â MBâSBââ-
â
ïfmM
Vak 99
ZONDAGMORGEN
TWA AT/F PREEK EK VOOR JONGENS EN MEISJES
/ sTilr
©
O/Jr o o/Jr o o
H/ ^
amp; jS?
©v©
«fW lt;?lt;? ?â
/*?
SM
ZONDAGMORGEN
Twaalf Preeken
VOOR
JONGENS EN MEISJES
DOOR
AMSTERDAM â C. L. G. VELDT 1898
De preeken, in dezen bundel vereenigd, werden door mij uitgesproken in godsdienstoefeningen voor jongelieden, georganiseerd door de afdeelingen van den Nederl. Protestanten Bond te Amsterdam, Arnhem, Den Haag, Schiedam, Utrecht, Zaandam en Zwolle. Later werden ze achtereenvolgens opgenomen in âVrij en Vroomquot;, maandblad voor de Zondagsscholen in Vrijzinnigen geest.
Deze bundel bevat dus slechts een herdruk, uitgenomen Engelenzang, een toespraak, die nog niet gedrukt werd in âVrij en Vroomquot;.
De hoop, dat deze preeken, bestemd voor 10- tot 16-jarigen, ook in vele huiskamers welkom zullen zijn, deed mij besluiten ze verzameld ter perse te zenden.
Amsterdam
J. F. D. MOSSEL
INHOUD
Bladz.
t. Vroege vroomheid........................1
II. Jozef.................17
III. Ruth.................35
IV. Christus, de kinderen zegenend.......51
V. De parel van groote waarde........(j!)
VI. Het dochtertje van Jaïrus.........91
VII. De wijze en de dwaze maagden.......105
VIII. De rijke jongeling............121
IX. Petrus................139
X. Nieuwjaar...............157
XI. Engelenzang..............171
XII. Ons Paaschl'eest.............185
Behoed uw hurt huuen al vat te bewaren is, want daaruit zijn de uityanym des lerens. Spreuken /1 ; v. 28.
VROEGE VROOMHEID
Jongens en Meisjes, als ik zoo eens onder u rondkijk zijn daar geen of weinig bekenden van mij onder u. Wij kennen elkaar ter nauwernood van aangezicht tot aangezicht. Gij komt hier misschien dikwijls, mogelijk wel geregeld om de 14 dagen, ik kom hier slechts een enkele maal, en daar wij niet in dezelfde stad wonen â hoe zou ik u kunnen kennen of gij mij ? En toch zijn wij elkander niet vreemd; daar is een band tusschen ons, die ons onzichtbaar verbindt. Of ge wat ouder zijt of wat jonger, of ge wat meer of minder knap zijt op school, of ge zijt uit gezinnen met veel broers en zusters of wel dat ge zijt een eenige zoon of dochter, of ge komt uit groote of uit kleine huizen, dat alles is hier niet de vraag, ge komt hier allen met hetzelfde doel, dat ook mij hierheen drijft en dat ons hier doet samenzijn als kinderen van éen groot gezin. Wij zijn hier als kinderen van God; ons verlangen is Hem te prijzen en te danken, te vragen om
2
Zijn zegen, te bidden, dat Hij ons kracht geve tot het doen van datgene, wat Hij van zijn goede kinderen vraagt. Wij mogen elkaar dan betrekkelijk vreemd zijn, hierin voelen wij ons aan elkander verbonden, hierin zijn we éen.
Ziet eens, het is hier niet een kerk; maar we houden hier kerk, zoogoed als groote mensehen in de kerken der Protestanten of der Katholieken of de synagoge der Joden of welke kerk of tempel of moskee ge maar zoudt willen noemen. En het doet er niet toe of daar zijn hooge zuilen, die een statig gebouw dragen, of een machtig orgel zijn tonen doet ruischen door hooge gewelven, of een spreker hoog staat op een preekstoel â of wel dat men samenkomt als wij op een plaats, die niet eigenlijk is een kerk, en een klein orgel ons zwak gezang begeleid en of ik hier sta, vlak voor u, niet op een deftigen kansel, â dat alles doet er niet toe, maar 't komt er op aan, wat we hier komen doen en hoe we hierheen zijn gekomen, met welke gevoelens en verlangens ons hart is vervuld.
Men kan overal, aan elke plaats zijn oogen opheffen naar den hemel. Van Jezus wordt ons gezegd, dat hij vaak in de eenzaamheid^ in de woestijn ging om te bidden en waar al niet sprak hij tot zijn vrienden van God? Overal heeft hij zijne gelijkenissen verteld, zijn heerlijke lessen gegeven, zijn vrome woorden gesproken. Soms was 't in een Joodsche kerk, soms op een schip of in het huis zijner vriendinnen, zooals bij Martha en Maria, maar meestal was 't in de open lucht onder den
3
blauwen hemel van Palestina en daar vergaderde hij om zich heen mannen en vrouwen en kinderen en hij sprak en zij luisterden en zo gingen rijker van hart terug dan ze gekomen waren. En de oudste Christenen, de eerste volgelingen van Jezus, kwamen samen in kelders en holen; zij werden vervolgd en konden niet rustig neerzitten om open en vrij te spreken van de dingen, die hun zoo dierbaar waren. Als ze betrapt werden op hun samenkomsten, werden ze gedood en zoo was het ook in de bange tijden van de hervorming; toen hielden onze voorvaders geheime samenkomsten, als op dieven en schelmen werd er op ze geloerd, maar ze kwamen toch samen, soms in huizen en schuren, kleine gezelschappen, en soms in 't veld bij duizenden, onder de hagepreeken, want ze wilden en moesten spreken van de dingen, waarvan hun hart vol was en ze wilden het doen op hun wijze.
Waarom ik nu hiermee begin? Wel ik wilde er op wijzen, dat er niet alleen tusschen u en mij een band bestaat, die ons tot broeders en zusters maakt, doch dat dit de heele wereld over en in alle tijden zoo geweest is. 't Menschenhart en 't kinderhart vraagt naar God en zoekt naar God en er is geen plaats en geen gelegenheid waar God niet te vinden is. De hooge hemel met zijn zon en zijn sterren spreekt van Gods grootheid en majesteit; de ernstige stem in ons geweten spreekt van zijn heiligheid, en in ons hart en in ons gemoed spreken duizend stemmen van zijn liefde, van zijn teederheid, van zijn trouw. Hij roept ons en Hij
4
gaf ons ooren om ziin stem te verstaan; Hij zoekt ons en Hij gaf ons oogen om Hem te zien; Hij heeft ons lief en Hij gaf ons een hart, dat Hem ook kan liefhebben.
Maar al is ieder menschenhart er op aangelegd God te zoeken en te vinden, daar zijn ook harten, die meenen 't wel buiten God te kunnen stellen en die zich afwenden van God. Die mensehen zijn daarom geen slechte, geen goddelooze menschen, al zijn ze ongodsdienstige men-schen, maar ze missen iets, dat hen minder gelukkig, minder rijk in zich zeiven maakt en in moeilijke dagen van leed en strijd en verzoeking, blijken ze vaak niet zoo sterk als zij, die wèl hun behoefte aan God volgden en Hem zochten op al hun wegen.
De sterkste, de beste, de uitnemendste menschen zochten God en zijn heil en in den bijbel niet alleen, maar in vele geschiedenissen wordt verteld van de vroomsten en reinsten onder de menschen-kinderen, dat ze God zochten van hun kinderjaren af aan. En dat is zoo heel natuurlijk. Er is een spreekwoord, dat zegt: het kind is de vader van den man, dat wil zeggen: in den man vinden wij terug wat er was in het kind. Geen bekwaam en ijverig man is er nog ooit opgegroeid uit een domme en luie knaap; geen handige, zorgvuldige, liefhebbende vrouw uit een onhandig, zorgeloos en harteloos meisje. En hoe zou 't dan mogelijk zijn, dat er een waar en oprecht mensch, man of vrouw, opgroeide uit een onoprecht en bedriegelijk, hoe zou 't kunnen gebeuren, dat er een vroom mensch werd uit een onverschillig kind?
5
Nu moet go niet raeenen, dat 't gemakkelijk is te zien aan een kind, wat er uit hem groeien zal. Wij zien van ieder mensch en van ieder kind alleen de oppervlakte, de buitenkant; wij hooren iemand spreken, wij zien iemand handelen, maar daarom kennen wij een mensch of een kind niet door en door. Er kan heel wat in hem omgaan^ goed en kwaad, waarvan we nooit iets bespeuren en zoo komt er vaak later iets voor den dag, dat we vroeger niet hebben vermoed. Maar dan was dat ongeziene toch aanwezig. Toen Jezus voor de eerste maal in Nazareth, waar hij als kind en jongeling gewoond had, predikte en de bewoners der st id vol verbazing naar hem geluisterd hadden, zeiden sommigen: is deze niet de zoon van den timmerman? De menschen waren verwonderd, zooveel nieuwe woorden van vroomheid en wijsheid te hooren komen van de lippen van een man, aan wien ze als kind nooit iets bizonders hadden gezien en dat was, droevig genoeg voor de stadgenooten van Jezus, een reden om hem te miskennen, zoodat de groote meester zeggen moest: een profeet is niet geëerd in zijn vaderstad. Van veel groote mannen â minder groot dan Jezus want bij hem is niemand te vergelijken â maar toch van veel groote mannen wordt verhaald, dat men in hun jeugd niets bizonders aan ze had ontdekt. Ja, van oen heel knap professor in ons land, dien ik maar niet noemen zal omdat hij nog leeft, werd voorspeld, toen hij een jongen was: die Piet zal aan zijn ouders nog veel zorg geven voor er een ordentelijk mensch uit
6
hem groeit. Wat moeten ze toch met hem beginnen? Op school voert hij niet veel uit en buiten schooltijd loopt hij altijd maar in 't wild. De menschen, die zoo spraken en die zijn ouders beklaagden om zoo'n bengel van een jongen, wisten niet, dat Piet, die niet veel hart had voor de spelling en wien 't niet schelen kon of een stoel mannelijk ot vrouwelijk is, heel veel oog had voor de bloemen aan de slootkant en heel veel hart voor de kleine insecten in het water en dat hij al zijn tijd besteedde met 't nagaan van de groei- en bloeiwijze der planten en van 't leven der insecten. Viel hi]' eens in de sloot als hij zich te ver gewaagd had en kwam hij met een nat pak thuis, dan schudden de buren hun hoofden, omdat hij zijn moeder zooveel last en angst bezorgde, en voorspelden, dat er van zoo'n wildzang niet veel groeien zou; â maar ze vergisten zich schromelijk, want er zat een professor in Piet, maar die zat zoo verborgen, dat ze 't nog niet zien konden. En zoo zal 't gegaan zijn met menig kind, waaruit later iets bizonders is gegroeid.
Ik bedoelde dan ook niet, dat men aan een jongen of een meisje reeds moet kunnen zien wat ze later zullen worden; dit bedoel ik: wat ze later zullen worden dat moet reeds in ze zijn van kind af aan; gezien of niet gezien, het moet er in zijn of 't kan er niet uitkomen. In de rozeknop zit, hoe dicht ook toegevouwen, altijd een roos en nooit een lelie; uit een eikel groeit nooit een beukeboom op, en zoo zeker als dat waar is, zoo zeker is 't ook waar, dat het kind de vader is van den man.
7
Nu kunnen de rozeknop en de eikel er niets aan sturen, hoe ze zich ontkiemen, hoe ze zich ontplooien zullen. God geeft zijn zon en zijn regen en de roos en de eikel groeien er in, onbewust; maar een kind, dat een kind van God is en een andere taak te vervullen heeft dan de mooiste bloem en de krachtigste boom, hij kan zijn hart stellen op zijn wegen, hij kan met Gods zegen worden oen heerlijk mensch, een werkstuk van den heiligen geest. En of hij dit worden zal, ziet dit hangt voor oen groot deel af van zijn jeugd, daartoe is noodig vroege vroomheid.
O, denkt toch niet dat dit onnatuurlijk is, dat jong en vroom, dat vroolijk en godvreezend niet bij elkaar zouden passen. Dat wordt wel eens gedacht en 't wordt wel eens gezegd, maar 't is niet waar en zelfs die 't zeggen en die spotten durven met vroege vroomheid, die meenen 't niet, en ze weten wel dat ze verkeerd doen.
Als ge bloemzaad in uw tuin hebt gezaaid en ge rukt de plantjes uit als ze pas boven den grond komen, zullen ze u geen bloemen geven; geloof in God en eerbied voor God beginnen .net kleine, teere plantjes te zijn, die God zelf gezaaid heett in uw hart, maar ze moeten begoten worden en gekweekt en dan zullen ze groot en sterk worden en mooie bloemen dragen en vruchten geven op heur tijd. Maar als ge ze verwaarloost en uitrukt, zal er niets van worden.
Niemand van ons is er verbaasd over of vindt 't belachelijk, dat Samuël, de groote richter van Israël,
â â
8
nog een kind zijnde, luisterde naar de stem van zijn geweten.
Wij kennen allen het verhaal van den twaalfjarigen Jezus in den tempel. Hij was met zijn ouders naar Jeruzalem gegaan ter gelegenheid van het Paaschfeest, en toen zijn familie terug zou keeren naar Nazareth was hij zoek. Eindelijk vond men hem terug in don tempel en op de vraag zijner moeder: kind, waarom hebt ge ons zoo in onrust gelaten, uw vader en ik hebben u met smart gezocht, antwoordde hij: waar hebt go mij anders kunnen zoeken, moeder, dan in het huis mijns Vaders?
En in den 2en brief aan Timotheüs_, een geschrift uit den bijbel, dat gi] nog niet kent en waarvan ge ook nog niet veel zoudt begrijpen, staat, dat Timotheüs de heilige schrift kende van kind af aan. En uit dien brief blijkt dat Timotheüs was een vroom en goed man, een steun voor de eerste Christenen in den moeilijken tijd der vervolging. Van de jeugd van dezen Timotheüs wordt niets anders verteld. Maar nu weten wij iets, nu weten wij veel van hem. Hij kende de heilige schrift van kind af aan; zijn vrome moeder en grootmoeder â zoo staat er â hadden hem die leeren kennen. Hij kende dus van kind af aan die heerlijke boeken, die meer dan eenig boek spreken van God en zijn heiligen wil, van God en zijn liefde en heel zijn leven was hij er diep van vervuld.
Zoo dan Samuël, die goed en eerbiedwaardig was, zoo Timotheüs, die een kloek en eerlijk strijder was
9
voor al wat liefelijk is en welluidt, zoo Jezus, die de grootste van allen is, zoo zij waren vrome kinderen, zoudt ge dan niet meenen, dat een vroom kind te zijn liet hoogste cn het beste is, waarnaar ge kunt streven? Een vrome jongen, of een vroom meisje, dat is niet een brave Hendrik zijn of een vervelende Lijs, maar dat is zijn wat een kind moet zijn om een recht vroo-lijk en gelukkig kind van God te kunnen wezen, dat is zijn een echt kind, cn een echt kind is als Jezus, die zich noemde een zoon des menschen, d. i. een mensch zooals hij van nature is en behoort te zijn.
Een vroom kind, dat is een kind met een zacht en teer gemoed, met een lijn geweten, met een vasten, fleren wil, te goed om kwaad te doen en kwaad te denken, dat is een kind, dat voor alles vraagt: hoe wilt gij, goede God, dat ik zijn zal en die dan Gods wil doet zonder te vragen of 't moeielijk is om te volbrengen of wat anderen er van zeggen.
Om zulk een vroom kind te zijn en te blijven daartoe behoort moed., heldenmoed; bijna zooveel moed als die van de eerste Christenen.
Vroom zijn, dat is innerlijk vol zijn van liefde en eerbied voor God, dat is met gedachten en woorden en daden Hem dienen, doen wat Hij van ons vraagt en die vroomheid zou heldenmoed eischen?
10
Ik zeide straks, dat de eerste Christenen samen kwamen in kelders en holen en dat ze gedood werden als ze op hun bijeenkomsten werden betrapt. Die tijd is voorbij en zal nooit weer terug komen in een beschaafd, christelijk land. Zooveel is de wereld nu vooruitgegaan sinds de martelaars stierven voor hun geloof, dat ter wille van het geloof' de menschen niet meer vervolgd worden; maar al leven wij in een anderen tijd, ook onze tijd heeft zijn moeilijkheden en gevaren voor vrome menschen. En een dier moeilijkheden is, dat 't soms gebeurt, ja dikwijls gebeurt, dat menschen en kinderen bespot en uitgelachen worden om hun vroomheid. Misschien kunt ge daar wel van meepraten uit eigen ondervinding.
Niet dat naar de kerk of naar de zondagsschool gaan op zich zelf vroom is; wie er heen gezonden wordt en gaat zonder opgewektheid en lust, die is niet vroom. Ook kan men zeer innig vroom zijn zonder ooit in de kerk te komen en zonder ooit van de zondagsschool te hebben gehoord. Ook is vroomheid niet iets voor den Zondag alléén maar voor de geheele week, dat begreep Paulus, de groote apostel, zoo goed, dat hij den rustdag wel wilde afschaffen, opdat de menschen niet zouden denkon, dat vroom zijn alleen zondags werk is â maar toch de Zondag en de kerk en de zondagsschool kunnen ons helpen, zooals ook de bijbel ons helpen kan, zooals het voorbeeld van anderen ons helpen kan, vooral het voorbeeld van Jezus.
Maar wie nu gaarne naar de kerk gaat en't heerlijk
11
vindt om uit den bijbel te hooren vertellen, wie den Zondag als de heerlijkste dag beschouwt en hem niet gebruiken wil als andere dagen, maar vooral wie er voor uit durft te komen, dat hij bidt, dien wordt 't dikwijls moeilijk gemaakt door de spotters, kleine en grooto spotters, die zeggen dat dit alles flauw en kinderachtig is en dat verstandige menschen en flinke jongens en meisjes daaraan niet meer doen. En dan is er heldenmoed noodig, heldenmoed voor opgeschoten .jongens en meisjes om zich niet te gaan schamen, heldenmoed haast zoo groot als die van de oude martelaars.
Van Polycarpus, een bisschop van Smyrna, wordt verhaald, dat zijn rechter tot hem zeide: als gij uw geloof wilt afzweren, zal ik u vrij laten, doch als gij dit niet wilt zult gij verbrand worden, en Polycarpus antwoordde: 86 jaren heb ik Chi'istus gediend en nooit heeft hij mij kwaad gedaan, hoe zou ik mijn meester nu kunnen verloochenen? En hij stierf op den brandstapel. En vele martelaars spraken zoo en deden zoo.
Wij komen niet op den brandstapel meer â maar wij kunnen worden uitgelachen en uitgelachen te worden is heel naar. Ik heb een meisje gekend, dat liever den heelen middag thuis bleef', dan uit te gaan met een jurk^ die wat te lang was en korter gemaakt zou worden. Ze was bang, dat alle menschen op haar zouden letten en om haar lachen zouden â daarom bleef' ze liever thuis. En onlangs verzekerde mij nog een jongen in ernst, dat hij niet rijden kon op een wiel, dat niet volgens 't laatste model was, want dan riepen
12
de straatjongens hem na. Als van zoo'n jongen of zoo'n meisje eens gevraagd werd iets te doen^ dat werkelijk in 't oogvallend en ongemeen was, wat zouden ze doen? Wel, ze zouden liever wegkruipen dan iets te doen, dat eenigszins de aandacht trok en aanleiding kon geven om hen uit te lachen. Uit zulke kinderen â als ze zich niet veranderen â groeien laffe menschen, die altijd vragen wat anderen zeggen en wat anderen doen. Maar precies zoo laf en zoo klein zijn zij, die zich schamen zouden om voor vroom te worden aangezien in een gezelschap waar men daar nu eenmaal mee spot, omdat men er niets van begrijpt, en wie daarom niet zou durven zeggen: God heeft mij lief en ik heb Hem lief, ik wil vragen naar zijn gebod en als ik gebeden heb voel ik mij sterker en gelukkiger; waarom zou ik mij schamen te zeggen en te toonen wat er omgaat in mijn hart; wie dat niet zou durven zeggen, wie uit vrees van uitgelachen te worden het beste in zich daarom terugdringt of op zij zet, die verliest nog meer dan een mooien middag of een prettig ridje â als 't meisje en de jongen van wie ik sprak â â die verliest de vroomheid van zijn hart en dat is het grootste verlies, dat een mensch of een kind kan lijden. De oude spreukendichter zeide reeds: Behoed uw hart boven alles wat te bewaren is, want daaruit zijn de uitgangen des levens. En Jezus zeide: Wat baat het een mensch, zoo hij de geheele wereld wint en hij lijdt schade aan zijn ziel.
Maar toch, 't is waar, soms is er heldenmoed toe
13
noodig om spotters te weerstaan. Hebt ge wel eens gehoord van den jongen soldaat, die in de kazerne evenals thuis knielde voor zijn krib en al zijn kameraden lachten en spotten om hem heen ? Hij schreef aan zijn moeder: ik zal voortaan maar liever bidden, als niemand het ziet, en zijn moeder antwoordde: dat kunt ge wel doen, maar ik zou toch liever willen, dat gij u schaamdet om laf te zijn tegenover God, dan dat je je schaamdet tegenover je kameraden. En de jonge soldaat hield vast aan zijn oude, vrome gewoonte en hij versloeg al de spotters om zich heen, want heel zijn gedrag was in overeenstemming met zijn eenvoudige, vrome daad. En er was ten slotte geen onder de soldaten voor wien men zooveel eerbied had als voor hem.
Wat dunkt u van zulk een heldenmoed? Zoudt ge geen lust krijgen om ook zulke helden te worden op uw manier? In onzen tijd zijn zij zoo noodig als de martelaars van vroeger. Of wilt ge liever uit valsche schaamte het mooiste plantje uit uw tuin, dat godsvrucht heet, uitrukken en wegwerpen! O neen, dat wilt ge niet!
Om het heerlijke leven, het echte leven van een kind van God te leiden, hebben wij, moedig en eenvoudig, te doen, wat God ons in 't hart geeft, dat wij doen zullen. Wij hebben met zachte hand de teere plantjes, die daar bloeien in ons gemoed, te begieten en op te binden; wij hebben met vrome en vroolijke oogen de spotters aan te zien en ons zoo te gedragen, dat zij
14
geen lust moer hebben om ons te vervolgen met hun laffe aardigheden â en als we zoo doen, dan is er geen heldenmoed meer noodig om pal te staan, want dan wordt ons leven zoo heerlijk, zoo rijk, zoo vrij, dat wij 't den spotters wel gunnen zicii met ons te vermaken.
Maar niet om niet wordt ons dit heerlijke, vrome leven geschonken; de martelaars gaven hun bloed om hun trouw te bewijzen aan God; wij hebben er al onze krachten voor in te spannen.
Jezus zeide: zoek en gij zult vinden, klop en u zal worden opengedaan, bid en u zal gegeven worden. Als wij 't aan de hand Jezus eens beproefden, met deze woorden in ons hoofd en in ons hart? Als wij eens naar huis gingen met dit heilig voornemen, met deze vaste belofte, met deze vrome bede: God, die groot zijt en die mij liefhebt, ik wil doen, wat Gij van mij wilt; ik wil trouw zijn aan de stem van mijn geweten, maak mij tot uw gelukkig kind? O, mijn beste jongens en meisjes, als men u weer eens spottend zeggen mocht, dat deze dingen dwaas zijn en kinderachtig, mocht dan het woord van den spotter op u afstuiten als op een stalen harnas en de wapenrusting, die gij draagt, zoo blank zijn en zoo schitterend, dat niet alleen de pijl van den spotter cr niet door heen dringt, doch dat de glans er van heerlijk wordt in de oogen van die hem zien, zoodat ook zij bewogen worden tot het aanleggen van de gansche wapenrusting Gods.
En Jozef zeide tut zijn hoeders: Ik hen Jozef! Leeft mijn vader nog? En zijne broeders konden hem niet anhrourden; want zij deinsden verschrikt van hem teruy. Doch Jozef zeide tot zijn broeders: Nadert mij toch. En toen zij yiaderden zeide hij: Ik ben urn broeder Jozef, dien (jij naar Egypte verkocht hebt. ;1 Faar veest niet hedroejd en laat het niet pijnlijk voor u zijn, dat ge mij hierheen verkocht hebt; want God heeft mij voor u uitgezonden als een levensredder.
Ook kuste hij al zijn broeders en weende, hen omhelzende.
Gen. : XLV v. 3â6 en 15a.
JOZEF
Een heel oud verhaal ga ik vertellen; oud, omdat't al voor drie duizend jaar aan de kinderen der Israëlieten verteld werd en oud ook voor u, want ge hebt 't zeker al dikwijls gehoord.
Nu een vertelling, die al drie duizend jaar geleefd heeft, is zeker waard nog langer te leven en het gebeurt wel eens, daf een oud verhaal weer nieuw wordt, omdat we 't met nieuwe oogen bekaken of met nieuwe ooren aanhooren. Dan zien we er iets aan of we hooren er iets in, dat we vroeger niet opmerkten.
Misschien is dit ook nu het geval.
De geschiedenis, die ik vertellen ga, is die van Jozef.
Jozef was op één na de jongste van twaaf broeders en 17 jaar oud als wij voor het eerst van hem hooren. Zijn vader â Jacob â had hem en zijn jongeren broeder Benjamin heel lief, meer dan zijn andere zonen. Hoe dit kwam? Wel zijn beide jongste kinderen waren
2
18
nog klein toen hun moeder, Rachel, stierf; zij hadden dus aanspraak op dubbele teederheid van hun vader. Daarenboven waren zij aanhankelijk van aard, meer dan de oudere broeders, die aan het zwerven met de kudden gewoon â zij waren herders â⢠zelden thuis waren.
Jozef had een vriendelijk, innemend gezicht; hij was vroolijk en had een levendige verbeelding en met zijn aardige verhalen dreef hij dikwijls de somberheid weg uit zijns vaders tent.
Maar wie veel zegt, zegt soms ook te veel en zoo vertelde Jozef wel eens de dwaasheden, die hij wist van zijn broeders. Daarom en om nog andere gebreken hielden de broeders niet van hem. Ook benijdden ze hem de groote liefde van hun vader ï ja, ze benijdden hem zelfs een mooi gekleurd kleed, een geschenk van Jacob, dat Jozef zich vol gratie om do schouders wist te werpen en waar hij maar al te graag mee pronkte.
Op een morgen â vroeg was het nog en de zon tintelde in duizend dauwdroppen â trad Jacob uit zijn tent te voorschijn en droog aan Jozef op zijn broeders te gaan bezoeken, die ver van huis zich bevonden.
âBreng hun mijn vaderlijken zegen en vraag naar hun welstand en naar den welstand van het vee,quot; sprak Jacob en aanstonds was Jozef bereid te gaan. Hij wierp zich den fraaien bonten rok om de slanke leden, spiegelde zich ter sluiks in een emmer zuiver water, kuste de hand van zijn vader ten afscheid en met
19
veerkrachtigen tred â âtriscli als de morgen van kracht zich bewustquot; â aanvaardde hij den tocht.
Waar dacht hij aan, toen hij zoo fier wegstapte en nog eens omzag om zijn vader toe te wuiven?â Zeker niet hieraan, dat er vele, vele jaren zouden verloopen, eer hij zijn vader weer zou zien, in een ver land, na veel lijden en heel bizondere lotgevallen.
Misschien dacht hij wel aan de laatste ontmoeting met zijn broeders, toen hij hun verteld had van zijn droomen. Ja, daaraan dacht hij en een spotzieke en hooghartige uitdrukking kwam er om zijn mond en in zijn oogen, toen hij bedacht hoe boos Ruben en Simeon en Juda en Isachar en al de anderen geworden waren, toen hij zijn droomen had verteld. Zouden ze nog boos zijn? Zouden ze de droomen nog weten? Zouden ze er aan hechten? â Ik droomde, ik droomde, dat wij schooven bonden op het veld en dat één schoot overeind rees, terwijl de andere schooven eerbiedig neervielen als slaven voor hun heer. Die ééne schoof was ik â de andere schooven waren mijn broeders. En ik droomde ook, dat er aan den hemel stonden zon en maan en sterren en zij gingen mij groetend voorbij; dat waren mijn vader, mijn zuster Dina en mijn broeders.
Vader was ook ontstemd, omdat ik dien laatsten droom vertelde; hij noemde mij toen hoogmoedig. Maar kon ik het helpen, dat ik zoo wondere droomen had en â waarom zou ik er van hebben gezwegen? Als mijn droomen vervuld zijn â als ik heer en
20
meester ben over allen, dan zal het pas heerlijk zijn te leven.
Met zulke gedachten ging Jozef in de richting, waar hij zijn broeders had te zoeken, soms fluitend als een vogel, dan huppelend als een veulen en dan weer een langzamen, statigen tred aannemend, zijn herdersstaf dragend als een schepter voor zich uit en met vorsteliike genade neerziende op de slaven, die hij in zijn verbeelding geknield zag liggen langs den weg. Uren ver ging hij â tot hij een man ontmoette, een knecht van Jacob, die te zeggen wist, waar de broeders zich bevonden en op diens aanwijzing richtte hii zijn schreden naar Dothan.
Daar lagen de broeders in het veld en zagen Jozef onverwachts opduiken van achter een heuvel. Hij was het! Geen twijfel! Zijn bonte rok was het herken-ningsteeken. Doch die bonte rok was het ook, die geen vriendelijke gedachten opwekte. âDaar komt onze droomer aan!quot; zei gemelijk Simeon. âZou hij ons weer komen vertellen van zijn droomen ? Wij voor hem buigen als slaven, voor hem â bijna de jongste â!quot;
En Simeon sprong op met gebalde vuisten en een boosaardig vuur blonk in zijn oogen. âLaten we hem doodslaan; â dan zullen we eens zien wat er van zijn droomen komt.quot; En ook de anderen sprongen op en uitten booze woorden.
Ruben vreesde den hartstocht van zijn broeders, maar was niet dapper genoeg om zijn gezag als oudste te doen gelden, al trachtte hij de broeders te bedaren. âHij is nog een kind en hij praat en hij doet als een
21
kind. En wat zou vader zeggen als hem eenig leed was overkomen? Hij is vaders lieveling.quot; Maar dit was olie in het vuur! Vaders lieveling, die nu al zooveel vóór had en die eens over hen allen zou heerschen,
â want de droomen hadden 't voorspeld en ze geloofden aan droomen.
^Doodslaanquot;, schreeuwde Simeon heftig en Ruben, in zijn angst voor Jozefs leven, verzon een list. âWe zullen hem in dien drogen put werpen, daar kan hij omkomen van honger en dorst. Dan hebben â wij hem
â toch â niet â vermoord â en â en â en vader âquot;
Met nog een flinken, vrooiiiken sprong was Jozef bij
zijn broeders, maar de zegen van Jacob bestierf hem op de lippen, want het fraaie kleed werd hem van het lijf gescheurd en daar lag hij in een diepen, drogen put en boven zich hoorde hij de woeste kreten van zijn broeders: âdroomer, meester droomer. Hoogmoed komt voor den val !quot;
Maar sterven zou hij toch niet in dien put. Een karavaan van Midianieten, op weg naar Egypte, ge-gebruikte bij de herders het middagmaal. Zij hoorden de. klachten van den armen Jozef, trokken hem uit den kuil en kochten hem van de haatdragende mannen voor 20 zilverlingen, dat is 34 gulden. Ruben was er niet bij geweest. De karavaan vertrok en toen Ruben kwam om zijn plan te volvoeren. Jozef uit den put te halen en naar huis te zenden, riep hij in wanhoop uit: âWaar berg ik mij? De jongen is weg! En vaderâ arme vader!quot;
22
Laffe Euben! klonk het nu in zijn hart, waarom den zwakken knaap ook niet heter in bescherming genomen? Waarom met de driftige broeders meegepraat en in schijn meegedaan? Wat nu?
Ja, wat nu? Aan Jacob de waarheid zeggen, â niemand durfde het te wagen. Laat ons zijn kleed met bloed besmeeren, dat naar vader zenden met de boodschap: â Is dit niet het kleed van Jozef? Een wild dier zal hem verscheurd hebben.quot; Zoo werd de eene zonde de moeder van een tweede zonde.
Een jongen, die niets van 't geval gezien had, werd naar Jacob gestuurd met het leugenverhaal van Jozefs vermoedelijken dood.
En Jacob kleedde zich in rouwgewaad en weigerde vertroost te worden door zijn kinderen.
Geen wonder. Noch Ruben, de lafaard, noch Simeon, de haatdragende, noch de anderen, die leugenaars waren, konden met echte liefde spreken van Jozef; daarenboven zij zagen den rouw van hun vader aan en durfden niet zeggen: wees getroost en hoop, uw zoon leeft.
Toch bleven de tranen van Jacob niet zonder invloed op zijn ruwe kinderen. Zooals een aanhoudende regen den aardbodem weekt en weldadiger is dan een vlaag van ha-gelsteenen, zoo weekten de tranen van Jacob de gemoederen der broeders, méér dan harde verwijten zouden hebben vermocht. Zij leerden inzien het afschuwelijke van hun daad en zij beproefden aan Benjamin goed te maken, wat zij aan Jozef hadden misdaan.
23
En Jozef? Ternauwernood was hij van den eersten ruwen aanval dor broeders bekomen, of hij bevond zich al op weg met de Midianieten naar Egypte. Een slaaf was hij geworden en slavenwerk zou hij hebben te verrichten in een vreemd land. De hooghartige jongen, â zoo vervuld van heerschzuchtige en ijdele gedachten, dat hij er zelfs 's nachts van droomde, â die de eerste dacht te worden in zijns vaders tent â was een slaaf. Woede tegen zijn broeders, wanhoop over zijn lot waren in zijn hart, doch toen hij 's nachts op de pleisterplaats der Midianieten, terwijl allen sliepen, de oogen opsloeg naar den sterrenhemel, die hem meewarig aanzag met duizend oogen, toen ontwaakte een levendig schuldbesef in zijn hart: Zoek niet de schuld bij anderen alléén. Waart ge niet hooghartig en overmoedig ? Hadt ge er geen plezier 'in de broeders te kwellen? Hebt ge de liefde van vader niet misbruikt? Bracht ijdelheid je niet ten val? En vader â vader was nu zijn eenige gedachte en zoo schreide hij zich in slaap.
