..k'T '
tmem
â¢gt;.ygt;
ÃR
Ã
I : â¢;
' .5 '
fel
v'v
mr
i s
1
/f â -v'-'-
M
fS':-
quot;gt; :-M
m
V
â -⢠v
â 4;i:
v
â A'.
Mi
Vv 1
ras
ii: i
'quot;J
- r* 4
I
â â 'm
V Vïquot;
4ÃéS
â : s
WKÃmÃ
'Ãpm^h â â .â¢
mim
-.jii
m
â
v«
m li:
#1
.1
IK ss
___-,
WAAR IS DE KERK VAN CHRISTUS?
Stoomdkuk Eduaed Udo. â Leiden.
Algemene Provincie K«Uloot. Minder broed er ski oostssr Alverna Gid
/r/
WAAE IS DE KERK VAN CHRISTUS?
DOOR
M. VAN DER HAGEN, s. j.
^epkelijk goedgekeurd.
AMSTERDAM. â G. BORG. 1895.
/
's ^ j \ ' /â
!\ X ^
IMPRIMATUR.
IJmüiden, H. J. Bokghols,
die 16 Maji 1895. Libr, Cens.
INHOUD.
Biz.
Kennismaking............ 1
EERSTE GEDEELTE.
Over de ware Kerk van Christus in het algemeen.
§ 1. We dienen allen éénen Heer, Christus; wat we
dus verder gelooven, luistert zoo nauw niet. . 6 â 2. Hoe kunnen wij woteu, wat Christus geopenbaard of geleerd heeft ?......... 9
â 3. Is meu in geweten verplicht, zich aan het gezag en aan de leer van Christus' Kerk te onderwerpen ? ..............12
â 4. Maar is het geen schandelijke lafheid van godsdienst te veranderen?..........14
â 5. Mag men nog van godsdienst veranderen, als men onder eede gezworen heeft in zijn godsdienst te
zullen volharden ?........... 17
â 6. Is de ware Kerk van Christus zichtbaar?. . . 19 â 7. Is het moeilijk te weten, welke kerk de ware
Kerk van Christus is ?.........24
â 8. Welke zijn de kenteekenen, waardoor men de ware Kerk van Christus met zekerheid van andere âkerkenquot; kan onderscheiden? .... 26
INHOUD.
TWEEDE GEDEELTE.
Over de kenteekenen of kenmerkende eigenschappen der ware Kerk van Christus.
EERSTE HOOFDSTUK.
DE WARE KERK VAN CHRISTUS MOET EEN ZIJN.
A. De ware Kerk van Christus moet één zijn in haar Opperhoofd.
Blz.
9. Christus heeft eeu Kerk gesticht met een zichtbaar Opperhoofd, en dat Opperhoofd was do H. Petrus.............. 27
10. De H. Petrus moet, als zichtbaar Opperhoofd der Kerk, noodzakelijk tot het eiude der tijden
toe wettige opvolgers hebben.......30
11. In het Protestautisme vindt men zulk een zichtbaar Opperhoofd niet..........32
12. Heeft de katholieke Kerk een zichtbaar Opperhoofd , en is dat zichtbaar Opperhoofd werkelijk
de wettige opvolger van Petrus ?......34
B. De ware Kerk van Christus moet één zijn in hare Leer.
13. De ware Kerk moet één zijn, wat hare Leer betreft...............3ö
14. Is in het Protestantisme die noodzakelijke eenheid van leer te vinden?........36
15. Maar de verschillende protestantsche sekten stemmen toch, wat de voorname geloofspunten betreft, met elkaar overeen........38
INHOUD,
Biz.
§ 16. Kan men zeggen, dat de katholieke Kerk in alle stukken des geloofs slechts eene leering volgt, in. a. w. dat zij overal dezelfde geloofsleer verkondigt? ..............41
â 17. Onder de katholieke godgeleerden bestaan er
toch ook wel godsdienstige geschillen ? ... 43
â 18. Maar die verschillende katholieke voorschriften
en gebruiken dan ?...........46
â 19. Komen er dan in de katholieke Kerk niet nu en dan nieuwe geloofswaarheden bij, bijv. het leerstuk der Onbevlekte Ontvangenis van Maria of dat der Pauselijke Onfeilbaarheid?.....48
â 20. Een woord over de Pauselijke Onfeilbaarheid . 52
TWEEDE HOOFDSTUK.
