ocr page 1

-v^

is k^i #

- •' quot; quot;

,t - I

•. - .r:; *vr,k

'., ^ •;

-••v .. ^;. quot;■«f?'4 n i »--- %.•., • ■■ ;:. gt;? : --i'i 3ft V.^

- i ^ ' gt; ■\ '- • 'wA lt; i » Jr

■ quot; * 5gt; ■ ''k tv

^ -i rv^ - , *„ .,

-^aifw*quot;' V gt; at. -r -Wt

(v :J?Z vtf* 5 ' s gt; ^ -, - -'

? ^ C -vTs^ /£ £ ^ % .4L.3br^S

Jv^\quot; / ■-« ■f p. ;si

r^xr'r^igt; ,

^ - Jv

t'T'* •» gt;s. ^ r

'v* • - - , . amp;

* \ï ■ s* -.fl \fA\' ,Jj

Hf.- '.'/' quot;■gt;--

«- ■ ^ lt; ■« lt;

» V

^,; T^r ^ \ ^

lt; - ' v# -.

t-' ^w- .,1 iv;

ve^ •; ■

\ • i

;% vt ■ '

I^vt-

IBÉX''-V ■-gt;'• -■ f t*~ 3

■ quot;A ' jr ^ - t. t-—

I V' JPlrV-'S: ■*••■.■' -

i /. • ,t^ *rt ■ lt;:amp;-

^ . vV quot;

fc, ' v-

f ■'■1 quot;f #' ,gt;.■ ■.iH

., ■ ■ ^ 7 • -WJkT ■ i

• i. ■ ■ ' . .■•' **■ 'ïamp;K i

■ 4 ,■

ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

GESCHIEDENIS ^

DER

KATHOLIEKE KEEK

YAN DE GEBOORTE YAN CHRISTUS TOT OP ONZE DAGEN

DOOR

jr. w. TiioM.r»so]v.

EERSTE DEEL.

voox, SicVioten amp;n Jftti^aesinnen.

ROTTERDAM,

G. W. VAN BELLE, 1895.

ocr page 6
ocr page 7

VOORREDE.

Tot het schrijven van dit werkje bewoog mij de klacht, dikwerf van Eerwaarde heeren geestelijken vernomen, dat bij vele Katholieken groote onwetendheid bestaat omtrent onzen H. godsdienst. Ik meende, dat aan dit euvel althans in zekere mate kan tegemoet gekomen worden, indien op de Katholieke scholen, meer algemeen dan thans het geval is, eenig onderricht werd gegeven inde Kerkelijke Geschiedenis. De kennis hiervan toch zal niet alleen ten goede komen aan het onderwijs in den godsdienst, dat den kinderen gelukkig in vele Katholieke scholen gegeven wordt, maar ook den leerling een duidelijk begrip schenken van een groot aantal zaken, in onzen godsdienst en in ons godsdienstig leven voorkomende, welke niet juist tot de eigenlijk gezegde geloofspunten behooren.

En deze kennis der Kerkelijke Geschiedenis kan gemakkelijk worden aangebracht door den leerlingen een boek te geven, dat bij de leesles gebruikt wordt en die geschiedenis behandelt. By een groot deel van den inhoud ervan zal geen toelichting des onderwijzers noodig zijn, aangenomen dat het boek hoofdzakelijk in de hoogste klasse der lagere school wordt ingevoerd. Bij de moeilijker plaatsen zal eenige verklaring van den onderwijzer nuttig wezen, b.v. daar, waar sprake is van ketterijen, waar vreemde woorden gebruikt worden, die onmogelijk geheel en al kunnen worden vermeden.

Als leesboek zal het door den leerling gaarne gebruikt worden; het heeft voor hem belangrijke verhalen, welke zijne weetgierigheid opwekken en voldoen, vooral daar getracht is het dorre, dat de beoefening der geschiedenis voor den volwassene in zekere mate heeft, uit dit schoolboek volstrekt verwijderd te houden.

De leerling zal, eenvoudig door het lezen van dit boekje, als van zelf tot het vrg duidelijk bewustzijn komen, dat de Kerk geen menschenwerk kan, maar een Goddelijke instelling moet zijn, aangezien zij gedurende een lange reeks van eeuwen weerstaan heeft aan de hevigste vervolgingen, door de machten der aarde tegen haar verwekt, aan de aanvallen der ketterij en der goddelooze wetenschap , waarmede de duivel de poorten dier Kerk bestookt heeft, en

ocr page 8

IV

hij zal tot bewondering komen van hare grootheid bij het zien van de verhevene daden, welke zij verricht, van de ontelbare heiligen, welke zij eeuw in, eeuw uit voor den hemel gewonnen heeft.

Maar bij dat alles zal zich voegen, wat voor hem van de hoogste waarde is, de verlevendiging zijns geloofs. Als hij kennis neemt van de heldendaden der legers van martelaren, van Christus af tot op onzen tijd, als hij ziet, hoe een H. Laurentius, een H. Agnes en zooveel andere heiligen liever de vreeselijkste martelingen verdroegen dan hun geloof te verzaken, dan kan het niet anders, of die verhalen zullen een onuitwischbaren indruk bij hem achterlaten, een indruk, welke zijn geloof zal beschermen, als hij later met de gevaren der maatschappij zal moeten kennis maken.

Wij hebben bij het schrijven van dit werkje hoofdzakelijk het werk van Chantrel over de Kerkelijke Geschiedenis gevolgd, dat, met de goedkeuring en lofspraak van Fransche bisschoppen vereerd, in Frankrijk op ontelbare onderwijsinrichtingen gebruikt wordt. Natuurlijk hebben wij daarbij gelet op den leeftijd der leerlingen, voor welke wij het samenstelden. In hoever wij in onze taak geslaagd zijn, blijve aan het welwillend oordeel van Eerwaarde heeren geestelijken en onderwijzers overgelaten.

Het werkje zal verschijnen in twee deeltjes; het eerste zal de Kerkelijke Geschiedenis bevatten van de geboorte van Christus tot aan de Kruistochten, waarna het overige dier geschiedenis in het tweede deeltje zal opgenomen worden.

Rijk zal de arbeid, aan de samenstelling van dit werkje besteed, beloond zijn, indien daardoor bij de jeugd onzer Katholieke scholen het nut wordt gesticht, dat ik er mede beoogd heb.

Th.

ocr page 9

MeÉu val ie pscMeU 4er EatboMe Kerk,

De geschiedenis der Katholieke Kerk kan gevoeglijk in de volgende zeven tijdvakken verdeeld worden:

Eerste tijdvak van de geboorte van Christus tot aan de bekeering van keizer Constantijn in 313.

Tweede tijdvak van de bekeering van keizer Constantijn tot aan de vestiging van het H. Roomsche Rijk in 800.

Derde tijdvak van de kroning van Karei den Groote tot het Pausschap van den H. Paus Gregorius VII in 1073.

Vierde tijdvak van het Pausschap van den H. Gregorius VII tot den dood van Paus Bonifacius VIII in 1303.

Vijfde tijdvak van den dood van Paus Bonifacius VIII tot aan de uitbarsting van het Protestantisme in 1517.

Zesde tijdvak van den opstand van Luther en Calvijn tot aan de Fransche Revolutie in 1789.

Zevende tijdvak van de Fransche Revolutie tot onze dagen.

EERSTE TIJDVAK.

Vestiging der Kerk en Vervolgingen.

[Van de geboorte van Christus tot 313.J

Het eerste tijdvak van de geschiedenis der Katholieke Kerk loopt over ruim drie eeuwen, van de geboorte van Christus tot aan de bekeering van keizer Constantijn in 313; het wordt verdeeld in twee kleinere tijdvakken; van deze bevat het eerste het leven van onzen Zaligmaker Jesus Christus en de Apostolische tijden, het tweede de groote vervolgingen, de eerste ketterijen, de verspreiding der Kerk over de aarde en de vestiging barer tijdelijke macht.

ocr page 10

2

EERSTE HOOFDSTUK.

Onze Heer Jesus Christus

Twee afdeelingen: Het verborgen leven. — Het openbaar leven van onzen Zaligmaker.

§ 1. Het verborgen leven van onzen Heer.

DE VOORSPELLINGEN EN DE OVERLEVERINGEN.

Door voorspellingen en voorafbeeldingen had God de verschillende gebeurtenissen uit het leven en de zending des Zaligmakers aan de wereld doen kennen, en de aartsvader Jacob had Hem den Verwachte der volken genoemd. Nooit werd eene voorspelling zoo letterlijk vervuld; alle volken hebben den Messias verwacht, en juist op het tijdstip, waarop Hij gekomen is, gelijk hunne overleveringen het getuigen, en de wereld had een Verlosser noodig. Terwijl de heidensche beschaving tot eene groote ontwikkeling gekomen was, vermenigvuldigden zich de misdaden ; de menschen stelden geen tengel meer aan hunne hartstochten ; er heerschte een algemeen zedenbederf; de ware God werd slechts door de Joden gekend; alle overige volken aanbaden afgoden van hout, steen of metaal. Toen verscheen onze Heer Jesus Christus, om de wereld te redden uit de ellende, waarin de zonden val van Adam haar gestort had; maar ware hij niet God geweest, nooit zou Hij de hinderpalen hebben kunnen overwinnen. Hem in den weg gelegd door de Joodsche en Heidensche priesters , de hartstochten der menschen, den hoogmoed der geleerden en de ijverzucht der keizers, die in den nieuwen godsdienst een vijand zagen hunner goddelooze heerschzucht.

DE BOODSCHAP DES ENGELS EN DE MENSCHWORDING.

Toen de tijd, door de profeten voorspeld, gekomen was, werd de engel Gabriël, die 500 jaren te voren aan Daniël de komst van den Messias voorspeld had, door God uitgekozen, om aan de wereld de blijde boodschap te gaan verkondigen. Hij verscheen in den tempel aan een priester, Zacharias geheeten, en boodschapte dezen, dat zijne vrouw

ocr page 11

3

Elisabeth hem een zoon zou schenken, dien men Joannes noemen, en dat deze de voorlooper van den Messias wezen zou. Zes maanden daarna verscheen hij aan Maria, echtgenoote van Joseph, en stelde, na haar gegroet te hebben, haar voor, de moeder van dien Messias te worden, zonder op te houden maagd te zijn. „Wees gegroet,quot; zeide hij, „ gij vol van genade, de Heer is met u. Gezegend zijt gij onder de vrouwen.quot; Maria ontstelde over die woorden en peinsde, wat dit voor een groet mocht zijn, doch de engel stelde haar gerust, zeggende dat zij genade bij God gevonden had, en zij door Hem uitverkoren was, om de moeder te worden van den Zaligmaker der wereld. Hij voegde er bij , dat de H. Geest over haar zou komen, en verliet haar niet, dan nadat zij hare toestemming had gegeven met deze woorden: „ Zie de dienstmaagd des Heeren, mij geschiede naar uw woord.quot; Op ditzelfde oogenblik werd het geheim der menschwording van Gods Zoon voltrokken.

Maria ging nu een bezoek brengen aan hare nicht Elisabeth, om haar geluk te wenschen met de aanstaande geboorte van haren zoon, welke de Engel haar eveneens had medegedeeld. Maar ook Elisabeth kende de grootheid, waartoe God Maria geroepen had, en toen hare nicht zich aan haar vertoonde, riep zij uit: „Van waar geschiedt mij dit, dat de Moeder mijns Heeren tot mij komt!quot; Maria hoorde vol nederigheid de lofspraak van Elisabeth aan, en alle glorie aan God gevende, beantwoordde zij die met den heerlijken lofzang: Magnificat anima mca Dominum, Mijn ziel maakt groot den Heer.

GEBOORTE VAN CHRISTUS.

De Messias, aan de wereld beloofd, werd te Bethlehem in Juda geboren. God bediende zich van de volkstelling, door den Romeinschen keizer Augustus voor zijn geheele Rijk voorgeschreven, om de H. Maagd van Nazareth naar Bethlehem te doen komen, waar volgens de profeten de Messias moest geboren worden. Want Joseph, die daar geboren was, moest met Maria, zijne echtgenoote, daar-

ocr page 12

4

heen gaan, om zich te laten inschrijven. Niemand wilde hun gastvrijheid verleenen, en toen de Godmensch op aarde kwam, vond Hij een kribbe tot bed en een stal tot paleis.

God deed dadelijk de geboorte van Zijn Zoon aan de menschen kennen. Een engel kwam haar verkondigen aan de herders, die in de nabijheid de nachtwacht bij hunne kudden hielden. Zij werden omringd door een goddelijk licht en hoorden een aantal hemelsche geesten God prijzen, zeggende: „Eere zij God in den hooge en vrede aan de menschen, die van goeden wille zijn!quot; De herders begaven zich naar Bethlehem en vonden het Kind, in doeken gewikkeld, liggende in eene kribbe, zooals de engel gezegd had.

DE HH. DRIE KONINGEN.

Acht dagen na Zijne geboorte werd Christus besneden, en kreeg Hij den naam van Jesus. ') Hierna had in de tempel de plechtigheid der Zuivering plaats, en de heilige grijsaard Simeon voorspelde aan Maria, dat een zwaard van droefheid door hare ziel zou gaan. Eenigen tijd daarna kwamen Wijzen uit het Oosten, door eene ster voorgegaan, te Jerusalem en onderzochten, waar de Koning der Joden geboren was. Deze vraag deed Herodes ontstellen ; hij besloot den nieuwen koning te dooden en liet zich door de Wijzen beloven, dat zij over Jerusalem naar hun land zouden wederkeeren, als zij het Kind zouden gevonden hebben. Dan zou Herodes het ook gaan aanbidden. De Wijzen vernamen van de priesters, dat de Messias te Bethlehem moest geboren worden, begaven zich haastig naar deze plaats, vonden het Kind en Zijne Moeder en boden het goud, wierook en mirrhe aan, om te belijden, dat zij Het erkenden als koning. God en mensch.

De Wijzen maakten zich nu op, om de belofte te gaan vervullen, welke zij aan Herodes gedaan hadden, maar

') Kinderen, spreekt nooit dien zoeten en heiligen naam uit of hoort hem nooit uitspreken, zonder eerbiedig het hoofd te buigen.

ocr page 13

van God het bevel ontvangen hebbende, om niet over Jerusalem naar hun land terug te keeren, gingen zij langs een anderen weg. Door gramschap vervoerd, liet Herodes alle kinderen beneden de twee jaar uit Bethlehem en omstreken om het leven brengen, opdat ook het Goddelijk Kind zou gedood worden. Maar God bewaarde Zijn Zoon en gebood Joseph met Hem en Zijne Moeder naar Egypte te vluchten en daar te blijven tot aan den dood van Herodes.

TERUGKOMST UIT EGYPTE.

Toen Herodes gestorven was, verscheen de Engel des Heeren aan Joseph gedurende den slaap en zeide Hem: „Sta op, neem het Kind en Zijne Moeder en keer terug naar het land van Israël, want zij , die het Kind naar het leven stonden, zijn gestorven.quot; ' Joseph volbracht aanstonds het bevel van den Engel, maar toen hij vernam, dat Archelaus in Judea regeerde, in plaats van zijn vader Herodes, durfde hij er niet heen gaan. Door een nieuwe verschijning ingelicht, sloeg hij den weg in naar Galilea en ging te Nazareth wonen, zoodat ook deze voorspelling der profeten vervuld werd: „ Hij zal een Nazareeër genoemd worden.quot;

DE LANDVOOGDEN VAN JUDEA (6—37).

Archelaus bewandelde de wegen zijns vaders. Hij benoemde de Joodsche hoogepriesters en zette hen naar willekeur af, schond in het openbaar de wetten van Mozes en antwoordde slechts met wreedheden op de klachten des volks. Bij keizer Augustus beschuldigd, werd hij in het jaar 6 der Christelijke tijdrekening afgezet en naar Vienne in Gallië verbannen, waar hij 4 jaar later stierf. Zijne goederen werden verbeurdverklaard, zijne paleizen verkocht en zijne Staten met de Romeinsche provincie Syrië ver-eenigd. Een procurator (landvoogd), onderworpen aan den gouverneur van Syrië, werd belast met het bestuur des lands. De Joden mochten onder de leiding hunner hoogepriesters volgens hunne wetten blijven leven, maar het recht om de doodstraf uit te voeren werd hun ont-

ocr page 14

6

nomen. De Joden stonden nu voorgoed onder de Romein-sche heerschappij , en hierdoor werd de voorspelling van den aartsvader Jacob betreffende het tijdstip der geboorte van den Messias vervuld. Op zijn sterfbed had die patriarch gezegd, dat de schepter (dat is: het gezag over het Joodsche volk) niet aan Juda (dat is: aan de Joodsche koningen) zou ontnomen worden, vóór de Verlosser der wereld komen zou.

DE JEÜGD VAN HET H. KIND.

Na zijne terugkomst uit Egypte bleef Jesus te Nazareth. Het Evangelie zegt ons, dat Hij onderdanig was aan Maria en Joseph, en dat Hij , toenemende in leeftijd, ook toenam in wijsheid en welbehaaglijkheid bij God en de menschen.

Twaalf jaren oud geworden, ging Hij met Maria en Joseph naar Jerusalem, om het Paaschfeest te vieren, maar bleef er achter, zonder dat zij het wisten, toen zij den terugweg naar Nazareth aannamen. Ongerust over Zijn afwezigheid, keerden zij naar Jerusalem terug en vonden Hem slechts op den derden dag in den Tempel in het midden der leeraars, hen hoorende en ondervragende. Van nu af tot op Zijn dertigjarigen leeftijd, toen Jesus begon te prediken, vernemen wij uit de H. Schrift niets van Hem, dan dat Hij bij Zijne ouders bleef, voor den zoon van een timmerman doorging en van den arbeid Zijner handen leefde.

§ II. Openbaar leven van Christus.

DE H. JOANNES DE DOOPER.

Door gebed en afzondering bereidde Christus zich op zijne openbare prediking toe. De zuiverheid zelve zijnde, behoefde hij door het water des doopsels niet gereinigd te worden; niettemin wilde hij het uit de handen van Joannes den Dooper ontvangen. Deze H. Voorlooper des Zaligmakers predikte, na in de woestijn een engelachtig leven geleid te hebben, de boetvaardigheid aan de oevers

ocr page 15

7

des Jordaans en doopte allen, die tot hem kwamen, om hen voor te bereiden op de komst van den Messias. Christus vertoonde zich op zekeren dag onder de menigte, maar Joannes erkende Hem. God zelf maakte Hem aan het volk bekend, want terwijl Christus gedoopt werd, daalde de H. Geest in de gedaante eener duif op Hem neder, en er klonk eene stem uit den Hemel, zeggende:

„Deze is Mijn welbeminde Zoon, in Wien Ik Mijn welbehagen heb.quot; Na den doop begaf Christus zich naar de woestijn, waar Hij 40 dagen vastte.

DE EERSTE LEERLINGEN.

Hier werd Hij door den duivel bekoord, maar Hij sloeg de aanvallen van den boozen geest af met woorden uit de H. Schrift, begon vervolgens te piediken en kreeg een groot aantal leerlingen, terwijl Hij de waarheid Zijner leer door mirakelen bevestigde. Zijne eerste leerlingen waren de broeders Petrus en Andreas, de twee volgende twee andere broeders, Jacobus en Joannes, vier arme vis-schers van het meer Genesareth, die niets bezaten dan hunne schuiten en netten. Op de eerste uitnoodiging des Heeren aarzelden zij niet hunne schepen, netten en ouders te verlaten, om Hem te volgen (26).

EERSTE MIRAKEL VAN CHRISTUS.

Het eerste wonder van Christus was de verandering van water in wijn op de bruiloft te Cana. Toen de H. Maagd Hem had gezegd, dat de wijn ontbrak, liet Hij zes groote kruiken met water vullen en veranderde dit in kostbaren wijn. Aldus Zijn eerste mirakel doende op voorspraak Zijner Moeder, toonde Christus ons, dat zij het kanaal Zijner genade zijn zou, en er geen zekerder middel zou wezen, om die van Hem te verkrijgen , dan door zijne toevlucht te nemen tot hare machtige tusschenkomst.

•DE 13. APOSTELEN.

Uit het groot aantal Zijner leerlingen koos Christus er 12, wien Hij den naam gaf van Apostelen {gezondenen),

ocr page 16

8

omdat Hij ze na Zijne Verrijzenis zou uitzenden, om in de geheele wereld Zijn naam en Zijn Evangelie te prediken. Het waren Simon Petrus, hoofd der Apostelen, en zijn broeder Andreas, Jacobus, zoon van Zebedeus, en zijn broeder Joannes, Philippus en Bartholomeus, Thomas en Mattheus, Simon en Judas, Jacohus, zoon van Alpheus, en Judas Iscarioth. Toen deze laatste Christus verraden en zich zeiven om het leven gebracht had, werd hij vervangen door Matthias na de Verrijzenis des Heeren. Na deze keuze leidde Jesus hen op een berg en hield eene bewonderenswaardige rede tot hen, bekend onder den naam van Bergrede. Daarin komen o. a. voor de Acht Zaligheden:

Zalig zijn de armen van geest, want het Rijk der hemelen behoort hun toe.

Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde bezitten.

Zalig zijn zij, die weenen, want zij zullen vertroost worden.

Zalig zijn zij, die hongeren en dorsten naar de rechtvaardigheid, want zij zullen verzadigd worden.

Zalig zijn de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid verwerven.

Zalig zijn de zuiveren van harte, want zij zullen God zien.

Zalig zijn de vreedzamen, want zij zullen kinderen Gods genoemd worden.

Zalig zijn zij, die lijden om de rechtvaardigheid, want hun is het Rijk der hemelen.

PREDIKING VAN CHRISTUS.

Jesus predikte Zijn Evangelie in alle plaatsen, welke Hij bezocht; in de steden, op het veld, in den tempel en de synagogen, overal verkondigde Hij de komst van den Messias, door de patriarchen verlangd, door de profeten voorspeld; overal predikte Hij de boetvaardigheid, de vergeving der beleedigingen, de verachting der rijkdommen, de verloochening van zich zei ven. Hij trachtte slechts de Joden te onderwijzen en te bekeeren door Zijne reden en gelijkenissen, welke zelfs den eenvoudigsten de

ocr page 17

9

verhevenste waarheden, welke Hij verkondigde, deden begrijpen.

MIRAKELEN VAN CHRISTUS.

Tot de voornaamste mirakelen van Jesus behooren de genezing van den knecht des honderdmans, de genezing van den blindgeborene, de vermenigvuldiging der brooden in de woestijn, de opwekking uit den dood van het dochtertje van Jaïrus, van den zoon der weduwe van Naïm, van Lazarus enz.

Deze mirakelen maakten den naam van Jesus bemind in geheel Jndea en de nabijgelegen streken, maar de ijverzucht der Schriftgeleerden deed hun er eene gelegenheid in zoeken om Hem te verderven. Herhaaldelijk spanden zij Hem strikken, om Hem in Zijne woorden te vangen, maar Jesus beschaamde hen en wist zelfs uit hun gedrag nuttige lessen te putten. Zoo beriepen de Phari-seeën zich op zekeren dag op de wet van Mozes, volgens welke eene zondares, die zij voor den Heer brachten, ge-steenigd moest worden. Hun plan was Hem van wets-schennis te beschuldigen, als Hij de vrouw vrijsprak, of van wreedheid, wanneer Hij haar veroordeelde. Maar Jesus, die de boosheid hunner harten kende, deed het een noch het ander en zeide: „Wie onder u zonder zonden is, werpe den eersten steen op haar.quot; Deze weinige woorden waren voldoende om hen te beschamen; zij verwijderden zich, zonder nog iets in het midden te durven brengen. En Jesus deed meer dan de zondares straffen; Hij bekeerde haar.

INTOCHT IN JERUSALEM.

Het gerucht van de opwekking van Lazarus te Bethanië, een vlek in de nabijheid van Jerusalem, baarde hier groot opzien, en algemeen verlangde men Hem te zien, die macht had over leven en dood. Wetende dat de dag naderde, waarop Hij sterven zou tot redding van het menschelijk geslacht, besloot Jesus naar Jerusalem te gaan. Zoodra men Zijne nadering vernam, stroomde men Hem in menigte tegemoet; sommigen droegen palmtakken , anderen spreidden hunne kleederen over den weg, en allen riepen;

ocr page 18

10

„ Hosanna den Zoon van David! Gezegend Hij , die komt in den naam des Heeren!quot;

Te midden dier vreugdekreten was het hart van Jesus met droevige gedachten vervuld. Op het zien der stad, welke binnen weinige dagen een Grodsmoord plegen zou, weende Hij over haar en voorspelde de vreeselijke rampen, waarmede zij gestraft zou worden. Toen Jesus vervolgens in den tempel kwam en er lieden zag, die kochten en verkochten, dreef Hij hen er uit, zeggende: „Mijn huis is een huis des gebeds, maar gij hebt er een''roovershol van gemaakt.quot;

De eerbewijzen, aan Christus gebracht, vermeerderden zoozeer de woede Zijner vijanden, dat zij besloten zonder uitstel Hem te dooden. Terwijl zij beraadslaagden over het middel om zich van Zijn persoon meester te maken, verscheen Judas, een der 12 Apostelen, door verfoeilijke gierigheid gedreven, voor hen en beloofde hun zijn Meester voor 30 zilverlingen te zullen overleveren.

INSTELLING VAN HET H. ALTAARSACRAMENT.

(Witte Donder day)

Alvorens te gaan lijden, vergaderde Jesus voor de laatste maal Zijne Apostelen, om met hen het avondmaal te nuttigen. Op dezen dag moest volgens de Joodsche wet het Paaschlam, het zinnebeeld van het Lam Gods, geslacht en gegeten worden. Met Zijne leerlingen volbracht Christus dit gewichtig voorschrift der Oude Wet. Alvorens echter het aanbiddelijk offer der Nieuwe Wet in te stellen, waschte Hij hun de voeten en zeide, na deze daad van nederigheid verricht te hebben: „ Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat gij elkander doen zoudt, hetgeen ik u gedaan heb.quot; Daarna stelde Hij het H. Sacrament des Altaars in, d. w. z. door de almacht van Zijn woord veranderde Hij het brood in Zijn Lichaam en den wijn in Zijn Bloed en gaf ze aan Zijne Apostelen, hun bevelende te Zijner gedachtenis te doen hetgeen Hij gedaan had. Met deze laatste woorden stelde Hij het Sacrament des Priesterschaps in. Judas had ook zijn deel aan deze

ocr page 19

11

hemelsche genade, maar daar hij de H. Communie onwaardig ontving en dus eene heiligschennende Communie deed, maakte de duivel zich meester van zijne ziel, en de trouwelooze leerling ging heen, om zijn Meester aan de Joden over te leveren.

Jesus richtte nog woorden vol teederheid tot Zijne Apostelen ; Hij verzekerde hun, dat Hij ter dood ging en hen verlaten zou, om tot Zijn Vader terug te keeren, maar hen weldra zou wederzien en hun den H. Geest zenden, die hen versterken en steunen zou in de beproevingen, welke hun in de wereld te wachten stonden. Hij kondigde hun verder aan, dat zij allen, verre van Hem te volgep , Hem verlaten zouden, zoodra zij Hem in de handen Zijner vijanden zouden zien. Toen Petrus zeide, dat hij Hem nooit verlaten zou, voorspelde Jesus hem, dat hij niet alleen dit zou doen maar zelfs Hem driemaal verloochenen vóór het kraaien van den haan. Na hun dit en nog veel meer tot hunne vertroosting gezegd te hebben, bad Hij Zijn Vader om Zijne dierbare leerlingen te heiligen in eenheid en liefde, verliet vervolgens de eetzaal en sloeg met hen den weg in naar een afgelegen tuin aan den voet van den Olijfberg. Op dezen weg vermaande Jesus Zijne leerlingen opnieuw en bad voor hen tot den Vader. Dit heerlijk gebed wekt de aandoeningen des harten tot schreiens toe op en wordt het hoogepriesterlijk gebed genoemd.

IN DEN TUIN.

Hier werd Jesus door eene doodelijke droefheid aangegrepen; wetende dat het uur van Zijn lijden naderde, bad Hij Zijn Vader driemaal, dat deze kelk Hem voorbij zou gaan, maar, voegde Hij er bij, „niet Mijn maar Uw wil geschiede!quot; Zoo hevig was Zijne smart, dat zij Hem in doodstrijd bracht; bloedig zweet drong uit Zijn lichaam, en een engel verscheen om Hem te vertroosten. Te midden van Zijn doodsangst vergat Hij Zijne leerlingen niet en bezocht hen herhaaldelijk, maar iederen keer vond Hij hen slapende. „ Hoe,quot; zeide Hij, „ kunt gij niet een uur met Mij waken! Waakt en bidt, want

ocr page 20

12

de geest is gewillig maar het vleesch zwak. Mijn uur is gekomen,quot; zoo ging Hij voort, „staat op, Mijn verrader is nabij.quot; Toen Hij ophield te spreken, naderde Judas aan het hoofd eener gewapende bende en kuste den Zaligmaker op het gelaat, het teeken, dat hij met de Joden vastgesteld had. „Vriend,quot; zeide Jesus, „waartoe zijt gij gekomen? Judas, verraadt gij den Zoon des menschen met een kus?quot; Zoo liefdevol sprak nog de Heiland tot den trouweloozen Apostel.

Na den kus van Judas ontvangen te hebben, trad Jesus tot de gewapende mannen, die den verrader volgden, en vroeg hun, wien zij zochten. „ Jesus van Nazareth,quot; antwoordden zij. Maar nauwelijks had Jesus hun gezegd; „ Ik ben hetof zij vielen, als door den bliksem getroffen, ter aarde. Toen zij opgestaan waren, zeide Jesus hun nogmaals, dat Hij het was, dien zij zochten, en zij grepen Hem aan. Petrus wilde Hem verdedigen, en op de soldaten inslaande, sloeg hij Malchus, den knecht des hoogepriesters, het oor af; maar Jesus beval hem het zwaard in de scheede te steken, en na het oor van Malchus genezen te hebben, liet Hij zich binden. Zijne leerlingen namen nu de vlucht, en men leidde Hem naar den hoogepriester Caïphas, waar de priesters en leeraars der wet, te zamen het Sanhedrin of den Hoogen Raad der Joden vormende, vergaderd waren.

JESÜS BIJ CAÏPHAS.

Caïphas ondervroeg Christus over Zijne leerlingen en Zijne leer. Jesus antwoordde, dat Hij niet in het verborgene had gesproken, en dat men Zijne leer kon kennen van hen, die Hem gehoord hadden. Een der dienaren gaf Hem een kaakslag, zeggende: „ Antwoordt Gij aldus den hoogepriester?quot; Met goddelijk geduld onderging Jesus die beleediging.

Daar Caïphas bemerkte, dat de valsche getuigen, die men opgeroepen had, veeleer Jesus onschuld getuigden , stond hij op en vroeg Hem op plechtigen toon: „ In den naam van den levenden G-od bezweer ik U ons te

ocr page 21

13

zeggen, of Gij de Zoon Gods zijt.': „Ik ben het,quot; antwoordde Jesus. Op deze woorden scheurde Caïphas zijne kleederen en riep: „ Hij heeft God gelasterd. Wat hebben wij nog getuigen nociig! Wat dunkt u?quot; Allen verklaarden, dat Hij den dood verdiende. Aanstonds begonnen de soldaten Hem te mishandelen. Terwijl zij Hem sloegen en in het gelaat spuwden, verloochende Petrus Hem driemaal. Maar getroffen door een blik van medelijden, dien Jesus op hem wierp, had hij berouw en beweende zijn val bitterlijk. Judas verklaarde van zijnen kant openlijk, dat Jesus onschuldig was; hij wierp zelfs in den tempel het geld, dat hij ontvangen had, maar in plaats van te vertrouwen in de barmhartigheid van Hem, die voor alle menschen ging sterven, gaf hij zich aan de wanhoop over en hing zich op.

JESUS BIJ PILAÏÜS.

(Goede Vrijdag)

Den volgenden ochtend geleidden de oversten der Joden den Zaligmaker naar den Romeinschen landvoogd Pilatus, om door dezen hun doodvonnis te doen bevestigen, wijl zij het recht niet meer hadden om iemand ter dood te brengen. Pilatus vond in Christus geen schuld en wilde Hem dus vrijspreken en laten gaan. Hoezeer echter ook van Zijne onschuld overtuigd, liet hij Hem met roeden geeselen, hetzij om eenigermate aan den haat der Joden toe te geven, hetzij om hen te verteederen, als zij Hem zouden zien, overdekt met wonden. Maar dit vermeerderde slechts hunne razernij. Te vergeefs stelde Pilatus hun voor. Hem los te laten bij gelegenheid van het Paaschfeest, waarop men gewoon was eenen veroordeelde de vrijheid te geven; zij eischten deze voor Barahbas, een oproermaker en moordenaar. Eindelijk verklaarden zij , dat Pilatus niet meer een vriend des keizers zou zijn, als hij een man losliet, die zich den titel van koning had toegeëigend. Ontsteld over de bedreiging, dat hij de gunst des keizers zou kunnen verliezen, waschte Pilatus zich de handen en zeide: „Ik ben onschuldig aan het

ocr page 22

14

bloed van dezen Rechtvaardige; gij moogt toezien.quot; Bij deze woorden riep al het volk: „Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen.quot; Toen sprak Pilatus over Jesus het doodvonnis nit.

OP CALVARIË.

Met Zijn kruis beladen, waaraan Hij sterven moest, werd Jesus geleid naar den berg van Calvarië en tusschen twee boosdoeners gekruist; een dezer bekeerde zich en wordt de goede moordenaar geheeten. Terwijl men Jesus de handen en voeten doorboorde, bad Hij Zijn Vader om vergiffenis voor Zijne beulen, omdat zij niet wisten , wat zij deden. Hij beval vervolgens Zijne Moeder aan den H. Joannes aan, en. na alle voorspellingen vervuld te hebben, riep Hij uit: „Vader, in Uwe handen beveel Ik Mijnen geest,quot; en het hoofd buigende, stierf Hij.

Gedurende de drie uren, dat Jesus aan het kruis hing, geschiedden vele wonderen; de natuur scheen in de grootste ontsteltenis te verkeeren; de aarde beefde en ging op sommige plaatsen open; rotsen spleten, en het voorhangsel des tempels scheurde van boven tot beneden; de graven openden zich, en onderscheidene heiligen kwamen te voorschijn, als wilden zij den levenden den Godsmoord verwijten, welken zij gepleegd hadden. Deze wonderen brachten de soldaten en hun aanvoerder er toe te belijden, dat Jesus waarlijk de Zoon Gods is, en de meeste toeschouwers verwijderden zich, op de borst kloppende en de misdaad verfoeiende, welke zij hadden toegejuicht.

Kort voor het aanbreken van den nacht verklaarden Joseph van Arimathea en Nicodcmus, tot nu toe geheime leerlingen van Jesus, zich openlijk vóór Hem; zij balsemden Zijn lichaam, legden het in een nieuw steenen graf en sloten den ingang hiervan met een steen.

Op den volgenden dag kwamen de vijanden van Jesus, zich herinnerend dat Hij meermalen had voorspeld na drie dagen te zullen verrijzen, tot het besluit een gewapende wacht bij het graf te plaatsen en den steen te verzegelen, waarmede het gesloten was.

ocr page 23

15

DE VERRIJZENIS.

(Ie Paaschdag)

Deze goddelooze maatregelen hadden geen ander gevolg, dan dat de vervulling der belofte van Christus aan vriend en vijand bekend werd. Inderdaad op den derden dag, voor het aanbreken van den dageraad, stond Jesus uit eigen macht levend uit het graf op. Op dat oogenblik ontstond er eene aardbeving; een engel daalde van den hernel, nam den steen van het graf weg en zette er zich op neder. Hij schitterde als de zon. De wachters werden door doodelijke vrees bevangen en vielen ter aarde; van hunne ontzetting bekomen, namen zij de vlucht en gingen aan de oversten des volks verhalen wat gebeurd was. Zij ontvingen van hen eene groote som gelds, opdat zij aan het volk zouden verhalen, dat de leerlingen van Christus het lijk uit het graf hadden genomen, terwijl de wachters sliepen. De H. Augustinus merkt zeer juist aan, dat die oversten zelf wel moeten geslapen hebben, toen zij zulk een domme list verzonnen; want hadden de wachters geslapen, hoe konden zij dan weten, dat de leerlingen het Lichaam des Heeren weggenomen hadden ? Hoe zou ook zulk plichtverzuim niet beloond zijn met straf maar met een som gelds?

DB VERSCHIJNINGEN.

Na Zijne verrijzenis vertoonde Christus zich aan een groot aantal personen, namelijk aan Maria Magdalena en aan de andere H. vrouwen, aan Petrus, aan de discipelen van Emmaus, vervolgens aan de verzamelde Apostelen , en Hij noodigde Thomas, den ongeloovigste van allen, uit, zich van Zijne Verrijzenis te overtuigen door zijn vinger in de H. Wonden te leggen. Hij verscheen hun nog verscheidene malen en gaf hun Zijne laatste onderrichtingen. Toen werd de H. Petrus voorgoed aan het hoofd gesteld der andere Apostelen als opperste herder van de ééne kudde der geloovigen, d. w. z. van de ge-heele Kerk. Bij eene andere gelegenheid zeide Christus

ocr page 24

16

tot Zijne Apostelen: „Mij is alle macht gegeven in den hemel en op aarde. Gaat dan, onderwijst alle volken, hen doopende in den naam des Vaders, des Zoons en des H. Geestes en hun leerende onderhouden alles wat Ik u bevolen heb. Zie, Ik ben met u tot aan de voleinding der eeuwen.quot; Na aldus 40 dagen met hen te hebben omgegaan, klom Hij ten hemel in tegenwoordigheid van meer dan 500 personen.

De leerlingen keerden naar Jerusalem terug en brachten met de H. Maagd en de H. vrouwen in afzondering en gebed de dagen door, welke de nederdaling van den H. Geest nog voorafgingen.

TWEEDE HOOFDSTUK.

De Apostolische tijden (29—loo).

Drie afdeelingen: De handelingen der Apostelen. — Ondergang van Jerusalem en den tempel. — Einde der Apostolische tijden.

§ I. De handelingen der Apostelen (29—66).

HET PINKSTERFEEST. ■

Op den 50-,en dag na de Verrijzenis waren de Apostelen , de leerlingen en de H. vrouwen nog vereenigd in de zaal te Jerusalem, toen men op eens een groot gedruisch hoorde, komende van den hemel en als een sterke wind, en het vervulde geheel het huis. Terzelfder tijd verschenen vurige tongen, die zich verdeelden en op het hoofd van ieder staan bleven. En zij werden allen vervuld met den H. Geest, en zij begonnen verschillende talen te spreken , zooals de H. Geest hun te spreken gaf. Het mirakel van Babel had de verspreiding der volken en de vorming der Staten bewerkt, het mirakel van den Pinksterdag vereenigde alle menschen in hetzelfde geloof en in dezelfde Kerk.

EERSTE PREDIKING VAN DEN H. PETRUS.

De tijding van het mirakel verspreidde zich weldra onder de Joden, die bij gelegenheid van het Pinksterfeest

ocr page 25

17

uit alle landen der aarde te Jerusalem verzameld waren. Het gedruisch, dat het huis had vervuld, was daar buiten gehoord, en allen, die waren toegesneld, werden verbaasd, daar ieder de leerlingen in zijne eigene taal hoorde spreken. En zij zeiden tot elkander: „Ziet, zijn niet dezen, die spreken, allen Galileeërs ? En hoe hooren wij, een ieder onzer, onze taal, in welke wij geboren zijn?quot; Doch anderen spotten en zeiden: „Die zijn vol zoeten wijns.quot; Petrus nam nu het woord als het opperhoofd der Apostelen en hield de eerste plechtige prediking van den godsdienst van Jesus Christus.

De woorden van den H. Petrus maakten een diepen indruk op de toehoorders, en dezen zeiden tot de Apostelen: „Wat moeten wij doen?quot; Petrus antwoordde hun: „ Doet boetvaardigheid, en dat ieder uwer gedoopt worde in den naam van Jesus, om de vergiffenis uwer zonden te verkrijgen, en gij zult de gave van den H. Geest ontvangen , want de belofte is gedaan aan u en uwe kinderen en allen, die verre zijn, zoo velen als de Heere onze God daartoe roepen zal.quot; Hij onderwees hen vervolgens door verschillende andere redevoeringen en vermaande hen, zeggende: „Redt u van dit verkeerd geslacht! quot; Opdien dag werden 3000 personen gedoopt; zij waren de eerstelingen der Kerk (29). Op een volgenden dag bekeerden zich nog 5000 meuschen, nadat Petrus een kreupele genezen had.

DE EERSTE CHRISTENEN.

De geloovigen hadden, zooals het Evangelie zegt, één hart. en ééne ziel; geen hunner eigende zich iets toe van hetgeen hij bezat, maar zij hielden alle goederen ten alge-meenen nutte. Er waren geen armen onder hen, omdat zij, die landerijen en huizen bezaten, ze verkochten en den prijs daarvan aan de voeten der Apostelen nederleg-den, om aan ieder, volgens zijne behoefte, toegedeeld te worden. Zij luisterden ook vlijtig naar het woord Gods, volhardden in het gebed en het breken des Broods, d. w. z. in het ontvangen der H. Communie. Waren zij vroeger onmatig, eerzuchtig, gierig geweest, door den

ocr page 26

18

doop waren zij nieuwe menschen geworden, zachtmoedig en nederig van harte, onthecht aan de goederen dei-aarde en bereid om alles te verliezen en alles te lijden voor den naam van Jesus.

LIJDEN EN STRIJDEN.

De Apostelen vonden geduchte tegenspraak. Niet getroffen door den glans hunner mirakelen, de onschuld huns levens en de heiligheid hunner leer, deden de oversten des volks hen gevangennemen en geeselen. Verheugd , omdat zij waardig geoordeeld werden voor den naam van Jesus te lijden, schenen de Apostelen uit die vervolging nieuwe krachten te putten en met nieuwen ijver bezield te worden. Zonder vrees verschenen zij voor het Sanhedrin en legden daar openlijk belijdenis af van hun geloof. Een der rechters, Gamaliël geheeten, gaf dezen wijzen raad: „ Laat af van deze lieden, want indien dit werk uit menschen is, zal het verbroken worden, maar indien het uit God is, kunt gij het niet verbreken.quot;

Kort daarna werd de H. Stephanus door de Joden ge-steenigd; hij was een der zeven diakens, door de Apostelen met de bediening der armen belast, en de eerste, die het geluk had zijn leven voor Jesus te geven. Vervolgens werd de H. Apostel Jacobus, broeder van den H. Joannes den Evangelist, onthoofd, en de H. Petrus zou hetzelfde lot hebben ondergaan, indien niet een engel hem uit den kerker verlost had.

BBKEERING VAN DEN H. PAULUS.

De H. Paulas, voor zijne bekeering bekend onder den naam van Saulus, had aan den dood van den H. Stephanus medegewerkt. Door een valschen ijver voor de wet van Mozes bezield, ging hij voort de Kerk te vervolgen en wierp alle geloovigen, welke hij kon opsporen, in de gevangenis. Op zekeren dag, toen hij naar Damascus ging met hetzelfde doel, werd hij eensklaps omringd door een licht, schitterender dan de zon, en hij hoorde eene stem, die hem zeide: „Saulus, Saulus, waarom vervolgt

ocr page 27

19

gij Mij ? Ik ben Jesus van Nazareth; als gij Mijne leerlingen vervolgt, vervolgt gij Mij.quot; Ter aarde gestort op deze woorden, antwoordde Saulus met bevende stera: „Heer, wat wilt Gij, dat ik doe?quot; „Sta ophernam de stem, „ treed de stad binnen; daar zal men u leeren, wat gij doen moet.quot; Saulus stond op, maar daar hij blind geworden was, geleidden zijne makkers hem aan de hand naar Damascus, waar hij op wonderbare wijze het gezicht terugkreeg, gedoopt werd en het Evangelie begon te prediken.

DE HOOFDMAN CORNELIUS.

De eerste onder de heidenen, die het geloof omhelsde, was een Romeinsch officier uit Cesarea, Cornelius geheeten. Hij vreesde God en gaf overvloedige aalmoezen aan de armen. Op zekeren dag, terwijl hij bad, verscheen hem een engel, zeggende; „Uwe gebeden en uwe aalmoezen zijn gestegen tot den troon der goddelijke barmhartigheid. En nu, zend mannen naar Joppe en ontbied eenen Simon, die bijgenaamd is Petrus; deze zal u zeggen, wat gij doen moet.quot; Aanstonds zond Cornelius drie zijner mannen naar Joppe. Toen zij de stad naderden, had Petrus een visioen, waardoor God hem leerde, dat de heidenen evenzeer als de Joden tot de kennis van het Evangelie geroepen waren. Nu aarzelde Petrus niet te vertrekken met de mannen, die tot hem gekomen waren.

Intusschen bevond Cornelius zich in zijn huis met zijne bloedverwanten en vrienden. Zoodra hij Petrus zag, wierp hij zich aan zijne voeten, als om hem te aanbidden. Maar Petrus richtte hem op en zeide: „Sta op, ik ben slechts een mensch gelijk gij.quot; Daarna het woord tot alle aanwezigen richtende, sprak hij hen over het leven, de leer en de mirakelen van Jesus. Hij had nauwelijks zijne rede geëindigd, of de H. Geest daalde zichtbaar over zijne hoorders neder en gaf hun de gaaf der talen. Petrus doopte hen, en deze nieuwe geloovigen waren de eerstelingen uit het heidendom.

ocr page 28

20

4

SYMBOLÜM DER APOSTELEN.

Het getal der geloovigen werd steeds grooter en grooter; de vervolging, welke hen alom had verspreid, had slechts de Evangeliepredikers vermenigvuldigd, en de Apostelen gingen zich op hunne beurt door de wereld verspreiden, om er de Blijde Boodschap te verkondigen. Deze verspreiding der Apostelen geschiedde in het jaar 40 of 41. Alvorens van elkander te scheiden, maakten zij de geloofsbelijdenis, bekend onder den naam van het Symbolum der Apostelen.

Gehoorzaam aan de beschikkingen des hemels gingen zij nu de natiën verlichten, welke sedert zooveel eeuwen in de duisternis der afgoderij lagen. De H. Petrus bracht het Evangelie in Syrië, Antiochië en vervolgens te Rome. De H. Paulas predikte het in Arabië, in Klein-Azië, in Macedonië, in Griekenland, van waar hij zich voegde bij den H. Petrus in de hoofdstad der wereld. De H. Thomas verkondigde Christus in Indië, de H. Joannes in Klein-Azië, de H. Andreas bij de Scythen, de H. Philippus in het noorden van Azië, de H. Bartholomeus in Boven-Armenië, de H. Mattheus in Perzië, de H. Simon in Mesopotamië, de H. Judas in Arabië, de H. Matthias in Ethiopië. Zoo had de ware God, minder dan 30 jaar na de eerste ververkondiging des Evangelies, aanbidders in alle deelen der wereld.

EERSTE ALGEMEENE VERVOLGING (64—68).

Tijdens het verblijf van de HH. Petrus en Paulus te Rome werd een groot gedeelte der stad door brand verwoest. Het volk beweerde, dat keizer Nero dien brand gesticht had; de keizer wierp daarentegen de schuld op de Christenen, en dezen werden aan de vreeselijkste straffen overgeleverd. Bij de martelingen voegde men den spot; men wikkelde de Christenen in dierenhuiden, om hen door de honden te laten verscheuren; men hechtte hen aan kruisen of palen, besmeerde hen met hars en stak hen in brand om den nacht te verlichten. Nero stelde

ocr page 29

21

zijne eigene tuinen voor dit afschuwelijk schouwspel beschikbaar, en op zijn wagen gezeten, reed hij te midden der lange rijen van brandende Christenen. Bij geheele scharen ondergingen deze eerste martelaars in het hei-densche Rome den dood voor den naam van Jesus.

MARTELDOOD VAN DE HH. PETRUS EN PAULUS (67).

De H. Paul us was een der eersten onder hen, die gegrepen werden, en korten tijd daarna werd ook de H. Petrus met hem in de Mamertij nsche gevangenis opgesloten. Deze veranderde als in een kerk; de zuil, waaraan de oude visscher van Bethsaïda vastgebonden was, werd een preekstoel, en op het gebed van den H. Petrus ontsprong in den vloer der gevangenis een bron, welke tot op den huidigen dag bestaat, en waarin de eerste Paus de bekeerden doopte. De beide gevangenbewaarders Processus en Martinianus namen het geloof aan en verwierven zich weldra de kroon van het martelaarschap; 47 andere personen, mannen en vrouwen, omhelsden eveneens het Christendom. Eindelijk sloeg het uur des doods of liever der zegepraal; het was de 29 Juni. De beide Apostelen werden buiten de stad geleid, en de H. Paulus, omdat hij een Romeinsch burger was, onthoofd. Men hechtte den H. Petrus aan het kruis, maar op zijn verzoek met het hoofd naar beneden, omdat hij zich niet waardig achtte op dezelfde wijze gekruist te worden als zijn Goddelijke Meester. De stoffelijke overblijfselen der beide Apostelen werden zorgvuldig verzameld en zijn tot op dezen dag te Rome bewaard. De H. Petrus had de kerk van Rome 25 en de geheele Kerk 32 jaar bestuurd.

§ II. Ondergang van Jerusalem en den tempel (29—70).

ONLUSTEN IN JUDEA.

De voorspellingen des Zaligmakers betreffende Jerusalem en den tempel gingen vervuld worden. Onmiddellijk na den dood van Christus vertoonden zich vreemde ver-

ocr page 30

22

schijnselen in den tempel; op zekeren Pinksterdag hoorde men stemmen roepen; „Laat ons van hier gaan!quot; Een bekend rabbijn, ontsteld over hetgeen men hoorde en zag, riep uit: „0 tempel, wat doet u ontstellen, en waarom zijt gij bang voor u zeiven?quot;

Daar bleef het niet bij; rampen van allerlei aard kwamen de Joden teisteren. De gouverneurs van Judea werden wreed jegens het volk, dat gestraft moest worden voor zijn Godsmoord. Pontius Pilatus maakte zich zoo gehaat door zijne gewelddadigheden en trouweloosheid, dat er door de voornaamste Joden bij den keizer eene beschuldiging tegen hem ingebracht, en hij naar Vienne in Gallië verbannen werd, waar hij zich in wanhoop om het leven bracht (40). Herodes Antipas, de moordenaar van den H. Joannes den Dooper en de vriend van Pilatus, tijdens het lijden van Christus, was niet gelukkiger. Hij werd naar Lyon verbannen en begaf zich van hier naar Spanje, waar hij stierf.

HERODES-AGRIPPA (37—44).

Herodes, door keizer Claudius tot koning der Joden benoemd, onderscheidde zich eveneens door zijne wreedheid. Op zekeren dag liet hij 1400 mannen, die ter-doodveroordeeld waren, in het circus te Beyroeth met elkander vechten, tot zij bezweken. Na den H. Petrus gevangengenomen, den H. Jacobus gedood en eene vervolging tegen de Christenen ingesteld te hebben, werd hij door de hand Gods getroffen op een feestmaal, dat hij te Cesarea gaf, en stierf, na vijf dagen lang de verschrikkelijkste smarten geleden te hebben. Na hem werd Judea weder door landvoogden bestuurd, o. a. door Fclic, voor wien de H. Paulus verscheen, Festus, die tegen de talrijke rooverbenden in Judea optrok, en Gessius Florus (64), den gierigste van allen, die niet alleen bijzondere personen maar zelfs geheele steden uitplunderde; het geroofde deelde hij met de roo vers en verzekerde hun tot dien prijs straffeloosheid; 't was niet zoozeer een landvoogd maar een beul.

ocr page 31

23

OPSTAND DER JODEN (66).

De Joden wilden zulk een juk niet dragen. De verstan-digsten onder hen namen de vlucht, om aan de ongelukken te ontkomen, waarmede zij bedreigd werden, en de Christenen , zich de waarschuwingen des Heeren herinnerend, begaven zich naar de stad Pella, te midden van het gebergte gelegen. Maar de overigen, door valsche profeten aangehitst en door de roovers ondersteund, kwamen tot opstand, en dit geschiedde in een aantal steden tegelijk; weldra vloeide het bloed bij stroomen.

Weinig tijds te voren, toen Jerusalem nog rustig was, verscheen daar een man, de zoon van Ananus, en riep met luider stem; „Wee de stad! wee den tempel! Stemmen uit het Oosten, stemmen uit het Westen, stemmen van de vier winden, wee den tempel! Wee Jerusalem!quot; Dag en nacht doorliep hij de straten, altijd zijne bedreiging herhalende. De oversten der Joden deden hem gee-selen, om hem tot stilzwijgen te brengen; hij verdedigde zich noch klaagde, maar hoe harder men hem sloeg, te luider riep hij : „Wee Jerusalem! wee den tempel!quot; Op de feestdagen schreeuwde hij nog luider dan gewoonlijk, en als men hem vroeg, wie hij was, van waar hij kwam, gaf hij geen ander antwoord dan zijne bedreiging tegen de stad en den tempel. Eindelijk liet men hem gaan als een krankzinnige, maar hij bleef roepen en altijd met een krachtige stem. Bij het laatste beleg van Jerusalem liet hij zich in de stad opsluiten, en onvermoeid langs de wallen loopende, riep hij: „Wee Jerusalem! Wee den tempel! Wee het volk!quot; Eindelijk voegde hij er bij; „Wee ook mij!quot; en op hetzelfde oogenblik werd hij door een vallenden steen gedood.

De eerste voorspoed der oproerlingen had hen aangemoedigd. Maar de tegenspoed kwam, toen Nero een zijner beste veldheeren, Vespasianus, zond, om de Joden tot onderwerping te brengen.

ocr page 32

24

BELEG VAN JERUSALEM (70).

Vespasianus trok tegen Jerusalem op, maar nauwelijks had hij het beleg begonnen, of Nero stierf een ellendigen dood; de beul der Christenen kreeg zijne straf. Met haken werd zijn lijk naar den Tiber gesleept en daarin geworpen (68). Nadat drie keizers eenige maanden hadden geregeerd, werd Vespasianus door zijn leger tot keizer uitgeroepen, en hij vertrok naar Rome, het beleg van Jerusalem aan zijn zoon Titvs overlatende.

Deze sloot de stad aan alle kanten in. 't Was het Paaschfeest, en een groote menigte Joden, uit alle streken der wereld naar Jerusalem gekomen, werd in Jerusalem opgesloten. Weldra heerschte er hongersnood. Men rukte elkander het voedsel uit de handen; ja men ontnam aan de kinderen het stuk broods, dat hun leven moest verlengen. De oproerlingen drongen de huizen binnen, doorzochten ze en voerden alles mede, wat zij vonden. Het schouwspel der rampen, welke zij veroorzaakten, maakte niet den minsten indruk op hen; integendeel zwoeren zij de stad te verdedigen tot in den dood. De voorspelling van Christus over de rampen, die het volk zouden treffen, werd letterlijk vervuld.

Toen Titus zich meester had gemaakt van de vesting Antonia, werd de hongersnood nog heviger. Men at gras en vocht met elkander om een handvol hooi of stroo. Eene vrouw, door den honger gedreven, slachtte haar eigen kind, at er van en bood er ook dön soldaten van te eten, toen dezen, getrokken door den reuk van gebraden vleesch, in hare woning drongen. Maar sidderend ontvluchtten zij dit huis, en Titus, deze afgrijselijke gebeurtenis vernemende, zwoer Jerusalem onder zijne puinhoopen te begraven.

ONDERGANG VAN DEN TEMPEL.

Weldra deed hij een aanval op den tweeden ringmuur des tempels en legde het vuur aan de poorten; echter beval hij , dat de tempel zou gespaard worden. Maar de Heer had voorspeld, dat de eene steen van den tempel

ocr page 33

25

niet op den anderen zou blij ven, en deze voorspelling moest vervuld worden. Een Romeinsch soldaat nam een brandend hout en wierp dit in een der vertrekken van den tempel. In weinige oogenblikken verspreidde zich het vuur alom; machteloos waren de pogingen, om zijne verwoestingen tegen te houden , en eenige uren later zag men slechts een puinhoop op den eerst heiligen, maar nu door God verlaten berg, waar het eenige heiligdom van den waren God gestaan had. Deze tempel, de tweede, werd verbrand op denzelfden dag (10 Augustus 70), waarop 585 vóór Christus de eerste tempel, die van Salomon, door Nabuzardan, veldheer van Nabuchodonosor, verwoest was. Titus deed een groot aantal priesters en levieten terdoodbrengen. De bovenstad, die nog tot den 8 September tegenstand bood, werd aan de vlammen prijsgegeven, en de Romeinsche soldaten doodden allen, die zij ontmoetten.

Meer dan 1.300.000 Joden kwamen in dezen oorlog om; 600.000 stierven er te Jerusalem, hetzij door het vuur, hetzij door den honger; 97.000 werden als slaven verkocht, de 30 voor een tienling. Het Joodsche volk hield op te bestaan. Zonder vaderland, zonder koning, heeft het van dat oogenblik af rondgezworven, overal zijne schande en zijne veroordeeling met zich dragende; het bestaat nog slechts in naam, en deze naam is voor alle menschen een voorwerp van verachting; maar terwijl het ronddwaalt, blijft het de getuige en bewaarder van den Bijbel, tot het eenmaal, de Godheid erkennende van Hem, dien zijne vaderen gekruisigd hebben, de bekeering der wereld voltooien en de voleindiging van den tijd aankondigen zal.

§ III. Einde der Apostolische tijden (66—100).

DE PAUSEN.

Drie Pausen bekleedden den Stoel van den H. Petrus tot aan het einde van de eerste eeuw der Christelijke tijdrekening: de H. Linus, die de kerk van Rome reeds bestuurd had tijdens de afwezigheid des Apostels; de

ocr page 34

26

H. Cletus of Anacletus en de H. Clemens. Men gelooft dat de HH. Andreas en Bartholomeus den marteldood gestorven zijn onder het Pausschap van den H. Linus. De eerste werd genageld aan een kruis, dat den vorm had van een x , welk kruis sedert dien tijd een Andreaskruis genoemd wordt. De H. Bartholomeus ontving de kroon der martelaren in Boven-Armenië, waar hij aan een hardnekkig afgodisch volk het geloof verkondigd had. Hij werd aan een kruis genageld, na levend gevild te zijn.

EEJ1STE KETTERIJEN.

De H. Clemens, Paus tot aan het jaar 100, was een leerling van den H. Paulus, die met lof van hem spreekt in zijn brief aan de Philippensen. Gedurende heel zijn Pausschap had hij te strijden tegen de ketters en de heidenen. De ketterijen kwamen voort öf uit het stervend Jodendom of uit de heidensche afgoderij. Onderscheidene Joden, ofschoon tot het Christendom bekeerd, bleven min of meer gehecht aan de vormen van den Mozaïschen godsdienst; na den ondergang van Jerusalem verdeelden zij zich in drie secten; de Ehionieten, die alle ceremoniën der wet als verplichtend beschouwden en de godheid van Christus loochenden; de Nazareeers, die de Joodsche wet alleen voor de Christenen uit het Jodendom verplichtend achtten en wel Christus als God erkenden maar Zijne geschiedenis met verzinsels vermengden; eindelijk de Cerinthi'èrs, die aan de Mozaïsche voorschriften vasthielden en Christus slechts als God erkenden, nadat Hij door Joannes gedoopt was.

Onder de heidensche dwaalleeraars, die het ontvangen Christendom vervalschten, had men Doceten, die beweerden, dat Christus slechts schijnbaar, niet wezenlijk een men-schelijk lichaam had gehad; Menander, die in Christus een engel, geen God zag; de Gnostieken, over welke wij later zullen spreken. De H. Clemens bestreed al die dwalingen; de H. Joannes schreef op DO-jarigen leeftijd zijn Evangelie, om de Ehionieten, Cerinthiërs en Gnostieken van hunne dwalingen te overtuigen. Zoo werd het Katholiek geloof ten krachtigste verdedigd.

ocr page 35

27

TWEEDE VERVOLGING (95).

Nogmaals werd de Kerk besproeid met het bloed harer martelaren. Keizer Domitianus gaf in 95 een algemeen bevel tot vervolging der Christenen, en het bloed stroomde alom, zelfs in het keizerlijk paleis. Tot de eerste slachtoffers dezer vervolging behoorden ïlavi.us Clemens, neef des keizers, en twee vrouwen, beiden Flavia Domitilla geheeten. De eene was de echtgenoote, de andere de nicht van genoemden H. Flavins. De nicht werd verbannen naar het eiland Pontia, waar zij een zeer deugdzaam leven leidde, met twee harer dienaren, Nereus en Achilleus, die later beiden onder keizer Trajanus gemarteld werden.

DE H. JOANNES DE EVANGELIST.

De beroemdste martelaar onder Domitianus was do H. Joannes de Evangelist, de jongste der Apostelen, die den Zaligmaker tot op den Calvarieberg volgde, nadat hij in het laatste Avondmaal aan Zijne H. borst gerust had. Tot aan den dood der H. Maagd, die hij als eene moeder eerde en verzorgde, bleef hij te Jerusalem, men gelooft tot het jaar 47. Na de verwoesting van Jerusalem ging hij het Evangelie prediken in Klein-Azië en woonde langen tijd te Ephese, waar Timotheus, een leerling van den H. Paulus, bisschop was. Toen vooral bestreed hij de ketters door zijne predikatiën en geschriften. In 95 deed de proconsul van Azië hem gevangennemen en naar Rome voeren. De Apostel verscheen voor Domitianus, die, verre van door den beminnelijken grijsaard tot zachtere gevoelens gebracht te worden, gebood hem in kokende olie te werpen. Dit geschiedde voor de Latijnsche poort der stad. Maar de olie veranderde in een verfrisschend bad, en de heilige kwam er sterker en krachtiger uit, dan hij er in gegaan was. De keizer schreef dit wonder aan tooverij toe en verbande den Apostel naar hot eiland Pathmos, een van de eilanden der Egeesche Zee. Hier openbaarde God aan den H. Joannes het toekomstige lot van Rome en de wereld, en hij beschreef die open-

ocr page 36

28

baringen in een boek des Bijbels, dat Apocalypsis genoemd wordt.

DOOD VAN DEN H. JOANNES.

De ballingschap van den H. Apostel duurde slechts een jaar, tot aan den dood van Domitianus; hierna keerde hij naar Ephese terug. Treffende staaltjes getuigt de geschiedenis van zijne goedheid en beminnelijkheid. Toen zijn hooge ouderdom hem belette lange redevoeringen te houden, liet hij zich in de vergadering der geloovigen brengen en herhaalde slechts deze woorden; „Mijne kinderen, bemint elkander.quot; Men vroeg hem, waarom hij steeds hetzelfde zeide. „'t Is het voorschrift des Heeren,quot; antwoordde hij , „en indien gij het opvolgt, is het voldoende.quot; De H. Joannes stierf in vrede te Ephese, het derde jaar der regeering van Trajanus, het honderdste der Christelijke tijdrekening. Met hem eindigden de Apostolische tijden.

DERDE HOOFDSTUK.

De vervolgingen (■100—313).

Drie afdeelingen: Samenstelling der Kerk. — De vervolgingen. — De ketterijen en de Kerkleeraars.

§ 1. Samenstelling der Kerk.

ALGEMEENE SAMENSTELLING.

Toen de Apostolische tijden met den H. Joannes den Evangelist eindigden, was de Kerk volmaakt samengesteld in al hare deelen; de geloofsleer, den eeredienst, de tucht, de hiërarchie. De H. Schrift en de overlevering vormden de twee bronnen der leer, maar aan de Kerk bleef de macht om de H. Schrift te verklaren en de overlevering vast te stellen. De hiërarchie was gevestigd en behoefde nog slechts onder vaste regels gebracht te worden, door het kerkelijk gezag te bepalen. De eeredienst, in zijne grondbeginselen vastgesteld, zou slechts de toevoeging van meerdere ceremoniën behoeven te ontvangen, als de vrij-

ocr page 37

29

heid aan de Kerk zou geschonken worden. De tucht eindelijk, naar vaste bepalingen geregeld, zou in lateren tijd slechts uitwendige veranderingen ondergaan, onder het gezag der Kerk, volgens de omstandigheden van tijden, plaatsen en personen.

KERKELIJKE HIËRARCHIE.

Om de zuiverheid der leer en der overlevering te handhaven , was er een vorm van geregeld bestuur noodig; deze bestond sedert de eerste eeuw. De H. Petrus was het hoofd; hij en zijne opvolgers zijn de ware opperhoofden der Kerk; waar zij niet zijn, kan de Kerk niet zijn. Dit is het hoofdpunt der hiërarchie. De naam Paus, dat vader beteekent, werd de naam van het Hoofd der Kerk, die de vader is van alle geloovigen.

Op de tweede plaats kwamen de bisschoppen, welk woord opzieners beteekent. Zij werden door andere bis-schoppen gewijd, nadat hunne verheffing tot die waardigheid door den Paus was goedgekeurd, door den bisschop der bisschoppen, wien Christus had opgedragen zijne broeders te bevestigen.

Na de bisschoppen kwamen de priesters, welk woord ouden beteekent, omdat men hen koos uit personen van rijpen leeftijd en van heiligen levenswandel. Zij werden door den bisschop gekozen.

Beneden de priesters stonden de diakens; zij waren belast met het uitdeelen der aalmoezen, gaven, als er geen priesters waren, de H. Communie aan de geloovigen en predikten zelfs het Evangelie.

Het priesterschap en het diaconaat vormden de hoogere orden, maar er waren ook sedert de tijden der Apostelen lagere. Men had subdiakens en koos uit hen de diakens, acolyten, die te zorgen hadden voor de waskaarsen aan het altaar, exorcisten, die de gebeden moesten doen voor de uitdrijving van duivelen, lectors, die het Evangelie aan de geloovigen moesten voorlezen, en portiers (onze kosters), die belast waren met de zorgen voor de H. Plaatsen en de bijeenroeping der geloovigen.

ocr page 38

30

HET RELIGIEUSE LEVEN.

Reeds in de eerste eeuw ontmoet men de kiem der geestelijke orden.

Er waren Christenen, die zich geroepen gevoelden tot een volmaakter leven dan de overigen en er zich op toelegden al de Evangelische Raden in beoefening te brengen. Men noemde hen asceten, hetwelk beteekende, dat zij zich meer bijzonder oefenden in de heiligheid; zij leefden in afzondering en onderhielden een strenge vasten; slechts droge spijlen aten zij, sliepen op den naakten grond en verdeelden hunnen tijd tusschen het gebed, het lezen der H. Schrift en den handenarbeid. Terzelfder tijd ontstonden de Christelijke maagden, die men in het heidendom niet kende; door haar heilig leven veroordeelden zij de losbandigheden der heidenen.

DE EEREDIENST.

Het openbare gebed was de voornaamste handeling van den dag der Christenen, vooral van den dag des Heeren, den Zondag, door de Apostelen gesteld in plaats van den Sabbath dag der Joden, ter gedachtenis aan den dag der Verrijzenis van Christus en der nederdaling van den H. Geest. Het gebed bij uitnemendheid was het offer der H. Mis, dat in zijne wezenlijke deelen reeds tijdens de Apostelen bestond. Een agaap of liefdemaaltijd volgde op de viering der H. Gehi'men.

§ 11. De vervolgingen.

DERDE VERVOLGING (106).

Onder keizer Trajanus woedde de vervolging even hevig als onder quot;Nero en Domitianus. Nu en dan hield zij een korten tijd op , om dan weder met nieuwe wreedheid te beginnen volgens de bijzondere beschikkingen der Romein-sche landvoogden. Trajanus begon met den H. Paus Clemens te verbannen; daarna gaf hij weder kracht aan eene oude Romeinsche wet, volgens welke men geen God mocht

ocr page 39

31

erkennen zonder goedkeuring van den Senaat. Het is de moeite waard op te merken, op welke wijze de verstandigste heidenen en de keizer zelf de zaak beschouwden. Plinius de Jonge, een der beste Latijnsche schrijvers en vriend van Trajanus, was landvoogd van Bithynië. Na van de Christenen geëischt te hebben, dat zij aan bovengenoemde wet zouden gehoorzamen, schreef hij aan den keizer om van hem te vernemen, hoe hij zich te gedragen had tegenover lieden, wien hij inderdaad niets kon verwijten. Trajanus antwoordde hem: „ Men moet de Christenen niet opzoeken, maar als zij aangeklaagd worden en volharden in hun geloof, moet men hen straffen.quot; Een zonderling voorschrift, zeide Tertullianus, dat de Christenen onschuldig verklaart, daar het verbiedt hen op te zoeken, en dat niettemin beveelt hen te vervolgen, als zij aangeklaagd worden!

Toen stierven voor den naam van Christus de eerbiedwaardige grijsaard Simeon, bloedverwant van onzen Heer en bisschop van Jerusalem, Onesimus en Timotheus, leerlingen van den H. Paulus, de H. Paus Evarist us en duizenden anderen. Maar onder allen onderscheidde zich de bisschop van Antiochië, de H. Ignatius, een leerling van den H. Joannes den Evangelist en opvolger op zijn bisschoppelijken Stoel van den H. Evodus, die daarop de opvolger was van den H. Petrus.

DE H. IGNATIUS VAN ANTIOCHIË.

Trajanus trok tegen de Parthen op. Te Antiochië aangekomen, meende hij zich de gunst zijner valsche goden niet beter te kunnen verzekeren dan door de Christenen te vervolgen. 'Ignatius verscheen voor den machtigen keizer, en deze, door zijne antwoorden beschaamd gemaakt, veroordeelde hem , om te Rome ten aanschouwe van al het volk door de wilde dieren verscheurd te worden. Vol vreugde riep de Heilige uit: „Ik dank u, o Heer, omdat Gij mij vereert met dezelfde ketenen, waarmede Gij den grooten Paulus, Uwen Apostel, hebt vereerd.quot;

De reis van den H. Ignatius naar Rome was een onaf-

ocr page 40

32

gebroken zegepraal, omdat hij onophoudelijk heidenen tot het Christendom bekeerde. Bevreesd dat de'Christenen te Rome pogingen tot zijne bevrijding zouden aanwenden, schreef hij hun een brief, die een heerlijk getuigenis is van de liefde, waarmede de Christenen het lijden en den marteldood tegemoet gingen. Hij schreef ook aan de geloovigen van Ephese, Magnesië, Tralies, Smyrna en Philadelphia en aan den H. Polycarpus, evenals ■ hij een leerling van den H. Joannes en bisschop van Smyrna; al die brieven zijn monumenten van wijsheid, geloof en liefde. Hij kwam te Rome aan den 20 December 107; die dag was de laatste der openbare spelen, welke gehouden werden. De prefect der stad liet hem onmiddellijk naar het Amphitheater voeren. Het gebrul der leeuwen hoorende, riep hij uit: „Ik ben de tarwe Gods en moet gemalen worden door de tanden der dieren, opdat ik een brood worde, Jesus Christus waardig.quot; Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of er werden twee leeuwen losgelaten, die hem verscheurden en verslonden en niets dan eenige harde beenderen achterlieten. Deze werden met den grootsten eerbied verzameld door de geloovigen van Rome en in een kostbaar kistje naar Antiochië gezonden met een brief, waarin zij schreven: „Wij zeiven waren getuigen van dezen roemrijken dood, die ons een beek van tranen deed storten, en wij brachten den nacht met waken en bidden door, God onzen Heer op onze knieën smeekende, om onze zwakheid te ondersteunen. De H. Martelaar verscheen ons als een kampvechter, die uit een moeilijken en roemrijken strijd komt; hij stond voor den Heer en schitterde in onuit-sprekelijken luister. Vol vreugde over deze verschijning dankten wij den Gever van alle goeds, en loofden Hem, omdat Hij Zijn dienaar een zoo groot geluk geschonken had. Wij geven u den dag van zijnen dood op (20 December) , opdat wij ons alle jaren kunnen vergaderen, om zijn marteldood te vieren op den dag, waarop hij dien heeft ondergaan, in de hoop van eens deel te hebben aan de overwinning van dezen grootmoedigen belijder van Jesus Christus, die den duivel met voeten getreden heeft

ocr page 41

33

door den bijstand van onzen Heer Jesus Christus, door Wien en met Wien den Vader met den H. Geest zij de heerlijkheid en de macht in alle eeuwen. Amen.quot;

Uit dezen brief leert men o. a., dat de vereering der heiligen en hunner reliquieën uit de Apostolische tijden tot ons gekomen is, en er geen verschil valt op te merken tusschen het gebed der eerste geloovigen en het onze. Zoo is het Katholicisme één, niet alleen gelijktijdig op alle plaatsen der aarde maar ook in alle tijden tusschen Christus en ons.

DE H SÏMPHOROSA.

Trajanus stierf; onder Adrianus, die hem opvolgde, bleef de vervolging voortwoeden; twee Pausen, de HH. Alexander en Sixtus I waren er de eerste slachtoffers van. Toen stierf ook voor Christus de H. Dionysius de Areo-pagiter, door de prediking van den H. Paulus in den Areopagus te Athene bekeerd. Maar onder de beroemdste martelaren van dien tijd behooren de H. Symphorosa en hare zeven kinderen, die aan alle vleierijen en bedreigingen van Adrianus zelf wederstonden. Na de moeder te hebben doen sterven, deed Adrianus zeven palen plaatsen rondom den tempel van den afgod Hercules en liet er de kinderen aan vastbinden met zooveel geweld , dat het gebeente gebroken werd. Maar in plaats van voor de wreedheid der beulen te bezwijken, moedigden zij elkander aan, om alles te lijden voor den naam van Jesus. Heerlijk voorbeeld dat zij gaven, aan de kinderen van alle volgende tijden! Woedend over dien tegenstand, gebood de keizer hen allen op de plaats, waar zij waren, terdood te brengen en hunne lijken in een diepen put ie werpen.

In de laatste regeeringsjaren van Adrianus begon de vervolging een weinig te verminderen; de brieven van eenige landvoogden en de welsprekende verdediging der Christenen boezemden den keizer ten laatste eenige betere gevoelens ten aanzien van het Christendom in; men zegt zelfs, dat hij er aan dacht het beeld van Christus te midden zijner afgodsbeelden te plaatsen en den Christenen toestond kerken te bouwen. Maar hoewel minder hevig,

3

ocr page 42

34

maakte de vervolging toch nog altijd eenige slachtoffers; zij werd voortgezet onder de regeering van keizer Antoninus , die de zachtmoedigste der Romeinsche keizers heette te zijn (138—161).

DB H. FELIC1TAS (150).

Die zachtmoedigheid belette Antoninus niet op zijne beurt de Christenen te vervolgen. Er leefde te Rome eene weduwe, Felicitas geheeten, in godsdienstzin aan de H. Symphorosa gelijk. Ook zij had zeven kinderen en voedde die in de vreeze des Heeren en alle andere Christelijke deugden op. De heidensche priesters voelden hunne woede toenemen bij het zien hunner tempels, die meer en meer verlaten werden, en van den invloed, dien de weduwe Felicitas op vele anderen uitoefende. Zij drongen er bij den keizer op aan, dat hij haar zou doen sterven, indien zij ten minste met hare kinderen niet aan de afgoden wilde offeren. Antoninus stemde toe en belastte den prefect der stad Publius met de wreede taak. De prefect deed de moeder met hare kinderen voor zich komen. „ Heb medelijdenzeide hij tot haar, „ met uwe kinderen, die in den bloei der jeugd zijn en eenmaal de hoogste waardigheden in het Rijk kunnen bekleeden.quot; „Zulk een medelijden,quot; antwoordde de H. weduwe, „zou goddeloos zijn, en uw medelijden jegens hen is eene ware wreedheid.quot; Toen wendde zij zich tot hare kinderen en zeide; „ Dierbare kinderen, ziet naar boven, beschouwt den hemel; daar wacht Jesus Christus u met Zijne heiligen; blijft Hem beminnen en strijdt edelmoediglijk tot het einde voor het behoud uwer zielen.quot; Vertoornd over deze taal, liet Publius haar in het aangezicht slaan, zeggende: „Durft gij in mijne tegenwoordigheid hen aansporen om de bevelen des keizers te verachten?quot;

Toen besloot hij een poging te doen, om de kinderen te doen bezwijken, door hen een voor een aan te spreken. Maar tot zijne groote schande was hij getuige van eene vernieuwing van het tooneel der kinderen der Macha-beesche vrouw. De knapen werden op de wreedste wijze

ocr page 43

35

met zweepen geslagen, boven een vuur gehouden en eenige dagen later allen op verschillende wijzen terdoodgebracht. Januarius werd doodgeslagen met een touw met looden knoopen, Felix en I'hilippus met een knots; Sylvanus werd met het hoofd naar beneden in een afgrond geworpen; Alexander, Vitalis en Martialis werden onthoofd. Felicitas moest getuige zijn van al deze martelingen; zij vermaande hare kinderen met den heldenmoed eener heilige moeder tot aan het einde toe. Haar eigen martelaarschap duurde nog vier volle maanden na den dood harer kinderen; toen werd zij onthoofd, en hare ziel vloog naar den hemel, waar zij in onuitsprekelijke zaligheid door hare kinderen ontvangen werd.

VIKRDE VERVOLGING (166).

Nauwelijks had Marcus Aurelius na den dood van keizer Antoninus den troon bestegen, of hij gaf een bevel tot nieuwe vervolging der Christenen. Vooral woedde deze hevig te Smyrna, waar de H. Poly carpus, een leerling van den H. Joannes den Evangelist, bisschop was en als zoodanig sedert 70 jaar de Kerk bestuurde. De proconsul van Azië, Statius Quadratus, vooral onderscheidde zich door wreedheid. Door de geloovigen der kerk van Smyrna werd aan de kerk van Philadelphia en aan alle kerken der wereld een brief geschreven, waaruit wij leeren, tot welke hoogte èn de woede der heidenen èn de moed der Christenen gestegen waren. „ De martelaren,quot; zoo leest men in dien brief, „werden zóó met zweepslagen verscheurd, dat hun gebeente bloot lag, en men hunne aderen kon tellen. Zij, die veroordeeld werden om door de wilde dieren verslonden te worden, werden eerst in de gevangenis aan allerlei folteringen onderworpen. Hierdoor hoopten de tyrannen hen tot geloofsafval te kunnen brengen.quot; Maar de pogingen der hel waren vergeefsch. De jonge en heldhaftige Germanicus onderscheidde zich boven alle anderen. Toen hij voor de wilde beesten zou geworpen worden, vermaande de proconsul hem nog eens medelijden te hebben met zijne jeugd. Zonder iets te antwoorden, wierp de held van Jesus Christus zich met

ocr page 44

36

één sprong voor de hongerige dieren en werd in een oogwenk verscheurd. Hij had haast gehad om deze godde-looze wereld te verlaten. Verwonderd en vergramd over dezen heldenmoed, riep het heidensche volk als met één stem: „De Christenen ter dood! Men hale Polycarpus! quot;

DE H. POLYCARPUS.

Na langen tijd tegenstand geboden te hebben aan de smeekingen der geloovigen, had de H. grijsaard zich begeven naar een huis in den omtrek van Smyrna. Maar een dienaar verried zijne schuilplaats aan de soldaten, die hem zochten. Men bracht hem op een ezel naar de stad, en zoo trad hij Smyrna binnen als eertijds de Zaligmaker Jerusalem.

De proconsul beproefde den H. bisschop tot geloofsafval te bewegen. „Heb medelijden met uw ouderdom,quot; zeide hij , „ zweer bij het geluk des keizers; verloochen Christus , en ik zal u vrijlaten.quot; Polycarpus antwoordde: „Zes en tachtig jaar heb ik Christus gediend, en nooit heeft Hij mij leed gedaan. Hoe zou ik nu mijn Heer en Koning kunnen lasteren! Ik ben Christen.quot; Nu riep het volk: „ Hij is de leeraar van Azië, de vader der Christenen, de verwoester onzer goden; men late een leeuw tegen Polycarpus los!quot; De proconsul bedreigde hem met de leeuwen , maar hij antwoordde; „ Het is mij een voordeel door een groot lijden tot de volmaakte rechtvaardigheid te komen.quot; „Vreest gij niet voor de wilde dieren, dan zal ik u laten verbranden!quot; hernam de landvoogd. Op strengen toon sprak nu de bisschop: „ Gij bedreigt mij met een vuur, dat in een oogenblik uitgebluscht kan worden, omdat gij het eeuwige vuur niet kent, dat voor de goddeloozen bereid is. Wat talmt gij? Doe met mij wat gij wilt.quot; Nu sprak de proconsul het vonnis over den H. Polycarpus uit, dat hij verbrand zou worden. Snel kwam het volk toeloopen met hout voor den brandstapel; de Joden liepen het hardst. Toen alles gereed was, legde Polycarpus zijn gordel af, beklom den brandstapel en bad. De beulen ontstaken het hout,

ocr page 45

37

en hoog verhief zich de vlam. Maar nu geschiedde een wonder, dat de geloovigen met troost, de heidenen met schrik vervulde. De vlammen plooiden zich om het hoofd des martelaars, als de zeilen van een schip, die door den wind opgeblazen worden. De heilige geleek op goud en zilver, dat in het vuur gelouterd wordt, en hij verspreidde een geur als van de fijnste wierook. Ziende dat de vlammen het lichaam des grijsaards eerbiedigden, gaven de heidenen den man, die in de amphitheaters aan de stervende wilde beesten den laatsten slag moest geven, het bevel den heilige met een lans te doorboren. De confector, zoo heette deze soort van beulen, volvoerde het bevel en doorstak den martelaar. Het uit de wond stroomende bloed bluschte de vlammen. Maar de heidenen, het lijk niet aan de Christenen willende overlaten, ontstaken het vuur opnieuw, en nu bleven slechts eenige beenderen over. Dit gebeente, in de oogen der geloovigen kostbaarder dan edelgesteenten, werd door hen verzameld en in de heilige plaats bewaard, waar zij jaarlijks de zegepraal van den heiligen Martelaar kwamen vieren.

DE H. JXJSTIN'US DR WIJSGEER (167).

De Kerk bezat toen ook een heilige, die evenals de regeerende keizer den naam van wijsgeer droeg maar inderdaad de wijsheid beminde en van haar getuigenis aflegde door zijn dood, zooals hij het gedaan had door zijn leven en zijne geschriften; het was de H. Justinus. Te Neapolis, het oude Sichem in Palestina, geboren, had hij zich met ijver op de letterkundige en wijsgeerige studiën toegelegd, maar de leer van Pythagoras, Plato en andere heidensche wijsgeeren kon zijn geest, die naar de waarheid verlangde, niet bevredigen. De lezing der H. Schrift en de beschouwing van het leven der Christenen brachten hem tot bekeering. Hij bezocht Egypte en begaf zich naar Rome. Van nu af legde hij er zich op toe de waarheid , welke hij het geluk gehad had te vinden, voor aller oogen te doen schitteren. De werken, welke hij heeft nagelaten, behooren tot de beste der Christelijke

ocr page 46

88

geschriften, vooral de twee Verdedigingsschriften, welke hij richtte tot de keizers Antoninus en Marcus Aurelius. Het eerste deed de vervolging verminderen; het tweede verbitterde zijne vijanden en veroorzaakte zijn marteldood. Crescentius, met wien de Heilige geredetwist, en dien hij overwonnen had, rustte niet, voor de H. Justinus gevangengenomen werd en met hem zijne leerlingen Chariton, Hierax, Peo, Evelpistus en Liberianus.

Rusticus, de prefect van Rome, ondervroeg de heilige geloofsbelijders maar begreep weldra, dat hij door een redetwist met Justinus niets winnen zou; hij beval hem daarom met zijne leerlingen aan de afgoden te offeren. Justinus antwoordde uit aller naam: „Wij wenschen niets liever dan voor Jesus Christus te lijden. De folteringen zullen ons geluk verhaasten en ons vervullen met vertrouwen voor de rechtbank, voor welke alle menschen moeten verschijnen om geoordeeld te worden.quot; De leerlingen voegden er bij: „Te vergeefs talmt men; wij zijn Christenen en zullen niet aan de afgoden offeren.quot; Toen sprak de rechter het vonnis uit; „ Dat zij, die geweigerd hebben aan de goden te offeren en het bevel des keizers op te volgen, in het openbaar gekastijd en vervolgens terdood-gebracht worden, zooals de wetten het voorschrijven.quot; Zij werden daarop naar de strafplaats gevoerd en, na gegee-seld te zijn, onthoofd.

DE BLIKSEMENDE KEURBENDE (174).

Eene wonderbare gebeurtenis gaf omstreeks dien tijd eenige verademing aan de zwaar beproefde Christenen. Marcus Aurelius beoorloogde de Quaden, een volksstam in het tegenwoordige Boheme. Het gelukte den vijand hem tusschen de bergen in te sluiten, en de Romeinen, oneindig minder talrijk dan de Quaden, werden daarenboven geteisterd door gebrek aan water en eene verschroeiende hitte. Nu bevonden zich een groot aantal Christenen in het leger, vooral in een legioen, de bliksemende keurbende geheeten. Zij wierpen zich op hunne knieën en baden God om redding voor het leger. Eens-

ocr page 47

39

klaps werd de hemel door dikke wolken bedekt, en een overvloedige regen viel. De Romeinen vingen het water in hunne helmen op en konden ook de paarden drenken, na zelf hunnen dorst gelescht te hebben. De vijanden, van de wanorde gebruik willende maken, vielen hen aan, maar nu voegden zich bij den regen hagel en bliksem, die de Quaden doodden en de Romeinen spaarden. De eersten leden eene volkomene nederlaag.

DE GALLISCHE MARTELAREN (177).

Lang duurde de dankbaarheid des keizers voor deze groote weldaad niet. De priesters der valsche goden overtuigden hem, dat hij haar verkregen had van Jupiter en Mars, en drie jaren later begon de vervolging opnieuw. Ontelbaar waren de martelaars. De H.H. Pausen Pius I en Anicetus hadden reeds den marteldood ondergaan; de H. Paus Sotcr stierf dien op zijne beurt. Inzonderheid hadden de Christenen van Lyon en Vienne in Gallië veel te lijden. De H. Ireneus heeft hun lijden beschreven in een bewonderenswaardigen brief aan de geloovigen van Azië, van waar hun bisschop, de H. Pothinus, die even als de H. Ireneus een leerling was van den H. Polycar-pus, gekomen was. Tot deze moedige geloofshelden behoorden o. a.; Sanctus, diaken van Vienne, Maturus, een jonge bekeerling, Attains, een der moedigste verdedigers des geloofs, en Blandina, een jonge zwakke slavin, die moeds genoeg vond in haar geloof, om zich van den ochtend tot den avond te laten geeselen door beulen, die elkander afwisselden. Toen zij haar allerlei folteringen hadden doen ondergaan, verklaarden zij zich overwonnen, niet begrijpende hoe zij nog kon leven, na duizend martelingen ondergaan te hebben, waarvan eene genoeg was om haar te doen sterven. Sanctus, Maturus, Attalus en Blandina werden veroordeeld, om voor de wilde dieren geworpen te worden.

Nadat hare metgezellen gedood waren, werd Blandina voor een stier geworpen, en deze, haar op zijne horens nemende, wierp haar eenige malen in de lucht. Maar de

ocr page 48

40

heilige, alleen bezig met den hemel, die haar wachtte, onderhield zich slechts met Christus en scheen geen pijn te gevoelen. Eindelijk worgde men de onschuldige maagd, en de heidenen zelf verklaarden, dat zij nooit zulke afgrijselijke folteringen hadden zien lijden met zooveel moed.

De H. grijsaard Pothinus bezegelde zijn geloof eveneens met zijn dood. Hij was meer dan 90 jaar oud, ziek, en men moest hem naar de rechtbank dragen. Nadat hij wreedelijk geslagen en geschopt was, wierp men hem in de gevangenis, waar hij na twee dagen overleed.

Niet minder treffend was het martelaarschap van de HH. Alexander en Episodus, twee jongelingen uit de voornaamste familiën van Lyon, die door een nauwe vriendschap verbonden waren en elkander tot in den dood tot moed aanspoorden, om uit liefde tot Jesus te lijden. Te Autun legde een ander jongeling, Symphorianus geheeten, denzelfden heldenmoed aan den dag. Toen daar eene processie gehouden werd ter eere der godin Cybele, legde hij luide zijne verachting aan den dag van die goddelooze plechtigheid. De heidenen grepen hem en brachten hem voor de rechtbank van den landvoogd Heraclius, die hem veroordeelde, om, alvorens te sterven, met roeden gegeeseld te worden. Terwijl men hem naar de strafplaats leidde buiten de muren der stad, vertraagde een verteederend schouwspel een oogenblik den tocht. Op de wallen verscheen eene eerbiedwaardige vrouw, de moeder van Symphorianus, die toegesneld was, om nog een laatste maal haren zoon te zien en hem in den strijd aan te moedigen. „Symphorianus, mijn zoon,quot; riep zij, „ houd moed, herinner u den levenden God, volhard in het geloof. Zie naar boven, dierbaar kind, en veracht de folteringen, welke zoo kort duren; daar boven is het loon!quot; Zulk eene moeder waardig, stierf Symphorianus blijmoedig den marteldood; hij werd onthoofd.

VIJFDE VERVOLGING (199).

Een der opvolgers van Marcus Aurelius, Septimus Severus (193—211), vaardigde een nieuw edict van ver-

ocr page 49

41

volging uit, en de martelingen begonnen opnieuw, vooral in Gallië, Italië, Egypte en Noordelijk Afrika, door de Romeinen de provincie Afrika genoemd. Te Carthago deed de landvoogd Saturninus den H. Speratus en zijne gezellen sterven. Een ander proconsul schonk de martelkroon aan twee nog beroemder heiligen, namelijk aan Perpetua en Fe lid tas, aan wie de groote eer ten deel viel, dat hunne namen werden opgenomen in den canon der H. Mis. Perpetua was slechts 22 jaar oud en gehuwd. Felicitas was eene slavin en eveneens gehuwd. Met haar werden gevangengenomen Revocatus, een slaaf, Saturninus, Saturus en Secondulus. Zij allen hadden op aarde rijk en geëerd kunnen zijn, indien zij slechts aan de afgoden hadden willen offeren; nu werden zij gescheiden van ouders, echtgenooten en kinderen en voor de wilde dieren geworpen. Alles, alles offerden zij op aan Jesus, dien zij beminden.

Ook Egypte had zijne martelaars; met de hevigste woede werden er de Christenen vervolgd. Daar stierf o. a. de H. Leonidas, vader van Origenes, den marteldood. In Gallië volgde Ireneus zijn meester Pothinus. Te Lyon telde men bijna 20.000 martelaren. Maar op Septimus Severus, die zooveel onschuldig bloed vergoot, drukte de hand Gods evenals op zijne voorgangers. In een oorlog tegen de Caledoniërs in Schotland gewikkeld, werd hij ziek van vermoeienis; de jicht plaagde hem; een ontsteking vermeerderde zijn lijden, en hiervan wilde hij zich bevrijden door zelfmoord, maar men weigerde hem vergif. Nu ging hij zich zoo zeer te buiten aan het gebruik van spijzen, dat hij aan onmatigheid stierf. Hij overleed te York. Was in het laatste jaar der regeering van Com-modus een Paus gemarteld, de II. Eleutherus (192), ook onder Severus stierf een Paus den marteldood, de H. Victor (201).

Caracalla, die van 211 tot 217 regeerde, was een waardig opvolger van Nero, Domitianus en Commodus; hij vaardigde evenwel geen nieuwe vervolgings-edicten uit. Hij werd vermoord door Macrinus, den prefect van het pre-

ocr page 50

42

torium (lijfwacht), en deze werd in zijne plaats keizer, maar de soldaten brachten ook hem om het leven en plaatsten Heliogahalas op den keizerlijken troon. Deze was een monster, al zijne voorgangers in wreedheid overtreffend. Een zijner slachtoffers was de H. Paus Calixtm, die in de gevangenis met roeden gegeeseld en daarna in een put geworpen werd (222). In hetzelfde jaar werd Heliogahalus vermoord.

KEIZER ALEXANDER SEVERDS.

Eindelijk beklom een minder slecht keizer den troon , nl. Alexander Severus, een neef van Heliogahalus en een zoon van Mammea, die men gelooft, dat Christen geweest is. Hij was een leerling van Origenes, een der beroemdste leeraars der Kerk. Deze vorst had inderdaad neiging tot de deugd. Hij beminde de rechtvaardigheid en herhaalde gaarne de Christelijke grondstelling: Doe niet aan anderen wat gij niet wilt dat men u doet. Hij gaf den Christenen de vrijheid van godsdienst, verhief hen zélfs tot waardigheden, had er een aantal in zijn paleis en veroorloofde hun kerken te bouwen ter eere van den waren God. Zelfs ondersteunde hij hen bij zekere gelegenheid tegen de klachten van kroeghouders te Rome, die een stuk gronds opeischten, waar de Christenen eene kerk hadden gebouwd. Maar hij had den moed niet in het openbaar Christus te belijden; wel droeg hij Hem zekeren eerbied toe, doch hij vermengde dien met de verfoeilijkste bijge-loovigheden.

