gebeure. Geen tegenspraak, mijn vriend, mijn broeder! Gij kent ons reddingsplan en weet dat gij bij de uitvoering, waartoe slechts éen noodig is, een werkeloos toeschouwer zoudt zijn. Ik heb den aanslag ontworpen, en zal niet dulden dat iemand anders dien ten uitvoer brengt. Morgen zien wij elkaar weder, want Aoeramazda beschermt de vriendschap der reinen!quot;

Lang wilde Bartja er niet van welen, zijne makkers in den steek te laten; doch eindelijk gaf hij aan de vereende heden en voorstellen van beiden gehoor, en begaf zich naar den oever, om daar eene boot voor de terugreis naar Naucratis te huren, terwijl Syloson en Darius de benoodigdheden ter uitvoering van het ontwerp gingen aankoopen.

Om de ligplaats der huurvaartuigen te bereiken, moest de koningszoon den tempel van Neith voorbij. Dit was echter gemakkelijker gezegd dan gedaan, daar het volk zich in dichte hoopen voor de hoofdpoort var. het heiligdom geschaard had. Toen Bartja was doorgedrongen tot hij de obelisken, die naast de mei de gevleugelde zonneschijf en met wapperende vanen versierde poort van den tempel stonden, werd hij door de tempeldienaars, die den door sphinxen aangewezen processie-weg vrijhielden, tegengehouden. De reusachtige deuren werden geopend, en Bartja die tegen wil en dank in de voorste rij der toeschouwers was komen te staan.

1) Zie boven iilz. 84.

ocr page 430

401

zag nu een schitterenden stoet de voorpoort uittrekken. De onver w.iehte aanschouwing van vele hem van vroeger bekende aangezichten hield zoozeer zijne opmerkzaamheid bezig, dat hij er nauwelijks acht op sloeg, hoe hem in het gedrang zijn breedgerande vilten hoed van t hoofd was geraakt. Uit hel gesprek van twee achter hem staande Ionische soldaten begreep hij, dat hel gezin van Amasis den tempel had bezocht, om voor den stervenden koning te bidden en te oll'eren.

Priesters, rijk getooid in pantervellen of lange witte kleederen, openden den stoet. Op deze volgden hofbeambten, mei gouden staven in de handen, op welker spitsen pauwevederen en zilveren lotusbloemen waren bevestigd, Daaraan sloten zich de pastophoren '), die eene gouden koe, het dier van Isis, op de schouders droegen. Nadat hel volk zich voor dil heilig voorwerp had neergebogen, verscheen de koningin in priesterlijk gewaad, met een prachtig hoofdtooisel, waarin de gevleugelde zonneschijf en de Uraeus-slang eene voorname plaats bekleedden. Zij hield een heilig gouden sistrum1), welks klank de demonen moest verdrijven, in de linker en lotusbloemen in de rechterhand. De koningin werd wederom gevolgd door de gade, de dochter en de zuster van den opperpriester, in dergelijke doch minder kostbare kleeding 2). Dan verscheen de kroonprins in rijken feestdos. Daarop volgde ïachot, de dochter van A masis en Ladice, de gewaande zuster van Nitelis. Zij werd in een draagstoel, door vier jonge priesters in wille kleederen, gedragen. De wangen der teringlijderes waren, tengevolge van de inspanning van het gebed en de hitte van den zomerdag, met een licht blosje overtogen. Hare blauwe oogen baadden in tranen en waren op het sistrum gevestigd, dal hare zwakke uitgeteerde handen ter nauwernood meer konden vasthouden.

Een gemompel van deelneming doorliep de menigte, die den

1

Zie de beschrijving van dit instrument in Ebers' Warda, Dl. U bl. 102.

2

Dergelijke optochten van vrouwen ziet men op de gedenkteekeneu, bijv, te ïhebe, waar de vrouw van Ramses 11 en de moeder, de dochter en de zuster van een priester naai den tempel gaan om te bidden. Er waren in Egypte ook priesteressen.

ocr page 431

402

stervenden koning van harte bemind had, en zijne wegkwijnende dochter met dat medelijden beschouwde, hetwelk men in den regel voor jeugdige teringlijders zoo diep gevoelt en zoo ruimschoots toont, vooral wanneer zij voor een schitterend en gelukkig leven geboren schijnen te zijn. Menig oog was vochtig, toen het de schoone lijderes gewaar werd. Tachot scheen de liefderijke deelneming van het volk op te merken, althans zij sloeg hare oogen van het sistrum op, en zag de menigte met vriendelijken en dankbaren blik aan. Maar opeens verdween het blosje van hare wangen, om voor eene doodelijke bleekheid plaats te maken. Het gouden instrument ontzonk hare bevende handen, en viel kletterend op het steenen plaveisel van den processie-weg voor Sartja's voeten neder. De jongeling gevoelde dat bij herkend was, en bezon zich een oogenblik, of het niet beter zou zijn zich te verbergen achter degenen, die naast hem stonden. Maar slechts een oogenblik weifelde hij, want spoedig had het ridderlijk karakter van den jongen held alle vrees voor eigen veiligheid overwonnen. Haastig raapte iiij het sistrum op, en bood het der kranke koningsdochter aan, zonder het gevaar van herkend te zullen worden te tellen.

Alvorens Tachot het kostbare voorwerp uit zijne hand aannam, zag zij hem vragend aan, fluisterde, slechts voor hem verstaanbaar: »Zijt gij Bartja'? Bij uwe moeder vraag ik u: zijt gij Bart ja?quot;

sik ben het,quot; antwoordde hij even zacht, «Bartja uw vriend !quot;

Meer kon hij niet zeggen, want de tempeldienaars drongen ?tern met geweld onder de menigte terug. Toen hij weder op zijne vorige plaats stond, bemerkte hij, dat Tachot, wier dragers zich opnieuw in beweging hadden gesteld, nog eenmaal naar hem omzag. Hare wangen waren weder flauw gekleurd, en hare thans schitterende oogen zochten de zijne. Hij ontweek den blik der kranke niet, bukte nogmaals om eenen lotusknop, dien zij hem bad toegeworpen, op te rapen, en baande zich toen met allo inspanning een weg door het volk, welks opmerkzaamheid bij in hooge snate begon te trekken.

Een kwartier later zat hij in eene boot, die hem naarSappho en ter bruiloft, moest voeren. Zijne bezorgdheid voor Zopyrus was geheel verdwenen; hij achtte hem reeds gered. Een zandcr-ling gevoel van gerustheid vervulde zijn hart, in spijt van de hem dreigende gevaren, waarvan bij zichzelven geen rekenschap vermocht te geven.

Intusschen was de kranke koningsdochter in het paleis teruggekeerd. Zij bad zich van de feestkleederen die baar benauwden laten ontdoen en zich met haar rustbed op een balkon doen dragen, waar zij gedurende de heete zomerdagen, door blad plan-

ocr page 432

403

ten ') en een bij wijze van tent gespannen doek overschaduwd, zich bij voorkeur ophield. Van daar kon zij het groole, met boomcn beplante voorhof van het paleis overzien, dat op dezen dag wemelde van priesters en hovelingen, als ook van legerbevelhebbers en nomarchen. Op aller aangezicht was eene angstige spanning te lezen, want de oogenblikken die Amasis nog te leven had, waren geteld. Zonder zelve opgemerkt te worden, ving Tachot, in koortsachtige opgewondenheid, veel op van hetgeen onder de menigte daar beneden verhandeld werd.

Thans, nu 's konings uiteinde met rassche schreden naderde, waren allen, zelfs de priesters, vol van zijn lof. Hier hoorde men de wijsheid zijner nieuwe instellingen, de omzichtigheid van zijn bestuur, zijn on vermoeiden ijver, de gematigdheid, die hij steeds aan den dag had gelegd, en zijn scherp vernuft hemelhoog roemen. »Hoezeer is Egypte, onder zijn schepter, niet in bloei toegenomen!quot; zeide een nomarch. »Welk een roem deed hij onze wapenen oogsten door de verovering van Cyprus en den oorlog met de Lybiérs!quot; riep een krijgsoverste. »En altijd was hiJ er op uit onze tempels te verfraaien, en aan de godin van Saïs de eere te geven, die haar toekomt !quot; liet een zanger van Neith er cp volgen. »Hoe minzaam en genadig was hij!quot; prevelde een hoveling. ))Hoe behendig wist hij het aan te leggen, om met de machtigste staten vrede te houden !quot; zeide de overste der schrijvers; terwijl de schatmeester, die een traan uit zijn oog pinkte, uitriep; »Hoe verstandig beheerde hij de inkomsten van het rijk! Sedert Ramses III waren de schatkamers nooit zoo goed gevuld als op den huidigen dag 2)!quot; — »Psamtik heeft eene groote erfenis te wachten,quot; fluisterde de hoveling; terwijl de krijgsman uitliep: aHet is helaas niet te onderstellen, dat hij ze tot roemrijke oorlogen besteden zal; de kroonprins handelt geheel overeenkomstig den wil der priesters.quot; — »Gij dwaalt,quot; antwoordde de zanger; »sinds geruimen tijd schijnt onze heer de raadgevingen zijner getrouwe dienaren in den wind te slaan!quot;—

Op de monumenten in Thebe vindt men de voorstelling' van een plattegrond eener villa, in vogelvlucht gezien.

'2) Ramses III is de Rharnpsinit, van wien Herodotus ons dat aardige spiookje vertelt, hetwelk graaf von Platen stof gaf tot een drama, üe schat van Ptolomaens Philadelphus zou 740,000 Egyptische talenten, ('.i. ongeveer 990,000,000 gulden bedragen hebben. Doch misschien be-ioelde men de gezamenlijke inkomsten van eene acht-en-dertigjarige regeering. De Egyptische schatkist had inderdaad enorme inkomsten. Volgens een opschrift in de schatkamer van Ramses den Groote, zouden de goud- en zilvermijnen jaarlijks 1080,000,000 gulden hebben opgebracht. Volgens Diodorus bedroeg de schat van Rhampsinit 5400 000,000 gulden. Door een gelukkig toeval heeft men in den tempel van lledi-net-llaboe eene voorstelling van zijn schatkamer gevonden.

ocr page 433

404

«Den opvolger van zulk een vader zal het onbegrijpelijk veel moeite kosten, aller liefde en eerbied te winnen. Niet ieder bezit zulk eene verhevenheid van geest en zooveel wijsheid als Amasis, en niet ieder dient het geluk, gelijk dit bij hem het geval was!quot; — »Dat weten de goden !quot;mompelde de krijgsman.

Tachot verstond dit alles, en liet aan hare tranen den vrijen loop. Wat men tot heden toe voor haai- verzwegen had, was haar thans op eens duidelijk geworden. Spoedig zou zij haar geliefden vader verliepen.

Nadat zij zich helder voor oogen had gesteld, welk een vree-selijke slag haar bedreigde, en hare dienstmaagden vergeefs had gebeden haar naar het bed van den beminden zieke te dragen, sloot zij haar oor voor de gesprekken der hovelingen, en beschouwde het sistrum, dat Bartja haar in de hand had gegeven en dat zij op het balkon had medegenomen, als verwachtte zij daarin troost te zullen vinden. En zij vond werkelijk dat, waaraan zij zoo groote behoefte had, want het was haar, als werd zij door den klank der gouden ringen van het speeltuig aan d^ werkelijkheid onttrokken, en in een lachend zonnig landschap verplaatst. Eene zekere matheid, een gevoel van machteloosheid, dat teringlijders meermalen overvalt, had zich van haar meester gemaakt, en voerde haar geest in de laatste levensuren in het liefelijk land der droomen. De slavinnen, die terwijl zij sluimerde met waaiers de vliegen uit hare nabij heid verdreven, verzekerden later, dat zij Tachot nooit zoo betooverend schoon gezien hadden als in die oogenblikken.

Ongeveer een uur had zij dus gelegen, foen hare ademhaling in een zwak rochelen overging, een lichte hoest hare borst deed rijzen, en een weinig bloed van eene flauwroode kleur op haar wit gewaad afvloeide. Thans ontwaakte zij, en zag verwonderd en bijna teleurgesteld de haar omringenden aan. Toen zij hare moedei- Ladice bespeurde, die op dit oogenblik het balkon betrad, glimlachte zij weder en zeide: »0, moeder, hoe heerlijk heb ik gedroomd!quot;

»Het bezoek in den tempel is mijn lief kind dus goed bekomen '?' vroeg de koningin, met schrik de bloeddruppels aan de lippen der kranke bemerkende.

»0, moeder, zoo goed! Ik heb hem weder gezien!quot;

Ladice zag de dienstmaagden barer dochter angstig aan, als wilde zij vragen: »Is dan het verstand uwer arme meesteres gekrenkt'?quot;

Tachot begreep dien blik, en zeide, al hare krachten verzamelende: »Grij meent dat ik ijl, moeder? Ik zeg u echter, dat ik hem niet alleen gezien, maar zelfs gesproken heb. Hij gaf mij het sistrum in de hand, en zeide dat hij mijn vriend

ocr page 434

{05

was. Toen raapte hij rnijn lotusknop van den grond op en verdween in het gedrang. Zie mij niet zoo bezorgd en verbaasd aan, moeder, ik spreek de zuivere waarheid, en heb liet niet gedroomd. — Daar, hoort gij hef? Tent-roet heeft hem ook opgemerkt. Hij is zeer zeker om mijnentwil naar Saïs gekomen, en het kinder-orakel in het voorhof des tempels heeft mij dus toch niet bedrogen! Thans voel ik ook niets meer van mijne ziekte, en ik droomde dat ik in een veld lag van bloeiende papavers, zoo rood als het versche bloed der jonge ofïerlammeren, en dat Bart ja aan mijne zijde zat, en Nitetis naast ons knielde, en o zoo schoone liederen speelde op eene elpenbeenen nabia '). En in de lucht was er een geluid, zoo liefelijk, dat mijn hart iets gevoelde, als werd ik gekust door Horus, dien lieven kleinen god van den morgen en de lente. Ja, moeder, wees er zeker van, dat hij weldra zal komen, en als ik hersteld ben, dan.... dan.... O! Ach! — Moeder, ik sterf!quot;

Ladice knielde voor de rustbank barer dochter neder, en drukte brandende kussen op de reeds gebrokene oogen der jonkvrouw.

Een uur later stond de koningin voor eene andere sponde, het. sterfbed van haar echtvriend.

Het aangezicht des konings was door het vreeselijk lijden zeer vermagerd en verwrongen. Koud zweet parelde op zijn voorhoofd, en zijne handen omklemden de gouden leeuwen, die de zijleuningen uitmaakten van den diepen ziekenstoel, waarin hij rustte. Toen Ladice in liet vertrek kwam, opende hij de oogen, die nog altijd helder en levendig schitterden, niettegenstaande zij een tijdlang van het licht beroofd waren geweest.

»Waarom brengt gij Tachot niet tot mij quot;?quot; vroeg hij met eene heesche slem.

o Zij is te ziek, te lijdende om....quot;

))Zij is dood! — Zij is gelukkig, want de dood is geene straf, maar het einddoel des levens, het eenige doel, dat wij zonder moeite, maar de goden weten het, ten koste van veel lijden bereiken. Ka voert haar mede in zijn schuit met zijne getrouwen, en Osiris zal haar tot zich nemen, want zij was zonder schuld. Ook Nitetis is dood. Waar is de brief van Nebenchari? — Daar staat het; ,Zij benam zichzelve het leven en stierf, onder het uitspreken van een zwaren vloek over u en de uwen. Dit bericht, dat even waarachtig is als mijn haat tegen u, zendt u de arme, verbannene, beleedigde en bestolene oogarts uit Babyion, naar Egypte toe.quot;

»Verneem deze woorden, Psamtik, en laat u door uw sterven-

1) Een E^jplisch snareninstrument.

ocr page 435

400

den vader waarschuwen. Alle onrecht, dat u op aarde éen drachme genot verschaft, zal u in de ure uws doods onder een talent wan-hoop doen zuchten. Om Nitetis' wil zullen vreeselijke rampen ovor Egypte komen. Het bericht, door de Arabische kooplieden gebracht, is waarheid. Gambyzes maakt zich gereed tot een oorlog met ons, en zal Egypte overvallen als een verschroeiende woestijnwind. Veel van hetgeen ik tot stand bracht, nn waarvoor i k mijne nachtrust heb opgeofferd, waaraan ik mijne beste krachten heb besteed, zal vernietigd worden. En toch heb ik niet tevergeefs geleefd, want veertig jaren lang ben ik do zorgende vader, de weldoener van een groot voik geweest. Hot verre nageslacht zal den naam van Amasis, als dien van een groot, wijs en menschlievend koning, mei eerbied vermelden, en op mijne stichtingen te Saïs en te ïhebe vol bewondering den naam van hun bouwmeester lozen, en van de grootte zijner macht gewagen! Ja, ook Osiris en de twee-en-veertig rechters in de onderwereld zullen mij niet veroordeelen, en de godin der waarheid, de meesteres der weegschaal 1), zal bevinden, dat het gewicht mijner goede daden dat mijner booze to boven gaat!quot;

De koning zuchtte en zweeg een geruime poos. Eindelijk zag hij zijne gemalin aan, mei een weemoedigen blik, die van innige liefde getuigde, en zeide: »Gij, Ladice, zijl mij eene trouwe, deugdzame gade geweest. Ik dank u daarvoor, en bid u voor vele dingen om vergeving. Dikwijls konden wij elkander niol begrijpen. Ja, het viel mij gemakkelijker mij te verplaatsen in de denkbeelden van uw volk, quot;dan u, de godsdienstige begrippen der Egyptenaren te vatten. Gij weet, hoe hoog ik de kunst van uwe landslieden schatte, hoe gaarne ik met uw vriend Pythagoras verkeerde, hij, die zoo diep was ingewijd in hetgeen wij weten kunnen en gelooven moeten, en hoeveel ik daarvan dankbaar aannam. Hij, die den verborgen zin had gevat van leerstellingen, die mij voorkomen boven alles heilig te zijn, ontzag zich wel met waarheden te spotten, die de priesterschap misschien al te angstvallig voor het volk verborgen houdt. Dat volk buigi zich gewillig voor het onbegrijpelijke en die het verkondigen. Zou het niet schooner en edeler zijn, wanneer men het de waarheid leerde verstaan, wanneer men het ophief in plaats van het in onwetendheid te laten? Voorzeker, de priesters zonden op deze wijze minder gehoorzame dienaars vinden, maar de goden

1

De bijnaam „meesteres of beheerscheres der weegschualquot; had zijn grond hierin, dat de godin der waarheid de zielen der afgestorvenen in de onderwereld afwoog. Van dit wegen vinden wij bijna in alle doo-denboeken eene voorstelling.

ocr page 436

407

meer vrije en oprechte vereerders. Met onzen dieren dienst, La-dice, hebt gij u het minst kunnen verzoenen, maar !k acht het toch beter en den mensch waardiger, den schepper in zijn schepsel dan in steenen beelden te aanbidden. Bovendien hebben uwe ^oden alle zwakheden met de menschen gemeen, en ik zou mijne koningin wel zeer ongelukkig hebben gemaast, als ik gelijk de Grieksche Zeus geleefd had.quot;

De koning zeide dit met een glimlach. »Maar weet gij, holt;? dat komt?quot; vervolgde hij. »üeze Hellenen stellen den schoonen vorm boven alles j daarom is het hun met mogelijk het lichaam,

dat zij als het voortreffelijkste van al het geschapene beschouwen,

van de ziel te scheiden ; gelijk zij ook aannemen, dat in een schoon lichaam noodwendig eene schoone ziel moet. wonen. Derhalve zijn hunne goden niets dan de veredelde menschen, terwijl wij ons voorstellen, dat de godheid als een kracht in de natuu' en in ons zeiven werkt. Tusschen beiden in staat het dier, dat niet als wij handelt volgens geschrevene wetten, maar gehoorzaamt aan de eeuwige wetten der natuur. Gene zijn door de menschen uitgedacht, deze echter hebben onmiddellijk aan de goden haar ontstaan te danken. En welk schepsel haakt zoozeer naar vrijheid, het hoogste goed, als het dier'? Welk schepsel leeft zonder leering en onderricht zoo gelijkmatig van geslacht tot geslacht voort, als het dier?quot;

Hier begaf den koning voor eenige oogenblikken zijn stem. Na eene pauze vervolgde hij: »Ik voel dat mijn einde nadert, daarom zal ik niet lang bij deze dingen stilstaan, maar u, mijn zoon en opvolger, mijn uitersten wil doen kennen. Handel dienovereenkomstig, want het is uil ervaring, dat ik tot u spreek 1 Maar helaas! Honderd malen heb ik, gedurende mijn langdurig leven, gezien dat alle levensregels, die anderen ons medege'ven op onzen weg. nutteloos zijn. Geen mensch kan voor eenandei ervaringen opdoen; alleen door eigen schade en schande woidt men wijs! Gij beklimt den troon op rijpen leeltijd, mijn zoon, en hebt den tijd gehad om na te denken over al wat recht en onrecht, heilzaam en verderfelijk is, en verschillende dingen te zien en met elkander te vergelijken. Daarom geel ik u geene algemeene lessen, maar stel mij tevreden met u enkele nuttige raadgevingen op 't hart te binden. Ik geel ze u met mijnrechterhand, maar ik vrees, dat gij ze met de linker zult aannemen.

»Vóór alle dingen moet gij weten, dat ik gedurende de laatste maanden, niettegenstaande mijne blindheid, slechts in schijn een onverschillig toeschouwer was van uwe daden, en u met een bepaald doel de handen vrijliet. Rhodopis vertelde mij eens eene fabel van haar leermeester Aesopus: Een reiziger ontmoette een man, en vroeg dezen, hoe veel tijds hij noodig zou hebben

ocr page 437

408

orn de naaste stad te bereiken. ,Loop!quot; was hel antwoord. — ,Maar zeg mij eerst, hoe lang ik loopen moet orn er te komen ?' — ,Loop! Loop maar!' — De reiziger meende, dat de man hem voor den gek hield, en keerde dezen den rug toe. onder vloeken en verwenschingen. Nadat hij eenige schreden gedaan had, riep de ander hem terug, en zeide: ,Gij zult een uur noodig hebbdii, om de stad te bereiken. Ik kon uwe vraag niet met zekerheid beantwoorden, voordat ik eerst de snelheid van uw gang had gezien !'

))Aan deze label heb ik vaak gedacht, en zwijgend sloeu ik uw bestuur gade, om u thans in uw eigen belang te kunnen zeggen, of gij te snel of te langzaam wandelde!. Nu weet ik wat ik wenschte te weten, en bij mijne bijzondere raadgevingen voeg ik dus de algemeene les ; Onderzoek zeil' alle dingen! Op ieder mensch, maar vooral op een koning, rust de verplicht intr, zich in eigen persoon te overtuigen van alles, wat hun bet rel t, voor wier welzijn hij te zorgen heeft. Gij, mijn zoon, ziet te veel door vreemde oogen, hoort te veel door vreemde ooien, en put veel te weinig uit oorspronkelijke bronnen. Uwe raadslieden, de priesters, bedoelden zeker niets dan wat goed is, maar, — Neithotep, ik bid u, laat ons een oogenblik alleen!quot;

Zoodra de opperpriester zich verwijderd had, vervolgde de koning: )gt;Zij willen wat goed is, maar slechts dat wat voor hen goed is! En wij zijn niet koningen voor priesters en aanzienlijken, maar voor het volk. Geef daarom niet uitsluitend acht op den raad dezer trotsche kaste, maar onderzoek zelf. door met eigen oogen alle smeekschriften te lezen, en trouwe, u toegedane en door het volk beminde nomarchen te kiezen, die u lee-ren, wat den Egyptenaren ontbreekt, wat zij van u hopen en wat zij behoeven. Weet gij nauwkeurig hoe het in het land gesteld is, dan is het zoo moeilijk niet goed te regeeren. Kies gij maar bekwame beambten; voor de juiste en doelmatige verdeeling van het rijk heb ik gezorgd. Onze wetten zijn goed en proefhoudend bevonden. Hond u daaraan, en vertrouw niemand, die zich voor verstandiger uitgeeft dan de wet. Ik zeg u, de wet is altijd en in elk geval verstandiger dan de enkele mensch, en die haai' overtreedt heeft straf verdiend. Niemand gevoelt dit zoo diep als het volk, dat zich voor ons te gewilliger alle offers getroost, naarmate wij meer onze eigene inzichten aan de wet ten offer weten te brengen. Gij bekommei t u niet veel orn het volk. De stem des volks is in den regel wat ruw; maar meestal spreekt zij de waarheid, en niemand heeft de waarheid meer noodig dan een koning. De pharao, die uiterst gewillig den raad van priesters en hovelingen volgt, zal de meeste vleie-rijen hooien. Daarentegen zal hij, wiens streven het is, de

ocr page 438

4oy

wensclien van liet volk te vervullen, vee! te lijden hebben van zijne omgeving. Met zichzelven zal hij echter vrede hebben, en eere bij het nageslacht. Veel heb ik gedurende mijn leven misdaan, en toch zullen de Egyptenaren mij beweenen, want ik kende ten allen tijde hunne behoeften, en zorgde als een vader voor hun geluk. Een koning die zijne plichten kent, moet zich de liefde zijns volks weten té verwerven; en dit zal hem niet moeilijk vallen. Daarentegen is het een ondankbaar streven den bijval der grooten te zoeken. Bijna onmogelijk acht ik het de tevredenheid van beiden te oogsten.

sHerinner u steeds, dat gij en de priesters voor het volk,en niet het volk voor u en de priesters bestaat. Houd den godsdienst in waarde om zijns zelfs wil en als den hechtsten grondslag van de gehoorzaamheid des volks jegens zijne koningen; maar doe haren verkondigers steeds gevoelen, dat gij hen niel als de verpersoonlijking doch als de dienaren der godheid beschouwt. Het is hun gelukt zich in het bewustzijn der menigte boven de godheid te stellen, en van deEgyptenaren gehoorzame priesterknechten in plaats van godendienaars te maken. Dit werk van zoovele eeuwen kan de macht van een vorst niet vernietigen, maar wij kunnen den priesters wel beletten het belang van den staat ondergeschikt te maken aan hunne bijzondere bedoelingen. Geloof mij, mijn zoon, de priesterschap zal, zoodia zij den invloed barer kaste bedreigd ziet, zich niet. ontzien het welzijn van den staat in de waagschaal te stellen!

«Houd, gelijk de wet u voorschrijft, aan het oude vast; maar sluit nimmer de poorten van het rijk voor het nieuwe, dat beter blijkt te zijn. Booze menschen alleen verwerpen haastig het oude; dwazen vinden alles goed, wat nieuw en vreemd is,maar bekrompenen van verstand of baatzuchtige bevoorrechten klemmen zich onvoorwaardelijk aan het. oude vast en noemen alle vooruitgang zonde. De wijze legt er zich op toe datgene in stand te houden, wat in het verleden gebleken is goed te zijn; dat wat blijken mocht schadelijk te werken af te schaffen; wat beter is, onverschillig uit welke bron het voortvloeit, aan Ie nemen. Mijn zoon, handel gij evenzoo! De priesters zullen beproeven ii terug te dringen, de Hellenen u voorwaarts te drijven. Sluit u bij de eene of andere partij aan; maar wacht er u voor, tusschen beide in te blijven staan en heden aan deze, morgen aan gene het oor te leenen. Wie op twee stoelen tegelijk wil zitten, komt op den grond te recht. De eene partij zij uw vriend, de andere uw vijand, want beproeft gij beide te vriend te houden, dan zullen zij zeer spoedig beide uwe vijanden zijn. De menschen zijn nu eenmaal zoo; zij haten degenen, die hunne vijanden wèl doen.

ocr page 439

ill)

sGedurende de laatste maanden, dat gij zelfstandig regeerdet, hebt gij, door uw onzalig weifelen, beide partijen tegen u in het harnas gejaagd. Wie, gelijk de kinderen, nu eens voorwaarts gaat, dan weer terugkrabbelt, komt nooit vooruit en verbruikt geheel nutteloos zijne krachten. Ik hield het met de Hellenen, en was de tegenstander der priesters, tot ik mijn laatste uur voelde naderen. Voor het maatschappelijk leven schenen mij de dappere en verstandige Grieken bijzonder bruikbaar; nu ik ga sterven heb ik daarentegen hen noodig, die mij een pas naar de onderwereld moeten bezorgen. Mogen de goden het mij vergeven, dat ik, zelfs nog in mijn laatste uur, mijn mond niel beletten kan een taal te spreken, die zoo lichtzinnig klinkt. Zooals ik ben, hebben zij mij gemaakt, en zij moeten het nu ook maai' voor lief met mij nemen. Ik wreef in mijne handen toen ik koning werd; moogt gij de hand op uw hart leggen, als gij den troon bestijgt! — Roep thans Neithotep weder binnen, u beiden heb ik nog iets te zeggen!quot;

Toen de opperpriester aan zijne zijde stond, strekte de koning de hand naar hem uit, en vervolgde; »Ik scheid zonder wrok van u, ofschoon ik meen, dat gij uwe plichten als priester beter wist te vervullen, dan die op u rustten als zoon van dit land en dienaar des konings. Psanitik zal, geloof ik, gewilliger gehoorzamen dan ik. Eén ding echter druk ik u beiden op hei hart: Ontslaat de Helleensche krijgsbenden niet uit uw dienst, dan nadat gij met hare hulp de Perzische legermacht hebt bevochten, en zoo ik hoop overwonnen! Mijne voorspelling van vroeger heeft geene waaide; men verliest zijne opgewektheid, en ziet de zaken een weinig donker in, als de stervensure nadert. Zonder de hulptroepen zoudt gij reddeloos verloren zijn; met hunne hulp is het niet onmogelijk, aai het Egyptische leger de overwinning behaalt. Weest bedachtzaam en brengt den loniërs aan het verstand, dat zij aan den Nijl voor de vrijheid van hun eigen vaderland strijden. Cambyzea zou na eene overwinning met Egypte niet tevreden zijn. terwijl de nederlaag dor Perzen den onderworpen loniërs de vrijheid zou kunnen hergeven. Ik wist wel, Neithotep, dat gij het met mij eens zoudt zijn, want in den grond meent gij het goed met Egypte. Thans verzoek ik u mij de heilige gebeden voor te lezen. Ik voel mij zeer uitgeput; het zal spoedig gedaan zijn. Kon ik die arme Nitetis maar vergeten! Had zij recht ons te vervloeken'? Mogen de doo-denrechters en Osiris zich over onze zielen erbarmen! — Zet u hier neder, Ladice, en leg de hand op mijn gloeiend voorhoofd ; en gij, Psamtik, zweer, in tegenwoordigheid dezer getuigen, dat gij uwe stiefmoeder zult hoogachten en ontzien, als waart gij haar eigen kind. — Arme vrouw! Gij zult mij spoedig

ocr page 440

4H

bij Osiris komen zoeken. Wal bindt u nog verder /.onder eclü-gcnoot en kinderen aan deze aarde? Wij hebben Nitetis als onze eigene doebter opgekweekt, en tocb werden wij om harontwil zoo zwaar gekastijd. Maar haar vloek treft ons alleen; niet ii, Psamtik, niet uwe kinderen! — Breng mij thans mijn kleinzoon. Ik geloof waarlijk, dat er een traan over mijne wang rolt. Zoo gaat het gewoonlijk; te scheiden van kleine dingen, waaraan men zich gewend heeft, kost ons de meeste moe;to.''

Een nieuwe gast was dienzelfden avond in het huis van Rhodo-pis aangekomen, namelijk Kallias, de zoon van Phaenippus 1), uit wiens mond wij indertijd het verslag van de Olympische spelen vernamen. De wakkere Athener was weinige uren to voren uit zijne vaderstad wedergekeerd en als een oud, beproefd vriend met open armen door Rhodopis ontvangen, en dadelijk ingewijd in de geheimen van haar huis. Knakias, de oude slaaf, had wel-is-waar voor een paar dagen de welkomstvaan ingenomen, maar wetende dat Kallias zijne meesteres ten allen tijde welkom was, leidde hij hem even gerust tot haar, als bij iederen anderen bezoeker afwees.

De Athener had veel nieuws te vertellen, en toen Uhodopis zich eindelijk om de eene of andere bezigheid verwijderen moest, volgde hij Sappho, zijne lieveling, in den tuin, om daar naar den vriend uit te zien, dien zij verlangend wachtte. Kallias plaagde haar niet weinig, wijl zij zich na zulk eene korte scheiding reeds angstig maakte. In het eerst lokte zijne scherts een glimlach om hare lippen, doch langzamerheid nam hare bezorgdheid toe, en werd haar gelaal ernstiger. Nu riep hij de oud.quot; Melitta, die bijna nog angstiger dan hare meesteres den weg naai- Naucratis opzag, en verzocht haar het snarenspeeltuig, da! bij had medegebracht, in den tuin te brengen.

Nadat bij de schoone, tamelijk groote luit van goud en elpenbeen aan de jonkvrouw ter hand had gesteld, zeide bij; »Dit heerlijke speeltuig beeft de uitvinder er van, de goddelijke Anakreon, op mijne bestelling, opzettelijk voor n doen maken. Hij noem' het barbiton 2) en weet bet de heerlijkste tonen te ontlokken, die zelfs nog in bet schimmenrijk zullen voortklinken. Ik heb den dichter, die zijn geheele leven aan de Muzen, Eros en Dio-

1

Zie boven bi. 29 eu 31.

2

Ecu snareninstrument, dat grooter was ilan de lier. Het stonri in verhouding tot de luit als eene cello tot eene viool.

ocr page 441

41'2

nysos wijdt 1) veel van u verhaald, en hern moeten beloven u het volgende liedje, dat hij op u heeft gemaakt, als een geschenk van hem aan te bieden. Luister:

„ Werd op öipylos' gebergte,

In den tijd van 't grijs verleèn.

Tot heur straf Amphion's gade,

Niobé, verkeerd in steen ;

Is weleer Pandion's dochter,

In quot;t onmeetlijk ruim der lucht.

Als een vluggewiekte zwaluw,

Theseus wrekend zwaard ontvlucht; —

Ik, ik wilde uw spiegel wezen.

Opdat mij ten allen tijd',

:t Harte door uw hemelsche oogen

Werd gekoesterd en verblijd!

'k Wenschte steeds met heet verlangen

Dat ik u ten mantel wierd,

Die u met zijn losse plooien

Langs de blanke schoudren zwiert!

Of ik zag mij gaarn veranderd,

In het helder bronkristal.

Dat, met oorenstreelend ruischen,

Kronkelt door het lommrig dal.

Opdat, als ge uw poezle leden

Wascht in 't zilverspattend vocht,

]k, bij felle zomerhitte,

Die verkoelen, streelen mocht!

'k Zag mij liever nog herschapen

In den balsem, lieve maagd !

Die er op uw vlechten druppelt,

En u door zijn geur behaagt;

2n de paarlen, die er dartlen.

Stoeien langs uw' elpen hals.

Of in d'overkostbren gordel

Van uw golvend boezemmalsch 1 Maar het liefste, dierbre schoone.

Als mijn hart zijn wensch bezat,

3n uw schoentje, opdat gedurig Mij uw kleine voet betrad.quot;

»Gij duidt den zanger toch niet ten kwade, dat hij een weinig vrij is geweest-?quot;

»Hoe zou ik dat kunnen! Met een dichter moet men liet zoo nauw niet nemen!quot;

aAllerminst met dezen!quot;

Die zulk een uitstekenden zanger tot overbrenger zijner liederen kiest!quot;

2O, gij vleister! Ja, toen ik twintig jaren jonger was, werden

1

Aan Dionysos. Eros en 't koor der Muzen toe.

ocr page 442

n.i

mijne stem en voordracht met recht geroemd; maar thans 13 dat lang voorbij!quot;

«Gij bedelt om nog meer lof, ik laat mij dien evenwel niet afdwingen. Maar is deze zoogenaamde baibiton, met hare zoete tonen, ook voor andere liederen dan die van den Teer ') geschikt ?quot;

»Zeer zeker! Neem het plektron 1) slechts, en beproef zelve eens de snaren te tokkelen, die trouwens voor uw toed'ïre vingers wel wat zwaar zijn.quot;

»Ik kan niet zingen; ik maak mij te ongerust over Bart ja en zijne vrienden.quot;

))Dat is met andere woorden, dal het verlangen naar d vi beminde u de keel als toeschroeft. Kent gij het lied uwer Letgt;-bischo moei, de groote Sappho, dat do gemoedsgesteldheid schildert, waarin gij u in dit oogenblik allerwaarschijnliikst b-;*-vindt?quot;

»Ik geloof het niet.quot;

dZoo luister. Voorheen pronkte ik liet liefst met dit gedicht, dal gecne vrouw, maar Eros zeil schijnt te hebben vervaardigd:

„Wel hem! die a;ui uw zij, uw teedre slem mag hooren Wiens bl.k den lach verrast, die kleurt op lip en koon

Hij is door 't godendom ten lievlintj uitverkoren,

Hij evenaart de goön.

