Vak ï
_ ;v -
GESOHIEDENI©
DER
KATHOLIEKE KERK,
llül Mini El IIISIEill.
DOOR
p. fr. E. J. Jansen , Ord. JPrsed..
gkdbdo-BKBTTIir).
B!BLJC~~CA t CONV. W1JGHEHS j
-- f~. H\ H
TILBURG,
Stoomdrukkerij van het R. k. Jongens-Weeshuis. 1894.
IMPRIMI PERM1TTIMUS.
Fr. A. van den Ei,zen, O. P. Prov.
Huissen, 9 Febr. 1894.
IMPRIMATUR.
M. F. de Beer , Sup.-Gen. Tilburg!, 3 Martii 1894. ad hoc delegatus.
Volgens Art. 10 der wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad n° 124) is het eigendom gewaarborgd.
YOOHHEDE.
Met vertrouwen bieden wij deze kleine Kerkelijke Geschiedenis aan het Katholieke volk van Nederland aan. Niet voor geleerden , maar voor het volk, dat is, voor het huisgezin , de school, de jeugd hebben wij geschreven. Wij wilden een getrouw en waarheidlievend overzicht van het lijden en strijden der Kerk geven. Wij hebben getracht beknopt te blijven zonder de volledigheid te schaden. Vandaar zijn vele punten slechts aangeroerd en blijft er ruimte over om ze breedvoeriger te behandelen daar, waar dit gewenscht wordt. Bronnen en lange bewijzen hebben wij niet aangehaald, omdat zij , naar onze bescheiden meening , hier niet op hunne plaats zijn. Wel hebben wij naar vermogen gezorgd niets te vermelden, wat niet op goede gronden steunt.
Eén wensch moet ons nog van het hart. Moge onze arbeid strekken tot eer van God, tot luister van zijn ééne, Heilige en Katholieke Kerk en tot heil van vele zielen.
Rotterdam , p. fr. E. J. Jansen ,
feestdag van bt. Matthias, Ord, Prced,
24 Febr. 1894.
GESCHIEDENIS DER KATDOLIEKE KERK.
ââ
hstlehdhstg.
De Kerkelijke Geschiedenis is het aaneengeschakelde verhaal , naar waarheid en met orde voorgesteld , van hetgeen gebeurd is met de Katholieke Kerk, met opgave van plaatsen, tijden en personen.
Zulk een geschiedverhaal verschilt hemelsbreed van een kronijk, een vertelling, een fabel, een legende, een roman.
Om de Geschiedenis der Kerk wel te verstaan, heeft men verscheidene hulpmiddelen noodig, vooral Aardrijkskunde, Tijdrekenkunde , Geslachtrekenkunde en Godsdienstkennis.
De Aardrijkskunde leert de ligging en de gesteldheid der plaatsen , waar het verhaalde feit gebeurd is.
De Tijdrekenkunde bepaalt den tijd, wanneer de gebeurtenissen zijn voorgevallen.
De Geslachtrekenkunde leert de afstamming van merkwaardige personen.
De Godsdienstkennis geeft ons ophelderingen over vraagstukken van geloofs- en zedenleer, die bij de geschiedenis der Kerk, vooral bij de geschiedenis d^r ketterijen , voorkomen.
Men noemt bronnen van de Kerkelijke Geschiedenis alle geloofwaardige getuigenissen, waaruit zij geput wordt. Die bronnen zijn goddelijke (de H. Schrift) en menschelijke, ge-
6
schreven en ongeschreven (mondelinge) overleveringen, ge-denkteekenen , beelden , schilderijen.
De Geschiedenis van de Katholieke Kerk is van het grootste gewicht, van onschatbaar nut.
Zij toont ons de zichtbare en wonderdadige werking, leiding en voorzorg der Goddelijke Voorzienigheid.
Jezus Christus gaf aan zijne Kerk de belofte, dat Hij haar altijd zouden bijstaan. De poorten der hel zouden niets tegen haar vermogen. Zij is het rijk der hemelen, de stad Gods, op den berg geplaatst, het rijk van God, de tempel des Heeren , het geheimzinnig lichaam van Christus. Zij is de akker, waarop het zaad van Gods woord weelderig groeit, schoon er ook onkruid, door den vijand gezaaid, naast de tarwe opschiet. Gelijk het mosterdzaad ontwikkelt zij zich tot een boom , zoodat de vogelen des hemels komen en in zijne takken wonen; gelijk de zuurdeeg doordringt zij de gansche wereld. Zij is het schip, dat niet vergaat, schoon het op de woedende golven door de stormen heen en weer wordt geslingerd , schoon de Heer schijnt te slapen ; het schip , waarbuiten geen redding is. Door het lijden gaat zij tot het verblijden, door het kruis tot de heerlijkheid. Dit alles leert ons de Geschiedenis der Kerk; zij toont ons het geheele wonderplan, dat God van eeuwigheid gemaakt en in de volheid der tijden op het heerlijkst heeft uitgevoerd, hoe namelijk zijn eenige en aanbiddelijke Zoon op aarde verscheen, ons eeuwige verlossing en onvergankelijk geluk bracht en door de Kerk die verlossing en dat geluk tot het einde der eeuwen aan de menschheid mededeelt.
Zij stelt ons bovendien de beminnelijkheid der deugd en de afschuwelijkheid der zonde in sprekende voorbeelden voor oogen, de eerste ter bewondering en navolging, de tweede tot afschuw en haat. Wij zien de voorbeelden van
7
apostelen , martelaren , beljjders , kluizenaars , monniken , ordestichters, godgewijde weduwen en engelreine maagden, van boetelingen , van kerkvaders en geleerden, van pausen , bisschoppen, priesters, vorsten en vorstinnen, van heldenmoedige missionarissen, van tallooze heiligen uit alle standen, geslachten, leeftijden en volkeren. Zij zijn een zonneklaar bewijs voor de goddelijke kracht van het christendom , zij ontsteken ons in geestdrift ter navolging , verlevendigen ons geloof, versterken onze hoop, ontvlammen onze liefde.
In het levensverhaal van ketters, scheurmakers, zondaars, vervolgers en vijanden der Kerk, toont ons de Kerkelijke Geschiedenis, hoe afschuwelijk de zonde is, welke hare oorzaken zijn, welke rampzalige gevolgen voor tijd en eeuwigheid zij na zich sleept, hoe Gods wrekende rechtvaardigheid ze straft, wanneer de maat vol is. Weet, o mensch , zoo roept zij ons met de H. Schrift toe, dat het kwaad voor u is, den Heer uwen God te verlaten : Hij laat niet met zich spotten ; het is verschrikkelijk te vallen in zjjne handen. Waakt en bidt derhalve, opdat gij niet valt in de bekoring. Denkt aan uwe uitersten en gij zult in eeuwigheid niet zondigen.
Eindelijk leert ons de Kerkelijke Geschiedenis , dat de Kerk alle kunsten en wetenschappen bevordert, zegent en veredelt, dat alle beschaving en ontwikkeling op de eerste plaats van haar uitgaat, dat er zonder haren bovennatuurlijken invloed geen vooruitgang, geen vrede, geen welvaart voor de volkeren bestaat.
. Wij mogen dus op de Geschiedenis der Kerk de woorden van den Apostel Paulus toepassen: Zij is nuttig ter leering, ter terechtwijzing, ter verbetering,^ ter onderrichting in de rechtvaardigheid, opdat de mensch Gods volmaakt zij, tot alle goed werk toegerust. (II Tim. 3.)
8
Verschillend wordt de Geschiedenis der Kerk verdeeld. Wij houden ons aan de volgende verdeeling.
Eerste tijdvak : Van de Stichting der Kerk tot aan Con-stantijn den Grooten. 1 â 313.
Tweede tijdvak : Van Constantijn den Grooten tot aan Karei den Grooten. 313 â 800.
Derde tijdvak : Van Karei den Grooten tot aan de Hervorming. 800 â 1500.
Vierde tijdvak: Van de Hervorming tot op onzen tjjd. 1500 â 1894.
Het spreekt van zelf, dat deze jaartallen niet letterlijk moeten genomen worden, maar als het tijdstip, waarop de Geschiedenis der Kerk duidelijk eene nieuwe richting is ingegaan. Overeenkomstig de verscheidenheid van zending, welke de Kerk in den loop der tijden te vervullen heeft, beantwoorden wij in ieder tijdvak de volgende vragen :
1°. Hoe heeft zich de Kerk naar buiten ontwikkeld en op godsdienst en zeden der menschen ingewerkt ? dat is, de geschiedenis barer uitbreiding en werkzaamheid in het algemeen.
2°. Hoe heeft de Kerk de zuiverheid van Christus' leer bewaard en verdedigd tegenover de ketterijen ? of de geschiedenis der ketterijen en barer bestrijding.
3°. Hoe heeft de Kerk de genademiddelen, door Christus haar toevertrouwd , uitgedeeld aan de menschen ? dat is, de geschiedenis van den eeredienst.
4°. Hoe heeft de Kerk baar herdersambt uitgeoefend ? of de geschiedenis van de Kerkelijke Hierarchie.
9
EERSTE TIJD YAK.
Tan de stichting der Kerk tot hare zegepraal over het heidendom, of tot Constautijn den (iroeten. 1 â 313.
I. Jezus Christus, de Verlosser der wereld.
â Glorie zij God in den hooge en vrede den menschen op aarde, die van goeden wil zijn.quot; Zoo klonk het gezang der Engelen over Bethlehems stal. in den kouden December-nacht, waarin Jezus Christus, de Zoon van den eeuwigen God , uit de Maagd Maria geboren werd. De zonde had God de Hem toekomende eer geroofd. De menseh wilde zich niet aan God onderwerpen, wilde diens opperheerschappij, zijn eigen afhankelijkheid niet erkennen. De heidensche volkeren baden schepselen aan, zooals zon , maan, sterren, afgodsbeelden , het werk hunner handen , in plaats van hun Schepper. Zij vereerden hunne nietswaardige goden door de afschuwelijkste ondeugden. De vrede, die op de menschen als kinderen Gods moest rusten, was van de aarde geweken ; de vrede met God, de vrede met den evenmensch, de vrede met zich zeiven. Ongetemde heerschzucht, schromelijk eigenbelang, nijd en afgunst veroorzaakten onmenschelijke oorlogen, die de volken der oudheid verscheurden. Enkelen waren in het bezit van macht en rijkdom , de anderen moesten als slaven voor hen kruipen. Maar te vergeefs zochten de heidenen den vrede in zondig genot en de voldoening hunner driften.
Er was slechts één land, waar de kennis en de vereering van den waren God bewaard bleef: Palestina. God schonk
10
â¢door de Aartsvaders en de Profeten bij voortduring zijn openbaringen aan het Joodsche volk, uit hetwelk de Messias zoude voortspruiten. In de volheid der tijden verscheen de Verlosser. Jezus is de heilige, zoete Naam, dien de Engel Gabriël Hem bij de blijde boodschap aan Maria gaf. Dit wonderbare Kind, dat Isaias den sterken God , den Vader der toekomst en den Vredevorst noemde, werd ontvangen van den H. Geest, geboren uit de Maagd Maria zonder letsel harer maagdelijkheid. Jezus was om ons arm geworden, terwijl Hij rijk was; Hij had zich zeiven vernederd en ontdaan, de gedaante van een dienstknecht aannemende, en was in alles als een mensch bevonden. Hij, onze Heer, is groot en daarom bovenmate aanbiddenswaardig; Hij werd klein en is daarom bovenmate beminnelijk. Terstond na zijne geboorte verscheen er een ster, een teeken van het licht, dat in Hem voor de heidenen was opgegaan, in het Oosten, en voerde de drie Wijzen, de eerstelingen van het bekeerde heidendom , naar de kribbe van het goddelijk Kind , het ware licht, dat iederen mensch verlicht, die in deze wereld komt. Zij brachten hunne geschenken : het goud der liefde, den wierook des gebeds en de myrrhe der â versterving, het goud aan hun koning, den wierook aan hun God en de myrrhe aan den sterfeljjken mensch. Spoedig daarop komt de langverwachte in zijnen heiligen Tempel, waar de grijze Simeon Hem op zijn armen neemt en Hem met profetische geestdrift als het licht der heidenen , als de glorie van, zijn volk Israël prijst, Hem aankondigt als het teeken, dat tegengesproken zal worden. Jaarlijks viert Hij met zijn ouders het Paaschfeest te Jeruzalem en vervult als twaafjarig jongeling de wijzen uit de Joden met verbazing. Tot zijn dertigste jaar is Hij onderdanig aan Maria en Joseph en neemt toe in wijsheid, jaren en behaaglijkheid bij God en bij de menschen. Als de tijd daar is , dat Hij in het openbaar zal
11
optreden, verschijnt Johannes de Dooper. Deze , reeds voor de geboorte van de erfzonde gezuiverd, komt voor Hem den weg bereiden. Hij vermaant de zondaars tot boetvaardigheid , omdat het rijk Gods nabij is. Het volk beschouwt dezen nieuwen profeet als den verwachten Messias; maar hij zegt hun, dat deze na hem zal komen, dat hij niet waardig is diens schoenriemen te ontbinden; ja, hij wijst hem aan als het Lam Oods, dat wegneemt de zonden der wereld ; hij doopt zijn Schepper en Zaligmaker in den Jordaan.
Al de voorafbeeldingen, al de voorspellingen van het Oude Verbond worden in Jezus Christus vervuld. Hjj begint zijn Evangelie te verkondigen en de geheimenissen te openbaren , die Hij van eeuwigheid in den schoot zijns Vaders gezien heeft. Hij predikt voor het volk als iemand, die macht heeft, maar tevens als de goede Herder, die de verloren schapen van Israël kwam zoeken. Hij is dan ook de goede Herder , Hij kent zijne schapen en deze kennen Hem. Hij gaat naar de woestijn , maakt het verloren schaap los uit de doornen en draagt het op zjjn schouders naar den schaapstal. Hij vlucht niet als de huurling, maar Hij geeft zijn leven voor zijne schapen. Hij legt den grondslag voor zijne Kerk door de roeping van twaalf arme, ongeletterde visschers; aan hunne spits stelt Hij den H. Petrus, wien Hij de sleutels van het hemelrijk toevertrouwt. Al weldoende gaat Hij rond. Aan blinden wordt het gezicht, aan dooven het gehoor, aan kreupelen de gang, aan zieken de gezondheid, aan dooden het leven teruggeschonken, aan armen het Evangelie verkondigd. Tot allen komt Hij met een waardigheid en eene liefde, die men nooit iri zulk eene mate bij één persoon vereenigd had gezien. Hij was gekomen om zondaars te zoeken en zalig te maken wat verloren was. Daarom zegt Hij : Komt allen tot Mij, die belast en beladen
12
zijt, en Ik zal u verkwikken. Leert van Mij , want Ik ben zachtmoedig en ootmoedig van harte. Neemt mijn juk op u, want mijn juk is zoet en mijn last is licht. En dan zult gij rust vinden voor uwe zielen. (Matth. XI.)
Hij verkondigt ongehoorde geheimen. Zijn goddelijke zending bevestigt Hij door tallooze wonderen. Indien gij Mij niet gelooft, zoo sprak Hij, gelooft dan mijne werken. Al de natuurkrachten gehoorzamen aan zijn bevel. Het water wordt in wijn veranderd , de stormen bedaren , met weinige brooden worden duizenden menschen gespijzigd, de zee wordt een marmeren vlak onder zijne voeten. Wel brullen de duivels van spijt en woede, maar voor zijn machtwoord verlaten zij beschaamd het lichaam der bezetenen.
Zijn wonderen dragen een eigenaardigen stempel. Het zijn geen teekenen aan den hemel, zooals de Joden van Hem verlangen ; Hij doet ze bijna alle aan de menschen zeiven tot genezing hunner ziekten, tot reiniging hunner zielen. Zij verbazen niet zoozeer de nieuwsgierigheid der toeschouwers , maar roeren en vermorzelen hen in het diepste der ziel. Zij bewijzen zijne liefde, maar ook zijn goddelijke macht en heerschappij. Die macht schuilt in Hem zei ven ; uit Hem stroomt zij voort als uit de levende, onuitputtelijke bron. Ik weet, zegt Hij, dat er een kracht van Mij uitgegaan is. (Luc. VII.) Toch belooft Hij , dat zijn leerlingen nog grootere teekenen zullen uitwerken (Joh. XIV.) quot;Wie bewondert niet de minzaamheid , waarmede Hij zijn verheven leer verkondigt ? Zij is melk voor de kinderen en brood voor de sterken. Hij zegt: Laat de kleinen tot Mij komen , en belet het hun niet; want denzulken behoort het rijk der hemelen. (Matth. XIX.) Over de verhevenste waarheden spreekt Hij zoo eenvoudig en natuurlijk , dat een ieder Hem verstaan kan; in onnavolgbare gelijkenissen stelt Hij de geheimen van het Godsrijk voor;
13
de kennis der waarheid deelt Hij mede in een mate , overeenkomstig onze zwakheid.
Hij kwam tot de zijnen en de zijnen namen Hem niet aan. Maar allen, die Hem aannamen gaf Hij de macht kinderen Gods te worden, aan hen, die uit God geboren zijn. En zij zagen zijne glorie, ala die van den Eengeborene des Vaders, vol van genade en waarheid, uit wier volheid wij allen ontvangen hebben.
Hi] is de weg, de waarheid en het leven , het licht der wereld, de ware wijnstok; wij zijn de ranken. Niemand komt tot den Vader dan door Hem ; zonder Hem kunnen wij niets doen. Maar wat wij den Vader in zijnen naam vragen, zal Hij ons geven. Hij alleen, midden onder de menschen levend en in het openbaar leerarend, mocht zonder vrees van tegenspraak zelfs zijnen vijanden in het aangezicht zeggen : Wie van u zal mij van eene zonde overtuigen ? (Joh. VIII.) Mijne spijs is te doen den wil van mijnen Vader, die Mij gezonden heeft. (Joh. IV.) Degene, die Mij gezonden heeft, is met Mij en laat Mij niet alleen, omdat Ik altijd doe wat Hem welgevallig is. (Joh. VIII.) Ik zoek niet mijne glorie, maar de* glorie van Hem , die Mij gezonden heeft. En de Vader in den hemel, die Hem gezonden had, bekrachtigde deze getuigenis. De H. Geest daalde over Hem neder in de gedaante van eene duif en er klonk eene stem uit de wolken: Deze is mijn welbeminde Zoon, in wien Ik mijn welbehagen heb. En het verbaasde volk, dat Hem koning wilde maken, riep juichend uit bij het zien zijner wonderteekenen : In waarheid , een groot Profeet is onder ons opgestaan en God heeft zijn volk bezocht. /
Jezus Christus begon eerst zelf te doen en dan te leeren. En wat is het kort begrip van zijn voorbeeld en zijne leer? Gij zult den Heer uwen God liefhebben uit geheel uw ver-
14
stand, uit geheel uw hart en uit al uwe krachten. Dit ia het eerste gebod. En het tweede is aan het eerste gelijk: Gij zult uwen naaste beminnen gelijk u zeiven. Een jongeling vraagt Hem : Goede Meester, wat moet ik doen, om het eeuwig leven te bezitten ? Jezus antwoordt; Zoo gij tot het leven wilt ingaan, onderhoud de geboden. Met die woorden zijn de minder volmaakten in zijne Kerk aangewezen. Doch er zouden in dat Rijk ontelbaren tot een hoogere volmaaktheid, tot de volmaaktheid der evangelische raden van gehoorzaamheid , zuiverheid en armoede geroepen worden. Hen noodigt de Verlosser uit: Indien gij volmaakt wilt zijn, gaat, verkoopt alles wat gij bezit en geeft het aan de armen en volgt mij na. Beiden echter, zoowel de minder als de meer volmaakten , kunnen hun doel niet bereiken zonder de zelfverloochening. Daarom zegt Jesus tot beiden : Indien iemand mijn leerling wil zijn, hij verloochene zich zeiven, neme zijn kruis dagelijks op zich en volge Mij na. Zijne leerlingen zullen veel lijden, tegenkantingen en vervolgingen ondervinden ; de knecht is immers niet beter dan zijn meester ; maar dat zij vertrouwen, die Meester heeft eerst de wereld overwonnen. Hij is met hen tot de voleinding der eeuwen en door het geduld zullen zij hunne zielen bezitten. Zij zijn wel in de wereld, maar niet van de wereld , omdat zijn rijk niet van de wereld is. En die wereld zal hen bewonderen en aan één teeken al de leerlingen van Jezus erkennen, aan het teeken der liefde. Daarom gaf Hij hun een nieuw gebod, dat zij elkander zouden liefhebben gelijk Hij hen had liefgehad. Daarom bad Hij voor hen het hoogepriesterlijk gebed, opdat zij één zouden zijn gelijk Hij en de Vader één waren. Uit zich zeiven zouden zij dit alles niet kunnen, maar zij konden alles in Hem, die hen versterkte. Hij schenkt hun het Brood des levens, uit den hemel nedergedaald, zijn eigen Lichaam en
15
Bloed, zjjne Godheid en Menschheid. Al wie van dat Brood: eet, zal niet sterven, maar leven in eeuwigheid. Gelijk de levende Vader Mij gezonden heeft, zoo zegt Hij , en Ik leef om den Vader, zoo zal ook Hij , die Mij eet, om Mij leven. (Joh. VI.) Gelijk de Vader het beginsel is van het leven des Zoons, zoo wordt de menschgeworden Zoon het beginsel des bovennatuurlijken levens van degenen , die Hem waardig ontvangen. Hij schenkt hun het bovennatuurlijke leven der genade en het bovennatuurlijke leven der glorie; ook der eeuwige glorie. Want Jezus wil , dat zijn dienaar daar zij , waar Hij zelf is; Hij zal zjjn dienaar belijden voor zijn hemelschen Vader en deze zal Hem verheerlijken; Hij zal wederkomen en ons, zijne dienaren , tot zich nemen en dan zullen wij eeuwig met Hem , onzen Heer en Verlosser zijn , met Hem, onzen God en ons overgroot loon.
De leiders van het Joodsche volk verwachtten echter een anderen Messias dan Jezus Christus. Volgens hunne meening zou hij aan de spits van een machtig, zegevierend leger optreden om zijn volk van het juk der gehate Romeinen te bevrijden. De aardsche macht en den luister van Davids huis zoude hij herstellen. En dan zoude het uitverkoren volk voor altijd over zijne vijanden heerschen. Van al deze wenschen vervulde Jezus geen enkelen. Integendeel , door woord en voorbeeld veroordeelde en bestrafte Hij gestreng en openlijk de schijnheiligheid , den hoogmoed, de verblindheid en het ongeloof van Phariseeën en Schriftgeleerden. Zij wilden het licht der wereld niet erkennen , omdat hun werken boos waren.
Verbitterd en met doodelijkenyhaat vervuld , zochten de Phariseeën Jezus te dooden. Overal werkten zij zijne prediking tegen en ruiden het volk tegen Hem op. Zij waren doortrapte huichelaars, verstokte boosdoeners zonder geloof of echten
16
godsdienst, gepleisterde graven vol vuilnis, ziende blind en hoorende doof. Zoolang Jezus' uur nog niet gekomen was, konden zij Hem geen leed berokkenen. Hij ontweek hun aanslagen en vervolgingen. Maar toen hun uur daar was en de macht der duisternis, leverde Hij zich vrijwillig in hun handen over. Zij veroordeelden Hem ter dood en voerden Hem naar den Romeinschen landvoogd Pontius Pilatus , opdat deze Hem aan het kruis zoude klinken. Het volk , dat bij den plechtigen intocht in Jeruzalem had geroepen : Hosanna den Zoon van David! schreeuwde nu, door de Joodsche oversten opgehitst: Aan het kruis met Hem !
Door de Joden werd Jezus gevangen genomen, veroordeeld , bespot en geslagen, door de Heidenen werd Hij gegeeseld, met doornen wreedaardig gekroond en aan het kruis geklonken. Uit liefde tot ons leed Hij grooter pijnen dan ooit een mensch heeft verdragen. Hij heeft ons bemind en zich zei ven voor ons opgeofferd. Bij zijn geboorte schenkt Hij zich aan ons als broeder, bij het laatste avondmaal als spijs, bij zijn sterven als losprijs , in de glorie geeft Hij zich als ons eeuwig loon, In zijn oneindige liefde, wijsheid en almacht kon Hij ons niet meer schenken. Met het doopsel der liefde en des lijdens was Hij nu gedoopt; hoe had zijn Hart gebrand van verlangen totdat het geschiedde! Jezus Christus stierf dus aan het kruis uit gehoorzaamheid aan zijn hemelschen Vader voor de zaligheid van alle menschen. Dat kruis is het opengeslagen boek der liefde Gods, eener liefde, sterker dan de dood. Aan dat kruis bad Jezus nog voor zijn vijanden; aan dat kruis was Hij verlaten, niet alleen door de menschen, maar door God zeiven. En toen was het volbracht. Jezus had door zijn kruisdood de wereld met God verzoend ; de rechtvaardigheid en de vrede hadden elkander in Christus -omhelsd; de oneindige beleediging, God door de zonde aan-
17
gedaan , was hersteld, de poorten des hemels waren weder geopend. Hij had al onze kwalen gedragen, al onze smarten getorst. Zijn graf was heerlijk. Maar Hij had macht om zijn leven af te leggen, macht om het weer aan te nemen. Door die macht verrees Hij op den derden dag van de dooden en bewees daardoor onwederlegbaar zijn Godheid en goddelijke zending. Eenmaal uit de dooden opgestaan sterft Hij niet meer , maar leeft voor God. Nog veertig dagen blijft Hij op de wereld, verschijnt aan zyn leerlingen , spreekt tot hen over het rijk Gods, geeft hun de macht om zonden te vergeven, bevestigt Petrus als Opperherder zijner Kerk. En Hij, wien alle macht gegeven is in den hemel en op aarde, zendt zijn Apostelen in de wereld om alle volkeren te onderwijzen en te doopen in den Naam des Vaders, des Zoons en des H. Geestes. Hij 'belooft hun den H. Geest, den Trooster, die hun alle waarheid leeren zal. En dan klimt Hij op ten hemel om ook als mensch'bezit te nemen van de eeuwige heerlijkheid, die Hij door zijn lijden en sterven verdiend heeft. Hij zit aan de rechterhand Gods. Van daar zal Hij komen oordeelen de levenden en de dooden , en zijn rijk zal geen einde hebben. Hem, den Koning der eeuwigheid, den onsterfelijke, den onzichtbare, den eenigen God zij eer en glorie in alle eeuwen. Amen. (I. Tim. I.)
2
ö.
18
II. De stichting der Kerk.
De verlossing van het mensehdom was het doel der zending van Jezus Christus, was inzonderheid het doel van zijn kruisdood. De leer, welke Hij verkondigde, bracht wederom de kennis en den dienst van den waren God aan de wereld. Daarom zeide Hij: â Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand komt tot den Vader dan door Mij. Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den alleen waren God en dien Gij gezonden hebt, Jezus Christus.quot; Het geloof en het doopsel stelde Hij als een noodzakelijke voorwaarde tot het verwerven der eeuwige zaligheid. â Wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar wie niet geloofd zal hebben , zal veroordeeld worden.quot; De H. Sakra-menten zouden de kanalen zijn, waardoor de genade der verlossing ons zoude toegevoerd worden. Wij echter moeten met die genade medewerken, want God verloste ons wel zonder ons, maar Hij maakt ons niet zalig zonder ons.
Christus koos twaalf Apostelen uit. Zij waren getuigen van alles, wat Hij leerde en deed. Hij gaf hun het bevel het Evangelie te verkondigen en allen te doopen , die geloo-ven zouden. Zij moesten ook de andere Sakramenten, die Hij tot verkrijging of vermeerdering der genade had ingesteld , aan de geloovigen uitdeelen. De zending, welke Hij van zjjn hemelschen Vader ontving , droeg Hij op hen over en verplichtte alle geloovigen aan hen , evenals aan Hem, te gehoorzamen. â Gelijk de Vader mij zond , zoo zend ik u. Wie u hoort, hoort mij ; wie u veracht, veracht mij.quot;
Tot hoofd der Apostelen en van de gansche Kerk verhief Jezus een armen visscher, Simon Petrus, Petrus had plechtig beleden; â Gij zijt de Christus, de Zoon van den levenden
19
God.quot; En de Heer sprak tot hem ; Gij zijt Petrus , en op deze steenrots zal ik mijne Kerk bouwen en de poorten der hel zullen tegen haar niets vermogen. En u zal ik de sleutels van het rijk der hemelen geven. En alles, wat gij binden zult op aarde, zal ook gebonden zijn in den hemel, en alles wat gij ontbinden zult op aarde , zal ook in den hemel ontbonden zijn.quot; Deze belofte vervulde Christus na zijne Verrijzenis, toen Petrus driemaal zijn liefde betuigd had. â Weid mijne lammeren,quot; sprak Hij, â weid mijne schapen.quot;
Zoo had Christus een rijk gesticht. Het onzichtbare hoofd bleef Hij zelf, het zichtbare was Petrus en later diens wettige opvolgers. Christus heeft dus zjjn volgelingen tot een maatschappij vereenigd, opdat zij door gemeenschappelijke middelen â prediking , eeredienst en Sakramenten, â onder een door Hem ingesteld gezag â de opperherders , -â een gemeenschappelijk doel â hunne zaligheid â zouden bewerken. Die geestelijke maatschappij of de Kerk van Christus bestaat uit twee soorten van Ledematen : Zij, die leeren en bevelen of de leerende Kerk, de priesters; zij, die hooren eh gehoorzamen of de hoorende Kerk, de geloovigen. Het is een volledige of volmaakte maatschappij , die in zich zelve alle middelen bezit, welke voor haar noodig zijn om haar doel te bereiken. De Zaligmaker gaf aan zjjne Kerk kenteekenen, dat is, zichtbare, bjjzondere en blijvende hoedanigheden , door welke alle menschen haar op eene gemakkelijke en zekere wijze kunnen herkennen. Deze kenteekenen zijn: de eenheid, de heiligheid, de katholiciteit en de apostoliciteit. Hij schonk haar sommige voorrechten. De Roomsch Katholieke Kerk van Jezus Christus is onfeilbaar , onvergankelijk en heeft macht en gezag om te leeren , om de Sakramenten toe te dienen, om te regeeren en om te straffen.
De Zaligmaker was voor zijne Kerk gestorven, had haar
20
geheiligd iu zijn Bloed, zoodat zij zonder vlek of rimpel was, had voor haar gebeden, zoodat zij de gaaf der eenheid ontving. Voor Hij ten hemel opklom, beloofde Hij den H. Geest, den Trooster, die haar de gansche waarheid leeren zou. En op het Pinksterfeest daalde de H. Geest, de Geest van waarheid en liefde, zichtbaar over de Apostelen neder, predikte Petrus voor de eerste maal het Evangelie en werden er ongeveer 3000 door het H. Doopsel in de Kerk opgenomen. Op dien dag trad zij plechtig en openlijk de wereld in.
III. De Kerk onder de Joden.
Door de twee eerste predikatiën van den Apostel Petrus waren 5000 menschen tot de Kerk toegetreden. Zij vormden te Jeruzalem de eerste christen gemeente. Zij leidden een voorbeeldig leven. Innige liefde tot Jezus en tot elkander bezielde hen. Zij vierden de H. Geheimen , gelijk Christus ze ingesteld en de Apostelen ze geleerd hadden. Zij volharden, zegt de H. Schrift, in de leer der Apostelen , in de gemeenschap van het breken des broods en van het gebed. De menigte der geloovigen was één hart en één ziel. Geen behoeftige was er onder hen. Want wie van hen akkers of huizen bezat, verkocht dezelve, bracht den prijs en legde hem aan de voeten der Apostelen, die hem dan overeenkomstig de behoefte verdeelden. De zorg voor de armen hield de Apostelen zoo zeer bezig, dat zij bijna de verkondiging van Gods woord verzuimen moesten. Daarom kozen en wijdden zij zeven mannen tot diakens. Dezen waren wel niet uitsluitend, maar toch hoofdzakelijk voor de armenzorg bestemd.
21
Intusschen werden de hoogepriesters en oversten van het Joodsche volk over het toenemende getal der christenen ongerust. Reeds na de wonderbare genezing van den lamme aan de poort van den tempel waren Petrus en Johannes in de gevangenis geworpen. Den volgenden dag bekenden zij vrijmoedig voor den Hoogen Raad : â Jezus is de steen, die door u, bouwlieden, verworpen werd... . Maar er is in geen anderen zaligheid.quot; De hoogepriesters verboden hun in den naam van Jezus te leeren, maar lieten hen zonder straf heengaan. Toen de Apostelen voor de tweede maal gegrepen werden, redde hen de voorspraak van den wijzen Gamaliel. Toch lieten de rechters hen geeselen en geboden hun ten strengste niet meer in den naam van Jezus te prediken. De Apostelen echter gingen verheugd van den Hoogen Raad heen, omdat zij waardig bevonden waren voor den naam van Jezus smaad te lijden. En zij hielden niet op dagelijks in den tempel en in de huizen te leeren en het Evangelie van Jezus Christus te verkondigen.
De vervolging kon niet uitblijven. De eerste, die met zijn bloed voor Jezus getuigenis aflegde, was de diaken Stephanus. Vol van den H. Geest had hij Jezus beleden en den halstarrigen Joden hun dwaling voorgehouden. Maar zij ontstaken in razende woede tegen hem, sleurden hem buiten de stad en steenigden hem. Nu begon er een groote vervolging tegen de Kerk te Jeruzalem. Sau-lus, die ook bij den marteldood van Stephanus tegenwoordig was en de kleederen der eerste steenigers bewaarde, bracht vele leerlingen van Christus in de gevangenis. God gebruikte juist deze vervolging tot uitbreiding van het christendom. De christenen , welke uit Jeruzalem vluchtten, verspreidden zich door Judea en Samaria en predikten overal het Evangelie. Gedurende de rust, welke op dien eersten storm volgde, reisde Petrus
22
rond naar alle christen gemeenten om zich persoonlijk van het geloof der christenen te overtuigen en zijne broeders te versterken.
Een nieuwe korte vervolging ging van Herodes Agrippa (41 â 44) uit, die door de gunst van den Romeinschen keizer de heerschappij van het gansche Joodsche rijk bekomen had. Jacobus de Meerdere werd onthoofd. Toen Herodes zag, dat zijn handelwijze aan de Joden beviel, liet hij ook Petrus in den kerker werpen, om hem na het Paaschfeest ter dood te brengen. Maar de gansche gemeente bad voor Petrus en een Engel bevrijdde hem des nachts uit de gevangenis. Herodes onderging zijn rechtvaardige straf: hij stierf onder de vreese-lijkste pijnen.
Dertig jaren waren sedert voorbijgegaan. Toen trof de wraak van God ook het uitverkoren Joodsche volk. Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen, hadden zij bij den dood van hunnen Messias geroepen. Dat bloed kwam nu over hen. Honderdduizenden Joden vonden den dood in den opstand tegen de Romeinen en vooral bij de belegering van Jeruzalem. Het was een nood , gelijk er van het begin der wereld niet geweest was en nooit meer zijn zal. OpdenlCcn Augustus van het jaar 70 nam de Romeinsche veldheer Titus Jeruzalem in. De tempel, het heiligdom der Joden , werd een prooi der vlammen. Later, onder Julianus den Afvallige, beproefden de Joden den tempel weer op te bouwen, doch God verhinderde het door wonderen.
23
IV. Opname der Heidenen in de Kerk.
Herhaaldelijk had Jezus er op gewezen, dat Hij de verloren schapen van het huis van Israël kwam zoeken. Nochtans zouden de andere volkeren van de Verlossing geenszins uitgesloten worden. Voor zijn hemelvaart gaf de Heer uitdrukkelijk aan de Apostelen het bevel: Leert en doopt alle volkeren. Het was evenwel natuurlijk, dat de Apostelen eerst het Evangelie aan de Joden, hunne broeders naar het vleesch, verkondigden. Zoo zeide Paulus, de Apostel der Heidenen, te Antiochië: Aan u, de Joden, moeten wij eerst het woord Gods prediken. Daarom begonnen de Apostelen niet terstond de Heidenen in de Kerk op te nemen. Zij wisten hoe zeer de strenge Joden , die, al wat heidensch was, verafschuwden, geërgerd zouden zijn.
God zelf onderrichtte den H. Petrus, toen hij naar het huis van den hoofdman Cornelius ontboden werd , dat de scheidsmuur tusschen de Joden en de Heidenen was gevallen. In een visioen zag hij alle soorten van dieren in een linnen kleed verzameld. , Vóór Cornelius en de zijnen het doopsel ontvingen, kwam de H. Geest over hen. â Zou iemand aan hen,quot; sprak de H. Petrus, â het water des doopsels weigeren, daar zij immers den H. Geest ontvangen hebben gelijk wij ?quot; En hij liet hen terstond in den Naam van den Heer Jezus doopen.
Kort daarna verkondigden christenen , die uit Jeruzalem gevlucht waren, het Evangelie aan de Heidenen te Antiochië in Syrië. Toen de tijding hiervan tot de Apostelen gekomen was, zonden zij Barnabas uit om het werk der bekeering te voltooien. Groot was te Antiochië het getal van hen , die zich doopen lieten. Hier werden zij het eerst christenen genoemd.
24
Het woord des Heeren begon allengs bewaarheid te worden : Alles zal ik tot mij trekken. Saulus, die op den weg naar Damuscus wonderbaar bekeerd werd , verkoos Hij tot den Apostel, die, als een uitverkoren werktuig, zijn Naam aan de Heidenen en koningen evenals aan de kinderen van Israël verkondigen zou.
Intusschen werd de Mozaïsche wet door de geloovigen uit het Jodendom nog steeds onderhouden. Zelfs de Apostelen leefden sommige van hare voorschriften na. Memand kon dit afkeuren, zoolang de Joodsche staat met zijn wetten voortduurde. Te meer mochten de Apostelen die inzettingen van het oude Verbond behouden, welke niet tegen de leer van Christus aandruischten , om langs dien weg hun landslieden eerder voor Christus te winnen. Eenige ijveraars evenwel beweerden , dat men zonder het onderhouden der Mozaïsche wet niet zalig kon worden. Zij verlangden, dat ook de bekeerlingen uit het heidendom zich naar deze zienswijze voegen en de Joodsche wet naleven zouden. Daardoor ontstond te Antiochië een levendig geschil. Om dit te beslechten, gingen Paulus en Barnabas naar Jeruzalem, waar de verzamelde Apostelen een beslissing geven zouden. Zij hielden de eerste algemeene Kerkvergadering. De onfeilbare uitspraak van Petrus en de overige Apostelen , door den H. Geest bestierd en voorgelicht, was, dat men de beoefening der Mozaïsche wet aan de christenen uit het heidendom niet kon of mocht opleggen. Daardoor was de deur tot de Kerk voor allen geopend; het christendom werd als een wereldgodsdienst erkend, die niet enkel de Joden tot de zaligheid moest voeren, maar allen, die in Jezus Christus geloofden en zijne voorschriften beoefenden. â
25
V. De uitbreiding van het Christendom.
De Apostelen erkenden , dat thans het oogenblik aangebroken was om het bevel van hun goddelijken Meester te vervullen: Brengt mijnen Naam tot aan de grenzen der aarde. Niets hield hen terug. Zij kenden geen vrees. De Heer had tot hen gezegd : Zie , Ik ben met u alle de dagen tot aan het einde der wereld. Wij bezitten over den Apos-tolischen arbeid en de missiereizen der Apostelen slechts weinige, verstrooide berichten. De christen gemeenten evenwel, die overal bloeiden, getuigden, dat deze arme, machtelooze, ongeleerde visschers wonderen bij de bekeering der wereld gewrocht hebben , door het vertrouwen op den H. Geest, den Vertrooster, die hun alle waarheid leerde, en door de genade van Christus , in wien zij alles vermochten.
Te Jeruzalem nam Jacobus de Mindere volgens het bevel van Christus het bestuur der Kerk op zich. Zijn rechtvaardigheid en zachtzinnigheid verwierven hem zelfs de achting der Joden in zulk een mate, dat velen onder hen de marteling van den Apostel (63) afkeurden en verafschuwden. De Apostel Mattheus predikte eerst aan de Joden. Voor hen schreef hij ook zjjn Evangelie. Later predikte hij in Arabië, evenals Thomas en Bartholomeus in Indië. Na zijne wonderbare bevrijding uit den kerker bezocht Petrus verschillende gemeenten (Hand. 12. 17.) en stond eenigen tijd aan het hoofd der Kerk van Antiochië. Reeds onder keizer Claudius (42) kwam hij te Rome. Hij stichtte daar de Kerk , zooals uit vele gedenkteekenen blijkt, ea vertoefde er eenige jaren als haar Bisschop. Naar Jeruzalem teruggekeerd, nam hij deel aan de bovengenoemde vergadering der Apostelen. Kort daarna ontmoette hij Paulus te Antiochië en iets later te
26
Corinthe. Zijn doel bleef echter steeds Rome. Daarheen moest hij wederkeeren ; daar zou hij volgens het raadsbesluit van God sterven. In de vervolging , welke de dolzinnige en bloeddorstige keizer Nero tegen de christenen verwekte om de schuld van Rome's brand op hen te werpen , leed Petrus 67 n. Chr. den marteldood. Hij stierf aan het kruis met het hoofd naar beneden. Zoo had hij het in zijn ootmoedigheid verlangd , daar hij zich niet waardig achtte gelijk zijn Heer en Meester te sterven.
Paulus had een zeer uitgebreiden werkkring. Hij doorreisde Voor-Azië, Macedonië en Griekenland. Barnabas, Joannes Marcus, Timotheus en de Evangelist Lucas deelden met hem de lasten, maar ook de vreugde van het Apostolische leven. De brieven, welke hij aan verschillende gemeenten schreef, getuigen van zjjn levendig en heldhaftig geloof in Jezus Christus en van zijn vurige liefde tot hen , aan wie hij het Evangelie verkondigd had. Te Jeruzalem werd hij als verachter der wet aangeklaagd en gevangen genomen. (59 n. Chr.) Twee jaar zuchtte hij in den kerker, tot hij in hooger beroep op den keizer naar Rome gevoerd werd. Hier bleef hij nog twee Jaar gevangen , maar kon toch de leer van Christus verkondigen. Vrij gelaten ging hij naar het eiland Creta en bezocht nog eenmaal de geliefde kerken in Syrië en Griekenland. Daar ontving hij het bericht van de vervolgingen, welke zijn bröeders in Rome onder Nero verduurden. Onverwijld snelde hij naar de eeuwige stad. Hij onderging er na een korte gevangenschap den marteldood door het zwaard op denzelfden dag als de H. Petrus. Hij kon van zich in alle nederigheid zeggen , dat hij , door de genade Gods gesterkt, meer gearbeid had dan de andere Apostelen. Zich zei ven noch de gunst der menschen zocht hij, maar slechts ééne zaak : door zijn leven en dood Christus,
27
den Gekruiste, te verheerlijken en het Evangelie der genade te verkondigen.
Johannes, de beminde leerling des Heeren, zette het werk van den Apostel Paulus in Klein-Azië voort, toen deze naar Rome gevoerd werd. Van Ephesus uit, waar zijn bisschoppelijke zetel was, bestuurde hij de gemeenten van Klein-Azië. Tot aan zijn dood in 101 brandde hij van teedere naastenliefde. Kinderkens , bemint elkander die woorden lagen op zijne lippen bestorven.
De leerlingen der Apostelen drukten het voetspoor van hun leermeesters. Slechts honderd jaren waren sedert den dood van Christus voorbijgegaan en reeds was zijne leer tot de meest verwijderde provinciën van het Romeinsche rijk doorgedrongen.
De H. Paulus schreef reeds aan de inwoners van Colosse : Het Evangelie is gepredikt aan alle schepselen, die onder den hemel zjjn. (Coloss. I. 23.) De Romeinsche wijsgeer Seneca roept uit: v Dat ras van christenen is overal!quot; In het jaar 112 bericht Plinius de Jongere aan keizer Trajanus: âDe besmetting van het christelijk geloof blijft niet beperkt tot de steden ; zij heeft zich tot de dorpen en de velden uitgestrekt en zich meester gemaakt van allen ouderdom, allen stand en alle kunne.quot; Honderd en vijftig jaar na Christus telde de H. Justinus onder de geloovigen verscheidene nog onbeschaafde volkeren op. En Tertulianus schroomde niet den heidenen toe te voegen : â Wij, (christenen), zijn nog slechts van gisteren, en wij vullen uwe steden , uwe eilanden , zelfs uwe velden, het paleis, den Senaat en het forum; alleen uwe tempels hebben wij u gelaten. Indien wij wegtrokken, zoude het rijk ledig zijn.quot;
De Kerk was niet louter in het gansche Oosten verspreid, in Palestina, in Syrië, in Egypte, in Klein-Azië en in Griekenland,
28
maar ook door het Westen , in Italië , Germanië, Brittanië , Gallië, Spanje, in Afrika, op plaatsen, die voor de Romeinsche legioenen ontoegankelijk waren, en zelfs buiten het keizerrijk, in Armenië, Perzië, Indië, tot bij de meest barbaarsche volken , de Sarmaten , de Daciërs, de Scythen, de Mooren , de Getulen, tot de onbekendste eilanden : alles was vol christenen.
Deze snelle verspreiding eener leer, welke de mensche-lijke driften on verbiddel jjk bestrijdt, is des te wondervoller, naarmate de verkondigers van dat Evangelie minder over stoffelijke hulpmiddelen beschikten en de heidenen halsstarriger weerstand boden. Zij kan geen natuurlijke gebeurtenis zijn. Uit menschelijk oogpunt beschouwd, vond de nieuwe godsdienst bijna niets dan onoverkomelijke hinderpalen.
De personen, die hem verkondigden. Zij waren noch wijsgeeren , noch geleerden , noch redenaars , noch staatkundigen , noch machtigen dezer aarde.
De leer , welke die godsdienst predikte. Zij was in strijd met de vooroordeelen van den geest en de bedorven neigingen van het hart.
Het doel, waarnaar die godsdienst streefde. Dat doel was : gelooven , niet begrijpen ; zich verloochenen , niet genieten ; een eeuwig leven , niet deze wereld.
De tijd, waarin deze godsdienst verscheen: de meest verlichte en beschaafdste, maar ook de hoogmoedigste en meest bedorven eeuw van het Romeinsche keizerrijk.
Het eigenbelang van vele lieden : van vorsten, overheidspersonen , heidensche priesters, kooplieden, kunstenaars, soldaten, wier tijdelijke belangen met het behoud van het heidendom gemoeid waren.
De vervolgingen, welke de nieuwe godsdienst onderging. Zoowel de Joden als de Heidenen wilden hem te vuur en te zwaard uitroeien.
29
Er waren nochtans ook vele oorzaken, die de verbreiding van het Christendom begunstigden: de voorbede der heiligen en der martelaren; de behoefte aan verlossing uit den onge-lukkigen toestand, waarin de maatschappij verzonken lag ; het diep gevoelde bewustzijn van schuld en ellende ; de liefde en het voorbeeld van Christus en de eerste christenen, die de heidenen in verrukking brachten; de heldenmoed der martelaren ; de wonderen der geloofsverkondigers ; het gezag en de eenvoud van de prediking der Apostelen ; de bedorven toestand van het Romeinsche rijk; het gemakkelijke en veelvuldige verkeer; de verheffing der vrouw ; de geleidelijke vrijmaking der slaven ; de welwillendheid van sommige keizers, magistraten en patriciërs; de Apologeten en hunne geschriften.
Naarmate dus het voor of het tegen bovendreef, ging het christendom vooruit of achteruit. In alle geval, een godsdienst, die het kruis deed zegevieren, kon alleen van God komen.
Men kan noch mag twijfelen aan de goddelijkheid van eenen godsdienst, naar wien de menschheid duizenden jaren smachtend verlangd heeft; die al de voorafbeeldingen en voorspellingen van het Oude en het Nieuwe Verbond vervult; wiens leer, onuitsprekelijk verheven en eenvoudig, de wereld hervormt; die tallooze heiligen kweekt; voor wien millioenen martelaren onder de verschrikkelijkste pijnen hun bloed vergieten ; tot wiens bevestiging schitterende wonderen zoowel door zijn Stichter Jezus Christus als door zijn bedienaren en aanhangers geschieden; die zich ondanks de zwaarste moeilijkheden , ondanks een verwoeden tegenstand in de wereld met verbazende snelheid uitbreidt, dikwijls zonder menschelijke hulpmiddelen; die zuiver en ongeschonden blijft voortleven in weerwil van ketterijen en vervolgingen; die de liefde tot God en tot den evenmensch doet bloeien en de ongeregelde driften
30
der menschen bedwingt. Terecht zegt de H. Augustinus: De godsdienst van Jezus Christus heeft alle hinderpalen overwonnen door middel van wonderen , en dan moet men wel aannemen, dat hij goddelijk is; of wel hij is verspreid geworden zonder wonderen, en dan is het feit zelf van de bekeering der wereld het grootste van alle wonderen.
Mijn hemelsehe Vader heeft mij gezonden om aan de armen het Evangelie te brengen , had Christus van zich zeiven getuigd.
Zondaars , armen , zieken , ongelukkigen, onaanzienlijken waren dan ook zijn eerste leerlingen ; onder hen werd het eerst het Christendom door de Apostelen verspreid. Maar gelijk bij de kribbe van Jezus na de arme, onbekende herders de rijke en machtige koningen uit het Oosten knielden , zoo ook werd de leer van Jezus al spoedig door rijken, geleerden en machtigen aangenomen. Dit bewijzen de talrijke namen van aanzienlijken, de akten der martelaren, de gedenk-teekenen der eerste Kerk , haar rijke middelen. Jezus' leer deed alle standen buigen voor het kruis. De slaaf en de Patriciër, de vorst en de onderdaan , tusschen wie vroeger een onoverkoombare kloof lag, bezaten thans slechts één lichaam en één geest, één Heer, één Geloof, één Doopsel, één God en Vader van allen.
Wel was de blijde boodschap des Evangelies, volgens den wil en de onnaspeurlijke raadsbesluiten van God , eerst na vier duizend jaren in de wereld verschenen. Eerst had God de Heidenen en de Joden op den toekomstigen Verlosser voorbereid. Eerst moest de wereld overtuigd zijn en beseffen, dat zij dien Verlosser noodig had. Eerst moest zij den noodkreet slaken., haar door haar schuldbewustzijn en hulpbehoevendheid afgeperst: Dauwt, hemelen , den Rechtvaardige , en gij, wolken, doet Hem neerregenen. Eerst moest de
31
Zaligmaker voorspeld en voorafgebeeld worden, telkens al duidelijker en aekerder. Maar toen is het Woord vleesch geworden en heeft onder ons gewoond , Jezus , die zijn volk van hun zonden bevrijdt. Toen ging de voorspelling van den H. Joannes in vervulling ; Alles , wat uit God geboren is , overwint de wereld; en dit is de victorie, die de wereld
overwint, ons geloof. (I Joh. 5.)
ââ
VI. De Vervolgingen.
Met onverschilligheid en verachting hadden de heidenen aanvankelijk de nieuwe leer beschouwd. Zij was voor hen slechts een gewijzigde vorm van het Jodendom. De trotsche Romeinen bekommerden zich niet om lieden, die volgens hun meening geen tempels en geen altaren hadden, die de genoegens van het leven versmaadden, die voor het grootste gedeelte tot de minderen standen behoorden. Maar toen die verachte leer zich meer en meer uitbreidde, toen ook aanzienlijke en ontwikkelde lieden haar omhelsden , toen verkeerde hun verachting spoedig in grimmigen haat. Men hield zich verplicht een godsdienst uit te roeien, die de heidenscho godenleer als goddeloos brandmerkte, die de ingewortelde en geliefkoosde gewoonten van zondigen en de ongeregelde driften onbarmhartig veroordeelde, die ook zijdelings voor den staat gevaarlijk zou kunnen worden. â Staat en godsdienst zijn in gevaarquot; , riepen de vertoornde heidenen. â Aan beide hebben wij alles te danken , macht, grootheid , roem , geld , genot; beide wil de sekte der Christenen ondermijnenquot;. De afschuwelijkste lasteringen werden nu tegen de Christenen
32
ijverig verspreid en gewillig aangenomen Zelfs ongelukken, die het volk hier en daar troffen, weet men aan de Christenen. De heidensche priesters , wier brood op het spel stond, verkondigden aan het volk, dat hun goden, wegens de verspreiding van den christelijken godsdienst vertoornd , daarom vele plagen over hen afzonden. Zoo prikkelden zij het volk tot woede en razernij; het eischte wraak en straf. De staatswetten moesten aan dien eisch voldoen.
Reeds maakten wij met een enkel woord gewag van de vervolging onder keizer Nero (64 â 68.) Deze woedde vooral in Rome en omstreken. De Christenen werden als brandstichters in zakken genaaid, door de honden verscheurd, met pek bestreken en als fakkels verbrand.
Onder Domitianus (94 â 96) betichtte men de Christenen van goddeloosheid en Joodsche gebruiken. Hij vervolgde de Christenen deels uit hebzucht naar hun goederen , deels uit staatkunde; want hij vreesde door hen van den troon te worden gestooten. De Apostel Johannes werd te Rome in ziedende olie geworpen , en, toen hij ongedeerd bleef, naar het eiland Patmos verbannen. (95). Ditzelfde lot onderging Fla-via Domitilla, de echtgenoote van den vroegeren Consul Titus Flavius Clemens. De laatste werd onthoofd.
Keizer Trajanus (98 â 117) vernieuwde de oude wetten , volgens welke alleen de Romeinsche staatsgodsdienst was toegelaten. Alle andere godsdiensten waren verboden, dus ook het Christendom. Onder Trajaans regeering leed Simeon, opvolger van Jacobus op den Bisschoppelijke zetel van Jeruzalem , in den ouderdom van 120 jaren den marteldood aan het kruis. De heldhaftige H. Ignatius werd naar Rome gevoerd en daar tot verlustiging van het bloeddorstige volk door de wilde dieren verscheurd. Hij verlangde vurig te sterven, omdat Jezus, zijne liefde, aan het kruis had gehangen ; hij
33
prees zich zeiven gelukkig, dat hij voor Christus kon lijden, gelukkiger dan wanneer hij de heerschappij over de gansche wereld had verworven.
Steeds feller ontvlamde de woede en de haat van het gepeupel, hoe blijmoediger de christenen de wreedste martelingen verdroegen. Onder de regeering van keizer Hadrianus (117 â 138) en van Antoninus Pius (138 â 161) vorderden de heidenen , zoo dikwijls zij een feest van hunne goden vierden, hartstochtelijk de marteling van scharen Christenen. De zachtzinnige keizer Antoninus was niet altijd in staat de gewelddadigheden te bedwingen, terwijl keizer Marcus Aurelius (161 â 180) den vrijen loop aan den volkshaat liet. De christenen werden opgezocht en met alle denkbare pijnen gemarteld om hen tot afval te dwingen. Te Smyrna werd de bisschop Polycarpus, de laatste leerling der Apostelen, verbrand. â Ik dien Christus nu 86 jarenantwoordde hij aan zijne beulen , â nooit heeft Hij mij eenig leed gedaan ; waarom zou ik Hem, mijnen Heer en Verlosser, thans vervloeken ?quot;
Onder de volgende keizers woedde de vervolging meestal slechts in enkele streken, terwijl de Christenen in andere gedeelten van het rijk geduld werden. Septimius Severus (202 â 211) was aanvankelijk den Christenen genegen, maar spoedig vaardigde hij de strengste wetten tegen hen uit. De vervolging was in sommige gewesten zoo geweldig, dat men de komst van den Antichrist verwachtte. In Gallië verheerlijkte de H. Irenaeus , Bisschop van Lyon, de Kerk door zijn martelbloed.
Soms was een keizer gunstig jegens de Christenen gezind. Philippus Arabs (244 â 249) toonde zich openlijk zoo genegen voor hunnen godsdienst, dat men hèm voor een christen hield, ö. 3
34
Reeds waande men den tijd der beproeving voorbij. ) Schoone, groote kerken verrezen in de steden. De godsdienstoefeningen werden openlijk met allen luister gevierd. Het i getal der belyders van Christus' leer wies steeds aan. Hoewel ] men zeer voorzichtig was in het aannemen der bekeerlingen , lt; kon men niet altijd verhinderen, dat sommigen hun vroegere 1 zondige neigingen en gewoonten behielden. , 1 In den herfst van 249 besteeg keizer Decius den troon. i Met onbuigbare hardnekkigheid hield hij aan het heidendom i vast, daar hij meende, dat zonder hetzelve de Romeinsche j heerschappij niet kon bestaan en dat de christelijke godsdienst het gt; rijk in gevaar bracht. Voor eens en voor altijd wilde hij dezen | uitroeien. Alle middelen moesten aangewend worden om de t christenen aan hun geloof te doen verzaken : berooving van i hun goederen, verbanning , uitgezochte folteringen, doodstraf. c Vele christenen, door de lange rust ingedommeld, waren £ zwak genoeg om Christus te verloochenen. Zij offerden werkelijk ] aan de goden of namen ten minste den schijn aan , alsof zij ⬠hun een offer gebracht hadden. Maar ook vele christenen stierven een glorie vollen marteldood. e De volgende keizers: Gallus (251â253) en Valerianus lt;3 (253â260) zetten de vervolging voort. Cyprianus, de groote v Bisschop van Carthago , Paus Sixtus II en de diaken Lauren tins gaven hun bloed voor hun goddelijken Meester onder v de regeering van Valerianus. De pijnen, welke Laurentius e op den gloeienden rooster verduurde, konden den glimlach C eener hemelsche blijdschap van zijn onschuldig gelaat niet d Terdrijven. g Keizer Galliënus (260â268) stond aan de christenen a de vrije uitoefening van hun godsdienst toe en erkende hen v Tan staatswege. Zij genoten een rust van veertig jaren, %
b
I
35
waarin het Evangelie door alle provincies verspreid werd.
Eindelijk brak onder Diocletianus de laatste en hevigste vervolging uit. In het jaar 803 liet hij de prachtige kerk te Nicomedië omverhalen. Niet lang daarna verbood hij alle bijeenkomsten der christenen. De kerken moesten verwoest, de heilige schriften verbrand , de christenen van hun ambten en burgerrechten beroofd worden. Door het gansche Romeinsche rijk woedde de vervolging. Alle denkbare folteringen wendde men aan om de leerlingen van Christus tot afval te brengen. Acht jaren duurde de vervolging zonder onderbreking. Het was een tijd van lijden en beproeving, maar ook een tijd van glorie en zegepraal. De christelijke heldenmoed gaf de schitterendste bewijzen voor de bovennatuurlijke kracht van Christus' godsdienst. Teedere maagden en kinderen ondergingen onbevreesd den marteldood. De heilige Lucia weerstond zoowel aan de vleierijen als aan de bedreigingen van den rechter. De heilige Agnes, nauwelijks dertien jaar oud, stierf als een engel door het zwaard.
Na Diocletianus in 305 zetten Galerius in het Westen en Maximinus in het Oosten de vervolging voort. Zij wilden het christendom van de aarde verdrijven. Maar God waakte over zijn Kerk.
Om te toonen, dat de Kerk zijn werk is, heeft God gewild , dat zij ondanks den tegenstand der menschen gevestigd en door het bloed der martelaren uitgebreid zoude worden. Christus zelf was gehaat, vervolgd , ter dood gebracht, omdat Hij de waarheid zeide ; de knecht was niet beter dan zijn goddelijke Meester. Deze had dan ook duidelijk en stellig aan zijn leerlingen voorzegd, dat zij om zijnen Naam vervolgd, voor de koningen en rechters gesleept, mishandeld en gedood zouden worden; maar Hij had hun even duidelijk en stellig beloofd, dat Hij met hen zoude zijn, dat zij, door Hem ver-
36
sterkt, hun vijanden overwinnen zouden. M Vreest hen niet,quot; zoo vermaande Hij hen , â die alleen het lichaam dooden , maar uwe ziel niet schaden kunnen. Er kan zonder den wil van mijn hemelschen Vader geen haar van uw hoofd vallen. Door het geduld zult gij uwe ziel bezitten. Ik zal u ondersteunen, ik zal u moed en kracht schenken om over al uw vijanden te zegevieren. Vertrouwt, Ik heb de wereld overwonnen.quot;
Zoodra de christelijke godsdienst in de wereld verscheen , stonden alle machten en hartstochten tegen hem op: de begeerlijkheid des vleesches, de begeerlijkheid der oogen, de hoovaardij des levens , eigenbelang en eigenliefde. Immers hij veroordeelde dat alles. De Christenen mochten aan de zondige vermaken der heidenen geen deel nemen. Hun levensbeschouwing en levenswijze verschilde hemelsbreed van die hunner afgodische medeburgers. Geen wonder, dat het bedorven volk, hetwelk niets dan brood en spelen vroeg, maar om godsdienst en deugd zich niet bekreunde, hen haatte en vervolgde. Bij deze beweegredenen kwam nog het belang van den staat. De Romeinsche staatkunde meende in haar grondvesten aangetast te worden, als men de Goden verachtte. De Christenen, de vijanden der Goden, werden tevens als de vijanden van den Staat beschouwd. De vervolgingen hadden dus verschillende oorzaken: nu eens een bevel van den Keizer, dan de haat van ondergeschikte overheidspersonen in de provincies, dan een opstand van het volk, hetwelk men tegen de Christenen opstookte door hen te lasteren. Bijzondere omstandigheden van tijd of plaats verzachtten somwijlen de vervolging voor een oogenblik , maar de algemeene haat kreeg weldra weer de overhand ; de woede der heidenen ontvlamde opnieuw en het bloed der Christenen stroomde wederom door het gansche rijk. Het getal der martelaren wordt op vele millioenen geschat.
37
De afgodische keizers vleiden zich eenen godsdienst, dien zij haatten, door zulk een onmenscheljjke slachting te verdelgen ; maar onder het zwaard en in het vuur groeide hij aan. Te vergeefs beproefden zij de afgrijselijkste folteringen.
IJzeren nagelen, raderen met scherpe punten, gloeiende roosters, brandende houtstapels, wilde dieren, gesmolten lood, kokende olie, alle denkbare martelingen dienden om het getal van hen te vermenigvuldigen , die men wilde uitroeien. Het bloed der martelaren was het zaad der Christenen. Niets dan geduld en liefde stelden zij tegenover het geweld hunner vijanden. Nooit heeft men het geringste verzet of opstand van hen gezien. De Kerk gaf aan God , wat Gode toekomt, maar ook aan den keizer , wat des keizers was. Alles voor de waarheid te lijden was het gewone gedrag der Christenen ; zij snelden met meer drift naar den marteldood dan de heidenen naar hunne losbandige feesten. Afgeleefde grijsaards , teedere maagden, onschuldige kinderen, zwakke vrouwen trotseerden de gruwzaamste pijnigingen en beleden kloekmoedig den naam van Jezus Christus. Het zwaard viel menigmaal uit de hand der beulen ; zij zeiven veranderden in leerlingen van Jezus , die op hunne beurt hun bloed voor Hem vergoten. De heidenen, verbaasd over de standvastigheid en onverschrokkenheid der martelaren, erkenden in hen eene goddelijke kracht.
Er zijn voorbeelden van halsstarrige menschen, die hun leven voor een eene dwaling hebben opgeofferd, maar die voorbeelden zijn zeldzaam. De martelaren der Katholieke Kerk echter zijn ontelbaar. De gevoelens, welke zij bij hunnen dood aan den dag legden , zijn geenszins de kentee-kenen van dweperij. Zij leden met geduld, met vreugde, met geestdrift; zij bleven zachtmoedig onder de vreeselijkste pijnen, zij toonden een blij gemoed, een levendig geloof,
38
eene vurige liefde, een onbezweken vertrouwen; zij hadden hunne beulen lief en baden voor hen gelijk hun goddelijke Meester: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet, wat zij doen.
Zoo vele ijdele pogingen der Heidenen om de Christenen uit te roeien, bewijzen duidelijk, dat hun godsdienst het werk van God is ; dat de menschen niet gesticht hadden , wat de menschen niet konden vernietigen. De Katholieke Kerk bestaat niet alleen zonder de bescherming, maar ook ondanks de vervolging der aardsche machten. Zij blijft bestaan, gelijk Jezus Christus haar gesticht heeft, met haar rechten, met haar herders, met haar leer, met haar wetten, met haar genademiddelen. Zij is op de steenrots gebouwd en de poorten der hel zullen niets tegen haar vermogen. Dit is de overwinning , die de wereld overwint, ons geloof.
VII. De ketterijen in de drie eerste eeuwen.
De Kerk werd van den beginne niet enkel met stoffelijke wapenen vervolgd , maar ook met geestelijke. In haar eigen boezem stonden de ketters tegen haar op ; van buiten voerden de heidensche wijsgeeren strijd tegen haar. Christus en zijne leer waren gesteld ten teeken , dat tegengesproken zou worden. Daarom had de Zaligmaker voorspeld , dat ergernissen onvermijdelijk in de wereld waren.
Ketters zijn zij, die wel door het doopsel ledematen der Kerk zijn geworden, maar hare leer met hardnekkigheid verwerpen. Hun dwalingen hebben een tweevoudig nut: zij
39
beproeven en louteren de goeden; zij ontwikkelen, bevestigen en verspreiden de waarheid.
Bekrompenheid, spitsvondigheid en onwetendheid van het verstand , ongeregelde driften van het hart, vooral hoogmoed en onzuiverheid, waren de oorzaken van alle dwalingen. De ketters vonden in de ketterij een middel om ongestraft en met den schijn van wettigheid hun driften te voldoen, inzonderheid hun hebzucht, wellust en trotschheid. De macht en het geld van vorsten, aanzienlijken of belanghebbenden steunden hen overal.
Eeeds uit de brieven der Apostelen Petrus, Paulus, Jacobus, Johannes en Judas, evenals uit het boek der Openbaring blijkt, dat er lieden tot de Kerk overgingen, die wel met het lichaam , doch niet naar den geest tot haar behoorden. Zij wilden de leer van het Christendom overeenbrengen met godsdienstige of wjjsgeerige stelsels, op- attingen en drogredenen, die zij reeds vóór hun overgang tot de Kerk aankleefden en liefhadden.
De Joden beweerden, dat zij , de nakomelingen van Abraham, door God boven de Heidenen voor altijd bevoorrecht waren, dat de Mozaische wet ook voor bekeerlingen uit het heidendom verplichtend was.
Verschillende sekten loochenden de Menschwording van Christus en leerden, dat Christus slechts een schijnlichaam bezeten had (Doketen) of een lichaam, dat in den hemel gevormd was. (Valentjjn en Marcion.)
De Ebionieten , de Nazareërs , Simon de too venaar en de Simonianen spotten met iedere wet en gingen groot op hun zedelijke ongebondenheid.
De Gnostieken wilden de geheimen van den Christelijken godsdienst met hun verstand begrijpen; het ontbrak hun aan nederig geloof. In plaats van de verklaring der Kerk over het
40
kwaad, dat er in de wereld is, eenvoudig aan te nemen, zochten zij zeiven een uitlegging en beweerden, dat de stof eeuwig en de oorsprong van het kwaad was. Van overdreven gestrengheid sloegen zij over tot buitensporige zedeloosheid.
De Pers Manes stichtte het Manicheismus, Er waren volgens hem twee eeuwige rijken, licht en duisternis, die elkander bestreden. Jezus was in een schijnlichaam schijnbaar aan het kruis gestorven. De mensch moest niet arbeiden, geen dier dooden, geen huwelijk aangaan. Uitwendig vertoonden de Manicheërs een strenge levenswijze, maar in het geheim bedreven zij de schandelijkste ondeugden.
Zoo was het ook met de Montanisten gesteld, een sekte, naar zekeren Montanus genoemd. Deze trotsche, dweepzieke man waande, dat de H. Geest eerst volkomen in hem geopenbaard en de Kerk door hem tot hare voltooiing gebracht werd. Ieder zinnelijk genot is volgens hem zondig en sommige zonden sluiten onherroepelijk buiten de gemeenschap der Kerk.
De Antitrinitariërs , wier hoofdleiders Sabellius en Paulus van Samosata waren , loochenden de H. Drievuldigheid.
De Novatianen beweerden , dat de Kerk alleen uit heiligen bestond en dat de geldigheid der Sacramenten afhing van de waardigheid des bedienaars.
Niet alleen de ketters, de inwendige vijanden, maar ook de heidensche wijsgeeren, die buiten de Kerk stonden , verhieven zich tegen hare leer.
Op duizenderlei manieren , nu eens spottend, dan weer ernstig, vielen zij den christelijken godsdienst, zijn Stichter, de Apostelen, de priesters, zijn leerstukken en belijders aan. Zij trachtten de heidensche wijsbegeerte met haar stelsels overal te verspreiden en te doen herleven. Jezus noemden zij een bedrieger, zijn leer dwaas en alleen voor het gepeupel
41
geschikt, zijn wonderen overdreven en leugenachtig, de H. Schrift vol tegenstrijdigheden, den christenlijken godsdienst gevaarlijk voor staat en wetenschap.
Aan de spits dier spotters stonden de wijsgeeren Celsus , Lucianus en Porphyrius.
De vervolging van de zijde der ketters is nooit heviger geweest dan toen die der Heidenen ophield. De Kerk leerde door een droevige ondervinding, dat zij haar bloed moest vergieten om elk harer geloofstukken in het bijzonder te verdedigen. Alle werden achtereenvolgens aangevallen; de H. Drievuldigheid , de Menschwording van Christus, de Godheid van den H. Geest, de genade, de Sacramenten. Maar God stond zijne Bruid bij. Hij maakte haar onoverwinbaar tegen de inwendige verdeeldheden evenals tegen de uitwendige vjjanden; de poorten der hel zouden haar niet overweldigen. Ieder geloofstuk werd plechtig beslist door de leerende Kerk, de Bisschoppen met den opvolger van den H. Petrus , den Paus van Rome , aan het hoofd. De Kerk zag de ketterijen opkomen , zij zag ze vervallen en verdwijnen , zij bleef zonder smet of rimpel, schoon sommige harer leden afvielen. De Kerk bleef katholiek of algemeen en verspreidde zich in alle landen en onder alle volken; zoo dikwijls de ketterij haar aan den eenen kant afbreuk deed, nam zij aan de andere zijde toe door tallooze en schitterende bekeeringen. De Kerk was Apostolisch ; door een onafgebroken opvolging van hare herders klimt zij op tot de Apostelen, wier leer zij ongeschonden bewaart en overlevert. De Kerk bleef heilig ; heilig was haar goddelijke Stichter , heilig hare leer, heilig haar doel, heilig waren hare wetten , heilig hare genademiddelen , heilig waren vele van hare kinderen.
De Kerk bleef één en onverdeeld : één in hare leer, éên in haar eeredienst en Sacramenten , één in haar opperhoofd ,
42
den Paus. Zoo draagt de vlekkelooze Bruid van Christus altijd op haar voorhoofd de onbedrieglijke en zonneklare kenteekenen van hare waarheid en goddelijkheid.
-y '
VIII. De Kerkelijke schrijvers der eerste eeuwen.
De aanvallen met geestelijke wapenen, hetzij van de ketters, hetzij van de Heidenen uitgaande, werden afgeslagen door een keurleger van kerkelijke schrijvers , die God reeds van den beginne in zijn Kerk verwekte. Zij verdedigden en ontwikkelden de leer der Katholieke Kerk en beschermden hare wetten en instellingen. De Kerk beschouwde hen altijd als mannen, die op eene bijzondere wijze door den H. Geest voorgelicht werden, die de vertrouwbare en welsprekende tolken der Apostolische overleveringen waren Uit hunne deels beknopte , deels uitgebreide schriften zien wij , dat de leer, de eeredienst en de genademiddelen der Kerk in de eerste eeuwen dezelfde waren als thans; alleen bijkomende omstandigheden, zooals sommige gebeden en ceremoniën, die het wezen der zaak niet betreffen, verschillen. Het kon ook niet anders. De Kerk, aan wie de H. Geest de gan-sche waarheid leert, de Kerk, die de zuil en de grondslag van alle waarheid is, de Kerk , die dezelfde zending heeft voor alle tijden en plaatsen tot den jongsten dag, de Kerk moet haar leer onveranderd bewaren en verkondigen. Alles om haar heen verwisselt als een kleed en gaat voorbij als een schaduw : zij blijft dezelfde, altjjd oud en altijd nieuw.
De kerkelijke schrijvers vóór Constantijn den Groote kunnen wij gevoegelijk in drie klassen splitsen : le De ge-
43
wijde schrijvers der Heilige Boeken van het Nieuwe Testament. 2e De Apostolische Vaders. 3e De Apologetische Vaders.
Tot de eerste klas behooren de schrijvers van de vier Evangeliën, de Handelingen der Apostelen, de een en twintig brieven der Apostelen en het boek der Openbaring.
