ocr page 1

i «

' :v;

ar

i

EL

:1 ■'

: »

...x-i

I

!

ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

Dr. L. H. W A GEN AAK. EEN WANDEL MET GOD.

BIBLIOTHEEK NED. HEIJV. KERK

^ £ JÏ

ocr page 6
ocr page 7

BIBLIOTHESK - 'h,gt; •, krAK.

ocr page 8

1

ocr page 9

EEN WANDEL MET GOD.

„Karti m fmJT. Jk Isntquot; DrieNrjei

LEVENSBESCHRIJVING

VAN

Ds. J. J, A. PLOOS VAN AMSTEL

Dr. L. H. WAGENAAR.

BJBÜOI! mSK gt;. HER /. KERK

ocr page 10
ocr page 11

Met een gevoel van dankbare vreugde voor het genoegen der bewerking dezer alleraantrekkelijkste stof, waarbij wij van alle kanten de vriendelijkste medewerking vonden, bieden we deze levensbeschrijving het Christelijk Nederland aan. Dank aan allen, die ons inlichtingen verschaften. Strekke dit boeksken om onzen dank aan God te verhoogen voor wat Zijne genade ons in Ploos had geschonken. Diene het mede om de geschiedenis der doleantie te beter te doen verstaan, met name door hen, die zich in dezen gang van zaken niet konden vinden. En verwarme de lezing ook het gemoed van menig kind van God, dat de zielskeuze kent: Vlak achter Jezus!

DE SCHRIJVER.

Arnhem, November 1895.

ocr page 12
ocr page 13

I.

AFKOMST, JEUGD EN JONGELINGSJAREN.

ocr page 14
ocr page 15

HOOFDSTUK I.

AFKOMST, JEUGD EN JONGELINGSJAREN.

Uit het oud-adellijk geslacht der Heeren van Amstel gesproten, ') werd te Nieuwer-Amstel op den 2den November 1835

') De stamboom van Ds. J. J. A. Ploos van Amstel begint met quot;VVolfgerus van Amstel, Heer van Amstel, in 1105 getuige van bisschop Burchard en in 1126 getuige van bisschop Godebaldus. Deze gewon den Ridder Egbert van Amstel, die stichter werd van het slot te Amstel en voorkomt als getuige van onderscheidene keizers en kerkvorsten. Zijn zoon was Ridder Gijsbreciit van Amstel, stedehouder van St. Maarten, geb. 1150. Deze werd vader van den Ridder Egidiüs van Amstel, sinds 1235 ook Heer van Mynden. Nu volgt in 't geslachtregister de rechte linie van Willem van Mijnden, in 1235 tot Ridder geslagen, Amelis van Amstel van Mynden, Ambachtsheer van Loosdrecht en borg van Gijsbrecht van Amstel in 1285, Wouter van Mynden, Ridder in 1318, Heer van Mynden en Loosdrecht, Gijsrert Ploos van Amstel, Nicolaas Ploos van Amstel, Cornelis Ploos van Amstel, overste tegen de Friezen in 1439, Willem Ploos van Amstel, Adriaan Ploos van Amstel f 1540, Gerard Ploos van Amstel f 1539, voorts Willem, geb. 1529, Dirk, Jacob, en wederom Jacob t 16 Januari 1694, Geruit, geb. 26 Maart 1667, Predikant te Blaricum en Laren, Pieter, geb. 18 April 1704, Jacobds Johannes, geb. 19 Sept. 1751, Johannes Jacobus, geb. 11 Juni 1798 en Johannes Jacobus Asuehus Ploos van Amstel, geb. 2 Nov. 1835. Het familiewapen door Ds. P. v. A. gevoerd had dan ook — om

ocr page 16

4

onder burgerlijke omstandiglieden 1) een zoon geboren, die de doopnamen ontving van Johannes Jacobus Asüeeüs. 2) Dit kind had het voorrecht een vader te hebben van wien eenmaal bij zijn groeve terecht getuigd zou worden: ,Acht en vijftig jaren lang heeft hij met de meeste getrouwheid de Gemeente met zijn gaven mogen dienen. Hij was een nauwgezet ambtenaar, maar niet minder een nauwgezet christen, die zijne gaven wist dienstbaar te maken voor al, wat goeden edel is en voor alles, wat welluidt. Ook bij de wisseling van lief en leed op zijn' levensweg, was Ploos wat bij wezen moest: een getrouw huisvader en, gesterkt in den Heere zijnen G-od, heeft hy mogen leven den zijnen tot zegen. Zijn trouw en waarheidszin zullen ons ten voorbeeld zijn!quot; 3)

Deze vader, de heer Johannes Jacobus Ploos van Amstel en zijne gade Gerritje van Aalderink nu waren, toen zij na drie dochterkens 4) te hebben ontvangen, eindelijk een stam-

1

met den schout ende gerechte van Tienhoven te spreken — „een geel velt ende vier swarte balcken ende daar dwars over een roodt Boergoens crnyce, boven op den helm een vergulde crone ende daeruit springende een hardt.quot;

') De oude heer J. J. P. v. A. was gemeente-ontvanger.

2

) Deze laatste naam van moederszijde.

3

) Zie , Weekblad van Nieuwer-Amstelquot; 27 Juli 1882. Eerst sprak Ds. Ploos. Hij erkende „dat zijn vader de zijnen niet alleen had trachten te vormen tot nuttige burgers der maatschappij, maar ook gedurig en altijd hen heeft gewezen op het dierbare Woord van Godquot; en herinnerde aan zijn nauwgezetheid en mededeelzaamheid. Daarop voerde de heer A. Streefkerk als waarnemend burgemeester het woord, en sprak in voege als boven werd weergegeven, de „betrekkingen, vrienden en vereerders van wijlen den heer J. J. Ploos van Amstelquot; aan.

4

) Deze dochters waren Catharina, geb. 2 Juni 1829.. in 1861 gehuwd met Ds. J. v. d. Scheer, en 'j* 23 Juni 1865, Gezina Aletta, geb. 2 Mei 1830, f 15 Oct. 1890, en Hermina Elisabeth Jacoba, geb. 4 Januari 1834. Uit een tweede huwelijk. 6 Juni 1839 met

ocr page 17

5

houder verkregen, als in de wolken, en de groote blijdschap, die de kleine Johannes door zijn geboorte verwekte, is door heel zijn leven aldoor verrijkt geworden. Deze eerstgeboren zoon zou een zoon der vreugde en der eere zijn!

„Vroolijk van aard en zeer guitigquot; groeide het knaapje al spelend op. Van kindsbeen aan had hij godsdienstige indrukken en ook moesten de zusjes reeds vroeg meedoen als Johannes weer „kerkje spelenquot; wou.

Straks echter scheen de „geest der eeuwquot; het jonge hart aan te grijpen. Twijfelingen kwamen op en het gemoed zocht zich te pantseren met onverschilligheid, zoodat zelfs het kerk-gaan stremde en de illusie der kinderjaren om dominé te worden geheel verdween. De oude heer Ploos van Amstel had een eigen drukpers. Uren aaneen, soms dag aan dag, was de jonge Johan hiermeê bezig. Boekdrukker of althans boekhandelaar moest hij worden. Op zijn 14de jaar werd hij geplaatst in de „boekzaakquot; bij eenen heer Spijker, doch „dit leven beviel hem niet.quot;

Nu verkreeg hij een plaats op een notariskantoor en wel bij den heer Baak. Dan, terwijl hij hier werkzaam was, greep er eene innerlijke verandering plaats in zijn gemoed. De twijfel aan de goddelijkheid des Bijbels werd hem een pijn. De behoefte om te gelooven kwam machtig op in zijne ziel. Hij kon Gods woord niet meer missen. Dit bracht hem op de knieën en de Heere brak in zooverre door, dat in 'sjongelings hart dé

Clara Maria van Aalderink gesloten, sproten behalve eenige kindertjes, die weer vroeg wegstierven, Clara Maria, geb. 2 April 1840, Gerardus, geb. 20 Febr. 1841 en f 17 Aug. 1865, en Johanna Alida Henriette, geb. 3 Juni 1843. Uit een derden echt, met Catharina Cornelia Louwerens, 21 Sept. 1848; Henricus Cornells, opvolger zijns vaders als gemeente-ontvanger van Nieuwer-Amstel, Jacobus Antonius, Catharina Cornelia, Hermina Elisabeth en Eduard Theodorus, geb. 15 Sept. 1858, een wijle predikant te Oosterend in Friesland.

ocr page 18

6

innige en blijde overtuiging opleefde van de waarachtigheid en dierbaarheid van het Evangelie van Jezus Christus, ons geboekt in den Bijbel, Gods onfeilbaar woord. Nu begon hij te getuigen en — preeken te schrijven. De studie voor het notariaat werd verdrongen door bijbelstudie, en de huisgenoo-ten lazen met verwondering de preeken, die de notarisklerk schreef. De vurige begeerte om predikant te worden vervulde nu al zijn zinnen en krachten en de Heere opende den weg, doordat een der zusjes een legaat ontving en er op stond, dat deze gelden zouden worden besteed om den geliefden broeder den weg naar het ambt te ontsluiten. Dadelijk begon hij met privaatles te nemen in het Hebreeuwsch en binnen zes weken wist hij hiervan zooveel meester te worden, dat hij vrijstelling van den militiedienst verwierf. Binnen twee jaar had hij ook zooveel van het Latijn en Grieksch onder de knie gekregen, dat hij, 20 jaar oud, na wel doorstaan admissie-examen de college {zalen is voor dien tijd veel te weidsch!) kamers der Utrechtsche Academie mocht binnentreên.

't Begin van zijn studietijd was recht voorspoedig, 't Laffe „groenloopenquot;, waarvoor zijn christelijk gemoed en fiere inborst een afschuw gevoelden, was het jaar, dat hij aankwam, verboden, en hij had het voorrecht zijn thuis te vinden bij de lievelinge der studenten, „moeder Bresserquot; in de „Gortsteegquot;, ^ waar ondanks de nauwheid van het straatje „nooit een der drie kamers leeg stond.quot;

Vrienden en clubgenooten vond hij in Magendans (thans te Slijk-Ewijk), A. Keers (nu te Hazerswoude), Westrik (die te Cothen diende). Van Straaten, J. Krayenbelt (tegenwoordig te Rotterdam), H. Höfker (die naar Oost-Friesland wederkeerde en te Wybelsum zijn gemeente vond), C. Nonhebel (te Ee overleden), Liera (reeds als proponent gestorven), en ook vadertje

') Thans verheven tot „Haverstraatquot;.

ocr page 19

7

Buytendijk — wiens huis toen een „Salemquot; genoemd werd — behoorde tot het vriendental, „dat recht prettig saam verkeerde, doch zoo, dat het hoogste element niet ontbrakquot; en „vele gezegende urenquot; met name ook op de kamer in de Gortsteeg» werden doorgebracht.

Als student was de jonge van Amstel echter niet volkomen in zijn element. De levenstoon van het studentiekoze, lichtzinnige academieleven bleef hem vreemd; het sarcasme van sommige kennissen en zelfs van enkele clubgenooten deed zich soms te goed aan zijn ietwat eenzelvig, soms schier onbeholpen, verlegen staan in een hem onsympathieke wereld, en — hoewel vroolijk van aard — was hij, de gemoedelijke peinzer en gedurige bidder, meer geestelijk dan geestig, een vreemdeling in de wereld, die „ook van de wereld niet veel begreep.' Zijne boeken waren hem kalme, lieve vrienden. Een weinig boek-verzamelaar, ontzeide hij zich somtijds het genot van het middagmaal om maar met een of ander boekwerk de wordende boekerij te kunnen aanvullen.

Hoewel in de werkzaamheden en uitspanningen der „chocola-club,quot; -D-T-inD trouwhartig deelende, trok hij zich maar liefst op zijn kamer terug, „waar hij altoos te vinden was als zijne betrekkingen hem bezochten,quot; ijverig bezig den rijstebrijberg der oudere ütrechtsche theologie door te eten. Door zijne examens worstelde hij gelukkig heen, hoewel hij iets ongehoords bestond, dat den onwil der professoren had kunnen opwekken.

„Innig vroom van gemoed, teeder levende met God,quot; die hem troostte en staande hield in smartelijke wegen en bij teleurstellingen, waaronder zijn jonge, teedere hart bitter leed, kwam de behoefte om te prediken weer zoo krachtig boven, dat hij alle gelegenheden aangreep om het Evangelie te mogen verkondigen. Meer dan tachtig maal heeft vóór zijn proponentsexamen de jonge theoloog gesproken, en — in de Maliebaan

ocr page 20

8

in een evangeliesatielokaal nu en dan bijbeloefening te houden, dat was hem zielsgenot, ja zielsbehoefte. Hier leerde hij ook eene jonkvrouw kennen, die eerlang de koninginne werd van zijn hart. Doch haar zullen we eerst wedervinden, nadat onze „prediker van ganscher ziele en met alle krachtenquot; door de poorte van het proponentsexamen het tijdperk der voorbereiding heeft verlaten en Ploos in zijn element is gekomen: den dienst des Woords.

ocr page 21

II.

DE JONGE DOMINÉ VAN OTTERLOO.

ocr page 22
ocr page 23

HOOFDSTUK II.

DB JONGE DOMINÉ VAN OTTBRLOO.

't Was wel om te juichen, toen aan den avond van den 9lt;len Augustus 1860 de president van 't Provinciaal Kerkbestuur van Zwolle na afgelegd proponentsexamen en onderteekening der bekende formules den geslaagden candidaat beroepbaar verklaarde; doch — in die dagen was het heirleger der proponenten zoo groot, dat er eene wet uitgevaardigd was geworden, dat ze slechts beroepen mochten worden in gemeenten, die vacant werden, nadat zij proponentsexamen hadden gedaan. En als er nu eens een vacature ontstond, ach, dan was er haast geen aankomen aan. Veertig proponentjes reisden op eigen kosten naar 't afgelegenst dorpje en preekten paarsgewijze twintig Zondagen achtereen. En die op zes- en drietal kwamen, preekten nog weer over. ... En dies mocht ook wel in het hart van den jongen proponent Ploos van Amstel de vraag opkomen: Heere, waar nu heen ?

Een leeraar uit de Kaap naar Holland gereisd, ontmoette hem en bood hem een beroep aan naar een der Kerken in de Kaapkolonie. Ploos bedankte en nu werd dit beroep uitgebracht op Ds. Broekhuijsen, toen predikant te Otterloo, en deze, in dezen weg met van Amstel in aanraking gekomen, beval,

ocr page 24

12

toen hij besloten had de roeping naar Zuid-Afrika te aanvaarden, ons proponentjen den Veluwenaren als zijn opvolger aan. Den öden Februari 1861 werd het beroep op hem uitgebracht, volvaardig werd het aangenomen en eerlang toog, vergezeld van een hulpvaardig zusjen, de nieuwe dominé naar het aloude Oddr-lo, het woud van Hodur heen. Over boseh en hei langs diep-gespoorde wegen hortend-stootend in de witte huifkar of moe-zwoegend er naast, ging de uren-lange tocht tot waar in het dorp op de ruime brink, in schafiw van statige, hooge linden het kerkje met zijn bescheiden spitsje verklapte, dat in gindschen lommerrijken tuin de pastorie zich verschuilt.

't Was een tamelijk antiek-feestelijke intree den 14den April, toen, na bevestigd te zijn door den streng rechtzinnigen Ds. Gan Dun uit Eenkum met de welgekozen woorden uit 2 Oor. 3 : hh „onze bekwaamheid is uit God', Ploos van Amstel zich aan zijn eerste gemeente verbond, ') preekende uit 2 Cor. 5 : 20 „zoo zijn wij dan gezanten van Christus' wege, alsof God door ons bade; wij bidden u van Christus' wege, laat u met God verzoenen.quot; In zijn intreegebed zeide hij: „Mocht ik ten zegen zijn voor eene enkele ziele, ik zou de kroon werpen voor de voeten van het Lam.quot; Onder dit gebed was de door de redevoering van de Savornin Lohman bekend geworden Trui van Harskamp, die later op de hei jarenlang bij haar geitenstalletje uit het Haneboek de kinderen lezen leerde en hierdoor de oprichting der thans aldaar bloeiende Christelijke school voorbereidde. Dit Truitje voelde zich door deze bede aangegrepen en meebidden moest ze: „O mocht ik die eene zijn!quot; En de Heere hoorde. Ploos werd haar ook in den weg van bekommering en hooggaande aanvechting, die nu natuur-

') Een dagboekaanteekening luidt: „Een gezegenden dag genoten. De gemeente staat thans voor mijne rekening. Herinner mij dat gedurig, o Heer! Veel liefde dien dag ondervonden van vele vrienden'.

ocr page 25

13

lijk(!) volgde, een altoos even vriendelijk raadsman. Met groote opgewektheid en zielsgenot begon de jonge leeraar zijn werk. 21 April schreef hij in zijn dagboek: „Na geweldig leed over het afzijn mijner vrienden, getroost door den Heere. Wat Hij ontneemt, geeft Hij dubbel terug. Eene kerkeraadsvergadering gehad met kerkvoogden en notabelen zoo zalig, zoo hemelsch, dat ik die nooit vergeten zalquot;.

De nieuwe dominé beviel waarlijk vrij goed. Eenige zijner tijdgenooten verhalen hiervan : „Ploos hield den boel aardig bij malkaar. Hij was nog wel in alles niet zuiver gereformeerd en durfde ook niet bepaald zeggen, dat hij het „groote deel' had verkregen, doch men hoorde hem gaarne, bijna even lief als zijn voorganger en dat was toch eene heéle beste. De zakjes daalden slechts „een ietsje.quot; Voor't armenzakje maakte dominé den laatsten gulden altijd vol. Wanneer zijn geld op was, en dat gebeurde wel eeng, want hij was bizonder mild, dan keerde hij zich om en zeide : Broeders, zie maar niet naar mij, 't loopt tegen 't eind van 't kwartaal.quot;

Des Zondagsmorgens zag men langs alle zandwegen en binnenpaden uit Aanstoot en Harscamp, van het „Boveneind' en van „de Stuit,quot; van Oud-Reemst en Nieuw-Reemst, van Westerhuis en Westereng, van „het veldquot; en van Kraaikamp, de kerkgangers aankomen, en kijk, die schare daar op het Molenpad, — de mannen met de pijpjes in den mond, de vrouwen met broodmandjes aan den arm — die menigte komt van Essen alleen! Hoor, hoe druk ze 't hebben over den nieuwen dominé. — 't Is een dominé op den stoel, hoor! Maar ook als je bij hem komt. Je bent er nog geen twee minuten of hij spreekt al met je over „het goede.quot; — Eén man was er echter, die den „blinden hals' verdoemde. Een „oefening-doenderquot; te Harscamp. Doch het bekwam hem slecht. Toen hij het weer waagde met zijne oefeningen door te gaan, liepen de catechisanten van den nieuwen dominé te hoop.

ocr page 26

14

sloegen de ruiten in, wierpen de pannen van het dak en zouden licht het huis hebben afgebroken, als ze de belofte niet hadden gekregen, dat de oefeningen zouden worden gestaakt! Dominé heeft zijn te vurig jongvolkje hierover op de catechisatie ernstig bestraft, doch de helden lachten zoo hartelijk en volhardend, dat de boetprediker nauwelijks zijn ernst bewaren kon en — maar zweeg!

De arbeid in het Evangelie ging volijverig door. Als 's morgens de boeren naar den akker gingen, brandde nog vaak de lamp in de studeerkamer, en bereidde de jonge leeraar zich voor op zijn preekwerk en catechisaties. Ook weekdiensten bij lichte maan werden ingevoerd en de kerk hiertoe „gekroond.quot;

Met den arbeid in het woord voor de gemeente ging als hand aan hand een steeds dieper en rijker werkzaamheid in het persoonlijk leven met God.

Het dagboek, waaruit ik reeds een enkele zinsnede aanhaalde, legt hiervan een veelszins aangrijpend getuigenis af. Het klaagt over heeten strijd met boezemzonden. Steeds levendiger wordt het gevoel van zelfmishagen en steeds vuriger de bede : „Heere, verlos mij. Gij alleen kunt mij verlossen ! — Ik gevoel diep mijn onvermogen. — Neem niets voor, maar bid ernstig!'

De oude vrienden kwamen nu en dan een dagje over. Dan werd er somtijds veel genoten in den Heere. Zoo lezen wij b. v. 14 Juli 1861. „Een der meest gezegende dagen mijns levens, waarin mijne vrienden, beiden Den Ouden en Middelhoven mij door Gods genade tot krachtige opwekking geweest zijn. De kracht van Gods verkiezing wordt gezien in Zijne gedurige trekkingen!' ')

') Bij deze aanteekening geeft de schrijver zijn begeerte te kennen, dat zijne vrienden dit zullen lezen na zijnen dood en er „den dank in ontvangen van een vriend, die hun toeroept: AVeest getrouw voor elkander en gij zult blijdschap ondervinden en geven.quot;

ocr page 27

15

De opgewekte stemming bleef vele weken voortduren. Somtijds werd Psalm 36 doorleefd.

4 Augustus. Een gezegenden dag gehad; de Heer heeft mij eene overstelping van leven gegeven, waardoor ik juichen kan en mij verblijden in den hemel. Op den kansel was ik zoo vol, dat ik moest eindigen bij het spreken over Zondag 7 over het „voor waarachtig houden,quot; welk een ki-acht dit geeft. Ondervinding maakt waarheden dierbaar.quot;

En haar toppunt bereikte ze:

30 November. „Ik leef in den hemel. Ik ben los van alles; de Heer zal voor alles zorgen; ik smacht alleen naar mijne intrede in het hemelsch Jerusalem en het zien van Jezus. Niets bindt mij hier; alles hierboven. Wat is het goed, de hemelsche dingen te bedenken. Wat gaat dan de strijd gemakkelijk. Naar Boven, naar Boven! daar is Jezus, ons vaderland, ons leven. Mijn hemelsche woning staat gereed. Nog een korte tijd; vrienden, ^ en dan zijn wij allen bij elkander bij Jezus, in heiligheid. Niets zal ons meer verontreinigen. Zoekt niet de aarde, gij zijt reizigers; bouwt hier geen huis, maakt uw hemelsch huis vast. Vaarwel vrienden, naar boven. Tot straks, vaarwel. Amen. Als de Heere mij bereid keurt, zou ik gaarne morgen op den kansel Gode verheerlijkend sterven!quot; Straks kwam natuurlijk op dit hoog gevoel reactie, doch ook bij de wisseling van licht en duisternis, van geestesvolheid en geesteloosheid bleef het geloof en het gebed.

Nu daagde voor den jeugdigen leeraar de eerste dag van eene nieuwe levensperiode, de huwelijksdag, 24 Juni 1862. Nadat het huwelijk te Barneveld burgerlijk gesloten was, werd de bruiloftstoet feestelijk ingehaald, door de jeugd van Otterloo, in 't versierde dorp met gejubel ontvangen. In de kerk zegende

l) Het vriendenleven in den Heere van 14 Juli duurt blijkbaar nog altijd voort!

ocr page 28

16

Ds. P. van Toorenenbergen, toen predikant van Barneveld, het huwelijk in en de gelukkige jonge man voerde zijne schier aangebeden gade de nu eerst recht gezellig geworden pastorie binnen. Jacoba Elisabeth Isabella Caroline de Geer, eene dochter van Car el Willem Emile de Geer en Jeanne Henriette Huber-tine van Asch van Wijck, was den 10 Juli 1839 geboren en nu eene jonkvrouw in den eersten, vollen bloei des jongen levens, dat zij in volkomen liefde kwam wijden aan haren diep en trouw beminden man, die ook zijnerzyds haar aanhing met zijn volle teedere en trouwe harte.

Wat echter dezen echt zóó innig gelukkig maakte, was de eenheid in keuze niet slechts, maar ook waarlijk in leven. Beide jonge echtelieden mochten roemen; „het leven is mij Christus.' En waar ze nu van meet af samen één geestelijk leven leidden en, de een den ander uitnemender achtend dan zich zei ven, beide elkander tot hand en voet, tot oog en oor waren op den weg naar den hemel, daar werd in de stille pastorie van Otterloo iets genoten, dat rijker en reiner was, dan al wat de weelde der wereld opleveren kan. Toch was dit liefelijk licht niet geheel zonder schaduw. Den stijf-sten gemeentenaren was de glorieuse intocht en de joyeuse-lijke bruiloft ^ te „ydel, te wereldschquot; geweest. Daarbij kon de in den Heere gehuwde 't niet laten om op den kansel te spreken over het geestelijk huwelijk en dat klonk het Otter-loosche volk, dat een zeer realistische opvatting van het huwelijk had, zoo dwaas in de ooren! Wellicht echter moest deze verwijdering van enkele vrienden,, mitsgaders een pijnlijke strijd met den onderwijzer, eenigszins medewei-ken om het hart des leeraars over te buigen, toen vier maanden, nadat de twee jaren om waren, het beroep kwam naar Eeitsum.

') Ploos noemt haar in zijn dagboek: een kananeesche bruiloft en ooggetuigen roemden mij baar ernst en betamelijkheid.

ocr page 29

17

„Den 9den Juli 1863quot; — zoo lezen wij in de kerkeraads-archieven van Otterloo (van 's leeraars eigen hand) — „ beroepen naar Eeitsum, Genum en Lichtaard in Friesland, 't welk hij aannam, niettegenstaande den grooten liefdesaandrang dei-Gemeente, overtuigd zijnde - vanwege de groote behoefte te Eeitsum aan waarheid, de mogelijkheid alhier weder iemand beroepen te zien, die de waarheid naar de Schrift verkondigt en vanwege den geweldigen aandrang der gemeente aldaar en van de omliggende gemeenten, — dat dit beroep hem van den Heere was toegezonden en dat hij dus verplicht was, het aan te nemen.''

Op Zondag 20 Juli maakte Ds. Ploos het der gemeente bekend met de woorden van Gen. 12:1: „de Heere nu had tot Abram gezegd: ga gij uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis naar het land, dat Ik u wijzen zalquot;.

Nadat op den 6den Augustus aan Ds. Ploos een zoon was geboren, dien hij naar zijnen vader Johannes Jacobus doopte, kwam den 27sten Sept. de aandoenlijke afscheidsure, waarbij de scheidende herder en leeraar sprak uit 2 Cor. 6:1: „wij dan, als medearbeidende bidden u ook, dat gij de genade Gods niet te vergeefs moogt ontvangen hebben.'

De herinnering in liefde bleef in veler harten. Jaren latei-ontving Ds. Ploos van Amstel opnieuw het beroep, zooals men schreef uit bizondere hoogachting en bracht hij eenige dagen in de in der haast eenigszins bewoonbaar gemaakte pastorie door. Doch zijn arbeidsveld lag elders. Ploos zou een zegen Gods voor Friesland zijn!

2

ocr page 30
ocr page 31
ocr page 32
ocr page 33

HOOFDSTUK III. voor 't eerst te reitsüm.

Welk eene tegenstelling: 't mulle, luwe Otterloo en — de ,Vlieterpenquot; op de Friesclie klei, links van Dokkum!

Als ge het smalle puindijkjen langs rijdt van de Friesche Eestad af naar Kaard en dan verder 't westen in, dan bereikt ge straks een drietal naakte, nietige dorpjes, de Vliet er pen of vluchtheuvels geheeten. Op een deels weer afgegraven terp staat een zwaargebouwd kerkjen, van een kerkhof omgeven. Eene groote boerenplaats, nog een paar boerenhofsteden, eene school met meestershuis en eenige arbeiderswoningen — ziedaar alles. En voorts — weiland met kostelijk vee en hier en ginder eenige „bouwquot;. Lichtaard komt eerst, Genum 't laatst, midden in het rijtje ligt Eeitsum. Daar is de pastorie, welks bewoner de drie dorpen moet bepreeken.

Deze pastorie, een vriendelijk, ruim gebouw in een tuin gelegen, ontving het gezin van Ds. Ploos van Amstel. *)

Op Zondag 11 October deszelfden jaars stroomden de Friesche „waarheidsvriendenquot; van alle kanten naar Reitsum, want de eerste preek, die de beroepen dominé er had gehouden, had

') Op blz. 145 geven we een afbeelding in later dagen.

ocr page 34

22

een roep van hem doen uitgaan, die de harten van het Friesche Godsvolk met blijde hope had vervuld. 1)

De consulent Ds. L. A. Offerhaus van Wanswerd hield de bevestigingsrede en „zeide aan Archippus; Zie op de bediening, die gij aangenomen hebt, dat gij die vervult.' (Kolossensen 4 :17).

De „nije domenij' deed 's namiddags zijn intree met de ootmoedige, de hartenwinnende betuiging; „niet, dat wij van ons zeiven bekwaam zijn, iets te denken als uit ons zeiven, maar onze bekwaamheid is uit God' (2 Oor. 3 : 5).

Verbazend was de opgang, dien Ds. Ploos te Eeitsum maakte. Van heinde en veer kwam men hem hooren en — in de pastorie werden alle vreemdelingen allergulst ontvangen. Paesumer visschers, landvolk en stadsche menschen vulden de ruime woonkamer. Waar de trekpot het afleggen moest, werd naar Friesche zede een handvol thee in den ketel geworpen en — die kon het theeschenken volhouden! Ds. Ploos zat dan midden in zijn volkjen en al had de preek de noodige lengte volkomen gehad, onvermoeid sprak hij voort uit en over het leven des geloofs.

Zoo werd Eeitsum een middelpunt van godsdienstig leven, en daarbij uitgangspunt van evangeliseerenden arbeid.

') Prof. Wielinga schreef mij hierover: ,1k was te dien tijd te Blija, mijn geboorteplaats. Wij hoorden bij gerucht, dat te Reitsum de beroepen leeraar zou preeken, die nu eens niet een -fine remonstrantquot; was. Ik ging in gezelschap van Ds. Hulst van Fer-werd. Van heinde en ver kwamen de hoorders saam. 't Kerkje was stopvol. Voor ons trad op een slanke jonge man met een vriendelijk gelaat, doch wiens geheele optreden van ernst getuigde. Hij hield een toespraak over Ps. 115 : 1: (Niet ons, niet ons, enz.) die een diepen indruk maakte. Dat was iets ongehoords op een kansel der Herv. Kerk in die streken. Ds. Hulst en ik boden hem bij het eindigen de hand. Dat was het eerste optreden van Ploos te Reitsum. Sedert heb ik mij altijd aan hem verbonden gevoeld en velen met mij.quot;

ocr page 35

23

Ploos werd uitgonoodigd om overal te komen preeken en spreken en hij bedankte nooit. Hier begon dat reizend leven, dat hem aldoor kenmerkte. Overal trad hij op in kerken of in herbergzalen, waar hem slechts eene deur werd geopend. En overal waar hij kws.m, verdrongen zich de heilbegeerige scharen. Onvermoeid was Pioos. Preeken kon hij drie, ja liefst drie-en een half uur aaneen. En 't verveelde nooit. De opmei-king van prof. Beets, dat men in Nederland om populair te zijn niet kort behoeft te spreken — werd hier bewaarheid. Zeer beeldenrijk was de rede. „Schilderachtig' noemden het de boeren. Heel het dagelijksch leven en streven werd Ploos tot beeld van het geestelijke, bovenal van het geloofsleven. Een Friesche Spurgeon werd in hem bewonderd en hij sprak altoos zóó, dat er een dubbele toon beluisterd werd.