„Wen u mijn oog ontwaart, begint mij 't hart te jagen,

Ku t bloed stroomt, als gezweept, door de adren op en neer;

Mijn tong ligt zonder spraak, en om mijn leed te klagen,

Vinde ik geen klanke moer.

„Een licht en vluchtig vuur komt door mijn leen gevlogen.

Een kil en machtloos zweet breekt me op het voorhoold door;

Hot duister van den nacht omvangt de brekende oogen.

En 't suist en ruischt me in 't oor.

„Als door een koorts vermand, vangt 't lichaam aan tc beven. Een vaal en doodlijk bleek bedekt mij ?t aangezicht;

Ik kwijn, ik zwijm, ik schei, van eeuw'gen nacht omgeven,

Weldra van 't levenslicht.quot;

Welnu, wat zegt gij van dit lied ? Maar, bij Heracles, kind-lief, wat zijt gij bleek geworden! Hebben deze regelen u zoo aangedaan, of zijt gij alleen maar getroffen door de getrouwe voorstelling van uw eigen smachtend hart? Stel u toch gerust, meisje, wie weet wat uw geliefde zoo lang ophoudt.quot;

«Niets, niet met al!quot; klonk op dil oogenblik eene heldere mannenstem. En weinige seconden later lag Sappho aan de horst van den geliefden jongeling.

1

2; Km klein staafje van elpenbeen, waarmode meu de snaren tokkelde.

ocr page 443

411

nysos wijdt 1) veel van u verhaald, en hem moeten beloven u hel volgende liedje, dat hij op u heeft gemaakt, als een geschenk van hem aan te bieden. Luister:

„Werd op Sipylos' gebergte,

In den tijd van 't grijs verleen.

Tot heur straf Amphion's gade,

Niobé, verkeerd in steen ;

Is weleer Pandion's dochter,

In quot;t onmeetlijk ruim der lucht,

Als een vluggewiekte zwaluw,

Theseus wrekend zwaard ontvlucht; —

Ik, ik wilde uw spiegel wezen.

Opdat mij ten allen tijd',

't Harte door uw hemelsche oogen

Werd gekoesterd en verblijd!

'k Wenschte steeds met heet verlangen

Dat ik u ten mantel wierd,

Die u met zijn losse plooien

Langs de blanke schoudren zwiert!

Of ik zag mij gaarn veranderd,

In het helder bronkristal,

Dat, met oorenstreelend ruischen,

Kronkelt door het lommrig dal.

Opdat, als ge uw poezle leden

Wascht in 't zilverspattend vocht,

Ik, bij felle zomerhitte,

Die verkoelen, streelen mocht!

'k Zag mij liever nog herschapen

!n den balsem, lieve maagd!

Die er op uw vlechten druppelt.

En u door zijn geur behaagt;

in de paarlen, die er dartlen,

Stoeien langs uw' elpen hals,

Of in d'overkostbren gordel

Van uw golvend boezemmalsch 1 Maar het liefste, dierbre schoone.

Als rnijn hart zijn wensch bezat,

In uw schoentje, opdat gedurig Mij uw kleine voet betrad.quot;'

»Gij duidt den zanger toch niet ten kwade, dat hij een weinig vrij is geweest'?quot;

»Hoe zou ik dat kunnen! Met een dichter moet men het zoo nauw niet nemen!quot;

sAllerminst met dezen!quot;

Die zulk een uitstekenden zanger tot overbrenger zijner liederen kiest!quot;

ïgt;0, gij vleister! Ja, toen ik twintig jaren jonger was, werden

1

Gij wijddet al uw dagen, o grijsaard, blij te moe, Aan Dionysos. Eros en 't koor der Muzen toe.

ocr page 444

413

mijne stem en voordracht met recht geroemd; maar thans is dat lang voorbij!quot;

»Gij bedelt om nog meer lof, ik laat mij dien evenwel niet afdwingen. Maar is deze zoogenaamde barbiton, met hare zoete tonen, ook voor andere liederen dan die van den Teer ') geschikt ?quot;

«Zeer zeker! Neem het plektron a) slechts, en bepioef zelve eens de snaren te tokkelen, die trouwens voor uw teedere vingers wel wat zwaar zijn.quot;

«Ik kan niet zingen; ik maak mij te ongerust over Bartjaen zijne vrienden.quot;

«Dat is met andere woorden, dal het. verlangen naar deti beminde u de keel als toeschroeft. Kent gij liet lied uwer Lesbische moei., de groote Sappho, dat de gemoedsgesteldheid schildert, waarin gij u in dit oogenblik allerwaarschiinliikst bevindt'?quot;

»Ik geloof het niet.quot;

«Zoo luister. Voorheen pronkte ik het liefst met dit gedicht, dal geene vrouw, maar Eros zelf schijnt te hebben vervaardigd;

„Wel hem! die aan uw zij, uw tcedre stem mag hooien W icns bl k den lach verrast, die kleurt op lip en koou

Hij is dooi- 't godendom ten lievliiig uitverkoren.

Hij evenaart de goön.

„Wen u mijn oog ontwaart, begint mij 't hart te jagen,

Eu 't bloed stroomt, als gezweept, dooi- de adren op en neer;

Mijn long ligt zonder spraak, en om mijn leed te klagen,

Vinde ik geen klanke meer.

„Een licht eo vluchtig vuur komt door mijn leèn gevlogen.

Een kil en machtloos zweet breekt me op het voorhoofd door;

Hel duister van den nacht omvangt de brekende oogeu,

En 't suist en ruischt me in 't oor.

„Als door eeu koorts vermand, vangt 't lichaam aan te beven, Een vaal ca doodlijk bleek bedekt mij 't aangezicht;

Ik kwijn, ik zwijm, ik schei, van eeuw'gen nacht omgeven,

Weldra van 't levenslicht.quot;

Welnu, wal zegt gij van dit lied? Maar, bij Heracles, kindlief, wat zijl gij bleek geworden! Hebben deze regelen u zoo aangedaan, of zijl gij alleen maar getroffen door de getrouwe voorstelling van uw eigen smachtend hart? Stel u toch gerust, meisje, wie weet wat uw geliefde zoo lang ophoudt.quot;

»Niets, niet met al!quot; klonk op dit oogenblik eene heldere mannenstem. En weinige seconden later lag Sappho aan de horst van den geliefden jongeling.

1) Anacreon was van Teos afkomstig.

-I l-' ti klein staafje van elpenbeen, waarmede men de snaren tokkelde.

ocr page 445

414

Kallias zag zwijgend deze omarming aan, en glimlachte van genoegen over de uitnemende schoonheid van dit jeugdige paar.

^Yoór alle dingen,quot; riep de koningszoon, nadat liij met Kallias kennis had gemaakt, smoet ik uw grootmoeder thans opzoeken. In plaats van binnen vier dagen moet nog heden de bruiloft gevierd worden. Ieder uur vertragens kan ons gevaarlijk worden. Is ïheopompus hier

sik denk het wel,quot; antwoordde Sappho, «want ik zou niet weten, waarom grootmoeder anders zoolang in huis blijft. Maar wat zeidet gij daar van de bruiloft? Ik geloot ...quot;

»Laal ons eerst naar binnen gaan, liefste; ik vrees dat er een onweder opkomt. De lucht betrekt zwaar, en het wordI ondraaglijk drukkend.quot;

»Kom dan spoedig,quot; riep Sappho, »zoo gij niet wilt, dat ik van nieuwsgierigheid sterf! Over het onweder behoeft gij u zoo erg niet te verontrusten. Zoo oud als ik ben, heeft het in Egypte om dezen tijd nooit geweerlicht. of gedonderd 1).quot;

»Daii zult gij heden iets vreemds zien gebeuren,quot; zeide de Athener lachend. »Zoo even viel er een zware regendruppel op mijn kale kruin. Toen ik hierheen kwam, streken de Nijlzwaluwen vlak over het water heen. En zie, de maan verschuilt zich reeds. Kom maar spoedig naar binnen, anders verrast de bui u nog. Hei daar, slaaf, draag zorg dat er een zwart lam worde geoflerd aan de goden der onderwereld 2)1quot;

In het woonvertrek van Rhodopis vonden zij, gelijk Sapplio terecht vermoed had, Theopompus. Hij had zoo even zijn verhaal van de gevangenneming van Zopyrus en van de reis van Bartja en zijne vrienden ten einde gebracht. Daar beiden uiterst bezorgd waren over den afloop dezer zaak, was het eene groote vreugde althans den koningszoon zoo geheel onverwacht voor zich te zien. In weinige woorden bracht Bartja hen op de hoogte van de gebeurtenissen der laat ste uren, en verzocht Theopompus op staanden voet werk te maken van een zeilree schip voor hem en zijne vrienden.

oDat treft uitnemend !quot; riep Kallias. »Mijne eigene triëre, die

1

Hoewel een onweder in Egypte tot de zeldzaamheden behoort, zoo komt het toch wel eens voor. Ebers trof in Januari 1870 een onweder in Opper-Egypte nabij Antinoë. De bui was zoo hevig, dat Arabische booten op den Nijl omsloegen en geweldige waterstroomen van de bergen afdaalden. Fella-hutten werden medegesleurd en palmboornen ontworteld. Herodotus vertelt als een wonder, dat het, juist in dezen tijd, in Opper-Egypte had geregend.

2

De Grieken waren gewoon, als een onweder dreigde, aan de stormen, die tot de goden '.Ier onderwereld behoorden, een zwart lam te ottei en.

ocr page 446

415

mij heden naar Nancratis bracht, ligt in de haven gereed, en is tot uw dienst. Ik heb slechts den stuurman te bevelen de manschap bijeen en alles gereed te houden. — Gij hebt mij niet te danken, veel meer ben ik u dank schuldig voor de eer, die gij mij bewijst. Hei daar, Knakias, zeg dadelijk aan mijn slaaf Philomelus, die buiten in de voorzaal wacht, dat hij zich naar de haven late roeien, en mijn stuurman Nausarchus gelastte alles tot vertrek gereed te houden. Stel hem slechts dit zegel ter hand, dat hem tot alles de noodige volmacht geeft!quot;

»En mijne slavenvroeg Bartja.

»Knakiiis zal mijn ouden hofmeester bevel geven, hen naar het schip van Kallias te brengen,quot; antwoordde Theopompus.

»Als zij dit teeken zien, zullen zij geen bezwaar maken, om hem te volgen,quot;' hernam Bartja, den ouden knecht zijn ring gevende.

Toen Knakias met vele buigingen het vertrek verlaten had, vervolgde de koningszoon: »En nu, mijne moeder, heb ik u een dringend verzoek te doen.quot;

»lk raad wat hel is,quot; zeideRhodopis vriendelijk. ;oGij wenscht, dat men do voltrekking van uw huwelijk bespoedige, en ik zie wel in, dat ik aan uw verlangen gehoor zal moeten geven.quot;

»Als ik mij niet bedrieg,quot; riep Kallias, »dan hebben wij hier met twee menschen te doen, die, zonderling genoeg, zich van harte verblijden over het gevaar dat hen bedreigt.quot;

ygt;Het kon wel zijn, dat gij juist geraden hadt,quot; antwoordde Bartja, heimelijk de hand zijner liefste drukkende. Daarop wendde hij zich nogmaals tot Rhodopis, en bad haar, zonder aarzelen haar kostelijk kleinood, waarvan hij alleen de waarde wist te schatten, af te staan.

Rhodopis richtte zich hoog op, legde hare rechterhand op Sappho's, hare linker op Bartja's hoofd, en zeide: »Er bestaat eene sage, kinderen, die verhaalt, dat in het land der rozen een blauw meer is, dat nu eens rustig kabbelt, dan heftig golft en woedt; dat het water van dit meer nu eens zoet smaakt als honig, dan bitter als gal. Gij zult de beteekenis dezer sage leeren kennen en in het gewenschte rozenland van uwen echt, nu kalme dan onrustige, nu zoete dan bittere uren doorleven. Zoolang gij kind waart, Sappho, zijn uwe dagen zonder eenige droefenis, als een lentedag voorbijgegaan. Toen gij als jonkvrouw leerdet, wat het zegt lief te hebben, heeft zich uw hart geopend voor de smart, die u eene welbekende gast werd, gedurende die scheiding van zoovele maanden, eene gast, die, bij tusschenpoozen zal terugkeeren en aankloppen zoolang gij leeft. Uw plicht, Bartja, is het, den indringer, voorzooveel dit in uw vermogen is, van Sappho verwijderd te houden. Ik ken de menschen, en

ocr page 447

voordat Cresus mij oeni^o verzekering'omtrent uw edel hart had gegeven, wist ik, dat gij mijner kleindochter waardig waart. Daarom veroorloofde ik u met haar den kweeappel te eten, daarom vertrouw ik u zonder vree.s haar toe, die ik tot heden als een heilig pand bewaard heb. Beschouw gij uwe vrouw evenzeer als een geleenden schat, want niets is gevaarlijker voor de liefde, dan de behaaglijke zekerheid van het uitsluitend bezit. — Men heeft mij berispt, omdat ik hel onervarene kind naai' uw land laat trekken, waar de vrouwen zoo weinig in tel zijn. ik weet echter wat liefde is, en dat er voor eene jonkvrouw die bemint geen ander vaderland beslaat, dan het hart van den man, aan wien zij zich heeft overgegeven; dat een door Eros getroffen vrouwenhart geen grooler ongeluk kent, dan dat van gescheiden te moeten leven van den man barer keuze. En buitendien, ik vraag u. Kallias en Theopompus, zijn dan uwe echtgenooten zoo hoog boven die dei' Perzen bevoorrecht'.' Moet de Ionische, de Attische vrouw niet, evenals de Perzische, in vrouwenvertrekken haar leven slijten, en blij zijn als men haar eens eene enkele maal toestaat, dicht gesluierd en door wantrouwige slaven vergezeld, over straal te gaan'? — Wat de veelwijverij der Perzen aangaat, deze vrees ik zoomin voor Sappho als voorBartja! Hij zal zijne vrouw trouwer zijn dan een Helleen, want in Sappho zal hij vereenigd vinden, wat gij, Kallias, eensdeels iu uwe vrouw, anderdeels in de huizen dei- meer ontwikkelde lietacren vindt; ik bedoel: eene echte huismoeder en eene ontwikkelde vrouw, die door aangename gesprekken den man weet te boeien. — Neem haar tot u, mijn zoon; vol vertrouwen en gewillig stel ik Sappho in uwe handen, gelijk een oud strijder aan zijn sterken zoon het beste wat hij heeft, namelijk zijne wapenen, met vreugde overgeeft. Werwaarts zij ook trekke, steeds zal zij toch eene Helleensche blijven en, dil is mij eene groote troost, in haar nieuw vaderland haar Grieksche afkomst eere aandoen en hel Grieksche volk nieuwe vrienden bezorgen. Ik dank u voor uwe tranen, mijn kind! Ik ben in staat de mijne le bedwingen, doch heb deze kunst aan het lot duur, zeer duur betaald! — Dezen eed, edele Bartja, hebben de goden gehoord. Vergeet hem nooit, en neem haai' lol u als uw eigendom, uwe vriendin, uwe vrouw! Voer haar weg. zoodra uwe vrienden wederkomen. De goden wilden niet, dat op Sappho's huwelijksfeest de hymenaeus ') gezongen zal worden !quot;

Dit zeggende, legde de oude vrouw de handen der gelieven ineen, sloot Sappho aan haar hart, en drukte een zachten kus

1) Zoo heetten de bruiloftsliederen, naar tiet refrein: „Hymen, o Jlymenaee.quot;

ocr page 448

417

op liel voorhoofd van den jonyen Pers. Daarop wendde zij zich lol de beide Hellenen, op wie dit tooneel een diepen indruk had gemaakt, en zeide; »Dat was een stille huwelijksplechtigheid, zonder gezang en zonder fakkellicht. Moge ze door een te gelukkiger huwelijksleven worden gevolgd! — Ga, Melitta, en haal den bruiloftstooi der bruid, de armbanden en halsketens, die in het bronzen kastje op mijne kleedtafel liggen, opdat onze lieveling haar gemaal in een gewaad, dat de toekomstige vorstinne past, de bami kunne reiken.quot;1)

sSpoed u!quot; riep Kallias, die thans weder in zijne gewone opgeruimde stemming kwam. »Ook mag de nicht der grootste, hymenaeën-dichteres 2) niel zonder zang en muziek haar bruidsvertrek binnentreden. Daar het huis van den beer gemaal wat al te ver van bier is, zullen wij onderstellen, dat het lediuo andronitis zijne woning zij. Daarheen geleiden wij door de mi' -deldeur de jonge vrouw, en gebruiken aan den huiselijken haard een vroolijk bruiloftsmaal. — Hier, slavinnen, verdeelt u in twee koren. Gij neemt de rol der jongelingen en gij die der maagden op u, en zingt voor ous de hymenaeus van Sappho. ,Zooals in het gebergte.' ik speel voor fakkeldrager3) eene waardigheid, die mij in ieder geval toekomt. Gij moet weten, Bartj;t, dat mijne familie hel erfelijk recht bezit, bij de mysteriën van Eieusis de fakkels te dragen, waarom men ons daadoechen of fakkeldragers noemt. — Hei daar, slaaf! Zorg voor kransen aaii de deur van het andronitis, en beveel uw onderboorigen, dat zij ons bij ons binnentreden mei suikerwerk bestrooien i). Zie eens aan, brave Melilta, van waar hebt gij die schoone bruids- en bruigomskronen van violen en mirten zoo spoedig gehaald ^)'? — Waarlijk, de regen stort bij stroomen door de opening van het dak! — Ha! Ha! — Hymen heeft Zeus overgehaald ook eea handje te helpen, opdat er niets aan uw bruiloftsfeest ontbreke. Daar gij bet bad niet hebt kunnen nemen, dat bruid en bruigom, volgens oud gebruik, aan den morgen van den bruiloftsdag moeten gebruiken, moet gij voor een oogenblik hieronder staaii en den regen van Zeus bet geheiligd bronwater laten vervangen! Heft gij thans het lied aan, meisjes! Laat de jonkvrouw hel verlies van haren maagdelijken staat betreuren en de jongelingen het lot der jonggehuwden nemen.quot;

1

Eeno Helleonsclie tiruirt verscheen in feestdos, en nok zij dio haar geleidden droegen sierlijke gewaden.

2

Sappho.

3

De moeder der bruid ontstak de fakkel. De fakkeldrager moest den God Hymen voorstellen.

ocr page 449

418

Nu beatonnen vijf geoefende sopraan-stemmen op klagenden toon het lied van Sappho te zingen:

„Zooals in het gebergte de hyacinth, door de voeten Van den herder vertrapt, ten bodem zinkt, waar de purpren Bloem verwelkt in het stof, geknakt, door ieder vergeten; — Zoo wordt de jonkvrouw, wannetr zij de bloem harer kuischheid verspeeld heeft.

Door de mannen geminacht en door de maagden gemeden.

Hymen, o Hymenaeus, o Hymen, kom, Hymenaeus!''

Een koor van zwaardere stemmen antwoordde op jubelenden toon:

..Zooals de wingerd die treurt, wen ze eenzaam staat op de vlakte, .Maar aan de olmen gepaard omhoog schiet, ranken en druiven Slingerend hoog om den top, tot innige vreugd van den landman; — Zoo wordt de vrouw, in den bloei harer jeugd den huw'lijksband

knoopend.

Innig bemind dooi' haar man en verheugt zij het hart harer ouders.

Hymen, o Hymenaeus, o Hymen, kom, Hymenaeus!quot;

Hierna vereenigden beide koren zich in het: sflymen kom, Hymenaeusquot; om dit nogmaals en nogmaals op smachtenden en juichenden toon Ie herhalen.

Plotseling verstomde liet gezang, daar een bliksemstraal, gevolgd door een zwaren donderslag, door de opening van het dak ilikkerde, waaronder Kallias het jonge paar had geplaatst. «Ziet gij?quot; riep de dadoeche, zijne hand ten hemel heffende, )gt;Zeus zelf zwaait de bruiloftsfakkel, en zingt den hymenaeus voor zijne lievelingen!quot;

Nauwelijks was de volgende morgen aangebroken, of Bartja en Sappho traden uit hun slaapvertrek den tuin in, die naliet ouweder, dat den ganschen nacht dooi' met heftigheid gewoed had, evenals het aangezicht der jonggehuwden, met een waas van nieuw jeugdig leven was overtogen. Het schoone paar was zoo vroegtijdig van het bruidsleger opgestaan, wijl in Bartja's ziel de bezorgheid over het lot zijner vrienden, die hij in den roes van zijn geluk bijna vergeten had, zich opnieuw en met onweerstaanbare kracht had doen gelden.

üe tuin lag op een kunstmatig aangelegden heuvel, die zich boven de overstroomde vlakte verhief, en een uitgestrekt vergezicht opende. Op den spiegel van den prachtigen stroom dreven witte en blauwe lotusbloemen, aan den oever en op de ondiepe plaatsen vertoonden zich dicht opeengedrongen groote zwermen watervogels. Zooals de sneeuwvelden op het hooggebergte deden de aan de oevers van den stroom staande zwermen zilverreigers zich aan het oog voor. Eenzaam beschreven breed-

ocr page 450

419

gevleugelde arenden groole kringen in de reine morgenlucht, tortelduiven wiegden zicli in de kronen der palmen, terwijl pelikanen en eenden op den waterspiegel dreven, om, zoodra het gekleurde 7.eil eener bark zichtbaar werd, snaterend en klapwiekend omboog te stijgen. De lucht was door het nachtelijk onweder afgekoeld. Er woei een frissche noord-oostenwind, die reeds een vrij groot aantal vaartuigen over de onder water staande velden de rivier opstuwde, ofschoon de zon nog maar even boven de kim was gerezen. Het gezang der matrozen, het plassen der riemen en het gekwinkeleer der vogelen vereenigden zich, om bet eentonige en tocli bonte landschap van het overstroomde Nijldn.l meer leven te geven.

De jeugdige echtelingen stonden, elkaar met de armen omstrengelend, voor den lagen muur, die den tuin van Rhodcpis omgaf, en vermeiden zich, onder het wisselen der teederste woorden, in do aanschouwing van het, liefelijke tooneel, tot Bartja's scherpe blik een vaartuig ontdekte, dat door den wind en krachtige riemslagen met spoed voortgedreven, recht op het landhuis aanhield. Weinige minuten later legde de boot bij den tuin aan, en kort daarop stonden Zopyrus en zijne bevrijders voor don koningszoon.

Het plan van Darius was, dank zij het heftige en op dien lijd van het jaar zoo zeldzame onweder, dat de Egyptenaren niet weinig had doen ontstellen, uilnemend gelukt. Evenwel mocht er geen oogenblik verspild worden, daar het wel te verwachten was, dat de Saïten den vluchteling met al de hun ten dienste staande middelen zouden vervolgen. Na een kort, maar daarom te teederder afscheid, scheurde Sappho zich van hare grootmoeder los, en besteeg aan de hand van Bartja, gevolgd door de oude Melitla, die haar naar Perzië zou vergezellen, de boot van Syloson, en een uur later de sierlijk gebouwde Hygieia ^ het snelzeilend zeeschip van Kallias.

De Athener verwelkomde de vluchtelingen aan boord zijner triëre en nam vooral van Sappho en Bartja een hartelijk afscheid. De laatste hing den ouden man eene ongemeen kostbaren keten om den bals, ten bewijze zijner dankbaarheid; terwijl Syloson den edelen Darius, lot een aandenken aan het gemeenschappelijk doorgestane gevaar, zijn purperen mantel, een onschatbaar meesterstuk van Sidonische verf kunst, dat de bewondering van Hystaspes' zoon had opgewekt, om de schouders wierp. Darius nam dit geschenk mei blijdschap aan en riep den broeder van Polycrates bij bet afscheid toe: »Herinneru steeds Helleensche vriend, dat ik u grooten dank schuldig ben, en stel

1} Het schip heette naar de godin der gezondheid.

ocr page 451

420

mij zoo spoedig mogelijk in de gelegenheid, u een wederdienst ie bewijzen!quot;

»Maar dan komt gij eerst tot mij, tot Zopyrus,quot; riep de geredde, terwijl hij zijn belangeloozen bevrijder omarmde. »Ik ben bereid, mijn laatste goudstuk met u te doelen, en wat meer zegt, mij om uwentwil eene week lang te laten opsluiten in hei verwenschte gat, waaruit ge mij hebt verlost! —- Maar reeds worden de ankers gelicht. Vaarwel, dappere Helleen! Groet de drie gezusters, de bloemenmeisjes van mij, vooral de kleine Stephanion, en zeg haar dat, tengevolge mijner tusschenkomst, haar langbeenige bruidegom haar in lang het leven niet zal verbitteren. — Ja nog iets! Neem dezen buidel met goud voor de vrouw en de kinderen van den Egyptischen wijsneus, die bij die geschiedenis het leven verloor.quot;

Thans vielen de ankers rammelend op het dek neer; de wind vulde het uitgespreide zeil, en uit het ruim der triëre steeg het eentonig keleusma of roeierslied, waarbij de triêraules met de fluit maat en toon aangaf1). Bartja en Sappho stonden op den achtersleven van het vaartuig naast het houten beeld van Hygieia, zijn beschermgodin, en tuurden zoo lang in de richting van Naucratis, tot de oevers van den Nijl voor hun starenden blik niet meer te onderkennen waren, en de blauwe golven der Helleensche zee de boorden van de triêre met haar schuim bespat ten.

ij Zie boven hl. 145.

ocr page 452

ZESDE HOOFDSTUK

Reeds te Ephesus ontving het jonge echtpaar het bericht van den dood van Arnasis. Van daar leidde hun weg eerst naar Babyion, vervolgens naar Pesargadae in de provincie Persi.s, alwaar zich Cassandane, Atossa en Cresus ophielden. Eerstgenoemde had behoefte gevoeld, voor den tocht naar Egypte, dien zij zou medemaken, het praalgraf van haar , verleden echtgenoot te bezoeken, dat, volgens de mededeeling van Cresus, onlangs voltooid was. De eerwaardige vrouw die dooi' de kunst van Nebenchari het gezicht terug had gekregen, was hoog ingenomen, zoowel met het ontwerp, volgens hetwelk de grafstede was gebouwd, als met de uitvoering ervan, en bracht dagelijks uren achtereen door in den heerlijken tuin, die ze omgaf.

Het praalgraf van Cyrus bestond uit een reusachtigen sarko-phaag van marmerblokken, dat, gelijk een huis, op een basis van zes liooge marmeren trappen rustte. Van binnen was de sarkophaag geheel als eene kamer ingericht, en bevatte, behalve de gouden kist, die de door de honden, gieren en elementen gespaarde overblijfselen van Cyrus inhield, een zilveren bed, en eene tafel van hetzelfde metaal, waarop gouden bekers stonden, en allerhande kleederen, alsmede de rijkste sieraden van edelgesteenten lagen. Het geheele praalgraf was veertig voet hoog. Lommerrijke paradijzen ') en zuilengangen, volgens het voorschrift van Cresus aangelegd, omringden het geheel. In het midden der tuinen was de woning van de magiërs, aan wie de bewaking van het graf was opgedragen. In de verte ontdekte men van hier het paleis van Cyrus, dat, volgens den uitersten wil van den overledene, jaarlijks gedurende eenige maanden den koningen van Perziè ten verblijf moest strekken. In dit prachtige gebouw, dat veel op een vesting geleek, bevond

?J) Perzische lustiioven.

ocr page 453

4'2'2

zich ook de schatkainer van het rijk, aangezien de plaats door hare ligging bijna niet te genaken was.

De frissche berglucht, die hot graf van haar geliefden afge-storvenene omgaf, deed Cassandane onbeschrijfelijk goed, en met vreugde zag zij, dat ook Atossa op deze stille, schoone plek hare oude vroolijkheid, die sedert het sterven van Nitetis en het vertrek van Darius, haai- verlaten had, terugkreeg. Sappho hechtte zich zeer spoedig aan hare nieuwe moeder en zuster, en zeide evenals deze niet dan met weerzin het schoone Pasargadae vaarwel.

Darius en Zopyrus waren bij het groote leger gebleven, dat in de vlakte van den Euphraat bijeen werd getrokken, en ook Bartja moest alvorens het opbrak naar Babyion terugkeeren. Cambyzes trok zijne huiswaarts keerende betrekkingen tegemoet, en was niet uitgesproken over de schoonheid zijner jonge schoonzuster, terwijl Sappho, gelijk zij Bartja beleed, niet dan met vreeze tot den broeder van haar echtgenoot kon opzien. Do koning was in weinige maanden zeer veranderd. Zijn bleek maar .schoon gevormd gelaat van weleer was thans, tengevolge van het onmatig gebruik van den wijn, opgezet en rood geworden. Zijne donkere oogen hadden, ja, hun ouden gloed behouden, maar hun vuur was niet meer zoo rein als voorheen. Zijn vroeger zoo weelderig, ravenzwart haar was vergrijsd, en hing ordeloos oiu hoofd en kin; terwijl de zegevierende trotsche glimlach, die eens aan zijne trekken een eigenaardig karakter bijzette, plaats had gemaakt voor eene uitdrukking van gemelijkheid en norsche strengheid. Alleen gedurende zijne dronkenschap, een toestand die reeds sedert lang niet meer zeldzaam voor hem was, hoorde men hem lachen, en dan lachte hij als een waanzinnige.

Onafgebroken toonde hij den grootsten af keer van zijne vrouwen, en zelfs toen hij naar Egypte optrok, liet hij zijn harem te Suza achter, terwijl al zijne grooten hunne echte vrouwen en bijwijven met zich voerden 1). Toch was er niemand, die zich over de onrechtvaardigheid van den koning te beklagen had; integendeel, met meer nadruk dan ooit drong hij op strenge handhaving van het recht aan, en ontdekte hij hierin ook maaide geringste tekortkoming, dan was hij onverbiddelijk en velde hij de vreeselijkste vonnissen. Toen hem bijvoorbeeld werd medegedeeld, dat zeker rechter Sisamnes zich had laten omkoopen tot het uitspreken van een onrechtvaardig oordeel, liet hij den ongelukkige de huid afstroopen, en daarmede den rechterstoel bekleeden; daarop benoemde hij den zoon van den gestrafte tot rechter in zijns vaders plaats, en noodzaakte hem den verschrik-

4) Zio boven hl. 165.

ocr page 454

423

kelijken zetel in te uernen. Verder wijdde hij zich met onver-poosden ijver aan zijne veldheersplichten. Üe oefeningen van de hij Babyion verzamelde troepen werden met evenveel krijgs-tucht als beleid door hem zeiven bestuurd.

Na het nieuwjaarsfeest 1) moest liet, lege;' opbreken. Na de viering er van, die, overeenkomstig het verlangen van Cambyzes niet den grootsten luister plaats had, begaf de koning zich naar het. leger, bij hetwelk hij zijn broeder aantrof, die in de overmaat van zijn geluk zijn gewaad kuste, en hem met zekeren trots mededeelde, dat hij de hoop koesterde vader te zullen worden. Deze tijding deed den koning sidderen; hij antwoordde den gelukkige geen enkel woord, dronk aan den avond van dien dag zooveel, dat hij zijne bezinning verloor, en riep den volgenden morgen de mobeds, magiërs en Ghaldaeërs bijeen, om hun eene vraag voor te leggen.

»Gij weet,quot; zoo begon hij, »dat gij, mijne droomen uitleggende, hebt gezegd, dat Atossa bestemd was om een zoon ter wereld te brengen, die eens koning over dit rijk zal zijn. Zou ik tegen de goden zondigen, als ik mijne zuster tot vrouw nam, en verwezenlijkte wat mijn droom voorspeld heeft'.'quot;

De magiërs beraadslaagden eenige oogenblikken onderling; daarop wierp Oropastes, de opperpriester, zich voor den koning neder, en zeide; »Wij gelooven niet, dat gij met dat huwelijk zoudt zondigen; want in de eerste plaats gebeurt het meer,dat de Perzen hunne bloedverwanten huwen2); ten tweede zegt de wet wel niet, dat de reine zijne zuster tot vrouw mag nemen, maar wel, dat de koning doen kan, wat hem welbehaaglijk is. Handel gelijk gij wilt, en gij zult steeds gedaan hebben, wat goed is!quot;

Cambyzes liet do magiërs met rijke geschenken van zich gaan, en gaf Öropastes do uitgestrekste volmacht als stadhouder van het rijk. Vervolgens deelde hij aan zijne moeder, wier haren daarbij van ontzetting en afschuw te berge rezen, mede, dat hij, zoodra hij de Egyptenaren overwonnen en den zoon van Araasis gestraft zou hebben, voornemens was Atossa tot vrouw te nemen.

Eindelijk rukte het leger, dat meer dan achtmaal honderdduizend soldaten telde, bij afdeelingen op, en kwam na twee maanden in de Syrische woestijn aan, alwaar het de door Phanes tot bondgenooten gemaakte Arabische stammen der Amelekieten en Gessurieten vond, die de troepen van water voorzagen, dat zij op paarden en kameelen aanvoerden. Bij Akko in het land

1

In onze maand Maart.

2

Ook de hedendaagsche Perzen houden een huwelijk tussclien bloedverwanten in eersten of tweeden graad voor zeer gelukkig.

ocr page 455

der Kanadnieten hadden zich de violen dei' aan Perzië onderworpene Syriërs, Phoeniciërs en loniërs, en de evenzeer door Phanes geworvene schepen der Cypriërs en Samiërs vereenigd. Met de laatsten had hij een zeer Lijzonder verbond gesloten, Polyerates namelijk had de uitnoodiging van Cambyzes, om hem met schepen bij te staan, als eene gunstige gelegenheid beschouwd om zich op eens te ontslaan van alle burgers, die met zijne heerschappij niet tevreden waren. Daartoe liet hij veertig triëren bemannen met achtduizend Samiërs, die op hem gebeten waren, en zond deze den Perzen toe, met verzoek, niet tien dier lieden Ie laten terugkeeren. Nauwelijks had Phanes deze voorwaarde vernomen, of hij waarschuwde de Samiërs, die zoo den dood tegemoet gingen. Inplaats van tegen Egypte op te trekken, voeren ze naar Sarnos terug en zochten Polyerates ten onder te brengen. Uoeh in een gevecht te land weiden zij door hem geslagen, waarop zij naar Sparta vluchtten, om daar hulp tegen den tyran Ie zoeken.

Ruim een maand voor den tijd derjaarlijksche overstrooming stonden de Perzische en Egyptische legers bij Petusium, op de noordoostkust van den Delta, tegenover elkander.

Al de schikkingen en maatregelen van Phanes hadden zijn uitnemend doorzicht doen blijken. De tocht van het leger dooide woestijn, die anders in den regel duizenden offers kostte, was ditmaal, dank den Arabieren, die aan hunne beloften getrouw gebleven waren, zonder verliezen van eenigebeteekenis ten einde gebracht. Het gelukkig gekozen jaai getijde stelde de Perzen in staat langs droge wegen en zonder tijdverlies in Egypte door te dringen.

De koning had zijn Helleenschen vriend met groote onderscheiding ontvangen en hem vriendelijk toegeknikt, toen Phanes hem op eerbiedigen en tegelijk vertrouwelijken toon toeriep: :»lk heb gehoord, dat gij sedert den dood uwer schoone vriendin minder opgeruimd zijt dan gij placht te wezen. Het past den man zijn smart lang te dragen, terwijl de vrouw haar leed in onstuimige maar ras voorbijgaande klachten uitstort. Ik gevoel met u, wat er in u omgaat, want ook ik verloor het dierbaarste wat ik had. Danken wij den goden, dat zij ons de beste middelen tegen de smart, namelijk strijd en wraak schenken!quot;

Daarop vergezelde Phanes den vorst door het leger en naar den disch. Verbazend was de invloed, dien hij op den woesten man wist uit te oefenen. Opmerkelijk was het te zien, hoe kalm en opgeruimd de koning werd, zoodra de Athener in zijne nabijheid was.

