Keur vari HeiligerileYeris.
SERIE II.
I.
Leven van de H. Catharina.
KEUR VAN HEILIGENLEVENS.
Serie II
I.
Um van fle H. Catliarina
Maagd en Martelares,
BEWERKT DOOR
A. V. VAN RIJSWIJK
BIBL. CO NV.
--V ? fquot; O-
4 3 , l'Slm
W IJ O H ENS
Bebqen-op-Zoom, JAN A. G. JUTEN.
IMPRIMATUR.
Bergis ad Zomam, 19 Julii 1898.
M. P. W. SMITS, rector, ad hoc delegatus.
Leven van de K- Gatharina,
Maagd en Martelares.
Bewerkt door A. V. vail RIJSWIJK.
I.
Eerste jeugd van Catharina.
God, die wonderbaar is in Zijne Heiligen, heeft in den wisselenden loop der eeuwen in Zijne Kerk mannen verwekt, die, uitschitterend door hooge deugd en verbazingwekkende wetenschap, ten sieraad verstrekten aan de maatschappij, waartoe zij behoorden; mannen, wier glorieuse namen met eere en luister vermeld staan in de jaarboeken der Kerkhistorie, mannen, wier hoog-edele daden als onsterfelijk staan geboekstaafd en van geslacht tot geslacht worden overgeleverd tot den huldigen dag toe. Het zijn de namen en de daden van mannen, die bij uitstek helden genoemd moeten worden, helden zonder vrees of blaam, helden, wier strijdblazoen door geen schandvlek is bezoedeld en onteerd, helden in den eigenlijken zin des woords, roemruchtige helden des geloofs.
Wij bedoelen voornamelijk die kloeke stijders,die, onversaagd en onverschrokken, het goed recht der Katholieke Kerk, dat van den aanvang af tot den dag van heden schier onophoudelijk is en wordt betwist, hebben verdedigd en gehandhaafd tegen geweldenarijen en sluwe listen. Geen duimbreed zijn zij, die kloeke heldhaftige strijders, afge-
1
2
weken van hun plaats; niets hebben zij prijsgegeven van de onveranderlijke waarheid, waarvoor zij streden: niets prijsgegeven van het recht, hetwelk zij verdedigden; al werden zij ook bedreigd met verbanninganet kerkerstraffen, niet wreede martelingen, ja zelfs met den dood. Niets kon hen scheiden van de liefde van Christus, geen foltering, geen honger, geen naaktheid, geen gevaar, geen vervolging, zelfs niet het zwaard 1). Met een Apostel Paulus, dat verheven toonbeeld van een geloofsheld voor alle eeuwen, riepen zij uit: âNoch dood, noch leven, noch engelen, noch machten, noch krachten, noch liet tegenwoordige, noch het toekomstige..., niets kan ons scheiden van de liefde Gods, die is in Christus Jesus onzen Heerquot; 2).
Voorwaar, bij duizenden en nogmaals duizenden zijn ze te tellen, die onverschrokken heldengestalten des geloofs, die zelfs met hun hartebloed de leer van het Evangelie, deleer des Kruises, het goed recht der Katholieke Kerk hebben bezegeld. En bij het aanschouwen van de onwrikbare standvastigheid dier geloofshelden, bij het aanschouwen van den onbezweken moed dier heldengestalten. â onze voorvaderen in het geloof! â voelen wij onze harten hooger kloppen van fierheid, voelen wij het bloed sneller onze aderen doorbruisen; want in hen bezitten wij, in den niet minder feilen strijd van onze dagen tegen de Kerk Gods, bemoedigende toonbeelden, machtige voorsprekers en bondgenooten.
Inderdaad, liet is een grootsch gezicht: die ontelbare schaar van hoogedele, onverschrokken Geloofsverdedigers en Bloedgetuigen. Hier treft schier ongeëvenaarde grootheid! Maar toch, daar bestaat een nog grootscher, een nog treffender en een meer aangrijpend schouwspel, âeen schouwspel voor de wereld, voorde. Engelen en men-
1
'i Vgl. Rom. VIIJ. 35.
2
} Rom. VIII. 38. 39.
schenquot; Het is de verschijning van de teedere, zwakke Maagd, kampend met de machtigen en sterken dezer aarde. Het is de lieftallige figuur van de zwakke Jonkvrouw, die den strijd te leveren heeft, niet met een gelijke, niet met een zwakkere, dan zij is; maar tegen een sterkere in lichaamskracht, een sterkere in stoffelijk go-weid. Hot is de edele, maar nederige gestalte van de jeugdige Maagd tegenover een ruwen en wulpschen geweldenaar en diens sluwe wreedaardige trawanten !
Hier geen reuzenarm tegen reuzenarm, hier geen geweld tegen geweld; maar hier sterkte tegenover zwakheid; hier ruw geweld tegenover teere broosheid; hier de gespierde vuist van den krachtvollen man tegenover den weer-loozen arm eener zwakke Jonkvrouw.
Waar is de overwinning? Waar de zegepraal? Aan den kant van den sterken reus, aan den kant van liet teugelloos geweld, zoudt gij meenen? Maarnoen! ..Infir-ma mundi elegit Deus, ut confnnclat f'vrtiaquot;. âHet zicaklw der wereld heeft God uitverkoren, om het sterke te he-se'namenquot; 3). . De stormorkaan breekt los en ontwortelt den krachtigen reuzen-eik; maar het riet. liet zwakke riet trotseert het vervaarlijk geweld van den ontketenden storm.
Ontelbaar is de breede schaar van edele, uitgelezen Jonkvrouwen, die voornamelijk in de eerste eeuwen dei-Kerk, onder de bloedige, langdurige vervolgingen der Romeinsche Keizers, den geduchten strijd hebben gestreden; en onder die Ontelbare, dichte schaar van onverwinbare Jonkvrouwen neemt de H. Catharina, Maagd en Marto-laresse, één der eerste plaatsen in. Als gelauwerde heldin des geloofs. -gepurperd door haar rozenrood bloed, met den eeuwig groenenden zegepalm in de -hand, gehuld in
'i 1 Cor. IV. 9.
2) 1 Cor. 1. 27.
lange kleederen, die gewasschen zijn in het bloed van het Lam, staat zij triomfeerend voor ons oog.
Ziedaar het einde, het glorievol einde! Maar wat daaraan voorafging, we zullen het in de hier volgende bladzijden ontvouwen.
Wo gaan het leven der H. Catharina, Maagd en Mar-telaresse, ter verbreiding van de eere Gods, ter verbreiding van de eere dier H. Jonkvrouwe en tot onze eigene stichting en opwekking verhalen.
Onder de regeering van keizer Diocletianus, den grooten vervolger der Christenen, brak er een geweldige opstand uit onder de volken van Egypte, van Persië en van een gedeelte van Griekenland, tegen het Romeinsche Rijk, waartoe die volken als onderdanen behoorden. Een ontzaglijk legerheir werd opgesteld door den Keizer van Rome en onder aanvoering van een jeugdig, maar onversaagd veldheer, Constantius geheeten, afgezonden om de oproerlingen te onderwerpen en den opstand te dempen.
De jeugdige veldheer volbracht méér door zijne voorzichtigheid, door zijne bewonderenswaardige zachtheid van handelen, dan door het woest geweld der wapenen en legerscharen. In een korte spanne tijds had hij de toegenegenheid en liefde van de oproerige volken gewonnen. Spoedig daarna werd hem, vanwege den Romeinschen Keizer, het bestuur over diezelfde volken opgedragen.
In Klein-Armenië, niet verre vandaar gelegen, regeerde destijds een hoogbejaard vorst. Uit hoogachting voor de edele eigenschappen, die den jeugdigen veldheer Constau-tius sierden, schonk de grijze vorst aan hem de hand zijner eenige dochter; en de bruidschat, welken die dochter medebracht, bestond in geheel het vorstenrijk haars vaders. Uit dezen koninklijken echt werd een zoon geboren, die den naam van Costus ontving. Toen de grijze koning â van Klein-Armenië stierf, werd diens kleinzoon Costus
door Constantius zelven met de kroon van Klein-Armenië gekroond op een tijdstip, toen de belangen van zijn rijk Constantius noodzaakten zijn paleis en zijn huisgezin te verlaten en haastig naar Rome te trekken.
Intusschen stierf de gemalin van Constantius. Niet lang daarna huwde hij de Vorstin Helena; uit dit huwelijk werden drie zonen geboren, waarvan één eerlang als Constantijn de Groote den heerschersschepter voeren zou. Costus, uit het eerste huwelijk gesproten, is minder bekend in de geschiedenis. Volgens sommigen, zou de dwingeland Maxentins, die Constantius, den vader van Costus, altijd had gehaat, Armenia's opperheer beroofd hebben van zijn koninkrijk en hem hebben genoodzaakt zijn land te verlaten, om een toevluchtsoord te zoeken bij den vorst van Alexandria. Later werd Costus door zijn broeder Constantijn wederom hersteld in het bezit van zijn koninkrijk. De eenige dochter van den vorst van Alexandria, door wien hij zóó gastvrij was ontvangen en gehuisvest, prinses Sabinella toog, als echtgenoote van Costus, naar het schoone Armenië mede. Uit dit heidensch echtpaar werd het kind van genade geboren, wiens levensschets wij gaan leveren: uit dit heidensch echtpaar: Costus en Sabinella, werd de H. Catharina geboren. Haar naam beteekent âde immer Zuiverequot;. Dat die naam met zóó verhevene beteekenis in waarheid op de dochter van Costus en Sabinella van volkomen toepassing is. zullen we in liet verder verloop dezer levensgeschiedenis ten duidelij kste gadeslaan.
't Is waar, wèl is zij, de edele koningsdochter, in de duisternissen van liet heidendom geboren; wèl heeft zij niet aanstonds na hare geboorte den hemelschen dauw van Gods genade, die bij het H. Doopsel in de ziel der men-schenkinderen neerdaalt, in zich kunnen opnemen; â maar het moet gezegd, de oneindige barmhartigheid des
B
Hoeren, die zelfs over zondaren eu halsstarrige boosdoeners Zijne zon doet opgaan, heeft over Catharina gewaakt, zelfs op bijzondere wijze gewaakt, al was het koningskind nog gezeten in de schaduw des doods, in de duisternissen van het heidendom. En die eindelooze barmhartigheid Gods zorgde er voor, dat hare beteekenisvolle naam van Catharina, d. i. ,.de immer Zuiverequot; niet ten schande gemaakt, niet onteerd, niet bezoedeld worden; want eerlang zal diezelfde beteekenisvolle naam op de altaren Gods worden aangeroepen als de naam van eene Heilige, en wol van eene heilige Maagd, d. i. van eene ongerepte Jonkvrouw.
Over de eerste jeugd van Catharina zwijgt de geschiedenis. Toen zij zes jaren telde - zoo wordt er verhaald â verscheen zij, volgens den wil barer ouders en volgens het gebruik der koningskinderen, op een openbaar feest. Eeeds toen legde de edele spruit van Costus eu Sabinella eene bewonderenswaardige wijsheid aan den dag, zooals men nooit bij kinderen van dien leeftijd aantreft; reeds toen stond men verbaasd over den ernst, die op het fljngevormde gelaat van de teedere koninklijke gestalte van Catharina duidelijk te lezen was. O, wat zal liet dan zijn, wanneer eenmaal die pas ontloken begrippen tot volkomen ontwikkeling zijn opgevoerd! Wat zal het dan zijn, wanneer eenmaal dat verstand zal bestraald worden door het licht van Boven, door het licht des H. Geestes, den Geest van ware wijsheid!
De ouders van Catharina besteedden groote zorgen aan de ontwikkeling van haren geest; moeiten noch kosten werden ontzien om het blijkbaar hoogbegaafde verstand van deze Jonkvrouwe meer en meer te vervolmaken. De beroemdste wijsgeeren en grootste redenaars uit dien tijd werden uitgenoodigd aan het Armenische hof, om het veelbelovend koningskind onderwijs te geven. En inder-
7
daad, Cathai'ina was een voorbeeld, wat betreft de scherpzinnigheid quot;S'an haar verstand; maar ook zij was een voorbeeld, wat betreft haar ijver voor de studie, haar liefde voor de wetenschap. Alhoewel zij wegens de vlugheid van begrip en vastheid van geheugen schier zonder moeite en zonder inspanning zich de wetenschap kon eigen maken, gaf zij zich allerminst aan traagheid over noch verbeuzelde haren tijd met ontijdige vermaken. Volstrekt niet. Hare liefde voor de wetenschap kende bijna geene grenzen, zoodat Catharina zich met hart en ziel op de studie van de verschillende takken der wetenschap toelegde en met alle geheimen der letterkunde en dei-wijsbegeerte ten volste vertrouwd was op een leeftijd, wanneer andere kinderen nauwelijks het bestaan dier wetenschap vermoeden.
Hierin is Catharina, hoewel nog tot het heidendom behoorend, voor alle christen kinderen een navolgenswaardig toonbeeld. Dat schitterend toonbeeld van liefde voor de wetenschap, van studie-ijver, moge allen kinderen steeds voor oogen staan in die jaren, welke hoofdzakelijk gewijd moeten worden aan de ontwikkeling des verstands tegelijk met de vorming van het hart. Aan de ouders is de taak, de zwaar verplichtende taak opgelegd om eene goede richting te geven aan die verstands-ontwikkeling, door hunne kinderen bij voorkeur toe te vertrouwen aan zulke onderwijzers, wien niet alleen de tijdelijke, maar ook de geestelijke belangen ter harte gaan; door hunne kinderen te zenden, niet naar heiclensche scholen, zooals die in onzen tijd van nieuw heidendom schier telken dage uit den grond verrijzen; maar naar echt christelijke, godsdienstige scholen, alwaar met het onderricht in de aard-sche wetenschap op de innigste wijze verbonden is het onderricht in de wetenschap bij uitstek, het onderricht in de godsdienstleer, de meest noodzakelijke aller wetenschap-
pen. Aan de ouders is de zwaar-verplichtende taak opgelegd te zorgen, dat hunne kinderen zich beijveren zullen voornamelijk den katechismus of christelijke leering met de grootste vrucht bij te wonen en aldaar de meest noodzakelijke lessen van christelijke wijsheid als in te drinken.
Behalve met de buitengewone gaven des geestes, was Catharina ook toebedeeld met schier weêrgalooze lichamelijke schoonheid. Zij was gelijk aan den lachenden dageraad, neen meer: zij was gelijk aan de dag-vorstinne, aan de gouden zonne in vollen middagluister!
Hoe jammer, mogen we hier uitroepen, hoe jammer, dat de ziel, die door zulk een luistervol omhulsel werd omsloten, dat de ziel der schoone Jonkvrouw Catharina nog niet praalde in den fonkelenden glans van Gods genade-zon! Hoe jammer, dat die ziel nog niet bedauwd werd door den hemelschen dauw van Gods heiligmakende genade! Zou die heerlijke bloem, ontloken op eene woeste heide, daar moeten verdorren en verwelken bij gebrek aan levenwekkende besproeiing? Maar neen, de hemelsche Gaardenier heeft een welgevalligen blik geworpen op deze uitgelezen bloem. Eerlang zal Hij haar besproeien met levendmakend water, haar overplanten uit den dorren heide-grond in een weligen lusthof, waar zij zal groeien en bloeien en geuren in het licht van Gods zonneschijn, bepareld door den dauw des hemels.
II.
De Bruid des Konings.
Tusschen Klein-Armenië en de vruchtbare velden van Syrië is een hemelhooge berg gelegen, de Zwarte Berg
genoemd. Deze ontzagwekkende reus, wiens breede kruin zich bijna tot de wolken des hemels verheft, vormt de natuurlijke grens van deze twee landen. Daar op dien berg leefde bij den aanvang van de vierde eeuw der christelijke jaartelling rustig en eenzaam, verre verwijderd van het rumoerig gedruisch en gewoel der wereld, een godvreezend kluizenaar. Zijn naam was Ananias. Dag en nacht lag de vrome kluizenaar Ananias verzonken in gebed en overweging. Ongestoord overpeinsde hij de grenzenlooze liefde des Heeren. zóó duidelijk getoond jegens den mensch op allerlei wijzen, eene liefde, die hare hoogste triumfen viert hierin: ..dat God Zvjn eenigm Zoon heeft cjeschonken, opdat allen, die in hem cjelooven, niet verloren gaan, maar het eemcuj leren hebbenquot; En door liet overwegen van die matelooze liefde, begreep hij de eindeloos hooge waardij van eene menschelijke ziel en daarom onthechtte hij zich immer meer en meer van al het aardsche, van al het wereldsche â zoo vaak een struikelblok voor den mensch, zoo vaak een hinderpaal voor 's menschen zaligheid -en hield zich nergens mede bezig, dan met het eenig noodzakelijke, met de groote zaak zijner eeuwige zaligheid. Dagelijks overdacht hij de diep ingrijpende woorden der H. Schriftuur: âQuid prodest homini, sitnundum universum Incretur, animce vero snee detrimentnm patia-turquot;. âWat bard het den mensch', al wint hij de geheele icereld, als hi/j schade lijdt aan zi/jnc zielquot; ~).
De vrome kluizenaar bad en overwoog niet alleen, maar hij oefende ook de gestrengste boetvaardigheid. Als een andere Joannes de Dooper was hij gekleed in een haren boetgewaad, droeg een gordel om de lendenen : en het voedsel, dat hij gebruikte, was schaarsch en bestond
') Joann III. 16.
â ) Matth. XVI. 26.
10
hoofdzakelijk in hetgeen de hem omringende grond opleverde.
Vorst Costns was gestorven. De vorstin Sabinella was weduwe en Catharina eene halve wees geworden. Beider hart was schier ontroostbaar over het bittere verlies, door den wreeden, onverbiddelijken dood veroorzaakt. De pijnlijke angel der smart dringt door in hunne ziel en brengt daar eene gevoelige wonde teweeg. Geen verkwikkende balsem daalt neer in het doorwonde gemoed der heiden-sche vrouwen, want het heidendom, dat slechts het blinde noodlot huldigt, weet van geen goddelijke Voorzienigheid te spreken, die alles ten beste regelt en beschikt in het leven der menschen.
Het gebeurde nu, dat Sabinella. treurende over den dood van haren geniaal, in het eenzame oord, waar Ananias leefde, eene veilige plaats zocht om zich ongestoord bezig te houden met het geliefkoosde beeld van haren, door den dood weggerukten, echtgenoot. Daar ontmoette zij den heiligen boeteling Ananias en stond verbaasd over het ruwe kleed, dat de leden des grijsaards dekte, maar meer nog over diens vermagerd, uitgeteerd gelaat. Nieuwsgierig vroeg Sabinella aan den vreemdeling, hoe zijn naam was, welke zijn leefwijze, en waarom hij hier in deze akelige eenzaamheid verwijlde. Op alle deze vragen antwoordde Ananias met de grootste bereidvaardigheid. Bovendien leerde hij de vorstin Sabinella de hoofdwaarheden van den christelijken godsdienst kennen. De alvermogende genade Gods werkte mee en begunstigde het onderricht van Ananias, zoodat het uitgestrooide zaad van Gods woord, niet op steenachtigen grond, maar op goede aarde viel en weldra zou ontkiemen, welig opschieten, honderdvoudige vruchten voortbrengen. Alles wat de boetvaardige kluizenaar der vorstinne meedeelde, kwam haar zóó uitermate schoon en troostend voor het treurend
11
I mill â iiiiiiiiïïnnïïnTmiMni
harte voor, dat zij, met het vernomene niet tevreden, nog meer van den christelijken godsdienst verlangde te leeren kennen. Hierom toog zij meermalen naar de eenzame verblijfplaats van den boetvaardigen Ananias en immer kwam zij meer tevreden, meer getroost en opgebeurd vandaar terug.
Zoo verliepen er eenige maanden. Allengskens was liet edele hart van de koninklijke Sabinella geheel en al geopend en toebereid voor 's Heeren heilige genade. De akker was dus degelijk bewerkt, de zaadkorrels waren uitgestrooid in de voren, er restte niets meer dan de vruchtbaarheidwekkende regendruppels en de rijke dauw des hemels, en dan het koesterende licht van Gods zonneschijn: wat heerlijke bloesems, wat rijke vruchten zal die bereide akker dan opleveren! Die zegen van Boven kwam. De vruchtbaarheidwekkende regen, de rijke hemeldauw daalde neer en de diamanten druppelen, op den akker neergedaald, schitterden met heerlijk kleurenspel, als paarlen van het zuiverste water, in de gouden zonnestralen.
Ananias stortte de heilige wateren des Doopsels over het koninklijk hoofd van vorstin Sabinella, de moeder van Catharina. Sabinella werd herboren in het water en den H. Geest, zij werd overgebracht uit de duisternis van het heidendom in het volle licht der goddelijke Openbaring, zij was lidmaat der Katholieke Kerk. erfgenaam des Hemels, mede-erfgenaam van Jesus Christus.
Het behoeft zeker wel niet gezegd, dat de koninklijke moeder, die zich zoo gelukkig gevoelde in het bezit van den christelijken godsdienst, alle pogingen aanwendde om ook de hoogbegaafde ziel van hare edele dochter ontvankelijk te maken voor Gods genade, om ook Catharina te winnen voor het geloof, waarin zij zoo hemelzoeten troost, zulk een onuitsprekeliik geluk smaakte. Maar
12
Catharina liet zich niet gemakkelijk van de waarheid der christelijke godsdienstleer overtuigen. Als hare moeder bij herhaling tot haar sprak over de hemelsche schoonheid van der christenen godsdienst, als hare moeder, met den blakenden ijver eener pasbekeerde, Catharina herhaaldelijk aanspoorde om ook eens een bezoek te brengen bij den lieftalligen kluizenaar Ananias op den Zwarten Berg, dan meende de nog heidensche koningsdochter, dat hare moeder, door liet naamloos verdriet over den dood van vorst Costus, in hare geestvermogens was gekrenkt. Maar zag Catharina, de scherpzinnige Jonkvrouw, dan niet, welk eene verandering had plaats gegrepen in ⢠hare moeder, hoe haar gelaat sedert eenige dagen straalde van tevredenheid, hoe haar oog, als verjeugdigd, tintelde van een bovennatuurlijk licht?
Doch het vooroordeel is zoo sterk en verblindt zelfs het meest scherpzinnige geestesoog. De vijftienjarige koningsdochter Catharina, fier en zelfs trotsch op hare buitengewone gaven des geestes, kon zich onmogelijk vereenigen met het denkbeeld harer moeder, dat der christenen godsdienst, welks stichter gestorven was den schandelijken dood aan het kruis, de alleen ware godsdienst was. Met overweldigende welsprekendheid, die der geleerde Jonkvrouwe uitermate eigen was, beantwoordde Catharina de bewijsvoering harer moeder, zoodat Sabinella, wijkend voor het scherpzinnig verstand harer dochter, de bewijsgronden van Catharina niet kon weerleggen, maar haar des te dringender smeekte naar Ananias te gaan, om op hare tegenwerpingen een antwoord te vernemen.