Aan het woord was de gezant van Christus, maar die gezant was een medezondaar. Die toon gaf zijn woord een hartelijken ingang en ook dit voelde men: deze prediker bedoelde niet zichzelven, maar het heil der zielen en de eere zijns Gods! Het bleef altoos dezelfde grondtoon: „Niet ons, o, Heer, niet ons, maar uwen Naam geef eer om uwer goedertierenheid, om uwer waarheid wil!' Aan de logica ontbrak wel eens veel, soms klaagde een ietwat critisch toehoorder, dat het in de preek wel eens „boeldag' 1) kon zijn, beste meubelstukken, maar niet recht op order -- doch de levendigheid der voorstelling en de warmte van een liefdegloed, die beurtelings riep voor de eere Gods en lokte tot Jezus — vergoedden het gemis aan strenge volgorde van redeneering. En de Heere gaf kennelijken zegen. Vooral in deze eerste jaren — zoo hoorde men telkens verhalen — werd voor velen „het middelquot; deze onvermoeide prediker des Woords.

Reeds nu bood zich aan den jongen leeraar de gelegenheid aan, om — te komen in kerkelijk conflict.

') Friesche uitdrukking voor „sterfhuis.quot;

ocr page 36

24

Evenals indertijd tot Ds. H. de Cock te Ulrum, kwamen nu tot Ds. Ploos van alle kanten klachten, dat men ongedoopte kinderen had en deze onmogelijk kon laten doopen door de onrechtzinnige predikanten en — nu vviMe men tot hem komen, opdat hij den kinderkens der geloovigen het bondszegel toedienen zou.

In dien tijd lieten de Eeglementen dit nog niet toe en Ploos „begon het drukkende van den kerkelijken toestand te beseffen.quot; ^ Wel voelde hij eene roeping om hen te helpen, doch hij durfde niet, deels uit zucht naar zelfbehoud, deels uit vrees „om de verwarringen op kerkelijk gebied niet nog grooter te maken.quot; Ook hield hij niet van zulke huismiddeltjes. Sedert werd zijne aandacht, en dat gedurig weêr, bepaald bij Jesaja 58 en 59 en bij het laatste gedeelte van 2 Cor. 9 en werd er in zijne ziel een zuchten geboren om verlossing van onder het juk der Synode.

Er kwam daarbij een buiten-kerkelijke arbeid, die zijn harte vroeg en niet weinig tijd en krachten in beslag nam. In eigen gemeente waren kerkelijke scholen met ouderwetsche, min of meer orthodoxe onderwijzers. Doch onder de Friesche „meestersquot; in heel den omtrek vond het ongeloof zijne profeten. Ploos zag, hoe de openbare school het volk ontkerstende. En hij vloog ten strijde als een oude ridder met niets ontzien-den moed.

Overal hield hij schoolredenen — waarbij 't gemis aan diepte dubbel vergoed werd door yloed en bezieling — om de stichting van Christelijke scholen te eischen. Hij verklaarde, niet recht op zijn dreef te zijn als hij niet 3 of 4 maal in de week hier en daar moest preeken of spreken. Soms profeteerde hij. Te Holwerd b.v. (het moderne Holwerd) riep hij in 1864, toen nog niemand den moed had aan schoolstichting te denken, uit :

') Jezus Christus, het eenig Hoofd zijner Kerk. 2e druk, bl. 11.

ocr page 37

25

„binnen een jaar zal hier een christelijke school komen!' en het ondenkbare geschiedde. 1) Die school van Holwerd is een monument voor Ploos. Voor alle schoolbesturen was hij sinds de raadsman en geen opoffering voor het Chr. onderwijs was hem immer te groot. Heel de onderwijzerswereld raakte echter in beweging. Het Priesche liberalisme stoof op en in allerlei weekblaadjes werden volle fiolen van smaad uitgegoten over dezen drijver. Doch Ploos van Amstel was er de man niet naar om zich te laten afschrikken en wat hij tijdens zijne bediening te Keitsum begonnen was, zette hij te Anjum, — wellicht iets minder in den Boanergestoon — door. 2)

Met name voor Leeuwarden was deze arbeid ten zegen. Ploos, schier zoodra hij in Friesland was, met de Leeuwarder vrienden in kennis geraakt, wist hun het vuur zoo na aan de schenen te leggen, dat ze niet durfden nalaten, hoe klein ook de krachten waren, eene schoolstichting te wagen, en den 5den September 1866 smaakte de ijveraar de voldoening op het zaaltjen in het tegenwoordig Militairen Tehuis in de G-roote Kerkstraat de openingsrede te houden (uit Pred. 12 : 13) en

') Toch heeft deze school, juist omdat hij zijn eigen geloofsleven er aan beproefde, hem veel zorgen gebaard. Maar de arme Holwerders noemen hem „de vader onzer school.quot;

3) Merkwaardig is in dezen de volgende aanteekening uit het dagboek, waarover later. „Al weder wat geleerd. Klachten gehoord over de betaling van een onderwijzer. De chr. school brengt een menigte ellenden met zich. Ik wil de chr. school aanprijzen, omdat chr. onderwijs naar Gods wil is. Maar ik leer, niet valsche-lijk te ijveren, noch in het vleesch te roemen. De chr. school aan te bevelen, zonder ijdelen roem, zonder verheffing van de school. Dat is recht. Dat geeft kalmte. Dat bevordert de waarheid. Dat is Gode welbehagelijk. Moge de Heere aan het roer van alle christelijke scholen staan. Dan zal het goed gaan. Want het moe* altijd stroomopwaarts. Hoe noodig, dat God in alles verheerlijkt wordt. 10 Nov. '64.

ocr page 38

26

den nieuwen meester, den heer W. C. van Munster, sinds zijn warme, trouwe vriend, tot zijnen heerlijken arbeid in te leiden. „Deze rede,quot; zoo schrijft me een ooggetuige, „van den reeds vergrijsden, ijverigen man, maakte eenen overweldigenden indruk, omdat het toen alles nog zoo nieuw was.' 1)

Eene episode uit dezen zelfden tijd van strijd deelde in zijn woord: Ter gedachtenis aan Ds. Ploos van Amstel Ds. Littooy mede, schrijvende in de Zuiderkerkbode van 17 Aug. '95:

„Korten tijd, nadat wij in de bediening des Woords waren gekomen, hadden wij het voorrecht eene christelijke school te mogen openen op het Bildt te Sint Anna! Op het Bildt eene Christelijke school, daar werd destijds met vreugde over geschreven in verschillende couranten en in Friesland kwamen de vrienden en vriendinnen 2) van Oost en West, van Noord en Zuid de feestelijke opening bijwonen. De president-kerkvoogd Arie Lont had de Herv. kerk beschikbaar gesteld. Ook Ploos van Amstel zou hierin optreden. In den vroegen morgen was hij reeds komen rijden van Reitsum 3) naar Sint Anna Parochie. Uit vrees voor rustverstoring bleef de groote kerk ongebruikt en Ploos van Amstel sprak in de z.g. afgescheiden kerk. Doch dat had hij op ons verzoek ook reeds vroeger gedaan. Om de

1

quot;) Hoe het hart van Vader Ploos ook aan dit kindeke zijner ziele bleef hangen, bleek zoo liefelijk, toen hij bij gelegenheid van zijn huwelijk met Mej. A. Binksma de school een klok vereerde, die nog den tijd aangeeft!

2

) Echt Friesch. Toen Groen van Prinsterer te Leeuwarden zijn eerste pleidooi voor chr. schoolonderwijs had gehouden, kwamen eenige friesche boerinnen de eetzaal binnen en wilden een hand hebben van Groen tot betuiging van hartelijke instemming. Deze verheugde zich en zeide: Nu de Friesche vrouw gewonnen is voor de chr. school, zal ze zegevieren!

3

) Hier vergist zich Ds. L. Ploos kwam met meester van Munster en Geert Sinia van Anjum. Met „den dageraad weggereden, kwamen ze eerst na middernacht terug, in nog opgewekter stemming dan toen ze gingenquot; !

ocr page 39

27

school te verkrijgen sprak ZEw. in die kerk eenige maanden te voren eene rede uit, die hij daarenboven ons afstond en die bij de firma de Hoogh in Amsterdam het licht zag en een aardig voordeeltje aan de school opleverde ... Ook te St. Jacobi spraken wij meer dan eenmaal op eene groote bovenzaal van eene herberg. Beiden zagen en ondervonden wij daar de bittere vijandschap tegen het evangelie des kruises. Er werden daar personen gehuurd en half dronken gemaakt, die als wij daar spraken, op satanische wijze de rust trachtten te verstoren.quot;

Een uit velen. Zoo wist Ploos van Amstel zich als te ver-veelvuldigen en werd hij in de Hervormde kringen, doch in gereede samenwerking met de Chr. gereformeerden de man voor Friesland. —

In Eeitsum begon ook eene der grootste bezoekingen in het leven van Ds. Ploos van Amstel, de hem altoos schuddende en vaak schokkende stroom der — beroepen. Dit oordeel Gods over onze ongehoorzaamheid in het kerkelijk leven onder de Synodale hierarchic bracht veel jammer en verdriet over het teergevoelig en zeer consciëntieus gemoed van dezen veelbegeer-den leeraar.

In de eigenhandige aanteekeningen in den huisbijbel lezen we: „Den 3den Mei 1865 beroepen naar Zelhem; voor welk beroep hij na veel gebed en strijd 1) bedankt heeft, omdat hij in Friesland nog veel had te voltooien.quot; Nu, dit laatste was goed gezien!

En dan gaat het door: 17 Aug. beroepen te Losdorp, 22 Aug. te Oostermeer en Eestrum, 5 Oct. 1865 te Anjum. En van dit laatste lezen we: „Na hevigen strijd deze beroeping aangenomen den 25sten October, op den geweldigen aandrang des gemoeds tot dit besluit gekomen, waarop de Heere veel ruimte en voorspoed heeft geschorkenquot;.

') Wij cursiveeren.

ocr page 40

28

Uit het eerste Reitsummer leven zijn nog een paar zaken merkwaardig. In de Reitsummer pastorie werden geboren op 29 Aug. 1864 Carel Willem Emile 1) en op 13 Aug. 1865 Johanna Elisabeth.

In het dorp woonden enkele modernen. Eens in dezen kring te gast genood en hoogst vriendelijk ontvangen, wekte deze goedheid bij den leeraar zieledrang om hen nadrukkelijk te waarschuwen voor hun verderf. Nu echter week de gulheid voor bittere vijandschap, die zich ook jaren later nog openbaarde.

Overigens genoot de alom gevierde prediker en strijder in zijne gemeente groote waardeering en naar den volksaard kalme, doch hartelijke en trouwe liefde. Vooral werd aan 's leeraars ziele met innige liefdebanden verbonden de ziel van een der „lidmaten quot;, den lateren ouderling Pieter Reitsma. Deze Reitsma was een echte stoere Fries — goed gereformeerd „theoloog' op beslist objectief standpunt — een beslist man in alles. Spaarzaam in woorden, een man van ja, ja en — misschien vaker nog — né en dan was het neen. Hij was regeer-ouderling. Van het bewegelijke, teedere, soms schier vrouwelijke, alsmede van het aanvankelijk een weinigje Veluwsch-onderwerpelijke, dat den herder kenmerkte, had deze opziener net het tegenovergestelde. Zoo vulden ze elkander aan. Soms ook botsten ze, doch dat kon de oprechte overeenstemming in overtuiging en doel, mitsgaders de mannelijke liefde wel verdragen. Vooral tijdens de vacatures was deze Reitsma de steunpilaar der orthodoxie. Wij zullen opnieuw van hem hooren.

Den 14Jen Januari 1866 hield Ds. Ploos zijn afscheid, nadat hij nog voor 't laatst gepreekt had over Rom. 9 ; 16. „Zoo

') Thans D. d. W. bij de Geref. kerk te Zwolle B.

ocr page 41

29

is het dan niet desgenen, die wil noch desgenen, die loopt, maar des ontfermenden Gods!' 1)

In den loop der volgende week kwamen de Anjumers de huishouding halen, 't Laatste meubelstuk, dat ingepakt en weggedragen werd, was het hiüsorgel, doch eerst hadden in psalmgezang en gebed allen zich vereenigd. Zoo was het eerste afscheid aan Eeitsum, dat echter in des Heeren raad zwanger was van een: tot wederziens! 2)

') Bij H. de Hoog werd de „afscheidsleerredequot; uitgegeven, onder den titel: „Des ontfermenden Gods.' Een voordeeltje voor de Chr. school te Holwerd. Omtrent de tekstkeuze schrijft Ds. P. : Met het oog op den zegen, ons geschonken, past dit woord in aller mond. Begonnen wij : „Niet ons, o Heer, niet ons. Uw Naam geef eer,quot; zoo hebben wij ook te besluiten, roemende alleen in de ontferming en vrije genade Gods, waardoor wij zooveel zegeningen ontvingen.

a) Over het eerste verblijf te Reitsum bevat het dagboek alleen deze woorden: Te R-eitsum geweest. Een kleine plaats. Veel zegen. De eeuwigheid zal het verklaren !

ocr page 42
ocr page 43

IV.

VLAK ACHTER JEZUSquot;

ocr page 44

■MP- - - . lt; r ,

aaaBMM»

mÊmÊëm

ocr page 45

HOOFDSTUK IV.

„VLAK ACHTER JEZUS.'

quot;Van het kleine Keitsum naar het groote, fraaie boerendorp Anjum is de reis wel kort, doch de overgang was vrij groot. Ploos bleef echter wonen in 't midden zijns volks, want 't Priesche volk en Ploos van Amstel waren aan elkander gegeven. Hier te Anjum werd de te Reitsum begonnen arbeid op het gebied van prediking en schoolstrijd voortgezet en de gemeente opgebouwd in het Woord. Doch het merkwaardigst is deze „Anjumer periodequot; voor het innerlijk leven van Ploos van Amstel geweest. Zijn dagboek, nu weer trouw bijgehouden legt hiervan veelszins getuigenis af. Aldus heft het aan ;

„Den 9 Nov. 1866. Dit boek in handen genomen. Wat is er al gebeurd, drie kinderen reeds geboren. Een schat van zegeningen. Te Eeitsum geweest. Een kleine plaats. Veel zegen. De eeuwigheid zal het verklaren. Nu te Anjum bijna een jaar. Wat al geleerd! Vooral dat ik niets ben en mijn Jezus alles. ^ De Heer komt mij steeds nader. Ik moet vlak achter Jezus wandelen. ') Hij in mij, ik in Hem. — Zijn wil te doen, is mijne blijdschap. — Maar daartoe heb ik steeds

') Wij cursiveeren en spatieeren om de aandacht op deze Icen-merlcende uitdrukkingen te vestigen.

3

ocr page 46

34

noodig, op Jezus te zien, Hem te kermen, Hem aan te hangen.—

Welk een onderscheid nu en voor drie jaar. Toen wilde ik alles zelf doen. Nu, dit jaar, heb ik geleerd, wat vrije o-enade is. Niets zelf doen. Verlaten op Jezus; in Hem zin-

O

ken; op Hem geheel vertrouwen. In Jezus gelooven. Daartoe Hem kennen. Dit ook: èn kennis èn geloof zijn door den Heiligen Geest. — Duizendmaal heb ik mij afgevraagd, waarom ik toch zoo angstig was. Het kwam voornamelijk hieruit, dat ik mij niet verlaten kon op den Heer. Daardoor miste ik den vrede. — Voor rekening van Jezus te staan, dit geeft vrede. Ook is 't onmisbaar noodig, den Heer vlak te volgen. Zonder volgen geen vrede. Geen licht met dichte luiken! Alles open! In God ademhalen! — Ook (jeheel gelooven. Het leven Christus. Het geheele hart behoort den Heer. Alle vreugde in Jezus. Dan is Jezus alles voor ons. Niet genoeg, in Hem te vertrouwen tot eindelijke zaligheid, maar in Hem nu reeds te vertrouwen in alles en onder alles tot zaligheid nu. Die in Christus gelooft, is zalig, heeft vrede. Geen ingebeelden vrede. Werkelijken vrede. Waar geen vrede is, is geen vertrouwen. Daar is scheiding! Bij Jezus is vrede!' ')

Het is dit teeder gevoelige leven van de Unio mystica, dat te Anjum door Ploos van Am stel en wel in gemeenschap met zijn gade en ook met sommige vromen in de gemeente werd genoten, in afwisseling van genot en gemis. Aandoenlijk

i) Een weinig later lezen wij deze gulden woorden: „Wij be-geeren soms heiligmaking uit hoogmoed, om zelf wat te zijn, of uit ongeloof, omdat wij niet ziende op Jezus bevreesd zijn, dat het niet goed zal gaan. Zie op Jezus; rust in Jezus en — zijn beeldtenis wordt in u afgedrukt. Nooit was mij de afschrik voor de zonde en de liefde tot heiligheid zoo groot als bij het gezicht op Jezus. Heerlijk gezicht. Dat gezicht verrukt; daarvan gaat kracht uit. 0, dat ik altijd in den geloove Jezus aanschouwe. Leef, O Heer, in ons. uwe gemeente. Dat toch de liefde m ons worde uitgestort en Uw Naam worde verheerlijkt!

ocr page 47

35

is uit dit gemis vaak de klacht; „Het krielt weêr van zonden. Daar is weêr scheiding tusschen God en mijne ziel. Ik kan Hem niet zoo vertrouwelijk toespreken. Ik gevoel, dat zonder de genade Gods, ik weêr geheel zou afzakken. O, Heer, bewaar mij, tot roem van uwe genade. Zonder ü kan ik staan noch gaan. Ik kan niet bidden voor anderen, want de liefde Gods woont niet in mijn hart. Heer, keer weder en ga mij met uw heillicht voor! Ik leer weder geheel arm en onmachtig zondaar te zijn.

De Heere zij geloofd, dat ik zulk een heerlijken Zaligmaker heb! En ook, de Heer verandert niet! Niemand kan Zijne schapen uit Zijne hand rukken. Ja, dat is zalig. Maar ook, laat mij nabij ü leven tot eer en verheerlijking van uwen groeten naam.quot;

En wederom hoe roerend ruischt de elegie des geloofs: „Altijd duisternis. Christus is voor mij in het zwart gehuld. Ik heb nergens vat aan. Wel zijn de beloften mij liefelijk. Het bewustzijn in geloof is bij mij vast, dat de Heere helpen zal en mij niet zal overgeven tot een prooi des satans.

De Herder zal zijn schaap niet door den wolf laten verslinden. De Vader geeft zijn kind niet over. De Heere zal wederkeeren en het licht doen opgaan in de duisternis. Hij zal Zijn liefde in mij uitstorten en ook deze zaak doen medewerken ten goede. Maar ik ben treurig. De Heer schijnt mij verlaten te hebben. Ik kan nauwelijks bidden. Ik ben zoo hard als een steen; zoo koud ; zoo onvatbaar. Heere, hoe lang? 0 God mijns heils, begeef, verlaat mij niet! Op U zal ik hopen Jeremia XXVI en Micha VII versterkten mij. Zoude deze duisternis ook strekken om de beloften te doen verstaan ?'

Straks echter leidde de Heere weêr uit „den kerker der benauwdheidquot; uit en steeds meer zocht dan zijn geloove ir. Jezus. Dan jubelt weer de lofzang en ruischen de snaren: „De Heere is mijn Herder, mij zal niets ontbreken. Hij doet

ocr page 48

36

mij nederliggen in grazige weiden.... Ja, Amen, grazige, zeer vette weiden! O, wat is de Heer goed, goed, goed! Had ik duizend tongen, ik zou over de geheele aarde willen uitgalmen; de Heer is goed, zijne goedertierenheid is in eeuwigheid. Hemelsch leven. Fo/zalig leven! Eén met God. Mijn hart is vol. Ik zou wel kunnen schreien van vreugde! Arme wereld, bij den Heer alleen is rijkdom! Geloovigen, nabij den Heere is het goed, maar ook alleen nabij Hem. Bekommerde, in Jezus houdt zuchting en treuring op. Zoekt God en leeft!. .. Hemelsche weide, hoe vet. Dierbare Jezus, hoe liefelijk. Wat zullen wij eenmaal juichen!quot;

Eigenaardig is de volgende aanteekening:

3 December 1866. Des avonds na een belangrijk gesprek met Bergman van Ee een merkwaardige ontdekking gehad. Bij het lezen van een stuk van Esser over de ontrouw in de toe-praak tot onbekeerden kreeg ik eerst een zwaren slag en was ik voornemens om aanstonds aan den gang te gaan om de menschen te vermanen. Maar de Heer bepaalde er mij bij, of het Hem behaagde, dat ik door zweepslagen gedreven aan het werk zou gaan. Slechts door liefde gedreven kon ik de men-schen recht toespreken. Ik werd ingeleid in mijn herderlijk werk en moest uitroepen: schuldig, schuldig, schuldig. Doch de Heere stilde mijn hart en toonde mij, hoe wij, leeraars, eerst noodig hebben, den Heere te hidden voor de gemeente, opdat ze door den Heiligen Geest worde levend gemaakt, want wij kunnen niet bekeeren en — voorts, hoe wij noodig hebben door des Heeren Geest en liefde te worden vervuld met den lust om paarlen aan te brengen aan de kroon des gezegen-den Verlossers. Ja, dat is een heerlijk werk: gedreven door liefde te arbeiden aan het heil der zielen en Gods eere te bedoelen!

4 December. Des avonds geweest bij den smid. Ik gevoelde, hoe goed het is, vervuld met de liefde Gods te spreken en zoo met belangstellende liefde zielen te leiden.

ocr page 49

37

Ook in de pramp;lïkwijze ontving onze leeraar leering van zijn God:

12 Maart 1867. Bij vurige begeerte om de prediking dei-lijdensgeschiedenis voori, te zetten, veel verhindering. De Heor gaf mij te zien, dat ik geen moeite moest doen om iets voort te brengen. Ik moet ontwikkelen uit het onderwerp, wat gezegd worden moet! Gods Woord moet mijn leiddraad zijn, dan zal de Heer mij zijn bijstand niet onttrekken !

En in het gehed deed hij deze wijsheid op;

20 Maart Te Dokkum het heerlijk evangelie verkondigd. Tegen mijne verwachting niet vlak geweest in het gebed. W aarom ?

1°. Ik wilde spreken uit de armoede van vroeger dagen, niet uit die van het oogenblik.

2°. Ik wilde met een bepaalde armoede voor God komen en mij daarin verdiepen.

3°. Ik bud in het gevoel, dat ik bidden kan en niet in afhankelijkheid van de voorbidding mijns Heeren.quot;

Omtrent dit innige, teere leven van den Anjumer leeraar verneem ik van elders, dat, waar het hem anders moeilijk viel in dagelijksche ontmoetingen uit te komen en op te komen voor zijn Heere, dit toen zeer gemakkelijk werd. Veelal zwom zijn ziel als in een oceaan van vrije genade en straalde hem als een hemelsche weerschijn van 't open gelaat. Bepaaldelijk leefde hij uit het Verbond der genade. De bekoring der zonde scheen geweken, 't Gewoel der wereld stiet hem af. 't Kostte hem moeite een courant te lezen, doch dagelijksch manna verzamelde hij uit zijn bijbel. Boven vermogen werd zijn milddadigheid. Waarlijk Johanneïsch! In den bangen choleratijd gaf hij de dekens van zijn eigen bed. Liefelijke zegeningen zijns Gods genoot in deze jaren Ds. Ploos in zijn huisgezin. De huisbijbel bevat hieromtrent de volgende eigenaardige aantee-

ocr page 50

38

keningen. „Op den 20 Dec. 1866 te Anjum geboren eene dochter, genaamd Catliarina Maria Gesina. Juist onder avondkerk. De Heere kon mij missen. Israels God heeft geholpen. Loof den Heere, mijne ziel!quot; — En vervolgens: „Op den 16den November 1867 te Anjum geheel onverwachts en gansch voorspoedig geboren een zoon, genaamd Gerardus. De Heere is een verrassend God !' 1)

Wat aangaat het kerkelijk leven in de Anjumer periode, het begon den 26 Januari 1866. In het Notulenboek der Ned. Herv. Gemeente te Anjum staat geschreven: „Op Zondag den 26 Januari 1866 is de bestaande vacature in deze gemeente wéér vervuld. Des voormiddags werd onze beroepen herder en leeraar Ds. J. J. A. Ploos van Amstel in zijn dienstwerk onder ons ingeleid door den consulent Ds. J. H. Reddingius, pred. te Morrha c. a., predikende over 2 Cor. IV : 5«. Gaf deze tekstkeuze zekere critiek op den onderwerpelijken toon van de prediking door Ds. Ploos? (want wij prediken niet ons zeiven, maar Christus Jezus den Heere 2). De bevestigde aanvaardde des namiddags zijne bediening onder ons met eene leerrede over Matth. 6 : 9b (Uw Naam worde geheiligd).'

Hier te Anjum gevoelde Ds. Ploos van Amstel opnieuw de onvrijheid der kerk in het genootschap.

„1866 den 1 Maart. Kerkeraadsvergadering „op' de pastorie, waarbij al de leden tegenwoordig zijn. De vergadering wordt geopend met gebed. Wordt gehouden censura morum, waarbij op het levensgedrag wel niets is aan te merken s), m aar

1

') Deze zoon is thans D. des G. W. in de eerste gemeente van schrijver dezes, het aloude Wodans-dorp Wons.

2

) Het tweede gedeelte van den tekst: en ons zeiven, dat we uwe dienaars zijn — waar Ploos zooveel in zag, liet de bevestiger weg.

ocr page 51

39

wel op de leer van sommige leden Daar er nu niets aan te doen is, wordt deze zaak in ernstige overweging genomen. Later werd besloten „de 4 avondmaalsvragen te doen.'

Een wolkje als een mans hand, doch dat weer overdreef, kwam het volgend jaar aan den kerkelijken gezichtseinder op.

Op 5 Maart 1867 besloot de Kerkeraad om het recht tot benoeming van ouderlingen en diakenen en tot beroeping van predikanten (Algemeen Reglement voor de Hervormde Kerk art. 23) slechts te gunnen aan hen, die instemming betuigden „met de waarheid, gelijk die is naar Gods Woord, uitgedrukt in de formulieren van eenheid.quot; De gemeente hierover gehoord (in 't catechisatiegebouw, 29 April) besloot echter met 19 tegen 12 stemmen „dat de zaken zouden blijven op den ouden voet.quot; En de kerkeraad lei er zich bij neer.

Nog zijn merkwaardig een poging van den leeraar om diakenen te bewegen toch ook de levend geloovige doopleden te bedeelen naar het woord: doet wel aan allen, maar meest aan de huis-genooten des geloofs — een redeneering waarbij het rechte kerkbegrip nog zoek is —, en een gemeentelijke arbeid in de verzameling van gelden voor de zending. Werden 1 Maart '66 bij kerkeraadsbesluit opgezonden /'50.— aan de Gereformeerde Zending, ƒ 5.— aan het Utrechtsche Zendingsgenootschap en f 10.— aan 't weeshuis te Neerbosch, 29 April '67 ontvangt de Geref. zending reeds /'225.— Utrecht echter niets meer, en in de plaats van 't weeshuis treedt Christelijk Nationaal onderwijs, dat ƒ 25.— ontvangt.

Beroepen kwamen er naar Zaamslag, Willemstad, Bierum, Dedemsvaart, Augustinusga, Ridderkerk en Katwijk aan Zee. Ridderkerk werd aangenomen. Maar hoe?...

8 April was „op de pastoriequot; voor 't laatst de kerkeraad bijeen. Ds. Ploos vertoont zijne stukken ter zake de beroeping

') Wij spatieeren en cursiveeren.

ocr page 52

40

naar Ridderkerk, die alle in orde worden bevonden. De predikant wordt losgemaakt van de classis door Ds. Bokrna de Boeien door Ds. Reddingius van de gemeente. De laatste spreekt den vertrekkenden leeraar een hartelijk woord van afscheid toe ...

In zijn huisbijbel schreef Ploos zelf:

„Den 13den April afscheid genomen van dat onvergetelijke Friesland, dat mij zoo onuitsprekelijk dierbaar geworden was, zoowel voor mijzelven als in mijn werkkring, waarvoor ik mijnen zeer dierbaren Heer en Verlosser nooit genoeg kan danken, dat Hij mij arm, ellendig schepsel heeft willen gebruiken om Zijn naam te verkondigen voor duizenden.

Afscheid genomen, uiterst gesterkt, (wonderlijk ondersteund, zoodat de geheele schare, hoezeer ook geschokt, stil was), met Joh. 3 : 30 : „Hij moet wassen en ik minder worden.quot; Met de bede, dat het beeld van Johannes mocht verflauwen, opdat Jezus alleen te heerlijker voor 't zielsoog zou schitteren ging de door duizenden innig geliefde leeraar, die hen onvermoeid op het Lam Gods gewezen had, heen, — een toestand in, die hem dikwerf zou doen denken aan een kerker, maar waaruit hij straks weer bij zijn Friezen thuis gekomen, weder-keeren zou, gerijpt en toebereid tot — hervormer. —

ocr page 53

DE ZWERFTOCHT.

ocr page 54

riSkêl

i

ifc .

ocr page 55

HOOFDSTUK V.

DE ZWERFTOCHT.

In zijn keurige levensschets van Ds. Ploos v. Amstel, die de Utrechtsche kerkbode sierde, schrijft Ds. Fernhout: „Vooral sedert vader Ploos in 'Gö van Anjum over de Friesche grenzen naar Ridderkerk trok, gevoelde hij zich nergens thuis. Niet te Ridderkerk, nog minder te Groningen en ook niet te Hilversum. Eerst toen hij na dezen tocht, dien hij zijn „zwerftocht' noemde, in '76 naar Reitsum teruggekeerd was, gevoelde hij zich weêr in het midden zijns volks.quot;

Op dezen „zwerftocht' willen wij nu onzen leeraar volgen, doch eerst opmerken, dat hij ook bij het noemen van dit woord steeds gaarne erkende, recht hartelijke vriendelijkheid van velen te hebben genoten en dat er in het bizonder aan het Groninger Christenvolk, ook uit de Chr. Gerf. Kerk, „banden lagen' van onverbrekelijke liefde.