Waren de strijdkrachten der Perzen verbazend groot, ook het aantal dei- Egyptische krijgers was niet minder te achten. Het leger werd in de rug gedekt door de muren van Pelusium. de-

ocr page 456

grensvesting, die gebouwd was om Egypte tegen de invallen der krijgszuchtige oostelijke volksstammen te beveiligen. Door over-loopers vernamen de Perzen, dat liet gezamenlijke leger van den pharao omtrent zesmaal honderdduizend man telde. Behalve een groot aantal strijdwagens en dertigduizend Karische en Ionische soldaten, en het gendarmerie-korps van de Mazaïoe '), hadden zich tweemaal honderd-vijftigduizend Kalasiriërs, honderd-zestig-duizend Herrnotybiërs, twintigduizend ruiters -) en ongeveer vijftigduizend man hulptroepen, onder welke de Libysche Mascha-wascha 1) zich door hun ouden krijgsroem, de Ethiopiërs zich door hun groot aantal onderscheidden, onder de vanen van P-amtik vereenigd. Het voetvolk was in regimenten en compagnieën ingedeeld, die zich onder verschillende veldteekens2) schaarden, en ieder afdeeling had hare eigene wapening en kleeding. Men zag zwaar gewapenden met groote schilden, lansen en dolken 0); bijl- en zwaardvechters met kleine schilden en korte knotsen; slingeraars, en schutters, die verreweg de meerderheid van het leger uitmaakten, wier ongespannen bogen de hoogte van een rnensch bereikten. De ruiters waren alleen met een schort gekleed, en hadden geen ander wapen dan eene lichte knots in den vorm eener morgenster; terwijl daarentegen de wagenstrijders, die tot de aanzienlijksten van de krijgerskaste behoorden, zeer kostbaar uitgedost ten ooi-log trokken, en zoowel aan het tuig hunner schoone wereldberoemde paarden, als aan hunne tweewielige voertuigen schatten besteedden. Het besturen van zulk een strijdwagen was geheel aan de zorg van den wagenmenner opgedragen, die naast den krijgsman stond; deze zelf dacht aan niets anders, dan hoe hij het best gebruik zou maken van boog en lans. — Het, voetvolk van de Perzen was niet

1

Waarschijnlijk waren dit de door Herodotus genoemde Noord-Afri-kaansche Maxyers.

2

Van vele standaarden zijn afbeeldingen gevonden. Elk nomos had cok zijn wapen.

ocr page 457

4'2b

veel talrijker dan Hat der Egyptenaren, doch de Aziatische ruiterij was wei zesmaal sterker dan die der bewoners van het Nijldal.

Zoodra de beide legers tegenover elkander stonden, deed Cam-byzes de struiken en hoornen der uitgestrekte Pelusinische vlakte weghakken, en de zandheuvels die zich hier en daar verhieven slechten, ten einde voor zijne ruiters en strijdwagens ruim baan fe maken. Phanes stond hem met zijne nauwkeurige kennis van de plaatselijke gesteldheid getrouw ter zijde, en wist te bewerken, dat zijne, met groote krijgskunde ontworpene plannen niet alleen door Cambyzes, maai' ook door den grijzen opperbevelhebber Megabyzus en de meest ervarene Achaemeniden werden goedgekeurd. Zijne kennis van het terrein was van te meerwaarde, omdat de vlakte van Pelusinm doorsneden werd door moerassen, die door de Perzen, wilde zij den slag winnen, zorgvuldig vermeden moesten worden. Na afloop van den krijgsraad verzocht de Athener nog eens het woord, en nu sprak hij : »Thans mag ik eindelijk ook uwe nieuwsgierigheid naar den inhoud der ge-slotene wagens, die ik hierheen heb doen brengen, bevredigen. Die wagens bevatten vijfduizend katten. — Gij lacht! Ik verzeker u echter, dat deze dieren ons van meer nut zullen zijn dan honderdduizend zwaardvechters. Velen van u zijn bekend met het bijgeloof der Egyptenaren, dat hun eerder de hand aan hun eigen leven, dan aan dat eener kat zou doen slaan. Ik zelf' heb vroeger, door het dooden van zulk een dier, bijna mijn leven verspeeld. Gedachtig aan dit bijgeloof, heb ik, waar ik ook kwam, op Cyprus bijvoorbeeld, waar men prachtige muizen vangers vindt, op Samos, Greta en in geheel Syrië, alle katten, die men maar meester kon worden, doen vangen. Thans doe ik het voorstel deze dieren te verdeelen onder de soldaten, die tegen de eigenlijke Egyptische troepen zullen worden aangevoerd, opdat zij ze dan op hunne schilden binden, en ze den Egyptenaren voorhouden. Ik ben overtuigd, dat ieder echt Egyptenaar liever het slagveld zal verlaten, dan op een dier heilige dieren schieten!quot;

Met een schaterend gelach werd dit voorstel begroet, dat hij nadere overweging met algemeene stemmen werd aangenomen. Cambyzes bood den vindingrijken Athener de hand ten kus, vergoedde hem de gemaakte onkosten met een zeer rijk geschenk, en drong bij hem aan, dat hij met eene der aanzienlijkste Perzische vrouwen in het, huwelijk zon treden 1). Daarop noodigde hij den Athener aan zijn avondmaaltijd. Deze verontschuldigde zich echter, zeggende, dat hij noodzakelijk de Ionische troepen moest gaan monsteren, over welke hem het bevel was opge-

-f) Toen Themistocles tater aan liet Perzische hof kwam, werd hem insgelijks eene aanzienlijke Perzische vrouw ten huwelijk gegeven.

ocr page 458

427

dragen, en die hij ter nauwernood kende. Hij begaf zich dus naar zijne tent.

Aan den ingang er van vond hij zijn slaaf, in vrij hevige woordenwisseling met een zwaar gebaarden, in lompen geklee-den, morsigen ouden man, die met alle geweld Phaaes op staanden voet wilde spreken. Phanes, meenende een bedelaar voor zich te zien, wierp hem een goudstuk toe; doch de oude zag niet eens ?iaar de rijke gift, die aan zijne voeten nederviel, maar riep, hem bij den mantel vattende: »IkbenAristomachus van Sparta!quot;

Nu herkende Phanes zijn vriend, die door lijden en ontbering-veel had geleden, en bijna onkenbaar was geworden. Hij leidde hem in zijne tent, liet hem de voeten wasschen en het hooid zalven, versterkte hem met wijn en vleesch, ontdeed hem van zijne lompen, en wierp hem eene nieuwe chiton om de vermagerde maar nog altijd gespierde schouders.

Aristomachus liet hem stil begaan. Nadat hij zich met de voedzame spijs en den opwekkenden drank een weinig versterkt had, beantwoordde hij eerst, de vragen van den ongeduldige:! Athener, en verhaalde hem het volgende: sïoen Psamtik het zoontje van Plunes vermoord had, was hij, Aristomachus, tot hem gegaan met de stellige verklaring, dat hij al zijn volk zon aansporen den Egyptischen dienst te verlaten, indien men niet onmiddellijk het dochterke van zijn vriend in vrijheid stelde,eu voldoende rekenschap gaf van de wijze waarop het knaapje zoo opeens was verdwenen. De kroonprins beloofde de zaak in beraad te zullen nemen. Toen de Spartaan twee dagen latei' zich des nachts scheep begaf, om naar Memphis te varen, werd hij door Ethiopische soldaten aangegrepen, gekneveld en in het donkere ruim van een vaartuig geworpen, dat na eene reis van vele dagen en nachten, aan een hem onbekenden oever het anker liet vallen. Nu bevrijdde men den gevangene uit zijn bedompten kerker, en voerde hern, onder eene brandende hitte, door eene woestijn langs rotsen van de zonderlingste gedaante naar het oosten. Eindelijk bereikte men een gebergte, aati welks voet een aantal hutten verspreid lagen. Het waren de woningen der ontelbaren, die met ketenen aan de voeten, das morgens in de schacht van een bergwerk werden gedreven, om daar uit den harden rotssteen goudkorrels te hakken '). Velen dier ongelukkigen hadden reeds langer dan veertig jaren in liit

1) Deze mijnen lagen in liet zuiden, niet verre van de Rooue Zen. De arbeiders waren deels krijgsgevangenen, deels lieden die men om de eene oC andere reden uit den weg wilde ruimen. Men heeft de sporen van die mijnen weergevonden. Vlg. verder Eber's W a r d a.

ocr page 459

428

oüi'u van jammer en ellende doorgebracht; de meeste veroordeelden echter werden, tengevolge van de geweldige krachtsinspanning, die van hen gevergd werd, en de Lijkans ondraaglijke hitte, die hun tegenstroomde, zoodra zij de koele schacht verlieten, door een vroegen dood uit hun lijden verlost.

»Mijne lotgenooten,quot; vervolgde Aristomachus, »waren deels ter dood veroordeelde moordenaars, doch die genade hadden gekregen, deels van hunne tong beroofde staatsmisdadigei's, deels menschen die voor den koning gevaarlijk waren en door hem gevreesd werden, gelijk ik. Drie lange maanden arbeidde ik in het gezelschap van dat gespuis, gedurig bedreigd dooi' den stok der opzichters, versmachtende in de hitle van den middag,, verkleumende wanneer de koele dauw van den nacht op mijne naakte huid nederviel, den dood dagelijks voor oogen ziende, en slechts staande blijvende door de hoop op wraak op mijne vervolgers. En de goden bestuurden het zóo dat, bij gelegenheid van het feest van PachtI), onze wachters, overeenkomstig de in Egypte heerschende gewoonte, zich te buiten gingen aan den wijn, zoodat zij in diepen slaap verzonken en niet bemerkten hoe ik en een jonge gevangen Jood, wiens misdaad was valsch gewicht te hebben gebruikt, en die daarom van zijne rechterhand was beroofd geworden, op de vlucht gingen. Zeus Lacedaemonius en de groote God van dien jongeling stonden ons ter zijde, en sloegen onze vervolgers, wier stemmen wij dikwerf zoo dicht achter ons hoorden, dat wij ze onderscheiden konden, met blindheid.

»Met een hoog, die ik een onzer wachters ontstolen had, voorzag ik in ons onderhoud. Waar zich geen wild opdeed, daar voedden wij ons met wortels, boomvruchten en vogeleieren. De stand van zon en sterren hielp ons den rechten weg vinden. Wetende dat de Roode Zee niet ver van de bergwerken verwijderd was, en dat wij in het zuiden van Memphis en Thebe hadden ver-loefd, waren wij er op bedacht altijd noordwaarts te trekken. Eindelijk bereikten wij het zeestrand, waar wij menschlievende zeelieden vonden, die ons verpleegden, tot wij aan boord van een Arabisch schip gingen, dat mij en den Jood, die de taal dier lieden verstond, naar Ezeon-Geber, in het land der Edo-rnieten bracht. Daar vernamen wij dat Cambyzes met een machtig leger tegen Egypte oprukte, eri reisden .met eene Amalekietische ruiterbende, die de Perzen van water moest voorzien, naar Harma. Van daar zwierf ik met de achterhoede van liet groote Aziatische leger, bij welke ik soms medelijdende kerels vond, die mij een eindweegs op hunne paarden lieten

\) Zie buven M. li'.'j.

ocr page 460

429

rijden, naar Pelusium, en vernam daar dadelijk, dal gij d -u grooten koning als krijgsoverste diendel. — Ik heb mijn eeu gehouden, en de belangen der Hellenen in Egypte getrouw behartigd ; thans is de beurt aan u, den ouden Arislomachus Ie helpen, en hem het eenige te verschaffen, waarnaar hij smachtend verlangt: wraak op zijne vijanden!«

»Die zal u gegeven worden,® riep de Athener, terwijl iiij do hand van deri grijsaard drukte. »Ik zal u aan de spits der zwaargewapende Milesiërs stellen, en u volle vrijheid laten, tegen onze gemeenschappelijke vijanden te woeden zooveel gij maar wilt! Maar daarmede heb ik mij nog in lange niet van den plicht der dankbaarheid gekweten, en ik prijs de goden, dal zij mij het gelul, beschoren hebben, u door een enkel woord gelukkig te maken. — Weet, dal weinige dagen na uw verdwijnen een Spartaansch schip, onder bevel van uw voorlreffelijken zoon, te Naucratis is binnengeloopen, om u, den vader van twee overwinnaars in de Olympische spelen, op bevel der ephoren naar uw vaderland terug te brengen!«

Bij dit bericht voer den grijsaard eene trilling van vreugde door de leden; tranen welden er in zijne oogen, en zijne lippen prevelden zachtkens een gebed. Daarop sloeg hij zich met de vlakke hand voor het voorhoofd, en zeide met een bevende stem: «Thans wordt het verwezenlijkt, — thans zal het waarheid worden! — Vergeef mij Phoebus Apollo, dat ik aan de woorden uwer priesteres dorst twijfelen I Wat beloofde de godspraak mij?

,Als van 't besneeuwd gebergt een ruiterschaar komt dalen In 't ellen land, door vruchtbaar nat gedrenkt,

Dan voert de ranke boot u, moe van quot;t omraedwalen.

Waar 't vreedzaam oord den zwervling ruste schenkt;

En van de vijf moogt gij in 't eind verwerven

Wat gij zoo lang, met rouw in quot;t hart, moest derven.'

«Thans wordt vervuld, wat de god mij heeft toezegd. Thans mag, thans wil ik naar mijn vaderland terugkeeren! Eerst echter hef ik de handen op en hid Dike, de godin der eeuwige rechtvaardigheid, dat zij mij het zalige genot der wrake niet. out boude!«

«Morgen breekt de dag der vergelding aan k riep Phanos, met het gebed van den ouden man instemmende. «Morgen breng ik aan de schim van mijn zoon de doodenoflers, en ik zal mij niet ter ruste begeven, alvorens Cambyzes, met de door mij gepunte pijlen, het hart van Egypte heeft getroffen! — Kom thans, mijn vriend, en laat mij u aan den koning voorstellen. Een man als gij zijl drijft een ganschen hoop Egyptische slingeraars op de vlucht!«

ocr page 461

430

't Was inlussciien nacht geworden. Daar de onversterkte legerplaats der Perzen ieder oogenblik blootlag voor een aanval van den vijand, stonden de soldaten op den hun aangewezen post in het gelid. De voetknechten leunden op hunne schilden en speren, en de ruiters hielden zich bij hunne gezadelde en getoomde paarden naast de wachtvuren strijdvaardig. Cambyzes reed de rijen zijner helden langs, en verhoogde aller moed en strijdlust dooi' groet en toespraak. Alleen hei, centrum van het leger had zich nog niet geordend, daar dit was samengesteld uit de Perzische lijfwachten, de stafdragers, de Onsterfelijken en de bloedverwanten des konings, die onder zijn onmiddellijk bevel tegen den vijand moeiten oprukken. Verder hadden zich de Grieken uit Klein-Azië op last van Phanes ter ruste begeven, in plaats van thans reeds aan te treden. De Athener had begrepen dat zijne soldaten al hunne krachten voor den aanstaanden .strijd van noode hadden, en hun dus toegestaan zich, geheel gekleed en gewapend, te slapen te leggen, terwijl hij over hen waakte. Aristomachus was door de loniërs met groot gejuich ontvangen en dooi' den koning met een vriendelijk woord verwelkomd. Hij had van dezen den vereerenden last ontvangen, aan het hoofd van de helft tier Hellenen de linkerflank van liet centrum te dekken, terwijl Phanes met de andere helft aan de rechterzijde der koninklijke garde zou strijden. De koning had zich voorbehouden aan het hoofd der tienduizend Onsterfelijken, aan wier spits de blauw-rood-gouden rijksbanier en de vaan van Kawe wapperde '), het gevecht te besturen. Bart ja had het commando over het regiment Perzische lijfswachten, duizend man sterk, en de van het hoofd tot de voeten gepantserde cavalerie op zich genomen. Cresus eindelijk voerde het bevel over de af-deeling van het leger, belast met het bewaken van de onmetelijke schatten, die het leger met zich voerde, van de vrouwen der edelen, en de moeder en zuster van den koning.

Zoodra de lichtende Mithra boven de kim verrees, en de duistere geesten van den nacht zich in hunne holen terugtrokken, werd het heilige vuur, dat van Babyion aan de spits van het heir vooruit gedragen was, tot eene verbazende hoogte opgestookt en door de magiërs en den koning met kostbare reukwerken gevoed. Daarop bracht Cambyzes het offer en smeekte, terwijl hij de gouden schaal ophief, om overwinning en roem.

1) Zoo worden de kleuren van den rijksbanier door Firdusi opgegeven. De banier van Kawe bestond uit het schootsvel van een dapperen smid. die volgens de legende alles te wapen riep tegen den boezen Zohak. en Feridun hielp, om dien gruwelijken verwoester van het rijk ten val te brengen.

ocr page 462

43 J

Hierop gaf hij den Perzen liet wachtwoord: ,Aoeamazda, helper en aanvoeder', en stelde zich aan het hoofd zijner garde, wier tulbanden met kransen waren versierd. Ook de Hellenen ?verrichtten hun offer, en hieven een ontzaglijk gejuich aan, toen de priesters hun aankondigden, dat de voorteekenen hun de overwinning beloofden. .Hebe' was hun parool 1). — Ook de Egyptische priesters hadden den dag met offer en gebed begonnen, waarna de troepen zich in slagorde schaarden. Voor het centrum reed Psamtik op een gouden wagen met booghooders van hetzelfde metaal. Zijne paarden waren getooid met purperen dekken en schabrakken van gouddraad, en droegen struisvederen op de fiere koppen. Zijn wagenmenner stamde af van een aanzienlijk Egytisch geslacht2), en stond met de teugels en de zweep in de hand ter linkerzijde van zijn vorst, die de dubbele kroon van Opper- en Neder-Egypte droeg. Links van het centrum moesten de Helleensche, rechts de Carische soldaten strijden. De ruiterij stond aan de uiterste einden van de beide vleugels van het leger; de Egyptische en Ethiopische voetknechten hadden zich rechts en links van de wagenstrijders en Hellenen in zes gelederen geschaard.

Psamtik liet zich langs de rijen zijner dapperen rijden en hield eenige oogenblikken voor de Hellenen stil. Hij sprak hun op deze wijze toe: »Het verheugt mij, gij helden, van wier dapperheid Cyprus en Lybië getuigen kunnen, dat ik ditmaal uw roem zal mogen deelen en uwe hoofden met nieuwe kransen sieren. Vreest niet dat ik, wanneer wij onze vijanden verdelgd hebben, uwe vrijheden zal gaan verkorten. Ik weet hot: lasteraars hebben u in het oor geblazen, dat gij zulk een snooden ondank van mij te verwachten hebt; ik verzeker u echter dat, zoo wij overwinnen, ik u en uwe nakomelingen op alle wijze zal begunstigen en bevoordeelen en de Hellenen ten allen tijde de steunpilaren van uiijn rijk zal noemen! Bedenkt verder, dat gij heden niet alleen voor mij, maar voor de vrijheid van uw eigen vaderland zult strijden. Het licht toch voor de hand dat Gambyzes, indien hij Egypte onder de voet krijgt, niet tevreden zal zijn met deze éene zegepraal, maar al heel spoedig de begeerige hand zal uitstrekken naai' het schoone Hellas en zijne eilanden. Behoef ik u er

1

) Uit was het wachtwoord der Grieken in den slag bij Mycale.

2

a) Dat die wagenmenners aanzienlijke personen waren, blijkt uit de wijze waarop de vorsten met hen omgingen. Op een gedenkteeken te Thebe werd Ramses II voorgesteld, in vertrouwelijk gesprek met zijn wagenmenner. Hetzelfde blijkt uit het epos van Pentaoer (Vgl. Ebers W a i- d a). In een der papyrussen wordt van een wagenmenner gesproken, die na een militaire school bezocht te hebben, van den pharao zeiven uit de koninklijke stallen de paarden ontvangt.

ocr page 463

nog op te wijzen hoe deze j'iisi ingesloten zijn rioor Egypte en hot gebied uwer Aziatische broeders, die reeds als slaven onder iiet juk der Perzen zuchten?— Uwe toejuichingen bewijzen mij dat gij mij toestemt; ik verzoek u mij nog slechts een oogen-blik aan te hooien, want mijn plicht gebiedt mij, den man te noemen, die niet alleen Egypte, maar ook zijn eigen vaderland voör goud aan den grooten koning van Perzië heeft verkocht. Die man heet Phanes! — Gij moogt niet morren als had ik gelasterd, want ik zweer u, dat diezelfde Phanes de door Cam-hyzes hem aangebodene schal ten heeft aangenomen, en dezen hMoold hem niet slechts den weg naar Egypte Ie wijzen, maar hem ook de poorten van zijn en uw vaderland te openen. Deze man kent landen en volken door en door, en is voor geld tot alles in staat. Ziet gij niet, hoe hij ginds naast den koning op en neer gaat, hoe hij zich voor hern in het. stof werpt'? Is dat een Helleen? Ik meen wel eens gehoord te hebben, dat de Grieken zich slechts voor hunne goden dus vernederen. Maar in waarheid, wie zijn vaderland verkoopt, houdt op een burger ei-van te zijn! — Gij zijl het met mij eens? Gij weigert, den schelm langer uw landgenoot te noemen? Welnu, zoo wil ik de dochter van dien ellendeling, die ik als gijzelares heb moeten behouden, en die de vrek tegelijk met zijn vaderland verkocht, in uwe handen stellen. Doet met het kind van een schurk, wat u goeddunkt, versiert het met rozen, valt voor hetzelve neder; maar vergeet niet, dat het den man toebehoort, die den naam .Helleen' te schande maakte, die u. die zijn vaderland verried!«

De Grieken hieven na deze toespraak een geweldig geschreeuw aan, terwijl zij het bevende meisje uit de handen van den koning ontvingen. Een ruw soldaat bief het ongelukkige schepseltje in de hoogte, en toonde het aan den vader, die haar duidelijk herkennen kon, daar de beide legers slechts een boogschot van elkaar verwijderd waren. Tegelijk brulde een Egyptenaar, ' ' ' ' 1 quot; 1 •' stem beroemd maakte1), den

Athener, hoe men hier te lande

verraders straft!« — Een Kariêr greep het mengvat, welks inhoud hem en zijne makkers bedelmd had, stiet zijn zwaard in de borst van hol kind, liet het. onschuldige bloed in het metalen vat vloeien, vulde een beker met het afschuwelij ke mengsel en ledigde dien, als dronk hij het welzijn van der. van woede en afschuw aan den grond genagelden vader. Als krankzinnigen

') Herodotus verhaalt ons van een Egyptenaar, die op last van Darius aan den oever van don Ister ging staan om iiistiaeus van Milete te roepen, die hem hoorde en aanstonds deed wat de Perzische koning

van hem verlangde.

ocr page 464

433

vielen de andere soldaiea op hel mengvat aan, en slurpten, gelijk wilde dieren hol door bloed verontreinigde druivensap 1).

( )|) dit oogenblik school J'samlik, mot een oog fonkelende van helsche vreugde, zijn eersten pijl op de Perzen af. De soldaten ?wierpen liet lijkje van het kind met verachting van zich, hieven hun krijgslied aan, dronken van het ingezwolgen bloed, en snelden hunne Egyptische krijgsmakkers ver vooruit, den dood of de overwinning tegemoet. Maar ook de gelederen der Perzen stelden zich thans in beweging, en Phanes wierp zich, buiten zich zeil' van woede en smart, gevolgd door zijne, over de schandelijke wreedheid hunner landgenooten, verontwaardigdezwaarge-wapenden, op dezelfde mannen, wier liefde hij dooi- zijne tienjarige trouw meende te hebben verdiend en verworven.

Toen de zon hare middaghoogte bereikt had, scheen zich het geluk der wapenen naar de zijde der Egyptenaren te neigen. Toen de dagtoorts op het punt was van uitgebluscht Ie worden, hadden de Perzen eenig voordeel behaald. En toen eindelijk de volle maan in al haar glans aan den hemel stond, verlieten de Egyptenaren in overijlde vlucht het slagveld, om den dood te vinden in de moerassen en in de golven van den Pelusinischen Nijlaim achter hen of onder de zwaarden der Aziaten, tot hel laatste oogenblil- voor de vrijheid van hun vaderland strijdende. Twintigduizend Perzen en vijftigduizend Egyptenaren bleven op het slagveld; de gekwetsten, verdronkenen en gevangenen waren nauwelijks te tellen 2). Psamtik was onder de laatsteii geweest, die het slagveld verlieten. Op een edel ros had hij, licht gewond, den anderen oever van don Nijl bereikt, en met weinige duizenden zijner getrouwen den weg naar Memphis ingeslagen. Want voor de versterking en verdediging der pyramiden-stad waren alle voorzorgen genomen.

Van de Hellenen, die onder de vanen van Psamtik gestreden hadden, waren slechts weinigen aan den dood ontkomen. Zoozeer had de naar wraak dorstende Phanes met zijne loniërs in hunne rijen gewoed. Tien duizend Kariërs worden gevangengenomen. Den moordenaar van zijn kind velde de Athener met eigen hand. Ook Aristomachus had, in spijl van zijn houten heen, wonderen van dapperheid verricht. Toch was hel zoo min hem, als iemand dergenen die hunne wraak te koelen hadden, mogen gelukken, Psamtik in handen te krijgen.

Toen, na het einde van den slag, do Perzen juichend naar hunne legerplaatsen terugkeerden, werden zij door Cresus, de achterge-

28

1

Herodotus geelt ons werkelijk het verhaal van dit verschrikkelijk feit.

2

Het is een doorgaande regel, dat bij de oude schrijvers de over-winnaars altijd veel minder manschappen verliezen dan de overwonnenen.

ocr page 465

434

blevene priesters en soldalen met vreugdekreten ontvangen en met offers en gebeden werd den goden voor de roemrijke overwinning dank gebracht. Aan den anderen morgen riep de koning al de bevelhebbers bijeen, en verdeelde onder hen, naar hunne verdiensten, allerlei eereteekens, als; kostbare kleederen, gouden ketens, ringen, sabels en sterren van edelgesteente, terwijl hij onder de soldaten gouden en zilveren munten deed uitstrooien.

De hoofdaanval der Eyptenaren had het centrum van het Perzische leger gegolden, dat door den koning in persoon werd aangevoerd, en was zóo heftig geweest, dat de lijfwachten reeds begonnen te wijken, toen Bartja op het Juiste oogenblik met zijne ruiterij aankwam, de vluchtenden met nieuwen moed bezielde, en eindelijk, vechtende als een leeuw, door zijne dapperheiden behendigheid den slag ten voordeele der Perzen besliste.

De Perzen jubelden den jongeling te gemoet en noemden hem luide ^Overwinnaar van Pelusiumquot; en »den beste der Achaeme-nidenquot;.

Dit gejuich drong ten laatste ook tot den koning door en vervulde hein inet spijt en wrok. Cambyzes was zich bewust, met waren heldenmoed en reuzenkracht gestreden te hebben, zonder zijn leven te sparen; en toch zou het met hem en zijn leger gedaan zijn geweest, zoo deze knaap hem niet intijds was ter hulp gesneld. Zijn broeder, die hem reeds het geluk verbitterd had, dat hem de liefde had kunnen schenken, ontstal hem nu de helft van zijn krijgsroem. Hij gevoelde dieper dan ooit dat hij Bartja haatte, en onwillekeurig balde hij de vuisten, toen hij den jongen man, op wiens gelaat een edel bewustzijn van eigenwaarde was te lezen, zag naderen.

Phanes werd door zijne wonden aan zijn leger gebonden; naast hem lag Aristomachus, die doodelijk gekwetst was.

»ïoch heeft het orakel gelogen,quot; mompelde de Spartaan. »Ik sterf, zonder mijn vaderland te hebben wedergezien!quot;

»Het orakel sprak de waarheid!quot; antwoordde Phanes. »Hoe luidden de laatste woorden der Pythia*?quot;

.Dan voert de boot u, moe van 't ommedwalen,

Waar 't vreedzaam oord den zwervling ruste schenkt!'

«Zoiult gij den zin dier woorden niet verkeerd hebben uitgelegd'? Zij doelen ongetwijfeld op de boot van Charon, die u naar uw eigenlijk vaderland, naar de groote rustplaats van alle zwervers, naar het rijk van den Hades zal overvoeren.quot;

«Ja, gij hebt gelijk, mijn vriend, naar den Hades is de reis!quot;

»En de vijf, de ephoren, hebben u vóór uw dood vergund, wat

ocr page 466

435

zij u zoo lang weigerden, namelijk, naar aw geliefd Lacedaemonië terug te keeren. Gij hebt alle reden om den goden dankbaar te zijn. die u zulke zonen en zulk een wraak op uwe vijanden schonken. Als ik van mijne wonden herstellen mag, zal ik naar Hellas trekken en uw zoon mededeelen, dat zijn vader een roemrijken dood gestorven is, na op zijn schild van het slagveld te zijn gedragen.quot;

»0, doe dat, en breng hem mijn schild, opdat hij hetalseene gedachtenis van zijn ouden vader beware. Ik behoef hem overigens niet te vermanen steeds deugdzaam te zijn.quot;

»Zal ik Psamtik, wanneer wij hem in onze handen krijgen, zeggtii dat gij niet weinig hebt bijgedragen tot zijn val?quot;

oDat is niet noodig, hij zag mij, alvorens te vluchten, en liet van schrik over deze onverwachte verschijning zijn boog vallen. Die hem vergezelden meenden, dat hij hun hiermede een teeken gaf, om hun heil in de vlucht te zoeken, en gehoorzaamden onmiddellijk.quot;

»De goden verderven den booswicht door zijne eigene wandaden. Psamtik liet den moed zinken, meenende, dat zelfs de geesten uit de onderwereld tegen hem te velde trokken.quot;

sHij had met de levenden reeds de handen vol genoeg! De Perzen hebben goed gevochten. Niettemin zou zonder Bartjaen zonder ons de slag verloren zijn geweest!quot;

» Ongetwijfeld!quot;

»Zeus Lacedaemonius, ik dank xi

gt;)Bidt gij?quot;

sik prijs de goden, die mij vergunnen van de aarde te vertrekken zonder zorg voor mijn vaderland. Deze bijeengeraapte benden zijn niet gevaarlijk voor den Griekschen staat. — Hei daar, arts! Wanneer zal ik sterven'?quot;

De heelmeester van Milete, die de Klein-Aziatische Grieken naar Egypte gevolgd was, glimlachte droevig, en zeide, wijzende op den pijl, die nog in de borst van den Spartaan stak: »Nog slechts weinige uren blijven u te leven overig. Zoodra ik het wapen uit de wonde trek, zult gij sterven.quot;

De Spartaan dankte den arts, zeide Phanes vaarwel, droeg hem de groete aan Rhodopis op, en trok, voordat men het hem kon beletten, met vaste hand den pijl uit zijne borst. Weinige oogenblikken later was hij een lijk.

Dienzelfden dag bracht een Lesbisch vaartuig een Perzisch gezantschap naar Memphis, dat van den koning moest eischen zich en de stad op genade en ongenade over te geven. Cambyzes volgde

ocr page 467

430

liet op den voel, na eerie afdeeling van hel leger onder Mega-byzus te hebben afgezonden, om het beleg voor Saïs te slaan.

Te Heliopolis kwamen hem gezanten van de Helleensche inwoners van Naucratis en van de Lybiêrs te gemoet, die hem baden om bescherming en vrede. Zij brachten hem een gouden krans, benevens rijke geschenken. Hij nam deze genadig aan, en gaf hun de verzekering zijner vriendschap. De afgevaardigden van Cyrene en Barka wees hij echter toornig terug, eu hunne schatting, bedragende vijfhonderd zilverminen '), die hem al te onbeduidend voorkwam, strooide hij met eigen hand onder zijne soldaten uit. Ter zelfder plaatse kreeg hij ook het bericht, dat de inwoners van Memphis, bij de aankomst van zijne gezanten, in menigte waren samengestroomd, het schip in den grond geboord, en die er op waren, zonder aanzien van personen, in stukken gescheurd en binnen de vesting gesleept hadden. Toen Cambyzes dit vernam werd hij woedend, en riep: ))Bij Mithra, voor eiken dezer vermoorden zullen tien inwoners van Memphis met hun leven boeten!quot; — Twee dagen later sloeg zijn leger voor de poorten der reuzenstad de tenten op. Slechts korten tijd duurde het beleg, daar de bezetting veel te klein was om de vesting behoorlijk te verdedigen, en de moed der burgerij na de nederlaag van Pelusium zeer gezonken was.

Koning Psamtik zelf trok, aan het hoofd zijner voornaamste hofbeambten, zijn overwinnaar te gemoet. De ongelukkige man had zijne kleederen gescheurd en alle teekenen van rouw aangenomen. Cambyzes ontving hem met een koel zwijgen, en gebood dal men hem en zijn gevolg in hechtenis nemen en wegvoeren zou. De weduwe van Amasis, Ladice, die zich eveneens aan den Perzischen koning kwam vertoonen, werd met achting bejegend, en op voorspraak van Phanes, wien zij zich altijd genegen had betoond, onder veilig geleide naar haar vaderland Cyrene gezonden, waar zij bleef tot aan den val van haar neef Arkesilaus III, en de vlucht barer zuster Pheretime -). Toen nam zij de wijk naar Anthylla in Egypte, welke stad haar toebehoorde, en leefde daar in de grootste afzondering, tot zij in hoogen ouderdom overleed. Cambyzes achtte het beneden zich, het jegens hem gepleegde bedrog op eene vrouw te wi eken, en koesterde buitendien als Pers te groeten eerbied voor eene moeder, vooral voor eene koninginne-moeder, om der weduwe van Amasis ook maar een haar te krenken. Terwijl Cambyzes de residentie Saïs belegerde en innam, vertoefde Psamtik in het paleis der pharao's streng

1) Ongeveer f 22.500.

2) Zij was de gemalin van koning Battus III.

ocr page 468

437

bewaakt, doch te gelijk bejegend mei al c!e onderscheiding, waarop een vorst aanspraak kon maken.

