ocr page 1
ocr page 2

■

I

ocr page 3

i DISTEL EEN MIRT.

.

ocr page 4
ocr page 5

VOOR [EN DISTEL EEN MIRT.

GEESTELIJKE OVERDENKINGEN

bij

DEN HEILIGEN DOOP, HET DOEN VAN BELIJDENIS EN HET TOEGAAN TOT HET HEILIG AVONDMAAL.

PRETORIA.

doob

DR. A. KU YPER.

DERDE DRUK.

BOEKHANDEL AMSTERDAM. voorheen

HÖVEKER amp; WORMSER.

ocr page 6
ocr page 7

De „Honig uit den Rotssteenquot; vond zijn weg voor stichtelijk gebruik van algemeenen aard. Reeds zijn beide bundels uitverkocht. De .„Dagen van goede boodschapquot; voorzagen in de behoefte aan geestelijke lectuur op onze Christelijke vierdagen. En de „Gomer voor den Sabbathquot; bood zondagslectuur.

Ook zoo echter bleef er nog een leemte bestaan, die voorziening eischte. Als ons een kindeke van God geschonken is, en we ten Doop gaan, wil men iets over den Heiligen Doop lezen. Eer men tot het doen van openbare Belijdenis komt, wil men zich rekenschap geven van wat zulk Belijdenis-doen inheeft. En als de Bediening van het H. Avondmaal weêr wordt afgekondigd, heeft men behoefte aan een woord, dat tot het hart spreekt.

Nu bestaan over deze heilige onderwerpen wel allerlei oude en nieuwe geestelijke overdenkingen; maar de oudere zijn in taal en stijl te vreemd voor ons jonger geslacht; en wat in later jaren de pers verliet, is meer methodistisch dan gereformeerd.

Vandaar deze uitgave, onder een titel, dien ik aan Jesaia 55 : 13 ontleende: Voor een distel een mirt.

De Distel is het beeld van u en mij, gelijk we in zonde ontvangen en geboren zijn. De Mirt is wat God de Heere door zijn onweder-standelijke genade van ons maakt, als Hij ons wederbaart ten leven, tot bekeering uitdrijft, verzegelt met zijn Bondszegelen, en siert met bloesem en vrucht.

ocr page 8

IV

Daar nu de H. Doop „het bad is der wedergeboortequot;, en het H. Avondmaal de voeding van het nieuwe leven verzinnebeeldt, ligt in dien overgang van Distel tot Mirt juist al dat rijke genadeleven uitgedrukt, waaraan het Sacrament zijn oorsprong dankt.

Zoodra de Distel, zij het ook nog slechts in kiem of levenswortel, door almachtige genade in den Mrt is omgezet, komt de H. Doop.

Wie zelf tot de ervaring der ziele geraakte, dat de Mirt bij hem uit den Distel uitgroeit, maakt zich op, om openbare Belijdenis te doen van het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt.

En wie voor den Mirt, die in hem ontlook, voeding met het heilig levenssap begeert, verkondigt den Dood zijns Heeren aan zijn Nachtmaal.

De bedoeling van deze geestelijke overdenkingen is, dat men het Sacrament weêr in eere herstelle, en daarom, als men weêr ten Doop gaat, zich eerst rekenschap geve van wat men doet, en ook na den Doop zich in de heerlijkheid en de beteekenis van dat Sacramerit indenke.

Niet na maar vóór de Openbare Belijdenis zouden we wenschen, dat de derde reeks door wierd gelezen, opdat het doen van Openbare Belijdenis een werk des harten voor God zij.

En wat de meditatiën over het H. Avondmaal aangaat, zoo zagen we deze liefst ter hand genomen, niet alleen wanneer men zelf ten Avondmaal gaat, maar telkens als de Bediening van het H. Avondmaal in de Gemeente wordt afgekondigd.

Wie aldus eenige jaren achtereen bij het Sacrament geleefd heeft, zal er den invloed op zijn geestelijk leven van ervaren ; en onder den zegen des Heeren zullen ook deze overdenkingen er toe medewerken, om bij velen, die nu nog voor zichzelven als een dorre boom zonder bloem of blad zijn, een heerlijke plantinge huns Gods te doen uitkomen, dat het „den Heere tot een naam zal wezen, en tot een eeuwig teeken, dat niet zal uitgeroeid wordenquot;.

KUYPER.

Amsterdam, 1 October 1891.

ocr page 9

T N H O U D.

I.

VAN HET HEILIG SACRAMENT.

Bladz.

I. „Uw quot;Woord is mij een lamp voor mijn voet.quot;

(Het Woord alleen niet genoeg.)....... 1

II. „Door een spiegel in een duistere rede.quot;

(Het Heilig Sacrament bij het Woord.).....5

III. „Hetgeen onze oogen gezien hebben.quot;

(Het Sacrament en ons oog.)........8

IV. „Eisch u een teeken van den Heere.quot;

(Het Sacrament een teeken.)........12

V. „Eén lichaam is het.quot;

(Het Sacrament de gemeenschap der heiligen.) . . 16 VI. „Gij nu zult mijn verbond houden.quot;

(Het Sacrament en het genadeverbond.) .... 19

VII. „Zonder Mij kunt gij niets doen.quot;

(Het Sacrament en de heerlijkheid des hemels.) .. . 23 VIII. „De Heere gebood ons te doen alle deze inzet-

tfngen.quot;

(Het Sacrament en de Goddelijke ordinantie.) . . 27 IX. „Vermeerder ons het geloof.quot;

(Het Sacrament en uw geloof.).......31

X. „Een zegel der rechtvaardigheid des geloofs.quot;

(Het Sacrament een zegel des geloofs.).....35

ocr page 10

INHOCD.

II.

VAN DEN HEILIGEN DOOP.

Bladz.

I. „Deze is aldaar geboren.quot;

(Overgang tot den H. Doop.).........39

II. „Zoovelen als gij in Christus gedoopt zijt.quot;

(Ook gij zijt gedoopt.)..........43

III. „Laat u doopen.quot;

(Verzuim van den H. Doop.)........47

IV. „En het was de voorbereiding.quot;

(Vóór den H. Doop.)...........51

V. „Hebt gij den Heiligen Geest ontvangen?quot;

Onder den H. Doop.)...........55

VI. „Gij zult met den Heiligen Geest gedoopt worden.quot;

(De werking van Christus in den H. Doop.) ... 59 VII. „Mijn Verbond des vredes.quot;

(Als „geloovigequot; brengt ge uw kindeke ten doop.) . 62 VIII. „Wat verhindert mij gedoopt te worden?quot;

(Doop van volwassenen.)..........66

IX, „Opdat ik mijne geloften betale.quot;

(De drie vragen bij den H. Doop.)......70

X. „De Getuige in den hemel is getrouw.quot;

(De getuigen bij den H. Doop.) . ......73

1

III. «

VAN DE OPENBARE BELIJDENIS.

1. „Leef! Ja, Ik zeide tot u in uwen bloede: Leef!quot; »

(Van den H. Doop naar het H. Avondmaal.) ... 77 II. „Doet den Heere uwer vaderen God belijdenis.quot;

(Hoe een kind reeds zijn Heere belijdt.).....81

ocr page 11

INHOUD.

Bladz.

III. „Ik bad dan en deed belijdenis.quot;

(De oefenschool van het gebed.).......84

IV. „Zoo laat ons deze belijdenis vasthouden.quot;

(De belijdenis uwer Kerk.).........88

V. „De loffelijkheden des Heeren.quot;

(Het kennen van de daden Gods.)......92

VI. „Een onberouwelijke bekeering tot zaligheid.quot;

(Hoe reeds een kind zich moet bekeeren.) ... 95 VII. „Voor de menschen.quot;

(Spreken, niet zwijgen.)..........99

VIII. „Ik zal u aannemen.quot;

(Wie alleen ons aanneemt.)........102

IX. „De band des vredes.quot;

(Onze band aan de geloovigen.).......106

X. „Om niet gerechtvaardigd.quot;

(De bloemknop die ontlook.)........110

XI. „Een ieder wiens harte vrijwillig is.quot;

(De kunst van het geven.) ......... 113

XII. „Leden gezet in het Lichaam.quot;

(Volwassen lid van Christus' kerk.) . . ' . . . . 117

IV.

VAN HET HEILIG AVONDMAAL.

I. „Deze verborgenheid is groot.quot;

(Het heilige der heiligen.).........122

II. „Zijne genegenheid is tot mij.quot;

(De bruid aan den disch van haar Bruidegom.) . 126 III. „De mensch beproeve zichzelven.quot;

(Zelfbeproeving.)............129

VII

ocr page 12

VIII INHOUD.

Bladz.

IV. „Uwe zonden zijn u vergeven.quot;

(Gerechtvaardigd door het geloof.)......133

V. „Verkondigt den dood des Heeren.quot;

(Christus en die gekruist.).........137

VI. „Met kracht versterkt in den inwendigen mensch.quot;

(De sterking van ons geloof.)........l'ÜJ

VIL „Totdat Hij komt.quot;

(Voorsmaak van hemelvreugde.).......l'iS

VIII. „Laat daar uw gave bij het altaar.quot;

(Oordeel over uzelven, als ge niet gaat.) . . . . 149 IX. „Verzoen u eerst met uwen broeder.quot;

(Ga nooit onverzoend.)..........153

X. „Om te doen gedenken.quot;

(Lief en leed bij den Heiligen Disch.).....157

XL „Een heilige kus.quot;

(De medeaanzittenden.)..........160

Xll. „Het manna dat verborgen is.quot;

(De bruiloft des Lams.)..........lö^

ocr page 13

1.

HET HEILIG SACRAMENT.

1. „ïïw Wooid is een lamp voor mijn voet.quot;

HET WOORD ALLEEN NIET GENOEG.

Uw woord is een lamp voor mijnen voet, en een licht voor mijn pad.

Psalm 119 : 105.

Het licht is voor den rechtvaardige gezaaid, maar juist uit dit zaaiend fonkelen van het licht op zijn pad, blijkt dat de weg waarop hij wandelt nog gehuld ligt in donkerheden en duisternissen.

Niet bij dag, maar juist in de donkerheid van den nacht, zaait het firmament met zijn flonkerende starren zijn schitterende glansen over het aardrijk.

En daarom is niet de klaarheid van den dag, maar de schaduwsche-mering van den nacht het beeld van ons aardsche leven. Eens de eeuwige morgen. En in de heerlijkheid, die dan zal uitbreken, koynt de klaarheid van den vollen dag; dien doorluchten dag des Heeren, als er geen kaars meer ontbranden of geen lamp meer ontstoken zal worden, maar de eene zachte gloed van de Zonne der gerechtigheid heel het Vaderhuis met zijn vele woningen verlichten en al Gods zalige hemelen doortintelen zal.

Het licht is boven, de duisternissen stijgen uit de diepte op. En daarom heet ook Christus de „Opgang uit de lioogié' en God de „Vader der lichtenquot;. „God is een licht, en er is gansch geen duisternis in Hem.quot;

Uat prediken ons dan ook de teekenen des hemels. Komt er geen licht van boven, geen licht van de zon, of geen schijnsel van de maan, of geen tinteling van de sterren, dan ligt niets dan donkerheid over onze landouwen uitgespreid en drukt de duisternis ons neêr.

Zoo is het in de zichtbre schepping om ons heen, en evenzoo is het in de wereld der menschenkinderen en in de geestelijke wereld, van ons hart.

1

ocr page 14

3

Onze gang op ons pad door dit leven blijft een tasten in nevelen en schaduwen, tot de zegen Gods en de gunste Gods van boven ons pad opklaart.

En ook in uw ziel blijft het nacht, stikdonkere nacht, tot ook u met al het volk dat in duisternis zat, het licht in den Iramanuel is opgegaan.

En toch is er nog een ander licht, dat soms op onze donkere paden zijn schijnsel werpt.

Een licht, dat ook wel van boven komt, maar niet onmiddellijk.

Het licht der zon, en het schijnsel van de maan, en de fonkeling der starren zendt God ons recMstreehs van boven. Daar brengen wij menschen niets aan tue. Dat licht straalt even helder in de woestijnen waar geen mensch woont, als in de landen, die van menschen deunen. Dat licht is over de aarde even rechtstreeks gespreid, als het licht van den Heiligen Geest rechtstreeks de binnenwereld van uw hart verlicht. Dat er geen mensch zich in mengt. Dat God geen mensch gebruikt, om het te ontsteken. Dat het er is en schittert, geheelLniten den mensch om.

Maar buiten dat rechtstreeks afstralend licht gaf God ons ook nog het kunstlicht.

Hij besloot dat licht voor ons in den steen, dat de vonk er wel kan afspringen ; maar niet tenzij de mensch kome, en met staal of ijzer op dien steen sla.

Hij besloot dat licht in het hout, maar zoo, dat het eerst opvlamt, als de mensch komt, om hout tegen hout warm te wrijven.

Hij besloot dat licht in de olie der olijven, maar om het eerst door menschenhand uit die olijfvrucht voort te brengen.

Hij besloot dat licht in de steenkool, maar om eerst door den mensch uit die kool het gas te doen afzonderen.

Hij besloot dat licht in allerlei krachten en stoffen der elementen, het huist wel in diezelfde electrische vloeistof, die den bliksem formeert ; maar ook het daarin besloten licht heeft gewacht op de vinding van 's menschen geest en de kunst van 's menschen hand, eer het. God ter eere, ons in het duister van den nacht verlichten kon.

Ook al dit licht nu komt van God. Kunst van menschen kan nooit licht scheppen, maar alleen licht, dat God in de stof inschiep, uit die stof tevoorschijn roepen.

En daarom ook in de kaars, die schijnt, en in de lamp, die brandt, en in het gas of in het electrisch licht, dat schittert, wordt niet de mensch, maar zijn God verheerlijkt; en verbleef hem slechts de eere, om door zijn God voor de ontsteking van dat licht gebruikt te worden.

ocr page 15

3

En zoo nu is het geestelijk ook.

Ook in de geestelijke wereld, die voor ons, zondaren, in zoo diepen nacht gehuld ligt, gaf Gods genade ons tweeërlei licht. Het eene rechtstreeks en onmiddellijk door zijnen Heiligen Geest; en het andere niet onmiddellijk, maar als kunstlicht door menschenhand ontstoken, in het Woord.

De Heilige Schriftuur kwam er niet zonder den mensch. Het heeft God beliefd haar in menschen^aWe» te openbaren en door menschen-hand te laten schrijven.

Niet alsof ze daarom uit den mensch zou zijn, want hoe zou er uit de duisternis van ons hart ooit één vonk van geestelijk licht hebben kunnen opgloren ? Neen, alle vonk en alle glans, alle licht en alle schittering, die in de Heilige Schriftuur voor ons tintelt, is uit God, door God geschapen, van God ons gegeven, en geheel en al het kunstproduct van den Oppersten Kunstenaar.

Maar, en dit springt immers in het oog, om ons die Heilige Schriftuur te schenken, heeft God den mensch gebruikt. Het is in die Schrift menschelijke taal. Het zijn woorden, gelijk ze onder menschen gesproken worden, üe letteren van het schrift zijn als des menschen letteren. En zelfs waar God op den Sinaï zelf schrijft, is niet dat goddelijk schrift tot ons gekomen, maar bezitten wij slechts afschrift, dat daarvan geschreven wierd door den mensch.

Zoo is dus de Heilige Schriftuur geen natuurWcht, maar geestelijk kunstlicht.

En vandaar dat het Woord door den Psalmist vergeleken wordt niet met een zon, maar met een lamp.

„Uw Woord is mij een lamp voor mijn voet.quot;

Voor onze ooren klinkt dat zeggen vreemd.

Als wij bij nachtelijk donker een moeilijk pad langs moeten, nemen wij geen lamp mee, die terstond door den wind zou worden uitgeblazen, maar een lantaarn.

Aan het woord „lampquot; moet ge hier dan ook niet hechten. De lampen in het Oosten waren anders. Een soort brandende potten, gelijk nu nog wel inplaats van toortsen of flambouwen gebruikt worden. Dat weet ge uit de gelijkenisse van de maagden, die met zulke brandende potten of toortsen den Bruidegom in triomf begeleiden moesten.

Zoo zingt dus de Psalmist, dat Gods heilig Woord hem bij den moeilijken gang langs de donkere wegen van dit leven een heldere flambouw, een klaar en zuiver schijnend licht is, waardoor de donkerheid hem in licht wordt verkeerd, en hij zijn weg met vasten tred vervolgen kan.

Dit beeld nu spreekt in ons vlakke land niet zeer sterk ; want zóó donker is het bij ons hoogst zelden, of een nuchter wandelaar vindt met tasten en zoeken nog altoos wel zijn weg.

ocr page 16

4

Maar de Psalmist zong in een bergland. En in een land met bergen is het gevaar om door de donkerheid mis te gaan, ja, zijn leven te verliezen, zooveel grooter.

Over de bergen slingeren zich geen effen breede wegen, maar kronkelende, zeer oneffen paden. Soms teekent zich zelfs gansch geen pad. En dan gaat het langs diepe afgronden, waarbij één mistred u van een duizelingwekkende hoogte zou doen nederstorten. En als er dan geen gids is, die een licht in de hand houdt en vooropgaat, is elk voortgaan onmogelijk, of uw dood is gewis.

En zoo nu is het beeld van ons leven, dat u geteekend ligt, niet in de vlakke velden, maar in het gevaarlijke bergland met zijn oneffen paden, met zijn hoogten en diepten en rotskloven. Nu dalen we, dan rijzen we. Telkens loopt ons pad langs afgronden. En keer op keer staan we op een punt, dat er geen weg meer is voor onzen voet.

En daarom is hierin voor wie God vreest de heerlijkheid, dat hij dien oneffen en gevaarlijken gang door de donkerheden van het leven niet alleen behoeft af te leggen.

Altoos gaat de trouwe Herder, gaat de goddelijke Gids of Leidsman voor ons uit. En in diens hand is een licht. En dat licht laat Hij achter zich stralen op het pad, waar wij te volgen hebben.

Dat licht is het Woord.

Zulk een licht op uw pad te zijn, is juist de heerlijkheid van de Heilige Schriftuur.

Dat is het wat de eenzame pelgrim temidden van zijn angst uit doet roepen : „Uw Woord, o Heere, is mij een lamp voor mijnen voet.quot;

En toch, op den langen, bangen weg door het leven kan ook het schijnsel van dat voor hem uitgaand licht hem geen duurzamen vrede brengen.

Dat altoos voortgaan houdt hij niet uit.

Ten leste ziet hij zich op dat schijnsel, op die lichtende streep, star.

Een enkel maal moet die Gids of Leidsman dat licht neerzetten ; den gang een oogenblik staken; en hem, inplaats van dat schijnsel, den blik van zijn oog en de warmte van zijn gemeenschap schenken.

Het Woord is het licht, om straks weer verder bij te trekken.

Maar juist om de kracht te bezitten, die bij dat Woord met moed en geestdrift voort doet wandelen, moet de gang bij dat Woord telkens afgebroken door het stille nederzitten en rusten bij het heilig Sacrament.

ocr page 17

11. „Door een spiegel in een duistere rede.quot;

HET HEILIG SACRAMENT BIJ HET WOOKD.

Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten deele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben.

1 Gor. 13 : 12.

Hoe nu?

Gods Woord zou „een lamp zijn voor mijn voet en een licht op mijn pad,quot; en met den psalmist zou ik zingen :

Hoe wonderbaar is uw getuigenis !

Dies zal mijn ziel dat ook getrouw bewaren;

Want de oopning van uw woorden zal gewis,

Gelijk een licht, het donker op doen klaren;

Ze geeft verstand aan slechten, wien 't gemis Van zulk een glans een eeuwgen nacht zou baren.

Kn is nu toch weer dat Woord van mijn God in nevelen gehuld ? En moet ik nu toch weêr klagen, dat ik met dat Woord nog slechts als in een spiegel op een duider iets staar ?

Kan de heilige apostel dat meenen ?

Diezelfde apostel, die in zijn tweeden brief aan de kerk van Corinthe van datzelfde Woord en met hetzelfde beeld schreef: „Wij allen, met ongedekten aangezichte, de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar dat beeld (van Christus) in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid (3: 18).

En toch die schijnbare tegenspraak staat er zoo.

De eene maal schijnt van dat Woord het zuiverst licht uit te stralen, en de andere maal beet, wat dit Woord ons biedt, zelf nog een „duistere rede.quot;

Doch waarom zou dit niet kunnen saamgaan ?

Of is, als ge van „lichtquot; en „duisternisquot; spreekt, niet alles hetrelckalijk ?

Vergeleken bij een stikdonkeren nacht, zegt ge van een nacht, waarin de volle maan schijnt, dat het alles licht om u heen was. Maar vergelijkt ge zelfs dat klaarste maanlicht met den verblindenden glans van een zomersehe middagzon, dan is het zelfs bij volle maan nog een omtasten in schemerend duister.

En zoo is het ook in het genaderijk.

Vergeleken bij de afgodische duisternis in de tempels, waarin de

ocr page 18

6

Egyptenaren voor Ms en Osiris hun outer ontstaken, was het in de teute van Israel, waar het smeekgebed tot Jehova wierd opgezonden, heerlijk licht. Maar vergelijkt ge nu het volle licht in Christus, dat wij bezitten, met het matte schijnsel, dat Israel in Egypte bestraalde, dan is het licht bij ons en wandelde Israel in donkere schaduwen.

En dit nu is ook toepasselijk op het Woord.

Staart uw zielsoog in den stikdonkeren nacht, die nu nog op Azië en Afrika rust, en slaat ge dan in uw binnenkamer het Woord van uw God open, dan verheugt ge u met dank en aanbidding in het heerlijk licht, dat uit dat Woord op uw hart en op uw levenspad straalt.

Maar omgekeerd, verheft ge uw ziel opwaarts, tot uw God; tot Hem, die een ontoegankelijk licht bewoont en in wien gansch geene duisternis is; en poogt ge u ook maar van verre een zwakke voorstelling te vormen van de eeuwige heerlijkheid, die Immanuel op den troon zijner Majesteit omringt, dan voelt ge opeens den onmetelijken afstand, die het zwakke schijnsel uit dat Woord nog afscheidt van de volle glansen, waarin het kind van God zich daarboven eens verlustigen zal.

Heeds in dat Woord zelf is een overgang van minder tot meerder licht.

Vergeleken bij de donkere schaduwen, die op Edora en Moab rustten, wandelde Israel in het zaligst licht; maar toen in Bethlehem en op Golgotha de volle glans van den Immanuel was doorgebroken, heette Israel op zijn beurt „een volk, dat in duisternis zat, en waarover een licht was opgegaan.quot;

En nu nog spreekt heel de Christenheid van de schaduwen, waarin Israel wandelde, en van het licht, waarin thans de kerk des Nieuwen Yerbonds zich verheugt.

Geen tegenspraak is het dus, maar slechts een andere maatstaf, die wordt aangelegd, als van hetzelfde Woord Gods de eene maal gezegd wordt, dat zijn glansen ons „van heerlijkheid tot heerlijkheidquot; naar het beeld van den Christus veranderen ; een en ander maal, dat we toch in dat Woord nog slechts een spiegel voor ons hebben, en in dien spiegel turen op een altoos duister beeld.

Wat is dan die maatstaf, die hier wordt aangelegd ?

Het is de tegenstelling tusschen het portret en den levenden persoon zelf.

Bij gemis van den levenden persoon kan dat portret, zoo het wel gelijkt en sprekend is, u alles waard zijn, en o zooveel vergoeden. Maar toch de levende persoon zelf is het niet. En hoe meer ge op dat afbeeldsel staart, en hoe sterker dat afbeeldsel de herinnering aan den levenden persoon in u wakker roept, hoe dieper het onbevredigd ver-

ocr page 19

7

langen zuchten gaat, om van deze afbeelding het oog te kunnen afwenden, en den levenden persoon zelf te zien „van aangezicht tot aangezicht.quot;

En, naar dien maatstaf nu, neen, dan bevredigt het Woord u niet; maar wordt juist door het gedurig staren op dat Woord, al sterker het zielsverlangen naar Jezus zelf in u geprikkeld.

Dan wilt ge niet meer lezen van .Tezus, maar Jezus zelf hebben. Dan vindt ge ook in het vurigst geloof geen ruste meer, maar verlangt gij naar aanschouwen.

En dat nu is het wat Jezus' apostel uit eigen zielservaring, onder de leiding des Heiligen Geestes, voor ons uitspreekt. „We wandelen thans wel door geloof, maar ons ontbreekt het aanschouwen nog.quot; En daarom zuchten we in onszelven. Maar eens komt ook dat rijk genot. „Want zien we nu nog maar als in een spiegel een duister beeld van lt;len Christus, dan zullen we zien van aangezicht tot aangezicht, en zullen we kennen gelijk we gekend zijn.quot;

En omdat uw Heiland wist, dat juist door het Woord deze natuurlijke zielsbehoefte in u zou gewekt worden, daarom gaf Hij u bij het Woord het Sacrament.

Niet alsof het Sacrament die zielsbehoefte ten volle kon bevredigen. Die volle bevrediging komt eerst na uw scheiden van deze wereld, uw doorgang door den dood, en uw ingang in het Vaderhuis. Ja, geheel bevredigd zal die zielsbehoefte eerst worden, als Christus op de wolken wederkomt, en we Hem gelijk zullen wezen, omdat we Hem zien zullen gelijk Hij is, in het rijk zijner heerlijkheid.

Maar toch is het Sacrament een tegemoetkoming; een goddelijk hulpmiddel; een zalige vergoeding voor wat ge nog mist en derft.

Want dit is het getuigenis van Gods kinderen uit alle eeuwen, dat ze hun Heiland en hun Christus nooit zoo nabij hebben gevoeld en zoo zalig in zijn gemeenschap genoten hebben, als juist onder het heilig Sacrament.

Niet om het Woord in de schaduw te stellen, wierd u dit Sacrament gegeven. Want wie het beeld van Jezus niet eerst uit het Woord opving en in zijn ziel prentte, die kan Hem ook niet in zijn Sacrament genieten.

Eerst gevoegd lij het Woord, bezit het Sacrament zijn verborgen genadewerking.

Maar toch het schenkt u als Sacrament iets wat het Woord op zichzelf u nooit geven Teun. Het Woord handelt over den Christus, het Sacrament brengt u hij den Christus, of liever den Christus hij u.

„Ik zal komen en Avondmaal met u houden!quot;

ocr page 20

Het gebed ligt tusschen het Woord en het Sacrament in.

Bidden, zonder den achtergrond van het Woord, is een heidensch prevelen, dat de ziel niet troosten kan. En een zich verliezen in het Woord, zonder dat ge in het gebed met uw ziele uitloopt, is een verstandelijk bezig zijn met het heilige, doch waarbij de zielsgemeenschap met den Heilige uitblijft.

Want dit is de zaligheid van eens Christens gebed, dat het u tot uw God doet naderen. Dat ge van voorstellingen en woorden tot de wezenlijkheid komt. Een opheffen van uw ziel naar den Hooge, een ontmoeten van uw God.

Maar het Sacrament gaat nóg hooger. Eerst zoo ge tot het Sacrament komt, hebt ge als kind van God het hoogste rustpunt bereikt, dat zijn genadig bestel op aarde voor u verordend heeft.

Dan toch nadert uw Heiland tot u.

In het midden zijns volks openbaart zich de Heere der heerlijkheid.

Niemands oog ziet Hem, en toch weet elk kind van God in het diepst der ziel, dat Hij daar is; dat zijn werking heerlijk uitgaat; en er wordt een genieting gesmaakt, die door het Woord voorbereid, en door het gebed aanlokkelijk gemaakt, toch in die mate en in dien diepen zin noch door het Woord, noch in het gebed u wordt geschonken.

III. „Hetgeen onze oogen gezien hebben.quot;

HET SACRAMENT EN ONS OOG.

Hetgeen van den beginne was, hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze oogen, hetgeen wij aanschouwd hebben, en onze handen getast hebben van het Woord des levens, dat verkondigen wij u.

1 Joh. 1 : 1.

„Hoorenquot; en „zienquot; noemt ge die twee keurige, wondere vermogens, waarover ge beschikt, om te merken wat er omgaat, en waar te nemen wat er om u is. Het oor en het oog, het zijn zoo twee ^««s^producten van Gods majestueuze schepping. Het oor ook, maar toch vooral het oocj.

In de gemeene schatting is het dan ook vooral het oog, dat ons boeit. Reeds op zich zelf, omdat wie ooit aandachtig het samenstel en de werking der deelen van het oog heeft nagegaan, er nooit aan terug kan denken, zonder er weer in te genieten.

Maar toch is er meer.

ocr page 21

9

God zelf heeft aan het oog zoo oneindig hooger schoonheid en aantrekkelijkheid dan aan het oor verleend. Van het oor speurt ge vaak niets. Het oor heeft eer iets, waardoor het afstoot, en al de fijnere dealen van het oor liggen voor gewone waarneming verborgen. Maar zoo is het met het oog niet. Het oog ontsluit zich voor uw aangezicht, dat ge er in zien, het aanschouwen, en er in staren kunt. Het oog stalt al zijn pracht voor uw blik uit. Het oog leeft en beweegt zich. Het oog spreekt. Het oog kan zich door tranen der smart overperelen. Het oog toornt. Haast kan men zeggen, dat het oog lacht en bidt.

De machtige indruk van het oog was dan ook zoo groot, dat onze vaderen, als ze een symbool (geen afbeelding) van het Eeuwige Wezen teekenden, in een driehoek een alziend oog graveerden. Maar aan een alhoorend oor werd door niemand gedacht.

Natuurlijk is daarmee niet gezegd, dat het oor slechts van ondergeschikte beteekenis zou zijn. Zie dat maar aan den doofstomme, die tienmaal ongelukkiger is dan een blindgeborene. Merk dat maar in uw slaap, als ge uw oog sluit, maar uw oor waken blijft.

Slechts zooveel blijkt er uit, dat God in zijn schepping aan het oog een hooger plaats der eere heeft toegekend. Er is meer heilige scheppingskunst aan ten koste gelegd.

En als ge ook nu nog beide vergelijkt, kunt ge veilig zeggen: Het oog wint het.

Door de zonde is intusschen de orde wel wat omgekeerd.

Als Job in hoofdstuk 43 : 5 zegt: „Met het gehoor des oors heb ik U gehoord, maar nu ziet U mijn oog,quot; spreekt in dat zeggen het zalig besef der verzoening. Eerst stond Job verkeerd. In zijn hart twistte hij met zijn Maker. Toen verscheen de Heere aan Job in een onweder, en hoorde Job niets dan de stemme Gods. Maar toen hij door die toespraak zijns Gods verzoend was en de werking der zonde tot zwijgen was gebracht, toen riep hij uit: „Nu ziet ü mijn oog!quot;

Eens had Adam in het Paradijs de majesteit des Heeren Heeren gezien; maar na zijn val is dat zien weg, en hoort hij alleen de stemme des Heeren op den wind des daags.

Steeds heet het daarna in de Schriftuur, dat geen zondaar God zien en leven kan.

Niet meer de aanschouwinge Gods, maar alleen de roepstem van zijn Woord wordt aan den zondaar gelaten.

Hij moet nu hoeren. Enkel hooren. Het „zienquot; is weggenomen. In het gehoor ligt nu zijn redding. Gehoorzaamheid is nu zijn roeping. Uit het gehoor zal nu de openbaring van zijn geloof zijn.

Maar terwijl het aldus jammerlijk met den zondaar staat, dat alle „zien met het oogquot; hem onthouden wordt, genieten Gods engelen voor den troon de vreugde van het zalig aanschouwen. „Voorwaar, voorwaar

ocr page 22

10

zeg Ik u, dat hun engelen altijd zien het aangezicht van mijnen Vader in de hemelen.quot;

quot;En niet alleen genieten Gods engelen door dat zalig aanschouwen; raaar dat „zien,quot; dat aanschouwen oo^r is ook aan den gezaligden

zondaar toegezegd. „Uan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht.quot;

En daarom heet het van Mozes ook, als een geheal eenig voorrecht, dat hij God gezien had. En de reinen van hart spreekt Immanuel zalig, want, zegt Hij, zij zullen God niet alleen hooren, maar ook zien.

Veel had Jezus tot zijn discipelen van den Vader gesproken; en veel hadden ze door Jezus van den Vader gehoord.

Maar ook de rijkste taal, die ooit van menschenlippen gevloeid was, liet hen onbevredigd, en als het op scheiden gaat en de Overste der wereld komt, roept Filippus zoo uit den vollen drang des harten : „Heere, toon ons den Vader, en het is ons genoeg.quot;

ïe hooren, zelfs Jezus te hooren, was voor de discipelen niet genoeg. Dat hooren prikkelde juist het verlangen om te zien.

En dat juist is het diepe mysterie van „God geopenbaard in het vleeschquot; dat in den Immanuel God inwas, en zich aan het menschelijk oog vertoonde. Achter den sluier van het menschelijk vleesch en bloed, het is zoo. Maar dan toch zoo, dat het oog der jongeren ten leste God zeiven niet slechts in Hem hoorde, maar in Hem zag.

Zoo moest het zijn, want Jezus antwoordde aan Filippus: „Ben ik zoo langen tijd met n, Filippus, en hebt gij Mij nog niet doorgrond ? Wie Mij gezien heeft, die heeft den Vader gezien.quot;

En als diezelfde jongeren, lang na Jezus' hemelvaart, den overweldigenden indruk van Jezus' verschijning zullen wedergeven, roepen ze uit: „We hehben aanschouwd een heerlijkheid als van den Eeniggeborene des Vaders. Niemand heeft ooit God gezien, maar de eeniggeboren Zone die in den schoot des Vaders is, die heeft Hem ons verklaard.quot; En nu komen ze tot de kerke Gods met het rijke en heerlijke getuigenis: „Hetgeen we gehoord hebben met onze ooren, en wij aanschomcd hebben, en onze oogen gezien hebben, ja onze handen hebben getast van het W'oord des levens, dat verkondigen wij u.quot;

Zoo merkt ge dus dezen regel, dat in Gods scheppingsordinantie het oog voorkeur heeft boven het oor. Dat door de zonde het oog gedwongen wordt zich uit het heilige terug te trekken, ora alle bewerking van den zondaar door het oor te laten gaan. l)at in den hemel onder Gods engelen en de gezaligde kinderen Gods het oog, en het zien met dat oog, weêr op den voorgrond treedt. En voorts, dat in Gods heilige openbaring eerst alleen gesproken wordt van den Vader, maar straks in Christus de Vader weêr getoond wordt. Zoo klimt derhalve ook de openbaring van het hooren tot het zien op.

ocr page 23

11

Eerst hel symbolische zien in Israel, en daarna het werkelijke zien in den Christus.

Symbolisch in Israel. Want in den Tabernakel eerst, en daarna in lt;len Tempel, werd meer zelfs gezien dan yehoord. Gezien al de pracht en de blinkende schoonheid van het heiligdom; gezien de typische priester; gezien de offerande, en het vergoten bloed, en het altaar des reukwerks en de tafel der toonbrooden.

Alles symboliek, heenduidende op Christus' persoon en Christus' werk, om dientengevolge weg te vallen, zoodra de Christus zelf zou gekomen zijn. Heden waarom wij, Christenen, in onze bedehuizen geen altaar meer oprichten en geen kandelaar meer ontsteken.

Uit alles toch diende slechts, om te profeteeren van Hem die komen zou, en viel, nu Hij kwam, weg.

Maar is ons. Christenen, dan niets dan het gehoor des Woords gelaten? Is bet oog, dat zelfs bij Israel bevrediging vond, bij ons dan buiten al het heilige gesloten ? Het is werkeloos onder het gehoor. We sluiten het oog onder den dienst des gebeds. Is er voor het oog in onze heiligheden dan volstrekt niets?

En bij die vraag wijst uw Heiland u op zijn heilig Sacrament, op de bediening van zijn heiligen Hoop en zijn heilig Avondmaal.

Want immers het Sacrament wordt niet gehoord met liet oor, maar gezien met het oog; zelfs zoudt ge er kunnen bijvoegen, getast met de hand.

En hier nu is de goedertierenheid en de barmhartigheid des Heeren.

Hij kon ons niet Israels symboliek laten, want dat zou een verloochening van den gezondenen Immanuel zijn. Hij kon ons nog niet God doen zien, want dat toeft tot we in het Vaderhuis ingaan. En ook kon Hij niet zichzelven ons toonen, want het was ons nut (fat Hij heenging en opvoer ten hemel. En toch ook weer kon Hij ons niet enkel het Woord laten, want het oog, dat zien wil, heeft ook zijn eisch.

En daarom gaf Hij ons bij het Woord het Sacrament.

Een wonder Sacrament, waarbij het oor terugtreedt, en het gesproken woord slechts hulpdienst, verricht. Maar waarbij het oog bezig is, en door het oog de ziel, en ge iets ontwaart van een heiliger aanraking met het goddelijk leven, dan ons ooit bij het Woord tebeurtvalt.

Het Sacrament, dat niet buiten Immanuel omgaat, maar juist door het zien der teekenen den dierbren Heiland voor ons haalt, en door Hem ons opleidt tot een rijkere en hoogere gemeenschap met den Vader.

Zoo alzijdig en goedertieren is de zorge van uw Heiland voor u.

Het Woord voor uw oor, maar ook het Sacrament voor het gezicht der oog en.

o, Hoe is het dan toch bestaanbaar, dat zoo lal van lieve kinderen onzes Heeren van jaar op jaar voortleven, als ware hun het Woord genoeg, en als had het Sacrament voor hen geen belofte.

ocr page 24

12

IV. „Eisch u een teeken van den Heere.';

HET SACRAMENT EEN TEEKEN.

Eisch u een teeken van den Heere, uwen God; eisch beneden in de diepte, of eisch boven uit de hoogte. Jesaja7:ll.

Koning Aehaz, die, na .Tothams dood, te Jeruzalem vóór nu 2600 jaar op den troon van David zat, had wel het bloed van David in zijn aderen, maar niet den geest van David in zijn hart.

Achaz was een roekeloos, gruwelijk afgodendienaar, die zijn kind aan den Moloch offerde, voor de beelden van Baal en Astheroth op de heuveltoppen rookte, en aan den kalverdienst van Bethel meedeed.

Ge zoudt zeggen, wat zal God de Heere met zulk een afvallige en veriater van zijn Wet nu nog bemoeienis hebben! En toch, die God Abrahams eu de God van David heeft met dezen Achaz nog veel bemoeienis; niet om zijn persoon, maar om het Verbond met Abraham en zijn rijksbelofte aan David gezworen. En toen Achaz volhardde in zijn boosheid, zond God koning Pekah uit Samaria en koning Kezin uit Damascus met twee machtige legers op Jeruzalem af, om Achaz in zijn eigen residentie schrik aan te jagen en te benauwen.

En toen sloeg Achaz dan ook de schrik om het lijf.

„Zijn hart bewoog zich,quot; zoo meldt Jesaja, „en het hart zijns volks, gelijk de booraen des wouds bewogen worden door den wind.quot;

Als bij Ziklag alles verloren schijnt, „sterkt David zich in den Heere zijn God,quot; en zingt een psalm van zijn Hoog Vertrek en den Rotssteen zijner hope. Maar dat kan Achaz niet. Een booze consciëntie breekt iemands geestkracht. En daarom wordt het Achaz te benauwd in zijn paleis, en gaat hij eenzaam dolen langs den weg van den oppersten vijver. Wie weet of niet de gedachte, om in dien vijver den dood te zoeken, zijn ziel vervulde.

En nu op dat oogenblik treedt de profeet Jesaja op hem toe. Niet omdat hij medelijden met Achaz had, maar omdat de ontferminge Gods nog naar dat „zaad van Davidquot; uitging, en Hij tot Jesaja gezegd had: „Ga Achaz op den vijvervveg tegemoet.quot;

En wat zal Achaz nu ?

In 's Heeren naam komt Jesaja hem aanzeggen, dat hij niet bang hoeft te wezen; dat koning Pekah en koning Kezin Jeruzalem niet zullen innemen; dat Jehovah om zijns knechts Davids wil nogmaals

ocr page 25

13

lankmoedig zal zijn; en dat Achaz niets anders te doen heeft dan Ie gelooven.

Maar hoe goddeloos dat ook klinke, doe dat eens als ge Achaz zijt. Niet vreezen, als in uw ontroerde consciëntie heel uw ziel beeft als een riet! Gelooven, als heel uw inwendig bestaan af hoereert van uw God !

En zoo was het bij Achaz.

En toch laat God hem deswege nog niet los.

Want, zoo lezen we: „De Heere voer voort tot Achaz te spreken, zeggende: Eisch u een teeken ; eisch beneden in de diepte, of boven in de hoogte.quot;

Maar ook daar is Achaz onmachtig toe. Dat durft de booze van hart niet. Immers elk teeken, ook de alomtegenwoordige Majesteit des Heeren Heeren zou hem nog te banger verschrikken. En daarom luidt zijn antwoord: „Tk zal niet eischen, en ik zal den Heere niet verzoeken.quot;

Maar de genade houdt vol, zij het ook in het vuur van een heiligen toorn, en Achaz krijgt tot antwoord : „o, Kind uit Davids huis, moest ge eerst de menschen en nu ook uw God moede maken! Gij v/iM geen teeken. Welaan, ongevraagd, en tegen uw wil in, zal u door uw God een teeken gegeven worden. Zie, eene maagd zal zwanger worden, en zij zal eenen zoon baren, en gij zult zijnen naam noemen Immanüel, God met ons.quot;

Nu ligt de grondtrek der zonde van Achaz in elk zondaarshart, en is ook in het uwe terug te vinden. Om te gelooven en in het geloof, bij de stormen des levens, stand te houden, kunnen we niet buiten een teeken; en toch wil de afgekeerde neiging van ons hart aan het door God gegeven teeken niet aan.

Beide tegelijk ziet ge aan wat de meesten met Doop en Avondmaal doen. Den heiligen Doop zoeken ze, omdat die Doop voor hun kind is, alzoo toonende dat ze het teeken eeren ; maar het heilig Avondmaal ontloopen ze, omdat het teeken hierdoor op henzelven aankomt. Zoo maken ze hun God moede!

Wat toch is het spelen met het teeken anders dan hun God verdriet aandoen ?

De Heere kent den zondaar door en door. Alleen zijn onnaspeurlijke wijsheid kon een weg en manier uitdenken, om een zondig mensch door het geloof toch weêr tot heerlijkheid te brengen. Welnu, dien weg ontsluit Hij in zijn barmhartigheden. Ja, zoo lief heeft God de wereld, dat Hij zijn eeniggeboren Zoon overgeeft. En nu komt het maar op geloof aan, want „een iegelijk, die in Hem gelooft, zal niet verderven, maar het eeuwige leven hebben.quot;

Toch kan de zondaar ook dat „geloofquot; niet zichzelven aanbrengen.* God de Heere moet het hem uit genade schenken. Er hem het zaad of het vermogen voor inplanten. Het opwekken door de roeping. Het

ocr page 26

14

een inhoud geven door het Woord. Het doen doorbreken in de bekeering. En zie, nu is het er eindelijk. Het vonkje gloort, er ia glans in de donkerheid zijner ziel, licht in de duisternis van zijn hart gekomen.

Maar de winden waaien, de stormen loeien; dat vonkje aan de vlaswiek zou weêr uitgaan, zoo het geloof niet gusterkt wordt.

En nu komt God in zijn ontferminge met goddelijk mededoogen die rookende vlaswiek te hulpe.

Zie, daar is zijn Sacrament, zijn heilige Doop en zijn heilig Avondmaal. De twee goddelijke geloofsteekenen.

En nu durft ge nochtans zóó eigendunkelijk, zóó eigenwijs en zóó eigenzinnig zijn, om die teekenen van uw God voorbij te gaan, en feitelijk voor uzelven overbodig te achten.

Zijt ge dan niet als Achaz, die uitroept: „Ik zalteeken eischen,'* en wien God de Heere deswege toeriep : „o, Kind van David, wie zijt ge, dat ge niet alleen den mensch, maar ook uw God moede maakt?quot;

Dat ge toch als een „kindekequot; wildet zijn. Het jonge „kindekequot; vraagt niet: „Vader, hoe kunt ge mij over dien stroom dragen?quot;, maar als de wateren zwellen, en de vloed dreigt, slaat dat kindeke de armpjes om vaders hals, en doet de oogjes toe, en laat er zich over dragen; en het komt er, omdat het niet hoogwijs was, en alles eerst begrijpen wilde, maar deed wat vader zei en in zijn vader heeft geloofd.

En is dit dan ook niet op het Sacrament toepasselijk?

Uw Vader in de hemelen zegt u, dat het geloof van uw zijde niet buiten de teekenen kan. Dat voor een zondaar, die gered zal worden, de teekenen onmisbaar zijn. Dat de rookende vlaswiek, voor wat aan u ligt, niet kan opgloren, als het teeken haar niet doet opgloren.

En gij fluistert in uw eigenwillig hart: „Voor mij is dat teeken «zW noodig. Ik kan zeer wel ook zonder teeken gelooven. Voor mij bestaat die onmisbaarheid van de teekenen niet.quot;

Uw God weet dat ge er niet buiten kunt, en daarom verduurzaamt Hij zijn teeken, en maakt het als Sacrament tot een altoos voortgaand teeken. Hij laat tot dat aangerichte Sacrament ook u roepen. Hij zegt u van dat Sacrament een kostelijken zegen toe. En gij groeit op, wordt twintig en meer jaren oud, en nog speurt ge geen drang in u, om dat teeken van uw God ook voor uw eigen ziel te zoeken. Soms sterven er anders vrome zielen, die hun leven lang den toegang tot dat teeken van hun God niet begeerd hebben. Of ook, ge hebt er den toegang toe ontvangen. Ge moogt er komen. Maar ge blijft weg, en om het teeken van uw God bekommert ge u niet.

De grond nu dezer zonde ligt hierin, dat we in het hulpmiddel van zulk een teeken iets vernederends vinden.

Want, dat ligt in den aard der zaak, in den hemel zullen we geen

ocr page 27

15

teeken noodig hebben. En als er geen zonde op aarde was, zou ervan zulk een teeken ook nu geen sprake zijn. Wie niet spreken kan, maakt teekens met de vingers, maar wie is, zooals hij zijn moet, denkt aan geen vingerspraak. Als ik iemand beroepen kan, geef ik hem geen teeken, maar als een schip op verren afstand gepraaid wordt, moet dit door teekenen gaan. Aan een geef ik teekens in plaatjes, de mau

leest. Of ook als men verraad vreest, geeft men elkander een teeken ter herkenning van trouw.

Zoo is het teeken dus een hulpmiddel, dat niet noodig zou zijn, als we waren die we zijn moesten, en dat alleen noodig wierd door ons gebrek, door onze geestelijke onbeholpenheid, door de vernieling der zonde. En gelijk een, die mank gaat, nu altijd iets vernederends vindt in het stokje waarop hij temen moet, en het daarom zooveel mogelijk verbergt, zoo ook is er in ons zondig hart iets, dat tegen het gebruik-van deze teekenen ingaat. We hadden ze liever niet noodig.

Maar juist daarom is die Achaz-weerzin tegen het gebruik van teekenen, dan ook zoo diep zondig, en eigenlijk zoo vermetel.

Want wat komt er van u terecht, zoo ge uw redding niet aan uw God in handen geeft? En als nu uw God weet, dat voor die redding ook het Teeken u tot hulpmiddel moet zijn; dat dit bij uw gevallen natuur zoo hoort; en dat in u, als afgedoold kind, het geloof zonder dat Teeken zijn ware veerkracht niet kan verkrijgen,—wie zijt gij dan, dat ge het beter dan uw God wilt weten, uw Ontfermer bedilt, en in uw opstandig hart zegt, zeer wel buiten het teeken te kunnen; terwijl toch uw God u toeroept, dat het noodig voor u is, en het in zijn kerk voor u bereidt.

Heel zijn heilige historie door heeft God met zijn uitverkorenen door teekenen gehandeld. In den regenboog met Noach, in den sterrenhemel met Abraham, in zijn Sacrament met Israel. Een Teeken verzelt al zijn heilig doen bij Gideon en Manoach. In de woestijn en in het land van Egypte en straks in Kanaan. Teekenen zijn een vast en nooit ontbrekend bestanddeel van zijn goddelijk genadewerk.

En gij zult een genadewerk zonder teekenen willen ?

Of neen, gij ook wilt een teeken van uw God ; maar een teeken van uw eigen vinding ; als dit of dat u in uw leven overkomen zal of overkwam. En het teeken dat God zelf voor zijn uitverkoren volk eens en voor altoos gesteld heeft, dat gaat ge voorbij.

Daarom, zoo zegt de profetie, zal de Heere zelf u een teeken geven. „Zie, een maagd zal zwanger worden, en een zoon baren, en gij zult zijnen naam heeten Immamjel.quot; En dat wondere teeken brengt de Heere voor u in zijn heilig Sacrament, en gij bekommert er u niet om.

o, Is het dan wonder, dat gelijk eens in de kerk van Corinthe, zoo ook thans in onze kerken, zooveler geloof slaapt, en zooveler geloof krank is, en zooveler geloof geen kracht bezit, om ons te doen staan in de kracht onzes Gods ?

ocr page 28

16

T. „Eén lichaam is het.quot;

HET SACKAMENT DE GEMEENSCHAP DEH HEILIGEN.

Eén lichaam is hel, en één Geest, gelijkenvijs gij ook geroepen zijt tot ééne hoop uwer beroeping. Efeze 4: 4.

Wordt de „gemeenscliap der heiligenquot; genoeg door u gevoeld ? Is ïe in die mate, waarin Christus dit wil, een kracht in uw leven, een steun voor u geloof, een prikkel voor uw heilige liefde ?

In de eerste dagen na den eenigen Pinksterdag, toen pas de Heilige Geest was uitgestort, werkte die „gemeenschap der heiligenquot; zoo wonderbaar sterk.

De kerk des Nieuwen Verbonds was toen nog zoo klein. Ze woonden saam, alle de geloovigen in éénzelfde stad. Ze kenden elkander persoonlijk. In hen brandde het vuur der eerste, warme, onuitsprekelijk rijke liefde voor den Eénig Dierbare, die naar de hemelen was weggegaan, en uit dien hemel den Trooster tot zijn verlatene kerk had neergezonden. Ze konden zich haast niet anders voorstellen, of het leven op aarde zou nog maar korte jaren duren, en dan kwam hun Heere weder, en dan gingen ze allen met Hem ten hemel in, om nimmer meer van Hem, en nooit meer van elkander te scheiden. En daarom hechtten ze zoo weinig aan hun land en huis, aan hun goud en zilver, dat ze bezaten, en velen verkochten wat ze hadden, en alle goed was hun gemeen.

o, Als ge u indenkt, dat ge daar te Jeruzalem in die heerlijke dagen geleefd, geliefd en geloofd hadt, wat overstelpende weelde van haast al te rijke Christelijke zielsgenieting zou uw hart en heel uw wezen doortinteld hebben, en hoe zou diezelfde „gemeenschap der heiligenquot;, waar ge thans zoo zelden een krachtige aandrift toe voelt, het één en al in uw leven zijn geweest.

Eén lichaam, waarvan wij allen leden zijn, dat verstaat nu bijna niemand meer, en toen was het zoo klaar als de dag, en stond het in volle werkelijkheid tot voor het kleinste kind.

Maar die zaligheid was deze aarde te groot. Die kon geen stand houden. Ware de kerk in die heilige weelde verzonken gebleven, dan zou nooit de kerk van Christus aan alle einden der aarde gesticht zijn. En daarom zond de lieere eensklaps over zijn liefdedronken kerk den geesel der vervolging uit. Opeens deed het geroep van den vijand

ocr page 29

17

ze uit haar droom opwaken. En toen keerde de eerste Christenheid tot de ontzettende, ijselijke werkelijkheid van het leven terug.

Ze moest de wereld in; ze wierd opgeroepen om in naam van haar Heere die wereld voor de glorie van den drieëenigen God op te eischen. En bitterder dan ze vermoeden kon, zou bij het volvoeren van die reuzentaak de vloek der zonde door haar ervaren worden, én in wat de wederpartij der aan lijden en smaad over haar uitgoot, én in wat ze in eigen boezem aan liefdeverkoeling en broedertwist zou zien uitkomen.

En zoo is ze toen de wereld ingegaan, altoos uit den hemel door haar Heere en Koning bewaakt; maar onder de menschen niets ervarend dan tegenstand en satanische vijandschap, en in zichzelf niets ontdekkend dan een altoos weêr opwellen van de wateren der zonde uit de onzalige fontein van het eigen hart.

Daardoor is de kerk toen gedeeld, gescheurd, naar alle kanten uiteengereten. Vaak kwam broedernyrf de kostelijke broeder/ie/'rfe verdringen. De zalf van Aarons hoofd droop niet meer als vanouds. En daarbij kwamen dan de afstanden, die de kerk te Kome van die te Corinthe, de kerk te Corinthe van die te Jeruzalem scheidden. Men kende elkaar niet meer. En die kerk van Christus in de verte gaf slechts een vage voorstelling van broeders en zusters, die wel denzelfden Heere beleden, maar die men nooit van aangezicht tot aangezicht gezien had.

En zoo hield men nog wel vast aan de „gemeenschap der heiligen,quot; maar ze wierd meer voorwerp des geloofs dan openbaring van een rijke werkelijkheid.

„Gemeenschap der heiligenquot; genoot men nog alleen met de verlosten des Heeren in zijn eigen stad of dorp.

Doch ook dat bleef niet. Ook die kring wierd te groot. En niet lang duurde het, of in stad en dorp vormden zich in die ééne kerk weêr afzonderlijke kringen van broeders en zusters in den Heiland, die elkaar kenden en met elkaar omgingen, en met elkander genoten van de gemeenschap des Geestes in hun Heere.

Zoo kromp de „gemeenschap der heiligenquot; al meer in. Ze scheidde zich van het leven der kerk. En toen die kerk almeer verbasterde en ontaardde, wierd het voor veler besef, alsof die kerk iets heel anders dan de gemeenschap der heiligen was, en alsof die gemeenschap der heiligen geheel buiten de kerk moest worden gezocht.

En dat mocht niet.

En daarom heeft de Heere Christus, die ons beter kende dan wij onszelven, en die al onzen strijd en onze moeite voorzag, en wist hoe onder ons, wierden we aan onszelven overgelaten, alle „gemeenschap der heiligenquot; zou teloorgaan, zijn twee heilige Sacramenlen ingesteld, om die „gemeenschap der heiligenquot; te voeden, in stand te houden, en een steunsel te geven in haar zwakheid.

2

ocr page 30

18

Te Jeruzalem ontstaat de „gemeenschap der heiligenquot;, doordat ze allen met éénen Doop gedoopt worden; en nadat ze met dien ceneu Doop gedoopt zijn, onderhouden ze die gemeenschap door eiken dag „het brood te breken.quot;

Ze konden er niet van aflaten. Ze overdreven het zelfs. Eerst onder dat „breken van het broodquot; was het hun goed.

Als tolken van hun Heere en zijn gezanten riepen daarom de heilige apostelen het aan de kerken toe: „Eén Heere is het, één geloof, eek doop.quot; En straks; „Eén brood is het, zoo zijn wij velen éé/n lichaam, gelijk wij ééns broods deelachtig zijn.quot;

Zoo staat het dan vast, dat door Gods ordinantie „de gemeenschap der heiligenquot; thans in de heilige Sacramenten haar rijkste openbaring en haar heiligste steunsel vindt.

Denk u den heiligen Doop weg, en ze zou geheel verkwijnen. Verwaarloos het heilig Avondmaal, en ze slijt uit voor uw bewustzijn.

Versta dit wel.

Bedoeld is niet, dat er zonder Doop en Avondmaal niet een zeer innige vriendschap, en zielsgemeenschap zelfs, tusschen een tien- of twaalftal van Gods lieve kinderen kan bestaan. Dat ziet men wel anders aan de Kwakers, die het Sacrament verachten, en toch op kringen van zeer trouwe en zeer geestelijke vriendschap kunnen wijzen. En ook in ons land vindt ge in menige stad en op menig dorp gezelschappen van geestelijk innig verbonden kinderen Gods, die leven zonder Avondmaal, en soms ook voor den heiligen Doop geen gevoel hebben.

Doch dat is niet „de gemeenschap der heiligen.quot; Dat is de gemeenschap van eenige heiligen, maar niet van de heiligen.

Als er een gezin is, stel van twaalf broeders en zusters, en vier van deze twaalf oefenen broederlijke gemeenschap met eikander, maar voelen niets voor de overige acht, dan zal toch niemand zeggen, dat deze broeders en zusters naar den eisch der broederlijke liefde met elkander verkeeren.

Zoo oefent men gemeenschap niet met het lichaam van Christus, maar met een zeer klein gedeelte van dat lichaam.

Zoo kiest ge zelf wien ge lief zult hebben, waar God wil dat ge Hem zult laten kiezen, en al wie Hij uitverkoren heeft in uw liefde zult opnemen.

Neen, deze „gemeenschap der heiligenquot;, dat is niet zekere betrekking gevoelen op enkele kinderen Gods, die bij ons aan huis komen, of met wie we een gezelschap hebben, of die wij voor bekeerde men-schen houden; maar betrekking, zielsbetrekking hebben op heel het lichaam van Christus, op al zijne leden, op heel de schare der volmaakt rechtvaardigen, op alle uitverkorenen Gods.

En deze gemeenschap nu, dat spreekt vanzelf, die kunt ge niet door

ocr page 31

19

omgang of kennismaking of geestelijke samenwerking voeden, want ge kunt geen omgang hebben met al Gods kinderen, die nu reeds in den hemel, of ver van u weg in Amerika of Azië of Afrika zijn.

En daarom eischt juist deze gemeenschap een ander steunsel.

Een steunsel, niet door mensehen uitgedacht, maar door God zelf ons geboden.

En dat steunsel nu voor de „gemeenschap der heiligenquot;, d. i. met heel het lichaam van Christus, biedt u uw Heiland in zijn heilige Sacramenten, in zijn Doop en in zijn Disch.

VI. „Gij nu zult mijn verbond houden.quot;

HET SACRAMENT EN HET GENADEVERBOND.

Voorts zeide God tot Abraham : Gij nu zult mijn verbond houden, gij, en uw zaad na u. in hunne geslachten. Gen. 17 :9.

Voorzoover ge als Christenmensch metterdaad gelooft, dat God in een verbond met u en gij in een verbond met God staat, geeft die wetenschap u een zalige gerustheid.

God de Heere, met wien ge een verbond hebt, is zóó machtig, zóó alles vermogend en zóó almachtig, dat er in den hemel, op de aarde of in de hel geen enkele macht, hoe boos en listig ook, denkbaar is, die het van Hem zou kunnen winnen.

Houdt God u dus vast, dan is er niemand, die u uit zijn hand rukken kan. Zijt gij zijns, dan kan niemand u als verwonnen prooi wegsleuren. En al maakten dan ook al de booze machten uit de diepte saam zich op, om uwe ziel naar het verderf te trekken, dan bezit ge toch nog de onomstootelijke zekerheid, dat al deze machtelooze woede af zal stuiten op den onwederstandelijkeu wil van uwen God, om u te behouden.

Dat is de uitwerking van elk verbond met een oppermachtig bondgenoot, ook in het aardsche leven.