Te Ridderkerk den 19 April 1868 door een akademievriend „Ds. Fl. 'Magendans van Baambrugge' bevestigd „met een rede naar aanleiding van 1 Thess. 5 : 12 en 13amp; (wij bidden li, broeders, erkent degenen, die onder u arbeiden en uwe voorstanders zijn in den Heere en u vermanen, en acht hen zeer veel in liefde om huns werks wil.) — deed de bevestigde intrede met Matth. 6 : 10«. „Uw koninkrijk kome.'

ocr page 56

44

Spoedig bleek het, dat leeraar en gemeente elkaar niet recht verstonden. Ploos was niet zwaar genoeg! Hij had „geweldig veel verdriet.quot; 't Was een gemeente, waarin hij ,volstrekt niet aarden kon.quot; Daarbij kwam een innerlijke strijd, dat hij soms „niet wist, waar zich te hergen.' Op den duur echter gewenden de herder en de kudde wat aan elkaar en werd de genegenheid eenigermate opgewekt. Doch — na voor Monnikendam bedankt te hebben, kreeg Ds. Ploos een heimelijk begeerd beroep naar Groningen en — hij greep dit aan. 't Was nog binnen 't jaar. 26 Februari 1869. Op de aanneming volgden bange, bange dagen. „Vreeselijke zielsangstenquot; grepen onzen broeder aan. „Nooit werd zijn gemoed zoo diep gefolterd als nu. De gemeente grijnsde hem aan. Hij gevoelde zijn ontrouw en kon toch niet recht tot verootmoediging komen. Hij was en bleef doodelijk benauwd. Hij gevoelde, dat hij buiten Gods weg was en kon — hoe gaarne hij wilde — niet wederkeerenquot;. Hij was diep ongelukkig. Zijn lichaam vermagerde. Zijn haar begon te grijzen. Zoo naderde de iijd voor het vertrek naar Groningen bestemd. —

Na met een preek uit Matth. 6 : lOi („Uw wil geschiedequot;) van Ridderkerk afscheid genomen te hebben, reisde Ds. P. v. A. met zijne familie naar Groningen, 's Leeraars gemoedsgesteldheid was somber, gedrukt, beklemd. De wolkkolom ging zijner ziele niet meer voor. Hij volgde niet meer, „vlak achter Jezusquot;, maar ging zijn eigen weg. Zijne gade maakte zich illusiën, doch Ploos van Amstel mocht wel weenen. 't Was hem alsof hem groote verdrukkingen wachtten. —

Uiterst vermoeid bracht hij zijn gade, die de prachtige pastorie van Ridderkerk verliet — in een somber, leelijk huis. Dit was als een begin der smart.

Pinksterzondag 16 Mei 1869 des morgens bevestigd door een bloedverwant zijner gade, Jhr. L. de Geer, Theol. doctor en predikant te Groningen, met een Pinksterpreek uit Efszen

ocr page 57

5 : 18amp; „wordt vervuld met den Geest,quot; deed Ds. Ploos van Amstel des avonds zijn intreepredicatie in de Martinikerk, die natuurlijk overstroomd was met menschen. Hij sprak uit 1 Cor. 2 ; 2. „want ik heb niet voorgenomen onder u iets te weten, dan Jezus Christus en dien gekruisigdquot; en gaf een beslist gereformeerde verklaring dezer door de Evangelische richting sinds Meyboom's intree te Amsterdam zoo dikwerf bij intreêprediking misbruikte woorden. 1)

') Beide preeken verschenen als één boeksken bij G. J. Reits, onder den titel: „Bevestiging en intreerede.quot; De bevestiger wees er zijnen „medebroeder in de bediening des evangeliesquot; op, dat het „er tegenwoordig vooral op aan komt, om een gezonde opvatting der H. S. voor te staan en den Kristus voor de oogen der gemeente te plaatsenquot; en dat hij in zijn bediening „«'oorz/cM;/, gelijk het behoort, zou wandelen.quot; Ploos vond het een „gezegende roeping om te midden van zooveel leugen en bedrog een tijding te mogen brengen, die wanr en getrouw is, een verouderd evangelie, doch dat ook hem zeiven een oorzaak van vrede en zaligheid geworden was. „Ontzachlijkquot; —zoo sprak hij — „is de gedachte: als leeraar geroepen te zijn om den raad Gods te verkondigen aan zielen, voor de eeuwigheid geschapen, en in plaats daarvan met alle lichtvaardigheid het ambt te misbruiken en maar uit te spreken, al wat men maar goed vindt, terwijl men de zielen van zoovele duizenden op het spel zet, alsof bet een kleinigheid ware! Ik huiver bij de gedachte, hoe al die zielen getuigen zullen met vreeselijke verwijtingen tegen hen, die ze alzoo misleid en op het dwaalspoor gebracht hebben.quot; En later: „Te Corinthe schijnen er velen geweest te zijn, die zeer eenzijdig ingenomen waren met de wijsheid dezer wereld en met een zekere uitwendige welsprekendheid. En toch, deze richting moet bestreden worden; want, hoe wenschelijk de wetenschap, goed beoefend, ook zij, zoo noodlottig is de beoefening der wetenschap, die niet tot God heenleidt, maar veeleer van Hem afvoert.quot; En verder: „De miskenning van de Schrift en vooral van den Christus is niet gelegen in gebrek aan bewijzen, maar in afkeer van de waarheidquot; .... En wederom. „Zoo ligt schept men

ocr page 58

46

De taal van den bezielden getuige voor de aloude waarheid, die naar de godzaligheid is, vond, luiden weerklank in het hart van het Calvinistische volk, ook, zooals we reeds opmerkten van vele Christelijke gereformeerden, die de verleiding geen weerstand konden bieden om Ds. Ploos nu en dan te hooren. De toeloop was overstelpend, 's Morgens om 6 uur stonden reeds hoopen volk voor de deuren der kerk, als om 7 uur in de vroegpreek de geliefde leeraar zou optreden. De Evangelischen echter vergrimden tegen hem en de modernen spotteden luidkeels met zijne soms ook wel wat platte beelden.

In den Kerkeraad was het voor zijn gevoelige ziel al heel bang en — bij den strijd kwam het lijden van het nog altoos aangevochten gemoed. Want al waren er nu en dan oogen-bliken van verkwikking, het doorgaande innige, teeder zalige nabij-leven van Anjum was voor een magerheid der ziele geweken. Hij gevoelde, dat de Heere iets tegen hem had en zag toch niet duidelijk, wat het ware.

Onder deze bange omstandigheden nu trof hem de verpletterende slag van den dood zijner gade.

Roerend beschrijft hij zelf, wat toen werd doorleefd, doorleden. „Ik deed mijn intree in de Martini Kerk. Dat was de laatste kerkgang van mijn dierbare Betsy. 26 Mei beviel zij. ')

zich, wie men ook zij, een Christusbeeld naar eigen smaak en legt dien Christus in den mond, wat men wil, dat Hij zou ge?egd hebben.quot; Spreker ,stelt achtereenvolgens voorquot; „den profetisclien, den historischen en den in het leven gekenden Christus quot; Aan de modernen ontzegt hij het recht op den Christen-naam, ook der Groninger richting was deze preek een fonneele, uitdagende oorlogsverklaring. Hier is Ploos van Amstel de ridder, die den handschoen zijn overmachtige tegenpartij in het aangezicht werpt en met gevelde lans inrent op wat zijn Koning krenkt en zijn arme gemeente verwoest, 't Is een prachtige preek.

') De huisbijbel meldt: „Op 26 Mei 1869 werd te Groningen geboren Herman Theodoor Lodewijk. Op 5 Juni, dus 10 dagen

ocr page 59

47

Spoedig openbaarde zich koorts. Zondag liad ik vroegpreek. Ik sprak uit Ps. 136 : 1: „Looft den Heer, want Hij is goed, want zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid.' Ik liet ook zingen: ,Diepe wijsheid zijn uw paden.quot; Ik sprak er over, hoe Gods goedertierenheid zelfs gekend wordt in de donkerste wegen, in wegen van smart en lijden. — Deze predicatie was een profetisch woord, 's Namiddags sprak ik in de Nieuwe kerk en te huis komende, vond ik mijne dierbare Betsy krankzinnig. — Wat ik uitgestaan'heb, is onbeschrijfelijk. Ik had haar zoo innig lief. En zij mij. Ik voelde, ik moest haar missen. Ik stond een vreeselijk lijden door. Haar te missen, mijne lieve vrouw, de lieve moeder der kinderen. ... en dat in deze omstandigheden.... bet was mij te zwaar. Ik had haar zoo zielslief. En ik kon zelfs geen woord met haar spreken.quot; Zij ij^6- Alleen nog sprak zij in een oogenblik van kalmte: „De Heer is mijn Herder.... Hij leidt mij zachtkens aan zeer stille wateren.'.... „Wat leed ze schrikkelijk en wat leed ik met haar. Eindelijk bezweek ze. Zaterdag na den middag 5 Juni om half vier. Daar lag ze, die ik zoo vurig bemind had. Het was een ontzachlijk offer... .

na de bevalling, heeft het den Heere behaagd, mijne getrouwe, dierbare, onvergetelijke echtgenoote van mij af te nemen. Ik heb een gezegend huwelijksleven genoten. Wat zij voor mij geweest is, kan ik niet in ■woorden uitdrukken. De Heere zij geloofd voor den zegen mij verleend. Hij zelf zij mijn eenige vertrooster.

') Ev. Gezang 21 : 4.

Diepe wijsheid zijn mv paden.

Wijsheid zonder eind of paal

Zijn, o hooge God, uw daden,

Zijn uw wegen altemaal.

Zijn ze zuurheid, zijn ze zoetheid,

Wij aanbidden, zwijgen stil.

Want de wezenlijke goedheid Maakt het goed met dat zij wil.

ocr page 60

48

Aanvcinkelijk werd de beroofde eenigermate gesterkt. Wel konden de gemeenteleden, die haar ganschelijk niet gekend hadden, zich niet inleven in dat verlies en dies zoo moeilijk troosten, doch — de Heere gaf aanvankelijk eenige ondersteuning. Dit bleek ook op den kansel. Oude vrienden uit Groningen spreken nog van de heerlijke predicatiën, in de eerste weken van den rouw gehoord! Doch eerlang „week alles van zijne ziel. Allerlei winden ontrustten haar.' „Ik wasquot; —zoo klonk zijne confidentie later — „ik was niet onder God. Ik heb in Groningen geleden. Allerverschrikkelijkst. Alles was tegen. Wel kreeg ik menige verkwikking evenals Jacob bij Laban, maar ze was in droefenis. Lijden op lijden griefde. Niet te noemen. Mijn huisgezin liep geheel dooreen.'. . .

Ploos voelde zich een weeze. Een verlatene. Hij miste die „trouwe gade; altijd zoo vriendelijk en bevallig voorkomend.' Ach, zoo kreet het doorwonde harte — „Zij was zoo liefhebbend en getrouw. Hoe hielp zij mij in mijnen arbeid en de blijdschap was ze van Zondagschool en meisjesvereeniging. . . Bijna 7 jaren mochten wij een gezegende echtverbindtenis genieten, waarin wij zijn samengegroeid door liefde in de gemeenschap des Heiligen Geestes.' ... En als ik vraag, wat maakt mij het hart zoo droevig, het is niet alleen het wegnemen mijner vrouw, maar ook en vooral de omstandigheden, waaronder. Pas hier, en dan zoo geslagen. . .. Had ik te E. moet en blijven? — De Heer weet het. Maar allerlei gewaarwording en doorkruisen mijne ziel. Hoe gaarne had ik ook afscheid van haar genomen en veel met haar gesproken. Dan ach.... Wat heeft mij de Heere te zeggen? Ik sta verbijsterd. Maar de Heer zal uitkomst geven en mij, eenzame op aarde, niet alleen laten. Immers zal een weeze ontfermd worden....' Nu des Heeren ontferming hield staande en — voorzag.

Merkwaardig is het dagboek van 19 November des volgende jaars (1870).

ocr page 61

49

Daar lazen we :

„Heden voor 9 jaren was ik dicht bij mijn lieven Heiland. Wat heeft Hij steeds trouw voor mij gezorgd. En ach, wat heb ik Hem veel moeita gemaakt met mijn zonde en ongeloof. En nu — wat mij verbeidt, weet ik niet. Maar dit wel, dat de Heere goed is. Word, mijne ziel, nooit wanhopig. Bij Jezus is raad. Als gij hukt, valt, volgt. Het vleesch moet gekruisigd. Met zw.ire nagelen moet gij, mijne ziele, aan het kruis. Doch ook dan is onze trouwe Jezus goed ! Hij doet alles goed, maar heeft er heel wat meê te stellen om u in den hemel te brengen. Gelooft gij dat? Hij maakt eens het klagen tot aanbidden. Dan zult gij danken voor hetgeen, waarom gij nu treurt en weent! Nu, mijne ziel, schep moed en als gij weer treurig zijt, gebruik dan nog eens dit dronkje waters, dat de Heere mij heden gegeven heeft en waarmee Hij mij zoo zalig verkwikt heeft.quot;

Onder zeer merkwaardige omstandigheden verkeerde bij het schrijven dezer regelen Groningens leeraar.

Was hij dit of was hij het nauwelijks meer?

Na in den zomer van 1870 voor Wageningen en Garyp bedankt te hebben, was weer het beroep naar Eeitsum gekomen. Ds. Ploos dacht eerst te bedanken. Te Leeuwarden verhaalt hij dit aan zijnen ouden vriend Reitsma. Doc-h toen deze „Standfriesquot; dit hoorde, zonk hij ineen.

Den lOden November nam Ploos van Amstel Reitsum aan.

Een langen tweestrijd had echter dit besluit gekost én — de drie weken bedenktijd, toegestaan door de reglementen der Herv. Kerk waren - strikt genomen — reeds om, eer de brief van aanneming werd geschreven. De moderne families te Reitsum, waarvan we boven verhaalden, dienden op dezen grond protest in tegen de wettigheid der aanneming. De zaak kwam voor het Classicaal Bestuur van Dockum en dit désapprobeerde. Ploos werd gerekend te hebben bedankt en — bleef vooralsnog predikant te Groningen.

4

ocr page 62

50

Werd door deze mislukte poging om uit den strijd uit te komen, 1) de positie te Groningen niet aangenamer, een troost bereidde de Heere den weduwnaar daardoor, dat een vriendelijke en trouwhartige discipelin zijns Heeren liet wankelend huisgezin kwam stijven en den kinderen eene tweede moeder ?) en hem eene troostende gade werd.

Vriend Visser uit Leeuwarden was de Eliëzer geweest, die gesproken had, terwijl thuis het Izaaksgebed opging en mejuffrouw Anna Geertruida Binksma van Leeuwarden, afgelost van een levenstaak, tot dusver God ter eer volbracht, verklaarde zich bereid en gedrongen, de eigenaardige zelfverloochening en groote toewijding vragende taak te aanvaarden om Ds. Ploos van Amstels tweede vrouw te zijn.

Na heel wat strijd te hebben doorworsteld, leidde hij den 9den December 1870 haar in de sombere woning binnen, die zij met stillen, liefelijken zonneschijn zou verhelderen.

De dagen te Groningen waren nu echter geteld. Van alle kanten werden de beroepsbrieven als afgeschoten. Jaarsveld, Serooskerke, Ooltgensplaat, Zelhem, Hellevoetsluis ketsten, maar Hilversums beroep brak de koorde, die nog aan Groningen bond.

In zijn afscheidsrede herdacht hij, hoe hij ;,met een doorwond hart, blootgesteld aan de diepste smarten, waarlijk met tranen had gezaaid en een woord verkondigd, geboren uit de diepte der smart, gevonden op den bodem des lijdens.quot; „Nooit had hij moeten arbeiden onder zulk een macht van smarten en bezwaren als hierquot;, „doch ook te midden der diepste smarten, waardoor zijn ziel soms doodelijk getroffen

gt;) Later schrijft hij ; Neem nooit een juk op uwe schouders, zwaarder dan gij kunt dragen. Het juk van Groningen was te zwaar, en de Heere had het niet opgelegd.

quot;) Bij de begrafenis sprak Ds. C. Ploos van Amstel: onze tiveede moeder, neen, altoos onze moeder.

ocr page 63

51

was, had hij, dank zij Gods schragende trouw, toch mogen zaaien het woord van Gods genade, zich en anderen tot troost.quot;

Voorts bepaalde Ds. Ploos zijn gehoor bij de woorden van Paulus uit Hand. 20: 32 en beval zijne broederen „Godeen den woorde zijner genade.' Ook deze afscheidspreek is een strijd-preek. Hij „zet het lancet in de wonden.quot; „Noemt men hem exclusief, hij is het anders dan de kerkelijke kiesvereeniging „Recht voor allen,quot; die ondanks deze leuze rechtzinnigen buiten sluit!' Hij blijft waarschuwen tegen het ongeloof, dat in de gemeente zich steeds driester vertoont en zijne overwinningen viert, belovende vrijheid, hoewel het niet dan boeien brengt. Ook uit hen, die men voor vrienden der waarheid houdt, staan verleiders op. Beproeft hen hieraan, of ze tegenspraak kunnen dulden, dan of ze daardoor gemelijk worden! Ook is •er een gevaar der transactie en er zij vrees om gemeene zaak te maken met leugenachtige beginselen. Al kunnen wij daaruit schijnbaar nog zooveel voordeel trekken, het is alles leugenwinst, leugenhulp, schuim en ijdelheid. Staat alleen met uwen God en gij zult kloeke daden doen!quot;

Aan het einde zijner preek erkent de scheidende leeraar: „Het is niet uit gebrek aan liefde, dat ik uit uw midden vertrek. Maar in dezen gedesorganiseerden toestand op kerkelijk gebied voel ik mij niet in staat met vrede en vrucht te arbeiden.' 'j Ziehier een profetie! Nu meende hij nog den strijd te kunnen ontwijken, straks zou hij gevoelen, dat voor te gaan in den arbeid tot reformatie van den „gedesorganiseerden toestand op kerkelijk gebied' zijne roeping was van Hem, die door alle ervaringen, ook die te Groningen opgedaan, zijn werktuig toebereidde. — Doch volgen wij hem eerst nog naar het Gooi.

') Ook deze ,Afscheidsredequot; verscheen bij G. J. Reits te Groningen. *

ocr page 64

Rom. 1 : 15 en 16 ^ bood de stoffe voor de intree in :t bekoorlijk Hilversum — die plaats vond op 12 November 1871, nadat Ds. Montagne van 's Graveland als bevestiger was opgetreden en in Hebr. 13 : 17 de wel wat bevreemdende stoffe voor deze zijn rede had gevonden. Vier en een half jaar arbeidde de heer Ploos van Amstel in Hilversum. ,Alles ging goed. Alles was mede. 1) Hij gevoelde zich „niet geheel vrij, doch zonder grootelijk? bezwaard te zijn. De Heere mengde ook hier huiselijk lief en leed. Werd den 7 Januari des volgenden jaars een tweeling geboren, een Anna Elisabeth Geertruida met een Johannes Jacobus, het kraambedde duurde lang en doodsschaduw zweefde over de moeder en straks, toen ze eindelijk weer opgericht was, werd op den 3den Maart, den nacht na den doop van Annabetje, het broertje opgeëischt, om den 17 Augustus door zijn zusje, dat sinds altoos krank geweest was, te worden gevolgd. 2) Den 8sten Maart '73 werd opnieuw een zoon geboren, een Hendrikus Albertus genaamd, doch ook deze kleine zoo aanvallige Henri mochten ze niet behouden, den 285ten Aug. werd hij plotseling teruggeëischt. In den huisbijbel vinden we hieromtrent aangeteekend: „De Heere

1

) Ds. P. v. A. predikte met mond en pen. In 1873 verscheen bij J. Campen te Sneek: Practische beschouwing van de lijdensgeschiedenis onzes Heeren Jezus Christus, aangevangen door J. J. Knap, in leven predikant te Woudsend en voortgezet door J. J. A. Ploos van Amstel, predikant te Hilversum (uitgegeven ten voordeele en ter ondersteuning van hulpbehoevende christelijke scholen.) Ds. Ploos

begint I, blz. 197.

2

) Het dagboek meldt vaders klacht: Ik had dat kindje zoo lief, het was zoo vriendelijk en aardig. Ik was zoo blijde een kind van ons beiden te hebben. Maar de Heere nam het weg.

ocr page 65

53

nam het tot zich. Groot was onze smart, maar ook groot de vertroosting, zoowel met het oog op den zaligen staat van het kindeke, als wel met het oog op Hem, die ons sloeg, maar ons ook liefelijk: verkwikt met de vertroostingen zijner genade.' 1)

Den 5den October '75 kwam Anna Geertruida moeder en vader verblijden. Zoo nu wisselden huiselijk zuur en zoet.

Het gemeentelijk leven, dat zeer veel liefelijks opleverde, had echter voor den vurigen ijveraar voor christelijk schoolonderwijs de bittere teleurstelling, dat al zijn pogen om een school met den bijbel te verkrijgen, mislukte en — ook bracht een plasregen van beroepen veel onrust en straks zelfs verwarring te weeg.

Schoonrewoerd, Vlaardingen, IJlst, Oosterbierum, Nijkerk, IJselmuiden, Maassluis, Alphen, Wanswerd, Waarder, Spijk, Hijkersmilde, „dat veel strijd berokkendequot; 2), Hoevelaken,

1

') „Ik mocht bizonder dat kindje kwijt raken in het quot;Verbond der genadequot;. Dagboek.

2

) Ik krijg na voorafgeganen brief het beroep naar Smilde. Ik dacht, daar moet ik heen. Welk een nuttige werkkring, daar zoo alleen te midden van een lieidenwereld. Ik kreeg er veel meé te doen. Een ontzachelijke strijd. Ik zou met beslissen wachten tot 18 November. Ik wilde niet weg, zonder het liefelijk aangezicht des Heeren. Wat gebeurt? 18 Nov. breekt aan. Ik krijg een briefje van een vrouw uit Smilde, die schrijft: het geloof is uit het gehoor en — Ik heb nog andere schapen, die van dezen stal niet zijn. Nu scheen alles beklonken. Ik teekende den beroepsbrief. Doch bij nadenken zonken al de redenen, die ik had, onder mijn voeten weg. Ik spartelde als een drenkeling. Mijn lichaam werd als geradbraakt. Ik zeide : Heer, dat is niet volgens de afspraak. Ik wil uw vriendelijk aanschijn. Hoe is het nuV Ik geef het beroep er aan. Dat geschiedde. En ziet — het behaagde den Heere, mij te ondekken, hoe het zijn roeping was, dat, in plaats vanmij te laten voortdrijven van plaats tot plaats, ik daar, waar ik was, met geduld en ernst moest arbeiden aan het heil der zielen.quot; Op

ocr page 66

54

Zevenbergen, Makkum, Warns, Apeldoorn, Woudsend. Bar-neveld, Wissekerke, Bunsclioten, Pijnaard, Bruechum, Amstelveen, Kampen, Damwoude, 's Grevelduin-Capelle, Meeuwen, Westbroek, Amersfoort, Ermelo, Oudewater, Sprang, Sneek, IJlst, IJselmuiden, Bennekom, Dirksland, Reitsum, Prinseland.

Sneek werd aangenomen. Dan ach, nu gevoelde zich Ds. Ploos zóó bezwaard, dat hij den kerkeraad smeekte, hem zijn woord terug te geven. Dit geschiedde, doch hiermee was de rechte verbinding met Hilversum toch verbroken. En waar Ds. Ploos zijne gemoedsligging ook in zijne prediking nooit verbergen kon, leed deze onder de verwarringen der ziele, hoewel ze velen tot onvergankelijken en onvergetelijken zegen bleef.

Het nieuwe jaar (1876) bracht voor de derde maal het beroep naar Reitsum. Welk een bijna belachelijk denkbeeld: de heerlijkheid van het welgelegen Hilversum te verlaten en opnieuw als de wereld uit te gaan naar de Priesche Vlieter-pen, daar ergens bij de Priesche Wadden! Geen wonder, dat het vleesch hier machtig begeerde tegen den geest. Want ziet, deze gevoelde: hier was de roepstem Gods. In groote lankmoedigheid zocht de Heere zijn schaap op zijn zwerftocht op. Daardoor was er zulk een waas van somberheid geweest over zijne ziel, daardoor was hem zooveel leeds ervaren, dat hij „zijne eigen weg gekozen had, aannemende Ridderkerk, snellende naar Groningen, zich het schoone en aangename latende gelusten, dat Hilversum bood.quot;

Woensdag 19 Nov. beleed deze Nathanaël aan zijne gemeente de schuld zijner ongeduurzaamheid en ondankbaarheid voor het vele goede. Dat was hem goed. Nu gevoelde hij zich „in de ruimte gesteldquot; en ademde alles vrede. Nu mocht hij spreken uit Ps. 116. Het leven was wedergekeerd. Hij was weer onder God; hunkerde naar niets, verlangde slechts naar God — „Heere, Gij zijt mijn leven. Uw naam zij dank. Houd mij maar dicht bij U!quot;

ocr page 67

55

Terug naar Reitsum! werd de eiseh des Heeren. Dan — almachtige genade Gods bleek noodig om de wil over te buigen. Ploos echter gehoorzaamde en schreef th zijn huisbijbel de sobere woorden:

„Reitsum. Onder wonderlijke leiding des Heeren aangenomen Januari 1876. Dit is na veel strijd gestreden te hebben van den Heere geschied.quot;

Op Paasch-Maandag den 17deD April werd van Hilversum afscheid genomen ^ — de tekst, keurig gekozen, was uit Luk. 24 : 15 — en den volgenden dag de reis aanvaard naar het nietige Reitsum, maar dat evenals het geringe Ulrum in Groningen van den Heere uitverkoren was, om vele aanzienlijke en machtige kerken des Heeren te besch amen en een toonbeeld te worden eener kerkelijke bekeering, wier zedelijke en kerkelijke beteekenis niet licht kan worden overschat.

') Bij J. Heek te Hilversum verscheen de „Afscheidsredequot;, uitgegeven tot een „openlijk bewijs van hartelijke genegenheid omtrent vele Hilversumsche vrienden.quot; Ze herinnert aan strijd en vrede, aan een avondmaal, waaraan bizonder de kracht en lieflijkheid gevoeld was van de gemeenschap der heiligen, aan bange tijden, dat de leeraar er ernstig aan dacht, zijn ontslag te nemen vanwege diep en levendig besef van onbekwaamheid om den arbeid op zulk een wijze waar te nemen, als hij gevoelde noodig te zijn, aan ondervonden zegen bij en op de bediening des Woords, enz.

ocr page 68
ocr page 69
ocr page 70

■

ijhdrMii.

0i

WÊÊÊÊI.--

^■i

-

ocr page 71

HOOFDSTUK VI.

ARBEID EN STRIJD.

Sedert den 23sten April 1876 was Ds. Ploos weer thuis. Met het woord van den Apostel Paulus uit 2 Cor. 3 : 5 had hij zich opnieuw aan zijn oude Reitsumers verhonden. De enkele modernen werden eerlang vervangen door orthodoxen. Het was te Reitsum één Heere, één geloof, één doop.

Was er in de gemeente eenheid en vrede, in de „Herv. Kerkquot; begon meer en meer tegen de genootschapsomkleeding in te wringen het vooral door den arbeid der doctoren Kuyper en Rutgers zich recht bewust wordend gereformeerde kerkelijk leven. Was de reformatorische beweging van 1834 in den gedachtengang gekomen, dat ieder christenmensch zich van de Herv. Kerkgemeenschap en dies ook van zijne plaatselijke gemeente, als van eene valsche Kerk behoorde af te scheiden, — een eisch, waartegen het gemoed der „waarheidsvrienden' opkwam — door den arbeid der genoemde doctoren werd

') De beweging der „Friesche Waarheidsvriendenquot; is zeer merkwaardig geweest. Ds. J. W. Felix, die van 1848—51 als predikant van Longerhouw grooten opgang maakte en van '53—60 als Dienaar des Woords bij de kerk van Heeg een i-ijk gezegenden arbeid volbracht, door een prediking, die al kwam ze den invloed van Martensen en de Vermittlungs-theologie met name op het

ocr page 72

60

onder de „vrienden der waarheidquot; het besef gewekt, dat ieder gelooviye van Christus' wege het reeht en de roeping bezit om zijne, hoe misvormde, toch ware plaatselijke kerk des Heeren tot reformatie te helpen brengen. Deze reformatie der plaatselijke kerk — zoo werd het algemeen gevoelen — behoorde

stuk der algemeene verzoening niet recht te boven, toch ook veelszins heerlijk aan Dr. Owen aansloot, en vooral op het stuk des geloofs, Comrie eerde, — Felix gaf door de oprichting van eene , Vereeniging van Vrienden der Waarheid' den stoot tot een krachtige, reformatorische beweging, die de in de Hervormde Kerk achtergebleven of op nieuw door God verwekte gereformeerden opwekte, saambracht, vormde en bezielde. Felix deed schier een rondreis door Friesland. Overal verdrong zich het volk om hem te hooren. Op vele plaatsen vormden zich vrij zelfstandige ressorten van „Waarheidsvrienden'. Sommige richtten evangeliesaties op, waarin zelfs het H. Avondmaal bediend werd en eerlang vaste evangelisten al het predikantswerk schenen te doen, op de bediening der sacramenten na.. . Eenmaal 's jaars in Leeuwarden kwamen de broeders en zusters samen in de Algemeene Vergadering. Dat waren gloriedagen. Stille menschen, die nooit uitgingen, misten daar nimmer. Daar werd de hope aangewakkerd op Kerk-herstel. Daar ontmoette men de getrouwe leeraars. Kerkhulp werd opgericht tot ondersteuning van veelbelovende Godvreezende jongelingen in hunne theologische studiën. Sommige ressorten traden op als „vereenigingen voor christelijke belangenquot; met rechtspersoonlijkheid, die de „Hoofdvereenigingquot; niet kon verkrijgen en stichtten lokalen en scholen. 1864 zagjiet toppunt van bloei. Toen heeft Di-. G. J. Vos Az. de goede zaak een knak toegebracht, door een vereeniging StTïooZhulp te willen stichten, alleen voor Her-voi-mde jongens, om opgeleid te worden tot onderwijzer. Hierdoor toch werd de heerschende niet-afgescheiden geest meer dan noo-dig en ook recht was anti-christelijk-gereformeerd. Wellicht was het hierdoor, dat Ds. Ploos van Amstel, in 1860 in Friesland gekomen, zich met de beweging der Waarheidsvrienden niet of nauwelijks heeft ingelaten, hoewel hij haren arbeid veelszins waardeerde. In den boezem der vereeniging leefden langen tijd nog onbewust van hunne onderlinge tegenstelling de beginselen beide der medische en der chirurgische methode van kerkherstel.

ocr page 73

61

te beginnen met afzwering ran de Hoogere Besturen-Hierar-chie, door Koning Willem I onwettiglijk en anti-gereformeer-delijk gesteld over de aloude Gereformeerde Kerken in Nederland. Deze afzwering kon slechts geschieden door een wettige vergadering der opzieners. Slechts door haren Kerkeraad toch kan een plaatselijke Kerk als zoodanig handelen. Daarom arbeidde men om alom beslist reformatorisch gezinde ambtsdragers te bekomen.