DE H. CECILIA.

Alexander Severus vervolgde de Christenen niet; toch had de Kerk eenige martelaars onder zijne regeering. Te Rome stierven o. a. de HH. Tiburtius, Valerianus , Maximus, en een jaar daarna de H. Cecilia, echtgenoote van Vale-rianus. De heidenen hadden gebruik gemaakt van eene afwezigheid des keizers, om don stadsprefect Almachius, die zelf de Christenen haatte, tegen hen aan te hitsen. Cecilia behoorde tot eene aanzienlijke familie; ofschoon bare ouders heidenen waren, leerde zij vroegtijdig het

ocr page 51

43

Christendom kennen; met grooten ijver volgde zij de lessen van den H. Paus Urbanus en deed de belofte van maagd te zullen blijven. Toen hare ouders haar wilden doen huwen met Valerian us, een jeugdig heiden van hooge geboorte maar met een onbedorven hart, geraakte zij in groote verlegenheid. Eindelijk stemde zij toe, doch zoodra zij met haren echtgenoot alleen was, verhaalde zij hem, welke belofte zij had afgelegd, en sprak hem met zooveel geestdrift over het Christendom, dat Valerianus aan Paus Urbanus het H. Doopsel ging vragen. Valerianus bekeerde zijn broeder Tiburtius, die het geluk had met hem den marteldood te ondergaan. Cecilia begroef zelve de lichamen der moedige strijders, eveneens dat van Maximus, een schrijver van Almachius, die door den heldenmoed der martelaren bekeerd was.

Toen kwam de beurt aan Cecilia. Almachius beval, dat zij gebracht zou worden in hare eigene badkamer en daar gestikt door heeten damp. De jonge maagd liet zich vol vreugde in die kamer opsluiten en bracht een dag en den volgenden nacht in den stoom door, zonder dat deze haar hinderde. Van dit wonder onderricht, zond Almachius een beul met bevel haar het hoofd af te slaan. Na drie slecht toegebrachte slagen liet de beul haar liggen, badende in haar bloed. Eene wet verbood den beul meer dan driemaal met het zwaard te slaan. Cecilia leefde nog drie dagen; de Christenen kwamen haar bezoeken en verzamelden in lijnwaad het bloed, dat uit hare wonden vloeide. Paus Urbanus kwam haar bezoeken. Na eenigen tijd met hem gesproken te hebben, gaf zij zich over aan overwegingen, en doof voor de aarde, luisterde zij nog slechts naar de harmonieën des hemels. Voor hare stervende oogen opende zich het verblijf der zaligen, tot eindelijk de dood haar aangreep. Zij boog het hoofd, dat door het zwaard schier van het lichaam gescheiden was, ter aarde en gaf den geest. De H. Paus Urbanus volgde haar weldra in het graf; een maand later stierf hij op bevel van den prefect Almachius.

ocr page 52

44

ZESDE VERVOLGING (235).

Alexander Severus werd vermoord in een opstand, door Maximinus, die hem opvolgde, verwekt. De regeering van dezen keizer duurde slechts drie jaren (235—238) maar werd berucht door eene hevige vervolging der Kerk. De heide Pausen, de HH. Pontianus en Antherus, werden met vele anderen gemarteld. Het Romeinsche volk zelf was weldra den wreeden Maximinus moede, en toen hij zich uit Rome verwijderd had, verklaarde de Senaat hem vervallen van den troon. Dit vernemende, ontstak Maximinus in woede. Snel trok hij naar Rome terug, sloeg onder weg het beleg voor Aquilea, maar hier stond het leger tegen hem op, en hij werd vermoord.

Onder de regeering van dezen keizer werden niet alleen vele Christenen gemarteld maar ook een aantal Katholieke kerken verwoest.

ZEVENDE VERVOLGING (250).

Op Maximinus volgden vijf keizers, die te zamen 10 jaar regeerden. Het was een aanhoudende regeeringloos-heid. Eindelijk kwam Decius aan de regeering, en onder hem leden de Christenen eene vervolging, bloediger dan zij nog ondergaan hadden. Gelukkig duurde zijne regeering niet lang (249—251). De vervolging woedde in heel het Romeinsche Rijk. De H. Paus Fabianus viel het eerst; daarna volgden de II. Babylas van Antiochië, de II. Satur-ninus van Toulouse, de H. Martialis van Limoges, de -ff. Alexander van Jerusalem, de H. Hippolytus benevens eene ontelbare menigte priesters en leeken, mannen, vrouwen en kinderen. Men verscheurde de lichamen der Christenen met ijzeren nagels en legde hen dan op gloeiende platen; was hun lichaam ééne wond, dan besmeerde men het met honig en legde den lijder aldus in de brandende zon, waar hij door vliegen en andere insecten gestoken werd. Te Cesarea was een kind door zijn vader uit de ouderlijke woning gejaagd, omdat het de afgoden niet wilde aanbidden; het heette Cyrillus. De gouverneur der

ocr page 53

45

stad trachtte den knaap te winnen door liefkozingen, maar dit gelukte hem niet; hij bedreigde hem met een groot vuur maar won daarmede even weinig. Eindelijk liet hij hem het hoofd afslaan.

Bij de folteringen voegden de heidenen allerlei verleidingen , en deze waren voor de Christenen nog gevaarlijker dan de eerste. Om ze te ontgaan, vluchtten zeer velen naar de wildernissen en leidden een heilig leven in de eenzaamheid en de boetvaardigheid.

DE HH. AGATHA EN PION.

Twee steden van Sicilië, Palermo en Catana, betwisten elkander de eer het leven geschonken te hebben aan de H. Agatha, eene maagd, die de afschuwelijkste folteringen met heldenmoed doorstond, en wier naam in den canon der H. Mis is opgenomen. Een priester uit Smyrna, de H. Pion, legde niet minder groote edelmoedigheid aan den dag. Toen hij aan den paal was gebonden, aan welken hij levend zou verbrand worden, riep de beul hem toe; „Kom terug van uwe dwaling, het is nog tijd; beloof te doen wat men van u vraagt, en gij zult in vrijheid gesteld worden.quot; „Neen,quot; antwoordde de martelaar, „ik verlang haastig te sterven, om tot het ware leven te verrijzen.quot; De brandstapel werd ontstoken, en de heilige sloot de oogen en bad. Daarna riep hij; „Heer, ontvang mijne ziel!quot; en stierf. Toen al het hout verteerd was, vonden de geloovigen, die nabij den brandstapel geschaard stonden, het lichaam des martelaars geheel ongeschonden, tot zelfs het haar van hoofd en baard. En geheel zijn aangezicht schitterde van hemelschen glans.

Decius stierf op een tocht tegen de barbaren, die het Rijk ernstig begonnen te bedreigen. De vervolging woedde voort, doch minder hevig, onder zijn opvolger Gallus. De H. Paus Cornelius stierf den marteldood; de H. Paus Lucius werd verbannen en stierf kort na zijne terugkomst te Rome.

ocr page 54

46

ACHTSTE VERVOLGING (257).

De Kerk had nauwelijks den tijd gehad om adem te halen, toen keizer Valerianus, die sedert 253 regeerde en aanvankelijk de Christenen gespaard had, een nieuwe vervolging tegen haar uitschreef. Den H. Paus Stephanus werd het hoofd afgeslagen, en de H. Paus Sixtus, die hem opvolgde, ging eveneens spoedig naar den hemel. Op den 6 Augustus 258 grepen soldaten hem aan, terwijl hij op het kerkhof van den H. Calixtus het H. Misoffer opdroeg, en voerden hem tej strafplaats. Laurentius, aartsdiaken van de kerk van Rome, volgde hem weenend. „Waar gaat gij heen, mijn vader, zonder uwen zoon?quot; zeide hij, „waar gaat gij heen, Opperpriester, zonder uw diaken? Gij zijt niet gewoon het H. Offer op te dragen zonder diaken; sta mij toe mijn offer met het uwe te vereenigen.quot; „Ik verlaat u niet, mijn zoon.,quot; antwoordde de Paus, „maar de hemel bewaart u voor een veel heviger strijd; binnen drie dagen zult gij mij volgen.quot; En hij gebood hem onmiddellijk de schatten der Kerk, welke hij in bewaring had, onder de armen te verdeelen, uit vrees dat de heidenen er zich van zouden meester maken. Hierna werd den H. Paus Sixtus het hoofd afgeslagen.

DE H. LAURENTIUS.

Den volgenden dag deed de prefect van Rome Laurentius voor zich komen en zeide hem: „Ik roep u niet, om u ter strafplaats te zenden; ik wil u slechts iets vragen wat gij mij kunt geven. Men zegt, dat gij gouden en zilveren vaten hebt en een groote hoeveelheid gemunt geld. De keizer vraagt dat alles op, geef het mij.quot; „'t Is waar,quot; antwoordde de H. Laurentius, „ onze; Kerk is rijk, en zelfs de keizer bezit niet zulke groote schatten als zij. Ik zal u het kostbaarste laten zien, wat zij bezit; geef mij slechts eenige dagen om de zaak te regelen.quot;

De prefect stond hem drie dagen toe. Laurentius doorliep de geheele stad, om de armen te bezoeken, die door de Kerk met aalmoezen onderhouden werden; hij verza-

ocr page 55

47

melde alle zieken, kreupelen, blinden, melaatschen, lammen en plaatste hen in een grooten binnenhof. Daarna ging hij tot den prefect en verzocht hem de schatten te komen zien , waarvan hij gesproken had. „Ziedaar het ware goud!quot; riep hij uit, „zij zijn de kroon der Kerk. Maak van deze rijkdommen gebruik voor Rome, voor den keizer en voor u zei ven.quot;

De prefect gaf geen antwoord doch gebood een grooten ijzeren rooster te brengen en er gloeiende kolen onder te leggen. Men ontdeed den diaken van zijne kleederen en legde hem op den rooster, waarvan de hitte voortdurend vermeerderd werd. Het gelaat van Laurentius bleef kalm en opgeruimd; zijne gedachte was in den hemel; voorde pijn scheen hij ongevoelig. Toen hij eenigen tijd de verschrikkelijke straf had ondergaan, zeide hij tot den tiran: „ Laat mij nu omkeeren, ik ben aan den eenen kant genoegzaam gebraden.quot; De beulen keerden hem inderdaad om. Eenigen tijd daarna zeide hij: „Mijn vleescb is thans behoorlijk gebraden, gij kunt het eten.quot; Hierna bad de martelaar tot God om de bekeering van Rome en verzocht Jesus in het bijzonder deze genade toe te staan aan de HH. Apostelen Petrus en Paulus, die er het kruis geplant en het met hun bloed besproeid hadden. Nadat hij aldus gebeden had, hief hij de oogen ten hemel en gaf den geest.

ANDERE MARTELAARS.

In hetzelfde jaar werd de H. Cyprianus, bisschop van Carthago en een van de grootste leeraars der Kerk, gemarteld. Deze heeft o. a. over de eenheid der Katholieke Kerk bij zekere gelegenheid een schoonen brief aan de geloovigen van Rome geschreven. „ Er is niet meer,quot; zoo schreef hij , „ dan één God, dan één Jesus Christus, dan één Pauselijke Stoel, oorspronkelijk gegrond op den H. Petrus door het gezag van onzen Heer. Men kan geen ander altaar oprichten, geen ander priesterdom stichten. Al wat de menschen, zij mogen zijn wie zij willen, ondernemen, strijdig met de goddelijke instelling, is valsch, goddeloos, heiligschennend. De Kerk van Jesus Christus

ocr page 56

48

is van natuurswege één; zij kan niet verdeeld worden. Jesus Christus zegt ons, dat er maar ééne kudde is. Om deze eenheid zichtbaarder te maken, heeft de Heer Zijne Kerk op een enkele gebouwd, op den H. Petrus, wien

Hij de macht der sleutelen heeft gegeven____ Er is geen

waar martelaarschap buiten de Kerk. De scheurmakers kunnen terdoodgebracht worden maar niet de martelkroon verkrijgen. Wie de kudde des Heeren verdeelt, wordt een onreine, een vreemdeling, een vijand. Men kan God niet tot Vader hebben, indien men de Kerk niet tot Moeder heeft.quot; De H. Cyprianus werd onthoofd. In Spanje werd de H. Fructuosus, bisschop van Tarragona, met twee zijner diakens gemarteld. Te Antiochië woonde een priester, Sapricius geheeten; deze droeg zekeren Christen, Nicephorus geheeten, een grooten haat toe. Nice-phorus vermaande den priester en vroeg hem midden op de straat vergiffenis, toen Sapricius naar de strafplaats werd geleid. Doch de priester weigerde hem vergiffenis te schenken. Nicephorus wierp zich een eind verder nogmaals voor hem op de knieën en smeekte vergiffenis, doch de ongelukkige priester was niet te bewegen. Nu volgde een vreeselijke straf. De priester verzaakte zijn geloof, en de beul liet hem vrij. Maar Nicephorus riep luide, dat hij Christen was, werd door de beulen gegrepen en kreeg in plaats van Sapricius de kroon der martelaren. Hier verloor de priester zijn geloof, omdat hij de vermaning van Jesus niet had opgevolgd: „Indien gij een offer wilt opdragen en u herinnert, dat uw broeder iets tegen u heeft, ga u eerst met uwen broeder verzoenen en draag dan uw offer op.quot; Te Melitene werd de H. Polyeuctus gemarteld; 't was een officier van het keizerlijk leger, die luide zijn geloof beleed in weerwil van de tranen zijner vrouw Paulina en zijner kinderen, die hem van den dood wilden redden. Ook werd de marteldood ondergaan door den H. Romanus, door den H. Laurentius bekeerd, en door de H. Maagd Eugenia, de overste van een aantal maagden, welke zich aan God gewijd hadden.

ocr page 57

49

NEGENDE VERVOLGING (274).

Keizer Aurelianus, die in 270 den troon besteeg, was in het begin zijner regeering den Christenen niet ongunstig gezind, maar weldra veranderde hij van gedachte en schreef een nieuwe vervolging uit, doch reeds 8 maanden daarna stierf hij. De H. Paus Felix I was een zijner slachtoffers.

KEIZER DIOCLETIANÜS.

Na Aurelianus volgden de keizers elkander snel op, werden meestal door de soldaten vermoord, en pest en hongersnood teisterden het Rijk. Van deze rampen werd door de heidenen de schuld aan de Christenen gegeven. In 284 beklom keizer Diocletianus den troon; hij gaf Maximianus deel in de regeering, en nu werd de orde hersteld, maar de vrede der Kerk keerde niet terug. Omstreeks dezen tijd werden gemarteld de H. Genesus, een tooneelspeler, die door de genade getroffen en bekeerd werd op het oogenblik, dat hij op het tooneel het H. Doopsel bespotte, de IJII. Crespinus en Crespinianus, Romein-sche edelen, die te Soissons woonden, de H. Quentinus, een Romeinsch burger uit eene deftige familie, die zijn naam gaf aan een der bloeiendste steden van Frankrijk, de H. Hrminus, eerste bisschop van Amiens, de II. Luci-anus, eerste bisschop van Beauvais, de twee Pausen, de HH. So ter en Cajus, de 11. Victor, een militair te Marseille , de IIH. Cosmas en Damianus in Cilicië, de IIH. Do-na tianus en Rogatianus te Nantes, de H. Piat, priester te Doornik, en een ontelbaar aantal andere heiligen, wier namen het onmogelijk is hier te vermelden.

HET THEBAANSCHE LEGIOEN (28G).

Onder de edelmoedige belijders des geloofs onderscheidden zich inzonderheid de soldaten van geheel een Romeinsch legioen, samengesteld uit ongeveer 6000 man. Dit legioen heette het Thebaansche, omdat het voornamelijk getrokken was uit Thebe. Terwijl het in de winterkwartieren in Palestina verscheidene maanden had door-

4

ocr page 58

50

gebracht, was het door Zambas, bisschop van Jerusalem, bijna geheel tot het Christendom bekeerd. De keizers waren over het algemeen den Christen-soldaten gunstig gezind, omdat zij hen even moedig als trouw dienden, en de eed, welken zij hem moesten afleggen, was zoodanig onder woorden gebracht, dat zij hem konden afleggen, zonder hun geloof te verzaken. Maar Maximianus had geen eerbied zelfs voor getrouwe en heldenmoedige soldaten. Nadat hij het Thebaansche legioen naar Gallië had geleid, eischte hij, dat het geheele leger een zelfden eed zou afleggen voor het altaar der valsche goden. De mannen van het Thebaansche legioen, door hun aanvoerder, den H. Mauritivs, aangemoedigd, weigerden echter aan deze afgoderij deel te nemen, verklarende dat zij wel in Gallië gekomen waren, om de vijanden van den Staat te bestrijden maar niet om God te verloochenen en te be-leedigen.

In woede ontstoken, gaf Maximianus bevel het legioen onmiddellijk te decimeeren, d. w. z. den tienden man er van te dooden. Het lot moest de slachtoffers aanwijzen. Zij, die aangewezen waren, ondergingen den dood, zonder eenig verzet te toonen. Hun voorbeeld moedigde de overgeblevenen aan, en allen riepen, dat zij den dienst der afgoden verfoeiden. Nu werd het legioen ten tweeden male gedecimeerd. En toen men hen, die nog leefden, aanspoorde, om aan den tiran te gehoorzamen, antwoordden zij: „Wij zijn uwe soldaten, o keizer, maar ook de dienaren van God.quot; Nu deed Maximianus al de nog levenden ombrengen, en geen enkele bleef van het legioen over. Men hoorde zuchten noch klagen onder hen; zij openden slechts den mond, om elkander tot den marteldood aan te moedigen.

DE H. SEBASTIANUS (288).

De H. Mauritius had een deelgenoot in zijn geloof en zijn moed aan het hof van Diocletianus zei ven. Daar was een kapitein van de Pretoriaansche wacht, Sebastianus geheeten en geboortig van Narbonne in Gallië. Vol ijver

ocr page 59

51

voor het geloof, bezocht hij de Christenen, die gevangengenomen waren, moedigde de zwakken aan en bekeerde een groot aantal heidenen, die hij vervolgens langs den weg van het martelaarschap naar den hemel leidde.

Hij werd aangeklaagd bij Diocletian us, die zich toenmaals te Rome bevond. De keizer verweet den kapitein zijne ondankbaarheid en beschuldigde hem van verraad , omdat hij het gezag, dat zijn rang hem verleende, tegen den vorst aanwendde. Doch Sebastianus antwoordde: „ Ik ben mijn plicht onophoudelijk getrouw gebleven, maar sedert lang heb ik erkend, dat het dwaas is goden van hout en steen te aanbidden, en ik heb mijne gebeden gericht tot den waren God, die in den hemel is, en tot Zijn Zoon Jesus Christus.quot; Vertoornd over den moed des belijders, ontbood Diocletianus eene afdeeling boogschutters uit Mauritanië, die onder zijne lijfwacht dienden. Men ontdeed Sebastianus van zijne kleederen, waarna de boogschutters hem met pijlen doorschoten en voor dood lieten liggen. De weduwe van den martelaar kwam des nachts ter plaatse, om het lijk weg te voeren. Zij ontdekte , dat de heilige nog ademde, en voerde hem naar hare woning; eenige oogenblikken daarna ontmoette Diocletianus den man, dien hij dood waande, op de trap van zijn paleis. Onmiddellijk deed hij hem voeren naar de binnenplaats en daar met stokken doodslaan. Zijn lichaam werd in een riool geworpen, waaruit het echter door de Christenen naar de Catacomben gevoerd werd.

TIENDE VERVOLGING (303—313).

Tot nu toe was de vervolging niet algemeen. Was Maximianus een verwoed vijand der Christenen, Diocletianus legde aanvankelijk zachtere gevoelens aan den dag, maar Maximianus spoorde hem aan tot geweld, daarin gesteund door den Cesar Galerius, aan wien deel gegeven was in de regeering tegelijk met Constantius Chlorus, den vader van Constantijn. Diocletianus gaf toe, en den 23 Februari 303 verscheen een keizerlijk besluit, volgens hetwelk alle Christenen moesten uitgeroeid worden. Door

ocr page 60

52

een tweede besluit werd bevolen, dat de bisschoppen in boeien moesten geklonken en aangespoord worden om het geloof te verzaken.

Nu togen de beulen met de afschuwelijkste wreedheid aan het werk; de Christenen toonden een onverwinlijken moed en lieten zich als lammeren slachten. Alleen de Christenen in Gallië, waar Constantijn Chlorus heerschte, werden gespaard; overal elders vielen de kerken onder de handen der woeste soldaten; de rechters deden hunne zetels in de tempels of nabij de beelden der val-sche goden plaatsen en dwongen het volk om er aan te offeren. AVie weigerde werd veroordeeld en aan den beul overgeleverd. De gevangenissen waren in een oogwenk gevuld, de wegen overdekt met verminkte menschen, welke naar de strafplaatsen gevoerd werden. Zweepen, ijzeren haken, gloeiende tangen, nagelen, wilde beesten verscheurden de teederste kinderen met hunne moeders. Hier hing men de martelaars met hunne voeten aan palen en liet hun den smartelijksten dood sterven; daar spijkerde men hen met de handen aan aan elkander gebogen takken van een boom, waarna de losgelaten takken de martelaars vaneenscheurden.

, Verscheidene Pausen, honderden bisschoppen, duizenden geloovigen stierven in deze vervolging, die het tijdvak der Martelaren wordt genoemd, en waarin men bij de grootste zwakheid der jeugd en des geslachte de goddelijke kracht, die de martelaren ondersteunde, zag schitteren, 't Wordt meer en meer onmogelijk de namen te noemen: de H. Petrus, een officier van Diocletianus, werd te Nico-medië gemarteld, de H. Phocas, een tuinman, te Sinope in Pontus, de H. Taracus en zijne twee gezellen Probus en Andronicus te Tarsus in Cilicië, de H. Bardalla, een kind van zeven jaren, te Antiochië, de II. Cyrus, eveneens een kind, te Icone, de H. Lucia te Syracuse, de HH. Pausen Marcellinus, Marcellus I en Eusebius te Rome, de H. Vincentius en de H. Eulalia in Spanje enz.

ocr page 61

53

DE H. AGNES (304).

Eene der beroemdste martelaars uit Rome was de H. Agnes, eene godvruchtige maagd van 13 of 14 jaren. Verscheidene jonge Romeinen uit de voornaamste familiën stonden naar hare hand om wille harer schoonheid. Zij weigerde allen. Vertoornd over deze afwijzing, klaagden eenigen haar bij den rechter aan. Deze deed haar de verleidelijkste beloften, doch zij wees die af; evenmin bezweek zij voor hunne bedreigingen. Men bracht de ijzeren haken, de tangen en andere foltertuigen, en ontstak een groot vuur, doch Agnes beschouwde al die verschrikkelijke voorwerpen, zonder eenige vrees aan den dag te leggen. Men bracht haar voor de afgodsbeelden, opdat zij hun wierook zou offeren; zij hief de hand slechts op, om het H. kruisteeken te maken. Over zulk eene standvastigheid verwonderd, deed de rechter de heilige eene bedreiging hooren, welke hem door de hel was ingegeven : hij zou haar namelijk laten brengen naar eene slechte plaats, waar zij de beleedigingen zou te verduren hebben van goddelooze jongelieden. Maar Agnes antwoordde met engelenzoetheid: „ Jesus Christus stelt te hoogen prijs op de zuiverheid Zijner Bruiden, dan dat Hij zou dulden, dat hare deugd haar ontroofd werd. Gij kunt mijn bloed vergieten, maar het is niet in uwe macht mijn lichaam te ontheiligen.quot;

De rechter ontstak zoodanig in woede, dat hij zijne bedreiging uitvoerde. Maar de goddelooze jongelieden, toegesneld om het meisje te beleedigen, werden zoozeer door eerbied voor haar bevangen, dat zij als sprakeloos bleven staan. Een hunner, die in zijn onbeschaamdheid volhardde, werd eensklaps door eene onzichtbare hand halfdood ter aarde geworpen en van het gezicht beroofd. Zijne ontstelde makkers richtten hem op en smeekten de heilige medelijden met hem te hebben. Agnes bad, en de ongelukkige kreeg het gezicht en de gezondheid terug. Deze wonderen deden echter de woede harer vijanden toenemen, en Agnes werd veroordeeld om onthoofd te

ocr page 62

54

worden. Den beul ziende, werd zij vervuld met heilige blijdschap; toen men nogmaals pogingen aanwendde, om haar het geloof te doen verzaken, antwoordde zij, dat zij nimmer haren hemelschen Bruidegom zou verloochenen. Zij bad, boog het hoofd en ontving den slag, die haar den hemel binnenvoerde.

DE VREDE WORDT AAN DE KEEK TERUGGESCHONKEN (313).

Na zooveel nederlagen moest eindelijk de hel hare machteloosheid erkennen. Door Galerius met den dood bedreigd, had Diocletianus zijne waardigheid nedergelegd. Hij begaf zich naar Salone en leefde daar door wroegingen als verteerd; hij kon eten noch slapen, en alvorens te sterven, spoog hij zijne tong uit. Ook Maximianus was gedwongen afstand van den troon te doen; hij wilde de regeering weder hernemen doch werd in den oorlog overwonnen. Nu vluchtte hij naar Const an tijn, die in Gallië zijn vader Constantius Chlorus was opgevolgd, en beraamde eene samenzwering tegen hem. Deze werd ontdekt, en Maximianus bracht zich met eigen handen om het leven.

Maar ook op Galerius drukte de hand Gods. Een afzichtelijke wond knaagde hem aan het lichaam, en daaruit vloeide zwart en bedorven bloed, dat een ondraag-lijken stank verspreidde. Tegelijk kropen er afzichtelijke wormen uit. De vreeselijke smarten, welke hij leed, deden hem eindelijk de hand erkennen, welke hem sloeg, en de angst deed hem een besluit teekenen ten gunste der Christenen, dat een schitterend bewijs was van de machteloosheid van den mensch om te verwoesten, wat God gesticht heeft. Doch het gedwongen berouw van Galerius baatte hem niet, en hij stierf onboetvaardig als Antiochus, zooals hij geleefd had (311). Constantijn werd nu de eenige meester der wereld, en het kruis van den God der Christenen ging schitteren op de standaarden des Rijks.

DE CATACOMBEN.

Aan het einde van het tijdperk des eersten Christen-doms gekomen, gaan wij even kennis maken met de

ocr page 63

55

onderaardsche plaatsen, welke den Christenen gedurende de vervolgingen der drie eerste eeuwen tot begraafplaats en verblijfplaats tevens dienden, de Catacomben. Dit waren reeds bij de heidenen lange onderaardsche gangen, buiten Rome gelegen, in welks wanden zij langwerpig vierkante openingen maakten, waarin zij hunne dooden nederlegden en daarna de openingen weder sloten. De Christenen groeven eveneens zulke gangen voor hunne dooden. Met den meesten ijver verzamelden zij de overblijfselen der martelaren en begroeven die in de Catacomben. Op den steen, waarmede het graf werd gesloten, werd de naam van den doode geschreven, gewoonlijk met een of ander teeken, dat aan het Christendom ontleend was. Die gangen werden spoedig zeer talrijk en waren op verschillende plaatsen aangelegd, zoodat de Catacomben op afstanden van elkander liggen. Er zijn er in het geheel ruim 50, grootere en kleinere. Binnen Rome wordt geen enkele Catacombe gevonden, want de wet der Romeinen (de 12 Tafelen) verbood de begrafenis in de stad.

In deze gangen vluchtten de Christenen, als de vervolgingen uitbraken, en bleven er, zoolang zij duurden. Zoo leefden de levenden bij de dooden, en de graven der martelaren werden de altaren, waarop de H. Mis werd opgedragen. Soms drongen de heidenen in de Catacomben, grepen de priesters, bisschoppen en Pausen aan het altaar en voerden hen met de geloovigen naar de strafplaatsen. Was de vervolging ten einde, dan keerden vele geloovigen naar de stad terug, doch de Pausen bleven zorgvuldig toezicht over de Catacomben houden.

Wegens het vaak langdurig verblijf der Christenen in de Catacomben werden er onderscheidene zalen in uitgegraven, waarin allerlei godsdienstoefeningen gehouden en de HH. Sacramenten uitgedeeld werden, alsmede dezulke, welke den Christenen tot verblijf strekten. De aanhoudende vermeerdering der Christenen maakten voortdurend den aanleg van nieuwe Catacomben noodzakelijk, waardoor hun groot aantal verklaard wordt. Daarenboven vindt men in de meeste 1 tot 3 gangen boven elkander, in sommige zelfs 4 of 5,

f

ü

I

Al 1

I

i

;Éi

l: P

li 7.:

t'

• U-

m

m. \ ■

¥■

1 V'

|[ i

ocr page 64

56

Toen de vrede aan de Kerk geschonken werd, bouwde men in Rome talrijke kerken en voerde daarheen het gebeente van vele martelaren, en de Catacomben werden bedevaartplaatsen, welke op de kostbaarste wijze versierd werden. Paus Darnasus o. a. heeft hiermede zijn naam vereeuwigd. De invallen der barbaren in Italië, door wie Rome zelfs geplunderd en verbrand werd, brachten velen Catacomben groot nadeel toe, want ook daar gaven de vijanden zich aan plundering over. Van niet weinige werden de gangen en ingangen verwoest, en gebeurtenissen van allerlei aard hadden in den loop der volgende eeuwen ten gevolge, dat de Catacomben, de een na de ander, uit de oogen der menschen en zelfs uit hunne gedachtenis verdwenen. Was van een groot aantal heiligen het gebeente er uit genomen, van een ontelbaar aantal andere bleef het er in rusten, want men berekent, dat drie mil-lioen Christenen in de Catacomben begraven werden.

Eeuwen en eeuwen bleven deze onderaardsche grafsteden gesloten. Op den 31 Mei 1578 groeven arbeiders buiten Rome in den grond en vonden een vertrek, waarvan de wanden met grafsteenen, van allerlei opschriften voorzien, overdekt waren. De vondst baarde veel opzien maar had geen gevolg. Naar het scheen, lag het nog niet in de plannen der Goddelijke Voorzienigheid, dat de Catacomben zouden geopend worden. In 1702 werden opnieuw graven ontdekt, doch de zucht naar reliquieën en schatten veroorzaakte groote misbruiken , en het onderzoek in de Catacomben werd door de Kerkelijke overheid eer tegengewerkt dan bevorderd. Eerst onder Pius IX zijn voorgoed de graven der heiligen geopend, en is men gedrongen in de onafzienbare gangen, die ware doolhoven vormen, de overblijfselen der martelaren en de oudste gedenkteekenen van het Christendom bevattende. Zonder gids kan men zich in die gangen niet wagen; doorwandelt men ze, men ziet op de wanden de afbeeldingen van schier al de geheimen van ons heilig geloof, die daar 16 a 18 eeuwen in den schoot der aarde verborgen zijn geweest en ons leeren, dat wij het zelfde geloof belijden

ocr page 65

57

ill

met de millioenen martelaren, die er voor gestorven zijn.

Ook Paus Leo heeft veel gedaan voor het onderzoek der Catacomben, en graaf Rossi, in 1894 overleden, is de groote man geweest, die van God de groote talenten ontving , om de Catacomben te openen en te onderzoeken, en uitvoerige beschrijvingen te geven van wat hij er vond.

Thans kan ieder die onder geleide ^an een vertrouwden

gids doorwandelen, maar 't is op straf van den kerke-lijken ban verboden iets uit de Catacomben mede te nemen. Alleen is het geoorloofd een handvol stof van den grond te rapen als een herinnering aan die plaatsen,

den Christenen zoo dierbaar, en waar millioenen zielen voor den hemel gewonnen zijn.

--tvEi-r

K

§ III. De ketterijen en de kerkleeraars.

DE GNOSTIEKEN. É||

• ' jv |

De Gnostieken waren ketters, die hun naam ontleenden

ijs si '!

■if

• i

i;|

aan het Grieksche woord gnosis, dat wetenschap beteekent. Zij leerden, dat Christus geen menschelijk lichaam heeft gehad, ontkenden aldus het Verlossingswerk, verwarden het schepsel met den Schepper en deden allerlei wanordelijkheden en misdaden ontstaan. De voornaamste leeraars van het Gnosticisme waren Menander, Basilides , Cerdon en Mardon. Zij werden bestreden o. a. door den 77. Ireneus en Tertallianus en door de Pausen veroordeeld, maar uit hunne dwalingen kwamen weder andere voort.

zoodat de strijd niet spoedig eindigde.

DE CHRISTELIJKE SCHOOL VAN ALEXANDRIÉ.

Inmiddels bracht de Christelijke school van Alexandrië heiligen en leeraars voort, die de waarheid tegen de dwaling verdedigden. Het hoofd dier school was de H. Pantenus, een heidensch wijsgeer, tot het Christendom bekeerd (179). Zijn opvolger was Clemens van Alexandrië,

door hem bekeerd en de schrijver van een aantal boeken.

Hij stierf in 217. Deze werd opgevolgd door Origenes ,

m' i

ocr page 66

58

zoon van den H. Leonidas, gemarteld in 202. De H. martelaar had zijn zoon een uitstekende opvoeding gegeven en hem onderwezen niet alleen in de schoone letteren maar ook in de H. Schrift. De jonge Origenes beantwoordde die zorgen door wonderbaren vooruitgang in de wetenschap en tevens in de deugd. Vaak kwam zijn vader tot hem, als hij sliep, en zijne borst ontblootende, kuste hij die als den tempel van den H. Geest. Overigens verlangde hij zoo vurig naar het martelaarschap, dat zijne moeder zijne kleederen verborg, opdat hij zich niet aan de beulen vertoonen zou. Later werden zijne goederen door de vervolgers verbeurdverklaard, en verviel hij tot diepe armoede, doch door zijne groote kundigheden werd hij het hoofd der Alexandrijnsche school, en zeer groot was het aantal zijner toehoorders.

Niet minder dan door zijne wetenschap onderscheidde Origenes zich door zijn ijver; hij bezocht de gevangen Christenen in hunne kerkers en vergezelde hen tot aan de strafplaats. Meer dan eens bracht hij daardoor zijn leven in gevaar. Eindelijk werd hij gegrepen, van zijne kleederen beroofd en in den kerker aan honger en dorst overgegeven. Maar zijn boetvaardig leven had hem gehard tegen allerlei beproevingen, en zijn lijden kon zijn moed niet doen wankelen. Hij stierf in vrede in 253. Talrijke geschriften werden door hem vervaardigd ter verdediging der Christelijke leer. In sommige daarvan kwamen echter ernstige dwalingen voor, welke later de sekte der Origenisten hebben doen ontstaan. Deze sekte werd door de Kerk veroordeeld. Sommigen meenen echter, dat die dwalingen door de vijanden van Origenes in zijne geschriften gebracht zijn.

DB MONTiNISTEN.

Tegen het einde der tweede eeuw verscheen de bedrieger Montanus, die eene sekte van geestdrijvers stichtte. Twee vrouwen, Priscilla en Maximilla, gaven zich onder zijne aansporing als profetessen uit. Montanus verzekerde, dat hij de volheid van den H. Geest had ontvangen en veel waardiger was dan de H. Apostelen. Hij noemde zich

ocr page 67

59

den Vertrooster bij uitnemendheid en beweerde de Kerk te zullen hervormen. Hieruit leert men, dat er reeds 1300 jaar voor Luther en Calvijn zoogenaamde hervormers zijn geweest. Montanus legde zijnen volgelingen zware vasten op, weigerde groeten zondaars de biecht en verbood den Christenen de vervolgingen te ontvluchten. Door een Concilie werd zijne ketterij veroordeeld, en Paus Soter bevestigde de uitspraak van het Concilie. Montanus onderwierp zich niet; men gelooft, dat hij zich zei ven om het leven gebracht heeft, en de profetes Maximilla op dezelfde Avijze den dood vond. Onder hunne uitwendige strengheid verborgen de Montanisten de ergste zedeloosheid.

ÏERTULLIANUS.

De ketterij der Montanisten bracht o. a. een der beroemdste verdedigers van het Christendom, die de ketterij van Marcion en de beschuldigingen der heidenen met buitengewone kracht bestreden had, ten val. Tertullianus, priester te Carthago, is vooral in de Kerk bekend door zijn onsterfelijk geschrift ter verdediging des Christendoms, dat hij in 205 geschreven en den Romeinschen keizer aangeboden heeft. „Men beschuldigt ons,quot; zeide hij daarin, „van oproer en ongehoorzaamheid aan de keizers. Maar wanneer zijn wij oproerig geweest? Vaak vervolgt het volk ons met steenen; men verbrandt onze huizen; men foltert ons en doet ons sterven onder de wreedste pijnen. Wat hebben wij gedaan, om ons te wreken over zooveel onrecht? Indien wij u openlijk den oorlog wilden aandoen, zou het ons aan troepen ontbreken? Wij zijn slechts van gisteren en vullen reeds uwen Senaat, uwe steden, uwe dorpen, uwe legers, het paleis; slechts uwe tempels laten wij ledig. Om ons te wreken, behoefden wij u slechts te verlaten en ons uit het Rijk te verwijderen; gij zoudt verschrikt zijn over uwe verlatenheid.quot; Dit heerlijk talent liet zich ongelukkig verleiden door de schijnbare strengheid der Montanisten, die hij later slechts verliet, om zelf eene sekte te stichten. Treurig gevolg van dea m'enschelijken hoogmoed!

ocr page 68

60

DE SABELLIANEN.

Nauwelijks was Tertullianus gestorven, of eene nieuwe ketterij ontstond, die van Sabellius, welke de onderscheiding der drie Goddelijke personen en daardoor de H. Drievuldigheid loochende. Onderscheidene bisschoppen van Egypte namen zijne dwaling aan, welke krachtig bestreden werd door den H. Dionysius, bisschop van Alexandrië. Paulus van Samosate werd plechtig als bisschop afgezet, omdat hij in de dwaling volhardde.

DE MANICHEEËRS.

Eene ketterij, oorspronkelijk in Perzië door zekeren Manes uitgedacht, kwam ook in de Christenwereld hare slachtoffers zoeken. Manes was een man van lage geboorte en had den geest met droombeelden vervuld. Zoo wilde hij den Christelijken godsdienst verzoenen met den heidenschen van Zoroaster en ook in het eerste een tweegodendom invoeren. Hij nam twee goden aan; de een was het beginsel des kwaads, de ander dat des goeds. Het goed noemde hij licht, het kwaad duisternis. Volgens hem was de menschelijke ziel een deel van het licht, het lichaam een deel van de duisternis. Uit deze leer volgde o. a., dat er geen wezenlijk onderscheid zou zijn tusschen goed en kwaad, waarom het den weg baande zelfs tot de grootste zedeloosheden. Zelfs den heidenschen keizers kwam deze leer gedrochtelijk voor, en de koning van Perzië deed Manes op eene verschrikkelijke wijze terdoodbrengen. In het Christendom binnengeslopen, heeft zij ongelukkig daar niet zelden groote verwarring en ellende gesticht.

DE KERKLEERAARS.

Tegenover de ketters verhief zich een leger van verdedigers der waarheid. Reeds zijn eenige leeraars genoemd, die het ware geloof verdedigden tegen de heidensche wijsgeeren en de ketters, die het Christendom ver-valschten. Wij noemen nog den H. Papias, een leerling van den H. Joannes den Evangelist, Minutius

ocr page 69

61

Felix, den H. Gregorius den Wonderdoener, Arnobius enz.

De H. Gregorius was geboren te Neocesarea in Pontus en werd bisschop van die plaats, toen er zich slechts 17 Christenen bevonden, 't Was een rijke, groote maar bedorvene stad, en de afgoderij heerschte er algemeen. Daar schitterde het geloof van Gregorius in al zijnen glans, en hij deed er talrijke mirakelen. De wijsheid, liefde en ijver van Gregorius werden rijk beloond. Toen hij zijn einde voelde naderen (270), vroeg hij hoeveel heidenen nog in de stad gevonden werden. Men telde en ontdekte er slechts 17. Hij sloeg de oogen ten hemel en zuchtte, omdat de ware godsdienst niet de eenige in zijn bisdom was, maar dankte God tegelijk, dat hij stervende daarin slechts 17 ongeloovigen achterliet.

TWIST OVER DEN PAASCHTIJD.

Behalve van de vervolgingen en de ketterijen had de Kerk ook te lijden van inwendige verdeeldheden, maar het gezag over de geheele Christenheid van de opvolgers van den H. Petrus deed die steeds verdwijnen; zij dienden slechts om het oppergezag der Pausen steeds meer en meer te doen uitkomen.

Onder het Pausschap van den H. Anicetus (150—161) ontstond er geschil over een vraagstuk, dat de Kerk langen tijd in beroering bracht, nl. over den tijd der viering van het Paaschfeest. Nadat de Apostelen den Sabbathdag door den Zondag vervangen hadden, bepaalde de H. Petrus, dat het Paaschfeest op Zondag gevierd zou worden, zonder dit echter volstrekt verplichtend te maken. De Christenen, uit het Jodendom bekeerd, waren innig aan den Sabbathdag gehecht, en daar hier geen sprake was van een geloofspunt, duldden de Pausen aanvankelijk in het Oosten de viering van den Zaterdag. Doch hierover kwam twist onder de Christenen , waarvan sommigen wijzer wilden zijn dan de Paus, en onder den H. Victor I (185—197) brak het geschil opnieuw uit. De Oosterlingen en inzonderheid de kerk te Ephese verklaarden zelfs, dat de Latijnsche kerk, — zoo noemde men de Westersche Chris-

ocr page 70

62

tenen — ongelijk had, en de twist werd zoo hoog, dat een afdoende beslissing moest genomen worden. Een Concilie der bisschoppen van Italië werd te Rome gehouden , en overeenkomstig de uitspraak daarvan bepaalde de Paus, dat het gebruik der kerk van Rome overal moest gevolgd worden. De provinciale Conciliën, in het Oosten bijeengekomen, namen deze uitspraak aan, doch een Concilie, te Ephese vergaderd, weigerde. Nu dreigde Paus Victor met den kerkdijken ban. De H. Ireneus kwam tusschen beiden en smeekte den Paus nog eenigen tijd geduld te hebben. De H. Victor stemde toe, en de strijd bedaarde. Bijna alle Oostersche kerken namen het gebruik van Rome aan, dat door sommige hunner reeds sedert lang werd gevolgd, en het Concilie van Nicea (325) kon voor goed aan deze zaak een einde maken. Zoo schitterde over geheel de wereld het gezag van den Opperpriester te Rome.

ocr page 71

TWEEDE TIJDVAK.

De Ketterijen en de Barbaren (313—800).

Het tweede tijdvak van de geschiedenis der Kerk bevat ongeveer vijf eeuwen; het opent met de bekeering van Constantijn den Groote en wordt gesloten met de stichting van het H. Roomsche Rijk in den persoon van Karei den Groote. Aan iedere eeuw zal een afzonderlijk hoofdstuk gewijd worden.

EERSTE HOOFDSTUK.

De Christan-keizers en het Arianisme (313—395).

/Vierde eeuiv.J Vier afdeelingen: De zegepraal der Kerk en de vaders der woestijn. — De Arianen. — Vervolging van Juliaan den Afvallige en van Sapor. — De kerkleeraars en de heiligen.

§ 1. De zegepraal der Kerk en de vaders der woestijn.

TROONSBESTIJGING VAN CONSTANTIJN.

Het edict van Galerius had den vrede aan de Kerk in het Oosten teruggeschonken. Italië en Afrika waren minder gelukkig onder het bestuur van Maxentius, die zijn vader Maximianus was opgevolgd. Maxentius drukte zijne onderdanen onder zware lasten en inzonderheid de Christenen, welke hij echter niet openlijk durfde vervolgen. Bij den dood van Galerius vereenigde hij zich met zijn neef Maximianus Daïa, die in het Oosten opnieuw begonnen was de Christenen te vervolgen, en besloot Gallië te ontnemen aan Constantijn, zoon van Constantius Chlo-rus, en Helena, dochter van een koning uit Brittannië. Constantius was beter dan al zijne medekeizers te zamen;

ocr page 72

64

hij beminde de deugd, waar hij haar vond, en had een groot aantal Christenen onder zijne officieren en hovelingen. Toen de edicten van Diocletianus hem werden toegezonden, liet hij ze bekend maken maar zorgde niet voor de uitvoering. Hij riep de Christenen bijeen, die hij in zijn dienst had, en zeide hun, dat zij aan de goden moesten offeren, wilden zij zijne gunst niet verliezen. Eenigen waren laf genoeg, om voor de afgoden wierook te branden. Vol verachting jegens die afvalligen, joeg Constantijn hen uit zijn paleis en behield de overigen, die God getrouw gebleven waren. „ Ik kan niet rekenen,quot; zeide hij, „ op de getrouwheid van hen, die hun God verraden hebben.quot;

Na de aftreding van Diocletianus gaf Galerius niet zonder veel moeite aan den jongen Constantijn, dien hij bij zich had gehouden, verlof, om naar zijn stervenden vader in Brittannië te gaan. Constantius stierf te York in zijne armen, na verklaard te hebben, zooals men meent, dat hij in den waren God geloofde (306). Het leger riep Constantijn tot keizer uit, en Galerius was verplicht zijne ontevredenheid daarover te verbergen. Bij den dood van Galerius (311) vereenigden Maxentius en Daïa zich tegen Constantijn. De eerste begon den oorlog en trachtte zich van Gallië meester te maken. Constantijn kon slechts 40.000 man stellen tegenover het viermaal sterkere leger van Maxentius, maar hij rekende op den moed en de liefde zijner troepen. Hij trok de Alpen over en sloeg zijn leger op voor de poorten van Rome. Maxentius bleef binnen de stad, omdat eene heidensche godspraak hem verboden had haar te verlaten, maar hij had bekwame veldheeren, die in het veld voor hem zouden strijden.

De overwinning was moeilijk te behalen, en Constantijn erkende, dat hij bovenmenschelijke hulp daartoe noodig had. Hij vroeg zich af, tot welke godheid hij zich zou wenden. Aan de hoven van Diocletianus en Galerius had hij geleerd de valsche goden, door zoo nietswaardige menschen gediend, te verachten. Een wonderlijke gebeurtenis maakte aan zijne twijfelingen een einde. Op

ocr page 73

65

zekeren dag, terwijl hij optrok aan het hoofd zijns legers, teekende zich tegen het middaguur aan den hemel boven de zon een kruis af, schitterend van licht, en hij las er de woorden in vurige letters: In hoe signo vinces, In dit teeken zult gij overwinnen. Het geheele leger was getuige van dit wonder. Den volgenden nacht zag hij hetzelfde kruis in den droom, en Jesus Christus verscheen hem en gaf hem bevel Zijn teeken op zijne standaards te plaatsen. Constantijn gehoorzaamde. Naast de Romeinsche adelaars zag men nu een nieuw krijgsteeken, nl. een lange piek van verguld hout, hebbende van boven een dwarshout in den vorm van een kruis, en daaraan hing een vaandel, van goud geborduurd en met edelgesteenten versierd. Boven het kruis schitterde een kroon van goud en edele steenen, dragende het naamcijfer van Christus, gevormd uit de beide Grieksche letters van dien naam (X P). Dit was het beroemde Labarum. Het naamcijfer en het kruis werden ook geplaatst op de helmen der soldaten. Het kruis verving van nu af de beelden der valsche goden.

De slag had plaats den 28 October 312 en duurde niet lang. Maxentius werd volkomen verslagen. Om zijne troepen aan te moedigen, had hij in weerwil van de godspraak de stad verlaten; hij wilde op zijne vlucht over den Tiber naar Rome terugkeeren, doch de schipbrug, welke hij had laten bouwen, brak, en de keizer verdronk in den stroom. Constantijn werd in zegepraal in Rome ontvangen; vooral de Christenen juichten hem bij zijnen intocht luide toe. De Senaat deed te zijner eer een triumfboog oprichten, welke nog bestaat.

EDICTEN TEN GUNSTE DER CHRISTENEN.

De verwachtingen der Christenen werden niet teleurgesteld. In overeenstemming met Licinius vaardigde Constantijn een edict van algemeene verdraagzaamheid uit, door hetwelk de Christenen evenzeer als de belijders van andere godsdiensten in het openbaar hunne vergaderingen houden en kerken bouwen mochten. In het volgende

ocr page 74

66

jaar (313) voegde een nieuw edict, de Emancipatie-akte van Milaan genoemd, er ten gunste der Christenen een belangrijke bepaling aan toe; volgens deze moesten alle kerken en andere onroerende goederen, welke hun ontnomen waren, hun teruggegeven worden, zonder dat zij iets behoefden te betalen. En daar deze goederen door verkoop of schenking in verschillende handen waren gekomen, moest volgens het edict uit de schatkist vergoeding geschonken worden aan de eigenaars, wien de goederen ontnomen werden. Constantijn, zonder nog het Christendom aan te nemen, getuigde in het openbaar zijne achting voor Jesus Christus; aan de priesters der Kerk schonk hij alle voorrechten, welke de heidensche priesters bezaten, en maakte hen vrij van alle belastingen en openbare diensten. Aan bisschoppen en priesters gaf hij openbare ambten, en heidensche tempels, welke niet meer bezocht werden, liet hij in Christen-kerken veranderen. In dien geest gaf hij gedurig nieuwe edicten. Weldra gebood hij, dat in geheel zijn Rijk de Zondag zou gevierd worden, maakte de vrijmaking der slaven gemakkelijker en schafte den kruisdood af. Het kruis was nu geen teeken van schande meer.

DE TIJDELIJKE MACHT VAN DEN PAUS.

Ook voor den Paus had Constantijn grooten eerbied. Hij schonk hem talrijke voorrechten en erkende hem als hoofd der Christenen over de geheele aarde. Langzamerhand kwam hij tot de erkenning, dat de Pauselijke macht minstens de zijne evenaarde, en dat geen twee gelijke machten in dezelfde stad Rome naast elkander konden bestaan. Daarom verplaatste hij den keizerlijken zetel naar Constantinopel en liet den Paus te Rome achter (330).

Hierdoor ontstond de tijdelijke macht der Pausen niet, maar breidde zij zich uit. Bestaan, in kiem ten minste, had zij reeds sedert de Apostolische tijden. Evenals de graankorrel in den duisteren grond ontwikkelt en als plant aan de oogen der menschen zich vertoont, zoo ontstond volgens de plannen van God de tijdelijke macht

ocr page 75

67

als van zelve, en bestond zij, zonder dat iemand haar had zien ontstaan. Zij vormde zich ten gevolge van de voorrechten , welke de heidensche keizers in tijden van vrede tusschen de tijdvakken van vervolging aan de Pausen verleenden, b. v. vrijstelling van belasting, vrije gemeenschap met alle volken der aarde, eigendomsrecht op kerken, begraafplaatsen en andere vaste goederen en vele andere zaken, die uit zich zeiven wel niet van koninklijke macht spraken, maar deze meer en meer kregen door de wijze, waarop de rechten geschonken en uitgeoefend werden.

Keizer Constanüjn vermeerderde en versterkte die macht niet weinig, en zij bleef altijd groeien door zijne afwezigheid en die zijner opvolgers, welke in het Oosten hun zetel bleven gevestigd houden, en later door de schenkingen van Katholieke vorsten, die het tijdelijk bezit der Kerk, het erfgoed van St. Petrus geheeten, gedurig vergrootten en vermeerderden. Die tijdelijke macht, dat koningschap hebben de Pausen onophoudelijk uitgeoefend tot in 1870, in welk jaar zij aan Pius IX door den koning van Sardinië Victor Emmanuël op gewelddadige en heiligschennende wijze ontnomen is.

SCHEURING DER DONATISTEN.

De kerk van Afrika werd toen bedroefd door eene scheuring. Mensurius, bisschop van Carthago, werd beschuldigd van tijdens de vervolging van Diocletianus de H. Schriften aan de heidenen overgeleverd te hebben, om verbrand te worden. De beschuldiging was valsch, maar Donatus, een bisschop in Numidië, weigerde kerkelijke gemeenschap met Mensurius te onderhouden (305). Hij volhardde in zijn boos opzet, toen Mensurius door Cecili-anus opgevolgd was, en sleepte onderscheidene bisschoppen in zijne scheuring mede. De Donatisten trachtten Con-stantijn tot hunne zijde over te halen, doch de keizer begreep, dat hij zich niet mocht mengen in zuiver kerkelijke zaken, en stelde de zaak in handen van den Paus. De H. Paus Melchiades belegde in 313 een concilie in het paleis van Lateranen te Rome, en hier werd Cecilianus

ocr page 76

68

onschuldig verklaard en Donatus veroordeeld. Deze stierf in zijne boosheid, maar de scheuring hield niet op. Gedurende de geheele eeuw had de kerk van Afrika door de verdeeldheid te lijden; de straf voor het schisma kwam in de volgende eeuw.

VERVOLGING VAN LICINIUS.

De H. Paus Sylvester, die van 314 tot 325 regeerde, was nog gelukkiger dan Melchiades, want hij mocht getuige zijn van de volkomen zegepraal der Kerk na de nederlaag van Licinius, die in het Oosten regeerde. Deze had Maximianus Daïa bij Adrianopel (313) overwonnen, en de dood van Daïa schonk aan de Kerk den vrede in geheel het Romeinsche Rijk, dat toenmaals al de bekende landen der wereld omvatte. Maar Licinius, ijverzuchtig op Constantijn, omdat deze door de Christenen bemind werd, wilde zich de gunst der heidenen, die nog altijd machtig waren, verwerven en begon de vervolging der Christenen opnieuw in zijne Staten. De beroemdste martelaars waren de H. Nicolaas, bisschop van Myra en vriend der kinderen, die in de gevangenis geworpen maar later daaruit bevrijd werd, die veel voor het geloof geleden heeft doch niet den marteldood gestorven is; de H. Blasius, bisschop van Sebaste, wiens zijden met gloeiende ijzeren kammen verscheurd werden, en vooral 40 Cbristen-solda-ten, die edelmoedig hun geloof in dezelfde stad beleden. Zij zijn bekend onder den naam der 40 Gekroonden.

Licinius ondervond spoedig de Goddelijke wraak. Er kwam vijandschap tusschen hem en Constantijn, die hem zijne wreedheden tegen de Christenen verweet, en van beide zijden rustte men zich ten strijde. Licinius bezat aanzienlijke legers; door zijne too venaars aangemoedigd, twijfelde hij niet aan de zegepraal, en hij beloofde al de vijanden zijner valsche goden te zullen vernietigen. Constantijn bereidde zich door gebed, vasten en afzondering tot den strijd en deed het Labarum dragen aan het hoofd zijner troepen. Te Adrianopel en te Chalcedonië in 324 verslagen, sloot Licinius zich op in Nicomedië en werd hier door Constantijn belegerd. Weldra moest hij zijn

ocr page 77

69

overwinnaar om genade smeeken, en deze schonk hem het leven. Deze groote zegepraal maakte Constantijn meester van het geheele Romeinsche Rijk en verzekerde het Christendom de algeheele overwinning.

VINDING VAN HET H. KRUIS.

Het kruisteeken had ter zegepraal geleid, nu zou het H. Kruis zelf, waaraan Christus gestorven is, aan de vereering der geloovigen aangeboden worden. Na de nederlaag van Maxentius had Helena, de moeder van Constantijn, zich tot het Christendom bekeerd en onderscheidde zich door eene vurige godsvrucht en eene groote liefde voor de armen. Toen haar zoon Licinius had overwonnen, vatte hij het plan op eene prachtige kerk te bouwen op den berg van Calvarië. De H. Helena, ofschoon reeds 80 jaar oud, wilde de werkzaamheden leiden. Zij verlangde daarenboven vurig het H. Kruis terug te vinden. Het was haar niet onbekend, dat de Joden gewoon waren nabij de plaats, waar booswichten terdoodgebracht werden, eene opening in den grond te maken en daarin de werktuigen te begraven, welke bij de strafoefening gebruikt waren. Maar de heidenen hadden deze plaats op Calvarië geheel onherkenbaar gemaakt. Niettemin begon men te graven en vond eindelijk het H. Graf en in de nabijheid daarvan drie kruisen met de nagels, die de heilige leden des Zaligmakers doorboord hadden, benevens het opschrift', dat aan het kruis boven het hoofd van Jesus was vastgespijkerd. De H. Macarius, bisschop van Jerusalem , deed de drie kruisen brengen bij eene aanzienlijke vrouw, die gevaarlijk ziek was, en richtte een vurig gebed tot God. Daarna legde hij een der kruisen op de vrouw, vervolgens een tweede, maar zonder eenig gevolg; eerst toen zij het derde kruis had aangeraakt, was zij volmaakt genezen. Aldus werd het H. Kruis gevonden, en tot op dezen dag viert de Kerk het feest der H. Kruisvinding. Een prachtige basiliek werd gebouwd boven het H. Graf en eene andere op de plaats, waar Jesus ten hemel geklommen is. De H. Helena stierf eenigen tijd daarna, in 327.

m

i N;; ;1

'r '

Mïïi •;

iiS

lir I

^ - r r

il Jf:*

- .fii •'If':

ft e

m

pf-.

ftj-■ ft-

«Of fe

te'

1 te,

i

1

ocr page 78

70

de vaders der woestijn.

De zegepraal der Kerk deed helaas den ijver van vele Christenen verslappen. Maat de wijsheid en goedheid van God verschaften aan Zijne get Km we dienaren een middel om hunne oude vurigheid te bewaren en in Zijne Kerk de beoefening van alle deugden voort te zetten. De woestijnen werden allengs bevolkt door eene ontelbare menigte kluizenaars, wier leven op dat der engelen geleek. Op de folteringen van het heidendom volgden de boetedoening en versterving; heilige strengheden vervingen de gruwzame wreedheden van weleer, en het voorbeeld van ontelbare heiligen leerde, hoezeer de geest verheven is boven het vleesch.

de hh. paulxjs en anton1us.

Op zekeren dag hoorde een jongeling, uit rijke en brave ouders in Egypte geboren, in eene kerk deze woorden des Evangelies: „ Ga, verkoop wat gij hebt, geef het den armen, en gij zult een schat in den hemel hebben.quot; De jongeling paste dezen gewijden tekst op zich zeiven toe; hij verkocht al zijne goederen en schonk de opbrengst aan de armen. Zich meer en meer losmakende van wat het leven aangenaam doet zijn, verliet hij de stad zijner geboorte en begaf zich naar de woestijn van Thebe, waar hij weldra een groot aantal leerlingen tot zich zag komen, hoewel hij alles trachtte te ontvluchten, wat hem aan de wereld herinnerde. Naarmate de kloosters rondom hem heen verrezen en bevolkt werden, drong hij dieper de woestijn in, maar als een veldheer, die onophoudelijk het gebied zijner veroveringen uitbreidt. Ten slotte bereikte hij de uiterste grenzen der woestijn, na op zijn weg schatten van heiligheid en versterving gestrooid te hebben. Maar de faam zijner heiligheid verspreidde zich weldra door geheel het Rijk; zijn gezag was zoo groot, dat men van alle kanten hem kwam raadplegen, en toen het Arianisme Egypte dreigde te besmetten, vond de H. Athanasius bij hem licht en aanmoediging. Constantijn schreef hem brieven, waarin hij

ocr page 79

71

hem raad vroeg. Antonius, zoo heette de H. kluizenaar, streed krachtig tegen de dwaling en verdedigde moedig den H. Athanasius bij den keizer.

In weerwil zijner verstervingen echter en zijner beoefening der nederigheid had hij in 346, toen hij 90 jaar oud geworden was, eene bekoring tot eerzucht: de duivel zeide hem, dat niemand God zoo lang gediend had als hij in eene geheele afzondering van de wereld. Gelukkig werd hij niet hoogmoedig maar bad tot God, en deze zond hem hulp. Na eene verschijning gehad te hebben, begaf hij zich naar eene woeste plaats in de woestijn en vond, na een tocht van twee dagen en twee nachten, eene grot, welke door eene menschenhand met een steen moest gesloten zijn geworden. „ Open,quot; riep de kluizenaar, „ gij weet wie ik ben, van waar ik kom en waarom. Ik ben niet waardig uw gelaat te aanschouwen, maar open mij ter liefde van Jesus Christus, of ik zal sterven aan uwe deur.quot; Een grijsaard, wiens witte haren op zijn vermagerd gelaat vielen, en die meer op een geraamte dan op een mensch geleek, rolde den steen weg en kwam te voorschijn, 't Was de H. Paulus, de eerste kluizenaar, die sedert 250 hier leefde, onbekend aan alle menschen en gevoed door een stuk brood, dat een raaf dagelijks voor de grot neder-legde. De twee heiligen groetten elkander bij hun naam, ofschoon zij elkander nooit hadden hooren spreken, en zetten zich op eene rots neder nabij eene bron, welke sedert honderd jaar water aan den kluizenaar gaf. Paulus zeide tot zijn gast: „Wat doen de menschen thans? Bouwen zij nog nieuwe woningen in oude steden? Aan welken meester gehoorzamen zij ? Vervolgen zij nog altijd de Christenen?quot; Antonius antwoordde op al die vragen en verliet , den kluizenaar, om in zijne verblijfplaats den mantel te gaan halen, welken de H. Athanasius hem had gegeven, en waarin de H. Paulus begraven wenschte te worden. Zoo goed zijne uitgeputte krachten het toelieten, deed Antonius den nieuwen tocht, maar toen hij terugkeerde, vond hij nog slechts het stoffelijk overschot van den H. grijsaard. Vol eerbied begroef hij hem. Toen

■

i'H; r

li

pil 4if.- j;.k

mm iiii

ÏS

ill '.f' 1

•te

Ifa.Ai

lil d f'-

If:

Mi

te ■;

- v:

Sb

R

fit li

fï;-K

11

i li

ocr page 80

72

het hem te zwaar viel een graf te graven, naderden twee leeuwen en krabden met hunne nagels in den grond, tot zij een gat hadden gemaakt, dat het lijk kon bevatten. De H. Antonius stierf 15 jaar na zijn H. vriend in den ouderdom van 105 jaar.

LEVENSWIJZE DER KLUIZENAARS

De kluizenaars hadden ten doel de beoefening der Evangelische Raden: de armoede, gehoorzaamheid en zuiverheid. Hiertoe gebruikten zij hoofdzakelijk vier middelen: de afzondering, den arbeid, het vasten en het gebed. De woestijnen, waarheen zij zich begaven, waren niet alleen onbewoond maar ook onbewoonbaar; 't waren droge vlakten, naakte rotsen. Hun arbeid bestond in het maken van rieten matten en korven; zij verkochten ze en gaven de opbrengst er van aan de armen. Zij vastten het geheele jaar behalve des Zondags en in den Paaschtijd; en deze strenge levenswijze, verre van hen te verzwakken, versterkte hunne gezondheid en deed hen over het algemeen een hoogen ouderdom bereiken. Zij kwamen twee maal daags bijeen, om gezamenlijk te bidden; iedere maal baden zij 12 psalmen en lazen een gedeelte der H. Schrift. Het overige van den dag baden zij, terwijl zij arbeidden, opgesloten in hunne cellen. Eindelijk gehoorzaamden zij allen als kindoren aan hunne oversten. Deze vereenigingen van kluizenaars waren zeer talrijk; soms bestonden zij uit eenige duizenden religieusen onder het bestuur van een abt of vader. Uit Thebe, waar zij ontstaan waren, verspreidden zij zich weldra door Palestina, Syrië, Griekenland en heel het Oosten.

Maagden in den bloei des levens, vrome weduwen volgden dit voorbeeld van verzaking aan de wereld; een der eerste vereenigingen van heilige vrouwen had tot abdis of moeder de zuster van den H. Antonius, en de H. Pacornius schreef voor deze religieusen den regel.

ocr page 81

73

§ II. Het Arianisme.

DE KETTER ARIÜS.

Toen men de hoop begon te voeden op eene beëindiging van de scheuring der Donatisten, en men er zich over verheugde, dat met Licinius de laatste verdediger van het heidendom gevallen was, ontstond eene afschuwelijke ketterij , die niets minder waagde dan de loochening van de Godheid van Christus, door drie eeuwen van strijd en door millioenen martelaren beleden. De vader dezer ketterij was Anus, een priester te Alexandrië. De 11. Alexander, patriarch van Alexandrië, dien Arius had willen verdrijven , bewaarde het geloof der Apostelen en leerde, dat de Zoon Gods gelijk is aan den Vader en van dezelfde zelfstandigheid , en hij bediende zich, om zijn geloof uit te drukken, van een woord, dat reeds gebruikt was door den H. Dionysius, een zijner voorgangers, en ook door den H. Paus Dionysius, nl. van het woord medezelfstandig. Arius beweerde, dat Alexander aldus den persoon des Zoons met dien des Vaders verwarde, en om de drie personen te onderscheiden, leerde hij dat de Zoon geschapen is. Zoo werd dus de Godheid van Christas geloochend, en werden alle Christenen van afgoderij beschuldigd. De H. Drievuldigheid, het Christendom, alles werd door de ketterij van Arius vernietigd. Het Concilie van Alexandrië veroordeelde Arius in 320, en deze werd met zijne voornaamste aanhangers door de excommunicatie buiten de Kerk gesloten.

Een jeugdig diaken van den H. Alexander stond zijn bisschop moedig ter zijde en werd de vurigste verdediger van de Godheid van Christus; 't was de II. Athanasius, een man van levendig geloof, diepe geleerdheid, sterk karakter en daarbij een begaafd redenaar. In de woestijn had hij onder de leiding van den H. Antonius uit de versterving een ontembaren moed geput, om alle vervolging te doorstaan. Arius beschouwde hem als zijn gevaarlijksten vijand. Hij begaf zich naar Palestina, verwierf zich daar door verleiding onderscheidene aanhangers,

ocr page 82

74

waaronder zelfs bisschoppen, o. a. een zijner vroegere medeleerlingen EmeMus, bisschop van Beryte, die gedurende de vervolging heimelijk het geloof verzaakt had en sedert geruimen tijd dezelfde gevoelens koesterde als Arius. Hij wist keizer Constantijn te overreden, dat de twist niets dan woordenspel en dus van geen beteekenis was, en verkreeg van hem, dat hij den beiden partijen het stilzwijgen oplegde. Maar de rechtgeloovige bisschoppen dachten er anders over. De vraag, of Christus God dan wel een gewoon schepsel was, kon geen woordenspel zijn, en toen de keizer dit eindelijk begreep, beriep hij in overeenstemming met den H. Paus Sylvester een oecumenisch of algemeen Concilie te Nicea in 325. Voorzitters van dit Concilie waren de legaten van den Paus, Osius, bisschop van Cordova in Spanje, en Victor en Vin-centim, priesters uit Rome.

HET CONCILTR VAN NIOEA (325).

Nooit had de wereld zulk eene eerbiedwaardige en indrukwekkende vergadering gezien; 318 bisschoppen benevens een groot aantal priesters, diakens en acolyten waren uit alle deelen des Rijks en van de uiteinden der aarde te Nicea bijeengekomen. Onder hen zag men Osius van Cordova, legaat van Paus Sylvester, beroemd om zijne godsvrucht, geleerdheid en buitengewone voorzichtigheid, de H. grijsaards Paphnucius, bisschop van ïhebe, en Potamon, bisschop van Heraclea, wien beiden gedurende de vervolging het rechteroog was uitgerukt, den H. Paulus, bisschop van Neocesarea aan den Euphraat, wien de zijden met een gloeiend ijzer verbrand waren, den H. Jacobus van Nisibe in Mesopotamië en den H. Nico laas, bisschop van Myra, beiden beroemd om hunne talrijke mirakelen, den H. Macarius, patriarch van Jerusalem, den H. Eust.achius van Antiochië en den H. Alexander, patriarch van Alexandrië, vergezeld van den H. Athanasius, die de ziel van het Concilie werd.

ocr page 83

75

HET SYMBOLÜM VAN N1CEA.

Toen de dag der openbare zitting aangebroken was, vereenigden al de bisschoppen zich in eene groote zaal, waar Constantijn zelf het laatst binnentrad, aldus aan de Herders der Kerk een groot bewijs van diepen eerbied gevende.

Arius werd geroepen. Hij beleed stoutmoedig zijne dwaling. Eenige bisschoppen, die hem in zijne ketterij volgden, trachtten door woordverdraaiing hunne zaak te redden, doch het Concilie liet zich niet om den tuin leiden. Het beriep zich op de H. Schrift en de Apostolische overleveringen en nam het woord medezelfstandig aan, dat geen uitvlucht overliet en altijd de schrik der Arianen was geweest, omdat het duidelijk uitdrukte, dat God de Zoon in alles aan God den Vader gelijk en dus waarachtig God is.

Men stelde nu eene geloofsbelijdenis op, en deze werd onderteekend door al de Vaders van het Concilie, 17 uitgezonderd. Zij heeft den naam gekregen van het Sym-bolura van Nicea en is hetzelfde als het Symbolum der Apostelen, met dit onderscheid, dat sommige gedeelten er van uitvoeriger geschreven zijn ter wille der ketterij van Arius. Van de 17 onderteekenden den volgenden dag nog 12 het Symbolum en kort daarop nog 3, zoodat slechts twee bisschoppen zich tegen de uitspraak van het Concilie verzetten; deze waren Eusebius van Nicomedië en ïheognis van Nicea. Constantijn verhief de uitspraak der Kerkvergadering tot eene wet des Rijks en zond Arius en zijne twee medeplichtigen in ballingschap.

WOELINGEN DER ARTANEN.

De vrede zou aan de Kerk teruggeschonken zijn, hadde Constantijn zich niet laten bedriegen door de listen der Arianen. Hij liet zich diets maken, dat Arius van zijne ketterij teruggekomen was, en riep hem en de beide bisschoppen terug. De Arianen werden nu vermetel. Zij zetten den H. Eustachius, bisschop van Antiochië, af en

ocr page 84

76

brachten allerlei lasteringen in bij den keizer tegen den H. Athanasius, die den H. Alexander op den zetel van Alexandrië opgevolgd was. Constantijn liet zich ongelukkig door de ketters misleiden en beriep in 335 eene vergadering van bisschoppen te Tyrus, welke de taak kreeg een oordeel over den H. Athanasius uit te spreken.

In deze vergadering hadden de vijanden van den Heilige de meerderheid; zij beschuldigden hem, dat hij Arsenius, bisschop van Hypsela, gedood en de rechterhand afgehouwen had. Zij verweten hem vervolgens, dat hij met die verdroogde hand tooverij bedreef. Zelfs brachten zij de hand te voorschijn, welke door Athanasius in een doos zou bewaard zijn. De Heilige vroeg, of men den bisschop had gekend, en toen men hierop aan alle zijden toestemmend antwoordde, gaf hij een zijner priesters een teeken. Deze verliet de zaal en kwam een oogenblik later terug met een eerbiedwaardigen grijsaard. De H. Athanasius stelde hem aan de vergadering voor met de woorden: „Ziedaar den bisschop Arsenus, dien ik zou gedood, en wien ik de rechterhand zou afgehouwen hebben.quot; De laster was beschaamd, maar de haat niet gedoofd. Nog vele andere beschuldigingen, de eene al onge-rijmder dan de andere, werden tegen den moedigen bisschop uitgebracht, en hoewel hij de valschheid er van bewees, werd hij schuldig verklaard. Constantijn was zwak genoeg, om aan deze schandelijke rechtsspraak geloof te slaan en verbande den H. Athanasius naar Trier.

DOOD VAN ARIUS (336).

Nu geloofden de Arianen hunne zaak gewonnen te hebben en gingen verder. Zij wenschten nu den ketter eene schitterende zegepraal te bezorgen, door hem te Constantinopel, de verblijfplaats des keizers zeiven, in de gemeenschap der geloovigen te doen opnemen. Daar zij den H. Alexander, patriarch dier stad, niet voor hunne plannen hadden kunnen winnen, zochten zij hulp bij» Constantijn zeiven. De keizer, altijd gemakkelijk te misleiden , ontbood Arius in zijn paleis en vroeg hem, of hij

ocr page 85

77

de leer van Nicea aannam. Arius aarzelde niet toestemmend te antwoorden en bevestigde zijne verklaring met een eed. De keizer had een afkeer van verdeeldheid maar zag niet in, dat zijn gedrag haar juist deed toenemen. Hij beval den patriarch den ketter in de gemeenschap der geloovigen op te nemen. Alexander wilde den keizer het verkeerde van zijn gedrag onder het oog brengen maar wekte daardoor slechts zijne gramschap op. Nu zocht hij met den H. Jacobus van Nisibe h ulp in het gebed en smeekte God, dat Hij niet zou toelaten, dat Arius de Kerk door zijne ketterij zou ontheiligen.

Terwijl de geloovigen met hunnen heiligen patriarch baden en vastten, juichten de Arianen in hunne zegepraal. Toen de dag kwam, waarop Arius de kerk zou binnentreden, heerschte in de geheele stad eene onbeschrijfelijke ontroering. De geloovigen verdubbelden hunne gebeden. Arius, door zijne volgelingen ondersteund, trok de stad door en begaf zich naar de kerk. Toen hij op het plein gekomen was voor de kerk, waarin de H. Alexander bad, zag men hem eensklaps van kleur veranderen; hij sidderde door geheel zijn lichaam. Hij begaf zich naar zekere plaats doch keerde niet terug. Toen men zicli daarheen spoedde; vond men hem dood en badend in zijn bloed op den grond liggen. De tijding van deze verschrikkelijke straf Gods verspreidde zich met groote snelheid door de stad; de geloovigen snelden naar de kerk en dankten God; vele Arianen bekeerden zich. Constantijn riep den H. Athanasius uit zijne ballingschap terug.

DOOD VAN CONSTANTIJN (337).

De keizer overleed, vóór dit bevel was uitgevoerd. Zijne oorlogen, zijn goed bestuur, de diensten, door hem aan de Kerk bewezen, verwierven hem den bijnaam van den Groote; hij zou dezen nog beter hebben verdiend, hadde hij zich niet nu en dan aan wreedheden overgegeven en zich niet laten bedriegen door de ketters, tegenover wie hij de voorzichtigheid al te veel uit het oog verloor.

ocr page 86

KEIZER C0NST4NTIÜS (337—361).

Constantijn werd door zijne drie zoons opgevolgd: Constantijn II, Constantius en Cons tans. De eerste regeerde drie jaar; Constans stierf in 350, en Constantius regeerde 11 jaar quot;lang het Rijk alleen. De Arianen verheugden zich in zijne gunst. De Ariaansche bisschop Eusebius van Nicomedië had een overwegenden invloed op den geest des zwakken keizers. De zegepraal des geloofs was dus van korten duur. De H. Athanasius verborg zich een tijdlang in een klooster en begaf zich vervolgens naar Rome, om zijne zaak aan het oordeel van den H. Paus Julius te onderwerpen. Deze ontving den moedigen geloofsbelijder met den hoogsten eerbied en belegde in 342 te Rome een Concilie, dat de zaak onderzocht en den H. Athanasius onschuldig verklaarde. Hem en den anderen bisschoppen, die onrechtvaardig afgezet waren , gaf men hunne zetels terug, doch Athanasius werd door de woelingen der Arianen nogmaals verjaagd.

Dit goddelooze spel duurde tot in 361, toen keizer Constantius stierf. De H. Athanasius werd afgezet, op zijn zetel hersteld, weer afgezet, verbannen, aan de schandelijkste vervolgingen blootgesteld, maar altijd en altijd verdedigde hij de Godheid van Christus tegen de Arianen met een moed en geloofsijver, die zijn naam onsterfelijk hebben gemaakt in de geschiedenis der Kerk. Na den dood van Constantius werd Juliaan, bijgenaamd de Afvallige, meester van het Rijk.

§ III. Vervolgingen van Sapor en Juliaan den Afvallige.

HET CHRISTENDOM IN PERZIË.

Terwijl de ketterij de Kerk in Europa bedroefde, woedde eene hevige vervolging tegen haar in Perzië, waar Sapor II regeerde. Daar de heidensche priesters het getal der aanbidders hunner afgoden met den dag zagen verminderen, stelden zij den koning de Christenen als de vijanden des

ocr page 87

79

Rijks en de natuurlijke bondgenooten der Romeinen voor. De vervolging begon in 327, twee jaar na het Concilie van Nicea, en duurde met korte tusschenpoozen tot in 380, toen genoemde koning stierf. De Christenen van Perzië gedroegen zich in de vervolging even heldhaftig als hunne broeders, die het Romeinsche Rijk bewoonden.

BELEG VAN N1SIBE.

Gedurende zijn oorlog tegen Constantius had Sapor het beleg geslagen voor de vesting Nisibe; behalve zijn leger, dat uit een ontelbaar aantal Perzen bestond, had hij talrijke Indische hulptroepen. Door den II. Jacobus, hun bisschop, aangemoedigd, boden de inwoners van Nisibe een dapperen tegenstand. Toen Sapor het bevel gaf om de vesting te bestormen, zag hij op den wal een man, gekleed als een koningin onbeschrijfelijke pracht. Meenende dat het keizer Constantius was, dreigde hij allen met den dood, die hem verzekerd hadden, dat deze vorst zich in zijn Rijk bevond. Toen men volhield , dat de koning zich bedroog, werd hij woedend, deed onderscheidenen zijner landvoogden dooden en schoot een pijl naar den hemel, om zich te wreken over God, die partij tegen hem gekozen had.

God nam de uitdaging van den goddeloozen vorst aan. Te Nisibe bevond zich de H. Ephrem, een leerling van bisschop Jacobus. Dezen bad hij op den wal te gaan en van God de nederlaag der ongeloovigen te vragen. De eerwaardige grijsaard beklom een toren en zag, dat de geheele vlakte voor de stad met vijanden overdekt was. Het aangezicht tot hen keerende, bad hij tot God; „ Heer, die door de zwakste middelen den hoogmoed Uwer vijanden kunt beschamen, breng door muggen verwarring in dat leger.quot; Nauwelijks had hij uitgesproken, of een wolk van muggen viel neder op Sapors leger. Zij drongen in de snuiten der olifanten, in de neusgaten en ooren der paarden en lastdieren, en deze werden woedend, wierpen de ruiters ter aarde, verbraken de orde in het leger en vluchtten, hunne berijders overal met zich voerende.

ocr page 88

80

Sapor was verplicht het beleg op te breken, dat drie maanden had geduurd. De H. Jacobus stierf eenigen tijd daarna, aan de Kerk het voorbeeld van bewonderenswaardige deugden, een tal van geschriften en een leerling, den H. Ephrem, nalatende, die een der beroemdste heiligen zou worden van de Oostersche kerk.

JÜLTAAN DE AFVALLIGE.

Juliaan, van zijne jeugd af bekend met de II 11. Gregorius van Nazianze en Basilius, die met hem de scholen van Athene hadden bezocht, veinsde aanvankelijk den Christe-lijken godsdienst grooten eerbied toe te dragen; maar vervuld met hoogmoed, begaafd met eene zonderlinge verbeelding , waaraan hij geen teugel stelde, en toegevende aan de buitensporigs te bijgeloovigheden, schonk hij zijne gunst aan toovenaars en wijsgeeren, die hem aanspoorden het oude heidendom te herstellen. Zoodra de dood van Con-stantius hem in het bezit van het Rijk had gebracht, vaardigde hij een edict van verdraagzaamheid uit, dat aan de ballingschap van Katholieke bisschoppen een einde maakte maar tegelijk den eeredienst der afgoden en het priesterschap der offeraars herstelde. De tempels, door Constantijn verwoest, moesten weder opgebouwd worden; die, welke door de Christenen zeiven waren afgebroken, moesten zij op eigen kosten herstellen, en allé inkomsten, door den grooten keizei' aan hunne kerken geschonken, moesten zij teruggeven.

Het edict had nog een ander doel; het moest verdeeldheid zaaien tusschen de Katholieken en Arianen en hen beiden verzwakken en aan de verachting des volks overleveren. Ook liet Juliaan aan de Christenen slechts den schijn der vrijheid; al zijne gunsten schonk hij aan de heidenen, terwijl de Christenen zich allerlei plagerijen en verdrukkingen moesten getroosten. Om de geestelijkheid te vernederen, ontnam hij haar al hare voorrechten en tevens de sommen, bestemd tot onderhoud van de priesters en aan God gewijde maagden. „Hunne bewonderenswaardige wet,quot; zoo spotte hij in zijne godde-

ocr page 89

81

loosheid, „beveelt hun de goederen dezer aarde te verzaken , ten einde het Rijk der hemelen te verwerven; waarom wij, om hun die reis gemakkelijk te maken, hevelen, dat zij verlost worden van den last hunner goederen.quot;

Na aan de Christenen den toegang tot alle waardigheden en de Kerk en den armen hunne goederen ontnomen te hebben, wilde de Apostaat hun ook beletten zich op de wetenschappen toe te leggen, opdat zij als onwetenden zich de verachting des volks op den hals zouden halen, en hij verbood den Christen leeraars onderwijs te geven in de Grieksche en Latijnsche letterkunde. Maar de meesters, beroofd van hunne leerstoelen, maakten niettemin de pogingen van Juliaan te schande, door het vervaardigen van allerlei geschriften over godsdienst en wijsbegeerte , zoodat de Christelijke letteren een nieuwe vlucht namen.

DB TEMPEL VAN JERUSALEM.

Zijn schandelijk werk voortzettende, wilde Juliaan het H. Evangelie leugenachtig maken en langs dien weg het Christendom verwoesten. In het Evangelie had hij gelezen , dat Christus van den Joodschen tempel had gezegd, dat hij zou verwoest worden, en de eene steen er van niet op den anderen blijven zou. Herstelde hij nu den tempel, dan maakte hij Christus tot een leugenaar. Toenmaals was de II. Cijrillus bisschop van Jerusalem. De talrijke heidenen en Joden ziende, die toesnelden om den tempel te herbouwen, werden de Christenen met angst vervuld, maar Cyrillus stelde hen gerust en voorspelde hun, dat alle pogingen der vijanden van Jesus Christus slechts hunne beschaming zouden tengevolge hebben. Eene groote hoeveelheid benoodigdheden voor den bouw werden bijeengebracht, en dag en nacht werd gearbeid om het terrein te effenen en de grondvesten van den ouden tempel uit te graven. Toen dit werk geëindigd en aldus de voorspelling van Christus tot de laatste letter vervuld was, vertoonde zich de hand Gods. In den nacht vóór den dag, waarop men den bouw zou beginnen,

ocr page 90

82

ontstond eene aardbeving en vernielde de grondslagen, welke reeds gelegd waren; de omliggende gebouwen werden schier alle verwoest. De publieke galerijen, waarin een aantal Joden, die met het toezicht op het werk waren belast, vluchtten, stortten in, en allen werden onder de puinhoopen begraven. Vreeselijke winden voerden zand, kalk en andere bouwbenoodigdheden heinde en ver. Vuurvlammen stegen uit den grond en verbrandden de werktuigen met het onderaardsche gebouw, waarin men ze bewaarde. Toen de dag aanbrak, en de Joden van alle zijden toesnelden, om de verwoesting te aanschouwen, kwamen nieuwe vuurstralen uit den grond en doodden de toeschouwers bij menigte. Herhaaldelijk brak het vuur nog uit in den loop van den dag. Den volgenden nacht verschenen op de kleederen der Joden lichtende kruisen, welke het hun niet mogelijk was te verwijderen; ook verscheen een schitterend kruis aan den hemel. Toch wilden de Joden den arbeid hervatten, maar bij de eerste poging daartoe brak het vuur weder uit en doodde hen. Toen Juliaan van al deze wonderen kennis kreeg, gaf hij bevel, dat de arbeid zou gestaakt worden. De Galileeér, zoo noemde hij onzen Goddelijken Zaligmaker, had eene eerste overwinning op hem behaald.

DOOD VAN JULIAAN.

Nu hij het Christendom niet kon vernietigen, wilde Juliaan zich ten minste den roem der wapenen verschaffen; hij dacht aan niets minder dan aan de verovering van Perzië. Hier wachtte God hem. Aanvankelijk behaalde Juliaan overwinningen, en hierdoor drong hij al dieper en dieper in het Rijk van Sapor. De heidenen juichten. Toen het eerste bericht der zegepraal van Juliaan te Antiochië aankwam, vroeg de heidensche redenaar Libanius aan een Christen, dien hij ontmoette: „Wel, hoe maakt het thans de Zoon van den timmerman?quot; Hiermede bedoelde hij spottend den Zaligmaker, wiens voedstervader een timmerman was. „Hij maakt een doodkist voor Juliaan,quot; antwoordde de Christen.

ocr page 91

83

Den 26 Juni 863 viel Sapor plotseling de achterhoede aan van Juliaan's leger, hield daarin eene vreeselijke slachting en dwong den keizer tot den terugtocht. Deze, den nood zijns legers ziende, snelt er heen, zonder er aan te denken zich te wapenen. Terwijl hij bevelen geeft en het slagveld doorloopt, dringt op eens een pijl, door een Pers op hem afgeschoten, hem in de zijde, en een stroom bloeds vloeit uit de vreeselijke wond. Juliaan vult zijne hand met het bloed, en het naar den hemel werpende, roept hij in duivelachtigen waanzin: „ Gij hebt overwonnen, Gali-leeër!quot; Met Juliaan was het Heidendom thans voor goed verslagen; de overwinning van Jesus Christus was volkomen.

§ IV. De Kerkleeraars en de Heiligen.

DB PAUSEN EN DE KEIZERS.

De H. Paus Liberius smaakte de vreugde, van deze schitterende zegepraal der Kerk getuige te mogen zijn. Zijne opvolgers, de HH. Pausen Damasus en Siricius, verdienden niet minder dan hij den Stoel van Petrus te bekleeden. Met uitzondering van Valens, die in het Oosten regeerde van 364 tot 379, waren alle keizers het rechtzinnige geloof toegedaan. Jovianus (363—364) wilde de keizerlijke waardigheid, hem door het leger aangeboden , niet aannemen, tenzij het Christendom wederom de godsdienst werd van den Staat. Valentinianus I (364— 375) had zich door zijn ijver voor het Christendom de ongenade van keizer Juliaan op den hals gehaald. Toen de Apostaat op zekeren dag, voorafgegaan door Valentinianus, toenmaals kapitein zijner lijfwacht, een afgodstempel binnentrad, en de priester den keizer en zijn gevolg met aan de afgoden gewijd water besproeide, vielen eenige druppels op de kleederen van Valentinianus. Vol verontwaardiging scheurde hij de plek uit zijn kleed, welke door het water was besmeurd, en gaf den heidenschen priester onder de oogen van Juliaan een slag in het aangezicht. Eindelijk verscheen, nadat nog twee keizers- hadden geregeerd.

ocr page 92

84

Theodosius de Groote, wiens naam herinnert aan een der schitterendste tijdperken van de geschiedenis der Kerk.

DE HH. GREGORIUS EN BASILIUS.

De namen dezer groote heiligen zijn reeds genoemd in de geschiedenis van Juliaan den Afvallige. Zij waren door de innigste vriendschap vereenigd, welke reeds op de school te Athene was ontstaan. De H. Gregorius verhaalt ons zelf, hoe die vriendschap ontstond. „Beiden hadden wij hetzelfde doel, en dit was de deugd. Wij hielden het toezicht op elkander en vermaanden elkaar onophoudelijk tot godsvrucht. Niet den minsten omgang hadden wij met scholieren, die een ongeregeld leven leidden, en kwamen alleen in aanraking met hen, wier zedigheid en wijsheid ons konden steunen in de beoefening der deugd. Te Athene kenden wij slechts twee wegen: die naar de kerk en naar de school; wegen, welke naar de wereldsche feesten, naar de schouwburgen, naar verboden vermaken leidden, waren ons geheel onbekend.quot;

De H. Gregorius van Nazianze werd onder de regeering van keizer Theodosius op den zetel van Constantinopel verheven, maar in die waardigheid was hij ten prooi aan zooveel vervolgingen, dat hij haar nederlegde en zich in de eenzaamheid begaf. Hij stierf te Cappadocië in 389, een groot aantal geschriften nalatende. Men heeft hem den bijnaam gegeven van den Godgeleerde en telt hem onder de beroemdste Vaders der Grieksche kerk.

De H. Basilius, bisschop van Cesarea, heeft eveneens vele geschriften nagelaten en behoort ook tot de Oostersche Kerkvaders. Keizer Valens wilde hem dwingen om de Ariaansche ketterij aan te nemen en gebood hem het woord medezelfstandig te verloochenen; maar de prefect Modestus, die hem het bevel des keizers overbracht, vond een tegenstand, waarop hij niet had gerekend. Toen hij den H. Basilius met verbeurdverklaring zijner goederen, met ballingschap en zelfs met den dood dreigde, antwoordde de beroemde bisschop: „Gij zoudt mij ernstiger bedreigingen moeten doen hooren, wildet gij uwe bevelen doen

ocr page 93

85

uitvoeren. Goederen bezit ik niet; mijn geloof is al mijn rijkdom. Wat ballingschap is, weet ik niet; alle landen zijn voor mij ballingsoorden, wijl het leven slechts eene reis is; op de geheele wereld ben ik thuis, omdat ik overal het eigendom Gods vind. Wat den dood betreft, zelfs de vrouwen verachten dien, als hij geleden moet worden voor Jesus Christus; ik zou mij er slechts over kunnen verheugen, omdat hij mij te spoediger brengt bij mijn God.quot; „ Ik heb nog nimmer een mensch aan u gelijk ontmoet,quot; zeide de prefect. „Hebt gij dan nooit een bisschop ontmoet?quot; hernam Basilius. Toen de keizer het antwoord van den heilige vernam, veranderde zijn toom in achting. De H. Basilius stierf in 379, zes jaar na den H. Athanasius, die zijn meester was geweest, en dien hij als zijn vader beminde.

DE H. JOANNES CHRYSOSTOMUS.

De H. Joannes, bijgenaamd Chrysostomns, wat beteekent Gulden mond, ter oorzake zijner welsprekendheid, en die in Comanië in ballingschap in 407 overleed, na aartsbisschop van Constantinopel geweest te zijn, schonk aan de Kerk talrijke geschriften, waarin hij de verhevenste onderwerpen van geloof en zedenleer behandelde. Hij werd te Antiochië geboren en legde zich toe op de studie der H. Schrift en de beoefening van alle deugden. Als kluizenaar levende in de bergen van Syrië, gaf hij zich over aan zulke strenge verstervingen, dat zijne gezondheid er onder leed, en hij verplicht was naar Antiochië terug te keeren. De H. Flavianus, bisschop der stad, wijdde hem priester en hield hem bij zich als zijn kapelaan (481). Deze twee heiligen werden de redders van Antiochië bij eene gelegenheid, die hen en keizer Theodosius met eer overlaadde.

In die stad was een hevig oproer uitgebroken bij gelegenheid van de invoering eener belasting. De opstandelingen ontzagen zich niet zelfs de standbeelden des keizers, der keizerin en van den vader des keizers te verbrijzelen. De aanvoerders der opstandelingen werden door de over-

ocr page 94

86

heden streng gestraft, maar Theodosius, hierdoor niet bevredigd , zond in zijn toorn twee commissarissen naar Antiochië met den last alle schuldigen ter dood te brengen, aan de stad al hare voorrechten te ontnemen en de prachtige hoofdstad van het Oosten in een dorp te veranderen. Flavianus reisde naar Constantinopel, terwijl Joannes achterbleef om het volk te troosten en te bemoedigen. Toen Flavianus bij den keizer toegelaten was, plaatste hij zich somber zwijgende voor den troon, met nedergeslagen oogen en weenend, als hadde hij zich beladen met de misdaden van al zijne stadgenooten. Daarna hield hij eene zoo welsprekende en hartroerende rede, dat Theodosius, zijne tranen met die des Heiligen grijsaards vermengende, uitriep, dat hij op het voorbeeld van Jesus Christus vergaf en voor zijne beulen bad, en Antiochië was gered (388).

DE H. AMBROSIUS.

Een ander Kerkleeraar, doch die tot de Latijnsche kerk behoorde, was de H. Ambrosius, bisschop van Milaan van 374 tot 397. Van ouds onderscheidde men de twee groote deelen, die te samen de ééne Kerk uitmaakten, in de Oostersche of Grieksche en de Westersche of Latijnsche kerk. De laatste bevatte geheel Europa behalve het tegenwoordige Turkije en Griekenland, de eerste deze twee landen benevens Azië en Afrika. De H. Ambrosius verdedigde de leer der Kerk in tal van geleerde geschriften, en is de maker van het Te Deum laudamus. Minder gelukkig dan de H. Flavianus tegenover keizer Theodosius, wiens toorn hij niet kon bedwingen, slaagde hij er toch in hem tot berouw te brengen. In 390 stond de stad Thessalonica tegen den keizer op, even als twee jaar te voren Antiochië gedaan had, en bedreef de schandelijkste buitensporigheden. Theodosius, door zijne hovelingen aangehitst, beval, dat een voorbeeldige strafoefening zou gehouden worden. Terwijl het volk de spelen in het circus bijwoonde, wierpen de soldaten zich op een gegeven teeken op de menigte en vermoordden drie uren lang allen, die zij ontmoetten, zonder onderscheid van

ocr page 95

87

rang of stand, leeftijd of geslacht, onschuld of misdaad.