Zie het aan Oostenrijk. Dit keizerrijk is door allerlei oorzaak zwak, en zou tegen de ontzettende macht van Rusland niet opgewassen zijn. Maar nu staat Oostenrijk in een verhond met het oppermachtige Duitsch-land. En die enkele wetenschap, dat Duitschland een verbond met Oostenrijks keizer aanging, is nu voor Oostenrijk zulk een oorzaak en bron van volkomen gerustheid, dat het op dit oogenblik geen de minste vreeze voor Eusland heeft, overtuigd als het is, dat Duitsch-

ocr page 32

20

laud in de ure des ge vaars met één slag het zwaard van Eusland zou afwenden.

En gaat dit nu reeds in het aardsche door, hoeveel sterker geldt dit dan niet voor u, zoo geen minder uw bondgenoot is dan de Heere onze God.

Daarom is het uitgangspunt voor al Gods hondgenooten steeds de lofzang van den Psalmist: „Ome hulpe sta in den Naam des lieer en, die den hemel en de aarde gemaakt heeftquot;

Een aanroeping, die eigenlijk niets inhoudt dan een plechtig beroep op den Goddelijken Bondgenoot, en wiens onweerstaanbare macht daarin geprezen wordt, dat Hij al wat er is geschapen heeft; dat hetgeen zich tegen Hem zou willen verzetten niets dan zijn eigen schepsel is; en dat het schepsel niets duurzaams vermag tegen Dengene, die het het aanzijn, het leven en de kracht schonk.

Maar is dit zoo, hoe kunt ge dan, als het op het teeken des Verhonds aankomt, zoo slap, zoo droomerig en zoo onverschillig zijn ?

Men zou toch zoo zeggen, als deze Goddelijke Bondgenoot, aan wiens bondgenootschap voor u alles hangt, u zijn heilige Sacramenten geeft, om dit zijn onverwinlijk en onverbrekelijk bondgenootschap te bezegelen, dan moest zulk een Sacrament reeds ter oorzake van dit bondgenootschap voor u een heerlijkheid zijn, die u telkens weêr in verrukking bracht.

Natuurlijk niet alsof God de Heere zulk een Sacrament noodig had, om daaraan een prikkel en spoorslag voor zijn trouw te ontleenen. Gods trouw rust onveranderlijk in de onveranderlijkheid van zijn wezen, wil en raadsbesluit, en nooit zal uw ontrouw de trouwe van uw God tenietdoen.

Maar gij zijt niets dan een mensch. In uw menschelijk hart gaat de vastheid en zekerheid des vertrouwens gedurig op en neer. Meer de slinger dan de rotssteen is beeld van uw zielsbestaan. En uw eigen ervaring bevestigt telkens weêr, wat al Gods kinderen op hun pel-grimsreize ervoeren, dat er namelijk, ja, oogenblikken zijn, waarop het licht klaarlijk in de ziel schijnt, maar nog meer die andere oogenblikken, dat we in schemerlicht omdolen; en zelfs niet zoo zeldzaam nog erger oogenblikken, dat het weêr nacht wordt in ons binnenste.

Welnu, zulk een slap en verzwakt zielsbestaan werkt dan ook op uw bondsbetrekking met uw God.

Het komt dan gedurig voor dat gij spreekt, denkt en handelt, zooals niet een bondgenoot des Heeren, maar zooals een vijand Gods doen zou. En omgekeerd, dat ge, in nood en dood, eigenlijk vergeten zijt, dat ge zulk een Goddelijk Bondgenoot in den hemel bezit, en daarom, door duizend vreezen overvallen, hulpe en uitkomst zoekt in eigen kracht of in den bijstand van het schepsel.

Eeitelijk bestaat er dan voor u geen bondgenootschap met uw God,

ocr page 33

31

noch van uw God met u meer. Het verbond ligt, voor wat uw besef aangaat, gebroken en vernietigd. En uw innerlijke rust en verzekerdheid is weg.

En omdat God de Heere wist dat dit de gang van uw zielsleven zijn zou, daarom heeft Hij u zijn twee Sacramenten ter bevestiging en bezegeling van het verbond gegeven. Den heiligen Doop voor eens, en het heilig Avondmaal om gedurig herhaald te worden.

Ook innerlijke bestrijding zult ge wel kennen.

Bit is bedoeld.

Zoo het met u tot eenige geestelijke zelfkennis bij het licht van Woord en Geest mocht komen, zult ge al nietiger, meer ontbloot en ellendiger in uw eigen schatting zijn geworden.

Niet om anderen hierin na te praten; maar voor uw eigen wezenlijk besef. Dat ge eerst, o, zoo hoog, stondt, opgeklommen als ge sport voor sport waart op de ladder uwer eigen inbeeldingen; maar dat God de Heere u nu sport voor sport diezelfde ladder weêr liet afklimmen, tot ge ten leste, o, zooveel geringer, o, zooveel kleiner en zooveel nietiger gedachte van uzelf koestert, en nu beter dan ooit dat stofje aan de weegschaal en dat druppelke aan den emmer verstaat.

Ge wierdt dan geheel uitgekleed, en van al wat uw sieraad scheen ontdaan; en wat ge aan uzelven vondt waren builen en wonden en zweren. Melaatsch van uw hoofdschedel tot de voetzool. Niets gaafs, niets geheels meer aan u.

En toen maakte God de Heere u zijn goddelijk Bondgenootschap bekend, en wat gij niet zoudt hebben kunnen aangrijpen, dat deed Hijzelf u in geloof aannemen door de wonderlijke wegen, die zijn Heilige Geest met uw ziel hield.

Maar deswege waart ge van den strijd, die hieruit moest geboren worden, niet af. En telkens rees in uw zoekend hart weêr de bange vraag op; „Hoe kan het bestaan, dat die Heere des hemels en der aarde naar zulk een nietig en doemschuldig wezen de hand van trouwe als naar een bondgenoot zou uitstrekken!quot;

Daar verbaast zich dan de ziel over. Daar kan ze niet inkomen. En zoo wordt het geloof weêr geschokt.

En het einde is, dat het Verbond voor u weêr als een droombeeld ondergaat, en de ziel eigenlijk denkt; „Neen, Bondgenoot van mij, nietig schepseltje, dat kan die groote God niet zijn!quot;

Ge ziet dus wel, wat oorzaak er was, om het Verbond niet zonder Sacrament te laten.

Immers zonder die Sacramenten zou het geloof aan dat Verbond almeer uitslijten, en, ook waar het nog standhield, zijn volle werking niet doen.

Let er toch wel op, dat de werking van het goddelijk Bondge-

ocr page 34

22

nootschap tweeledig is. Eenerzijds strekt het om uw zaligheid onver-liesbaar te maken. God van zijne zijde heeft uw Sacrament niet noodig.

Maar ook ten tweede strekt dit Verbond, om u, bij uw strijd en worsteling op aarde, de vreeze buiten te sluiten en voor angst zekerheid, voor benauwdheid der ziel innerlijke geloofsrust te schenken. En deze vrucht nu van het goddelijk Bondgenootschap mod voor u teloorgaan, zoodra uw vast besef van dit Verbond aan het wankelen is gebracht.

Daarom nu moet er bij den stengel van uw geloof, zal die niet plat ter aarde neerslaan, een stokje gezet worden, waaraan het kan worden opgebonden. Het heeft een steunsel van buiten noodig. Het moet geholpen en opgehouden worden. Uw geloof moet gesterkt worden. En voor dat doel nu gaf uw Goddelijke Bondgenoot u zijn heilige Sacramenten.

In tijden nu waarin de kerk deze Sacramenten recht en heilig bediende, en de geloovigen met dankzegging en lof het gebruik van deze Sacramenten heilig hielden, toonde dan ook de uitkomst, dat het geloof in de gemeente welig tierde en bloeide, en dat er de gang des geestelijken levens vast was.

En daartegenover leerde de bittere ervaring, dat, zoodra men het heilig Sacrament in waarde en beteekenis deed dalen, en denken ging, dat het Sacrament eigenlijk iets overtolligs was, waar men desnoods wel buiten kon, het eene deel der gemeente in ongeloof wegzonk, en het ander afdoolde op allerlei mystieke paden, waar het dan een hangen en verlangen, een gissen en tasten bleef, maar zonder dat ooit die vaste zekerheid herwonnen wierd,die men in het Sacrament niet zoeken wilde, en waar toch God de Heers zijn heilig Sacrament voor gaf.

Ge redt daarom de gemeente, ge stevigt de zielen, zoo ge ook uwerzijds medewerkt, om de ware Sacramentspractijk weêr in eere te brengen.

Niet alsof één enkele Doop, dien ge bijwoont, of één enkel Avondmaal, waaraan ge deelneemt, plotseling en op magische wijze geheel den toestand van uw kerk en van uw eigen ziel om zou zetten.

Het goddelijke is geen tooverwerk.

Maar, dit zult ge ervaren, zoodra in uw kerk, in uw omgeving, in uw eigen huis en in uw eigen hart het ware inzicht in het Sacra ment gaat herleven, en de ware Sacramentspractijk terugkeert, zult ge allengs en van lieverlee meer zielsrust in u en om u ontwaren; er zal meer vastheid des geloofs gaan komen; de vrede zal lieflijker bloeien; er zal meer gedachtenisse aan Christus en aan zijn Middelaarswerk zijn; en de gemeente zal meer leven uit het zalig besef, dat ze onver-winnelijk is door haar Goddelijken Bondgenoot in den hemel.

Want dat komt in elk Sacrament telkens weêr uit.

Het is een zegel, een bevestiging, een waarmaking van uw Goddelijken landgenoot aan u, dat Hij u zijn trouwe houdt; en een weder-betuiging van u als aardschen bondgenoot aan uw God, dat gij zijn zaak als de uwe beschouwt en alleen voor den triomf van zijn rijk wilt leven.

ocr page 35

23

Hoor het aan het Onze Vader maar.

Daarin bidt een aardsch bondgenoot van den Heere des hemels en der aarde, en deswege is zijn gebed, niet om eigen eer of eigen glorie, maar om trouw aan den Goddelijken Bondgenoot te mogen houden. TJw naam worde geheiligd.

Vw koninkrijk kome.

Uw wil geschiede gelijk in den hemel, alzoo ook op de aarde.

VII. „Zonder Mij kunt gij niets doen.quot;

HET SACRAMENT EN DE HEERLIJKHEID DES HEMELS.

Ik hen de wijnstok, en gij de ranken; die in mij blijft, en ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder mij kunt gij niets doen.

Joh. 15:5.

Voor het leven der heerlijkheid, dat, verre boven ons, in de hemelen doorleefd wordt, is een gordijn geschoven.

En al gluurt nu het geloofsoog door het goudgaas van dit gordijn soms met heilig heimwee henen, tooh kan geen kind van God op aarde zich van die wereld der hemelen ooit een klare voorstelling vormen.

Wel heeft God de Heere soms het oog van een enkelen zijner gunst-genooten ontdekt. De apostel Paulus is opgetrokken geweest in den derden hemel, en de apostel Johannes heeft wonderbaar heilige dingen gezien. Ook Jesaja in oude dagen, en evenzoo Jeremia en Ezechiël hadden verrukkelijke openbaringen.

Maar toch, ze konden die hetnelsche openbaringen niet vasthouden. Ze ontglipten hun weder. En als ze dan later aan anderen meedeelden wat ze gezien hadden, schoot de taal tekort en konden ze geen w;oor-den noch beelden vinden, om anders dan op verzwakte wijze weer te geven, wat hun oog aanschouwd had.

Iets konden ze er wel van zeggen ; want er bestaat tusschen het leven in den hemel en het leven op aarde verwantschap. Maar veel niet. Dat merkt ge wel aan Ezechiël als hij ons de Cherubijnen teekent. Het zijn raderen en vleugelen en koppen, die zich keeren en wenden; maar u voorstellen, hoe nu eigenlijk een Cherub voor Gods troon er uitziet, dat kunt ge niet.

Ook van het leven van Christus in dien hemel kunt ge u daarom nooit een beeld in duidelijke omtrekken vormen.

Het is zoo, ge weet dat Hij in uw menschelijk vleesch opvoer ener nog in leeft; maar Johannes en Paulus, die zijn verheerlijkte gestalte

ocr page 36

24

op den weg naar Damascus en op Pathmos ontwaard hebben, spreken van een zoo verblindend schijnsel en van een zoo wonderbare, indrukwekkende gestalte, dat het nog nimmer aan een kunstenaar gelukt is, den verheerlijkten Christus voor ons in schets of beeld te brengen.

En nóg moeilijker valt het ons, een klare voorstelling te erlangen van hetgeen deze verheerlijkte Christus in den hemel nu reeds deze achttien eeuwen deed en nog steeds doet.

Is Hij daarboven steeds aan eene plek gebonden, of beweegt Hij zich van plaats tot plaats onder de rijen der verkoren engelen en der ge-zaligden door zijn bloed ? Is er een spreken, een uiting der ziel en der gedachten daarboven, waardoor Christus met de volmaakt rechtvaardigen in verband treedt? Is er een bidden, dat gehoord wordt, of alleen maar een stil gebed der ziel ? Kortom, is er niets dan een verborgen geestelijke arbeid, die vanzelf zijn uitwerking in het rijk van Satan en op deze aarde vindt, of blijft ook in den hemel het licliaam orgaan, en treedt zijn Middelaarswerk ook naar buiten?

En toch, ook al weet ge hiervan, o, zoo weinig, en al is het nog zoo ondoenlijk u hiervan een klaar en duidelijk beeld te vormen, toch weet ge één ding, en dat is, dat ge als kind van God ook niet één oogenblik bestaat, zonder dat uit dien Christus in de hemelen u de kracht toevloeit.

Ge zijt één plante met Hem geworden. Gij zijt een rank, die in Hem als den Wijnstok met de leveusvezelen zelve gehecht zit.

Niet alsof uw Jezus u voor zichzelven opeischte. Integendeel, Hij wil nooit anders dan Middelaar zijn, en al zijn doel is, om de verkorenen tot den Vader te brengen. Het moet bij u en bij een iegelijk van Gods kinderen komen tot het hooger standpunt, waarvan het tot de discipelen heette: „Ik zeg u niet, dat ik den Vader voor u bidden zal, want de Vader zelf heeft u lief.quot;

Altoos dus een komen eerst tot den Christus, maar om aan zijn hand en door de vrucht van zijn offerande tot den Vader te gaan.

Maar onderwijl zijt ge den Middelaar ingeplant. Al leeft gij nog op aarde en zit daar eenzaam in uw vertrek neder, toch is er, ongezien en onwaarneembaar, een levensband, die u met Jezus in den hemel persoonlijk verbindt.

Hoe deze band werkt, weet niemand. Keeds kan niemand uitleggen, hoe de band tusschen moeder en kind werkt, zoodra het kindeke uit haar schoot is uitgegaan, en soms op verren afstand van haar leeft; maar toch weet ge, dat die band bestaat.

En zoo ook is er een levensband, die u met Jezus in den hemel verbindt; een band, die geen oogenblik losgewikkeld of afgesneden kan worden; een band, die werkt als ge slaapt en trekt als ge gaat; en ge weet hoe door dien band alleen u het genadeleven des Heiligen Geestes toekomt.

ocr page 37

25

Zooals er aan de rank geen knopje uitbot en in die rank geen druppeltje groeisap is, of het is uit den wortel van den wijnstok aan de rank toegevloeid, zoo ook is er in u geen korrelke geestelijk leven of geen druppelke genade, dat niet uit den wortel Isaï in u drong.

Een mysterie, het is zoo!

Maar een verborgenheid, die ons zoo stellig mogelijk geopenbaard is.

„Ik ben de Wijnstok en gij de ranken, en zonder Mij kunt gij niets doen.quot;

Maar al gaat nu deze inwerking van den Wijnstok op de ranken bij nacht en bij dag door, toch teekent die werking zich op niet één oogenblik zóó duidelijk, dat ge zeggen kunt; „Hier werkt nu de Christus en zijn werking in mij is aldus.quot;

Want wel is er ook een mystiek leven van de ziel, dat vooral bij aandoenlijke en gevoelige personen soms den vorm van beelden aanneemt, zoodat het hun temoede is, of ze hun Jezus ontmoet en gezien hebben, ja, alsof Hij hen toesprak en hen aanraakte. Maar zelfs de meest dwepende ziel zal nooit staande houden, dat dit werkelijk alzoo toeging, alsof Jezus uit den hemel ware nedergedaald, om zijn hand daadwerkelijk op hem te leggen.

Al zulke voorstellingen zijn dus zoete mijmeringen van een gevoelig gemoed, dat metterdaad genadewerking onderging, maar zich nu van deze genadewerking op zulk een plastische wijze zoekt bewust te worden.

Maar juist daarom blijft het er bij, dat we de werking van Christus uit den hemel nooit rechtstreeks waarnemen.

Die werking is er; ze werkt aldoor; maar ze werkt op de manier van den wijnstok. Uit wortel en stam dringt aldoor het levenssap in de ranken op, maar zonder dat ge het kunt waarnemen. En zoo ook dringt uit den Christus aldoor het leven der genade in de zijnen in, maar hoe de Heilige Geest dit werkt, blijft ons even verborgen, als de voeding van ons eigen bloed door de spijzen, die we aan den hui-selijken disch genoten.

Alleen het Sacrament maakt hierop eene uitzondering.

Niet in dien zin, alsof elk kind van God onder bet genieten van het Sacrament op het eigen oogenblik ontwaren kon, dat en op wat wijs Jezus uit den hemel op hem inwerkte. Keeds de kinderdoop weerspreekt dit. Of hoe zou zulk een wicht van weinig dagen ontwaren kunnen wat innerlijk in zijn ziel geschiedt? Ook weet een kind van God van meer dan één Avondmaal, dat hij verliet zonder iets ontwaard of gemerkt te hebben. En het zou toch een al te treurige leer zijn, zoo men zeggen ging, dat deswege zulk een Avondmaal zonder vrucht bleef, of zulk een Doop geen waarde had.

Neen, heel iets anders is bedoeld.

Dit, dat er ten zeerste in elk Sacrament een actie, een werking van Christus uit den hemel is. Dat dus als het Sacrament van Doop of

ocr page 38

26

Avondmaal naar zijn ordinantie op aarde wordt uitgericht, zich aan dit bedrijf op aarde altoos aansluit een bedrijf in den hemel. En wel zulk een bedrijf, dat de Christus uit dien hemel door zijnen Heiligen Geest een daad volbrengt in het hart van hem, die het Sacrament van üoop of Avondmaal ontvangt.

Nu kan deze daad Christi ten zegen of ten oo'deel zijn; een reuke des levens ten leven of een reuke des doods ten doode. Tot opstanding of ten val. Is dus de persoon, die het Sacrament van Doop of Avondmaal ontvangt, een verkoren kind van God, dan werkt die actie van Christus op hem ten zegen en begenadigt hem ; maar ook, is die persoon een vijand Gods en een loochenaar van den Christus, dan gedijt hem het Sacrament niet; maar gaat ook niet werkeloos over hem heen, doch werkt in hem een geestelijke schade; een verergering van zijn toestand.

Altoos als bij den Zondvloed. Het eene zelfde water, dat Noach in de arke optilt, draagt en behoudt, maar tegelijk de onrechtvaardigen versmoort in den vloed.

Maar juist omdat door Jezus zelf deze actie aan het Sacrament verbonden is, weet ge dan ook ten andere, zoo dikwijls het Sacrament uitgaat: Nu op dezen oogenblik, en in verband met deze teekenen, heeft er een actie van Jezus uit den hemel plaats.

Zoo is dus het Sacrament de door Jezus zelf ingestelde heilige ceremonie, die ons rechtstreeks met de oogenblikkelijke werkzaamheid van den Middelaar in den hemel in aanraking brengt.

Wel grijpt die werking ook buiten het Sacrament plaats; want hield die werking ook maar even op, zoo waren de ranken dood en de planten van den wortel gescheiden. Maar terwijl anders die werking van Christus ongemerkt plaatsgrijpt, weet ge bij het Sacrament van die werking af.

Ge weet, dat op het eigen oogenblik, dat het water gesprenkeld of brood en wijn genomen wordt, de Middelaar uit den hemel een bijzondere genadewerking in Gods kinderen tot stand brengt, of ook zijn geestelijken toorn werken doet tegen degenen, die zijn Verbond ontheiligen.

Zoo plaatst dus het Sacrament u rechtstreeks in verband met een daad, die op dat oogenblik van den Christus uitgaat. Christus en dat Sacrament hooren bijeen. Dat Sacrament is slechts een instrument, waarvan Christus uit den hemel zich bedient, om zijn genadewerking in de ziel van Gods kind in te dragen. En daarom juist heeft het Sacrament de wondere bekoring van het u te maken, alsof de hemelen u opengingen, en alsof ge den Middelaar zijn hoogepriesterlijk werk volbrengen zaagt.

En hiervan nu is de indruk ook bij dengene, die er zich geen rekenschap van weet te geven, zoo overweldigend en sterk, dat men

ocr page 39

27

onbewust gevoelt, Jezus nooit meer nabij te zijn geweest clan onder het Sacrament.

juist dat maakt dan, dat het Sacrament voor uw zielsbesef een geheel eenig gewijd en heilig karakter draagt.

Het is of ge in de nabijheid van den Zone Gods zijt geweest. En reeds dit vervult u met innerlijke verrukking.

YIII. „De ïïeere gebood ons te doen alle deze inzettingen.quot;

HET SACRAMENT EN DE GODDELIJKE ORDINANTIE.

En de Heere gebood ons te doen alle deze inzettingen, om te vreezen den Heere, onzen God, ons voor altoos ten goede, om ons in het leven te behouden, gelijk het te dezen dage is.

Deut. 6:24.

Over de heilige Sacramenten wordt in de kerke Gods vaak gedacht en gesproken, alsof het onze Sacramenten en niet de Sacramenten des Heer en waren.

Gedurig ontvangt ge in zake het Sacrament den indruk, alsof het iets ware, dat aan ons believen stond ; door ons was uitgedacht; en waarover dus onzerzijds naar wilkeur kon beschikt worden.

Ze gelden dan als een soort kerkelijke handeling van menschelijke vinding, waarvoor dus ook de raensch den regel kon stellen.

Komt het dan aan den Doop toe, dan spreekt men er onder elkander over; of men hier of daar zal gaan ; of men het nog zal uitstellen of bespoedigen ; wie zal meegaan ; wie zal heften ; wie zal buigen; en op al die vragen geeft men het antwoord zoo op het gevoel af; naar het zoo ons toelacht; al naar den indruk van ons besef op zulk een oogenblik is. En met het Avondmaal handelt men evenzoo. Men komt of blijft weg, men laat toe of weert af naar eigen goedvinden, en zelfs de Bedienaar stelt zich niet zelden aan, als verkeerde hij in de meening, dat menschelijk welgevallen hier eigendunkelijk regelen kon.

Zoo ongeveer als de kerkelijke huwelijksinzegening een kerkelijke plechtigheid is, waarvoor ons in Gods Woord geen enkele vorm is voorgeschreven, zoodat hier menschelijk nadenken en menschelijk overleg alles regelen moest; zóó der.kt men het zich ook bij Doop en Avondmaal.

Doop en Avondmaal wel iels plechtiger, en ieis heiliger; vooral

ocr page 40

28

omdat bij de kerkelijke huwelijksinzegening de geesten der opkomenden vaak maar al te verwilderd zijn; iets goddelijker vooral, omdat het huwelijk voor het aardsche leven geldt, en Doop en Avondmaal op den hemel wijzen; maar toch ook zoo. Doop en Avondmaal en Huwelijksinzegening, de drie groote kerkelijke plechtigheden, waarvan men gebruik maakt als men het zoo wil, en die men anders laat voor wat ze zijn.

Zoo zijn er dan ook die huwen, zonder in de kerke Gods zegen te zoeken. En zoo nu zijn er ook, die heensterven zonder zijn Avondmaal te hebben ontvangen, en in sommige kringen ook niet weinigen, die de eeuwigheid ingingen zonder gedoopt te zijn.

En is dit nu zoo, dan hecht men hier bijna niet aan. Want, zoo zegt de booze tong dan, aan zulk een Sacrament hangt toch waarlijk iemands zaligheid niet.

Hoor nu daartegenover wat uw God in Levit. 26 :15 vv. tot Israel zegt:

„Zoo gij mijne inzettingen smadelijk zult verwerpen, dit zal ik u ook doen, dat Ik over u zal stellen verschrikking; daartoe zal Ik mijn aangezicht tegen u zetten ; want Ik zal de hoovaardigheid uwer kracht breken ; en zoo gij met Mij in tegenheid wandelen zult, en Mij niet zult willen hooren, zoo zal Ik over u, naar uwe zonden, zevenvoudig slagen daartoe doen.quot;

Dit klinkt anders.

En toch hier ligt het punt, waar het op aankomt.

Onze Sacramenten zijn geen verzinsels van menschen en geen uitvindingen van menschelijk goeddunken, maar ordinantiën en inzettingen Gods.

Door den mond van den Zoon zijner liefde heeft God zelf tot zijn kerk gesproken: „Gaat dan henen, onderwijst alle volken, ze doopende en van het heilig Avondmaal: „Boet dit tot mijne gedachtenisse.quot;

Doop en Avondmaal zijn u niet gevraagd als iets dat aan uw believen stond, en dat ge dus ook kondt weigeren, maar ze zijn u feKoZera. Ze zijn u niet aangeraden als iets profijtelijks, zoodat ge zelf weten moest, of ge dat profijt zoeken of verwerpen woudt, maar ze zijn u geordineerd. Eu ook ze zijn u niet voorgespiegeld als middel van geestelijke genieting, zoodat ge naar eigen keus dat genot er aan geven of het zoeken kondt, maar ze zijn u als inzettingen van Godswege opgelegd.

Dat is het cardinale punt, waar de kerk, en gij met haar, toe terug moet keeren.

Er moet weêr gevoeld, beseft en beleden, dat God over ons te gebieden heeft en dat wij te gehoorzamen hebben, en dat deze gehoorzaamheid des geloofs het eerst en het sterkst te spreken heeft in het houden van zijn inzettingen, die ons in Doop en Avondmaal toekwamen.

Wat bij ons hiertegen ingaat, is niets anders dan de „hoovaardigheid onzer kracht,quot; zooals de Heere in Leviticus tot Israel zegt.

ocr page 41

29

Overgraag zal men allerlei uit vrije drift, ongeroepen en ongehouden voor den Heere doen. Ja, er zullen er zijn, die al hun goed aan de armen geven, en desnoods hun lichaam om Godswil zullen laten verbranden. Maar stil en rechtstreeks gehoorzamen als hun Heere en hun God gesproken heeft, dat doen ze liever niet.

Het is dat ze de liefde nog niet hebben, en daarom nog tot niets nut zijn, zooals Paulus in 1 Cor. 13 zegt. Een luidende schel en een klinkend metaal. Maar niet het echte goud der goddelijke liefde.

Want liefde voor God, echte, uit God gewelde en dies naar God terugvloeiende liefde heeft God als God lief, en moet Hem dus lieven en loven als onzen souvereinen Gebieder.

Reeds bij een aardsch koning is dit zoo.

Als er iemand was, die zielsveel van zijn koning zei te houden, en bereid was allerlei voor hem ten offer te brengen, maar die zich aan zijn wet niet stoorde en weigerde zich als onderdaan tegenover zijn koninklijke majesteit te gedragen, dan zou de vorst, wel verre van met zulk een liefde gediend te zijn, den weerspannigen onderdaan straffen.

Daarom heet het reeds tot Saul; „Gehoorzaamheid is beter dan offerande.quot;

Een kind, dat zijn vader en moeder met allerlei voorkomendheid streelen en met allerlei teekenen van liefde overladen wil, maar niet luistert naar wat ze zeggen en niet doet wat ze gebieden, moge op zekere liefde van den wilden wingerd bogen kunnen, maar de liefde van den echten wijndok heeft het niet.

En zoo nu ook is het hier.

De Heere is u niet maar een aanrader en aanmaner, een verzorger en beschermer, maar voor alle dingen uw God, die als God over u te gebieden en van u gehoorzaamheid, blinde, stipte, volkomen gehoorzaamheid te vorderen heeft.

Hij vraagt u niet wat ge goedvindt, noch wat ge er van begrijpt, maar zet het voor u in, verordineert het en bakent voor u den weg af; en nu is er voor u geen keuze, nu moet ge al uw hoogheid afleggen, en stil, als het gespeende kind, naar die inzettingen en op dien weg wandelen.

En nu komt dit punt der gehoorzaamheid daarom bij het Sacrament 2oo scherp tot beslissing, omdat het Sacrament voor ons menschelijk besef op zichzelf dwaasheid schijnt.

Onze natuurlijke mensch lacht er inwendig om, dat een paar druppeltjes water op het kleine voorhoofdje, tusschen de tule van het mutsje in, iets hoegenaamd zouden uitwerken. En zoo vat ons natuurlijk verstand er niets van, waarom dat eten van een klein stukske brood en dat drinken van een slokske wijn iets ter wereld zou uitrichten.

Het geeft ons soortgelijk gevoel als Naaman den Syriër overkwam, toen Elisa hem niets anders aanbeval, dan om zich in de Jordaan te baden.

o, Als Elisa aan Naaman allerlei ingewikkelde, kostbare dingen had opgelegd, die hem imponeerden, dan had hij eenig verband gezien

ocr page 42

30

tusschen zoo groote midrlelen en zoo groote zaak als zijn genezing van de melaatschheid. Maar niets dan in de Jordaan zich baden! Wat zou dat? En Naiiman stond op het punt in de hoovaardigbeid zijner kracht die kleine middelen te verachten, en melaatsch voor zijn leven te blijven. Of waren niet de Abanah en Pharpar nog wel zoo schoone vloeden om Damascus, als die half uitgedroogde Jordaan ?

En juist zoo staat ons natuurlijk verstand tegenover de Sacramenten.

Ze zijn ons te weinig beduidend. ïe onbeteekenend. Te eenvoudig. Te nietig. Wat zal nu toch een volwassen, ontwikkeld man daar publiek aan de tafel gaan zitten, om dat kleine, nietige stukje brood te nemen, en om zijn lippen aan den beker te zetten!

En toch juist daarin zit het.

Adams gehoorzaamheid wierd ook aan, o, zoo kleine zaak beproefd. Het plukken en eten van een enkele vrucht aan een volgeladen ooft-boom. En toch viel om die zonde heel een wereld van God af.

En zoo moet ook hier de gehoorzaamheid van Gods kind juist in dit kleinere en nietige beproefd.

Ge zoudt er uit uzelf niet aan willen. En juist daarom moet ge er aan. Veel meer dan in iets anders moet juist in Doop en Avondmaal uw gehoorzaamheid, uw onderworpenheid aan uw God beproefd worden.

Verstrik u dus nooit in de vraag, of het Sacrament ter zaligheid afdoet.

Dat is de afschuwelijke vraag van de geestelijke zelfzucht.

Want hot is iets fraais, om te zeggen : „Als ik wist, dat er mijn zaligheid onder lijden zou, dan ging ik stellig en trouw tot bet Sacrament ; maar nu onze zaligheid er geen schade van lijden kan, zoo ik het veronachtzaam, en het alleen maar een houden van Gods inzetting is, nu bekreun ik er mij niet om.quot;

De liefde voor God spreekt: „Ook al leed ik er schade bij, omdat het Gods inzetting is, ga ik toch tot het Sacramentquot;, maar de zelfzucht rekent alleen met eigen profijt.

En dit nu noemden onze vaderen „de verachting van het Sacramentquot;, of zooals het in Leviticus heet: „een smadelijk verwerpen van zijn inzettingen.quot;

Een bitter kwaad, dat schrikkelijk in de kerke Gods is doorgedrongen, en waarvan de kerke Gods niet terdege genoeg kan gereformeerd worden.

Ze moet weêr van de offerande van Saul naar de gehoorzaamheid van David terug; van haar eigenwillig God believen naar het zich kinderlijk aan God onderwerpen.

De „hoovaardigheid onzer krachtquot; moet gebroken.

En juist dat geschiedt zoo goddelijk schoon in een uit gehoorzaamheid gezocht Sacrament.

ocr page 43

31

IX. „Termeerder ons het geloof.quot;

HET SACRAMENT EN UW GELOOF.

En de aposi.elen zeiden tot den Heere: Vermeerder ons het geloof. Lnc. 17 :5.

Alle eeuwen door heeft het vrome volk, aan alle einden der aarde, onveranderlijk beleden, dat het Sacrament ziet op het geloof.

In een wereld zonder geloof is ook voor het Sacrament geen plaats; en eerst waar het geloof onder een volk of natie binnendrong, volgde het Sacrament op den voet.

Overal waar geloof in Christus openbaar wierd, dook het Sacrament op. In alle land waar geloof bleef en standhield, bloeide ook aldoor het Sacrament des Heeren. En eerst waar het geloof inzonk, ontzield werd en wegsmolt, kwam ook het Sacrament om zijne eere, verliep het in geesteloozen vorm en hield het eindelijk op.

Sacrament en geloof hooren alzoo bijeen. Zonder geloof is het Sacrament onbestaanbaar en zonder Sacrament kwijnt het geloof. Het één is op het ander aangelegd, en het ander aan het één, als de bloemknop aan den stengel ontloken. Het geloof was van nature bestemd om in het Sacrament zijn sterking te vinden, en het Sacrament wies vanzelf uit den wortel des geloofs op.

Ook gij hebt dus, zoo dikwijls er van een Sacrament voor u sprake is, ijlings terug te gaan in de geloofswereld van uw eigen hart. Of ge ten Doop of ten Avondmaal wilt gaan, is hier om het even, maar altoos moet ge u afvragen : Geloof ik ? Zoolang ge uw Sacrament buiten uw geloof houdt, blijft gij ook buiten het Sacrament staan. Alleen door het geloof heeft dat Sacrament vat op u en hebt gij met het Sacrament gemeenschap.

De teekenen van het Sacrament kunt ge ook zonder geloof met uw oog zien ; wat er bij gesproken wordt, kunt ge met uw natuurlijk oor hooren ; maar grijpen, vatten, ontvangen wat in en achter dat Teeken het eigenlijk Sacrament uitmaakt, dat kunt ge zonder een golving, die in uw ziel door het geloof wordt teweeggebracht, nooit.

Nu staat het intusschen met die geloofswereld in veler hart droef geschapen.

Ze gelooven. o, Ja. Waarom zouden ze ook niet? Er leeft geen vijandschap in hun hart tegen den Christus. Soms zelfs trekt hun ziel naar Hem heen. En met de owgeloovigen zouden ze in geen geval willen optrekken. Maar bij dat tage geloof blijft het dan ook meest.

Troost brengt zoo ondiep geloof hun niet. Het is hun evenmin

ocr page 44

32

een kracht in het leven. Nauwelijks rekent het in hun overtuiging mee. En eerst waar van zaken van religie sprake komt, of hen een vrome op hun weg ontmoet, of een ziekte insluipt, die met levensgevaar dreigt, voelen ze zekere neiging om met dit hun vergeten en slapend geloof werkzaam te zijn.

Feitelijk leven ze dus huiten het geloof en hcuden ze hun dusgenaamd geloof voor de eene of andere buitengewone gelegenheid in petto.

En dit nu maakt, dat ook het Sacrament hun zoo vreemd blijft en eindelijk een dood iets voor hen wordt.

Och, het staat met hun „Christelijkquot; geloof, zooals bij de lieden der wereld met het Voorzienigheidsgeloof.

Ook wie den Christus en zijn Woord verwerpt, gelooft daarom toch evengoed aan God als de duivelen gelooven, dat er een God is, en sidderen. Zulk een Voorzienigheidsgeloof komt niet uit de Heilige Schrift noch uit den Heiligen Geest, maar uit de natuur. En onder hoe gebrekkigen vorm het ook moge voortkruipen, toch vindt ge bij bijna alle menschen nog zeker duister besef, dal er een God is, die hun het leven gaf, en een God, die het ze weêr kan afnemen. Tot zelfs in het godslasterlijk vloeken wordt nog altijd iets van dat onuitroeibaar besef openbaar.

Maar nu gaat het met dit Voorzienigheidsgeloof ook bij de fatsoenlijke en brave burgerij meest zóó toe, dat ze in den regel dit geloof op volkomen nonactiviteit stellen, en gemeenlijk, ook onder het bidden door, leven en handelen als waren ze hun eigen god, en als hadden ze den levenden God niet van noode.

En dat gaat zoo voort, tot ze eens plotseling in den nood komen, en geen uitweg meer zien; en dan gaan ze opeens weêr meenens bidden, en roepen den vergeten God weêr aan, en worden weêr dagenlang door dit hun geloof beheerscht en geleid.

Dat ziet ge zoo in dagen van pestilentie en bezoeking, in dagen van oorlog of opstand, in dagen van honger en broodnood, in dagen van smart en rouwe. Dan bloeit dat Voorzienigheidsgeloof plotseling weêr op. De schelp opent zich en de parel schittert weêr. En het verbaast u zoo vroom als deze anders onvrome lieden dan zijn.

Maar juist zoo is het nu ook met het zaligmalcend geloof gesteld ; dat natuurlijk heel iets anders is dan bet VoorzienigheidsgzXooL

Ook dit veel hoogere soort van geloof toch schijnt voor maar al te velen een uiterste redmiddel, waar ze alleen in gevallen van bijzonderen nood de hand naar uitsteken.

Zoo in het gewone leven doen ze het daarbuiten. In hun dagelijksch beroep komt het niet in. Hun overleggingen en gesprekken gaan er geheel buiten om. En al ontkent ge niet, dat het zaligmakend geloof in hen zijn kan, werkzaamheid, gaat er toch in geen geval van dit hun geloof uit.

ocr page 45

33

Daartoe komt het slechts in buitengewone tijden. Als de ban Gods hen in hunne consciëntie slaat. Als angst en droefenisse om hun ziel sluipt en die toenijpt. Of ook, als er een zeer scherpe prikkel van anderer geloof door de schors van hun hart dringt.

Maar al den overigen tijd denken ze om hun geloof niet, leven ze uit hun geloof niet, en staan ze volkomen gelijk met de ijdele lieden, in den bodem van wier hart zelfs het kleinste korrelke van geloof niet verscholen ligt.

En dit nu maakt dat hun geloof nooit moede \s', juist zooals iemand, die nooit zijn bed verlaat, nooit over moeheid in de beenen zal klagen. En overmits nu het Sacrament door God gegeven is, om een geloof dat moede wierd weêr te sterken, is het zoo volkomen natuurlijk, dat de eigenlijke zielstrek naar het Sacrament in hun binnenste nooit opkomt.

Niet het Voorzienigheidsgeloof, maar het zaligmakend geloof weêr te sterken, dat is van het Sacrament het eigenlijk doelwit en oogmerk.

En daarom kan een kind van God, dat goed staat, er niet buiten. Want immers het echte geloof in Gods kind is als een zuurdeesem in hem, dat nooit stil ligt, maar altijd in hem werkt; waar altoos actie uit gaat; en dat altoos een drijvende kracht in zijn binnenste uitoefent op zijn overleggingen en op zijn wil.

De werkzaamheid van uw geloof is dus nog iets anders dan mo geloofswerkzaamheid.

Gij zijt werkzaam uit uw geloof, als ge de drijfkracht van uw geloof niet weerstaat, maar volgt, en alzoo tot daden, waar het geloof in schittert, wordt uitgedreven. Maar het geloof is in u werkzaam, als het u geen rust gunt; u gestadig drijft en aanzet; en u belet weêr in de trage, doffe wereld der ijdelheden terug te zinken.

Niet alsof dat zoo rusteloos doorgaat van dag op dag. O, dit moge bij een zeer enkele voor korte wijle en na lange oefening zoo zijn, maar bij verreweg de meesten is het van die gestadige werkzaamheid nog zeer verre af.

Maar toch Gods kind heeft een geloofswereld ; het leeft in die geloofswereld ; en alleen in die wereld des geloofs voelt het zich thuis.

En hierdoor nu ontstaat die gedurige afmatting en overspanning en dorheid des geloofs; dat ge weder merkt hoe de geloofskracht slapen ging en tragelijk werkt; evenals bij een wandelaar, die te veel en te ver liep, en nu behoefte voelt aan sterking van zijn kracht, eu aan een bete, die zijn verbruikte kracht weêr kan vernieuwen.

Welnu, op dat oogenblik treedt dan het Sacrament voor u ; want dat Sacrament is het van God geboden middel, ona de inzinkende geloofskracht opnieuw te prikkelen en te stalen.

3

ocr page 46

34

Onder het Sacrament wordt het kind van God, ook al merkt hijzelf het niet altoos, weêr met versche olie overgoten.

Vandaar dat de eerste Christenen, wier strijd zoo ontzettend en wier leven zoo ongelooflijk gespannen was, allen dag om het Sacrament riepen. En vandaar ook, dat in de dagen der Reformatie de vraag naar het Sacrament, uiet eens per jaar, maar gedurig weêr algemeen wierd, en algemeen wierd voor Doop en Avondmaal beide, elk op eigen manier.

Toen streden de heirscharen des Heeren en toen dronken ze telkens uit de beek.

Maar als de harde slagen van strijd op leven en dood voorbij zijn, en het leger heeft zijn stille kwartieren weêr betrokken, dan is het water niet goed genoeg meer, en prikkelt de dorst niet.

En zoo ging het ook in Christus' kerk.

Men gebruikte zijn geloof niet meer. Men spande zijn geloof niet meer in. Het geloof bleef werkeloos in de binnenkamer der ziel rusten. En natuurlijk, toen werd het ook niet moede meer, en kende het geen uitputting, en had hel aan de sterking door het Sacrament geen behoefte meer.

Zoo is dus ook voor u het Sacrament in zekeren zin een weerglas, waarop ge den stand van uw geloof kunt waarnemen.

Maakt het Sacrament van Uoop of Avondmaal, als het terugkeert, op u den indruk van iets, wel plechtigs ja, maar toch eigenlijk overtolligs, waar ge ook wel buiten zoudt kunnen, dan blijkt hieruit, dat ge met een onwerkzaam geloof rondliept; met een geloof dat daarom niet stomp wierd en dus niet geslepen behoefde te worden, omdat het buiten gebruik bleef.

Maar zijt ge omgekeerd zoo moede in uw geloof, dat ge, als er twee beurten zijn, de eene met Doop en de andere zonder Doop, tot uzelven zegt: „Dan ga ik naar den dienst met Doop,quot; of ook als ge, zoo het Avondmaal weêr nadert, er reeds vooruit naar verlangt, en u teleurgesteld gevoelt, als het pas een week later komt; dan ja, is dit een teeken, dat uw geloof aan den arbeid is geweest; dat het veel liep en leed en streed, en daardoor, o, zoo nameloos moede wierd; en dat ge daarom vlast op het Sacrament dat God u schonk, om de kracht van uw geloof te benedijen en te vernieuwen.

En zegt gij nu ; „Bij mij is het nooit zóó dof, maar ook nooit zóó hoog gestemd,quot; dan is dit niets ongewoons; want bijna altoos beweegt de slinger zich tusschen die uiterste polen op en neder.

Maar toch, al naar gelang het u walgt van dit „zeer lichte Mannaquot;, of dat uw honger er naar uitgaat, naar die mate is het in uw binnenste de dood of het leven geweest.

ocr page 47

35

X. „Een zegel der recht vaardigheid des geloofs.quot;

HET SACRAMENT EEN ZEGEL DES GELOOFS.

En hij heeft het teeken der besnijdenis ontvangen tot een zegel dei' rechtvaardigheid des geloofs. Rom. 4:11.

In het formulier, van Joodsche zijde bij de Besnijdenis gebezigd, komt onder meer deze zegenbede voor : „Gezegend zij de Heere, die u, zijn beminde, geheiligd heeft van de baarmoeder, en u het teeken in het vleesch heeft gegeven en zijn kinderen het zegel zijns verbonds heeft ingedrukt!quot; Niet onmogelijk dus, dat ook de apostel deze zegenbede reeds gekend heeft, en met terugslag op die bede aan de kerk van Kome schreef, dat Abraham het teeken der Besnijdenis ontvangen heeft tot een zegel der rechtvaardigheid des geloofs; terwijl dan dit zeggen van Paulus op zijn beurt weêr aanleiding gaf, om de Christelijke kerk in alle Sacrament óók een Bondszegel te doen eeren.

Verstaat, doorziet ge, wat zulk een zegel in zijn oorsprong beduidt?

Nog wordt op de markt tusschen landlieden geen stuk vee verhandeld, of er komt handslag bij; en eerst met dien handslag is de koop onherroepelijk gesloten. Wel wordt de koop uitgedrukt in het woord; maar bij dat woord moet het teeken van den handslag bijkomen, om de zaak te voldingen.

Zoo is, om op teederder terrein te komen, de uitwisseling van ringen nog altoos bij hen, die elkaar liefde verpanden, onder alle natiën gebruikelijk. Niet alsof de wederzijdsche liefde in die ringen school, noch ook alsof de minnenden elkaar op het woord niet geloofd hadden. Maar het is nu eenmaal een trek van onze menschelijke natuur, dat we bij het woord, in al wat plechtig en gewichtig is, een teeken verlangen. Het woord schijnt te vluchtig, in een teeken ligt meer bestand.

Zelfs in een eed gaat dat door. Een eed alleen in het woord heeft onder geen volk ooit als genoegzaam gegolden; alle eeuwen door eischte men er een teeken bij. En nu nog worden de voorvingeren van de rechterhand opgestoken, ten teeken dat wat men betuigt of belooft als eed gelden zal.

Ja, geen gebed gold ooit, of de uitgieting der ziel en het stamelen onzer woorden ging altoos verzeld van teekenen ; onder ons van het teeken der oogensluiting en der handenvouwing.

Altoos een teeken, een vorm in het zichtbare, die bij het woord bijkwam, het woord voldong en vastlei, het merkte en bezegelde.

En zoo nu ook is het eigenlijke zegel uit dienzelfden trek van onze menschelijke natuur opgekomen. Met cachet of zegelring wordt dan in

ocr page 48

36

was of lak een wapenmerk op het stuk papier afgedrukt, en eerst daardoor wordt het handschrift krachtig.

Nu nog zelfs geldt geen akte, of het papier moet gezegeld zijn, en bij de stembus doet gemis aan zegel uw uitgebrachts stem teloorgaan.

'De behoefte aan een zegel bij het woord zit u dus, omdat ge mensch zijt, in de ziel. Immers, dat hebben de volken van China en Amerika, van Afrika en Europa niet met elkaar afgesproken of van elkaar overgenomen ; maar, omdat in alle die landen en werelddeelen menschen wonen, is bij allen uit hunzelfde menschelijke natuur die gelijke behoefte aan een zegel bij het woord opgekomen. En opgekomen, niet omdat de mensch die behoefte in zichzelf had gegeven, maar omdat God hem die behoefte had ingeschapen.

Het teeken van het zegel bij het tcoord is alzoo geen vinding van menschen, maar een gedachte die uit God kwam, en uit God in u is gelegd.

Trent u dit, als er van het Bondszegel in het Sacrament sprake is, diep in ; Het zegel een gedachte Gods, en niet een vinding van menschen.

Immers zoo eerst overwint ge de vrome bedenking, die zoo licht tegen het Bondszegel als zegel op een Woord van uw God in de ziel oprijst. Te weten de bedenking, dat een zegel wel voeg heeft bij een woord van menschen, omdat alle mensch leugenachtig is, maar niet bij een woord van uw God, omdat God waarachtig is.

Haast kan een geloovig kind van God zich niet inbeelden, dat er, als zijn God gesproken heeft, nog iets bij zou hoeven ; of dat eenig teeken, hoe plechtig ook, ooit de zekerheid van wat Hij sprak, zou kunnen verhoogen.

En zoo ge alleen op God ziet, is dit ook zoo.

Maar als God tot menschen spreekt, hebt ge niet enkel te rekenen met Hem die spreekt, maar ook met hen tot wie gesproken wordt.

En waar nu God zelf in den mensch van nature een trek inschiep, om een zegel bij het woord te vragen, daar kan het immers niet vreemd zijn, dat Hijzelf, dien aldus geschapen mensch aansprekend, er hem een zegel bij geeft.

Ook een eed is in God als ondenkbaar. En toch de Almachtige heeft uit loutere barmhartigheid, om zich te voegen naar onze natuur, gezworen bij zichzelven.

Al komt dus die gedachte soms in u op, ze mag geen standhouden, ge moet ze onderdrukken.

Niet gij hebt te bepalen, hoe God de Heere met u als mensch ver-keeren zal. Dat bepaalt God en niet gij.

En nu Hij eenmaal een zegel bij zijn Woord gaf, hebt gij dat zegel van uw God dankzeggend te aanvaarden.

Edoch dan moet het Sacrament ook een zegel in den eigenlijken.

ocr page 49

37

vollen zin fles woords zijn, een zegel door Hem gezet, en niet door uzelven nagebootst.

Stelt ge u dus voor, dat de heilige Doop maar zoo iets is, dat menschen onder elkander doen, of het heilig Avondmaal een soort lief-dedisch, dien menschen onder elkander aanrichten, dan natuurlijk kan er van een zegel geen sprake zijn.

Een zegel onder het koninklijk handschrift moet door den koning zeiven gezet zijn. Nu wel niet in dien zin, dat hij het altoos eigenhandig moet doen. Hij kan het ook laten zetten door zijn dienaren. Maar altoos moet het gezet zijn van iconinyswege, en niet door de onderdanen zeiven aan wie hij het richt.

Zoo dus ook bij het Sacrament.

Zal het Sacrament een zegel zijn, niet in schijn maar in waarheid, dan moet het Sacrament uitgaan van den Koning der kerk, en niet van u.

En dit nu is ook zoo, mits uw oog er maar voor openga, dat niet eenig mensch, maar Christus zelf als onze Koning het Sacrament heeft ingesteld, en dat het door zijn bestel en ordinantie is, dat er in elke kerk van zijnentwege dienaren zijn, die het in zijn naam en op zijn last uitreiken.

Hiervan moet het besef dus altoos levendig en krachtig in u zijn.

Hetzij er Doop, hetzij er Avondmaal bediend wordt, altoos komt het Sacrament van Christus. Hij gelastte, dat het er zijn zou. Hij gelastte, hoe het zijn moest. Hij beval, dat het voortdurend weêr zou worden aangericht. En ook Hij stelde er zijn dienaren voor in, om het in zijn plaats te bedienen.

Doch ook zoo zoudt ge nog zeggen kunnen, dat het Sacrament geen wezenlijk zegel is, omdat het neemt wie wil.

Reeds op zichzelf echter is dit niet geheel zoo.

Immers Chiistus heeft zijn dienaren last gegeven, om het alleen uit te reiken aan wie er gerechtigd toe was. En zijn dienaren doen dus hun plicht niet, zoo ze de deur voor een ieder openzetten. Dat raag niet bij den Doop, en mag niet bij het Avondmaal. Er zijn er, die er recht op hebben, en er zijn er, die er van geweerd moeten. En het ligt dus niet aan het Sacrament, maar aan de ontrouw en het plichtverzuim der dienaren, zoo door de open deur de kracht van het zegel gebroken wTordt.

Want als de dienaren trouw met het heilig Sacrament van hun Koning handelen, dan zou er ook wel een enkele hypocriet kunnen doorsluipen, maar met zulk een hoeft niet gerekend. Die zoekt geen zegel en vindt geen zegel. Bij dien lean van geen zegel sprake zijn.

Klem zit er dus wel terdege in het oordeel der kerk, of gij het Sacrament moogt ontvangen al dan niet.

En zegt ge nu : „Ja, maar de kerk oordeelt toch naar het uitwendige. Ze kent mijn hart niet. Dus kan ze zich vergissen,quot; dan is dat

ocr page 50

ook zoo; maar wie daarom de bezegelende kracht aan het Sacrament wilde ontzeggen, zou de daad van Christus in het Sacrament voorbijzien.

Ja, als hetgeen de dienaar doet al het Sacrament ware; als het sprengen met water en het breken van het brood onder het uitreiken van den beker op zichzelf een Sacrament kon uitmaken, dan zeer zeker zou de bezegelende kracht van het Sacrament, overmits de kerk uw hart niet kan beoordeelen, zoogoed als geene zijn.

Maar zoo is het niet.

Het Sacrament is niet enkel wat de dienaar doet. Wat de dienaar doet is maar den vorm voor het Sacrament geven. Die ook in het Sacrament het eigenlijke en wezenlijke werkt, is de Heere zelf uit den hemel.

Vergeet toch den Heiligen Geest niet.

Want het is volkomen waar, dat Christus in den hemel is en niet meer op aarde, en dat Hij dus naar zijn menschelijke natuur u thans niets toe kan brengen ; maar heeft dan de Middelaar, ook al troont Hij in den hemel, geen macht op aarde om te werken door zijn Heiligen Geest?

En is die Heilige Geest dan niet aldoordringend ? Zoodat Hij in elke kerk, waar gedoopt of avondmaal bediend wordt, zelf tegenwoordig is, zoodat er niet alleen de dienaar is en wie ten Doop of Avondmaal komt, maar ook de Heilige Geest.

En als gij dan opgaat ten Doop of aan het Avondmaal aanzit, heeft die met u daar tegenwoordige Heilige Geest dan niet de volkomen macht, om in uw verborgen wezen, in uw hart, in de binnenkamer uwer ziel binnen te dringen, en daar van Christus' wege zijn goddelijke werking te doen ?

En als dan nu de Heilige Geest op dat oogenblik (hetzij de doo-peling of avondmaalganger het merkt, hetzij hij het niet merkt) die bezegelende werking aan de ziel doet, dat het Sacrament voor nu of voor later de kracht van een zegel bij het woord voor u krijgt, is dan dat door den Heiligen Geest ingedrukte zegel niet oneindig zekerder en gewisser dan het plechtigste zegel, dat de machtigste koning op aarde u geven kan ?

Zooals een koning om zijn zegel te zetten zijn zegelring gebruikt, en dien indrukt, opdat het zegel alzoo op het handschrift sta, zoo ook neemt de Christus, uw Koning, het Sacrament als een zegelring, drukt dat door zijn Heiligen Geest in uw ziel af, en alzoo ontstaat in uw innerlijk besef het afgedrukte zegel, dat uw geloof steunt en u in uw slingeringen en twijfelingen te hulpe komt.

En de uitkomst toont het dan ook.

In de dagen onzer vaderen, toen het Bondszegel ijverig gezocht wierd, heerschte er algemeen groote geloofsverzekerdheid.

Thans nu het Bondszegel vaak gemeden wordt, verwoest de twijfel en de bekommering zoo menige ziel.

ocr page 51

II.

YAN DEN HEILIGEN DOOP.

I. „Deze is aldaar geboren.quot;

OVERGANG TOT DEN H. DOOP.

De Heere zal hen rekenen in het opschrijven der volken, zeggende : Deze is aldaar geboren.

Psalm 87 ; 6.

Als ge aan uw Doop denkt, denkt ge vanzelf aan uw geboorte, die vlak daarachter ligt. Want, ja, een zeer enkele wordt pas op later leeftijd gedoopt, maar voor de breede schare der Christenheid vallen geboorte en Doop bijna saam. Lang zelfs deed de Doopakte dienst voor wat men nu noemt de „akte van geboorte.quot;

Nu waart ge in uw geboorte al zeer lijdelijk. Ge werdt geboren uit uw moeder, ge waart gegenereerd door uw vader, een teedere zorge omving u en omringde u, toen ge voor het eerst uw oog ontsloot voor het licht der zon ; maar gij deedt zelf niets.

Denkt ge nu aan die ure wel eens terug ? Misschien niet uit uzelven, maar dan toch aan de hand van David, den man Gods ? Want David dacht veel aan de wondere ure zijner geboorte. Herinner u maar wat hij in Psalm 22 zong; „Gij zijt het immers, die mij uit den buik hebt uitgetogen ; die mij hebt doen vertrouwen, zijnde aan mijner moeders borsten. Op U ben ik geworpen van de baarmoeder af; van den buik mijner moeder aan zijt Gij mijn God.quot;

Ja, zelfs achter zijn geboorte placht David in de ontfermingen zijns Gods terug te dringen, en zoo zong hij in Psalm 139: „Ik loof U, omdat ik op heel vreeselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt ben, en als een borduursel gewrocht ben in de nederste deelen der aarde. Uw oogen hebben mijn ongevortnden klomp gezien; en al deze dingen waren in uw boek geschreven, de dagen toen zij geformeerd zouden worden; toen nog geen van die was.quot;

Zoo gaat dus David zeer ver terug. Hij ziet zichzelven als kind in

ocr page 52

4Ü

Isaï's huize meêzingen in het loflied, en betuigt: „Uit den mond der kinderen en der zuigelingen hebt Gij U lof bereid.quot;

Hij denkt terug aan de weken eu maanden, toen hij als zuigeling zoo in stil vertrouwen aan de borst van zijn moeder lag te genieten, en belijdt dat God dit vertrouwen in hem als klein wicht gewrocht had. Hij denkt aan het eigen oogenblik, toen hij uit zijn moeder geboren werd, en zegt dat niet de vroedvrouw, maar eigenlijk God hem heeft uitgetogen. Hij leeft, achter die geboorte, terug in de maanden, toen zijn moeder hem onder haar hart droeg, en ziet nu hoe Gods oog waakte over zijn ongevormden klomp; ja hoe toen niet zijn moeder, maar God hem in zijn moeders schoot als een keurig borduursel toebereidde. En ten slotte gaat hij zelfs tot achter den tijd dat zelfs zijn vader en moeder er nog niet waren, en leest nu in het boek van Gods raadsbesluiten, hoe daarin alles reeds vaststond, eer nog iets geformeerd was, ja toen nog geene van die dingen er waren.

Is dat nu iets exceptioneels voor David geweest ?

Natuurlijk niet. Veeleer zong hij alles wat hij van zijn kind-zijn, en zijn geboorte, en het bestel Gods achter zijn geboorte jubelde, op grond van de wetenschap, dat het zoo bij ieder kindeke toeging, dat geboren werd. Dus ook bij u.

Toch kon het zijn, dat gij dusver te traag van geest waart, om zoo diep in uw eigen verleden terug te dringen, en vooral om in dit diepe verleden nog de ontferraingen Gods op te merken.

Voor de meesten reikt de herinnering van hun eigen verleden niet zoover.

Zoo ongeveer weten ze van een tijd, toen ze naar school gingen; maar wat achter het zesde, zevende jaar ligt, rekent in de herinnering der meesten ternauwernood meê. Aan de kraamkamer, waarin ze zelf het kraamkindeke waren, hebben slechts zeer weinigen gedacht. Zelfs al ontmoetten ze later hun eigen baker, dan komt het nog niet in hen op, om terug te denken aan den tijd, toen ze zelf de moedermelk indronken. En al keerde ook nog zoo dikwijls uw geboortedag terug, wie is er, die ooit met heilige vreeze terugdacht, zooals David, aan het ^ogenblik, toen zijn aanzijn op deze aarde begon; om nu nog niet eens te spreken van wat achter die geboorte ligt, en wat valsche en onvrome kieschheid beter acht te vergeten.

Doch daardoor komt uw geloof dan ook scheef te staan.

Want uw geloof kan uiteraard niet verder in uw verleden teruggeleid, dan de herinnering, de heldere gedachtenis van uw verleden gaat. En door die eerste zeven jaren van uw leven in het donker te laten schuilen, schuilt dus ook voor u in het donker, al wat uw God reeds die eerste zeven jaren van uw leven voor u deed.