DE WARE KERK VAN CHRISTUS MOET HEILIG ZIJN.
â 21. Waarom moet de Kerk van Christus heilig zijn? 58
â 22. Is de protestantsehe godsdienst een heilige
godsdienst ?.............59
â 23. Heeft Luther door de heiligheid van zijn leven getoond, dat hij door God was uitverkoren, om de ware heiligheid weder in de Kerk te doen bloeien ?..............62
â 24. Is de katholieke Kerk heilig in dien zin, dat zij, die hare leer en leiding volgen, daardoor tot ware volmaaktheid geraken?......67
VII
VIII INHOUD.
Biz,
§ 25. Hoe kan de katholieke Kerk iemaud als Heilig kennen ? m. a. w. hoe kan zij weten, of iemand na zijn dood door God onder het getal zijner Heiligen in den hemel is opgenomen? .... 75
â 26. Maar moeten de Heiligen der eerste eeuwen niet eigenlijk beschouwd worden als behoorende tot het Protestantisme?..........78
DERDE HOOFDSTUK.
DE WARE KERK VAN CHRISTUS MOET KATHOLIEK OF AIjGEMEEN ZIJN.
â 27. Waarom moet de ware Kerk van Christus katholiek of algemeen zijn ? Kan men zeggen, dat de andere kerkgenootschappen deze eigenschap bezitten? ...............81
â 28. Is de katholieke Kerk inderdaad Katholiek of
algemeen verspreid ?..........84
â 29. De ware Kerk van Christus heeft zich van de eerste eeuwen af onderscheiden door den naam van âKatholieke Kerkquot;.........86
VIERDE HOOFDSTUK.
DE WAKE KERK VAN CHRISTUS MOET APOSTOLISCH ZIJN.
â 30. Wat wil het zeggen, dat de ware Kerk van
Christus apostolisch of apostoliek moet wezen? . 88
â31. Is het Protestantisme apostolisch, wat zijne leer betreft, m. a. w. is de leer der Protestanten dezelfde als de leer der Apostelen ?.....93
INHOUD.
§ 32. Staan de herders of Evan^eliebedienareu van het Protestantisme door eene wettige opvolging in verbinding met de Apostelen, de eerste wettige
bedienaren van Jezus' Kerk?.......96
â 33. Is de katholieke Kerk waarlijk apostoliek, m. a. w.
staan hare tegenwoordige bedienaren of herders door een onafgebroken en wettige opvolging in
verbinding met de Apostelen ?.......99
â 34. Is de katholieke Kerk ook in dien zin apostoliek, dat zij de leer der Apostelen trouw en ongeschonden heeft bewaard?.........101
Besluit dezer Afdeeline.......⢠. 104
DERDE UEDEELTE.
Enkele hoofdpunten van verschil tusschen Katholieken en Protestanten.
EERSTE HOOFDSTUK.
DE BIJBEL.
â 35. Het hoofdbeginsel der Protestanten , dat de Bijbel alleen genoeg is om ons te ieeren wat wij te gelooven hebben, is om vele redenen onhoudbaar ................112
â 36. Uit den Bijbel alleen kunnen de Protestanten onmogelijk bewijzen, dat de geheele Bijbel,
zooals zij dien thans hebben, Gods woord is. Hoe oordeelt de katholieke Kerk over het lezen
van den Bijbel?...........115
, 37. Dat men alleen het woord van den Bijbel moet gelooven, is in strijd met de waarheid. Wij moeten evenzeer de Apostolische overleveringen gelooven. Wat verstaat men daaronder? . . . 123
IX
INHOUD.
Biz.
§ 38. Dat de H. Schrift, zooals die thans in haar geheel is samengesteld, op ingeving van God geschreven is, weet de Katholiek niet uit de H. Schrift zelve, maar alleen uit de Apostolische
overleveringen............125
â 39. De zekerheid evenwel, welke de gewone ge-loovigen omtrent de goddelijke ingeving der H. Schrift hebben, steunt bij hen niet onmiddellijk op de Apostolische overlevering, maar op het onfeilbaar leergezag der katholieke Kerk . 127 â 40. Korte samenvatting van hetgeen over de leer der Protestanten ten opzichte van den Bijbel is gezegd..............129
TWEEDE HOOFDSTUK.
HET GELOOF EN DE GOEDE WERKEN.