En steeds talrijker schenen de gemeenten te worden, wier kerkeraad bereid werd gevonden om bij de gereformeerde prediking ook de practijk des gereformeerden kerkelijken levens te voegen.

Doch waar waren met name de voorzitters van den kerkeraad, die dezen weg durfden inslaan ?

De kennis van de geschiedenis der vervolging in 1834 te ülrum. Doeveren en Almkerk geleden, de overweging van de geïsoleerde positie van Ermelo's leeraar, en het vooruitzicht op zeeën van smaad en miskenning, bezwaren en nooden, die zich oogenblikkelijk zouden verheffen en u als overstroomen, deden zelfs de stoutsten versagen.

Doch twee leeraars werden straks door den Heere zóózeer begenadigd, dat ze in hunne ziele den geloofsmoed voelden rijzen om vóór te gaan. Dat waren de jeugdige Dr. Mr. W. van den Bergh van Schaarsbergen en onze vader Ploos van Eeitsum.

Ploos van Amstel zag kerkelijk niet scherp, maar hij gevoelde fijn. Wat hem daarbij meer en meer hinderde was de scheiding, die de Synodale Eeglementen maakten tusschen het gereformeerde volk in de „grootequot; en in „de kleine kerkquot;. Ploos vóelde voor de gemeenschap der heiligen en kon de „Afgescheiden broeders' daar steeds minder bij missen. Ook hun rustig, vrij en schier in alles schriftmatig kerkelijk leven trok hem steeds sterker aan. Hij wenschte gaarne hunner één te zijn, doch met zijne broeders in de Herv. Kerk te breken, en zijne eigene

ocr page 74

62

gemeente, die hoezeer gekneld onder een onwaardig juk, toch een ware Kerk van Christus was, als een valsche Kerk te verwerpen, dat ging toch niet.

Maar hoe dan'?

De Kerk in de Kerk reformeeren. De hoogere besturen bezetten met reformatorisch gezinde mannen. Door de z. g. Synode de aloude Belijdenis laten handhaven en de ongereformeerde predikanten uitstooten... Zou dit de weg des Heeren zijn ?

Ds. Ploos was lid geweest van 't Classicaal Bestuur van Amsterdam. Doch dat was niets voor hem. Thuisgekomen schreef hij eens in zijn dagboek: „Hoe gevoel ik, dat wij gansch verlamd staan. Wij kunnen niet vrij handelen. Door besluiten kunnen wij er niet komen. Wij worden geslagen. Wegloopen is evenmin de weg. Dan kunnen wij wel ons gansche leven alleen staan. Verootmoediging en getrouwe plichtsbetrachting is de weg, (2 Kron. 7 : 14) Er wordt veel tijd verbeuzeld aan discussie en de duivel lacht al die mannen, die zoo ernstig discussieeren, hartelijk uit. Al die spiegelgevechten doen zijn rijk geen afbreuk en de zielen gaan ondertusschen verloren.'

In ijverigen arbeid, waarbij de „passion des ames,quot; de zielszucht om zielen te zaligen, hem bezielde, vergat Ds. Ploos in het eensgezinde, rustige Eeitsum aanvankelijk nog veelszins de kerkelijke wanverhoudingen.

Allerteederst was zijn herderlijk verkeer te midden van het hem gegeven kuddeke.

Ds. Sikkel teekende dit zeer schoon 1) waar bij schreef;

„Ds. Ploos van Amstel had als herder en leeraar iets bijzon-

1

) Hollandsch Kerkblad 10 Aug. 1895.

ocr page 75

63

der Persoonlijks. Hij was door en door dienaar van de kudde van Jezus Christus. Alles, wat aan en in hem was, natuurlijk en geestelijk, vormde mee dien herder. Hij was een herder, zooals hij een persoon was. Gij hoordet en zaagt aanstonds, wat hij had, wat er was, wat hij bedoelde; gij zaagt en hoordet hem, in zijne prediking en verkeer, met het Woord van het een op het ander gaande naar zijne indrukken en zijn' zielearbeid met de personen, die hem hoorden.

In den zomer van 1877 was het, dat Schrijver dezes te Eeitsum in het kerkgebouw een avondmaalsbediening van Ds. Ploos bijwoonde. Het kerkje had nog zijn ouden, zeer primitieven vorm en de gemeente leefde nog onder de genootschapsreglementen. Voor een goede avondmaalstafel was er geen plaats. Maar dat hinderde niet. Ds. Ploos ging zelf met brood en beker heel het kerkje rond en gaf aan elk zijn deel en aan ieder een afzonderlijk woord daarbij. Daar hadt ge nu het echte beeld van dezen lieven dienaar des Heeren. Hij had iets vaderlijks. Maar eigenlijk was het nog iets anders, hij had iets moederlijks.quot;

Naast die moederlijke teederheid liep zijn vaderzorg niet het minst over de voeding zijner schapen en lammeren met het brood en de zuivere melk des Woords. Veel arbeids besteedde hij ter voorbereiding zijner catechisatiën. Eene vrucht hiervan rijpte tot de uitgave van zijn werkje: „De geloofsbelijdenis der Ned. Herv. Kerk, behandeld in vragen en antwoorden' bij G. Amsing, Leeuwarden 1881. Een schoone proeve zijner prediking had hij in 1877 gegeven in no. 20 der weke-lijksche volksleerredenen: „Jezus door Petrus verloochend.' Uitgave van J. A. Mulder, Delft.

Zoo bearbeidde hij in rust en vrede zijne gemeente en zijn strijd was aanvankelijk meestrijden op — schoolgebied. Met alle macht bleef Ploos strijden en arbeiden tot schoolstichting. — Ook te Reitsum was sinds 1875 — dank zij vooral Eeitsma's

ocr page 76

64

doortastendheid — een school met den Bijbel geopend — en het getal schoolredenen, door Ds. Ploos alom gehouden, werd legio.

Een arbeid, die mede zijn volle hart bezat, was die in het Priesche Jongelings-verbond, dat hij in 1877 tot voorzitter werd. ') Onder de Priesche Jongelingschap was Vader Ploos recht thuis en zij hingen hem allen aan met hartelijke machtige liefde.

Van 't Jongelings-verbond ging sinds 1872 — en hiertoe had Ds. Ploos den stoot gegeven — een Militairen Tehuis uit, dat de miliciens vergaderde op de bovenzaal in de Groote Kerkstraat te Leeuwarden, waar vroeger — niet weinig ook door Ds. Ploos — geëvangeliseerd en later een tijd lang de christelijke nationale school gehouden was. Vriend P. Visser was de rijkbegaafde, wijze, opgewekte christen, die- geheel in den geest van Ploos van Amstel de militairen om zich verzamelde en met wien Eeitsums leeraar samenwerkte om de knapen, die „den koning dienden' voor den dienst des Grooten Konings te winnen. Op de feesten van het Priesch J. V. (welks bestuur identisch is met de vereeniging het Milit. Tehuis), jaarlijks in de open lucht gehouden, hield vader Ploos altoos de openingsrede en gaf hij den rechten toon aan. Ook elders, in Gaaster-land evenals op tal van Zendingsfeesten, scheen Ploos van Amstel onmisbaar. Dat de commissie voor het Noorder Zen-dingsfeest ook hem eerlang buitensloot, was hem een grieve. Gaasterlands jongelingsfeest op Kippenburg noodigde hem echter schier jaar aan jaar en ook daar heeft hij menig goed, hartelijk woord gesproken, evenals op honderden jaarfeesten, van Jongelingsvereenigingen, kermisvergaderingen, enz. enz.

') In de bijna 18 jaren van zijn voorzitterschap zijn, blijkens de notulen, slechts vijf vergaderingen gehouden, waarbij hij niet tegenwoordig was. Zie Correspondentieblad N». 129.

ocr page 77

65

Waarlijk aan alle wateren heeft hij gezaaid en eerst de eeuwigheid zal het openbaren, wat al vrucht zijn altoos aangrijpend woord heeft gedragen.

Sedert 1880 kwam nog een nieuwe arbeid het gebed en de medewerking vragen van vader Ploos. Den 20sten October 1880 werd te Amsterdam de Vrije Universiteit op Gereformeerden grondslag geopend, een feit, waarover ook Eeitsums leeraar jubelde met innigen dank en in blijde hope. De nieuwe stichting, die eerlang ook zijn zonen ontving, had geen warmer vriend en bezielder correspondent dan hij.

Op de jaarvergadering van de Vrienden der quot;Waarheid, die het volgend jaar voor de vraag kwam te staan, of Kerkhulp de door haar ondersteunde jongelingen zou toestaan aan de Vrije Universiteit te gaan studeeren, schijnt Ds. Ploos niet geweest te zijn. Daar voerde toen Ds. H. Hoekstra van Idse-gahuzum het pleidooi. De gansche vergadering was enthusiast voor de Vrije. Doch het moderamen keek zeer benepen en sloeg voor, om dan maar twee beurzen te hebben: één voor de studenten aan de landsacademies en één voor die aan de V. U. — Doch Ploos riep hierop de broederen tot een vergadering samen om een nieuwe vereeniging te stichten, die door hem Ohadja gedoopt werd. Enkele plaatselijke afdeelingen hebben iets uitgericht, doch — 't kindje is na eenig sukkelen weêr bezweken.

Doch keeren wij nog even tot het jaar 1880 terug.

Dit jaar bracht bij nieuwen, recht vervroolijkenden arbeid ook nieuwe zorgen, en vestigde aller aandacht op den onhoud-baren kerkelijken toestand,- waarin men verkeerde. De synode tartte de orthodoxie door nieuwe bepalingen te maken omtrent de toelating dergenen, die belijdenis kwamen doen, tot het H. Avondmaal en vast te stellen: „bezwaren tegen de geloofsovertuiging der aannemelingen leveren geen grond tot afwijzing opquot;, als ze maar bereid waren enkele zóó vaag gestelde

ocr page 78

64

doortastendheid — een school met den Bijbel geopend — en het getal schoolredenen, door Ds. Ploos alom gehouden, werd legio.

Een arbeid, die mede zijn volle hart bezat, was die in het Priesche Jongelings-verbond, dat hij in 1877 tot voorzitter werd. ') Onder de Priesche Jongelingschap was Vader Ploos recht thuis en zij hingen hem allen aan met hartelijke machtige liefde.

Van 't Jongelings-verbond ging sinds 1872 — en hiertoe had Ds. Ploos den stoot gegeven — een Militairen Tehuis uit, dat de miliciens vergaderde op de bovenzaal in de G-roote Kerkstraat te Leeuwarden, waar vroeger — niet weinig ook door Ds. Ploos — geëvangeliseerd en later een tijd lang de christelijke nationale school gehouden was. Vriend P. Visser was de rijkbegaafde, wijze, opgewekte christen, die- geheel in den geest van Ploos van Amstel de militairen om zich verzamelde en met wien Eeitsums leeraar samenwerkte om de knapen, die „den koning diendenquot; voor den dienst des Grooten Konings te winnen. Op de feesten van het Priesch J. V. (welks bestuur identisch is met de vereeniging het Milit. Tehuis), jaarlijks in de open lucht gehouden, hield vader Ploos altoos de openingsrede en gaf hij den rechten toon aan. Ook elders, in Gaaster-land evenals op tal van Zendingsfeesten, scheen Ploos van Amstel onmisbaar. Dat de commissie voor het Noorder Zen-dingsfeest ook hem eerlang buitensloot, was hem een grieve. Gaasterlands jongelingsfeest op Kippenburg noodigde hem echter schier jaar aan jaar en ook daar heeft hij menig goed, hartelijk woord gesproken, evenals op honderden jaarfeesten, van Jongelingsvereenigingen, kermisvergaderingen, enz. enz.

') In de bijna 18 jaren van zijn voorzitterschap zijn, blijkens de notulen, slechts vijf vergaderingen gehouden, waarbij hij niet tegenwoordig was. Zie Correspondentieblad N». 129.

ocr page 79

65

Waarlijk aan alle wateren heeft hij gezaaid en eerst de eeuwigheid zal het openbaren, wat al vrucht zijn altoos aangrijpend woord heeft gedragen.

Sedert 1880 kwam nog een nieuwe arbeid het gebed en de medewerking vragen van vader Ploos. Den 20sten October 1880 werd te Amsterdam de Vrije Universiteit op Gereformeerden grondslag geopend, een feit, waarover ook Reitsums leeraar jubelde met innigen dank en in blijde hope. De nieuwe stichting, die eerlang ook zijn zonen ontving, had geen warmer vriend en bezielder correspondent dan hij.

Op de jaarvergadering van de Vrienden der Waarheid, die het volgend jaar voor de vraag kwam te staan, of Kerkhulp de door haar ondersteunde jongelingen zou toestaan aan de Vrije Universiteit te gaan studeeren, schijnt Ds. Ploos niet geweest te zijn. Daar voerde toen Ds. H. Hoekstra van Idse-gahuzum het pleidooi. De gansche vergadering was enthusiast voor de Vrije. Doch het moderamen keek zeer benepen en sloeg voor, om dan maar twee beurzen te hebben; één voor de studenten aan de landsacademies en één voor die aan de V. U. — Doch Ploos riep hierop de broederen tot een vergadering samen om een nieuwe vereeniging te stichten, die door hem Obadja gedoopt werd. Enkele plaatselijke afdeelingen hebben iets uitgericht, doch — 't kindje is na eenig sukkelen weêr bezweken.

Doch keeren wij nog even tot het jaar 1880 terug.

Dit jaar bracht bij nieuwen, recht vervroolijkende n arbeid ook nieuwe zorgen, en vestigde aller aandacht op den onhoud-baren kerkelijken toestand, waarin men verkeerde. De synode tartte de orthodoxie door nieuwe bepalingen te maken omtrent de toelating dergenen, die belijdenis kwamen doen, tot het H. Avondmaal en vast te stellen: „bezwaren tegen de geloofsovertuiging der aannemelingen leveren geen grond tot afwijzing opquot;, als ze maar bereid waren enkele zóó vaag gestelde

ocr page 80

66

formules te beamen, dat geen enkele moderne er bezwaar in had. Deze verandering van art. 38 van het reglement op het godsdienstonderwijs bracht dan ook heel wat ontroering te weeg en tal van kerkeraden besloten, zich hieraan niet te onderwerpen, maar het belijdend karakter hunner plaatselijke kerk te handhaven. Straks kwam men dan echter voor attestenkwesties te staan en rees de vraag of men bekende modernen, elders juist om afwijking van de waarheid ,aangenomen' en nu met attestatie terugkeerende, inschrijven mocht in de registers der ten avondmaal gerechtigde lidmaten der gemeente. Sommige kerkeraden besloten, dit niet te doen, doch bezweken voor een classicale bedreiging.

Ondertusschen zette de synode haar sloopingswerk voort. In 1883 werd de proponentsformule, die reeds tamelijk elastiek was, zóó ruim gelegd, dat men zich slechts verbond „de belangen van het Godsrijk te handhaven.quot; Nieuwe verontwaardiging. Niet alleen werd de klacht geslaakt: Ze hebben mijnen Heer weggenomen en ik weet niet waar ze hem gelegd hebben, doch de oppositie begon zich te organiseeren.

Amsterdam ging toen, als in vroegere, bange dagen, voorop en riep afgevaardigden uit alle gereformeerde kerken bijeen tot eene Conferentie, die den 11 April 1883 gehouden werd.

Op deze Conferentie werden de rails gelegd, waarop straks de botsing plaats vinden moest.

De Afgevaardigden resolveerden o. m. dat hunne kerkeraden behoorden te besluiten, „voortaan geen persoon tot den dienst des Woords in hunne Kerken toe te laten, dan die door openlijke belijdenis zich verbond tot standvastige predicatie van het zuivere Woord Gods.' Deze resolutie, recht hartelijk ook door Ds. Ploos van Amstel toegejuicht, heeft, zooals we zullen zien, heel wat bijgedragen tot de doorbraak te Eeitsum,

Voorts eischen de resoluties onderteekening door den te bevestigen predikant van de drie formulieren van eenigheid.

ocr page 81

67

ten overstaan van den kerkeraad, wiens leden natuurlijk zelf het voorbeeld dier onderteekening geven; belijden, dat „bet kerkverband, waarin onze Kerken thans sedert 1816 staan, mag en moet afgebroken, wanneer de gereformeerde Kerken hierdoor zouden belet worden Koning Jezus overeenkomstig hare belijdenis als eenig Souverein in zijne Kerk te eeren.' Deze Kerken zullen echter onverwijld onderling weêr in correspondentie treden en zich aanstonds classicaal en zoo allengs ook sijnodaal verbinden. Zelfs spreken de resoluties uit, „dat gere-formeerde belijders, die onder een kerkeraad verkeeren, wiens doen en toeleg niet naar den Woorde Gods is, gehouden zijn, na ernstige vermaning, eendrachtig de gemeenschap met zulk een kerkeraad af te breken, als doleerende Kerk op te treden, eigen Ouderlingen en Diakenen te benoemen en zoo mogelijk onder leiding van een naburig Dienaar des Woords te bewerken, dat de zuivere prediking des Woords, de zuivere bediening der Sacramenten en de oefening der Christelijke tucht weêr onder hen plaats grijpe naar de ordinantiën Gods.quot; Waren er sommigen onder de aanwezigen, die zeer noode hun stem aan deze resolutiën gaven, Ploos van Amstel zag met vervoering des harten zich hierin den weg der ontkoming gewezen I).

Steeds onverdragelijker werd hem het valsche zijner positie als gereformeerd leeraar in een kerkgenootschap, waarin, onder de hooge bescherming der synodale hierarchic de naaktste

') Werd nog in eene der resolutiën het plan beraamd om primi en secundi van welgezinde classicale besturen te laten aftreden, geen nieuwen te kiezen, doch nu en dan als classis te vergaderen tot bestuur der voorkomende zaken — dit was minder voor Ploos, doch dit namen de broeders uit het Classicaal Bestuur van Dockum ter harte.

Zoo werden, zonder dat iemand uit het kamp der Gereformeerden er tegen protesteerde, de lijnen uitgestippeld, die bij komende conflicten den gang van zaken zouden beheerschen.

ocr page 82

68

Christusverloochening de arme gemeente vermoordde en den Naam des Heeren smaadde.

Vooral was het zijne teedere ziele bange, als hij als ring-predikant in feitelijk ver van gereformeerde gemeenten het Heilig Avondmaal moest bedienen.

In 1883 kwam hij na langen strijd en veel gebed tot het vaste besluit om dit niet weder te doen en begon hij aan het schrijven van een brochure, waarin hij, als hij ten gevolge van deze weigering in conflict gekomen zou zijn, openlijk rekenschap van zijne gedraging wilde geven. Het olfer was alzoo gebracht. Ploos wachtte nu gelaten de gelegenheid af, doch deze kwam niet meer voor.

Het volgende jaar nam de kerkeraad van Reitsum het besluit — en de gemeente keurde dit goed — om bij eventueels vacature den kansel alleen te openen voor hen, die stonden „op den bodem der belijdenis.' „Men gevoelde goed' —zoo schrijft Ds. P. v. A. ^ — „dat mocht niet anders. De opzieners moesten toezien, dat geen vreemde leer werd verkondigd. Doch — de Kerkeraad zag ook steeds duidelijker, dat hij dit gemaakt besluit onmogelijk handhaven kon, tenzij hij zich losmaakte van den Synodalen band. ..

* *

*

Zooals bij zwoelen zomeravond, als de lucht zwaar geladen is, de bliksemstralen van alle kanten neerschieten langs den horizon, totdat op eens de bui overkomt en het onweer losbreekt boven uw hoofd, zóó ook zagen tal van Gereformeerde leeraars en kerkeraden den strijd naderen en de conflicten komen.

Een bliksemstraal, die heel het land deed daveren, sloeg in

') Een woord aan hen, die Jezus Christus erkennen als het eeuig Hoofd zijner Kerk, 2e druk, bl. 9.

ocr page 83

69

te Amsterdam. De kerkeraad aldaar weigerde attesten af te geven aan de leerlingen der moderne predikanten om elders te worden aangenomen, 't Classicaal Bestuur was op zijn hand, doch 't Provinciaal Kerkbestuur gelastte op 26 October 1885, binnen 6 weken de gevraagde attesten te verkenen. De Kerkeraad weigerde 6 November. De Synodale commissie gelastte hierop den 24 November, dat vóór 8 Januari de stukken moesten worden uitgereikt, anders zouden schorsing en afzetting volgen. Nu besloot de Kerkeraad om zijne commissie, die in Amsterdam als Kerkvoogdij optreedt, te gelasten hem, ook al werd hij, omdat hij poogde de gemeente bij Gods Woord te houden, — geschorst en afgezet, toch te blijven erkennen. Met 80 stemmen werd op 7 Dec. dit voorstel aangenomen. Dan aoh, hiermee was een wapen in handen gegeven aan de orthodoxen, die in de attestatie-kwestie zich niet tegenover de Gereformeerden durfden stellen en toch buiten conflict wenschten te blijven. Zij protesteerden hevig tegen dit h. i. revolutionair besluit en, waar deze groep meester was in het Classicaal Bestuur van Amsterdam, greep zij naar de macht om leeraars en opzieners provisioneel te schorsen, als misdrijven ontdekt werden van hoogst ergerlijken aard, en bij vonnis van 4 Januari 1886 werden de 80 Kerkeraadsleden, die vóór de wijziging in de beheers-instructie hadden gestemd, provisioneel geschorst wegens — 't klinkt curieus: — „verregaande onrechtzinnigheid.' Zoo wist men op 4 Januari de op 8 Januari dreigende schorsing wegens het weigeren om ongeloovigen jongen menschen den toegang tot het H. Avondmaal te helpen verschaffen — zeer handig te voorkomen. Nochtans was de verontwaardiging bij schier al wat orthodox was, groot. Het regende adressen van sympathie aan de geschorsten en protesten bij de Synode, die in hoogster instantie zou hebben te beslissen. Ook Ds. Ploos gevoelde zich geheel solidair met den Amsterdamschen Kerkeraad, en met bijna alle orthodoxe predi-

ocr page 84

68

Christusverloochening de arme gemeente vermoordde en den Naam des Heeren smaadde.

Vooral was het zijne teedere ziele bange, als hij als ring-predikant in feitelijk ver van gereformeerde gemeenten het Heilig Avondmaal moest bedienen.

In 1883 kwam hij na langen strijd en veel gebed tot het vaste besluit om dit niet weder te doen en begon hij aan het schrijven van een brochure, waarin hij, als hij ten gevolge van deze weigering in conflict gekomen zou zijn, openlijk rekenschap van zijne gedraging wilde geven. Het offer was alzoo gebracht. Ploos wachtte nu gelaten de gelegenheid af, doch deze kwam niet meer voor.

Het volgende jaar nam de kerkeraad van Reitsum het besluit — en de gemeente keurde dit goed — om bij eventueele vacature den kansel alleen te openen voor hen, die stonden „op den bodem der belijdenis.quot; „Men gevoelde goedquot; —zoo schrijft Ds. P. v. A. 1) — „dat mocht niet anders. De opzieners moesten toezien, dat geen vreemde leer werd verkondigd. Doch — de Kerkeraad zag ook steeds duidelijker, dat hij dit gemaakt besluit onmogelijk handhaven kon, tenzij hij zich losmaakte van den Synodalen band. ...quot;

Zooals bij zwoelen zomeravond, als de lucht zwaar geladen is, de bliksemstralen van alle kanten neerschieten langs den horizon, totdat op eens de bui overkomt en het onweer losbreek; boven uw hoofd, zóó ook zagen tal van Gereformeerde leeraars en kerkeraden den strijd naderen en de conflicten komen.

Een bliksemstraal, die heel het land deed daveren, sloeg in

') Een woord aan hen, die Jezus Christus erkennen als het eenig Hoofd zijner Kerk, 2e druk, bl. 9.

ocr page 85

69

te Amsterdam. De kerkeraad aldaar weigerde attesten af te geven aan de leerlingen der moderne predikanten om elders te worden aangenomen, 't Classicaal Bestuur was op zijn hand, doch 't Provinciaal Kerkbestuur gelastte op 26 October 1885, binnen 6 weken de gevraagde attesten te verleenen. De Kerkeraad weigerde 6 November. De Synodale commissie gelastte hierop den 24 November, dat vóór 8 Januari de stukken moesten worden uitgereikt, anders zouden schorsing en afzetting volgen. Nu besloot de Kerkeraad om zijne commissie, die in Amsterdam als Kerkvoogdij optreedt, te gelasten hem, ook al werd hij, omdat hij poogde de gemeente bij Gods Woord te houden, — geschorst en afgezet, toch te blijven erkennen. Met 80 stemmen werd op 7 Deo. dit voorstel aangenomen. Dan ach, hiermee was een wapen in handen gegeven aan de orthodoxen, die in de attestatie-kwestie zich niet tegenover de Gereformeerden durfden stellen en toch buiten conflict wenschten te blijven. Zij protesteerden hevig tegen dit h. i. revolutionair besluit en, waar deze groep meester was in het Classicaal Bestuur van Amsterdam, greep zij naar de macht om leeraars en opzieners provisioneel te schorsen, als misdrijven ontdekt werden van hoogst ergerlijken aard, en bij vonnis van 4 Januari 1886 werden de 80 Kerkeraadsleden, die vóór de wijziging in de beheers-instructie hadden gestemd, provisioneel geschorst wegens — 't klinkt curieus: — „verregaande onrechtzinnigheid.quot; Zoo wist men op 4 Januari de op 8 Januari dreigende schorsing wegens het weigeren om ongeloovigen jongen menschen den toegang tot het H. Avondmaal te helpen verschaffen — zeer handig te voorkomen. Nochtans was de verontwaardiging bij schier al wat orthodox was, groot. Het regende adressen van sympathie aan de geschorsten en protesten bij de Synode, die in hoogster instantie zou hebben te beslissen. Ook Ds. Ploos gevoelde zich geheel solidair met den Amsterdamschen Kerkeraad, en met bijna alle orthodoxe predi-

ocr page 86

70

kanten en kerkeraadsleden der Classis Dockum teekende hij een adres, waarin zij uitspraken, dat zij de schorsing der broederen hun aangedaan rekenden, en bij hun eventueele afzetting met de Synodale Hierarchie zouden breken.

Ploos van Amstel schreef een tractaatje, getiteld: „De Amsterdamsche kwestie eenvoudig toegelicht door Us. J. J. A. Ploos van Amstel te Reitsum' dat, voor geringen prijs verkocht, door duizenden werd gelezen. Zes drukken vlogen weg. De toon is hoogst populair. Een proeve ;

„Nu begrijpt toch ieder wel, dat geen huisvader zijn huisgezin kan regeeren, als hij in een kast gestopt wordt. Èoo ook: óf een ouderling moet de macht hebben, waar het plicht is, te iceren, öf anders mag hij er niet bij zijn. Hij mag niet zitten tot een spot. Daar is de bediening te heilig voor. Wij mogen niet met het heilige spelen. Een ouderling heeft zijn ambt van den Heere. Hij moet God rekenschap geven van de wijze, waarop hij zijn ambt vervuld heeft. Hij moet toezien, dat de sacramenten niet ontheiligd worden en de toorn Gods over de gemeente niet worde ontstoken.'

En verder:

„Er bestaat n.1. in onze Kerk de vrijheid om met een attest van goed gedrag van zijn kerkeraad elders aangenomen te worden. Die vrijheid heeft velen mooi toegeleken, maar ze was verkeerd. Ze ging uit van de gedachte, dat geloof en ongeloof dezelfde vrijheid moesten genieten. Daardoor werd de deur voor 't ongeloof wijd open gezet.

Daarbij werd de conscientie in slaap gewiegd. Ter eener zijde genoot men voor zich zeiven vrijheid, in een naburige plaats belijdenis af te leggen, dus dat was een voordeeltje, maar een voordeeltje veel te duur betaald: want als prijs moest er voor gegeven worden: de vrijheid en het recht der plaatselijke herhen. Men gaf bewijzen van zedelijk gedrag aan degenen, die men niet zelf dorst aannemen. Men scheepte de

ocr page 87

71

dieven van de voordeur af en liet ze de achterdeur inkomen, om, in huis zijnde, u hartelijk uit te lachen, dat gij de voordeur zoo goed vast hieldt! Door zulke dingen is de Kerk vreeselijk tot een spot geworden!'

Desgelijks:

„Men zegt: er zijn al zoovele ongeloovigen inde Kerk, laat de anderen ook maar toe. Denk eens, dat er een doorbraak plaats heeft en iemand zou zeggen: er is nu toch al zooveel water in den polder, wat zullen wij nog den dijk maken? Neen — eerst wordt de breuk geheeld en dan gaat men het ingeloopen water uitpompen. Zoo gaat alles naar orde en regel.'

En wederom:

„De attesten moesten gegeven worden en toch — de kerke-raad kon die niet afgeven. Over deze zaak zon nader gehandeld worden en wel den 4lt;ien Januari dezes jaars. Maar eer daarover gehandeld wierd, werd den Januari een schorsing uitgesproken om in te gaan 12 uur 's middags. Maar hoe is 't mogelijk, vraagt menigeen ? Ja, dat lijkt vreemd, maar toch het is zoo. Eer men zich finaal uitspreken kon, is men geschorst.

Maar waarom dan? Waarom eigenlijk? Dat weet de Heere, de groote Rechter alleen. Het lijkt wel, alsof de satan in de besturen gevaren is, want zij hebben alle wet en recht vertreden en niet gevraagd naar Gods Woord noch naar de Reglementen.quot;

En eindelijk:

„Wij vragen: Wax geven eerlijke lieden om extra-slot of een nachtbei? Zij mogen een weinigje beleedigd zijn om hun gekwetst eerlijkheidsgevoel; maar een dienstbode, die boos wordt over sluiting, heeft zich verraden. Het Classicaal Be -stuur heeft zich leelijk aan de kaak gesteld.quot;

„Dat kerkeraadsbesluit was een onschuldig ding, tenzij de

ocr page 88

72

tegenpartij kwaad in den zin had. Zoodra men dan ook de geloovigen verbannen had, liet men aanstonds de deur open voor de vijanden des kruises om die met vlag en wimpel in te halen. Wij vragen in onnoozelheid: wie zou hij zijn, die zulke lieden binnen laat?'