Toen de H. Ambrosius dit vernam, schreef hij den keizer, dat hij hem in de vergadering der geloovigen niet meer ontvangen kon. Toen de keizer in weerwil hiervan aan de deur der kerk verscheen, ging de H. bisschop hem tegemoet en riep hem toe: „ Gij hebt David nagevolgd in zijne zonde, volg hem ook na in zijne boetvaardigheid.quot; Theodosius onderwierp zich, deed openbare boete en toonde zich aldus grooter dan aan het hoofd zijner legerscharen.

DE HISSCHOPPEN VAN GALLIÊ.

Ook Gallië bezat toenmaals evenals in den tijd der martelaren groote en beroemde bisschoppen, die de glorie der Kerk uitmaakten; de twee voornaamste waren de II. Hilarius, bisschop van Poitiers en Kerkleeraar, en de H. Martinus, bisschop van Tours. De eerste, in het heidendom geboren, bekeerde zich, na eene zorgvuldige studie van het Christendom gemaakt te hebben. Toen hij tot de bisschoppelijke waardigheid verheven was, bestreed hij het Arianisme met de grootste kracht en werd daarom verbannen. Later te Poitiers teruggekomen, stierf hij er in 367. De Hieronymus, zinspelende op de snelheid eener rivier in Gallië, noemde den H. Hilarius de Rhóne der Latijnsche welsprekendheid.

De H. Martinus is een der meest bekende heiligen in Frankrijk en in de geheele Kerk. In Pannonië in 316 geboren, de zoon van een militair, volgde hij aanvankelijk het beroep zijns vaders. Eens begaf hij zich te paard naar Amiens en ontmoette een arme, schier naakt en stervend van koude. Martinus had niets om hem te geven, maar zijn mantel nemende, sneed hij dien met zijn zwaard in tweeën en wierp de eene helft den arme om de schouders. Des nachts verscheen Christus hem, tot de Engelen, die Hem omringden, zeggende: „ Martinus heeft Mij met dezen mantel gekleed!quot; Martinus liet zich doopen, werd vervolgens door den H. Hilarius tot priester gewijd, leefde eenigen tijd in afzondering en werd in 374 verheven tot bisschop van Tours. Zijn ijver en liefde strekten zich

ocr page 96

88

over geheel Gallië uit; hij bekeerde een groot aantal heidenen en werd de Apostel der geheele landstreek. Terwijl hij de dwalingen bestreed, won zijne liefde alle harten, en zijne mirakelen zegevierden over de boosaardigste gemoederen. Nabij Tours bouwde hij een klooster, en in geheel Gallië verspreidde hij den lust voor het religieuse leven. Hij stierf in 397 vereerd door al het volk, dat in menigte naar zijn graf stroomde, waar tallooze mirakelen geschiedden. Later werd ter eere van den grooten bisschop eene prachtige kathedraal gebouwd, en de H. Martinus werd de patroon van een ontelbaar aantal kerken in verschillende landen , ook in ons vaderland.

DE II. HIRRONYMUS.

Een andere Heilige, die tot de Latijnsche kerk behoorde maar een groot gedeelte van zijn leven in het Oosten doorbracht, stichtte toenmaals de geheele Christenheid door zijn boetvaardig leven en zijne geschriften, nl. de H. Hieronymus. Na in de eenzaamheid strenge boete te hebben gedaan voor de afdwalingen zijner jeugd, werd hij priester gewijd te Antiochië en legde zich voornamelijk toe op de studie der H. Schrift. Hij vestigde zich te Bethlehem. Daar leerde hij grondig de Hebreeuwsche taal en verrijkte de Kerk met eene nieuwe vertaling in het Latijn van den Bijbel, terwijl hij gelijktijdig de ketters met geleerde geschriften bestreed. Zijne vertaling van den Bijbel wordt tot op heden door de H. Kerk gebruikt. Nog zijn door hem boeken geschreven, waarin hij sommige gedeelten van den Bijbel verklaart.

KETTERIJ DER M4CEDONIANEN.

Na den dood van keizer Valens verloor het Arianisme een groot gedeelte van zijn invloed. Ongelukkig was het in de barbaarsche volken doorgedrongen, die weldra naar het westen van Europa afzakten, en hierdoor werden ook Frankrijk en Spanje met de ketterij besmet. Eene andere ketterij kwam het kwaad nog vermeerderen. Macedonius, door de Arjanen op den zetel van Constantinopel ge-

ocr page 97

89

plaatst (341) maar door hen later ook weer daarvan verdreven (359), viel tegelijk de leer der Arianen en der Katholieken aan, daar hij tegen de eersten de Godheid van Christus verdedigde en tegen de laatsten leerde, dat de H. Geest geen goddelijke persoon is, maar slechts een schepsel, volmaakter dan de engelen en menschen. De Macedonianen verspreidden hunne dwaalleer niet alleen, te Constantinopel maar ook in Thracië, Bythinië en in de landen aan den Hellespont.

CONCILIE VAN CONSTANTINOPEL (381).

Er werd een Concilie te Constantinopel bijeengeroepen, om de nieuwe ketterij te veroordeelen. De bisschoppen snelden toe uit alle landen der Christenheid. De H. Melctius, patriarch van Antiochië, bekleedde het voorzitterschap, daar de H. Paus Damasus door zijn hoogen leeftijd te Rome teruggehouden werd. Keizer Theodosius smeekte den bisschoppen alle middelen te beramen, om den vrede aan de Kerk terug te geven, en beloofde hun den steun van zijn ijver en zijn gezag. Met groote plechtigheid werd het Concilie geopend. Eerst beproefde men de Macedonianen langs den weg der zachtmoedigheid en der overreding tot de leer der Kerk terug te brengen, doch deze poging mislukte; de ketters verlieten het Concilie. Toen werden de besluiten van het Concilie van Nicea tegen hen vernieuwd , en in het Symbolum voegde men de volgende woorden aangaande den derden Persoon der H. Drievuldigheid; „Wij gelooven in den H. Geest, die Heer is en levend maakt; die van den Vader voortkomt; die met den Vader en den Zoon gelijkelijk aanbeden en mede verheerlijkt wordt; die door de profeten gesproken heeft.quot;

ocr page 98

90

TWEEDE HOOFDSTUK.

De invallen der barbaren (395—476;.

[Vijfde eeuw].

Drie afdeelingen: De ketter ij en en de Kerkleeraars. — De barbaren. — De heiligen.

§ I. De ketterijen en de Kerkleeraars.

TOESTAND VAN HET ROMEINSCHE RTJK.

Toen Theodosius de Groote stierf (395), was het Romein-sche Rijk in twee deelen verdeeld, welke daarna niet meer vereenigd werden: het Westersche Rijk, waar de zwakke Tlonorius heerschte, het Oostersche Rijk, door Arcqdius bestuurd, die even zwak en onbekwaam was als zijn broeder. En de barbaren stonden gereed, om de schoonste landen van Europa te overvallen. God zond de straf voor het Romeinsche zedenbederf en deed den tijd naderen voor de vorming der Christelijke maatschappij. Het Romeinsche Rijk viel, omdat het, ofschoon Christelijk geworden, zich niet van den geest des Christendoms liet doordringen.

DE H. AUGUSTINÜS.

De scheuring der Donatisten bleef nog altijd Afrika beroeren. Na hunne veroordeeling dachten zij aan geen bekeering maar gaven zich aan woede over. Zij maakten zich gewapenderhand van de kerken meester en verbrijzelden de altaren en de gewijde vaten. Zoo ver ging hunne boosheid, dat zij ten tweeden male doopten en hen, die daarin niet wilden toestemmen, door de wreedste mishandelingen er toe dwongen. Nu verscheen een der schitterendste lichten der Kerk, de II. Augustinus. Geboren te Tagaste in Numidië in 354, werd hij door zijne H. moeder Monica van jongsaf in de Christelijke leer onderwezen. Maar de heidensche wijsbegeerte en de ketterij der Manicheeërs brachten hem op een verkeerden weg, en hij gaf zich over aan een ongeregeld leven, dat

ocr page 99

91

hem nog meer van de waarheid verwijderde. Monica weende en bad. Augnstinus bracht twee jaren te Rome en Milaan door (383—384), beoefende in het openbaar de welsprekendheid en vond vele toejuichingen. Te Milaan had hij het geluk den H. Ambrosius te hooren. Tot in het diepste zijner ziel door de genade Gods getroffen, verzaakte hij voor altijd aan de wereld en aan zijne vroegere dwalingen; hij veranderde geheel van leven, werd priester gewijd (393) en vervolgens tot bisschop van Hippo in Afrika verheven (395). Van dit oogenblik af was zijn leven een aanhoudende strijd tegen de dwaling en het zedenbederf.

Hij getroostte zich den hardsten arbeid, om de Dona-tisten in den schoot der Kerk terug te brengen, en met een groot aantal gelukte hem dat. Maar de overigen verhardden in hunne boosheid; zij legden hem allerlei hinderlagen, en zonder eene bijzondere hulp van God, die hem voor nog heviger strijd spaarde, zou hij omgekomen zijn. De bisschoppen, dezen toestand diep betreurende, stelden nu voor eene bijeenkomst te houden, en alle bisschoppen van Afrika, zoo Katholieken als Dona-tisten, begaven zich naar Carthago. Men koos aan beide zijden zeven bisschoppen, en dezen beraadslaagden met elkander. Onder de Katholieke bisschoppen behoorde de H. Augustinus, en op zijn voorstel boden zij allen, bijna 300 in getal, hunne zetels aan de Donatisten aan, op voorwaarde dat zij in den schoot der Kerk zouden terugkeeren. De bisschoppen der Donatisten waren verbaasd over dit edelmoedig aanbod en konden de reden niet weerleggen, waarmede de H. Augustinus aandrong op hunne hereeniging met de Kerk. Het volk, ziende hoe in die vergadering de dwaling volkomen beschaamd was gemaakt, opende eindelijk de oogen, en in groote menigte keerden de misleiden tot de eenheid der Kerk terug.

DOOD VAN DEN H, JOANNES CHRYSOSTOMUS.

Ook de Oostersche kerk had hare beproevingen. De H. Joannes Chrysostomus, bisschop van Constantiuopel

ocr page 100

92

geworden, beijverde zich inzonderheid, om de misbruiken uit te roeien, welke nog uit het heidendom waren overgebleven. Zoo streed hij inzonderheid tegen de onmatige Aveelde en ongeregelde levenswijze van vele vrouwen. Keizerin Eudoxia vatte daarom hevigen afkeer tegen den bisschop op en veroordeelde hem tot ballingschap. Maar terwijl hij in een boot naar Azië werd gevoerd, gaf het volk zich aan de grootste droefheid over, en er ontstond een vreeselijke aardbeving. Eudoxia zag in een en ander een teeken des hemels en deed den bisschop onmiddellijk terugbrengen. Maar nauwelijks was zij van den schrik bekomen, of zij gaf zich op nieuw aan den haat over, en daar de Heilige voortging met de bestrijding der misbruiken, werd hij ten tweeden male verbannen. Deze ballingschap duurde tot aan zijn dood. Toen hij ziek geworden was tengevolge van de mishandelingen, welke hij moest ondergaan, en zijn einde voelde naderen, trok hij witte kleederen aan, ten teeken van vreugde over zijne bevrijding, verdeelde het weinige, dat hij bezat, onder de armen, ontving de H. Communie en stierf eindelijk, terwijl hij zeide; „ God zij voor alles geprezen! quot; Keizerin Eudoxia was hem in het graf voorgegaan, en Arcadius, die tot zijne tweede ballingschap bevel gegeven had, volgde hem spoedig (408). Theodosius de Jonge (408—450) beklom den troon, en nu braken voor de Kerk betere dagen aan.

HET PELAGIAN1SMB.

In de Westersche kerk brak een nieuwe ketterij uit. Zekere Pelagius, in Brittannië geboren, zaaide door zijne dwaalleer tweedracht en verdeeldheden. Hij loochende de erfzonde en dus ook de noodzakelijkheid van den H. Doop; deze drukt in de ziel van den mensch volgens zijn beweren slechts het zegel der Goddelijke aanneming. Voorts leerde hij, dat de vrije wil des menschen na den zondenval volkomen gelijk is aan dien van Adam, vóór hij zondigde, en dat de mensch met zijn vrijen wil alleen, zonder de hulp der goddelijke genade, alle bevelen van God opvolgen, allen bekoringen wederstaan, de volmaaktheid verkrijgen

ocr page 101

93

en den hemel verwerven kan. Hierdoor werd de goddelijke genade onmiddellijk vernietigd en middellijk het geheele mysterie der Verlossing.

De H. Augustinus verhiëf zich met kracht tegen deze ketterij, vervolgde haar tot in hare laatste schuilhoeken en legde op de duidelijkste wijze de leer der H. Kerk omtrent de genade bloot. Daar de ketter in zijne dwaalleer

Jf

volhardde, wendden aller oogen zich naar den H. Stoel,

en de Paus, als de trouwe bewaarder der Goddelijke open-

II

i • 'is

baring, veroordeelde Pelagius en zijn aanhang. Nu sprak de H. Augustinus de woorden uit, welke na hem eindeloos zijn herhaald en tot het einde der tijden herhaald zullen worden: ,.Rome heeft gesproken, de zaak is uit.quot; Hij voegde er bij; „moge de dwaling nu ook uit zijn!quot; maar deze hoop werd niet vervuld, want Pelagius weigerde gehoorzaamheid. Met zijne voornaamste aanhangers ging het eveneens, waarom keizer Honorius 18 hunner

lil5

uit Italië verbande.

Nu nam de ketterij eene andere gedaante aan; zij verzachtte de leerstellingen van Pelagius, en hierdoor ontstond het half- of semi-pelagianisme, maar ook dit werd dooiden H. Augustinus bestreden. Te midden echter van den strijd werd zijne bisschoppelijke stad Hippo door de Wandalen belegerd, en weldra overleed de groote en beroemde Kerkvader (430). Onderscheidene andere bisschoppen zetten den strijd voort, en in de volgende eeuw werd het semi-pelagianisme door twee Conciliën veroordeeld, nl.

door dat van Oranje in 529 en door dat van Valencia in 530.

i|

|||fi

i!

HET NESTORIANISME.

Onder het Pausschap van den H. Celestinus I verscheen eene ketterij , welke de geheele Oostersche kerk in beweging bracht; zij ging mt van Nestorius, patriarch van Constantinopel, een hoogmoedig man en vriend van nieuwigheden. De Arianen en Macedoniërs bestrijdende,

viel hij zelf in dwaling; hij leerde dat, gelijk er in Christus twee naturen zijn, zoo ook in Hem twee personen zouden zijn, en loochende diensvolgens het goddelijk Moeder-

li

-■■•Ik

■ kjiquot;':

m iné

ocr page 102

94

schap van de H. Maagd. Deze beleediging, Gods H. Moeder aangedaan, vervulde de geheele Christenheid met ontzetting en droefheid, maar Nestorius wist van geen wijken. Er werden eenige bisschoppen gevonden, die deze ketterij aannamen; en Dorotheas, bisschop van Marcianopolis, op zekeren dag in tegenwoordigheid van Nestorius te Con-stantinopel predikend, sprak den ban uit over allen, die geloofden, dat Maria Moeder van God is geweest. Het volk slaakte kreten van verontwaardiging en verliet de kerk; het geheele Oosten kwam in beweging bij dit schandaal.

Had God den H. Athanasius verwekt, om het Arianisme, en den H. Augustinus, om het Pelagianisme te bestrijden, tegen de ketterij van Nestorius schonk Hij den H. Cyrillus, patriarch van Alexandrië, aan de Kerk. Tot zelfs bij de monniken van Egypte drong de ketterij door. De H. Cyrillus schreef hun, onderwees hun de leer der Kerk en wendde zich vervolgens tot Nestorius, om hem van zijne dwaling terug te doen komen, maar zonder gevolg. De H. Paus Celestinus I, van de zaak vernemende, zeide: „ Het verwondert mij, hoe men er over twijfelen kan, dat de H. Maagd Moeder Gods moet genoemd worden, want is Jesus Christus God, dan is Zijne Moeder Moeder van God; dit is de leer, door de Apostelen ons nagelaten.quot;

ALGEMEEN CONCILIE VAN EPHESE (431).

De zaak was uit, want de Paus had gesproken. Evenwel, daar Nestorius in zijne dwaling volhardde, zou de geheele Kerk haar gevoelen doen hooren, om de ketterij te beschamen; te Ephese kwam in 431 een oecumenisch Concilie bijeen. Als legaat van den Paus werd het door den H. Cyrillus geleid. Meer dan 200 bisschoppen kwamen bijeen in de hoofdkerk te Ephese. Op een gouden troon plaatsten zij in hun midden het Evangelie, hetwelk leerde, dat Jesus Christus had beloofd tot het einde der tijden met Zijne Kerk te zullen blijven. Nestorius kwam te Ephese, maar weigerde in het Concilie te verschijnen; dus moest men in zijne afwezigheid zijne geschriften onderzoeken. Toen deze gelezen waren, riepen de Vaders

ocr page 103

95

met eene stem: „ De ban over deze goddeloosheden ! De ban over allen, die deze leugenachtige leer volhouden, welke in strijd is met de H. Schrifi en de overlevering der Vaders!quot; Men las vervolgens de brieven van den Paus; Nestorius werd afgezet en geëxcommuniceerd, en plechtig verklaarde het Concilie, dat de H. Maagd Moeder Gods is.

Het volk van Ephese had zich verzameld voor de kerk, waarin de Vaders vergaderd waren , om zoo spoedig mogelijk de uitspraak van het Concilie te vernemen. Toen deze bekend werd gemaakt, ontstond een algemeen gejuich. De bisschoppen, door de verheugde volksmenigte omringd, werden met bloemen bestrooid en in zegepraal weggeleid; de geheele stad werd met flambouwen verlicht, en heerlijke reukwerken werden ontstoken voor de beelden der H. Maagd. Nog een laatste poging deden de Nestorianen, om hunne nederlaag te ontgaan. Door den vertegenwoordiger des keizers, die hun genegen was, werden de brieven van het Concilie onderschept, en valsche brieven werden aan den keizer gezonden. Maar de waarheid kwam aan den dag. Een door de bisschoppen afgevaardigde monnik, als bedelaar gekleed, verborg de ware uitspraak van het Concilie in een uitgeholden wandelstok en wist het keizerlijk paleis binnen te dringen. Nauwelijks had Theodosius de waarheid vernomen, of hij verbande den ketter naar Egypte, waar deze een ellendigen dood vond (439).

DE KETTERIJ'VAN EÜTYCHES.

De hel gaf den strijd tegen Christus en Zijne Kerk niet op. Hadden de Arianen de Godheid van Christus geloochend en daarmede de leer over deH. Drievuldigheid; de Pelagianen de noodzakelijkheid der genade ontkend en aldus de Verlossing nutteloos gemaakt; de Nestorianen het Goddelijk Moederschap van Maria bestreden en, in Christus twee personen erkennende, de Menschwording van Jesus geloochend: Eutyches, een monnik uit een klooster te Constantinopel, beweerde, dat er in Christus maar één natuur, de Goddelijke, is en loochende aldus Zijne H. Mensch-

ocr page 104

96

heid. Zoo woedden en raasden de ketterijen tegen onzen Goddelijken Zaligmaker en Zijne H. Moeder en noodzaakten de H. Kerk tot eene onafgebroken verdediging van de leer, welke zij van de Apostelen ontvangen had. Onder leiding van den H. Flavianus kwam een Concilie te Con-stantinopel bijeen, en hier werd Eutyches veroordeeld, maar daar keizer Theodosius de Jonge partij voor hem trok, werd een oecumenisch Concilie noodzakelijk geacht, en dit kwam te Chalcedonië in 451 bijeen. Het was het vierde oecumenisch Concilie en bestond uit 520 bisschoppen; er waren vier legaten van den Paus, en een hunner bekleedde het voorzitterschap. Reeds in de eerste zitting werd ieder veroordeeld, die leerde, dat in Jesus Christus slechts ééne natuur is. Vervolgens las men den bewonderenswaardigen brief, door den H. Paus Leo aan Flavianus bij het ontstaan der ketterij geschreven, en waarin hij de leer der Kërk over de Menschwording van Christus blootlegde. Toen de brief gelezen was, riepen de bisschoppen uit: „Dat gelooven wij allen; Petrus zelf heeft door den mond van Leo gesproken; zóó is de rechtzinnige leer. De ban over hem, die niet aldus gelooft.quot;

Keizer Marcianus, die de zesde zitting van het Concilie had bijgewoond, liet zich de uitspraak der bisschoppen voorlezen, en toen men hem verklaard had, dat dit het geloof was der geheele Kerk, vaardigde hij eene wet uit, welke de uitvoering van de voorschriften van het Concilie voorschreef.

§ 11. De invallen der barbaren.

Terwijl de ketterij de Kerk, vooral die in het Oosten, verontrustte, verwoestten de barbaren het Westersch Romeinsche Rijk en deden het ten slotte vergaan. De barbaren waren onbeschaafde heidensche volken en volksstammen , die buiten het Romeinsche Rijk, ten noorden van den Donau en den Rijn, woonden en in vroegere eeuwen uit Azië naar Europa waren gekomen. Die opschuivingen der barbaarsche volken van het Oosten naar

ocr page 105

97

het Westen bleven eeuwen lang aanhouden, en herhaaldelijk vielen zij uit het noorden van Europa in de Zuidelijke landen van het Romeinsche Rijk, o. a. in Italië. Toen waren echter de Romeinen nog sterk en konden hen wederstaan. Nadat zij echter door de zedeloosheid geheel en al verzwakt waren. werden de pogingen der barbaren met beter gevolg bekroond, en schier geheel de vijfde eeuw werd ingenomen door de invallen der onbeschaafde volken • in Italië en Spanje, waar zij de macht der Romeinen geheel vernietigden. Deze gebeurtenis wordt de Groote Volksverhuizing genoemd en stortte de Zuidelijke landen van Europa in een zee van bloed en tranen. Te midden dier vreeselijke onheilen was de Kerk de machtige beschermster der ongelukkige volken, die ten prooi waren aan al de jammeren van den strijd tusschen de heiden-sche beschaving en de barbaarschheid.

ALARIC.

Alaric, koning der Westgothen, was de eerste aanvoerder der barbaren, die na den dood van Theodosius den Groote in de landen van het Romeinsche Rijk drong (402). Een eerste maal werd hij teruggedrongen door Stilicon, een generaal van keizer Honorius, die, om zijne overwinning te vieren, te Rome een strijd van zwaardvechters deed houden. Constantijn had deze bloedige spelen verboden, maar de zeden waren nog altijd sterker dan de wetten. Toen de strijd in het renperk te Rome uitbrak, wierp een monnik, Telemachus geheeten, zich te midden der zwaardvechters en poogde hen van elkander te scheiden. Telemachus had opzettelijk zijne eenzaamheid verlaten, om een einde aan deze goddelooze spelen te maken. Hij werd door de toeschouwers vermoord, maar het bloed des martelaars droeg vrucht: de spelen der zwaardvechters werden voor goed afgeschaft.

Na den dood van Stilicon kwam Alaric in Italië terug. Een vroom kluizenaar wilde beproeven hem geheel alleen te wederstaan; hij waarschuwde den koning, dat God wraak neemt over de ongelukken, die over de volken

ocr page 106

98

worden gebracht. Maar de barbaar antwoordde: „mijn vader, ik word niet geleid door mijn eigen wil; ik hoor onophoudelijk eene stem, die mij toeroept: trek op en verwoest Rome!quot; Inderdaad, God dreef de barbaren tegen Rome aan, omdat Hij Ie aarde wilde vernieuwen. Een eerste maal werd de hoofdstad der wereld nog gespaard, maar Alaric keerde terug, en nu kon Rome niet aan de straf ontkomen. De stad werd ingenomen en drie dagen lang aan de plundering der barbaarsche legers over- . geleverd. De brand voegde zich bij de plundering; het invallen der huizen, die door het vuur verslonden werden, het gejammer, de spot, de martelingen veroorzaakten alom eene vreeselijke verwarring, en alsof de hemel medewerkte , om de trotsche beheerscheres der natiën te straffen, ontstond een storm, die de stad op hare grondvesten deed schudden. De bliksem sloeg in de heidensche tempels en vernielde de afgoden. Alleen de majesteit des Christendoms kon den barbaren eerbied inboezemen. De kerken van St. Pieter en St. Paulus werden door den overwinnaar zeiven als wijkplaatsen aangewezen. Ook vluchtten vele Christenen in de Catacomben. De soldaten brachten de H. Vaten uit de St.-Pieterskerk bij Alaric, maar hij gebood ze aan de priesters terug te geven, en men zag de aan God gewijde maagden door soldaten wegvoeren naar plaatsen, waar zij veilig waren tegen alle beleedigingen (410).

ATTILA.

Terwijl Alaric Italië verwoestte, wierpen de Wandalen, Suëven en Alanen zich op Gallië en vonden daar geen anderen tegenstand dan dien der bisschoppen. Vervolgens kwamen de Westgothen en na hen de Hunnen onder hunnen verschrikkelijken koning Attila, die zich zeiven den Geesel Gods noemde. Trier, Straatsburg, Metz en honderd andere steden werden door hem verwoest. Vervolgens trok hij op naar Parijs. Hier echter wachtte hem een nederige maagd, Genoveva geheeten, die geen andere wapens had dan haar gebed en hare deugden. God zelf openbaarde aan het volk van Parijs hare hei-

ocr page 107

99

ligheid door de vele wonderen, welke zij deed. Bij de nadering van Attila nam het volk tot haar zijn toevlucht, en zij spoorde het aan om te vasten en te bidden. Wilde het zich voor God verootmoedigen, dan, beloofde zij, zou de stad van Attila geen leed ondervinden. Het volk deed boete voor zijne zonden, en op eens kwam het bericht, dat een opstand in het leger van Attila was uitgebroken, en hij genoodzaakt was een anderen weg te nemen. Parijs was gered. Het verheugde volk dankte God en Genoveva, en deze leefde te midden harer medeburgers tot haar 90ste jaar in de beoefening van allerlei goede werken; o. a. bouwde zij te Parijs eene kerk-ter eere van den H. Dionysius, den eersten bisschop van Parijs. Zij stierf in 511, en haar lichaam werd begraven naast dat van Clovis, den beroemden stichter van het Fransche Rijk, in de kerk van de HH. Petrus en Paulas, die van nu af de kerk van de H. Genoveva werd genoemd.

De Hunnen trokken naar Orleans, en dit werd gered door zijn bisschop, den H. Aignan, en den Romeinschen veldheer Aetius. Nu belegerde Attila Troyes, dat hij, naar wraak dorstende, aan moord en brand wilde overleveren. Maar hier werd hij weerstaan door den H. bisschop Lupus, die zijn volk moed insprak en het wist te bewegen, zich tegen den geduchten vijand te verzetten. Intusschen rukte Aetius naar Troyes op, en Attila werd in de Catalaunische Velden volkomen verslagen. Hierdoor werd Gallië geheel van de Hunnen bevrijd.

In het volgende jaar (452) was Attila opnieuw getuige van eene wondervolle gebeurtenis. Hij trok met zijne benden de Alpen over en sloeg zijne legers op aan de oevers van de Po. Keizer Valentinianus III vluchtte naar Rome en zocht zijn toevlucht bij den H. Paus Leo den Groote. De keizer, de Senaat en het volk smeekten den Paus hen te redden uit den nood, en Leo nam de gevaarlijke taak op zich, van zich te begeven naar de legerplaats van den Geesel Gods. Niet alleen stond het lot van Rome op het spel, maar ook van Italië en van de ge-heele Christenheid. Den 11 Juni 452 begaf de Paus zich,

ocr page 108

100

vergezeld door onderscheidene heilige en aanzienlijke personen, naar Attila. Alvorens zich aan den barbaar te vertoonen, bekleedde hij zich met het Pauselijk gewaad, en nu, door zijne priesters en diakens gevolgd, naderde hij Attila's troon. Wat werd tusschen beide mannen gesproken? Wat zeide Leo? Wat antwoordde Attila? De geschiedenis weet het niet te verhalen, maar Attila verliet Italië. Toen de H. Leo vertrokken was, vroegen de barbaren den koning, waarom hij zooveel eerbied had bewezen aan den Paus en hem in alles had gehoorzaamd, in plaats van hem te bevelen. Attila antwoordde: „ Niet de persoon van. hem, die mij is komen bezoeken, heeft mij zulk eene eerbiedige vrees ingeboezemd, maar ik zag bij dien Opperpriester een anderen persoon, nog doorluchtiger dan hij, eerbiedwaardig door zijne witte haren, die in priesterlijk gewaad naast hem stond, met het zwaard in de hand en mij met verschrikkelijke gebaren dreigende, indien ik niet getrouw uitvoerde, wat mij door den gezondene gevraagd werd.quot; Die persoon was de H. Apostel Petrus. Attila stierf het volgende jaar.

GENSERIC.

Een der barbaarsche volken, dat de bloedigste herinneringen heeft nagelaten, was over Spanje, onder koning Gemeric, naar Afrika gegaan en had zich daar gevestigd; het waren de Wandalen, tegen wie de H. Augustinus zijne stad Hippo niet kon verdedigen. Keizerin Eudoxia, weduwe van Valentinianus, riep Genseric naar Italië, om zich te wreken over keizer Maximus, die haar tegen haar wensch gehuwd had, na haren echtgenoot gedood te hebben (455). Genseric voldeed aan haar verlangen en landde te Ostia. Rome dacht zelfs aan geen verdediging; de keizer, de Senaat en de openbare ambtenaren zochten hun heil in de vlucht. Hierover in woede ontstoken, doodde het volk Maximus en zijn zoon, op het oogenblik dat zij de stad wilden verlaten; maar verder dan tot deze wraak ging de woede des volks niet. Drie dagen daarna was Genseric aan de poorten van Rome en geraakte in niet geringe verwon-

ocr page 109

101

dering, toen hij zag, dat geen enkele maatregel van verdediging genomen was. Alleen de Paus trachtte nog eens het ondankbare en laffe volk te redden. In hooge-priesterlijk gewaad, door zijne geestelijkheid en de aanzienlijken van Rome gevolgd, ging hij Genseric tegemoet. God echter wilde niet, dat Zijn dienaar de algeheele redding der stad van den barbaar verkreeg. Rome verdiende gestraft te worden, en de tusschenkomst van Leo bewaarde het volk alleen van den dood en de stad van het vuur; maar voor zijne soldaten eischte Genseric het recht om de openbare en bijzondere gebouwen der stad te plunderen. Er vloeide dus geen bloed, en er werd geen brand gesticht, maar van den 15 tot den 29 Juni beroofden de Wandalen met hunne bondgenooten, de Alanen en Mooren, de kerken , paleizen en huizen van hunne schatten en voerden die naar hunne schepen.

EINDE VAN HET WESTERSCHE RIJK (476).

Van nu af bestond hot Westersche Rijk nog slechts in naam. De keizers kwamen en gingen als schaduwen voorbij en waren de speelbal in de handen der barbaarsche koningen. Odoacer, koning der Herulen, maakte aan het Rijk een einde, door de verdrijving van keizer Romulus Augustulus (476), en er ontstond een koninkrijk Italië, dat minder dan 20 jaar later (493) onder de heerschappij kwam van Theodoric, koning der Oostgothen, die even als de Westgotben Ariaansch waren. De eersten bezetten dus Italië, de Wandalen Afrika; de Westgotben beheerschten met de Suëven en Alanen een gedeelte van Spanje en het zuiden van Gallië; de Franken maakten zich onder aanvoering van Clovis meester van het overige van Gallië, de Anglen en Saksers van Groot-Brittannië, en de Bourgondiërs vestigden zich in het oosten van Gallië. De barbaren beheerschten derhalve het gebeele Westersch Romein-sche Rijk, en allen waren Arianen of heidenen. De bekeering van Clovis in 496 bracht echter eene geheele Katholieke natie in den dienst der Kerk, nl. Gallië, dat Frankrijk geheeten werd en dus de oudste dochter

ocr page 110

102

der Kerk was, een eerenaam, waarop het eeuwen lang trotsch is geweest.

§ III. De Heiligen en de Pansen.

TALRIJKE HEILIGEN.

J

Geteisterd door de ketterijen en de invallen der barbaren , werd de wereld in de vijfde eeuw getroost door de heiligen, die uit alle standen der maatschappij voortkwamen. Op den keizerlijken troon schitterde de H. Pul-cheria, op den Pauselijken zetel de H. Leo de Groote; voorts kweekte de Kerk een onnoemelijk aantal heiligen op de bisschopszetels, in de kloosters, in de steden en woestijnen. Met enkelen dier dienaren Gods gaan wij ons bezighouden.

DE H. JOANNES DE DWERG EN DE H. ABSESDS.

De H. Joannes, bijgenaamd de Dwerg, om zijn kleinen lichaamsbouw, begaf zich naar een woestijn van Egypte en - stelde zich onder de leiding van een heiligen kluizenaar. Om zijne gehoorzaamheid te beproeven, gebood deze hem den stok, dien hij in de hand droeg, in het zand te planten en hem dagelijks te besproeien, tot hij vruchten droeg. De leerling gehoorzaamde zonder eenige aarzeling; drie jaar lang besproeide hij dagelijks den stok, zonder er iets aan op te merken, en ofschoon de rivier, waaruit hij het water moest halen, ver verwijderd was. Deze volmaakte gehoorzaamheid werd door God beloond; de stok schoot wortel en bracht vruchten voort. De kluizenaar plukte ze, bracht ze naar de kerk en. ze aan zijne broeders gevende, zeide hij: „ Neemt en eet de vrucht der gehoorzaamheid.''

Een der beroemdste kluizenaars uit denzelfden tijd is de H. Arsenus, een Romein van geboorte en uit eene aanzienlijke familie gesproten. Hij was diaken. Om zijne wetenschap en zijne deugd koos keizer Theodosius de Groote, op aanbeveling van Paus Damasus, hem tot opvoeder zijner beide zonen Arcadius en Honorius. Met

ocr page 111

103

tegenzin nam Arsenus eene taak op zich, naar welke anderen zouden verlangd hebben, omdat zij de eer en de gunst des keizers aanbracht, en van de eerste gelegenheid maakte hij gebruik om er van verlost te worden. Toen Arcadius op zekeren dag eene zware fout had bedreven, strafte Arsenus hem streng. De jonge prins verhardde echter in het kwaad. In dezen ongunstigen uitslag zijner pogingen zag Arsenus een bewijs, dat hij zijne betrekking aan het keizerlijk hof moest nederleggen, en hij bad God, dat deze hem Zijn wil zou doen kennen. Op zekeren dag hoorde hij eene stem, die hem zeide: „Arsenus, ontvlucht het gezelschap der menschen, en gij zult gered worden.quot; Hij gehoorzaamde aanstonds, begaf zich scheep naar Alexan-drië en zocht de woestijn van Scete op, om daar als kluizenaar met den H. Joannes den Dwerg zijne verdere levensdagen door te brengen. Elf jaar had hij geleefd aan het hof te Constantinopel; vijftig jaar lang was hij aan de kluizenaars der woestijn een voorbeeld van alle deugden.

DE H. SIMON STYL1TÜS.

Dat God wonderbaar in Zijne Heiligen is, leert ons meer dan eenige andere de II. Simon Stylitus. Maar ook geeft hij ons de les, dat wij God in al Zijne heiligen moeten bewonderen maar dezen niet allen navolgen. De naam van Simon Stylitus verspreidde zich in de geheele Christenheid en zelfs onder de Heidensche volken, bij de Perzen, de Arabieren, de Ethiopiërs, de Scythen. Hij was de zoon van een armen herder en werd geboren op de grenzen van Cilicië en Syrië. Van zijne teederste jeugd af beminde hij de nederigheid en de versterving, bezocht de kloosters, waar de strengste levenswijze gevolgd werd, en voegde bij de verstervingen, welke hij zag, nog vele andere. Om zich eindelijk geheel te onttrekken aan de verstrooiing en verleiding der wereld, ging hij eene levenswijze volgen, waarvan men tot dan toe geen voorbeeld gezien had. In het jaar 423 liet hij een zuil bouwen van 6 elboogsmaten hoog en leefde daar 4 jaren op. Vervolgens deed hij er eene oprichten, die 12, en ein-

ocr page 112

104

delijk een, die 22 elboogsmaten zich boven den grond verhief, en op elke zuil leefde hij 13 jaar. Eindelijk bracht hij de laatste 22 jaren zijns levens door op een zuil, die eene hoogte had van 40 elboogsmaten. Op zijne zuilen was de H. Simon dag en nacht blootgesteld aan hitte en koude, aan regen en zonnehitte. De kluizenaars uit den omtrek brachten hem dagelijks eenig voedsel in een mand, welke hij door een touw tot zich optrok. Spoedig verzamelde het volk zich aan den voet van de zuil, en Simon vermaande het tot boetvaardigheid. Eenigen bespotten den zuilbewoner en beweerden, dat hij door ij delheid tot zijne buitengewone levenswijze gedreven werd. De bisschoppen des lands kwamen bijeen, en nadat zij de zaak onderzocht hadden, onderwierpen »ij Simon, alvorens eene uitspraak te doen, aan eene beslissende proef. Zij zonden een hunner tot hem, en deze gebood hem de zuil te verlaten. Simon gehoorzaamde oogenblikkelijk, maar de gezondene der bisschoppen zeide: „blijf waar gij zijt, want de snelheid, waarmede gij gehoorzaamt, bewijst de zuiverheid uwer bedoelingen; ga voort den wil Gods op te volgen en datgene te doen, waartoe gij geroepen zijt.quot; Van zijn zuil bekeerde Simon Stylitus een ongeloofelijk aantal zondaars, en weldra werd hij als wonderdoener bekend, daar hij de zieken genas, welke men bracht aan den voet van zijn zuil. Het geheele volk van Lazes, dat uit Colchis gekomen was om hem te hooren, bekeerde zich op zijne prediking en het voorbeeld zijner deugden. De keizers Theodosius de Jonge en Leo kwamen hem dikwijls raad vragen en bevalen zich aan in zijne gebeden. Keizer Marcianus kleedde zich als een eenvoudig burger, om te gemakkelijker den zuilbewoner te kunnen zien en hooren, op wiens aandrang keizerin Eudoxia eenigen tijd voor haren dood de ketterij van het Eutychianisme afzwoer.

DE H. PATRICirS.

Terwijl de monniken den godsdienst verdedigden door het voorbeeld hunner deugden, door hun onderwijs, door hun ijver om het geloof te verdedigen en te verspreiden.

ocr page 113

105

wijdden andere heilige mannen hun leven aan de verspreiding des geloofs onder de heidenen. De H. Victridus, bisschop van Rouaan, gestorven in 415, predikte het Evangelie in Artois, Vlaanderen en Henegouwen; de H. Ninianus, zoon van een Britsch vorst, bracht het geloof bij de Cambriërs en in Schotland. En in Ierland werd het Christendom gepredikt door den II. Patricius, ■ overleden in 464. Patricius werd in Schotland geboren, door den H. Paus Gelestinus tot bisschop van Ierland gewijd en naar dit eiland gezonden, bekleed met apostolisch gezag en overladen met zegeningen. Toen Gelestinus eenige dagen daarna stierf, bekrachtigde zijn opvolger, de H. Sixtus III, de zending van Patricius en voegde hem eenige priesters toe. Patricius begaf zich onmiddellijk naar het hem aangewezen arbeidsveld, en daar wrochtte hij talrijke bekeeringen. Nabij de stad Downe stichtte hij een groot klooster, wijdde op verschillende plaatsen bisschoppen en priesters en had den troost bijua het ge-heele lersche volk tot het Christendom te zien overgaan. In 444 deed hij eene nieuwe reis naar Rome, om Paus Leo den Groote over onderscheidene moeilijkheden te raadplegen, en hervatte daarna zijn apostolischen arbeid, welken hij tot aan zijn dood voortzette.

DE H VALENTINUS.

Door den H. Leo den Groote werd de II. Valentinm naar de landen aan de Inn en den Donau gezonden. Duizenden vervolgingen had deze moedige geloofsverkondiger te ondergaan van den kant der heidenen en Arianen; uit Passau verdreven, predikte hij het Evangelie in Tyrol. Op zekeren dag, terwijl hij zich in zijne cel bevond, zag hij eenige barbaren, die zich naar Italië begaven; zij vroegen hem zijn zegen. Onder hen bevond zich een man van zoo grooten lichaamsbouw, dat hij nauwelijks in de cel kon staan, en hij was slecht gekleed. Op hetzelfde oogenblik werd den heilige geopenbaard, wat de barbaar eenmaal zou worden. „Ga naar Italië,quot; zeide hij hem, „nu zijt gij in beestenvellen gekleed, maar

ocr page 114

106

eenmaal zult gij met volle handen aan velen schatten uitdeelen.quot; De jonge barbaar was Odoacer, die aan het hoofd der Herulen eenige jaren daarna het Westersche Rijk omverwierp. Hij herinnerde zich de voorspelling van den heilige, toen hij Rome veroverd had, en schreef hem, dat hij vragen zou wat hij begeerde. Valentianns vroeg hem de vrijspraak van eenige ballingen en verkreeg die.

DE PAUSEN.

Evenals de voorgangers van den H. Leo den Grroote schitterden ook zijne opvolgers door den glans hunner deugden. De H. Hilarius (461—467) onderhield met kracht de kerkelijke tucht en verzette zich in het openbaar tegen keizer Anthemius, die de ketterij der Mace-donianen te Rome wilde invoeren. De H. Simplicius (467—483), die getuige was van den ondergang van het Westersche Rijk, verdedigde vol moed de rechten van den H. Stoel tegen keizer Zeno, die in het Oosten regeerde. Deze was het ware geloof gunstig maar had een zwak karakter, en, luisterende naar de inblazingen van de patriarchen van Constantinopel, Alexandrië en Antiochië, die naar de ketterij der Monophysiten overhelden, wilde hij den Paus zijn geloof opdringen, dat hij het ware achtte. Hierdoor ontstond tusschen Rome en het Oosten eene scheuring, welke 37 jaren duurde (482—519). Keizer Zeno stierf een ellendigen dood, en vóór hem verschenen de drie patriarchen voor het oordeel Gods, om rekenschap af te leggen van hun verzet tegen den Paus en hunne bevordering der ketterij.

De H. Gelasius, opvolger van den H. Felix (492—496) versterkte vele Oostersche bisschoppen in het geloof maar kon door den tegenstand van keizer Anastasius den vrede niet aan de Kerk teruggeven. Hij hield in 494 te Rome een Concilie van 70 bisschoppen, en hier werden onderscheidene vraagstukken van algemeen belang opgelost. Plechtig werd erkend, dat het Primaatschap van den Paus op de woorden van Christus zeiven rustte; de tweede rang werd toegekend aan de kerk van Alexandrië en de

ocr page 115

107

derde aan die van Antiochië. Voorts maakte men een lijst van verboden boeken en legde aldus den grondslag tot den later ingevoerden Index; eveneens bepaalde men,

welke boeken tot het Oude en Nieuwe Testament behoorden. Eindelijk werden de Vaders aangewezen, wier gezag door de Kerk aangenomen werd, nl. de H. Gregorius van Nazianze, de H. Basilius, de H. Athanasius, de H. Cyril-lus, de H. Joannes Chrysostomus, de H. Hilarius, de H. Ambrosius, de H. Augustinus, de H. Hieronymus, de H. Prosper en de H. Leo de Groote.

_ i

t

DERDE HOOFDSTUK.

De toekeering der barbaren (498—822).

Drie afdeelingen; Bekeering der barbaren. — De ketterijen en Conciliën. — De heiligen en de Pausen.

§ I. De bekeering der barbaren.

CLOV1S EN DE FRANKEN (496).

Scheuring en ketterij heerschten in het einde der vijfde eeuw in het Oosten. De volken, welke het Westersche Rijk overstroomd hadden, de Oost- en Westgothen,

Bourgondiërs, Wandalen, waren Ariaansch; de Angel-saksers, die meester van Brittannië waren, leefden in de duisternis des heidendoms even als de Franken, die zich onder aanvoering van Clovis van een groot gedeelte van Gallië hadden meester gemaakt. Zóó was de toestand der wereld, toen de H. Paus Anastasius den Stoel van Petrus beklom, welken hij slechts twee jaar bekleedde (496—498), maar onder zijne korte regeering had een wereldgebeurtenis plaats: Clovis en de Franken omhelsden het Christendom; eene machtige Katholieke natie stelde zich in den dienst der Kerk.

Meester van het grootste gedeelte van Gallië, na den Romeinschen veldheer Syagrius verslagen te hebben,

huwde Clovis eene nicht van den Ariaanschen koning

1

lï

ocr page 116

108

der Bourgondiërs, die ten Oosten van Gallië woonden. Deze prinses, Clotildis geheeten, was Katholiek, ofschoon zij aan een Ariaansch hof was opgevoed. Door de bisschoppen van Gallië aangemoedigd, verzuimde zij geen gelegenheid om haren gemaal omtrent de waarheden des Christendoms in te lichten en hem een groot denkbeeld te geven van den God der Christenen. Zware beproevingen had zij te ondergaan. Toen Clovis had toegestemd, dat hare beide kinderen zouden gedoopt worden, stierf het eene, en het tweede werd gevaarlijk ziek; de heiden-sche koning schreef deze ongelukken toe aan den toorn zijner goden en ontstak in hevige gramschap. Clotildis gaf den moed niet op maar verdubbelde hare gebeden. Vervolgens naderden de Allemannen, honderdduizenden in getal, en het scheen als zouden zij geheel Gallië over-stroomen. De koning der Franken rukte tegen hen op en ontmoette hen te Tolbiac op acht mijlen afstands van Keulen. Met verwoedheid werd gestreden, en de Franken van Clovis begonnen te wijken. Nu werd het hart des konings getroffen, en in tranen smeltende, viel hij ten aanschouwe zijns legers voor een kruis, door Clotildis geplant, op de knieën en riep: „ O Jesus Christus, van wien Clotildis heeft gezegd, dat Gij de Zoon Gods zijt, die te hulp komt hen, die in nood zijn, help mij deze vijanden overwinnen, en ik zal in U gelooven en in Uwen naam gedoopt worden!quot; Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of hij sprong te paard, rukte op den vijand aan, doodde eigenhandig hun koning Totila, en de Allemannen namen de vlucht en werden bij duizenden door de Franken gedood.

Nu deed Clovis zich in den godsdienst onderwijzen door den H. Remigius, bisschop van Rheims. Genoegzaam onderricht, begaf hij zich met zijn geheele leger naar die stad en vermaande daar zijne soldaten den afgoden te verzaken en te gelooven in den God der Christenen, die hun de overwinning gegeven had. Van alle kanten riep men; „Wij verzaken aan de valsche goden en zijn bereid den waren God te aanbidden.quot; In den Kerstnacht van

ocr page 117

109

496 werd Clovis met 3000 Franken gedoopt, en hij door Remigius tot koning van Frankrijk uitgeroepen. De overige Franken volgden weldra, en de Fransche natie , de eenige Katholieke onder al de Ariaansche volken, werd de oudste dochter en haar koning de oudste zoon der Kerk. De Christelijke wereld juichte over deze ontzaglijke gebeurtenis. Paus Anastasins schreef Clovis een brief om hem geluk te wenschen; de H. Avitus, bisschop van Vienne, schreef hem eveneens, om hem te doen begrijpen wat de Kerk van hem wachtte. Van toen af werd door allen erkend, dat het de roeping' van het Fransche volk was de Kerk en den Paus te beschermen.

In Frankrijk waren nu nog slechts twee Ariaansche volken, de Bourgondiërs en Westgothen, en Clovis werd beschouwd als de redder der Christenen, die onder de verdrukking der ketters leefden. De Westgothen werden overwonnen en naar Spanje gedreven, waar zij zich later bekeerden; de Bourgondiërs namen het geloof aan, en hun land werd een Fransche provincie. Eindelijk veroverden de opvolgers van Clovis een gedeelte van Germanië en brachten er het Christendom. Dat waren de eerste gevolgen van den doop van Clovis en van de gebeden der H. Clotildis.

BEKEERING DER BOURGONDIËRS.

Na de bekeering der Franken wendden de Bourgondiërs de blikken naar Rome, en de H. Avitus, bisschop van Vienne, en de H. Maximus, bisschop van Genève, die aan hunne bekeering arbeidden, hadden den troost Sigismun-dus, zoon van Gondebald, en Sigeric, zijn kleinzoon, met een groot aantal Bourgondiërs het ware geloof te zien omhelzen. Na den dood zijns vaders op den troon gekomen, stelde Sigismundis alle pogingen in het werk, om zijne onderdanen voor het ware geloof te winnen; langzamerhand verdween liet Arianisme, en het werd geheel uitgeroeid, toen Bourgondië onder de heerschappij kwam van de opvolgers van Clovis.

ocr page 118

110

RECAREDKS EN DE WESTGOTHEK.

In Spanje maakte het geloof niet minder gelukkige vorderingen. De oude bevolking was even als die in Gallië aan de Kerk getrouw gebleven, maar de Suëven in Gal-licië en de Westgothen, die het overige van Spanje met het zuidelijk gedeelte van Gallië beheerschten, waren Ari-aansch. Toen de zoon van den koning der Suëven ziek was geworden, werd hij genezen door de aanraking der reliquieën van den H. Martinus van Tours (562). Door dit mirakel werden de koning en zijn zoon bekeerd. Een andere H. Martinus, even als de eerste uit Pannonië gekomen, voltooide de bekeering des volks, gaf aan de Suëven de leer des geloofs, stichtte kloosters, werd aartsbisschop van Braga en hield onderscheidene provinciale Conciliën, waarin de regels der tucht werden bepaald en voorgeschreven. De H. Martinus stierf in 580.

Ook de Westgothen werden voor de Kerk gewonnen. Een der zonen van hun koning Leovigild, Hermenegild geheeten, had een Katholieke prinses gehuwd. Hij omhelsde het geloof zijner gemalin, na door den H. Leander, bisschop van Sevilla, onderwezen te zijn. Hierover in woede ontstoken, begon koning Leovigild de Katholieken hevig te vervolgen en doodde zijn zoon (586). Toen nu echter de koning in het volgende jaar stierf, nam Her-menegilds broeder, Recaredes geheeten, onmiddellijk den Katholieken godsdienst aan, en op zijn voorbeeld bekeerden zich de Ariaansche bisschoppen. Nu was spoedig heel het volk gewonnen, en het Arianisme verdween weldra uit al de landen der Westgothen.

BEKEERING DER LONGOBARDEN.

Het Rijk der Longobarden, die in Italië Arianen gebleven waren, was onder de slagen van den Oosterschen keizer Justinianus gevallen; zijne veldheeren Belisarius en Narses veroverden bijna het geheele schiereiland. Maar weldra kwamen de Longobarden terug onder aanvoering van Alboin, verwoestten Italië en vestigden zich in het

ocr page 119

Ill

noorden, waar Pavia hunne hoofdstad werd. Met hen zegevierde dus nogmaals het Arianisme. Een hunner koningen, Autharis geheeten, huwde met Theodelinda, eene Katholieke prinses uit Beieren. Het gelukte haar niet haren echtgenoot te hekeeren maar wel haren tweeden gemaal, Agilulf. De H. Gregorius de Groote, die toenmaals den Pauselijken Stoel bekleedde, werkte aan Agilulfs bekeering krachtig mede. Door het voorbeeld van hunnen koning medegesleept, omhelsden de meeste Longobar-den het ware geloof, en nu vereenigden de overwinnaars zich gemakkelijk met de bewoners des lands. De nagedachtenis aan koningin Theodelinda is den Longobarden altijd dierbaar gebleven; ongelukkig begunstigden eenige hunner latere koningen weder het Arianisme, en andere trachtten de Kerk te berooven van de landen, welke zij bezat. Binnenlandsche verdeeldheden, godsdienstige woelingen en de heiligschennende eerzucht der koningen verhaastten den val van het Longobardische Rijk, aan hetwelk door Karei den Groote voorgoed een einde gemaakt werd.

BEKEERING DER ANGELSAKSERS.

Eindelijk werd de Kerk verheugd door de bekeering der Angelsaksers, die zich van Brittannië hadden meester gemaakt. Dit geschiedde terzelfder tijd, dat de West-gothen en Longobarden de godheid van Jesus Christus, Zoon van God, erkenden. Ook van deze gelukkige gebeurtenis was de H. Gregorius de Groote de voornaamste bewerker. Toen hij nog slechts monnik was in een klooster te Rome, werd hij getroffen op het zien van de schoonheid eeniger jonge Anglen, en hij zeide: „dat zijn geen Anglen maar engelen!quot; Hij voelde de vurige begeerte in zich opkomen, om dat volk te gaan bekeeren, maar men hield hem terug. Nauwelijks was hij Paus geworden, of hij herinnerde zich zijne engelen en zond hun den H. Augustinus met 40 monniken (597).

De omstandigheden waren gunstig. De drie Germaan-sche stammen, sedert anderhalve eeuw in Brittannië gevestigd, hadden er zeven koninkrijken gesticht, die een

ocr page 120

112

bond vormden (hcptarchie) onder het opperbevel van een der koningen; dezen gaf men den titel van bretwalda. Toenmaals was Ethelbert van Kent bretwalda; hij was gehuwd met Bertha, dochter van Charibert, koning van Parijs. De Fransche prinses was Katholiek, en zij wist Ethelbert te bewegen tot een onderhoud met de missionarissen. Dit had plaats in de open lucht op het eiland Thanet nabij den mond van den Theems. Augustinus en zijne gezellen begaven zich in processie naar de aangewezen plaats, voorafgegaan door het kruis en een schilderij , den Zaligmaker voorstellende. Toen de koning hen had doen nederzitten, nam Augustinus het woord en begon de Blijde Boodschap te verkondigen. Ethelbert vroeg tijd, om over het gehoorde na te denken, alvorens aan zijne afgoden te verzaken, maar al dadelijk gaf hij den missionarissen verlof, zich in zijne hoofdstad Duroverne, thans Cantorbury, te vestigen. In processie begaven de monniken zich derwaarts, biddende en zingende , en namen, met het H. Kruis aan het hoofd, bezit van den grond, die zooveel heiligen zou voortbrengen. Op eenigen afstand stond eene oude kerk, die verlaten was gebleven, sedert de heidenen er de oude sporen des Christendoms vernietigd hadden; daar begon de H. Augustinus zijne prediking. Men herstelde de kerk; de H. Mis werd opnieuw opgedragen, en de nieuwbekeerden ontvingen het H. Doopsel. Het heilig leven dier aan God gewijde mannen, hunne vriendelijkheid, hunne belangeloosheid en vooral de gaaf der mirakelen, welke God hun verleende, openden een groot aantal heidenen de oogen, en zij verlieten hunne afgoderij. Ethelbert zelf, getroffen door de zuiverheid huns levens en verbaasd over de verhevenheid hunner leer, bekeerde zich, en zijn voorbeeld word door een ontelbaar aantal zijner onderdanen gevolgd. Op den Kerstdag van 598 doopten de H. Augustinus en zijne gezellen meer dan 10.000 Anglen.

Vol vreugde over de berichten, die hij kreeg over hetgeen in Brittannië geschiedde, haastte Paus Gregorius zich de nieuwe kerk volgens de oude regels samen te stellen.

ocr page 121

113

Hij verhief Augustinus tot de bisschoppelijke waardigheid, benoemde hem tot aartsbisschop, vestigde onderscheidene bisdommen en zond Augustinus een aantal Evangelische arbeiders te hulp. De HH. Augustinus en Gregorius stierven in hetzelfde jaar 604. Hun werk werd door anderen gelukkig voortgezet en voltooid.

§ II. De ketterijen en de Conciliën.

Keizer Anastasius wilde zich niet onderwerpen aan de besluiten van het Concilie van Chalcedon, dat de ketterijen van Nestorius en Eutyches veroordeeld had. De woelingen, welke hierdoor ontstonden, verspreidden zich zelfs tot Rome, waar op aanstoken der kwaadwilligen een tegenpaus zich verhief tegenover den wettigen Paus, den H. Symmachus; doch God zond hulp door middel van Cassiodorus, den Katholieken minister van den Ariaan-schen koning der Oostgothen Theodoric. Toch duurde het nog 5 jaar, eer de rust te Rome hersteld werd, en te Constantinopel hielden de kettersche neigingen des keizers het herstel des vredes tegen. Deze goddelooze vorst verbande den patriarch van Constantinopel, omdat hij het oecumenisch Concilie niet had willen veroordeelen; de akten van dat Concilie wierp hij in het vuur en de rechtzinnige priesters in de gevangenis. Eerst onder Justinus den Oude, opvolger van Anastatius, en onder het Pausschap van den TL Hormisdas kwam aan de scheuring, die 35 jaar geduurd had, een einde (484—512). Ook in dezen heeten strijd, was weder gebleken, dat God Zijne Kerk niet verlaat.

VERVOLGING VAN THEODORIC.

Het Pausschap van den H. Joannes I, opvolger van den H. Hormisdas, was kort van duur (523—526) maar aan hevige vervolgingen ten prooi. Koning Theodoric, die, ofschoon Ariaansch, zijne gunst schonk aan ijverige Katholieken, als Cassiodorus, Boétius en Symmachus,

8

ocr page 122

114

schoonvader van den laatste, veranderde op eens, toen keizer Justinus strenge maatregelen nam tegen de Arianen. Cassiodorus wilde zijn meester op den nieuwen weg niet volgen en verliet het hof. Theodoric dwong nu Paus Joannes naar Constantinopel te gaan en den keizer te verzoeken het lot der Arianen te verzachten. Het was de eerste maal, dat een Paus zulk eene reis ondernam. Heel het Oosten kwam in beweging. Een ontelbare menigte kwam den Opperpriester op grooten afstand van Constantinopel te genioet; de keizer boog zich voor hem en wilde de kroon uit zijne handen ontvangen; de patriarch smeekte hem op Paaschdag van het jaar 525 een plech-tigen dienst te doen in de groote basiliek. Joannes I verzocht den keizer de Arianen met gematigdheid te behandelen en hen liever te bekeeren met zachte middelen dan met geweld; doch hij verlangde niet, dat aan de Arianen de kerken der Katholieken zouden gegeven worden, en dit had Theodoric gewild. De moed, waarmede de Paus aan dezen schandelijken eisch bleef wederstaan, maakte den koning woedend, en hij wreekte zich eerst aan Boëtius en Symmachus, die hij beiden deed sterven. Toen vervolgens de Paus in Italië teruggekomen was, wierp hij hem in de gevangenis met de bisschoppen, die hem naar het Oosten vergezeld hadden. De H. Paus stierf van honger en dorst. In groote menigte woonde het volk zijne begrafenis bij, en God openbaarde zijne heiligheid door de genezing van een lamme, dien men bij 's Pausen doodkist had gebracht. Het lichaam van Joannes I werd plechtig van Ravenna, waar hij gestorven was, naar Rome gebracht en in de kerk van het Vaticaan begraven.

Theodoric overleefde zijne slachtoffers niet lang. Toen men hem drie maanden na den dood van den Paus een visch op tafel bracht, meende hij op den schotel het hoofd van Symmachus te zien, dat hem woedend aanzag. De koning ontstelde, werd door eene koorts aangegrepen en stierf vol wroeging over de misdaden, welke hij gepleegd had.

ocr page 123

115

DE DRIE KAPITTELS.

Het Pausschap van Vigilius werd verontrust door den strijd over de Drie Kapittels. Hieronder werden verstaan de werken van drie bisschoppen Theodoretus, Theodorus en Ibas geheeten. In die werken kwamen Nestoriaansche dwalingen voor, doch de schrijvers waren te goeder trouw geweest, en daarom had het Concilie vaji Chalcedon de schrijvers niet veroordeeld, maar er zich tevreden mede gesteld, dat zij eveneens den ban over Nestorius uitspraken. Hieruit toch bleek, dat zij onwetend gedwaald hadden. De ketters nu droegen dat Concilie een grooten haat toe en verlangden van keizer Jmtinianus, opvolger van Justinus den Oude, dat hij de Drie Kapittels veroor-deelen zou. De keizer stemde daarin toe maar begaf zich hierdoor op kerkelijk gebied; dientengevolge wilde Paus Vigilius het keizerlijk besluit niet goedkeuren en bekrachtigen. De hierdoor ontstane strijd gaf aanleiding tot de bijeenroeping van het Concilie van Constantinopel, het vijfde oecumenische (553), en dit veroordeelde de Drie Kapittels maar niet de schrijvers. De ketters werden dus teleurgesteld; de Paus bekrachtigde de besluiten van het Concilie , en de vrede keerde terug.

De Kerk had hier geleerd, dat de Paus niet alleen de macht heeft om slechte boeken te veroordeelen, maar ook om te oordeelen over de bedoelingen, waarmede zij door hunne schrijvers geschreven zijn.

§ III. De Heiligen en de Pausen.

In weerwil van barbaarschheid en ketterij ging de Kerk voort den hemel met heiligen te bevolken. Behalve de reeds genoemde had men o. a. in het Oosten den H. Sabas, den H. kluizenaar Joannes den Zwijger, den H. Simon Sty-litus den Jonge, in Palestina en Syrië, den H. Tarasius, patriarch van Constantinopel, den H. Eulogus, patriarch van Alexandrië, en zijn opvolger den H. Joannes den

ocr page 124

116

Aalmoezenier; en in het Westen den H. Kerkleeraar Fu,l-gentius in Afrika, de H. Fransche koningin Radegonde, den H. Medardus van Noyon, den R. Pretextatus van Rouaan, den H. Gregorius van 'Tours, den oudsten geschiedschrijver van Frankrijk enz. enz.

DE H. BENED1CTUS EN DE BENEDICTIJNEN.

Een der mannen, die het meest er toe hebben bijgedragen om in de zesde en volgende eeuwen de heiligheid te doen toenemen, was ongetwijfeld de H. Benedictus, stichter van de Orde der Benedictijnen. Deze orde was niet de oudste: zij werd voorafgegaan door die der Augustijnen, gesticht door den H. Augustinus. De H. Benedictus werd in 480 te Nursië in Umbrië geboren. Zijne ouders zonden hem vroegtijdig naar Rome, om daar zijne studiën te doen. Maar de jongeling, bevreesd voor het bederf der jeugd, welke hij er aantrof, wilde in die stad niet blijven. Op den leeftijd van 16 jaar begaf hij zich naar het gebergte van Subiaco en woonde daar drie jaar lang in een spelonk, hem door een monnik aangewezen; deze spelonk heet thans de II. Grot. Daar kwam de duivel hem bekoren, zooals hij het eertijds den H. Antonius had gedaan. Satan verscheen hem in eene zichtbare gedaante, maar Benedictus verjoeg hem door het maken van het kruisteeken, dat alle duivels op de vlucht drijft. Eene andere maal was bekoring zoo sterk, dat Benedictus er wezenlijk aan dacht de eenzaamheid te verlaten. Maar eensklaps door een straal der genade verlicht, ontdeed de moedige jongeling zich van zijne kleederen en wentelde zich in de doornen, die in den omtrek groeiden. Geheel bebloed maar volkomen genezen, stond hij op, en hij had geen last meer van de zoo gevaarlijke bekoringen.

Weldra werden alom zijne deugden bekend, welke moeite hij ook deed om ze verborgen te houden. Toen de abt van een klooster nabij Tivoli overleden was, wilden de monniken, dat hij hun overste worden zou, maar uit nederigheid weigerde hij. Hij voegde erbij, dat de wijze, waarop zij het geestelijk leven beoefenden, zijne goedkeu-

ocr page 125

117

ring niet wegdroeg, en zijne leiding hun niet tot nut wezen zou. Doeli zij hielden aan, en Benedictus gaf eindelijk toe. Maar nauwelijks begon hij de misbruiken uit te roeien, welke bij de monniken ingeslopen waren, of zij noemden hem een hardvochtig en liefdeloos mensch, en hunne bewondering zijner deugden veranderde in een doodelijken haat. Eenigen hunner, die slechts voor den schijn het geestelijk leven beoefenden, maar inderdaad boosdoeners en huichelaars waren, besloten zelfs hem door vergif om het leven te brengen. Toen zij aan tafel gezeten waren, verzochten zij hem den eersten beker wijn, welke voor hem bestemd was, en waarin zij vergif hadden geworpen , te zegenen. Benedictus maakte het kruisteeken over den beker, en deze brak in stukken. De Heilige begreep wat er gebeurd was; hij stond van tafel op en zeide op zachtmoedigen toon; „Mijne broeders, moge de Almachtige God medelijden met u hebben! Heb ik u niet gezegd, dat uwe zeden en de mijne niet overeenkomen? Zoekt een overste, die u past.quot; En hij keerde naar zijne eenzaamheid terug. Het was het jaar 510. Benedictus was slechts 30 jaren oud.

Niet lang bleef hij in zijne spelonk alleen. Talrijke personen, door zijne deugden en mirakelen uitgelokt, snelden tot hem om zijne leerlingen te worden. Verschei-denen onder hen behoorden tot aanzienlijke familiën, o. a. Maurus en Placidus, zoons van Romeinsche senators. Benedictus hield er eenigen bij zich in een huis, dat nabij zijne grot gebouwd was, en plaatste er 144 in twaalf kloosters, welke eveneens in de nabijheid der grot gesticht waren. Ieder klooster bevatte aldus twaalf kloosterlingen onder het bestuur van een abt, en allen stonden onder het oppertoezicht van den H. Benedictus.

In 529 begaf de Heilige zich naar het zuiden van Italië en trad weldra de stad Cassino binnen, welke op de helling van een hoogen berg was gebouwd. Op den top van dien berg stond een oude tempel van Apollo, waarin de landlieden uit den omtrek den afgod nog kwamen aanbidden. Rondom den tempel spreidde zich een heilig

ocr page 126

118

bosch uit, dat eveneens een voorwerp was van heidensch bijgeloof. Hier vestigde de H. Benedictus zijn verblijf. Door heiligen ijver ontvlamd voor het zielenheil der ongelukkige afgodendienaars, sprak hij hun toe met zooveel kracht, dat hij hen weldra allen tot den waren godsdienst bekeerde. Nu verbrijzelde hij den afgod, verwoestte den tempel, hakte het heilige bosch om en bouwde op de plaats, waar de tempel gestaan had, twee kapellen, gewijd aan de HH. Joannes den Dooper en Martinus. Vervolgens ondernam hij den bouw van een nieuw klooster voor zich en zijne leerlingen. Aldus ontstond het beroemde klooster van Monte-Cassino, dat tot op dezen dag het moederhuis is der Benedictijnerorde. De H. Benedictus was toen 49 jaar oud.

KEGEL VAN DEN H. BENEDICTUS.

In Monte-Cassino schreef de H. Benedictus den regel voor zijne kloosterlingen. Vóór hem waren reeds kloosters in Italië verrezen onder den invloed van de HH. Ambro-sius en Hieronymus. In de beide voorgaande eeuwen hadden de H. Augustinus in Afrika, de HH. Martinus en Cassianus in Gallië kloosters gesticht. Maar ieder klooster had zijn eigen regel, en dit gebrek aan eenheid gaf gemakkelijk aanleiding tot verslapping der kloostertucht. Daaienboven had men kluizenaars, die geheel afgezonderd van de wereld leefden, en rondzwervende monniken, die verschillende landen doortrokken, zonder eenigen regel te volgen. Dit alles kon misbruiken doen ontstaan, en om zijne leerlingen voor dezen te bewaren, schreef Benedictus zijn regel van het kloosterleven. Spoedig werden de juistheid en volmaaktheid van dien regel zoo algemeen erkend, dat men dien aannam in alle kloosters van het Westen, zooals de regel van den H. Basilius de leiddraad was geworden van alle kloosters in het Oosten. De arbeid, het gebed, de versterving en de vervulling der drie beloften van gehoorzaamheid, armoede en zuiverheid waren de grondslagen van dien regel. Alles werd met de meeste juistheid en doelmatigheid voor de kloosters der Benedic-

ocr page 127

119

tijnen bepaald en vastgesteld; en een zegen voor de volken werd het arbeidzame leven dezer heilige kloosterlingen, die de woeste gronden ontgonnen, de letteren en wetenschappen beoefenden en overal waar zij kwamen de beschaving brachten. De H. Benedictus stierf in 543, niet lang na zijne zuster, de H. Scholastica, die op eenigen afstand van Monte-Cassino haar leven, aan alle deugden van het religieuse leven gewijd, had doorgebracht.

DE H. GREGOR1US DE GROOTE.

De weldadige invloed, dien het Pausschap op de maatschappij uitoefende, vertoonde zich meer en meer. De H. Gregorius de Groote (590—604), die den Pauselijken zetel bekleedde, toen de Groote Volksverhuizing ten einde liep en de volken tot vaste woonplaatsen gekomen waren, werkte met alle kracht aan de herschepping der maatschappij. Deze groote Paus, uit eene oude deftige Ro-meinsche familie gesproten, was onder Justinus II prefect van Rome geweest. Hij verzaakte weldra aan alle glorie der wereld en begaf zich in een klooster. Vervolgens door den Paus als legaat naar Constantinopel gezonden bij de keizers Tiberius en Mauritius, wist hij zich de genegenheid dier vorsten te verwerven, hoezeer hij ook krachtig de rechten der Kerk verdedigde tegen de aanmatigingen van het keizerlijk gezag. Toen hij tot Paus gekozen werd, ■quot;luchtte hij naar het Apennijnsch gebergte, om aan den drukkenden last te ontkomen, welken men hem wilde opleggen. Hij werd echter opgezocht, in zijne schuilplaats gevonden en naar Rome teruggevoerd. De omstandigheden waren moeilijk. Het hof van Constantinopel stelde onophoudelijk eischen, welke met de geestelijke macht der Kerk onvereenigbaar waren, maar Gregorius bestreed ze met alle kracht. Onder de Fransche geestelijkheid was de verschrikkelijke zonde der simonie ingeslopen; hij roeide haar geheel en al uit. De Ariaansche Longobarden bezaten een groot gedeelte van Italië; de Paus arbeidde aan hunne bekeering. De pest verwoestte Rome en had ook zijn voorganger op den Pauselijken troon Pclagim 11 ten

ocr page 128

120

grave gesleept. Gregorius voorzag in alle behoeften, bouwde huizen voor de weezen en armen en arbeidde met zooveel ijver aan de opvoeding der jeugd, dat hij zich den schoonen titel verwierf van patroon der jongelieden en der scholen. Hij strekte zijne zorgen over de geheele wereld uit; den H. Augustinus zond hij uit naar Brittannië, om de Angelsaksers te bekeeren, en in Afrika roeide hij de laatste sporen uit van de ketterij der Dona-tisten; hij hervormde den kerkelijken zang, welke naar hem den naam van Greg oriaanschen zang heeft aangenomen , onderhield eene uitgebreide briefwisseling met alle vorsten der Christenheid, schreef godgeleerde boeken, verklaringen van de H. Schrift, in één woord besteedde als Opperpriester en Vorst de groote gaven van zijn geest en edel hart aan de tijdelijke en geestelijke behoeften der volken; en terwijl de patriarch van Constantinopel Joannes den weidschen titel aannam van oecumenischen of algemeenen patriarch, noemde Gregorius zich zediglijk servus servorum Dei, dienaar der dienaren Gods. De dankbaarheid der geheele Christenheid nam hij met zich in het graf.

DE H. COLUMBANÜS.

Eenige jaren na Gregorius (615) stierf de H. Columbanus, in Ierland omstreeks 540 geboren en in het klooster van Banchor, door den H. Co mg all gesticht, opgevoed. Columbanus gaf zich hier over aan de uiterste strengheden der versterving. Vervolgens vertrok hij met twaalf kloosterlingen, trok Engeland door, stak het Kanaal over, kwam in Bretagne en drong van hier door tot in Gallië (585). Onder de Christenen vond hij de kerkelijke tucht verslapt, en dit wekte zijn heiligen ijver op. Om Gods glorie zooveel mogelijk te bevorderen, stelde hij zich het drievoudig doel voor: den godsdienst te verkondigen, de regels van het kloosterleven te verspreiden en te doen onderhouden, gelijk die in Ierland beoefend werden, en het Evangelie te brengen aan de heidenen, welke in afgelegen plaatsen nog gevonden werden.

De deugden van den H. Columbanus maakten zijn naam

ocr page 129

121

alom bekend, en deze drong zelfs door tot aan het hof van den H. Gontran, koning van Bourgondië. Deze noodigde hem uit zich in zijn rijk te vestigen en er een klooster te bouwen ter plaatse, waar hij zou goed vinden. Columbanus vestigde zijne aandacht op Luxeuil, eene wildernis, alleen door wolven en beren bewoond, en waar rooversbenden de reizigers uitplunderden en doodden. Hier schreef de Heilige waarschijnlijk in 591 zijn kloosterregel, welke strenger was dan die van den H. Benedictus.

Later ging de H. Columbanus met den H. Gallus , een zijner leerlingen, het Evangelie verkondigen aan de hei-densche bewoners van Zwitserland. Na hier geheele scharen van afgodendienaars bekeerd te hebben, maakte hij zich gereed, om zich te begeven naar de Slavische landen, Boheme, Hongarije, Moravië enz., doch eene goddelijke openbaring deed hem zijne schreden naar het zuiden richten, en in 613 kwam hij in Italië. Hij vestigde zich tusschen de Trebbia en den Bobbio in een verlaten dorp en bouwde er een klooster. Hier stierf hij twee jaar daarna. Het klooster van Bobbio werd even beroemd als die van Luxeuil en van St. Clall, door zijne leerlingen gebouwd. De regels van de HH. Benedictus en Columbanus vermengden zich allengs met elkander, en de Fran-sche Benedictijnen noemen in hun brevier den H. Columbanus een der voornaamste patriarchen van het kloosterleven.

VIERDE HOOFDSTUK.

Het Mahomedisme en het Monotlielisme (622—711).

Twee afdeelingen: Het Mahomedisme. — Het Monothelisme.

§ I. Het Mahomedisme.

MAHOMED.

Terwijl de barbaarsche volken meer en meer overgingen tot de beschaving in de landen, waar zij zich hadden

ocr page 130

122

nedergezet, en het Christendom zich onophoudelijk verder verspreidde buiten de grenzen van het oude Roraeinsche Rijk, stichtte de duivel zich een Rijk, waarin hij alleen meester zou zijn. God liet dit toe, om de Christenen te straffen voor hun ontrouw aan het geloof, dat Hij hun geschonken had. Het Oostersche Rijk, dat zooveel scheuringen en ketterijen had doen ontstaan, werd het tooneel, waarop God Zijne rechtvaardige gramschap openbaarde, door een groot deel er van onmiddellijk en later het ge-heele Rijk aan de afschuwelijkste dwingelandij van Satan over te leveren. Mahomed was het werktuig, waarvan de vader der leugen zich bediende, om den waren godsdienst harderen slag toe te brengen, dan zij tot nu toe ontvangen had.

DE HEGIRA (622).

Deze buitengewone man stamde af van Ismaël, een zoon van Abraham; hij werd te Mekka in Arabië geboren uit een Heidenschen vader en eene Joodsche moeder. Toen hij 40 jaren oud geworden was, verklaarde hij in het openbaar een profeet en door God gezonden te zijn. Zijne medeburgers, die hem kenden als een boosdoener, wilden aan zijne zoogenaamde zending niet gelooven en maakten zich gereed om hem gevangen te nemen. Maar Mahomed nam de vlucht, begaf zich met eenigen. die in hem geloofden, naar Medina en maakte zich van deze stad meester. Van deze vlucht dagteekent de tijdrekening der Mahomedanen, de Hegira of vlucht geheeten (622). De godsdienst, dien hij predikte, was een monsterachtig mengsel van Jodendom, Christendom en Heidendom. Daar deze bedrieger lezen noch schrijven kon, liet hij door een afgevallen monnik zijne leer op schrift brengen en noemde het boek, waarin die leer vervat was. Koran, dat wil zeggen het boek bij uitnemendheid. Herhaaldelijk verzekerde hij , dat hij bezoeken ontving van den engel Gabriël, en als men hem uitnoodigde mirakelen te doen, om te bewijzen dat hij inderdaad door God gezonden was, antwoordde hij, dat hij niet gezonden was om wonderen te wrochten maar om den godsdienst door het zwaard

ocr page 131

123

te verspreiden. Inderdaad, toen zich eenige gevluchte soldaten en roovers bij hem voegden, begon hij met de karavanen te plunderen, trok vervolgens naar Mekka en nam deze stad in. Hierna onderwierp hij onderscheidene volksstammen in Arabië aan zijne macht en dwong hen den nieuwen godsdienst te omhelzen.

HBRACUUS (612—641).

Toen Mahomed verscheen, was Heraclius keizer vair het Oostersche Rijk. Deze had in zijne oorlogen met den Perzischen koning Chosroës bloedige nederlagen geleden. De Perzen hadden Syrië en Palestina veroverd, Jerusalem stormenderhand ingenomen, 80.000 Christenen doen sterven en het ware Kruis met zich naar Perzië gevoerd (614). Deze rampen sloegen geheel Europa met ontzetting. Niet in staat den geweldigen koning langer tegenstand te bieden, vroeg Heraclius om vrede. Chosroës, door zijne overwinningen opgeblazen, wilde dien alleen toestaan, indien de keizer en zijne onderdanen het Christendom verloochenden. Deze tergende voorwaarde deed den keizer in gramschap ontsteken, en hij besloot zich nogmaals aan het hoofd zijner troepen te plaatsen en een strijd op leven en dood aan te gaan voor den godsdienst en zijn Rijk. God zegende zijne pogingen, en in eene reeks van gevechten bracht hij Chosroës zwaarder slagen toe, dan hij van hem ontvangen had. Chosroës werd ziek van verdriet. Zijn zoon Siroës, dien hij wilde onterven ten voordeele van een anderen zijner zonen, stond tegen hem op, nam hem gevangen en behandelde hem, zooals hij het zijn vader Hormisdas gedaan had. Hij bracht hem ter dood. De vadermoorder was tegen keizer Heraclius niet opgewassen; hij vroeg en verkreeg vrede, op voorwaarde dat hij het H. Kruis terug zou geven benevens alle landen, welke hij aan het Rijk ontnomen had. Daarenboven moest hij de vrijheid schenken aan de Romeinen, die door Chosroës gevangengenomen waren. Heraclius deed zijn intocht in Constantinopel, op een zegekar gezeten, welke door vier olifanten getrokken en voorafgegaan werd

ocr page 132

124

door het H. Kruis, den heerlijksten buit uit den oorlog. Weldra onttrok hij zich aan hot gejubel zijner onderdanen , om het H. Kruis naar Jerusalem terug te brengen. In den vollen glans der keizerlijke majesteit wilde hij den heiligen last den Calvarieberg opdragen langs den weg, dien de Zoon Gods met Zijn H. Bloed besproeid had. Doch toen hij aan den voet van den berg kwam, belette eene onzichtbare macht hem dien te bestijgen, en hij kon het H. Kruis slechts op Calvarië brengen, nadat hij het keizerlijk purper en den diadeem had afgelegd. Waar Christus een doornenkroon had gedragen, mocht Heraclius niet schitteren in aardsche pracht. Het H. Kruis rustte nog in een prachtige kast, waarvan de zegels ongeschonden gebleven waren. De patriarch vertoonde het aan het volk, dat vreugdetranen schreide, en de gedachtenis dier groote gebeurtenis werd gevierd door een feest, door de Kerk ingesteld en dat Kruisverheffing genoemd werd (14 September 629).

VOORUITGANG VAN HET MAHOMEDISME.

De opvolgers van Mahomed, die den naam van kalifen droegen, verspreidden den Islam weldra wijd en zijd. Islam , een naam, die ook aan het Mahomedisme gegeven wordt, beteekent volstrekte onderwerping aan den wil van God; van dit woord is gekomen moslims, aan God overgeleverden, waarvan wij het woord Muzelmannen, dat met Mahomedanen overeenstemt, gemaakt hebben.

Omar, tweede opvolger van den valschen profeet, maakte zich in 637 meester van Jerusalem, dat Heraclius vergeefs getracht had te redden. Omar nam persoonlijk bezit van de stad, en de H. patriarch Sophronius kreeg vrij gunstige voorwaarden van hem. Keizer Heraclius was over dit verlies geheel ternedergeslagen en kon niet begrijpen, waarom God hem zulken rampspoed zond. „Prins,quot; zeide een zijner raadsheeren hem, „de zonden der Romeinen zijn de oorzaak van de overwinningen der Arabieren.quot; In de volgende jaren vermeerderden de overwinningen der Mahomedanen met eene wonderbare snel-

ocr page 133

125

heid. Op het einde der eeuw waren zij meester van Arabië, Perzië, Syrië, Palestina, Egypte, het geheele noorden van Afrika, en meermalen hadden zij Constanti-nopel doen sidderen. In het begin der achtste eeuw staken zij uit Afrika naar Spanje over, en dit schoone land viel geheel in hunne macht met uitzondering van eenige bergdistricten in het noorden, waarheen Pelagius gevlucht was. Deze was van koninklijk bloed, en zijn klein koninkrijk werd de kiem van de latere Christelijke Staten van Spanje.

§ II. Ketterij der Monotheliten.

AANVANG DER KETTERIJ.

De ketterij van Eutyches, die in Christus slechts één natuur wilde erkennen, was overwonnen. Sergius, patriarch van Constantinopel (610), trachtte haar in een anderen vorm weder in het leven te roepen, door te leeren, dat Christus slechts één wil heeft; hierom kregen zijne aanhangers den naam van Monotheliten. Ook mot deze ketterij werd het Goddelijk Verlossingswerk aangerand. Het geloof leert, dat Christus twee willen heeft den Goddelijken en den menschelijken wil, die nooit met elkander in strijd maar niettemin wezenlijk van elkander onderscheiden zijn. De ketterij werd krachtig bestreden o. a. door den H. Sophronius, patriarch van Jerusalem.

Door Sergius misleid, mengde keizer Heraclius zich in den strijd, door deze ketterij te voorschijn geroepen, en hij geloofde, dien te zullen doen eindigen door de uitvaardiging van een geloofsbelijdenis Ecthese genaamd. Hij geloofde dat het stuk, onder ingeving van Sergius geschreven , de zuivere Katholieke leer bevatte, doch het was kettersch. Het werd door den Paus veroordeeld, en Heraclius herriep het voor zijn dood, maar zijn opvolger Cons tan tius II (641—668) werd een hevig vervolger der Kerk.

Door hem gesteund, weigerden de patriarchen van

ocr page 134

126

Constantinopel tot de ware leer terug te keeren, en de patriarch Paulm verkreeg zelfs van den keizer een nieuw edict, bekend onder den naam van Type of Formulier, dat met de Ecthese van Heraclius overeenkwam. In dit stuk beweerde de keizer eene verklaring van het ware geloof te geven, waardoor hij zich onbevoegd en- onwettig op het gebied der Kerk begaf. Daarenboven legde hij de waarheid zoowel alp de dwaling het stilzwijgen op.

PAUS MARTINCS I.

God verwekte toen een moedig verdediger des geloofs in den H. Paus Martinus (649—655). Nauwelijks had deze den Pauselijken zetel beklommen, of hij beriep een Concilie te Rome, legde daar de geschiedenis van het monothelisme bloot, toonde de dwalingen van den Ecthese en de Type aan en veroordeelde plechtig de ketterij. Woedend over deze moedige handelwijze des Pausen, zond Constantius een officier naar Rome, met last zich van den persoon van Martinus meester te maken. De Paus was ziek, werd gegrepen, naar een schip gebracht en achtereenvolgens naar Misene en Naxos gevoerd. Eerst na eene moeilijke zeereis van drie maanden kwam hij te Constantinopel aan, waar hij 93 dagen lang in eene gevangenis werd opgesloten. Toen men nu geloofde. dat hij door de ziekte en de hem aangedane mishandelingen geheel uitgeput was, deed men hem een verhoor ondergaan, waarbij men hem leugens noch beleedigingen bespaarde. Doch de Paus bleef onverzettelijk. Nu gaf men hem voor nieuwe mishandelingen aan de beulen over en wierp hem in de gevangenis, waar hij weder drie maanden verbleef. Daar de keizer eindelijk inzag, dat niets baatte, liet hij den Pauselijken martelaar op Witten Donderdag van het jaar 655 in het geheim naar den Krim voeren, waar Martinus twee maanden later aankwam. Hier kwijnde hij nog eenigen tijd en stierf den 16 September 655, als martelaar van het geloof, dat hij zoo moedig verdedigd had.

ocr page 135

127

ZESDE OECUMENISCH CONCILIE.

De opvolgers van den H. Martinus bewandelden moedig zijn voetspoor. Constantinus Pogonatus (668—685), die zijn vader Constantius, in het bad vermoord, opvolgde, gaf de Kerk den vrede terug. Te Constantinopel werd een algemeen Concilie bijeengeroepen. Het werd geopend den 7 November 680 en bijgewoond door den keizer. Twee legaten van den H. Paus Agatbo leidden het Concilie. Men las een brief van Agatho, die met de meeste juistheid de leer der H. Kerk omtrent de twee willen van Christus bepaalde, en al de Vaders van het Concilie riepen: „Petrus heeft gesproken door den mond van Agatho! Wij gelooven met hem, dat er in Christus twee willen zijn. Den ban over hem , die het tegendeel leert!quot;

EINDE VAN HET MONOTHELISME.

Na deze plechtige veroordeeling woekerde de ketterij nog eenigen tijd voort. Keizer Justinianus II, zoon van Constantinus , de rechten der Kerk schendend, beriep een Concilie zonder toestemming van den Pans en zond den H. Vader de handelingen dezer onwettige Kerkvergadering. De Paus weigerde die goed te keuren (692) , en nu gaf de keizer zijn schildknaap bevel naar Rome te gaan, den Paus gevangen te nemen en naar Constantinopel te voeren. Doch vreezende, dat den Paus het lot zou wedervaren, dat Paus Martinus getroffen had, besloten de Romeinen hem tegen den keizer te verdedigen. De keizerlijke schildknaap vond het geheele volk gewapend en moest, om zijn leven te redden, in het Pauselijk paleis vluchten. De H. Vader zegende het volk, bracht het tot bedaren en smeekte om levensbehoud voor den schildknaap. De Romeinen stemden toe maar op voorwaarde, dat de keizerlijke gezant onmiddellijk hunne stad zou verlaten, en deze kon te Constantinopel gaan mededeelen, dat de keizerlijke macht nog wel ge-eerbiedigd werd door den Paus maar niet door het volk, dat de tirannie der Oostersche keizers niet langer wilde verdragen (694). Do eerste opvolgers van Justinianus

ocr page 136

128

waren niet beter dan hij. Eindelijk beklom keizer ^ncts-tasius den troon, en bij zijne kroning in de Sophia-kerk, riep het volk: „Wij omhelzen het geloof van het zesde Concilie; het ia heilig, het is oecumenisch! quot; Anas-tasius juichte met het volk en schreef een brief aan den Paus, waarin hij zijn geloof in de ware leer der Kerk beleed. Het monothelisme was nu voor goed overwonnen, maar het Oostersche keizerrijk verzwakte meer en meer, en de Grieksche Kerk ging zichtbaar eene scheuring tegemoet.

DE HEILIGEN.

Den hevigsten strijd voerende tegen de Oostersche ketterijen vergaten, de Pausen daarom het Westen niet. Reeds hebben wij gehoord hoe de H. Columbanus het Evangelie predikte in Frankrijk en Zwitserland; anderen gingen den Rijn over en verkondigden de Blijde Boodschap in Germanië, als de HH. Iridolijn en Rupertus. De H. Valen-tinus bracht het Evangelie in het land van Passau, de H. Severinus in Pannonië en Norië. Andere missionarissen predikten in Beieren, en de Frankische monnik, de H. Corbinianus, stichtte de kerk van Frisingen, waarvan hij de eerste bisschop werd. Ook noordwaarts trokken de moedige geloofsverkondigers. De H. Amandus bekeerde een groot gedeelte van België; de H. JEligius, bisschop van Noyon, arbeidde eveneens in dit land en drong door in de Nederlanden, tot zelfs in Friesland. De bisschoppen van Maastricht bevorderden eveneeens de uitbreiding van den godsdienst in België.

Te Maastricht was het Evangelie reeds verkondigd door den H. Maternus, een leerling van den H. Apostel Petrus, en er was door hem een kerkje gesticht. In 374 werd Maastricht een bisdom, aangezien de H. Servatius, bisschop van Tongeren, door het Arianisme van hier verjaagd, aldaar zijn zetel overbracht. Maastricht behield dien zetel tot in 722, in welk jaar hij door den 11. Hubcrtus naar Luik werd verplaatst.

ocr page 137

129

BEKEERING VAN NEDERLAND.

Niet uit het Zuiden maar uit Engeland kwam het Christendom voor goed in ons vaderland. Hadden Fran-sche en Belgische missionarissen hier op verschillende plaatsen het geloof verkondigd, behalve in het zuiden van Brabant en Limburg had het geen wortel geschoten. De geloofsverkondigers moesten wijken voor de hardnekkigheid der heidenen. Eindelijk gaf God aan Nederland zijn Apostel, den 77. Willibrordus. Deze werd in 657 uit godvreezende ouders in Northumberland in Engeland geboren, kreeg zijne opvoeding in het klooster te Ripon en groeide tot een uitstekenden jongeling op. Toen hij 20 jaar oud geworden was, trad hij in de orde van den H. Benedictus, werd priester gewijd en begaf zich naar Ierland maar vond hier niet de voldoening zijner verlangens , daar hij boven alles aan de bekeering der heidenen wilde arbeiden. Hij stak dan het Kanaal over en landde te Katwijk aan den Rijn. Een krachtigen steun vond hij in Pepijn, den opperhofmeester der Fransche koningen, die hem tegen de heidenen beschermde en naar Rome liet gaan, om den zegen van den Paus op zijn arbeid te ontvangen. Paus Sergius, door God met de nadering van den Heilige bekend gemaakt, ontving hem met vreugde, wijdde hem tot aartsbisschop van Utrecht, en hem de bekeering der Nederlandan opdragende, zond hij hem terug met een schat van reliquiën en den Apostolischen zegen.

Te Utrecht bouwde de H. Willibrordus eene kerk en scholen en begaf zich van hier naar bijna alle provinciën van ons vaderland. God zegende zijn arbeid door de bekeering van een groot aantal heidenen. Met gevaar zijns levens vernielde hij de afgoden, en tegen de woede der heidenen beschermde God hem door zichtbare teekenen en mirakelen. Na ongeveer een halve eeuw in ons Vaderland gearbeid en talrijke Christen-gemeenten gesticht te hebben, vertrok hij naar het klooster te Echternach in Luxemburg, waar hij eenigen tijd later overleed. De H. Willibrordus wordt als de Apostel van Nederland vereerd.

ocr page 138

130

Ook de H. Wilfridus kwam uit Engeland en arbeidde eenige jaren in ons land. Hij had daartoe niet het voornemen , maar werd op een reis naar Rome door tegenwind op de Friesche kust gedreven. Hij arbeidde vooral in Friesland en zette daarna over land zijne reis naar Rome voort.

Van langeren duur was de Apostolische arbeid van den H. Lehuinus, die uit Engeland naar ons land kwam en het Evangelie predikte aan den IJsel. Hij had tot metgezel den H. Marcellinus, die in zijne jeugd door den H. Willibrordus onderwezen was. De H. Lebuinus stichtte eene kerk ter plaatse, waar later de stad Deventer verrees, en werd daarin na zijn dood begraven. Toen hij stierf, was het heidendom uit de provinciën Gelderland en Overijsel bijna geheel verdwenen.

De H. Wulfratius kwam uit Frankrijk, waar hij in 680 tot bisschop van Sens gewijd was. Hij arbeidde in verschillende streken van ons land, tot zelfs in Friesland, en onderscheidde zich niet alleen door de talrijke bekeeringen, welke hij wrochtte, maar ook door zijne mirakelen. Eens redde hij twee heidenen, die door hunne barbaarsche landgenooten in zee waren geworpen. Van dit feit getuige, zond de heilige een vurig gebed tot God en stapte toen moedig op de baren der zee, bereikte de ongelukkigen, nam hen bij de hand en bracht hen behouden aan land. Een anderen keer wekte hij een knaap, die door de heidenen vermoord was, tot den dood op. De H. Wulfranus overleed te Fontenelle in Frankrijk.