â 41. Wat leerde Luther over het geloof en de goede
werken?..............131
â 42. Wat leert de katholieke Kerk omtrent het geloof en de goede werken?........133
DERDE HOOFDSTUK.
DE BIECHT EN DE AFLATEN.
â 43. De Biecht is geene kerkelijke, maar eene goddelijke instelling...........136
â 44. Heeft Christus ooit gezegd, dat wij onze zonden
moeten biechten?...........141
â 45. Van de Biecht kan toch misbruik worden gemaakt? ..............144
v 46. Is de katholieke leer over de Aflaten niet dwaas
en ongerijmd?............147
X
INHOUD.
VIERDE HOOFDSTUK.
HEÃ VAGEVUUR.
Blz.
§ 47. Is het Vagevuur, waaraan de Katholieken gelooven,
geen louter verzinsel?.........15!
VIJFDE HOOFDSTUK.
HET H. SACRAMENT DES ALTAARS.
â 48. Is de eerbied, welken de Katholieken aan bet Sacrament des Altaars bewijzen, geene verfoeilijke afgoderij ?...........156
â 49. Maar de roomsche Mis is toch klaarblijkelijk eene verloochening van het Kruisoii'er en bjjge-volg een duivelswerk..........1(52
ZESDE HOOFDSTUK.
HEILIGEN VEREERING.
â 50. De Katholieken vereeren de Heiligen : is dat niet
in strijd met het eerste gebod?......165
â 51. Maar de Katholieken eeren de Heiligen niet alleen; zij nomen tot hen ook hun toevlucht, zij roepen hen aan en schijnen dus aan de Heiligen eene goddelijke macht toe te schrijven . . 167 â 52. Het aanroepen der Heiligen is in tegenspraak met de goddelijke Openbaring, welke ons leert,
dat er tusschen God en de menschen slechts één
Middelaar is, Jezus Christus.......169
â 53. Maar de Katholieken maken beelden ter eere der Heiligen. Is dat niet een soort afgoderij en in strijd met het eerste gebod, waarin het maken
van beelden verboden wordt?.......172
â 54. De Katholieken toonen eerbied voor de reliquieën of overblijfselen der Heiligen. Is dat niet on-iioozel?...............175
XI
XII INHOUD.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
MIRAKELEN.
Blz.
§ 55. Wat is een mirakel? En waaraan kan, ten minste in sommige gevallen, de echtheid van
een mirakel worden erkend ?.......177
â 56. Kan God mirakelen doen ten gunste eener val-
sche godsdienstleer ?.......,. . . 180
n 57. Zijn de Katholieken niet te haastig om iets als
een echt mirakel uit te bazuinen;'.....181
â 58. Waarom gebeurden er vroeger, in de dagen dei-Apostelen en de eerste eeuwen der Kerk , veel
meer mirakelen dan tegenwoordig?.....184
â 59. Kan de katholieke Kerk zich in onze dagen nog
op ware mirakelen beroemen?.......186
Slotwoord..............190
Tucii.si1-: KENNISMAKING.
r^â^
Lezer, wie of wat gij zijt, kan ik bezwaarlijk weten, noch ook met welke bedoeling gij dit boekje openslaat; doch wijl gij mij de eer aandoet, kennis te willen maken met dit werkje, zal ik, van mijne zijde, althans u zeggen, wie en wat ik ben, en welk doel mij bij het schrijven daarvan voor oogen heeft gestaan.
Mijn naam en hoedanigheid vindt ge op het titelblad vermeld. Ik ben katholiek, en wel priester, behoorende tot eene door de katholieke Kerk goedgekeurde religieuze orde, maar daarom behoeft gij, al zijt ge wellicht niet katholiek, volstrekt niet terug te schrikken. Geloof me, de katholieke priester is volstrekt zoo boosaardig niet, als hij soms door onwetendheid of kwade trouw wordt afgeschilderd. En wat mijn persoon betreft, ik heb een ingeboren afkeer van al wat naar hatelijkheden zweemt. Ik gun anderen het genoegen door scherpe en bittere woorden hunne tegenstanders te grieven en te beleedigen. Het nut van zulke praktijken heb ik nooit begrepen, vruchten heb ik er nooit van gezien.