En daarin nu was David, vromer en oordeelde hij u.

De drang om zijn God te loven, spande zijn ziel, en daarom mocht

ocr page 53

41

niets aan de vergetelheid prijsgegeven, waarin de liefde van zijn God voor hem uitblonk. En overmits nu die liefde van zijn God voor hem nooit zoo teeder, zoo alomvattend en zoo onverdiend was geweest als juist in die eerste levensjaren, daarom kon hij er niet van zwijgen, maar galmde den lof des Heeren uit, en riep u en mij, en een iegelijk mensch op, om den Allerhoogste ook voor de eerste liefde den lof en de eere te geven.

Neen, uw God is niet pas op uw zevende of achtste jaar tot u gekomen, maar had reeds jaren van teedere liefde aan u besteed, toen gij voor het eerst zijn heiligen naam leerdet stamelen.

Gods liefde is uw kennisse van zijn liefde jarenlang voor geweest. U voor geweest juist in die jaren, toen er in u nog geen gebed en nog geen vroomheid was, en toen gij nog nooit iets voor uw God hadt kunnen doen. Ja, u voor geweest juist in dien teedren tijd van uw leven, toen ge geheel hulpeloos, geheel machteloos, zonder een zorgende liefde, die u voorkwam en u omringde, kort na uw geboren worden reeds een kind des doods zoudt zijn geweest.

En zeg nu niet, dat ge daarvoor uw moeder hebt gedankt, of uw vader wederliefde hebt vergolden; want daarmee zijt ge er niet van af.

Of wie was het, die uw moeder die teedere liefde voor u inboezemde, en uw vader voor u waken deed ? Hun aard, hun natuur, hun hart, zegt ge; en ge zegt wel, maar nu, antwoord verder; Wie schiep hun dien aard in, wie begiftigde hen met die natuur, wie was het, die in hun hart die liefde voor hun kind wekte? Was het niet God de Heere? En onthoudt ge dan Hem zijn lof niet, zoo ge bij vader en bij moeder staan blijft, zonder achter beiden ook naar de liefde van uw Vader in de hemelen door te dringen ?

En zegt ge, dat er in uw jonge leven dan toch niets was, waarin rechtstreeks de liefde van uw God uitkwam, spreekt ge u ook dan niet voorbij ?

Of zijt ook gij dan niet gedoopt geworden ?

En toen ge gedoopt wierdt, was het toen de Heere der heerlijkheid niet, die rechtstreeks toonde met u, als klein en hulpeloos wicht, een bemoeienisse van genade te willen hebben?

Maar zoo gaat het in ons onnadenkend leven.

Omdat we er onszelven niets van herinneren, rekenen we met ons leven uit de eerste reeks jaren van ons aanzijn niet; en ómdat we met die eerste levensjaren niet rekenen, rekenen we ook zoo bijna nooit met onzen eigen Doop.

Wel met den hoop. Ook met den Doop van anderen. Vooral met den Doop van onze eigen lievelingen. Maar met den Doop, die aan onszelven is toegediend, och, zoo weinig!

En toch, ook daarmee onthoudt ge Gode zijn eere.

Want dat ge als klein kindeke gedoopt wierdt, was toch alleen

ocr page 54

42

omdat ge „aldaar geboren zijt,quot; zooals het in Psalm 87 heet, t. w. op de erve van Gods heilig Genadeverbond. „Van Sion zal gezegd worden: Die en die is daar geboren, en de Allerhoogste zelf zal ze bevestigen. En de Heere zal ze rekenen in het opschrijven der volkeren, zeggende: Deze is aldaar geloren.quot;

Laat nu den dieperen zin van dit lied der Korachieten een oogen-blik rusten, en neem er alleen deze gedachte uit op, hoe reeds het geboren zijn op de erve des koninkrijks u een rijken zegen, en o. a. den «zegen van uw Doop bracht.

Ook gij hadt toch evengoed kunnen geboren zijn in Soedan of Tom-boktu, om, als slaaf en slavin verkocht, in harden dienst en in gansch troostelooze heidensche donkerheid uw aanzijn te slijten. Gij hadt het levenslicht kunnen zien onder de Eokkaneezen of de Zoeloes. Ge hadt kunnen geboren worden in een land en bij een volk, waar zelfs de naam van Christus niet bekend was.

Keeds in dat eene feit, dat ge hier geboren zijt, ligt dus reeds een rijke beschikking. Niets onderscheidde u nog, en niets kon u nog onderscheiden, want ge waart er nog niet, en kondt dus nog in niets beter zijn dan zulk een zwart, heidensch negerkind. Zoo ooit een genade onverdiend en ongebonden was, en u Gods vrijmachtige, souve-reine beschikking toont, dan was het dit uw geboren worden in een kring waar zijn Verbond zich zegenend over u uitbreidde.

En daarom ging David tot achter zijn geboorte in dat eeuwig welbehagen terug.

Al deze dingen waren in zijn Boek beschreven, eer ze geformeerd zouden worden, toen nog geen van die was.

Door niets wordt men dan ook zoo beslist gereformeerd als door op eigen geboorte te zien en achler eigen ontvangenis terug te gaan.

Én de vijand van Gods waarheid speelt er in, dat toch ook zoovele Gereformeerden meedoen aan de zonde, om Gods weldadigheden in, voor en kort na hun geboorte zoo weinig te gedenken.

o. Dacht ge maar meer aan uw eigen Doop; want in dien Doop schittert die zorge Gods voor het nog willoos, sprakeloos en hulpeloos kindeke zoo goddelijk schoon. In dien Doop liggen als in een bundel al de stralen zijner goddelijke ontferming voor het jonge wicht saamgevat.

Niet alsof iemand, die niet op het erf geboren was, er niet kon komen, noch ook, alsof wie er wel geboren was, er zeker kwam. Ook hierbij toch gaat het diepzinnige woord van den Prediker door: „De één komt uit het gevangenhuis om koning te zijn, en een ander, die in het koninkrijk geboren is, verarmt.quot; Zoo toch zal het ook hier zijn. Er zijn geboren Heidenen, die uit het gevangenhuis naar het Koninkrijk van Christus komen, en er zijn geboren Koningskinderen, die uit den rijkdom Christi in de geestelijke armoede van het Heidendom terugvallen.

ocr page 55

43

Ook ten deze overdrijve raen dus niet.

Maar dit neemt het feit niet weg, dat stellig negen tienden van Gods kinderen reeds in hun geboorte de genade ontvingen, dat ze geboren wierden in de banden van het Genadeverbond, op de erve des Koninkrijks, in den glans van een hemelsch licht.

Dat goddelijk privilege nu viel ook u ten deel.

Van dat privilege is uw Doop u het teeken geweest, en daarom moet ge uw Doop u levenslang herinneren.

„Aldaar geborenquot; buiten uw wil, buiten uw weten, buiten uw toedoen ; maar krachtens het willen, met het weten, door het doen van uw God.

En daarom zijt ge gedoopt geworden.

II. „Zoovelen als gij in Christus gedoopt zijt.quot;

OOK GIJ ZIJT GEDOOPT.

Want zoovelen als gij in Christus gedoopt zijt, hebt gij Christus aangedaan.

Galaten 3 : 27.

Ook gij zijt gedoopt. Gedoopt in den naam van Vader, Zoon en Heiligen Geest. En door dien Doop ook zichtbaar onder de hoede van het Genadeverbond gesteld.

Daar wist ge, toen het Doopwater u op het voorhoofd wierd gesprenkeld, wel niets van af. Het ging geheel buiten u om. Gij waart er geheel lijdelijk onder. Ge kondt er niets tegen, er niets voor doen. Maar met dat al ü uw Doop aan u voltrokken en rekent in uw leven mee.

Had men u, als weerloos wicht van weinig weken, instede van naar den heiligen Doop naar der Joden besnijdenis gebracht, of waart ge dieflijk ontstolen en naar een Turksch of Heidensch land gevoerd, ge zoudt er evenmin iets aan hebben kunnen doen. Ge waart willoos en een ander kon met u doen naar zijn wil. En zoo ook is uw Doop in uw eerste levensdagen u door den wil eens anderen toegekomen.

Zult ge nu daarom zeggen : „De mij toegediende Doop gaat niet aan. Deswege mogen zij toezien, die mij lieten doopen 1quot; Maar immers dat zou een pure illusie zijn, want ook uw ontvangenis en geboorte hing niet van u af, en gaat dan daarom uw geboorte, uw ontvangen van het leven, uw mensch-zijn onder de kinderen der menschen u niet aan ?

Of zult ge antwoorden : „Ja, maar mijn geboorte schonk mij mijn

ocr page 56

44.

leven, en dat voel, dat geniet ik; maar van mijn üoop ontwaar of merk ik niets,quot; gun mij dan een wedervraag.

Er zijn, nadat ge als kindeke geboren waart, zeker tien, misschien twintig jaren verloopen, eer het mysterie uwer geboorte zich allengs voor u ontsluierde. Eerst wist ge ook daar niets van. Toen zijt ge allengs van een vader en moeder gaan hooren. Voortgaande hebt ge tot uwe bevreemding ontdekt, dat ge er eens niet waart. Toen hebt ge een tijdlang den droom meêgedroomd, dat ge van elders in uws vaders huis waart ingedragen. En eerst toen ge ouder wierdt, is u allengs het geheimnis voor uw bewustzijn getreden, dat ge geboren waart uit uw moeders schoot.

In uw geboorte, die buiten uw wil en weten omging, lag dus ook een mysterie, waar ge eerst niets van vermoeddet, waar ge eerst niets aan gehecht hebt, en dat eerst van lieverlede voor u ontdekt is.

Wat zou het dan zijn, indien het zoo ook met uio hoop gelegen was?

Immers ook van dien Doop weten godzalige mannen en vrouwen, die allengs op hun dagen komen, te verhalen, dat ze eerst niets aan hun Doop hadden gehecht, niets van een mysterie, dat daarachter en daarin lag, vermoed hadden ; maar dat allengs en van lieverlee ook over dien üoop het licht voor hen is opgegaan. En dat ze toen ontdekt hebben, hoe die Doop niets minder dan die geboorte over hun leven heeft beslist, en dat zoo die geboorte hen opleidde tot hun aardsclien vader, die Doop bleek een heilige band te zijn, die hen bond aan hun Vader, die in de hemelen is.

Stel nu, gij merkt daarvan dusver nog niets; neem aan dat het voor uw besef nog altoos staat, alsof die Doop niets was dan een zekere plechtigheid, waarbij een mensch u water op het hoofd druppelde en eenige heilige woorden uitsprak ; zoodat ge van een mysterie, dat daarachter zou schuilen, van een heilige werking, die daardoor op u uitgeoefend zou zijn, nog niets ter wereld vermoedt; eilieve, dan staat gij immers tegenover uw Doop nog precies in dezelfde onnoozele conditie als een kind van zes of zeven jaar nog tegenover zijn geboorte staat, en dat er ook nog hoegenaamd niets van vermoedt, dat er in die geboorte zulk een diep levensmysterie zou schuilen.

En als gij dan tegenover diegenen, voor wie het licht over het Doopsmysterie wel opging, u sterk uitliet, dat ge daar niets van ge-loofdet, zoudt ge dan veel anders zijn dan een kindeke van zeven jaar, dat aan zijn moeder vertellen wou, dat er van een mysterie bij zijn geboorte eigenlijk niets aan was ?

Toegegeven moet, dat het Doopsmysterie voor u niets kan beteekenen, zoolang uw eigen persoonlijk geloof nog niet in dat mysterie indrong.

Maar als ge anderen, en daaronder godzalige mannen en vrouwen, u telkens hoort verzekeren, dat zij allengs in dit Doopsmysterie zijn ingeleid; dat het wel waarlijk bestaat; en minstens van even verre

ocr page 57

45

strekking ia als het mysterie uwer geboorte; wat grond of recht zoudt gij dan hebben, om dit voor inbeelding te verklaren ?

Veeleer moest dan reeds het gerucht, dat er zulk een Doopsmysterie is, u prikkelen, om met heilige nieuwsgierigheid in dit mysterie in te dringen, en niet te rusten, eer ge er alles van wist.

En als ge dan uzelf bekennen moet, dat ge reeds als kind, soms te nieuwsgierig waart, om in het mysterie van de menschelijke geboorte in te dringen, maar echter nooit eenige neiging in u ontwaard hebt, om met een heilige nieuwsgierigheid achter het mysterie van uw Doop te komen, ligt dan hierin niet reeds een oordeel ?

Het oordeel, dat de dingen des vleesches uw weetgierigheid sterker prikkelen dan de dingen des geesles.

En zou er dan niet in uw consciëntie zelve een innerlijke prediking zijn, die u uw onverschilligheid ten opzichte van uw eigen Doop als uitvloeisel van de zonde van uw hart verwijt ?

Of zult ge zeggen : „Indien dan al mijn Doop mij iets ten goede toebracht, welnu, zoo is dit goede mijn deel, en zal mijn nadenken er over er weinig aan toedoen.quot;

Maar dan mag toch gevraagd, of ge dan nooit gehoord hebt, dat uw Doop u ook wel eens kwaad kon doen ? Van het heilig Avondmaal, van het andere Sacrament, kwam u toch ook wel ter oore, dat men zich een oordeel kan eten en drinken. En zou dit dan ook niet met uw Doop zoo kunnen zijn ? Zou men ook niet gedoopt kunnen zijn met een Doop, die ten slotte bleek, ons tot een oordeel geworden te zijn ?

Ge zijt gedoopt in Christus Jezus. Maar van dien Christus staat het dan toch vast, dat reeds Simeon in den tempel van het kindeke Jezus profeteerde: „Deze wordt gezet lot een val en opstanding.quot; En de heilige apostel getuigde van het Evangelie, dat het wel voor den één een reuke des levens ten leven, maar ook voor den ander een reuke des doods ten doode is. En als dan nu uw Doop u rechtstreeks met Christus in verband zet, kan het dan anders of er moet van tweeën één uit volgen : val of opstanding, oordeel of voordeel, de dood of het leven ?

En gaat zulks u dan niet aan ?

Konden er dan uit dien Doop ook niet verplichtingen voor u voortvloeien, evengoed als er voor u verplichtingen voortvloeien uit uw geboorte uit die bepaalde ouders? Ja, zou het ook niet kunnen zijn, dat, evenals er uit uw geboorte rechten voortvloeien, zelfs rechten op een erfenis, dat er ook zoo in uw Doop heerlijke rechten scholen, die voor u van het uiterste belang waren?

Zoo ziet ge dus wel, dat het er niets toe doet, of ge van uw Doop al zelf niets afwist en er niets aan toebracht, maar dat het voor u zaak blijft, ja noodzaak is, om over uw Doop licht te vragen, in het

ocr page 58

46

mysterie van uw Doop in te dringen, en u op de hoogte te stellen van de verplichtingen en rechten, die uit uw Doop voor u voortvloeien.

Te doen alsof uw Doop u niet aanging, is in elk geval iets ongerijmds.

Had nu in uw Doop alleen uw vader en de Dienaar des Woords iets aan u gedaan, zoo ware het nog minder.

Maar zoo is het niet.

Evenals in uw geboorte wel iets van uw vader en van uw moeder was, maar er in die geboorte veelmeer nog een daad Gods was, die besloten had u in het aanzijn te roepen, bepaald had uit welke ouders, en waar, en op wat uur ge zoudt geboren worden ; verordineerd had wat soort mensch, en van wat aard en karakter gij zijn zoudt, en toen op het juiste oogenblik uw ziel geschapen had — zoo ook is het met uw Doop.

Ook in den Doop is wat uw vader deed en de Dienaar des Sacraments deed geheel verdwijnend bij de daad Gods in het Sacrament, die u liet geboren worden in de schaduw van zijn Genadeverbond, en niet in een Heidenland ; die u uw aanzijn gaf in een gezin, waar de Doop nog gezocht wordt; en u deed inkomen in een kerk, waar zijn heilige Doop ook aan kinderkens bediend wordt ; en die toen op het heilig oogenblik zelf zijn Sacrament tot Sacrament heeft gemaakt, door onder de besprenkeling met het water zijn goddelijke kracht in het Sacrament te laten werken.

Zonder een daad Gods is er geen geboorte van een menschenkind, en zonder een daad Gods kan geen kind des menschen gedoopt worden.

Wel is er soms schijndoop, gelijk er ook onder menschen een schijn-geboorte kan zijn, dat er niet gedoopt is en geen kind geboren wierd. Maar daar reppen we nu niet van. We spreken van een wezenlijken Doop, gelijk we spraken van een wezenlijke geboorte, dat ge zeggen kunt; Er is een kind geboren, en deze mensch is gedoopt.

En dan is er altoos de daad Gods, zijn goddelijke werking, die niet ledig tot Hem wederkeert, maar die altoos, evenals de geboorte, ten zegen of ten vloek moet worden.

Een daad Gods, die in dit korte aardsche leven nog slechts even haar spoor teekent, maar die in veel sterker mate beslissen zal voor uw bestaan in de eeuwigheid.

Maak daarom aan die roekelooze onnadenkendheid hoe eer hoe beter een einde; en zeg het u telkens en telkens weêr: „Ik ben niet slechts geboren, maar ook gedoopt, en ook achter dien Doop schuilt een diep mysterie, waar ik voor nu en eeuwig meê te maken heb.quot;

Waarmede ge te maken hebt, omdat in uw Doop, evengoed als in uw geboorte. God over u te beschikken heeft, vrijmachtig en souverein.

Zooals Hij geheel vrijmachtig en souverein, den één een jongen en den ander een meisje doet geboren worden, waarmede toch hun toe-

ocr page 59

47

komst voor heel hun leven beslist ia, en waaraan zij niets veranderen kunnen, zoodat noch de jongen ooit een meisje, noch het meisje ooit een jongen kan worden, zoo ook heeft God over u beschikt in den Doop.

Anderen werden niet gedoopt, gij wel.

Maar nu zijt ge dan ook gedoopt, en ge kunt nooit weêr een ongedoopte worden.

Ge kunt uw Doop niet tenietdoen. Ge kunt uw Doop niet ongedaan maken. En of ge al uw Doop vergeet, er niet aan denkt, ja er tegen mort, het baat u alles niet; gij zijt en blijft een gedoopte, en naar uw Doop zult ge geoordeeld worden.

Alzoo toch spreekt de heilige apostel: „Zoovelen dan als gij in Christus Jezus gedoopt zijt, hebt gij Christus aangedaanquot;

Voorzooveel ge uit uw vader geboren zijt, hebt ge uw vader aangedaan, tl. w. z, draagt ge zijn naam, vloeit zijn bloed u in de aderen, rekent ge met zijn geslacht, en zult ge in de eere of smaad van uw vader deelen. Dat komt zoo, of ge wilt of niet.

En zoo ook hebt ge, zoovelen als ge in Christus gedoopt zijt, den Christus aangedaan, en wordt ge dus naar Hem en met Hem gerekend. En ook dat geschiedt zoo, of gij het wilt of niet wilt. En al naar ge het wilt of niet wilt, uzelven ten zegen of ten vloek.

III, „Laat u doopen.quot;

VEEZUIM VAN DEN H. DOOP.

Ea nu, wat vertoeft gij ? Sta op, en laat u doopen, en uwe zonden afwasschen, aanroepende den naam des Heeren. Hand. 22 : 16.

Nog altoos zijn er Christelijke pariahs in ons land.

Pariahs noemt men in Indië lieden, die niet ingelijfd zijn in een heiligen, socialen kring of kaste. En zoo is Christelijke pariahs een niet ongeschikte naam, om die verwaarloosden aan te duiden, die temidden van een Christelijke omgeving nog altoos ongedoopt voortleven.

Let op die bijvoeging: temidden eener Christelijke omgeving.

Want natuurlijk, als ge huisgezinnen binnentreedt, zooals ge die vooral in onze grootere steden bij honderdtallen vinden kunt, waar nooit meer gebeden wordt, waar met de Heilige Schrift stelselmatig gespot wordt, en de levensleus weêr als in Noachs dagen werd; „Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij,quot; dan komt het niet in u op, naar den Heiligen Doop te vragen. Eer stuit het u dan, zoo ge

ocr page 60

48

hoort, dat ook uit zulk een gezin nog een kind naar de Doopvont wierd gedragen, of, zoo het een rijk Mennonietengezin is, op later leeftijd naar den Doop ging.

Immers tusschen zulk een gezin en den heiligen Doop bestaat niet de minste gemeenschap. Zulk een levenstoon en de heilige Doop vloekt. En zelfs het feit der ervaring, dat soms ook uit zulk een gezin nog een enkele tot bekeering kwam, ontneemt niets aan het oordeel, dat zulk een erger dan Heidensch gezin door zijn spelen met den heiligen Doop over zich haalde.

Ook hiervan geldt het: „Dwaalt niet. God laat zich niet bespotten.quot;

Dezulken noemen we dan ook geen „Christelijke pariahs.quot; Het zijn eenvoudig huisgezinnen, die geheel en al van den Christus zijn afgevallen, die met het lichaam van Christus ganschelijk gebroken hebben, en daardoor in goddeloozer conditie verkeeren dan de Mahoraedanen in Arabië of de Heiden in China.

„Neen, Christelijke „pariahsquot; zijn die enkele ongedoopten, die nog hier en daar in overigens Christelijke kringen worden aangetroffen, en aan wier ongedoopten staat hoe eer hoe beter een einde moet worden gemaakt,

Zijt gij zeker dat ge gedoopt zijt?

Noem dit geen vreemde vraag, want, helaas, er zijn er maar al te velen, die alterlei dingen aan hun ouders gevraagd hebben, maar nog nooit informeerden naar hun eigen Doop.

Nieuwsgierig is men anders genoeg, en zelfs durft men tot onbescheiden wordens toe alles aan zijn ouders vragen. En het is dus niets dan onverschilligheid omtrent uw eigen Doop, zoo ge nog nooit onderzocht, waar, wanneer en door wien ge gedoopt zijt.

Eigenlijk moesten de kerken nog als vanouds een doopakte afgeven.

Vroeger deed men dit, toen er nog geen Burgerlijke stand was, en men dus geen geboorte-akte kreeg. Men wierd toen bijna altoos op den dag zeiven gedoopt, waarop men geboren- was, of althans kort daarna, en zoo deed de doopceel toen denzelfden dienst, dien thans de geboorte-akte doet. In de spreekwijze: „iemands doopceel lichtenquot; is hier de heugenis nog van over.

Maar toen de geboorte-akte kwam, was de doopceel voor een later huwelijk of een mogelijke erfenisse niet meer noodig; en toen vroeg men er niet meer om.

Een tijdlang teekenden toen onze vaderen de doopceelen in hun huisbijbel op. In elk gezin had men een grooten folio-Statenbijbel met wit papier er voor, en daarin teekende men zijn eigen Genesis en de Genesis van zijn geslacht aan.

„Genesisquot; toch beteekent de geboorte en beginselen en aanvangen der dingen. Gelijk er dan ook in Genesis telkens bij staat: ^ „Dit zijn de geboorten, d. i. de Genesis, van Noach, van Abraham enz. En zoo nu boekten onze vaderen bij de Genesis van de Heilige Schrift,

ocr page 61

49

de Genesis van hun eigen geslacht en persoon, en teekenden in hun Bijbel aan, waar en wanneer ze geboren waren; waar, wanneer en door wien ze waren gedoopt; door wien, met wien en waar ze gehuwd werden ; en ten slotte waar en wanneer hun lieven stierven en begraven werden. Een kostelijke, een heilige, een historische gewoonte, die hoe eer hoe beter in al onze gezinnen moet worden hersteld, met invoeging van alle reeds gestorvenen, die men zich nog herinneren kan. Voor elk gezin een geslachtsboek. Niet slechts voor de mannen van adel, maar ook in het gezin van den werkman. Want immers ons geslacht is een deel van ons eigen leven ; de wortel waaruit we gesproten zijn.

Dan behoefde de vraag; „Zijt gij wel gedoopt ?quot; nooit meer gedaan te worden. Uah wist men zulks, en stond het te boek.

Nu zijn er ongedoopten van velerlei gading.

quot;Veel, zeer veel ongedoopte kinderkens, die reeds lang gedoopt moesten zijn. Eigenlijk moet de Heilige Doop de geboorte op den voet volgen; en reeds bij een kindeke van drie en meer weken moet het „ongedooptquot; zijn dus afgekeurd. Doch hierin schuilt, naar de usantie onzer ingezonken tijden, nog geen opzettelijk verzuim, daar nog altoos verreweg de meesten in den waan verkeeren, dat er voor de 3de of 4e levensweek van geen Doop sprake kan zijn.

Erger daarentegen wordt het, zoo ook die thans verkeerdelijk aangenomen termijn van een maand of iets daarboven overschreden wordt. Dan loopt het op een half jaar. Straks op een jaar. En is men die grens eenmaal over, dan wordt het uitgesteld en altoos weer uitgesteld, tot men ten leste kinderen van 3, 5, 7 en meer jaren vindt, die nog altoos ongedoopt rondloopen. En dat niet, omdat men tegen den kinderdoop is, maar omdat men slordig leeft en het heilige niet acht, en in al zulk verzuim geen zonde ziet.

Daar komt nu allengs wel beterschap in, want zeer groot is het aantal van zulke kinderen, waarbij, na de gebeurtenissen der Separatie en der Doleantie, de Doop is ingehaald.

Maar toch, er verkeeren nog altoos geheele scharen van kinderen in zulk geval; veel meer dan men wanen zou ; en op deze allen moet gewerkt, dat de Doop hun zoo spoedig mogelijk worde toebediend.

Soms is hierbij armoe, soms pure slordigheid, soms dieper zonde, soms kerkelijk bezwaar in het spel geweest.

Armoe, als in het schamele gezin de bevalling der moeder de laatste penningen uitputte, en er geen fatsoenlijk kleed voor de moeder is, om ter kerke te gaan, en ook het kindeke geen zondagskleedje heeft om ten Doop gepresenteerd te worden.

Toestanden waar het hart bij schreit; waar broederen diakenen wel een helpende hand mochten bieden, en waar nooit anders dan met diepen weemoed aan mag gedacht worden ; maar die toch nooit het verzuim van den Doop verontschuldigen.

4

ocr page 62

50

Handelde men toch Gereformeerd, en liet men zijn kindeke terstond na de geboorte doopen, op Zondag of in de week doopen, dan verviel heel dit bezwaar vanzelf, en zou er geen Doop verzuimd worden.

Niet zelden is dit beroep op zijn armoê dan ook niets dan een voorwendsel om zijn „pure slordigheidquot; te bedekken.

Men kon wel, en het zou ook wel, als men maar wilskracht had, zich meer gewend had aan een geregeld leven, en de kunst verstond om een vast besluit te nemen. Dan toch zou het reeds terstond bij de geboorte vaststaan : Dan en dan gaat het kindeke ten Doop, en dat besluit zou worden uitgevoerd.

Maar helaas, die wilskracht, die vastheid van leven ontbreekt in zooveel gezinnen. Men leeft bij den dag. Men leeft gedachteloos. Men drijft al naar den stroom der dagelijksche veelvuldigheden. En zoo is uitstellen regel. Van uitstellen komt vergeten. En dan is er ten slotte geen enkele prikkel meer, die tot plichtsbetrachting drijft.

Ook zunde is niet zelden een verhindering voor den Doop geweest.

Hetzij dat het kindeke in zonde van ontucht verwekt of ook-geboren was, hetzij dat het zondig wangedrag van den man aan het opgaan een Doop in den weg stond.

Nu kan, wie een menschelijk hart heeft, die schaamte in het vrouwlijk gemoed beide malen verstaan ; maar toch mag ze nooit in die mate toegelaten, dat ze den Doop verhinderen zou.

Ook wie gelooft kan struikelen, diep vallen zelfs, maar hierin juist komt het geloof dan uit, dat het uit dien val zich met verbrijzeling der ziele weer tot zijn God verheft, en juist het heilige zoekt.

En waar de zonde van den man, in dronkenschap, ruwheid of ongeloof, het opgaan ten Doop pijnlijk maakt, daar bedenke de vrouw haar zonde, hoe ze tol het huwelijk met zulk een man kwam, en be-kenne ze voor God, hoe juist onder zulk een man en vader, haar kroost aan den heiligen Doop nog te sterker behoefte zal hebben.

Het ongeloof van den man, ook al is hij zedelijk braaf, valt onder hetzelfde gezichtspunt.

Dan vindt zulk een man den Doop een kinderachtig, ijdel iets. Hij wil niet meê. Soms zelfs legt hij moeilijkheden in den weg. Maar ook dit verontschuldigt de moeder niet, noch ontslaat haar van haar plicht. Zij moet in het heilige optreden, niet als de man zelf het doet, maar juist als de man in gebreke blijft. En ook hier geldt het; Waarom gehuwd met een man, die den Christus Gods niet beleed 1 En nu gij er meê gehuwd zijt, moet nu niet alles gedaan, om uw kroost juist zeer nauw, en dus wel allereerst door den Doop, aan het heilige te verbinden ?

Iets anders is verzuim van den Doop om kerJcelijk bezwaar.

Soms woonde men te ver af. Soms kon er geen dienst des Woords

ocr page 63

51

en der Sacramenten zijn. Droeve toestanden, die aan uw God bekend zijn, en u niet schuldig zullen stellen, zoo ge er geen zonde in mengt, en dus, zoodra er Doop te verkrijgen is, dien Doop ook voor uw kin-deke zoekt.

Aan dit laatste toch hangt ten slotte alles.

Het verzuim moet ingehaald. Onze Christelijke pariahs moeten allengs geheel verdwijnen.

Verdwijnen onder de kinderen.

Maar verdwijnen ook onder de volwassenen.

Niet om maar een ieder te doopen, maar wel om te doopen al wie op den Doop recht heeft.

En daarom mocht het zijn, dat iemand van meerdere jaren dit las, die nog ongedoopt voortleeft, en uit schaamte nog altoos den Doop niet gezocht had, dan bekeere hij zich van dezen doolweg en zoeke hoe eer hoe beter het heilig Sacrament.

IY. „En het was de voorbereiding.quot;

VOOK DEN H. DOOP.

En het was de voorbereiding van het Pascha, en omtrent de zesde ure, en hij zeide tot de Joden: Ziet, uw Koning! Joh. 19:14.

Aan het Sacrament, dat de geloovigen saam en tegelijkertijd ontvangen, gaat juist deswege een gemeenschappelijlce voorbereiding vooraf.

Maar bij den heiligen Doop kan dat niet. Want immers gedoopt worden we maar eens, en dat op zoo onderscheiden tijden, dat bij den heiligen Doop van een gemeenschappelijke voorbereiding geen sprake kan zijn.

Ook kan er niet, gelijk aan het Avondmaal, een kerkelijke voorbereiding aan den heiligen Doop voorafgaan, omdat hiervoor in goed Gereformeerde kringen de tijd ontbreekt.

Ihans zou dat kunnen, na bijna ieder den Doop een, twee a drie weken uitstelt; maar het kan niet, wanneer de oude usantie onzer vaderen terugkeert, en de Doop de geboorte op den voet volgt.

Vandaar dan ook dat ge in uw Doopsformulier niets over zulk een voorbereiding vindt, en er kerkelijk nooit een dienst als „Voorbereiding vopr den heiligen Doopquot; is ingesteld. Wel een dienst als „Voorbereiding voor het heilig Avondmaal,quot; maar voor den Doop niet.

Dit nu is, helaas, oorzaak geworden dat de meesten in den waan

ocr page 64

52

verkeeren, alsof bij den heiligen Doop zulk een voorbereiding dan ook niet tepas komt, en dat verreweg de raeesten met hun lievelingen tot den Doop naderen in geestelijk geheel o«voorbereiden toestand.

Wel is er steeds zekere, soms zelfs al te drukke, voorbereiding voor het uitwendige. Er moet onderzocht wie doopen zal; welke kerk het meest geschikt is; waar men zijn briefje moet halen ; wie het kind zal heffen; hoe men het kindeke kleed en zal; in wat gewaad men zichzelf zal steken ; wie van de magen en vrienden zullen meegaan; wat men betalen moet aan fooien en uit zal reiken aan de armen; en ook wel, hoe men, thuisgekomen, zijn magen en vrienden aan het doopmaal onthalen zal.

Voorbereiding van allerlei aard dus, en een voorbereiding die niet mag afgekeurd ; want al wat met den Doop samenhangt, heeft reeds uit dien hoofde belang; en ook is het goed, dat alles met overleg en orde geschiede, maar toch als al deze voorbereiding is afgeloopen, wat is er dan eigenlijk nog voorbereid voor den heiligen Doop ?

Natuurlijk uw kindeke kunt ge tot den heiligen Doop niet voorbereiden.

Dat is Gods werk.

En als het Hem, den Vader der geesten, niet gehengt, uw kindeke vooraf de genade der wedergeboorte te schenken en het alzoo de kiem van het geloofsvermogen in te planten, dan zal het uw kindeke niets baten, al wierd het tienmaal gedoopt, ja, dan zal die Doop eer het oordeel voor uw kindeke verzwaren.

Maar al verblijft deze wondere genadedaad alleen en uitsluitend aan Gods souvereine vrijmacht, dan mag toch gevraagd, of het goed is, dat gij, als vader en moeder, in de dagen die tusschen geboorte en Doop verloopen, u om dit goddelijk geheimnis ganschelijk niet bekommert.

Ge hebt u vel bekommerd om de vleeschelijke geboorte van uw kind. Maar wat uit vleesch geboren wierd, is vleesch. Niemand kan een reine geven uit den onreine. En als ge dat lieve wicht nu in de wieg ziet liggen, moest toch met overweldigende kracht zich de vraag aan u opdringen : Schonk God hier nu ook een tweede geboorte ? Heeft de Vader der geesten, die mij dat kind en aan dat kind het levenslicht schonk, nu aan dat kleine wicht ook reeds genadelicht in de ziel doen toe-stralen? Het kan morgen sterven, o. Die kleine wichtjes sterven vroeg weg in gansch zeer groote menigte. En als ook mijn lieveling vroeg van mij ging, zal dan ook deze bloemknop eens ontluiken in den hof des Heeren ?

Wie zóó vraagt, die krijgt er ook gebed voor. Als vrucht van het gebed wekt God de Heere geloofsbeweging in zijn ziel. En zoo grijpt ge het woord der belofte, en wetende dat dit kindeke uit „geloovigenquot;' geboren is, maakt ge u op, om voor uw pasgeboren lieveling den Doop te vragen, onderstellende, vertrouwende, ja geloovende, dat God uw kindeke nog meer schonk dan wat de geboorte bracht uit het vleesch.

ocr page 65

53

Keeds zoo wordt uw gemoedsstemming, eer ge ten Doop gaat, een heet andere.

Want immers met wat heel ander oog zult ge uw lieveling aanzien indien ge in dat vertrouwen den Doop voor uw kindeke zoekt! Hoe zal uw kleine schat dan in zijn wieg of op uw schoot liggen, als omstraald met een glans van goddelijke genade! Wat zult ge dan veel minder hechten aan al het uitwendige, en schier eeniglijk opzien tot dien Vader der lichten, van wien ook bij en in den Doop de zegen aan uw lieveling moest toekomen!

Er komt dan een geheel andere richting in den gang uwer gedachten.

Ge hebt dan iets witar ge u aan vastklemt.

De Doop is dan niet meer iets vaags en vormelijks, waar ge eigenlijk niets bepaalds bij denken kunt, maar die heilige Doop vindt dan zijn grond in een genadewerk, dat God de Heere reeds in uw kleinen lieveling volbracht.

Eu dat zal dan vanzelf tot uiting van gedachten tusschen man en vrouw leiden.

Zooals men saamsprak over de nardsche geboorte van den kleine, zoo zal men dan ook saamspreken over het „bad der wedergeboorte,quot; en saam zich verbonden gevoelen in één geestelijke liefde voor zijn kind.

Ja meer nog, van vader en moeder zal die heldere, welbewuste ernst ook op de overige huisgenooten afstralen.

Ook die zullen niet maar hooren, dat broertje of zusje gedoopt zal worden, en dat er dus fraaie doopkleêren zullen zijn en straks een doopmaal. Neen, ook zij zullen onder den indruk komen, al naar hun jaren zijn, dat er sprake is van een werk Gods, waarop Hijzelf door zijn Doop het zegel zal zetten. En ze zullen merken, dat ook dat kleine zusje of broertje nog iets anders is dan een lief klompje vleesch, om te troetelen; want dat God de Heere, de trouwe Vader in lt;le hemelen, ook met dat kleine kindeke in de wieg reeds bemoei-nis heeft.

Dan zullen vader en moeder ook hun reeds gedoopte kinderen bij hun eigen Doop brengen.

Heel het gezin zal onder den indruk van den heiligen Doop gaan verkeeren.

Zelfs de dienstmaagden zullen in dien zegen deelen.

En zoo zal, reeds eer de Doop voltrokken is, koestering in geestelijken zin van den komenden Doop zijn uitgegaan.

En dan komt hierbij nog een andere voorbereiding.

Men zal straks in het midden der gemeente, voor het aangezicht des Heeren, op drie vragen hebben te antwoorden.

Vragen wichtig van inhoud; vragen met een diepen wortel; vragen van verre strekking.

En zal men nu die vragen zoo maar losweg aanhooren, en, zonder

ocr page 66

54

ze eigenlijk goed verstaan te hebben, met een knik van het hoofd beantwoorden, als waren die vragen een pure formaliteit?

Helaas, zoo gaat het maar al te dikwijls toe: en zoo is het te begrijpen, dat bijna niemand zijn mond meer opendoet, om duidelijk en luidkeels ja te zeggen, maar het afdoet met een knik met het hoofd.

Dat hoorde niet zoo. Ieder vader moest spreken. Niet ftauw en half murmelend, maar met duidelijke stem. Liefst niet allen tegelijk, maar op het rijtje af, één voor één, nadat ze bij namen waren afgeroepen. Broeder N. N., wat is op die vragen mo antwoord? — en dat broeder N. N. dan antwoordde: Ja ik.

Dat zou meer aangrijpen, en daardoor meer nopen om van tevoren die drie wichtige vragen nog eens te lezen en te herlezen, in te denken en te overdenken. Want het zijn toch vragen waar, o, zooveel inzit. Vragen, die eigenlijk elk Doopvader vanbuiten moest kennen.

Nu is, helaas, én het doen én het beantwoorden van die drie vragen vaak niets anders dan een leugenachtige vorm, een schijnheilige plechtigheid, een kerkelijke onwaarheid voor Gods oog.

Kn voelt ge de noodzakelijkheid weer, om u voor te bereiden voor „die vragen,quot; dan zult ge vanzelf ook tot het laatste komen wat deze voorbereiding van u vraagt, en ook vooraf aan de hand van uw Doops-formulier eens over den Doop zeiven gaan nadenken.

Dan zal de één het Doopsformulier zelf vooraf eens nalezen, om het, als het straks in de kerk gelezen wordt, te beter te kunnen volgen; althans zoo de Doopbedienaar het door zijn rad en inslikkend lezen niet bederft.

Maar een ander zal nog verder gaan, en ook eens nalezen wat zijn Catechismus in den 26en en S?1'quot; Zondag, en wat zijn Belijdenis in art. 34 van den heiligen Doop belijdt.

Nog weêr een derde zal de Schriftuurplaatsen naslaan, die van den heiligen Doop handelen, om vooral bij den Doop van den Heere Jezus stil te staan.

En ten leste zullen er ook zijn, die nog eens een afzonderlijk geschrift over den Doop in handen nemen, en niet rusten, eer ze in dit stuk van hun belijdenis een klaar en helder inzicht erlangen.

En als dit alles dan gepaard mag gaan met een gevoelige beweging der ziel, waardoor God de Heilige Geest zelf u in de heerlijkheid van den Doop inleidt, en inleidt in al de geheimnissen die met den Doop saamhangen, o, dan zal dat vooruit bezig zijn met u te doopen lieveling ; dat vooruit bezig zijn met die vragen ; dat vooruit indringen in uw belijdenis; dat vooruit lezen van de Heilige Schrift; en dat vooruit indringen met gebeden en dankzegging in de werkingen des Geestes, u den komenden Doop van uw lieveling tot zoo heel iets anders en veel rijkers maken, dat ge dan eerst recht gevoelt, hoe ge vroeger, bij uw gedachteloos en onvoorbereid ten Doop gaan, vaak gezondigd hebt.

ocr page 67

55

Zoo zal de Doop, die aanstaande ia, een lieflijken geur om zich verspreiden, die uw eigen ziel verkwikt, in uw huis een heiliger toon brengt, en u een rijke prediking is van de ontferraingen uws Gods.

Y. „Hebt gij den Heiligen Geest ontvangen?quot;

ONDER DEN H. DOOr.

Hebt gij den Heiligen Geest ontvangen, toen gij geloofd hebt? Hand. 19:2.

Hoe verkeert gij onder de bediening van den heiligen Doop?

Velen verkeeren er liever ganschelijk niet onder, tenzij zijzelven een eigen kind ten Doop brengen.

Dat merkt ge wel aan de schromelijke leegte, die in de namiddagbeurten vaak viel waar te nemen, als er gedoopt wierd. Nog erger aan de ongereformeerde instelling van afzonderlijke üoopbeurten. En het sterkst aan hen, die wegloopen als de Doopsbediening een aanvang gaat nemen.

Men denkt dan: „Die Doopsbediening is voor die ouders, die daar met hun kinderen verschenen zijn, maar mij gaat ze niet aan!quot; En natuurlijk, waarom zou men nog langer blijven ? De preek is uit. Dus gaat men.

Juist op dezelfde manier, als in de Roomsche kerk zij die niet communiceeren, opstaan en de kerk verlaten, als de Communie begint.

Maar onderstel, gij deedt zoo niet. Gij bleeft. Gij pleegt ook de bediening van den heiligen Doop bij te wonen. En daarom zij de vraag herhaald; Hoe verkeert gij onder de bediening van zulk een Doop?

Ze boeit u.

Gij vindt iets schoons, iets lieflijks in dat verschijnen in het midden der gemeente van die pasgeboren wichtjes. De Doop zelf gaat ook plechtig toe. De aanspraak aan de Doopouders vondt ge treffend.

En terwijl zoo de kinderen, die ter kerk waren, op stoel of bank klommen, en zich uitrekten, om er iets van te zien, hebt gij ook in heilige aandoening gestaard op dit aangrijpend tafereel.

Vooral waar het oog anders zoo weinig in onze eerediensten geniet, hebt ge in dat boeiend schouwspel genoten.

Misschien deedt ge zelfs meer.

Een enkel maal dacht ge allicht bij het zien van zulk een Doopsbediening aan uw eigen Doop terug; en, zoo ge vader of moeder zijt, ook aan uw eigen DoopsfcZo/fe bij den Doop van uw kroost.

ocr page 68

56

Doch daar bleef het dan ook bij.

Verder drongt ge niet door.

Meer had die bediening van den heiligen Doop u, aan uw eigen ziel, niet te zeggen.

Doch hoor nu, wat de heilige Paulus te Efeze aan de Johannes-jongeren vroeg.

Hij zei tot hen, lees het maar in Hand. 19 : „Hebt gij den Heiligen Geest ontvangen, toen gij geloofd hebt?quot; d. w. z. toen ge door den Doop in de kerk zijt opgenomen. Toen antwoordden die mannen van neen. Ze hadden zelfs niet gehoord dat er een Heilige Geest was. Iets wat natuurlijk niet zeggen wil, dat ze nooit van den Heiligen Geest hadden gehoord. Dal ware ongerijmd. Neen, maar ze bedoelden, dat ze nog nooit van een mededeeling des Heiligen Geestes hij den Doop gehoord hadden.

Zoo zegt ook de Evangelist Johannes: „De Heilige Geest was nog niet, overmits Jezus nog niet verheerlijkt wasquot; (Joh. 7 ; 39). Wat natuurlijk niet kan beteekenen, dat de Heilige Geest nog niet bestond; maar alleen zeggen wil, dat de uitstorting en de mededeeling van den Heiligen Geest toefde tot na Jezus' hemelvaart.

Vandaar dan ook dat Paulus aan die mannen te Efeze toen nader vroeg: „Waarin zijt gij dan gedoopt?quot;

En toen kwam het uit, waarom ze den Heiligen Geest nog niet ontvangen hadden. Ze waren namelijk wel valschelijk door een discipel van Johannes in den naam van Johannes, maar niet door Johannes den Dooper zeiven met het oog op den komenden Messias gedoopt.

Ze werden daarop nu pas gedoopt in den naam van den Heere Jezus. Daarbij legde Paulus hun de handen op. En zoo ontvingen zij den Heiligen Geest.

Het is dus een nagebootste doop, en geen Christelijke doop, tenzij hij dien Doop de Heilige Geest wordt ontvangen.

Iets wat de Doop van Jezus zelf u ook leeren kan.

Immers, toen Jezus gedoopt werd, daalde de Heilige Geest op Hem neder zichtbaar, als in de gedaante eener duive.

Maar zoo blijkt dan de bediening van den heiligen Doop ook iets heel anders te zijn, dan gij dacht.

Gij dacht, dat die ouders, dat kindeke, die prediker en die koster met de doopvont den Doop maakten.

Meer zaagt ge niet, en daarom hebt ge niet meer vermoed.

En juist daardoor zaagt ge de hoofdzaak, zaagt ge het eigenlijke, het wezenlijke van den Doop voorbij, en zaagt met het oog uwer ziele niets van wat bij en onder die Doopsbediening door uw God geschiedde.

Geen vermoeden zelfs hadt ge er van, dat er op dat oogenblik.

ocr page 69

57

temidden dier zich verdringende ouders, nog iets anders, iets veel hoogers en heerlijkers geschiedde.

Ge dacht niet aan de daad van God den Heiligen Geest.

Ge hadt niet gelet op wat uw Catechismus u geleerd had, dat het Sacrament, en dus ook de Doop, door God ingesteld was, om het geloof te derken.

Ge hadt er niet mee gerekend, dat, al kan zulk een klein kiudeke nog niet gelooven. God toch ook in zulk een klein wicht, reeds vóór den Doop, het geloofswemo^e» kan hebben ingeplant. Evengoed als dat kleine kind nog wel niet spreken kan, maar daarom toch reeds het spreek^erwo^re» van zijn God ontving. En zoo kwam het ook niet in u op, dat God de Hee^e, door een daad van zijnen Heiligen Geest, dat ingeplante geloofsvermogen bij dat kindeke door den Doop sterkt.

Doch nu wordt het u dan ook iets heel anders.

Nu is dat aandoenlijke u bijzaak. Dat plechtige slechts de vorm. En nu ontsluit zich uw oog bij de bediening van den heiligen Doop voor dien Onzienlijke, die, ongezien, toch tegenwoordig is, en door zijnen Heiligen Geest een daad van genade verricht aan het hart van zijn verkorenen.

Doch dan kunt ge hierbij ook niet blijven staan.

Immers ook gij zijt gedoopt, en zijt als gedoopte, met die kinderkens die gedoopt werden, in eenzelfde Verbond der genade begrepen.

Hun Doop is dus geen aparte Doop, maar een bediening van dien éénen zelfden Doop, die door God als zegel op zijn Verbond is gezet.

Zoo dikwijls er gedoopt wordt, is het dus altoos de terugkeering van dien éénen zelfden Doop, waarmee Jezus en al zijn volk gedoopt wierd; en zoo dikwijls die Doop weêr bediend wordt, is het altoos weer diezelfde God, die opnieuw aan zijn volk zijn Verbond verzegelt.

Eén Heere, één Geloof, één Doop.

Vandaar dat in uw Doopsformulier altoos gesproken wordt van „ons en onze kinderenquot;; en beleden wordt, dat God.de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest niet enkel aan die kinderen, maar ons betuigt de zekerheid zijner heiligheden.

„Als wij gedoopt worden in den Naam des Vaders, zoo betuigt ons God de Vaderquot; enz.

De Doop van die kinderkens gaat dus ook uzelf aan; spreekt ook u persoonlijk toe; en het is. op die kinderkens dat God alsnu zijn zegel zet van een Verbond der genade, dat ook u insluit, en dus ook u opnieuw bezegeld wordt.

Niet die kinderkens als zoodanig hebben op den Doop recht; maar ze hebben dat recht alleen omdat ze in het Verbond geboren zijn; en dus als het zaad der kerk in het midden der gemeente worden binnengedragen.

ocr page 70

58

Ja, nóg nauwer raakt die Doopsbediening heel het volk Gods, en dus ook u, zoo gij tot dat volk beliooren moogt.

Immers de werkingen van den Heiligen Geest zijn geen werkingen die slechts een oogenblik duren, en die Hij dan varen laat.

Eer omgekeerd laat God de Heilige Geest een werk, dat Hij begon, nooit varen. Heeft de Heilige Geest dus ook in het verborgene uwer ziel, toen ge zelf gedoopt wierdt, op een geheimzinnige en voor ons onbegrijpelijke wijze, het geXoohvermogen in u versterkt; en zijt ge, dank zij die sterking, later tot daadwerkelijk geloof gekomen; dan heeft de Heilige Geest ook u sinds uw Doop niet losgelaten, maar u in het oog gehouden, en u verzeld, ja, woning in u gemaakt.

Als gij eet, voedt Gods almacht uw lichaam door spijs; maar niet om u, als ge van tafel opstaat, nu voorts aan uzelf over te laten. Neen, diezelfde almacht Gods, die u spijsde, blijft u houden, hoeden en dragen, en als die almacht Gods u ook maar één oogenblik losliet, hield t ge op te bestaan. In Hem leeft ge, beweegt ge u en zijt ge.

En zoo nu ook hier.

Bij en door uw Doop heeft de Heilige Geest u gesterkt; maar niet om u daarna te laten varen. Neen, maar om van oogenblik tot oogenblik dit gesterkte genadeleven in uw ziel in stand te houden en te dragen.

Ook op het oogenblik dat ge onder de Doopsbediening van die kinderkens verkeert; is dus de Heilige Geest bezig, om in u het genadeleven te onderhouden. En diezelfde Heilige Geest, die daar door den Doop het geloofsvermogen in die kinderkens sterkt, is ook bij u in uw bank, of op uw stoel, waar ge zit, woont in u, en bewijst ook u genade.

En nu gebruikt die Heilige Geest de bediening van den Doop aan die kinderkens als een middel, om ook in u de sterking van uw eigen Doop te laten nawerken en u de genade te bevestigen.

Maar dan is bijwonen van de bediening van den heiligen Doop ook heel iets anders voor u.

Zoo wordt het niet meer iets aandoenlijks, maar iets heiligs.

Een genade bijzonderlijk aan dat kindeke, maar in algemeenen zin ook aan u bewezen.

Een liefdebetoon van den Ontfermer aan uw eigen hart.

ocr page 71

59

VI. „Grij zult met den Heiligen Geest gedoopt worden.quot;'

DE WERKING VAN CHRISTUS IN DEN HEILIGEN DOOP.

Want Johannes doopte wel met water, maar gij zult met den Heiligen Geest gedoopt worden, niet lang na deze dagen.

Hand. 1 :5.

Er ligt een wegsleepende bekoring in dat heerlijk denkbeeld, om „gedoopt te worden met den Heiligen Geest.quot;

De enkele gedachte er aan brengt de ziel reeds in heilige verrukking.

Er gaan zoo allerlei geesten in de wereld uit, en ge ondergaat van zoo velerlei geest den invloed, doch zonder dat de inwerking van die geesten u verheft. Maar al te vaak zelfs met het bang gevolg, dat die op u inwerkende geesten uw eigen geest, in uw boezem, onheilig aandoen en bezoedelen.

En daarom gaat u het hart open, als ge hoort van den Heiligen Geest.

Dat heilige, dat reine, dat goddelijke in dien Geest trekt u aan. Eeeds een onbewust besef zegt u, dat die Heilige Geest de Geest van Vader en van Zoon moet zijn. En als de stemme der kerk uit alle eeuwen u dan dien Heiligen Geest als zelf God leert aanbidden, en ook voor dien Heiligen Geest het lied uwer hulde vraagt, dan kunt ge de bede: „Kom, Geest des Vaders en des Zoons!quot; op uw lippen niet langer terughouden, en het diepste van uw menschelijk gevoel zegt het u, dat alleen die Heilige Geest u kan bevredigen.

Die Geest, die in u wonen, die innerlijk u troosten wil, en die, als gij het rechte gebed niet vindt, voor u en in u bidt met onuitsprekelijke verzachtingen.

En als ge dan hoort van een „gedoopt worden met dien Heiligen Geestquot;, en ge denkt daarbij aan een overdropen en overgoten worden met dien Geest in overvloedige volheid, dan kan het niet anders, of zelfs de godzaligste moet er altoos weer naar snakken, om door zulk een oversprenkeling met den Heiligen Geest als met versche olie overgoten te worden, en met den dauw der genade te worden gedrenkt.

En toch, vergis u niet.

Van zulk een overdrachtelijk gedoopt worden met den Heiligen Geest is in de rijke belofte, die Jezus voor zijn hemelvaart aan zijn discipelen gaf, volstrekt geen sprake. Jezus zegt heel iets anders en bedoelt heel iets anders.

Jezus zei: „Johannes doopte met water, maar gij zult met den Heiligen Geest gedoopt worden.quot; Een aankondiging alzoo, dat de profetie

ocr page 72

60

van Johannes stond vervuld te worden, toen hij sprak: „Ik doop u , wel met water, maar Hij, die na mij komt, zal u doopen met den Heiligen Geest en met vuur.quot;

Er is hier alzoo sprake van den heiligen Doop, en u wordt gezegd, dat er in dien Doop tweeërlei is. Een uitwendig iets, dat de mensch doet, als hij u met water doopt, en een inwendig iets, dat alleen Christus kan doen, als Hij u doopt met den Heiligen Geest.

Het water niets dan zinnebeeld en symbool van dien eigenlijken Doop, dien ge van Jezus ontvangt en die bestaat in een inwerking op uw zielsleven, die uitgaat van den Heiligen Geest.

Zoolang nu Christus niet verheerlijkt was, en nog niet op den troon zat, kon de Doop dus maar half zijn. Het kon nog maar enkel de uitwendige Doop met water zijn, dien een mensch toedient. En het kon onder en bij dien waterdoop nog niet komen tot het eigenlijke, het geestelijke, het inwendige van den Doop; de uitzending van den Heiligen Geest.

Hoor maar. De heilige apostel Johannes getuigt het uitdrukkelijk: „De Heilige Geest was nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was.quot; Iets wat natuurlijk niet wil zeggen, dat de Heilige Geest nog niet bestond; want de Heilige Geest is eeuwig. En ook niet, dat de Heilige Geest nog niet werkte, want bij Jezus' Doop was Hij neergedaald, en had Johannes den Dooper reeds bewerkt, toen hij nog in zijn moeder school. Maar wat beduidt, dat de Heilige Geest eerst dan op de kerk, als het lichaam van Christus, zou kunnen werken, als haar Hoofd verheerlijkt zou zijn.

Bij die allen, die nog alleen door Johannes gedoopt waren, was de Doop dus onvolkomen gebleven. Ze hadden wel het teeken, maar nog niet de zaak ontvangen. En daarom moesten ze die later afzonderlijk ontvangen.

En daarom nu zegt Jezus tot zijne jongeren, dat eerlang hun Doop stond voltooid te worden, want dat thans bij den uitwendigen water-doop de inwendige Geestesdoop stond bij te komen.

En zoo geschiedde het op den Pinksterdag.

Maar thans is Jezus wel verheerlijkt. Verheerlijkt reeds achttien eeuwen lang. En zoo viel thans alle oorzaak weg, waarom de Doop slechts half zou zijn.

Vandaar dat thans bij den heiligen Doop iets anders plaatsgrijpt dan bij den Doop van Johannes.

Nu niet maar enkel de uitwendige Doop met water door een mensch, maar gelijktijdig de inwendige Doop met den Heiligen Geest door Christus uit den hemel.

Ontbrak dat laatste, dan zou er geen Christelijke Doop, maar nog alleen een Johannes-Doop zijn. En dat zoekt ge toch niet in de kerk des Heeren.

ocr page 73

61

Ge ziet dan ook na den Pinksterdag, dat de Doop met den Heiligen Geest terstond volgt op den Doop met water. Iets wat toen kon uitgemaakt, omdat de Doop van den Heiligen Geest gemeenlijk, naar den aard dier tijden, verzeld ging met wonderbare verschijnselen, zooals het spreken met wonderbare klanken, die de Geest ingaf.

Maar natuurlijk die wondere klanken waren bijzaak. Ze verzelden den Doop met den Heiligen Geest, maar waren die Doop zelf niet. En al ziet ge dan ook later die wondere klanken verstommen, de Doop met den Heiligen Geest blijft.

Blijft ook nu nog.

Want zoo waarlijk als Christus de Heere nu nog leeft in den hemel, en in zijn naam doopen laat, zoo gewisselijk doopt Hij uit den hemel bij den waterdoop mee. Of liever nog, zoo gewisselyk dient Hij uit den hémel den eigenlijken Doop, den Doop des Geestes toe, zoo dikwijls op aarde in zijn naam aan een der zijnen, hetzij dan een kind of een man, de waterdoop wordt toebediend.

Als Jezus dus zegt; „Gij zult nu gedoopt worden met den Heiligen Geest, nadat ge eerst door Johannes nog alleen met water gedoopt waart,quot; geeft Hij een belofte niet alleen voor zijn apostelen, maar voor heel zijn Jcerk, en leert Hij u, dat in dat doopen met den Heiligen Geest de eigenlijke Christelijke Doop bestaat.

Als ge dus straks met uw lieveling voor de doopvont treedt, nadert ge niet maar tot den Dienaar om den waterdoop te ontvangen. Dat toch zou alleen een Johannes-Doop zijn. Maar nadert ge tegelijk en veelmeer tot Christus, die in den hemel zit, om van Hem op datzelfde oogenblik voor uw lieveling den doop des Heiligen Geestes te ontvangen.

De waterdoop is niets dan het zienlijk teeken; de naamgeving is bijkomstig en kon desnoods wegblijven ; de doopformule is op zichzelf slechts een klank ; maar Hij, die bij en onder den heiligen Doop uw kindeke den echten, eigenlijken en werkelijken Doop toebedeelt, is Christus de Heere, en Christus doopt niet met water, maar met den Heiligen Geest en met vuur.

Wat is nu die Doop met den Heiligen Geest?

Wil doopen met den Heiligen Geest zeggen, dat Jezus ons door den Heiligen Geest wederbaart ?

Dat kan niet wezen. Want immers dan had Jezus niet tot zijn discipelen kunnen zeggen, dat zij nog eerst met den Heiligen Geest zouden gedoopt worden. Zij waren wedergeboren. Dat blijkt uit wat Jezus zelf in het hoogepriesterlijk gebed zegt: „Zij zijn niet van de wereld, ge-lijkerwijs Ik van de wereld niet benquot;; en: „Deze hebben bekend, dat Gij Mij gezonden hebt.quot;

Ook beduidt deze „Doop met den Heiligen Geestquot; niet, dat ze zich nog hekeeren moesten, want dan had Jezus niet van hen kunnen ge-

ocr page 74

62

tuigen: „Zij waren uwe; en Gij hebt ze Mij gegeven, en ze hébben uw Woord bewaard.quot; Dat kan een onbekeerde niet.