Onder de voorname Egyptenaren, die het volk tol tegenstand hadden aangezet, nam Neithotep, de opperpriester van Neith, de eerste plaats in. Hij werd met honderd zijner ongelukkige medeschuldigen te Memphis in boeien geklonken. Het grootste deel van de koninklijke hofbeambten huldigde Cambyzesecliter vrijwillig te Saïs. Zij noemden hem Ramestoe, dat is kind dei-zon, en verlangden dat hij zich plechtig tot koning van Opperen Neder-Egypte zou laten kronen en zich volgens oud gebruik in de [jriesterkaste zou doen opnemen. Cambyzes liet zich dit alles op raad van Gresus en Phanes welgevallen, hoewel tegen zijn zin. Wat meer zegt: hij offerde zelfs in den tempel van Is'eith, en deed zien van den nieuwen opperpriester eene vluchtige verklaring geven van de beteekenis der mysteriën. Eeh'ige oude hovelingen nam hij in zijne omgeving op, en aan vele rijksbeambten gaf liij hooge posten. Inzonderheid verstond de admiraal van Arnasis' Nijlvloot de kunst om zich in de gunst te dringen, hij werd zelfs door Cambyzes tot zijn dischgenoot benoemd '). Toen de Perzische vorst eindelijk de stad verliet, stelde hij Megabyzes tot gouverneur aan. Doch nauwelijks had de koning ISaïs verlaten of het volk, dat zich met moeite had ingehouden, gaf aan zijne woede lucht. Perzische wachten werden heimelijk vermoord, de bronnen vergiftigd en de stallen der ruiterij in brand gestoken. Megabyzes ging tot. den koning, om zich over het voorgevallene te beklagen; hij trachtte Cambyzes te doen inzien hoe zulke vijandelijkheden licht tot openbaren opstand konden leiden, wanneer men ze niet onderdrukte door krachtig op te treden. gt; Laat,quot; zoo zeide hij, »aan de tweeduizend jongelingen van Memphis, die gij ten zoenoffer voor den moord aau ons gezantschap gepleegd, ter dood veroordeeld hebt, op staanden voel hun vonnis voltrekken. Ook zou het niet kwaad zijn den zoon van Psamtik, om wien het volk zich anders eens zeker ten opstand scharen zal, mede te doen sterven. De dochters van den vorigen koning en van den opperpriester Neithotep moeten, gelijk ik vernomen heb, water dragen voor de baden van den edelen Phanes.quot;

De Athener glimlachte, en zeide: »Cambyzes, mijn heer, heeft mij op mijn verzoek toegestaan er zulke voorname dienstmaagden op na te houden.quot;

ïMaar u verboden,quot; viel Cambyzes in, »eeii der leden van het

i) In het Cregoriaansch museum van het Vatieaan is het standbeeld van een scheepsgezagvoerder; het opschrift behelst de bijzonderheden omtrent Cambyzes' verblijf te Saïs, die hierboven worden medegedeeld.

ocr page 469

438

gevallen vorstenhuis naar het leven te staan. Slechts een koning mag koningen straffen!quot;

Phanes boog zich. Cambyzes wendde zich weder lol Mega-bvzes, en beval hem de tweeduizend veroordeelden den volgenden dag, tot een waarschmvenu voorbeeld, ter dood te doen brengen. Betreflende het lot van den koningszoon zou hij later wel een besluit nemen; intusscheu moest deze met de overige veroordeelden naar de gerechtsplaats worden geleid. sMenmoet zien,quot; riep hij, »dat wij van plan zijn, alle vijandelijkheden met de grootste gestrengheid te keer te gaan!quot;

Toen Cresus hel waagde om genade voor den onschuldigen knaap te smeeken, glimlachte Cambyzes, zeggende: »Wees gerust, oude vriend, het kind is nog in leven, en zal het misschien niet minder goed bij ons hebben, dan uw zoon, die bij Pelusium zoo dapper heeft gestreden! Maar ik zou gaarne weten of Psamtik zijn lot zoo gelaten en mannelijk weet te dragen als gij, nu vijf en twintig jaar geleden.quot;

»Dat is gemakkelijk te onderzoeken!quot; riep Phanes, »zoo hel den koning slechts behaagt hem naar het slotplein te doen geleiden, en de gevangenen en veroordeelden voor zijn aangezicht te laten voorbijvoeren; dan zal het blijken, of hij zich als een man, dan wel als een lafhartige gedraagt.quot;

»Dat zal geschieden !quot; antwoordde Cambyzes. »Ik zal mij verborgen houden, en hem ongemerkt gadeslaan. Gij zult mij vergezellen, Phanes, en mij den naam en den stand van iederen gevangene noemen!quot;

Aan den morgen van den volgenden dag begaf de Athener zich met den koning op het balkon, dal het uitgestrekte, met hoornen beplante, slotplein omgaf. De planten en bloemen hielden de twee mannen verborgen, die de geringste beweging van men-schen daar beneden opmerken en ieder woord verstaan konden. Door eenigen zijner vroegere hovelingen omgeven, leunde Psamtik tegen een palmboom en staarde met een somberen Mik onafgebroken op den grond, terwijl zijne dochter en het kind van Neithotep, benevens andere aanzienlijke jonkvrouwen, als slavinnen gekleed, het plein overgingen, gevulde waterkannen dragende. Zoodra de meisjes den koning gewaar werden, hieven zij luide klachten aan, die Psamtik uit zijn gemijmer opwekten. Hij herkende de jammerende maagden en boogzijnhoofd diep neder. Doch spoedig hief hij het weder op, en vroeg zijne oudste dochter, voor wien zij water droeg? Toen hij vernam, dat zij voor Phanes het werk van slavinnen verrichten moest, verbleekte bij, liet het hoofd op de borst vallen, en riep de meisjes toe: »Gaat!quot;

Weinige oogenblikken later betraden de gevangenen hel plein, met strikken om den hals en toornen in den mond, door Per-

ocr page 470

AM

zisclie wachters geleid 1). De trein werd geopend door den kleinen Necho, die de handjes naar zijn vader uitstrekte, en hem bad de vreemde, booze menschen, die hem wilden dooden te straffen. De Egyptenaren konden hunne tranen niet bedwingen, toen zij deze woorden van den knaap, hun kroonprins, vernamen. Doch de oogen van Psamtik bleven droog, en wederom vestigde hij den blik op den grond, en wenkte den weenenden knaap met de hand een laatst vaarwel toe.

Kort daarop verschenen zij, die te Saïs in hechtenis waren genomen. Onder dezen bevond zich ook de grijzeNeithotep. De vroegere opperpriester was in lompen gehuld en strompelde met moeite voort, leunende op een stok. De poort binnentredende en de oogen opslaande, zag hij zijn ouden leerling Darius. Vergetende waar hij zicli bevond, liep hij aanstonds naar dezen toe, klaagde hem zijn nood, bad hein om zijne hulp en voorspraak, en eindigde met om eene aalmoes te smeeken. Darius schonk hem een rijke gift, 't geen ten gevolge had, dat de andere Achae-meniden, die in de nabijheid stonden, den oude schertsend tot zich riepen, en hem kleine muntstukken toewierpen, die bii niet zonder moeite en met vele dankbetuigingen opraapte. Toen Psamtik dit gewaar werd, barstte hij in tranen los, riep op smartelij-ken toon zijn ouden vriend bij den naam, en sloeg zich met de krampachtig gesloten vuist voor het voorhoofd.

Cambyzes verwonderde zich hierover, verwijderde de bloemen en planten, waarachter hij zich tot dusver had verborgen gehouden, en riep den ongelukkige toe; »Zeg mij, zonderlingmensch, waarom gij, bij de aanschouwing van uwe diep v ernederde dochter, en van uw zoon die den dood te gemoet gaat, niet geweeklaagd en geschreid hebt, en jegens een bedelaar, die niet eens tot uw huis behoort, zoo groote deelneming aan den dag legt'?quot;

Psamtik zag naar zijn overwinnaar op, en antwoordde; ))He! ongeluk van mijn huis, zoon van Gyrus, is te groot voor mijne tranen; het lot van een vriend, die op hoogen ouderdom, van den aanzienlijksten en gelukkigsten man in het rijk een ellendige bedelaar is geworden, mag ik echter beweenen!quot;

Cambyzes knikte den armen vorst minzaam toe, en toen hij zich omkeerde, bemerkte hij, dat niet alleen in zijn oog een traan was opgeweld. Cresus, Bartja en alle aanwezig3 Perzen, ja zelfs Phanes, die beiden koningen lot tolk had gediend, waren diep geroerd. De trotsche veroveraar had een welbehagen in deze tranen, en sprak, zich tot den Athener wendende; «Mij

*1) Op de gedenkteekenen komen herhaaldelijk gevangenen voor, met eeue soort van houten boeien, waarin de handen zijn gesloten, en die met een touw aan hun hals hangen.

ocr page 471

440

dunkt, Helleensche vriend, dat wij genoeg gewroken zijn. — Sta op, Psamtik, en beproef gelijk deze edele grijsaard — dit zeggende wees liij op Cresus — u aan uw tegenwoordig lot te gewennen. Het bedrog van uw vader is aan u en aan uw huis streng genoeg vergolden geworden. Dezelfde kroon, die Amasis de docb-ler van Hopbra, mijne onvergetelijke gemalin, ontroofd beeft, heb ik u van bet boofd gerukt. Om Nitetis' wil heb ik dezen oorlog begonnen; thans schenk ik uw zoon bet leven, wijl zij hem beeft, liefgehad. Voortaan moogt gij als onze dischgenoot in volle vrijheid aan ons bof verkeeren, en de eer mijner grooten deelen. Ga den knaap balen, Gyges! Hij zal, gelijk gij voorheen, met de zonen der Achaemeniden worden opgevoed.quot;

De Lydiër snelde naar de deur van bet bal kon, om dezen bem zoo aangenamen last ten uitvoer te brengen, doch eer hij deze bad bereikt, riep Pbanes bem terug. Met opgericht hoofd en een lier gelaat plaatste zich de Athener tusschen den koning en Psamtik, die van zalige verrukking' stond te trillen, en zeide:

»Uw gang, edele Lydiër, zou vergeefsch zijn; Necho, de zoon van Psamtik, is reeds niet meer! Ondanks uw bevel, mijn vorst, heb ik, onder voorwendsel dal ik eene volmacht van u bezat, den beul doen bevelen den kleinzoon van Amasis, als zijnde de eerste en aanzielijkste van al de gevangenen, ter dood te brengen. Het horengeschal, dat gij zoo even vernomen hebt, was het tee-ken dat de laatste aan den Nijl geboren kroonprins van Egypte den adem had uitgeblazen. Ik weet wat mij te wachten 'staat, lt;gt;ambyzes, en bid niet om een leven, welks hoogste doel thans bereikt is. Ook uw verwijtenden blik, o Cresus, versta ik. Gij beklaagt «Ie vermoorde kinderen; maar och, het leven is zulk een samenweefsel van jammer en teleurstelling, dat ik, met uw grooten raadsman Solon, hem bet gelukkigst acht, wien de goden, gelijk weleer aan Kleobis en Biton '), een vroegen dood geven. Zoo ik ooit genade in uwe oogen heb gevonden. Cam-

1) roeii Solon den Lydischen koning bezocht, had deze den wijsgeer Zajne schatten getoond en hem gevraagd, wien hij wel voor den gelukkigste hield, in de hoop dat hij zijn eigen naam zou hooren. Solon noemde echter in de eerste plaats Tellus, een beroemd burger van Athene, en daarna de broeders Kleobis en Biton. Deze schoone jongelingen, die ook in den worstelstrijd den prijs hadden behaald, trokken hunne moedor, toen de paarden niet intijds van het veld kwamen, ten aanzien van h?t gansche volk, naar den ver verwijderden tempel. De mannen van Argos roemden de kracht der jongelingen, maar de vrouwen wenschten de moeder geluk die zulke zonen bezat. En de moedei- verrukt over deze daad en den lof barer zonen, plaatste zich voor het beeld der godin en bad, dat zij hun het beste mocht schenken wat een mensch gegeven kon worden. Na dit gebed en het olfer sluimerden de jongelingen in, om niet meer te ontwaken, want zij waren gestorven.

ocr page 472

441

byzes, zoo mijne raadgevingen u van eenig nut zijn geweest, veroorloof mij dan, als eene laatste gunst, nog enkele woerden te spreken. Gij, Psamtik, weel, wat ons tot vijanden heell gemaakt. Gij allen, aan wier achting mij veel gelegen is, zult liet thans evenzeer vernemen.

?iDoor den vader van dezen man werd ik in zijne plaats tot bevelhebber der tegen Cyprus gezondene troepen benoemd en streed met roem, terwijl hij slechts vernedering en schande had geoogst; tegen mijn wil, werd ik bekend met een geheim, dat zeer gevaarlijk had kunnen worden voor zijne aanspraken op den troon; eindelijk belette ik hem, eene deugdzame jonkvrouw weg te voeren uit het huis harer grootmoedei', eene vrouw, die door alle Hellenen hooggeacht en geëerbiedigd wordt. — Dat is het, wat hij mij nooit heeft kunnen vergeven, en hern heeft bewogen mij, toen ik den dienst van zijn vader verlaten moest, tot een strijd op leven en dood uit te dagen. Thans is onze worsteling beslist. Gij hebt mijne onschuldige kinderen doen vermoorden, en op mij als op een schadelijk ondier jacht gemaakt; dat is uwe areheele wraakoefening geweest! Ik heb 11 van den troon gestooten en u en uw volk tot slaven gemaakt. Ik heh uwe dochter mijne slavin genoemd, uw zoon heb ik doen ombrengen, en ik heb gezien hoe hetzelfde meisje, dat gij eenmaal vervolgdet, de gelukkige gade van een held is geworden. Gij, gevallen koning, hebt mij rijker en machtiger dan een mijner landslieden zien worden; gii, ongelukkige, moest mij — en dit was het schoonste gedeelte mijner wraak — van mededoogen met uw ijzingwekkend lot zien weenen! — Wie, gelijk ik, de diepste rampzaligheid van zijn vijand slechts eene seconde overleven mag, dien noem ik even gelukkig als de zalige goden. Thans heb ik niets meer te zeggen!quot;

Phanes zweeg en drukte zijn hand op zijn wond. Cambyzes zag hern een tijdlang met de grootste verbazing aan. deed daarop een stap voorwaarts en wilde reeds den gordel van den Athener aanraken, een leeken, dat met de onderteekening van een doodvonnis gelijkstond '), toen zijn blik op de keten viel, die hij den Athener, tot belooning voor de behendigheid waarmede hij de onschuld van Nitelis had bewezen, om den hals had gehangen. De gedachte aan de vrouw zijner eenige liefde, en aan de dankbaarheid die hij verschuldigd was aan dezen zeldzamen

1) De laatste Perzische koning, Dan'us Codomannus, verwees np de-zeilUe wijze zijn uitstekenden Grieksdien veldheer Memnon ter dood, die hem door zijne vrijmoedigheid heleedigd had. Toen men hem wegvoerde riep Memnon, zinspelende op Alexander, die reeds in aantocht was: „Uw berouw over deze daad zal getuigen van hoeveel waarde ik voor u was: mijn wreker is niet verre meer !quot;

ocr page 473

442

man, wegens verschillende door hem bevvezene diensten, onderdrukte zijn toorn, en deed zijne, tot het noodlottige sein reeds opgehcvene hand weder zinken. Gedurende enkele secondon stond de strenge vorst tegenover den ongehoorzamen vriend, toen hief hij andermaal, aan eene plotselinge ingeving gehoor gevende, zijne rechterhand op, en wees gebiedend naar den uitgang van het plein.

Phanes boog zich zwijgend, kuste het kleed van den koning en steeg langzaam de trap at' naar het plein. Psamtik zag hem na met verbeten woede, sprong toen naar de borstwering van liet balkon, doch zonk, eer hij zijne lippen tot een vloek had kunnen openen, uitgeput neder.

Cambyzes wenkte zijn gevolg en gebood zijn jachtmeester de toebereidselen te maken tot eene leeuwenjacht in de Lybische bergen.

ocr page 474

Z E V E N D E II O O F D S T (J K.

De Nijl begon wederom f.e wassen. Sedert het vertrek v^n Phanes waren twee maanden vooi-bijgegaan, rijk aan gebeurtenissen. Op denzelfden dag, cp welken de Athener Egypte veriiet, had Sappho haar Bartja eene dochter geschonken. Onder di^ verpleging barer grootmoeder was zij spoedig zoo ver hersteld, dal zij aan een tochtje op den Nij!, hetwelk op voorslag van Cresus plaats vond, bij gelegenheid van het feest van Neith, deel kon nemen. Het jeugdige paar woonde niet meer te Memphis, daar Bartja met 's konings toestemming hel paleis le Sais bad betrokken, om de uitbarstingen van woede van zijn broeder te ontwijken, die sedert de vlucht van Phanes zeer waren loe-genomen. Ook Bhodopis, in wier huis de Lydiër met zijn zoon Bartja, Darius en Zopyrus zich vaak vereenigden, sloot zich bij het gezelschap aan.

Aan den morgen van het feesl besteeg men, omstreeks acht mijlen beneden Memphis, een keurig versierde bark, en voerden stroom op, door een gunstigen noordenwind en talrijke roeiers voortgestuwd. Onder bet deels vergulde, deels met bonte kleuren beschilderde houten dak, dat het midden van het dek overwelfde, had zich bel reisgezelschap neergevlijd, om tegen de brandende zonnestralen genoegzaam beschut te zijn. Cresus had aan de zijde der eerbiedwaardige matrone plaats genomen; de MilesiërTheo-pompus zal aan hare voelen. Sappho liet haar hoofdjen op Bartja's schouder rusten. Syloson, de broeder van Polycrates, lag naasl Darius, die, in gepeins verdiept, onafgebroken in hel water staarde, terwijl Gyges en Zopyrus van de l)loomen, die een Egyptische slaaf hun quot;ter hand stelde, kransen voor de hoofden dei-beide vrouwen vlochten.

sHet is bijkans niet te gelooven,quot; zeide Bart ja, »dal wij den stroom

ocr page 475

444

legen hebben. De boot vliegt als eene zwaluw over het water.quot;

süat komt van den fikschen noordenwind, die ons het voor-hoofd verfrischt,quot; antwoordde Theopompus. .«Ook verstaan de Egyptische roeiers hun werk in den grond.quot;

gt;gt;En werken met verdubbelden ijver,quot; liet Cresus er op volgen, »wijl het tegen den stroom opgaat. Slechts dan, als we tegcn-stand vinden, zijn wij gewoon al onze krachten in te spannen.quot;

«Terwijl wij ons zeiven bezwaren scheppen,quot; sprak Rhodopis, »wanneer het lot onze levensboot met een kalmen, gnnstigen stroom voortstuwt.quot;

•)Zoo is het! riep Darius. »De edele heeft een afkeer van dat gemakkelijke met den stroom meedrijven. Onderwerkelooze rust zijn alle menschen gelijk; daarom hebben wij behoefte aan strijd, om te kunnen toonen, dat wij beter zijn én meer vermogen dan anderen.quot;

sMaar de edele strijders moeten zich wachten, twist-en tweedrachtstokers te worden,quot; merkte Rhodopis aan. »Ziet gij ginds die watermeloenen, die als gouden kogels over den zwarten grond verspreid liggen ? Had de landman het zaad met te milde hand uitgestrooid, geone enkele vrucht zou tot rijpheid zijn gekomen. De al te weelderige ranken en bladeren zouden ze verstikt en den oogst verijdeld hebben. Strijd en arbeid, ziedaar 's menschen bestemming. Maar ook hierin moet hij, gelijk in alle zaken, maat weten te houden,, zal zijn streven de gewenschte uitkomst hebben. Nimmer de juiste grenzen te overschrijden, dat is het geheim van den wijze.quot;

»0, dal de koning u hoorde spreken!quot; riep Cresus. sin plaats van met zijne groote verovering tevreden en op het geluk zijner tallooze onderdanen bedacht Ie zijn, denkt hij er slechts aan, hoe hij nieuwe overwinningen zal behalen. De gansche wereld zou hij gaarne onder den voet hebben, terwijl hij zichzelf sedert de verbanning van Phanes, bijna dagelijks door den Diw der dronkenschap ter aarde laat werpen.quot;

«Heeft dan zijne edele moeder volstrekt geen invloed meer op hem?quot; vroeg Rhodopis.

«Zij heelt hem niet eens kunnen afbrengen van zijn voornemen om Atossa te huwen, en in eigen persoon heeft zij het bruiloftsmaal moeten bijwonen!quot;

«Arme Atossa!quot; (luisterde Sappho.

«Als koningin van Perzië doorleeft zij ook geen gulden dagen,quot; zeide Cresus, «en haar leven, aan de zijde van haar broederlijken gemaal, zal op den duur juist daarom te treuriger zijn, wijl zij, niet minder opvliegend is dan hij. Cambyzes moet haar helaas zeer achteloos behandelen, daar hij in haar altijd noch slechts een kind ziet. De Egyptenaren vinden overigens in dit huwelijk

ocr page 476

445

niets buitengewoons, want ook bij hen worden niet zelden broeder en zuster man en vrouw.quot; ')

«En ook in Perzië,quot; merkte Darius aan, ofschoon hij niet hei geringste liet merken van wat er in zijn binnenste omging, »acht men verbintenissen met bloedverwanten de beste huwelijken.quot;

»Oni echter op den koning terug te komen,quot; zeide Gresus, die, om den zoon van Hystaspes te sparen, aan het gesprek zoo spoedig mogelijk eene andere wending gaf, );ik verzeker u, Rho-dopis, dal hij toch volstrekt geen slecht mensch is. Op zijne, in hartstocht en toorn begane misslagen, volgt altijd onmiddellijk een welgemeend berouw, en nooit heeft hij opgehouden zich telkens opnieuw voor te nemen een goed en rechtvaardig vorst te zijn. Onlangs bijvoorbeeld vroeg hij, gedurende den maaltijd, voordat nog de wijn zijn geest beneveld had, hoe de Perzen wel over hern, in vergelijking met zijn vader, dachten.quot; »En wat was het antwoord'?quot; vroeg Rhodopis.

slntaphernes redde ons handig uil de verlegenheid,quot; zeicie Zopyrus lachend. «Want hij antwoordde den koning: .Wij houden het er voor, dat gij uw vader overtreft, omdat gij hot gebied van Cyrus niet alleen ongeschonden weet te bewaren, maar ons rijk door de verovering van Egypte zelfs over de zee hebt weten uit te breiden!quot; Maar dit antwoord behaagde den koning niet, want hij sloeg met de vuist op de tafel, en riep: ,Vleier, ellendige vleier!' Intaphernes schrok geweldig van dezen ou-verwachten uitval. De koning wendde zicb vervolgens tot Gresus, en vroeg dezen naar zijne meening. ,Mij dunkt,'antwoordde onze wijze vriend. ,dat gij het hooge standpunt uws vaders nog niet hebt bereikt; want' — voegde hij er vergoelijkend bij, — ,u ontbreekt nog een zoon, gelijk de doorluchtige afgestorvene in ii achterliet.'

»Rechl goed! Uitmuntend!quot; riep Rhodopis, in de handen klappende, en den edelen man toelachende, »dit woord zou den be-hendigen Odysseus tot eere hebben gestrekt! Maar hoe slikte de koning deze met zoeten honig bestreken pil ?quot;

»Hij was er uitermate mede ingenomen, dankte Gresus voor dit antwoord, en noemde hem zijn vriend.quot;

»Eii ik,quot; sprak de grijsaard, «maakte mij deze gelegenheid ten nutte, om hem af te brengen van zijn plan, om de langlevende Ethiopiërs, Ammoniërs en Garthagers te gaan beoorlogen. Van het eerste der genoemde volken verhaalt men allerlei fabelachtige dingen, en het is zeker dat men, met het den oorlog aan

1) Do Egyplenaren huwden niet zelden hunne zusters of üe weduwen hunner overleden broeders. Ook bij de Grieken komen zulke huwelijken voor.

ocr page 477

446

te doen, ten koste van groote oüers, altijd sleehts weinig zon winnen. De oase van Amrnon is, uithoofde van de woestijn die haar van Egypte scheidt, voor een groot leger ter nauwernood bereikbaar, en mij schijnt het zonde krijg te voeren tegen een God en zijne schatten, ook al behoort men niet tot zijne vereerders. Wat eindelijk de Carthagers aangaat, zoo heelt de uitkomst reeds de waarheid mijner voorspelling gestaafd. De matrozen van onze vloot zijn bijna allen Syriers en Phoeniciërs, en hebben dus natuurlijk geweigerd, tegen hunne broeders te vechten. Cam-byzes spotte met mijne redenen, noemde mij een lafaard, en zwoer eindelijk, toen de wijn zijn verstand begon te benevelen, dat hij, oo.i zonder l'hanes en zonder Bartja, in staat zou zijn moeilijke ondernemingen door Ie zetten en groote volkeren tot onderwerping te brengen.quot;

))Wat beteekent deze toespeling op u, mijn zoon?quot; vroeg Rhodopis.

»Hij heeft den slag van Pelusium gewonnen, en niemand anders !quot; riep Zopyrus, zijn vriend voorkomende.

»Maar gij,quot; hervatte Cresus, »en uwe vrienden hadden voorzichtiger kunnen zijn, en moeten bedenken, dat het hoogst gevaarlijk is de ijverzucht van een man als Cambyzes op te wekken. Gij vergeet te vaak, dat zijn hart gewond en zeer gevoelig is, zoowel voor het kleinste verdriet als voor de felste smart. Het noodlot heeft hem de vrouw die hij liefhad, en den vriend die hem dierbaar was ontnomen; thans meent hij, dat het uw toeleg is hem ook nog het laatste dat hem ter harte gaat, zijn krijgsroem te betwisten.quot;

))Beoordeel hem niet te hard,quot; riep Bartja, terwijl hij de hand van den grijsaard vatte. »Mijn broeder is nooit onrechtvaardig geweest en het is niet in hem opgekomen, mij mijn geluk, — want als verdienste moet gij mij dien aanval op het juiste tijdstip niet toerekenen, — te benijden. Gij weet, dat hij mij na den slag deze prachtige sabel, honderd edele rossen en een gouden handmolen ') schonk, als belooning voor mijne dapperheid.quot;

De woorden van Cresus hadden in Sappho's -ziel eenige bezorgdheid doen rijzen, die evenwel, na het geruststellend antwoord van haar gemaal, weder spoedig verdreven weid, en geheel en al vergeten was, toen Zopyrus zijn krans gereed had en dezen op het hoofd der oude vrouw plaatste.

Gyges bood den zijnen der jeugdige moeder aan, die het kroontje van sneeuwwitte waterleliën op hare volle bruine lokken drukte, en met dezen eenvoudigen tooi er zoo lief en schoon uitzag, dat

\) Dit was het kostbaarste geschenk, tlat een Perzisch onderdaan van zijn vorst kon ontvangen.

ocr page 478

447

Bartja, ondanks de tegenwoordigheid van zoovele getuigen, niet kon nalaten, haar op het voorhoofd te kussen. Het gesprek nam nu eene meer vroolijke wending. Allen deden wat. zij konden, om iets tot elkanders genoegen bij te dragen; ja zelfs Darius vergat zijn ernst, om met de vrienden, die de sedert eenige oogen-hlikken opgedragene spijzen en dranken eer aandeden, te lachen en te schertsen. Toen eindelijk de zon achter het Mokattam-ge-bergte was ondergegaan, plaatsten de slaven kunstig gesneden stoelen, voetbanken en tafeltjes op het open dek, waarheen het vroolijke gezelschap zich thans begaf, en waar zich een heerlijk schouwspel aan hen vertoonde, dat aller verwachting overtrof.

Het Neith-feest, dat de Egyptenaren het lampen branden noeii.-den, en door het geheele land met eene algemeene verlichting der huizen placht gevierd te worden, had met het opkomen der maan een aanvang genomen. De oevers van den stroom geleken onafzienbaar lange vuurstrepen. Iedere tempel, ieder huis, iedere hut was, al naar het vermogen der bewoners, met brandende lampen versierd. In de portalen der landhuizen, en op de torentjes der grootere gebouwen flikkerden depekvlammen in steenen pannen; dichte rookwolken stegen op, die zich uitspreidden, en te midden der talrijke vanen en wimpels bleven hangen. De palmen en sykomoren, waarover de maan haar zilverglans uitgoot, spiegelden zich, in allerlei wonderlijke vormen, in de golfjes langs den oever, die door het schijnsel der vlammen tintelden met een rooden gloed. Maar al die lampen en vuren waren op verre na niet toereikend, om ook het midden van den reusach-tigen stroom, waar de bark der spelevarende vrienden zacht kens voortgleed, te verlichten. Het was als voeren zij tusschen twee heldere dagen in een duisteren nacht. Soms ontmoette men balken, die, met lampen verlicht, als vurige zwanen over het wat er dreven, en als zij op den oever aanhielden, een stroom van gloeiend vloeibaar metaal schenen te doorklieven. Sneeuwwitte lotusbloemen dobberden op de golven, en vertoonden zich aan hen, die daar heenvoeren, als de oogen der rivier. Niet het geringste geluid drong van de oevers tot hunne ooren door, ofschoon zij zwijgend neerzaten. De kracht van de door den noordenwind voortgedragen tonen was te gering, om het midden van den stroom te bereiken. Alleen de riemslagen en het eentonige gezang der matrozen braken de diepe stilte af van den helderen nacht.

Lang vermeiden zich de vrienden, zonder een woord te spreken, in de aanschouwing van dit zeldzaam en onvergelijkelijk schoon tafereel, dat voor hunne oogen langzaam scheen voorbij te gaan. Eindelijk maakte Zyporus een einde aan de stilte, met een diepen zucht uitroepende: «Hoezeer benijd ik u, Bartja ! Als het was

ocr page 479

448

gelijk het behoort, dan had ieder onzer in dit uur een lief wijfje aan zijne zijde!quot;

»Wie heeft u dan verboden een uwer uitverkorene vrouwen niet u te nemen'?'' antwoordde de gelukkige echtgenoot.

«Mijne vijf andere levensgezellinnen,quot; zeide de jongeman met een zucht. «Had ik Parysatis, hel dochterke van Oroetes, de jongste mijner lievelingen, alleen met mij genomen, dan zou dit gelukkig uur wel mijn laatste wezen; want morgen zouden er zeker een paar oogen minder op de wereld zijn geweest!quot;

Bartja glimlachte en zeide, de hand van zijne Sappho drukkende: ))lk geloof haast, dat ik mij mijn leven lang met éene \ rouw zal vergenoegen 1quot;

De jonge moeder beantwoordde den zachten druk der geliefde hand, en zeide; »Ik vertrouw u niet, vriend Zopyrus, want het komt mij voor, dat gij minder den toorn ducht dier schepseltjes, die u toch vrij onverschillig zijn, dan wel terugdeinst vooreene overtreding van de zeden en gebruiken van uw vaderland. Men heeft mij reeds verhaald, dat men in de vrouwenvertrekken tegen mijn armen Bartja uitvaart, omdat hij mij niet door eunuchen laat bewaken, en mij vergunt aan zijne zijde het leven te genieten.quot;

»Hij verwent u schrikbarend,quot; hernam Zopyrus, sen onze vrouwen beginnen, wanneer wij haar een weinig kort houden, zich reeds te beroepen op zijne goedheid en toegeeflijkheid. Let op, binnenkort zal aan de poort dos konings een oproer onder de vrouwen uitbarsten, en de Achaemeniden, die de scherpste zwaarden en de best gerichte pijlen niet vreezen, zullen met spitse tongen doorstoken en in een zilten tranenvloed verdronken worden.quot;

»0, gij onbeschaamde Pers,quot; sprak Syloson met een lach, »het zal noodig zijn, dat wij u leeren wat meer eerbied te hebben voor de evenbeelden van Aphrodite!quot;

•vAVilt gij, Hellenen, ons leeren ?quot; vroeg de jonkman. »Bij Mithra, onze vrouwen hebben het even goed als de uwe! Alleen de Egyptische leven ongelooflijk vrij.quot;.

sDat is waar!quot; zeide Uhodopis. »De bewoners van dit vreemde land kennen sinds duizenden jaren aan ons zwak geslacht dezelfde rechten toe, waarop de mannen voor zich aanspraak maken. In vele opzichten genieten wij zelfs nog grootere onderscheiding dan zij. De Egyptische wet bijvoorbeeld beveelt niet den zonen, maaide dochteren hare grijze ouders te onderhouden en Ie verplegen. Het gebod bewijst, hoe juist de wijze voorvaderen van het thans zoo diep vernederde volk de natuur der vrouw wisten tebeoor-deelen; hoe zij begrepen, dat wij u, mannen, in trouwe zorg, oplettende hulpvaardigheid en opofferende liefde verre overtreffen ! — Spot niet met deze dierenaanbidders, die ik, ik beken het gaarne,

ocr page 480

449

aid begrijp, maar daarom toch bewonder, daar Pythagoras, de meester van alle wetenschap, mij verzekerd heeft, dat de wijsheid in de leeringen der priesters verborgen, even ontzagwekkend is als de pyramiden.quot;

»En uw groote meester heeft gelijk !quot; sprak Dai'ius. »0ij weet, dat ik sedert verscheidene weken dagelijks met Neithotep, den opperpriester van Neith, dien ik uit zijne gevangenis heb laten bevrijden, en met den ouden Onoephis verkeer, of, betei gezegd, mij door hen laat onderrichten. Hoeveel nieuws heb ik van die twee grijsaards niet geleerd! Hoeveel treurigs vergeet ik niet,als ik naar hun onderwijs luister! De geheele geschiedenis van den hemel on van de aarde is hun bekend. Zij weten den naan van iederen koning, de toedracht van elke belangrijke gebeurtenis sedert do laatste vierduizend jaren. Zij dragen kennis van den loop van alle sterren, en van de werken en stelsels van alle kunstenaars en wijzen gedurende hetzelfde tijdsverloop. Want dat alles staal opgeteekend in groote boeken, die te Thebe in een paleis, dal zij ,Inrichting ter bevordering van de gezondheid der ziel' noemen, bewaard worden. Hunne wetten zijn eene rijke bron van wijsheid, en de geheele staatsinrichting is met verwonderlijk doorzicht geheel berekend voor de behoeften des lands. Ik wilde wel, dat wij in ons vaderland op zulk eene orde, zulk eene regelmaat. konden roemen! Al hunne wetenschap berust op het gebruik der getallen, met welker hulp het alleen mogelijk is de banen der sterren te berekenen, het bestaande nauwkeurig te beschrijven eu te bepalen, ja zelfs door verlenging en verkoi'ting der snaren de tonen te regelen. Het getal is liet eenig zekere, dal met alle willekeur en mot elke uitlegging spot. Ieder volk heeft zijne eigene begrippen van rechten onrecht, iedere wet kan door veranderde omstandigheden onbruikbaar worden; doch waarheden, die haar grondslag in getallen hebben, staan voor eeuwig onomstootelijk vast. Wie zal ooit weerspreken, dat twee maal twee vier is? De getallen bepalen duidelijk en zeker den inhoud van al hel bestaande. Al wat bestaat is gelijk aan zijn inhoud. Daarom vindt men in de getallen het. ware zijn, het ?wezen van alle dingen!quot;

»In naam van Mithra, Darius, houd op, hel schemert mij voosde oogen!quot; riep Zopyrus, zijn vriend in de rede vallende. ))Wie u zoo hooi t spreken, moet wel denken dat gij uw geheele leven in het gezelschap dier spitsvondige haarkloovers gesleten en nooit een zwaard gehanteerd hebt! Wat gaan ons die getallen aan ?quot;

»Meer dan gij denkt!quot; antwoordde Rhodopis, sook Pythagoras is in deze leerstellingen, die tot de geheimenissen der Egyptische priesters behooren, door denzelfden Onoephis ingewijd, die u, Darius, thans den toegang tot de mysteriën ontsluit. Breng mij

ocr page 481

450

eens spoedig een bezoek, dan zal ik u mededeelen hoe heerlijk schoon de groote Samiër de wetten der getallen met die dei-tonen in overeenstemming heeft gebracht. — Maar zie, zie, daar zijn de pyramiden!quot;

De vrienden stonden van hunne zitplaatsen op, en bewonderden zwijgend het grootsche schouwspel, dat zich aan hunne oogen voordeed. Daar lagen op den linker oever van den stroom, dooide maan met een zilverachtig licht beschenen, de aloude reuzen-graven van machtige heerschers, in hunne ontzaglijke afmetingen, als zoovele bewijzen voor de scheppende kracht van den men-schelijken wil, als zoovele vingerwijzingen op het ijdele van alle aardsche grootheid. Wat was er geworden van dien Choefoe, die met het zweet zijner onderdanen steenen tot een berg had opgestapeld; van dien Gbafra, die de goden verachtte, en prat op zijne eigene krachten, de poorten des tempels zou hebben gesloten ^ om zichzelven en zijn naam te vereeuwigen door een grafteeken, ter voltooiing waarvan een bijna bovenmenschelijke inspanning noodig was geweest'? Hunne ledige doodkisten leeren ons misschien, dat zij door de doodenrechters onwaardig zijn gekeurd de rust van het graf te genieten, en tot een nieuw leven te herrijzen; terwijl de bouwmeester van de derde en schoonste pyramide, Menkera, die zich met een veel kleiner grafteeken vergenoegde, en de deuren des tempels wederom opende, ongestoord mocht rusten in zijne kist van blauw bazalt1).

Daar lagen de pyramiden te midden van de nachtelijke stilte, door de sterren verlicht, onder de hoede van den wachter der woeslijn, den reusachtigen sphinx, hare spitsen verheffende boven de naakte rotsen der Lybische steenheuvels. Aan hare voeten sluimerden in kostbare graven de mummiën van de getrouwe dienaars barer oprichters, en tegenover het verhevene grafteeken van den vromen Menkera verrees een tempel, waarin de priesters van Osiris voor de zielen van de tallooze, in de doodenstad van Memphis bijgezette afgestorvenen gebeden opzonden. Westwaarts, daar waar de zon zich achter de Lybische bergen had verscholen, waar de vruchtdragende bodem vervangen werd door de dorre woestijn, hadden de Memphiten hunne graven gebouwd. Daarheen

1

De sarkophaag ging met het schip, dat dit kostbare voorwerp naar Europa overbracht, op de Spaansche kust verloren. De Arabische geograaf Idrisi verhaalt, dat men kort vóór hij schreef (1240) de sarkophaag geopend en daarin een mummie gevonden had, benevens een goudplaat, beschreven met onbekende schriftteekens.

ocr page 482

451

hielden de vrienden hunneblikken gericht, terwijl eene heilige iiui vering en eene eerbiedige bewondering hunne lippen gesloten hielden.

Toen het ranke vaartuig, door den noordenwind gestuwd, de rustplaats der dooden en de ontzaglijke dammen 1). die de stad van Menes tegen de overs)roomingen van den machtigen vloed beveiligden, voorbijgedreven was, en men de residentie der vorige pharao's nader en nader kwam, en ten laatste de millioenen en millioenen lichten zichtbaar werden die ter eere der godin Neith allerwegen ontstoken waren, raakten eindelijk de tongen los. quot;Woorden van bewondering en verrukking stroomden over de lippen, toen de reu zentempel van Ptah 2), het oudste bouwwerk van dit eeuwenoude land, zich aan hunne oogen vertoonde. Duizenden lampen verlichtten het huis van den god, honderden vuren brandden op de poorten, op de tinnen der muren en op de daken van het heiligdom. ïussclien de sphinxenrijen, die de onderscheidene ingangen met het hoofdgebouw verbonden, gloeiden brandende fakkels, en het ledige huis van den heiligen stier Apis s) glinsterde bij het tlikkeren van ontelbare veelkleurige vlammen, als een door het. tropisch avondrood beschenen krijtberg. En boven dien, langs al zijne omtrekken verlichten tempel fladderden wimpels, en wapperden vanen, slingerden zich bloemfestoenen, en golfden de welluidende tonen van muziek en gezang.