En dan sprak hij uit wat in duizende harten leefde : „Ons hart schreit van droefenis en innige smart. Zij die wij nog altijd hielden voor zonen des huizes hebben de rol van een ven-ader gespeeld. Zij hebben de zonen des huizes verdreven en de muitelingen tegen Christus in huis gehaald. De daad van het Classicaal Bestuur is een gruwel, waarover de Heere zijn oordeel zal uitspreken, ze is een vuur, dat ontstoken is om een brand te veroorzaken, die jaren lang zal duren; ze heeft broeders van broeders vervreemd en mannen afgemaakt, die pal stonden voor de eere Gods!quot;

De conclusie des schrijvers is, dat geloovigen en ongeloovigen nu „uit elkander moeten gaan en niet langer hij elkander moeten blijven.' Hij schreef dit den 5 Februari 1886 — 4 dagen later brak Eeitsum. —

Eer dat we echter deze hervormingsdaad beschrijven, vestigen we nog de aandacht op een eigenaardig verschijnsel in den kerkelijken strijd: de Friesche gereformeerde predikanten-vereeniging, wier volijverig lid en secretaris onze Ploos is geweest.

Doch over haar een volgend hoofdstuk.

ocr page 89

VIL

DE FRIESCHE GEREFORMEERDE PREDIKANTEN-VEREENIGING.

ocr page 90
ocr page 91

HOOFDSTUK VII.

DE FRIESCHE GEREFORMEERDE PREDIK ANTENquot; VEREEXIGIXG.

De spanning, die in de kerk aldoor klom, deed de Gereformeerde predikanten in Friesland de behoefte gevoelen om gedurig saam zich te beraden over wat hunne houding behoorde te zijn. Allen gevoelden, dat de tijd zwanger was van groote gebeurtenissen. Men hoopte op een modus vivendi, die binnen de grenzen van het Ned. Herv. Kerkgenootschap ruimte zou bieden voor gereformeerd kerkelijk leven en samenleven, doch beefde voor een naderend conflict, dat tengevolge kon hebben dat de Hervormde Kerk uiteenvloog. Reeds dreigde de botsing te Goënga '), waar Ds. Buiskool en zijn kerkeraad opkwamen voor de rechten van het opzienersambt; te Kollum, waar den 23sten Mei 1883 bij kerkeraadsbesluit bepaald was, dat voortaan niet meer als lidmaten der Geref. kerk van Kollum zouden worden ingeschreven degenen, die, met attestatie van elders inkomende, mochten weigeren instemming te betuigen met de XII artikelen, volgens zondag VII „de hoofdsom van hetgeen een christen noodig is te gelooven' ; te Gerkes-

') Ook Sneek scheen de zondige toestanden te gevoelen, sinds tal van moderne jongelieden, „aangenomenquot; te IJsbrechtum, inschrijving eisehten.

ocr page 92

76

klooster, waar de kerkvoogden weigerden om voor gereformeerde ringbroeders de kerk te openen, ja, waar niet al?

Dr. W. van den Bergh, uit Schaarsbergen te IJlst beroepen, had aan den kerkeraad geschreven bij een eventueele aanneming van het beroep de voorwaarde te moeten stellen, dat bij eventueelen strijd tusschen Gods Woord en de reglementen de eisch van het Woord zou worden gevolgd — en het was deze zelfde overtuiging, die zich krachtig liet gelden in het gemoed van onderscheidene Friescbe Hervormde predikanten. In die dagen zijn er heel wat gebeden en smeekingen geofferd om „getrouwmakende genadequot; -— om, als men geplaatst werd voor de keuze, niet te bezwijken, maar te staan.

Onder het besef van den ernst der tijden kwamen, op uit-noodiging van Dr. Gravemeyer uit Oosthem en Wagenaar uit Heeg den 14aen April 1885 te Sneek in 't Hotel Bouma met hen bijeen de brs. Ploos van Amstel, Kasteel, Langhout, K. van Griethuysen, H. van Griethuysen, M. Buiskool, C. Leen-mans, T. H. Woudstra, J. Hoekstra, Bruining, Lambers en van Apeldoorn. Een „Gereformeerde predikanten-vereeniging' werd opgericht en in haar bestuur werden gekozen Dr. Wagenaar als praeses, Ds. Ploos van Amstel als scriba en Dr. Gravemeyer als fiscus. Men beraadslaagde over de vraag of men zou deelnemen aan de verkiezingen op de classicale vergaderingen. Eén enkele bleef dit beslist afkeuren, doch al de anderen oordeelden dat men, zoolang men nog de Hoogere Besturen erkende, er voor behoorde te zorgen, dat ze zoo weinig mogelijk kwaad berokkenden aan de Kerk des Heeren en dies bezet moesten worden met mannen, die beloofden, in gevallen, waarin zich strijd openbaarde tusschen Gods Woord en de Reglementen, de paden des Woords te zullen bewandelen en die der Eeglementen te zullen verlaten, en die voorts zich voorstanders verklaarden van vrije studie. Omtrent de conscientievraag of een kerkeraad en zelfs ondanks besluit var.

ocr page 93

77

zijn kerkeraad een scriba ongeloovige lidmaten der Herv. kerk, die met attestatie inkomen, mag inschrijven, spraken sommige broederen hel als hunne overtuiging uit, dat dit niet mag geschieden en betoogden voorts, dat niemand ons dwingen mag iets te doen tegen het geweten.

Het verkwikkende en bemoedigende van dit broederlijk samenzijn werd zeer gevoeld en gewaardeerd en een paar maanden later, 23 Juni 1885 was men met toetreding van nieuwe broeders als Enderlé, de Bell, Wisse, Warmolts, Osinga, Eringa, Verhagen en Sikkel, weêr samen, nu in het Militairen Tehuis in Leeuwarden. Op deze vergadering kwam een verzoek ter tafel van eenige vrienden uit Leeuwarden, die de medewerking der predikanten begeerden om ojj de Zondagen, dat Ds. de Hoest geen dienst had, een buiten-kerkelijken dienst te houden. Naar aanleiding van dit verzoek werd door den voorzitter het voorstel gedaan, dezen vrienden den raad te geven om de gereformeerde lidmaten der Herv. gemeente van Leeuwarden saam te roepen en een paar ouderlingen en diakenen te kiezen, aan welke de inrichting van deze aanvullende Bediening des Woords zou zijn opgedragen. De meerderheid der vergadering oordeelde echter de toestanden allerminst te Leeuwarden rijp voor „een doleerende Kerk,quot; ook had men medelijden met de positie van den gereformeerden predikant, die dan wonderlijk in het gedrang zou kom en, en het advies werd gegeven om in aansluiting met Ds. de Hoest een aanvullende bediening des Woords in te richten, al was deze dan ook eigenlijk buiten-kerkelijk. Voorts werd rapport uitgebracht van hetgeen op de classicale vergaderingen geschied was. Te Sneek en Dokkum schenen de gewenschte mannen gekozen te zijn. De Franeker broeders hoopten er het beste van. Nog waren een hoofdpunt in de beraadslagingen de modus-vivendi-ideëen van Grunning-Chavannes. De voorzitter waagde het voorstel, dat de e.v. classicale vergaderingen de

ocr page 94

78

synode zouden adviseeren deze resolutie te nemen: „de hoogere Kerkbesturen laten al wat de handhaving der belijdenis en de zuiver geestelijke belangen der gemeente aangaat over aan de kerkeraden.' Ondanks Ds. Ploos van Amstels steun kon ook dit voorstel geen meerderheid verwerven. Nog besloot de vergadering haren zedelijken steun te bieden aan een' Universiteitsdag, die eerlang te Sneek zou samenkomen en waar Prof. A. F. de Savornin Lohman het goed recht der Vrije Universiteit op gereformeerden grondslag zou komen bepleiten, 1) Kasteel het openingswoord zou spreken en natuurlijk Ploos van Amstel de slotrede houden. In September, zoo werd nog vastgesteld, zou een zendingsconferentie saamkomen, waar als sprekers werden uitgenoodigd de Hoest, de Bell, Sikkel, Enderlé, en — als slotredenaar — natuurlijk Ploos! Ook de oprichting van een Informatiebureau voor Collectanten zou worden beproefd en op de September-vergadering de saamgekomen broederschap worden gepolsd over de benoeming van een reizend evangelist of leeraar met het oog op de overtalrijke vacatures en geestelijk verwoeste gemeenten. — De vergadering interesseerde zich dus voor heel wat zaken te gelijk. Dat er animo was en ondernemingsgeest, zal wel niemand betwijfelen.

13 Oct. reeds vergaderden de broeders opnieuw. Nu ten derde male. Ditmaal weêr in Sneek. Als nieuwe figuren verschenen nu de H. H. Gemser, Griethuysen van Burgwerd, Fernhout, Jaarsma, Oosterhuis, Eeynenberg van Ternaard en de Hoest. Ds. van Apeldoorn hield een referaat over „het gezag der formulieren van eenigheid,quot; stelde o. a.: „6°. Ieder

') Deze dag werd in Augustus gehouden. Prof. Lohman was ir. zijn volle kracht. Geen aanvulling van Overheidsscholen, maai-stichting uit eigen beginsel. Kasteel sprak onvergetelijk bezielend over het woord; Zeg den kinderen Israels, dat ze voorttrekken. Ook meester A. Hoekstra, prov. secretaris sprak zoo heerlijk en Ploos was één en al gloed, 't Was een rijke dag.

ocr page 95

79

lid der kerk, die hare belijdenis prijsgeeft, verbreekt zijne eenheid met haar en plaatst zich feitelijk buiten hare gemeenschapquot; en eindigde met de opwekking om niet gelijk velen „onze zegestandaards weg te werpen en met kinderrammelaars om te loopen.quot; Kasteel vertelde nu van het Kollumer geding. Een jonge dame was met attestatie ingekomen en had geweigerd zich uit te laten omtrent haar geloofsovertuiging, de inschrijving was haar geweigerd, de kerkeraad was aangeklaagd, door 't classicaal Bestuur in gelijk gesteld, doch door 't Prov. Kerkbestuur — hoewel in zijn meerderheid rechtzinnig — veroordeeld om de inschrijving te doen geschieden. Kasteel eindigde: „zien we naar beneden, dan is er geen doorkomen aan deze zaak te zien; zoo machtig zijn de tegenstanders en groot de bezwaren. Toch vindt men bij het waarheidlievende volk te Kollum angst noch vrees. God-zelf heeft vele vromen vastgezet in de overtuiging, dat het niet anders kon en niet anders mag, er kome dan van, wat er van kome. Hem is de zaak in handen gegeven en in zijne handen wenschen wij ze te laten.quot; Ook Ds. Buiskool en Ds. Griethuysen van Burgwerd verhaalden van hunne dreigende conflicten, en niet het minst sprak Ploos hun moed in. Over een voorstel om een vergadering met kerke-raadsleden te houden tot bespreking van een juiste gedragslijn ... konden de broeders het nog niet eens worden.

Op den 10den Februari des volgenden jaars 1886 vergaderden de Friesche Gereform. predikanten ten vierde en — laatste male, opnieuw in het Militairen Tehuis te Leeuwarden. ])

') De Agenda, den broederen toegezonden, gaf aan: 1. Bespreking van de Amsterdamsche kwestie, 2. vaststelling van een adres van sympathie aan de geschorste broeders, 3. uitschrijving van een vergadering van Gedeputeerden van Gereform. Kerkeraden uit Friesland, 4. mededeeling omtrent spanningen in Friesche gemeenten, 5. voorstel om een algemeenen bededag te houden, 6. verdere mededeelingen, voorstellen, enz.

ocr page 96

80

Hier verschenen nog A. Jonker en J. Teves, die van over de Oostergrenzen kwam. De vergadering kwam bijeen onder den indruk der Provisioneele schorsing van de 80 Amsterdamsche kerkeraadsleden, die den 4lt;len Januari had plaatsgevonden en heel het land had ontroerd. 1) Met verontwaardiging besprak men de handigheid, waarmee het Classicaal Bestuur van Amsterdam de beheerskwestie vóór de attesten-kwestie had geschoven en de volgende motie werd aangenomen: „Der Priesche Gereformeerde predikanten-vereeniging, heden 10 Februari te Leeuwarden vergaderd, is het een behoefte, haar broederlijk medegevoel uit te spreken voor de — om de handhaving van het ambt der opzieneren — hardelijk verdrukte Kerk van Amsterdam ; te verklaren, dat er ook nog genoeg Friesche vrijheidszin en rechtsbesef in onze harten leeft om te waardeeren elk dapper en waardig pogen tot handhaving van de rechten der plaatselijke gereformeerde Kerk op hare heiligdommen en goederen, en U toe te bidden de uitreddende genade Gods.'

Nu echter gebeurde er iets overweldigends. Ds. Ploos van Amstel had bij het binnentreden even gefluisterd met den voorzitter. Deze had den vinger op den mond gelegd en nu had de goede leeraar van Reitsum gezwegen, doch straks kon hij zich niet meer bedwingen en — bet woord verkregen heb-

') Reeds den 12ricn Januari had te Sneek bij Bouma een bijeenkomst plaats gehad van kerkeraadsleden. Ds. Guldenarm van Nyland trad daar op, diep geschokt en diende de vergadering met een ontwerp-adres aan de Synode, om deze te bewegen „haar oncreloovig zwaard af te leggenquot; en het goed recht der geschorsten te handhaven. De vergadering nam dit stuk over en zond een uitnoodiging aan al de Kerkeraden der Herv.-Gemeente in Nederland om mede dit adres in te dienen. De vergadering bestond uit leeraars of ouderlingen uit de Kerken Nyland, Heeg, Ylst (o. a. de heer W. M. Oppedijk), Scharnegoutum, Oosthem, Sneek, Balk, Warns, Oudemirdum, Jutrijp, Wijckel, Workum en Goënga. — Ziende op Ds. G. schreef toen de Kerkelijke Courant: et tu Brute ?

ocr page 97

81

bende voor een mededeeling — deed hij nog opgetogen van vreugde het verhaal, dat den vorigen avond de gemeente van Eeitsmn met de synodale organisatie had gebroken. Met al-gemeene stemmen had een ledenvergadering den kerkeraad als gemachtigd voor zijne Kerk alle gemeenschap met de Hoogere Besturen en synodale reglementen af te snijden en de aloude kerkenorde weer te aanvaarden. Jaren lang reeds had den grijzen broeder de zondige toestand in 't kerkgenootschap van 1816 soms tot stikkens toe benauwd. Doch een der ouderlingen, de invloedrijke broeder Pieter Reitsma, had, bang voor afscheiding, tot op het laatst toe, gezegd, als Ploos de noodzakelijkheid der plaatselijke breuke betoogde, „ik ha d'r gjin liocht yn.quot; Nu echter — Ploos had eindelijk moedeloos gezwegen — was hij buiten den rechtstreekschen invloed zijns leeraars om, — wellicht ontsticht over de brutaliteit der „pro-visioneele schorsingquot; — tot de overtuiging gekomen, „it mat now wêze' en — kerkeraad en gemeente hadden als één van hart en zin dit beaamd. Hoe blijde was de verloste leeraar en — de vergadering? Verbluft, verslagen, verbijsterd zat daar het grooter deel der dappere mannen. Ook de voorzitter sidderde en, hoewel de notulen — door Ploos gehouden — zeggen : Dr. Wagenaar beantwoordde deze mededeeling met een hartelijk, broederlijk woord, weet schrijver dezer zich nog zeer wel te herinneren, dat hij, waar hij den geloofsmoed bewonderde en er Ploos dubbel lief om kreeg, toch ook uitsprak: „ik ben er nog niet ten volle van overtuigd, dat het zoo moet.quot; Allen zwegen voorts stille en gaven geen geluid. Alleen Kasteel stond op en zeide: „Van harte gefeliciteerd. Och, was Kollum ook zoover!quot; Nu, Kollum zou eerlang ook zoover wezen en Anjum en Augustinusga en Garijp en Hijlaard en Heeg. Dan ach, dit zouden in heel Friesland de eenige kerken zijn, wier leeraars in de reformatie hun kerkeraad en gemeente voorgingen. Wel zouden ook Fernhout en Eringa volgen, doch

6

ocr page 98

82

zonder hunne gemeenten en zouden kerkeraden uittreden zonder hare leeraars, doch al de andere ook hier aanwezige predikanten ^ kozen eerlang vóór de hoogere besturen tegen hunne broeders en van sommigen moesten wij de grievende smart verduren, dat ze, toen wij afgezet werden, tegen ons kwamen optreden. De actie van Eeitsum bracht enkele predikanten verder, doch de meesten trokken zich nu terug. De Priesche Gereformeerde Predikantenvereeniging was dood. Doch het gereformeerde volk in Friesland stond rondom op en overal, waar niet de persoonlijke invloed van een geliefden leeraar velen tegenhield, volgde de calvinistisclie kern de banier der doleantie, te Reitsum zoo heerlijk ontplooid.

') Ook Ds. Osinga en Ds. Teves gingen in de doleantie voor.

ocr page 99

VIII.

REITSUMS LOSMAKING.

ocr page 100
ocr page 101

HOOFDSTUK VIII.

BEITSÜMS LOSMAKING.

Op den 8sten Februari 1886 waren in de pastorie te Reit-sum met den leeraar, opzieneren en diakenen van Reitsum, Genu in en Lichtaard ten kerkeraad bijeen. Aller gelaatstrekken spraken van ernst. Men wist, welk voorstel zou worden gedaan. De praeses nam liet woord en besprak „de zaak der losmaking van den synodalen band. ^ Hij schetst de onwettigheid der synode. Hij herinnert aan het kerkeraadsbesluit, reeds in '84 genomen, om bij eventueele vacature, „niemand te laten optreden, dan die staat op den bodem der belijdenis.' Hij verhaalt, hoe zwaar hem, toen hij in Oct. j.1. het beroep had naar Leiderdorp, deze zaak heeft gewogen. Immers, hoewel de kerkeraad hierin volkomen zijn recht handhaaft, zou hij ongetwijfeld bij conflict worden geschorst. Men moet zijn positie vrij maken en het ambtelijk recht, door Christus den opzieners verleend, hernemen. „Zouden wij in dezen weg onze goederen moeten missen, dan zij het zoo. Men moet gehoorzaam zijn aan zijn Hoofd en Heer!quot; Zoo sprak de praeses: de broeders beraadslaagden en besloten „de kerkvoogden in deze zaak te hooren en vervolgens de gemeente.quot; „De kerk-

') De aangehaalde woorden zjjn uit de notulen van de hand van Ploos van Amstel.

ocr page 102

86

voogden worden gehaaldquot; en hun wordt de vraag voorgehouden „of zij de losmaking wenschelijk achten.quot; „De bezwaren worden hun goed voorgehouden.quot;

Ook kerkvoogden zijn van oordeel, dat men behoort „door te gaan en zich los te maken.' Nu wordt de Kerkenorde van üordt voorgelezen „opdat men wete, naar welke orde men zich zal hebben te gedragen.quot;

Na „behoorlijke aanzegging aan de huizenquot; ') te hebben ontvangen, zijn den volgenden dag 22 van de 30 „stemgerechtigde manslidraatenquot; vergaderd. Na opening geeft domenij „een overzicht over den bedroevenden toestand der Kerk. Het ongeloofquot; — zoo betoogt hij — „wordt vrij gepredikt. Ieder kan tot lidmaat worden aangenomen. De toestand is leugenachtig. In de vacature moet ieder leeraar, hoe ongeloovig, toegelaten worden, zelfs bij de tafel des Heeren. Er zijn twisten over allerlei zaken. De toestand is onschriftmatig, goddeloos, onhoudbaar. Predikanten moeten telkens handelen tegen plicht en geweten. Dientengevolge heerscht overal een groote beweging. Hoogere Besturen treden tussclienbeide, als een kerkeraad de gemeente wil houden bij Gods Woord. Zulk een toestand te bestendigen, is zonde voor God. Koning Willem I heeft het synodale gt;ik opgelegd, maar Christus alleen is Koning der Kerk. Geen aardsche macht, maar Christus alleen heeft in zijn Kerk te gebieden.quot;

Doch sterk drukt nu de leeraar er op, dat wat recht voor God zal zijn, geschieden moet uit het persoonlijk geloof. „Daarom moet men nooit op aandrang van anderen, maar persoonlijk handelen.quot;

„Ieder moet eerlijk en rond zeggen, wat hij meent. Spreker

') Deze aangehaalde woorden zijn uit het proces-verbaal der vergadering, geteekend door Jan Wierda, J. J. A. Ploos van Ainstel, presid. en 27 anderen.

ocr page 103

87

wijst zeer sterk op de gevaren. Men moet zich het ergste voorstellen. °

Eeitsma wijst op de bezwaren, die uit het besluit van 1884 zullen voortvloeien en dit besluit kan toch naar Gods woord nooit worden ingetrokken.

Verschillende stemmen gaan op om op grond van Gods woord en de belijdenis „losmakingquot; te vragen.

Waar Ds. Ploos terugkomt op de goederen van het rijke Reitsum, daar klinkt het antwoord uit den boezem der vergadering: ,liever geen goederen dan langer onder zulk een reglement en bestuur.quot; Eindelijk wordt de vraag instemming gebracht: „of de gemeente zich zal losmaken van de Synodale organisatie.quot; „Met algemeeno stemmen wordt dit voorstel aangenomen. I) Terstond vergaderde nu de Kerkeraad en nam het besluit der „losmaking.quot;

') De kerkeraad liet de volgende dagen twee officiedc lijsten de gemeente rondgaan, de ééne om zich uit te spreken, dat men voor losmaking was, de andere, dat men er voor was, onder de Synode te blijven. Op deze laatste lijst teekende niemand. Op de eerste teekenden 1°. alle stemhebbende manslidmaten in Reitsum, Genum en Lichtaard, 30 namen, 2». alle vrouwelijke lidmaten op eene na, die zich niet officieel wilde verklaren, 28 namen, 3°. teekenden alle meerderjarige „doopledenquot; op een paar na, 98 namen, en 4°. teekenden nog 45 ouders voor hunne 147 kinderen. Hierbij merken we op ter verklaring van het bevreemdend verschijnsel, dat in een gemeente als Reitsum ondanks jarenlange bearbeiding van een leeraar als Ds. P. v. A. 98 meerderjarige, deels gehuwde mannen en vrouwen konden zijn, die nog „geen belijdenis deden,quot; dat in een groot deel van Friesland niemand belijdenis durft doen, dan wie met vrijmoedigheid bekennen mag, dat het door genade niet alleen zijne hartgrondige overtuiging is, dat de Gereformeerde leer waarachtig is, doch dat hij ook toevluchtnemend geloove oefent en een besliste keuze en innige begeerte der ziele heeft om den Heere toe te behooren en te dienen. Op sommige plaatsen eischt men zelfs, dat iemand voldoende rekenschap moet

ocr page 104

88

Daarop werd „door de gecombineerde gemeenten van Reit-sum, Genum en Licht aardquot; liet volgend hoogst belangrijk en zorgvuldig gesteld adres verzonden:

Aan Z. M. de Koning!

Geeft met den hoogsten eerbied te kennen de Kerkeraad der Ned. Herv. Gemeente te Reitsum, dat de belijders van de Gereformeerde Relegie, te Reitsum woonachtig, zich sedert 1579 geconstitueerd hebben tot een Gereformeerde Gemeente, gecombineerd met Genum en Lichtaard, onder hunnen leeraar, den Wel Eerwaarden Heer A. Annie; dat deze Kerk van Reitsum c. a. geleefd heeft onder de Kerkenordening der Ned. Geref. Kerken, vastgesteld in de Synode te 's Gravenhage, gehouden in den jare 1586, welke politieke rechtsgeldigheid had voor de Priesche Kerken tot 1816; dat sinds dat jaar dooide bemoeienissen van de toenmalige regeering zij feitelijk is bestuurd geworden overeenkomstig het Algemeen Reglement voor het Bestuur der Ned. Herv. Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden, gearresteerd bij Koninklijk besluit van 7 Januari 1816, welk reglement sinds dien tijd menigvuldige, bij de regeering bekende wijzigingen heeft ondergaan; dat voornoemde kerkeraad, na overleg en mede op last van de stemgerechtigde manslidmaten, thans evenwel, krachtens zijn hem nimmer ontnomen oorspronkelijke bevoegdheid besloten heeft, zijn Kerkgenootschap opnieuw te regelen en daartoe behou-

kunnon geven van zijne bekeering. Wat zal hij, zoo vraagt men, anders belijden, dan wat God aan zijne ziel gedaan heeft ? Aan deze dwaling is de lichtzijde, dat de belijdenis in verband staat met de toelating tot 't H. Avondmaal en in den regel de belijdende lidmaten getrouwe avondmaalgangers zijn. Den doopleden werd doorgaans het recht gegund, hunne kinderen ten doop te presenteeren. Sedert de reformatie is in deze misstanden veel verbetering gekomen.

ocr page 105

80

dens enkele na te melden wijzigingen, veroorzaakt door den veranderden staatkundigen toestand, wederom in te voeren de te voren bestaande Kerkordening van 1586, maar gewijzigd en vastgesteld in de Nationale Synode van Dordrecht van 28 Mei 1619, gelijk als o. a. te vinden zijn in nevensgaand exemplaar, dat hij de vrijheid neemt hierbij te voegen....quot;

De Kerkeraadsleden waren :

J. J. A. Ploos van Amstel predikant,

Pieter Reitsma, ouderling,

J. T. Bakker, onderling,

Pier Reitsma, ouderling,

R. P. van Steenvoorn, diaken,

P. W. Damsma diaken,

R. P. Reitsma diaken.

Den lllt;len Februari zond do kerkeraad eene missive aan het bevriend Classicaal Bestuur van Dokkum met bericht, dat gemeente en leeraar het verband met hot Synodaal genootschaii hebben verbroken, „onder hetwelk laatstgenoemde reeds 23 jaar had gezucht.quot;

En aan de „HoogEervv. Synodequot; berichtte de kerkeraad, d. d. 26 Februari '86 dat hij ,in vereeniging met de gemeentequot; „na zeer ernstige besprekingquot; besloten heeft „zich los te maken van het Synodaal verband.quot; Voorts deelde hij den Hoogen Heeren mede, dat „de gemeentequot; zulks gedaan heeft, op grond van de onmogelijkheid „om eenerzijds naar het formulier van bevestiging het ambt waar te nemen en anderzijds aan de reglementen gehoorzaam te zijn.quot; Zij „treedt nu uit den Synodalen en genootschapsband,quot; geenszins echter uit „den band der historische Hervormde Kerk.quot; Christus houdt de gemeente voor haar eenig Hoofd en alle inzettingen, strijdend tegen Gods Woord, verwerpt ze! „Wij staan op den bodem der drie Formulieren van eenigheid en hebben voorloopig de Dordsche Kerkenorde aangenomen als regel voor onze Kerk.quot;

ocr page 106

90

„ Ware het samengaan van Gods Woord en de reglementen mogelijk, dan hadden wij den nu betreden weg niet ingeslagen. Het is niet dan met een gevoel van smart en gedrongen dooiden nood, dat wij zulks gedaan hebben. Een nadere toelichting van ons besluit verschijnt in druk en wordt u gezonden. U in alles toebiddende den zegen des Heeren en vooral dat, tot bevordering van vrede en leven, zoo spoedig mogelijk uiteenga van elkander, wat niet bij elkander behoort, teekenen wij ons, met achting; De kerkeraad der Hervormde Gemeente Reitsum.quot;

Zóó maakten uit concientieusen eerbied voor Gods Woord leeraar, kerkeraad en gemeente van Reitsum zich los.

De waardige en dappere medestander van Ds. Ploos van Amstel, Ds. Sikkel, schreef hieromtrent in „Hollands Kerkblad no. 33G: „Ook hierin verloochent zich het bijzondere van Ds. Ploos niet. De losmaking was voor hem in de eerste plaats iets persoonlijks. Reeds zoolang was zijne conscientie bezwaard geweest over het zondig voortleven onder de goddelooze reglementen en over het gemis van eenheid met de broeders en zusters, die sinds 1834 waren uitgegaan. Zijn breken was dan ■ook na veel gebeden en smeekingen allereerst een persoonlijke, geen ambtelijke daad en op zijn voorbeeld volgden de leden der gemeente en van den Kerkeraad te Reitsum hem in deze persoonlijke daad, terwijl de handeling van den Kerkeraad eerst daarna gevolgd is. In andere kerken werd de band, evenals te Amsterdam en te Voorthuizen door den Kerkeraad in den Naam des Heeren gebroken en de persoonlijke instemming volgdequot;. — Deze opmerking is grootendeels juist.

De der Synode beloofde toelichting van het besluit van Reitsum volgde spoedig.

Bij A. Jongbloed verscheen „Een woord aan hen, die Jezus Christus erkennen als het Emig Hoofd Zijner Kerk, naar aanleiding van onze losmaking uit het Synodaal verhand — door J. ./. A. 1'loos van Amstel, predikant te Reitsum,

ocr page 107

91

Eerst vertelt de schrijver kalm en nucliteren den gang van zaken. „Wil men de aanleiding weten tot deze daad? Wij zullen die geheel naar waarheid schetsen.

„De gemeente hier heeft met het ongeloof en met den toestand der kerk bijna niets te maken. Wat de gemeente zelve betreft, dan weet men van geen roering of beweging af. Wel leeft de gemeente meê niet den tegenwoordigen tijd. Wij hebben er samen in geleefd en geleden. Wij hebben saam gebeden tot God. Al leven wij vrij wat geïsoleerd, wij leven toch met onze broederschap mede. Dat heeft do Heere ons uit genade gegeven!quot;

„Overigens weten wij hier niet van het juk der Synode. Wel schrijver, niet de gemeente. Toch geldt ook hier: „Als één lid lijdt, lijden alle leden mede.quot;

Dan verhaalt Ds. P. van het kerkeraadsbesluit van 1884, van de bekommeringen tijdens zijn beroep naar Leiderdorp in Oct. '85 en van nieuwe onweerswolken, die kwamen aandrijven uit de richting van Kampen en Rotterdam. De vraag kwam op: Zullen, mogen wij het besluit intrekken en — maar wij verhaalden reeds boven wat het antwoord werd.