Het leven, de omwandeling en de werkzaamheid van Christus op aarde is beschreven in de vier Evangeliën, het voornaamste gedeelte der H. Schrift. Het woord Evangelie beteekent blijde boodschap. Wanneer wij van vier Evangeliën spreken , duiden wij daarmede de vier geschiedverhalen van Christus' leven op aarde aan.
De H. Schrijvers dier verhalen heeten Evangelisten en zijn Matthseus, Marcus, Lucas en Johannes. Matthaeus en Johannes waren Apostelen en grootendeels oog- en oorgetuigen van hetgeen zij opteekenden.
Matthseus, die vroeger tollenaar te Kapharnaum was, schreef voor de Christenen uit de Joden in het Syro-Chal-deeuwsch, de taal, welke toen in Palestina gesproken werd. Hij bewijst vooral, dat Christus naar de menschelijke natuur uit het koninklijk geslacht van David gesproten is, en dat de voorspellingen van het Oude Verbond in Hem zijn vervuld geworden. Daarom wordt hij afgebeeld met een mensch.
Marcus , de getrouwe leerling van den Apostel Petrus, stelde zijn Evangelie te Rome samen op verzoek van de Christenen, die schriftelijk wenschten te bezitten, wat de H. Petrus hun mondeling geleerd had. Zijn zinnebeeld is een leeuw , want hij begint zijn Evangelie met de boetpredi-king van den H. Johannes den Dooper, als met het gebrul van den koninklijken leeuw.
Lucas, een bekeerde heiden, vergezelde den Apostel Paulus op zijn reizen. Hij stelde zijn Evangelieverhaal op
44
ten behoeve van een zekeren , ons verder onbekenden Theo-philus, die reeds in het geloof onderwezen was, en wilde zijn vrienden een geloofwaardig verhaal van Christus' leven en daden aanbieden tegenover onechte berichten, die in omloop waren. Wijl hij de heilige geschiedenis met het priesterschap van Zacharias aanvangt, hebben de heilige Vaders aan hem het zinnebeeld van een os toegekend.
De Apostel Johannes , de beminde leerling van Jezus , schreef lang na de andere Evangelisten tegen het einde der eerste eeuw. Hij toont vooral de Godheid van Christus aan tegenover de dwalingen, die in zijn tijd ontstonden en de goddelijke afkomst van Christus loochenden. Men ziet een adelaar aan zijn zijde. De overige Evangelisten schijnen met den Godmensch op de aarde te blijven, maar hij verheft zich boven alle hemelen, boven de koren der Engelen, tot het ongenaakbaar Licht en begint zijn Evangelie : In het begin was het Woord, en het Woord was bij God en het Woord was God. Deze dingen , zegt hij , zijn geschreven, opdat gij moogt gelooven, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God, en opdat gij, geloovend , het leven moogt hebben in zijnen naam. (Joh. 20. 31.)
De vier Evangelisten verhalen allen het leven van den Zaligmaker op aarde, maar zij doen dit niet op dezelfde wijze, berichten niet dezelfde gebeurtenissen , of doen het niet in dezelfde bewoordingen, schoon zij hetzelfde feit vermelden. Er is dus bij hen overeenstemming en verscheidenheid : overeenstemming, die de volkomen waarheid van ieder Evangelieverhaal bewijst; verscheidenheid, die aantoont, dat de Evangelisten zonder onderlinge afspraak zelfstandig te werk gingen en elkander niet nageschreven hebben.
De handelingen der Apostelen, ook door Lucas opgesteld en aan Theophilus opgedragen , bevatten de geschiedenis van
45
de vestiging des Christendoms in Palestina door Petrus en van de uitbreiding der Kerk onder de heidenen door Paulus.
Volgens het bevel van Jezus Christus gingen de Apostelen door de wereld en verkondigden het Evangelie. Door dit levende woord , van hart tot hart gesproken, wilden zij de volkeren tot het geloof bekeeren. Zij bekleedden de plaats van Christus en God sprak door hen. Maar dit was niet het eenigste middel om de zaligheid der menschen te bewerken. Daar zij namelijk de gestichte gemeenten telkens spoedig verlaten moesten om de leer des heils ook aan andere streken te brengen, wilden zij in schrift aanvullen, wat zij mondeling en persoonlijk niet meer doen konden. Zij schreven daarom brieven aan de kerken , door hen gesticht, of aan afzonderlijke personen daarvan, om hen in het geloof te onderwijzen en te versterken, in bekoringen en wederwaardigheden te troosten, voor gevaren , vooral voor dwalingen of misbruiken te waarschuwen. Somtijds schreven zij ook aan gemeenten, die niet door hen zei ven , maar door hun leerlingen bekeerd waren. Zulk een schrijven, waaraan de geloovigen het hoogste gezag en gewicht toekenden , werd dan onder de godsdienstoefeningen , vooral onder de H. Mis, aan hen voorgelezen. Zoo ontstonden de brieven der Apostelen. De H. Paulus schreef er veertien, de H. Petrus twee, de H. Jacobus een, de H. Johannes drie en de H. Judas een.
De openbaring van den H. Johannes, het laatste Bijbelboek , werd geschreven voor alle christenen en alle tijden, maar in het bijzonder voor zeven gemeenten van Azië. Het bevat profetische visioenen, die de H. Johannes van God ontving gedurende zijn verbanning op het eiland Patmos.
Al deze gewijde schrijvers, behalve Matthseus, bedienden zich van de Grieksche taal, welke ten tijde der Apostelen het meest verspreid was.
46
Al deze boeken werden , gelijk de Kerk ons leert, door God ingegeven, dat is , op ingeving van den H. Geest en onder zijne leiding door de gewijde schrijvers geschreven.
Hun echtheid, onvervalschtheid en geloofwaardigheid is door innerlijke en uitwendige bewijzen, vooral door het onfeilbaar gezag der Katholieke Kerk, gewaarborgd. Zij hebben, zelfs afgezien van de bovennatuurlijke ingeving des H. öeestes, zulk een gezag , dat men niet kan weigeren hunne getuigenissen als waar aan te nemen zonder volstrekt alle historische zekerheid te loochenen.
Deze geschriften werden eerst opgesteld , nadat de leer van Christus gedurende een aantal van jaren en aan ontelbaar vele menschen in verschillende landen was gepredikt geworden. De Zaligmaker had tot de Apostelen niet gezegd : Schrijft boeken , om de goddelijke waarheid en de goddelijke wetten aan de wereld mede te deelen, maar: Gaat en onderwijst alle volkeren en predikt het Evangelie aan alle schepsel. (Math. 28. Marc. 16.) De gewijde schrijvers schreven dan ook volstrekt niet met het inzicht, opdat Joden of Heidenen door de lezing van hun geschriften zich tot het geloof zouden bekeeren , ook niet om de prediking van Christus' leer overbodig te maken ; maar zij schreven voor degenen, die reeds tot het christendom bekeerd waren door de prediking van Christus' gezanten aan te nemen.
De Apostolische Vaders , dat is, de schrijvers uit den oudsten tijd, die nog leerlingen of tijdgenooten van de Apostelen waren, hebben slechts weinige geschriften nagelaten en wel meestal in den eenvoudigen vorm van een brief. Toch vinden wij in deze schriften reeds een grooten rijkdom van geloofswaarheden en een groote veelzijdigheid in de voorstelling der christelijke geloofs- en zedenleer. En al spreken de Apostolische Vaders niet uitdrukkelijk van alle
47
waarheden, hun brieven bewijzen, dat de Kerk van hunnen tijd ze bezat, leerde en geloovig aannam gelijk thans. Zij schreven in de meest bekende en verspreidde wereldtaal van hun eeuw, het Grieksch. Tot deze Apostolische Vaders behooren de H. Paus Clemens I (90 â 100). Hij was de derde opvolger van den H. Petrus, werd onder keizer Trajanus naar den Chersonesus verbannen en daar in zee geworpen. Hij richtte een brief aan de Kerk van Corinthe. De H. Barnabas, de reisgezel van den H. Paul us, stelde ook een brief op. De H. Ignatius , Bisschop van Antiochië, leerling van den H, Johannes, schreef zeven brieven; die aan de Kerk van Rome is het beroemdste. Van den H. Polycarpus , Bisschop van Smyrna , bezitten wij het schrijven aan de Philippensen. Vermelden wij nog een geschrift van Papias, Bisschop van Hiërapolis , den rondgaanden brief der gemeente van Smyrna over den marteldood van den H. Polycarpus, den brief aan Diognetus en de Herder van Hermas.
Omstreeks het midden der tweede eeuw nam de kerkelijke letterkunde in omvang, inhoud en vorm aanmerkelijk toe. Meer en meer stonden er geleerde mannen op, die in hun schriften de drogredenen der vijanden des Christendoms ontzenuwden , hunne opwerpingen wederlegden. hunne aanvallen afsloegen. Men noemt hen de Apologetische Vaders. Het waren deels priesters deels leeken , die een uitstekende wetenschappelijke vorming genoten hadden. Veelal bekeerlingen hadden zij in het heidendom de waarheid , waarnaar hun hart dorstte, niet gevonden, maar gingen tot het Christendom over, waar hun hart in de kennis en de liefde van God, het hoogste goed en de hoogste waarheid , rust vond. Zij boden hun verweerschriften deels aan de keizers en magistraten , deels aan hun heidensche tijdgenooten in het algemeen aan. Zij gingen nu eens verdedigend, dan weer
48
aanvallend te werk. Vrijmoedig en duidelijk bewezen zij de goddelijkheid, de geloofwaardigheid en het goed recht van het Christendom en zijner leerstukken, de wettige zending van zijn priesters , de onzinnigheid der valsche beschuldigingen , de onschuld der Christenen , de onrechtvaardigheid en bloeddorstigheid der vervolgingen, de dwaasheid en ongenoegzaamheid van het heidendom.
De oudste Apologeet is de H. Justinus martelaar. Hij was een heidensch wijsgeer, bekeerde zich ten gevolge van een onderhoud met een christen grijsaard tot het Christendom, werkte nog vele jaren als ijverige verdediger van de Kerk te Ephesus en te Rome en stierf daar in 166 onder Marcus Aurelius een luistervollen marteldood. Bij de Grieksche Apologeten uit de tweede eeuw behooren verder de wijs-geeren Aristides en Miltiades, de Bisschop Quadratus van Athene, Melito van Sardes en Apollinaris van Hierapolis, Tatianus de Assyriër, Athenagoras, Bisschop Theophilus van Antiochië en de wijsgeer Hermias.
Omstreeks denzelfden tijd schreef de Heilige Bisschop en Martelaar Irenaeus van Lyon (f 202) zijn uitvoerig werk â tegen de ketterijeniets later te Rome de priester Cajus (f 220) tegen de Montanisten en de priester Hippolytus tegen de Sabellianen. Deze had aanvankelijk eene te strenge zienswijze omtrent de boetelingen, maar hij onderwierp zich aan Paus Callistus (221 â 227) en wischte iederen smet in zijn martelbloed uit.
De eerste Latijnsche Apologie stelde ten jare 166 de Romein Minutius Pelix op en wel in den vorm van een samenspraak tusschen den heiden Cecilius en den christen Octavius.
Sedert het midden der tweede eeuw bloeide de wetenschap in de kerk van Alexandrië. Er was daar een school van
49
Hooger Onderwijs opgericht voor de godgeleerde wetenschappen , vooral voor de studie van de H. Schrift. Wij zouden haar thans universiteit of seminarie noemen ; Catechetenschool. Deze vermaarde inrichting, die reeds onder haar eerste hoofd Pantaenus (f 212) in groot aanzien stond, steeg tot haar hoogsten bloei onder haar tweede hoofd Clemens van Alexandrië (f 217) en onder diens leerling en opvolger Ori-genes. Deze verhoogde den luister zijner deugd en geleerdheid met de glorie van een standvastigen belijder des geloofs (f 254). Onder de beroemdste leerlingen van Origenes tellen wij den priester Julius Africanus te Nicopolis, Bisschop Dionysius den Grooten van Alexandrië (f 264), den H. Bisschop Gregorius den quot;Wonderdoener van Neo-Cesarea (f 270) en den Heiligen Martelaar Pamphilus (f 309). Te Carthago, dat met Alexandrië in wetenschap en ontwikkeling wedijverde, leefde de geleerde , strenge en welsprekende priester Tertul-lianus, een tijdgenoot van Origenes. Door overdreven gestrengheid afgedwaald, sloot hjj zich een tijd lang bij de Monta-nisten aan , doch het schijnt, dat hij zich weer met de Kerk verzoend heeft (f 240). Iets later was de Heilige Bisschop Cyprianus, de schrijver van vele belangrijke geschriften, vooral over de eenheid der Kerk , een sieraad der gemeente van Carthago. Zijn leer bezegelde hij met zijn bloed (f 258). De twee laatste Latijnsche Apologeten waren de redenaar Arnobius uit Afrika (303) en Lactantius Pirminianus, de schrijver van het beroemde boek, â Over den dood der vervolgers ,quot; die om zijn schitterenden stijl de christelijke Cicero genoemd werd.
De Sibyllijnsche boeken , een navolging der oude Hei-densche voorspellingen van dien naam, genoten een buitengewoon gezag in de eerste eeuwen. Daarin werden, op a. 4
50
grond der voorzeggingen des Bijbels, de lotgevallen der Kerk en haar zegepraal in dichterlijken vorm verkondigd.
-_o__-
IX. De Hiërarchie in de eerste eeuwen.
Christus zelf heeft aan zijne Kerk de hoofdlijnen voor haar inrichting aangegeven. Hij heeft ze verdeeld in de loerende Kerk of de priesters en de hoorende Kerk of de geloovigen. quot;Wel noemt de H. Petrus alle christenen een priesterlijk en koninklijk geslacht, maar hij bedoelt daarmede niet het priesterschap in den eigenlijken zin, hetwelk door de handoplegging en de wijding wordt medegedeeld. In de boeken van het Nieuwe Testament staan de Apostelen, priesters en diakens als de leerende kerk tegenover de hoorende, daar zij de geloovigen, de leeken, krachtens hun ambt en volmacht vermanen, leeren, leiden en bestraffen; zij zijn de uitdeelers van Gods geheimen , vooral van de H. Sacramenten.
Van den beginne bestond derhalve in de Kerk een drievoudige graad van macht, gezag en waardigheid : de Apostelen of de bisschoppen, de priesters en de diakens. Hun namen werden wel is waar somtijds met elkander verwisseld , maar de rang en de waardigheid zijn scherp en kennelijk onderscheiden volgens de instelling van Jezus Christus. Aan de Apostelen en hun opvolgers, de bisschoppen, worden algemeene en standvastige bevoegdheden toegeschreven, welke aan de priesters en diakens niet toekomen ; zij ontvangen van de geloovigen hoogere eerbewijzen dan de mindere rangen ; voor ieder bestaat een afzonderlijke wijding.
51
De Bisschoppen zijn door den H. Geest gesteld om de Kerk Gods te besturen (Hand. 20 â 28). Hun rechtsgebied strekt zich echter niet over de gansche Kerk uit, maar alleen over een bepaald gedeelte daarvan, over een bisdom. De eerste bisschoppen werden door de Apostelen benoemd en gewijd; later koos hen de geestelijkheid met raadpleging van het volk ; nog later geschiedde de keus alleen door de geestelijken. Spoedig betrok men ook den keizer in de bisschopskeuze of deze mengde er zich eigenmachtig tusschen. Verscheidene bisschoppen van een gewest stonden onder een aartsbisschop, meerdere aartsbisschoppen onder een patriarch, allen te zamen onder den Paus van Rome. Zij belegden nu en dan vergaderingen om de kerkelijke vraagstukken te bespreken en heilzame maatregelen voor hun bisdom te nemen.
De priesters, die door een goddelijke wijding macht en genade ontvangen om hun ambt waardig uit te oefenen , zijn overal de medehelpers der bisschoppen vooral in het verkondigen van Gods quot;Woord en het toedienen der H. Sacramenten. Zij hebben de macht om het H. Misoffer voor levenden en dooden op te dragen en de zonden te vergeven. Zij vormden den raad van den bisschop, doch konden zonder hem niets doen.
Onder de priesters stonden de diakens. Hun ambt en hun wijding waren van goddelijken oorsprong. Zij mochten prediken, doopen en de bisschoppen bijstaan bij verschillende gelegenheden. Onder zijn toezicht bestuurden zij het kerkelijk vermogen, kondigden de godsdienstoefeningen aan, bewaarden de orde daarbij , ontvingen de offergaven en deelden ze aan de geloovigen uit, nadat zij gewijd waren.
Bovendien ontstonden er reeds vroegtijdig nog andere orden: de subdiakens, de acolythen, de exorcisten, de lectoren en de deurwachters. Bij de godsdienstoefeningen vervulden
52
zij verschillende lagere bedieningen en ontvingen hun ambt door een kerkelijke wijding.
Tot hulp van den priester bij vrouwelijke doopelingen en voor de verpleging van vrouwelijke zieken koos men weduwen en maagden, diakonessen geheeten, die door de Kerk gezegend , niet gewijd werden.
Met groote zorgvuldigheid werden de geestelijken uitgekozen. Zij mochten geen nieuwelingen in het geloof, noch onwetend in den godsdienst zijn ; hun naam en gedrag moest onberispelijk wezen. Reeds spoedig stichtte men voor de jeugdige levieten scholen of seminaries , waar zij een strenge en geregelde opleiding tot priesterlijke deugd en wetenschap ontvingen. Vele geestelijken , die geen tijdelijke bezittingen hadden, leefden naar het voorbeeld der Apostelen van hun handenarbeid. Doch als arbeiders in den wijngaard des Heeren en als bedienaren des altaars, waren zij hun loon waardig en mochten van het altaar leven. Daarom gaven hun de geloovigen vrijwillige en vastgestelde ondersteuningen.
Vele kerken hadden reeds hun eigen vermogen, waaruit de geestelijken en armere gemeenten bedeeld werden. De armenverzorging was in iedere gemeente goed geregeld. Met wereldsche zaken mochten de geestelijken zich niet inlaten.
Gewichtige redenen bewogen de Kerk den ongehuwden staat voor haar bedienaren verplichtend te maken. Immers de maagdelijke staat is volmaakter dan het huwelijk. De ongehuwde priester kan zich bovendien geheel en onverdeeld aan God en zijn ambt toewijden , wordt niet door wereldsche zorgen verstrooid en belemmerd. Wel waren sommige Apostelen en hun onmiddellijke opvolgers gehuwd geweest; maar nooit wijdden de bisschoppen iemand , die tweemaal een huwelijk had aangegaan. Wie echter de priesterwijding ontvangen had, mocht nooit meer trouwen. Zoo werd de ongehuwde
53
staat voor de geestelijkheid vrijwillig in de Kerk ingevoerd en eerst later, toen dit gebruik burgerrecht had verkregen, door wetten voorgeschreven.
De eenheid der Kerk kwam aanvankelijk niet zoo duidelijk uit als thans. Zij blijkt evenwel genoegzaam uit de rondgaande brieven aan verschillende kerken , uit de verhouding van de leeken tot de geestelijkheid , van de lagere geestelijkheid tot de' hoogere, uit de meer of minder algemeene kerkelijke vergaderingen en vooral uit het primaatschap van den Paus van Rome. Rome en zijn Bisschop, de Paus, was het brandpunt der kerkelijke eenheid. Het bloed stroomt uit het hart door het lichaam deelt aan alle ledematen voedsel, kracht en leven mede en keert dan tot het hart terug. Zoo ook ging alle kerkelijk leven van Rome, van den Paus , uit en keerde naar Rome , naar zijn oorsprong en middelpunt, weder. Door alle eeuwen is dit een zonneklaar feit, hetwelk niemand kan loochenen , hetwelk ook andersdenkenden volmondig erkennen moeten.
Jezus Christus heeft den H. Petrus als Opperhoofd over de gansche Kerk aangesteld. Hij is de steenrots, de grondslag , waarop het geheele gebouw steunt; hij ontvangt de sleutels van het rijk der Hemelen , de macht om te binden en te ontbinden, de macht om wetten te maken en van verbintenissen of schulden te ontslaan; hij moet zijn broeders bevestigen en kan dus zelf niet wankelen in het geloof; hij is de Opperherder , die schapen en lammeren moet weiden en besturen. Dit beteekent niet enkel, dat Petrus een bijzondere eer of voorrang ontving, een leiding bij wijze van voorzitterschap; maar het beteekent vooral, dat Christus aan hem , als Opperhoofd der Kerk , een drievoudige volmacht schonk over de gansche Kerk : de macht om te leeren met onfeilbaar gezag , de macht om te besturen en wetten te
54
maken, de macht om te straffen en van de Kerk uit te sluiten.
Steeds heeft de H. Petrus, als primaat der Kerk, die drievoudige volmacht uitgeoefend; zij is overgegaan op de Pausen, zijne wettige opvolgers op den bisschopsstoel van Rome, die met hetzelfde gezag zijn opgetreden. Dit getuigt eensluidend de kerkelijke overlevering der eerste eeuwen. Ja, dit feit was zoo daghelder, dat zelfs de heidenen het erkenden.
In de Evangeliën en in de Handelingen der Apostelen treedt Petrus overal op als het opperhoofd der Apostelen en der gansche Kerk. Nooit verzet zich iemand daartegen. Dit zou men evenwel niet verzuimd hebben , als die waardigheid hem niet toekwam. Petrus leidt als voorzitter de keuze van den Apostel Mathias, predikt het eerst het Evangelie aan de Joden, neemt het eerst de Heidenen in de Kerk op. Op de Kerkvergadering van Jeruzalem , spreekt hij , het hoofd, het eerst; op zijn woord zwijgt de geheele vergadering en hij geeft de eindbeslissing. Toen hij in den kerker zuchtte, bad de gansche Kerk voor hem. Hij stichtte den zetel van Rome en stierf daar als bisschop dier stad. In de onderaard-sche begraafplaatsen van Rome is het primaatschap van Petrus dikwijls in beeldschrift voorgesteld. Christus, de goddelijke Leeraar, zetelt in het midden der Apostelen. Petrus zit op de eereplaats aan zijn rechterzijde en ontvangt een schrif-tuurrol. Hij is de Mozes, die met zijn staf water uit de rots slaat en de tafelen der wet ontvangt. Mozes was de wetgever, leeraar, rechter en leider van de Joden en voerde hen door de woestijn naar het beloofde Land. Zoo is Petrus de opperste leeraar en bestuurder der Kerk; hij voert het zwakke scheepje over de stormachtige zee des levens naar de haven der eeuwige rust. Daarom zegt de H. Leo de Groote : â Petrus alleen is gekozen om aan het hoofd van alle Apostelen en van alle Kerkvaders gesteld te worden. Schoon
55
er vele priesters onder het volk van God zijn, regeert Petrus hen allen, gelijk Christus op de eerste plaats hen regeert. Een groot en bewonderenswaardig deel van zijn macht heeft de goddelijke Goedheid aan dezen man verleend ; en zoo zij iets daarvan ook aan de andere hoofden der Kerk heeft willen mededeelen, toch hebben deze datgene, wat hun niet is geweigerd, alleen door hem (Petrus) ontvangen.quot;
Met de volmacht en de waardigheid van den H. Petrus, zoo zeiden wij , bestuurden de Bisschoppen van Rome, de Pausen , de gansche Kerk.
Ia een strijdvraag wendden zich de Corinthiërs niet tot den nog levenden Apostel Johannes te Ephesus, hetgeen veel dichter bij lag, maar tot den heiligen Paus Clemens I in het verre Rome; en deze maakt het geschil uit als hoofd der Kerk. De H. Polycarpus reist naar Rome tot Paus Anicetus I (157 â 168) om hem te raadplegen over de Paaschviering. Anicetus en later Victor I (190 â 202) beslechtten dit vraagstuk.
Paus Stephanus (f 257) maakt den twist over den ketterdoop uit tegen de meening der Bisschoppen van Afrika en Klein-Azië. De ketters zelfs zochten eerst door den Bisschop van Rome erkend te worden en beriepen zich op hem De heidensche keizer Aurelianus wist reeds, dat de Christenen den Paus van Rome als hoofd der Kerk beschouwden ; tot hem verwees hij hen. Paus Zephyrinus (f 217) veroordeelt de Montanisten, Paus Cornelius (f 252) den ketter Novatianus, en Felix I (f 274) den dwaalleeraar Paulus van Samosata.
Terecht prijst dus de H. Ignatius in zijn brief aan de Romeinen de Kerk van Rome als de voorzitteres van de kerkelijke gemeenschap en van den christelijken liefdebond. Wel mocht in de kerkvergadering van Ephesus 431 een der pauselijke legaten de volgende verklaring afleggen, welke
56
zonder de minste tegenspraak werd aangenomen: â Er is niemand , die niet weet, wat te allen tijde bekend is geweest,
namelijk , dat de heilige en gelukzalige Petrus,.....die de
sleutels van het rijk der hemelen met de macht om te binden en te ontbinden heeft ontvangen , tot nu toe is blijven leven en nog altijd leeft in zijn opvolgers , door wie hij het recht om te oordeelen uitoefent.quot;
âf^i^T--
X. Oe eeredienst in de eerste Kerk.
De vervolgingen brachten mede , dat de Christenen hun leer, hun Sacramenten en hun eeredienst dikwijls verborgen moesten houden. Zij werden zelfs uitdrukkelijk verplicht de verheven geheimen en waarheden van hun godsdienst niet te openbaren, opdat zij voor de heidenen geen voorwerp van spot of miskenning zouden zijn. De godsdienstoefeningen werden heimelijk in de woonhuizen of in de onderaardsche begraafplaatsen gevierd.
De opname in de Kerk geschiedde door het Doopsel. Eerst moesten de nieuwelingen in het geloof onderwezen worden en een lange en zorgvuldige beproeving doorstaan. Zij werden katechumenen genoemd en in drie klassen verdeeld. In de laatste weken vóór den plechtigen doop deelde men de verheven geheimen der heilige Drievuldigheid, der Menschwording van den Zoon Gods en van het allerheiligste Sacrament des Altaars volkomen aan hen mede. De dagen , voor de plechtige toediening van het Doopsel bepaald, waren in het Westen Paschen en Pinksteren , in het Oosten daarenboven het feest der Verschijning des Heeren. Een voorganger van den H. Cyprianus voerde te Carthago tegen het oude gebruik der
57
Kerk den regel in, dat men hen die door ketters gedoopt waren, moest herdoopen. De H. Cyprianus zelf liet zich in deze dwaling medesleepen ; doch het gebruik der Kerk van Rome besliste, dat men ook het Doopsel van ketters als geldig moest beschouwen.
Zij, die door het doopsel herboren waren , ontvingen de volheid van den H. Geest in het H. Vormsel. De macht om te binden of te ontbinden, welke Christus aan zijne Apostelen en hunne opvolgers gegeven had , werd in het Sacrament der Biecht toegepast Niet zelden werden de zonden openlijk beleden. Voor zeer zware misdrijven legde men reeds in den beginne zware kerkelijke straffen op. De duur dezer straffen kon op voorspraak der martelaren of belijders ingekort worden.
De viering van het H. Misoffer had op dezelfde wijze plaats als nu. De meeste gebeden en plechtigheden der Mis zijn uit de eerste eeuwen afkomstig. Uit tallooze bescheiden en gedenkstukken blijkt het vurig geloof der eerste Christenen aan de waarachtige tegenwoordigheid van Jezus Christus in het allerheiligste Sacrament onder de gedaanten van brood en wijn. Onder de Mis wisselden heilige gezangen af met gebed en predikatie. In den regel ontvingen alle aanwezigen de H. Communie en wel onder beide gedaanten. Ten tijde van hevige vervolging namen de geloovigen het allerheiligste Sacrament, in lijnwaad of een kostbaren doek gewikkeld , mede naar hunne woning, waar zij het nuttigden. Zoo kenden zij geen vrees, wijl zij wisten , dat zij zich vóór hun dood met het Brood der Engelen konden versterken. Bij het vieren der H. Geheimen droeg de priester eene bijzondere kleeding van wit linnen, later ook van andere kostbare stoffen. Licht, het zinnebeeld van het geloof, werd ontstoken.
Reeds de Apostelen vierden den Zondag in plaats van
58
den Sabbath, omdat Christus op den eersten dag der week verrezen en de H. Geest over hen neergedaald was. Paschen, Pinksteren en de Verschijning des Heeren waren jaarlijksche feestdagen. Men herdacht den sterfdag der martelaren op hunne graven als den dag hunner zegepraal en wedergeboorte tot het eeuwige leven. Op de Woensdagen en de Vrijdagen, vooral in de week vóór Paschen, placht men te vasten ter herinnering aan het lijden onzes Heeren; de nachten vóór de hooge feesten bracht men in vasten en gebed door. Vóór Paschen vastte men minstens veertig dagen. Om aan Christus in de versterving en de zelfverloochening gelijkvormig te worden, onthielden zich velen van alles, wat voor het onderhoud des levens niet noodzakelijk was.
De maagdelijke zuiverheid maakt den mensch volgens het woord des Zaligmakers tot engelen. Vooral de priester moest daarmede versierd zijn. Toch werd het Huwelijk als Sacrament in zijn volle waarde erkend en in eere gehouden. Het legde een vasten band tusschen de echtgenooten, dien de dood alleen kon verbreken.
Zoo was het gansche leven van den christen met de genadegunsten der Kerk doorweven. Alle omstandigheden adelde, zegende en heiligde zij. Aan een zegen van den Bisschop en den priester hechtte men groote waarde. Nog aan het sterfbed erbarmde zij zich over hare kinderen: de zalving met den H. Olie gaf den zieke kracht en troost in den laatsten strijd. Het lichaam werd dan onder gebed en zang eerbiedig begraven, omdat het een tempel van den H. Geest geweest was en eens glorieus verrijzen zou. Het geloof aan het vagevuur bewees het gebruik voor de overledenen te bidden en het H. Misoffer op te dragen.
De Kerk mocht zich verheugen , dat hare kinderen door deugd en heiligheid uitschitterden. Het werk van Christus ,
59
zegt een kerkleeraar uit de eerste eeuwen , openbaart zich in de ganache menschheid. Waar christelijke gemeenten gesticht worden, zijn hare ledematen van duizenden ondeugden gezuiverd. Nu nog brengt de Naam van Jezus een wonderbare zachtmoedigheid, menschenliefde en barmhartigheid voort bij hen , die het geloof aan de leer van Christus niet huichelen, maar oprecht aannemen. De Christenen zijn het licht der wereld te midden van het heidendom. â Lelies en rozen ,quot; roept de H. Cyprianus uit, â versieren het hoofd van onze gelukzalige Kerk: de onschuld onzer broeders en het bloed der martelaren.quot; quot;Wel was er ook toen onkruid onder de tarwe; maar het verdween voor de honderdvoudige vruchten van Gods Woord.
Onophoudelijk maakten de eerste Christenen het kruis-teeken. Wij teekenen het voorhoofd met het kruisteeken, zegt Tertullianus, als wij uitgaan of tehuis komen , als wij onze kleederen of schoenen aantrekken, als wij naar het bad gaan of ons aan tafel begeven , wanneer wij onze lichten aansteken , gaan zitten of slapen.
De vereering der Heiligen, vooral van de allerzuiverste Maagd en Moeder Gods Maria, en van de relikwieën was algemeen. Dit blijkt duidelijk uit de muurschilderiDgen en opschriften der Katacomben.
Naar de vermaning van den Apostel Paulus was dus de wandel der eerste Christenen in den hemel, hun leven met Christus in God verborgen.
60
XI. Het godsdienstig en zedelijk leven der eerste Christenen.
Het heerlijkste bewijs voor de goddelijkheid van het christendom ligt ongetwijfeld in de verbazende verandering , die het in het leven van zijn oprechte belijders voortbracht. Geen wonder, dat de Vaders den heidenen met blijden trots gestadig op die zedelijke verbetering wijzen.
Zoo schrijft de heilige martelaar Justinus : â Sedert wij in Christus gelooven , hebben wij aan de duivels verzaakt en dienen den ongeschapen God door zijnen Zoon. Wij, die eens in de onkuischheid behagen schiepen, beminnen thans de zuiverheid alleen ; wij, die ons op tooverkunsten toelegden, hebben ons thans aan den goeden en ongeschapen God toegewijd ; wij, die de middelen tot rijkdom en bezit boven alles zochten, maken nu ook datgene, wat wij reeds hebben, tot een gemeenschappelijk goed en deelen het met lederen behoeftige ; wij, die elkander haatten, vermoordden en met hen, die niet tot ons geslacht behoorden, wegens verschil van gebruiken zelfs geen gemeenschappelijken haard wilden bezitten , leven nu, nadat Christus verschenen is, met hen te zamen en eten met hen. Wij bidden voor onze vijanden en trachten hen, die ons haten, te winnen en over te halen , dat ook zij overeenkomstig de goddelijke leer van Christus leven en vervuld van goede hoop zouden zijn dezelfde goederen van God, den Heer aller dingen, met ons te ontvangen.quot;
Een treffend beeld van het christelijk leven dier tijden schildert de onbekende schrijver van den brief aan Diognetus :
â De Christenen zijn noch door hun land , noch door de taal, noch door de burgerlijke zeden van de overige menschen onderscheiden; zij bewonen namelijk geen eigen steden, bedienen zich van geen eigen taal en hebben geen in het oog
61
loopende levenswijze; zij bewonen veeleer steden van Grieken en barbaren gelijk het valt; zij voegen zich naar de gebruiken van het land, wat kleeding, huisvesting en de overige levenswijze betreft; maar hun wandel is bewonderenswaardig en onberispelijk boven iedere verdenking. Want zij wonen in hun eigen vaderland als vreemdelingen. Aan alles nemen zij deel als burgers en alles dulden zij als buitenlanders. Iedere vreemdelingschap is voor hen een vaderland , en ieder vaderland is voor hen een vreemdelingschap. Zij bevinden zich op de aarde, maar hun leven is in den hemel. Zij gehoorzamen aan de bestaande wetten, maar overtreffen ze door hun leven. Zij beminnen allen en door allen worden zij vervolgd. Men kent hen niet en veroordeelt hen toch. Zij worden gedood en leven. Zij zijn arm en maken velen rijk. Alles wordt hun ontnomen en in alles hebben zij overvloed. Zij zijn veracht en toch vol roem. Zij worden gesmaad en toch verheerlijkt. Men vervloekt hen en zij zegenen. Zij worden gelasterd en zij eeren. Zij doen wel, en worden als misdadigers gestraft. Als zij gestraft worden, verblijden zij zich gelijk degenen, die tot het leven ingaan. Door de Joden worden zij als andersdenkenden bestreden en door de Grieken worden zij vervolgd ; doch de reden der vijandschap kunnen de vijanden niet opgeven.
Om kort te gaan : wat de ziel in het lichaam is, dat zijn de Christenen in de wereld. De ziel is door alle ledematen verspreid , de Christenen door alle steden der wereld. De ziel woont wel is waar in het lichaam, maar zij is niet van het lichaam ; zoo ook wonen de Christenen in de wereld, maar zij zijn niet van de wereld. Onzichtbaar is de ziel in het zichtbare lichaam als gevangen; zoo ziet men ook de Christenen, daar zij in de wereld wonen; onzichtbaar echter is hun vrome geest. Het vleesch haat en bestrijdt de ziel,
62
omdat deze zijn lusten weerstaat; zoo haat de wereld de Christenen, omdat zij tegen hare begeerlijkheid zijn. De ziel bemint het vleesch, waardoor zij gehaat wordt; zoo ook hebben de Christenen hun tegenstanders lief. Wel is de ziel in het lichaam opgesloten, doch zij houdt het lichaam bijeen ; zoo ook worden de Christenen in de wereld als in een gevangenis vastgehouden, doch zij houden de wereld in stand. Onsterfelijk woont de ziel in een sterfelijk hulsel; zoo ook wonen de Christenen in het vergankelijke en verwachten het onvergankelijke in den hemel. Matig in spijs en drank, wordt de ziel schooner; zoo nemen de Christenen toe, schoon zij dagelijks gemarteld worden. Dit is in de wereld hun taak , waaraan zjj zich niet mogen onttrekken.quot;
Den heilzaamsten invloed oefende het christendom op de vrouw uit; in Maria, de reine en ootmoedige dienstmaagd des Heeren, hield het aan haar een heerljjk voorbeeld van vrouwelijke deugd voor oogen. Duizenden vrome maagden volgden Maria na en wijdden zich voor immer aan hun he-melschen Bruidegom Jezus Christus toe. Tegelijk met godvruchtige weduwen verpleegden zij als diakonessen armen en zieken. Andere sloten een christelijk huwelijk en waren, evenals de Moeder Gods , trouwe echtgenooten en zorgzame moeders. De vrouw, die in het heidendom zoo verlaagd was, werd door de eenheid en onverbreekbaarheid van het christelijk huwelijk verheven; zij ontving een waardige plaats in het huisgezin. Dit kwam vooral aan de kinderen ten goede. In het heidendom kon de vader naar willekeur over zijn kinderen, zelfs over hun leven of dood beschikken ; en de moeder had daartegen niets in te brengen. Zoo werden tallooze kinderen, die zwak en ziekelijk waren, door hun ouders niet erkend , maar verstooten of te vondeling gelegd. Het christendom echter handhaafde het recht der moeder op haar kind,
63
brandmerkte het verstooten der kinderen als een zwaar vergrijp en vertrouwde hun opvoeding vooral aan de liefderijke en teedere zorgen der moeder toe. Zoo verbond het christendom vader, moeder en kinderen door den onverbreekbaren band der liefde.
De heidenen beschouwden de slaven als een dier of een ding en mishandelden of doodden hen om de nietigste reden, dikwijls alleen tot verlustiging van hun heer. Ook aan hen bracht de christelijke godsdienst troost, verlichting, verheffing, lotsverbetering en vrijheid. Zij ook waren kinderen Gods, door Jezus goddelijk zoenbloed vrijgekocht. Met hetzelfde water van het H. Doopsel werden zij van de erfsmet gereinigd evenals hun meester, met hetzelfde Lichaam en Bloed van Jezus Christus gespijzigd; zij waren bij hetzelfde offer der Mis tegenwoordig; eenmaal zouden zij in dezelfde gewijde aarde rusten naast hunnen heer, om dezelfde verrijzenis en hetzelfde eeuwige loon des hemels te verwachten.
De beoefening der barmhartigheid en liefdadigheid aan armen , zieken en ongelukkigen gold den christenen als een aller verdienstelijkst werk. Met vurigheid en opoffering vervulden zij dien liefdeplicht. De H. Martelaar Justinus schrijft: âWanneer wij bemiddeld zijn, dan helpen wij alle behoeftigen en staan elkander trouw bij. Ieder geeft, volgens zijn goedvinden, wat hij wil. De ingezamelde aalmoezen worden bij den Overste gebracht. Deze komt den weezen, weduwen en allen te hulp, die door ziekte of om een andere reden hulpbehoevend zijn ; zoo ook den gevangenen en de vreemdelingen , die voor een korten tijd bij ons vertoeven ; kortom , hij zorgt voor allen , die zich in welken nood ook bevinden.quot;
De Christenen volbrachten ook stipt hun plichten jegens de wereldlijke overheid. In zijn verweerschrift aan keizer Antoninus zegt de H. Justinus vrijmoedig: âGij hebt
64
op de gansche wereld geen betere bondgenooten dan ons.... Overal betalen wij de belastingen en de rechten aan hen, die door u zijn aangesteld , gelijk Christus ons geleerd heeft. Wij bidden wel is waar God alleen aan, maar voor het overige dienen wij u met vreugde, daar wij u als heerscher en opperhoofd over de menschen erkennen, en wij bidden, dat u naast de heerschappij steeds ook een edele geest moge versieren.quot;
Tertullianus voegt er bij : âWij, Christenen, zien opwaarts tot den eeuwigen God, en wij smeeken gezamenlijk altijd voor den keizer om een gelukkig leven, om een rustige regeering, om veiligheid voor zijn huis, om dappere legers, om een trouwen senaat, om een rechtschapen volk , om rust over de wereld , om alles , wat menschen of keizer begeeren. In de keizers vereeren wij de beschikking van God v die hen over de volkeren gesteld heeft; wij weten, dat zij zijn en hebben, wat God wil, daarom wenschen wij ook, dat datgene behouden blijve, wat God wil.quot;
â Jo®#*#»quot;*
65
TWEEDE TIJDVAK.
Van Constantijn den Gtrooten tot aan Earel den (ïrooten. 313 â 800.
XII. De zegepraal van hei Christendom.
Onder Diocletianus en zijne opvolgers woedde een allerwreedste vervolging in het uitgestrekte Romeinsche rijk. Slechts drie provincies , Gallië, Spanje en Britannië genoten onder het bestuur van Constantius Chlorus rust en vrede. Zijn zoon Constantijn was ook voor het christendom gunstig gezind. Op den 28 October 312 versloeg hij zijnen mededinger Maxentius niet ver van Rome. Deze overwinning dankte hij aan het H. Kruisteeken. Boven de zon zag hij een schitterend kruis met het opschrift: Door dit teeken zult gij overwinnen. Den volgenden nacht verscheen hem Christus , toonde hem hetzelfde kruis en beval hem naar dat voorbeeld een standaard te maken. Constantijn deed het, liet de kruisbanier in den veldslag vooruitdragen en versloeg zijn vijand. Uit dankbaarheid vaardigde hij met zijn medekeizer Licinius ten jare 313 te Milaan een besluit uit, waardoor aan de Christenen de vrije uitoefening van hun godsdienst werd toegestaan. Iedereen kon ongehinderd het Katholieke geloof omhelzen en belijden. De geroofde kerken en goederen werden aan de Christenen teruggegeven. Nog grootere gunsten volgden in de jaren 316 â 323.
Intusschen was Licinius' gezindheid jegens Constantijn en het christendom veranderd. Er brak tusschen beide keizers G. 5
66
een oorlog uit. Dicht bij Constantinopel kwam het in 323 tot een beslissenden slag. De soldaten van Constantijn volgden de kruisbanier en de bisschoppen zonden vurige gebeden ten hemel. Zij werden verhoord. De God der Christenen zegevierde. Constantijn werd alleenheerscher over het Romeinsche rijk zoowel in het Oosten als in het Westen. Wel bleef hij nog heiden, maar zijn gunstbewijzen voor het christendom groeiden dagelijks aan. Gesteund door zijn moeder, de H. Helena, bouwde bjj vele prachtige kerken. Ook boven vele heilige plaatsen van Palestina, op den Olijfberg, den berg van Calvarië en te Bethlehem verrezen weldra heerlijke tempels. De keizer verplaatste zijn zetel van Rome naar Constantinopel en versierde de stad met vele kerken en ge-denkteekenen. Op het Pinksterfeest van 337 werd hij gedoopt. Zijne bekeering was oprecht. Als werktuig in de hand van God had hij de zegepraal van het christendom over het heidendom voltooid.
Een neef van Constantijn, Juliaan de afvallige , die in 361 den troon besteeg, kon de ontwikkeling van het chris-stendom niet tegenhouden. In de Katholieke Kerk opgevoed vatte hij toch , door den invloed van heidensche leermeesters, een dweepzieke voorliefde op voor het heidendom. Hij werd een verzaker des geloofs en een vijand van Christus. Zijn streven was het heidendom te doen herleven. Daarom schonk hij aan hetzelve weer alle voorrechten van den staatsgodsdienst. Men moest, zeide hij , geen geweld tegen de Christenen gebruiken, maar list en heimelijke onderdrukking. De gunsten, vroeger aan hen geschonken , werden uitdrukkelijk teruggeroepen , de christelijke scholen gesloten en de Katholieke jeugd gedwongen heidensche scholen te bezoeken. In een geschrift stelde Juliaan de leer des Christendoms als een
67
menschelijke uitvinding voor. Met de voorspelling van Christus over den verwoesten tempel te Jeruzalem dreef hij den spot. Daarom poogde hij tot tweemaal toe dat heiligdom weer op te bouwen. De Joden , die voor de plannen van den keizer waren, ontvingen aanzienlijke gunsten. Men begon het werk. Maar verschrikkelijke vuurvlammen schoten uit den grond op en verijdelden alle pogingen. God was voor de eer van zijn naam en de waarheid zijner voorspelling opgekomen. Nauwelijks een jaar later werd Juliaan in een gevecht tegen de Perzen op den 26 Juni 333 doodelijk gewond en bekende stervende : â Galileër , Gij hebt overwonnen.quot;
De opvolgers van Julianus den Afvallige duldden het heidendom, doch met tegenzin. Dikwijls vaardigden zij scherpe bepalingen tegen de heidensche gebruiken uit. Theodosius de Groote verbood den overgang tot het heidendom, de offers en het bezoek der tempels onder de zwaarste straffen. Dit strookte geenszins met de liefde, welke Christus jegens allen gepredikt had. Daarom vermaande ook de H. Johannes Chrysostomus: â Het is den Christenen niet geoorloofd door geweld en dwang de dwaling uit te roeien , daar zij veeleer door overtuiging, onderrichting en liefdebewijzen het heil der menschen bewerken moeten.quot;
Het heidendom verdween meer en meer. Tegen het einde der vierde eeuw schreef de H. Hieronymus; â Het Capitool, dat schitterde van goud, is verwoest, Jupiters tempels zijn bouwvallig, zijne offerplechtigheden worden vergeten. Vuilnis en spinnewebben bedekken de oude offerplaatsen, terwijl het volk de vervallen heiligdommen der goden voorbij-snelt naar de graven der martelaren.quot;
Met alleen te Eome, maar in het gansche rijk gingen de heidenen in dichte scharen tot de Katholieke Kerk over. Het Evangelie was doorgedrongen tot in Perzië. Daar woedde sedert
68
343 eene hevige vervolging een eeuw lang. Abyssinië werd door den H. Frumentius voor het christendom gewonnen. In Armenië bloeide de christelijke godsdienst evenals in het Noordwesten van Afrika. Groote kerkleeraars, heilige bisschoppen versierden de Noord-Afrikaansche Kerk. Wij noemen slechts St. Cyprianus en St. Angustinus. Die bloeiende Kerk bezweek onder de slagen der Wandalen en Mahomedanen, maar nu nog getuigen hare puinhoopen van haren ongeëven-aarden luister.
-âJo sï---
XIII. Ontwikkeling der Kerk.
Onveranderlijk zijn de leerstukken, de Sacramenten en het bestuur der Kerk. Maar toch kan men onder verschillende opzichten van ontwikkeling der Kerk spreken. De Kerk wordt meer en meer uitgebreid in de wereld onder alle volkeren, haar leer nader omschreven en toegelicht door bewijzen en voorbeelden uit de H. Schrift of de rede. De moeilijkheden tegen haar leerstukken worden opgelost, de aanvallen harer vijanden afgeweerd, de juiste woorden en uitdrukkingen voor hare waarheden gevonden, het verband dier waarheden onder elkander aangetoond. Nieuwe tucht- of strafwetten worden uitgevaardigd. De openbare eeredienst der Kerk wordt verrijkt met nieuwe plechtigheden en gebeden. De maatschappelijke toestanden oefenen naar verschil van tijd of plaats verschillende invloeden op de instellingen der Kerk uit en brengen telkens toevallige wijzingen te weeg, die evenwel de eenheid der Kerk ongeschonden laten.
Sedert de bekeering van Constantijn ontving de Katholieke
69
Kerk onschatbare voorrechten. Zij werd door den staat erkend en beschermd en oefende een heilzamen invloed op de gansche maatschappij uit. Men verbeterde het lot der slaven en der gevangenen en roeide vele heidensche misbruiken uit. In de zielzorg van gevangenen, slaven en soldaten werd voorzien en de viering van den Zondag sedert 321 algemeen door Constantijn voorgeschreven. De geestelijkheid was vrij van krijgsdienst en belasting ; een priester mocht door geen burgerlijke rechtbank veroordeeld worden, maar alleen door de Kerkelijke overheid. Ketters waren niet alleen voor de Kerk, maar ook voor de wereldlijke macht strafbaar. De Bisschoppen stonden in hoog aanzien, hadden den voorrang boven de beambten van den staat en een machtigen invloed op staatszaken. Zoo lieten de christen koningen zich door hun voornaamsten Bisschop kronen en iegden dan schriftelijk een geloofsbelijdenis af.
Wel matigden zich sommige vorsten rechten aan , die hun niet toekwamen , mengden zich in kerkelijke zaken, b.v. in de benoeming der Bisschoppen, en beschermden de ketters door hun macht en hun geld. Maar de Kerk heeft dit nooit geduld en zich altijd waardig , maar beslist daartegen verzet. Zoover als de ziel het lichaam , de hemel de aarde overtreft, zoover en nog veel hooger, zeggen de Kerkvaders, is de geestelijke macht boven de tijdelijke verheven. St. Augustinus, Leo I en Qregorius I verklaren onbewimpeld , dat G-od aan keizers en koningen de macht heeft geschonken om Hem te dienen en de rechten zijner Bruid te handhaven. Wanneer het wereldlijk gezag iets vorderde, wat in strijd was met Gods geboden, dan hielden zich de Pausen , Bisschoppen, priesters en geloovigen aan het voorschrift van den Apostel, dat men meer aan God moet gehoorzamen dan aan de menschen.
Een hooge vlucht namen de kerkvergaderingen zoowel de
70
algemeene als de bijzondere. Er verschenen ook afgezanten van den keizer , dikwijls de keizer in persoon.
In dezelfde stad mocht slechts één bisschop zijn. Hij werd gekozen door de geestelijkheid, waarbij het volk dikwijls zijn goed- of afkeuring te kennen gaf, en door drie bisschoppen gewijd. De bisschop had wetgevende, uitvoerende en straffende macht, bestuurde zijn bisdom, predikte, vormde en wijdde de priesters. Verschillende zegeningen en benoemingen waren aan hem voorbehouden en mochten door gewone priesters alleen met volmacht van den Bisschop geschieden. Aan den Bisschop bewees men groote eer : men boog voor hem het hoofd en kuste hem de banden. Daar de bisdommen langzamerhand uitgestrekter werden, verdeelde men ze in parochies, aan wier hoofd een pastoor stond. Deze was in vele zaken de plaatsvervanger van den bisschop en de herder zijner kudde. Hij ontving derhalve vele volmachten, mocht geregeld doopen en de andere Sacramenten toedienen.
De jeugdige levieten, die zich tot het priesterschap voorbereidden, ontvingen hun opleiding deels door privaatonderwijs , deels op kerkelijke seminaries. Alleen waardige jongelieden , die de vereischte deugd en geleerdheid bezaten en door geen kerkelijke beletselen uitgesloten waren , werden in het heiligdom des Heeren toegelaten. Dikwijls was de getuigenis van het volk hierop niet zonder invloed. De hoogere wijdingen werden door de oplegging der handen, de mindere door de overgave van de ambtsteekenen toegekend. De priesters mochten niet huwen, moesten zich van wereldsche zaken onthouden, de kruinschering dragen en door de heiligheid van leven een voorbeeld van deugd aan de geloovigen geven.
De Kerk bezat roerende en onroerende goederen. Op sommige plaatsen leefden de geestelijken nog van de opbrengst hunner handen. Maar in den regel hadden zij vaste inkomsten,
71
hetzij uit de kerkelijke goederen, wier vruchten door den Bisschop verdeeld werden, hetzij uit wekelijksche, maande-lijksche of vrijwillige giften der geloovigen, hetzij uit toelagen
van den staat of de gemeenten.
-â-
XIV. De Katholieke Kerk in de vierde en de vijfde eeuw.
Twee werelden, een heidensche en een christelijke, stonden tegenover elkander en gingen een laatste worsteling aan. Weleer spraken de zwaardvechters tot den keizer, voor zij het strijdperk intraden; Vaarwel, o keizer, ter dood veroordeeld groeten wij u. Het heidendom, in de vierde eeuw, stierf weg en zijn laatste snik was een hulde aan de Katholieke Kerk: Galileër, gij hebt overwonnen. Het christendom echter ontwikkelde op elk gebied breeder en invloedrijker zijn goddelijke, zijn zedelijke kracht. Onophoudelijk snelden nieuwe arbeiders in den hemelschen wijngaard. Het mosterdzaadje was opgegroeid tot een breedgetakten boom , op wiens takken de vogelen kwamen rusten.
Men wane nochtans niet, dat het heidendom reeds voor goed gefnuikt was. De heidensche geest, schoon verzwakt en ondermijnd, doordrong nog geheel de volkeren. Zedenleer, staatkunde, wetenschap, gebruiken, levensbeschouwing en vermaken waren nog grootendeels heidensch. De oude zuurdeesem werkte voort; men had den ouden mensch nog niet uitgeschud. Alle overgang is moeilijk en langdurig. Doch meer en meer waggelend stort de heidensche maatschappij eindelijk in door eigen bederf, uitputting en ontbinding , door den donderenden schok der barbaarsche volkeren
72
in de groote volksverhuizing, door de zedelijke, alles heiligende, alles overwinnende kracht van het christelijk geloof.
Welke eigenaardigheid ontwaren wij dan, als wij een blik werpen op de Katholieke Kerk in de vierde en de vijfde eeuw ? Wij zien het woord van den H. Johannes vervuld : Dit is de overwinning, die de wereld overwint, ons geloof. (I. Joh. 5.) Door een strijd van drie eeuwen had de Kerk de wereld veroverd ; als wettig lichaam werd zij nu door den staat erkend; haar uitwendige vrijheid was verzekerd; den marteldood behoefde zij niet meer te duchten noch belemmering in de vrije uitoefening van haren godsdienst. Gelijk Petrus op den eersten Pinksterdag het lijden en de verheerlijking van Christus vrijmoedig voor alle volkeren had gepredikt , zoo kon zij thans voor geheel de wereld al de verloochening , maar ook al de glorie van haar kruisleer verkondigen. In de vierde en de vijfde eeuw treft ons dus het openbaar leven der Kerk. Als de zon schuil gaat achter de wolken, verspreidt zij toch licht en warmte over het aardrijk en en wekt krachtdadig het leven, schoon wij haren luister moeten derven. Zoo was , in de eerste eeuwen, de Kerk achter smaad en miskenning verborgen; men aanschouwde al hare glorie niet; toch schonk zij, het licht der wereld, aan die wereld het bovennatuurlijke leven der genade, des geloofs. Eerst zag men de Kerk lijden en sterven , nu zag men haar verrijzen en leven. De leer der Kerk wordt op vele Kerkvergaderingen, zoowel algemeene als bijzondere, gehandhaafd, ontwikkeld en duidelijk omschreven. Uitgebreide en diepzinnige geschriften worden door de Kerkvaders opgesteld. Apostelen , van liefde en ijver gloeiende, gaan het Evangelie aan woeste volkstammen prediken.
Vrij en veilig spreidt de Kerk al de praóht, al den luister van haren eeredienst ten toon. Heerlijke tempels ver-
73
rijzen allerwege. De schatten, door de heidenen uit alle werelddeelen verzameld, worden tot opluistering van den christelijken godsdienst gebruikt. De Kerkvaders vervaardigen getijden en liederen voor de openbare godsdienstoefeningen. Het kruis is niet meer onder zinnebeelden , bloemen of sieraden verscholen zooals in de Katacomben, maar het blinkt u tegen van alle tinnen. Bisschoppen en priesters keeren terug uit de ballingschap, uit de mijnwerken of van den slavenarbeid en worden met jubel door de hunnen ontvangen. Jaarlijks stroomen scharen van geloovigen uit alle gewesten naar de Eeuwige stad om op de graven der Apostelen te bidden en den Paus, den opvolger van Petrus, te huldigen. Christelijke beeldhouwkunst, schilderkunst, bouwkunst, toonkunst en dichtkunst nemen een ongekende vlucht.
De Staatsmachten erkennen den machtigen invloed der Kerk, onderhouden met haar vriendschappelijke betrekkingen, maar trachten ook meermaals hare macht aan zich dienstbaar, van zich afhankeljjk te maken. Doch Pausen, Bisschoppen en priesters bieden openlijk, onbevreesd en eendrachtig weerstand , handhaven met woord en daad zonder aanzien des persoons de Kerkelijke wetten, handhaven de vrijheid van keuze en wijding voor de geestelijkheid, de vrijheid van roeping en levenswijze voor de monniken, de vrijheid van opvolging op den stoel van Petrus, de vrijheid van het bestuur der Kerk, de eenheid en ongeschondenheid der leer, den vorm van den eeredienst. Zij herscheppen de heidensche monarchie in een christelijk rijk , aan de Kerk onderworpen, met het kruis tot schepter en het Evangelie tot wetboek. De H. Ambrosius dwingt keizer Theodosius tot openbare boetvaardigheid en weerstaat met hoogepriestelijke standvastigheid aan de bevelen van keizerin Justina. Met onverbiddelijke strengheid keurt St. Chrysostomus de bedor-
74
venheid van het Oostersche hof af. Basilius van Csesarea verheft zich tegen den dwingeland Valens. De priester Eulogius te Edessa vraagt aan den prefect Modestus: â Heeft wellicht de keizer met het keizerschap ook het priesterschap ontvangen ?quot; En Osius van Cordova zegt tot keizer Constantius : â Meng u niet in kerkelijke zaken en geef ons daaromtrent geen vermaningen , maar ontvang ze liever van ons. U heeft God het rijk gegeven, ons de aangelegenheden der Kerk toevertrouwd. Gelijk Hjj, die u het rijk ontneemt, zich tegen de verordening van God verzet, zoo moet gij van uwen kant vreezen u aan een zwaar vergrijp schuldig te maken , als gij u over de Kerkelijke zaken gezag aanmatigt.quot;
Op de tweede plaats treft ons in de vierde en vijfde eeuw het aantal, de verscheidenheid en de verhevenheid der Kerkleeraren en Heiligen. In geen tijdvak der Kerkelijke Geschiedenis zijn deugd en wetenschap in één persoon zoo dikwijls, in zulk een hoogen graad vereenigd. Zoowel in het Westen als in het Oosten staan die wakkere geloofshelden op , uitmuntend door heiligheid en door geleerdheid. Wij tellen vier groote Grieksche Kerkleeraars: Den H. Atha-nasius, den H. Basilius, den H. Gregorius van Nazianze en den H. Joannes Chrysostomus. De vier Latijnsche Kerkleeraars zijn : De H. Ambrosius , de H. Augustinus, de H. Hieronymus en de H. Gregorius I. Wij zwijgen van St. Epi-phanius, St. Leo den Groote, St. Gregorius van Nyssa, Prosper van Aquitanië, St. Paulinus van Nola en anderen. Tegenover de ketterijen verdedigden zij de leer der Kerk en verzamelden de bouwstoffen, waaruit later een harmonisch geheel zou opgebouwd worden. Wereldberoemde scholen bloeiden te Alexandrië, te Athene, te Edessa, te Antiochië, te Rome. Daar kwamen zij beurtelings de wijsheid putten om haar, met den gloed der liefde bezield, in onsterfelijke geschriften
75
aan de nakomelingschap achter te laten. Zij kennen alleen Christus en dien gekruisigd; de hoogste wijsheid is voor hen door verachting der wereld naar den hemel te streven, door de volmaaktheid des offers tot de volmaaktheid der liefde te komen.
Een onherekenbaren invloed op de christelijke maatschappij der vierde en der vijfde eeuw hebben de heilige vrouwen uitgeoefend, de maagden, de moeders, de weduwen. De heidensche redenaar Libanius schroomde niet uit te roepen: â Welke vrouwen worden er onder de Christenen gevonden !quot; De vier Oostersche Kerkvaders St. Athanasius, St. Chrysostomus, St. Gregorius van Nazianze en St. Basilius hadden ieder een heilige tot moeder. Te Rome, in het ouderlijk huis van Gregorius den Grooten , leest men een opschrift, waarin de Heilige met roerende teederheid bekent, dat zijne deugdzame moeder Sylvia hem aan de Kerk heeft geschonken. Wie bewondert niet de H. Monica, groot als vrouw, groot als moeder , wier tranen en gebed de bekeering van haren zoon Augustinus verwierven ? Wie bewondert niet de H. Paula, hare dochter Eustochium en gezellinnen, van wie de H. Hieronymus getuigt: â Al zouden al de ledematen van mijn lichaam in vurige tongen veranderen, zoude ik niets kunnen zeggen, wat de deugden der heilige en roemwaardige Paula waardig is.quot; Blesilla , Paula's moeder, leidde hare dochter reeds vroegtijdig door Rome langs de christelijke en heidensche gedenkteekenen om haar een tweevoudigen geest in te storten : den geest der strijders van Christus, der martelaren; den geest der strijders van Rome, harer voorouders. Zoo was in haar den adel des bloeds met den adel der deugd verbonden en ontwikkelde zich een fier en streng gevoel van verachting voor de ijdelheid der wereld. Wij noemen hier verder Marcella, Sophronia , Bibiana , Melania, Lea, Assella,
76
Pabiola , Felicitas en Marcellina, de zuster van St. Ambrosias. In het paleis van Marcella op den Aventijn te Rome bestond een vereeniging van uitstekende weduwen en maagden, uit de eerste familiën des rijks voortgesproten, onder de leiding van paus Damasus.
Wij sluiten met de woorden van St. Chrysostomus: De Kerk zegepraalt, wanneer zij bestreden wordt, schittert des te glansrijker, als men haar vervolgt. Zij is overdekt met wonden , doch bezwijkt niet; de branding ombmisnht haar , maar zij zinkt niet; de stormen beuken haar, doch zij strandt niet; zij strijdt zonder nederlaag. Niets is sterker dan de Kerk. Uw hoop, uw heil, uw toevlucht is de Kerk. Zij is hooger dan de hemel en breeder dan de aarde. Zij veroudert niet, maar leeft in onvergankelijke jeugd.
XV. De instelling der Monniken.
Christus had aan zijn leerlingen niet alleen bevolen de geboden te onderhouden, maar hun ook geleerd de evangelische raden van armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid na te leven. Van den beginne af werden zij dan ook in de Kerk beoefend. Hen, die ze naleefden, noemde men asceten. Wat zij van hun nooddruft konden besparen , schonken zij aan de armen, voorzagen door handenarbeid in hun onderhoud , gingen nooit een huwelijk aan en legden zich op langdurige en strenge verstervingen toe. De zwaardvechters bereidden zich door eene angstvallige onthouding op den wedstrijd voor om een vergankelijke kroon; zij echter streefden naar een volkomen onthouding voor een onvergankelijke kroon. Deze asceten leefden in de wereld onder hun broeders.
77
In de vervolgingen van Decius (250) ontstond eene bijzondere soort van asceten : de kluizenaars. Vele christenen namelijk lieten hun have en goed achter en vluchtten naar de woestijnen van Egypte. Zij kregen hun nieuw verblijf lief en keerden niet meer in de wereld terug. De H. Paulus van Thebe (f 340) vond nog jeugdig een spelonk in een afgelegen berg. Daar leidde hij, door den palmboom van kleeding en voedsel voorzien, gedurende 90 jaren een leven, aan gebed, beschouwing en versterving gewijd.
Langzamerhand vereenigden zich die woestijnbewoners tot gemeenten met eenen overste en eenen regel: er vormden zich kloosters. De H. Antonius (geb. 251) was de stichter van deze nieuwe instellingen.
Hij verkocht al zijn goederen, deelde den prijs aan de armen uit en ging naar de woestijn. Daar beoefende hij lange jaren de hoogste beschouwing eu versterving. Hij arbeidde met zijn handen om zich het noodige voedsel te verschaffen. God schonk hem de gave der wonderen. Op den roep zijner genezingen snelden vele leerlingen tot hem. Hij onderwees hen nu eens in het bijzonder dan weer in het algemeen en schreef hun de heilige regels voor, die zij moesten onderhouden. â Laat het aandenken aan de eeuwigheid,quot; zoo sprak hij tot hen, â nimmer uit uwe gedachte gaan. Doet elk uwer daden, alsof zij de laatste van uw leven was. Waakt zonder ophouden tegen de bekoringen en wederstaat kloekmoedig aan de aanvallen van den duivel. Deze vijand is zeer zwak, als men hem weet te ontwapenen. Hij schrikt voor het vasten, het gebed, de nederigheid en de goede werken. Het teeken van het kruis is genoeg om zijn begoochelingen en bedriegerijen te verijdelen.quot; Athanasius, die het leven van den Heilige geschreven heeft, kan zijn tranen niet bedwingen , wanneer hij schildert, hoe Antonius in het midden
78
zijner leerlingen leefde en werkte. â De cellenzegt hij , , waren met hemelsche koren gevuld ; zij zongen, lazen, vastten , baden , jubelden in de hoop op de toekomstige goederen. Zij arbeidden om aalmoezen te kunnen geven. Steeds bewaarden zij de liefde en eendracht onder elkander. Het was, alsof men een afgezonderd land van deugd en gerechtigheid zag. Er was niemand, die onrecht deed of leed. Er waren er velen, maar in allen was slechts één heilige geest. Wie deze cellen en deze orde zag, kon uitroepen : Hoe schoon o Jacob, zijn uwe woningen! Hoe schoon, o Israël, zijn uwe tenten.quot;
Pachomius droeg in Egypte veel bij om aan het monnikswezen een geregelde inrichting te verschaffen.
De H. Hilarion (f 370), een leerling van den H. An-tonius, was de eerste, die in Palestina en Syrië kloosters stichtte en monniken vormde. Tot vele bezoekers , getuigen van zijn wonderen , die hem in zijn eenzaamheid stoorden en zijn ootmoed door teekenen van eerbied kwetsten , zeide hij: â Ach, ik ben wederom in de wereld en ik heb mijn loon in dit leven ontvangen.quot; Schoon zijn leven boetvaardig en vol van goede werken geweest was, bekroop hem evenwel de vrees voor Gods oordeel bij den naderenden dood. Hij wekte zijn vertrouwen op door deze woorden : â Vertrek, mijne ziel, vertrek, waarom zijt gij bekommerd? Waarom vreest gij? Gij hebt het geluk gehad van Jezus Christus zeventig jaren te dienen, en gij vreest te sterven ?quot;
Een wonderbare verschijning in het kluizenaarsleven is Simeon , de zuilbewoner. Op een zuil bij Antiochië predikte hij sedert 422 , als een middelaar tusschen den hemel en de aarde, een menschenleven lang boetvaardigheid aan de verbaasde volken. Duizenden bekeerden zich. De wilde horden van rondzwervende Arabieren luisterden gewillig , al hij hun
79
Christus en dien gekruist verkondigde. Zij verdrongen zich om gedoopt te worden.
Pachomius gaf ook aan de vrouwen , die zich onder de leiding zijner zuster en4 der zuster van Antonius vereenigd hadden , de eerste regels.
Reeds in 357 vond de TI. Basilius goed ingerichte en bloeiende kloosters in Ccelesyrië en Mesopotamië. Hij zelf stichtte er in Pontus en Kappadocië en wekte de monniken op om zich ook op de studie toe te leggen.
De monniken gebruikten vooral vier middelen om de christelijke volmaaktheid te bereiken: de eenzaamheid , den handenarbeid, het vasten en het gebed. In woeste, onherbergzame oorden bouwden zij op een plaats , waar zij water vonden , armoedige hutten van hout of riet. Zij vluchtten de ledigheid , wisselden het gebed met den arbeid af, vlochten matten of manden van biezen en verhieven onder den arbeid hun hart dikwijls tot God of overwogen de H Schriften. Zij leefden van water, brood en kruiden en schonken wat zij van hun verdiensten tot eigen levensonderhoud niet behoefden, aan de armen weg. Des avonds en te middernacht werden zij voor het gemeenschappelijk koorgebed bijeengeroepen. lederen keer baden zij twaalf psalmen ; eenige gebeden en twee lessen uit de H. Schrift werden er bijgevoegd. De Broeders zongen beurtelings een psalm , staande in het midden der vergadering, de anderen hoorden het zittende aan. Twee maal daags gebruikten zij hun soberen maaltijd : 's middags om drie uur en 's avonds. Als kinderen waren zij onderworpen aan hun overste. Meerdere kloosters stonden onder éénen abt. Daar aanvankelijk onder hen geen priesters waren, bracht hun een broeder uit de stad de H, Communie. Ieder nuttigde deze dan zelf.
80
XVI. De ketterij van Arius. Kerkvergadering van Nicaea.
De hoofdwaarheid van het Christendom is de Godheid van Jezus Christus. Hij is waarachtig God, een in wezen met den Vader, de tweede persoon der H. Drievuldigheid , in de volheid der tijden mensch geworden om ons en onze zaligheid. Dat is de leer des Heeren over zich zeiven , dat is de leer der Apostelen en der Kerkvaders , zooals blijkt uit duizende plaatsen hunner geschriften. In de Kerk werd deze waarheid gedurende de eerste eeuwen door niemand geloochend. Nu klaagde men in het jaar 328 Arius, een priester te Alexan-drië in Egypte, aan, dat hij de Godheid van Christus bestreed. Inderdaad beweerde Arius : De Zoon Gods had wel vóór den tijd en vóór de geschapen dingen bestaan, doch Hij was niet van eeuwigheid, maar door den wil des Vaders uit niets geschapen, opdat door zijne tusschenkomst de wereld het bestaan ontvangen zou. De bisschop der stad vermaande Arius ernstig zulke verderfelijke dwalingen af te zweren. Hij kon echter den trotschen , eerzuchtigen ketter niet overhalen, zoodat hij hem van de kerkelijke gemeenschap moest uitsluiten. Arius wist door zijn vleiergen en kuiperijen de groote menigte voor zich en zijn dwaling te winnen. In allerhande geschriften , zelfs in liederen , die hij voor molenaars, schippers en reizigers dichtte, verspreidde hij zijn ketterij onder het volk. Door een listige, dubbelzinnige uitlegging zijner woorden won hij zelfs bisschoppen voor zich. Deze spraken voor hem, als een rechtzinnig priester, aan het hof des keizers. Keizer Constantijn meende aanvankelijk : âHet waren nuttelooze, dwaze twistvragen, die men van weerszijde moest laten rusten. Immers, het menschelijk verstand kon zulke geheimen niet bevroeden.quot; Maar toen het strijdvuur steeds geweldiger ontbrandde, toen de rechtzinnige bisschoppen het gevaar van deze
81
dwaling den keizer aantoonden, scheen het Constantijn nuttig toe, volgens aanwijzing van de bisschoppen , een algemeens kerkvergadering tot beslechting van het geschil uit te schrijven.
De bisschoppen hebben, als opvolgers der Apostelen, wanneer zij met het Opperhoofd der Kerk vereenigd zijn , de gaaf der onfeilbaarheid. Men begrijpt evenwel, dat de plechtige afkondiging van een katholiek leerstuk ook door den Paus alleen, den oppersten Leeraar der Kerk, kan geschieden , omdat de Paus zonder de bisschoppen onfeilbaar is. Wanneer de bisschoppen een beslissing in geloofs- of zedeleer nemen, is zij dan alleen onfeilbaar, als de Paus haar bekrachtigt.
Te Nicea kwamen in 325 driehonderd achtien bisschoppen bijeen. Hosius, Bisschop van Cordova, met twee priesters door den Paus tot het Concilie afgevaardigd , was de voorzitter. Het was een achtbare vergadering van mannen, van wie de meesten de eervolle litteekenen der vervolging in hun lichaam droegen. Terecht kon Eusebius van hen zeggen : â De eenen waren door wijsheid, de anderen door hun streng leven en hun geduld, sommigen door hun ootmoedigheid beroemd. Dezen waren bejaard , genen nog in de jeugd en de kracht huns levens.quot; Athanasius, een jeugdige diaken , die den bisschop van Alexandrië ter zijde stond, heeft later onsterfelijken roem verworven.
De onderhandelingen, welke men met Arius en zijn aanhangers had aangeknoopt, bleven vruchteloos. Op den 19 Juni 325 werd de eerste plechtige zitting van de Kerkvergadering gehouden. Keizer Constantijn verscheen er, gesierd met goud en edelgesteenten. De leiding van het Concilie liet hij aan de gezanten van den Paus over , maar verzocht den Bisschoppen met klem den vrede in de Kerk te herstellen.
G. 6
82
Daar Arius door geen redenen te overtuigen was, sloten de verzamelde Vaders hem plechtig buiten de gemeenschap der Kerk. De keizer verbande hem met twee zijner aanhangers naar Illyrië. Tevens voegde de Kerkvergadering de volgende woorden bij de geloofsbelijdenis der Apostelen: (Ik geloof ook) in éenen Heer Jezus Christus, den eengeboren Zoon Gods , en uit den Vader geboren voor alle tijden , God van God, Licht van Licht, waren God van den waren God, geboren, niet geschapen, van één wezen met den Vader, door wien alles gemaakt is. Daardoor was de dwaling van Arius voor altijd gevonnisd. Tegen zijn aanhangers moest öè H. Athanasius , die reeds in het jaar 326 bisschop van Ale-xandrië was geworden, een langdurigen en hevigen strijd voeren en bovendien veel vervolgingen doorstaan. Hij leerde zooals hij leefde , hij leed gelijk hij leerde.