En 's morgens, gewekt door zijn meesters, ging Jozef met gebogen hoofd achter hen aan en hij dacht aan den vorigen morgen, toen dezelfde zon hem bescheen en hoe het leven toen zoo heerlijk was en nu â. Arme jongen, wat zal er van hem worden?
Maar ge kent zijn geschiedenis immers wel? Gij weet dat hij onderkoning zal worden van Egypte, dat hij meer zal worden dan hij heeft gedroomd. Ja, eenmaal zullen de broeders komen en zich voor hem
24
buigen en zii zullen sidderen voor zijn toorn. Dan zal hij zich over het geleden onrecht kunnen wreken als hjj wil. Maar zal hij willen?
Toen Jozef in Egypte aankwam werd hij verkocht aan Potifar, een rijk man, wion hij goed diende en die een goed meester voor hem was. Na eenigen tijd stelde Potifar Jozef zelfs aan tot rentmeester over zijn goederen tot belooning voor zijn trouw en ijver. âGod deed zijn arbeid goed gelukken,quot; staat er van Jozef geschreven en dat zal een groote troost voor hem geweest zijn. Doch ondanks het goede, dat hij ondervond, was hij een slaaf. Hij kon niet doen wat, hij kon niet gaan waar hij wilde. En óók â nog nieuwe rampen en beproevingen zou hij hebben te verduren. Op zekeren dag werd Jozef in verzoeking gebracht om zijn meester te bedriegen, doch hij deed het niet. âZou ik zulk een groot kwaad doen en zondigen tegen God?quot; antwoordde hij ernstig op do stem der zonde, en toen voor het eerst, sedert hij in slavernij was, voelde hij zich een vrij man. Toen hij vrij was in zijns vaders huis was hij een slaaf van zijn ijdelheid en heersch-zucht geweest, toen hij een slaaf was in het huis van een vreemde, voelde hij, dat hij meester was van zich zelf. Een valsche beschuldiging bracht hem nu in de gevangenis, waar hij twee jaren doorbracht, die hem eindeloos lang toeschenen.
Ook in de gevangenis onderscheidde hij zich door goed gedrag en tot loon daarvoor mocht hij den cipier
25
helpen en twee hovelingen bedienen. Het waren de bakker en de schenker, die verdacht werden den koning te hebben willen vergiftigen. Eens droomden deze mannen van brood, dat de vogels hadden weggepikt en van wijn, dien de koning had opgedronken en Jozef legde de droomen uit, die bewaarheid werden ; de bakker werd opgehangen en de schenker werd in zijn vrijheid en eerepost hersteld. Bij het verlaten der gevangenis beloofde deze Jozefs voorspraak te zullen zijn bij Farao doch de ondankbare schenker vergat Jozef tot ook Farao eens heel bizonder droomde. De schenker herinnerde zich nu Jozefs schranderheid en liet hem uit de gevangenis halen. Jozef wist den koning goeden raad te geven en uit dankbaarheid daarvoor maakte Farao hem onderkoning van Egypte.
Een gouden ring en een gouden keten werden hom geschonken en bij zijn nieuwe waardigheid kreeg hij nu ook een nieuwen naam: Safenath-Paneah, levensonderhouder, zou Jozef voortaan genoemd worden. En dien naam verdiende hij wel. Hij deed groote schuren bouwen, waarin hij veel, onnoemelijk veel graan verzamelde in de jaren van goeden oogst om zoo voorraad te hebben in de slechte jaren, die komen zouden, zooals uit 's konings droomen was voorspeld.
En de slechte dagen bleven niet uit. Na zeven vruchtbare jaren kwamen zeven jaren van mislukten oogst en grooten tegenspoed en Jozef deelde graan uit onder het volk, dat behoeftig was enâop zekeren dag werden bij hem aangediend lOmannenuit Israël, die koren wenschten te koopen.
26
Daar stond Safenath-Paneah in zijn kostbaar met goud doorstikt gewaad, omringd van vele dienaren, de schepter ten teeken zijner waardigheid in de hand. De zware gordijnen van zijn audiëntiezaal werden ter zijde geschoven en 10 mannen traden binnen, die zich eerbiedig bogen voor den machtigen onderkoning. Zij waren niet oud doch ook niet jong meer. Hun haren begonnen reeds grijs te worden en op hun gezichten was het te zien. dat zij veel zorgen hadden. âWij zijn Hebreeuwsche mannen,quot; begon de woordvoerder, âen komen u, machtig heer, verzoeken ons een weinig koren te verkoopen, daar er honger heerscht in ons land. Onze vader Jacob heeft ons vol vertrouwen tot u gezonden,quot; Toen bogen zij zich op Oostersche wijze ter aarde en wachtten in die houding het antwoord af.
Daar lagen nu zijn 10 broeders gebogen voor hem. Zijn droom was vervuld. De broeders echter wisten niet voor wien zij geknield lagen, want zij hadden hem niet herkend en anders was het in het hart van Jozef dan in de dagen toen hij zijn droomen droomde. In plaats van een herdersstaf had hij een schepter in de hand, maar â en dit is grooter verschil â in plaats van de uitdagende, trotsche, overmoedige uitdrukking van vroeger waren er tranen in zijn oogen.
Ja, er waren tranen in de oogen van den machtigen onderkoning en een deemoedige stemming was er in zijn hart. Zijn droom was vervuld â maar nu schaamde hij
27
zich ovei- dien droom en zoo hij 't heerlijk vond te regeeren â het was, omdat zijn hooge plaats hem in staat stelde goed te doen. Xu was hij groot maar harde lessen waren het geweest, die hem geleerd hadden ivat groot zijn is.
Daar lagen zijn 10 broeders en hadden er geen vermoeden van wie daar voor hen stond. Jozef verborg zijn ontroering en door middel van een tolk â alsof' hij hun taal niet verstond â onderhield hij zich met de Hebreeuwsche mannen. Hoe jammer, dat hij niet dadelijk de inspraak van zijn hart volgde en uitriep: staat op_, ik ben uw broeder. Neen, hij meende hen eerst op de proef te moeten stellen, te moeten onderzoeken hoe het stond met hun liefde voor den ouden vader en voor Benjamin. Ge weet, hoe hij hen op de proef stelde ? Hij hield Simeon gevangen, terwijl hij de anderen, voorzien van graan, terugzond met bevel Benjamin te halen.
âGij zijt verspieders en komt zien waar het land zwak is,quot; liet hij den tolk zeggen.
âWij zijn eerlijke kooplieden, zonen van een eerlijken vaderquot; betuigde Euben.
âHebt gij nog broeders?quot;
âJa nog één, de troost en zonneschijn van onzen vader.quot;
âHaalt mij dien hier opdat ik mij overtuige, dat gij de waarheid spreekt.quot;
âVader kan hem niet missen, hij zal sterven van smart als deze jongste wordt opgeëischt.quot;
âHaalt hem hier,quot; beval Jozef.
28
En de broeders gingen heen en haalden Benjamin, dien Jacob niet liet gaan voor de behoefte aan koren nijpend was. Ruben en Juda bezwoeren hun vader, dat zij met hun leven wilden instaan voor de veiligheid van Benjamin. Trouw en teeder deden zij hun gelofte gestand, want toen Jozef nu Benjamin gevangen nam onder voorwendsel, dat hij-een beker zou hebben gestolen van het feestmaal en zelfs de schijn tegen Benjamin was, toen keerden de broeders met hem terug en boden om strijd aan voor hem te lijden, âwantquot; zeiden zij, âonze vader zou van droefheid sterven als hij zijn jongste kind moest missen,quot; en Juda vrijmoedig opziende tot den onderkoning sprak: âik zou den rampspoed van mijn vader niet kunnen aanzien.quot; Nu kon Jozef zich niet meer inhouden voor al de omstanders. Daarom riep hij: laat iedereen heengaan! Zoodat niemand bij lien was, toen hij zich aan de broeders bekend maakte. In luid geween barstte hij uit en zeide: âik ben Jozef! Leeft mijn vadernog?quot; Maar zijn broeders konden hem niet antwoorden, want zij deinsden ontroerd van hem terug. âNadert mij toch sprak Jozef, âik ben uw broeder. Weest niet bedroefd en laat het niet pijnlijk voor u zijn, dat ge mij als slaaf verkocht hebt, want God heeft mij voor u uitgezonden als een levensredder; wat de menschen mij ten kwade hebben gedacht, heeft God mi] ten goede gekeerd. Gaat en brengt ook met spoed mijn vader hier.quot; Toen viel hij zijn broeder Benjamin vveenend om den hals en hij omhelsde ook zijn andere broeders.
29
Weest niet bedroefd en laat het niet pijnlijk voor u zijn, dat gij mij als slaaf' verkocht hébwat de mensehen mij ten kwade hebben gedacht, heeft God mij ten goede gekeerd.
Mij dunkt er is in het heele verhaal van Jozef niets zoo mooi als deze lieve woorden, gesproken uit een door leed gereinigd hart. En eigenlijk was het mij ook om deze woorden te doen, toen ik de geschiedenis ging vertellen.
Wel heeft hij hen lang en veel beproefd de broeders â maar toch, er was geen wrok of leedvermaak in Jozefs hart, dat getuigen die woorden. En hoe zou er ook haat in zijn hart hebben kunnen zijn? Was hij door het leed, door zijn broeders hem aangedaan, niet een goed mensch geworden en kan een goed mensch haten? En had hij ook niet scherp en levendig gevoeld, dat niet de broeders doch hij zelf zijn grootste vfland was geweest?
Hooghartig, overmoedig was hij zijn leven begonnen ; al zijn voorrechten had hij misbruikt; zelfs de liefde van zijn vader had hij niet genoten als een zegen â hij had die gemaakt tot een ergernis voor zijn broeders.
Toen waren vernedering en eenzaamheid gekomen als geneesmeesters; bittere drankjes waren hem gegeven â maar ze hadden hem gezond gemaakt. Hij had gezien, ondervonden dat God niet is met de hoogmoedigen maar met die verslagen en deemoedig zijn van hart. In de dagen zijne rharde slavernij had God zijn werk doen gelukken.
30
Niet dat hij onderkoning is geworden, nadat hij slaaf was geweest, maakt zijn grootheid uit, maar dat hij in zijn koninklijk kleed schreide van aandoening en zich schaamde over de verlangens van zijn jengd. De herinnering aan zijn baldadigheid en hoogmoed deed hem, toen de vreemden de zaal hadden verlaten, zacht en vertroostend tot de broeders zeggen: Weest niet bedroefd en laat het niet pijnlijk voor u zijn, dat ge mij als slaaf verkocht hebt; God heeft mij alles ten goede gekeerd.
Het gebeurt in onze dagen niet meer dat booze broeders hun jongere broeders verkoopen en het gebeurt ook niet meer â behalve in sprookjes â dat slaven koningen worden.
Zouden er nu ook geen Jozefs meer zijn onder de herders of onder de schooljongens?
Ik heb een Jozef gekend met een aardig, vriendelijk gezicht en innemende manieren. Hij had een helder verstand, een beweeglijk gevoel. Nooit had hem iets ontbroken. Hij wist niet wat ontberen is en hij meende, dat het hem toekwam bemind te worden en het goed te hebben en dat het altijd zoo blijven zou.
Hij vond het belachelijk als er naast hem zaten op school jongens, die geen zondagskinderen waren, die een buis moesten afdragen van een grooteren broer, die blokken moesten op eenvoudige sommen en die
31
eigenaardigheden hadden, die niet in Jozefs smaak vielen. En ongoedhartig zei hij een spotternij op het buis van den één, en op botheid van een ander en op de onhebbelijkheid van een derde. En met zijn aardig gezicht en met zijn gemakkelijkheid van leeren en met zijn baldadigheden maakte hij de boosheid der anderen gaande; hij werd onverdraaglijk voor de jongens en zij wierpen hem uit, uit hun kring. Maar Jozef had pret om de afgunstige broeders; hij begreep niet dat hij de liefde van zijn Vader misbruikte.
Jozef was ziek al wist hij het zelf niet en bittere drankjes had hij noodig om te genezen. Nu denkt ge misschien, dat hij een boosaardige ziekte, de pokken, kreeg, die zijn innemend gezicht misvormde of dat zijn helder verstand hem begaf of dat hij al zijn geld verloor? Niets van dat alles. Hij had een vriend, den eenige, dien hij meer liefhad dan zich zelf en die vriend bedroog hem niet en viel hem niet tegen â maar die vriend kreeg genoeg van hem; hij liet Jozef loopen en hij zei niet waarom. Maar Jozef begreep wel waarom â niet dadelijk maar langzamerhand begon hij het te begrijpen. Dat was een diepe vernedering, een ondragelijke pijn voor Jozef. Hij was nu niet langer het zondagskind van vroeger. Zijn hooghartigheid baatte hem niet, want hij hield van den vriend in wien hij geen kwaad zag en hij kon zich niet heenzetten over het verdriet, de leegte en de pijn. En daarom sprak hij een toontje lager op school tegen den jongen met het kale buis, die ivèl een boezemvriend had, en
32
liij hielp den dommen jongen niet zijn sommen voort, omdat die een aardig klein zusje had, dat hem iederen dag aan de schooldeur opwachtte en hij lachte niet meer om de onhebbelijkheid van den derde, want hij kon niet nalaten te denken, dat zijn vroegere vriend ook iets afstootends had gezien in hem.
En Jozef worstelde met den hoogmoed in zijn hart â en God deed zijn arbeid gelukken. Of hij zijn vriend heeft teruggekregen weet ik niet, of die vriend ooit iets geweten heeft van Jozefs leed en inspanning weet ik ook niet, maar dit weet ik wèl^ dat hij dikwijls voor zich zeiven de woorden herhaalde, die gij ook goed zult doen te onthouden; de menschen hebben 't mij ten kwade gedacht, maar God heeft mij alles ten goede gekeerd.
Het is mij wel aanyezegd, alles, wat gij aan uwe schoonmoeder gedaan hebt na den doud uws mans en dat gij uwen vader en uwe moeder en het land uwer geboorte hebt verlaten en heengegaan zijt tot een volk, dat gij van te voren niet kendet.
De Heer vergélde U uwe daad.
Ruth: II v. 11â12a
RUTH
Toen ik dezen zomer genoot van mijn vacantie en ver van de stad wandelde langs velden en weiden, werd ik, bij 't kijken naar de bedrijvige maaiers van't goudgele koren en de vlugge meisjes, die zich weerden bij 't schooven binden, herinnerd aan een prachtig verhaal uit het Oude Testament en ik zei tot me zelve : de eerste maal, dat ik weer eens mag preeken, wil ik vertellen van Ruth, de lieve, jonge vrouw uit het land Moab, die de over-grootmoeder werd van koning David.
Waarschijnlijk hebt ge het verhaal over Ruth wel eens meer gehoord en als dat zoo is, zijt ge 't zeker met me eens, dat 't een heel mooi verhaal is. Maar als ik er nu vandaag eens bij vertel, wanneer dat verhaal geschreven is en waarom 't werd geschreven, dan zult ge inzien, dat 't niet alleen lief en aantrekkelijk is, maar dat 't ook een bizondere beteekenis heeft en dat er een les in zit voor ons allen en voor ons geheele leven.
36
In het jaar 450 vóór Christus â dus ruim 23 eeuwen geleden â leefde er onder de Joden in Palestina een man, Ezra genaamd, die op zijn manier heel ernstig en heel vroom was. Deze man was ver van zijn vaderland opgevoed en eerst toen hij volwassen was naar Juda gekomen. Toen hij in Juda kwam, was hij reeds een beroemd schrijver en wetgeleerde. Hij kende de joodsche wetten door en door en maakte zelf nieuwe wetten, die ook aangenomen werden en in hooge eer kwamen. Ge begrijpt nu, dat Ezra een bekwaam en aanzienlijk man was, die veel invloed had; maar ge zult verbaasd zijn als ik u zeg, waartoe hij zijn invloed gebruikte en wat dit te maken heeft met het verhaal over Ruth.
In 450 dan, vóór Christus, leerde Ezra aan zijn volk dat men zijn eigen landgenooten en geloofsgenooten moest liefhebben en helpen, maar dat men alle vreemdelingen en andersdenkenden moest haten en verachten.
Hoe vindt ge zulk een leer ? En dit klinkt nog het wonderlijkst: de menschen, die hem dit hoorden zeggen, waren 't bijna allen geheel met hem eens. Ze vonden 't doodnatuurlijk. Ze meenden, de Joden van Ezra's tijd, dat God hen meer liefhad dan alle andere volken en dat zij veel beter waren dan de heidenen. Ja, Ezra meende een bizonder vroom werk te doen, toen hij voorstelde en doordreef, dat alle vrouwen, die wel met joodsche mannen getrouwd doch zelve niet van joodsche afkomst waren, met hunne kinderen
37
uit Juda zouden worden verbannen. En werkelijk â vele vrouwen, goede, lieve vrouwen, werden over de grenzen gezet, alleen omdat ze geen joodsche vrouwen waren. Maar niet alle Joden dachten als Ezra en nu was er iemand, wiens naam wij niet meer weten, die een verhaal schreef om aan zijn volk te leeren, dat men lief moet hebben en eeren ieder, die goed en edel is, zonder te vragen naar land of stand of afkomst. Deze schrijver wist uit de geschiedenis van zijn eigen volk, dat de overgrootmoeder van den beroemden konig David, een vorst die geëerd en bewonderd werd door alle Joden, een vreemdelinge was geweest en deze overgrootmoeder, Ruth geheeten, maakte hij tot de heldin van zijn verhaal.
Toen Jezus 450 jaren na Ezra opgroeide onder 't joodsche volk en in de joodsche kerk, die tevens zijn school was, de boeken las van den beroemden Ezra, maar ook het boek leerde kennen, dat Euth heet en waarvan de naam des schrijvers was vergeten, heeft hij zeker met groote liefde gedacht aan dien onbekenden schrijver en in zijn hart zal hij den beroemden Ezra hebben beklaagd, die van God en zijn groote liefde voor alle mensohen, van wat rang of stand of kleur ze mogen zijn, nog niets had begrepen. Maar laat ik nu eerst het verhaal doen:
In de stad Bethlehem, in Juda, leefden een man en een vrouw, Elimelech en Xaöitü geheeten, die twee zonen hadden, Machlon en Chiljon. 't Liep deze goede menschen niet mee en toen er een hongersnood kwam.
38
waren zij verplicht hun akker te verkoopen en als landverhuizers weg- te trekken naar het land Moab. In den vreemde ging 't hun aanvankelijk goed; de mannen konden het noodige verdienen en Machlon en Chiljon trouwden met Moabietischo meisjes. De namen dier meisjes zijn Orpa en Ruth.
Slechts tien jaren duurde hun geluk. Toen kwam ramp op ramp hen treffen. Eerst stierf de trouwe vader, Elimelech, en spoedig daarop, kort na elkaar, stierven ook Machlon en Chiljon. Naomi had haar man en kinderen verloren; de jonge vrouwen bleven achter zonder kinderen. Zonder kinderen; vindt ge niet, dat dit heel treurig klinkt? Bedroefd en eenzaam zaten de vrouwen bij elkander en geen kinderstemmetjes kwamen haar troosten in haar verdriet. Ook gold het in 't Oosten voor oen schande geen kinderen te hebben. En zoo zagen de drie vrouwen elkander aan en schreiden, en voelden zich o zoo ongelukkig!
Naomi, de oude vrouw, zeide, dat zij naar haar eigen land wilde terugkeeren. De hongersnood was er geweken en zij â verlaten als ze zich voelde â was dubbel ongelukkig in het vreemde land en wilde zoo gaarne nog eens terug zien de stad Bethlehem, waar zij geboren was en waar een ieder haar gekend had als jonge en voorspoedige vrouw.
En terwijl zij haar schoondochters dankte voor al de liefde aan haar en haar zonen bewezen, wilde zij afscheid nemen van Orpa en Ruth. Maar Orpa en Ruth hadden haar lief en wilden de diepbedroefde, oude
39
vrouw, grijs en gebogen als ze was, niet alleen laten gaan. Ze gingen dus met haar mede. Op de grens gekomen van het land, ried Naomi, die niet zelfzuchtig wilde zijn, de jonge vrouwen aan terug te keeren. âGaat naar uw eigen moeder terug,quot; zeide zij droevig, âin mijn land zoudt ge niet geëerd worden; daar haat men vreemdelingen, hoe goed ze ook mogen zijn.quot; Orpa schrikte terug voor de moeilijkheden, die haar te wachten stonden; luid schreiend kuste zij Naömi ten afscheid; maar Euth, de trouwe Ruth, zeide moedig en hartelijk: âUw land zal mijn land, uw God zal mijn God zijn; waar gij sterft, zal ik ook sterven en waar gij begraven wordt, zal ik begraven worden.quot; En zoo reisden de beide vrouwen, die niets bezaten dan elkanders liefde, verder en kwamen in Bethlehem aan.
Is dit Naömi? vroegen vol medelijden de vrienden en buren, toen ze haar terug zagen komen, zoo anders als ze was heengegaan. En Naömi zeide: noem mij niet Naömi, dat is de liefelijke, maar noem mij Mara, de bittere, want do Heer heeft mij groote droefheid en bitter leed aangedaan.
Toen ze aankwamen in Bethlehem was het omstreeks de aanvang van den gerstenoogst.
Naömi en Ruth woonden nu in Bethlehem, maar ze waren arm en wisten niet hoe te leven, en daarom stelde Ruth, die ijverig was en liever zelf den kost wilde verdienen dan giften ontvangen, voor, dat zij naar het veld zou gaan om daar aren te lezen, â een werk, dat aan de armen van het joodsche land door
40
de bezitters van graanvelden steeds edelmoedig werd toegestaan.
Een moeilijk en zuur verdiend stukje brood, maar toch eigen verdiend brood, zou 't zijn, en Ruth liep onvermoeid achter de maaiers en bindsters en wat zij lieten liggen raapte ze op, gaande den ganschen dag in de felle zon.
Het groote gersteveld^ waarop ze gekomen was om aren te lezen, hoorde toe aan een rijk man, Boaz geheeten, en Boaz kwam uit Bethlehem om zijn arbeiders bezig te zien en groette hen vriendelijk en ernstig: de Heer zij met u lieden; waarop ze even plechtig antwoordden: de Heer zegene u.
Terwijl Boaz nu stond te kijken naar al die bedrijvigheid, viel zijn oog ook op Ruth en hij vroeg aan den opzichter over 't werk; van wie is deze jonge vrouw ? en de dienaar antwoordde: deze is de Moabie-tische jonge vrouw, die met de oude Naomi is medege-komen uit het vreemde land. Zij heeft gevraagd hier aren te mogen lezen en is bezig van den vroegen morgen tot nu toe, zij arbeidt zonder te rusten.
Boaz nu was een goed man. Het trof hem, dat zijn dienaar met zooveel eerbied sprak van Ruth's bescheidenheid en ijver en op Ruth afgaande, zeide hij: mijn dochter, gij moet niet naar een ander veld gaan om koren te rapen; men mocht u daar eens onvriendelijk behandelen. Ook behoeft' gij niet weg te gaan voor het middagmaal. Als de vrouwen straks neerzitten moogt ge bij haar gaan zitten en aan mijn knechten
41
zal ik bevelen water voor u te putten als ge dorst hebt. Toen Euth den vriendelijken man dankbaar aanzag-, vragende: Heer, waarmee heb ik zooveel goedheid verdiend, daar ik toch een vreemde ben? antwoordde Boaz: het is mij wel aan gezegd, alles, wat gij voor uwe schoonmoeder, de oude Naömi, gedaan hebt na den dood van uw man. God moge u uw edele daad vergelden. Hij kent u en heeft u lief; voor Hem zijt ge geen vreemde. En toen Ruth hem voor zijn vriendelijke en troostende woorden bedankt had, beval Boaz aan de maaiers, dat ze ongemerkt veel meer koren moesten laten vallen, opdat zij zonder te veel vermoeienis genoeg zou kunnen verzamelen voor zich en hare schoonmoeder.
Is 't niet echt goed van Boaz en fijn gevoeld, dat hij Euth op deze manier weldeed, begrijpende dat hij haar belecdigen zou met haar te geven, wat zij zoo gaarne zelve wilde verdienen? En hoe dankbaar zal Ruth zich gevoeld hebben, die niet, zooals ze gevreesd had, geplaagd en verjaagd werd, omdat zij een vreemde was, maar integendeel zoo welwillend en kiesch werd voortgeholpen!
Toen nu Ruth 's avonds thuis kwam met een groo-ten voorraad gerst, en aan Naomi vertelde, waar zij geweest was en wat zij had ondervonden, prees Naömi Boaz en zij herinnerde zich met vreugde, dat deze goede en vriendelijke man nog familie was van haaiman, Elimelech. En nu vertelde zij aan Ruth, dat, volgens een oud israëlietisch gebruik, de naaste bloedverwant van een man, die zonder kinderen was gestorven.
42
verplicht was met de weduwe te trouwen. Zoo iemand werd dan een losser genoemd, want hij zorgde, dat de familie niet uitstierf. De oudste zoon n. 1. uit het 2de huwelijk werd naar den eersten man genoemd en als diens zoon beschouwd. De schande van geen kinderen te hebben was dan opgeheven.
Naomi vertelde dus aan Euth, dat Boaz haar losser kon worden â en waarlijk Boaz herinnerde zich ook, dat hij familie was van Elimelech. Tot zijn spijt was hij echter niet het naaste familielid en hij had dus geen recht om met Kuth te trouwen, tenzij de ander, die nader was dan hij, zijn recht aan Boaz wilde afstaan. Dit wilde Boaz onderzoeken, want de eerste kennismaking met de lieve, jonge vrouw had hem haar reeds doen liefkrijgen; en hoe nader hij haar leerde kennen des te meer had hij haar lief.
En heel eigenaardig ging dat onderzoek nu in zijn werk. De oudsten â de burgemeester en wethouders en de leden van den raad zouden wij zeggen â werden door Boaz uitgenoodigd om met hem over deze belangrijke zaak een vergadering te houden. Een zaal was daartoe niet noodig. In de schaduw van de breede stadspoort zetten de mannen zich neer en Boaz vroeg aan den eigelijken losser of hij hem het recht wilde afstaan van met de lieve Euth te trouwen. De naaste bloedverwant gaf zijn toestemming en ten bewijze, dat hij afstand deed van Euth, trok hij zijn schoen uit en gaf dien aan Boaz, zooals thans mannen bij ons een znak met een handslag beklinken. En al de vergaderden
43
wenschten Boaz geluk en plechtig zeiden zij : deze jonge vrouw, die zooveel liefde heeft getoond voor de arme, verlaten Naomi, die haar moeders huis en haar land heeft verlaten om onder een vreemd volk te wonen; die niet aan zichzelve heeft gedacht en alles heeft opgeofferd, â deze jonge vrouw zullen wij eeren als Rachel en Lea, de moeders van Israël. Met andere woorden: een joodsche vrouw kan in onze oogen niet beter zijn dan zij!
En toen Ruth een jaar later een zoon kreeg, juichten al de familieleden en al de buren en allen, die haar kenden en zij wenschten de oude Naömi geluk, die nu grootmoeder geworden was. En Naömi straalde van blijdschap. De zoon van Ruth werd Obed genoemd; Obed werd de vader van Isaï en Isaï werd de vader van den grooten koning David!
David's overgrootmoeder alzoo was een vreemde vrouw, maar zij verdiende geëerd en bemind te worden boven alle vrouwen in Israël.
Zoo eindigt het verhaal, dat geschreven is om aan Ezra en allen, die quot;t met hem eens waren te leeren: hoe groot ongelijk ze hadden met te verachten degenen, die door geboorte of stand of land of geloof van hen verschilden.
Klinkt het u niet wonderlijk in de ooren, dat er een tijd geweest is, waarin Ezra zijn zin kon krijgen en waarin men boos was op den schrijver van het
44
boek Ruth, die 't waagde een vreemdelinge te prijzen en te eeren om haar deugd? Als men aan u eens vroeg: zou 't maar niet goed zijn om b. v. alle Joden, die toch vreemdelingen zijn in ons land, weg te jagen, dan zoudt ge zeker zeggen: hoe verzint ge zoo iets, zoo haatdragend en onmenschelijk te willen zijn en dit terwijl wij ons noemen naar Jezus, die gezegd heeft, dat God een vader is van alle mensohen en dat alle menschen en kinderen elkanders broeders en zusters zijn?
Toch is 't nog niet zoo heel lang geleden^ dat in Rusland de Joden werden verjaagd â omdat ze Joden en geen Christenen zijn. Daar gebeurde dus hetzelfde met de Joden, wat de Joden met de vreemdelingen deden in Ezra's tijd. Maar Ezra had nooit van Jezus gehoord en de russische keizer is een christen-keizer en dat maakt dus zijn schuld zooveel te grooter.
Neen de gedachte, dat zoo iets in ons land zou kunnen gebeuren komt zelfs niet bij ons op â en toch is 't niet zeldzaam een Jood te hooren noemen met een scheldnaam, waaruit dan wol dadelijk blijkt hoe weinig de schelder zich de gelijke acht van een Jood. En zoo dikwijls als ik 't hoor, komt de vraag bij mij op: of dit dan niet de allertreurigste manier is, die men zou kunnen bedenken om er zich op te verheffen, dat men een volgeling is van Jezus, wiens gelijkenis van den Barmhartigen Samaritaan wel beter mocht worden geëerd.
En niet alleen verschil in godsdienst wekt booze
45
hartstochten op. Voor eenige dagen zag ik in Amsterdam twee jongens van een jaar of tien verwoed samen vechten. De een had een scherp voorwerp aan een riem gebonden en slingerde daarmee naar den ander en verschrikt als ik was bij de gedachte aan het vreeselijk ongeluk, dat er kon gebeuren, ging ik eenvoudig tusschen ze instaan. En wat denkt go, dat ik op mijn vraag: jongens, waarom vecht jelui zoo hevig, ten antwoord kreeg ? â De jongen, die met den riem gezwaaid had en toch een heel aardig, goed jongensgezicht had, antwoordde â alsof 't doodnatuurlijk was en ik er nu wel alles van zou begrijpen ââ wel, hij gaat op een andere school en de scholen vechten nu eenmaal tegen elkaar!
0 jou kleine Ezra^ dacht ik toen. Wat ben je toch onnadenkend! Is dat nu een reden om elkaar te haten en te mishandelen en oorlog te voeren in 't klein? Omdat ze op verschillende scholen gingen, waren ze vijanden â die twee jongens, die als ze toevallig op dezelfde school hadden gegaan misschien trouwe vriendjes waren geweest.
En niet lang geleden las ik een aandoenlijk verhaal over een lief, zachtmoedig indisch jongetje, met donkere oogen en donkere gelaatskleur, dat in ons land, dat hij zoo koud en zoo donker vond in den winter, ver van zijn vader en moeder, die hem met groote liefde hadden vertroeteld en verzorgd^ maar hem naar Holland hadden moeten zenden voor zijne opvoeding â zich zoo diep ongelukkig voelde en dikwijls hart-
46
brekend snikte als hij alleen was in zijn bed, omdat hij in dit vreemde land een sinjo genoemd werd en door blanke en blonde hollandsche kinderen telkens gevraagd werd of hij ook van de apen afstamde, alleen omdat zijn gezichtje bruin was en hij uit Tndië kwam. Arm, klein ventje, dat zich zoo eenzaam voelde, hoe goed zou 't hem gedaan hebben als daar harten waren geweest, die zijn eenzaamheid, zijn verlangen naar zonneschijn en liefde hadden begrepen en die zijn leed door vriendelijkheid hadden verzacht, in plaats 't van te verzwaren door hardvochtige onnadenkendheid.
En in de tram zag ik eens hoe een mooi aangekleed meisje van een jaar of 14 opstond en in een anderen hoek ging zitten, toen een werkman in een vuil werkpak naast haar plaats nam. O wat schaamde ik mij op dat oogenblik, omdat ik zelve netjes was aangekleed, want ik vreesde, dat de man in zijn werkpak denken zou, dat alle meer gegoede menschen, die niet hun brood verdienen met ruw handenwerk, in staat zouden zijn zoo iets leelijks te doen als dat mooi aangekleede maar onnadenkende en weinig fljngevoe-lende kind.
Zoo onnadenkend, zoo ruw en wreed en liefdeloos als de kinderen, waarvan ik spreek, zijn gelukkig niet alle kinderen. Neen, de meeste kinderen zijn zoo niet. Daar zijn er, wier grootste vreugde en voortdurend bedenken 't is, te beschermen en te helpen, die klein en zwak en hulpbehoevend zijn; die 't opnemen
47
voor wie geplaagd worden, en die er op uit zijn om onrecht te keeren en smart te verzachten en meestal volgt het verstand vanzelf daarbij de inspraak van het goede hart. Maar toch in onzen tijd, waarin zooveel over gelijkheid wordt gesproken, blijkt maar al te dikwijls, dat zeggen en er naar doen nog lang niet hetzelfde is.
O, er wordt nog zooveel verdriet geleden en zooveel onrecht gedaan, omdat er zooveel gekeken wordt naar dingen, waarop men niet moest letten en omdat er zooveel niet opgemerkt wordt, dat waard is wel opgemerkt te worden. Ruth had zooveel liefde voor haar bedroefde en eenzame schoonmoeder, dat zij om harentwil haar land vaarwel zeide en meeging met de oude, hulpbehoevende vrouw. Haar liefdevol hart maakte haar zorgvuldig en nadenkend. De maaiers op Boaz' land zagen den ijver en de bescheidenheid van Ruth en prezen haar daarom in plaats van haar te verachten, die met zooveel moeite haar brood verdiende.
Boaz zag hoe fier de arme, jonge vrouw was en ontzag haar gevoel; hij kreeg haar lief en al de oudsten van de stad verheugden zich om Ruth, de vreemde, wier goede eigenschappen ze hadden opgemerkt. In dit verhaal is niemand onnadenkend en niemand hard of ruw. Hier waardeerde de een den ander.
En hoeveel meer reden hebben wij om elkaar lief te hebben en te waardeeren en het goede in elkaar te zien en ons niet boven elkaar te verheffen, wij die geleerd hebben van Jezus, dat alle menschen gelijk
48
zijn in de oogen van God en die dat o zoo gaarne naspreken.