VIJFDE HOOFDSTUK.

De Carolingers.

Twee Afdeelingen; De Oostersche kerk en de Iconoclasten. — De Westersche kerk en de Carolingers.

§ I. De Oostersche kerk en de Iconoclasten.

LEO DE ISAURIËK.

Nauwelijks was de Grieksche kerk eenigermate bekomen van de verwarringen, gesticht door de ketterij der Mono-

ocr page 139

131

theliten, of een nieuwe vervolging brak tegen de Kerk uit in het Rijk, dat zelf onophoudelijk door de Muselmannen bedreigd werd. Dezen keer kwam de ketterij van den troon zei ven. Leo de Isaurier was in zijne jeugd omringd geweest door Joden en slechte Christenen, die de zuiverheid zijns geloofs verloren deden gaan. Een dier Joden had op zekeren dag in zijne tegenwoordigheid een beeld des Zaligmakers bespot en tot den keizer gezegd: „Als gij op den troon gezeten waart, zoudt gij dan al deze goddelooze beelden niet verwoesten?quot; „Ik zweer u,quot; had de keizer geantwoord, ,, dat ik er geen enkel van zou laten bestaan.quot; In 726 gaf Leo een edict, waarin hij verklaarde uit dankbaarheid jegens God, die hem op den troon verheven had, de afgoderij te willen uitroeien, welke de Kerk binnengeslopen was; de beelden van Christus, de H. Maagd en andere Heiligen waren afgoden, aan welke men de eer bewees, welke aan God moest gebracht worden. Daarom beval hij alle beelden uit de kerken, de bidplaatsen en de woningen der burgers te verwijderen en ze in stukken te breken. Zoo begon de ketterij der Iconoclasten of beeldstormers.

DE H. GERM ANUS.

De patriarch van Constantinopel, de IJ. Germanus, weigerde het edict te onderteekenen en trachtte den keizer in te lichten omtrent de ware leer der Kerk. „ De Christenen ,quot; zeide hij, „ aanbidden de beelden niet maar vereeren ze, omdat zij hen aan de heiligen en hunne deugden herinneren; men vereert niet het beeld, maar Christus of de heiligen, die door de beelden worden voorgesteld.quot; De keizer luisterde niet naar deze wijze opmerkingen maar voerde toch ook niet dadelijk het edict uit.

DE VERVOLGING.

Eerst beproefde hij met zachte middelen tot zijn doel te komen, met beloften en vleierijen. Doch toen de SOjarige patriarch onverzettelijk bleef, zond hij hem in ballingschap (780), benoemde een patriarch, die 's keizers

ocr page 140

132

gunst hooger achtte dan zijn plicht en beval nu dat overal de beelden zouden vernield worden. De soldaten van Leo den Isauriër drongen de kerken en de woningen der burgers binnen, verbrijzelden de beelden, verscheurden of besmeurden alle godsdienstige voorstellingen en doodden hen, die zich tegen hunne heiligschennis durfden verzetten. Een groot aantal gouden en zilveren beelden werden aan den keizer overgeleverd, eveneens de met edelgesteenten versierde H. Vaten, die bij het H. Misoffer gebruikt waren. Een groot bronzen kruisbeeld, door Con-stantijn den Groote geplaatst aan den ingang van het keizerlijk paleis, werd op zijn bevel in stukken gehouwen.

DE H. JOANNES DAMASCENÜS.

Nu verscheen een door God verwekte strijder, die het keizerlijk geweld bestraSen en de eer der heiligen verdedigen zou. 't Was een monnik, Joannes geheeten en tegen het einde der zesde eeuw te Damascus uit eene aanzienlijke familie geboren. Zoodra de ketterij der Iconoclasten uitbrak, verhief hij de stem ten gunste des waren geloofs en schreef drie Reden, welke een grooten indruk maakten in heel het Oosten, ja in de geheele Katholieke wereld. Leo de Isauriër was zoo vertoornd over deze Reden, dat hij zich niet schaamde een schelmstuk te begaan, om zich te wreken over den schrijver. Hij liet een brief schrijven met het nagemaakte handschrift van den H. Joannes , waarin deze den keizer uitnoodigde tegen Damascus op te rukken, voor welk geval hij beloofde hem de poorten der stad te zullen openen. Dien valschen en leugenach-tigen brief zond hij aan den Kalif van Damascus als een bewijs van zijne vriendschap. De vertoornde Kalif wilde niet eens eene verdediging van den H. Joannes aanhooren en deed hem de rechterhand afkappen. Joannes knielde onmiddellijk voor een beeld der H. Maagd en smeekte hare tusschenkomst af bij haren Goddelijken Zoon, opdat hij de verloren hand mocht terugkrijgen en voort zou kunnen gaan met de verdediging der beelden. Zijn gebed werd verhoord; de rechterhand verscheen op het-

ocr page 141

133

zelfde oogenblik, en de Kalif, door dit wonder getroffen, gaf den heilige zijne vrijheid terug.

VEEWARRING IN ITALIË.

Het edict van Leo den Isauriër bracht verwarring in het geheele Rijk. Het Oosten wist hij in bedwang te houden, maar in Italië stond het volk als één man op, toen de landvoogd van Ravenna de beelden in de kerken dier stad wilde verbrijzelen. De keizer had evenals zijne voorgangers zijne eigene beeltenis naar Rome gezonden en wilde die geëerbiedigd hebben, terwijl hij die van Christus, de H. Maagd en de Heiligen vernielde. Het vertoornde Romeinsehe volk trapte de Romeinsche afbeeldingen met voeten; Rome, Campanië en andere gewesten boden openlijk tegenstand aan de bevelen, welke uit Constantinopel kwamen. Ware Paus Gregorius II een eerzuchtig man geweest, het ware hem gemakkelijk gevallen zich meester te maken van de tijdelijke macht over geheel Italië. Maar deze H. Paus en zijne opvolgers boden wel tegenstand aan de ketterijen, welke uit het Oosten kwamen, doch hielden niet op het keizerlijk gezag in Italië, in zooverre dit nog bestond, te handhaven.

CONSTANTIJN COPRONYMUS.

De 11. Gregorins III, die den H. Gregorius II opvolgde (731—741), moest het aanzien, dat de vervolging bleef voortwoeden, ja nog heviger werd onder de regeering van Gonstantijn Compronymus, zoon en opvolger van Leo den Isauriër. Deze goddelooze vorst lasterde onophoudelijk Christus en de H. Maagd. Hij gaf zich over aan de schandelijkste losbandigheden, zelfs aan tooverij en was volgens de Grieksche geschiedschrijvers Christen, Jood noch Heiden, 't Was een monster van goddeloosheid, van wellust en wreedheid, die zelfs den ketterschen patriarch Anastatius met schaamte vervulde. De geloovigen werden met dubbele woede vervolgd; er brak een opstand uit, en Constantijn smoorde dien in bloed; er brak een pest uit, de keizer dacht slechts aan het leegplunderen van de

ocr page 142

134

huizen der pestlijders en maakte zich meester van de goederen, welke zij bij den dood achterlieten. Vooral koelde Constantijn zijne woede aan de monniken, die over het algemeen volhardden in de vereering der heiligenbeelden. De tiran kon ten slotte het kloostergewaad niet meer zien en besloot alle mannelijke en vrouwelijke religieusen, als zij hun geloof niet verzaakten en hun kleed niet aflegden, ter dood te brengen.

ZEVENDE OECUMENISCH CONCILIE (787).

Eindelijk kreeg God medelijden met de ongelukkige Oostersche kerk. Constantijn stierf in 775 op een tocht tegen de Bulgaren aan de pest, na bevolen te hebben , dat de heiligenbeelden weder hersteld zouden worden. Zijn zoon Leo de Khazaar, gehuwd met Irene, die Katholiek was, volgde het voorbeeld zijns vaders, maar stierf reeds in 780, en Irene werd regentes over haren jongen zoon Constantijn. De Katholieken juichten; het ware geloof zegepraalde, en de vervolging hield op. Irene schreef aan Paus Adrianm en verzocht zijne hulp om de wonden, aan de Oostersche kerk toegebracht, te heelen. Adrianus nam met vreugde dit verzoek aan, en het zevende oecumenisch Concilie werd onder voorzitterschap van de Pauselijke legaten den 27 September 787 te Nicea geopend. 377 bisschoppen namen aan het Concilie deel. Alle Vaders verklaarden, dat het geloof, in de brieven van Paus Adrianus uitgedrukt, door hen beleden werd, en het leerstuk over de beelden werd volgens de geschreven en mondelinge overlevering der Kerk vastgesteld. De ketterij was overwonnen, maar later vond zij opnieuw steun bij eenige keizers, die haar weder wilden invoeren.

§ II. De Westersche kerk en de Carolingers.

Troostender was het schouwspel, dat inmiddels de Westersche kerk opleverde; daar leefden jongere volken, die zich niet bezighielden met de Grieksche haarkloverijen en krachtig voorttraden op den weg der Christelijke bescha-

ocr page 143

135

ving, terwijl heilige en moedige missionarissen het Christendom uitbreidden onder de volken, die nog heidensch waren.

DE H. BONIFACIUS.

De 11. Bonifacius werd omstreeks het jaar 680 geboren in het graafschap Devon en droeg den naam van Winfried. Paus Gregorius II veranderde dien in Bonifacius, d. w. z. die goed doet, toen hij hem in 719 gebood het Evangelie te prediken aan alle volken van Germanië en hen volgens den Romeinschen ritus den H. Doop toe te dienen. Bonifacius doorliep Beieren en Thuringen en doopte er een groot aantal ongeloovigen. Daar hij vernam, dat Karei Martel de prediking des Evangelies begunstigde, begaf hij zich naar Friesland en werkte daar met den H. Willibror-dus aan het heil der zielen. Toen hij echter bemerkte, dat de Heilige er aan dacht hem tot zijn opvolger te maken op den Stoel van Utrecht, verliet hij haastig Friesland en doorreisde geheel Hessen en Saksen, overal de heidenen doopende en kerken bouwende op de puinen der afgodstempels. Toen hij den Paus kennis gaf van zijne verrichtingen, riep deze hem naar Rome, diende hem de H. bisschopswijding toe en gaf hem bisschoppelijk gezag over alle kerken, welke hij in Duitschland stichten zou.

Als Apostel van Duitschland en aartsbisschop van Mainz (745) was Bonifacius de meest vereerde en beroemde man der Christenheid. Pepijn wilde als koning der Franken door hem gezalfd worden. Slechts ééne glorie ontbrak hem, die van het martelaarschap, en God wilde Zijn getrouwen dienaar deze kroon niet onthouden. Bonifacius scheepte zich op den Rijn in en drong met eenige gezellen de Friesche wouden binnen. Een groot aantal Friezen lieten zich door hem bekeeren en doopen. Den dag voor Pinksteren stelde hij vast, om aan de nieuwe geloovigen het H. Vormsel toe te dienen. Daar eene kerk hen niet kon bevatten, besloot hij hen in het open veld de H. Zalving te geven. Hiertoe koos hij eene weide bij Dokkum, deed er tenten opslaan en begaf er zich heen op den bepaalden dag (5 Juni 755). Maar terwijl hij bad en de

ocr page 144

136

nieuwbekeerden wachtte, werd hij door een bende gewapende heidenen aangevallen. Zijne dienaren wilden hem verdedigen, maar hij verbood het hun. De heidenen vermoordden hem met 52 andere Christenen, onder welke een bisschop, drie priesters, drie diakens en vele monniken gevonden werden. Het lijk van den H. Martelaar werd gebracht naar de abdij van Fulda, door hem gesticht, en God verheerlijkte daar Zijn dienaar door vele mirakelen.

DE PAUSEN'.

Terwijl de missionarissen arbeidden aan de bekeering der barbaren, volgden groote en heilige Pausen elkander op den Stoel van St. Petrus op, en drie beroemde mannen, Karei Martel, hertog der Franken, Pepijn de Korte en Karei de Groote, ondersteunden hen tegen hunne binnen-en buitenlandsche vijanden. De H. Gregorius III beleefde den grooten dag, waarop Karei Martel in de vlakten van Tours en Poitiers in 732 de Sarracencn vernietigde, de Spaansche Turken die Frankrijk overstroomden en naar Italië wilden rukken, om daar de Halve Maan te plaatsen op de torens van Rome, de hoofdstad der Christenheid. Door de Lombarden benauwd en door den Griekschen keizer verlaten, riep Gregorius Karei Martel, dieii hij zijn zeer Christelijken zoon noemde, te hulp. Karei kon Gallië toenmaals niet verlaten, maar zijn naam alleen hield den Lombardischen koning Luit-prand in bedwang, en de dankbare Romeinen schonken hem den titel van consul. Hierdoor scheurdan zij zich nog wel niet los van Constantinopel maar verschaften zich toch een machtigen beschermer in den ge vreesden hertog der Franken.

DE H. ZACH4RIAS, STEPHANUS II EN STEPHANUS III.

De H. Zacharias, opvolger van den H. Gregorius III (741—752), bevond zich in denzelfden toestand als zijne voorgangers. Hij bedwong de heerschzucht van koning Luitprand, die aan de Kerk ontnomen landstreken teruggaf en er andere als een gift bijvoegde. Onder zijn Pausschap

ocr page 145

137

verhief zich in Frankrijk eene nieuwe dynastie: Pepijn de Korte, zoon van Karei Martel, maakte een einde aan de dynastie der Merovingers (752). De opvolger van Zacharias, Stephanus II (752), stierf eenige dagen na zijne verkiezing, zelfs voor hij gekroond was. Stephanus III (752—757) volgde hem op. Nu geschiedde een der merkwaardigste feiten der geschiedenis. De Paus, aangevallen door den Lombardischen koning Astulphus, die zich van Rome wilde meester maken, en geheel en al verlaten door Constantijn Copronymus, nam zijn toevlucht tot de Franken. Persoonlijk begaf hij zich tot Pepijn den Korte, en deze trok aan het hoofd zijns legers tegen Astulphus op en dwong hem tot den terugtocht. Doch nauwelijks was Pepijn naar Gallië vertrokken, of Astulphus hernieuwde zijne vijandschap tegen den Paus. Nu trok Pepijn met bliksemsnelheid de Alpen over, sloot Pavia, de hoofdstad van het Lombardische koninkrijk, in en noodzaakte Astulphus alles aan de Kerk terug te geven wat hij haar ontnomen had.

DE WERELDLIJKE MACHT VAN DEN PAUS.

Thans verschenen gezanten van Constantijn Copronymus en eischten van Pepijn voor den keizer de plaatsen, welke hij veroverd had. Copronymus, die geen oogenblik aan Italië gedacht had, toen het in den diepsten nood verkeerde , meende de vruchten te kunnen plukken, welke de Franken met hun bloed gewonnen hadden. Heel Italië verzette zich tegen de eischen van Constantinopel, en Pepijn verklaarde, dat hij niet gestreden had ten voordeele van een beeldstormer. Gebruik makende van het wettige recht van verovering, deed hij aan den H. Stoel wedergeven, wat door de Lombarders weggenomen was; hierbij voegde hij een wezenlijke gift, door aan den Paus nog eenige andere steden te schenken. En dus werd de tijdelijke macht des Pausen niet, zooals somtijds beweerd wordt, gesticht maar bevestigd.

ocr page 146

138

KAREL DE GROOTE.

Desiderius was koning der Longobarden geworden, en de H. Paus Paulus I, broeder van Stephanus III en zijn opvolger, had met een nieuwen vijand der tijdelijke macht te strijden. Adrianus I (772—795), door nauwe vriendschap verbonden met Karei den Groote, zoon van Pepijn den Korte, en die in 768 koning der Franken was geworden, wist eindelijk aan de heerschzuchtige ondernemingen van Desiderius een einde te maken. Het Rijk der Longobarden hield op te bestaan (774), en alle aan de Kerk ontnomen goederen werden haar teruggeschonken. Bij deze teruggave voegde Karei de Groote een nieuwe schenking. De akte, te Rome geteekend, verzekerde voor altijd aan den H. Stoel behalve Rome en zijn grondgebied het exarchaat van Ravenna, het eiland Corsica, de provinciën Parma, Mantua, Venetië en Istrië en de hertogdommen Spoleto en Benevento.

Nog andere glorievolle gebeurtenissen onderscheidden het Pausschap van Adrianus. Terwijl het Concilie van Mcea een doodelijken slag toebracht aan de ketterij der Iconoclasten (780), versloeg Karei de Groote de Sarracenen in Spanje en bedwong in Duitschland de Saksers, die na langen tegenstand onder hun hertog Wittekind eindelijk het Christendom omhelsden.

HET H. ROOMSCHE RUK.

De H. Leo III, opvolger van Adrianus (795—816), voltooide het werk zijner voorgangers en bekroonde het gebouw der Christenheid, door de keizerlijke diadeem op het hoofd van Karei den Groote te plaatsen. Twee boosdoeners hadden het plan gevormd den Paus te vermoorden, en het gelukte hun met hunne aanhangers inderdaad den Paus te grijpen, waarna zij hem de oogen uitstaken en de tong afsneden. De geheele stad werd met afgrijzen vervuld, en de menigte eischte de in vrijheidsstelling van den Paus. De H. Leo werd inderdaad verlost, en de hertog van Spoleto bood hem een verblijf in

ocr page 147

139

zijne stad aan. Een mirakel vervulde de harten der geloovigen met vretigde en vermeerderde hunnen eerbied voor den Paus. Leo kreeg het gebruik van gezicht en spraak terug.

Karei de Groote was diep verontwaardigd, toen hij vernam hoe de Paus door zijne eigen onderdanen behandeld was, en dacht er aan naar Rome op te trekken en den Paus te herstellen in zijne stad, waar de oproerlingen nog de heerschappij in handen hadden. Maar nu vernam hij, dat Leo op reis was gegaan, om hem te Paderborn te bezoeken. Plechtig en indrukwekkend was de samenkomst van de twee machtigste vorsten der aarde. De groote vereering, welke Karei de Groote den Paus bewees, sloeg zijne vijanden mei ontsteltenis, en zij namen de vlucht. De voornaamste hoofden van het oproer werden echter gevangengenomen en gestraft, en Leo deed onder het gejuich der bevolking zijn intocht in de Eeuwige Stad.

Eenigen tijd daarna kwam Karei zelf te Rome. Leo III was van meening, dat de tijd gekomen was, om het groote plan uit te voeren, dat hij sedert lang gevormd had. De koning der Franken was toen meester van half Europa. Het Westersche Rijk was dus feitelijk hersteld. En nu wilde Leo dit feit op plechtige wijze erkennen, door de keizerlijke waardigheid te herstellen ten gunste van den beschermer der Kerk. In den Kerstnacht van het jaar 800 begaf Karei de Groote zich naar de St. Pieterskerk om de plechtige H. Mis bij te wonen. Terwijl hij nu bad aan het graf der Apostelen, naderde hem de Paus en plaatste hem de kroon op het hoofd, en het geheele volk riep; „Aan Karei Augustus, gekroond dooide hand van God, den grooten en vredelievenden keizer der Romeinen , leven en zegepraal! quot; Driemaal weerklonk deze jubelkreet door de uitgestrekte basiliek. Ten hoogste verbaasd, boog Karei de Groote het hoofd onder dezen nieuwen, hem opgelegden last en werd door den Paus gezalfd. Een wereldgebeurtenis had in dezen beroemden Kerstnacht plaats gehad: de Kerk had een officieelen verdediger, de H. Stoel een machtigen steun gekregen en de

ocr page 148

140

maatschappij was gevestigd op een Christelijken grondslag. Karei begreep- zeer goed de beteekenis der nieuwe instelling , daar hij zich noemde: „ Karei, koning bij de gratie Gods, bestuurder van het Rijk der Franken, godvruchtig beschermer der H. Kerk en hulp in alles van den Apos-tolischen Stoel.quot;

Aldus was het H. Roomsche Rijk gesticht, dat den keizer bekleedde met eene ware oppermacht over alle Christen-vorsten en volkeren van het Westen maar onder de zedelijke suzereiniteit van den Paus, die als Stedehouder van Christus op aarde alleen de macht had, om deze opperste waardigheid te verleenen.

ocr page 149

DERDE TIJDVAK.

Samenstelling der Ch.ristelijke maat-schappij (800—1095).

Het derde tijdvak van de geschiedenis der Katholieke Kerk bevat ongeveer drie eeuwen (800—1095), gedurende welke de Christelijke maatschappij aan hare ontwikkeling arbeidde, terwijl de Oostersche kerk zich in het schisma wierp en haren ondergang tegemoet ging. Aan iedere dezer drie eeuwen zal een hoofdstuk gewijd worden.

EERSTE HOOFDSTUK.

Het H. Roomsehe Rijk (800—912).

/Negende eemuj.

Twee afdeelingen: De Oostersche kerk. — De Westersche kerk.

§ I. De Oostersche kerk in de negende eeuw.

EINDE DER BEELDSTORMERIJ.

De ongelukkige Oostersche kerk mocht zich niet lang in het genot van den vrede verheugen. Keizerin Irene werd opgevolgd door keizers, die de ketterij der Icono-lasten gustig waren gezind, nl. Michael II de Kreupele en zijn zoon Theophilm, die de woedendste en gelukkig de laatste dier ketters was. Michael III (842—867), die zich later den bijnaam van den Dronkaard waardig maakte, volgde zijn vader Theophilus op onder het regentschap zijner moeder Theodora. Deze was den troon volkomen waardig. Als een oprecht Katholiek dacht zij, zoodra zij de macht in handen had, aan niets anders dan aan het herstel van den godsdienst en werd hierin gesteund door den patriarch van Constantinopel, den H. Methodius. De ketterij der

ocr page 150

142

Iconoclasten werd eindelijk geheel uitgeroeid en ter herinnering hiervan een feest ingesteld, dat jaarlijks gevierd werd (842).

SCHEURING VAN PHOTIÜS (857—886).

De rust der Oostersche kerk duurde ongelukkig maar weder eenige jaren. De H. Methodius werd door den H. Ignatius opgevolgd, wiens geloofsij ver weldra door den keizer op een zware proef werd gesteld. Keizerin Theodora had een broeder, Bardas geheeten; deze, door heersch-zucht verteerd, hitste Michaël tegen zijne moeder aan en wilde, dat zij in een klooster zou opgesloten worden, opdat hij gemakkelijker den jongen keizer zou kunnen beheerschen. Hij streelde de hartstochten van den jongen vorst en spoorde hem tot de afschuwelijkste misdaden aan. Michaël werd dan ook een zedeloos mensch, een dronkaard. De H. Ignatius verzette zich echter tegen de plannen van Bardas en werd daarom van zijn zetel verjaagd en in een klooster opgesloten. Men wilde, dat hij afstand zou doen van zijne patriarchiale waardigheid, doch hierin wilde hij nimmer toestemmen. Er bevond zich toenmaals aan het hof van Constantinopel een man, Photius geheeten, die even heerschzuchtig als geleerd was. Door zijne groote kundigheden en zijne welsprekendheid was hij beroemd geworden in het geheele Rijk. Maar zijne ondeugden waren niet minder talrijk dan zijne talenten, en hij ontzag zich niet, om op vermetele wijze te spelen met hetgeen de godsdienst heiligs en eerbiedwaardigs heeft. Als een heilige sprekend, listig en vol huichelarij , was hij de man, dien Bardas noodig had. Photius zou de plaats innemen van den H. Ignatius. Wel was Photius slechts een leek, maar zoodra Bardas den tegenstand van een aantal bisschoppen overwonnen had, viel het niet moeilijk meer den indringer de H. Wijdingen toe te dienen. Photius ontving ze alle in zes dagen tijds. Maar spoedig verhieven zich van alle zijden klachten tegen den goddeloozen Photius. Om deze tot zwijgen te brengen, trachtte hij door list de goedkeuring van den H. Paus Nicolaas den Groote te verkrijgen. Dezen schreef

ocr page 151

143

hij , dat men hem tegen zijn wil tot zoo hooge waardigheid verheven had; uit alle kracht had hij tegenstand geboden, doch hij was bezweken, toen Ignatius van zijne waardigheid afstand gedaan en zich vrijwillig in een klooster begeven had. Dat alles was leugentaal en bedrog, doch daar de brieven van Ignatius aan den Paus onderschept werden, werd de waarheid te Rome niet dadelijk bekend.

Toch handelde Paus Nicolaas, die tegen Photius wantrouwen had opgevat, met de uiterste voorzichtigheid. Hij gaf geen beslissing maar zond legaten naar Constan-tinopel om te onderzoeken wat daar inderdaad had plaats gehad. Dit verwekte bij Po Mus niet de minste bezorgdheid. Toen de legaten te Constantinopel aangekomen waren, werden zij zorgvuldig afgesneden van alle gemeenschap met Ignatius; slechts door aanhangers van Photius werden zij omringd. Door hem verleid, waren zij zwak genoeg, om toe te stemmen in een bijeenkomst van 318 bisschoppen, bijeengeroepen door den keizer. Bardas en Photius. Een wettige Kerkvergadering was dit niet, want tot de oproeping daarvan hnd de Paus geen toestemming gegeven. Voor die vergadering moest de H. Ignatius verschijnen. Men drong er bij hem op aan, dat hij ontslag zou nemen als patriarch, en wees hem, toen hij zich op den Paus beriep, op de legaten. Dezen kozen helaas partij tegen Ignatius. „ Men. geleide mij tot den Paus,quot; sprak de Heilige, „aan zijn oordeel zal ik mij onderwerpen.quot; Maar tot zijn ondergang was besloten, en men sprak het vonnis der afzetting tegen hem uit. De legaten van den Paus namen deel aan deze onrechtvaardigheid , en de goddeloosheid zegevierde (862).

Maar gelukkig, in de H. Kerk heeft zelfs datgene geen waarde, wat door Pauselijke legaten gedaan wordt, zoolang het niet door den Paus bekrachtigd is.

In weerwil van zijne overwinning was Photius niet gerust; hij vreesde het waakzame oog des Pausen, die den verdrukte altijd beschermt en het recht handhaaft. Om zijne veiligheid te verzekeren, trachte hij nogmaals den

ocr page 152

144

H. Ignatius te bewegen zijne waardigheid neder te leggen. Doch de Heilige weigerde volstandig, en uu werd hij opgesloten in den ledigen grafkelder van Constantijn Copro-nymus, wiens asch door Michaël den Dronkaard aan de winden was overgeleverd. Drie beulen werden belast met de taak, om Ignatius tot toestemming in den eisch van Photius te bewegen, doch ook zij waren machteloos, en toen de Heilige zijne vrijheid eindelijk weder terugbekomen had, wilde hij den Paus van het gebeurde in kennis stellen, doch Photius was hem weder vóór geweest. De legaten waren naar Rome teruggekeerd met een gezant des keizers en brieven van Photius, waarbij gevoegd'was een afschrift van den zoogenaamden afstand van den H. Ignatius.

Maar God laat niet toe, dat de H. Stoel op den duur bedrogen wordt en de goddeloosheid voor goed zegepraalt, zelfs op deze aarde. Weinig tijds na de terugkomst der legaten te Rome verscheen daar ook een monnik uit Constantinopel, heimelijk door Ignatius algezonden, en deze gaf den Paus een getrouw verhaal van al het gebeurde. Nu vergaderde Paus Nicolaas een Concilie te Rome in 863, en hier werden de beide legaten en Photius tevens geëxcommuniceerd en van hunne bisschoppelijke waardigheid ontzet en de handelingen van het valsche concilie van Constantinopel nietig verklaard.

De Paus schreef onmiddellijk aan den keizer en aan Photius. Maar niets was in staat om den hoogmoed van den indringer te breken. In plaats van den brief des Pausen aan den keizer schreef hij een anderen, waarin Nicolaas zijne wijding en het concilie van Constantinopel volkomen goedkeurde, en gaf dezen brief als een brief van den Paus aan den keizer, die grooter deel van den dag beschonken dan nuchter was, en Michaël de Dronkaard viel in den strik, hem door Photius gespannen.

HET LEERSTUK OMTRENT DEN H. GEEST.

Doch deze weergalooze schurkerij kon op den duur niet verborgen blijven. Weldra kwamen te Constantinopel uit Rome juiste berichten omtrent de kerkelijke straffen,

ocr page 153

145

welke tegen Photius waren uitgesproken, en nu zag de valschaard zich geheel ontmaskerd. Nu veinsde hij dan ook niet meer maar trad in openbaar verzet tegen den H. Stoel. Hij beschuldigde de Latijnsche kerk van ketterij en schreef brieven aan de patriarchen van het Oosten, waarin hij den Latijnen onderscheidene dwalingen verweet betreffende de geloofs- en zedenleer. „ Een overmaat van goddeloosheidzoo schreef hij verder, „ is, dat zij nieuwe woorden hebben durven toevoegen aan het Symbolum, door de Conciliën gemaakt, en dat zij leeren, dat de H. Geest niet alleen voorkomt van den Vader maar ook van den Zoon.quot; Dit laatste was inderdaad de leer der Kerk, en om deze beter uit te drukken, had men in de Westersche kerk in de woorden van het Symbolum; Qui ex Patre procedit (die van den Vader voortkomt) gevoegd Filioque (en van den Zoon), zoodat het nu luidde: Qui ex Patre Filioque procedit. Photius zelf had hierop nimmer aanmerking gemaakt; eerst nu hij geëxcommuniceerd en een ketter geworden was, deed hij het.

CONCILIE VAN CONSTANTINOPEL.

De huichelaar verviel van de eene misdaad in de andere. De Paus volhardde in zijne veroordeeling en bleef de zaak van den H. Ignatius verdedigen. Om nu de openbare meening te zijnen gunste te wenden, schreef hij handelingen van een oecumenisch Concilie, dat nooit bestaan had, en waarin de Paus door de Vaders zou zijn afgezet. Maar de hand Gods drukte op den bedrieger en zijne misdadige beschermers. Bardas werd vermoord op bevel van Michaël, die zijne heerschappij moede was (865), en toen hij zich twee jaar later ook van den moordenaar Basilius den Macedoniër wilde ontdoen, kwam deze Michaël voor en doodde ook hem (867). Nu besteeg Basilius den troon en trachtte de misdaden te 'doen vergeten, welke hem er op hadden gebracht. Hij maakte een einde aan de scheuring. Photius werd uit het patriarchaal paleis gejaagd en in een klooster opgesloten. De H. Ignatius keerde op plechtige wijze op zijnen zetel terug en noodigde

10

ocr page 154

146

den H. Paus Adrianus II uit, een oecumenisch Concilie te beroepen. Dit was het achtste en werd te Constantinopel gehouden. De Paus werd er vertegenwoordigd door zijne legaten. Photius werd met geweld voor het Concilie gebracht, en de huichelaar speelde de rol der onderdrukte onschuld. Op de meeste vragen bewaarde hij het stilzwijgen, en in zijne antwoorden gebruikte hij de woorden, waarvan Christus zich voor Zijne rechters had bediend. Hij en zijne aanhangers werden door het Concilie geëxcommuniceerd (869). De Paus bekrachtigde de besluiten van het Concilie, en de Grieksche kerk kreeg voor het oogenblik hare rust terug.

EINDE DER SCHEURING VAN PHOTIUS.

Ten slotte gelukte het Photius nogmaals den patriarchalen zetel te overweldigen. Hij wist zich de gunst van Basilius te verwerven, en bij den dood van den H. Ignatius werd hij tot patriarch van Constantinopel verheven. Paus Joannes VIII, die aanvankelijk toegevendheid gebruikte, zag zich weldra verplicht met strengheid tegen Photius op te treden, want deze had de brieven weder vervalscht, welke de Paus hem gezonden had. Joannes VIII excommuniceerde Photius, en zijne opvolgers handhaafden de excommunicatie. Den keizer Basilius gingen eindelijk de oogen open, en hij erkende, aan welke trouweloosheden de schurk zich had overgegeven. Maar eerst door zijn opvolger, Leo den Wijsgeer, werd Photius uit Constantinopel gejaagd en in ballingschap gezonden. De loopbaan van den rampzalige was nu eindelijk voor goed gesloten. Hij stierf eenige jaren daarna, en het schisma hield op (886).

BEKEERING DER SLAVEN EN BULGAREN.

De Slaven en Bulgaren werden bekeerd door twee H. broeders, Cyrillus en Methodius geheeten, te Thessalonica geboren en te Constantinopel opgevoed. De eerste predikte aanvankelijk onder de Khazaren, die zich in grooten getale bekeerden, en vervolgens onder de Slavische volks-

ocr page 155

147

stammen, die het tegenwoordige Rusland bewoonden. Op de noordelijke grenzen van het Grieksche Rijk woonden de Bulgaren, die het Rijk voortdurend verontrustten. In een slag tegen keizer Theophilus, dien zij verloren, viel de zuster huns konings in de handen der Grieken. Keizerin Theodora liet haar te Oonstantinopel in den Chris-telijken godsdienst onderwijzen en zond haar later naar haren broeder, koning Bog oris, terug. De godvruchtige prinses wist langzamerhand haren broeder te bewegen eveneens het Christendom te omhelzen. Toen de H. Cyrillus in zijn land kwam, was de koning nog wel niet bereid zijnen afgoden vaarwel te zeggen, maar de genade Gods werkte toch blijkbaar. Daar hij eene galerij in zijn paleis wilde beschilderd hebben, verzocht hij den keizer hem een bekwamen schilder te zenden. Michaël de Dronkaard zond hem den H. Methodius, en deze werd met de taak belast.

Methodius schilderde het laatste oordeel en ontblootte, toen het werk voltooid was, het doek plotseling in tegenwoordigheid des konings. De schilderij en vooral de verklaring daarvan vervulden den koning met ontzetting, en weldra stemde hij er in toe, zich in den Christelijken godsdienst te doen onderwijzen. Bij den doop kreeg hij den naam van Michael. Een zijner eerste zorgen was nu een gezantschap te zenden naar Paus Nicolaas den Groote, om hem Evangelische arbeiders te vragen, aangezien Bogoris niets met de Grieken te doen wilde hebben. Daarenboven moesten zijne gezanten den Paus in eenige moeilijkheden raad vragen. Nicolaas zond hem bisschoppen, die de bekeering der Bulgaren voltooiden. Bogoris deed later afstand van den troon en bracht de laatste dagen zijns levens in een klooster door.

De HH. Cyrillus en Methodius begaven zich vervolgens naar Moravië en Boheme en verkondigden ook daar het Evangelie met uitnemend gevolg. Methodius, door den Paus tot aartsbisschop van Moravië en Pannonië benoemd, vervaardigde eene Slavische vertaling van de H. Schrift en van de liturgische boeken.

ocr page 156

148

§ II. De Westersclie kerk.

DE MISSIËN.

Even als de Oostersche kerk behaalde de Westersche groote overwinningen op het heidendom. In de eerste jaren der negende eeuw werd de bekeering der Saksers voltooid benevens die van andere volken in het noorden van Europa. In Denemarken en Zweden werd het Evangelie gepredikt door den H. Anscharius, een monnik uit de abdij van Corbië in Picardië. Toen Harold, koning van Denemarken, aan het hof van Lodewijk den Goede, opvolger van Karei den Groote, het doopsel ontvangen had, vroeg hij hem eenige ijverige missionarissen, om hem naar zijn land te vergezellen. Men gaf hem Anscharius, en deze bewerkte in korten tijd een groot aantal bekeeringen. Toen de Heilige naar Corbië teruggekeerd was, om medearbeiders te halen, verzocht de koning van Zweden eveneens aan Lodewijk den Goede om missionarissen. Met een anderen religieus vertrok Anscharius nu naar Zweden. Later stichtte de H. Anscharius een bloeiende gemeente te Hamburg, waarvan hij de eerste aartsbisschop werd (834). Zijn ijver, deugden en mirakelen wonnen hem alle harten. Hij had altijd gehoopt zijn bloed voor het geloof te mogen storten; toen hij door de ziekte aangevallen werd, waaraan hij sterven zou, zeide hij: „Mijne zonden hebben mij beroofd van de genade van het martelaarschap.quot; Hij stierf in den ouderdom van 67 jaar (865).

DE KEIZERS.

De oprichting van het H. Roomsche Rijk, de beroemde schepping van Leo III en Karei den Groote, bracht te midden der verwoestingen van den Islam en de Grieksche scheuring bewonderenswaardige vruchten voort. Aan de zijde van Spanje werden de Muzelmannen belet verder in Europa voort te dringen , en de missionarissen vermenigvuldigden zich onder de nog heidensche volken van Noord- en Midden-Europa. Ongelukkig waren de opvolgers van Karei den Groote niet in staat om den

ocr page 157

149

last van een zoo uitgestrekt rijk te dragen. Lodewijk de Goede (814—840) onderscheidde zich door godsvrucht en ijver voor de voortplanting des geloofs maar was tengevolge der zwakheid zijns karakters gedurende zijne geheele regeering de speelhal der partijen. Lotharius I, zijn opvolger (840—855), zag de ontbinding des Rijks, waarvan de verschillende deelen echter onder het bestuur der Carolingische vorsten bleven. Keizer Lodewijk IT (855—875) bestreed de Sarracenen in Italië, in welken arbeid hij werd bijgestaan door de Pausen Nicolaas den Groote en Adri-anus II. Hij werd opgevolgd door Karei den Kale, zoon van Lodewijk den Goede, die sedert 840 in Frankrijk regeerde; deze door Karei den Dikke, die in 887 wegens zijne onbekwaamheid en lafheid werd afgezet. Op hem volgde Arnulf (887—899), die het Rijk tegen verschillende mededingers te verdedigen had, waarna Lodewijk het Kind regeerde (899—911), onder wien de Hongaren of Magyaren hunne verwoestingen in Duitschland, Italië en Frankrijk aanvingen. Met Lodewijk het Kind stierf het Carolingische Huis in Duitschland uit.

DE PAUSEN.

De Pauselijke troon wist beter zijn glans te bewaren dan de zetel van het Grieksche Rijk. De H. Leo had op prachtige wijze de eeuw geopend met Karei den Groote, dien hij slechts twee jaar overleefde. Stephanus, zijn opvolger, regeerde slechts zeven maanden (816—817). De H. Paschalis I (817—824) wendde alle pogingen aan om in het Oosten de beeldstormers van hunne goddeloosheid terug te doen komen, terwijl de H. Anscharius in Denemarken en Zweden het geloof verkondigde, en de H. Theodorus Studitus het in het Grieksche Rijk verdedigde. Onder zijn Pausschap werden de reliquieën van de H. Cecilia ontdekt; hij bouwde de Heilige eene. kerk, welke nog heden haren naam draagt (822). De H. Leo IV (847—855) herstelde de muren van Rome, om de stad te beter tegen vijandelijke aanvallen te kunnen beschermen, en bouwde een geheele nieuwe wijk, welke nog naar hem

ocr page 158

150

de Leonijnsche stad heet (852). Hij versterkte eveneens de stad Porto, herstelde Civita Vecchia en legde op verschillende plaatsen zijner Staten belangrijke versterkingen aan. De Sarracenen trachtten hem in dat werk te bemoeilijken; zij landden bij Ostia met een sterk leger maar werden volkomen verslagen. Na hem verscheen de -ff. Nicolaas de Groote, wiens beroemde daden reeds verhaald zijn.

BEKEEBING DER NOORMANNEN.

De negende eeuw had te lijden van de tweede groote volksverhuizing, die der Bulgaren, Hongaren en Noormannen , en ook thans werd door de Kerk de beschaving gered, daar zij de barbaren bekeerde. De Hongaren boden tot in de volgende eeuw tegenstand; de Bulgaren bezweken nog in de negende eeuw, en de Noormannen, uit Zweden, Noorwegen en Denemarken gekomen, werden langzamerhand tot het Christendom gebracht door missionarissen, die hen in hun land opzochten of in de landen, waar zij zich nederzetten. Vooral in Engeland, Nederland en in het Carolingische Rijk richtten zij groote verwoestingen aan. De schoonste provinciën werden leeggeplunderd. Rouaan in Frankrijk had veel te lijden zoowel als Tiel aan de Waal. Parijs zag de barbaren driemaal onder zijne muren en had een langdurig beleg te doorstaan. Onder Karei den Eenvoudige omhelsde Rollo, een der meest gevreesde opperhoofden der Noormannen, het Christendom. Toen hij voor Chartres eene nederlaag had geleden, geloofde koning Karei de gelegenheid gunstig, om in onderhandeling met hem te treden. Hij zond den aartsbisschop van Rouaan Franco tot hem, en deze zeide: „ Roemrijk opperhoofd van de mannen uit het Noorden, wilt gij tot aan uwen dood oorlogvoeren, of gelooft gij, dat gij onsterfelijk zijt? Zijt gij een god en niet een mensch van aarde, die terug moet keeren tot de aarde, waaruit gij genomen zijt? Indien gij sterft, zooals gij tot heden geleefd hebt, van moord en plundering, dan hebt gij in de andere wereld slechts eeuwige straffen te wachten. Verwerpt gij daarentegen de bijgeloovigheden en afgode-

ocr page 159

151

rijen van het heidendom, dan zult gij de zoetheid van den vrede smaken in dit en het andere leven. Koning Karei wil u dit land geven, dat gij verwoest hebt, en daarenboven zijne dochter Gisela ten huwelijk.quot; De trotsche Noorman, getroffen door de onverschrokkenheid van den bisschop en de verleidelijke voorstellen, welke hem gedaan werden, nam ze aan. Door Franco liet hij zich onderwijzen en doopen. „Alvorens mijne landen onder mijne onderdanen te verdeelenzeide hij, „wil ik er een gedeelte van geven aan God, de H. Maagd en de andere heiligen, die ik tot mijne beschermers wil kiezen.quot; De wolf was in een lam veranderd. Het gewest van Rollo kreeg den naam van Normandië, en hij bevolkte de verlaten steden, deed den godsdienst bloeien, bouwde de verwoeste kerken weder op , stichtte nieuwe, deed de kloosters als uit den grond rijzen en gaf zijn volk wijze wetten. De bekeering der Noormannen was een der schitterendste veroveringen der Kerk in de negende eeuw.

TWEEDE HOOFDSTUK.

De ijzeren eeuw (912—1002).

f Tiende eeuw].

Twee afdeelingen: Algemeene gebeurtenissen. — De monniken en de heiligen.

§ I. Algemeene gebeurtenissen (912—1002).

HET PADSSCHAP.

Bij den dood van Paus Formosm (896) begon voor het Pausschap een lange reeks van ongelukken en vernederingen. Het Rijk van Karei den Groote was ontbonden; Italië was ten prooi aan regeeringloosheid, en het gezag des Pausen werd te Rome niet geëerbiedigd. De Eeuwige Stad werd verontrust door voortdurende woelingen, aanvankelijk veroorzaakt door de hertogen van Toskane, die te Rome hun verblijf hadden , vervolgens door de Duitsche keizers, die, in plaats van den H. Stoel te beschermen,

ocr page 160

152

dien slechts verdrukten, en voor hunne heerschzuchtige bedoelingen zich trachtten te bedienen van het geestelijk gezag, dat de Paus over geheel de Kerk uitoefende. Die toestand heeft onder 37 Pausen ongeveer anderhalve eeuw geduurd; 't is een der moeilijkste tijden van het Pausschap geweest. Dat het die moeilijkheden schitterend te boven is gekomen, is een duidelijk bewijs van de Goddelijkheid der Kerk; elke andere Staat zou er den ondergang in gevonden hebben.

DE KEIZERS,

Een groot deel van de verantwoordelijkheid dier rampen komt op de Duitsche keizers, die het werk van Leo III en Karei den Groote niet begrepen en het niet wisten voort te zetten. Op de Carolingische dynastie volgde met Koenmad I van Frankenland (912—918) een zuiver Duitsche dynastie, die te zwak was om buiten Duitschland eenigen invloed uit te oefenen. Zijn opvolger Hendrik I de Vogelaar vermeerderde zijne macht (918—936) en liet aan zijn zoon Otto den Groote de zorg over, om in Italië het gezag der keizers te herstellen. Otto (936—973) vatte het werk van Karei den Groote weder op maar met minder bekwaamheid en belangeloosheid. In 962 ontving hij uit de handen van Paus Joannes XII de keizerlijke kroon, door zijne voorgangers na Lodewijk het Kind niet meer gedragen; het was als een herstel van het H. Roomsche Rijk. Ongelukkig werd de roem van den nieuwen keizer verduisterd door zijne gewelddadigheden jegens den H. Stoel. Ontevreden over Joannes XII, liet hij hem afzetten en een tegenpaus benoemen. Deze werd door Joannes XII geëxcommuniceerd (963). Intusschen bevestigde Otto de schenkingen van Pepijn en Karei den Groote en deed aan de Kerk teruggeven wat haar in Italië ontnomen was. Maar de bescherming, welke hij haar verleende, had al te dikwerf den vorm van souverein gezag — en geen keizer heeft dit in de Kerk — en om een einde aan de onlusten te maken, vreesde hij niet de regels te schenden der kerkelijke tucht.

Zijne opvolgers Otto II en Otto III volgden zijne staat-

ocr page 161

153

kunde maar met minder grootschheid, en lang schitterden de deugden van keizerin Adelaide, weduwe van Otto den (Iroote, die onophoudelijk er naar streefde de orde in Italië te herstellen.

DE CAPETINGERS.

Inmiddels was een nieuwe dynastie in Frankrijk ontstaan , die der Capetingers, van welke Hugo Capet het hoofd was (987—996). Hij werd opgevolgd door Robert den Vrome (996—1031). Deze dynastie legde de beste gevoelens aan den dag jegens den H. Stoel en de geestelijkheid. Aanvankelijk echter toonde Robert verzet tegen de Kerk. Hij was gehuwd met Bertha, doch dit huwelijk was door de Kerk verboden wegens eeu nauwen graad van bloedverwantschap. Paus Gregorius V vermaande hem, doch stootte bij den koning op tegenstand. De Paus beriep te Rome een Concilie; dit onderzocht de zaak nauwkeurig, veroordeelde Robert tot eene boete van 7 jaar en sprak den ban over hem uit, indien hij weigerde zich te onderwerpen. De aartsbisschop van Tours en de bisschoppen, die bij de sluiting van het huwelijk tegenwoordig waren geweest, werden uit de Katholieke gemeenschap gesloten, tot zij voldoening aan den H. Stoel gegeven hadden. Robert aarzelde langen tijd maar gaf eindelijk toe, en dank aan de standvastigheid van den Paus was de heiligheid van het Christelijk huwelijk gered.

PAÜS SYLVESTER II (999—1003;.

Op het einde der tiende eeuw werd de Pauselijke Stoel bekleed door Gerbert, den grootsten geleerde van zijn tijd, die den naam van Sylvester JI aangenomen had. Hij was de eerste Fransche Paus, was uit arme ouders geboren en had zich door zijne deugden en geleerdheid tot de hoogste waardigheden der Kerk verheven. Hij voerde het gebruik der Arabische cijfers in Europa in, en men verzekert, dat hij de slingeruurwerken uitgevonden heeft. Te midden der moeilijkste omstandigheden bestuurde hij de Kerk met kracht en voorzichtigheid; zijn vroegtijdige dootj

ocr page 162

154

dompelde de geheele Christenheid in rouw. Het denkbeeld der Kruistochten is bij Sylvester opgekomen, een eeuw vóór zij werden ondernomen. Onder zijn Pausschap viel het jaar 1000, door de volken met angst tegemoet gezien, omdat zij meenden, dat het 't laatste jaar der wereld zou zijn. Hiervan maakte de Paus gebruik, om de volken tot boetvaardigheid aan te sporen, en hij schreef een jubilê uit met talrijke aflaten voor hen, die een bedevaart zouden doen naar het graf der HH. Apostelen te Rome. Het jubilé werd later door Paus Bonifacius VIII nader geregeld. Paus Sylvester bepaalde in 999, dat voortaan daags na Allerheiligen in de geheele Kerk de gedachtenis zou gevierd worden van alle geloovige zielen; hij stelde dus den Allerzielendag in.

BEKEERING DER HEIDENSCHE VOLKEN.

Waren in het begin der tiende eeuw de Normandiërs bekeerd, in het midden dier eeuw werden door den H. Leo, bisschop van Bayonne, de Baskiërs, die de Pyreneeën bewoonden, in den schoot der Kerk gevoerd, en bekeerden zich langzamerhand de Polen, die eenmaal een bolwerk tegen de Tartaren en Turken zouden worden. De bekeering der Polen is goeddeels verschuldigd aan Duhrara, gemalin van den Poolschen hertog Micislas, dien zij bewoog om met een aantal zijner onderdanen den H. Doop te ontvangen (965). Gelijktijdig werden de Slaven in Rusland tot het Christendom gebracht door den groothertog van Kiew, Wladimir den Groote of den Heilige ,(981—1015). Boheme, waar de H. Methodius zegenrijk gearbeid had, moest eene hevige vervolging ondergaan van Drahomira, weduwe van een zijner hertogen, die het heidendom wilde herstellen en de H. Ludmila, weduwe van den eersten Christen-hertog van dat land, liet terdoodbrengen. De H. Wenceslas, haar zoon, die haar opvolgde, maakte een einde aan de vervolging en verwijderde zijne moeder van het hof. Hij was later onvoorzichtig genoeg om haar terug te roepen, en nu spoorde zij haren tweeden zoon Boleslas aan, om Wenceslas te vermoorden (9S3). Otto

ocr page 163

155

de Groote wreekte den dood van Wenceslas en dwong den broedermoorder, de verspreiding des Christendoms in zijne Staten toe te laten. Boleslas bekeerde zich vervolgens, en zijn zoon Boleslas II de Vrome (967—999) voltooide de bekeering van Boheme.

BEKEEEIN6 DER HONGAREN.

Terzelfder tijd omhelsde een ander volk het Christendom , een volk, dat niet van Slavischen oorsprong was, zooals de Russen, Bohemers en Polen, nl. het volk der Hongaren of Magyaren, afstammelingen van de Hunnen van Attila en andere stammen, oorspronkelijk uit Azië gekomen, en die zich in het oude Pannonië hadden nedergezet. De verwoestingen, welke zij in de tiende eeuw in het noorden van Italië, Duitsehland en zelfs in Frankrijk aanrichtten, sloegen de geheele Christenheid met angst en schrik. Hendrik de Vogelaar en Otto de Groote versloegen hen in onderscheidene veldtochten , maar alleen het Christendom kon een einde aan hunne verwoestingen maken, door hunne zeden te verzachten. Hun hertog Geysa, door den H. Adelbertus, bisschop van Praag, bekeerd, ontving den H. Doop met zijn zoon Waïc, wien men bij deze gelegenheid den naam van Stephanus gaf, omdat zijne moeder eece verschijning had gehad, waarin deze heilige haar had aangekondigd, dat haar zoon het werk zijns vaders zou voltooien. Stephanus werkte inderdaad met kracht aan de bekeering der Hongaren; hij werd de Apostel van zijn volk, stichtte het aartsbisdom Gran en tien bisdommen, ontbood een aantal missionarissen, stichtte vele kloosters en maakte van geheel Hongarije een Christelijk land. Om zijn ijver te beloonen, schonk Sylvester II hem, in overeenstemming met keizer Otto , den titel van koning en zond hem een kostbare kroon en een kruis, dat aan het hoofd zijner legers mocht gedragen worden. Sedert dien tijd werd deze kroon gebruikt bij de kroning der Hongaarsche koningen, die er een eer in stelden Apostolische koningen te heeten. Deze titel, door Sylvester aan Stephanus ge-

ocr page 164

156

geven, wordt tot heden door de Oostenrijksche keizers als koningen van Hongarije gedragen. Met deze gelukkige gebeurtenis eindigde de tiende eeuw.

§ II. De monniken en de Heiligen.

De gebeurtenissen, tot hiertoe beschreven, leeren dat de tiende eeuw nog iets anders was dan de ijzeren eeuw, zooals zij. gewoonlijk genoemd wordt. Heerschten er in de Christenheid wanordelijkheden, gevolgen van de men-schelijke zwakheid en van de verdrukking, waarin toenmaals het Pausschap gehouden werd, er was ook leven, machtig genoeg om zich naar buiten te verspreiden; er waren ook vorsten, getrouw tot in den marteldood; er waren ook moedige missionarissen, heilige bisschoppen en een groot aantal heiligen in alle rangen der maatschappij.

DE ABDIJ VAN CLUNY.

De kloosters en abdijen, gevuld met leerlingen van de HH. Benedictus en Columbanus, toonden ook in deze eeuw eene levenskracht, welke de overvloedigste vruchten opleverde. Eene geheele beschaving ging uit van de abdij van Cluny, gesticht in 910 door Willem den Vrome, hertog van Aquitanië. Het bestuur der abdij werd gegeven aan den H. Berno. Onder zijn eersten opvolger reeds, den H. Odo, bereikte de abdij een hoogen graad van voorspoed. Wat haar beroemd onder alle andere maakte, was de heiligheid barer bewoners, de strengheid van hun levenswandel, hunne liefde jegens de armen en de zorg, welke zij droegen voor de opvoeding der jeugd. Toen later in een groot aantal streken de kerkelijke tucht verslapte, is uit deze abdij de geheele hernieuwing daarvan voortgekomen.

DE H. DÜNSTAN.

Twee heilige aartsbisschoppen van Canterbury herstelden de tucht in Engeland. De eerste was de H. Odo de Goede, aldus geheeten om zijne buitengewone zachtmoedigheid; de H. Duns km, opvolger van Odo, voltooide zijn werk

ocr page 165

157

(961—988). Deze groote Heilige was abt geweest te Glastonbury, vervolgens bisschop van Worcester en werd eindelijk verkozen tot aartsbisschop van Canterbury en tot legaat van den Paus in Engeland. Aldus met de zorg belast over alle kerken des koninkrijks, doorreisde hij de provinciën, onderrichtte de geloovigen in de regels van het Christelijk leven en leerde hun door heilzame vermaningen de deugd beoefenen. Daar hij wist, dat hij de leeken te gemakkelijker zou overreden, als de priesters hun goede voorbeelden gaven, ging hem niets meer ter harte dan het herstel der kloosterlijke tucht, waar dit noodig was. Hij werd in zijn arbeid krachtig gesteund door den koning van Engeland, Edgard den Vreedzame, door den H. Ethelwold, bisschop van Westminster, en door den H. Oswald, aartsbisschop van York. Bij zekere gelegenheid toonde hij den vollen ijver zijns harten voor de zuiverheid der zeden. Toen koning Edgard even als David gezondigd had, zocht de H. Dunstan hem op en zeide: „ Heer, gij hebt God beleedigd! quot; Edgard erkende zijne schuld, vergoot tranen van berouw en vroeg boete overeenkomstig zijne misdaad. De Heilige legde hem eene boete van zeven jaren op; in al dien tijd mocht hij de koninklijke kroon niet dragen en moest tweemaal 's weeks vasten en overvloedige aalmoezen geven. Edgard volbracht zijne boete ten einde toe, en toen de zeven jaren ver-loopen waren (973), plaatste de H. Dunstan hem in eene vergadering van bisschoppen en heeren des volks de kroon weder op het hoofd. Deze heldhaftigheid der bisschoppen en dit edelmoedig geloof der koningen schonken aan Europa de beschaving.

HEILIGE VORSTEN.

Zoowel op den troon als op de bisschoppelijke zetels en in de kloosters schitterde de deugd der Heiligen. Reeds zijn genoemd de H. Wenceslas, hertog van Boheme, de H. Willem de Vrome, hertog van Aquitanië, de H. keizerin Adelaide, de H. Ludmila van Boheme, de H. Wla-dimir van Rusland en de H. Stephanus van Hongarije. Bij dezen moet nog gevoegd worden de H. Mathilda,

ocr page 166

158

keizerin van Duitschland en gemalin van Hendrik den Vogelaar, wier leven gewijd was aan de bevordering des geloofs en aan de edelste werken van barmhartigheid.

DE TIENDE EEÜW.

De Kerk der tiende eeuw verdient dus niet de verwijten, welke gewoonlijk tot haar gericht worden. De reeds genoemde Heiligen en de ontelbare andere, die nog zouden kunnen genoemd worden, zijn haar als een prachtige kroon, welke aan de schoonste tijden der vorige eeuwen herinnert. Men spreekt dikwerf over de onwetendheid der tiende eeuw, maar ten onrechte, want er bestonden toenmaals reeds krachtige middelpunten van wetenschappelijke ontwikkeling, waar de prachtige beweging op het gebied der kennis, welke de elfde eeuw te aanschouwen gaf, werd voorbereid. Niet geheel en al was de wetenschap in de kloosters en scholen opgesloten, al moest zij daar tegen de onrust der tijden veelal eene schuilplaats zoeken; zij vertoonde zich ook daar buiten; in de kas-teelen, aan de hoven der koningen, in de opkomende steden, overal vond men mannen, beroemd om hunne kennissen. Zelfs was de liefde tot de wetenschap zoo algemeen geworden, dat zij ook in de vrouwenkloosters beoefend werd. Zoo leefden te Gandersheim, op de grenzen van het bisdom van Mainz, onder de leiding van geleerde abdissen, vrouwelijke religieusen, uitmuntend door hare talenten en hare deugden, en die in het klooster zelf tot hare geleerdheid gekomen waren. De abdis Roswitha o. a. maakte Latijnsche gedichten en tooneel-stukken, welke door de kloosterlingen werden gespeeld, een bewijs dat zij door al de bewoners des kloosters begrepen werden. En hij, die bij het einde der tiende eeuw op den Pauselijken troon zat, verbaasde de wereld door zijne geleerdheid, nadat hij het vele jaren te voren onder den naam van Gerbert reeds gedaan had.

ocr page 167

159

DERDE HOOFDSTUK.

De Kerk en het Rijk (1002—1095j.

/Elfde eeuw).

Drie afdeelingen: De Kerk en het Rijk. — De Grieksche scheuring en de ketterij. — De monniken en de Heiligen.

§ I. De Investituur-strijd.

DE H. HENDRIK II (1002—1024).

Met Otto III was de oudste tak van het Saksische Huis uitgestorven; men gaf hem Hendrik II, hertog van Beieren, tot opvolger. De H. Hendrik, die wegens een lichaamsgebrek de Kreupele geheeten werd, kreeg ook den bijnaam van Vader der monniken, om de genegenheid, welke hij den kloosterlingen toedroeg. Hij vervulde de ware rol des keizers, door op te treden als beschermer van den H. Stoel. Te Rome herstelde hij Paus Benedictns VIII, door oproerlingen van den troon verdreven, en werd door hem gekroond (1014). Maar Hendrik, die een walg van de wereldsche grootheid had, dacht er aan in een klooster te treden. Bij een bezoek in de abdij van St. Vannes in Lotharingen verklaarde hij de kroon te willen nederleggen en de monnikspij aan te nemen. „Gij weet,quot; zeide hem de abt, de Gelukzalige Richard, „ dat gij, als gij religieus wilt worden, uw eigen wil moet verzaken?quot; „Dat weet ik,quot; antwoordde de keizer. „Belooft gij mij dan in alle zaken, die tegen Gods wet niet strijden, te gehoorzamen?quot; „Dat beloof en zweer ik,quot; hernam Hendrik. „Welnu,quot; hernam de abt, „dan gebied ik u met wijsheid en rechtvaardigheid te blijven regeeren.quot; Hendrik II nam uit gehoorzaamheid den last weder op zijne schouders, dien hij uit nederigheid had willen afleggen. Hij stierf den dood der Heiligen op den 14 Juli 1026. Zijne weduwe, de II. Cunegonda, die zijn arbeid en zijne goede werken met hem gedeeld had, begaf zich in een klooster nabij Cassel, dat zij gebouwd had uit de opbrengst harer juweelen. Zij gaf haar schoone ziel aan God op den 3 Maart 1040.

ocr page 168

160

DE GODSVREDE.

Koenraad de Saliër, opvolger van den H. Hendrik II, en Hendrik III, zijn zoon, hadden eene schitterende regeering; ongelukkig mengden zij zich te veel in de verkiezing der Pausen. De laatste, door Clemens II gekroond, voerde in zijn Rijk den Godsvrede in, welke reeds in eenige landen bestond. . Het nog zeer beperkte gezag der koningen, het groot aantal heeren , die op hunne goederen schier geheele onafhankelijkheid bezaten, waren de oorzaken van aanhoudende oorlogen in Frankrijk, Duitschland en Italië. De Kerk betreurde dien toestand, welke zoo nadeelig was voor de rust en veiligheid der volken, en zij dacht sedert lang aan eenig middel, om dien toestand weg te nemen. Daar zij begreep, dat alles niet op eenmaal zou te verkrijgen zijn, verbood zij den oorlog niet maar beperkte er den duur van, en hierin slaagde zij door het instellen van den Godsvrede. Volgens dezen mocht niet gestreden worden op de tijden, door de Kerk vastgesteld. Aanvankelijk duurde de Godsvrede slechts van Zaterdagavond tot Maandagochtend; vervolgens werd hij uitgebreid van Maandag tot Woensdag en er bijgevoegd de Vasten en de Advent, de Paaschtijd, de dagen voor de feestdagen , de nachten, de feesten der Apostelen, de Quatertemperdagen , kortom een groot gedeelte des jaars. De H. Odilo, abt van Cluny, voerde deze nuttige hervorming in Frankrijk in, en van hier verspreidde zij zich naar het Noorden. In een Concilie te Constanz in 1043 deed Hendrik III plechtig den Godsvrede afkondigen, en hij voegde burgerlijke straffen bij de kerkelijke, tegen de overtreders vastgesteld. De Godsvrede droeg niet weinig bij tot den voorspoed van handel en nijverheid, verzachtte de zeden en bracht orde en rust op het platteland terug. Deze instelling is ongetwijfeld eene van de grootste weldaden der Kerk aan de Christelijke maatschappij der middeleeuwen.

DE PAUSEN.

Was de heerschappij der Duitsche keizers dikwijls drukkend voor den H. Stoel, daar zij zich onwettig

ocr page 169

161

mengden in de verkiezing der Pausen, onder de Otto's en Hendrik II was de toestand een weinig beter geworden. De H. Leo IX, in wiens verkiezing Hendrik III in 1049 zich gemengd had, was toenmaals bisschop van Toul. Op zijne reis naar Rome ontmoette hij in de abdij van Cluny den monnik Hildebrand, en deze gaf hem den raad krachtige pogingen aan te wenden, om aan de onwettige inmenging der Duitsche keizers een einde te maken. Leo besloot vastelijk dien raad op te volgen en nam Hildebrand met zich, die later Paus Gregorius VII en een licht der Kerk werd.

Eene merkwaardige gebeurtenis kwam onder de zichtbare leiding der Voorzienigheid de Pausen helpen hunne onafhankelijkheid te herkrijgen. Een gedeelte dei Noormannen, die zich met de overigen niet in Frankrijk hadden willen vestigen, hadden zich naar Zuidelijk Italië begeven en daar eenige landstreken veroverd. Hunne heldendaden en de verwoestingen, welke zij aanrichtten, verontrustten zoodanig den Paus en de Grieken, die nog een gedeelte der streek bezaten, dat een leger tegen hen in het veld werd gebracht. Dit werd echter verslagen door Willem met den IJzeren Arm in den slag bij Dragonara den 18 Juni 1052. De Noormannen snelden nu naar Civitella, waar de Paus den uitslag van den strijd afwachtte. De stad werd bestormd. Om de inwoners tegen dood en plundering te beschermen, liet Paus Leo IX aan de Noormannen boodschappen, dat hij hen in hun legerkamp zou komen bezoeken, dat zijn leven hem niet dierbaarder was dan dat der mannen, die zij gedood hadden. Overtuigd, dat Leo alles gedaan had wat hij kon om den oorlog tegen te houden, en in hem het Hoofd der Kerk eerbiedigend, antwoordden de Noormannen, dat zij het gebeurde betreurden en de boete wilden volbrengen, welke de Paus hun zou opleggen. Leo beval, dat de poorten der stad zouden geopend worden, hief de excommunicatie op, welke hij tegen de Noormannen had uitgesproken, en begaf zich naar hunne legerplaats. Op het zien van den Opperpriester wierpen de krijgslieden

u

ocr page 170

162

zich op de knieën, om zijn zegen te ontvangen en te hooren, wat hij hun zeggen zou. De Paus stond in hun midden stil, wekte hen op, om werken van boetvaardigheid te doen, en gaf hun den zegen, na den eed van hen ontvangen te hebben, dat zij zijne getrouwe vazallen zouden zijn in plaats van de ridders, welke zij gedood hadden. Het opperhoofd der Noormannen vroeg den Paus de investituur van het land, dat hij veroverd had, en van de landen, welke hij nog op Sicilië mocht veroveren, onder verklaring, dat hij en zijne opvolgers getrouwe leenmannen van den H. Stoel zouden zijn. Aldus eindigde eene nederlaag met eene schitterende overwinning; een zwakke Paus behaalde zonder de middelen der menschelijke staatkunde eene verovering, waaraan de stoutmoedigste zelfs niet had durven denken; hij kreeg een land en een volk, waar en waarbij hij bescherming zou vinden tegen de dwingelandij van machtige Duitsche keizers.

De opvolgers van den H. Leo IX, Victor IJ, Stephanus IX en Nicolaas II zetten den strijd voor hunne onafhankelijkheid voort. De laatste herstelde de vrijheid der Pauskeuze, door ze aan de kardinalen op te dragen (1059). Op deze wijze werd zijn opvolger Alexander II gekozen (1061), en de Paus, in Italië geholpen door Hildebrand en den H. Petrus Damianus, in Engeland door Lanfranc, aartsbisschop van Cantorbury, en door alle bisschoppen , priesters en monniken, die naar de uitroeiing van vele misbruiken verlangden, begon het werk, dat zijn opvolger met alle kracht zou aangrijpen.

DE H. GREGORIUS VII EN DE INVESTITUUR-STRIJD.

Bij den dood van Alexander II (1078) werd Hildebrand onder het algemeen gejuich der geestelijkheid en des volks door de kardinalen tot zijn opvolger gekozen. Zoon van een timmerman te Soano in Toscane, opgevoed in de strenge beginselen der orde van Cluny, raadsheer der Pausen sedert de verheffing van Leo IX, beklom Hildebrand onder den naam van Gregorms VII den Pauselijken troon, zonder zich de moeilijkheid der taak, welke hij op

ocr page 171

163

zich nam, te ontveinzen. Hij moest de kerkelijke tucht herstellen, de simonie uitroeien, de zuiverheid verzekeren der kerkelijke verkiezingen en de onafhcinkelijkheid der Kerk boven alle aanranding verheffen. De oorsprong des kwaads lag in de investituren; met deze ving Gregorius dan ook zijn arbeid aan.

Investituur noemde men eene plechtigheid, waarbij men door middel van zekere symbolische voorwerpen iemand in het bezit eener waardigheid stelde. Zoo waren ring en staf de teekenen der bisschoppelijke, schepter of zwaard die eener burgerlijke of militaire waardigheid. Daar de bisschoppen ook veelal tijdelijke macht bezaten, ontvingen zij bij de investituur ring, staf en schepter, en nu was in den loop der tijden de onjuiste meening ontstaan, dat de keizers den bisschoppen niet alleen de tijdelijke macht over een of ander land maar ook de bisschoppelijke waardigheid schonken. De Pausen verzetten zich met kracht tegen deze dwaling, en de strijd, door hen over deze zaak met de keizers gevoerd, heet de Investituur-strijd.

Gregorius VII begon met de bijeenroeping van een Concilie te Rome in 1074. Hier nam men krachtige maatregelen tegen de simonie, d. w. z. den verkoop van geestelijke waardigheden, en tegen misbruiken, in de geestelijkheid geslopen. Maar het ging niet gemakkelijk den vorsten het zoogenaamde recht van ring en staf, dat zij zich hadden aangematigd, te ontnemen. Een tweede Concilie, in 1075 te Rome gehouden, verklaarde, dat hij, die uit de hand van een leek een bisdom, eene abdij of eene lagere geestelijke waardigheid zou aannemen, afgezet zou worden, en dat ieder vorst, die zulke waardigheden zou verleenen, zou worden geëxcommuniceerd. Het Concilie verbood tevens de investituur der tijdelijke macht te geven , vóór de kerkelijke wijding had plaats gehad. Alle Christenvorsten van het Westen beloofden deze bevelen te zullen opvolgen, behalve Hendrik IV, keizer van Duitschland, die in het openbaar de kerkelijke waardigheden aan de meestbiedenden verkocht. De keizer werd geëxcommuniceerd. Toen hij zag, dat zijne volken hem verlieten,

ocr page 172

164

begaf hij zich naar Italië, om den Paus vergiffenis te vragen. Gregorius, die zich toenmaals op het kasteel van Canossa, aan Mathilda van Toscane toebehoorende, bevond, eischte eene boete van drie dagen, welke Hendrik, van alle teekenen zijner waardigheid ontdaan, binnen den tweeden ringmuur des kasteels moest doorbrengen. Maar de goddelooze vorst brak zijn woord, zoodra hij den Paus verlaten had. Nu werd hij door de Duitsche vorsten afgezet (1077) en Rudolf tot zijn opvolger benoemd. Razend van toorn beriep Hendrik te Brixen eene synode van bisschoppen, die aan de simonie hunne waardigheid te danken hadden, en zij zetten Gregorius VII als Paus af. Vervolgens benoemden zij in zijne plaats Guibertus, aartsbisschop van Ravenna, die den naam van Clemens III aannam, waarna Hendrik met een leger de Alpen overtrok en Rome belegerde. Het beleg duurde drie jaar, waarna de stad ingenomen werd. De Paus had zijn intrek genomen in het fort San Angelo, waar de keizer hem niet kon bereiken. Weldra kwam er hulp; de Noormannen verschenen onder aanvoering van Robert Guiscard; Hendrik nam in overijling de vlucht, en de Paus was weder meester in Rome. Aangezien echter in die stad aanhangers des keizers zich ophielden, geloofde Gregorius er zich niet in veiligheid, en hij vluchtte naar de Noormannen, in wier midden hij te Salerno stierf, onder het uitspreken der woorden: „ Ik heb de onrechtvaardigheid en de goddeloosheid gehaat; daarom sterf ik in ballingschapquot; (1085).

EINDE VAN DEN INVESTITUUR-STRIJD.

Paus Victor, gekozen nadat de H. Stoel geruimen tijd ledig had gestaan, bestuurde de Kerk slechts eenige maanden (1087). Vervolgens koos men Odo, die den naam van Urbanus II aannam (1088—1099). Ook deze Paus had te strijden tegen Hendrik IV, die nog altijd den tegenpaus Clemens III steunde. Door allen verfoeid, zelfs door zijne eigene familie, verloor Hendrik IV ten slotte allen invloed en stierf ellendig te Luik in het 56ste jaar zijns levens (1106). Zelfs zijn zoon Hendrik V

ocr page 173

165

was tegen hem opgestaan. Overigens drukte deze de voetstappen zijns vaders, want toen hij den troon had beklommen, maakte hij zich in 1110 door verraad van den persoon des Pausen Paschalis II (1099—1118) meester en hield hem geruimen tijd in gevangenschap.

Eindelijk kwam onder Paus Calixtus II een einde aan den investituur-strijd. De Duitsche heeren dwongen den keizer in eene schikking met den H. Stoel te treden. Te Worms werd een Concordaat gesloten (1122) en dit bekrachtigd door het oecumenisch Concilie van Lateranen (1123). Daarin werd o. a. besloten; „De keizer laat aan God, aan de HH. Apostelen Petrus en Paulus en aan de Katholieke Kerk alle investituur met staf en ring over en stemt er in toe, dat de verkiezing en wijding vrijelijk geschieden volgens de kerkelijke wetten in alle kerken des Rijks. Daarentegen stemt de Paus er in toe, dat de verkiezing der Duitsche prelaten geschiede in tegenwoordigheid des keizers maar zonder dwang of simonie; dat de gekozenen in Duitschland de investituur ontvangen na hunne consecratie, niet met staf en ring maar met den schepter, en zij aldus hunne verplichtingen jegens den keizer vervullen.quot; Aldus werden het recht en de vrijheid der Kerk verzekerd.

§ II. Het Grieksche schisma en de ketterij.

BEKENGARIÜS.

Was de tiende eeuw zoo gelukkig van aan de ketterij te ontkomen, de elfde eeuw kon zich hierop niet beroemen. Berengarius, aartsdiaken te Angers in Frankrijk, leerde, dat het H. Sacrament des Altaars slechts eene figuur is van het Lichaam en Bloed des Heeren, en dat er onder de consecratie der H. Mis geen verandering plaats vindt in de zelfstandigheid van brood en wijn. Een algemeene verontwaardiging greep de volken aan bij dezen aanval op het aanbiddelijk Sacrament des Altaars, en van alle zijden werd het oude geloof der Kerk verdedigd tegen deze goddeloosheid. De H. Paus Leo IX beriep een Concilie te Rome

ocr page 174

166

in 1050. Berengarius verscheen er en durfde zijne dwaling niet staande houden. Hij herriep haar en wierp de boeken in het vuur, welke hij tegen de H. Eucharistie geschreven had. Calvijn zou later de dwaling van Berengarius overnemen.

HET GRIEKSCHE SCHISMA (1054).

Terwijl de Westersche kerk een krachtig leven leidde, ging de Oostersche den dood tegemoet. Michael Cerularius, patriarch van Constantinopel, had den treurigen moed het schisma van Photius te voltooien. De verwijten, welke hij tegen de Latijnsche kerk slingerde, als zou zij in allerlei dwalingen verzonken zijn, bewezen, hoe diep de Grieken gevallen waren. De H. Leo IX deed al het mogelijke, om het schisma tegen te houden. Op de verwijten van Michaël antwoordde hij in een langen brief en rechtvaardigde de Latijnsche kerk met evenveel geleerdheid als zachtmoedigheid. Deze prachtige brief eindigde met een dringend beroep op de eendracht en den vrede, maar Michaël was doof voor alles. De legaten des Pausen spraken plechtig zijne afzetting uit in de St. Sophiakerk te Constantinopel op den 16 Juli 1054. Michaël spoorde alle patriarchen en bisschoppen van het Oosten aan, om hem in zijn verzet tegen den H. Stoel te volgen, en de Grieken vreesden niet aan zijne stem gehoor te geven. Wel werd hij later door keizer Isaac Comnenus naar een eiland in Propontus verbannen, waar hij stierf, maar het kwaad was geschied. Het Oosten onderhield van nu af weinig of geen betrekkingen meer met den H. Stoel.

§ III. De monniken en de Heiligen.

DE CAMALDULENSEN (1023)

In 1023 werd het klooster te Camaldule in het Apen-nijnsch gebergte in Toscane gesticht. De stichter er van was de H. Romualdus, omstreeks 952 geboren uit de familie der hertogen van Ravenna. Door de genade getroffen, ging hij, na zijne jeugd in losbandigheid te hebben

ocr page 175

167

doorgebracht, in de afzondering onder de leiding van een zeer deugdzamen maar ook zeer strengen man, die zijn geduld op de hoogste proef stelde. Romualdus gaf zich over aan harde boetvaardigheid; bij den zwaarsten handenarbeid voegde hij een streng vasten, eene volmaakte ingetogenheid en een aanhoudend gebed. Onderscheidene aanzienlijke heeren plaatsten zich vervolgens onder zijne leiding, en hij bouwde het klooster van Camaldule. Den regel van den H. Benedictus aannemende, voegde hij daar eenige nieuwe bepalingen bij en wilde, dat zijne volgelingen in afzondering maar tevens in gemeenschap leefden. Dit was de oorsprong der orde van de Camaldu-lensen, uit welke een groot aantal heilige en beroemde personen is voortgekomen, o. a. Paus Gregorius XVI. De H. Romualdus stierf in 1027.

DE REGULIERE KANUNNIKEN.

Sedert de vierde eeuw ontstonden vereenigingen van geestelijken, die niets bezaten maar gezamenlijk in de steden leefden onder het toezicht hunner bisschoppen. Zooveel hunne bediening het toeliet, beoefenden zij de versterving volgens den regel, door den H. Augustinus voor hen geschreven. In de achtste eeuw vernieuwde de H. Chrodegang, bisschop van Metz, dien regel, en de priesters, die hem volgden, werden kanunniken genoemd. De H. Petrus Damianus herstelde later de tucht in die vereenigingen, en Paus Alexander II bekrachtigde zijn werk in een bul, waarin de bedoelde priesters den naam kregen van reguliere kanunniken.

DE KARTHUIZERS (1084).

Niet ver van Grenoble ontstond in 1084 eene nieuwe orde, waarvan de II. Bruno, te Keulen geboren en een der geleerdste mannen van zijn tijd, de stichter was. De roem zijner geschriften had hem doen benoemen tot rector der hoogere studiën in de kerk van Rheims, die toen vermaard was om hare scholen. Maar Bruno, die de ijdelheid der aardsche eer inzag, besloot zich in de een-

ocr page 176

168

zaamheid te begeven en daarin de overige jaren zijns levens door te brengen. Met verscheidene vrienden, die evenals hij een walg van de wereld hadden opgevat, begaf hij zich naar den H. Hugo, bisschop van Grenoble, en deze bracht hem in eene woeste plaats van zijn diocees te midden der afschuwelijke bergen, bekend onder den naam van Chartreuse. Daar vestigde Bruno zich met zijne gezellen. Nu zag men in Frankrijk de wonderen van Thebe. „Deze nieuwe kluizenaars,quot; zegt een schrijver van dien tijd, „zijn eer engelen dan menschen. leder heeft zijne cel, waarin men hem een weinig brood en groenten verstrekt voor eene geheele week. Allen bewaren een volkomen stilzwijgen en vragen slechts door teekenen wat zij volstrekt noodig hebben. Hunne voornaamste bezigheid is de handenarbeid, het gebed hun eenig vermaak. Slechts des Zondags komen zij bij elkander, om gezamenlijk de getijden te zingen. Alles is arm bij hen, zelfs de kerk, waarin geen ander zilver gevonden wordt dan de kelk.quot;

De H. Bruno zag zijne orde zich spoedig door geheel Europa verspreiden. - Toen hij zijn einde voelde naderen, verzamelde hij zijne religieuzen en beleed hun zijn geloof tegen de ketterij van Berengarins in deze woorden: „Ik geloof aan de sacramenten der Kerk, en in het bijzonder dat het brood en de wijn, op het altaar geconsacreerd, het waarachtig Lichaam en Bloed zijn van Jesus Christus, dien wij ontvangen in de hoop op de eeuwige zaligheidquot; (1101). De geest van dien H. Ordesstichter is op zijne kinderen overgegaan; gedurende de acht eeuwen van haar bestaan heeft de orde der Karthuizers geene hervorming noodig gehad. Het door den H. Bruno gestichte klooster bestaat nog, is bekend onder den naam van La Grande-Chartreuse en is het moederhuis der geheele orde, die 92 kloosters in de verschillende landen der wereld telt.

ocr page 177

INHOUD.

Biz.

Voorrede.............. . .

Verdeeling van de geschiedenis der Katholieke Kerk

EERSTE TIJDVAK.

Eerste hoofdstuk. § I. Het verborgen leven van onzen Heer. — De voorspellingen en de overleveringen. — De Boodschap des Engels en de Jlensehwording. — Geboorte van Christus. — De HH. Drie Koningen. — Terugkomst uit Egypte. — De landvoogden van Judea. — De jeugd van het H. Kind .... 2 § II. Openhaar leven van Christus. — De H. Joannes de Dooper. —-De eerste leerlingen. — Eerste mirakel van Christus. — De 12 Apostelen. — Prediking van Christus. — Mirakelen van Christus. — Intocht in Jerusalem. — Instelling van het H. Altaarsacrament. — In den tuin. — Jesus bij Caïphas. —

Jesus bij Pilatus. —- Op Calvarië. — De Verrijzenis. — De

Verschijningen.................. 6

Tweede hoofdstuk. § I. De Handelingen der Apostelen. — Het Pinksterfeest. — Eerste prediking van den H. Petrus. — De eerste Christenen. — Lijden en strijden. — Bekeering van den H. Paulus. — De hoofdman Cornelius. — Symbolum der Apostelen. — Eerste algemeene vervolging. — Marteldood van de

HH. Apostelen Petrus en Paulus........... 16

§ II. Ondergang van Jerusalem en den tempel. —- Onlusten in Judea. — Herodus Agrippa. —■ Opstand der Joden. — Beleg

van Jerusalem. — Ondergang van den tempel......21

§ III. Einde der Apostolische tijden. — De Pausen. — Eerste ketterijen. — Tweede vervolging. — De H. Joannes de Evangelist. —

Dood van den H. Joannes.............25

Derde hoofdstuk. § I. Samenstelling der Kerk. — Kerkelijke hiërarchie. — Het religieuse leven. — De eeredienst.....28

§ II. De vervolgingen. — Derde vervolging. — De H. Ignatius van Antiochië. — De H. Symphorosa. — De H. Felicitas. — Vierde vervolging. — De H. Polycarpus. — De H. Justinus de Wijsgeer. — De bliksemende keurbende. — De Gallische martelaren. — Vijfde vervolging. — Keizer Alexander Severus. —

in 1

ocr page 178

170

Biz.

De H. Cecilia. — Zesde vervolging. — Zevende vervolging. —• De HH. Agatha en Pion. — Achtste vervolging. — De H. Lau-rentius. — Andere martelaars. — Negende vervolging. —- Keizer Diocletianns. — Het Thebaansche legioen. — De H. Sebas-tianus. —- Tiende vervolging. — De H. Agnes. — De vrede wordt aan de Kerk teruggeschonken. — De Catacomben . . , 30 § III. De ketterijen en de Kerkleeraars. — De Gnostieken. —• De Christelijke school van Alexandrië. — De Montanisten. — Ter-tullianus. —- De Sabellianen. — De Manicheeërs. — De Kerkleeraars. — Twist over den Paaschtijd.........57

TWEEDE TIJDVAK.

Eerste hoofdstuk. § I. De zegepraal der Kerk en de Vaders der woestijn. —- Troonsbestijging van Constantijn. — Edicten ten gunste der Christenen. —- De tijdelijke macht van den Paus. — Scheuring der Donatisten. — Vervolging van Licinius. — Vinding van het H. Kruis. — De Vaders der woestijn. — De HH. Paulus en Antonius. — Levenswijze der kluizenaars . . 63 § II. Het Arianisme. — De ketter Arius. — Het Concilie van Nicea. — Het Symbolum vanNicea. —quot;Woelingen der Arianen.—

Dood van Arius. — Dood van Constantijn. — Keizer Constan-

tius..................... 73

§ III. Vervolginy van Sapor en Juliaan den Afvallige. — Het Christendom in Perzië. — Beleg van Nisibe. — Juliaan de Afvallige. — De tempel van Jerusalem. — Dood van Juliaan ... 78

§ IV. De Kerkleeraars en de Heiligen. — De Pausen en de Heiligen. —- De HH. Gregorius en Basilius. — De H. Joannes Chrysostomus. — De H. Ambrosius. — De bisschoppen van Gallië. — De H. Hieronymus. — Ketterij der Macedonianen. —

Concilie van Constantinopel.............83

Tweede hoofdstuk. § I. De ketterijen en de Kerkleeraars. — Toestand van het Komeinsche Eijk. — De H. Augustinus. —

Dood van den H. Joannes Chrysostomus. — Het Pelagianisme. — Het Nestorianisme. — Algemeen Concilie van Ephese. —• De

ketterij van Eutyches...............90

§ II. De invallen der barbaren. — Alaric. — Attila. — Genseric. —

Einde van het Westersche Rijk............96

§ III. De Heiligen en de Pausen. — Talrijke Heiligen. — De

H. Joannes de Dwerg en de H. Arsenus. — De H. Simon Stylitus. — De H. Patricius. — De H. Valentinus. — De

Pausen....................102

Derde hoofdstuk. § I. De bekeering der barbaren. — Clovis en de Franken. — Bekeering der Bourgondiërs. — Kecaredes en de Westgothen. — Bekeering der Longobarden. — Bekeering der Angelsaksers..................107

ocr page 179

171

§ II. De ketterijen en de Conciliën. — Vervolging van Theodoric. —

De Drie Kapittels................

§ III. De Ileiliyen en de Pausen. — De II. Benedietus en de Benedictijnen. — Regel van den H. Benedietus. — De II. Gre-

gorius de Groote. — De li. Columbanns........

Vierde hoofdstuk. § I. Het Mahomedisme. — Mahomed. — De Hegira. — Heraclius. — Vooruitgang van het Mahomedisme . § 11. Ketterij der Monotheliten. — Aanvang der ketterij. — Paus Martinus I. — Zesde oecumenisch Concilie. — Einde van het Monothelisme. — De Heiligen. — Bekeering van Nederland . Vijfde hoofdstuk. § I. De Oostcrsclte kerh en de Iconoclasten. — Leo de Isauriër. — De 11. Germanus. — De vervolging. — De H. Joannes Damaseenus. — Verwarring in Italië. — Con-stantijn Copronymus. — Zevende oecumenisch Concilie . . . § II. De Westersche kerk en de Carolingers. — De H. Bonifacius. — De Pausen. — De HH. Zacharias, Stephanus 11 en Stepha-nus III. —- De wereldlijke macht van den Paus. — Karei de Groote. — liet H. Eoomsche Eijk..........

DERDE TIJDVAK.

Samenstelling der Christelijke Maatschappij. Eerste hoofdstuk. § I. De Oostersche kerh in de negende eeuw. — Einde der beeldstormerij. — Scheuring van Photius. — Het leerstuk omtrent den H. Geest. — Concilie van Constantinopel. —-Einde der scheuring van Photius. — Bekeering der Slaven en

Bulgaren....................

§ II. De Westersche kerk. — De missiën. — De keizers. — De

Pausen. —- Bekeering der Noormannen.........

Tweede hoofdstuk. § I. Ahjemeene gebeurtenissen. — Het Pausschap. — De keizers. — De Capetingers. — Paus Sylvester II. — Bekeering der heidcnsche volken. — Bekeering der Hongaren . § II. De monniken en de Heiligen. — De abdij van Cluny. — De H. Dunstan. — Heilige vorsten. — De tiende eeuw . . . . Derde hoofdstuk. § I. De Investituurstrijd. — De H. Hendrik II. — De Godsvrede. — De Pausen. — De H. Gregorius VII en de Investituur-strijd. — Einde van den Investituur-strijd, . § II. Het Grieksche schisma en de ketterij. — Berengarius. — Het

Grieksche schisma................

§ III. De monniken en de Heiligen. — De Camalduleusen. — De reguliere kanunniken. — De Karthuizers........

ocr page 180
ocr page 181

GESCHIEDENIS

DER

KATHOLIEKE KERK

Â¥AN DE GEBOORTE VAN CHRISTUS TOT OP ONZE DAGEN

DOOR

jr. W. TH OM. F» SO TV.

TWEEDE DEEL.

Qe-aöamp;oz-k vooz Sctn-o-Ccn amp;n 2tui^amp;amp;inncn. Met kerkelijke goedkeuring.

-HK

ROTTERDAM,

G. W. VAN BELLE. 1895.

ocr page 182
ocr page 183

VIERDE TIJDVAK De Kruistoclrfcen (1095—1303).

Het vierde tijdvak van de geschiedenis der Katholieke Kerk omvat twee eeuwen (1095—1303), begint met den eersten Kruistocht, eigenlijk met het Pausschap van den H. Gregorius VII, en eindigt met den dood van Paus Bonifacius. Het is het schitterendste tijdvak der middeleeuwen , gedurende welke het gezag der Kerk' en des H. Stoels algemeen aangenomen, en de samenstelling der Christelijke maatschappij ten einde gebracht werd. Aan beide eeuwen zal een hoofdstuk gewijd worden.

EERSTE HOOFDSTUK.

De eerste Kruistochten (1095—1204).

[Twaalfde eeuw].

Twee afdeelingen: Algemeene gebeurtenissen. — Kerkelijke gebeurtenissen.

§ 1. Algemeene gebeurtenissen.

EERSTE KRUISTOCHT (1095).

Te allen tijde waren de plaatsen, door het leven, het lijden en den dood van Christus geheiligd en met tal van goddelijke wonderen begunstigd, het doel;, van vrome bedevaartgangers uit de geheele Christenheid. Toen de Arabieren zich van Jerusalem en Palestina hadden meester gemaakt, werd het zeer moeilijk die bedevaarten te houden; zij werden zelfs gevaarlijk, toen de Turken de Arabieren verdreven hadden. Het land werd verwoest ; de eerbiedwaardigste heiligdommen werden den ondergang gewijd, en de pelgrims moesten zich aan allerlei afpersingen onderwerpen, welke niet eens altijd hun leven buiten gevaar lieten. De ongelukkige Christenen, die het

2'- DEEL. i

ocr page 184

2

veroverde H. Land bewoonden, leefden natuurlijk in aanhoudende vrees. Daarom dacht reeds Paus Sylvester II er aan, het H. Land en vooral het graf des Zaligmakers door de Christenen op de Muzelmannen te doen heroveren. Maar het zou nog een eeuw duren, alvorens aan zijn denkbeeld uitvoering zou worden gegeven.

In het jaar 1093 ondernam Petrus van Amiëns, vroeger kluizenaar, thans priester, de reis naar Jerusalem en zag de mishandelingen, welke de Christenen van den kant der Muzelmannen moesten ondergaan. De patriarch van Jerusalem Simeon, dien hij bezocht, beschreef hem het lijden der Christenen in al zijne afschuwelijkheid en zeide ten slotte: „ Ik zend u als afgevaardigde der kerk van Jerusalem naar hare dochter in het Westen, opdat gij van haar ontferming en hulp voor hare ongelukkige moeder moogt afsmeeken.quot; Petrus van Amiens begaf zich op zijne terugreis naar Rome, gaf aan Paus Urbanus eene beschrijving van den jammerlijken toestand van het H. Land en kreeg van hem de opdracht aan de bevrijding daarvan te gaan arbeiden. De Paus beriep een Concilie te Clermont in Auvergne in 1095, begaf zich in persoon derwaarts en hield daar tot de talrijke aanwezigen eene zoo treffende rede, dat allen als met ééne stem riepen: God wil het! God wil het! Nu sprak de Paus in heilige geestdrift: „Thans worden de woorden der Schrift vervuld: Daar waar er slechts twee of drie in Mijnen Naam vergaderd zijn, ben Ik in hun midden. Want men moet het alleen aan de tegenwoordigheid des Heeren toeschrijven, dat dezelfde ijver tegelijkertijd in allen ontvlamt, en door ieder in het bijzonder hetzelfde woord werd uitgesproken: God wil het! Dat dus deze woorden een veldkreet in elk gevaar zijn, waaraan gij u voor de leer van Jesus Christus zult blootstellen; het icruis strekke u ten teeken van sterkte en ootmoed.quot;

Een der kardinalen legde nu uit aller naam belijdenis van zonden af, en de Paus gaf allen de absolutie. Daarna hechtten zij zich een rood kruis op den rechter schouder, als een teeken, dat zij naar het H. Land wilden optrek-

ocr page 185

3

ken: de onderneming werd een kruistocht of kruisvaart geheeten, en zij, die er aan deelnamen, kregen den naam van kruisvaarders. Peter van Amiëns ging nu den kruistocht prediken in een groot gedeelte van Europa. Deze begon op den 15 Augustus 1096; onder aanvoering van Godfried van Bouillon, hertog van Lotharingen, togen 80000 man voetvolk en 10000 ruiters, behalve het gevolg van vrouwen en kinderen, langs verschillende wegen over Hongarije of Italië naar Griekenland en Constantinopel, staken van hier naar Klein-Azië over en trokken naar Jerusalem in Palestina, het doel van aller wenschen. De ongeloo-vigen hadden niets verzuimd, om de stad in staat van verdediging te brengen, maar de kruisvaarders deden wonderen van dapperheid en namen de stad in na een aller-hevigsten strijd van vijf weken op Vrijdag 15 Juli 1099, des namiddags te 3 uren. Van de 70000 Sarraceenen bleven er nauwelijks genoeg over, om de dooden te begraven.

Zoodra de overwinning verzekerd, en de orde eeniger-mate gevestigd was, legden de krijgers hunne wapens en hunne bebloede kleederen af; blootsvoets, weenend en op de borst kloppend, gingen zij de plaatsen bezoeken, door het leven en den dood des Zaligmakers geheiligd. Acht dagen later kwamen de aanvoerders des legers bijeen, om een koning te kiezen, die in staat zou zijn de duurzaamheid der kostbare verovering te verzekeren. De keus viel op Godfried van Bouillon, den deugdzaamsten en dappersten van alle legeraanvoerders. In de kerk van het H. Graf werd hij tot koning uitgeroepen, maar Godfried wilde gekroond noch gezalfd worden, en een gouden kroon wees hij af, want hij wilde op de plaats, waar men den Koning der eere niet dan doornen om het hoofd had gewonden, geen teekens of titels van aardsche grootheid aannemen, en hij noemde zich : hertog Godfried, verdediger der begraafplaats van Jesus Christus, vrijheer van het H. Graf.

DE MILITAIRE ORDEN.