Naast hem streden voor de zuiverheid des geloofs tegen het Arianisme drie groote bisschoppen uit Kappadocië, door de banden des bloeds en der vriendschap met elkander innig verbonden : Basilius de Groote, zijn jongste broeder Gregorius van Nyssa en zijn geliefde vriend Gregorius van Nazianze.
De Kerkvergadering van Mcaea besliste ook den strijd over het Paaschfeest. Zij bepaalde, dat Paschen voortaan altijd en overal op den eersten Zondag na de volle maan zoude gevierd worden, die op de lente-dag-en-nachtevening volgde.
83
XVII. De ketterijen tegen den Persoon van den H. Geest en tegen de twee naturen in Christus.
De Arianen hadden ook de Godheid van den H. Geest ontkend en Hem voor het eerste door den Zoon voortgebrachte schepsel verklaard. Zij waren reeds veroordeeld, omdat zij de Godheid van den Zoon loochenden. Vele Arianen wilden evenwel niet terstond de Godheid van den H. Geest aannemen. Macedonius, vroeger bisschop van Constantinopel, trad bijzonder hevig tegen de leer der Kerk op. Keizer Theodo-sius meende, gelijk weleer Constantijn, dat het beste redmiddel een algemeene Kerkvergadering was. Hij beriep met toestemming van Paus Damasus in 381 te Constantinopel het tweede algemeene Concilie. Honderd en vijftig bisschoppen bevestigden de geloofsbelijdenis van Nicea en verklaarden: Wij gelooven in den H. Geest, die heerscht en levend maakt, die van den Vader voortkomt, die tegelijk met Vader en Zoon vereerd en verheerlijkt wordt, die gesproken heeft door de profeten.
Zoo was dan de geloofsleer over de Godheid van iederen persoon der H. Drievuldigheid duidelijk omschreven en bepaald.
Er ontstond nu een nieuwe strijd over de menschelijke natuur in den vleeschgeworden Zoon Gods. De Kerk leert ons: In Christus zijn twee naturen, de goddelijke en de menschelijke , doch slechts één persoon, de goddelijke. Jezus Christus is dus waarachtig God en waarachtig mensch, in alles aan ons gelijk behalve in de zonde. Tegen deze leer predikte in het jaar 429 de priester Anastatius te Constantinopel en beweerde: Niemand mag de allerheiligste Maagd Maria Moeder Gods noemen. Kestorius, de bisschop van Constantinopel, keurde deze leer van zijn vriend Anastatius goed
84
en predikte op gelijke wijze. â Mariazeide hij, â was wel de moeder van Christus , maar niet de moeder Gods ; want de Zoon Gods had in Christus alleen gewoond als in eenen tempel.quot; Daardoor werd de vereeniging van de goddelijke en de menschelijke natuur in Christus in den éénen goddelijken persoon geloochend. Terstond traden verscheidene priesters te Constantinopel tegen Nestorius op en zelfs leeken spraken hem openlijk tegen , wanneer hij predikte. Hij bekreunde er zich niet om, noemde zijn tegenstanders ellendelingen , hitste de politie tegen hen op, liet hen geeselen en opsluiten. Het volk klaagde: âWij hebben wel een keizer, maar geen bisschop.quot;
De H. Cyrillus, bisschop van Alexandrië, weerlegde Nestorius met ernst, maar vol broederlijke liefde. Doch toen alle pogingen tot bekeering op den trotschen en spitsvondigen geest van den eigenzinnigen dwaalleeraar afstuitten , wendde zich Cyrillus overeenkomstig het aloude Kerkelijke gebruik tot Paus Celestinus. Nestorius had reeds vroeger aan hem geschreven, maar kon den Paus niet voor zich winnen. Een synode te Rome (430) en eene te Alexandrië veroordeelden de heillooze dwaling. Doch de strijd zelf was nog niet beslist. Eerst op het derde algemeene Concilie te Ephesus (431) werd de strijdvraag uitgemaakt. Tot diep in den nacht duurden de beraadslagingen der Vaders, terwijl de gansche bevolking der stad op de beslissing wachtte. Eindelijk verklaarde de Kerkvergadering, dat Maria wezenlijk en waarachtig Moeder Gods was, en ontzette Nestorius van zijn bisschoppelijke waardigheid en van alle priesterlijke bedieningen. Een algemeen gejuich ging er op uit het volk. Op vele plaatsen werd de stad feestelijk verlicht. Met fakkels en wierookvaten begeleidde men de bisschoppen huiswaarts.
De volgelingen van Nestorius onderwierpen zich niet al-
65
len. Nog woekert zijn sekte voort in het Oosten onder den naam van Chaldeeuwsche of Thomas-christenen.
Bij de bestrijding van Nestorius blonk Eutyches, een bejaard abt van een klooster te Constantinopel, bijzonder uit. Maar hij sloeg in de hitte van den twist tot de tegenovergestelde dwaling over. Hij nam niet enkel slechts één persoon in Christus aan, maar hij beweerde ook, dat er in Hem slechts ééne natuur was. De goddelijke natuur, zoo leerde hij, heeft de menschelijke geheel in zich opgenomen , zoodat alleen de Godheid gebleven is. Deze heeft voor ons geleden en ons verlost. Het lichaam van Christus was alleen volgens zijn uitwendige gedaante en verschijning menschelijk. Paus Leo de Groote veroordeelde die leer in zijn beroemd schrijven aan Flavianus , aartsbisschop van Constantinopel. Het vierde algemeene Concilie te Chalcedon in 451 bekrachtigde dit vonnis. Toen het schrijven van Paus Leo in de tweede zitting voorgelezen werd , riepen de verzamelde vaders uit; â Dat is het geloof der Vaders, dat is het geloof der Apostelen. Wij allen gelooven aldus. Vloek over hem , die anders gelooft. Door Leo heeft Petrus gesproken. Dat is het ware geloof.quot; Men . omschreef dan de leer der Kerk aldus : In Christus zijn twee onderscheiden naturen , een goddelijke en een menschelijke , zonder vermenging, zonder verandering, zonder deeling en zonder scheiding in éénen persoon vereenigd.
De besluiten van Chalcedon vonden bij de aanhangers van Eutyches veel tegenkanting. Tot overmaat van ramp mengden zich de keizers van het Oost-Romeinsche rijk in den Kerkelijken strijd. Zij velden vonnissen in geloofszaken, beriepen synoden, zetten bisschoppen af en benoemden nieuwe, als waren zij de almogende heeren der Kerk. Om de hieruit voortgesproten moeilijkheden op te lossen werd in 543 te Constantinopel de vijfde algemeene Kerkvergadering gehouden.
86
De sekte der Eutychianen verdween evenwel niet; zij bleef in Voor-Azië , in de omstreken van Bagdad, in Armenië en Egypte voortwoekeren.
Sergius, Patriarch van Constantinopel, trachtte omstreeks 625 keizer Heraclius te bewegen een vereeniging en verzoening met de Eutychianen te beproeven. Men zou dan leeren, dat er in Christus wel twee naturen waren, maar slechts één wil; de menschelijke wil was in den goddelijken opgegaan. Dit was evenwel juist hetzelfde , wat Eutyches geleerd had. Immers , wanneer Christus geen menschelijken wil heeft, dan heeft Hij ook geen volmaakt menschelijke natuur. Daarom leert de Kerk : In Christus zijn twee willen, de menschelijke en de goddelijke, maar de menschelijke wil is aan den goddelijken onderworpen. Midderwijl kwam er te Alexandrië in Egypte werkelijk een vereeniging tusschen de dwaalleeraars en eenige katholieken tot stand, doch daarbij gaf men de ware leer prijs. Daarom zeiden de Eutychianen spottend: â Het Concilie van Chalcedon is tot ons gekomen , maar wij niet tot hen.quot; Sergius zond een bericht over deze verbroedering aan Paus Honorius. (631). Hy wilde de meening van den Paus leeren kennen. Doch hij had in het schrijven aan den Paus de werkelijke toedracht der zaak niet medegedeeld, maar dubbelzinnige uitdrukkingen gebruikt. Het antwoord van Paus Honorius gaf geheel tegen zijn wil aanleiding , dat de dwaling zich nog meer uitbreidde.
Vijftig jaren verwoestte de leer van den éénen wil in Christus de Kerk. Voortdurend mengden zich de Grieksche keizers in den twist. Keizer Constans II (642â668) gebruikte ongehoorde geweldenarijen om de ketterij te doen triomfeeren. Paus Martinus I liet hij te Rome in hechtenis nemen en gedurende zijn langdurige gevangenschap onmenschelijk kwellen. De Paus bleef onwankelbaar. â Doet met mij, wat gij wilt,quot;
87
riep hij uit, uitgeput tot den dood, met ketenen beladen, als een misdadiger gehoond en mishandeld, â laat mij, gelijk gij bevolen hebt, in stukken hakken ; met de kerk van Constan-tinopel treed ik nooit in gemeenschap.quot; Vergeten zelfs door zijn vrienden te Rome, stierf Martinus als belijder voor het geloof der Kerk. (655.) Eenige jaren later (662) mishandelde men ook den heiligen Abt Maximus en twee zijner leerlingen zoodanig, dat zij aan hun wonden bezweken. Het bloed dezer belijders bereidde den weg voor de zegepraal der waarheid. Op het zesde algemeene Concilie te Constantinopel (680) werd de aloude Katholieke leer plechtig erkend en de ketterij van Sergius en van allen , die hem gevolgd waren , veroordeeld.
XVIII. De geschillen In het Westen. De H. Augustinus.
De twisten over de Personen van de H. Drievuldigheid beroerden meer dan 300 jaren de Kerk in het Oosten. Maar ook het quot;Westen bleef niet van onlusten vrij.
In het Noorden van Afrika bracht de vraag, of slechte priesters de H. Sacramenten geldig konden toedienen, de gemoederen in gisting. De kwaadwillige partij maakte van dit geschil gebruik om Caecilianus, bisschop van Carthago, een kerkvoogd, streng en onberispelijk van zeden, te verwijderen (311). Deze partij, die de wijding van Caecilianus ongeldig verklaarde , daar de bisschop , die hem gewijd had, in den tijd der vervolging tegen het geloof had gezondigd, werd naar haren aanvoerder Donatus genoemd. Eene kerkvergadering te Aries in Bourgondië (314) besliste ten gunste van Caecilianus. Doch de Donatisteu waren niet onderworpen.
Dit gelukte eerst onder Gods leiding aan den H. Angus-
88
tinus, het sieraad der Westersche Kerk. Te Tagaste in Numidië (353) geboren, was hij in alle wetenschappen van zijn tijd onderwezen. De teedere en innige godsvrucht zijner moeder Monica wilde echter in het hartstochtelijke gemoed van den talentvollen jongeling geen wortel schieten. Hij bezweek voor de verleiding van slechte kameraden. De tranen en de gebeden der moeder voor den veelgeliefden zoon schenen vruchteloos. God echter vergat ze niet. Hij zag op het stille , ootmoedige en volhardende gebed der H. Monica neer, gelijk Hij zich vol barmhartigheid over de weduwe van Nairn had erbarmd. Naar Italië gegaan zijnde, hoorde Augustinus aldaar de vurige predikatiën van den H. Ambro-sius , den glorierijken bisschop van Milaan. Dra erkende de levensmoede jongeling, die alles van de wereld had genoten, dat hij alleen in God den waren vrede kon vinden. Toen op Paaschzaterdag 387 het water van den H. Doop over zijn voorhoofd vloeide , bekende hij vol blijdschap uit eigen ondervinding; â Gij hebt ons, o God, voor U geschapen en onrustig blijft ons hart tot het ruste in U.quot; Voortaan zou hem niets meer van Christus scheiden. Al zijn goederen gaf hij weg aan de armen en trok zich met eenige vrienden in de eenzaamheid terug. Daar wijdde hij zich aan het gebed en de studie. Zijn leven was met Christus in God verborgen en hij droeg het sterven van Christus in zijn lichaam rond. De bisschop van Hippo in Afrika wijdde hem ondanks zijn ootmoedige weigering tot priester. Weinige jaren later beklom hij den bisschoppelijken stoel (396). Drie en dertig jaren was hij de goede herder zijner schapen en zocht niets anders dan de eer van God en het welzijn der Kerk. De diepste geheimen van den godsdienst heeft hij in onschatbare geschriften verklaard. Tallooze geesten in latere eeuwen danken aan hem de vastheid van hun geloof.
89
De betergezinden en meer verstandigen onder de Dona-tisteD won St. Augustinus met zachtheid en voorzichtigheid. De hardnekkigen werden om hun wanordelijkheden aan de wereldlijke gerechtigheid overgeleverd.
Op dezelfde wijze bestreed en overwon hij den ketter Pelagius, een monnik uit Ierland. Deze beweerde : De zonde van Adam had alleen hem zei ven geschaad ; de menschelijke natuur was door den val van haren stamvader niet bedorven en kon uit haar zelve , krachtens hare vrijheid, zonder de bovennatuurlijke hulp der genade, na het doopsel hare zaligheid bewerken. Verscheidene synoden veroordeelden deze ketterij , die het geloof aan de verlossing geheel en al vernietigde. Toen Paus Innocentius I eveneens deze veroordeeling bevestigde, kon de H. Augustinus voor het volk uitroepen : â Reeds hebben twee kerkvergaderingen hun beslissingen in deze zaak aan den Apostolischen Stoel gezonden; van daar is de bekrachtiging gekomen. De zaak is dus beslist; moge nu ook de dwaling een einde hebben.quot;
Zoo streed Augustinus zegevierend met woord en daad voor de zuiverheid van het katholieke geloof. Zijn bisschopsstad Hippo werd door de Vandalen belegerd. Daar stierf hij onder het bidden der boetpsalmen. Zijn roem en zijn invloed duren voort tot aan het einde der tijden.
X)
90
XIX. Ondergang van het West-Romeinsche Rijk.
Sedert Constantijn zijn zetel van Rome naar Constanti-nopel verplaatst had, kwam er een scheuring in het uitgestrekte Romeinsche rijk. De westelijke helft viel spoedig uiteen. Het geslacht van Constantijn stierf uit met Juliaan den Afvallige zonder roem of glans. Theodosius de Groote besteeg in 379 den troon. Toen was de volksverhuizing reeds begonnen en met deze het verval van het rijk. Wel overwon Theodosius de opdringende Gothen, maar hij was toch de laatste vorst van het gansche rijk. De quot;Westgothen vielen in dichte drommen op Italië. In het jaar 410 vermeesterde Alarik, de grootste koning der Gothen, Rome. Geweldenarijen van allerlei aard werden gepleegd. Doch vóór den intocht in de stad had Alarik bevolen de kerken der Apostelen te sparen. Daarin waren duizenden Romeinen gevlucht. Het was een treurige tijd. Algemeen was de vlucht, groot de ellende der vluchtelingen. Alarik verliet na weinige dagen de uitgeplunderde stad. Hij stierf midden in de uitvoering zijner grootsche plannen.
De heerschappij van Rome over de wereld lag voor altijd gebroken. De Westgothen hadden zich met toestemming van keizer Honorius in het Zuiden van Gallië genesteld. Bourgondiërs, Franken , Allemannen en andere Germaansche volksstammen overstroomden het overige gedeelte van Gallië. De Saksers en Anglen, door de radelooze bewoners geroepen, hadden Britannië bezet. Noord-Afrika was door de Vandalen veroverd. Nu kwamen de ergste vijanden des rjjks, de Hunnen. Onder aanvoering van Attila naderden zij , als een woeste bergstroom, van den Rijn tot aan de Po.
Weder was Rome in gevaar. Sedert lang had het geen keizerlijken beschermer meer gezien. De eenigen, die zich
91
sedert Theodosius het lot der Eeuwige stad aantrokken, waren de Pausen. Zij zorgden voor de verfraaiing der stad door prachtige bouwwerken, voor de ontwikkeling van het volk door de prediking van het Evangelie. Dankbare zielen hadden aan den Heiligen Stoel rjjke geschenken vermaakt. Terwijl geheel Europa voor Attila , den geesel Gods , sidderde , trok Paus Leo I, bijgenaamd de Groote, (449 â 491) hem te gemoet in vol ornaat, met den herdersstaf des vredes in de hand, om hem van Rome af te houden. Attila boog voor het woord van den eerbied waardigen opperpriester en keerde om. De legende verhaalt, dat de Apostelen Petrus en Paulus met uitgetogen zwaarden boven Leo verschenen en dat dit gezicht Attila terugdreef. Eenige jaren later vertoonde zich de Vandalenkoning Genserik voor Rome; Leo kon de hebzucht der Vandalen niet bedwingen, maar hun moordlust wist hij te breidelen.
Het rijk stortte spoedig in. Ten jare 476 werd Odoacer door het leger tot koning van Italië uitgeroepen. Met hem viel na zeventien jaren ook de heerschappij van zijn volksstam. De Oostgothische koning Theodorik volgde hem op (493 â 526.) Spoedig kregen de Longobarden het bewind in handen.
Terwijl de wereldlijke macht aldus onderging, verhief zich de Kerk steeds tot hooger aanzien. Zij was de steun der maatschappij , de leidster in den duisteren nacht van het heidendom. Rome was het middelpunt der gansche Kerk.
92
XX. Mohamed en zijn leer.
Nadat het West-Romeinsche rijk voor den aandrang der Germaansche volksstammen bezweken was, moest ook het Oost-Komeinsche of het Grieksche keizerrijk een zwaren aanval doorstaan. Wel bood het nog weerstand, maar het werd toch zoo verzwakt, dat men reeds toen zijn einde kon voorspellen. Den stoot gaf een Arabische volksverhuizing , door Mohamed bewerkt.
De Arabieren , de afstammelingen van Ismaël, voerden een vrij, oorlogzuchtig herdersleven. Een herinnering aan den eenen God van Abraham was den nakomelingen van Ismaël bijgebleven , maar die herinnering werd door bijgeloof zeer verzwakt en verduisterd. Alle stammen van Arabië hadden hun gemeenschappelijk heiligdom in de Kaaba te Mekka. Daar vereerden zij een vormloozen , zwarten steen , naar men beweerde, reeds van Abrahams tijden. Uit het geslacht der priesters, die het opzicht over het heiligdom hielden, stamde Mohamed. Ten jare 570 werd hij geboren.
De geringe erfenis, die zijn ouders hem nalieten, dwong hem, als koopman, een rusteloos leven te leiden. Op deze reizen leerde hij iets van het Joden- en iets van het Christendom kennen, maar niet genoeg om de hoofdwaarheden van het laatste grondig te begrijpen. Op zijn veertigste jaar gaf hij voor openbaringen door den engel Gabriël ontvangen te hebben. De hoofdgedachte dier openbaringen was : Er is geen God buiten God en Mohamed is zijn profeet Mozes en Jezus eerde hij als profeten , maar aan zich zeiven gaf hij boven allen den voorrang. Zijn godsdienst is een samenraapsel uit het Heiden- het Joden- en het Christendom en streelt vooral de zinnelijke natuur van den mensch. Spoedig vond hij dan
93
ook vele volgelingen. Zijn zedenleer vordert slechts eenige uiterlijke oefeningen : gebeden, wasschingen , vasten, de bedevaart naar Mekka, inzonderheid strijd en dood voor het geloof. Het gebruik van geestrijke dranken, met name van wijn, was verboden. Aan den trouwen Mahomedaan werd tot loon een hemel vol zinnelijk genot toegezegd.
Mohamed vond in zijn vaderstad weinig geloof. Zelfs moest hij op den 15 Juli 622 voor zijn medeburgers naar Medina vluchten. Van hier uit veroverde hij op drieste rooftochten een deel van Arabië; het andere gaf zich zonder slag of stoot over. Het volk aanbad afgodisch den schoonen, weisprekenden , dweepzieken profeet, die hun de heerschappij over de geheele wereld voorspiegelde. Het geloof aan deze beloften liet hij bij zijn dood in 623 aan de Kalifen , zijn opvolgers, na. Zij veroverden achtereenvolgens Syrië en Perzië zonder moeite. Het Grieksche keizerrijk, door sekten verscheurd , kon geen voldoenden weerstand bieden aan de zegevierende en dweepzieke volgelingen van Mohamed. De herhaalde belegering van Constantinopel 669 en 717 mislukte wel is waar; daarentegen veroverden zij omstreeks 707 de geheele Noordkust van Afrika. Daar roeiden zij den christe-hjken godsdienst uit. In 711 overwonnen zij de Weatgothen in Spanje en vestigden er voor eeuwen hun heerschappij.
94
XXi. Het christendom onder de Germanen.
Paus Gregorius de Groote.
In de steden , welke de Romeinen laags den Rijn tot in België en Nederland gesticht hadden, waren de christen missionarissen reeds vroeg gekomen. Op het einde der derde eeuw bestonden er kerken te Trier, de toenmalige hoofdstad van Belgisch Gallië, te Metz en te Keulen. De overlevering zegt, dat de eerste bisschoppen dezer drie steden, Eucharius, Clemens en Maternus, door Petrus zeiven gezonden waren. Een weinig later vond men kerken te Spiers , te Tongeren en te Mainz. In de volkplantingen aan den Donau, te Augsburg , te Regensburg en elders brachten Romeinsche soldaten de blijde boodschap van het christendom. Aan de oevers van de Bodenzee bestond reeds vroegtijdig een christen gemeente in de Romeinsche kolonie Bregenz. Reeds onder Diocletiaan werden te Constanz christenen vervolgd en gemarteld. Zoo waren de Romeinsche legioenen de wegbereiders van het Evangelie en maakte God de heerschzucht hunner keizers dienstbaar aan zijne plannen. De volksverhuizing bracht volgens de wijze beschikking der Voorzienigheid de krachtige , zedelijke stammen der Germanen dikwijls in aanraking met het Christendom. Alleen was het te betreuren, dat de ketterij van Arius weldra bij hen insloop. De Gothen, Bourgondiërs , Vandalen en Longobarden kleefden het Arianisme nog aan , toen het in het Oosten reeds lang was weggestorven. Daardoor brachten deze volksstammen in het begin hunner bekeering droevige rampen over de Kerk. Italië had het meest van de Longobarden te lijden. Zij vervolgden de Katholieke inwoners met alle denkbare wreedheden. â Stelt aan den keizer voor zoo schreef Paus Pelagius II in 584 aan het gezantschap , door hem naar Constantinopel gezonden
om bescherming tegen de Longobarden te vragen, â dat dit volk, trouweloos ondanks zijn gegeven woord, ons ergere onheilen berokkend heeft, dan wij het kunnen zeggen.quot; In dezen benarden tijd gaf de Heer aan zijn Kerk den grooten Paus Gregorius T (590 â 604).
Huiverend aanvaardde hij zijn verheven ambt. â Als gij mij liefhebtschreef hij aan zijn oude vrienden , â weent dan om mij ; want op mij drukken zoovele tijdelijke zorgen, dat het mij toeschijnt, alsof deze waardigheid mij van de liefde Gods heeft afgesneden. De golven der wereld stormen op mij los ; ik wanhoop er bijna aan, of ik het mij toevertrouwde schip naar de haven zal kunnen sturen, terwijl mijne hand het roer houdt te midden van duizenderlei stormen.quot; Maar God, wiens bijstand hij voortdurend bij zijn apostolischen arbeid afsmeekte, stond hem ter zijde. Met behulp hunner koningin Theodolinde bekeerde hij de Longobarden tot het Katholieke geloof. â De ziel van Gregoriusquot;, zegt een latere Longobardische geschiedschrijver, â werd verteerd door het vuur zijner onvermoeide zorg voor hèt welzijn der zonen van dit volk.quot; In Spanje overwon hij het Aria-nisme bij de Westgothen. Heilige bisschoppen, zooals Leander en Isidorus van Sevilla, voltooiden er het bekeeringswerk. Naar Britannië zond hij missionarissen om de Angelsaksers te bekeeren. Een heilige kloosterling met name Augustinus, door Gregorius voorgelicht, strooide er het mosterdzaadje van het Christendom uit. Zichtbaar rustte 's hemels overvloedige zegen op zijn arbeid, want nog gedurende het leven van Gregorius werden er twaalf bisdommen op het Britsche eiland gesticht.
De groote Paus verdedigde de onafhankelijkheid van den Apostolischen Stoel tegen de aanmatigingen van den Griek-schen keizer, wien hij echter in tijdelijke zaken nooit de
96
verschuldigde gehoorzaamheid weigerde. Niet minder verzette hij zich tegen de aanmatiging van den patriarch van Con-stantinopel, die zich den naam van algemeenen Patriarch had gegeven. Om den hoogmoedigen Griek te beschamen, noemde hij zich zeiven âdienaar der dienaren Gods.quot; Schoon hij aan alle aardsche goederen onthecht was, bestuurde hij met alle zorg het eigendom der Romeinsche kerk. Het erfgoed van den H. Petrus, gelijk men het noemde , lag rondom Rome en in het Zuidelijk Italië; ook in Sicilië en in Gallië bezat de Apostolische Stoel aanzienlijke goederen. Sedert de invallen der Gothen hadden de Pausen weinig voor dit wereldlijk bezit kunnen zorgen. Maar Gregorius begreep, dat de onafhankelijkheid van den Paus zonder wereldlijke macht gevaar liep. Daarom bestuurde hij de kerkelijke goederen met groote zorgvuldigheid. Zoo legde hij onbewust den grondslag van het tijdelijk gebied der Pausen.
Te Rome zelf was hij de toevlucht van allen. Er waren wel ambtenaren des keizers; maar de beslissing in alle moeilijke aangelegenheden en hulp in den nood vroeg men aan den Paus. Hij hielp allen, zooveel hij kon. â Andere Pausen zegt Beda, â legden zich er op toe kerken te bouwen, ze met goud en zilver te versieren; maar hij dacht alleen op het zielenheil.quot; .
Middelerwijl waren ook de Franken voor het Christendom gewonnen. De Frankische koning Chlodwig had in den slag bij Tolbiac (496) de Allemannen verslagen, nadat hij zich door een gelofte had verbonden het Katholieke geloof te omhelzen. Op het Kerstfeest van hetzelfde jaar ontving hij te Rheims van den Heiligen bisschop Remigius met vele duizenden uit zijn gevolg het doopsel. Daar alle Frankische stammen, die vroeger hun eigen vorst hadden, aan Chlodwig gehoorzaamden, kon hij veel tot de uitbreiding van het Chris-
97
tendom bijdragen. Bij zijn dood (511) was het Frankische rijk zeer machtig. De herhaalde veten tusschen de erfgenamen van Chlodwig verzwakten de macht der Merovingers, doch baanden den weg voor een krachtiger bestuur, dat der Karolingers.
XXII. De Benedictijnen.
Niet spoedig verbreidde zich het kloosterleven in het Westen. Den eersten stoot tot het stichten van kloosters gaf Sint Athanasius. Voor de vervolgingen der Arianen vluchtte hij (340) naar Rome onder de bescherming van Paus Julius. Zijn geestdriftige schilderingen over de levenswijze en den arbeid van St. Antonius en zijne kluizenaars wekten overal liefde voor het monnikswezen. Toen hij , door de Arianen verbannen , te Trier kwam , vergezelden hem de eerste monniken , die het Westen bezochten.
St. Martinus, de beroemde bisschop van Tours , (f 397) was een der krachtdadigste beschermers van het kloosterleven in Gallië. Met behulp van St. Hilarius van Poitiers stichtte hij de twee eerste kloosters van het Westen , volgens vaste regels ingericht. Zijn dood beweenden meer dan 2000 monniken , zijn leerlingen. Sulpitius Severus, een dezer, zette het werk van zijn meester voort.
St. Augustinus voerde het kloosterleven in Noord-Afrika, St. Ambrosius in Noordelijk Italië in. Deze schildert ons den stichtenden levenswandel der monniken , die , de wereld en haar gevaren ontvluchtende, zich op de eilanden rondom Italië teruggetrokken hadden. Zij leefden er in strenge ont-
7
G.
98
houding. De zee verborg hun verstervingen en beschutte hen tegen de verleiding. Hun gansche omgeving stemde hen tot ernst. Zij genoten een ongestoorden vrede, door de woeste driften der wereld niet verbitterd, en vonden er een onuitputtelijke bron van godsvrucht. Bij het geheimzinnig ruischen der zee zongen zij hun gewijde lofliederen.
Johannes Cassianus, (f 435) die langen tijd bij de kluizenaars in Egypte gewoond had , stichtte twee kloosters te Marseille , een voor mannen en een voor vrouwen. Hij schreef voor de kloosterlingen verscheidene boeken vol wijsheid en stichting.
Reeds tegen het einde der vierde eeuw bestonden er kloosters in Engeland , want de ketters Pelagius en Ccelestius waren Britsche monniken.
Daar men evenwel den strengen regel van het Oosten overal niet naleven kon, dreigde het monniksleven in het Westen uit te sterven. Het leed bovendien veel door de stormen der volksverhuizing. Nu wekte God in Benedictus van Nursia eenen man op, die aan het kloosterleven een vasten vorm gaf en zijn bestendigen bloei voorbereidde.
Uit aanzienlijke ouders (480) geboren, genoot Benedictus te Rome een voortreffelijke opvoeding. Als jongeling ontvluchtte hij uit de bedorven wereld naar de eenzaamheid. Daar vereerden hem de herders van het gebergte spoedig als een heilige. Een groot aantal leerlingen stelde zich onder zijne leiding. Zijn eerste klooster stichtte hij op Monte Cassino in Campanië (529). De regel, dien hij aan zijn monniken gaf, verbond strenge tucht en orde met zachtheid en liefde. Handenarbeid en studie moesten zijn zonen tegen de gevaren der eenzaamheid beveiligen en hen bekwaam maken voor het welzjjn der volkeren te werken. Benedictus bereikte, wat
99
hij gewild had. Bij zijn dood (543) zag hij zich door talrijke leerlingen omringd ; meer dan één heilige was er onder hen. Zeer veel is de Kerk aan de Benedictijnen verschuldigd. Hun abdijen waren het toevluchtsoord en de kweekschool voor wetenschap, beschaving, kunst, godsdienst en deugd.. Woeste streken hebben zij ontgonnen en vruchtbaar gemaakt, wegen aangelegd en bruggen gebouwd , scholen gesticht, de jeugd onderwezen, de boeken der oude schrijvers, zoowel heidensche als christelijke, afgeschreven en voor de nakomelingschap bewaard, gewijde en ongewijde wetenschappen beoefend, zieken en armen verpleegd , aan reizenden en pelgrims gastvrijheid verleend, barbaarsche volksstammen bekeerd en beschaafd, voor de wereld in de eenzaamheid des kloosters gebeden, aan die wereld een voorbeeld van zelfverloochening gegeven. Zoo waren zij het zout der aarde en het licht der wereld. In den bloeitijd had de Benedictijnerorde omstreeks 60000 kloosters. Zij schonk aan de Kerk 24 Pausen, 1560 Heiligen, 15700 schrijvers.
Uit de kloosters van Engeland en Ierland zijn de missionarissen gekomen , die het licht des Evangelies aan de Ger-maansche volksstammen brachten. Onder de Allemannen aan de Bodenzee werkte de H. Columbanus. De H. Gallus, wiens klooster nog heden beroemd is, zette zijn arbeid voort. St. Kiliaan predikte aan de Main en den Rijn, St. Severinus bij Weenen , St. Fridolinus aan den Bovenrjjn , St. Rupert, St. Emmeraan en St. Korbiniaan in Beieren , St. Hubentius en St. Castor aan de Lahn en de Moezel , St. Goar aan den Middelrijn.
100
XXIII. De prediking van het Christendom in de Nederlanden.
Reeds in de eerste eeuwen van het christendom vond men in de wouden van Germanië leerlingen van Christus. Die eerste zaden van het Katholiek geloof werden waarschijnlijk uitgestrooid door christenen , die zich bij de Eomeinsche legioenen bevonden. Voorwerpen, versierd met het kruis, het anker, het Lam Gods , een schip, werden in de omstreken van Nijmegen opgegraven. Zij waren uit den tijd afkomstig , toen de Romeinen in die streken hun legerplaats hadden.
Volgens de oudste geloofwaardige oorkonden hebben de H. Piatus, de H. Victorieus en de H. Tuscianus het eerst op Nederlandschen bodem het Evangelie gepredikt.
De H. Maternus (f 328), bisschop van Keulen, bouwde de eerste kerk te Tongeren en te Maastricht. De H. Serva-tius werd de eerste bisschop van Tongeren (355) op verzoek van de christenen dier stad. Zijn rechtsmacht strekte zich uit over geheel het land, dat men later Brabant, Limburg en Luik noemde.
Wel met eenige overdrijving schreef de H. Paulinus van Kola omstreeks 400 aan den H. Victricius, bisschop van Eouaan , die aan de boorden van de Schelde de christelijke leer verkondigde : âIn plaats van benden, die de bosschen en de heiden onveilig maken, ziet men er thans scharen van menschen, aan engelen gelijk, die steden en dorpen met kerken en kloosters vullen en vrome lofzangen op de eilanden en in de diepe wouden doen weerklinken.quot;
De voornaamste Apostelen van de Zuidelijke Nederlanden waren de H. Medardus, de H. Amandus, de H. Livinus, de H. Lambertus en de H. Eligius.
De 11. Medardus, bisschop van Noyon en Doornik, verkondigde onder de regeering van Chlothar I het Evange-
101
lie in Vlaanderen. God beschermde hem tegen de aanvallen van het woeste en barbaarsche volk. Velen bekeerden zich. Medardus onderwees hen jaren lang in den godsdienst.
De H. Amandns , een Aquitaniër van geboorte, predikte in de omstreken van Gent. Hij bouwde er (633) verscheidene kerken en twee kloosters. Een zijner voornaamste bekeerlingen was Allowin , een woest krijgsman , later de H. Bavo geworden. Deze leidde een boetvaardig kluizenaarsleven en onderrichtte de onwetenden in het geloof. Amandns trok van Vlaanderen naar de boorden van de Sambre en de Maas, werd bisschop van Maastricht en stierf in 679.
In Noord-Brabant en Limburg is de H. Lambertus in gezegend aandenken. Hij werd bisschop van Maastricht en in 708 vermoord.
De H. Livinus , in Ierland ten jare 580 geboren , was de Apostel van het land tusschen Schelde en Maas. Hij gaf zijn leven voor zijne schapen. Terwijl hij predikte , werd hij vermoord. Van een dichtstuk, door hem vervaardigd, bezitten wij nog een gedeelte.
Op de Zeeuwsche eilanden en in Vlaanderen zien wij den H. Eligius optreden. Van goudsmid werd hij bisschop van Noyon. Hij stichtte kloosters, bouwde kerken, vormde priesters en missionarissen en verzachtte het lot der slaven. De H. Bathilda , vroeger slavin , later echtgenoote van Chlodwig II, Dagoberts zoon, en de H. Audomarus stonden hem trouw ter zijde bij zijn apostolischen arbeid. Wij bezitten nog een predikatie van den H. Eligius tot zijne kudde.
Een reeks van godvruchtige vrouwen , meestal uit den adellijken stand, ondersteunden de bisschoppen en priesters bij hun moeilijk bekeeringswerk. Wij noemen de H. Begga, moeder van Pepijn van Herstal, de H. Gertruda , abdis te Nijvel, Pharailde en Gudula , Ildeberga , de H. Aldegonda ,
102
de H. Waldetrude, de H. Landrada, enz. Onberekenbaar zijn de weldaden , welke deze gewesten aan die voorbeeldige vrouwen te danken hebben. Zij bouwden kerken, stichtten abdijen en hadden een machtigen invloed op de bekeering en de beschaving der Nederlanden. De abdijen waren het middenpunt van tijdelijken en geestelijken zegen voor de omliggende streken.
In het begin der zevende eeuw voerde koning Dagobert strijd tegen de Friezen. De oorlogen der Franken met de heidenscbe Saksers en Friezen waren niet louter een strijd van volk tegen volk , maar ook van Christenen tegen heidenen. Geen middel om dezen te onderwerpen beschouwden de Frankische koningen geschikter dan hen eerst tot christenen te maken. Daarom bevorderden zij uit staatkunde het bekee-ringswerk der missionarissen.
In 630 stichtte Dagobert I te Wiltenburg, het huidige Utrecht, op de plaats van den tegenwoordige Dom de eerste christenkerk der Noordelijke Nederlanden, een kapel, aan den Apostel Thomas toegewijd.
De H. Wilfried, bisschop van York (677â678) en een zekere monnik Wigbert (686) schijnen ook aan de Friezen gepredikt te hebben.
-----
XXIV. De H. Willibrordus en de H. Bonifacius.
De eigenlijke Apostel der Noordelijke Nederlanden was de H. Willibrordus. Ten jare 657 in Northumberland geboren , in Ierland opgevoed, op zijn dertigste jaar priester gewijd, kwam hij met elf gezellen in 690 te Wiltenburg, waar koning Radboud zijn hof hield. Paus Sergius I wijdde hem tot bisschop (23 Nov. 695). In Friesland teruggekeerd,
103
bouwde hij te Wiltenburg de kerk van het H. Kruis, later de beroemde dom. Hij was de eerste bisschop van Utrecht. Hij trok door het land der Friezen , predikte , stelde priesters aan, bouwde kerken en kloosters. Bij de Frankische hofmeiers genoot hij een onbeperkt vertrouwen en bij de Friezen groeide zijn invloed steeds aan. Zijn werkzaamheid strekte zich uit langs de kusten der Noordzee tot aan de Elbe, in Noord-brabant, langs de Maas tot aan de Moezel. In Denemarken, op Helgoland, op quot;Walcheren, in Vlaanderen , te Vlaardingen , op de eilanden Schouwen en Voorne te Heilo in Kennemerland , te Susteren in Limburg , te Echter-nach in Luxemburg, overal vindt men herinneringen aan Willibrords prediking. Hij stierf den 7 November 739.
Tegelijk met den H. Willebrordus verkondigden eenige zijner metgezellen het geloof aan Friezen en Saksers. De H. Adelbert predikte in Kennemerland, Werenfried op de Veluwe en in Noord-Holland, de H. Engelmond insgelijks in Kennemerland, de H. Switbertus aan de Brukteren, de H. Wolfram in Noord-Holland.
Langdurig was de strijd, die deze edelmoedige missionarissen tegen 'het Germaansche heidendom moesten voeren. Als onuitroeibaar onkruid kwamen de heidensche begrippen , de heidensche gewoonten, de heidensche barbaarschheid en woestheid telkens bij de Germanen weer boven en dreigden het goede zaad van het christelijk geloof te verstikken. Maar de Apostelen die alles verlaten hadden om Christus te prediken en dien gekruist, de Apostelen , gezonden door Christus' plaatsbeklceder en met zijn hoogepriesterlijke zegen versterkt, overwonnen door het gebed en de liefde.
Boven al de helden des geloofs in Duitschland muntte de Angelsakser Winfried, later Bonifacius geheeten, uit.
In het jaar 716 verliet hij zijn klooster om evenals zijn
104
stamgenoot quot;Willibrordus aan de heidensehe Friezen het Evangelie te verkondigen.
Bonifaeius begaf zich naar Rome (718), waar Paus Gregorius II (715â731) hem naar deze gewesten ter prediking zond. Na eene driejarige werkzaamheid onder de Friezen kwam hij in Hessen en Thuringen, waarvan hij een groot gedeelte bekeerde. Paus Gregorius riep hem naar Rome (723) en stelde hem tot bisschop over de verschillende kerken van Duitschland aan. Krachtens een volmacht van Gregorius II (731â741) mocht hij in Duitschland, waar het noodig was, bisdommen stichten. Ten jare 738 toog hij voor de derde maal naar Rome en regelde op zijn terugreis de kerkelijke zaken in Beieren.
Bij de Franken waren velerlei misbruiken ingeslopen en was de kerkelijke tucht verslapt, omdat de Frankische koningen al te dikwijls onwaardige mannen voor de bisdommen en abdijen benoemden, als zij slechts het koninklijke hof dienden. Om de tucht te herstellen en de heidensehe gebruiken af te schaffen hield Bonifaeius (742) de eerste Duitsche kerkvergadering. Ook in de volgende jaren belegde men vergaderingen van bisschoppen, waarop vele heilzame besluiten voor kerkelijke tucht en eeredienst genomen werden. Aan een dier Synoden had het klooster Fulda zijn stichting te danken. Het leverde zeer vele uitstekende bisschoppen en kloosterlingen op. Met toestemming van Paus Zacharias (741â752) verhief Bonifaeius Mainz tot zijn aartsbisschoppelijken zetel en maakte dien tot het vaste middelpunt zijner verschillende stichtingen.
Zijn laatste dagen wijdde Bonifaeius aan de bekeering van Friesland. Daarheen toog hij in het begin van 755 en stierf er op den 5 Juni den marteldood, omringd door een schaar gedoopten, aan wie hij juist het H. Vormsel wilde toedienen.
105
XXV. De beeldenstrijd. Het zevende algemeene Concilie.
Een kinderlijk, geloovig hart, brandend van liefde voor Jezus Christus en Zijne Heiligen, gevoelt zich van nature gedrongen het voorwerp zijner liefde en godsvrucht in beeld voor te stellen. Daarom hadden de Pausen de vereering der beelden altijd goedgekeurd en verdedigd, schoon zij ieder misbruik wisten uit te roeien. Zoo schreef Gregorius de Groote aan Serenus, bisschop van Marseille : â Gij hadt niet moeten stuk slaan , wat niet ter aanbidding, maar alleen ter vereering in de kerken geplaatst is. Iets anders is een beeld aanbidden â dit mag nooit geschieden â iets anders uit de geschiedenis, in het beeld voorgesteld , leeren, wat men aanbidden moet. quot;Want wat voor hen, die lezen kunnen, de Schriftuur is, dat is voor hen, die het niet kunnen , een beeld. Daarin zien ook de ongeletterden, welken weg zij bewandelen moeten; daarin lezen zij , die de Schrift niet kennen.quot;
Anders dacht hierover de Grieksche keizer Leo III. In de bergen van Isaurië, waaraan hij zijn bijnaam ontleende, geboren uit geringe ouders, zonder beschaving of hoogere opvoeding, was hij alleen door woeste dapperheid van trap tot trap gestegen en in de plaats van Theodosius III keizer geworden.
Men kon hem zonder moeite overhalen om zich in kerkelijke zaken te mengen. Men fluisterde hem in, dat de Mahomedanen zich ergerden aan de beelden in de Katholieke kerken. Leo verbood derhalve de vereering der beelden als afgoderij (726) en liet een beroemd Christusbeeld , dat algemeen vereerd werd, omverhalen. Het volk bood heftig weerstand ; de keizer pleegde geweld. Zijn zoon en opvolger trad in de voetstappen van zijn vader. Ten jare 754 dwong hij zelfs een vergadering van bisschoppen de beelden als een
106
uitvinding van den duivel te veroordeelen. De Pausen Gre-gorius II en Gregorius III verdedigden beslist de Katholieke leer over de vereering der beelden, schoon zij zich den haat en de vervolging des keizers op den hals haalden. Paus Stephanas II (752â-757) verwierp de besluiten van bovengenoemde bisschoppen. Steeds grooter en grooter werd de verwarring zoowel in het Oosten als in het quot;Westen. Eindelijk trad, na den dood van Leo IV (780), keizerin Irene, die steeds de beeldenvereering had voorgestaan, in onderhandeling met Paus Hadrianus. Het gevolg was de zevende algemeene Kerkvergadering in 786 , te Constantinopel begonnen en in 787 naar Nicea verlegd. Na ernstige beraadslagingen verklaarde men de Katholieke leer als de alleen ware en juiste. âWanneer men voor de beelden neerknielt,quot; zeggen de Vaders, â dan is dit een teeken van liefde en vereering jegens de voorgestelde personen, maar niet de aanbidding, welke alleen aan God toekomt.quot;
Onder de volgende keizers ontbrandde de strijd nog eenmaal met alle hevigheid. De achtste algemeene kerkvergadering te Constantinopel in 869 bekrachtigde de besluiten van Nicaea.
--«â-O»----
XXVI. Het primaatschap van den Paus.
Bij de groote twistvragen vormen de Pausen het middelpunt der eenheid, op hen beroepen zich allen; hun oppermacht treedt duidelijker op den voorgrond. Zonder hun bekrachtiging heeft geen kerkvergadering algemeene geldigheid; hun beslissing daarentegen wordt als onschendbaar en onherroepelijk beschouwd. De Apostolische stoel is het toppunt
107
van het gezag en wordt door niemand geoordeeld. Rome heeft gesproken, de zaak is beslist. Dat gezegde van Sint Augustinus was reeds spreekwoordelijk geworden. De Paus was de vader aller vaderen , het hoofd van alle kerken , de rots des geloofs , de opperste leeraar, de veilige haven , de wachter, beschermer, verklaarder en rechter der kerkelijke wetten. Aan geen enkelen bisschop schreef men dezelfde hoedanigheden en volmachten toe. Wie zich tegen den Paus verzet, sluit zich zei ven buiten de Kerk. Alle ketters wenden zich tot den Apostolischen stoel van Rome, die door geen dwaling bevlekt wordt. De Pausen maken wetten en ontslaan daarvan voor de gansche Kerk , zenden gezanten aan keizers en bisschoppen , genieten de vereering van de geheele christenheid en beslissen in zaken van geloof en zeden.
Basilius , Athanasius , Augustinus , Flavianus , allen zoeken hun recht en verdediging te Rome.
De algemeene en bijzondere kerkvergaderingen, zooals die van Nicea , Constantinopel en Ephese , vroegen altijd de bevestiging van hun handelingen aan den Paus. In het concilie van Chalcedo (451) riepen alle leden na den brief van den H. Paus Leo aan Flavianus, bisschop van Constantinopel, gehoord te hebben : â 5)at is het geloof van onze vaderen , het geloof der Apostelen. Dat is het, wat wij gelooven, dat is het, wat alle rechtzinnigen gelooven. Vloek aan hem , die niet hetzelfde gelooft. Het is Petrus, die ons door Leo heeft gesproken,quot;
Paus Julius (f 352) bewijst in een schrijven aan de Eusebianen de hoogere rechtsmacht der Kerk van Eome en beroept zich op hetgeen hij van den zaligen Apostel Petrus ontvangen heeft.
Paus Damasus (372) verwerpt de besluiten der synode van Ariminum en haalt als grond dezer verwerping aan , dat
108
de Bisschop van Rome zijn toestemming niet gegeven heeft T wiens uitspraak men voor alles afwachten moest.
Een bisschop van Spanje had zich tot Paus Siricius (385â398) gericht en opheldering over verschillende punten van kerkelijke tucht gevraagd. De Paus schreef hem : Op ieder punt uwer aanvraag weigeren wij het behoorlijk antwoord niet, zooals de Heer het ons ingeven wilde; want gedachtig aan ons ambt, staat het ons, voor wie meer dan voor iemand de ijver voor den christelijken godsdienst plicht is, niet vrij iets te verbergen, iets te verzwijgen. Wij dragen de lasten van allen , die zich belast gevoelen; ja , de gelukzalige Apostel Petrus, die ons, zooals wij vertrouwen , in alles, als de erven van zijn bestuur, beschermt en behoedt, draagt ze in ons.
In dit tijdvak moest de Apostolische stoel de ware leer handhaven, de vrijheid der kerk tegen de tijdelijke macht verdedigen , godsdienst en beschaving aan de volkeren brengen. Uit de vervulling van die drievoudige taak blijkt middag helder het primaatschap van Rome.
Anastasius I (398â402), Innocentius I (402â417), Zosimus (417) en Bonifacius I (418â422) traden met kracht op tegen de Pelagianen.
Onder Leo I (440â461) ontvouwde het Pausschap al zijn luister en macht.
De Sardiniër Hilarus (461â468) beslechtte onder zijn pontificaat kerkelijke geschillen in Spanje en Gallië op dringend verzoek der Bisschoppen en weerstond aan de begunstiging van sekten onder keizer Anthemius.
De Romein Gelasius (492â496) bestreed de aanmatigingen der Grieken, vaardigde vele gewichtige decreten uit, schreef tegen Pelagianen en Nestorianen en stond in hoog aanzien.
109
Een reeks van Pausen streden en leden voor de onafhankelijkheid van den Heiligen Stoel tegen de Oostersche keizers , die de Opperpriesters van Rome van zich afhankelijk wilden makeo. God schonk hun kracht en moed om aan de waarheid trouw te blijven en voor de beloften of bedreigingen der Grieksche vorsten niet te zwichten. Vrijmoedig houden zij hun voor oogen , dat alle macht van God komt; dat ook de keizers verantwoording aan den eeuwigen Rechter verschuldigd zijn ; dat zij alle gezag ontvangen om den godsdienst , de Kerk, de deugd op de eerste plaats te beschermen; dat de godsdienstvervolgers de rechtvaardige straf van God niet ontloopen.
Paus Honorius I (625â638) de ootmoedige, zachtmoedige , geleerde Opperpriester, wordt door het valsch verslag van Sergius, patriarch van Constantinopel, voor een oogenblik misleid. Maar hij zoowel als zijn onmiddellijke opvolgers Severinus, Johannes IV, Theodorus I en de heilige martelaar Martinus I handhaafden onverschrokken de zuivere leer der Kerk en verkondigden , dat er in Christus twee naturen en bijgevolg ook twee willen waren.
Er gaat dus uit de gansche christenheid over den Paus van Rome slechts eene stem op : Gij zijt Petrus, en op deze steenrots zal ik mijne Kerk bouwen en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen. En ik zal u de sleutelen van het rijk der hemelen geven. En al wat gij op de aarde zult binden, zal ook in den hemel gebonden zijn ; en al wat gij op de aarde zult ontbinden, zal ook in den hemel ontbonden zijn. (Matth. XVI.)
110
XXVII. De Kerkelijke Eeredienst.
De geloovigen hadden bepaalde tijden voor het gebed , waarop zij psalmen zongen, andere gebeden verrichtten en ook hoofdstukken uit de H. Schrift voorlazen. Daaruit ontstonden geleidelijk voor de geestelijken en monniken de zeven uren van het breviergebed.
Zoowel de kerkelijke als de burgerlijke wet schreef het vieren van den Zondag voor. Men moest zich dan zooveel mogelijk van slafelijken arbeid onthouden.
Het kerkelijk jaar moest het leven des Zaligmakers telkens op nieuw aan de geloovigen voorstellen. Het werd in drie deelen gesplitst: den Kersttijd, door den Advent voorafgegaan ; den Paaschtijd , waarvoor men een vasten van minstens veertig dagen hield; en den Pinkstertijd. De feestdagen des Heeren en der Heiligen vierde men met veel luister. Dan ging men meermalen ter kerke om God te aanbidden , Hem voor zijn overvloedige weldaden te danken, de voorbeelden van deugd, ons door Christus, de allerheiligste Maagd Maria en de Heiligen gegeven, te overwegen, hun voorspraak in te roepen en Gods woord aan te hooren. Men onthield zich, evenals op de Zondagen, zooveel mogelijk van slafelijken arbeid. Sedert 329 was het feest van Hemelvaart des Heeren ingèvoerd. De aartsbisschop Mamertus van Vienne schreef in zijn bisdom de drie bid- of kruisdagen met plechtige processie voor. Het feest van Driekoningen of de Yerschijning des Heeren bracht men uit het Oosten naar het Westen over. Reeds in de vijfde eeuw herdacht men de Opdracht van Christus in den tempel, de Boodschap des Engels aan Maria en de Opneming van Maria ten Hemel. Talrijk waren de feestdagen van andere Heiligen en Martelaren, zooals van St. Stephanus,
Ill
St. Johannes den Dooper, St. Laurentius, St. Petrus en Paulus en Onnoozele kinderen.
Door hamerslag op metaal, later door klokken, riep men de geloovigen ter kerke. De viering van het H Misoffer had in hoofdzaak plaats zooals nu. Men legde de algemeene schuldbelijdenis af, zong een psalm, bad het Kyrië en Gloria, deed de Collecten, las een gedeelte uit het Oude en een gedeelte uit het Nieuwe Testament voor (Epistel en Evangelie) en verkondigde Gods woord. Deze predikatie hield de Bisschop , gezeten op zijn troon , of staande aan den voet des altaars, later ook van den preekstoel af. Als de Bisschop ziek, zwak of afwezig was, predikten in zijne plaats priesters of diakens. De predikatie was gewoonlijk een eenvoudige, bondige en korte uitlegging van die gedeelten der H. Schrift, welke men voorgelezen had ; op de verklaring volgde de toepassing of opwekking. Soms was de predikatie een door-loopende uitlegging van een of ander Bijbelboek , een lofrede op den Heilige, den Martelaar, die men vierde, of het geheim, dat men herdacht, een toespraak over bijzondere stoffen of omstandigheden.
Na de preek zond men de katechumenen en de boetelingen weg en begon de Mis der geloovigen. Men bad de geloofsbelijdenis. Dan hadden de Offerande, do Prefatie, de Canon, de Consecratie, de Nuttiging met de toepasselijke gebeden plaats. Na de priesters ontvingen de geloovigen het Lichaam en Bloed des Heeren staande en met gebogen hoofd. De priester legde hun de H. Hostie in den mond. Daarna werd nog een gebed uitgesproken , de zegen gegeven en het volk weggezonden. In den regel droeg men het Misoffer alleen in de kerken op. Bij de plechtige Mis van den Bisschop was de geheele geestelijkheid tegenwoordig. De agapen of liefdemaaltijden werden wegens misbruiken
112
. beperkt, niet meer in de kerk gehouden of geheel afgeschaft.
Het geloof aan de werkelijke ea wezenlijke tegenwoordigheid van Christus in het Allerheiligste Sacrament, aan de verandering van het brood en den wijn in het Lichaam en het Bloed des Heeren , terwijl de uitwendige gedaanten blijven , en aan het offer der H. Mis is stellig en duidelijk in de schriften der Heilige Vaders uitgedrukt. , Zij herinneren ons aan de verandering van water en wijn te Kana, zij maken een onderscheid tusschen de uitwendige gedaanten van brood en wijn , de kleur, den vorm , den smaak , en tusschen hetgeen daaronder verscholen is, Jezus Christus met Godheid en Menschheid; zij wijzen op de airnacht en de liefde van Christus , die dit hoogheilig Geheim kon instellen , die ons spijst met zijn Yleesch en laaft met zijn Bloed , die het bloedige offer des kruises door de bediening der priesters op onbloedige wijze vernieuwt.
Nadat de katechumenen soms drie, soms twee jaren lang in den godsdienst onderwezen en beproefd waren, ontvingen zij het Doopsel. De plechtige doop diende de bisschop toe met Paschen, Pinksteren of Driekoningen. Dit geschiedde in schoone doopkapellen door een driemalige onderdompeling. In tijd van nood , bij ziekte of bij afwezigheid van den bisschop doopten de priesters of diakens. Nieuwe zinrijke ceremoniën werden aan de toediening van het doopsel toegevoegd zooals de aanblazing , het aanraken der ooren met speeksel, de zalving , het bidden der geloofsbelijdenis , het overreiken van een wit kleed en een brandende kaars. Er was een afzonderlijke wijding van het doopwater. De doopeling ontving een nieuwen , christelijken naam. Het was geoorloofd, niet verplicht, den priester bij die gelegenheid iets voor zijn tijdelijk onderhoud te geven.
Vroeger volgde de toediening van het Vormsel op het
113
doopsel. Thans worden deze meer en meer van elkander gescheiden. De Bisschop wijdde de h. zalf op quot;Witten Donderdag. Hij alleen had het recht om te vormen. Een gewoon priester kon het met volmacht van den Paus , die deze somwijlen verleende. Het Vormsel mocht men slechts eens in het leven ontvangen.
Langzamerhand verflauwde de ijver in het ontvangen der H. Sacramenten, vooral in de groote steden. Reeds het Concilie van Agde (506) schreef voor, dat alle Christenen minstens driemaal in het jaar, met Paschen, Pinksteren en Kerstmis , tot de H. Tafel zouden naderen. Het gebruik de H. Communie mede naar huis te nemen of onder beide gedaanten te nuttigen verminderde. Het was voorschrift van middernacht af nuchter te zijn , wanneer men communiceerde.
Een treffend bewijs voor den godsdienstzin van dezen tijd is de boetpleging , in de Kerk gebruikelijk. â Toon moedig aan den priester het verborgenequot; zoo vermaant de H. Grego-rius van JSyssa, â openbaar hem de geheimen uwer ziel, gelijk gij voor den geneesheer uwe wonden ontbloot. Hij zal zoowel voor uwe eer als voor uwe gezondheid zorg dragen.quot; De geheime belijdenis der zonden aan den priester was verplichtend. De openbare belijdenis had plaats, wanneer de bedreven zware zonde reeds algemeen bekend was of wanneer de priester het noodig oordeelde. Soms geschiedde zij ook uit eigen beweging of persoonlijken ijver. De kerkelijke straffen paste men in haar volle gestrengheid dikwijls vijftien tot twintig jaren lang toe. Gedurende dezen tijd was de boeteling geheel buiten de gemeenschap der Kerk gesloten en werd tot de H. Sacramenten niet toegelaten. De boetelingen der eerste klasse stonden in rouwgewaad aan de kerkdeur. Zij vroegen de geloovigen om hun voorspraak. Die der tweede g. 8
............'
114
mochten het H. Misoffer tot aan de Offerande bijwonen en het voorlezen der H. Schrift aanhooren. Zij, die tot de derde klas behoorden, ontvingen, nadat de vorigen weggezonden waren, knielend den zegen van den bisschop. In de vierde woonden de boetelingen de geheele Mis bij, maar staande, om hierdoor hun vast besluit uit te drukken, dat zij nu voor altijd aan de zonde verzaakten. Zelfs de groote Theodosius onderwierp zich gewillig aan deze boete. St. Ambrosius weigerde hem den toegang tot de kerk , omdat de keizer de inwoners van Thessalonica zeer wreed behandeld had.
Bisschoppen en gewone priesters, hetzij reguliere, hetzij seculiere, hoorden de biecht der geloovigen. De biechtvader was voor zijn biechtkind de vader, die het met liefde en medelijden ontving, de leeraar, die het in twijfel en moeilijkheden onderrichtte , de geneesheer, die de oorzaken zijner geestelijke ziekten opspoorde en de middelen ter genezing voorschreef, de rechter, die het van zijn zonden ontsloeg. De Kerk waakte, dat het biechtgeheim streng bewaard bleef.
Met veel plechtigheid dienden de priesters het H. Oliesel aan gevaarlijke zieken toe, die de jaren van verstand bereikt hadden. Voor dit doel wijdde de bisschop gewoonlijk de olie.
Het huwelijk werd onder de gebeden en den zegen der Kerk gesloten. Een tweede huwelijk werd niet geprezen. Er bestonden verschillende huwelijksbeletselen.
De vereering en aanroeping der Heiligen , bijzonder van de Martelaren, werd voortdurend in de Kerk beoefend , door de Kerkleeraars aanbevolen en tegen de opwerpingen van heidenen en ketters verdedigd. Men maakte wel degelijk onderscheid tusschen de aanbidding, die alleen aan God toekomt, en de vereering, welke men aan de Heiligen, zijn vrienden, bewees. Men prees hun deugden, stelde hen als toonbeelden
115
ter navolging voor, riep hun voorspraak in, bouwde voor hen kerken en kapellen, plaatste daar hun beelden en droeg het H. Misoffer op boven hun overblijfselen , die gewoonlijk onder het altaar bijgezet werden. Die overblijfselen droeg men ook plechtig rond en stelde ze ter vereering voor de ge-loovigen uit. Eerst moest de bisschop hun echtheid onderzoeken.
Van alle relikwieën was de kostbaarste het kruis, waaraan Christus leed en stierf. De H. Helena, moeder van keizer Constantijn, vond het te Jeruzalem terug (326). Overal verspreidde men kleine partikels van dit kleinood. De ge-loovigen droegen ze , in goud gesloten, om den hals als een middel tegen gevaren. Ook de andere lijdenswerktuigen des Heeren begon men te vereeren.
Boven alle Heiligen beminde en vereerde men Maria, de allerzuiverste Maagd en Moeder Gods. Hoe meer haar innige verhouding tot den Godmensch, haar plaats en betee-kenis in het Verlossingswerk en hare voorrechten in het licht traden, hoe meer de ketters van de vierde en de vijfde eeuw haar waardigheid trachtten te verkleinen, hoe meer de dienst van Maria toenam. Door de gansche christenheid wedijverde men om heerlijke kerken aan haar toe te wijden, hare feesten luisterrijk te vieren , hare voorbede af te smeeken , haar beelden met waslicht en bloemen te versieren. De dicht- , beeldhouw- en schilderkunst, de welsprekendheid en de godgeleerdheid verkondigden hare grootheid. Het kinderlijk gemoed van den christen voelde zich van nature tot haar getrokken.
Naast de Sacramenten bestonden in de Kerk de sacramentaliën , bepaalde wijdingen en zegeningen , opdat de ge-loovigen door de voorbede der Kerk genade van God zouden
116
ontvangen. Men zegende en wijdde brood , olie , zout, maar inzonderheid water, waarmede men zich tot afwering van duivelsche invloeden en tot bescherming tegen gevaren besproeide. Zoowel in het openbaar als ia het particuliere leven maakte men bij verschillende gelegenheden het kruisteeken. Het was een belijdenis des geloofs , een kort gebed tot God, een herinnering aan Christus' liefde en lijden, een vermaning, dat men zijn kruis met geduld moest dragen. Trouwens zinnebeeldige handelingen waren zeer gebruikelijk. Naast den christelijken broederkus bestond het kussen van den drempel of de deur der kerk, als men naar binnenging , en van het altaar en het evangelieboek door de geestelijken. Bij vele kerkelijke plechtigheden, vooral bij een plechtige godsdienstoefening, placht men te wierooken. De wassching der handen evenals die der voeten op Witten Donderdag geschiedde ten tee-ken van de reinheid des harten. Vruchten, kruiden, huizen, schepen, enz. werden gezegend. Daardoor gaf men te kennen, dat alle schepselen van Gods Voorzienigheid en barmhartigheid afhankelijk waren en door den bovennatuurlijken zegen der genade moesten geheiligd worden.
Bijzonder plechtig was de inwijding der kerken. De feestelijkheden duurden soms vele dagen en jaarlijks vierde men het feest der kerkwijding. Bij verschillende gelegenheden, zooals bij de bisschopswijding en bij zegefeesten, hadden groote processies plaats om God te danken of zijn hulp af te smeeken. Men trok dan in plechtigen optocht rond met vanen, kruisen, brandende kaarsen, beelden en relikwieën; men deed dan openbare gebeden, zong psalmen of gewijde liederen. Naar de heilige plaatsen in Palestina, naar beroemde heiligdommen der Moeder Gods, naar de graven der Apostelen Petrus en Paulus of van andere heiligen ondernam men bedevaarten.
117
deels afzonderlijk , deels in grooten getale. De Kerk drong daarbij aan op een zuivere meening , een stichtend voorbeeld en het vermijden van zonde, bijgeloof of ergernis. Een passende uitspanning was niet verboden.
Met plechtigen ernst, doch zonder somberheid , begroef men onder psalmgezang en gebeden de lichamen der geloo-vigen, die in de gemeenschap der Kerk ontslapen waren. Licht, olijf- en palmtakken werden vooruitgedragen bij de begrafenis. De lichamen der gestorvenen werden gereinigd, dikwijls gezalfd en gebalsemd, in witte kleederen op een baar gelegd en ten toon gesteld. Het begraven der dooden beschouwde men als een werk van christelijke barmhartigheid. De kerkhoven lagen in de nabijheid der kerken en werden gezegend. Aanzienlijke personen , zooals koningen en bisschoppen , vonden hun laatste rustplaats in de kerk. Eéne gedachte bezielde al deze plechtigheden en gebruiken: de hoop op het eeuwig leven. De dood was slechts een slaap , een overgang naar een beter vaderland. Bij het graf hield men lijkreden. Voor de overledenen droeg men dikwijls het H. Misoffer op , kwam men bidden op hun graf en schonk men rijke aalmoezen , opdat zij spoedig het eeuwig geluk des Hemels zouden genieten. Aan hem , die buiten de gemeenschap der Kerk stierf, weigerde men de kerkelijke begrafenis.
Zoo ontwikkelde zich en bloeide het christelijk leven, schoon er hier en daar onkruid tusschen de tarwe opschoot. De Kerk oefende een machtigen invloed op de maatschappij uit. De Christenen legden zich op liefdadigheid en gastvrijheid toe. Er verrezen allerwegen aanzienlijke stichtingen voor armen , zieken , pelgrims en weezen. De vrijmaking der slaven , de verheffing der vrouw, de opvoeding der kinderen , de verzorging van hulpbehoevenden, weduwen en melaatschen, het loskoopen van gevangenen werden door kerkelijke voor-
118
schriften geregeld. Zoo vormden zich heilige huisgezinnen, ijverige priesters, waakzame bisschoppen, voorbeeldige pausen en heldhaftige martelaren.
XXVIII. De christelijke kunst in de eerste eeuwen.
De Katholieke Kerk heeft reeds van den beginne de kunst in haren dienst genomen als een middel om den mensch tot God terug te voeren , aan God te verbinden , tot God, zijn einddoel en hoogste goed , te brengen. De kunst is dus voor de Kerk een middel, opdat de mensch in dit leven God diene en hiernamaals in den hemel eeuwig aanschouwe. Om nu de christelijke kunst en haar wording te leeren kennen moet men de Katacomben of onderaardsche begraafplaatsen te Rome bezoeken.
Hoedanig was deze eerste christelijke kunst? De kunstenaar , die gisteren nog heiden was en heidensche voorstellingen schilderde of beeldhouwde, is heden door het doopsel christen geworden. Het is duidelijk , nu mag hij niet meer de zondige voorstellingen der heidenen in beeld brengen, want dit verbiedt hem het Katholieke geloof, dat hij aangenomen heeft. Maar waarom zou hij geen bloemen en slingers, geen tafereelen uit het herders- en landleven, geen vogels of lofwerk schilderen op de muren of graven der onderaardsche begraafplaatsen ? Deze voorstellingen zijn in zich zelve noch heidensch , noch christelijk, en de rechtzinnigste meester mag ze gebruiken. De kunst van de eerste christenen was dus de kunst van hun heidensche landslieden. Bij hen waren de christen kunstenaars gevormd. Er was slechts één verschil; nadat zjj Christenen geworden waren, stelden zij niets voor, wat door het Christendom verboden werd, maar gebruikten hun kunst
119
tot opluistering en verspreiding van den christelijken godsdienst. Maar zoowel de heidensche als de christen kunstenaar, hetzij bouwkundige, hetzjj schilder, hetzij beeldhouwer, werkten volgens dezelfde wetten der kunst. Vandaar ook, dat de christelijke kunst daalde, naar mate de heidensche kunst verviel. De kunstwerken van de eerste eeuw zijn beter dan die van de tweede; voor deze moet weder de derde eeuw onderdoen.
De Kerk maakte de kunst aan zich dienstbaar voor een hooger doel, namelijk om de H. Mis met meer luister te vieren , de H. Sacramenten met meer nut en eerbied toe te dienen, de Katholieke leer door beelden duidelijk en verstaanbaar voor te stellen aan de geloovigen. Het was de vraag niet, of iets , b. v. Christus , een heilige, een feit uit de Bijbelsche geschiedenis, een gelijkenis, volgens alle regels der kunst was geschilderd of gebeeldhouwd, maar of de geloovigen het begrepen en onthielden , of hun godsvrucht opgewekt werd, of zij aangespoord werden de christelijke deugden te beoefenen.
De hoofdeigenschap van de oude christelijke kunst is haar zinnebeeldig karakter. De hoop wordt door een anker, de zuiverheid door een lelie , de waakzaamheid door een haan , de zonde door een slang, de ziel door een duif, de Kerk door een biddende vrouw met uitgerekte armen, door een zuil of door een scheepje, Jezus Christus, de Zoon van God en Verlosser der wereld , door een visch, om een anker geslingerd, voorgesteld. De christen kunstenaar schildert Adam en Eva bij den boom der kennis van goed en kwaad, Noë in de Ark, Job op den mesthoop, Daniël in den leeuwenkuil , Jonas met den wal visch, de drie jongelingen in den vuuroven, David met den slinger, Mozes, de aanbidding der wijzen , de Samaritaansche vrouw , de opwekking van Lazarus, den goeden Herder, de genezing van den lamme, de ver-
120
menigvuldiging der brooden. Dit alles zien wij op de muren, grafsteenen of zolderingen der Katacomben. Wat bedoelde de kunstenaar daarmede P Wilde hij de Bijbelsche geschiedenis in beeld voorstellen en zoo aan de geloovigen verhalen ? Neen, die feiten uit het Oude of Nieuwe Testament, geschilderd of gebeeldhouwd , waren een middel om de waarheden van het Katholiek geloof duidelijk voor te stellen aan de Christenen, opdat deze ze goed zouden begrijpen en onthouden , maar verborgen te houden voor de heidenen, opdat deze er niet mee zouden spotten. Als de eerste christenen b. v. in de Katacomben de opwekking van Lazarus , Daniël in den leeuwenkuil, Jonas, uit den walvisch gered , zagen, dan dachten zij terstond aan de toekomstige verrijzenis des vleesches, maar een heiden, die hetzelfde zag , wist dit niet.
Men moet niet denken, dat die schilderingen in de Katacomben fijn afgewerkt zijn. Dit kon eenvoudig niet. De kunstenaar moest werken in een enge , donkere ruimte onder den grond bij den onzekeren schijn van lamp of fakkel, dikwijls op ruwe kalk of tufsteen. Veel tijd of studie kon hij aan zijn werk niet besteden. De schilderingen waren dus eenvoudig, los en vluchtig uitgevoerd.
In de derde, maar vooral in de vierde eeuw was deze richting om de waarheden des geloofs zinnebeeldig voor te stellen in vollen bloei. De Katacomben van St. Callixtus en St. Agnes zijn rijk aan zulke werken. Het beeld van den goeden herder komt zeer dikwijls terug. Men ziet een jongeling , die het wedergevonden schaap op de schouders draagt. Melkvaten, herdersfluit en staf, lammetjes en geboomte dienen veelal tot stoffeering. Het beteekent Christus , den goeden Herder , die den mensch , toen hij verloren was, verlost heeft.
Na de zegepraal van het Christendom onder Constantijn den Grooten verrezen er overal prachtige kerken, die een
121
waardige opluistering vroegen. Eerst gebruikte men daartoe muurschilderingen, maar spoedig ook mozaïeken, niet alleen tot versiering der vloeren, doch ook van muren en gewelven. Het merkwaardigste en uitgebreidste werk van dit tijdvak zijn de schitterende mozaïeken in de Sophiakerk te Constan-tinopel. Ook verscheidene kerken te Rome en te Ravenna waren beroemd om haar fraai mozaïekwerk.
Bij de ontwikkeling der kunst in de eerste eeuwen was er gevaar, dat sommige Christenen weder tot afgoderij zouden vervallen. Daarom ging men slechts vreesachtig en aarzelend te werk en werd vooral de beeldhouwkunst weinig beoefend. Zeer zelden werden er afzonderlijke standbeelden gemaakt. Een stuk uit de vijfde eeuw , het groote, zittende beeld van St. Petrus in brons, is nog bewaard gebleven. Naar een heidensch gebruik versierde men de sarcophagen of steenen doodkisten met reliëfs. Tooneelen uit het Oude Testament of de wonderen van Christus zijn het onderwerp van dit ver-heven beeldwerk. Een van de beste en zuiverste stukken is de sarcophaag van Junius Bassus en de porfieren sarcophaag van Constantia, dochter van Constantijn.
Lampen , glazen , urnen , voorwerpen voor verschillende doeleinden , werden dikwijls met christelijke zinnebeelden in beeldwerk overladen. Een kruisbeeld vindt men in de eerste tijden niet, schoon het kruisteeken algemeen in eere en in gebruik was.
In het begin verzamelden zich de Christenen in particuliere huizen om er de godsdienstoefeningen te houden. Later bouwde men ruime bedehuizen , die in de derde eeuw reeds kerken heetten. Bij den bouw van zulk een Godshuis nam men den tempel te Jeruzalem en de schildering uit het boek der Openbaringen tot richtsnoer. Het huis des Heeren moest langwerpig, naar het Oosten gekeerd en in drie afdeelingen
122
verdeeld zijn : het voorhof, het schip en het heiligdom (het priesterkoor). Daar bevonden zich op een verhevenheid het altaar, de troon van den bisschop en de zetels der priesters. Mannen en vrouwen hadden in het schip afzonderlijke plaatsen ; de katechumenen en de boetelingen waren gescheiden van de overige geloovigen. Op een verheven gestoelte tus-schen de geestelijken in het priesterkoor en de leeken in het schip werd de H. Schrift voorgelezen. Zulke kerken waren er in de derde eeuw reeds vele. Te Edessa stond reeds in 202 een prachtig Godshuis. In de dagen van Diocletianus telde Rome alleen 40 kerken of basilieken.