«Heerlijk, heerlijk!quot; riep Rhodopis, die naar woorden zocht, om hare opgetogenheid over dit betooverend schouwspel uit te drukken. iiZie hoe die bont beschilderde zuilen en wanden schitteren ; zie welke zonderlinge schaduwen de obelisken en sphinxen werpen op den gelen gladgepleistarden vloer der voorhoven!quot;

»En welk een geheimzinnig donker,quot; liet Cresus er op volgen, igt;heerscht ginds in het heilig woud van den god! Nooit te voren heb ik iets schooners gezien!quot;

alk echter,quot; verzekerde Darius, heb nog wonderlijker dingen aanschouwd, en gij zult mij gelooven, als ik u zeg, dat ik getuige ben geweest van de mysteriën van Neith.quot;

1) Zie boven blz. 75.

2) Zie boven blz. 25.

3) Wanneer de heilige stier stierf, dan werd hij diep betreurd en met fabelachtige staatsie begraven. Toen onder Ptolemaeus Lagi de Apis van ouderdom bezweek, besteedden de priesters lot zijne ter aarde-bestelling niet alleen den geheelen tempelschat, rnaar leenden nog bovendien van den koning 50 zilvertalenten (81,000 gulden). Sommige hoofden van den Apis-tempel gaven voor de uitvaart van dit dier lOO talenten uit. Men hield er voor den stier een ganschen stal met koeien op na. De Egyp-tenaren meenden, dat hij de toekomst kon voorspellen, en schijnen hem ook beschouwd te hebben als het symbool van een tijdperk van 25 jaren. Dit is bevestigd toen het Serapeum en de Apis-graven zijn ontdekt. Mariëtte vond een schoon steenen beeld van den heiligen stier, dat naar Parijs is gevoerd, alsmede een menigte kolossale Apis-sarkophagen.

ocr page 483

452

»0, verhaal ons daar iets van!quot; riepen de vrienden.

«Neithotep weigerde eerst mij toegang- te verschaffen. Toen ik hem evenwel beloofde, dat ik mij verborgen zou houden en de vrijstelling van zijn kind zou bewerken, bracht hij mij op zijne sterrenwacht, vanwaar ik ver in het rond kon zien,en zeide, dat ik eene voorstelling van de lotgevallen van Osiris en zijne gade Isis zou aanschouwen ').

«Nauwelijks had hij mij verlaten, of ik zag vreemdsoortige, veelkleurige lichten, die zulk een helderen gloed door het geheele woud verspreidden, dat mijn blik tot in het binnenste gedeelte kon doordringen. Voor mij lag een spiegelglad meer, door fraaie boomeu en bonte bloembedden omgeven. Vergulde booten dobberden op het heldere water. In die booten zaten schoone knapen en meisjes in sneeuwwitte kleederen, en zongen heerlijke liederen. Geen schipper was er om ze te sturen, en toch gleden de vaartuigjes, met allerlei sierlijke wendingen, als door eene tooverhand bestuurd over het efl'en watervlak, Te midden dezer booten dreef een prachtig groot schip, welks boorden flonkerden van edelgesteenten. Een schoone knaap scheen de geheele bemanning uit te maken, maar het wonderbaarste was, dat het roer hetwelk hij bestuurde, slechts uit eene witte lotusbloem bestond, welker tee-dere blaadjes den waterspiegel ter nauwernood beroerden. In het midden van het vaartuig rustte op zijden kussens eene met vorstelijke pracht uitgedoste vrouw van zeldzame schoonheid. Aan hare zijde zat een man van meer dan menschelijke grootte, die eene met klimop omkranste hooge kroon op de golvende lokken, een pantervel om de schouders en een van boven omgebogen staf in de rechterhand droeg. Op het achterschip stond, onder een dak van rozen, klimop en lotusbloemen, eene sneeuwwitte koe 1!), met gouden horens en een purperen dekkleed over den rug. Die man was Osiris, die vrouw Isis, die knaap aan het roer Horus, de zoon van het goddelijk paar, de koe het heilige dier der onsterfelijke vrouw. Al de kleine booten voeren het groote schip voorbij. Zoodra zij de bewoners des hemels naderden, hieven de jongelingen en maagden een groot gejuich aan, welk eerbewijs door een regen van bloemen en vruchten werd beantwoord. Eensklaps barstte een onweder los, welks gerommel zich luider en luider deed hooren, en ten laatste in een ijsetijk gekraak

1) Zulke tooneelvertooningen in het woud van Neith schijnen tot de mysteriën behoord te hebben. Het tooneel was het nog bestaande meer Sa-el-Hagar, waarbij zich een graf van Osiris bevond. „Deze schouwspelen,quot; zegt Herodotus, „moesten de lotgevallen van bovengenoemde godheid voorstellen en heeten mysteriën.quot;'

2) De klimop was aan Osiris, de koe aan Isis gewijd. De laatste komt op de gedenkteekenen bijna altijd voor met den kop van eene koe.

ocr page 484

453

overging. Toen trad uit het donkerste gedeelte van het woud een vreeselijk man te voorschijn. Hij was bedekt met de huid van een everzwijn, en zijn afschuwelijk gelaat was omgeven door eene dichte massa roode verwarde haren. Door zeventig mannen vergezeld, die er eveneens uitzagen, sprong hij in het meer en zwom naar het schip van Osiris ?).

»Snel als de wind namen de kleine booten de vlucht, en de lotusbloem ontzonk aan de bevende hand van den jeugdigen stuurman. Sneller dan de gedachte wierp zich het monster op Osiris en versloeg hem, bijgestaan door zijn ijzingwekkend gevolg, wierp het lijk in eene mummiekist en deze in de golven, die als door tooverkracht de drijvende doodkist met zich voerden. Intusschen had Isis in eene der kleine booten den vasten wal bereikt, en dwaalde nu met loshangende haren, onder het uiten van luide weeklachten en gevolgd door de jonkvrouwen, die evenals zij de booten verlaten hadden, langs den oe-'er. Allen zochten nu, onder het uitvoeren van fantastische dansen en het zingen van roerende liederen, waarbij de maagden met zwarte byssus-doeken, velerlei vreemde bogen beschreven, het lijk van den verslagene. —De jongelingen bleven evenmin werkeloos, maar brachten onder dans en hamerslag eene kostbare doodkist voor het spoorloos verdwenen lijk in gereedheid. Toen deze voltooid was, sloten zij zich bij de vrouwen van de droeve Isis aan, en zwierven met haar, ijverig zoekende en treurliederen zingende, langs den oever.

»Op eens vernam men eene zachte liefelijke stem, uit een on-zichtbaren mond, die, gedurig luider wordende, zong;

„Spoeil u langs des Nijlstrooms boorden,

Treurende Isis, naar het Noorden ;

Waar Egypte's heil'ge vloed 't Brakke vocht van 't meer ontmoet,

Vindt gij den geliefde weder :

Aan den oever ligt hij neder,

Op zijn rietbed uitgestrekt,

't Hoofd van leliën omgeven.

En door schom'lend groen gedekt.

Rozige flammingo's zweven,

Als zijn wachters dag en nacht Om zijn goddelijke sponde,

En der nachtegalen klacht Trilt weemoedig in het ronde.quot;

sAlzoo zong die wonderbare stem, tevens meldende, dat het

1) Men vindt dezen geheelen strijd geteekend in een opschrift van den Horis-tempel te Edfoe.

ocr page 485

454

lijk van den god naar Gebal r) in Phoenicië was gedreven. De zoon van Neithotep, die bij mij gebleven was, noemde dit gezang, dat mij in de ziel greep, ,den wind van het gerucht'.

«Nauwelijks had Isis deze blijde tijding vernomen, of zij wierp iiaar rouwgewaad af, en hief, begeleid door de stemmen van haar bekoorlijk gevolg, een vroolijk jubellied aan. Het gerucht had haar niet misleid: werkelijk vond de godin op den noordelijken oever van het meer de lijkkist en het lichaam van haar god weder. Zoodra de kist onder zang en dans aan wal was gebracht, wierp Isis zich op het geliefde lijk. Zij riep Osiris bij zijn naam, en bedekte de mummie met duizend kussen, terwijl de jongelingen een sierlijk grafgewelf van lotusbloemen en klimopranken voor den doode vlochten.

«Nadat het stoffelijk overschot van den geliefde was bijgezet, verliet Isis de plaats van gejammer, om haar zoon op-te zoeken. Zij vond hem op den oostelijken oever van het meer, waar ik sedert lang reeds een beeldschoonen jongeling had opgemerkt, die zich met andere knapen van denzelfden leeftijd in hel wapenspel oefende. Deze stelde den intusschen veel grooter geworden Horus voor.

«Terwijl zich de moeder in de aanschouwing van haar schoon kind verheugde, ontstond er plotseling opnieuw een geweldig onweder, dat ten tweeden male de nadering van den Typhon aankondigde. Het monster wierp zich op het bloeiende graf van zijn slachtoffer, rukte het lichaam uit de kist, en hieuw het in veertien stukken, die hij onder bazuingeschal en zware donderslagen her- en derwaarts langs den oever strooide.

«Toen Isis wederom het graf van haar echtgenoot naderde, vond zij niets dan verwelkte bloemen en eene ledige kist; maar langs het meer vlamden, op veertien verschillende plaatsen, in allerlei kleuren veertien vuren op. De weduwe snelde met hare maagden op deze vuren toe, terwijl de jongelingen met Horus aan hunne spits op den tegenoverliggenden oever Typhon bevochten.

«Ik wist niet, waarheen oogen en ooren het eerst te wenden. Hier woedde, onder het ratelen van den donder en het geschetter van trompetten, een verschrikkelijke krijg, waarvan ik de oogen niet afwenden kon. Daar zongen lieftallige maagden, onder het uitvoeren van tooverachtige dansen, onbeschrijtelijk opwekkende liederen. Isis toch had bij ieder der plotseling ontvlamde vuren, waarvan ik zoo even melding maakte, een der ledematen van haar echtvriend teruggevonden, en vierde thans feest.

«Dat dansen hadt gij moeten zien, Zopyrus! Het is mij onmogelijk u de bevalligheid van al de bewegingen der jonkvrou-

1) Door de Grieken Byblos genoemd.

ocr page 486

455

wen te schetsen, en gij kunt u evenmin voorstellen, hoe schoon het was, toen zij, na schijnbaar in de grootste verwarring door elkander te hebben gezwierd, op eens in onberispelijk regelmatige rijen tegenover elkaar stonden, om dan opnieuw in een oogwenk de grootste verwarring met de volkomenste orde te verwisselen. Bovendien schoten er gestadig verblindende lichtstralen uit de dwarlende rijen. Ze werden veroorzaakt doordat iedere danseres een spiegel tusscben de schouders had, die bij iedere beweging eene flikkering teweegbracht, en wanneer zij stilstonden het beeld van eene andere maagd weerkaatste.

«Nauwelijks bad Isis op een na het laatste der ledematen ') van Osiris gevonden, of van den anderen oever werden jubelkreten en zegeliederen gehoord. Horus had Typhon verslagen, en drong nu, om zijn vader te bevrijden, de opene poort der onderwereld binnen, die zich op den westelijken oever van bet meer bevond, en bewaakt werd door een grimmig vrouwelijk nijlpaard 1).

))Nu lieten zich al duidelijker en duidelijker liefelijke harp-en fluittonen booren. Een hemelsche geur steeg gestadig uit de aai'de op, en een rooskleurig licht verspreidde zich met toenemende helderheid over het woud. Aan de hand van zijn roemrijken zoon verliet Osiris de poorten der onderwereld. Isis snelde haar verlosten, haar uit den doode verrezen echtgenoot in de armen, gaf den schoonen Horus opnieuw in plaats van zijn zwaard, eene lotusbloem in de hand, en strooide bloemen en vruchten uit, terwijl Osiris zich onder oen met klimop omkransten troonhemel nederzette, en de hulde van al de geesten van de aarde enden Amenthes 2) ontving.quot;

Darius zweeg. Na hem nam Rhodopis het woord.

»Wij danken u voor uwe schoone beschrijving; maar nog grooter zou onze erkentelijkheid zijn, als gij ons den zinwildet verklaren van deze wonderlijke voorstelling, die toch zeker niet zonder hoogere beteekenis is.quot;

»Uw vermoeden is juist,quot; antwoordde Darius; »maar wat ik weet, moet ik verzwijgen, want ik heb Neithotep onder eedf beloofd, niet uit de school te zullen klappen!quot;

sZal ik u zeggen,quot; vroeg Rhodopis, »welke beteekenis ik, op

1

Het dier, dat gewoonlijk voor Osiris in zittende houding wordt afgebeeld, gelijkt nu eens op eene teef of leeuwin, dan weer het meest op oen Nijlpaard. De Cerberus der Grieken heeft misschien aan dezen „draak van Amenthesquot; zyn oorsprong te danken.

2

Ue onderwereld, eig. het westen, het doodenrijk, waar de ziel heenging na den dood, gelijk de zon na haren ondergang.

ocr page 487

450

grond van de inlichtingen van Pythagoras en Onoephis, aan die voorstelling hecht? Isis dunkt mij de liefderijke aarde te zijn. Osiris het water dat de aarde drenkt, of de Nijl die haar vruchtbaar maakt, Horus de jeugdige lente, Typhon de alles verzengende dorheid. De laatste overwint Osirisj dat is de vochtigheid. De goede aarde, van hare voortbrengingskracht beroofd, zoekt weeklagende den geheide gade, dien zij in het koelere noorden, waarheen de Nijl zich voortspoed, wedervindt. Eindelijk is Ho-rus, de jeugdige groeikracht der natuur, in sterkte toegenomen, en overwint nu Typhon of de dorheid. Osiris was slechts schijndood, gelijk de vruchtbaarheid; hij stijgt nu uit de onderwereld op, en regeert met zijne gade, de milde aarde, opnieuw in het gezegende Nijldal.quot;

»En daar de verslagene God zich in de onderwereld loffelijk gedroeg,quot; schertste Zopyrus, «ontving hij, aan het slot dezer zonderlinge vertooning, de hulde van alle bewoners van den Hamés-tegan, Duzakh en Gorothman 1), of hoe men deze woningen van het geheele Egyptische zielenheir ook noeme!quot;

»Amenti wordt zij genoemd!quot; antwoorddr Darius, terwijl hij een meer opgeruimden toon aannam. »De geschiedenis van het goddelijk echtpaar is echter niet alleen een zinnebeeld van het leven der natuur, maar verkondigt ook dat de menschelijkeziel na den lichamelijken dood, evenals de verslagen Osiris, niet ophoudt te leven.quot;

3gt;Wel bedankt,quot; antwoordde de ander; »ik zal er om denken voor het geval, dat ik in Egypte sterf. In elk geval moet ik een volgenden keer dit schouwspel bijwonen, het koste wat het wil.quot;

olk deel uw wensch,quot; zeide Rhodopis, »gij zult het der oude vrouw wel niet euvel duiden, dat zij nieuwsgierig is.quot;

oGij blijft eeuwig jong!quot; viel Darius haar in de rede. »Uwe taal is zoo schoon gebleven als uw aangezicht, en uw geest is even helder als uw oog!quot;

«Vergeef mij,quot; riep Rhodopis, als had zij dit vleiend woord niet gehoord, «dat ik u in de rede val. Van oogen sprekende, doet gij mij denken aan den oogarts Nebenchari, en mijn geheugen is zoo verzwakt, dat ik, voordat ik het vergeet, u eenige inlichtingen omtrent hem moet vragen. Ik hoor niets meer van den kundigen man, aan wien toch de edele Cassandane zoo veel verschuldigd is.quot;

X)Hij is zeer te beklagen!quot; antwoordde Darius. «Reeds gedurende den tocht naar Pelusium vermeed hij allen omgang met

li liuinéstegan is iie plaats dergenen, wier goede daden tegen hunne slechte kunnen opwegen; Duzakh is de he], en Gcrothman is het pnra-dijc der Perzen.

ocr page 488

457

iedereen, zoodal hij zelfs van zijn landgenoot Onoephis niels wilde weten. Niemand dan zijn oude broodmagere knecht mocht hem bedienen en gezelschap houden. Na den slag echter onderging zijn geheele wezen plotseling eene verbazende verandering. Met een gelaat, waarop zijne verrukking stond te lezen, trad liij voor den koning, om hem verlof te vragen, Megabyzes naar Saïs te mogen vergezellen, en zich twee burgers dier stad lot slaven uit te kiezen. Cambyzes meende den weldoener zijner moeder geene bede, welke ook, te mogen weigeren, en voorzag hem dus van de vereischte volmacht. In de residentie van Amasis aangekomen, spoedde hij zich naar den tempel van Neith, deed den opperpriester, die zich bovendien aan het hoofd had gesteld der oproe-rige burgers, en een door hem gahalen oogarts in hechtenis nemen, en verklaarde hun, dat zij, tot straf voor hel verbranden van zekere geschriften, van dien dag tot hun dood een Pers, .mn wien hij hen zou verkoopen, in den vreemde de gemeenste slavendienst zouden moeten bewijzen. Ik was getuige van dit tooneel, en ik kan niet ontkennen, dal ik een zekere vrees, waarvan ik mij zeiven geen rekenschap kon geven, voor den Egyptenaar gevoelde, toen ik hem zijn vijanden aldus hun vonnis hoorde aankondigen. Neithotep liet hem uitspreken, en zeide toen, zonder den minsten angst te laten blijken: »Als gij, dwaze zoon, ter wille van uwe verbrande gescliriften, uw vaderland verraden hebt, zoo hebt gij even onrechtvaardig als onverstandig gehandeld. Ik heb uwe kostbare werken met zorg bewaard ; ik heb ze in onzen tempel doen bergen, en er een afschrift van gezonden aan de boekverzameling te Thebe. Wij hebben niets doen verbranden, dan alleen de door Amasis aan uw vader geschrevene brieven en eene oude kist, die geene waarde had. Psamlik en Petammon waren daarbij tegenwoordig, en besloten, u lot dank voor uwe geschriften en als vergoeding voor de papieren, die wij, om Egypte te redden, oordeelden te moeten verbranden, in de doodenstad een nieuw erfelijk graf te doen bouwen. Op de wanden er van zult gij in sierlijk schilderwerk het aantal en den inhoud uwer werken, uw stamboom en vele andere schoone voorstellingen vinden, die op u betrekking hebben.'

))De arts verbleekte, en liet zich eerst bij zijne boeken, daarna in zijn nieuw prachtig grafvertrek brengen. Hierop schonk hij zijne slaven, die niettemin als gevangenen naar Memphis waren gevoerd, de vrijheid, en ging, waggelend als een dronkaard en onophoudelijk de hand over zijn voorhoofd strijkende, naar zijn huis. Hier stelde hij zijn testament op, waarbij bij den kleinzoon van zijn ouden knecht Hib als erfgenaam van al zijne goederen aanwees, en begaf zich toen, onder voorwendsel dat hij zich plotseling ongesteld gevoelde, te bed. Den volgenden morgen vond

ocr page 489

458

men hem dood. Door gebruik van het vreeselijke slrychnos-sap ?) had hij een einde aan zijn leven gemaakt.quot;

«Ongelukkige man!quot; riep Cresus. ))Door de goden met blindheid geslagen, moest hij, als verrader van zijn vaderland, in plaats van wraak, wanhoop oogsten.quot;

»Ik beklaag hem van harte!quot; zeide Rhodopis zachtkens, als in gedachten. »Maar zie, reeds halen de roeiers hunne riemen in. Wij hebben onze bestemming bereikt; ginds wachten uwe draagstoelen en wagens. Hei is een heerlijk tochtje geweest! Vaarwel, vrienden, komt mij spoedig te Naucratis opzoeken, ik keer met Syloson en Theopompus aanstonds derwaarts terug. Geef aan de kleine Parmys uit mijn naam honderd kussen, en zeg aan Melitta, dat zij met het kind omstreeks den middag niet buiten moet gaan. Dat is niet goed voor de oogen. Goeden nacht, Cresus, — goeden nacht, vrienden! Vaarwel, beste zoon!quot;

De Perzen verlieten, wuivende en groetende, het schip. Ook Bartja kserde zich nog eens om, maar struikelde daarbij, en viel op den grond. Zopyrus snelde toe en riep zijn vriend, die reeds zonder zijn hulp was opgestaan, lachend toe: »Pas op Bartja! Het spelt geen geluk, als men bij het aan wal stappen valt. — Ook ik bon gevallen, toen wij te Naucratis het schip verlieten.quot;

1) Zie boven hl. 239.

ocr page 490

A. G H T S T E H O O F D S T U K.

Terwijl deze Nijltocht plaats had, was de gezant Prexaspes uil het land deiquot; langlevende Ethiopiërs, waarheen Gambyzes hem had afgevaardigd, teruggekeerd. Hij gaf hoog op van de grootte en de lichaamskracht dezer menschen, schilderde den weg naar hun gebied af als ten eenenmale ontoegankelijk voor een groot leger, en verhaalde van hen de wonderlijkste dingen. De Ethio-piërs waren gewoon den schoonste en sterkste van hun volk tot koning te verkiezen, en gehoorzaamden hun vorst onvoorwaardelijk. Velen hunner werden honderd twintig jaren oud; niet weinigen bereikten nog hoogeren leeftijd. Hunne spijs was gekookt vleesch, hun drank versche melk. Zij wieschen zich in eene bron, welker water een violengeur had, aan de huid een eigenaardigen glans mededeelde en zoo licht was, dat hout er in zonk. Hunne gevangenen droegen gouden ketenen, daar het ijzer bij hen bijzonder zeldzaam en duur was. Hunne dooden werden met gips omgeven, en vervolgens met eene glasachtige pap begoten. Men was gewoon deze lijkzuilen een jaar lang in huis te bewaren. Gedurende dien tijd brachten zij offers aan de nagedachtenis der afgestorvenen, en plaatsten ze later rondom de stad op lange rijen.

De koning van dit vreemde volk had de geschenken, hem vanwege Gambyzes aangeboden, met een minachtenden lach aangenomen, en geantwoord, dat hij zeer wel wist, dat den Perzen aan zijne vriendschap niets gelegen was, en dat Prexaspes alleen kwam als verspieder. Indien de Aziatische vorst rechtschapen was, zou hij zich vergenoegen met zijn uitgestrekt rijk, en de vrijheid van een volk, dat hem nooit iets in don weg had gelegd, niet belagen. »Breng uw koning dezen boog,quot; zeide hij, »en raad hem niet tegen ons te velde te trekken, tenzij de Perzen wapenen als dit even gemakkelijk weten te hanteeren als wij. Overigens mag Gambyzes de goden wel dankbaar zijn, dat het den Ethiopiërs nog niet in den zin is gekomen, door ver-

ocr page 491

460

overingen hun gebied te vergrooten! Dit gezegd hebbende, ontspande hij zijn boog, en gaf dien aan Prexaspes.

Deze stelde thans het kolossale, uit ebbenhout vervaardigde wapen zijn vorst ter hand. Cambyzes maakt zich zeer vroolijk over den pochenden Afrikaan, noodigde tegen den volgenden morgen zijne grooten uit, om tegenwoordig te zijn bij de proefneming met den boog, en beloonde Prexaspes voor zijne moeielijke reis, en de uitmuntende wijze, waarop hij de hem toevertrouwde zending had volbracht. Dronken als gewoonlijk begaf hij zich te bed, en sliep zeer onrustig. Hij droomde, dat Bartja op den Perzischen koningstroon zat en met zijn hoofd aan den hornel raakte. Deze droom, tot welks verklaring hij de hulp van mo-beds noch Chaldaeërs van noode had, maakte eerst zijn toorn gaande, doch stemde hem vervolgens tot nadenken.

»Hebt gij niet,quot; zoo vraagde hij zichzelven af, »uw broeder overvloedige reden lot wraakneming gegeven'? Kan hij het wel vergeten zijn, dat gij hem onschuldig in den kerker geworpen en ter dood veroordeeld hebt? Ingeval hij tegen u opstond, zouden dan niet alle Achaemeniden zich aan zijne zijde scharen'? Want wat hebt gij ooit gedaan, om u de liefde dezer veile hovelingen te verzekeren? En wat kunt gij in het vervolg doen,om hen te winnen? Bestaat er sedert den dood van Nitetis en het vertrek van dien zonderlingen Helleen nog een eenig mensch, dien gij vertrouwen, op wiens liefde gij rekenen kunt?quot;

Deze vragen brachten zijn verhit bloed zoozeer aan hel koken, dat hij van zijne legerstede opvloog, uitroepende: »De liefde wil niets van mij, ik wil niets van de liefde weten! Anderen mogen het met goedheid beproeven, ik moet onverbiddelijk streng zijn; anders toch lever ik mij zeiven over in de handen van wie mij haten, omdat ik rechtvaardig ben geweest en zware over-tredingen door zware straffen heb doen boeten. In mijn bijzijn prevelen zij slechts vleitaal; achter mijn rug vervloeken ze mij met luider stem! — zelfs de goden zijn mij vijandig, want zij ontrooven mij alles wat mij dierbaar is, schenken mij zelfs geen zoon, en onthouden mij den krijgsroem, die mij toekomt! Is dan Bartja zooveel beter dan ik, dat hem alles, wat ik missen moet, honderdvoudig ten deel valt? Liefde, vriendschap, eer, kinderen, alles wordt hem in den schoot geworpen, gelijk aan de zee de wateren der stroomen toevloeien, terwijl mijn hart evenals de woestijn steeds dorder wordt. — Maar nog ben ik koning; nog kan ik hem toonen, wie van ons beiden de sterkste is, al reikt zijn hoofd ook aan den hemel! slechts een mag de grootste zijn in Perzië! Hij of ik, ik of hij! Binnenkort zal ik hem naar Azië terugzenden, en hem tot satraap van Baktrië maken. Laat hij zich daar door zijne vrouw liederen doen voor-

ocr page 492

461

zingen en zijn kmd m slaap sussen, terwijl ik in den strijd met de Ethiopiers roem verwerf, dien mij dan niemand betwisten zal! Hei daar, aankleeders! Brengt mij mijne kleederen en een fik-schen morgendronk! Ik verlang de Perzen te toonen, dat ik de rechte man ben om koning over de Ethiopiërs te zijn. en hen allen in het boogspannei; de baas ben! Nog éene teug! Ik zal het wapen spannen, ook al ware de pees een scheepskabel en de boog een cederboom!quot;'

Dit gezegd hebbende, ledigde hij in een teug een reusachtigen, ten hoorde met wijn gevulden drinkbeker, en begaf zich daarop, in het volle bewustzijn zijner geweldige kracht, en overtuigd van zijne aanstaande zegepraal, naai- den slottuin, waar al de grooten van het rijk den koning wachtten, en hem met luid gejuich ontvingen, den grond met het voorhoofd beroerende. Tusschen de geschorene hagen en rechtlijnige boomrijen waren in der haast staken opgericht, met scharlaken reepen aan elkaar gebonden. Aan gouden en zilveren ringen wapperden van den top dier staken 100de, gele en donkerblauwe vanen1). Talrijke banken van verguld hout waren in een wijden kring gerangschikt, en noodigden de aanwezigen uit, cm zich neder te zetten, terwijl vlugge schenkers in gouden vaatwerk wijn aanbrachten, dien zij allen, die tot het spannen van den reuzenboog hier verzameld waren, aanboden.

Op een wenk van den koning rezen de Achaemeniden uit hunne eerbiedige houding op. Hij monsterde allen met zijne blikken, en scheen aanstonds veel vroolijker gestemd, toen hij bemerkte, dat Bartja afwezig was. Nu stelde Prexaspes den monarch het Ethiopische wapen ter hand, en toonde'hem eene, op vrij grooten afstand opgerichte schijf. Cambyzes lachte over de grootte van den boog, woog dien met de rechterhand, en verzocht de aanwezigen hun geluk vóór hem te beproeven. Hij overhandigde den boog het eerst aan den grijzen Hystaspes, als zijnde de aanzienlijkste der Achaemeniden.

Terwijl eerst deze, vervolgens de hoofden der zes andere voornaamste Perzische geslachten tevergeefs al hunne krachten uitputten, om het ontzaglijke wapen te spannen, ledigde de koning beker op beker, en werd des te vroolijker, hoe minder het een hunner gelukken mocht, aan do door den Ethiopischen koning gestelde voorwaarden te voldoen. Eindelijk kwam de beurt aan Darius, die beroemd was om zijne vaardigheid in het spannen van den boog. Maar, ofschoon hij al zijn krachten verzamelde, brachte hij liet niet verder, dan dat hij het ijzerharde hout éen vinger breed deed buigen. De koning knikte hem vriendelijk toe, en riep, met trotschen blik zijne bloedverwanten en grooten

1

De Perzische kleuren.

ocr page 493

402

aanziende: »Geef mij thans den boog, Darius! Ik zal u toonen, dat er slechts éen in Perzië leeft, die den naam van koning verdient, dat slechts éen berekend is, om tegen de Ethiopiërs te vechten, dat slechts Óen bij machte is, dezen boog te spannen!quot;

Nu vatte hij het wapen aan, omvatte het hout met de linkeren de vingerdikke pees van leeuwendarmen met de rechterhand, haalde diep adem, kromde den breeden rug en trok, en trok, en raapte al zijne krachten samen, en spande al zijne spieren, lot zij gevaar liepen vaneen te rijten en de aderen op zijn voorhoofd dreigden te springen, en werkte zelfs met de voeten, om het reuzenwerk te volbrengen; — maar alles tevergeefs. Na een kwartier lang zijne krachten op schier bovenmenschelijke wijze te hebben ingespannen, was bij volkomen uitgeput, en hernam het ebbenhout, dat hij veel verder dan Darius had saamgebogen, weder zijn rechten stand, spottende met al de pogingen van dezen reus. Nu wierp de koning het wapen woedend van zich af, en riep: »De Ethiopiër is een leugenaar 1 Geen sterveling heeft ooit dezen boog gehanteerd! Wat mijne armen niet vermogen, kan niemand ter wereld doen! Binnen drie dagen rukken wij naar Ethiopië op. Dan zal ik den bedrieger tot een tweegevecht uitdagen, en u doen zien, wie van ons de sterkste is. Raap den boog op, Prexaspes, en bewaar hem goed, want ik wil den ellen-digen leugenaar met de pees er van verworgen. Dat hout is harder dan ijzer. Wie in staat is het te spannen, hem noem ik volgaarne mijn meester, want hij is voorwaar van beter maaksel dan ik!quot;

Nauwelijks had hij dit gezegd, of Bartja trad in den kring der verzamelde Perzen. Een rijk gewaad omgaf zijne schoone gestalte. Zijn gelaat straalde van geluk en in zijne trekken was te lezen, dat hij zich van zijne kracht bewust was. Vriendelijk groetende, ging hij door de rijen der Achaemeniden, die den geliefden zoon van Cyrus met blijde verwondering verwelkomden, en trad naar zijn broeder toe, kuste diens gewaad, en zeide, hem vrij en onbevreesd in de donkere oogen ziende: ïJk kom een weinig over mijn tijd, en vraag u daarvoor vergeving, mijn doorluchtige heer en broeder. Of ben ik nog terjuister ure gekomen'? Ja, waarlijk, ik zie nog geen pijl in de schijf, en begrijp dus, dat gij. de beste schutter van de wereld, uwe krachten nog niet beproefd hebt! Gij ziet mij vragend aan? Welnu, ik wil u bekennen, dat ons kind mij een weinig heeft opgehouderj. Het popje lachte heden voor het eerst, en lag zoo lief in den schoot zijner moeder, dat ik er de oogen niet van kon afwenden, en niet merkte, dat het intusschen mooi laat werd. — Spot vrij met mijne dwaasheid, ik schaam er mij haast over! En zie nu eens, daar heeft het kleine ding waarlijk de ster van mijn halsketen

ocr page 494

463

gerukt! Welnu, beste broeder, als mijn pijl het middenpunt van de schijf doorboort, zult gij mij zeker wel eene nieuwe schenken. Mag ik het eerst schieten, of wilt gij, mijn koning, een begin maken ?quot;

))Geef hem den boog, Prexaspes!quot; antwoordde Cambyzes, den jongen man nauwelijks met een blik verwaardigende.

Toen Bartja het wapen in de handen bad genomen, en boog en pees zorgvuldig wilde onderzoeken, zeide c!e koning met een smadelijken lach: sik geloof, bij Mithra, dat gij dit wapen, evenals de harten der menschen, met smeekende blikken wilt trachten te vermurwen. Geef Prexaspes den boog maar terug! Het is gemakkelijker met schoone vrouwen en lachende kinderen te spelen, dan met dit wapen, dat met de kracht van mannen spot!quot;

Bij deze op bitteren toon geuitte woorden werd Bartja's gelaat met een blos van toorn en verontwaardiging overtogen. Bijnam den reusachtigen pijl, die vóór hem op den grond lag, zwijgend in de rechterhand, plaatste zich tegenover de schijf, verzamelde al zijne krachten, trok met alle mogelijke inspanning de pees aan, spande den boog, en deed den gevederden pijl de lucht klieven met zulk eene kracht, dat de ijzeren spits diep in het midden van de schijf drong, terwijl de houten schacht aan splinters vloog 1).

De meeste Achaemeniden hieven een luid gejuich aan bij de aanschouwing van dit bewijs van reuzenkracht, terwijl de boezemvrienden van den jongen overwinnaar doodsbleek werden, en zwijgend nu eens den van woede bevenden koning, dan weer den niets kwaads vermoedenden Bart ja aanstaarden. Akelig voorzeker was het, den koning aan te zien. Het was hem, als had de in de schijf gedrongen pijl zijn eigen hart,zijne waardigheid,zijne kracht, zijne eer doorboord. Zijne oogen schoten vuur, terwijl zijne wangen vaalbleek werden, en zijne rechterhand krampachtig den arm van den naast hem staanden Prexaspes omklemde. Deze vermoedde maar al te goed wat de greep van de koninklijke hand beduidde, en zeide zacht tot zichzelven: «Arme Bartja!quot;

Eindelijk gelukte het den koning zijne drift meester te worden. Zonder een woord te spreken wierp hij zijn broeder eene gouden keten toe, beval zijne grooten hem te volgen, verliet den tuin, en begaf zich naar zijne vertrekken, waar hij rusteloos op en neder liep, en zijn wrok in den wijn zocht te smoren. Plotseling scheen bij een bepaald besluit te hebben genomen. Hij gebood al zijne hovelingen, met uitzondering van Prexaspes, de zaal te ver-

1

Dit verhaal is ontleend aan Herodotus, evenals hetgeen er verder volgt. De Perzen waren zeer gesteld op den roem van goede boogschutters te zijn.

ocr page 495

464

laten, en riep dezen, toen de anderen zich verwijderd hadden, met een waanzinnigen blik en heesche stem toe: »])il leven is niet langer uit Ie houden! Ruim gij mij dien vijand uit den weg, en ik zal u mijn vriend en mijn weldoener noemen!quot;

Prexaspes ontstelde hevig, wierp zich voor den monarch ter aarde en hief smeekend de handen tot hem op. Doch Gambyzes had te veel wijn gebruikt, en was te verblind door zijn haat, om dit gebaar van den hoveling te verstaan. Hij meende, dat de gezant met dien voetval zijne onderdanigheid wilde te kennen geven, gaf hem met een wenk te verstaan, dat hij van den grond zou oprijzen, en fluisterde, als vreesde hij zijne eigene woorden te hooren: »Handel spoedig en heimelijk! Niemand buiten u en mij mag, als uw leven u lief is, aangaande den dood van dit troetelkind der fortuin iets weten. Ga en neem, als de daad volbracht is, zooveel uit mijne schatkamer als gij wilt! Maar wees voorzichtig, want de knaap heeft een sterken arm en verstaat de kunst zich vrienden te maken. Bedenk wel, als hij u met zijne gladde tong uw plicht doet verzaken, dat uwe vrouw en kinderen in mijne macht zijn!quot;

De zeggende ledigde hij opnieuw een beker vol onaangelengden wijn, verliet met wankelende schreden het vertrek, en stamelde, terwijl hij Prexaspes den rug toekeerde, alsof hij tot zichzelven sprak, met oen heesche keel en met gebalde vuist: ))Wee over u en de uwen, indien die vrouwenheld, dat gelukskind,dieeer-roover in het leven blijft!quot;

Reeds lang had de koning de zaal verlaten, en nog altijd stond Prexaspes op dezelfde plaats, als ware hij plotseling versteend. De eerzuchtige, maar niet onedele hoveling was verplet door dien vreeselijken hem opgedragen last. Hij wist dat, zoo hij weigerde dezen ten uitvoer te brengen, dood of ongenade hem en de zijnen bedreigde. Maar hij bad Bartja lief, en gruwde bij de gedachte, dat hij zich tot een sluipmoordenaar zon laten gebruiken. Hij had in zijn binnenste een geweldigen strijd te strijden, die nog voortwoedde, lang nadat hij het paleis reeds verlaten had. Op weg naar zijn huis ontmoette hij Gresus en Darius. Hij verborg zich voor hen achter de vooruitspringende poort van een groot Egyptisch huis, want het was hem als moesten zij het hem aanzien, dat hij op het punt was hel pad der misdaad te betreden. Toen de twee mannen voorbijgingen, hoorde hij Gresus zeggen: »Ik heb den voortreflelijken jongeling bitter verweten, dat hij zoo ontijdig zijne krachten heeft getoond, en wij inoeten inderdaad de goden danken, dat Gambyzes in een aanval van razernij zich niet aan hem vergrepen heeft. Hij heeft thans aan mijn raad gehoor gegeven, en is met zijne vrouw naar Saïs geweken. Hij moet in den eerste dagen den koning maar niet onder de oogen

ocr page 496

465

komen; de wrok van Canibyzes mocht eens opnieuw ontwaken, en een dwingeland vindt ten allen tijde gewetenlooze dienaren....quot;

Bij deze laatste, nog ter nauwernood voor Prexaspes verstaanbare woorden kromp hij van schaamte ineen, als Lad Cresus hem reeds in het aangezicht dezen schandelijken moord verweten; hij besloot, wat er ook de gevolgen van mochten zijn, zich rein te houden van het bloed van zijn vriend. Nu trad hij weder met opgerichten hoofde voort, tot hij hel huis bereikte, dat hem lot verblijf was aangewezen. Aan den ingang huppelden hem zijne twee zonen te gemoet. Zij waren voor een oogenblik uil de speelplaats der jonge Achaemeniden, die als altijd het leger waren gevolgd, weggeslopen om liun vader te begroeten. Met eenebuitengewone ontroering, van welke hij zichzelven geene rekenschap kon geven, drukte hij de schoone kinderen aan zijn hart, en omarmde hen nogmaals, toen zij zeiden naar de speelplaats te moeten terugkeeren, zoo zij geene straf wilden oploopen. In zijne woning vond hij zijne meest geliefde vrouw, met haar jongste kind. een aanvallig meisje, op den schoot spelende. Zoodra hij haar zag werd hij bij vernieuwing dooi- die onverklaarbare ontroering aangegrepen. Hij bedwong haar echter, om dei-geliefde vrouw zijn geheim niet te verraden, en zonderde zich ijlings in zijn vertrek af.