Daarna vervolgt Ds. P. zijn verhaal aldus:

„Dat besluit heeft schrijver dezes hartelijk verblijd. Misschien zal het sommigen verwonderen, dat ik niet eerder hen uitgetreden. Maar o, wie zoo spreekt, wete, dat ik er erg tegen op zag om uit het kerkverband te gaan. Het waren niet zoozeer de finantieele bezwaren, die mij drukten. Hoewel ik met mijn huisgezin om verschillende redenen meer noodig had dan vele anderen, was dit mij het grootste bezwaar niet: ik geloofde vast, dat zou de Ileere maken. Maar zoo alleen te staan... nooit meer ergens elders te kunnen komen in de z. g. „bestaande kerk,quot; de kerkgebouwen voor mij gesloten, velen die mij lief en dierbaar waren van mij verwijderd te zien; velen niet meer nuttig te kunnen zijn, die ik het nu vvèl kon wezen ... dit alles en zooveel meer hield mij terug.

ocr page 108

92

De beslissing, nu ook door mij genomen, kost mij groote offers. Ik heb er veel om geleden. Ik behoor niet meer tot de jeugdigen van jaren, die somtijds in ijdele onbezonnenheid iets doen. Ik heb al het gewicht gevoeld en voel het nog. Maar ik kan niet anders. God helpe mij!quot;

Voorts belijdt dit teeder kind van God zijn synodale zonden. „Wat zoo benauwend is voor het geestelijk leven van een leeraar in de Herv. kerk is dat samengaan van Christus en Belial. Broederlijk deelt men de beurten, regelt men de bediening des Avondmaals in vacante, zelfs in moderne gemeenten, spreekt dan in de proefpreek zoo forsch mogelijk van wege de zwakheid zijner positie. Men spreekt van geluk, als de on-geloovigen zoo goed waren om weg te blijven en ... . soms kwamen ze driest op. Toch deelt men hot heilige uit. Dan moet men als consulent een beroep helpen uitbrengen op een leeraar van beslist ongeloovige richting. Soms moet ge dien in den dienst des evangelies bevestigen. En dit terwijl de Apostel spreekt: die een ander evangelie verkondigt, dan wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt! Zou Christus ooit zulk een leeraar bevestigd hebben? Zouden de Apostelen zich daartoe Lebben geleend? Waarlijk dat consulentschap in een ongeloovige plaats is een verschrikkelijk werk. Onze onvergetelijke broeder K. van G. zag zoo vreeselijk op tegen de bevestiging van een predikant van de moderne richting. En eer die dag kwam, ontsliep hij ... O, het is zoo'n zwaar werk, zijn conscientie te bezoedelen en te verkrachten. En toch, wie deed er niet aan mede? Wij gehoorzaamden allen de synode; wij duldden de leeraars, die geheel van de waarheid afweken; wij schreven bekende ongeloovigen in als ten H. Avondmaal gerechtigd. Als we weigerden om jongelieden, die naar een naburigen predikant gingen, straks te ontvangen als geloovigen, dan werd inschrijving geëischt, gelijk schrijver dezes bij ervaring heeft gehad. Wij wisten beter en overtraden gedurig, straks

ocr page 109

93

onwillekeurig. Ons geweten werd aan alles gewend. Wij kregen een reglementair geweten. Wij waren slaven, hoe hoog wij spraken. Slaven ook van onze eigene vreesachtigheid en onge-loovigheid des harten.

Afschuwelijk waren ook onze classicale vergaderingen. Na dat classicale gebedje, dat nooit vlotten wou, dat zich meten met de ongeloovigen. En dan dat zitten in de Classicale Besturen. Is dat recht, aan een vertrekkend modern predikant een getuigschrift uit te reiken, waarin letterlijk de woorden voorkomen : „Het classicaal bestuur getuigt bij deze naar waarheid, dat N. zich onergerlijk in leer en wandel en op eeneden Evangelie-dienaar waardig wijze heeft gedragen' ... Is het niet vreeselijk zóó publiek te moeten liegen. Past dat in de kerk van Christus? In besturen te zitten bederft zoo licht het hart — en de goede zeden! Ach, wij gingen verdrietig, pruttelend, vaak met een zeer gedrukt gemoed onzen weg. De vrijmoedigheid in het prediken werd meer belemmerd, dan we zelf wisten. Er waren steeds woorden, die men niet behandelen kon of men moest ze verknoeien. En dan dat bedenken van allerlei kunstgrepen. Men laat modernen preeken en blijft zelf thuis of behandelt hen zoo onheusch mogelijk, in plaats van hun naar recht en plicht den kansel te weigeren. Men laat een ander voor u doen, wat eigen conscientie verbiedt, enz. Van wege het verschil in richting wordt het velerlei werk onmogelijk gemaakt en in groote mate verzuimd. Onder zulk een ongeorganiseerde bevolking kan men niet als opzieners dienst doen ; ook wordt uw tijd verslonden door heftigen strijd, waarbij de waardeering schade lijdt en waardoor het gemeentelijk leven onmogelijk en, helaas, de kerk tot een aanfluiting voor de wereld en een oneere van Christus wordt. Hoe kon ze daarentegen zijn tot een lof des Heeren, als ze waarlijk een hof des Heeren ware!quot;

„Of het nuquot; — zoo besluit de in zijn oprechtheid ook hier

ocr page 110

94

zoo beminnelijke schrijver, —• „niet verklaarbaar is, dat men bet in dezen toestand niet kan uithouden, laat ik aan den lezer over.quot;

In een „nascbriftquot; behandelt Ds. Ploos nog eenige „bezwaren.'

„Er zijn er, die zeggen: draag het juk, u opgelegd, opdat gij geen zwaarder juk krijgt. En wacht, totdat de Heere u van het juk verlost!quot;

Geliefde vrienden! weest waar en oordeelt naar recht.

Heeft de Heere ooit zelf de afgoden te niet gedaan of de gruwelen uit het midden verwijderd?

Nooit!

Dat is bet werk, dat de Heere zijn volk geboden heeft om te doen.

Komt dan en laat ons samen richten, zegt de Heere. Zie Jesaja I.

Als dat niet geschiedt, is zelfs ons gebed een gruwel!

Neen, de Heere legt ons nooit op, om te zondigen, maar wel om pal te staan voor de eere Zijns Naams en getrouw te zijn.

Laat ons toch niet Mobamedaansch worden.

Laat ons ook bekennen, dat bet juk der Synode daarom zoo weinig knelde, omdat een nog zwaardere keten de ziel omspande, die der geldgierigheid en gemakzucht! Het juk van Mammon is een ijzeren juk, waaronder veel omtrent bezwijkt! Maar dat juk moet gevoeld worden, onder dat juk moet men zich vernederen en het afwerpen in de mogendheid des Heeren.quot;

Anderen hebben de uitwendige kerk zoo lief. Ds. Ploos roept bun toe: „Och kerkelijke menscben, die slechts angstig vasthouden aan den uitwendigen vorm, zijn niet meer dan een kerk-^y/c.quot;

„Nog boort men zeggen; bet is nog des Heeren tijd niet. 't Is merkwaardig. Geen mensch vraagt er naar, of het wel 's Heeren tijd is om een mooi huis te bewonen. Maar als

ocr page 111

95

't aankomt op 's Heeren huis, dan vraagt men zoo angstvallig naar 's Heeren tijd.quot;

Zeer opmerkelijk is het geschrevene aan het slot.

Schrijver voorziet de vraag zijner lezers: Wat zullen wij nu doen ? Hij antwoordt en spreekt daarin zijn eigenaardigheid uit:

„Tk geef volstrekt geen raad. Niemand doe een ander na. Alleen uit persoonlijk geloofsleven wordt wat goeds geboren.' 1) Vooral, zien wij onze schuld. Hoe lang heb ik, zij het met diepe schaamte beleden, meege-loopen in een vreemd juk en mij met de ongeloovigen vermaagschapt. Tegen mijn zin. Maar toch, het geschiedde. O, de zonde is zulk een slavenketen. Men wordt voortgedreven als een os ter slachtbank. Men wil niet. Men protesteert; maar toch men gaat mede en wordt gesleurd, waar men niet wezen wil. Of het binnen het verband anders kan, beoordeele een iegelijk voor 's Heeren aangezicht.quot;

„Maar gij leest één woord. En dat verschrikt u! Scheidt U af, spreekt de Heere. Menigeen gaat een rilling door de leden als hij aan afscheiden denkt. Weet vooreerst, dat de Heere wil afscheiding van al wat onrein is, gelijk wij ons dan ook niet hebben afgescheiden van de broeders, die zuchten onder het juk der Herv. Kerk; maar alleen van het Synodaal verband. Maar, zegt gij misschien, gij zijt toch op weg naar de afgescheidenen; en van hen wil ik niets weten. Ik vraag u: is dat recht? Gij die zoo bang zijt, gaat u ook- misschien een rilling door de leden, als gij denkt met velen van de afgescheiden broeders in den hemel te wonen? Lieve vrienden, vreest niet voor de afscheiding van het onreine, om de afgescheidenen! Bezondigt u niet! Kleeft den afgescheiden broeders evenals ook ons veel gebrek aan, koesteren sommigen een veel te afgodische vereering van hun Kerk, is onder

') Wij spatiëeren.

ocr page 112

96

hen veel vormlijkbeid, daar behoeft men niet blind voor te zijn. Maar toch, ik moet het hier eerlijk bekennen. Het gaat mij steeds als een zwaard door de ziel, als ik zie en hoor, boe men vaak met verachting op hen nederziet. Zulks smart mij in bet diepste mijner ziel. Velen van die broeders hebben de hitte van den strijd verduurd, hebben veel geleden en gestreden, veel meer dan ons te wachten staat. Zij hebben recht op onze broederlijke waardeering en hartelijke liefde. En — er klopt in zoovele afgescheidenen een warm broeder-bart! Daarom, niet bang voor afscheiding om der afgescheidenen wil. Christus' Kerk is niet denkbaar zonder gedurige afscheiding van al bet onreine, dat gedurig weêr aankleeft.quot;

Dan teekent Ds. P. met gloed het ideaal der samensmelting om ten slotte terug te keeren tot de Hervormden, met wie hij de gemeenschap ,,volstrekt niet heeft afgesneden.quot; „De losmaking bevordert juist de handreiking.* „Nooit heb ik in mijn gansche leven zóó krachtig de gemeenschap der heiligen gevoeld als nu!' „Door de losmaking van den Synodalen band wordt de band der Kerke Cbristi veel sterker gevoeld en nauwer toegehaald.'

De brochure eindigt met de bede :

„Geve de Heere, dat wij in elh opzicht mogen staan in de vrijheid, waarmede Christus ons beeft vrijgemaakt en — dat wij gemeenschappelijk in die vrijheid ons samen verheugen — een voorsmaak genietend van de volkomen vrijheid aller kinderen Gods in de openbaring van Jezus Christus!'

Zoo lichtte Eeitsums leeraar zijn en der gemeente hervormingsdaad toe. Dit woord werd door duizenden beantwoord met de betuiging: afzwering der Synode Hierarchie is onze onafwijsbare plicht.

De HoogEerwaarde Heeren der Synode antwoordden echter bij missive van den 13den April met een — hoe kalm gestelde —

ocr page 113

97

vacant-verklaring der Hervormde Gemeente van Reitsum c. a.

Zij overwogen, dat al de personen, die geteekend hadden, het persoonlijk recht hadden om hun betrekking tot de Ned. Herv. Kerk te verbreken, doch dat zij juist door van dit recht gebruik te maken, ophielden te behooren tot de Herv. Gemeente van Eeitsum.

Het recht dus van eene Hervormde Gemeente om, waar ze met stilzwijgende inwilliging van haren kerkeraad in het kerkgenootschap in 1816 was ingelijfd, bij wettig kerkeraad sbesluit en uitgesproken instemming van al hare lidmaten weêr uit dat kerkgenootschap uit te treden, werd door het Hoogste Bestuurs-college ontkend en op grond dezer ontkenning werd de kerkeraadsdaad nietig verklaard en slechts op de persoonlijke daad gelet en die aldus misduid, dat al de lidmaten zich van het lichaam hunner plaatselijke kerk hadden afgescheiden, een actie, waarbij het sterkste voorstellingsvermogen een mensch begeeft1

Kras is de loochening van het ambt in de zinsnee, dat predikant, ouderlingen en diakenen hunne rechten alleen bezaten krachtens de reglementen der Ned. Herv. Kerk.

Van een poging om het beroep des kerkeraads op Gods Woord te ontzenuwen door een tegenberoep op de H. Schrift is geen sprake. Wèl lezen we de merkwaardige erkenning: „dat een beroep op Gods Woord wel als voldoenden grond moest beschouwd worden om alle betrekkingen met de Ned. Herv. Kerk te verbreken.quot;

Alle Reitsutriers echter hebben door woord en daad ten duidelijkste getoond zich af te scheiden, en daarom besluit de synode, dat de predikantsplaats vacant is en dat er geen kerkeraad bestaat in die.. . denkbeeldige Hervormde Gemeente, die echter al de goederen opeischt der aloude Gereformeerde Kerk. Het Classicaal Bestuur moet nu te Reitsum

7

ocr page 114

98

doen, wat des kerkeraads is en de Ring Holwerd zorgen voor de vervulling van het dienstwerk.

Den 14den April '86 werden deze den vrede der gemeente bedreigende stukken ontvangen Toen was Reitsum in feestelijk gewaad 1). Van de school wapperde de driekleur en voor de pastorie hadden de Lichtaarders een fraaien eereboog geplant. Was dit om de vacant-verklaring te vieren? Neen, maar „de algemeen geachte en beminde leeraarquot; gedacht zijn vijf en twintig jarige ambtsbediening.

Reitsum en met Reitsum heel de omtrek vierde feest. „En geen wonder' — zoo betuigt naar waarheid een feestgenoot — „want oud en jong bemint hem ; zijn ambtgenooten waardeeren hem: 't christelijk onderwijs heeft in hem een ijverig voorstander; de Priesche Jongelingschap een vaderlijken vriend; de Priesche Militairen een trouwen leidsman en voorbidder, wiens arbeid nu reeds gezegende vruchten draagt. Vandaar ook dat predikanten, onderwijzers, leden van het Pr. Jong. Bond, leden van het Tehuis en vrienden en vriendinnen van heinde en verre zich bij de gemeente Reitsum aansloten om met haren geliefden leeraar een gedenkdag te houden.

Te twaalf ure verzamelden allen zich met den jubilaris in 't kerkgebouw. De kerk was stampvol. Ds. Ploos moest natuurlijk — preeken! „Een boeiende gedachtenisrede sprak hij uit. Wat anders kon de tekst zijn dan... Ps. 115; l! De eerste tekst op Prieslands bodem!

Na eerst het Woord bediend te hebben, gaf spreker een schets zijner levensgeschiedenis. Spreker deelde mede, dat hij nu 23 jaren lang om twee weldaden had gebeden: lo. Heere, laat mij niet sterven in de Ned. Herv. Kerk. '2o. Heere, laat

1

) Zie „Het Noordenquot;, 10 April '86.

ocr page 115

99

allen één zijn in de losmaking van alle onnatuurlijke banden. Hartelijke toespraken aan kerkeraad en gemeente, aan de predikanten, zoowel uit de Ned. Herv. als uit de Clir. Geref. Kerk, enz. besloten de feestelijke rede.

In de keurig versierde Christelijke School hield „Pa Ploos' nu „visite' zooals hij het noemde. Een liefdemaaltijd als van ouds. 't Was, zei de jubilaris, de vervulling van een langge-koesterden vvenseh, zijn geheele gemeente zoo eens gezellig en vertrouwelijk rondom zich te zien.

Wat was de gastheer opgetogen; kinderlijk blijde. In zijnen Vader zoo innig verheugd. En boe kennelijk was de Heere Jezus op dit feestmaal in 't midden!

Met de hem eigene gemakkelijkheid sprak, na in hartelijk gebed te zijn voorgegaan, de gastheer over de gelijkenis van bet feestmaal uit Lukas 14 : 12—24. Bij deze gelegenheid dankte de leeraar zijn gemeente, die hem steeds met zoo groote liefde had laten uitgaan om overal het Evangelie te verkondigen en het koninkrijk Gods te zoeken. Hij was erdoor — haar ten voordeel — bewaard gebleven voor roestende rust!

De „Christelij'ke Meester,' de heer Dijksh-a, een innige vriend van zijn leeraar, opende nu de rij der toespraken, waarbij Ds. Langhout den wensch uitsprak, dat de gemeente van Reitsum wierde tot een eerstelinge van velen en Ds. Diemer van Dokkum er aan gedacht, hoe voor bijna 50 jaren zijne oudei's, nagezeten door de militairen met moeite hun kind in een boerenschuur hadden gedoopt gekregen. In den Naam des Konings had militair geweld den doop willen verhinderen, maar Ds. de Cock had verklaard toch te zullen doopen in den Naam van den Koning der koningen. Zoo was Ds. Diemer gedoopt geworden. Was het wonder, dat er uit hem een strijder was gegroeid? Z. i. was Reitsum tot op 8 Februari 1886 vacant geweest. Maar nu, ziet Kootwijk, Voorthuijzen en vele

ocr page 116

100

Herv. gemeenten begonnen vervuld te worden! Ook Ds. Douma van Drachten, Ds. van Kasteel van Kollum en de Agent Dijkstra der Ned. Zend. Vereeniging voerden het woord en meester Visser van Buitenpost gedacht aan zijn leerschool te Keitsum en toen — stond de openbare dorpsmeester van Genum op en zeide de tolk te wezen der gansche gemeente, waar hij den jubilaris geluk wensehte met dezen dag; hij roemde de rechtschapenheid, den ijver en de liefde van den algemeen geachten leeraar, gedacht als een oude huisvriend aan het doorleefde huiselijk leed en genoten huiselijk geluk, roemde 's leeraars tweede echtgenoote „een liefhebbende, zorgdragende moeder, die algemeen bemind isquot; en drukte de hoop uit, dat Ds. Ploos nog lang in Reitsum mocht werkzaam zijn om het zuiver evangelie te verkondigen! Nu braken ook in Hollandsche dichtmaat en Friesch proza de gemeentenaren los, vader Ploos sprak niet het minst, totdat toen het al later was geworden dan men dacht — het heerlijk feest met dank aan God, waarbij Ds. Eringa van Birdaard mocht voorgaan, werd gesloten. Onder de talrijke geschenken was een karakteristiek : een elegant gebonden prachtexemplaar van het — Groot Martelaarsboek, aangeboden door eenige Hervormde predikanten.

Nu — martelingen zijn er voor de Gereformeerden van Reitsum niet gekomen. Wel hebben de gemeenten Reitsum, Genum en Lichtaard moeten leeren „de berooving harer goederen met blijdschap aan te zien.quot; Op 30 Juni '86 werden de eerste exploiten beteekend. Alle goederen werden opgeëischt. Tevens werd meegedeeld, dat op 11 Juli Ds. Cannegieter van Blija te Reitsum, op 18 Juli Ds. Nicolaï van Hogebeintum te Genum en op 25 Juli Ds. Stegenga van Ferwerd te Lichtaard zou optreden. 11 Juli kwam. Deurwaarder, brigadier en politie begaven zich uit Dokkum naar Reitsum. Opgewonden Dokkumers snellen voo.ruit om de tijding te brengen, dat er bri-

ocr page 117

101

gadiers „op komenden weg' zijn. Een Reitsumer broeder verstaat van grenadiers en Ds. Ploos krijgt bericht, dat de „grenadiers en jagers' in aantocht zijn! Om 9 uur was de kerk stampvol. Ds. Ploos stond op den kansel.

De consulent en zijn eigenaardig gevolg dringt door tot de deur van het „vierkant,quot; doch een paar arbeiders houden deze gesloten. Nu deinzen de rustverstoorders en Sabbatschenders af en Ds. Ploos vindt aanleiding om met ernst te wijzen op het zondige van een kerkmacht, die dergelijke middelen behoeft om zich staande te houden. Ds. Cannegieter ging in den loop der week zitten aan de voeten van Gamaliel en preekte den volgenden zondag in Bhja over Hand. V : 38. Ds. Nicolaï kon den volgenden Zondag heel niet binnen komen en den derden Zondag waren wel deurwaarder en gevolg aanwezig, maar Ds. Stegenga bleef absent. Toch werd op dien dag kerkvoogden van Lichtaard een exploit beteekend, dat zij geweigerd hebben Ds. Stegenga te laten preeken.

Processen zijn er echter niet gevoerd. Het archief werd gewillig overgegeven aan 't Classicale Bestuur. Ook de diacona-lia. Den 19den Aug. '95 werden bij gezegelde overeenkomst overgedragen kerkvoogdijgoederen en pastoralia. Uit de opbrengst dezer laatste werd aan den ring Holwerd voor bewezen diensten uitgekeerd f 7000. 't Beheer der kerkvoogden tot 1 Juli '95 werd goedgekeurd. Kerk en pastorie te Reitsum werden aan de Vereeniging de Kerkelijke Kas te Reitsum verhuurd voor ƒ245.— 'sjaars tot 1 Nov. '96. Tot in '99 zal aan de bizondere school te Reitsum een jaarlijksche toelage van ƒ200.— blijven uitgekeerd. Uit de betrekkelijke mildheid dezer bepalingen, vergeleken bij de zeer zware kosten, waarop elders de Gereformeerden gejaagd zijn, schijnt mede zekere hoogachting en waardeering te spreken voor den predikant van Reitsum.

ocr page 118
ocr page 119

IX.

IN DOLEANTIE.

ocr page 120
ocr page 121

HOOFDSTUK IX.

IN DOLEANTIE.

Eenmaal schreef Dr. A. W. Bronsveld in zijne „Stemmen voor waarheid en vredequot; over liet treurig verschijnsel, dat 7,00 zelden jongelingen van aanzienlijken, beschaafden huize den weg insloegen naar het leeraarsambt in de Ned. Herv. Kerk.

Deze opmerking kwam onder de oogen van een Juridisch student te Leiden, den heer W. Van den Bergh en — hij voelde er zich zoozeer door aangegrepen, dat hij besloot om onder den zegen Gods zich te geven voor den Dienst des Woords.

Na gepromoveerd te zijn, beide in de rechten ') en in de theologie, werd hij den T11611 Dec. 1879 1) predikant en wel te Schaarsbergen bij Arnhem.

Eerlang diep in zijn gevoelige ziel overtuigd van het zondige der Synodale Hierarchie 2), zocht hij den rechten weg om in

1

') Hem als Dienaar des Woords geheel teekenend was zijn intreetekst Ezech. XXXIII : 10 en 11. In deze intreepreek betuigde hij, dat de nood der Kerk hem zwaar op het hart lag.

2

) Hoe zwaar de kerkelijke toestanden hem drukten, bleek zeer sterk bij de begrafenis zijner innig beminde gade, toon bij in zijn

ocr page 122

106

dezen tot bekeering te komen. Hierbij zweefde hein voor den geest een toestand als bij eene der „doleerende kerken' uit de dagen der Remonstrantsche vervolging.

Wij zagen reeds, dat hij bij een eventueele aanneming van het beroep naar Ulst als voorwaarde stelde, „dat bij strijd tusschen Gods Woord en de Reglementen de eisch van het Woord zou worden gevolgd.' Deze voorwaarde, waarop Ulst niet inging, nam een wijle later Voorthuizen aan en zonder oppositie van 't Classicaal Bestuur nam den l'2den October 1884 in den naam des Heeren de jeugdige, innig vrome, reformatorisch gezinde boetprediker den herdersstaf over deze gemeente op.

Spoedig rijpte nu onder de strenge prediking van Dr. Van den Bergh in zijne en der opzieneren ziel de overtuiging, dat de Kerk van Voorthuizen om des gewetens wille „den band der gemeenschap met de z. g. Synodale organisatie' moest verbreken en de aloude kerkenorde herstellen.

Onder den indruk van het besluit der Algemeene Synode, die op het verzoek van een 70tal predikanten van verschillende richting om toch de oude proponentsformule te herstellen — afwijzend beschikte — welk besluit de Kerkelijke Courant van 22 Aug, 1885 vermeldde, besloot de Kerkeraad een bidstond voor den nood der Kerk te houden.

Dr. Van den Bergh sprak eerst over Ps. 119 ; 126 „Het is tijd voor den Heere, dat Hij werke;quot; en ging daarop in vurige

toespraak bij haar lijden vergeleek dat zijner kerk. Aan de classical e kerkvisitatie onderwierp hij zich noode. Al de kerkeraads-leden onderteekenden de 3 P. van E. en — de Kerkenorde, met belofte om zich, als het wrong, daaraan te houden. De weigering des kerkeraads om de attestatie in te boeken van een ingekomen openbaar onderwijzer, die er niet toe komen kon om zijn instemming met 't „Kort Begripquot; te betuigen, had licht kunnen uitloo-pen op een conflict, doch de onderwijzer berustte.

ocr page 123

107

smeekingen voor. .. In de daarop volgende Kerkeraadsvergadering, September 1885, werd het besluit genomen om met de organisatie te breken. ')

In dezelfde week, dat ])r. Van den Bergh te Voorthuizen zijn intree deed, betrad in 't naburig Kootwijk den kansel dei-Hervormde kerk de eersteling van de candidaten der vrije Universiteit, de heer J. H. Houtzagers.

Achttien jaren lang was deze woestijn-gemeente vacant geweest. Nu was ook de godsdienstonderwijzer overleden en — de kerkeraad kwam tot Ds. Vlug van Is ij kerk met de vraag, „of ze van die vrije Universiteit straks geen predikant zouden kunnen verkrijgen.quot; Deze wees hen op de bezwaren, doch noemde tegelijk het adres van den heer Houtzagers en deze kwam over en predikte; October '84. Hij „gevoelde bizondere behoefte voor deze gemeente. Het was hem, alsof hem daar een arbeidsveld van den Heere werd geopendquot;'. De kerkeraad zijnerzijds gaf dadelijk zijn voornemen te kennen om den heer H. te beroepen. De bezwaren zouden, naar hij hoopte, weldra wel overwonnen worden. Na ingewonnen adviezen werd den 24sten Maart 1885 toezegging van beroep uitgebracht en deze den lid™ April aangenomen. Hoe vriendelijk uitgenoodigd, weigerde het Classicaal Bestuur van Harderwijk dezen candi-daat te examineeren. Dit examen werd nu den 20stlt;'11 Nov. '85 te Utrecht afgenomen namens den kerkeraad, gesteund door eenige „genabuurde Kerken' en met medewerking van eenige theologen. Op oudejaarsavond '85 bracht de kerkeraad het beroep uit en den 8steii Januari onderteekende de beroepen proponent den door Dr. Van den Bergh in bizonderen vorm opge-stelden beroepsbrief. De ringpredikanten stelden — onder hen ook de consulent Ds. Ris Lambers — drie Zondagen achtereen gewilliglijk den beroepen leeraar der gemeente voor. Niemand

') Zie Handboek der Geref. Kerken, 1895, bl. 88.

ocr page 124

108

had er wat op tegen, dat men tot de bevestiging zou voortvaren.

Dan — daar waakte — van liooger hand gespoord — eindelijk het classicaal Bestuur van Harderwijk uit zijn Galliostemming op en den 2deii Februari werd onverhoeds de geheele kerkeraad

geschorst.

Des avonds kwamen de schorsingsbullen te Kootwijk aan en diep gekrenkt kwam de kerkeraad oogenblikkelijk bijeen om onder leiding van Dr. Van den Bergh het besluit te nemen om „voor zich en zijne gemeente met de organisatie te breken' en onverwijld van deze daad kennis te geven aan de Eegeering en aan de Synode.

Des Zondags zou het Classicaal Bestuur komen doen, wat des kerkeraads was, doch toen stond Ds. F. P. L. 0. van Lingen van Zetten op den preekstoel, bevestigde den beroepen leeraar, die des nademiddags — de hierarchic ten spijt — zijn intrede deed. ')

Twee dagen na de schorsing van den Kootwijker kerkeraad — op den 4deii Februari 1886 — was de Eaad der Kerk van Voorthuizen bijeen en vaardigde een missive uit aan Z. M. den Koning met bericht, dat ook hij „besloten had zijn kerkgenootschap opnieuw te regelenquot; en weer in te voeren de vroeger gegolden hebbende kerkenordening, te vinden in het groot Placcaatboek III fol. 464, behoudens enkele opgesomde wijzigingen 1).

Weer vijf dagen later volgde, naar wij zagen, Reitsum — 9 Februari. Voorthuizen, Kootwijk en Reitsum werden alzoo het Doeveren, Almkerk en ülrum der beweging van '86. —

De drie „doleerende kerkenquot; sloten zich — uitziende in

1

) Zie de missive door den kerkeraad op 11 Februari verzonden aan al de kerkeraden der Herv. Gemeenten in Nederland.

ocr page 125

109

zekere spanning of niet meerdere volgden —nauw aaneen. Tooh werd het 16 Juni, eer de eerste vergadering van afgevaardigden dezer drie „Hervormde Gemeenten in doleantiequot; werd gehouden.

Te Voorthuizen kwam men samen. De drie kerken aanvaardden de Drie Formulieren als accoord hunner kerkgemeenschap en wilden voortbouwen op den grondslag, waarop ze vóór 1816 stonden. Onderling toezicht door geregelde kerkvisitatie zou worden geoefend. De tucht ernstig gehandhaafd. Voorts besloot deze „meerdere vergadering,quot; die den 18den Juni te Kootwijk werd voortgezet, dat „attestaties zouden worden afgegeven als getuigschrift van lidmaatschap zonder aanbeveling,quot; als deze werden aangevraagd om ingediend te worden bij alsnog onder de Synodale hierarchie verkeerende Hervormde gemeenten; daarentegen zou men vooralsnog in geen kerkelijk verband treden met het „Kerkgenootschapquot; de Chr. Geref. Kerk. Deze besluiten werden den volgenden Zondag van den kansel aan de gemeente bekend gemaakt.

Den 17 den juni was ei. conferentie te Putten. Hier waren tal van mannen uit de Veluwe tegenwoordig en onvergetelijk was de indruk van bet vurig, bezielend, overtuigend woord, hier door Ds. Ploos van Amstel gesproken. ') Het heeft niet weinig bijgedragen tot de krachtsontplooiing der doleantie, die eerlang volgen zou langs heel de kust der Zuiderzee. —

Op 17 Augustus was het feest te Reitsum. Toen vergaderden daar de afgevaardigden. Voorthuizer mannen en Kootwij-ker boertjes in eigenaardig costuum vergezelden Dr. Van den Bergh en Ds. Houtzagers. Doch ook Leiderdorp was sedert den 15den Juli „losquot; en acht dagen eerder had Kollum „het juk afgeworpen.quot; Ook Ds. Lion Cachet van Rotterdam woonde deze vergadering bij, wier stemming gekenmerkt was door innig gevoel van den nood der diep schuldige kerk, en door hartelijke, blijde, broederlijke liefde.

') Zie Gereform. Volksblad 10 Aug. '95,

ocr page 126

110

Den volgenden dag hielden de afgevaardigden een geheel pablieke conferentie te Leeuwarden in de bekende zaal van Mej. v. d. Wielen. ') Hier weerklonk het machtig en aangrijpend woojd van Dr. Van den Bergh, dat de vergaderden in de schuld wierp voor den Heere, wiens recht vertreden en wiens eere verloochend was in onze jarenlange kerkelijke zonde. Hier greep Ds. Kasteel het volk in het gemoed. Hier ook voerde Ploos van Amstel het pleidooi voor de noodzakelijkheid om zich te bekeeren van de „vreemde heeren'tot den Heeue God.