Wij weten zooveel beter, maar doen wij ook zooveel beter dan Ezra en zijn vrienden? En heb ik niet gelijk gehad, toen ik zeide, dat het verhaal over Ruth nog veel mooier wordt als wij weten, waarom 't geschreven is en is er niet een les voor ons in, voor ons geheele leven? Mijn beste jongens en meisjes, Eén is uw Meester en gij zijt allen broeders. Geen geboorteland en geen stand, geen geld en geen goed, geen kerk en geen geloof mag de menschen en kinderen van elkander scheiden. God vraagt naar 't reine hart, en wie 't meeste liefde bewijst, die is het beste kind van God.
Kindren van één Vader Reikt elkaar de hand ;
Waar we mogen wonen In wat streek of land,
Hoe we mogen spreken In wat tong ol' taal,
Kindren van één Vader Zijn wij allemaal.
De moedevs brachten kinderkens tot Jezus, opdat hij ze mocht aanraken ; en de leerlingen bestraften hen. die ze brachten. Maar Jezus, dat ziende, werd verstoord en zeide tut hen: Laat de kinderkens tot mij komen en verhindert ze niet, want derzulken is het Koninkrijk Gods.
En hij omarmde ze en leidde ze de handen op en zegende ze.
Markus X, v. 18â16.
CHRISTUS, DE KINDEREN ZEGENEND.
Ik was zelve nog een kind, een heel klein meisje van pas vijf jaai% toen ik eens bij toeval in een Idn-derkerk geweest ben. Het was niet op een Zondagmorgen maar op een Woensdagavond, midden in den zomer. We zouden een wandeling gaan doen en wij, mijn zusje dat een jaar ouder was en ik, stonden op de stoep van ons huis te wachten tot de andere familieleden gereed zouden zijn. Tegenover ons huis â 't was in een kleine stad in Zeeland â was een kerk; de deur stond open en wij zagen, dat heel veel kinderen, grootere en kleinere en enkele menschen binnengingen. Onder de mannen, die wij 'zagen binnengaan, was er één met een groote portefeuille onder den arm en we hoorden een paar kinderen bepraten: dat daar in die portefeuille stellig de platen waren, die vertoond zouden worden. Dit maakte onze nieuwsgierigheid gaande, althans wij kleintjes staken de straat over, gingen, misschien aarzelend en niet recht wetend wat we wilden, de kerk binnen, die, 't zal juist tijd geweest zijn, achter ons
52
gesloten werd, en daar waren wij voor het eerst van ons leven in de kinderkerk.
Ik weet volstrekt niet alles meer, wat er in mij omging, toen ik daar was in die voor mij nieuwe en geheimzinnige omgeving van het kerkgebouw, dat fantastisch verlicht was door brandende lampen en daglicht, dat door hooge ramen binnenviel. Ik herinner mij dat ik eenigszins angstig was, omdat ik begreep, dat er naar ons gezocht zou worden door onze ouders, maar ik herinner mij niet meer of het lang duurde, dat ik in de kerk was, al zie ik mij nog zitten in de hooge bruine bank; ik weet volstrekt niets meer van hetgeen er gesproken werd, maar dit herinner ik mij heel goed, heel levendig, alsof het pas gebeurd is, dat er onder het vertellen platen vertoond werden en dat een der platen voorstelde: Christus, de kinderen zegenend.
Ik heb die plaat later wel eens meer gezien en telkens als ik haar zag dacht ik aan dien Woensdagavond, en toen ik mij nu gereed maakte om heden tot u te spreken van goede en heilige dingen, van God en zijn liefde tot ons, van wat een kind is en behoort te zijn, toen kwam mij weer die plaat voor den geest en ik herinnerde mij op eens een oud, oud gedichtje, waarvan ik nu stellig meen, dat het op dien avond bij de plaat werd gezegd en dat ik althans al heel vroeg gekend heb en dat gedichtje is:
53
Jezus was een kindervriend;
Onzer wou hij zich erbarmen;
Hij nam kindren in zijn armen;
Jezus was een kindervriend.
Ach, was Jezus nog op aarde Aanstonds vloog ik naar hem heen;
Ach was Jezus nog op aarde,
'k Vloog met u naar Jezus heen.
En dit herinner ik mij ook nog levendig, dat ik na dien avond, waarop ik voor het eerst van Jezus, den kindervriend, had gehoord, telkens dacht, dat ik óók wel een van die kinderen van Palestina had willen zijn, die op de plaat om Jezus stonden, al was ik maar â zoo dacht ik â het kleine meisje geweest, dat heel verlegen op een afstand staat en haast niet durft te kijken en nog veel minder durft naderkomen.
En terwijl ik in de laatste dagen mij dit alles herinnerde, kon ik geen heerlijker onderwerp bedenken om over te spreken tot u dan over Jezus, den kindervriend en in den bijbel las ik daarover deze woorden: De moeders brachten kinderkens tot Jezus, opdat hij ze mocht aanraken; en de leerlingen bestraften hen, die ze brachten. Maar Jezus, dat ziende, werd verstoord en en zeide tot hen: Laat de kinderkens tot mij komen en verhindert ze niet, want derzulken is het koninkrijk Gods. En hij omarmde ze en leidde hun de handen op en zegende ze.
54
Deze woorden lezen wij in het 10le hoofdstuk van het evangelie naar Markus, doch ook in de Evangeliën naar Mattheus en Lukas lezen wij iets dergelijks en bij al wat wij van Jezus weten, verwondert het ons niet dat hij zóó zal hebben gesproken.
Kent gij de plaat misschien, die ik bedoel ?
Jezus zit op een verhevenheid in een lang, loshangend, wit gewaad en achter hem staan drie zijner leerlingen, jonge mannen. Vóór hem staat een groep vrouwen en kinderen; â sommige kinderen zijn nog zoo klein, dat ze gedragen moeten worden, doch de meeste kinderen zijn grooter, van 5â13 jaren; de moeders strekken de armen, waarop ze de kleintjes hebben, uit naar Jezus of wel ze duwen met de eene hand zachtjes een grooter kind vooruit en wijzen met de andere hand op den Meester en er is vreugde en blijdschap en verlangen, groot verlangen te lezen op de vrouwengezichten, want ze hopen, die moeders, dat Jezus hun kleinen op de knie zal nemen en dat hij de hand zal leggen op het hoofd van de grooteren. En in een wijderen kring staan, zitten, liggen in allerlei houdingen jongens en meisjes, die alleen zijn gekomen en op een afstand ter zijde staat het verlegen meisje, waarvan ik straks even heb gesproken.
Het is een mooie plaat; als ge haar zelve wel eens gezien hebt, zult ge 't u zeker herinneren. De drie mannen op den achtergrond kijken eenigszins beschaamd; geen wonder; ze zijn juist terecht gewezen, maar de trekken ontspannen zich reeds weer, want ze begrijpen.
55
dat ze ongelijk gehad hebben en ze zijn blij, dat ze het inzien.
Jezus, hnn meester, hun vriend, hun heiland, de goede, groote Jezus, hij had dien dag gesproken voor een aantal mannen en vrouwen; hoog-ernstige dingen had hij gezegd en de mensohen hadden geluisterd met ingehouden adem en sommigen hadden tranen voelen opkomen in hun oogen en andoren weer hadden de hoofden gebogen vol schuldgevoel over hun zonde, en aan het einde van zijn toespraak had de goede meester verteld van den herier, die 100 schapen had, die hij naar de schaapskooi geleide, doch daar mist hij een der honderd schaapjes en nu verlaat hij de 99, die te zamen den weg wel zouden vinden naar de kooi en hij gaat heen en zoekt het verloren lam tot hij het vindt. En als hij het gevonden heeft is hij blijde; hij neemt het moegedwaalde dier op zijn schouders en thuis gekomen roept hij zijn vrienden en gebu-rcn samen en zegt tot hen: Weest blijde met mij, want ik heb mijn verloren schaap gevonden. Ik zeg u, dat er zoo blijdschap zal zijn over één zondaar, die zich bekeert, meer dan over 99 rechtvaardigen, die geen bekeering van noode hebben.
En ze hebben geluisterd met hun verstand en met hun hart, de mannen en de vrouwen en ze denken aan hun eigen lammeren, hun grootere en hun kleinere kinderen en of ze wel veilig zullen komen in de schaapskooi â of wellicht zullen gaan dwalen als dat ééne lam; en de vaders en de moeders zien in Jezus den
56
goeden herder en terwijl de mannen weer aan het werk gaan, denkende over wat ze gehoord hebben, roepen de moeders haar kinderen en gaan met ze naar Jezus, die aan den weg zit om uit te rusten.
Als Jezus, die hen zooveel goed heeft gedaan door zijn ernstige en liefderijke woorden, als hij ook eeas tot de kinderen sprak? Als hij maar eens even de hand op het hoofd legde hunner lievelingen, wat zouden ze dankbaar zijn, de moeders. Het moest den kinderen goed doen, er zou kracht van uitgaan; zij zouden 't zich later herinneren, 't nooit meer vergeten â en ze gingen met de kinderen tot Jezus. Maar de leerlingen werden boos, toen ze 't zagen. De meester was vermoeid, hoe kon men hem nu lastig vallen en dat nog wel met kinderen! Terug menschen, terug met uw kleintjes; neen, kinderen, gaat maar weer spelen, met onnoozele wichtjes en aankomende jongens en meisjes kan de Christus zich niet bemoeien, â de kinderen begrijpen nog niets van hem, voor hen is de Meester te groot. Maar Jezus, dit hoorende, werd verstoord en zeide: laat de kinderen tot mij komen en verhindert ze niet, want hunner is het koninkrijk Gods. En hij wenkte de moeders met haar kleintjes en hij riep de meisjes en de jongens dichter bij en ook het verlegen meisje, dat op een afstand stond en hij sprak ze toe en legde zijn hand op hun hoofd en zegende ze.
Als gij daar eens bij had mogen zijn! Als Jezus zijn hand eens gelegd had op uw hoofd en hij had u aangezien als die kinderen van Palestina â zoudt ge
57
het ooit hebben vergeten? Xeen, ge zourlt het nooit hebben kunnen vergeten, niemand die ooit door Jezus is aangeraakt â door een blik van zijn oog, door zijn hand of door zijn woord â vergat ooit diengrooten, grooten zegen.
De vrienden van Jezus vonden hun meester te groot en de kinderen te gering, doch Jezus sprak: laat de kinderen tot mij komen en verhindert ze niet; hij vond zich zeiven niet te groot en de kinderen niet te klein, want hij zag in ieder kind een toekomstig mensch en hij had groote verwachting van de kinderen. Of was hij niet zelf een kind geweest, als deze kleinen, gedragen op moeders arm? Die kleintjes zoo innemend, zoo onschuldig en vertrouwend, die de armpjes naar hem uitstaken al wisten ze niet, wie hij was, gewillig om bij hem te komen, alleen omdat hij hen toelachte, zou liij ze niet eens willen liefkoozen en een zacht woordje tot ze spreken, al begrepen de kleintjes nog niet wat hij zeide? Hij wist wel, dat alle moeders doen zooals Maria, Jezus' moeder, had gedaan, die alle dingen aangaande haar kind bewaarde in haar hart. Al was het alleen om hun moeders, die zoo vurig begeerden, dat Jezus hen zou aanraken, al was het alleen om de moeders zou hij ze niet hebben geweerd en afgewezen. Alle moeders hopen op hun kinderen en gelooven in hun kinderen. Er is geen enkele moeder, ook onder uw moeders is er geen, of zij hoopt en vertrouwt, dat haar klein, aanvallig kindje als het grooter geworden
58
zal zijn, blijken zal een goed kind te wezen, dat het opgroeien zal in grootte en wijsheid en in gunst hij God en de menschen. Gij weet wel hoe zorgvuldig uw moeder en ook uw vader, nagaan of het kleine broertje of zusje groeit; ja, ze wegen de kindertjes op geregelde tijden om zeker te zijn, dat het lichaampje toeneemt en als dit niet het geval is veranderen zij het voedsel, opdat het den kleine toeh aan niets zal ontbreken. Hoe hartelijk verheugen zij zich als het kindje zich voorspoedig ontwikkelt, hoe blij zijn ze als het de eerste woordjes spreekt, de eerste liefde betoont, als het voor de eerste maal blijkt, dat er een vriendelijk hartje schuilt in dat aanvallige schepseltje en zorgvuldig waken zij, dat geen scherpe oostenwind hun mooie bloesempje zal deren, maar even zorgvuldig waken zij over het verstand en hot gemoed van hun schat, dat geen leelijke en slechte dingen mag zien of hooren en als ze konden zouden ze zijn hartje wel willen wegen, zooals ze met het lichaampje doen. En zooals uw ouders doen met het kleine broertje of zusje, zoo heb ben zij ook met u gedaan. En als de kinderen grooter worden â op uw leeftijd, â o dan verdubbelt zich de zorg over wat er van u worden zal, of gij zult worden knappe menschen, die uw brood zult kunnen verdienen in de wereld, of ge zijn zult goede menschen, met hartelijke liefde voor waarheid en recht ot gij zult opgroeien tot kloeke mannen en vrouwen, die een zegen zult worden voor de menschen om u heen. En terwijl gij opgroeit en naar school gaat of naar de werkplaats
59
kunnen zij u niet meer aan de hand houden, u niet voor den oostenwind en nog minder voor booze invloeden bewaren, maar zij letten op u en wegen angstvallig uw geest on uw hart en zij bidden voor u, dat gij kloek en sterk en vroom en moedig zult mogen worden. Ja, Jezus wist hoeveel moeders wenschen en hopen voor haar kinderen en om de moeders reeds zou hij de kinderen hebben liefgehad en ze niet te gering hebben geacht om ze om zich heen te hebben en toe te spreken, maar meer nog dan dit: Jezus had de kinderen lief om hun zelfs wil. Het kleintje op moeders arm deed hem denken aan Maria, de jongen en liet meisje, die op eigen beenen konden staan, herinnerden hem do jaren, toen hij zelf een knaap was en al wat er toen omging in zijn eigen hoofd en hart, terwijl hij rondliep op de heuvels van Galilea of op den rustdag neerzat in de Synagoge of las van de groote mannen van zijn volk of stil, stil voor zich uit zat te staren en te peinzen en niemand acht op hem sloeg. Hij wist, wat er omging in de harten van de jongens en meisjes om hem heen en hoeveel er veranderd moge zijn in bijna 19 eeuwen, die jongens en meisjes uit Palestina â ze zullen wonderveel overeenkomst gehad hebben met u. Mogelijk was daar onder de grootere kinderen een twaalfjarige jongen, die Samuel heette ; dan zal de goede meester tot hem gezegd hebben: mijn kleine Samuël, wees trouw aan de stem van uw geweten, het is de stem van God. Gij zult geen rust hebben uw leven lang niet, tenzij
60
gij op die stem antwoordt: Ja Heer, uw dienstknecht luistert.
Gij kent immers de geschiedenis van Samuël wel ? De jongens nit Jezus 'tijd en de meisjes óók kenden haar alle. De 12jarige Samuël werd opgevoed bij den hoogepriester Eli in den tempel te Silo en hij zag^ dat slechte priesters hooze dingen bedreven. Samuël was er verbaasd en bedroefd over, en hoorde zich 's nachts eens roepen bij zijn naam, maar hij wist niet dat het de stem van God was, die hem riep. Doch als de stem zich herhaalt: Samuël, Samuël en Eli, zijn opvoeder hem gezegd heeft; het is Gods stem, dan antwoordt Samuël: ja Heer, uw dienstknecht luistert en hij doet wat God hem beveelt al zal hij uitgelachen en gehaat worden.
En als Jezus nu de hand legt op het hoofd van dien jongen, die Samuël heet en hij roept dat verhaal voor zijn geheugen op, dan kan het niet anders of de jongen moet Jezus dankbaar hebben aangezien, met de belofte in zijn oogen: ja, ja, ik zal trouw zijn aan de stem van mijn geweten, ja Heer uw dienstknecht luistert en zoo dikwijls als hij in verzoeking kwam, zal hij die woorden hebben herhaald.
En als daar een andere jongen was, die Jozef heette en hij had evenals die Jozef, dien al de joodsche kinderen kenden en dien en gij ook kent, trotsche en uitdagende manieren en hij voélde zich, misschien wel alleen omdat hij beter gekleed was dan de andere kinderen om hem heen â Jezus, terwijl hij
61
hem de hand op het hoofd legde, zal gezegd hebben: mijn kleine Jozef, leer inzien, leer spoedig inzien, vóór gij zoo harde lessen noodig hebt, dat uw naamgenoot, wiens ijdelheid hem ten val bracht, eerst groot was, waarlijk groot, toen hij weenend stond tegenover zijn broeders, vol berouw over zijn ijdelheid en plaagzucht. 0^ die kleine, dwaze Jozef, die de hand van Jezus voelde op zijn hoofd, hoe deemoedig moet hij hebben opgezien naar den goeden meester en gefluisterd hebben: ik dank u, dat gij er mij aan herinnerd hebt, wat groot zijn is en ik zal het nooit vergeten. En wat mag Jezus wel gezegd hebben tot de meisjes om hem heen, tot een kleine Sara of Hagar of Rebekka? Mij dunkt hij zal gezegd hebben tot Sara: lief meisje^ zalig zijn de zachtmoe-digen, want zij zullen het aardrijk beërven en tot Rebekka: zalig de barmhartigen, want hunner zal barmhartigheid geschieden en tot Hagar: zalig de armen van geest, want hunner is het koninkrijk der hemelen en ze zullen heengegaan zijn met den klank van zijn stem in hare ooren en zij zullen gestreefd hebben naar zachtmoedigheid en barmhartigheid en nederigheid met al hun kracht.
O, hij kende de kinderen wel, de gróote meester, hij wist hoeveel gevoel voor rechtvaardigheid, hoeveel liefde voor waarheid en oprechtheid, hoeveel lust tot hulpvaardigheid en mededeelzaamheid er was in de harten van al die kinderen om hem heen, maar hij wist ook hoeveel strijd ze hadden met zich zeiven, hoeveel traagheid ze hadden te overwinnen, hoeveel
62
onwaarheid, door vrees of valsche schaamte gewekt, hen in den weg zat; en ook hoe diep, diep ze konden gebukt gaan onder het gevoel hunner nietswaardigheid en zonde. En zoo hij ze lief had, de lachende en levenslustige kindergezichten, nog meer had hij lief, die bedroefd waren en die ernstig keken. Hij wist, dat deze kinderen veel meer van hem begeerden dan een vriendelijk woord; hij wist, dat zij hulp en steun bi] hem zochten voor hun zwakke krachten. Hij las in hun oogen de vraag: help mij het kwade te overwinnen in mij zeiven; hoe moot ik worden een kind van God? En tot hen zal hij gezegd hebben: zalig die treuren, zij zullen vertroost worden; als gij bedroefd zijt over uw zonden zijt go reeds op den goeden weg; nu gij uw groote fout haat zult ge haar zeker overwinnen. En zoo daar om hen heen gestaan hebben onverschillige kinderen, zonder plichtsgevoel en schuldbesef ook die had hij lief en riep hij tot zich en zeide, wat hij eens gezegd had tot het dochtertje van Jaïrus: word wakker, kind, word wakker en sta op. Gij zijt ook een kind van God, al weet gij het zelve niet. Waarom zoudt gij niet goed en gelukkig zijn als andere kinderen? Zalig zijn de reinen van hart, want zij zullen God zien.
En al die kinderen, wat zullen ze wel gezegd, wat zullen ze wel gevoeld hebben, toen Jezus was heengegaan? Ze zullen gevoeld hebben, wat gij ook gevoelt: hij heeft ons lief, alsof wij zijn jongere broers en zusters waren, hij is onze groote, sterke broeder en
63
hij wil ons helpen groot en sterk te worden als hij zelf. Hij weet wat God wil van ons en daarin gaat hij ons voor en wijst hij ons den weg.
Ach was Jezus nog op aarde Aanstonds vloog ik naar hem heen,
Ach was Jezus nog op aarde 'k Vloog met u naar Jezus heen.
Gelooft gij niet, dat gij nog tot hem kunt gaan ? En gelooft gij niet dat het goed en noodig voor u is tot hem te gaan? Zoudt ge hem een van allen kunnen missen, zonder schade voor uw hart en gemoed en geweten? Weet gij zeker, dat ge buiten hem kunt? O ik weet zeker, dat er niemand hier is, die zou willen of kunnen zeggen: ik heb hem niet noodig of ik verlang niet naar hem.
Als er hier onder u zijn â en ik vrees, dat ze er zijn, â die bedroefd zijn, en die zich eenzaam en verlaten voelen, omdat geen ouderhart over hen waakt, of als er hier zijn â en die zijn hier zeker ook â die bedrukt zijn, heel bedrukt, omdat ze niet zijn zooals ze moeten wezen, ja, zouden ook de voor-spoedigsten en gelukkigsten en besten die hier zijn, zoudt gij allen niet tot hem kunnen gaan als tot een trooster, een beschermer, een raadgever, een vriend? Of zou hij ook niet tot u gezegd hebben: Komt allen tot mij die vermoeid zijt en beladen, en ik zal u rust geven voor uwe zielen ? Zalig zijn die treuren,
64
want zij zullen vertroost worden; zalig zijn de reinen van hart, want zij zullen God zienquot;?
Misschien zult gij zeggen: maar het is toch niet hetzelfde of ge voor hem staat en hem in de oogen ziet en zijn hand voelt op uw hoofd of dat ge slechts aan hem denken kunt.
Neen, dat is ook niet hetzelfde, zoo min als 't 't zelfde is of ge thuis zijt of ver van huis, maar mijn lieve jongens en meisjes, hoe gij heeten moogt en wie gij zijt en ot gij blijde zijt en voorspoedig of bedroefd en eenzaam, dit is toch zeker waar, zoo zeker als hij het kleine meisje, dat op een afstand stond, wenkte om nader te komen, zoo zeker wenkt hij ook u en zoolang er kinderen gevonden worden, vroolijke en gelukkige kinderen of jonge strijders, zoo lang zal Jezus zijn de goede herder, die het lam in liefde wil nemen op zijn schouders en dragen wil naar de schaapskooi. God heeft hem gegeven niet alleen aan de kinderen van Palestina, God heeft hem gegeven ook aan u. Zijn hand kan u niet meer aanraken, maar zijn zachte stem roept u nog even duidelijk als ze de kinderen riep uit zijn eigen tijd: Laat de kinderen tot mij komen, want hunner is het koninkrijk Gods. De toekomst behoort aan de kinderen. Uit iedren jongen zal een man groeien en uit ieder meisje een vrouw en wat zij zijn als kinderen, dat zullen ze zijn als mannen en als vrouwen.
Wat zij heden zjjn, zullen ze na jaren zijn en van de kinderen hangt het af, hoe de wereld er uit zal
65
zien na vele, vele jaren. En daarom zeide Jezus: laat de kinderen tot mij komen en verhindert ze niet. Laat ze komen alle, alle kinderen, de gezonden en de zieken, de sterken en de zwakken, de eenzamen en de bedroefden vooral, maar ook de gelukkigen, want ik heb ze lief, ik ben jong geweest als zij, ik weet wat er omgaat in hun hart. Laat ze komen met al hun leed en met al hun vreugde, met al hun strijd en verzoeking. Zoo noodt nog steeds de zachte stem van Jezus, zij roept u tóe uit het evangelie, zij spreekt door den mond en uit het hart van allen, die u opvoeden en 't wel met u meenen; heden heb ik het mogen doen en morgen of overmorgen zal weer een ander hetzelfde tot u zeggen in den naam van den Christus en in den naam van God.
Niet te jong of te vroeg kunt gij tot hem gaan om hem te leeren kennen en liefhebben. Niemand is te klein en niemand is te gering om Jezus' vriend te worden, niemand is te klein of te gering om te worden wat Jezus was: een kind van God. Maar niemand is ook te groot om op te zien naar Jezus, niemand kan zijn woorden van wijsheid en vroomheid missen zonder dat hij schade lijdt aan zijn ziel. En daarom luistert naar de liefdestem, die u roept en meent niet, dat iets of iemand u kan of mag verhinderen tot hem te gaan en hem te volgen en in hem te gelooven en hem lief te hebben en te doen wat hij van u verlangt.
5
66
Laat de kind'ren tot mij komen, * Is uit Jezus mond gehooid;
Hebt gij 't allen wel vernomen? U, u geldt dit heerlijk woord, 't Armste kind wordt niet verstooten, Niemand is er uitgesloten,
Allen roept hij te gelijk Tot zijn heerlijk koninkriik.
Laat de kinderen tot mij komen. Noodt nog steeds zijn zachte stem; Alle goeden, alle vromen Vinden troost en steun bij hem. Uit bedroefde kinderharten Weert hij angsten, bant hij smarten. Grijpt de hand, die hij u biedt. Die hem volgen dwalen niet.
Ons Lied nr. 79.
|
Het koninkrijk der hemelen schoone paarlen zoekt en die gevonden hehhende, heenginy en parel kocht. |
is gelijk aan een koopman, die een parel van (jroote waarde verkocht al wat hij had en die Matheus XIII, v. 4ö en 46. |
DE PAREL VAN 6K00TE WAARDE
Over de geli}kenis van de parel van groote waarde ga ik tot u spreken. Zij is kort genoeg om haar van nu-af-aan in haar geheel te onthouden.
En dat is zij waard óok.
Luistert slechts: Het koninkrijk der hemelen is gelijk aan een koopman, die schoone paarlen zoekt en die een parel van groote ivaarde gevonden hebbende, heenging en verkocht al wat hij had en die parel kocht.
Een parel hebt gij allen wel eens gezien. Misschien zijn er hier onder de meisjes, die een ring aan den vinger, onder de grootere jongens, die een speld in hun das dragen, waarin een kleine parel is gezet â of tot wier wenschen het behoort er zoo een te bezitten. En dat zou zeker niet van een slechten smaak getuigen. Van oudsher waren paarlen een geliefdkoosd versiersel. Koningen droegen ze in hun kronen, koninginnen droegen ze aan snoeren om den hals. Op postzegels
70
en munten kunt ge den beeldenaar van onze jonge koningin met zulk een zinnebeeld van schoonheid en kostbaarheid zien prijken.
Gewoonlijk worden paarlen in één adem genoemd met goud en edelgesteenten; zij worden er dus op één lijn mee gesteld en met elkaar vormen ze dan ook het kostbaarste wat uit de diepte der zee en uit het hart der aarde wordt opgedolven.
In al haar schoonheid is de parel een eenvoudig natuurvoortbrengsel. Zij bestaat even als het krijt uit koolzure kalk en wordt gevormd in de parelmoer-oesters uit meer of minder vocht, dat de oester afscheidt en dat zich zet rondom een kern, een stipje, bestaande uit een zandkorrel, een insect of een onvruchtbaar gebleven eitje. Het is aan de menschelijke kunst nog niet gelukt een parel te vervaardigen. Dat is te zeggen, zij wordt wel nagebootst â alles wordt nagemaakt en er zijn heel wat valsche paarlen in omloop â doch geen kenner zal ooit een echte met een valsche parel verwarren.
Toch zijn de echte zeer verschillend van kleur, van 't blinkend wit â door het grijs â tot het zwartachtig blauw. Aan wie de zuiverste rondheid en de meeste helderheid eigen is wordt de grootste waarde toegekend; zoo een wordt een parel van het eerste water genoemd. Karei de V bezat er een, die 80.000 ducaten waard was en de perle de Pellegrina werd geheeten. De Shach van Perzië zou er u een kunnen toonen, die op bijna lYs millioen geschat wordt
71
en wel bekend is het verhaal, hoe Kleopatra, een schoone maar ijdele vrouw, een zeldzaam kostbare parel â er wordt van 41/3 milioen gesproken! â oploste in een beker met azijn en toen dien drank opdronk, hiermee zeker niet meer bereikende dan dat zij berucht werd om haar brooddronkenheid. En zoo zouden er nog meer paarlen te noemen zijn, die een zekere historische vermaardheid bezitten.
In vele sprookjes ook speelt de parel een voorname rol. Stellig kent ge wel het verhaal van het meisje uit wier mond een schoone parel viel, telkens als zij een vriendelijk woord sprak; de gouden poorten der tooverpaleizen zijn met paarlen omzet; tranen, door lieve oogen geschreid, werden vaak paarlen genoemd door de dichters en ook in den bijbel wordt behalve in onze gelijkenis, herhaaldelijk van paarlen gesproken. Wijsheid is kostelijker dan paarlen heet het in het Spreukenboek en nu mag hier de vergelijking ten voordeele der wijsheid uitvallen, uit de vergelijking blijkt toch, hoezeer ook de spreukendichter de parel begeerlijk acht.
Het is de zee, die ons het kleinood waarvan wij spreken schenkt, doch zij geeft het niet dan voor groote inspanning. De parelvisscherij behoort tot de gevaarlijkste bedrijven. Ik denk, dat de waardij der parel behalve in haar teedere schoonheid, óók en niet weinig ligt in de moeite en in het gevaar, waarmee zij verkregen wordt. Ieder jaar in April en Mei varen de kleine scheepjes der parelvisschers in den Perzischen
72
zeeboezem rond en langs de kust van Ceylon en vlugge duikers dalen op den bodem der zee om snel de oesters, van de rotsen te slaan, het net er mee te vullen en zich weer te doen optrekken. Menige duiker kwam niet dan verminkt door een vraatzuchtigen haai weer boven of keerde in 't geheel niet terug van de geheimzinnige diepten.
Doch welk een vreugde als de handige en moedige duiker een net vol schelpen bovenbrengt en bij het wasschen der oesters een parel ondekt, die een schoone parel blykt te zijn, ja zelfs een van groots waarde. Vergeten zijn moeiten en gevaren, want groot zal het loon zijn dat hem wacht.
Onze gelijkenis zegt: Het koninkrijk der hemelen is gelijk aan een koopman, die schoone paarlen zoekt en die een parel van groote waarde gevonden hebbende, heenging en verkocht al wat hij had en die parel kocht.
Een koopman in paarlen wordt ons hier voorgesteld, een juwelier dus, één die verstand van zijn vak heeft. Uit verre landen komt hij naar de bekende visscherijen, geen moeite is hem te groot voor zijn doel en zijn doel is schoone paarlen te bemachtigen.
Wat zal de koopman er mee doen? Zal hij ze in den handel brengen, zoodat ze de geheele wereld over verspreid worden en hij zijn rijkdom er door vermeerdert? Zal hij ze mogelijk rijgen aan een snoer tot een halssieraad voor zijn bruid of zijn dochter? Of wel koopt
7 o
hö zo alleen om ze te bezitten, om ze zorgvuldig' weg te bergen in zijn schatkamer en zich nu en clan te verlustigen in haar zachten glans?
Het eerste is het waarschijnlijkst. Indien het hem aanvankelijk althans niet te doen geweest ware om er handel mee te drijven, zou hij geen koopman in paarlen, doch een kooper van paarlen moeten heeten in de gelijkenis. Daartegenover staat echter, dat ons verteld wordt van dien koopman, dat er een oogentalik in zijn leven kwam, dat hij alles verkocht wat hij had om één parel daarvoor in te ruilen. Zal hij den grooten schat, waarvoor hij alles heeft over gehad, ooit weer uit handen hebben gegeven?
Hoe het zij, de koopman ging uit om schoone paarlen te zoeken en â hij vond er. Hij vond er, die waard waren om gekocht te worden; doch toen hem eens een parel werd getoond, grooter dan al de paarlen, die hij had verzameld, schooner dan waarvan hij ooit had gedroomd â toen verkocht hij al de paarlen, die hij had en kocht die ééne, die ééne die meer waarde had dan allen te zamen.
Komt wij willen den koopman heden nareizen met onze verbeelding; wij willen hem nareizen met ons godsdienstig gemoed vooral. Wij willen zien en hooren, hoe en waar hij koopt, wat hij voor de paarlen geeft, welke paarlen hij prijst als schoone om met hem in bewondering stil te staan voor de parel van cjroote waarde. Wij willen den glans dier parel indrinken met onze oogen, zoodat hij onvergetelijk voor ons worde
74
en wij niet anders kunnen clan God danken dat hij zoo heerlijke schatten geeft aan wie er naar zoeken willen.
Toen de jonge man, dien wij op zijn reizen gaan volgen, een kind was, ontdekte hij eens op de borst zijner moeder een sieraad. Wel had zij het steeds gedragen, doch hij had het niet opgemerkt, hij had er geen oog voor gehad. Xu echter zijn aandacht getrokken was door het sieraad, zocht hij het iederen dag, overtuigd dat, zoo hij 't al niet oogenblikkelijk ontdekte, 't toch verborgen zijn moest tusschen de plooien van haar kleed. En dit was ook zoo.
Op haar huis- en feestgewaad droeg de goede moeder steeds het wonderschoone kleinood en naarmate hij het haar meer zag dragen, werd het liefelijker in de oogen van haar kind. En toen het kind eens niet kon slapen en ongeduldig om zijne moeder riep, zag hij, dat zij ook des nachts het sieraad niet had afgelegd en het scheen hem toe, dat de glans der parel in het duister van den nacht nog schooner was dan in het licht van den dag.
Menigmaal vleide hij zijn moeder om liet sieraad te mogen hebben, doch dan schudde zij lachend van neen. âIk kan de parel niet weggeven al zou ik het willen, doch ik wil haar ook niet aan je geven, mijn jongen; je bent nog te Itlein om zoo iets te dragen. Maar je moogt er naar kijken zooveel je wilt.quot; En het kind begreep, r.quot;t hij de parel schooner zag op het kleed zijner moeder
dan hij haar zien zou, wanneer hij zelf haar droeg. Toen hij een jongeling was geworden stierf de moeder; het kleinood werd met haar begraven, doch nimmer vergat het kind den wonderen glans der eerste parel, die hij had leeren kennen. En de herinnering daaraan wekte in hem de begeerte op naar schoone paarlen, die hij wilde koopen en ook verkoopen aan mensehen, die er naar verlangden als hij zelf.
Zoo besloot hij een koopman in paarlen te worden. Hij kende de richting, waarin hij de parelvisscherijen had te zoeken; zijn vader en leermeesters hadden hem dikwijls over de wogen daarheen gesproken.
Het verlangen was sterk in hem en wel toegerust toog hij op reis.