Ten tijde der vervolgingen vierden de Christenen de heilige geheimen op afgelegen plaatsen, in bosschen en holen, vooral in de onderaardsche begraafplaatsen te Rome, te Napels, te Alexandrië en in andere steden. Het waren onderaardsche gangen en vertrekken voor het begraven der dooden. Deze enge, lage, kronkelende gangen zijn in den zwarten, poreuzen tufsteen uitgegraven. , Rechts en links ziet men in de zijwanden langwerpige, smalle openingen als de laden van een kast, dikwijls vele boven elkander. In deze gaten werden de lijken geschoven en de opening met een plaat gesloten. Moesten er voorname personen, bisschoppen of martelaren begraven worden, dan holde men een grootere grafkamer uit, bouwde boven het gebeente van den martelaar een altaar en versierde wand en gewelf met eenvoudige schilderingen. Men vindt ook ruimere en hoogere kamers, overwelfd en met nissen voorzien, wier wanden en zolderingen beschilderd zijn. Deze dienden klaarblijkelijk tot kapellen.
In de vierde eeuw begon men waardiger kerken boven den grond te bouwen. In hoofdzaak volgde men den bouwtrant van de Romeinsche basilieken, gebouwen, die voor markt en rechtszittingen dienden.
123
Wat grootschheid van aanleg, pracht van uitvoering en ouderdom betreft, waren de voornaamste basilieken de St. Pau-luskerk, de St. Pieterskerk en de St. Maria Maggiore te Rome.
Behalve de basilieken bouwde men reeds vroegtijdig ronde of veelhoekige kapellen voor bijzondere doeleinden, inzonderheid doop- en grafkapellen.
Men vond bovendien prachtige kerken en basilieken te Ravenna, in Egypte, Nubië en Algerië, te Bethlehem en te Jeruzalem. Het beroemdst is de Sophiakerk te Constanti-nopel, in de zesde eeuw ter eere van de Goddelijke Wijsheid gebouwd.
De Romeinsche wereldheerschappij ging onder en boven haar graf verhief zich zegevierend het Christendom. Eerst nu kon de muziek, in den dienst der Kerk, zich in haar gansche macht ontwikkelen. Wel had de Apostel Paulus den Christenen reeds gezegd : Leert en vermaant elkander met psalmen en lofliederen en geestelijke gezangen en zingt voor God met dankbaarheid in uwe harten (Coloss. III). Maar dit was slechts een eenvoudig gezang, waarmede de eerste Christenen hun godsdienstige plechtigheden, naar het voorbeeld der Joden, begeleidden.
Den grondslag voor een geregelden kerkzang legde Sint Ambrosius. Deze heilige Bisschop van Milaan dichtte vele lofliederen , die de priesters nog heden in het breviergebed gebruiken. Ook maakte of verbeterde hij vele zangwijzen. De Ambrosiaansche zang is nog in het aartsbisdom van Milaan in gebruik; elders werd de Gregoriaansche zang , door paus Gregorius den Grooten omstreeks 600 ingevoerd, algemeen heerschend.
124
DERDE TIJDVAK.
Van Karei den Grooton tot aan de Hervorming. 800 â 1500.
XXIX. Karei de Groote en de Karolingers.
Sedert de regeering van Chlodwig verkregen de Franken geleidelijk de heerschappij over de Germaansche volksstammen. Doch niet de koningen uit het geslacht der Merovingers zeiven bezochten deze zegepralen, maar hun hoogste rijksbeambten. Een van hen, Pepijn van Herstal, onderwierp de Friezen en bemachtigde het land tot aan den noordelijken arm van den Rijn. Karei Martel, de dappere stamvader der Karolingers , overwon in den herfst van 732 bij Tours de Arabieren, die Gallië na de verovering van Spanje overstroomden, en stuitte door dien beslissenden slag hun verder doordringen. Weldra waren zij naar het midden en het zuiden van Spanje teruggedreven. Pepijn de Korte zette zich zei ven in 752 met toestemming van Paus Zacharias de Frankische kroon op het hoofd. De H. Bonifacius zalfde hem volgens het gebruik der Kerk tot koning. Paus Stephanus II herhaalde op den 28 Juli 754 deze zalving en benoemde hem tot beschermheer der Kerk. Pepijn verdedigde bereidwillig den Paus tegen de Longobar-den, die naar een onbeperkt gezag over Rome streefden. Rome en omstreken schonk hij , evenals de steden, aan de Longobarden ontnomen, als een vrij eigendom aan den Paus. Wel verschenen er gezanten van deu Griekschen keizer bij Pepijn om de' veroverde gewesten voor hun heer in bezit te
125
nemen. Maar de koning der Franken antwoordde hun : âIk zal alles aan den H. Petrus en de Romeinsche kerk overgeven ; want niet voor den keizer, maar vcor den pauselijken stoel heb ik gestreden.quot; Deze schenking van Pepijn was het begin van den Kerkelijken staat. Men kan de wonderbare leiding der Voorzienigheid bij dit feit niet ontkennen. De stedehouder van Jezus Christus op aarde moest onafhankelijk zijn van koningen en vorsten ; daarom werd hij zelf tijdelijk vorst.
Pepijn stierf in 768. Zijn zoon Karei de Groote bestuurde eerst met zijn broeder, na diens dood in 771, alleen het Frankische rijk. Vóór alles dacht hij aan de onderwerping van de heidensche Saksers, die voor zijn staten zeer gevaarlijk waren. Die onderwerping was niet mogelijk zonder hun bekeering tot het Christendom. Maar die bekeering was niet gemakkelijk, omdat de woeste Saksers den christelijken godsdienst vinnig haatten.
Meer dan dertig jaren (772 â 804) streden de Saksers voor hun vrijheid en hun godsdienst. De Frankische priesters , die het leger van Karei vergezelden , begonnen spoedig onder de bescherming der wapenen de leer van Christus te prediken. Maar nauwelijks was Karei naar Italië getogen om de Longobarden te beoorlogen , of de woeste Saksers vernietigden alle christelijke stichtingen. Op den rijksdag van Paderborn in 777 beloofden zij opnieuw gehoorzaamheid en trouw aan Karei en aan de wetten der Kerk. Doch deze belofte was niet oprecht gemeend. Onder hun machtigen vorst quot;Wittekind stonden zij spoedig weer op. In 785 onderwierp zich Wittekind eindelijk en ontving het H. Doopsel. Toch zetten de Saksers onder andere aanvoerders hunnen vrijheidsoorlog voort en bedreven menige gruweldaad, vooral tegen de christen priesters. Maar ook de Franken namen vreeselijk wraak, hoewel Alcuinus, de geleerde, edele vriend van Karei
126
den Grooten dikwijls den welgemeenden raad herhaaldeDe bekeering moet meer uit overtuiging dan uit vrees voor de wapenen geschieden.quot; De keizer liet niets onbeproefd om een oprechte bekeering des harten te bewerken. Hij richtte bisdommen op te Osnabrück , Munster , Paderborn , Minden , Verden en Halberstadt. En de herders, zoowel bisschoppen als priesters, kweekten met teedere zorg het ontkiemende christendom aan. God zegende het werk. Overal schoot het Evangelie diepe wortelen en verhief zich tot een breedgetak-ten boom, gelijk de eeuwenoude eiken der Germaansche wouden , bestand tegen het geweld der stormen.
Paus Leo III, door de oproerige Romeinen mishandeld, kwam zelf in 799 naar Paderborn , waar Karei juist zijn hof hield, en vroeg hem als beschermheer der Kerk om zjjne hulp. Karei trok in het volgende jaar naar de Eeuwige Stad. Hef was zijn vijfde tocht naar Italië. Op het Kerstfeest woonden hij en zijn zoon de plechtige godsdienstoefening bij, door den Paus in de kerk van St. Petrus gehouden. Nog knielde Karei voor het altaar der Apostelvorsten, toen de Paus op hem toetrad en hem een kostbare kroon op het hoofd zette. Onder het gejubel van het volk sprak Leo met luider stem : âAan Karei, den vromen, door God gekroonden Augustus , den grooten , vredelievenden vorst, heil en victorie P Dit werd driemaal herhaald. Daarna zalfde de Paus Karei tot keizer. Deze was beschermheer der Kerk en moest haar uitbreiden en verdedigen. Hij had bovendien den voorrang boven alle christen vorsten.
Veertien jaren later stierf Karei te Aken op den 28 Januari 814. Reeds had hy zijn zoon Lodewijk tot zijn opvolger benoemd en hem tevens ernstig vermaand : â Bemin God boven alles, vrees Hem en onderhoud zijne geboden ; bescherm de Kerk, eer de Bisschoppen en straf de kwaden om ze op
127
den goeden weg terug te brengen.quot; Lodewijk antwoordde; â Ik zal het doen met Gods hulp en genade.quot;
Lodewijk de Vrome (815â840) had ook den oprechten wil naar vermogen te arbeiden voor het heil der Kerk en van zjjn uitgestrekt rijk. Maar zijn goedig en zwak karakter was voor zulk een reuzenwerk niet berekend. De verdeeling van het rjjk onder zijn drie zonen gaf aanleiding tot bloedige broeder veeten en openlijk verzet tegen den vader. Na den dood van Lodewijk werd het onmetelijk gebied van Karei den Grooten spoedig verbrokkeld door de twisten van ijverzuchtige vorsten van binnen en door de invallen van Noormannen, Slaven en Saracenen van buiten. Daardoor leed de Kerk veel schade. De godshuizen werden omvergehaald en uitgeplunderd, tucht en orde miskend, geloof en goede zeden veracht. God echter vergat zijne Bruid ook thans niet. Hij schonk haar den heiligen Paus Nicolaas I (858â867) tot steun. Een wreker en beschermer der onschuld wenschte hij vurig den akker des Heeren van het onkruid te zuiveren. Zijn moed deinsde voor geen gevaar, voor geen bedreiging terug. Hij stond vast als een rots in de bruisende baren. Sedert Gre-gorius den Grooten had Rome zulk een Paus niet aanschouwd.
--â- tm -----
XXX. Scheuringen en ergernissen in de Kerk.
De groote dwalingen over den Persoon van Jezus Christus en over den H. Geest waren na langen strijd overwonnen. Het woord was bewaarheid: Gij zijt Petrus, en op deze steenrots zal Ik mijne Kerk bouwen en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen. Maar de vorst der. duisternis verwekte nieuwe ergernissen, waarin duizenden werden mede-gesleept. De Grieksche keizers waren nog altijd geneigd zich
128
met kerkelijke aangelegenheden te bemoeien en zich het hoogste gezag aan te matigen, ook bij het beslechten van inwendige twisten. De patriarchen van Constantinopel, al te inschikkelijk , duldden de geweldenarijen en het wangedrag der keizers. Meer dan ergerlijk was de ongebondenheid aan het hof, vooral toen de verloopen Bardas, bijgenaamd de dronkaard, het bewind voerde. De H. Ignatius, uit keizerlijk geslacht gesproten , was toen patriarch van Constantinopel. De zedelooze Bardas sloeg al zijn vermaningen in den wind. Nu deed Ignatius hem in den ban en weigerde hem de H. Communie. De toorn van Bardas kende geen grenzen. Ignatius werd van zijn waardigheid ontzet en verbannen en in zijn plaats Photius, een leek, tot patriarch benoemd (857). Paus Nicolaas I nam den vervolgden Ignatius onder zijne bescherming en sprak over den indringer Photius de kerkelijke straffen uit. Deze trachtte de Kerk van Rome door tal van dwaze verzinsels zwart te maken. Zij was volgens hem van de zuivere leer der Apostelen afgeweken en had dwalingen over den H. Geest verspreid. De tweedracht, welke de eerzuchtige Photius op deze wijze zaaide, werd wel is waar op de achtste algemeene kerkvergadering te Constantinopel in 869 genoegzaam weggenomen ; maar de band van liefde en eenheid tusschen de Oos-tersche Kerk en Rome was los geworden. Zoo gelukte het later aan Michaël Cerularius, een patriarch, overmoediger en driester dan een zijner voorgangers, in 1054 de Grieksche Kerk geheel van den Apostolischen Stoel en van de Katholieke eenheid los te scheuren. Sedert is deze verderfelijke scheuring nog niet hersteld. De Grieksche Kerk wil zich niet aan de gehoorzaamheid van den Paus onderwerpen , mist de bescherming van Rome en is tot een treurige, onwaardige afhankelijkheid van wereldlijke vorsten vervallen.
De Kerk had ook in het Westen stormen te verduren.
129
In vele kloosters bloeide nog echte deugd en wetenschap. De Geest Gods verwekte nog steeds heiligen, die zich met volkomen verloochening van zich zeiven wijdden hetzij aan het apostolische, hetzij aan het beschouwende leven. Maar juist de priesterschap was tegen het midden der negende eeuw voor een gedeelte aan haar verheven roeping ontrouw geworden. De hoogere geestelijken, bisschoppen en abten, waren als tijdelijke heeren zoozeer in den dienst der vorsten betrokken , dat de zorg voor het zielenheil meer dan eens verwaarloosd werd. Dikwijls moesten zij met het zwaard in de hand deel nemen aan de krijgstochten hunner gebieders. In zulke omstandigheden konden zij zich weinig om de lagere geestelijkheid bekommeren. Zelfs te Rome waren velerlei ergernissen. Paus Hadrianus II (867 â 872), de opvolger van den grooten Nicolaas I, had als een heilige grijsaard van 75 jaren den pauselijken troon beklommen en trouw zijn herderlijk ambt bekleed. De eerste opvolgers van Hadriaan werden echter in de veeten verwikkeld, welke na het uitsterven der Karolingsche Vorsten in Italië (888) onder de Italiaansche hertogen en graven ontbrandden. Italië geleek op een schip zonder stuurman in den woesten storm. De Pausen waren achtereenvolgens verschillende partijen toegedaan. Sedert 904 werd de vrijheid der Pauskeuze eenige jaren door baatzuchtige, bedorven lieden zooveel mogelijk belemmerd. Dit berokkende een onberekenbaar nadeel aan het heil der zielen. Zoo was het mogelijk , dat zwakke en zelfs onwaardige mannen de driekroon droegen. Wel hebben de vijanden der Kerk aangaande de Pausen Sergius III (904 â 911), Johannes X (915 â 928) en Johannes XII (956 â 964) veel overdreven en verdicht. Men kan echter niet ontkennen , dat er in de eerste helft der tiende eeuw misbruiken g. 9
130
in de Kerk ingeslopen waren. Dit zijn de ergste beproevingen, die de Bruid van Christus overkomen kunnen. Zij blijft evenwel rein en vlekkeloos. Juist in de beproeving straalt haar goddelijkheid in het helderste licht. De strijdende Kerk op aarde is geen vereeniging van heiligen, maar een leerschool om hen heilig te maken , die het nog niet zijn. Er zijn altijd zondaars in de Kerk geweest, gelijk kaf onder het koren en onkruid tusschen de tarwe. Doch de misbruiken sproten uit de zwakheid en bedorvenheid des men-schen, niet uit het wezen der Kerk voort. Deze had de zending en de middelen om het kwaad uit te roeien en zondige menschen in heiligen te hervormen.
Hoe verheven de waardigheid der Pausen is, hoe ernstig ]iun plichten zijn , zij blijven mensch met menschelijke zwakheden en driften. Christus schonk hun wel de gaaf van onfeilbaarheid in de leer, doch niet de gaaf van onzondigheid in de daad. Maar hun zonden , die geheel en al persoonlijk zijn, bevlekken geenszins de heiligheid van het Opperpriesterschap. Hoe weinigen zijn er onder de 259 Pausen, wier wandel berispelijk was! Is er een vorstelijk geslacht zoo koninklijk en eerbiedwaardig als het hunne ? Hebben zij niet uitgeblonken door deugd, beleid en wetenschap ? Men mag toch alle Pausen niet aansprakelijk stellen voor de afdwalingen van enkele. Hoe veel is er uit vooroordeel, kwaadwilligheid en schuldige onwetendheid op hun rekening geschreven, wat verdicht of verwrongen was! En al hebben sommige Opperpriesters als mensch in hun particulier leven misdaan, als Opperherder en Leeraar hebben zij steeds de zuiverheid van geloof en zeden gehandhaafd.
131
XXXI. De uitbreiding van het Christendom in Europa.
Het geheele Zuiden en, sedert de bekeering der Saksers, ook het Westen van Europa beleed den christelijken godsdienst. Maar het Noorden en het onmetelijke gebied ten Oosten van de Elbe lag nog in de duisternis van het heidendom. Het kostte veel zweet en bloed, vóór ook hier het zaad des Evangelies opkwam en vruchten droeg.
Voor het Noorden was de H. Ansgarius, wat quot;VVilli-brordus en Bonifacius voor Nederland en Duitsehland geweest waren. Van kindsbeen af aan een innige godsvrucht gewend, besloot hij zich in de Benedictijnerorde aan God toe te wijden. (820). Voor het klooster te Corvey in het Saksenland was hij een voorbeeld van regeltucht en plichtsbetrachting. Daar vernam hij de stem des hemels om apostel van het Noorden te worden. Koning Harald van Denemarken ontving te Mainz het H. Doopsel en vroeg missionarissen om zijn volk te be-keeren. (826). Ansgarius was de aangewezen persoon. De jeugdige monnik verklaarde zich terstond bereid den koning der Denen te volgen. Hij dacht misschien aan een vroeger droomgezicht. Toen zag hij zich zeiven in de vlammen des vagevuurs neergeworpen. De Apostelen Petrus en Johannes voerden hem uit dat reinigingsoord voor Gods troon. En er klonk een stem : â Keer nu terug naar de aarde ; maar kom eenmaal weder om met de kroon der martelaren gesierd te worden.quot; Tot het jaar 865 vervulde Ansgarius onvermoeid het apostelambt. Door den Paus tot aartsbisschop van Hamburg en tot pauselijk legaat voor Denemarken , Zweden en Noorwegen benoemd, bekeerde hij de vijandig gezinde Denen en de nog woestere Noormannen tot het Katholieke geloof. Zijn vurig verlangen als martelaar te sterven werd wel niet vervuld; doch dagelijks stierf hij den geestelijken marteldood
132
voor Christus door zijn offers , ontberingen en verstervingen. Op den 3 Februari 865 ontsliep hij zacht met de woorden : â Heer, gedenk mijner volgens uwe groote barmhartigheid en om wille van uwe groote goedertierenheid. God, wees mij , zondaar s genadig. Heer, in uwe handen beveel ik mijnen geest.quot;
In de opvolgers van Ansgarius leefde dezelfde gloeiende ijver voor Christus en het zielenheil. Daarentegen waren de koningen van Denemarken, na den dood van Harald, evenals velen uit het volk , het Christendom vijandig. Herhaaldelijk onstonden er oproeren en vervolgingen, werden de heiligdommen verwoest en de belijders van Christus gedood. Eerst tegen het einde der elfde eeuw was Denemarken geheel christen geworden.
In Zweden maakte het bekeeringswerk sneller vorderingen en ondervond geen verzet. Olaf opent de rij der christen koningen (1008). In Noorwegen was het licht des Evangelies ten gevolge der avontuurlijke tochten van zeevaarders en door christen gevangenen reeds vroeger doorgedrongen. Maar toen koning Hakon de Goede (934 â 961) openlijk eischte, dat men het Christendom zoude omhelzen, dwong hem het Noorweegsche volk aan de heidensche offers deel te nemen. Twee latere koningen gebruikten 'zelfs geweld om Noorwegen te bekeeren. Voor goed gelukte dit eerst onder koning Magnus den Goeden. Sedert het jaar 1000 werd het Christendom ook op de eenzame eilanden IJsland en Groenland van Noorwegen uit ingevoerd.
Bij de Slavische volksstammen ontmoetten de missionarissen grootere moeilijkheden dan in het Noorden. Zij bewoonden bet land , gelegen tusschen de Adriatische zee en de Oostzee, tusschen de Saaie en het TJralgebergte. Zij hadden een duister begrip van een hooger wezen, maar vereerden de natuur-
133
krachten als goede en kwade goden. De priesters bezaten een overwegenden invloed zoowel op het openbaar als op het huiselijk leven. Om de vertoornde goden te verzoenen droeg men zelfs menschenoffers op.
In Moravië vroeg de grootvorst Ratislaw, nadat hij het juk der Franken had afgeschud, missionarissen aan den Griekschen keizer. De beide broeders Cyrillus en Methodius werden de offervaardige apostelen van Bohemen en Moravië. Bij de godsdienstoefeningen bedienden zij zich van de Slavische taal en baanden zich daardoor den weg tot het hart der heidenen.
In het Noorden van Duitschland aan de Elbe en de Oder onderwierp keizer Hendrik I (916â936) de quot;Wenden en stichtte voor hen de bisdommen Havelberg, Brandenburg, Merseburg en Zeitz. Deze bisdommen werden ondergeschikt aan het aartsdiocees Maagdeburg, in 968 opgericht. De trotsche verachting, waarmede de Duitsche graven op de Wenden neerzagen en het harde juk, dat loodzwaar op hun schouders drukte, maakte hun het Christendom gehaat. Bij herhaling sloegen zij over tot oproer. Twee eeuwen later was bijna ieder spoor van den christelijken godsdienst bij hen verdwenen.
Polen is Katholiek geworden , sedert zijn hertog in 965 keizer Otto I als leenheer erkende. Het volk zelf, dat met hart en ziel aan den hertog hing, verbrijzelde op zijn verzoek de afgodsbeelden en wierp ze in de rivier. De H. Bisschop Adalbertus, (die ten jare 997 door de heidensche Pruisen vermoord werd), plantte het Christendom diep in hunne harten.
In Hongarije voltooide de dappere, rechtvaardige koning Stephanus de Heilige (997â1038) de bekeering van zijn volk.
De grootvorst Wladimir maakte een einde aan het heidendom in Rusland. Toen de beelden der oude goden in den Dnieper geworpen werden , weende het volk bitter, maar liet
134
zich toch gewillig onderwijzen en later doopen. Op vlotten staande dienden de priesters aan duizenden het H. Sacrament der wedergeboorte toe. Wladimir lag neergeknield op den oever, dankte God en smeekte Hem vurig, dat Hij zijne nieuwe kinderen zegenen en in het ware geloof bevestigen zou.
XXXil. De Katholieke Kerk in Nederland van de achtste tot de twaalfde eeuw.
Het Utrechtsche bisdom, door den H. Willibrordus gesticht , nam gestadig in aanzien en macht toe. De Heilige had rijke goederen aan hetzelve nagelaten ; andere kwamen er bij door verschillende omstandigheden ; zoo groeide ook de tjjdelijke macht der bisschoppen van lieverlede aan. Hun rechtsgebied strekte zich uit van de monden des Rijns tot aan Groningen. Onder duizend gevaren gingen de missionarissen van Utrecht uit om in de omliggende provincies het geloof en de beschaving te verspreiden. Telkens werd hun werk door de heidenen vernield, telkens werd het met nieuwen moed door hen opgebouwd. Kerken, kloosters, abdijen, dorpen en steden verrezen. De kapittelscholen van Utrecht waren beroemd. In de negende en de tiende eeuw had het bisdom Utrecht veel te lijden van de invallen en de strooptochten der Noormannen. Het land werd verwoest, de bevolking vermoord of op de vlucht gejaagd.
Een reeks van vrome en geleerde mannen versierden in dit tijdvak den bisschopszetel van Utrecht. Wij noemen: Radboud (901 â 918), Balderik (918 â 977), Ansfried (977 â 1008), Adelbold (1008 â 1027), Bernulf (1027 â 1054), Willem (1054 â 1076), Koenraad (1076 â 1099),
135
Burkhard (f 1112), Gondebald (f 1128), Andreas van Kuik (f 1138), Herbert (f 1150). Onder het episcopaat van dezen laatste kwam de bisschopskeuze aan het Domkapittel.
In de Nederlandsche gewesten waren behalve het bisdom van Utrecht nog drie andere : Doornik , Kamerijk en Luik. De bisschoppen van Luik en Utrecht stonden onder den aartsbisschop van Keulen, die van Doornik en Kamerijk onder den aartsbisschop van Rheims. Het bisdom van Doornik strekte zich uit over het grootste gedeelte van Vlaanderen , dat van Kamerijk over bijna geheel Henegouwen en Brabant, dat van Luik over Luxemburg, Brabant, Namen , Belgisch en Nederlandsch Limburg; dat van Utrecht over alle Nederlandsche gewesten boven de Maas.
De bisschop was het hoofd van de geestelijkheid in zijn diocees. Hij gaf hun wijding en kerkelijke jurisdictie, wees hun hun standplaats aan en kon hen in hun bediening schorsen. Hij kon zijn onderhoorigen in den ban doen en het interdict leggen op plaatsen of personen , aan zijn rechtsgebied onderworpen.
Naast de wereldlijke geestelijkheid stond een niet minder talrijke reguliere geestelijkheid. Deze kan men in kanunniken en kloosterlingen verdeelen.
De kanunniken waren priesters, aan een kerk verbonden , die gemeenschappelijk leefden en hun godsdienstoefeningen hielden volgens den regel, hun in 760 door Chrodegang, aartsbisschop van Metz, voorgeschreven. Zij bestonden van de inkomsten der goederen, voor hun onderhoud door vorsten of vrome lieden aan hun kerk geschonken. Zulk een ver-eeniging van kanunniken vond men te Utrecht, Antwerpen , Leuven en in vele andere steden.
De meeste kloosters uit dit tijdvak in Nederland behoorden tot de orde der Benedictijnen. Zij stonden aan veel ge-
136
weldenanjen van den kant der edelen bloot. De rijke goederen van kerken en kloosters, die ook in het onderhoud van priesters, scholen , armen, liefdadige instellingen en pelgrims voorzagen, wekten de hebzucht van vele machtige leenmannen op. Om zich tegen hun knevelarijen en rooftochten te vrijwaren, stelden de kloosters en kerken zich onder de bescherming van een machtig heer, die daarvoor bepaalde inkomsten genoot of goederen ter leen ontving.
De abdijen en kloosters namen toe in macht, invloed en getal. Rolduc in Limburg , Afflighem en Tongerloo in Brabant , Folwerd in Friesland , Rijnsburg en Egmond in Holland waren wijd en zijd beroemd. Onnoemelijk groot zijn de weldaden , zoowel geestelijke als stoffelijke, door hen aan Nederland bewezen. Meer dan een derde van den grond hebben zij ontgonnen. De ledige uren , welke de monniken niet aan de opvoeding der jeugd , het ontginnen van heidegronden , het droogmaken van moerassen, het bouwen van kerken konden besteden, gebruikten zij om de werken van heidensche of christelijke schrijvers over te schrijven en te vermenigvuldigen. Een abdij was niet alleen een plaats van rustig gebed en overweging, maar een toevluchtsoord voor alle hulpbehoevenden en een bron van geestelijke en tijdelijke welvaart.
137
XXXIII. De strijd tegen de Duitsche keizers.
Karei de Groote wilde als keizer niet over de Kerk heerschen, doch haar alleen besehermen, zoo dikwijls zij bescherming noodig had. Daarentegen erkende de Paus den Roomschen keizer als den oppersten wereldlijken vorst.
Nadat de Karolingers in Italië uitgestorven waren, zuchtte de Romeinsche Kerk onder den druk van adellijke partyen. Het was de treurige tijd, waarin enkele onwaardige pausen den H. Stoel bestegen.
Otto I (936â973) toog naar Italië om er de verwarde toestanden te regelen. Op den laatsten Januari 962 kwam hlJ te Rome. Hij gaf aan de Kerk de geroofde bezittingen terug en beloofde haar de bescherming van hem en van zijne opvolgers. Tot loon ontving hij op Maria-Lichtmis met schitterende plechtigheden en onder het gejubel van het volk de keizerskroon. Sedert Karei den Grooten heeft niemand ze met zulk een waardigheid en zulken luister gedragen, heeft niemand zooveel gewerkt voor de bekeering der heidenen, voor het herstel van orde en tucht, voor den bloei der Kerk, als Otto de Groote.
Zijn beide opvolgers Otto II (973-â983) en Otto III (983â1002) volgden trouw zijn voorbeeld na. Er heerschte de beste en innigste verstandhouding tusschen de kerkeljjke en de wereldlijke macht. Otto III eerde Paus Silvester II, zijnen vroegeren leermeester, als zijn vader; Silvester beminde den jeugdigen keizer als zijn zoon en lichtte hem voor met zijn vaderlijke raadgevingen. Dezelfde boezemvriendschap bestond tusschen Hendrik II, den Heiligen (1002â1034) en Paus Benedictus VIII (1012â1024).
Dan echter naderden weder tijden vol rampspoed. Benedictus IX was tot Opperpriester verheven. Onder de op-
138
volgers van Hendrik den Heiligen , de keizers uit het Frankische en het Salische huis, namen de gunstige toestanden in het Duitsche rijk een keer.
De bisschoppen hadden er reeds vele en rijke goederen verworven en waren zoo wereldlijke heeren, zelfs rijksvorsten geworden. De keizer bleef hun opperste leenheer. De geestelijke vorsten moesten dus ook door hem beleend worden en hem den eed van trouw zweren. De beleening of investituur geschiedde voor de bisschoppen en abten met ring en staf, de teekenen der geestelijke waardigheid, voor de wereldlijke vorsten met het zwaard. De Saksische koningen hadden meestal gezorgd, waardige mannen tot bisschoppen en herders voor het volk te benoemen. Koenraad II (1024 â 1039) echter liet zich reeds door andere beweegredenen leiden. Hij verleende de geestelijke ambten voor sommen gelds , die hij zich liet betalen. Zoo opende hij alle deuren voor de simonie. Onder Hendrik IV (1056 â 1106) was het kwaad ten top gestegen. Hij schonk de hoogste geestelijke waardigheden naar willekeur weg, dikwijls aan geheel onwaardige en wereldschgezinde mannen. Dezen sloegen er munt uit, daar zij de wijdingen voor geld toedienden, maar om de waardigheid van den persoon zich niet bekreunden. De wereld lag in de drievoudige begeerlijkheid verzonken. Zoo was het in Duitschland , in Nederland . in Frankrijk , in Italië.
God zond in dezen uitersten nood den geneesheer, die aan de Kerk het leven en den luister zoude terugschenken. Het was de monnik Hildebrand, die zich als paus Gregorius VII noemde. In het klooster te Clugny, hetwelk sedert 910 vele voorbeeldige religieusen gevormd had , legde hij zich toe op de studie en de versterving. Hij kende de alom heerschende zedeloosheid en treurde over de vernedering van Christus' Bruid. Den 2 Februari 1049 besteeg Bisschop Bruno van
139
Toul onder den naam van Leo IX den pauselijken troon. Onverschrokken bond hij den strijd aan tegen de misbruiken, die de Kerk teisterden. Zijn heilige wandel was een schitterend voorbeeld voor bisschoppen en priesters. Hildebrand, dien hij naar Rome had medegenomen , stond hem als wijze raadgever ter zijde, terwijl de H. Petrus Damianus als een andere Elias met gloeiende welsprekendheid de kwaadwilligen tuchtigde en tot boelvaardigheid vermaande. Ook onder de volgende Pausen was Hildebrand de ziel van alle maatregelen tot verbetering der zeden. Op zijn raad bepaalde Nicolaas II (1058 â 1061), dat de Paus voortaan alleen door de Kardinalen zou gekozen worden. Dit was een allergewichtigst besluit. De Duitsche keizers en de Italiaansche edelen konden nu niet meer onwaardige lieden tot de hoogste kerkelijke waardigheid verheffen. Eindelijk , na den dood van Alexander II (1061 â 1073), werd Gregorius VII gekozen. (1073 â 1085).
Hij was zestig jaren oud. Geheel Italië , Frankrijk en Duitschland had hij bereisd. Aan de hoven der vorsten zoowel als in verschillende kloosters was hij bekend. â Reeds dikwijlsschreef hij , , heb ik tot God gebeden , dat Hij mij uit dit leven zoude wegnemen of wel door mij onze gemeenschappelijke moeder zoude helpen ; Hij heeft my echter niet van mijn drukkend lijden bevrijd ; mijn leven heeft ook niet, gelijk ik het gewenscht had, aan die moeder, aan wie Hij mij verbonden heeft, gebaat. De Oostersche Kerk is van het geloof afgevallen en wordt door ongeloovigen van buiten bestookt. Werpt men een blik op het Westen, Zuiden of Noorden, dan vindt men ternauwernood een bisschop, die zijn ambt op de rechte wijze verkregen heeft of wiens wandel met zijn heilige waardigheid strookt. Nergens ziet men vorsten, die Gods eer boven de hunne en de gerechtigheid boven
140
het voordeel stellen. En wanneer ik mij zeiven beschouw , dan zie ik mij zeiven door den last der zonden dermate neergedrukt , dat mij geen andere hoop op zaligheid overblijft dan alleen in de barmhartigheid van Christus.quot;
Vertrouwend op de genaderijke hulp van den Goddelijken Stichter der Kerk ondernam hij den reuzenarbeid om haar van de dienstbaarheid der wereldlijke vorsten en van de kluisters der zonde te bevrijden.
Hij begon met de verbetering des priesters, het zout der aarde en het licht der wereld , en hernieuwde met klem de oude wetten , die een zuiver, onbaatzuchtig, nederig leven van Christus' bedienaren vorderen. Het volk koos de zijde van den Paus ; het wilde geen gemeenschap meer hebben met de priesters, die de wetten der Kerk verachtten. Maar om het kwaad in den wortel aan te tasten, bepaalde Gregorius op een concilie te Rome : Wie een bisdom, een abdij of een ander geestelijk ambt uit de hand van een leek aanneemt, moet afgezet worden ; wereldlijke vorsten echter, die de investituur van zulke plaatsen doen, moeten uit de gemeenschap der Kerk worden uitgesloten. Dit voorschrift trof inzonderheid keizer Hendrik IV. Geen wonder, dat hij en zijn bisschoppen toornden en verzet aanteekenden. Toen Gregorius den keizer wegens zijn zedeloos gedrag streng berispte en hem naar Rome ter verantwoording riep, onderwond zich de stijfhoofdige, heerschzuchtige en losbandige vorst den Paus af te zetten. Nu sprak Gregorius den ban over den weer-barstigen keizer uit. Daarop verklaarden de Duitsche vorsten: De keizer moest binnen een jaar van den ban ontslagen zijn of zij zouden eenen anderen keizer in zijne plaats kiezen, Hendrik moest buigen. Midden in den winter ondernam hij de moeilijke reis naar Canossa, waar de Paus vertoefde. In een boetekleed smeekte hij om de vrijspreking. Hij be-
141
kwam ze, nadat hij voldoening en verbetering van zijn leven beloofd had. Zijn belofte hield hij niet. Wederom sprak Oregorius de kerkelijke straffen over hem uit. De Duitsche vorsten kozen nu in zijne plaats Rudolf van Zwaben tot koning. Hendrik versloeg hem na een langdurigen weerstand in 1080 bij Merseburg en wilde nu zjjn wraakzucht aan den Paus koelen. Kort na Paschen 1081 stond hij met een leger voor de muren van Rome. Drie jaren duurde de belegering. Gregorius leed veel ontberingen en ontving van niemand hulp. Toch nam hij geen enkele bepaling terug. Door de Noormannen bevrijd, ontkwam hij. Een jaar later op den 25 Mei 1085 stierf hij te Salerno. âIk heb de gerechtigheid bemind en het onrecht gehaat, daarom sterf ik in ballingschap.quot; Dat waren de laatste woorden van dezen edelaardigen paus. Hij had alleen Gods eer en het welzijn der Kerk gezocht.
Zijn opvolgers zetten den strijd voor de vrijheid en onafhankelijkheid der Kerk met onverzwakten moed voort. Eerst tusschen Paus Calixtus II (1119â1124) en keizer Hendrik V werd er te Worms (1122) een verdrag gesloten. Het negende algemeene Concilie in de kerk van Lateranen te Rome (1122) bekrachtigde dezen vredebond. Bisschoppen en abten moesten vrij, zonder geweld of simonie, gekozen worden; de keizer zou hen daarna met het wereldlijk bezit beleenen, niet met ring en staf.
Gregorius' ij ver bepaalde zich niet bij Duitschland alleen. Met den keizer te Constantinopel onderhandelde hij over de hereeniging der Grieksche Kerk met den Heiligen Stoel. In Spanje moedigde hij de Christenen aan tot den strijd tegen de Arabieren. Het scheen, dat God zijnen dienaar Gregorius hier zichtbaar verheerlijken wilde. Op zijn sterfdag trok Alfonsus IV van Castilië in de veroverde hoofdstad Toledo. Aan de zorgvolle liefde en waakzaamheid van den trouwen
142
Opperherder ontging geen land der christenheid. De vorsten van Rusland, Noorwegen, Zweden en Denemarken ontvingen van hem vaderlijke vermaningen , hoe zij hun volk regeeren en welke houding zij tegenover de Kerk aannemen moesten. Philippus I, koning van Frankrijk, bedreigde hij, omdat deze geestelijke ambten verkocht had, met den ban. De koning moest beloven, dat hij zijne zeden verbeteren zou. Alle vorsten der christenheid ondervonden den invloed van Gregorius ; naar alle landen zond hij zijne legaten. Het schijnt ons ongeloofelijk toe, in hoevele aangelegenheden hij beslist
heeft.
Ook in de Nederlanden gevoelde men de rampzalige gevolgen van den strijd tusschen paus en keizer. Sommigen trokken partij voor den eersten , anderen voor den tweeden , naar gelang het met hun inzichten of hun eigenbelang strookte. De Hollandsche graven waren tegen Hendrik IV. Godebald, bisschop van Utrecht, een man van beproefde deugd , stond trouw aan de zijde van den Opperherder der Kerk en onder-teekende het verdrag van Worms. Onder zijn bestuur nam de echte kerkelijke geest in het bisdom van Utrecht aanmerkelijk toe.
143
XXXIV. Het kloosterwezen in de tiende en de elfde eeuw.
Inzonderheid door de kloosterorden heeft de Katholieke Kerk in de Middeleeuwen op de godsdienstige, zedelijke en maatschappelijke verbetering der wereld een machtigen invloed uitgeoefend. Bijna alles , wat er groots in dit tijdvak gewerkt en geschitterd heeft, is binnen de stille kloostermuren en de schaduw van 's Heeren altaren gekweekt en opgegroeid. Wijsgeeren , godgeleerden , priesters , kerkvorsten , pausen , dichters , missionarissen , staatslieden , kunstenaars genoten daar hun opvoeding en vorming, vonden daar de bron, waaruit zij de levende wateren van wijsheid en kracht konden putten om aan hun roeping te beantwoorden.
Naast de bloeiende en uitgebreide orde der Benedictijnen ontstonden langzamerhand nieuwe orden, van welke sommige, wat beteekenis en invloed betreft, haar voorbeeld mettertijd zelfs overstraalden. De godsdienstige geestdrift, de eischen der tijdsomstandigheden , wijzigingen en voorschriften, bij den regel van St. Benedictus gevoegd , gaven aanleiding tot deze nieuwe stichtingen.
Bruno, uit het geslacht van Bourgondië, legde de grondslagen voor de orde der Cluniacensers (910), de abt Odo, zijn opvolger, voltooide haar. In het midden der twaalfde eeuw bezat zij bij de 2000 kloosters. Men leefde den regel van Benedictus in zijn oorspronkelijke gestrengheid na en onderhield een voortdurend stilzwijgen ; het gebed verzoette den arbeid.
De H. Romualdus stichtte omstreeks 1018 in het dal Camaldoli bij Arezzo de Camaldulensers, door Paus Alexander II bevestigd, en St. Johannes Gualbertus van Florence tegen 1039 de orde van Vailombrosa. Beiden leidden een zeer streng beschouwend leven.
144
De H. Stephanus van Tigerno stelde in Frankrijk de orde van Grammont in (1073).
De H. Bruno van Keulen riep de Karthuizers in het leven in de woestenij van Carthusium bij Grenoble. Hij schreef aan zijn zonen een onafgebroken stilzwijgen, onthouding van vleesch en wijn en vele andere verstervingen voor. Toch breidden zij zich verbazend uit.
De Cistercienzers, door den Abt Robert te Citeaux nabij Dijon ingesteld en door Paus Paschalis II bevestigd (1098), verwierven door de werkzaamheid van den H. Bernardus groo-ten roem en wasdom.
Norbertus van Xanten, later bisschop van Maagdeburg, zeide aan de ijdelheden der wereld, die hij tot walgens toe had genoten, vaarwel en besloot God alleen door een volmaakte verloochening van zich zei ven te dienen. Hij was de grondlegger van de Premonstratensers in het dal Premontré bij Rheims (1121).
Innocentius III bevestigde de Trinitariërs, die hun wording aan St. Felix van Valois en St. Johannes de Matha dankten (1198). Zij stelden zich ten doel Christen slaven en gevangenen uit de handen der ongeloovigen vrij te koopen.
St. Petrus van Murine, later Paus Ccelestinus V, stichtte de Ccelestijnen, die zich ook kluizenaars van St. Damianus noemden.
In de Nederlanden en Duitschland bloeiden de Begijnen, vereenigingen van vrome vrouwen, die zich zonder bepaalden kloosterregel aan werken van christelijke liefde, aan handenarbeid , aan de opvoeding der vrouwelijke jeugd wijdden. Zij woonden in kleine huisjes, die tot een hoije vereenigd waren. Haar stichter heette Lambertus le Begues te Luik (1180).
145
XXXV. De Kruistochten.
Sedert de dagen van de H. Helena hielden de pelgrimstochten naar het heilige Land niet op. Nu eens was Christelijk geloof dan weer zucht naar avonturen de drijfveer der pelgrims. Vooral in de tiende en de elfde eeuw snelden scharen van Christenen naar Jeruzalem om de plaatsen, door de tegenwoordigheid van Jezus Christus geheiligd, te bezoeken. (Men deed deze bedevaarten soms uit boetvaardigheid, omdat men meende, dat het einde der wereld nabij was.) Zoo togen Dirk III, graaf van Holland, met Jan van Arkel en vele anderen in 1030, Willem, bisschop van Utrecht, en Robert de Fries , graaf van Vlaanderen , naar Judea.
De Saracenen lieten aan de pelgrims, tegen betaling van een zekere som, volle vrijheid om de heilige plaatsen te bezoeken. Maar in het midden der elfde eeuw viel Palestina in de handen der Seldsjukken. De bedevaartgangers ondervonden nu de onbillijkste afpersingen en mishandelingen dezer Turken. Men wierp hen in de gevangenis, beroofde hen van alles, verkocht hen als slaven of vermoorde hen. Onder zware straffen werd de christelijke godsdienst verboden. Reeds Paus Sylvester II (999â1003) klaagde over den nood der verwoeste en verlaten Kerk van Jeruzalem. Gregorius VII beraamde plannen om het heilige Land aan de ongeloovigen te ontrukken , maar de strijd tegen Hendrik IV vertraagde de vervulling van dien wensch.
Twintig jaren later keerde Peter van Amiens , de Eremiet , van een bedevaart naar Palestina huiswaarts. Hij verhaalde aan Urbanus II de verdrukkingen der christen broeders met levendige kleuren en deelde hem mede, dat Christus in een droomgezicht aan hem zei ven verschenen was en hem g. 10
146
bevolen had de gansche Christenheid tot bevrijding van het H. Graf aan te sporen. Op last van Urbanus trok Peter van Amiens, op een ezel gezeten , door Italië en Frankrijk en ontstak allerwege de gemoederen in geestdrift.
Paus Urbanus II riep eerst te Piacenza in Italië en later te Clermont in Frankrijk een Kerkvergadering bijeen. (1095) Vierhonderd bisschoppen en gemjjterde abten , duizenden hertogen , graven , baronnen en edellieden , een ontelbare schare volks snelden van alle zijden samen. Met geestdrift stelde de Opperpriester den heiligen krijg voor. Als uit één mond â¢weerklonk het: God wil het! God wil het! Nog op dienzelfden dag beloofden duizenden den tocht naar het H. Graf te ondernemen. quot;Wie deze gelofte gedaan hadden, droegen een kruis van rood laken op hun rechten schouder. De huis--waartskeerende bisschoppen predikten overal het kruis. Binnen â¢weinige weken gloeide het gansche Westen van geestdrift.
Reeds voor het kruisleger geordend was, trokken een honderdduizendtal onder aanvoering van een zekeren Wouter Zonder-Goed en Pieter den Kluizenaar op naar het Oosten. Bijna allen kwamen om, de meesten door het kromzwaard
der Muzelmannen.
In Augustus 1096 vertrokken de kruisvaarders. Aan hun spits stond Godfried van Bouillon , hertog van Neder-Lotharingen. Vele edele zonen van Nederland bevonden zich onder hen. Men noemt Robert, graaf van Vlaanderen en de heeren van Lynden, Borselen en Brederode. Meer dan zevenmaal honderdduizend lieden togen in verschillende afdeelingen en langs verschillende wegen naar Klein-Azië.
Na onbeschrijflijke moeilijkheden en ontberingen kwamen er slechts vijftigduizend voor Jeruzalem aan. De stad werd stormenderhand ingenomen (15 Juli 1099). Men koos God-
147
fried van Bouillon tot koning, maar hij weigerde daar een koningskroon op te zetten , waar de Heer een doornenktans gedragen had. Reeds in het volgende jaar stierf hij. Zijn broeder Boude wijn werd nu te Bethlehem gekroond.
Op het koninkrijk Jeruzalem scheen Gods zegen niet te rusten. De verdeeldheid der grooten, het gebrek aan ware deugd bij de nakomelingen der eerste kruisvaarders, de onafgebroken aanvallen der Muzelmannen brachten het rijk meer en meer ten val en vorderden telkens nieuwe verdedigers. Men telt, behalve den eersten kruistocht, nog zeven anderen. De Nederlanders namen ijverig daaraan deel.
De tweede kruisvaart werd door keizer Koenraad III en Lodewijk VII van Frankrijk aangevoerd (1147). Edessa was in de macht der Turken geraakt. Nu predikte St. Bernardus van Clairvaux op verzoek van Paus Eugenius III met onweerstaanbare kracht den heiligen krijg. De vereenigde legers kwamen echter ellendig om zonder iets tot stand te brengen.
De edele orden der Johannieters en Tempeliers , die in het begin der twaalfde eeuw tot bescherming van het H. Land gesticht waren, streden wel is waar met ridderlijken heldenmoed , maar zij konden de steeds wassende macht der Maho-medanen niet tegenhouden. In October 1187 viel Jeruzalem in handen van den dapperen sultan Saladijn.
In het quot;Westen was de strijd met de Duitsche keizers om de rechten van den Paus op nieuw begonnen. Fre-derik I Barbarossa (1152-â1190) wilde zich in zijne verwaandheid tot heer der Christenheid verheffen. Hij schrikte er niet voor terug in de Kerk twist en tweedracht te zaaien door de keus van tegenpausen. De tegenpaus Victor was door den invloed en het aanzien van den H. Bernardus tot onderwerping gebracht en de vrede op de tiende en elfde algemeene Kerkvergaderingen te Rome in 1139 en 1179, de tweede en
148
de derde van Lateranen , hersteld. Toen de treurmare van Jeruzalems val weerklonk , ging er slechts één stem in het gansche Westen op : Het H. Graf moet wederom aan de heidenen ontrukt worden. Filips August van Frankrijk, Richard Leeuwenhart, koning van Engeland , vergaten hun veeten en namen het kruis aan (1190). Ook keizer Frederik I voegde zich op verzoek van Gregorius VIII bij hen, maar vond spoedig den dood in de rivier Kalykadnus zonder het doel bereikt te hebben. Onder deze kruisvaarders blonk Floris III, graaf van Holland, uit. Hij stierf te Antiochië aan de pest. Zijn zoon Willem streed voor Ptolemaïs en keerde naar zijn land terug. Tusschen het Engelsche en het Fransche leger ontstond tweedracht. Wel behaalde Richard Leeuwenhart schitterende overwinningen op Saladijn, maar Jeruzalem werd niet veroverd.
Nu koos men Innocentius III, eerst zeven en dertig jaar oud, tot opvolger van den H. Petrus. Hij stond voor vele en groote moeilijkheden, maar wist ze op te lossen. Hij herstelde het verzwakte gezag van den Paus in den Kerke-1 ijken Staat, zorgde voor de zuiverheid der leer en streed onverschrokken voor de rechten van den Apostolischen Stoel. Over alle christen volkeren waakte hij en onderhield betrekkingen met hen. Dikwijks klaagde hij , dat hij ternauwernood aan hemelsche zaken kon denken , zoo zeer was hij met bezigheden overladen. Toch vergat hij het H. Land niet. Onafgebroken vermaande hij de vorsten en de grooten, dat zij allen haat en twist met elkander vergeten en eendrachtig tegen den gemeenschappelijken vijand zouden optrekken. Het Christen volk riep hij toe: âOp, gij, geloovigen, neemt zwaard en schild, snelt Jezus Christus te hulp; Hij zelf zal dan uwe vaandels ter zegepraal voeren,quot; Inderdaad kwam de vierde kruistocht 1202 tot stand. De kruisvaarders gingen
149
echter niet op Jeruzalem , maar op Constantinopel los, dat zij in 1204 innamen. Zij stichtten er een Latijnsch keizerrijk. Boudewijn van Vlaanderen was keizer van Constantinopel. Te vergeefs vermaande hen Innocentius , dat zij den Gekruiste beloofd hadden het heilige Land uit de macht der ongeloovigen te bevrijden. Men luisterde niet naar zijn stem. De Paus klaagde, toen scharen van kinderen wilden uittrekken om het H. Graf te veroveren : âDeze kinderen beschamen ons ; terwijl wij slapen, trekken zij moedig uit om het H. Graf te veroveren.quot; Maar zelfs de besluiten van het twaalfde alge-gemeene Concilie te Rome in 1215, het vierde van Lateranen, waren niet in staat de kwijnende geestdrift te ontsteken. Innocentius stierf den 16 Juli 1216 j maar zag zijn hoop niet verwezenlijkt.
Frederik II, die zonder ophouden de opvolgers van den H. Petrus bestreed , ondernam (1228) den vijfden kruistocht. Graaf Willem I van Holland nam hieraan deel. De Hollanders en Friezen maakten zich bij de inname van Damiate zeer verdienstelijk. (1218). Nog zuchtte Frederik onder den ban, toen hij Jeruzalem zegevierend binnentrok. De sultan van Egypte had het hem vrijwillig afgestaan. Op de dertiende algemeene kerkvergadering te Lyon 1245 werd Frederik van eedbreuk aangeklaagd , daar hij een schandelijken vrede met den sultan gesloten had. Alle Christenen van Palestina waren daarover diep verontwaardigd, Jeruzalem viel 1247 weer in de macht der ongeloovigen. Lode wijk IX , de Heilige, van Frankrijk beloofde nu voor de genezing van een zware ziekte den kruistocht, In 1248 vertrok hij met een machtig leger. Aanvankelijk behaalde hij groote voordeelen, maar werd in het volgende jaar door de ongeloovigen gevangen genomen. Vier jaren zuchtte hij in den kerker. Opnieuw ondernam
150
hij 1270 de kruisvaart, maar hij en de helft van zijn leger stierven voor Tunis aan de pest.
Schoon de kruistochten ieder afzonderlijk niet geslaagd zijn, hebben zij toch alle te zamen rijke voordeelen aan de Kerk en de maatschappij aangebracht. Zij waren wettig en rechtvaardig in beginsel, want de christen volken van Europa hadden het recht en den plicht om hun godsdienstige en maatschappelijke rechten, die door de Mahomedanen voort-durend bedreigd werden, te verdedigen en aan de Christenen van het Oosten een billijke bescherming tegen de Muzelmannen, hun verdrukkers, te verleenen. Die grootsche ondernemingen maakten een einde aan de onophoudelijke veeten der vorsten, heeren en steden , door hun een afleiding en edeler gelegenheid tot strijden te geven. Zij beperkten de willekeur der heeren en verbeterden het lot der onderhoorigen, vooral der lijfeigenen. Aan wetenschap , kunsten, handel en landbouw verschaften zij onschatbare voordeelen. Zij beschermden het gansche quot;Westen en de christelijke beschaving tegen de over-heersching der Muzelmannen. Zeevaart en nijverheid begonnen te bloeien. Talloos waren de vrijmakingen der lijfeigenen. De edelen schonken vele rechten en vrijheden aan hun onderhoorigen. Men moet de kruistochten beschouwen in hun geheel. Dan mag men in waarheid getuigen, dat zij geslaagd zijn.
151
XXXVI. De Ridderorden.
De ridderorden hadden hun ontstaan aan de kruistochten te danken. De ridderlijke geest der Middeleeuwen, die voor godsdienst, deugd en vrome zeden leefde en al wat zwak of verdrukt was, beschermde, vond in hen eene heerlijke uitdrukking. Zij waren drie in getal: de ridders van St. Jan of Hospitaliers , de Tempeliers en de Duitsche ridders. Evenals de monniken legden zij geloften van armoede, gehoorzaamheid en zuiverheid af; gelijk ridders voerden zij de wapenen. Hun instelling was dus half kloosterlijk, half wereldlijk.
De Hospitaliers en de Tempeliers stelden zich ten doel om zieken en pelgrims te verplegen, wanneer zij , bij hun bezoek van het H. Land , daaraan behoefte hadden. Tevens verdedigden zij de kruisvaarders met het zwaard. De Duitsche ridders verbonden zich door een belofte om de ongeloo-vigen in het tegenwoordige Pruisen , Lijfland en Esthland te bestrijden. Deze instellingen verwierven groote rijkdommen, liet gevolg was , dat zij , vooral de Tempeliers, al zeer spoedig begonnen te verbasteren.
De orde van St. Jan ontstond ten jare 1048 uit een vereeniging van Italiaansche kooplieden, die te Jeruzalem een kerk, aan St. Jan gewijd, en een gasthuis voor pelgrims bouwden. Na het verlies van het H. Land verplaatsten zij hun hoofdzetel naar Cyprus, dan naar Rhodus en eindelijk naar Maltha. Te Haarlem , Utrecht, Middelburg , Nijmegen en vele andere plaatsen bezaten zij huizen.
De Tempeliers werden te Jeruzalem op de plaats van Salomon's tempel gesticht en ontvingen daarvan hun naam (1118). Koning Filips IV, de Schoone, begeerig naar hun rijke goederen , bracht de zwaarste beschuldigingen tegen hen in en dwong de opheffing hunner orde van Paus Clemens VI.
152
af. (1312). Hij sloeg hun bezittingen aan en liet hun grootmeester Jacob Molay met veertig andere ridders te Parijs verbranden (1314). De Tempeliers waren in deze gewesten op vele plaatsen gevestigd: in Vlaanderen te Yperen; in Brabant te Eindhoven, Boxtel, Axtel en Breda; in Holland te Beverwijk , Heusden en Wijk-bij-Duurstede ; in Zeeland te Middelburg.
Eenige burgers van Bremen stichtten de Orde der Duitsche ridders te Allo (1190) aanvankelijk tot bescherming der pelgrims en van het H, Land. Ten jare 1230 trokken zij naar het Noordoostelijk gedeelte van Duitschland om er tegen de heidenen te strijden. Hun hoofdzetel was te Mariënburg. Deze werd naar Mergentheim verlegd, nadat Pruisen door den afval van den grootmeester Albrecht van Brandenburg voor de orde verloren gegaan was. Daar bleef hij tot de opheffing der orde door Napoleon I.
Soortgelijke ridderorden vond men ook in Spanje. Daar ook stelden St. Raymundus van Pennafort en St. Petrus Nolascus op hooger ingeving een kloosterorde in tot vrijkoo-ping van christen gevangenen uit de handen der ongeloovi-gen. (1228). Zij droeg den titel van St. Maria de Mercede.
XXXVII. De Bedelorden.
Om de kwalen der toenmalige christelijke maatschappij, de hoovaardij des levens, de hebzucht en de genotzucht, te genezen verwekte de Geest Gods de bedelorden van den H. Dominicus en den H. Franciscus. Zij waren de twee zuilen , die het waggelend gebouw der Kerk ondersteunden. Dominicus bracht de waarheid voor het verstand, Franciscus
153
de liefde voor het hart aan de wereld. Niet door persoonlijk eigendom, maar door bedelen zouden zij in hun onderhoud voorzien. Daarom werden zij bedelorden genoemd.
De H. Dominicus, uit een aloud, aanzienlijk geslacht te Calaroga in Spanje geboren (1170), muntte reeds vroegtijdig door godsvrucht, geest van gebed, versterving en wetenschap uit. Hij dacht aan niets dan aan het zielenheil.
Ten jare 1206 ontmoette hij Cisterciënser-abten, die als pauselijke legaten met groote pracht rondtrokken om de ketters in het Zuiden van Frankrijk te bekeeren. Dominicus gaf hun den welgemeenden raad , dat zij al die wereldsche ijdelheid afleggen en in den eenvoud der Evangelische armoede zouden prediken. Dan zou hun arbeid rijkere vruchten voortbrengen. Weldra droeg Paus Innocentius aan hem zeiven de bekeering der ketters op. Duizend gevaren , die hem omringden verachtend , voerde de van liefde gloeiende dienaar des Heeren tallooze verdoolde schapen in den waren schaapstal terug. Liefde, gebed en versterving waren zijn apostolische wapenen. Aan het volk predikte hij vooral den H. Rozenkrans, dien de zoete Moeder des Heeren , door Dominicus teeder bemind, hem in een hemelsch visioen geleerd had. Mondgebed en overweging van de geheimen onzer Verlossing moesten hier naar ieders vermogen hand aan hand gaan. In 1203 stichtte Dominicus zijne orde te Toulouse, nam den regel van den H. Augustinus tot grondslag en voegde er bijzondere voorschriften overeenkomstig het doel zijner orde bij. Innocentius III bekrachtigde haar. (1216). Haar doel was het zielenheil door te leeren en te prediken, Het beschouwende leven, aan de beoefening der drie geloften van armoede, gehoorzaamheid en zuiverheid , aan het zingen van het kerkelijk officie en aan de kloosteroefeningen gewijd , was het middel om zich tot het apostolische leven naar behooren
154
voor te bereiden. De vruchten van het beschouwende leven aan de wereld mededeelen , dat was de roeping van Domi-nicus' kinderen. Hij stierf den 6 Augustus 1221 te Bologna. Zijn laatste woorden waren : â Mijn broeders, onderhoudt de liefde , bewaart de ootmoedigheid , en verlaat nooit de vrijwillige armoede.quot; De Predikheerenorde breidde zich spoedig uit. In het sterfjaar van haren stichter telde zij reeds 8 provincies met 60 kloosters. Vooral de ontwikkeling der godgeleerdheid heeft onnoemelijk veel aan de Dominicanen te danken. Naast Dominicus schitterden de gelukzalige Jor-danus van Saksen, de H. Thomas van Aquino, de zalige Albertus de Groote en vele anderen.
De H. Franciscus, de zoon van een rijken koopman , werd te Assisi in Umbrië geboren. (1182.) Zes en twintig jaren oud hoorde hij in het Evangelie, hoe Christus zijn leerlingen uitzond zonder goud of zilver, zonder staf of geldbuidel. Met onbeschrijfelijke blijdschap riep hij uit: Juist daarnaar heb ik zoo vurig verlangd. De armoede is dan ook de hoeksteen van zijn orderegel. â De armoede zegt hij, â is Christus' Bruid en vriendin , is de wortel, de grondslag en de koningin van alle deugden. Als de broeders haar verlaten , is de eenheid verbroken ; wanneer zij echter aan de wereld een voorbeeld van armoede geven en aan haar vasthouden , dan zal de wereld hen onderhouden.quot; Als een serafijn gloeide Franciscus van liefde tot zijn goddelijken Meester, die hem ook de heilige wond teekenen schonk. Geen aardsche kleuren- vermogen het engelreine , ootmoedige en arme leven van den serafijnschen dienaar des Heeren te schilderen. Uitgestrekt op den harden bodem der Kerk van Assisi stierf hij , door liefdebrand verteerd , den 4 October 1226. Innocentius III bevestigde de orde , die hij gesticht had. Na 45 jaren telde zij 8000 huizen en 200000 leden. Paus Pius III zeide
155
van hen: âZij zijn de uitgelezen schaar in den heiligen krijg voor Jezus Christus; overal verschijnen zij, steeds gereed voor den strijd.quot; Onder hen blonken de H. Bonaventura en St. Antonius van Padua uit.
St. Dominicus en St. Franciscus stichtten ook eene tweede orde voor Zusters en eene derde orde van Boetvaardigheid voor leeken in de wereld.
De kruisvaarder Bertholdus van Calabrië legde de grondslagen voor de orde der Karmelieten op den berg Karmel (1156), door Paus Honorius III bevestigd (1224). Bij de verovering van Palestina door de Sarracenen verloren zij hun klooster, maar ontvingen in het Westen nieuwe bezittingen van Paus Innocentius IV. De allerzuiverste Maagd Maria verscheen aan St. Simon Stock te Cambridge, den zesden generaal der orde, en droeg hem op het scapulier te dragen en de godsvrucht daarvoor te verspreiden (1251).
In Italië vereenigde Paus Innocentius IV vele kluizenaars onder den regel van St. Augustinus (1244). Zoo ontstonden de Augustijnen, wier luister St. Nicolaas van Tolentino , de Wonderdoener, was (f 1310).
Paus Alexander IV bevestigde de Servieten , die de smartvolle Moeder Gods bijzonder vereerden (1233). Hun stichters waren zeven heilige mannen uit Florence, hun glorie St. Philippus Benitius (f 1285).
ââ
156
XXXVIII. Ketterijen ten tijde der Kruistochten.
Een eigenaardig verschijnsel der Middeleeuwen zijn de talrijke dweepzieke sekten, die zich zoowel tegen de Kerk als tegen den staat hartstochtelijk verzetten en met geloofs-en zedeleer den spot dreven. Onder den dekmantel van godsdienstijver en den schijn van vroomheid wisten zij een grooten aanhang te verwerven. Wat bedorven of ontevreden was, ging met hen mede. Zij verwoestten kloosters, kerken en heiligdommen, mishandelden de priesters en gaven zich in het geheim aan de schandelijkste ongebondenheid over,
Berengarius van Tours loochende de wezenlijke tegenwoordigheid van Christus in het H. Sacrament (omstreeks 1050). Zijn dwaling werd meermalen door de Kerk veroordeeld. Hij herriep ze eindelijk en stierf rouwmoedig.
In het begin der twaalfde eeuw stond in het Zuiden van Frankrijk de dweeper Petrus van Bruys op, raasde vooral tegen de kruisbeelden en verklaarde, dat godshuizen niet noodig waren. Tanchelmus van Antwerpen gaf zich in de Nederlanden voor den Zoon Gods uit, liet tempels voor zich bouwen en trok, op zijn grooten aanhang trotsch, met koninklijken praal rond. In Bretagne zwierf Eon van Stella om als wereldrechter. Hij droeg altijd een gaffelvormigen stok bij zich ten teeken , dat God de heerschappij over de wereld met hem gedeeld had.
De dwalingen en droomerijen der Manicheën waren in Italië en Frankrijk doorgedrongen. De volgelingen daarvan noemden zich Katharen, d. i. de reinen, vielen met woedenden haat al wat kerkelijk was aan en gebruikten geweld, waar zij konden. Alle mogelijke uitspattingen, leugen en huichelarij waren hun geoorloofd, wanneer zij zich slechts later tot een soort van strengere boetvaardigheid wilden ver-
157
binden. De hongerdood, vrijwillig of onvrijwillig aanvaard, bereidde de uitverkorenen op een zalig einde voor.
Petrus Waldus, een rijk koopman uit Lyon, aan wien de Waldenzen hun naam ontleenen, gaf al zijn goederen weg en trad als apostolisch leeraar op (omstreeks 1170). Zijn aanhangers verwierpen ten slotte den geheelen Katholieken eeredienst en de hierarchie en behielden alleen, wat er in den Bijbel, hun eenigen geloofsregel, stond. Volgens hen werden het brood en de wijn niet veranderd in het Lichaam en Bloed van Christus door de consecratie van den priester, maar door den ontvanger van dit Sacrament. Ook mocht men zijn vijand vervolgen en dooden. Van de biecht wilden zij niets weten. De aartsbisschop van Lyon verbood hun het prediken. Paus Lucius III deed hen op de synode van Verona in den ban (1164).
De Albigenzen, naar de stad Albi in het Zuiden van Frankrijk genaamd, kenmerkten zich nog meer door hun verderfelijke beginselen evenals door hun verwoedheid en razernij. Zij hielden de wereld voor een schepping des duivels, verwierpen het Oude Testament, de Kerk , de Sacramenten , met name het huwelijk, den geheelen uitwendigen eeredienst, en den eigendom , traden goddelijke en menschelijke wetten met voeten en wierpen alle orde omver. Hun dwaalleer was een samenraapsel van Gnosticismus en Manicheïsmus. St. Do-minicus arbeidde met wonderbare vrucht aan hun bekeering. Paus Innocentius III liet ten jare 1209 een kruistocht tegen hen prediken , waarvan hij de leiding aan graaf Simon van Montfort opdroeg. Door deze strenge maatregelen was de sekte in het midden der dertiende eeuw bijna weggeslonken.
De Broeders en Zusters van den vrijen geest gingen bij de pantheïsten Amalricus van Bena en David van Dinant ter school. Zij beweerden, dat men enkel door de ingeving van den Heiligen Geest zonder de Kerk kon zalig worden en
158
door de verregaandste onzedelijkheid niet kon zondigen, wanneer men eenmaal met den geest Gods vervuld was. Bedelend trokken zij van de eene plaats naar de andere door Frankrijk en Duitschland.
De Apostelbroeders, door Gerard Segarelli uit Parma gesticht (1261), zwierven biddend en zingend rond en verkondigden den val van het Pausdom en een nieuw tijdvak, waarin de apostolische armoede zoude herleven. Met het staal in de vuist voerden zij oorlog tegen de Katholieken.
Volgens de Flagellanten of geeselbroeders was de geese-ling het eenige middel om vergiffenis der zonden te bekomen. Zich zeiven bij voortduring geeselende, trokken zij onder gebed en gezang rond.
De Fraticellen zwoeren den ondergang aan de Kerk en beschouwden zich zeiven als uitverkorenen, die uitsluitend de kerkelijke wijdingen en volmachten geldig ontvangen hadden. Zij kozen een paus en bisschoppen en lieten de priesterlijke bedieningen door leeken verrichten.
Met een enkel woord willen wij nog de Joden vermelden. Zij waren door gansch Europa verspreid, toonden dikwijls grooten ijver voor de beoefening der wetenschappen en hadden vele door geleerdheid beroemde mannen, zooals Maimonides in Spanje, Kimchi in Frankrijk. Maar zij konden hun aard moeilijk verloochenen en legden zich liever op den handel toe. Een gevolg hiervan was, dat zij zich dikwijls aan woeker schuldig maakten en zich daardoor den haat der Christenen op den hals haalden. Men beticht hen ook van vele wreedheden , op Christenen gepleegd, en van geheime verstandhouding met de Mahomedanen, die het Westen met den ondergang bedreigden. Zij werden dientengevolge dikwijls vervolgd en met duizendtallen vermoord ondanks de herhaalde vermaningen der Pausen tot vergevingsgezindheid. Deze hebben de
159
Joden steeds in hun bescherming genomen. Nog in onze eeuw werden de Joden te Rome het best behandeld. Vandaar zeide men: De stad der Pausen is het paradijs der Joden.
XXXIX. De Inquisitie.
Het optreden van zoo talrijke en gevaarlijke sekten noodzaakte de Kerk om buitengewone middelen tot haar eigen verdediging en tot uitroeiing van het kwaad aan te wenden. Zij voerde de Inquisitie in , d. i., een kerkelijke rechtbank om de hardnekkige ketters op te sporen, te onderzoeken en uitspraak over hen te doen, of zij schuldig waren. Dan leverden zij de misdadigers aan de wereldlijke macht over, die de straf bepaalde en toepaste. Het was dus een kerkelijk en tevens een burgerlijk gerechtshof, omdat de meeste ketters , vooral de Albigenzen en Waldenzen, opstand maakten niet alleen tegen de Kerk, maar ook tegen den staat en beiden met de wapenen , met dood en vernieling bedreigden. Zij spaarden niemand noch weduwen, noch weezen, noch grijsaards noch kinderen , noch waardigheid , noch geslacht, noch godsdienst, recht, eigendom of gezag. Het doel dezer kerkelijke Inquisitie was het Katholieke volk tegen de ketterij te vrijwaren, de dwaalleeraars zeiven allereerst met zachtheid en overreding te bekeeren en de staten voor oproer te behoeden. Innocentius III stelde haar op het Concilie van Lateranen (1215) in en droeg haar aan de bisschoppen op. Later verleende Q-regorius IX het ambt van Inquisiteur uitsluitend aan de Dominicanen (1233). Het wereldlijke recht der Middeleeuwen erkende strenge straffen tegen hardnekkige ketters, zooals vogelvrijverklaring, ballingschap en dood, dikwijls door het vuur. De Pausen hebben altijd tot zacht-
160
heid aangemaand en kwamen zelfs tusschenbeide, wanneer de Inquisiteurs te streng optraden.
De Inquisitie was wettig en billijk zoowel van den kant der Kerk als van de zijde des staats. De H. Schrift en de overlevering, de Pausen en de Kerkvergaderingen, de Heiligen en de Vaders leeren eensluidend, dat de Kerk krachtens een goddelijke zending en volmacht het recht en den plicht heeft voor de zuiverheid des geloofs te zorgen en de dwaalleeraars niet alleen met geestelijke , maar ook met lichamelijke straffen te tuchtigen en tot inkeer te brengen. De ketters nu der Middeleeuwen zondigden niet enkel tegen de kerkelijke, maar ook tegen de burgerlijke wetten; zij konden dus ook door den staat gestraft worden, vooral daar Kerk en staat één waren en de instandhouding van den Katholieken godsdienst ook voor de burgerlijke maatschappij van het grootste gewicht en de staat de beschermer van de Kerk was. De buitengewoon strenge straffen, die de Inquisitie op de ketters toepaste, moet men niet volgens onzen tijd, maar volgens de rechtspleging der Middeleeuwen beschouwen. Zij waren in alle staten , ook bij de dwaalleera.irs zeiven in gebruik. Bovendien zijn die zoogenoemde gestrengheden schromelijk overdreven. En al mochten sommige Inquisiteurs hun bevoegdheid overschreden hebben, dan is dit aan hem persoonlijk , niet aan de Kerk te wijten; zij heeft ze altijd en overal afgekeurd en tegengegaan. Zij bestuurt altijd en overal met wijsheid en liefde. Van daar het middeleeuwsche spreekwoord : Onder den kromstaf is het goed leven.
Men moet wel degelijk onderscheid maken tusschen de oude , zuiver kerkelijke Inquisitie en de Spaansche staatsinqui-sitie. Deze rechtbank, door Ferdinand van Arragon en zijn gemalin Isabella van Oastilië opgericht (1481), was meereen burgerlijke en staatkundige instelling dan een godsdienstige.
161
De gruwelen, die men haar ten laste gelegd heeft, mag men hoegenaamd niet aan de Kerk toeschrijven; zij worden onverantwoordelijk overdreven. Men moet haar volgens de rechtsopvatting der Middeleeuwen beoordeelen. Haar rechtstreeksche doel was de vermomde Joden en Mahomedanen te bestrijden, die destijds in grooten getale in Spanje leefden. Deze Joden en Mooren lieten zich kwansuis doopen om als Christenen hooge ambten en waardigheden te verkrijgen en dan den Katholieken godsdienst en den christelijken staat te ondermijnen. Bovendien had de Spaansche Inquisitie de geheime zending om de hoogere aristocratie te fnuiken. Zij velde ook vonnissen over moord , onzedelijkheid , woeker en dergelijke misdaden. De koning benoemde de leden dezer rechtbank en stelde de statuten vast; in zijn naam werd het oordeel uitgesproken.
De Kerk heeft zeer wijs en zeer rechtvaardig gehandeld , toen zij in overeenstemming met de tijdelijke macht, aan wie zij het bepalen en uitvoeren der straf overliet, rechtbanken heeft ingesteld, om uitspraak te doen over misdrijven, die niet alleen met den godsdienst, maar ook met den staat in strijd waren.
XL. Strijd der Hohenstaufen met de Kerk.
Het matelooze streven der Hohenstaufen om hun macht uit te breiden en inzonderheid zich van Italië meester te maken dreef hen tot een rampspoedigen strijd tegen de Pausen , die eerst met den ondergang van hun huis eindigde. Twee partijen stonden tegenover elkander: de Gibellijnen of de partij van den keizer en de Welfen of de partij van den Paus. g. 11
162
De Dominicanen en Franciscanen waren bij dien strijd de keurbende van den Apostolischen stoel.