Een weldoordacht referaat hield hij ter inleiding eener vrije discussie over de vraag: Hoe moet de tucht in de gemeente van Christus toegepast worden'? Hierin sprak hij: „De vraag is: of men iets kan doen, zoolang men zelf den Woorde Gods ongehoorzaam is en niet erkent het alleen geldend gezag van Koning Jezus. Bij terugkeering onder dit gezag wordt de positie, zoowel van den kerkeraad als van de geheele gemeente gezuiverd. Men verliest dan vanzelf al die bestanddeelen, die in de Kerk van Christus nooit geduld mogen worden. Men begint niet met zelf naar willekeur uit te sluiten allen, die niet geheel met ons medegaan; integendeel men kan en moet zelfs met liefde aan hen blijven arbeiden; maar de ongeloo-vigen en de verachters van de bediening des Woords en der

') De convocatiebrief luidt: Vergadering van kerkeraden en gemeenteleden der „Hervormde Gemeentenquot; op den grondslag van Gods Woord, met de Drie Formulieren van Eenigheid als accoord van kerkgemeenschap op Woensdag 18 Aug. 1886 ... punten van behandeling: 1. Waarin bestaat volgens de Schrift het kerk-verval en hoe geschiedt de ware kerkhervorming? in te leiden door Dr. Van den Bergh, waarbij ter sprake komt het houden van een vast- en bededag, 2. Hoe en waarom moet de kerkelijke tucht geschieden? in te leiden door Ds. Ploos van Amstel, 3. Hoe moet de stichting (sic.) van doleerende (klagende) kerken geschieden? 's Avonds leidde Ds. J. H. Van Kasteel een bidstond.

ocr page 127

Ill

Sacramenten sluiten zichzelren uit, als een gezegende vrucht van de eenvoudige wederkeering tot de gehoorzaamheid des Woords.

Zoolang men zit onder de besturen, die immer en altijd den ongeloovigen de hand hoven 't hoofd houden, is de uitoefening der tucht onmogelijk. Is men eenmaal wedergekeerd tot de rechte paden, dan begint de hervorming eerst, dan kan die eei-st recht beginnen. *)

In October kwam een voorstel in van de geschorste broederen te Amsterdam om samen te komen met de „losgemaakte gemeenten.' 2)

Te Leiderdorp greep op 7 November deze samenkomst plaats. Ook broederen uit de „classis Stad aan 't Haringvliet' dei-zeven Ledeboeriaansche Gemeenten, die hun aanspraken op de goederen nog altoos volhielden! werden hier toegelaten. Ploos drong sterk aan op samengaan met de Chr. Gereformeerden. ,'t Werd zeer wenschelijk geoordeeld, maar in den geleidelijken weg.quot; Kollum, Gerkesklooster en Reitsum werden hier samengevoegd als classis Dockum ... O, wat viel den broederen het wachten op de achterblijvende gemeenten lang!

Doch nu naderden 3) de gedenkwaardige dagen van het kerkelijk congres, 10 tot 14 Januari 1887, dat het sein gaf tot de doorbraak der doleantie. Ds. Ploos hield tijdens dit congres (12 Januari) een aangrijpende en machtige preek 4) in

') Hoewel toen nog zitting hebbende in het Provinciaal kerkbestuur van Friesland, woonde schrijver dezes de conferentie bij en het hier gehoorde, gesprokene en gebedene, waarbij hij ook zelf voorging, droeg iets bij om zijne ziel over te buigen tot de rechtszaak dezer zijner broederen.

') Gerkesklooster was er nog bijgekomen 19 Oct.

s) Nadat nog Anjura, Rotterdam en Amsterdam „uitgetredenquot; waren.

4) Toen kregen de ouderlingen mijner gemeente medelijden met hun dominé, dat deze nog onder de Synode zat!

ocr page 128

112

Plancius over den strijd van Israel tegen Benjamin in betrekking tot den strijd dezer dagen

Thuis gekomen volgde een tijd van dagelijksch preeken in stal en schuur, drukker dan ooit te voren. Ook op de Sneeker Conferentie, waar Dr. Wagenaar „zijne broeders zoclitquot;, was met Dr. Van den Bergh, Ploos weer aan 't woord en hield de roerende rede over Klaaglied 3:40: „Laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken en laat ons wederkeeren tot den Heere.'

Onmogelijk is het nu vader Ploos op den voet te volgen 1). Anders zouden we hem vinden, ijverig medewerkend en altoos door een eigenaardig, gemoedelijk element de vergadering stemmend en verrijkend, oji het Convent van Rotterdam, waar hij als assessor zitting had en door hetwelk hij benoemd werd als Deputaat voor de examina, een mandaat door elke volgende V. S. vernieuwd — wat was hij een goedhartig examinator! — op de voorloopige synode van Utrecht, op die van Leeuwarden, zoolang totdat hij ziek naar huis ging, op die van 's-Graven-hage, aan welks vooravond hij den bidstond leidde en sprak over: „het heilige zaad, het steunsel dat overblijftquot; (Jes. 6 :13) 2) en eindelijk op onze laatste V. S. te Amsterdam.

En één onderwerp in de beraadslaging was hem boven alles belangrijk: de her eeniging aller Gereformeerden.

Hoe het hart van Ds. Ploos hing over zijne „gescheiden broederenquot; bleek ons reeds meermalen op treffende wijze.

Den 21s,cn October nam de kerkevaad van Eeitsum een voor-

1

) Tn Sept. 90 hield Ds. Ploos den synodalen bidstond en dier.de hij ook als assessor de synode van Leeuwarden, en in '91 was hij praeses der Friesche provinciale synode, die den 15den juii te Sneek bijeenkwam.

2

) Uitgegeven bij A. Jongbloed, met een naschrift over het Besluit der synode in zake de vereeniging.

ocr page 129

113

stel aan van de classis Dockum der Clir. Geref. Kerk om elkanders attestatiën aan te nemen.

Ploos liet zich sedert ook op de classicale vergaderingen der C. G. Kerken vinden en eischte onvermoeid ineensmelting der beide kerkengroepen.

Toch liet hij door zijn gevoel zich geenszins beheerschen. Hij had ook in dezen de waarheid èn den vrede lief'.

Een vrijen blik in zijn ziel met al heur roerselen gaf hij in het boeiend geschreven vlugschrift: Hoe 'komen ivij tot ver-eeniging met de Christelijke Gereformeerde broeders? in 1887 bij Jongbloed uitgegeven.

Hij begint met de betuiging: „Ik heb de Christelijke Gereformeerde broeders lief, n. 1. die broeders, die de waarheid hartelijk liefhebben, zelfs al zijn ze wat partijdig! Daarom maken mij hunne aanvallen niet boos, maar wel innig bedroefd. Zal er vereeniging komen, dan is vóór alles noodig een hart, dat niet hoos is, maar Jndt.quot;

Voorts belijdt hij: „als ik mijne broederen op plaatsen, waar een Christelijk Geref. gemeente bestaat, help zich te organi-seeren, dan geschiedt zulks met een Woedend hart. Dat weet Hij, die mijn hart kent. Ik kan schreien over de breuke Sionsquot;. Toch kan Ds. P. zijne vrienden „niet aanraden: voeg u dadelijk bij de Christelijke Gereform. Kerk' en dit „om haar genootschappelijk karakter.quot; Ook moet de tegenover de synodalen optredende Gereform. kerkeraad aan de Hervormde Gemeente rekenschap geven, van dit reformatorisch pogen en met allen ernst „het verlorene zoeken, het weggedrevene weder-brengen, het zwakke sterken, om zóo de kudde saam te brengen in de schaapskooi van den Goeden Herder,' zóo de verslagenen aan den weg samen te brengen in de herberg om daar van het noodige te worden voorzien en getrouw te worden verzorgd.' „Is dat geschied, dan kan men — mits ook „de genootschapsmuurquot; werd afgebroken — samengaan en

ocr page 130

114

dan mag men niet langer gescheiden leven. Over deze verklaring zij nu niemand boos, doch men blijve ons in liefde bejegenen, zooals jeugdige leeraars en zelfs oude, grijze vaders, wier liefde mij kan doen schreien van innige vreugde.' ')

Onze organisatie moet voorloopig zijn en luide moeten wij dit verkondigen, „dat het geheele werk der reformatie van den Heere gevloekt zal zijn, indien de vereeniging niet van ganscher harte wordt begeerd, gezocht eu afgebedenquot;.

Voorts waarschuwt de Schrijver tegen het spreken van onze kerk. „O, laat er toch geen meer blijdschap zijn daarover dat menschbn zich voegen tot onze kerk, dan dat er in waarheid bekeerd worden tot den eenigen Zaligmaker.quot; Vrage men nooit: voeg u bij mis, maar „ga met ons naar Jerusalem. Samen het goede zoeken voor Jerusalem! Altijd vragen: Heere, zou er ook een reden bij mij of bij ons zijn, dat een andei-e broeder niet met mij wil gaan? Bewust zijn van eigen gebrek is zoo voordeelig tot vereeniging en ter onderhouding van den band des Geestes. Voordeelig ook voor het geestelijk leven !quot;

Eindelijk geeft de schrijver eene beschouwing over het onschriftmatige van Hoogere Besturen, waarop Prof. H. de Cock op vriendelijken toon van antwoord diende in een Open brief aan den Wel Eer w. Zeergel. Heer J. J. A. Ploos van Amstel, Pred. hij de Ned. Oer. Kerk (doleerende) te lieitsum. Groningen, G. J. Reils 1887. Hierin wees de hoogleeraar op het — door Ds. P. niet ontkende — feit, dat een Ned. Geref. gemeente kerkelijk buiten de Herv. Kerk en naast of tegen-

') In dezen zelfden trant en toon was liet „broederlijk schrijvenquot;, door de Syn. v. Leeuwarden in '91 ontvangen, „waarin Z.Eerw. sympathie met 't denkbeeld van vereeniging uitspreekt en tevens op twee gebreken in de Chr. Geref. Kerk wijst, n.1. dat zij nieuwe gemeenten sticht en een kerkgenootschappelijk karakter heeft.quot; Zie Handelingen art 131.

ocr page 131

115

over de Chr. Geref. Kerk stond en voerde een pleidooi voor het bestuursgezag, dat berust bij de meerdere vergaderingen, waar Ds. P. v. A. wat eenzijdig den nadruk scheen gelegd te hebben op de vrijheid der plaatselijke kerken. Doe. de Cock besluit met Reitsums afgezonderde positie te waardeeren met het oog op den goederenstrijd.

Dit antwoord was zeker niet bizonder geschikt om de hoop op een spoedige ineensmelting te verlevendigen, evenmin als de besluiten door de C. G. synode te Assen en Kampen genomen en toch zou er eerlang een weke aanbreken, waarin Ds. P. v. Amstels ziele waarlijk jubelde in de verrassingen Gods.

Die weke daagde met den 8sten Sept. 1891, toen de Geref. kerken in doleantie samenkwamen in voorloopige synode te 's-Gravenhage.

In de redevoering, door Ds. Ploos aan den vooravond gehouden, spreekt hij nauwelijks over de ineensmelting. ^ Het blijkt ons, hoe dit zoo kwam, als we lezen in 't Naschrift aan deze rede toegevoegd. „Wie had het kunnen denken, eer de synode samenkwam, dat wij tot zulk een heerlijk einde zouden komen? Uitgestelde hoop krenkt het hart. Wij waren al zoo gewoon aan allerlei teleurstellingen op het gebied der veree-niging, dat die door velen voor bijna onmogelijk werd gehouden.'

Doch wie beschrijft, wat beven van vreugde door zijn ziele voer, toen op den 9Aen Sept. '91 de broederen Van Andel, Bavinck, Lindeboom, Littooy en Noordtzij de eivolle Wester-kerk binnentraden, begroet door het psalmgezang der van hun

') De titel dezer rede uitgekomen bij A. Jongbloed te Leeuwarden luidt: ,Het heilige zaad het steunsel dat overblijft,'quot; leerrede over Jesaja 6 : 13 (jehouden den 7 Sept. 1891 op den avond voor de Synode der Ned, Geref. Kerken gehouden te 's Hage. Benevens een Naschrift naar aanleiding van het Besluit der Synode in zake de Vereeniging.

ocr page 132

116

zitplaats opgerezen broederen en de praeses synodi hun toeriep : „Broeders, een oogenblik, waarin heilige feestvreugde door het harte trilt, schenkt ons thans de Heere. Uw verschijning in dezen kring is ons een geestelijke genieting, een teeken van de gunste onzes Gods!' — en Ds. Van Andel betuigde: „Ik wil u den geest vertolken, die op onze synode heeft geheerscht. Het was ons ernst om van den Heere te begeeren, dat wij niet langer als twee corpsen tegenover den vijand zouden staan. Het is waar, wat door u zoo straks werd opgemerkt: de kerk is voor de wederkomst des Heeren een vreemdelinge. Doch vreemdelingen vereenigen zich licht, wanneer ze schatten hebben te vervoeren door een vijandelijk land!.. . Zal het sluiten dezer Unie onmogelijk blijken? Neen, God de Heere heeft wel Joden en Heidenen, die door een goddelijke wet gescheiden waren, weten te vereenigen, tot éen lichaam, — Hij zal ook ons de vereeniging schenken!'

In de sectie-vergadering, waarin avond aan avond de bedingen der Leeuwarder synode — nu toegelicht door hare Depu-taten — werden overwogen, en waarbij vele broederen hun bezwaren zeer nadrukkelijk uitspraken, was Ploos van Amstel de vurige pleitbezorger van de noodzakelijkheid om toch maar toe te geven en de toegelichte bedingen te aanvaarden, en in deze dagen bestormde hij met zijne smeekgebeden den troon der genade. Toen eindelijk de eenstemmigheid was verkregen en op den 15den Sept. '91 de vijf deputaten opnieuw in de voorloopige synode verschenen, moest Ds. Ploos zijn overvolle hart uitstorten en, hoewel hij half beloofd had van het woord te zullen afzien, barstte hij uit in jubel. Hem ter eere, die het schijnbaar onmogelijke aanvankelijk had gewrocht! Toch was hij ditmaal in zijn spreken niet zeer gelukkig. Eerst wekte het veelszins juiste, doch grappige beeld van een met kinderen gezegenden weduwnaar, die ging trouwen met een weduwe mede rijk aan kroost, om nu éene huishouding te vormen,

ocr page 133

117

enz. den lachlust op, maar straks maakte vader Ploos het nog erger, toen hij uitriep : „Wij hebben te verwachten, dat er zijn zullen, die de vereeniging afraden en de menschen tegen elkaêr zullen opzetten. Die menschen doen het echte werk des duivels. Laat ons daartegen ons wapenen! Laat ons niet boos worden. Als er vertraging komt, zullen er zijn, die denken: dat is een pak van mijn hart! maar dan zal de Heere ter hunner bestraffing eene Haggaï en Zacharias zenden, die het volk zullen aansporen om met de zaak der vereeniging voort te varen.quot;

En nu haalde Ploos zijn zakbijbeltje tevoorschijn en las Ezra VI: 11 voor: „Voorts wordt van mij bevel gegeven, dat al dengene, die dit woord zal veranderen, een hout uit zijn huis zal gerukt en opgericht worden, waaraan hij zal worden opgehangen en zijn huis zal om diens wille tot een drekhoop gemaakt worden.' De hoog ernstige, toch geenszins moorddadige toelichting van dit „geweldig bevel' ging in den gullen lach der vergadering verloren.

Aan het naschrift ontleenen we nog het volgende :

,0, hoe goed, hoe liefelijk was het, waar zonen van hetzelfde huis niet langer deu drang des harten konden weerstaan om voortaan met elkander te leven. Het oude broederhart sprak; wij waren gelukkig, elkander in zulk een vergadering weer te ontmoeten, 't Was nog een andere ontmoeting dan van Jacob en Ezau. 't Waren twee zonen der belofte! Voorzeker mag een onuitsprekelijke vreugde ons hart vervullen, waar een ban uit de gemeente is weggenomen, die een rouwfloers wierp over al het goed dat wij genoten. De Heere zij geloofd. De bond is gesloten! Het was een heilige handeling. Het was een plechtige eed voor 's Heeren aangezicht. Zij er nu ernst met die vereeniging. Niemand denke te spoedig; daar hebt ge 't nu al, er is niets met die menschen te beginnen. Dit schrikke niemand af. Als twee koppels hennen bij elkander

ocr page 134

118

komen, dan pikken ze elkaêr; maar zijn ze een poosje bij elkander, dan leven ze weer vredig! De gewenschte verhouding komt niet op éen dag. Als er een been gezet is, moet het tijd hebben om aaneen te groeien. Neemt dan elkander aan, gelijk ook chiustüs ons aangenomen heeft tot heedijkheAd Gods!quot;

Op de voorloopige synode te Amsterdam rapporteerde Igt;s. Hania, dat Ds. Ploos van Amstel in 'Februari '92 op een reis ter vredemakinge te Vollenhove krank achtergebleven was. In dien tijd openbaarden zich verschijnselen van een suikerziekte en sedert werd de zwaarlijvige man telkens door duizelingen overvallen. 17 Juni '92 was hij echter tamelijk gezond in de Keizersgrachtskerk op zijn post. Met blijdschap werkte hij mede om den arbeid ter vereeniging te voltooien. Hij had op deze laatste voorloopige synode het laatste woord. Op het punt dat de hamer zou vallen, riep hij: „Praeses, ik moet nog even iets spreken: 't Is nu 5 jaren geleden, dat wij samen waren te Kootwijk met den geliefden broeder Dr. Van den Bergh en met drie kerken. Wij gedenken in deze ure aan hem. Zie ik heden terug op deze eerste meerdere vergadering, dan moet ik met Jacob zeggen: Met mijn staf ben ik over den Jordaan gegaan en nu ben ik tot twee heiren geworden.quot; Daarop waardeerde hij den arbeid van Kuyper en Rutgers en besloot: „Doe de Heere u en ons zien de opbloeiing der Kerke en daarin de gezegende vrucht van onzen arbeid. Hem ter eer!quot;

Nu, de overgebleven „Voor-manquot; der doleantie mocht, wao,r-deerende den arbeid van Kuyper en Eutgers, deze voldoening smaken, een zoete vrucht op jaren van worsteling, arbeid, en strijd, een loon der eere op de betooning van den geloofsmoed, waardoor hij, waar allen nog aarzelden, had durven voorgaan, had durven schier geheel alleen staan, sterk in het bewustzijn van zijn recht en der roeping zijns Gods!

ocr page 135

119

Toen hij den 17den Juni 1892 de Generale Synode mede doorleefde, bleef, evenals van alle anderen, ook vader Ploos' „toespraak ' beneden het hoogtepunt dezer historische ure. Hij herinnerde aan Matth. 16 :18 en 1 Petr. 2 ; 5 en wees op de roeping om elkaêr aan te nemen naar den eisch van Eom. 14 en 15, d. i. „zoo als we zijn, onhandelbaar, zóo dat we veel geduld met elkaêr moeten hebben.quot; Laat ons nooit zijn „als twee menschen in een vergadering, die fluisteren over een derde.quot; Maar zoo, dat zij, die in 't genootschap zijn, zeggen: „Wij zien dat Christus in u woont, wij zullen met u gaan.' Spreker eindigde met een vergezicht op den hemel.

Zoo zag dan Ds. Ploos ook zijn tweede bede vervuld. De vereeniging der vrijgemaakte Kerken was gekomen.

Van nog twee weldaden 1; des trouwen Bondsgods verhale het slot van dit hoofdstuk.

Aan Ds. Ploos werd tot tweemalen toe het zielsgenpt gegund een zoon der eere te bevestigen in het heilig ambt, dat hij zelf van ganscher harte bekleedde.

Den l-ld611 Juli 1889 zegende hij ten dienste der uitgeleide gemeente van Gerkesklooster zijnen Carel Willem Emile in, dien hij den 2J;sten Juli 1892 aan de aanzionlijke gemeente van Zwolle B. mocht verbinden, en den 18(len Dec. deszelfden jaars '92 stelde hij namens de Classis Bolsward zijnen Gerard in het ambt bij de Gereformeerde Kerk van Wons.

') Een uitspanning was hem de opstelling en het uitspreken eener hoogst eigenaardige waarlijk stichtelijke Bede, die door hem f/ehoudcH werd in de ure des geheds ter opening van de Algemeene Vergadering der „Vereeniging tot Christelijke verzorging van krankzinnigen en zenuwlijders in Nederlandquot;, aan den avond van den S April 1801 in het kerkgebouw der Christelijke Gereformeerde Gemeente te Zwolle. Deze rede bestaat in druk.

ocr page 136
ocr page 137

X.

LAATSTE LEVENSJAREN.

ocr page 138
ocr page 139

HOOFDSTUK X.

LAATSTE LEVENSJAKEN.

Met de aanvankelijke vrijmaking der kerk en aanvankelijke hereeniging der Gereformeerden waren, zij het dan ook aanvankelijk, de beide innigste levensidealen van Ds. Ploos van Amstel bereikt. De levenstijd en kracht, hem nog gegund, besteedde hij aan hare verdere voltooiing, waarbij ook alle andere arbeid met onverzwakte toewijding werd voortgezet. Week aan week verscheen in de Priesche kerkbode zijn gemoedelijk woord. Somtijds flikkerde er iets in van verontwaardiging over het onrecht, zijne gemeente aangedaan in de berooving harer goederen en bovenal over het pogen om enkele personen af te trekken van de gemeente, ten einde uit hen een nieuwe Nederl. Hervormde gemeente te bouwen. Doorgaans riep hij tot verootmoediging, geloove en blijmoedige gehoorzaamheid. ^ Op den 4den September 1892 genoot schrijver dezes de eer door zijn ouderen broeder te worden ingeleid bij de Geref. kerk van Arnhem B. met een rede over

') De arbeid voor de F. K. was Ploos schier een levensbehoefte. Mede onder Ps. Sikkels redactie begonnen, verscheen het proefnummer 15 Oct. '87, Nquot;. 1 op 5 Nov. 87. Toen Ds. Sikkel naar den Haag ging, werd hij in de Redactie vervangen door Schrijver dezes en na diens vertrek naar Arnhem bleef Ploos alleen redacteur.

ocr page 140

124

Jes. 62:6—7, waarin hij het beeld toekende van den trouwen wachter op Zions muren 1j. In de intreepreek sprak de bevestigde hem toe: „Geliefde Broeder, dien ik met kinderlijken eerbied en liefde heb aangehangen, zoo lang ik u gekend heb en te meer, naarmate gij mij en mijner gade uw vaderlijke vriendschap wijddet — ik moot deze gelegenheid aangrijpen om u te zeggen, hoe gij door uwe kloekmoedigheid en uw geheiligd optreden met uw lieitsum tot reformatie door breuke der plaatselijke kerk met de zondige organisatie, die haar beknelde, het middel geweest zijt om mij op te schrikken uit mijne illusies van kerkzuivering en mij voor te bereiden op den ernstigen strijd, waarvoor gij mij hebt opgeëischt!quot;

Was dit uitstapje naar Arnhem, dat Ploos indertijd tot tweeden predikant had beroepen, hem een genot, sedert ontmoette hem veel en velerlei verdriet. Huiselijk en familieleed door krankheid en teleurstellingen, klimmend gevoel van smart over de verwijdering van vroegere hartevrienden, die onder de Synode bleven en straks aan de vervolging en smading dei-uitgeleide gemeente de een na den ander deelnamen, zielepijn over hot botsen en wringen der tweeërlei sympathieën in de gemeenzame kerkelijke bedding, droefheid over de scheuring, berokkend door de predikanten Wisse en van Lingen, een somtijds overvallend gevoel van moeheid in de bearbeiding dei-gemeente, die hij, hoe honderd maal naar elders beroepen, uit schroom van opnieuw een eigenwillig besluit te nemen, niet durfde verlaten, lichamelijke ondermijning door een sleepende kwaal, ergernis over het wroeten van een hervormd predikant in de ingewanden zijner gemeente, bezorgdheid over de finan-cieele gevolgen van de uitspraken van den Hoogen Eaad voor zijn Reitsumer broederen, alle deze bittere teugen smaakte

') Bevestigings- en intreerede, verschenen bij A. Meyer, onder den titel: „Hij blijft getrouw.quot;

ocr page 141

125

zijne ziel. Wel stond daar veel goeds en zoets tegenover in waardeering, vriendschap en liefde, thuis en alom genoten, doch Ds. Ploos leed meer dan iemand vermoedde en — verouderde snel.

„Ter nauwere samenbind ine/ en ter heerlijker openharing van Gods gemeente op aarde' bleef hij getuigen ook daardoor dat hij onder dezen titel naar aanleiding van de vereeniging der Gereformeerde kerken in Nederland in één kerkverband bij den uitgever dezer levensbeschrijving een brochure in het licht zond, waarin hij eerst al wat in hem is te werk stelt, om de achtergebleven broederen nog tot het inzicht te brengen van het ongoddelijke der kerkelijke toestanden in 't Herv. kerkgenootschap en hen te overtuigen, „dat wat geschied is in 1884 en 1886 geen ijdele gril geweest is, geen hartstocht, maar vrucht des geloofs, door den Heere gewrocht' — daarna om de ontevredene Christelijke Gereformeerden en bezwaarde „dolee-rendenquot; gerust te stellen; doch er is in stijl en taal iets mats, iets dat u doet gevoelen, dat de worstelaar moede wordt.

In zijn laatste vlugschrift: Christus het Licht der wereld of Christus tot zijne eere gekomen in het midden der kerken in sake Universitair Onderwijs en eigen opleiding, bij Jongbloed verschenen, is de toon nog lager ; weemoed, bijna somberheid klinkt er u uit te gemoet. Eeeds dadelijk de aanhef:

„De tegenwoordige dagen vervullen mij met innige smart en zorg en dringen mij tot gedurig gebed, dat de God des lichts en van alle genade, die de alleen machtige is om licht in de duisternis te doen opgaan, ook licht verspreide in de nachtelijke duisternis, waarin wij ons bevinden op kerkelijk gebied...quot;

Ai mij, wat is het geluid des orgels gedaald tot eene stemme des weenenden en tot eene rouwklage geworden de harp.

In verband met deze droefgeestigheid, die samenhing met lichamelijke ondermijning en inzinking, staat ongetwijfeld de

ocr page 142

126

onnauwkeurige waarneming der voorwerpen, waar de schrijver zich „het bloed van schaamte naar het hoofd voelt vliegenquot; als hij „de Gereformeerde Kerken ziet hulp vragen hij een Universiteit, die staat huiten de erve der Kerken Christi,quot; en hem de vrije Universiteit voorkomt „als een schip, dat niet behoort tot de reederij des grooten Konings.quot; Hierbij kwam, dat vader Ploos in een zieledwaling verviel, waartoe juist hij, de gemoedsmensch, zoo lichtelijk kon komen, de dwaling om subjectieve bevinding te vereenzelvigen met de objectief geldende openbaring Gods. Deze zondige doling nu wreekte God door verwarring in 't oordeel. Dit beginsel van zelfverheffing, hoe onbewust, en met hoe beminnelijke openhartigheid medegedeeld, werd gestraft met eenige vernedering, die ook zijn vereerders behoedde voor vergoding. God alleen is groot!

De openhartigheid spreekt zeker ieder toe, die zich ook de zelfverheffing niet ontveinst, als hij in de brochure leest: „Nog wil ik hier bijvoegen, dat wat ik schrijf, mij kennelijk van den Heere werd ingegeven, terwijl ik zuchtend was tot den Heere, dat het Hem toch mocht behagen, licht te verspreiden in de duisternis; en daar deze gedachte mij op buitengewone wijze aangreep, gevoelde ik mij gedrongen om die mede te deelen in de stille hoop, dat dit eenvoudig woord een gering middel mocht zijn in de hand des Heeren om een stap verder te komen op den weg in zake de opleiding van de a. s. Bedienaren des Woords.quot;

En welke is nu die „ingegeven gedachte?quot; Deze, dat de geïnstitueerde Kerk het bepaalde orgaan is, waardoor Chrisxus werkt, dat ook van de Kerken de beoefening der wetenschap moet uitgaan, dat dies de Vrije, moest worden onze Kerkelijke Universiteit. .. .

Ieder lezer, die oog heeft voor het eigen organisch karakter van Wetenschap en Universiteit, gevoelt het onhoudbare van dit denkbeeld, doch niet minder springt hierbij in het oog,

ocr page 143

127

de moed der eigen overtuiging, de ijver voor de eere des Heeren, de zielsbelioefte tot samenbinding, de onduldbare smarte bij het zien eener spanning, waarin liet liefhebbende harte de splijting als voorgevoelt. In dit alles is ook dit laatste woord vader Ploos tot hooge eere.

Met Ds. J. Van Andel, door de Prov. Synode van Friesland naar Dordt afgevaardigd, woonde Ds. Ploos de zittingen der Synode bij (29 Augustus —15 September 1893) en daar viel hem door de inschikkelijkheid der broederen de steen van het hart. De eenheid der Geref. Kerken bleef on verbroken.

In 1892 stierf Pieter Reitsma. Zelf krank, kon Ds. Ploos onmogelijk, waar Reitsma voorging, hem de laatste eere bewijzen en zijn lijkrede houden. Doch nu dicteerde de diep bedroefde kranke vriend een roerend schrijven, dat Ds. O. W. E. Ploos van Amstel de vergaderde rouwdragende gemeente voordroeg. De kranke leeraar beschrijft de bizondere liefde, die er was tusschen hem en dezen doode. „'t Lag niet in overeenstemming van karakter of temperament, maar in de vlakke overeenstemming der beginselen, waaruit ze leefden. — „De Heere God had Pieter Reitsma krachtig hekeerd en in zijn harte diep ingeschreven zijn Heiligen Souvereinen Naam. Daarom stond hij pal voor de Souvereiniteit Gods. Voorts was zijn kracht gelegen in liet vast en onwankelbaar geloof in den drieëenigen genadigen Verbondsgod. Als arme zondaar voor God rustte hij alleen op het Verbond der genade. Sterk in dit geloof was hij voor Reitsum een pilaar tot haar steun en sterkte. Hij was de eerste, die voor vele jaren in 't nog slapend Reitsum de banier der waarheid opwierp en hoog hield. Een opperste voorstander van de secte der JSTazarenen. Op kerkelijk gebied een echte Calvinist. Op politiek terrein een echte Anti-revolutionair. Mocht hij soms wat veel hebben van de hoekigheid van een steen, hij had er ook de vastheid van — tot zegen van de gemeente. Van het halve moest hij niets hebben. Hij

ocr page 144

128

streed vooi- de volle waarheid. Hij heeft er voor gestreden en er zichzelven aan gegeven om hier te hebben le de waarheid op den kansel, 2e de christelijke school, 3e de zuivere paden voor het kerkelijk leven. En de Heere heeft hem als instrument in Zijne hand gebruikt om in alle deze Christelijke dingen een zegen te brengen over deze gemeente.quot;

Zoo verklaart de bedroefde leeraar zijne liefde tot dezen echten „Stuudfries,'1' dien hij in zijn karakter, een type van een Frieschen Calvinist, meesterlijk teekent en in zijn' arbeid mot beminnelijke nederigheid waardeert.