Indien de jonge man er idet vast van overtuigd was geweest, dat er schoone paarlen te verkrijgen zijn, hij zou rustig zijn thuis gebleven. Xu heeft hij geen rust. Hij zoekt en hij vindt in de hem aangewezen richting de parelvisscherijen en vroolijk wordt hij door de duikers begroet. âWees Welkom,quot; roept een jonge visscherhem toe. âIk weet wat gij begeert. Zie, hier heb ik paarlen, die gij goed zult doen te koopen. Zij zijn algemeen zeer gezocht. Ik vond ze op een dichtbezaaide rots. Zeldzaam zijn ze dus niet â maar de vorm is sierlijk en de kleur is vrij helder. Neem ze alle, alle te gelijk. Gij zult u nimmer beklagen er een voorraad van te hebben opgedaan, er iets voor over te hebben gehad.quot; En de jonge koopman neemt de hem aangeprezen waar. Hij koopt voor een matigen prijs kleine paarlen en in
76
de vreugde van zijn hart over den eersten schat, die nu zijn eigendom is, geeft hij ze alle een naam. Welwillendheid, voorkomendheid, inschikkelijkheid, toeschietelijkheid, toegevendheid, teederheid noemt hij zijne kleine paarlen. En als hij in zijn woonplaats teruggekomen ze aan den man brengt, dan blijkt het dat hij een goeden koop heeft gedaan. Zijn paarlen blijken een goede koopwaar te zijn en hij int dank en lof en goede gunst bij de menschen als hij ze verkoopt of ten geschenke geeft.
Andermaal gaat de jonge man op reis. Hij is wat ouder en ernstiger geworden. De gedachte is bij hem opgekomen, dat er grootere paarlen moeten te verkriigen zijn dan waarmee hij is thuisgekomen van zijn eersten tocht. Sterker is zijn verlangen naar schoone paarlen en hij besluit er meer en grootere te koopen dan hij deed.
âWelkom!quot; roepen de parelvisschers hem toe en zij bieden hem hun schatten aan.
âZie,quot; zegt er een met een betrouwbaar gezicht, waarop inspanning, moeite en zorg hun lijnen hebben gezet, âzie, fraaie paarlen heb ik opgedolven uit ie diepten. Ze zijn duurder dan die gij vroeger hebt aangeschaft doch ze zijn grooter en zeldzamer; ze hebben oneindig meer waarde. Koop mijn paarlen, gij zult er u nooit over beklagen.quot;
En de jonge man koopt met grooter opoffering dan den eersten keer, de fraaie paarlen, die hij begeerlijk acht en als hij ze één voor één zorgvuldig opbergt, noemt hij ze: volharding, kunst, studie, en anderen weer: goede naam, (''''â¢volle positie, levensvreugde. En teruggekomen in
zijn woonplaats verspreid hij zijn schatten onder zijn medeburgers en hij wordt geroemd als een degelijk juwelier en hij maakt goede zaken.
En ten derde maal gaat de koopman op reis en wederom komen parelvisschers hem te gemoet. Xu heeft hij zijn hart gezet op zeer sehoone paarlen en ze worden hem dan ook aangeboden. âZie,quot; zegt een grijze parelvisscher, âdit zijn de grootste, die ik in mijn leven heb gevonden. Kostelijk zijn ze, nimmer zag ik iets, dat hun glans te boven gaat. Niets zult gij vinden, dat de moeite van het reizen en zoeken meer waard is. Koop gij ze; het liefst zie ik ze overgaan in uwe handen, daar gij ze te waardeeren weet. En de koopman koopt en geeft een zeer groote som voor de sehoone paarlen, die hij met zachte handen aanraakt en hij noemt ze: rust, vrede, vrijheid, vertrouwen, vriendschap, liefde. En nu reist hij naar huis met een dankbaar gelukkig gevoel in zijn hart en hij bepeinst, dat, ais hij met deze schatten zijn voordeel zal hebben gedaan, hem niets meer zal ontbreken. En thuisgekomen spreidt hij zijn schatten uit en als hij rondkijkt in zijn schatkamer, dan prijst hij zich gelukkig. Rijk is hij, o zoo rijk!
Daar blinken voor zijn oogen de paarlen, die hij al koopend en verkoopend ter zijde heeft gelegd voor zich zelf, de paarlen die hij zoo vurig begeerde, omdat hij den glans dier eene parel op zijn moeders kleed niet heeft kunnen vergeten, die eene, die hij toewijding genoemd heeft en die hem paarlen heeft doen lief-
78
krijgen. Daar liggen de schooue paarlen van goede gunst bij de menschen, van welvaart, van levensvreugde, van kunst en wetenschap en vriendschap, en wel honderd kleine paarlen liggen daarom heen, alle liefelijk om aan te zien en aangenaam om te bezitten.
Het koninkrijk Gods is gelijk aan een koopman die schoone paai'len zoekt en die een parel van gvoote waarde gevonden hebbende heenging en verkocht al wat hij had en die parel kocht.
Toen de koopman voor de derde maal thuis was gekomen van zijn reis en zijn schatten overzag, voelde hij zich rijk en gelukkig en dankbaar gestemd en geen wonder: wat hij ernstig begeerd en met inspanning gezocht had was nu zijn eigendom. â En toch voldaan was hij niet.
Naarmate hij zich meer paarlen had verworven, had hij meer verlangen gekregen naar paarlen, en naarmate de paarlen, die in zijn bezit kwamen, schooner en grooter waren groeide de hoop in hem nog grootere en schoonere te vinden.
De man uit de gelijkenis, zooals ik hem mij voorstel althans, had als kind leeren liefhebben het schoone goede. Döt te verwerven was zijn begeeren. Hij wist dat het hem niet geschonken zou worden, hij moest er zich voor inspannen en hij deed het met al zijn kracht.
Hij is jong en wat aan de jeugd het meest begeerlijk schijnt, trekt hem het eerst aan. Bemind te zyn bij de menschen! Wie zou het niet begeeren?
79
Vriendelijkheid en voorkomendheid, inschikkelijkheid en toeschietelijkheid zijn paarlen van matigen prijs. En o, ze zijn zoo gewild! Zij zijn het, waardoor genegenheid van en goede gunst bij de menschen wordt verkregen. En ik zal de laatste zijn 0111 deze kleine, lieve paarlen te minachten als ze echt zijn en niet te duur worden gekocht.
Doch het bezitten van en handelen met deze paarlen is den ernstigen mensch niet genoeg. Op meer zet hij zijn hart en voor grooter som koopt hij grooter paarlen. Met inspanning en volharding maakt hij zijn schat tot iets meer en al voortgaande van het mindere naar het meerdere verrijkt hij zijn leven met de paarlen van kennis en kunst, van vrijheid, vrede en rust, van vertrouwen, vriendschap en liefde.
En als hij dan is zoo rijk en gelukkig â dan gebeurt het hem, hij weet zelf niet hoe, dat de reislust opnieuw in hem wakker wordt. Is het het groote blauwe water, waaraan de parelvisschers wonen dat hij niet kan vergeten? Is het de gedachte, dat er paarlen zijn bovengebracht uit de zee, die hij niet heeft gezien en die grooter konden zijn dan die hij bezit.
Hoe het zij â nog eens gaat hij op reis en dan â daar wordt hem voorgehouden de parel van groote waarde. Als de parel, die geblonken heeft op het kleed zijner moeder, neen, nog grooter, noch schooner schijnt deze hem toe. Het is de parel, waarvan hij een voorgevoel heeft gehad, dat zij er zijn moest en hij zal haar koopen.
80
âWat vraagt ge voor uw parel,quot; zegt hij tot den visscher, die haar bewaart in een gouden omlmlsel en haar slechts spaarzaam vertoont. âWat vraagt ge voor uw parel?quot;
En de visscher antwoordt: âGroot is de som, die ik vraag voor dezen schat. Doch te groot is zij niet. Geef op al de paarlen, die gij hebt verzameld, de kleine en de groote, geef. op, al wat gij begeerliik geacht hebt en wat uw geluk heeft uitgemaakt, dan zal ik u de parel geven, die ik slechts aan enkelen laat zien.quot;
âAl mijn paarlen, alle, alle?quot; vraagt de koopman ontroerd, âzij waren mijn trots en mijn vreugde.quot;
âAl uw paarlen,quot; zegt de visscher met zachten drang. âWaren de anderen uw trots en uw vreugde â deze zal uw zaligheid zijn!quot;
âBewaar haar, bewaar haar voor mij,quot; smeekt de koopman, âwat schoon en goed was heb ik gevonden, ik wil het inruilen voor het schoonste, het hoogste goed.quot;
En de koopman reist naar zijn huis, waar zijn schat ligt opgeborgen en hij neemt de lieve, kleine paarlen en de grootere en de grootste en hij bekijkt ze met vochtige oogen en met een kloppend hart en dan bergt hij ze in zijn gordel en vangt de reis weer aan.
âZoo'n stumper,quot; zegt er een, die gehoord heeft van het plan, âzoo'n stumper, hij kent zijn eigen voordeel niet.quot;
âDwaas,quot; zegt een ander, âlaat u raden, dat rusteloos reizen verteert uwe krachten. Wees tevlsden met wat gij hebt.quot; â âVriend,quot; zegt een derde, âzou de parel
81
van groote waarde, waarvoor gij van zins zijt zooveel te geven, wel waarlijk zoo groot zijn als zij u heeft toegeschenen ? Zijn veel kleine paarlen niet meer dan een groote?quot; Doch de man uit de gelijkenis gaat zijns weegs.
Daar ziet hij den parelvisscher staan, op dezelfde plek, waar hij hem het eerst heeft gezien. Het gouden omhulsel houdt hij geopend in de hand; de parel gloort er in als de groote zee gloort in den glans der zon. En zonder te spreken legt de koopman in paarlen in de linkerhand van den parelvisscher: de goede gunst der menschen, lof en eer, weelde, rust, kunst en studie, vrijheid, vriendscliap en liefde en neemt uit diens rechterhand aan de parel van groote waarde: Het Godsrijk.
Ik heb u de gelijkenis, zelve een parel onder de gelijkenissen, uitvoerig weergegeven. De meesten van u zullen haar nu zeker verstaan. Ik wil u nog voorbeelden noemen van mannen en vrouwen, die zijn als de koopman in paarlen. Jezus zelf was een koopman in paarlen; alle goede en groote menschen zijn het. God wil, dat wij het allen zullen zijn.
Onlangs las ik een verhaal over een jongen Engelschen mijnwerker; Jack wordt hij genoemd in het verhaal. Jack was alleen in de wereld sinds zijn vader omkwam in de mijn.
6
82
Vóór zijns vader's dood was hi] eon g-allc, goedhartige makker. Van zijn verdienste tracteerle liij zijn vrienden, betaalde hij de medicijnen van een ziek buurkindje en zijn kameraden wisten liet best, al had Jack het niet verteld: de wollen deken op Pim's bed was uit Jack' beurs betaald. Jack werd door zijn vrienden op de handen gedragen, die goede goedgeefsche Jack!
Doch na het ongeluk in de mijn was Jack geheel veranderd. Hij ging niet meer uit met de vrienden â dit schreven ze toe aan zijn droefheid en ze hadden er eerbied voor â maar dat hij akelig zuinig was geworden voor zich zeiven en niets meer weggaf, dat konden ze met zijn karakter niet rijmen.
Eén van de makkers wist te vertellen, dat Jack iedere week geld bracht op de spaarbank. Zou hij gierig worden, vroegen de vrienden en ze besloten hem op de proef te stollen. Zeg, Jack, zei Sam op zekeren dag toen ze samen aan 't hakken waren in de mijn, weet je wel dat er typhus is bij die arme Williams? Ze hebben er aan alles gebrek â als ik â als ik geld in de spaarbank had â he, ik wou dat het waar was, â dan zou ik daar eens gaan helpen â dat zou een goed werk zijn, iets voor jou. Jack, en meteen hield Sam zijn lantaarntje bij het gezicht van Jack om te zien wolken indruk hij maakte. Jack keerde het hoofd af, zuchtte en antwoordde niet. Zucht je, kerel, help liever, ging Sam voort, als ik niet voor mijn moeder had te zorgen en ik had â geld in â de â bank â
83
Ik lieb geen geld in de bank, zei Jack kortaf en treurig en hij sloeg groote stukken steen af met zijn houweel.
Hij is gierig geworden en hij is bang, dat we weten zullen dat hij geld heeft, vertelde Sam 's avonds aan de vrienden, zijn goedhartigheid is er al bij ten onder gegaan, arme jongen!
Maar Jack was niet gierig geworden; het lantaarntje, dat Sam bij zijn gezicht hield, had bijna verraden, dat er twee groote tranen waren opgekomen in Jack's oogen onder Sam's verhaal over de Williams. Jack had na vaders plotselingen dood in diens kast een schuldbekentenis gevonden, een schuldbekentenis van 200 gulden. De landheer had niet om het geld gevraagd, ei-zelfs niet over gesproken, toen hij Jack zijn deelneming kwam toonen, maar Jack wilde het geld teruggeven zoo spoedig hij kon; als hij een vol jaar ontbeerde dan zou hij 't geld bij elkaar kunnen hebben. Hij moest de lieve kleine parelen van gulheid en hulpvaardigheid, maar ook van het vertrouwen en de genegenheid zijner vrienden wegdoen om de parel te koopen, die voor hem was de parel van groote waarde: de blanke nagedachtenis van zijn vader.
Gij hebt allen wel eens gehoord van Elisabeth Fry, de edele vrouw, die door haar invloed de gevangenissen en hospitalen heeft verbeterd, maar mogelijk hebt ge nooit den naam van Sarah Martin gehoord, die eigenlijk de voorloopster is geweest van Elisabeth Fry.
84
Sarah Martin was een naaistertje, dat door een arme grootmoeder was opgevoed en voor 12 stuivers per dag uit naaien ging. In 1819 werd een vrouw veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf, omdat ze haar kind had gemarteld. Ieder sprak over het gruwelijk geval en de jonge naaister werd zoo getroffen over het verslag van het verhoor en door het harde oordeel der mensehen over de ontaarde moeder, dat zij begon te verlangen te beproeven die vrouw tot een beter mensch te maken.
De cipier der gevangenis liet haar pas na herhaalde verzoeken om toegelaten te worden binnen en toen de schuldige moeder voor haar stond en begreep, dat Sarah kwam om haar op te beuren, barstte zij in tranen uit. Het meisje, dat hard moest werken voor den kost, besloot een geheelen dag van de week en den Zondag aan de gevangenen te wijden. Zij las hun voor uit den Bijbel en leerde ze lezen en schrijven, breien en verstellen ; de mannen leerde zij petten maken en schoenen lappen.
Maar Sarah verloor er haar naaihuizen om â want wat zij deed was zoo nieuw en de mensehen vonden het al te dwaas. Betrekkelijke welvaart en goede gunst van de mensehen waren de kleine paarlen die Sarah Martin offerde aan de parel van groote waarde, liefde voor haar meest rampzalige medemenschen. Na 20 jaren van arbeid werd haar door het bestuur der gevangenis een jaargeld van 120 gulden aangeboden, waarvoor zij in de gevangen's zou moeten wonen en zich geheel
85
aan de gevangenen wijden. Het stuitte haar tegen de borst geld aan te nemen voor de liefdediensten, die zij 20 jaar vrijwillig had gegeven en als zij een ambtenaar werd in de gevangenis zou zij niet meer zoo volkomen vrij zijn in haar doen en laten als zij tot dusver was geweest. Sarah Martin aarzelde over het al of niet aannemen van het aanbod, doch de commissie van beheer liet haar op ruwen toon weten, dat zij zich te schikken had naar de gestelde voorwaarden of ophouden moest de gevangenen te bezoeken.
Toen nam Sarah Martin de gevangenis tot woonplaats; de lucht in het vunzige gebouw ondermijnde haar gestel en na twee jaren stierf ze; â ze had slechts te kiezen gehad tusschen altijd of nooit onder de gevangenen te zijn en ze koos het eerste en gaf de paarlen van vrijwillig gaan en komen, van vrijheid en onafhankelijkheid en fierheid voor de eene parel, die meer waard was dan al de andere te zamen.
En Willem de Zwijger â dat weet ge wel â hij verkocht zijn sieraden, waaronder ook wel paarlen in den echten zin geweest zullen zijn, om een leger te kunnen vormen, dat strijden zou voor de parel van groote waarde, de gewetensvrijheid van ons volk, en hij deed weg de parel van goede gunst aan het hof van Philips. En zoo deed ook de beroemde profeet van Florence, Savonarola; hij bedankte den Paus voor een kardinaalshoed, omdat hij als kardinaal zou moeten zwijgen van zooveel kwaad waaraan hij zich ergerde en waarvan hij wilde spreken en hij legde de parel
86
der grootheid, die hem overigens wel toekwam, op zij om er de parel van groote waarde, vrijheid om te getuigen naar de inspraak van zijn geweten, voor te koopen.
En nog een sterk sprekend voorbeeld ga ik u noemen:
Bernard Palissy was een Fransch kunstenaar; hij had groote bewondering voor Italiaansch porselein en wilde beproeven het glazuur daarvan na te maken; de kunst daarvan werd door de Italianen geheim gehouden. Hij werkte en onderzocht dag en nacht en de ijver verteerde hem. Eindelijk meende hij het geheim ontdekt te hebben. En op een dag, dat hij zijn oven tot een ontzettende hitte gestookt had, kwam hij brandstof te kort om het vuur te onderhouden. Nu hakte hij al het houtwerk van zijn huis aan stukken, de deur en de ramen, de kasten en kisten, alles ging in den vuurpoel tot groote ergernis en woede van zijn vrouw, die hem voor krankzinnig uitmaakte, ofschoon zij heel goed wist, dat het hem alleen te doen was om zijn kunst, die hem alles waard was. En waarlijk Palissy vond dien dag wat hij gezocht had en nu zou hij beroemd worden en rijk bovendien; en wat nog meer is: zijn lust en liefde voor het schoone zouden worden bevredigd. Maar daar werden de protestanten vervolgd in Frankrijk en Bernard Palissy was een protestant.
Huichel, huichel, dat gij weer katholiek wilt worden, anders zijn verloren al de jaren van inspanning en ontbering, die gij hebt doorgemaakt en niets zult gij hebben aan de kunst, die gij zoo lief hebt, zeiden zijn
87
vrouw en zijn bewonderaars. Doch Bernard Palissy nam de moeizaam verkregen paarlen van kunst en levensvreugde en offerde ze op aan de parel van grooto waarde : zijn vaste en heilige overtuiging, en stierf den hongerdood in de gevangenis.
Gij ziet de parel van groote waarde, het godsrijk, draagt allerlei namen; voor de een is zij kinderliefde, voor de ander barmhartigheid, voor de derde vrijheid, maar nooit heet zij zelfzucht of eigenliefde; altijd is zij liefde tot God, tot het hoogste en het beste. En duur is de parel om te koopen, maar te duur wordt zij nooit gekocht, want meer is ze waard, gelukkiger maakt ze dan alle paarlen te zamen, die het leven liefelijk en licht hadden kunnen maken.
Wat zal de parel van groote waarde voor u zijn? Zult ge haar ooit zien en zult ge haar ooit koopen?
De visscher, die deze parel aanbood aan den koopman, zeide: ik laat haar slechts weinigen zien en hij hield haar omsloten in een gouden omhulsel. Zeker zou hij den koopman den schat niet vertoond hebben, indien hij hem niet gekend had als een onvermoeid zoeker naar schoone paarlen.
Voor u is het godsrijk een verborgenheid, die ik u niet kan openbaren, doch als gij rusteloos gezocht zult hebben uw leven lang naar al wat schoon is en goed, dan zal ook voor u onthuld worden wat slechts aan weinigen gegeven wordt te zien.
Menschengunst, lof en eer, welvaart, rust en vrijheid, vriendschap en liefde â gelukkig die zoo schoone
88
paarlen heeft gezocht en gevonden, ma-ar zalig, wie ze ter rechter tijd weet af te staan en te ontberen voor het hoogste goed, den vollen grooten vrede met zich zelf, de zekerheid van Gods welbehagen, de parel van groote waarde.
Zt) is niet gestorven, maar slaapt.
Lukas VIII, v. ö2o.
HET DOCHTERTJE VAN JA1RUS
Over een wonderverhaal ga ik spreken. Het staat te lezen in hot 8st0 hoofdstuk v. h. Ev. naar Lukas en is bekend onder den naam: het dochtertje van Jairus.
Het verhaal is maar kort, luistert:
Zie daar kwam een man, wiens naam was Jaïrus en hij was een overste der synagoge. En hij viel aan de voeten van Jezus en bad hem in zijn huis te komen; want hij had een eenige dochter van omstreeks 12 jaar en zij lag op sterven. Terwijl hij nog sprak kwam er een van de oversten der synagoge, die tot hem zeide: Uw dochter is dood; doe den meester geen moeite aan. Doch Jezus dit hoorende antwoordde hem en zeide: Vrees niet, geloof slechts en zij zal behouden worden. En hij kwam in het huis en liet niemand met zich binnenkomen dan Petrus, Johannes en Jacobus en den vader en de moeder van het meisje. En zij schreiden allen en maakten misbaar over haar. Doch hij zeide: Schreit niet! Zij is niet gestorven, maar slaapt. En zij
92
belachten hem, wetende dat zij gestorven was. Maar hij vatte hare hand en riep zeggende; Meisje, sta op! En haar geest keerde weder en zij stond dadelijk op. En hij gaf last dat men haar te eten zou geven. En haar ouders ontzetten zich; doch hij beval hun, aan niemand te zeggen hetgeen er geschied was. â
Zietdaar het verhaal, zooals wij het lezen in den bijbel; nu ga ik het oververtellen voor u.
Er was eens een meisje van ongeveer twaalf jaar â haar naam doet er niet toe â en dat meisje gaf haar ouders veel zorg. Vader en moeder hielden innig veel van hun eenig kind, maar het kind had geen echte liefde voor haar ouders. Zij wilden het meisje opvoeden tot teederheid en waarheid, maar het kind was hard en loog.
Als moeder ziek was vergat zij zacht te loopen door huis, zij vergat moeder in te geven op tijd, ondanks vaders nadrukkelijk verzoek; zij vond het vervelend, dat moeder ziek was, maar ze was niet bedroefd om moeders pijn en ellende.
En hoe dikwijls het haar ook gezegd werd, dat er niets goed is dan de waarheid, toch jokte ze als ze aardig wilde zijn; ze jokte om zich uit kleine ongelegenheden te redden; zij loog uit ijdelheid en uit vrees.
En de ouders zagen het kind met bekommernis aan en zeiden tegen elkaar: ons arm kind is heel ziek, wij moeten haar goed verzorgen anders zal zij sterven; doch hoe zij ook hun best deden, het baatte niet; de
93
kwalen van het kind werden grooter â en moedeloos zeide de vader: het kind is niet te genezen van haar zonde, haar hartje verhardt zich tegen onze liefde in.
En in groote droefheid zaten de ouders bij el kaaien wisten niet wat te doen.
Zou â misschien â Jezus, de kindervriend, die reeds zooveel lammen, blinden, dooven had genezen, haar kunnen helpen? Maar deze zieken hadden Jezus zeiven opgezocht en geroepen en op zijn vraag: wilt gij genezen worden, hadden zij geantwoord: ja, ik wil, maar hun kind antwoordde op de vriendelijke vragen van vader en moeder: ik wil niet. Zij was erger dan traag en onwillig in -quot;t doen van 't goede; zij was er onaandoenlijk voor.
âDat meisje â ze is dood voor al wat goed is,quot; zeiden althans de kennissen en buren, die nu en dan bemerkten hoe koud en liefdeloos het hart van het meisje was en dat haar geweten niet scheen te spreken. .Als 't mijn kind was, zou ik onmogelijk van haar kunnen houden; ik zou niet met haar om kunnen gaan, ik zou haar ver van huis zenden,quot; zei er een, die zelve geen kinderen had en die niet begreep, waarom het hart der ouders nog altijd hing aan zoo'n kind.quot;
âEr is waarlijk niets aan te doen,quot; zeiden anderen en ze babbelden met elkaar over 't naar geval en ze schudden de hoofden en beklaagden de ouders en ze knikten het meisje ternauwernood toe als ze voorbij ging.
Zoo'n onlief, lastig en ondeugend kind, zoo lui en zoo slordig, zoo brutaal en zoo onverschillig en zoo
92
belachten hem, wetende dat zij gestorven was. Maar hij vatte hare hand en riep zeggende: Meisje, sta op! En haar geest keerde weder en zij stond dadelijk op. En hij gaf last dat men haar te eten zou geven. En haar ouders ontzetten zich; doch hij beval hun, aan niemand te zeggen hetgeen er geschied was. â
Zietdaar het verhaal, zooals wij het lezen in den bijbel; nu ga ik het oververtellen voor u.
Er was eens een meisje van ongeveer twaalf jaar â haar naam doet er niet toe â en dat meisje gaf haar ouders veel zorg. Vader en moeder hielden innig veel van hun eenig kind, maar het kind had geen echte liefde voor haar ouders. Zij wilden het meisje opvoeden tot teederheid en waarheid, maar het kind was hard en loog.
Als moeder ziek was vergat zij zacht te loopen door huis, zij vergat moeder in te geven op tijd, ondanks vaders nadrukkelijk verzoek; zij vond het vervelend, dat moeder ziek was, maar ze was niet bedroefd om moeders pijn en ellende.
En hoe dikwijls het haar ook gezegd werd, dat er niets goed is dan de waarheid, toch jokte ze als ze aardig wilde zijn; ze jokte om zich uit kleine ongelegenheden te redden; zij loog uit ijdelheid en uit vrees.
En de ouders zagen het kind met bekommernis aan en zeiden tegen elkaar: ons arm kind is heel ziek, wij moeten haar goed verzorgen anders zal zij stei'ven; doch hoe zij ook hun best deden, het baatte niet; de
93
kwalen van het kind werden grooter â en moedeloos zeide de vader: het kind is niet te genezen van liaar zonde, haar hartje verhardt zich tegen onze liefde in.
En in groote droefheid zaten de ouders bij elkaar en wisten niet wat te doen.
Zou â misschien â Jezus, de kindervriend, die reeds zooveel lammen, blinden, dooven had genezen, haar kunnen helpen? Maar deze zieken hadden Jezus zeiven opgezocht en geroepen en op zijn vraag: wilt gij genezen worden, hadden zij geantwoord: ja, ik wil, maar hun kind antwoordde op de vriendelijke vragen van vader en moeder: ik wil niet. Zij was erger dan traag en onwillig in 't doen van 't goede; zij was er onaandoenlijk voor.
âDat meisje â ze is dood voor al wat goed is,quot; zeiden althans de kennissen en buren, die nu en dan bemerkten hoe koud en liefdeloos het hart van het meisje was en dat haar geweten niet scheen te spreken. .Als 't mijn kind was, zou ik onmogelijk van haar kunnen houden; ik zou niet met haar om kunnen gaan, ik zou haar ver van huis zenden,quot; zei er een, die zelve geen kinderen had en die niet begreep, waarom het hart der ouders nog altijd hing aan zoo'n kind.quot;
âEr is waarlijk niets aan te doen,quot; zeiden anderen en ze babbelden met elkaar over 't naar geval en ze schudden de hoofden en beklaagden de ouders en ze knikten het meisje ternauwernood toe als ze voorbij ging.
Zoo'n onlief, lastig en ondeugend kind, zoo lui en zoo slordig, zoo brutaal en zoo onverschillig en zoo
94
onwaar bovendien, neen, daar was geen aardigheid aan, daar mochten hun kinderen niet mee omgaan!
Maar de vader van het kind ging naar Jezus en had hem in zijn huis te komen, zeggende dat het heel treurig met zijn ziek kind gesteld was, â ja â dat â ze op sterven lag, want hij was toch de vader van het kind en kon het harde woord niet uitspreken: zij is dood en hij geloofde ook niet, dat ze dood was, wel dat ze op sterven lag.
Een buurman echter, die 't goed met den vader meende en zielsmedelijden met hem had, maar 't tocli wel jammer vond van Jezus' tijd en moeite om die te verspillen aan deze zaak, zeide: Doe den meester geen moeite aan, het zal hem evenmin baten tot het kind te spreken als u of mij; zij is nu eenmaal onvatbaar voor goede woorden, zij is dood.
Toen Jezus hoorde, dat de vader zijn hulp inriep, schoon de buurman er geen heil van verwachtte, blonk er een zacht licht uit Jezus' oogen en er kwam een glimlach op zijn gelaat: Vrees niet, zei hij tot den vader van het kind â vrees niet, geloof slechts. Vertrouw op God en vertrouw op uw kind. Gods zon doet bloemen groeien ook in een moeras, zijn regen doet de hardste aardkluiten weeken. Een menschenhart kan niet versteenen en sterven en een kinderhart nog veel minder.
En Jezus volgde den man naar zijn huis en de buren hadden wel gaarne mee naar binnen gegaan om te zien wat er nu ging gebeuren, doch hij weerde allen, die wel bemoeizucht maar geen liefde hadden; hen liet
95
hij niet binnen. Met den vader en de moeder ging hij naar liet kind en niet enkelen van zijn hartelijke vrienden, die 't zoo wel meenden en hijzeide: schreit niet, moedeloosheid wordt grooter door tranen. Zij is immers niet gestorven maar slaapt. Maar zij zsigen hem aan ongeloovig; zij durfden bijna niet hopen. Toen Jezus het meisje voor zich zag, vatte hij hare hand en riep haar toe: Meisje sta op, gij kunt, doe het dan ook. Waarom zoudt gij niet kunnen, waarom zoudt gij niet, willen? Gij zijt een kind van God als alle andere kinderen; hij heeft u tot geluk geschapen, waarom zoudt gij dan ongelukkig willen zijn? Word wakker, word wakker, kind, en sta op!
Wat Jezus deed hadden hare ouders dagelijks gedaan, maar nu was het eene nieuwe ontmoeting voor haar; een onverwachte, vreemde hand raakte haar aan en die hand was zacht en warm en het was een onverwachte, vreemde en doordringende stem, die riep; Meisje, sta op! En er was geen zweem van twijfel in die stem of ze wel zou kunnen. Gij kunt, doe het dan ook, klonk het haar tegen vol vertrouwen. Die stem nu deed haar eerst opzien met verbazing; wat is dat â bemoeit gij u met mij? Die stem deed haar daarna opzien met belangstelling; â wie zijt gij. dat gij zoo goed van mij denkt en toen zag zij op met verlangen: o blijf een beetje van mij houden! En het .bloed begon warm te vloeien van het hart naar de wangen van het kind. Zij schaamde zich toen zij opkeek in die lieve oogen. Het verharde hartje was verteederd door de zon
96
der liefde, die in vollen glans opging- over haar weerspannig gemoed. Ze was nu niet langer dood maar leefde â en ze wist dat ze leefde. En ze zou spoedig genezen zijn ook â o zoo spoedig. Maar nu moest ze geholpen worden, tegemoet gekomen nog meer dan vroeger. Nu moest haar voedsel worden gegeven, het rechte voedsel voor haar hart en gemoed; nu wilde zij liefde geven en liefde ontvangen; haar hartje hongerde nu naar de genegenheid, die zij eerst had versmaad. O laat 'thaar daaraan niet ontbreken, zeide Jezus. â En dan nog iets. Jezus zeide, men moest er haar niet meer van spreken, haar geen verwijten doen, men moest haar nooit meer zeggen hoe onhartelijk en ongevoelig, hoe traag en nukkig, hoe onwaar ze geweest was â o ze zou nog wel moeite hebben,o zooveel moeite met zich zelve, maar ze moest vergeten, vergeten het donker en boos verleden en dan â dan zou ze eerst recht gaan groeien en bloeien in het nieuwe licht van goedheid, oprechtheid en liefde.
Schijndood was ze geweest, ja, maar nu was ze wakker geroepen, wakker voor altijd!
Och drong eens het alvermogen Uwer liefde alomme door!
Open aller blinden oogen,
Open aller dooven oor;
Geef dat alle stervelingen,
Geef dat ouderdom en jeugd.
Alle kind'ren eens verheugd Van uw groote liefde zingen.
Juichen in uw heerschappij,
ü beminnen vrij en blij.
97
En nog andere wonderverhalen ga ik u doen.
Er lagen twee croeusbollen naast elkaar in den grond en ze verveelden zich verschrikkelijk. Ik ga slapen, zei de èèn, wat mij aangaat mag een slak mij opeten. Maar de ander zei: me dunkt, ik zie daar tusschen die twee aardkluitjes heen wat schemeren en ik hoor iets, ik hoor iets, ik weet niet wat. Kom, ik ga een spruitje uitsteken en boor mij een gaatje naar boven. Kom mee, kom mee naar boven; er is iets in mij dat zegt, dat het goed is te groeien en te streven naar het licht. Maar de andere bol wilde niet, die ging slapen.
Die het licht had zien schemeren ging aan den arbeid en al was het zwaar werk, want 't uitspruitsel was teer en had te lijden van kluitjes aarde en steentjes en wortels in den grond, zij verloor den moed niet maar ging volhardend en geduldig voort. En de aanmoediging bleef niet uit. Xa eenige dagen hoorde zij de kinderstemmen, die ze vroeger ook gehoord had, maar die nu duidelijker waren. Ook was de duisternis nu niet meer zoo groot. Een flauwe schemering kwam de dichte duisternis vervangen en koesterende warmte bracht haar moed. Dat was de morgen van het hoo-gere leven. Maar wie zal zeggen wat de crocus voelde, toen ze opstond uit haar graf en zich ontplooide in den zonneschijn- Zij zag de hooge zon en den wijden hemel en het fluweelen grasveld en ver weg de boo-men en de heuvels, een wereld grooter en schooner dan haar droomenland. En daar waren ook de kinderen, wier blij lachen haar slechts dof liad geklonken
7
98
toen ze nog onder den grond was; daar speelden zij in den tuin en zagen er zoo liet' uit in hun gouden haren en met hun stralende oogen. En daar kwam een der kinderen en wees naar de bloem en riep: hoe mooi! hoe mooi! En het kind stond stil in bewondering. Want de crocus gloorde in den zonneschijn en wist zelve niet hoe schoon ze was. En ze zag op in de gelukkige kindergezichten en achtte de inspanning niet te groot, die zij zich getroost had voor dit schoone, dit heerlijke leven. En zij huiverde op haar steel als ze dacht aan het koude, donkere leven, dat zij geleefd had onder den grond en met droetheid dacht ze aan de zusterbloem nog diep in de aarde, niets ziende, niets wetende van deze lichtwereld en die zelfs niet gelooven kon aan het bestaan van dit lioogere leven.