En evenmin wil het zeggen, dat ze de Geestesgaven voor het ambt nog moesten krijgen; want reeds den dag na zijn opstanding had Hij hun de ambtelijke Geestesgaven verleend, toen Hij op hen blies, en sprak: „Ontvangt den Heiligen Geest.quot;

Ge moet er dus wel acht op geven, dat Jezus tot zijne jongeren, die reeds wedergeboren waren ; zich reeds krachtens deze wedergeboorte bekeerd hadden; en daarna de Geestesgaven voor het ambt hadden ontvangen, alsnu zegt: „Over eenige dagen zult gij pas gedoopt worden met den Heiligen Geest.quot;

Ook bij uw eigen Doop en bij den Doop van uw lievelingen hebt ge dus niet te verwachten, dat Christus uit den hemel, bij en onder den Doop, uw kindeke zal wederbaren; maar hebt ge te gelooven en te belijden, dat Christus een Doop met den Heiligen Geest tot stand brengt, die een geheel anderen zin en een andere beduidenis heeft.

Een Doop met den Heiligen Geest, die doelt en ziet op de aansluiting van uw kindeke aan het Lichaam van Christus.

Uw Catechismus spreekt van den „Heiligen Geest, die in Christus als het Hoofd en in ons als zijn leden woont.quot;

Verstaat ge dat ?

Aan uw eigen lichaam is een hoofd en zijn leden, en het is één levensgeest, die uw hoofd en de leden van uw lichaam doorademt en doortintelt. Trekt nu die levensgeest zich een oogenblik uit voet of arm terug, zoo slaapt die voet of is die arm dood. En eerst als de levensgeest in het bloed weer stroomt, leeft voet en arm weer met het lichaam meê.

En zoo nu is de Doop des Heiligen Geestes bij en onder den waterdoop.

De levensgeest straalt uit het Hoofd in dit nieuwe ledeke van het Lichaam uit, en irnrkt dat het nu één leven met het Lichaam des Heeren leven kan.

VIL „Mijn Verbond des vredesquot;.

als ,,geloovigequot; brengt ge uw kindeke ten doop.

Daarom spreek : Zie, Ik geef hem mijn Verbond des vredes. Num. 25:12.

Als uw kindeke gedoopt wordt, doet ook qij zelf iets.

Er komt niet een onbekende in uw woning sluipen, die in der

ocr page 75

63

haast uw kindeke doopt, met of tegen uw wil; maar het doopen van uw kindeke heeft plaats op uw aangifte ; op uw verzoek ; tengevolge van een stap waartoe ge overgingt.

En ge hebt dien heiligen Doop voor uw pasgeboren wichtje gevraagd, niet als een bedelaar, wien een aalmoes zal worden toegereikt, maar als iets dat uw kindeke toekwam. Toekwam omdat het uit u geboren wierd.

Dit is niet in ongeestelijken zin bedoeld ; alsof zoo maar al wat in het doophuis kwam gedoopt moest worden. Veeleer mag de vreeze niet onderdrukt, dat er zeer dikwijls gedoopt worden, wien de Doop niet toekomt.

Doch dit ligt dan aan uw kerk.

Zij is de wachtster door Christus bij zijn heiligheden besteld. Zij draagt de vaten des Heeren. Zij moet toezien, dat het Verbond niet ontheiligd worde. En niets heeft zoozeer de gemeenmaking van den heiligen Doop, en daardoor de innerlijke verkankering van de kerk van Christus, in de hand gewerkt, als dat doopen zonder keur.

Niet natuurlijk, alsof een predikant of ouderling zoo eens uit zou maken, wie niet en wie wel zal gedoopt worden. Geen wilkeur geldt hierbij, maar vaste regel; en die regel is, dat de Doop aan de „ge-loovigenquot; voor hun kinderen toekomt.

De kerk heeft dus wel te beoordeelen wie ze als „geloovigenquot; (altoos op uitwendige kenmerken) tot het heilig Avondmaal toelaat; en hiermee nu juist is de hand gelicht. Zoo schromelijk de hand gelicht, dat openbare loochenaars van het kruis van Christus toch zijn toegelaten. Tot eindelijk de kerkeraad van Amsterdam in 1886 dit geweigerd heeft, en aldus de Doleantie ontstond.

Er is dus zeer zeker keur ook bij den Kinderdoop, maar deze keur moet plaatshebben bij de toelating tot het Avondmaal en daarna door censuur. Want is iemand eenmaal als „geloovigequot; erkend, dan is hij in de uitwendige kerk een „bondgenootquot; of „bomlelingquot;, en dan komt hem van rechtswege de heilige Doop voor zijn kindeke toe.

Zoo gedenke dus een iegelijk, die met zijn kindeke tot den heiligen Doop opgaat, dat hij bij de doopvont nadert als een „geloovigequot;. Rn «lie toenadering moet dus zijn voor de uitwendige kerk als een „uitwendigquot; geloovige, maar ook als een inwendig geloovige voor zijn God.

Soms is dit 's Heeren volk een oorzaak van diepgaande zelfontdekking geworden. Men was dan ten Avondmaal toegelaten. Men was gehuwd. God had dit huwelijk met een kindeke gezegend. En nu zou men ten Doop gaan. Maar dien Doop voor zijn kindeke kon men alleen vragen op grond van het feit dat men een geloovige was.

Dat deed zulk een vader geworden jonkman vaak inkeeren in zich-zelven. De vraag: Ben ik een geloovige? weerklonk door de ziet. En nu voelde men opeens, hoe oppervlakkig dat belijden, hoe kreupel

ocr page 76

64

dat geloof dusver was geweest. En zoo viel men op de knieën, en ging de ziel in heilig gebed uit, en werd die Doop van zijn lieveling oorzaak van innerlijke verwakkering des geloofs.

En'dan ging het met een: ;,Heere, ik geloof, kom mijn klein geloof le hulpequot; naar de doopvont. En het was of men zelf nog eens gedoopt wierd, zoo heilig en teeder werd die ure doorleefd.

Doch, helaas, zoo ging het lang niet altijd.

Er ging ook zoo menigeen naar de doopvont zonder nadenken, zonder inkeer in zichzelf. Dan was het bot als een duive vanbinnen, en het bleef er bot tot den einde toe. En men kwam terug van den Doop zonder dankzegging in het hart, gelijk men er zonder gebed was heengegaan.

o. Het besef, het innerlijk gevoel, het zielsbewustzijn, waarmee men naar den heiligen Doop gaat, wordt zoo heel anders, zoo ge daarbij handelt als staande in het Verbond des vredes van uw God.

Toen Pinehas, de zoon van Eleazar, den priester, in de woestijn van Midian voor zijn God geijverd had, sprak de Heere tot hem: „Zie, Ik geef hem het Verbond mijns vredes, en hij zal hebben, en zijn zaad na hem, het verbond des eeuwigen priesterdoms.quot;

En zóó ook moet het met u staan.

Een ijver voor den Heere der heirscharen moet uw borst doorgloeien. Door dien ijver der zielsinnigste liefde aangegrepen, moet ge tot het belijden van uw Immanuel zijn gekomen. Voor Hem, tegen Satan, zonde en wereld ! En nu moet ook uwer de belofte zijn, van te staan in het Verbond des vredes met uw God; en, met uw zaad te zijn opgenomen in zijn heilige priesterschare.

Dat is het algemeene priesterschap der geloovigen ; en de Doop moet de heilige zalfolie zijn, waarmee eertijds gij, en nu uw kindeke, in dat priesterschap wordt opgenomen.

Als een vader met zijn kindeke ten Doop verschijnt, dan is hij een priester des Heeren, die ook voor zijn kindeke de inwijding in dat heilig priesterambt begeert.

Een heilig priesterschap, dat geen uitwendige glorie zoekt, maar de wereld verzaakt, om heilige handen naar den hooge op te heffen, en zichzelven, naar lichaam en ziel, Gode te stellen tot een welbehaaglijke offerande.

Niet die bedienaar van den Doop is de priester en gij de leek. Maar gijzelf zijt priester met hem, en hij is slechts één uit de broederen, en aller Hoogepriester is Christus de Heere, die zit op den troon zijner majesteit.

En zoo omslingert en verrijkt u dan de zalige, heerlijke gedachte van het Vredeverbond met uw God.

Een verbond der genade, dat ge met uw God hebt, en dat, als een parel in de schelp, zoo in den band der uitwendige kerk verscholen ligt.

ocr page 77

65

Die uitwendige kerk is het Verbond niet. maar het schuilt aobfer en in die kerk, en in die kerk is de poorte geopend, waardoor ge tot dit heilig Verbond ingaat.

Dat Verbond uws Gods strekt veel verder clan uw kerk. Want uw zichtbare kerk is hier te lande pas voor eenige eeuwen gesticht; maar dit Verbond uws Gods is van het Paradijs.

tn ook dit Verbond des vredes strekt veel verder dan uw kerk, waarvan ge uitwendig lid zijt. Want de Heere breidde zijn genade-verbond over alle natiën en volken uit. Een gansch groot heir.

tn tot dat eeuwenoude, dal alle natie en volk omvattende, dat tot in de eeuwigheid ingaande vredeverbond uws Gods, daartoe wordt nu ook gij gerekend.

Ge treedt op als lid van die heilige. Goddelijke gemeenschap.

Dat Verbond uws Gods deelt alle kinderen der menschen in tweeën. In hen die binnen zijn en hen die buiten staan. Die binnen zijn, om als priesters huns Gods in het heiligdom te verkeeren; die buiten staan, om als kinderen van den Mammon te wandelen. En nu verschijnt gij in Gods huis, met uw kindeke, om voor God en menschen te betuigen, dat ge gerekend wilt worden bij hen, die binnen zijn, en met heel deze heirschare des levenden Gods voor de eere zijns naams wilt strijden.

Ja, meer nog, ge verschijnt er met uw kindeke, om hiermee uit te spreken den diepsten zielswensch uws harten, of ook dit uw kindeke mocht gesteld worden tot een getuige voor zyn Heiland, en met u in datzelfde genadeverbond mocht besloten zijn.

Zoo zondert dan de heilige Doop, naar luid van uw Catechismus, de kinderen der ongeloovigen van die der geloovigen af.

Niet in hoogheid des harten, alsof ge zeggen zoudt: „Mijn kind zooveel beter dan zijn kind, omdat het uit mij en niet uit hem geboren iswant immers ge begint met te belijden, dat uw kindeke met u in zonde ontvangen en geboren is, en daarom allerlei ellende, ja, der verdoemenis zelve onderworpen.

Aan alle zelfverheffing wordt hierdoor het zwijgen opgelegd.

Er is in het Verbond des vredes van uw God niets dan quot;oenarfe

Het is alles om niet.

Loutere ontferming en barmhartigheid.

En daarom jubelt ge te hooger en te rijker, omdat ge ook voor uw kindeke het sacramenteele zegel der genade begeeren moogt.

Zoo legt de Doop een nieuwen band óók tusschen u enliw kindeke.

Eerst was het alleen een band des bloeds, maar nu door het Verbond komt zich hier een geestelijke band bijvoegen. Want als quot;-e huiswaarts keert, draagt ge beiden het zegel, dat ge met uw kindeke behoort tot eenzelfde geestelijk bondgenootschap. Gij bondeling met uw lieveling en uw lieveling met u.

5

ocr page 78

66

En al was dit nu reeds zoo, eer ge ten Doop gingt, ja, al hebt ge voor uw kindeke als „erfgenaam des Verbondsquot; den Doop gevraagd, toch is ook dit uitwendig zegel u dierbaar, en versterkt het ook kw geloof.

En zou dan, wie zóó zijn kindeke en zóó het Verbond des vredes met zijn God bezit, er ruste bij hebben, om den Doop van zijn kindeke al uit te stellen?

Maar immers dan verstaat ge het Verbond des vredes van uw God nog niet.

Want zie, het Verbond des vredes is niet aan uw wilkeur overgelaten. Daarin geeft God zelf de wet. En hoe zoudt ge dan zoo wekenlang aan uw kindeke kunnen onthouden, wat naar Gods vreêverbond aan uw kindeke toekomt? Is dan het leven van uw lieveling in uw hand? En al zal uw God deswege uw kindeke niet wegwerpen, is het u dan weinig, dat de eere uws Gods door u licht is geacht?- En werkt de liefde voor uw kindeke dan zoo zwak, dat ge, zooveel aan u hangt, uw lieveling ongedoopt zoudt laten sterven?

En dan werpt de vader dat zoo vaak op de moeder. Ook moeder wilde er bij zijn! Alsof in het Verbond Gods niet altoos het geslachts-hoofd optrad.

Maar bovendien, wie zoo spreekt, miskent de liefde van het moederhart.

Geen echte moeder zal ooit gedoogen, dat, om eigen genot, het kindeke uit haar schoot, ook maar een enkele weke, daar het toch immers sterven kon, ongedoopt zal blijven liggen.

TUI. „Wat verhindert mij gedoopt te worden?quot;

DOOP VAN VOLWASSENEN.

En alzoo zij over weg reisden, kwamen zij

aan een zeker water; en de kamerling zeide: Ziedaar water; wat verhindert mij gedoopt te

worden ? Hand. 8 : 36.

„Bejaarden-T)oo\iquot; is een naam, die thans min welluidend klinkt, en door verloop van beteekenis eigenlijk onjuist is geworden. Thans immers zal niemand u onder de „bejaardenquot; rekenen, zoo ge niet van lieverleê de zestig nadert, en van een jongen man van twintig of een jongedochter van achttien jaar zal nu niemand meer zeggen: „Ziedaar twee bejaarde personen.quot;

Maar in de dagen toen ons Doopsformulier opgesteld is, deed men dat wel. Een heel oud man heette toen „weibedaagdquot;, en „bejaard'»

ocr page 79

67

beduidde iemand, die tot jaren van onderscheid was gekomen. In de Statenoverzetting van de Heilige Schrift komt „bejaardquot; dan ook gansche-lijk niet voor, en wordt daarentegen herhaaldelijk van Abraham, Sara, David e. a. gezegd, dat ze oud waren en weibedaagd.

Maar ook die „Bejaarden-quot; of „Volwassenen-Doop,quot; gelijk wij thans zeggen zouden, blijft daarom niettemin in Christus' kerk standhouden. Het meest natuurlijk bij de kerken in China en Japan, in Afrika en in Oost-Indië, waar gedurig Mahomedanen en Heidenen tot de aanbidding van den Christus komen; maar evenwel, zij het ook minder, toch ook in onze kerken; hetzij dat de Doop in vroeger jaren verzuimd was, hetzij dat iemand nog ongedoopt van de Mennonieten of Baptisten tot ons komt, hetzij dat een geroepene uit de Joden zijn Messias bekent.

In de eerste jaren na de Reformatie der 16e eeuw was dit echter zoo zeldzaam, dat onze kerken uitsluitend een formulier voor den Kinderdoop bezaten; maar toen nu later honderden en duizenden Anabaptisten of lieden van de Dooperije, om opneming in de Gereformeerde kerken vroegen, kwam men in de noodzakelijkheid, om voor zulk een gelegenheid het Doopsformulier eenigszins te wijzigen.

De tweede helft, van de woorden „En hoeicd onze jonge kinderen deze dingen niet verdaanquot; af, viel dan uit, en daarvoor kwam in de plaats een ander slot, dat thans op ons „Formulier van den Kinderdoopquot; volgt.

Ge moet dus voor zulk een Doop eerst de eerste helft van het formulier voor den Kinderdoop lezen, en dan dit nieuwe slot aan de eerste helft toevoegen ').

En nu is het wel opmerkelijk, dat in dit nieuwe slot, na zeer korte inleiding, vijf zoo breede vragen voorkomen; maar dat was destijds noodig, omdat de overkomende Doopers, alvorens ze gedoopt konden worden, openlijk moesten erkennen, dat ze de dwalingen der Dooperij afzwoeren.

Heeft nu de Kinderdoop iets dat boeit en roert door de teedere zorge Gods voor het kleine, zwakke en hulpbehoevende, toch heeft ook de Doop van wie op zijn jaren gekomen is, iets dat aantrekt en bezielt.

Dat heeft de kerk van Leiden ervaren, toen Da Costa en Capadose op éénen dag in de Pieterskerk hun Goöl en hun Heiland beleden.

Niet groot van gestalte, roet het merkteeken van Joodsehe afkomst op het gelaat, maar ook met in het oog een vonk van heilige geestdrift, van dwepende liefde en wegsmeltenden dank, traden daar die twee zonen Abrahams, eerst naar het vleesch, en nu ook naar den geioove, het doophek binnen; bogen bij de doopvont hun knieën voor

') Uitgevers van Psalmboeken en Liturgieën zouden wel doen, met ook dit formulier voluit te drukken.

ocr page 80

68

den Middelaar Gods en der menschen ; en doken eerbiediglijk het hoofd, om door üs. Egeling, als Dienaar des Sacraments, het heilig bonds-zegel te ontvangen.

En al maakt nu niet elke Doop van een volwassene zulk een indruk, en al heeft niet elke „Bejaarden-Doopquot; voor kerk en land zulk een beteekenis, toch is ook nu nog elke Doop van een Heiden, een Ma-homedaan, maar vooral van een Jood, een gebeurtenis van aanbelang voor wie den gloed in zijn hart voor Jezus voelt gloren. Want immers elke Doop van dien aard is een overwinning voor den Messias, een triomf voor den Heiland op het stugge, trotsche, eerst zoo weerspannige hart.

Zoo is het ten deele reeds bij een Heiden, die zijn afgoden weg moest werpen, om tot Jezus te komen. Sterker nog bij een Turk of Mahomedaan, die eerst den valschen profeet boven Ischa, d. i. Jezus stelde, en die nu voor zijn geloofsbesef de rollen geheel omkeert, en Mahomed afzweert, om alleen aan Jezus de eere te geven.

Maar toch het allermeest komt die triomf uit bij den Jood, die, temidden der Christelijke wereld levende, nog steeds halsstarrig den Messias verwerpen bleef, en die nu zijn ongelijk erkent; bekent den Christus m'skend te hebben; en nu breekt met zijn volk en zijn maagschap, om de „gemeenschap der heiligenquot; te zoeken.

Maar al wierdt gij in Christelijke kringen geboren, en al was uw later ten Doop komen alleen te wijten aan verzuim of dwaling van uw ouders of verzorgers, zoo ligt toch ook in uw Doop, als Doop van een volwassene, iets dat de kerke Gods machtig toespreekt.

Het is er meê als met Abraham en Ismael, die het zegel der be-snijdenisse pas ontvingen, toen ze 99 en 13 jaar oud waren. Ook dat Icon toen niet anders, omdat de besnijdenis pas werd ingesteld. Niet om uit zoo late besnijdenis een regel te maken. Integendeel de regel wierd: Ge zult het kindeke besnijden, en besnijden op den achtsten dag. Iets wat natuurlijk niet wegnam, dat, zoo later een Edomiet of Sidoniër zich tot Israel bekeerde, zulk een proseliet besneden wierd op volwassen leeftijd.

Evenals het nu nog met den heiligen Doop gaat. Kinderdoop regel, maar als er uit de Heidenen, Turken of Joden overkomen, dan natuurlijk Doop van personen op leeftijd.

En nu ligt er zeker iets schoons en boeiends in, als Izaak besneden wordt op den achtsten dag; maar niet minder iets dat u aantrekt, als ge Abraham, op zulk een hoogen leeftijd, als een kind zich voor God ziet buigen, en in stille gehoorzaamheid zich ziet onderwerpen aan zoo schijnbaar nietige plechtigheid.

En juist dat is het, wat nu nog bij eiken Doop van volwassen personen in het oog springt.

Het kindeke is het hulpbehoevend wezen, waaraan de heilige Doop als een liefderijk genadebetoon toekomt; maar bij eeu volwassen persoon

ocr page 81

69

is het juist omgekeerd de rnensch in de volheid zijner kracht en in den bloei zijner jaren, die men zeggen zou dat geen Doop meer noodig had; en die nu zijn krachtige gestalte buigt en vernedert voor den Heere der heirscharen, en zich in het midden der gemeente aan een plechtigheid onderwerpt, die hem eerst tegenstond als alleen voor kinderen goed.

Immers het is nu eenmaal niet weg te cijferen, wie ongedoopt opgroeide, heeft er op volwassen leeftijd aanvankelijk altijd iets op tegen, om publiek zich aan den heiligen Uoop te onderwerpen.

^ Br komen dan in de overdenking zoo velerlei dingen op, die „verhinderen om gedoopt te worden.quot;

Het trekt zoo de aandacht. Ieder hoort er van. Men fluistert uw naam van mond tot mond. En reeds de wetenschap van die nieuwsgierigheid der gemeente heeft iets, dat u terugstuit.

Dan heeft zulk een late Doop altoos een oorzaak. En zoo vraagt men dan ook aan u: „Waarom wierd ge als kind niet gedoopt?quot; En dan moet het uitkomen, dat er of verzuim ten uwen opzichte is gepleegd, of wel dat ge nu pas tot de gemeenschap der kerk zijt toegetreden.

Zoo mengt meer dan één zich in wat tot de geheimen van uw intieme leven behoort, en, juist omdat ge de gemeenschap der heiligen niet kent, stuit u dat zoo licht tegen de borst.

Waar dan nog bijkomt, dat ook de teederheid der ziel u in worsteling kan brengen. Want immers bij een kindeke onderstelt de Doop wedergeboorte, maar bij een volwassen persoon moet die persoon zelf spreken. Hij kan niet met een nog van Christus o/gekeerd en aan de wereld toegekeerd hart den heiligen Doop vragen. Bekeering van de wereld tot den Christus moet er, zoo al niet met volkomen klare bewustheid, dan toch in beginsel zijn, en dat beginsel moet zoo beslist zich uiten, dat hij op dien grond het jaiooord aan God en zijn gemeente kan geven.

En is het nu zoo onnatuurlijk, dat juist zeer teeder aangelegde zielen hiermee aarzelen; dit schier niet durven belijden; en juist door zoo heilige vreeze gedreven, hun Doop van maand tot maand, zoo maar niet van jaar tot jaar, uitstellen?

Juist het omgekeerde dus van den kamerling van Moorenland.

Hij vroeg aan Eilippus: „Wat verhindert mij gedoopt te worden?quot; en bij al zulke bejaarde of op jaren gekomen personen in onzen tijd is het integendeel: „Hoe kom ik over alles wat mij verhindert heen ?quot;

Voor die ontzaglijke hindernissen heeft ook een Da Costa gestaan. Want, o, voor een Jood kost het zoo ongelooflijken strijd, ora over die breuke met zijn natie heen te komen, en straks misschien door zijn eigen vader en moeder te worden gevloekt en te worden bejegend als een doode.

o. Er lag ook achter dien Doop in de Pieterskerk te Leiden zulk

ocr page 82

70

een lange, bange strijd, waarvan de ernst aan God alleen bekend is.

Maar Messias overwon. En zooals het eens bij Jereraia was; „Ik bemoeide mij om te verdragen, maar ik kon niet, Heere, Gij zijt mij te sterk geweest en hebt overmocht,quot; zoo was het toen ook hier. Messias triomfeerde. En toen viel alle hindernis weg, en wierd het ook bij Da Costa: „Wat verhindert mij gedoopt te worden ?quot; Toen drong hij naar den Doop. Toen hon hij zonder dien Doop niet meer leven.

En zoo nu moet het ook met u zijn, die thans op later leeftijd u laat doopen.

Eerst wel allerlei aarzeling. Altoos leeuwen op den weg. Slagboomen die u den doorgang versperren. Struikelblokken, die u het toetreden onmogelijk maken. Allerlei verhindering.

Tot eindelijk het trekken van de liefde Gods u te machtig wordt, en ook gij gevoelt, dat ge niet meer moogt uitstellen; en nu omgekeerd de dorst naar den Doop zoo overweldigend in u branden gaat, dat ge geen rust meer kent en geen vrede meer vinden kunt, eer ook die laatste stap gedaan is; eer ook gij de knie hebt gebogen; en ook op uw voorhoofd het water van den heiligen Doop gesprenkeld is.

IX. „Opdat ik mijiie geloften Male.quot;

DE DK1E VRAGEN BIJ DEN H. DOOP.

Zoo zal ik uwen naam psalmzingen in eeuwigheid; opdat ik mijne geloften betale, dag bij dag.

Psalm 61 : 9.

De Doop van onze kinderkens gaat verzeld van de aflegging eener gelofte.

Eer ge toch met uw kindeke tot den heiligen Doop wordt toegelaten, worden u in het midden der gemeente, voor Gods aangezicht, drie vragen van het hoogst gewicht gedaan.

Eerst wordt u gevraagd, want dat moet de kerk weten, als hoedanig ge het kindeke beschouwt, dat ge ten Doop komt brengen. Dan wordt u in de tweede plaats gevraagd, hoe ge zelf met uw geloof staat. En ten slotte wordt u de belofte afgevergd, dat ge uw kindeke bij het opgroeien zult opleiden in de zuivere belijdenis.

Drie gewichtige stukken dus, waarin een ongelooflijke rijkdom van gedachten ligt opgesloten; en toch waarin niets meer gevraagd wordt dan hetgeen bij den Doop strikt noodig is.

Immers alle drie deze vragen doelen eenvoudig op hetgeen ge doen zult met uw gedoopt kindeke.

ocr page 83

71

Ge kondt toch een verkeerden blik op uw kindeke hebben; ge kondt zelf onzuiver in de belijdenis staan; en ge kondt ontbloot zijn van het plichtsbesef, dat u dat kindeke gegeven is, opdat gij het op zoudt voeden in de vreeze Gods.

Leedt ge nu aan gemis van plichtsbesef, dan zoudt ge uw gedoopt kindeke, zoo men zegt, in het wild laten opgroeien; misschien zeer keurig en zorgzaam voor de wereld, maar in het wild voor het koninkrijk Gods. Stondt ge zelf onzuiver in de belijdenis, zoo zoudt ge uw kindeke op doolpaden voeren instede van in het spoor der waarheid. En hadt ge op uw kindeke een verkeerden blik, zoo zoudt ge bij uw opvoeding mistasten, evenals een juwelier, die een diamant bewerken ging, als ware het een smaragd.

Geen dier drie vragen kan dus gemist. Ge moogt uw kindeke niet aanzien voor wat het niet is. Ge moet zelf zuiver in de belijdenis staan, om er uw kindeke in te kunnen opleiden. En ook ge moet weten en erkennen, dat gij voor God verantwoordelijk staat voor de opvoeding van uw kind in de zuivere religie.

Denk nu wel na over de eerste vraag.

Ge weet hoe die vraag luidde. Namelijk alzoo: „Of ge niet bekent, dat onze kinderen met ons in zonde ontvangen en geloren en daarom allerlei ellendigheid, ja der verdoemenisse zelve onderworpen zijn, maar nochtans in Christus geheiligd zijn, en daarom als lidmaten zijner gemeente behooren gedoopt te wezen.quot;

Wie nu kan op die vraag ja zeggen, en wie niet?

Dat kunt ge natuurlijk niet, zoo ge nog in den valschen waan verkeert, dat uw kindeke, omdat het nog te jong is om te kunnen zondigen, daarom een onschuldig wicht zou zijn, dat met de zonde nog niets te maken had, en eerst op later jaren uit eigen beweging zondigen zou.

Wie dit waant, dwaalt en begrijpt zijn kindeke niet, en moet geheel scheef voor de opvoeding staan. Dat is de gronddwaling van Pelagius, en ten deele ook van de Arminianen en Doopers, maar een dwaling waaraan juist daarom in de Gereformeerde kerk geen oogenblik voet mag gegeven.

Elk goed Gereformeerde belijdt van zichzelf en van zijn kindeke; „Zie, ik ben in zonde geboren en in ongerechtigheid heeft mij mijne moeder ontvangen.quot; Hij gelooft op Jezus' woord, „dat wat uit vleescli geboren is niets dan vleesch is.quot; Ook hierin spreekt het vanzelf: „Wie zal een reine geven uit den onreine?quot;

Maar al stemt ge dit eerste gedeelte van de vraag van harte toe, daarom kunt ge heel de vraag nog niet met ja beantwoorden.

Want de doopvraag laat het daar niet bij, maar komt ook op de verbondsgenade, en vraagt u ook, of ge niet bekent, „dat onze kin-derkens in Christus geheiligd zijn en daarom als lidmaten van zijn gemeente behooren gedoopt te wezen.quot;

ocr page 84

72

Het staat dus niet zoo, alsof wel de zonde uw kindeke in den levenswortel verkankeren kon, maar zonder dat uw Vader, die in de hemelen is, ook op dat jonge wicht kon werken. Neen, ook God heeft toegang tot het hart van dat kindeke, dat Hij als een borduursel weefde in het ingewand zijner moeder, en ge brengt dus uw kindeke ten Doop, niet als stond het buiten Christus, maar als in Christus geheiligd; en niet als staande buiten hel lichaam van Christus, maar als zijnde van het lichaam des Heeren een lid.

Ge weet dit wel niet met zekerheid; want een bijzondere openbaring geeft de Heere daar niet voor; maar gij hebt uw kindeke als zoodanig te rekenen, en daarom en op dien grond vraagt ge voor dat lid van Christus' gemeente den Christelijken Doop.

En zoo komt ge dan tot de tweede vraag; want, zeg zelf, watzoudt gij aan uw kind opvoeden, en hoe zouclt ge uw kind tot bekeering vermanen kunnen, zoo ge niet ondersteldet, dat er een verborgene genade Gods aan uw opvoeding voorafging?

Of zoudt ge ooit denken, dat, zoo uw kindeke nog dood in de zonde en misdaden was, ge er met uw opvoeding iels aan zoudt kunnen toebrengen ?

Dat kunt ge immers niet.

En zoo is dus de vaste onderstelling bij de opvoeding van elk gedoopt kindeke, dat er verborgen genade in schuilt, en dat uw opvoeding slechts strekt om dat verborgen genadezaad in den akker van uw kindeke te besproeien en het onkruid uit te wieden, opdat het dit verborgen genadezaad niet verstikke.

Daarom komt dan ook de tweede vraag op den man af tot uzelven, om te vernemen, of gij tot zulk een opvoeding bekwaam zijt; en dat zijt ge natuurlijk niet, zoo ge zelf de waarheid niet zuiver belijdt.

Wie zelf nog het onderscheid niet kent tusschen voedsel en vergif, hoe zal die zijn kindeke het voedsel ten eeuwigen leven bieden?

Ook die tweede vraag kan dus niet gemist worden.

Ze vraagt niet naar uw geschiktheid, om uw kindeke een fortuin na te laten, noch ook om het voor de wereld op te voeden, maar om het te leiden in het spoor der waarheid.

Iets wat ge natuurlijk dan alleen kunt, zoo ge zelf het spoor der waarheid kent.

Ge moet dus belijden te gelooven in Gods Woord; vast te staan in de artikelen des geloofs, die ons met heel de kerk van Christus op aarde gemeen zijn; en ook van harte te zijn toegedaan de verklaring van deze artikelen, gelijk ze door de Gereformeerde kerken gegeven is.

Loope daar dan dus niemand over heen.

Uw Catechismus, uw Geloofsbelijdenis en de Dordtsche artikelen stellen u instaat, om uzelven hiervan rekenschap te geven.

Lees en herlees die, en vraag aan uw ziele, of ge daarop Amen zegt.

ocr page 85

73

En dan komt, na deze voorbereiding, de derde vraag: Of ge belooft en op u neemt, om dit kindeke, als het tot zijn jaren zal gekomen zijn, in die voorzeide leer te onderwijzen of te doen en te helpen onderwijzen?

Hierin nu schuilt de gelofte, wier vrucht moet zijn, dat dit uw gedoopt kindeke eens met hartelijke belijdenis der waarheid toetrede tot het heilig Avondmaal.

Dit is de gelofte, die ge den Heere uwen God in de opvoeding van uw kindeke te betalen hebt.

Niet in eigen kracht, het behoeft wel geen herinnering, evenmin als ge in eigen kracht uw kindeke naar het lichaam kunt voeden, maar in den dienst uws Heeren en op zijn genadewerk uit genade aanwerkende.

En stemt het nu droef, zoo ge indenkt, hoe duizenden bij duizenden deze gelofte hebben afgelegd, zonder ooit die belofte aan hun God te zijn nagekomen, zij dit u juist ten afschrikkend voorbeeld, om hun zondigen weg niet te volgen.

Schrijf gij die belofte in de tafel uws harten; grif ze in uw ziel, en prent ze in uw bewustzijn.

Van geslacht op geslacht moet de kennisse Gods juist door dat werk der opvoeding worden voortgeplant, en het is die gelofte bij den heiligen Doop, waardoor ook gij u verbonden hebt, om tot dat groote werk mee te werken.

En waar voor een aanmerkelijk deel deze opvoeding in de school en op de catechisatie geschiedt, zie daar wel toe, waar ge uw kindeke straks ter school zendt, en waar het ter catechisatie gaat, want het zou u een schuld voor God worden, zoo ge hierin roekeloos handeldet.

Maar ook al hebt ge daarin met zorg gekozen, toch blijft dat alles nog slechts een hulpmiddel, en niets ontslaat u van de gelofte, om ook persoonlijk, ook zelf uw van God u geschonken kindeke in den weg des levens „te helpen onderwijzen.quot;

X. „De Getuige in den hemel is getrouw.quot;

DE GETUIGEN BIJ DEN H. DOOP.

De Getuige in den hemel is getrouw.

Psalm 89:38.

Soms treedt er bij den heiligen Doop ook een Doopgetuige op; doch, helaas, droever verschijnsel dan het optreden van zulk een Doopgetuige is in Christus' kerk niet wel denkbaar.

ocr page 86

74

Of waar vindt ge den Doopgetuige, die, na bij den heiligen Doop het hoofd gebogen te hebben, met de hand op het hart, toen hij sterven ging, zeggen kon; „Mijn gelofte als Doopgetuige heb ik volbracht.quot;

Ongetwijfeld, er zal hier en daar wel een gelukkigeen godvruchtige uitzondering op den regel bestaan; maar heft dit het droeve feit op, dat een Doopgetuige schier uitsluitend optreedt, om iemand, die zelf niet op de vragen kan antwoorden, uit den nood te helpen, en na afloop van de plechtigheid nu ook acht zijn plicht voldongen te hebben?

Het kindeke kon niet gedoopt, of er moest op de Doopvragen geantwoord. Nu kon dit niet door vader of moeder geschieden, omdat óf de dood óf zonde van ontucht tusschenbeide was gekomen, óf ook omdat ze nog niet tot het heilig Avondmaal waren toegelaten.

Daarom mocht echter het kindeke niet ongedoopt blijven. En zoo moest er omgezien naar een broeder of zuster, die als getuige wilde optreden, om alzoo den Doop mogelijk te maken.

Dien dienst nu was men bereid te bewijzen. Men was genegen, om op dien bepaalden dag mee kerkwaarts te gaan; plaats te nemen bij de Doopvaders; op te staan als de vragen gedaan werden; en met de anderen op die vragen het hoofd te buigen.

Doch daarmee achtte men zijn taak dan ook afgeloopen. Aan een verplichting, die men op zich nam, wierd ternauwernood even onder den Doop zeiven gedacht.

En één, twee, drie jaren verder, wist men vaak zelf nauwlijks meer, dat men Doopgetuige geweest was.

Iets zwaarder weegt gemeenlijk een ander soort van optreden als getuige bij den Doop.

Het is als ge niet in de plaats van vader of moeder, maar benevens dezen optreedt, omdat het geboren kindeke uw naam ontving, en er alzoo een bijzondere band tusschen u en dat kindeke voor uw volgend leven werd gelegd. Iets waaraan dan vooral waarde pleegt gehecht te worden, als de Doopgetuige, wiens naam het kindeke voert, zelf kinderloos is.

En soms, het moet dankbaar erkend, is uit dit verband een zeer nauwe betrekking geboren, die, vooral bij een later sterven van de ouders, er niet zelden toe geleid heeft, dat het petekind, als eigen kind geliefd, soms zelfs erfgenaam van vele goederen werd.

En toch roeme men ook hier niet te hoog.

In verreweg de meeste gevallen toch had dit peetschap veelmeer een maatschappelijke dan een geestelijke beduidenis.

Men achtte zich geroepen voor zijn petekind iets te doen; 't zij door het op zijn geboortedag een aandenken te zenden, 't zij door het te gedenken in zijn testament.

Maar bij dit alles viel van den Doop nauwelijks sprake; wierd aan het Doopgetuigenis bijna nimmer meer gedacht; en deed men wat

ocr page 87

75

«len deed, niet omdat men Doopgetuige geweest was, maar omdat men peet over het kindeke was; omdat het zijn naam droeg; en omdat aan dat voortleven van zijn eigen naam in den naam van dat kindeke een vriendelijk aandenken moest verbonden worden.

Wel gebeurt het soms, dat zulk een petekind ook in zijn opvoeding liefdebetoon, van zijn Doopgetuige ontvangt, maar ook zelfs waar de geestelijke zorge nog opleeft, geeft men die geestelijke zorge ten beste, niet omdat men Doopgetuige was, maar uit persoonlijke genegenheid.

Zoo bitter kan een oorspronkelijk schoone zaak verloopen.

Hoe toch ontstond dat peetschap?

Denk u terug in de eerste Christentijden. Daar is een jong meisje, dat van Jezus heeft gehoord. Het kruis van Golgotha boeit haar. Ze kan niet langer weerstand bieden. En ook zij vraagt om opgenomen te worden in de kerk van Jezus.

Maar dat belijden van Jezus kost haar een pijnlijk offer. Haar Jood-sche of Heidensche ouders vloeken haar om die keuze haars levens, snijden haar af van hun liefde; en als een verstootene zal ze daar eenzaam in de wereld staan.

Dat nu ware onhoudbaar. Dat ging niet. En zie, nu bieden zich een paar Christen-echtgenooten aan, om voor dat jonge meisje een tweede vader en tweede moeder te zijn. Zij leiden haar ten Doop, waar haar eigen ouders haar om dien Doop vloeken. En nu haar Heidensche naam toch moet afgelegd, is het zoo natuurlijk dat ze den naam aanneemt van den man en de vrouw, die haar zullen opnemen in hun woning.

Zoo gaat het oude leven voor haar onder. Het nieuwe komt op. En ze vindt zich rijk en gelukkig in de nieuwe liefde, die haar Jezus haar bereid heeft.

Doch natuurlijk thans komt dat niet meer voor, of het moest bij een Joodsche proseliete wezen, of ook bij een Doop door zendelingen in het Heidenland.

En waar onder Home ook bij den Kinderdoop dit peetschap standhield, heeft onze Gereformeerde kerk dit zeer terecht afgesneden, omdat het een openlijke miskenning van het feit was, dat bet kindeke als een „kindeke uit geloovige oudersquot; gedoopt wierd.

Thans is dus dit peetschap heel iets anders geworden, en treedt het niet in de plaats van, maar naast het ouderschap op.

En ook zoo kan het iets lieflijks hebben. Iets lieflijks, om de banden tusschen onderscheidene gezinnen van eenzelfde geslacht nauwer toe te halen. Iets lieflijks om tusschen onze vrienden en onze kinderen zekere duurzame betrekking te leggen. Iets lieflijks, om, waar de veelheid van kinderen in een enkel gezin soms met zorge aan de Christelijke opvoeding doet denken, die zorge door het te hulpe roepen van

ocr page 88

76

een kinderloos echtpaar te verlichten. En iets lieflijks ook, om, zoo het God behaagde ons weg te nemen, eer onze kinderen groot zijn, een geestelijken verzorger en een vader in Christus aan onze kinderen achter te laten.

Doch dan moet die band ook door den Doop, en niet het meest door naamgeving gelegd. v

Dan moet de Doop ook van dit Christelijk peetschap den grondslag vormen, en moet niemand daartoe aangezocht, noch zich daartoe leenen, dan voor het aangezichte Gods, en met den ernstigen toeleg, om zooveel vader of moeder door onmacht of plichtsverzuim tekortschieten, aan de Christelijke opvoeding van zulk een petekind de hand te houden.

Kortom, dan moet het Doopgetuigenis geen bijzaak, maar hoofdzaak worden; en moet een iegelijk, die als Doopgetuige optreedt, er voor, bij en na den Doop van doordrongen zijn, dat de ziel van dit kindeke bij God meê voor zijn rekening ligt.

Een getuige, die niet getrouw is,- werpt zijn eere voor God en men-schen weg.

De Heere, onze almachtige God, die als de onveranderlijk Getrouwe geen getuige van noode heeft, schikte zich toch naar onze menschelijke zwakheid, door op allerlei wijs getuigen voor zijn waarheid en getuigen van zijn aanzijn te stellen.

Zelfs de maan en de zon stelde Hij als zijn getuigen aan het firmament, en van die zon, die eiken morgen opgaat, zong de psalmist:

„Zijn getuige in den hemel is getrouw.quot;

En hoe onteert zich dan zijn kerk niet, en hoe schaadt niet zijn eigen ziel, wie voor Gods aangezicht, in zijn heiligdom, als getuige optreedt, en voorts, na die getuigenis aanvaard en afgelegd te hebben, zich om wat hij beloofde niet meer bekreunt.

En geldt dit reeds voor elke omstandigheid, waarin ge als getuige optreedt, hoeveel te meer niet, zoo ge als getuige optraadt in zijnen heiligen Doop, en uw hand hebt opgeheven, om Gods verbond aan dat kindeke te helpen verwezenlijken.

Natuurlijk niet alsof de belofte der ouders door uw optreden als getuige iets van haar kracht zou verliezen. Gij komt altoos achter de ouders aan.

Maar zoodra het kindeke, aan welks ziel ge u vrijwilliglijk verbonden hebt, van zijn ouders iets tekortschiet, is voor u het oogenblik gekomen, om hun gebrek aan te vullen.

Aan te vullen, zeer zeker, zoo ge kunt, door ook maatschappelijk voor dat kindeke te zorgen. Maar toch allereerst en allermeest door in geestelijken zin in de nooddruft van dat kindeke te voorzien.

Daarvoor waart ge Doopgetuige.

En daarin zult ge als getuige getrouw zijn.

ocr page 89

III.

VAN DE OPENBARE BELIJDENIS.

I. „Leef! Ja, Ik zeide tot u in uwen bloede: Leef!quot;

VAN DEN H. DOOP NAAK HET H. AVONDMAAL.

Als Ik u voorbijging, zoo zag Ik u, vertreden zijnde in uwen bloede, en Ik zeide tot u in uwen bloede: Leef, ja. Ik zeide tot u in uwen bloede: Leef!

Ezech. 10 : C.

Van den Doop gaat het naar het Avondmaal.

Als er een kindeke geboren is, maakt men het lauwe water in het bekken gereed, om het te wasschen van zijn onreinheid. Doch als het gewasschen is, dan heeft het voedsel noodig, en draagt dezelfde hand, die hel eerst wiesch, het straks naar de moederborst.

En dan eerst als het lieve wicht aan zijn moeders borst de warme melk indrinkt, is het eerste rustpunt bereikt, en heerscht er om het kraambed ruste en vrede.

Een vroedvrouw of baker, die het kindeke alleen maar wiesch, en voorts zonder voedsel liggen liet, zou eenvoudig dwaselijk handelen «n de zorge voor het hulpeloos wezentje haar te ontnemen zijn.

En dit geldt ook hier.

Wel het Sacrament der afwassching in den Doop te zoeken, maar het voorts hierbij te laten; en niet uit den Doop naar het Sacrament der voeding te gaan, is het wezen van Doop en Avondmaal beide verkrachten.

Ge waart eertijds gelijk aan het kindeke, u door den Heiligen Geest in Ezechiël 16 geteekend, en waarvan het in vers 4 en 5 heet: „En aangaande uwe geboorten, ten dage als gij geboren waart, werd uw navel niet afgesneden, en gij waart niet met water gewasschen, toen Ik u aanschouwde. Geen oog had medelijden met u, om zich over u te erbarmen; maar gij zijt geworpen geweest op het vlakke des velds, om de walgelijkheid van uwe ziele, ten dage toen gij geboren waart.

ocr page 90

78

En als Ik bij u voorbijging, zag Ik u, vertreden zijnde in uwen bloede, en Ik zeide tot u in uwen bloede: Leef; ja. Ik zeide tot u in uwen bloede: Leef.quot;

Dit teekent ons onze ontvangenis in zonde en ons geboren zijn in ongerechtigheid. Ook gij waart uit een onreine, en daarom zelf onrein. Dus moest ook gij geestelijk door uw God inwendig met het bloed van Christus gewassche^ worden, en als uitwendig symbool van deze afwassohing uwer ziel in het bloed van het heilig Godslam, wierdt ge toen ook afgewasschen met bet water des Doops.

Zooals de heilige apostel het zegt: „Onrein waart ge eertijds, maar nu zijt ge geheiligd, nu zijt ge gereinigd, nu zijt ge afgewasschenquot;

Zoo belijden het dan ook uw kerken.

„Er is,quot; zeggen ze in art. 35 van haar Belijdenis, „in degenen, die wedergeboren zijn, tweeërlei leven: het eene lichamelijk en tijdelijk, hetwelk zij van hunne eerste geboorte medegebracht hebben, en is allen tnenschen gemeen; maar het andere is geestelijk en hemelsei), hetwelk hun gegeven wordt in de tweede geboorte, en dit leven is niet gemeen dan alleen den uitverkorenen Gods.quot; En voorts in art. 34: „Zoo heeft Hij dan bevolen om te doopen, die de zijnen zijn, in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, alleen met rein water, ons daarmede te verstaan gevende, dat, gelijk het water de vuiligheid des lichaams afwascht, wanneer wij daarmede begoten worden, alzoo het bloed Christi hetzelve vanbinnen in de zielen doet, door den Heiligen Geest, ze besprengende en zuiverende van hare zonden, en ons wederbarende uit kinderen des tooms tot kinderen Gods.quot;

Maar hierbij kan het niet blijven.

Afwassching van het geborene kindeke komt wel eerst en gaat voorop; maar de voeding moet volgen.

Hoor slechts wat uw kerk al verder belijdt:

„Wij gelooven en belijden, dat onze Zaligmaker Jezus Christus het Sacrament des heiligen Avondmaals ingesteld heeft om te voeden en te onderhouden degenen, die Hij aireede wedergeboren en in zijn huisgezin, hetwelk is zijn kerk, ingelijfd heeft.quot;

Immers, „tot onderhouding des lichamelijken en aardschen levens heeft God ons een gemeen aardsch brood verordend, hetwelk daartoe dienstig is. Maar om het geestelijk en hemelsch leven te onderhouden, heeft Hij ons gezonden een levendig brood, dat van den hemel is nedergedaald, t. w. Jezus Christus, welk brood sacramenteel genoten wordt in het heilig Avondmaal,quot;

Van allen Doop moet dus gedrongen naar het heilig Nachtmaal.

Wie bij den Doop staan blijft en niet tot het heilig Nachtmaal doordringt, miskent niet enkel het Sacrament van het lichaam en bloed des Heeren, maar miskent evenzoo het Sacrament van den Doop.

ocr page 91

79

Op zichzelf toch is de Doop niets dan het openen van de deur, waar ge doorgaat, om naar het heilig Avondmaal uws Heeren, en alzoo tot zijn mystieke gemeenschap te komen.

Wie nog niet gedoopt is, staat buiten; wie om den Doop vraagt, verlangt binnengelaten te worden.

Hij klopt aan de deur, opdat hem opengedaan worde; en zijn Doop is, dat de deur voor hem opengaat, zoodat hij nu binnenkomt, en afgezonderd is van wie buiten zijn, om gemeenschap te oefenen met wie binnen zijn; en die gemeenschap nu wordt ten volle bereikt door zijn toetreding tot het heilig Nachtmaal.

Wie, na gedoopt te zijn, niet het heilig Nachtmaal zijns Heeren zoekt, ia gelijk aan den vreemdeling, die, na aangeklopt te hebben en in de feestzaal te zijn binnengelaten, vlak bij de deur staan blijft, en zich verre houdt van de aanzittende gasten.

Zeker, dë indringer, die zonder bruiloftskleed aan, doordrong en zich onder de geestelijk feesthoudende menigte mengde, moest, omdat hij een indringer was, weêr buiten worden geworpen. Maar wie aanklopte, en binnen wierd gelaten, en zijn bruiloftskleed aannam, doch om nu, in dat feestkleed getooid, koud en onverschillig van verre te blijven staan, die zondigde, zij het ook op andere wijze, toch evenzeer.

Wie den heiligen stroom van het doopwater doorwaadt, dien moet het Ie doen zijn, om de gemeenschap met den Heere des huizes te genieten, en die Heere des huizes wacht de zijnen op aan zijn heiligen disch.

Wie wedergeboren is uit water en geest, die ziet nog pas het koninkrijk van verre.

Maar hierbij mag het niet blijven.

Hij moet voort en verder, en mag niet rusten, eer hij aanzit aan de bruiloft van het Lam, in zijn saeramenteele afbeelding.

Ook nu nog voelt een Jood, die zijn Messias vond, dit onmiddellijk.

Wordt zulk een Jood heden gedoopt, en is er over acht dagen Avondmaal, dan gaat hij er terstond aanzitten. Alles zegt het hem: Doop en Avondmaal hooren bijeen.

En ook bij andere volwassenen, wier Doop in hun kindsche jaren verzuimd wierd, merkt ge dit nog. Zoo zelfs dat ze hun Doop meest uitstellen tot het Avondmaal weêr komende is; en dan vlak voor het Avondmaal laten ze zich doopen, om terstond na den Doop het Avondmaal te zoeken.

En zoo was het in de oudste Christelijke kerk eveneens.

Al wie uit het Jodendom of Heidendom overkwam, wierd vandaag gedoopt, om morgen reeds ten Avondmaal te gaan; en het denkbeeld zelfs om zich wel te laten doopen, maar voorts verre van het Avondmaal te blijven, kwam in niemand op.

ocr page 92

80

Zich te laten doopen wilde niets anders zeggen dan: „Laat mij toe tot het heilig Avondmaal.quot;

Het Avondmaal was de heilige disch der gedoopten; waar elk gedoopte hoorde; waar geen enkel gedoopte zich aan kon onttrekken.

Men trekt de Koode zee niet door, om op den anderen oever zich te blijven legeren, maar om aanstonds door de woestijn naar het Heilige Land op te trekken.

En eenmaal bij de Jordaan aangekomen, trekt men die Jordaan niet door, om aan den overkant te blijven staan, maar om door te trekken naar Jeruzalem.

En zoo ook doorwaadt men den stroom van de wateren des Doops niet, dan om door en voort en verder te trekken en niet te rusten, eer men zich den wijn gereikt ziet, geperst uit de druiven van Eskol.

Alleen doordien thans de jonge kinderen gedoopt worden, is hierin een kleine vertraging gekomen.

Een pasgeboren kindeke is voor het heilig Avondmaal nog onbekwaam. Een jeugdig wicht kan ook op een leeftijd van enkele jaren zich zijn Doop nog niet toeëigenen door zelf te belijden. En zoo schuiven dus, nu de Kinderdoop heerscht, de Doop en het heilig Avondmaal tot op zekeren afstand uiteen.

Omdat de doopeling lijdelijk is, is een jong wicht wel vatbaar om gedoopt te worden; maar evenzoo is het nog omvatbaar om het Sacrament der voeding te ontvangen, overmits bij dit tweede Sacrament de Avondmaalganger zelf belijdend en handelend optreedt.

Zoo komen dus tusschen Doop en Avondmaal thans eenige jaren in te liggen; en dat wel zóóvele jaren als noodig zijn, om den doopeling tot eigen daad van belijden en toetreden te bekwamen.

Minder kan die afstand niet zijn; maar ook grooter mag hij niet worden. De jaren noodig voor uw opwaken en voor uw bekwaammaking tot een eigen daad zijn van Godswege in uw schepping verordend. W ie zich daar nu aan houdt, die gaat op de wegen des Heeren; maar ook wie deze jaren bf wilkeurig inkrimpt bf wilkeurig uitzet, gaat van s Heeren wegen af en kiest zelf eigen paden; iets dat altoos zonde is.

Dat kan nu schelen van het 16de tot het 23ste jaar; maar in dat tijdperk van zeven jaren valt bij een iegelijk zijn persoonswording; en die grenzen moeten dus geëerbiedigd.

Maar hetzij dan Doop en Avondmaal tot het L6de jaar of wel 23ste jaar uiteen waren geschoven, aan den band die Doop eu Avondmaal verbindt wordt hiermee niets veranderd.

Altoos blijft uw Doop, al die jaren door, voor u een roepstem: Zoek des Heeren heilig Avondmaal!

ocr page 93

81

II. „Boet den ïïeere uwer vaderen öod belijdenis.quot;

HOE EEN KIND REEDS ZIJN HEERE BELIJDT.

Nu dan, doet den Heere, uwer vaderen God, belijdenis, en doet zijn welgevallen, en scheidt u af van de volken des lands, en van de vreemde vrouwen. Ezra 10: 11.

Eer ge, komende van uw Doop, toegang erlangt tot het heilig Avondmaal, moet er belijdenis worden afgelegd.

Niet uw eerste, en evenmin uw laatste belijdenis, maar een belijdenis, die daarom iets buitengewoons is, omdat ge alsdan voor het eerst publiek in de vergadering der geloovigen optreedt en u aan die ge-loovigen verbindt.

Dus zegge niemand: „Over een jaar hoop ik mijn belijdenis te doenquot;; noch ook: „Voor drie jaren heb ik mijn belijdenis gedaanquot;, want al zulke uitdrukkingen verraden een verkeerden geest.

Dan beeldt men zich in, dat men maar eens in zijn leven belijdenis heeft te doen; dat een jonge man of jongedochter nog tot geen belijdenis gehouden zijn; en dat wie „zijn belijdenis deedquot; er dan nu ook van af is.

En dat kan toch immers niet?

Beleden moet er altoos; moet er heel uw leven door worden, zoo dikwijls de stem of de macht of het gevlei van wereld en Satan tegen uw Heiland ingaat.

Een goed kind doet daarom reeds op school „belijdenisquot;, als iemand iets tegen zijn Jezus durft zeggen. Dan toch komt hij daartegen op. Dan laat hij zich dat niet zeggen. En ai wordt hij dan om dat „goede getuigenisquot; geplaagd en gesard, ja al beloopt hij er een stomp en duw om, dat hindert alles niet; maar hij gaat door met zijn belijdenis.

Zoo is het op school, zoo is het op straat, zoo is het onder het spelen. Gedoopte kinderen moeten kinderen van Jezus zijn, en moeten het niet kunnen dulden, dat men hun Jezus te na komt.

Dat belijdenis doen begint dus al zeer vroeg, en om zulk belijdenis doen moet soms heel wat meer verdragen en geschreid dan om het belijdenis doen in de kerk.

Doch, helaas, er zijn ook laffe kinderen, en die door hun ouders laf gehouden worden, omdat die ouders zelf zoo arm aan moed voor Jezus zijn.

Versta dit wel.

Niets is ondraaglijker dan kleine kinderen, die heel neuswijs cate-

6

ocr page 94

chiseermeestertje willen spelen, en allerlei groote woorden op hun lippen nemen, waar ze nog niets van verstaan.

Maar dat is dan ook niet „zijn Jezus belijdenquot;, dat is stuitende verwaandheid, en anders niet. Als ze konden, deden zulke kleine Farizeetjes een wit dasje boven hun kiel aan.

Daar nemen we het dus heusch niet voor op.

Maar wat wel moet, is, dat een kind met kinderlijke geestdrift voor zijn Jezus vervuld is; dat het voor den naam van Jezus buigt; dat het in zijn hart ontzag en eerbied voor zijn Heiland koestert; en wetende, dat het bij Jezus hoort, niet zou willen zwijgen, als de eere van zijn Jezus wordt aangerand.

Een goed kind laat zich niets, dat niet goed is, van zijn vader of moeder zeggen. En nu ook een kind moet het weten: „Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig.quot;

Dus geen uitkramen van geleerdheid; geen neuswijs methodisme op kinderlippen; maar wel liefde, warmte, geestdrift voor Immanuel, en daarom niet laf zwijgen, maar met een vonk in het oog spreken, als er voor de eere van Jezus moet opgekomen.

Spreken niet met het bleeke gelaat der ingebeeldheid, maar met een kleur op de wangen van ergernis over wat men tegen Jezus doet.

Zoo en niet anders is het natuurlijke belijdenis doen van een gedoopt kind; en tot zulk belijdenis doen moet vader en moeder het kind aanzetten door eigen voorbeeld en door vermaan.

In een kind zit veel trouw, veel moed, veel vatbaarheid voor verontwaardiging.

Doch als nu vader, die immers „belijdenis deedquot;, altoos zwijgt, en moeder, die immers „naar het Avondmaal gaat,quot; altijd doet alsof ze niets om Jezus geeft, hoe zal uw kind dan leeren belijden?

En toch ook uw kind moet bij dat kinderlijk belijden van zijn Heiland gesteund.

Immers het is voor uw kind niet gemakkelijk.

In de kinderwereld heeft het „uitlachenquot; zulk een booze kracht. Kinderen oefenen kort recht, door elkaar dood te verklaren, te plagen, te kwellen, soms te slaan en te striemen.

Nu is dat voor uw kind een vreemde gewaarwording. Het gaat de wereld in met de gedachte, dat Jezus boven alles gaat, en zie, nu wordt het juist om zijn opkomen voor Jezus het kind van de rekening.

Dat stuit; dat hindert dan. Dat maakt bang en vreesachtig. En, als ge dan uw kind niet steunt met uw liefde en uw gebed, zal het een volgend maal al minder moedig optreden; tot het eindelijk zwijgt; om, als eerst zijn mond gesnoerd is, ten laatste mee te gaan lachen, als er weêr een ander jong kind om zijn moed voor Jezus wordt uitgelachen.

Ouders en onderwijzers hebben hier dus een heilige roeping; en ook

ocr page 95

83

op de catechisatie en in de predikatie moest hier veel meer op aangedrongen worden.

Want vergeet niet, moed is iets zonderlings. Moed, die er eenmaal uit is, keert bijna nooit weder. En toch moed is zulk een edele zielskracht. En zonder moed is er geen belijden.

Want, zeg zelf, wat is dat roor „belijdenis doenquot;, als een jong persoon achttien, twintig jaar is geworden, zonder het ooit voor Jezus op te nemen, zonder ooit voor Hem uit te komen, zonder ooit iets voor Jezus ten offer te hebben gebracht, en die nu, bijna op mondigen leeftijd gekomen, bij een dominee wordt aangenomen, en in de kerk even opstaat en het hoofd buigt.

Dat is een vorm, een vertooning, een plechtigheid, die men mee maakt, maar waartoe noch heldenmoed noch geestdrift hoort, of het moest dan de moed der verlegenheid zijn, om in zoo'n groote samenkomst van menschen te durven opstaan.

Neen, niemand deed nog oqit een wezenlijke belijdenis, tenzij er reeds in zijn kindsche jaren en in de jaren van zijn jongelingschap belijdenis in het leven achter lag.

Wie om Jezus gesmaad, uitgelachen en gehoond, en ten leste geslagen is, en die dan zonder neuswijze pedanterie toch moedig volhield, alleen door trouw en liefde voor Jezus gedreven, die komt straks in het openbaar slechts uitspreken, wat al die jaren reeds in zijn hart gloeide, en bij zulk een is het waarlijk belijdenis doen.

Belijdenis doen voor den jongen man, en belijdenis doen voor de jongedochter. Want al zijn de meisjes minder hardhandig, toch hoort er ook in de meisjeskringen moed en trouw en liefde toe, om heur Jezus niet te verloochenen.