Waarom nu en voor wie schreef ik dit werkje? Met voor volslagen ongeloovigen of geheel onverschilligen op het gebied van godsdienst; maar voor hen, die zich in zóo-
I
2
ver met mij op hetzelfde standpunt bevinden, dat zij Christus als den menschgeworden Zoon Gods, als den goddelijken Verlosser en Leermeester der menschen erkennen, en daarom wenschen te aanhooren en te volgen; dus, behalve voor mijne geloofsgenooten, ook voor alle geloovige Protestanten.
De eersten, Katholieken, wensch ik in staat te stellen, om niet alleen op eene gemakkelijke en duidelijke wijze rekenschap te geven van hun geloof; maar ook om helder en degelijk de tegenwerpingen op te lossen, welke hun door andersdenkenden gewoonlijk worden gemaakt. En wat de laatsten betreft, o, ik weet het bij ondervinding, daar zijn er zoovelen onder hen openhartig genoeg, om gulweg te bekennen, dat zij te midden dier tallooze godsdienstige en ongodsdienstige secten, waarin het Protestantismus is uiteengespat, waarlijk niet meer weten, waaraan zich te houden; en toch zij zouden zoo gaarne de waarheid bezitten.
Zeker dat verlangen is zeer natuurlijk. Naar niets toch, zegt de groote Augustinus, dorst de mensch vuriger dan naar de waarheid. Pijnlijk, hoogst pijnlijk moet het dus zijn, steeds in onzekerheid te leven en de edelste en machtigste begeerte van 's menschen hart onbevredigd te zien. quot;Welnu, ik wensch hun naar mijn best vermogen de hulpzame hand te bieden, om zich uit die zoo pijnlijke en tevens zoo noodlottige onzekerheid te redden.
Waar is de waarheid, de volle waarheid, die Christus op aarde is komen brengen? In welk der zich noemende Christelijke genootschappen is zij te vinden?
Meen niet, lezer, dat wij om die waarheid te ontdekken, ons de moeite hebben te geven aan de deur van ieder kerkgenootschap aan te kloppen, om het rekenschap te vragen van zijn leer. Christus, die den mensch kent en liefheeft, schonk hem daartoe een veel gemakkelijker middel. Hij rustte zijn godsdienst, zijne Kerk met eenige kenteekenen
3
uit, waaraan ieder menach van goeden wil haar onfeilbaar en gemakkelijk van alle dwaling kan onderscheiden. Op die kenteekenen der waarheid nu wil ik u wijzen; ik wil u aantoonen, waar zij zijn te vinden en u tot het besiuit brengen, dat alleen de katholieke godsdienst, omdat hij en hij alleen de kenteekenen der ware Kerk van Christus bezit en vertoont, de ware Kerk van Christus is. Eindelijk zal ik u doen zien, dat de gewone bezwaren, welke van Protestantsche zijde tegen de katholieke Kerk worden ingebracht, inderdaad slechts vooroordeelen zijn, meestal berustend op eene onjuiste voorstelling of uitlegging, welke men van jongs af, van het een of ander katholiek leerstuk of gebruik hoorde geven.
Zal die poging mij gelukken ? Ik weet het niet, maar toch, met Gods hulp, durf ik mij eenigen goeden uitslag beloven. Bij mijn dagelijkschen omgang met Protestanten heb ik onder hen zoo menigmaal karakters ontmoet, die mij veel te rechtschapen toeschijnen om niet rondweg en ridderlijk de waarheid te erkennen, mits deze hun slechts op eejie duidelijke en overtuigende wijze voor oogen worde gehouden; hiervoor nu hoop ik te zullen zorgen. Aanspraak op een fraaien stijl maak ik hoegenaamd niet. Het eenig doel, dat ik mij voorstel, is de waarheid zoo duidelijk mogelijk uiteen te zetten, in de eenvoudigste woorden, welke mij ten dienste staan.
Ik schonk aanvankelijk aan mijn werkje den titel van âEen bezadigd woord,quot; en ofschoon ik kortheidshalve het opschrift vereenvoudigde, ik beloof u, lezer, een bezadigd woord zal liet zjjn. Ik houd niet van overdrijven, evenmin van hartstochtelijk en onstuimig redeneeren. en, gelijk ik reeds gezegd heb, van verwijten en beleedigende gezegden nog veel minder.
Doch, lezer, als ik nu ten uwen genoegen, alles wensch
4
te vermijden wat u eenigszins zou kunnen hinderen, dan mag ik toch zeker ook van uwe zijde wel iets verzoeken.