Doch ziet! de Jonkvrouw, trotsch op hare groote geleerdheid en op haar hoog verstand, wilde van dit voorstel niets weten. Catharina weigerde handnekkig naar den kluizenaar te gaan, want, zoo dacht zij, die eenzame kluisbe-
13
woner, begraven in de afzondering van het gebergte, kan onmogelijk in geleerdheid en wetenschap mij evenaren.
Tastbaar bewijs voor de waarheid, door den grooten Apostel Paulus verkondigd; âScientia inflatquot; De wetenschap, namelijk de aardsche wetenschap, niet ver-eenigd met de liefde Gods. blaast op. voedt en kweekt de trotschheid!
Bedroefd over deze besliste weigering, ging Sabinella naar Ananias en deelde den nederigen kluizenaar de houding barer dochter mee. Ananias troostte de moeder en raadde haar aan een onbeperkt vertrouwen te stellen (i op de allesvermogende genade des Heeren. die zelfs stee-
nen harten kan omscheppen in harten, kneedbaar als was; die nog wel trotscher gemoederen gebogen had onder het zoete juk Zijner leer. Het gebed, het volhardende gebed, ziedaar het wapen, waarvan Ananias alle heil verwachtte. Het gebed, âdie gouden sleutelquot;, zooals de H. Augdstinus zegt, moest den Hemel openen en de genade Gods op de ziel van Catharina doen neerdalen. Het eenparig en volhardend gebed, den Hemel bestormend met een heilig geweld, moest den hoogmoed van Catharina verwinnen en ontwrichten, haar heenvoeren tot den nederigen God van Bethlehem, haar heenvoeren tot de nederige leer des Kruises! En voorwaar, deze hoop van r Ananias op de overweldigende kracht des gebeds is geens
zins beschaamd geworden.
De vorstin . Sabinella had si nds langen tijd bij hare dochter Catharina erop aangedrongen, dat zij zich een echtgenoot kiezen zou om met dezen het rijk baars overleden vaders te besturen. Wat is een heerschersschepter in de hand eener vrouw? Wat de koningskroon op liet hoofd eener zwakke maagd? Wat zijn de tengels van het bewind over een koninkrijk in de handen eener jeug-
') I Cor. VIII. I.
14
(lige vorstinne? Schier niet te torsen lasten. Hiervan was de moeder van Catliarina, beter dan Catharina zelve, diep overtuigd. Zij maakte haar dochter opmerkzaam, dat de verschijning van een man aan het hoofd van het rijksbestuur- meer ontzag, meer eerbied voor den koningstroon inboezemde. Door de keuze van een echtgenoot kon Catharina voorkomen, dat haar rijksgebied eerlang een schouwtooneel zou aanbieden van bloed en tranen, van tweespalt en oneenigheid, hetwelk onvermijdelijk in de toekomst te wachten stond van muitzieke en eerzuchtige mededingers. Vele doorluchtige vorsten zouden volgaarne de hand aanvaarden eener edele koningsdochter, gesproten uiteen roemrijk geslacht, stralend in den glans van lichamelijke schoonheid en van de hoogste geestesgaven.
Vol fierheid en bewust van hare uitschitterende hoedanigheden antwoordde Catharina : âMoeder, zeer gaarne wil ik aan uw dringend verzoek gevolg geven, maar gij vordert toch zeker niet van mij, dat ik een huwelijk zou sluiten, hetwelk niet met mijne waardigheid overeenstemt. Derhalve verlang ik, dat gij mij een koningszoon zult aanwijzen, die minstens mijn adel, mijne schoonheid, mijn rijkdom evenaart. Dezen â ik beloof heb u â wil ik om u tot mijn bruidegom en gemaal kiezenquot;.
Moeilijke eisch voorwaar! Want wieonderde koningszonen zou zich met Catharina's weergalooze schoonheid, wie vooral zich met hare verbazingwekkende geleerdheid en hoogen adel haars geestes kunnen meten? Vele jeugdige vorsten boden zich aan, maar geen hunner was bij .machte da gestelde voorwaarden te vervullen. Allé hunne hoedanigheden, hoe schitterend ook, verbleekten bij liet oogverblindend licht, dat de hoog-edele gestalte der Jonkvrouwe Catharina uitstraalde.
Wat moet Sabinella aanvangen om deze onoverkomelijke
15
\
moeilijkheid te overwinnenquot;? Niets anders blijft haar over dan heen te snellen naar haren geestelijken leidsman en raadgever, den kluizenaar Ananias. âEerwaarde Vader.quot; zoo sprak zij tot hem,,, ik smeek n, wil toch vurig bidden tot God. Eene dubbele gunst moet de Hemel aan mijne dochter schenken.quot;
En Ananias, de Man Gods, de Man des geloofs, hij zegt tot Sabinella: âHoud goeden moed. Alvermogend i is het gebed. Wees verzekerd. God zal uw smeekgebed.
de vervulling van uw hartewensch niet weigeren: daarvoor ben ik u ten waarborg. Welaan, mijne dochter, 1 vertrek welgemoed. Het vertrouwen op God werkt won
derenquot;.
Nauwelijks was koningin Sabinella vertrokken, of de heilige kluisbewoner werpt zich op de knieën. Langen tijd blijft hij verslonden in een vurig gebed en een bree-de tranenvloed, aan zijne oogen ontweid, stroomt neder op den harden grond en besproeit het rotsachtige verblijf van den grooten boeteling. Zou God zulk een heilig geweld kunnen weerstaan'? Zou Hij dit vewouwvol gebed van zijn boetvaardigen dienaar Ananias kunnen weigeren'? Het gebed van den rechtvaardige is gelijk aan een welriekenden wierook, die opzweeft ten hemel voor den glorietroon des Allerhoogsten en als een welgevallig offer de goddelijke barmhartigheid huldigt. AYel-nu, het vurig gebed van den rechtvaardigen Ananias is de hooge hemelwolken doorgedrongen en de Engelen Gods hebben het geurig offer des gebeds, dooiden boetvaardigen kluizenaar opgedragen, op gouden schalen voor 's Heeren troon gebracht. En het gevolg, vraagt gij'? Wees gerust, luister maar, het zal spoedig blijken. Maar uit heeler harte wenschen wij, dat gij allen, lezers, toch ten diepste moogt overtuigd worden van . de allesvermogende kracht des gebeds en dat gij. door
16
deze geschiedenis opgewekt en aangespoord, u toch beijveren zult God te eeren door uw gebed,, maar door een Hem waardig gebed, en uw eigen heil naar ziel en naar lichaam te verkrijgen door een voortdurend, den christen passend gebed.
Niet langen tijd na het laatst-vermelde bezoek van Sabinella bij Ananias â slechts enkele dagen waren er sinds dien veiioopen â waren de beide vorstinnen, Sabinella en Catharina, in dezelfde slaapkamer ter ruste gegaan. In hun slaap hadden zij beiden een wonderbaar visioen. Zij zagende gouden Hemelpoort geopend. Een ongemeten zee van licht ontstroomt het Nieuw Jerusalem. Een onafzienbare rij van Engelen met gouden wieken, van hemelschen gloed omstraald, daalt neer uit den hoogen, onder het zingen en jubelen van een hemelsch lied, begeleid door welluidend, begeesterend snarenspel. Daar nadert, geheel omstuwd dooide dichte rijen van Engelen, de hemelsche Moedermaagd, stralend van oogverblindenden luister, gekroond meteen diadeem, zooals geen sterfelijk oog ooit aanschouwd heeft. Dan volgen de Apostelen, de Profeten, de blanke stoet der smetteloos reine Maagden, het ontzaglijk legerheir der gepurperde Martelaren, ten teeken van victorie de groene palmen wuivend; geheel de ontelbare schare, zooals de H. Joannes ze eens mocht aanschouwen, een schare geworven uit alle stammen en volkeren en natiën der geheele wereld.
Zij naderen de legerstede van Catharina. En de hemelsche Moedermaagd zegt met hemelzoete stemme: âCatharina, gij aanschouwt hier vele doorluchtige mannen. Het zijn even zoovele koningen, die met heldenmoed gestreden hebben onder de banier van hun Oppervorst, die mijn Zoon is. Kies gij , die nog maagd zijt, die aan geen enkelen man den eed van trouw nog gezworen hebt. uit deze schare iemand tot uw Bruidegom en verloofde. Hem, wien gij
17
uitkiest als den vertromveliugs uws harten, zal ik u geven.quot;
Op deze woorden der Hemelkoninginne antwoordt Catharina : âVerheven Vorstin, alle deze mannen munten inderdaad door hunne schoonheid uit en op aarde kan ik geen echtgenoot vinden, die één dezer evenaart. Niettemin, niemand onder alle dezen kan mijn hartewensch vervullen en bevredigen. Mijn hart verlangt een bruidegom, die nog schooner is.quot;
Andermaal wordt nu de gouden Hemelpoort ontsloten. Andermaal ontstroomt een nog onmetelijker lichtzee het hemelsch Jerusalem. Andermaal verschijnt eene onafzienbare rij, gevormd door tallooze legioenen van Engelen en Aartsengelen, van Serafijnen en Cherubijnen, die onder het galmen van het Hosannalied een jongeling, wiens aangezicht schittert als de zon. vol eerbied omstuwen en vergezellen. Een diadeem van liet zuiverste goud. fonkelend van de kostbaarste edelgesteenten, siert het koninklijk hoofd van den jeugdigen koningszoon. Het fijnste purper waait om zijne edele leden en een van goud stralenden heersscherschepter zwaait zijne hand.
Als deze grootsche figuur van koninklijke majesteit nader getreden was, vraagt de hemelsche Moedermaagd : âKan deze Arorst uw harte dan bekoren? Wilt gij hem als uw Bruidegom ?quot;
In vervoering roept Catharina aanstonds uit: âJa. Hij is de uitverkorene mijns harten ! Hem wil ik toe-behooren, geheel en al. onverdeeld, met onkreukbare trouw !quot;
Maar Sabinella, de moeder van .Catharina, berispte de stoutmoedigheid harer dochter en zeide tot Catharina: âMaar hoe, mijn kind, waaraan denkt gij ? Deze boven-aardsche luister is de luister niet van een sterveling. Ik voor mij geloof, dat die de Zoon is van die doorluchtige
18
Vorstin, dat hij de Oppervorst is, aan Avien al die koningen van zooeven onderdanig zijn.quot;
Doch Catharina antwoordde: âO moeder, wil mijne gedane keuze niet wraken. Deze Vorst alleen is verheven boven mij. Geen ander dan Hem. Hem alleen, wil ik mijn harte verpanden. Ach. ik smeek n, spreek bij Zijne koninklijke Moeder voor mij ten beste, opdat mijn vurige hartewensch vervuld worde. Want geen anderen Bruidegom begeert mijn hart dan Hem, Hem alleen!quot;
Toen zeide Sabinella: âWelaan, ik zal uwen wil volbrengen. Ik zal ter uwer gunste spreken bij de-Moeder van dezen majestueusen Vorst. Maar ik vrees, dat mijn verzoek nutteloos en ijdel wezen zal.quot;
âAch, lieve moeder, ga uw verzoek doen, spoedig, onverwijld. Geheel mijn leven lang zal ik u daarvoor danken,quot; smeekte Catharina.
Met schuchteren tred ging Sabinella nu tot de hemelsche Moedermaagd en droeg op de dringendste wijze de har-tebede van hare dochter Catharina aan de Hemelkoningin voor. Het zoet gelaat van Maria werd dan door een beminnelijken glimlach bestraald en de Hemelkoningin wendde zich tot haren Zoon, zeggende : âMijn teerbeminde Zoon, wilt gij deze schoone. reine koningsdochter als Uwe Bruid aanvaarden ?quot;
Geslingerd tusschen vrees en hoop, met geweldig kloppend harte, . wacht Catharina op het antwoord des weergaloos schoonen jongelings. Haar binnenste gloeide en blaakte van ongeduld. Wat zal het antwoord zijnquot;? Zou haar hartewensch in vervulling gaan ? Wie weet 1
Nog verhoopt zij..... maar ach! de eeuwige zoon van den
hemelschen Koning, wien Catharina nog niet kent, wien zij tot dusverre geweigerd heeft te huldigen, te aanbidden, omdat hij gestorven is aan een Kruis, Hij keert zich af
li)
van haar, die zijne Bruid wezen avü voor immer en met onkreukbare trouw. Hij zegt tot Zijne Moeder; âUw verzoek kan ik onmogelijk inwilligen. Die maagd behoort niet eens tot mijn godsdienst. Hoe zon ik haar, die het afschuwelijk heidendom aanhangt, tot mijne Bruid kunnen uitverkiezen, ik, de Koning der Christenen 1 Neen, eerst moet zij het heidendom verzaken en een goddeloos huldebetoon weigeren aan de afgoden ; eerst moet zij hare ziel laten reinigen in het heilig Bad des Doopsels ; eerst dan zal ik den ring onzer verloving aan haren vinger steken.quot;
Plotseling is alles verdwenen. Geen spoor is meer waar te nemen van het glorievolle visioen. Op dezelfde stonde ontwaakten beiden. Sabinella en Catharina. Sabi-nella is overstelpt van de grootste vreugde, maar Catharina aan de geweldigste zielesmarten ten prooi. Tranen stroomen langs hare wangen, maar nog steeds verlangt zij Jesus als haren Bruidegom.
Zoo snelden verscheidene dagen voorbij. Openlijk tot der Christenen godsdienst over te gaan : het heidendom, waarin zij was geboren en opgekweekt, openlijk te verzaken ; den afgoden, die zij heel haar leven lang hulde gebracht had, den rug toe te keeren ; - de hoogmoed van Catharina weerhield haar van dezen gewichtigen stap. Maar dit waren toch onafwijsbare voorwaarden, door den Koning gesteld ! Eerst moesten alle deze voorwaarden volkomen vervuld zijn, vooraleer zij Zijne uitverkorene Bruid worden kon. - Geweldig was de strijd, die in Catharina's binnenste woelde en woedde; maar o! haar teederminnend harte, zoo gehecht aan haren toekomstigen bruidegom, zegevierde heerlijk !
Op zekeren dag verzocht zij aan hare moeder, haar tot den kluizenaar van den Zwarten Berg te willen geleiden. Met de grootste vreugde vernam Sabinella dit
20
verzoek uit den mond barer dochter, en aanstonds was zij bereid dit verzoek in te willigen. De tocht naar het eenzame verblijf van den grooten boeteling werd aanvaard ; en daar ter plaatse aangekomen, noodigde Sabi-nella voor een wijle Ananias ter zijde en deelde hem in korte bewoordingen het hemelsche visioen mede. waardoor zij en hare dochter waren begunstigd geworden. Vervolgens smeekte zij den kluizenaar, dat hij alle pogingen zou aanwenden om toch haar kind. zoo klaarblijkelijk en op buitengewone wijze door God begunstigd, tot het ware geloof te brengen.
Het onderhoud van Sabinella met Ananias was hiermede afgeloopen en de kluizenaar wenkte nu Cathariua om nader te treden. Hij verklaarde haar het visioen, hetwelk haar was verschenen en zeide: âDe schoone gestalte des jongelings, welke gij in dat visioen hebt aanschouwd. is niemand anders dan de eeuwige Zoon van God, die door de Christenen wordt aanbeden. Verlangt gij Zijne liefde te winnen en Zijne Bruid te worden, welaan ! laat u doopen. Want door het H. Doopsel alleen kan het beletsel, dat tusschen Hem en u bestaat, uit den weg geruimd worden. Beoefen vooral de nederigheid. Omhels het Christendom, en het hart des koninklijken jongelings is u!quot;
Getroffen door het licht der genade Gods, riep Catha-rina zonder meer te aarzelen uit: âJa, dat wil ik! Ja. dat wil ik, eerwaardige Vader 1 Ik verzoek u. mij te zeggen wat ik doen moet.quot;
Ananias beteekende haar. dat zij zich allereerst moest laten onderwijzen in de voornaamste waarheden van het christelijk geloof. âGaarne,quot; zoo voegde hij er bij, âwil ik hierin uw leermeester zijn.quot; Dit vriendelijk aanbod des vromen kluizenaars, wiens hart gloeide van ijver voor de zaligheid van Catharina's ziele, werd volgaarne
21
door de edele Jonkvrouw aangenomen. Aan de hand van Ananias werd Catharina binnengeleid in de alleen ware wetenschap, de kennis van Gods groote geheimen. En als zij het licht, het hemelsche licht mag aanschouwen van de door God geopenbaarde waarheden, welke het Christendom beleidt, dan walgt zij van de verfoeilijke dwalingen, waarin zij tot dusver heeft rondgedoold, dan schuwt zij de dikke duisternissen van het heidendom on de schaduw des doods, waarin zij te lang reeds gezeten was. De kluizenaar, die alras overtuigd is van het hooge verstand, waarmee Catharina was toegerust, gaf haar gerustelijk het Boek der boeken, de H. Schriftuur in handen, want Catharina was méér dan oen gewoon Schepsel ; de H. Schrift â voor ongeletterde menschen een gevaarlijk boek - kon haar, die met zulk een hoogbegaafd verstand, met zulke hooge wijsheid was toebedeeld, niet schaden, maar integendeel ten hoogste voordeelig zijn.
Het duurde niet lang, of Catharina, genoegzaam onderricht in de wijsheid en wetenschap Gods, werd herboren in het water van den H. Geest; hare ziel werd rein gewasschen in het heilig Bad van levende wateren, in het H. Doopsel. Als eene sneeuwen duive ontsteeg zij het zuiverend Bad en klapwiekend richtte zij hare vluchtten hemel. O edele Jonkvrouw Catharina, wat zijt Gij schoon in den reinen glans van hemelsche schoonheid, waarin thans Uw edele ziel praalt! Daar is geen erf-smet meer in U ! Nu zijt gij de glorie van Jeruzalem. Nu blikt Jeruzalem's Koning, Jesus Christus, met welgevallen op u neder, nu kunt gij de uitverkorene Bruid Zijns harten zijn.
Ziet! zoodra Catharina in haar koninklijk paleis was wedergekeerd, begaf zij zich naar hare eenzame bidplaats om te bidden. Spoedig was zij ingesluimerd. Andermaal wordt de gouden Hemelpoort ontsloten. Ander-
maal ontstroomt een oceaan vau licht het hemelsch Jerusalem. Andermaal verschijnt de majestueuse koninklijke gestalte van den hemelschen Koningszoon, omstuwd van de legioenen van Engelen. Nog schooner, nog glorievoller komt Catharina deze verschijning voor. Vol teeder-heid zegt Jerusalem's Koning: âZie, nn breng ik u den beloofden veiioovings ring. Blijf Maagd, gij wordt Koningin in mijn vorstenrijk, wees voor eeuwig mijne Bruid met onkreukbare trouw.quot;
Bij deze woorden vatte de hemelsche Koning de linkerhand van Catharina en stak een ring van het zuiverste goud, fonkelend van het schitterendste edelgesteente, aan de vinger van Zijne Bruid. Met hemelsche verrukking, ove^'tr^t van hemelsche geneugten, ontwaakte Catharina. Aanstonds viel haar oog op den kostbaren ring, die inderdaad haren vinger sierde, ten teeken van hare hemelsche verloving. O, de tranen van blijdschap en geluk beparelen hare blozende wangen ; het zijn zoete tranen van teeder minnende liefde jegens den hemelschen Bruidegom harer ziel, wien zij voor eeuwig haar maagdenhart heeft verpand. Hem wil zij toebehooren. geheel en onverdeeld, met onkreukbare trouw, alle dagen haars levens, tot den dood, zelfs tot den wreedsten marteldood !
. Het duidelijk onderpand van hare verloving heeft Catharina met de grootste zorg bewaard tot haren dood toe. Geen enkel oogenblik heeft zij zich gescheiden van het vorstelijk geschenk van den hemelschen Bruidegom harer ziel. Haar laatsten oogslag, kort voor haren laatsen snik, heeft Catharina gevestigd op dezen ring. Na haren dood ontving de kerk van Alexandrië dit kostbare kleinood als erfdeel van de gelauwerde Jonkvrouw Catharina en heeft den verlovingsring van Catharina bewaard tot den inval der Mahomedanen toe. Waar de ring toen geble-
ven is, kan niemand met zekerheid uitmaken; vrij algemeen is het gevoelen, dat waarschijnlijk een Engel des hemels dezen ring van de Bruid des Konings naar het hemelschen Jerusalem heeft teruggebracht.
III.
De onverschrokken geloofsheldin.
De Bruid des Konings, verpand voor eeuwig aan den eeuwigen Zoon van God. werd echter van alle kanten door de hoogste edellieden van Armenië ten huwelijk aangezocht. Op deze aanzoeken antwoordde Catharina steeds, dat zij haar harte al weggeschonken had : dat zij verbonden was met een Koning, wiens rijk niet van deze wereld is ; dat zij Hem trouw, onkreukbare trouw gezworen had tot den dood en bijgevolg geen anderen bruidegom kon aanvaarden. Tot staving harer woorden toonde zij den kostbaren trouwring, die de Bruidegom harer ziel haar geschonken had. Maar de heidenen begrepen niet, wie die Koning was, wiens rijk buiten de grenzen dezer aarde was gelegen. Nooit hadden zij den Vorst, met wien Catharina beweerde vereenigd te zijn, gezien en daarom meenden zij, dat de Jonkvrouw hare toevlucht nam tot een verzinsel, ten einde zich van hen af te maken. Derhalve lieten zij niet af herhaaldelijk de schoone. geleerde Maagd lastig te vallen en hielden immer aan hare koninklijke hand te vragen. Eindelijk deze lastige aanzoeken moede,- besloot Catharina, die alleen den uitverkoren Bruidegom van haar hart wilde toebehooren. vaarwel te zeggen aan aardsche Koningsmacht en koningstitel. Zij legde den heerscherssChepter neder, deed afstand van haren troon en benoemde een onderkoning in hare plaats. Zij zelve vertrok met hare doorluchtige moeder en met een gedeelte van haar hofstoet naar de stad Alexandrië.
24
De rijksgrooten van Armenië waren verbitterd over deze daad van Catharina, Zij vaardigden een gezantschap af naar keizer Maximinus en verwittigden dezen vorst, hoe hunne jeugdige Koningin, na de goden des rijks veracht en den godsdienst der Christenen omhelsd te hebben, hen lafhartig had verlaten. Maximimus vernam dit bericht met groote blijdschap; aanstonds vormde hij. in zijne heerschzucht, het plan om het rijk van vorstin Catharina in te lijven bij zijn eigen gebied. Doch als de heerschzuchtige keizer vernam, dat Catharina de dochter van Costus en de nicht van Constantijn was, stelde hij voor eenigen tijd paal en perk aan zijne onverzadigbare heerschzucht. Hij begreep, dat hij hier meer met sluwheid dan met woest geweld kan uitrichten. Wel haatte hij Constantijn met een gezworen doodelijken haat en verlangde niets vuriger dan dien gloeiende haat over ;
het hoofd van Constantijn te doen losbranden ; doch hij kende de onverwinbare reuzenkracht van dienzelfden Constantijn maar al te goed om daarvoor niet beducht te zijn.