Wat dunkt u, zal het dochtertje van Jaïrus ook nog wel eens gehuiverd hebben, toen zij goed was wakker geworden, als ze terugdacht aan den tijd, toen ze sliep en schijndood was ? En zal ze ook begeerd hebben op haar beurt wakker te roepen, die sliepen om haar heen ?
Maar nog meer wonderverhalen wil ik doen ! O, als ik al de wonderen moest vertelen, die ik weet uit de geschiedenis en uit mijn eigen hart, dan zou ik niet klaar komen â in geen jaar!
Er was een jongen, hard en onhandelbaar, Augus-tinus was zijn naam en hij had een vrome moeder, Monica. Monica wilde het gemoed van haar kind,.verzorgen met groote liefde, maar de jongen wilde niet
99
goed zijn, hij wilde niet. De biaschop van de stad, waar Monica woonde, vond de arme moeder vaak in tranen, docli hij troostte haar, zeggende; Monica, een zoon van zooveel tranen en gebeden kan niet verloren gaan.
Augustinus, een jongeling geworden, reisde ver weg en zijn moeder kon hem niet meer bewaken en hij gedroeg zich zoo, dat men te Karthago van hem zei-de hij : is de bekwaamste maar ook de slechtste van alle studenten.
Augustinus werd een man, beroemd om zijn geleerdheid, berucht om zijn lichtzinnigheid, maar soms had hij berouw over zijn zonde en dan haatte hij zichzelf. En eens toen hij in een tuin in Rome liep na te denken over zijn moeder, over zijn zonde en over God, hoorde hij eensklaps een klein meisje een oud bekend liedje zingen en dat liedje had tot refrein: mxj heden nog heden.
Toen dacht Augustinus aan het verhaal van hot dochtertje van Jaïrus; tranen drongen in zijn oogen en hij zeide tot zich zeiven: Sta op, gij kunt, doe het dan ook en doe het nog heden, nog heden.
Augustinus is een van de uitnemendste menschen geworden in wijsheid en deugd, die ooit hebben geleefd ; hij werd een zegen voor duizenden menschen. En Monica heeft dit gelukkig nog geweten voor haren dood.
De Heer is groot, is onuitsprekelijk groot ^ En zijne macht kent perk nog paal;
Alles wat adem heeft love den Heer.
100
Er was eens een beeldhouwer, die een ruw brok wit marmer zag, dat al eeuwen geleden uit de steengroeve te voorschijn was gehaald. Het marmer had geleden van weer en wind, het was vol smeuren er vlekken aan de buitenzij, maar het had ook leelijke gele plekken en aders, die het al in de groeve had gehad.
Doch de beeldhouwer zag in zijn verbeeling naast het brok marmer een schoonen slanken knaap staan en hij greep den beitel en hij sloeg met kracht en macht op het ruwe brok en de steenen vlogen naar rechts en links en de vuile vlekken verdwenen en de gele plekken werden weggestooten en de leelijke aders vervielen en voor de oogen der verbaasde menschen, die dat brok marmer al zoo dikwijls gezien hadden, zonder dat ze er iets moois aan zager, stond getoo-verd; David met slinger en steen, gereed den reus Goliath te gaan verslaan.
Het ruwe brok marmer was dood, nu was 't levend geworden, doch alleen het oog en de hand van een groot kunstenaar waren in staat geweest het levend te maken. Die groote kunstenaar was Michel Angelo.
Michel Angelo was een groot kunstenaar en er zijn veel groote kunstenaars geweest, die wonderen van schoonheid en goedheid hebben verricht. Maar weet ge wie de grootste kunstenaar is ? De grootste kunstenaar is God.
Weet, er zijn veel dochtertjes als het dochtertje.van
101
Jaïrus, er zijn veel crocusbollen in den grond. Er zijn heel wat jongens als Augustinus en heel wat brokken ruw marmer! En de groote kunstenaar, God, ziet ze allen, hoe ze slapen en wil, dat ze wakker worden. De menschen zeggen vaak: dat meisje is niet goed; van dien jongen komt niets te recht, 't is mogelijk dat ze 't zoo erg niet meenen, maar ze zeggen het dan toch en daarmee doen ze zeker meer kwaad dan goed.
God spreekt anders. Nu op de eene dan op de andere wijze, luid zoodat velen het hooren of zoo zacht dat maar éen 't kan verstaan, spreekt hij: jongen, word wakker; meisje, sta op! En hij spreekt, ja, hoe en waar al niet, hij spreekt door groote profeten uit alle tijden en landen en hij spreekt in ieder van ons met de fluisterstem van het geweten, die elk voor zich alleen kan verstaan. Daar zoudt ge allen heel wat van kunnen vertellen, is 't niet?
O die fluisterstem, die fluisterstem, wat heeft ze vaak tot ons gesproken, zacht klagend en verwijtend en altijd dringend: sta op. sta op. Gij kunt, doe het dan ook, doe het dan ook.
Of zou er niemand onder ons zijn die, traag en onwillig, o zoo graag met een âik kan nietquot; zich afmaakt van een moeilijk werk, maar daar schiet hem een spreekwoord te binnen, dat zegt: waar een wil is daar is ook een weg! en de traagheid wordt overwonnen en de onwil wordt op zij gezet en't werk gaat vlot van de hand en wordt een vreugd in plaats van een last.
102
En er is er een wat ongoedhartig en niet goed-geefsch en er wordt iets van zijn zakgeld gevraagd voor een arm mensch, dat geholpen moet worden en hij zou wel liever niet meedoen, maar daar schiet hem een klein versje te binnen, hij weet zelf niet waar hij 't eens heeft gelezen of gezongen:
Zalig, zalig, zalig is hij.
Die geeft wat hij heeft cn zich rijk voelt daarbij.
En hij steekt zijn hand in zijn zak, omdat een leege beurs toch altijd prettiger is dan een leeg hart.
O op duizend wijzen spreekt de groote kunstenaar tot ons en zegt: klein meisje, laat mij eens iets van u maken, of: kleine jongen, als ge niet wakker wordt, wordt ge nooit een man.
Soms is het de dood van vader, die den oudsten zoon komt wakker schudden; hij wordt geroepen een steun, een troost, een hulp te worden voor moeder en diep beseft hij zijn verantwoordelijkheid en wat hij nooit gedacht heeft te kunnen doen, dat kan hij nu.
Soms maakt de ziekte van moeder een ijverig huismoedertje van een onverschillig, onhandig meisje.
Dan weer komt een heerlijk voorbeeld van waarheidsliefde, vergevensgezindheid en moed zeggen tot ons hart: zoo behoordet gij ook te zijn en wij volgen het voorbeeld na; dan weer komt een enkel zonnestraaltje den slapenden bloembol wekken en de bloem ontplooit zich en siert de aarde.
En ook gebeurt het wel eens, dat een jongen of een
103
meisje, dat een man of een vrouw, die heel wat van zich zelf denkt, die pronkt met zijn kracht of zijn kennis, met zijn voornaamheid of zijn geld of mogelijk met zijn deugd en zijn vroomheid, 's avonds door een stille straat gaat naar zijn huis en hij hoort alleen zijn eigen voetstappen klinken en hij is alleen vervuld van zich zelf â maar toevallig ziet hij op naar den hoogen hemel en hij aanschouwt de Ãonkerende sterren en op eens voelt hij zich zoo klein, zoo heel nietig klein als hij bedenkt hoe groot de wereld is en hoe groot God is, die alles schiep. En de trotsche mensch of het trotsche menschje komt thuis met de gedachte : ik ben niets, heelemaal niets vergeleken bij de groote schepping, tenzij dan dat ik God heb in mijn hart en trouw en nederig staan wil in zijn dienst:
De Heer is groot, is onuitsprekelijk groot
En zijne macht kent perk nog paal.
Zoudt ge mischien willen zeggen, jongens en meisjes, dat dit geen wonderen zijn, waarvan ik uheb verteld?
Xu goed, laat het zoo zijn! Als gij dingen weet, die nog meer dan dit alles getuigen van de grootheid van God en waarvoor gij nog meer eerbied en bewondering voelt, dan hoop ik, dat gij later, als gij groote menschen zult geworden zijn, volwassen naar lichaam en geest, op uwe wijze zult getuigen van groote wonderen, die God om u en in u en door u heeft verricht.
Het koninkrijk der hemelen zal alsdan gelijk zijn aan tien maagden, die hare lampen namen en uitgingen den bruidegom te gemoet. Vijf nu van haar waren^dwaas en vijf waren wijs. Want de dwazen namen wei hunne lampen doch namen geen olie met zich, maar de wijzen namen met hare lampen olie met zich in hare vaten. Toen nu de bruidegom toefde werden zij allen sluimerig en vielen in slaap. Doch midden in den nacht ontstond er een geroep: zie de bruidegom! gaat uit hem te gemoet!
Foen stonden al die maagden op en brachten hare lampen in orde. Sn de dwazen zeiden tot de wijze maagden: Geeft ons van uwe olie; want onze lampen gaan uit. Doch de wijzen antwoordden en zeiden: Dan zou er wclücht voor ons en voor u niet genoeg zijn. Gaat liener tot de verkoopers en koopt voor u zelve.
Toen zij nu heengingen om te knopen, kwam de bruidegom; en die gereed waren kwamen met hem in ter bruiloft, en de deur werd gesloten.
En later kwamen ook de overige maagden en zeiden : Heer, Heer, doe ons open ! Maar hij antwoordde en zeide: Voorwaar ik zeg u, ik ken u niet.
Waakt dan, want gij weel de dag niet noch het uur.
Mattheus XXV v. 1â13.
DE WIJZE EN DE DWAZE MAAGDEN
Ge weet wel de bijbel is geen kinderboek en veel verhalen en woorden uit den bijbel zoudt ge volstrekt niet verstaan als ze u thuis of op zondagsschool of in de kerk niet werden verklaard.
Toen ik nu aan mij zelve vroeg, waarover ik vandaag eens tot u zou spreken, kreeg ik een groot verlangen de gelijkenis van de wijze en de dwaze maagden te kiezen. Deze gelijkenis staat te lezen in het 25ste hoofdstuk van het Evangelie naar Mattheus.
Dat verhaal is nu zeker geen kinderverhaal en toch
vind ik het heerlijk er met u over te spreken^ want
o het is zoo mooi en zoo waar, â het is zoo noodig,
dat ieder mensch er veel aan denkt, ja er altijd van
vervuld is en kinderen zijn immers iederen dag bezig
menschen te worden? Daarom zou ik hartelijk blij zijn
en dankbaar aan God als er straks jongens en meisjes
naar huis gingen met de gedachte: Dat verhaal wil
ik nooit vergeten en ik wil er dagelijks aan denken ook!
Komt, ik zal het u eens voorlezen, zooals het in
106
den bijbel staat en dan zal ik het nog eens duidelijk oververtellen.
Het koninkrijk der hemelen zal alsdan gelijk zijn aan tien maagden, die hare lampen namen en uitgingen den bruidegom te gemoet. Vijf nu van haar waren dwaas en vijf waren wijs. Want de dwazen namen wel hare lampen, doch namen geen olie met zich, maaide wijzen namen met hare lampen olie met zich in hare vaten. Toon nu de bruidegom toefde, werden zij allen sluimerig en vielen in slaap. Doch midden in den nacht ontstond er een geroep: zie de bruidegom! gaat uit hem te gemoet! Toen stonden al die maagden op en brachten hare lampen in orde. En de dwazen zeiden tot de wijze maagden: Geeft ons van uwe olie; want onze lampen gaan uit. Doch de wijzen antwoordden en zeiden: Dan zou er wellicht voor ons en voor u niet genoeg zijn. Gaat liever tot de ver-koopers en koopt voor u zelve. Toen zij nu heengingen om te koopen, kwam de bruidegom; en die gereed waren kwamen met hem in ter bruiloft^ en de deur werd gesloten. En later kwamen ook de overige maagden en zeiden: Heer, Heer, doe ons open! Maar hij antwoordde en zeide: Voorwaar ik zeg u, ik ken u niet.
Waakt dan! want gij weet de dag niot noch het uur.
Zietdaar de gelijkenis, waarvan ik vertellen wil.
In 't bijbolland, het land van Jezus, en in 't algemeen in alle Oosterschc landen zouden de jongens en meisjes zich niets verbazen over dit verhaal, maar als
107
't hun verteld werd dadelijk elkaar vroolijk toeknikken zooals kinderen gewoon zijn te doen als ze iets hooren, dat Imn bekend is of als or een aardige herinnering bij hen wordt opgewekt. In uw ooren klinkt het verhaal van de wijze en de dwaze heel vreemd van het begin tot het einde, maar voor de kinderen van Palestina niet, want één hunner geliefkoosde spelletjes was bruiloftje-spelen en daarbij kwamen dan verscheidene dingen te pas, die in het verhaal genoemd worden. Zoo zouden ze dadelijk begrijpen, waarom de tien meisjes elk oen lamp bij zich hadden en waarom 't onverstandig of dwaas was van vijf der meisjes, dat ze geen extra olie in kruikjes hadden meegenomen, terwijl 't verstandig of wijs van do vijf andere te noemen is dat ze zich wel van kruikjes met olie hadden voorzien. Zoo'n bruiloft ging heel anders toe dan bij ons. Als er bij ons een bruiloft wordt gehouden, waarbij feesten worden gegeven, dan komen op de partij alleen de gasten, die gevraagd zijn; dat is trouwens op iedere partij het geval. We zouden het heel onbescheiden vinden ongevraagd te komen, tenzij er vooraf gezegd is dat iedereen welkom zal zijn en er niemand in 't bizonder gevraagd was geworden; maar onze huizen en kamers zijn over 't algemeen niet groot genoeg voor zoo'n instuif en in den winter zou 't niet best gaan tegen de gasten te zeggen: het huis is vol maar gaat in den tuin, daar is ruimte genoeg!
In Palestina ging dat gemakkelijker, want Palestina heeft een warm klimaat, ongeveer als het zuiden van
108
Italië; in zoo'n land leven de menschen natuurlijk veel meer in de open lucht dan wij doen. De handwerksman werkt er onder een afdak naast zijn woning; de koopman heeft een open bazaar en meer dan de helft der goederen ligt er buiten over stellages of op den grond uitgespreid. De moeders in Jezus tijd zaten in de schaduw van haar huis voor de deur te spinnen. En zelfs de schrijver, die brieven schreef voor de menschen, die 't zelf niet konden, zat met zijn schrijfgereedschap op straat. Bij zulk een leven buitenshuis is het natuurlijk, dat de buren veel meer nog dan bij ons deelden in elkanders lief en leed. Al die werkzaamheden, al dat bedrijf op straat gaf aanleiding tot menig aardig tafreeltje; er was altijd wat te kijken, te hoop te loopen, te lachen met elkaar of te jammeren. En als er nu bij ons geen bruid in de koets kan stappen, zonder dat er een oploopje is van menschen en kinderen om haar te bekijken â en dat is geen wonder want een bruidje in 't wit met een sluier en krans is wat aardig om te zien â dan spreekt het vanzelf dat de toeloop in een stad, waar alle menschen toch op straat zijn, veel grooter is.
In de gelijkenis van de wijze en de dwaze maagden wordt een bruiloft beschreven. Er hebben talrijke feestelijkheden plaats ter eere van het jonge paar en tot die feestelijkheden behoort, dat de bruidegom op een avond door alle belangstellende vrienden, kennissen en buren in vroolijken optocht wordt gebracht naar het huis der bruid. Dat gaf een drukte in de
109
stad; wie loopen kon wildeden optocht zien natuurlijk; de buren, kennissen en vrienden hadden voor dien avond geen bepaalde uitnoodiging ontvangen om zich bij den stoet aan te sluiten, o neen â ze deden het uit pure hartelijkheid en belangstelling en om den optocht recht feestelijk te maken, voorzagen zij zich van stokken, waarop een gesloten koperen schaal was vastgeschoefd. Die schaal was gevuld met olie en er stak een pit of lemmet uit, die werd aangestoken en lustig brandde. Dat zijn de lampen, waarvan gesproken wordt in de gelijkenis, zij doen dus dienst als fakkels of lampions. Op de hoeken van alle straten kwamen nu op den feestavond vroolijke groepjes bijeen en zetten zich daar neer om te wachten tot de bruidegom voorbij zou komen; dan zouden zij zich aansluiten bij den optocht. Zoo doen nu ook de tien jonge meisjes, waarvan er vijf waren met een kruikje vol olie, omdat ze bedacht hadden, dat het wel lang zou kunnen duren voor de bruidegom kwam, en vijf die geen kruikjes met olie bij zich hadden, omdat ze op lang wachten volstrekt niet hadden gerekend. Zij namen allen dc helder brandende lamp van den stok, waarop zij gedragen en in de hoogte gehouden moest worden en gingen aan den weg zitten â en wachtten.
Waarom de bruidegom zoo heel laat kwam staat niet in het verhaal; mogelijk kwam hij van buiten en was de beek gezwollen en de brug stukgeslagen, die hij moest overtrekken. Genoeg hij liet zich wachten â uren lang. 't Wordt laat in den avond â maar 't is
no
een warme avond; 't wordt nacht, de meisjes worden moe, ze houden op met babbelen, ze worden sluimerig en vallen in slaap; de brandende lampen staan echter naast haar.
Opeens, midden in den nacht, ontstaat er een luid geroep: zie, de bruidegom komt, gaat uit hem te ge-moet. Haastig rezen de meisjes overeind en grepen naar haar lampen; zij haalden de pit wat op en de wijze maagden die zagen, dat de olie bijna was opgeteerd, vulden de lampen opnieuw uit hare kruiken, doch de dwaze maagden, die geen voorraad hadden meegebracht, stonden verlegen te kijken ; haar lampen waren ook ten naastebij leeggebrand, er moest olie in gedaan worden â en ze hadden geen olie. Meegaan met een uitgebluschte lamp of een zwak knetterend lichtje, dat kon niet; de hel brandende lamp was juist het bewijs van hartelijke instemming met het feest. Waarlijk goede raad was duur. Toe, geeft ons van uwe olie, onze lampen gaan uit, zeiden ze smeekend tot de anderen, â doch de wijze maagden konden haar niet helpen: dan zou er voor ons en voor u niet genoeg zijn, zeiden ze, gaat liever naar de olieverkoopers en koopt olie. De onbedachtzame meisjes zagen in, dat er niets anders op overschoot en gingen haastig heen. Maar in dien tus-schentijd kwam de bruidegom voorbij; die gereed waren sloten zich aan bij den stoet en gingen met hem binnen in het huis waar feest zou zijn. En toen zij binnen waren werd de deur gesloten. Later kwamen ook de dwaze maagden aan, doch ze kwamen te laat. Er
Ill
werd niet open gedaan, toen ze klopten en door de gesloten deur werd hun geantwoord;: ik ken u niet, gij waart immers niet bij degenen die den feestelijken optoclit hebben meegemaakt? En de woorden, waarmee nu het verhaal eindigt zijn: waakt dan, want gij weet dag noch uur, dat is :weest altijd gereed, want gij kunt niet vooruit weten, wanneer gij geroepen zult worden om mee te doen aan den optocht en binnen te gaan voor het feest.
Ik denk, dat ge het verhaal nu niet onbegrijpelijk meer vindt en toch zou 't me niets verwonderen als er iemand zei: waarom moet ik het altijd onthouden en wat moet ik er mee doen?
Nu juist, daar komt het op aan.
Misschien denkt ge dat het verkeerd was van de jonge meisjes uit de gelijkenis, dat ze vermoeid zijnde van het wachten in slaap vielen; en dat de wijze maagden dus bijna even verkeerd deden als de dwaze maagden en dat de les voor u dan wezen zou: blijft altijd wakker op uw post. Nu dat zou ook een goede les kunnen worden, maar ons verhaal heeft nog veel meer te zeggen. De bedoeling van ons verhaal is: hebt olie in voorraad, want onverwachts kunt gij ze noodig hebben, dan zult gij ze niet van een ander kunnen leenen en als ge ze op 't laatste oogenblik ver moet halen, komt ge zeker te laat.
Olie in voorraad hebben? En wat voor olie zal dat dan moeten zijn en waar moeten wij ze opdoen?
112
Er was eens een meisje van twaalf jaar, een vlug en vroolijk ding. Op school kon ze best mee, ze had pleizier in 't leeren en was meestal no. 1 van de klasse. De juffrouw op school hield van haar en zij hield van de juffrouw. Ook was ze bemind bij de meisjes; als er een partijtje werd gegeven, dan werd Mina het eerst gevraagd, zij moest er bij zijn! Spelletjes verzinnen, grappen vertellen kon ze, o zoo aardig! â maar thuis was ze niet van de vlugsten. Ze hield veel van vader, ze hield veel van moeder en ze hield veel van al haar zusjes â maar ze hield niet van vroeg opstaan, ze hield niet van kopjes wasschen en ze brak al wat ze in haar handen kreeg. Als moeder haar vermaande zei ze parmantig: ik wil al mijn examens doen, maar een huishoudster wil ik niet worden! Kopjes wasschen en kinderen aankleeden â is geen kunst, dat kan iedereen wel leeren! Als 't eens niet anders kan, zal ik dat ook wel doen, maar nu heb ik er geen pleizier in. Onze kleine meid was de oudste van zes zusjes, en ziet op een dag gebeurde er iets, waarover vader, moeder en al de kleine meisjes o zoo blij waren! Er werd een jongetje geboren; de zusjes hadden nu ook een broertje. Mina was het blijdste van allemaal, maar hoe betrok haar gezichtje, toen vader zei: Mina, je gaat met al de zusjes 14 dagen bi] tante logeeren. Moeder is wat zwak en moet rust hebben; 't is nu voor haar veel te druk in huis. Ik zou/om wel graag tot hulp en gezelschap hier hebben; maar â op school mag het goed gaan â thuis staan je handen verkeerd.
113
Och neen, vader, btuur mij niet weg, smeekte Mina ; ik wil zoo mijn best doen om te helpen; ik zal alles bij moeder gaan vragen hoe ze het hebben wil en Keetje zal me wel wijzen hoe ik de dingen doen moet. Doe me dat verdriet niet aan en stuur me niet weg. Maar vader zei: 't zou moeder veel te veel vermoeien als je haar alles ging vragen en Keetje kan de dingen vlugger zelf doen dan ze jou leeren. Je zoudt haar maar in den weg loopen. Neen, neen, je hebt geen olie in je kruikje â nu is het te laat; de deur gaat voor je neus dicht zoogoed als voor de kleintjes, die nog te jong zijn om te helpen. Laat het een les zijn voor mijn oudste dochter, mijn dwaze Mina, die denkt, dat handigheid iemand aanwaait op 't oogenblik dat ze er pleizier in zou hebben die te gebruiken. De olie der handigheid hadt ge in voorraad behooren te hebben, mijn kind. En Mina voelde, dat vader gelijk had en schreiende ging ze heen.
En ik heb een jongen gekend â kwaad was hij zeker niet â maar hij was speelsch en had geen lust om zich in te spannen met leeren. Hij kon wel maar hij wilde niet en hij scheen maar niet te kunnen gelooven dat hij veel kennis noodig zou hebben in zijn leven. Zijn vader hield hem dikwijls voor, dat het zijn plicht was te werken, dat hij later berouw zou hebben van zijn verbeuzelde jeugd en zijn moeder herinnerde hem lederen dag aan zijn taak, maar Kees was er onverschillig onder en als hij op school merkte, dat hij met al zijn luieren nog niet eens de minste was, dacht hij:
8
114
ik kom er toch wel! Maar Kees zou er niet komen! Zijn vader stierf en liet weinig geld na; nu voelde Kees dat hij vooruit moest en dat hij moeders zorgen moest verlichten en dat wilde hij gaarne uit liefde voor zijn vader en uit liefde voor haar.
Ik zal examen doen voor de Kweekschool en zien een beurs te krijgen, zoodat ik voor niet leeren kan, zei Kees; maar er waren meer jongens, die meedongen naar de beurs, jongens, die ijverig en nauwgezet gewerkt hadden en die Kees vooruit waren in kennis. Kees kreeg de beurs niet al had hij ook drie maanden van te voren bijna dag en nacht doorgewerkt en al zijn krachten ingespannen. Hij had verzuimd bijtijds de olie der kennis op te doen in zijn kruikje en toen hij de fout wilde herstellen kwam hij te laat â de deur was voor hem gesloten tot zijn groot verdriet.
Handigheid en kennis we moeten ze in voorraad hebben, we kunnen ze niet leenen en niet gaan koopen op het oogenblik dat we ze noodig hebben, en als we dat niet bijtijds hebben bedacht, zijn we als de dwaze maagden in de gelijkenis, die ook te laat kwamen en de deur gesloten vonden.
Maar â zouden handigheid en kennis de eenige olie zijn, waarmee we onze kruikjes hebben te vullen?
Neen, we weten het allen wel beter, er is nog veel meer noodig en het voornaamste ga ik nu noemen.
Als handigheid en kennis niet geleend kunnen worden op het oogenblik, dat we ze noodig hebben, met waarheid, gerechtigheid, liefde is dit evenmin het geval.
115
Ziet eens â in de gelijkenis der wijze en dwaze maagden is Jezus de bruidegom en de gasten zijn zij, die hem liefhebben en vereeren en volgen willen. Het groote feest is met Jezus samen de wereld blijer en beter te maken, als goede kinderen van God. De wereld blijer en beter maken, de goede kinderen van God zijn als echte volgelingen van Jezus, dat willen we-, er is niemand hier, die 't niet wil, maar daartoe is noodig â dat onze kruikjes altijd gevuld zijn, dat het ons nooit aan olie ontbreekt. En zal het ons nooit ontbreken aan olie, dan moeten wij er bijtijds voorraad van hebben opgedaan, ot dit is misschien nog beter gezegd: wij moeten ten allen tijde vol zijn van waarheid, van goedheid en liefde.
Ik neem aan, daar is een jongen, die 't wel mooi vindt de waarheid te spreken en oprecht te zijn, die nooit opzettelijk een leugen zal bedenken en die daartoe gelukkig zelden in de verzoeking komt, en toch deze zelfde jongen kan in verzoeking komen, hij weet niet het uur, waarop hij eens onverwachts zich door een kleinen leugen zich zal kunnen redden uit een groote moeilijkheid. Arme jongen, als hij niet vol is van waarheid, zoodat hij niet anders kan dan de waarheid spreken. Zijn vroolijke lamp van waarheid dreigt uit te gaan, en hij heeft geen olie om haar te vullen. Het is niet genoeg de waarheid mooi te vinden, wij moeten haar voorstaan en wij moeten er voor staan, altijd. Als deze jongen niet waar is gebleven, maar bezweken is voor de verzoeking, dan zal hij zeer zeker bedroefd
116
zijn, want een leugenaar is hij niet, maar de gelegenheid om zich een vriend van Jezus te toonen heeft hij voorbij laten gaan, en op dat oogenblik staat hij voor een gesloten deur.
Of wel daar is een meisje zaclitmoedig en teerhartig. Zij zal niet opzettelijk een dier kwellen, niet opzettelijk een hard woord spreken, dat pijn doet. Maar ook zij kan in verzoeking komen en zij weet den dag niet en het uur niet, waarop dit gebeuren kan; het is niet onmogelijk, dat zij eens onverwaclits bespottelijk gemaakt wordt door andere kinderen, die haar flauw vinden als ze niet mee wil doen aan plagen van 'n schoolkennisje met zoo'n leelijke jurk- Eu dan kan het zijn, dat haar lichtende lamp van zachtaardigheid flauw begint te branden â en dat ze geen olie heeft om bij te vullen â en dat ze meedoet met plagen. En ze zal er zoo'n berouw van hebben als ze heeft meegedaan, want wreed is ze niet, maar zij heeft de gelegenheid om zich een vriend van Jezus te toonen laten voorbijgaan en daar staat zij voor een gesloten deur. Gij begrijpt wel, dat ik zóó heel veel voorbeelden zou kunnen opnoemen â ge zoudt er mij zelf wel aan kunnen helpen.
En o, we moeten het nu maar zachtjes uitspreken en 't bekennen voor God, dat er niemand hier onder ons is, die niet voelt, dat zijn oliekruikje niet voldoende is gevuld. Maar laat ons dan ook bedenken, dat het nu tijd is om ons kruikje te gaan vullen, dat er geen dag voorbij mag gaan of we moeten iets toevoegen aan
117
onzen vooraad. Wij willen wel goed zijn om ons eigen geluk te bevorderen, om kinderen van God te zijn, wij willen de lamp van waarheid en goedheid en liefde wel als een vriendelijk licht laten schijnen om de wereld beter en blijer te maken, maar als we ons niet dagelijks inspannen ten goede, als wij onze kruikjes niet gevuld houden, dan zou het kunnen zijn, dat we juist niet gereed waren als wij de waarheid moeten spreken, barmhartig en onbaatzuchtig moeten zijn. En wij moeten gereed zijn altijd, want zij weten niet wanneer deze dingen van ons gevraagd zullen worden. Er kan een lange tijd voorbijgaan, ivaarin we niet op de proef worden gesteld en als we er niet op bedacht zijn, komt de gelegenheid om het goede te doen of het kwade te laten. Gelukkig dan als onze vooraad groot is en wij ten allen tijde onze lampen helder kunnen doen opvlammen om mee te gaau in den optocht van alle goede menschen, die de wereld blijer en beter willen maken ; en ongelukkig, te beklagen zijn wij als wij ondanks onze goede voornemens te kort schieten en achteraan komen en de deur gesloten vinden, omdat wij de gelegenheid om het goede te doen voorbij lieten gaan. Dan staan we beschaamd voor ons zeiven en voor God.
Daarom waakt, want gij weet dag noch uur; vult dag aan dag uw kruikje, want als gij 't niet verwacht zult gij de olie noodig hebben, de olie van handigheid en kennis, van waarheid, goedheid en liefde.
Waakt voor u zeiven en bidt iederen dag, dat het
118
u nooit moge ontbreken aan den lust en den uil en de kracht tot het goede, opdat gij nimmer de deur van uw geluk zult gesloten vinden en de heerlijke gelegenheid om u een kind van God te toonen voorbijgegaan.
Een ding ontbreekt u. Ga heen, verkoop al wat gij heht en geef het den armen en dan hom herwaarts en volg Mij.
Doch toen hij dit hoorde werd hij diep bedroefd; imnt hij teas zeer rijk. Lukas XVIII : v. 22 en 23.
DE RIJKE JONGELING
Uit de vele wonderschoone verhalen, die geschreven staan in de Evangeliën en die ons Jezus doen kennen, heb ik het verhaal van den rijken jongeling uitgezocht om vandaag aan u over te vertellen. Als ik het voorlas, zooals het ei staat, zou ik in twee minuten klaar zijn, doch dan zouden de kleinsten onder u zeker verwonderd opzien en bij zich zei ven zeggen: âis dat nu een verhaal?quot; en de grootere zouden allicht denken; âmisschien is het heel mooi, maar begrijpen doen we het niet.quot;
Om de geschiedenis van den rijken jongeling tot een echt verhaal voor u te maken zal ik haar nu zeggen in mijn eigen woorden.
Er was dan in den tyd^ dat Jezus leefde in het Joodsche land een kind, dat rijke ouders had. Dat kind, een jongen, dien ik Zadok wil noemen, was geboren in een groot huis, het fraaiste uit geheel het Over-Jordaansche.
Rondom het huis was een park, waarin alle boomen groeiden, die in het warme land thuis hooren; de fiere
122
palm met zijn waaiervormige bladen, de krachtige eik, die vele honderden jaren oud kan worden en dus heel wat te vertellen weet, de ceder met zijn blauw getinte kruin, de olijf met zijn grijsachig loof, vijgen, granaten, ci-troenboomen met hun kleurige vruchten, kortom boo-men van allerlei aard. En niet alleen boomen, ook bloemen kon men in het park rondom Zadok's woning vinden; witte, roode en gele, welriekende en geurlooze bloemen, laag bij den grond of op hooge stengels. De muren rondom dezen lusthof waren niet hoog; een volwassen man kon er gemakkelijk over heen zien. Menigmaal bleef dan ook een wandelaar stilstaan om al die pracht te bewonderen en zoo gebeurde het wel eens, dat de kleine erfgenaam in zijn wit linnen kleed met blauwe kwasten den kijker vriendelijk toeknikte en met een tros druiven of een rijpen granaatappel kwam aandragen, dien hij, daartoe op zijn verzoek opgelicht door een slaaf, den voorbijganger overreikte. Geen wonder, dat de vriendelijkheid van het mooie kind met een heilwensch als âGod zegene uquot; beantwoord werd en dat hij zich wel eens âeen lieve engelquot; of âeen pracht van een jongenquot; hoorde noemen. De slaaf, die hem bewaakte, kon dan niet nalaten hem even te liefkoozen uit trots op zijn kleinen meester.
Al het moois, dat in de woning te vinden was, de zware tapijten, de zachte kussens, het gouden en zilveren vaatwerk, de sierlijke kasten en kisten konden de voorbijgangers niet zien, want als een echt Oostersch
123
huis hadden de buitenmuren slechts enkele en kleine ramen. De kamers ontvingen haar licht van de ruime, met marmer bekleedde binnenplaats, de lievelingsplek van onzen Zadok. Op die binnenplaats was het heerlijk koel, want niet alleen dat zij met wit marmer bekleed was, doch een hooge fontein wierp in de hel blauwe lucht frissche waterstralen uit, die in millioe-nen, fonkelende droppen in een bekken werden opgevangen en de lucht zuiver en frisch hielden ; in groote kuipen prijkten krachtige planten, die bij het minste tochtje hun bladeren wuivend bewogen.
Geen wonder dat Zadok gaarne op dit bekoorlijke plekje zat, hetzij alleen met zijn speelgoed, zijn boekrol of zijn schrijfgereedschap, hetzij met zijn moeder, die hem uit de vaderlandsche geschiedenis vertelde, hoe Jozef door zijn broeders als slaaf werd verkocht, doch door zijn goed gedrag en schrander beleid opklom tot onderkoning van Egypte, hoe David, de beroemde koning, toen hij nog een herdersjongen was, den reus Goliath versloeg en andere mooie verhalen, waarnaar gij misschien ook wel eens met open mond hebt geluisterd. Bij die verhalen straalden de oogen van Zadok en dan zeide hjj, dat hij ook een beroemd man wilde worden.
Hij was een zachtaardig en schrander kind; zgn ouders en meesters hadden hem zeer lief en hadden groote verwachting van hem.