Zie, ik durf veronderstellen, dat gij, als Protestant, dit boekje niet lezen zult, zonder de oprechte meening om een onpartijdig onderzoek in te stellen naar de waarheid; maar mag ik u dan herinneren, dat het ware geloof eene cjuve Gods is, welke ik u evenmin kan geven als gij u zeiven? Wat ik daarom allervriendelijkst, maar ook allerdringendst van u wenschte te vragen, is dit: dat gij uw ernstig onderzoek vergezeld doet gaan van een kinderlijk en nederig gebed. En mocht ik de vrijheid nemen, u iets bepaalds voor te stellen, dan zou het dit zijn, dat gij ten minste zoolang gij u met de lezing van dit boekje bezig houdt, telkens bij uw morgen- en avondgebed een âOnze Vaderquot; voegt. Met welk doel? Om van God te vragen, dat gij katholiek moogt worden? Wel neen, zeker niet. Immers zoolang de waarheid van den katholieken godsdienst u niet genoegzaam gebleken is, zou zulk eene vraag niet alleen dwaas, maar zelfs in strijd zijn met uw geweten.
Neen, wat ge in deze gewichtige aangelegenheid op de eerste plaats noodig hebt, en dus door een kinderlijk gebed van God behoort te vragen, is, dat de Heer met zijne genade u voorlichte, opdat gij duidelijk moogt inzien, welke de Kerk is, die door Christus werd gesticht, en aan welke Hij zijn voortdurenden bijstand heeft toegezegd; en dat die zelfde genade u tevens den noodigen moed schenke, om, wanneer gij met Gods hulp zijne ware Kerk hebt leeren kennen, u ook met eene kinderlijke gehoorzaamheid aan hare leer en voorschriften te onderwerpen.
Wat dunkt u, lezer, is deze raad niet goed, dit verzoek niet billijk? Immers, indien het ware geloof eene genade is, en indien gelooven ter zaligheid een werk is van ons verstand en van onzen wil beide, wat is dan billijker dan
5
dat wii God bidden, met zijne genade ons verstand te verlichten en onzen wil te versterken? Indien daarenboven het geloof eene gave is . die God â onthoud dit wel â altijd verleent aan wie er Hem oprecht om bidt; indien men zonder die gave des geloofs, volgens het woord van den Apostel, âonmogelijk aan God kan behagenquot; 1) en van die gave dus onze zaligheid afhangt, hoe zou zulk eet gebed dan niet hoogst aangenaam zijn aan God en voor ons zei ven het nuttigste, ja noodzakelijkste gebed, dat wij kunnen storten ?
Vandaar dan ook, dat ik dit gebed op nog hoogeren prijs stel dan alle redeneering, en het veel beter zou zijn, dat gij badt zonder dit boekje te lezen, dan dat gij het lezen zoudt zonder te bidden.
Doch wilt ge beide doen, des te beter; want dan is er niets meer wat aan uw ijver om de waarheid te kennen en uwe ziel zalig te maken, ontbreekt. Dan immers doet gij van uwe zijde wat ge kunt, en vraagt van God wat ge niet kunt, en zoo, niet waar, behoort het juist te wezen, dat is alles wat God van ons verlangen kan.
Den Haag, 19 Maart 1895. M. v. d. H.
: h j i othee lt;a i i! j ⢠^oerdensiM
1
) Brief aan de Hebr. XI. 6.
EERSTE GEDEELTE.
Over de ware Kerk van Christus in het algemeen.
§ i-
We dienen allen ééneu Heer, Christus; wat we dus verder gelooveu, luistert zoo uauw niet.
Deze machtspreuk hooreu we zoo dikwijls, dat het wel de moeite loont ze eens op de keper te beschouwen.
Men zegt: we dienen allen éénen Heer. Zeker, als we allen den Heer dienen, dan dienen we allen één en denzelfden Heer; want niet alleen âkan niemand twee Heeren dienenquot;, maar ook er bestaat slechts één Heer. Of nu echter alle menschen werkelijk den Heer dienen, daarachter kan men gevoeglijk een vraagteeken plaatsen. Er zijn immers zeer velen, die slechts leven voor hun gemak en hun pleizier en zich, althans feitelijk, over den Heer, over God en zijn gebod, al zeer weinig bekommeren. Men zou dus eigenlijk juister spreken met te zeggen: alle menschen moeten een en denzelfden Heer dienen.