De kruistochten gaven aanleiding tot de stichting van onderscheidene orden, die tegelijk een godsdienstig en

ocr page 186

4

militair karakter hadden. De oudste en beroemdste is die der Ridders van St. Jan, welke nog heden bestaat onder , den naam van orde der Ridders van Malta. Haar eerste huis was aanvankelijk een hospitaal te Jerusalem, waarin zij de pelgrims ontvingen, die de H. Plaatsen kwamen bezoeken, en waarin zij de zieken verpleegden. Toen de kruisvaarders meester der H. Stad geworden waren, werden niet weinigen hunner getroffen door de liefde, welke men den ongelukkigen toedroeg, en zij besloten zich zei ven te gaan wijden aan werken van barmhartigheid. Doch hiertoe bepaalden zij zich niet; zij namen ook de wapens op tegen de vijanden van den godsdienst. Verschrikkelijk voor de ongeloovigen, waren zij in het hospitaal de nederige dienaars der pelgrims en zieken (1110). Deze orde verheugde zich spoedig in eene groote uitbreiding. Na den val van het Rijk van Jerusalem, dat slechts 100 jaar bestond, vestigden de ridders zich op het eiland Rhodez, later op het eiland Malta; op beide eilanden waren zij het bolwerk des Christendoms en verdedigden zich daar tegen de Turken in gevechten, die voor altijd gedenkwaardig zijn gebleven. De vijanden van den Christelijken naam wilden niets minder dan geheel Europa overstroomen; zonder eenigen twijfel zouden zij hierin zijn geslaagd, indien Christus, die altijd Zijne Kerk beschermt, niet op Malta een voor hen onneembaar bolwerk had geplaatst.

Bij de drie gewone kloostergeloften van gehoorzaamheid, armoede en zuiverheid deed de eerste grootmeester der Hospitaalridders, Gerardus de Martigues, zijnen ridders een vierde afleggen, nl. van bestrijding der vijanden van den Christelijken naam. De orde werd voor goed samengesteld in 1121 onder den tweeden grootmeester Ray-mundus Dupuy.

Eene tweede orde werd gesticht te Jerusalem in 1118 door Hugo des Pay ens, met het doel de pelgrims te beschermen. De koning van Jerusalem, Boudewijn H, gaf aan de religieuzen een huis, gelegen bij de plaats, waar vroeger de tempel van Salomon stond; hierom

ocr page 187

5

werden de leden dezer orde Tempelridders of Tempeliers genoemd. De Hospitaalridders droegen een zwarten mantel met een wit kruis, de Tempeliers een witten mantel met een rood kruis. De regel der eersten werd goedgekeurd door Paus Calixtus II; die der laatsten werd hervormd door den H. Bernardus. Weldra werden beide orden bevolkt door de bloem des Christelijken adels; hunne opperhoofden, die den naam van grootmeesters droegen, stonden aan het hoofd van talrijke dappere ridders, die zich verdeelden naar talen of landen en huizen en landgoederen bezaten in alle gewesten der Christenheid.

Toen tegen het einde der twaalfde eeuw de stad St. Jean d'Acre of Ptolemais belegerd werd door den Engelschen koning Richard Leeuwenhart en den Franschen monarch Philips Augustus (1191), ontstond eene derde militaire orde, die der Teutonische of Duitsche Ridders, aldus geheeten, omdat zij uitsluitend uit Duitsche edellieden bestond. Hendrik von Waldpott was er de eerste grootmeester van. Zij droegen een witten mantel met een zwart kruis. Toen de Christenen later hunne bezittingen in Palestina verloren, bracht de grootmeester zijn zetel naar Pruisen over, waar de Teutonische orde souvereine macht gekregen had.

Andere militaire orden werden in Spanje gesticht, waar de Christen-koningen een onophoudelijken kruistocht tegen de Mooren voerden; het waren de orden der Ridders van het H. Graf, van Alcantara, van Calatrava, van den H. Jacobus van Compostella en van Avis.

TWEEDE KRUISTOCHT.

Het nieuwe Rijk van Jerusalem stond onophoudelijk bloot aan de aanvallen der ongeloovigen, en spoedig liep het H. Land gevaar weder in de handen te vallen van de vijanden van het H. Kruis. De H. B er nar dus, wiens naam beroemd was in de geheele Christenheid, ontving van Paus Eugenius III het bevel een nieuwen kruistocht te prediken. Hij doorreisde Frankrijk en Duitschland, predikte alom den strijd tegen de vijanden van den

ocr page 188

6

Christelijken naam, deed ontelbare mirakelen en zag zijne prediking met den gewenschten uitslag bekroond. Lodewijk de Jonge, koning van Frankrijk, en Koenraad, keizer van Duitschland, vertrokken ieder aan het hoofd van een aanzienlijk leger naar het Oosten. Met zulke geduchte krachten zouden de ongeloovigen gemakkelijk verslagen zijn geworden, doch de tocht liep ongelukkig af, eensdeels door de zonden der kruisvaarders zeiven . ten andere tengevolge van de moeilijkheden , welke de Grieken hun in den weg legden (1147). Dezen toch waren den Westerschen Christenen zeer ongenegen, wijl zij den Paus gehoorzaamden. Ook vreesden de Grieken, dat het Westen het Oosten zou veroveren, om het weder onder de macht van den Paus te brengen. De noodlottige afloop van den tweeden kruistocht deed op vele plaatsen ontevredenheid ontstaan, en men ontzag zich niet den H. Bernardus te verwijten, dat hij dien gepredikt had. Doch de Heilige antwoordde, dat de kruisvaarders zich den toorn van God door hunne zonden hadden op den hals gehaald, zooals de Israëlieten eenmaal uit het Beloofde Land verwijderd werden gehouden ten gevolge hunner afvalligheid. Bij zijne woorden voegde de H. Bernardus een mirakel. Een vader bracht hem zijn blinden zoon, opdat hij dien het gezicht zou wedergeven. De Heilige legde het kind de handen op en bad: „Heer, indien Gij mij mijne prediking hebt ingegeven, dat het U behage dit te toonen, door dezen blinde te genezen.quot; Op hetzelfde oogenblik kreeg het kind het gezicht terug.

DERDE KRUISTOCHT.

De toestand van het H. Land werd voortdurend slechter; regeeringloosheid heerschte in het Rijk van Jerusalem, en de ongelukken vermenigvuldigden zich. Door den ver-schrikkelijken Saladijn aangevoerd, versloegen de ongeloovigen de Christenen te Tiberias (5 Juli 1187), en het ware Kruis viel in hunne handen. Zijne vijanden vervolgende, sloeg Saladijn het beleg voor Jerusalem, dat niet in staat was zich te verdedigen, en den 2 October 1187

ocr page 189

7

viel de H. Stad in de handen der ongeloovigen. Met groote sommen gelds moesten de Christenen zich een vrijen aftocht koopen. Voor een man moesten 10, voor eene vrouw 5, voor een kind 1 goudstuk betaald worden. Het H. Graf zou ongeschonden blijven en bezocht mogen worden door de Christenen tegen betaling van een goudstuk. Het bericht van den val van Jerusalem viel als een donderslag in het Westen. Berouw en gewetensangst grepen de Christenheid aan; spijt en woede vervulden aller harten. Paus Urbanus III stierf van smart. Gre-gorius VIII, zijn opvolger, spoorde de Christenen onmiddellijk tot een nieuwen kruistocht aan. De koningen van Frankrijk en Engeland, Philippus Augustus en Richard Leeuwenhart, toenmaals met elkander in oorlog, werden door de ramp zoodanig getroffen, dat zij hunne twisten vergaten, het kruis aannamen en naar het Oosten snelden, om zich te voegen bij de Christenen, die sedert twee jaren de stad St. Jean d'Acre belegerden. De stad gaf zich over en moest aan de Christenen het ware Kruis teruggeven (1191). Men liet ongelukkig de gelegenheid voorbijgaan, om Jerusalem weder in te nemen, en de stad werd het toevluchtsoord der Oostersche Christenen, waar zij , maar helaas te vergeefs, de herstelling van het Rijk van Jerusalem afwachtten.

VIERDE KRUISTOCHT.

Een vierde groote kruistocht, door Paus Innocentius III gepredikt, scheen door een schitterenden uitslag bekroond te zullen worden doch had, ten gevolge van de eerzucht der kruisvaarders, die voor de vermaningen en straffen des Pausen doof bleven, voor den godsdienst slechts de noodlottigste gevolgen. De Fransche en Venetiaansche kruisvaarders wachtten te Venetië op eene gunstige gelegenheid , om zich in te schepen, en ontvingen daar het verzoek van den Griekschen keizer Alexis, om hem te komen helpen tegen een overweldiger, die zijn vader van den troon gestooten had. Hij beloofde hun den vrede tusschen de Grieksche en Latijnsche kerken te zullen

ocr page 190

8

herstellen en hun hulp te verleenen bij hunne verovering van het H. Land. De kruisvaarders, die voor dit doel het kruis niet hadden aangenomen, lieten zich bewegen en gingen onder zeil naar Constantinopel in plaats van naar Palestina. Reeds na zes dagen hadden zij de stad ingenomen. De overweldiger nam de vlucht, en de jonge Alexis werd tot keizer gekroond. Niet lang echter hierna werd hij door een zijner officieren om het leven gebracht. De kruisvaarders meenden zijn dood te moeten wreken, namen Constantinopel opnieuw in en gaven het aan plundering over. Zij kozen een hunner aanvoerders, graaf Boudewijn van Vlaanderen, tot keizer, en deze was de eerste vorst van het nieuwe Rijk, dat het Latijn-sche Rijk van Constantinopel genoemd werd. Nu dacht niemand meer aan het H. Land, waarvoor men de wapens opgevat had. Verre van den vrede tusschen de Grieksche en Latijnsche Christenen te herstellen, voltooide deze verovering de scheiding voor goed. De buitensporigheden , door de kruisvaarders bij de inneming van Constantinopel bedreven, doordrongen de Grieken van een hevigen haat tegen de Latijnen, en het Grieksche schisma was nu onherroepelijk een feit geworden (1204). En bij dat alles bestond het nieuwe Latijnsche Rijk slechts 67 jaar; het ging in 1261 ten gronde, nadat het onder vijf keizers, Boudewijn I (1204—1206), Hendrik (1206—1215), Petrus van Constenay (1215—1221), Robert (1221—1228) en Boudewijn II (1228—1261), een kommervol bestaan had voortgesleept. Zoo strafte God de heerschzucht der menschen.

§ II. Kerkelijke gebeurtenissen.

DE H, YVES VAN CHARTRES EN DE H. ANSELMDS.

Terwijl de kruistochten elkander opvolgden, bleven de Paus en de bisschoppen waken over de handhaving der kerkelijke tucht en de rechten der Kerk en der zedeleer. Paus Urbanus II, krachtig gesteund door den H. Yves, bischop van Chartres, verdedigde de zuiverheid van

ocr page 191

9

het Christelijk huwelijk tegen den Franschen koning Philippus I, die het onteerde, en de II. Anselmus, aartsbisschop van Canterbury, voerde een allerhevigsten strijd tegen den koning van Engeland, Willem den Roode, die de hand sloeg aan de goederen der Kerk en den bisschoppen wilde beletten vrije gemeenschap te onderhouden met den H. Stoel. Philippus onderwierp zich ten slotte aan de Kerk (1104). De H. Anselmus, genoodzaakt Engeland te verlaten, kon daar eerst terugkeeren na den dood van Willem den Roode (1103). Hij heeft talrijke geschriften nagelaten over de godgeleerdheid en wijsbegeerte en was een der vaders van de groote wetenschap der middeleeuwen, de Scholastiek geheeten, die op de helderste wijze de overeenstemming tusschen geloof en rede aantoonde. Hij stierf in 1109.

HET CONCILIE VAN LATERANEN.

Zooals vroeger is vermeld, had Paus Calixtus II het geluk aan den investituurstrijd een einde te maken. Na den Rijksdag te Worms beriep hij het negende oecumenisch Concilie , en dit werd gehouden in de kerk van Lateranen te Rome. Het had ten doel den vrede tusschen Paus en keizer geheel en al te herstellen en de handhaving der kerkelijke tucht te verzekeren. Dit was het eerste oecumenisch Concilie, dat in het Westen gehouden werd. Meer dan 300 bisschoppen en 600 abten kwamen er uit alle oorden der wereld bijeen. De Paus bekrachtigde er plechtig de overeenkomst van Worms betreffende de investituren; men hield er zich met de kruistochten bezig en maakte verschillende nuttige bepalingen betreffende de kerkelijke tucht (1123). Eenige jaren daarna (1139) werd het tweede Lateraansch Concilie, het tiende oecumenische, gehouden. Het Pausschap van Celestinus II (1124—1130) verliep zeer vreedzaam, maar Innocentius II (1130—1143) had strijd te voeren tegen een tegenpaus; hij zag zich verplicht naar Frankrijk te vluchten, waar hij met eerbied en liefde door den koning en het volk ontvangen werd. De invloed van den H. Bernardus

ocr page 192

10

leidde meer dan iets anders tot het herstel van den vrede. Met niet minder kracht dan den tegenpaus bestreed hij de valsche leerstellingen van een Italiaan, Arnold uit Brescia, over de tijdelijke macht van den Paus en den kerkelijken eigendom. „Evenals de geestelijke goederen alleen aan de Kerk behooren,quot; zoo leerde deze, „zoo behooren de tijdelijke goederen uitsluitend aan de vorsten en zijn onvereenigbaar met het bestaan der tijdelijke macht van den Paus.quot; En hij voegde er vermetel bij , dat de geestelijken geen recht hebben, om tijdelijke goederen te bezitten. Hiermede beweerde hij de vrijheid der Kerk te verzekeren, maar inderdaad bracht hij haar onder het geweld der vorsten; onder voorwendsel van de volken vrij te maken, leverde hij hen over aan de willekeur van het oude heidendom. Het tiende oecumenisch Concilie maakte een einde aan het verzet van den tegenpaus en veroordeelde de dwalingen van Arnold van Brescia. Een zoo talrijk Concilie had de wereld nog nooit gezien. Het werd bijgewoond door ongeveer 1000 bisschoppen, waaronder de patriarchen van Antiochië, Aquilea en Grada.

DE RELIGIEUZE ORDEN.

Gedurende de twaalfde eeuw werd het werk der hervorming van sommige kloosters ijverig voortgezet. Pausen en bisschoppen wendden de krachtigste pogingen aan, om misbruiken, welke hier en daar ingeslopen waren, uit te roeien. Ook werden nieuwe orden gesticht. De H. Norhertus, die als aartsbisschop van Maagdenburg in 1139 stierf, stichtte de orde der Premonstratensers (1120) in het bisdom Laon en gaf aan zijne kloosterlingen den regel van den H. Augustinus. De H. Rohertus, omstreeks 1024 in Champagne geboien en in 1110 overleden, stichtte de orde van Citeaux (1098), aldus geheeten naar een bosch van dien naam in Bourgondië. 't Was een afschuwelijke wildernis, slechts door verscheurend gedierte bewoond. Maar eenige vrome mannen, die zich met den H. Rohertus vereenigd hadden, om den kloosterregel van den H. Benedictus in al zijne strengheid op te volgen.

ocr page 193

11

maakten er een verblijf van heiligen van, die dag en nacht den lof des Heeren bezongen. De religieuzen van de orde van Citeaux gaven zich den naam van Cister-ciënsers; nauwelijks 50 jaar na de stichting hunner orde: telde deze reeds 500 kloosters. Later splitsten zij zich in verschillende takken, ingevolge de wijzigingen, welke in hunnen regel aangebracht werden; o. a. zijn uit hen de Trappisten voortgekomen, een der strengste onder de reli-gieuse orden.

DE H. BERNARDÜS.

Een der heerlijkste sieraden van de orde van Citeaux was de H. Bernardus. Uit eene adellijke en rijke Bourgondische familie in 1091 geboren, vereenigde hij in zich de schoonheid des lichaams met de zeldzaamste hoedanigheden des geestes. Niets ontbrak hem , om in de wereld tot de hoogste waardigheden op te klimmen. Maar reeds in zijne jeugd bracht hij alles ten offer aan God. Door bijna al zijne broeders en eenige andere jongelieden, welke hij voor den hemel wist te winnen, gevolgd, trad hij in de nieuwe orde van Citeaux. Zijn voorbeeld lokte er zooveel religieuzen heen, dat men zich weldra genoodzaakt zag verschillende abdijen te stichten, o. a. die van Clairvaux (1115). Hiervan werd de H. Bernardus abt; onder zulk een overste gaf het tweede huis het eerste niets toe in strenge onderhouding van den kloosterregel en in heiligheid van levenswandel. Hoe talrijk de kloosterlingen ook waren, de stilte des nachts heerschte gedurende den ganschen dag. Deze maakte op de menschen uit de wereld zulk een diepen indruk en vervulde hen met zoodanigen eerbied, dat zij zei ven in of nabij het klooster geen woord durfden spreken. Men zag er mannen, die, na in de wereld rijk en geëerd te zijn geweest, zich arm hadden gemaakt ter liefde van Jesus Christus en met vreugde de vermoeienissen van den arbeid en de vernederingen der boetvaardigheid verdroegen.

De H. Bernardus wenschte niets liever dan zijn geheele leven in de afzondering door te brengen, maar zijne heiligheid, zijne mirakelen, zijne geleerdheid verspreidden

ocr page 194

12

zijn naam wijd en zijd en dwongen hem dikwijls zijn klooster te verlaten. Uit alle provinciën van Frankrijk trok men naar Clairvaux, om zijn raad in te winnen; hij was de toevlucht der ongelukkigen, de verdediger der verdrukten, de geesel der ketters, de raadsman der bisschoppen en zelfs der Pausen, in één woord, het licht, de troost en de steun der Kerk.

ARNOLD VAN BRESCIA.

Een geheel ander man, en die den H. Bernardus veel kommer baarde, was Arnold van Brescia, van wiens dwalingen wij reeds gewag hebben gemaakt. Het gelukte hem de Romeinen in opstand te brengen tegen het gezag des Pausen. Eugenius III, die te Clairvaux onder de oogen van den H. Bernardus was opgevoed, moest Rome ontvluchten bijna onmiddellijk na zijne verheffing op den Stoel van Petrus (1145). De H. Bernardus wendde alle pogingen aan, om de Romeinen van hunne zinnelooze dwalingen terug te brengen; een brief vol kracht en teederheid schreef hij hun, en al dadelijk met zulk gevolg, dat de bewoners van Rome, de tirannie der aanhangers van Arnold moede, onder de gehoorzaamheid van hunnen wettigen vorst wenschten terug te keeren. Gesteund door den Noorman Rogier van Sicilië, kwam Paus Eugenius in 1149 terug, en de aanvoerders der oproerlingen werden naar verdienste gestraft. Doch het volgende jaar moest de Paus opnieuw Rome verlaten , en hij kon eerst in 1152 terugkeeren. Nu verwierf hij zich door zijne goedheid en liefdadigheid zoozeer de genegenheid des volks, dat het hem zonder eenigen twijfel gelukt zou zijn, hadde hij slechts langer geleefd, de dwalingen van Arnold tot in de wortels uit te roeien. Maar hij stierf den 7 Juli 1153 en liet den naam na van een heilig opperpriester, die getrouw aan zijne plichten gebleven en waardig geweest was een H. Bernardus tot leermeester te hebben. Deze volgde hem spoedig in het graf, nl. op den 20 Augustus 1153. De geheele wereld beweende zijn dood. „ Het heelal,quot; zoo schreef een schrijver van zijn tijd, „heeft

ocr page 195

13

zijn licht, zijne vreugde, zijn geluk en zijn leven verloren. Het Zuiden en het Noorden, het Oosten en het Westen vereenigen zich, om hem te beminnen en te eeren, die God zoo vurig bemind en geëerd heeft.quot; De H. Bernardus is ook bekend om zijne gloeiende liefde tot Maria. Van hem is o. a. het gebed: „Gedenk, o allergenadigste Maagd,quot; enz.

PAUS ALEXANDER III.

Anastasivs IV, die Eugenius III opvolgde, bekleedde slechts kort de Pauselijke waardigheid (1153—1154). Adrianus IV, een Engelschman van geboorte en de eenige Paus, dien Engeland aan de Kerk geschonken heeft, had veel te lijden van den Duitschen keizer Frederik Barba-rossa, die het heidensche gezag der Romeinsche keizers doen herleven, den Staat boven de Kerk stellen en zich van geheel Italië meester maken wilde. Alexander III (1159—1181) hield moedig den strijd tegen dien keizer vol en mocht zich in een goeden uitslag verheugen. De Italianen dankten hem hunne onafhankelijkheid en gaven hem den titel van Handhaver der Italiaansche vrijheid; de stad Alessandria bewaart nog zijn naam met de herinnering aan hetgeen hij deed voor de verdediging van Lom-bardije. Prederik Barbarossa erkende ten slotte zijne onmacht; hij zag af van het voeren dor koninklijke macht in de Staten der Kerk en verzoende zich met den Paus. Eerst in de volgende eeuw, onder keizer Prederik II, ontstonden weder moeilijkheden tusschen de Kerk en het Duitsche Rijk.

DE H. THOMAS VAN CANTERBURY.

Nog een andere strijd was gelukkig ten voordeele der Kerk geëindigd. Koning Hendrik II Plantagenet, ijverzuchtig op zijn gezag, dat hij tot in het buitensporige wilde opvoeren, verminderde de rechten der geestelijkheid, o. a. dat, hetwelk zij reeds bezat, toen het Romeinsche Rijk nog bestond, van alleen door zich zelve geoordeeld te worden. Geen leek mocht rechtspraak uitoefenen over een priester. De priester moet door de Kerk geoordeeld

ocr page 196

14

worden. Om te zekerder zijn doel te bereiken, verhief Hendrik II op den aartsbisschoppelijken zetel van Canterbury zijn kanselier Thomas Becket, die hem zeer genegen was en tot nu toe zich meer had laten gelegen liggen aan de genoegens der wereldsche grootheid dan aan de belangen der Kerk. Maar de nieuwe prelaat veranderde eensklaps van gedrag; nauwkeurig vervulde hij al de plichten zijner verhevene waardigheid, werd de vriend der armen en verdrukten en de ijverige verdediger van de rechten der Kerk, welke tegelijk de rechten en de steun van de zwakken tegen de sterken waren. Nu de koning zich in hem bedrogen had, zag Becket zich genoodzaakt naar Frankrijk te vluchten. Paus Alexander III wendde krachtige pogingen aan, om aan het geschil een einde te maken, maar terwijl hij den koning tot zachtere gevoelens trachtte te brengen, wilde hij niet toestemmen in den afstand van Thomas Becket. Den Franschen koning Lode wijk VII gelukte het eindelijk eene verzoening te bewerken, doch zij was slechts schijnbaar. Hendrik II gaf toe doch met voorbehoud van de rechten der Kroon; de aartsbisschop handhaafde de rechten van God, en Becket beklom weder zijn aartsbisschoppelijken zetel onder de toejuichingen des volks, welks vader en verdediger hij was (1170).

De H. aartsbisschop van Canterbury ontveinsde zich het lot niet, dat hem wachtte. Hij was vast besloten geen enkel recht der Kerk aan den koning prijs te geven, en deze wilde van zijnen kant alles doen bukken voor zijn wil. Toen hij zich in Normandië bevond, drukte hij het verlangen uit, van den onbuigzamen prelaat verlost te worden. Vier ridders hoorden zijne woorden en begaven zich onmiddellijk op reis, om den aartsbisschop te vermoorden. Deze werd van het gevaar, dat hem dreigde, verwittigd, doch hij kende geen vrees; in zijne kathedraal gaande, knielde hij voor het altaar neder. Zijne moordenaars volgden hem en riepen: „Waar is de verrader?quot; De H. Thomas gaf geen antwoord. Toen zij echter riepen; „Waar is de bisschop?quot; antwoordde hij:

ocr page 197

15

„Hier ben ik,quot; en hij liet het hek van het koor openen. De moordenaars traden voor het altaar en doodden hem, zonder dat hij eene klacht deed hooren. De marteldood van den H. Thomas Becket wekte de algemeene verontwaardiging op tegen Hendrik II, die zich verplicht zag de rechten der Kerk te eerbiedigen en als een rouwmoedig boeteling op het graf des martelaars te bidden.

DE H. CANUTÜS.

In de 11e eeuw was Denemarken veel grooter dan nu. Behalve de landstreken, die er nu toe behooren, rekende men ook tot het gebied der Deensche koningen een niet onaanzienlijk gedeelte van noordelijk Duitschland, en zelfs strekten zij hun gebied tot in Zweden en Noorwegen uit. In dien tijd werd Denemarken niet weinig vergroot door koning Canut of Canutus, een zoon van koning Suenon en afstammeling van den beroemden Engelschen koning, den H. Canut den Groote.

De zoon van Suenon dankte zijne overwinningen niet aan heerschzucht of onrechtvaardigheid; nooit verlangde hij naar het goed van anderen, maar hij was verplicht zich te verdedigen tegen zijne vijanden en die des lands, en daar hij in zijne veldslagen steeds door God werd bijgestaan en de overwinning wegdroeg, behoorden hem volgens het oorlogsrecht de goederen en landstreken zijner verslagen en gedoode vijanden. Deze overwinningen waren in Gods hand het middel, om door Canut het Christendom in de noordelijke gewesten van Europa te verspreiden. De bewoners daarvan lagen nog voor een aanzienlijk gedeelte in het Heidendom verzonken; wel hadden reeds de Frankische koningen, vooral Karei de Groote, missionarissen naar het Noorden gezonden, en hadden dezen met goed gevolg gearbeid, maar toen de macht dier koningen in het Noorden verminderde en eindelijk geheel vernietigd werd, vonden de Katholieke priesters geen steun meer tegen de Heidensche en niet bekeerde vorsten dier landen en werden niet zelden met hunne geloovigen verjaagd of gedood.

ocr page 198

16

Canutus nu dacht in de eerste plaats aan de bekeering der volken, die hij door zijne overwinningen onder zijn gebied kreeg. Hij gaf hun priesters uit hun eigen land of ontbood die van elders en ondersteunde uit alle macht hunne pogingen. Hij gebruikte zijne rijkdommen, om kerken, kloosters en scholen te bouwen en gaf daarenboven aan zijne Christelijke en Heidensche onderdanen een schoon voorbeeld van beoefening des Christendoms. Hij offerde zijn geheele Rijk aan Christus, den Koning der koningen, en liet deze daad van godsvrucht door geheel zijn Rijk bekend maken, legde zich toe op de stipte vervulling zijner godsdienstige en koninklijke plichten en eischte, dat aan zijn hof groote godsvrucht en diepe zedigheid heerschen zouden. Allen leerde hij door zijn verheven voorbeeld matigheid en versterving.

Dit schoone gedrag berokkende hem echter geduchte vijanden en ten laatste den marteldood. Zijn broeder Olaus kon zijne schitterende deugd niet verdragen en dorstte daarbij naar de koninklijke heerschappij. Zoozeer werd hij door heerschzucht verteerd, dat hij ten laatste een middel zocht, om zijn heiligen broeder van den troon te stooten en dien voor zich zeiven in bezit te nemen.

De gelegenheid daartoe bood zich weldra aan. Willem de Veroveraar viel in 1066 uit Normandië in Engeland, en de Engelsche koning, zeer in het nauw gebracht, zocht hulp bij zijn bloedverwant, den Deenschen koning Canut. Deze was onmiddellijk gereed den Engelschen vorst bij te staan, vormde een leger en stelde zijn broeder Olaus tot opperbevelhebber daarvan aan. Olaus echter, in plaats van naar Engeland te vertrekken, keerde zijne wapenen, nu hij aan het hoofd van een machtig leger stond, tegen zijn broeder en dwong hem zijn koninklijk paleis te verlaten. In zijne misdaad werd Olaus gesteund door een zeker aantal rijksgrooten, die den heiligen koning Canut zijn deugdzaam leven niet vergeven konden. Canut vluchtte van stad tot stad doch werd overal door zijn

ocr page 199

17

goddeloozen broeder achtervolgd. Ten laatste trok hij naar Odensee en vernam onderweg door goddelijke ingeving, dat zijn einde naderde. Met volle overgeving in Gods H. Wil ging hij den dood te gemoet. Te Odensee ontving hij de HH. Sacramenten en sloot zich met eenige zijner vertrouwelingen in de kerk op. Hier werd hij weldra door de samenzweerders aangevallen. De kerk werd opengebroken, de koning met steenen geworpen en eindelijk met een lans gedood. Terwijl hij stierf, bad hij voor zijne vijanden.

DERDE CONCILIE VAN LATERANEN.

In 1179 werd het derde Concilie van Lateranen, het elfde oecumenische, gehouden onder Paus Alexander III. Het had voornamelijk ten doel maatregelen te nemen tegen eene nieuwe en zeer gevaarlijke sekte, te Lyon ontstaan, van waar zij zich over geheel zuidelijk Frankrijk verspreidde. De stichter dier sekte was zekere Pieter de Vaux, een koopman te Lyon. Zeer rijk zijnde, verkocht hij alles wat hij bezat, deelde de opbrengst onder de armen uit en begon, omstreeks 1170, aan het volk den Bijbel te verklaren, bewerende dat alle geloovigen priesters waren en dus de priesterlijke bediening mochten uitoefenen. Aanvankelijk waren zijne leerlingen bekend onder den naam van de Armen of Bedelaars van Lyon. Zij overlaadden de priesters met beleedigingen en beweerden, dat zij de Kerk tot den eenvoud der eerste eeuwen wilden terugbrengen. Later kregen zij den naam van Waldenzen. Eene andere sekte was die der Albigenzen, aldus geheeten naar de stad Albi in Frankrijk, waar zij ontstond. Zij was nog gevaarlijker dan die der Armen van Lyon. De Albigenzen waren Manicheeërs; onder het masker van groote strengheid verborgen zij een losbandig leven; zij loochenden de sacramenten, de verrijzenis des vleesches en beweerden, dat het huwelijk een verbintenis is, ingesteld door den god des kwaads. Hunne leer viel den eigendom, het huisgezin en den godsdienst aan en bedreigde de geheele maatschappij met eene omwenteling.

2' DEF.I,.

ocr page 200

18

DE HEILIGEN.

Vijf Pausen volgden Alexander III op tot aan het einde der eeuw en tot aan het Pausschap van Innocentius III, die het glanspunt vormde van dit gedeelte der middeleeuwen. De vruchten van heiligheid vermeerderden zich in de Kerk voortdurend; de Pausen, de bisschoppen, de geestelijkheid, de monniken, de leeken uit alle standen schenen als met elkander in de beoefening der deugd te wedijveren. Behalve de reeds genoemde heiligen verdienen nog vermelding: Petrus de Eerwaardige, abt van Cluny en een vriend van den H. Bernardus, de H. Leopold, markgraaf van Oostenrijk, de H. Otto, apostel van Pom-meren, de H. Eric, koning van Zweden en martelaar, de H. aartsbisschop en martelaar Hendrik van Upsala, de H. Isidorus, een landbouwer en patroon van Madrid, de H. Hildegardis, beroemd door de openbaringen, welke zij van God kreeg, de H. Benezet, een herder te Avignon enz.

TWEEDE HOOFDSTUK.

De laatste Kruistochten (■1204—1303).

[Dertiende eeuwj.

Drie afdeelingen; De kruistochten en de missiën. — De religie use orden. — De Pausen en de Heiligen.

§ I. De kruistochten en de missiën.

DE ALBIGENZEN.

De Albigenzen en de verschillende sekten, welke uit hen voortkwamen, waren in het begin der dertiende eeuw gevaarlijker dan ooit geworden. De ijver van den H. Bernardus en van Petrus den Eerwaardige had de hardnekkigheid dier ketters niet kunnen breken; het Concilie van Lateranen was niet bij machte hen tot de Kerk terug te brengen of hunne vermeerdering tegen te houden, en de machtige graaf van Toulouse, Raymundus F/, koos met zijne vazallen openlijk hunne zijde, zoodat het

ocr page 201

19

geheele zuiden van Frankrijk in de macht der ketters was. Toen kwamen uit Spanje (1206) Dïégo, bisschop van Osma, en de H. Dominicus, en zij doorliepen het land blootsvoets, volgden de Apostelen na in hunne armoede, predikten alom, bevestigden het geloof der Christenen en brachten eenige ketters tot de Kerk terug. Maar de graaf van Toulouse werkte, zooveel hij kon, de H. missionarissen tegen, en alle perken te buiten gaande, deed hij een legaat des Pausen, Petrus van Castelnau, vermoorden. Nu was het volkenrecht openlijk geschonden. Innocentius III sprak de excommunicatie tegen Raymundus en de Albigenzen uit en deed tegen hen een kruistocht prediken.

De oorlog duurde lang, tot in 1229, en maakte van het zuiden van Frankrijk een uitgestrekt bloedbad. Simon van Montjort, de aanvoerder der kruisvaarders, onderscheidde zich door zijne godsvrucht en dapperheid en wist de ketterij, al overwon hij haar niet geheel, althans tot staan te brengen. Hij redde de volken van zijn tijd van de barbaarschheid, waarmede de afschuwelijke ketterij der Albigenzen de gebeele maatschappij bedreigde. Eindelijk nam de koning van Frankrijk Lodewijk VIII deel aan den strijd en veroverde Toulouse op Raymundus VII, die zijn vader opgevolgd was. Na hem zette koningin Blanca van Castilü, regentes in naam van haren minderjarigen zoon Lodewijk IX of den Heilige, den oorlog met zooveel kracht voort, dat Raymundus genoodzaakt werd zich te onderwerpen en de voorwaarden aan te nemen , welke men hem oplegde.

DE SPAANSCHE KRUISTOCHTEN.

De Christenen in Spanje hielden niet op de Muzelmannen , die langs de noordkust voortgetrokken, de Middellandsche Zee overgestoken en in hun land ge-vullen waren, te bestrijden, 't Was een voortdurende kruistocht, en deze slaagde zoo goed, dat het kleine Rijk van Asturië, door Pelagius gesticht, in het begin der dertiende eeuw het koninkrijk van Asturië geworden was,

ocr page 202

20

hetwelk drie andere rijken naast zich had; Arragon, Na-varra en Portugal. Onophoudelijk teruggedreven door den Christelijken heldenmoed, welke zich nooit verloochende, bezaten de Mooren weldra nog slechts in Spanje het Rijk van Grenada, dat zij later eveneens zouden verliezen, zoodat Westelijk Europa van den Islam geheel verlost werd. Een groot koning en groot heilige, Ferdinand III, (1217—1252) was de held der Spaansche kruistochten in de dertiende eeuw. Hij behaalde de eene overwinning na de andere. In 1236 viel Cordova, eene stad met 300.000 zielen, in zijne macht; de Turksche moskee werd in eene kerk veranderd en is nog heden de kathedraal van Cordova. Niet minder groot koning dan oorlogsheld gaf hij zijn volk wijze wetten, verklaarde zijn Rijk onverdeelbaar, beschermde de zwakken tegen de grooten des lands, zuiverde zijne Staten van de roovers , die het onveilig maakten, stelde den Oppersten Raad van Castilië in en deed alle goede wetten zijner voorgangers verzamelen. Zijn ijver voor het geloof kwam overeen met zijne godsvrucht; hij stelde alles in het werk, om de Muzelmannen in de veroverde provinciën te bekeeren en nam krachtige maatregelen tegen de ketters, die in zijne Staten wilden binnendringen.

VIJFDE EN ZESDE KRUISTOCHT.

Met de Oostersche kruistochten ging het minder naar wensch dan met de Spaansche. De vijfde, onder aanvoering van den Hongaarschen koning Andreas, was merkwaardig om de verovering van het ware Kruis, dat nogmaals in de handen der Muzelmannen was gevallen. Hij kon echter den ondergang der steden, welke nog door de Christenen bezet waren, niet tegenhouden (1221). De zesde kruistocht, aangevoerd door keizer Frederik II, die geëxcommuniceerd was, kon niet beter slagen. Deze vorst, een vijand van de Kerk en die zijn plechtig gegeven woord brak, had beloofd een kruistocht te ondernemen. Hij hield zijne belofte niet en werd met den ban der Kerk getroffen. Tevens verbood Paus Gregorius IX hem naar het H Land te gaan, maar nu deed hij het

ocr page 203

21

toch. Als een vijand werd de geëxcommuniceerde vorst door de Christenen ontvangen; de Temjjeliers, de Hospitaal- en Duitsche Ridders weigerden hem te gehoorzamen. Indien hij een oprecht Christen-vorst ware geweest, hij zou Egypte hebben kunnen veroveren en het Rijk van Jerusalem met zijne oude grenzen herstellen; maar liever voerde hij strijd tegen den Paus en onderhandelde met de vijanden des Christendoms. De sultan van Egypte gaf hem Jerusalem, Bethlehem, Nazareth, Sidon en de dorpen, die op den weg van Jaffa naar Jerusalem lagen, terug maar op voorwaarde, dat hem de overige bezittingen der Christenen zouden blijven (1249). Er werd een wapenstilstand van tien jaar gesloten; de keizer verbond zich, gedurende dien tijd de Muzelmannen niet te beoorlogen en den sultan zelfs te verdedigen tegen de Christenen, als dezen hem mochten aanvallen. Toen deed hij zijn intocht in Jerusalem, en daar niemand de kroon wilde plaatsen op het hoofd van den geëxcommuniceerde, kroonde hij zich zeiven. Daarua reisde hij over Acra naar Europa terug.

ZEVENDE KRUISTOCHT.

De zevende kruistocht werd aangevoerd door een vorst van een geheel ander karakter, den H. Eranschen koning Lodewijk IX; hij duurde van 1248 tot 1254. Aan het hoofd van een talrijk leger viel de koning in Egypte, welks sultan zich van het H. Land had meester gemaakt. Hij veroverde Damiate en drong als overwinnaar tot in het hart des lands door. Ongelukkig wikkelde zich de graaf van Artois, broeder des konings, tegen diens uitdrukkelijk verbod in een strijd met de Turken en verloor met de bloem des Eranschen adels het leven in den noodlottigen slag bij Mansoerah (1249). Nu moest men naar Damiate terugkeeren. Bij het zwaard des vijands voegden zich hongersnood en besmettelijke ziekten, en na de heldhaftigste pogingen viel Lodewijk IX zelf in de handen der ongeloovigen. In zijne gevangenis was hij dezelfde als op den troon; hij gedroeg er zich als een Christen-, die het lijden zoowel als de vreugde uit de hand Gods aanneemt,

ocr page 204

22

en als een held, wiens ziel boven de tegenspoeden verheven is (1250). Na eenige maanden in de gevangenis doorgebracht te hebben, kreeg hij de vrijheid terug, ging naar Palestina, versterkte er eenige plaatsen en verliet het land niet, dan na een groot aantal gevangenen, die gevaar liepen het geloof te verliezen, uit de handen der Muzelmannen gered te hebben (1254).

ACHTSTE KRUISTOCHT (1270).

In de volgende jaren verloren de Christenen alles wat hun in Palestina nog overgebleven was, en zij, die het land bleven bewonen, waren het voorwerp van de wreedheden der ongeloovigen. De H. Lodewijk besloot nogmaals hun ter hulp te snellen, maar ditmaal bedrogen door den sultan van Tunis, liet hij het anker voor die stad vallen. Deze vorst had den wensch uitgedrukt, om Christen te worden, en Lodewijk hoopte met zijne hulp in Egypte en van hier in het H. Land te kunnen binnendringen. Hij legerde zich bij Tunis en zag nu, dat de sultan zich met zijne bekeering niet haastte. Tot overmaat van ramp deden eene buitengewone hitte en het slechte drinkwater eene hevige pest ontstaan, en deze maaide de helft zijns legers weg. De H. Lodewijk werd er zelf door aangetast; nooit scheen hij grooter dan in dezen jammerlijken toestand. Toen hij zijn laatste oogenblik voelde naderen, liet hij zich op asch nederleggen, hield de armen op de borst gekruist, de oogen ten hemel geslagen en sprak de woorden van den Psalmist: „Heer, ik zal in Uw huis binnengaan en U aanbidden in Uwen Heiligen Tempel, en ik zal Uwen naam verheerlijken.quot; Aldus stierf een der grootste en heiligste koningen, door de aarde aanschouwd. Reeds 20 jaar na zijn dood werd hij heilig verklaard om de vele wonderen, welke God op zijne voorbede wrochtte. Met hem eindigden de groote kruistochten der middeleeuwen.

DE MISSIËN.

De kruistochten waren gewapende missiën ter verdediging des geloofs; er werden gelijktijdig andere gevoerd, van

ocr page 205

23

vreedzamer aard, maar vaak door de eerste beschermd, en deze bevorderden op hare beurt niet minder de verspreiding des Christendoms. Twee nieuwe volken, die in het begin der dertiende eeuw op het tooneel der geschiedenis verschenen, de Tartaren en de Mongolen, beide ver-eenigd onder den schepter van Genf/is-Khan (1203—1227), overdekten een groot gedeelte van Azië en Europa met puinhoopen; maar de missionarissen wisten meer dan eens die verwoestingen tegen te houden en drongen met de barbaren door tot in de uiterste gewesten van China. Daar de Pausen ten gevolge van de verdeeldheden in Europa en het slechte gedrag van keizer Frederik II wanhoopten de Mongolen met wapengeweld terug te dringen, zochten zij hen langs anderen weg te redden ; zij wisten, dat de Mongolen , als zij slechts Christenen geworden waren, de Euro-peesche beschaving zouden eerbiedigen. Onderscheidene Mongoolsche opperhoofden omhelsden inderdaad het Christendom, en men zag eene Katholieke kapel verrijzen in de hoofdstad zelve van het Mongoolsche Rijk. Eenige jaren later, toen de H. Lodewijk zich in het H. Land bevond, zond hij gezanten naar den khan Mangon en sloot met hem een verbond tegen de Muzelmannen.

In 1279 maakten de Mongolen zich van China meester, en hun keizer KovbiIdi-Khan regeerde over het grootste Rijk, dat er bestaan heeft. Toen bracht de Venetiaansche reiziger Marco Polo 17 jaar in China door. na Klein-Azië, Perzië, Indië en Tartarije bezocht te hebben. Deze Marco Polo leerde den khan het Christendom kennen, doch voor den keizer zelf had dit geen gevolg. Hij schonk gelijke rechten aan de Christenen, Joden en Muzelmannen. Het volk echter werd voor een goed deel voor het Christendom gewonnen, dat er gedurende eeuwen belangrijke vorderingen maakte. Misschien zou Klein-Azië toenmaals geheel in den schoot der Kerk zijn gegaan, hadden de eerzucht der vorsten, vervolgens het Westersche schisma en eindelijk het Protestantisme die heerlijke uitbreiding van het Christendom niet tegengehouden.

ocr page 206

24

§ II. De religieuse orden.

In het begin der dertiende eeuw werden drie orden gesticht, die aan de Kerk onschatbare diensten hebben bewezen, nl. die der Trinitarissen, Franciscanen en Dominicanen.

DE TRINITARISSEN.

De orde der Trinitarissen werd gesticht door den H. Joannes de Matha, in een kleine stad van het graafschap Nice in 1160 geboren. Toen hij aan de universiteit van Parijs studeerde, hoorde hij spreken van een heiligen kluizenaar in het graafschap Valois, Felix geheeten, en met hem besloot hij aan zijne volmaking te arbeiden. Een ridder uit de nabuurschap, die geruimen tijd bij de ongeloovigen in Syrië in gevangenschap had doorgebracht, deelde hun het plan mede, dat hij opgevat had, om zijne goederen te verkoopen en met de opbrengst daarvan Christenen vrij te maken, die in de Mahomedaansche kerkers zuchtten. Joannes de Matha en Felix keurden dit plan goed en kwamen op het denkbeeld eene orde te stichten, die zich met de verlossing der gevangenen zou bezighouden. Zij begaven zich naar Rome, en Inno-csntius III gaf hun een regel en bepaalde hun kleed; dit zou wit zijn met een rood en blauw kruis, het zinnebeeld der H. Drievuldigheid, waarvan zij den naam moesten dragen. Zij werden dan ook genoemd Broeders van de II. Drievuldigheid ter verlossing der gevangenen; van daar hun naam van Trinitarissen. De H. Felix overleed in 1213, de H. Joannes de Matha een jaar daarna. Eene andere orde met hetzelfde doel werd niet lang daarna opgericht door den II. Petrus Nolascus, die in 1256 overleed. Deze had eene verschijning gehad van de H. Maagd, die hem zeide, dat hij niets kon doen , wat aangenamer was aan haren Zoon, dan eene orde stichten onder den titel van O. L. Vrouw van Barmhartigheid, die de gevangenen vrijkoopen en verlossen zou. Ter gedachtenis aan de wonderbare tusschenkomst van Maria in deze zaak stelde Paus Gregorius IX voor Spanje den feestdag in van

ocr page 207

25

O. L.Vrouw tot vrijkoop der slaven, en Paus Innocentius XII gebood later, dat deze feestdag door de geheele Christenheid zou gevierd worden.

DE FRANCISCANEN.

De H. Franciscus van Assisi'é stichtte de orde der Minderbroeders of der Franciscanen. Uit eene beroemde familie te Assisiö in 1182 geboren, onderscheidde hij zich van zijne teederste jeugd af door eene groote liefde tot de armen. Toen hij zich op zekeren dag in de kerk bevond, hoorde hij de woorden van het Evangelie lezen: „Draag noch goud, noch zilver, noch voorraad voor de reis, noch twee kleederen, noch schoenen, noch stok.quot; De nieuwe Antonius de Kluizenaar vatte deze woorden letterlijk op; onmiddellijk verdeelde hij alles wat hij bezat onder de armen, trok zijne schoenen uit, wierp zijn stok weg en kleedde zich in een armoedig gewaad, dat hij met een koord vastbond. Vervolgens begon hij de boetvaardigheid te prediken en maakte den diepsten indruk op zijne toehoorders. Weldra had hij leerlingen , die zijne gestrenge levenswijze wenschten na te volgen en zijn ijver voor het heil der zielen deelden. Hij gaf hun den naam van Minderbroeders, om hun te doen verstaan, dat zij zich als de geringsten van allen moesten beschouwen, en hij zond hen naar verschillende landen om te prediken. Zelf begaf hij zich naar Egypte, in de hoop daar den marteldood te vinden, maar in zijne verwachting werd hij bedrogen; in plaats van den dood vond hij eerbewijzen bij de ongeloovigen. In Italië teruggekeerd, bracht hij zijne orde tot hoogen bloei; voor zijne onuitsprekelijke liefde tot God werd hij beloond door de indrukken der H. vijf Wonden in zijn lichaam, en na een leven vol goede werken stierf hij in 1226 een dood, kostbaar in de oogen van God.

De orde van den H. Franciscus verspreidde zich met eene wonderbare snelheid; nog tijdens het leven van haren stichter telde zij 10.000 religieuzen; later waren er meer dan 150.000. In hen aanschouwde men op alle plaatsen der aarde de levende voorbeelden der voornaamste deug-

ocr page 208

26

den: de nederigheid, de armoede, de zuiverheid. De Franciscanen kregen in den loop der tijden verschillende namen; men noemde hen Cordeliers om het koord, dat zij droegen, Recollecten om hunne ingetogenheid en zucht naar afzondering, Capucijnen naar den bijzonderen vorm hunner pij. Maar onder welken naam ook, onmetelijke diensten hebben de Franciscanen bewezen aan de armen der steden en dorpen, en legers van heiligen hebben zij voor den hemel gewonnen.

Onder den regel van den H. Franciscus werd ook eene vrouwenorde gesticht, die der Clarissen, aldus geheeten naar hare stichtster, de H. Clara, ook van Assisië geboortig en die den H. Franciscus tot meester had gehad. Evenals hij beminden Clara en hare religieusen de armoede; haar regel werd door Paus Innocentius IV goedgekeurd.

DE DOMINICANEN.

Door de uitroeiing der oproerige ketters werd de ketterij der Albigenzen een harde slag toegebracht, maar geduchter werd zij getroffen door de wapens, waarmede de H. Do-minicus streed; de prediking en het gebed. Aan deze wapens konden weinig ketters wederstaan.

De H. Dominicus was een Spanjaard van geboorte. In het jaar 1170 zag hij te Calarogo hei, eerste levenslicht. Hij behoorde tot de beroemde en adellijke familie Guzman en trachtte van jongs af door een heilig en godvruchtig leven den roem zijner familie nog te vermeerderen. Hij koos den priesterlijken staat, ontving na ijverige studie de H. Wijding en werd reeds op zijn 25'le jaar door den bisschop van Osma tot kanunnik zijner kerk verheven; de bisschop geloofde, dat het heilig leven van Dominicus de tucht versterken zou, die onder de leden van het kapittel een weinig begon te verslappen, en daarin bedroog hij zich niet. Dominicus was een voorbeeld voor allen en deed overal de godsvrucht herleven en opnieuw bloeien.

Eenigen tijd daarna deed hij met zijn bisschop een reis naar Frankrijk, en hier overtuigde hij zich met eigen oogen van de geestelijke en stoffelijke verwoestingen, die

ocr page 209

27

de Albigenzen met hunne ketterij hadden aangericht. Deze ongelukkige toestand boezemde hem diep medelijden in, en meenende, dat hij met Gods hulp met veel vrucht in die streek zou kunnen arbeiden, vroeg en verkreeg hij van Paus Innocentius III verlof, om aan de bekeering der ketters te gaan arbeiden.

En nu begon voor den H. Dominicus de veeljarige en vermoeiende werkzaamheid, die vergezeld ging van veel verdriet en tegenspraak, soms zelfs van vervolging, maar met de heerlijkste vruchten gezegend werd. De heilige wijdde zijne aandacht aan oud. en jong. Voor de volwassenen predikte hij; voor de jeugd richtte hij goede scholen op. om haar tegen de dwaling, die op de kinderharten niet het minst loerde, te beschermen. Voor hen, die de wereld, zoo vol gevaren, wilden ontvluchten, stichtte hij kloosters, welke hij stelde onder de bescherming der Allerheiligste Maagd.

Bij zijne prediking vöegde hij het gebed en vooral de godsvrucht tot Maria. Dominicus was een vurig vereerder van Gods H. Moeder. Hij leerde het volk den Rozenkrans bidden, dien hij van de H. Maagd zelve ontvangen had, en bewerkte met dit gebed vaak de schoonste bekeeringen. Met ongeloofelijke snelheid verspreidde zich het gebruik van het bidden van den Rozenkrans over Frankrijk, Spanje, Italië en andere landen van Europa, een bewijs van de groote liefde, welke de Christen-volken dit gebed toedroegen, zoo haast zij het leerden kennen. Niet nu, maar reeds sinds lang is er geen plekje meer op de wereld, of daar, waar Katholieken gevonden worden, bidt men den H. Rozenkrans.

Het behaagde God herhaaldelijk het woord en het gebed van den H. Dominicus door groote wonderen te bekrachtigen. Op zekeren dag verbleef hij bij een wijngaardenier, die hem een nachtverblijf had aangeboden. Terwijl de Heilige zich in diens huis bevond, ontstond een vreeselijke hagelslag, die den geheelen omtrek verwoestte. Op het gebed van Dominicus bleef echter de wijngaard van den man, die hem herbergde, volkomen

ocr page 210

28

gespaard, zoodat hij niet het minste verlies had te betreuren.

Op zekeren dag moest de H. Dominicus een rivier oversteken en vond, toen hij aan de overzijde gekomen was, geen penning om den schipper te betalen. „ Ik heb goud noch zilver,quot; zeide hij tot den man, „ om uwen dienst te loonen, maar houd u overtuigd, dat God u dien vergelden zal.quot; Daarmede was de schipper echter niet tevreden, en met ruwe woorden drong hij bij den Heilige aan, dat deze betalen zou. Dominicus wees nu naar den grond; de schipper zag een stuk gelds liggen, en de Heilige zeide: „ziedaar, neem wat u toekomt en laat mij in vrede mijn weg vervolgen.quot;

De beroemde prediker kwam weldra tot de overtuiging, dat het arbeidsveld te groot was, en hij het alleen niet bewerken kon. De Albigenzen toch hadden hunne dwalingen met groote snelheid over een aanzienlijk gedeelte van Frankrijk verspreid. Hierom kwam de Heilige op het denkbeeld, om andere door God bezielde mannen aan zich te verbinden en met hen gemeenschappelijk den arbeid tegen de ketterij te ondernemen. M. a. w. hij besloot eene kloosterorde te stichten, welker leden zich voornamelijk zouden toeleggen op de bestrijding der dwaling door middel van de prediking en het bidden van het Rozenkransgebed. De H. Dominicus vertrok naar Rome, legde zijn plan aan den Paus bloot en smaakte de voldoening, dat het door dezen werd goedgekeurd. Nu keerde hij naar Frankrijk terug en stichtte de orde der Predikheeren, die wereldberoemd is geworden en nog tot op heden door de geheele wereld gevonden wordt, ook in een aantal plaatsen van ons land bloeit en met zegenrijk gevolg arbeidt.

De H. Dominicus kreeg, zoodra zijn plan ruchtbaar geworden was, een groot aantal leerlingen, die hij onderwierp aan den ordesregel, welken de Paus had goedgekeurd, en die hij, nadat zij geheel naar zijn geest zich hadden gevormd, onder de Albigenzen ter prediking uitzond, maar niet enkel onder hen, ook naar Spanje, Portugal, Italië en later naar de noordelijke landen van Europa. Spoedig

ocr page 211

29

was half Europa met Dominicaner-kloosters overdekt, en het woord der ijverige predikers voerde op tal van plaatsen den godsdienst tot den heerlijksten bloei.

Na zulk een heilig en werkzaam leven, waarvan hij de laatste jaren te Rome doorbracht, ontsliep de H. Dominicus op betrekkelijk jeugdigen, nl. 51-jarigen leeftijd en wel te Bologna, in het noorden van Italië (1221).

HEILIGEN DER DOMINICANER-ORDE.

De H. Raymundus de Pennafort ondersteunde den H. Petrus Nolascus in diens pogingen tot vrijmaking der slaven.

De Gelukzalige Albert de Groote was een der grootste geleerden van zijn tijd. Maar grooter nog dan hij werd zijn leerling, de H. Thomas van Aquine, het wonder zijner eeuw, de prins der godgeleerden, die den naam kreeg van den Engel der school om de verhevenheid en uitgebreidheid zijner kennissen. Hij werd geboren in 1226 uit eene grafelijke familie te Aquino in Napels. Van zijne vroegste jeugd onderscheidde hij zich door buitengewone gaven, en wijl zijne ouders hem daarom een uitmuntende opvoeding wilden geven, vertrouwden zij hem aan de kloosterlingen van den berg Cassino, toen hij vijf jaren oud geworden was. Op zijn 10quot; jaar werd hij op raad van den abt, die met verwondering had gezien, welke vorderingen de knaap in de wetenschappen had gemaakt, naar de hooge-school van Napels gezonden. Hier gevoelde Thomas zich niet op zijne plaats. Vele jongelieden leidden een ongebonden leven en poogden Thomas daaraan te doen deelnemen ; maar hij, die de deugd en de wetenschappen beminde, sloot zich liever op in eene kapel of kerk, waar hij uren doorbracht voor het H. Sacrament, of op zijne kamer, om de wetenschappen te beoefenen. Het gelukkige leven, dat hij onder de heilige kloosterlingen te Cassino had geleid, kon hij niet vergeten, en met.vurig verlangen zag hij naar den dag uit, waarop hij zich weder achter stille kloostermuren zou kunnen verbergen. Die dag kwam, toen hij ongeveer 17 jaar oud was; hij nam toen het ordes-

ocr page 212

30

kleed aan in het klooster van de Dominicanen te Napels.

Nauwelijks hadden zijne moeder en broeders dit gehoord, of de eerste snelde naar Napels doch vond er haren zoon niet, daar deze door zijne oversten naar Rome en van daar naar Parijs gezonden was. Zijne broeders slaagden beter; zij troffen hem te Aquapendente, niet ver van Rome, aan, namen hem gevangen en voerden hem naar het kasteel van Rocca-Sicca, waar zich zijne moeder bevond. Deze trachtte hem door allerlei middelen te bewegen het kloosterleven vaarwel te zeggen, doch hare pogingen bleven vruchteloos. Zijne broeders Landulphus en Raynaldus sloten hem kortweg in eene gevangenis op, tot hij van gedachten zou veranderd zijn. Hier' bracht de heilige jongeling treurige dagen door, want men bewaakte hem met de grootste strengheid.

Toen zijne broeders zijne standvastigheid zagen, namen zij tot een ander en zeer schandelijk middel hunnen toevlucht. Zij trachtten hem tot zware zonde te verleiden, meenende dat, als deze poging gelukte, Thomas wel van het kloosterleven afkeerig worden zou. Maar God, die Zijn dienaar beschermde, verijdelde ook dat boos opzet, en vurig dankte Thomas God voor zijne redding uit zulk een groot gevaar. Eindelijk begon ook het geweten van de ouders en de broeders des gevangenen te kloppen, en door tusschenkomst van den Paus kregen de ordebroeders van Thomas eindelijk verlof, om hem uit zijne gevangenis te gaan afhalen. De moeder had later groot berouw over hare handelingen en trachtte door goede werken hare misslagen uit te wisschen; ook de broeders leefden verder als deugdzame Christenen, en een der zusters van den Heilige trad in een klooster.

Weldra trok de H. Thomas naar Parijs, waar hij de lessen volgde van den beroemden geleerde Albertus Magnus of den Groote en spoedig in tal van wetenschappen uitmuntte. Daar hij zooveel mogelijk het stilzwijgen bewaarde en nimmer sprak dan wanneer het hoog noodig was, noemden zijne medestudenten hem den Siciliaanschen os. Toen zijn leermeester dit hoorde, zeide hij: „ Gij noemt

ocr page 213

31

Thomas een os, maar weet, dat hij door zijne geleerdheid weldra zoodanig zal loeien, dat het de geheele wereld door gehoord zal worden.quot; Dat deze voorspelling letterlijk vervuld is, blijkt alleen reeds uit het feit, dat op het Vaticaansch Concilie met goedvinden van Pius IX de godgeleerde werken van den H. Thomas van Aquine werden nedergelegd, opdat de bisschoppen, als zij moeilijkheden hadden, daarin de oplossing zouden kunnen vinden. Zoo was de groote Heilige 600 jaar na zijn dood nog een leermeester voor al de bisschoppen der wereld. En ongetwijfeld zal hij dit altijd blijven, want hij heeft tal van boeken geschreven over godgeleerdheid en andere wetenschappen, waarin hij de moeilijkste leerstukken der H. Kerk verklaarde of daarvan eene uitlegging gaf. En bij al die geleerdheid bleef hij de nederigheid zelve. Onder zijne kloosterbroeders trachtte hij steeds de minste te zijn; vleierijen of lofspraken waren voor hem eene straf. Nadat hij priester was geworden, verkondigde hij het Woord Gods aan armen en rijken en zag steeds de aanzienlijken der aarde onder zijn gehoor. Hij bracht velen van een slechten levenswandel terug, bekeerde ketters en Joden tot het geloof, schreef tevens eene menigte boeken, gaf onderwijs aan Fransche, Duitsche en Italiaansche hoogescholen en vond bij dat alles nog tijd om onophoudelijk zijn Goddelijken Meester in het H. Geheim Zijner liefde te komen bezoeken. Ter eere van het H. Sacrament schreef hij de heerlijkste lofzangen, o. a. het Paw je lingua, het Adoro te, welke nog heden schier iederen Zondag in onze kerken worden gezongen. Terwijl hij hiermede bezig was of voor het H. Sacrament lag nedergeknield, geraakte hij vaak in hemelsche vervoering, en het was bij een dier gelegenheden, dat de Zaligmaker hem verscheen en tot hem zeide: „Thomas, gij hebt goed over Mij geschreven.quot;

Hij stierf in den nacht van 7 Maart 1274 in den ouderdom van 47 jaar.

De H. Hyacinthus arbeidde in het oosten van Europa, zooals de H. Dominicus het in het westen deed. Hij was

ocr page 214

82

een Pool van geboorte en zag in 1185 het levenslicht. Hij bezocht achtereenvolgens de hoogescholen van Krakau in Polen, Praag in Boheme en Bologna in Italië. Na zijne H. Priesterwijding vertrok hij naar Kome en maakte hier kennis met den H. Dominicus, die hem in de pas gestichte orde der Predikheeren opnam en naar het Noorden zond, om daar de ongeloovigen te bekeeren.

De H. Hyacinthus trok achtereenvolgens onderscheidene landen door, overal het Evangelie predikende en op vele plaatsen met zeer gunstig gevolg. In die taak werd hij door andere leden der Dominicaner-orde bijgestaan, en hun allen was hij een opwekkend en bemoedigend voorbeeld. De vele bekeeringen, die hij bewerkte, had hij te danken aan zijn heilig leven, zijn krachtig woord en aan de mirakelen, die God door hem wrochtte. Van deze hebben zijne levensbeschrijvers er onderscheidene opge-teekend. Zoo verhalen zij, dat de H. Hyacinthus met drie zijner ordebroeders aan den oever kwam van den Weichsel, een groote rivier in Polen. Geen vaartuig hebbende om dezen stroom over te steken, knielde de Heilige neder, bad eenige oogenblikken tot God, maakte het H. Kruisteeken en wandelde daarop over de rivier naar de andere zijde. Zijne gezellen, over dit wonder verbaasd, staarden hem na en volgden hem, toen hij hun dit in den Naam van Jesus gebood.

Hetzelfde wonder geschiedde later aan den Dnieper, een breede rivier in Rusland. De Heilige bevond zich in de stad Kiew, aan de rivier gelegen, toen zij door de Tartaren bestormd en in brand gestoken werd. Hyacinthus nam met de inwoners de vlucht, maar alvorens zijn leven te redden, nam hij uit de kerk het H. Sacrament en een beeld van de H. Maagd. Hiermede aan de rivier gekomen, wandelde hij die met zijne broeders over en kwam met hen behouden in het klooster der Dominicanen te Krakau aan. Hier stierf hij (1257) op het feest van Maria Hemelvaart in de blijde verwachting van de heerlijkheid, die hem in den hemel was weggelegd.

ocr page 215

33

HEILIGEN DER FRiNCISCANEHORDE.

De H. Bonaventura bracht niet minder glorie aan de orde van den H. Franciscus dan de H. Thomas aan die van den H. Dominicus. In 1221 in Toscane geboren uit ouders, die beroemd waren om hunne godsvrucht, beminde hij God van af zijne vroegste jeugd. Nadat hij op het gebed van den H. Franciscus van eene ziekte genezen was, trad hij uit dankbaarheid in diens orde, en niet lang na den dood van haren stichter werd hij geroepen om haar te besturen. Uit achting voor zijne deugden en talenten verhief Paus Gregorius X hem tot de hooge waardigheid van kardinaal, hoezeer zijne nederigheid zich daartegen ook verzette. De H. Bonaventura stierf niet lang daarna, tijdens het Concilie van Lyon (1274). Hij heeft een groot aantal werken nagelaten, uit welke de levendigste godsvrucht spreekt; door alle geleerden wordt hij beschouwd als de grootste meester van het geestelijke leven.

De H. Antonius van Padua, een der edelste zonen van de Franciscanerorde, was de zoon van een Portugeesch edelman en werd in 1195 te Lissabon, de hoofdstad van Portugal, geboren. De genoegens der wereld, die hij door zijnen stand in de maatschappij volop kon genieten, konden hem weinig bekoren, en van jongsaf vatte hij het besluit alleen voor God te leven. Hij nam dan ook weldra het kloosterkleed aan van de reguliere kanunniken van den H. Augustinus, doch ging later over naar de orde van den H. Franciscus, omdat hij in die orde naar zijne meening gelegenheid zou vinden aan de ongeloovigen het Evangelie te verkondigen, naar welken verhevenen arbeid hij vurig verlangde. Dit verlangen was niet weinig vermeerderd bij het zien van de lij keu van vijf Minderbroeders, die door de Mooren om het geloof gemarteld en gedood waren.

Toen hij verlof had ontvangen, om naar Marokko over te steken, verliet hij den vasten wal, doch werd al spoedig door hevige stormen overvallen, die het schip in plaats

3

2quot; UKF.L.

ocr page 216

34

van naar de Algerijnsche kust naar het eiland Sicilië dreven, en Antonius was genoodzaakt te Messina aan wal te stappen. Hier ontmoette hij den stichter zijner orde, den H. Franciscus van Assisië, en had met hem een onderhoud over godsdienstige zaken, dat eenige dagen duurde en om het genot, dat hij daarbij smaakte, hem onvergetelijk bleef.

Vervolgens trok hij naar het vasteland van Italië en zocht in een klooster een afgelegen hoekje, om daar God met vuur en ijver té kunnen dienen. Dit vond hij eindelijk in het eenzame klooster van den St. Paulusberg bij Bologna. Daar hij geheel onbekend in deze plaats aankwam, wist niemand der kloosterlingen welk deugdzaam en geleerd man in hun midden verschenen was, en hem, daar hij zeer zwak was, tot allen arbeid van eenig gewicht ongeschikt achtende, belastte men hem met de bezigheden der keuken. Zonder eenige ontevredenheid of ongeduld te doen blijken, nam de heilige dezen nederigen arbeid op zich en diende de kloosterlingen trouw, zich als den minste hunner beschouwende.

God wilde echter niet, dat de groote hoedanigheden van den heilige verborgen zouden blijven. Op zekeren dag vergezelde Antonius op last van zijn overste eenige broeders naar een klooster te Forli, waar tegelijk eenige Dominicanen gastvrijheid genoten. Nadat men het avondmaal gebruikt had, verzochten deze, dat een der kinderen van den H. Franciscus een woord tot aller stichting spreken zou. Allen verontschuldigden zich uit nederigheid, waarna Antonius het gebod daartoe ontving met de woorden: „Spreek gij, mijn zoon, en draag ons voor, wat God u zal ingeven.quot; De nederige keukenbroeder gehoorzaamde en bracht allen door zijne geleerdheid en welsprekendheid in verbazing. Van nu af gebruikte men hem niet meer in de keuken maar plaatste hem op den predikstoel, en binnen korten tijd had de H. Antonius van Padua een naam, die door geheel Europa beroemd was. In Italië, Spanje, Frankrijk, overal waar hij kwam, hadden de kerken geen ruimte genoeg om de geloovigen

ocr page 217

35

op te nemen, die naar zijne prediking kwamen luisteren, en menigmaal gebeurde het, zooals te Rome in 1230, dat God Zijn dienaar door een wonder verheerlijkte, want terwijl hij niets dan Latijn sprak, werd hij verstaan door alle personen, uit welk land zij ook gekomen waren. De geschiedschrijvers verhalen, dat dit wonder, der talen meermalen in het leven van den H. Antonius voorkomt. En hij predikte niet alleen voor de eenvoudige geloovigen; hij onderwees ook de H. Godgeleerdheid aan de beroemdste hoogescholen van dien tijd, als te Toulouse, Montpellier, Bologne en Padua, in welke laatste stad hij langen tijd verbleef en er ook stierf. Hij predikte er in 1231 de Veertigdaagsche Vasten en vierde het Paaschfeest met zijne broeders, maar met de overtuiging dat hij weldra zou sterven. Daarom begaf hij zich naar een klein klooster in de nabijheid der stad, om.zich tot zijn dood voor te bereiden. Slechts 36 jaren was hij oud, toen hij op den 13 Juni van genoemd jaar met den Lofzang der H. Maagd op de lippen stierf. Toen vele jaren later het graf, waarin hij was nedergelegd, geopend werd, bevond men dat zijn lichaam geheel vergaan, de tong echter ongeschonden gebleven was. De H. Bonaventura, die zich bij het graf bevond, toen het geopend werd, had zulks nauwelijks gezien, of hij riep uit: „Gelukzalige tong! nu blijkt het, hoe kostbaar gij voor God zijt, die u geschapen heeft, om tot eene zoo edele en verhevene bediening gebezigd te worden.quot;

ANDERE RELIGIEUSE ORDEN.

Tegelijk met de orden van de HH. Dominicus en Franciscus wijdden zich nog andere orden aan de verdediging der Kerk en de beoefening der Evangelische Raden. Sedert onheugelijke tijden leefden er monniken op den berg Carnael in Palestira; als hun stichter en voorbeeld beschouwden zij den profeet Elins, die met den profeet Elizeus op denzelfden berg gewoond had. De overste dezer kluizenaars wendde zich in 1209 tot den Gelukzaligen Albertus, patriarch van Jerusalem, en vroegen

ocr page 218

36

hem een regel voor hunne orde, aan welk verzoek door hem voldaan werd. De vervolgingen der Muzelmannen dwongen de Carmelieten, zoo heetten de religieusen dezer orde, naar Europa over te steken, waar hunne kloosters spoedig talrijk werden, en zij aan de H. Kerk uitnemende diensten bewezen. Hun wetgever, de Gelukzalige Albertus, werd in 1214 vermoord door een boosdoener, dien hij over zijne misdaden berispt had. Bij de Carmelieten, Dominicanen en Franciscanen voegden zich de Augustijnen , die de vierde der bedelorden vormden, aldus genoemd omdat hare leden de belofte aflegden van volstrekte armoede en slechts van de aalmoezen der geloovigen leefden. Onder den regel van den H. Augustinus bestonden reeds onderscheidene congregatiën; Paus Alexander IV vereenigde haar alle in eene orde onder de leiding van een algemeenen overste.

§ III. De Pausen en de Heiligen.

INNOCENTIUS III.

De Pausen der dertiende eeuw waren als de aanvoerders van het leger van heiligen en religieusen, die de glorie en kracht der Kerk uitmaakten. De eerste hunner, Innocentius III (1198—1216), deed de geheele Christenheid zijn gezag en zijn weldadigen invloed gevoelen; hij hervormde het Pauselijk hof, herstelde het gezag van den H. Stoel in Rome en de Kerkelijke Staten, wendde met goed gevolg pogingen aan tot handhaving van vrede en orde in Italië, wekte den ijver der kruisvaarders tegen -de Muzelmannen op, bestreed de ketterij der Albigenzen en werkte krachtig mede tot de stichting der religieuse orden , over welke wij gesproken hebben. Op plechtige wijze wilde Innocentius zijn werk bekronen, door eene algemeene vergadering der bisschoppen van de geheele wereld in het oecumenisch Concilie van Lateranen (1215). Het Oosten en het Westen waren er vertegenwoordigd door alle patriarchen in persoon of hunne legaten en door meer dan 400 bisschoppen.

ocr page 219

37

Ook werden er gezien de oversten der voornaamste kloosterorden , een groot aantal abten en prioren, de gezanten der keizers van Duitschland en Constantinopel en van alle vorsten der Christenheid, in één woord al wat geleerds en eerbiedwaardigs in de wereld gevonden werd, was daar vereenigd met den onsterfelijken Paus. 't Was het vierde Concilie van Lateranen, het twaalfde oecumenische. Hier werd o. a. op strafïe van excommunicatie aan alle ge-loovigen geboden ten minste eenmaal in het jaar het H. Sacrament der Biecht te ontvangen en omstreeks Paschen tot de H. Tafel te naderen. Innocentius stierf het volgende jaar (1216).

OPVOLGERS VAN INNOCENTIUS III.

De eerste opvolgers van Innocentius III waren onophoudelijk in strijd gewikkeld met keizer Frederik II, die een leerling was geweest van den grooten Paus en slechts met haat en goddeloosheid de weldaden vergold, welke hij van den H. Stoel ontvangen had. Honorius 777(1216—1227), die zijne boosheid langen tijd met geduld verdroeg, nam eindelijk strenge maatregelen tegen hem doch stierf. De 77. Gregorius IX (1227—12 41), een neef van Innocentus III, die meer daa 80 jaar oud was, toen hij op den Pauselijken Stoel verheven werd, eischte voor de laatste maal van Frederik II, dat hij den kruistocht naar Palestina zou doen, zooals hij dien beloofd had, en excommuniceerde hem, toen hij volhardde in zijne weigering. Wij hebben gehoord, dat hij nu naar het H. Land vertrok maar, door den banvloek der H. Kerk getroffen, door ieder verafschuwd werd. In Europa teruggekomen, verzoende hij zich met den Paus, om zijne Staten in Italië en Duitschland terug te bekomen, doch eenmaal weder meester geworden, ontzag hij niets meer. In Napels matigde hij zich de benoeming aan tot alle kerkelijke waardigheden en trad de. rechten en voorrechten der Kerk met voeten. Drie jaar lang wachtte de Paus, alvorens tegen den misdadigen vorst de excommunicatie uit te spreken; toen niets baatte, sloeg hij hem eindelijk met den ban

ocr page 220

38

der Kerk (1239). Hij beriep vervolgens een Concilie, maar Frederik II wist het bijeenkomen daarvan verscheidene jaren achtereen te beletten, en toen eindelijk Gregorius IX stierf, geloofde hij zijne zegepraal verzekerd. Celestinus IV, die gekozen werd, regeerde slechts eenige maanden (1241). De gewelddadigheden des keizers waren nu oorzaak, dat de Pauselijke Stoel twee jaren lang ledig stond. Eindelijk werd Innocentius IV (1243—1254) gekozen, maar deze door de woede des vorsten gedwongen Rome te verlaten en te vluchten eerst naar Genua, vervolgens naar Lyon, dat toenmaals een onzijdige stad was, alleen afhankelijk van haren aartsbisschop.

EERSTE CONCILIE VAN LYON.

Hier kwam nu het dertiende oecumenisch Concilie, het eerste van Lyon, bijeen, dat door Gregorius IX saamgeroepen was. Het werd bijgewoond door de Latijn-sche patriarchen uit het Oosten, 140 bisschoppen en de gezanten van alle Christen-vorsten. Keizer Frederik, die zich op een algemeen Concilie beroepen had, weigerde het te erkennen, nu het bijeengekomen was. Men gaf hem gedurig uitstel, opdat hij den tijd zou hebben öf zelf te komen of zijne gezanten te zenden. Maar het bleek spoedig, dat hij slechts tijd zocht te winnen. Toen een nieuw uitstel niet gebaat had, verscheen Innocentius IV den 15 Juli 1245 met een kaars in de hand even als alle bisschoppen in het Concilie en, gebruikmakende van de geestelijke macht, welke hij als hoofd der Kerk bezat, en van de tijdelijke macht, die hem toekwam volgens de samenstelling der Christelijke maatschappij en vooral van die van het H. Roomsche Rijk, eene stichting van den H. Stoel, excommuniceerde hij Frederik II, ontbond zijne onderdanen van den eed van trouw jegens hunnen keizer en noodigde de keurvorsten uit een anderen keizer te kiezen.

Toen het vonnis was uitgesproken, doofden de kardinalen en de bisschoppen hunne lichten uit ten teeken van vervloeking. Frederik onstak in hevige woede. „Wie is die Paus,quot; riep hij uit, razend van gramschap, „die mij

ocr page 221

39

uit zijne gemeenschap bant! Wie is hij, die mijne kroon op mijn hoofd durft aanraken! quot;Waar is hij, die dit kan! Waar zijn mijn kleinoodiën ? Men brenge ze mij oogen-hlikkelijk! quot; Men bracht ze hem ; hij opende het juweelenkistje , waarin zich de keizerlijke kleinoodiën bevonden; hij nam de kroon, plaatste zich die op het hoofd en riep; „ O, zij is nog niet verloren; Paus noch Concilie hebben mij deze ontnomen , en zij zullen mij haar niet ontnemen, alvorens veel bloed vergoten zij!

DOOD VAN FBEDERIK II.

De goddelooze Frederik zag zich weldra genoodzaakt te erkennen, dat zijne woede machteloos was tegen God. De Duitsche vorsten, die aanvankelijk geaarzeld hadden het vonnis van het Concilie uit te voeren, luisterden vervolgens naar de stem des Pausen en verkozen een nieuwen keizer, doch deze stierf reeds het volgende jaar (1246), en hierdoor werd een vreeselijke oorlog voorkomen. Frederik II onderscheidde zich nog slechts door zijne gewelddadigheden en zijne woede, doch eensklaps werd hij ziek en stierf, verteerd van verdriet (1250). Alvorens de oogen te sluiten, gebood hij zijn zoon Koenraad aan de Kerk alle rechten terug te geven, welke hij onrechtvaardig bezat, maar dit berouw, dat te laat kwam, redde zijn huis niet. In zijn persoon en in zijne medeplichtigen gestraft, werd Frederik II het nog meer in zijn geslacht, want dit stierf na eenige jaren uit met zijn kleinzoon, den kleinen Koenraad of Conradin geheeten, die op de markt te Napels in 1268 onthoofd werd. Het Huis van Zwaben of Hohenstaufen had zich slechts onderscheiden door zijn haat tegen de Kerk en kon dus niet van langen duur zijn; de vloek Gods treft hen, die van de Kerk eene slavin willen maken. In Duitsehland ontstond een nieuw huis , dat van Habs-burg, dat de keizerlijke waardigheid verkreeg in den persoon van Rudolf, na eene tusschenregeering van 20 jaar, en dat tot den dag van heden voortleeft in de Oostenrijk-sche keizers. In Italië kwam het Rijk der Beide-Siciliën aan het Fransche Huis van Anjou; later maakte een gedeelte

ocr page 222

40

daarvan zich los en vereenigde zich met de kroon van Arragon in Spanje.

DB H. ELISABETH.

Gelukkig geleken de overige Christen-vorston der dertiende eeuw niet op Frederik II. Op een groot aantal tronen schitterden de verhevenste deugden; drie namen steken boven alle andere uit onder die van hen, welke een kroon hebben gedragen: die van den H. Ferdinand van Castilië, van den H. Lodewijk van Frankrijk, van welke beiden wij reeds gesproken hebben, en van de H. Elisabeth van Hongarije. Deze was eene dochter van Andreas II, koning van Hongarije, en werd in 1207 te Presburg geboren. Vroegtijdig legde zij eene groote liefde tot het gebed aan den dag, en daarbij innige teederheid voor do armen. Zij was ingetogen en beminde de afzondering; een engelachtig geduld verwierf haar ieders achting en eerbied. Nadat zij haren echtgenoot, den landgraaf van Thuringen, niet lang na haar huwelijk door den dood had verloren, en door hem als weduwe met vier jonge kinderen achtergelaten was, werd zij het voorwerp der vervolgingen van haren behuwdbroeder, die haar te midden van den strengen winter met hare kinderen uit den Wartburg joeg en verbood dat iemand - in het landgraafschap haar hulp zou verleenen. Elisabeth loofde God voor den slag, welke haar trof. Zij dwaalde eenigen tijd rond in de omstreken van Eisenach en werd vervolgens opgenomen door haren oom, den bisschop van Bamberg. Haar behuwdbroeder kwam later tot erkenning van de onrechtvaardigheid, welke hij jegens haar begaan had, verzoende zich met de heilige en gaf haar en haren kinderen het erfdeel terug, dat hij hun ontnomen had. Sedert lang echter wenschte Elisabeth de wereld te verlaten; zij begaf zich naar Marburg in Hessen en deed daar de drie kloostergeloften in de orde van den H. Franciscus. Na met de diepste nederigheid de zieken verpleegd te hebben in het hospitaal, dat zij had gesticht, en er vele mirakelen te hebben gedaan, kreeg zij van den hemel de aankondiging van haren aanstaanden dood. Zij maakte haar testament,

ocr page 223

41

benoemde Christus in den persoon der armen tot haren erfgenaam en stierf den 19 November 1231 in den ouderdom van 24 jaren. Talrijke mirakelen geschiedden op haar graf; reeds in 1235 werd zij door Paus GregoriusIX heiligverklaard.

TWEEDE CONCILIE VAN LYON.

Tot aan het tweede Concilie van Lyon volgden drie Pausen na Innocentius IV elkander op, nl. Alexander IV, Urhanns IV, te Troyes in Frankrijk geboren, die het feest van het H. Sacrament instelde en bepaalde, dat H. Sacramentsdag zou gevierd worden op Donderdag na H. Drievuldigheidsdag, en Clemens IV, ook een Franschman, die een der broeders van den H. koning Lodewijk, Karei van Anjou, op den troon van Sicilië riep. De H. Stoel stond daarna drie jaar ledig , omdat de kardinalen het over de keus van een Paus niet eens konden worden; de Italiaansche kardinalen wilden een Italiaan, de Fransche een Franschman. Eindelijk werd Gregorius X, te Plaisance geboren, gekozen (1271—1276), en een zijner eerste zorgen was de bijeenroeping van een algemeen Concilie. Dit kwam den 1 Mei 1274 te Lyon bijeen en had ten doel een nieuwen kruistocht uit te lokken, de Grieken met de Kerk te vereenigen en de zeden en de tucht, waar die verbetering noodig hadden, te hervormen. Het was het veertiende oecumenische Concilie en telde 500 bisschoppen uit alle landen der wereld, twee Latijnsche patriarchen, meer dan 1000 abten met den titel van prelaat, en werd ook nog bijgewoond door de koningen van Frankrijk en Arragon en de gezanten der vorsten uit Duitschland, Engeland, Sicilië en Noordelijk Europa. Onder de kardinaal-bisschoppen bevond zich de H. Boruiventura; het Concilie werd door den Paus zelf geleid.

Het eerst hield men zich met den kruistocht bezig. De woorden van den Paus ontvlamden den ijver der aanwezigen, maar men vond weinig krijgers, die lust hadden den tocht naar het Oosten te ondernemen, en vóór de eeuw ten einde was , verloren de Christenen in het H- Land alle plaatsen, welke zij tot nog toe bezeten

ocr page 224

42

hadden. Vervolgens kwamen de Grieksche zaken. Keizer Michael Paleologus had gezanten gezonden, om over de uitroeiing van het schisma te onderhandelen. Op den feestdag van de HH. Petrus en Paulus, 29 Juni, droeg de Paus plechtig de H. Mis op in tegenwoordigheid van de Grieken en heel het Concilie; den Epistel en het Evangelie las men in het Latijn en Grieksch. Evenzoo werd het Credo in beide talen gezongen, en de Grieken herhaalden drie maal het artikel van den H. Geest: die van den Vader en den Zoon voortkomt (Filioque). Men meende nu de zekerheid te hebben, dat aan de Grieksche scheuring een einde was gekomen. De Paus hief het Te Deum aan, en allen schreiden tranen van vreugde over deze verzoening, die helaas____maar kort duren zou.

Eindelijk hield het Concilie zich bezig met de verbetering der zeden. Hoofdzakelijk legde het zich toe op de hervorming van een zeker aantal kloosterlingen en van menschen, die in de wereld leefden en door overdreven deugd op geheel verkeerde wegen afgedwaald waren. Deze lieden beoefenden de versterving, omdat zij, de misdaden van velen ziende, het oordeel Gods vreesden, maar gingen te ver. Zij ontblootten zich het lichaam tot aan de borst, vertoonden zich op straten en wegen en geesel-den zich met koorden, zoodat zij in hun bloed baadden. Men noemde hen Flagellanten. Deze secte was te Perugia in Italië ontstaan en had zich weldra in dit land en in Frankrijk en Duitschland verspreid. Processiën van boet-vaardigen, soms uit duizenden menschen bestaande, trokken langs de wegen, welke zij met hun bloed besproeiden. Weldra gingen zij nog verder en vielen in ketterij; zij leerden dat de kinderdoop niet noodig is, en alleen de geeseling, door hen den bloeddoop geheeten, ter zaligheid brengen kan. Het Concilie veroordeelde hen.

DE PAUSEN.

Gedurende de laatste jaren der dertiende eeuw woedde een hevige oorlog tengevolge van den moord der Fran-schcn op Sicilië, de Siciliaansche Vespers geheeten en van

ocr page 225

43

den betreurenswaardigen strijd tusschen den moedigen Paus Bonifacius VIII en den Franschen koning Philippus den Schoone. Innocentius V, opvolger van Gregorius X, Adrianus V en Joannes XXI bekleedden slechts korten tijd den Pauselijken troon. Ook Nicolaas III regeerde niet lang, maar het gelukte hem toch den vrede in zijne Staten en in Italië voor een oogenblik te herstellen. Martinus IV, een Fransehman , was getuige van den oorlog der Siciliaansche Vespers en kon Sicilië niet voor het Huis van Anjou bewaren. Honorius IV (1285—1287) en Nicolaas IV, door dien oorlog beziggehouden, vergaten daarom de zaken van het H. Land en het overige der Kerk niet. De eerste moedigde de studie der vreemde talen op de hoogeschool te Parijs aan, om de bekeering der Muzelmannen en de uitroeiing der Grieksche scheuring, na den dood van Michael Paleologus opnieuw uitgebarsten, te vergemakkelijken; de laatste wendde alle pogingen aan, om den val te voorkomen van St. Jean d'Acre, de eenige plaats, welke de Christenen in Palestina nog bezaten, en om na den val dier stad een nieuwen kruistocht uit te lokken (1291).

O. L. VROUW VAN LORETTE.

Onder het Pausschap van Nicolaas IV verdween in den nacht van 8 Mei 1291, eenige dagen voor den val van St. Jean dAcre, het huisje, dat de H. Maagd met haren Goddelijken Zoon en den H. Joseph te Nazareth bewoond had, en werd in denzelfden nacht in Dalmatië gevonden. Van hier werd het den 10 December 1294 onder het Pausschap van Celestinus V even wonderbaar overgebracht naar Recanati, op eenige mijlen afstands van Ancona in den Kerkdijken Staat, en na twee andere even wonderlijke verplaatsingen bleef het op het land eener weduwe, Lorette geheeten, wier naam het vereeuwigd heeft. Er werden geloofwaardige en bekwame personen gezonden naar Dalmatië en Nazareth, om te onderzoeken of het huisje te Recanati werkelijk de woning der H. Familie was, en de uitkomst bevestigde in allen deele de waarheid van het feit. Het geloof der Christenen

ocr page 226

44

werd spoedig door tal van mirakelen bevestigd; om het huisje heen werd eene prachtige kerk gebouwd, en de Pausen vereerden het heiligdom met hunne geschenken en geestelijke gunsten. Langzamerhand ontstond een kleine stad rondom de kerk, en nog in onze dagen is O. L. Vrouw van Lorette een in de geheele Christenheid bekende bedevaartsplaats.

DE H. CELESTINÜS V.

Na den dood van Paus Nicolaas IV stond de H. Stoel 27 maanden ledig ten gevolge van de verdeeldheid der kardinalen omtrent de verkiezing van zijn opvolger. Eindelijk werd Petrus Moronus gekozen, die den naam van Celestinus V aannam, de deugden van een heilige bezat, maar niet de kracht en de bekwaamheid, om in die moeilijke tijden de Kerk te besturen. Spoedig besloot hij dan ook den hem al te zwaren last zich van de schouders te nemen, en 5 maanden na zijne verheffing legde hij in een Consistorie in de handen der kardinalen zijne waardigheid neder.

BON1FACIUS VIII.

Maar God scheen slechts het vertrouwen in Hem te hebben willen beproeven. Celestinus werd opgevolgd door den grootsten Paus der middeleeuwen, Bonifacius VIII. Hij werd in 1217 te Anagni geboren, nam reeds onder Alexander IV deel aan het bestuur der kerkelijke zaken en werd tot kardinaal verheven door Martinus IV. Op den Pauselijken zetel geplaatst, terwijl de Kerk in de moeilijkste omstandigheden verkeerde, op een leeftijd, waarop de mensch naar rust verlangt, greep hij met vaste hand het roer van Petrus' scheepje en streed, zonder een oogenblik den moed te verliezen, tegen de onrechtvaardige aanvallen van hem, die de rechten der Kerk wilde verkorten.

STRIJD TEGEN PHILIPPUS DEN SCHOONE.

De Fransche koning Philippus de Schoone verkrachtte de vrijheid op elk gebied, Hij verdrukte zijne onderdanen

ocr page 227

45

onder bovenmatige belastingen, vervalschte het geld-, regeerde als een despoot. Ook tastte hij de bisschoppen in hunne rechten aan en vreesde zelfs niet die der Kerk uit te oefenen, alsof hij de Paus ware. Hij overlaadde den H. Stoel met bitterheid door een gedrag, gelijk aan dat van Hendrik IV en Frederik II. Maar Boni-facius weerstond hem met heldenmoed, even als zijne voorgangers de Duitsche keizers gedaan hadden.

Het jaar 1300 kwam eenige afwisseling in den lang-durigen strijd brengen. Sedert onheugelijke tijden was het gewoonte, dat de geloovigen bij het begin eener eeuw uit alle landen der wereld naar Rome togen en daar baden op het graf der H. Apostelen. Aan die bedevaarten werden door de Pausen talrijke geestelijke gunsten verbonden. Sylvester II had deze godsvrucht zeer begunstigd. Bonifacius bekrachtigde haar en stelde er nieuwe regelen voor vast. Men gaf het eeuwfeest den naam van jubilé, ter gedachtenis aan het jubilé der Joden. Later werd het om de 25 jaar gevierd.

Het eeuwfeest bracht eenige verademing in den strijd van Bonifacius, doch slechts voor korten tijd. De Paus zag zich zelfs genoodzaakt naar Anagni te vluchten en werd daar door handlangers van Philippus den Schoone gevangengenomen, doch door de inwoners weder bevrijd. Hij keerde naar Rome terug en stierf eenige dagen daarna van ouderdom en van verdriet, met woorden van vergiffenis voor zijne vijanden (1303). Hij was 86 jaar oud. Met hem werd de reeks gesloten der groote Pausen uit de middeleeuwen, die de Christenheid roemrijk hadden bestuurd. Gregorius VII opende haar; Innocentius III bracht den weldadigen invloed van het Pausschap tot zijn hoogsten top; Bonifacius VIII streed te vergeefs om dien te handhaven en zag de dagen van verval aanbreken, die de verschrikkelijkste ongelukken zouden aanbrengen.

ocr page 228

VIJFDE TIJDVAK De Heidensche Renaissance (1303—1517).

Het vijfde tijdvak van de geschiedenis der Katholieke Kerk omvat twee eeuwen (1303—1517), van den dood van Bonifacius VIII tot aan den opstand van Luther en Calvijn, de vaders van het Protestantisme. Het algemeen karakter van dit tijdvak kan met een enkel woord geschetst worden: het verval der Christelijke maatschappij. De verplaatsing van den H. Stoel uit Rome naar Avignon verzwakte het Pausschap en riep eene betreurenswaardige scheuring in het leven; de ketterijen staken het hoofd weder op; de religieuse orden verloren hier en daar hare vroegere kracht, haar ouden geloofsijver. Aan dit tijdvak zullen drie hoofdstukken gewijd worden; het eerste zal handelen over de Pausen te Aquot;ignon, het tweede over het groote Westersche schisma, het derde, dat een tijdvak van overgang behandelt, over de heidensche Renaissance, die voor het Protestantisme den weg baande.

EERSTE HOOFDSTUK.

De Pausen van Avignon (1309—1378).

Twee afdeelingen; De Pausen van Avignon. — De Heiligen.

§ I. De Pausen van Avignon.

DE H. BENEDICTÜS XI EN CLEMENS V.

Het gelukte den H. Benedictus XI, opvolger van Bonifacius VIII (1303—1304), eene verzoening van den koning van Frankrijk met den H. Stoel totstand te brengen, zonder in iets te kort te doen aan den eerbied voor de nagedachtenis van zijn grooten voorganger. Toen de Franschman Bertrand de Goth, aartsbisschop van

ocr page 229

47

Bordeaux, Paus werd onder den naam van Clemens V (1305—1314), meende deze nog meer in verzoenenden geest te handelen , door den Pauselijken zetel naar Avignon in Frankrijk te verplaatsen. Dit geschiedde in 1309, en hiermede begint de nieuwe gevangenschap van Babylon, aldus geheeten, omdat de Pausen gedurende 70 jaar hun verblijf buiten Rome hielden. De aan elkander vijandelijke partijen verscheurden Rome en Italië, en de Pausen waren niet veilig meer in hunne eigene stad. Zij meenden , dat het oogenblik gekomen was, om aan hunne persoonlijke veiligheid te denken, door eene stad tot verblijfplaats te kiezen, die bescherming bood tegen alle gevaren. Spoedig ondervonden de Romeinen wat zij in den Paus verloren hadden, en zij smeekten onophoudelijk, dat hij terug zou keeren, maar bijna 70 jaar lang waren die beden vruchteloos. De ongelukken, die nu Italië teisterden gedurende de afwezigheid der Pausen, waren hun eene les der Voorzienigheid, die het kwaad, dat door de schuld der menschen noodzakelijk geworden was, tot hun nut deed stroklvGn

HET CONCILIE VAN VIENNE.