Na den dood van Lothaar II, uit het huis van Saksen, kwam de keizerskroon aan Koenraad III van Hohenstaufen. (1138 â 1152). Hij leefde nog in goede verstandhouding met den Paus. In Italië verviel de monnik Arnold van Brescia door overdreven ijver tot kettersche stellingen. Op het tiende algemeene Concilie van Lateranen (1139) veroordeeld, keerde hij van zijn vlucht naar Rome terug (1144) en riep er, na den heiligen Paus Eugenius III (1145 â 1153) verdreven te hebben, de republiek uit.
Koenraads opvolger was zijn neef Frederik I, de Hohen-staufer, bijgenaamd Barbarossa of Roodbaard. (1152 â 1190) Hij voerde een dubbelen strijd: tegen Italië en tegen de Pausen. Tegen Italië. Over dit schoone land wilde hij volkomen heer en meester zijn, niet enkel in naam, maar met de daad. Doch de Italiaansche steden genoten reeds vele vrijheden , vormden ieder een kleinen vrijstaat en wilden het juk van den Duitschen keizer niet langer torsen. Zij grepen dus naar de wapenen voor hun onafhankelijkheid en streden een hardnekkigen vrijheidskamp. De Pausen, met name Adriaan IV en Alexander III kozen de zijde der Italiaansche steden tegen den keizer. Tegen de Pausen. Valsche raadslieden bliezen Barbarossa in, dat zijn gezag als Roomsch keizer zich veel verder uitstrekte dan dat de Pausen hem veroorloofden ; â dat hij, evenals de Grieksche keizers van Constantinopel, de Kerk aan den staat, paus en bisschoppen aan den keizer moest onderwerpen. De staatkunde der Ho-henstaufers had slechts één doel: den Paus volkomen afhankelijk te maken van den keizer en hem naar de luimen of den wil van dezen te doen handelen. De Pausen verzetten zich
163
hiertegen met hoogepriesterlijke standvastigheid. Vandaar ontbrandde de strijd tussehen de Hohenstaufers en de opvolgers van Sint Petrus, een strijd, die een eeuw duurde (1152 â 1250). Bij al de tochten van Barbarossa naar Italië bevonden zich Nederlandsche graven en ridders in zijn leger; Graaf Floris III van Holland was een zijner getrouwste aanhangers.
Ten jare 1154 ondernam Frederik I zijn eersten tocht naar Italië. Aanvankelijk toonde hij zich welwillend tegenover Paus Adrianus IV (1154 â 1159) en werd door hem te Rome plechtig gekroond. Maar dan schendt hij het kon-kordaat van quot;Worms. De Paus vermaant hem. De keizer voelt zich beleedigd , schrijft heftige brieven naar Rome, laat zich op den rijksdag van Roncalië bij Piacenza de volle bevoegdheid van een Romeinsch keizer toekennen, matigt zich verschillende rechten aan en stelt tegenover den nieuwgeko-zen Alexander III (1159 â 1181) den tegenpaus Victor en later Paschalis. Deze werd erkend door de Duitsche bisschoppen en ook door die van Utrecht en Luik ; het overige Europa bleef onderdanig aan den wettigen paus Alexander III.
Eindelijk sloot Frederik I vrede, erkende den rechtma-tigen Paus, liet zijn plannen om Italië en den Apostolischen stoel aan zich te onderwerpen varen en trachtte het gepleegde onrecht weer goed te maken. (1177). Het elfde algemeene Concilie van Lateranen beslechtte de scheuring en bepaalde: Hij alleen is Paus, die met twee derde van alle stemmen gekozen wordt. (1179.)
Hendrik VI (1190 â 1197), zoon en opvolger van Barbarossa, trachtte de heerschappij over het Duitsche rijk in zijn geslacht erfelijk maken. Het gelukte hem niet. De Paus wilde zich niet met deze plannen bemoeien om niemands rechten te krenken. Wel sprak Coelestinus III (1191 â
164
1198) den ban over den wreeden, wellustigen en trouweloozen vorst uit, omdat hij zich wederrechtelijk de kroon van Sicilië op het hoofd wilde zetten en zich aan onmensehelijke wreedheid tegenover den Normandiër Tancred schuldig gemaakt had.
Na bloedige veeten over de opvolging besteeg zijn zoon Frederik II, (1215 â 1250) een man van buitengewone bekwaamheden, maar ook van breidelooze heerschzucht, den Duitschen keizerstroon. Aanvankelijk was hij den Paus zeer genegen, maar spoedig kwam zijn heerschzucht boven. Hij, de verwoedste vijand der Kerk, poogde geheel Italië voor zich te doen kruipen, geheel de macht van den Paus te vernietigen. Daartoe riep hij de Sarracenen te hulp en voerde in het Zuiden van Italië Mahomedaansche gebruiken in. Godsdienst en goede zeden verachtte hij. Gregorius IX deed hem in den ban (1227). Toen de keizer halsstarrig zijn god-delooze plannen doorzette, sprak de Paus ten tweede male het banvonnis over hem uit. Innocentius IV bekrachtigde dit oordeel op de kerkvergadering van Lyon (1245) en verklaarde Frederik II schuldig aan meineed , trouweloosheid, heiligschennis, vermoeden van ongeloof en vervallen van den troon. Van allen verlaten werd hij door zwaarmoedigheid en ziekte bezocht en stierf, nadat hij zich rouwmoedig met de Kerk verzoend had (1250). Koenradijn, zijn kleinzoon en laatste telg der Hohenstaufen, werd te Napels openlijk onthoofd ondanks het verzet en de smeekingen van Paus Clemens IV.
Na diens dood (1268) bleef de Heilige Stoel wegens oneenigheid der kardinalen drie jaren onbezet, totdat Gregorius X (1271 â 1276) hem besteeg. Deze riep de veertiende algemeene kerkvergadering te Lyon bijeen (1274). Daar kwam na langdurige onderhandelingen een vereeniging met de Grieken tot stand, die echter in het Oosten weinig bijval vond. Er verschenen gezanten uit Duitschland, die
165
den Paus de verheffing van Kudolf van Habsburg op den Duitscben keizerstroon boodschapten. Gregorius X bevestigde deze keus, nadat Rudolf beloofd had , dat hij den Paus in het bezit zijner geroofde goederen herstellen en deze beschermen zou. Later kende hem Rudolf door een eigenhandige oorkonde het volle en onverminderde bezit van den Kerke-lijken Staat roe.
Na den dood van Gregorius X volgden verscheidene Pausen elkander spoedig op. Bonifacius VIII (1294 â 1303), de beroemdste rechtsgeleerde van zijn tijd, een voortreffelijk staatsman, een vroom priester, een onomkoopbaar vorst, een edelmoedig mensch, heeft groote verdiensten voor kunst, wetenschap en missies. Onverschrokken streed hij tegen Filips den Schoonen van Frankrijk, die beweerde , dat hij in wereldlijke zaken geen anderen heer dan God boven zich erkende; maar dat de Paus ook daarin op de opperheerschappij aanspraak maakte.
Deze dwingeland verpersoonlijkte het vorstenabsolutisme in den volsten zin des woords. Zijn wil was wet. De geestelijkheid met den Paus aan het hoofd moest onvoorwaardelijk aan hem onderworpen zijn. De koning roofde kerkelijke goederen , vervalschte de bullen van den Paus en liet vuigen laster tegen hem uitstrooien. Bonifacius deed hem in den ban en, bewees zijn onschuld door een plechtigen eed voor de verzamelde kardinalen. Kommer en verdriet over het doorgestane leed berokkenden hem den dood.
Benedictus XI, de opvolger van Bonifacius (1303 â 1304) trachtte een einde te maken aan den strijd met Frankrijk en hief het banvonnis over den koning op. Al zijn krachten spande hij in om in Italië, Duitschland, Engeland en het Oosten vrede te stichten en bloedige twisten te beslechten-
166
XLI. De Pausen in ballingschap te Avignon. De Westersche
Scheuring.
Door Innocentius III had het Pausdom het toppunt zijner macht bereikt. De Kerkelijke Staat was geheel onafhankelijk van de Duitsche keizers en de Italiaansche vorsten. Onbestreden en onbelemmerd oefende de Paus zijn geestelijke oppermacht uit over alle staten, vorsten en volkeren der Christenheid. Deze moest slechts één groot huisgezin zijn, wier hoofd de Paus was. Het betaamde, dat de koningen en vorsten de macht, hun door God verleend, gebruikten tot eer van God en van zijne Bruid. De zwakheid, de hartstochten , de zonden der menschen verhinderden gedeeltelijk de uitvoering van deze verheven opvatting.
Het Grieksche rijk weigerde nog altijd den Paus als het algemeene Opperhoofd der gqtnsche Kerk te erkennen. Wel kwam er een toenadering tot stand, toen de gezanten van den Griekschen keizer op de veertiende algemeene Kerkvergadering te Lyon (1274) den voorrang van den Paus aannamen en de Romeinsche geloofsbelijdenis onderteekenden. Maar weinige jaren later was ieder spoor van deze vereeniging verdwenen.
De Pausen, die sedert Martinus IV (1281 â1285) op den Stoel van Petrus zetelden, waren te afhankelijk van Prankrijks koningen en konden dientengevolge de kerkelijke aangelegenheden minder goed besturen. Paus Bonifacius VIII bestond het de Kerk uit deze knellende banden te bevrijden. De koning van Frankrijk, Filips de Schoone, gesteund door edelen en steden, weigerde het primaatschap van den Paus te erkennen en liet hem zelfs gevangen nemen (1302). Bonifacius zwichtte niet voor het ruwe geweld. Zijn vijanden
167
grootmoedig vergevend, stierf hij aan de gevolgen der geleden mishandelingen.
Na Benedictus XI, den opvolger -van Bonifacius, bewerkte Filips de Schoone , dat de Aartsbisschop Bertrand van Bordeaux tot Paus gekozen werd. Deze liet zich te Lyon als Clemens V kronen en gaf daardoor zijn plan te kennen niet te Rome , maar in Frankrijk zijn zetel te vestigen. Hij koos Avignon in het Zuiden van Frankrijk. Door dien stap had hij zijn onafhankelijkheid prijsgegeven. quot;Wel gaf hij niet toe aan den koning om Bonifacius als een eerloozen ketter te veroordeelen , maar bewilligde toch uit voorzorg de opheffing der Tempeliers (1305). Op de vijftiende algemeene Kerkvergadering te Vienne (1311 â1312) spraken de verzamelde vaders Bonifacius VIII van alle schuld vrij en keurden goed, dat Clemens de Tempeliers uit voorzorg zou opheffen. De ware reden der opheffing was de haat van Filips tegen de Tempeliers en zijn hebzucht naar hun rijke goederen, welke hij tegen de bepaling der Kerk aansloeg. De zware beschuldigingen tegen hen waren niet voldoende bewezen.
Johannes XXII (1316â1334) dacht er niet aan naar /quot;Rome weder te keeren. Hij sprak over keizer Lodewijk IV, den Beier , het banvonnis uit en legde op gansch Duitschland het interdikt. De verderfelijke invloed van Frankrijk en de kwaadwillige raadsheeren des keizers verhinderden de verzoening met den Paus, hoewel Benedictus XII (1334â1342) bereid was de hand tot den vrede te reiken. Het gevolg van Frankrijks inmenging was een vergadering der Duitsche keurvorsten te Rhense (1338). Hier besloten zij, dat de Duitsche keizer, door hen met meerderheid van stemmen gekozen , de bekrachtiging van den Paus voortaan niet meer behoefde.
Een Komeinsch gezantschap met den dichter Petrarca aan het hoofd verzocht den volgenden Paus Clemens VI
168
(1342â1352) naar Eome terug te keeren. Maar door den bouw van een prachtig paleis en door den aankoop van het graafschap Avignon gaf hij zijn plan te kennen, dat hij er liever bleef.
In de Eeuwige Stad had Cola di Rienzi een republi-keinsch bestuur en verscheidene heilzame hervormingen aangebracht. De Paus benoemde hem tot bestuurder der stad Rome. Als zoodanig werd hij door Innocentius VI (1352â1362) gehandhaafd.
Terwijl de overige Italiaansche republieken bloeiden, begon Rome te dalen. Het telde slechts eenige duizenden inwoners, kerken en paleizen vervielen , de openbare veiligheid verdween, er heerschte de grootste verwarring, er was geen gebieder om de toomelooze driften te breidelen. Nu verplaatste Urbanus V (1362â1370) onder het uitbundig gejubel van het volk zijn zetel naar Rome, doch keerde na drie jaren naar Avignon weder. Eerst zijn opvolger Gregorius XI (1370â1378) vestigde zich weer voor goed in de Eeuwige Stad. De Babylonische gevangenschap te Avignon had een einde.
Zestien Kardinalen te Rome en zes te Avignon kozen den voortreffelijken Urbanus VI (1378â1389). Maar toen de Opperpriester met klem en zonder aanzien des persoons op verbetering der zeden aandrong, waanden zich de Fransche Kardinalen beleedigd en stelden tegenover hem een tegenpaus Clemens VII, die te Avignon zetelde. Nu werd de Christenheid in twee partijen gescheurd: de eenen gehoorzaamden aan Urbanus, de andere aan Clemens. Zoo ontstond de Westersche scheuring, die veertig jaren duurde. Zelfs dequot; H. Catharina van Siena kon deze ramp niet bezweren. Juist haar invloed had Gregorius XI bewogen naar Rome weder te keeren. Wonderbaar is het, hoe deze eenvoudige, zwakke
169
maagd uit de Derde Orde van Sint Dominicus de middelares was tusschen den Paus en Italië in de hachelijkste aangelegenheden. Voor geen offer, geen gevaar terugdeinzend, alleen met een bovenaardsche liefde en een alvermogend gebed gewapend , een levend voorbeeld van boetvaardigheid , predikte zij den vrede aan pausen , vorsten , edelen, burgers , magistraten , aan kloosterlingen en leeken, aan het opgeruide gepeupel. Te vergeefs vermaande zij de afgescheiden Kardinalen zich aan den wettigen Opperherder Urbanus te onderwerpen.
Vruchteloos poogde de synode van Pisa, die geen algemeen concilie, maar slechts een vergadering van geestelijken en leekeB was (1409), de scheuring bij te leggen. Tegen haar bevoegdheid in wilde zij den rechtmatigen Paus Gregorius XII en den tegenpaus Benedictus XIII afzetten , hetgeen beiden zich niet lieten welgevallen, en koos zij een derden Paus Alexander V. Nu aanschouwde de verbaasde wereld drie opperpriesters.
Op verlangen van keizer Sigismund van Duitscbland kwam er een vergadering van vele geestelijke en wereldlijke grooten te Constanz te zamen (1414 â 1418). Zij had een drievoudige taak: veroordeeling der Hussieten, beslechting der scheuring en hervorming der zeden. Zij zette de twee tegenpausen Johannes XXIII en Benedictus XIII af. Gregorius XII, de rechtmatige Paus, bedankte zelf uit liefde tot den vrede, nadat de synode hem plechtig als wettigen paus erkend en hij haar als algemeen concilie beroepen had. Men koos thans Martinus V (1417â1431), een priester van zeldzame deugd. De quot;Westersche scheuring was geëindigd.
De Vaders van het Concilie waren evenwel vóór de keuze van Martinus V, in hun onnadenkenden ijver tot de verkeerde stelling vervallen , dat een algemeene kerkvergadering boven den Paus staat. Martinus verwierp dit, verklaarde , dat de
170
uitspraak van den Paus in zaken van geloof en zeden voorgoed beslissend was en bevestigde de veroordeeling der ketters Wicleff en Hus. De afgezette tegenpausen onderwierpen zich.
XLII. Uitbreiding van het Katholieke geloof in Europa.
Azië en Afrika.
De Pausen trachtten door missionarissen de woeste volksstammen van Azië voor het Katholieke geloof te winnen. Zoo zond Alexander III eenen bisschop aan een zekeren koning der Indiërs, maar vruchteloos (1177). Ook Innocen-tius IV (1245) en Lodewijk de Heilige (1249) zonden monniken naar Azië's steppen. Dominicanen en Franciscanen verschenen aan het hof der Mongolen en Tartaren. Hun habijt alleen reeds predikte armoede, nederigheid en boetvaardigheid te midden van Oostersche weelde en wellust. Hun woord wierp wel eenige , maar geen rijke vruchten af. Vele moeilijkheden stonden den offervaardigen zonen van Sint Dominicus en Sint Franciscus in den weg. Het tegenwerken der Nestorianen , staatkundige veranderingen , godsdienstige onverschilligheid der vorsten, barbaarschheid van het volk, gehechtheid aan den afgodendienst, eigenbelang der heidensche priesters, onbekendheid der missionarissen met taal, zeden en landstreek. Voorspoediger werkten de Franciscanen quot;Willem van Rubruquis (1253) en Johannes de Monte Cor-vino, door Nicolaus IV naar de Mongolen in Noordelijk China gezonden (1288). Te Peking bouwde Johannes twee kerken , doopte 6000 menschen , voedde 150 als slaven gekochte jongens op, vertaalde de Psalmen en het Nieuwe Testament in het Mongoolsch ; en bekeerde eenen vorst en vele Nestoria-
171
nen. Clemens V benoemde hem tot aartsbisschop met uitgebreide volmachten (1307). Deze gelukkige beginselen waren echter niet van langen duur.
Ook bij de Mooren, vooral in Afrika, deed men gestadig pogingen om hen te bekeeren. Te Marocco en Tunis woonden christen kooplieden. Zij mochten naast hun winkels kapellen hebben. Innocentius III, St. Franciscus , Honorius III en Gregorius IX zonden met afwisselend gevolg priesters naar Noordelijk Afrika. Velen stierven den marteldood. In de veertiende eeuw waren er Dominicaner-Bisschoppen te Tanger, Tunis en Bugia. De Dominicanen legden zich er met de borst op toe om de Muzelmannen wetenschappelijk te bestrijden en hun drogredenen te weerleggen. Daarvoor maakten zij afzonderlijke studies, vooral van den Koran en het Arabisch, schreven verweerschriften en hielden redetwisten met de Mooren.
In het Noorden en Noordoosten van Europa lag nog een breed, maar doornig arbeidsveld voor de christen missionarissen, Ijverige priesters, zooals Vicelmus, bisschop van Oldenburg (1148â^1154), strooiden het zaad des Evangelies uit in het tegenwoordige Sleeswijk, Pommeren, West-Pruisen en Posen. Anderen, zooals Boleslav III van Polen wilden er met het staal in de vuist het Christendom invoeren. Maar velen der onderworpen Slaven bekeerden zich slechts in schijn en vielen onder nietige voorwendsels weer af. Otto, bisschop van Bamberg, door Calixtus II als pauselijk legaat gezonden , ondernam twee missiereizen naar die gewesten en deed er talrijke bekeeringen door zijn verstandige en goedertieren handelwijze, zijn vorstelijk optreden, zijn belangeloosheid, zijn vrijgevigheid en zijn wonderen. Zoo werden binnen twee maanden 22.000 menschen gedoopt en verscheidene bisdommen zooals Havelberg, Brandenburg en Mecklenburg gesticht
172
(1120â1160). Ook op het eiland Eügen bezweek het heidendom en werd een kerk gebouwd.
Finland was in het midden der twaalfde eeuw nog hei-densch. Koning Erik IX , de Heilige , van Zweden onderwierp de Pinnen (1157) en dwong hen zich laten te doopen. Hendrik, bisschop van Upsala, was hun eerste apostel. Ten iare 1221 had Finland een bisschop Thomas. Gregorius IX zond hem ondersteuning. Maar het grootste gedeelte van het land was heidensch gebleven of weer afgevallen en de Christenen stonden aan veel vervolgingen bloot. Eerst na verscheidene kruistochten gelukte het aldaar het Christendom voor goed te vestigen.
Tegen de zondaars dier dagen traden boetpredikers op met zulk een kracht en welsprekendheid, dat geen tijd rijker aan bekeeringen is. Aan den H. Bernardus , aan den boetprediker Pulco in Frankrijk, aan den gelukzaligen Jordanus van Saksen, aan den Franciscaner Berthold van Regensburg konden de verstoktste gemoederen geen weerstand bieden. Van den H. Antonius van Padua zeiden de tijdgenooten : â Zijne predikatiën zijn als vuurstroomen, waaraan niemand weerstaan kan; zij ontvlammen tallooze zondaars en misdadigers tot boetvaardigheid.quot; De H. Vincentius Perrerius wrocht nog grootere wonderen. Evenals de Apostelen bezat hij de gaaf der talen. De toehoorders van verschillende naties verstonden hem , schoon hij alleen Spaansch of Latijn sprak. Uitermate streng voor zich zeiven, eenvoudig en ootmoedig, werd hij door ontelbare scharen als een afgezant van God vereerd. Men riep hem bij zijn komst toe: â Gezegend hij, die komt in den Naam des Heeren.quot; Onze weekelijke tijd zou rillen en huiveren voor de boetplegingen, welke men toen ondernam.
Gelijktijdig werkten volijverige missionarissen aan de bekeering dier landstreken van Europa , die nog in den nacht
173
des heidendoms zuchtten. Tegen de heidensche Lijflanders verwekte Paus Celestinus III (1197) eenen kruistocht. Zij werden overwonnen. Maar toen men hen dwong gedoopt te worden, wieschen zij het kruisteeken in de Duna af. Tot bescherming der Christenen werd in 1202 de Orde der zwaardbroeders ingesteld en na volbrachte zending met de Duitsche ridders vereenigd. De Pruisen verzetten zich met de meeste hardnekkigheid tegen de invoering van het Christendom. De heilige bisschop Adalbertus van Praag beproefde het eerst hen te bekeeren, maar stierf den marteldood (997). Hij moedigde zijn gezellen aan met de woorden : , quot;Weest niet bedroefd, mijne broeders, wij weten immers voor wiens Naam wij lijden; wat is heerlijker dan het leven te offeren voor den dierbaren Meester ?quot; Twee eeuwen later verliet de Cisterciënser Chris-tiaan zijn klooster Oliva om aan de wilde Pruisen het geloof te verkondigen. Maar ook hij was niet veel gelukkiger. Daarom wendde hij zich, nadat Innocentius III hem tot bisschop van Pruisen gewijd had, tot den Grootmeester der Duitsche Orde om hulp. Daar de werkkring dier Orde in Palestina zeer beperkt was, bedacht zich de Grootmeester Herman van Salza niet lang. Zijn ridders verschenen (1226) in Pruisen om het land voor de Orde, de bewoners voor het Christendom te winnen. De algeheele onderwerping der Pruisen gelukte eerst in 1283. De Grootmeester verplaatste ten jare 1309 zijn zetel van Venetië naar Mariënburg. Prachtige burchten en steden verrezen, welvaart en tevredenheid heerschquot; ten overal onder het volk. Maar de strijd, dien de orde herhaaldelijk met de Lithauers en de Polen voerde, evenals de verslapping der tucht onder de ridders , verduisterde tegen het einde der veertiende eeuw wat zoo heerlijk begonnen was.
174
XLIII. De Kerk in Nederland van de kruistochten tot aan de Hervorming.
Zooals wij reeds aangeteekend hebben, was de bisschopskeuze aan den Duitschen keizer ontnomen en op het Domkapittel overgebracht. Maar toch bleven de wereldlijke vorsten, vooral de graven van Holland en van Gelder, zich in de keuze van een bisschop en het bestuur der kerkelijke aangelegenheden mengen. Uit eigenbelang deinsden zij voor geen geweld, voor geen kuiperijen terug om hun beschermelingen of verwanten op den zetel van den- H. Willibrordus te plaatsen. Die onbevoegde en baatzuchtige inmenging was de oorzaak van vele twisten en van de verheffing van onwaardige bisschoppen. Dezen beantwoordden volstrekt niet aan hun heilige roeping, maar verkozen het vechten , oorlogvoeren, het steekspel, het jachtvermaak en de uitbreiding van hun tijdelijk gebied boven de vervulling van hun herderlijke plichten.
Het aanzien, de rijkdom en de macht der hoogere en lagere geestelijkheid wekten den naijver en de begeerlijkheid van graven, hertogen en ridders op. Zij zochten, hetzij met list, hetzij met geweld, hetzij door kuiperij hun zonen of verwanten aan het hoofd van een bisdom , van een klooster, van een abdij , van een aanzienlijke kerk te plaatsen , deels opdat zij de rijke inkomsten zouden genieten, deels uit staatkunde. Immers de geestelijke macht van bisschoppen en priesters greep diep in het burgerlijk en staatkundig leven. Het was dus voor de vorsten van 'groot gewicht onder die bisschoppen en priesters bevriende en afhankelijke personen te tellen om èn hun tijdelijke èn hun geestelijke macht voor hun eigen doeleinden te gebruiken.
De kosten voor het onderhoud van geestelijkheid, van kerken, van den eeredienst, van armen, van liefdadige instel-
175
liegen, van scholen werden uit goederen, daarvoor geschonken, bestreden , alsmede uit tienden , die opgebracht moesten worden , en uit vrijwillige giften der geloovigen. Uit die rijke inkomsten werden de armen verzorgd , prachtige kerken gebouwd , de eeredienst onderhouden, uitgestrekte landerijen ontgonnen, kapittel-, klooster- en parochiescholen gesticht, arme scholieren begiftigd, de gastvrijheid beoefend en vreemdelingen geherbergd.
Innocentius III had op het Concilie van Lateranen bepaald , dat aan iedere kerk van eenig aanzien eeu school moest verbonden worden, waar priesters en lagere geestelijken armen en rijken onderwijs zouden geven (1215). In de Nederlanden bezaten ongeveer zestig Collegiaalkerken ieder een kapittelschool. De kathedraalschool van Utrecht vooral was beroemd, niet minder die van St. Lebuïnus te Deventer. Ieder klooster van eenig belang had een school, hetzij binnen de kloostermuren, hetzij daarbuiten. Er waren in Noord-Nederland ongeveer vijfhonderd kloosters. De Latijnsche taal, het lezen van eenige dichters en kerkvaders , de christelijke leer , de kerkelijke zang waren de voornaamste vakken van onderwijs. Ook de vrouwenkloosters verwaarloosden het onderwijs niet. De abdij van Rijnsburg had , wat wij nu zouden noemen een pensionaat van jonge dames. Bovendien waren aan de parochiekerken de parochiescholen verbonden, In de veertiende en vijftiende eeuw hadden alle steden en de meeste dorpen van ons land een parochieschool. Zij stonden onder het toezicht der geestelijkheid en werden uit haar inkomsten onderhouden. Lezen, schrijven en rekenen kon men er leeren , hoewel de moedertaal niet de oudste brieven bezat en slechts met moeite den voorrang verkreeg.
De Nederlandsche adel, de graven, hertogen en ridders namen een werkzaam deel aan de kruistochten. In het Oos-
176
ten streden zij tegen de Muzelmannen , in de Oostzeelanden onder de Duitsche ridders, die in de Nederlanden verscheidene huizen en belangrijke bezittingen hadden , tegen de heidenen , in Frankrijk tegen de Albigenzen, in Noordelijk Duitschland tegen de ketterij der Stadingers, bij wie de oude heidensche zuurdeesem nog werkte en die zich zoowel tegen het geestelijk als het tijdelijk gezag verzetten.
De Kerk en het leenstelsel waren nauw met elkander verbonden. De bisschop van Utrecht, b. v., was de leenman van den Duitschen keizer, maar de graaf van Holland , de graaf van Gelder, verschillende edelen waren leenmannen van Utrecht's bisschop. Abten en kloostervoogden waren leenmannen van hertogen en graven. Zij moesten hun leenheer in den oorlog volgen of mannen voor zich in de plaats stellen.
Na 1100 begonnen in deze gewesten twee orden te bloeien : de Cisterciënsen en de Premonstratensen of Norbertijnen. Zij hadden abdijen zoowel voor mannen als voor vrouwen. De eersten legden zich, naast gebed en studie, vooral toe op het ontginnen van landerijen , de tweedon op onderwijs en opvoeding van jonge meisjes. In Holland hadden de Cisterciënsen een vrouwenklooster te Loosduinen en te Leeuwenhorst bij Noordwijk, een mannenabdij te Utrecht, te Klaarkamp en Bloemkamp in Friesland en te Aduard in Groningen. De Norbertijnen bezaten Tongerloo in Brabant, Mariënwaard bij Kuilenburg, Koningsveld bij Delft, de quot;Witte-vrouwen-abdij te Utrecht, de abdij van Bern bij Heusden en de abdij van Middelburg.
Reeds in het begin der dertiende eeuw verschenen de Dominicanen en de Franciscanen in deze landen. Zij stichtten hun kloosters niet in de eenzaamheid, maar in de groote steden. De prediking was hun doel. Zij leefden van aalmoezen. Spoedig bezaten zij in de meeste steden aanzienlijke
177
sticlitingen. Nijmegen, 'sBosch, Utrecht, Maastricht, Roermond , Rotterdam , Leeuwarden , 's Hage, Haarlem, Zierikzee en Zutfen nanien hen gastvrij op.
Gedurende het verblijf der Pausen te Avignon bleven de Nederlanders getrouw aan de wettige opvolgers van den H. Petrus, schoon ook zij het gevoelden , dat Rome's opperpriesters van Frankrijk afhankelijk waren. De bisschoppen van Utrecht togen naar Avignon om door den Paus bevestigd te worden.
Hoewel het bederf meer en meer toenam, vertoonde zich toch overal een krachtig geestelijk leven. Wetenschap, letterkunde , kunsten bloeiden en werden vooral door de reguliere geestelijkheid beoefend. Men bestreed openlijk verschillende misbruiken en de goede, geloovige geest, die in het volk voortleefde , keurde ze onverholen af. Men denke hier aan Geert Groote (1340â1384) en de Broeders van het gemeene leven, die weldra meer dan 2000 scholen bezaten, aan de Congregatie van quot;Windesheim met het St. Agnietenconvent bij Zwolle, waar Thomas a Kempis woonde (1380â1471).
De Westersche scheuring deed haar verderfelij ken invloed ook in de Nederlanden gevoelen. In de Kerk stelde men paus tegen paus, te Utrecht bisschop tegen bisschop. Ieder had een gedeelte der geestelijkheid of der leeken voor zich. Dit had een tweevoudig gevolg; vooreerst een reeks van twisten, veeten en scheuringen; ten tweede: iedere partij schaarde zich aan de zijde van dien paus of dien bisschop , van wien zij de meeste bescherming verwachtte. Menigeen zal te goeder trouw gehandeld hebben, velen echter lieten zich beheerschen door hartstocht, vrees , eigenbelang , onverschilligheid, eerzucht of staatkunde. Over het algemeen erkenden de goedgezinden den wettigen Paus of bisschop als hun herder.
G. 12
178
Dat er in de vijftiende eeuw nog godsdienst in de Nederlanden bloeide, blijkt uit de getuigenis van twee onverdachte tijdgenooten , Thomas a Kempis en Jan Brugman.
Meer dan eenmaal geschiedde het, dat priesters, het Allerheiligste dragende en door koorknapen voorafgegaan, zich waagden onder de woedende benden, die de straten met burgerbloed bedekten, om de hartstochten tot bedaren te brengen. Dit geschiedde te Haarlem en te Amsterdam (1444). De beroemde Minderbroeder Jan Brugman doorreisde Friesland en predikte alom vrede en verzoening. Er was eerzaamheid bij de prelaten, vroomheid bij de priesters, godsvrucht bij de religieuzen, kuischheid bij de maagden, godsdienstijver bij het volk , ernst bij de rechters, welvaart in de steden. Men was onvermoeid in het bouwen en versieren van kerken, in het stichten van gast- en armenhuizen, in het vervullen der godsdienstplichten.
179
XLIV. Einde der Middeleeuwen.
In de tweede helft der veertiende eeuw trad in Engeland een ketter op, J ohannes quot;Wicliff geheeten, professor aan de Universiteit van Oxford, (f 1384). Zijn dwalingen bestonden hoofdzakelijk hierin: De Bijbel was de eenige ge-loofsregel â de Christen ontving zekerheid in geloofszaken door een bijzondere genade zonder de onfeilbare Kerk â de oorbiecht was zotheid â Christus was niet waarachtig tegenwoordig in het H. Altaarsacrament â de geestelijken mochten geen tijdelijke goederen bezitten â zoodra een overste, hetzij geestelijk of burgerlijk, een doodzonde bedreef, verloor hij zijn macht â het kwaad geschiedde met noodzakelijkheid. Een synode te Londen veroordeelde deze ketterij van quot;Wicliff en de Engelsche koningen vervolgden zijn aanhangers, omdat dezen tot oproer en muiterij oversloegen.
Geleerden uit Praag, die in Engeland vertoefd hadden , brachten zijne dwalingen naar Bohemen over. Hier vonden zij een dweepzieken verdediger in Johannes Hus te Praag, een man, opgeblazen van waanwijsheid en overschatting van zich zelven. Vertrouwend op den steun van koning Wenceslaus van Bohemen , stelt hij Wicliff voor als een man Gods, die onrechtvaardig vervolgd werd, verspreidt vertalingen van zijn geschriften, valt Paus en Kerk aan, verzet zich tegen de kerkelijke voorschriften en predikt openlijk Wicliff's ketterijen.
God had van eeuwigheid, zoo dwaalde Hus, een gedeelte der menschen tot de hel voorbeschikt â een priester moest prediken tegen het verbod der Kerk in â wanneer de geestelijkheid haar goederen misbruikte, konden de wereldlijke heeren ze naar believen aanslaan â men moest de vijanden der waarheid met de wapenen bestrijden.
Paus Johannes XXIII sprak over Hus den ban en over
180
de stad Praag het iaterdikt uit. (1412). De Vaders op het Concilie van Konstanz spanden al hun krachten in om hem te bekeeren, maar vruchteloos. Nu veroordeelden zij hem en Wicliff als ketters en gaven hem aan het wereldlijk gerecht over met de uitdrukkelijke bede, dat dit zijn leven zoude sparen. Desniettemin werd Hus volgens de bestaande wetten tot den vuurdood veroordeeld en voor de muren der stad Konstanz verbrand. (1415). Na zijn dood brak de gruwelijke Hussieten-oorlog (1419â1436) uit, een doorslaand bewijs, hoe oproerig en gevaarlijk de leer van Hus was. Velen, belust op de rijke goederen der geestelijken , plunderden de kerken, vervolgden de priesters , staken de dorpen in brand en vermoordden duizenden.
Eugenius IV (1431 â1447) was Martinus V opgevolgd. Voor een heilzame hervorming opende hij het Concilie van Bazel, maar verlegde het spoedig , ondanks het tegenstreven van eenige prelaten, eerst naar Ferrara en later naar Florence (1438). Hier kwam nogmaals een vereeniging met de schismatieke Grieken tot stand. De synode van Bazel zette in-tusschen hare zittingen voort en maakte verschillende besluiten. Sommigen der vergaderden, zooals Nicolaas van Cusa, Aeneas Sylvius Piccolomini en Johannes Turrecremata trokken zich bijtijds terug, anderen daarentegen volhardden in hun verzet tegen den Paus en durfden hem zelfs afzetten. Dit schismatiek streven vond in Frankrijk een vruchtbaren bodem en was het zaad voor het latere Grallicanismus.
De Franschen voerden ter zelfder tijd een vreeselijken oorlog met de Engelschen. Nu trad Jeanne d'Arc, de maagd van Orleans, tot redding van haar vaderland op en verdreef de Engelschen. Zij zelve werd levend verbrand.
De volgende Pausen spanden al hun krachten in om hun rechten tegenover de Duitsche keizers te handhaven, om
181
de Muzelmannen, die het quot;Westen steeds bedreigden , zoowel langs Hongarije als Spanje, terug te drijven en Rome met kunstschatten te verrijken. Het Concilie van Bazel met den tegenpaus Felix V onderwierp zich aan Nicolaus V (1447â1455), het rechtmatige opperhoofd der Kerk (1449). Keizer Frederik III was de laatste Duitsche keizer, die te Rome van hem de kroon ontving. Hij zond ook St. Johannes Capistranus uit om den kruistocht tegen de halve maan te prediken. Onder zijn opvolger Calixtus III (1455-â1458) bevocht het pauselijk heer verscheidene overwinningen op de Mahomedanen. Pius II (1458â1464) vermeidde zich somwijlen met de dichtkunst. Sixtus IV (1471 â1484), een groot kunstvriend , versierde Rome met prachtige gedenktee-kenen, bouwde de beroemde Sixtijnsche kapel in het Vati-caan en ordende de Yaticaansche bibliotheek. Onder Inno-centius VIII (1484â1492) verdreef Ferdinand de Katholieke de Mooren uit Spanje en ontdekte Christophorus Columbus, door den Paus met ruime middelen gesteund, het nieuwe werelddeel Amerika.
Alexander VI (1492â1503), een bekwaam, maar te wereldschgezind man, was en bleef de vriend des volks. Wat men hem ten laste legt, is ver overdreven. Hij regelde het missiewezen in Amerika, verdeelde dit werelddeel tusschen Spanje en Portugal, onderdrukte den oproerigen adel in den Kerkelijken staat, verbeterde de rechtspleging, bevorderde den handel en zorgde voor rust en veiligheid. Onder hem trad de Dominicaan Savanarola te Florence als strenge zeden-prediker op.
De krijgshaftige Julius II (1503â1518) stelde zich vooral het herstel van den Kerkelijken staat en de bevrijding van Italië uit de macht der Franschen ten doel. Hij beriep de achttiende algemeene kerkvergadering van Lateranen tot her-
182
vorming der Kerk en hulp tegen de Turken (1512). De kunstlievende Leo X (1513â1521) zette haar voort, maar met weinig vrucht.
XLV. Het primaatschap van den Paus in de Middeleeuwen.
In welke verhouding stond de Paus tegenover de wereldlijke vorsten ? quot;Welke waren zijn macht en invloed als Opperhoofd der Kerk? Wat beteekende hij als tijdelijk vorst? Ziedaar drie vragen, die wij in het kort moeten beantwoorden.
In welke verhouding stond de Paus tegenover de wereldlijke vorsten ? Wij laten hier in het midden of de Pausen zich krachtens een van God ontvangen macht en recht in de zaken van den staat kunnen mengen, of zij eenen vorst afzetten en diens onderdanen van hunnen eed van trouw kunnen ontslaan. Deze vraag is niet uitgemaakt.
Wat men hiervan ook houde, één punt staat onwrikbaar vast; In de Middeleeuwen , toen de verbinding tusschen Kerk en Staat allerinnigst was , bestond er een duidelijk omschreven staatsrecht, een bepaald verdrag , waarbij een vorst, wie ook , zich verplichtte de Kerk te beschermen, de ketterij tegen te gaan , met rechtvaardigheid te regeeren en den kerkdijken ban niet te beloopen. Had nu een vorst tegen deze stilzwijgende verbintenissen misdaan, dan moest het Opperhoofd der Christenheid beslissen, of zulk een vorst den ban verdiend had en of zijn onderdanen van hun gehoorzaamheid aan hem ontslagen waren. Volgens de algemeene en standvastige opvatting der Middeleeuwen, die door vorst en onderdaan werd goedgekeurd en aangenomen als een heilige en onschendbare wet, was de Paus het hoofd der christelijke maatschappij. Voor zijn rechterstoel daagde hij vorsten en onderdanen, beslechtte hun geschillen, legde hun geesteljjke
183
straffen op en beroofde hen van hun waardigheid en rechten, â wanneer zij hun ergerlijk leven niet verbeterden. Dat recht hadden de christelijke volkeren zeiven vrijwillig en uit eigen beweging aan den Paus gegeven. Bovendien schonken vele vorsten hun staten als leengoed aan hem, erkenden hem als hun leenheer en zich zeiven als zijn vasallen, wijdden hem ten teeken van hulde hun kroon toe. De Paus bezat dus de gewone rechten van den leenheer tegenover den leenman. In de meeste landen was men bovendien overeengekomen , dat een zoon , die zijn vader op den troon opvolgde, eerst moest beloven, dat hij aan den Katholieken godsdienst getrouw zou blijven. Overtrad hij dien eed, dan verloor hij zijn macht en waardigheid.
Volgens deze beginselen , waaraan niet valt te tornen , moet de handelwijze van Gregorius VII tegenover Hendrik IV, van Innocentius III tegenover Jan zonder land, van Inno-centius IV tegenover Prederik II en van Bonifacius VIII tegenover Philips den Schoonen beoordeeld worden.
De Pausen hebben met Apostolische onverschrokkenheid de Vorsten genoodzaakt hun plichten te volbrengen, maar ook aan de onderdanen voorgehouden gehoorzaam aan het wettige gezag te blijven en de rechtmatige overheid te eerbiedigen zelfs dan , wanneer zij haar plicht verzuimde. Zij hebben de rechten der vorsten , maar ook de vrijheden der volkeren verdedigd. Geschillen tusschen de vorsten hebben zij uitgemaakt en zijn als scheidsrechters opgetreden, na wier uitspraak geen hooger beroep meer was.
quot;Welke waren de macht en de invloed van den Paus als Opperhoofd der Kerk ? Hij was de onfeilbare leeraar, die het geloof verbreidde en tegen de dwalingen verdedigde, de hoogepriester, aan wien de kerkelijke eeredienst zijn ontwikkeling en luister dankte, de Opperherder, die schapen en
184
lammeren met wijsheid en rechtvaardigheid bestuurde. Hij was persoonlijk onfeilbaar, wanneer hij in zaken van geloof of zeden als Opperhoofd der Kerk een uitspraak deed. Heiligverklaring , goedkeuring van kloosterorden, bevestiging van bisschoppen, omschrijving hunner bisdommen waren aan hem voorbehouden. Do bisschoppen moesten den eed van gehoorzaamheid aan den Paus afleggen en op vastgestelde tijden een bezoek bij hem brengen. De Paus was hun hoogste rechter en beriep zoowel algemeene als particuliere kerkvergaderingen , maakte wetten, ontsloeg er van en strafte de overtreders. Hoog was zijn macht, doch niet willekeurig. Innocentius III zeide: Daarvoor heeft God de volheid der macht aan den Apostolischen Stoel gegeven, opdat hij na een nauwkeurige overweging van de verschillende omstandigheden, van personen, zaken, tijden en plaatsen nu eens de gestrengheid beoefene, dan weer de barmhartigheid voortrekke, somwijlen aan de gerechtigheid vrijen loop late, soms genade verleene, naar gelang hij in verschillende omstandigheden nuttig acht op verschillende wijze te handelen.
Wat was de Paus als tijdelijk vorst ? Voor de vrijheid en onafhankelijkheid van den Paus in het bestuur der kerk was het nuttig en noodzakelijk, dat hij een tijdelijk gebied bezat. De goddelijke Voorzienigheid heeft dan ook de gebeurtenissen zoo geleid en geregeld, dat de Pausen tijdelijke vorsten zijn geworden als het ware zonder het te weten en buiten hun toedoen. Niets is zoo duidelijk en onaantastbaar als de wettigheid van hun wereldsch gebied.
Reeds Constantijn de Groote had vele goederen aan de Kerk van Eome geschonken, doch den Paus niet tot soeverein daarover aangesteld. In de vierde en zesde eeuw bezat zij uitgestrekte bezittingen in Europa en Afrika. De Barbaren vielen in Italië, de Longobarden roofden de kerkelijke goe-
185
deren. quot;Wel zochten de volkeren bescherming bij de Byzan-tijnsche keizers en de Pausen zonden om hulp naar Constan-tinopel. Maar te vergeefs. De Oostersche keizers lieten beiden aan hun lot over en bekommerden zich niet om hen. Nu namen de Pausen hun toevlucht tot de Frankische koningen. Pepijn versloeg de Longobarden, nam de geroofde goederen terug en schonk ze als een eeuwigdurend bezit aan den II. Petrus en zijn opvolgers (755). Deze overdracht teekende de koning der Longobarden. Niet voor de Byzantijnen hebben de Franken hun bloed vergoten, zeide Pepijn , maar voor den H. Petrus. Karei de Groote' en later gravin Mathilda deden op nieuw rijke schenkingen aan de Kerk van Rome. De Frankische koningen en rijksgrooten verbonden zich , dat zij den Apostolischen Stoel in het ongestoorde bezit van zijn tijdelijk gebied zouden handhaven.
Rome en de Paus waren de ziel en de bron van het middeleeuwsch godsdienstig leven, van wetenschap, kunst en beschaving. De opvolger van Petrus was het hart, waaruit het levensbloed door de maatschappij stroomde. Door Kerkvergaderingen , door apostolische legaten, door missionarissen, door brieven vol ernst en wijsheid bevorderden zij overal geloof en goede zeden , bestreden de dwalingen en hoofdgebreken van hunnen tijd , verzetten zich tegen de geweldenarijen der vorsten, verbeterden de priesterschap , voerden een onafgebroken strijd tegen twist, woeker, handelsbedrog en roofzucht, verdedigden den Katholieken godsdienst tegen staats-dwang, beeldstormers. Muzelmannen, barbaarschheid, dweperij en simonie. Bij den goeden Herder te Rome vond de arme goud, de zieke genezing, de zwakke sterkte, de bedroefde troost, de verongelijkte recht, de boosdoener straf, de zondaar vergiffenis en de rechtvaardige belooning.
--~-aS584£s=D-.-
186
XLVI. De Kerkelijke Hiërarchie.
De veelvuldige aanvragen , verzoekschriften, rechtszaken en andere aangelegenheden, waarmede de Pauselijke Stoel zich moest bezighouden, leidden tot een vermeerdering der beambten, die den Paus in het bestuur der Kerk ter zijde stonden.
De Kardinalen, die sedert Innocentius IY een rooden hoed droegen, bleven de voornaamste raadslieden van het Opperhoofd der Kerk, namen de gewichtigste gezantschappen op zich , ontvingen den voorrang boven de aartsbisschoppen en bisschoppen en uitgestrekte voorrechten. Van lieverlede werd ook aan bisschoppen buiten Rome het kardinalaat verleend. Bij zeer ernstige vraagstukken riep de Paus geleerde mannen , vooral bisschoppen en kloosterlingen, uit alle deelen der christenheid naar Rome om hun voorlichting te vragen. quot;Waardigheden of ambten van groot gewicht werden alleen aan personen van beproefde deugd en kennis geschonken.
Gelijk de Pausen in dit tijdvak door onberispelijkheid uitblonken, strekten vele bisschoppen der Kerk tot glorie en luister. Wie kent niet Norbertus van Magdeburg, Engel-bertus van Keulen, Anselmus en Thomas van Canterbury, Bernulphus van Utrecht ? Rome zorgde onvermoeid voor het benoemen van vrome en voorzichtige bisschoppen, wees ongeschikte personen af of noopte hen om te bedanken, gaf somtijds aan den wensch der vorsten toe, maar bood hun dikwijls ook krachtdadig weerstand. Heilzame voorschriften gaf Gre-gorius X te Lyon (1274). De bisschop bestuurde met zijn domkapittel, dat in den regel het recht der bisschopskeuze bezat, zijn bisdom. Onder de waardigheidsbekleeders van het kapittel moeten de proost en de deken genoemd worden. Sedert de dertiende eeuw had men titulaire bisschoppen (in
187
partibus infidelium), wijbisschoppen en hulpbisschoppen, die zieke en oude bisschoppen in het bestuur moesten bijstaan.
Zeer uitvoerige voorschriften regelden de plichten der geestelijken van alle graden, hun leeftijd , vereischte hoedanigheden , kennis , deugden , werkzaamheden en bedieningen. Het vermogen, dat zij van de Kerk ontvangen hadden, moest aan de Kerk terugvallen; over andere bezittingen mochten zij vrij beschikken. Zij leefden van de inkomsten der kerkelijke goederen, van tienden, van verplichte rechten of vrije giften der geloovigen. Vele geestelijken leidden een kommervol en armoedig leven.
--â«o=-â.-
XLVI1. De Katholieke Eeredienst.
De godsdienstoefeningen, bijzonder het H. Misoffer, werden met de meeste plechtigheid gevierd om des te dieperen indruk te maken op de ruwe gemoederen en ze door het zichtbare tot het onzichtbare en hemelsche op te voeren. Als zinnebeeld der eenheid gebruikte de Kerk slechts ééne taal, namelijk de Latijnsche. Het was tevens een doelmatig middel om de kerkelijke gebeden on verminkt te bewaren en vaste, duidelijke, bepaalde termen voor de Katholieke geloofswaarheden te behouden.
Tot de dertiende eeuw geschiedde het doopen door onderdompeling , daarna door uitgieting van het water op het voorhoofd.
Langzamerhand kwam bij de leeken het gebruik in zwang de H. Communie alleen onder de gedaante van brood te ontvangen. Dit gebruik ging van de kloosters uit en werd door een kerkelijke wet bekrachtigd. Het vierde algemeene concilie van Lateranen schreef voor, dat de geloovigen ten
188
minste eens in het jaar en -wel omstreeks Pasehen de H. Sacramenten der Biecht en Communie moesten ontvangen (1215).
quot;Wat de boetvaardigheid betreft, liet de Kerk, met de tijdsomstandigheden rekening houdend, reeds sedert de achtste eeuw vele verzachtingen toe. Zij veranderde de strenge boet-plegingen van vroeger in andere werken, die minder langdurig of moeilijk waren : ondersteuning van weduwen en weezen , vrijlating van lijfeigenen, verpleging van zieken, bescherming van pelgrims, bidden, vasten, waken, bedevaarten, aalmoezen, deelneming aan een kruistocht. Reeds in de eerste eeuwen ontvingen de boetelingen op voorspraak der martelaren vermindering van de hun opgelegde straffen.
Dit alles is de oorsprong van den aflaat. Nooit evenwel werd zulk een aflaat toegestaan en afgekondigd dan onder de uitdrukkelijke voorwaarde , dat men eerst door berouw en boetvaardigheid vergiffenis van zijn zonden moest bekomen hebben. Zijn er misbruiken voorgevallen, men mag ze niet aan de Kerk wijten; deze heeft ze altijd veroordeeld en tegengegaan.
Bij het Vormsel gebruikte de bisschop dezelfde woorden als thans en maakte hij een kruis met chrisma op het voorhoofd van den vormeling. Veelal ontving men dit Sacrament, dat men niet gaarne verzuimde te ontvangen, nuchter. De Paus kon aan een gewoon priester volmacht geven om te vormen.
Het H. Oliesel werd in dezelfde ziekte slechts eenmaal toegediend.
Op verschillende algemeene en particuliere kerkvergaderingen vaardigde de Kerk heilzame voorschriften uit, hoe hare bedienaren zich door studie en deugd op de H. wijdingen moesten voorbereiden, waar, wanneer en door wien zij gewijd zouden worden, hoe zij , het zout der aarde en het
189
licht der wereld, de geloovigen door onberispelijklieid van wandel moesten overtreffen en voorgaan, naarmate zij in macht en waardigheid boven hen stonden.
De Kerk trachtte door het vaststellen van huwelijksbeletselen de heiligheid en onschendbaarheid van het huwelijk te bewaren. Vóór het huwelijk moest men gaan biechten. In den besloten tijd (Advent en Vasten) waren geen bruiloften geoorloofd.
Groot was het getal der feestdagen geworden, hetgeen een weldadigen invloed op den toestand der lijfeigenen uitoefende. Maria's Opneming ten hemel, Maria's Geboorte en Maria's Onbevlekte Ontvangenis werden meer en meer algemeen gevierd. De H. Odilo, abt van Clugny, voerde in zijn onderhoorige kloosters den Allerzielendag in (988). Maar de vurigste vereering schonk men aan het allerheiligste Sacrament des Altaars. Juliana, een vrome kloosterzuster te Luik, had een wonderbaar visioen ontvangen. Naar aanleiding hiervan werd H. Sacramentsdag ingesteld en door Paus TJr-banus IV bekrachtigd (1264). De H. Thomas van Aquino schreef de kerkelijke getijden en dichtte de engelachtige lofzangen voor dit feest. Omstreeks de twaalfde eeuw begon men ook het feest der allerheiligste Drievuldigheid te vieren.
Buiten deze algemeene feesten bestonden er nog vele bijzondere in verschillende landen of bisdommen ter eere van een bij zonderen heilige of schutspatroon. Op sommige feestdagen mocht men werken en was er alleen verplichting van Mis hooren.
Tegen het einde der dertiende eeuw werd het jubilé als een boete- en genadetijd ingevoerd. Paus Bonifacius VIII bepaalde , dat ieder honderdste jaar sedert de stichting der kerk van Rome een jubeljaar zou wezen, Clemens VI veranderde dit in vijftig (1343), Urbanus VI in drie en der-
190
tig (1389) en Paulus II in vijf en twintig. (1470). Het bezoek van St. Pieter te Kome werd veranderd ia het bezoeken eener kerk naar verkiezing.
De vereering der Moeder Gods Maria en der Heiligen nam steeds in innigheid en uitgebreidheid toe , vooral sedert Sint Dominicus den rozenkrans ingevoerd en Simon Stock het scapulier ontvangen had. De Zaterdagsche vasten, de Maria-feesten met hun vigilies werden nauwgezet gevierd. Ook de vereering van de overige heiligen , van hun beelden en overblijfselen bloeide. Eeuwen lang hadden de bisschoppen het recht van heiligverklaring , maar om misbruiken te verhoeden werd het in de twaalfde eeuw aan den Paus voorbehouden. Hij ging er eerst toe over na een gestreng en onpartijdig onderzoek, wanneer wonderen de heiligheid van den nieuwen heilige bevestigd hadden. Als de bisschop de relikwieën onderzocht en goedgekeurd had, mochten zij in het openbaar vereerd worden. Voorkomende misbruiken werden door de Kerk met ijver geweerd.
Paus Johannes XXII verordende, dat des morgens het Engel des Heeren geluid zou worden (1327), Calixtus III schreef dit ook voor den middag en voor den avond voor.
In en buiten de kerken werden de veertien staties van den kruisweg opgericht. Het was een algemeene gewoonte in den geest dien kruisweg met Christus te bewandelen en zijn lijden te overwegen. De Pausen schonken aan die godvruchtige oefening vele aflaten.
Algemeen waren ook de bedevaarten naar het Heilige Land , naar de graven der Apostelvorsten Petrus en Paulus te Rome, naar St. Jacobus de Compostella in Spanje, naar mirakuleuze beelden van de Moeder Gods Maria. Zoo ontstond op het einde der dertiende eeuw een beroemde bedevaartsplaats van Maria te Loreto in Italië. Engelen hadden
191
ten jare 1295 het huisje van Nazareth, waar het Woord was vleesch geworden , waar Jezus tot den ouderdom van dertig jaren aan Maria en Joseph onderdanig was geweest, naar Loreto overgebracht.
Door de regeling en de «â oorschriften der Pausen en kerkvergaderingen ontvingen de kerkelijke getijden meer en meer een bepaalden , afgeronden vorm. Leeken namen dikwijls daaraan deel, ook des nachts. Behalve de getijden van den dag bad men het officie van Maria en de getijden der overledenen.
XLVill. Da Wetenschappen in de Middeleeuwen.
In de eerste eeuwen na de bekeering der Germaansche volkeren tot het Christendom verrieden de hoogere standen onder hen nog weinig neiging tot de beoefening der wetenschappen. De lijfeigenen moesten werken, de poorters dreven handel , de edelen brachten hun tijd door met jacht, spel of oorlog.
De wetenschappen werden dus bijna uitsluitend door de geestelijken , vooral door de monniken, met name de Benedictijnen , beoefend. Tot de uitstekendste geleerden behoorden : llabanus Maurus van Fulda (y 856), Walafridus Strabo (f 8-19), ïfotker Labeo te St. Gallen (f 1022) , de redenaar, dichter, wijsgeer en godgeleerde Alcuinus en Eginhard, Beroemde abdijen met scholen waren : Monte Cassino in Cam-panië , Fulda , Corvei, lieichenau in Duitschland , St. Gallen in Zwitserland. Deze scholen telden zeer vele leerlingen uit den adelstand. Men onderwees er de zeven vrije kunsten: De taalkunde, de welsprekendheid, de redeneerkunde, de rekenkunde, de muziek , de meetkunde en de sterrenkunde.
192
De Benedictijnen bezaten een zeer goede metbode van onderwijzen : ordelijk , geleidelijk , duidelijk en praktisch , van het mindere tot het meerdere , eerst de beginselen, dan de toepassingen , eerst het nuttige , dan het aangename. Latijn, Grieksch en Christelijke leer waren de voornaamste leervakken voor eerstbeginnenden.
Vooral Karei de Groote heeft zich voor den bloei der christelijke wetenschap zeer verdienstelijk gemaakt. Hij vaardigde rijkswetten uit voor het onderwijs, stichtte scholen en verzamelde de geleerdste mannen uit alle oorden des rijks, vestigde een hofscbool in zijn paleis te Aken, waar de zonen zijner grooten en ambtenaren onderwezen werden en gaf zelf een voorbeeld in het beoefenen der wetenschap.
Men had in de Middeleeuwen drie soorten van scholen : Kapittel-, parochie- en kloosterscholen. Hieruit ontwikkelden zich langzamerhand de universiteiten , waardoor het wetenschappelijk leven tot een ongekenden bloei werd opgevoerd. Uitsluitend de geestelijkheid mag aanspraak maken op de stichting en het behoud dezer scholen. De Pausen begiftigden ze met rijke middelen en gunsten. Uit alle standen en uit alle streken stroomde de jongelingschap daar samen om haren dorst aan de bronnen der goddelijke en menschelijke wijsheid te lesschen. Men onderwees er godgeleerdheid, wijsbegeerte, rechtsgeleerdheid en geneeskunde. De proefondervindelijke wetenschappen werden geenszins uitgesloten. Tegen het einde der veertiende eeuw waren er 46 universiteiten. Salamanca, Cambridge , Oxford , Montpellier , Salerno , Toulouse, Napels, Padua krioelden van studenten ; Parijs telde er ongeveer 20.000, Bologna 13.000, Praag klom tot 36.000 met 700 leeraren.
Op het gebied der godgeleerdheid ontstond een streven om de geopenbaarde geloofswaarheden met behulp der wijsbegeerte volgens het systeem van den Griekschen wijsgeer
193
Aristoteles (f 322 v. Chr.) te bewijzen, te verklaren, te ordenen en te verdedigen. Men noemde deze richting de scholastiek. Geleid en beheerscht door het geloof heeft zij onschatbare diensten aan de kerkelijke wetenschap bewezen , maar ontaardde later gedeeltelijk in beuzelary en spitsvondigheid. De oudste scholastieken waren St. Anselmus van Canterbury (j 1109), Petrus Lombardus , aartsbisschop van Parijs (f 1164), en Johannes van Salisbury. Onder hen hebben uitgemunt; St. Thomas van Aquino, de Engelachtige Leeraar (f 1274), de zalige Albertus de Groote (f 1280) en Vincentius van Beauvais (f 1264) uit de Predikheerenorde; de Franciscanen Alexander Hales (f 1245), St. Bonaventura (f 1274), Johannes Duns Scotus (f 1308) en Roger Baco (f 1294).
Naast de scholastiek bloeide de mystiek. De volgelingen dezer richting zochten de waarheden des geloofs met hun verstand rustig te beschouwen , met hun hart innig te beminnen en door hun daden in beoefening te brengen. Zij ontaardde later bij sommigen in een ziekelijke gevoelsgodsvrucht en uiterlijke vroomheid. De voornaamste mystieken waren : St. Bernardus van Clairvaux (f 1153), de Franciscaan Berthold van Regensburg (f 1272), de Augustijnen Hugo en Richard van St. Victor, meester Ekhard van Keulen (f 1329), de Dominicanen Johannes Taulerus (f 1361) en Henricus Suso (f 1365), verder Thomas a Kempis, die de Navolging van Christus schreef, en de H. Maagden St. Hildegardis, Mech-tildis, Geertruida, Katharina van Siëna en Brigitta.
Door de kennis van het kerkelijk recht muntten uit: Ivo van Chartres (f 1116), Gratianus van Chiusi, de H. Ray-mundus van Pennafort (f 1275) en St. Antoninus, aartsbisschop van Florence (f 1459).
G. 13
194
De gewijde schriften van het Oude en Nieuwe Testament waren voor velen een geliefkoosde studie. Hugo van St. Caro (f 1260) en Mcolaas van Lyra (f 1341) waren vermaarde schriftuurverklaarders. Na hen begon men den grondtekst van den Bijbel te bestudeeren en legde zich daarom op een grondige kennis der Oostersche talen, vooral van Hebreeuwsch en Grieksch, toe. De Kerk steunde dit streven naar vermogen (concilie van Vienne 1311). Nog vóór den tijd der Hervorming verschenen bijbeloverzettingen in de meeste levende talen, wier verspreiding onder het volk de boekdrukkunst zeer vergemakkelijkte. Men had ook de zoogenoemde bijbels der armen, een geschiedenis des bijbels in platen voor ongeletterden.
In de Middeleeuwen droeg de wetenschap bij voorkeur een godsdienstig en kerkelijk karakter. Maar in de vijftiende eeuw verviel zij in handen van lieden , veelal leeken, humanisten genaamd, die zich met de borst op de studie der oude heidensche schrijvers van Grieken en Romeinen toelegden. Deze geleerden hebben groote verdiensten, omdat zij de grondige en welgeordende kennis der oude klassieken zeer bevorderden. In zoover werden zij door Pausen, bisschoppen en priesters krachtdadig gesteund. Maar spoedig ontaardde hun richting in de zoogenaamde renaissance, dat is, wedergeboorte van het heidendom, een streven om heidenschen godsdienst, heidensche wetenschap , heidensche kunst weder ten troon te verheffen. En dit heeft de Kerk onverholen veroordeeld. Een vermaard humanist was Erasmus van Rotterdam (f 1586). Hij en zijn geestgenooten zijn de voorloopers en wegbereiders der Hervorming.
19:;
XLIX. De christelijke kunst in de Middeleeuwen.
Een zonneklaar bewijs voor het innige geloof en de hooge ontwikkeling der Middeleeuwen zijn de heerlijke kunstwerken, die zij op elk gebied hebben opgeleverd. Kerken, kapellen en huizen waren daarmede versierd. De geloovigen schonken daarvoor steeds milde bijdragen. En omdat wij zulk een levendig, algemeen verspreid geloof niet meer bezitten, omdat aan een groot gedeelte der hedendaagsche maatschappij de godsdienst ontrukt is, daarom kunnen wij met al onze ontwikkeling en verlichting zulke kunstvoortbrengselen niet meer tot stand brengen. Wij bouwen niet meer de kerken van vroeger.
Daar een groot aantal van heidensclie liederen en gezangen bij de zanglustige Germaansche volksstammen langen tijd na hun bekeering tot het Christendom voortleefden , was het de roeping van de christelijke dichtkunst die overblijfselen van het heidendom te vernietigen en door christelijke liederen te vervangen. Tot in het midden der twaalfde eeuw werd de dichtkunst bijna uitsluitend door geestelijken beoefend. Het leven van Christus , de allerzuiverste Maagd en Moeder Gods Maria , de patroonheiligen waren veelal het onderwerp hunner gedichten. Wij noemen hier den Saksischen Heliand, de Evangeliënharmonie van Ottfried van Weissenburg (850), de Maria-legenden en de verzen der non Roswitha van Ganders-heim (f 967). St. Bernardus vervaardigde zijn overheerlijke liederen op den zoeten Naam Jezus, St. Thomas van Aquino op bet aanbiddelijk Altaarsacrament. De Franciscaan Thomas van Celano dichtte het Dies iraj, zijn ordebroeder Jacopone da Todi het roerend Stabat Mater, Dante Alighieri de Divina Comedia.
Kerk en tooneel waren in de Middeleeuwen innig aan
196
elkander verbonden. Tegen de twaalfde eeuw ontstonden de mysteriespelen. Op hooge feestdagen voerden geestelijke of aan den kerkelijken dienst verbonden personen in de kerk zelve geschiedenissen uit het Oude of het Nieuwe Verbond op, inzonderheid uit het leven des Zaligmakers of dat der Heiligen, overeenkomstig de gevierde plechtigheid om deze duidelijker te verklaren en nog dieper in het geheugen der geloovigen te prenten. Aanvankelijk geschiedde dit in de taal der Kerk, later in de volkstaal.
Vermelden wij nog de Geuzenliederen en Souterliederen, krachtige en oorspronkelijke volksliederen, maar vol spot, haat en venijn tegen het Katholieke geloof. Zij waren een gereed middel in de handen der Geuzen om de Kerk in een verkeerd licht te stellen en de hervorming in te voeren.
Paus Gregorius de Groote ondernam de verdere ontwikkeling der kerkelijke zangkunst en werd de grondlegger van den nog heden gebruikelijken Gregoriaanschen choraalzang. Hij vermeerderde de vier Ambrosiaansche kerktonen tot acht, schonk ons het eerste notenschrift, de zoogenaamde neumen, en verzamelde de liturgische gezangen, deels door hem zeiven vervaardigd, deels verbeterd, in één boek. Te Rome stichtte hij een zangschool, wier leerlingen den Gregoriaanschen zang in alle landen verspreidden.
Karei de Groote ontbood Italiaansche zangers, stichtte in steden en kloosters zangscholen en beval de invoering van den Gregoriaanschen zang in al de kerken van zijn uitgestrekt rijk. Het gebruik van orgels bij de godsdienstoefeningen nam meer en meer toe.
Ijverige monniken beschaafden verder den kerkzang, vonden het notenschrift uit en zochten naar de wetten der toonzetting. Guido van Arezzo (f 1036), een Italiaansche kloosterbroeder, verbeterde het notenschrift en voerde de
197
notennamen Ut, re , mi, fa , sol, la in , ontleend aan een hymne op den H. Johannes den Dooper.
Na hem kwam de meerstemmige muziek van lieverlede in zwang tegenover het eenstemmige Gregoriaansch.
Sedert het begin der veertiende eeuw schitterden de Nederlanders in de toonkunst uit; hun beste zangers en muzikanten bevonden zich aan het pauselijk hof te Avignon, Te Kome zelfs werd later de pauselijke kapel met Nederlanders bezet; zij beheerschten bijna twee eeuwen de muziekwereld.
De bouwkunst bereikte wel niet uitsluitend , maar toch voornamelijk in den dienst der Kerk, een ongeëvenaarde hoogte. Men onderscheidt in dit tijdvak drie kerkelijke bouwstijlen : den Byzantijnschen, den Romaanschen en den Gothi-schen stijl.
De Byzantijnsche stijl ontwikkelde zich, gelijktijdig met de quot;Westersche basilica, in het Byzantijnsche rijk. De hoofd-kenteekenen zijn: De deelen zijn rondom een middenpunt gerangschikt; een koepelgewelf is de gewone bedekkings-vorm der voornaamste ruimten. De wanden en pijlers bekleedde men met bont marmer, de gewelven, halfkoepels en missen met schitterende mozaïekbeelden. De voeten en kapi-teelen der zuilen, de deur- en vensterlijsten, de leuningen en galerijen, de friezen en kroonlijsten waren van marmer en met sieraden overdekt. De St. Vitale te Ravenna, de St. Sophiakerk te Constantinopel (6 eeuw), de Munsterkerk te Aken en de kapel van het Valkhof (8 eeuw) te Nijmegen zijn prachtige gedenkteekenen van den Byzantijnschen stijl.
De christelijke basiliek beleefde een reeks van gedaantewisselingen en werd verder uitgewerkt omtrent de behoeften van tijd en plaats. Zoo ontstond tegen de tiende eeuw de Romaansche stijl. De rondboog bleef heerschend , al kwamen
198
er later ook spitsbogen voor. Rijk aan verscheidenheid was de versiering der kapiteelen, smaakvolle kelkvormen of teer-lingkapiteelen , rijk met beeldwerk , met wonderlijke dieren-en menschengestalten versierd. De lichte rondboogfries, welke langs de muurvlakten liep , was karakteristiek. Al de deelen van het gebouw , vooral het hoofdportaal in den hoofdgevel, worden prachtvol versierd ; bloemen en bladeren wisselen af met lijnornamenten ; dieren- en menschenlichamen, gedrochten van allerlei aard , verschijnen , deels van diepe zinnebeeldige beteekenis, deels eenvoudig uitvinding der verbeelding. Het zoogenaamde roosvenster vond men somwijlen boven het hoofdportaal.
In de elfde en twaalfde eeuw heerschte er een overgangsstijl , zoo genoemd , omdat hij tusschen het Romaansch en het Gothisch ligt.
Maar dan ontwikkelde zich in al haar pracht de Gothiek, wier hoofdkenmerk de spitsboog is. Haar karakter is lichtheid , vrijheid, koenheid. Zij streeft stout omhoog en wil met haar spitsen de wolken doordringen. In Frankrijk ontstaan , werd zij in Duitschland volmaakt. Het priesterkoor wordt door een omgang en een krans van kapellen omringd, die evenals de altaarnis veelhoekig, niet rond zijn. De kerk heeft soms drie, soms vijf beuken, niet gedrukt, maar hoog. De zuilen en pijlers schieten slank op als boomstammen. Zij loopen boven in straalvormig uit elkander gaande ribben en gordels uit. De kapiteelen zijn met sierlijk bladerwerk omwonden. Hooge vensters in verschillende vormen, gesloten met doorschijnende glasschilderingen, doorbreken de muurvlakten. Grootsch is de gansche bouw met zijn sierlijke gevelspitsen , zijn tallooze torentjes, in kruisbloemen uitloo-pende, zijn ranke torens aan de westzijde, van boven uit doorzichtig steenen staafwerk gevormd, zijn portalen, met
199
beelden van Heiligen en Bijbelsche voorstellingen versierd. Het was regel, dat de kerk met het priesterkoor naar het Oosten gericht werd.-
De Keulsche dom, de Notre-Dame te Parijs, de kathedralen van Eheims en Amiens , de hoofdkerken van Ulm en Stratsburg, de St. Maartensdom te Utrecht en de St. Jan te 's Hertogenbosch zijn prachtstukken van den Gothischen stijl.
De beeldhouwkunst van het Romaansche tijdvak hield geen gelijken tred met de bouwkunst. Zij was bijna uitsluitend kerkelijk. De Kerk nam niet alleen alle kunsttalenten in haren dienst, maar zij liet ook de grootste speelruimte. Daar waren koorgestoelten, altaren, preekstoelen, doopvonten, portalen , banken , gevels met beeldenversiering, beelden van Christus, de Moeder Gods, de Heiligen, personen uit het Oude Verbond of het heidendom. Zon , maan , jaargetijden , maanden , stroomen , deugden , ondeugden , wetenschappen en bedrijven werden zinnebeeldig voorgesteld. Nochtans hebben de beelden uit het Komaansche tijdvak met hun langgerekte, verwrongen lichamen, hun lage voorhoofden en kleine oogen dikwijls iets stijfs en onnatuurlijks.
Van groote beteekenis zijn de werken der ivoorsnijkunst b. v. op jachthoornen, bekers en boekbanden en de metaalgieterij. Ook komt er steenen beeldhouwwerk tot opluistering der kerkgebouwen voor.
Den overgang van de beeldhouwkunst tot de schilderkunst vormt het smaltwerk. Veelal diende tot grond een â¢metalen voorwerp. Men bedekte de oppervlakten daarvan met smeltglas in de meest verschillende kleuren, met kostbare edelgesteenten, juweelen en kameeën. Kleine altaren, boek-deksels, kelken, wierookvaten, relikwiekasten werden zoo versierd.
Eerst in de dertiende eeuw nam de beeldhouwkunst door
200
den beroemden Nicolaas van Pisa een nieuwe vlucht. Het Grothische beeldhouwwerk in steen, hout of metaal bloeide, openbaarde een verbazende scheppingskracht en jeugdige frisch-heid en overtrof, wat zuiverheid en adel van stijl betreft, alle soortgelijke werken der Middeleeuwen. Frankrijk, Duitschland, Engeland en Nederland wedijverden met elkander, wie het edelste beeldwerk tot opluistering zijner tempels kon voortbrengen.
De schilderkunst trad van den beginne in den dienst der Kerk. In het Eomaansche tijdvak waren mozaïek- en muurschildering zeer gebruikelijk niet enkel in groote godshuizen, maar ook in kleine dorpskerken. De miniatuurschildering, dat is, penteekeningen in kleuren, vooral in gebeden- en zangboeken, had een schitterende ontwikkeling door de vlijt van kunstvaardige kloosterbroeders. Het schilderen op paneel met olieverven was een uitzondering en kwam eerst tegen de veertiende eeuw in zwang.
Ook in het Gothische tijdvak overdekte men wanden, pijlers en gewelven der kerken i^et muurschilderingen. Deze werden dikwijls met lijm en eiwit op natten kalk aangebracht en vormden dan een harde korst (frescoschildering). De glasschildering bereikte een ongekende hoogte. Had men reeds in het vorige tijdvak de kleine vensters met glasschildergen versierd, thans ontwaakte de lust daartoe veel sterker , nu de breede en hooge Gothische vensters ruimte en gelegenheid voor omvangrijke tafereelen aanboden. Die geschilderde glazen moesten de buitenwereld afsluiten en alleen een geheimzinnig , getemperd licht, dat stemde, doorlaten. De verven werden op kleurloos glas gebracht en er in gebrand. De Middeleeuwen overtreffen ons ver in deze kunst.