Nadat Ds. F. van Dordrecht thuisgekomen was, openbaarden zich steeds onrustwekkende!' verschijnselen van ongesteldheid, echter afgewisseld door tijden, waarin de energie het lichaam nog kon beheerschen en het lijden door recht opgewekten arbeid scheen verslonden. Vooral ook op schoolgebied bleef hem arbeid genot. Als lid van den Schoolraad voor het district Dockum hield de vraag hem bezig: hoe arme streken als Akkerwoude, Drogeham, Blija, enz. te helpen aan een school. Floos oordeelde, dat er een vereeniging behoorde te worden opgericht in den trant, zooals die voor Frieslands Zuid-Oosthoek. Den gden Oct. '94 had hij hiertoe belangstellenden opontboden en onder zijn praesidium vond te Leeuwarden de vergadering plaats. Dit was de laatste reis, die hij maakte. In de boot op de terugreis werd hij ongesteld en de gezondheid is niet teruggekeerd. Wel hervatte hij nog weer eenigermate zijn herderlijk werk, maar met moeite. Den 20sten Januari 1895 betrad hij voor het laatst den kansel'en hield een vooibe-reidingspreek over de noodiging tot de bruiloft. Doch in den nacht van 21 op 22 Januari werd hij door een hevigen aanval van bronchitis doodelijk benauwd. Dan, nauwelijks zakte het wat af, of Ds. Floos zette zich ter voorbereiding voor de „gehuwden-Catechisatiequot;, op welke hij den brief aan de Romeinen behandelde. Doch nu kwam de benauwdheid terug.

ocr page 145

129

Vier uren aaneen worstelde hij om adem te krijgen. En telkens kwamen die vreeselijke aanvallen v/eder. Doodsbleek werd dan zijn van angstzweet druipend gelaat, de oogappels schenen in te krimpen en brullen moest hij van benauwdheid, 't Was niet om aan te zien. Zijne kinderen vluchtten somtijds het huis uit. Toch bleef de levenslust. Hij wou zoo gaarne weer beter worden om — al was het zittende of liggende — nog te arbeiden voor zijn' Heer. Och, mocht hij maar schrijven in zijn geliefden Kerkbode voor zijnFriesche volk en in zijn Correspondentieblad voor zijne jongelingschap en een boekwerk maken, een Schriftstudie...

In de eerste dagen zijner ziekte gaf hij uit een preek over de woorden, die Jakob van zijn sterfbed sprak: Juda, gij zijt het! ')

Tot het laatst van zijn leven was hij werkzaam met des Heeren Woord. Op 1 Aug. nog liet hij zich op 't bed het Grieksch Testament en een woordenboek aangeven om een tekst uit de oorspronkelijke taal recht te leeren verstaan.

Zoo lang hij kon, dicteerde hij van zijne sponde brief bij brief en ,woord bij woord.quot; Hij leefde met alles mede. In zijne gemeente en in heel den lande.

Voor allerlei arbeid klom zijn gebed op en naar allerlei vergadering ging zijn heilgroet uit. Ook stelde hij een drievoudig afscheidswoord op, dat na zijn overlijden moest worden gepubliceerd. Een woord aan het Nederlandse he volk, dat de Leemvarder Courant immers niet weigeren zou. 2) Hierin smeekte hij het volk van Nederland, het boven zoovele natiën beweldadigde, om toch de genademiddelen niet te verwerpen

') Ze komt voor in de preeken, uitgegeven bij Otto te Broek op Langendijk.

quot;) Het werd geplaatst in de Leeuw. Ct. van 14 Aug. '95

9

ocr page 146

130

maar den ouden Bijbel weêr te onderzoeken. Voorts gaf hij een woord aan zijne „geliefde medebroeders in de bediening' dat allen Gereformeerden predikanten toegezonden worden moest. „In bet gevoel der eenheid in de liefde met alle broederen en zusteren in den Heere,quot; schrijft hij niet over de kerk, over 't hem aangedane leed, neen, enkel over de rechte stemming der ziele in de bediening van het ambt.

Eerst wil hij, dat de Dienaars een diepen indruk hebben van de majesteit huns zenders en van eigen onwaardigheid. Wij zijn gezanten van Christus' wege. Zijn Woord hebben wij te verkondigen getrouw, stipt en onvervalscht. Veel verkee-rende voor 's Heeren aangezicht, in gedurige gemeenschapsoefening met den Heere, te midden van alle bewegelijke dingen, die dikwerf zoo onaangenaam aandoen, altijd en altijd weêr vragende naar wat de Heere tot onze ziele spreekt. „In de bediening des Woords hebben wij vooral op éene zaak te letten, waarbij de Heere mij sinds jaren krachtig bepaald heeft. En dat is op hetgeen wij vinden in Filippensen 2 : 1—11 en op hetgeen de Heere elders zegt: „Ik ben niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen. De Heere daalt neder in de diepste diepte van ons hart, daarna doende al wat noodig is te onzer verlossing. Wij stellen licht den mensch voor op een hoogte, waarop hij niet is, en dalen te weinig in in den nood van 's mensehen ziel. Wij willen iemand goed laten lezen, voordat hij de letters nog kent. Daardoor worden wij licht knorrig, als een ander ons niet verstaat. Dat is niet recht. Hoe dieper wij mogen neerdalen in anderer toestand en den Christus verkondigen in al de volheid zijner Middelaarsgenade, des te meer zullen de harten, onder den invloed des H. Geestes ver-teederd worden. Laat ons ook nooit zulk een boodschap brengen, dat het volk niet durft gaan naar Kanaiin, maar goede boodschappers zijn van het goede.' Eindelijk waarschuwt hij tegen het klagen over de gemeente en tegen het staan naar

ocr page 147

131

verandering. „Ook op andere plaatsen wonen ellendige men-schen, wier ellende men te meer ziet, hoe langer men ze kent. Het schoon van menschen en van plaatsen is gauw afgekeken. Niets is waarlijk schoon dan de Heere.quot; Ds. Ploos besluit: „Er mag niets zijn tusschen God en onze ziel. Dat is wel zoo, maar dat mag niet. De Heere zegt: Wandel voor mijn aangezicht! Nu, geliefde broeders, stelle u de Heere tot een zegen. Door genade tot straks!quot;

Eindelijk dicteerde de onvermoeide geest des op 't krankbed gekluisterden nog „een woord aan allen, die in meerdere of mindere mate het beginsel der waarheid naar de belijdenis zijn toegedaan.quot; Zijn ze familie van den schrijver, dat ze zichzel-ven beproeven of ze tot de familie van Jezus behooren. Zijn ze leden van eene der Gereformeerde Kerken, aan wie zich de kranke zeer gebonden gevoelt, laat hen zich gedragen als kinderen des lichts, als wederkeerenden naar de paden des rechts en der waarheid. Welstand van uitwendigen kerkstaat is niet genoeg. Een vroom schijntje geeft niets. Die in Christus is, is een nieuw schepsel en wordt vernieuwd in al zijn handel en wandel. Een goed kenner en nauwkeurig opmerker bemerkt dan in alles, dat gij een discipel van Jezus zijt. Keert voorts weder tot de eenvoudigheid des geloofs! Er is zooveel opgesmuktheid, onwezenlijkheid en formalisme en dat is zoo tegen het Woord des Heeren in en maakt het nieuwe leven krachteloos. Men is vaak meer vol van stelsels, dan van het leven. De Heere zelf heeft den weg zoo eenvoudig gemaakt. Maar éene zeer moeilijke zaak is verbonden aan het discipelschap: Wie niet verlaat wat hij heeft, kan Jezus' discipel niet zijn. Het zaligworden is gemakkelijk, maar alleen voor hem, die alles om Christus' wil verlaat en in den Heere al zijn zaligheid quot;vindtquot;.

Onder de benauwdheden bleef de hope leven. Ook de overgegevenheid. „Moet ik zoo benauwd zijn, Heere, uw wil

ocr page 148

132

geschiede!quot; God was zoo onuitsprekelijk goed, dat hij zijn Zoon gegeven had en — hem tot dien Heiland gebracht!

Hoewel verzekerd van zijne zaligheid, bleef de dood hem afschuwelijk. „Ik ga,quot; zoo sprak hij, „naar het quot;Vaderhuis. Maar voor het huis is een hond. En dien hond zie ik telkens. De Heere Jezus zegt wel, dat ik voor dien hond niet bang behoef te zijn. En dat geloof ik ook, maar die hond kijkt mij maar zoo leelijk aan. Dien wil ik zoo gaarne weg hebben.quot; ^

Later echter week de vreeze des doods. Door Hebreen 2 bracht de Heere er den kranke van af.

Drie weken vóór zijn sterven — 't was in den nacht van 11 op 12 Juli — was hij geheel bereid om heen te gaan. Zich helder gevoelende, wilde hij met vol bewustzijn van al zijne geliefden afscheid nemen. Allen, die in huis waren, riep hij rondom zijne sponde. Daar lag de kranke met ten hemel geslagen oogen, een glimlach op het van vrede stralend gelaat. Op eens begon hij met duidelijke stem te zingen:

Jezus, uw verzoenend sterven

Blijft het rustpunt van mijn hart.

Als wij alles, alles derven.

Blijft uw liefde ons bij in smart.

Ook wanneer mijn oog eens breekt,

't Angstig doodszweet van mij leekt,

Dat uw bloed mijn hoop dan wekke En mijn schuld voor God bedekke. 2)

Hierop sprak hij over zijn stervenshope en daarna zong hij opnieuw, waar aller stem slechts kon snikken...

Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangen.

Men loov' Hem vroeg en spa,

De wereld hoore en volg' mijn zangen Met Amen, Amen na!

') Zie Friesche Kerkbode 9 Aug. '95.

3) Ev. gez. 130 : 6.

ocr page 149

133

Toen moesten allen éen voor éen bij hem komen, opdat hij afscheid van hen name. Allen sprak hij toe, elk naar toestand en zielsbehoefte. Zijne kranke dochter in 't aangrenzend vertrek riep hij met harde stemme toe : „Dag Bets, dag lieve kind!' Ook al den afwezigen gedacht hij. Toen bad hij 't Onze Vader en — bleef liggen, ziende op de klok totdat het 12 uur geslagen had. Toen sliep hij in.

Doch het was de slaap des doods nog niet.

Sedert sprak hij eiken dag over den dood. Ook over zijn' dood en zijne begrafenis, die hij tot in bizonderheden regelde.

Doch nog eenmaal kwam de zucht om te leven weer boven.

Reeds lang had hij er op aangedrongen, dat hem emeritaat zou worden verleend. De kerkeraad wilde er niet van hooren, doch was eindelijk overreed geworden om de gemeente samen te roepen. De manslidmaten kwamen samen. Alle vijftig. Doch allen riepen ze: „né, Ploos bliuwt, al scoe 't yett seiz jier duorje uz domeny. Hy scill az Ploos fen Eeitsum stearre!quot;

Drie kerkeraadsleden kwamen dit besluit den dood-kranken leeraar mededeelen. Hoe verkwikte hem deze aanhankelijkheid.

Toen hebben ze samen gebeden — 't was zijn laatste overluid gebed — en hij bad of de Heere hem nog weer oprichten wou. Hij voelde zich bereid om, verrijkt met de vrucht dezes Hjdens, zijn innig dierbaar Eeitsum te dienen...

De verzwakking trad echter spoedig weêr in; 't lichaam zwol vreeselijk op; nieuwe benauwdheden volgden; 't licht week uit het oog. Overigens lag hij kalm en rustig neder. Zijne gade, die niet week van zijn sponde, hoorde hem op eenmaal fluisteren: „Niet mijn wil, uw wil geschiede.quot; Een vriendelijke, zoete glimlach speelde om zijn lippen. Toen boog hij het hoofd en gaf den geest, 't Was Vrijdagmiddag, kwart over één, don 2'lon Augustus 1895.

ocr page 150
ocr page 151

XL

IN MEMORIAM.

ocr page 152
ocr page 153

HOOFDSTUK XI.

IN MEMORIAL.

„W ant David als hij in zijnen tijd den raad Gods gediend had, is ontslapen.' Zoo luidde de tekst der lijkrede, den zondag na 's leeraars dood te Eeitsum gehouden. Een hartelijke vriend van den overledene, Ds. W. Maan, die indertijd te Augustinusga liever te midden van het zeer arme heidevolkje van alles beroofd had willen worden, dan op hoog bevel optreden tegen zijnen broeder Kasteel en Kollums kerkeraad, was uit Vreeland overgekomen. Hij had gehoopt, den vaderlijken vriend nog te ontmoeten. Doch slechts op het doodsbed mocht hij nog „dat goedhartige gelaat aanschouwen, waarop' — naar de prediker verhaalde — „de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, als het ware was te lezen.quot;

Des Dinsdags zou de begrafenis geschieden. „Treurig, recht treurig' — schrijft een der velen, die dezen „z war en gang' mee maakten, — „en donker was het aanschijn des hemels. Van den vroegen morgen tot den middag joeg de eene regenbui de andere. De natuur was even somber als ons hart. Toch brak nu en dan de zon door de wolken. Zoo tintelde ook door onze zielen de blijdschap der hope, doch de droefheid had de overhand, als we ons gemis gevoelden. Hij was nog zoo betrekkelijk jong.' 1)

') De Heer W. Kroeze in 't Correspondentieblad van Sept. '95.

9*

ocr page 154

138

In deze stemming bereikten wij de vrieHdelijke pastorie, waar we den overledene niet slechts als vriendelijk en gulhartig gastheer. maar vooral als priester in zijn huis hadden leeren waardeeren. In hoe gansch andere stemming traden we thans die woning binnen. Toch was 't te merken, dat Vader Ploos daar had geleefd. Van den stillen vrede, die in zijn leven hem kenmerkte, was iets overgegaan op zijne geheele omgeving. Stille droefheid sprak uit een traan van 't oog, maar ook stille hope blonk uit den blik der rouwdragenden u tegen . . . In eerbiedig zwijgen zat de steeds aangroeiende schare in de donkere vertrekken neder. Daar sloeg het middaguur. De torenklok luidde, de leden des kerkeraads en de bestuurders der kerkekas stonden op, namen de reeds gesloten kist, die het stoffelijk overschot van den geliefden leeraar, dien ze jaren lang op de handen gedragen hadden, op en als begroet door het plechtig spreken der kerkklok, die hem zoo honderden malen geroepen had om Gods Woord te verkondigen, werd de doode uitgedragen voor 't laatst naar zijn kerkje heen. Naar oud-Friesche zede, opdat ook straks de zegen over het lijk zou worden uitgesproken tot op den dag der wederopstanding, werd de zwartbehangen, door geen enkele krans ontsierde kist voor den kansel geplaatst en heel de schare in rouwmantel en rouwkleed gehuld, zette zich daar om henen. Overeenkomstig den wensch des dooden, die allerlei „bevel gegeven had omtrent zijn gebeente,' trad het eerst zijn oude vriend Ds. H. K. Zijlstra van Wierum op '). Deze herinnerde aan de begrafenis zijner godzalige zuster, een huisvriendin des overledenen, daarna de echtgenoote van Ds. Koopmans van Engwierum, door Ploos met onvergetelijke tekstkeuze kerkelijk getrouwd,

') Zie Friesche Kerkbode 9 Aug. '95 't keurig verslag van Ds. Prins; vergeleken met dat van den hr. Kroeze in 't Corresp. cn Ds. Jongsma in „Üostergo.quot;

ocr page 155

139

doch vrij spoedig overleden. Toen — 't was nu al 27 jaar geleden — had Ds. Ploos van Grroningen den „voorgang gehadquot; en zoo treffend gesproken over Psalm 103 :1 „Loof den Heere mijne ziele en vergeet geene van zijne weldaden.'' Immers „naarmate de schat groot is, dien wij bezeten hebben, voegt het ons er God voor te danken.quot;

Dat woord maakte spreker thans tot het zijne en somde nu de weldaden Gods op, in den overledene geschonken eerst als vader voor zijn gezin. Spreker had Ploos eenmaal in een schoolrede te Ooster-Nijkerk hooren zeggen: „ik heb mijne vrouw en kinderen lief, maar God weet, dat ik geen aardsche schatten voor hen zoek. Ik laat mijne kinderen liever achter arm, maar met de vreeze Gods in het hart, dan die missende, rijk naar de wereld!quot; Nu, twee zijner zonen mocht hij hetzelfde Evangelie hooren prediken, dat hij bracht. Een weldaad Gods werd in den overledene geschonken aan de kerk des Heer en, aan het christelijk onderwijs, enz. Ds. Zijlstra vertelde voorts: „Op zijn ziekbed sprak hij tot mij; zeggende: ik heb mijzelven als een groot zondaar voor God leeren kennen ; maar dit weet ik: God heeft mij verkoren in Jezus Christus. Hij gaf mij aan zijnen Zoon. Waaraan ik dit weet? Jezus heeft gezegd: al wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen; en ik mocht komen als een arme zondaar tot den Zoon en door Hem tot den Vader. Ik ken mij gerechtvaardigd uit het geloof. Ik heb vrede gevonden door het bloed des kruises' ... Ook zei hij nog: Het is mij aangenaam, mij bewust te zijn, dat ik mijn leven niet verbeuzeld heb. Maar dat is niet mijn grond. Die ligt in Jezus alleen.' Na deze lijkrede werd er gezongen. Ps. 118 ; 10. De overledene had het zoo besteld, dat zijn betuiging nog gehoord zou worden tot eere Gods: „Gij zijt mijn geest door uw ontel'bre gunstbewijzen tot hulp en heil en vreugd geweestquot; !

Nu beklom de oude Ds. Seegers van Lioessens den kansel

ocr page 156

140

en als oudste dienaar van de classis Dockum der Gereform. kerken waardeerde hij den onverdroten arbeid ter vereeni-ging, door den „zachtmoedigen Ploos van Amstel volbrachtquot;. Ds. J. Hania volgde hem en waagde het, den overledene een provinciaal kerkvader te noemen en herinnerde er aan, hoe door Ds. Ploos in zijn Kerkbode, waarin hij wekelijks sprak tot zijn Friesche volk de nadruk gelegd werd op het koningschap van Christus, de eenheid der broederen, de practijk der godzaligheid en de vertroosting der zielen. De Heer W. Kroeze van Drachten herdacht den arbeid van Reitsums leeraar voor de Jongelingschap en de Militairen. Toen kwam Reitsum zelf aan het woord en Reitsums mannen spraken goed. Ouderling A. P. Reitsma getuigde van de liefde en eenheid tusschen dezen herder en deze gemeente. „Heel de gemeente, zoo sprak hij, is in rouw gedompeld. Y/ij waren zoo nauw aan hem verbonden. Wat waren dat heerlijke tijden, die eerste tijden, toen de toevloed van menschen van rondom zóó groot was, dat het kerkgebouw de scharen niet kon bevatten. Wat hingen ook wij jongeren toen reeds aan zijne lippen. Gods genade was zoo kennelijk in hem. Daarom kon hij zooveel meedeelen en dat op zijne eigenaardige manier. O, hij was een eenling. Onverbrekelijke banden zijn van den beginne tusschen hem en ons gelegd. En dat veranderde niet in deze laatste 19 jaren, die hij nu onafgebroken hier werkzaam was. Zijne prediking getuigde steeds van ijverige studie: hij sprak nooit onvoorbereid, nooit ondoordacht. Ook daarin vreesde hij God. En daardoor bleef hij steeds frisch. O, voor hoevelen was hij ten zegen. Hij leefde nauw met zijn God en leefde in met Gods volk. Weenende met de weenenden, blijde met de blijden, moedeloo-zen troostend. Menig eenvoudige zei: Het is alsof domenij in mijn hart heeft gezien! . . . . Nu missen wij dat alles ! . . . Wij zijn bedroefd. Nu de kerkelijke zaken hier geregeld zijn, moeten we onzen leeraar missen .... Hoe dikwijls sprak hij

ocr page 157

141

nog tot ons op zijn smartelijk krankbed. Altoos over Gods vrije genade in Christus Jezus. Nooit klaagde hij. Nog den laatsten Zondag sprak hij over het vrije der liefde Gods en hoe de ziel noodig heeft, daarin te rusten. Hij zou daarover gaarne iets willen schrijven' .. . Met een woord der vertroosting aan de weduwe 'en kinderen besloot deze eenvoudige landman, de door Ploos tot ouderling gevormde Fries. Meester Dijkstra getuigde in een warm woord van hetgeen zijn dominé èn voor de school èn voor de gemeente en — in 't bizonder voor hare treurenden was geweest, en toen trad weeleen Priesche boer op, ouderling Van der Kooy. „Het is ook mij een behoefte om een kort woord tot nagedachtenis van onzen geliefden leeraar te spreken. Hij was ons zoo dierbaar. Door de teederste banden der liefde waren wij aan elkander verbonden, 't Is geen wonder, dat ons hart schreit. Onze vader Ploos was een man, die liefhad. Door zijn beminnelijk karakter, zijn stillen en blijmoedigen geest, zijn ongekunstelde en oprechte godsvrucht verwierf hij een plaats in duizend harten in. heel het land. Hij daalde in elks toestand in, hij wist zoo lieflijk de bedroefden te troosten en de zwakken te versterken met Gods Woord. Met teedere zorg ook was hij vervuld voor de armen en ongelukkigen en hoe zachtmoedig werden de ongeregelden terecht gewezen. In alles woog hem de eere Gods. Hij was een innig voorbidder voor de eenheid der Kerken. Weergaloos was zijn ijver voor 't onderwijs. Hij gaf zich geheel aan de verkondiging van het Evangelie. Daarbij predikte heel zijn leven en dwong zelfs den tegenstanders eerbied af.quot; Ook deze spreker eindigde met troostredenen voor de familie en gemeente.

De rij der sprekers had uit. Nu trad Ds. 0. W. E. Ploos van Amstel van Zwolle op, om den dank der familie te betuigen, doch ook hij kon niet nalaten zijn in memoriam te spreken.

ocr page 158

142

,Wij gevoelen het,quot; zoo klonk zijn in haar eenvoud roerende taal, „wat het is, om vader te verliezen. Doch wij mogen zeggen : Vader leeft. Getuigde hij indertijd op de begrafenis van een trouwen vriend: Pieter Reitsma leeft, ja, hij leeft, — ook ik mag zeggen: Vader leeft, ja hij leeft! Het is zoo zoet, een vader na te zien, die leeft bij God. Bij zijnen God, wien hij leven en krachten wijdde. Het is wel bitter, zulk een vader te verliezen, maar zoo zoet, hem af te staan aan zijnen God. Nu is vaders wensch vervuld. Het was zoozeer zijn behoefte, zijn' Heiland te drukken aan zijn hart. Om dicht, zeer dicht in nauwe gemeenschap te leven met zijnen God.

Er was in zijn hart niet eenig geloof, eenige vreeze Gods, eenige liefde, neen, zijn hart was vol liefde, vól vreeze Gods, vul geloof, vol des Heiligen Geestes. Dat tot nagedachtenis te hebben — is zoet! Die troosr, is ons deel. Ook van onze lieve moeder. Zij is onze tweede moeder. Maar neen, zij was nooit onze tweede moeder. Altoos onze moederquot;.

Voorts dankt spreker allereerst de gemeente van Eeitsum c. a. voor hare trouwe liefde. Ook den kerkeraad. Ook de classis. Ten slotte „onze trouwe moeder, die niet de zwakheid van haar lichaam heeft aangemerkt, maar altijd nacht en dag zich gaf om hem te verplegen met teedere liefde'. Ten slotte ging Ds. Hania voor in 't gebed en de kerkeraadsleden namen weer de kist op en droegen haar — niet eerst driemaal om het kerkhof — maar regelrecht naar het graf. Steunende op den arm van den jongsten zoon des overledenen volgde eerst de weduwe, dan de overige familieleden, eindelijk de geheele groote schare van gemeenteleden en vrienden. Ter zijde van de kerk, vlak achter den predikstoel was 't graf gedolven. Onder ademlooze stilte werd de zwarte kist neergelaten in de diepe donkere groeve. Weer plaste de regen neder, doch de schare week niet, eer ze gezongen had uit Psalm 73 't twaalfde vers, waarin heel de levensgeschiedenis van Ds. Ploos van Amstel staat beschreven :

ocr page 159

143

'k Zal dan gedurig bij U zijn In al mijn nooden, angst en pijn.

U al mijn liefde waardig schatten,

Wijl Gij mijn recliterhand woudt vatten.

Gij zult mij leiden door Uw raad O God, mijn Heil, mijn Toeverlaat.

En mij, hiertoe door U bereid.

Opnemen in Uw heerlijkheid.

Gedurig bij zijn God — dien hij al zijn liefde waardig schatte — wiens vrije genade hij roemde, daarin ook hem bewezen, dat niet hij Gods, maar de JTeere zijn rechterhand gevat hield. — Weten moest hij, dat hij geleid wierd. Want deze man wandelde met God!

En toen zijn leeftijd, hoe betrekkelijk jong nog, vol was naar Gods Eaad en hij zijn roeping had vervuld — nam God hem weg.

Een Henoch was hij. Evenals Henoch, de zevende van Adam, volkomen, waarachtig, gewoon mensch. Hij gewon zonen en dochteren: hij was een huisvader als weinigen. Wel voelde hij somtijds als hij uit zijn studeerkamer-bidvertrek in de huiskamer kwam begrijpelijker wijze een daling der geestelijk zeer hooggeklommen temperatuur, die hem somtijds pijnlijk aandeed, doch hij werd niet moede te arbeiden aan de harten van al de zijnen, en waar hij gemeenschap des innigsten levens mocht ontwaren en genieten of ook slechts een weerklank hooren en medegevoel aantreffen voor hetgeen zijn hart vervulde en van zijn lippen druppelde altijd door — daar smaakte hij huiselijk genot en somtijds zieleweelde, die veel huiselijk leed, dat niet gespaard bleef, verzoette. Daar is veel leeds geleden in die rustige, stille Eeitsumer pastorie. Doch — ook zeer veel zoets genoten. Aan den maaltijd bloeide de huiselijke godsdienstoefening, ze stemde tot ernst en vrede en vervulde met lieflijkheid de harten van de talrijke huisgenooten en

ocr page 160

144

soms even talrijke gasten, en als bij 't accompagnement van het huisorgel vader Ploos met zijn kinderen zong, o dan kon het er waarlijk gezellig zijn. Het is ons een voorrecht op nevensstaand plaatje de pastorie van Keitsum met enkele leden van het talrijk huisgezin — papa Ploos staat er zoo recht natuurlijk op — den deelnemenden lezer voor oogen te stellen. ')

Huisvader was vader Ploos. Ook Kerkvader? Wij zagen, dat Ds. Hania het waagde, hem een „provinciaal Kerkvader' te noemen. Dr. Kuyper acht, dat men hierin te ver ging, 1) doch erkent, dat Ploos „een echt-vaderlijke verschijning was op kerkelijk gebied en dat voor heel liet landquot;. Hoewel slechts twee jaar ouder dan prof. Kuyper was „vader Ploos' bijna de staande term geworden, waarmede men hem — reeds sinds lang — in de onderlinge gesprekken inleidde.'

Een vaderlijke verschijning — hij was het — doch ook een ridderlijke figuur en — ridder zonder vrees of blaam.

Een kampioen voor de waarheid Gods. Voor het recht van Koning Jezus. Op elk gebied. 2) Niets en niemand ontziende. „Niet de kalmte der vlietende wateren, maar de hooggaande zee was zijn eigenlijk element'. Hij streed. Soms een Boanerges! En toch omdat 't was uit liefde, ook in liefde. Hij wondde nooit. Nooit ook voerde hij de knots. Nimmer doopte hij een pijl in gal of in venijn. Hij voerde slechts het breede ridderzwaard en — sloeg hij toe met kracht — eerst had hij nochtans zelf de pijn gevoeld van den slag, dien hij toebracht.

Hartinnemend was de oprechtheid zijner doorzichtige ziel. Het was onmogelijk aan de welmeenendheid van zijn' raad, aan de oprechtheid zijner verklaringen te twijfelen. Voorts

1

®) Zie de Heraut van 1 Sept. '95.

2

) Jarenlang was hij een ijverig bestuurslid, na Dieraus vertrek voorzitter der Chr. Hist. Kiesvereeniging Nederland en Oranje.

ocr page 161
ocr page 162
ocr page 163

147

had Christus in hem een gestalte gekregen, tot wier eigenaardige trekken steeds kennelijker behoorden: rijke, bizonderlijk tot 't kleine en droeve nederbuigende liefde, nederige waardeering van alle aan anderen, ook den tegenstanders geschonken gaven Gods, nauwheid van conscientie, ongekunstelde vroolijk-heid, echtmannelijke zachtmoedigheid, kinderlijke argeloosheid, vrijmoedige en getrouwe vriendschap, voorbeeldige mededeelzaamheid en naarstige plichtsbetrachting, ook in 't kleine. Bij Ploos was geen zweem van onnatuur. Hij had en — heleed ook en bestreed ook zijne „haastigheid,quot; zijne zonden-, in zich-zelven was hij — en bij kon er om schreien voor God en menschen — een ongeloovige, een zelfzuchtige, een eigengerechtige, een ondankbare, in éen woord een goddelooze-doch door Gods genade van jongs af aan een teeder godvruchtig en zeldzaam godzalig kind van God, naar aller oordeel allen een voorbeeld!

Het was ons een drang in het gemoed, een voorrecht ook en een eere zijn leven te beschrijven en de deels kleine, deels ook groote dingen te verhalen, die God door dezen zijnen dienstknecht wrocht. Zijn naam zal niet vergaan. Maar de geschiedenis van de Kerk en het Godsrijk in Nederland zal hem noemen: een zeldzaam begaafd en geliefd, bijna reizend evangelieprediker, onvermoeid ijsbreker voor de „School met den Bijbel,' hoogstwaardig voorganger in de „i-eformatie door doleantie' en bezielend medebewerker van de vereeniging der Gereformeerde Kerken-groepen, en bij dit alles ook als mysticus in den gloed zijner innige, teedere, opgeruimde, vaderlijke en tegelijk kinderlijke vroomheid een van de merkwaardigste mannen en aantrekkelijkste figuren uit het kerkelijk Nederland der XIX eeuw.

ocr page 164
ocr page 165

INHOUD.

Hoofdstuk. Bladz.

I. Afkomst, jeugd en jongelingsjaren..................1

II. De jonge dominé van Otterloo......................11

III. Voor 'teerst te Reitsum............................19

IV. „Vlak achter Jezusquot;................................31

V. De „zwerftochtquot;..................41

VI. Arbeid en strijd....................................57

VII. De Friesche Gereformeerde Predikanten-Vereeniging . 73

VIII. lieitsums losmaking................83

IX. In doleantie...................103

X. Laatste levensjaren................121

ocr page 166
ocr page 167

BIBUOTHESK I NED. HERV. KERK

ocr page 168
ocr page 169
ocr page 170
ocr page 171
ocr page 172