Intusschen was het nacht geworden. Tevergeefs poogde hij den slaap te vatten; onophoudelijk wentelde hij zich op zijn leger heen en weder, gefolterd door de ijselijke gedachte, dat zijne weigering om aan 's konings verlangen te voldoen, ook zijne vrouw en kinderen in het verderf zou sleepen. Ten laatste had hij de kracht niet meer bij zijn edel voornemen te volharden, en hetzelfde woord van Cresus, dat een beter gevoel in zijne borst de zege had doen behalen, bracht de stem van zijn geweten thans tot zwijgen. »Een dwingeland vindt ten allen tijde gewetenlooze dienaren!quot; Hierin lag eene beschuldiging tegen hem opgesloten, ja, maar het gaf tevens te kennen, dat, zoo hij den koning ook al trotseerde, honderd anderen bereid zouden zijn diens bevel ten uitvoer te brengen. Nauwelijks was hem deze waarheid volkomen duidelijk geworden, of hij sprong van zijn leger op, onderzocht de dolken, die in geregelde orde boven hem waren opgehangen, en legde den scherpsten op het voor hem staande tafeltje. Daarop liep hij de kamer in gepeins op en neder, telkens naar het venster gaande, om te zieu of het niet begon te lichten, en om zijn gloeiend voorhoofd af te koelen.

Toen eindelijk de duisternis van den nacht had plaats gemaakt voor het heldere morgenlicht, en de klank van het metalen bekken, dat de knapen tot het ochtendgebed opriep, hem opnieuw aan zijne zonen herinnerde, onderzocht hij bij vernieuwing de

30

ocr page 497

460

scherpte van zijn dolk. Toen eenige rijkgetooide hovelingen, die op weg waren naar den koning, zijne woning voorbijreden, bevestigde bij het wapen aan zijn gordel. Toen ten laatste het vroolijk lachen van zijn jongste kind uit bet vrouwenvertrek tot hem doordrong, zette hij met zekere baast zijn tulband op, en ging, zonder zijne vrouw vaarwel te zeggen, door verscheidene slaven vergezeld naar den Nijl, wierp zich daar in eene boot, en beval den roeiers hem dadelijk naar Saïs te brengen.

Eenige uren na het noodlottige boogschot had Bartja, gehoor gevende aan den raad van Cresus, zich met zijne jong ' vrouw naar Saïs begeven. Daar vond hij Rhodopis, die naar Saïs was gegaan, in plaats van naar Naucratis terug te keeren. Een onverklaarbaar angstig voorgevoel had de oude vrouw daarheen doen trekken. Na dat pleiziertochtje was Bartja gevallen, gelijk wij weten, en met eigen oogen had zij gezien hoe een uil, van de linkerzijde komende, dicht langs zijn boofd was voorbijgevlogen. Waren deze slechte voorteekens reeds meer dan voldoende om baar hart, dat nog niet geheel verheven was boven het bijgeloof van dien tijd, te verontrusten, en in baar den wensch te doen oprijzen, in de nabijheid van het jeugdig echtpaar te blijven, de daaraan volgende nacht, in welken zij door allerlei verwarde droomen als bestormd werd, bracht haar besluit tot rijpheid, om te Saïs bare kleindochter op te wachten.

Het vorstelijke paai' verheugde zich hartelijk over de lieve onverwachte gast, en voerde Rhodopis, nadat deze haar achterkleindochter, die den naam Parmys ') droeg, naar hartelust geliefkoosd had, in de voor baar bestemde vertrekken. Het waren dezelfde, waar de ongelukkige Tacbot de laatste treurige maanden van haar leven had doorgebracht. Met aandoening beschouwde Rhodopis al die kleine voorwerpen, die niet alleen de kunne en den leeftijd der overledene, maar ook hare neigingen en haar gemoedstoestand verrieden. Op de kleedtafel stonden een aantal zalfpotjes en fleschjes 1) met reukwerk, blanketsel en oliën. In eene doos 2) die met verrassende juistheid de gedaante eenerNijl-

1

In alle musea, o. a. in het Leidsche, te vinden. De gBdenkteekenen leeren, dat de Egyptenaren reeds in zeer vroegen tijd zich op allerlei wijze zalfden. De oogzalf, mestem, vinden wij reeds onder de 12e dynastie. De mummiën bewijzen, dat de hedendaagsche gewoonte om de nagels te verven, reeds in den tijd der pharao's bestond. Welriekende haarlokken waren een eerste vereischte voor eene schoone vrouw.

2

Het Leidsche museum bezit een exemplaar van zulk eene doos.

ocr page 498

467

gans vertoonde, en in eene andere, op welker eene zijde eene luitspeelster was geschilderd, werden eenmaal de rijke gouden sieraden van de koningsdochter bewaard. Die metalen spiegel, welks handvat eene sluimerende jonkvrouw voorstelde '), had meermalen het schoone, zacht blozende gelaat der afgestorvene weerkaatst. Het geheele meubilair van het vertrek, van het sierlijke rustbed, door leeuwenklauwen gedragen, tot de uit elpenbeen kunstig gesneden kammen, die op de kleedtafel lagen, bewezen, dat de vroegere bewoneres dezer vertrekken met haar geheele hart aan de uitwendigheden des levens was gehecht geweest. Het gouden sistrum en de kunstig bewerkte nabla, waarvan de snaren voorlang reeds gesprongen waren, getuigden van de li jfde Jar koningsdochter voor de muziek, terwijl het in een hoek liggende gebrokene elpenbeenen spinrokken en eenige begonnen netten van koralen 1) bewezen, dat zij ook niet afkeerig was geweest van vrouwelijken arbeid.

Met een weemoedig welgevallen beschouwde Rhodopis al deze voorwerpen. In hare verbeelding maakte zij zich uit deze gegevens eene voorstelling van het Egyptische leven, die slechts weinig van de waarheid afweek. Eindelijk ging zij, door nieuwsgierigheid en belangstelling gedreven, naar eene groote beschilderde kist, en opende het lichte deksel ervan. Dadelijk viel haar oog op eenige gedroogde bloemen; daarop ontdekte zij een bal, die door eene bekwame hand in sinds lang reeds verdroogde rozebladeren was gewikkeld; vervolgens zag zij eene menigte amuletten van onderscheidene gedaanten, waarvan sommige de godin der waarheid voorstelden, terwijl andere bestonden uit met toovei'spreuken beschreven papyrusblaadjes, die in een gouden doosje waren geborgen. Eindelijk zag zij eenige met Grieksche letters geschrevene brieven. Zij kon de verzoeking niet weerstaan die in handen te nemen, en bij het schijnsel der lamp te lezen. Het waren brieven door Nitetis uit Perzië geschreven aan hare gewaande zuster, van wier ziekte zij geene kennis droeg. Toen Rhodopis deze brieven weer nederlegde, baadden hare oogen in tranen. Het geheim der overledene lag thans voor haar open en bloot. Nu wist zij, dat Tachot Bartja bemind had, dat zij die verlepte bloemen van hem ontvangen, en dien bal, als eene gedachtenis aan het oogenblik, waarin hij haar dezen toewierp, in rozen gewikkeld had. De amuletten waren voorzeker bestemd geweest, of om haar krank hart

1

Op de musea vindt men bij de mummiën allerlei vlechtwerk van koralen. Kapitein Henveys vond eenige jaren geleden een kolossale koraal, waarop een hiëroglyphisch opschrift was gesneden.

ocr page 499

468

lc genezen, óf om in de borst van den koningszoon wederliefde op te wekken en aan te kweeken.

Toen zij ten laatste deze brieven op hunne oude plaats wilde nederleggen, en eenige doeken, die den bodem der kist schenen te bedekken, met de hand aanraakte, bespeurde zij, dat zij een hard, rond voorwerp verborgen. Zij lichtte ze dus op, en vond nu eene kleine buste van gekleurd was, welke Nitetis voorstelde, en zoo volkomen geleek, dat Rhodopis een kreet van verbazing niet kou onderdrukken, en gedurende geruimen tijd de oogen van dit meesterstuk van Theodorus den Samier niet afkon wenden. Eindelijk begaf zij zich ter ruste en sliep spoedig in, hare laatste gedachten aau het ongelukkige lot der Egyptische koningsdochter wijdende.

Den volgenden morgen trad zij den tuin in, dien wij bij het leven van Amasis reeds eenmaal bezochten, en vond daar in een prieel van wijngaardloof hen, die zij zocht. Sappho zat op een fijn gevlochten stoel. In haar schoot lag haar zuigeling, geheel naakt. Het kindeke strekte de mollige handjes en voetjes nu eens naar zijn vader, die voor de jonge vrouw lag neergeknield, dan naar zijne moeder uit. Als de vingertjes van het wichtje bij wijle verdwaald raakten in de lokken of den baard van den jongen held, trok hij zijn hoofd zachtkens terug, om de kracht van de kleine te meten en haar het gevoel te geven, als had zij duchtig huisgehouden in zijne haren. Als de spartelende voetjes zijn gezicht raakten, nam hij ze in de hand en kuste de roode, fijn gevormde teentjes en voetzolen, die nog zoo zacht en teeder waren als de wangen eener maagd. Als de kleine Parmys een zijner vingers omklemde, deed hij alsof hij zijne hand niet los kon krijgen, en hield hij niet op de mollige schouders, óf de kuiltjes in de ellebogen, óf het blanke rugje van het aanvallige schepseltje te kussen.

Sappho genoot onuitsprekelij k in de aanschouwing van dit onschuldig spel, en beproefde de aandacht van het kind uitsluitend op den vader te vestigen. Af en toe boog zij zich over de kleine heen, om een kus te drukken op het gevulde halsje of op de koraal-roode lipjes, en dan gebeurde het wel eens, dat haar voorhoofd in aanraking kwam met de lokken van haar echtvriend, die dan geregeld den voor het kindje bestemden kus van hare lippen stal.

Rhodopis was eenige oogenblikken ongemerkt getuige van dit schuldelooze spel. Met tranen in de oogen bad zij de goden, dit onuitsprekelijke reine geluk toch niet te verstoren. ïen laatste trad zij nader, riep beiden een opgeruimd «goeden morgenquot; toe, en prees de oude Melitta voor hare trouwe zorg, daar zij, met een groot zonnescherm gewapend, gekomen was om de kleine

ocr page 500

469

Parmys te slapen te leggen en aan het blakerende zonnelicht te ontrekken. De oude slavin was tot eerste voedster van de vorstelijke zuigeling aangesteld, welk ambt zij met de uiterste nauwgezetheid en met eene koddige waardigheid bekleedde. Zij had de oude stramme leden in een rijk Perzisch gewaad gestoken, en voelde zich onbeschrijfelijk gelukkig nu zij bevelen mocht uitdeelen, iets dat haar nog nooit was overkomen, terwijl zij de vele onder haai- staande slavinnen met eene nederbuigende goedheid bejegende en onoplioudelijk in beweging hield.

Sappho volgde de oude dienstmaagd op den voet, na nog haar molligen arm om den hals van haar man geslagen en hem op vleienden toon in liet oor gefluisterd te hebben: »Zeg toch alles aan grootmoeder en vraag haar, ol' zij u ge lijk geeft!quot;

Voor dat Bartja haar kon antwoorden, had zij hem op den mond gekust, en was zij do statig voortstappende Mel it Ja nagesneld.

De koningszoon zag haar lachend na, en vergat een oogenblik het bijzijn der eerwaardige vrouw, weggesleept door zijne bewondering van haar zwevenden tred en hare schoone gestalte Spoedig echter bezon hij zich, en vroeg, Rhodopis aanziende; »Vindt gij ook niet, dat zij den laatsten tijd grooter is geworden'?quot;

))Dat schijnt maar zoo,quot; was het antwoord. »Als maagd heeft de vrouw zeker iets eigenaardigs en bekoorlijks: doch eerst do moedernaam schenkt haar de rechte waardigheid. Als moeder raag zij 't hoofd met meer fierheid oprichten. Wij meenen dan, dat zij lichamelijk grooter is geworden, terwijl zij zich slechts door het bewustzijn, aan hare bestemming beantwoord te hebben, innerlijk veredeld voelt!quot;

s.Ta, ik geloof dat zij gelukkig is,quot; zeide Bartja. «Gisteren voor het eerst verschilden wij van zienswijze. ïoen zij ons daareven verliet, verzocht zij mij ons geschil aan uw oordeel te onderwerpen, 't geen ik volgaarne doe, daar ik uwe wijsheid en ondervinding even hoog schat, als ik haar om hare kinderlijke onervarenheid liefheb.quot;

En nu verhaalde Bartja haar de geheele toedracht van de noodlottige geschiedenis met den boog, en eindigde aldus : »Cresus berispte mijne onvoorzichtigheid; maar ik ken mijn broeder, en weet dat hij, ja, in zijn toorn tot iedere daad van geweld in staat is, en dat het niet te verwonderen zou geweest zijn als hij mij op het oogenblik zijner nederlaag vei'moord had ; maar wanneer zijn toorn een weinig heeft uitgewoed, dan zal hij mijne vermetelheid vergeten, en er slechts naar streven mij in het vervolg door edele daden te overtreffen. Ken jaar geleden was hij verreweg nog de beste schutter in geheel Perzië, en dat zou hij nog zijn, als zijne reuzenkrachten door zijne onmatigheid en door

ocr page 501

470

die booze krampen niet zooveel geleden hadden. Ik daarentegen gevoel, dat mijne krachten met den dag toenemen.'

Waarachtig geluk,quot; viel Rhodopis den jongen man in de rede, «verstaalt de armen van den man, gelijk het de schoonheid dei-vrouw verhoogt; terwijl onmatigheid en kwalen lichaam en ziel ' zekerder sloopen dan ziekte en ouderdom. Neem u in acht voor uw broeder, mijn zoon, want even goed als zijn oorspronkelijk zoo krachtige arm kon verlammen, kan zijne van nature edele ziel haar adeldom verliezen. Vertrouw op mijne ervaring : deze heeft mij geleerd, dat hij, die de slaaf van éen boozen haits-tocht is geworden, zeer zelden zijne andere driften meester blijft. Buitendien valt het geen mensch zwaarder eene vernedering te dragen dan hem, die zedelijk daalt en zijne krachten voelt afnemen. Nog eens, neem u in acbt voor uw broeder, en vertrouw eer de waarschuwende stem der ervaring, dan uw eigen hart, dat zoo gaarne ieder ander hart voor edel en rein houdt, wijl het zichzelf bewust is edel en rein te zijn.quot;

»Deze woorden,quot; antwoordde Bartja, «doen me begrijpen, dat nij het met Sappho volkomen eens zult zijn. Zij heelt mij toch gebeden, hoe zwaar het haar ook moge vallen van u te scheiden, Egypte te verlaten en met haar naar Perzië te trekken. Zij denkt dat Camhyzes, als hij mij niet meer ziel en mets van mij hoort, zijn wrok vergeten zal. Maar ik houd hare bezorgdheid voor mijne veiligheid voor ongegrond, en zou mij zeiven niet gaarne het genoegen ontzeggen, om den veldtocht tegen de Ethio-piërs mede te maken ....quot; , , • j

»En ik,quot; viel Bhodopis hem nogmaals in de rede, »mau dringend haar raad, die door eene juiste beoordeeling der omstandigheden en door oprechte liefde is ingegeven, te volgen. Be goden weten hoezeer mij de scheiding van u zal smarten, maai toch roep ik u duizend en duizendmaal toe; Keer naar 1 erziö teruf en bedenk, dat slechts dwazen hun leven en hun geluk doelloos op het spel zetten! — Be oorlog tegen de Ethiopiërs is het ontwerp van een waanzinnige, want gij zult met te strij-den hebben met de zwarte bewoners van het zuiden, maai niet hitte, dorst, en al de verschrikkingen der woestijn. Bit geldt den voorgenomen veldtocht in het algemeen; wat u n het bijzonder betreft, bedenk, dat gij uw geluk en dat der uwen vergeefs op het spel zet, wanneer er geen krijgsroem te behalen is: dat gij daarentegen, zoo gij u weder mocht onderscheiden, slechts den toorn en de ijverzucht van uw broeder opnieuw zoudt prikkelen. Ga naar Perzië, en wel zoo spoedig mogelijk .

.Tuist wilde Bartja beproeven de drangredenen der schrandere vrouw te ontzenuwen, toen Prexaspes met een bleek gelaat naai hem toekwam.

ocr page 502

471

Na de gewone begroetingen en vragen fluisterde de gezant den jongeling in het oor, dat hij hem alleen wenschte te spreken, en toen Rhodopis zich verwijderd had, zeide hij, in zijne verlegenheid met deringen van zijn rechterhand spelende: ))De koning zendt mij tot u. Gij hebt hem gisteren zeer verbitterd door uw kracht te toonen. Hij wil u den eersten tijd niet zien, en beveelt u daarom naar Arabic te reizen, en daar zooveel kameelen 1) te koopen, als er maar te krijgen zijn. Deze dieren, die langen tijd dorst kunnen lijden, moeten het wateren de levensmiddelen medevoeren voor onze legers, als wij naar Ethiopië trekken. Onze reis duldt geen uitstel. Neem afscheid van uw vrouw en zorg, — aldus luidt 's konings bevel — datgij vóór de nacht valt tot vertrekken gereed zijt. Gij zult tenminste éene maand uitblijven. Ik vergezel u tot Pelusium. Intusschen wenscht Cassandane, uwe vrouw en uw kind in hare nabijheid te hebben. Gelast Imn zoo spoedig mogelijk naar Memphis te gaan, waar zij, onder de hoede van 's konings edele moeder, het veiligst zullen zijn.quot;

Bartja had Prexaspes aangehoord, zonder dat het hem was opgevallen, dat de gezant zoo kortaf sprak, als aarzelde hij zijn last te volbrengen. Hij verheugde zich over de schijnbare gematigdheid van zijn broeder en over dit bevel, dat hem verder allen twijfel benam betreffende zijn al ot niet terugkeeren naar Perzië. Hij reikte zijn gewaanden vriend de hand ten kus, en noodigde hem uit hem in zijn paleis te volgen. Toen het koeler begon te worden, nam hij van Sappho en het kind, dat op Melitta's armen sliep, een kort maar hartelijkafscbeid, beval zijne vrouwzoo spoedig mogelijk naar Cassandane te vertrekken, riep zijne schoonmoeder nog schertsend toe, dat zij zich ditmaal in de beoordeeling van een mensch, namelijk van zijn broeder, toch zeer vergist had, en wierp zich in den zadel.

Toen Prexaspes zijn paard wilde bestijgen, fluisterde Sappho hem in: »Pas toch goed op hem, en herinner den waaghals, dat hij vrouw en kind heeft, zoo hij zich soms noodeloos in gevaar mocht willen begeven !quot;

»Te Pelusium moet ik hem reeds verlaten,quot; antwoordde de gezant, terwijl hij, om de blikken van de jonge vrouw te ontwijken, zich hield als herstelde hij iets aan het tuig van zijn paard.

süan mogen de goden hern beschermen !quot; riep Sappho, de ge-

1

Op de oude gedenkteekeuoii vindt men geeue afbeeldingen van kameelen, terwijl het bekend is dat de Arabieren en Perzen zeer veel gebruik maakten van deze dieren, die tegenwoordig ook aan den Nijl onmisbaar zijn geworden. Toch was de kameel daar ook in de oudheid bekend, maar het schijnt dat de alheelding van dit dier, evenals van den haan, verboden was.

ocr page 503

liefde hand van tien vertrekkende vattende en uitbarstende in tranen, die zij vruchteloos beproefde terug te houden.

En hij, zijne anders zoo moedige gade ziende weenen, werd évenzeer door zekere tot nog toe hem onbekende ontroering aangegrepen. Liefderijk boog hij zich tot haar neder, sloeg zijn krach-iigen arm om haar middel, hief haar tol zich op en drukte haar, terwijl haar voet op den zijnen rustte, aan zijn hart, als moest hij voor eeuwig afscheid van haar nemen. Daarop liet hij haar met vasten arm zacht op den grond neder, nam nog eens zijn kind bij zich in den zadel, om het te kussen en schertsend op hot hart te drukken, dat hot zoet moest zijn. ïoen riep hij Rho-dopis nog een hartelijk woord tot afscheid toe, en vloog, zijn hengst de sporen gevende, zoodat het edele dier, steigerende vooi t-galoppeerde, door Prexaspes gevolgd, de poort van het paleis der pharao's uit.

Nauwelijks was het geluid van den hoefslag der paarden in de verte weggestorven, of Sappho wierp zich aan de borst van hare grootmoeder, en weende lang onafgebroken, in weerwil van de ernstige vermaningen en de strenge berisping van de oude vrouw.

ocr page 504

N E G E N 1) E HO O F D S T IT K.

Op den morgen van den dag volgende op dien van Bailja's zegepraal, had Gambyzes zulk een hevigen aanval van zijne ziekte gehad, dat hij acht en veertig uur lang, krank naar geest en lichaam, zijne kamer moest houden, en nu eens geheel uitgeput neerlag, dan weer als een bezetene woedde. Toen hij eindelijk oigt; den derden dag weder tot zijn bewustzijn kwam, herinnerde hij zich aanstonds het verschrikkelijke bevel, waaraan Prexaspes nu waarschijnlijk reods gevolg had gegeven. Hij sidderde bij deze gedachte, gel.jk hij nog nooit te voren gesidderd had, liet oogen-blikkelijk den oudsten zoon van den gezant, die den eerepost van schenker bij hem bekleedde, komen, en vernam van dezen, dat zijn vader zonder afscheid te nemen Memphis verlaten had. Dan ontbood hij Darius, Zopyrus en Gyges, die gelijk hij wist door banden der innigste vriendschap aan Bart ja verbonden waren, en vroeg hun hoe het met hun vriend was. Van dezen vernam hij, dat zijn broeder zich te Saïs ophield. Terstond zond hij het drietal daarheen, hun gelastende Prexaspes, indien zij dezen mochten ontmoeten, zonder verzuim naai' Memphis terug te zenden. De jonge Achaemeniden beproefden tevergeefs, zich het zonderlinge gedrag en de drift van den koning te verklaren. Desniettemin gingen zij oogenblikkelijk op reis, vreezende dat er iets gebeurd of op til mocht zijn. dat niet goed was.

Intusschen had Gambyzes rust noch duur; in stilte verwenschte hij zijne dronkenschap en gebruikte dien dag geen druppel wijn. Toen hij in don tuin van het paleis der pharao's zijne moeder ontmoette, ontweek hij haar, want hij gevoelde dat hij haar blik niet zou kunnen verdragen.

Ook de volgeiide acht dagen verstreken, zonder dat Prexaspes terugkeerde en schenen hem wel een jaar toe. Honderdmaal ontbood hij zijn schenker, altijd om hem te vragen of zijn vader nog niet tehuis was gekomen, en telkens was het antwoord ontkennend. Toen op den dertienden dag de zon op het

ocr page 505

474

punt was van ouder ie gaan, liet Cassandane liorn verzoeken tot haar te komen. Nu begaf hij zich haastig naar de vertrekken van do eerbiedwaardige vrouw, want hij verlangde vurig haar aangezicht te zien. Het was hem, als moest haie aanschouwing hem do verloren zielsrust wedergeven.

Nadat hij de oude vrouw begroet had, met eene toederheid, die te verrassender voor haar was, daar zij van hom zulk eene hartelijkheid niet gewoon was, vroeg hij haar, wat zij van hem begeerde en vernam nu, dat Bartja's vrouw onder zeer bijzondere omstandigheden tot haar was gekomen, en den wensch had uitgesproken hem een geschenk aan te bieden. Dadelijk liet hij haar komen, en hoorde van haar, dat Prexaspes aan haarechl-genoot het bevel had overgebracht, om naar Arabië te reizen, en haar uit naam van Cassandane, had uitgenoodigd naar Memphis te komen. De koning werd doodelijk bleek en zag de schoono vrouw van zijn broeder aan met een gelaat, dat onmiskenbaar eene geweldige ontroering verried. De jonge Griekin gevoelde, dat er in de koning iets buitengewoons omging, en kon, door vreeselijke vermoedens beangstigd, slechts met bevende handen het geschenk aanbieden, dat zij voor hem had medegebracht.

»Mijn echtgenoot zendt u dit!quot; zeide zij, op de in een kunstig bewerkt kistje besloten wassen beeltenis van Nitetis wijzende.—

Rhodopis had haar geraden juist dit als een geschenk ter verzoening, uit Bartja's naam, den vertoornden broeder aau te bieden.

Cambyzcs gaf het kistje, waarvan de inhoud hem weinig belang scheen in te boezomen, aan een eunuch over, sprak zijne schoonzuster eenigo woorden toe, die eene dankbetuiging moesten beteokenen, en verliet daarop oogonblikkelijk het vrouwenverblijf, zonder zelfs naar Atossa te vragen, die hij geheel schoon te zijn vergeten. Hij had gedacht en gehoopt, dat het bezoek hem goed doen en lot kalmte brengen zou, maar Sappho's medodee-lingen haddon hem de laatste hoop en voor altijd zijne rust ontnomen. Prexaspes moest don moord reeds begaan hebben, of kon ieder oogonblik, misschien op datzelfde tijdstip don dolk ophollen, om dien in do borst van den jongeling te stooten. Hoe zou hij na Bartja's dood voor zijne moeder durven verschijnen'.' Wat zou hij haar, en op de vragen van de lieve vrouw, die hem met hare groote oogen zoo angstig had aangezien, antwoorden'.'

Eene huivering greep hem aan, als eene inwendige stem hem toeriep, dat de moord aan zijn broeder gepleegd, eene daad van lafheid on vrees, eene onnatuurlijke en snoode daad zou worden genoemd. De gedachte een sluipmoordenaar te zijn schoon hem onverdraaglijk. Zonder gewetenswroeging had hij reeds menigeen ter dood laten brengen, maar altijd óf in een eerlijken strijd, ól voor het oog van de geheelo wereld. Hij was koning, on wat

ocr page 506

475

hij deed was goed. Had hij met eigen hand Barlja neergeveld, zoo zou hij zijn geweten wel tot zwijgen hebben gebracht; maar nu hij bevel had gegeven hem heimelijk uit. den weg te ruimen, hem in stilte te vermoorden, zijn voortreffelijken broeder, die zoo vele bewijzen gaf van mannelijken moed, waardoor hij den hoog-sten roem had ingeoogst, nu folterde hem de schaamte, nu knaagde hem het berouw quot;dat hij lot nog toe nooit had gevoeld. Hij was verbitterd op zichzelven over zijne onmatigheid en schandelijke willekeur. Hij begon zichzelven te verachten. De overtuiging, dat, hij altijd slechts datgene wilde en volbracht wat billlijk en recht, was, verliet hem, en het was hem thans, als waren al de op zijn bevel gedoode menschen, evenals Bartja, onschuldige slachtoffers van zijne woede geweest. Om deze gedachten, die van oogenblik tot oogenblik ondraaglijker werden, te verdrijven, greep hij opnieuw naar het bedwelmende druivensap. Doch ditmaal kon de dronkenschap de wroeging niet uit zijne ziel verbannen. Zij werd de bron van nieuw lichaams- en zielslijden. Zijn door hel onmatig wijndrinken en de vallende ziekte ondermijnd lichaam dreigde thans te zullen bezwijken onder de menigvuldige heftige aandoeningen dor laatste maanden. Nu eens verstijvende van koude, dan weei gloeiende van eene ondraaglijke hitte, was hij eindelijk gedwongen zich op zijn leger neer te werpen.

Toen men hem ontkleedde, schoot hem te binnen, dat hij een geschenk van zijn broeder had ontvangen. Oogenblikkelijk deed hij het kistje halen, en beval den uitkleeders hem alleen te laten. Zoodra hij liet Egyptische schilderwerk van het kistje zag, kon hij niet nalaten aan Niletls te denken, en zich af te vragen, wat de overledene wel van zijne gepleegde euveldaad zou hebben gezegd. Billend van koorts, en met een beneveld brein boog hij zich over het kistje, nam er de schoone uit was gevormde buste uit, en staarde met ontzetting in de onbeweegelijke glazige oogen van het beeldje. De gelijkenis was zoo treffend, en zijn verstand door den wijn en de koorts zoo verzwakt, dat hij onder den invloed eener betoovering waande ie verkeeren. Toch was het hem niet mogelijk den blik van die dierbare trekken af te wenden. Plotseling kwam het hem voor, dat het, beeldje de oogen bewoog. Een doodelijke angst maakte zich van hem meester. Mot kracht slingerde hij het kopje dat voor hem scheen te leven, tegen den wand, zoodat het holle, broze was in duizend stukken vloog, en viel daarop steunend op zijn bed neder. — Van dat oogenblik nam de koorts onophoudelijk in hevigheid toe. Wakend droo-mende meende de ongelukkige den verbannen 1'hanes te zien, dii-een Grieksch straatliedje zong, en hem zoo schandelijk bespotte, dat hij zijne vuisten balde van toorn. Dan zag hij Gresus, zijn vriend en raadsman. Deze dreigde hem, en riep hem weder de-

ocr page 507

zelfde woorden toe, waarmede hij hem, toen hij om de gewaande liefde van Nitetis Bartja had willen vonnissen, gewaarschuwd had: »Wacht n wel het bloed van een broeder te vergieten! Want weet, dat. de dampen daarvan ten hemel opstijgen en tot wolken worden, die al de dagen van den moordenaar verduisteren, en eindelijk den bliksem der wrake op hem nederslingeren!quot;

En in zijne verhitte verbeelding werd dit werkelijkheid. Hij dacht, dat uit de zwarte wolken bloed op hem nederstroomde, en deze afschuwelijke regen zijne kleederen en handen bevochtigde. Toen het eindelijk weder droog was, en hij naar den Nijl ging om zich te reinigen, trad Nitetis hem te gemoet, met dien liefelijken gilmlach op de lippen, waarmede Theodorus haar had voorgesteld. Getrotfen door dit heerlijk visioen, wierp hij zich voor haar neder en vatte hare hand. Nauw had hij ze aangeraakt, of aan iederen harer fijne vingertoppen vertoonde zich een bloeddruppel, en met afgrijzen keerde de schoone maagd hem nu den rug toe. Cambyzes smeekte de verschijning hem vergiffenis te willen schenken, en tot hem terug te keeren; doch zij liet zich niet verbidden. Nu ontbrandde zijn toorn, hij dreigde haar met zijne ongenade, ja met de vreeselijkste straffen. Toen Nitetis zijn dreigen met een zacht spottend lachen beantwoordde, ontzag hij zich niet zijn dolk naar haar te werpen. En zie, daar viel de verschijning in duizend stukken, gelijk kort te voren het wassen beeld tegen den wand verbrijzeld was; maar het lachen duurde voort, en klonk al luider en luider, en onderscheidene stemmen werden vernomen, die als met elkaar wedijverden in het bespotten van den ongelukkigen koning. Die van Bartja en Nitetis klonken boven al de andere uit, en schenen hem de bitterste verwijten te doen. Maar hij kon deze akelige stemmen niet langer aanhooren, en stopte de ooren dicht. Toen dit niet baatte, bedolf hij zijn hoofd in het braiidend heete zand der woestijn, dan dompelde hij het in de Nijl, daarop weder in den gloed, dan andermaal in het ijskoude water, tot hij niets meer zag en hoorde. Toen hij ontwaakte, kon hij zich geen begrip vormen van de werkelijkheid. Het was avond toen hij zich te bed begaf, en hij zag thans aan de zon,-die zijn rustbed met haar laatste stralen verguldde, dat het niet dag was, gelijk het naar hij meende moest wezen, maar bijkans nacht. Hierin kon hij zich niet bedriegen, want hij hoorde het lied der priesters, die den scheidenden Mithra den laatsten groet toezongen.

Nu bemerkte hij ook, hoe zich achter een gordijn, dat men aan het hoofdeinde van zijn leger had aangebracht, verscheidene men-schen bewogen. Hij wilde oprijzen, doch voelde dat hem de kracht daartoe ontbrak. Na lang te vergeefs beproefd te hebben de werkelijkheid van den droom, en den droom van de werkelijk-

ocr page 508

lieid te onderscheiden, riep hij zijne aankleeders. »-ti de andere hovelingen, die bij zijn opstaan tegenwoordig plachten te wezen. Dadelijk traden deze binnen, gevolgd door zijne moeder, Prexaspes, vele geleerde magiërs en eenige hem onbekende Egyptenaren, van wie hij vernam, dal hij weken lang met eene hevige koorts had geworsteld, en slechts door de bijzondere bescherming der goden, de kunst der geneesmeesters en de onvermoeide zorg zijner moeder van den dood was gered geworden. Eerst zag hij Cassandane, dan Prexaspes vragend aan, en verloor toen weder het bewustzijn, om echter den volgenden morgen na een verkwikkenden slaap met nieuwe krachten te ontwaken.

Vier dagen later was hij sterk genoeg, om in een leuningstoel te zitten, en Prexaspes betreflende de zaak, die zijn geest uitsluitend bezig hield, te ondervragen. De gezant wilde, met het oog op de zwakheid van zijn vorst, een ontwijkend antwoord geven : doch als Cambyzes zijne vermagerde hand dreigend ophief, en hem met den nog altijd stratïen blik van zijn oog aanzag, aarzelde Prexaspes niet langer, maar zeide. in de meening dat hij den koning een blijde tijding ging mededeelen; sVerheugt u, mijn vorst! De jongeling, die het waagde u den roem te bel wisten, is niet meer. Deze hand versloeg hem. en begroef zijn lijk hij Baal-Zephon '). Niemand heeft het gezien, buiten het zand van de woestijn, en de onvruchtbare golven der Pioode Zee; niemand weet er van, dan gij en ik, en de raven en zeemeeuwen, die om zijn graf zwerven!quot;

Een gil, die door merg en been drong, ontsnapte aan de lippen van den koning. Hij werd opnieuw door eene hevige koorts aangegrepen, en zonk ineen, om andermaal gekweld te worden door de vreeselijkste schrikbeelden. En nu verliepen er weken gedurende welke iedere dag de laatste van 's vorsten leven dreigde te zullen zijn. Eindelijk kwam zijn sterk lichaam deze gevaarlijke instorting te boven. Maar de krachten van zijn geest waren niet bestand geweest tegen de demonen der koorts. Zij waren geweken en keerden niet meer terug.