De miniatuurschildering bleef niet achter en beleefde haren hoogsten bloei in de veertiende en vijftiende eeuw.
201
Schilderingen op paneel dienden tot altaarstukken of tot luiken voor altaarkasten.
In Nederland, Duitschland en Italië nam de schilderkunst een hemelsche vlucht. Men denke hier aan meester quot;Wilhelm en meester Stephan uit de Keulsche school (f 1451), aan de gebroeders Van Eyck, aan Rogier van der quot;VVeijden , aan Hans Memlinc, aan Quinten Massijs en Lucas van Leiden uit de Vlaamsche school, aan Fra Angelico en Fra Bar-tolomeo uit de Toscaansche school.
De weverij en stikkerij moest kostbare gewaden voor den kerkdijken eeredienst leveren. Zij werden uit zijde, atlas, damast of brocaat vervaardigd en met beelden van Christus of der Heiligen overdekt. Dit stikken en borduren was het werk der nonnen in de vrouwenkloosters of van vrome vorstinnen en adellijke vrouwen.
L Het godsdienstig leven der Middeleeuwen.
Het was de Katholieke Kerk niet gegeven de volken van Europa in ongestoorde rust en vrede tot christenen en beschaafde menschen te vormen. Onophoudelijke oorlogen, familieveeten, roof- en strooptochten van woeste volksstammen, zooals de Hunnen en de Noormannen, belemmerden haar verheven opvoedingswerk. Wie meent, dat de middeleeuw-sche maatschappij altijd in harmonie met de Kerk leefde, vergist zich deerlijk. Haar leer, haar tucht, haar priesters, haar invloed werden voortdurend bestreden. De oude zuur-deesem van het Germaansche heidendom , het bijgeloof, de ongetemde hartstochten, de barbaarschheid, kwamen aanhoudend boven. Vele dwalingen onzer eeuw vinden wij onder andere vormen in de Middeleeuwen terug. Slechts één ver-
202
schil is er met onzen tijd : thans heeft men met de zeden ook het geloof verloren, toen behield men ten minste het geloof, al waren de zeden minder loffelijk. Het juiste, onpartijdige oordeel over de Middeleeuwen ligt dus in het midden : zij waren geen tijd van duisternis en onwetendheid, maar ook geen tijd, waarin men uitsluitend ontwikkelde en deugdzame menschen vond. De Kerk beantwoordde steeds en overal aan haar roeping om het kwaad op elk gebied te bestrijden en uit te roeien, om godsdienst, deugd , wetenschap en beschaving te verbreiden.
De roofzucht, vooral van vele edelen, was een voorname reden van menigvuldige misdaden ; niet minder waren dit het vuistrecht en de erfveeten. Volgens het Germaansche vuistrecht meende een ieder, dat hij zijn eigen rechter en wreker mocht zijn, dat zijn vrienden en verwanten hem mochten helpen om zich recht te verschaffen en wraak te nemen. Strijdlustige en hebzuchtige edelen of roofridders overvielen onverwachts en onder de nietigste voorwendsels burchten, steden en dorpen om ze te plunderen en te verwoesten. Hun kasteelen waren dikwijls niets anders dan rooversholen. Zij loerden op weerlooze reizigers of kooplieden, schudden hen uit en wierpen hen in den kerker om hun een losprijs af te persen. Aan zulke jammerlijke toestanden trachtte de Kerk een einde te maken door den godsvrede. Fransche bisschoppen voerden hem het eerst in (1031). Zoo waren b. v. alle bovengenoemde geweldenarijen streng verboden tusschen zonsondergang van iederen Woensdag en zonsopgang van den volgenden Maandag, gedurende den ganschen Advent tot na Driekoningen en gedurende de veertigdaagsche Vasten tot na Beloken Paschen. quot;Wie dit gebod overtrad, viel in den kerkelijken ban. Verstandige vorsten ondersteunden dezen godsvrede.
Een eigenaardig verschijnsel der Middeleeuwen waren de
203
Ordaliën of godsoordeelen. Men onderwierp hen, die men van misdaden betichtte, aan zekere, meestal zeer pijnlijke proeven om hun schuld of onschuld te bewijzen. Men meende daarin een uitspraak, door God zeiven gedaan , te zien, daar God niet zou toelaten, dat een onschuldige onrechtvaardig veroordeeld werd. De meest gebruikelijke van deze proeven waren : de vuurproef, de heete of de koude waterproef, de kruisproef, de gewijde bete, de avondmaalsproef en het tweegevecht. Daar de Kerk deze oorspronkelijk heidensche Ordaliën niet geheel en al kon uitroeien, nam zij ze onder haar toezicht en leiding om misbruiken en noodelooze wreedheden te voorkomen.
Grove overtredingen tuchtigde de Kerk met strenge straffen , die dikwijls burgerlijke gevolgen na zich sleepten. Zoo had de kerkelijke ban veelal ook een soort van rijksban ten gevolge en werd de gestrafte vogelvrij verklaard. Op steden, landen of gewesten , die zich hardnekkig tegen de Kerk bleven verzetten, legde zij het interdikt. Dan mochten er geen openbare godsdienstoefeningen gehouden , buiten het Doopsel en het H. Oliesel geen Sacramenten toegediend en de klokken niet geluid worden.
Al groeide er onkruid op den akker der Kerk, het goede koren had verreweg de bovenhand. Het mosterdzaadje was tot een breedgetakten boom opgegroeid. quot;Wie denkt hier niet aan de tallooze heiligen uit alle standen, rangen, kunnen , leeftijden en volksstammen , die de Kerk Gods verheerlijkten en buiten hun eigen zaligheid het zieleheil van ontel-baren bewerkten ? St. Lodewijk, St. Elisabeth en St. Ste-phanus op den vorstentroon, St. Willibrordus en St. Bonifa-cius als geloofsverkondigers, St. Bruno en St. Bernardus in het beschouwende leven , St. Dominicus en St. Franciscus als geloofsverdedigers, de H. Anselmus, de H. Thomas van
204
Canterbury als bisschoppen , de H, Thomas van Aquino en de H. Bonaventura als geleerden, de H. Clara en de H. Catharina van Siena als maagden, Gregorius VII en Inno-centius III als pausen hebben door het geloof, dat door de liefde werkt, overwonnen , de gerechtigheid beoefend en de eeuwige gloriekroon verworven. Wie denkt hier niet aan de ontelbaren, die in de verschillende kloosterorden de drie geloften van gehoorzaamheid, armoede en zuiverheid beoefenden en door een geheele opoffering van zich zei ven naar een volkomen liefde tot God en tot de menschen streefden ? quot;Wie dankt hier niet aan de onafzienbare scharen van ridders en lijfeigenen , die vrienden, magen en bezittingen verlieten om in verre gewesten ter kruisvaart te gaan en hun leven voor het geloof te offeren ? En wie toont grootere liefde dan die zijn leven geeft voor zijn Heer en Meester? quot;Wie denkt hier niet aan de edele mannen, die zich door een gelofte verbonden , dat zij desnoods zeiven in den kerker zouden gaan om een armen slaaf te bevrijden ? Hier mogen wij ook de talrijke instellingen van liefdadigheid niet voorbijzien. Kloosters en abdijen brachten overal troost, hulp en ondersteuning aan armen, zieken en noodlijdenden. Paus Innocentius bedeelde dagelijks meer dan 8000 armen, Clairvaux soms 10000 op één dag, Heisterbach wel 15000. In de steden verrezen overal gast-, vreemdeling-, wees- en leprozenhuizen, door de milddadige geloovigen uit een ruime beurs gesteund. Godsdienstzin was de drijfveer van rijke beschikkingen tot vrijmaking van lijfeigenen , tot ondersteuning van arme studenten , tot het bouwen van kloosters en kerken. Bij twist en veeten trad de priester, de man des vredes, op om de partijen met elkander te verzoenen.
'tls of de uitersten van deugd en ondeugd elkander in die krachtvolle, maar ruwe en jeugdige maatschappij telkens
205
raakten. De hoedanigheden, zoowel ten goede als ten kwade, openbaarden zich in hun volle, ongetemde drift. Naast voorbeelden van de reinste godsvrucht, van volmaakte zelfopoffering en wereldverachting vindt men wandaden van onbegrijpelijke bandeloosheid en hartstochtelijkheid. Naast het edelste, godsdienstige leven ziet men dweepzucht en bijgeloof, tot de uiterste grens gedreven. Op de afschuwelijkste zonden volgt eensklaps de heldhaftigste boetvaardigheid. Heden sloeg men de heiligschendende hand aan al wat heilig was, morgen ging men voor dat heilige sterven. Maar alle lagen der maatschappij waren van geloof doortrokken; dat geloof bloeide door de liefde , die liefde droeg vruchten in werken.
Drie zaken droegen onnoemlijk veel bij om de middel-eeuwsche maatschappij te veredelen : de verheffing der vrouw, het ridderwezen en de gilden.
De hooge plaats, die aan de vrouw gegeven werd, is aan het Christendom toe te schrijven. De vrouw bezat gevoel van zelfwaarde, zij genoot eerbied en achting, het huiselijk leven werd bevorderd, het kind ontving een behoorlijke, godsdienstige opvoeding naar ziel en lichaam , de eenheid en onverbreekbaarheid des huwelijks werd door de strengste kerkelijke straffen gehandhaafd. Een vrouw immers was uitverkoren om de Moeder Gods te worden; wie zou haar dan niet eeren ?
Het ridderwezen was een ander middel om den woesten Germaanschen geest te veredelen. De ridderslag werd met kerkelijke zegeningen en plechtigheden alleen aan ridders toegediend , welke zich die eer door adel van karakter en onbesprokenheid van wandel waardig toonden. De nieuwe ridder beloofde trouw aan God en aan zijn vorst. Bovendien nam hij bijzondere verplichtingen op zich, b. v. om de zwakken en weerloozen te beschermen en de ongeloovigen te bestrijden.
206
De ridderschap werd dus geheiligd door den godsdienst, die aan de strijdzucht van den mensch een hooger doel gaf.
De gilden, die den godsdienst tot grondslag en richtsnoer hadden, verbonden de leden door den band van eendracht, samenwerking en broederschap, vormden hen tot degelijke, trouwe werklieden in hun vak, stelde hen onder de bescherming van den patroonheilige. Zij leerden den werkman, zoowel meester als knecht, plichtsvervulling , arbeidzaamheid , spaarzaamheid, eerlijkheid en vakkennis.
Wij mogen dus de Middeleeuwen vergelijken bij een majestueuzen dom , die naar den hemel omhoog rijst. Daar brandt het Eeuwige Licht voor Jezus Christus in het H. Sacrament, het zinnebeeld van het geloof; daar rijzen de slanke torens omhoog, het teeken der hoop op een beter leven; daar knielen allen neer om het woord Gods te hooren en gespijzigd te worden met het Goddelijk Vleesch en Bloed des Heeren, de bron der liefde, die allen tot één christelijk huisgezin vereenigt.
207
YIERDE TIJDYAK.
Van de HerTorming tot op onzen tijd. 1500 â 1900.
LI. Oorzaken van het ontstaan en de verspreiding der Hervorming.
In het begin der Middeleeuwen vond de Kerk in Europa ruwe, onbeschaafde volksstammen, aan het einde derzelven is de Europeesche maatschappij door haar geheel en al veranderd en omgeschapen. Toch waren er misbruiken, die de Hervorming of het ontstaan van het Protestantisme veroorzaakten.
Het beginsel van het gezag was geschokt, de geest van verzet zoowel tegen de geestelijke als de wereldlijke overheid heerschte onder het volk. Vele vorsten , ontrouw aan Kerk en keizer, hongerden, hetzij uit hebzucht, hetzij uit armoede, naar de rijke kerkelijke goederen om daarmede hun berooide kas te vullen, hun driften te voldoen of aan uitspattingen zich over te geven. Zij wilden onbeperkt keizer en paus in hun land zijn, ontnamen aan het volk de oude vrijheden] en maakten het ontevreden. De aanslagen der Hohenstaufers en van Filips den Schoonen hadden den invloed van het Pausdom op de christenheid veel verminderd. De verplaatsing van den Pauselijken Stoel naar Avignon en de Westersche scheuring hadden dit kwaad niet verbeterd , maar verergerd. De pogingen van een zekere partij op sommige concilies der vijftiende eeuw om de macht van den Paus te beperken werkten zeer verkeerd. Wel was de eenheid der Kerk weer hersteld, maar de geest van verzet en ontkenning was bij
208
velen gebleven. Italië werd verbrokkeld in tal van kleine republieken, door kleine dwingelanden bestuurd, die zich om het Pauselijk gezag, om de rechten en belangen van Rome niet bekommerden, maar in hun gebied deden wat zij verkozen. Daarbij kwam de verderfelijke invloed der Renaissance. De levensbeschouwing en dientengevolge de levenswijze , was luchtig, lichtzinnig en zinnelijk. Men wilde zich niet meer door het onfeilbaar leergezag der Kerk laten voorlichten en leiden, maar zelf met zijn eigen feilbaar verstand onderzoeken en beslissen , wat men moest gelooven en wat men moest doen om zalig te worden. Luther en andere hervormers ondermijnden de grondslagen, waarop de gansche christelijke maatschappij in de Middeleeuwen steunde; zjj verwierpen het gezag der Kerk, gelijk het in de priesterschap vertegenwoordigd was. Ieder mensch was zijn eigen leeraar, zijn eigen rechter over goed en kwaad, hij moest zelf maar den Bijbel lezen en daaruit zoeken, wat hij goedvond. Er waren er zoo velen, verarmde vorstjes, gelukzoekers , het schuim en uitvaagsel der maatschappij, menschen , te lui om te werken, die begeerige oogen sloegen op de goederen van kerken en kloosters. Eindelijk wilde men aan zijn ongeregelde hartstochten voldoen en genieten, wat men genieten kon. quot;Welnu, de zoogenaamde Hervorming moest als voorwendsel dienen om straffeloos en onder den schijn van recht aan deze drievoudige begeerlijkheid den vrijen teugel te geven.
De uitvinding van het buskruit maakte het oorlogvoeren veel gemakkelijker. De boekdrukkunst was een middel om de dwalingen spoedig over de wereld te verspreiden. De ontdekking van Amerika vermeerderde den lust tot avonturen en rooven.
De kerkelijke tucht was hier en daar verslapt. Sommige
209
geestelijken muntten niet nit door priesterljjke deugd en lieten hun licht niet voor de wereld schijnen , de nieuwe leer was voor vele kleine tirannen een middel om willekeurig over het geweten hunner onderdanen te regeeren. De Hervormers beloofden vrijheid van geweten, veroordeelden den â geloofsdwangquot; der Katholieke Kerk , stelden haar leer, sacramenten , wetten, eeredienst en geestelijkheid in een bespottelijk daglicht in straatdeunen , spotprenten, vlugschriften en hekeldichten. Een menigte valsche voorspiegelingen werden aan het goedgeloovige volk gedaan , een menigte vooroordeelen in zijn ontvankelijk gemoed gezaaid. Men stelde het vrijheid van denken en handelen, een algemeen priesterschap, verwijdering van de misbruiken, afschaffing van de biecht, van het vasten , van het celibaat en van de kloostergeloften voor. Iedereen mocht den Bijbel lezen, uitleggen en prediken. Aan de mindere standen , die door de hoogerc dikwijls verdrukt werden , beloofde men gouden bergen van vrijheid en welvaart , wanneer zij de nieuwe leer omhelsden. Zoo werden de menschelijke hartstochten, vooral het eigenbelang, gestreeld en geprikkeld door de eerste hervormers. Deze waren geleerd , sluw , voor hun taak wel berekend en geoefend om het volk zand in de oogen te strooien. Zij toonden groote scherpzinnigheid in de keuze hunner middelen. Nu eens met geweld, dan weder met list rukten zij het volk van de Katholieke Kerk los, beriepen zich op aen Bijbel, veinsden aan het ware geloof vast te houden, verminkten en verdraaiden de Katholieke leer en schilderden de geestelijkheid met de zwartste kleuren.
Zoo ontstond en verbreidde zich de Hervorming, die tot heden zooveel rampen over de Kerk gebracht heeft. De stormen overvielen haar; maar zij stond vast, omdat zij op de G. 14
210
rots gebouwd was. Hare jeugd werd als die van den arend vernieuwd.
LM. Luthers afval van de Kerk.
Er was slechts weinig noodig , alleen een geringe aanleiding , om het oproer tegen het door God gestelde oppergezag der Kerk te doen uitbreken. Iemand moest de lont in het kruit werpen. De aflaatprediking, welke Paus Leo X (1513â1522) voorschreef, was deze aanleiding. liet is de overoude leer der Kerk, dat de tijdelijke straffen, welke na de kwijtschelding der zonden nog overblijven, geheel of gedeeltelijk door aflaten uitgewischt kunnen worden. Om een aflaat te verdienen moet men de voorwaarden, door de Kerk gesteld, vervullen, b. v. de H. Sacramenten ontvangen of een goed werk verrichten. Zulk een goed werk, door Paus Leo aangewezen en met een aflaat verrijkt, was een bijdrage voor de kosten , welke de bouw der St. Pieterskerk te Rome vorderde.
De prediking van dezen aflaat in Duitschland droeg de Paus aan den Dominicanerpater Johannes Tetzel op. Tetzel was een deugdzaam en geleerd priester, onberispelijk van zeden. Hij verkondigde den aflaat volgens de leer en in den geest der Katholieke Kerk en vorderde vóór alles een waardige biecht en een oprecht berouw. Verder moest ieder naar zijn vermogen bijdragen en door gebed en vasten aanvullen , wat hem aan geld ontbrak. Alle misbruiken, welke men Tetzel later aangewreven heeft, berusten op den haat zijner vijanden en zijn louter verdichtsels.
Tegen Tetzel, die in het aartsbisdom Maagdenburg den aflaat predikte , verhief zich Maarten Luther, een Augustij-
211
nermonnik , die toen professor aan de Universiteit van quot;Wit-temberg was. Den 10 November 1483 te Eisleben geboren, trad hij 1505 tegen den wil zijns vaders in de orde der Augustijnen te Erfurt, waar hij de H. Priesterwijding ontving. Kort daarna riep hem de keurvorst van Saksen als professor naar Wittemberg. Hier legde hij zich met de borst op de studio toe en onderhield met allen ijver de strenge regels zijner orde.
Luther was een man mot veel talenten , maar met een onstuimigen geest en een hartstochtelijk, zwartgallig gemoed. Plij werd beheerscht door zijn overprikkelde, ziekelijke verbeelding , niet geleid door het kalme oordeel van een gezond verstand. Door gewetensangsten en een overdreven ascese verviel hij tot moedeloosheid en vertwijfeling en sloeg van het eene uiterste tot het andere over. Met geweld zocht hij rust en vrede in de verkeerde gedachte, dat ieder streven naar heiligheid ijdel en zondig was wegens de erfzonde, dat Christus alleen het geloof van ons verlangde. Twee zaken miste Luther; ootmoed en zuiverheid. Zoo zijn hart ootmoedig en zuiver was geweest, zoo hij nederig op God had vertrouwd en bij God zijn troost had gezocht, zoo hij aan de bekoring weerstand had geboden, zou hij nooit zoo diep gezonken zijn.
Hij verhief zich tegen de aflaatprediking van Tetzel en liet 1517 aan de slotkerk van Wittemberg 95 stellingen aanplakken , waarin hij het misbruik van den aflaathandel, gelijk hij het noemde, sterk veroordeelde.
Doch niet de misbruiken , welke Tetzel met don aflaat zou bedreven hebben, noch het zedenbederf der Katholieke Kerk, gelijk men voorwendde tegen beter weten in , maar de dwaling van Luther over de rechtvaardiging door het geloof alleen , waarmede natuurlijk noch biecht, noch boetvaardigheid , noch goede werken, noch aflaat strookten, heeft do Hervorming veroorzaakt. De aflaatprediking was slechts een
212
aanleiding tot het optreden van Luther en tot den breuk met de Kerk, van wier leer hij en vele anderen reeds lang in hun hart ontvreemd waren. Binnen twee maanden waren de stellingen van Luther door gansch Europa bekend. Allen, die om welke reden ook over het bestuur der Kerk ontevreden waren, vielen Luther bij en gaven onverholen hun goedkeuring te kennen. Anderen daarentegen wezen op de dwalingen , in Luthers geschriften verspreid. Deze verdedigde zich met heftigheid. De bewijzen , uit de H. Schrift en de Overlevering, welke men hem voorhield, sloeg hij in den wind. Zoo moest de Paus tot strengere maatregelen overgaan , vooral daar het getal van Luthers aanhangers voortdurend steeg. De Augustijnermonnik vergat spoedig allen eerbied en ontzag voor de Kerk en overlaadde zijne tegenstanders , vooral den Paus, met scheldwoorden en verguizingen, Op den 15 Juli 1520 veroordeelde Leo X een aantal stellingen uit Luthers geschriften als valsch en deed hem zeiven in den ban, tenzij hij binnen zestig dagen zoude herroepen. Hij bezwoer hem bij het kostbaar zoenbloed van onzen goddelijken Verlosser den vrede der Kerk niet verder te verstoren. Luther antwoordde met nog heftiger smaadwoorden en liet zich door zijn drift tot een stap verleiden, die hem volkomen van de Kerk losmaakte. Op den 10 Dec. 1520 verbrandde hij in het openbaar voor de poorten van quot;Wittemberg de pauselijke banbul.
De Kerk leert, dat de mensch door de zonde van Adam wel is waar de bjjzondere voorrechten naar ziel en lichaam verloren heeft, welke onze eerste ouders in het paradijs ontvangen hadden, maar dat hij zijne vrijheid heeft behouden, dat dus de mensch in den tegenwoordigen staat vrij met de genade moet medewerken om zijne rechtvaardigmaking en zaligheid te bewerken. Maar Luther beweerde, dat de men-
213
schelijke natuur ten gevolge van de erfzonde geheel bedorven was en hare vrijheid verloren had ; derhalve kon de mensch geen goed werk verrichten noch medewerken tot zijn eigen heiliging. Deze bestond alleen hierin , dat God om de verdiensten van Christus de zonden bedekt, terwijl de mensch onveranderd zondaar blijft, gelijk een geneesheer een mantel zou werpen over een wonde, maar ze niet genezen zou. Het eenige, wat God van den mensch vordert, is het geloof. Dit moet ieder uit de H. Schrift putten, daar deze voor alle menschen zonder moeite verstaanbaar is. Hieruit volgde,quot; dat het onfeilbare leeraarsambt der Kerk, de H. Sacramenten behalve het Doopsel, het H. Misoffer en het Priesterschap in den godsdienst van Luther niet meer bestonden. Bij hem was een ieder zijn eigen leeraar , als hij maar in den Bijbel las. Zondig, zoo zeide hij , maar geloof nog sterker en gij zijt gerechtvaardigd.
In het voorjaar van 1521 moest Luther zich zeiven op den rijksdag van Worms voor de afgevaardigden van het Duitsche rijk verdedigen. Alle pogingen om hem te bekeeren waren vruchteloos. Vertrouwend op de hulp, die zijn talrijke aanhangers hem toegezegd hadden, riep hij verwaten uit : â Ik geloof noch aan den Paus, noch aan de algemeene Concilies.quot; Daarom werd de rijksban den 2G Mei 1521 over hem uitgesproken. De keurvorst Frederik van Saksen nam hem echter onder zijne bescherming en liet hem naar den Wartburg brengen. Daar verwijlde hij omstreeks een jaar. Vele en hevige gewetensangsten kwelden hem. Maar dan bracht hij zijn geweten tot zwijgen en maakte zich zeiven diets, dat het slechts bekoringen van den duivel waren , die hem verhinderen wilde de Kerk te hervormen.
Volgens het besluit van den rijksdag te Worms had Keizer Karei V het recht strenge maatregelen tegen Luther
214
te nemen en de uitbreiding zijner leer tegen te gaan. Maar er waren verschillende vorsten, die de nieuwe leer omhelsden en in hun gebied invoerden. Zij schonk hun immers een volle beurs bij den berooiden toestand hunner kas, daar zij zich ongestraft van de rijke kerkelijke goederen meester maakten , en zij liet toe, dat zij aan hun ongeregelde driften, vooral aan hun zinnelijkheid, den vrijen teugel konden vieren. De keizer moest de rijksvorsten bovendien naar de oogen zien, daar hjj hunne hulp noodig had in den langdurigen oorlog met Frans I, koning van Frankrijk. Op den rijksdag te Spiers moesten de Katholieke afgevaardigden reeds zoover toegeven, dat de nieuwigheden, overal waar zij ingevoerd waren, zouden blijven bestaan, totdat er een algemeene Kerkvergadering bijeenkwam. Zelfs hiermede stelden zich de aanhangers van Luther niet tevreden. Zij protesteerden en wilden den Katholieken godsdienst, inzonderheid het vieren van het II. Misoffer, in hun gebied niet meer toelaten, omdat het afgodendienst was, zooals, gelijk zij beweerden, uit de H. Schrift duidelijk bleek. Van toen af heetten de ketters Protestanten. Op den rijksdag te Augsburg 1530 overhandigden zij een geloofsbelijdenis, door Melanchtlion , Luthers vriend , opgesteld. Men noemde ze de Augsburgsche Confessie. De keizer liet ze punt voor punt wederleggen. Weken lang trachtte men een verzoening te bewerken. Eindelijk verklaarde de keizer, dat hij zich verplicht achtte het oude geloof te beschermen en dat de Katholieke vorsten zich aangeboden hadden hem te helpen. De Protestantsche vorsten van hunne zijde sloten een verbond te Schmalkalden en verplichtten zich het Protestantismus desnoods gewapenderhand te verdedigen.
Intusschen ging Luther voort den Paus te hoonen en de Katholieke leer te verdraaien. Steeds driester spoorde hij tot afval van de Kerk aan. Zijn woorden vonden gewillige toe-
215
hoorders. De vorsten vroegen niet, of hun onderdanen de nieuwe leer wilden aannemen. Zij dwongen hen eenvoudig volgens den verderfelijken stelregel: Wien het land toebehoort , hij kan ook den godsdienst zijner onderdanen bepalen. Het volk liet zich door de leer van de evangelische vrijheid verlokken. Zij verstonden haar deels uit domheid , deels uit kwaadwilligheid zoo , dat zij naar hartelust konden zondigen.
Paus en keizer ondervonden de grootste tegenkantingen bij hun streven om den ouden godsdienst te verdedigen. De keizer moest de rijksvorsten ontzien , wijl hij hun hulp tegen zijn buitenlandsche vijanden niet missen kon. Paus Adriaan VI (1521 â1523) en Clemens VII (1523â1534) deden, wat zij konden , om de ketterij te onderdrukken. Zij waren bereid een algemeeno Kerkvergadering te beleggen. Luther had zich vroeger daarop beroepen. Maar zoodra het scheen , dat het Concilie werkelijk tot stand zou komen , weigerden de Protestanten er te verschijnen.
Zelfs de rampzalige gevolgen der Hervorming, de boerenkrijg en de onlusten der wederdoopers openden de oogen der verblinden niet. De haat tegen de Kerk werd steeds gloeien-der, naarmate men afschuwelijker lasteringen tegen haar uitstrooide. Toen Luther den 18 Februari 1546 stierf, was het grootste gedeelte van Duitschland Protestant. Alleen Oosten-r|jk en Beieren bleven aan het geloof der vaderen trouw, daarentegen brak Albrecht van Brandenburg, Grootmeester der Duitsche Orde in Pruisen, zijn gelofte. Op aanraden van Luther veranderde hij 1525 Pruisen in een wereldljjk hertogdom , dat echter reeds in 1618 aan den keurvorst van Brandenburg verviel.
216
LUI. De godsdienstige beweging in Zwitserland.
Zwingli en Calvijn.
De geest van oproer en verzet waarde ook in de andere landen van Europa rond. In Zwitserland predikte Ulrich Zwingli reeds vóór Luther tegen bedevaarten en tegen Maria-vereering. Als pastoor te Einsiedeln en later te Zurich leidde hij juist geen stichtend leven. Paus Adrianus VI vermaande hem liefdevol aan zijn eigen ziel te denken en de zaligheid van zoovele christenen niet door valsche leeringen in gevaar te brengen. Maar Zwingli voer steeds onbeschaamder tegen de Kerk uit.
Op zijn aanhoudend gebed â aldus beweerde hij â had God hem onderwezen en de II. Schrift en zijn geest leeren kennen. Dientengevolge nam hij den Bijbel als de eenige geloofsbron aan en verwierp het Kerkelijk leeraarsambt volkomen. Insgelijks leerde hij evenals Luther, dat de mensch, door Adams zonde geheel bedorven, den vrijen wil verloren had. Hij kon derhalve niets doen dan gelooven om tot de rechtvaardigmaking te geraken. Het doopsel was voor hem een inwijdingsplechtigheid, het avondmaal een herinnering aan den verzoeningsdood van Christus. De overige Sacramenten verwierp hij. Do woorden der instelling van het H. Sacrament verstond hij , alsof de Heer gezegd had : Dit is het teeken van mijn lichaam. Luther verzette zich hiertegen; want hij nam de werkelijke tegenwoordigheid van Christus in het aanbiddelijk Altaargeheim aan, schoon hij de verandering van het brood loochende. Met buitensporige heftigheid bestreden de beide hervormers elkander. Luther beriep zich op de aloude overlevering der Kerk en beschuldigde Zwingli met zijn aanhang van ketterij, omdat hij van het Geloof der Vaders afweek. Maar deze antwoordden, dat ook Luther en zijn
217
trawanten tegen het Kerkelijk gezag en den Paus waren opgestaan.
Te Zurich richtte Zwingli den eeredienst volgens zijn leer in , verwijderde alles uit de kerken , wat naar het Katholicisme slechts zweemde, en gedoogde alleen de uitlegging van de H. Schrift. Beelden, altaren, orgels werden verwoest; zelfs het zingen was gedurende de godsdienstoefening niet geoorloofd. De rechten, welke Christus aan zijn Apostelen en hun opvolgers verleend had, gaf Zwingli aan de wereldlijke overheid. Deze omstandigheid verlokte de magistraten van Zurich om de dwaalleer te ondersteunen. Ook te Bazel, St. Gallen en Schatfhausen vond zij ingang. Maar Luzern , Schwyz, Uri en ünterwalden wilden van een geloofsverandering niets hooren, schoon de Protestantsche kantons geweld gebruikten om hun Katholieke landgenooten tot afval te brengen. Bittere vijandschap ontstond er tusschen beiden. De Zurichers poogden zelfs, door den toevoer van levensmiddelen af te snijden, de standvastigheid der Katholieken te breken. Het kwam nu tot een bloedigen veldslag bij Zappel op den 11 October 1531. De Zurichers werden verslagen; Zwingli met vele raadsheeren sneuvelde. Nochtans gelukte het slechts op enkele plaatsen het Katholieke geloof weder in te voeren.
In Frankrijk en Fransch Zwitserland verspreidde Calvijn sedert 1531 zijn ketterijen. Voor hem ook was de Bijbel de eenige geloofsbron , het geloof de eenige weg ter zaligmaking. Wel had de mensch nog eenige vrijheid behouden , maar hij stond onder den onweerstaanbaren druk eener onvoorwaardelijke voorbestemming. Van eeuwigheid had God de menschen in twee klassen gesplitst, de eenen voor den hemel, de anderen voor de hel voorbeschikt, onafhankelijk van schuld of onschuld; het was om het even of men goed dan wel slecht geleefd had. Van het avondmaal leerde Calvijn: quot;Wijn
218
en brood blijven, wat zij zijn en worden niet in Christus' Lichaam veranderd; maar op het oogenblik, dat men ze ontvangt, stroomt er in de ziel van den ontvanger, wanneer hij bij de ter zaligheid voorbeschikten behoort, een goddelijke kracht uit het Lichaam van Christus in den hemel. De ketterij van Calvijn vond te Geneve en later in geheel Frankrijk veel aanhangers. Ook in Duitschland en de Nederlanden drong zij door. In 1559 omhelsde haar de keurvorst van de Paltz en liet den zoogenoemden Tleidelberger Catechismus opstellen. De volgelingen van Calvijn werden Gereformeerden genoemd om hen van de Lutheranen te onderscheiden.
LIV. De Anglikaansche Staatskerk in Engeland.
Seder 1509 regeerde in Engeland Hendrik VIII, een verachtelijke dwingeland. Hij eischte van Paus Clemens VII, dat deze zijn wettig huwelijk ontbinden zoude. De Paus weigerde. Hendrik verstiet zijn gemalin en vorderde van zijn onderdanen, dat zij voortaan niet meer aan den Paus zouden gehoorzamen , maar aan hem , het hoogste opperhoofd der Kerk. Wie zich hieraan niet onderwierp , werd wreedaardig vervolgd. De tachtigjarige bisschop Johannes Fisher stierf op het schavot, schoon Hendrik vroeger van hem gezegd had, dat geen vorst op zulk een onderdaan kon roemen. De rijkskanselier Thomas Morus, door geleerdheid en zeldzame deugd uitmuntend, onderging hetzelfde lot. Meer dan zes honderd priesters , 2 Kardinalen, 2 Aartsbisschoppen, 18 Bisschoppen, 70.000 uit het volk liet Hendrik onder de wreedste folteringen ter dood brengen, omdat zij de Kerk en haar zichtbaar hoofd niet verloochenen wilden.
Maria de Katholieke, een dochter uit het eerste huwelijk
219
Tan Hendrik VIII, regeerde na hem van 1553 tot 1558 , onderwierp de opstandelingen , Yoerde het Katholieke geloof weer in, maar toonde zich vrij toegevend voor de Protestanten.
Haar wettige opvolgster op den troon was Maria Stuart, dochter eener zuster van- Hendrik VIII. Maar Elisabeth, een dochter van Hendrik VIII, voorkwam haar, zette zich de kroon op en zwoer het Katholieke geloof te zullen beschermen en handhaven. Niemand was evenwel een heftiger vijandin der Kerk dan zij. Met geweld voerde zij het Protestantisme in Engeland in en strafte ieder teeken van Katholicisme. Haar moest men als Pausin gehooizamen ; wie het gezag van den Paus erkende, werd wegens hoogverraad gestraft. Op iedere priesterlijke bediening, op herberging van een priester, op betrekkingen met den Paus van Rome, op de weigering de protestantsche godsdienstoefeningen bij te wonen stonden do strengste straffen. De geloofspunten van de nieuwe staatskerk liet Elisabeth in 39 artikelen samenvatten. Daarin bleven nog wel enkele overblijfselen van de Katholieke leer, maar de Mis , het vagevuur, de aanroeping der Heiligen, de vereering der beelden werden als godslasterlijke misbruiken geschrapt. De katholieke missionarissen , bijzonder de Jesuieten, legden in deze verschrikkelijke vervolgingen een bewonderenswaardigen heldenmoed aan den dag. Van 1583 tot 1G03 stierven alleen 232 priesters een glorievollen marteldood. Op last der koningin viel ook het hoofd van Maria Stuart op het schavot.
Onder Jacobus I (1603â1625), Karei I (1625â1649) en Karei II (1660â1685) duurden de vervolgingen der Katholieken met afwisselende hevigheid voort. De Protestanten verrijkten zich met hun goederen en bezittingen. Karei I werd door de Puriteinen onttroond en door Cromwell, die zich op den Bijbel beriep , onthoofd. Jacobus II gaf gods-
220
dienstvrijheid aan de hervormers. Een partij van ontevredenen |riep zijn schoonzoon den Prins van Oranje. Deze landde met een leger in Engeland. Nu verlieten de Protestanten Jacobus , die naar Frankrijk vluchtte. Willem III, Prins van Oranje, werd tot koning van Engeland gekroond (1698â1702).
De wilde dweper Johannes Knox, een predikant, voerde in Schotland door geweld en oproer het Calvinisme in. De Protestanten eischten de vrije uitoefening van hunnen godsdienst en de uitroeiing van het Katholieke geloof, dat zij afgodendienst noemden, Hoewel de Katholieken hevig vervolgd werden, blijven zij trouw aan de Moederkerk.
Zulke trouwe zonen toonden zich ook de Ieren ondanks de gruwzaamste martelingen. Driehonderd jaren onderdrukte men op het groene eiland der Heiligen stelselmatig alles, wat Katholiek heette. Gij zult niet toenemen, maar langzaam uitsterven, was de bloedleus der vervolgers. Door uithongering, afpersing, brandstichting, moord, berooving van eigendom , verbeurdverklaring van goederen en ontkenning van rechten, door verbanning en slavernij trachtte men de Katholieke Ieren van hun voorvaderlijk geloof af te trekken. Elisabeth , Jacobus I, Karei I, Cromwell, Willem III wedijverden met elkander. Alleen aan grondbezit werd den Ieren voor verscheidene milliarden guldens ontroofd. Bij het verdrag van Limerick (1649) onderwierpen zich de Ieren aan Willem III onder beding, dat zij den Katholieken godsdienst vrij konden uitoefenen. Maar men verbrak deze overeenkomst en voerde nieuwe strafwetten in. Geen Katholiek mocht een testament maken of een huwelijksgift aan zijn dochter geven, land koopen of langer dan 20 jaren pachten, onderwijs geven, burgerlijke rechten of ambten bezitten, zijn godsdienst uitoefenen. De Katholieken moesten tienden aan de predikanten
221
betalen. De Protestanten konden hun ia vele gevallen eigenmachtig hun landerijen ontnemen. Eerst omstreeks 1775 werden deze onbillijke strafwetten verzacht en in 1829 opgeheven.
LV. De nieuwe leer in Frankrijk.
Door het drukke verkeer tusschen Frankrijk en Duitsch-land en door de betrekkingen van Frans I (1515â1547) met de protestantsche Duitscho vorsten sloop de Hervorming spoedig Frankrijk binnen. Do Calvinisten , Hugenooten genoemd, gaven smaad- en lasterschriften tegen de Kerk en den koning uit en vernietigden kruisen en beelden. Terwijl de geestelijkheid , het parlement en de universiteit van Parijs dit openlijk veroordeelden en straften, verbonden zich de Fransche koningen met de Protestanten in het buitenland, maar vervolgden hen in hun eigen rijk. De Hugenooten vormden weldra een staatkundige partij , die onder het voorwendsel van den godsdienst achtereenvolgens zeven burgeroorlogen veroorzaakten. Lode wijk , prins van Condé , Montmorency en Coligny waren hun aanvoerders en zochten zich van de regeering meester te maken. Op grond van deze godsdienstoorlogen mag men geen beschuldigingen tegen de Katholieke Kerk aanvoeren. Immers, de Kerk heeft hare leer niet mot geweld opgedrongen, maar alleen hare rechten verdedigd. De Hugenooten waren niet enkel ketters, maar ook oproerlingen tegen den Staat, vijanden van orde, beschaving en persoonlijken eigendom ; de vorsten hadden dus het recht en den plicht hen met de wapenen te onderwerpen en te straffen. Dat sommigen daarbij te ver zijn gegaan is de schuld dier personen , niet van de Kerk, die van alle buitensporigheden afkeerig is.
222
Ilertog Frans van Guise, stadhouder van koning Hendrik II, wilde de Calvinisten met geweld onderdrukken. Deze zonnen op wraak en smeedden te Amboise een samenzwering tegen den koning, welke echter verijdeld werd (15G0). Nu mishandelden en vermoordden de Hugenooten de priesters, verwoestten de kerken en verlangden, dat de Katholieke Kerk uitgeroeid werd. Zij wonnen meer en meer veld, kregen invloed aan het hof en verdrongen de Katholieken. Dit verminderde het gezag van de Koningin-Regentes, Katharina de Medicis. Zij wist haren zoon Karei IX over te halen om een bevel uit te vaardigen tot vermoording van den admiraal Coligny en van andere voorname hoofden der Hugenooten r die te Parijs woonden of er verschenen waren om het huwelijk van Hendrik van Bourbon , koning van Navarre , met Mar-garetha van Valois , zuster des konings , bij te wonen. Dit geschiedde in don nacht voor het feest van Sint Bartholomeus 1572 en wordt de bloedbruiloft van Parijs genoemd. Op het zien van het bloed, dat door de dienaren des konings vergoten werd , geraakte ook het volk , dat de Calvinisten verfoeide , in gisting. De Protestanten werden niet alleen te Parijs , maar ook in andere steden van het rijk opgezocht en omgebracht. In het geheel werden ongeveer 2000 Hugenooten vermoord. Deze daad was louter van staatkundigen aard, de godsdienst heeft noch aan den opzet, noch aan de uitvoering deel gehad. Noch de Paus , noch een kardinaal, bisschop of priester heeft daartoe medegewerkt. Gregorius XIII gaf later openlijk zijn afgrijzen over die gruweldaad toekennen.
Hendrik III (1574â1589) was eerst uiterst streng tegen de Hugenooten. Later veranderde hij van gezindheid en liet de hoofden der familie Guise door sluipmoord ombrengen. Zijn opvolger Hendrik IV van Navarre keerde in den schoot der Katholieke Kerk terug (1593) en zocht de rust in zijn
223
rijk te herstellen. Daarom gaf hij aan de Hugenooten door het edikt van Nantes vrijheid van godsdienst en zeer groote voorrechten (1598).
Toch bleven zij ontevreden , duldden nergens de uitoefening van den Katholieken godsdienst, verbonden zich met de Engelschen en maakten opnieuw opstand. Maar Richelieu, minister van Lodewijk XIII en later kardinaal, verwoestte hun vestingen , met name La Roebelle en onderwierp hen , maar behandelde hen met zachtheid. Door den ijver van Katholieke priesters bekeerden zich vele Hugenooten. Nog eens staken zij het hoofd op (1683â1685) en nu hief Lodewijk XIV tot straf het edikt van Nantes op (1685). Hij ontnam hun de geschonken voorrechten en de vrije uitoefening van hunnen godsdienst, maar liet hun alleen de vrijheid van geweten. Deze herroeping was wettig. Misbruiken, die er hier en daar toevallig uit volgden , zijn niet aan de Kerk te wijten.
LVI. De Hervorming in de Nederlanden.
Do pogingen van Karei V om de leer van Luther te bestrijden slaagden hier te lande beter dan in Dnitschland, deels omdat de ketters hier den steun van de wereldlijke vorsten misten, deels omdat het volk nog niet terstond geneigd scheen naar de nieuwe leer te luisteren.
Toch was er ook hier bederf genoeg, waarin de Hervorming wortel kon schieten. De geest van verzet tegen de bisschoppen en de geestelijkheid bij een gedeelte van het volk , de verslapping der tucht en de wereldsgezindheid bij vele geestelijken, de belustheid van fortuinzoekers op de rijke kerkelijke goederen , de begeerlijkheid des vleeschea, het ver-
224
spreiden van traktaatjes , liederen en geschriften , waarin de Katholieke Kerk en haar instellingen bespot of door het slijk gehaald werden, ziedaar enkele redenen , waarom de nieuwe leer ook in deze gewesten vele gewillige harten vond.
Den 8 Mei 1521 vaardigde Karei V het eerste plakkaat tegen de hervormers in Nederland te Worms uit. Het was verboden de dwalingen van Luther te prediken of te verspreiden, kettersche boeken te schrijven, te drukken, te koopen of te verkoopen; zij moesten alle verbrand worden. Tevens stelde de keizer twee inquisiteurs aan, Frans van der Hulst, raadsheer in het hof van Brabant, en den Karmeliet Nicolaas van Egmont. Zij zouden waken en onderzoek doen, of men het keizerlijk plakkaat naleefde. De overtreders en afvalligen werden terechtgesteld door het zwaard, aan den staak geworgd, levend begraven of verbrand. Op dit plakkaat volgden later verscheidene andere. De sekte der Herdoopers vond vele aanhangers bij het mindere volk in de steden en op het platteland. De dweeperij nam spoedig verbazend toe. Wie zich verongelijkt waande door zijn meerderen of nog een verborgen wrok koesterde, vond in die geestdrijverij een uitweg om aan zijn verkropten hartstocht te voldoen. De voornaamste hoofden der Herdoopers stierven op het schavot of sneuvelden bij een oproer. Er vielen toonee-len voor van dwingelandij, van dolzinnigheid, van wreedheid, van dweeperij , zooals de geschiedenis er maar weinige kent. Men denke hier aan Jan van Leiden en Menno Simonsz.
De hervormers randden niet alleen het geestelijk gezag van de Kerk, maar ook het wereldlijk gezag van den keizer aan; zij waren niet enkel afvalligen van het geloof, maar ook opstandelingen tegen den staat. Zij schreeuwden om verdraagzaamheid en gewetensvrijheid. Doch waar zij heer en meester waren, sloegen zij de kerkelijke goederen aan,
225
verboden de uitoefening van den Katholieken godsdienst en onderdrukten zoowel Katholieken als andersdenkende Protestanten. De gansche Hervorming was eigenlijk niets anders dan een bende gelukzoekers, het uitvaagsel der maatschappij, die de nieuwe leer als een voorwendsel gebruikten om aan de drievoudige begeerlijkheid te voldoen, de begeerlijkheid der oogen , de begeerlijkheid des vleesches en de hoovaardij des levens.
De straffen , die men op de hervormers toepaste, strookten volkomen met de rechtsbegrippen , de zeden en de zienswijze der Middeleeuwen. Wel kan deze of gene keizerlijke ambtenaar zijn bevoegdheden overschreden hebben, maar ook de ketters maakten zich aan de afgrijselijkste gruweldaden schuldig, zonder zich op hun recht te kunnen beroepen. Verdraagzaamheid tegenover andersdenkenden was in de zestiende eeuw noch bij onderdanen , noch bij vorsten bekend. De vraag was : quot;Wie zal het eerst zijn tegenstander ten onder brengen ?
Ondanks de gestrenge uitvoering der plakkaten won het Lutheranisme en Calvinisme veel aanhangers in de Nederlanden. De drukpers, de talrijke handelsbetrekkingen met Engeland, Duitschland en Frankrijk, waar de nieuwe leer reeds ten troon steeg , de rederijkkamers, de humanisten, de geschriften van Erasmus droegen veel daartoe bij. Maar verreweg de groote meerderheid was en bleef Katholiek.
Nadat Pilips II de regeering had aanvaard, stond het onwrikbaar bij hem vast, dat hij de Hervorming moest onderdrukken. Volgens zijn overtuiging, volgens de begrippen zjjner eeuw , volgens de vermaningen van zijn vader en volgens zijn eed achtte hij zich daartoe verplicht. Hij wist bovendien , dat hij gevaar liep zijn wereldlijk gezag over de g. 15
226
Nederlanden te verliezen, wanneer hij de ketterij liet voortwoekeren. Hij werd dus niet alleen door godsdienstige beweegredenen, maar ook door staatkunde en eigenbelang geleid.
Een hoofdreden van de verslapping der kerkelijke tucht was de groote uitgestrektheid der bisdommen. Filips II trad in onderhandeling met Paus Paulus IV. Door een bul van den 12 Mei 1559 richtte deze drie aartsbisdommen met 15 bisdommen op. Het Concilie van Trente liet koning Filips ook in zijn Nederlandsche staten afkondigen. Overal waar de nieuwe bisschoppen hun gezag konden handhaven, voerden zij de besluiten der kerkvergadering uit, werkten met kracht aan de verbetering van volk en geestelijkheid , zorgden voor de toediening der H. Sacramenten, de verkondiging van Gods woord en het onderwijs der kinderen.
De ontevredenheid over de Spaansche regeering nam meer en meer toe. Aan het hoofd der ontevredenen en muitzieken stond de eerzuchtige huichelaar Willem de Zwijger, Prins van Oranje, een man zonder godsdienst en trouw. Het gerucht werd uitgestrooid , dat de landvoogdes Margaretha van Parma op raad van kardinaal Granvelle , haren minister , de Spaansche Inquisitie in de Nederlanden zoude invoeren. Nu sloten de Calvinistische edelen den zoogenoemden Geuzen-bond (1566). Het heette om de vrijheden van het land te verdedigen , maar in werkelijkheid om het Calvinisme in te voeren en zoo tegen het wettige gezag van den koning op te staan. Zij onderhielden veelvuldige betrekkingen met de Protestanten in het buitenland. Filips 11 riep den voortref-felijken minister Granvelle terug en zond den strengen veldheer Alva als stadhouder naar deze gewesten. Deze regeerde met ijzeren vuist en kende geen ontzien. De bloedraad stond hem ter zijde.
227
Na den dood van Filips II in 1598 splitsten zich de Nederlanden in twee deelen : het Katholieke Zuiden en het Protestantsche Noorden. Hier bestreden de Jesuieten, onder wie wij den Zaligen Canisius uit Nijmegen noemen , onverschrokken het Calvinisme.
Nochtans breidde zich dit in het Noorden meer en meer uit, schoon zijne aanhangers er nog in het laatst der zestiende eeuw verreweg de minderheid vormden. Zij duldden geen anderen godsdienst dan den hunne. Vervolging en uitsluiting van andersdenkenden was hun leus. De kerkdiensten werden verhinderd, het Katholieke onderwijs verboden, de geestelijken verbannen , de kerkelijke goederen geroofd. De Calvinisten , door de regeering der Zeven Provinciën gesteund, wilden het oude geloof volkomen vernietigen. Een ontzettend voorbeeld van hun lage vervolgingswoede vindt men in do marteling der negentien Gorcumsche martelaren.
De Universiteit van Leuven bleef voor de Nederlanden een bron van geleerdheid en kennis , een onverwinbaar bolwerk tegen het Calvinisme. In de tweede helft der zestiende eeuw telde zij onder hare leermeesters mannen van groote deugd en talenten, zooals Franciscus Sonnius , later bisschop van 's Hertogenbosch , en Martinus van Riethove, die bisschop van Yperen werd. Filips II werkte krachtdadig iot den bloei dezer Universiteit mede, vermeerderde de jaarwedden der hoogleeraars , stichtte nieuwe leerstoelen en beurzen voor arme studenten.
228
LVII. De Hervorming in de overige landen van Europa.
De Katholieken van Zweden, Noorwegen en Denemarken boden lang en moedig weerstand aan de nieuwe leer. Maar zij werd ook bij hen met list en geweld ingevoerd.
Gustaaf Wasa (1523â1560), die zich de kroon van Zweden op het hoofd zette , was daar haar voornaamste voorvechter. Hij wilde de macht van geestelijkheid en adel breken, maar die der kroon met de rijke goederen der Kerk versterken. Niet lang draalde hij om ze aan te slaan. Vele bisschoppen, priesters en kloosterzusters, met name do Dominicanen, weerstonden onverschrokken den koning. De Dominicanen werden uit het land verbannen, sommige bisschoppen onthoofd. Het volk van Zweden werd op het stuk van godsdienst volkomen afhankelijk van den despotischen koning, het celibaat afgeschaft, de eeredienst in de landtaal gehouden.
Op dezelfde wijze als in Zweden werd het Lutherdom ook in Denemarken ingevoerd tegen den zin van het volk, aan wien het werd opgedrongen. Koning Christiaan II (1513 â 1524) vond in het Protestantisme het middel om de macht van adel en geestelijkheid te fnuiken. Alle zielzorgers, die Luthers leer niet aannamen, werden van hun ambt ontzet, de monniken en nonnen uit hun kloosters verjaagd, aan de priesters het verblijf in het land onder doodstraf verboden, den Katholieken het erfrecht en alle ambten ontnomen.
De aartsbisschop Olof van Drontheim verspreidde de nieuwe leer in Noorwegen, dat met Denemarken verbonden was. Het volk zuchtte onder het dubbele juk van den nieuwen Deenschen godsdienst en van den Deenschen adel, de geestelijken konden kiezen tusschen afval of verbanning.
IJsland verzette zich lang tegen deze dubbele overheer-sching, doch na de onthoofding van den standvastigen bisschop
229
Johannes Aresen slopen er de nieuwigheden binnen (1551).
Polen en Hongarije bleven voor de dwaling niet gesloten. Men vond er Lutheranen, Zwinglianen , Calvinisten en Socinianen. Overal waren de kerkelijke goederen een lokaas tot afval. Toch hield het meerendeel van het volk aan de Moederkerk vast.
Tn Rusland verhinderde de regeering het doordringen van het Protestantisme.
quot;Wel vertoonden zich in Spanje en Italië volgelingen van Luther, doch over het algemeen vond zijn dwaling er geen vruchtbaren bodem. De groote werkzaamheid van uitstekende godgeleerden en de waakzaamheid der Inquisitie beletten het
weelderig opschieten der ketterij.
---
LVIII. Eerste gevolgen van het Protestantisme.
De uitwerkselen beantwoordden niet aan de schoone voorspiegelingen der hervormers. Het godsdienstig en zedelijk leven verergerde, ondeugden woekerden onrustbarend voort, het bijwonen van de godsdienstoefeningen en het gebed werden verwaarloosd. Onder honderd Evangelischen, zoo klaagt Cal-vijn, wordt er nauwelijks één enkele gevonden, die Evangelisch geworden is om een andere reden dan om zich met meer vrijheid aan alle soorten van onzedelijkheid te kunnen overgeven. En Luther roept met schrik uit: liet is bijna, of Duitschland door den duivel bezeten is; de vreeze Gods is verdwenen; het is een zondvloed van alle ondeugden. quot;Wie van ons zoude begonnen zijn te prediken , indien wij voorzien hadden , dat er zulke ergerlijke zaken en rampen uit zouden voortkomen ? De nieuwe staat van zaken doet mij dikwijls
230
sidderen , vooral wanneer mijn geweten mij verwijt de vroegere orde der Kerk , welke onder het Pausdom zoo rustig en vreedzaam was, verstoord en door mijne leeringen de tweedracht en de wanorde veroorzaakt te hebben.
Een helder bewijs voor die wanorde zijn de Boerenkrijg en de Wederdoopers.
Onstuimig en woest had Luthor tegen de wereldlijke macht van bisschoppen en abten , tegen de bezittingen der geestelijken, tegen de tienden, enz. uitgevaren. Hij hitste het volk op om die lasten af te schudden en dat gezag niet meer te erkennen. Het landvolk, dat in Duitschland onder het juk van edelen en vorsten gekromd ging, luisterde met gretigheid naar deze opruiende taal. In Zuid-Duitschland brak een gruwelijke burgeroorlog uit, een opstand van het landvolk tegen hun geestelijke en wereldlijke heeren. Deze opstand heet de Boerenkrijg (1525). Geheele landstreken werden te vuur en te zwaard verwoest en uitgeplunderd. Meer dan 100 0Ã0 man vielen door het staal. De opstandelingen hadden de goedkeuring van Luther gevraagd. Maar toen hij zag, dat zjj evenmin de Protestanten en de wereldlijke heeren spaarden , begon hij tegen de Boeren te razen en te tieren en riep de vorsten te hulp om den opstand te onderdrukken. Nu stierven duizenden Boeren aan galg of rad of op het slagveld.
De sekte der Wederdoopers in Thuringen en Westfalen ging niet met minder barbaarschheid te werk. Onder hun leiders Thomas Munzer en Karlstadt, die het vrije onderzoek van Luther nog iets verder uitgestrekt hadden , wilden zij de geheele maatschappelijke orde omverwerpen. Thomas Munzer herdoopte een ieder , die tot zijn sekte overliep ; vandaar de naam Wederdoopers. Zij verwierpen het gezag van geestelijke en wereldlijke vorsten, verkondigden een toekomstig rijk Gods op aarde en hielden, dat de Geest Gods zich in iederen
231
mensch openbaarde. Er vonden onbeschrijfelijke tooneelen van wanorde, dolzinnigheid en dweepenj plaats, inzonderheid te Munster. Filips van Hessen richtte een vreeselijk bloedbad onder de quot;Wederdoopers aan.
Zoo hadden de Hervormers het gezag der Kerk verworpen , maar stonden nu onder de ondragelijke dwingelandij van dweepers , geestdrijvers , gelukzoekers en zedelooze , domme , twistzieke predikanten. De Bijbel, waarvan zooveel gesproken werd , bleef voor hen een gesloten boek. Handel, nijverheid, kunsten, wetensschappen, openbare rust ondervonden al te zeer den schadelijken invloed van gestadige godsdienst- en burgertwisten. Uit het verzet tegen het geestelijke gezag volgde noodzakelijk het verzet tegen het tijdelijke. De Protestanten protesteerden en bleven protesteeren. Zoo werd de dwaling in duizend andere gesplitst en verbrokkeld.
LIX. De Kerkvergadering van Trente.
Tegenover de valsche hervorming der Protestanten plaatste de Kerk een ware. De eerste, die dit beproefde, was Adri-anus VI (1522â1523), te Utrecht uit brave, maar niet vermogende ouders geboren, leermeester van Karei V, diens eerste minister in Spanje en bisschop van Tortosa. Eenvoudig en bescheiden, was hij een vriend van christelijke wetenschap en kunst, maar een aartsvijand der heidensche Renaissance. Terstond legde hij de hand aan het werk om bestaande misbruiken af te schaffen , doch zijn welgemeende pogingen werden door zijn vroegtijdigen dood verijdeld.
Van alle zijden gingen er nu stemmen op voor een alge-meene Kerkvergadering om de wonden te heelen , welke de hervormers aan de Kerk geslagen hadden. quot;Wel ondervond
232
de Katholieke beweging van verschillende zijden moeilijkheden en tegenwerking, maar eindelijk zegevierde zij, geleid en gesteund door den Geest Gods, die de Pausen voorlichtte en bezielde.
Paulus III (1534â1549), een voortreffelijk opperherder, benoemde degelijke mannen tot kardinalen en bisschoppen en hervormde het pauselijk hof. Door zijn bemoeiingen en die van keizer Karei V kwam het Concilie van Trente tot stand (December 1545). De Protestanten verschenen er niet. Door den godsdienstvrede van Augsburg werden hun in het Duitsche rijk gelijke rechten met de Katholieken toegekend (1555).
Na verloop van twee jaren togen de leden van het Concilie wegens het uitbreken der pest te Trente naar Bologna. Julius III (1550â1555) riep hen naar Trente terug (1551). Nu ondervond de Kerkvergadering een onderbreking van tien jaren. Inmiddels werkten Paulus IV (1555â1559) en Pius IV (1559â1565) met kracht en oprechtheid om aan de Kerk haren vroegeren luister terug te geven. quot;Wij zullen hervormen, zoo zeiden zij, wat te hervormen is, ook in onzen eigen persoon , in onze eigene zaken. Wanneer wij iets anders beoogen dan God te dienen, zoo moge Hij ons straffen. De laatste Paus verzamelde de Vaders van het Concilie weder (1561). Thans bleven zij onafgebroken gedurende twee jaren te Trente vergaderd. De vijf en twintigste openbare zitting sloot deze beroemde Kerkvergadering (1563).
Allereerst had zij bepaald , welke boeken tot den Bijbel behoorden en hoe deze moest uitgelegd worden. Dan volgde de leer over de erfzonde , over de rechtvaardiging, over de Sacramenten in het algemeen en in het bijzonder. De Vaders verklaarden, dat het voor leek en niet noodzakelijk was het Lichaam en Bloed des Heeren onder de gedaante van wijn te ontvangen. Een wettig huwelijk kon niet ontbonden wor-
233
den; de Kerk kon alleen huwelijksbeletselen stellen; een huwelijk was dan alleen geldig, wanneer het voor den pastoor en twee getuigen gesloten werd. In de laatste zitting gaf de Kerkvergadering gewichtige beslissingen over het vagevuur, de vereering der Heiligen , hunner beelden en relikwieën en over den aflaat. *
Zij droeg echter niet alleen zorg voor de zuiverheid der Katholieke leer, maar ook voor de handhaving der kerkelijke tucht, waarvoor de Vaders vele wijze en heilzame verordeningen gaven. Verder werd er besloten de liturgische boeken te herzien en opnieuw uit te geven om de eenheid in den eeredienst te bewaren , een nieuwen katechismus te vervaardigen , waarin de Katholieke leer kort, juist en duidelijk omschreven was, vooral voor de onderrichting der geloovigen, en een lijst van verboden boeken samen te stellen.
De Vaders van het Concilie waren de echte hervormers der Kerk. Juist die geloofspunten, welke de hervormers aangevallen hadden, plaatsten zij in een helder licht. De hervormers zeiden : Een ieder moet zelf den Bijbel lezen en daaruit zoeken, wat hij moet gelooven , maar zich niet aan een onfeilbaar leergezag der Kerk onderwerpen. De Vaders leerden : Het onfeilbaar leergezag der Kerk, steunend op de H. Schrift en de Overlevering, zegt ons, wat wij moeten gelooven. De hervormers riepen : Het geloof zonder de werken maakt zalig. De Vaders leerden , dat men niet alleen moet gelooven, maar ook moet doen om zalig te worden.
Door verscheidene bullen bevestigde Pius IV de besluiten der Trentsche Kerkvergadering. Pius V, Gregorius XIII en Sixtus V voerden ze overal in.
De H. Pius V (1E66â1572) was een licht der Kerk als religieus, priester, bisschop, kardinaal en paus. Eerst regeerde hij zich zeiven , dan anderen. Nederig, arm , verstorven ,
234
vroolijk en goedertieren , was hij vooral een toonbeeld van rechtvaardigheid en sterkte. Hij herzag het brevier en het missaal, hervormde kloosters en schafte met onverbiddelijke gestrengheid en zonder aanzien des persoons vele misbruiken af. Een christelijke vloot, door zijn toedoen uitgerust, versloeg onder Don Juan van Oostenrijk de Turken in den zeeslag van Lepanto (1571). Ilij schreef de overwinning toe aan het Rozenkransgebed, dat hij had voorgeschreven.
Gregorius XIII (1572â1585) droeg inzonderheid veel zorg voor den bloei van do Katholieke wetenschap. Hij stichtte vele inrichtingen voor kerkelijk onderwijs , zooals het beroemde collegium Romanum te Rome.
Sixtus V (1585â1590), uit arme ouders voortgesproten, klimt door talent, vlijt en deugd op en is geboren om te heerschen. Hij regeerde de Romeimen met ijzeren vuist, voerde vele prachtige bouwwerken uit, vergrootte de Yati-caansche bibliotheek, stichtte colleges en voorzag door een wijze spaarzaamheid in de behoefte van velen.
De onberispelijke wandel dezer Pausen droeg onnoemlijk veel bij tot het geestelijk en tijdelijk welzijn der Kerk. Zij lieten hun licht schijnen voor de menschen en dezen verheerlijkten God door hun werken.
235
LX. Kloosterorden en Heiligen.
In dit tijdvak legden tal van kloosterstichtingen en heiligen door de wonderen van genade en deugd, die in hen uitblonken , getuigenis af voor de goddelijkheid en de heiligheid der Kerk, die de hervormers als het rjjk van den Antichrist bespotten. Zij schonken aan het kloosterleven , dat op enkele plaatsen verslapt was , de regeltucht terug.
God koos den II. Ignatius van Loyola en zijn orde uit om het Protestantismus te bestrijden.
Ignatius, op het spaansche slot Loyola 1491 geboren, was edelknaap aan het hof van Koning Ferdinand, nam deel aan den oorlog , dien Karei V met Frans I voerde , en werd bij de verdediging van de stad Pampeluna zwaar gewond. Op het ziekbed erkende hij de ijdelheid der wereld en besloot nu een ridder en held in heiligheid te worden. In de eenzaamheid bereidde hij zich door gebed, studie en versterving voor op het apostolische leven. Te Parijs voltooide hij zijn studiën. Daar ontmoette hij ook zijn eerste gezellen , Petrus Faber en Franciscus Xaverius , bij wie zich spoedig nog vier anderen voegden. Allen blonken uit door geleerdheid en deugd. Op het feest van Maria's Opneming ten hemel legden zij gezamenlijk , nadat zij de H. Communie ontvangen hadden , de geloften van eeuwigdurende zuiverheid , armoede en bijzondere gehoorzaamheid aan den Paus af. Van hem wilden zij een missie onder de ongeloovigen verzoeken.
In October 1538 kwamen Ignatius en zijne gezellen te Rome om den zegen en de zending van Christus' Stedehouder te vragen. Wanneer men hun op reis vroeg, tot welke orde zij behoorden, dan antwoordde Ignatius: âWij zijn onder het vaandel van Jezus Christus vereenigd om tegen de dwaalleeraars en de ondeugd te strijden ; wij vormen het heirleger
236
of het gezelschap van Jezus.quot; Den 27 September 1540 bevestigde de Paus de nieuwe stichting. Gedurende vijftien jaren was Ignatius Generaal (1541 â1556). Zijn leus luidde: Alles tot meerdere eer van God. De leden der orde verbonden zich door een vierde gelofte van onbeperkte gehoorzaamheid aan den Apostolischen Stoel.
Spoedig verspreidden zich de Jesuieten door de voornaamste landen van Europa, door Italië, Spanje, Frankrijk, Duitschland, België, Nederland en Engeland. Overal bestreden zij met kracht de Hervorming en waren een hecht en onverwinbaar bolwerk van het Katholiek geloof. Te Rome stichtte Ignatius het Duitsche college, zijn volgelingen richtten overal scholen op om de jeugd in de ware wetenschap en deugd te onderwijzen. De H. Franciscus Xaverius, de H. Fran-ciscus Borgia , de H. Franciscus Regis , de H. Aloysius , de H. Stanislaus Kostka , de gelukzalige Canisius van Nijmegen zijn namen, die onvergankelijken roem aan de Societeit geschonken hebben.
Naast de Jesuietenorde ontstonden vele Congregaties van mannen en vrouwen , die meestal christelijke liefdewerken ten doel hadden.
Uit de Franciscanerorde sproten de Capucynen voort (1528). Hun stichter was Mattheus de Bassi. Zij beoogden den regel van St. Franciscus in zijn oorspronkelijke gestrengheid na te leven , vooral wat gebed, armoede , kleeding en zielzorg betreft. Hun kenmerk zou een gulhartige eenvoud zijn. De Capucynessen onderhielden den regel der strenge Clarissen (1538).
De H. Hieronymus Emiliani, een Venetiaansch edelman, stichtte de Somaschen, een vereeniging om landlieden te onderwijzen , arme weezen op te voeden en zieken te verplegen. (1540).
237
De Theatijnen, door den 11. Cajetanus en Petrus Caraffa gesticht (1524), stelden zich ten doel de wereldgeestelijken te hervormen, de nieuwe dwalingen te onderdrukken, den luister van den eeredienst en het bijstaan van zieken.
De Barnabieten werkten door biechthooren, prediken, het onderwijzen der jeugd , het besturen van seminaries en het houden van missies aan het zieleheil (1533).
De volgelingen van den II. Camillus de Leilis herbergden pelgrims, verpleegden zieken, bereidden hen op een zaligen dood voor en stonden de stervenden bij (1585).
De zonen van den II. Pranciscus Carracciolo legden , behalve de drie gewone , nog een vierde gelofte af: zij zouden naar geen enkele kerkelijke waardigheid streven (1588). De H. Pranciscus de Paula noemde de leden zijner vereeni-ging de kleinen , omdat zij vooral de nederigheid zouden beoefenen (f 1507).
De H. Angela Merici was de stichteres der Ursulinnen. Zij scheen een engel in menschengedaante en paarde de hoogste deugd aan den beminnelijksten eenvoud. In het jaar 1537 stichtte zij haar Congregatie op ingeving des hemels en stelde haar onder het patronaat der H. Ursula. Haar geestelijke dochters verspreidden veel zegen over de Kerk door haar scholen.
De H. Philippus Nerius , in 1515 te Plorence geboren , verbond de grootste gestrengheid voor zich zeiven met een hemelsche zachtzinnigheid voor anderen. Dikwijls kon hij den liefdegloed zijns harten niet bedwingen. Hij stelde de Con-gregratie der Oratorianen in , die zich vooral aan het onderwijzen van het volk door de prediking en den catechismus wijden. Pierre de Beruile voerde deze stichting in Frankrijk tot een hoogen bloei op (1611).
De Congregatie van Onze Lieve Vrouw Visitatie dankt
238
haar ontstaan aan twee door de innigste vriendschap verbonden zielen , den H. Franciscus van Sales en de H. Johanna Francisca van Chantal. Als bisschop van Geneve (1599â1622) was de H. Franciscus een toonbeeld van den goeden herder, die het verloren schaap in de woestjjn opzoekt en zijn leven geeft voor zijne kudde. Ontelbare dwalenden heeft hij tot de Kerk teruggevoerd. Schoon driftig van aard, wist hij zich te bedwingen en werd zachtmoedig en ootmoedig van harte. Door zijn ascetische geschriften is hij nog een licht voor de Kerk. De Congregatie der Visitandinen , wier eerste huis hij met de H. Johanna Francisca de Chantal te Annecy in 1610 stichtte, werd door Paus Paulus V in 1618 goedgekeurd, en stelde zich ten doel zich op het inwendige geestelijke leven toe te leggen en de vrouwelijke jeugd te onderwijzen.
Twee Heiligen uit dien tijd hebben vooral door een opofferende liefde voor armen en zieken uitgemunt ; de H. Carolus Borromseus, Aartsbisschop van Milaan (1538â1564) en de H. Vincentius a Paulo. Beiden waren priesters naar Gods hart, die alles voor allen werden en van zich zeiven mochten getuigen : de liefde Gods dringt ons.
De H. Carolus Borromaeus weerspiegelde in zich de herderlijke deugden van Sint Ambrosius, zijn doorluchtigen voorganger , diens ij ver in gebed en studie, voorzichtigheid in het bestuur, toewijding in de stipte vervulling der priesterlijke bedieningen, verachting van het menschelijk opzicht.
Sint Franciscus van Sales kende geen waardiger, priester dan Vincentius a Paulo, van geboorte een armen herdersknaap. Deze stond aan het hoofd van verschillende parochies, offerde zich voor het geestelijk en tijdelijk welzijn der galeiboeven op, bestuurde veertig jaren de Visitandinen, opende seminaries en voerde het gebruik in geestelijke oefeningen voor het ontvangen der H. quot;Wijdingen te houden. Er was geen
239
ellende, waarin hij niet voorzag. Christenen, in gevangenschap bij de Turken zuchtend , vondelingen , verlaten kinderen , behoeftige meisjes , afgedwaalde vrouwen , galeiboeven , vreemdelingen , zieken , handwerkslieden , krankzinnigen en bedelaars genoten den onderstand en den zoeten troost zijner onuitputtelijke liefde. Hij was vriendelijk en toegankelijk voor iedereen, zich zei ven steeds gelijk, eenvoudig, oprecht, ootmoedig en verstorven. Niet alleen door gansch Frankrijk, maar ook naar Groot-Brittannië , Duitschland , Polen, Italië eu de vreemde werelddeelen zond hij zijn geestelijke zonen , Lazaristen of priesters der missie genaamd (1Ã24). Het waren wereldgeestelijken, die zich vooral verbonden om de armen in den godsdienst te onderwijzen en waardige priesters te vormen. De Zusters van liefde of grijze Zusters, bestemd voor ziekenverpleging en onderrichting der vrouwelijke jeugd, waren eveneens een instelling van Sint Vincentius (1618).
De kloosterlingen van St Maurus , wier doel studie en onderwijs was, vormden een zijtak der Benedictijnerorde (1618). In Frankrijk- bezaten zjj 180 abdijen.
Door hervorming van de Cisterciensen ontstonden de Trappisten, wier strenge naleving van hun regel â voortdurend stilzwijgen en het derven van vleesch â aan hardvochtigheid grensde (1662). Hun vader was Bouthillier de Rancé, abt van La Trappe in Normandië.
Voor het volksonderwijs zorgden de vaders van de Christelijke leer, door Ceesar de Bus ingesteld (1597).
De Spanjaarden en de Portugeezen wedijverden met de Italianen en Franschen om het ordeleven te hervormen en nieuwe Congregaties te stichten.
De H. Theresia, de moeder van het geestelijk leven, en de H. Johannes van het Kruis , de minnaar dos hjdens, hervormden de Karmelieten en schonken hun een nieuw en
240
krachtig leven (1560â1570). Ditzelfde deed de H. Petrus van Alcantara, een spiegel van boetvaardigheid, voor de Franciscanerorde in Spanje.
Sint Johannes de Deo, een Portugees, diende de zieken in de hospitalen en stelde een vereeniging voor kostelooze ziekenverpleging in , wier leden broeders van barmhartigheid heeten en van aalmoezen leven (1545). De vaders der christelijke scholen hadden Sint Joseph van Calasanza tot stichter en legden zich er op toe aan knapen lager en hooger onderwijs te geven (1600).