De voornaamste gebeurtenis onder het Pausschap van Clemens V was de veroordeeling , welke in overeenstemming met den Paus en den koning van Frankrijk door het Concilie van Vienne, het vijftiende oecumenische, uitgesproken werd tegen de Tempeliers, wier orde groote diensten had bewezen aan de Christenheid en het H. Land, doch waarvan vele leden van den goeden weg waren afgeweken. Het Concilie werd den 16 October 1311 geopend met ruim 300 bisschoppen. Behalve de zaak der Tempeliers werden nog andere door het Concilie onderzocht, vooral die welke onmiddellijk het geloof raakten. Uit de dwalingen der Albigenzen waren een aantal andere ketterijen voortgekomen , o. a. die der Beggarden, die zich aan de schandelijkste zonden overgaven en leerden, dat de mensch tot een staat van volkomen zondeloosheid komen kan. De afschuwelijkheden der Gnostieken vertoonden zich opnieuw en werden door het Concilie veroordeeld. Ook werd ge-

ocr page 230

48

tracht om de verdeeldheden weg te nemen, welke in de orde der Franciscanen ontstaan waren. Eindelijk hield het Concilie zich met de bevordering der wetenschap bezig; het schreef o. a. voor, dat men in het Westen zich zou toeleggen op de studie der Oostersche talen, en bepaalde dat het Hebreeuwsch, het Arabisch en Chaldeeuwsch zouden onderwezen worden in de scholen van het Pauselijk Hof en in de hoogescholen van Parijs, Oxford, Salamanca en Bologna. De Kerk, die de vriendin der waarheid is, heeft altijd de ware wetenschap beschermd en bevorderd.

DE PAUSEN.

Onder Paus Joannes XXII (1316—1334) ontstond opnieuw de strijd tusschen de geestelijke en tijdelijke machten. De aanvallen op het geestelijk gezag kwamen ditmaal van den kant van keizer Lode wijk van Beieren, doch de Paus weerstond hem moedig. Benedictus XII (1334—1342), die in geur van heiligheid stierf, zou aan den strijd met het Rijk een einde hebben gemaakt, hadde Frankrijk, dat het herstel der eendracht niet wilde, niet tegengewerkt , en hadde Lodewijk van Beieren geen steun bij de keurvorsten gevonden. Benedictus XII bezat al de deugden van een heilige. Een vijand van het nepotisme, dat is van de bevoordeeling zijner familie, zeide hij vaak: „Een Paus moet op Melchisedech gelijken, wiens vader, moeder en stamboom onbekend zijn.quot; Slechts aan hen, die het volkomen waardig waren, schonk hij de kerkelijke betrekkingen. „Beter is het,quot; zeide hij, „de openstaande plaatsen niet te bezetten dan ze toe te vertrouwen aan ongeschikte handen.quot; Clemens VI (1342—1352) maakte eindelijk aan den strijd met het Rijk een einde, door de verkiezing van Karei van Luxemburg tot keizer te bewerken. Koningin Joanna van Napels schonk hem de stad Avignon.

DE TRIBUUN RIENZI.

Te Rome en in den geheelen Kerkdijken Staat was inmiddels de wanorde ten top gestegen. Voor vreedzame lieden niet meer bewoonbaar, scheen Rome in een woestijn

ocr page 231

49

veranderd. Maar zij , die de stad verlieten en zich in de naburige steden vestigden, leefden niet minder in onrust dan zij, die te Rome hun verblijf bleven houden. De straten der Eeuwige Stad waren versperd door de puin-hoopen der huizen en paleizen, verwoest in den strijd der partijen. Zelfs de kerken droegen de sporen der afschuwelijkste gewelddadigheden. In deze omstandigheden besloot zekere Nicolaas Rienzi de orde in de stad te herstellen, door haar nieuwe wetten te geven. Rienzi was een heerschzuchtig man, opgevoed in de overleveringen van het Heidensche Rome, die hij op zonderlinge wijze met de Christelijke beginselen trachtte samen te smelten. Hij bezat eene groote welsprekendheid en maakte daardoor een diepen indruk op zijne medeburgers. Zij gaven hem de titels van tribuun en bevrijder van Rome en schonken hem eene dictatoriale macht. Hiervan maakte hij een zeer streng gebruik. Allereerst verjoeg hij uit Rome een groot gedeelte van den adel en gaf een aantal openbaren misdadigers de welverdiende straf. Hierna begonnen orde en rust terug te keeren. Vervolgens ondernam hij de uitvoering van een reusachtig plan, bestaande in de vorming van geheel Italië tot een Republiek, waarvan Rome het middelpunt zou zijn. Perugia en Arezzo onderwierpen zich aan hem, en andere steden legden geneigdheid daartoe aan den dag. Rienzi vroeg de goedkeuring des Pausen op zijn plan, doch de H. Vader mengde zich niet in de zaak en behield zich voor te zijnen tijde een besluit te nemen. Dit ontnam Rienzi den steun, ' dien hij noodig had, en spoedig bleek, dat zijn plan op verkeerde grondslagen was gebouwd. Door zijn voorspoed opgeblazen, spaarde hij weldra niemand meer; de edelen uit de Campagne trokken tegen Rome op, en de bevolking der Eeuwige Stad, den heerschzuchtigen Bevrijder moede, weigerde de wapens te zijnen gunste op te nemen. Rienzi vluchtte naar het kasteel San Angelo en van daar naar Praag; hier werd hij gevangengenomen door keizer Karei IV (1348) en aan den Paus overgeleverd. Clemens VI wierp hem in den kerker.

2' deel. 4

ocr page 232

50

Innocentim VI (1352—1362), die Clemens opvolgde, sloeg op raad van kardinaal Alhornoz ten opzichte van Rienzi een anderen weg in. Albornoz was een beroemd Staatsman, en het gelukte hem spoedig de orde in Italië te herstellen. Het volk echter, wispelturig als altijd, had nauwelijks vernomen, dat Rienzi door den Paus gevangengezet was, of het sprak weder in warme bewoordingen over den Bevrijder, dien het weggejaagd had. Weldra klonk Rienzi's naam opnieuw door geheel Italië, en men wenschte hem naar Rome te zien terugkeeren. Albornoz gaf den Paus den raad aan dat verlangen toe te geven, overtuigd, dat het volk zijn afgod zelf spoedig verbrijzelen zou. Innocentius stemde toe, en Rienzi vertrok naar Rome. Hier werd hij in zegepraal binnengehaald en twee maanden daarna vermoord (1354). Albornoz had goed gezien, en in diezelfde twee maanden roeide hij alle rooverbenden uit, die zich in Ancona en de Romagna genesteld hadden, bracht Bologna onder de heerschappij van den H. Stoel terug, sloot verdragen van vrede en onderwerping met de voornaamste heeren des lands en bracht eindelijk in den geheelen Kerkelijken Staat orde en veiligheid terug (1361).

DE TERUGKEER DER PAUSEN NAAR ROME.

Nu kon de Paus uit Avignon naar Rome terugkeeren. Innocentius VI had er echter den tijd niet toe, daar de dood hem overviel. Urbanus V (1362—1370), die even als Benedictus XII als een heilige leefde en stierf, voerde het plan uit, dat hij bij zijne troonsbestijging had gevormd; hij keerde naar Rome terug onder de toejuichingen van al het volk (1367). De Christenheid scheen als uit den doodstrijd te ontwaken. De vreugde duurde echter slechts een oogenblik. De onruststokers staken spoedig in Italië het hoofd weder op, en Urbanus moest naar Avignon terugkeeren. Nog was de Babylonische gevangenschap niet geëindigd. Gregorius XI eindelijk keerde op zijn beurt naar Rome terug (1377) op de smeekingen der Romeinen en de vermaningen van de H. Catharina

ocr page 233

51

van Siëna, eene nederige religieuse uit de orde van den H. Dominicus, welke door God was voortbeschikt, om eene groote rol in de Kerk te spelen. Maar nauwelijks was de Paus te Rome, of het oproerige volk dwong hem nogmaals tot de vlucht, en hij nam de wijk naar Anagni. Zijn opvolger, Urbanus VI, bleef eindelijk voor goed te Rome (1378), maar nu begon het noodlottige Westersche schisma, dat de Latijnsche kerk voor een tijd in tweeën scheurde.

§ II. De Heiligen en de religieuse orden.

DE HEILIGEN.

Ook het tij dperk van het verblijf der Pausen te Avignon was rijk aan Heiligen en inzonderheid aan Heilige vrouwen. Behalve de reeds genoemde H. Catharina van Siëna leefden toen o. a. de H. Catharina van Zweden en hare moeder de H. Brigitla, de 11. Clara van Montefalco, de H. Agnes van Montepulciano, de H. Geertruida, de H. Juliana Fal-conieri, de H. Clara van Rimini, de IL Elisabeth , koningin van Portugal enz. En boven allen werd dat tijdvak beroemd gemaakt door den martelaar voor het biechtgeheim , den H. Joannes Nepornucenus.

DE H. BRIGITTA.

De H. Brigitta, soms ook Birgitta geheeten, werd geboren in het begin der 14e eeuw uit het geslacht van de koningen van Zweden. Zij was dus eene prinses van koninklijken bloede en trad in den echt met den vromen graaf ülphus, prins van Noricië, uit welk huwelijk de H. Catharina geboren werd.

Van hare vroegste jeugd koesterde de H. Brigitta eene groote liefde tot God, en kende zij geen grooter genot dan het lijden des Zaligmakers te overwegen. Reeds als kind kon zij uren lang in die overweging doorbrengen, en zij gevoelde dan het innigste medelijden met den gemartelden Verlosser. Toen zij 10 jaar oud was, verscheen haar de Zaligmaker, met doornen gekroond, met

ocr page 234

52

geopende zijde, doorboorde handen en van het hoofd tot de voeten met wonden overdekt. „Wie heeft u zoo wreed mishandeld, Heer?quot; vroeg zij.

„ Dat doen zij,quot; antwoordde de Zaligmaker, „ die Mij versmaden en ongevoelig zijn voor Mijne liefde.quot;

Van dien tijd af dacht de H. Brigitta nimmer aan het lijden van den Verlosser of aan Zijn smartelijken dood, of zij vergoot een stroom van tranen, en dezen waren den Heer zoo aangenaam, dat Hij haar meermalen verscheen, niet enkel met wonden overdekt maar ook in den luister Zijner verheerlijking.

Om den Heer zooveel mogelijk gelijkvormig te worden, ten minste Hem als ware het van verre na te volgen, onderhield zij het geheele jaar door een strenge vasten, kastijdde zich zelve, droeg een haren boetekleed en omgordde zich de lendenen met een koord. Zij stichtte het klooster van Wadstena en schreef voor de religieusen een ordesregel, waardoor zij haar onderwierp aan eene strenge afzondering en aan onophoudelijke overweging van 's Heeren lijden. Zoo was de berg van Calvarië het voorwerp, waarop Brigitta steeds het oog gevestigd hield, de leiddraad van haar leven. De openbaringen, door den Zaligmaker haar gedaan omtrent Zijn H. Lijden, werden door haar medegedeeld aan hare twee zielbestierders, ervaren en geleerde priesters, die alles opteekenden en aan het oordeel der H. Kerk onderwierpen; deze vond daarin niets strijdigs met de Goddelijke Openbaring.

Na den dood van haren echtgenoot, den prins van Noricië, besloot zij zich geheel van de wereld te scheiden. Met hare dochter Catharina begaf zij zich naar Rome en bezocht er de graven der Apostelen en der martelaren. Overal deelde zij milde aalmoezen uit, bezocht dagelijks de zieken in de hospitalen en begaf zich later, ofschoon door lichaamskwalen gekweld, op reis naar het H. Land, om de plaatsen te bezoeken, die door het leven en het lijden des Zaligmakers zijn geheiligd. Zij smaakte te Bethlehem, op Calvarië en andere plaatsen hemelsche vertroostingen en keerde eindelijk, terwijl hare ziekte

ocr page 235

53

onophoudelijk toenam, naar Rome terug. Hier leed zij nog een geheel jaar de smartelijkste pijnen met voorbeeldig geduld en overleed eindelijk in geur van heiligheid op den 23 Juli 1373.

DE H. JOANNES NEPOMCCENUS.

Als martelaar voor de biecht, welker geheim hij niet wilde schenden, al moest zijne weigering hem ook het leven kosten, wordt de H. Joannes Nepomucenus, aldus genoemd naar het dorpje Nepomuk in Boheme, waar hij in 1330 uit geringe maar deugdzame ouders geboren werd, door de H. Kerk sinds eeuwen vereerd. Van zijne jeugd af leidde hij een zeer deugdzaam leven en onderscheidde zich vooral door zijne vurige liefde tot de H. Maagd, wier voorspraak en hulp hij dagelijks inriep. Hij koos den priesterlijken staat en werd, toen hij gewijd was, door zijn bisschop vooral met het predikambt belast. Zijn woord wekte overal verbazing op maar bewerkte ook vele bekeeringen. De zondaars konden aan zijne vermaningen niet wederstaan, en de braven en deugdzamen verwonderden zich over den geest Gods, die uit hem sprak. De roem van den Heiligen prediker drong zelfs door tot het koninklijk hof, en koning Wenceslaus verlangde Joannes te hooren, toen hij in den Advent te Praag prediken zou. Deze omstandigheid bracht den Heilige tot eene aanzienlijke betrekking maar tevens tot zijn marteldood. De koning, die een slecht leven leidde, werd door het woord van den moedigen geloofsverkondiger, die zoowel den machtigen der aarde als den geringen de waarheid des Evangelies, zelfs de strengste, predikte, diep getroffen, bekeerde zich en droeg Joannes de betrekking op van aalmoezenier. Ook de koningin vatte groote achting voor den Heilige op en koos hem tot haren biechtvader.

Ongelukkig was de bekeering des konings niet van langen duur, en daar de koningin een deugdzaam leven leidde en bleef leiden en bijgevolg haar vertrouwen bleef schenken aan den Heiligen priester, vatte hij argwaan tegen haar op en vermoedde, dat hare deugd slechts schijnheilig-

ocr page 236

54

held was, en zij in het geheim allerlei booze dingen deed.

De koning meende het middel in de hand te hebben, om de misdaden der koningin te ontdekken. Joannes was haar biechtvader; deze wist dus alles. Vroeg de koning hem wat de koningin gebiecht had, dan zou hij alles openbaren; immers al zijne hovelingen beefden voor den vorst.

Het bleek spoedig, dat de koning zich vergist had. Toen Wenceslaus den Heiligen priester geboden had hem mede te deelen, wat de koningin had gebiecht, antwoordde Joannes, dat de biecht een onschendbaar geheim is, dat geen priester mag openbaren. Dit antwoord verwonderde den koning, die den Heilige met zijne slaafsche hovelingen op ééne lijn had geplaatst. Hij deed hem allerlei schoone beloften; waardigheden en rijkdommen zou hij hem schenken, maar versmaadde Joannes deze, dan wachtten hem folteringen, ja zelfs de dood, want de koning eischte gehoorzaamheid. Maar de Heilige antwoordde zonder eenige vrees; „Nooit, o koning, zult gij uw goddeloos verlangen door mij bevredigd zien. Ik veracht alle schatten, die gij mij tot loon der misdaad aanbiedt. Mijn leven is in uwe handen, en niets kan mij aan uwe gramschap onttrekken, maar welgemoed zal ik, getrouw aan mijn plicht, sterven en mij verheugen over het lijden, dat gij mij zult aandoen.quot;

Deze woorden hadden op den misdadigen koning geen invloed. Zijn onedel wantrouwen tegen zijne echtgenoote was te diep in zijn hart gedrongen, en daar de Heilige bleef weigeren, liet hij hem in den kerker werpen en daar op de pijnbank uitstrekken. Joannes Nepomucenus liet zich echter door de pijnen niet bewegen, om het biechtgeheim te openbaren, en de koning werd overwonnen. Hij durfde zijne bedreiging niet geheel ten uitvoer brengen en stelde den Heilige weder in vrijheid. Deze hervatte zijne predikatiën, toen zijne wonden genezen waren.

Het was echter slechts voor een korten tijd. De koning had rust noch duur, zoolang hij de veronderstelde misdaden der koningin niet kende, en op den 15 Mei 1383 liet hij den H. Joannes nogmaals bij zich komen en

ocr page 237

55

herhaalde zijn gebod, dat evenwel opnieuw door eene weigering werd gevolgd. De wreede koning liet in den daaropvolgenden nacht den Heiligen priester in den Moldau werpen, waarin hij verdronk.

God verheerlijkte het lichaam van Zijn trouwen dienaar. Men zag des nachts het lijk des Heiligen, door een wonderlijk licht omstraald, op de oppervlakte des waters drij ven, en later werd het in plechtigen optocht naar de hoofdkerk van Praag gebracht en daar begraven.

DE RELIGIEUSE ORDEN.

Terwijl de Renaissance langzamerhand veld won, de Heidensche zeden herleefden, en aldus de grond gereed gemaakt werd voor de ketterijen der vijftiende en zestiende eeuwen, bleef de Kerk niettemin een weldadigen invloed op de maatschappij uitoefenen, en men zag hij het toenemend zedenbederf de teederste godsvrucht bloeien, de heiligste versterving beoefenen en de Christelijke liefdadigheid in alle nooden voorzien. In de veertiende eeuw ontstonden niet minder dan 39 religieuse orden of congregatiën. Wij hebben reeds de orde van de H. Brigitta genoemd; we voegen er bij die der Celliten, die hun naam aan het woord cella (graf) ontleenden en aldus geheeten werden , omdat zij , na de zieken bijgestaan en hun geholpen hadden een zaligen dood te sterven, hun eene Christelijke begrafenis verschaften. De congregatie der Jesuaten , gesticht door den H. Joannes Colomhint onder den regel van den H. Augustinus, droeg dien naam, omdat hare religieusen eene bijzondere godsvrucht hadden tot den H. Naam Jesus.

HET MIRiKEL VAN AMSTERDAM.

In dezen tijd vond het mirakel van Amsterdam plaats, dat de godsvrucht tot het H. Sacrament inzonderheid in ons land niet weinig vermeerderde. In 1345 werd daar een zieke van de laatste HH. Sacramenten voorzien; eenigen tijd daarna braakte hij, en eene vrouw wierp de uitgeworpen stoffen in het vuur. Toen zij den vol-

ocr page 238

56

genden morgen het vuur, dat den goheelen nacht in de ziekekamer gebrand had, oprakelde, zag zij in het midden der vlammen eene H. Hostie. In haren schrik stak zij de hand in het vuur, greep de Hostie en bevond, dat zij koud was. Haar hand had geen letsel ondergaan. Zij riep eene vrouw uit de buurt, toonde haar de H. Hostie, en deze legde haar in een witten doek en sloot alles in eene kist. De priester werd ontboden, en deze bracht het H. Sacrament in stilte naar de parochiekerk; toen de vrouw echter den volgenden dag de kist opende, vond zij daarin de H. Hostie terug, en nu begreep de priester, dat God het wonder openbaar gemaakt wilde hebben, en met grooten luister werd de H. Hostie in processie naar de kerk gebracht. Achtereenvolgens hadden tal van mirakelen plaats; de zieken werden bij de vereering van het H. Sacrament van Mirakel van al hunne kwalen genezen.

Later werd op de plaats, waar het wonder geschied was, eene kapel gebouwd en daarin de H. Hostie overgebracht ; de kapel kreeg den naam van de H. Stede; ook hier geschiedden talrijke mirakelen. Het grootste was echter dat in 1452, toen een derde gedeelte van Amsterdam met de H. Stede door brand vernield werd, en de monstrans , waarin het H. Sacrament rustte, gespaard bleef zoowel als de zijden doek, waarmede zij voor stof werd bewaard.

De aartshertog Maximiliaan lag in Eotterdam onge-neeselijk ziek; hij deed de belofte, dat hij de H. Stede bezoeken zou, indien hij genas. Hij herstelde en hield woord. Bij die gelegenheid schonk hij de kapel een gouden kelk , een misgewaad en eene waskaars , terwijl hij aan Amsterdam het voorrecht schonk van de keizerlijke kroon boven het wapen te mogen voeren (1489).

De devotie tot het H. Sacrament van Mirakel heeft de eeuwen doorleefd en duurt voort tot op dezen dag. Toen de Protestanten in Amsterdam de heerschappij kregen (1578), werd de H. Stede tot een stal ingericht voor de paarden van den Prins van Oranje. De Katholieken gingen van toen af hunne devotie houden op het Beggijnenhof, waar

ocr page 239

57

zij oogluikend toegelaten werd of niet verhinderd kon worden.

Genoemd hof droeg dien naam naar de Beggijnen, vrome vrouwen, die meestal in huisjes woonden, welke tot een hofje vereenigd waren, en wier vereeniging gesticht was door den Luikenaar Lambertus le Bègues (1180). Zij volgden niet bepaald een kloosterregel, scheidden zich niet af van de wereld maar leefden onder het volk, dat zij dienden door werken van Christelijke naastenliefde, en welks kinderen zij opvoedden. In hare behoeften voorzagen zij door handenarbeid. De Beggijnen hebben langen tijd in Nederland, België en Duitschland groot nut aan de maatschappij bewezen.

TWEEDE HOOFDSTUK.

Het Westorsche sohisma (1378—1449).

Twee afdeelingen: Het schisma. — De ketters en de Heiligen.

§ I. Het Westersche schisma.

OORZAKEN VAN HET SCHISMA.

Zooals gezien is, hadden de Pausen ernstige redenen om den Pauselijken Stoel uit Rome naar Avignon over te brengen. Na de 70-jarige ballingschap keerden zij naar Rome terug, Gregorius IX slechts voor korten tijd, Urbanus VI voor goed. Nu waren er onder de kardinalen , die Urbanus gekozen hadden, zeer veel Fransche, en dit was een der voornaamste oorzaken van het Westersche schisma. Toen Gregorius IX overleden was, wenschten de Fransche kardinalen een Franschman tot Paus te kiezen , in de hoop dat deze naar Avignon zou terugkeeren, doch de Italiaansche kardinalen wilden een Italiaan tot Paus, en het Romeinsche volk, voor het Pausschap een nieuwe ballingschap naar Avignon duchtende, eischte van het Conclaaf '), dat het een Romeinschen of ten

l) Aldus heet de vergadering der kardinalen, wanneer deze bijeenkomen om een nieuwen Paus te kiezen.

ocr page 240

58

minste een Italiaanschen Paus zou kiezen. Eenstemmig kozen de kardinalen den aartsbisschop van Bari in Italië, en deze nam den naam van Urbanus VI aan. Er heerschte eene algemeene vreugde; zes kardinalen, die te Avignon gebleven waren, keurden de keuze goed, en gedurende vier maanden kende de Kerk zooals altijd slechts één opperhoofd. Maar Urbanus, die het goede wilde en bestaande misbruiken wenschte uit te roeien, handelde daarbij niet met genoegzame voorzichtigheid en verbitterde de Fransche kardinalen. Dezen, het verblijf te Rome reeds moede, begonnen nu twijfel op te werpen omtrent de geldigheid der Pauskeuze, geschied onder den invloed der volksbeweging. Zij begaven zich naar Anagni met den Spaanschen kardinaal Petrm de Lune en verklaarden daar de benoeming van Urbanus onwettig. Van daar vertrokken zij naar Fondi in Napels, kozen kardinaal Robert van Genève tot Paus, en deze nam den naam aan van Clemens VII.

DE TWEE PAUSEN.

De Christenheid werd nu in twee deelen gescheurd; Frankrijk, Castilië, Arragon, Portugal, Savooie, Schotland , Lotharingen en Napels verklaarden zich voor Clemens VII, die zich te Arragon vestigde; de overige volken, Engeland, Nederland, Duitschland, Hongarije, Polen , Scandinavië, Italië behalve Napels bleven gehoorzamen aan den Paus, die tot dan toe door de geheele wereld erkend was. De scheuring kan verklaard worden: de verklaringen der Fransche kardinalen waren zoo stellig en het feit der volksbeweging zoo zeker, dat er twijfel in de geesten kon ontstaan. Het nageslacht, dat beter kan oordeelen dan de tijdgenooten, die door allerlei hartstochten bewogen werden, heeft erkend, dat de keuze van Urbanus VI geldig, dus die van Clemens VII ongeldig was. Overigens was hier geen schisma zooals het Oos-tersche. Niemand ter wereld geloofde, dat de Kerk twee Pausen had; allen geloofden aan één wettigen opvolger van den H. Petrus, maar er bestond onzekerheid wie

ocr page 241

59

van de twee de wettige Paus was. Het leven der Kerk werd dan ook in dat smartelijk tijdvak geen oogenblik onderbroken, en in de beide groepen van landen had men groote heiligen. De H. Catharina van Siëna, de H. Catharina, van Zweden en de H. Brigitta leefden onder de gehoorzaamheid van Urbanus VI; de H. Coleta, de H. Vincentius Ferrerius en de Gelukzalige Petrus van Luxemburg onder die van Clemens VII, die den laatste zelfs tot kardinaal verhief. De H. Antoninus, aartsbisschop van Florence, die 100 jaar na het uitbreken van het schisma leefde, schreef er het volgende over; „Men kan te goeder trouw en met een gerust geweten voor de eene of andere partij zijn; want hoewel het noodzakelijk is te gelooven, dat er maar één zichtbaar Hoofd der Kerk is, is het, wanneer twee Pausen gelijktijdig aangesteld worden, niet noodzakelijk te gelooven, dat de eene of de andere de wettige Paus is; men moet slechts gelooven, dat hij , die volgens de regels der Kerk gekozen werd, de ware Paus is , en het volk is niet verplicht als rechter te beslissen me dat is; het kan hierin het gevoelen en het gedrag zijner bijzondere herders volgen.quot;

CONCILIE VAN PISA (fHOO).

Met den dood der twee Pausen eindigde het schisma niet; iedere maal werd een nieuwe Paus gekozen, en dit duurde vooreerst tot in 1414. Eindelijk kwamen eenige kardinalen op de gedachte, om door een Concilie aan de scheuring een einde te doen maken, en dit kwam te Pisa bijeen. Er verschenen 25 kardinalen en een groot aantal bisschoppen en vertegenwoordigers der vorsten. Maar hoe schitterend het was, de luister kon niet vergoeden wat eraan ontbrak en wat het noodzakelijk hebben moest: de bijeenroeping door den wettigen Paus. Het Concilie verklaarde zich zelf oecumenisch, doch ging hiermede buiten zijne bevoegdheid. Het zette de twee Pausen af en benoemde een derden, die den naam van Alexander V aannam en Joannes XXIII lot opvolger had. Zijne wettigheid werd echter door de

ocr page 242

60

twee Pausen niet erkend, en nu had men oogenschijnlijk drie Pausen.

CONCILIE VAN CONSTANZ (1414).

Op aandringen van keizer Sigismundus beriep Joannes XXIII een nieuw Concilie, en dit kwam te Constanz bijeen. De geheele Christenheid en de vorsten verlangden naar het einde van het schisma, en ook de kardinalen van de verschillende partijen waren schier eenparig tot toegeven bereid. Dit Concilie, nog schitterender en talrijker dan het vorige, had evenwel hetzelfde gebrek: het was niet wettig, omdat niet vaststond, dat Joannes XXIII de wettige Paus was. Niettemin ging het aan den arbeid. Bijna eenparig besloot het, dat de drie Pausen zouden aftreden. Na lang aarzelen legde Joannes XXIII den 2 Maart 1415 zijne waardigheid neder. Den 15 Juni verscheen een gezant van Gregorius XII met de verklaring , dat hij voor het heil der Kerk wilde aftreden, op voorwaarde, dat het Concilie hem als den wettigen Paus zou erkennen. Het Concilie nam deze voorwaarde aan, en nu las de gezant een bul voor, waarin Gregorius XII het Concilie bijeenriep, en hierdoor werd het Concilie van Constanz wettig en oecumenisch. Maar Benedictus XIII, alleen door den koning van Arragon gesteund, weigerde af te treden en toonde daardoor, dat zijne eerzucht hem hooger ging dan het welzijn der Kerk; hij werd plechtig afgezet (1417). Nu stond de Pauselijke Stoel ledig; de kardinalen kwamen in Conclaaf bijeen en kozen met algemeene stemmen kardinaal Colonna, die den naam van Martinus V(1417—1431) aannam, en de vrede was aan de Kerk teruggegeven. Het schisma had 39 jaar geduurd.

Hoe droevig deze gebeurtenis op zich zelve ook geweest zij, er is er misschien geen in de geschiedenis der Kerk, die zoo duidelijk hare goddelijkheid aantoont. Hoe vreeselijk de storm ook was, hoezeer ook zelfs eenigen harer kardinalen met de vorsten der aarde tegen de Kerk samenspanden, zij heeft dien storm bedwongen en haar leven door de eeuwen heen even krachtig voortgezet. Geen Rijk der wereld zou aan dien langen en feilen

ocr page 243

61

aanval van de hartstochten der menschen weerstand hebben geboden maar onvermijdelijk bezweken zijn.

EEN NIEUW SCHISMA.

Ongelukkig duurde de vrede niet lang. Paus Eugenius IV, opvolger van Martinus V (1417—1431), zag zich genoodzaakt wegens nieuwe onlusten Rome te verlaten en kon eerst na negen maanden in zijne hoofdstad terugkeeren. Op denzelfden dag waarop hij gekozen was, werd het Concilie van Bazel geopend, dat zich wilde bezighouden met de ketterij der Hussiten, de uitroeiing der misbruiken en de hereeniging der Grieken met de Latijnsche kerk. Doch dit Concilie had de goedkeuring van den Paus niet, was weinig talrijk en bestond slechts uit bisschoppen , besmet met gevoelens, die niet in overeenstemming waren met die van den H. Stoel. Spoedig dwaalde het dan ook geheel van den goeden weg af en durfde zelfs een tegenpaus benoemen , die den naam van Feliv V aannam (1439). Tien jaar lang bleef deze tegenpaus zijn verzet handhaven, doch hij vond gelukkig slechts aanhang in Savooie, van waar hij geboortig was, en in eenige naburige streken. Eindelijk, onder het Pausschap van Nicolaas V kwam hij tot andere gedachten en legde zijne overweldigde waardigheid neder (1449). Hiermede eindigde dit tweede schisma. Inmiddels was te Ferrara door Paus Nicolaas V zelf een Concilie geopend, ingevolge het verlangen van den Griekschen keizer Joannes Paleologus, om de Girieken weder met de Latijnen te vereenigen. De keizer zelf verscheen op het Concilie, dat door den Paus geleid werd , en met hem de patriarch van Con-stantinopel en een aantal Oostersche bisschoppen, benevens gezanten van de patriarchen van Alexandrië, Antiochië en Jerusalem. Ongelukkig brak er eene pest uit, en nu werd het Concilie naar Florence verlegd (1489). Hier legden de keizer, de patriarch en de Grieksche bisschoppen eene geloofsbelijdenis over, welke met die der Latijnsche kerk overeenstemde, en waarin zij uitdrukkelijk verklaarden te gelooven, dat de H. Geest van

ocr page 244

62

den Vader en den Zoon voortkomt, en de Roomsche Paus het hoofd der geheele Kerk is. Met de levendigste vreugde, met tranen van aandoening vereenigde zich nu weder de Grieksche met de Latijnsche kerk, en de geheele Christenheid juichte en jubelde met de Vaders van Florence, die het zestiende oecumenisch Concilie gehouden hadden.

Helaas, behalve de Grieken. Toen de keizer en de bisschoppen in hun land terugkwamen, vonden zij overal het krachtigst verzet. De bisschop van Efese had op het Concilie alleen geweigerd tot de vereeniging toe te treden, en hij werd door zijne landgenooten hemelhoog geprezen. Overal weerklonken smaadreden tegen den Paus en de Latijnsche kerk. Paus Nicolaas schreef deu Grieken een brief, waarin hij hen bezwoer tot de eenheid der Kerk terug te keeren, en hun wees op de straffende hand Gods , die hen bedreigde. De Turken toch naderden van alle kanten en stonden op het punt den laatsten slag aan het Grieksche Rijk toe te brengen. Maar de brief van den edelaardigen Paus had evenmin een goeden uitslag als het Concilie van Florence; het geduld van den oneindig rechtvaardigen God was nu uitgeput. De sluizen der Goddelijke wraak gingen over de hardnekkige Grieken geopend worden.

§ II. De ketters en de Heiligen.

KETTEEIJ VAN WICLEF.

Niet enkel door het schisma, ook door de ketterij en de toenemende bandeloosheid der zeden werd de Christenheid bedroefd. Een geestelijke uit Oxford, Jan Wiclef geheeten, had in zekere zaak een beroep op den H. Stoel gedaan en was door Paus Gregorius XI in het ongelijk gesteld. Dit kwelde zijn hoogmoed, en hij begon zich te verzetten tegen de kerkelijke overheid, viel van de eene dwaling in de andere en bracht eindelijk een geheel stelsel van ketterij te voorschijn. Door een Concilie, te Londen in 1382 gehouden, werden 84 leerstellingen van

ocr page 245

63

Wiclef als kettersch of als strijdig met de beslissingen der Kerk veroordeeld. Hij leerde o. a.; 1°. dat de zelfstandigheid van brood en wijn op het altaar blijft ook na de consecratie, 2 . dat een bisschop of priester, als hij een doodzonde heeft gedaan, nooit meer wijden, con-sacreeren of doopen kan, 3quot;. dat de biecht onnoodig is voor iemand, die berouw over zijne zonden heeft, 4°. dat in het H, Evangelie nergens staat, dat Christus de H. Mis heeft ingesteld; 5quot;. dat God aan den duivel gehoorzamen moet, 6°. dat de Paus, als hij een boosdoener is, geen macht meer over de geloovigen heeft, 7quot;. dat de H. Schrift verbiedt, dat de geestelijken tijdelijke goederen bezitten. Deze leerstellingen, de eene al valscher en soms bespotte-lijker dan de andere, worden bijna allen in het Protestantisme teruggevonden, en hierom wordt Wiclef even als Hus een voorlooper van Luther en Calvijn genoemd. Onderscheidene Conciliën veroordeelden de ketterij van Wiclef, doch hij bleef ze prediken. Eindelijk werd hij genoodzaakt Oxford te verlaten en stierf, door een beroerte getroffen, een jammerlijken dood (1387).

KETTERIJ VAN HUS.

De dwalingen van Wiclef werden door een Boheemsch edelman naar Boheme overgebracht en konden hier wortel schieten, dank zij de regeering van den goddeloozen koning Wenceslaus, die den H. Joannes Nepomucenus in den Moldau deed verdrinken. De rector van de hooge-school van Praag, Jan Hm geheeten , nam de ketterijen van Wiclef niet alleen over maar voegde er nog andere bij. Hij leerde, dat de Bijbel de eenige regel des geloofs is en zelfs de eenvoudigste geloovigen dien kunnen verklaren, dat de H. Communie door de leeken onder twee gedaanten moet ontvangen worden enz. Ook bestreed hij de vereering der H. Maagd, het gezag des Pausen enz. 't Is opmerkelijk, dat de ketters altijd de H. Moeder Gods een bitteren haat toegedragen hebben. Hus vond een ijverig leerling in Hieronymus van Praag, een edelman, bekend als een welsprekend redenaar, maar wiens hart

ocr page 246

64

bedorven was. De ketterij vond aanhangers en bestrijders, en groote onrust ontstond onder het volk. Paus Alexander V veroordeelde de geschriften van Hus om verbrand te worden. Wenceslaus liet nu den ketter aan zijn lot over, maar het was te laat.

Het Concilie van Constanz poogde aan het kwaad paal en perk te stellen en daagde Jan Hus en Hieronymus van Praag voor zich. Keizer Sigismundus gaf hun een vrijgeleide, dat hun de bescherming der overheden op hunne reis verzekerde maar geen vrijwaring gaf tegen het vonnis, dat het Concilie zou uitspreken. Te Constanz aangekomen, begon Hus zijne ketterij te verkondigen, wat hem niet geoorloofd was; hierom liet de keizer hem gevangennemen, en het Concilie onderzocht zijne geschriften. Het veroordeelde de talrijke dwalingen, welke het daarin vond, en drong er bij Hus op aan, dat hij ze zou herroepen. Doch de ketter weigerde halstarrig. Toen werden zijne geschriften en zijne leerstellingen door het Concilie veroordeeld en hij aan den wereldlijken rechter overgeleverd. De keizer veroordeelde hem, om op den brandstapel te sterven, welke straf aan hem voltrokken werd. Hieronymus van Praag herriep zijne dwalingen doch viel er later in terug, waarom ook hij op den brandstapel het leven moest laten.

Deze straf had niets onrechtvaardigs. De ketter viel niet alleen de Kerk aan maar ook de maatschappij, die een zuiver Christelijke was; de ketter was dus tegelijk een oproermaker en als zoodanig viel hij in de handen des keizers, nadat de Kerk hem van ketterij overtuigd had. Dat de ketter in de Christelijke maatschappij inderdaad een oproermaker was, volgde niet alleen uit zijne leerstellingen, maar bleek ook altijd hieruit, dat zijne ketterij verdeeldheid en onrust onder het volk verwekte. En zoo heeft ook de ketterij van Hus aanleiding gegeven tot een burgeroorlog, die Boheme jarenlang met bloed gedrenkt heeft.

ocr page 247

65

DE HEILIGEN.

Met den ouden ijver streden de Heiligen tegen de ketterij en de zedeloosheid. Geen hunner heeft in dat onder vele opzichten treurig tijdvak der Kerk misschien meer goeds aan de maatschappij bewezen dan de H. Vin-centius Ferrerius. Deze beroemde Heilige uit de orde van den H. Dominicus bloeide in het laatst der veertiende eeuw. Hij werd geboren in 1357. Een zoon van brave ouders, die bijzonder uitmuntten door hunne liefde tot de armen, leerde hij van hen reeds vroegtijdig de deugd beoefenen en de ij delheden der wereld verachten. Van daar dat hij, nauwelijks 18 jaren oud geworden, het Domiuicanerklooster zijner geboortestad Valencia in Spanje intrad, Aet het vaste voornemen zijn leven onverdeeld aan God en aan het heil der zielen te wijden. Vooral trachtte hij den H. Dominicus na te volgen; door het lezen zijner levensgeschiedenis maakte hij zich zoo goed mogelijk met dezen grooten Heilige bekend, en gezien hebbende, dat Dominicus vooral het inwendig gebed en de versterving beoefende, legde hij zich met de borst hierop toe. Nadat hij zijne studiën voltooid en de plechtige kloosterorden had afgelegd, onderwees hij de wijsbegeerte eerst te Valencia, daarna te Barcelona en ging toen weder zelf studeeren te Lerida, waar hij in 1384 den graad van doctor in de godgeleerdheid verwierf. Daar hij intusschen begreep, dat alle menschelijke studie weinig beteekent, wanneer men daarbij niet de genade en de hulp van God heeft, begaf hij zich dikwerf van zijne studeerkamer naar de kloosterkerk en putte daar in het gebed nieuwe kracht en voor zijn geest nieuwe helderheid. Ook drong hij er steeds bij zijne leerlingen op aan, dat zij de studie met het gebed zouden afwisselen en nimmer verzuimen hun werk aan God op te dragen.

Het scheen intusschen , dat de H. Vincentius niet door God geroepen was, om eenige studenten in de wetenschappen te vormen, maar wel om aan het volk de waarheden van het Evangelie te verkondigen. Reeds had 2e Deel. ö

ocr page 248

66

men, toen hij nog te Barcelona onderwees, opgemerkt, dat hij een zeer bekwaam prediker was, en zijne predikatiën vele bekeeringen bewerkten. Hij werd dan in 1390 naar Frankrijk gezonden en oefende hier eenigen tijd zijn apostolischen arbeid met goed gevolg uit. Doch weldra kwam hij in Spanje terug en doorkruiste dit land van het eene einde tot het andere. Hij bekeerde duizenden Joden en Mooren; te Toledo en te Salamanca was zijn arbeid zoo heilrijk, dat alle Joden tot het Christendom overgingen, en daar nu geen synagogen meer noodig waren, werden deze in Christelijke tempels veranderd. Maar ook Spanje mocht den beroemden prediker niet lang behouden; door zijne oversten gezonden, kwam hij opnieuw in Frankrijk, vervolgens in Italië; hij doorliep een groot gedeelte van Duitschland, kwam langs den Ikgt;ven-Rijn naar België en trok op verzoek van den Engelschen koning Hendrik IV over zee en predikte voor de Schotten en Ieren.

Op al die reizen ging hem zijn roem vooruit; welhaast had hij een Europeeschen naam, en verlangde men overal op het vurigst, om hem te hooren en getuige te zijn van de wonderen, die hij deed. Legde hij den zieken de handen op, dan genazen zij; hij verdreef onreine geesten, gaf dooven het gehoor en stommen de spraak terug, ja verwekte zelfs dooden ten leven. God wilde Zijn dienaar reeds hier op aarde zoo heerlijk beloonen, omdat hij alles voor Hem was en niet trotsch werd bij de loftuitingen, die hem van alle kanten toestroomden. Hoe meer zondaars hij bekeerde, hoe strenger hij jegens zich zei ven werd. Op zijne reizen leefde hij als de boetvaardigste uit zijn klooster. Hij at nooit vleesch, nam dagelijks behalve des Zondags maar één maaltijd en vergenoegde zich des Woensdags en Vrijdags met brood en water. Hij sliep op een stroozak. Door dit strenge vasten verzwakte wel zijn lichaam, maar zijn geest bleef helder; zijne stem bleef hare kracht behouden, en zijne ziel nam met den dag in heiligheid toe. Hij stierf in het jaar 1419 te Vannes in Engeland en antwoordde, toen men hem vroeg.

ocr page 249

67

waar hij begraven wilde worden; „Ik ben een onnutte knecht en arm kloosterling; het voegt mij niet over mijn graf te beschikken. De eenige gunst, welke ik vraag, is dat gij na mijn afsterven den vrede onderhoudt, dien ik u gedurende mijn leven heb aanbevolen.quot;

De H. Bernardinus van Siëna werd te Massa geboren in 1380, het jaar, waarin de H. Catharina van Siëna overleed. Vroegtijdig verloor hij zijne ouders, maar eene godvroezende tante voedde hem met de grootste zorg op en boezemde hem eene levendige godsvrucht jegens de H. Maagd in. Naar Siëna gezonden, om daar zijne studiën te volbrengen, werd hij er het voorbeeld van al zijne medeleerlingen. De heiligheid blonk uit zijn gelaat, zijne woorden en zijne daden. Eene buitengewone liefde droeg hij de kuischheid toe; geen woord kon hij aanhooren, dat die Heilige deugd schond, zonder dat het rood der schaamte geheel zijn aangezicht overdekte. Deze zedigheid boezemde zelfs den losbandigen eerbied in; in zijne tegenwoordigheid durfde men het spoor der goede zeden niet verlaten; de dubbelzinnige gesprekken hielden op, zoodra men hem zag. „Zwijgt,quot; zeide men tot elkander, „daar is Bernardinus.quot; Toen hij 17 jaren oud geworden was, trad hij in de Broederschap van O. L. Vrouw te Siëna en trok aller bewondering tot zich door den ijver en moed, welke hij toonde, toen eene pest de stad teisterde. Hij trad vervolgens in de orde der Franciscanen, doorliep een gedeelte van Italië, overal predikend, om de zondaars te bekeeren en de staatkundige twisten te doen ophouden, welke er woedden. Op een zijner apostolische tochten vernam hij, dat de verdeeldheid te Perugia de grootste wanordelijkheden deed ontstaan; hij vertrok haastig naar die stad, riep de inwoners bijeen en zeide hun: „ Grod, dien gij door uwe twisten zoo zwaar beleedigt, zendt mij tot u als een engel, om vrede te verkondigen aan allen, die van goeden wille zijn.quot; Nadat hij viermaal gepredikt had over de noodzakelijkheid eener verzoening, riep hij uit: „Dat allen, die door vredelievende gevoelens bezield zijn, zich aan mijne rechterzijde scharen!quot;

ocr page 250

68

Slechts een jong edelman bleef mompelend aan zijne linkerhand staan. Hem gaf de Heilige eene strenge berisping, en hij voorspelde hem, dat hij een ellendigen dood zou sterven. Deze voorspelling werd weinig tijds daarna vervuld.

Tot vicaris-generaal zijner orde in 1438 benoemd, bracht hij de Franciscanen in Italië tot de eerste strengheid van hunnen regel terug. Vijf jaar daarna vroeg hij ontslag van zijne waardigheid, predikte opnieuw in verschillende steden van de Romagna en Lombardije en stierf te Aquila in 1444, uitgeput door zijn apostolischen arbeid.

THOMAS A KEMPIS.

Deze merkwaardige man werd te Kempen bij Keulen geboren en door zijne ouders op 13-jarigen leeftijd naar de school van de Broeders des Gemeenen levens te Deventer gezonden. Deze Broeders volgden den regel van Geert Groote, die overal voor het volk predikte maar zich vooral op de verbetering en ontwikkeling van het volksonderwijs toelegde. Thomas was een zijner ijverigste leerlingen. Nadat hij zeven jaar in de Deventersche school had doorgebracht, trad hij in het St. Agnes-klooster bij Zwolle en verbleef daar tot aan zijn dood in 1491. Hij schreef onderscheidene werken over verschillende onderwerpen, en onder deze munt uit zijn boek, getiteld; De Navolging van Christus. Na den Bijbel werd in de Christenheid tot op dezen dag geen boek zoo dikwerf in alle talen gedrukt als de Navolging van Thomas a Kempis. Het werd in het Latijn geschreven, en in deze taal verschenen er meer dan 2000 uitgaven van; in het Fransch werd het meer dan duizendmaal gedrukt, en er is bijna geen taal ter wereld, waarin het niet werd overgebracht. Langen tijd is er over gestreden, of Thomas er wel de schrijver van was; onderscheidene natiën hebben Nederland de eer betwist dien grooten en Heiligen man voortgebracht te hebben, doch de Zwolsche pastoor O. A. Spitzen heeft in 1880 in zijn werk Thomas a Kempis als schrijver van dc Navolging van Christus ge-

ocr page 251

69

handhaafd voor altijd aan dien strijd een einde gemaakt, door onwederlegbaar aan te toonen, dat het boek door Thomas geschreven is.

TWEEDE HOOFDSTUK.

De Heidensehe Renaissance (1449—1517).

Twee afdeelingen: Algemeene gebeurtenissen. — De Pausen en de Heiligen.

§ I. Algemeene gebeurtenissen.

INNEMING VAN CONSTANTINOPEL (1453).

Wij hebben gehoord, hoe de Grieken de poging van het Concilie van Florence (1439) verijdelden en hardnekkig in hun schisma volhardden. Nu scheen de maat hunner ongerechtigheid vol, en barstte de wraak Gods los. 14 jaar later, in 1453, werd Constantinopel door de Turken onder Mahomed II, sultan der Ottomannische Turken, ingenomen, en daarmede het Rijk van Constantijn den Groote verwoest. Sedert den val van Jerusalem had de wereld geen ramp aanschouwd, als thans het goddelooze Constantinopel kwam treffen.

Mahomed sloot de stad in met 250.000 man en een vloot van 300 schepen. Den eersten aanval deed hij op 6 April 1453, doch werd afgeslagen. Gedurende een maand werd aan den voet der muren, die de Turken hadden weten te bereiken, met de meeste verwoedheid gestreden. De Grieken streden met een moed, eene betere zaak waardig. Mahomed's schepen kouden de stad niet naderen , omdat de Grieken de haven met een ijzeren keten hadden afgesloten , en het gelukte den sultan niet die keten te verbreken. Toen nu Grieksche branders een gedeelte der Turksche vloot vernielden, ontstak Mahomed in felle gramschap en voerde een reusachtig plan uit. Hij liet nl. een vrij hoog voorgebergte doorboren, door de opening zijne schepen voeren en achter de keten in de haven brengen. Dat was het werk van één nacht, maar zijn geheele leger nam aan den arbeid deel. Toen keizer Constantijn XII, broeder van Joannes Paleologus, die

ocr page 252

70

aan het Concilie van Florence deelgenomen had, des morgens de Turksche schepen in de haven der stad zag, begreep hij, dat deze door God verlaten en aan den ondergang overgeleverd was. In den nacht van den 29 Mei riep hij de Grieken bijeen in de Sophiakerk en hield tot hen eene rede, die de lijkrede van het Grieksche Rijk mocht genoemd worden, en waarin hij hen opwekte om te overwinnen of te sterven. Daarna sprong hij te paard en begaf zich aan het hoofd zijner soldaten naar de plaats, waar het gevaar het grootst was.

Mahomed had zich eveneens zijn paard laten brengen, en met zijn gouden knots in de hand zwoer hij bij den Profeet, dat de Koran over het Kruis zou zegevieren. En nu doorliepen zijne derwischen het leger, roepende; „Zalig zij, die in den Heiligen strijd vallen! Wee den lafaards!quot; Tegelijk weerklonk in de kerken en straten het Kyrie eleison der Grieken. Maar doof was de hemel voor de kreten der hardnekkige scheurmakers, die den Paus verworpen hadden; ze zouden nu vertreden worden onder de hielen der Turken. Bij het aanbreken van den dag begon de aanval. Driemaal beklommen de Muzelmannen de muren, en driemaal werden zij teruggeslagen; met hunne lijken vulden zij de diepe gracht rondom den ringmuur. Eindelijk werd een toren veroverd, en langs dezen weg drongen de Turken in de stad. Constantijn vloog hun tegemoet en streed als een leeuw; hij zag aan zijne zijde zijne beroemde veldheeren en hovelingen vallen, Comnenus, Cantacuzenus, Paleologus, hem besproeiend met hun bloed, tot ook hij en met hem zijn Rijk onder de slagen der Turken bezweek. Nu richtten dezen een afgrijselijk bloedbad aan; in de geheele stad werd gemoord en geplunderd: de graven werden geopend, en de asch der keizers in den wind gestrooid, de kerken overweldigd, en van hare schatten beroofd. Te paard gezeten, trok Mahomed trotsch en vol verachting van het Christendom de Sophiakerk binnen, en aan het altaar werd de priester doodgestoken, die daar de H. Mis las.

Zoo eindigde het Rijk van Constantijn den Groote, na

ocr page 253

71

een bestaan van meer dan elf eeuwen. Het had met het Westersche Rijk de wereld kunnen veroveren en het Christendom kunnen brengen tot aan de eindpalen der aarde. Ongelukkig luisterde het naar de ketters en scheurde zich af van de rots van Rome, waarop de H. Petrus en zijne opvolgers zetelen. Tot straf kwam het onder de slavernij der Turken, en deze straf duurt nu reeds 4.! eeuw. God is goed maar ook rechtvaardig! Wee hem, die de hand slaat aan de H. Kerk, voor welke Hij Zijn Bloed vergoten heeft!

INNEMING VAN GRENADA.

Het Westen was aan den Paus getrouw gebleven; daarom liet God niet toe, dat het in de hand der Turken viel. Terwijl de Grieken bezweken in Constantinopel, werden de Mooren meer en meer uit Spanje verdreven en Grenada eindelijk ingenomen (1492). Sedert lang was den Mooren niets meer dan het Rijk van Grenada overgebleven. De Rijken van Castilië en Arragon , die weldra het Rijk van Spanje zouden vormen, werden in ééne hand vereenigd door het huwelijk van Isabella de Katholieke en Ferdinand den Katholieke. Dezen besloten de laatste sporen van de heerschappij der Mooren in Spanje te doen verdwijnen. Hunne legers veroverden weldra het Rijk van Grenada, en ten slotte sloeg men het beleg voor de hoofdstad. Van beide zijden werd met heldenmoed gestreden. De tent der koningin geraakte in brand, en de vlammen overweldigden het geheele leger. De Katholieke koningen (dus werden zij genoemd) lieten op de plaats des legers een houten stad bouwen, welke arbeid 60 dagen vorderde. Ziende, dat de Christenen onherroepelijk tot de verovering van Grenada besloten hadden, gaf de stad zich eindelijk op 2 Januari 1492 over, na 789 jaren in de macht der Turken geweest te zijn. De Halve Maan verdween van de citadel, en statig en heerlijk verhief zich het Kruis op haar hoogsten toren.

Uit Grenada hadden de zonen van Mahomed hun tocht willen voortzetten over Spanje, Frankrijk en Italië naar

ocr page 254

72

Rome, om op St. Petrus' graf de leer van hunnen profeet te verkondigen, maar het Westen, aan den Pausgetrouw gebleven, werd door God voor deze ramp bewaard, en de Koran voor goed uit Europa aan die zijde verdreven.

ONTDEKKING VAN AMERIKA,.

Spanje ontving van God voor zijne roemvolle kruistochten spoedig een heerlij k loon. Een Genueesch zeevaarder, Christophorus Columbus geheeten , vatte het reusachtige plan op, het Mahomedisme , dat in Europa voortdrong, in zijn rug te bestrijden , in het uiterste gedeelte van Azië, en in die afgelegen gewesten het ware geloof te gaan verkondigen. Hij meende , dat hij, uit Europa westwaarts varende, de Oostkust van Azië bereiken zou. Dat tus-schen die kust en de Westkust van Europa een geheel werelddeel lag, was hem onbekend. Hij deelde zijn plan mede aan koningin Isabella, die. door den zelfden geloofsijver bezield, na de inneming van Grenada aan de voorstellen van Columbus een gunstig oor leende. Aldus had Europa aan het Katholieke geloof de ontdekking van Amerika te danken. God gaf aan Spanje onmetelijke landen en aan de Kerk een geheele nieuwe wereld, op het oogenblik dat de ketterij haar een vierde gedeelte van Europa ging ontnemen. Den 12 October 1492 zette Columbus voet op het land, dat zijn genie, zijn geloof en zijne volharding hem hadden doen ontdekken. Hij en zijn scheepsvolk kusten den grond, knielden daarop neder met tranen in de oogen, dankten God en plantten een kruis, om het land in den naam van Christus en van Zijne dienaren Ferdinand en Isabella in bezit te nemen. Opstaande, noemde Columbus het eiland, dat tot Amerika behoorde, San Salvador (H. Verlosser).

De godsdienst, die Columbus voortgedreven had, hield zich van het eerste oogenblik af met het lot der Indianen bezig. Zoo werden de bewoners der Nieuwe Wereld genoemd, omdat men in deze nog altijd een verlengstuk zag van Aziatisch Indië. De eerste heidenen, dooi den admiraal met zich naar Spanje gevoerd, werden allen

ocr page 255

73

bekeerd en gedoopt. Ferdinand en Isabella waren hun peter en meter (1493), en men zond dadelijk twaalf missionarissen naar het nieuw ontdekte land. De landvoogd ontving nauwkeurige voorschriften betreffende de prediking van het Evangelie aan de nieuwe volken, aan welke hij voor alles de vrijheid moest schenken, hen regeeren volgens de rechtvaardigheid, hen nauwkeurig in den Katholieken godsdienst doen onderrichten en hen niet verdrukken , opdat geen hinderpaal aan hunne bekeering zou gesteld worden. Een tweede missie, uit Franciscanen samengesteld, vertrok in 1502. Kardinaal Ximenes, minister van Ferdinand en Isabella, nam de krachtigste maatregelen ter bekeering der Indianen. Groot werd het getal der missionarissen en evenzoo dat der bekeerden; ongelukkig deed de gouddorst het bekeeringswerk niet zelden veel kwaad. De Kerk streed met alle kracht tegen de hebzucht der veroveraars en vaak met goed gevolg, en nog thans is de bevolking der landen, welke eertijds aan Spanje en Portugal behoorden, het best van alle bewaard gebleven, terwijl de stammen, die later met het Protestantisme in aanraking kwamen, achtereenvolgens uitgeroeid werden.

ONTDEKKINGEN DER PORTÜGEEZEN.

Ook de Portugeezen, die zoo langen tijd de Mooren bestreden hadden, ontvingen hunne belooning. In den loop der 15quot; eeuw ontdekten zij de eilanden op de Westkust van Afrika en die kust zelve en openden aldus dat onmetelijke werelddeel voor de prediking van het Christendom. In 1497 zeilde Vasco de Gama de Kaap de Goede Hoop om en ontdekte een nieuwen weg naar het oude Indië, dat aldus evenals Amerika voor de missionarissen toegankelijk werd. In Indië wonnen de Portu-geezeo geheele landen voor het Christendom, en van hier gingen de missionarissen naar China en Japan, om in die afgelegen gewesten het geloof te verkondigen.

ocr page 256

74

DE BOEKDRUKKUNST.

De uitvinding der boekdrukkunst door Laurens Janszoon Coster te Haarlem in 1424, bracht een geheele verandering op het gebied der wetenschappen en vervolgens op elk ander gebied. Vroeger werden de boeken, indien zij wetenschappelijke waarde hadden, afgeschreven , en waren dus niet talrijk, ofschoon veel talrijker dan menigeen gelooft. Nu zij gedrukt konden worden, vermeerderden zij in korten tijd op ongeloofelijke wijze. De eerste bijbel werd in 1457 gedrukt. De wetenschappen werden nu toegankelijker voor de massa des volks, en de Kerk begunstigde de boekdrukkunst, omdat zij een machtig middel was ter verkondiging en verspreiding dar waarheid. Doch ook de ketterij en de menschelijke ondeugden maakten zich van de pers meester, en daarom gaf de Kerk nieuwe wetten betreffende het drukken en lezen van slechte boeken. Leo X gaf een bul, waarin de grenzen der drukpersvrijheid streng bepaald werden.

Van de tijden der Apostelen af werden de slechte boeken , hoe kostbaar zij soms ook mochten wezen, verbrand. De Kerk, de leermeesteres der waarheid, mocht niet dulden, dat de dwaling en de misdaad door de slechte boeken voortgeplant werden. Toen de uitvinding der boekdrukkunst de boeken vermenigvuldigde, en Europa, vooral bij het optreden van het Protestantisme, door slechte boeken overstroomd werd, was het verbranden der boeken niet meer mogelijk, en kon de Kerk nog slechts het drukken van slechte boeken verbieden. Dit deed zij op tweeërlei wijze: zij bepaalde, dat geen boek mocht gedrukt worden zonder verlof der kerkelijke overheid, en dit noemde men de kerkelijke cemuur, en legde een lijst aan van de titels van slechte boeken, welke in weerwil van hare vermaningen gedrukt waren en door de geloovigen niet mochten gelezen worden. Deze lijst, van welke door het Concilie van Trente de samenstelling bepaald werd, heette Index lihrorum prohibitorum, lijst van , verboden boeken. Sedert dien tijd werden slechte boeken op den

ocr page 257

75

Index geplaatst, en deze mogen op zware kerkelijke straffen door de geloovigen niet gelezen worden.

HET NIEUWE HEIDENDOM.

Dezen naam kan men geven aan de Renaissance (Herleving), die de vruchten van de ontdekkingen en uitvindingen der 15de eeuw voor een goed deel voor de waarheid deed verloren gaan. De val van Constantinopel had ten gevolge, dat een groot getal Grieksche geleerden hun ongelukkig vaderland ontvluchtten en zich in Italië en andere landen van Europa nederzetten. Niet alleen f hadden zij in hunnen geest de ketterijen opgenomen, welke eeuwenlang in het Oosten verkondigd waren, doch zich ook toegelegd op de studie van het oude Heidendom, van hetwelk zij niet enkel de schoone vormen maar ook het ongeloof en de zedeloosheid in hunne werken beschreven. Deze boeken werden door de drukpers alom verspreid, en in de Christelijke kunst drongen zich allengs de oude Heidensche vormen. Daar het gezag van den H. Stoel verzwakt was, slopen in de maatschappij langzamerhand heidensche zeden en gewoonten in, en dezen baanden den weg voor het Protestantisme. Zoo werd Europa gebracht in een toestand van verstandelijke en zedelijke bandeloosheid, en hieruit kwamen de bloedige oorlogen en omwentelingen voort, welke ons werelddeel zoo lang geteisterd hebben, en waarvan wij tot op dezen dag de naweeën gevoelen.

§ 11. De Pausen en de Heiligen.

DE PAUSEN,

''Van de ellende van het schisma bevrijd, volgden de Pausen eene gedragslijn, welke aan Europa in het algemeen en aan Italië in het bijzonder paste: zij streden tegen de invallen der Mahomedanen in ons werelddeel, trachtten de Christen-vorsten tot eendracht terug te brengen en verdedigden de Italianen tegen alle buitenlandsche onrechtmatige invloeden. Maar Nico laas V, Calixlm III,

ocr page 258

76

Pius II, Paulus II (1446—1471), Sixlus iT (1471—1484) en Innocentius VIII putten hunne krachten uit in ver-geefsche pogingen; zij werden begrepen noch gesteund.

Laatstgenoemde Paus, die zich den schoonen naam verwierf van Vader des vaderlands, werd opgevolgd door Alexander VI (1492—1503), een Paus, van wien de vijanden der Kerk veel kwaads hebben gezegd, ja dien zij groote misdaden hebben verweten. Indien hunne beschuldigingen gegrond waren, zou slechts een nieuw bewijs voor de Goddelijkheid der Kerk geleverd zijn, want dan zou zij zelfs hebben blijven voortbestaan onder een slechten Paus. Doch de beschuldigingen zijn öf overdreven, óf zonder voldoend bewijs, of hebben betrekking op het leven van Alexander, vóór hij op den Pauselijken Stoel verheven werd. Daarentegen mag volgehouden worden, dat hij de belangen der Kerk ijverig behartigde, de armen in hun nood ondersteunde en de misdadigers naar verdienste strafte

Ook tegen Julius II (1503—1513) heeft men allerlei beschuldigingen ingebracht, omdat hij herhaaldelijk oorlog voerde tegen hen, die Italië en den Kerkdijken Staat tot de offers hunner heerschzucht wilden maken. Men vergeet echter te bewijzen, dat Julius II onrechtvaardige oorlogen voerde. Hij was inderdaad een groot Paus en een groot koning. Hij trachtte de bezittingen, den Kerkdijken Staat wederrechtelijk ontnomen, terug te krijgen en was beschermer der Italiaansche onafhankelijkheid. Met het Concilie van Lateranen, het zeventiende oecumenische Concilie (1512), poogde hij de valsche Hervorming van het Protestantisme, die in aantocht was, te voorkomen. Hij was beroemd om zijne standvastigheid, zijne wijsheid, zijne gematigdheid en verzoeningsgezindheid.

DE HEILIGEN.

Het ontbrak der Kerk wederom niet aan Heiligen. In de tweede helft der vijftiende en de eerste jaren dei-zestiende eeuw leefden de Franciscaner Heilige Joannes van Cajpistranus, die het Evangelie predikte in Italië,

ocr page 259

77

Duitschland, Polen en Hongarije en den moed der Christenen in den oorlog tegen de Turken opwekte, de H. Antoninus, aartsbisschop van Florence, die zich op buitengewone wijze onderscheidde, toen pest en hongersnood zijn diocees teisterden; de If. Catharina van Bologna, die de deugden der H. Catharina van Siëna deed herleven, de H. Casimir, zoon van koning Casimir II en die patroon van Polen werd, de H. Joanna van Valois, koningin van Frankrijk en stichtster van eene congregatie van religieusen, eindelijk behalve vele anderen, de H. Franciscus van Paula, stichter van de orde der Minimen.

DE MINIMEN.

De H. Franciscus, stichter dezer orde, werd in 1416 te Paula in Calabrië geboren. Toen hij den ouderdom van 13 jaren had bereikt, gaf zijn vader hem aan de Franciscanen ter verdere opvoeding over. Twee jaar later verzocht en verkreeg hij van zijne ouders verlof, om in de eenzaamheid te gaan wonen, en nu leidde hij het leven der oude kluizenaars, slapend op de naakte rotsen en levend van de aalmoezen of van de kruiden, welke hij in een naburig bosch plukte. Een aantal leerlingen voegde zich bij hem, en zoo ontstond de orde der Minimen (de Kleinsten), een naam, dien de Heilige aan zijne religieuzen gaf, opdat zij zich beschouwen zouden als de minsten onder de menschen. Hij verlangde van hen, dat zij 1° de liefde zouden opwekken, welke in de harten der Christenen was verflauwd, en 2° door hunne verstervingen boete zouden doen voor de uitspattingen, waaraan vele Christenen zich op vasten- en onthoudingsdagen overgaven. Daarom voegden de Minimen bij de drie geloften van armoede, gehoorzaamheid en zuiverheid, die van een altijddurende vasten.

De koning van Frankrijk, Lodewijk XI, die slecht geleefd had en daarom voor den dood zeer bevreesd was, verzocht den Paus den Heilige naar Frankrijk te zenden; hij had vernomen, dat Franciscus vele mirakelen deed, en hoopte, dat hij van God voor hem eene verlenging zijns

ocr page 260

78

levens zou verkrijgen. Sixtus IV beval Pranciscns naar Frankrijk te vertrekken, en de Heilige gehoorzaamde. Toen de koning zijne aankomst vernam, ging hij hem met geheel zijn hof tegemoet, wierp zich aan zijne kniëen en smeekte hem zijn leven te verlengen. „God alleen,quot; antwoordde de Heilige, „ is meester van leven en gezondheid. Het leven der koningen zoowel als dat der andere menschen is in Zijne handen; tot Hem moet men zijn toevlucht nemen en zich vervolgens aan Zijn H. Wil onderwerpen.quot; De koning wilde , dat Franciscus van Paula in zijn paleis wonen zou; dikwerf won hij zijn raad in en verzocht hem eindelijk hem op den dood voor te bereiden. Dit laatste maakte Franciscus tot zijne voornaamste taak. Door zijne gebeden en vermaningen bewerkte hij een verandering van 'skonings hart, en deze stierf in zijne armen op den 4 Augustus 1483 in volmaakte overgeving aan den Wil van God. De H. Franciscus van Paula stierf eerst 24 jaar later, op den 2 April 1507. Zijne orde verspreidde zich met groote snelheid door geheel Europa en werd zelfs overgeplant in Indië.

ocr page 261

ZESDE TIJDVAK. Het Protestantisme (1517—1789).

Het zesde tijdvak van de geschiedenis der Katholieke Kerk omvat bijna drie eeuwen, van het ontstaan van het Protestantisme tot aan de Fransehe Revolutie (1517—1789).

Gedurende deze drie eeuwen ontbond zich de Christelijke maatschappij , en viel een aanzienlijk gedeelte der Christenheid van de Kerk af; in de 16,lü eeuw door het Protestantisme, dat een vierde van Europa van de Kerk afscheurde, maar welks verdere uitbreiding door het Concilie van Trente belet werd; in de 17' eeuw door het Jansenisme en Gallicanisme, die een gedeelte der Staten, welke Katholiek gebleven waren, verleidden; in de IS-eeuw door het philosophisme of de ongeloovige philosofie (wijsbegeerte), de vrucht der voorgaande dwalingen, en dat niet alleen een groot aantal menschen bracht tot loochening van de Godheid van Christus maar van het bestaan van God zelf. In drie hoofdstukken zal de geschiedenis van dit tijdvak beschreven worden: het Protestantisme, het Jansenisme en het Gallicanisme.

EERSTE HOOFDSTUK.

Het Protestantisme (1517—1595).

Twee afdeelingen: De Protestantsche Hervorming. — De Katholieke Hervorming.

§ I. De Protestantsche Hervorming.

OORZAKEN EN KARAKTER DER ZOOGENAAMDE HERVORMING.

De geheele geschiedenis der Katholieke Kerk getuigt, dat de Pausen geen oogenblik verzuimd hebben al hunne krachten aan te wenden, om de misbruiken uit te roeien, die in den loop der eeuwen in de Christelijke maatschappij

ocr page 262

80

ingeslopen waren. De Conciliën hadden gesproken; Julius II had op het Concilie van Lateranen (1512) in navolging zijner voorgangers krachtig de handen aan het werk geslagen, maar de oorlogen in Italië waren voor de Pausen een geduchte hinderpaal tegen de uitvoering hunner plannen. Van den anderen kant dreef alles de volken tot opstand tegen de Kerk: de herleving der Hei-densche denkbeelden, de losbandigheid der zeden, de overal verspreide wanordelijkheden. Terwijl de Turken meer en meer Europa aan de Oostzijde binnendrongen, waren de Christen-koningen met elkander in onophoude-lijken strijd; de adel was verarmd, en van hunne vroegere ridderlijke deugden vervreemd , wierpen de edellieden begeerige blikken op de goederen der Kerk; in vele mannen- en vrouwenkloosters was de tucht in hooge mate verslapt, en niet weinig priesters waren hunne verhevene bediening door een weinig priesterlijk leven onwaardig geworden. De talrijke hoofden der Hervorming waren bijna allen afgevallen priesters, die met nonnen, haar kloosters ontvlucht, op heiligschennende wijze een zoogenaamd huwelijk sloten. Voor velen was het duidelijk , dat, brak onder deze omstandigheden een opstand tegen de Kerk uit, de ketterij een veel grooter gebied zou veroveren dan alle vorige, omdat geheel Europa in denzelfden toestand was gekomen. en de uitvinding der boekdrukkunst aan het kwaad een middel tot voortplanting gaf, dat de oude ketterijen niet gekend en bezeten hadden. Er was slechts een voorwendsel noodig en eene aanleiding: het voorwendsel was de hervorming der zeden, niet des geloofs, naar welke door alle goedgezinden verlangd werd; de aanleiding was de prediking van een aflaat op bevel van Paus Leo X, om welken te verdienen de geloovigen o. a. een aalmoes moesten geven, welk geld gebruikt zou worden ter bestrijding der Turken en tot voltooiing van den bouw der St. Pieterskerk te Rome. Spoedig genoeg werd het duidelijk, dat de Protestantsche Hervorming slechts een voorwendsel was, want de zoogenaamde Hervormers gaven zich aan

ocr page 263

81

de schandelijkste ongebondenheden over en lieten die toe. Men behoeft slechts de geschiedenis te kennen van de voornaamste dier Hervormers, om over de ketterij te kunnen oordeelen, of liever over het samenraapsel van ketterijen , die in de zestiende eeuw ontstonden en aanleiding hebben gegeven tot de verschijning van een onnoemelijk aantal sekten in de drie laatste eeuwen tot op onzen tijd.

DE AFIAiT.

Deze is eene kwijtschelding van alle of een gedeelte der tijdelijke straffen, welke wij door de zonde verdiend hebben en hier of hiernamaals moeten boeten. De aflaat is zoo oud als de Kerk; de Apostel Paulus schonk hem reeds aan een man uit Corinthe, dien hij weder in de Kerk opnam, na hem geëxcommuniceerd te hebben. Hem gaf hij verlichting van straf. Toen de vervolgingen onder de Heidensche keizers uitbraken, ondergingen millioenen Christenen den marteldood, maar er waren er ook, die hun geloof verloochenden. Kwamen dezen tot inkeer, dan poogden zij weder tot de gemeenschap der Kerk toegelaten te worden en verzochten de voorspraak der martelaars, die in de gevangenis zuchtten, bij de bisschoppen der gemeenten. Dit geschiedde bij brieven, de Brieven der Martelaren geheeten, en daarin deden zij ook den bekeerlingen de verdiensten van hun lijden toekomen. Hierdoor bewogen, namen de bisschoppen dezen weder in de gemeenschap der Kerk op en scholden hun, om de verdiensten der martelaren, alle ol een gedeelte der straffen kwijt, welke zij voor hunne misdaad in het openbaar moesten ondergaan.

Toen de vrede aan de Kerk geschonken was, bleef het gebruik bestaan en nam zelfs in openbaarheid toe, om hen, die in het openbaar groote zonden bedreven hadden, daarvoor ook in het openbaar te doen boeten. Zoo verbood de H. Ambrosius keizer Theodosius de kerk binnen te gaan, nadat de keizer bevel gegeven had tot den moord op de bevolking van Thessalonica. De kerk niet te mogen binnentreden, maar aan den ingang de H. Diensten bij

c

2 ' DEEL.

ocr page 264

82

te wonen, was een der meest gebruikelijke straffen; soms duurde de boete levenslang, soms een aantal maanden of jaren. Die straffen werden weggenomen of verkort öf om de voorspraak en de verdiensten der Heiligen en martelaren, of om de boetvaardigheid der zondaars zei ven. Men kreeg dus geheele of gedeeltelijke vrijspraak, en deze vrijspraak werd allengs aflaat gebeeten.

De zondaar haalde zich echter niet alleen straffen op aarde op den hals door zijne zonden, maar ook na dit leven. De straffen der hel werden hem door de biecht vergevendie des vagevuurs konden door goede werken uitgeboet worden, en ook hiervan gaf de Kerk vrijspraak, door toepassing van de overvloedige verdiensten van Christus en de Heiligen op de zondaars, mits dezen zelf goede werken deden. Onder deze laatsten neemt de aalmoes eene eerste plaats in. En daarom gaven de Pausen vaak geheele (volle) of gedeeltelijke aflaten aan de geloovigen, wanneer zij goede werken deden en aalmoezen schonken. Het doel dezer aalmoezen werd door den H. Stoel niet zelden uitdrukkelijk aangeduid. Zoo verleenden de Pausen aflaten aan hen, die, de kruistochten persoonlijk niet kunnende medemaken, door een aalmoes in de kosten daarvan bijdroegen, of aan hen, die bijdragen schonken voor de oorlogen tegen de Turken enz.

Laster is dus de bewering der Protestanten, dat in de Katholieke Kerk aflaten verkocht werden; dat is nooit geschied. De Pausen pasten de schatten der Kerk op de rouwmoedige zondaars toe, doch alleen op voorwaarde dat zij goede werken deden, o. a. aalmoezen gaven, en het doel van deze, dat altijd een heilig doel was, werd soms door de Kerk aangewezen.

LUTHER.

Maarten Luther werd te Eisleben in Saksen in 1483 uit arme ouders geboren. Nadat hij in zijne geboorteplaats zijn eerste studiën had gedaan, legde hij zich aan de hoogeschool van Erfurt op de rechtsgeleerdheid toe. Op zekeren dag wandelde hij met een vriend in het veld ,

ocr page 265

83

en bij een opkomend onweder werd deze aan zijne zijde door den bliksem doodgeslagen. Hierdoor verschrikt, trad hij in de orde der Augustijnen, studeerde de godgeleerdheid, werd priester en kreeg om zijne groote welsprekendheid en uitgebreide kennis weldra eene benoeming tot hoogleeraar aan de hoogeschool van Wit-temberg. Omstreeks dien tijd gebood Paus Leo X, dat een aflaat zou gepredikt worden; deze zou verdiend kunnen worden door allen, die een aalmoes wilden schenken voor de voltooiing der St. Pieterskerk en voor den strijd tegen de Turken.

Deze prediking werd in Duitschland opgedragen aan den Dominicaner geestelijke Tetzel. Hierover ontstak Luther in woede. Niet alleen verdroot het hem, dat die eer niet geschonken was aan de Augustijnerorde, maar ook dat hij, die als een bekwaam prediker bekend stond, daartoe niet geroepen werd. Hij begon nu op hevigen toon tegen de Dominicanen te prediken en werd door zijne studenten en het volk van Wittemberg toegejuicht. In zijn hoogmoed liet hij het hierbij niet; hij predikte weldra tegen de aflaten zelf en kwam dus in strijd met de leer der H. Kerk. In 1517 deed hij aan de kerk van Wittemberg 95 stellingen aanplakken, welke hij tegen ieder wilde verdedigen. Dit was toenmaals gebruikelijk, als geleerden elkander tot een woordenstrijd wilden uitdagen. Onder de stellingen waren vele ket-tersche. Luther ging nog verder. In zijne predikatiën voor de studenten en het volk viel hij tal van leerstukken der Kerk aan, en toen Leo X, na alle middelen van zachtheid uitgeput te hebben, de dwalingen van Luther plechtig veroordeelde, deed de ketter voor de poort der stad een brandstapel oprichten en wierp daarop de bul des Pausen, welke zijne veroordeeling bevatte, om verbrand te worden (1520). De vlam, die uit Wittemberg opsteeg, ontstak spoedig het vuur des onheils in geheel Europa, dat nu met bloed gedrenkt ging worden. Luther had openlijk met de Kerk en den Paus gebroken, en de Pro-testantsche HervÖrming ontstond.

ocr page 266

84

Om zich den steun der vorsten te verzekeren, noodigde Luther hen uit, om zich van de kerkelijke goederen meester te maken. Zij gaven daaraan gaarne gehoor, en nu werden de kloosters en kerken op vele plaatsen ten voordeele der vorsten geplunderd, en daarin de Luthersche leer aan het bedorven volk gepredikt. Dit liet zich op zijne beurt gemakkelijk medesleepen, omdat Luther de biecht, de goede werken, het vasten, het aalmoezen geven enz. afschafte en aan de hartstochten den vrijen teugel schonk, door te leeren, dat men slechts in Christus behoeft te gelooven, om zalig te worden. Een der vorsten gaf hij verlof om een tweede vrouw te huwen, terwijl zijne eerste echtgenoote nog leefde, en hij zelf sloot een zoogenaamd huwelijk met eene non, Catharina Bora ge-heeten, welke hij aangespoord had haar klooster'te ontvluchten. Hij erkende slechts drie sacramenten: het doopsel, de biecht en het H. Sacrament des Altaars, en week, wat de twee laatsten betreft, nog van de leer der Kerk af. Zoo leerde hij, dat na de Consecratie het Lichaam en Bloed van Christus wel op het altaar is, maar het brood en de wijn ook. Hij nam dus niet de zelfstandigheidsverandering aan, en zijne leer op dit punt kreeg den naam van impanatic.

Eene ketterij, die zoozeer de bedorven neigingen der menschen streelde, moest zich- gemakkelijk en snel verspreiden , vooral omdat zij door de boekdrukkunst gesteund werd. Zij besmette dan ook een groot gedeelte van Duitschland en Zwitserland, Zweden, Noorwegen en Denemarken. Toen Luther zich aan het hoofd eener zoo groote volksmenigte zag, in verschillende landen verspreid, kende hij geen maat meer; den Paus en de verdedigers der Kerk overlaadde hij met verwenschingen en vervloekingen. Met moeite bedwingt men zijne verontwaardiging, als men in zijne boeken en schimpschriften, waarmede hij Duitschland overstroomde, de afschuwelijkste lasteringen en de zedelooze taal leest, en men zou niet begrijpen, hoe de menschen zich door zulk een man hebben laten verleiden, wist men niet, welke groote macht de zscht naar rijkdom

ocr page 267

85

en zingenot op het menschel ijk hart uitoefent. Luther stierf in 1546 in den ouderdom van 62 jaar, zooals sommige schrijvers met grond vermoeden, door zelfmoord.

ZWINGLIUS.

Een gedeelte van Zwitserland werd verleid door Zwin-glius, eerst pastoor te Glaris, daarna te Zurich. Deze begon omstreeks het jaar 1516 eenige dwalingen te verkondigen, en toen hij zag, met hoeveel gevolg Luther hetzelfde deed, ging hij ook den breed en weg der ketterij op. Evenals de Duitsche monnik verwierp hij het gezag van den Paus, de aflaten, de kloostergeloften, het celibaat der priesters, het vasten enz., en hij bezegelde zijn woord door de goddelooze daad van een zoogenaamd huwelijk aan te gaan met eene rijke weduwe. Was Zwitserland steeds een der vreedzaamste landen van Europa, nu werd het door de godsdiensttwisten verscheurd. Kantons, die Protestantsch geworden waren, namen de wapens op tegen die, welke aan de Kerk getrouw bleven, en er ontstond een burgeroorlog. Alle gevoel van betamelijkheid zelfs vergetende, nam Zwinglius persoonlijk deel aan den veldslag en sneuvelde (1531). Zijn leven was niet weinig verbitterd door de smaadreden, welke hij zich van de zijde van Luther moest getroosten, omdat hij in de dwaling nog verder ging dan de aartsketter uit Wit-temberg, door o. a. de wezenlijke tegenwoordigheid van Christus in het H. Sacram ent te loochenen. Doch niet slechts tusschen deze twee ketters zijn de hevigste twisten gevoerd; alle Hervormers hebben elkander gehaat en vervloekt.

DE WEDERDOOPEES.

Er kon geen eenheid zijn onder deze menschen, die zich van de eenheid der Kerk hadden afgescheurd. Luther zag spoedig genoeg, dat de geest des oproers, dien hij had opgewekt, zich tegen hem zei ven keerde. Carlstadt, die evenals hij den Bijbel als den eenigen geloofsregel beschouwde en dien naar willekeur uitlegde, begon weldra de beelden der heiligen en de schilderijen in de kerken

ocr page 268

86

te vernielen op de wijze der Iconoclasten, en tevens loochende hij de wezenlijke tegenwoordigheid. Osiander beweerde dat God alleen de uitverkorenen voor den hemel bestemd heeft, dat Christus dus niet voor alle menschen gestorven is. Stork en Thomas Munzer predikten de gelijkheid van alle menschen en noemden alle geestelijk en tijdelijk gezag overweldiging. Van het godsdienstig gebied daalde ook in Duitschland de strijd op het staatkundig terrein. Toen men eenmaal het oproer gepredikt had, kon men niet anders dan ook voldoening geven aan de hartstochten der menigte, der handwerkslieden in de steden, der boeren op het platteland. De volgelingen van Stork en Munzer kregen den naam van Wederdoopers, omdat zij, den kinderdoop veroordeelend , beweerden, dat zij , die in hunne jeugd het H. Doopsel ontvangen hadden, thans opnieuw gedoopt moesten worden. De Wederdoopers vertoonden zich reeds omstreeks 1520 en brachten weldra Zwaben en Thuringen, Frankenland, den Elzas en Lotharingen en den Palz in beweging. Aanvankelijk was Luther er mede ingenomen, doch toen hij zag, aan welke buitensporigheden deze ketters zich schuldig maakten, hoe zij alles op hun weg verwoestten, alle gezag verwierpen, schrikte hij

terug voor de gevolgen zijner eigene leerstellingen, en____

de wellusteling werd nu een wreedaard. „Slaat ze dood als honden!quot; riep hij den vorsten toe. En de vorsten grepen naar de wapens, en Duitschland had het afschuwelijk schouwspel van den Boerenkrijg, waarin onder Luthers toejuichingen meer dan 100.000 boeren om het leven werden gebracht (1525).

Eenige jaren daarna verschenen de Wederdoopers opnieuw, te Amsterdam (1530) en te Munster in Westfalen (1533). Aan de afschuwelijkste zedeloosheden gaven zij zich over. In Nederland stierven er onderscheidenen op het schavot. Te Munster geraakten zij in strijd met de Lutheranen, maakten zich meester van de stad, en een hunner dweep-ziekste aanvoerders, Jan van Leiden, een kleermaker uit deze stad, nam den titel van Profeet aan, zeide door God gezonden te zijn, gaf bet voorbeeld van de grootste mis-

ocr page 269

87

daden en spoorde het volk aan hem na te volgen. Hij verhief zich tot koning, huwde 14 vrouwen en had een hofhouding, waarin de misdaad met de dwaasheid om den palm streed. Langer dan een jaar kon hij zich staande houden tengevolge van de hulp , welke hij van zijne geestverwanten uit Nederland en Frankrijk kreeg. Doch eindelijk belegerden de landgraaf van Hessen en de bisschop van Munster, die uit zijne stad gejaagd was, de ongelukkige plaats, eii na een levendigen tegenstand werd zij ingenomen, en de Profeet met zijne voornaamste medeplichtigen terdoodveroordeeld. Jan van Leiden toonde berouw over zijne misdaden en stierf op het schavot den 22 Januari 1536.

DE DOOPSGEZINDEN.

Een der aanhangers der Wederdoopers in het Noord-Oosten van Nederland was Menno Simonsz, geboren in 1498 te Witmarsum in Friesland. Priester gewijd, werd hij pastoor in zijne geboorteplaats en door de lezing der geschriften van Luther verleid tot afval van de Kerk. Hij voegde zich aanvankelijk bij de Wederdoopers doch stichtte weldra eene eigene sekte, die de volstrekte noodzakelijkheid van den H. Doop niet aannam maar leerde, dat men eerst gelooven, en hiertoe tot den volwassen leeftijd gekomen zijn moest, alvorens gedoopt te kunnen worden. De kinderdoop werd dus door de Doopsgezinden of Mennisten verworpen. Voorts leerden zij, dat het nimmer geoorloofd is een eed te doen en ook niet de wapenen te dragen, zelfs ter verdediging des vaderlands. Menno was weldra verplicht zijn vaderland te verlaten, zwierf langen tijd in Duitschland rond en stierf op het kasteel Fresenburg bij Hamburg in 1561.

DE CONFESSIE VAN AUGSBURG.

Keizer Karei V wilde den vooruitgang der ketterij bedwingen, maar behalve dat verschillende oorlogen hem in die taak bemoeilijkten, trad hij er ook niet met genoegzame vastberadenheid tegen op. Eindelijk besloot hij een Rijksdag bijeen te roepen, d. w. z. eene vergadering

ocr page 270

88

van alle Duitsche Vorsten. De Katholieken, alle voorwendsels aan de Lutheranen willende ontnemen, stelden voor het statu quo te bewaren, tot de Rijksdag zou gehouden zijn, d. w. z. aan de Lutheranen zou vrijheid van geweten gelaten worden, maar in de landen, waarin hunne leer nog niet vers preid was, zouden zij die niet mogen prediken, zoolang de Rijksdag duurde. De Lutheranen protesteerden tegen dit voorstel, dat door Karei V goedgekeurd werd, en sedert dien tijd begonnen de Hervormden den naam van Protestanten te dragen. Keizer Karei V leidde persoonlijk den Rijksdag, waarop ook Luther gedagvaard was, en eischte van de Lutheranen, dat zij eene geloofsbelijdenis zouden overleggen. Zulk stuk werd opgesteld door Melanchton , een vriend van Luther, eveneens een afgevallen priester en die in het huwelijk was getreden; het is bekend gebleven onder den naam van Confessie (geloofsbelijdenis) van Augsburg en werd door de Protestanten als de samenvatting hunner leer beschouwd. Het stuk is echter herhaalde malen veranderd, en krachtens hun grondbeginsel van vrij onderzoek en vrijheid van geweten staat er voor iederen Protestant zooveel in, als hij er wil uithalen. En spoedig had de Confessie voor niemand gezag meer. Trouwens, gezag is in het Protestantisme onmogelijk; het kent en erkent geen gezag.

HENDRIK VIII.

De Hervorming werd in de Noordduitsche Staten ingevoerd door de vorsten, die begeerig waren naar de goederen der Kerk en hun gezag meenden te vergpoten, door zelf in plaats van den Paus hoofd der kerk in hunne Staten te worden. Koning Gustaaf Wasa voerde haar in Zweden in en vervolgde op bloedige wijze de Katholieken, die de Hervorming niet wilden aannemen (1527). Door koning Christiaan werd de Hervorming aan Noorwegen (1537) en IJsland (1551) met geweld opgedrongen; de Katholieken, die hunnen godsdienst niet wilden verlaten, werden te vuur en te zwaard vervolgd.

Ook in Engeland daalden het schisma en de ketterij

ocr page 271

89

van den koninklijken troon. Hendrik VIII, die aldaar regeerde, had zich aanvankelijk tegen Lnther verzet en een boek geschreven, waarin hij de Katholieke leer verdedigde. Hiervoor kreeg hij van den Paus den titel van Verdedifjer des geloofs. Maar een misdadigen hartstocht opvattende voor Anna Boleyn, een van de hofdames der koningin, huwde hij haar en verstootte zijne wettige echtgenoote Catharina van Arragon, na te vergeefs den Paus verzocht te hebben zijn huwelijk met haar te ontbinden. Ongelukkig had hij raadslieden gevonden, zijner waardig, in Thomas Cromwell, een man 'Tan lage afkomst, die naar rijkdom en waardigheden dorstte, en in Thomas Cranmer, een zedeloozen huichelaar, die Luthersch in het hart was en van den Paus eene geestelijke waardigheid aannam, die priester was en in Duitschland in het geheim huwde met een nicht van den ketter Osiander en na dit heiligschennend huwelijk niettemin zich tot bisschop van Canterbury liet wijden. Deze twee mannen gaven Hendrik te verstaan, dat, wanneer de Paus weigerde aan zijn verlangen te voldoen, hij slechts het voorbeeld der Duitsche vorsten had te volgen. Om den H. Vader vrees aan te jagen, spoorden zij den koning aan den titel aan te nemen van Beschermheer en Opperhoofd der Kerk in Engeland. Door zijn hartstocht verblind, luisterde de koning naar deze schandelijke raadgevingen, en de standvastigheid van Paus Clemens VII, die een wettig huwelijk niet onwettig wilde verklaren, bracht hem tot de uiterste gramschap. Nu sprak Cranmer, aartsbisschop van Canterbury, de echtscheiding uit, en Hendrik VIH huwde Anna Boleyn (1533). Getrouw aan zijn plicht, die hem gebood de onschendbaarheid van het Christelijk huwelijk te handhaven , sprak Clemens VII den ban uit over Hendrik VIII, en deze, doof voor de stem van zijn geweten, liet zich uitroepen tot geestelijk en tijdelijk Hoofd van de Kerk in Engeland. Ziedaar den afschuwelijken oorsprong van een schisma, dat zoo noodlottige gevolgen had.

Onder de regeering van Maria, de wettige dochter van Hendrik VIII, kwam Engeland voor oenige jaren tot dei}

ocr page 272

90

Katholieken godsdienst terug. Doch toen zij na haren dood opgevolgd werd door Elisabeth, eene dochter van Anna Boleyn, verviel het land voor goed in het godde-looze schisma. Sedert dien tijd is Engeland het broeinest geworden van allerlei dwalingen, en uit zijn schoot zijn de eerste apostelen voortgekomen van het jammerlijk ongeloof, dat onder den naam van philosophisme in de vorige eeuw zooveel verwoestingen heeft aangericht. Een eeuw lang was Engeland aan de revolutie overgeleverd; de eene burgeroorlog volgde op den anderen. De Katholieke koningin van Schotland Maria Stuart stierf op het schavot (1588) als het offer van het laag verraad der goddelooze koningin Elisabeth; een koning van Engeland, Karei I, moest eveneens het hoofd op het schavot verliezen. Aldus deed het Protestantisme den eerbied voor het gezag dalen , terwijl de vorsten juist hadden gemeend het te verheffen, door de ketterij hun steun te verleenen.

In Schotland zegevierde het Protestantisme in hoofdzaak door de kettersche prediking van Jan Knox. Zij bracht alle geesten in oproer en vernietigde het Katholicisme bijna geheel en al. De Schotsche Protestanten verwierpen de bisschoppelijke waardigheid, bewerende dat alle priesters gelijk zijn , en daar zij voorgaven de Kerk tot hare oorspronkelijke zuiverheid in de leer terug te willen brengen, namen zij behalve den naam van Presbyterianen ook dien van Puriteinen aan. Deze Hervorming ging vergezeld van de verwoesting der kerken, grafsteden, beelden, schilderijen enz.

CALVIJN.

De beruchtste van alle Hervormers was ongetwijfeld Jan Calvijn, geboren te Noyon in 1509. Om de losbandigheid zijner zeden was hij genoodzaakt zijn vaderland te verlaten, na voor priester gestudeerd te hebben. De H. Wijdingen ontving hij echter niet. Toch begon hij te prediken en de nieuwe dwalingen te verspreiden, ook in boeken, welke door hem geschreven werden. Hij nam al de dwalingen van Luther aan doch voegde er nieuwe bij.

ocr page 273

91

Zoo loochende hij de wezenlijke tegenwoordigheid van Christus in het H. Sacrament des Altaars en leerde de voorbeschikking (predestinatie), bewerende dat God den eenen mensch voor den hemel en den anderen voor de hel heeft geschapen. Hij wilde geen Paus, geen bisschoppen , geen priesters , geen feesten, geen plechtigheden, zooals die in de Kerk gebruikelijk waren. Na lang gezworven te hebben, vestigde hij zich te Genève en maakte deze stad tot het middelpunt zijner ketterij. Weldra gelukte het hem er de volstrekte macht te verkrijgen, en nu eischte hij van allen eene onvoorwaardelijke gehoorzaamheid. De man, die leerde, dat men niet naar de Kerk moest luisteren, noch haar gehoorzamen, verlangde een blinde onderwerping aan alles, wat hij wenschte voor te schrijven. Hij deed Michael Servet op den brandstapel verbranden, omdat deze ongelukkige dwaalleer betreffende de H. Drievuldigheid had verkondigd, en vol woede raasde hij tegen de strenge doch rechtvaardige maatregelen, welke tegen de ketters in Frankrijk genomen werden. Zoo spreekt de goddeloosheid altijd zich zelve tegen.

Het Lutheranisme had voor een groot deel de uiterlijke vormen van den Katholieken eeredienst bewaard; het Calvinisme schafte dezen geheel af, en zijne hardvochtige, ja barbaarsche leerstellingen hebben op het karakter der volgelingen van Calvijn een stempel gedrukt, dat men tot den dag van heden bij hen terugvindt.