Toen hij het ziekenvertrek weder mocht verlaten, en opnieuw kon rijden en den boog spannen, gaf hij zich, nog teugelloozer dan voorheen, aan het genot van den wijn over, en verloor zoo doende ook het laatste spoor van zijn vroegere macht om zich zeiven te beheerschen. Buitendien had zich in zijn krank brein het denkbeeld genesteld, dat Bartja niet dood, maai- in den boog van den koning van Ethiopië veranderd was, en dat de Feruer 1) van zijn overleden vader hem geboden had. hem dooi de onderwerping van het zwarte volk zijne vorige gestalte weder te geven.

1

Zie bovon blz. 197.

ocr page 509

478

Deze gedachte, die hij aan ieder van de hem omringenden als een groot geheim mededeelde, vervolgde hem dag en nacht, en gunde hem rust noch duur, tot hij met een groot leger tegen Ethiopië was opgetrokken. Maar hij moest onverrichter zake terugkeeren, nadat het meerendeel zijner krijgsmacht, ten gevolge van hitte en van gebrek aan voedsel en water, een smadelijken dood had gevonden. Een schrijver, die bijkans tot zijne tijdgenoten behoorde, verhaalt dat de ongelukkige soldaten, na allen mondvoorraad verteerd te hebben, lang van kruiden geleefd hadden. Doch nadat in de woestijn alle plantengroei had opgehouden, zouden zij, door wanhoop gedreven, hunne toevlucht hebben genomen tot een middel, dat de pen bijkans weigert te vermelden. Elke tien soldaten wierpen namelijk onderling het lot, en aten hem op, die op deze wijze ter slachting wei-daan-gewezen. Toen het evenwel zoover gekomen was, dwong men den waanzinnige terug te keeren, om hem echter, zoodra men weder in bewoonde streken was gekomen, getrouw aan het slaafsche karakter der Aziaten, onvoorwaardelijk te gehoorzamen, ofschoon het wel voor niemand een geheim meer was dat 's konings verstand was gekrenkt.

Toen hij met het rampzalig overschot van zijn leger Memphis binnen trok hadden de Egyptenaren juist een nieuwen Apis gevonden en vierden nu, ter eere van de in het heilige dier verborgen en opnieuw verschenen godheid, een groot feest. Daar Cambyzes reeds te Thebe vernomen had, dat het leger, hetwelk hij tegen de oase van Ammon 2) in de Lybische woestijn had afgezonden door den woestijnwind 3) vernield was, en het krijgsvolk van de vloot, die Carthago voor hem veroveren moest,geweigerd had tegen hunne stamgenooten op te trekken, meende de koning, dat de Memphiten dit feest vierden uit blijdschap over zijn tegenspoed. Hij liet dus de aanzienlijksten uit de stad ontbieden, en vroeg hen waarom zij zich na zijne overwinning neerslachtig en weerbarstig, doch na zijne nederlaag uitgelaten vroolijk hadden getoond'? De Memphiten verklaarden hem de oorzaak hunner feestvreugde, en verzekerden, dat de verschijning van den god-delijken stier telkens door gansch Egypte met feesten en optochten placht gevierd te worden. Cambyzes schold hen voor leugenaars, en veroordeelde hen ter dood.

-1; Herodolus doorreisde Egypte ongeveer zestig jaren na Cambyzes'dood.

2) Op deze oase (thans Siwah) was een beroemd orakel, dat ook door Cresus was geraadpleegd, en later meer bekend werd, toen de groote Ammon verklaarde, dat Alexander de Groote de zoon eener godheid was.

3) De door de reizigers zoo gevreesde Khamsin der Lybische woestijn. Een dergelijke wind, bekend onder den naam Samoeu, wordt door de Turken Schamyele genoemd.

ocr page 510

i79

lis Vervolgens liet iiij de priesters komen, die hem hetzelfde anten woord gaven. Spottende met het bijgeloof van deze zijne onderen danen, wenschte hij kennis te maken met den nieuwen god, en ke gebood dat men dien voor hem zou brengen. De Apis wei'd voor ge den monarch geleid, die men mededeelde dat dit dier uit eene ?n maagdelijke koe geboren was, door de aanraking van een straal e- der maan; hij moest zwart zijn, op het vooihoofdeenedriehoe-ia kige witte vlek, op den rug het beeld van een arend, en op de fd zijde een wassende halve maan hebben. Zijn staart moest uit 5- tweeërlei haar bestaan, terwijl aan zijne tong een uitwas zicht-it baar moest zijn in de gedaante van den heiligen kever, scara-e baeus

;t Toen de goddelijke stier voor hem stond, en hij er niets buitengewoons aan kon ontdekken, werd Gambyzes woedend en stiet

ii zijn zwaard in de zijde van het dier1). Toen hij het bloed zag

r stroomen en den Apis ter aarde storten, lachte hij zoo hard Lij

e kon, en riep: »Gij dwazen! Uwe goden hebben alzoo vleesch

i en bloed, en laten zich straffeloos kwetsen! Voorwaar, zulk eene

5 lafheid is uwer volkomen waardig. Maar gij zult ondervinden.

dat ik mij niet ongestraft laat bespotten. Hei daar, trawanten! Gecselt deze priesters, en doodt allen die gij bij deze waanzinnige feestvier.ng betrapt!quot; Men gehoorzaamde zijn bevel, en deed op deze wijze de woede en den wrok der Egyptenaren ten toppunt stijgen.

Nadat de Apis aan de ontvangen wonde gestorven was, begroeven de Memphiten hem heimelijk in de bij het Serapeum gelegene graven der heilige stieren, en beproefden onder aanvoering van Psamtik een opstand tegen de Perzen. Deze opstand weid evenwel spoedig onderdrukt, en kostte den ongelokkigen zoon van Amasis een leven, welks vlekken wel verdienden vergeten te worden, ter wille van zijn rusteloos streven om zijn volk van de heerschappij der vreemdelingen te verlossen, tot bereiking van welk doel hij niet aarzelde voor de vrijheid te sterven.

De waanzin van Gambyzes had intusschen een anderen vorm aangenomen. Na de mislukte poging, om den, volgens zijn waan, in een

1

Volgens Herodotus gleed het zwaard uit en trof het dier in de dij, aan welke wond het bezwaarlijk kan gestorven zijn. Nu sterft Cainby-zes ook aan eene dijwond, en de geschiedschrijver is er blijkbaar altijd op uit, om de vergelding van een misdrijf in een helder lichttestellen.

ocr page 511

480

hoog veranderde Bart ja zijne oude gedaante te hergeven, nam zijne prikkelbaarheid zoozeer toe, dat éen enkel woord, éen enkele hlik, die hem mishaagde, voldoende was, om hem tot razernij te brengen. Zijne trouwe raadsman Cresus verliet ook nu zijne zijde niet, schoon de koning hem reeds meermalen den trawanten had overgegeven om hem terecht te stellen. Maar de trawanten kenden hun lieer, en wachtten zich wel de handen aan den grijsaard Ie slaan, daar zij zeker waren geen straf te zullen beloopen wegens hot niet nakomen van 's konings bevelen ten dezen opzichte, omdat hij ze den volgenden dag reeds weder vergeten was, of er berouw over had. Doch eens moesten de ongelukkige zweepdragers voor hunne ongehoorzaamheid zwaar boeten, want, schoon Cambyzes zich over hel behoud van den grijsaard verblijdde, liet hij de redders van het hem dierbare leven niettemin wegens hunne nalatigheid ombrengen.

liet stuit ons tegen de borst, nog meer voorbeelden te vermelden van de barbaarsche gruwelen, door den waanzinnigen koning in dien tijd bedreven, toch kunnen wij enkele niet met stilzwijgen voorbijgaan. Op zekeren dag, gedurende den maaltijd, vroeg hij Prexaspes, na zich als naar gewoonte een roes te liehben gedronken, wat de Perzen wel van hem zeiden. De gezant mocht zich in die dagen in de bijzondere gunst van den monarch verheugen. Ten einde door edele, doch dikwijls gevaarlijke daden zijn beschuldigend geweten hel zwijgen op te leggen, liet hij dus gcene gelegenheid voorbijgaan, om weldadigen invloed op den ongelukkigen vorst uil te oefenen. Daarom antwoordde liij, dat het volk hem zeer prees, maar meende, dal hij zich aan den wijn wel wat te veel te buiten ging.

De waanzinnige ontstak dooi- deze, op schertsenden toon uil-gesprokene woorden in woedenden toorn, en zeide: «Zoo, zeggen de Perzen, dat de wijn mij hel verstand doet verliezen? Welnu, ik zal bewijzen, dat zij zeiven niet meer in staat zijn juist te oordeelen !quot; Dit zeggende spande hij zijn boog, mikte eenoogen-blik, en schoot den oudsten zoon van Prexaspes, die als schenker in het achterste gedeelte der zaal op de minste wenken van zijn gebieder lette, een pijl in de borst. Daarop gal' hij bevel, den ongelukkigen jongeling te openen en te onderzoeken. De pijl was midden in zijn hart gedrongen. Hierover verheugde zich hel monster, en lachende riep hij : «Nu ziet gij, Prexaspes, dal niet ik, maar de Perzen het verstand verloren hebben. Wie is in staat, zoo zeker zijn doel te treffen, als ik'?quot;

Prexaspes stond als versteend, gelijk Niobe aan den Sipylus 1),

I) Do sage van Niobe, welker zonen en dochters door ile kinderen van Leto, Appollo en Artemis, werden gedood is bekend. Do namelooze smart

ocr page 512

481

toen zij bleek en roerloos dit ijzingwekkend tooneel aanschouwde. Zijne slaafsche ziel boog voor de almacht van den dwingeland; zijne vingeren omklemden niet, zelfs niet voor een oogenblik, het gevest van zijn dolk, om dien den onmen.-ch in het hart te stoo-ten. Ja, toen de dwaze vorst zijn vraag herhaalde, antwoordde de kruipende hoveling, de hand op zijn hart leggende; Geen God had zekerder kunnen treilen!quot;

Weinige weken daarna vertrok de koning naar Saïs. Toen men hem daar de vertrekken zijner voormalige geliefde wees, rees de sedert lang onderdrukte gedachte aan haar met nieuwe kracht in zijne ziel op, en tegelijk herinnerde hij zich, dat Amasis hem en haar bedrogen had. Zonde/- zich de moeite te geven over de omstandigheden, die tot dat bedrog aanleiding hadden gegeven, na te denken, vloekte hij den overleden vorst, en liet zich woedend naaiden tempel van Neith brengen, waar zijne mummie was bijgezet. Hij rukte het gebalsemde lijk uit de sarkophaag, deed het met roeden slaan, met naalden doorsteken, de haren uitrukken, kortom op allerlei wijzen mishandelen, en het eindelijk, in strijd met de godsdienstwe' der Perzen, volgens welke de verontreiniging van het reine vuur door lijken eene doodzonde is, verbranden! De mummie van de eerste vrouw van Amasis, die te Thebe, hare vaderstad, was bijgezet, veroordeelde hij tot hetzelfde lot').

Te Memphis teruggekeerd, ontzag hij zich niet zijne gade en zuster Atossa met eigen hand te mishandelen. Op zekeren dag namelijk had hij een kampgevecht verordend, waarbij onder anderen een hond met een jongen leeuw vechten moest. Toen de leeuw zijn tegenstander overwonnen had, rukte een andere hond, die met den verwonnene uit hetzelfde nest was, zich van zijn ketting los, wierp zich op den leeuw, en deed hem met hulp van den gewonde het onderspit delven. Deze vertooning, die Cambyzes in verrukking bracht, deed Cassandane en Atossa, die op 's konings bevel tegenwoordig waren, de tranen in de oogen wellen. De verbaasde dwingeland vroeg naar de oorzaak daarvan, en kreeg nu van de driftige Atossa ten antwoord; »Het dappere dier, dat voor zijn broeder het leven waagt, doet mij aan Bartja denken, die ongewroken, door wien zal ik maar niet zeggen, vermoord is geworden.quot;

over dit verlies deed haar versteenen. Zij was de rots op den top van het Sipylus-gebergte. De Niobe-groep, die in 1583 te Rome werd gevonden en thans te Florence wordt bewaard, is zoo niet het orgineel dan toch eene voortreffelijke navolging van het werk van Praxiteles.

1) De officieren van het Fransche fregat Luxor, die den bekenden obelisk van Thebe moesten overbrengen, vonden te Abd el Qoernah de mummie van Amasis' gemalin, half verbrand, in een lijkkist.

Hl

ocr page 513

482

Dit woord deed den toorn en het sluimerend geweten van den razende voor een oogenblik weder ontwaken. Hij sloeg de vermetele vrouw met vuisten, en zou haar misschien gedood hebben, zoo zijne moeder zich niet in zijne armen had geworpen en zichzelve aan zijne slagen had blootgesteld. Het eerwaardig gelaat en de stem van zijne moeder waren voldoende, om zijne woede te beteugelen; uit haren blik echter, dien hij juist had opgevangen, sprak zulk eene diepe verontwaardiging, zulk eene onbegrensde verachting, dat bij die nimmermeer vergat, en het dwaze denkbeeld in hem oprees, dat hij door de oogen der vrouwen vergiftigd zou worden. Als hij na dat tijdstip eene vrouw onimoette, kromp hij van angst ineen, en verschool zich achter dezen of genen die met hem was, tot hij eindelijk beval alle bewoneressen van het paleis te Memphis, zijne moeder niet uitgezonderd, naar Ekbatana te brengen. Araspes en Gyges ontvingen hevel, haar naar Perzië te geleiden.

De koninklijke vrouwen waren met haar geleide te Saïs aangekomen, en daar in het paleis der pharao's afgestegen. Tot deze stad had Cresus haar uitgeleide gedaan. Cassandane was in de laatste jaren zeer veranderd. Diepe voren, door ergernis en lijden geploegd, ontsierden haar vroeger zoo schoon gelaat; maaide smart had hare hooge, fiere gestalte toch niet kunnen krommen.

Atossa, hare dochter, was daarentegen, in spijt van onnoemelijk veel verdriet, steeds schooner geworden. Het moedwillige meisje werd eene volkomen ontwikkelde vrouw, die zich van hare eigenwaarde bewust was: het ontstuimige, weerbarstige kind eene krachtige echtgenoote, die het aan vastheid van wil niet ontbrak. De ernst des levens en drie, aan de zijde van haar razenden gade en broeder doorleefde treurige jaren, waren bij zonder geschikt geweest, om haar in geduld te oefenen, doch hadden haar evenwel eene eerste liefde niet kunnen doen vergeten. De vriendschap van Sappho bood haar eenige schadeloosstelling voor het verlies van Darius.

De jonge Griekin was, sedert het verdwijnen van haar echtvriend, geheel veranderd. Het rozenwaas was sinds lang van hare wang weggevaagd, de glimlach van geluk speelde niet meer om haar mond. Buitengemeen schoon, in weerwil van hare bleekheid, hare saamgetrokken wimpers en lustelooze houding, deed zij aan Ariadne denken, die de terugkomst van Theseus verbeidde Smachtend verlangen sprak uit den opslag harer oogen,

i) De Atheners moesten aan Minos van Creta eene schatting leveren van zeven jongelielcn en even zoo vele maagden. Toen Jeze schatting

ocr page 514

i83

uit den toon harei* zachte stem, uit de statige langzaamheid van haar tred. Vernam zij het geluid van een driftig naderenden voetstap, werd er een deur haastig geopend, ol'liet zich plotseling een mannenstem hoorei}, dan ontroerde zij geweldig, rees ijlings op en luisterde., om onmiddellijk daarop te leur gesteld, maar toch nog niet zonder hope, weder te gaan zitten en te peinzen en te droomen, gelijk zij reeds als meisje zoo gaarne deed.

Maar als zij met het kind speelde of het verzorgde, dan scheen zij geheel de oude gelukkige moeder te worden, dan werden hare wangen weder gekleurd, dan glinsterden hare oogen, dan was 't alsof zij weder onverdeeld voor het tegenwoordige leefde, in plaats van in het verleden of in de toekomst. Dat kind was haar alles. In dat kind leefde Bartja met haar voort; op dat kind kon zij, zonder ook maar in het geringste te kort te deen aan den onvergetelijke, die van haar was weggescheurd, al de volheid harer liefde overbrengen; in dat kind had de godheid haar een levensdoel gegeven, en een band, die haar hechtte aai; eene wereld, die anders, sinds het verdwijnen van den beminde, geene waarde meer voor haar hid. Menigmaal dacht zij, als zij het lieve wicht in de blauwe kijkers staarde, die zoo sprekend op vaders oogen geleken: ))Ach, waarom is het geen jongen? Die zon met iederen dag meer op zijn vader gelijken, en eindelijk als een tweede Bartja, gesteld dat er zulk een zijn kon, vóór mij staan!quot; Maar dergelijke gedachten werden in den regel even spoedig onderdrukt als zij in haar oprezen, en dan sloot zij de lieve Parmys met verdubbelde teederheid aan haar hart, en noemde zichzelve een dwaas en ondankbaar schepsel.

Op zekeren dag had ook Atoamp;sa, getroffen door de gelijkenis van het kindeke op zijn vader, uitgeroepen: «Jammer, dat Parmys geen jongen is! Hij zou zijn vader eens evenaren en, als een tweede Cyrus, over Perzië regeeren!quot; Weemoedig lachende stemde Sappho met hare schoonzuster in, en overlaadde de kleine met kussen; doch Cassandane zeide: «Merk hierin de goedheid van de goden op, mijne dochter, dat zij u een meisje schonken. Ware Parmys een jongen, dan zou men u het kind, zoodra het de zes jaren had bereikt, ontnemen, om het met de zonen der andere Achaemeniden te doen opvoeden, terwijl het dochterke nog lang onder uwe hoede zal blijven.quot;

Sappho huiverde bij de gedachte alleen, zich van haar kind

voor de derde maal werd gebracht, liet Theseus zich onder de jongelingen opnemen. Minos' dochter Ariadne verliefde op hem. Zij gaf hem een draad, met behulp waarvan hij het labyrinth weder kon verlaten, na het vreeselijk monster, den minotaurus verslagen te hebben. Theseus vluchtte met haar naar Athene, maar verliet haar in stilte op het eiland Naxos.

ocr page 515

484

le moeten scheiden. Zij drukte het blonde kopje weder aan hare borst en vond van nu aan niets meer op haar kostbaren schat aan te merken.

De vriendschap van Atossa werkte allerheilzaamst op het gewonde hart der jonge weduwe. Met haar kon de bedroefde, zoo dikwijls en zoo lang zij wilde, over Bartja spreken, en altijd vond zij in haar eene geduldige en deelnemende toehoorderes. Want. ook Atossa had den spoorloos verdwenen broeder zeer liefgehad. Maar zelfs een vreemde zou gaarne aan Sappho's vertellingen het oor hebben geleend. Want niet zelden nam zij een hooger vlucht, en scheen, als ze de herinneringen uit den bloeitijd van haar geluk in woorden kleedde, eene door de god in bezielde dichteres te zijn. En als zij het snarenspeeltuig greep, en de gloeiende, smachtende liederen van den Lesbyschen zwaan '), waarin zij hare eigene gewaarwordingen terugvond, met hare zuivere, zoo aandoenlijk klagende stem zong, dan was het haar of ze met den geliefde, te midden van de stilte van den nacht, onder welriekenke jasmijn nederzat; dan vergat zij, door hare verbeelding weggesleept, voor een oogenblik de koude, droeve werkelijkheid geheel en al. En telkens, als zij het speeltuig neder-legde, om met een zucht zich aan het rijk der droomen te ontrukken, wischte Cassandane, schoon zij de Grieksche taal niet verstond, zich een traan uit het oog, en boog Atossa zich over haar heen, om haar voorhoofd te kussen.

Aldus waren drie lange jaren voorbijgegaan, in welke zij hare grootmoeder slechts zelden had gezien. Volgens 's konings wil toch mocht zij het vrouwenverblijf nooit zonder het geleide en met toestemming van Cassandane of van de eunuchen verlaten. Thans had Cresus, die haar nog gelijk voorheen als eene dochter liefhad, Rhodopis naar Saïs doen overkomen. Sappho kon niet besluiten Egypte te verlaten, zonder van hare trouwste vriendin alscheid te hebben genomen, en zoowel Cassandane als de grijze Lydiër billijkten haar verlangen naar Rhodopis. Buitendien had de weduwe van Cyrus zoo veel goeds gehoord van de edele grootmoeder barer schoondochter, dat zij hartelijk wenschte haar te leeren kennen, en haar, nadat Sappho de beminde vrouw op de teederste wijze had verwelkomd, bij zich ontboden.

Toen de beide grijze weduwen tegenover elkander stonden, had zeker niemand, voor wie beiden vreemd waren, kunnen beslissen, wie van de twee de koningin was. Hij zou ze voorzeker beiden voor vorstinnen hebben gehouden. Cresus, die zoowel met de Griekin als met de Perzische vorstin innig bevriend was, voor-

1) Zie boven bl. 9.

ocr page 516

485

zag in de behoefte aan een tolk, en wist, ondersteund door den buigzamen geest der Helleensche, het gesprek langen tijd levendig en boeiend te houden.

Nadat Rhodopis, met de haar alleen eigene tooverrnacht, Cas-sandane's hart voor zich gewonnen had, meende de koningin, volgens Perzisch gebruik, haar welgevallen niet beter te kunnen toonen, dan door haar uit te noodigen den een of anderen wensch uit te spreken. Een oogenblik aarzelde de Helleensche, toen hief zij de handen smeekend op en sprak met bevende stem: »Geef mij Sappho, den troost en de kroon van mijn ouderdom weder!quot;

Cassandane's gelaat toonde eene pijnlijke teleurstelling. Zij antwoordde: oDien wensch kan ik niet vervullen, want onze wet gebiedt, dat de kinderen der Achaemeniden aan de poorten des konings moeten worden opgevoed. Ik mag de kieine Pannys, de eenige kleindochter van Cyrus, niet van mij laten gaan en, Sappho zal, hoe lief zij u ook hebbe, toch wel in geen gevai van haar kind willen scheiden. Ook is zij mij en mijne dochter zoo dierbaar, ja, ik zou haast zeggen zoo onmisbaar geworden, dat ik haai-, schoon ik uw verlangen naar haar bijzijn zeer goed begrijp, aan niemand ter wereld zou willen afstaan.quot;

Zoodra Cassandane zag, dat er tranen opwelden in de oogen der Griekin, vervolgde zij; »Maar ik weet een goed middel. Verlaat Naucratis en ga met ons naar Perzië. Daar zult gij awe laatste jaren met ons en uwe kleindochter slijten, en als eene vorstin behandeld worden.quot;

Rhodopis schudde het schoone, grijze hoofd, en hernam met nauw hoorbare stem: »Ik dank u voor uw vriendelijk aanbod, edele vorstin; maar ik gevoel, dat ik niet in staat zou zijn er gebruik van te maken. Al de vezelen van mijn hart zijn in Griekenland vastgeworteld, en zouden met mijn leven wegsterven, als ik mij voor immer van mijn vaderland losrukte. Gewoon aan onafgebrokene werkzaamheid, levendige gedachtenwis-seling en onbeperkte vrijheid, zou ik binnen de enge grenzen van den harem wegkwijnen en sterven. Door Cresus op uw gunstig aanbod voorbereid, heb ik een zwaren strijd gehad, eer ik er toe kon komen mij zelve te overtuigen, dat mijn plicht gebiedt, wat mij 't liefste is voor mijn hoogste goed op te offeren. Zooveel moeilijker het is, rein en goed, dan gelukkig te leven, zooveel roemrijker, zooveel waardiger is het van eene Helleensche in plaats van het geluk haar plicht te volgen. Mijn hart trekt met Sappho naar Perzië, mijne geestvermogens en mijne ervaring behooren den Grieken. Als gij soms te eeniger tijd mocht vernemen, dat in Hellas niemand buiten het volk regeert, en zich dat volk voor niets dan zijne goden en wetten, het goede en schoone buigt, denk dan dat het doel, waaraan Rhodopis

ocr page 517

486

haar leven wijdde, in vereeniging met de besten onder de Hellenen bereikt is. Duid het der Griekin niet ten kwade, dat zij, laat ik het maar uitspreken, liever als eene vrije bedelares van verlangen sterft, dan leeft als eene gelukkig geprezene, maar gebondene vorstin.quot;

Met verbazing had Cassandane de Grieksche vrouw dus hooren spreken. Zij begreep haar slechts ten halve; doch zij voelde dat Rhodopis waarheid gesproken had, en reikte haar dus, toon zij ophield met spreken, de hand len kus. Daarop zeide zij, na een oogenblik te hebben nagedacht; «Handel, gelijk gij zult goedvinden, en wees verzekerd, dat het uwer kleindochter, zoolang ik en mijne dochter leven, niet aan trouwe liefde zal ontbreken.quot;

«Daarvoor zijn uw edel gelaat en de hooge roep uwer deugd mij zekere waarborgen!quot; antwoordde Rhodopis.

»Zoo ook beschouw ik 't als mijn plicht, wat men tegen uwe kleindochter misdreven heeft, zooveel mijne krachten toelaten, weder goed te maken.quot;

De koningin slaakte een smartelijken zucht, en vervolgde: «Ook zal de meest mogelijke zorg worden gewijd aan de opvoeding van de kleine Parmys. Zij schijnt door de natuur rijk bedeeld te zijn, en zingt thans reeds hare moeder de melodieën van haar vaderland na. Ik keur hare neiging voor de muziek in 't geheel niet af, ofschoon ze in Perziê uitgenomen bij den godsdienst, slechts door menschen uit den geringen stand ploegt te worden beoefend.quot;

Bij deze woorden raakte Rhodopis in geestdbifl. en zeide : «Veroorlooft gij mij, o koningin, vrij uit te sprekeii

«Spreek onbevreesd !quot;

«Toen gij straks zoo diep zuchttet bij de gedachte aan uw spoorloos verdwenen, voortreffelijken zoon, dacht ik bimisschien zou de jonge, edele held nog in leven zijn, als de Perzen hunne zonen eene betere, laat ik liever zeggen eene veelzijdiger opvoeding wisten Ie geven. Ik heb mij door Bartja laten mededeelen, wat den Perziscben knapen zoo al geleerd wordt. Boogschieten, speerwerpen, rijden, jagen, de waarheid spreken, en soms eenige schadelijke en heilzame kruiden onderscheiden, ziedaar alles, wat men bij u te lande oordeelt, dat zij noodig hebben te weten. Onze Helleensche knapen worden evenzeer lichamelijk geoefend en gehard, want de geneesheer is slechts de hersteller, de gymnastiek de schepper der gezondheid. Maar gesteld dat een Hel-leensch jongeling, door aanhoudende oefening, sterker dan een stier ware geworden, waarachtiger dan de godheid, en wijzer dan de geleerdste Egyptische priester, zoo zouden wij toch met minachting op hem nederzien, als hem ontbrak, wat hem slechts door eene vroegtijdige en eene grondige beoefening van de met

ocr page 518

487

de gymnastiek, nauw verwante muziek kan worden geleerd ; zachtmoedigheid en gematigdheid. — Gij glimlacht, wijl gij mij niet begrijpt; gij zult mij echter gelijk geven, als ik u zal hebben aangetoond, dat de muziek, die u, naar hetgeen Sappho mij verhaald heeft, zeer schijnt te treffen, van even groot belang voor de opvoeding' is als de gymnastiek. Beide dragon, het zal u misschien vreemd in de ooren klinken, gelijkelijk bij tot df volmaking van ziel en lichaam. Wie zich uitsluitend aan de muziek wijdt, zal in den beginne, als hij woest van natuur is, week en buigzaam worden als het erts in den oven, en zijne ruwheid zal verzacht worden. Maar ten laatste zal zijn moed verslappen; in plaats van in drift op te vliegen, zal hij over kleinigheden tranen storten, eu nimmer een goed soldaat worden, 't geen toch vóór alle andere dingen het streven der Perzen is. Wie zich uitsluitend in de gymnastiek oefent, zal, ja, als Cambyzes, eens de grootst mogelijke kracht aan dapperheid paren, maar zijn ziel — hier houdt mijne vergelijking op — blijft stomp en blind, terwijl zijnegewaarwordingen onzuiver zijn. Voor de rede zal hij doof zijn, en, een tijger gelijk, met ruw geweld zijn wil trachten door te drijven. Zijn Teven zal waarschijnlijk een onbesuisd, geweldig jagen en drijven zijn, zonder dal hij zachtmoedigheid of gematigdheid kent. Daarom bestaal de muziek niet alleen voor de ziel, de gymnastiek niet alleen voor het lichaam, maar beide ten nauwste verbonden moeten het lichaam krachtig maken, en de ziel verheffende en tot kalmte stemmende, den geheelen mensch eene mannelijke zachtmoedigheid en eene zachtmoedige mannelijkheid geven ').

Rhodopis zweeg een oogenblik, en vervolgde toen; »Wieu zulk eene opvoeding niet ten deel valt; wie buitendien van zijne jonkheid aan zijne ruwheid vrij den teugel kan vieren, hoe en jegens wien hij wil; wie nooit iets anders dan vleierijen, nooit eene gepaste vermaning hoort; wie mag bevelen, alvorens te hebben leeren gehoorzamen; wie eindelijk opgevoed wordt volgens het beginsel, dat uitwendige glans, macht en rijkdom de hoogste, meest wenschelijke goederen zijn, hij kan nooit tot die waarachtige, edele mannelijkheid opklimmen, welke wij van de goden voor onze jongens afsmeeken. En als zulk een ongelukkige met een heftige gemoedsgesteldheid en een zinnelijk hart geboren wordt, zoo zal, zonder den verzachtenden invloed der ioonkunst, tengevolge der bloot lichamelijke oefeningen, zijne teugelloosheid steeds toenemen. Het kind, dat wellicht niet zonder goeden aanleg ter wereld kwam, zal, tengevolge der slechte op-

1) De lioofddeukbeelden zijn ontleend aan Plato's schets van een ide alen staat.

ocr page 519

488

voeding, eens een wild dier, een zwelger, die zichzelven vermoordt en een waanzinnige woestaard worden.quot;

Hier zweeg de levendige matrone. Toen haar blik de vochtige oogen der koningin ontmoette, gevoelde zij, dal zij te ver was gegaan, en een edel moederhart diep gekrenkt had. Zij greep Cassandane s gewaad, bracht den zoom er van aan hare lippen, en zeide op smeekenden toon: «Vergeef mij!quot;

Cassandane boog even het hoofd, ten teeken, dat zij der spreekster het harde woord niet toerekende, groette haar, en maakte zich gereed het vertrek te verlaten. Op den drempel keerde zij zich nog eens om en zeide: »lk ben niet boos op u, want uwe verwijten waren maar al te gegrond. Doch beproef gij desgelijks te vergeven, want ik zeg u dat hij, die het geluk van uw en van mijn kind verwoestte, wel de machtigste, maar ook de beklagenswaardigste aller menschen is. Vaarwel, en denk, indien gij ooit eenige hulp behoeft, aan de weduwe van Cyrus, die u dank zegt voor uwe vrijmoedigheid, en er u in ditoogenblik aan herinnert, dat men den Perzen vóór allo dingen grootmoedigheid en vrijgevigheid leert.quot;

Die gezegd hebbende, verliet Cassandane het vertrek.

Op dienzelfden dag ontving Hhodopis de tijding, dat Phanes, nadat hij te Crofon den laatsten tijd in de nabijheid van Pythagoras had doorgebracht, steeds lijdende aan zijne wonden, zich bezig houdende met ernstige beschouwingen, eenige maanden geleden met de kalmte van een wijze gestorven is.

Rhodopis werd door deze tijding diep getroll'en en zeide tot Cresus; sin Phanes verliest Griekenland een zijner voortreffelijkste mannen; doch reeds ontwikkelen er zich velen, die hem zullen gelijken. Daarom vrees ik, evenals hij, niets van de toenemende macht der Perzen. Ja, ik geloof dat mijn vaderland, met zijne vele kloeke mannen, als eene roofgierige hand zich-daarnaar uit mocht strekken, tot een reus zal worden met een hoofd vol goddelijke kracht, die het ruw geweld zoo zeker zal trotseeren als de geest over het lichaam heerscht.quot;

Drie dagen latei' nam Sappho voor het laatst afscheid van bare grootmoeder, en volgde de koninginnen naar Perzië, waar zij, in weerwil van de volgende gebeurtenissen, nog altijd aan de mogelijkheid van Bartja's terugkomst geloovende, zich geheel wijdde aan de. opvoeding barer dochter en aan de verpleging der grijze Cassandane.

De kleine Parmys groeide op tot een meisje van zeldzame schoonheid, on leerde naast de goden niets zoo vurig lief hebben

ocr page 520

489

als de nagedachtenis van haar vader, dien zij kende uit de vaak herhaalde beschrijvingen van hare moedei', als had zij hem nog niet lang geleden gezien.

Atossa bleef voor haar, niettegenstaande het grootegeluk.dat weldra haar deel zou worden, de oude vriendschap gevoelen, en placht haar nooit anders dau ,zuster' te noemen.

In den zomer bewoonde Sappho de hangende tuinen te Baby-Ion, en gedacht dan dikwijls in hare gesprekken met Cassandane en Atossa de Egyptische koningsdochter, die de onschuldige oorzaak was geweest van zoovele voor groote rijken en edele men-schen noodlottige gebeurtenissen.

ocr page 521

TIENDE HOOFDSTUK.

Wij zouden hier ons verhaal gevoeglijk kunnen besluiten, zoo wij den lezer nog niet enkele mededeelingen schuldig meenden to zijn, betreftende het uiteinde van den sinds lang reeds geestelijk gestorven Cambyzes, en do verdere lotgevallen van eenige ondergeschikte personen uit deze geschiedenis.

Kort na het vertrek der koninginnen, werd te Naucraiis de tijding aangebracht, dat de satraap van Lydie, Oroetes, zijn ouden vijand Polycrates dooi- list naar Sardes had gelokt, en hem had doen kruisigen. Aldus was de voorspelling van Amasis be-trefl'ende het treurig uiteinde van den tyran verwezenlijkt geworden. Do satraap had zich vermeten deze daad te volvoeren, zonder medeweten van den koning, omdat in het Medische rijk veranderingen plaats hadden, die de dynastie der Achaemeniden met een volkomen ondergang bedreigden.

Het lange oponthoud van den koning in een ver afgelegen land had het ontzag voor zijn naam, dat voorheen de ontevredenen placht te weerhouden in verzet of tot, opstand te komen, zeer verzwakt. De geruchten van den staat van krankzinnigheid, waarin hij verkeerde, deden hem merkelijk dalen in de achting zijner onderdanen, terwijl het bericht, dat hij uit, louter overmoed duizenden landskindoren in de Ethiopische on Lybische woestijn aan een onvermijdelijken dood had prijsgegeven, de ontevredene Aziaten met een haat jegens hom bezielde, die dooide machtige partij der magiërs gevoed en aangeblazen, zeer spoedig eerst de Mediërs en Assyriërs, doch daarna ook de Perzen tot afval en openlijken opstand aanzette.

De eerzuchtige opperpriester Oropastes, die dooi' Cambyzes tot stadhouder was aangesteld, plaatste, zich aan het hoofd der beweging, met oogmerk zichzelven te verhellen en te bevoordee-len. Hij zocht het volk voor zich in te nemen door het afschaffen van belastingen, door groote geschenken en nog grootere beloften, en beproefde ten laatste, ziende hoe erkentelijk men was

ocr page 522

491

voor zijne zachtheid, door bedroe; de Perzische koningskroon in zijn geslacht over te brengen. Gedachtig aan de zeldzame gelijkenis van zijn broeder Gaumata op Barija, den zoon van Cyras, nam hij, zoodra hij bericht ontving van het spoorloos verdwijnen van den, in Perzië algemeen beminden jongeling, het besluit Gaumata, den man zonder ooren, voor den vermoorde uit te geven, en hem in de plaats van Cambyzes op don troon te zetten. Deze list gelukte te gemakkelijker, daar de liefde van het gansche volk voor Bartja sterker werd, naarmate de waanzinnige koning zich steeds meer gehaat maakte. Toen eindelijk een tal van boden door Oropastes in al de provinciën van het land werden rondgezonden, met do boodschap, dat de jongere zoon van Cyrus, in spijl van het gerucht omtrent zijn dood, nog in leven was, tegen zijn broeder was opgestaan, den troon van zijn vader had beklommen, en alle onderdanen gedurende drie jaren volle vrijheid van den krijgsdienst en van alle belastingen verzekerde, werd de nieuwe heerscher door het gansche rijk met groote vreugde erkend.