Doch, helaas, dat zien verreweg de meeste ouders niet in. Ze laten hun kinderen doopen; en ook laten ze hun kinderen naar school en catechisatie en kerk gaan; en als ze achttien a twintig jaar zijn „aannemen ; maar dat hun kinderen tot helden en heldinnen voor Jezus moeten worden opgevoed, en dat anders alle „belijdenisquot; niets dan vorm en schijn is, dat zien ze niet in.

^at Ezra tot Israel sprak: „Nu dan, doet den Heere belijdenis, den Eeere, uwer vaderen Gcd, en doet zijn welgevallen en scheidt u af van de volken des landsquot;, dat verstaan de meeste ouders niet.

Ze vatten niet, dat de dienst des Heeren een heilige krijg, levenslang een strijd moet zijn, en dat in dien dienst en voor dien hach-lijken strijd telkens nieuwe strijders moeten aangeworven en geoefend.

En toch zoo is het.

Yan het Paradijs af is het één vijandschap, die God gezet heeft tusschen het zaad der vrouw en het zaad der slang. De strijd gaat door al de geslachten heen. Het ééne geslacht daalt ten grave, en het

ocr page 96

84

andere neemt zijn plaats in, maar alle eeuwen door blijft het één en dezelfde heilige krijg voor den Zone Gods en tegen zijn wederpartijder.

En daarom is het niet genoeg, dat gijzelf dien strijd mee voert als trouwe dienstknechten des Heeren, maar moet ge ook uw kinderen voor dien strijd aanwerven, ze er voor wapenen, ze er in oefenen, er hun de handgrepen voor leeren, en bovenal hun een onwankelbare trouw inboezemen voor de banier des Heeren, in een onuitblusschelijke geestdrift voor zijn heiligen Naam.

Dat uw kind niet tegen is, is niet genoeg. Belijden is voor zijn. Dat uw kind met u meegaat, kan niet volstaan, uw kind moet zelf meestrijden. Dat het u mat en onbezield napraat, is geen teeken van eigen leven. Ook uw kind moet, al staat het alleen in zijn wereld, nog een stemme des roependen in de woestijn zijn.

Dwaasheid dus om te denken: „Als mijn kind achttien a twintig jaar is, zal het wel belijdenis doen.quot;

Neen, op belijdenis doen komt hgt eiken dag aan, zoo dikwijls uw kind, waar dan ook, in aanraking komt met andere kinderen of andere raenschen, die „van de volken des lands zijnquot;, en daarom of voor Jezus de schouders ophalen bf laksch zijn voor zijn dienst.

Van geslacht tot geslacht moet de Naam des Heeren lof ontvangen, en die lof moet Hem uit het zaad der kerk toekomen, d. w. z. uit de kinderkens, die gedoopt zijn.

En daarom moogt ge uw gedoopte kind niet aan zwijgen en aan lafheid en aan ontrouw gewennen.

Van meet af moet het voor Jezus zingen en voor Jezus durven uitkomen.

Altoos moet het belijden, zal het eens tot een goede belijdenis kunnen komen.

Zóó alleen wordt die „belijdenisquot; een zaak van het hart.

III. „Ik bad dan en deed belijdenis.quot;

DE OEFENSCHOOL VAN HET GEBED.

Ik bad dan tot den Heere, mijnen God, en deed belijdenis. Dan. 9 : ia.

De geloofskiem, die het God vaak belieft een kindeke in te planten, wast niet vanzelf op, en komt niet vanzelf tot bloei.

Denkt ge u, dat ge kort na uw geboorte door wilden geroofd en

ocr page 97

85

verre van uw vader en moeder, ja, zeer verre van Christus' kerk waart weggevoerd, zoo zou deze geloofskiem in u in het minst niet tot ontwikkeling zijn gekomen, ook al waart ge nu twintig of dertig jaar oud.

Zou die geloofskiem in u ontkiemen, wassen en opbloeien, dan moest ge in aanraking blijven met die kerk van Christus, die u doopte; dan moest ge bekend gemaakt met Gods heilig Woord; en moest ge aldus op uw „belijdenisquot; worden voorbereid.

Niet, dit verstaat ge toch, alsof die uitwendige toerusting, zonder meer, ooit het geloof in u tot ontwikkeling kon brengen, o, Neen, Indien God de Heilige Geest niet inwendig die geloofskiem dijen en zwellen doet, en inwendig met goddelijke kracht sterkt en stevigt, zal alle uitwendig werk niets baten. Dan is het een zaaien op de steenrots, en een ploegen op rotsen, en alle arbeid is ijdel.

En gelijk in de natuur de zorge van den landman met de koestering der zon moet saamwerken, om het koren op den akker te doen rijpen, zoo ook moet in uw ziel de innerlijke bewerking des Heiligen Geestes saamvallen met de uitwendige voorbereiding, zal het werkelijk bij u tot een waarachtige „belijdenisquot; komen.

Niet, dat Gods almacht hieraan gebonden is.

Een jong wicht, dat vroeg wegsterft, kan daarom nog zeer wel zalig worden, al heeft het nooit iets van Gods Woord vernomen. Daar heeft de Heere dan andere wegen voor, om zulk een kindeke uit het eerst onbewuste leven tot de zalige aanschouwing van zijn Heiland te brengen. Des Heeren arm is nooit verkort.

Maar voor ons, die op aarde tot ouderen leeftijd opgroeien, heeft het Hem nu eenmaal beliefd dezen vasten regel te stellen:

Inwendig Geesteswerk en uitwendige voorbereiding moet saamtreffen.

Voorbereiding dus, om publiek belijdenis te kunnen doen.

Maar bestaat die voorbereiding nu eeniglijk in catechisatie of huislijke onderrichting?

Is het u aanbrengen van kennis; het u doen vanbuiten leeren; het u inprenten van allerlei waarheden en bijzonderheden nu al wat er geschieden moet ?

Immers neen; want „belijdenis doenquot; is nog iets anders dan „een les opzeggen,quot; en zich aan Gods gemeente verbinden nog iets anders dan haar napraten.

Want zeer zeker is leeren ook noodig; zeer stellig noodig ook het vanbuiten leeren; en moet er, al naar gelang uw ontwikkeling is, heel wat zorge aan besteed, om Christus en zijn Woord in uw menschelijk bewustzijn in te dragen; maar toch, daar gaat deze heilige voorbereiding niet in op.

Dan toch kon men evengoed Heiden- en Jodenkinderen voor het „belijdenis doenquot; voorbereiden.

ocr page 98

86

Het ware dan enkel een zaak van het hoofd. Het harl bleef er buiten. En daarmee ware al zulke voorbereiding geoordeeld.

Juist daarom reeds wees de vorige meditatie er met nadruk op, hoe een kind, reeds lang eer het „belijdenis doet,quot; zijn Jezus belijden moet op school en onder zijn makkers. Want „belijdenis doenquot; is voor zijn Koning uitkomen, is houw en trouw aan Jezus zweren, is zich laten inlijven bij de heilige slagorde die voor Jezus optrekt, en op die wijs ijveren voor zijn majesteit en zijn koninkrijk.

En wordt nu, in het aardsche gesproken, een jongen nooit een goed soldaat, of hij moet reeds onder zijn makkers moed betoond en gedurfd hebben, dan gaat het hier nog veel sterker door, dat ge op ouder leeftijd nooit tot kloeke belijdenis van uw Heiland zult komen, tenzij ge reeds als kind van toorn gegloeid hebt bij eiken smaad of hoon, dien men uw Heiland dorst aandoen.

Maar hier moet nu nog iets heel anders bijkomen, dat evenmin ontbreken mag, en waarop gemeenlijk veel te weinig nadruk wordt gelegd.

Uw Bijbel spreekt van tweeërlei belijdenis, van een belijdenis van uw Heiland, maar ook van een belijdenis van uw zonde; en die twee hooren, niet pas op later leeftijd, maar van kindsheid af, bijeen.

Komt ge er eenmaal toe, om in het midden der gemeente uw Heere en Heiland te belijden, dan moet hiermee altoos gepaard gaan een belijdenis van uw eigen verlorenheid in uzelven; en elke belijdenis, die wel voor Jezus roept, maar niet rust op innerlijk besef van eigen dood en doemwaardigheid, is wat Paulus een luidende schel noemt of een klinkend metaal.

Daar zit geen waarheid en geen kracht in.

Dit spreekt toch vanzelf, dat de Yerlosser niets voor u kan zijn, indien ge in uzelf niet verloren zijt en dus verlossing van noode hebt; dat ge geen Heiland kunt belijden, tenzij ge iets weet van banden des doods, die u omvangen hadden, en van angsten der hel, die u hadden benauwd; en dat ge den Medicijnmeester niet kunt naloopen, tenzij ge weet en belijdt dat uw ziele krank is.

Iets wat nu niet zeggen wil, dat wie „belijdenis doet,quot; op dat eigen oogenblik, als hij in de kerk het hoofd buigt, hiervan de volle, diepe bevinding moet hebben. Wie het zoo opvat, gaat onder in gevoelsbeweging en raakt van Gods Woord af.

Neen, het beduidt alleen, dat ge naar de mate uwer jaren en naar de ontwikkeling waartoe ge gekomen zijt, bij eigen ervaring weet, dat ge buiten Christus voor eeuwig verloren zijt, en daarom u onder de vleugelen van uw Heiland met al Gods kinderen laat saamvergaderen.

Doch dan moet ook heel de voorbereiding voor de belijdenis daarop ingericht zijn; en moet zelfs een klein kind reeds geleid worden naar den regel van Daniël: „Ik bad en deed belijdenis voor den Heere.quot;

ocr page 99

87

Een kind moet leeren hidden.

Niet om uw kleinen reeds jong den dominee te leeren spelen, en ze kunstjes te laten uithalen met lange gebeden. Veeleer verwoest ge het teederste in uw lievelingenj zoo ge ze niet stelselmatig van al wat naar vertoon zweemt, afhoudt.

Het bidden van uw kindeke moet zoo eenvoudig, maar ook zoo schuchter mogelijk zijn, en niets moet zoo sterk ontraden als de gewoonte, om, voor of na het gebed van den vader, hen even hardop hun „Heere, zegen spijs en drank, Amenquot; te laten afraifelen; soms vier, vijf kinderen na elkaar. Zulk een praktijk is een moord voor alle teeder en innig bidden.

Acht ge dat het kind niet mee kan bidden in het gebed van vader of moeder, goed, zoo bidde dan één der kinderen, liefst het oudste, voor al de kinderen, maar langzaam, eerbiedig, zóó dat het waarlijk bidden is.

Maar voorts zij het morgengebed ats ze opstaan, en het avondgebed als ze rusten gaan, hun stille oefenschool. Een oefenschool, waarin gij ze eerst zelf voorbidt, dan met ze meebidt, en allengs ze zelf alleen Iaat bidden.

Een bidden, dat ook wel een formuliergebed mag zijn, mits goed gekozen, en zeldzaam gebruikt; want een formuliergebed komt in het persoonlijk leven alleen dan te pas, als de geest te dof is voor een gebed uit eigen beweging.

Maar zelf bidden is het ware, het eigenlijke. Elk kind op zijn eigen manier. Niet in taal van groote menschen, maar in kindertaal. Danken voor wat hen verblijd heeft; bidden voor wat hun kommer baart; loven zooals zij het doen zouden, als ze Jezus zelf omhelzen konden.

Wen bovenal uw kind en uzelf aan e^ra-gebeden. Het „Ken den Heere in al uwe wegen,quot; is voor het gebed een goudmijn.

's Morgens, 's middags aan tafel, 's avonds bij het naar bed gaan, het is uitstekend. Maar toch, dat is het volle bidden nog niet. Dat ontstaat eerst, als er bij elke moeilijkheid, die voorkomt, een schietgebed uit de ziel oprijst; als bij elke vreugde, die het hart doortintelt, een toon des danks opklimt naar den Hooge.

En daar moet ge uw kind reeds aan wennen.

Voor God is niets te klein of te gering.

Een moeilijke schoolles is voor een kind even pijnlijk en gewichtig als een veldslag voor een groot veldheer; en God de Heere wil in alles aangeroepen zijn.

Slechts is het de groote kunst om uw kind dat zoo te leeren, dat het zóó bidde, niet om u, niet opdat gij het merken zoudt, maar ongemerkt, om de rust van zijn eigen kinderlijk hart.

En dat nu moet ook op de belijdenis van zonden toegepast.

Want, o, bij een kind is het gevaar zoo groot, om er een kleinen

ocr page 100

88

Pharizeër van te maken, die eiken avond na zal pralen, „dat het in zonden verloren en doemwaardig ia,quot; en er straks geen de minste weet van zal hebben, als het snoept of liegt, of zijn moeder gesard heeft.

De heilige kunst is hier maar, om eerst schuldbesef in geheel kinderlijken vorm op te wekken, en dan uw kind er toe te brengen, om in dienzelfden kinderlijken vorm zijn God om vergiffenis te vragen.

Zooals een kind, dat u eerst verdriet deed, en nu er spijt van heeft, ten slotte lief naar u toekomt, en u zacht in het oor fluistert, of ge niet meer boos wilt zijn, zoo ook moet een kind belijdenis van zonden voor God leeren doen.

Niet in algemeene termen, maar noemende wat verkeerd was, en voor zoover het er weet van heeft.

Dan blijft er waarheid in.

Dan spreekt het hart er in meê.

Dan gewent zich zijn kinderhart aan oprechtheid en aan omgang in oprechtheid met zijn God.

Vooral de moeder heeft hier zoo heilige roeping; maar een roeping, die ze niet kan vervullen, zoo ze dit leven voor zichzelve niet kent, en niet meêleeft in het stil vertrouwen van haar kinderkens.

En dan een oudste zuster. Ook onze dienstmaagden.

o, De Christelijke opvoeding is zulk een heilig werk, maar ze kost zoo ontzettende inspanning der ziel.

IV. „Zoo laat ons deze belijdenis vasthouden.quot;

DE BELIJDENIS UWER KERK.

Dewijl wij dan eenen grooten Hoogepriester hebben, die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, den Zoon van God, zoo laat ons deze belijdenis vasthouden. Hebr. 4: 14.

Telkens hoort ge roepen, dat de belijdenis uwer kerk, en de vraag of dat ook uw belijdenis zij, er minder toe doet. Zoo gij uw Jezus maar toebehoort en het leven Gods in uw hart ruischt, eilieve, wat vraagt ge dan nog naar uw belijdenis!

Wijd moest dus elke kerk, die staande houdt, een kerk van Christus te zijn, haar poorten voor een ieder openzetten; en een kerk, die dat niet deed, wierp haar eigen eere hiermee weg.

„Wat toch geeft alle geleerdheid ? Zou dan het Koninkrijk Gods aan de vragen en antwoorden uit een Catechismusboek hangen ? Op den

ocr page 101

89

Geest en op het werk des Geestes alleen komt het aan. Geheugenwerk kan nooit het werk des harten vervangen. En daarom, zoo er Geesteswerk in u is, moet elke kerk u tot het heilig Avondmaal toelaten; en zoolang er zelfs in den knapsten catechisant geen Geesteswerk openbaar wierd, moest elke kerk hem afwijzen!quot;

Zoo riep men in Montanistische kringen reeds korte jaren nadat de heilige apostelen des Heeren deze aarde verlaten hadden. Zoo riepen enkele teedere gevoelsvromen alle eeuwen door. In de dagen der Hervorming kon men hetzelfde roepen beluisteren van de lippen der Weder-doopers. En ook nu nog ontmoet ge telkens geestelijk eenzijdige lieden, die voor de toelating tot het heilig Avondmaal liefst geen enkele keur dan de keur des Geestes gedoogen.

Merkt men, dat er in iemand „de groote zaak gebeurd isquot;, dan trede hij toe, en anders late men hem met alle onbekeerde zielen van verre staan.

En daarom, geheugenwerk geeft niets. Een Catechismus leeren geeft niets. Alle leeren kan veilig achterwege blijven. En ook dat dusgenaamd „belijdenis doenquot; is eigenlijk niets dan een spelen met het Heilige.

Vreemd intusschen, dat de heilige apostelen er juist andersom over oordeelen.

Eenheid in belijdenis zou er niet toe doen, en nu hoor, wat de apostel Paulus aan de kerk van Corinthe schreef: „Ik bid u, broeders, door den naam van onzen Heere Jezus Christus, dal gij allen hetzelfde spreektquot; (1 Cor. 1:10). Een „spreken van hetzelfdequot;, dat bier duidelijk op de eenheid van belijdenis doelt, want hij voegt er bij; „en dat er onder u geene scheuringen zijn, maar dat gij (als kerk) zijt samengevoegd in éénen zelfden zin en in éénzelfde gevoelen.quot; Let wel, niet in éénzelfde gevoel, noch ook in eenzelfde gevoelsbeweging, maar in het hebben van eenzelfde geweien. Juist zooals hij aan de kerk van Filippi schreef: „Doch, daar wij toe gekomen zijn, laat ons daarin naar demelfden regel wandelen, laat ons hetzelfde gevoelen.quot;

En niet anders spreekt de heilige apostel Johannes, die evenzoo wel terdege de zaligheid aan de belijdenis bindt. Want had Paulus in Kom. 10: 10 gezegd: „Met den mond belijdt men ter zaligheidquot;, Johannes had niet minder kras betuigd: „Alle geest, dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is, die is uit God; en alle geest, die niet belijdt, dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is, die is niet uit God; maar deze is de geest van den antichrist; welken geest gij gehoord hebt dat komen zal en is nu aireede in de wereld.quot;

Ge ziet dus wel, dat de apostelen, die onder de ingeving van den Heiligen Geest schreven, en aan wier woord en gezag dus elk mensch zich te onderwerpen heeft, vlak omgekeerd oordeelen als deze over-geestelijke lieden.

ocr page 102

90

• Zeggen zij, dat hetgeen ge als uw gevoelen belijdt en uitspreekt er minder toe doet, zoo ge innerlijk maar leven speurt, de heilige apostelen daarentegen zeggen u in den naam des Heeren, dat „ge met uw mond belijdt ter zaligheidquot;; dat ge van één gevoelen moet zijn en één sprake moet hebben; en dat wie in zijn belijdenis omtrent den Zone Gods afwijkt van de waarheid, niet uit God is, maar uit den antichrist.

Dit nu trooste u, als ge zelf voor uw belijdenis moet „leerenquot;, of uw kinderen voor hun belijdenis moet laten „leerenquot;.

Keeds op zichzelf moet dit, want het is naar uw Doopsbelofte. Toen toch is ja gezegd op de ernstige vraag: „Of ge op u naamt, dit kindeke, als het tot zijn varstand zal gekomen zijn, in de voorzeide leer te onderwijzen, of te doen en te helpen onderwijzen.quot;

En die „voorzeide leerquot; zweefde niet in nevelen, want vooraf ging die andere vraag: „Of gij de leer, die in het Oude en Nieuwe Testament en in de artikelen des Christelijken geloofs begrepen is en in de Christelijke kerk alhier geleerd wordt, bekent de volkomene en genoegzame leer der zaligheid te zijn.quot;

Ook uw Doop bond u dus aan een leer.quot; Bond u aan een bepaalde „leer.quot; Een leer, die juist en wel omschreven is.

En zoo gaat het van geslacht op geslacht. De vader belooft het voor zijn kind.

Dat kind, straks zelf vader geworden, belooft het weêr voor zijn kind. Altoos weer de belofte om het in „die voorzeide leerquot; óf persoonlijk zelf te onderwijzen, óf te doen en te helpen onderwijzen. En zoo bestaat de kerk in eenheid van belijdenis voort.

Maar ook al berust hierop heel uw kerkelijk leven, toch is het goed er bij te weten, dat de heilige apostelen, wier woord beslissend en gebiedend is, u de zaak evenzoo en juist op dezelfde wijze op het harte binden.

Eén moet aller gevoelen, één aller spreken zijn, en daarom één leer de inhoud van aller belijdenis.

Dus moet er „geleerdquot;-, want een kerk, die het zaad der kerk niet laat leeren, houdt haar belijdenis niet vast, maar laat ze los; breekt met haar verleden; snijdt de gemeenschap met de vaderen af; en vormt een nieuwen kring.

Daarom moet er „geleerd.quot;

„Geleerdquot; niet wat deze of die predikant u aanpredikt, of ook deze en die onderwijzer u voorhoudt. Dat toch zijn slechts vluchtig vervliegende uitleggingen, die de één zus, de ander zóó geeft, en die alle eeuwen door wisselen.

Neen, wat „geleerdquot; moet, is wat uw kerk sinds eeuwen, en de eeuwen door, als van God in zijn Heilige Schriftuur geopenbaarde waarheid belijdt.

ocr page 103

91

En dat moet „geleerdquot;' in alle kerken, aan allen, die in de kerk opgroeien, of tot haar toetreden willen, oud of jong, man of vrouw, van kleiner of van rijper ontwikkeling.

Het geslacht, dat nu leeft, moet daarin naspreken wat een vorig geslacht overnam van het geslacht, dat toen ten grave daalde; en niets is valscher gedacht, dan dat elk komend geslacht telkens iets nieuws, iets anders zou moeten belijden.

„Napratenquot; is een woord, dat in minachting kwam, en daarom zeggen we: naspreken. Maar dat moet het dan ook wezen. Alle helder onderwijs is dus „naspreken.quot; En zoo moet het dan ook in Jezus' kerk zijn ; en de kunst is maar, om dit „nasprekenquot; met de lippen te doen opkomen uit het hart.

Zoo gaf reeds Asaf den gulden regel in Psalm 78 aan: „o, Mijn volk, neem mijne leer ter oore; ik zal mijne verborgenheden uitspreken van oudsher; die wij gehoord hebben en weten, omdat onze vaderen ze ons verteld hebben.quot;

Dit nu, zegt Asaf, legt den plicht op, om ze „niet te verbergen voor onze kinderen, voor het navolgende geslacht.quot;

En dat wel, omdat God de Heere dit goud zijner waarheid aan zijn kerk heeft toevertrouwd, opdat het van het Paradijs af alle eeuwen door stand zou houden, tot aan de voleinding der wereld. „Want Hij heeft een getuigenis opgericht in Jakob, dat Hij onzen vaderen geboden heeft; dat zij ze hunnen kinderen zouden bekendmaken, opdat het navolgende geslacht die weten zou, de kinderen, die geboren zouden worden, en zouden opstaan en vertellen ze hun kinderen, en dat zij hunne hoop op God zouden stellen, en Gods daden niet vergeten, maar zijne geboden bewaren.quot;

Er is dus geen plaats voor twijfel.

De plicht is ons dus gebiedend opgelegd.

De leere Gods, zoo van wat Hij openbaarde, als deed en gebood, moet van geslacht tot geslacht voortgeplant.

De belijdenis mag niet onder het stof der eeuwen bedekt, maar moet vastgehouden en steeds opnieuw beleden.

En ook voor u was er dus geen andere weg. Ook gij moest „leeren.quot;

„Geheugenwerkquot; alleen is machteloos, maar ook, zonder het werk van uw „geheugenquot;, vallen de schalmen van de keten, die Gods kerk saamhoudt, uit elkaar.

Nu zou het voor ons een ontzaglijke aantrekkelijkheid hebben, als heel Christus' kerk op aarde, van de dagen der apostelen af tot nu toe, altoos maar éene belijdenis had gehad, en nog bezat; en dan liefst een belijdenis kort en klaar op alle punten.

Toch licht er in het aantrekkelijke van dit denkbeeld iets, dat we

ocr page 104

92

niet voeden mogen, eenvoudig wijl de historie der kerk toont, dat de wil des Heeren een geheel andere is geweest.

En dat moet wel.

Anders toch zou het eerst recht een dood geheugenwerk zijn geworden. Geen naspreken, maar een napraten, eeuw in eeuw uit, door allen, in alle land en wereldstreek, van hetzelfde. Eén eentonig geklank.

Zoo zijn er dan ook feitelijk gedeformeerde, min zuivere, en gereformeerde of gezuiverde kerken.

Ook gij nu hebt het uitnemend voorrecht om geboren te zijn in zulk een gereformeerde kerk, die dus ook een gereformeerde belijdenis heeft.

Voor u te heiliger drang, om geen oogenblik die gezuiverde belijdenis los te laten, maar „te houden wat gij hebt.quot;

V. „De loffeiykheden des Heeren.quot;

HET KENNEN VAN DE DADEN GODS.

Wij zullen het niet verbergen voor hunne kinderen, voor het navolgend geslacht, vertellende de loffelijkheden des Heeren, en zijne sterkheid, en zijne wonderen, die Hij gedaan heeft.

Psalm 78:4.

Zoo oud Christus' kerk is, zoo lang is er voor het „doen van zijn belijdenisquot; geleerd.

En dat wel om een uiterst natuurlijke reden.

Als ge zelf bij alles bij waart geweest, en alles wat God geopenbaard heeft zelf van zijn profeten, van Christus en van zijn apostelen hadt kunnen hooren, zoudt ge niets te leeren hebben.

Maar dit is niet zoo; want Gods werk en Gods openbaring liep niet af in een menschenleven; en had niet plaats tijdens uw leven ^ maar veel vroeger en over/ een loop van eeuwen.

En daaruit nu en daaruit alleen werd de noodzakelijkheid voor u geboren, om te leeren.

Juist zooals het met de geschiedenis van uw eigen vaderland is. Wat heden ten dage, in uw eigen omgeving, gebeurt, dat ziet ge en dat vieet ge, zonder dat iemand het u aanzegt. Maar wat in de dagen der Batavieren, van Eloris V, van Prins Willem of Napoleon gebeurd is, daar zijt gij niet bij geweest, en dat is daarom voor u te boek gesteld, opdat gij het zoudt leeren.

En evenzoo nu is het hier.

Omdat God zijn machtige wonderen in vroeger eeuwen heeft ge-

ocr page 105

93

wrocht, en zijn rijke openbaringen gegeven heeft, lang eer gij geboren waart, zoo heeft God de Heere die voor u laten boeken, ze in schrift voor n laten opteekenen, en zorg gedragen, dat in de Heilige Schriftuur „al zijn loffelijkhedenquot;, zooals Psalm 78 het noemt, voor u te lezen stonden.

En zoo is er dus geen keus.

Immers van tweeën één.

Of dit alles blijft u vreemd, blijft buiten u liggen, is voor u als niet geschied, en moet dus voor u een gesloten boek zijn, óf wel ge moet u de inspanning getroosten, om dat alles te leeren.

Vandaar dan ook, dat God u het geheugen schonk. Die wondere gave, waardoor ge als mensch het vermogen hebt, om het verledene in uw geest te photographeeren; de eeuwen, die achter u liggen, in te prenten in uw eigen verbeelding; en zoo in te leven in wat doorleefd is door vroegere geslachten.

Niet alsof ge uw geheugen alleen ontvingt, om de „lolfelijkheden des Heerenquot; u eigen te maken : want zeer zeker heeft uw „geheugenquot; zijn beteekenis ook voor het burgerlijk en algemeen menschelijk leven.

Maar tooh moogt ge nooit vergeten, dat ook uw geheugen dan eerst zijn hoogste roeping vervult, als ge het bezigt als middel en instrument om de daden en openbaringen Gods tot het eigendom van uw eigen bewustzijn te maken.

Ge zult den Heere uw God liefhebben ook met uw geheugen; want ge moet Hem liefhebben met al uw krachten; en onder die krachten van uw geest neemt ook het geheugen een niet geringe plaats in.

En daarom is het ongodvruchtig, als ge bij het onderwijs, zich de kracht van het geheugen op allerlei wetenschap en kennis laat richten; maar datzelfde geheugen doet niet ook, en zelfs in de eerste plaats, dienst, om het opkomend geslacht te verrijken met de kennisse van Gods daden en de wetenschap van zijn heilige openbaring.

Er mag dus op het „leerenquot; en zelfs op het „vanbuiten leerenquot; niets worden afgedongen.

De inspanning, die dit kost, is ook een „zweet des aanschijnsquot;, waarin we ons brood zullen eten, en het is geen kindermin, maar wreede onbarmhartigheid met uw kroost, zoo ge uit misplaatste gevoeligheid hun in de kinderjaren die inspanning spaart.

Het geheugen is juist in de kinderjaren het sterkst. Later neemt het in vermogen om zich te verrijken af. En daarom is het juist in die jonge jaren dat deze taak, zij het ook een vaak inspannende taak, aan het kind moet opgelegd.

Slechts zie men scherp en wel toe, dat men geheugenwerk niet aanzie voor wat het nooit zijn kan, en nooit wane, dat veel vanbuiten leeren gelijkstaat met vroomheid, of ook maar, zonder meer, vroomheid kweeken zou.

ocr page 106

94

Wie steenen saamvergadert, heeft nog geen huis gébouwd, en wie tarwekorrelen saambrengt, heeft, zonder meer, nog geen brood voor zijn honger.

En zoo is het ook hier.

Want immers op zichzelf is al dit geheugenwerk nog niets dan een verzamelen van bouwstof, die niets dan ballast voor de hersenen wordt, zoo ge ze onverwerkt en ongebruikt liggen laat.

Beide zijn dus even noodzakelijk.

Ge kunt niet gaan bouwen, eer de bouwstof is saamgebracht, en zoo ook is er geen religie zonder kennisse van „Gods loffelijkhedenquot; mogelijk.

Maar ook, zoomin als uit de bouwstof, zonder meer, een huis komt, zoomin zult ge uit die kennisse van „Gods loffelijkhedenquot;, zoo uw hart er werkeloos bij blijft, ooit religie gewinnen.

Juist daarom is het dan ook zoo noodig, dat ge de kracht van uw geheugen richt op wat als bouwstof bruikbaar is.

En dan moet afgekeurd, streng afgekeurd zelfs, dat misbruik van het geheugen, door de kinderkens af te matten met het laten leeren van dorre reeksen namen. Want of ge nu al de patriarchen vóór den Zondvloed of al de koningen van Israel op uw duimpje weet op te noemen, dit leert u nog niets van „de loffelijkheden des Heeren, van zijne sterkte en van de wonderen, die Hij gedaan heeft.quot;

En toch daarop komt het aan.

Er is een heilig, doorloopend werk van Gods genade in de historie.

Eeuwenlang heeft het Gode behaagd op zeer wondere wijze een werk te werken, dat eiken mensch, dus ook u, persoonlijk aangaat.

Een machtig werk, waarin Hij zijn ontfermende genade jegens den zondaar heeft betoond en betuigd, en dat eindelijk in de zending van zijn lieven Zoon tot volkomen rijke ontplooiing is gekomen.

Dat werk Gods moet ge dus kennen. Van dat werk Gods moet ge het heerlijk verloop u eigen maken. Dat saamhangende, ineengescha-kelde werk Gods moet als afgeschilderd voor uw geest staan. Daarin moet ge u kunnen indenken. Daar moet ge u in weten te verplaatsen. Daar moet ge in genieten kunnen. Ja, dat moet de grond van uw vertrouwen en het steunsel uwer hope zijn.

En daarom moet gebroken met al dat onheilige in onze Zondagsscholen en catechisatiën, dat er toe leidt, om van onze kinderen kleine geheugenmachinetjes te maken, die alles en nog wat kunnen opzeggen, en dan op de vraag: „Wat heeft God voor u gedaan, en wat heeft uw God u geopenbaard?quot; opeens met een mond vol tanden staan.

Een kind moet aan wat het leert wat hebben. Wat hebben voor zijn leven. Wat hebben bij de worstelingen, die het straks met zijn ziel doorworstelt.

En als het dan straks optreedt in de wereld, en daar een stemme

ocr page 107

95

hoort opgaan, die al 'sHeeren loffelijk heden bespot, ontkent en loochent, doen moet het „zaad der kerkquot; daartegenover staan, niet met een lijstje van zóóveel gelijkenissen en met een reeks van zóóveel patriarchen, maar dan moet het kloek en krachtig daartegenover getuigen kunnen van het machtig en heerlijk werk, door God in den loop der eeuwen gewrocht; en om daartoe de kracht te bezitten, moet het zelf aanbidding voor dat. werk Gods in de ziel gekend hebben.

YI. „Een onberouwelijke bekeering tot zaligheid.quot;

HOE EEEDS EEN KIND ZICH MOET BEKEEREN.

Want de droefheid naar God werkt een onbe-rouwelijke bekeering; maar de droefheid der wereld werkt den dood. 2 Cor. 7:10.

Zoo moet ge dus voor uw „belijdenisquot; leeren; maar niet minder stellig moet ge u voor uw „belijdenisquot; iekeeren. Hoe toch zou een onbekeerde, zonder leugen op de lippen, belijdenis van zijn Heere kunnen doen?

Jammer slechts, dat het Methodisme ook in dit opzicht zulk een verwoesting in onze Gereformeerde kerken heeft aangericht.

Onder den invloed toch van het Methodisme ging men zich te kwader ure inbeelden, dat „wedergeboortequot; en „bekeeringquot; eigenlijk één en hetzelfde is, en dat de goddelijke daad, waardoor dit saam plaatsgrijpt, slechts hier en daar aan een zeer enkele ten deel valt, en dan geheel plotseling, en meest pas op gevorderden leeftijd.

Dit nu plaatste de teederder zielen voor een uiterst moeilijke keuze. Op dat Methodistisch standpunt toch moest men van tweeën één doen, of vóór het belijdenis doen den eisch van bekeering volhouden, maar dan ook niemand „aannemenquot;, die niet van zulk een plotselinge daad Gods wist le getuigen; of wel men moest voortgaan met ook de anderen „aan te nemenquot;, maar dan ook den eisch van „bekeeringquot; laten glippen.

Beide nu was even bedenkelijk.

Schonk men den toegang tot het heilig Avondmaal alleen aan diegenen, die op Methodistische wijze getuigenis konden afleggen van zulk een aangrijpende omzetting in hun hart en leven, dan kon hoogstens een zeer enkele „aangenomenquot;, dan verliep de catechisatie, en had het onderwijs in de Christelijke religie verder geen doel.

En sloeg men den omgekeerden weg in, om de „aannemingquot; toch.

ocr page 108

96

ais regel, te laten doorgaan op een leeftijd van omstreeks achttien jaren, maar om dan ook den eisch van „bekeeringquot; prijs te geven, dan ontaardde natuurlijk dit „belijdenis doenquot; in niets dan in een soort examen, een uitstalling van geheugenwerk, zonder geestelijke beduidenis of beteekenis voor den hemel.

Ter wille van de opvoeding deed men toen de laatste keuze, en zoo is toen heel het „belijdenis doenquot; op zoo schromelijke wijze verbasterd.

In terugkeer naar de Gereformeerde paden ligt ook hier de eenige weg tot beterschap.

Wie toch goed Gereformeerd is, erkent en belijdt, dat noch de ouderlijke vermaning, noch de predikatie des Woords, noch de Zondagsschool, noch ook de catechisatie, op een mensch, die nog geheel onwedergeboren in zijn naakte vijandschap tegenover God staat, ook maar iets vermogen.

üat er dus aan alle vermaan en onderrichting een daad Gods in de ziel moet voorafgaan; en dat uit dien hoofde wedergeboorte en bekeering niet hetzelfde kan zijn.

Dat omgekeerd „wedergeboortequot; de verborgen daad Gods in onze ziel is, die aanwezig moet zijn en moet voorafgaan, zullen wij ons kunnen bekeeren.

Een „onwedergeborenequot; kan zich niet bekeeren.

„Bekeeringquot; is een eisch, die alleen aan den „wedergeborenequot;, met uitzicht op vervulling, kan gesteld worden.

En daar nu bijna de helft der gedoopte kinderen wegsterft, zonder ooit tot „jaren van onderscheidquot; te komen; en wel niemand zal beweren, dat alle jonge kinderen verloren zijn; en ze toch ook weer zonder wedergeboorte het koninkrijk Gods niet zien kannen; zoo belijden de Gereformeerde kerken, dat deze daad der wedergeboorte bij Gods uitverkorenen, in den gewonen regel, reeds plaatsgrijpt in hun prilste jeugd.

Niet alsof dit „zaadquot; daarom dadelijk opschoot. Soms blijft het veeleer tot vergevorderden leeftijd in den akker verscholen. Maar toch is het uitsluitend de heerlijke onderstelling van deze verborgen wedergeboorte, waarop de Gereformeerde kerken haar eisch doen rusten, dat elk gedoopte zich bekeeren zal.

Namen ze aan, dat de gedoopten niet wedergeboren zijn, zoo zou die eisch geen zin hebben.

Immers alleen de wedergeboorte bekwaamt een zondaar, om zich tot God te bekeeren.

Zal dus de Doop een „Doop der bekeeringquot; blijven, dan kan zij van de onderstelling van wedergeboorte niet losgemaakt.

Zoo nu loopt alles wel.

Ge hebt dan hope in God, als het Hem belieft, uw jonge kinder-kens door een vroegtijdigen dood van u weg te nemen.

ocr page 109

97

Ge hebt dan een scherpen prikkel, om al uw lievelingen bij het opgroeien aanhoudend en op ernstige wijze in de kennisse van Gods Woord in te leiden.

Ge zult de vroege godsvrucht, die ge soms bij uw kleinen waarneemt, dan niet langer toeschrijven aan de onschuld van hun jeugdig hart, maar ook hierin een vrucht der wedergeboorte erkennen.

Ge zult dan drang in u gevoelen, om zoodra ze tot rijper jaren zijn gekomen, uw kinderen ten Avondmaal te leiden.

En bovenal ge zult bij elk kind, dat God u gaf, vrijheid en recht hebben, om het onophoudelijk te dringen tot bekeering.

Zoo hebben onze vaderen in de dagen van hun geestelijken bloei het gedaan, en het Sion Gods is er door opgeleefd, en de heerlijkste zekerheid des geloofs is in die dagen door duizenden bij duizenden genoten.

Vandaar dat in die dagen dan ook niemand sprak van „aangenomenquot; te worden; dat niemand dacht aan een soort examen van geheugenwerk ; maar dat men zoo spoedig mogelijk in hel midden der gemeente verscheen, om openlijk belijdenis van de Christelijke religie te doen, en in het midden van de geloovigen mede aan te zitten aan 's Heeren heiligen üisch.

Maar thans, helaas, is dit alles anders geworden.

Het is leeren, leeren, leeren; dan een soort examen; om straks „bevestigdquot; te worden. En dan kan men, ja, óók nog aan het Avondmaal gaan; maar men kan het ook nalaten.

Maar of men er komt, of niet komt, aan „bekeeringquot; om ten Avondmaal te komen en „bekeeringquot; om belijdenis te doen, wordt o zoo zelden gedacht.

Of liever men denkt er wel aan, maar meest in den vorm van zeker plechtig en indrukwekkend vermaan de laatste zes weken vóór zijn „aanneming.quot;

Dan heet het, dat men „voor zijn aannemingquot; leert.

üan krijgt men een extra-catechisatie; dan onthoudt men zich van uitgaan op eenige partij of eenig feest; dan spreekt de leeraar wat ernstiger; de duur der catechisatie is wat langer; men werkt er wat meer voor; en op het allerlaatst, vooral bij de aanneming, wordt men, ja, waarlijk toegesproken, alsof nu „bekeeringquot; bedoeld wierd.

Doch men weet ook hoe dit gaat. Omdat deze plante geen wortel heeft in de belijdenis van voorafgegane wedergeboorte, durft men het feit der bekeering niet aan; en zoo blijft het steken bij een woord van ernstig, dringend vermaan, dat even een kleinen indruk maakt, maar, gelijk de gelijkenis van den zaaier het ons teekent, bij velen door de vogels wordt weggepikt, of, gelijk men zegt, het ééne oor in-, het andere uitgaat; bij anderen even opschiet met ijlen stengel in groote beweeglijkheid des gemoeds en uitvloeit in een overvloed van tranen, maar om straks geheel te verdorren; en bij weêr anderen al even spoedig in de veelvuldigheid des levens wordt verstikt.

7

ocr page 110

98

Bijna nooit hoort ge dan ook van iemand, die het bij zijn „aannemingquot; of bij zijn „bevestigingquot; gekregen heeft.

Het komt voor, maar zóó zeldzaam, dat het op de massa ganschelijk niet meetelt.

En dit kwaad nu kan alleen overwonnen, als ge ook den eiseh van „bekeeringquot; van der jeugd aan en zoo stellig mogelijk stelt.

Men moet leeren, zich bekeeren en dan helijden.

Nu stemt ieder toe, dat het niet aangaat een kind te laten opgroeien tot zijn achttiende jaar, om het dan opeens zes maanden hard voor zijn „aannemingquot; te laten leeren.

Neen, zegt men, dat leeren moet van der jeugd af geschieden.

Ook van het helijden erkent men, dat wie tot zijn achttiende jaar deed, als schaamde hij zich voor Christus, en na zijn „bevestigingquot; die beschaamdheid voor den Christus denkt voort te zetten, bij zijn dusgenaamde „aannemingquot; comedie speelt, maar niet belijdt. Ook dat belijden moet van der jeugd af beginnen.

En juist datzelfde gaat nu ook door voor de bekeering.

Wie zijn kinderen onbekeerd laat opgroeien; ze aan het denkbeeld van bekeering niet went; en ze laat groot worden in de onware gedachte dat bekeering iets is, dat pas aan groote menschen op een lijdelijke manier overkomt, heeft er zelf schuld aan, zoo zijn kinderen bij hun „belijdenis doenquot; aan geen bekeering denken.

Daarom moet elk Christenkind, zoodra het tot jaren van onderscheid komt, opgevoed in het besef, dat het zich bekeeren moet; en het moet daarin ' opgevoed op kinderlijke wijze, geheel naar de uitlegging, die onze Catechismus in Vraag 88 van de bekeering geeft.

Want bekeeren is zich omkeeren op zijn weg, zoodat men nu niet langer van God en zijn Christus afgaat, maar naar God en zijn Christus nadertreedt met heel zijn ziele.

Dit nu stelt voor een kind, zoo goed als voor een mensch op jaren, den plicht en den eisch, om stuur en richting in zijn leven te hebben, om tegen zijn kinderzonden in te strijden, en omgekeerd den weg te zoeken, waarop het in kinderlijken eenvoud iets van kinderlijke vreugde in zijn God kent.

Hoever ge op dien weg zijt, is de vraag niet. Waarachtige bekeering gaat heel uw leven door en wordt eerst voleind in uw dood.

De vraag is maar: In wat richting wandelt ge? Van Christus af of naar Christus toe?

En wie zich niet naar Christus toe heeft gekeerd, kan en mag geen belijdenis doen.

ocr page 111

99

YII. „Yoor de mensclien.quot;

SPREKEN, NIET ZWIJGEN.

En Ik zeg u: een iegelijk, die Mij belijden zal voor de menschen, dien zal ook de Zoon des menschen belijden voor de engelen Gods.

Luk. 12:8.

In de weken, die aan de „belijdenisquot; voorafgaan, en op den dag, waarop het tot „belijdenisquot; komt, fluistert Satan niet zelden in menig jeugdig hart de verleidelijke gedachte: „Waartoe dat openlijk belijdenis doen? Is godsdienst dan niet een zaak van het hart? Een zaak van mijn menschelijk hart en die eeuwige Liefde, naar wie dat hart zich in aanbidding uitstrekt ?quot;

Een fluisteren van Satan, daarom zoo verleidelijk, omdat er iets waars in ligt. Want ja, het is zoo. Godsdienst is een zaak van het hart; en wiens religie nog buiten het hart omgaat, die is aan de eerste beginselen der godsvrucht nog volstrekt vreemd. Zoomin het in uw koude kamer warm wordt, doordien ge er een plaat in ophangt van een prach-tigen zonsopgang, evenmin wordt het lente in den winter van uw ziel door een, o, zoo prachtig begrip van Christus en zijn heiligheden.

Op innigheid, op innige warmte van overtuiging, en dus op de vonk des geloofs in uw hart komt het juist aan. Juist het gemis aan die innigheid en die warmte brengt zoo veler schijnreligie in opspraak. En het is niet te zeggen, hoeveel rijker en heerlijker de macht van Christus op aarde door zou breken, als dat „verborgen vuur in de beenderenquot;, waar Jeremia van spreekt, meer gloeide bij wie Hem belijden.

Godsdienst is een zaak van het hart, en wie in zijn religie veel naar de menschen en weinig naar zijn God vraagt, loopt wel mee met de schare, maar bezit geen geestelijke kracht. Omdat het hemzelf donker in de ziel blijft, kan hij geen licht voor de menschen doen schijnen. En omdat er niets dan asch en sintels in den haard van zijn gemoed liggen, kan hij u noch koesteren noch verwarmen.

Al die schijngodsdienst nu stuit u tegen de borst, en wezenlijk eerbied voor iemands religie hebt ge dan eerst, als het iemand is, die met een vonk van heilige geestdrift in het oog betuigen kan: „Ik geloofde, daarom sprak ik 1quot;

Geen wonder dus, dat ge, vooral in de aannemingsweken, als ev zoo honderden te hoop loopen, om „belijdenisquot; te doen, in wier hart enkel de wereld, in wier gemoed enkel het eigen ik heerscht, u pijnlijk voelt getroffen door die ontstentenis van innigheid; dat ge koud wordt aangedaan door al dat machinale en uitwendige, en daarbij

ocr page 112

100

innerlijk onware; en dat ge, op weg om met die honderden mee te belijden, in een vroom oogenblik liever terug zoudt keeren en denkt: „Neen, zoo niet. Godsdienst moet een zaak des harten blijven. Voor mijn God wil ik belijden, maar voor de nienschen niet.quot;

In zulk zeggen nu spreekt wel terdege óók een edeler trek van uw hart, maar toch, die u dat „7iiet voor de menschenquot; influistert, is Satan.

Want ge weet. Satan zegt het altoos juist omgekeerd als Jezus het zegt, en uw Jezus heeft, wel verre van dat voor Hem „uitkomen bij de menschenquot; af te keuren, het u veeleer als een plicht opgelegd. Aldus immers sprak Hij: „Zoo wie Mij belijden zal voor de menschen, dien zal Ik belijden voor de engelen Godsquot; ; maar om er dan ook de tegenproef op te laten volgen: „Wie Mij verloochenen zal voor de menschen, dien zal Ik verloochenen voor de engelen Gods.quot;

Het is alzoo belijden of verloochenen. Een derde kent Jezus niet. Van een neutraal terrein, waarop ge u buiten de questie van den Christus zoudt kunnen houden, spreekt Jezus nooit een enkel woord. Het is voor of tegen. Val of opstanding. Een reuke des doods of een reuke des levens. En daarom bf belijden bf verloochenen, en wel een belijden of verloochenen voor de menschen.

Uw aalmoezen in het verborgene, of ge hebt uw loon weg. Uw innige zielsuitgieting in het gebed, na uw deur gesloten te hebben. Kortom, om een waar aanbidder te zijn, moet ge den Vader aanbidden in geest en waarheid, want het Koninkrijk Gods komt niet met uitwendig gelaat; het is binnen in u. Maar dit alles ontslaat u geen oogenblik van uw plicht om voor de menschen uw Jezus te belijden, op straffe dat ge, door Hem niet voor de menschen te belijden. Hem reeds daardoor voor de menschen verloochent.

Niet ruw en plomp. Er blijve schuchterheid in het heilige. Ue paarlen mogen niet voor de zwijnen geworpen, en de wijze kent zijn tijd. Maar nooit mag zwijgen regel of gewoonte worden. Er moet voor Christus gesproken ; de tongen moeten los ; en wie dat niet durft, of er uit verlegenheid van afziet, wete wel, dat hij schuldig staat aan verloochening van zijn Heiland.

Want dat zwijgen is zonde, is lafheid, is gemis aan liefde, aan geestdrift en bezieling voor uw Heere.

Dat merkt ge in het gewone leven wel.

Heeft iemand onder zijn familieleden of vrienden een groot heer of een man van naam, geld en invloed, dan heeft hij er altoos lust in, te doen uitkomen, dal die man van zijn familie of van zijn vrienden is. Maar hebt ge onder uw familie een veracht of mislukt persoon, voor wien uw vrienden den neus zouden optrekken, dan doet ge liefst, als hadt ge dien familieband vergeten. Dat is wel niet trouw, maar het

ocr page 113

101

zondig hart neigt er toe. o, We komen zoo graag voor iemand uit, ala we er eere mee kunnen inleggen ; maar als men er ons over den schouder om zou aanzien, is zwijgen ons zoo lief.

En aan dien trek van het hart knoopt Jezus nu zijn eisch vast, dat ge Hem belijden zult.

Het is of Hij u zegt: „Bij Gods engelen leg Ik met u geen eere in; en toch schaam Ik Mij niet uw broeder genaamd te worden. En daarom eisch Ik van u, dat gij u ook Mijner niet schamen zult, ook al weet Ik, dat de wereld u om uw uitkomen voor Mij zal smaden.quot;

Of ik voor iemand zal uitkomen, mag er niet van afhangen, of het mij eere of smaad zal brengen, maar mag alleen beheerscht worden door de liefde en de trouw van mijn hart.

En daarom is het niet genoeg, dat ge Jezus in uw binnenkamer belijdt; of ook belijdt bij uw leeraar; of in het gezelschap van enkele vromen.

Neen, waar het op aankomt, en waar de trouw van uw hart aan moet gekend, is juist, of ge den drang en den moed hebt, om uw Heiland te belijden voor de menschen.

Voor de menschen, let wel, in geheel algemeenen zin.

Dus niet zooals sommigen het opvatten, die Jezus wel belijden durven, als ze met een arme of ondergeschikte te doen hebben; maar zich muisstil houden, zoodra ze staan tegenover een dame of heer. Van zulk een moed tegenover de kleinen der wereld, die gepaard gaat met verregaande lafheid tegenover de grooten der aarde, weet Jezus niets. Veeleer wil Hij, dat wij Hem voor alle menschen belijden zullen, tot zelfs voor koningen en stadhouders en priesters, ook voor de priesters der wetenschap.

Hijzelf ging daarin voor. Hij beleed de goede belijdenis niet alleen onder de visschers van Kapernaüm en de boeren van Galilea, maar even kloek en heldhaftig voor de geleerden en hooggezetenen in Israel, voor het Sanhedrin, voor Herodes en voor den landvoogd van Homes keizer.

Tusschen Jezus in Nazareth en Jezus in Jeruzalem is geen verschil.

En zoo nu eischt Hij ook van u, dat ge Hem, uw Jezus, zóó op het hart zult dragen, zoo warm zult liefhebben, en met zulk een inni-gen band zult aankleven, dat ge Hem voor geen enkelen mensch verloochent, maar moedig en trouw uw Heiland voor de menschen van allen stand en allen rang belijdt.

Dat berokkent u dan wel veel onaangenaamheden; dat maakt dan wel, dat velen u mijden gaan; ja, dat het met sommigen van uw kennissen of vrienden of magen tot een hreuke komt; maar daartoe heeft Jezus zelf het ook laten komen. Hem kostte het smaadheden en gee-seling en doodsangst, en ten slotte den bitteren dood aan het kruis.

En omdat Hij zelf zoo rustig en met zoo volhardenden moed door-

ocr page 114

103

tastte, heeft Hij ook u gezegd, Hat Hij gekomen is, om tweedracht te veroorzaken, en den mensch tweedrachtig te maken met zijn magen en vrienden. Een tweedrachtigheid, waarvan Hij zelf betuigd heeft, dat ze soms tot een breuke tusschen een ouder en een kind kan doorgaan.

Ge kunt dus vrij stellig zeggen, dat het een hoogst ongunstig tee-ken is, zoo iemand tot zekeren leeftijd is opgeklommen, zonder nog ooit om de belijdenis van Jezus met iemand te breken. Wee u, zoo alle menschen wel van u spreken. Immers het vermoeden ligt dan voor de hand, dat bij u weinig van uw belijden van Jezus bij de menschen gekomen is, en dat het verloochenen van uw Heiland u liever was.

Misleid uzelven dus niet.

Gewisselijk moet uw godsdienst u een innige, teedere zaak des harten zijn, en wee u, zoo uw religie u wel een zaak voor de menschen is, maar geen zaak der ziele voor uw God. Dan toch wandelt ge in schijn, en hebt geen leven in uzelven.

Maar ook, omgekeerd, zeg nooit, dat ge uw religie maar voor u houdt, en dat de menschen daar niet meê noodig hebben. Wie gelooft, han niet zwijgen, moei spreken. En zoo dikwijls dat spreken stuit op tegenspraak, komt ge tot lelijdenis van uw Heere.

VUL „Ik zal u aannemen.quot;

WIE ALLEEN ONS AANNEEMT.

Daarom gaat uit het midden van hen, en scheidt u af, zegt de Heere, en raakt niet aan hetgeen onrein is, en Ik zal ulieden aannemen.

2 Cor. 6: 17.

Wat heeft met uw „belijdenisquot; de dusgenaamde „aannemingquot; uitstaande?

Men vraagt u dan in die dagen: wordt ge „aangenomenquot;?quot;

Men spreekt er van, dat het de volgende week „aannemingquot; is. En is die meestal pijnlijke ure achter den rug, dan ontvangt men zoo den indruk, alsof het eigenlijk nu is afgeloopen, en of er, nu ja, ook nog een bevestiging komt; maar meer een „bevestigingquot; voor den vorm. Alleen tegen de „aannemingquot; heeft men opgezien. Voor die „aannemingquot; heeft men geleerd, en de laatste weken zelfs hard geleerd. Maar nu men daar maar eenmaal „door isquot;, doet die nasleep er minder toe. Zoo zelfs, dat meer dan één van de „bevestigingquot; maar wegbleef, en evenmin ooit gezien werd aan het heilig Avondmaal.

ocr page 115

103

Uit nu is de leugen in de kerk, en uit die leugen komt ook voor de kerk niets dan de dood.

Eigenlijk moest heel die „aannemingquot; er niet wezen, en oudtijds toas ze er ook niet.

Wie drang had om zijn Heere en Zaligmaker te belijden, stond in het midden der gemeente op, en beleed zijn Heere niet met een hoofdknik, maar met luider stem. En omdat er aan dat belijden van Jezus niets dan smaad, opoffering en lijden verbonden was, kon men, wie zoo moedig optrad, in den regel best vertrouwen; en zoo begroette heel de kerk zulk een broeder of zuster met dankbare vreugd.

Maar, helaas, zoo bleef het niet.

Toen de vervolging week, en Christen te zijn een eere wierd, daagden er allerlei personen op, om Jezus te belijden, in wie geen der broederen vertrouwen kon stellen. Vandaar dat men toen vooraf onderzocht-, voorafgaand onderwijs ging eischen; en eerst van lieverleê verlof schonk, om tot de „openlijke belijdenisquot; over te gaan.

Zoo moest men wel handelen, om de kerk tegen geestelijk bederf te beveiligen. En ook, zoo moest men wel handelen, om veel zonde bij onoprechte naambelijders te voorkomen.

Die voorafgaande onderzoekinge des geloofs nu is thans in wat men noemt „de aannemingquot; uitgeloopen. Dan vaardigt de kerkeraad een Dienaar des Woords met een Opziener af, om te onderzoeken, hoe het met zulk een gedoopte staat. En zoo ze dan bevinden, dat hij genoegzaam kennis van het Woord heeft, om te weten wat hij doen gaat, en dat er genoegzaam blijken zijn van toekeering tot den Heiland en zijn afkeering van de wereld, dan geven ze hem verlof, om tot de openbare belijdenis van Jezus in het midden der gemeente over te gaan.

Maar die „openbare belijdenisquot; is dan ook de hoofdzaak. Wat men „aannemingquot; noemt, en nooit zoo had moeten noemen, is niets dan een voorafgaande onderzoeking, om daarna verlof tot belijdenis te geven, en eerst door die openbare belijdenis gaat het dan naar het heilig Avondmaal.

Dat booze „aannemingquot; is een woord, dat niet deugt, de begrippen verwart, en ongeestelijk werkt.

Heel dit denkbeeld toch miskent den voorafgaanden Doop. Komt er, ja, een enkel maal iemand uit de Joden, Turken of Heidenen tot de gemeente, dan neemt men zulk een aan.

Maar een gedoopt kind der gemeente, dat reeds vóór zijn Doop in Christus geheiligd was, kan niet op achttienjarigen leeftijd als een vondeling „aangenomenquot; worden.

Zulk een kind is van de familie, en opgegroeid als huisgenoot des geloofs.

En zegt men: „Ja, maar in de zichtbare kerk verkreeg het toch nog niet de eigen rechten van het lidmaatschapquot;, dan is dit ook zoo.

ocr page 116

104

maar die krijgt het ook nu niet door wat de Dienaar des Woords met den Ouderling doet; die erlangt het eerst na de openbare belijdenis in de gemeente.

Men kan derhalve desnoods van „toelating tot de openbare belijdenisquot; spreken; maar nooit mag die dusgenaamde „aannemingquot; iets anders zijn dan het voorportaal, waardoor men tot die openbare belijdenis ingaat; en niet dat „aangenomen wordenquot;, maar die „openbare belijdenisquot; moet het heilig en beslissend moment voor uw levenskeus zijn.

Daar bij die openbare belijdenis legt ge den eed van trouw aan Jezus af. En wee u, zoo ge dien eed van trouw schendt!

Maar dat wilde men niet.

Neen, de „aannemingquot; moest een „aandoenlijkequot; plechtigheid worden. En zoo maakte men er toen van, wat bij de Lutherschen reeds veel vroeger bestond, dat een Dienaar des Woords en zijn Ouderling de belijdenis afnam; en dat ge daarna in de kerk niet „openbare belijdenisquot; deedt, maar, in Eoomschen trant, bevestigd werdt. Zooals de Roomsche kerk vóór de eerste communie haar Vormsel toedeelt, wat letterlijk Confirmatio of bevestiging beteekent, zoo kreeg men ook in deze Luthersche kerken eerst een „aannemingquot;, daarna een „vormselquot; (of bevestiging) en dan het Avondmaal ').

Heel dit wanbegrip moet dus met tak en wortel uitgeroeid.

Ongetwijfeld moet er een voorafgaande onderzoeking zijn, want niet zoo maar ieder kan tot de openbare belijdenis toegelaten; maar dit onderzoek moet dan ook het karakter van een onderzoeking behouden; en mag geen andere strekking hebben, dan om, voor zooveel dit onder mensehen mogelijk is, te onderzoeken, of, wie belijden wil, geacht mag worden te weten en te meenen wat hij doet, als hij belijdt.

Daarom moet dat onderzoek gaan over iemands leven; gaan over de gesteldheid van een iegelijks hart; en gaan over hun kennis van den vollen raad Gods tot behoudenis van zondaren.

Bijbelboeken opnoemen, de patriarchen op een rijtje kennen, alle koningen Israels kunnen opzeggen, en zooveel meer, is best, maar heeft niets met dit onderzoek te maken. Op de kennis van den raad Gods tut behoudenis van zondaren komt het hier aan; en voorts op den ernst, de oprechtheid, het gemeend zijn van de levenskeuze, die men voor nu en eeuwig gaat doen.

Niet zooals dat vaak voorkwam, dat er veertig tegelijk wierden „aangenomenquot; en dat er een bij was, die b.v. deze ééne vraag kreeg: „Hoeveel kinderen had Izaak?quot; Antwoord; „Twee, dominee!quot; en daarop

i) In andere landen gebruiken de Roomsche en Protestantsche kerken hier hetzelfde woord. En ook in onze taal is vormsel rechtstreeks van con-ürmatio, dat bevestiginy beduidt, afgeleid.

ocr page 117

105

wierd „aangenomen.quot; Dat is spotten met het heilige, en spotten met den ernst van het zieleleven. Ben spel met het heilige gedreven, waarin we beschaamd worden door de Roomsche geestelijkheid, die wel tijd vindt, om jaar in jaar uit, in de biecht, met elk persoon zekeren tijd afzonderlijk te spreken.