Toen hij een knaap was geworden, had de binnenplaats van zijns vaders huis nog altijd dezelfde beko-
124
ring voor hem. Daar kon men hem vinden voor en na schooltijd met een boek voor zich, verdiept in de geschiedenis van Mozes en de wet van Mozes, die hjj verplicht was van buiten te leeren.
Nog mooier dan de geschiedenis van Jozef en David scheen hem het leven van Mozes toe, die zijn volk gered had uit de slavernij, die op den berg Sinaï zijn God had ontmoet en van Hem de tien geboden op steenen tafelen gegrift had ontvangen voor het volk, dat beneden aan den voet van den berg vol verlangen wachtte op den godsman. Hij kon zich voorstellen, hoe Mozes' aangezicht blonk als de zon, toen hij van den berg nederdaalde cn den wil van zijn God bekend maakte aan het wachtende volk. En Zadok meende dat het nog oneindig gelukkiger zijn moest een Mozes dan een David te worden. En niet alleen dat hij Mozes bewonderde, doch hij nam zich voor oprecht en eerlijk te wandelen voor de oogen van God, zijn ouders te eeren, den armen te geven van zijn overvloed, den vreemdeling in de poorten dak en voedsel te verschaffen, zijn slaven barmhartig te behandelen, de dieren te beschermen, want dit alles en nog meer leerde hem de wet van Mozes. En toen Zadok nog enkele jaren ouder was geworden en nu bijna een man was, roemde de geheele landstreek hem als een weldadig en vroom jonkman en als hfl den lof der menschen hoorde, was hij zeer tevreden over zich zelf en steeds meer geneigd wel te doen en het goede te betrachten. En nooit ging hij de deur van zijn huis in of uit zonder aandachtig de
125
woorden te herhalen, die in iedere Joodsche woning1 aan de deurpost in een klein houten kastje te lezen stonden: Hoor Israël, de Heer, uw God, is een eenig Heer; gij zult den Heer, uwen God, liefhebben met geheel uw hart met geheel uw verstand en met uw gan-sche ziel. En dan dacht hii bij zich zelf: Ja, ik heb God lief en ik doe wat een goed mensch betaamt.
Eens dat Zadok in een schaduwrijk hoekje van het park zat, waar niemand hem kon zien, hoorde hij twee slaven druk met elkaar spreken en daarbij telkens den naam van Jezus noemen. âHij heeft mij zoo vriendelijk aangezien als nog niemand ooit gedaan gedaan heeft,quot; zei Jozes^ de oudste van de twee. âHij deed of ik zijn gelijke was, een vrij man en niet een slaaf. Ja, toen de rijke koopman in welriekende oliën mij op zij trachtte te dringen om hem te naderen, nam Jezus mij bij de hand en zeide: âik heb nog iets te bepraten met zijn goeden vriend Jozes.quot; Zijn goeden vriend, Jozes, noemde hij mij. Benjamin, hoe vindt ge dat V De tranen schoten mij in de oogen en ik dacht aan de gelijkenis van den verloren penning, die ik hem den vorigen dag had hooren vertellen. Ik ben ook zulk een waardelooze penning, dacht ik bij mij zelf en hij veracht mij niet.quot; En Benjamin antwoordde: âHij heeft mij even vriendelijk behandeld, ja nog veel meer voor mij gedaan. Toen ik boos werd op een jongen, die mij plaagde, zoodat ik niet luisteren kon naar
126
hetgeen de goede rabbi sprak en ik den plaaggeest een klap wilde geven, legde hij zijn hand op mijn schouder en zeide: zalig zijn de zachtmoedigen, zij zullen het aardrijk beërven. Dat zei hij, tegen mij, een slaaf; mijn boosheid was voorbij en ik voelde, dat ik een beter mensch was op dat oogenblik.quot;
Zadok had aandachtig geluisterd naar het gesprek der mannen; het was de eerste maal in zijn leven, dat hij den naam van Jezus hoorde noemen.
Den volgenden dag hoorde hij opnieuw den naam van Jezus noemen. Het waren de rentmeester en diens vrouw, die te zamen overlegden of zij 's middags na het werk de groote wandeling zouden ondernemen naar de heuvels, waar Jezus het volk verzamelde om het zijn schoone verhalen te doen. âIk kan de zachte klank van zijn stem niet vergeten,quot; zeide de man, âtoen hij de woorden sprak: Komt tot mij, allen die vermoeid en belast zijt, en ik zal u rust geven. Neemt mijn juk op u en leert van mij, want ik ben zachtmoedig en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uwe zielen. Want mijn juk is zacht en mijn last is licht. Ik zou,quot; zoo ging de rentmeester voort, âalle armen en ellendigen wel bij hem willen brengen en de oudjes vooral, die zoo weinig vreugde meer hebben in het leven. Onze goede jonge meester Zadok zorgt wel voor het brandhout, dat hun stramme vingers warm houdt, doch Jezus verstaat de kunst om oude, koude harten weer jong en warm te maken.quot; En de vrouw zeide: âwij zullen niet verzuimen hem te gaan hooren; nog
127
nooit hob ik mij zoo rijk en gelukkig gevoeld als toen Jezus mij zoo stellig vei-zekerde: Gij zijt ook een kind van aod.quot;
Een paar dagen later hoorde Zadok voor de derde maal den naam van Jezus noemen. Op den weg waarlangs hij ging zat een vrouw op een steen en schreide. Hi} stond stil, stak zijn hand in den gordel om er een geldstuk uit te halen en vroeg of zij honger had, doch zij zeide: âNeen, ik heb geen honger, ik wil uw geld niet; ik heb Jezus van Nazareth ontmoet en ik durfde niet naar hem toegaan omdat ik wel weet, dat ik een zondig menscli ben, doch hij kwam naar mij toe en zeide : zalig die treuren, want zij zullen vertroost worden en nu geloof ik, dat als ik oprecht bedroefd ben over mijn zonden God mij vergiffenis schenken zal.quot;
Dien middag besloot Zadok Jezus ook op te zoeken, omdat er met zooveel liefde van hem gesproken werd. En toen hij aan tafel zijn voornemen te kennen gaf, zeide een gast van zijn vader: âZadok, ik ken den man, dien gij bedoelt; ik heb hem gevolgd het geheele land door, waarheen hij ging en ik zeg u: deze timmerman uit Nazareth is meer dan Mozes en de Profeten.quot;
Toen schitterden de oogen van Zadok en hij sprak ; ik wil tot dozen grooten menschenzoon gaan. Misschien is hij behoeftig, dan wil ik hot mijne met hem deelen; zeker heeft hij hulp noodig; ik wil hern helpen het koninkrijk Gods te brengen op aarde. En Zadok stond op en hij ging Jezus te gemoet.
Toen hij gekomen was op den berg, waar Jezus
128
gewoon was te sprckon tot fillcn, dio naar zijn woorden wilden luisteren, zag hij den vriend van armen, kran-ken en zondaars, die ook de vriend van kinderen was, staan te midden van eenige vrouwen en mannen uit het volk, die eerbiedig plaats maakten voor den rijken jongeling. Hi] behoefde niet te vragen, wie Jezus was; al had hij hem nooit gezien, hij begreep, hij voelde wie het zijn moest en haastig op Jezus toetredende en hem naar de gewoonte van zijn land kussende, zeide hij: Goede meester, wat moet ik doen om het koninkrijk der hemelen binnen te gaan? Hoe kan ik uw trouwe leerling worden ter eere van God? Jezus zag den jongeling aan en kreeg hem dadelijk lief, om den ijver en oprechtheid, die hij las op het gelaat van Zadok, doch op zeer ernstigen en zelfs strengen toon beantwoordde hij de vriendelijke woorden, zeggende ; â Wat noemt ge mij goed: er is slechts één goed^ namelijk God.quot;
Geen wonder dat Zadok in zijn verbazing wel drie schreden achteruit ging, toen hij die woorden hoorde en dat hij niet wist wat te zeggen. Wat, hij, die't zoo oprecht meende en geen vleier was, hij zou Jezus niet goede meester mogen noemen? Dien titel vond Jezus voor zich zelf te hoog? Hoe dikwijls hadden de slaven, de bedelaars, zyn ouders en vrienden en leermeesters hem, Zadok, goed genoemd, hoe stellig was hij zelf er van overtuigd, dat hij ook werkelijk goed was en Jezus, die meer was dan Mozes en de Profeten wilde dien eeretitel niet aannemen?
129
Dat begreep Zadok niet en hij vond nog altijd geen woorden om zijn verbazing te uiten, toen Jezus vervolgde: âGij wilt ingaan in het koninkrijk Gods? Gij kent de Wet, die zegt; gij zult niet stelen^ gij zult niet doodslaan, gij znlt geen valsehe getuigenis afleggen, gij zult niet begeeren wat u niet toekonat.quot;
Nu leefde de rijke jongeling weer op, zijn schrik was voorbij, vroolijk keek hij Jezus in de oogen en juichend riep hij uit: âdat alles heb ik betracht van mijn kinderjaren af, indien er niets noodig is dan dit, dan kan ik nu reeds uw leerling en uw volgeling zijn, dan ben ik reeds nu geschikt om in te gaan in het koninkrijk Gods.quot;
Met zachte stem zeide nu Jezus:
âZadok, één ding ontbreekt u. Ga heen, verkoop al wat gij hebt en geef het den armen en dan kom herwaarts en volg mij.quot; Toen de rijke jongeling dit hoorde werd hij zeer bedroefd, want hij had vele bezittingen en hij ging heen en hij deed het niet.
Jezus zeide tot denrijken jongeling: âga heen, verkoop al wat gij hebt en geef dat den armen en dan kom herwaarts en volg mij.quot; Toen de rijke jongeling dit hoorde werd hij zeer bedroefd, want hij had vele bezittingen en hij deed het niet. En toen Jezus hem had zien heengaan en begreep, dat hij niet zou terugkomen werd hij ook bedroefd en zeide tot de discipelen, die zwijgend hadden toegeluisterd: âHet is lichter dat een
9
130
kameel gaat door het oog der naald dan dat een rijke ingaat in het koninkrijk Gods.quot;
Is het verhaal van Zadok niet geheel anders geëindigd dan gij hebt verwacht? En vindt ge het niet heel Jammer, dat het zoo afliep? Of vindt ge het natuurlijk? Misschien geeft ge in uw hart de schuld aan Jezus en denkt: waarom eischte hij ook zooveel van den wel-willenden Zadok. Hij had zulke goede voornemens, hij had reeds getoond een goed hart en een goeden wil te hebben. Hij maakte geen misbruik van zijn vele geld en goed en als hij in eens alles weggaf dan kon hij niet blijven geven. Hier vroeg Jezus te veel. Als ge er een van allen of mischien allen zoo over denkt, dan verwondert het mij niet.
Wat verder met den rijken jongeling gebeurd is, staat in den bijbel niet opgeschreven. Ik kan u zijn verdere geschiedenis dus niet naar waarheid vertellen. Ik kan alleen gissen hoe het komt, dat Zadok niet deed, wat Jezus van hem verlangde en mijn best doen om u duidelijk te maken, waarom Jezus zelf ook bedroefd werd, toen hij den rijken jongeling zag heengaan en waarom Jezus zeide: âhet is lichter, dat een kameel gaat door het oog der naald dan dat een rijke ingaat in het koninkrijk Gods, d. i: volkomen den wil doet van den hemelschen Vader.quot;
Zooals gij reeds gehoord hebt, was Zadok, voor hij Jezus ontmoet had, zeer tevreden over zich zelf. Kwam hij een mensch tegen, die in lompen gekleed was, dan was zijn eerste gedachte: heb ik nog niet een kleoding-
131
stuk, dat mij te nauw of te kort is geworden en als dit zoo was, wenkte hij den armen man man en zeide âkom straks bij mij aan, en ik zal u een kleed geven.quot; De arme man dankte hem duizendmaal en de rijke jongeling ging naar de bazar en kocht zich een nieuw kleed, dat hem paste.
Hoorde hij van een ernstige zieke, aanstonds beval hij zijn dienaar versterkend voedsel en goeden wijn te brengen daarheen en als de dienaar terugkwam met een zegenwensch voor zijn heer dan smaakte aan Zadok zijn kostelijk middagmaal des te beter.
Hoorde hij van een onbarmhartig schuldeischer, die tot zelfs het bed van een schuldenaar had doen ver-koopen, hij zond niet alleen een bed, doch geld bovendien. Hoe behaaglijk strekte hij zich dan uit op zijn eigen zachte kussens en luisterde hij naar de stem van zijn hart, die zeide: Zadok, gij hebt goed gedaan.
Wat had zijn rijkdom hem al veel genot bezorgd in een onbekommerd leven en in de vreugde van wel te doen. En daar komt Jezus en zegt alsof het een kleinigheid was: éen ding ontbreekt u, verkoop al wat gij hebt en geef dat den armen! Allerlei vreeselijke dingen stonden Zadok plotseling voor den geest. Als hij nu zelf niet meer had, hoe zou hij dan de armen kleeden, voeden, van een bed voorzien? Hoe zou hij als zijn eigen kleed versleten was een nieuw krijgen? Hij zag zich zelf al in het afgedragen gewaad van een ander en hij rilde er van. Als zijn sandalen stukgeloopen waren, hoe zou hij die gewoon was aan
132
zachte tapijten 't dan met zijn voeten stellen? Hij voelde de pijn en rilde nog eens. Ik denk dat er niemand onder n is, die er Zadok hard om valt en dat doe ik ook niet. Jezus viel er hem evenmin hard om, Jezus zelf werd ook bedroefd en w at hij zeide van dien kameel en die naald was volstrekt geen bedreiging maar een klacht.
Ook meende Jezus in het geheel niet, dat men niet zeer goed kan zijn al is men zeer rijk; ook niet dat een arme altijd beter is dan een rijkeen evenmin, dat ieder die zijn tronwe volgeling wil wezen afstand moet doen van al wat hij heeft.
Maar wat bedoelde Jezus dan? Wel, ik denk, neen ik weet zeker, dat hij den rijken jongeling wilde beproeven of het hem wel ernst was met zijn vraag: Wat moet ik doen om het koninkrijk Gods binnen te gaan? Die vraag had Jezus zich zelf ook eens gedaan, toen hij, een eenvoudig timmerman, rustig en gelukkig leefde in het liefelijke stadje Nazareth. En hij had bij zich zelf overwogen, dat hij wel geen schatten te verliezen had als hij zijns vaders huis vaarwel zeide, doch dat hij toch op zou geven een kalm leven te midden van menschen, die hem liefhadden, dat er een tijd zou kunnen komen, waarin hij zeggen moest: de vossen hebben holen en de vogelen des hemels hebben nesten, doch de zoon des menschen heeft niet een plaats waar hij zijn hoofd kan neerleggen. En dat zou dan niet alleen beteekenen: ik heb geen huis om in te wonen doch dag en nacht drijft mij mijn werk voort. En verder
133
had hij overwogen, dat hij wel menigeen zou troosten en raden en helpen, doeh dat er nog veel meer zouden zijn die niet van zijn troost, zijn raad, zijn hulp gediend zouden wezen, neen, dat terwijl hij alles opofferde om de menschen gelukkig te maken, zij hem zouden beschimpen, en bespotten en verraden en doo-den. Dat tegen tien, die hem zouden liefhebben, honderd hem zouden verachten.
Dit alles had JezUs overwogen, doch hij wilde het koninkrijk Gods ingaan en anderen den weg daarheen wijzen, want boven alles had hij lief zijn werk, zijn taak, die God hem had opgedragen en hij aarzelde niet, hij ging. Hij ging het land door goeddoende; zwakken sterkende, kranken genezende, zondaars bekeerende, niet met spijs en drank of andere aardsche middelen, die hem geliefd en gezocht hadden kunnen maken, doch met niets gewapend dan met zijn groote mensch-enliefde en met zijn machtigen wil om God te dienen.
Ja, zeker Jezus wilde den rijken jongeling beproeven. Hij wilde zien of geen moeite en bezwaren, geen offers den verwenden jongen man te veel zouden zijn, want Jezus wist wel dat Zadok zeer verwend was door zijn gemakkelijk leven.
âWie de hand aan den ploeg slaat en achterom ziet is mijns niet waardig,quot; zeide Jezus tot een ander, die niet rijk was, doch andere hindernissen had. Misschien was deze te veel gehecht aanzijn geboorteplaats of aan hetgeen de menschen er van zeggen zouden, misschien was hij lui of zelfzuchtig. Wie de hand aan den ploeg
134
slaat, wie een groot en goed werk, dat alles waard is, begint maar het aarzelend en half doet, die doet het niet goed, die is niet een echt arbeider voor God.
De rijke jongeling wilde wel veel maar hij wilde niet alles. Hij wilde zijn eigen gemak niet opgeven, hij meende dat hij niet zou knnnnen buiten den dank der menschen, die hij kleeren en voedsel verschafte, hij begreep niet, dat Jezus die niets bezat veel meer gaf in woorden van groote liefde dan hij ooit had kunnen geven met al zijn kleeren, zijn brandhout en zijn wijn.
En Jezus had wel gelijk toen hij zeide: het is lichter dat een kameel gaat door het oog der naald dan dat een rijke ingaat in het koninkrijk Gods en daarbij dacht hij zeker aan een kleine poort in Jeruzalem, die zeer nauw was en het oog der naald werd genoemd.
De breed geladen kameelen, die voor de poort kwamen, konden er, als zij al te zeer waren opgetast, niet door. De schatten, die zij meevoerden, zaten hun in den weg. Zij moesten dan worden afgeladen vóór de poort.
Het waren zijn schatten, die den jongeling in den weg zaten om zijn doel te bereiken. O, had hij maar begrepen met welk een liefderijke heiligmakende bedoeling de goede meester er hem van wilde ontdoen.
Waarom heb ik u het verhaal van den rijken jongeling gedaan, denkt ge ? Het is [maar goed, dat ge mij hier geen antwoord behoeft te geven. Ik begrijp wel, dat
135
ge het nu nog heel moeilijk vindt om dit te doen. Ik wil daarom zelf het antwoord wel geven op mijn vraag en dit antwoord, dat gij goed zult doen te onthouden is: De dienst van God is een zware dienst. Hij is niet met weinig tevreden. Hij wil u hebben met geheel uw hart, met al uw verstand, met uw gansche ziel. Het is niet voldoende gul en medelijdend te wezen als gulheid en medelijden u bemind maken bij de menschen en u tevreden maken over u zelf, zonder dat de offers u veel kosten. Het is niet genoeg zich een weinig en nu en dan in te spannen om het goede, den wil van God te doen; Hij wil ook van u reeds uw morgen, uw middag en uw avond, uw woorden, uw daden en gedachten. Al wat gij doet in het openbaar voor de oogen der menschen en al wat gij doet in het verborgen, dat alles wil hij besteed, zien in zijn dienst, dat alles vraagt Hij voor zich alleen.
âWie de hand aan den ploeg geslagen heeft en achterom ziet, is mijns niet waardig,quot; zegt Jezus; âwie zegt mij lief te hebben en zich niet geheel aan mij geven wil, die kan mijn kind niet zijn,quot; zegt God.
Schijnt u deze God onbeminnelijk, omdat hij zooveel vraagt van zijn menschenkinderen en komt het u onmogelijk voor zijn wil te doen ? Dat verwondert mij niet! Gij denkt daarbij misschien aan uw eigen vader en moeder, die niet zooveel van u eischen, die u liefhebben al struikelt ge honderdmaal over dezelfde fout, al stelt gij hen ondanks al uwe goede beloften telkens te leur en ge denkt er misschien terecht aan, dat
136
Jezus God toch ook genoemd heeft een barmhartig en vergevend Vader, die geen berouwvol zondaar van zich stoot.
En dan de rijke jongeling was niet eens een zondaar en misschien zijt gij in uw eigen oogen ook geen zondaars, al weet ge wel, dat ge in veel te kort komt en denkt ge: als ik het zoo ver breng als Zadok dan ben ik al goed genoeg.
Ik heb straks gezegd, dat Jezus bedroefd werd toen hij den rijken jongeling zag heengaan, hem zag zooveel goeds in den rijken jongeling, doch hij had ook aanstonds gezien dat Zadok zoo heel tevreden was over zich zelf en Jezus wilde hem doen voelen, dat hierin juist zjjn gebrek lag, dat hjj veel meer kon doen dan hij reeds deed.
En Jezus wist ook, dat de ryke jongeling veel rjjker dan hij reeds was zou zyn geworden door hem te volgen. Hij zou nu zijn fraaie woning met het park, zijn geld en goed behouden, doch één ding zou hij daardoor levenslang missen, één ding dat Jezus bezat. En dit ééne is: de overtuiging van gedaan te hebben al wat hij kon en daarmee de zekerheid van de liefde van God. Ik stel mij voor dat Zadok nooit aan zijn ontmoeting met Jezus gedacht heeft of hij schaamde zich. Hij schaamde zich, juist omdat hij goed was dat hij niet nog beter was.
God is niet veeleischend, waarlijk niet; Hij is niet strenger dan uw ouders zijn. Hij laat zijn zon opgaan over boozen en goeden, doch een menschenhart en ook
137
een kinderhart, gij zult het ondervinden, is zoo gemaakt, dat het dan alleen het gevoel kan hebben een kind van God te zijn, een deel van Hemzelf, wanneer het zich geheel aan God wil geven. Jezus was bedroefd over den rijken jongeling, omdat deze om een kleiner geluk te behouden een grooter geluk had verzuimd.
Als gij de geschiedenis van den rijken jongeling nog eens overdenkt, vraagt u dan eens af, wat gij er mee doen kunt voor u zelf.
En Petrus werd indachtig aan het woord van Jezus, die gezegd had: Eer de haan kraait, zult gij mij driemaal verloochenen. En hij ging naar huilen en weende bitterlijk.
Mattheus XXV : v. 75.
PETRUS
Het schip verlaat de stranden en zoekt de zeeën op;
het voert veel rappe handen,
de vlag in top;
het is zoo hecht, het is zoo sterk,
een reuzenwerk,
een fiere boot,
bestand in storm en nood.
Op 't breede dek, dat rijst en zinkt,
te loef en lij gekeerd,
daar knielt het volk op zee verweerd;
en rustig klinkt
een bede langs de waterbaan;
//Bewaar ons. God! in storm en nood;
want klein is onze boot
en groot uw oceaan.quot;
Het rijst uit zee vol diepen zin ;
wij knielen mee en stemmen in.
140
hoe kloek gebouwd,
hoe wel betrouwd,
hoe schuldeloos en goed;
0 God van kracht en moed!
bewaar de ziel
op 's levens baan ;
klein is de kiel
en groot uw oceaan.
No. 14 uit Lenteleven, D:E Vries.
Ik ga u iets vertellen uit het leven van Petrus, die zooals ge wel weten zult een van de meest vertrouwde vrienden van Jezus was. In de geschiedenis van het Christendom wordt Petrus genoemd een zuilen-apostel en de naam Petrus beduidt rots. Doet een zuil ons aan iets stevigs en onwrikbaars denken, een rots doet
dat des te meer.
Maar het verhaal, dat ik u ga doen â het komt voor in elk der vier evangelieën â stelt ons Petrus voor in den tijd, toen hij den naam van Rotsman nog niet verdiende te dragen. Het is het verhaal van zijn wankelmoedigheid, van zijn ontrouw, van zijn verloochening van Jezus. Doch dat treurige verhaal eindigt met de woorden: En Petrus tot bezinning gekomen stond stil en weende en in die woorden is het geheim opgesloten, hoe de wankelmoedige ontrouwe Petrus vast en stevig, betrouwbaar is geworden als een onwrikbare rots.
Ik ga u nu zijn geschiedenis vertellen in de hoop, dat ge m^j niet alleen met de ooren, doch ook met het hart zult willen verstaan.
141
Aan het meer van Galilea leefde een jonge man, Simon, genaamd, die met zijn vader Jona en zijn broeder Andreas het visschersbedrijf uitoefende. Ik stel mij voor dat hij als kleine jongen het liefst aan het mooie blauwe water speelde met een eigengemaakt scheepje^ dat hij op het strand liet dobberen in een plas. Die effen plas met zijn naakte,, bruine beenen in beweging te brengen tot het scheepje op en neer danste als de visschersbooten op het meer, was zijn grootste vreugde en als de beweging zoo hevig werd, dat het poppetje aan het roer gevaar liep over boord te slaan, schaterde hij het uit van de pret en verbeeldde hij zich een echten storm te hebben gemaakt. Was hij het wilde spel moe, dan vleide hij zich neer om te staren langs het water, dat meestal zonnig en blauw in groote rust lag uitgestrekt, doch soms ook onheilspellend kookte en woelde. De kleine Simon kende uit de verte al de steden en dorpen, die in een halven cirkel om het meer lagen als groote gele en witte bloemen tegen groene heuvels, blinkende in de zon; hij kende ook al de klippen quot;van den kalen oostelijken oever en hij wist, dat de steden en dorpen veilige havens hadden â doch ook dat op de ruwe klippen al menig welgebouwd scheepje was vergaan.
Bij zon en bij regen, bij stilte en bij storm verheugde de kleine Simon zich op den tijd, dat hij met zijn vader mee zou mogen varen.
Aan het meer van Galilea dan groeide Simon â later Petrus genaamd â op tot een sterken man, geschikt en
142
gereed voor zijn bedrijf. Het anker winden, de zeilen hijschen, het net uitwerpen, dat was zijn lust en zijn leven. En zooals het water van het Galileesche meer, meestal in volkomen rust of zacht bewogen in kleine, vroolijke golfjes, doorzichtig tot op den bodem en tintelend van zonneglansen, en slechts een enkele maal opbruisende, heftig en grauw als in grooten toorn zooals het water van het Galileesche meer, zoo was ook het gemoed van den jongen visscher.
Op een middag dat hij bezig was zijn netten te boeten op het strand, werd zijn aandacht getrokken door een man, niet ouder dan hij zelt was. Die man deed een verhaal aan eenige jongens en meisjes en Simon Petrus, dien ik voortaan alleen Petrus zal noemen, luisterde mee. De uitdrukking van het gelaat, het geluid van de stem, het verhaal van den verteller deden het net uit Petrus handen glijden, en toen Jezus â want het was Jezus, die een gelijkenis vertelde â zich tot den visscher wendde, wiens aandachtig luisteren hem niet was ontgaan, groette Petrus hem eerbiedig met een kus. Jezus vroeg den visscher naar zijn schip en zijn netten en vertelde, dat hij zelf een timmerman was, die zijn woonplaats en schaafbank had verlaten om een ander nieuw werk te beginnen. Hij wilde een leeraar, een vriend zijn voor het volk, dat hij liefhad en gaarne goed en daardoor gelukkig wilde zien. Hij wilde de groote liefde van God, die voor zijn eigen
143
hart was opgegaan als de stralende zon, weerkaatsen tot in de donkere hoekjes van bedrukte en bedroefde menschenharten. Als de stralende zon, die evenzeer haar best doet op den giftigen paddestoel als op de vriendelijkste bloera, wilde hij wat kwaad en goed, wat zwak en sterk, wat klein en groot was tot zich trekken met dezelfde kracht en liefde. Petrus zag met grooten eerbied op naar den man, die zulk een heerlijk doel had. Jezus kreeg Petrus hai'te-lijk lief en nadat zij elkaar nog dikwijls gesproken hadden en meer en meer met elkaar vertrouwd waren geworden zeide Jezus tot Petrus: Volg mij en ik zal u een visscher van menschen maken. Petrus begreep wat Jezus bedoelde en volgde voortaan zijn vriend en meester overal, hopende van hem te leeren het geheim, dat Jezus bezat, het geheim van harten te winnen voor God.
Nog andere jonge mannen werden op dezelfde manier door Jezus geworven voor het groote werk, de liefde van God te doen kennen en te doen begeeren door menschen, die haar nog niet kenden en nog niet begeerden, en te zamen bezochten zij de steden en dorpen aan het meer totdat zij â om bij Jezus' eigen beeldspraak te blijven â de streek geheel zouden hebben afgevischt, of duidelijker gezegd, totdat Jezus zijn blijde boodschap van Gods liefde had overgebracht aan al de omwoners van het meer, die er naar luisteren wilden.
Nu en dan â zoo staat er geschrevenâ begaf Jezus
144
zich met zijn vrienden op een schip en stak hij het meer over om een rustig plekje te zoeken, waar hii geheel alleen of alleen met zijn vrienden zou kunnen zijn. En op een nacht, dat zij zich op het meer bevonden, stak een storm op, die de vrienden zeer angstig maakte, doch Jezus lag rustig te slapen op de voorplecht. Petrus zelfs, de kloeke visscher, werd bevreesd en wekte Jezus met de woorden: Meester, ivord wakker, wij vergaan. En Jezus, wakker geworden zijnde, zeide tot Petrus en de anderen: âWaarom zijt gij vreesachtig, gij klein-geloovigen?quot; En hij stond op, bestrafte de winden en de golven en er kwam groote stilte. En de mensch-en verwonderden zich en zeiden: Welk een is deze, dat ook de wind en de zee hem gehoorzaam zijn ?
Waarom zijt gij vreesachtig, gij kleingeloovige ? had Jezus gezegd tot Petrus, en geen wonder, dat hij zoo sprak. Jezus wist immers en hij zal het zijn vrienden wel gezegd hebben ook, dat er spoedig een tijd zou komen, waarop zij het meer van Galilea zouden verlaten, om een veel onstuimiger vaarwater, om de groote zee te bevaren. Hoe zou Petrus rustig blijven op de wijde, wijde zee als een storm op dit kleine water hem reeds zoo hevig deed ontstellen, zoodat hij meende te vergaan?
Misschien begrijpt ge nog niet recht wat ik bedoel. Wij hebben in ons land geen meer, dat te vergelijken is met het Galüeesche meer, doch wij hebben de Zuiderzee, een binnenzee, waar het meestal rustig is en waarvan de woeligheid als het er stormt niet te vergelijken is met de woestheid van de
145
Noordzee bij een orkaan. Hoe zal de schipper, die angstig wordt op een binnenzee, ooit den grooten oceaan aandurven? Hoe zou Petrus, verschrikt en verward over den tegenstand â want dit wordt bedoeld met den storm â dien Jezus en zyn vrienden nu en dan ondervonden van het Galileesche volk, hoe zou die Petrus ooit met Jezus kunnen meegaan naar Jeruzalem, waar hen veel grooter weerstand zou worden geboden? In Galilea waren het slechts kleine stormen, die zich verhieven tegen Jezus en zijn vrienden â in Jeruzalem zouden felle stormen opsteken en wee het schip, dat niet door de hand van een rustig-en stuurman werd bestuurd. Jezus was een rustig stuurman, die geen oogenblik het roer heeft losgelaten en ondanks de hevige stormen zijn boot veilig heeft thuisgebracht, doch Petrus was zulk een stuurman niet en wel voegde het hem voor hij scheep ging op het gevaarlijke water van strijd en verzoeking te bidden:
Bewaar mij. God, in storm en nood.
Klein is mijn boot En groot uw oceaan.
Er wordt ons nog een ander verhaal gedaan van een storm op het Galileesche meer. Jezus bevond zich â zoo luidt het verhaal â op een woeste plaats en gaf den leerlingen bevel naar de overzijde, naar Bethsaïda te varen, waarheen Jezus hen later volgen zou. Tegen
10
146
den avond was het schip midden op het meer en werd door de golven geteisterd, want de wind was tegen. Toen Jezus de worsteling van het scheepje zag kwam hij naar zijn vrienden toe, wandelende op de zee. En de leerlingen, die hem op de zee zagen wandelen, ontroerden en zeiden: âHet is een spook!quot; en zij schreeuwden van vrees. Doch terstond sprak Jezus hun toe: âZijt goedsmoeds, ik ben het, vreest niet!quot; En Petrus antwoorde hem: âHeer, indien gij het zijt zoo gebied mij tot u te komen over het water.quot; En hij zeide: âkom!quot; En Petrus klom af van het schip en wandelde over het water, om tot Jezus te komen. Doch toen hij den sterken wind zag werd hij bevreesd en toen hij begon te zinken, riep hij: âHeer, behoud mij!quot; En Jezus strekte terstond de hand uit, greep hem en zeide tot hem: âGij kleingeloovige! Waartoe hebt gij geweifeld?quot; En toen zij in het schip gegaan waren bedaarde de wind.
In het eerste verhaal roept Petrus in radelooze angst wij vergaan, in dit verhaal is hij iets moediger. Als hij ziet hoe rustig Jezus wandelt over het onstuimig water, wil hij beproeven dit ook te doen, doch Jezus moet het hem gebieden, anders durft hij niet. En op het woord van Jezus: kom! gaat hij, doch nauwelijks is hij gegaan en ziet hij de woeste golven op zich aandringen of hij wordt bevreesd. De vrees verlamt hem en hij voelt dat hij zinkt. Maar de redder is nabij. Jezus, die hem geroepen heeft om hem te volgen, die hem midden in den storm gebracht heeft en
147
wel weet hoeveel kracht er noodig is om moedig te blijven, laat hem niet alleen. Hij strekt zijn hand uit om in ontfermende liefde de hand van den zinkenden Petrus te grijpen en als hij liem stevig vast heeft, zoodat Petrus zich veilig voelt, zegt hij : âGij kleingeloovige! Waartoe geweifeld!quot;
Ach spoedig zou de tijd komen voor Petrus, waarin het nog heviger stormen zou en dan zou Jezus er niet zijn om hem bij de hand te vatten en den storm te bedaren en in dien storm zou Petrus schipbreuk lijden. Arme Petrus.
Jezus had het zijn vrienden voorspeld, dat er te Jeruzalem een hevige storm van onwil en vijandschap tegen hem zou opsteken; toen zij er waren kwam zü'n voorspelling uit.
De overheid, die in den goeden meester, die harten kwam winnen voor God, een gevaarlijk vijand zag, besloot hem te dooden. Op een avond vóór den nacht, waarin Jezus gevangen genomen zou worden, ging hij als gewoonlijk naar het dorp Bethanië, doch hij bereikte het niet; halverwege bleef hij uitrusten in den olijvenhof Gethsémané. Op den weg daarheen besprak hij met zijn leerlingen het lot, dat hem wachtte en hij zeide tot hen: Heden nacht zult gij u allen aan mij ergeren en mij verlaten. Petrus antwoordde en zeide tot hem: al zouden zij zich allen aan u ergeren en u verlaten, ik zal u niet verlaten. Maar Jezus sprak:
148
voorwaar ik zeg u, voor de haan driemaal gekraaid zal hebben om den nieuwen dag aan te kondigen, zult ge mij verloochend hebben. En Petrus antwoordde weer: al moet ik ook met u sterven, ik zal u niet verloochenen en hij was bedroefd â misschien wel beleedigd â omdat Jezus twijfelde aan zijn trouw.