âGoedquot;, zegt gij, âdat zij zoo; maar daar volgt uit, dat het zoo nauw niet luistert, wat men verder zoo al gelooft.quot;
Juist het tegendeel: daaruit volgt, dat alle menschen in geweten verplicht zijn, datgene te gelooven wat die ééne
7
Heer geleerd of geopenbaard heeft; daarin toch bestaat het allereerste en allernoodzakelijkste van zijn dienst.
Ware er meer clan één Christus geweest, dan zou A. kunnen gelooven, wat de ééne Christus had geleerd, en B. zich kunnen houden aan de leer van den anderen Christus Doch nu er slechts één Christus is, die zijne waarachtige Godheid duidelijk door woorden en werken heeft bewezen, en wij dien éénen Christus moeten dienen, d. w. z. doen wat Hij wil, nu zijn alle menschen verplicht de leer van dien éénen Christus te eerbiedigen en te gelooven, én omdat zij de leer van God zeiven, en bijgevolg de onfeilbaar ware leer is, én omdat Christus dit van ons verlangt en verlangen moet.
Of zoudt ge meenen, dat het Christus, onzen goddelijken Leermeester, onverschillig kan zijn, of wij de door Hem geopenbaarde waarheden gelooven of niet gelooven ?
Indien b.v. Christus, gelijk de Katholieken beweren, aan de apostelen en hunne wettige opvolgers werkelijk de macht geschonken heeft om de zonden te vergeven, zoudt gij dan aannemen, dat het Christus onverschillig is, of wij die macht dankbaar erkennen en er een waardig gebruik van maken, ofwel er minachtend de schouders over ophalen en er den spot meê drijven? Dat gaat immers niet aan!
Neen, als het Christus werkelijk onverschillig is, wat wij al of niet gelooven van zijne leer, dan moet men eenvoudig toegeven, dat â vergeef mij de uitdrukking -â Christus een groote dwaasheid zou begaan hebben met zijne goddelijke leer aan de wereld te komen verkondigen. Die moeite hadde Hij zich dan immers kunnen besparen. Wil iemand niet geloofd worden of is het hem onverschillig of men hem gelooft of niet, dan doet hij 't verstandigst met te zwijgen. Maar wanneer nu de Zoon Gods niet alleen tot ons spreekt, maar ons de gewichtigste, over
8
alles beslissende waarheden verkondigt; wanneer Hij die waarheden bezegelt door tal van wonderwerken en eindelijk met zijn bloed; wanneer Hij, God als Hij is, juist mensch is geworden, om ons die waarheden aldus te kunnen verkondigen , die zelf met mirakelen te bevestigen, en daarvoor zijn leven te geven, dan vraag ik een ieder, of het Christus bij mogelijkheid onverschillig kan wezen, of wij die waarheden aannemen of verwerpen, of dat wij ons gedragen als hadde Christus ons niets gezegd? Zou dat zijn: Christus dienen ?
Bovendien als het zoo nauw niet luistert, welke leer men gelooft en belijdt, is het dan ook van de zijde dei-apostelen en van zoovele duizenden martelaren geene groote dwaasheid geweest, voor het geloof aan die leer van Christus hun bloed en leven ten offer te brengen ?
Is het dan geen dwaasheid van zoovelen de zeeën over te steken, om die leer , ten koste van duizend gevaren en ontberingen, aan de heidenen te gaan verkondigen ? En heeft Christus zelf niet tot zijne apostelen gezegd, niet alleen: âGraat en doopt alle volkerenquot;, maar âGaat en onderwijst alle volkeren, hen doopende en hun leerende onderhouden alles wat Ik u bevolen heb?quot; ').
Wil men derhalve redelijk en verstandig redeneeren, dan behoort men aldus te zeggen: we moeten allen één en denzelfden Heer, Christus , dienen, dus mogen we op godsdienstig gebied niet gelooven wat wij willen; maar zijn wij allen in geweten verplicht, die godsdienstleer te gelooven en te belijden, welke die ééne Heer, Christus, aan de wereld verkondigd en bevolen heeft te gelooven. Dat is zoo klaar als de dag.
') Matth. XXVIII. 19-20.
9
§ 2.
Hoe kuimeii wij weten, wat Christus geopenbaard of geleerd heeft?