Kent nu een Dienaar des Woords, of ook een helpend Catechiseermeester zijn leerlingen van nabij, dan is hun getuigenis natuurlijk meer waard dan die enkele proeve bij de „onderzoekingequot;; maar toch ook bij die „onderzoekingequot; moet het voor den Ouderling, van eiken man en elke vrouw, hoofd voor hoofd blijken, dat de grond van de kennisse van Gods raad er in ligt. En dat komt ook wel, als de catechisatieboekjes de kerk maar uitgaan, en de Catechismus eenige jaren lang leiddraad bij het onderwijs was.

En vraagt ge, of bij de „aannemingquot;, gelijk men het noemt, of bij de „onderzoekinge des geloofsquot;, gelijk het veel beter ware te noemen, dan niets mag gebeuren dan te zeggen: „Gij zijt toegelaten tot de openbare belijdenis,quot; en of er dan niets aandoenlijks, roerends en plechtigs bij raag, ook dan is het antwoord niet moeilijk te geven.

Om tranen mag het u nooit te doen zijn; want het Koninkrijk Gods bestaat niet in een spel der zenuwen, maar in een werking van het hart.

En ook moogt ge nooit willen, dat, om de „aannemingquot; aandoenlijk te maken, de openbare belijdenis in de vergadering der geloovigen worde ontbloot van haar beteekenis, of in een soort Roomsch vormsel omgezet.

Dat alles moet dus van de „onderzoekingquot; geweerd.

Maar wat er wel bij mag, en er zelfs bij hoort, is, dat. na afloop der „onderzoeking,quot; een ernstig woord voorbereide op de openbare belijdenis, die nu komt; tot onderzoeking van het eigen hart aanspore; en dringe op trouw en op oprechtheid.

En wil de Bedienaar des Woords dan nog zijn persoonlijke betrekking tot zijn leerlingen ter sprake brengen, en, nu ze uit die betrekking van leerlingen of catechumenen uitgaan, hun een laatste woord van persoonlijk vermaan toespreken, waarom zou hij het niet doen?

Het niet te doen, ware zelfs koel en vreemd.

Alleen maar, laat nooit de „onderzoekingquot; met de „openbare belijdenisquot; verward worden; noch ook bij die onderzoeking de Doop, die voorafging, worden verloochend.

Is er dan geen „aannemingquot; ?

o, Gewisselijk. Er is een aanneming bij God.

Een aanneming bij God, als de Heere zijn volk toeroept; „Daarom gaat uit het midden van hen en scheidt u af, en raakt niet aan hetgeen onrein is, en Ik zal u aannemen, en Ik zal u tot een Vader zijn, en gij zult Mij tot zonen en dochteren zijn, zegt de Heere, de Almachtigequot;.

ocr page 118

106

En die aanneming komt wel degelijk bij het doen van belijdenis tepas. Want immers wat is uw optreden in de vergadering der geloo-vigen anders dan de openbare bekentenis, dat ook gij het bevel uws Gods hebt vernomen, om u af te scheiden van de wereld, uit de gemeenschap van het booze uit te gaan, de zonde te verzaken, en dat ge alsnu gelooft in de belofte, dat de Heere u aangenomen heeft, als uw Vader, die in de hemelen is?

Dat is de heilige, dat is de geestelijke, dat is de waarachtige aanneming, maar dan ook de eenige aanneming, waarvan bij uw belijdenis sprake mag zijn.

De Heere moet u hebben aangenomen, en omdat Hij u aannam, daarom kunt ge van zijnen naam belijdenis doen.

Maar dat „aannemenquot; door een predikant en een ouderling heeft juist die heilige aanneming door God den Almachtige in vergetelheid gebracht. En daarom kan er niet sterk genoeg op gedrongen, om die valsche aanneming voor altoos te bannen, en met heel uw kerk te staan naar de aanneming van uzelven en al uw kinderen door den Heere uwen God.

IX. „De band des yredes.quot;

ONZE BAND AAN DE GELOOVIGEN.

U benaarstigende te behouden de eenigheid des Geestes door den band des vredes.

Ef. 4:3.

Zekere „stipulatiënquot; verbond de kerk van oudsher aan elk doen van openbare belijdenis, en ook hierop dient een iegelijk, die om toegang tot het heilig Avondmaal vraagt, met ernst gewezen te worden.

„Stipulatiënquot; zijn zekere „beloftenquot;, die door de kerk aan de nieuwe Avondmaalgangers, en door dezen aan de kerk gegeven werden. En nu is het in den grond een onzedelijk werk, als men iemand een belofte laat afleggen, zonder dat hij het zelf merkt, of weet wat hij doet.

Die stipulatiën of beloften leggen een land tusschen de kerk en haar volle leden; en het vlechten van dien band tusschen de leden van eenzelfde kerk moet niet stilzwijgend en ongemerkt toegaan, maar met klare, heldere bewustheid. Wie zich verbindt, behoort te weten aan wie en waartoe. «

Al blijft dus de openbare belijdenis hoofdzaak, toch mag ook bij deze stipulatiën, deze afgevergde beloften, de vlechting van dezen hand

ocr page 119

107

niet uit hel oog verloren, en daarom dient men op elke catechisatie, waarvan men ter belijdenis opgaat, duidelijk de vragen toe te lichten, waarop men, bij het doen van belijdenis, zal hebben ja te zeggen.

Een kerk, die dit niet doet, en zulke vragen voorstelt, en daarop beloften afvergt, die buiten het bewustzijn van hen, die antwoorden zullen, omgaan, bevordert de leugen in haar eigen kerkelijk leven; kweekt werktuiglijkheid in het heilige aan; en heeft het zichzelve te wijten, zoo haar stipulatiën en beloften voor niets worden geteld.

En wat men ter vergoelijking van dit kwaad anders op veler onmondigheid en kort begrip moge pleiten, gaat niet op; want belijdenis doen beteekent juist, dat ge kerkelijk mondig wordt, en uit uw onmon-digen staat uitgaat.

Wie belijden gaat, komt spreken; spreken in het midden der vergadering; en zal van nu voortaan als mondig lid der kerkelijke gemeenschap meetellen.

Belijdenis doen is dus tevens optreden als meesprekend, en meetellend, en medewerkend lid der kerkelijke gemeenschap, en zoo behoort ge dus te weten, welke hand tusschen u en die kerk, wier volle gemeenschap ge thans erlangt, gelegd wordt.

Ge moet daarom niet spreken van „bevestiging van nieuwe leden want er is geen „bevestigingquot; hoegenaamd; noch ook zijn er „nieuwe leden.quot; Als ge in het burgerlijke meerderjarig wordt, worut ge geen nieuw burger, maar als burger mondig. En zoo ook wordt ge door het lt;loen van uw eerste openbare belijdenis geen nieuw lid, maar als lid mondig.

Immers achter uw openbare belijdenis lag voor vele jaren reeds uw Doop. Uie Doop is u toegediend in de onderstelling dat ge „een lidmaat van Christusquot; waart.

Er wierd toch bij uw Doop aan uw ouders afgevraagd, „of ze niet bekenden, dat onze kinderen, hoewel in zonde ontvangen en geboren, en daarom allerhande ellendigheid, ja der verdoemenis onderworpen, nochtans in Christus geheiligd zijn, en daarom als lidmaten van zijn gemeente behoorden gedoopt te wezen.quot;

Omdat nu die bepaalde kerk, waartoe uw ouders behooren, in hun oog de beste en zuiverste openbaring van het lichaam des Heeren was, hebbenquot; ze u dus in die kerk ten Doop aangeboden, en die kerk heeft u door haar Doop in haar gemeenschap ingelijfd.

Eeeds van het oogenblik van uwen Doop af, hebt ge dus tot die bepaalde kerk behoord, en waart ge als een nog onvolgroeid lid in de gemeenschap dier kerk opgenomen.

Dit onvolgroeide van enkele deelen des lichaams vindt ge bij al wat leeft. Denk u b.v. een prachtigen vogel, die straks met de schitterendste tinten op de veêren zal pronken, maar die, pas uit den dop gekomen, voorshands nog niet anders dan kleurloos dons en stoppels vertoont.

ocr page 120

108

Worden nu die prachtige veêren later van buiten, als nieuwe leden» aan het lichaam van dien vogel aangehecht? Geenszins, niet waar? Er komt niets bij dien vogel bij. Al die prachtige veêren schuilden toch reeds in dien vogel. En al wat gebeuren moet, is, dat ze uitkomen. Zoo is het bij den mensch en bij het dier. En zoo is het zelfs bij een plant met blad en bloesem; en zoo nu ook is het met het lichaam der kerk. Ook in dat lichaam schuilt eerst, wat straks door openbare belijdenis er aan uitkomt.

Zoo is dus een gedoopt kind lid van het lichaam der kerk, maar een nog schuilend, een nog onvolgroeid, een nog onvolwassen lid; en die toeft zoo tot op het oogenblik, dat deze gedoopte, nu tot zijn jaren gekomen, zijn Heere openlijk wil belijden. Dan toch gaat hij uit zijn onmondigheid in zijn mondigheid over; treedt nu zelf op; gaat nu onder de hoede van zijn ouders uit, om zelfstandig als lid uit te komen; en aanvaardt daarmeê alsnu met bewustheid den hand, die hem aan de andere leden en aan de kerk verbinden moet.

Hierbij nu zult ge wel onderscheiden tusschen wat de heilige apostel noemt: de eenigheid des Geestes, en tusschen datgene, wat hij omschrijft als: den band des vredes.

De eenigheid des Geestes toch ligt buiten onze macht; dat is het werken van den éénen Heiligen Geest in de onderscheidene van het éene Lichaam. Werkt die eene Heilige Geest in die leden niet, dan zijn ze niet van het Lichaam, ook al worden ze bedriegelijk in de uitwendige kerkelijke gemeenschap ingeschakeld. Eén Lichaam is het, zegt de heilige apostel, en één Geest. Dat Lichaam schiep en wrocht de drieëenige God, en het is God de Heilige Geest, die in dit Lichaam woont en werkt en het een bezield, levend Lichaam zijn doet.

Is dus in iemand die Heilige Geest niet, zoo is hij geen lid van het Lichaam; want niemand kan zeggen Jezus den Heere te zijn, dan door den Heiligen Geest; en wie den Geest des Heeren niet heeft, die komt Hem niet toe.

Maar stel nu, dat door Gods ondoorgrondelijke barmhartigheden metterdaad ook in u de Geest des Heeren woont; dat ook in u, hetzij reeds toen ge nog een klein kindeke waart, hetzij op later leeftijd, die Geest binnendrong, u dus wederbaarde, en, gelijk Da Costa zong, „herteelde tot een nieuwe bevatting;quot; welnu, dan bestaat er uit den aard der zaak, vanzelf, en zonder dat gij er iets aan toedoet, eenigheid niet der geesten, maar des Geestes tusschen u en alle andere ware leden van het Lichaam van Christus. Niet dat uw geesten daarom overeenstemmen; maar het is éénzelfde Geest, die in u en in hen is.

Dit nu echter kan gepaard gaan met zeer groote tweedrachtigheid der geesten.

En dit nu mag niet.

En daarom moet juist als vrucht van de „eenigheid des Geestesquot;

ocr page 121

109

expresselijk en welbewust „de hand des vredesquot; tusschen u en hen gelegd worden.

En die „Band des vredesquot;, dat is het dan nu, waarop deze stipu-latiën der kerk eigenlijk neerkomen. Een onderlinge wederzijdsche verbintenis, om de gemeenschap der heiligen te oefenen en iets van hemel-schen vrede onder elkander, hier reeds op aarde, in stand te houden.

De zaak is toch deze; omdat er „eenigheid des Geestesquot; in alle leden van het Lichaam is, daarom is die „eenigheid des Geestesquot; nog niet bij allen, en bij niemand nog ten volle, doorgewerkt.

Ware dit zoo; kondt ge van iemand, die den Heiligen Geest ontving, zeggen, dat hij van dit eigen oogenblik af, onmiddellijk en plotseling, van alle nawerking der zonde, en dus ook van de duisternis des verstands verlost was, zoo zou er geen „Band des vredesquot; noodig zijn.

Ge hadt dan vanzelf den hemel op aarde. Het zou alles volmaakt zijn.

Doch zoo is het niet.

Als God de Heere in iemands hart den Heiligen Geest laat inkomen, gaat de doorwerking van dien Geest slechts zeer langzaam toe, en wordt niet hier op aarde, maar eerst door en na den dood volkomen.

Hier op aarde blijft er dus een stremming bestaan; een hindernis; een tegenhoudende macht, die van Satan en de wereld, van ons eigen vleesch en de zonde in ons binnenste uitgaat. Dit maakt'dan, dat nog veel duisternis over het verstand blijft hangen en veel zonde en hartstocht den vrede dreigt te verstoren.

Zoo zouden we dus, hoewel leden van één Lichaam, evenals duigen van een vat uiteenvallen, zoo er geen band om die duigen geslagen wierd; en die band nu is de uitwendige kerk, en de Band des vredes is die bewuste saambinding, die gij zelf moet helpen tot stand brengen.

Ge gaat dus door uw openbare belijdenis in die bepaalde kerk wel terdege een zekere verbintenis aan.

De kerk, waarin ge op wenscht te treden, heeft u reeds door den heiligen Doop onder haar hoede genomen, en is thans bereid u ook tot het heilig Avondmaal toe te laten, en u als een broeder onder de broederen, als een zuster onder de zusteren te laten aanzitten, mits ge vooraf bereid zijt uit te spreken, dat haar belijdenis uw belijdenis is.

Uw verzekering, dat ge van uwen God den Heiligen Geest ontvingt, is haar niet genoeg; want ook zoo blijft er nog allerlei duisternis in u over; en die duisternis zou tot allerlei dwaling kunnen leiden. En het is om dit tekeer te gaan, en te zorgen, dat gij door geen dwaling de kerkelijke gemeenschap zult aansteken, dat de kerk eerst van u weten wil, of gij belijdt wat zijzelve belijdt.

Dat is dus de eerste stipulatie uwerzijds.

Maar hierbij komt een tweede; en die tweede doelt juist in engeren zin op den „Band des vredesquot;

ocr page 122

110

Omdat ge den Heiligen Geest ontvingt, en alzoo zeggen kunt, Christus den Heere te zijn, en dit openbaar komt belijden, daarom kan er nog wel allerlei booze zonde in u nawerken. Dit nu zou nijd en bitterheid kunnen geven; en dat mag onder broeders en zusters in eenzelfde kerk niet. Eu ook ge zoudt door uitbreking in zondigen wandel de gemeenschap ontheiligen en verpesten kunnen, en ook dat mag niet geduld.

En daarom nu is er een Band des vredes noodig, d. w. z. een verbintenis, die door u wordt aangegaan, om de leden der kerk als broeders en zusters te erkennen en te bejegenen, onverschillig of ze rijk of arm, lief of onlief zijn. En voorts, otn, als ge tegen die verbintenis ingaat, door de tucht der kerk op het rechte pad te worden teruggeleid.

Een Band wordt er alzoo gelegd. Niet een band, om stoffelijk voordeel te bejagen; noch ook een band, om zingenot te erlangen ; maar een Band des vredes, om saam den Heere onzen God te dienen, en saam als pelgrims, dragende elkanders lasten, te wandelen naar een beter vaderland.

X. „Om niet gerechtYaardigd.quot;

DE BLOEMKNOP PIE ONTLOOK.

Want zij hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods. En worden om niet gerechtvaardigd, uit zijne genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is.

Rom. 3 : 23, 24

En zoo kwam dan eindelijk het oogenblik, waarop ge openlijk uw lelijdenis kondt doen; een belijdenis voor God en zijn heilige engelen, voor menschen en voor Satan, dat ook gij u tot Jezus bekeerd hebt en alsnu bekent, dat Hij is de Zoon des levenden Gods.

Op zichzelf was daar geen kerk voor noodig; want ge kunt op alle plek en aan alle plaats, waar menschen van gelijke beweging als gij naar u luisteren willen, getuigenis afleggen van de hope, die in u is, en pleiten voor de heilige zaak van uwen Koning en Heere.

Zelfs vereischt het veel hooger moed en veel heiliger vonk in het hart, om onverbloemd, beslist en kloek voor uw Jezus uit te komen in uw werkplaats, op uw kantoor, in uw magazijn, op school of onder uw vrienden en vriendinnen, dan om op te staan in de kerk, en in het midden van Gods volk belijdenis te doen van den Middelaar.

ocr page 123

Ill

Uw openbare belijdenis in de kerk is dan ook iets anders. Niet zoozeer een kloeke daad van moedig belijden; want als ge daar neerzit bij de catechumenen, die nu ten Avondmaal zullen gaan, verwacht niemand iets anders van u, dan dat ge zoo straks met de anderen zult opstaan, en evenals die anderen het jawoord zult geven op de vragen, die men tot u richt. Neen, het is eigenlijk geen belijden in den gewonen zin, wat ge daar doet, maar veelmeer een u aansluiten bij de belijders.

„Zie, de „vergadering der geloovigenquot;, wat is ze in den grond anders dan een samenkomst van belijders met hun kinderen, die ze er voor opvoeden, om straks met hen te belijden, en eens na hen te belijden, als zij er niet meer zijn ?

Het is een schare, die voor Jezus roept, maar een heirschare waarvan de gelederen gedurig gedund worden door den dood of door afval, en die daarom gedurig weer moet aangroeien en versterkt moet worden, om niet uit te sterven.

Het is als een plante, die voor God bloeit met ontloken bloesems, maar ook met knoppen aan den stengel, die not/ niet ontloken zijn. En als nu straks die rijk ontplooide bloesems hebben uitgebloeid en verdorren, dan vult zich het ledig weer aan door de ontluiking van nieuwe knoppen. Knoppen, die wel reeds aan den stengel aanzaten, maar nog gesloten waren, en zich nu ontsluiten.

En zulk een zich ontsluitende bloemknop aan den stam van de kerk des Heeren, dat is het gedoopte kind, dat nu belijdenis doet. Het zat reeds aan den stengel, want het is gedoopt.

Maar nu eerst gaat die bloemknop open.

Het is dus minder een heroïeke daad van moedig optreden voor den Heere, dan wel een zich nu voegen bij hen, wier roeping het is voor Jezus op te komen; en de belofte doen, om Hem uw leven lang te belijden, en als een trouw belijder te staan voor zijn heiligen Naam.

Wie onder een aardschen koning dienst in zijn leger neemt, moet den krijgseed afleggen. Dat is zijn verbintenis. En nu hoort tot het aangaan van die verbintenis zeer zeker moed, want morgen den dag, als het op strijden gaat, kan die krijgseed u het leven kosten ; maar daarom kunt ge, bij het afleggen zelf van dien eed, uw heldhaftigheid nog niet toonen. Slechts verbindt die eed u, om morgen, om overmorgen, zoo dikwijls ge het vaandel van uw koning ziet wapperen en het geluid van zijn bazuin hoort, ijlings achter hem op te trekken; op te trekken met de anderen; en in stipte gehoorzaamheid uw leven voor hem te wagen en uw bloed voor hem op het spel te zetten.

En zoo nu ook is uw openbare belijdenis. Dan legt ook gij den krijgseed aan Jezus, uw Koning, af; neemt dienst onder zijn heilige kruisbanier; legt zijn heilig wapentuig aan; en verbindt u alsau door altoos bindende belofte, ora tot aan uw dood toe trouw te zullen bewijzen aan Hem, die u riep.

ocr page 124

112

Zij het dus al een openbare belijdenis in het midden der broederen, opdat ook zij vernemen mogen, of ge met hen in éénzelfde heilig geloof staat, toch is het meer een belofte om uw leven lang te belijden, dan dat met die ure uw belijdenis zou zijn afgeloopen.

Voor velen is het, helaas, als ze belijdenis hebben gedaan: Nu ben ik er van af. En natuurlijk, dan is het een vaUch belijden geweest. Want de echte belijder spreekt in zijn hart: Nu mag ik beginnen. Beginnen om voor Jezus op te komen, beginnen met mijn kracht in den dienst des Heeren te stellen, beginnen met te ijveren voor zijn Naam.

En juist dat breekt den hoogmoed, die anders licht insloop.

Wie waant er te zijn, verheft zich; maar wie weet, dat hij nu zijn eerste schrede pas op den nieuwen weg gaat zetten, neigt eer tot verlegenheid en vreeze. En juist die verlegen gestalte der ziel is de schoonste gesteldheid, waarin ze tot openbare belijdenis komen kan.

Niet om in angstvallige aandoening half terug te deinzen en in een vloed van tranen een uitweg te zoeken. Want al zou het tegen u getuigen, zoo ge op zulk een oogenblik niet tot in het diepst van uw wezen ontroerd wierdt, en al mag die geroerdheid van het oogenblik zich ook wel in een stillen traan lucht geven, toch is al wat naar hartstochtelijk zenuwspel gelijkt, zorgvuldig te weren. Van uw Jezus leest ge ook telkens, dat Hij diep ontroerd was, maar dat Hij weende slechts een enkel maal.

Verlegenheid der ziel is dan ook heel iets anders.

Stille, heilige verlegenheid spruit voort uit zeer kleinen dunk van zichzelf en zeer grooten dunk van de trouwe en de ontferrainge Gods.

Als een stemme daarbinnen fluistert: „Ik ben niet waardig uw kind genaamd te worden. Wie ben ik, Heere, dat Gij mijn ziel alzoo zalven wilt met uwen Heiligen Geest? o. Mijn God, ik ben geringer dan alle deze geestelijke weldadigheid, die uw ontferming mij bewijst.quot;

üus niet een hooge toon en niet een hooge borst, als om te zeggen: „Die anderen gaan tegen Jezus in, maar ik niet, ik zal het voor Jezus opnemen, en zoo de zake van Jezus weer tot eere brengen.quot;

Alsof Hij u daarvoor noodig had. Hij, wien gegeven is alle macht in hemel en op aarde!

Geloof het volkomenlijk. Belijd het volstandigüjk. Blijve het tot op uw sterfbed uw zalige vertroosting; In uzelven melaatsch en niets geheels aan u; maar in uw Christus voor God gerechtvaardigd, en dus van alle zonden vrij. Zoo vrij, dat als ge zoo op het eigen oogenblik stierft, en ge de eeuwigheid ingingt, in die eeuwigheid niets dan engelenreinheid aan u zou gevonden worden, en Satan in het gericht niets tegen u vermogen zou.

Om niet gerechtvaardigd!

Kom dan met die stille belijdenis op de lippen tot de schare der geloovigen, om nu voortaan één strijd met haar te strijden.

ocr page 125

113

Want immers die schare heeft ook geen anderen roem. Ze heeft ook geen geld en geen prijs, en dat ze toch gelaafd wierd met hemelsche verkwikking, is omdat ook zij zonder prijs en zonder geld wijn en melk ontving.

Ook zij gerechtvaardigd, maar om niet. En nu haar God lovend, dat er weêr bloemknoppen zijn, die ontloken, en dat er weêr uit de gedoopten opkomen, die Jezus in der waarheid een Heiland hebben bevonden, en daarom met haar Jezus' dood gedenken willen.

Zoo heeft niemand iets; zoo zijn ze alleu om niet gerechtvaardigd. En Grode alleen komt de lof en de eere toe.

XL „Een ieder -wiens harte vrijwillig is.quot;

DE KUNST VAN HET GEVEN.

Neemt van hetgeen gijlieden hebt, een hefoffer den Heere; een ieder, wiens hart vrijwillig is, zal het brengen, ten hefoffer des Heeren: goud, en zilver, en koper. Exodus 35:5.

„Lusten én lastenquot;, zegt de gemeene spreekwijs, „hooren altoos bijeen en zoo volgt reeds hieruit, dat wie tot de volle gemeenschap der kerk opklimt en alzoo deel aan het heilig Avondmaal erlangt, deswege dan nu ook geroepen is, om meê den schouder te zetten onder den gelde-lijken last van het kerkelijk leven.

Slechts moet dat stuitende denkbeeld van een „geldelijken lastquot; hier terstond vertolkt en overgezet in zijn Christelijke benaming, en dan heet het, in Schriftuurlijke termen, eene vrijwillige offerande.

Ook dit nu is, bij het doen van openbare belijdenis, een punt van het uiterste gewicht, dat uit uw belijdenis voortvloeit, en in uw stipu-latiën met de kerk begrepen is, en waar toch bijna niemand in die dagen aan denkt.

Keeds in oude dagen had God de Heere tot zijn kerk gezegd: „Neemt van hetgeen gijlieden hebt, een hefoffer den Heere; eenieder, wiens hart vrijwillig is, zal het brengen, tea hefoffer des Heeren: goud, en zilver, en koperquot; (Ex. 35 : B).

Hieruit volgt dus, dat wie het niet brengt, nog owvrijwillig in zijn hart staat, en een hart, dat nog onvrijwillig is, om den Heere van zijn goed te dienen, kan dat wel tot openbare belijdenis komen? Vloekt het eene niet tegen het andere? Ge zoudt God liefhebben, „met heel uw hart, met heel uw ziele en met al uw krachtenquot;, en zie, ge kunt zelfs het hefoffer van uw goed niet op zijn altaar brengen.

8

ocr page 126

114

In dat los zijn van of nog vastzitten aan zijn geld ligt dus wel degelijk een geestelijk kenmerk. Ge merkt dat ook wel aan den rijken jongeling. Die wilde, om zoo te zeggen, ook belijdenis doen, en Jezus vroeg hem, hoe hij met de geboden stond, en hij dacht goed; maar nu vraagt Jezus, of hij zijn goed kan verkoopen voor 'sHeeren armen, en nu breekt zijn wilskracht, en hij druipt af. Zijn geld behoudt hij» maar zijn God heeft hij verloren.

Zoo zit dus de vraag, of ge reeds instaat en bereid zijt, om een vrijwillig offer te brengen, wel terdege in de openbare belijdenis in, en de kerk schiet te kort in'-haar plicht, zoo ze dit onderzoek naar de bereidheid om vrijwillig te oiferen nalaat.

„Een ieder, wiens hart vrijwillig is, zal het brengen.quot;

Alzoo zegt uw God, en aan dien toetssteen zult ook gij dus gekend worden.

Gekend in dien zin, dat ge niet maar bij gelegenheid van uw belijdenis een extra gift in de collecte geeft. Dat is ook wel goed, maar dat is het niet. Neen, maar bedoeld is, dat ook gij u bereid verklaart en uw bereidwilligheid toont, om nu voortaan van uw goed den Heere te dienen en Hem van uw goed te vereeren.

Dienen én vereeren ; die beide.

Dienen is, mede zorgen, dat er niets ontbreekt voor den dienst des Heeren; en vereeren is, uit vrijen aandrang nu en dan nog eens iets bijzonders doen. Juist zooals een kind zijn vader dient, voorzoover hij hulpe behoeft, en dan nog op den feestdag hem iets vereert, als blijk van liefde en eerbiedenisse.

Slechts één bezwaar bestaat vaak hiertegen, bij wie voor het eerst ten Avondmaal gaat. Dit namelijk, dat een jong man, en vooral een jongedochter, vaak nog geen eigen geld heeft. Wel in de lagere klasse, als ze op ambacht zijn of als dienstbode dienen; en ook wel in zeer rijke gezinnen, als ze legaten en extra toelagen hebben; maar niet in den gewonen burgerstand, als ze nog bij hun ouders thuis zijn, en eer nog kosten.

En nu is het opmerkelijk, hoe juist de lagere klasse en de hoogste klasse de heilige kunst van het geven allengs leerden, en hoe omgekeerd de onbekwaamheid om van zijn geld af te geven nog het meest voorkomt bij den burger middelstand.

Dit is stellig voor een niet gering deel daaraan toe te schrijven, dat wie tot belijdenis kwam en op ambacht of in een dienst was, van meet af het geven begon, en er sinds vorderingen in maakte ; en dat omgekeerd de zoons en dochters van onze burgergezinnen die leerschool vaak misten.

Juist daarom is het zaak er op te wijzen, dat dit vrijwillig offeren een beginsel geldt en niet aan het vele hangt.

En wat ziet men nu? Dat deze zelfde jongelingen en jongedochters

ocr page 127

115

van hun weekgeld als anderszins nog wel een geschenk aan hun ouder 0P 30'./de vereeren, maar dat de zucht, de lust, de heilige geestdrift om 'ook den Heere van hun goed te vereeren, niet in hen opkomt.

In de collecte geven ze vaak slechts datgene, wat vader of moeder er üun voor in de hand legt. Dan reiken zij het over, en geven dus niets.

De zeer kleine kinderen nu uitgezonderd is het daarom raadzaam, dat men zijn kinderen ook in de collecte van hun „eigen geldquot; laat geven. Dan zit in één penning van „eigen geldquot; meer zedelijke kracht dan in tien penningen, die ze slechts uit zak in zak overdragen.

En althans wie belijdenis deed, moet zelf geven, en er desnoods apart voor verdienen, om het te kunnen doen.

„Een ieder, wiens hart vrijwillig is, zal het brengen.quot;

Brengen omdat het noodig is, en omdat het hemzelf een /now/bereidt.

Het is noodig.

De kerke Gods kan niet anders dan duur zijn; zeer duur. Zoo zelfs dat Jezus, om dit sterk voelbaar te maken, tot dien jongeling zei: „Verkoop al uw goed.quot;

Eeeds de dienst toch van het Woord en de Sacramenten mag niet kwijnen uit geldverlegenheid. Van de dienaren des Woords zegt de heilige apostel: „Wie dient ooit in den krijg op eigen bezoldiging?quot; En ook: „Wie plant een wijngaard en eet niet van zijn vrucht?quot; En nogmaals: „Wie weidt een kudde en eet niet van de melk der kudde?quot;

Maar bovendien moet in Christus' kerk de dienst der opleiding en der barmhartigheid bloeien.

Eecht Sabbat vieren, zegt uw Catechismus, is allereerst zorgen, dat de kerken en scholen onderhouden worden. Dat is de dienst der Opleiding. En dan „den armen Christelijke handreiking te doenquot;; dat is de dienst der Barmhartigheid.

Meer nog.

De kerk van Christus is niet gelijk een mierennest, dat slechts voor zichzelve vergadert.

Dus moet ook het Evangelie des Koninkrijks door de kerk uitgedragen naar wie nog niet gelooven, door zending in het land en door zending buiten ons land. En evenzoo moet ook de ontferminge Gods door de kerk uitgedragen naar wat ellendig is buiten haar eigen kring.

Ook de zending is tweeërlei. Een zending door het Woord, en een zending door Barmhartigheid,

Hoe rijker en milder dit nu kan, hoe heerlijker de Naam des Heeren geloofd wordt.

En daarom een kerk is duur; zeer duur. Ze moest, zou het wel zijn, onvergelijkelijk veel rijker zijn dan thans.

Het brengen van het vrijwillig offer is dus noodig-, maar ook voor wie het vrijwillig brengt, ligt in die offerande een geestelijke triomf.

ocr page 128

116

God had zijn kerk ook zóó kunnen scheppen, dat ze geen geld noo-dig had. Denk maar aan het leven van de kerk in de woestijn.

Dat Hij het nu zoo deed, dat ze wel geld, en veel geld, behoeft, heeft tegelijk een geestelijke strekking; het is een stuk van onze heiligmaking.

„Gierigheid,quot; of gelijk er in het oorspronkelijke letterlijk staat: „Het zilver lief te hebben, is de wortel van alle kwaad.quot;

Al wat u dus van deze „liefde voor het geldquot; afbrengt, is u een reddende, behoudende, zaligende macht.

Ge moet dus niet maar Christen zijn en geven-, neen, maar het geven zelf moet toonen, dat ge Christen zijt, en u van jaar tot jaar in degelijker zin een Christen maken.

Niet, natuurlijk, alsof ge door veel offerande uw zaligheid kondt verwerven. Aan uw zaligheid doet uw offerande niets toe; en al verkocht ge al uw goed om den armen te geven, en ge hadt de liefde niet, zoo waart ge niets.

Uw offerande is slechts dan een triomf, zoo ge het vrijwillig doet; niet om naam te maken; niet noodgedwongen en afgeperst; niet om u een eereplaats in den hemel te koopen; maar uit liefde, uit niets dan liefde, uit liefde voor God en voor uw naaste.

Doch dan is er ook triomf.

Want het geld maant: „Heb mij lief, en laat uw God en uw armen varenquot;; en God roept: „Geef Mij uw hart en geef uw hart aan het geld niet.quot;

En daarom: Wie zijn God hoort en dus vrijwillig is, die zal het brengen; en die brengt het ook, en hem is het ten zegen.

Zijn offerande maakt hem niet armer, maar veeleer rijker.

Goud, zilver en koper.

Drie metalen, naar de drie graden van vermogen, gelijk het Gode beliefd heeft zijn menschenkinderen op ongelijke wijs het geldelijk vermogen toe te bedeelen.

Als er dus een man is, die zegt: „Nu heb ik zooveel oververdiend, dat ik leven kan, en dus scheid ik er uit en ga rentenierenquot;, dan kan dit zeer wel zonde wezen, als hij zich niet ook heeft afgevraagd: „Heb ik misschien ook gespaard en opgelegd van wat ik aan God en zijn dienst onthouden hebquot;; en niet ook zich afvroeg: „Heb ik zóóveel, dat ik zelf leven kan en de kerke Gods kan helpen leven 2quot;

Zoo diep grijpt deze eisch in het leven in.

Want dit is toch maar de zaak, dat we van nature geneigd zijn, om te denken: „Ik en mijn gezin, we moeten wonen, we moeten spijs en kleeding en deksel hebben, en ja, als er dan nog iets overschiet, dan zij die luttele kleinigheid voor Gods huis.quot;

Doch wie nog zóó denkt, die doe dan ook geen openbare belijdenis, want voor hem is de dienst van zijn God blijkbaar nog bijzaak.

ocr page 129

117

Keer het liever om, en zeg: „Ik en mijn gezin we hebben onzen God en zijn dienst noodig en dan voorts spijs en kleed en dek.quot;

Zoo immers is het naar Jezus' regel; „Zoek eerst het Koninkrijk Gods en zijn gerechtigheid.quot;

Het tiende van ons inkomen is wel het minste, dat we afstaan kunnen. Dan is het nog niet veel; maar dan rekent de dienst van uw God althans mede.

Het is de waardeering van uw lichaam en van uw ziel in hun onderlinge prijs en waardij.

Wie nog meest „lichaamquot; is, zal weinig voor zijn ziel en dus ook voor zijn God overhebben. En hij alleen, die tot de belijdenis komt, dat de ziel veel meer waard is, zal ook voor de ziel veel hooger prijs en geld overhebben; en dan is het hart vrijwillig gemaakt, en dan brengt ge uw offer.

Zoo ge hoog in de maatschappij staat, ino goud, en geen zilver noch koper.

Zoo ge zeer laag in de maatschappij leeft, uw koper.

En zoo ge tusschenbeide in leeft, uw zilver. Het kleine zilverstuk, zoo ge kleine macht hebt; het groote, zoo ge veel ontvingt.

En mits het naar dien maatstaf maar ga, dan is alle gave Gode welbehaaglijk.

Het penningske van de weduwe bovenal.

XII. „Leden gezet in het Lichaam.quot;

VOLWASSEN LID VAN CHRISTUS' KERK.

Maar nu heeft God de leden gezet, een iegelijk van dezelve in het lichaam, gelijk Hij gewild heeft. 1 Gor. 12 : 18.

In tal van vereenigingen vindt ge een onderscheid tusschen „werkende ledenquot; en leden, die niets anders doen dan een deel in de kosten betalen. Alleen de eersten leven dan in de zaken in, terwijl de anderen slechts bijloopers zijn. De werkende leden zijn werkelijk lid, omdat ze persoonlijk hun krachten wijden aan het doel der vereeniging; maar de anderen, die het met wat gelds afdoen, heeten wel leden, maar zijn het niet inderdaad en in waarheid.

Dit nu kan in een vereeniging, omdat een vereeniging geen lichaam is. Maar het kan niet in de kerk van Christus, juist omdat de kerk

ocr page 130

118

van Christus ons als een lichaam in de Heilige Schrift geteekend staat, en dus als lichaam moet geëerd.

En wel als een lichaam, dat niet wij ineenzetten, noch maken, maar dat geschapen is door den Heere onzen God, en waarvan wijzelven de ledematen zijn.

Dat toch is het wat de heilige apostelen ons gedurig op het hart binden, en vooral de apostel Paulus ons in 1 Cor. 12 voorteekent. Alleen zoo ge de kerk als een lichaam beschouwt, en zelf weet van dat levend lichaam een levend lid te zijn en eeuwig te zullen blijven, staat ge tegenover uw kerk, zooals God er u ingezet heeft.

Daarom zijn de leden dan ook ongelijk, en heeft in de kerk het ééne lid een andere geaardheid, en dus ook een andere taak en roeping dan het andere lid. Gelijk aan uw eigen vleeschelijke lichaam het ééne lidmaat een voet, het andere een hand, het derde een oog, het vierde een oor is, aldus, zoo betuigt Jezus' apostel ons, is het ook met de lidmaten der kerk onder elkander gesteld ; want wel verre van als twee druppelen waters op elkander te gelijken, zijn ze veeleer allen verschillend en loopen ze allen uiteen. En dit is en bestaat zoo in het Lichaam van Christus, niet omdat wij dit zoo door eigenwilligheid bedorven hebben, maar omdat God zelf het alzoo verordineerd heeft.

Hoor slechts; „Maar nu heeft God de leden gezet, een iegelijk van dezelve in het lichaam, gelijk Hij gewild heeft.quot;

Dit geldt nu natuurlijk van wat onze vaderen noemden de onzichtbare kerk, of het mystieke Lichaam van Christus; niet van de zichtbare kerk op aarde. Immers van die kerk op aarde zegt niemand „dat hij er een lid van is en eeuwig zal blijven. In die kerk op aarde zijn heel wat leden, die nooit door God als leden in het Lichaam gezet zijn. En óók, in die kerk op aarde zijn duizenden en millioenen leden, van wie nooit eenige werking voor het Lichaam is uitgegaan.

Toch zult ge toezien, dat ge u die zichtbare kerk niet denkt, als ware ze heel iets anders dan de onzichtbare; als stond ze er naad; en als kondt ge met die zichtbare kerk handelen naar welgevallen.

Zoo doet ge met een peulvrucht ook niet. Want ook bij die peulvrucht weet ge zeer wel, dat het u niet te doen is om de schel, en dal het u alleen te doen is om de erwtjes, die in de schel verborgen zitten; maar toch zult ge daarom nooit tot uw tuinman zeggen: „Verniel die schel maar, de erwt zal zonder dat wel groeien.quot;

Ja, als de erwt rijp is, in den dag als de pluk komt, dan dopt ge de erwt uit de peul en wordt de schel weggeworpen; en zoo zal ook God de Heere eenmaal dien bolster der uitwendige kerk als onnut wegwerpen. Maar thans in het heden, nu de dag des oogstes nog niet is gekomen, moet ook in de kerk de vrucht in de schel rijpen, en moet wel terdege door den landman op den welstand ook van die zichtbare kerk, of wilt ge, van de schel gelet worden. Stof en schadelijk gedierte

ocr page 131

119

moet afgeweerd. De stengelen moeten opgebonden. Als er geen regen komt moeten ze besproeid worden. En ook tegen al te koude winden beschut.

En zoo moogt ge dus nooit zeggen, dat de zicldlare kerk er niet óp aan komt, als de onzichtbare maar geestelijk rijpt; want in die zichtbare zit de onzichtbare kerk in, en het is door den welstand der zichtbare kerk, dat die onzichtbare moet rijpen.

Geef dus nooit toe aan dat geestelijk zelfbehagen, waardoor zoo menig kind van God onverschillig is geworden voor den welstand en den bloei der zichtbare kerk, zoo hijzelf het maar wel voor zijn ziel had. Pie zoo staat, wil het beter weten dan God de Heere zelf, die ons de zichtbare kerk gegeven heeft. In den grond is dit dus niets dan eigenwijsheid en eigenwilligheid; een zonde, die, hoe vroom en geestelijk ze zich ook voordoe, onverbiddelijk zichzelve straft.

Niet „met een boekje in een hoekjequot; is de leus, maar elk kind van God is gehouden, om zich, naar luid onzer belijdenis, te voegen bij de ware kerke Gods, een kerk, die aan haar zuivere belijdenis, haar zuivere Sacramentsbediening en Christelijke tuchtoefening gekend wordt.

En dus moogt ge niet zeggen; „Ik ben een levend lid van de onzichtbare kerk, en dan ja ook nog aangesloten bij de zichtbarequot;; want aldus scheidt ge wat God saam heeft gevoegd. Ge plaatst de ziel van de kerk en het uitwendig lichaam van de kerk los naast elkaar. En zoo krijgt ge tweeërlei leven. Het eene geestelijk voor uw God, en het andere als lid van een genootschap, dat dan eigenlijk buiten het heilige omgaat. En zoo krijgt ge dan die goddelooze „aannemingenquot;, waarbij het om niets dan om den bolster der kerk gaat, en aan haar geestelijke, goddelijke kern zelfs niet wordt gedacht.

Zal het wel met u zijn, dan moet dus uw toetreding tot het volle lidmaatschap der kerk door openbare belijdenis tevens voor u het begin zijn van een werkzaam optreden in die kerk.

iVie^-werkende leden bestaan er in het Lichaam van Christus niet, en wie dus in de uitwendige kerk als een slapend of een leegloopend lid verkeert, neemt vrede met een leugenachtigen toestand, en doet sterk het vermoeden rijzen, dat hij geen lid van het Lichaam is, ook al staat zijn naam op het boek.

Uw jonkheid verontschuldigt hier niet, want ge komt tot openbare belijdenis, en in die openbare belijdenis ligt juist uitgesproken, dat ge nu den kinderschoenen ontwassen en tot jaren van onderscheid zijt gekomen.

En ook kunt ge u niet verschuilen achter de kleinheid en onbeduidendheid van uw persoon, want de heilige apostel Paulus heeft over die leden des Lichaams, die een minder beteekenende plaats in het Lichaam innemen, zoo kras en duidelijk gesproken, dat voor vergoe-

ocr page 132

120

lijking geen enkele uitweg overblijft. En dat alles „opdat er geen tweedracht in het Lichaam zij en de leden voor elkander gelijke zorge zouden dragenquot; (1 Cor. 12 ; 25).

En daar komt het dus maar op aan.

In de kerk geboren en in uw kerk gedoopt, hebt ge eerst jarenlang er in geleefd, zonder er u rekenschap van te geven, wat dat medeleven in de kerk beduidde en van u eischte.

Maar nu werd dit anders.

Nu kwaamt ge tot openbare belijdenis. En zoo zijt ge dan nu wel terdege verplicht, u rekenschap te geven van wat dat medeleven in uw kerk voor u beteekent, en wat het in naam des Heeren van u eischt.

En dit nu is velerlei.

Vooreerst zult ge schade en schande van uw kerk afweren, door toe te zien op uw eigen leven en het leven van uw gezin, opdat de naam van uw God om uwentwil niet gelasterd worde.

Voorts zult ge, omgekeerd, uzelven en uw gezin tot een goed „instrumentquot; in Gods kerk stellen, door te trachten naar geestelijke voeding, geestelijke oefening en geestelijke verrijking. Immers het lichaam vaart dan alleen wel, als de leden van het lichaam, elk op zichzelf, krachtig en doorvoed zijn.

Doch ook hierbij mag het niet blijven.

Ge hebt ook anderen te steunen, te schragen, te dragen met geduld en lijdzaamheid, en ze geestelijk te sterken. Niet alsof ge „den domineequot; moest spelen. Daarin toch schuilt niets dan eigenwaan en zelfverheffing, en waar het hier op aan komt, is de liefde, die niet zichzelf bedoelt, maar zich uitstrekt naar het Lichaam van Christus.

De vraag voor wie ge zorgen zult, is dan ook spoedig beantwoord.

Ge zult niet zeggen met Kaïn : „Ben ik mijns broeders hoeder ? Dat moet hij zelf maar weten, ik steek mij daar niet in.quot;

Zoo lasteren de Kaïns, maar zoo spreekt geen kind van God. Veeleer juist daaraan merkt het kind van God het dan ook wel, wie op zijn weg worden geplaatst en voor wie de Heere zijn hart ontsluit. Want ook mag men wel uitgaan op de heggen en stegen en is het bezoeken van de armen uitstekend; mits ge eerst met geestelijke liefde en met geestelijken moed uw taak volbracht hehi in uw eigen omgeving; en niet doet gelijk zoovelen, die in hun eigen kring allerlei ongeloof speuren, en zwijgen, en dan hun consciëntie sussen en stillen door in een steegje of in een slop met een paar arme lieden te gaan spreken.

Dit is niets dan lafheid. Dat is zucht naar vertoon. Dat is plichtsverzaking onder den schijn van buitengewone plichtsbetrachting.

Daar rust geen zegen op.

Altoos moet ge beginnen bij wat God op uw weg, in uw huis, in uw kring voor u zet. En eerst als daar de taak vervuld is, ga men uit naar buiten.

ocr page 133

121

Doch er is nóg een andere zijde van het leven der kerk, en die u naar een heel ander terrein kan lokken.

De kerk heeft namelijk ook een gemeenschapsleven. Ze houdt vergadering der geloovigen. Ze heeft kerkelijke diensten. Ze zorgt voor de lijdenden. Ze houdt toezicht op het onderwijs der jeugd. Veel wat verwaarloosd is, moet ze zoeken. Voor de zending onder wie nog buiten den heiligen Doop staat, moet ze ijveren. En in verband hiermeê moet er allerlei arbeid verricht. Arbeid van schijnbaar hooge en van schijnbaar lage geaardheid. Een arbeid in de ambten,door Christus ingezet, maar ook een arbeid, die aan de waterputters en houthouwers van Israel doet denken, zooals daar is; het ophalen van allerlei gelden, het toezien op de orde bij de godsdienstoefeningen, het bespelen van het orgel, het verrichten van velerlei schrijfwerk, boekhouden en wat dies meer zij.

Dat alles moet gedaan, en goed gedaan, en vrijwillig gedaan.

Het moet goed gedaan, want de eere van Christus' kerk hangt er aan, dat ze ook in haar uitwendig optreden een eerlijken gang en een gang met goede orde aan haar bewegingen geve.

En ook het moet, zoo immer mogelijk, vrijwillig gedaan; want alle hetaald werk is zijn geestelijken geur kwijt, en de betaalde suppoosten zijn te allen tijde een kwelling voor Jezus' kerk geweest.

Natuurlijk, wie geheel voor de kerk leven moet en haar al zijn levenskracht wijden, moet van leeftocht voorzien worden. Dit spreekt de Schrift zoo stellig mogelijk uit; maar anders is het duizendwerf beter, zoo de liefde en de vrijwilligheid het leven in haar draagt, dan dat Mammon tusschenbeide treedt, en er weer iets opdoeme van het kwaad, waartegen de Heere eens zijn geeselriem met de koordekens gezwaaid heeft.

Nu dringe niemand zich in al zulken arbeid in.

Maar wordt ge geroepen, wettig geroepen door uw kerk; opgeroepen, om óf in het ambt te treden, óf een deel van de taak als helpende hand over te nemen, óf ook in deze kleine diensten uw kerk het leven mogelijk te maken, bedenk u dan wel, eer ge weigert.

Zelfs uw gevoel van onvermogen is hier geen verontschuldiging, want dat heeft uw kerk, en hebt niet gij te beoordeelen.

Weigeren is zoo koel, zoo weinig naar de uiting der liefde Christi.

En eerst dan, als een ieder zegt: „Zie, hier ben ik, Heere!quot; bloeit het leven der kerk op.

ocr page 134

IV.

VAN HET HEILIG AVONDMAAL.

I. „Deze verborgenheid is groot.quot;

HET HEILIGE DER HEILIGEN.

Deze verborgenheid is groot; doch ik zeg dit, ziende op Christus en op de gemeente.

Ef. 5 : 32.

Er is op aarde niets hoogers, niets waar rijker bezieling in schuilt, dan het heilig Avondmaal van onzen Heere Jezus Christus.

Als ge daartoe door de ontfermingen Gods eenmaal gekomen zijt, kunt ge in dit aardsche leven niet verder. Op bet heilig Avondmaal volgt het leven in de hemelen, waarvan die Disch des Heeren tegelijk de afschaduwing en de voorsmaak is. Daarom wees Jezus zijn discipelen van het Avondmaal rechtstreeks naar dit heerlijk Koninkrijk, dat nog toeft, maar gewisselijk komt; toen Hij tot hen zeide; „Ik zal niet meer met u drinken van deze vrucht des wijnstoks, tot ik die nieuw met u drinken zal in het Koninkrijk mijns Vaders.quot;

En waarom anders staat nu dit Avondmaal zoo hoog, dan omdat er het diepste mysterie in ligt uitgesproken, dat in Gods raad besloten lag?

„Deze verborgenheid is groot,quot; roept de heilige apostel aan de kerk van Efeze toe, gelijk hij aan Timotheüs schreef: „De verborgenheid der godzaligheid is grootquot;; en al scheen hij beide malen op een andere zaak te doelen, toch is die diepe verborgenheid beide keeren in den grond één.

Als hij voor Timotheüs' oor dien kreet van bewondering slaakt, doelt hij op de Vleeschwording van het Woord, op God geopenbaard in het vleesch, dus op het huwelijk tusschen God en onze menscheiijke natuur.

En als hij in zijn bijna epischen brief aan de kerk van Efeze dien uitroep van heilige verrukking herhaalt, wijst hij op het gemeene menschelijk huwelijk als symbool van innige ziels- en levensvereeniging tusschen den hemelschen Bruidegom, die voor God staat, en zijn duur gekochte Bruid, die nog toeft en strijdt op aarde.

ocr page 135

123

Zoo doorgluurt hij heel een reeks van heilige verborgenheden, maar die toch één zijn in den wortel der onnaspeurlijke goddelijke liefde.

Zoowel de zonde als Satan scheidt, deelt, werpt haat en nijd in, en scheurt uiteen wat saamhoort.

En daartegen nu zou geen heul noch redding zijn, zoo niet deze ■diepste verborgenheid der liefde in God school; van die liefde, die hecht en verbindt, die huwt en ineen doet smelten, en wat twee was tot één maakt.

„Deze twee zullen één zijn!quot; Aldus luidt de wondere spreuk van deze goddelijke verborgenheid. Een verborgenheid afgeschaduwd in het huwelijk ; feitelijk in de kribbe van Bethlehem bezegeld; maar in vollen glans eerst opbloeiend, als de Bruid voor haar Christus bereid wordt.

En die Bruid nu, wanneer komt ze op aarde nader aan haar Bruidegom dan aan zijn heilig Avondmaal?

Deze verborgenheid is groot.

Ge denkt ze met uw verstand nooit door; ge peilt ze niet met het dieplood van uw hart; ge kunt ze met al de spanning uwer ziel niet omvatten.

Al wat denkkracht den denker; al wat kunst den kunstenaar; al wat dwepende liefde den minnaar van zijn Heiland biedt, is uitgeput, en nogmaals uitgeput, om al de diepte van dit heilig mysterie te doorwandelen; om tot op den bodem zelf van dit heilgeheim door te dringen. Eeuw in eeuw uit heeft dichter na dichter zich opgemaakt, om op lt;le wieken der heiligste verbeelding den glans van dit mysterie in het aangezicht te dringen; maar geen die niet bezweek. In de ontroering Tan het geschokt gevoel en in de tranen van diep opgewelde aandoening heeft ons menschelijk hart al de zielskracht der verbeelding en al de gevoelskracht onzer zenuwen tehulp geroepen om de volheid van dit mysterie in te zwelgen; maar ook dat geweld van den hartstocht schoot te kort.

Deze verborgenheid is te machtig, te overweldigend, te groot. Ze overschrijdt het perk van ons creatuurlijk vermogen.

En ze moet dit doen, omdat in dit diepste mysterie van de Liefde, van het Huwelijk, van de quot;Vleeschwording, of wilt ge van den godzaligen ziels- én levensband tuaschen de kerk als de Bruid en den hemelschen Bruidegom, God zelf de onnaspeurlijke volheid van zijn eigen goddelijk Wezen uitstort, en de mate van ons creatuurlijk aanzijn tot die volheid niet reikt.

Deze Verborgenheid, waar Gods engelen begeerig zijn om in te zien, verliest zich drie diep voor wie er in blikt.

Aan den ingang van dit diepe mysterie staat man en vrouw, van wie God gezegd heeft: „Deze twee zullen tot één vleesch zijn.quot; Niet als twee, die elkaar vinden, en nu overeenkomen om saam te wandelen op den

ocr page 136

124

levensweg, en nu arm in arm gaan. Neen, die man is op die vrouw, die vrouw is op dien man aangelegd. Ze waren eerst één; toen is uit den man de vrouw uitgenomen; en zoo zijn ze in heel hun wezen en aanleg, in hun natuur en vorm, in hun lichaam en in hun ziels-geaardheid voor elkander geschapen en in het leven getreden. Daarom als ze elkaar liefhebben, hebben ze elkaar lief niet met een liefde, die ze zelf strengelen, en nog veel minder schiepen, maar met een liefde, die ze vonden, omdat God ze voor en in henzelven bereid had.

En al verderft nu de man of de vrouw die liefde vol heilige mysteriën ook duizendwerf, dat ontneemt niets aan de haar inwonende goddelijke kracht en levensdrang. Zie het maar, hoe uit de diepe, raadselachtige verborgenheid van dat ééne huwelijk al het menschelijk leven ontkiemt, en straks in dat leven stam en kroon vormt, met al de eindelooze vertakkingen, waarmee de kroon van dien stam ons menschelijk aanzijn overschaduwt.

En toch, dat is nog de verborgenheid niet. Ze is er de poorte van, waardoor ge tot die verborgenheid ingaat.

Want immers dat huwelijk bloeit maar voor een tijd. Straks komt de dood en het is ontbonden. En al komen man en vrouw ook weêr in den hemel saam, daar leven ze als engelen Gods; daar is geen huwelijk meer; want in die hemelen daarboven wordt niet ten huwelijk gegeven noch ten huwelijk genomen.

Dieper in die verborgenheid ligt daarom een heel ander huwelijk; namelijk die wondere, die heilige, die onverbrekelijke band, waardoor de Zone Gods onze menschelijke natuur gehuwd had, en waarvan het in nog veel heiliger en dieper zin heette: Deze twee zullen tot één zijn; ja, zoo ge wilt, tot één vleesch.

En hiermee gaat het mysterie reeds oneindig dieper; u getoond niet in. den man en de vrouw, die saam huwen, maar in den Immanuel, in Hem die „God-met-onsquot; wilde zijn.

Een verborgenheid daarom vooral zoo peilloos diep en zoo nameloos groot, omdat de Zone Gods ons niet huwde, toen Adam nog rein en heilig in het Paradijs stond, maar duizenden van jaren later, toen heel ons geslacht zijn weg verdorven had, en heel onze menschelijke natuur een melaatsche was geworden; melaatsch van het hoofd tot aan de voeten.

Maar zelfs dat is nog de diepste achtergrond van dit ondoorgrondelijk mysterie niet.

Voor het oog des geloofs, dat er in gluren mag, ontsluit zich in deze verborgenheid, door Gods liefde gewrocht, nog een derde en laatste diepte, als de hemelsche Bruidegom huwt met de Bruid, zonder vlek en rimpel, die Hij zich gekocht en die Hij zich bereid heeft.

Want het wezen onzer menschelijke natuur te huwen, was wel op zichzelf reeds een betoon van ondoorgrondelijke barmhartigheden, maar toch niet uit die natuur was de angel der zonde voortgekomen. Veel-

ocr page 137

125

eer omgekeerd had die angel onze natuur gestoken, en zoo heel die natuur vergiftigd.

Neen, die angel zat in onzen geest, en had in dien menschelijken geest het gif van den duivelschen hoogmoed werkende gemaakt.

En nu het daartoe te brengen, dat die hooze geest in den raensch y/eèx goed werd; dat die hoogmoed klein kwam te staan; en die Gode vijandige menseh, voor eeuwig, om nimmer meer te scheiden, in de zaligste zielsliefde met zijn God vereenigd lag; zie dat was de peil-looze diepte van het diepste in dit goddelijk mysterie, en toen sprak God van den Zoon, dien Hij gegeven had, en van dien zondaar, op wien zijn vloek rustte: Deze twee zullen tot één geest zijn.

Dieper is er dan ook niet.

Gij, in uw hart verdorven, Gode in den wortel van uw wezen vijandig, een in vloek en doem verzonken schepsel, voor eeuwig, om nimmer te scheiden, zielseenig en zielsinnig, in den wortel van heel uw aanzijn één geworden met den Eeniggeboren Zoon van God.

Alle beeldspraak put de Heilige Schrift dan ook uit, om in altoos nieuwen vorm u den onnaspeurlijken rijkdom van dit heilige mysterie voor oogen te stellen.

In de plant is wortel en stengel één; welnu, zoo zijt ook gij ééne plant met Immanuel geworden. Langs de velden dwaalt de kudde der lammeren, die als één en saamgegroeid is met den herder, die ze leidt en weidt; nu dan, alzoo ook is Hij de goede Herder, die zijne kudde laaft en voedt en beveiligt. In uw eigen wezen vindt ge één lichaam, en toch in dat ééne lichaam alle leden en deelen saam verbonden. Ziedaar uw derde beeld, het rijke beeld van het Lichaam van Christus, waarin we door samenbindingen en samenvoegselen tot één rijk en levend geheel vereeiiigd zijn.

Maar ook in die beeldspraak put de gedachte dier innige eenheid zich nog niet uit. En daarom gaat de heilige apostel op het huwelijk, op den liefdeband van Bruidegom en Bruid terug. En nu roept hij uit: „Deze verborgenheid is groot, doch ik zeg dit, ziende op Christus en de gemeente.quot;

En nu ontsluit zich voor u de toegang tot het heilig Avondmaal, en in dat heilig Avondmaal ligt die groote verborgenheid van Christus en zijn gemeente voor u in zichtbaren, heiligen vorm afgebeeld.

De bruiloft zelve van het Lam toeft nog. De toebereiding van de Bruid liep nog niet ten einde. De werkelijke volzaligheid, die eens uit de bron van deze verborgenheid in alle hemelen zal uitstroomen, wordt nog ingehouden. De volle jubeltoon der hemelen is nog niet ingezet. Daar is deze aarde te koel, te onheilig, te onherbergzaam voor.

Maar een voorspél is er dan toch. Een voorsmaak wordt u ter genieting geboden.

Want hoor 1

ocr page 138

126

„De opperste Wijsheid heeft haar huis gebouwd, en ze heeft haar zeven pilaren gehouwen.

Zij heeft haar slachtvee geslacht; ze heeft haren wijn gemengd; ook heeft ze haar tafel toegericht.

En nu heeft ze uitgezonden, en ze noodigt op de tinnen, van de hoogten der. stad, roepende; Wie is slecht, hij keere zich herwaarts; en tot de redeloozen zegt ze: Komt, eet van mijn brood en drinkt van den wijn, dien ik gemengd heb.quot;

II. „Zijne genegenheid is tot mij.quot;

DE BRUID AAN DEN DISCH VAN HAAR BRUIDEGOM.