De valsche Bartja had zijn broeder, den opperpriester, van wiens verstandelijke meerderheid hij zich volkomen bewust was, in alles gehoorzaamd. Hij had het paleis te Nisaea '), in de Medische vlakte, betrokken, zich de kroon op het hoofd gezel, den harem des koning voor den zijnen verklaard, en zich uit de verte aan het volk vertoond, dat in zijne trekken die van den vermoorde meende te herkennen. Later hield hij zich echter in het paleis verborgen, om eene mogelijke ontdekking van zijn geheim te voorkomen, en gaf zich, het voorbeeld van andere Aziatische vorsten volgende, geheel aan zijne lusten over, terwijl zijn broeder met vaste hand den schepter voerde, en alle gewichtige ambten en posten onder zijne vrienden en stamgenooten, de magiërs, verdeelde. Toon hij vasten grond onder de voeten meende te hebben, zond hij den eunuch ixabates naar Egypte, met den last, om aan het leger de verandering in de regeering mede te deelen, en het tot afval van Cambyzes en tot liet omhelzen van Bartja's partij over te halen, welke laatste, gelijk wij weten, vooral door de soldaten afgodisch bemind werd.

Do voor zijne boodschap uitmuntend berekende gezant kweet zich zeer goed van zijn last, en had reeds een groot aantal soldaten voor den nieuwen koning gewonnen, toen hij dooreenige Syriërs, die op een goede bolooning hoopten, gevangengenomen

1) Herodotus Iaat alios te Susa gebeuren; doch in een opschrift van Uehistan leest men : „Daar is eene vesting, genaamd Cikathauvatis, een streek genoemd Nicaya in Medië, daar heb ik (Darius) hem gedood.quot; Het valt echter moeieüjk uit te maken, welke stad hier bedoeld is.

ocr page 523

492

en naar Memphis gebracht werd. In de pyrarnidenstad aangekomen, voerde men hem oogenblikkelijk voor den koning, die hem, ingeval hij de volle waarheid aan het licht bracht, vrijheid en leven verzekerde. En nu bevestigde de gezant de tijding, die tot dusver als een los gerucht tot Egypte wa^s doorgedrongen, dat Bartja den troon van Gyrus had bestegen, en reeds door het grootste deel van het rijk erkend was geworden.

Cambyzes ontroerde bij dit bericht, als iemand, die een doode uit het graf ziet opslaan. In weerwil dat zijne geestvermogens zeer verzwakt waren, wist hij toch zeer goed, dat Bartja op zijn bevel door Prexaspes vermoord was. Hij vermoedde thans, dat zijn gezant hem bedrogen en den jongeling het leven geschonken had. Deze bliksemsnel in hem oprijzende gedachte onverwijld uitsprekende, verweet hij Prexaspes met bittere woorden het jegens zijn koning gepleegde verraad. De hoveling was nu gedwongen met een duren eed te bezweren, dat hij den ongeluk-kigen Bartja met zijne eigene hand gedood en begraven had.

Hierop werd den bode van Oropastes gevraagd, of hij zelfden nieuwen koning gezien had. Hij antwoordde ontkennend, met bijvoeging, dat. de broeder van Cambyzes slechts eene enkele maal zijne woning had verlaten, om zich uit de verte aan het volk te vertoonen. Thans doorzag Prexaspes het geheele weefsel van leugen en bedrog, door den opperpriester gesponnen. Hij herinnerde den koning het onzalige misverstand van vroeger, dat door de treilende gelijkenis van Gaumata op Bartja ontstaan was, en bood zijn hoofd aan tot onderpand voor de waarheid van zijn vermoeden. De geestelijk kranke koning, die met deze uitlegging genoegen nam, dacht sedert dit oogenblik aan niets meer, dan aan de gevangenneming en de terechtstelling der magiërs.

Het leger moest zich marschvaardig maken. Aryandes, een Achaernenide, werd tot satraap over Egypte benoemd, en zonder verwijl braken de troepen naar Perzië op. Voortgezweept door het verlangen om wraak te nemen op den trouwloczen stadhouder, gunde de koning zich geene rust, en maakte den nacht tot dag. Maar plotseling werd hij in zijne dolle vaart gestuit. Zijn paard, waarvan hij in zijne onstuimige drift al te veel gevergd had, zeeg uitgeput neder, en onder het vallen had de ruiter het ongeluk zich met zijn eigen dolk tè kwetsen '). Nadat hij dagen lang bewusteloos had neergelegen, sloeg hij de oogen op, en verlangde eerst Araspes, dan zijne moeder, en eindelijk

1) Uit de berichten van Herodotus en andere schrijvers, en uit het opschrift te Behistün blijkt genoeg, dat Cambyzes zich doodelijk wondde met zijn eigen wapen, zonder dat er grond bestaat om aan opzettelijken zelfmoord te denken.

ocr page 524

Alossa to zieu, ofscliooii deze drie reeds voor maanden waren afgereisd .Uit al zijne woorden bleek, dal hij de laatsf.e vierja-ren, sedert het begin dier heftige koortsen, tot op het oogen-blik zijner verwonding, als in een diepen slaap had verkeerd. Alles wat men hem uil dien tijd verhaalde, was hem geheel nieuw en vervulde hem met groole smart. Alleen van den dood zijns broeders bloek hij kennis te dragen. Hij wist, dat Prexas-pes dezen, op zijn bevel, verinoord en hem gezegd had, dal Bartja op den oever der Roode Zee begraven lag. — In den nacht die volgde op dit ontwaken, werd het hem zeiven duidelijk, dat hij langen tijd volkomen krankzinnig moest geweest zijn. Tegen den morgen viel hij in een genisten slaap, die hem zoo zeer versterkte, dat hij Cresus bij zich ontbieden kon. Hij gelastte dozen hem uitvoerig mede te doelen, wat hij in de laatste jaren gedaan had.

De grijze raadsman voldeed aan 's konings verlangen en verzweeg hem geene zijner geweldenarijen, al wanhoopte hij ook, den aan zijne zorg toevertrouwden vorst op den rechten weg te zullen terugbrengen. Zijne blijdschap was daarom dubbel groot, toon hij bemerkte, dat zijne woorden een diepen indruk maakten op het ontwaakte geweten van den koning. Met, tranen in de oogen verklaarde deze, dal zijne eveldadon hem berouwden. Beschaamd als een kind, bad hij Cresus om vergiffenis, dankte hem voor zijne trouwe liefde, en droeg hem eindelijk op, uit zijn naam vooral Cassandane en Sappho, maar ook Atossa en allen die hij ten onrechte had gegriefd, om vergeving te vragen.

De eerbiedwaardige Lydier weende tranen van vreugde, en hield niet op den kranke te verzekeren, dat hij genezen en dan overvloedige gelegenheid hebben zou, om al het misdrevene door edele daden weder goed te maken. Cambyzes schudde evenwel ontkennend het hoofd, en verzocht den grijsaard hem in de open lucht te laten brengen, zijne legerstede op een hoogte te doen plaatsen, en den Achaemeniden te bevelen, zich om hun koning te verzamelen. Toen aan zijn bevel, niettegenstaande degenees-heeren zich hiertegen verzetten, was voldaan, liet Cambyzes zich overeind zetten, en sprak daarop met een stom, die tot op grooten afstand verstaanbaar was, het volgende:

»Hot is thans tijd. Perzen, dat ik u mijn grootste geheim openbaar. Door een droomgezicht misleid, door mijn broeder vertoornd en gekrenkt, heb ik, in een vlaag van waanzinnige drift, last gegeven hern te vermoorden. Prexaspes heeft op mijn uitdrukkelijk bevel, de schandelijke daad volbracht, die in plaats van mij de verlangde rust te schenken, mijne hersenen geheel heeft gekrenkt en deze stervensure voor mij zoo vree-selijk maakt. — Deze bekentenis moge u overtuigen, dat mijn

ocr page 525

494

broeder Bartja niet meer onder de levenden is. De magiërs hebben zich van den troon der Achaemeniden meester gemaakt. Aan hua hoofd staan do, door mij tot stadhouder aangestelde opperpriester Oropastes en zijn broeder Gaumata, die zoo sprekend op den vermoorden Bartja gelijkt, dat Cresus, Intapher-nes en mijn oom, de edele Hystaspes, hem eens voor mijn broeder hebben aangezien. Wee mij, dat ik hem gedood heb, die, als mijn naaste bloedverwant, den mij door de magiërs aangedane hoon had kunnen wreken. Maar ik kan hem niet in het leven terugroepen en daarom benoem ik 11 lieden tot uitvoerders van mijn laatsten wil. Bij den Feruer van mijn overleden vader, en in den naam van alle goede en reine geesten, bezweer ik u, dat gij de regeering niet in de handen der valsche magiërs laat. Hebben zij zich door list van de kroon meester gemaakt, zoek die hun dan door list wederom te ontrukken. Hebben zij met geweld den schepter veroverd, ontweldigt hun dien op gelijke wijze. Volgt gij dezen mijn laatsten wil, zoo zal de aarde u rijke vruchten schenken, zoo zult gij in uwe vrouwen en kudden gezegend worden, zoo zal ten allen tijde vrijheid uw deel zijn. Mocht gij daarentegen de heerschappij niet meer in uw geslacht terugbrengen, dan zult gij allen, ja, dan zal iedere Pers even rampzalig aan zijn einde komen als ik!quot;

Toen de Achaemeniden den koning na deze woorden zagen weenen en uitgeput nederzijgen, scheurden zij hunne kleederen en hieven een klaaggeschrei aan. Weinige uren later gaf Gam-byzes in de armen van Gresus den geest. In zijne laatste oogen-blikken dacht hij aan Nitetis, en hij stierf met haar naam op de lippen, en met tranen van berouw in de oogen ').

Nadat de Perzen het onreine lijk verlaten hadden, knielde Cresus er voor neder, en riep, zijne hand ten hemel hellende: »Groote Gyrus! Ik heb mijn eed gehouden, en dezen ongelukkige tot aan zijn dood als zijn getrouwe raadsman ter zijde gestaan!quot;

Den volgenden dag trok de oude man, met zijn zoon Gyges, naar de hem in eigendom geschonken stad Barene, alwaar hij nog vele jaren leefde, als een vader zijner onderdanen, door Darius in hooge eere gehouden, door al zijne tijdgenooten geprezen.

Na den dood van Gambyzes hielden de hoofden van de zeven

i) Herodotus maakt uitdrukkelijk gewag van Cambyzes' berouw iu zijne laatste oogenblikken.

ocr page 526

490

Perzische stammen1) te zamen raad, en besloten zicli vóór alle dingen zekerheid ie verschaffen, omtrent den persoon van den overweldiger. Otanes zond heimelijk een getrouwen eunuch tot zijne dochter Phaedime, die, gelijk men wist, met den ge-lieelen te Nisaea achtergebleven harem van Cambyzes, in het bezit van den nieuwen koning was gekomen. Alvorens de bode terugkeerde, was het grootste gedeelte van het leger verloopen, daar de soldaten met vreugde de gunstige gelegenheid aangrepen, om na een veeljarige afwezigheid tot hunne haardsteden en betrekkingen terug te keeren. Eindelijk kwam de eunuch, die met, smart verwaclit werd, terug, aan Otanes de volgende boodschap brengende: »Phaedime was slechts een enkele maal door den nieuwen koning bezocht geworden; zij had echter van zijn slaap partij weten te trekken, om zich met groot gevaar te overtuigen, dat hem werkelijk beide ooren ontbraken. Maar ook zonder deze ontdekking had zij de zekerheid, dat de overweldiger, die inderdaad treffend op den vermoorde geleek, niemand anders was dan Gaumata, de broeder van Oropastes. Haar oude vriend Boges was wederom overste der enuchen, en had haar in het geheim der magiërs ingewijd. De opperpriester had den vrouwendespoot als bedelaar in de straten van rfuza ontmoet, en hem zijne oude bediening teruggegeven met de woorden: »Wel hebt gij uw leven verbeurd; maar ik heb behoefte aan menschen van uw slag.quot; — Ten slotte bad Phaedime haar vader alles in het werk ie stellen, om den magiër, die haar met de grootste minachting bejegende, van den troon te stooten. Zij was, verzekerde ze, de ongelukkigste aller vrouwen.

Ofschoon geen der Achaemeniden ook slechts een oogenblik geloofd had, dat Bartja nog in leven was, en zich werkelijk van den troon had meester gemaakt, waren zij toch blijde, toen zij door Phaedime's tusschenkomst zulk een afdoende zekerheid betrelTende den persoon des overweldigers verkregen. Zij besloten onmiddellijk met het overschot van het leger naar Nisaea te trekken, en den magiërs door list. of geweld de kroon te ontrukken.

Nadat zij ongehinderd in de nieuwe residentie waien binnengetrokken, en gezien hadden dat het meerendeel der bevolking tevreden was met de verandering, die er in de regeering had plaats gehad, namen zij den schijn aan als geloofden zij, dat de nieuwe koning waarlijk de jongere zoon van Cyrus was, en als waren zij bereid hem hunne hulde te brengen. De magiërs lieten zich echter zoo gemakkelijk niet om den tuin leiden, hielden

1

Otanes, Intaphcrnes, Gobryas, Megahyzus, Aspatinos, Hydarnes en Darius Hystaspis.

ocr page 527

i'H!

zicli in hu» paleus verborgen, verzamelden in de vlakte van Nisaja een leger, aan hetwelk zij hooge soldij beloofden, en zef-i.en hunne bemoeiingen ijverig voort, om het geloof aan Bart ja's bestaan te versterken. Niemand, die hen hierbij meer kon tegenwerken, of misschien van nut zijn, dan Prexaspes. Want deze stond bij alle Perzen hoog aangeschreven en kon dus door te verzekeren, dat hij Bartja niet had vermoord, het meer en meer veld winnende gerucht betredende diens dood ineens doen logenstraffen. Derhalve liet Oropast.es den gezant, die sedert 's konings mededeeling dooi' zijns gelijken gemeden werd en als een balling leefde, bij zich komen, en bood hem een ontzaglijke som, indien hij een toren wilde bestijgen, en aan hel in het voorhof vergaderde volk verklaren, dat lastertongen hem den moordenaar van Bartja hadden genoemd, terwijl hij zoo even met eigen oogen den nieuwen koning had gezien en in hem den jongere zoon van Cyrus, zijn vriend en weldoener,wedergevon-den en herkend had. Prexaspes verklaarde zich hiertoe bereid, nam. terwijl zich bet volk in het voorhof opeenhoopte, een feeder afscheid van de zijnen, zond bij het heilige vuuraltaar een kort gebed tot de goden op, en begaf zich dan met fleren tred en opgeheven hoofd naar het paleis. Op weg daarheen ontmoette hij de hooiden van de zeven stammen. Toen hij zag, dat zij voor hem uit den weg gingen, riep hij hun toe; )gt;Ik verdien uwe verachting, maar ik zal beproeven uwe vergitfenis te verwerven!quot;

Toen Darius zich nog eens omkeerde, liep hij naar dezen toe. vatte zijne hand, en zeide: »ik heb u als een zoon liefgehad. Als ik niet meer zijn zal, zorg gij dan voor mijne kinderen, en gebruik uwe wieken, gevleugelde Darius!quot;

Daarop beklom hij met trotsche houding den hoogen toren. De duizende burgers uit Nisaea verstonden hem woord voor woord, toen hij, zijne stem zooveel hij kon uitzettende, het volgende sprak: »Gij allen weet, dat de koningen, die tot dusver roem en eer over u hebben gebracht, tot het geslacht der Achaemeniden behoorden. Cyrus regeerde over u als een billijk vader. Cambyzes als een streng gebieder, en Bartja zou u, als eene bruidegom zijne bruid, hebben geleid, zoo hij niat door deze mijne eigene hand aan den oever der Roode Zee verslagen was geworden. Deze schandelijke daad, die, ik, bij Mithra, met een bloedend hart pleegde, volbracht ik, als een gehoorzaam onderdaan, overeenkomstig het bevel van mijn heer en koning. Toch kon ik bij dag noch nacht rust vinden. Als het opgejaagde wild werd ik, vier jaren lang, door de geesten dei-duisternis, die den slaap van het leger eens moordenaars verdrijven, vervolgd en gemarteld. Thans echter heb ik het be-

ocr page 528

497

sluit genomen, dat leven vol angst en vertwijfeling met eene goede daad te besluiten. Zal ik ook aan de brug Ghinvat') geene genade vinden, toch hoop ik mij bij de mensclien den naam van een braaf man weder waardig te maken, dien ik eens verbeurde. Weet dan, dat hij, die zich voor den zoon van Cyrus uitgeeft, mij op dezen toren zond, en eene groote belooning too-zeide, als ik u bedriegen wilde, en de verzekering voor u afleggen, dat bij Bartja, de Achaemenide, is. Ik lach met zijne beloften, en zweer hier met den duursten eed, dien ik ken, bij Mithra en de Feruers der koningen, dat hij, die thans over u heerscht, niemand anders is, dan de van zijne ooren beroofde Gaumata, de broeder van den opperpriester en stadhouder Oropastes, dien gij allen kent!quot; Wilt gij den roem vergeten, dien gij aan de Achaemeniden te danken hebt, wilt gij niet alleen ondankbaar maar ook laf en laaghartig zijn, welnu, erkent dan die ellendelingen als uwe koningen. Maar verfoeit gij den leugen, en acht gij u zeiven te edel, om nietswaardige bedriegers te gehoorzamen, verjaagt dan de magiërs, voordat Mithra den hemel verlaat, en roept den edelste der Achaemeniden, in wien gij een tweeden Cyrus zult wedervinden, roept dan Darius, den verheven zoon van Hystaspes, tot koning uit. Opdat gij echter geloof moogt hechten aan mijne woorden, en niet meenen, dat Darius mij hierheen heeft gezonden, om u voor hem te winnen, wilik thans eene daad volbrengen, die aan alle twijfel een einde maken en bewijzen zal, dat mij de waarheid en de eer der Achaemeniden liever zijn dan mijn leven. Weest gezegend als gij mijn raad volgt; weest vervloekt, als gij u niet op de magiërs wreekt, noch den schepter in de handen der Achaemeniden overlevert! Ziet ik sterf als een waarheidlievend en braaf man!quot;

Nadat hij dit gezegd had, beklom den spreker den hoogsten top van den toren, stortte zich van boven neder en stierf, de eenige misdaad die hij ooit gepleegd had met een schoonen dood verzoenende.

»Het volk dat geen woord van zijne rede gemist had, en als het ware den adem had ingehouden, om hem goed te verstaan, barstte nu los in een geweldig gehuil van woede en wraak, verbrijzelde de deuren van het paleis, en stond gereed om met den kreet: ))De dood aan de magiërs!quot; naar binnen te stuiven, toen de zeven stamhoofden der Perzen den woedenden hoop in den weg traden.

Zoodra de menigte hen bespeurde, klom hare geestdrift nog hooger, en riep zij nog onstuimiger: »Weg met de magiërs! Leve koning Darius!quot;

1) Zie boven blz. 263.

32

ocr page 529

498

Door den volkshoop als in triomf voortgedragen, plaatste zich de zoon van Hystaspes thans op eene verhevenheid, en deelde van daar het volk mede, dat, de magiërs zoo even, ais leugenaars en roevers, door de handen der Achaemeniden den dood hadden ontvangen. Met nieuwe vreugdekreten werd dit bericht begroet. Nadat vervolgers de bloedende hoofden van Oropastes en Gau-mata den volke vertoond waren, vloog de van woede en wraaklust uitgelaten menigte de straten door, lederen magiër doodende, dien zij meester kon worden. Alleen de nacht vermocht een einde te maken aan dat vreesdij ke bloedbad '). Vier dagen later werd de zoon van Hystaspes, op grond van zijne geboorte en uitnemende hoedanigheden, door de hoofden der Achaemeniden lot koning gekozen, en als zoodanig door de Perzen met geestdrift begroet.

Darius had met eigen hand den magiër Gaumata gedood, op hetzelfde oogenblik dat Magabyzus, de vader van Zopyrus, den opperpriester doorboorde. Terwijl Prexaspes het volk toesprak, waren de zeven saamgezworene stamhoofden Otanes, Intaphernes, Gobryas, Magabyzus, Aspatines, Hydarnes en Darius, die zijn hoog bejaarden vader Hystaspes verving, door eene onbewaakte deur in het paleis gedrongen. Spoedig kwamen zij te weten, waar de magiërs zich ophielden, en waren dus, daar zij de inrichting van het slot kenden en de meeste wachters het toezicht moesten houden op het daar buiten naar de rede van Prexaspes luisterende volk, zonder oponthoud tot de vertrekken genaderd, waar de magiërs vertoefden. Hier beproefden eenige eunuchen, onder aanvoering van den ons welbekenden Boges, hun den weg te versperren; doch In weerwil van hun moedigen tegenstand werden zij allen gedood. Boges stierf door de hand van Darius, die hem dadelijk herkend had, en daarom met verdubbelde woede op hem was aangevallen. Verontrust door het gekerm der stervende eunuchen, waren de magiërs toegesneld, en ziende wat er gebeurde, hadden ook zij zich nog willen verweren. Oropastes rukte den nederzijgenden Boges de lans uit de band, stiet Intaphernes een oog uit, en kwetste Aspatines aan het dijbeen, waarop een dolksteek van Megabyzes een einde aan zijn leven maakte. Gaumata was in een zijvertrek gevlucht, en wildejuist de deur dichtgrendelen, toen Darius en Gobryas naar binnendrongen. De laatste omvatte den magiër met zijne armen, wierp hem neder en belette hem, door zich op hem te werpen, van den grond op te staan. Besluiteloos stond Darius naast die beiden in het halfduistere vertrek, vreezende dat hij dooi' toe te

1) De Perzen vierden daarna op dezen dag een groot feest, het feest van den moord der magiërs.

ocr page 530

499

slooten ook Gobryas zou treflen. Deze bemerkte dit en riep: «Stoot toe, al moest gij ook ons beiden doorboren!quot;' Darius yehoorz.aamde, doch trof gelukkig alleen den magiër. Dit was het uiteinde van Oropastes, den opperpriester, en van den meer algemeen onder den naam van »pseudoquot; of svalschen Smerdisquot; bekenden Gaumata.

Ettelijke weken nadat Darius tot koning was uitgeroepen, waarbij hij, gelijk de Perzen verhaalden, door wonderbare goddelijke teekens en de list van een stalmeester1) ondersteund was geworden, vierde de zoon van Hystaspes te Pasargadae een prachtig kronings- en een nog luisterrijker huwelijkfeest met de geliefde zijns harten, Atossa 2), de dochter van Gyrus. De door het lijden ontwikkelde en gerijpte jonge vrouw Lleef, tot aan het einde van het werkzame en roemrijke leven van haar gemaal, zijne vurig beminde en hooggeachte gemalin. Gelijk Prexas-pes had voorspeld, werd Darius een koning, wiens daden en werken hem den naam van «tweeden Gyrusquot; en van sden grootequot; ten volle waardig maakten.

Als veldheer even omzichtig als dapper, wist hij zijn onmele-lijk rijk zoo uitmuntend in te deelen en te besturen, dat men hem in de kunst van te regeeren onder de grootste vorsten van alle landen en tijden moet rangschikken. Aan hem alleen hadden zijne zwakke opvolgers het te danken, dat zich dat kolossale Aziatische rijk, hetwelk uit zoovele landen bestond, nog twee eeuwen kon staande houden. Mild en vrijgevig met zijne eigene schatten, en hoogst zuinig als hot die zijner onderdanen gold, wist hij waarlijk koninklijke geschenken te geven, zonder ooit

1) Volgens Herodotus hadden de zeven saatngezworenen met elkander afgesproken, dat zij te zamen buiten de stad zouden rijden, tlij zou koning zijn, wiens paard bij het opgaan der zon het eerst hinnikte. Weinige dagen te voren bracht de stalknecht van Darius eene merrie op de plaats waar men heen zou rijden, terwijl hij deze door don hengst zijns meesters liet dekken. Toen nu de saamgezworenen, op den bestemden dag, die zelfde plek naderden, begon het paard van Darius zijn loop te versnellen en luid te hinniken. Terzelfder tijd zou het bij een helderen hemel geweerlicht en gedonderd hebben. Het eerste verhaal is zoo geheel onwaarschijnlijk niet, omdat het paard aan de zon geheiligd was on men liet wel voor een goddelijk teeken kon houden, wanneer het de opkomende Mithra tegenhinnikte. Voor het overige kon Darius, ook zonder de list van zijn stalknecht, deugdelijke aanspraken op den troon doen gelden.

2) Atossa wordt dikwijls de uitverkorene gemalin van Darius genoemd. Hun zoon Xorxes werd door Darius tot zijn opvolger bestemd, ofschoon de dochter van Gobryas hom reeds vóór de geboorte van Xerxes drie mannelijke erfgenamen had geschonken. Herodotus verzekert uitdrukkelijk, dat de invloed en hot aanzien van Atossa zeer groot is geweest. Aeschylus prijst haar in de „Perzenquot; als eene hooggeëerde achtenswaardige vrouw.

ocr page 531

500

meer te vorderen tlan hem toekwam. In plaats van die willekeurige geldafpersingen, die onder do regeering van Cyrus en Cambyzes telkens wederkeerden, voerde hij een geregeld belastingstelsel in, en liet zich in het doorzetten van wat hij recht en billijk oordeelde door geene zwarigheden afschrikken. De bespotting van de zijde der Achaomeniden, die van niets wisten dan oorlog voeren, en hem dus om zijne zuiver financiëele bemoeiingen »kramerquot; noemden, deed hem geen haarbreed van den eenmaal ingeslagen weg afwijken. Het is voorwaar niet een zijner geringste verdiensten, dat hij door zijn geheele rijk. en aldus door de halve toen bekende wereld, een gelijk muntstelsel invoerde.

De zeden en godsdiensten der verschillende volken eerbiedigende, veroorloofde hij den Joden, toen het document van Cyrus waarvan Cambyzes niets had geweten, in het archief van Ekbatana was wedergevonden, met hel bouwen van hun tempel voort te gaan. Den lonischen steden vergunde hij hare gemeenten zelfstandig te besturen. En nooit zou hij er toe gekomen zijn, zijne legers tegen Griekenland te doen optrekken, als de Atheners hem niet beleedigd hadden.

In de staathuishoudkunde had liij, als in zoovele andere dingen, veel van de Egyptenaren geleerd. Vandaar dat hij dit volk eene bijzondere achting toedroeg en vele weldaden bewees. Zoo liet. hij onder anderen, tot opbeuring van den Egyptischen handel, een kanaal graven, dat den Nijl met de Roode Zee verbond 1). Gedurende zijne gansche regeering deed hij zijn uiterste best de hardheid, waarmede Cambyzes de Egyptenaren behandeld had, door zachtheid weder goed te maken, en nog op hoogen leeftijd hield hij zich gaarne onledig met het bestudeeren van de werken van dit wijze volk, welks zeden en godsdienst zoolang hij leefde door niemand ooit mocht worden aangerand. De grijze priester Neithotep, die eens zijn leermeester was geweest, mocht zich tot aan den dood in de gunst van dezen vorst verheugen, die zich niet zelden de sterrenkundige kennis van den ouden wijze ten nutte maakte.

De Egyptenaren erkenden ook van hunne zijde de goedheid van den nieuwen vorst, en noemden Darius, evenals hunne vroegere koningen, eene godheid 2). Desniettemin vergaten zij

1) Ramses 11 werkte aan dit kanaal, waarvan reeds sporen worden gevonden uit don tijd vun zijn vader Soti I. Necho vatte het werk weder op. Oarius liet er vlijtig aan werken. Onder de Ptolomaeën werd het voltooid.

2) Darius' naam komt op de Egyptische gedenkteekenen onder den vorm Ntarioesch voor. Die naam wordt hol meest gevonden in de opschriften van den tempel in de oase of el-Khargeh. Zeer merkwaardig zijn vooral de Egypto-Perzische gedenkteekenen op do landengte van Suo/., met opschriften in hiëroglyphen en spijkerschrift. De Egyptische voor-

ocr page 532

501

op het einde zijner regeeriny de groole verplichtingen, die zij aan hem hadden, en beproefden, toegevende aan hun verlangen naar zelfstandigheid, het zachte juk van de schouders to werpen 1). Hun e vorst en beschermer mocht het einde van dezen strijd niet meer h'ie'en. Xerxes, de opvolger en zoon van Darius en Atossa, was bestemd om de bewoners van het NijldaHot eene meer slaafsche onderwerping terug te brengen, die juist daarom onmogelijk duurzaam kon zijn.

Als een waardig gedenkteeken zijner grootheid, liet Darius op den berg Rachmed bij Persepolis een heerlijk schoon paleis bouwen, welks puinhoopen thans nog de verbazing en bewondering der reizigers wekken. Zesduizend Egyptische bouwlieden, door Gambyzes indertijd naar Azië gevoerd, hielpen dit werk tot stand brengen, en ondersteunden de arbeiders, aan welke was opgedragen een koninklijk graf voor Darius en zijne nakomelingen aan te leggen. De moeilijk toegankelijke rotskamers dier begraafplaats hebben den tand des tijds getrotseerd, en strekkei; heden nog aan tallooze wilde duiven tot woning.

Op een gepolijsten wand van de rots van Bisitoen of Behistan, nabij welke plaats Darius eens het leven zij ner Atossa had gered, liet hij de geschiedenis zij ner daden uitbeitelen met zoogenaamd spijkerschrift in de Perzische, Medische en Assyrische taal. Het Assy-risch en Perzisch gedeelte dezer opschriften is thans met juistheid te lezen. Aldaar vindt men ook eene mededeeling van de in de laatste hoofdstukken geschetste gebeurtenissen, die vrij nauwkeurig overeenstemt met ons verhaal en met de berichten van Herodotus. Onder anderen wordt er gezegd: »Darius, de koning, spreekt: Dat, wat ik deed, geschiedde in allen deele door de genade van Aoe-ramazda. Nadat de koningen afvallig waren geworden, leverde ik negentien veldslagen. Door de genade van Aoeramazda versloeg ik hen. Negen koningen nam ik gevangen. Een van hen, Gaumata, een Medier, loog, toen hij dus sprak; sik ben Bardiya (Bartja), de zoon van Gyrus.' Deze maakte Perzië afvallig.quot;

Verder vermeldt hij ook de namen der stamhoofden, die hem geholpen hadden bij het ten onder brengen der magiërs, en op

1

De eerste opstand, die uitbrak onder den door Gambyzes aange-stelden stadhouder Aryandes, zou Darius, met een bezoek aan Egypte te brengen, onderdrukt hebben, bij welke gelegenheid hij honderd talenten beloofde aan hein, die een nieuwen Apis zou vinden. De tweede opstand begon eerst vier Jaren voor Darius dood. Xerxes bedwong de opstandelingen twee Jaren na zijne troonsbeklimming, en benoemde zijn broeder Achaemenes tot stadhouder.

ocr page 533

502

eene andere plaats leesl men; »Darius, de koning, spreekt: Dat, wat ik gedaan heb, dat heb ik in allen deele door de genade van Aoeramazda gedaan. Aoeramazda en de overige bestaande goden schonken mij hun bijsfand, daarom, dat ik niet twistgierig, geen leugenaar, geen gewelddadig heerscher was, ik nocb mijn geslacht. Wie mijne stamgenooten geholpen heeft, dien heb ik begunstigd; wie vijandig jegens ons was, dien heb ik streng gestraft. Gij, die na mij koning zult zijn, wees niet vriendschappelijk gezind jegens den man, die een leugenaar of een oproerling is, maar straf hem streng. Darius, de koning, spreekt: Gij, die later deze tafel zult zien, die ik beschreven heb, of deze teekens, vernietigt ze niet, maar bewaart ze zoolang gij leeft, enz.quot;

Ten slotte blijft ons nog over te verhalen, dat Zopyrus, de zoon van Megabyzes, tot aan zijn dood de trouwste vriend van Darius bleef. Toen een hoveling den koning eens een granaatappel toonde en hem vroeg: «Welk geluk zoudt gij gaarne zoo veelvuldig bezitten als deze appel pitten bevat?quot; antwoordde Darius, zonder zich te bedenken: «Mijn Zopyrus!quot;

Deze wist de goedheid van zijn koninklijke vriend weerkee-iig met vriendschap te vergelden. Toen Darius negen maanden lang vruchteloos Babylon had belegerd, dat zich na den dood van Cambyzes aan de Perzische heerschappij had ontworsteld, en reeds half en half besloten was het beleg op te breken, verscheen Zopyrus bloedende, zonder neus en ooren, voor den koning, en zeide, dat hij zichzelven dus verminkt had, om den Babyloniërs, die hem even goed kenden als hij hunne docbteren. wie hij zoo dikwerf het hof had gemaakt, eene poets te spelen. Hij zou de overmoedige bevolking diets maken, dat Darius hem alzoo had doen mishandelen, en hunne hulp inroepen om wraak te nemen op den koning. Zij zouden hem dan troepen verschaffen, waarmede hij, om zich het vertrouwen der burgers te verwerven, eenige gelukkige uitvallen zou doen. Dan zou hij de sleutels der stad in handen zien te krijgen, en voor zijn vrienden de Semiramis-poort openen. Deze op schertsenden toon uitgesproken woorden, en het verminkte gelaat van zijn vroeger zoo schoonen vriend, deden den koning zoozeer aan, dat hij tranen stortte. Maar toen de door geweld onneembare vesting voor de list van Zopyrus inderdaad bezweken was, riep hij : «Honderd Babels zou ik willen geven, als mijn Zopyrus zich niet zoo verminkt had!quot; — Daarop benoemde hij zijn vriend tot heer en meester van de reuzenstad, schonk hem al de inkomsten er van en vereerde hem jaarlijks de kostbaarste geschenken. In later tijd zeide hij meermalen, dat buiten Cyrus, met wien geen sterveling vergeleken kon worden, niemand ooit zulk eene edele daad had volbracht als Zopyrus.

ocr page 534

503

Weinige vorsten hebben op zulke edele vrienden kunnen wijzen als Darius, daar weinigen als hij don plicht der dankbaarheid in beoefening wisten f,e brengen. Toen Syloson, de broeder van den vermoorden Polycrates, op zekeren dag te Susa kwam, en den koning er aan herinnerde, wat hij eens voor hem gedaan had, ontving Darius hem als zijn vriend, stelde scheptn en soldaten te zijner beschikking, en hielp hem de Samiëis onder zijne heerschappij terug te brengen. De eilanders verweerden zich met den moed der wanhoop tegen de vreemde krijgsbenden van den nieuwen tyran, en erkenden, toen zij zich ten laatste overwonnen moesten verklaren, dat zij hunne onderwerping aan de vriendschap van Darius voor Syloson hadden te wijten.

Rhodopis beleefde nog, dat Hipparchus door Harmodius en Aristogiton vermoord werd en den val van zijn broeder Hippias, de tyrannen van Athene, en stierf eindelijk met vast vertrouwen op de hooge bestemming der Hellenen, in de armen van hare beste vrienden, Theopompus den Milesiër en Kallias den Athener. Geheel Naucratis beweende den dood dezer edele vrouw. Kallias zond een bode naar Susa, om den koning en Sappho berichtte geven van het afsterven zijner vriendin. Weinige maanden later ontving de satraap van Egypte den volgenden brief van de hand van Darius;

«Overmits wij de, onlangs te Naucratis gestorvene Hel-leensche vrouw Rhodopis gekend en hoogacht hebben, — overmits hare kleindochter, als weduwe van een rechtmatigen kroonprins van het Perzische rijk, op den huidigon dag nog de eere eener koningin geniet, — overmits ik eindelijk de achterkleindochter der overledene, Parmys, de dochter van Bar tja en Sappho, kortelings tot mijne derde echte gemalin heb verheven, schijnt het mij recht en billijk toe, dal wij het stoffelijke overschot van de grootmoeder van twee aanzienlijke vorstinnen koninklijke eere doen genieten. Daarom beveel ik u de assche van Rhodopis, die wij altijd voor de grootste en voortreffelijkste aller vrouwen hebben gehouden, in de grootste en prachtigste aller begraafplaatsen, namelijk in eene der pyramiden, met vorstelijken luister te doen bijzetten. In nevensgaande kostbare urn, die Sappho zelve zendt, moet de assche der overledene worden verzameld.

Gedaan in het nieuwe rijkspaleis te Persepolis,

Bai'lus, zoom van Hystasjies,

koning.

ocr page 535
ocr page 536

?r ?

'11

ïL .

-

M

:

ocr page 537
ocr page 538
ocr page 539