â
LXI. De Missies.
Naarmate de Europeanen hun ontdekkingstochten in vreemde werelddeelen voortzetten, volgden hen de Katholieke missionarissen op den voet om overal het kruis van Christus te planten. Hun missies strekten zich uit over Azië, Afrika en Amerika. Vooral de Jesuieten, do Dominicanen en de Franciscanen hebben daar het eerst het Evangelie verkondigd. Er stonden nochtans vele moeilijkheden aan hun prediking in den weg. De missionarissen waren onbekend mot het land , de tallooze volksstammen, hun zeden, taal en gewoonten. Door gevaren omringd, van hulpmiddelen verstoken moesten zij een schier onbegaanbaren weg zoeken door eeuwenoude bosschen en onherbergzame woestenijen. Dikwijls bleken zij tegen het klimaat, tegen ontberingen , honger, dorst, hitte en koude, tegen vermoeienis en ziekte niet bestand. De inwoners hadden tallooze ingewortelde vooroordeelen tegen den nieuwen godsdienst en konden slechts met groote moeite aan hun geliefkoosde afgodische en zondige gebruiken verzaken. De heidensche vorsten , priesters en kooplieden , wier brood
241
en macht vaak met den val van het heidendom op het spel stonden, werkten het Christendom uit eigenbelang tegen.
De Europeanen, met name de Spanjaarden, Portugeezen en Hollanders, onder wie zich vele gelukzoekers bevonden, gaven aan de inwoners dikwijls een slecht voorbeeld van losbandigheid en maakten zich tegenover hen aan wreedheden en afpersingen schuldig. Dit nam hen tegen de missionarissen, die ook blanken waren, in. Deels uit hebzucht, deels uit haat tegen den Katholieken godsdienst stookten de Europeanen somtijds heimelijk de inlanders tegen de Christenen op en gaven hun ten onrechte de schuld van rampen of ziekten. Maar het kruis , voor de heidenen een dwaasheid, zegevierde door Gods wijsheid en kracht over de verblindheid en de hartstochten der menschen.
Heerlijk breidde zich het Katholieke geloof in Indië, China en Japan uit. De H. Pranciscus Xaverius, de Apostel van Indië, ging van Goa, waar reeds vroegtijdig een aartsbisdom gesticht was, uit en verkondigde het Evangelie in Hindostan (1540). Op de Malabarische kust, bij kaap Co-morin, in het koninkrijk Travancor, op Ceylon bekeerde hij scharen van heidenen en Mahomedanen. Zelfs op Malacca en de Molukken stichtte hij christen gemeenten. Hij deed vele wonderen , wekte dooden op , had de gaaf der talen , doorstond onnoemelijke vermoeienissen en pijnen. Doch steeds was de leus van zijn brandenden ijver; Nog meer. Zijne bewonderenswaardige liefde, zijne zachtmoedigheid en het voorbeeld zijner offervaardige, belangelooze deugd brachten zijn toehoorders in bewondering. Hij gaat naar Japan en bekeert er duizenden heidenen, zelfs prinsen (1549). Hij wil ook naar China, maar hij sterft in het gezicht van het vasteland, nadat hij persoonlijk meer dan een millioen heidenen gedoopt had (1552).
G. 13
242
De Jesuieten, Dominicanen en Franciscanen zetten de missie van den H. Franciscns Xaverius met moed en volharding voort en verspreidden het geloof in Tonking, Annam, Cochinchina, Siam en Thibet. Zelfs de geweldigste en bloedigste vervolgingen konden het niet uitroeien. Nog voorspoediger was de missie op de Philippijnsche eilanden. Daar verrezen weldra een aartsbisdom en drie bisdommen (1595). De Jesuieten hadden hier in 1619 negen huizen met honderd leden, te Goa 15 huizen met 280 en te Malabar 14 huizen met 150 leden.
De geleerde Jesuiet Mattheus Ricci bracht het Christendom in het hemelsche Rijk (1600). Door zijn alomvattende kennis, wetenschappelijke proeven, het maken van kaarten en uurwerken en zijn wiskundige berekeningen won hij de gunst en de achting der Chineezen en van hun keizer. In vijf provincies waren reeds 300 christen kerken en hadden de Jesuieten 3 huizen met 36 leden (omstreeks 1616). Hun ordebroeders Johannes Schall uit Keulen en Ferdinand Verbiest, een geboren Nederlander, brachten de Kerk in China tot hoogen bloei.
Reeds in 1579 telde men in Japan meer dan 200 000 Christenen. Pater Yalignano (f 1606) vestigde er 300 kerken en 30 huizen der Jesuieten. Maar weldra ontstonden er bij herhaling vreeselijke vervolgingen. De Calvinistische Hollanders , ijverzuchtig op den handel der Spanjaarden , strooiden uit, dat de Christenen tegen den keizer van Japan samenzwoeren. Geen buitenlander mocht Japan meer betreden, alleen de Hollanders, wanneer zij het kruis met voeten getreden hadden. Voor de Japanneezen beschoten zij de christen vesting Simabara, waarbij 37 000 Christenen omkwamen. Duizenden , onder wie 150 Jesuieten, stierven een glorierijken
243
marteldood. Den 7 Juli 1867 nam Paus Pius IX 205 martelaren van Japan , van wie meer dan de helft tot de Predikheerenorde behoorden, in de rij der gelukzaligen op. In 1649 scheen ieder spoor van het Christendom in Japan verdelgd , maar het doopsel en het gebed plantten zich in 't geheim van geslacht tot geslacht voort.
De Katholieke missionarissen bezochten ook de kustlanden van Afrika. Doch het klimaat, de woestheid der negers en verschillende vervolgingen maakten, dat hun zegenrijke arbeid niet duurzaam was. In de koloniën der Portugeezen op de Oostkust, te Mozambique, Isle de Prance en Isle de Bourbon bloeiden christen gemeenten. Ook op de quot;Westkust ging het licht des Evangelies op. In het koninkrijk Congo onderwezen de Jesuieten op hun scholen C00 kinderen (1548). Er waren acht bisschoppen (1554). In Angola predikten de Jesuieten en werden vijf bisdommen opgericht. De Capucij-nen, Jesuieten en Carmelieten verschenen in Guinea. Vele aanzienlijken, die zich bekeerden, beschouwden hun slaven als broeders. Op de Noordkust van Afrika , te Tanger, Algiers en Marocco vestigden zich Franciscanen, Lazaristen en Augustijnen.
In Amerika, het nieuwe werelddeel, verwekten de uitspattingen , de wreedheid en de hebzucht der eerste veroveraars een afkeer van het Christendom bij de inboorlingen en belemmerden alzoo de prediking der missionarissen. Toch overwon hun belangelooze liefde en onbezweken volharding alle hindernissen. Onverschrokken traden zij tegen den gouddorst der Europeesche avonturiers op, wier wreedheden men zeker niet aan de Kerk mag wijten. Deze bestreed in het nieuwe werelddeel met kracht de slavernij. Heerlijke verdiensten verwierf zich in dezen strijd de Dominicaan Bartho-lomeus Las Casas, bisschop van Chiapa (1474â1566). Hij
244
erbarmde zich over het lot der inboorlingen en verkreeg een wet, waarbij het onder doodstraf verboden was hen tot slaven te maken. Paulus III deed allen in den ban, die de vrijheid en de menschenwaarde der Indianen aanschonnen. Verscheidene missionarissen werden vermoord, omdat zjj den slavenhandel bestreden.
Dominicanen, Franciscanen, Augustjjnen en Jesuieten predikten het geloof in Mexico, Peru en Chili (1530). De bewoners dezer streken kenmerkten zich door een hoogere beschaving. In de bisschopsstad Lima verspreidde de H. Rosa, maagd uit de Derde Orde van Sint Dominicus, den geur harer deugden, die zij met de doornen der versterving beschutte. De H. Franciscus van Solano, Minderbroeder, was de Apostel van Peru (f 1610). Er werden vele broederschappen ingesteld. De nieuwbekeerden muntten door ijver in het gebed en door standvastigheid in het geloof tegen iedere verleiding uit. De Jesuieten vestigden er prachtige inrichtingen zooals het seminarie van St. Ildefonsus in Mexico. Aan de universiteiten van Mexico en Lima onderwees men alle godgeleerde en wijsgeerige leer vakken. Fraaie kathedralen werden gebouwd. Krachtig ontvouwde zich het kerkelijk leven. Omstreeks 1610 telde men in Zuid-Amerika 5 aartsbisdommen , 27 bisdommen, 400 kloosters, vele parochies-en missies. De H. Ludovicus Bertrandus bekeerde in Nieuw-Grenada ruim 150000 Indianen (1562â1569), Ook het lot der arme negerslaven trok zich de Kerk met warmte aan. De H. Petrus Claver uit deJesuietenorde was de Apostel der negers (f 1654).
Sedert 1549 waren de Jesuieten in Brazilië gevestigd, maar moesten met groote moeilijkheden kampen. Muziek en liederen gebruikten zij als middel om de woeste inboorlingen te bekeeren. Zij leerden hun handwerken , kunsten , zang ,
245
lezen en schrijven. De gouddorst en de slavenjacht der Spanjaarden en de godsdiensthaat der Calvinistische Hollanders maakten hun dit bekeeringswerk niet gemakkelijker.
Doch hun voornaamste missie hadden de Jesuieten in Paraguay aan den La Plata-stroom. Dit uitgestrekte arbeidsveld was reeds betreden door Dominicanen en Franciscanen , doch met weinig vrucht. Zij maakten Paraguay tot een christelijke republiek onder het oppergezag van Spanje, maar door hen zeiven bestuurd, ontgonnen en beschaafd. De woeste, verstrooid levende inboorlingen vereenigden zij tot gemeenten, reducties genaamd, die geen Spanjaard mocht betreden. Zij leerden hun kunsten , wetenschappen en handwerken , gewenden hen aan matigheid en huiselijkheid en stichtten geestelijke broederschappen onder hen. Zoo werden zij goede menschen en goede christenen, bebouwden het land, dreven handel en beoefenden verschillende handwerken. De eeredienst bloeide, de kerken werden met luister versierd. De missionarissen waren de geneesheeren hunner lichamelijke en geestelijke kwalen, hun priesters , leeraars en burgerlijke overheid. Er bestonden meer dan dertig zulke reducties.
In Noord-Amerika kwamen de Jesuieten en Franciscanen. Zij brachten geloof en beschaving in Canada, Maryland en Virginië ondanks den hevigen weerstand der Indianen en de bezwaren van het klimaat. Doch toen de Anglikaansche Engelschen sterk genoeg waren, verdreven hun hebzuchtige ambtenaren en predikanten de Katholieke priesters, ontnamen aan de Katholieken hun burgerrechten en verboden iederen godsdienst behalve den Anglikaanschen (1650).
â 53
246
LXII. Jansenisme en Gallicanisme.
Michaël Bajus (1513â1589), professor der H. Schriftuur te Leuven , verborg onder het voorwendsel van de leerwijze der Scholastieken te bestrijden dwalingen over den oorspronkelijken toestand van de eerste menschen, de erfzonde, de genade en de vrijheid. Hij verspreidde ze in verscheidene verhandelingen en trachtte ze uit den Bijbel en uit de werken van Sint Augustinus te bewijzen. Zij waren een mengelmoes van Lutheranisme, Calvinisme en Pelagianisme. Pius V veroordeelde 79 stellingen van Bajus (1567). Gregorius XIII bevestigde dit vonnis. Gelukkig heeft Bajus zich aan de Kerk onderworpen.
Niettemin was het onkruid gezaaid en schoot het welig op. Bajus had veel aanhangers in Belgie, Frankrijk en Polen. Een zijner voornaamste leerlingen was Cornelis Jan-senius, te Ackooi bij Leerdam geboren, professor der godgeleerdheid te Leuven en bisschop van Yperen(i585â1638). Twintig jaren werkte hij aan een boek, Augustinus geheeten, hetwelk zijn vrienden twee jaren na zijn dood uitgaven. Jan-senius zelf had er niets verkeerds in gevonden, maar het geschrift toch aan het oordeel van den H. Stoel onderworpen. Het behelsde verscheidene dwalingen, die zijn volgelingen Antoon Arnault, diens zuster Angelica, abdis van het Cis-tercienser klooster Port-Royal, Quesnel, Pascal en andere geleerden der universiteit van Parijs gretig rondstrooiden. Zij leerden, dat de mensch na den zondenval in het paradijs de vrijheid verloren had , aan de inwendige genade geen weerstand kan bieden en sommige geboden Gods niet vervullen kan. De Jesuieten bestreden deze dwalingen met vuur. Nu ontbrandde de twist met alle heftigheid. Vijf en tachtig bisschoppen vatten op een vergadering de ketterij van Jansenius
247
in vijf hoofdstellingen te zamen en verzochten Innocentius X hierover zijn opperpriesterlijke beslissing te geven. Na een onderzoek van twee jaren verklaarde de Paus de stellingen kettersch (1653.) Nu wendden de Jansenisten voor, dat de genoemde vijf stellingen alleszins veroordeelenswaardig waren, maar in het boek van Jansenius niet gevonden werden. Vol» gens hun uitvlucht kon de Kerk over de zuiver historische vraag, of het boek die stellingen bevatte, niet met meer gezag dan de wetenschap beslissen. Zij was daarin niet onfeilbaar en het bleef dus twijfelachtig. Hieruit volgde een reeks van twisten. De Jansenisten zochten hun heil in oneerlijkheden , leugen en bedrog, beriepen zich op een algemeen Concilie, nadat Clemens XI verscheidene punten uit een boek van Quesnel veroordeeld had (1713), namen hun toevlucht tot zoogenoemde wonderen en geestdrijverijen en sloegen over tot een overdreven gestrengheid, vooral in het toedienen der H. Sacramenten. Thans liep de maat over. Op raad van zijn kanselier, kardinaal Fleury, liet koning Lodewijk XV alle Jansenistische vereenigingen in Frankrijk door de politie onderdrukken.
De Jansenisten hadden de gehoorzaamheid aan den Paus geweigerd. Dit verzet openbaarde zich in een nieuwen vorm, namelijk in het Gallicanisme.
Lodewijk XIV strekte het recht van eenige bisschoppen te benoemen, door den Heiligen Stoel aan zijne voorgangers toegestaan, tot zijn gansche rijk uit en verklaarde , dat deze en andere pauselijke gunsten een onveranderlijk recht der kroon waren. Naar de dringende vermaningen van Clemens X en Innocentius XI luisterde hij niet; volgens zijn stelregel : de staat hen ik onderwond hij zich zijn wil tegenover de Kerk door te drijven. Er bestonden nu eenige ruimere opvattingen en zoogenaamde Gallikaansche vrijheden, die de
248
Jansenisten natuurlijk halsstarrig verdedigden. Deze vrijheden waren: De koning kon Fransche synoden beleggen en haar hesluiten bekrachtigen; de Paus stond onder het Concilie en had geen macht over de geheele Kerk. De koning riep te Parijs een vergadering bijeen van 34 bisschoppen en 37 geestelijken en liet de bovengenoemde vrijheden door hen erkennen en bevestigen. Deze vergadering, aan wier hoofd onder anderen de welsprekende Bossuet stond, stelde de beruchte Declaratie van 1C82 op. Zij liep over den omvang der Pauselijke macht in Frankrijk. Het opstellen der Declaratie werd aan Choiseul, bisschop van Tournay , opgedragen. Reeds stond hij op het punt de scheuring uit te spreken, toen Bossuet bij tijds de redactie van dit stuk overnam. (13 Maart 1682). Vier Gallicaansche artikelen waren aan de akte toegevoegd : 1. De Paus had geen macht in burgerlijke zaken. 2. Het Concilie stond boven den Paus. 3. Een beslissing van den Paus in geloofszaken was eerst door de toestemming van de geheele Kerk onfeilbaar. 4. De vrijheden en rechten der Gallicaansche Kerk waren onschendbaar.
Een koninklijk edict beval aan de geestelijkheid deze Declaratie met de vier Gallicaansche artikelen te onderteekenen. Wie weigerde, werd door de regeering met geweld gedwongen.
De Apostolische Stoel verzette zich luide tegen deze schismatieke richting. Alexander VIII (1680â1691) verklaarde de Declaratie nul en van geenerlei waarde. (4 Aug. 1690). De vrome en geleerde Innocentins XII (1691â1700) bewoog Lodewijk XIV zijn edict in te trekken.
Pius VI verwierp in de bul Auctorem fidei de vier Gallicaansche artikelen. Napoleon I schreef ze wederom als wet voor. De laatste veroordeeling van het Gallicanisme geschiedde door het Vaticaansch Concilie in 1869.
249
Met een enkel woord stippen wij hier het Quietisme aan. Michaël de Molinos, een Spaansch priester, had in zijn boek â Geestelijke wegwijzerquot; en in andere geschriften verwarde en gevaarlijke denkbeelden uitgesproken. Volgens hem bestond de hoogste volmaaktheid der ziel hierin, dat hare geestelijke vermogens als het ware vernietigd werden en in God verloren gingen. De ziel hield zich geheel lijdelijk en liet God alleen in haar werken. Zij verlangde niet naar den hemel, noch vreesde de hel, verwekte geen akten van geloof, hoop of liefde, verrichtte geen bijzondere gebeden en bood geen weerstand aan de bekoringen.
Paus Innocentius XI veroordeelde na een grondig onderzoek 68 stellingen uit de schriften van Molinos. (1687). De schrijver onderwierp zich.
Verschillend van deze afdwalingen is het valsche spiritualisme van een vrome weduwe Johanna de la Mothe Guyon. Hare schriften behelzen dwaalleeringen over de zuivere liefde , het beschouwende gebed en andere punten. De synode van Issy omschreef de ware mystiek in 34 stellingen , welke Madame Guyon onderteekende.
Nog was de strijd niet geeindigd. Het geschrift van Bossuel âOver de trappen van het gebedquot; gaf aan Fénelon aanleiding een verhandeling âVan, de grondbeginselen der Heiligen over het inwendige levenquot; te doen verschijnen. Hierdoor ontstond een vurige polemiek tusschen beide verdienstelijke prelaten. Eindelijk veroordeelde Innocentius XII 23 stellingen uit het geschrift van Fénelon. De eerbiedwaardige aartsbisschop onderwierp zich terstond en onvoorwaardelijk aan de beslissing van Rome.
250
LXIII. De Oostersche Kerken.
Met den algemeenen naam van schismatieke Grieksche Kerk betitelt men de verschillende godsdienstige afdeelingen , die uit de groote Oostersche scheuring ontstaan zijn, welke door Photius begonnen en door Michaël Cerularius voltooid werd. Zij bestaat in Griekenland, Rusland, Turkije en Oostenrijk. Zij verschilt van de Protestantsche sekten, want zij heeft bijna alle waarheden des geloofs behouden, die- zij voor hare afscheiding aannam en die de Roomsch Katholieke Kerk belijdt. De eenige band, welke die verschillende groepen der schismatieke Grieksche Kerk vereenigt, is dat zij alle weigeren zich aan de gehoorzaamheid van den Paus van Rome te onderwerpen.
Na de verovering van Constantinopel werd de schismatieke Grieksche Kerk volkomen afhankeljjk van de Turksche sultans. Dezen lieten haar voortbestaan en stonden de uitoefening van den godsdienst onder bezwarende beperkingen toe, maar zij maakten een schreeuwende inbreuk op de inwendige aangelegenheden van de Kerk, sloegen munt uit de keuze der patriarchen van Constantinopel en stelden hen willekeurig aan of zetten hen af.
Kort na het ontstaan van de hervorming zochten Luthers volgelingen de Grieksche Schismatieken voor zich te winnen. Melanchthon zond aan Josaphat II, patriarch van Constantinopel, een Grieksche vertaling van de Augsburgsche Confessie met een sluw opgesteld schrijven. De patriarch antwoordde niet eens (1559). Zijn opvolger Jeremias II vermaande de ketters hun dwalingen op te geven en hem niet meer lastig te vallen.
Cyrillus Lukaris, patriarch van Alexandrië, poogde met behulp van den Engelschen en den Hollandschen gezant het
251
Calvinisme in Griekenland binnen te smokkelen. Maar de diep verontwaardigde Grieken belegden verscheidene synoden, spraken de leer van de Transsubstantiatie duidelijk uit en verwierpen de Calvinistische voorbeschikkingsleer als een godslasterlijke dwaling.
Maar ook alle aanmaningen der Pausen om tot de kerkelijke eenheid weder te keeren wezen zij halsstarrig van de hand. De onderhandelingen van den pauselijken legaat Possevin (1533â1584) hadden geen gevolg. Alleen de Russische provincies, die bjj Polen gevoegd waren, keerden tot de Moederkerk terug (1595).
De Russische vorsten streefden er sedert de zestiende eeuw naar de kerk van Rusland van den patriarch van Constantinopel los te maken en tot een vrije, onafhankelijke Russische staatskerk te vormen. Tot dan toe hadden de Russen een eigen metropolitaan, die van den patriarch van Constantinopel afhankelijk was. In het jaar 1589 werd de metropolitaan van Moskou tot patriarch verheven ; sedert 1660 behoefde hij te Constantinopel niet eens meer bevestigd te worden. Czaar Peter de Groote maakte vele veranderingen in de kerkelijke zaken, schafte den patriarch eenvoudig af en stelde een heilige synode in. Deze bestuurt in naam en door het gezag des keizers de Russische kerk en heeft meestal een keizerlijken beambte tot voorzitter (1721). Hare beslissingen hebben de bekrachtiging van den keizer noodig. De samenstelling dezer synode, de regeling van seminaries en academies, de benoeming en het ontslag der leeraars, de keuze der leerboeken , de leerwijze , alles hangt van de regeering af.
Het schijnt, dat Czaar Peter de Groote eenige toenadering tot Rome getoond heeft.
De Russische kerk is niet enkel van Rome of Constantinopel , maar van ieder patriarchaat der wereld volkomen
252
losgescheurd en vereenzelvigd met het onbeperkte staatsbestuur. In haren boezem bestaan verschillende sekten.
Van de oude Oostersche sekten hebben sommige zich met Eome verzoend. Aan hun bekeering werkten vooral de Jesuieten en de Dominicanen. De Pausen zonden dikwijls legaten naar het Oosten om den terugkeer tot de Moederkerk met liefde en voorzichtigheid voor te bereiden. De Chal-deeuwsche Christenen, de Maronieten van den Libanon en de Armeniërs vereenigden zich ten minste gedeeltelijk met den Apostolischen Stoel. De bekeering der Kopten in Abyssinië was niet duurzaam.
In Griekenland, Italië en andere landen leefden vele Grieken, die aan Rome onderworpen waren. Leo X stond hun vele voorrechten toe, zooala hun eigen ritus, het gebruik van gedeesemd brood , de Communie onder twee gedaanten , het huwelijk der priesters, voor de wijding gesloten, en het dragen van een baard door hen. Clemens VII, Paulus III en Pius V bevestigden deze voorrechten. Niemand mocht de Grieken hinderen in de ongestoorde uitoefening van hun eeredienst, mits zij aan Eome onderdanig bleven.
LXIV. Kleinere Protestantsche Sekten.
De grondslag van het Protestantisme, het vrije lezen en verklaren van den Bijbel, voerde tot vele verdeeldheden en scheuringen. De Heilige Schrift kan het levende en onfeilbare gezag der Katholieke Kerk niet vervangen, daar een ieder haar volgens zijn verstand en hartstochten uitlegt. Daarbij kwam, dat vele Protestantsche vorsten, elk op zijn gebied, een geloof naar hun hand vormden.
253
Hieruit vloeide noodzakelijk een tweevoudig gevolg voort. Vooreerst een eeuwig gekibbel en getwist tusschen de predikanten en geleerden onderling en tusschen dezen en de Prote-stantsche geloovigen, hoe de Bijbel moest verstaan worden , wat tot het ware geloof behoorde of niet. Bjj die geschillen gingen de predikanten met buitensporige heftigheid te keer. Een tweede gevolg waren de tallooze kleinere sekten, die als onkruid welig op den Protestantschen bodem tierden. De voornaamste zullen wij hier in het kort opnoemen. De meeste gingen aan dweeperij mank.
Laelius Socinus (f 1562), een vriend van Melanchthon , was de vader der Socinianen. Zij loochenden de Drievuldigheid, de erfzonde, de Verlossing, de kracht der Sacramenten. In Polen vooral vonden zij een gastvrij onthaal. Daar was Paus-tus Socinus (f 1604) hun hoofd. Uit Polen verdreven, vluchtten zij naar Pruisen en Zevenbergen , waar nog Socinianen bestaan.
Verkapte quot;Wederdoopers waren de Mennonieten, naar hun stichter Menno Simonsz. (f 1561) aldus geheeten. Zij verwierpen den kinderdoop, den eed, de leer van het Avondmaal en van de rechtvaardiging en hadden een afkeer van krijgsdienst en waardigheden.
Den hoofdaanval op het Lutherdom deden de Piëtisten. Philippus Jacobus Spener (f 1705), predikant te Dresden en te Berlijn, heette hun stichter. Zijn geloof was een godsdienst des gevoels. Dogma's noemde hij nutteloos voor het christelijk leven.
Graaf Zinzendorf legde de grondslagen van de Hernhutters of Moravische broeders, een godsdienst, op gevoel en dweperij steunend. (1700â1760). Zij bestaan alleen uit de opgewekten, die reeds van den christelijken geest doordrongen zijn, worden in gemeenten verdeeld, spreken veel van Chris-
254
tus' bloedigen kruisdood, leven onder een strenge tucht en houden hun godsdienstoefeningen in zalen.
De Quakers noemen als hun geestelijken vader den schoenmaker Georg Fox. (1649). Keeds spoedig vervolgde de En-gelsche regeering zijn aanhangers om hun wilde dweperij en onzinnige geestdrijverij. Eerst onder koning Willem III ontvingen zjj vrijheid van godsdienst. De leden dezer sekte krijgen een hemelsche verlichting, die hun de kennis der godsdienstwaarheden schenkt, voor hen de bron van het godvruchtig leven is en de H. Schrift doet verstaan. De uitwendige eeredienst, de kerkelijke plechtigheden en de H. Sacramenten zijn overbodig. Plichtplegingen, verscheidene spelen, tooneel, dans en muziek waren den Quakers verboden.
Verwant met de Hernhutters zijn de Methodisten, tot wier opbouw Joh. quot;Wesley (1729) en George Whitefield hebben samengewerkt. Zij verspreiden zich inzonderheid in Engeland en Amerika.
De Zweed Emmanuel Swedenborg gaf voor visioenen van God ontvangen te hebben om de kerk van het nieuwe Jeruzalem te stichten (1743). Hij verwierp den zondeval der eerste menschen en de erfzonde en legde het geheim der H. Drievuldigheid , den zoendood van Christus en het toekomstige leven op zijne wijze uit. Alleen het doopsel en het avondmaal nam hij aan. Zijn volgelingen zijn in Zweden en Engeland vrij talrijk.
255
LXV. Toestand van den Godsdienst in Duitschland na 1648.
In Duitschland duurden de godsdiensttwisten en bloedige godsdienstoorlogen voort. Daarvoor bestonden verscheidene oorzaken.
Protestanten noch Katholieken konden zich bij de bepalingen van den godsdienstvrede te Augsburg neerleggen (1555). De Protestantsche vorsten, wier aantal zeer groot was, voerden het Lutherdom of het Calvinisme, naar gelang het hun voor-deelig scheen, met geweld in hunne staatjes in, stelden, waar zij konden, predikanten aan, ontnamen den Katholieken rechten en vrijheden en dreigden hen met zware straffen, wanneer zij zich niet naar hun willekeur voegden. Had de eene vorst den Lutherschen godsdienst in zijn gebied ingevoerd, zijn opvolger brak dit af en beschermde het Calvinisme. Zoo moest eenzelfde streek of stad bij herhaling van godsdienst veranderen. Twaalf bisdommen en twee aartsbisdommen , zooals Maagdeburg, Bremen, Lubeck, Minden, Verden, Osnabrück en Brandenburg werden door hen vermeesterd en Protestantsch gemaakt. Zij beklaagden zich bitter, wanneer de Katholieken hun bisdommen terugeischten of voor de rechten hunner geloofsgenooten opkwamen. Op iederen rijksdag hieven zoowel Protestanten als Katholieken telkens dezelfde klaagliederen aan. Alle pogingen om hen met elkander te verzoenen leden schipbreuk. Somtijds begunstigden de keizers de Protestanten en schonken hun voorrechten. Op hun beurt gebruikten de Katholieken hier en daar geweld tegenover hun vervolgers. Daarbij kwamen tallooze persoonlijke veeten en twisten, die gewoonlijk met het zwaard beslecht werden. Onder het voorwendsel van den godsdienst, maar in werkelijkheid om zich te verrijken, trokken woeste benden van allerlei natie , godsdienst, kunne en leeftijd , het uitvaagsel
256
der maatschappij , moordend , plunderend en vernielend rond.
Hendrik IV, koning van Frankrijk, maakte van deze verdeeldheid gebruik om het huis van Habsburg afbreuk te doen. Door hem opgestookt sloten de Calvinisten de Protes-tantsche Unie (1608). De Katholieke vorsten stelden de H. Liga daartegenover.
Tot overmaat van ellende mengden zich dus vreemde vorsten in de broedertwisten : de koningen van Frankrijk en van Zweden. Gustaaf Adolf, koning van Zweden, beweerde, dat hij enkel en alleen naar Duitschland kwam voor de eer van God en het welzijn zijner Protestantsche broeders. Maar in werkelijkheid kwam hij uit politiek en veroveringszucht. Geld ontving hij van Richelieu, den almachtigen minister van Frankrijk , die de Protestanten in zijn eigen land onbarmhartig vervolgde. Beiden beoogden niets dan eigenbelang en staatkunde : zij wilden in troebel water visschen. De godsdienst had met hun oorlogen niets gemeen.
Het gevolg van al deze onlusten was de dertigjarige oorlog (1618â1648), die in Bohemen een aanvang nam. Tilly, de schandelijk gelasterde , maar dappere en onberispelijke generaal, en Wallenstein waren de veldheeren des Katholieken keizers tegen de Protestanten.
Ferdinand II vaardigde het zeer billijke restitutie-edict uit (1629). Dit verbitterde de Protestantsche vorsten en gaf aan Gustaaf Adolf gelegenheid om met zijn leger in Duitschland te vallen.
De burgeroorlog duurde tot 1648 voort. Aan de eene zijde stonden de Zweden, Franschen en Protestanten, aan den anderen kant de keizer met de Katholieken. Nu eens zegevierden de eenen, dan de anderen.
De ellende was groot in het Duitsche rijk. De schoonste en vruchtbaarste streken waren in woestenijen veranderd,
257
geheele dorpen afgebrand, vele steden geplunderd en ontvolkt, tucht en goede zeden geweken , het volk allerwegen in druk en nood. Daarom werd de vrede van Munster, die aan den oorlog een einde maakte , met blijdschap door bet Duitsche volk begroet, schoon hij ontzaglijke offers van hetzelve vroeg en het langen tijd aan de willekeur van vreemde naties prijs gaf. Het meeste voordeel van den oorlog trokken de Pranscben en de Zweden. De eersten ontvingen Elzas en Lotharingen , de tweeden Bremen, een deel van Pommeren en het eiland Rugen. Bovendien moest de zelfstandigheid van de Nederlanden en Zwitserland erkend worden. De Duitsche vorsten, die daardoor schade leden, troostte men met kerkelijke goederen van geroofde stichten en kloosters. De drie godsdiensten , de Lutbersche, de Calvinistische en de Katholieke zouden gelijke rechten genieten. De vorsten waren onbeperkt heer en meester in hun gebied en mochten naar verkiezing daar hun eigen godsdienst invoeren. Tegen deze schennis der kerkelijke rechten trad Pabius Chigi, pauselijk legaat, die bij het vredesverdrag tegenwoordig was, op. Ook Paus' Innocentius X protesteerde. Doch beiden werden niet geboord.
Ondanks den vrede van Munster duurden de twisten tusschen Protestanten en Katholieken voort, vooral in de gewesten met een gemengde bevolking. Vruchteloos beproefde men de twistende partijen met elkander in overeenstemming te brengen. Met dit doel voerden de wijsgeer Leibnitz en Bossuet, de welsprekende Bisschop van Meaux, een belangrijke briefwisseling.
G.
17
258
LXVI. De Pausen der zeventiende en der achitiende Eeuw.
De vereenigde pogingen der hervormers en der geheime genootschappen om het Katholieke geloof te verwoesten en het streven van sommige Katholieken om de gehoorzaamheid aan den Apostolischen Stoel te beperken maakten voor de Pausen der zeventiende en der achttiende eeuw de vervulling hunner hoogepriesterlijke plichten zeer moeilijk. Bewonderenswaardig evenwel is de onverschrokkenheid en standvastigheid, waarmede zij alle aanvallen tegen de Kerk afsloegen.
Op Sixtus V volgden Urbanus VII, Gregorius XIV en Innocentius IX.
Clemens VIII (1592â1605) gaf de Vulgata op nieuw uit, knoopte vriendschappelijke betrekkingen met Hendrik IV van Frankrijk aan, bewerkte den vrede tusschen Frankrijk en Spanje, brandde van ijver voor den oorlog tegen de Turken en was onvermoeid voor het welzijn der Kerk werkzaam. Hetjubilé, door hem uitgeschreven, bracht omtrent drie millioen pelgrims naar Rome.
Paulus V (1605â1621), een geleerd en van zielenijver blakend opperherder, volgde Leo XI, die slechts 25 dagen regeerde, op. Hij toonde veel hart voor de zuiverheid des geloofs, voor een degelijke opleiding der geestelijkheid en voor de missies. Aan de Katholieken van Engeland wijdde hij veel zorgen. Onder zijn regeering begon zich een richting te openbaren om de macht van den staat tegenover de Kerk bovenmate te verheffen.
Evenals zijn voorganger zond Gregorius XV (1621â1623) ruimen onderstand aan Ferdinand VI in den dertigjarigen oorlog. Hij richtte de congregatie van de Propaganda op.
Een geleerde Paus en een vader voor zijn onderdanen
259
was Urbanus VIII (1623â1644). De scheiding van Portugal en Spanje berokkende hem veel moeilijkheden. Onder hem werd het proces der Inquisitie tegen Galilei (f 1642) geeindigd. Galilei, een geleerd sterrenkundige, was de meening van den kanunnik Nicolaas Copernicus (f 1543) toegedaan, dat de zon stilstaat en de aarde zich om haar beweegt. Het Heilig Officie en de Inquisitie te Rome veroordeelden dit gevoelen en legden aan Galilei op zijn zoogenaamde dwaling te herroepen. De godgeleerden, die de raadgevers van het Heilig Officie waren, noemden Galilei's meening valsch , ongerijmd, kettersch en in strijd met de H. Schrift. Zij hebben zich daarin vergist, maar dit bewijst niets tegen de onfeilbaarheid der Kerk of van den Paus, omdat hun veroordeeling slechts een persoonlijk gevoelen, niet een plechtige uitspraak van den Paus in geloof en zeden is. Galilei was geen martelaar der wetenschap ; hij heeft niet in een kerkerhol gezucht en werd niet op de pijnbank gefolterd.
Innocentius X (1644â1655) zorgde voor rust en orde in den Kerkdijken Staat; Alexander VII (1655â1667), een vriend der wetenschap, verfraaide Rome en Clemens IX (1667â1669) ondersteunde de Venetianen in den strijd tegen de Turken. Na hem beklom de tachtigjarige Clemens X (1670â1676) den stoel van Petrus.
Innocentius XI (1676â1689) beleefde de schitterende victorie van Johannes Sobieski, koning van Polen, over de Turken, die quot;Weenen belegerden (1683). Met kracht trad hij tegen misbruiken op en waakte voor tucht en eenvoud onder geestelijkheid en volk.
Alexander VIII (1689â1691) en de vrome en geleerde Innocentius XII (1691â1700) verzetten zich tegen de Galli-kaansche bisschoppen in Frankrijk en tegen de aanmatigingen van Lodewijk XIV.
260
De eerste Paus der achttiende eeuw was de met het algemeen vertrouwen vereerde Clemens XI (1700â1721). Gedurende zijn regeering heeft hij nauwelijks een enkel rustig oogenblik beleefd. De Spaansche successieoorlog, waarin hij tegen zijn wil getrokken werd. haalde hem den haat van Oostenrijk op den hals, wijl hij cich voor Frankrijk verklaard had. De troepen van Keizer Joseph I verwoestten den Kerke-lijken Staat en dwongen Clemens zich bij Oostenrijk aan te sluiten. Maar toen Filips V van Anjou toch koning van Spanje werd , moest de Paus het ontgelden, dat hij de zijde van de Habsburgers had gekozen. Veel zorg besteedde hij aan de missies.
Zelfs de kleine Italiaansche vorsten en steden waagden het zich tegen Christus' stedehouder te verzetten, wanneer hij de naleving der kerkelijke wetten van hen vorderde.
Na het driejarige pontificaat van Innocentius XIII volgde Benedictus XIII (1724â1730) uit de Predikheerenorde. Als aartsbisschop van Benevento ging hij allen voor door beleid, godsvrucht en plichtsbetrachting. Slechts één verlangen koesterde hij : geloof en goede zeden in de Christenheid te doen bloeien.
Na hem droeg Clemens XII de driekroon (1730â1740). Het grootste gedeelte zijner regeering was hij blind en bedlegerig. Hij deed, evenals zijn voorgangers, de droevige ondervinding op, dat het aan vele Katholieke hoven regel scheen te worden, met het gezag van Rome's Opperpriesters te spotten en hun eigen lusten te volgen. Tegen de vrijmetselaars sprak hij den ban uit.
Benedictus XIV (1748â1758) was een der geleerdste en behendigste Pausen. Zijn vredelievendheid en wijze gematigdheid slaagde er in de geschillen met buitenlandsche vorsten, zooals die van Napels, Sardinië, Portugal en Spanje te be-
261
slechten zonder het aanzien van den Apostolischen Stoel te verkleinen. Hij bevestigde den ban tegen de vrijmetselaars.
De vroomheid en goedheid van Clemens XIII (1758â 1769) waren wereldbekend. Onder hem ontstonden nieuwe en ernstige geschillen. Gallicanen, Jansenisten en vrijmetselaars werden steeds driester. Reeds als bisschop van Padua leefde Clemens in geur van heiligheid. Diep beklaagde hij het, dat het ongeloof in Frankrijk schrikbarend toenam. De vrijmetselaars hadden het bijzonder op de voorposten der Kerk , op de Jesuieten , begrepen. Pombal dreef hen onder de nietigste aantijgingen 1759 uit Portugal. Voltaire vooral drong in Frankrijk op de vernietiging der orde aan. Clemens XIII bood krachtdadigen weerstand en bevestigde de Sociëteit van Jezus op nieuw (1765). Zelfs de bedreiging, dat men Rome zou belegeren, kon hem niet overhalen. Hij stierf, door zorgen afgemat, den 2^Februari 1769.
Als woordvoerder der partij tegen den Paus trad Johannes Nicolaas van Hintheim, wijbisschop van Trier en leerling van den Jansenistischen rechtsgeleerde van Espen, op. Onder den naam Justinus Febronius gaf hij een boek uit, hetwelk alle richtingen en stelsels, die in zijn tijd tegen de Kerk gekant waren, nauwkeurig weergeeft. Het doel van dit werk was, zoo wendde hij voor, de Protestanten weer met de Kerk te vereenigen, maar in werkelijkheid tracht hij het gezag van den Paus af te breken en dat der tijdelijke macht te vergrooten.
Volgens Febronius namelijk is de Paus slechts de eerste onder de bisschoppen , zijns gelijke, en kan hij zonder toestemming van die bisschoppen geen beslissingen in geloofszaken geven , geen ketterijen veroordeelen, geen wetten voor de gansche Kerk uitvaardigen, geen rechtsmacht in een bisdom uitoefenen. Daar nu het Romeinsche hof, zoo bazelt
262
Febronius verder, in den loop der eeuwen zich rechten aangematigd heeft, i8 het de taak der bisschoppen en der wereldlijke vorsten aan den Paus die aangematigde rechten te onttrekken.
Clemens XIII veroordeelde het gevaarlijke boek van Febronius, die eerst later alles oprecht herriep.
Deze Paus schonk aan keizerin Maria Theresia (1740â 1780) den titel van Apostolische Majesteit. Ondanks hare vrome gezindheid maakte zjj, door Jansenistische raadslieden misleid, verscheidene scherpe en drukkende verordeningen voor de Kerk.
Bijna alle katholieke hoven bleven op de opheffing der Jesuietenorde aandringen en dreven hun eisch bij Clemens XIV (1769â1774) door. Het was het duivelsche werk der geheime genootschappen. Op den 21 Juli 1773 hief de Paus de Sociëteit op, bewerend, dat dit noodig was om den vrede te bewaren, daar de orde aan haar doel niet meer beantwoordde. Het is intusschen zonneklaar bewezen , dat de aanklachten, welke van alle zijden tegen de Jesuieten gericht werden, vuige laster zijn. Met die opheffing viel een geducht bolwerk der Kerk, werden vele leerstoelen der Katholieke wetenschap door ongodsdienstige leeraren bezet en de rijke goederen der orde tot wereldsche doeleinden gebruikt. De orde bood geen zweem van verzet. De duizenden leden in de verschillende landen bogen zwijgend het hoofd. Frederik de Groote in Pruisen en Catharina II in Rusland verklaarden zich tegen de opheffing en schonken aan de Jesuieten een toevlucht in hun rijk.
Clemens XIV verhief zijn stem tegen de godsdienstige nieuwigheden in Oostenrijk, ondersteunde de geleerden, bevorderde de kunst, richtte nieuwe missies op en trok zich het lot der Polen en der Katholieken in Pruisen aan.
263
Onder Pius VI (1775â1799) verhieven zich de vijanden der Kerk, die zijn voorganger door de opoffering van de Jesuietenorde waande bevredigd te hebben, opnieuw tegen den Apostolischen Stoel. Zoowel verblinde geestelijke als wereldlijke vorsten krenkten hem gevoelig.
In Duitschland en Oostenrijk was keizer Joseph II (1780â1794), een man zonder ware vroomheid en zonder talent om Jte regeeren , de kampioen voor godsdienstloosheid en zoogenaamde verlichting. Hij hief 700 kloosters met 36000 religieuzen op en trachtte hen af te scheiden van hun buiten-landsche oversten, gaf de kleingeestigste verordeningen omtrent de godsdienstoefeningen, verwoestte de heerlijkste werken van kunst en wetenschap , maakte vele bepalingen omtrent het huwelijk , onderwierp de herderlijke brieven der bisschoppen aan zijn goedkeuring, verleende aan de Protestanten en schismatieke Grieken ruime vrijheden, gaf door de vrijheid van drukpers aan de vuilste en ongeloovigste geschriften toegang tot zijn staten, ontnam den bisschoppen het recht voor de opleiding der geestelijkheid te zorgen, liet de seminaries sluiten en richtte vier seminaries op , waar de jeugdige levieten onder toezicht van den staat hun wetenschappelijke en zedelijke vorming van verlichte professoren konden ontvangen.
Slechts weinige prelaten verhieven hun stem met moed tegen dit liberalisme van den keizer, die de Kerk van Duitschland geheel van Rome losmaken en aan zich onderwerpen wilde. Radeloos besloot Pius VI persoonlijk naar Weenen te reizen om den keizer tot betere gevoelens te stemmen. Onbevreesd legde het volk zjjn gehechtheid voor Christus Plaats-bekleeder aan den dag. Bij iedere schrede vond Pius er duizenden, die zijn hoogepriesterlijken zegen vroegen. Maar de keizer en diens raadslieden werkten hem op alle wijzen tegen. Zij verhinderden ieder verkeer met het opperhoofd
264
der Kerk en deden eindelijk slechts een algemeene, onbepaalde belofte, dat zij de vrijheid van 's Heeren Bruid zouden eerbiedigen. Doch nauwelijks was de Paus vertrokken, of de aanvallen op haar rechten begonnen weder.
Andere Katholieke vorsten drukten het voetspoor van Joseph II; Protestantsche vorsten gingen nog verder. Zij allen zuchtten onder den druk der vrijmetselarij. quot;Wat hun verstand zeide, was goed; wat hun wil gebood, moest geschieden.
Drie geestelijke keurvorsten van Mainz, Trier en Keulen boden hun gedienstig de hand bij hun helsch bestaan. Zij lieten aan hun seminaries de Jansenistische en Gallikaansche stellingen leeren, poogden ze praktisch tegen den Paus in door te drijven en riepen daartoe de hulp van Joseph II in. Zij drukten hun streven in 31 wenschen uit, wier vervulling de keizer aan Rome zou afdwingen. Met dit doel belegden zij ook het beruchte Congres van Ems (1786). Deels door den nuntius Bartholomeus Palla, deels door persoonlijke bemoeiingen veroordeelde Pius VI hun artikels en maakte, dat zij bitter weinig vruchten van hun verzet inoogstten.
Groothertog Leopold van Toscane, een broeder van Joseph II, verspreidde de verlichting in Italië. Het middel was de befaamde Synode van Pistoja onder voorzitterschap van den Jansenistisch gekleurden bisschop Scipio Ricci (1786). In haar zes zittingen beval zij de verspreiding van Jansenistische geschriften aan , verdedigde de Jansenistische gestrengheid bij het Sacrament der Biecht, verwierp de godsvrucht tot het H. Hart van Jezus, sprak met minachting over de kerkelijke plechtigheden, overdreef de rechten der Bisschoppen tegenover den Paus, vereenigde zich met de vier Gallikaansche artikelen en onderwierp de Kerk aan de staatsmacht. Groothertog Leopolds pogingen leden schipbreuk op de trouw van geestelijkheid en volk. Pius VI veroordeelde 85 stellingen der
265
Synode als kettersch en schismatiek (1794). Ricci onderwierp zich.
De toestand der Kerk in de achttiende eeuw was dus niet zeer rooskleurig. Het onkruid, door den duivel gezaaid, wies weelderig op. De vruchten waren bitter voor vorsten en volkeren.
LXVII. De ongeloovige wetenschap en letterkunde der achttiende eeuw.
Het beginsel van het Protestantisme, dat ieder de H. Schrift naar zijn verstand moest lezen en uitleggen, leidde er toe., dat het verstand van ieder afzonderlijk, in plaats van het onfeilbaar leergezag der Kerk, ging beoordeelen, wat men moest gelooven en doen om zalig te worden. Zoo baande men een breeden weg voor den godsdienst der rede, het nieuwe ongeloof.
De nieuwere wijsbegeerte begint met Rene Descartes (f 1650), die den twijfel tot grondslag van zijn stelsel nam, en met den pantheist Spinoza (f 1677). Na hen ontstonden verschillende verkeerde richtingen. De eenen loochenden het bestaan van God en iedere bovennatuurlijke openbaring; anderen geloofden wel aan God, maar ontkenden de Openbaring ; sommigen namen alleen aan, wat hun verstand kon begrijpen.
Het eerst ondermijnden de Engelsche vrijdenkers, zooala Thomas Hobbes (f 1679), Johan Locke (f 1704), Shaftesbury (f 1713), Bolingbroke (f 1751) en Hume (f 1776) door hun geschreven en gesproken woord en door hun wandel godsdienst en zedelijkheid. De beweging, door hen begonnen, drong weinig in het volk door, maar bepaalde zich tot hoogere
266
kringen, vooral tot de loges der vrijmetselaars en de geheime genootschappen.
Uit Engeland sloeg dit bederf naar Frankrijk over. Daar was de akker voor het onkruid vruchtbaarder. Zoowel het hof als de hoogere standen waren bedorven. Poogden de Engelsche vrijdenkers meer op het gebied der natuurlijke wetenschappen het Christendom te bestrijden, de Franschen verspreidden hun ongeloof en zedeloosheid in reisbeschrijvingen, gedichten , geschiedkundige verhandelingen en romans. Jean Jacques Rousseau (f 1778), de spotter Voltaire (f 1778), d'Alembert, Diderot, v, Holbach, Helvetius luchtten hun haat tegen iederen godsdienst in een encyclopedie, die zij gezamenlijk uitgaven. Daarom werden zij Encyclopedisten genoemd.
In Duitschland beleefde de letterkunde haar tweede tijdperk van bloei, een tijdperk geheel en al heidensch en zonder godsdienst. Göthe , Schiller , Lessing , Wieland, Herder verspreidden het ongeloof en het zedenbederf des te meer, naarmate de vorm hunner letterkundige voortbrengselen schooner en de rijkdom van gedachten grooter was. De wijs-geeren Kant, Fichte , Hegel, Schelling , Jacobi en Schopenhauer , de natuurkenner Alexander van Humboldt werkten uit alle kracht met hen mede om den godsdienst af te breken. De algemeene Duitsche bibliotheek van den Berlijnschen boekhandelaar Nicolai (1765) was het hoofdorgaan van hun duivelschen haat.
Een geweldig verzet tegen Kerk en Staat voerde de orde der Illuminaten, door den beruchten A. Weishaupt gesticht (1776). Uit alle standen wierf hij talrijke leden.
In het Katholieke Duitschland werd de â verlichtingquot; door de regeeringen begunstigd en drong inzonderheid in de universiteiten en de scholen door.
267
Tegenover dezen verdelgingskrijg hield het Katholieke volk en het grootste gedeelte der geestelijkheid in Duitschland met onverbreekbare trouw aan de Kerk vast en verdedigde haar met woord en daad en degeljjke verweerschriften. In de eerste rijen streden de opgeheven Jesuieten. Vooral in het bisdom Munster bleef het kerkelijk leven het zuiverst.
De meesten der boven genoemde vrijdenkers waren vrijmetselaars. Hun leven beantwoordde aan hun richting en was in den grond bedorven.
De oorsprong der vrijmetselarij ligt in het duister. Men moet hier echter een onderscheid maken tusschen de zaak en tnsschen den vorm. Wat de zaak betreft, heeft de vrijmetselarij uit allerlei vroegere instellingen en dwalingen iets overgenomen en langzamerhand tot één geheel vereenigd. In dien zin kunnen de vrijmetselaars beweren, dat zjj tot de oudste tijden opklimmen. Maar wat den vorm aanbelangt, de huidige organisatie der vrijmetselarij met haar ritussen en gebruiken, dagteekent zij van 1717 en werd in Engeland ingesteld. De Socinianen en de Engelsche deïsten waren haar stamvaders. Natuurlijk onderging zij achtereenvolgens vele wijzigingen naar omstandigheden van tijd, plaats en personen. Doch één punt is van den beginne af bij de vrijmetselarij niet veranderd: haar gloeiende haat tegen staat en godsdienst. De vrijmetselarij wendt voor, dat zij een instelling van menschlievendheid en liefdadigheid is en niets dan de zedelijke verbetering van den mensch en van de maatschappij beoogt. Maar in werkelijkheid is zij van natuur tegen den godsdienst, tegen het Christendom, tegen de Katholieke Kerk, tegen den staat, tegen de maatschappij. Thans is zij over
de geheele wereld verspreid.
---
268
LXVIII. De Fransche omwenteling en hare gevolgen voor Europa.
De storm , die het meest in Frankrijk was voorbereid, brak eindelijk los. De geleerden hadden het volk den godsdienst ontnomen; de grooten des rijks hadden het onderdrukt en uitgezogen. Het lag onder zware lasten gekromd. Een algemeene vnjheidsdrift ging er door de wereld. De Calvinisten hadden het zaad des oproers met volle handen uitgestrooid, De vrijmetselaars gebruikten al deze verkeerde elementen om een omwenteling te bewerken.
Op den 2 November 1789 stelde men alle kerkelijke goederen tot beschikking der natie. Allen beloofde men gelijke rechten. Den 18 Februari 1790 werden alle Orden en Congregaties , die zich niet aan de opvoeding of de ziekenverpleging wijdden, opgeheven en alle kloostergeloften verboden.
quot;Wel bepaalde de Nationale vergadering van den 23 Aug. 1789, dat niemand om zijn godsdienst gehinderd zou worden. Maar deze wet scheen voor de Katholieke Kerk niet te gelden. Op den 12 Juli 1790 veranderde men het gansche samenstel der Kerk in Frankrijk. In plaats van de 134 oude diocesen werden er 83 nieuwe bisdommen opgericht; het volk moest de bisschoppen en pastoors kiezen ; de bekrachtiging van den Paus voor de bisschoppen viel weg. De ongelukkige koning Lodewijk XVI gaf eerst na een langdurige weigering en slechts gedwongen de toestemming voor deze wet. Alle bisschoppen en priesters zouden haar door een plechtigen eed erkennen. Verreweg de meesten weigerden dien eed. Pius VI veroordeelde den 13 April 1791 de wet als goddeloos en verbood aan alle geestelijken den gevorderden eed af te leggen. Nu begon de vervolging tegen de trouwe priesters en Katholieken met duivelsche woede en
269
wreedheid. Maar weinigen legden den gevraagden eed af. De Paus sloot hen buiten de Kerk. 127 bisschoppen en 50000 priesters weigerden den eed. Duizenden van hen stierven voor geweten en plichten, duizenden leden armoede en gebrek in ballingschap. De godsdienstoefeningen hield men in 't geheim in holen en wouden.
Alles , wat nog aan het Christendom herinnerde , zelfs de indeeling van het jaar, werd afgeschaft. Een deerne werd als de godin der rede op den 10 November 1793 in de Notre Dame vereerd, het bestaan van den eeuwigen God openlijk geloochend.
Pius VI moest den lijdenskelk tot den laatsten druppel ledigen. De Franschen vielen in den Kerkelijken Staat. Onder harde voorwaarden verkreeg de Paus (1796) een wapenstilstand van Bonaparte. Doch later liet deze Rome door generaal Berthier bezetten en tot een republiek uitroepen. Het uitvaagsel der maatschappij hield nu straffeloos huis in de Eeuwige stad en spotte met de heiligste geheimenissen. Maar Pius week geen schrede terug; de tachtigjarige grijsaard was de trouwe wachter der Kerk. Men sleepte hem naar Valence in het Zuiden van Frankrijk. Daar stierf hij den 29 Augustus 1799. Zijne laatste woorden waren: âWie mij ooit wil navolgen, hij vergeve aan de Franschen zoo hartelijk, gelijk ik hun vergeven heb.quot; De kardinalen werden verstrooid , om een pauskeuze te beletten.
Rome vormde nu met de provincies van den Kerkelijken Staat een republiek onder een Fransch bewind. Gedurende het jaar 1799 werd het geplunderd en uitgezogen door de Franschen. Toen Piua VII den 14 Maart 1800 zijn plech-tigen intocht in Rome hield, ontmoette hij allerwegen de sporen der schrikbarendste verwoesting. Met allen ernst begon
270
hij de treurige toestanden van zijn land te verbeteren. Maar de revolutie belette hem dit plan door te zetten.
Bonaparte had intussehen in Frankrijk het bestuur in handen genomen. Hij begreep uit politiek , dat het herstel van den Katholieken godsdienst voor Frankrijk noodzakelijk was en sloot met den Paus op dan 15 Juli 1801 een verdrag, om dit herstel tot stand te brengen. Wat hij zonder zonden toestaan kon, had Pius VII [toegegeven. Zelfs liet hij zich overhalen om aan Napoleon, die den 8 Mei 1804 tot keizer der Franschen gekozen was, de kerkelijke zalving en wijding toe te dienen. Maar de Keizer wilde den Paus als een willoos werktuig zijner plannen gebruiken en dreigde hem met zijne macht. â quot;Wanneer de Keizer,quot; antwoordde Pius, âzich in het bezit zijner macht gevoelt, dan erkennen wij daarentegen, dat er boven alle monarchen een God is, die de gerechtigheid en de onschuld wreekt en aan wien alle menschelijke macht onderworpen is.quot; Zelfs de bezetting van het grootste gedeelte der Kerkelijke Staten deed den Paus niet wankelen. Derhalve beval Napoleon op den 17 Mei 1809 het overige gedeelte van den Kerkelijken Staat met het Fransche keizerrijk te vereenigen , en verklaarde Rome tot een vrije stad dea keizers. Pius protesteerde plechtig tegen zulk een geweldenarij en deed de bewerkers in den ban. Napoleon liet hem nu gevangen nemen (6 Juli 1809), met woest geweld wegsleuren en laag behandelen. Pius bleef weigeren van den Kerkelijken Staat afstand te doen en de bisschoppen te bekrachtigen , die de Keizer benoemd had. Hjj sprak de schoone woorden: â Ik wil de bedreigingen van den Keizer aan de voeten van den Gekruiste neerleggen en laat het aan God over mijn zaak te verdedigen.quot;
God verdedigde ook zijn plaatsbekleeder op aarde. Napo-
L
271
leon stierf vergeten op St. Helena, maar Pius VII keerde op den 24 Mei 1814 onder het gejubel van] zijn volk in de Eeuwige Stad terug. Een zij oer eerste daden was het plechtig herstel der Societeit van Jezus (1814).
LXIX. De Katholieke Kerk der Nederlanden in de zeventiende en achttiende Eeuw.
Spoedig ontstond er verdeeldheid en scheuring onder de Calvinisten in de zeven vereenigde Provinciën, nadat zij koning Filips II in 1581 hadden afgezworen. Er rezen verschillende geschilpunten : Wie komt de bevoegdheid toe in geloofszaken te beslissen, aan de wereldlijke macht en het landsbestuur of aan de predikanten met of zonder Synode ? Hoe moeten verschillende leerstukken der Calvinistische kerk, vooral de voorbeschikkingsleer van Calvijn verstaan worden ?
Er vormden zich nu twee partijen , die lijnrecht tegenover elkander stonden: de Remonstranten, wier hoofd Arminius was, en de Contraremonstranten met Gomarus aan de spits. De eersten bestreden de ijzeren voorbeschikkingsleer van Calvijn ; de tweeden verdedigden haar uit alle macht. De eersten hielden , dat het landsbestuur in godsdienstzaken moest beslissen ; de tweeden kenden dat recht uitsluitend aan de predikanten toe. Johan van Oldenbarnevelt en Hugo Grotius behoorden tot de eersten, Prins Maurits tot de tweeden.
Met die godsdienstgeschillen gingen burgertwisten dikwijls gepaard. Zij gaven veelal aanleiding tot bloedige tooneelen en oproeren. Van weerszijden voeren de partijen, vooral de predikanten, heftig tegen elkander uit in geschriften, op den predikstoel, bij verschillende bijeenkomsten. Men verketterde en verbande elkander zooveel men kon. Steden en dorpen
272
werden verdeeld en in alle oorden des lands weerklonken de scheldnamen van Arminianen en Gomaristen.
In 1610 vatten de Remonstranten hun leer in vijf punten, in 1611 de Contraremonstranten de hunne in zeven punten samen.
Den 13 November 1618 werd de beruchte Nationale Synode van Dordrecht geopend. Er waren acht en twintig vreemde en acht en vijftig Nederlandsche godgeleerden. Tevens verschenen er gevolmachtigden van de Staten-Qeneraal om de orde te handhaven. De meeste leden der Synode behoorden tot de Contraremonstranten. Haar doel was geen ander dan de Remonstranten voor goed te fnuiken en het land van dat onkruid te zuiveren. De Dordtsche vaderen gedroegen zich als almachtige , onfeilbare heeren. Zij hielden 180 zittingen. Den 6 Mei 1619 kondigden zij de besluiten plechtig af. De leerstellingen der Remonstranten, in vijf punten vervat, werden veroordeeld, en de geloofsregel, die voortaan voor de Hervormde kerk in de zeven Provinciën geldig zou zijn, vastgesteld. De besluiten der Synode werden door de verschillende Provincies en de Staten-Generaal aangenomen en voor alle kerken verbindend verklaard.
Nu begon er een langdurige en algemeene vervolging tegen de Remonstranten. Geen Remonstrant mocht voortaan een wereldlijk of geestelijk ambt bekleeden. Alle predikanten, die weigerden de bepalingen van Dordt te onderschrijven, werden afgezet. quot;Wel trachtten de Remonstranten zich te verdedigen en zochten zij hulp bij de Staatsmacht; maar daar deze in de handen der Contraremonstranten was overgegaan, bleven hun pogingen vruchteloos. De strenge Calvinisten hadden hun opzet vrij wel doorgedreven: zij wilden een Pro-testantsche Republiek in het leven roepen en die met andere Protestantsche landen verbinden tegen de Katholieke Kerk.
273
De invloed hunner predikanten was alvermogend ; zij vormden de publieke opinie.
De Dortsche synode schreef voor, wat men moest belijden. Wie dat niet deed, werd eenvoudig onbevoegd verklaard voor eenig regeeringsambt. De predikanten hadden één droombeeld : Het landsbestuur moest alles uitroeien , wat niet op de leest der Dortsche synode was geschoeid, maar inzonderheid de Papisten. Met dien geest bezield , werden de Calvinisten , die de leer der Dortsche synode aankleefden, stug, stroef, onbuigzaam van karakter en onverzettelijk in hun vin-nigen haat tegen allen , die niet dachten gelijk zij.
De eigenlijke raddraaiers waren de predikanten, hun hoofddrijfveer niets dan eigenbelang, namelijk eer- en geldzucht. Hun wil was wet. Zij heerschten met tirannieke willekeur over de gewetens, bemoeiden zich met alles, vooral met alle regeeringsdaden, trachtten het bestuur van land, stad en dorp van zich afhankelijk te maken en naar hun hand te zetten. Op den predikstoel behandelden zij alle openbare aangelegenheden. Zoo werden zij de eigenlijke leiders van het volk. Twee zaken lagen hun na aan het hart: de handhaving der plakkaten tegen de Roomschen en het bewaren der zuivere Calvinistische leeringen. Wanneer een of ander bestuur naar hun zin te veel vrijheden aan de Roomschen toestond, brachten zij stad of dorp in rep en roer om hen te vervolgen. De Staten zorgden voor de opleiding, de benoeming en het onderhoud der predikanten. Schoon zij dezen naar de oogen moesten zien, hadden zij toch een middel om hen te temmen: de opbrengsten der kerkelijke goederen, waaruit de predikanten onderhouden werden.
En toch maakten de Calvinisten omtrent 1650 niet de helft der bevolking uit. Behalve de Lutheranen, Mennonieten, G. 18
274
Joden en Remonstranten was de helft nog Katholiek , vooral de adel en de plattelandsbevolking in Holland, Utrecht, Overijsel en Gelderland. In Limburg en Brabant waren bijna geen Calvinisten. De Lutheranen , meestal Duitschers of afstammelingen van hen, liet men vrij ongemoeid en duldde, dat zij in stegen eigen kerkgebouwen hadden, schoon zij geen ambten konden bekleeden. De Mennonieten bezaten bedehuizen in de meeste steden en op sommige dorpen van Holland en Friesland. Zij legden zich vooral op den handel toe , waren rijk en leefden zeer stemmig , ingetogen en afgetrokken.
Behalve de handhaving hunner leer in hun eigen kerk, lag den predikanten niets zoozeer aan het hart dan de onderdrukking der Katholieken. Bij de wereldlijke macht drongen zij er op aan, dat zij de Roomschen zoude vervolgen. De autoriteiten van den lande, van iedere provincie of stad, gaven hieraan gevolg, naar gelang hun eigenbelang het meebracht. Zoo heerschte er tegen de Kerk nu eens een openbare, dan weer een bedekte vervolging, die een paar eeuwen geduurd heeft. Stelselmatig werden de Katholieken buiten alle regeeringsambten gesloten. Zij konden hun kinderen niet altijd Katholiek onderwijs geven, hun godsdienstplichten niet waarnemen, de H. Sacramenten niet ontvangen. De godsdienstoefeningen moesten veelal in het geheim gehouden worden. Vele Katholieken trokken naar de zuidelijke Nederlanden.
Ondanks die gestadige onderdrukking van den Katholieken godsdienst, kon hij in de Zeven Provinciën niet uitgeroeid worden. Hiervoor bestonden verscheidene redenen.
Zoowel bij de overheden als bij het volk bleef de geest van verdraagzaamheid voortleven. In den grond hielden velen
275
niet van voortdurend strijden, van dweeperij of heftigheid. Als de Roomschen zich maar stil hielden, zag men veel door de vingers. Bij vele regeeringsmannen en bij een gedeelte van het volk was het Protestantisme nog zeer flauw; zij hadden bovendien nog verwanten of oude bekenden onder de Katholieken. Het verbond der Eepubliek met Frankrijk had tot gevolg, dat men ten minste nu en dan uit staatkunde de KatholiekeD zachter behandelde. Die'zelfde staatkunde bewoog velen in den lande , die aan het roer zaten , b. v. den stadhouder Frederik Hendrik, gematigd jegens hen te zijn.
Het gevolg was, dat de Katholieken, vooral in het begin der achttiende eeuw, meer en meer geduld werden, eerst in het geheim, vervolgens bij oogluiking. Ja, eindelijk mochten zij in het openbaar hun godsdienstplichten vervullen, mits zij voor geen Calvinist een steen des aanstoots waren. Die toestand heerschte in Holland, Utrecht, Overijsel en Gelderland. In stegen of op afgelegen plaatsen konden zij hun godsdienstoefeningen in particuliere gebouwen houden. Zij bezaten weeshuizen en gestichten voor oude lieden. Met toestemming van de overheid werden priesters, zoowel seculiere als reguliere , toegelaten, doch zij stonden ieder oogen-blik bloot aan verjaging, boete of gevangenis. Het verlof om een statie te bedienen moest voor groote geldsommen van het bestuur, van schout of baljuw gekocht worden.
De Katholieken bezaten geen rechtspersoonlijkheid. In weerwil van al de bovengenoemde redenen tot verdraagzaamheid , in weerwil van de feitelijke tolerantie, bleef het zwaard der vervolging en uitsluiting boven hun hoofd hangen. De plakkaten bleven bestaan en konden toegepast worden , wanneer men het wilde, al deed men het niet altijd. De toestand was onzeker en wisselvallig. De vinnige predikanten lieten zich niet onbetuigd om telkens het vuur van den haat op te
276
rakelen. Het landsbestuur beschouwde de Katholieken als vijandig gezind, de predikanten gloeiden van haat tegen hen, de menigte had talrijke vooroordeelen en de ontwikkelden zagen met medelijden en minachting op hen neer.
De Kerk in de Noordelijke Nederlanden werd op het einde der zestiende eeuw de Hollandsche missie. Rome stelde daarover een Apostolischen Vicaris aan, die te Keulen verblijf hield. Somtijds bezocht hij deze gewesten in het geheim en vermomd. Aartsbisschop Sasbout Vosmeer was de eerste Vicaris over Utrecht, Holland en wat verder tot de Zeven Provinciën behoorde. (1583.) Zijne goederen werden verbeurdverklaard en hij zelf wegens gekwetste majesteit op bevel der Staten voor altijd uit deze gewesten verbannen. Sasbout Vosmeer vond bij zijne benoeming nog ongeveer 600 geestelijken in zijn vicariaat, 200 voor het bisdom Utrecht en 100 voor Haarlem. Doch velen waren oud, anderen ongeschikt. Weldra ontstond er gebrek aan priesters. Dominicanen, Franciscanen, inzonderheid Jesuieten voorzagen in deze behoefte.
De bisdommen van Roermond en 's Hertogenbosch behielden hun bisschoppen , 's Bosch echter ontving later een Apostolischen Vicaris. De Calvinisten spanden al hun krachten in om de Katholieke Brabanders en Limburgers tot afval te brengen. Het gelukte hun echter niet. De geestelijkheid bleef trouw aan het voorvaderlijk geloof en met de geestelijkheid het volk. Dit had een vinnigen afkeer van de ketters.
In het jaar 1721 vond men in de Zeven Provinciën 271 seculiere en 108 reguliere geestelijken; onder deze waren 34 Jesuieten. De Jansenisten hadden 72 priesters. De Hollandsche missie werd in 15 aartspriesterschappen verdeeld: Utrecht, Rijnland , Delfland , Schieland , Haarlem , Amstel-land, Noord-Holland, Zeeland, Friesland, Groningen, Gelderland , Overijsel, Twenthe , Lingen , Kleef. Het is moeilijk
277
het aantal Katholieken te bepalen ; de Protestanten hadden evenwel de meerderheid.
De Fransche wijsbegeerte en letterkunde der achttiende eeuw hadden een verbazenden invloed op het Protestantisme der Zeven Provinciën. Er ontstonden twee richtingen in zijn boezem, die elkander vinnig bestreden: de orthodoxe en de liberale partij. Fransche zeden , manieren , begrippen en letterkunde werden in de Nederlanden overal verspreid en nagevolgd. Zoo drong het ongeloof in de hoogere kringen meer en meer door, niet onder de burgers en op het platteland , waar men aan het oude vasthield. Drie oorzaken werkten hiertoe mede. Op het tooneel, in romans en tijdschriften predikte men den Franschen geest. Vele Franschen zochten in de Nederlanden een gastvrij toevluchtsoord en brachten zoo Fransche levensbeschouwingen en gewoonten over. In Frankrijk bestond geen vrijheid van drukpers, maar wel in de Nederlanden. Hier, vooral in Amsterdam, werden de meeste godsdienstlooze boeken en geschriften gedrukt en het eerst verspreid en gelezen.
LXX. Het Jansenisme in de Nederlanden.
Na de onderdrukking der Jansenisten in Frankrijk namen zij de wijk naar de Nederlanden. Onder deze waren twee voorname leiders: Arnauld en Quesnel.
De Apostolische Vicaris Neercassel (1C63) en vele Katholieke geestelijken werden spoedig voor hen gewonnen. Doch de groote menigte bleef trouw aan de Kerk. In 1715 waren er onder de driehonderd geestelijken slechts 47 Jansenistische priesters. Neercassel schijnt later op den goeden weg teruggekeerd te zjjn.
278
Petrus Codde, aartsbisschop van Sebaste , was zijn opvolger. De geestelijkheid was in twee partijen verdeeld. De ijverigste der Jansenisten was Hugo van Heussen, bekend als schrijver der Batavia Sacra, waarin de staat der Katholieke Kerk in Holland voor en na de Hervorming nauwkeurig beschreven is. Codde begunstigde overal de Jansenistische priesters. De rechtzinnige geestelijken werden verdrongen of in hun bedieningen bemoeilijkt. Bisschop Codde weigerde zich te onderwerpen aan de bul van Alexander VII, waarin de Jansenistische stellingen veroordeeld waren. Nu schorste Clemens XI hem in zijn ambt en stelde De Cocq als Pro-Vicaris over de Hollandsche missie aan. De Jansenisten wilden zich aan hem niet onderwerpen en wisten bij de Staten van Holland te bewerken, dat hij door hen niet erkend werd. Hij moest het land verlaten. Een paar zijner opvolgers ondervonden dezelfde moeilijkheden van de zijde der regeering. Van 1709 tot 1793 werd het bestuur der Hollandsche missie waargenomen door den pauselijken Internuntius , die meestal te Brussel, somtijds te Keulen verblijf hield.
De scheuring was feitelijk reeds begonnen. Zij werd voltooid, toen het domkapittel van Utrecht één lijn met Codde trok en den Jansenist Cornelius Steenhoven tot aartsbisschop koos. (1723) Deze liet zich wijden door Dominicus Variet, een geschorsten bisschop van Babyion en partijgenoot der Jansenisten. (1724). Paus Benedictus XIII verwierp deze keuze. Desniettegenstaande kozen de scheurmakers na den dood van Steenhoven een nieuwen aartsbisschop, die evenmin als zijn opvolger de erkenning van den H. Stoel verkreeg. Om de scheuring te bestendigen benoemde de aartsbisschop Meindarts nog twee onderhoorige bisschoppen, één van Haarlem en één van Deventer. De scheurmakers belegden te Utrecht een synode, waarop ook de pastoors een beslissende stem
279
hadden. (1763). Clemens XIII verwierp de besluiten dier vergadering. (1765).
De weinige priesters , welke de Jansenistische sekte hier in den lande bezat, stierven langzamerhand uit. Hoe zouden zij nieuwe bekomen ? Een oude bisschop van Ierland, de bisschop van Senez in Frankrijk, twee andere bisschoppen en de bovengemelde Variet wijdden priesters voor hen.
De groote menigte van het Katholieke volk in de Zeven Provinciën bleef trouw aan de geestelijkheid, die zich aan Rome onderwierp. De Jansenisten rekten een kwijnend bestaan. Zij zochten echter van den beginne hulp en steun bij de besturen van Holland en Utrecht en wisten door kuiperijen en list te bewerken, dat deze hen begunstigden en beschermden , maar de Katholieken onderdrukten , dat zij aan hen de kerken of pastorieën der Katholieken afstonden.
-« -O» «
LXXI. Nieuwe kloosterstichtingen.
Met hoogepriesterlijke wijsheid en liefde waakten de Pausen over de kloosterorden, het uitverkoren deel van Christus' kudde , en bewaarden door wijze wetten en maatregelen de zuiverheid der kloostertucht. Deze bracht heerlijke vruchten en vele heiligen voort, die alles verkochten om den verborgen schat van het hemelrijk te koopen. St. Leonardus a Portu Mauricio (1676â1751) en St. Josephus a Cupertino (f 1664) uit de Franciscanerorde, de H. Pranciscus van Hie-ronymo uit de Societeit van Jezus (f 1716), de Visitandine Margaretha Maria Alacoque, de Redemptorist Clemens Maria Hofbauer (f 1820) en de H. Alphonsus Maria de Liguorio (1696â1786) begrepen binnen hun stille kloostermuren, dat
280
de hoogste wijsheid is door verachting der wereld naar den hemel te streven.