In dien nacht werd Jezus gevangen genomen. Hij liet zich rustig wegvoeren door de knechten van den hoogepriester Kajafas. Ook deze storm verschrikte hem niet, doch de leerlingen vluchtten naar alle kanten, alsof zij door den wind verstrooid werden. Ook Petrus was op het punt van te vluchten, doch hij vermande zich en hij volgde van verre de gewapende bende, die Jezus meevoerde. Hij zag dat Jezus gebracht werd in liet paleis van Kajafas en hij bleef stilstaan voor de poort, waardoor hij zijn vriend had zien verdwijnen. Zou hij op dat oogenblik misschien gedacht hebben aan dien storm op het meer, toen hij was begonnen te zinken en Jezus hem had gered door hem de hand toe te steken? Hoorde hij misschien op dat oogenblik de zachte stem van Jezus weer, die zeide: waartoe geweifeld, gij kleingeloovige ?
Daar ging de poort open om een getuige in te laten, die bij het rechtsgeding tegenwoordig moest zijn en opnieuw een kloek besluit nemende ging Petrus mee naar binnen. Hij bevond zich nu op een binnenplaats en zag de wacht, die Jezus had weggevoerd, gelegerd rondom een open vuur. Jezus was er niet; hij was in een der groote zalen van het paleis en werd
149
gehoord. Petrus kon niet tot hem doordringen.
Het stormde in Petrus' hart, erger dan het ooit gestormd had op het meer van Galilea en trillend van aandoening leunde hij tegen een pilaar, zooals hij dikwijls geleund had tegen de mast van zijn scheepje. Zoo luisterde hij naar het gesprek der wachters, terwijl de vlammen van het vuur zijn bleek gelaat verlichtten. Daar kwam een meisje op de binnenplaats om drinken te brengen aan de mannen en in 't voorbijgaan zeide ze tot Petrus: Gij waart ook bij Jezus den Galileër. En Petrus loochende het ten aanhoore van allen. Met luide stem zeide hij: ik weet niet wat gij zegt, en met een angstigen blik zag hij om naar de poort, waardoor hij was binnengekomen. Nu stond een van de wachters op en zeide: âZeker, gij waart ook met Jezus van Nazereth, gij zijt een van de vrienden.quot; En wederom loochende Petrus met een eed zeggende: ik ken den mensch niet. Nu kwam de geheele wacht op hem af en een uit hen zeide: Waarlijk gij zijt ook een van hen, men kan het aan uw spraak hooren, dat gij een Galileër zijt. Toen vervloekte Petrus zich zeiven en hij herhaalde: ik ken den mensch niet.
Weer ging de poort open om een getuige in te laten en Petrus in zijn doodsangst vluchtte naar buiten. Petiios had schipbreuk geleden. De poort viel achter hem toe. Hij had zijn meester verloochend en was voor goed van hem gescheiden. Daar kraaide de haan, die den nieuwen morgen aankondigde en Petrus, tot bezinning gekomen zijnde, stond stil en weende.
150
Dat heeft de kleine Simon niet gedacht, toen hij in den zonneschijn op liet strand in een effen plas trappelde om een storm te maken en het in zijn overmoed uitschaterde van de pret als het poppetje aan het roer dreigde over boord te slaan, dat heeft hij niet gedacht, toen hij aan het water van Galilea lag te droomen en al de havens en al de klippen kende, dat hij zelf eenmaal schipbreuk zou lijden. Dat heeft de kloeke Petrus, die Jezus volgde om een visscher van menschen te worden niet vermoed, dat hij zoo stranden zou.
Wat zullen wij van den armen schipbreukeling zeggen? Zullen we hem verachten? Zullen we hem beklagen? Het beste, dat wij kunnen doen is wel, dat wij voor ons zeiven de bede nog eens herhalen:
Bewaar ons, God, in storm en nood,
Want klein is onze boot En groot uw oceaan.
De wankelmoedige, ontrouwe Petrus is een rots geworden en het geheim daarvan heb ik straks gezegd wordt opgelost door de woorden: En Petrus, tot bezinning gekomen zijnde, stond stil en weende. Ik ken den mensch niet, had hij in zijn angst tot driemaal toe gezegd van den vriend, aan wien hij zoo heilig beloofde: al moest ik ook met u sterven, ik zal u niet verlaten. Hij was gevlucht, de poort was achter hem dichtgevallen â daar kraaide de haan, die den nieuwen dag aankon-riïovle. Toen werd Petrus gedachtig aan de woorden
151
van Jezus. En hij stond stil en weende. Dit was iets nieuws voor Petrus, dit had hij nog niet gedaan.
Toen hij zijn scheepje optuigde om uit visschen te gaan, vertrouwde hij op zijn sterke handen en zijn vaardigheid. Toen hij Jezus volgde, steunde hij op de hand van zijn vriend. Maar nu de poort achter hem gesloten was en hij alleen was en wist, dat hij op zich zelf geen staat kon maken, nu stond Petrus stil en weende. Nooit heeft Petrus zich zoo zwak gevoeld als op dat oogenblik maar van af dat oogenblik was hij op weg om sterk te worden. Zijn overmoed was verdwenen, de redderde hand van Jezus kon hem niet meer vasthouden en met gestrenge majesteit klonk een stem in zijn hart die zeide: lafaard. Toen deden schuldgevoel, smart en berouw Petrus stilstaan en weenen, doch toen ook vond hij hulp; hij vond de hulp, die God alleen geeft aan verslagen en gebroken harten: Zalig die treuren, zij zullen vertroost worden.
En waarlijk, nadat Petrus nog lang en dikwijls in zijn leven had stilgestaan en geweend, ging hij naar Jeruzalem, waar hg zoo smadelijk had schipbreuk geleden, en hij werd er tot een zuil en een rots, waarop de eerste gemeente van Jezus' volgelingen steunen en bouwen kon.
Jongens en meisjes, gij zijt nog op den leeftijd, waarop uw bootje in de haven ligt en opgetuigd moet worden. Misschien verlangt ge ook al met ongeduld naar den
152
dag, waarop g\j de zeilen zult hyschen en zee zult kiezen. En mogelijk schijnt een storm u geen onwelkome gelegenheid toe om uw krachten te toonen en te oefenen. Hebt nog een weinig geduld; de t\jd waarop gij zult moeten uitvaren komt spoediger dan ge denkt. Het kan geen kwaad, dat gij al vast de havens bestudeert, waarin ge denkt te landen, dat gij de klippen kent, die gij zult hebben te ontzeilen. Maar leert in-tusschen van Petrus dat ook op het welbekende meer met de stormen niet te spotten valt en dat gij om de groote zee te bevaren, waarvan gij nu nog geen flauw denkbeeld hebt, een zeer sterk stuurman zult moeten zijn.
Ik heb u het verhaal van Petrus verteld, omdat zjjn geschiedenis, de geschiedenis is van vele menschen. Mischien wordt zij ook eenmaal uw geschiedenis. Dat kunt ge u nog niet voorstellen. Niemand, die met een welgetuigd scheepje op reis gaat, denkt aan stranden. En ach er wordt zooveel schipbreuk geleden.
Daar is een bootje, welgetuigd met kennis, dat met vlag en wimpel de klippen van een vergelijkend examen is voorbij gestevend; de jonge stuurman, vast overtuigd dat de haven hem niet meer ontgaan kan, strandt op de blinde klippen van zeltvertrouwen en verwaandheid.
Daar steekt een aardig slank scheepje van wal, dat vriendelijkheid en voorkomendheid geladen heeft en zorgvuldig de klippen van onbeminnelijkheid en onbuigzaamheid weet te vermijden en op de klip van
153
onwaarheid en onoprechtheid gaat het te gronde.
Daar gaat een fiere reddingsboot in zee om ongelukkige schipbreukelingen te verlossen van de zandbanken van armoede en domheid, waarop ze verzeild zijn, en de reddingsboot zelf krijgt een onherstelbaar lek op de klippen van ijdelheid en zelfgenoegzaamheid.
En ach hoe vele, vele scheepjes, die vol vertrouwen op weg waren naar de liefelijke havens van goede vriendschap en hartelijke liefde, lieten zich door een enkelen rukwind uit den koers slingeren en verloren hun kompas.
Uw aller scheepje, lieve jongens en meisjes, ligt nog vastgemeerd op de zonnige kade. Wat zal er van uw scheepje worden als gij het anker gewonden en de zeilen geheschen hebt ?
Leert uit de geschiedenis van Petrus, dat overmoed zoowel als wankelmoedigheid slechte stuurlieden zyn.
Leert ook uit de geschiedenis van Petrus, dat gü de wrakken, die gij ziet aanspoelen, niet moogt verachten. Bedenkt dat ook deze scheepjes eenmaal vol moed zee hebben gekozen en dat er misschien geen vriend als Jezus bij de hand was om den storm te bedaren.
Maar bovenal leert dit uit zijn geschiedenis, dat ook voor den schipbreukeling, wiens mooie bootje door eigen schuld verging, nog een veilige haven overblijft. De reddingsmiddelen zijn schuldgevoel, smart en be rouw; de vluchthaven is God.
154
Toen Petrus zyn vriend had verloochend en die vriend hem in storm en nood niet meer bij kon staan, toen Petrus zich zelf verachtte toen kwam hij tot bezinning. Hij stond stil en weende. Hij stond stil bij zijn zonde, hij weende bitter over de trouweloosheid van zijn hart. En terwijl hij zielsbedroefd was, voelde hij sterker dan ooit te voren, dat niets, dat ook zijn ontrouw niet hem scheiden kon van de liefde van God, van dien God, dien Jezus hem had leeren kennen als vergevende liefde, als eeuwige trouw.
Gij kunt het nu nog niet gelooven, maar ik zeg u dat uw levensbootje meer dan eens zal stranden; o leert uit de geschiedenis van Petrus, hoe gij u redden kunt.
Mattheus V : v. 48a.
IVeest volmaakt.
NIEUWJAAR
Gisteren vierden wij den Nieuwjaarsdag, en ge zult u zeker niet verwonderen, dat ik over Nieuwjaar en al wat een nieuw jaar meebrengt ga spreken. Wij hebben, de groote menschen zoowel als de kinderen, elkaar een goed, een gelukkig Nieuwjaar gewenscht. Wij hebben elkaar mooie kaartjes met gedichtjes ot spreuken toegezonden, die spraken van heil en vreugde en wij hebben alles heel hartelijk en oprecht gemeend. Een goed en gélukkig Nieuwjaar, wie zou het niet toewen-schen aan allen die wij kennen en van wie wij houden; â ja, wie zou het niet willen toewenschen aan iedereen, ook aan hen, die wij niet kennen en niet liefhebben, ja zelfs aan die ons niet genegen zijn, van wij niet houden ?
Wie zou niet oprecht en hartelijk hopen, dat onheil en leed ver mochten blijven van ieder huis en van ieder hart?
Maar als wij doordenken, heel ernstig en flink, dan begrijpen wij wel, dat onze wenschen niet vervuld kunnen worden; dan weten wij, dat het oude jaar niet al wat donker en droevig was heeft meegenomen, dat
158
er in liet nieuwe jaar opnieuw zullen zijn leed en ziekte en dood en dat zij mee zullen brengen smart en rouw.
Maar als wij dit nu weten, is het dan niet onnoozel den Kieuwjaarsdag: te vieren als iets bizonders? Zou het niet beter zijn op 1 Januari te zeggen: daar is weer een nieuw jaar. Dit nieuwe jaar zal zijn als het oude; wij zullen er ons maar niets van voorstellen, er niets van verwachten en hopen ? Neen, zeker dat zou niet goed zijn. Wat een vervelende wandeling zou 't zijn als wij ons op weg begaven en maar doorliepen, zonder eens stil te staan om te kijken wat achter ons is en als wij ons niet verheugden en hoopten op hetgeen wij nog te zien zullen krijgen.
Een nieuw jaar wordt dikwijls vergeleken bij een weg, dien wij hebben af te leggen. De weken en maanden, de feestdagen in ons huis, moeders verjaardag, grootvaders bezoek, een aanstaand examen het zijn de mijlpalen op onzen weg, die ons zeggen hoeveel wij reeds afleggen en hoe ver wij nog moeten gaan.
Ik las eens van een klein blind meisje, dat te voet een reis moest doen met haren vader. De weg was hier en daar slijkerig en daardoor moeilijk te begaan en soms ook hobbelig door boomwortels en stee-nen. En de vader kon niet altijd verhinderen, dat zijn lief kind zich stooten zou en hii kon den zwaren weg niet gemakkelijk voor haar maken. âVader,quot; vroeg het kind, âhoe weet gy den weg te vinden.quot; âIk kan den weg, die voor ons ligt, zien, mijn kind.quot; âMaar als er nu twee wegen zijn, vader?quot; âDan staat er een weg-
159
wijzer, die mij den weg wijst, en als er geen wegwijzer staat dan ga ik den weg die mij den juiste toeschijnt en ik kies naar mijn beste weten. Dan vraag ik ook den wandelaars, die ik tegen kom en als zij mij overtuigen dat ik dwaal dan keer ik op den goeden weg terug en ga weer moedig voort.quot;
âVader, hoe kunt gij weten, hoever wij nog moeten gaan?quot; âDat zie ik aan de mijlpalen, die zeggen mij hoe ver nog.quot; En het vermoeide kind legde vol vertrouwen haar handje in de hand van haar vader en wandelde moedig verder.
Een nieuw jaar wordt ook wel eens vergeleken bij een boek met witte, blanke bladen. Ze zijn onbeschreven. Maar al die bladen moeten beschreven worden door ons en aan het einde van het jaar zal het boek vol zijn. Van ijver en inspanning en groote vorderingen, van vriendelijke goede reine gedachten, van tallooze kleine liefdedaden zullen de bladen kunnen getuigen, maar er kunnen ook leelijke strepen en vegen en vlekken op komen, teekenen van luiheid en boosheid en onwil, bladen die wij zouden begeeren dicht te plakken, opdat we ze zelf niet behoeven te zien en anderen er geen oog in zullen kunnen slaan. En ieder nieuw jaar wordt ons een nieuw boek gereikt en ieder nieuw deel wordt een vervolg op het vorige. En aan het einde van ons leven is ons levensboek gereed en die na ons komen, lezen er in en zij verkwikken zich aan de mooie bladzijden, die er in voorkomen en de leelijke bladzijden slaan zij haastig om; die willen ze niet zien.
160
En God en zijn engelen lezen ook in ons levensboek en ér is vreugde in den hemel over al 't schoone en goede, dat wij deden als goede werkers van God en er is droefheid over al onze booze daden en gedachten, waarmede wij het kwade hebben bevorderd.
Ik twijfel er niet aan of er zijn hier ook onder de jongens en meisjes, die op oudejaarsavond bedacht hebben, hoeveel er nog aan hen ontbreekt, hoe oneindig veel ze te kort zijn gekomen in ijver, in ernst, in liefde en die den Nieuwjaarsmorgen hebben begroet vol goede voornemens. In sommige huisgezinnen is het de gewoonte â en het is een heel aardige, goede gewoonte â op oudejaarsavond de kinderen te meten aan de deurpost; dan wordt er een streepje met potlood gezet om aan te toonen, hoe groot Henri, Karei en Frits, Betsy, Suze en Sanne zijn en later kan men zien, hoeveel ze in een jaar gegroeid zijn. Als nu Henri, Karei en Frits ferme, sterke jongens zijn, die iederen dag met een fameusen honger thuis komen en flink uit de kluiten schieten, zoodat ze in een jaar meer dan een half hoofd groeien, dan is dat een reden tot vreugde en dankbaarheid voor de ouders zoowel als voor de jongens, maar hoe heerlijk moet het voor een moeder z\jn, als ze haar Henri meet en er een gejuich opgaat over zijn lengte, te mogen denken: Ja, zijn lichaam is grooter en sterker geworden â maar zijn leelijk gebrek, zijn booze drift werd kleiner in dit jaar. Ik heb er hem wel mee zien worstelen
161
maar hij is machtiger gebleken dan het kwade in hem. En dan zal ze hem een kus geven en zeggen: mijn groote sterke jongen, wordt groot en sterk in het goede. Wie zich zeiven overwint is sterker dan die een stad inneemt.
En dan komt Karei aan de beurt; 't spijt hem wel, dat hij naar evenredigheid niet zooveel gegroeid is als zijn oudere broer en hij bedenkt dat hij ook ziek geweest is, maar vader troost hem: zijn rapporten waren toch niet slecht. Hij is wel wezenlijk gegroeid in kennis en wijsheid. En moeder lacht hem toe; zijn lichaam is minder forsch, maar kennis is macht en meer dan Goliath is David.
En dan komt Frits, het kleine broertje^ de lieveling van de zusjes en hij gaat op zijn teentjes staan want hij wil graag groot zijn en hij bluft, dat hij Karei wel zal inhalen. Zijn vader lacht hem uit en laat hem plat op den grond staan en geeft hem geen streep toe, maar laat hem toch zien, dat hij heel wat grooter is geworden en dan trekt moeder hem op haar schoot en vraagt: zal je nu't volgend jaar gehoorzamer zijn, een goed kind wezen.
En als de meisjes gemeten worden aan de deur, dan meet moeder ze ook nog eens na. Was Betby niet veel te slordig voor zoo'n groot meisje, was Suze niet humeurig en dacht Sanne met haar aardig gezichtje niet veel te veel aan zich zelf? En de meisjes weten het wel en ze zijn er beschaamd over en een beetje bedroefd en in het volgend jaar zal het alles beter
11
162
worden. En als zij den volgenden dag wakker worden is het Nieuwjaar.
Dit jaar heeft 365 dagen en iedere dag zal 's morgens vragen: wat gaat gij met mij doen, en iedere dag-zal 's avonds vragen : wat hebt ge met mij gedaan; 365 dagen die nooit meer terug zullen komen. Nu ja, dat weten wij allemaal wel. Maar doen wij er ook na? Bedenken wij eiken dag opnieuw, dat er geen uur, geen oogenblik verloren mag gaan? Niet dat wij altijd zouden moeten doorwerken, wel neen, dat is niet noodig, maar wij moeten ons werk doen op onzen tijd, opdat wij veel tijd zullen kunnen overhouden om te spelen en te doen wat onze liefhebberijen zijn. Wij mogen ons schoolwerk veilig laten rusten, als het af is, maar aan één ding moeten wij altijd voortwerken onder leeren en spelen, onder werken en rusten en dat eene waarvan wij nooit mogen ophouden, dat is te werken aan ons zelf, d. i.: wij moeten ieder oogenblik van ons leven besteeden om betere menschen te worden, want al worden wij honderd jaar, kort is het leven en groot is de taak, die wij hebben af te werken, immers Jezus zeide: Weest volmaakt, gelijk uw Vader, die in de hemelen is, volmaakt is.
Peter was een kleine herdersjongen. Hij leefde tus-sehen de hooge bergen, ver boven de vreedzame valleien, te midden van schoone natuurtafereelen â wie zou niet graag een herdersjongen op de bergen zijn? Maar
163
Peter was dit leven moede en ontevreden met zijn lot, hoewel hij pas 12 jaar oud was. Twee jaren lang had hij de schapen op de bergen gehoed en altijd was hij gelukkig geweest, maar nu was hij onvoldaan, 't Was niet, dat hij gaf om de stormen, die er zelfs in den zomer woedden: 't was niet, dat hij niet van de schapen hield en van zijn goeden hond Fidel; doch de predikant van het dorp had hem leeren lezen en hem een boek gegeven. âNeem je boek niet mee naar de bergen, zoodat 't je van je werk zou afhouden,quot; had de goede man gezegd, maar Peter had er niet naar geluisterd.
Eerst was hij tevreden geweest met rustig zijn schapen te weiden en in de schoone vallei neer te zien, er over peinzende of de menschen en kinderen daar wel even gelukkig zouden zijn als zij, die op de bergen wonen. Maar nu was alles veranderd, want eens had hij zijn boek in zijn zak meegenomen. Dat kan geen kwaad, meende hij. Hij zou alleen lezen wanneer de schapen rustig in zijn nabijheid graasden. Het boek behelsde: âVerhalen van groote mannen,quot; verhalen van schilders en dichters on beeldhouwers, verhalen van uitvinders en denkers, van pausen en prinsen, waarvan sommigen hun leven als herdersjongen, even arm als Peter begonnen waren. Waarom kon hij ook niet rijk worden en groot en voornaam ? Hij las en las steeds voort, en al lezende kwam het groote verlangen over hem: âAch kon ik ook een groot man zijn!quot; en het herdersleven scheen hem ondragelijk.
164
Nu had Peter, toen hij nog niet lezen kon, wel eens hooren vertellen van feeën, die kleine kinderen geschenken geven bij hun geboorte, geschenken in goud en zilver, die al het begeerlijke dicht onder Imn bereik brachten, of geschenken van geestelijken aard: een helder verstand, dat hun de moeilijkste dingen gemakkelijk deed verstaan. Deze, door do feeën begiftigde men-schen, zij waren de grooten der aarde geworden. Helaas de feeën waren niet tegenwoordig geweest bij Peters geboorte; hem was niets bizonders geschonken en het eenige, dat hij nu kon, lezen, had hem ontevreden gemaakt.
Maar Peter besloot niet te rusten, voor hij het verblijf der feeën zou hebben uitgevonden en hij zou ze zoo hartroerend smeeken om een gave, dat zij hem niet zouden kunnen afwijzen en nog dien eigen dag ging hij op reis. Hij reisde de lente, den zomer en den herfst door en reeds was hij midden in den winter gekomen, toen hij op Nieuwjaarsdag een fee ontmoette, die hem niet haastig voorbij zweefde als andere gestalten, waarin hij feeën had meenen te herkennen, maar die stilstond toen hij de armen naar haar uitstak als een die hulp verlangt.
âIk ben het Geluk,quot; zeide de fee en zij straalde van schoonheid en goedheid.
âIk ben Peter de hei-dersjongen, en ik heb u gezocht vele maanden lang; ik heb u gezocht sedert ik gelezen heb van groote mannen, die machtig en aanzienlijk waren. Ik benijd hen, ik wil groot worden als zij.
165
O goede fee, geef mij een gave, die mjj gelukkig zal maken.quot; En de goede fee zette zich bij Peter neer op den bergrand en zeide : âHebt ge mij zoo lang gezocht en wist ge dan niet, dat ik iederen dag om en bij u was? Wat wilt ge van mij?quot;
Peters oogen begonnen te stralen. Had hij het dan maar voor het zeggen ? âGeef mij geld, veel geld daar kan ik mij alle schatten voor koopen, waarvan ik gelezen heb.quot; Het gelaat der fee verdonkerde: âHeeft de boer in de vallei geen geld, veel geld en kan hij niet alles koopen wat hij begeert ? Zie daar gaat hij in zijn pels gehuld en met de bontmuts op het hoofd. De kou deert hem niet en toch kijkt hij grimmig rond. Ga hem eens vragen of hij mij, de fee van het Geluk kent. Neen, zal hij zeggen, ik heb haar nooit gezien. Geld heeft hem niet gelukkig gemaakt; kies iets anders.quot;
Peter zeide: âgeef mij een ijzeren wil en de gaaf om te heerschen. Ik heb gelezen van Napoleon, maak mij aan hem gelijk; hij was groot.quot; Opnieuw verduisterden de oogen der fee van het Geluk. âNapoleon was niet groot, er is geen grootheid in het vernietigen van het geluk van anderen. Kies iets anders, mijn jongen,quot;
âGeef mij dan een pen waarmee ik boeken schrijven kan, die heel de wereld over gelezen worden, of een penseel, waarmee ik schilderen kan als Rembrandt, of een microscoop, waarmee ik de fijnste geheimen der natuur kan onderzoeken, of geef mij, geef mij wat mij gelukkig maken kan,quot; smeekte Peter. âIk wil een groot man zijn, dat wil ik.quot;
166
âPeter,quot; zeide de fee, âgeen geld en geen zwaard, geen pen en geen penseel, geen microscoop of passer kan ik je geven. Ga vragen bij al de groote mannen, die deze geschenken van de feeën ontvingen en vraag hen of dat hun grootheid en hun geluk heeft uitgemaakt en als zij de waarheid zeggen, zullen zij antwoorden: Niet het bezit dezer gaven maakte onze grootheid en ons geluk uit, maar dat wij mochten werken en zoeken en streven, dat was onze grootheid, dat was ons geluk. Niet wij zijn groot, maar God is groot, die ons aan het werk stelde. God is groot doch wij zijn klein; en hoe meer wij konden en deden, des te meer zagen wij de onvolkomenheid in van ons werk.
Ziet ge, kleine Peter, het doet er niet toe of het een penseel of een microscoop, of het een zwaard of een herdersstaf is, die je wordt gegeven, het geluk zit niet daarin, maar het zit in den mensch zelf. Doch een nieuwjaarsgift heb ik voor je meegebracht.quot; En de fee van het Geluk nam uit haar gordel een kleinen scherpen beitel en zij beitelde in de rots hoog boven het hoofd van den herdersjongen twee woorden: Wees volmaakt, en zij legde den beitel boven op den bergtop, waarop zij deze woorden had geschreven. En zij zeide tot Peter: âAlle groote en goede menschen hebben deze woorden hoog boven zich gezien, zie gij er ook naar op als gy de schapen hoedt en als gij ooit iets beters weet dan deze woorden, moogt ge naar den bergtop gaan en den beitel weghalen en met dienzelfden beitel moogt ge dan de woorden wegslaan, die ik daar geschreven heb.quot;
167
Maar Peter lachte. âAl zou ik ze willen wegdoen met uw beitel, ik zou er toch niet bij kunnen,quot; zei hij, âzoo hoog zijn ze geschreven boven mijn hoofd.quot;
âJuist, mijn jongen,quot; antwoordde de fee van het Geluk, âhoog boven je heb ik de woorden geschreven, opdat je ze overal zoudt kunnen zien en ze nooit zoudt kunnen bereiken. Opziend naar die woorden zult ge gelukkig zijn.quot;
Toen Peter wakker werd, want hij had gedroomdi zag hij op naar de blanke sneeuwtoppen der bergen, die hem reiner en schooner toeschenen dan ooit te voren. De fee en haar beitel waren er niet meer en de woorden: Wees volmaakt waren niet in den berg maar in zijn hart geschreven. Zijn schaapjes waren verdwaald, terwijl hij sliep, maar hij zocht ze gauw by een en bracht ze naar de kooi en iederen dag keek hij op naar de blanke sneeuwtoppen en het was hem of de gouden zonnestralen er altijd weer op schreven: Wees volmaakt. En hij las in zijn boek van groote mannen iederen dag en hij wist, dat wat hun geluk had uitgemaakt ook zijn geluk was en een ander geluk zocht hij niet meer. En met iederen Nieuwjaarsdag herdacht hij zijn nieuwjaarsdroom en hij ontdekte, dat hij ieder jaar een weinig gegroeid was en zijn groot geluk groeide met hem mee. De kleine Peter is een groot man geworden. Groot was zijn nederigheid, groot was zijn wil om goed te zijn, groot was zijn geluk maar de geschiedenis weet niets van hem te vertellen, die heeft zelfs zijn van vergeten. Doch in den hemel, daar ligt
168
zijn levensboek opgeslagen, een boek van vele deelen en de engelen lezen er in en roemen de wondere schoonheid van het verhaal van Peter's leven. 1)
Jongens en meisjes, dat was nu myn nieuwjaars vertelling, die ik hoop, dat gij begrepen hebt en onthouden zult. Misschien vindt ge, dat ge nu nog maar heel weinig van Peter weet en zoudt ge meer van hem willen weten, b. v. of de rijke boer in het dal, wiens schapen hij hoedde, ook over hem tevreden was en hem zoo nu en dan een geschenk gaf tot loon voor zijn trouwe zorg, of Peter, toen hij groot werd een aardig meisje vond, waar hij mee trouwde, of hij met haar in een eigen huisje woonde en ofhy zijn kinderen nog groot heeft gezien. Nu, op al die vragen kan ik geen antwoord geven, want dat weet ik niet en om de waarheid te zeggen maak ik er mij ook niet heel moeilijk over. Maar als soms iemand vragen wou of er nog feeën zijn, die goede gaven uitdeelen en of die alleen in de berglanden leven, dan kan ik je geruststellen. Ja, ze zijn er nog, ze zijn overal; zij zweven door de lucht als gouden zonnestralen, ze liggen verscholen tusschen de bladen van een mooi boek, ze fluisteren in de stem van onze lieve vrienden, ze kijken ons aan uit de oogen van een lieve moeder en van een trouwen vader, ze wonen in ons hart. Zij zijn er en zij omringen ook u in deze nieuwjaars week en zij vergezellen u het geheele jaar door. Feeën of enge-
1
Eenigszins gevolgd.
169
len of goede gedachten of woorden van God of plichtsbesef of moed of liefde, hoe gij ze maar noemen wilt, zij zijn er om ons de nieuwjaarsgedachte toe te fluisteren^ dat het geluk voor ieder is weggelegd in twee woorden, hoog boven ons in eeuwig schrift geschreven en onbereikbaar voor onze kleine handen en die twee woorden zijn: Wees volmaakt.
En iederen dag behooren wij op te zien naar die onbereikbare woorden en hebben wij ons uit te strekken naar dat geluk. En of wij dan wonen in groote of in kleine huizen, en of wjj dan gezond zijn of ziek en of andere menschen ons dan geven wat ons toekomt of niet â dan zal het ons niet ontbreken aan dat beste heil, dat alle heil te boven gaat, het zal ons niet ontbreken aan den zegen van God.
Eere zij God in den hooge, En vrede op aarde, In menschen een welbehagen.
Lukas II, v. 14.
ENGELENZANG.
De Kerstnacht is gekomen,
De stille heil'ge nacht.
Die sinds zoovele eeuwen Op aarde zegen bracht.
Laat Gode ons daarvoor danken En prijzen zijn gen a ;
Zingt allen Hem ter eere Looft God, Halleluja.
No. 76 Ons Lied. A. F.
De kerstnacht is gekomen â neen hjj is reeds voorbijgegaan en de engelen zijn weer heengevaren ! Hebt gij de engelen ook gezien ? Hebt gij hun vleugels hooren ruischen? Hebt gij uit hun eigen mond de boodschap gehoord, die zij kwamen brengen aan ons ? Misschien hebt gij nog maai' even een enkelen kleinen engel gezien, juist toen hij verdween achter de wolken ; misschien hebt ge alleen het klepperen gehoord van vleugels en was 't lied uitgezongen juist toen ge wakker werdt om er naar te luisteren. Of
172
hebt ge ze wel gezien, al de Engelen en hebt ge de boodschap, die zij brachten recht goed verstaan ?
Ja, ik geloof, dat het zoo is, ik geloof, dat het u gegaan is als de herders in 't veld. Ik geloof, dat gij de boodschap der engelen niet zult vergeten en dat gij doen wilt als Maria, de moeder van het kerstkindje, die de woorden bewaarde, alle te zamen overleggende die in haar hart.
De herders waren lang, lang geleden buiten de stad Bethlehem in 't veld; ze lagen om een vuur en waakten bij de kudde. De lammeren en de schapen, de bokjes en de geiten sliepen, maar de herders, oude en jonge mannen en iongens ook, de herders waren wakker. Nu wierp de een en dan de ander een stuk hout op 't vuur. Ze koesterden handen en voeten aan den gloed en keken naar de spattende vonken, die verdwenen als vallende sterren.
De vlammen weerkaatsten in hun oogen, terwijl ze spraken van o zoo veel, dat er bij ze omging. En zjj die zwegen, luisterden toe. Waarvan zouden de herders wel gesproken hebben ? Ze spraken van de slechte tijden, die ze beleefden. Het brood was zoo duur,, en de vruchten waren zoo schaars ; hun kinderen vereisch-ten zooveel zorg en als die groot waren, ach, dan zouden ze 't niet beter hebben dan hun ouders, want wie zou de Romeinen verjagen, de verdrukkers van het volk? Wie zou de zieken genezen, wie zou de zwakken sterk maken, wie zou den last der moeder
173
dragen, wie zon de bedroefden troosten, wie de zondaars redden? En terwijl ze daar zoo spraken, de herders, nam een ond, oud man het woord en sprak van betere dagen, die komen zouden als de koning geboren was, de Messias en boe dan alles anders zou worden op aarde! Want Hij zou goed zijn; hij zou regeeren, niet door kracht en geweld maar door liefde; hij zou vrede en vreugde brengen; meer warmte zou er uitgaan van hem dan al het brandhout kon geven; meer licht zou hij verspreiden dan al do olijfolie, gebrand in alle lampen en lampjes; meer vrede zou er van hem uitgaan dan van alle vredesonderhandelingen van alle vorsten en rijksgrooten te zamen.
De knapen en de jonge mannen schudden ongeduldig de hoofden maar de oude herder sloeg de oogen op naar den donkeren hemel om God te bidden, dat hij den zaligmaker zenden mocht en niet zachte stem zeide hij: O lieflijk kind, wanneer zult gij geboren worden?
En ziet een engel des Heeren stond bij hem, zacht was hij neergestreken naast den ouden herder en een schitterend hemellicht ging er van hem uit, de heerlijkheid des Heeren omscheen hem en de mannen en de knapen sprongen op en zij vreesden met groote vreeze. Maar de engel zeide tot hen: vreest niet, want ziet ik verkondig u groote blijdschap, die al de volken wezen zal. Namelijk dat u heden geboren is, de zaligmaker, welke is Cristus, de Heer, in de stad Davids !
En dit zal u het teeken zijn; gij zult het kindeken
174
vinden in doeken gewonden en liggende in de kribbe. En toen de engel had uitgesproken verscheen daar een gansche menigte van engelen, prijzende God en zeggende:
Eere zij God in den hooge,
En vrede op aarde In menschen een welbehagen !
En toen de engelen hadden gezongen sloegen ze de wieken uit en voeren weg naar den hemel. En de jonge mannen en ook de knapen strekten de handen uit alsof zij beproeven wilden de engelen vast te houden, maar zij verdwenen en ook het licht, dat hun ontstraald had, verdween achter de wolken. En er waren tranen in de oogen der mannen, maar het gelaat van den ouden herder glansde van vreugde en hij zeide: laat ons dan heengaan naar Bethlehem en laat ons zien het woord dat er geschied is, hetwelk de Heer ons heeft verkondigd! De boodschap der engelen moet waarheid zijn. Het lieflijk kind is geboren. Xu zal er licht komen op aarde en vrede en vreugde. Komt laat ons gaan naar Bethlehem 's stal!