Zijn beslissend antwoord tot de gezanten bestond alzoo hierin, dat zij over geheel deze zaak de stiptste stilzwijgendheid zouden bewaren, totdat hij, keizer Maximinus, te Alexandrië zou gekomen zijn. Persoonlijk zou hij den toestand onderzoeken, om volgens dat onderzoek zijne maatregelen te treffen.
Inmiddels was Catharina's moeder, vorstin Sabinella,
door den dood ten eeuwigen leven opgegaan, om voor alle eeuwigheid te midden van den glorievollen stoet,
dien zij eenmaal met hare dochter in een droomgezicht had mogen aanschouwen, het eeuwig Hosanna te juichen in het Rijk van den hemelschen Bruidegom harer dochter.
Met het grootste eerbetoon had Catharina het stoffelijk overschot harer moeder ter laatste rustplaats gebracht
want groot was de liefde, de eerbied, de hoogachting, welke Catharina aan hare moeder toedroeg, ten diepste er van overtuigd, dat zij aan die goede moeder naast God niet enkel het lichamelijke loven, maar. wat meer zegt, het leven der ziel, het leven der genade, te danken had.
Xa den dood en begrafenis van öabinella. had Catharina zoo gaarne vaarwel willen zeggen aan de wereld, om hare nog restende levensdagen in de eenzaamheid te slijten, verre verwijderd van de beslommeringen dezer aarde, alleen in bet innig verkeer met den Vertrouweling haars harten, met Jesus Christus, den uitverkoren Bruidegom harer ziel. Maar zij was bezorgd voor de men-schen, reeds door haren vader opgenomen aan het hof en thans vergrijsd in den dienst van haar geslacht. Hen te ontslaan uit hun dienst en alzoo bloot te stellen aan armoede en ontbering, hield zij voor eene onrechtvaaa-digheid, die om wraak ten hemel schreide. Daarom wilde zij liever de vervulling van haar zielsverlangen, ter liefde van den evenmensch, opofferen. Aldus bleef alles in Catharina's paleis, zooals het vroeger geweest was, bestaan. Doch de leefwijze van de koningin zelve werd steeds eenvoudiger, zoodat Catharina, hoewel levend midden in eene wereldstad, zooals destijds Alexandrië was. al meer en meer aan het aardsche werd onthecht, geen open oog had voor de ijdele weelde, welke de aanzienlijke bewoners van Alexandrië ten toon spreidden. Zij verdeelde haren tijd tusschen het gebed en geestelijke lezing. Zij bekwaamde zich immer meer in de wetenschap der Heiligen. Zij beoefende de boetvaardigheid en versterving in de hoogste mate en deelde ontzaglijk groote geldsommen uit aan de armen en ongelukkigen, in wie zij de ledematen, de broeders en zasters van haren he-melschen Bruidegom, Jesus Christus, herkende. Aldus
2(i
leefde Catliarina in de wereld, maar niet voor de wereld.
Heerlijk toonbeeld voorwaar! voor alle Christenen, die de zaligheid hunner onsterfelijke zielen inderdaad ter harte nemen. Uit het voorbeeld van Catliarina, de rijke vorstinne van Armenië, die troon en schepter vrijwillig verlaten had en vervolgens in de wereld een leven leidde van naastenliefde en versterving, van gebed eu godsvrucht. zooals men niet zou verwachten van iemand, die in een grootsch paleis woont, kunnen wij allen leeren, hoe het leven in de wereld volstrekt geen hinderpaal is voor den Christen om God te dienen, zooals Hij het verlangt. Wel dreigen er gevaren in die diep bedorven wereld, maar waar zijn er geen gevaren, geen aanlok-selen tot zonde ? Het komt er maar op aan, dat wij ons niet hechten aan de grondstellingen en grondbeginselen dezer wereld ; en dan door Gods genade gesterkt en gestaald, vermogen wij alles.
Toen keizer Diocletiaan gestorven was, werd het Ro-meinsche rijk door den vreeselijksten burgeroorlog geteisterd en zag zich overgeleverd aan de willekeur van zes verschillende opperhoofden, die allen evenzeer naar het keizerlijk purper dongen en den titel van Keizer hadden aangenomen. Die zes verschillende opperhoofden, waren : ilaxiinianus, Severis, Maxentius, Constantijn de Groote. Lucinius en Maximinus. Deze laatste, Maxi minus, een afschuwelijk monster van losbandigheid en wulpschheid, beschikte over een ontzaglijke legermacht en telde onder zijn gebied de stad Alexandrië. Pas had hij bezit genomen van genoemde stad, of hij vaardigde een edict uit van den volgenden inhoud:
Keizer Maximinus, aan alle inwoners van ons keizerrijk, heil!
âWijl de goden niet ophouden den milsten zegen over ons uit te storten, zoo achten wij het passend door
27
buitengewone en talrijke offers hun daarvoor onzen dank te betuigen. Hierom noodigen wij u uit, ja gebieden u, om in onze tegenwoordigheid door uwe daden te komen bewijzen, welk eene liefde en hoogen eerbied gij voor de goden hebt. Tevens maken wij bekend, dat zij. die weigeren zouden om volgens onzen wil te handelen of die een anderen godsdienst belijden, behalve door den toorn der goden ook door onze billijke straffen bedreigd worden.quot;
Toen dit edict was afgekondigd, stroomden de inwoners van Alexandrië en uit den omtrek in breede scharen naar een afgodstempel en brachten, in tegenwoordigheid van den keizer zeiven. talrijke offers aan hunne goden. Niet zoozeer de eerbied en liefde voor de goden, als wel de slaafsche vrees voor den geweldigen dwingeland Maximinus dreef hen daartoe aan. Geheele drommen van offerdieren werden heengevoerd naar den tempel. De straten der stad waren versierd en feestelijk getooid met loovergroen, waartusschen vlaggen en wimpels wapperden. Schetterende vreugde muziek doortrilde de lucht en werd bijna overstemd door liet geducht geloei en geschreeuw der offerdieren. Allerwegen in de stad . onder den blooten hemel, waren offeraltaren opgesteld, waarop noch bij dag noch des nachts het vuur was uitgedoofd.
Op zekeren dag zou er in den voornaamsten afgodstempel van Alexandrië volgens sommingen, was het in den wijd en zijd vermaarden tempel van Serapis een grootsche plechtigheid plaats hebben, welke keizer Maximinus in hoogst eigen persoon zou bijwonen. Honderd-en-dertig sneeuwwitte stieren zouden ten offer gebracht worden aan de goden. Reeds waren de dicht opeengedrongen scharen van menschen binnen de wijde tempelhallen saamgestroomd; reeds zweefde de zoete
28
wierookgeur uit de gouden off er vaten omhoog in het tempelruim ; reeds werden de blanke offerdieren, getooid met bloemkransen en linten, door de priesters binnen den tempel voor de altaren gevoerd om weldra als dankoffers der goden te worden aangeboden; reeds had de keizer Maximinus den beker der drankoffers in de hand. of ziet! daar dringt de hoofdman van de tempelwacht met moeite door de ontelbare, opeengedrongen menschen-massa heen en zoo diep mogelijk zich nederbuigend voor 's keizers majesteit, zegt hij : âHoog verhevene keizer, eene doorluchtige vorstin, vergezeld van een talriiken hofstoet, verlangt zonder dralen tot u te worden toegelaten.quot;
Verwonderd en nieuwsgierig tegelijk, vraagt Maximinus : âWie is die vorstin, die op dit plechtig uur juist een onderhoud van mij verlangt ?quot;
De hoofdman antwoord : ,.Ik ken haar niet. Majesteit. Maar zij gelijkt wel eene godin. Zulk eene schoonheid heb ik nog nooit op aarde gezien.quot;
Nog meer door nieuwsgierigheid en verbazing bemees-terd, zegt de keizer: âWelaan, dat zij kome.quot;
Op bevel des keizers, scheidt de saamgestroomde, dicht opeengedrongen menschen menigte zich vaneen, de wacht gaat door de gesplitste rijen heen, den tempel uit. Adem-looze stilte heerscht in het wijde tempelgebouw, nu en dan onderbroken door liet geloei der offerdieren.
Maar ziet! daar nadert de aangekondigde koningin. Een lang smetteloos wit gewaad omgolft hare koninklijke ledematen. Om haar middel flonkeren ontelbare diamanten in een purperen gordel, als sterren aan het hemelwelfsel. Haar maagdelijk gelaat wordt bedekt door een langen sluier, die op haar hoofd beteugeld wordt door koninklijken een diadeem van het zuiverste goud. omkranst van schitterende edelsteenen. Met vorstelijken
29
IWMIMfn 'limaHBi
zwier golven hare lange haarlokken neer op een mantel, die hemelsblauw van kleur, omzoomd met hermelijn, om hare schouderen waait. â Voorwaar, het is eene koninklijke gestalte! Eene schier hemelsche figuur, die door de dichte menigte daar voort schrijdt en door allen met de grootste verbazing wordt nagestaard.
Voor zooverre wij door den sluier kunnen zien, ligt de blos der jeugd op dit edel. fijngevormd. waarlijk schoon gelaat uitgespreid. Maar wie zou het zijn? Uitdemen-schen zee ruischt de naam van Costus' dochter u tegen. Die koninklijke figuur is niemand anders dan Catharina. Zij, de reine, ongeschonden Bruid van den Koning des hemels, zij heeft vernomen, wat de trotsche Maximinus bevolen heeft aan al zijne onderdanen; en tot haar groot leedwezen, vernam zij zooeven, dat mening Christen, den toorn des keizers vreezend. met de heidenen was opgegaan naar den afgodstempel om daar, evenals de heidenen hunne offerande te brengen aan de afgoden. O. welk een grievende smart doorvlijmde de heilige ziele van de Bruid des Heeren, toen zij dit treurig bericht aanhoorde ! Welk een schande, welk eene lafhartigheid van die Christenen, zich te onderwerpen aan het gebod van een aardsch vorst, bevreesd te zijn voor de bedreigingen van een sterfelijk mensch, en de eeuwige wet van den hemelschen Koning met voeten te treden, de eeuwige straffen van den eeuwigen God niet te duchten ! Zij. die laaghartigen, zij zoeken da gunst van een mensch. en de gunst van den almachtigen God durven zij van de hand te wijzen! O, vervloekt menschelijk opzicht, hoevele rampzalige slachtoffers hebt gij gemaakt!
Deze en dergelijke sombere gedachten doorkruisten het verstand van de edele Catharina, wiens binnenste sedert hare bekeering gloeide van het blakend vuur der liefde voor de wet des Heeren, als zij de onedele lafliar-
30
tigheid van zoovele christenen in Alexandrië vernam. En zonder een oogenblik te aarzelen, gestaald door de goddelijke kracht van den Bruidegom harer ziel, had zij een heldhaftig hesluit gevormd. Zij wilde den vermeteleu toorn van den overmoedigen keizer Maximinus gaan bra-veeren ; zij wilde openlijk de vernederende lafhartigheid der ontrouwe christenen gaan beschamen. Onverschrokken was zij heengetogen naar den afgodstempel, om zich te meten met den geweldenaar Maximinus. Zij vreesden zijn bloedig geweld niet, noch zijn venijnigen haat tegen Christus en Dien gekruist.
Als zij voor den troon des keizers is aangekomen, buigt zij voor Zijne Majesteit en zegt, door ontroering aangegrepen : âHeer, wat hebt gij voorgenomen ? Wat beteekent deze plechtigheid'? wat beduiden deze saamge-stroomde scharen van menschen ? Wat deze toebereidselen voor het opdragen van offers aan afgoden, die een mond hebben, maar niet spreken kunnen: die oogen hebben, maar niet zien; die ooren hebben, maar niet hooren ! (*) Met den eerbied, welke ik aan uwe keizerlijke Majesteit verschuldigd ben, nader ik voor Uwen troon. Neen, niet langer mag ik oogluikend toelaten, dat gij. keizer der Romeinen, als een slaaf neder buigen zult voor zoogenaamde goden, die volstrekt geene macht bezitten. Daar bestaat slechts één God, wiens macht door geene grenzen wordt omschreven, wiens oneindige macht zich uitstrekt over alles en over allen. In Hem leven wij, bevoegen wij ons en zijn wij, (f) Hij houdt den levensdraad van eiken mensch en ook van U, o keizer, in Zijne hand. Diezelfde God, Hij ,.......
âGij vergeet, tot wien gij spreekt, vorstin.quot; onderbrak Maximinus opeens.
âIk weet, tot wien ik mijne woorden spreek, o keizer rT VgL Ps, CXIII 12-14. - (f) Handelingen XVIII 28.
Ml
van het Romeinsche rijk. Maar zoo mijne woorden, als die van eene Christinne, U verdacht voorkomen, dan wil ik U de getuigenissen aanhalen van de meest beroemde, heidensche wijsgeeren en redenaars en dichters, om U te bewijzen dat uwe goden, voor wie gij hier zooveel luister bereidt, onbezielde dingen zijn,quot;
Hierop hernam Maximinus: ,.Het is hier noch de geschiktste plaats, noch het juiste oogenblik, om een wijs-geerigen redestrijd te houden. Wij moeten hier offeranden opdragen. Houd ons derhalve niet op. Naderhand wil ik U bereidvaardig aanhooren.quot;
âMaar zal het dan daarvoor het juiste oogenblik zijn ?quot; vervolgde de Koningin. âWanneer gij alleen met de aanhangers van de afgoderij deze doemwaardige bijgeloovig-heden volvoerdet, dan zou ik mijn paleis niet hebben verlaten om U te komen storen. Maar gij hebt door uw gestreng edict zelfs de christenen willen dringen om eveneens te offeren aan de stomme, machtelooze afgoden. Helaas, daar zijn er onder de christenen, die uwe bestraffingen vreezend, tot de altaren der afgoden zijn genaderd ! Ziedaar de reden, waarom ik hier verschijn. Ik wil U wijzen op uwe groote misdaad, waarvan gij eenmaal rekenechap en verantwoording zult moeten afleggen voor den rechterstoel van den God der christenen, den eenig waren God.quot;
Een sombere wolk van gramschap overtoog het gelaat van Maximinus, als hij deze laatste stoutmoedige woorden vernam. Eensklaps zeide hij : â't Is meer dan genoeg. Wij zullen elkander nader spreken.quot;
Catharina had hare verhevene zending voor het oogenblik volbracht. Voorloopig bleef haar niets te doen over. Derhalve groette zij den Keizer en vertrok, gevolgd en omstuwd door hare hofhouding, uit den afgodstempel van Serapis.
Wat moeten we meer bewonderen in dit .heldhaftig i iptreden van de koninklijke Catharina; de bewonderenswaardige liefde voor de heilige wetten van Jesus Christus of de verbazingwekkende onverschrokkenheid, waarmede zij voor den dwingeland Maximinus verscheen ! Door die onverschrokkenheid heeft zij de lage lafhartigheid ten schande gemaakt van zoovele christenen, die, bevreesd voor Maximinus' dreigende straffen, hun christenplicht vergaten en offergaven brachten aan de stomme afgoden. Door die heldhaftige onverschrokkenheid maakt Catharina ook nog ten schande al laffe daden van zoovele christenen in onze dagen, die in naam Katholiek, maar inderdaad verre van het Katholicisme verwijderd zijn; die zich schamen over het Evangelie, dat de grondwet bevat waarop zij den eed van trouw gezworen hebben voor geheel hun levenstijd; die zich schamen voor de banier waaronder hun Koning de glorievolle zegepraal bevochten heeft en Zijn heerlijk koninkrijk gesticht, namelijk de triumfeerende banier des Kruises. En waarom schamen zij zich voor datgene, waarin zij roemen moesten, gelijk zoovele Heiligen Gods geroemd hebben in het Evangelie, met name een H. Apostel Paulus, die uitriep: Non 'â ruhcsco Evangelium: Ik schaam mij het Evangelie niet?(*) Waarom schamen zij zich voor het teeken, waarin zij roemen moesten als echte volgelingen van den Christus, zooals diezelfde Apostel Paulus, die uitriep: Mihi absit gloriari nisi in cruce Domini nostri Jesu Christi: Hef zij verre van mij in iets anders te roemen dan in het Kruis van onzen Heer Jesus Christus ? (t) 't Is niets anders dan het menschelijk opzicht, het vervloekte men-schelijk opzicht, de vreeze voor spotternij van den kant der menschen, de vreeze voor tijdelijk nadeel, welke he^i tot die lafhartigheid en ontrouw vervoert. O. hoezeer (') Eom. I. 16. â (f) Gal. VI. 14.
33
wordt plichtverzaking door hare kloekmoedige en onverschrokken onversaagdheid ten schande gemaakt en gegispt!
De afgodische plechtigheid in den tempel van Serapis was afgeloopen. De keizer was in zijn paleis teruggekeerd en had aanstonds een bode afgezonden om de koningin, die zich verstout had hem in het offeren te komen storen en hem zulke stoutmoedige taal tegemoet te voeren, ten zijnen paleize te ontbieden. Catharina aarzelde niet om aan deze uitnoodiging gevolg te geven. Oogenblikkelijk begaf zij zich naar het keizerlijk paleis van Maximinus. Met bijzondere innemendheid, anders geheel onbekend aan zijn karakter, ontving de keizer haar.
Toen de hofdienaar, die Catharina in het vertrek des keizers had binnengeleid, vertrokken was, begon Maximinus aldus:
âDoorluchtige Vorstin, tot mijn innige spijt kon ik daar straks slechts weinige oogenblikken uw zoet stemgeluid aanhooren. Slechts een korte wijle mocht ik uwe weergalooze lichamelijke schoonheid aanschouwen. Maar zeg mij, bekoorlijke jonkvrouw, wie zijt gij, zóó schoon, zóó welsprekend ?quot;
âMijne koninklijke afkomst is in deze stad van Alexandrië voor niemand een geheimquot;, zoo klonk het uit den koninklijken mond der Vorstin. âMijn naam is Catharina en ik ben de eenige dochter van vorst Costus en van diens gemalin Sabinella. Hoewel mijn doorluchtige ouders door den dood uit dit leven zijn weggerukt, toch leeft hunne roemrijke nagedachtenis nog voort bij de bewoners van Alexandrië.quot;
Maximinus antwoordde: âDe namen van Costus en Sabinella zijn mij niet geheel onbekend. Ik heb ze meer hooreu noemenquot;. Vervolgens de engelreine en hemels-
II Cath. ]. a
34
schoone Catharina aanstarend, begon hij hare verrukkelijke schoonheid te prijzen.
Maar Catharina, die de ijdelheid van Maximinus verafschuwde en zijne allesbehalve vorstelijke taal verfoeide, antwoordde met heldhaftige en onverschrokken vrijmoedigheid: âVergankelijk is lichamelijke schoonheid, zij verflenst en verwelkt na een korte spanne tijds, evenals de bloesempracht van eene bloem des velds. Wat is lichaamsschoonheid? Zij verdwijnt als rook, als sneeuw voor de zon, en laat de grootste afzichtelijkheid achter. quot;Waarom zouden wij ons dan ver-hoovaardigen op deze gave, door God ons geschonken, als hadden wij ze niet van Hem ontvangen ? De almachtige God heeft op een handvol stof en asch den stempel van Zijne grootheid afgedrukt. Het is een flauwe afstraling van Zijne oneindige glorie. O, mocht gij dien God, den eenig waren God, met ons, Christenen, aanbidden!quot;
âWat!quot; roept Maximinus eensklaps uit. âIs de God, dien de Christenen aanbidden, de eenig ware God? Hij, die om zijne euveldaden tot den schandelijken kruisdood is veroordeeld geworden, hij zou de eenig ware God zijn? Hij, die het volk opruide, hij, de zoon van een timmerman, de grootste bedrieger, die ooit . . . .quot;
âLaster Hem nietquot;, onderbrak Catharina plotseling den toornenden keizer. âGij kent Hem niet, den God dei-Christenen, maar daarom -staat het u geenszins vrij Hem te verguizen en te lasteren. Maar ik mag met het volste recht de goden, die gij huldigt, verachten, omdat ik weet, wie uwe goden zijn. Want van mijn vijfde jaar af heb ik hen leerea kennen, ik, die evenals gij in het heidendom ben opgevoed. Al de heidensche wijsgeeren en redenaars en dichters en geschiedschrijvers heb ik bestudeerd; alles, wat zij over de heidensche goden hebben geschreven.
35
gesproken en verkondigd, heb ik vernomen en daaruit uwe goden leeren kennen als overspelers, dieven, moordenaarsquot;.
âHoud op, houd op, edele koningin ! Laat de gramschap uw edel schoon gelaat niet ontsieren. Ik voor mij wil niet verder redetwisten met u over godsdienstzaken. Ik zie, dat het u niet aan geleerdheid, noch aan welsprekendheid ontbreekt. Maar er zijn in Alexandrië nog wel andere personen, die u in wijsheid en wetenschap zoo al niet overtreffen, dan toch zeker evenaren. Ik durf verhopen, dat zij uwe redeneeringen schitterend zullen weerleggen en u van uwen waanzin om een gekruisten boosdoener te aanbidden, zullen genezen en u tot den eeredienst onzer goden terugbrengenquot;.
Hiermede was het onderhoud des keizers met de christen Jonkvrouw voor dezen keer afgeloopen en met fierheid verliet de onverschrokken geloofsheldinne het paleis van Maximinus.
IV.
Uitnoodiging tot den strijd.
Rustig en plechtstatig stroomde de vruchtbaarheid-wekkende rivier de Nijl door de lachende velden en landouwen van het schoone Egypte-land. Ontelbare lichtende punten tintelden en flonkerden aan het onmetelijke, hemelsblauwe uitspansel en werden in de voortrollende wateren weerkaatst met ontzagwekkendenden schitterglans. Het was, alsof uit den diepen schoot van den watervloed millioenen, ja meer dan millioenen diamanten en smaragden omhoog rezen en door elkander wemelden op den waterspiegel. Uit de wuivende palmboomen, die op de beide oevers langs de rivier hunne heerlijke takken uitspreidden, weerklonk het verrukkelijk loflied van de vogelen des hemels, den aknachtigen Schepper van al dit natuurschoon ter eer.
36
Verrukkend, weergaloos schoon is de Oostersche natuur in dit uitgelezen, hoog bevoorrecht oord!
Naast een uit graniet gehouwen beeld, een sfynx voorstellende, wiens voeten door het ruischend water der rivier werden besproeid, leschten eenige buffels in den helderen stroom hun dorst. Te midden van deze dieren, wier hoornen als zwaarden omhoog staken, verscheen het afgodisch beeld als de bewaker der kudden.