De laatste Heilige, Bisschop van St. Agatha der Gothent stichtte de Congregatie van den Allerheiligsten Verlosser (1732). Haar doel was Jezus Christus na te volgen , zondaars te be-keeren, de jeugd te onderwijzen, missies aan het volk te geven. Spoedig zag men haar in verschillende landen verspreid.
St. Paulus a Cruce (1694â1775), een der grootste missionarissen , is de geestelijke vader der Passionisten, die het lijden en sterven van Christus in hun lichaam ronddroegen en door woord en voorbeeld boetvaardigheid predikten om de zondaars te bekeeren.
De Schoolbroeders van Johannes Baptista de La Salie waren leeken, die zich door eenvoudige geloften verbonden en arme jongens uit den werkenden stand onderwezen (1680).
Benedictus XIV bevestigde de instelling der Engelsche dames, nadat zij door verscheidene Pausen hervormd waren (1749).
Aan St. Josephus van Calasanza (f 1648) dankten de Vaders der vrome scholen hun ontstaan.
De weduwe Maria van Cambé uit Leiden, een bekeerlinge , vereenigde de Vrouwen van den Goeden Herder om zich , die volgens den regel van St. Augustinus leven en zich met de opvoeding van afgedwaalde meisjes bezig houden. (1688).
In Midden- en Zuid-Amerika wijdden zich de Bethle-mieten, door Franciscus van Bethencourt (f 1667) gesticht, aan onderwijs en ziekenverpleging.
De achttiende eeuw zag twee Congregaties van Zusters geboren worden, wier lust het was Jezus Christus in het allerheiligste Sacrament voortdurend te aanbidden.
Vroegere Orden en Congregaties, die hier of daar tot
281
verval waren gekomen, werden hervormd en ontvingen een nieuw leven.
Er onstonden in Frankrijk , Duitschland , Italië , België en Nederland, overeenkomstig de omstandigheden en behoeften van den tijd, nieuwe Congregaties van beiderlei kunne deels voor het onderwijs, deels voor de ziekenverpleging, deels voor het beschouwende leven, deels voor de missies. Voor Nederland noemen wij vooral de Zusters en Fraters van O. L. V. Moeder van Barmhartigheid, te Tilburg door Mgr. Zwijsen gesticht, de Zusters Dominicanessen, de Broeders van de Onbevlekte Ontvangenis te Maastricht, de Zusters van het H. Gezelschap Jezus, Maria en Joseph , die zich spoedig in twee takken splitsten , de verschillende soorten van Franciscanessen.
De oude geestelijke ridderorden zijn deels uitgestorven , deels in wereldlijke instellingen overgegaan.
Vergeten wij hier niet de vrome vereenigingen van lee-ken, die zich liefdadige doeleinden voorstellen : de Vincentius-vereeniging voor de ondersteuning van behoeftige huisgezinnen , de Elisabeths-vereeniging voor het bezoeken van arme zieken, de St.-Josephs-gezellenvereeniging, wier vader de edele priester Adolf Kolping is (f 1867), de Raphaël-ver-eeniging om landverhuizers met raad en daad bij te staan.
Voor de buitenlandsche missies zijn godvruchtige genootschappen door gebed en geldelijke bijdragen werkzaam. Wij wijzen op het Genootschap tot Voortplanting des geloofs (Lyon 1822) en op dat der H. Kindsheid.
282
LXXII. Nieuw leven in de Kerk.
Pius VII mocht nog de vreugde smaken met de meeste regeeringen van Europa wijze schikkingen ten voordeele der Kerk te treffen. Wat er nog te regelen overbleef, voltooiden zijne beide opvolgers Leo XII (1823â1829) en Pius VIII (1829â1830). quot;Wel waren de meeste kerkelijke goederen verloren, maar toch zorgden zoowel de regeeringen als het volk voor het onderhoud van bisschoppen en priesters. Alleen in Duitschland konden de regeeringen niet terstond besluiten de volle vrijheid aan de Kerk te geven. De aartsbisschop van Keulen, Clemens August, die haar rechten moedig verdedigde , moest zelfs langen tijd in de gevangenis zuchten. Nog lang heerschte in Frankrijk een gevaarlijke onverschilligheid op godsdienstig gebied onder de hoogere standen, maar het volk bezielde een levendig, werkdadig geloof. Dit bleek vooral door de vereeniging tot verbreiding van het geloof, te Lyon in 1822 onder het patronaat van den H. Franciscus Xaverius gesticht.
In Spanje en Portugal werd de Kerk door de regeering zeer belemmerd in haar werkzaamheid, maar geestelijkheid en volk arbeidden te zamen om het godsdienstig leven te doen bloeien.
De Katholieken van Engeland ontvingen door een besluit van het Parlement, op den 13 April 1829 uitgevaardigd , weer het recht voor sommige ambten gekozen te kunnen worden.
Nog verblijdender was de voortgang der Katholieke Kerk in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika. In 1783 waren er nauwelijks 20000 Katholieken onder éénen bisschop. Sinds dien tijd heeft het Katholieke geloof daar een verbazende vlucht genomen.
283
Ook ia Azië, Afrika en Australië ging het licht des Evangelies blijde op. Tallooze missionarissen togen er heen , alles verlatend , alles opofferend , om er met onbeschrijfelijke ontberingen zielen voor Jesus Christus te winnen.
Bij zulk een rassche uitbreiding der Kerk was het te begrijpen, dat haar vijanden niet zouden slapen, maar onkruid tusschen de goede tarwe zouden zaaien. In 1830 waaide de geest van revolutie door alle landen van Europa. Ook in den Kerkelijken Staat brak de omwenteling uit. Maar Paus Gregorius XVI, den 2 Februari 1831 gekozen, zeide : âMij sterkt de gedachte , dat de hemelsehe Vader niet zal toelaten dat de beproevingen, waarmede Hij ons bezoekt, onze krachten te boven gaan.quot; Zijn vertrouwen werd niet beschaamd : Oostenrijk en Frankrijk verleenden den Paus bereidwillig onderstand om het oproer te onderdrukken. Met den heiligen ernst van den opperpriester waarschuwde nu Gregorius voor de valsche verlichting, wetenschap en beschaving, waaruit de revolutie telkens geboren wordt. De Poolsche bisschoppen bezwoer hij , dat zij toch geen deel zouden nemen aan de oproeren van hun volk tegen de dwingelandij van Rusland. Tot dank vervolgde Czaar Nicolaas de Katholieke Kerk met alle middelen van list en geweld.
Kardinaal Mastai-Ferretti, als Paus Pius IX genoemd , volgde den 16 Juni 1846 Gregorius op. Op den dag zijner kroning zeide hij ; â Heden begint mijne vervolging.quot; Onmiddellijk na zijn troonsbestijging gaf hij de vrijheid aan vele staatsgevangenen. Eveneens bracht hij wijze verbeteringen in het bestuur aan.
In het jaar 1848 begonnen de onlusten in den Kerkelijken staat op nieuw. De oproerlingen namen zulk een dreigende houding aan , dat Pius Rome heimelijk verlaten moest (24 November 1848). De koning van Napels schonk hem te
284
w
Gaëta hartelijke gastvrijheid. Te Rome moordden, plunderden en roofden de opstandelingen , maar door de verbonden legers van Oostenrijk en Frankrijk werd er spoedig een einde aan de RomeinscheJ republiek gemaakt. Den 12 April 1850 keerde Pias in zijne hoofdstad terug. Vol goedertierenheid schonk hij aan allen kwijtschelding van de verdiende straffen.
Schoon Pius al zijn krachten inspande om het geestelijk en tijdelijk geluk zijner onderdanen te bevorderen, hielden toch de klachten over het slechte bestuur van den Kerkdijken Staat niet op. Alle vijanden der Kerk stemden met deze klachten in en eischten , dat de wereldlijke macht van den Paus vernietigd zoude worden. Dit was het duistere drijven der geheime genootschappen. De regeering van Piëmont verbond zich met de revolutie om gansch Italië te vermeesteren. Zij nam bezit van eenige pauselijke provincies, waar een opstand was uitgebroken. Toen in October 1860 het kleine, maar heldenmoedige pauselijk leger voor verraad en overmacht moest zwichten, roofden de Piëmonteezen nog meer provincies van den Kerkdijken Staat. Alleen Rome en de omstreken met ongeveer 700000 bewoners bleven aan den Paus. Een groot deel der verantwoordelijkheid van deze schanddaden draagt Napoleon III. Hij heeft de berooving van den Heiligen Vader niet alleen toegelaten, maar ook goedgekeurd.
De gansche christenwereld gaf de heerlijkste bewijzen van verknochtheid aan den Plaatsbekleeder van Christus op aarde. Rijke geschenken stroomden hem voortdurend toe, zoodat hij al de uitgaven voor het bestuur der Kerk bestrijden kon.
De maat der beproevingen was voor Pius IX nog niet gevuld. In 1870 brak de oorlog tusschen Duitschland en Frankrijk uit. De Italiaansche regeering trok partij van de
285
nederlaag der Fransohen om wat er nog bleef van den Ker-kelijken Staat te bemachtigen. Met leugenachtige voorwendsels trokken de troepen van Italië naar Rome op, alsof zij den Heiligen Vader tegen de aanvallen der revolutie verdedigen wilden. Na een korte belegering gaf Pius IX Rome over op den 20 September 1870 om verder bloedvergieten te voorkomen. Men. liet hem niets over dan het Vaticaan, hetwelk hij sedert niet meer verlaten heeft.
Wanneer de vijanden der Kerk meenden , dat met den val van de wereldlijke heerschappij des Pausen ook de geestelijke macht gefnuikt was , dan hadden zjj zich deerlijk vergist. Nooit is het oppergezag van den Apostolischen Stoel algemeener en oprechter erkend dan na de inneming van Rome.
LXXIII. De Dogmaverklaringen onder Pius IX.
Onder de regeering van Pius IX hadden dwalingen op godsdienstig en wijsgeerig gebied in vele harten wortel geschoten. Het verstand van velen was verduisterd, de begrippen verward, het hart bedorven. Zoo ontstond er een tweevoudige verblindheid, die van den geest en die van het hart; de tweede , dat is , zonde en hartstocht, was meestal de oorzaak van de eerste. De schepping van den mensch, de zonde van Adam en Eva , het paradijs, de zondvloed, het bestaan van een persoonlijken God, de Godheid van Jezus Christus, de zoendood en de verrijzenis van den Zaligmaker, al deze hoofdwaarheden werden beurtelings in twijfel getrokken of geloochend. Men beriep zich op de ontdekkingen der wetenschap en beweerde, dat de geopenbaarde waarheden daarmede in strijd waren. Al wat bovennatuurlijk was, cijferde
286
men weg. Men wilde dus niet meer gelooven , maar alles zelf onderzoeken en zien. Vooral de vrijmetselarij zocht met alle denkbare middelen dien geest van ongeloof te verspreiden.
De Kerk Gods echter bewaarde den geopenbaarden schat des geloofs en waarschuwde hare kinderen tegen het gevaar, dat van den kant van ongeloof en dwaling dreigde. Bij herhaling verhief Pius IX met heiligen ernst zijne stem en veroordeelde, met name in den beroemden Syllabus, de dwalingen zijner eeuw.
Met bijzondere plechtigheid kondigde hij op den 8sten December 1854 het leerstuk der Onbevlekte Ontvangenis van Maria af. Al de bisschoppen der geheele wereld stemden hiermede in. Meer dan 200 omringden den Opperpriester der Kerk, toen hij als haar opperste Leeraar verklaarde; De leer, welke vasthoudt, dat de allerzaligste Maagd Maria terstond op het eerste oogenblik van haar bestaan door de genade van den Almachtigen God en door de verdiensten van Jezus Christus voor iedere vlek der erfzonde bewaard werd, die leer is door God geopenbaard en moet derhalve door alle geloovigen standvastig aangenomen worden. Het Katholieke volk begroette deze beslissing met innige blijdschap en legde daardoor zijn aloude liefde voor de Moeder Gods aan den dag.
Paus en bisschoppen . priesters en volk waren door den band eener onverbreekbare eenheid verbonden. Pius IX mocht den 29 Juni 1867, op het achttiende eeuwfeest van den sterfdag der Apostelen Petrus en Paulus, tot de 500 bisschoppen, die hem omringden, zeggen : â In deze eenheid moeten de vijanden van den godsdienst de geweldige kracht van de Kerk erkennen en begrijpen, hoe zeer zij dwalen, die haar voor verouderd verklaren. Deze eenheid der bisschoppen met Christus' Stedehouder zal de kracht der Kerk meer en meer versterken.quot; Zijn vurigste wensch , voegde de Paus er bij,
287
was, hen allen bij de eerste gunstige gelegenheid in een algemeen Concilie vereenigd te zien.
Deze wensch van den Paus werd vervuld. Op den 88tcn December 1869 kon hij het Vaticaanseh Concilie openen. Meer dan 800 bisschoppen waren er tegenwoordig.
De Kerkvergadering verklaarde, dat de beslissingen, welke de Paus als opperste Leeraar der Kerk in zaken van geloof en zeden neemt, onfeilbaar zijn.
Dit gaf aanleiding tot een hevigen strijd tegen de besluiten van het Vaticaansch Concilie. Met name in Duitschland zocht men de Katholieken van den Apostolischen stoel los te scheuren. Er vormde zich een partij, die zich Oud-Katholieken noemden en die de onfeilbaarheid van den Paus niet wilde aannemen. In Pruisen brak de cultuurkamp met de beruchte Meiwetten uit. Zeer vele priesters wierp men wegens ongehoorzaamheid aan die wetten in de gevangenis of veroordeelde hen tot geldboeten. De bisschoppen van Breslau, Keulen, Limburg, Munster en Paderborn zette de Staat eenvoudig af; zij leefden in ballingschap. Vele gemeenten waren van haar herders beroofd, de godsdienstoefeningen konden niet gehouden, de H. Sacramenten niet toegediend worden. Den Katholieken ontnam men op verschillende plaatsen hun kerken en gaf ze aan de Oud-Katholieken. De meeste kloosterorden werden opgeheven en verbannen.
Maar geestelijkheid en volk doorstonden glansrijk alle beproevingen en bewaarden een onkreukbare trouw aan hun geloof en plicht. De strijd van het Centrum in de Duitsche kamers voor de rechten der Katholieke Kerk is^wereldberoemd geworden.
288
LXXIV. De Katholieke Kerk der Nederlanden in de Negentiende eeuw.
De wijsgeerige begrippen der achttiende eeuw, welke de ongeloovige Fransche schrijvers verspreidden, en de rondwarende geest van revolutie, die zoowel godsdiensten als staatsinstellingen trachtte gelijk te maken, deden vooral bij de burgers en de hoogere standen onverschilligheid op godsdienstig gebied ontstaan en ondermijnden de oude Gereformeerde staatskerk der Zeven Provinciën.
De Nationale Vergadering van 1796 bepaalde, dat er geen bevoorrechte of heerschende Kerk in Nederland meer geduld zoude worden ; dat alle plakkaten der vroegere Staten-Qeneraal vervallen waren ; dat alle godsdienstige plechtigheden van welke gezindte ook binnen de muren der Kerk besloten moesten blijven. Zoo was de Gereformeerde Kerk, die sedert de omwenteling der zestiende eeuw de grondslag en de ziel van den staat was geweest, die andere godsdiensten slechts geduld had, zoover zij wilde, omvergestooten vooral door Remonstranten, Mennonieten en Roomschgezinden. De Katholieken hadden hun vrijheid terugbekomen. Van daar dat de Constitutie der Bataafsche republiek (1798) de Gereformeerde Kerk van al haar voorrechten als staatskerk beroofde en aan alle godsdiensten, ook aan de Katholieken, gelijkheid van rechten toestond. Bovendien waren dezen in de gelegenheid een gedeelte van hun kerken en der fondsen voor het onderhoud van kerken, godshuizen en armen te herwinnen.
De Calvinisten lieten echter niet na de Katholieken te onderdrukken waar zij konden, en sloten hen van alle ambten uit. Schoon de Gereformeerden als staatskerk rechtens niet meer bestonden, oefenden zij niettemin nog een beslissenden invloed uit op het bestuur en genoten de topjes der garven , het stroo voor anderen overlatend. Behoudens eenige uitzon-
289
deringen, vooral wat Noord-Brabant betreft, ontvingen de Roomschen weinig kerken en weinig bezittingen terug, deels omdat deze bouwvallig waren en bij gebrek aan middelen door hen niet hersteld konden worden; deels omdat zij meenden dat het niet van langen duur zoude zijn ; deels omdat zij zich, een gevolg van de langdurige onderdrukking, hun vrijheid en kracht nog niet bewust waren. Zoo zijn vele oude en schoone kerkgebouwen der Noordelijke Nederlanden in de handen der Protestanten gebleven.
De schoolwet van 1806 krenkte de Katholieken smarteljjk in hun rechten, schoon zij hun op het stuk van onderwijs eenige verademing bracht.
Onder Lode wijk Bonaparte was hun toestand iets beter. Over het algemeen waren de Katholieken den koning vrij genegen, omdat zij begrepen, dat hij hun rechten wilde handhaven. Lodewijk koos zijn dienaren uit de leden van alle kerkgenootschappen en vroeg niet of zij Protestant dan Katholiek waren.
De inlijving van Holland bij het Fransche keizerrijk bereidde nieuwe achterstellingen aan de Katholieken. Napoleon was een despoot, die willekeurig en onbeperkt over de Kerk wilde heerschen, een vrijmetselaar, die den godsdienst haatte uit eigenbelang, wilde hij zijn macht niet verliezen. De eene dwangwet na de andere vaardigde hij tegen de geestelijkheid uit en liet de seminaristen soldaat worden.
Van 1781 â 1814 was de invloed der Katholieken gering. Wel hadden zij met de vrijheidsmannen medegewerkt om hun godsdienstige vrijheid te herwinnen, maar zij maakten van die vrijheid een bescheiden gebruik. Zij richtten te Warmond een seminarie op voor de opleiding der geestelijken en verborgen hun zienswijze niet over de wet van 1806 op g. 19
290
het lager onderwijs. Doch zij hadden nog een duister begrip van hun rechten; de Hervormden bezaten het overwicht. Daarbij werkte bij sommige Katholieken de Jansenistische zuurdeesem nog voort, schoon het Jansenisme een kwijnend bestaan rekte. Dit dankte het niet aan gebrek aan goud.
De grondwet van 1814 stelde vast, dat de belijders van alle godsdiensten gelijke rechten zouden genietan en tot alle ambten benoemd konden worden, dat echter de Souvereine Vorst den Hervormden godsdienst zoude belijden. Deze bepalingen werden bekrachtigd, toen Holland en België tot één koninkrijk onder Willem I vereenigd werden. Maar spoedig opende de Vorst den veldtocht tegen de Belgische geestelijkheid, een der voornaamste oorzaken der scheuring van de Nederlanden.
De Calvinisten behandelden de Katholieken, schoon deze twee derden der bevolking uitmaakten, als slaven en lijfeigenen. De invloedrijkste ambten ontvingen Protestantsche Hollanders. De kloosters mochten geen novicen aannemen, de jeugdige levieten moesten soldaten worden, tractement uit de staatskas werd den succursaalpriesters onthouden. De bisschoppen , die weigerden te gehoorzamen , werden vervolgd, de aan hun plicht getrouwe geestelijken gevangen genomen of afgezet. Te Brussel was een opperste kerkeraad. Om de jeugd te bederven richtte de regeering drie universiteiten op voor België, waaraan men grootendeels Protestantsche leeraars benoemde (1816.) De politie sloot alle kleine Seminaries en Katholieke instituten en sloeg hun goederen aan (1825.) De regeering beval de oprichting van wijsgeerige colleges. De geestelijken liet men slechts de keus tusschen soldatendienst of het bezoek dezer verderfelijke inrichtingen.
In 1827 kwam er eenige verademing. Het verzet der kamers van afgevaardigden bracht de regeering tot bezinning.
291
Zij sloot een verdrag met den H. Stoel, maar aan de uitvoering daarvan dacht zij niet.
De omwenteling van September scheurde Holland van België los (1830). De Constitutie van 1831 stond vrije uitoefening van godsdienst, vrijheid van onderwijs en vrijheid van zich te vereenigen toe. De bisschoppen brachten nieuwe inrichtingen van onderwijs tot stand. Religieuse Congregaties onderwezen het volk. De bisschoppen stichtten de vrije Katholieke universiteit van Leuven. (1834)
Willem II trad met Rome in onderhandeling om het Concordaat van 1827 uit te voeren. Zijn plan leed schipbreuk op den tegenstand der Calvinisten. Aan de Hollandsche kloosters stond hij toe novicen aan te nemen en veroorloofde ook aan andere Orden zich in de Nederlanden te vestigen. Hij dacht er ook aan de smadelijke schoolwet van 1806 op te heffen, doch de vijanden der Kerk bonden zijn handen. Het voorgeslagen herstel van de kerkelijke Hiërachie stuitte op groote moeilijkheden; men moest zich voorloopig met aartspriesters vergenoegen.
De grondwet van 1848 sprak de vrijheid van geloof uit. Daarop herstelde Pius IX de Katholieke Hiërarchie in Nederland en richtte vijf bisdommen op : Utrecht, Haarlem, 's Hertogenbosch , Breda en Roermond (1853). De Calvinisten waren woedend. De storm bedaarde. De schoolwet van 1857 en 1863 verdreef den godsdienst uit de openbare scholen. Op het provinciaal Concilie te 's Hertogenbosch (1865) en in een heerlijk mandement (186S) vermaanden de vereenigde bisschoppen hun onderhoorigen voor Katholiek onderwijs hunner kinderen te zorgen.
De kloosterlingen en priesters, door den cultuurkamp uit Duitschland verjaagd, vonden in de Nederlanden overvloedige gastvrijheid.
292
Mgr. Laurent, bisschop van Cherson i. p., werd tot Apostolisch vicaris van Luxemburg benoemd (1841), maar spoedig verdreven (1847). Pius IX verhief Luxemburg tot een bisdom (1870.)
--iâ;-
LXXV. Protestanten en Schismatieken der negentiende eeuw.
De Protestantsche geleerden bleven niet achter bij het beoefenen der godgeleerde wetenschappen. Doch hun werken kenmerkten zich door ongeloof, twijfelzucht, onzekerheid, verdeeldheid, partijdigheid en haat tegen de Katholieke Kerk.
Een treurig beeld van inwendige verdeeldheid vertoont het Protestantisme der negentiende eeuw. Met den dag helt het tot onverschilligheid en ongeloof over. Heden werpt men het eene leerstuk, morgen een ander over boord. Onbeschaamd loochent men de Godheid van Christus. Dagelijks ontstaan nieuwe sekten. De predikanten worden door geldelijk winstbejag geleid. Velen werpen zich in de armen der vrijmetselarij. De vruchtbaarste akkers voor de sektenvorming zjjn Engeland en Amerika. In Noord-Amerika bestaan meer dan 70 Protestantsche sekten.
Twee wonderlijke sekten zijn de Mormonen of de christelijke Kerk der Heiligen van den jongsten dag , door Joseph Smith (f 1844) aan het Zoutmeer in het Westen van Noord-Amerika gesticht, en het Leger des Heils van den Methodis-ten predikant Willem Booth (1878).
Herhaaldelijk poogden de Protestanten missies in vreemde werelddeelen te stichten, doch daar hun zendelingen meestal slechts natuurlijke doeleinden hadden, daar zij de genade en de deugden, vooral de liefde en offervaardigheid, der Katholieke priesters misten, bleef hun woord een stem in de woes-
293
tijn. Het verspreiden van millioenen bijbels was eveneens vruchteloos.
Oud-Katholieken en Jansenisten heulen thans samen om hun armzalig bestaan te rekken. Het goud en de ingekankerde haat tegen de Katholieke Kerk doen hen nog leven. Dien haat hebben zij kortlings op een Congres te Rotterdam onder een heerlijk glas wijn gelucht.
De Schismatieke Kerk van Constantinopel, waartoe nog ongeveer negen millioen leden behooren, snelt haar ontbinding te gemoet. De patriarchen oefenen een onbegrensde macht uit. De lagere geestelijken schitteren door hun onwetendheid. Bij herhaling trachtten Pius IX en Leo XIII om de scheurmakers van het Oosten in den éénen waren schaapstal terug te voeren.
De Russische Kerk staat geheel en al onder de dwingelandij van den Czaar. De bisschoppen hangen van de heilige synode af. De popen, die door hun domheid uitmunten, leven dikwijls in drukkende armoede. De kerkelijke plechtigheden ontaarden in looze vormen. De hoogere standen zijn onverschillig in den godsdienst, de lagere onwetend en bij-geloovig. Zedeloosheid en nihilismus nemen schrikbarend toe.
Betreurenswaardig zijn de vervolgingen der Katholieken in Polen. Veel vrijheid geniet de Katholieke Kerk in Rusland niet, doch een verblijdend teeken is de benoeming van een Russischen gezant bij den Apostolischen Stoel.
In Engeland , Zweden en Noorwegen , Denemarken en Noord-Amerika breidt de Katholieke Kerk zich met reuzenschreden uit. Er bekeeren zich zeer vele aanzienlijken to^het Katholieke geloof.
294
LXXVI. De Katholieke Missies in vreemde werelddeelen.
Door de samenwerking der seculiere en reguliere geestelijkheid namen de Katholieke Missies in de vreemde werelddeelen een hooge vlucht. Om de missionarissen door aalmoezen en gebed te ondersteunen stichtte men verscheidene ver-eenigingen. De vereeniging tot Voortplanting des Geloofs te Lyon is een der voornaamste (1822).
Omtrent de bisdommen in Voor-Indië waren moeilijkheden tusschen Portugal en Rome gerezen. Leo XIII onderhandelde met koning Luis van Portugal, sloot den 23 Juni 1883 een concordaat en herstelde de hiërarchie op het gansche schiereiland.
Onder het bestuur der Hollanders werden de Katholieke missionarissen op Ceylon schromelijk verdrukt. Sedert de Engelschen in het bezit van het eiland kwamen , verbeterde hun toestand aanmerkelijk (1796). Er bestaan twee apostolische vicariaten : Jaffna en Colombo (1849). De inlandsche Christenen kenmerken zich door hun verknochtheid aan de Kerk en door hun offervaardigheid.
In de koninkrijken Birma , Siam en Anam werkten de missionarissen. niet zonder vrucht. Er brak een hevige vervolging tegen de Christenen uit, die, nu en dan onderbroken, telkens vernieuwd werd (1841). Vele Christenen stierven den marteldood. De oorlog met Frankrijk bracht nieuwe vervolgingen over hen. Zij toonden grooten heldenmoed.
De Lamas verijdelden dikwijls het bekeeringswerk der missionarissen in Agra en Thibet. Toch deden zij schitterende bekeeringen. Sommigen verwierven de kroon van het martelaarschap.
In het laatst der achttiende en in de eerste helft der negentiende eeuw hadden de Christenen van China met tus-
295
schenpoozen zware vervolgingen te verduren. De zegevierende wapenen van Frankrijk en Engeland noodzaakten de zonen van het hemelsche rijk vrede te sluiten, de vervolgings-wetten tegen de Christenen op te heffen en aan de missionarissen vrijen toegang te verleenen (1858). Dit vredesverdrag werd op nieuw bekrachtigd (1860). Desniettemin duurden de vervolgingen hier en daar voort. De oorlog tusschen Frankrijk en China gaf aanleiding tot nieuwe bloedplakkaten tegen de Katholieken (1884â1885). Leo XIII trachtte hun lot te verbeteren. De ijverzucht van Frankrijk dwarsboomde het herstel der diplomatieke betrekkingen tusschen het Vaticaan en China (1886). Het genootschap der H. Kindsheid werkt er zeer zegenrijk. In Zuid-Schantong heeft het missiehuis van Steyl een missie, aan wier hoofd de bisschop Anzer staat.
Op het schiereiland Corea werd een apostolisch vicariaat opgericht (1831). Sedert het begin dezer eeuw woedden er afwisselend hevige vervolgingen. Tot 1876 bedroeg het getal der martelaren ongeveer 12000. De jaren 1866, 1878 en 1882 kenmerkten zich door nieuwe vervolgingen. In alle blonken de Katholieken door hunne standvastigheid uit.
In het binnenland van Japan vonden de missionarissen dorpen, door Katholieke Japanners bewoond, die het H. Doopsel aan elkander toedienden, Katholieke kerkboeken hadden en aan het Katholieke geloof trouw gebleven waren. In Yokohama werd een Katholieke kerk gebouwd (1862). De vervolgingen van 186/â1868 eischten veel offers. De Protes-tantsche en Russische zendelingen legden veel moeilijkheden aan de Evangelieprediking in den weg. Japan werd in twee vicariaten, een zuidelijk en een noordelijk, gesplitst (1877). In 1884 werd vrijheid van godsdienst afgekondigd. Leo XIII richtte er drie bisdommen op (1890).
De heldhaftige offers der missionarissen hebben in Afrika
296
nog weinig vruchten afgeworpen. De slavenhandel, de hebzucht , de onzedelijkheid en de staatkunde der Europeanen , het klimaat en de gesteltenis van het land stellen hun schier onoverkomelijke moeilijkheden in den weg. In het Noorden van Afrika vindt men thans het apostolisch vicariaat van Tunis, de aartsbisdommen Algiers (1867), en Karthago (1884), en de bisdommen Oran, Constantino en Ceuta. Kardinaal Lavigerie, de stichter van het Genootschap der Afrikaansche missies, heeft zich omtrent de missies in Noordelijk Afrika zeer verdienstelijk gemaakt. Midden-Afrika heeft een apostolisch vicariaat, Kaapland heeft er drie, Dahomey één. Isle de Bourbon is een bisdom. De Jesuieten prediken aan den Sambesi, de Kapucijnen op de Scychelleneilanden, op de westkust in Senegambië de Congregatie van den H. Geest. Abyssinië drinkt het zweet der Kapucijnen, maar werpt weinig vruchten af. Voor Egypte en Arabië is het apostolisch vicariaat van Alexandrië. De Mahomedanen bieden aan de bemoeiingen der missionarissen hardnekkig weerstand.
De missies onder de Roodhuiden van Noord-Amerika bloeien. Hun apostel was de pater Jesuiet de Smet. Schoon het sektewezen in de Vereenigde Staten het Katholicisme fel bestrijdt, heeft dit daar een verbazende vlucht genomen. Talrijke religieuse congregaties wijden zich aan zielzorg, onderwijs en ziekenverpleging. Het houden van synoden door de Amerikaansche bisschoppen heeft zeer nuttig gewerkt. De regeeringen van Mexico en van de vijf staten in Midden-Amerika waren langen tjjd met een vijandigen geest tegen de Kerk bezield. Zoo ook de republieken Haiti en St. Domingo.
In vele landen van Zuid-Amerika , zooals Chili, Peru , Bolivia , Ecuador , Venezuela , Paraguay, Brazilië, de Argen-tijnsche republiek , spannen de liberalen en vrijmetselaars al hun krachten in om het Katholieke geloof te onderdrukken.
297
Australië telt vijf bisdommen en acht apostolische vicariaten. De dweperij der Methodisten en de ruwheid der inboorlingen berokkenen veel moeilijkheden aan de missionarissen. Te Sidney, wiens geleerden en ijverigen aartsbisschop Leo XIII met het purper begiftigde, werd het eerste Concilie van Australië gehouden (1885).
Ondanks de vijandigheid der Muzelmannen, de drijverijen der scheurmakers en de kuiperijen van Rusland breidt zich het Katholieke geloof in het Turksche rijk uit. Er arbeiden Franciscanen, Kapucijnen, Dominicanen, Jesuieten, Lazaristen , Passionisten en anderen in 's Heeren wijngaard.
In het koninkrijk Griekenland zijn acht bisdommen met ongeveer 30.000 Katholieken.
In den Levant arbeiden de Lazaristen. De Latijnsche patriarch van Jerusalem herkreeg in 1847 zijn zetel in die stad. De Franciscanen houden de wacht bij de heilige plaatsen , maar moeten zich van de zijde der Schismatieken veel onrecht laten welgevallen.
Door den invloed van Frankrijk ontvingen de Katholieke missionarissen in Perzië hun kerken terug. Tusschen Pius IX en Leo XIII en de koningen van Perzië ontstonden vriendschappelijke betrekkingen.
De oude Oostersche sekten, die tot de Moederkerk teruggekeerd zijn , hebben hun eigen patriarchen, wier rechten de Apostolische Stoel erkend heeft.
Italië beroofde de Propaganda van haar vermogen en bracht daardoor een gevoeligen slag aan de missies toe.
Te Rome is een synode geopend om de afgescheiden Oostersche kerken met de Moederkerk te hereenigen. De Paus presideerde de eerste zitting der patriarchen.
298
LXXVII. De Kerkelijke Eeredienst.
De Kerkvergadering van Trente gaf heilzame voorschriften voor de viering der H, Geheimen , het prediken, de toediening der Sacramenten en het Christelijk onderricht. Wat onwaardig .was, wilde zij uit den eeredienst verwijderen, alle persoonlijke willekeur bij de plechtigheden uitsluiten en naar vermogen de eenheid bewaren. De kerkelijke zang was ook het voorwerp harer zorg.
De bestaande feesten werden met verscheidene andere vermeerderd: Het feest der H. Vijf Wonden, van den Zoeten Naam , van het H. Hart, van den H. Rozenkrans, van den H. Naam van Maria, van de Zeven Smarten , van Maria's Verloving, van Maria ter Sneeuw, en het Beschermfeest van Maria. Op dringend verzoek van eenige hoven verminderde Benedictus XIV het getal der geboden heiligendagen.
Het bidden van den kruisweg, in of rondom de kerk opgericht, dat zeer toenam , verving dikwijls de bedevaarten naar het H. Land.
Het gebruik van litanieën, door de kerk niet goedgekeurd, bij openbare godsdienstoefeningen verbood Clemens VIII (1601). Drie litanieën heeft de Kerk in haar liturgische gebeden opgenomen ; de litanie van den Zoeten Naam, van de allerheiligste Maagd Maria en van alle Heiligen.
Bij het verleenen van aflaten gebruikten de Pausen op aansporing der Trentsche kerkvergadering een wijze gematigd heid en waarschuwden tegen het zoeken van tijdelijk gewin
Zij gaven heilzame voorschriften voor de Oostersche kerken voor de verhouding van seculiere en reguliere geestelijkheid voor de orden en kloostergeloften , voor de gemengde huwe lijken en aflaten. Het burgerlijk huwelijk keurde zij ten sterkste af.
299
De taal der Kerk voor de H. Mis en de verdere kerkelijke gebeden of plechtigheden is het Latijn. Alleen onder bijzondere voorwaarden mag men de landstaal bij die gelegenheden gebruiken. Met klem drong de H. Stoel meermalen op het onderhouden der rubrieken aan en gaf nieuwe voorschriften omtrent den kerkdijken zang.
Bijna alle Pransche bisschoppen voerden de Romeinsche liturgie in (1853).
Pius IX schreef een nieuwe Mis en een nieuw officie voor het feest der Onbevlekte Ontvangenis voor, strekte het feest van het H. Hart tot de gansche Kerk uit (1856), stelde ten gevolge van verscheidene heiligverklaringen nieuwe feesten van heiligen en zaligen in, verhief den H. Joseph tot Patroon der gansche Kerk (1870) en bevestigde de godsvrucht tot het H. Hart van Maria voor de bekeering der zondaren.
Het veertigurengebed wordt meer en meer ingevoerd en overal met veel luister en zegen gehouden.
Paus Leo XIII verhief den H. Thomas van Aquino tot patroon van alle Katholieke scholen.
Hij schreef voor, dat ieder jaar de Octobermaand ter eere van Maria, Koningin van den H. Rozenkrans, en de maand Maart ter eere van Sint Joseph op een bijzondere wijze zouden gevierd worden , vooral door het bidden van den rozenkrans vóór het Allerheiligste.
300
LXXVIII. Hei godsdienstig leven.
Het Christelijk leven , door de Hervorming verflauwd, ontving nieuwen wasdom door de wijze verordeningen der Kerkvergadering van Trente.
De vele oorlogen, die in dit tijdvak gevoerd werden, waren voor geloof en goede zeden zeer nadeelig, daar zij ruwheid en zedeloosheid na zich sleepten.
Midden in de achttiende eeuw drong ongeloof en â verlichtingquot;, vooral in Frankrijk, in de hoogere standen door en daalde van hen tot het volk af.
In Spanje en Portugal vonden de verderfelijke invloeden van het Protestantisme krachtigen weerstand. Niettemin gelukte het aan de willekeur der vorsten en aan de vrijmetselarij een deel van volk en geestelijkheid te bederven.
Er stonden voortdurend in alle landen vele heilige mannen en vrouwen op, die het licht hunner goede werken voor de menschen lieten schijnen.
De Hervorming in de zestiende eeuw, de ongeloovige wijsbegeerte en de Fransche revolutie in de achttiende, de vrijmetselarij, de neutrale school en de pers in de negentiende strooiden het zaad van ongeloof en zedeloosheid met volle handen uit en voerden een verbitterden strijd tegen de Kerk. Doch de poorten der hel overweldigden haar niet; zij deelde de schatten harer genade aan de menschen mede en bracht hen langs stormachtige zeeën naar de haven der eeuwige rust. Niet altijd kan zij het onkruid, dat tusschen de goede tarwe opschiet, uitrukken , maar moet het veelal laten groeien tot den dag van den oogst.
Een zeer verblijdend teeken van den levendigen godsdienstzin zijn de christelijke vereenigingen en broederschappen, de religieuse Congregaties voor onderwijs, ziekenverpleging
301
en missies, de Derde Orden van Sint Franciscus en Sint Dominicus , de Congregaties van de H. Familie, het bidden van den rozenkrans, het veelvuldig ontvangen der H. Sacramenten , de bedevaarten naar Rome, Lourdes, Kevelaar en andere bedevaartplaatsen , de talrijke opkomst bjj missies en geestelijke afzonderingen , de onbesproken wandel der geestelijkheid , de verknochtheid aan den H. Stoel, de St. Pieterspenning en andere bijdragen of geschenken voor den Paus.
Vele en schitterende bekeeringen, ook uit de hoogste standen, hebben er inzonderheid in Engeland, Noord-Amerika en Duitschland plaats gehad. De Kerk zoekt het verloren schaap op , maakt het los uit de doornen en brengt het naar den schaapstal terug. Zij is steeds op een berg geplaatst; voor aller oogen schitteren haar eenheid, heiligheid, katholiciteit en apostoliciteit.
De wereld is thans in twee kampen verdeeld: geloof en ongeloof. Maar dit is de overwinning, die de wereld overwint, ons geloof, dat door de liefde werkt.
--
LXXIX. De Christelijke Kunst.
Door de Eenaissance en de Hervorming was de christelijke kunst van den goeden weg afgedwaald en min of meer hei-densch geworden. De Kerk bracht haar in het rechte spoor terug en drukte haar den christelijken stempel weer in. Muziek , schilder- en beeldhouwkunst, dichtkunst, welsprekendheid en bouwkunst stonden in haren dienst en ontvingen van haar steeds een hemelsche wijding.
De Italiaan Johannes Pierluigi van Palestrina (f 1594) en de Nederlander Orlandus Lassus (f 1595) hebben voor de
302
kerkelijke muziek onsterfelijke verdiensten, beantwoordden aan de eischen van Trente's Kerkvergadering en verzekerden aan den meerstemmigen kerkzang een duurzaam bestaan. Duitschlands roem op het stuk van muziek waren Seb. Bach, Handel, Hay dn en Mozart.
In de zeventiende eeuw sloop er een richting in de kerkmuziek binnen, wier karakter wereldseh en lichtzinnig was. Met beleid en volharding tracht de Kerk langzamerhand dien onchristelijken geest uit haar gewijde muziek te verdrijven.
Na de Hervorming verrieden de schilder- en de beeldhouwkunst een neiging om de ideale en hoogere richting der Middeleeuwen voor naturalistische en zinnelijke opvattingen prijs te geven. Bekend zijn de Italianen Domenichino (f 1641) en Guido Reni (f 1642), de Spanjaard Murillo (f 1682), de Nederlanders P. P. Rubens (f 1640) en Rembrandt (f 1674). Cannova (f 1826) , Achtermann (f 1883) en de Deensche Protestant Thorwaldsen (f 1840) zijn beroemde beeldhouwers. In onze eeuw is de schilderschool van Dusseldorf vermaard geworden. Noemen wij Overbeek, Cornelius, Steinle, Muller, Deger en Veit.
Torquato Tasso in Italië (f 1595) gaf door zijn Verlost Jerusalem een edeler richting aan de poësie. De Spanjaards Lope de Vega (f 1635) en Calderon de la Barea verheerlijkten door hun dramatische, dichtstukken vol geloof, innigheid en diepzinnigheid den christelijken heldenmoed, de geheimen van den godsdienst en vooral het H. Sacrament. De H. Theresia zong haar geestelijke liederen. Vondel hield den naam der Nederlanders op, de Jesuieten Balde en Spee dien van Duitschland.
Onder Lodewijk XIV schitterden Bourdaloue (f 1704), Bossuet (f 1704), Pénélon (f 1715) en Massillon (f 1742) door hun welsprekendheid; in deze eeuw Ventura, Lacor-
303
daire , Burke , Monsabré , Ravignan , Felix en Agostino de Montefeltro.
De bouwkunst zonk steeds dieper. Na de tweede helft der zestiende eeuw onstond de barokstijl of de stijl der Jesuieten. Deze ontaardde in den rococo- of pruikstijl. Het was een allerbontste ornamentiek zonder harmonie met den bouw, een overlast van sieraden en goud. Dit geschiedde juist niet uit vijandelijkheid tegen de Kerk , maar deels uit zucht naar iets nieuws, uit overdreven voorliefde voor de oude klassieke vormen, deels uit wereldsch praalvertoon. Zoo was men volstrekt niet preutsch om minder stichtende voorstellingen uit de hei-densche fabelleer over te nemen.
Thans keert men allerwegen in de christelijke kunst tot den gezonden geest der Middeleeuwen terug. Het Gotisch
en het Romaansch komen weer boven.
--
LXXX. De Katholieke Wetenschap.
De uitvinding der boekdrukkunst en de studierichting der humanisten oefenden een dikwijls maar al te verderfelijken invloed op de Katholieke wetenschap uit. Doch omtrent het midden der zestiende eeuw betrad men weer den goeden weg. Op het gebied der godgeleerdheid verschenen vele geleerde en omvangrijke werken. Wat de middeleeuwsche scholastiek had geleverd werd door uitgebreide studiën van Schriftuur en Kerkvaders vermeerderd en bevestigd.
De bloei der godgeleerdheid begon na het Concilie van Trente, hetgeen door zijn besluiten zeer krachtig tot de ontwikkeling der wetenschap bijdroeg. De uitstekende godgeleerden echter, welke op die Kerkvergadering tegenwoordig
*1
304
-----:â
waren, bewijzen dat de godgeleerde studieën reeds vóór haar een hooge vlucht hadden genomen.
De hoofden der Hervorming, met name Luther, zochten hun dwalingen uit de H. Schrift te bewijzen. Om hen te weerleggen maakten de Katholieke geleerden grondige studiën van den Bijbel. Er verschenen verklaringen en overzettingen in overvloed.
Voortreffelijke Schriftuuruitleggers waren de Jesuieten Mal-donatus, (f 1583), Salmeron (f 1585), Toletus (f 1596) en Cornelius a Lapide (f 1637), de kanselier der Universiteit van Douay Estius (f1613) en de Benedictijn Calmet (f 1757).
Men bewees ook de geloofswaarheden uit Schrift en Traditie. Standaardwerken op dit gebied leverden de Jesuiet Peta-vius (f 1652) en de Dominicaan Melchior Canus (f 1500).
Toch liet men de scholastiek niet varen- Dit bewijzen de Predikheeren Dominicus Banez (f 1604) en Cajetanus en de Jesuiet Franciscus Suarez (f 1617).
Tegen de aanvallen der Protestanten verschenen een heir van verweerschriften. De Jesuiet Bellarminus, de Dominicaan Dujardin en Bossuet, bisschop van Meaux, zijn hierdoor beroemd geworden.
De godgeleerden van Salamanca uit de orde der ongeschoeide Karmelieten, de stichter der Redemptoristen, de H. Alphonsus de Liguorio, de Dominicaan Billuart en de Jesuiet De Lugo leverden onovertroffen werken op het stuk van zedenleer.
Het geestelijk leven werd niet vergeten. Herinneren wij hier aan de geestelijke oefeningen van Sint Ignatius, aan de schriften der H, Theresia, aan die van de Jesuieten Rodriguez en Scaramelli, aan den Dominicaan Contenson en aan den geestelijken strijd van den Theatijn Scupoli.
De Hervormers verkondigden van de daken, dat zij
_
-
_
305
alleen de zuivere leer der Apostelen behouden hadden, maar dat die der Katholieke Kerk een uitvinding van veel later dagteekening was. Dit gaf aanleiding, dat men zich met de borst op de Kerkelijke Geschiedenis en de studie der Vaders toelegde. Jesuieten , Dominicanen , Benedictijnen , en Orato-rianen toonden hierin een heiligen wedijver. Kardinaal Cesar Baronius opent de rij der geschiedvorschers, Mamachi en Muratori die der oudheidkundigen. Een belangrijk werk, dat nog voortduurt, is de levensbeschrijving der Heiligen, door den Jesuiet Bollandus ingezet. De weder ontdekte Katacom-ben te Rome (1578) waren een nieuwe spoorslag tot oudheidkundige navorschingen.
Reiffenstuel, Schmalzgrueber, Ferraris, Roccaberti en Ballerini onderscheidden zich in de studie van het Kerkelijk recht.
Men zal begrijpen, dat vele van bovengenoemde geleerden zich niet uitsluitend aan één vak gewijd hebben, maar in verschillende wetenschappen den palm wegdroegen.
In de achttiende en de negentiende eeuw onderging de Katholieke wetenschap verderfelijke invloeden. De goddeloosheid der Fransche encyclopedisten , de Fransche Revolutie , de verlichting van Joseph II, de ongeloovige stelsels der Duitsche wijsgeeren Kant, Fichte, Schelling en Hegel, de vrijmetselarij, de liberale geest van vele Duitsche geleerden en de godsdienstloosheid der laatste jaren brachten haar gevoelige slagen toe.
Doch door de Kerk behoed, geleid en voorgelicht heeft zij in onze dagen op elk gebied een ongekende hoogte bereikt.
G.
20
306
LXXXI. Leo XIII.
God riep Pius IX, zijn trouwen dienaar, op den 7 Febr. 1878 tot zich in de eeuwigheid en schonk hem het loon voor het lijdenskruis, dat hij hier met moed en liefde getorst had.
Den 20 Februari werd Kardinaal Joachim Pecei tot Paus gekozen. Hij noemde zich Leo XIII. Bij zijn eerste openbare toespraak zeide hij : Ik stel mijn vertrouwen op den Heer, dat Hij, die mij de waardigheid verleend heeft, mijne geringheid met de noodige kracht zal versterken.
Leo XIII doorschouwde met helderen blik de kwalen van zijn tijd. Zij sproten voort deels uit duisternis en verwarring van het verstand, deels uit bedorvenheid en ongeregelde drift van het hart. Beide trachtte hij met voorzichtigheid en zachtheid te genezen.
Tot verbetering der valsche wetenschap liet hij de werken van den Engelachtigen Leeraar, den H. Thomas van Aquino , opnieuw uitgeven en beval de studie daarvan allerdringendst in verschillende encyclieken aan. Hij verhief den H. Thomas tot patroon van alle Katholieke scholen.
Maar ook het bedorven hart van velen had een geneesmiddel noodig. Leo XIII vond dit in het bidden van den H. Kozenkrans en het overwegen zijner geheimen.
Met alle kracht streefde hij er naar goede betrekkingen met de Eegeeringen te onderhouden of te verkrijgen. Zijn beginsel hierbij is : Men moet veel toegeven , wat niet aan-druischt tegen goddelijke of kerkelijke wetten; men moet sommige punten van minder belang opofferen om een grooter goed te verkrijgen. quot;Wij verheffen onze stem, zoo luidt zijne vermaning, tot de vorsten en de leiders der volkeren en bezweren hen bij den heiligen Naam Gods, dat zij den bijstand
307
der Kerk , die hun in deze kwade tijden aangeboden wordt, niet terugstooten.
quot;Wel kon hij den geest van godsdiensthaat en ongeloof in Frankrijk niet geheel breidelen. De werken der christelijke naastenliefde werden er onderdrukt, de religieuse orden verjaagd, de geestelijkheid in haar bedieningen belemmerd en van den rechtmatigen onderstand beroofd. Maar nog ergere onheilen zouden over Frankrijk gekomen zijn , als de wijze lankmoedigheid van Leo XIII de betrekkingen met de regeering niet onderhouden had.
In België slaagde het Katholieke volk er in een vijandelijke regeering te verwijderen , welke er naar streefde de jeugd in de scholen te bederven.
De Kerk geniet in Nederland een hooge mate van rust en vrede. Katholieke scholen , instellingen van liefdadigheid en kloosterorden bloeien. De godsdienst wordt met luister gevierd, de neutrale school met kracht bestreden.
Verblijdend is de ontwikkeling van het Katholieke geloof in Engeland en Schotland. De Katholieken, de bisdommen , de kerken, de liefdadige gestichten, de geestelijken nemen verbazend toe. Schitterende bekeeringen hebben er plaats, vooral in de hoogere standen. Onafgebroken beijverde zich de Paus het lot van het arme Ierland te verbeteren en daarvoor een gunstiger verhouding tot Engeland te verkrijgen.
Rusland biedt nog weinig vooruitzichten aan voor de Kerk in zijn onmetelijk gebied; nochtans zijn niet alle pogingen tot ontwikkeling van het Katholieke leven ijdel geweest.
Italië , door de vrijmetselarij beheerscht, staakt zijn vijandelijkheden tegen de Kerk en tegen Rome niet. Er kan van geen verzoening spraak zijn, zoolang het den Kerkdijken Staat, het geroofde goed, aan Christus' Stedehouder niet teruggegeven heeft.
808
Het volk van Spanje en Portugal is trouw en onderdanig aan den H. Stoel, schoon de regeeringen zich niet altijd even gemakkelijk naar de leiding der Kerk konden voegen.
Door de bewonderenswaardige wijsheid en vasthoudendheid van Leo XIII herkreeg de Kerk in Pruisen allengskens hare vroegere vrijheid en rechten. Bisschoppen, priesters, kloosterlingen keerden terug, de godsdienstoefeningen worden met luister gehouden, de Sacramenten met alle plechtigheid toegediend De regeering erkende het gezag van den Paus met eerbied, zooals blijkt uit het geschil over de Carolinen eilanden en uit de herhaalde bezoeken van den Keizer op het Vaticaan.
In de Missielanden van Azië, Afrika, Amerika, en Australië gaat de Kerk met reuzenschreden vooruit, inzonderheid in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika en in Japan.
De Oostersche sekten keeren langzamerhand tot de Kerk van Rome, de Leeraarster van alle waarheid, terug.
BES LU IT.
Gelijk de levende Vader mij gezonden heeft, zoo zend Ik u. Gaat, onderwijst alle volkeren en doopt hen in den Naam des Vaders en den Zoons en des H. Geestes, en leert hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb.
Met die woorden zond Christus zijn Apostelen door de wereld om het kruis te prediken en de Kerk te verbreiden. Er liggen eeuwen tusschen den tijd, toen de blijde boodschap des kruises uit den mond der Apostelen weerklonk en tusschen onze dagen. De volkeren van toen zijn verdwenen , andere na hen zijn over het schouwtooneel der wereld als een schaduw
309
Toorbijgaan , weer andere hebben op hun graf geknield. De Joden zijn als kaf voor den wind uiteengestoven en de tempel op den Sion, hun heiligdom, ligt in puinhoopen. De wijsheid der heidenen , aan wie het kruis een dwaasheid toescheen, is in de stille zalen der school weggevlucht; het wereldrijk der Romeinen is in duizend stukken geslagen , nadat zij den weg voor het Christendom gebaand hadden. Slechts ééne instelling heeft de stormen van alle eeuwen getrotseerd, slechts ééne instelling heeft de wisseling der eeuwen overleefd, is in een onafgebroken strijd ondanks en door de vervolging steeds machtiger geworden en staat daar voor ons in jeugdige , ongebroken kracht en schoonheid : de ééne, heilige , Katholieke en Apostolische Kerk. Het nietige mostaardzaadje, door de Apostelen uitgestrooid, is tot een heerlijken boom opgegroeid , die zijn takken over alle streken der aarde uitstrekt, in wiens schaduw de vogelen des hemels uitrusten. De Kerk heeft niet alleen het heidendom begraven, maar ook op alle gebied een nieuwe wereldorde geschapen. Lijden was de bruidschat , dien haar hemelsche Bruidegom haar had toegezegd; langs den koninklijken weg des lijdens is zij ter zegepraal gegaan. Haar ontwikkeling en haar strijden is niet minder bewonderenswaardig en buitengewoon dan de overwinningen , die zij behaald, dan de zegen , dien zij verspreid heeft. Wie kent er een verschijnsel in de geschiedenis der menschheid, dat met den strijd der Katholieke Kerk kan vergeleken worden ? Zonder wapenen, zonder legers, zonder de macht van schitterende welsprekendheid, zonder goud, zonder list of sluwheid heeft zij de goden van het heidendom neergeworpen en de wereld veroverd. Waar zij doorgedrongen is, heeft zij een einde aan bloedige offers van menschen of dieren gemaakt, de boeien der slaven verbroken en het bewustzijn der men-schenwaarde in hen gewekt. Zij wist de onstuimige volkeren
310
der Middeleeuwen te temmen en voor Aziatische dwingelandij en Mahomedaansche dweepzucht te vrijwaren. Hare boden hebben het zaad van godsdienst en beschaving onder gevaren en ontberingen van allerlei aard in alle streken der aarde uitgestrooid. De kunst heeft zij onder hare vleugelen genomen en haar een hemelsche wijding geschonken. Binnen hare kloostermuren heeft zij de schatten en de wijsheid der ouden bewaard. Den vorsten heeft zij geleerd, nu eens met zachtheid , dan weer met kracht, huu onderdanen rechtvaardig te besturen. Den onderdanen hield zij steeds voor, niet alleen het geestelijk, maar ook het tijdelijk gezag te eerbiedigen. Geeft den keizer, wat des keizers is , zoo riep zij hun toe , en God , wat Gode toekomt. Alle volkeren heeft zij zonder onderscheid van afstamming, karakter, taal, zeden, gewoonten en godsdienst, tot kinderen van één huisgezin vereenigd en om allen den onverfereekbaren band van één geloof en ééne liefde geklonken. De blanke Europeaan en de Neger uit de ondoordringbare bosschen van Afrika en de Roodhuid van Ame-rika's prairieën gelooven in één God , één Heer, één doopsel, één Vader van allen, staan om één offeraltaar, worden gesterkt met één goddelijke spijs en reiken elkander de broederhand onder het kruis van één Verlosser en éénen eeuwigen Rechter. Dit is dus de overwinning, die de wereld overwint, ons geloof, de eene, heilige, Katholieke en Apostolische Kerk. Haar Goddelijke Stichter had het beloofd : â De poorten der hel zullen haar niet overweldigen.... Gaat en predikt het Evangelie aan alle schepsel.... quot;Wie gelooft zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden, maar wie niet geloofd zal hebben, zal veroordeeld worden.... Ik zal met u zijn tot de voleinding der eeuwen.quot;
öiïonolflpclie lijst der Pausei,
-«aC*C«-
|
H. Petrus 42 â 67. H. Linus f 79? H. Cletus (Anencletus, Ana- cletus) f91? H. Clemens I f 100 ? H. Evaristus f 108 of 109. H. Alexander I f117 of 119. H. Sixtus I f 126 of 128. H. Telesphorus f 137 of 139. H. Hyginus f 141 of 142. H. Pius I f 15G of 157. H. Anieetus f 167 of 168. H. Soter f 176 of 177. H. Eleutherus f 189 of 190. H. Victor f 201 of 202. H. Zephyrinus f 218. H. Kallistus I f 222. H. TJrbanus I f 230. H. Pontianus f 235. H. Anterus 235â36. H. Fabianus 236â50. H. Cornelius 251â53. |
H. Lucius I 253â54. H. Stephanus I 254â57. H. Sixtus II f 258. H. Dionysius 259â68. H. Felix I 269â74. H. Eutychianus 275â83. H. Cajus 283â96. H. Marcellinus 296â304. H. Marcellus 307â309. H. Eusebius f 309. H. Melchiades (Miltiades) 310â314. H. Sylvester I 314â35. H. Marcus f 336. H. Julius 337â52. H. Liberius 352â66. Felix II 355. (Tegenpaus ?) H. Damasus I 366â84. H. Siricius 384â98. H. Anastasius I 398â401. H. Innocentius I 402â17. II. Zosimus 417â7,8. |
313
|
H. Bonifacius I 418â22, H. Ccelestinus I 422â32. H. Sixtus III 432â40, H. Leo I de Groote 440â61. H. Hilarius 461â68. H, Simplicius 468â83. H. Felix III (II) 483â92. H. Gelasius 492â96, H. Anastasius II 496â98. H. Symmachus 498â514. H. Hormisdas 514â23. H. Johannes I 523â26. H. Felix IV (III) 526â30. Bonifacius II 530â32, Johannes II 532â35, H. Agapetus I 535â36, H, Silverius I 536â40 verdreven 538, Vigilius (537) 540â55, Pelagius I 555â60, Johannes III 560â73, Benedictus I 574â78. Pelagius II 578â90. H. Gregorius I de Groote 590â604, Sabinianus 604â606. Bonifacius III 607. H. Bonifacius IV 608â15. H. Deusdedit 615â18. Bonifacius V 619â25, Honorius I 625â38. Severinus f 640. |
Johannes IV 640â42. Theodoras I 642â49, H. Martinus I 649â54, Eugenius I 654â57, Vitalianus 657â72, Adeodatus 672â76. Donus of Domnus 676â78, H. Agatho 678â81, H. Leo II 682â83, H, Benedictus II 684â85, Johannes V 685â86, Conon 686â87, H, Sergius I 687â701, Johannes VI 701â705, Johannes VII 705â707, Sisinnius f 708, Constantinus I 708â15, H. Gregorius II 715â31. H. Gregorius III 731â41. H. Zacharias 741â52. Stephanus II. (stierf 3 dagen na zijne verkiezing f 752). Stephanus II (III) 752â57. H. Paulus I 757â67, (Constantijn II indringer.) Stephanus III (IV) 768â72, Hadriaan I 772â95, H, Leo III 795â816. Stephanus IV (V) 816â17, H, Paschalis I 817â24, Eugenius II 824â27, Valentinus II f 827, |
313
|
Gregorius IVquot; 827â44. Sergius II 844â47. H. Leo IV 847â55. Benedictus III 855â5S. H. Nicolaus I 858â67. Hadriaan II 867 â 72. Johannes VIII 872â82. Marinus , I 882â84. Hadriaan III f 885. Stephanas V (VI) 885â91. Formosus 891â96. Bonifaeius VI f 896 (regeerde 15 dagen). Stephanas VI (VII) f 897. Romanas f 897. Theodoras II f 897 of 898 (regeerde 20 dagen). Johannes IX 898â900 Benedictas IV 900â903. Leo V f 903. Christophoras f 904. Sergius III 904â11. Anastasius III 911 â13. Lando f 914. Johannes X 914â29. Leo VI f 929. Stephanas VII (VIII) 929-31. Johannes XI 9gt;1â36. Leo VII 936â39. Stephanas VIII (IX) 939-42. Marinas II 943â46. Agapetas II 946â55. |
Johannes XII 955â64. (Leo VIIÃ. Tegenpaas). Benedictas V f 965. Johannes XIII 965â72. Benedictus VI 973â74. Bonifaeius (Pranko) VII verdreven f 985. Benedictus VII 974 â 83. Johannes XIV 983â84. (Indringer Johannes XV). Johannes XV (XVI) 985â96. Gregorius V 996â99. (Johannes van Piacenza. Tegenpaus). Sylvester II 999â1003. Johannes XVII f 1003. Johannes XVIII 1003â9. Sergius IV 1009â12. Benedictas VIII 1012â24. Johannes XIX 1024^â33. Benedictas IX 1033â45. Gregorias VI 1045â46. Clemens II 1046â47. Damasas II f 1048 (regeerde 23 dagen). H. Leo IX 1049â54. Victor II 1054â57. Stephanas IX (X) 1057â58. (Benedictas X onwettig Faas). Nicolaas II 1058â61. Alexander II 1061â73. (Honorias II Tegenpaus). |
314
|
H. Gregorius VII 1073â85. (Clemens III. Tegenpaus). Victor III 1086â87. Urbanus II 1088â99. Pasehalis II 1099â1118. Gelasius II 1118â19. Calixtus II 1119â24. Honorius II 1124â30. Innocentius II 1130â43. (Anacletus II Tegenpaus.) Coelestinus II 1143â44. Lucius II 1144â45. Eugenius III 1145â53. Anastasius IV 1153â54. Hadriaan IV 1154â59. Alexander III 1159â81. Lucius III 1181â85. Urbanus III 1185â87. Gregorius VIII f 1187. Clemens III 1187â91. Coelestinus III 1191â98. Innocentius III 1198â1216. Honorius III 1216â27. Gregorius IX 1227â41. Coelestinus IV f 1241. Innocentius IV 1243â54. Alexander IV 1254â61. Urbanus IV 1261â64. Clemens IV 1265â68. H. Gregorius X 1271â76. Innocentius V f 1276. Hadriaan V quot;jquot; 1276 (regeerde 39 dagen). |
Johannes XXI (XX) 1276-77. Nicolaus III 1277â80. Martinus IV 1281â85. Honorius IV 1285â87. Nicolaus IV 1288â92. H. Coelestinus V 1294, deed afstand f 1296. Bonifacius VIII 1294â1303. Benedictus XI 1303â4. Clemens V 1305â14. Johannes XXII 1316â34. Benedictus XII 1334â42. Clemens VI 1342-â^52. Innocentius VI 1352â62. Urbanus V 1362â70. Gregorius XI 1370â78. Urbanus VI 1378â89. Bonifacius IX 1389â1404. Innocentius VII 1404â6. Gregorius XII 1406 , deed afstand in 1415. {Pausen van het Concilie van Pisa: Alexander V 1409â10, en Johannes XXIII 1410â15.) Martinus V 1417â31. Eugenius IV 1431â47. (Felix V 1439â49 Tegenpaus). Nicolaus V 1447â55. Calixtus III 1455â58. |
315
|
Pius II 1458â64. Paulus II 1464â71. Sixtus IV 1471â84. Innocentius VIII 1484â92. Alexander VI 1492â1503. Pius III f 1503. Julius II 1503â13. Leo X 1513â21. Hadriaan VI 1522â23. Clemens VIII 1523â34. Paulus III 1534â49. Julius 1550â55. Marcellus II f 1555 (regeerde 21 dagen). Paulus IV 1555â59. Pius IV 1559â65. H. Pius V 1566â72. Gregorius XIII 1572â85. Sixtus V 1585â90. Urbanus VII f 1590 (regeerde 13 dagen). Gregorius XIV f 1591 (regeerde 10 maanden en 10 dagen. Innocentius IX f 1591 regeerde 2 maanden. Clemens VIII 1592â1605. |
Leo XI f 1605 (regeerde 13 dagen). Paulus V 1605â21. Gregorius XV 1621â23. Urbanus VIII 1623â44. Innocentius X 1644â55. Alexander VII 1655â67. Clemens IX 1007â69. Clemens X 1670â76. Innocentius XI 1673â89. Alexander VIII 1689â9'L Innocentius XII 1691â1700. Clemens XI 1700â21. Innocentius XIII 1721â24. Benedictus XIII 1724â30. Clemens XII 1730â40. Benedictus XIV 1740â58. Clemens XIII 1758â69. Clemens XIV 1769â74. Pius VI 1775â99. Pius VII 1800â23. Leo XII 1823â29. Pius VIII 1829â30. Gregorius XVI 1830â46. Pius IX 1846â78. Leo XIII 20 Februari 1878. |
316
Lijst der algemeene Kerkvergaderingen.
I. De eerste Kerkvergadering van Nicea onder Paus Sylvester tegen de Arianen in het jaar 325.
II. De eerste Kerkvergadering van Constantinopel onder Paus Damasus tegen de Macedonianen in het jaar 381.
III. De Kerkvergadering van Ephese onder Paus Celestinus tegen de Nestorianen in het jaar 481.
IV. De Kerkvergadering van Chalcedon onder Paus Leo I tegen de Eutychianen in het jaar 451.
V. De tweede Kerkvergadering van Constantinopel onder Paus Vigilius wegens den Drie-Kapittelstrijd in het jaar 553.
VI. De derde Kerkvergadering van Constantinopel onder Paus Agatho tegen de Monothelieten in het jaar 680.
VII. De tweede Kerkvergadering van Nicea onder Paus Hadrianus I tegen Beeldstormers in het jaar 787.
VIII. De vierde Kerkvergadering van Constantinopel onder Paus Hadrianus II tegen Photius in het jaar 870.
IX. De eerste Kerkvergadering van Lateranen onder Paus Calixtus II wegens den investituurstrijd in het jaar 1123.
X. De tweede Kerkvergadering van Lateranen onder Paus Innocentius II tegen de scheuring van den tegenpaus Ana-cletus II in het jaar 1139.
XI. De derde Kerkvergadering van Lateranen onder Paus Alexander III tegen de Waldenzen en Albigenzen in het jaar 1179.
XII. De vierde Kerkvergadering van Lateranen onder Paus Innocentius III voor het houden van den kruistocht in het jaar 1215.
XIII. De eerste Kerkvergadering van Lyon onder Paus Innocentius IV tegen Frederik II in het jaar 1245.
XIV. De tweede Kerkvergadering van Lyon onder Paus
317
Gregorius X wegens de vereeniging der Grieken in het jaar 1274.
XV. De Kerkvergadering van Vienne onder Paus Clemens V wegens het proces der Tempeliers in het jaar 1312.
XVI. De Kerkvergadering van Constanz, in zoover zij door Paus Martinus V werd goedgekeurd, tegen de ketterijen van Wicleff en Hus. Van 1414 tot 1418.
XVII. De Kerkvergadering van Florence onder Paus Eugenius IV voor de vereeniging der Grieken in het jaar 1439.
XVIIL De vijfde Kerkvergadering van Lateranen onder de Pausen Julius II en Leo IX voor den vrede in de Kerk en onder de Christenvorsten in het jaar 1512.
XIX. De Kerkvergadering van Trente onder de Pausen Paulas III en PiusIV tegen de Hervorming van 1545 tot 1563.
XX. De Vaticaansche Kerkvergadering onder Paus Pius IX tegen de hedendaagsche dwalingen van 1869 tot 1870.
IÃST H O U ID.
|
BLADZ. | |||
|
Voorrede. | |||
|
Jesus Christus, de Verlosser der wereld. |
9 | ||
|
2. |
De stichting der Kerk. ...... |
18 | |
|
3. |
De Kerk onder de Joden. ...... |
20 | |
|
4. |
Opname der Heidenen in de Kerk. .... |
23 | |
|
5. |
De uitbreiding van hel Christendom. . . . . |
25 | |
|
6. |
De Vervolgingen. ....... |
31 | |
|
7. |
De ketterijen in de drie eerste eeuwen. |
38 | |
|
8. |
De Kerkelijke schrijvers der eerste eeuwen. . |
42 | |
|
9. |
De Hiërarchie in de eerste eeuwen. .... |
. |
50 |
|
10. |
De eeredienst in de eerste Kerk. .... |
56 | |
|
H. |
Het godsdienstig en zedelijk leven der eerste Christenen. |
60 | |
|
12. |
De zegepraal van het Christendom. .... |
. |
65 |
|
13. |
Ontwikkeling der Kerk. ...... |
68 | |
|
14. |
De Katholieke Kerk in de vierde en de vijfde eeuw. . |
71 | |
|
15. |
De instelling der Monniken. . ... . |
. |
76 |
|
16. |
De ketterij van Arius. Kerkvergadering van Nicma. |
80 | |
|
17. |
De ketterijen tegen den Persoon van den H. Geest en |
tegen | |
|
de twee naturen in Christus. . ... . |
83 | ||
|
18. |
De geschillen in hel Westen. De H. Augustinus. |
. |
87 |
|
19. |
Ondergang van het West-Romeinsche Rijk. |
. |
90 |
|
20. |
Mahomed en zijn leer....... |
92 | |
|
21. |
Het Christendom onder de Germanen. Paus Gregori |
us de | |
|
Groote. ......... |
, |
94 | |
|
22. |
De Benedictijnen. . ...... |
97 | |
|
23. |
De prediking van het Christendom in de Nederlanden. |
⢠|
100 |
BLADZ.
24. De H. Willibrordus en de H. Bonifacius......102
25. De beeldenstrijd. Het zevende algemeene Concilie. . .105
26. Het primaatschap van den Paus. . . . . .106
27. De Kerkelijke Eeredienst. . . . . . . .110
28. De christelijke kunst in de eerste eeuwen. . . . .118
29. Karei de Groote en de Karolingers. ..... 124
30. Scheuringen en ergernissen in de Kerk. . . . .127
31. De uitbreiding van het Christendom in Europa. . . .131
32. De Katholieke Kerk in Nederland van de achtste tot de
twaalfde eeuw. . . . . . . . .134
33. De strijd tegen de Duitsche keizers. . . . . .137
34. Het kloosterwezen in de tiende en de elfde eeuw. . .143
35. De Kruistochten. . . . . . . . .145 30. De Ridderorden. . . . . . . . .151
37. De Bedelorden..........152
38. Ketterijen ten tijde der Kruistochten. . . . . .156
39. De Inquisitie. . . . . . . . . .159
40. Strijd der Hohenstaufen met de Kerk. . . . .161
41. De Pausen in Ballingschap te Avignon. De Westersche
Scheuring. . . . . . . . . .166
42. Uitbreiding van het Katholieke geloof in Europa, Azië en
Afrika...........170
43. De Kerk in Nederland van de kruistochten tot aan de Her
vorming. . . . . . . . . .174
44. Einde der Middeleeuwen. . . . . . . .179
45. Het primaatschap van den Paus in de Middeleeuwen. . .182
46. De Kerkelijke Hiërarchie........186
47. De Katholieke Eeredienst........187
48. De Wetenschappen in de Middeleeuwen. . . . .191
49. De christelijke kunst in de Middeleeuwen.....195
50. Het godsdienstig leven der Middeleeuwen.....201
51. Oorzaken van het ontslaan en de verspreiding der Hervorming. 207
52. Luthers afval van de Kerk.......210
53. De godsdienstige beweging in Zwitserland. Zwingli en Calvijn. 216
I
De Angllkaansche Staatskerk in Engeland. . â
De nieuwe leer in Frankrijk. â â
T)p Hervorminn in de Nederlanden. â â
. hZTJH » f â¢quot; ^
Eerste gevolgen van het Protestantisme. â â
De Kerkvergadering van Trente.
Kloosterorden en Heiligen. . ⢠â¢
De Missies. â â
Jansenisme en Gallicanisme.
De Oostersche Kerken. â â¢
j. Duiüchknd «.'1648.
Toestand van den bodsaiensi u . , w ,
De Pausen der zeventiende en er achttiende eeuw. 265
achttiende eeuw. ... 277
Het Jansenisme in de Nederlanden. â ⢠_ 279
Nieuwe Kloosterstichtingen. â 282
Ni uw leven in de Kerk. ⢠'x' . . 285
De Katholieke Kerfc der iV tiende eeuw. -
Protestanten en Schismatieken oer u
b, mum. ; .
De Kerkelijke Eeredienst. â
Het godsdienstig leven.
De Christelijke Kunst. â
De Katholieke Wetenschap.
Leo Xlll. â ⢠' '
Besluit. ' ' .
Chronologische lijst der Pausen. . ⢠â¢
Lijst der algemeene Kerkvergaderingen.
biadz. . 218 . 221 . 223 . 228 . 229 . 231 . 235 . 240 . 246 . 250 . 252 . 255 . 258
54.
55.
56.
51.
58.
59 60.
61.
62.
63.
64.
65.
66.
67.
68. 69.
10.
71.
72.
73.
74.
75.
76.
77.
78.
79.
80. 81.
288 292 294 298
300
301
, 303 . 306 . 308 . 311 . 316