En zij kwamen met haast en vonden Maria en Jozef en het kindeken, liggende in de kribbe. Maria en Jozef waakten bij het kindje ; en het ezeltje en het schaap waren ook wakker en rekten de halzen uit om te zien, wie daar lag in hun voederbak; 't was of ze meelij voelden met dat teere schepseltje in doeken
175
gewonden en neergelegd in het hooi ; en 't was alsof ze afspraken in hun taal: wij willen, lief kindje, het hooi niet eten, niet wegnemen uw bedje! Het kindje droomde en lachte in zijn slaap, want hij had het engelenlied gehoord, dat daar buiten in 't veld was aangeheven, terwijl het stil was in de stad :
Vrede op aarde. Vrede op aarde In menschen een Welbehagen.
Ja, het kerstkindje lachte in den slaap en bewoog de kleine handen, toen de herders kwamen in den stal en neerknielden bij de kribbe. En als zij het kindje gezien hadden, maakten zij alom bekend het woord, dat hun van dit kindeken gezegd was^ dat hij zou worden de zaligmaker der wereld. Vrede op aarde, vrede op aarde, zou hij brengen en hij zou eenmaal alle menschen doen weten, dat God een welbehagen in hen heeft.
En allen die het hoorden verwonderden zich over hetgeen er gezegd werd door de herders. Zij hadden het hemelsche licht niet gezien en geslapen toen de engelen zongen en zij keken met verbazing naar 't kindje zoo klein. En dat zou zoo groot worden ? vroegen ze!
Maar Maria, de moeder van 't kindje, bewaarde alle de woorden der herders te zamen, overleggende die in haar hart. Ieder woord onthield zij en haar hart was vol dank aan God en vol groote blijdschap: haar
176
kindje de zaligmaker der wereld! Hij zou vrede brengen op aarde!
En de herders keerden terug van den stal, verheerlijkende en prijzende God over alles, wat zij gehoord en gezien hadden, gelijk tot hun gesproken was en de ruwe mannen en de woelige knapen straks v eer gelegerd in 't void en wakende bij de kudde, luisterden met ing'ehouden adem ot er nog niet iets te hooren was van het wiekgeruisch en den engelenzang.
Komt wij willen ook nog eens heel eerbiedig luisteren naar het lied, dat de engelen zongen, vele, vele jaren geleden het lied, dat zij lederen nacht opnieuw zingen voor gretig luisterende ooren en wij willen de blijde boodschap overleggen in ons hart.
Eere zij God in den Hooge En vrede op aarde In menschen een welbehagen.
Wat is de blijde boodschap, die lederen kerstnacht
wordt herhaald ?
De blijde boodschap is dit: God heeft in u een welbehagen; God wil, dat er vrede en vreugde op aarde zal zgn ook door u. God wil, dat gij zijn zult als Jezus, zijn rijk, zijn gelukkig kind.
Er was eens een klein, klein meisje. Ze was geboren in een huis maar of 't een groot of een klein huis was, dat doet er niet toe.
De vader en de moeder waakten over 't kindje en
177
de engelen zongen in den nacht, waarin ze werd geboren, zooals ze ook gezongen hebben voor u en voor mij.
Klein meisje, zongen de engelen .. .
Klein meisje, lief meisje,
Zoo zwak en zoo teer.
God ziet uit den hemel In liefde op u neer.
Klein meisje, lief meisje Wordt groot en wordt sterk ;
Schenkt God u de krachten.
Ga gij dan aan 't werk.
Klein meisje, lief meisje.
Wordt goed en wordt rein;
God zegende en vraagt u Een zegen te zijn.
Klein meisje, lief meisje.
Wij eng'len gaan heen En laten vertrouwend Op aarde u alleen.
Klein meisje, lief meisje,
Zoo zwak en zoo teer.
God schonk u het leven.
Eens vraagt Hij het weer.
Zoo hadden de engelen gezongen in den geboortenacht van het meisje en zij had 't gehoord in haar
12
178
slaap en ze had geglimlacht in haar wiegje en de handjes bewogen; en toen ze wat grooter werd, maar toch nog een heel klein meisje was, herinnerde ze zich, nu en dan, een enkel woordje van het engelenlied maar het geheele lied kon ze zich niet herinneren en als haar hoofdje moe werd van 't denken dan gaf ze het op.
Het meisje werd grooter en sterker; de tijd van altijd spelen was uit; ze ging naar school ; ze leerde alles, wat gij ook leert: lezen en schrijven en rekenen; ze leerde breien en naaien en veel meer, veel meer. Ze leerde ook inschikkelijk en behulpzaam zijn; ze leerde eenvoudig de waarheid te zeggen als 't soms wat moeiljjk was dit te doen.... ze leerde o maar ge weet zelf wel wat voor lessen haar al werden gegeven!
En ons meisje was vlug van begrip; ze zat in een klasse met 50 andere kleintjes en ze kreeg maar weinig beurten, maar ze kon de letters zoo gauw en ze spelde de woordjes en voor ze 't haast zelf gelooven kon las ze al een heel boek. En handig dat ze was ! Er waren vijf kleine broertjes en zusjes gekomen na haar en moeder had haar hulp zoo dikwijls noodig. Ze vond het ook meestal aardig moedor te helpen. Hoe geduldig zat ze bij de wieg van ^t heele kleintje als 't wezen moest, wat kon ze lief en vroolijk doen tegen 't zusje van twee jaar, dat niet sterk was en dikwijls schreide en hoe mooi kon ze oververtellen aan 't broertje van vier jaar al het moois, dat ze gelezen had in haar eerste boek.
179
Mijn lief oudste dochtertje noemde moeder haar dikwijls en op een avond, dat de kleintjes sliepen en ze stil hij de wieg zat om op moeder te wachten, die lang uitbleef, toen neuriede ze zacht om 't kleine zusje te troosten :
Klein meisje, lief meisje.
Zoo zwak en zoo teer,
God ziet uit den hemel In liefde op u neer.
Ze wist niet, dat dit de woorden waren die de engelen in haar geboortenacht hadden gezongen; ze meende, dat ze haar zoo maar van zelf waren te binnen gekomen en ze had een warm, heerlijk gevoel in haar hartje, terwijl ze in de wieg keek naar 't onrustige kleintje, precies zooals moeder haar kon aanzien!
En het kleine meisje werd grooter en meer en meer moest ze leeren en meer en meer werd er van haar gevraagd. Maar terwijl ze grooter werd, werd ze ook sterker; ze kon meer en ze wilde ook meer.
,,Als ik niet gezond was en niet werken kon dan zou 't er treurig met ons uitzien,quot; had moeder eens vertrouwelijk gezegd tegen haar oudste en dapper had 't meisje geantwoord: nog een klein poosje, moeder dan zult ge een veel rustiger leven hebben, dan doe ik alles voor u. En 's nachts droomde zij van het lied, dat de engelen bij haar wieg hadden gezongen:
180
Lief meisje, klein meisje,
Wordt groot en wordt sterk;
Schenkt God u de krachten,
Ga gij dan aan 't werk.
En al grooter werd 't kleine meisje en ze kon niet altijd op school blijven en ook niet tgt;i] moeder thuis zijn. Ze moest een flink zelfstandig mensch worden. Ze kwam in aanraking met allerlei menschen, goede menschen en slechte menschen, en soms kwam ze in zoo'n groote verzoeking, dat ze niet wist wat te doen. Een kleine leugen had haar kunnen redden uit een groot bezwaar. Een kleine onoprechtheid zou in haar voordeel zijn geweest, zou haar bemind hebben gemaakt; maar dan dacht ze aan het engelenlied, waarvan ze zich hoe langer zoo meer herinnerde:
Lief meisje, klein meisje.
Wordt goed en wordt rein ;
God zegende en vraagt u Een zegen te zijn.
En met die woorden in haar hart ging ze naaimoeder en klaagde haar nood en vroeg om raad en moedig ging ze weer onder de menschen, zachtjes neuriënd voor zich zelve heen:
God zegende en vraagt u Een zegen te zijn.
181
En ze zeiden 't wel niet tegen haar, ja soms moest ze leelijke en onware verwijten hooren, maar toch zagen anderen wel, hoe zacht en vrijmoedig ons meisje de oogen opsloeg en ze zagen ook wel, dat er meestal een blijde glans lag op haar gezicht als van iemand, die van binnen een echt warm en gelukkig gevoel heeft en de anderen trachtten achter 't geheim te komen en vonden 't prettig met haar zoo eens heel alleen te praten en als ze van haar weg gingen namen ze ook iets van dat warme gelukkige gevoel mee in hun hart.
Naar huis gaan en bij vader en moeder zijn en bij de kleintjes, dat waren de feestdagen van Line, maar op een dag daar werd moeder zoo ziek en het kleinste zusje werd ziek. Moeder stierf en het kleinste zusje werd een tobstertje voor haar geheele leven.
En toen moeder stierf had ze Line's hand in de hare en daar klonk in Line's hart weer een stukje van het engelenlied:
Lief meisje, klein meisje,
Wij engelen gaan heen ;
En'laten vertrouwend Op aarde u alleen.
En Line zong de woorden niet, ze kon niet zingen, ze kon ook niet spreken maar ze zag moeder aan met zooveel liefde en ze wees op 't bedje van 't kleine tobstertje en ze riep de andere kinderen om zich heen
182
en moeder begreep alles en sloot glimlachend de oogen.
En nu deed Line, wat moeder had gedaan. Ze zorgde voor vader, ze zorgde voor de kinderen. Ze werkte van 's morgens vroeg tot 's avonds laat en ze deed het zoo moedig en zoo trouw ; ze deed het zoo vroolijk en zoo vriendelijk; ze deed het zoo oprecht en zoo teer ; ze deed het zoo wijs en zoo vroom! En als ze moe was of teleurgesteld, als ze telkens iets op moest geven, dat ze zoo graag gewild had, dan zongen toch de engelen in haar hart heel het liedje, dat ze bij haar wieg hadden gezongen en als de laatste woorden hadden uitgeklonken:
Klein meisje, lief meisje,
Zoo zwak en zoo teer.
God schonk u het leven Eens vraagt Hij het weer,
dan droogde ze haar tranen af en nam haar werk weer ter hand en lachte tegen vader en hielp de jongens terecht of stilde den twist onder hen en troostte 't tobstertje en luisterde of ze soms nog iets kon opvangen van het engelenlied.
Wist gij wel, dat niet alleen in den nacht van Jezus geboorte de engelen de aarde hebben bezocht om 't vrede on aarde in menschen een welbehagen te zingen ?
183
Wist ge wel, dat ze altijd om u heen zijn en dat ge hun lied hooren kunt als ge er naar luistert met verlangende ooren ? Maar dit is zeker, schooner lied dan in den kerstnacht is er toch nooit gezongen en beter is er nooit naar geluisterd dan door Jezus zeiven En heerlijker is geen engelenzang ooit waar gemaakt dan door hem! En van geen trouwe vader of lieve moeder, ja van geen held of heldin in 't goede is er nog zooveel troost kracht en licht uitgegaan als van hem.
En daarom komen de engelen iederen kerstnacht weer en zingen hun lied, dat wij er naar luisteren mogen en met de herders trekken naar den stal, lovende en prijzende God.
Als een kindje, klein en teer,
Lag hij in de kribbe neer.
Onze meester vroom en goed.
Dien wij dragen in 't gemoed;
Onze meester, wijs en groot.
Die de kind'ren tot zich noodt.
Zalig is die donkre nacht.
Die het licht der liefde bracht;
Lieve Jezus ga ons voor Dat ons hart aan u behoor';
Dat het vol van liefde als gij Rein en vroom en needrig zij. 1)
1
Lenteleven 31 v. 1 en 4 (C. P. Tiele)
De nagedachtenis des rechtvaardigen zal tot zegening zijn.
Spreuken X v. 7a.
ONS PAASCHFEEST
De koude winter is voorbij ;
de grond ontwaakt ten leven.
De lentezon wil bosch en wei
haar schoonste bloemen geven.
En in het groote heiligdom daar buiten klinkt en juicht alom het vroolijk lied, het vroolijk lied des levens.
Dat levenslied zingt ook ons hart
den blijden Paaschdag tegen,
ter eere van den man van smart,
die 't leven heeft verkregen. Na 't sterven aan een droevig kruis mocht hij in 's Vaders eeuwig huis na zooveel smart, na zooveel smart herleven.
Ja, Jezus leeft. Hem hield geen graf;
Hem kon deze aard niet binden. Hij legde 't aardsche leven af,
maar mocht het eeuw'ge vinden.
O Jezus! mocht de reine geest,
die u ten leidsman is geweest,
mij vormen tot een kind van God,
voor eeuwig.
No 41 Uit Lenteleven J. A. Tours
186
Gij hebt het gehoord het lied vol vreugde, dat daar gezongen is en hebt gij het ook meegezongen in uw hart ? De koude winter is voorbij! de lentezon tooit bosch en wei met bloemen en daarbuiten onder den blauwen hemel klinkt en juicht het vroolyk lied des levens!
Ja, al geeft April ons nog gure dagen en buien van hagel en sneeuw, als om er ons aan te herinneren, dat de winter nog niet voor goed is verjaagd â de lente komt â neen, ze is gekomen!
Wie van u is nog niet buiten geweest om te zien de gouden katjes aan de elzeboomen, de fijne topjes aan de hagen, de teer'e groene blaadjes aan beuken en berken, de madeliefjes in het gras, de glanzende gele en lila crocussen? Hebt ge ze niet als voor uw oogen zien zwellen, de glimmende knoppen der kastanjes ? Ze verlangden uit te breken! Ze hebben de winterjasjes uitgetrokken in de koesterende dagen van Maart. Of ze er niet wat spijt van gehad hebben ? Of ze zich niet weer angstig zouden hebben willen terugtrekken toen de booze buien kwamen van April ?
O neen; door zich al wijder te ontplooien zeggen ze hoe ze H voelen, dat de zon sterker wordt met lederen dag, hoe ze gelooven in de zon, die 't zal winnen, winnen van donkere wolken en snerpenden wind, zij de machtige, de stralende, de zegenende zon. En ook de leeuwrik jubelt de zon, die overwinnen gaat, te gemoet. En ons hart zingt mee! Maar niet alleen omdat het lente is geworden, van nog veel grooter vreugde zingt ons
187
hart! Wij zingen van Jezus, den goeden grooten held, die gekomen is om te strijden tegen nog erger dan winterkou en Aprilbuien, die gekomen is om licht en warmte en liefde te brengen, om te strijden tegen het kwaad van zelfzucht en liefdeloosheid. Wij zingen van Jezus, den overwinnaar, die ja gestorven is en begraven werd, maar die toch voor ons leeft, omdat zijn woorden en zijn daden niet vergeten werden, omdat zijn geest leeft in ons hart.
Zou dat waar zijn ? Zou dat even waar zijn als het waar is, dat het lente is geworden ? Zou het waar zijn, dat de reine geest van Jezus bezig is u en mij te vormen tot een kind van God, voor eeuwig ? O dat willen wij hopen en gelooven. Wij willen er samen God om bidden, dat het waar moge worden, iederen dag meer.
O God, wij danken U, dat Gij ons feestdagen geeft, waarop wij nog meer dan op andere dagen, die toch ook vol zijn van uw goedheid en liefde, gevoelen, dat het heerlyk is om te leven. Wij danken U, God, dat Gij ons geven gaat een nieuwe lente met schoonheid van bloemen en vogelgezang en blauwe lucht en warmen zonneschijn, maar duizendmaal meer danken w^j U, dat gij ons gemaakt hebt tot nog meer dan bloemen en vogels. Wij danken U, dat gij ons gegeven hebt een oog om het schoone der aarde te zien maar meer nog dat ge ons een hart gegeven hebt om te verstaan dat wij niet alleen kinderen zijn van de aar-
188
de maar ook kinderen van den hemel. Wij bidden U op dezen blijden feestdag, o God, maak ons hart zacht en teer, maak het vroom en trouw, maak het standvastig en moedig, maak het groot en goed als het hart van den Christus, wiens overwinningsfeest wij vieren, opdat wij niet alleen met ons loflied doch ook met al onze gedachten en met al onze daden U aanbidden en dienen. Amen.
Een heüdag is een dag van zegen, van groot geluk, â een heildag is Paschen. Paschen is nog grooter feest dan Kerstmis. Met Kerstmis gedenken wij de geboorte van Jezus, hoe hij als kindje, klein en teer, lag in de kribbe van Bethlehem en de herders in 't veld en de wijzen uit het oosten kwamen vol hoop en vertrouwen, dat dit kleine kindje eenmaal zou worden een vriend van de armen, een trooster voor de bedroet-den, een steun voor de zwakken en met Paschen, met Paschen zeggen wij : uit dat kleine kindje is gegroeid al wat den herders en den wijzen was beloofd, uit dat kindje is gegroeid een licht voor de wereld, grooter dan het licht van de zon, want zooals de lentezon uitgaat als een overwinnaar om de winterkou te verjagen en het jonge leven te doen opstaan uit het graf zoo is Jezus uitgegaan als een held, als een redder, als een Zaligmaker.
Hoe dat zoo is en wat dit alles beduidt ? Waarschijnlijk heeft men u eergisteren een heel treurige geschiedenis verteld, als ge gevraagd hebt wat beteekent
189
âGoede Vrijdagquot;. Toen hoeft men u gezegd : op Goeden Vrijdag is Jezus gestorven; de Romeinsche landvoogd heeft toen, op aandringen van de Joodsche regeering en van het Joodsche volk, Jezus doen hangen aan een kruis ; alsof hij een boosdoener was is hij gedood geworden en de weinige vrienden, die hem trouw gebleven waren, begroeven hem, gansch en al verslagen over het sterven van hun meester, want ze hadden vast en zeker gemeend, dat hij koning worden zou en dat zij met hem eer en grootheid te gemoet gingen. En nu â veracht, bespot en mishandeld was hij gestorven ! En dien dag noemen wij toch den Goeden Vrijdag. Klinkt n dat niet bijna wreed in de ooren en zoudt ge dien dag niet liever den somberen, den boozen Vrijdag hebben genoemd ? En klinkt het niet even vreemd den mensch, die zoo sterft door de handen zijner vijanden, een Overwinnaar te heeten ?
Toen Jezus stierf zeide hij : het is volbracht. Volbracht was de groote daad van een leven vol toewijding en liefde. Jezus wist dat hij te Jeruzalem gedood zou worden en toch ging hij er heen, want hij wist ook, dat er geen beter middel was om zijn woorden te doen onthouden, te doen leven in de harten van zijn vrienden dan als hij durfde gaan naar Jeruzalem en durfde sterven. Hij wist dat het met hem en zijn werk zou gaan als met de tarwekorrel; als die in de aarde valt sterft ze, doch uit die tarwekorrel schiet een aar op, vol tarwekorrels. Jezus wilde zich opofferen zooals de tarwekorrel, die twintigvoudig weer opstaat, opgeofferd
190
wordt. Hij wist dat hij ook zou opstaan in de harten van de menschen, want hij geloofde in de waarheid van zijn eigen woorden en hij geloofde in de harten van de menschen, die geschikt zijn om woorden van waarheid en goedheid in zich op te nemen, zooals de de akker geschikt is tot het opnemen van de tarwekorrel. En zijn vertrouwen is niet beschaamd geworden:
Als gewiekte zaden Gaan van oord tot oord Jezus' liefdedaden,
Jezus' vredewoord.
Eeuwen zijn verdwenen Wiss'lend was huu kleed.
Door al de eeuwen henen Ruischt de jubelkreet;
Christus is opgestaan, Christus is opgestaan !
Tallooze tongen, tallooze talen Noemen eerbiedig en teeder Zijn naam.
Christus is opgestaan, Christus is opgestaan ;
Alles wat goed is, waarachtig en schoon is.
Dat is onsterflijk, zal niet vergaan.
Jezus is gestorven en begraven, maar zijn woorden, maar zijn daden leven voort; als dat niet zoo was zouden we hier niet van hem spreken en zingen, wij zouden ons hart niet voelen trillen van liefde en ontzag als wij hem noemen den Zaligmaker der wereld.
191
En zoo noemen wij hem toch, den kruiseling' van Golgotha, want nooit is er warmer liefde voor menschen en kinderen getoond, nooit reiner voorbeeld gegeven, nooit zekerder gesproken van wat ons allen gelukkigen goed kan maken dan door hem. Nooit, neen nooit zouden wij zoo diep hebben gevoeld, dat God is onze Vader als niet Jezus het ons gezegd had op dien toon van vaste overtuiging en groote vreugde.
En zoo is Jezus een overwinnaar geworden, want hij is sterker gebleken dan die hem gehaat hebben en gedood. Hij heett vertrouwd op God en zooals God ieder jaar na den winter de lente weer wakker roept, zoo heeft hij den geest van Jezus wakker geroepen in de harten der menschen, waar hij nooit meer sterven zal.
âDe goeden en grooten sterven niet.quot; Dat zegt ons de Paaschdag en aan Jezus weten wij dat het zoo is, maar niet alleen aan hem. O wij weten van zooveel goede kinderen van God, die gestorven zijn en begraven werden, maar die weer opgestaan zijn en voortleven in de harten van een dankbaar nageslacht, dat hun namen noemt met grooten eerhied. En wat nog heerlijker is om te bedenken op Paschen is: dat niet alleen de hoogbegaafden en niet alleen de beroemde mannen en vrouwen onvergetelijk zijn maar dat ook de eenvoudigen en de geringen niet zullen sterven als ze goed waren en goed deden. O ik weet er voorbeelden van, waarvan ik er u een vertellen wil, omdat 't mij goed heeft gedaan en ook u goed zal doen: Voor
192
eenige jaren bracht ik een half uurtje door op de begraafplaats van een klein dorp. In dat dorp heeft â voor zoover ik weet â nooit iemand gewoond, die groote heldenfeiten heeft bedreven; de naam van het plaatsje is niet bekend in de geschiedenis. Doch wat ik zag en hoorde op dat stille plekje heeft mij toen met groote paaschvreugde vervuld. Op een eenvoudigen gladden steen las ik de woorden: hier rust Petrus Bloem, mr. smid; aan zijn zonen heeft hij een goed voorbeeld nagelaten. De steen was rondom met klimop begroeid en een ijzeren hek, dat niet zeer fljn bewerkt was, sloot het geheel in. Het graf was zorgvuldig onderhouden en daar er geen jaartal op den steen stond meende ik, dat hier een man lag begraven, die nog niet lang geleden gestorven kon zijn.
Ik wilde na het lezen der inscriptie voortgaan om een marmeren tombe te bewonderen naast het graf van den smid, toen mijn aandacht getrokken werd door iets roods tusschen de klimopranken. Ik dacht, dat het een bloem was, die daar bloeide en om haar te bekijken boog ik een paar blaadjes ter zijde. Zoo ontdekte ik, dat de vermeende bloem een kleine pop was met een vuurrood jurkje aan. Een arbeider, die in de buurt werkte en mijn beweging gezien had, kwam naar mij toe, plantte zijn spade in den grond en zei: ' dat popje heeft de kleine Lina hier gebracht, âGrootvader is zoo alleen, popje moet hem gezelschap houden,quot; zei de kleine meid, â en meteen veegde hij met zijn ruwe hand een paar tranen af. Hij was een braaf man.
193
onze smid, vervolgde de arbeider ongevraagd, een eerlijk man, men kon op hem aan. Ik weet niet of u hier bekend is, maar ge moogt vragen aan wien ge wilt naar Bloem, den smid, â den ouwen Bloem zooals we hem hier noemen â een ieder zal zeggen: dat was pas een mensch. Zijn jongens zijn ook goed, zeker zijn jongens zijn ook beste menschen, â hoe kan het ook anders als je zoo'n vader in het graf hebt? â maar zooals de ouwe Bloem was zoo vindt je er niet veel.
Hoelang is hij al dood ? vroeg ik om het oude mannetje aan den praat te houden.
Laat eens zien, zei hij nadenkend, 't Zal met Pasehen dertig jaar geleden zijn. 't Was in de maand April, 't heugt me nog als gisteren. Ik had de paden hier gewied en opgeharkt tegen de feestdagen en net kwam ik het hek uit, toen de veldwachter me op zij kwam.
Weet je het al Gerrit, zei die, de smid ligt op sterven, 't Zal toch niet waar zijn! Onze Bloem ! 'k Heb hem gisteren nog zien loopen! 't Is toch waar Gerrit, zei de veldwachter en toen liep ik naar de smidse, 'k Liep toen heel wat vlugger dan nu, want ik was een kleine dertiger, maar ik had een gevoel of ik lood in mijn beenen had en ik durfde de smidse haast niet binnen gaan.
De jongens waren er niet, alleen de knechts en die hamerden zoo hard als ze konden, maar ze zeiden geen woord. Is 't waar, Sanders, is je baas ziek, vroeg ik.
Sanders knikte van ja. Zou hij er mee heengaan ?
13
194
Sanders knikte nog eens van ja. En hoe moet het dan hier ? Wie zal voor zijn zieke, verlamde vrouw zorgen, wie zal den wagen recht houën, zei ik. Wie zal alles doen wat hij deed ? Sanders, we kunnen hem niet missen. En Sanders, Sanders was een kerel als een boom, maar hij snikte als een kind en hij zei niets dan: wij kunnen hem niet missen, Gerrit.
We hebben hem toch moeten missen en 't heeft zich alles beter geschikt dan we dachten. Sanders heeft de smidse aangehouden voor de jongens en de jongens hebben hun moeder verzorgd alsof ze meisjes waren. De goede vrouw ligt er nu ook al jaren onder. En als we in 't dorp onder elkaar eens iets hadden, dan zeiden we al gauw : wat zou de oude Bloem nu zeggen van 't geval en dan was het net of hij er bij was met zijn eerlijke oogen en dan was er niet een die een schelmstuk zou hebben verdedigd of een onwaarheid zou hebben volgehouden. â¢â Ach, ik ben maar een arme man; ik heb het niet ver gestuurd in de wereld, maar ik ben een oprecht mensch al zeg ik het zelf en wat ik ben, dat ben ik door den ouwen Bloem. Zijn jongens zijn ook niet voornaam of rijk geworden maar trouw en vroom zijn ze en wat ze goeds doen, doen ze in stilte. Als je me vraagt, wat dee de ouwe Bloem bizonders, ik zou het je niet kunnen zeggen. Hij dee niet veel en hij praatte niet veel; hij was alleen maar goed. Goed was hij, goed, heelemaal goed. Als je wat op je hart hadt, dan ging je naar Bloem toe en je zei het hem en dan keek hij
195
je aan met zijn bruine oogen en hij stak je zijn beide handen toe en als hij je dan raad gaf, redeneerde je niet veel maar je deedt zooals hij je gezegd had cn je hadt er vrede bij je leven lang. En als je wat op je geweten hadt en je hadt er Bloem niet over gesproken, dan hadt je geen rust voor die 't wist. Wat Je den dominee en den burgemeester niet zeggen zou, dat zei je aan hem. Hij was je beter ik, hij was je geweten. En je hadt hem moeten zien in zijn eigen huis, hoe hij zijn vrouw verzorgde en hoe hij omging met zijn jongens. Je voelde je een ander mensch als je bij hem in zijn keuken een kommetje koffie hadt gedronken, dat hij had ingeschonken.
Gisteren zijn ze nog allemaal hier geweest. Dolf en Frits en hun vrouwen en al de kleinkinderen. Zoo begraven zijn is niet begraven zijn, dat is leven nog na je dood. De kindertjes klommen op het hek en praatten van grootvadertje net alsof ze hem gekend hadden. Dat komt omdat de jongens altijd met ze spreken over hun grootvader. Ze hebben niet eens een portret van den ouden man, maar ze hebben hem in hun hart en het is of ze hoe langer zoo meer op hem gaan gelijken. En dat jongste kleinkind, die Lina â 'tis jammer dat ze geen jongen is, want dan kregen we den ouwen Bloem nog eens terug â die is precies haar grootvader. Ik wou,, dat ik het nog beleven mocht, dat ik mijn oudsten kleinzoon zag trouwen met dat lieve schepseltje. De jongen kan geen grooter schat rijk worden.
De bel van de tram, die mij naar de stad zou brengen.
196
had reeds geluid. Ik gaf den vriendeliiken prater de hand, groette het graf van don smid vol eerbied en dacht aan de bijbelspreuk: de nagedachtenis des rechtvaardigen zal tot zegening zijn.
En ik heb het verhaal van den ouden doodgraver nooit kunnen vergeten en ik weet zeker dat de naam van Petrus Bloem mij nooit uit de herinnering zal gaan.
De nagedachtenis des rechtvaardigen zal tot zegening zijn. Soms is het de herinnering aan een kind, een zusje of broertje, geliefd en betreurd, dat opstaat in het hart van een ander kind en 't brengt tot daden van tee-derheid en goedheid. Soms was een oudste dochter, zoo diep bedroefd over den dood eener lieve moeder, zoo innig begaan met de verlatenheid der jongere broers en zusters, dat zij het evenbeeld wilde worden der zorgende moeder en de lieve doode als het ware in haar opstond uit het graf.
Maar nog op een andere wijze spreekt Paschen ons van opstaan en herleven. Gij hebt wel eens gehoord van het dochtertje van Jaïrus, wier hartje koud en dood was voor de liefde barer ouders, doch Jezus kwam en wist het warm en levend te maken. Dat was het Paaschfeest van Jaïrus' dochtertje. Hoeveel jongens, hoeveel meisjes zouden er zijn, die wachten op hun eigen Paaschmorgen, waarop ze zullen opstaan uit hun graf van zelfzucht en traagheid en onverschilligheid en gebrek aan liefde ? O mijn lieve jongens en m »isjes, als gij ze kent â misschien o zoo van nabij
197
â als misschien een van u zelf nog slaapt in dat graf, omdat daar wel goede plannen zijn gemaakt en goede voornemens zijn geweest, maar ze zijn weer vergeten en verzuimd â bedenkt dat God wil, dat wij leven en niet sterven zullen; hij wil, dat het kleine vonkje, dat ieder kind meebrengt als de schoonste gift bij zijn geboorte, het vonkje van den hemel, niet zal uitdooven, maar dat het zal opflikkeren tot een helder paaschvuur. Het vonkje wordt aangeblazen door zooveel goede wóórden van ouders en vrienden, woorden die wij lezen in een goed boek, het wordt aangeblazen door voorbeelden van helden en heldinnen in den moeilijken strijd om goed te zijn, het wordt aangeblazen door den geest van Jezus, die hier en daar en overal ons te gemoet komt, het wordt aangeblazen door God zelf, die spreekt in ons geweten. Zoudt gij het dan willen uitdooven ? O als er zijn die slapen, laat ze opstaan uit hun graf en hun Paaschfeest vieren. Opstaan, dat deed ook de verloren zoon, die treurde over zijn zonde en zijn vader ging hem te gemoet en kuste hem en nam hem opnieuw aan als zijn goed, zjjn gelukkig kind.
âDe Heer is groot, is onuitsprekelijk groot,
En zijne macht kent perk nog paal.quot;
Hebt gij dit nu ook meegezongen in uw hart of hebt ge het langs u heen laten gaan als een bericht uit een ver land, dat u niet aangaat?
198
Neen, ik weet wel beter. Voor zoover ge oud genoeg zijt om het te verstaan, hebt ge het meegezongen als een Paaschlied, als een Paaschboodschap ook voor u: De Heer is groot, is onuitsprekelijk groot en zijne macht kent perk noch paal. Zijn macht is zoo groot, dat hij Jezus, den gekruisigden Jezus, kon maken tot een overwinnaar; zijn macht is zoo groot over ons dat hij ons ook tot overwinnaars zal maken van wat daar klein en gebrekkig, liefdeloos en hardvochtig in ons is. Liefdeloos zijn is dood zijn en God wil dat wij leven zullen, hier een korte poos op aarde als in een school waar wij zijn om te leeren en later, later bij Hem met alle goeden en vromen, die ons zijn voorgegaan. Ja, dit zegt Paschen ons ook, dat wij niet alleen door wat wij goeds deden en wilden voortleven op aarde, doch dat wij zullen voortleven bij Hem. Wij weten niet hoe en wij vragen niet hoe, maar wij vertrouwen, wij vertrouwen op de vrome dichters, die gezongen hebben van de engelen in den hemel en wij vertrouwen op de vrome harten van zoovelen, die ja wel bedroefd zijn, dat zij ze missen maar toch ook vast overtuigd zijn, dat daar nog zijn moet voor hun lieve dooden een leven na dit leven veel heerlijker, veel zaliger omdat het zijn zal veel dichter bij God. En bij dat heerlijke geloof wordt sterven niet anders dan âeen groote gebeurtenis in ons levenquot; en met nog grooter vreugde vieren wij ons Paaschfeest.
Het is lente buiten en het zij lente in ons hart! Zooals de takken zacht worden en nieuwe uitspruitsels ver-
199
toonen en de bloemen opstaan uit de aarde â⢠wij weten niet hoe â zoo wordt, als wij op de rechte wijze Paschen vieren, ook zacht en teer ons gemoed, en wij doen ons best eu wij staan op tot nieuwe daden en wij gelooven, dat God, die groot is en groote dingen doet, ook groote en goede dingen wil gedaan hebben door ons. En wij gevoelen er ons ook toe in staat. En wij gelooven, wij gelooven dat er eenmaal ook door ons toedoen â ook door wat wij met onze kleine krachten deden â een groot Paaschfeest gevierd zal worden op aarde, het groote feest waarvan Jezus gesproken heeft, als daar geen koude en liefdelooze menschen en kinderen, als daar geen onrecht en geen onwaarheid, geen onheilige gedachten, geen doode harten meer zullen zijn, als het Godsrijk gekomen is.
Komt, zingen wij een jubelend lied van hoop en vertrouwen, dat hij komen zal die groote dag, dat het komen zal dat groote heil en laat ons dan heengaan naar ons huis met vroolijken moed en in de vaste overtuiging dat iedere kleine daad van liefde, ieder woord van zuivere oprechtheid, dat iedere vrome gezindheid ons nader brengt tot dat rijk en dat rijk van God nader brengt tot ons.