De Calvinisten waren voor Frankrijk niet minder noodlottig dan de Lutheranen voor Duitschland. Hunne dwalingen drongen in een groot gedeelte van het zuiden des lands door en verwekten daar en later in geheel Frankrijk aanhoudende burgeroorlogen. Meer dan 20.000 kerken zijn daar door de Calvinisten, in Frankrijk Hugenoten genoemd, verwoest. In eene enkele provincie doodden zij 256 priesters en 1200 religieusen; zij verbrandden 500 steden en dorpen. Zij ontzagen zelfs de overblijfselen der Heiligen niet maar verbrandden die, als zij er zich meester van konden maken, en wierpen de asch in den wind. Calvijn stierf in 1564, Hij leefde lang genoeg, om een

ocr page 274

92

ketterij te zien ontstain, nog erger dan de zijne en alle andere. Twee mannen, beiden Socinus geheeten, loochenden brutaalweg de Godheid van Christus eri verklaarden niets te willen aannemen dan wat zij door het verstand konden bevatten. Vooral in Polen werd deze dwaalleer, de oorsprong van het rationalisme en de Vrijmetselarij, verspreid. De jongste Socinus, een neef van den ondsten, stierf in 1604.

§ II. De Katholieke Hervorming.

DE WARE HERVORMING.

Onder den kreet Hervorming! had het Protestantisme zich gevestigd, en het bracht slechts burgeroorlog, re-geeringloosheid en zedenbederf aan. Alleen van de Katholieke Kerk kon de ware hervorming uitgaan; zij maakte altijd een einde aan de misbruiken, zonder daarom te vernietigen wat goed is en recht heeft van bestaan. Het Concilie van Lateranen, onder Julius II aangevangen en onder Leo X geëindigd, en het Concilie van Trente arbeidden aan de ware hervorming en aan de verdediging der waarheid; de besluiten der Conciliën werden door de Pausen uitgevoerd; een wonderbaar getal van Heiligen, nieuwe religieuze orden en de oude, die verbetering ondergaan hadden, droegen aan dien heilrijken arbeid niet weinig bij, en terzelfder tijd brachten talrijke onversaagde missionarissen het geloof bij de ongeloovige volken, waardoor de Kerk in de overige werelddeelen meer zielen won, dan zij in Europa door het Protestantisme verloor.

DE PAUSEN.

In den aanvang zag Paus Leo X in den grooten afval van het Protestantisme slechts een twist van monniken. Maar spoedig was hij van de grootheid des kwaads overtuigd en bestreed het met alle kracht. De goede uitslag kwam echter eerst later. Zijne opvolgers arbeidden onvermoeid evenals hij aan de ware hervorming. Het gelukte Paulua III (1534—1550) den bouw der St. Pieterskerk te Rome te vol-

ocr page 275

93

tooien, en nog grooter glorie droeg hij weg door de bijeenroeping van het oecumenisch Concilie van Trente, dat de tucht herstelde en de leer der Kerk op alle punten tegen de ketterij handhaafde (1545). Eindelijk keurde hij ook de Orde der Jesuïeten (het Gezelschap van Jesus) goed , welke pas ontstaan was. Paulus IV (1555—1559) arbeidde met zoo mogelijk nog grootere kracht aan de hervorming der zeden; even streng voor zich zeiven en voor zijne bloedverwanten als voor de geestelijken, wier fouten hij hun verweet, joeg hij zijne eigene neven uit Rome, omdat zij van hun gezag misbruik maakten ten nadeele van den godsdienst en de rechtvaardigheid. Voor Pius IV (1559—1565) was de eer weggelegd het Concilie van Trente weder te openen, nadat het tengevolge van de oorlogen in Duitschland verscheidene jaren onderbroken was, en de besluiten ervan uit te voeren. De H. Carolus Borromeus, aartsbisschop van Milaan, die door zijne deugden, zijn arbeid in het Concilie, zijn ijver voor het onderwijs, zooveel heeft gedaan voor het herstel der goede zeden en den bloei van den godsdienst, was een neef van dien Paus.

De H. Pius V (1566—1572) was een der grootste Pausen , die op den Pauselijken Stoel gezeteld hebben. Vroegtijdig in de orde der Dominicanen getreden, onderscheidde hij zich door zijne deugd, zijne geleerdheid, zijne vastheid van karakter. De meeste zorg besteedde hij aan de lit-voering der besluiten van het Concilie van Trente; te Rome en in de overige Staten der Kerk deed hij de deugd weer herleven; de staatkunde zijner voorgangers volgend, beriep hij een kruistocht tegen de Turken, die Europa meer en meer bedreigden. De koning van Spanje, Phi lippus II, sloot een verbond met de Venetianen; er werd een groote vloot samengesteld en geplaatst onder het bevel van don Juan van Oostenrijk, broeder des konings. Zij ontmoette die der Turken in de golf van Lepanto. De vloot der Turken was veel sterker dan die der Christenen. In weerwil van die groote overmacht behaalden de Christenen eene volledige over-

ocr page 276

94

winning, en deze werd toegeschreven aan de voorspraak der H. Maagd en aan de gebeden van Pius V. Op den dag zelf van den zeeslag, verscheidene dagen dus vóór het bericht ervan te Rome kon aankomen, opende de Paus een der vensters zijner kamer en verzonk gedurende eenige oogenblikken in diepe beschouwing; daarop in verrukking gerakende, riep hij uit; „ Laat ons God danken, ons leger behaalt de overwinning!quot; Tot aandenken aan deze zegepraal werd in de litanie van O. L. Vrouw de aanroeping Hulp der Christenen opgenomen, en het feest van den H. Rozenkrans ingesteld, dat gevierd zou worden op den eersten Zondag in October.

De zeeslag had plaats op 7 October 1571. De schepen der Christenen strekten zich op de zee over eene breedte van eenige uren uit; in het midden bevond zich don Juan , aan den rechtervleugel (dat is het rechter-uiteinde van de vloot) Doria en aan den linkervleugel Barbarigo. Achter deze vloot lag de reserve der Christenen, uit 60 schepen bestaande, welke dienen moesten om aan de vloot hulp te brengen, waar zulks noodig mocht zijn. Het geheele aantal der Christenschepen bedroeg ruim 200. De Turken hadden daarentegen 400 schepen en werden aangevoerd door den Turkschen bevelhebber Hali, die den Christenen reeds menig nadeel ter zee had toegebracht. Hij schaarde zijne schepen in den vorm van een halve maan, om de Christenen te verbitteren en hen zoo mogelijk aan de uiteinden in te sluiten.

Toen de zon op dien grooten dag boven den horizon verscheen, gaf don Juan met het vaandel, hem door den Paus gezonden, in de hand een teeken aan al zijne schepen, en op hetzelfde oogenblik vielen de schepelingen op de knieën, en de priesters baden luide tot God en Zijne H. Moeder om bijstand in deze gewichtige onderneming. Het H. Kruis prijkte aan den top van den grooten mast van ieder schip, en op don Juans admiraalschip zag men onder het kruis het beeld der H. Moedermaagd.

Terwijl de Christenen aldus baden, naderden de twee

ocr page 277

95

vloten elkander, en don Juan gaf een tweede teeken, het teeken tot den strijd. Daar begon een vreeselijk kanongedonder, zooals de Middellandsche Zee nog nooit gehoord had. De Turken vuurden met niet minder moed dan de Christenen. Dezen hadden al dadelijk een belangrijk nadeel; de wind was hun tegen, waardoor hun de rook der Turksche kanonnen en tevens die hunner eigene in het aangezicht woei, en zij de Turken niet konden zien. Daarbij waren de Turken zooveel talrijker, dat zij reeds juichten in de overwinning. Maar ziet, op eens keerde de wind, en nu kreeg de vijand al den rook in het gezicht. Dit deed de Christenen jubelen, en zij geloofden nu vast, dat Gods Moeder voor hen streed. Met nieuwen moed zetten zij den strijd voort, en weldra boorden zij het eene Turksche schip na het andere in den grond. Na een strijd van drie uren hadden de Turken reeds zooveel schepen verloren, dat zij begonnen te wijken. Don Juan, dit ziende, stevende nu recht toe op Hali's schip, schoot hem dood, klampte zijne galei aan, nam deze, en de gevloekte Halve Maan naar beneden rukkende, plaatste hij het Kruis op het hoogste punt van het Turksche schip onder het blijde gejuich der Christenen; „ De overwinning is ons ! quot;

Nu het schip des aanvoerders genomen was, verloren de Turken allen moed en zochten te ontkomen, doch de Christenen vervolgden hen en vernielden tot laat in den avond alle schepen, in welker bereik zij konden komen. Geen 100 van de 400 Turksche schepen kwamen in Con-stantinopel terug, en de Turksche zeemacht was voor altijd gebroken. Op de veroverde schepen werd een onnoemelijke buit benevens lo.OOO Christen-slaven gevonden; dezen kregen allen de vrijheid terug. Behalve zijne 300 schepen had de vijand zijn aanvoerder en 30.000 man verloren. De golf van Lepanto was rood geverfd van het bloed der Turken.

Gregorius XIII, opvolger van Pius V, (1572—1585) onderscheidde zich door zijne pogingen tot algeheel herstel der zeden, door zijn ijver tot voortplanting des geloofs in

ocr page 278

96

de heidensche landen en door zijne liefde tot de armen. Hij verbeterde den toen nog altijd bestaanden kalender van Julius Cesar, de Juliaansche tijdrekening geheeten , waarin ernstige fouten ontstaan waren (1584). Alle volken, behalve de Russen en Turken, hebben den Gregoriaanschen kalender aangenomen.

Het Pausschap van Sixtus F' is een der gewichtigste uit de nieuwere tijden (1585—1590). Hij was vol ijver voor de tucht en de glorie der Kerk. Een man, zoo krachtdadig als hij, was er toenmaals noodig, om de Kerkelijke Staten te zuiveren van de talrijke struikroovers , die ze onveilig maakten, ook om de Pauselijke financiën te herstellen en Rome te vergrooten en te verfraaien. De bevolking was tot 100.000 zielen geklommen, en hij schonk haar waterleidingen. Spoedig was de veiligheid overal hersteld; de armen werden ondersteund; de nijverheid nam een nieuwe vlucht; de koepel der St. Pieterskerk werd voltooid en de Vaticaansche bibliotheek aanzienlijk vergroot. Sixtus V legde de laatste hand aan de uitvoering der besluiten van het Concilie van Trente en deed een nieuwe uitgaaf van de werken der Kerkvaders verschijnen. Eindelijk speelde de Paus eene belangrijke staatkundige rol en wist herhaaldelijk de listige aanslagen van Protestantsche vorsten te verijdelen.

DE KLOOSTERORDEN.

In de kloosterorden vonden de Pausen de beste hulpmiddelen ter hervorming der zeden. Zelf ondergingen de oude orden in de 16''' eeuw bijna allen ingrijpende hervormingen , en bij haar kwamen zich onderscheidene nieuwe voegen! In 1522 geschiedde de hervorming der Camaldulenser-orde; in 1525 die der Franciscanen, wat tot het ontstaan der Capucijnen aanleiding gaf; in 1562 die der Carmelieten, welke door de 11. Theresia tot haren ouden ijver werd teruggeroepen, terwijl de H. Joannes van het Kruis de orde der Carmelieten zelf hervormde, waarna dezen den naam van ongeschoeide aannamen, omdat zij blootsvoets gingen.

ocr page 279

97

Onder de nieuwe orden, welke in het leven geroepen werden, behoorden de Theatijnen, in 1524 gesticht door den H. Ga'étanus van Thienne, en wier doel was de zeden der geestelijkheid te verbeteren, door het Apostolisch leven weer in eere te brengen, te prediken, de zieken te bezoeken, de ketterij te bestrijden en het ontvangen der H. Sacramenten door de leeken te doen toenemen; de Barnabieten, in 1530 gesticht door drie Italiaansche edellieden te Milaan, en die zich wijdden aan de missiën en aan de opvoeding der jeugd; de Ursulinen, in 1537 gesticht door de H. Angela de Merici in Italië, die zich vooral bezighielden met het onderwijs der meisjes; de Broeders van Liefde, in 1540 gesticht door den Portugees Joannes de Deo voor het onderwijs der jongens; eindelijk de Oratorianen, gesticht door den II. Philippus Nerius, in 1515 te Florence geboren, en die zich door voortdurende prediking aan het heil der zielen wijdden.

DE JESÜIETEN.

Maar de eerste plaats onder al die orden neemt die der Jesuieten of van het Gezelschap van Jesus in, door den H. Ignatius van Loyola in 1534 gesticht en door Paus Paulus III in 1540 goedgekeurd. De eerste leden dier beroemde orde, welke de belangrijkste diensten aan de Kerk bewees, de ketterij op leven en dood bestreed en het kruis bracht tot aan de eindpalen der aarde, dragen beroemde namen; het zijn Laynez, Salmeron, Bobadilla, Rodriguez, de H. Franciscus Xaverius, Apostel van Indië en Japan , de H. Franciscus Borgia en Le Fèvre, de eersten allen Spanjaarden, de laatste een Italiaan. De Jesuïeten doen vier geloften: van zuiverheid, armoede, volstrekte gehoorzaamheid aan den H. Stoel en aan den generaal, die voor zijn geheele leven benoemd wordt. De Societeit van Jesus breidde zich zeer snel uit en vestigde zich vooral in de landen, die na de Hervorming Katholiek gebleven waren. Toen de H. Ignatius in 1566 stierf, telde zij reeds 54 provinciën, 100 colleges en meer dan 1000 leden. De Jesuïeten waren gevestigd in Italië, Spanje, Oostenrijk,

7

2e UKKL.

ocr page 280

98

Beieren en Frankrijk, en hunne missionarissen doorliepen op het voetspoor van den H. Franciscus Xaverius Brazilië, Indië, Japan en Ethiopië.

CONCILIE VAN TRENTE.

Zoo verhoogde de Kerk van dag tot dag hare kracht tegen de ketterij en het zedenbederf. Het Concilie van Trente legde de laatste hand aan het werk en maakte de Kerk als tot eene vesting, die tot heden aan al het geweld van dwaling, ongeloof en vervolging, uit de Hervorming voortgekomen, heefl, wederstaan.

Het Concilie van Trente was de 18Je oecumenische Kerkvergadering en tot de Vaticaansche in 1870 de laatste. Het werd bijgewoond door 4 legaten van den Paus, 11 kardinalen, 25 aartsbisschoppen, 168 bisschoppen , 37 vertegenwoordigers van bisschoppen en 7 ordesgeneraals. De arbeid van het Concilie was tweeërlei; van den eenen kant hield men zich bezig met de leerstukken der Kerk en de zuiverheid des geloofs, van de andere zijde met de tucht en de verbetering der zeden. Het Protestantisme had ten slotte alle geloofswaarheden aangevallen; het Concilie stelde op alle punten de leer der Kerk vast en verhief inzonderheid het gezag van den H. Stoel, dat door de ketters bestreden en bespot werd. De misbruiken, die hier en daar bestonden, waren niets meer dan het voorwendsel van den opstand tegen de Kerk; het Concilie greep ze bij den wortel aan, door de tucht te herstellen in alle rangen der hiërarchie en gestrenge bepalingen te maken, welke een terugkeer des kwaads moesten voorkomen. In overeenstemming met de Pausen riep het o. a. de seminariën in het leven, waar de jongelieden, die zich voor den geestelijken stand voorbereiden , zich omtrent hunne roeping moeten vergewissen en de noodige kundigheden verwerven. De H. Carolus Borromeus, aartsbisschop van Milaan en een der Vaders van het Concilie, heeft voor altijd zijn naam gehecht aan deze nuttige instelling, welke zooveel heerlijke vruchten heeft voortgebracht.

ocr page 281

99

DE HEILIGEN.

Hoe groot het zedenbederf in de 16'le eeuw ook ware, en welke schrikbarende verwoestingen de ketterijen aanrichtten , toch schitterde naast de ondeugd alom de deugd, zoodat die eeuw een ontelbaar aantal Heiligen voortbracht. Onderscheidenen hebben wij er reeds genoemd; we voegen er bij den H. Thomas van Villanova, die in Spanje den arbeid van den H. Carolus Borromeus verrichtte; de beminnelijke HIT. Stanislas Kostka en A loysius van Gonzaga, beiden gloriën der Societeit van Jesus en de laatste vooral patroon der jeugd, den H. Canisius , te Nijmegen in 1521 geboren, en die het Protestantisme in Oostenrijk en Beieren doodelijke slagen toebracht.

DE H. IGNATIUS VAN LOYOLA.

Deze Spanjaard van edele afkomst werd geboren op het kasteel Loyola in de provincie Guipuzcoa. Toen hij de jongelingsjaren had bereikt, trad hij in den krijgsdienst en diende in de legers van den koning van Arragon en later in die van Karei V. Hij was een moedig soldaat, vervulde de plichten van zijn stand maar dacht weinig aan de geboden Gods. Zijn leven was dat eens wereld-lings, die zich om zijne godsdienstplichten niet veel bekommert.

Dat leven duurde zoo voort, tot hij, bij het beleg van Pampeluna gewond, op het ziekbed werd geworpen en verschillende maanden in de hevigste smarten maar ook in de akeligste verveling doorbracht. Voor zulk een vurig en levenslustig jongeling was het een foltering zijne dagen in ledigheid te moeten doorbrengen.

Om zich eenigermate te verstrooien, begon hij te lezen, en wel in de Levens der Heiligen, omdat geen andere boeken op het kasteel voorhanden waren. Deze lezing bracht hem tot andere gedachten; hij begon in te zien, hoe verkeerd tot heden zijne levenswijze was geweest, hoe slecht hij God had gediend, en hij besloot zich door eene. oprechte bekeering met God te verzoenen. Zijn

ocr page 282

100

plan bracht hij ten uitvoer, zoodra hij hersteld was. Hij begaf zich naar de bedevaartplaats van O. L. Vrouw van Montferrat, sprak daar eene generale biecht en nam het besluit, voor de afdwalingen van zijn vorig leven zeer strenge boete te gaan doen. Daartoe begaf hij zich naar eene grot nabij Manresa en bracht hier bijna een geheel jaar door onder de beoefening der strengste boetvaardigheid. In dat jaar maakte hij groote vorderingen op den weg der volmaaktheid en werd zoozeer een vriend van God, dat hij met hemelsche verschijningen begunstigd werd.

Vervolgens begaf hij zich ter bedevaart naar Rome en Jerusalem, en in Europa teruggekomen, legde hij zich toe, ofschoon reeds 33 jaar oud geworden, op de beoefening der Latijnsche taal en de godgeleerde wetenschappen, met het doel in den priesterlijken stand te treden. Hij studeerde aanvankelijk in Spanje, nl. aan de hoogescholen van Alcala en Salamanca, en ging in 1528 zijne studiën te Parijs voltooien. Hier werd hij vervolgens tot priester gewijd.

Ignatius werd nu door het verlangen verteerd, om het Woord Gods aan de ongelukkige bevolking van het H. Land, welker ellende hij met eigen oogen aanschouwd had, te gaan prediken, en opdat zijn arbeid te vruchtbaarder zou zijn, wilde hij dit doen in gezelschap van andere godvreezende mannen, met wie hij door vriendschapsbanden verbonden was. In eene onderaardsche kapel van den heuvel Montmartre te Parijs kwam hij met zes hunner bijeen , en daar besloten allen hun leven uitsluitend te wijden aan de eer van God en als dappere strijders voor den naam van Jesus overal tegen het ongeloof en de dwaling op te treden. In die grot werd dus de Societeit van Jesus gesticht.

Ignatius en de zijnen vertrokken echter niet naar het H. Land, zooals zij zich hadden voorgenomen, want de oorlog maakte dit onmogelijk. Maar nu begaven zij zich naar Rome, om zich den Paus onvoorwaardelijk aan te bieden en van hem de goedkeuring der orde en van den regel te verzoeken. Deze goedkeuring werd verkregen

ocr page 283

101

op den 27 September 1540, en de H. Ignatius werd tot eersten overste benoemd.

Na dien tijd leefde de Heilige nog 16 jaar. en een dik boek zou kunnen geschreven worden over hetgeen hij in die jaren deed tot meerdere eere Gods. Hij nam tal van priesters en leekebroeders in zijne orde op en zond hen naar verschillende streken van Europa, om overal de pas opgekomen dwalingen van Luther en Calvijn te bestrijden, en naar de overzeesche landen, om aan de Heidenen en ongeloovigen het Evangelie te gaan verkondigen. Te Rome en elders bouwde hij weeshuizen en scholen benevens seminariën tot opleiding en vorming van priesters voor de missiën. Zijn pid was niet altijd met rozen bestrooid, maar op God vertrouwend, overwon hij alle moeilijkheden, en voor hij de oogen sloot, zag hij zijne orde overal gevestigd. Hij stierf in 1556.

DE H. JOANNES DE DEO.

Armoede en gebrek waren van jongs af het lot van dezen heilige, die uit zeer geringe ouders in Portugal geboren werd. Wellicht bekommerden dezen zich ook weinig om het lot van hun zoon, want wij lezen, dat hij reeds op jeugdigen leeftijd als een zwerveling door de wereld dwaalde. Nu hoedde hij in Spanje de schapen; dan diende hij als soldaat in Duitschland; later volgde hij een edelman als bediende op eene reis in Afrika, en eindelijk zette hij zich te Gibraltar neder en opende een boekhandel. Hij scheen geen rust te kunnen hebben, want weldra verplaatste hij zijn handel naar Grenada. Hier echter trof hem God en gaf zijn hart de rust, die hij tot nu toe niet had kunnen vinden. In de kerk van Grenada hoorde hij eene predikatie van den H. Joannes d'Avila over de doodzonde, en deze bracht hem tot nadenken en tot diep berouw over zijn voorgaand leven, dat niet altijd schuldeloos was geweest. Hij sprak zijne biecht bij genoemden Heilige en besloot al de overige dagen zijns levens aan de strengste boetvaardigheid te wijden.

ocr page 284

102

De wijze, waarop hij boetvaardigheid pleegde, leert ons, dat men ook in de beoefening der deugd de voorzichtigheid moet betrachten, omdat men bij verzuim daarvan tot gevaarlijke uitersten kan overslaan. Joannes besloot zich krankzinnig te houden, om door de menschen bespot te worden, en deze verguizing mot geduld tot Gods eer te dragen. Hij wandelde of liever zwierf door de straten van Grenada als een krankzinnige en was al zeer spoedig het mikpunt van de scheldwoorden en beleedigingen van het grauw, tot men hem weldra naar een krankzinnigengesticht bracht. Joannes verdroeg dit alles met het grootste geduld, doch toen Joannes d'Avila in het gesticht bij hem kwam, bracht deze hem onder het oog, dat het raadzaam was deze wijze van boetvaardigheid plegen te laten varen en liever langs een anderen weg God te dienen en zijne ziel zalig te maken.

De gehoorzaamheid, waarmede Joannes dezen raad opvolgde, bewees, dat zijne deugd ernstig en zijn gedrag niet toe te schrijven was aan de zucht, die sommige menschen hebben, om in opspraak te komen en veel van zich te doen spreken. Het krankzinnigengesticht verlatende, besloot hij voortaan uitsluitend te gaan leven voor het welzijn en de verpleging der zieken , van wier treurig lot hij getuige was geweest. Allereerst deed hij een pelgrimstocht naar O. L. Vrouw van Guadeloupe, en hier zich door het gebed in zijne goede voornemens versterkt hebbende, keerde hij naar Grenada terug, oefende daar een houthandel uit en gebruikte de winsten, die zijn handel hem opleverde, om de zieken te verlichten. Voor zich zei ven nam hij slechts het allernoodzakelijkste; hij vastte soms geheele dagen.

Hij deelde evenwel niet al het geld uit. dat hij verdiende , maar zonderde er een gedeelte van af en bewaarde dit, tot hij eene som had, groot genoeg om er een huis voor te huren en dit tot hospitaal in te richten. Toen hij zoover was, begreep hij , dat, als hij zijn hospitaal bestieren wilde, hij zijn houthandel moest laten varen. Daarom ging hij bedelen, en met de ontvangen spijzen

ocr page 285

103

en gelden voedde hij de zieken, die hij in zijn hospitaal verpleegde, en voorzag in al hunne behoeften. Hij trad in de woningen der armen, en als hij zieken vond, nam hij die, wanneer hij geen hulp vinden kon, op zijne schouders en bracht hen naar het hospitaal. Hiermede won hij zich de liefde en de hoogachting zijner medeburgers, en nu vloeiden hem zooveel rijke giften toe, dat hij zijn hospitaal kon vergrooten en uitbreiden. Ook voegden zich eenige mannen, eveneens van liefde voor de arme zieken vervuld, bij hem, en zij vormden de zoo beroemd geworden orde van de Broeders van Barmhartigheid.

Voor zijne groote liefdadigheid werd de H. Joannes nog op deze wereld beloond. Op zekeren dag vond hij een stervende op straat liggen; aanstonds nam hij hem op en bracht hem naar het hospitaal, wiesch hem de voeten en legde hem te bed. Hij verwijderde zich een oogenblik en vond teruggekeerd den zieke niet meer, maar den Zaligmaker zelf, die hem op Zijne H. Wonden wees en zeide: „ Joannes, de weldaden, die men aan anderen bewijst, zijn als aan Mij bewezen. Ik strek Mijne hand naar de aalmoes uit, die men geeft, en word gekleed met de kleederen, welke men uitreikt, en het zijn Mijne voeten, die gij wascht, telkens wanneer gij dien liefdedienst aan een arme bewijst.quot;

Niet lang daarna overleed de Heilige na een hevige ziekte, welke hij met het meeste geduld doorstond, in den ouderdom van 55 jaren op den 8 Maart 1550 en werd in de kerk van O. L. Vrouw der Overwinning begraven.

DE H. FEANCISCrS XAVERIUS.

Pampeluna in Spanje was de geboorteplaats van dezen beroemden Heilige, in de kerkelijke geschiedenis bekend onder den naam van Apostel van Indië. Na in zijn geboorteland eene wetenschappelijke opvoeding te hebben genoten, vertrok hij naar de hoogeschool van Parijs, om daar zijne studiën te voltooien, en hier maakte hij kennis met en werd vriend van den H. Ignatius, zooals wij boven

ocr page 286

104

hoorden, den stichter van de Societeit van Jesus of de Orde der Jesuïeten. Ignatius was niet enkel de vriend van Fran-ciscus maar ook zijn leermeester in de Goddelijke dingen en deed hem een buitengewonen smaak krijgen in de beoefening der deugd.

Toen de H. Franciscus de H. Priesterwijding had ontvangen, vermeerderde hij nog de strengheid der levenswijze, welke hij tot dan toe had gevolgd, sliep zeer weinig en op den kouden grond en gaf zich over aan tal van andere verstervingen. Hierdoor maakte hij zich de groote taak waardig, waartoe God hem later riep: de bekeering der Heidensche volken in Indië.

Op voorstel van den H. Ignatius zond Paus Paulus III Franciscus Xaverius naar Indië. Hier aangekomen, ondervond de Heilige al dadelijk, dat hij op de hulp des hemels mocht rekenen. Immers God gaf hem de gaaf der talen en vernieuwde dus het wonder van den Pinksterdag na de Hemelvaart van Christus. Franciscus, zonder ooit de taal der Indiërs geleerd of gehoord te hebben, kon met allen spreken, en zelfs was hij de talen machtig, die door de vele verschillende stammen gesproken werden. Daarbij zag men het wonder, dat, als Franciscus predikte voor menschen, die verschillende talen spraken, hij door allen zonder onderscheid verstaan werd, zoodat het scheen, als sprak hij onderscheidene talen tegelijk.

Natuurlijk moest dit op de Heidensche Indiërs een diepen indruk maken en hun een groote achting inboezemen voor den man, die machtiger .was dan hunne bekwaamste toovenaars en priesters. Van daar dan ook dat zijne prediking zulk een gelukkig gevolg had. Hij bekeerde niet hier en daar eenige personen maar ge-heele landstreken en stammen; soms doopte hij duizenden Heidenen in eene week.

Als een heilig en machtig boetgezant trok hij Indië door, altijd te voet en meestal zonder schoeisel. Overal bekeerde hij Heidenen en stichtte Christelijke gemeenten en kerken. Van Indië ging hij naar Japan, welk rijk nog geheel en al in het Heidendom lag verzonken. Ook

ocr page 287

105

hier deed Xaverius den toestand als door een tooverslag veranderen. Ook hier plantte hij het kruis en deed dit door ontelbaren aannemen en vereeren. De geschiedenis verhaalt, dat de H. Franciscus Xaverius in Indië en Japan meer dan een millioen menschen voor den hemel heeft gewonnen.

Na Indië en Japan met de leer des Kruises bekend gemaakt te hebben, vertrok de Heilige naar China, om ook op dezen onmetelijken akker het woord Gods te zaaien. Hij begaf zich te scheep en was reeds gelukkig in het blijde vooruitzicht van den moeilijken maar heerlijken arbeid, die hem daar wachtte. Maar God had het anders beschikt. Toen hij in het gezicht van China gekomen was en reeds de kust begroette, welke zich van verre aan hem vertoonde, greep een hevige koorts hem aan en noodzaakte hem op het eiland Sancian aan land te gaan. Hij zocht een hut op aan het strand der zee, legde zich neder en bereidde zich tot den dood, die met rassche schreden naderde. Hier stierf de Apostel van Indië en Japan op den 2 December 1552, terwijl hij uitriep: „Op u o Heer, heb ik gehoopt, en in eeuwigheid zal ik niet beschaamd worden.'' Tien jaar lang had hij in Azië gearbeid. Zijn lijk werd naar Goa gevoerd en aldaar begraven. In 1744 werd het graf geopend, en aan het lijk werd niet het minste spoor van bederf bespeurd.

DE HH. MARTELiARS VAN JAPAN.

Niet enkel de H. Franciscus Xaverius, ook Franciscanen trokken onder aanvoering van den Spaanschen pater Petrus Baptista naar Japan en werkten met kracht in den wijngaard des Heeren. Overal werden kerken, kloosters en scholen gebouwd en ontelbare Heidenen tot het Christendom gebracht.

Langen tijd zagen de Heidensche priesters dit geduldig aan, en de keizer van Japan, waarschijnlijk omdat hij de macht der Spanjaarden vreesde, liet het Christendom ongestoord in zijne Staten prediken. Doch aan dezen gelukkigen toestand kwam ten laatste een einde.

ocr page 288

106

De Heidensche priesters begonnen dra te vreezen, dat hunne tempels geheel en al zouden verlaten en de afgodendienst , waarvan zij leefden, vernietigd zou worden; zij begaven zich dus naar den keizer en zaaiden wantrouwen in zijn hart tegen de Christenen. Dezen, beweerden zij , waren alleen naar Japan gekomen , om het volk tegen hem in opstand te brengen en hem zijne Staten te ont-rooven. Taicosama, zoo heette de keizer, luisterde naar die schandelijke lasteringen en vaardigde weldra een bevelschrift uit tot gevangenneming van de aanwezige priesters en kloosterlingen. De Heidensche priesters zorgden, dat dit bevelschrift met de meeste snelheid werd uitgevoerd, en 26 Katholieke geestelijken en kloosterbroeders zuchtten na weinig tijds in de gevangenis. Het waren pater Bap-tista en zijne vijf ordebroeders, Paulus Mild en twee andere leden van de Societeit van Jesus, Japanners van geboorte, en 15 Japanners, die het Christendom omhelsd en den derden regel van den H. Franciscus aangenomen hadden. Eenigen hunner vervulden de bediening van Catechist, dat is, zij onderwezen hen, die zich tot het H. Doopsel wilden voorbereiden, anderen die van koorknaap. Bij deze 24 werden welhaast nog twee anderen in den kerker gebracht.

Een vreeselijk lijden ondergingen de moedige belijders in de stinkende kerkerholen van de stad Macoa, waarin zij langen tijd werden opgesloten. Eindelijk bracht men hen op de markt der stad en sneed hun ten aanschouwe van al het volk een gedeelte van • het linkeroor af. Hierna bond men hun de handen op den rug, plaatste hen op karren en voerde hen door Macao en andere groote steden des Rijks, om hen door het Heidensche volk te laten beleedigen en bespotten. Geen pen kan beschrijven, wat de HH. Martelaars op dezen tocht hebben geleden. Hij duurde een maand lang en werd middenin den winter gehouden. Daar het klimaat in Japan nagenoeg met het onze overeenkomt, kan men zich eenigermate voorstellen, wat de Heilige mannen geleden hebben. Een hunner, Antonius geheeten, had daarenboven nog

ocr page 289

107

het verdriet, dat zijne ouders hem kwamen aansporen, om het geloof te verzaken, doch hij wilde hiervan niets hooren en lette zoo min op hunne beloften als op hunne tranen. Nangasaki eindelijk was de eindplaats van hun lijden. De martelaars werden op een heuvel nabij die stad gevoerd, en voor de laatste maal vroegen de afgodenpriesters hun, of zij een kruisbeeld, dat men op den grond had gelegd, met voeten wilden trappen. Toen zij weigerden, werden zij allen op den heuvel gekruist en met lansen doorstoken. Zoolang zij spreken konden, verheerlijkten zij den Zaligmaker, voor wien zij met onuitsprekelijke blijdschap de vreeselijkste pijnen en den smadelijksten dood ondergingen. Zij zijn door Pius IX in 1862 heilig verklaard.

DE H. CAROLUS BORROMEUS.

Nabij Lago Maggiore ligt het kasteel van Arona. Hier weid op den 2 October 1538 de H. man geboren, wiens aandenken in Noordelijk Italië nog steeds in zegening is, en die door de geheele H. Kerk vereerd wordt. Zijn vader was graaf Gilbert Borromeo , zijne moeder Marga-retha De Medicis. Toen hij nog kind was, gaf hij reeds zoovele blijken van heiligheid, dat het toenmaals reeds duidelijk bleek, dat God hem tot den geestelijken stand had geroepen. Met lust en ijver maakte hij zijne voorbereidende studiën en vertrok naar de hoogeschool van Pavia, waar hij het kerkelijk en het burgerlijk recht ging studeeren.

Op twintigjarigen leeftijd keerde hij naar Milaan terug; zijn vader was toen overleden en zijn oom tot de Pauselijke waardigheid verheven onder den naam van Pius IV. Hij bleef niet lang in die stad, want de Paus riep hem naar Rome en benoemde hem, toen hij nauwelijks den ouderdom van 23 jaren had bereikt, tot kardinaal.

Zulk eene vroegtijdige verheffing tot een der hoogste waardigheden in de Kerk was een ongehoord feit, maar het bleek, dat God den Paus had verlicht, en het verheven ambt van kardinaal aan geen onwaar-

ocr page 290

108

dige handen was toevertrouwd. Tevens benoemde de H. Vader hem tot aartsbisschop van Milaan en gebood hem de Kerkvergadering van Trente te gaan leiden , die onder andere voorzitters reeds een aantal jaren vergaderd was geweest. In naam des Pausen sloot eindelijk de H. Carolus Borromeus het Concilie, keerde naar Milaan terug en deed daar de voorschriften van de beroemde Kerkvergadering bekend maken en opvolgen. Dit geschiedde in 1563. Het Concilie was met herhaalde afbrekingen 18 jaar vergaderd geweest.

De H. Carolus mocht weder niet lang te Milaan blijven. Pius IV was ernstig ziek geworden en wilde den aartsbisschop aan zijn sterfbed hebben. Carolus vertrok naar Rome, sloot den Paus de oogen, woonde het Conclaaf bij, waarin de nieuwe Paus gekozen werd, die den naam van Pius V aannam, en kreeg van dezen de uitnoodiging om te Rome te blijven. Doch Carolus verlangde niets liever dan naar Milaan terug te keeren en daar alles voor zijne geloovigen te zijn.

De H. Carolus Borromeus muntte uit door tal van deugden, maar er zijn twee glanspunten in zijn leven, die alle andere bestralen, namelijk zijne liefde voor het Katholiek onderwijs en zijn medelijden met de ongelukkigen. Bleek de eerste zijn geheele leven door, het laatste kwam vooral uit tijdens de pest van Milaan, een ramp, waarvan de geschiedenis nauwelijks de weerga kan aanwijzen.

Men zou boeken kunnen vullen, als men alles wilde opschrijven wat de H. Carolus Borromeus voor het onderwijs heeft gedaan. Hij begreep, dat de jeugd niet opgroeit tot een brave maatschappij, als zij niet behoorlijk en in godsdienstigen geest onderwezen is. Daarom opende hij overal scholen, waar die ontbraken, vergrootte of verbeterde de bestaande en trachtte onderwijzers aan te kweeken en te bezielen met een waarlijk godsdienstigen geest. Dat kostte enorme sommen gelds, maar dit schrok den aartsbisschop niet af. Hij bezat groote schatten en gaf die tot den bouw van scholen en gasthuizen. Hij putte zich zoodanig uit, dat hem ten laatste zelfs geen

ocr page 291

109

meubilair in zijn paleis meer overbleef, en hij op een stroozak slapen moest. Alles, alles gaf hij weg, mits de jeugd maar onderwezen werd, en de armen en de zieken ondersteund en geholpen werden.

Terwijl hij zich te Lodi bevond aan het sterfbed van den bisschop dier stad, kwam men hem melden, dat de pest te Milaan uitgebroken was en daar talrijke slachtoffers maakte. Zonder het gevaar der besmetting te vreezen, snelde hij naar zijne bisschoppelijke stad en werd daar getuige van een verschrikkelijk schouwspel. De menschen, die met de pest werden geslagen , waren van het hoofd lot de voeten met afzichtelijke builen overdekt, leden de verschrikkelijkste smarten en stierven soms na verloop van twee of drie uren. Men werd ziek op straat, in huis, in de kerk, overal._ De Milaneezen stierven bij geheele scharen. Familiën werden weggerukt, zoodat er geen enkel lid van overbleef. De doodgravers vielen neer naast de wagens met lijken, die zij naar buiten voerden. De priesters werden met de pest geslagen aan de zijde der pestlijders. Ten laatste lagen de huizen vol lijken, de straten hier en daar opgehoopt, en kon men niemand meer vinden, die de dooden begraven wilde. Een afschuwelijke stank vervulde de geheele stad; al wat vluchten kon, vluchtte; die te Milaan bleven, verwachtten den dood.

Bij deze ramp toonde zich al de grootheid van den kardinaal-aartsbisschop. Hij was dag en nacht te midden der pestlijders. Overal bracht hij hulp en troost. Als de eenvoudigste priester bracht hij de UH. Sacramenten in paleizen en hutten. Hij schreef naar alle oorden van Italië en zelfs daar buiten om geld en levensmiddelen voor zijn ongelukkig volk, ja verpandde zijne eigene bezittingen, nadat hij alles had gegeven wat hij bezat. Hij bad en smeekte God om een einde te maken aan de ramp, maar de hemel bleef doof. In plaats van honderden stierven er duizenden. De bisschop stierf niet; hij bleef de engel, die den doodsstrijd van zoo velen verzachtte. Eindelijk geen raad meer wetende, besloot hij den hemel een heilig geweld aan te doen. Hij riep de nog lovende

ocr page 292

110

priesters om zich heen, deed een koord om den hals, als wilde hij toonen een groot misdadiger te zijn, en bood zijn leven God ten offer voor de zonden van zijn volk. Nu nam hij het H. Sacrament en trok daarmede en met zijne priesters processiesgewijze door de straten van Milaan. Dat deed hij tot driemaal toe; met het koord om den hals en blootsvoets trok hij door de straten der pestlijders , en— eindelijk liet God zich bewegen: de pest hield op.

Is het te verwonderen, dat de Milaneezen hunnen aartsbisschop als een hemelsch wezen vereerden, en zij tot op den huidigen dag niet dan met bewondering aan hem denken en van hem spreken?

De Heilige stierf op betrekkelijk jeugdigen leeftijd. Na een bisschoppelijk bestuur van bijna 24 jaren werd hij door een hevige koorts binnen weinige dagen aan den rand des grafs gebracht. Hij ontving met levendige godsvrucht de laatste HH. Sacramenten.

DE HH. M4BTELAARS VAN GORCÜM.

Ook in de Nederlanden, die toenmaals met België ver-eenigd waren, was het Protestantisme doorgedrongen; Allereerst werden de bewoners besmet met de ketterij van Luther, doch de plakkaten van Karei V hadden nog zooveel kracht, dat de dwaling betrekkelijk weinig ingang vinden kon. De Lutheranen zijn dan ook altijd in zeer gering getal in ons land geweest. Erger was het, toen het Calvinisme in ons land gebracht werd onder de regeering van Phi-lippus II, zoon van Karei V. Toen gingen de Noordelijke provinciën van ons land voor de Kerk verloren; België bleef behouden, voornamelijk door den invloed der uitmuntende hoogeschool van Leuven. De Calvinisten uit Zwitserland en Duitschland overstroomden ons land, wekten de hebzucht der verarmde edelen en van het gepeupel op, en in weinig tijds werden alom de kerken en kloosters geplunderd en voor de prediking der ketterij ingericht. Alleen in de provincie Vlaanderen ondergingen 400 kerken dat jammerlijk lot.

ocr page 293

Ill

Het waren nauwelijks menschen, die Den Briel, Gor-kum, Dordt en zoovele andere steden innamen, zooals het heette om haar te verlossen uit de slavernij der Kerk en de tirannie van den koning van Spanje; het waren voor het meerendeel monsters in menschelijke gedaante, die meer dachten aan de bevrediging hunner hartstochten dan aan de vrijheid der Nederlanders, wier beschermers zij zich noemden. Zoodra zij eene stad waren binnengedrongen, hielden zij er op schandelijke wijze huis, vooral in de kerken en kloosters. Daar roofden en plunderden de Bosch- en Watergeuzen alles wat hun onder de handen kwam, en of dit niet genoeg ware , vernielden zij de voorwerpen , die voor hen geen waarde hadden, als zij slechts aan den Katholieken godsdienst herinnerden. Van daar dat met zooveel heilige vaten en andere schatten der kerken zooveel kunststukken uit de echt Katholieke middeleeuwen voor altijd verdwenen zijn, en vele onzer oude kerken, thans bij de Protestanten in gebruik, als ellendige geraamten staan, waaruit met het leven alle schoons geweken is.

Onder de Watergeuzen was vooral de goddelooze Lumey, graaf Van der Mark, een monster van wreedheid; hij verlustigde zich letterlijk in de marteling van onschuldige priesters en kloosterlingen en verzon alle middelen, die alleen de hel zou kunnen uitdenken, om het lijden en sterven der onschuldigen zoo smartelijk en langdurig mogelijk te maken. Weinig deed voor hem onder de eerlooze hoofdman Marinus Brandt, die te Gorkum een aantal priesters gevangennam , toen hij in de stad gekomen was, ofschoon hij hun onder eede vrijen aftocht beloofd en toegestaan had. Niet alleen hield hij hen op het kasteel van Gorkum dag en nacht gevangen, maar hij deed hun tevens de onmenschelijkste mishandelingen ondergaan. Dit duurde van den 27 Juni tot den 5 Juli 1572, doch welke martelingen de HH. Belijders ook ondergingen, men kon hun geloof niet aan het wankelen brengen of hen noodzaken den Heiland te verloochenen, aan Wien zij hun leven gewijd hadden.

ocr page 294

112

/

In den nacht voor laatstgenoemden dag werden zij per schip naar Dordrecht gevoerd. Het was omstreeks des morgens 9 uur, een Zondag, toen zij in deze stad aankwamen. Het schip mochten zij niet verlaten, maar het gepeupel der stad kreeg verlof hen op het schip naar hartelust te komen bespotten en hoonen, waarvan het ruimschoots gebruik maakte. In die dagen van ketterij en verwarring vergaten velen helaas, hoeveel zij aan de Katholieke Kerk en hare priesters te danken hadden, en werkten ijverig mede, om met de ongeloovige Calvinisten en Watergeuzen Kerk en geestelijken zooveel mogelijk te beleedigen en te vervolgen.

Van Dordt werden de HH. Martelaren naar Den Briel gebracht, waar Lumey zich bevond en toen reeds tal van gruwelen had gepleegd. Zijne zwarte ziel juichte van vreugde, en zijn bloeddorst deed hem watertanden, toen hij zulk een groot aantal priesters zag, aan wie hij zijn haat en woede tegen de Kerk kon koelen. Hij liet hen aanstonds in processie door den Briel trekken, om daardoor de Katholieke processiën bespottelijk te maken. De martelaars, die niet alleen reeds veel geleden en eene moeielijke reis afgelegd maar daarenboven weinig of niets gegeten hadden, waren uitgeput van vermoeienis en machteloosheid; of dit niet genoeg ware, werden zij tijdens de processie met roeden op den rug en in het aangezicht geslagen, en de wreedaards noodzaakten hen heilige liederen te zingen, aan welk bevel de martelaars gaarne voldeden, natuurlijk met een geheel andere bedoeling, dan hunne beulen hadden. Op de markt gekomen, werden zij driemaal om de galg heen geleid en daarop naar een donkeren, nauwen en smerigen kerker gevoerd, waarin zij zich nauwelijks konden bewegen, en de vuiligheden, aldaar vergaderd, een onverdraaglijken stank verspreidden.

In den nacht van den 9 Juli werden zij uit die gevangenis gevoerd, om den marteldood te ondergaan, waartoe Lumey hen had veroordeeld. Twee aan twee gebonden, werden zij buiten de stadspoort en naar een turfschuur van het verwoeste klooster Ten Rugge gevoerd en aldaar

ocr page 295

113

opgehangen. Dit geschiedde op zoo wreedaardige wijze, dat de HH. Belijders een langen doodstrijd hadden te doorstaan. Sommigen leefden zelfs tot aan den morgen.

Hadden de Gorcumsche martelaars met engelachtig geduld de wreedste folteringen doorstaan, met niet minder moed ondergingen zij den dood. Zij bemoedigden elkander onophoudelijk, baden vurig, zoo lang dit mogelijk was, en boden zich zeiven den goeden God aan als een zoenoffer voor de zonden hunner beulen.

Dezen schenen zelfs door hun dood niet bevredigd. Zij haalden de lijken van de galgen, mishandelden en ont-eerden die en wierpen ze daarna geheel misvormd in een diepen put, om de Heilige overblijfselen buiten het bereik der geloovigen te brengen. Niettemin is later het Heilig gebeente grootendeels uit den grond opgedolven en naar Brussel en elders vervoerd.

Van de 19 Martelaars van Gorcum behoorden er 11 tot de orde der Franciscanen, 2 tot die van Premonstreit, 1 tot die van den H. Dominicus; 1 was regulier kanunnik van den H. Augustinus, en 4 waren wereldgeestelijken.

Allen zijn door Paus Pius IX op den 29 Juni 1867 heiligverklaard.

TWEEDE HOOFDSTUK.

Het Jansenisme (1595—1700).

Twee afdeelingen; De beproevingen der Kerk. — De Pausen en de verdedigers der Kerk.

§ I. De beproevingen der Kerk.

DE VERVOLGINGEN.

De Kerk zet haren loop door de eeuwen voort te midden van duizenderlei beproevingen, en nooit ontbreekt het getuigenis des bloeds aan hare belijdenis des geloofs. In alle eeuwen heeft zij, zooals wij tot hiertoe zagen en nog verder zullen zien, martelaars gehad; in de 17'ie eeuw legden het heidendom, bet schisma en de ketterij als altijd hun haat aan den dag, door het bloed der geloovige

8

2* DEJX.

ocr page 296

114

Christenen te vergieten. In Japan was, zooals wij zagen, de vervolging zoo hevig, dat het Christendom er als het ware werd uitgeroeid. In verschillende landen van Europa had de Kerk hare martelaars. Onder die der 17de eeuw, welke in de geheele Kerk vereerd worden, hehooren o. a. de H. Fidelis van Sigmaringen, een Capucijn, die door de Calvinisten nit haat tegen het geloof vermoord werd (1622); de H. Josaphat, aartsbisschop van Poloczk in Litthauwen, die door de schismatieke Russen werd terdoodgebracht (1623), en de H. Andreas Bobola, een Poolsche Jesuïet. Deze predikte in het district Janovia, toen de Kozakken een inval in het land deden. Andreas viel in hunne handen, en zij geboden hem het geloof te verzaken. Daar hij weigerde, ontnamen zij hem zijne kleederen, bonden hem en geleidden hem onder slagen en beleedigingen naar de stad Janovia. Hier strekten zij hem op eene tafel uit, drongen hem puntige stukken hout onder de nagels der vingers, staken hem de oogen uit, doorboorden hem neus en ooren en sloegen hem den mond en de tanden aan stukken. Nu geeselden zij hem op rug en schouders en wierpen hem daarna verminkt en bebloed op den openbaren weg. Gedurende de folteringen herhaalde de Heilige slechts de namen van Jesus en Maria, en toen hij op den weg lag te sterven, bad hij voor zijne beulen, tot hij den adem uitblies (16 Mei 1657). Hij is door Pius IX in 1853 heiligverklaard.

DERTIGJARIGE OORLOG (1618—1C48).

Na half Europa in de 161quot; eeuw door burgeroorlogen geteisterd te hebben, verwekte het Protestantisme in de 17de een langdurigen oorlog, waaraan door Duitschland, Zweden, Denemarken en Frankrijk deelgenomen werd, en tegelijk woedden de hevigste vervolgingen tegen de Katholieken in Engeland, Schotland en Ierland, de Nederlanden en elders. De oOjarige oorlog eindigde met den vrede van Munster tegelijk met den SOjarigen oorlog, dien Nederland tegen zijn wettigen vorst, den koning van Spanje, gestreden had. Door de tractaten van 1648 werd

ocr page 297

115

door de vorsten het Protestantisme erkend, en werden het gelijke rechten als aan de Katholieke Kerk geschonken. Dientengevolge ging de eenheid van geloof verloren; het Katholicisme bleef niet meer de eenige godsdienst van Europa, en dus werd de grondslag zelf, waarop de Christelijke maatschappij der middeleeuwen was gebouwd, verwoest. Door deze gelijkstelling van godsdienst en ketterij werd de godsdienstige onverschilligheid (scepticisme) de grondslag van de staatkunde der Europeesche vorsten, en zij moest noodzakelijk leiden tot het staatkundig atheïsme (godloochening), dat wij in onze dagen zien huldigen. Door den Paus werden de tractaten van Munster niet erkend, doch de H. Stoel kon de uitvoering ervan niet beletten.

BA JUS.

Alle denkbare dwalingen kwamen als uit eene rijke bron uit de Protestantsche ketterij voort. Een kanselier van de Leuvensche hoogeschool, Bajus geheeten, trachtte op het voetspoor van Luther en Calvijn de geheimen der genade alleen met het verstand te doorgronden en geraakte als zij in dwaling, maar was deze niet zoo gemakkelijk te achterhalen, zij verleidde spoediger de geesten. Uit zijne leer volgde, dat er in de natuurlijke orde geen zedelijk goede daad is, dat God hun, die de genade niet hebben, het onmogelijke gebiedt, dat de goede werken geen kracht hebben om ons te redden noch van het helsche vuur, noch zelfs van de tijdelijke straffen enz. De dwaalleer, door Bajus geheel ten onrechte voorgesteld als de zuivere leer van den H. Augustinus, bevatte 76 leerstellingen en werd door Pius V veroordeeld.

HET JANSENISME.

Weinig tijds daarna ontstond de listigste en gevaarlijkste van alle ketterijen; ook deze hield zich met de genade bezig en was door de dwalingen van Bajus voorbereid. Door Jamenius, bisschop van Yperen, met de dwalingen van Bajus besmet, was bij zijn dood in 1638 een door hem geschreven werk nagelaten, Augustinus geheeten;

ocr page 298

116

daarin had hij getracht de leer van dien Heilige over de genade te verklaren. Het werk verscheen te Leuven in 1640, bevatte onderscheidene kettersche leerstellingen en werd door Paus Urbanus VIII veroordeeld. Innocentius X (1644—1655), opvolger van Urbanus, veroordeelde er meer bepaald vijf stellingen uit, o. a. deze: „ zekere geboden van God kunnen onmogelijk opgevolgd worden,quot; „men dwaalt, als men zegt, dat Christus voor alle men-schen gestorven is,quot; enz. De veroordeeling der Pausen werd overal met eerbied ontvangen maar gaf den partijgangers van Jansenius aanleiding, om listige onderscheidingen te maken. De Jansenisten erkenden, dat de veroordeelde stellingen kettersch waren , maar beweerden , dat zij niet gevonden werden in het boek, zooals zij voorkwamen in de bul van den Paus; dat men niet behoefde te gelooven het feit, dat zij in het boek stonden, maar alleen dat de Paus het recht had om ze te veroordeelen. Deze onderscheiding tusschen het feit en het recht deed al aanstonds zien, tot welke listen de Jansenisten hun toevlucht namen, om de beslissing van den H. Stoel te kunnen verwerpen. De onderscheiding kon niet toegelaten worden, omdat zij de Kerk het recht zou onthouden dé boeken te beoordeelen en ook dat van den geloovigen de boeken uit de hand te nemen, welke zij gevaarlijk voor hen achten zou.

Een Franschman, De Hauranne geheeten en bekend onder den naam van abbé de St. Cyran, bracht den Augus-tinus in Frankrijk en won er de familie (TAndillij voor, van welker leden twee, moeder Angelica en moeder Agues, de abdij van Port-Royal, op eenige mijlen van Parijs gelegen , bestuurden. Arnauld d'Andilly had den naam van een geleerde te zijn, Nicole, een ander priester uit Port-Royal, eveneens, en de pen van Pascal gaf de nieuwe sekte eene groote kracht. Port-Royal werd de vesting van het Jansenisme. Daar vond men de onderscheiding tusschen het feit en het recht uit, en steunde men de Jansenistische leer, terwijl men volhield, dat de vijf veroordeelde leerstellingen niet in het boek van Jansenius

ocr page 299

117

te vinden waren. De bewoners van Port-Royal beweerden overigens, dat men van hen niet meer kon eischen dan een eerbiedig stilzwijgen.

Om hen uit hunne laatste schuilhoeken te verdrijven , verklaarde Paus Alexander VII in een bul (1656), dat de vijf stellingen werkelijk in het boek van Jansenius voorkwamen en veroordeeld werden in den zin, waarin de schrijver ze bedoeld had. Tevens gaf hij een formulier, dat onderteekend moest worden en alle uitvluchten uitsloot. Maar' de hardnekkige Jansenisten weigerden het formulier te teekenen en volhardden in hun „eerbiedig stilzwijgen.quot; De Fransche koning Lodewijk XTV was niet machtig genoeg, om die hardnekkigheid te breken. Hij deed een beroep op den H. Stoel, opdat de twisten zouden eindigen, die de gewetens in onrust brachten en overal verdeeldheid zaaiden. Alexander gaf een nieuw formulier, dat nog scherper afgebakend was, ter onder-teekening; Lodewijk XIV gaf hieraan kracht van wet (1665) en beval onder bedreiging met de strengste straffen, dat het formulier zou geteekend worden. In weerwil daarvan weigerden vier bisschoppen, die de leerstellingen van Port-Royal aangenomen hadden, die van Alet, Beauvais, Pamiers en Angers, het formulier te teekenen.

Frankrijk werd met een schisma bedreigd. De vier bisschoppen wisten 15 andere tot hun gevoelen over te halen; allen hielden in hunne mandementen aan de ge-loovigen vol, dat de Kerk over quaestiën, die een feit betreffen, slechts een eerbiedig stilzwijgen kan vorderen. Om het kwaad te keer te gaan, gaf Clemens IX eene breve, waarin hij de veroordeelingen zijner voorgangers handhaafde en de oproerige bisschoppen met strenge straffen bedreigde. Nu werden de Jansenisten ontsteld, en door eene huichelachtige onderwerping poogden zij den slag, welke hen dreigde, te keeren. De bisschoppen beloofden het formulier te teekenen, indien men hun de schande bespaarde van hunne mandementen voor het volk te herroepen. Door barmhartigheid gedreven, stond de Paus dit verzoek toe, doch zij maakten er schandelijk misbruik van. Geen

ocr page 300

118

list, geen leugen spaarden de Jansenisten, om den Paus, den koning, de bisschoppen en de geestelijkheid te he-dviegen. De vier bisschoppen onderteekenden eindelijk het mandement en beweerden, dat de Paus, omdat hij niet een openbare herroeping hunner mandementen had geëischt, zijdelings de onderscheiding tusschen het feit en het recht goedgekeurd had. Clemens bestreed deze nieuwe goddeloosheid, en het scheen nu, dat de vrede voor eenigen tijd aan de Kerk in Frankrijk teruggegeven was; dat noemde men den Clementijmchen vrede (1668).

In de scholen bleef het Jansenisme intusschen een onderwerp van strijd uitmaken; de Jesuïeten waren er de krachtigste tegenstanders van en bestreden het allerwegen. In het begin der vorige eeuw herleefde de ketterij plotseling opnieuw door de verschijning van een boek van den Oratoriaan pater Quesnel, waarin allerlei Jansenistische dwalingen quot;voorkwamen. Door Paus Clemens XI werden 101 stellingen uit dit boek plechtig veroordeeld in de bul Unigenitus (8 September 1713).

De Jansenisten voelden onmiddellijk den slag, door de bul aan hunne sekte toegebracht. Het Parlement wilde haar niet ingeschreven hebben in de registers van den Staat, maar Lodewijk eischte die inschrijving. De meeste bisschoppen deden de bul onmiddellijk in hunne diocesen afkondigen, maar eenige weigerden, o. a. kardinaal Noail-les, aartsbisschop van Parijs. Zij, die de bul niet wilden aannemen, gingen eene nieuwe sekte vormen, Appelanten geheeten, omdat zij zich van den Paus, die hen veroordeeld had, beriepen op een beter ingelichten Paus of op een Concilie. De dood van Lodewijk XIV gaf den Jansenisten nieuwen moed; de zwakheid van den regent, den hertog van Orleans, verergerde het kwaad, en Clemens XI zag zijn gezag miskend zelfs door geestelijken en bisschoppen, die de veroordeelde dwalingen verfoeiden. Toch berokkende de bul Unigenitus aan het Jansenisme in Frankrijk den ondergang; het is er nimmer weder van bekomen en in de Fransche revolutie geheel tenondergegaan.

ocr page 301

119

DE JANSENISTEN IN NEDERLAND.

Uit België en Frankrijk verspreidde het Jansenisme zich in Nederland, waar het de gelegenheid gunstig vond, om zich te ontwikkelen en uit te breiden. De kerkelijke hierarchie was hier vernietigd, en de Katholieken waren onophoudelijk het voorwerp van de vervolgingen der Protestautsche regeering. Deze verleende gaarne den Jansenisten steun, omdat zij begreep, dat dit voor het Katholicisme noodlottig moest zijn. Quesnel en andere Fransche Jansenisten kwamen herwaarts en verspreidden alom hunne dwalingen. Ongelukkig voegde de Oratoriaan Petrus Codde, die in 1688 als apostolisch vicaris naar Utrecht kwam, zich met eenige priesters aan hunne zijde, en zoo ontstond in het begin der 18d6 eeuw in ons land een schisma. De scheurmakers weigerden gehoorzaamheid aan de wettige vertegenwoordigers van den Apostolischen Stoel, en in 1723 koos het zoogenaamd kapittel van Utrecht den vicaris-generaal Cornelius van Steenhoven tot aartsbisschop van Utrecht. Zonder acht te slaan op het gezag van den Paus, beweerden zij dus het aartsbisdom te herstellen, en van nu af beschouwden de indringers zich als rechtmatige aartsbisschoppen van Utrecht. Tevens wijdden zij nog een bisschop van Haarlem en een van Deventer, ofschoon zij daar weinig of geen aanhangers hadden. Den meesten der geestelijken, die zich door de dwaling hadden laten verleiden, gingen nu de oogen open, doch de Jansenisten waren in het bezit van tal van kerken en pastorieën gekomen en verlieten die niet meer. Doch in het bezit van onrechtvaardig goed, heeft de schismatieke kerk van Utrecht tot heden een zeer kommervol leven geleid, en op dezen dag zijn slechts eenige duizenden barer aanhangers in sommige plaatsen van Holland en Utrecht verspreid. De sekte heeft alle aanzien verloren, vooral nadat zij geheel in de ketterij verzonken is door de verwerping van de leerstukken der Onbevlekte Ontvangenis van de H. Maagd (1853) en de Pauselijke onfeilbaarheid (1870). Na het Vaticaansch Concilie heeft zij getracht in verbin-

ocr page 302

120

ding te komen met de Oud-Katholieken in Duitschland, de Anglicanen in Engeland, zelfs met de Grieksche schis-matieken; doch het is hiermede gegaan als met doode takken, welke men tot een bundel vereenigt: geen enkele wordt levend.

HET GALLICANISME.

De verspreiding van het Jansenisme was in Frankrijk niet weinig bevorderd door leerstellingen, welke reeds tijdens Philippus den Schoone bedektelijk gepredikt, op het Concilie van Constanz meer openlijk voor den dag getreden waren en in haar kracht zich deden gelden, toen Lodewijk XIV in geschil kwam met den H. Stoel, wijl hij de rechten der Kroon tot in het buitensporige verdedigde. Om zich op den Paus te wreken, gebruikte deze koning den invloed, welken hij op de bisschoppen en priesters van Frankrijk uitoefende, om de Pauselijke macht meer en meer te beperken. Tegen hel jaar 1682 werd eene vergadering der Fransche geestelijkheid bijeengeroepen; in het geheel verschenen 34 aartsbisschoppen en bisschoppen, niet het vierde gedeelte der hooge geestelijkheid, en 38 lagere geestelijken. De bisschop van Meaux, Bossuet, die groot gezag had door zijne welsprekendheid en geleerdheid, was de ziel dezer vergadering, welke ongeltikkig niet geleid werd in den waren geest der Kerk. Hij schreef de beruchte Verklaring der gees-lijkheid, welke de Katholieke Kerk in Frankrijk van het overige der Kerk dreigde te scheiden. Zij bestond uit vier artikelen, waarvan de korte inhoud als volgt luidt: 1°. De Paus heeft geen macht in burgerlijke zaken, 2° Het oecumenisch Concilie staat boven den Paus, 3°. Het gebruik der Pauselijke macht moet door de canons geregeld worden, 4°. De beslissingen der Pausen in geloofswaarheden, hoewel verplichtend voor iedere kerk, zijn slechts onveranderbaar, als zij door de algemeene Kerk aangenomen zijn.

De Verklaring van 1682 deed alle vijanden der Kerk jubelen. Het Parlement haastte zich de brieven van Lodewijk XIV, waarbij gelast werd, dat in alle scholen

ocr page 303

121

des Rijks die stellingen zouden onderwezen worden, als wetten in te schrijven; de Jansenisten verheugden zich over den slag, welke aan den H. Stoel was toegebracht, en de Protestanten hoopten, dat Frankrijk in de scheuring en ketterij zoude medegesleept worden. Maar de godgeleerden in de geheele Katholieke wereld verklaarden zich tegen die stellingen; en Fenelon, aartsbisschop van Kamerijk, verklaarde, dat de zoogenaamde Gallicaansche vrijheden, dus werden de vier artikelen genoemd, de kerk in Frankrijk in slavernij voerden. Paus Alexander VIII veroordeelde op plechtige wijze de Verklaring, en Lodewijk XIV, tot betere gevoelens komende, schreef in 1693' een brief aan Paas Innocentius XII, waarin hij het aan de Kerk gepleegde onrecht herstelde. De bisschoppen, die aan de vergadering van 1682 deelgenomen hadden, onderwierpen zich op het voorbeeld des konings, maar de burgerlijke overheden bleven met de dwaling besmet en eigenden zich in godsdienstzaken een recht toe, dat alle goede beginselen omverwierp. En zoo werd het Gallicanisme een der oorzaken der Fransche revolutie, omdat het op noodlottige wijze medewerkte aan de verzwakking van den godsdienst en het gezag en aan den vooruitgang des ongeloofs.

§ II. De Heiligen en de Pansen.

Hoe verschrikkelijk de Kerk in de 17'° eeuw ook werd aangevallen, hier door het schisma, daar door de ketterij, ginds door de burgerlijke macht, die het Pauselijk gezag wilde beperken, het ontbrak de Kerk niet aan verdedigers, aan Heiligen en martelaars. Het Concilie van Trente droeg kostbare vruchten. Zijn geest bezielde een groot aantal Apostolische mannen, en dezen trachtten overal de wonden te genezen, geslagen door de onwetendheid, het zedenbederf, de ketterij, zoodat de Kerk in zekeren zin de kracht en vruchtbaarheid der eerste eeuwen terugkreeg. Bossuet, Fenelon en Bellarminus verdedigden de Kerk door hunne

ocr page 304

122

zeldzame geleerdheid; de H. Vincentius van Paolo gaf de liefdadigheid der eerste Christenen aan de Kerk terug; de H. Petrus Claver werd een andere Apostel Paulus voor de negers in Amerika, en de Eerbiedwaardige Margaretha Maria Alacoque deed het vuur der Goddelijke liefde ontbranden door hare vereering van het Allerheiligst Hart van Jesus. De H. Franciscus van Sales bekeerde de ketters bij menigte, en de Eerbiedwaardige De la Salie overdekte de wereld met scholen voor de Katholieke jeugd. Geestelijke orden werden gesticht door den H. Vincentius a Paolo, Joanna de Chantal en Camillus van Leilis, en uit alle orden kwamen ontelbare Heiligen voort. De Carme-litessen hadden hare H. Magdalena de Pazzi, de Zusters van de Visitatie van Joanna De Chantal hare Alacoque, de Dominicanen hunne H. Rosa van Lima, de schoonste bloem van Amerika,, de Franciscanen hunne I1H. Fidelis van Sigmaringen en Joseph van Cuper lino, de Jesuïeten hunne IIH. Berchmans, Petrus Claver, Franciscus Regis en Michael de Sanctis.

DE H. VINCENTIUS VAN PAOLO.

Deze Heilige, de stichter van de congregatie der Liefdezusters, engelen, waarmede de hemel de aarde begiftigd heeft, werd in 1576 te Pouy, een dorp aan den voet der Pyreneeën in Frankrijk, uit arme maar brave ouders geboren. Als kind hoedde hij de kudden. Maar spoedig blonken zoo schoone hoedanigheden in hem uit, dat zijne ouders hem in een Franciscaner klooster plaatsten, waar hij eene uitstekende opvoeding ontving en de roeping tot den priesterlijken stand in zich voelde ontstaan. In 1600 priester gewijd, wijdde hij zich met ijver aan de H. Bediening. Toen hij in 1605 eene zeereis deed van Marseille naar Toulon, werd hij door zeeroovers gevangengenomen , naar Tunis vervoerd en daar als slaaf verkocht. Het gelukte Vincentius zijn meester te bekeeren, en deze trad in een klooster, nadat beiden naar Europa waren teruggekeerd. In 1609 tot hofkapelaan benoemd, verliet hij weldra deze betrekking, om zich aan het volk te

ocr page 305

123

kunnen wijden, welks behoeften hij had leeren kennen, en stichtte, toen hij pastoor te Chatillon was, de Congregatie der Liefdezusters; hij schreef voor haar in 1618 een regel en belastte haar met den dienst in de hospitalen. Door den koning vervolgens benoemd tot aalmoezenier der galeien, werd hij de vader der booswichten, die hij door zijne engelachtige liefde tot God terugbracht, en niet lang daarna stichtte hij eene congregatie van priesters , die onder het gezag der bisschoppen vooral het landvolk tot beoefening van den godsdienst moesten opwekken. Nog eene andere congregatie, die der Lazaristen, werd door hem gesticht, en terwijl hij daarenboven volgens de voorschriften van het Concilie van Trente arbeidde aan de verbetering der seminariën, wist hij tijd te vinden, om overal te gaan prediken, kloosters en hospitalen te bouwen, aalmoezen in te zamelen en duizenden en duizenden armen en ongelukkigen, o. a. bij een hongersnood in Lotharingen, aan honger en ellende te ontrukken. Hij raapte de vondelingen van de straat op, bracht de zieken naar de gasthuizen, gaf de weezen aan zijne Liefdezusters over, in één woord, hij was onuitputtelijk in liefdadigheid. Na een leven van voorbeeldelooze werkzaamheid overleed hij in den ouderdom van 84 jaar op den 27 September 1660 en werd door Clemens XII in 1787 heilig verklaard.

De Vereeniging van den H. Vincentius a Paolo, in 1853 te Parijs gesticht en sedert lang over de geheele wereld verspreid, bewandelt de voetstappen van haren grooten patroon, door de armen in hunnen geestelijken en licha-melijken nood bij te staan.

DE H. FIDELIS.

De H. Fidelis werd in 1577 te Sigmaringen in Zwaben geboren en diende God en zijne geloofsgenooten geruimen tijd in eene gewichtige maar wereldsche betrekking, nl. als advocaat. Van jongs af legde hij eene even groote neiging aan den dag tot de deugd als tot de wetenschap, en zijne godvreezende ouders hielpen beide bevredigen.

ocr page 306

124

Hij studeerde aan de hoogeschool van Freiburg de rechtsgeleerdheid en de wijsbegeerte en deed vervolgens eene reis door geheel Europa, om zich meer en meer in de wetenschappen te bekwamen.

Van zijne reis teruggekeerd, vestigde hij zich als advocaat en verwierf zich spoedig een naam, welke door geheel Duitschland met roem genoemd werd. De rechtsgedingen , waarin hij optrad, hadden geregeld een gelukkigen afloop; de personen, die hij verdedigde, kregen vrijspraak of zagen zich hunne vorderingen toegewezen. De oorzaak hiervan lag niet alleen in de diepe kunde en de welsprekendheid van den geleerden Pidelis, maar ook in de omstandigheid, dat hij nooit andere dan goede zaken verdedigde en alleen den machtigen steun van zijn woord gaf aan hen, die om de rechtvaardigheid vervolging leden. Vooral was hij een beschermer van de armen, omdat deze te gemakkelijker de slachtoffers der wreedaardige vervolging werden, en Fidelis werd daarom door zijne tijdgenooten de „advocaat der armenquot; genoemd.

Weldra echter voelde hij het verlangen in zich opkomen God op nog volmaakter wijze te dienen, en hij begreep, dat dit slechts zou kunnen geschieden, als hij zich in den kloosterlijken staat begaf. Toen hij het besluit daartoe had genomen, vertrok hij naar het Capucijnen-klooster te Altdorf en werd daar in het jaar 1611, dus toen hij den ouderdom van 34 jaar had bereikt, aangenomen. Een jaar later ontving hij de H. Priesterwijding.

Van nu af dacht hij nog slechts aan twee zaken, nl. voortdurende volmaking van zich zeiven en bekeering van de ongelukkigen, die onder de verleiding of het geweld der ketterij bezweken waren. Moest hij om beide doeleinden te bereiken zelfs zijn bloed en leven opofferen, het offer viel hem niet te zwaar, en hij bood God beide aan. Het behaagde den hemel ze aan te nemen. Pidelis verwierf de martelaarskroon.

Als priester kwam hem de uiterlijke welsprekendheid, waarin hij zich als advocaat geoefend had, zeer te stade. Door de kracht van zijn woord wist hij de verstoktste

ocr page 307

125

harten te doen breken en twijfelmoedigen van vrees en angst te verlossen. Hij predikte nu hier, dan daar, overal onder een ontzaglijken toeloop van volk, en was niet gelukkiger, dan wanneer de geloovigen, door zijn woord verteederd, zijn biechtstoel opzochten, om daar hunne dwalingen te komen afzweren en zich met God te verzoenen.

In een andere taak, hem opgedragen, was hij eveneens gelukkig. In onderscheidene kloosters zijner orde was de tucht verslapt, en waren ongelukkig verschillende misbruiken ingeslopen. Fidelis werd daarheen gezonden met de noodige volmacht om het kwaad uit te roeien en de orde en tucht te herstellen. Door zijne voorzichtigheid en zachtmoedigheid en vele andere deugden, waarvan hij het voorbeeld gaf, slaagde hij naar wensch; de kloosterlingen volgden gaarne de raadgevingen en vermaningen van zulk een heiligen priester, en het kwaad, dat groot nadeel in de kloosters dreigde aan te richten, werd met wortel en tak uitgeroeid.

Eindelijk werd dezen Heilige zijne laatste zending opgedragen. De Congregatie tot voortplanting des geloofs besloot eene missie te vestigen in Grauwbunderland in Zwitserland, waar de leerlingen van Calvijn, Bucer en andere hoofden der Hervorming de jammerlijkste verwoesting hadden aangericht. Fidelis kreeg den last zich aan het hoofd der missie te plaatsen, een gevaarlijk werk, maar dat daarom groote aantrekkelijkheid voor den moedigen geloofsheld had. Hij verscheen te midden van de puinhoopen der eertijds zoo bloeiende Kerk in Zwitserland en vond alom de lieden in de ketterij verzonken en hen, die standvastig gebleven waren, zonder priester of kerk. Aanstonds ving hij het werk der prediking aan en volhardde daarin met een onwederstaanbaren ijver. Ook hier slaagde hij weder naar wensch. Duizenden keerden in den schoot der Moederkerk terug.

Maar dit ontstak de hoofden der ketterij in gramschap, en daar zij aan de waarheid van zijn woord niet konden wederstaan, besloten zij hem te dooden, het laatste middel dat de ketterij overblijft, maar waarnaar zij spoedig grijpt,

ocr page 308

126

als andere middelen niet baten. Terwijl de Heilige op den 24 April 1622 eene predikatie tot het samengestroomde volk hield, werd hij door de ketters overvallen en met den dood gedreigd, indien hij den Katholieken godsdienst niet wilde verzaken. Daar hij dit kloekmoedig weigerde, werd hij door hen op wreede wijze vermoord. Eer hij den laatsten adem uitblies, bad hij voor zijne vijanden en beval zijne ziel aan Jesus en Maria.

Zijn dood was het welsprekendste woord, dat hij kon verkondigen, en velen, die naar zijne predikatiën niet hadden willen luisteren, kwamen door zijn marteldood tot inkeer, zoodat hij stervende nog vele zielen voor den hemel won.

DE H. CAMILLUS.

De H. Carnillus van Leilis werd in eene kleine stad van het koninkrijk Napels in 1550 geboren en vroeg van zijne ouders door den dood beroofd.

Toen hij de jongelingsjaren had bereikt, trad hij in den krijgsdienst en volgde hier de voorbeelden van slechte makkers. Vooral kreeg hij groote neiging tot het dobbelspel en werd er ten laatste een hartstochtelijk liefhebber van. Den dienst verlaten hebbende, verleende hij zijnen hartstocht den vollen teugel maar verloor ten slotte alles, wat hij bezat, en werd aan de armoede en het gebrek ten prooi gegeven.

Hij trad nu in dienst van een metselaar en moest den kost verdienen door zeer zwaren arbeid. Zijn leven was te onaangenamer, omdat zijn geweten hem verweet, dat hij zijn ongeluk alleen aan zich zei ven had te wijten , en hij een gemakkelijk leven had kunnen leiden, indien hij zich niet door het spel ten ondergang had laten brengen.

Op zekeren dag gebood zijn meester hem eenige werkzaamheden te gaan verrichten in een Capucijnenklooster. Dit voorval gaf de aanleiding tot zijne volkomen bekeering en zijn toekomstig geluk. Terwijl hij in het klooster werkzaam was, hoorde hij den overste tot de kloosterlingen eene predikatie houden over de gevolgen van den hartstocht

ocr page 309

127

en de straf der zonde in de andere wereld, en deze predikatie maakte een diepen indruk op den armen metselaar. Op zijn kamertje des avonds gekomen, dacht hij over het gehoorde na, paste dit op zich zeiven toe en kwam tot het besluit, dat hij God grootelijks had beleedigd, en een treurig lot hem aan gene zijde des grafs wachtte, indien hij zich niet bekeerde.

Camillus begon nu een geheel ander leven te leiden; hij deed boetvaardigheid en gaf zich aan groote gestrengheid over. Na hiermede eenigen tijd voortgegaan te zijn en zijn hartstocht volkomen overwonnen te hebben, besloot hij God zoo volmaakt mogelijk te gaan dienen, en hij meldde zich aan bij den overste van het Capucijnenklooster, met verzoek om onder de kloosterlingen opgenomen te worden.

Na de noodige voorbereiding werd aan zijn verzoek voldaan, en Camillus trad in het klooster; daar bleef hij echter niet lang, want hij kreeg eene ontsteking aan het been, die hem hevige pijnen verwekte, welke hij met geduld verdroeg, en de geneesheeren verklaarden eindelijk, dat zijne ziekte nimmer zou genezen. Daarom werd hij vervoerd naar een gasthuis voor ongeneeselijke zieken te Rome , en hier leed hij vier jaren lang de hevigste smarten. Toen begonnen de pijnen een weinig te verminderen; de wonden genazen gedeeltelijk maar nimmer geheel; gedurende het geheele leven van Camillus bleef hij een ziek been behouden.

Toen hij nu echter zoo ver was, dat hij weder loopen kon, gebruikte hij zijne beenen, om zich naar de bedden der overige zieken te begeven en hen in hunnen nood bij te staan. Bij dit liefdewerk legde hij een buitengewoon geduld aan den dag, maar het wekte nog een ander verlangen bij hem op, nl. om priester te worden. Niet altijd toch was er voor de vele zieken een genoegzaam aantal priesters aanwezig, en men kon hun geen anderen dan lichamelijken bijstand verleenen.

Ofschoon hij reeds dertig jaar oud geworden was, zag hij niet tegen de moeilijkheid der studie op, en hij begon zich in de Latijnsche taal en de godgeleerde wetenschappen

ocr page 310

128

te oefenen. Door zijn taai geduld geholpen, kwam hij ook deze moeilijkheid te boven, en toen hij zijne studiën had volbracht, werd hij tot priester gewijd. Nu noodigde hij eenige andere priesters uit, om zich met hem te vereenigen en zich uitsluitend te wijden aan de verzorging der zieken. Onderscheidenen gaven gehoor aan zijne roepstem , en hij schreef een leefregel, waarin hij o. a. zeide:

„Leert den zieken den dood gewillig aannemen in den geest van opoffering en als eene voldoening voor de zonden. Vermaant hen, om door de verdiensten van den stervenden Verlosser barmhartigheid af te smeeken en hun dood met dien van Jesus te vereenigen. Leert hun Gods Zoon bidden, dat Hij hunne ziel in den schoot Zijner heerlijkheid overbrenge.quot;

In het jaar 1586 toog Camillus met zijne medepriesters aan het werk, en daar zich onophoudelijk meerdere priesters bij hem voegden, verhief Paus Gregorius XIV de instelling in 1591 tot een kloosterorde, waarvan Camillus de eerste overste werd.

Na dien tijd leefde hij nog 23 jaren, en al die tijd was hoofdzakelijk gewijd aan de zieken en aan de uitbreiding der orde tot verzorging van zieken en gewonden. In de laatste jaren van zijn leven nam de ziekte van zijn been weder meer en meer toe, en de pijnen werden soms ondraaglijk. Camillus bleef evenwel altijd het voorbeeld geven van het uitstekendste geduld, en kon hij niet loopen naar de bedden der zieken, dan sleepte hij zich daarheen. In zulke oogenblikken van bovenmen-schelijke opoffering zag zijn biechtvader, de H. Philippus Nerius, meermalen engelen aan zijne zijde staan, die zichtbaar behagen schepten in de diensten, welke hij den zieken bewees.

Eindelijk wierp de ziekte hem op zijn sterfbed. Hij moest nu de taak opgeven, die hij zooveel jaren met engelengeduld had volbracht, en was verheugd, dat het oogenblik aanbrak, waarop God hem tot zich wilde roepen. Hoe meer het uur van zijn sterven naderde, des te meer nam zijn blijdschap toe, en in zalige ver-

ocr page 311

129

rukking gaf hij zijne heilige ziel op den 13 Juli 1614 aan den Schepper over. Zijne orde had zich toen reeds door geheel Italië uitgebreid en duizenden zieken en onge-lukkigen van lichamelijken en geestelijken bijstand voorzien.

DE H. FRANCISCUS VAN SALES.

In het bisdom Genève, dat eenmaal het zijne wezen zou, werd deze beroemde Heilige, de geduchte bestrijder van het Calvinisme in Zwitserland, in 1567 geboren. Nadat hij de H. Wijdingen ontvangen had, doorliep hij een groot aantal dorpen zijns vaderlands en predikte overal voor het volk, dat, in diepe onwetendheid verzonken , in de armen der ketterij gevallen was. Door zijne onveranderlijke zachtmoedigheid won hij het hart der menigte en bekeerde de Calvinisten bij honderdtallen. Men zegt, dat hij alleen als priester 72.000 Calvinisten tot de ware Kerk teruggebracht heeft. Later werd hij bisschop van Genève, doch in die stad, de hoofdstad van het Calvinisme, heeft hij niet veel goeds kunnen verrichten. Het ongelukkige volk, door Calvijn geheel en al bedorven, versmaadde de stem van zijn liefdevollen herder. Hendrik IV en Lodewijk XIII, beiden koningen van Frankrijk, boden hem een bisdom in hun land aan, doch de Heilige weigerde. In het arme maar door de ketterij verleide Zwitserland meende hij meer nut te kunnen stichten dan in het rijke Katholieke Frankrijk. In zijn bisdom bracht hij vele nuttige hervormingen, bouwde kerken, kloosters en scholen, stichtte de orde van de religieusen der Visitatie en schreef onderscheidene werken, welke de reinste godsvrucht ademden en nu nog door de geloovigen gaarne gelezen worden. Na een leven, rijk aan werken voor den hemel, stierf de H. Fran-ciscus van Sales in 1622.

DE MISSIËN.

Zooals wij gezien hebben, bepaalden de missionarissen hun arbeid niet tot Europa. Gedurende de 11ie eeuw predikte een groote schaar van apostolische mannen het

9

2® DEEL.

ocr page 312

13U

geloof in Griekenland]en Egypte, in Afrika en Azië, tot in China en Japan, en in geheel Noord- en Zuid-Amerika. Niets kon die moedige arbeiders in 's Heeren wijngaard terughouden, noch de afstanden, noch de ongemakken der verschillende luchtstreken, noch de barhaarschheid der volken, aan welke zij het Woord Gods brachten. Die afgelegen landen, zoo langen tijd verlaten maar nu besproeid met het zweet, vaak met het bloed der martelaren , werden vruchtbaar en brachten een heerlijken oogst op, waardoor de verliezen, door de nieuwe ketterijen aan den godsdienst in Europa toegebracht, ruimschoots vergoed werden. Het grootst aantal dier missionarissen kwam uit Frankrijk, doch ook Spanje en Italië leverden ze aan de Kerk. In het noorden van Amerika werd vooral Canada voor het Evangelie gewonnen en in het zuiden Paraguay, een land, waarvan de Jesuïeten een aardsch paradijs wisten te maken, en waar de Indianen een leven leidden, waarvan de genoegens in Europa zelf onbekend waren.

DE PAUSEN.

De H. Stoel is in de 17d9 eeuw door Pausen bekleed geweest, die uitmuntten door ijver voor den godsdienst, en wien niets meer ter harte ging dan de uitvoering der besluiten van het Concilie van Trente. Clemens VIII (1592—1605) stichtte te Rome colleges voor de jonge Schotten en Illyriërs, zond Jesuïeten naar den Libanon in Palestina en Benedictijnen naar Engeland en zag heerlijke vruchten van zijn arbeid maar moest ook getuige zijn van de noodlottige Kerkvervolging in Japan.

Paulus V (1605—1621) legde zich overeenkomstig de bepalingen van het Concilie van Trente krachtig toe op de hervorming van het kloosterwezen, herstelde, waar dit noodig was, de tucht en deed een aantal nieuwe kloosters ontstaan.

Gregorius XV (1621—1633) stelde eene congregatie van kardinalen in onder den titel van de Propaganda fide. Deze Congregatie staat bekend onder den naam van Pro-

ocr page 313

131

pagande en houdt zich bezig met de leiding en ontwikkeling der missiën in alle streken der wereld.

Urbanus VIII (1628—1644) beleefde de verschijning van het Jansenisme en had de zuiverheid des geloofs te beschermen tegen hen, die van de groote uitvindingen van den beroemden natuurkundige Galileï een wapen beproefden te maken, om de Kerk te bestrijden.

Innocentius X (1644—1655) verzette zich te vergeefs tegen de noodlottige bepalingen van den Munsterschen vrede.

Alexander VII (1655—1667) was in gedurigen strijd gewikkeld met het Jansenisme en den Franschen koning Lodewijk XIV, die het gezag des Pausen wilde verkorten.

Clemens IX (1667—1669) bewerkte door zijne zachtmoedigheid talrijke bekeeringen. Ofschoon schier altijd ziek, bezocht hij bijna dagelijks de hospitalen en bediende persoonlijk de zieken. Aan zijne tafel ontving hij de arme pelgrims en bediende hen met zooveel nederigheid, dat de ketters, die zich in pelgrimsgewaad vermomd hadden, om aan de Pauselijke tafel te kunnen verschijnen, er door bekeerd werden.

Clemens X (1670—1676) en Innocentius XI (1676—1689) hadden op hunne beurt moeilijkheden met Frankrijk, waar het Gallicanisme de Kerk den handschoen toewierp. De smart van Innocentius werd intusschen verzacht door de roemvolle overwinningen, door den Poolschen koning Sobieski op de Turken behaald. Dezen waren tot Weenen doorgedrongen; viel die stad, dan lag de weg naar Rome voor de zonen van Mahomed open. Sobiesky versloeg hen voor Weenen (1688) en bracht aan de Turksche macht in Europa een slag toe, waarvan zij zich nooit meer herstelde, en die haar voor altijd de oogen van Rome moest doen afwenden. Het volk schreef de overwinning van Sobiesky en het ontzet van Weenen toe aan den moed van den Poolschen held en tevens aan de gebeden van Paus Innocentius. Beide groote mannen herinnerden aan den H. Pius V en Don Juan van Oostenrijk, die den zeeslag van Lepanto op de Turken gewonnen hadden.

ocr page 314

132

Alexander VIII (1689—1691) en Innocentius XII (1691—1700) betraden het spoor hunner groote voorgangers. De laatste had het geluk de moeilijkheden met het Fransche hof te beëindigen en Lode wijk XIV de Verklaring van 1682 te zien intrekken. Innocentius werd beweend door al het volk en nam den titel van Vader der armen in het graf mede.

DERDE HOOFDSTUK.

Het Philosoflsme (1700—1789).

Twee afdeelingen: Toeneming van het ongeloof. — De Heiligen en de Pausen.

§ I. Toeneming van het ongeloof.

OORZAKEN VAN HET ONGELOOF.

De eerste oorzaken van de ongodsdienstigheid in de 18'le eeuw waren de hoogmoed des geestes en het bederf des harten. Uit deze vergiftigde bronnen kwamen het schisma van Hendrik VIII, de ketterijen van Luther en Calvijn voort en van alle nieuwere dwaalgeesten, die achtereenvolgens alle geloofswaarheden verwierpen, welke het menschelijk verstand niet kan bevatten, en alle voorschriften der zedeleer verachtten , die hunne hartstochten konden breidelen. Allereerst ontwikkelde de ongodsdienstige geest zich in Engeland; daarna zocht hij aanhangers in Frankrijk en verspreidde zich vervolgens onder den weidschen naam philqsofie of wijsbegeerte door geheel Europa. Het Jansenisme droeg niet weinig tot de verspreiding des ongeloofs bij door de wijze, waarop het zijne dwalingen verdedigde. Het verzet der Jansenisten tegen de Pausen en de bisschoppen verlaagde het kerkelijk gezag in de oogen der menigte, welke altijd spoedig een oordeel weet uit te spreken, zonder dat zij tot oor-deelen in staat is, of zelfs zonder dat zij een onderzoek heeft ingesteld. Door de herders der Kerk veroordeeld, zochten de scheurmakers steun bij het burgerlijk gezag, en nu matigden de parlementen zich het recht aan, de bis-

ocr page 315

133

schoppen te vervolgen, die de dwaling bestreden; zelfs lieten zij de bisschoppelijke mandementen door den beul verbranden. In de Protestantsche landen woedde daarenboven tegen de Katholieke geestelijkheid eene voortdurende vervolging, welke zich achter huichelachtige maskers verborg, als het haar niet geraden voorkwam in het openbaar op te treden.

DE VOORNAAMSTE HOOFDEN VAN HET PHILOSOFISME.

De voornaamste hoofden der philosofische partij waren J. J. Rousseau en Voltaire. De eerste wist de menigte te misleiden door schitterende leerstelsels, door verleidelijke machtspreuken. Nadat hij den Rechter van leven en dood had uitgedaagd een beteren sterveling te vinden dan hem, eindigde hij zijn leven naar alle waarschijnlijkheid met een zelfmoord (1778). De tweede, een dweepziek vijand van het Christendom en van den Zaligmaker, dien hij den Ecrlooze durfde noemen, vleide zich met de hoop van den godsdienst te zullen vernietigen. „Binnen 20 jaren,quot; schreef hij in 1758, „zal het met God gedaan zijn!quot; Twintig jaar later werd hij aangetast door de ziekte, die hem naar het graf sleepte, en in de jammerlijkste wanhoop riep hij in zijn laatste oogenblik: „Ik sterf, door Goden de menschen verlaten.quot; De eerste leerlingen van dien goddeloozen schrijver deelden het lot huns meesters; d'Alem-bert, Diderot en anderen riepen op hun sterfbed te vergeefs de hulp in van den godsdienst, welken zij hun leven lang bestreden hadden.

OPHEFFING DER SOCIETEIT VAN JESUS.

Het ontbrak den godsdienst evenwel niet aan verdedigers; de Pausen, de Bisschoppen en tal van geleerde schrijvers wederlegden krachtig de machtspreuken en leugens der philosofen. Doch het scheen, alsof een algemeene samenzwering tegen de Kerk losgebroken was; vorsten en philosofen streden schouder aan schouder in dien afschuwelijken oorlog, en de hoogere standen gaven de treurigste voorbeelden van allerlei ondeugden. De ongodsdienstigheid

ocr page 316

134

vond hare grootste hinderpalen bij de Societeit van Jesus, welker vijanden haren ijver en hare talenten hoven alles vreesden; daarom besloot men haar zoo mogelijk te vernietigen. De philosoof d'Alembert heeft het openlijk bekend. „De Jansenisten,quot; zeide hij, „hebben de opheffing der Jesuïeten-orde slechts gevraagd, de philosofie heeft door den mond der burgerlijke overheid het vonnis dier opheffing uitgesproken.quot; Dit werd ook door Paus Clemens XIII opgemerkt in een breve aan koning Lodewijk XV; „ Sinds lang hebben de vijanden van onzen heiligen godsdienst de uitroeiing dezer religieuzen ten doel; zij hebben haar beschouwd als volstrekt noodig voor het slagen hunner samenzwering.quot;

Maar de boosheid won het op de klachten van Clemens XIII en de bisschoppen van alle Katholieke landen; de hoven van Frankrijk, Spanje, Napels en Portugal verbanden de leden der Societeit van Jesus. En de mannen , die zich in hunne colleges hadden gewijd aan de opvoeding der jeugd, door hunne talenten zoowel de wetenschap verheerlijkten als den godsdienst, in steden en dorpen den geest van boetvaardigheid en godsdienstzin hadden opgewekt, onder de wilde volken van Afrika en Amerika hunne beste levenskrachten aan de beschaving ten offer hadden gebracht, werden als verachtelijke misdadigers behandeld en over de grenzen gedreven, wat niet weinigen de gezondheid, ja het leven kostte (1764). En al dat lijden werd door de gehate religieuzen met zooveel geduld verdragen, dat hunne vijanden zelfs niet in staat waren hunne lofspraken daarover te weerhouden.

Toch was men met de verbanning der Jesuïeten niet tevreden; de Societeit moest opgeheven worden, en de vorsten kwamen niet tot rust, voor zij Paus Clemens XIV gedwongen hadden, en wel door bedreiging met een schisma, de beroemde Societeit, welke zooveel diensten aan de Christenheid bewezen had, op te heffen. De Paus gaf toe, om grooter onheil te voorkomen, en hief krachtens zijn Apostolisch gezag de Societeit op , maar overlaadde haar tegelijk met loftuitingen (1773). De nood der tijden

ocr page 317

135

eischte dezen verschrikkelijken maatregel, maar waar waren twintig jaar later de vorsten en ministers, die de beroemde religieuzen met zooveel haat vervolgd en aan de eischen der goddeloozen , aan de willekeur van het philosofisme en der Vrijmetselarij hadden overgelaten? Velen stierven op het schavot; anderen moesten het oord der ballingschap opzoeken, om aan de woede der revolutie te ontkomen , welke zij zelf tegen de Kerk en de maatschappij hadden losgelaten.

§ II. De Heiligen en de Pausen.

DE HEILIGEN.