Ik ben mijns liefsten, en zijne genegenheid is tot my. Hooglied 7 ; 10.

In het het heilig Avondmaal moet bij u de liefde voor Jezus werken. Zonder de werking dier liefde is elk Avondmaal schijn.

Van het Bruiloftsmaal des Lams, dat eens komt, moet elk Avondmaal de stille voorafschaduwing zijn. Het is de hemelsche Bruidegom, die noodigt, en het is zijn Bruid, die aanzit aan zijn Disch.

Van die liefde, die wondere liefde nu, die Christus aan zijn Bruid verbindt, kunt ge nooit te hoog roemen. Niet menschelijke verzinning toch, maar God zelf in zijn Woord, teekent ons die liefde in het beeld der warmste, innigste liefde, die op aarde tusschen man en vrouw bestaat.

Gelijk het van man en vrouw gezegd is; „Die twee zullen één zijn;quot; zoo ook moet het van Christus en zijn Bruid wezen : „Die twee één.quot; En nog in zijn hoogepriesterlijk gebed slaakte onze Heiland de bede: „Opdat ze één zijn mogen, zij in Mij en Ik in U, opdat ze volmaakt zijn in één.quot;

Ja, zoo diep gaat deze liefde tusschen Christus en zijn verkoren Bruid, dat zelfs alle liefde op aarde, die zich tusschen man en vrouw ontspint, nog slechts de matte, flauwe afschaduwing is van die echte liefde, van dat heilig en goddelijk huwelijk, dat in Gods eeuwigen raad voorbestemd en gesloten is tusschen zijn eengeboren Zoon en zijn uitverkorenen op aarde.

Alle bruiloft op aarde is niets vergeleken bij de Bruiloft, waartoe het Lam zijn Bruid noodigt.

En ook, als eens de laatste huwelijksband op aarde zal gesloten en weer geslaakt zijn, zal, na den volkomen ondergang van alle aardsche

ocr page 139

127

huwelijk, in den hemel der heerlijkheid in eeuwigheid niets anders schitteren dan de glorie van het eeuwig huwelijk tusschen Christus, en zijn gekochte en toebereide Bruid.

Wie dan ook in den hemel het leven als man en vrouw nog zou willen voortzetten, doet reeds hiermeê te kort aan de geheel eenige liefde Christi.

Er kan, er mag in den hemel voor niets anders plaats zijn dan voor dat eene, dat ware, dat volkomene huwelijk tusschen den Zone Gods en de kerk zijner uitverkorenen.

En die liefde nu viert haar heilig festijn op aarde, niet in de eenzaamheid, noch ook in de stille binnenkamer, maar alleen aan den heiligen nachtmaalsdisch.

De reden waarom dit niet anders kan, is eenvoudig en doorzichtig; maar eischt toch in hooge mate, dat ge er zeer 'nauwkeurig op let.

Zie toch, ons menschenhart ia diep arglistig en misleidt ons telkens, eer we het zelf vermoeden.

En wat is nu de bittere, de gevaarlijke dwaling, waarin juist op dit teedere punt zoo menige vrome ziel misleid is?

Uit, dat men zichzelf voor de Bruid van Christus gaat aanzien, instede van naar Gods Woord die Bruid te zoeken, niet in zijn eigen ziel, maar in de levende Gemeente Gods.

Natuurlijk niet, alsof er ook niet een persoonlijke betrekking tusschen den Christus en uw ziel moest bestaan; maar hierop moogt ge nooit toepassen, wat de Heilige Schrift van de liefde van den Bruidegom zegt, of u in het beeld van de huwelijksliefde teekent.

Ue heilige apostel zegt het zoo uitdrukkelijk: „Deze verborgenheid is groot, maar ik zeg dit, ziende op Christus en de gemeentequot;

Niet gij huwt met den Christus, noch Jezus met u. Neen, het heilig huwelijk wordt tusschen Christus en zijn gemeente en nooit anders gesloten.

Niet uw ziel, maar de gemeente is de Bruid van het Lam.

En al wat in het Hooglied en elders in de Heilige Schrift ons van de huwelijksliefde bezongen en geteekend wordt als afschaduwing van het heiligste liefdeleven, doelt op de Bruid van Christus, zonder vlek en rimpel, gelijk het Lam die zichzelven tot den prijs van zijn bloed gekocht heeft, en door zijn Geest toebereidt.

Ook gij zijt dus zelf wel in die heilige liefde opgenomen en ingesloten, maar alleen voorzoover ge een lid van het Lichaam van Christus zijt, en alzoo tot zijn Bruid behoort.

Ue Bruid van Christus zijn alle uitverkorenen saam; alle de ge-kochten door zijn bloed tot één heiligen persoon vereenigd; saam altegader leden en ledematen van dat wonderlijke mystieke Lichaam, waarvan Hij het Hoofd is.

ocr page 140

128

Schoon is dit verzinbeeld in het zeggen van Paulus, dat gij eene plant met Hem geworden zijt.

Christus wordt dan gedacht als de wortel, waarop deze goddelijke plante bloeit, en in die plant zijn de enkele stengels, bladeren, bloesemknoppen en bloesems de enkele personen.

Nu is het bij de plant echter zoo, dat de bloemknop niet rechtstreeks aan den wortel vastzit, maar alleen als deel van de plant met den wortel gemeenschap heeft. Denk u toch de stengels en takken weg, en de bloesem of de knop kan geen gemeenschap met den wortel hebben.

En zoo nu is het ook hier.

Gij allen, die den Heere Jezus toebehoort, maakt een deel van die plante uit. Gij zijt een stengel, een blad, een bloesem aan die plante; maar wat ge ook zijt, ge hebt met Christus, die uw wortel is, en uit wie.n ge al uw levenssap voor uw ziel trekt, nooit anders gemeenschap, dan voorzooverre ge aan die plante vastzit, en in die plante zijt ingeschakeld.

En dit nu vergeet de valsche mystiek, die voor de Bruid van Christus de eigen ziel in de plaats schuift, en nu op zichzelve toepast, al wat de Schrift van deze Bruid zegt.

Daardoor is het Hooglied zoo misbruikt.

En daaruit zijn eveneens die schriklijk zondige denkbeelden bij vrouwelijke personen voortgekomen, die Jezus als haar persoonlijken Bruidegom gingen minnen met een liefde, waar zondige dweepzucht het heilige en goddelijke uit verdreef.

En zoo gevoelt ge dan nu ook klaarlijk de hooge beteekenis van het heilig Avondmaal.

De Disch des Heeren is een maaltijd, en mag dit karakter van een feestmaal nimmer verliezen.

Alle disch en alle maaltijd, ook het schitterendst feestmaal, dat op aarde gevierd wordt, is van dezen heiligen maaltijd des Heeren nog niets dan de matte, flauwe afschaduwing.

Een goddelijken maaltijd zal God de Heere eens voor zijn verkorenen uit alle volken bereiden. Die toeft dus nog. Maar in afwachting van die glorie, die komt, gunt de Heere nu reeds aan de zijnen op aarde een heiligen voorsmaak van wat het eens zijn zal, in den Disch door Hem verordend in zijn Sacrament.

En wat is nu die Sacramenteele Disch? Is het een maaltijd, waarbij gij met Jezus alleen zijt? Neen immers, maar een Disch, waarbij Hij noodt en gastheer is, maar waarbij de genoode is zijn gemeente, en gij omdat ge van die gemeente een levend lid zijt en eeuwig zult blijven.

Zoo komt dus aan dien Disch niet A en B, maar de gemeente des Heeren saam. Niet heel zijn gemeente, het is zoo, omdat dit op aarde

ocr page 141

129

niet kan. Voor heel zijn gemeente wordt het Bruiloftsmaal eerst in de hemelen aangericht. Maar dan toch een kerk, die een der openbaringen van het Lichaam van Christus is, en alzoo zijn gemeente representeert.

En nu treedt ook gij toe, niet als een op zichzelf staand minnaar van uw Heiland, maar als besloten in dat „bundelke der levendenquot;, hetwelk zijn gemeente is.

Want wel sprak de Christus tot de, kerk van Laodicea: „Zie, Ik sta aan de deur en klop; indien iemand mijne stem zal hooren en de deur opendoen. Ik zal tot hem inkomen, en Ik zal mei hem avondmaal houden, en hij met Mijquot;; maar dit zeggen heeft niets met het Sacrament van het heilig Nachtmaal gemeen.

In dit zeggen tot Laodicea is alles beeldspraak. Beeldspraak die deur en dat kloppen; beeldspraak dat opendoen van de deur en inkomen; en zoo ook niets dan beeldspraak dat avondmaal; gelijk Jezus elders zei: „Ik en de Vader zullen komen en woning bij hem maken.quot;

Deze beeldspraak nu doelt uitsluitend op de geestelijke gemeenschap en de geestelijke verkwikking, die de Heiland ons door zijnen Heiligen Geest in de ziel biedt.

Zeg dus nooit: „Ik heb het Sacrament des Heeren niet noodig, ik kan wel avondmaal met Jezus in mijn ziel houden.quot;

Dan toch zijt ge in staat van ongehoorzaamheid.

Immers ook tot u is het gezegd: „Doe dit tot mijne gedachtenisse.quot; En dan moet het brood gebroken, en de wijn vergoten worden; en dat kunt ge in uw ziel niet.

Met nadruk toch zegt Jezus' apostel u: „Het brood, dat wij breken, is één brood; zoo zijn wij velen één lichaam, omdat wij ééns broods deelachtig zijn.quot; Alzoo doelende op de gemeente.

III. „Be mensch beproeve zidizelven.quot;

ZELFBEPKOEVING.

Maar de mensch beproeve zichzelven, en ete alzoo van het brood, en drinke van den drinkbeker. 1 Gor. 11:28.

In het Sacrament des heiligen Avondmaals komt de beteekenis der kerk het sterkst uit, en treedt toch de mensch, die in naam der kerk bedienend optreedt, het meest op den achtergrond.

De kerk komt er het sterkst uit; want ia uw eenzaamheid kunt ge

9

ocr page 142

130

Gods Woord nog lezen, maar het heilig Avondmaal kan alleen de kerk u reiken. Ge kunt het niet ontvangen noch genieten, dan waar het volk des Heeren vergaderd is.

En toch treedt de dienaar der kerk hier bijna geheel op den achtergrond. Hij doet eigenlijk niets dan u in naam van Jezus het brood en den beker overreiken, en ook al spreekt hij voorts niets uit dan de inzettingswoorden, zoo is toch uw Avondmaal volkomen.

Ook al komt er toch de schoonste, de roerendste toespraak bij, die toespraak hoort niet tot uw Avondmaal, en is uw Avondmaal niet, en leidt veeleer, maar al te dikwijls, van het heilig Avondmaal af.

Ook al stond de dienaar der kerk gesluierd voor u, en al kendet ge zijn stem niet, zoodat ge volstrekt niet wist wie hij was, dan nog zou dit niefs aan uw Avondmaal tekort doen.

En zoo komt het dan, dat de dienaar des Woords het Avondmaal u te rijker en te volkomener maakt, hoe meer hijzelf terugtreedt, om u geheel over te laten aan de werking van Christus op uw hart.

Die werking toch is en blijft het doel van het Sacrament. Den hemelschen Bruidegom met zijn Bruid op aarde in aanraking te brengen. En daarom staat uw Avondmaal te hooger, hoe meer uw zin en uw gedachte op dat oogenblik eeniglijk en alleen met uw Heiland vervuld is, en gij, ingeschakeld in de gemeente des Heeren, u saam met haar voor uw Heiland stelt, om onder het gebruik van de teekenen, die Hij met u afsprak, de genieting zijner liefde in te drinken.

Niet alsof daarom het slagen of niet slagen van uw gang ten Avondmaal van uw gewaarwordingen op dat oogenblik zou afhangen.

Wie als bruid ten huwelijk gaat, is gehuwd, ook al waren haar gedachten op het oogenblik nog zoo verstrooid. En zoo ook stort de Heere zijn sacramenteelen zegen in uw ziel uit, ook al ging het bijna geheel buiten uw bewustzijn om.

Maar rijker voor de genieting der ziel is het toch, als de ziel zelve er op dat oogenblik bij mag zijn ; als niets haar verstrooit, stoort, noch aftrekt, en als ze in dat heilig oogenblik zich verrukken en verliezen mag in de liefde voor haar Heere.

Juist daarom nu moet aan uw gang ten heiligen Avondmaal altoos stille, ernstige zelfbeproeving voorafgaan.

Eaad en oordeel van anderen is daarom wel niet uitgesloten. Uw kerk moet u ook met het oog op het Avondmaal wel vermanen en raden, en desnoods u tegenhouden. Zijt ge zoo gelukkig een vromen vader of moeder te bezitten, dan belet niets natuurlijk, dat ge ook met dezen raadpleegt. En ook op later leeftijd ligt er wel iets lieflijks in, om ook met een broeder of zuster, met een zielsvriend of zielsvriendin, lt;leze heilige aangelegenheid te bespreken.

Maar hoofdzaak is en blijft toch, dat ge urelven beproeft.

Uzelven beproeft, nu niet enkel om uit te maken: zal ik kunnen

ocr page 143

131

en mogen gaan, of ben ik nog gedoemd om van verre te blijven staan? Uan toch zou de zelfbeproeving wegvallen, zoo dikwijls daarover alle twijfelen week.

En dat mag volstrekt niet.

Tot die zelfbeproeving moet het voor elk heilig Avondmaal komen, of ge gaat, dan of ge niet gaat.

Een Roomsche biecht kent Gods Woord niet; maar wel eischt Gods Woord van u, dat het vóór elk Avondmaal ook bij u komen zal tot een stille en heilige biecht voor uw God.

En dan eerst werkt het heilig Avondmaal in de kerke Gods den vollen zegen, zoo het niet alleen aan den disch zeiven het hart sterkt met genade en verrijkt met de weelde van de liefde Christi; maarzoo het ook vooraf heel de kerke Gods tot een inkeeren in zichzelve uitdrijft, en in boete en berouw op de knieën voor God brengt.

Ons leven leeft zoo snel; en vooral in onze dagen, met name in de grootere steden, is het leven zoo onuitsprekelijk vermoeiend en druk, dat er bijna geen oogenblik op den dag is, waarin ge anders dan vluchtig, en even, en als ter loops, in uzelven indenkt, hoe het daarbinnen staat, en u rekenschap geeft van den toestand uwer ziel.

Zoo door duizend belangen en zorgen, die u vervolgen, gedrukt; zoo rusteloos voortgejaagd en voortgedreven door allerlei geruchten, die ge ontvangt, door bange nooden, die uw aandacht afleiden, door allerlei personen, die met hun gevlei of hun achterklap u naloopen.

o. Het leven jaagt zoo onvermoeid door als een storm des daags, die niet tot stilte kan komen, en als een golf in den stroom, die eindeloos voortkabbelt.

En zeg nu niet, dat ge onder dat alles door toch wel aan uw God kunt denken.

Want dat is wel zoo, en ook het stille schietgebed is ons niet onbekend; maar al is God de Heere zoo genadig, dat Hij zelfs temidden van die overstelpende drukte aan ons een teeken van zijn nabijheid gunt, toch zai niemand, die God vreest, daarom ontkennen, dat zijn ziel nog naar iets anders, en veel duurzaraers smacht, noch ook staande houden, dat zulk een vluchtig uitschietende gedachte, of ook zulk een terloops inschietend gebed, de ware, volle en rijke gemeenschap met zijn Vader in de hemelen is.

Neen, er is meer noodig.

Onze ziel heeft nog aan iets anders, aan iets rijkers behoefte.

Er moeten ook oogenblikken in ons leven zijn, dat we de wereld eens buiten ons hart kunnen sluiten, om, zonder dat men ons jaagt en voortdrijft, een korte spanne des tijds dan toch alleen met onzen God te zijn.

En dat nu juist is het, wat deze zelfbeproeving u wil komen schenken.

ocr page 144

132

Want wel is er ook een dagelijksche zelfbeproeving, en is er geen Christen denkbaar, die niet eiken avond stil zijn knieën buigt, en zijn weg overdenkt, en zijne zonde belijdt, en zijn ziel voor zijn God uitstort; maar toch ook die dagelijksche zielsuitgieting is nog niet genoeg.

Misleid uzelven niet.

Aan sommige kinderen Gods, ja, wordt zoo kalm en effen leven geschonken, dat ze misschien wel een vol uur eiken avond de eenzaamheid kunnen vinden, en uren lang onafgebroken verkeeren kunnen in de dingen huns Gods. Zelfs moet toegegeven, dat de meesten hiervoor veel meer tijd konden vinden, dan ze er aan toewijden.

Maar vooreerst, dat geluk is niet aller. Zoovelen, die klein behuisd zijn, kunnen zoo goed als nooit alleen wezen. Bovendien zijn zeer velen 's avonds zoo moede en mat, dat de slaap hun geest overweldigt. En wat nog het ergste is, bij verreweg de meesten is het hart zoo vervuld met allerlei bekommernis of allerlei last, dat de ziel, hoe ze zich ook geweld aandoe, maar niet geregeld tot een afzondering der gedachten voor den Heere haar God kan komen.

Waar dan Satan nog onderdoor woelt, die het zoo heerlijk vindt, als ge slapen gaat zonder de gemeenschap met uw God gezocht en gevonden te hebben; en die u, zelfs als ge neerknielt, nog afleidt door booze verbeelding op te wekken, of uw gedachten af te leiden van den Springader uws levens, dien gij zoekt.

En daarom nu juist is die na een periode van twee of drie maanden geregeld wederkeerende uitnoodiging tot zelfbeproeving, in de genade des Heeren, zoo kostelijk.

Dan is er weer een gedeelte van den weg afgeloopen.

Ons leven is weer voor een aanmerkelijk deel opgekort.

Er is weer zooveel doordacht en doorleefd en doorworsteld.

En dan komt de roepstem tot u, om een oogenblik stil te staan op uwen weg, en dezen uwen levensweg voor God en menschen te overdenken.

Daarom is de aankondiging, dat er over veertien dagen weer bediening van des Heeren heilig Avondmaal in de gemeente zal zijn, eigenlijk én voor heel de kerk én voor al haar leden zulk een plechtig oogenblik.

Dan toch geschiedt niet maar de koele, vormelijke aankondiging, dat er op dat en dat uur, te dier en dier plaatse, weer gelegenheid zal zijn, om het heilig Avondmaal te ontvangen. Neen, maar dan roept God heel zijn kerk weer op, om stil te staan op den weg, en tot zich-zelve in te keeren, en zich rekenschap te geven van den staat en den toestand, waarin onze ziel voor God verkeert.

En nu voelen wel de meesten daar niets van en leven er maar onderdoor. Doch deze onaandoenlijkheid en slordigheid der menschen heft Gods trouwe niet op, noch vernietigt zijn oordeel.

ocr page 145

133

Zijn Avondmaal komt. Hij heeft weer geroepen. Opgeroepen tot zelfinkeer en zelfbeproeving. En aan u de schuld, zoo ge die heilige roepstem in den wind slaat.

Eens komt het oordeel.

Dan zal God oordeelen, door een Man, dien Hij daartoe verordineerd teeft; en zullen we allen verschijnen voor den rechterstoel van Christus, om te ontvangen naardat we in dit lichaam gedaan hebben, hetzij goed, hetzij kwaad.

En in dat ontzaglijk oordeel nu zal alleen hij vrij uitgaan, die op aarde zichzelven geoordeeld en eeroordeeld heeft.

„Indien we onszelven oordeelen,quot; zoo betuigt ons de heilige apostel, „zoo zullen we niet geoordeeld worden.quot;

En hiertoe moet nu het heilig Avondmaal strekken.

Het moet er u toe nopen en dringen en brengen, dat gij minstens vier malen telken jare uzelven voor de vierschaar van een heilig God stelt; en, staande voor die heilige vierschaar, uzelven wegwerpt, het opgeeft voor uw ziele, en u met boete en berouw, op hope tegen hope, werpt in de armen der eeuwige ontferming van uw God.

Vier malen* naar de indeeling, waarmee God zelf in de natuur alle leven uit den winterslaap in de lente, uit de lente in de volheid van den zomer, en uit den zomer in de versteening en verdorring van den herfst overleidt.

Vier malen, niet alsof het niet elke maand en elke week alzoo geschieden moest, ja eiken dag.

Maar iets anders toch nog is de zelfbeproeving voor het Avondmaal, als ge weêr een breeder stuk van uw leven kunt overzien en beter oordeelen kunt over den gang, dien ge naamt; en juist daarom ook tot dieper verbrijzeling en zelfaanklacht kunt komen, omdat uw zonden nu zooveel donkerder, in haar veelheid, en in haar bijzonderheid, en in haar doodelijk karakter voor u liggen.

IV. ïïwe zonden zijn u vergeven.quot;

GERECHTVAARDIGD DOOR HET GELOOF.

En Jezus, hun geloof ziende, zeide tot den geraakte; Zoon! uwe zonden zijn u vergeven.

Mark. 2 :ó.

Wie niet gelooft, kan niet ten heiligen Avondmaal gaan.

Want gelijk de zon niet schijnen kan op een plaats, die niet bestaat,

ocr page 146

134

zoo ook kan de Zonne der gerechtigheid niet koesterend werken op een geloof, dat ganschelijk niet aanwezig is.

Prent u dit altoos diep in, zoo dikwijls de roepstem naar het heilig Avondmaal ook tot u doordringt. Het Sacrament dient om het geloof te sterken, en dus moet er geloof in u zijn.

Niet een geloof, dat roemt in zijn kracht, of zich verheft op zijn volkomenheid. Wie toch waant een genoegzaam sterk geloof te hebben* wat zou hij nog sterking voor zijn geloof najagen ?

Sterking voor zijn geloof zoekt in het heilig Avondmaal hij alleen, die het in de stilte der ziel voor zijn God belijdt: „Ik geloof, Heere, kom mijn ongeloof tehulpe.quot;

Dan beeft de ziel innerlijk. Dan is het of ze slingert tusschen geloof en ongeloof in. Ze wil, ze kan haar God niet loslaten, en dus gelooft ze. En toch is het of de hand, waarmee ze haar God aangrijpt, geen kracht heeft, om zich aan Hem vast te klemmen, en dus dreigt van Hem af te glippen.

Ze zweeft als de schipbreukeling tusschen dood en leven. Want ook die schipbreukeling klemt zich nog vast aan de steng, die boven de golven uitsteekt. Maar zijn hand raakt uitgeput. Hij voelt dat hij niet meer kan. Nog eenige ontzettende oogenblikken, en dart zal zijn hand loslaten, en hij in de diepte wegzinken. Tot nog juist te goeder ure de reddingsboot voor het want schiet, en juist op het oogenblik, dat hij los zou laten, den drenkeling inneemt en redt.

Niet dus een tusschentoestand tusschen dood en leven; want die is er niet. Wie geloof heeft, al ware het dan ook slechts een geloof als een mosterdzaadje, heeft leven en kan niet verloren gaan.

Maar voor het geloofsfese/quot;, voor de eigen gaXooiibevinding gaat het telkens door duizend dooden heen.

En dan roept zulk een ziel in haar doodsbenauwing tot den Heere; en Hij vertroost ze, en giet haar olie in de wonde door de sacramen-teele werking van zijn heilig Avondmaal.

Doch hieruit volgt dan ook van wat geaardheid dit geloof moet zijn, dat u naar het heilig Avondmaal dringt.

Niet het geloof: Ik ben een uitverkorene. En ook niet het geloof: Ik ben wedergeboren en bekeerd, en dus hoor ik aan het heilig Avondmaal.

Och, wie zoo toe wilde treden, zou er komen in zelfverheffing en hoogheid, en alzoo zijn zegen weg hebben.

Want wel ligt dit alles achter en onder elk geloof, dat van de echte soort is. En al is dat echte geloof in u ook nog slechts een klein, klein korrelke, aan het kleinste zadeke der moeskruiden gelijk, toch staat het vast, dat ook in u én dit geloof én deze wedergeboorte enkel uitvloeisels zijn van Gods vrijmachtige uitverkiezing.

Maar zoo staat de ziel er niet altoos bij, dat ze dit alles met een levend oog helder doorziet, en in elk oogenblik overtuigend op zich-

ocr page 147

135

zelve toepast. Evenals ge nacht op nacht in uw huis u ter ruste legt, zonder na te denken over lt;le fundamenten, waarop uw huis rust; of de deugdelijkheid te onderzoeken van de stijlen van uw ledekant; zoo vleit ook de ziel van Gods kind zich gedurig op het zachte dons van het geloof neder, zonder elk oo^enblik in die grondlagen en fundamenten van genade af te dalen.

Hel geloof komt uit de verkiezing, spruit op uit de wedergeboorte, en breekt door in de bekeering, maar hel richt zich op het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt.

Keer dat dus niet om. Ga niet met uw rug naar Golgotha, en met uw aangezicht naar uw uitverkiezing staan. Dan toch wankelt uw geloof en ge berooft uw ziel van zalige vertroosting.

De bloem ontluikt niet, dan waar de wortel op verborgen wijze in den bodem gespreid ligt. En zoo ontlook ook in u het geloof niet, tenzij de wortel der zaak in liet verborgene uwer ziel worde gevonden. Maar al klimt ook de geur uit den wortel op, toch moet ge niet bij den wortel, maar bij den bloemknop zijn, om dien geur in te drinken.

En daarom nu is voor het heilig Avondmaal de eenige vraag: Of gij gelooft dat uw zonden u vergeven zijn.

Er is hier dus geen sprake van onderzoek, of ge wellicht een onge-loovige zijt in den hedendaagschen zin des woords. Geen sprake van een onderzoek, of ge wel gelooft in God en in zijn Woord, in den Immanuel, dien Hij ons geschonken heeft, en in de heerlijkheid, die komt.

Dat alles is ondersteld.

Hoe toch zoudt ge ten heiligen Avondmaal gaan, om in dat Avondmaal de sacramenteele genade des Heeren te zoeken, zoo ge zijn Woord niet ootmoedig aannaamt, en niet op grond van dat Woord, en op dien grond alleen, vaststondt in de overtuiging, dat er in het Avondmaal een sacramenteele, heilige, goddelijke kracht voor uw ziel te vinden is ?

Wie in dien zin ongeloovig is, loopt den Disch des Heeren voorbij; bekreunt er zich niet om; en leeft voort en voort zonder aan het Avondmaal te gaan. Of ook, hij spot en speelt er mee, en gaat aanzitten, om God den Heere te tergen in zijn aangezicht.

Bij u, die er u wel heen voelt trekken, en naar den zegen van het heilige Bondszegel verlangt, is dit geloof in de waarheid en wezenlijkheid van het Avondmaal dus ondersteld; maar is het niet dit geloof, dat daar gesterkt moet worden.

Neen, het geloof, dat sterking aan het heilig Avondmaal zoekt, is het persoonlijk geloof in de toepassing van de genade op uw eigen ziel; „dat vaste vertrouwen, dat de Heilige Geest door het Evangelie in ons hart werkt, dat niet alleen aan anderen, maar ook aan mij vergeving der zonde van God geschonken zijquot;.

ocr page 148

136

Dat is dus de hoofdzaak, waarop het voor u aankomt.

Ten Avondmaal gaan, om er kracht tot heiligmaking te zoeken, is het ware niet. Die kracht zal ook wel komen, maar die komt alleen, als ge, omgekeerd, begint met op uw verleden en op den toestand van uw hart te zien.

Zelfkennis is er noodig.

Al de windselen moeten van uw wonden af. De wonde van uw hart moet naakt en geopend voor u liggen. Ge moet weet en hinder en stuiting van uw zonden en van heel uw zondig bestaan hebben. En die zonden moeten in uw oog niet maar enkele vuile spatten op uw anders zoo reine ziel wezen; maar ge moet inzien, hoe die zonde uitbottende zweren zijn, die toonen hoe het bloed zelf in u bedorven en vergiftigd is; en hoe uit dat vergiftigde levensbloed de melaatschheid telkens door uw huid doorbreekt, en het gelaat uwer ziel verontreinigt.

En nu moet ge niet vragen; Hoe word ik genezen? Hoe kom ik van deze innerlijke verderving af? Want ook dat kan nog geheel buiten uw God en dus buiten het geloof omgaan. Dat kan nog niets dan zelfzucht in u wezen. Zooals de kranke, die door pestilentie be-loopen is, in wanhoop uitroept om genezing.

Neen, nu moet ge met die innerlijke kranke en bedorven ziel, met dat bezoedeld kleed en met dat verzondigde leven voor de Majesteit uws Gods, niet gaan daan, want dat kunt ge niet, maar voor die Majesteit Gods gedaagd worden.

Denk u een kind, dat zich te vroeg op het ijs wilde wagen. Zijn vader raadt hem dat af, en verbiedt het hem. Maar stil sluipt het booze kind de deur uit, en gaat toch op het ijs, en de gevolgen blijven niet uit. De bevrozen vloer bezwijkt. Hij zinkt weg, en wordt nog wel gered, maar om geheel gewond en met gebroken ledematen thuis te worden gebracht.

Wat zal dan in zulk een kind de eerste gewaarwording zijn, als het 't oog van zijn vader ontmoet? Zal dan zijn eerste gedachte wezen: „Hoe word ik geholpen en verbonden ?quot; Neen, zeg ik u, maar door de diepste smart en de felste pijn heen, zal de eerste vraag zijn : „Vader, ik ben ongehoorzaam geweest. Toorn niet op mij; maar vergeef.quot; En dan zal vader vergeven. Hij zal meer doen dan vergeven. Hij zal zijn kind in liefde omarmen; het aan zijn hart drukken ; en het oprichten uit zijn ellende. Maar het vergeven gaat voorop.

En zoo nu moet het ook bij u tegenover uw God zijn.

Dat ge hinder hebt van de zonden in uw verleden, en dat ge er over jammert, dat uw hart zoo zondig is, zegt nog niets.

De vraag is toch allereerst: Had God het u niet verboden? Had uw Vader ia den hemel u niet stellig geordineerd, dat ge u op dat ijs der zonde niet wagen zoudt?

En daarom is het geloof evenals dat kind, dat voor halfdood bij

ocr page 149

187

zijn vader wierd binnengedragen, en zal alle geloof van de echte soort, niet eerst vragen : „Wie giet balsera in mijn wonde?quot; — maar door de felste zondepijn en helleangst heen, in de eerste plaats vragen: „Mijn God, wil Gij mij vergeven 1quot;

Altoos de verloren zoon: „Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en tegen u, en ben niet waardig uw kind genaamd te worden.quot;

Een tollenaar, die zich op de borst slaat, en de oogen nauwelijks naar den hemel durft opheffen: „o. God, wees mij, armen zondaar, genadig!quot;

Op deze bede nu moet ge antwoord hebben.

Gij moet persoonlijk voor uzelven weten, dat me zonden u door uwen Vader in de hemelen vergeven zijn.

Ge moet kunnen zeggen : „Ik, de gerechtvaardigde door het geloof, heb vrede bij God door mijnen Heere Jezus Christus.quot;

Ge moet bij uw God te biecht zijn gegaan, en het: „ Oio zonden zijn ii vergevenquot; moet uit des Heeren mond u zijn toegesproken.

En alzoo moet dit geloof in u zijn, dat het tot deze vergeving uwer zonden bij u is gekomen. Dat ze van u genomen zijn. Dat God ze in de diepte der zee heeft geworpen. Dat uw Vader in de hemelen niet meer tegen u toornt, maar u betuigt, dat Hij u heeft vergeven, en het schriklijk van u vinden zou, zoo gij het niet geloofdet, nu Hij u dit zegt.

En dat geloof nu, t. w. dat de Heere al uw zonden vergeven heeft, is zoo aangrijpend moeilijk om te gelooven, dat het u, als ge het grijpt, aanstonds weer dreigt te ontglippen.

En daarom roept dan de Heere: „Kom tot mijn heilig Avondmaal, en daar zal Ik uw geloof versterkenquot;

V. „Yerkondigfc den dood des Heeren.quot;

CHRISTUS EN DIE GEKRUIST.

Want zoo dikwijls als gij dit brood zult eten, en dezen drinkbeker zult, drinken, zoo verkondigt den dood des Heeren, totdat Hij komt.

' ICor. 11:26.

Bij het heilig Avondmaal wordt de dood des Heeren verkondigd. Als ge daar aanzit, viert ge niet een gedachtenismaal, om de heu-genisse van Jezus' komst op aarde in stand te houden; maar hebt ge

ocr page 150

138

gedachtenis van Jezus te vieren in het teeken van zijn verbroken lichaam en vergoten bloed. En ge hebt in de gedachtenis aan dat verbroken lichaam en dat vergoten bloed niet maar den dood des Heeren te ge-denken, maar dien dood te verkondigen.

Zoek ook hierin dan met heilige aandacht in te dringen, en geef er u rekenschap van wal het zij, dat wie ten Avondmaal gaat, den dood van Jezus op het kruis van Golgotha verkondigen moet.

Ons Evangelie wijst ons steeds op het kruis als het middelpunt van heel Jezus' verschijning op aarde. Niet anders te weten dan „Jezus en dien gekruistquot;, is de roem van den heiligen apostel Paulus. En niet alleen hij, maar ook de overige apostelen wijzen u bijna nooit op de woorden, die Jezus sprak, noch op de wonderen, die Hij gewrocht heeft; maar trekken altoos weer de geheiligde aandacht der kerken saam op dat eene machtige feit, dat God zijn Zoon aan de wereld heeft gegeven, en dat de wereld dien Zoon van God heeft gekruist.

Natuurlijk niet in dien zin, alsof hetgeen aan dat kruis voorafging ons onverschillig kon zijn, of dat hetgeen in Opstanding en Hemelvaart volgt kon worden weggedacht. Integendeel, zoo ge niet eerst van de kribbe tot aan Gethsemané uw Heiland gevolgd zijt, verstaat ge niet wat het te zeggen had, dat die Heiland gekruist werd. En zoo ge na het kruis niet in de Opstanding ten derden dage jubelt, heeft dat kruis van Golgotha voor u niets dan vertwijfeling en droefenis.

Dit alleen is bedoeld, dat ge heel deze verschijning van den Zoon des menschen als één samenhangend geheel moet opvatten, waarin al hetgeen aan dat kruis voorafgaat, op dat kruis doelt, en al hetgeen op Golgotha volgt, uit dat kruis voortvloeit; zoodat bij dat kruis de heilige plek was en is en blijft, waar ook gij altoos weer hebt neer te knielen, om Gods eeuwige ontfermingen in de gifte zijns Zoons in te drinken met al den wellust uwer ziel.

En daarom heeft Christus niet een ander teeken, maar juist het heilig Avondmaal ingesteld, om door dat Avondmaal u telkens weer voor dat kruis van den Man van smarte te plaatsen.

Hij had ook plechtigheden kunnen instellen, om ons zijn kribbe, zijn machtige woorden, om ons de verheerlijking op Thabor, om ons de Opstanding en zooveel meer, symbolisch voor oogen te stellen. Maar dat deed de Heere niet. En wat wij in ons Kerstfeest en Paaschfeest hebben, is niet een ordinantie des Heeren, maar alleen een kerkelijk gebruik.

Neen, het eenige feit in zijn leven, waarop de Heere ons gedurig weer sacramenteel wijzen wilde, is zijn Kruis. Daarop en daarop alleen doelt het Sacrament des Avondmaals; en zelfs ook het Sacrament van den heiligen Doop spreekt ons van de afwassching onzer zonden in zijn hloed.

De dood des Heeren, dat is en blijft dus het machtige brandpunt, waarin al de stralen van deze heilige geschiedenis safimvallen. En zelfs

ocr page 151

139

als aan Johannes op Patmos het beeld van den Christus in de hemelen wordt getoond, ziet hij eerst niet den Overwinnaar, met de kroon op het hoofd, maar het Lam Gods, dat geslacht was.

Eens zal het anders zijn; en als Gods raad ten einde spoedt, en de groote dag van zijn oordeel komt, ziet ge datzelfde Lam Gods op de wolken des hemels verschijnen als den van God gezonden Overwinnaar over hemel en aarde. En dan zal ook voor u de Man van smarte in den Koning der heerlijkheid zijn ondergegaan, doordat ge dan geen zonden meer kennen zult, en al uw zonden, die ge deedt, achter u, in de diepte der zee zullen geworpen liggen.

Maar in deze bedeeling, nu, ge nog op aarde zijt, nu ge de worstelingen der zonde nog kent, en nooit anders voor God dan als een onreine kunt verschijnen, nu wil en kan de Christus niet anders dan als het Lam Gods voor u treden, en blijft het Kruis van Golgotha de van God aangewezen plek voor uw ontmoeting met uw Heiland.

Philosophie over den Godmensch redt uw ziele niet. Dwepende uitroepen over de majesteit des Heeren kunnen uw zonden niet van u nemen. En het eenige wat ge als verlorene in uzelven behoeft, is een gekruiste Messias, die voor u ten vloek is geworden, en, om u van den eeuwigen dood te redden, uw zonden gedragen heejt op het hout.

Er schuilt dan ook een geestelijke fout in, dat de kerken Christi in den loop dezer eeuw dat Kruis van Christus eenigszins hebben teruggedrongen, en ons hebben diets gemaakt, dat het veel rijker voor de ziel is, zoo ze de Bergrede of de Gelijkenissen beluistert, dan om zich altoos droef te stemmen door de gestadige aanschouwing van het lijden en den dood des Heeren.

Niet dat we overdrijving bepleiten. Ook wat Jezus was en sprak en deed, en nog doet uit de hemelen, moet telkens weer het voorwerp zijn van uw godvruchtige overdenking; en die soort hartstocht, gelijk soms bij de Hernhutters wierd waargenomen, om met zekeren wellust te blijven staan bij het bloed en de wonden en het misvormd gelaat en al het tragisch-pijnlijke, dat op Golgotha doorworsteld is, is aan de apostelen des Heeren volkomen vreemd.

Maar op de zaak als zaak mag niets afgedongen. Alle Christusprediking moet prediking van den Gekruiste blijven. Daarin alleen ligt het medicijn. Alleen daarin de volle vertroosting uwer ziel. En zoolang ook gijzelf niet al de zielskracht, die in u is, hebt sa?imgetrok-ken, om u van aangezicht tot aangezicht te stellen voor Hem, die op Golgotha stierf, zal het nooit tot waarachtige verbrijzeling bij u komen; zal nooit de diepste snaar in uw hart gaan trillen ; en zult ge nooit de volle, rijke zaligheid kennen van te kunnen zeggen : „Mijn Heere, mijn Goël, mijn God!quot;

Dat getuigt u de Schrift, die u zegt, dat alleen de Christus aan het kruis een kracht Gods tot zaligheid is. Dat getuigt de lofpsalm

ocr page 152

140

lt;ler dankzegging uit alle eeuwen, die altoos weer in dat kruis van Christus de sloffe der eeuwige dankzegging gevonden heeft. En dat getuigen nog uw broederen en uw zusteren om u heen, die het meest en het rijkst van Gods genade genoten hebben. Bovenal in de stervens-ure is het altoos weer Christus en die gekruist geweest, die het sterfbed van Gods kinderen met iets van hemelsehen luister omstraald heeft.

En zoo nu ook moet elk Avondmaal, dat gij meeviert, ook voor u een gang naar Golgotha's kruis zijn.

Ook gij blijft mensch. Ook gij kunt niet op éénzelfde oogenblik geheel het leven en de verschijning van uw grooten God en Zaligmaker zóó voor u stellen, dat ge er waarlijk indringt, in leeft en in geniet.

Wilt ge dus bij het heilig Avondmaal dat alles saam bevatten, dan raakt ge verward; dan wordt uw geest onrustig in u ; ge wilt u nu bij het ééne en dan bij het andere van uw Jezus bepalen; en juist dat maakt dat uw ziel zweven en slingeren blijft; en door alles te willen omvatten, niets ten volle, niets in zijn diepte bevat.

En daarom is het zoo naar menschelijke wijs en geheel zielkundig, dat de Heere Jezus bij het heilig Avondmaal uw aandacht uitsluitend op zijn kruis richt; op niets dan dat kruis; maar dan ook op dat kruis geheel en ten volle.

En zoo ge nu maar niet wijzer dan Jezus wilt zijn, en ge geeft u daaraan over, en ge zet alles uit uw gedachten weg, om eeniglijk en alleen den dood des Heeren voor uw ziel te laten treden; in uw ziel te laten indringen; en heel het besef en de gewaarwording uwer ziel te laten verzeilen; dan zult ook gij de zalige ervaring genieten, dat ge waarlijk uzelven kwijt raakt, om aan zijn heiligen Disch niets dan uw Heiland te bezitten.

En nu zult ge dan ook verstaan, wat het is, den dood des Heeren

te verkondigen.

Dat kunt ge niet, zoo uw heilige aandacht over allerlei verstrooid wordt; maar dat kunt ge dan, zoo heel uw ziele al haar levenskracht op dat ééne heilige punt van den dood uws Heeren saamtrekt.

Dan toch raakt ge onder de macht van dien dood uws Heeren. Ge voelt uw zonde als een kleed van u afglijden. Ge ziet het als voor oogen, hoe uw zonden op Hem liggen, en hoe Hij ze op het hout draagt. Ja, ge ziet Hem zonde voor u gemaakt, opdat gij zoudt worden rechtvaardig mor God in Hem.

En bestaat nu de verkondiging van dien dood daarin, dat ge opstaat, en nu bij dat Avondmaal gaat spreken?

Zou dat de verkondiging zijn, die bedoeld wordt?

Maar immers bij dat Avondmaal komt de wereld niet. üaar zijn geen vreemden bij. Er is niemand, aan wien gij door uw spreken den dood

ocr page 153

141

des Heeren als iets nieuws zoudt kunnen verkonden. Want allen, die met u aanzitten, hebben evenals gij den plicht óók zeiven den dood des Heeren te verkondigen.

En ook kan dat „verkondigenquot; niet liggen in wat de Bedienaar van het Sacrament spreekt; want hoe minder die spreekt, hoe beter zelfs. Bijna alle spreken leidt bij het Avondmaal van den dood des Heeren af.

Neen, er ligt in dat verkondigen van den dood des Heeren iets heel anders. Niet een luid, maar een stilzwijgend verkondigen, door het feit zelf dat gij, als onreine en verlorene in uzelven, uw toevlucht neemt tot de Fontein, die in Jezus' bloed geopend is tegen de zonde en tegen de ongerechtigheid.

Het kruis van Golgotha staat er nu eenmaal voor aller oog. Maar als er nu niemand toetreedt, om zich door dat kruis te laten zegenen, en zich het bezoedelde kleed wit te wasschen in het bloed des Lams, dan verliest die dood des Heeren zijn sprake, geraakt in vergetelheid en wordt niet geloofd.

Maar dan ook, als omgekeerd duizenden bij duizenden telkens toevloeien, die uit alle natiën en volken toestroomen, om allen saam bij dat kruis van Golgotha de genezing hunner wonden en de redding hunner ziel te zoeken, dan is de pelgrimstocht naar het kruis van Golgotha, die alle eeuwen aanhoudt, de rijkste, de welsprekendste verkondiging van den dood des Heeren, omdat ze als in levend beeld ons zegt, wat die dood des Heeren beteekent.

Gaat gij dus in stil en kinderlijk geloof ten heiligen Avondmaal op, dan verkondigt gij daardoor den dood des Heeren aan uw broederen; en zij, die met u aanzitten, verkondigen den dood des Heeren aan u.

Zoo versterkt ge onderling elkanders geloof, doordien ge saam u verliest in het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt.

En hebt ge zoo elkander den dood des Heeren verkondigd, dan verkondigt ge saam in uw aanzitten en in de heilige ontroering uwer ziel den dood des Heeren aan Satan. Want als Satan dan dien dood des Heeren zoekt te bedelven en krachteloos te maken, verklaart gij saam als getuigen van Christus tegen hem, dat wel waarlijk ook uw ziel haar redding in den dood des Heeren heeft gevonden.

Tot ge dan, eer ge opstaat, saam uw hart en uw stem in een lied des lofs en der dankzegging vereenigt, om nu ook in heilig maatgezang te verkondigen, dat het rantsoen is betaald en eeuwige verlossing teweeggebracht.

ocr page 154

142

VI. „Met kracht versterkt in den inwendigen menscli.quot;

DE STERKING VAN ONS GELOOF.

Opdat Hij u geve, naar den rijkdom zijner heerlijkheid, met kracht versterkt te worden door zijnen Geest in den inwendigen mensch.

Ef. 3; 16.

Het heilig Avondmaal vergt van uw ziel, als ge eenmaal aanzit, niet de minste actie; en strekt niet om te maken, dat ge iets doet, maar om u iets te laten ondergaan.

Er ruischt bij het Avondmaal, ver in de hoogte, een hemelsche muziek, waarvan ge niets hoort en niets merkt, zoo lang gijzelf zoo druk blijft; maar die haar heilige klanken u door de ziel laat dreunen, zoodra ge aflaat van uw bezige drukte, stille zijt, en u overgeeft aan de toovermacht uit de hoogte, die naar u toedringt.

Noemt ge dit nu „lijdelijk zijnquot;, zoo wees dan „lijdelijkquot;, en versta het geheim van allen sacramenteelen zegen, dat juist in dit lijdelijke schuilt.

Toch zult ge al spoedig merken, dat het u veel meer inspanning en moeite kost, om in dien hoogeren zin lijdelijk onder het Sacrament te verkeeren, dan om bij het Sacrament eigen werkzaamheden te ontplooien.

Uw gedachten rusten zoo ongaarne, en zijn nog minder gaarne bij een enkel heilig onderwerp bepaald. Dat merkt ge wel bij uw bidden. Uan knielt ge neer, en zoudt nu niets zaliger vinden, dan om b. v. een half uur aan niets dan aan uw Heiland te denken, en stil en kalm den heiligen indruk van zoo hemelsche gedachte te ondergaan. Maar wat merkt ge nu al spoedig? Dit immers, dat eer twee, drie minuten zijn omgegaan, allerlei zaken uit uw huiselijk en maatschappelijk leven, allerlei beelden uit de wereld, allerlei overleggingen, tot in het zondige toe, ongemerkt in uw ziel binnensluipen en u van uw Heiland aftrekken. Soms is dit zoo sterk, dat ge onder het prevelen uwer woorden zelf merkt, dat uw ziel niet in uw woorden zit en dat uw woorden eigenlijk maar van uw lippen komen.

Daar schrikt ge dan van. Gij scheidt uit; ge begint opnieuw; ge roept uw God om gebedsgenade aan, om uw aandacht te bepalen. En ja nu wijken die beelden en voorstellingen en gedachten. Maar niets waarborgt u, dat ze over twee, drie minuten, zonder kloppen, niet weer binnenkomen, en nogmaals uw gebed pogen te bederven.

Dat merkt ge evenzoo onder het zingen. Dan wil uw ziel in die woorden invloeien; dan is het uw lust en uw toeleg om met uw ziel meê te zingen. En één, twee regels gaat het; maar dan trekt iets u

ocr page 155

143

af; weg is uw aandacht; en opeens bespeurt ge, dat uw lippen nog wel voortzingen, maar zonder het accompagnement van uw hart.

En dienzelfden strijd kost het u nu ook om bij het heilig Avondmaal wezenlijk lijdelijk te wezen, en de actie van uw zenuwen, van uw gedachten, van uw verbeelding zoo tot rust te brengen, dat ge niets ontwaart dan Jezus, aan niets denkt dan aan Jezus, en niet gevoelt dan voor Jezus.

En toch ruste, stille ruste, iets van den eeuwigen Sabbat, moet er bij het Avondmaal in uw binnenste wezen, opdat in dien Sabbat uwer ziel het werk van Gods genade volbracht worde.

Geweld kunt ge daarbij uzelven niet aandoen.

Immers de zielservaring leert u, dat, als ge er uw wil op zet, en het met wilskracht wilt doorzetten, om nu aan niets dan aan Jezus te denken, juist daardoor het denken aan Jezus u moeilijker wordt.

Ge spant dan uw zieleleven te sterk, en juist die inspanning uwer ziele sluit de deur van uw hart toe, waardoor Jezus tot u in moet komen.

Veel beter is het daarom, uw ziel stil te laten gaan, tot het den Heere belieft u aan te grijpen en u de zalige bevinding te schenken van zijn nabijheid.

Slechts op twee dingen moet ge hierbij toezien.

Het eerste is, dat ge doorgaande in het leven uw ziel er aan gewennen moet, om zich niet gestadiglijk te laten aftrekken door wat om u is; maar ge de kunst moet leeren, om u in uzelven te verzamelen en soms op te sluiten in uw ziel.

Dit nu valt den één van nature veel lichter dan den ander; maar juist hij, die dit van nature niet zoo gemakkelijk doet, moet er door oefening zijn ziel aan wennen.

Aan wennen, om ook onder den arbeid, om ook op de wandeling, om ook onder het gesprek, rechtstreeks de ziel te verheffen naar boven waar Christus is. Reeds de oude Psalmist noemde dat: „Ik hef mijne ziel tot U op, o God!quot; En wie daarin gaandeweg geoefend is, past die heilige kunst vanzelf ook bij het Avondmaal toe; terwijl omgekeerd, wie dit verzuimt, het zichzelf te wijten heeft, zoo hij ook bij het heilig Avondmaal zoo droevig verstrooid blijft.

En het tweede punt is, dat ge, vóór het Avondmaal aangaat, uw ziel op het Avondmaal dat komen zal richt.

Want het spreekt toch vanzelf, dat wie den dag tevoren, en den avond tevoren, en de morgenuren vooraf, met allerlei andere dingen bezig blijft, niet plotseling, als hij in het bedehuis verschijnt, dien sprong uit de wereld naar den heiligen gedachtenkring van het Sacrament maken zal.

Denk toch aan Satan.

Satan heeft er belang bij, dat ge aan het Avondmaal verstrooid zult

ocr page 156

144

zijn, en nu i3 tegen Satan zeer zeker een schild bij uw Heiland; maar welken grond des vertrouwens zult ge voor uw gebed hebben, als gij-zelf alles deedt, om uw ziel tot het laatste oogenblik toe verstrooid te houden?

Lijdelijk onder het Avondmaal verkeeren is dus het hoogste, niet opdat ge daar wezenloos zoudt neerzitten, maar opdat in dien stillen Sabbat uwer ziele de kracht des Heeren openbaar zou worden.

Immers, dat is juist het eigenlijke van het Sacrament, niet dat gij iets voor Jezus doet, maar dat Jezus iets in en aan u doet.

Ge hebt een inwendig bestaan, evengoed als ge een uitwendig leveu in de wereld hebt, en ook dat leven van uw inwendigen mensch is een wereld op zichzelve. Een wereld, waar ge niet zoo duidelijke voorstelling van hebt; een wereld, die ge niet zoo ontleden; en waar ge alleen overdrachtelijk over spreken kunt, maar een wereld, die toch even wezenlijk is als het licht der zon, dat u in Gods natuur beschijnt.

Vandaar dat er ook in uw inwendigen mensch zekere kracht moet werken; want als de kracht bezwijkt, bezwijkt het leven vanbinnen. Werd nu die kracht niet verteerd, dan zoudt ge, na eens genade ontvangen te hebben, geen nieuwen toevoer van krachten noodig hebben. Maar zoo is het niet. Ook in uw ziel brandt het als , in een haard. Al de moeite en strijd en worsteling van het leven put uw kracht uit. En als er dan geen nieuwe sterking van die verbruikte en verteerde kracht komt, raakt ge uitgeput, verslapt uw zieleleven, en zijt ge ten leste tot elke geestelijke zielsverheffing buiten staat.

Dat wist ook de apostel des Heeren, en daarom boog hij zijn knieën, om het voor de kerk des Heeren af te smeeken, dat „ze versterkt mocht worden met kracht naar den inwendigen mensch;quot; en voor die versterking nu is het heilig Avondmaal een der machtigste instrumenten, die de Heere verordend heeft.

Er gaat dan genade van Jezus uit den hemel uit, en deze genade beweegt zich naar de zijnen heen, als ze, aan den heiligen Disch gezeten, zijn brood breken en den beker der dankzegging laten rondgaan.

Hij, de Heere, werkt dan, en alleen dit werk des Heeren maakt het Avondmaal tot een wezenlijk Sacrament. Zonder geloof kan het dus geen Sacrament zijn. Het kan geen zegen brengen aan wie met een ongeloovig en onbekeerlijk hart aanzit. Maar zoo er geloof is, al ware dat geloof dan ook nog zoo zwak en ingezonken, daar is de deur open, en komt Jezus door de geopende deur binnen en stort Hij in de ziel, in uw inwendigen mensch, die hemelsche kracht, waardoor het ingezonken leven zoo wonderbaar wordt opgewekt.

En vraagt ge nu, of dit terstond te merken is, en of ge dit aan het Avondmaal zelf voelen kunt, dan luidt het antwoord op die vraag zeer verschillend. Soms toch ontwaart ge er niets van; een andermaal

ocr page 157

145

iets; en zeer zelden verkeert ge op dat oogenblik onder den vollen indruk van deze zielesterking.

Dat zou niet zoo zijn, als het aan uw gevoel hing. Dan toch zou er geen zegen zijn, of ge moest het onmiddellijk merken. Maar nu het niet aan uw gevoel hangt, en uw gevoel er niets toe doet, en het uitsluitend aan de werking van Jezus hangt, nu is het zeer natuurlijk, dat het zeer dikwijls geheel buiten uw besef omgaat.

Zoo dieut ook de arts aan een ijlenden kranke het medicijn toe, zonder dat deze er iets van ontwaart. En toch vloeide het medicijn in zijn bloed in, en straks zal er sterking van blijken.

Ge kunt niet eens zeggen, dat de sterking van het heilig Avondmaal reeds den eigen dag uw geloof sterker maakt. Zeer wel kan het zijn, dat deze geloofssterking eerst later merkbaar wordt.

Zoo zal ook de landman het graan op den akker besproeien, of zal God zijn regen op den akker laten neerdruppelen, dat er toch in de eerste uren nog niets van een opbuigen der halmen te ontdekken valt.

Ook voor de doorwerking van deze sterking der genade is zeker verloop van tijd noodig. En het eenige wat ge zeker weet is, dat deze indruppeling van genade in uw ziel nooit werkeloos is noch kan blijven.

Te zijner tijd, als de genade haar proces in uw inwendigen mensch vervuld heeft, dan komt de vrucht, dan bot de werking uit, en dan ja gevoelt en ontwaart ge de meerdere geloofskracht, die ge te danken hebt aan wat uw Heiland bij het Avondmaal in u wrocht.

VIL „Totdat Hij komt.quot;

VOORSMAAK VAN HEMELVREUGDE.

Want zoo dikwijls gij dit brood zult eten, en dezen drinkbeker zult drinken, zoo verkondigt den dood des Heeren, totdat Hij komt.

1 Cor. 11 : 26.

Toen de Christus in de opperzaal te Jeruzalem het heilig Avondmaal instelde, betuigde Hij, in eenigszins raadselachtige woorden, dat „Hij niet meer drinken zou van deze vrucht des wijnstoks, totdat Hij die nieuw met hen zou drinken in het Koninkrijk zijns Vaders.

Loop over die raadselachtige woorden niet heen.

Er ligt toch in die woorden, dat uw Heiland wel alle eeuwen door u zijn Avondmaal aanrichten, en onder de viering van dat Avondmaal bij u zou zijn; maar dat bij dit Avondmaal wel gij uit den beker zoudt

10

ocr page 158

146

drinken, maar Hij niet. Hij deed dit eens, toen Hij het Avondmaal instelde. Hij zal het wederom doen, als het groote Avondmaal van de Bruiloft des Lams ingaat. Maar in al de eeuwen, die daartusschen liggen, zal Hij wel als de hemelsohe Gastheer zijn Avondmaal voor u bereiden, en u door zijn geestelijke tegenwoordigheid bij dat Avondmaal verkwikken; maar ge zult er Hem niet «ien; zijn hand zal niet naar den beker grijpen; van die vrucht des wijnstoks drinkt Hij op aarde niet meer, zoolang het einde er niet zijn zal.

Maar komt dat einde vroeg of spade, en gaat die groote doorluchtige dag des Heeren in, waarvan Joël de profeet geprofeteerd heeft, dan komt Hij weder tot deze aarde; dan zal Hij hier het Koninkrijk zijns Vaders oprichten; en dan zal Hij nogmaals met u van die vrucht des wijnstoks drinken; maar dan nieuw, d. w. z. nadat met geheel deze natuur ook de wijnstok in hemelsche heerlijkheid zal zijn overgegaan.

Zoo dikwijls ge dus aan zijn heilig Avondmaal aanzit, komt uw Heiland tot u, om u én naar het verleden, én naar de toekomst te wijzen. Achter u ligt Golgotha, voor u ligt de toekomst des Heeren Jezus. En daarom wijst elk Avondmaal u terug naar het Kruis, en voor u uit naar de Wederkomst des Heeren op de wolken.

Om in de rechte stemming uwer ziel bij het heilig Avondmaal te verkeeren, zult gij dus niet turen op uzelf, noch u verliezen in de herdenking uwer zonde, maar het oog op het Kruis gericht houden en op Hem, die aan dat Kruis zich ook voor u in den dood gaf.

Niet Jezus' beminnelijke persoon, noch zijn goddelijke en mensche-lijke natuur zullen uw ziel en zinnen vervullen, maar ge zult Hem voor u zien als de Man van smarten, en als het Lam Gods, dat de jonde der wereld wegneemt.

Mits, en hier hangt de heilzame geloofsbeweging in uw binnenste aan, mits ge al wat tusschen dat Kruis en het laatste Oordeel inligt, wegdenkt, en het vlak naast elkander plaatst, dat Kruis van Golgotha en het terugkeeren van uw Heiland in glorie.

Bij het Kruis eindigt het niet. Eerst in den dag des oordeels zal de ontzettende werking van dat Kruis verstaan worden. En dan eerst zal blijken wat zaligheid dat Kruis teweegbracht, en wat schrikke-lijken toorn Gods het uitstort over een iegelijk, die voor dat Kruis de knie niet boog.

Gelijk ge u een kandelaar niet denken kunt zonder de uitstraling van licht, waarmeê tegelijk heel het vertrek beschenen wordt, zoo ook staat bij het heilig Avondmaal geen dood, geen uitgebluscht, geen werkeloos kruis voor u; maar een kruis, waarvan een licht en een glans uitstraalt, die schijnen door heel de historie, die na dat kruis gekomen is en er tot op Jezus' wederkomst zijn zal.

Dat ééne kruis vult heel de ruimte aan tusschen Golgotha en den Oordeelsdag, en nog in dien Oordeelsdag zal dat Kruis over wei of

ocr page 159

147

wee beslissen; ja, nog na dien Oordeelsdag zal alle glans en alle glorie, waarin Christus raet de zijnen zal stralen, eeniglijk en alleen een vrucht en uitwerking van Golgotha zijn.

Nu is de duur van tijd, die daartusschen ligt, lang. Er verliepen reeds achttien eeuwen, en wie zal zeggen, hoe lang die wederkomst des Heeren nog toeven zal. Het zou dus uw ziel aan den heiligen Disch onrustig maken en uw gedachten verstrooien, zoo ge heel die lange historie zoudt willen indenken.

Maar dat zou dan ook het omgekeerde zijn van wat ge te doen hebt.