Maar het is een sprakelooze schim, een machtelooze beheerscher. Want reeds sedert drie eeuwen is er een nieuw licht aan den horizon van Jeruzalem opgegaan, een licht, dat eiken dag met nieuwer luister straalt; een licht, dat eiken mensch moet verlichten, komende in deze wereld; een licht, dat de duisternissen verdrijft, om de volgelingen van het heidendom te bestralen en hunne oogen te openen voor de eeuwige waarheid.
Op den oever van den breeden waterstroom, verhief zich, achter het loovergroen van hooge cypressen verscholen, eene bouwvallige grafstede, aan welker muren het welig klimop zich kronkelend had vastgehecht. Ginds verschijnt een rank vaartuig, hetwelk door twee sterk gespierde roeiers voortgestuwd, over de bruisende baren heenglijdt. De koers schijnt gericht naar de plek, die door de cypressen wordt beschaduwd. Weldra is het vaartuig bij den oever, vlak vóór de grafstede, aangekomen. Men legt aan, en een man verlaat haastig het vaartuig en beveelt den roeiers zijne terugkomst af te wachten.
De man was in eene Romeinsche toga gehuld, doch nu en dan schitterde een blinkend harnas tusschen de sierlijke plooien van zijn wijden mantel. Op zijn hoofd blonk een glinsterende helm, bekroond met een zilveren sfynx.
Hij baant zich een doortocht door het dicht opgeschoten
37
riet en door de hooge grashalmen, gaat regelrecht naaide hooge cypressen en klopt op de deur van de bouw- quot; vallige grafstede aan. Als de deur geopend wordt, treedt de krijgshaftige gestalte binnen.
Daar binnen de grafstede is een koperen lamp op een altaar van granietsteen geplaatst. De brandende lamp werpt een wankelend licht door het lage, sombere vertrek. Kaast de lamp staat een houten kruisbeeld en een reli-kwiekast. In dit eenzame, sombere, maar heilige verblijf waakt eene nog jeugdige Maagd, wier gelaat door een waas van bijna bovennatuurlijke schoonheid is overtogen, op wier edele, fljngevormde gelaatstrekken de lelie der onschuld bloeit.
Het schijnt, dat de vreemdeling in de wijde toga amp;n met den zilveren helm op het hoofd, allerminst over het verblijf der Maagd op deze plaats verbaasd is.
Aanstonds richt hij tot de jeugdige Maagd deze woorden: âDe keizer heeft mij tot u gezondenquot;.
De vreemdeling was niemand anders dan Porphyrus, tribuun of hoofdman van het eerste keizerlijke legioen, en een vertrouweling van keizer Maximinus.
âEn wat verlangt de keizer?quot; vraagt de jeugdige, schoone Maagd.
âDe keizer noodigt u uit om binnen drie dagen ten zijnen paleize te komen. Uw wijsheid en wetenschap zijn den keizer bekend en hij verlangt, dat gij met de wijsgeeren van Serapis over de geheimen van uw godsdienst zult komen redetwisten. Hier is de brief des keizersquot;.
Tegelijkertijd overhandigde hij het schrijven van Maximinus, hetwelk luidde als volgt:
âCatharina, hij, die u heden schrijft, is veeleer een vriend, dan een beheerscher van u. Heb daarom volkomen vertrouwen jegens mij en verwerp mijne raadgevingen
38
niet. Uw jeugdigen leeftijd in aanmerking nemende, wil ik volgaarne vergeten, welke heiligschendende woorden gij onder de tempelbogen van Serapis hebt durven uiten. En ofschoon gij in 't openbaar hebt beleden, dat gij tot het Christendom behoort, wil ik n van heeler harte deze misdaad kwijtschelden. Ik heb twaalf smetteloos witte stieren aan de goden laten opofferen om die euveldaad, door u gepleegd, uit te boeten en de geduchte wraak dei-goden af te weren. Hieruit kunt gij begrijpen, Catharina, welk eene innige liefde ik voor uw persoon koester. Uit het vorstelijk geslacht der aloude beheerschers van Egypte gesproten, zijt gij bovendien door uwe ongeëvenaarde schoonheid boven alle vrouwen verheven. U heb ik uitverkoren om eerlang mijne gemalin te worden. Verlaat de stille eenzaamheid en kom naar mijn vorstelijk p aleis. Te midden van de wilde dieren en woeste struikgewassen behoort gij niet thuis, gij, die zóó jeugdig, zóó verrukkelijk schoon zijt. Kom alzoo aan mijn paleis, en ik zal uwe wijsheid en wetenschap verre doen uitschitteren boven de geleerdheid van alle wijsgeeren. Zij zullen u terugbrengen van de looze fabelen tot de waarheid. Na de redetwisten met do geleerden van Alexandrië zult gij â ik twijfel er geenszins aan â terugkeeren tot den eeredienst der goden, die gij hebt verlaten, en mij voor immer dankbaar zijn. Reeds heb ik het gezworen, en ik herhaal dien eed: Gij zult des keizers gemalin worden en naast hem op den keizerlijken troon zetelen.quot;
Nadat Catharina kennis genomen had van den inhoud, in dit schrijven vervat, keerde de koninklijke Jonkvrouw zich tot den afgezant Porphyrus en zeide: âVerwittig den keizer, dat ik over drie dagen binnen de muren Van zijn paleis verschijnen zal.quot;
Hierna groette Porphyrus vol eerbied, als ware Catharina reeds zijn keizerin, en vertrok haastig om ten spoe-
39
digste het bericht, dat hij uit Catharina's mond vernomen had, aan Maximinus over te brengen.
Enkele oogenblikken daarna gleed het ranke vaartuig wederom over de kalme wateren van den Kijl. Maar in het stille, eenzame verblijf, waar de koperen lamp haar wankelend licht verspreidde over het houten kruisbeeld en de heilige relikwiekast, lag de reine Jonkvrouw alweder neergeknield op den harden grond, verslonden in een vurig gebed. Uit-de bloedige wonden van den hemel-schen Bruidegom harer ziel putte zij kracht en sterkte en moed voor den geweldigen strijd, die aanstaande was, die misschien op leven en dood zou moeten gestreden worden. Ach, hemelsche Bruidegom, zend Uwe zegevierende, onverwinbare kracht uit den hoogen op uwe uitverkorene Bruid Catharina neer, om haar te stalen en te harden tegen den weldra aanrollenden, bruisenden stormorkaan! Met Uwe almachtige hulp zal zij alles, alles kunnen verduren en trotseeren, want Gij hebt de wereld en de machten der hel overwonnen!
V.
Van strijd tot zegepraal.
Een vijftigtal wijsgeeren van Alexandrië waren in één der gewelfde zuilengangen van 's keizers paleis vergaderd. Zij wachtten aldaar de komst af van eene jeugdige Jonkvrouw, die door hare hooge geleerdheid en diepzinnige wetenschap den keizer en geheel zijn hof had verbaasd. De hoogepriester van Serapis' afgodstempel, het hoofd getooid en omkranst met vele gouden strikken en linten, in zijne hand de wichelaars-roede dragend, waarop het afgodsbeeld van Isis prijkt, stond in het midden van die vijftig geleerden en wijzen. Een wit gewaad, met ruime plooien tot de voeten afhangend, kwistig bezaaid met gouden sterren, dekte des hoogepriesters leden. Een
40
gordelriem, schitterend van ontelbare zinnebeeldige gesteenten, omgaf zijn middel. Armbanden, in den vorm van kronkelende slangen, omknelden zijne polsen en aan zijne voeten droeg hij sandalen van het zuiverste purper. Zijne hoofdharen golfden zwierig op zijne schouderenen een tevreden glimlach krulde zijne lippen.
Keizer Maximinus verscheen weldra in dezen kring van geleerden. Hij zelf was de opperpriester (Pontifex maximus) van Serapis en alzoo oefende hij het tijdelijke en het geestelijke gezag in de stad Alexandrië uit.
Te midden van den uitgelezen kring van geleerden verschijnend, zeide keizer Maximinus: âWijzen der wijzen, priesters der goden en gij allen, leermeesters van den godsdienst, zoo aanstonds zal in uwe tegenwoordigheid verschijnen eene dochter, die in wijsheid en wetenschap, in schoonheid en luister schier onovertrefbaar is. De vervloekte aanhangers der nieuwe leer, die een gekruisten boosdoener als God huldigt, hebben haar hoog verstand op een dwaalspoor gebracht. Aan u derhalve de taak, deze misleide Jonkvrouw te overtuigen van hare verfoeilijke dwalingen en haar terug te brengen tot den eeredienst van onze goden. Hiervoor heb ik u tot deze bijeenkomst uitgenoodigd. Roept alzoo den machtigen bijstand van Isis, van Mercurius en van de andere beschermgoden der wetenschap inquot;.
Middelerwijl bevond de koninklijke Catharina zich in een afzonderlijk vertrek van het keizerlijk paleis. Terwijl de vermetele Maximinus zijne redevoering tot de vergaderde wijzen van Alexandrië hield en hen aanspoorde den machtigen bijstand van de beschermgoden der wetenschappen in te roepen, daalde een engel des hemels, omstraald van oogverblindend licht, tot de uitgelezen, jeugdige Bruid des eeuwigen Konings neder om haar den aanstaanden strijd aan te kondigen en onverwinbaren moed
41
in te storten. In den naam des Heeren zeide die afgezant des hemels tot Catharina; âWil niet vreezen, o teerbeminde Bruid van Christus; de wijsheid van God zal uwe wijsheid verlichten. Door uwen mond zal Hij de waarheden van het Christendom inscherpen in den geest der heidensche wijzen. Zij zullen sterven voor het geloof der christenen, te zamp;men met vele andere heidenen, en met hen zult ook gij den palmtak des martelaarschaps behalenquot;.
Nauwelijks was de afgezant des hemels verdwenen, of de deur der kamer, waarin Catharina zich bevond, werd geopend. De koninklijke Jonkvrouw wierp haastig haren purperen mantel om, bedekte haar hemels-schoon gelaat met haren sluier en volgde de keizerlijke dienaren, die haar kwamen afhalen.
De koninklijke Jonkvrouw, wier ranke leden gehuld waren in een sneeuwwit gewaad â zinnebeeld van hare smettelooze ziel! â trad de zaal binnen, waar de kring van Alexandrië's wijzen vergaderd was. Op haar le'ie-blank gelaat kon men geen vreeze noch ontsteltenis bespeuren : het werd als door een bovennatuurlijk licht bestraald. Met bevalligheid groette zij de vergaderde wijsgeeren en sloeg dan, als naar gewoonte, haren zedigen blik wederom neer. Het wTas alsof zij, de Bruid van den Koning des Hemels, in eene geheimzinnige taal zich onderhield met de verhevene lijftrawanten van dien Koning, haren Bruidegom, met de Engelen des Hemels.
De hoogepriester nam het eerste het woord en begon aldus tot Catharina; âEdele Jonkvrouwe, die, naar men zegt, toegerust zijt met een meer dan buitengewoon verstand, wrelken godsdienst belijdt gij ? Behoort gij tot de secte van Plato ofwel tot het geloof der Christenen?quot;
âIk ben Christen!quot; weerklonk onverwijld het onverschrokken en vaste antwooid van Catharina.
42
âAlzoo erkent gij niet het bestaan van Jupiter, van Serapis, van alle andere godheden, die wij vereeren en huldigen, en weigert gij aan hen goddelijke eer te bewijzen?quot;
âSlechts éénen God erken ik, en hoewel onzichtbaar voor onze menschelijke oogen, is Hij de eenig ware en eeuwige Godquot;, hernam de onverschrokken Bruid des Heeren.
âHoud op, koud op met uwe om wraak roepende godslasteringen!quot; riep de grijze hoogepriester uit. âHoe zou er slechts één enkele onzichtbare God wezen, terwijl wij telken dage met onze eigene oogen verscheidene godheden mogen aanschouwen? Hef uwe blikken omhoog naar de zon. Zij werpt hare milde en koesterende stralen op het aardrijk neer en wekt allerwegen vruchtbaarheid. Van haar gaat alle warmte en licht uit. Zij schenkt bezielend leven aan gewassen, aan dieren en aan men-schen. Gezeten op haren vurigen wagen, doorkruist zij de ongemeten hemelbaan en regelt den loop der jaargetijden. En zij zou geen God wezen? Voorwaar, zij is God; Apollo is haar naam! Haar ter eere zijn er prachtvolle tempels gebouwd en omhoog gerezen in Griekenland en Rome, in Egypte en Syrië. En gij, gij durft u verstouten de groote macht en majesteit van die godheid aan te randen en te loochenen?quot;
Hierop zeide Catharina: âZeg mij eens, grijsaard, is de zonnestraal, die in een gouden helm wordt weerspiegeld, dan inderdaad zelf de zon?quot;
âOngetwijfeld niet,quot; antwoordde de grijze hoogepriester. âDie zonnestraal, in den gouden helm weerkaatst, is slechts eene afstraling van de zon, één van de ontelbare lichtvonken, die van hare lichtende kroon neerschieten.quot;
âWelnuquot;, hernam Catharina, âevenals die zonnestraal slechts een vurige sprank is, door het zonnelicht voort-
43
gebracht, evenzoo is de zon zelve niets anders dan een vurige sprank, door den Schepper van het heelal, dooiden éénen waren God op de schepping neergeworpen. De millioenen hemellichamen, de zilveren schijf der maan en de tintelende sterren aan het hemelgewelf, alsook de aarde in haar heerlijk groen gewaad, de oceaan met zijne bruisende en vaak woedende golven ; dat alles is het maaksel van des Scheppers almachtige handen. De God, dien de Christenen aanbidden, mijn en uw God, Hij is het begin en het einde. Hij is de Alpha en de Omega. Alles, wat bestaat, heeft Hij uit niets te voorschijn gebracht en daarom moet alles wederom tot Hem terugkeeren. Op den laatsten dag der wereld zal Hij de zon nitdooven als de vlam van een gouden lamp. Dan zal Hij de wereld verbrijzelen als een brooze kristallen vaas. Hoe durft gij, nietige stervelingen, hoe durft gij het bestaan om Zijne onbegrensde macht te beperken? Gij huldigt en aanbidt het maaksel uwer eigene handen ; gij neemt op goed geloof de ijdele verdichtsels en verzinsels uwer dichters aan; gij bemerkt het niet eens, hoe sluwe en arglistige afgodspriesters uwe lichtgeloovigheid bespotten. De zon, die gij als een uwer godheden huldigt en aanbidt, zij heeft haar licht geweigerd en zich in duisternis als in een rouwgewaad gehuld, toen de ondankbare en misdadige Joden der Christenen God durfden aanranden en op wraakroepende wijze onteeren en miskennen. En wat uwe andere goden betreft, zij zijn niet eens in staat zich zeiven staande te houden. Zij worden, evenals al bet stoffelijke, door den tand des tijds vernield; zij verbrokkelen, in den loop der jaren, op uwe outers; en zoo uwe handen hun geene hulp boden, zouden zij alras tot puin verzonken zijn. Hoe! aanbidders van Serapis, geloofo gij dan werkelijk, dat deze gouden beeltenis, door u geplaatst in den tempel van Alexandrië,
44
in staat is om uwe smeekingen te aanhooren en te ver-hooren? Gelooft gij, dat de metalen, onbewegelijke oogen van die roerlooze beeltenis ooit hebben neergezien op de vele offers, aan die beeltenis opgedragen, neergezien op het bloed, dat de altaartreden van dien gewaanden God heeft besproeid? Komt, verlaat den menschontcerenden afgodendienst, werpt de ziellooze beelden der afgoderij te pletter, en gelooft en belijdt den eenig waren God, diende Christenen belijden, Jesus Christus, den Zoon van den eeuwigen Vader, die God is evenals Hij. Die Christus is op dit tranendal der aarde neergedaald, vrijwillig heeft Hij den oneindigen luister des Hemels verlaten, om ons, zwakke en kranke menschen, als een bereidvaardig en ervaren geneesheer hulp en leniging te brengen in de felle smarten. Als een hemelsche krijgsheld is Hij verschenen op deze aarde, die geketend was door de boeien van allerlei ondeugden, en Hij heeft die kluisters verbroken. Hij is op deze wereld, die zoo akelig woest door de hartstochten en booze driften wordt beheerscht, verschenen om het aanschijn der aarde te vernieuwen, om daarop de bloemen van hoogverhevene deugden te doen bloeien. Van allen luister en majesteit ontdaan, is Hij tot ons neergedaald; slechts drie geesten voerde Hij als zijn gevolg mede: den geest van aimoede, van liefde en van wijsheid. Zijne zending was de zending des vredes. Hij heeft het gevloekte menschdom met den Hemel verzoend, want uit Zijnen mond vloeiden de woorden : âBemint elkander uit liefde jegens mij. Ik ben de vriend van hen, die lijden. Die zich hier op aarde vernedert, zal in den Hemel verheven wordenquot;. O wijzen en leeraars van Alexandrië, kunt gij één uwer goden mij aanwijzen, die zulke taal heeft gesproken? Kunt gij dit, welaan doet het, en aanstonds bewijs ik hem mijn eerbetuigingen!quot;
45
Aan deze uitnoodiging kon geen der vergaderde geleerden op rechtstreeksche en bevredigende wijze gevolg geven. Wel haalde één hunner eenige lange plaatsen uit een paar heidensche dichters aan om de verhevenheid van hunne goden te bewijzen. Maar op schitterende wijze weerlegde Catharina, juist door aanhalingen uit diezelfde heidensche dichters, deze bewijsgronden voor de verheven grootheid der afgoden. Bovendien haalde zij een getuigenis aan uit den heidenschen Griekschen treurspeldichter Sophocles, waaruit ten duidelijkste bleek, dat deze heiden de goddelijke Eenheid erkende en aannam. Verder toonde zij op onwraakbare en niet te betwisten gronden, aan, hoe sommige heidenen, zooals de dichter Virgilius en eenige Sibyllen, reeds tevoren de komst van den God der Christenen hadden voorspeld. En daarna verdedigde zij de goddelijke schoonheid, de ongeëvenaarde verhevenheid van den Katholieken godsdienst met een vuur en eene welsprekendheid, die heel den raad van Alexandrië's wijzen verbaasde. Onder het uitspreken van die gloeiende redevoering ter verdediging en handhaving en verheffing van den godsdienst, dien zij beleed, geleek zij niet meer op eene aardsche Yorstin, maar op eene hemelsche, eene bovenaardsche, eene Serafijnsche gestalte.
Het was, of voor de vijftig vergaderde wijzen van Alexandrië een nieuw licht was opgegaan. In vervoering sloegen zij de handen omhoog, stonden op van hunne elpenbeenen zetels en riepen luide als in plechtig koor uit: âKeizer Maximinus, wij getuigen het openlijk, de God dezer edele Jonkvrouw heeft ons zegevierend en triornfeerencl overwonnen. Hij alleen is de eenig ware God en vurig verlangen wij opgenomen te worden in de rijen Zijner dienaren en aanbidders!quot;
Zij zonken neder op den grond voor Catharina's voeten en vroegen om het H. Doopsel.
46
O diepte der rijkdommen van de -wijsheid en wetenschap Gods: hoe onbegrijpelijk zijn Uwe oordeelen en hoe onnaspeurlijk zijn Uwe wegen! mogen we hier wel uitroepen met den grooten Apostel Paulus(1). De wijsheid dezer wereld heeft God ten schande gemaakt, en door den mond eener zwakke Jonkvrouw heeft Hij de wijzen dezer aarde beschaamd. Hij heeft het zwakke uitverkoren om het sterke te beschamen, het nietswaardige uitverkoren om datgene, hetwelk zich als iets groots voordoet, te vernietigen en te verwoesten.
De blikken van keizer Maximinus schoten, bij het aanschouwen van dit onverwacht tooneel, bliksemende vonken vuurs. De hevige gramschap, die in zijn binnenste woedde en bruiste, bracht op zijn gelaat een purper-rooden blos te voorschijn. Als een woedende tijger brulde hij zijne priesters en wijzen tegen.
Onder het uitbraken van de vreeselijkste bedreigingen schreeuwt hij tot zijne dienaren, die met bijlbundels zijn gewapend,: âNaar het vuur, naar het gloeiende vuur met de weerspannelingen; dat hun gebeente tot asch worde verteerd! Sleurt hen weg, die schijnheilige lafaards,sleurt hen weg naar het breede marktplein van Alexandrië. Daör moeien zij worden verbrand, ten aanschouwe van alle inwoners der stad, opdat men zien moge, dat niemand straffeloos de goden des rijks kan verachten!quot;
Het vonnis des doods was over de bekeerlingen uitgesproken. En als zij het doodvonnis hadden vernomen, riepen zij, de pas bekeerde christenen, tot de Bruid des Konings: âO, bid gij voor ons, gij Bruid van den Christus, 'opdat wij vergiffenis erlangen van onze zonden en alvorens de eeuwigheid in te treden, door het heilig doopsel besproeid en afgewasschen en tot ware Christenen geadeld wordenquot;.
(') Rom. XI 33.
47
Doch de wijze en edele Jonkvrouw Catharinaantwoordde: âSchept moed, mijne broeders, schept moed! Gelukkig zijt gij, die het stralende licht der waarheid door de genade Gods in vollen luisterglans hebt mogen aanschouwen. Van de stomme afgoden hebt gij u afgekeerd en u geschaard onder de koninklijke banier van den Koning dei-koningen, onder de banier van het triumfeerende Kruis, om den eenig waren God te dienen. Welaan, snelt onverschrokken heen naar de folterplaats. De knetterende en verterende vuurvlammen zullen beter nog dan het water uwe zonden wegnemen en uitdelgen. Schept moed en blijft volharden! Reeds hangen de eeuwig groenende zegepalmen met de nooit verwelkende kroon aller kronen boven uwe hoofden. Na een korten tijd ben ik bij u in het eeuwig Vaderland. Als uitverkoren Bruid van den Christus, zegen ik u allen in Zijnen naam.quot;
En zij maakte met bare koninklijke en maagdelijke hand over de edele schaar van neerknielende bloedgetuigen het heilig kruisteeken.
O wonderbare macht van de triumfeerende kruisleer! De heidenen, die zooeven nog het kruis als een dwaasheid beschouwden, zij zijn thans omgeschapen in vurige christenen en beschouwen datzelfde kruis als de wijsheid Gods. In niets anders willen zij meer roemen dan in Jesus Christus en in Zijn kruis. En als onverschrokken heldengestalten gaan, ja snellen zij den wreedaardigsten marteldood tegemoet, overvloeiend van hemelsche blijdschap, omdat zij iets voor den naam van Christus mogen lijden. Onder het zingen van lofzangen, den eenig waren God ter eere, bestijgen zij den brandstapel en plukken den eeuwig groenenden palm der Martelaren. Zij was-schen hunne kleederen in het bloed des Lams om voor alle eeuwigheid in de aanschouwing van dat hemelsche Lam te juichen het zegelied.