Zoo min in deze droevige eeuw als in de vorige ontbrak het de Kerk aan Heiligen. Zij is heilig en brengt altijd Heiligen voort. Schijnt hun getal kleiner dan in vroegere eeuwen, 't is niet meer dan schijn; de heiligverklaringen geschieden vaak eerst lang na den dood der Heiligen, en zoo wachten nog velen, die in de l?'quot; eeuw de deugd op heldhaftige wijze beoefend hebben, de plechtige uitspraak der Kerk en de eer, om' op de altaren verheven te worden. Toch is reeds van een groot aantal hunner de zalig- of heiligverklaring uitgesproken, zooals van den H. Franciscus van Girolamo, een Jesuïet, overleden in 1716, den Gelukzaligen Leonardus a Porto-Mauricio, een Franciscaan, overleden in 1751, en Joannes de Rossi, een kanunnik te Rome, overleden in 1776 enz.

DE H. PACIFICÜS.

Te San Severino in Italië werd deze Heilige in 1653 geboren. Op 17jarigen leeftijd trad hij in de orde der Franciscanen in het eenzaam gelegen, vermaarde klooster te Forano. Reeds toenmaals was PacAficus beroemd om zijne deugd. Na in 1677 priester gewijd te zijn, ging hij prediken voor de arme bevolking der Apennijnen en bewerkte daar wondervolle bekeeringen. God wilde echter door Zijn dienaar op andere wijze verheerlijkt worden. Pacificus werd bezocht met ongeneeselijke wonden aan de

ocr page 318

136

voeten, zoodat hij zijn klooster niet meer verlaten kon. Bidden en lijden waren nu zijn dagelijksch brood, maar in de navolging van het lijden des Zaligmakers bracht hij het tot zulke volkomenheid, dat hij met den H. Paulus kon uitroepen; „ Niet meer ik, maar Christus leeft in mij.quot; Zoolang het hem nog mogelijk was, bracht hij dag en nacht door voor het H. Sacrament, maar eindelijk kon hij zijne cel niet meer verlaten. Hier werd hij door God beloond met hemelsche verschijningen, welke hem in verrukking brachten. Na een lijden van vele jaren ontsliep hij in den Heer op den leeftijd van 68 jaar, op den 24 September 1821. Na zijn dood verrichtte God op zijne voorspraak vele wonderen; o. a. werden dooden ten leven gewekt door het aanraken zijner relikwiën. Pacificus werd door Paus Gregorius XVI in 1839 heilig-verklaard.

DE H. ALPHONSOS DE LIGÜORI.

Nabij Napels werd in 1696 de man geboren , die eenmaal de Congregatie van den Allerh. Verlosser of dei-Redemptoristen stichten en daardoor aan de Kerk een leger van mannen leveren zou, die dwaling en zonde uit alle kracht zouden bestrijden. In de eerste jaren zijns levens liet zich dit niet aanzien, want hoewel hij van der jeugd af de voorbeelden van de schoonste deugden gaf, koos hij niet den priesterlijken staat maar studeerde de rechtsgeleerdheid en werd advocaat. Als zoodanig verwierf hij zich spoedig grooten roem, doch hij begreep weldra, dat hij in dezen staat niet het goed zou kunnen doen, waartoe hij zich gedrongen gevoelde. Hij ging dus de godgeleerdheid studeeren, werd in 1726 priester gewijd en gaf zich nu met den grootsten ijver aan de zielzorg over. Ten einde met meer vrucht te kunnen werken, besloot hij na rijp beraad en overleg met godvruchtige personen eene vereeniging te stichten van priesters, die vooral op het platteland bij wijze van missiën aan het vaak onwetende volk de waarheden des geloofs zouden verkondigen. De Congregatie werd gesticht in 1732, iu 1749 door den Paus goedgekeurd, en Alphonsus de

ocr page 319

137

Liguori tot haren algemeenen overste benoemd. Zij breidde zich spoedig uit; een aantal priesters wilde onder de leiding staan van hem, die zoo zeer de behoeften des volks kende en het geschikte middel gevonden had, om daarin te voorzien. Weldra waren Napels, Sicilië en de Kerkelijke Staat met huizen der Redemptoristen overdekt, en breidde de Congregatie zich verder in Italië, Oostenrijk en Duitsch-land uit.

Niet tevreden met door het woord de eeuwige waarheden te verkondigen, schreef Alphonsus een groot aantal werken van godsdienstigen aard, die niet slechts zijne deugd en geleerdheid schitterend deden blijken, maar, wat voor de Kerk van nog grooter nut was, ontelbare men-schen tot beoefening der godsvrucht brachten. Hieraan had de H. Alphonsus het te danken, dat hem in 1871 door Paus Pius IX op verzoek van bijna alle bisschoppen der wereld de titel van Kerkleeraar gegeven werd.

In 1762 werd Alphonsus door Paus Clemens XII benoemd tot bisschop van S. Agatha dei Goti in Napels. De nederige kloosterling achtte zich niet geschikt voor zulk eene waardigheid , doch de Paus wilde niet van besluit veranderen, en Alphonsus droeg den zwaren last der bisschoppelijke waardigheid tot groot voordeel der hem toevertrouwde kudde, tot in 1775, toen Paus Pius VI hem wegens voortdurende ziekelijkheid van zijne waardigheid onthief. De heerlijkste bewijzen van naastenliefde gaf hij o. a., toen in 1763 en 1764 zijne kudde door een hongersnood geteisterd werd. Van 1775 tot 1787, in welk jaar hij op den 1 Augustus stierf, was hij bijna altijd ziekelijk doch leed zijne pijnen met een volmaakt geduld en heilige overgeving in den wil Gods. Om de talrijke wonderen, welke aan zijn graf geschiedden, kreeg Alphonsus reeds in 1796 den titel van Eerbiedwaardige, waarna hij in 1816 zalig- en in 1839 heiligverklaard werd.

DE H. BENEDICTDS JOSEPH LABRE.

Het wonderbare leven van dezen Heilige herinnert aan dat der Sty lieten. Volgens de verklaring der meest gezag-

ocr page 320

138

hebbende personen maakte hij zich nimmer schuldig aan eene dood-, ja zelfs nauwelijks aan eene dagelijksche zonde, en hij beoefende zijn leven lang eene boetvaardigheid , welke ons ongeloofelijk toeschijnt. Als tegenbeeld van de 18Il• eeuw, die de losbandigheid en de weelde ten top voerde, werd hij door de wereld veracht en verguisd. In 1748 te Amettes, een dorp in Frankrijk, geboren, gaf hij zich van der jeugd af over aan de beoefening der strengste versterving, en geheele dagen bracht hij biddend door aan den voet des altaars. Hij wilde priester worden, en zijn oom, de pastoor van Erin, gaf hem onderwijs maar stierf weldra. Toen zocht hij een klooster op maar werd op verschillende plaatsen afgewezen, omdat men geloofde, dat hij niet door God voor het religieuse leven geroepen was. Eindelijk nam men hem aan in het strenge klooster der Cisterciënsers te Sept-Fontaines, doch hij werd spoedig ziek en leed aan de hevigste zielsangsten. Nu werd hij ook hier ontslagen, en overtuigd, dat God hem een anderen weg naar den hemel had voorbehouden, besloot hij in de wereld te blijven maar arm te leven. Hij was nu 21 jaar oud en begaf zich op reis, om de heiligdommen in zijn vaderland en andere landen te bezoeken. Dit deed hij tot den 16 April 1783, den dag van zijn dood. Hij doorreisde Frankrijk, Spanje en Italië, altijd te voet, en hield zich overal geruimen tijd op in de beroemde bedevaartplaatsen. Hij was zeer armoedig gekleed, droeg slechte schoenen, zoodat zijne voeten gewond werden, was blootgesteld aan al de ongemakken des weders en ■ sliep onder den blooten hemel, liefst aan een kerkportaal, na er tot laat in den nacht gebeden te hebben. Hij at wat hij met bedelen kreeg, kreeg menigmaal niets en vastte dan of at wat hij langs den weg vond, het voedsel der dieren. Dit lijden verdroeg hij met een geduld, dat zich nooit verloochende; hij wandelde met den blik ter aarde gericht, altijd in het gebed verzonken. Niettemin beoefende hij velerlei goede werken; hij gaf zijn brood aan armen, die hij ontmoette, bezocht de zieken in de hospitalen en hielp waar hij kon. De laatste jaren

ocr page 321

139

zijns levens sleet hij te Rome, waar ieder hem om zijne buitengewone levenswijze kende. Hij verliet de stad slechts, om naar Loreto en andere bedevaartplaatsen te gaan, en te Rome bracht hij zijne dagen en gedeeltelijk zijne nachten door in eene kerk van de H. Maagd. Hier eindelijk vond hij het einde zijns levens; voor het beeld der H. Moeder Gods in onmacht gevallen, werd hij in een naburig huis gebracht en stierf er, na van de HH. Sacramenten voorzien te zijn. Hij werd door Pius IX in 1860 zalig- en door Leo XIII in 1881 heilig verklaard.

De Pausen.

CLEMENS XI (1700—1720).

Twee belangrijke zaken kwamen voor onder het Pausschap van Clemens XI, opvolger van Innocentius XII: het Jansenisme, dat hij den zwaarsten slag toebracht door de bul Unigenitus, welke de Katholieke leer over de genade duidelijk blootlegde en de dwalingen der Jansenisten de eene na de andere bestreed, en de Chineesche ceremoniën, welke zaak eerst onder Benedictus XIV tot een einde gebracht werd. De Chineezen koesteren eene afgodische vereering voor hunne voorvaderen en bewijzen hun zelfs een soort van eere dienst. Nu kwam de vraag voor de Jesuïeten en Dominicanen, die in China het Evangelie verkondigden, of de door de Chineezen gebruikte plechtigheden al of niet afgodisch waren. De eersten beschouwden die ceremoniën als onschuldig en meenden, dat zij geduld moesten worden; de laatsten waren over het algemeen van een ander gevoelen. Na de zaak onderzocht te hebben, veroordee 1de de Paus de Chineesche plechtigheden. De Jesuïeten onderwierpen zich aan de uitspraak van den H. Stoel, maar deze ongelukkige zaak, waarvan de behandeling ook wegens den grooten afstand tusschen China en Rome langen tijd had geduurd, bracht eene verkoeling teweeg tusschen den keizer van het Hemel-sche Rijk en de Kerk; deze verkoeling ging in haat over, en voor het einde der eeuw brak in China en Japan eene

ocr page 322

140

vervolging uit, welke den Katholieken godsdienst er bijna uitroeide.

PEST TE MARSEILLE fmoj).

Paus Clemens onderscheidde zich inzonderheid door de beoefening der naastenliefde; op het einde van zijn Pausschap vond hij eene zeldzame gelegenheid, om er een schitterend bewijs van te geven. In 1720 brak de pest te Marseille uit. Al wat rijk was , ontvluchtte de stad; de hospitalen waren zonder verplegers, de rechtbanken zonder rechters; zelfs vele overheden namen de wijk. „Vlucht ookzeide men tot den bisschop der stad , den onsterfelijken Belzunce. „ God beware mij er voor,quot; sprak de goede herder, „dat ik mijn volk verlate, welks vader ik moet wezen. Ik zal het beschermen, zelfs ten koste van mijn leven.quot; En de bisschop bleef te Marseille; zijn voorbeeld bemoedigde de geestelijkheid en deed heldendaden plegen, welke hemelschen troost schonken te midden der schrikbarende ellende. Clemens XI, getroffen door eene deugd, waarvan de glans geheel Europa trof, richtte twee breven tot den goeden herder, om hem geluk te wenschen en aan te moedigen; aan alle pestlijders schonk hij een vollen aflaat, en 2000 schepels graan zond hij naar Marseille , om in de dringendste behoefte te voorzien. Belzunce wijdde plechtig zijn diocees aan het H. Hart van Jesus, hield eene plechtige processie door de stad, waarvan de straten met pestlijders overdekt waren, en deed de belofte, dat ten eeuwigen dage jaarlijks zulk eene processie door de stad zou gehouden worden. Dit geschiedde den 1 November 1720; van dien dag af verminderde de hevigheid der ziekte, weldra hield zij geheel op, en er bleef niets van over dan de glorievolle herinnering aan de heldhaftige deugden, welke het Christendom weet te kweeken.

INNOCENTIÜS XIII (1721—1724) EN BENEDICTÜS XUI (1724—1730).

Innocentius XIII bekleedde slechts korten tijd den Pauselijken Stoel. Zijn opvolger Benedictus XIII moest zich op zijne beurt met het Jansenisme bezighouden. Ongelukkig vond hij niet veel medewerking bij de

ocr page 323

141

Fransche geestelijkheid. Deze, voor een goed deel door de Gallicaansche vooroordeelen besmet, verzette zich niet krachtig tegen de dwalingen van het Jansenisme; er waren zelfs bisschoppen, die zich het recht aanmatigden om wijzigingen te brengen in de liturgie der Kerk, wat alleen den Paus toekomt. Hierdoor gelukte het den Jansenisten zelfs hunne dwalingen in de wijze der godsdienstoefeningen te doen sluipen en hun afkeer van het dikwerf ontvangen der HH. Sacramenten en van de vereering der H. Maagd en de Heiligen een groot gedeelte des volks in te planten. Tegen deze goddeloosheden heeft vooral de H. Alphonsus de Ligi ori zich krachtig en in Italië met goeden uitslag verzet. In onze dagen is men in Frankrijk tot de liturgische eenheid teruggekeerd, en de gevaarlijke nieuwigheden der 11*° eeuw zijn uit den eeredienst der Kerk verdwenen. Benedic-tus XIII stierf in den ouderdom van 84 jaar.

CLEMENS XII (-1730—1740).

Hadden de voorgangers van dezen Paus de dwalingen van het Jansenisme leeren kennen, Clemens XII zag er de dwaasheden van. Zeker diaken, Pamp;ris geheeten, uit het diocees van Parijs, en die sterk voor het Jansenisme geijverd had, was gestorven; men maakte een heilige van hem. Zijne heiligheid bestond hoofdzakelijk hierin, dat hij de geloovigen zooveel mogelijk van de H. Tafel had verwijderd gehouden; zelf bracht hij twee jaar door, zonder de H. Communie te ontvangen. Hij werd begraven op het Parijsche kerkhof van St.-Médard. Eensklaps hoorde men spreken van mirakelen, welke door zijne voorspraak verkregen waren. Geheele scharen van men-schen trokken naar zijn graf, en hier zag men de grofste buitensporigheden; de dwaalgeesten geraakten in eene soort van verstandsverbijstering, lieten zich slaan met hamers en zelfs met degens en hoopten daarna de voorspraak van Pilris te zullen verwerven.

Ware het slechts bij deze bespottelijkheden gebleven, maar het graf werd ook een tooneel van onzedelijkheid.

ocr page 324

142

De aartsbisschoppen van Parijs en Sens veroordeelden de schandalen van het kerkhof van St. Médard, maar er werden helaas twee andere bisschoppen gevonden, die ze goedkeurden, hoewel Rome in streng afkeurenden zin gesproken had. Het burgerlijk gezag moest ten slotte optreden en, door het graf te sluiten, een einde maken aan de ergerlijke tooneelen.

BENEDICTUS XIV (1740—1758).

Benedictus XIV was een der geleerdste mannen van zijn tijd. Zijn Pausschap is merkwaardig door het groot aantal bullen of encyclieken , welke hij uitvaardigde, en waarmede hij misbruiken trachtte uit te roeien of nuttige zaken in te voeren. Deze groote Paus heeft als een gedenkteeken zijner diepe geleerdheid niet slechts een groot aantal beroemde werken nagelaten maar ook geleerde maatschappijen, welke hij instelde ter beoefening der Romeinsche en Christelijke oudheden. Door zijne gematigdheid en liefde tot den vrede wist hij eene oplossing te vinden voor verschillende moeielijkheden en zich zelfs door de vijanden van den godsdienst te doen eerbiedigen. Na zijn overlijden begon de vreeselijke storm te woeden, die de Euro-peesche maatschappij bijna ten ondergang bracht en ook het scheepje van Petrus zou medegevoerd hebben, hadde dit niet de Goddelijke belofte, welke het beschermt tot aan het einde der tijden.

CLEMENS XIII Cl 758—1769).

Clemens XIII, die reeds de Heilige genoemd werd, vóór hij den Pauselijken Stoel beklom, zag den storm aankomen. Gedurende geheel zijne regeering had hij te strijden tegen de vorsten en de philosofen, die met elkander tot den ondergang der Societeit van Jesus besloten hadden. Gelukkig werd hij getroost door de groote Heiligen, die gedurende zijn Pausschap aan de wereld de voorbeelden der schoonste deugden gaven. De arme Labre en de nederige Alphonsus van Liguori, gelijktijdig met Voltaire en Diderot levende en werkende, deden aan de volkeren

ocr page 325

148

van Europa het onderscheid zien tusschen de heldendeugd en de goddeloosheid.

CLEMENS XIV (1769—1774).

De dood bespaarde Clemens XIII den bitteren kelk, dien Clemens XIV tot den bodem moest ledigen. Na weerstand geboden te hebben, zoolang het mogelijk was, moest hij de Jesuïeten aan hunne vijanden opofferen; hij deed het slechts met de grootste smart en overleefde den slag niet lang, welken hij de Societeit van Jesus had moeten toebrengen. De vijanden der Jesuïeten vervolgden dezen nog na de opheffing hunner orde, met de bewering dat zij den Paus vergiftigd hadden. De afschuwelijke lastertaal, welke niet eens wederlegging verdiende, werd door de geneesheeren van den Paus zelf op de kaak gesteld.

ocr page 326

ZEVENDE TIJDVAK.

De Revolutie (IT'SQ—1895).

Het zevende tijdvak van de geschiedenis der Katholieke Kerk begint met de Fransche revolutie (1789) en is nog niet geëindigd, omvat dus tot heden een tijdvak van 106 jaar. Het zal in een hoofdstuk behandeld worden, dat zich zal bezighouden met de algemeene gebeurtenissen der Kerk.

EENIG HOOFDSTUK.

Zes afdeelingen: Pius VI en de Revolutie. — Pius VII en Napoleon I. — De Restauratie. — Gregorius XVI en de Juli-revolutie. — Pius IX en de Italiaansche revolutie. — Leo XIII.

§ I. Pius VI en de Revolutie (1789—1799).

EERSTE JAREN VAN HET PAUSSCHAP VAN PIUS VI.

Clemens XIV werd opgevolgd door Pius F7(1775—1799), die, toen hij gekozen werd, tot de kardinalen zeide: „ Eerwaarde Vaders, uwe taak is afgeloopen, maar de uitslag daarvan is ongelukkig voor mij!quot; De groote Opperpriester voorzag maar al te goed, wat hij te lijden zou hebben. De eerste jaren van zijn Pausschap gingen vrij kalm voorhij, en hij kon gewichtige hervormingen in zijne Staten invoeren, de hand slaan aan de droogmaking der Pontijnsche moerassen en het stoffelijk welzijn zijner onderdanen verzekeren. Maar de ongeloovige philosofie, welke zoo groote zegepraal had behaald door de opheffing der Societeit van Jesus, liet hem niet lang met rust. Keizer Joseph II, die in Duitschland regeerde, en zijn broeder Leopold, hertog van Toscane, lieten zich door die wijsbegeerte, welke naar den volslagen ondergang der Kerk streefde, leiden en voerden in hunne Staten de

ocr page 327

145

noodlottigste nieuwigheden in. Zij plaagden de kloosterorden, verminderden het aantal kloosters, maakten zich meester van een gedeelte der kerkelijke goederen en wilden de bisschoppen onafhankelijk van den Paus maken. Pius VI reisde naar Weenen, om den keizer aan te sporen zijn gedrag jegens de Kerk te veranderen. De tijding dezer reis bracht groote verbazing in geheel Europa. Sedert eeuwen had een Paus de Kerkelijke Staten niet verlaten. De reis van Pius VI geleek een triumftocht. Den 22 Maart 1782 deed hij zijn intocht te Weenen te midden eener ontelbare volksmenigte, die eerbiedig het hoofd boog onder zijn zegen. Joseph II deed eenige beloften, welke later niet gehouden werden, en zijn minister Kaunitz behandelde den Paus op onbeschofte wijze. Toen Pius VI hem de hand aanbood tot den handkus, schudde hij die op krachtige wijze en gewaardigde zich niet den Opperpriester te bezoeken. Joseph II kreeg weldra de straf voor zijne misslagen ; de Hongaren stonden tegen hem op en waren moeilijk tot onderwerping te brengen; de Oostenrijksche Nederlanden, ontevreden over 's keizers hardvochtige regeering en vervolging der Kerk, kwamen eveneens tot opstand en gingen voor altijd voor het Huis van Oostenrijk verloren. Dit verloor ook weinige jaren later het Duitsche Rijk, zoodat het slechts zijne erfelijke bezittingen overhield. De schismatieke beginselen van Joseph II zijn bekend onder den naam van Josephisme, hebben veel overeenkomst met het Gallicanisme en brengen zelfs tot op dezen dag in Oostenrijk hunne slechte vruchten voort.

DE FR4NSCHE REVOLUTIE.

De beginselen der ongeloovige philosofie deden in Frankrijk een ware Kerkvervolging ontstaan. De Nationale Vergadering, in 1789 bijeengeroepen om herstel aan te brengen van de rampen, welke het Rijk getroffen hadden, bracht even harde slagen aan den godsdienst als aan het koningschap toe. Zij beroofde de geestelijkheid en de Kerk van hare goederen en gaf daarvoor de eerste eene

10

2® Deel.

ocr page 328

146

vergoeding in den vorm van salaris; zij schafte de kloosters af, onder voorwendsel dat zij, die daarin leefden, niet vrij waren. De kloosters werden dus geopend, maar de kloosterlingen wilden de plaatsen van afzondering en gebed, welke zij zich gekozen hadden, niet verlaten. Met geweld moest men hen er dus uit verwijderen, en hunne volharding in de deugd werd voor de wereld een schouwspel van bewondering en voor den godsdienst een schitterende zegepraal. Nog verder ging de Nationale Vergadering; op eigen gezag verminderde zij het getal der bisdommen tot 83, overeenkomstig dat der departementen, waarin de vroegere provinciën van Frankrijk veranderd waren; zij schafte de kapittels der kathedralen af, schonk den kiesvereenigingen der departementen het recht om bisschoppen en pastoors te kiezen en onderhield met den H. Stoel eene gemeenschap, die meer schijn dan wezen had. Dit noemde men de burgerlijke constitutie der geestelijkheid, en de aartsbisschoppen en bisschoppen werden uitgenoodigd daarop den eed af te leggen (1791).

DE VERVOLGING.

Pius VI verklaarde, dat deze constitutie schismatiek, de benoeming der nieuwe bisschoppen waardeloos was, en de groote meerderheid der Fransche geestelijkheid weigerde den gevorderden eed af te leggen. Dit was het begin eener bloedige vervolging, welke vele jaren duurde. De kloosters werden geplunderd en op vele plaatsen verwoest , de inrichtingen, door de liefdadigheid voor armen en ongelukkigen gesticht, opgeheven; alle eeredienst werd verboden; ontelbare kerken, door de godsvrucht van vorige eeuwen gebouwd, werden van alles beroofd, ontheiligd of vernield; de kruisen, de overblijfselen der Heiligen , de gewijde vaten, de H. .Geheimen met voeten getreden en in het slijk vertrapt. Lodewijk XVI was niet alleen niet in staat om deze goddeloosheden te beletten maar werd op zijne beurt het slachtoffer der revolutionnairen, wien hij nooit iets anders dan goed gedaan had. Hij beklom 21 Januari 1793 het schavot en boette door zijn dood,

ocr page 329

147

welke den nakomeling van den H. Lode wijk waardig was, voor de misdaden zijner vervolgers. Eindelijk bereikte het kwaad sijn toppunt, toen men schaamtelooze vrouwen als godinnen der Rede op het altaar plaatste en haar goddelijke eer bewees (1793). Dit tijdvak der Fransche geschiedenis noemt men het Schrikbewind.

Zij, die deze gruwelen bedreven, spaarden zoo min het leven als den godsdienst en het eigendom hunner medeburgers. Deze menschen , die vrijheid, gelijkheid en broederschap tot leus hadden, gaven zich over aan de afschuwelijkste misdaden, aan de meest verregaande onrechtvaardigheden. De Septembermoorden (1792) zijn voor altijd berucht geworden in de geschiedenis. In de rivieren deed men duizenden menschen verdrinken, en honderdduizenden werden door de revolutionnaire rechtbanken terdoodveroordeeld, omdat zij den godsdienst beleden en het koningschap huldigden (1793—1794). Zoo vond het kruis van Christus na 1800 jaar nog beulen en bracht het nog martelaars voort.

Van de priesters, die aan de moorden hadden weten te ontkomen, werd het hoofd op prijs gesteld. Vervolgd met een haat, welke aan razernij grensde, door spionnen omringd, als wilde dieren opgejaagd, altijd den dood voor oogen hebbende, doorkruisten zij steden en dorpen en brachten aan de bewoners meestal des nachts de troostmiddelen van den godsdienst. Evenals bij de oude vervolgingen moest het Christendom de duisternis opzoeken; afgelegen huizen, hutten, bosschen, bergholen dienden Christus en Zijnen bedienaren tot schuilplaats, verbannen als zij waren uit de maatschappij der goddeloozen. Velen hunner werden het slachtoffer hunner Christelijke liefde en stierven op het schavot. Waar dit geschiedde, namen andere priesters de plaatsen der vermoorden in, zoodat in die dagen, waarin het belijden van den godsdienst een misdaad geacht werd, noch de godsdienst van zijne bedienaars noch de geloovigen van den godsdienstigen troost geheel en al verstoken waren,

ocr page 330

148

PIUS VI GEVANGENGENOMEN.

Onder het Directorium, dat in Frankrijk het Schrikbewind opvolgde, bedaarde de vervolging een weinig, maar nu richtte de revolutie hare aanvallen rechtetieeks op den Paus, die hare werken had veroordeeld. Door het verdrag van Tolentino, door den zegevierenden generaal Napoleon Bonaparte vastgesteld, werden den Paus de provinciën Ferrara, Bologna en Ravenna ontnomen (1797). Het volgende jaar werd te Rome de republiek uitgeroepen, en Pius VI werd de gevangene der troepen van het Directorium. Daar het zijnen vijanden gevaarlijk toescheen, dat hij te Rome bleef, voerde men hem achtereenvolgens naar Siëna, Florence, Parma, Turijn en eindelijk naar Frankrijk. Hier was de gevangen Opperpriester het voorwerp der treffendste vereering. Overal op zijn doortocht knielde men langs den weg; overal juichte men hem toe, in weerwil van de voorzorgsmaatregelen, door zijne vervolgers genomen, om zijne tegenwoordigheid geheim te houden, in weerwil van de straffen, waarmede men het volk bedreigde. Te Valence aangekomen, was de Doorluchtige gevangene zoo uitgeput, dat het onmogelijk was hem verder te vervoeren. Van zijn naderend einde verwittigd, sprak hij de geloofsbelijdenis uit, vergaf aan zijne vijanden, ontving de H. Teerspijs, nam een roerend afscheid van de weinige dienaren, die hem niet hadden willen verlaten, en stierf in den ouderdom van 81 jaar op den 29 Augustus 1799.

§ II. Pius VII en Napoleon (1800—1814).

VERKIEZING VAN PIUS VII.

Bij den dood van Pius VI riepen de philosofen vol vreugde uit, dat nu de laatste Paus gestorven was. Maar God heeft de Kerk beloofd, dat Hij bij haar zal blijven tot aan het einde der eeuwen en haar beschermen zal tegen de poorten der hel. De kardinalen waren overal verspreid, en niemand wist hoe of waar een Conclaaf zou kunnen gehouden worden. Bij God echter is niets onmo-

ocr page 331

149

gelijk. De legers van het Directorium leden de eene nederlaag na de andere; door de samenwerking van den keizer van het Duitsche Rijk, van het schismatieke Rusland en het Protestantsche Engeland werden de legers uit Italië verdreven, en de keizer van Duitschland beloofde het Conclaaf te zullen beschermen, aan welks bijeenkomst men eenige maanden te voren gewanhoopt had. Op zijn bevel kwamen de kardinalen te Venetië bijeen, dat, ver verwijderd van het oorlogstooneel, als een geschikte plaats voor het Conclaaf beschouwd werd. De kardinalen kozen den bisschop van Imola, die den naam van Pius VII (14 Maart 1800) aannam en eenige maanden later zijn zegevierenden intocht in Rome deed onder het gejuich der bevolking.

CONCORDAAT MET FRANKRIJK.

Na zijn tocht naar Egypte drong generaal Bonaparte opnieuw in Italië, en nu veranderde wederom de staat van zaken. Hij won den slag van Marengo, en men vreesde nu, dat hij den Paus zou behandelen, gelijk het Directorium gedaan had, doch de generaal stelde den H. Stoel gerust. Hij sloot met Pius VII een Concordaat, dat een einde maakte aan de vervolging, welke gedurende 12 jaren tegen de Kerk in Frankrijk gewoed had (16 Juli 1801). Uit eigen macht voegde Bonaparte eenige bepalingen er aan toe; deze werden de organieke artikelen genoemd, en hij wilde er dezelfde kracht aan toegekend hebben als aan die van het Concordaat; de H. Stoel heeft ze echter nooit willen erkennen. In weerwil van deze machtsoverschrijding kreeg de godsdienst de heerschappij terug met den glans zijner feesten, de bekoorlijkheid zijner deugden, het herstel zijner hiërarchie; en Pius VII, zijne welwillendheid tot het uiterste willende voeren, kwam persoonlijk de kroning bijwonen van keizer Napoleon I (Bonaparte) in de metropolitaankerk van Parijs (2 December 1804).

GEVANGENSCHAP VAN PIUS VII (1800—1814).

De vijanden der Kerk, die met leede oogen het herstel der goede betrekkingen tusschen den Paus en Napoleon

ocr page 332

150

gezien hadden, spanden alle pogingen in, om die verstandhouding te verbreken, en den ongeloovigen en godde-loozen schrijvers gelukte het den keizer tegen den H. Stoel in te nemen. Daarbij kwamen verschillende gebeurtenissen, die Napoleons hoogmoed pijnlijk aandeden: Pius VII verklaarde de organieke artikelen ongeldig, wilde een huwelijk van een broeder des keizers, Jeröme Bonaparte, niet verbreken, wees de beschikkingen af, welke Napoleon maakte betreffende de samenstelling der geestelijkheid van Italië, en weigerde den oorlog te verklaren aan Napoleons vijanden. Weldra drong een Fransch leger Rome binnen; de stad werd tot eene keizerlijke en vrije verklaard en de Paus gevankelijk weggevoerd naar Savona (1809).

Van Savona leidde men Pius VII naar Pontainebleau nabij Parijs, en hier bleef de Paus bijna vijf jaren verstoken van alle gemeenschap met de Kerk. In zijne gevangenschap legde hij onderwerping aan Gods Wil en eene buitengewone zachtmoedigheid aan den dag. De straf des hemels trof ook nu den vervolger van Gods Kerk. Een krijgstocht, door Napoleon naar Rusland ondernomen, eindigde met de vreeselijkste rampspoeden, en toen daarna geheel Europa zich tegen hem wapende, deed hij afstand van den troon (1 April 1814).

TERUGKOMST VAN PIUS VII TE ROME (1814).

Pius VII kreeg nu zijne vrijheid terug en keerde naar zijne Staten weder. Den 12 Mei kwam hij te Ancona, waar hij met onbeschrijfelijke geestdrift ontvangen werd. Den 14 vertrok hij naar Osimo, en eene eerewacht vergezelde hem tot Loreto. Op zijne reis gaf hij bevel, dat mevrouw Letitia, moeder van Napoleon, die een schuilplaats te Rome gezocht had, met welwillendheid zou bejegend worden, en kardinaal Fesch, oom van Napoleon, behandelde hij met buitengewone goedheid. Den 24 Mei hield Pius VII zijn intocht in Rome. De geheele stad juichte haren Vorst en Vader toe. Een der heeren, die zich aan het gezag des Pausen vergrepen had, kwam hem

ocr page 333

151

vergiffenis vragen. „ En Wij danriep Pius VII op levendigen toon, „ gelooft gij, dat Wij ons geen enkele fout te verwijten hebben? Laat ons alles vergeten wat er gebeurd is.quot; Aldus won de Opperpriester aller harten. De terugkomst van Napoleon in Frankrijk en zijne regeering van 100 dagen gingen als een stormwind voorbij. Murat overrompelde de Staten des Pausen, die zich naar Genua begaf maar weldra in zijne stad terugkeerde. Zooals hij voorspeld had , duurde de storm nauwelijks drie maanden. Nu werd de vrede voor eenigen tijd aan de Kerk teruggeschonken.

§ III. De Restauratie.

Zoo noemt men het korte tijdvak van den val van Napoleon tot aan de Franscbe Juli-revolutie van 1830, waarin de opstand schijnbaar bedwongen werd, en de Vorsten de Staten terugkregen, welke hun ontnomen waren. Pius VII kon zich nu bezighouden met het herstel der rampen, welke de Kerk getroffen hadden. Hij herstelde de Societeit van Jesus en sloot concordaten met verschillende regeeringen, die zich jegens den Katholieken godsdienst gunstig gezind toonden. Welwillend ontving hij de verbannen leden der familie Bonaparte en zond den stervenden Napoleon op St. Helena een laatsten zegen. Maar reeds begonnen de geheime genootschappen, die de omverwerping der Kerk en van alle gezag ten doel hebben, in Italië den goddeloozen arbeid, welke tot nieuwe revo-lutiën zou leiden. Plechtig veroordeelde Pius VII de beginselen der Carbnnari, een der gevaarlijkste secten uit de vrijmetselarij, omdat zij streeft naar de vestiging eener algemeene wereldrepubliek met vernietiging van het Pausdom en het koninklijk gezag. De Paus overleed in den ouderdom van 81 jaar in 1823.

LEO XII (1823—1829;.

Hij werd opgevolgd door Leo XII. De verkiezing van dezen Paus verheugde allen, die zijne deugden en ver-

ocr page 334

152

heven eigenschappen kenden. Reeds spoedig waarschuwde hij tegen de gevaren der godsdienstige onverschilligheid en der Protestantse he bijbelgenootschappen, die overal ver-valschte Bijbels trachtten te verspreiden. Ook vaardigde hij strenge bepalingen uit tegen de vrijmetselaars en de carbonari, moedigde de missiën aan, welke nu een nieuwe vlucht namen en het Evangelie brachten tot aan de uiterste grenzen der aarde. Eindelijk sloot hij nieuwe concordaten, roeide verschillende misbruiken uit, ontstaan in de Spaansche koloniën in Zuid-Amerika, en werkte zonder ophouden aan de staatkundige en godsdienstige vrijmaking der Engelsche Katholieken; dezen plukten de vruchten van den arbeid des Pausen weinige maanden na zijn dood. in 1829.

PIUS VIII (1829—1830).

Het Pausschap van Pms VIII duurde slechts 20 maanden. Toch deed hij veel tot heil der Kerk en der burgerlijke maatschappij. Hij verfraaide Eome en deed alom rust heerschen in zijne Staten in weerwil van de woelingen der vrijmetselaars. Ook hield hij zich bezig met het buitenland, vooral met Frankrijk en Duitschland. In dit laatste land was de toestand inzonderheid treurig te Frey-burg en in Breisgau, waar de regeering op het gebied der Kerk trad, zonder dat de geestelijkheid er zich met alle kracht tegen verzette. Pius VIII schreef brieven aan de bisschoppen van Preyburg, Mainz, Limburg en Fulda, om hen aan hunne plichten te herinneren. In Frankrijk werd de troon der Bourbons door de Juli-revolutie van 1830 omvergeworpen, en de geestelijkheid raadpleegde den Paus over den eed, welken de nieuwe regeering, die der Orleanisten, kon eischen. De Paus antwoordde, dat de eed van trouw aan de gevestigde regeering kon afgelegd worden. Dit was een der laatste daden van den Paus; hij overleed den 30 November 1830.

ocr page 335

153

§ IV. Gregorius XVI en de Juli-revolutie.

De Juli-revolutie, het werk eener partij, welke zich onderscheidde door haren haat tegen het Katholicisme, deed vreezen, dat voor de Kerk de kwade dagen der vorige eeuw weder zouden aanbreken. Geheel Frankrijk verkeerde in een staat van beroering; allerlei sekten ontstonden, waarvan sommige eene nieuwe Pransche kerk wilden stichten. Katholieke schrijvers als Lamennais dwaalden af op verkeerde wegen en werden de verspreiders van het ongeloovig liberalisme. In Duitschland, Polen, België en weldra Spanje waren eveneens de hartstochten ontketend; Italië stond in vuur en vlam, en de opstand verspreidde zich in den Kerkelijken Staat van Bologna tot aan de poorten van Rome (1831). Met bewonderenswaardigen moed bood Gre-gorius XVI (1831—1846), toen hij Paus geworden was, het hoofd aan al de vijanden der Kerk. Door Oostenrijk geholpen, herstelde hij de orde in zijne Staten en voerde vervolgens allerlei nuttige hervormingen in. Hij bevorderde de studie der oudheidkunde, vergrootte de Vaticaansche bibliotheek, stichtte nieuwe museums, belastte de Jesuïeten met de leiding der Propagande en benoemde o. a. de twee kardinalen Angelo Mai en Mezzofanti, die om hunne geleerdheid een Europeesche vermaardheid hadden. Mezzofanti werd het taalwonder genoemd; hij kende bijna alle talen der wereld.

REGEERING VAN GREGORIÜS XVI.

Het bestuur der Kerk liet dezen Paus in de moeilijke tijdsomstandigheden geen oogenblik rust. Hij veroordeelde de leerstellingen van den beruchten Lamennais, die door den hoogmoed tot geloofsafval gevoerd werd, en vaardigde een bewonderenswaardigen Algemeenen Zendbrief (Encycliek) uit, waarin hij de dwalingen des tijds aantoonde en op de gevaren wees, welke de maatschappij bedreigden. Met kracht streed hij tegen de Pruisische regeering, om de leer der Kerk te handhaven over de gemengde huwelijken, d. w. z. de huwelijken tusschen Katholieken en Protestanten; bij deze gelegenheid verwierf Mgr. Droste von Vise her ing,

ocr page 336

154

aartsbisschop van Keulen, zich een onsterfelijke eer door de verdediging der Kerkelijke leer en zijn geduld in de vervolgingen, waaraan hij blootstond. De Paus streed voor de vrijheid der Kerk in Spanje, Portugal en Frankrijk en veroordeelde krachtig de aanvallen der Russische regeering op het geloof der Polen. Toen in December 1845 de Russische keizer Nicolaas naar Rome kwam en een onderhoud met den Paus had, sprak deze tot hem met eene apostolische vrijheid en een moed, welke de bewondering voor den SOjarigen grijsaard moesten opwekken, en telde achtereenvolgens al de vervolgingen op, welke de Katholieke Polen van de zijde van Rusland te lijden hadden. De machtige keizer boog het hoofd voor het woord van dezen grijsaard, die een taal tot hem voerde, waaraan hij niet gewoon was. Hij deed beloften van beterschap maar hield die niet en werd in den oorlog van 1856 voor Sebastopol en elders op vreeselijke wijze door God voor zijne vervolgingen der Kerk gestraft.

DE MISSIËN.

Aan deze schonk Gregorius XVI een hoogen bloei. Dit heerlijke werk, door Christus aan de Kerk toevertrouwd, toen Hij tot de Apostelen zeide: Gaat en onderwijst alle volken! is door alle eeuwen voortgezet. Iedere eeuw had hare missionarissen en hare zegenrijke oogsten van bekeerde heidenen. In de 18'' eeuw hadden de missiën minder vruchten opgeleverd dan in de twee vorige, maar toen de Fransche revolutie een groot aantal geestelijken Frankrijk uitdreef, en dezen zich in alle werelddeelen verspreidden, nam het missiewerk een nieuwe vlucht, en toen de vrede aan de Kerk teruggeschonken werd , kreeg het geen kleinen steun door het Genootschap tot voortplanting des geloofs, te Lyon in 1822 opgericht, en dat millioenen schats in de verschillende landen van de geloovigen ontving, om daarmede den missionarissen hunnen heilrijken arbeid mogelijk te maken. Tot op dezen dag werkt dat Genootschap met den besten uitslag in alle deelen der wereld.

ocr page 337

155

§ V. Pius IX en Napoleon III.

BEGIN VAN HET PAUSSCHAP VAN PIUS IX.

Toen Paus Gregorius XVI stierf (1 Juni 1847), verhieven zich nieuwe stormen tegen het scheepje van Petrus. God zond het een stuurman , geschikt om het in de grootste moeilijkheden te besturen: Pius IX beklom den Pauselijken Stoel. Geboren te Sinigaglia den 13 Mei 1792, werd hij priester gewijd te Rome den 11 April 1819, tot bisschop van Spoleto benoemd den 21 Mei 1827, tot aartsbisschop van Imola den 17 December 1832 en tot kardinaal den 14 December 1840. Zijne verheffing op den Stoel van Petrus verwekte algemeen gejuich; sedert lang kende het Romeinsche volk zijne goedheid, zijne zachtmoedigheid en zijn ijver voor den godsdienst; als bij instinct begreep de geheele wereld, dat zijn Pausschap een van de glorierijkste der Kerk zou zijn. Nooit is een Paus te Rome en in alle landen der wereld meer bemind dan Pius IX, zelfs door ketters, scheurmakers en ongeloovigen; nooit verwekte een Paus bij zijne troonsbestijging meer hoopvolle verwachtingen. Hij toonde zich het eerste altijd waardig, met hoeveel ondankbaarheid zelfs zijne edelmoedigste daden werden beloond; hij stelde de laatste niet teleur, welke tegenkanting hij ook vond op zijne edelste pogingen.

Zoodra hij Paus geworden was, zond hij een vaderlijke uitnoodiging aan de schismatieken van het Oosten, om hen tot de eenheid der Kerk terug te brengen, en vestigde een Latijnschen patriarch te Jerusalem; met kracht arbeidde hij aan het herstel der tucht in de kloosters, waar zij verzwakt was. Als koning voerde hij gewichtige staatkundige hervormingen in, schonk aan zijne onderdanen alle vrijheden, welke met de souvereiniteit van het Hoofd der Kerk vereenigbaar waren, en verleende vrijspraak aan allen, die zich verzet hadden tegen het burgerlijk gezag van den H. Stoel. Maar zij, die hervormingen gevraagd hadden , wilden zich er slechts van bedienen, om de tijdelijke macht des Pausen, zijn Koningschap, en daarna zijn geestelijk gezag te vernietigen. Hoe meer de

ocr page 338

156

Paua toestond, des te meer eischten zij , en terwijl zij hem het Hosanna toezongen, hadden zij geen ander plan dan om hem te kruisigen.

REVOLUTIE TE ROME (1848).

De revolutie te Parijs van 24 Februari 1848, welke koning Louis Philippe van Orleans van den troon wierp, had ook een noodlottigen invloed op de gebeurtenissen in Italië. Graaf Rossi, de eerste minister van Pius IX, werd door eene bende samenzweerders vermoord (15 November 1848); een secretaris des Pausen, Mgr. Palma, werd in het Quirinaal zelf, het paleis door den Paus bewoond, gedood. Er was nu voor Pius IX zelf in Rome geen vrijheid ot veiligheid meer. Heimelijk verliet hij de stad (24 November 1848) en vluchtte naar Gaëta, waar de Napelsche koning Ferdinand II hem edelmoedig ontving. Rome, nu onder het schrikbewind der geheime genootschappen gebracht, werd eene republiek, en een driemanschap van goddelooze mannen verving het zoete oppergezag des Pausen.

De tijding van deze verfoeilijke aanslagen vervulde de geheele Katholieke wereld met ontzetting. De koning van Napels, de koningin van Spanje, de keizer van Oostenrijk en de president der Fransche Republiek Napoleon III, een neef van Napoleon I, vereenigden zich met elkander, om het schrikbewind te Rome te doen ophouden en Pius IX op zijn troon te herstellen. Frankrijk kreeg de eervolle taak, om voor den Paus op te treden. Er trok een sterk Fransch leger naar Rome, dat de stad belegerde en haar den 3 Juli 1849 innam. Garibaldi, die de verdediging der oproerlingen geleid had. vluchtte naar Engeland. De Paus werd uitgenoodigd naar zijne stad terug te keeren, en den 12 April 1850 deed hij zijn intocht onder het gejuich des volks, dat gedurende zijne afwezigheid veel geleden had.

TIJDVAK VAN RUST '1850—1858J.

Nu brak een lang tijdvak van rust en zegepraal voor de Kerk aan. Door Pius IX, die zich nu onverdeeld aan

ocr page 339

157

de belangen van den godsdienst wijden kon, werden een groot aantal aartsbisdommen en bisdommen opgericht in de Vereenigde Staten en in andere landen van Amerika. Hij herstelde de Kerkelijke hiërarchie in Engeland (1852), door den goddeloozen Hendrik VIII onderbroken, en schonk het land 13 bisdommen, onder het aartsbisdom Westminster, waarvan de beroemde en geleerde kardinaal Wiseman, in 1865 overleden, de eerste aartsbisschop werd.

Aan Nederland viel hetzelfde geluk ten deel. Driehonderd jaren, van 1572 af, hadden onze vaderen gezucht onder de schandelijke verdrukking van het Protestantisme. Fre-derik Schenk van Tautenburg was de laatste aartsbisschop van Utrecht geweest (1578), en al de overige bisschoppen in ons land waren van hunne zetels verjaagd. De Fransche revolutie, ook in ons land zegepralend, schafte hier den Staatsgodsdienst af, gaf vrijheid van godsdienst en verloste de Katholieken althans in naam van de verdrukking , waaronder zij zoo lang geleefd hadden. Het duurde echter nog wel 50 jaar, nl.. tot in 1848, eer die naam een daad werd. Toen werd door de nieuwe grondwet des Rijks niet alleen de vrijheid van godsdienst ook voor de Katholieken erkend, maar tevens werden verschillende bepalingen gemaakt, waardoor die vrijheid hun voor goed verzekerd werd. En nu haastte zich Pius IX van de gunstige gelegenheid gebruik te maken, om de hiërarchie in Nederland te herstellen (1853), en ons te geven het aartsbisdom Utrecht met de bisdommen Haarlem, 's-Bosch, Breda en Roermond. Mgr. Joannes Z wij sen was de eerste aartsbisschop van Utrecht na het herstel der hiërarchie.

Voorts sloot Pi us IX onderscheidene concordaten met Spanje , Costa-Rica, Guatemala enz., ter bevordering van de vrijheid en den invloed der Kerk.

DE ONBEVIiEKTE ONTVANGENIS.

Maar de onsterfelijke gloriekroon, welke het eerbiedwaardig hoofd van Pius IX versiert, heeft hij te danken aan zijne dogmaverklaring der Onbevlekte Ontvangenis der Allerheiligste Maagd. Van de eerste eeuwen der Kerk

ocr page 340

158

af hadden de geloovigen de leer beleden, dat de H. Maagd vrij is gebleven van de smet der erfzonde, en zij zich nimmer ook maar aan de kleinste dadelijke zonde heeft schuldig gemaakt. „Ter wille van Gods eer,quot; sprak reeds de H. Augustinus, „moet men den naam van Maria niet noemen, als er gesproken wordt over zonde.quot; Het feest der Onbevlekte Ontvangenis van Maria werd vroegtijdig in de Oostersche kerk gevierd; het Westen volgde dat vrome gebruik na, en de Pausen bevorderden met alle kracht de voortplanting van een geloofspunt, dat de waarheid uitdrukte, maar waarvan naar hun oordeel de tijd nog niet gekomen was, om het plechtig tot een dogma te verklaren. De waarheid was trouwens niet twijfelachtig, want het werd verboden met woord of geschrift het leerstuk der Onbevlekte Ontvangenis te bestrijden, en in den canon betreffende de erfzonde sloot het Concilie van Trente nadrukkelijk den naam van Maria uit. Pius IX nu oordeelde, dat de tijd gekomen was, om de leer, die altijd door de Kerk beleden was, plechtig als dogma af te kondigen. Na de geheele Kerk uitgenoodigd te hebben het licht des H. Geestes door een vurig gebed af te smeeken, na uit de antwoorden van al de bisschoppen der wereld, die hij verzocht had hun gevoelen te verklaren over het leerstuk der Onbevlekte Ontvangenis, gezien te hebben, dat de geheele Katholieke Kerk dit leerstuk beleed, riep hij de bisschoppen te Rome bijeen en sprak in hun midden op 8 December 1854 de plechtige dogmaverklaring van de Onbevlekte Ontvangenis der H. Maagd uit. De geheele Kerk vierde deze verheerlijking van Gods Moeder, de gezegende onder de vrouwen, door een reeks van feesten, welke een jaar duurden, en ook ons vaderland nam op schitterende wijze aan die onvergetelijke feesten deel.

NIEUWE BEPEOEVINGEN.

Door de geheele Katholieke wereld bemind en geëerd als misschien nimmer een Paus vóór hem, spande Pius IX onophoudelijk zijne krachten in om de Verwoestingen,

ocr page 341

159

door de revolutie aangericht, te herstellen, de volken, die onder zijn schepter leefden, gelukkig te maken, het geloof voort te planten, de waarheid te verkondigen en de rechten der Kerk te verdedigen. Dit verdroot de vijanden van den H. Stoel. Victor Emmanuel, koning van Sardinië, door keizer Napoleon en de geheime genootschappen aangespoord, viel den keizer van Oostenrijk aan, en met behulp der Fransche wapenen hem van zijne bezittingen in Italië beroofd hebbende, ontnam hij den Paus wederrechtelijk een gedeelte van diens Staten. Hiervoor werd hij met de excommunicatie getroffen (26 Maart 1860), en niet alleen hij maar ook allen, die aan de berooving der Kerk medeplichtig waren. De Paus verzamelde nu een leger van Zouaven, die hem uit verschillende landen der wereld, ook uit Nederland, te hulp snelden, en plaatste dit onder bevel van een Franschen generaal, De Lamoriciere geheeten. Doch het werd te Castelfidardo door het Piemonteesche leger verslagen, nadat de rooverhoofdman Garibaldi in naam van Victor Emmanuel Napels veroverd had. Nu werden nieuwe gewesten aan den Paus ontnomen, en deze was aan alle kanten door zijne vijanden ingesloten.

Maar Rome was nog door een Fransch leger bezet en beschermd. Napoleon echter, die huichelachtig beweerde onschuldig te zijn aan de geweldenarijen van Victor Emmanuel, sloot met dezen in 1864 eene overeenkomst, de September-conventie geheeten, volgens welke de Fransche troepen binnen een bepaalden tijd Rome verlaten zouden. In dezen toestand deed Pius IX nogmaals een beroep op de Katholieke wereld, en duizenden jongelingen snelden naar Rome en namen als Zouaven dienst in het Pauselijk leger. En aangezien door de beroovingen, waarvan de Paus het slachtoffer was, de inkomsten van den H. Stoel belangrijk waren verminderd, en het onderhoud van het leger groote uitgaven eischte, werd de St. Pieterspenning , een zeer oude instelling in de Kerk maar sedert lang in onbruik geraakt, weder ingevoerd, en schatten gouds werden langs dezen weg door de Katholieken

ocr page 342

160

uit alle deelen der aarde voor den Paus bijeengebracht.

Maar hoe moeielijk deze beproeving voor de Kerk en den Paus ware, ook schitterende lichtpunten vertoonden zich in dit jammerlijk tijdperk. Honderden bisschoppen snelden in 1862 naar Rome, om den Paus te troosten, en in hun midden sprak hij de heiligverklaring uit der martelaars van Japan (8 Juni); op den 8 December 1864 vaardigde hij den beroemden Syllabus uit, een lijst van 80 stellingen, waarmede hij even zoovele dwalingen van onzen tijd veroordeelde; in 1867 snelden opnieuw meer dan 500 bisschoppen naar de Eeuwige Stad, om met den beminden Paus het IS11' eeuwfeest te vieren van den marteldood der HH. Petrus en Paulus, en door hen allen omringd, sprak hij de heiligverklaring uit der 19 HH. Martelaren van Gorcum (29 Juni), die in 1572 te Brielle door de Nederlandsche Geuzen gemarteld waren om hunne onwrikbare belijdenis en verdediging van het Katholiek geloof.

Was Pius IX de martelaar der Italiaansche revolutie, deze martelaar was een held der Kerk en verbaasde de wereld door zijne zegepralen. Tot aan de grenspalen der aarde werd zijn naam dan ook als die van een heilige vereerd.

HET VATICAANSCH CONCILIE.

De gebeurtenissen volgden elkander met wonderbare snelheid op. Reeds in 1866 verlieten de Franache troepen de Pauselijke Staten, en Pius IX werd nu alleen door de Zouaven tegen de revolutie beschermd. Dezen kweten zich met heldenmoed van hun taak. Even onverschrokken verpleegden zij de bewoners der steden en des plattelands, die door de cholera aangetast werden, als zij de Garibaldisten bestreden, die overal plunderden, moordden en de verfoeilijkste heiligschennissen pleegden. Met hen kwam het eindelijk tot een beslissenden strijd in de velden van Mentana, en hier behaalden de Zouaven eene schitterende overwinning. Garibaldi werd volkomen verslagen en ging zijne schande op de vlucht verbergen. Ter elfder ure waren de Zouaven gesteund door een Fransch

ocr page 343

161

leger, door Napoleon afgezonden, die niet langer doof durfde blijven voor de klachten der Fransche Katholieken; zij verschenen op het slagveld, toen de Zo.uaven de zege bijna bevochten hadden, en hielpen die voltooien.

Nu had Pius IX weder eenigen tijd rust, en hij haastte zich het plan uit te voeren, dat hij sedert lang had opgevat, een plan, waarvan niemand de verwezenlijking mogelijk scheen. Hij beriep nl. tegen den 8 December 1869 al de bisschoppen der wereld naar Rome tot een oecumenisch Concilie. Het laatste, dat van Trente, had 300 jaar geleden plaats gehad. Deze tijding verwekte eene groote vreugde in de Katholieke wereld, en de vereering van Pius IX nam zoo mogelijk nog toe. De bisschoppen kwamen op den bepaalden tijd bijeen en vergaderden tot den 18 Juli 1870. Zij veroordeelden onderscheidene dwalingen van onzen tijd en spraken op genoemden dag als de leer der Kerk uit, dat de Paus, als leeraar der Kerk optredende, door de voorlichting en den onmiddellijken bijstand van den H. Geest onfeilbaar is, als hij uitspraak doet in zaken van geloof en zeden. Deze uitspraak, even als de overige handelingen van het Concilie door den Paus bekrachtigd, bracht den laatsten slag toe aan het Jansenisme en het Gallicanisme en bevestigde het Pauselijk gezag op het oogenblik, dat de wereld er de grootste behoefte aan had.

GEVANGENSCHAP VAN PIÜS IX.

Nadat het Concilie deze beroemde uitspraak had gedaan, werd het geschorst. Het had zijne taak nog niet volbracht, doch de tijdsomstandigheden noodzaakten den Paus het Concilie te verdagen, tot tijden van rust en vrede zouden zijn teruggekeerd. Plotseling toch was een oorlog tusschen Frankrijk en Pruisen uitgebroken , en Napoleon gebood den Franschen troepen, die nog in de nabijheid van Rome lagen, onmiddellijk naar hun vaderland terug te keeren. Nu haastte Victor Emmanuel zich zijne gruwelijke heiligschennis te voltooien. Met een sterk leger liet hij de Staten, welke den Paus nog overgebleven waren, overstroomen en deed

2' DKEL, 11

ocr page 344

162

Rome belegeren. De Zouaven wilden de stad verdedigen, zelfs met hun laatsten druppel bloeds, doch zoodra de Piemonteezen een bres in den muur bij een der poorten hadden geschoten en daardoor aan de wereld het geweld hadden doen zien, dat zij pleegden, gebood Pi us IX, dat zijne soldaten de wapens zouden nederleggen, en het leger van den Rooverkoning trok de stad der Pausen binnen (20 September 1870). Maar op dienzelfden dag werd Parijs door de Pruisen ingesloten, en Napoleon was reeds gevankelijk uit zijn land gevoerd. Zoo strafte God den huichelaar, die zich aan den Paus vergrepen had. Pius IX sloot zich nu in het Vaticaan als in eene gevangenis op, en deze gevangenschap des Pausen duurt tot op dit oogenblik voort. De H. Vader kan zijne woning niet verlaten en zich in Rome vertoonen, zonder door de zegepralende revolutie bespot en gehoond te worden, en hieraan mag hij de waardigheid van zijn Paus- en Koningschap niet blootstellen.

DE OUD-KATHOLIEKEN.

Door de geheele Katholieke wereld werden de besluiten van het Vaticaansch Concilie met eerbied aangenomen; slechts in Duitschland openbaarde zich verzet, vooral tegen het leerstuk der Pauselijke onfeilbaarheid. Twee mannen, Döllinger, hoogleeraar aan de hoogeschool te Munchen, en Reinkens, priester te Breslau, verhieven de vaan des oproers en slichtten de sekte der Oud-Katholieken. De Jansenisten uit Nederland traden met hen in gemeenschap, en te Rotterdam werd Reinkens door twee Jansenistische bisschoppen tot bisschop gewijd. Döllinger werd door den aartsbisschop van Munchen geëxcommuniceerd. De sekte der Oud-Katholieken maakte veel rumoer, vereenigde zich met de weinige priesters, die onder aanvoering van den priester Herzog, later eveneens tot bisschop gewijd, in Zwitserland tegen de Kerk opstonden, doch bleek al spoedig alle levenskracht te missen, hoezeer zij ook door den prins Von Bismarck, kanselier van het Duitsche Rijk, gesteund werd. Deze wilde door haar eene nationale Katholieke kerk stichten.

ocr page 345

163

om de Duitsche Katholieken van de Kerk los te scheuren, doch ondervond spoedig, dat de sekte daartoe onbruikbaar was. Nu trad hij zelf tegen de Kerk op en begon haar op het hevigst te vervolgen. De strijd tusschen Von Bismarck en de Katholieken, welke nu ontstond, heeft den naam van Cultuurkamp gekregen, en de wetten, welke hij tegen hen in het leven riep, worden Meiwetten genoemd, omdat de voornaamste in die maand gemaakt werden. Hij beroofde de Katholieke geestelijken van het schooltoezicht, wilde hen, die zich tot den geestelijken stand voorbereidden, dwingen eene Staatsuniversiteit te bezoeken, verjoeg de Jesuïeten en andere geestelijke orden uit Duitschland en dreef bisschoppen en priesters, die hem niet wilden gehoorzamen, in ballingschap. Honderden parochiën werden van hunne pastoors beroofd, honderden kloosters gesloten; onderscheidene bisschoppen vluchtten naar het buitenland.

DROEFHEID EN VREUGDE VAN PIUS IX.

Dat alles vermeerderde niet weinig het lijden van Pius IX, doch hij verdroeg het met engelengeduld. Hij prees de deugd en den heldenmoed der Duitsche Katholieken, steunde hen, waar hij kon, en trad krachtig op tegen de Duitsche regeering, welker vervolging hij haar in scherpe woorden verweet. Doch te midden van al die rampen schonk God hem dagen van geluk. Op den 8 December 1870 verhief hij den H. Joseph tot algemeenen patroon der Kerk en vierde onder de hartelijke en opgetogen deelneming der geheele Katholieke wereld op 16 Juni 1871 het feest van zijn 25-jarig Pausschap, een feest, dat na den H. Petrus door geen enkelen Paus gevierd was. Op den 16 Juni 1875 wijdde hij, in de dagen der hevige vervolging, de geheele Kerk aan het Goddelijk Hart van Jesus toe en vierde den 21 Mei 1877 zijn gouden bisschopsfeest. Maar hiermede waren de dagen van Pius IX vervuld. God wilde een leven beloonen, dat op zoo heerlijke wijze aan Hem gewijd en door de ver-hevenste daden en de schoonste deugden versierd was.

ocr page 346

164

De groote Paus, de onsterflijke Pius IX stierf op den 7 Februari 1878, in den ouderdom van ruim 85 jaar.

§ VI. Leo XIII.

Hij werd door een grooten Paus opgevolgd. Reeds op den 20 Februari 1878 werd kardinaal Joachim Pecci door het Conclaaf gekozen, en hij nam den naam aan van Leo XIII. Hij werd Paus en tegelijk gevangene, want evenmin als Pius IX kon hij het Vaticaan verlaten, toen hij er eenmaal zijn intrek had genomen. Op 2 Maart 1810 geboren, was hij bijna 68 jaar oud, toen hij op den H. Stoel verheven werd. Na geprotesteerd te hebben tegen de berooving der Kerkelijke Staten en de aanranding van de vrijheid en onafhankelijkheid van den H. Stoel, sloeg hij al dadelijk zijn arendsblik over de wereld en verrichtte de eene groote daad na de andere. Al spoedig herstelde hij de hiërarchie in Schotland, zooals hij in 1891 die in Tunis herstellen zou. Hij moedigde de Duitsche Katholieken aan, in hunne houding tegenover de onrechtvaardige Meiwetten te volharden, en nu Bismarck zag, dat ook deze Paus niet te dwingen viel, begon hij allengs de Kerkvervolging te staken en deed de eene wet na de andere intrekken. Zelfs werden de betrekkingen tus-schen den H. Stoel en de Duitsche regeering in zoo gunsti-gen zin hersteld, dat Bismarck den Paus uitnoodigde als scheidsrechter op te treden in een geschil, dat hij met Spanje had over de Carolinen-eilanden. Thans in (1895) zijn bijna alle Meiwetten ingetrokken, en bestaan nog alleen de voor de Katholieken ongunstige wijziging der Grondwet en de verbanningswet tegen de Jesuïeten. Ook met de Zwitsersche regeering herstelde de Paus de goede betrekkingen, en weldra verkeerde hij met alle Mogendheden, zelfs met Engeland en Rusland, op den vriend-schappelijksten voet.

Bij dit alles arbeidde de Paus krachtig aan verschillende kerkelijke zaken. Vooral hield hij den blik op het Oosten gericht en deed herhaalde pogingen om de schismatieken

ocr page 347

165

met de Kerk te vereenigen. De Slavische volken herinnerde hij aan de HH. Cyrillus en Methodius, die hun het Katholiek geloof gebracht hadden; de schismatieken in Syrië en elders in het Oosten noodigde hij herhaaldelijk uit naar den éénen schaapstal terug te keeren.

Daarenboven bevorderde hij niet weinig het werk der missiën. In Amerika en Australië stichtte hij tal van bisdommen, om den missiën nieuwe kracht te geven. In Afrika ondersteunde hij den kardinaal Lavigerie, dien hij tot primaat van dat werelddeel benoemde, en bepaalde o. a. dat jaarlijks op den feestdag van HH. Driekoningen in alle Katholieke kerken der wereld eené collecte voor de missiën zou gehouden worden; ook in Azië wist zijn machtige geest steeds nieuwe hulpbronnen voor de missiën te vinden.

DE PAUS DER ENCYCLIEKEN.

Geen Paus wellicht heeft zooveel Encyclieken geschreven als Leo XHI, en uit die talrijke stukken alleen blijken reeds zijne groote geleerdheid, zijn ijver voor het heil der zielen, zijn zorg voor Gods Kerk. Hij schreef er een, waarin hij de studie aanbeval van de wijsbegeerte van den H. Thomas, en benoemde dien Heilige tot patroon der hoogescholen; hij richtte er een tot de vorsten en volken, om de goede beginselen te doen kennen, waarop de staatkunde rusten moet. Hij schreef Encyclieken, waarin hij de patroons en de werklieden wees op hunne plichten en rechten, de bisschoppen van Brazilië aanspoorde den slavenhandel te bestrijden, de Grieksche schismatieken en de Engelsche Protestanten tot terugkeer tot de Kerk uitnoodigde, het bidden van den H. Rozenkrans aanbeval, de derde orde van den H. Franciscus aanprees enz. enz. Schier geen jaar ging voorbij , zonder dat een Encycliek verscheen, en elk dier hoogst gewichtige brieven vermeerderde de hoogachting en bewondering, die ge-loovigen en ongeloovigen dezen grooten Paus toedragen. Was onder den lijdenden Pius de Kerk eene bespotting der vorsten en ongeloovigen geworden, onder Leo XIII

ocr page 348

166

heeft zij zich uit hare vernedering verheven, en met iederen dag vermeerdert de invloed, dien zij op de wereld uitoefent.

Hoezeer Leo XIII door de Kerk en ook door de vorsten geëerd wordt, bleek o. a. op zijn gouden priesterfeest op 31 December 1887 en op zijn gouden bisschopsfeest op 20 Februari 1893. Toen hernieuwden de volken der aarde nog eens de jubelkreten, welke zij aangeheven hadden op de feesten van Pius IX, en zij vereenigden de beide groote Pausen in de ééne en zelfde liefde van hun hart, dat ook van dankbaarheid jegens God klopte, die aan de Kerk zulke Opperpriesters geschonken had.

Nog lange jaren moge de nu reeds 85-jarige Leo XIII de H. Kerk besturen!

NASCHRIFT.

Wij hebben de geschiedenis der Katholieke Kerk door-loopen en daaruit gezien, dat zij veel geleden maar al hare vijanden overwonnen heeft en nooit bezweken is, welke aanvallen ook door de hel en de booze machten der aarde tegen haar gericht werden. Na bijna 1900 jaar bestaan te hebben, kan zij met fierheid wijzen op de vervulling van het woord van Christus, die haar beloofde tot aan het einde der eeuwen met haar te zullen zijn. En niet alleen heeft zij tot nu toe bestaan, maar het getal barer kinderen is steeds uitgebreid. Geen ketterij ontnam haar geloovigen, geen beul schonk haar martelaars, of de waarheid won nieuwe belijders, en der martelaren bloed was het zaad der Christenen. En zoo is thans het getal der Katholieken, over de geheele wereld verspreid, grooter dan ooit, en blijft het nog dagelijks toenemen. Hierachter zullen wij eene lijst geven van het getal der Katholieken, die de verschillende landen der aarde bewonen.

Maar niet alleen zijn wij getuigen geweest van het eeuwen-

ocr page 349

167

oude bestaan der Kerk, wij hebben tevens gezien, dat zij altijd de kenteekenen der ware Kerk vertoonde. Dat zij een was, bleek in alle tijden. De geloovigen van alle landen en in alle eeuwen beleden dezelfde leer. De martelaars van Gorcum en van Japan stierven voor geen ander geloof, dan dat hetwelk door de bloedgetuigen uit de drie eerste eeuwen beleden werd, en wat de altaren en de wanden der Catacomben omtrent de leer des Christendoms verkondigen, belijden ook de altaren en de muren onzer kerken. Die eenheid des geloofs is altijd gehandhaafd door de Pausen, bisschoppen, priesters en geloovigen, niet zelden ten koste van den laatsten druppel bloeds.

Ook zagen wij dat de Kerk Apostolisch is. Van af den H. Petrus volgden de Pausen elkander op tot aan Leo XIII. Eene naamlijst der Pausen, welke wij hierachter laten volgen, doet dit in een oogopslag zien, terwijl de geschiedenis der Kerk het in de levens en daden der Pausen aantoont. En al die Pausen zonden bisschoppen, dezen priesters naar de geloovigen in alle landen der wereld, met de heilige taak alom het geloof der Apostelen en niets dan dit geloof te verkondigen. Er loopt dus als een keten door de geschiedenis der laatste 19 eeuwen, waarvan de schakels de Pausen zijn, en die Loo XIII met den H. Petrus verbindt.

Niet minder bleek, dat de Kerk heilig is. Zij verloste de wereld uit de dwalingen en zonden van het heidendom en gaf aan de volken de middelen niet alleen om zich te beschaven maar ook om zich te heiligen. En daartoe gebruikte zij geen andere dan heilige middelen en de leer, door Christus zeiven gepredikt. Zij heeft den hemel dan ook met Heiligen bevolkt en van de aarde een tooneel gemaakt, waarop de verhevenste deugden schitterden. Altijd trachtte de boosheid haar werk te vernietigen , en soms slaagde zij daarin, maar vaak zag men het wonderbare schouwspel, zooals b. v. in de 16de eeuw, dat, waar de ketterij de aarde meer dan anders bezoedelde, het getal der Heiligen grooter was dan ooit.

ocr page 350

168

Eindelijk is gebleken, dat de Kerk altijd door mirakelen hare goddelijkheid heeft bewezen. Schonk Christus de gave der mirakelen aan Zijne Apostelen, die gave is op hunne opvolgers overgegaan. Geen tijdperk in de geschiedenis der Kerk, of het vertoont ontelbare mirakelen in alle gewesten der aarde, en altijd verkondigen zij de waarheid van de leer der Kerk. Nimmer hebben de ketters een mirakel gedaan; evenals de toovenaars aan het hof van Pharao van Egypte hebben zij meermalen den schijn aangenomen, als konden zij die wrochten, maar de uitslag overdekte hen slechts met schaamte. Geen enkel waar mirakel valt buiten de Katholieke Kerk aan te wijzen.

Uit dit alles blijkt, hoe troostvol voor ons de geschiedenis der Katholieke Kerk is. De eerste Christenen hadden de belofte van Christus, dat de Kerk niet zou vergaan; wij zijn daarenboven getuigen van de vervulling dier belofte en vinden daarin voor ons geloof een steun, welke ons te sterker aan de Kerk moet hechten. De geschiedenis op zich zelve leert ons reeds de goddelijkheid der Kerk; ware deze een bloot menschelijke instelling, nooit zou zij 19 eeuwen bestaan hebben en nog wel onder een strijd, die nimmer geheel eindigde. Eeren wij dus die stichting van den Goddelijken Zaligmaker, blijven wij met hart en ziel aan haar verbonden, en beminnen wij haar als onze moeder. Dan zal niet alleen een leven van rust en vrede op aarde ons deel zijn, maar zullen wij ook eenmaal deel uitmaken van de zegepralende Kerk in den hemel, die met haren Goddelijken Stichter feest zal vieren de geheele eeuwigheid door.

ocr page 351

LIJST DER PAUSEN.

d

NAMEN

sb

6

NAMEN

t0

Cv

ci

s

-SP

DER

ÏH ü

3 S o

c3

s

-SP

DEK

-2 fi quot;S

J3 g O

quot;o

K-

PAUSEN.

-5 5 £

rS S

gt;

O - -Ï in

O gt;

PAUSEN.

5 ^

S

-M

tn

1

H.

Petrus.

33

67

30

H. Marcellus.

308

310

2

H.

Linus.

67

78

31

H. Eusebius.

310

310

3

H.

Cletus.

78

91

32

H. Melchiades.

311

314

4

H.

Clemens.

91

100

33

H. Sylvester.

314

335

5

H.

Evaristus.

100

109

34

H. Marcus.

336

336

6

H.

Alexander.

109

119

35

H. Julius I.

337

352

7

H.

Sixtus I.

119

128

36

H. Liberius.

352

366

8

H.

Telesphorus.

128

138

37

Felix II.

366

366

9

H.

Hvginus.

138

142

38

H. Damasus.

366

384

10

H.

Pius I.

142

150

39

H. Sergius I.

385

398

11

H.

Anicetus.

150

161

40

H. Anastasius I.

398

402

12

H.

Soter.

162

174

41

H. Innocentius I.

402

417

13

H.

Eleutherius.

174

186

42

H. Zosymus.

417

418

14

H.

Victor.

186

200

43

H. Bonifacius I.

418

422

15

H.

Zephyrinus.

200

217

44

H. Celestinus 1.

422

432

16

H.

Calixtus I.

217

222

45

H. Sixtus III.

432

439

17

H.

Urbanus I.

222

231

46

H.LeoI,deGroote

439

461

18

H.

Pontianus.

231

235

47

H. Hilarius.

461

467

19

H,

Antherius.

235

236

48

H. Simplicius.

467

483

20

H.

Fabianus.

236

250

49

H. Felix III.

483

492

21

H.

Cornelius.

250

252

50

H. Gelasius I.

492

496

22

H.

Lucius.

252

253

51

H. Anastasius II.

496

498

23

H.

Stephanus.

253

257

52

H. Symmachus.

498

514

24

H.

Sixtus II.

257

259

53

H. Hormisdas.

514

523

25

H.

Dionvsius.

259

269

54

H. Joannes I.

523

526

26

H.

Felix I.

269

274

55

H. Felix IV.

526

529

27

H.

Eutychianus.

275

283

56

H. Bonifacius II

529

531

28

H.

Cajus.

283

296

57

H. Joannes 11.

532

535

29

H.

Marcellinus.

296

304

58

H. Agapitus I.

535

536

ocr page 352

170

O

s -SP

quot;o gt;

NAMEN

UEU

PAUSEN.

Jaar Imnner verkiezing.

Sterfjaar.

Volgno.

NAMEN

DK.Ii

PAUSEN.

J aar Imnner verkiezing.

Sterfjaar.

59

H. Sylverius.

536

538

96

Stephanus IV.

768

772

60

Vigilius.

538

555

97

Adrianus I.

772

795

61

Pelagius I.

555

559

98

H. Leo III.

795

816

62

Joannes III.

559

572

99

Stephanus V.

816

817

63

H. Benedictus I.

573

577

100

H. Paschalis I.

817

824

64

Pelagius II.

577

590

101

Eugenius II.

824

827

65

H. Gregorius I.

590

604

102

Valentinus.

827

827

66

Sabinianus.

604

605

103

Gregorius IV.

828

844

67

Bonifacius III.

606

606

104

Sergius II.

844

847

68

H. Bonifacius IV.

607

614

105

H. Leo IV.

847

855

69

Deusdedit.

614

617

106

Benedictus III.

855

858

7U

Bonifacius V.

617

625

107

H. Nicolaus I.

858

867

71

Honorius I.

626

63»

108

Adrianus 11.

867

872

72

Severinus.

640

640

109

Joannes VUL

872

882

73

Joannes IV.

640

642

110

Marinus I.

882

884

74

Theodorus I.

642

649

Hl

Adrianus III.

884

885

75

H. Martinus I.

649

655

112

Stephanus VI.

885

891

76

Eugenius I.

655

658

113

Formosus.

891

896

77

H. Vitalianus.

658

672

114

Bonifacius VI.

896

896

7ö

Deodatus.

672

676

115

Stephanus VII.

896

897

79

H. Bonus I.

676

679

116

Romanus.

897

897

80

H. Agatho.

679

682

117

Theodorus 11.

»97

897

81

H. Leo II.

68-2

683

118

Joannes IX.

898

900

82

H. Benedictus II.

684

685

'19

Benedictus IV.

900

903

83

Joannes V.

685

686

120

Leo V.

903

903

84

Conon.

686

687

121

Christophorus.

903

903

86

H. Sergius.

687

701

122

Sergius UI.

904

911

86

Joannes VI.

701

705

123

Anastasius III.

911

913

87

Joannes VII.

705

707

124

Landon.

913

914

8b

Sisinnius.

708

708

125

Joannes X.

914

928

89

Constantinus.

708

715

126

Leo VI.

928

929

90

H. Gregorius II.

715

731

127

Stephanus VIII.

929

931

91

H. Gregorius III.

731

741

128

Joannes XL

931

936

92

H. Zacharias.

741

752

129

Leo VIL

936

939

93

Stephanus II.

752

752

130

Stephanus IX.

939

943

94

Stephanus III.

752

757

131

Marinus of Mar

95

H. Paulus I.

757

767

tinus 11.

943

946

ocr page 353

171

O

NAMEN

bb

c3

NAMEN

tb ^ c

u

cS

S3

DKIt

i

#c3 ^1?

a

tiD

DEK

§ q.2

_C3

O

ï-lt;

^5 = rü

0) -»

UI

gt;

PAUSEN.

^ S

t-

-M

tn

PAUSEN.

^ 3

132

Agapitus II.

946

956

169

Lucius II.

1144

1145

133

Joannes XII.

956

964 170

Eugenius III. Anastasius IV.

1145

1153

134

Benedictus V.

964

965

171

1153

1154

135

Joannes XIII.

965

972

172

Adrianus IV.

1154

1159

136

Benedictus VI.

972

974

173

Alexander III.

1159

1181

137

Donus II.

974

975

174

Lucius III.

1181

1185

138

Benedictus VII.

975

984

175

Urbanus III.

1185

1187

139

Joannes XIV.

984

985

176

Gregorius VIII.

1187

1187

140

Joannes XV.

985

985

177

Clemens III.

1187

1191

141

Joannes XVI.

986

996

178

Celestinus III.

1191

1198

142

Gregorius V.

996

999

179

Innocentius III.

1198

1216

143

Sylvester II.

999

1003

180

Honorius III.

1216

1227

144

Joannes XVII.

1003

1003

181

Gregorius IX.

1227

1241

145

Joannes XVIII.

1003

1003

182

Celestinus IV.

1241

1241

146

Joannes XIX.

1004

1009

183

Innocentius IV.

1243

1254

147

Sergius IV.

1009

1012

184

Alexander IV.

1254

1261

148

Benedictus VIII.

1012

1024

185

Urbanus IV.

1261

1264

149

Joannes XX.

1024

1133

186

Clemens IV.

1265

1268

150

Benedictus IX.

1033

1044

187

Gregorius X.

1271

1276

151

Gregorius VI.

1045

1046

188

Innocentius V.

1276

1276

152

Clemens II.

1046

1047

189

Adrianus V.

1276

1276

153

Damasus II.

1048

1048

190

Joannes XXL

1276

1277

154

H. Leo IX.

1049

1054

191

Nicolaas III.

1277

1280

155

Victor II.

1055

1057

192

Martinus IV.

1281

1285

156

Stephanus X.

1057

1058

193

Honorius IV.

1285

1287

157

Benedictus X.

1058

1059

194

Nicolaus IV.

1288

1294

158

Nicolaas II.

1059

1061

195

H. Celestinus V.

1294

1294

159

Alexander II.

1061

1073

196

Bonifacius VIII.

1294

1303

160

H. Gregorius VIL

1073

1085

197

H. Benedictus XL

1303

1304

161

Victor III.

1086

1087

198

Clemens V.

1305

1314

162

Urbanus 11.

1088

1099

199

Joannes XXII.

1316

1334

163

Paschalis 11.

1099

H18

200

Benedictus XII.

1334

1342

164

Gelasius 11.

1118

1119

201

Clemens VI.

1342

1352

165

Calixtus 11.

1119

1124

202

Innocentius VI.

1352

1362

166

Honorius 11.

1124

1130

203

Urbanus V.

1362

1370

167

Innocentius 11.

1130

1143

204

Gregorius XL

1370

1378

168

Celestinus II.

1143

1144

205

Urbanus VI,

1378

1389

ocr page 354

172

bD

i g .§ »-2 P ^4 _c; ^ ^ ai

Ï-.

cö cö

bD

•rt.e

O fi

O pgt;

O

c 'o

c3

U 2

1 c.2

rC qj

C/2

NAMEN

DER

PAUSEN.

NAMEN

DER

PAUSEN.

1389 1404 1406

1409

1410 1417 1431 1447 1455 1458 1464 1471 1484 1492 1503 1503 1513

1522

1523 1534 1550 1555 1555 1559 1566 1572 1585 1590

206

207

208

209

210 211 212

213

214

215

216

217

218

219

220 221 222

223

224

225

226

227

228

229

230

231

232

233

1404 1406

1409

1410 1415 1431 1447 1455 1458 1464 1471 1484 1492 1503 1503 1513 1521 1523 1534 1549 1555 1555 1559 1565 1572 1585 1590 1590

234

235

236

237

238

239

240

241

242

243

244

245

246

247

248

249

250

251

252

253

254

255

256

257

258

259 1260 1 261

1590

1591

1592 1605 1605 1621 1623 1644 1655 1667 1670 1676 1689 1691 1700 1721 1724 1730 1740 1758 1769 1775 1800 1823 1829 1831 1846 1878

1591 1591 1605 1605 1621 1623 1644 1655 1667 1669 1676 1689 1691 1700 1721 1724 1730 1740 1758 1769 1774 1799 1823

1829

1830 1846 1878

Bonifacius IX. Innocentius VII. Gregorius XII. Alexander V. Joannes XXIII. Martinus V. Eugenius IV. Nicolaas V. Calixtus III.

Pius II.

Paulus II.

Sixtus IV. Innocentius VIII. Alexander VI. Pius III.

Julius II.

Leo X.

Adrianus VI. Clemens VII. Paulus III. Julius III. Marcellus II. Paulus IV.

Pius IV.

H. Pius V. Gregorius XIII. Sixtus V. Urbanus VII.

Gregorius XIV. Innocentius IX. Clemens VIII. Leo XI.

Paulus V. Gregorius XV. Urbanus VIII. Innocentius X. Alexander VII. Clemens IX. Clemens X. Innocentius XI. Alexander VIII. Innocentius XII. Clemens XI. Innocentius XIII Benedictus XIII. Clemens XII. Benedictus XIV. Clemens XIII. Clemens XIV. . Pius VI.

Pius VII. Leo XII.

Pius VIII. Gregorius XVI. Pius IX. Leo XIII.

ocr page 355

178

Paus H. Stephanus II regeerde 3 dagen.

1 jaar.

34 23 25 16 16 17 45 49 15 9

10 iaar.

15 i,

20 ,,

bijna 25 jaar.

tot

Urbanus VII Bonifacius VI Celestinus IV Sisinnius Theodoras II Marcellus Damasus II Pius III Pausen regeerden

« 13 15 17 20 20 22 23 26

minder dan

1 jaar.

2 »

3 ii

4 ,,

5 i,

van 6

n 10

„ 15

n 20

Leo XIII regeert tot heden 17 jaar. Pius IX regeerde 32 jaar.

H. Petrus « 34 «

ocr page 356

BISSCHOPPEN EN 6EL00VIGEN DER KATHOLIEKE KERK.

I. Provinciae Sedis Apostolicae.

Landen.

Inwoners.

Katholieken.

Kerkel. Prov.

Aarts-Bisdom,

Bisdommen.

Europa ........

287.627.675

145.535.500

86

97

402

Italië .........

29.361.000

29.336.500

38

49

185

Spanje........

1 fi.95 5.000

16.620.000

9

9

48

Portugal.......

4.708.000

4.510.000

3

3

9

Frankrijk......

38.2^0.000

37.400.000

17

17

67

België........

5.854.000

5.836.000

1

1

5

Duitschland.....

46.845.000

16.953.000

5

5

21

Zwitserland.....

2.845.000

1.180.000

—

—

6

Oostenrij k-Hongarij e

38.770.000

25.600.000

11

11

46

Engeland (Malta) . .

156 675

150.000

—

—

2

Rusland.......

103.913.000

7.950,000

2

2

13

Amerika.......

46.648.000

45.278.000

15

15

80

Mexico........

10.448.000

10.300.000

3

3

19

Centraal-Amerika. .

6.300.000

5.978.000

4

4

12

Zuid-Amerika ....

29.900.000

29.000.000

8

8

49

Afrika........

6.339.000

1.375.000

1

1

11

Algiers........

3.310.000

405.000

1

1

2

Bisdommen onder

Europeesche me

tropolen ......

3.029.000

970.000

—

—

9

Azië en Oceanië . .

5.998.000

5.810.000

2

2

8

Indië (Goa).....

483.000

300.000

i

1

' 4

Philippijnen.....

5.515.000

5.510.000

1

1

4

Te zamen......

346.612.6751197.998.500

104

115

501

ocr page 357

II.

175

Terrae Miss

i o n i s.

Landen.

Inwoners.

Katholieken.

Kerkel. Prov.

t» s

quot;S 0

Bisdom-| men.

Europa ........

73.088.800

7.955.280

U

16

61

Engeland......

27.700.000

1 353.460

1

1

14

Schotland......

3.608.800

338.650

1

2

4

Ierland........

c. 5.000.000

3.792.360

4

4

23

Noorwegen .....

1.925.000

1.840

—

—

—

Zweden........

4.603.600

1.100

—

—

—

Denemarken.....

2,200 000

3.700

—

—

—

Duitschland.....

6.250.000

131.900

—

—

—

Nederland en Lu

xemburg......

4.351.600

1.711.900

1

1

5

Zwitserland.....

15.000

12.290

—

—

—

Balkan-schiereiland.

15.365.700

555.850

2

5

9

Griekenland.....

1.683.400

36.330

2

3

5

Gibraltar.......

25.700

15.300

—

—

—

Candia........

360.000

600

—

—

1

Azië..........

815.465.500

2.751.070

7

9

16

Aziatisch Turkije . .

16.798.000

600.000

—

2

—

Perzië.........

5.000.000

7.850

—

—

1

Arabië........

10.000.000

1.100

—

—

—

Indië.........

226.946.500

976.950

7

7

15

Indochina......

47.930.000

535.850

—

_

___

Malesië........

26.216.000

45.650

—

—

_

. China.........

436.000.000

544.370

—

_

Korea en Japan . .

46.575.000

39.300

—

_

_

Afrika........

200.000.000

400.000

_

1

1

Noord- en Centraal-

\

Afrika.......

|c. 200.000.000

190.000

1

Zuid- en Oost-Afrika

80.000

Afrikaansche eiland.

\

180.000

_

_

1

Amerika.......

64.923.800

10.168.330

20

20

79

Canada........

5.000.000

2.038 000

6

6

17

Transporteeren. . .

1 1.153.478.100

21.274.680

| 38

1 461157

ocr page 358

176

B j o c

.2 S a

Landen.

Inwoners.

^2

Katholieken.

46

13 1

6

5 1

157 61 1

18

15 3

38 13 1

5

4 1

175 54

43 3

52 22

Daarbij komen nog van den Oosterschen ritus . .

Transporteeren. . .

Vereenigde Staten . Antillen en Guyana

Patagonië......

Oceanië........

Australië.......

Oceanische eilanden

Te zamen......

1.153.4Ï8.100 58.500.000 1.366.800 57.000 13.326.200

2.400.000 10.926.200

1.166.804 300

21.274680 7.762.170 340.160 28.000 775.130

603.560 171.570

22.049.810

229

46

74

De Provinciae Sedis Apostolicae zijn die, welke rechtstreeks door Z. H. den Paus bestuurd worden; de Terrae Missionis daarentegen worden bestuurd door Z. H. den Paus door tusschenkoinst van de H. Congregatie der Propagande. Uit de Staten blijkt, dat het gebied der Kerk, hetwelk de geheele bekende aarde omvat, uit 150 provinciën bestaat, en deze onder Z. H. den Paus bestuurd worden door 189 aartsbisschoppen en 730 bisschoppen. Hierbij komen nog 8 patriarchen, 80 titulair-aartsbis-schoppen en 350 titulair-bisschoppen, te zamen dus minstens 1357 bisschoppen. Wij zeggen minstens, omdat buiten dezen nog gevonden worden 109 Apostolische vicarissen en 39 prefecten, die eveneens meestal de bisschoppelijke wijding hebben ontvangen. Het getal der Katholieken, óver de geheele wereld verspreid, bedraagt 220 millioen; de bevolking der aarde telt ruim 1500 millioen zielen.

Al de cijfers dezer staten gelden voor het jaar 1889. Die van 1895, het jaar waarin dit werkje verschijnt, zullen dus iets grooter zijn.

Einde van het tweede en laatste deel.

ocr page 359

INHOUD.

VIERDE TIJDVAK. De Kruistochtex.

Eerste hoofdstuk. § I. De eerste Kruistochten. — Eerste kruistocht. — De militaire orden. — Tweede kruistocht. — Derde

kruistocht. — Vierde kruistocht............ 1

§ II. Kerkelijke gebeurtenissen. De H. Yves van Chartres en de H. Anselmus. — Het Concilie van Lateranen. — De religieuse orden. — De H. Bernardus. — Arnold van Brescia. — Paus Alexander III. —- De H. Thomas van Cantorbury. — De H. Canutus. —■ Derde Concilie van Lateranen. — De Heiligen 8 Tweede hoofdstuk. § I. /A laatste Kruistochten. — De Albi-genzen. —■ De Spaansche kruistochten. — Vijfde en zesde kruistocht. — Zevende kruistocht. —- Achtste kruistocht. —■ De

missiën.................... 18

§ II. De religieuse orden. De Trinitarissen. — De Franciscanen. —-De Dominicanen. — Heiligen der Dominicanerorde. — Heiligen

der Franciscaneiorde. — Andere religieuse orden.....24

§ III. De Pausen en de Heiligen. — Innocentius III. — Opvolgers van Innocentius III. — Eerste Concilie van Lyon. —- Dood van Frederik II. —■ De H. Elisabeth. — Tweede Concilie van Lyon. — De Pausen. — O. L. Vrouw van Lorette. — De H. Celestinus V. — Bonifacius VIII. — Strijd tegen Philippus den Schoone..................3G

VIJFDE TIJDVAK.

De Heidexsche Eexaissaxce.

Eerste hoofdstuk. § I. De Pausen van Avignon. —■ De H. Bene-dictus XI en Clemens V. — Het Concilie van Vienne. —- De Pausen. — De tribuun Rienzi. — De terugkeer der Pausen

naar Rome...................4G

§ II. De Heiligen en de religieuse orden. — De Heiligen. — De H. Brigitta. — De H. Joannes Nepomucenus. — De religieuse

orden. — Het Mirakel van Arasterdam.........51

Tweede Hoofdstuk. § I. Het Westersche schisma. — Oorzaken van het schisma. — De twee Pausen. — Concilie van Pisa. — Concilie van Constanz. — Een nieuw schisma...... 57

Blz.

ocr page 360

178

§ II. De. ketters en de Heiligen. — Ketterij ran Wiclef. — Ketterij

van Hus. — De Heiligen. — Thomas a Kerapis.....

Tweede hoofdstuk. § I. Algemeene gebeurtenissen. — Inneming van Constantinopel. — Inneming van Grenada. — Ontdekking van Amerika. — Ontdekkingen der Portngeezen. —- De boekdrukkunst. -— Het nieuwe Heidendom.........

§ II. De Pausen en de Heiligen. — De Pausen. — De Heiligen. — De Minimen...........•......

ZESDE TIJDVAK.

Het Protkstaktisme.

Eerste hoofdstuk. § I. O* Proteslantsche Hervorming. — Oorzaken en karakter der zoogenaamde Hervorming. — De aflaat. —-Luther. — Zwinglius. — De Wederdoopers. —- De Doopsgezinden. — De Confessie van Augsburg. —- Hendrik quot;VIII. —■

Calvijn........,...........

§ II. Dn Katholieke Hervorming. — De ware Hervorming. — De Pausen. — De kloosterorden. — De Jesuïeten. — Concilie van Trente. — De Heiligen. —- De H. Ignatius van Loyola. —■ De H. Joannes de Deo. — De H. Francisc.us Xaverius. — De IIII. Martelaars van Japan. — De H. Carolus Borromeus. — De

HH. Martelaars van Gorcum............

Tweede hoofdstuk. § I. De beproevingen der Kerk. —• De vervolgingen. — Dertigjarige oorlog. — Bajus. — Het Jansenisme. —

De Jansenisten in Nederland. — Het Gallicanisme.....

§ II. De Heiligen en de Pausen. — De H. Vincentius van Paolo — De H. Fidelis. — De H. Camillus. — De H. Franciscus van

.Sales. — De missiën. — De Pausen..........

Derde hoofdstuk. § I. Toeneming van het ongeloof. — Oorzaken van het ongeloof. — De voornaamste hoofden van het philo-

sofisme. — Opheffing der Soeieteit van Jesus . ......

§ II. De Heiligen en de Pausen. — De Heiligen. — De H. Paci-ficus. — De H. Alphonsus de Liguori. — De H. Benodictus Joseph Labre. — De Pausen. — Clemens XI. — De pest te Marseille. -— Innocentius XIII en Benedietus XIII. — Clemens XII. — Benedietus XIY. — Clemens XIII. — Clemens XIV

ZEVENDE TIJDVAK.

Eeltig hoofdstuk, § I. Pius VI en de revolutie. — Eerste jaren van het Pausschap van Pius VI. — De Fransche revolutie. —

De vervolging. — Pius VI gevangengenomen.......

§ II. Pius VII en Napoleon I. — Verkiezing van Pius VII. —• Concordaat m3t Frankrijk. — Gevangenschap van Pius VII. —-

Terugkomst van Pius VII te Rome..........

§ III. De, Restauratie. —- Leo XII. — Pius VIII......

ocr page 361

179

Biz.

I IV. Gri'goriti.i XVI en cle JuK-revolutie. — Kegeering van

Gregorius XVf. — T)e missiën............153

§ V. Pius IX en Napoleon HI. — Begin van het Pausschap van Pius IX. — Revolutie te Rome. — Tijdvak van rust. — De Onbevlekte Ontvangenis. — Nieuwe beproevingen. — Het Vati-caansch Concilie. — Gevangenschap van Pius IX. — De Oud-Katholieken. — Droefheid en vreugde van Pius IX . . . . 155

§ VI. Leo XIII. — De Paus der Encyclieken.......164

Naschrift.....................1GG

Lijst der Pausen..................1G9

Bisschoppen en geloovigen der Katholieke Kerk.......174

ocr page 362

imprimatur.

Voorschoten, mi berNSEN,

Die 10 Junii 1895. lihrorum Censor.

ocr page 363
ocr page 364
ocr page 365