Ge moet toch aan het heilig Avondmaal niet in den tijd, maar als in een voorsmaak van de eeuwigheid leven. Er moet iets in u spreken van dat „duizend jaren ais één dag en één dag als duizend jaren.quot; Het Avondmaal moet niet in het midden der wereld, maar in de Tente des Heeren genoten. Als ge aan het Avondmaal aanzit, moet het u eigenlijk temoede zijn, alsof alle rekening van tijd roor u wegviel, en het eeuwige u met zijn vleugelen overschaduwde.

Zóó levendig moet het kruis van Golgotha u toespreken, dat het u temoede is, alsof Jezus zoopas stierf, ja, alsof ge Hem zelf zijn Lama Sabachtani hoordet uitroepen. En ook, zóó bezield en werkelijk moet de Wederkomst des Heeren u toespreken, alsof ge niet meer naar uw woning zoudt terugkceren, maar Immanuel op het eigen oogenblik zou terugkomen, om de eeuwigheid te laten ingaan.

Noem dat nu een sprong voor uw ziel; het zij zoo; maar vraag u dan af, of niet alle krachtige geloofswerking metterdaad een sprong uit dit leven der ellende in de vrijheid van Gods kinderen daarboven is.

Ën immers, het apostolisch woord beslist hier: „Verkondigt den dood des Heeren, totdat Hij komt.quot;

Kruis en Toekomst in één heilige gedachte verbonden.

Iets schitterends, mits door heraelschen eenvoud, is daarom aan het heilig Avondmaal niet misplaatst.

Op het Kruis wijzen u het gebroken brood en het vergoten druivensap, maar ook op de Toekomst des Heeren wijst u het aanzitten aan den Disch. Dat aanzitten toch spreekt u niet van Golgotha, maar van het groote Avondmaal, dat het Lam voor zijn Bruid bereiden zal.

Vandaar dat bij dien üisch al wat aardsch is wegvalt, en de schittering eener hoogere glorie gezien wordt.

De geringe en aanzienlijke zijn daar één; de dienstknecht zit dan naast zijn heer; de arme neemt plaats naast zijn weldoener; jong en oud zijn dooreengemengd; en eigenlijk is de scheiding van mannen en vrouwen bij het Avondmaal een verzwakking van het heilig symbool. En niet alleen zit men naast elkander; maar men eet uit één'scl^otel, en eenzelfde beker wordt aan veler lippen gezet.

ocr page 160

148

Zoo is het op aarde niet, maar zoo zal het wel in den hemel zijn; en daarom moet het zoo ook aan het Avondmaal wezen.

Dus geen aardsche sieradiën aan den disch; niets om in aardschen zin den luister er van te verhoogenj maar wel over den disch gespreid het rein, blinkend lijnwaad; wel als het kan een schotel en beker van edel metaal; en voorts niets dan de offerbus, om de ontferming, die Gods ontferming in u wekte, in een daad te verzinbeelden.

En dat alles niet om u een heilige poëzie voor oogen te houden, maar om u, naar menschelijke wijze, een indruk van een hooger heerlijkheid te geven dan deze aarde u bieden kan.

Iets dat schoon door eenvoud, rijk door zijn symbolische sprake is, en dat u, zonder dat ge weet hoe, op hemelsche wijze aandoet en iets van het eeuwige door uw ziel doet trekken.

Zoo wekt het heilig Avondmaal zeer zeker ook hemelverlangen; maar het wekt meer; het wekt ook in u een heimwee naar de Toekomst uws Heeren.

Zoo ge plotseling sterven moest, zou er geen schooner, zachter dood voor u zijn, dan om zoo van het heilig Avondmaal de eeuwigheid in te gaan, en voor altoos bij uw Jezus te wezen.

Maar toch, dat is nog niet de volle aandrift van wat er schuilt in dat „totdat Hij komt.quot;

Hemelverlangen is op zichzelf nog niet anders, dan een zucht om uit deze gedrukte en altoos weer teleurstellende wereld van uw moeilijke taak ontslagen te worden, en na uw sterven rust in het eeuwige te vinden.

Dus altoos nog een zeker bezig zijn met uzelven; een uitzien naar wat u goed zal doen; een dorsten naar wat een einde zal maken aan wat u hier drukt en beklemt. Vandaar dat ge zulk hemelverlangen meest uiterst zwak vindt, als hier het leven tamelijk gelukkig is, en meest zeer sterk, als het levenslot hier pijnlijk wierd.

Maar heimwee naar het wederkomen des Heeren, heimwee naar het Maranatlia, is heel iets anders.

Dan verliest ge u in uw Jezus; dan is het u om Hem en niet om uzelven te doen. En dan dorst de ziel in u naar dat oogenblik van volkomen triomf, als eens de vloek en smaad van Golgotha in den glans en in de glorie van het Teeken van den Zoon des menschen zal verslonden worden.

Zooals de heiligen daarboven roepen: „Tot hoe lange, groote en rechtvaardige Rechter, toeft het doorbreken van den dag uwer heerlijkheid ?quot;

En dan gaat dal Avondmaal wel weer voorbij, en keert ge wel in uw aardsche leven terug.

Maar dat hemelsche gezicht, dat ge genoten hebt, vergeet ge dan toch niet.

ocr page 161

149

Het blijft bij u. Het vertroost en het bemoedigt u. En ge gevoelt u wel, meer dan vroeger, vreemdeling op aarde, maar toch reizende naar de hemelstad.

VIII. „Laat daar uw gave bij het altaar.quot;

OORDEEL OVER UZELVEN, ALS GE NIET GAAT.

Zoo gij dan uwe gave zult op het altaar offeren, en aldaar gedachtig wordt, dat uw broeder iels tegen u heeft, iaat daar uwe gave voor het altaar, en ga heen, verzoen u eerst met uwen broeder, en kom dan en offer uwe gave.

Matth. 5:23, 24.

Indien ge in uw ziel overtuigd zijt, dat ge u nog niet „met waren harte tot God bekeerd hebtquot;; of ook na een val in zonden u niet opnieuw met waren harte bekeerd hebt tot uw God, moogt ge natuurlijk niet aan het heilig Avondmaal gaan.

Ge staat dan met uw hart afgekeerd van uw God. Ge wilt volharden in uw vijandschap tegen den Heere. Ge weigert u tot Hem te bekeeren; althans met waren harte. En hoe zoudt ge dan onder de vrienden des Heeren aan zijn heilig Avondmaal sluipen?

Neen, de Heere roept en wacht aan zijn heiligen Disch geen zondaren, die hardnekkig in hun zondig bestaan volharden; maar alleen de zoodanigen, wien hun zondig bestaan van harte leed is; die diep in de ziel hun zondig bestaan verfoeien; en alsnu niet langer weigeren als verlorenen en doemschuldigen te drinken uit de Fontein, die opgericht is voor het huis Israels tegen de ongerechtigheid en tegen de zonde.

Zich niet te bekeeren tot den levenden God, en in zijn onbekeerden staat toch aan het Avondmaal te gaan, kan geen geloof sterken, omdat er in den onbekeerde geen zaligmakend geloof is. In zulk een is nog niets dan ongeloof. Juist door het Avondmaal zou dat ongeloof dus in u verhard worden. En dit zou zijn een oordeel ten kwade over uzelven brengen.

Doch nu geraakt ge in tweestrijd.

Ge deedt openbare belijdenis, om toegang tot het heilig Avondmaal te erlangen. Gij zijt dus ingelijfd bij hen, die ten Avondmaal moeten gaan. En zie, nu is tonh, als het Avondmaal weer naakt, uw geestelijke toestand van zulk een onbekeerden aard, dat ge niet ten Avondmaal kunt of moogt gaan.

ocr page 162

] 50

Zegt ge tocb: „Ik deed openbare belijdenis, en op dien grond ga ïk,quot; dan verderft ge bet heilig Avondmaal van Cbristus. Immers uw openbare belijdenis is een uitwendige daad, en de grond van uw Avondmaal moet geestelijk zijn.

Toch is het alleen de zonde, die tweestrijd doet geboren worden.

Elk gedoopte staat onder de verplichting, om zich, zoodïa hij tot jaren van onderscheid gekomen is, „met waren harte tot zijn God te bekeerenquot;; en eerst als hij dit metterdaad gedaan heeft, kan en mag hij openbare belijdenis doen.

Want ook hier geldt hetzelfde, wat van het heilig Avondmaal geldt, ïe zeggen : „Ik heb mij nog wel niet tot mijn God bekeerd. Dat zal later wel komen. Maar nu doe ik alvast belijdenis,quot; is spelen met het heilige. Of wat is belijdenis anders, dan opstaan in het midden der gemeente, om alsnu te verklaren, dat ook gij een van de vrijgekochten des Heeren zijt en op dien grond den Middelaar als uw Heiland wilt belijden ?

Die plicht tot bekeering rust natuurlijk op de onderstelling van wedergeboorte; of hoe zou iemand zich ooit met waren harte kunnen bekeeren, tenzij God hem eerst wedergeboren had?

Maar gaat die onderstelling bij u door; heeft God op verborgen wijze het zaad des levens in den akker van uw hart gestrooid; en werkt alzoo, onder bet zegel van uw Doop, de kracht der toekomende eeuw in u; dan is door Gods genade de bekeering u ook mogelijk geworden; en is hel niets dan uw eigen zondige boosheid en moedwil, zoo ge u niet tot uw God bekeert.

Hier ligt dus een keten des heils, die heerlijk in haar schalmen ligt saarageschakeld. De wortel des heils is uw uitverkiezing; krachtens die uitverkiezing werkte God in u, daar gij dood waart, het beginsel des nieuwen levens door de wedergeboorte; op dien grond wordt gij in den naam van den Drieëenigen God gedoopt; als gedoopte zijt ge gehouden en verplicht u tot den levenden God met waren harte te bekeeren; zoodra ge dit deedt, doet ge openbare belijdenis; en na aldus openbare belijdenis gedaan te hebben, dat ge weet overgezet te zijn uit den dood in het leven, treedt ge nu met de verlosten toe aan het heilig Avondmaal.

Maar nu zijn twee gevallen denkbaar.

Als weer de bediening van het Avondmaal wordt aangekondigd, staat ge in dit zalig besef van uw bekeering, of ge staat er niet in.

Indien wel, dan gaat ge. Geloovende, maar als een kleingeloovige, zoekt ge bij uw Heiland de sterking, die Hij u biedt voor uw geloof.

Maar indien niet, dan is de poorte voor u gesloten. Ge hebt geen bruiloftskleed. Of omdat ge het nooit hadt; óf omdat ge meent het te zijn kwijtgeraakt. ïwee toestanden, die ge wel moet onderscheiden.

ocr page 163

151

Neem u het eerste. Slel dat ge in uw onbezonnenheid een dwaasheid bebt gedaan, en nu van achteren merkt, hoe ge ter openbare belijdenis van uw Heiland zijt opgegaan, zonder dat ge een Heiland hadt. Ge ziet dan nu in, hoe ge met een ganschelijk onbekeerd en Gode nog vijandig hart, u zijt gaan aandienen, alsof ge u met waren harte tot uw God bekeerd hadt.

In dat geval nu is uiteraard uw openbare belijdenis voor u nietig en van geener waarde, en zoudt ge eigenlijk tot uw kerkeraad moeten gaan, om te zeggen : „Ik heb gelogen, ik heb geveinsd, ik heb verklaard wat ik niet kon verklaren. Sluit mij weer uit en ontneem mij mijn toegangsrecht tot den heiligen Uisch.quot;

Maar ge kunt nog beter doen. Er is een nog uitnemender weg.

Immers, door dien onbezonnen stap verviel uw plicht niet, om u alsnog, om u op staanden voet, om u in het heden der genade, eer het te laat is, en uwe ziel voor eeuwig verloren gaat, „met waren harte tot uwen God te bekeeren.quot;

En doet ge dit, op grond van uw wedergeboorte, dan natuurlijk maakt ge van achteren het holle en onware van uw belijdenis goed, en gaat ge alsnu schuchterlijk beschaamd, maar in uw God vroolijk, aap den heiligen Disch meê op.

Dit is dus het punt, waar het op aankomt.

Ge moet niet redeneeren: „Ik deed belijdenis, en dus kan ik aan het Avondmaal gaan.quot; En ge moogt evenmin zeggen: „Ik deed wel belijdenis, maar heb mij nog niet bekeerd, dus blijf ik van het Avondmaal weg.quot; Neen, wat alleen goed is, is te zeggen : „Ik deed belijdenis, maar zonder mij bekeerd te hebben; dus moet ik mij alsnog bekeeren, en dan ten Avondmaal opgaan.quot;

Loop hier niet overheen.

De groote geestelijke fout is toch, dat zoo honderden bij honderden de roepstem tot heheering niet hooren, die minstens viermaal elk jaar van Godswege tot hen uitgaat.

Ze leven dan voort en voort zonder zich te bekeeren, en als er weer Avondmaal komt, denken ze; „Dit gaat mij nog niet aan. Later als ik eens bekeerd mocht worden, dan komt dat ook voor mij.quot;

En dit nu juist is hun zonde.

Daardoor toch verachten ze 's Heeren Avondmaal, en halen in hun wegblijven en gedachteloos voorbijgaan van het Avondmaal een oordeel over zich.

Zie, de Heere Jezus sprak in zijn Bergrede ook van een man, die geen deel aan Hem had, omdat hij onverzoend met zijn broeder stond.

Maar hoe teekent Jezus ons nu dien man?

Als iemand, die zich om het heilige niet bekreunt? Als iemand, die denkt: dat is niet voor mij?

Neen, zeg ik u, maar deze man, zegt Jezus, komt met zijn gave

ocr page 164

152

bij het altaar, en nu moet hij terug, om zich eerst tot verzoening met zijn broeder te bekeeren. Maar zijn gave moet bij het altaar blijven liggen, juist als roepstem, dat hij zich onverwijld van zijn zonde te bekeeren heeft, om terstond daarna weer te keeren, en zijn gave te offeren.

De Dienaren des Woords mogen dit dan ook wel wat ernstiger in de gemeente aandringen.

Elk Avondmaal, dat komt, is een roepstem, óf om ten Avondmaal op te gaan, of om, zoo men nog onbekeerd staat, zich in het heden der genade tot den levenden God te bekeeren.

Elk Avondmaal in de gemeente moet teweegbrengen, dat er weer onbekeerde zielen tot bekeering komen, en door die bekeering zich den weg tot het Avondmaal ontsluiten.

Uitwendige kerkelijkheid is hier de dood. Te zeggen; „Gij zijt lidmaat, dus kom!quot; is een ongeestelijk zeggen. Er moet tusschen inge-lascht dit andere zeggen: „Gij zijt lidmaat; dus immers bekeerd tot den levenden God? Zoo ja, treed dan toe!quot;

En nu het tweede geval.

Stel ge hebt niet gelogen bij uw openbare belijdenis. Ge hadt u metterdaad tot den Heere uw God met waren harte bekeerd. De Heere was uw Heiland geworden.

Zoo gingt ge eerst dan ook blij temoe op aan zijn heiligen Disch.

Maar sinds trokken er nevelen voor uw geloofsoog. Duisternisse sloeg op uw hart. Ge gaaft weer toe aan uw ongeloof. Ge vielt weer in allerlei zonden. De heilige zalfolie was weer verdonkerd op het gelaat uwer ziel. Zoo zelfs dat ge gevoeldet weer van uw God te zijn afgekeerd.

Nu roept het heilig Avondmaal.

Zult ge nu zeggen; „Daar ga ik niet.quot; Of zult ge zeggen: „Ik ben eens bekeerd, dus doet het er niet toe, hoe ik nu ben. Ik ga.quot;

Lieve broeder of zuster, heide zou kwaad gezegd zijn.

Ge moogt niet wegblijven, en toch ook : zóó moogt ge niet gaan.

Ge moogt niet wegblijven, want de genade aan u geschied blijft eeuwiglijk, en dus rust ook op u de verplichting, om den dood uws Heeren te verkondigen. Niet uw stemming, maar uw staat beslist voor het heilig Avondmaal; en juist dat Avondmaal is een u geboden middel, om weer met versche zalfolie overgoten te worden.

Maar zóó moogt ge niet gaan.

Neen, die roepstem tot het Avondmaal moet u ontroeren in uzelven; moet u innerlijk schudden en wakker maken. Het moet er u toe brengen om op de borst te slaan; om op uw knieën voor uw God te vallen; om te roepen: „o God, wees mij, armen zondaar, genadig!quot;

En dan gaat ge, tot uw God weer toegekeerd, en Hij sterkt u het geloof.

ocr page 165

153

IX. „Verzoen u eerst met uwen broeder.quot;

GA NOOIT ONVEEZOEND.

Laat daar uwe gave voor het altaar, en ga heen, verzoen u eerst met uwen broeder, en kom dan en offer uwe gave. Matth. 5:24.

Een onverzoend hart is niet bereid ten Avondmaal; en in den grond der zaak onbekwaam, om het zoet van de vergeving der zonde te smaken.

Luister maar naar de vijfde bede in het „Onze Vaderquot;: „Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.quot;

Vergiffenis ontvangen en zelf vergeven liggen dus geestelijk altoos saamp;mgekoppeld. Ge kunt zelf niet in de verzoening van Golgotha ge-looven, tenzij er zin voor verzoening met uw broeder in uw hart zij.

De neiging, lust en drang, die ge tot vergeving van uw broeder in uw ziel bespeurt, is u de thermometer, die u aanwijst, tot welk een graad het geloof aan uw eigen verzoening aanzwol in uw eigen hart.

Natuurlijk niet alsof God u zou vergeven, omdat ge uw broeder vergeeft. Dan toch hadt ge het kruis van Golgotha niet noodig. Dan ware het bloed van het heilig Godslam tevergeefs vergoten. En dan zou eigen verdienste en eigen gerechtigheid weer de grond worden van uw zaligheid.

Maar dit is de zaak.

Van nature zijt ook gij geneigd, niet om uw schuldenaren te vergeven, maar om hun hun zonden te houden; om het hun betaald te zetten; u te wreken; en de bitterheid in uw hart niet te dempen, maar aan te wakkeren.

En dit nu wordt dan eerst anders in u, als uw ik geknakt werd; de zelfzucht uit u week, of althans begon te wijken; als uw trotsche kop gebroken, en uw harde nek gebogen wierd; kortom als het in u kwam tot die innerlijke verbrijzeling, die u in „een verslagen geestquot; bekwaamt tot dat eenig offer, dat Gode behagen kan.

Wie nu deze stemming in zich ontwaart, die weet derhalve, dat hij dit niet uit zichzelf, noch uit zijn natuur, maar alleen door de genade van God alzoo bezit. En daarom kan zulk een dan ook in waarheid het „Onze Vaderquot; bidden, en tot zijn God roepen: „Vergeef ook mij mijn schuld, gelijk ik de gezindheid in mijn hart gevoel om mijn broeder te vergeven.quot;

Maar zie toe, uw hart is arglistig, meer dan eenig ding; en het is lang niet zoo zeldzaam, dat iemand nog met wraak en haat tegen zijn

ocr page 166

154

broeder of zuster in zijn hart verkeert, en dat hij toch een vromen aandrang gevoelt, om met offerande en eerbiedenisse tot zijn God te gaan.

Zulk een persoon teekent de Heere ons dan ook in de Bergrede.

Een man, die thuis zijnde aan zijn God gedacht heeft, en het besluit nam, zijn God met offerande tegen te gaan; hetzij meteen offerande voor zijn schuld of met een offerande der dankzegging.

En toch liep die vrome man nog met een onverzoend hart, toen hij reeds met zijn offerdier tot bij het altaar des Heeren genaderd was.

En nu zegt Jezus tot dezen man, dat hij op die manier onmogelijk zijn God eere kan geven.

Neen, hij moet zijn offerande daar bij het altaar laten; teruggaan tot zijn broeder met wien hij in oneenigheid leeft; zich in zijn hart en voor de rnenschen met zijn broeder verzoenen; en dan eerst mag hij naar het altaar terugkeeren, om Gode zijn offerande van lof of dankzegging op te dragen.

En datzelfde geldt nu natuurlijk ook van het heilig Avondmaal.

Ook daar wil dikwijls een mensch heen, die wel vroom is en zijn God wil zoeken, maar met een onverzoend hart.

En dat mag niet.

Dat staat de Heere niet toe.

Wie aldus ten Avondmaal ging, zou in zijn eten en zijn drinken een oordeel over zich brengen.

En vandaar is het dat onze kerken steeds dezen regel gevolgd hebben, om voor elk Avondmaal alle onverzoendbeden in de gemeente tot verzoening te brengen; alle onverzoende personen er af te houden; en, als de on verzoend heid een groot deel der gemeente had aangegrepen, desnoods het geheele Avondmaal niet te houden, maar uit te stellen, tot de geest van broedermin en verzoening was weergekeerd.

Toch sloop ook hierin vaak misverstand.

Sommigen toch beeldden zich in, dat ze nimmer ten Avondmaal mochten gaan, tenzij eerst de persoon, met wien ze in onmin leefden, ook zijnerzijds tot verzoening bereid was.

En dit nu is niet zoo; eenvoudig omdat gij over zijn hart geen meester zijt, en hem dus niet tot verzoening kunt dwingen.

Ue regel die hier geldt is dus deze, dat gij u af hebt te vragen: Ten eerste, of gij in uw hart waarlijk bereid zijt, de minste te wezen; liever schade en ongelijk te lijden, dan onverzoend te blijven; en of gij alzoo voor God in uwe ziele weet, dat het aan u niet langer hapert. len tweede, dat gij niet alleen zoo in uw hart gevoelt, maar ook bereid zijt tot hem te gaan, u den minste te toonen, en hem de hand der verzoening aan te bieden. En ten derde, dat gij, zoo de persoon met wien ge in onmin leefdet, met u onder het opzicht van dezelfde Opzieners staat, uwe zaak, zoo het u niet gelukt deze onder u beiden of

ocr page 167

155

met een paar broeders af te doen, bij die Opzieners aanbrengt, en vraagt dat zij oordeelen.

Is nu aan deze drie dingen door u voldaan, zoodat ge in uw hart vrij uitgaat; aan hem die met u in onmin leefde, met een gebroken hart, verzoening aanboodt; en zoo dit niet hielp, eerst een paar broederen tehulp riept, en dan de zaak bij den kerkeraad aanbracht; en wil die broeder of zuster, met wie gij in onmin stondt, dan toch niet, dun gaat gij vrij uit, en is er niets meer dat uw toegang tot het heilig Avondmaal zou kunnen of mogen verhinderen.

Uw Opzieners hebben dan verder hunnerzijds te handelen met den onwillige; maar van u is het af. Gij hebt al gedaan wat ge doen kundt. En de toegang tot het heilig Avondmaal is u onverlet.

Want wel geven we toe, dat ook hierbij leugen kan insluipen, dat iemand, die werkelijk ongelijk had, zich nederig aanstelt, zonder het te meenen, en zoo door de Opzieners wordt vrijgesproken, daar hij toch schuld had; maar dit verblijft dan ook aan het oordeel Gods.

Hij alleen is de Kenner der harten.

Anders staat de zaak natuurlijk, als de persoon, met wien gij in onmin leefdet, niet van uw broederen is, en dus niet hoort naar de oproeping of de uitspraak van uw Opzieners.

Want ook dan geldt wel voor u de plicht om u te verzoenen, maar dan kunt ge de zaak niet door uw Opzieners tot beslissing brengen.

Gij moet altoos en tegenover een iegelijk tot verzoening bereid zijn; want immers in het „Onze Vaderquot; luidt de bede: „gelijk wij vergeven onzen schuldenarenquot; d. i. zonder eenige uitzondering; niet alleen den schuldenaren onder onze broederen, maar ook onder onze vijanden.

Gij moogt niemand zijn schuld houden. Gij moet jegens een iegelijk tot volkomen vergiffenisse bereid zijn. Niet zevenmaal, maar zeventigmaal zevenmaal zult gij uw schuldenaar vergeven.

Wrok mag er niet in uw hart leven. En zoolang er ook maar één enkel mensch leeft, ten wiens opzichte gij in uw hart onverzoend mocht blijven, staat ge voor God scheef en moogt ge niet ten Avondmaal opgaan; en kunt ge dus ook niet sterven, met het uitzicht van zijn hemel te zullen binnengaan.

Want dezen regel zult ge altoos vasthouden; Wie door den dood in den hemel zou ingaan, die hoort ook aan het Avondmaal. En wie niet ten Avondmaal kan gaan, zou, zoo hij stierf, ook sterven zonder hope op eeuwige zaligheid.

Ook met personen, die niet van de broederen zijn, moet gij dus verzoend in uw hart zijn; de vergeving hun uit een oprecht hart aanbieden; en desnoods een paar kennissen of vrienden saamroepen, om den twist te beslechten.

Maar natuurlijk, het laatste redmiddel, dat er bij een broeder overblijft, kan bij zulk een buitenstaand persoon niet worden aangewend.

ocr page 168

1B6

Uw Opzieners kunnen deze zaak niet voor u beslechten. Vandaar dat ge in zulk een geval in uw eigen consciëntie verzekerd moet zijn, en dan ten Avondmaal kunt en moet gaan, als gij in uw hart niets meer tegen hem hebt, en al deedt wat in uw macht stond, om de bitterheid weg te nemen.

Gij zijt er dus noch bij zulk een buitenstaande kennis, noch bij uw broeder mee van af, dat ge zegt: „In mijn hart heb ik hem vergeven.quot;

Daarin toch zoudt ge uzelven en hem nog bitterlijk misleiden kunnen.

Neen, de Heere eischt zeer stellig van u, dat ge uwerzijds ook een ernstige poging aanwendt, om de bitterheid uit den omgang en uit het leven weg te nemen.

Zulk een kwaad mag niet blijven zitten. Dat kwade zaad mag niet ontkiemen en opschieten. Alle onkruid moet uitgeroeid.

En daarom wordt wel degelijk van u geëiachl, dat ge u ook deze vernedering zult laten welgevallen, om de minste te zijn; om tot hem te gaan; en hem, zonder oprakeling van het geschil, de hand der verzoening aan te bieden.

Eerst daardoor levert gij het bewijs, dat gij het meent, dat het u ernst is ; en dat wel waarlijk een dorst naar verzoening en vrede u bezielt.

Ook dan echter is er nóg een zelfmisleiding mogelijk, waartegen ge op uw hoede zult zijn.

Soms namelijk wil iemand wel vergeven, als de ander eerst zijn ongelijk erkent. En dat nu is misgezien. God de Heere heeft voor u in Christus vergeving teweeggebracht, toen gij nog een vijand Gods waart, en nog niets van bekentenis van schuld wildet weten. En juist daardoor, door die voorkomende Ontferming, is ten leste uw hart verteederd, en zijt ge ten slotte tot oprechte belijdenis van schuld gekomen.

En zoo nu hebt ook gij te werk te gaan.

Ge moet vergeven. Van harte vergeven. Vergeven zevenmaal en zeventigmaal zevenmaal. Ge moet voor wie uw vijand was bidden. Hem zegenen. En hem weldoen.

Wel moet gij uwerzijds alle ongelijk bekennen. Elke korrelke schuld, dat ge in uw eigen hart te zijnen opzichte ontdekt, cordaat en open belijden, en zeggen dat het u leed is; maar ge moet ditzelfde niet omgekeerd vergen.

Want wel is dit dan zijn plicht, en is het heerlijk voor hem, zoo bij ertoe komt; maar gij moogt er uw vergeving niet van afhankelijk maken.

Integendeel, gij moet uwerzijds alle ongelijk belijden, dat ge slechts even belijden en in uzelven ontdekken kunt. En voorts moet ge vergeven, moet ge verzoening aanbieden en vragen, en moogt ge geen middel van zelfvernedering en ootmoedigheid onbeproefd laten, om deze victorie te behalen, dat het daadwerkelijk tot verzoening home.

ocr page 169

157

X. Om te doen gedenken.quot;

LIEF EN LEED BIJ DEN HEILIGEN DISCH.

Den psalm van David, om te doen gedenken.

Ps. 38 : 1.

Bij onze vaderen was de kostelijke gewoonte in zwang, om den dag van het heilig Avondmaal ook te stempelen tot een dag des Gedenken».

Ons menschelijk leven ondergaat gedurig schokken en schommelingen ; na dagen van kalmte volgen er dagen die ons aangrijpen in het diepst onzer ziel; en een iegelijk weet ze in zijn eigen leven wel aan te wijzen die dagen, die niet waren als andere dagen, maar waarop dubbel en driedubbel is geleefd, zooals de smart onze ziel verteerde, of hooge vreugd en heilige verrukking over uitredding of duizendwerf verbeurden zegen ons menschelijk hart in spanning bracht.

Onder deze soort dagen zijn er van meer gewonen en van meer buitengewonen aard.

Meer gewoon kunt ge het noemen, zoo de terugkeering van een geboortedag den levenstoon in het gezin verhoogt; als de dag komt, die u eindelijk in het huwelijk vereenigt met den man of de vrouw uwer keuze; als straks uit dien echt u een kind van God geboren wordt; of als dat kind, straks opgegroeid, tot de belijdenis van zijn Heere komt of slaagt bij zijn optreden in de maatschappij. Keeds zeldzamer maar toch nog van gewonen aard is het feest van uw zilveren bruiloft of een jubileum, dat ge in uw betrekking moogt vieren. Immers ook al dit vloeit nog voort uit den stillen, gewonen gang des levens. En wel is de goedertierenheid uws Gods ook in al de«en jubel, maar toch in den gewonen gang des levens mocht van mijlpaal tot mijlpaal de komst dezer vreugdedagen worden ingewacht.

Welnu, reeds al zulke dagen brachten onze vaderen in verband met het heilig Avondmaal.

Ze hadden op deze dagen van verrassenden zegen dieper dan anders uit den kelk van Gods barmhartigheid gedronken. Ze hadden zich weer kleiner en afhankelijker van den Heere hunnen God gevoeld. En bovenal door hun ziel was het ootmoedig besef gegaan, dat ze toch eigenlijk door hun diep zondig bestaan al dezen zegen verbeurd hadden, en dat het alleen om Christus' wille, dat het alleen uit genade was, dat hun God hun niet gedaan had naar hun zonde, maar hen verrijkt had met zijn eeuwige goedertierenheden.

Zoo verbond zich dus voor het geloofsbesef de opnieuw ervaren goedertierenheid huns Gods met die onuitsprekelijke gave, die hun in het Kruis van Golgotha was geboden.

ocr page 170

158

En dan weerklonk de uitroep van David in hun ziel: Om te doen gedenken. En hetzij als jonggehuwden, hetzij nadat God ze in hun kinderen of in hun huis gezegend had, gingen ze op ten Avondmaal, liefst met hun magen en vrienden, die deelden in hun vreugde, om aan dien God, wiens goedertierenheden in der eeuwigheid zijn, het lofoffer te brengen van hun dank.

Maar vooral gevoelden ze daar drang en behoefte aan, als een buitengewone gebeurtenis den golfslag van hun leven had doen aanzwellen, 'tzij dat God de Heere hen bedroefd had door bittere rouwe, 'tzij dat Hij ze verkwikt en verrast had door wondere uitredding.

Uat hing dan meestal aan een gevaarlijke krankheid, waarin ze geworpen waren, of waardoor een hun zoo dierbaar leven wierd bedreigd. Uat hing dan aan gevaren, waarin ze onverhoeds door schipbreuk of ongeval gekomen waren. Of ook aan machtige rampen, die hen door oorlog, door gevaar van den vijand, of door een paniek in den handel overvielen.

Uat waren dan de dagen, waarin ze het boek Job opensloegen, om nogmaals medicijn voor hun ziel in te drinken uit de bange worsteling van dezen wonderen man Gods, groot in zijn voorspoed, nog grooter in zijn lijden; groot als hij voor God roept en grooter nog als hij door God wordt berispt.

Uan waren er soms dagen doorleefd, alsof de hel uit de diepte tegen hun ziel opkroop; dat banden des doods hen omvangen hadden, en de laatste ster aan den hemel hunner hope scheen ondergegaan.

Maar in die benauwdheid hadden ze tot den Heere geroepen, en 'tzij het Hem dan beliefd had, hun vreeze af te wenden, 'tzij dat naar zijn ondoorgrondelijk bestel hun vreeze kwam; in beide gevallen hadden ze dan toch een Pniël doorleefd. Ze hadden geroepen; ze hadden gesmeekt; ze hadden met hun God geworsteld. En hetzij dan een bijna ongehoopte uitredding hun ziel tot in de wolken deed opklimmen, hetzij dat ze in diepen rouw den uitgang van deze spanning hunner liefde beweenden, hun God was hun nader gekomen, zijn hand hadden ze gevoeld, zijn voetstap op hun levenspad ontdekt. En zoo was én die vreugd én die rouwe een daad huns Gods om te gedenken geworden.

En nu voor dat gedenken koos stille vroomheid dan den gang naar het Avondmaal.

Soms hoort men daar nog van; maar toch het wierd minder; iets wat zich daaruit verklaart, dat het heilig Avondmaal zoovelen van Gods kinderen ophield het glanspunt van hun leven te zijn.

Is het goed met Gods lievelingen op aarde, dan is in den Immanuel al hun lust; in Hem, dien ze, hoewel Hem niet ziende, nochtans liefhebben met een onuitsprekelijke vreugde. En nu is ongetwijfeld de gemeenschap met dien Goël eh Middelaar niet beperkt tot de malen.

ocr page 171

159

dat we Avondmaal vieren, en kan ook onder den arbeid, in de stille huiskamer, op de knieën voor uw legerstede, en zelfs in stille nachten, als de slaap van u wijkt, die zielsgemeenschap met uw Heiland zoet zijn.

Maar toch, hoe zoet en goed die gemeenschap ook door uw ziel genoten worde, toch geeft het u nooit wat het heilig Avondmaal u biedt; want alleen dat Avondmaal heeft de belofte, dat de Heere daar aan dien disch u ontmoeten zal, en door almachtige genade uit den hemel het geloof in uw ziel versterken wil.

üat Avondmaal biedt u de gemeenschap met uw Heiland niet geïsoleerd, maar in de gemeenschap der heiligen. Het geeft u die gemeenschap niet in mystieke zelfoverpeinzing, maar in teekenen naar de ordinantie des Heeren. En bovenal het biedt u die gemeenschap in een vorm, rijk door goddelijken eenvoud, die rechtstreeks aansluit aan dehruiloft des Lams die komt.

Daarom moet het heilig Avondmaal, voor al Gods kinderen hier op aarde, wel het rijke glanspunt van hun geloofsleven zijn. Immers het is niet onze keuze; het is geen eigenwillige godsdienst; maar de Heere zelf heeft het ingesteld.

En dit nu juist brengt met zich, dat, zoo er tasschen uw laatste Avondmaal en het Avondmaal, dat ge nu gaat vieren, een machtige gebeurtenisse in uw leven ligt, 'tzij van hoog verblijden, 'tzij van diepe en zielverscheurende rouwe, dan moet ge aan dat Avondmaal immers vanzelf aan die aangrijpende ontmoeting met uwen God op uwen levensweg gedenken.

Hetzij het kwam door den storm, 'tzij het door de zachte koelte ging, in elke aangrijpende gebeurtenis van dien aard ligt een Pniël voor uw geloofsleven; en hoe zoudt ge dan bij het heilig Avondmaal weer de gemeenschap met uw Ontfermer en uw Heiland kunnen zoeken, zonder dat vanzelf, en toch opzettelijk, dat om te doen gedenken voor uw ziel trad?

Slechts tegen een kwaad zult ge hierbij op uw hoede moeten zijn. Hiertegen namelijk, dat nooit die bijzondere gebeurtenis uit uw levenservaring het heilig Avondmaal, de geheel eenige gedachtenis van het Kruis van Christus, naar den achtergrond dringe.

Maar hieraan zult ge u dan ook niet bezondigen, zoo ge uw leed of uw vreugd waarlijk in het geloof doorleefd hebt, met uw consciëntie in verband hebt gebracht, en diep ervaren hebt, wat u niet slechts als kind des menschen, maar als zondaar, en als geredden zondaar, en daarom als kind van God overkwam.

Dan toch hebt ge bij uw vreugd geen oogenblik uw Heiland vergeten, noch u tot genieten bekwaam gevoeld dan in de gemeenschap met zijn offerande ook voor uwe zonde.

En omgekeerd hebt ge ook bij rouw en smart geen troost in ont-

ocr page 172

160

spanning of afleiding, maar alleen in de gemeenschap met „Christus en dien gekruistquot; gevonden.

En dan natuurlijk past het heilig Avondmaal bij uw zielstoestand volkomen; en blijft ook aan dit heilig Avondmaal „de gave Gods in Christus Jezusquot; voor u de Zonne in de volheid harer glansen, waarbij al wat u in het leven weervoer, als in schuilend maanlicht verbleekt.

Maar veeltijds staat het geloofsleven niet zoo hoog.

Dan is er nog zekere scheiding tusschen hetgeen we gelooven voor onze ziel, en doorleven in de wereld.

Men weent dan of men lacht; men kwijnt weg in smart of jubelt in hooge vreugde, ja, wel niet buiten zijn God, omdat men nog de knieën buigt, en bidt of dankt; maar zoo, dat dit alles toch maar bepaald blijft tot het geloof in Gods Voorzienigheid, en niet gemengd wordt met dat hoogere geloofsleven, dat eeu kind van God in zijn Imraanuel heeft.

En dan zou, o, zoo licht bij uw Avondmaal, op zulk een dag des gedenkens, uw eigen lijden het lijden van uw Heiland gaan verdringen.

Nu dat mag uiteraard nooit. Dat ware uit geloof in ongeloof terug te vallen.

En daarom: Om te doen gedenken blijft de roepstem voor Gods kinderen; maar om te kunnen gedenken, moet er ook in vreugd en smart geleefd met uw Heiland.

XI. „Een heilige kus.quot;

DE MEDEAANZITTENDEN.

Groet elkander met ean heiligen kus.

Rom. 16:16.

Bij den heiligen Disch zit ge niet alleen aan. Met u scharen zich om dien Disch mannen en vrouwen, jongelingen en jongedochters, rijken en armen, vrijen en dienstbaren, ouden en jongen van dagen, kortom, menschen van allerlei stand en conditie, die in kerkdijken zin uw broederen en zusteren zijn.

Om ook dit feit, dat ge deze allen als uw broederen en zusteren in de liefde Christi aanneemt, zinbeeldig uit te drukken, had de oude Christelijke kerk de gewoonte, dat men onder het aanzitten elkaar kuste met den heiligen kus.

Op een daartoe aangewezen oogenblik neigde men zich dan tot dengeen, naast wien msn zat, en drukte hem een kus op het voor-

ocr page 173

161

hoofd. Zoo begon het de één, en zoo volgde de andere, tot eindelijk „de heilige kusquot; heel den Uisch was omgegaan.

En men hield dit vol, niettegenstaande er nog niet gedacht werd aan de onnatuurlijke gewoonte, om afzonderlijke mannen- en afzonderlijke vrouwentafels te houden.

Doch, helaas, ook deze schoone, heilige symboliek is door het opkomen van de volkskerk geheel vernietigd.

Het sprak toch vanzelf, dat zulk een teedere gewoonte terstond in onheilig misbruik zou zijn omgeslagen, zoodra zich duizenden en nogmaals duizenden bij de gemeente voegden, die, aan alle geestelijke liefde gespeend, zich nog enkel leiden lieten door zinnelijke neiging.

En zoo is die heilige kus dan ook uit de kerk geraakt; ja, zoo geheel vergeten, dat zelfs het denkbeeld, om hem weer in te voeren, nog bij niemand opkwam.

Men zou er niet meer van durven spreken.

Voor de herstelling en weerinvoering van dit heilig symbool zijn we veel te diep gezonken.

Wat toen kon, kan nu niet meer; ook al blijft het ook nu nog een eisch des Heeren, dat aan zijn heiligen Disch ons diezelfde stemming jegens hen, die met ons aanzitten, vervulle, waarvan die heilige kus de zinnebeeldige verzegeling was.

Toch mag daarom het feit nooit voorbijgezien, dat deze heilige kus wel terdege in de apostolische ordinantie was opgenomen.

In Rom. 16: 16 schrijft Paulus aan de kerk teilome: „Groei elkander met een heiligen tos.quot;

Naar Corinthe schrijft hij in 1 Cor. 16 : 20 : Al de broeders groeten u. Groet elkander met een heiligen kus.quot;

Eveneens besluit hij zijn tweeden brief aan dezelfde kerk (2 Cor. 13 : 12): „Groet elkander met een heiligen kus. U groeten al de heiligen.quot;

. Aan de kerk te Thessalonica schreef hij (1 Thess. 5:26): „Groet al de broeders met een heiligen kus.quot;

En evenzoo besluit Petrus zijn brief aan de kerken van Klein-Azië roet de bede: „Groet elkander met een kus der liefde. Vrede zij u allen, die in Christus Jezus zijtquot; (1 Petr. 5 : 14).

De opwekking, om elkander met zulk een heiligen kus de gemeenschap der liefde Christi te bezegelen, komt dus niet slechts een enkel maal, maar veelvuldig voor. Waar derhalve deze heilige gewoonte uitsleet en niet kan hersteld worden, ontbreekt iets.

Want wel rekent hier ook het volksgebruik mee. Eeeds in Duitsch-land bestaat veel meer dan hier de gewoonte, dat ook mannen, die door maagschap of vriendschap verbonden zijn, bij het afscheid nemen of weerzien elkander een kus geven. Iets wat op ons, omdat we het zeiven niet gewoon zijn, altoos een eenigszins vreemden indruk maakt,

11

ocr page 174

162

Maar in het Oosten, in Azië, en zoo ook in Palestina, is dit geven van een kus der vriendschap, ook onder mannen, nog veel sterker in gebruik dan in Duitschland.

De gastheer was zelfs verplicht zijn gasten met een kus te ontvangen. Vandaar dat Jezus verwijtend tot Simon, den Farizeër, zei: „Gij hebt Mij geen leus gegeven; maar deze, van dat zij ingekomen is, heeft niet afgelaten mijne voeten te kussenquot; (Lu,k. 7 :45). Dat Judas bij zijn verraad op Jezus toeliep en Hem kuste, zou ten onzent argwaan gewekt hebben, maar was in Palestina zeer gewoon. Zoo lezen we dan ook van de ouderlingen te Efeze, die Paulus uitgeleide deden, dat ze, bij het afscheid op het strand, Paulus om den hals vielen en hem kusten (Hand. 30:37). Waar ge dan ook de historie van Israel of van de patriarchen opslaat, overal vindt ge voorbeelden van mannen, die elkander bij soortgelijke gelegenheden een kus gaven. En zoozeer werd die kus als beeld van trouwe aanhankelijkheid geëerd, dat de handkus, de voetkus en de kus op het gelaat zelfs golden als teekenen van onderwerping en trouw. In Psalm 2 roept de Heilige Geest zelfs de vorsten der aarde op met den eisch: „Kust den Zoon, opdat Hij niet toorne.quot; En in het Hooglied roept de Bruid het in heilige verrukking van haar hemelschen Bruidegom uit: „Hij kusse mij met de kussen zijns monds.quot;

In onze koeler streken heeft nuchterder inborst niet tot zulke gewoonten geleid. Bij ons neemt de handdruk bijna geheel de plaats in, van wat meer Oostwaarts de kus is. En zoo zou men dus kunnen vragen, of het allicht goed ware, de gewoonte in te voeren, dat men bij het heilig Avondmaal de hand gaf aan een ieder naast wien men te zitten kwam. Maar terecht wordt gevreesd, dat onze landaard ook daarvoor te weinig in het zinbeeldige leeft.

Nu dit zij zoo.

Mits op eene voorwaarde. Deze namelijk, dat, ook zonder kus of handdruk, die innerlijke beweging der liefde en der gemeenschap in onze harten gevonden worde, waarvan die kus of die handdruk de vertolking moet zijn.

Nu nog is bij ons de kus onder leden van eenzelfde gezin gebruikelijk. Onder ouders en kinderen. Onder broeders en zusters. Ten deele ook nog onder leden van hetzelfde geslacht. Welnu, wat anders drukt ge daardoor uit, dan dat ge gevoelt saam één gezin uit te maken; bij elkander te hooren; en op grond van die inniger en nauwer gemeenschap elkander liefde schuldig te zijn?

En zoo nu ook moet het bij het heilig Avondmaal wezen.

Die „heilige kusquot;, waarvan de apostelen zoo telkens spreken, drukt uit, ^ dat alle Christenen saam zich als leden gevoelden van één heilige familie; als broeders en zusters in het ééne heilige gezin van hun hemelschen Vader.

ocr page 175

163

En zoo innig was voor hun besef die band, dat niet zelden alle band met hun eigen familie om de belijdenis des Heeren verbroken was, en dat ze nu in deze heilige familie der kerk vergoeding vonden voor hun gemis.

Jezus zelf had immers gezegd, dat wie verlaten zou vader of moeder, broeders of zusters om zijnentwil, honderdvoudig weder zou ontvangen. En zie, als ze daar nu zoo rijk aan den heiligen Disch aanzaten, dan gevoelden ze hoe dit woord van Jezus in vervulling was gegaan. Heel een kring van broeders en zusters, die hen liefhadden met een hartelijke, teedere liefde, was hun in Christus geschonken.

En dit gevoel nu is het, dat bij ons maar al te bitterlijk ontbreekt.

Men gaat aan den Avondmaalsdisch aanzitten en ziet om en voor zich allerlei onbekende gezichten. Dit maakt dat men zich onder de aanzittenden niet thuis, maar eenigszins vreemd gevoelt. En juist daardoor ontbreekt dan geheel dat blij gevoel, dat ons thuis aan den huislijken feestdisch soms door de borst kan stroomen, als we, aangezeten met vrouw en kroost, met broeders en zusters, met vrienden en magen, ons zoo rijk en gelukkig weten in eikaars bezit.

En dit nu rooft ons, o, zooveel van den zegen des Avondmaals en doet ons zooveel derven, dat aan dien Disch te genieten is.

Kwam er een heftige vervolging, zoo zou dit wel anders worden. Dan zou het getal slinken. Die nog bleven zouden angst en zorge voor elkander hebben. Men zou elkaar opzoeken en leeren kennen. En als men dan aan den Disch weer saam aanzat, zou men elkander met blijdschap en vreugde in het oog zien. Trouw en liefde uit elkanders blik indrinken. En bij het opstaan zou de handdruk vanzelf komen, zooals men nu vaak ziet bij het einde van den gewonen kerkgang.

Het verschil is alleen maar, dat die handdruk nu enkel gegeven wordt aan mannen of vrouwen, die men particulier kent, en niet aan een iegelijk, die ons daar lief moest zijn om Christus' wille.

En toch dat. juist is het punt waar het op aankomt.

De Heere God heeft zijn te verlossen personen uitverkoren. Christus vergadert wie Hsm van den Vader gegeven zijn. Aldus komt de heilige familie, het gezin van onzen Vader in den hemel, bijeen. En gij moet dit gezin nemen, zooals Hij het hesteld heeft. Niet gij hebt het uit te kiezen naar uw smaak of neiging. Wie kiest is de Heere. En gij hebt in de kerk van Christus een iegelijk lief te hebben met een heilige liefde, niet omdat hij u aanstaat, u bevalt, u aangenaam is, u aantrekt, maar omdat hij getrokken is van den Vader in de liefde zijns Zoons.

Zoo gevoelt ge dus zelf, hoe deze heilige liefde iets heel anders is dan de gewone genegenheid of vriendschap in het leven.

Van persoonlijke sympathie is hier geen sprake. Ook hem, die per-

ocr page 176

164

snonlijk u een tegenzin inboezemt, moet ge toch met den band dezer heilige liefde omstrengelen.

Immers, deze heilige band rekent alleen met Christus uw Heiland.

Het gaat bij dien band, niet om u, maar alleen om Christus' wille.

Niet wat gij kiezen zoudt, maar alleen wat Jezus koos, geeft den doorslag. En daarom moet in deze uwe heilige liefde een iegelijk opgenomen, die aan dezen Disch met u aanzit.

Denkt ge hier nu niet op, dan werkt deze liefde der gemeenschap niet, en zit ge saam aan, zonder dat ook maar één oogenblik de zielsgemeenschap u prikkelt. Maar gaat ook te dezen opzichte de blinddoek van voor uw oogen, en begint dit besef van gemeenschap in Christus met wie naast en om u zit op u te werken, dan ontsluit zich. uw hart; ge wordt verrijkt voor uw gevoel; een stemming van genegenheid en liefde maakt zich van u meester, en op die wijs gaat er van hart tot hart, straks ook van oog tot oog, een levensgemeenschap van heiliger liefde aan den Disch tintelen, die wat doodsch was leven doet, en uw eigen geloofsleven verhoogt.

XII. „Het manna, dat Yertorgen is.quot;

DE BRUILOFT DES LAMS.

Die ooren heeft, die hoore, wat de Geest tot de gemeenten zegt. Die overwint, ik zal hem geven te eten van het manna, dat verborgen is.

Openb. 2:17.

Het heilig Avondmaal is niet uit de wereld, maar verplaatst u, terwijl ge nog op aarde zijt, reeds nu in het eeuwige leven.

Dat Avondmaal en die wereld strijden met elkander; en het einde van dien strijd kan slechts één van deze twee wezen: óf dat het aan die wereld gelukt, om dat Avondmaal in onbruik en vergetelheid te brengen; óf wel dat eens die wereld ondergaat, om vernieuwd te worden, en dat uw Avondmaal blijft.

De wereld leeft uit een geheel ander leven, dan wat gesmaakt en genoten wordt aan Jezus' heiligen Disch. Voor het vleeseh is aan dien Disch niets begeerlijks. Uw zelfzucht, uw eerzucht, de begeerlijkheid van uw hart heeft er niets in te brengen. Letterlijk alle maatstaf der wereld valt hier weg.

Alle leven aan dien Disch is leven uit genade, en het armste weeuwtje, dat rijk in genade aan het Avondmaal mag neerzitten, benijdt er geen

ocr page 177

165

oogenblik den man met den gouden ring; maar de man met den ring, zoo hij dorst naar heil, benijdt er dat arme vrouwke.

Daarom valt dan ook alle wereldsch onderscheid tussohen mensch en mensch hier weg. Hier geldt maar één adel: de adel der wedergeboorte. Hier schittert slechts cén rijkdom : de overvloeiende liefde Gods, die in uwe harten is uitgestort. En er heerscht slechts ééne kracht: de kracht des geloofs.

Zoo is dan het heilig Avondmaal uit een andere xoereld. In het Paradijs zou het hebben thuisgehoord onder de schaduw van den Boom des levens; maar het strijdt met een wereld, die doornen en distelen draagt om den vloek. En zoo er iets is, waarvan ge u in het leven der zaligheid een voorstelling zoudt kunnen vormen, ja, dan is het dit, dat ge in die hemelsche heerlijkheid met Immanuel en met Gods uitverkorenen zoudt aanzitten aan het Avondmaal des Lams.

Het is of uw Heiland door dat Avondmaal de wereld heeft willen veroordeelen. In dat Avondmaal aan de wereld een profetie van hooger gelukstaat heeft willen bieden. En met dat Avondmaal ons een maatstaf in de hand heeft willen geven, van wat het in zijn eeuwig Koninkrijk eens zijn zou.

Zoo dikwijls ge ten heiligen Avondmaal opgingt, was het of ge, als pelgrim naar de eeuwigheid, weer genaderd waart tot aan de poorte van het nieuw Jeruzalem, en, zonder er te mogen ingaan, toch reeds iets van de hemelsche schoonheid, waarmee de stad des grooten Konings overdropen is, hadt ontwaard.

Het sterven zou aan den Avondmaalsdisch u een minder plotselinge, minder groote overgang zijn geweest, dan zoo ge straks sterft in het midden der wereld.

Kwam uw Heiland nog bij uw levenstijd op de wolken weer, nergens liever dan aan het heilig Avondmaal zoudt ge Hem inwachten.

En is het brood gebroken en de wijn vergoten, en is na de vluchtige genieting straks het oogenblik weer daar, dat ge van dien Diseh moet opstaan; en het huis des gebeds verlaat; en naar uw woning terugkeert; zoo is het u temoede, of ge weer verder van Jezus afdwaalt, en u weer sterker omwoeld en omstrengeld voelt door de banden dezer wereld.

Daarom is die heilige Disch dan ook niet alleen het zinbeeld van uw Geloof, en de verzinnebeelding van uw Liefde, maar ook voorbeel-ding van wat u als erfenisse is weggelegd in uwe Christelijke Hoop.

Hierin toch immers is de Hope van Gods kind onderscheiden van de hoop waar ook het kind der wereld zich meê vleit, dat hem de vervulling zijner Hope gewaarborgd is, en dat daarom zijn hope niet dood is, maar door den apostel als een levende, onverwelkelijke hope geroemd wordt.

ocr page 178

166

Eens Christens hope ligt in het beeld van de erfenisse geteekend, waarvan de erfgenaam zeker weet, dat ze hem eens toekomt; terwijl de hoop van het kind der wereld gelijk is aan het lot uit de loterij, waar hij zich telkens met koortsachtig hegeeren naar uitstrekt, en dat toch nimmer komt.

De hope van een kind van- God is niet gegrond in zijn begeeren, noch in den wensch van zijn hart, maar in de zekerheid der belofte, in de wetenschap, dat wat hij afbidt er reeds is; en in de zekere overtuiging, dat zijn recht er op hem door niemand kan ontnomen.

Juist zooals de wettige erfgenaam er aan toe is, zoo staat ook de Christen in zijn hope op de eeuwige heerlijkheid.

Ook de wettige erfgenaam bezit nog niets. Hij kan nog niets zijn eigendom noemen. Het kan zelfs wezen, dat hij nog doodarm voorttobt. Maar eens, dit weet hij zeker, komt de rijke, heerlijke erfenisse hem toe; en nu reeds leeft hij in het blij vooruitzicht, van wat dan zijn erfdeel zal wezen.

En komt dan soms de twijfel in hem op, of hij wel erfgenaam is, en of de erfenisse wel zoo groot zal zijn, dan ontrolt hij nogmaals het Testament en leest het daar nog eens met eigen oogen, dat ja waarlijk de erfenisse die hem wacht zoo onmetelijk rijk zal zijn, en dat, met zijn eigen naam voluit, wel waarlijk in het Boek des levens geschreven staat, dat hem die erfenisse wacht.

En rees er dan nog twijfel, of dat Testament wel echt en de daarin toegezegde erfenisse wel werkelijk zou zijn, dan beziet en betast hij de zegels nog eens die er aan hangen, en door het aanschouwen en betasten van die zegels wijkt dan de laatste aarzeling uit zijn hart.

En zoo nu ook is het bij Gods kind, als hij denkt aan die levende hope.

Ook hem bekruipt dan soms de twijfel, of die erfenisse in den hemel wel bestaat, en, zoo ze bestaat, of ze hem wel toekomt. En dan grijpt ook hij naar het Nieuwe Testament en het bloed des Lams. En als dan het lezen in dat Testament nog niet eiken twijfel bant, dan grijpt ook hij naar de Bondszegelen, waarmee dat Nieuwe Testament bezegeld is. En zóó, onder het breken van het brood en bij het vergieten van den wijn, vergaat zijn laatste twijfel.

Zijne hope staat vast.

Dit nu is een vrucht van het Verborgen manna.

Want natuurlijk, als ge aan den heiligen Disch zijt neergezeten, is er in dien üisch op zichzelf niets bijzonders.

Dat brood is brood uit meel gebakken in dienzelfden oven, waaruit ge uw dagelijksche bete ontvangt; en die wijn is druivensap geperst uit diezelfde vrucht des wijnstoks, die straks aan uw feestmaal verkwikt.

Ook is die disch zelf een gewone tafel, zelfs van veel ruwer hout dan de tafel in uw woning.

ocr page 179

167

En die er aanzitten zijn dezelfde broeders en zusters, die ge straks in het midden der wereld ontmoet in w nering en bedrijf.

Zonder meer zou die Disch noch een zegel noch een zinbeeld wezen, en wat uw Avondmaal tot Avondmaal maakt, is niet wat ge voor oogen ziet, of met het oor opvangt, maar bestaat in de innerlijke sterking met genade, die ge ontvangt in den inwendigen mensch.

Van deze innerlijke voeding nu was het manna in de woestijn de symbolische profetie.

In die woestijn had Israel noch molen noch baktrog, en toch werd Israel op wonderbare wijze door een gave uit den hemel gevoed. Het brood uit den akker ontbrak, maar een beter en ander brood daalde uit den hemel neder.

Nog wel niet het levende Brood, want ook het manna werd met de tanden vermalen; maar van dat levende Brood toch de voorbeelding.

Totdat de volheid der tijden inging, en Hij tot ons kwam, die zeggen kon: „Ik ben dat levende Brood, dat uit den hemel ia neergedaald. Wie mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, zal niet sterven in der eeuwigheid.quot;

En nu voer Hij wel ten hemel op, maar juist om uit dien hemel zijn verborgen manna tot ons te laten neerdalen, en ons inwendig te voeden en te sterken in onze ziel.

Een manna dat ge niet ziet; dat geen oog waarneemt; dat alleen voor het geloof leeft; maar dat door het geloof dan ook volop wordt genoten.

Dat Verborgen manna nu is als het „Brood der machtigenquot;, waarvan de Schrift getuigt, of wilt ge als de vrucht van den Boom des levens, die in het Paradijs Gods staat.

Het is een brood, waardoor niet het tijdelijk leven wordt onderhouden, om straks toch weer in te zinken en te bezwijken; maar een brood, dat het eeuwige leven in u voedt, en dat nimmer zal verderven.

Immers ook het eeuwige leven bestaat niet door en uit zichzelf, maar ontstaat en bestaat alleen door Gods almogende kracht; en ook dan als ge in de gewesten der gelukzaligheid eens van alle vreeze des doods ontbonden zult zijn, zal toch ook dat eeuwige leven, dat ge daar geniet, zijn en blijven een creatuurlijk leven, en alzoo alleen bestaan kunnen, doordien God Almachtig het ondersteunt, voedt en in stand houdt.

En die kracht nu, waardoor God de Heere het leven zijner engelen in stand houdt, en in stand houdt het eeuwig leven van zijn uitverkorenen, dat is het Brood der machtigen, dat is het Verborgen manna, dat is de vrucht die aan den Boom des levens groeit.

Nu ontvangen Gods kinderen den vollen rijkdom van dat Verborgen manna eerst hiernamaals, als de strijd volstreden is en de heerlijkheid ingaat en de kroon des levens komt.

ocr page 180

168

Maar enkele korrelkens van dat Verborgen manna worden hun toch

ook hier reeds door Gods liefde gereikt. „r0j0,„o

De kiem des eeuwigen levens dragen ze, als vrucht van wedergeboorte reeds in zich, en ook die kiem moet gevoed en onderhouden,

Z0 En^ daarom strekt de hemelsche Landman in goddelijk ontfermen de hand zijner genade naar die zwakke kiempjes uit, en sterkt ze en

voedt ze en bewaart ze voor bezwijken.

Krachten des eeuwigen Koninkrijks voert Hij aan zijn kinderen toe. In die krachten schuilt het Verborgen manna. . i

En dat manna deelt Hij nergens milder, nergens met voller hand

uit, dan aan zijn heilig iNachtmaal.

ocr page 181
ocr page 182
ocr page 183