48
VI.
Catharina gepurperd door haar bloed.
Terwijl de bekeerde wijzen van Alexandrië, vol moed en onwrikbare standvastigheid, onder hevige folteringen en smarten opgingen naar het hemelsche Jeruzalem, werd Catharina naar een van 's keizers geheime vertrekken geleid, alwaar de edele Bruid des Konings andermaal een strijd wachtte, maar een strijd die veel geweldiger zou zijn dan de vorige.
De storm, in de ziel van Maximinus, was bedaard en tot zwijgen gebracht. Met verbazing beschouwde hij de engelachtige schoonheid der koninklijke Jonkvrouw Catharina, wier onschokbare heldenmoed en ongeëvenaarde wijsheid den vermetelen trots van den wreedaardigen dwingeland bijna hadden gebroken en verpletterd. Maximinus betwijfelde somtijds, of die edele, verrukkelijke figuur wel tot deze aarde behoorde.
Daar de keizer tot zijn spijt ondervonden had, dat de koninklijke Catharina door geen wijsgeerige redenen voor zijn plan te winnen was, wilde hij nu langs een anderen weg zijn voorgesteld doel trachten te bereiken. Hij nam zijne toevlucht tot vleierij. Hierdoor hoopte hij ten minste de genegenheid te winnen van de bekoorlijke, schoone Maagd.
O, Catharina, uitverkorene Bruid van Jeruzalem's Koning, welk een gevaar bedreigt hier uw edele ziele! Welk een bedriegelijke valstrik wordt uwe kuische, engelachtige, ongerepte deugd gespannen door den wulp-schen, van het onreine vuur der hartstochtelijke begeerlijkheid blakenden geweldenaar! De lelie uwer onschuld, zij is wel gewend aan de scherpe punten der doornen, maar zal zij ook het verzengende vuur kunnen verdragen, zonder te worden geschroeid, zonder te worden vernield ?
49
Maar Catharina heeft trouw, onkreukbare trouw beloofd aan den hemelschen Bruidegom barer ziel; zij heeft haren ongerepten maagdom voor eeuwig verpand aan den Koning der Maagden; doch tegelijk met die belofte, tegelijk met die toewijding voor eeuwig, heeft zij de vurige smeekbede verbonden tot den almachtigen Koning, wien zij zich geheel en onverdeeld had toegewijd: dat Zijn onverwinbare sterkte haar zou stalen, opdat zij niet bezwijke op den dag der beproeving, in het uur van den strijd, maar Hem trouw betoone, onkreukbare trouw tot haren laatsten ademtocht toe. En diezelfde smeekbede herhaalde de reine Jonkvrouw met steeds toenemende vurigheid eiken dag, in bijna elk oogenblik van haar leven. Vooral, als het uur der beproeving sloeg, als de storm der verleiding dreigde los te breken, dan vooral werd die smeekbede herhaald met den vurigsten aandrang des harten. Zoo ook nu. In het binnenste barer ziel, zonder luidruchtige woorden, had Catharina God dank gebracht voor de glorievolle zegepraal, op de wijzen van Alexandrië behaald. Maar nu zij zich wederom alléén bevindt met den wulpschen geweldenaar, Maxi-minus, als een smetteloos blanke duif nabij de verscheurende roofzieke klauwen van den adelaar; nu richt zij met nog grooter aandrang des harten een vurig gebed om kracht en sterkte tot den God der sterken.
âIk ziequot;,' zoo begon nu keizer Maximinus, âik zie, o edele Vorstin, dat gij èn door ongeëvenaarde wijsheid en wetenschap, èn door weergalooze schoonheid als om strijd uitmunt. Ik denk er volstrekt niet aan om met u een woordenstrijd aan te binden. Veeleer wil ik u blijken geven van de liefde,die ik jegens uw persoon koester. Als een vader zijn kind, zoozeer bemin ik u. Niets anders begeer ik, niets anders verlang ik, naar niets anders streef ik dan naar uw heil en welzijn. Gij zijt nog
II Cath. 1. 4
50
jeugdig en hebt nog pas den eersten blik in het men-schelijk leven geslagen; door ondervinding zijt gij nog niet geleerd, hoe verstandig en wijs gij ook zijt. Gij weet, de ondervinding is de beste leermeesteres. Laat u derhalve raden door mij, die in ervaring verreweg uw meerdere ben. Wil niet langer de schitterende gaven, door Apollo, den God der welsprekendheid, u in zoo ruime mate toebedeeld, onteeren. Doe afstand van den verfoeilijken en afschuwwekkenden godsdienst, welken gij, misleid en vervoerd door jeugdige onbezonnenheid, hebt omhelsd. Treed het verachtelijke en smaad-volle kruis van den oproerigen en opruienden Eazarener met voeten. Volg wederom den eeredienst van de goden, die gij in de jaren uwer kindsheid hebt gediend. Offer hen wederom, zooals weleer, den wierook op hunne altaren, en gij zult aan mijne zijde heerschen als keizerin, naast mij zetelen op een vorstentroonquot;.
Tot dusverre had Catharina gezwegen als een lam; maar toen de keizer bij het uiten van zijne laatste woorden, hare maagdelijke hand wilde vatten, riep zij haastig en in heilige verontwaardiging uit: âLaat af; ik versmaad en veracht uw laaghartig aanbod. Ik verfoei en verafschuw uwe goden en hun vloekwaardigen eeredienst. Ik wil in niets anders roemen dan in het Kruis van onzen Heer Jesus Christus ! Of zoudt gij meenen, dat ik ontrouw zou willen worden aan den eed van onkreukbare trouw, dien ik gezworen heb aan mijn Bruidegom?quot;
âWie is uw Bruidegom dan?quot;
âJesus-Christus, de gekruiste, Dien gij durft lasteren en verguizen in mijne tegenwoordigheid, Hij is mijn Bruidegom! Hij heeft mij uitverkoren voor eeuwig tot Zijne Bruid. Ziehier het onderpand van onze verbintenis, den verlovingsring, welken ik uit Zijne handen hebont-
51
vangen. Jesus Christus derhalve behoor ik toe voor eeuwig. Hem wil ik trouw blijven tot mijn laatsten snik. Niets kan mij scheiden van Zijne liefde, noch dood, noch leven, geen folterpijnen, zelfs niet de gruwelijkste marteldood!quot;
Heerlijke belijdenis in den mond eener christen-maagd! Heerlijk getuigenis, reeds duizenden malen in den loop der eeuwen den Man Gods nagezegd, die deze woorden voor het eerst gesproken heeft in den gloed van zijne van liefde vlammende en blakende heldenziel! Heerlijk, bewonderenswaardig getuigenis, ontelbare malen herhaald sinds de Apostel der heidenen, de groote bekeerling Paulus, deze woorden neerschreef en ze door zijne daden bevestigd en bezegeld heeft: âNiets kan ons scheiden van de liefde Gods, die is in Christus Jesus onzen Heerquot;.
Mochten toch alle christenen diezelfde heldhaftige woorden kunnen herhalen, met het volste recht, zonder dat hunne levensdaden deze woorden logenstraffen! Ja, wij allen kunnen wel zeggen: âNiets kan ons scheiden van de liefde van Christusquot;. Maar zouden deze woorden in den mond van vele Christenen niet klinken als spotternij, wanneer' hunne levensdaden worden getoetst op de beteekenis dier woorden? Zijn die woorden van den Apostel der heidenen in den mond van vele Christenen inderdaad geen zinledige klanken, of liever, bevatten zij niet de veroordeeling van hun levensgedrag? âNiets kan ons scheiden van de liefde van Christus!quot; Ja, zoomoest het wezen; maar ach, de minste gelegenheid, de geringste bekoring, een weinig verleiding is reeds genoeg, meer dan genoeg om zoovele Christenen van die liefde van Christus te vervreemden. Een luttele beleediging van den kant des evennaasten, een nietige teleurstelling, een bijna nietswaardig ongeval des levens, het zijn altemaal omstandigheden te over, waarbij menigeen, die den
52
Christus trouw gezworen heeft tot den dood, den duur-sten eed ontrouw wordt en verzaakt, de dierste plichten vergeet, de zoetste banden verbreekt, het zoetste juk van de schouderen afwerpt: namelijk den gezworen eed van trouw aan den Christus, den christelijken plicht van Christus te beminnen, de zoete banden en het zachte juk van 's Heeren liefde.
Hoe geheel anders is hierin het gedrag van de H. Catharina! Zij trotseert den woesten toorn van den wreedaardigsten geweldenaar, zij blijft den gezworen eed aan den Bruidegom harer ziel getrouw. Niets kan haar scheiden van de liefde, die is in Christus Jesus onzen Heer.
Op dit glorievol getuigenis van de onverschrokken, christen Maagd, antwoordde de heidensche keizer: âMaar weet gij wel, in wiens tegenwoordigheid gij zulke taal voert?quot;
Doch Catharina hernam, zonder een oogenblik haren heldenmoed te verliezen: âZeker, ik weet het. Ik verklaar dit openlijk in tegenwoordigheid van keizer Maxi-minus, wiens gruwelijke misdrijven â ik voorspel het in den naam van den almachtigen God der Christenen â eerlang, binnen korten tijd door den Hemel geducht zullen gestraft wordenquot;.
âZwijg stil, rampzalige lquot; bulderde nu Maxi min us, in wien de gramschap en de haat wederom begonnen te zieden. âHoort gij het knetteren niet van de vlammen, die de eerloozo slachtoffers, door u gemaakt, op mijn bevel verteren? Begrijpt gij niet, dat, zoo ik het beveel, eenzelfde lot uw deel zal zijn?quot;
âIk vrees uw gramschap en geweldenarijen niet! Ik sidder niet voor uwe straffen, hoe pijnlijk en smartelijk ook; ik verheug mi] veeleer te mogen lijden voor mijn hemelschen Bruidegom, die voor mij met doornen ge-
53
kroond is en den gruwzaamsten marteldood heeft ondergaan. Niets kan mij van Zijne liefde scheiden.quot;
âWat verstout gij u nog langer mijnen toorn te tarten! Slechts één wenk, en de kroon, die uwe slapen drukt, wordt afgerukt van uw vorstenhoofd; slechts één wenk, en het purper, dat uwe ledematen dekt, wordt u van het lichaam gescheurd; slechts één wenk, en het gelaat, welks schoonheid gij onteert, wordt misvormdquot;.
âAlles, o keizer, alles kunt gij mij aandoen, alles! Maar de liefde, die ik mijn Bruidegom heb toegewijd, de liefde voor Jesus Christus aan mijn harte ontrukken, dat vermoogt gij niet! Niets kan mij scheiden van de liefde van mijn hemelschen Bruidegom! Mij is het leven Christus en sterven een gewin Maar weet het wel, o keizer Maximinus, dat ik niet de eenige ben, die den Christus belijdt en bereidvaardig den gruwzaamsten marteldood voor zijnen Goddelijken Naam wil ondergaan, om eeuwig in Zijn koninkrijk te heerschen. Uw paleis is met christenen vervuld. Nog vreezen zij en duchten uwen toorn en uwe kastijdingen. Maar als mijn bloed zal vergoten zijn en den grond van Alexandrië zal hebben gepurperd, dan zal hun moed worden ingestort, on-schokbaren heldenmoed, om alles te lijden ter liefde van Jesus Christus. En uit hun bloed zullen wederom andere volgelingen en Bloedgetuigen van Jesus Christus opstaan, want âhet bloed der Martelaren is het zaad der Christenenquot; 2).
Bij het hooren van zulke heldhaftige, onverschrokken taal steeg de woede, de razernij van keizer Maximinus ten top. Hebt gij, lezer, de zee gezien? Niet, wanneer zij effen is en glad als een spiegel; niet, wanneer hare wateren kalm en rustig en bedaard zijn, wanneer er geen
') Phil I. 21.
âSanguis Martijrum semen Ghridianormn.quot; Tertulliaan.
54
stormwind blaast, wanneer alles in de natuur kalme rust en vreedzame stilte ademt. Maar hebt gij de zee gezien, wanneer het hemelgewelf wordt verduisterd en bedekt door donkere, zwarte wolken als met een rouwfloers? Hebt gij de zee gezien, wanneer het gouden zonlicht zich verbergt achter een ondoordringbaren sluier? Hebt gij de zee gezien, wanneer de stormorkaan begint op te steken, de bruisende wateren van den oceaan in beroering brengt, de witgepluimde baren omhoog stuwt om ze daarna wederom neer te slingeren in de peillooze diepte van den onmetelijken oceaan? Dan hebt gij een beeld aanschouwd van den opbruisenden toorn, van de ziedende razernij, die Maximinus' gemoed op dit oogen-blik in beroering brengt, als hij de heldhaftige taal der teedere, zwakke Jonkvrouw Catharina moet aanhooren. En in zijn vreeselijken toorn, roept hij uit, als om haar teleur te stellen in haar vurig gewenscht verlangen, te sterven als 's Heeren Bloedgetuige voor den Naam van haren hemelschen Bruidegom:
âNeen, gij zult niet sterven! Mijne versmade liefde zou door uwen haastigen en kortstondigen dood niet voldoende worden gewroken. Leven zult gij, blijven leven, maar leven om te lijden! Tot den laatsten druppel, tot den bodem toe zult gij den beker des lijdens, door mijne ongetemde woede u bereid, ledigen. Onzinnige dwaas! heerschen kondet gij aan mijne zijde, zetelend op een vorstentroon, en in uwen waanzin wilt gij liever een gekruisten boosdoener volgen, om evenals hij met smarten verzadigd te worden.quot;
âLaster mijn hemelschen Bruidegom, Dien gij niet kent, niet langer. Wat uwe bedreigingen betreft, gaarne wil ik lijden, gaarne de bloedige voetstappen drukken, gaarne het doornig lijdenspad betreden van mijn beminden Bruidegom, Wiens hoofd met doornen is gekroond.
55
Wiens heilig lichaam door wreede geeselstriemen is doorwond van het hoofd tot de voeten, op Wiens geheele lichaam geen gezonde, ongedeerde plek bevonden is! Want âal het lijden dezer wereld is niet te vergelijken met de toekomstige glorie, die in ons sal geopenbaard wordenquot; r). O, hemelsche Bruidegom mijner ziel, ondersteun mij en dat Uwe beeltenis mij immer voor den geest sta, wanneer ik om Uwen Naam de folterpijnen en smarten dezer wereld moet verduren!quot;
Nogmaals poogde Maximinus de edele Maagd Catharina voor zich te winnen. Maar alle aangewende pogingen bleken ijdel en vruchteloos. Noch vleierij, noch bedreigingen, noch smeekingen, noch beloften, niets was in staat Catharina's onwrikbare stardvastigheid aan het wankelen te brengen. Zij bleef' onverwrikt in hare trouw aan den Bruidegom, AYien zij haar harte en maagdom verpand had; niets kon haar scheiden van de liefde van Christus!
Het geduld van Maximinus, reeds zoo dikwijls op eene harde proef gesteld, was eindelijk uitgeput. Als een woedende tijger brult hij; âGods arm moge mij verpletteren, wanneer ik één van uwe ledematen zal sparen voor de folterpijnen!quot;
âWachters!quot; zoo vervolgt hij tot zijne dienaren, âsleurt deze vrouw weg van hier; werpt ze uit het paleis, op de straat, vlak onder mijn vensterraam. Rukt haar de kleederen van het lijf en geeselt haar onder mijne oogen met geeselroeden en ijzeren haken. Werpt ze vervolgens in een duister kerkerhol, zonder eenig voedsel of eenigen drank haar te geven. Haar Bruidegom zal haar wel verzorgen,quot; voegde hij spottend erbij.
Aan het bevel van den onmenschelijken dwingeland
') Hom. VIII. 18.
56
wordt onverwijld en zonder dralen gevolg gegeven. Catharina, de uitverkoren Bruid van Jesns Christus, wordt, evenals weleer haar goddelijke Bruidegom, overgeleverd aan woeste krijgsknechten om gegeeseld te worden. Mij dunkt, ik hoor hare ziele juichen, overstroomd van hemelsche blijdschap en geneugten, als zij dit vonnis vernomen heeft, i ij dunkt, ik hoor uit haar harte den vreugdekreet weergalmen : âHeb dank, o hemelsche Bruidegom mijner ziel, heb dank! Wees eindeloos geprezen en geloofd, omdat Gij vergund hebt, dat ik U eenigszins gelijkvormig mag worden, door het lijden en wel door de geeseling! Ondersteun mijne zwakke krachten!quot;
Catharina komt aan de poort van het keizerlijk paleis en ziet daar een ontzagliik groote menschenmenigte saamgestroomd, die nieuwsgierig het einde van Catharina's onderhoud met keizer Maximinus afwacht. Onder die groote menigte bevinden zich vele chris enen, die echter nog te bevreesd zijn om openlijk hun geloof te belijden.
Komt, waarde lezers, komt volgen wij de uitverkorene Bruid des Heeren, de koninklijke Jonkvrouw Catharina naar de folterplaats, waar haar maagdelijk lichaam door wreede geeselstriemen zal worden verscheurd, gelijk weleer het maagdelijk lichaam van haren goddelijken Bruidegom, Jesus Christus, die een Bruidegom is van bloed: âSponsus sanguinumquot; Komt, laten wij getuigen zijn van het bloedig schouwspel, een schouwspel, dat hemel en aarde zal verbazen, âeen schouwspel voor de wereld, voor de Engelen en menschenquot; 3).
De onschuldige, engelreine Maagd Catharina wordt van hare koninklijke kleederen ontbloot, door ruwe beuls-handen. Hare schoone gestalte wordt vastgebonden aan eene geeselkolom. Onder hoongelach en allerlei ontee-
quot;) Exod. IV. 25.
quot;) I. Cor. IV. 9.
57
rende beleedigingen en verguizingen, vallen de onmen-schelijke beulen op haar aan, als bloeddorstige wolven op het weerlooze lam. Slag op slag wordt toegebracht op haar teeder lichaam met scherpe geeselroeden en verscheurende ijzeren haken. MeL helsche wreedheid volgen de wreede slagen en bloedige geeselstriemen elkander op. Ziet, hoe haar teeder, maagdelijk lighaam opzwelt, overdekt wordt met blauwe en zwarte plekken door de menigte van slagen! Ziet, hoe het purperen bloed uit de versch geslagen wonden bij stroomen nedergudst, van het hoofd tot de voeten, en hoe Catharina's lichaam met een bloedig purperen kleed wordt overdekt! Slag op slag dreunt neder op het maagdelijke vleesch van de Bruid des Konings; en als de roeden zijn stomp geslagen, worden er lederen riemen aangebracht, met looden kogels bezet. En als de armen der beulen zijn vermoeid, worden zij afgelost door twee andere beulen, die met nieuwe krachten het folterwerk voortzetten.
Twee uren achtereen duurt dit bloedig, wreedaardig schouwspel. Twee uren achtereen staat de onmensche-lijke wreedaard, Maximinus, voor zijn vensterraam om dit bloedig tooneel gade te slaan, zich te verlustigen in de neervallende slagen op het ivoorblanke lichaam dei-maagdelijke Jonkvrouw, dat echter nu rood gekleurd is door rozenrood bloed, uit duizenden wonden stroomend.
Voorwaar, hier mogen wij de woorden van den Profeet, eeuwen tevoren ten opzichte van den lijdenden Heiland voorspeld, ook toepassen op de bloedige Bruid van Jesus Christus, op Catharina: âDaar is geene gezondheid in Haar! Van het hoofd tot de voeten is zij gewond en zij is als een melaatsche!quot;
Ten laatste geeft de onmenschelijke tyran een teeken en het bloedig martelwerk wordt gestaakt. Zoo goed men kon, werpt men de witte zijden kleederen om de
58
doorwonde schouderen der Martelaresse en aanstonds worden die smettelooze kleederen gepurperd door het koninklijk martelbloed. De koninklijke gestalte wordt nu van de geeselkolom losgemaakt en onder het joelen der heidensche menigte heengevoerd naar een vunzig kerkerhol, één der vuilste gevangenissen der stad Alexan-drië, waar een akelige, bedorven lucht u tegenwaait, waar slechts een weinig daglicht kan binnendringen.
Daar aangekomen, werpt de Martelaresse zich aanstonds op den harden kerkerbodem, op haar wreed-door-wonde knieën, en over hare engelreine lippen vloeien slechts deze woorden: âMijn God, mijn beminde Bruidegom, ik dank u
Wat zijt gij schoon, o bloedige Bruid van den Moedigen Bruidegom uwer ziel! Wat zijt gij schoon, in het purper van uw maagdenbloed! Elke bloeddruppel, door U vergoten ter liefde van den Welbeminde uws harten, is een kostbare robijn met fonkelrooden weerglans, en in den flonkerenden luister van al die schitterende edelgesteenten wordt het akelig kerkerhol, waarin gij moet verwijlen, omgeschapen tot de prachtigste koningszaal.
YII
Catharina in den kerker.
Na het aanschouwen van het bloedig martel-tooneel, zooeven geschetst, ging keizer Maximinus voor eenige dagen de stad Alexandrië verlaten. Was het om zich te verstrooien en de geduchte nederlaag te vergeten, die hij geleden had in zijn strijd tegen eene zwakke Maagd ?
In geheel de stad Alexandrië ging natuurlijk de spraak over het voorgevallene met de christen Maagd. In weerwil van het verschil in godsdienstige gevoelens, toonden vele bewoners van het heidensche Alexandrië deernis te hebben met de wreed-beproefde, pijnlijk gemartelde Ko-
59
ninginne, die in adellijke geboorte, in bloeiende jeugd, in stralende schoonheid, in hooge wijsheid en in koninklijken moed haar wederga niet had.
De glorievolle faam van de edele Vorstinne Catharina trof zelfs het hart van keizerin Faustia, de echtgenoote van den omnenschelijken dwingeland Maximinus. Een vurig verlangen greep het hart der keizerin aan, een gloeiend verlangen om de jeugdige, schoone, diep vernederde koningin met eigen oog te zien en uit haren mond, die zelfs de wijd en zijd vermaarde wijzen van Alexandrië in welsprekendheid had overtroffen, de woorden van ongeëvenaarde wijsheid op te vangen. De vrees voor Maximinus' dreigende en onverbiddelijke straffen hield Faustia aanvankelijk terug om aan dit gloeiend verlangen te voldoen. Want Maximinus had onder bedreiging van de meest geduchte kastijding ten strengste verboden, dat iemand, behalve de gevangenbewaarder, tot den kerker van de gekastijde, getuchtigde Maagd Catharina zou doordringen. Wilde hij de edele Jonkvrouwe allen menscbe-lijken troost en heul ontzeggen? Of was hij beducht, dat de bloedig gepurperde Bruid des Konings, door het toonen harer rozenroode wonden aan hare bezoekers, wonderen zou werken van bekeering tot het geloof der Christenen?
De vrouwelijke nieuwsgierigheid, zóó sterk in Faustia, zette onverpoosd haar werk voort, om de keizerin aan te prikkelen tot een bezoek in den kerker van Catharina. r Allengskens werd de vreeze voor Maximinus' gestrenge
straffen meer en meer verdrongen uit het hart van keizerin Faustia, en ten langen laatste ontbood zij Por-phyrus, den hoofdman van het eerste keizerlijke legioen, bij zich om met dezen over haren vurig begeerden, maar gevaarlijken gang naar den kerker van Catharina te spreken. Zij kende Porphyrus sinds langen tijd als een
i
60
man, wiens eerewoord als de hoogste en heiligste eed gold. Van eerloos verraad had zij dus van den kant van Porphyrus allerminst iets te vreezen.
Zij, de keizerin, legde haar sinds eenige dagen gekoesterd plan blo.jt aan Porphyrus en verzocht hem vriendelijk en dringend, of hij haar leidsman wilde zijn bij het aanvaarden en volbrengen van dien gevaarvollen tocht. Porphyrus willigde het dringend verzoek van zijne keizerin, hoezeer ook in strijd met 's keizers bevelen, in en beloofde haar te zullen vergezellen naar den kerker van de koninklijke Jonkvrouw Catharina, die ook hij zelf nogmaals wilde aanschouwen.
Op den bepaalden dag en op het vastgestelde uur in den avond, stonden er tweehonderd soldaten van het eerste keizerlijke legioen voor de poorten van het vorstelijk paleis geschaard. Weldra werden de poorten geopend en daaruit trad te voorschijn een krijgsman van rijzige gestalte, gehuld in een Romeinsche toga, tusschen welker sierlijke plooien nu en dan een blinkend kuras heenschittert, en met een glinsterenden helm op het hoofd. Hij werd vergezeld door eene vrouwe, die van het hoofd tot de voeten in een wijden mantel is gewikkeld en wier gelaat bij het nachtelijk duister moeilijk te onderscheiden is.
De krijgsman met die rijzige gestalte â niemand anders dan Porphyrus, de hoofdman van het eerste keizerlijke legioen â gaf een bevelenden wenk aan de vóór het paleis opgestelde soldaten en onverwijld trok de gewapende krijgersschaar op, en hield ten laatste stil voor de gevangenispoort, waar voor enkele dagen geleden de bloedige Martelaresse Catharina was binnengesleurd.
Dit was het doel van dezen nachtelijken tocht. De gevangenbewaarders waren door verlokkend goud omgekocht, om het keizerlijk verbod, niemand in Catharina's
61
kerker toe te laten, te overtreden en toegang te verschaffen aan de keizerin. Door Porphyrus vergezeld, volgt keizerin Faustia den gevangenbewaarder. Reeds van verre wijst de cipier de plaats aan, waar de jeugdige Jonkvrouwe achter muur en grendel, in verlatenheid van alle men-schen, zonder eenig voedsel of drank is gekerkerd. Maar ziet! op dit nachtelijk uur, nu alles in het ronde door duisternis is omgeven, straalt een helder licht door het kleine venster van den kerker, waar Catharina verblijft.
De cipier der gevangenis staat daarover ten uiterste verbaasd. Zou er misschien iemand onverhoeds binnengekomen zijn in Catharina's cel? Maar dit kan onmogelijk zijn. Alles was-nauwkeurig gesloten, deuren en vensters en luiken, zoodat niemand, zonder zijn voorkennis, daar kon binnendringen. Zou dan Catharina licht kunnen maken, zoodat zij misschien bezig was om hare ontvluchting te beproeven? âDeze en dergelijke gedachten doorkruisen pijlsnel den geest van den cipier der gevangenis, terwijl hij, met een lantaarn in de hand. door de sombere en donkere gangen der gevangenis de schreden van de keizerin en van haren krijgshaftigen gezel vooruitgaat en verlicht.
Nu zijn zij aangekomen bij het vunzig kerkerhol, waarin Catharina, de bloedige Bruid des Konings, op bevel van den wreeden tyran Maximinus is opgesloten. Nog straalt het helder licht door 't kleine venster. Het is als de kbningssterre, die boven de verblijfplaats- van de koninklijke Bruid des Konings flonkert, als weleer boven de nederige stal van Bethlehem, de woning van den Koning zeiven.
De zware grendels worden weggeschoven, de deur draait knarsend op hare hengels, de bezoekers staren naar binnen en een gevoel van uiterste verbazing grijpt allen plotseling aan. Een straalkrans van het reinste
62
licht omgloort met hemelschen luister het maagdelijk hoofd van de gepurperde Koningsbruid. De verheerlijkte gestalte der bloedige Martelaresse is geknield en schijnt in diep en vurig gebed verslonden. Haai starend oog is verre, eindeloos verre verheven boven het aardsche, boven het stoffelijke dezer wereld en schijnt door het welfsel der gevangenis heen te dringen. Haar mensche-lijk oor schijnt aanvankelijk hoegenaamd niets te vernemen van het knarsend gedruisch der opendraaiende deur, want onbeweeglijk blijft de edele Maagd verzonken in haar vurig bidden.
Een gevoel van hoogen eerbied overmeestert keizerin Faustia bij het aanschouwen van deze schier hemelsche verschijning. Ook Porphyrus en de gevangenbewaarder deelen dit gevoel van eerbied en aangrijpende verbazing.-Als aan den grond vastgeklonken staan zij daar, alle drie, bij den ingang der cel, onbeweeglijk, roerloos, zonder een woord te uiten.
quot;Na eenige oogenblikken wendt Catharina haar zoeten blik naar de onverwachte bezoekers van hare eenzaamheid. En als ontwaakt uit een diepen slaap, niet langer twijfelend aan de werkelijkheid van het verheven tooneel, dat zich voor hare oogen heeft ontrold, roept keizerin Faustia, zich aan Catharina's voeten neerwerpend, uit: âWaarlijk, nu word ik overstroomd van zielsverheffend geluk, nu mijn vurigste hartewensch in vervulling is gegaan, nu ik een straal van uw heerlijk schoon en edel gelaat heb mogen opvangen, nu ik u aanschouwd heb, u, edele dienaresse van der christenen God, zelfs groot en doorluchtig en glorievol in de boeien, ontzagwekkend zelfs in den kerker! Ik heb u gezien van aangezicht tot aangezicht, overladen met de heerlijkste belooningen en meest uitgelezen gunstbewijzen van uwen God; vrij moge mij nu het moordend staal treffen, mijn
63
hartewensch is vervuld! Edele Jonkvrouw, Avat zijt gij gelukkig in den dienst van uwen God, zelfs te midden van de gruwzaamste kerkerstraffen!quot;
âJa, hooge Vrouwe, ons geluk is eindeloos groot,quot; antwoordde Catharina. âEindeloos groot is ons geluk, maar het uwe is niet minder groot en benijdenswaardig. Ik zie de hemelen geopend en de Engelen Gods een onverwelkbare gloriekroon strengelen, die bestemd is voor u en binnen drie dagen op uw vorstelijk hoofd zal worden gedrukt, om voor alle eeuwigheid uw schedel te sieren, ten loon voor het onmenschelijk lijden, door u met waarachtigen heldenmoed onderstaan en verduurd.quot;
âWat zegt gij, edele Maagd? AVelk een kroon, welke folteringen, welk lijden bedoelt gij? Zal ik dan werkelijk binnenkort de straffen des keizers, voor het overtreden van zijn streng gebod, moeten gevoelen? Ik sidder en beef over al mijne ledematen bij deze besliste voorspelling.quot;
âVrees niets, doorluchtige keizerin. Dit bezoek in mijnen kerker is voor u een eerste schrede tot het Rijk Gods. Zeg mii rondborstig, hecht gij geloof aan uwe valsche goden?quot;
âEerlijk verklaard, moet ik u getuigen, dat mijne goden mij meermalen bedrogen hebben,quot; klonk het oprechte antwoord der keizerin tot Catharina.
âWelnu dan, wat houdt u nog terug, om die valsche goden te verlaten, te verzaken aan den bedriegelijken, menschonteerenden afgodendienst, u te werpen in de armen van een God, die als een Vader u lief heeft, die Zijne dienaren nooit bedriegt of teleurstelt, maar hulp en redding brengt ter juister uur?quot;
âIk vrees den verschrikkelijken toorn des keizers. Ik ducht zijne gestrenge straffen en folteringen.quot;
âWil niet vreezen voor hem, die wel het lichaam
64
dooden kan, maar de ziel niet schaden; doch vrees den almachtigen God, die èn het lichaam èn de ziel des menschen kan neerploffen in de uiterste duisternis, waar geween zal zijn en geknars der tanden. Stel vertrouwen, onbegrensd vertrouwen in de macht van der christenen God, Hij zal u nimmer beschamen. Hij zal u sterken en stalen in het uur van den felsten strijd, in het uur van het grootste en bloedigste lijden. Door het kortstondig lijden van enkele, luttele oogenblikken zult gij een eeuwigheid van onuitsprekelijk geluk verwerven.
Jesus Christus biedt u Zijne genade, ach, weiger Zijne liefde niet.quot;
Nu nam de krijgshaftige Porphyrus, die tot dan toe in begeesterde bewondering gezwegen had, het woord en zeide; âMaar zou ik dan de gunsten en liefde van Jesus Christus mij niet waardig kunnen maken? Zou ik mij ook niet kunnen scharen onder zijne volgelingen, om te strijden onder Zijne krijgsbanier?quot;
Catharina zeide tot den hoofdman: âHebt gij nooit in de Schriftuur der Christenen gelezen ?quot;
Porphyrus antwoordde: âNeen, nooit, edele christen Maagd. Ik ben in het legerkamp opgevoed, ik heb niets a
anders aanschouwd dan slagvelden en strijders en gesneuvelden. Niets anders heb ik nagestreefd dan de gunst te winnen van mijn vorst en keizer, door dapper te strijden voor de uitbreiding van zijn vorstenrijkquot;.
âWelnu, in de H. Schriftuur der Christenen, het Boek der boeken, op ingeving van den éénen waren God, die niet falen kan, noch bedriegen wil, staat geschreven:
âGeen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord en het is nooit in het hart des menschen opgekomen, wat God bereid heeft voor degenen, die hem beminnenquot; Gij ziet derhalve, heldhaftig krijgsman, dat men niets ver-
;) I Cor. 11. 9.
65
liest, maar integendeel alles wint, als men zich plaatst in het leger van dien Koning der koningen, den God dei-legerscharenquot;.
âWelaan, ik wil dien Koning gaan dienen, strijden voor de uitbreiding van Zijn koninkrijk, strijden voor de handhaving van Zijne macht. Hem wijd ik alles, wat ik heb en ben, mijn bloed, ja zelfs mijn laatsten ademtocht!quot; riep de edele strijder Porphyrns uit.
âDe Hemel zij gedankt!quot; zeide nu de Bruid des Konings, hare oogen omhoog slaande naar het Rijk van den Bruidegom harer ziel. âEdele strijder, uw bereidvaardig offer wordt aangenomen. Uw marteldood wordt voorbereid en weldra zult gij den eeuwig groenenden zegepalm behalen, om te midden van de triomfeerende strijders Gods gelauwerd, voor eeuwig te heerschen in het hemelsch koninkrijkquot;.
Porphyrus brak nu dit heilig onderhoud af, door te zeggen tot de keizerin: âLaten we vertrekken. Als wij langer hier verbleven, zou er achterdocht kunnen gewekt worden. Laten we terugkeeren naar het paleis en bereiden wij ons voor tot den strijd, die aanstaande is. Toeven we hier niet langer, anders zouden de gevangenbewaarders ook nog gevaar kunnen loopen van verraden te wordenquot;.
âWelaan dan, wij gaan vertrekken. Heldhaftige Jonkvrouw, uitverkoren Maagd, wil gij voor Faustia, echtge-noote van keizer Maximinus, biddenquot;.
âAan uw verzoek geef ik volgaarne gehoor. Vaarwel, o keizerin; vaarwel, krijgsman! In den hemel zullen wij elkander weerzien. Denkt er steeds aan: na den strijd volgt de zegepraal, na een kortstondig lijden eene eeuwige glorie!quot;
Nauwelijks waren de bezoekers uit den kerker van Catharina getreden, pas was de deur der gevangenis
II Cath. 1. 5
66
weer gesloten en gegrendeld met de zware ijzeren grendels, of Catharina, die zich aanstonds op de knieën had geworpen, om in een vurig gebed God te bedanken en nieuwe genaden af te ^meeken, werd eensklaps bestraald door een oogverblindend licht. Wederom was de gouden Hemelpoort ontsloten, wederom ontstroomde een oceaan van licht aan het hemelsch Jeruzalem. Wederom daalden legioenen van Engelen, klapwiekend met hunne gouden vleugelen, tot Catharina, de uitgelezen Bruid des Konings, neer om de komst van den eeuwigen Bruidegom harer ziel aan te kondigen. En inderdaad, daar nadert de hemelsche Bruidegom, Jesus Christus, omstuwd door een legerheir van Engelen; zóó onvergelijkelijk schoon heeft Catharina haren hemelschen Bruidegom nog nimmer mogen aanschouwen!
O zoete verschijning van Jesus Christus, vertroostende verschijning in de smarten des levens, in den kerker des lijdens! Gij zijt als een verkwikkende balsem, neer-druppelend in fel geslagen, bloedige wonden, leniging en heeling brengend. Gij zijt als de lachende zon, met vriendelijke stralen de aarde beschijnend na een donkeren nacht van stormen en, onweersvlagen.
De Bruidegom zeide tot Zijne welbeminde Bruid: âHeb goeden moed, wil niet vreezen. Ik blijf bij u met mijne allesvermogende kracht. De folterpijnen en kwellingen van dit leven kunnen u niet schaden. Echter is uw laatste uur nog niet geslagen. Vele zielen moeten eerst nog, door uw lijden, door uw heldhaftig voorbeeld, gewonnen worden voor mijne goddelijke leer, en mijn verheven naam, die boven alle namen is, belijden. Kog zwaarder en drukkender beproevingen wachten u, maar des te heerlijker zal eenmaal uwe glorie zijn. Blijf volharden, onwrikbaar volharden; blijf hopen en vertrouwen; âIk heb de wereld overwonnen!quot; Nog drie dagen van
strijd, en gij zult gelauwerd worden. Nog drie dagen van lijden, en gij zult voor eeuwig in mijne omhelzing eindeloos geluk, eindelooze vreugde smakenquot;.
Het hemelsche visioen verdween en Catharina gevoelde zich gestaald voor den harden strijd, die haar wachtte; want als God met haar is, wie zal dan iets tegen haar vermogen!
VIII.
Nieuwe bekeerlingen.
Tegen middernacht was keizerin Faustia in het paleis teruggekeerd. Zij was geheel onder den indruk van het verheven schouwspel, dat zij in den kerker had bijgewoond, en zonder ophouden overdacht en overpeinsde zij de woorden, door de verhevene Jonkvrouw Catharina tot haar gesproken. Vooral het heldhaftig besluit van den onversaagden krijgsman had haar ziele aangegrepen; en alhoewel nog weifelend, voelde zij zich als door eene geheimzinnige kracht tot den godsdienst van de koninklijke Jonkvrouwe aangedreven.
Geheel dien nacht bracht zij slapeloos door. Het was haar, alsof zij telkens eene geheimnisvolle, zoete stem vernam, die zeide: âVolg het verheven, edelmoedig voorbeeld van uwen leidsman Porphyrus. Keer u af van de valsche goden, die u zoo menigmaal hebben bedrogen, en omhels de leer, die Catharina belijdt en bezegeld heeft met haar bloed, bij de onmenschelijke geeseling vergoten; want een godsdienst, die een zwakke, teedere maagd tot zulk eene heldin vormt, moet noodzakelijk de ware godsdienst zijn; een godsdienst, waarvoor men blijmoedigèn kerkerstraffen èn bovenmatige folterpijnen verduurt, kan onmogelijk een bedriegelijke en valsche godsdienst wezen!
Porphyrus daarentegen, reeds met hart en ziel aan het christendom gehecht, gevoelde zich overgelukkig met
68
zijne gedane keus. Vol ijver om ook anderen in zijn hooge bevoorrechting te doen deelen, als een moedig en onverschrokken Apostel voor Jesus Christus en Diens kruis, stelde hij zijne manschappen, die onder zijn bevel den tocht naar den kerker hadden meegemaakt, in kennis met het onuitsprekelijk geluk, waarin zijne ziele juichte; hij verhaalde hun, hoe hij in den kerker van Catharina, de christen maagd, gewonnen was voor der christenen godsdienst en door het aannemen van dat geloof, hetwelk reeds zoovele helden en heldinnen had voortgebracht, den volmaakten vrede des harten gevonden had. Hij verhaalde van het wonderbare licht, dat de edele Jonkvrouw bestraalde in den donkeren kerker, en dat hij met eigen oogen had aanschouwd. Hij getuigde openlijk, dat hij ook bereid was in kerker en dood te gaan voor de leer van het Kruis en dat hij bij den terugkeer van den keizer in de stad Alesandrië, zonder een oogenblik te aarzelen, in 's keizers tegenwoordigheid zou belijden: âIk veracht de goden des rijks, ik treed den afgodendienst met voeten, ik ben christen en roem in niets anders dan in Jesus Christus en Zijn kruis!quot;
Toen zeide één der tweehonderd soldaten: âGij zult u alsdan blootstellen aan de ongetemde woede des keizers, ongetwijfeld zal hij u willen folteren en martelen, gelijk hij reeds zoovele christenen gedaan heeft. Maar wij zweren het: we zullen niet gedoogen, dat een enkel haar van uw hoofd gekrenkt wordequot;.
âIk stel uwe innige verknochtheid aan mij, uw bevelhebber, op hoogen prijs, o dappere krijgersquot;, hervatte Porphyrus. âMaar ik smeek u: wilt mijn leven niet verdedigen tegen den keizer, die inderdaad volgens den wil van God ons aller opperheer is. Laat mij sterven, zonder uw zwaard tegen den keizer te keeren. Te sterven voor het geloof der christenen is voor mij de hoogste zege-
69
praal! Maar zoudt gij den moed niet hebben om uwen bevelhebber te volgen in zijn geloof, in de belijdenis van de verhevene Kruisleer?quot;
Als begeesterd door eene bovennatuurlijke kracht, riepen allen, tweehonderd krijgers, in koor uit: âWij volgen u, tot in den dood!quot;
âMaar dit kunt gij enkel en alleen, door christen te worden.quot;
âWij zijn christenen, wij omhelzen het geloof van den Christus, wij zijn bereid met u in kerker en dood te gaan!quot;
Zoo was dan de uitgelezen keurbende; van den Christus, het uitgelezen keurleger, dat strijdt onder de glorievolle kruisbanier, opeens met tweehonderd onversaagde strijders vermeerderd. O, met welk een welgevallig oog zal de eeuwige Koning, Jesus Christus, neergezien hebben op deze tweehonderd dappere helden, die, alle doodsgevaar verachtend, zich schaarden in Zijne legerrangen ! De oogen van hun bevelhebber Porphyrus werden gevuld met tranen: het waren tranen van blijdschap, tranen van hemelzoeten troost, tranen van onbeschrijfelijk geluk!
âWelaan, mijne dappere strijdbroeders, gij zult mij aan uwe legerspits zien ook in het felste lijden, gelijk gij mij steeds vooraan zaagt op het slagveld. Volgt mij getrouw en vol moed, zooals weleer. Een geweldige strijd wacht ons ontwijfelbaar zeker, maar gedenkt steeds: enkele oogenblikken van lichamelijk lijden bezorgen ons eene geheele eeuwigheid van onuitsprekelijk geluk. Keert thans naar de u toegewezen wachtposten terng en bewaart het stiptste stilzwijgen over hetgeen dezen nacht is geschied.quot;
Daar gaan ze, tweehonderd in getal, plotseling van heidenen in christenen omgeschapen. God zal hen beschermen en versterken, hun moed instorten, onwankel-
70
baren moed om voor Hem te strijden en te kampen, niet voor eene vergankelijke, maar voor eene onvergankelijke kroon.
IX.
Bloedige folteringen.
Den volgenden dag keerde keizer Maximinns in de stad Alexandrië terug. Eén zijner eerste vragen was naar den toestand van de gekerkerde Jonkvrouwe Catba-rina, die sinds twaalf dagen in het vunzige kerkerhol had gesmacht, zonder dat haar ingevolge bet keizerliik bevel eenig voedsel of drinken door de gevangenbewaarders verschaft werd. Maximinus meende alzoo, dat Catharina, die wegens het bloedverlies, door de ruwe geeseling veroorzaakt, toch reeds erg verzwakt moest zijn, thans ongetwijfeld uiterst krachteloos en uitgeput zou wezen.
Toen men den keizer op zijne gestelde vraag ten antwoord gaf, dat de jeugdige Maagd volstrekt geene blijken van zwakheid en uitputting vertoonde, kon Maximinus dit onmogelijk gelooven. Met eigen oog wilde hij zich van den toestand van Catharina overtuigen en gelastte derhalve, de gepurperde Jonkvrouwe voor hem te brengen.
Aan het keizerliik bevel werd gehoor gegeven. Onmiddellijk werd Catharina uit de gevangenis gehaald en naar het keizerlijk paleis gevoerd. En nu aanschouwde Maximinus met eigen oogen de gepurperde Bruid van Jesus Christus, even schoon, even stralend in den heerlijken glans van maagdelijke frischheid, als weleer, toen zij nog niet geleden had onder de dreunende slagen van eene onmenschelijke geeseling, toen zij nog niet gezucht had in een akeligen, vunzigen kerker.
Gramschap grijpt keizer Maximinus aan. Hij vermoedt.
71
dat de gevangenbewaarders, tijdens zijne afwezigheid, zijn streng verbod overtreden hebben en wellicht uit deernis de jeugdige christen Maagd spijze en dranK verschaft hebben. Het regent nu scheldwoorden en beschimpingen en bedreigingen op de gevangenbewaarders.
Maar de edele Catharina gedoogde niet, dat hare bewaarders' onrechtvaardig werden beleedigd en verguisd eu bedreigd. Zonder een oogenblik te aarzelen, zeide zij tot den geweldenaar Maximinus: âKeizer, wil niet toornen tegen deze mannen, die volgens uwe bevelen gehandeld en onberispelijk hun plicht gedaan hebben. Zij hebben mij niet het minste voedsel, geen enkelen druppel water verschaft. Maar mijn hemelsche Bruidegom heeft voor mij gezorgd; en uw spotternij is alzoo werkelijkheid geworden. Zoolang ik in den kerker vertoefde, heeft eene blanke duive mij eiken dag door het kleine celraam de dadel der woestijn en vruchten van den olijfboom gebracht om mij daarmede te voeden en mijn dorst te lesschen.quot;
Verbaasd en ontzet aanhoorde Maximinus deze woorden van de edele Jonkvrouw. Zou zijn steenen hart nu nog niet vermurwd worden? Zou hij nu nog niet geraakt en getroffen worden door de almacht van der christenen God? Maar ach! wonderwerken hebben geen vat op een door hartstocht en vooroordeel verblind gemoed. Getuige hiervoor is koning Pharaö in de grijze oudheid, ten tijde van Mozes; â getuigen hiervoor zijn zoovele verblinde, waanwijze godloochenaars in onze dagen, die voor de klaarblijkelijkste en schitterendste wonderwerken hunne oogen sluiten en niet zien willen.
Nogmaals poogde Maximinus de edele, trouwe Bruid des eeuwigen Konings tot ontrouw over te halen. Nogmaals trachtte hij, door smeekingen, Catharina tot schandelijke verzaking van haren godsdienst, waarvoor zij
72
reeds zooveel verduurd en onderstaan had, te verleiden. âAch, jeugdig, onbezonnen kind, wil niet langer den dwazen godsdienst der christenen aanhangen. Verzaak die verachtelijke kruisleer, offer aan de goden des rijks, en gij kunt plaats nemen aan mijne zijde op een vorstentroon, om te heerschen!quot;
Doch Catharina bleef bij haar eenmaal genomen besluit, hetwelk vast en onwrikbaar was als eene rots. Zij wilde den gezworen eed van onkreukbare trouw aan den uitverkoren Bruidegom harer ziel, aan den eeuwigen Koning, Jesus Christus, niet schenden en verbreken. Voor Hem wilde zij leven, voor Hem sterven, zelfs den wreedsten marteldood. Niets kon haar scheiden van de liefde van Christus!
Eén van de keizerlijke hovelingen zeide tot keizer Maximinus, dat hij op die wijze nimmer zou slagen in zijne onderneming, om de halsstarrige christinne van haar geloof afvallig te maken en voor de goden des rijks te winnen. Hij raadde den keizer aan, zoo deze Catharina wilde overmeesteren, zijne toevlucht te nemen tot de wreedaardigste foltertuigen en deze helsche machinen voor het oog van Catharina te laten werken. Hij twijfelde er niet aan, of dan zou de jeugdige Maagd ten laatste wel toegeven.
Door deze voorstelling van den keizerlijken hoveling tot nadenken gebracht, liet Maximinus de standvastige ^ Maagd andermaal naar hare gevangenis voeren. Vervolgens overlegde de keizer met den hoveling, welk werktuig zij zouden uitkiezen, om Catharina voor hun verachtelijk plan te winnen, ken kwam overeen, dat het een zwaar en ontzaglijk groot werktuig moest zijn, hetwelk bij het gezicht alleen schrik en ontzetting inboezemde, en dat, wanneer het in beweging werd gesteld, oorverdoovend gedruisch maakte. Men koos als zoodanig
73
uit een werktuig, waaraan vier wielen, twee ter rechter-en twee ter linker-zijde, moesten bevestigd worden. Die wielen moesten beslagen worden met scherpe punten. Tusschen die vier wielen zou eene plaats opengelaten worden, waarop de veroordeelde rechtop kon staan, maar, als het helsche werktuig in beweging zou gebracht worden, onfeilbaar zeker een gruwzamen marteldood moest vinden.
Reeds tevoren verheugde Maximinus zich in zijn denk-beeldigen triomf. Wanneer Catharina dit foltertuig zal zien werken, dan zal zij ongetwijfeld wel voor goed genezen zijn van haren christen waanzin; â âdoch zoo niet, blijft zij halsstarrig volharden in haar eenmaal genomen besluit, voorwaar! ik zal haar laten verbrijzelen en verpletteren tusschen de raderen van dit moordend werktuig, zoo waar ik keizer Maximinus ben! Dit zweer ik bij alle goden des rijks!quot; Dus brulde Maximinus met purperrood gelaat.
Met groote snelheid werd het bedoelde werktuig vervaardigd en na verloop van enkele dagen was de helsche machine, door den haat alleen uitgedacht, geheel en al gereed.
Andermaal werd Catharina uit hare gevangenis gehaald, om wederom te verschijnen voor den wulpschen geweldenaar, keizer Maximinus.
âWelnu, zijt gij thans bereid aan mijne bevelen te gehoorzamen, namelijk der christenen godsdienst te verzaken en aan de goden des rijks te offeren?quot;
âIk verklaar al uwe goden voor eerloos, o keizer, en ik belijd den Christus als den eenig waren God! Nimmer wil ik mijn Bruidegom ontrouw wordenquot;, klonk het heldhaftig antwoord uit den mond der koninklijke Jonk-vrouwe Catharina.
âVoor deze godslasterlijke, hoonenende woorden, zult
74
gij deerlijk moeten boeten!quot; roept keizer Maximinus toornig uit.
âWelaan, uw wil geschiedequot;, klonk het zacht van de lippen der christen maagd.
iSTu voerde men de maagdelijke Catharina bij een vensterraam, hetwelk uitzicht verleende op een reusachtig groot plein, alwaar een groote menigte van beulen geschaard stond rondom een vreemdsoortig werktuig â niets anders dan het foltertuig, dat wij zoo aanstonds beschreven hebben â met groot gedruisch en lawaai in beweging gebracht. Met bliksemsnelle, oogverblindende wieling draaien de raderen in het rond. Wee dengene, die tusschen die raderen terecht komt: hij is een kind des doods, zijne ledematen worden verpletterd en verbrijzeld, naar de vier windstreken verstrooid! Schrikwekkend gezicht, dat zelfs de meest onverschrokken harten met angst en ontzetting en afgrijzen moet vervullen !
Inderdaad, Catharina huiverde en beefde, als zij het helsche foltertuig in werking zag. Dit ontging dentyran niet, hij juichte reeds in zijn binnenste over de vermeende zegepraal. Vol moed en blijdschap zeide hij tot Catharina: âZie, damp;ar tusschen die vier raderwielen kan uw lichaam verpletterd en verscheurd worden. Blijft gij bij uw halsstarrig besluit, dan zult gij die straf ondergaan en moeten ondervinden, wat het zeggen wil, den toorn van de goden des rijks te trotseeren! Alzoo, wilt gij nu aan de goden offeren en uwen verachtelijken godsdienst verzaken ?quot;
Doch Catharina antwoordde onverschrokken als steeds: âWat aarzelt en toeft gij toch, o keizer? Al uw dralen is nuttelooze tijdsverspilling. Reeds herhaalde malen heb ik u gezegd en verklaar dit nogmaals: Trouw, onkreukbare trouw heb ik mijn God en Bruidegom gezworen,
75
niets kan mij scheiden van de liefde van Christus! Ga dus gerust uw gang, talm niet langer met uwe folteringenquot;.
Maar dit verlangde dekeizer nu juist niet. Het was nietquot; zoozeer zijn wensch, Catharina dood te martelen en te verpletteren, als wel haar over te halen tot geloofsafval, opdat hij haar vervolgens naast zich op een heerschers-troon zou kunnen plaatsen als zijne gemalin. Hierom gaf hij het nog niet op. Nogmaals wendde hij de meest verlokkende beloften, de meest verleidende en vleiende woorden aan, om zijn vurig verlangd doeleinde te bereiken. Ja zelfs, hij spaarde zijn smeekingen daarvoor niet! Maar onwrikbaar, als een hechte rots van graniet,
bleef Catharina bij haar eens genomen besluit: liever sterven, liever duizendmaal sterven dan haren eed van trouw te schenden, ontrouw te worden aan haren God, aan haren hemelschen Bruidegom, aan haar geloof en godsdienst.
Maximinus liet de onversaagde geloofsheldinne naar buiten voeren op het onmetelijk plein, waar hethelsche foltertuig geplaatst was. Hij liet haar tusschen de rader-wielen vastbinden: één wenk, en het marteltuig zou in beweging worden gebracht en de jeugdige Maagd verbrijzeld, verpletterd worden tusschen de vernielende raderen! Eene laatste, eene uiterste poging nu gewaagd ! Nu zal zij toch zeker wel toegeven, nu haar godsdienst wel verzaken, nu terugkeeren tot de goden des rijks. Zoo meent ten minste de keizer. IJdele hoop, ij dele verwachting! Onschokbaar is Catharina's heldenmoed. Zij vreest den gruwzaamsten en smartelijksten martaiA ⢠dood niet, want Christus is haar het leven, en stei^n gewin. Hare eindelooze liefde veracht den dood£jamp;ant die dood â zy weet het â brengt haar tot eeö^ efeuwjge ^ \ zegepraal, de zegepraal bij God in de innige, oiphelzing '
van den onsterfelijken Bruidegom harer 'ziel.
0V' /
vV'
76
Nu kent de woede, de razernij van Maximinus geen grenzen meer. Nu is zijn geduld ten laatste geheel uitgeput. Nu zal zijne woede triomfeeren en de halsstarrige christinne verpletteren. Hij geeft het teeken aan de beulen, en roept, schier waanzinnig van verkropte spijt: âDat de eerlooze sterve!quot;
Onverwijld brengen de beulen het helsche marteltuig in beweging, de raderen beginnen te draaien, zij gaan de teere ledematen van de schoone Jonkvrouwe verbrijzelen en verpletterd naar de vier windstreken verstrooien; maar neen!.....Ziet! een Engel des hemels, gewapend met de kracht Gods, is uit het hoogste der hemelen neergedaald op aarde, en de boeien der edele Martelaresse verbrekend, verbrijzelt hij tevens de vernielende raderen en werpt de stukken in ontelbare menigte overal in 't ronde weg, zoodat vele toeschouwers, die op het plein stonden geschaard, door de spaanders worden getroffen, verscheidene hunner worden gedood, nog veel meer worden gewond. En Catharina, de uitverkoren Bruid des Konings, onverlet en ongedeerd staat zij bij al dit oorverdoovend geraas, gekleed in haar lang, sneeuwblank gewaad; zij is omstraald van een lichtenden straalkrans, zij houdt de handen hemelwaarts geheven.
En uit de verslagen menigte der heidenen gaat één kreet van verbazing op, een kreet, dien de lucht doet weergalmen met veeltongige echo: âHoe groot en hoe machtig is de God der christenen!quot; â En vele toeschou-wers bekeerden zich tot den eenig waren God en verklaarden geen anderen God te willen dienen dan den God der koninklijke Jonkvrouwe Catharina.
Op die stonde trad keizerin Eaustia nader tot haren gemaal, keizer Maximinus. Zij noodigde hem een wijle ter zijde en sprak tot hem: âWil deze Jonkvrouw niet langer gevangen houden. Schenk haar genade en laat
BWWBWlWttiailiUï
77
haar vrij. Gij ziet het: geen enkele foltering kan baar deren. Waarom trotseert gij nog langer de onbegrensde almacht van haren en mijnen God?quot;
âHoe zegt gij?quot; riep Maximinns, bleek van ontzetting en gramschap, uit. âHoe zegt gij; uwen God ? Behoort gij zelfs tot die verachtelijke, vervloekte bende van verraders? Welnu, voor het oog van de gansche wereld wil ik toonen, dat niemand straffeloos mij verraadt. Soldaten, voert die slavinne weg. Keizerin is zij niet meer. Zij is vervallen verklaard van den troon. In haar bloed moet zij de schandvlek afwasschen, welke zij op den keizerlijken troon geworpen heeft.quot;
Wreedaardig was de marteling, welke keizerin Faustia door haren gemaal werd aangedaan. Het verfoeilijk monster van bloeddorstige wreedheid vierde zijne opgezweepte razernij bot aan zijne eigene echtgenoote op eene wijze, welke de pen weigert te beschrijven. Hare waardigheid als vrouw en moeder werd op de onmen-schelijkste en meest onnatuurlijke wijze beleedigd en gekrenkt. Het vleesch werd haar van het lichaam gescheurd ten aanschouwen van den gevoelloozen tyran zeiven, en toen zij wreedaardig genoeg was gefolterd en gemarteld, sprak de onmeedoogende geweldenaar zelf het doodvonnis over zijne eigen echtgenoote uit.
Maar zonder vreeze. zonder terug te deinzen vernam Faustia baar laatste vonnis. Met een zoeten glimlach op het gelaat toog zij naar het schavot. Voortdurend stelde zij vertrouwen in de groote macht van haren God, welke zij nog pas op zóó schitterende wijze had zien uitschitteren bij het verbrijzelen van de raderen; en op haren lijdensweg Catharina voorbijgaande, riep zij haar met hemelsche blijdschap toe: âO, uitverkoren Bruid van Jesus Christus, bid voor mij !quot;
En de laatste woorden, welke Faustia hier op aarde
WilUté.tfcWfUÃBi
1
78
van de smettelooze lippen der edele Jonkvrouwe opving, waren: âBlijf moedig volharden. Weldra zult gij v'oor alle eeuwigheid heerschen in het Koninkrijk van den Christus.quot;
Na weinige oogenblikken viel het hoofd van Faustia onder het scherpe, bloedig zwaard van den beul; haar koninklijk bloed drenkte den grond van het heidensche Alexandrië, maar hare gelouterde ziel, gelouterd in de brandende smarten van den wreedsten marteldood, nam hare vlucht regelrecht ten hemel, alwaar zij, gelauwerd met den eeuwig-groenenden zegepalm, eene glorievolle plaats inneemt in de dichte rijen van Martelaren, die den Koning der Martelaren omstuwen, stralend in eeuwig purper.
X.
Martelpalmen.
Terwijl keizerin Faustia door de beulen ter strafplaats werd gevoerd, om het uitgesproken doodvonnis te ondergaan, greep er ten aanschouwen van den hardvoch-tigen en gevoelloozen dwingeland Maximinus een tooneel plaats, hetwelk aanvankelijk hem met vreeze en ontsteltenis, vervolgens met woedende razernij vervulde. Toen Forphyrus namelijk zijne vorstinne, die hij naaiden kerker van Catharina had vergezeld, alwaar zij met hem den onwaardeerbaren schat des christelijken geloofs had ontvangen, naar hare strafplaats zag sleuren om den doodelijken slag te gevoelen en de eeuwig schitterende kroon der Martelaren, den eeuwig groenenden zegepalm te behalen, aarzelde hij niet langer den rechterstoel van keizer Maximinus te naderen en openlijk te verklaren, dat hij Christen was en bereid kerkerstraffen en den wreedsten marteldood voor het Kruisgeloof te ondergaan. De tweehonderd soldaten van het eerste keizerlijk legioen.
M0W£aW8(IU»£»SHilWHlK(tn
79
die Porphyrus, bun hoofdman, gevolgd waren in zijne bekeering, volgden hem nu ook onverschrokken naar 's keizers rechterstoel.
Porphyrus nam het woord en zeide: âKeizer, ziehier wederom andere slachtoffers. Trouw hebben wij u gediend, ons leven voor u gewaagd op verschillende slagvelden, voor u de grootste ongemakken en gevaren verduurd en doorworsteld. Maar den troon, waarvoor wij dit alles hebben doorstaan, hebt gij onteerd door uw bloeddorstige wreedheid. Slechts één gunst verzoeken wij op deze stonde van u, o keizer, slechts één gunst: dat ons bloed met het bloed der keizerin vergoten worde, dat ons bloed met het bloed der edele maagd Catharina moge stroomen. Want weet het wel, o keizer: Porphyrus en deze tweehonderd zijner soldaten belijden den Christus, evenals zij; in het Kruis stellen wij onzen roem; niets kan ons scheiden van de liefde van Christusquot;.
En in koor bevestigden de strijdbroeders van Porphyrus, tweehonderd in getal, de geloofsbelijdenis van hun dapperen aanvoerder, en het daverde door de lucht: âJa, wij zijn Christen!quot;
Verbazing en ontsteltenis, geduchte angst en vreeze maakten zich meester van den dwingeland, keizer Maximums. Zijn meestgeliefde veldheer was dan ook tot die verachtelijke kruisleer overgegaan, en met hem tweehonderd strijders van zijn keurbende. Verschrikkelijke gebeurtenis! Maximinus begreep, dat zijn eigen leven hier grootelilks gevaar liep. Hij wist, hoezeer de aanvoerder van het eerste legioen, Porphyrus, om strijd bemind en hooggeacht werd door alle soldaten van die legerafdeeling. Slechts één wenk van dien veelgeliefden aanvoerder was er noodig. en zijne soldaten zouden het zwaard, het moordend staal Maximinus zeiven in het hart drijven. Dit begreep Maximinus maar al te wel.
80
En daarom riep hij in zijne verachtelijke lafheid uit: âHelaas, ik ben verloren. Mijn leven loopt gevaar: het wordt bedreigd door mijne eigen soldaten!quot;
Haar Porphyrus hernam: âVan ons, christenen, hebt gij, o keizer, niets te vreezen voor uw leven. Wij, christenen, wij laten ons wel vermoorden, maar zeiven vermoorden wij niet. Blijf leven, om te boeten voor uwe ten hemel schreiende misdaden en euvelen!quot;
Bij deze woorden, die zijn hooghartigen trots wel eenigszins krenkten, maar hem met nieuwen moed vervulden, zeide keizer Maximinus: âMaar waarom toch, dappere soldaten van mijn legioen, waarom veracht en beleedigt gij de goden des rijks op zoo grievende wijze?quot;
Porphyrus nam het woord en verklaarde ten aanhooren en in den naam van alle zijne christen wapenbroeders: âWaarom, vraagt gij ? Omdat die goden valsche, bedrie-gelijke, machtelooze goden zijn. Slechts één ware God bestaat er. 't Is de almachtige God, dien de christenen aanbidden en belijden, 't is de God van de edele Jonkvrouw Catharina! Hoe kunt gij nog langer verblind zijn, terwijl het helderste licht uwe eigen oogen heeft getroffen? Hoe verklaart gij dan toch het grootsche wonder, hetwelk zooeven zichtbaar en onloochenbaar het marteltuig uiteen wierp en verbrijzelde en verpletterde?quot;
âZwijg stil,quot; bulderde de keizer. âWie zijt gij, dat gij van uwen keizer rekenschap en verantwoording durft vorderen ?quot;
Maximinus sidderde van verbolgenheid; maar eensklaps bedacht hij zich. Wèl had hij niets te vreezen van de tweehonderd soldaten van het eerste legioen, die tot het christendom waren overgegaan; maar zulks kon allerminst gezegd worden van de andere, die onder Porphyrus' bevel stonden. Alzoo, het kon best gebeuren, dat, zoo de andere soldaten van Porphyrus vernamen.
81
wat er met hunne strijdmakkers voorviel, zij voor hen partij zouden trekken en den keizer in 't ongelijk zouden stellen. Hierom besloot Maximinus spoedig te handelen, alvorens de storm zou losbreken. Hi] veroordeelde de onverschrokken geloofshelden, met Porphyrus aan het hoofd, ter dood.
Het was op den 24en November, dat het uitgesproken doodvonnis over deze tweehonderd geloofshelden werd volvoerd. De Hemel telde tweehonderd gepurperde Martelaren meer en hier op aarde was al wederom een vruchtbaar zaad uitgestrooid, waaruit nieuwe Christenen zouden te voorschijn treden.
Doch wanneer zou de beurt zijn aan de edele Jonkvrouw Catharina? Reeds zoovelen zijn haar voorgegaan in de eeuwige woontenten van het hemelsch Jerusalem; reeds zoovelen hebben vóór haar den eeuwigen zegepalm der Martelaren geplukt, hunne kleederen gewasschen in het bloed van het Lam, zijn gekroond met eene onvergankelijke kroon. En zij, de Bruid van Jeruzalem's Koning, zij die zoo vurig verlangde ontbonden te worden en met Christus, den Bruidegom harer ziele, te zijn, zij verwijlt nog in het aardsche stof.
Maar niet langen tijd meer zal het verblijf van Catharina in het tranendal dezer wereld duren. Daags nadat Porphyrus met zijne gezellen den doodelijken slag ontvangen hadden, werd de edele, koninklijke Jonkvrouw Catharina andermaal voor den rechterstoel van keizer Maximinus gebracht. Nogmaals poogde de geweldenaar de teedere Bruid des Heeren deels door bedreigingen, deels door vleiende beloften af te brengen van haren hemel-schen Bruidegom. Doch alle deze pogingen leden andermaal schipbreuk. De liefde van Catharina jegens haren Welbeminde kan niet worden uitgedoofd, zelfs niet verminderd. Wat de bloedige geeseling, wat de kerkerstraffen,
II Cath. 1. 6
82
wat het gezicht van de martelingen en folterpijnen, zoo-velen edelen Bloedgetuigen des Heeren aangedaan, niet konden uitwerken, dat vermocht het uitspreken van het doodvonnis evenmin. Catharina vernam met hemelsche blijdschap, die haar edel, fijngevormd gelaat met een glimlach bestraalde, ten langen laatste het vonnis, dat zij buiten de stad moest worden gevoerd, om daAr door het zwaard te worden gedood.
De kreet heeft weerklonken: Zie, uw Bruidegom komt, ga Hem tegemoet! De winter is nu voorbij, de slagregen heeft opgehouden en is verdwenen; sta op, o welbeminde Bruid des Konings, sta op en kom, want gij zult gekroond worden! ^
Begeleid door de aanzienlijkste vrouwen van de stad Alexandrië, aanvaardt de edelste Maagd van geheel den omtrek haren laatsten tocht, een lijdenstocht, neen! een echten glorievollen triumftocht. Ziet! de smarten des doods omgeven haar gelaat niet, hemelsche vreugde ligt op de gelaatstrekken van de koninklijke Jonkvrouwe uitgespreid. Zij gaat niet, neen! zij vliegt, als een dorstig hert, dat verlangt naar de frissche waterbron, naar de strafplaats, haar Golgotha, waar de laatste strijd moet gestreden om voor eeuwig met haren Bruidegom veree-nigd en gekroond te worden.
Als de moedige Jonkvrouw op de eigenlijke strafplaats is aangekomen, vraagt zij aan de beulen, die haar den doodelijken slag moeten toebrengen, eenige oogenblikken te willen toeven, opdat zij zich tot den dood kan voorbereiden. Aan haar vriendelijk verzoek wordt gevolg gegeven, Catharina knielt neder op den harden grond en met ten hemel uitgestrekte en opgeheven handen, spreekt zij op hartroerende wijze een vurig gebed tot
') Vgl. Matth. XXV. 6. - Hooglied, 11. 11. 13.
83
den Bruidegom barer ziel, iu wiens innige omhelzing zij weldra voor eeuwig zal rusten.
âO Jesus Christus, eeuwige Bruidegom mijner ziel, mijn Koning en Opperheer, ik bedank u uit den grond mijns harten, dat Gij mijne schreden geleid hebt langs den koninklijken weg van het Kruis, over de doornen des lijdens. Ik bedank u uit den grond mijns harten, dat Gij mij de kracht geschonken hebt en den moed om onverschrokken tot dusverre Uwen Naam, gezegend in al'e eeuwigheid, te belijden en daarvoor geeseling en folterpijnen, kerkerstraffen en honger en dorst te verduren. Maar ik smeek U allervurigst: versterk mij in dezen laatsten strijd. Strek uwe handen, zoo wreedaardig doorwond en doorboord op het kruishout met scherpe spijkernagels, zegenend over uwe dienaresse uit, opdat ik den moed, den onwrikbaren moed bezitte, mijn laatsten druppel bloed te vergieten voor de belijdenis van Uwen grooten Naam, gelijk Gij Uw laatsten bloeddruppel gestort hebt voor mijne eeuwige zaligheid. Schenk mij vergiffenis, o Heer, van de fouten en misdaden, welke ik uit onwetendheid tegen Uwe goddelijke Majesteit heb misdreven. Moge mijn bloed, hetwelk zoo aanstonds voor U gaat vloeien, mijne zonden en ongerechtigheden uitwisschen. Eén gunst vooral, o Heer, één bijzondere gunst smeek ik met aandrang des harten van Uwe onbegrensde almacht af, en die gunst is: dat mijn lichaam, verscheurd door het lijden en ontzield door den slag des doods, verborgen blijve voor de oogen van hen, die daarnaar zoeken. â En dan, Heer, werp een blik van mededoogen op het volk, dat mij hier omringt. Laat het hemelsche licht Uwer genade met heldere stralen voor de oogen van dat volk schijnen, opdat zij allen Uwen Naam belijden en lofzingen in alle eeuwigheid.quot;
84
Na dit gebed, het laatste gebed van de onverschrokken en nederige Martelaresse, wenkt Catharina de beulen en zij zegt kalm en bedaard tot den man, die het strafvonnis moet volvoeren: âWelaan, doe uwen plicht; volbreng des keizers last.quot;
Zelfs de steenen harten der hardvochtige beulen schenen vermurwd bij het hooren van zulke heldentaai, in den mond van eene jeugdige, zwakke Maagd. Niettemin het vonnis werd voltrokken. De doodelijke slag van het moordend zwaard viel neer op den teederen hals van de jeugdige Maagd en Martelaresse Catharina; de sneeuwwitte lelie werd weggemaaid en gerukt van haren stengel, maar niet om te verwelken, te verflensen, neen! Zij werd overgeplant in de geurige lustwarande, waar geen stormwind loeit, waar geen bedorven dampkring haar dreigt te ontluisteren; maar waar zij bloeien en geuren zal voor eeuwig, in de geurige lusthoven van het eeuwige Sion.
De overlevering verhaalt, dat God ten bewijze voor de smettelooze reinheid van Catharina, wiens naam immers beteekent âde immer zuiverequot;, in plaats van bloed, melk uit hare aderen liet vloeien, toen de doode-lijke slag haar hoofd van het maagdelijk lichaam gescheiden had. Nog een ander wonder vergezelde den glorievollen marteldood van de H. Catharina, een wonder, dat de H. Kerk vermeldt in het feestgebed ter eere van de H. Maagd en Martelaresse Catharina. De Engelen Gods daalden neder uit den hemel en namen het heilig lichaam van de H. Catharina vol eerbied van den grond en voerden het weg naar de kruin van den berg Sinaï. Telken jare op den 25en November, den feestdag van Catharina, waarop zij, de uitverkoren Bruid en gelauwerde Martelaresse van Jesus Christus ter eeuwige bruiloftszaal is opgegaan, bidt de H. Kerk: âO God, die aan
85
Moses Uwe wet gegeven hebt op de kruin van den berg Sinaï, en terzelfder plaatse door Uwe heilige Engelen het lichaam van Uwe heilige Maagd en Martelaresse Catharina op wonderbare wijze hebt geplaatst; verleen, bidden wij, dat wij door hare verdiensten en tusschen-komst den Berg, die Christus is, mogen bereiken.quot;
Ter plaatse, waar het stoffelijk omhulsel van de H. Bloedgetuige Catharina door Engelen-handen werd begraven, is in later jaren op den Sinaï-berg een klooster gebouwd, welks bewoners dezen kostbaren schat met alle nauwgezetheid bewaarden en bewaakten. Zooals de overlevering verhaalt, kwamen telken jare op den 25en November â feestdag van de H. Catharina â vele scharen van vogels olijftakken neerleggen op het wonderbare, door Engelen-handen gedolven graf der verheerlijkte Martelaresse, en deze olijftakken voorzagen de kloosterlingen, het geheele jaar door, van olie. â Dezelfde overlevering verhaalt, dat uit dit graf en ook uit de beenderen, daar neergelegd, een soort van olie druipt, die, opgevangen door godvreezende pelgrims, de meest wondervolle genezingen heeft uitgewerkt.
Zoo dan, hemelsche Jonkvrouwe, uitverkorene Bruid des eeuwigen Konings, heilige Maagd en Martelaresse Catharina, hebt gij den goeden strijd gestreden. Als gelauwerde heldinne des geloofs, wuivend met den eeuwig-groenenden zegepalm, gekroond met eene onverwelkelijke glorie-kroon, gehuld in lange kleederen, die gewasschenzijn in het bloed van het Lam, staat Gij triomfeerend voor ons oog. Maar ons dunkt, uit het hoogste der hemelen, waar Gij voor eeuwig het zegelied der Martelaren juicht, roept Gij ons, aardsche ballingen, toe: âWeest mijne navolgers, gelijk ik het van Christus benquot; âDit is de overwinning, die de wereld overwint, ons geloofquot; 2).
O I. Cor. IV. 10. - 2) I. Joann. V. 4.
86
Laatste woord.
Aan het einde onzer taak gekomen, willen wij in 't kort eene opwekking, eene aansporing doen tot het navolgen van de groote geloofsheldinne, van de onbezweken, maagdelijke Bloedgetuige Catharina, die in het begin van de vierde eeuw der christelijke jaartelling, onder damp; tyrannieke regeering van keizer Maximinus, te Alesan-drië den marteldood onderging voor ons dierbaar, heilig geloof. Want, voorwaar! het is niet genoeg de groote daden, de stichtende levensgeschiedenis van Gods lieve Heiligen te lezen, ten einde aan eene zekere, zij het dan ook eenigszins prijzenswaardige, nieuwsgierigheid voldoening en bevrediging te scherken; â neen! hooger moet het doelwit zijn, hetwelk wij met die godvruchtige lezing beoogen en nastreven. Wij moeten namelijk met de beschouwing van die bewonderenswaardige heldendaden, met de lezing van die aangrijpende, waarlijk zielroerende levensgeschiedenissen ons als eerste en voor-naamsto doel voor oogen stellen, om nuttige lessen voor ons eigen leven op te doen, lessen van ware levenswijsheid, waardoor wij aangeprikkeld en aangespoord worden om die bewonderenswaardige heldendaden, zij het dan ook van verre, na te volgen; ons eigen leven in te richten, voor zoover dit mogelijk is, volgens het leven van die uitverkoren en verheerlijkte Heiligen Gods, onze broeders en zusters in het geloof, die menschen waren zooals wij, eveneens van nature zwak en ten kwade geneigd, maar die alles vermochten in God, die hen versterkte. Want ook wij, wij allen, zijn eveneens geroepen tot de heiligheid. âHaec est voluntas Dei, sanctificatio vestraquot;: âDit is de wil van God, uwe heiligmaking,quot; 1) zegt de Apostel Paulus.
') I. Thess. IV. 3.
87
En welke zijn nu de meest in 't oog loopende, de meest uitschitterende eigenschappen, die het leven van Catha-rina, Maagd en Martelarese, vooral hebben gesierd ? Welke zijn de keurdeugden â zoo zouden wij ze willen noemen â die als uitgelezen paarlen van het zuiverste water de gloriekroon omschitteren van de reine Jonkvrouwe en gepurperde Bloedgetuige Catharina?
Allereerst', een groot geloof. Een onwrikbaar geloof; een geloof, dat bergen verzet heeft; een geloof, dat wonderen heeft uitgewerkt van bekeering. Door haar onwrikbaar geloof zijn ontelbaar velen voor de Katholieke leer, voor het geheim des Kruises gewonnen. Door haar onwrikbaar geloof is Faustia, de gemalin van keizer Maximinus, van de duisternissen des heidendoms overgebracht tot het stralende licht van het Evangelie en heeft zij niet geschroomd, de pas bekeerde keizerin, alle foltering en lijden, zelfs den wreedaardigsten marteldood te ondergaan ter bezegeling van de ware leer, welke zij door tusschen-komst van de H. Catharina in al hare grootheid en in geheel hare echtheid had leeren kennen.
Door het onwrikbaar geloof van de H. Catharina is Porphyrus, de edele krijgsoverste, met tweehonderd zijner dappere strijdbroeders, eveneens van het heidendom, waarin zij waren opgevoed, waarin zij heel hun leven lang hadden geleefd, tot het Christendom, tot de leer van het Kruis bekeerd. Als onversaagde strijders hebben zij zich rondom de banier van den Christus, de banier des Kruises, geschaard en in het aangezicht zelfs van den bloedigsten marteldood niet geaarzeld den Kaam van Jesus Christus te belijden, als om strijd het onwrikbare geloof van de H. Catharina, door wier heldhaftig voorbeeld zij dien onwaardeerbaren schat des geloofs hadden ontvangen, nastrevend en navolgend.
En wie weet, hoevele anderen, wier namen door de
88
geschiedenis niet zijn geboekstaafd, door het onwrikbare geloof van de uitverkoren Bruid des Konings het leven der genade, in het aannemen en omhelzen van de heilig-makende leer van Jesus Christus, ontvangen hebben! Wie weet, hoe ontelbaar velen uit het vergoten bloed van de edele Martelaresse Catharina, dat haar onwrikbaar geloof in de leer van het geheim des Kruises heeft bezegeld, als uit een vruchtbaar zaad zijn ontkiemd en opgeschoten tot waarachtige en getrouwe Christenen! Want âhet bloed der Martelaren is der Christenen zaadquot;, heeft Tertulliaan zoo terecht verklaard.
Hoe heerlijk schitterend heeft het geloof van de H. Catharina uitgeblonken in haar leven! âDe rechtvaardige leeft uit het geloofquot; Hoe treffend zijn deze woorden van den grooten Apostel Paulus bewaarheid geworden in de edele, reine Jonkvrouw Catharina, die wij als eene heilige Maagd en Martelaresse op onze gewijde altaren vereeren en huldigen en aanroepen! Toen de genade Gods hare edele ziel eenmaal had bedauwd, toen het schitterend licht van den Vader des lichts eenmaal haar hoog verstand had bestraald, toen de levende en vrucht-baarheidwekkende wateren des eeuwigen levens haar eenmaal hadden besproeid, toen zij eenmaal den kostbaarsten schat ter wereld, het nimmer genoeg te waar-deeren kleinood van het ware geloof had gevonden; â o, toen was niets of niemand in staat haar van dat geloof af te brengen. Hecht en vast als een onwankelbare muur, ja als een rots van ondoordringbaar diamant, stond haar onwrikbaar geloof. Geen aardsche grootheid, geen aardsche roem, geen wereldsche ijdelheid was bij machte haar, ook niet in het minste zelfs, af te leiden van haar geloof. En bloedige vervolging, smartelijk lijden, onmen-schelijke geeselstriemen, langdurige kerkerstraffen, het
âJustus tx fide vivitquot;. Hebr. X. 38.
89
moordend staal, wat hebben zij vermocht tegen de diamanten rots van Catharina's onschokbaar geloof? O, we weten het reeds uit hare levensschets, dat alles, hoe geweldig ook, was niet in staat haar te brengen, zelfs niet tot de minste verzaking van de goddelijke leer, die zij geheel vrijwillig had omhelsd en met geheel haar ziel en verstand aanhing.
Hoe staat het echter met ons ten opzichte van het geloof? Is ook ons geloof vast en onwrikbaar als eene rots? Zijn ook wij bereid, met hart en ziel bereid, om offers te brengen voor de bevestiging van ons geloof?
Gemakkelijk is het, deze vragen bevestigend te beantwoorden. Maar woorden alleen zijn niet voldoende ; op daden vooral komt het aan! Van ons nu wordt waarschijnlijk nimmer gevorderd, dat wij ons bloed zullen vergieten voor de belijdenis en de bezegeling van ons geloof; ook niet, dat wij gefolterd en gepijnigd worden door geeselstriemen en marteltuigen. Maar wilt ge weten, waaraan wij, wij allen, zoo goed als zeker zullen worden blootgesteld, tijdens ons sterfelijk leven, om wille van het geloof, dat wij belijden? Wilt ge weten, wat wij allen onfeilbaar zeker, vooral in onze dagen van ongeloof, zullen hebben te verduren om wille van de leer des kruises? Spotternij, vuige scherts, verongelijking.
Ongetwijfeld hebben wij dit reeds ondervonden. Welnu, hoe is ons gedrag, wanneer onze persoon om wille van ons geloof wordt verongelijkt, gegriefd door beleedigende woorden, door vuige spotternijen en zoo meer? Blijven wij desniettegenstaande onwankelbaar vasthouden aan hetgeen wij beloofd hebben voor God en de menschen te zullen belijden, alle dagen van ons leven, tot onzen laatsten ademtocht toe ? Of gevoelen wij eenige schaamte voor het belijden van het Evangelie, van het Kruis, indien ons hierom spotternij en verongelijking ten deel
90
valt? Indien dit het geval is, â wat God verhoede! â hoe zullen wij dan bereid kunnen zijn, inderdaad en in waarheid bereid kunnen zijn om ter wille van ons geloof in kerker en dood te gaan, zooals de H. Catharina op zoo schitterende wijze heeft getoond?
T'weeclens heeft in de H. Catharina uitgeblonken eene groote liefde. Eene liefde brandde in haar tot den uitverkoren Bruidegom baars harten, tot Jesus Christus, eene liefde, die door niets ter wereld kon worden uitge-bluscht. âNiets kon haar scheiden van de liefde Gods, die is in Christus Jesus onzen Heer.quot;
Wat de H. Catharina voor de heldhaftige betuiging van haar groot geloof heeft verduurd en getrotseerd, dat alles verdroeg zij met geduld, met gelatenheid en blijmoedig, juist omdat zij beminde, juist omdat het blakende vuur der liefde tot Jesus Christus, den welbeminden Bruidegom baars harten, in hare ziele gloeide. De liefde is bereid om offers te brengen; de liefde is bereid om te lijden voor het voorwerp dat zij bemint; de liefde is geduldig; de liefde alleen werkt wonderen van heldendeugd, wonderen van den grootsten heldenmoed.
Het was de liefde tot Jesus Christus, die de H. Catharina aanspoorde om vaarwel te zeggen aan haar koninklijk rijksgebied, afstand te doen van haren vorstentroon. Het was de liefde tot den Bruidegom baars harten, welke de H. Catharina voerde tot het eenzame en verstorven leven, dat zij in Alexandrië heeft geleid, in de wereld, maar niet voor, niet met de wereld. Het was de liefde tot den Welbeminde barer ziel, die de H. Catharina de edelmoedige liefde tot den evennaaste deed beoefenen, welke wij zoozeer in hare levensgeschiedenis hebben bewonderd: de liefde voornamelijk jegens de dienaren van haar hof, welke zij niet wilde wegzenden, hoewel zij hen niet meer noodig had; en ook de onbe-
grensde liefde jegens de armen, in wie zij de ledematen, de broeders en zusters van haren hemelschen Bruidegom zag, en aan wie zij met volle hand hare overvloedige schatten, waarvan zij zelve niets wilde gebruiken, uitdeelde en wegschonk. Het was de liefde tot Jesus Christus, die de H. Catharina zoozeer deed ijveren voor de zaligheid der zielen; die aan hare verbazingwekkende geleerdheid en wijsheid eene kracht schonk, welke niet van deze aarde is, eene goddelijke kracht om de wijsheid dezer wereld â welke zoo vaak in waanwijsheid ontaardt â te beschamen en de dragers dier wereldsche wijsheid heen te voeren tot God, den Geest en de Bron van de waarachtige wijsheid, waarvan de vreeze Gods hef beginsel is Het was de liefde tot God, en als noodzakelijk gevolg de liefde tot den naaste, die de H. Catharina zulke bemoedigende taal ingaf, waarmede zij pas-bekeerde christenen tot reuzen van heldenmoed, ia het belijden van den Christus, omschiep, zoodat dezen ouder gejuich en gejubel, met zoeten glimlach op het gelaat, den wreedaardigsten en gruwzaamsten marteldood voor de belijdenis van hun geloof tegemoet gingen.
Eindelijk, het was de liefde tot God, die de H. Catharina staalde en hardde voor den geweldigen strijd, dien zij heeft moeten strijden, niet alleen tegen een vijand, die het op 't leven haars lichaams had gemunt, maar tegen een geweldenaar, die het aanlegde op het leven harer ziel, op het leven der genade. Wat het einde, het glorievol einde is geweest, waar de zegepraal is behaald en door wie, en hoe: we hebben het gezien, we zijn er getuigen van geweest. Maar uit alles en boven alles uit, klinkt de machtige kreet, de kreet der liefde : âNiets kan ons scheiden van de liefde Gods, die is in Christus Jesus onzen Heer!quot;
') Psalm CX. 10.
92
O, mochten wij toch iets hebben van de liefde, die in het hart van de H. Catharina heeft geblaakt! Eén vonk slechts, één sprank van dat gloeiende liefdevuur, en o! het aanschijn der aarde zal geheel veranderd worden. Gelijk de groote wet van het evenwicht het steunpunt is, waarop de geheele schepping berust, zóó is de groote wet der liefde het steunpunt, waarop de geestelijke en tijdelijke vereeniging der menschen â de Kerk en de Maatschappij â berusten moet. Richt uwe blikken omhoog ten hemel naar de zon, die den dag verlicht; naar de maan, die haar geheimzinnig licht in de diepten van den nacht werpt; naar de millioenen sterren, die volgens het bevel des eeuwigen Scheppers daar voorttrekken als een legerheir in slagorde. Wordt gij niet aangegrepen door verbazing over de wonderbare orde, welke in de planeten-wereld heerscht? Maar die wondervolle harmonie, waarin de christelijke ziel de oneindige macht en wijsheid van den Schepper aanbidt, is niets anders dan de wet van het evenwicht. En wat de wet van het evenwicht voor geheel de schepping is, dat is de wet der liefde voor de maatschappij.
Welnu, zou het evenwicht geschokt worden in de schepping, zou b. v. één enkele, zelfs de geringste planeet afwijken van den weg, door God haar voorgeschreven; zou één enkel hemellichaam afwijken van de plaats, door God daaraan toegewezen; â aanstonds zou er een geduchte verwarring ontstaan en de krachten der hemelen zouden geschokt worden.
Niet anders is het in de menschelijke samenleving. Ook daar is eene wondervolle harmonie, maar die be-heerscht moet worden door de wet der liefde. Wordt die groote wet miskend en veracht, hetzij ten opzichte van God, die bovenal moet worden bemind, hetzij ten opzichte van den evenmensch, die door ons bemind moet
93
worden, zooals wij ons zeiven beminnen; â o! eene geduchte verwarring dreigt uit te breken met teugellooze woede, gelijk helaas! in onzen tijd duidelijk is te zien en waar te nemen, in onzen tijd zóó arm aan geloof, zóó arm aan liefde tot God en als van zelf tot den even-mensch. Zal hierin geene verandering, geene verbetering kunnen gebracht worden? Ongetwijfeld: geloof en liefde, ziedaar twee onafwijsbare voorwaarden. Geloof, zoo vast en onwrikbaar als eene rots, gelijk wij in de H. Catharina hebben bewonderd. Liefde, zóó vurig en gloeiend als een verslindend vuur, gelijk in het hart van de H. Catharina èn voor God èn voor den evennaaste heeft gebiand.
Moge God, door de voorbede van de H. Catharina, deze twee hemelsche deugden in al hunne volheid neèr-zenden op het thans levend en volgend geslacht der menschen!
U, Catharina, ü, o engelreine Maagd,
Wier schoonheid leliebloem noch roos kon evenaren,
In wie de glans der deugd G-od 't meeste heeft behaagd, Een deugd, die toenam steeds bij 'tklimmen van de Jaren; IJ eedle Jonkvrouw, U bezingen w\] in 't lied, Dat stamelend ons hart, aan onze borst ontschiet.
De wijsheid Gods ontstroomt aan uwen Maagden-mond, Gij maakt beschaamd een heele schaar van aardsche wijzen.
Het licht der waarheid, door U, heiige Maagd, verkond, O! 'k zie dat stralend licht al hooger, hooger rijzen.
De dwaasheid van het Kruis, dat is de wijsheid Gods. Gij staat onwrikbaar vast, vast als een hechte rots.
quot;Wat schittert Uw geloof, als 't gouden zonnelicht
Door 't neevlig luchtgewaad, door al Uw levensdaden! De lichtzuil des geloofs. Gij volgt haar steeds zeer dicht, Al moet Gij treden ook op scherpe doornenpaden. Het felste lijdenswee, de felste lichaamssmart.
Verduurt Gij onversaagd en met gelaten hart.
94
De liefde voor Uw God en Bruigom van Uw hart, Fel blakend als een vuur, door niemand uit te dooven,
Versmaadt des dwinglands gunst, trotseert de felste smart. Niets kan de liefde tot Uw Welbeminde ontrooven.
Gij sneeft als teêre Bruid van Christus onzen Heer;
Maar o! wat luisterglans daalt op Uw schedel neer!
Een stralende aureool omkranst Uw maagdlijk hoofd; Een groene zegepalm, voor eeuwig, eeuwig bloeiend,
Siert Uwe Maagden-hand; en 'tpurper, U beloofd Door Uwen Bruidegom, het straalt en fonkelt, gloeiend Met hellen, rossen gloed om uwe ranke leen.
En 's Hemels lichtglans straalt door alles, alles heen.
O Catharina, Gij, des Kouings teêre Bruid,
Der heemlen wellust, maar de wellust ook der aarde,
O hemelsch pronkjuweel, dat boven alles uit Weerschittert als een schat van eindelooze waarde.
Wij smeeken U bij God: wees onzer zwakheid kracht, Bescherm ons immer door Uw groote wondermacht.
EINDE.
1 TV HO IT I gt;.
lil adz.
I. Eurste jeugd van Catharina.........1
II. De Bruid des Konings...........8
III. De onverschrokken geloofsheldin.......23
IV. Uitnoodiging tot den strijd.........35
V. Van strijd tot zegepraal..........39
VI. Catharina gepurperd door haar bloed .....48
VII. Catharina in den kerker..........58
VIII. Nieuwe bekeerlingen............67
IX. Bloedige folteringen............70
X. Martelpal men..............78
XI. Laatste woord..............86