Als Christus wil, dat alle menschen die leer gelooven en belijden, welke Hijzelf heeft verkondigd om ons den weg ten hemel te wijzen, dan moet Christus ook noodwendig het middel hebben achtergelaten, dat alle mensehen in staat stelt zijne heilige leer met onfeilbare zekerheid te kennen.
En welk is dat middel? De Bijbel, meent ge misschien? Neen, lezer, tocli niet. De Bijbel wel is waar is het Boek der boeken ; maar welk nut heeft een boek voor iemand, die niet kan lezen ? En uu zijn er immers duizenden en millioenen menschen, die de kunst van lezen niet verstaan, en bijgevolg met een boek, zelfs met dat heilige Boek alleen , niets kunnen uitrichten.
En wat degenen betreft, die wèl kunnen lezen, ook voor hen is de Bijbel geen voldoend middel, om daaruit de leer van Christus met zekerheid te putten. Waarom niet ? Om vele redenen, waarop wij later meer uitvoerig terugkomen. Hier wil ik er slechts een paar aanstippen.
De eerste is, dat van hen, die kunnen lezen, veruit de meesten volstrekt geen geleerden zijn. Maar als ze dat niet zijn, hoe zullen ze dan met zekerheid kunnen beoordeelen, of de Bijbel, welke hun wordt voorgelegd, een ware, een onver-valschte Bijbel is. waarop zij veilig kunnen vertrouwen?
Doch, behalve dit: de Bijbel is, gelijk u genoegzaam bekend is, op vele plaatsen minder duidelijk, en de plaatsen die duidelijk, ja allerduidelijkst zijn, kan een ieder nog zoo opvatten, of zeggen we het rechte woord, zoo verdraaien naar zijn eigen zin en eigen belang, dat ook hiervan geldt: âzooveel hoofden, zooveel zinnenquot;. De
10
geschiedenis heeft het overvloedig geleerd. Welke woorden b.v. zijn eenvoudiger en duidelijker, dan die Christus bezigde aan het laatste avondmaal, toen Hij het brood nemend, het zegende, brak, en onder zijne leerlingen ronddeelde, zeggende; âNeemt en eet, dit is mijn lichaamquot;. En toch! Luther leerde, dat men in het nachtmaal werkelijk het lichaam en bloed van Christus ontvangt. Die leer vond hij duidelijk uitgedrukt in de woorden van den Bijbel; maar Calvijn haalde uit dezelfde woorden juist bet tegenovergestelde, dat men namelijk in het nachtmaal bet lichaam en bloed van Christus niet werkelijk ontvangt. Deze twee leeringen nu kunnen beide tegelijk toch onmogelijk de ware leer van Christus zijn, en zeker is het dus, dat óf Luther, öf Calvijn uit de woorden van den Bijbel de ware leer van Christus niet haalde. Maar als nu een Luther of een Calvijn aan die duidelijke woorden der H. Schrift eene uitlegging kon geven, welke met de leer van Christus zeker in strijd is; als er bovendien duizenden, ja millioenen menschen zijn, die den Bijbel niet eens kunnen lezen , dan kan men toch waarlijk niet beweren, dat de Bijbel voor alle menschen het voldoende middel is, om de leer van Christus met zekerheid te kennen.
Christus heeft ons daarom een ander middel geschonken, dat onder het bereik valt van een ieder, dat geschikt is zoowel voor ongeleerden als voor geleerden; en dat middel is het Leergezag zijner Kerk, m. a. w. de leer, welke de Kerk, door Christus gesticht, op het gezag van Christus verkondigt; zoodat men, om liet antwoord te vinden op de vraag: wat heeft Christus geleerd ? welke is de ware leer van Christus ? slechts behoeft te vragen: wat leert de Kerk van Christus ? Want die Haar hoort, hoort Hem
') Luc. X, 16.
11
Door die Kerk bedoelen we natuurlijk geen steenen of houten gebouw, maar de vereeniging der ware leerlingen of volgelingen van Christus, aan welke vereeniging Christus zelf den naam van Kerk heeft gegeven, toen Hij tot Petrus sprak: âGij zijt Petrus, d. i. steenrots, en op deze steenrots zal Ik mijne Kerk bouwenquot; ').
Aan de oversten nu van die Kerk, namelijk aan de Apostelen, aan wier hoofd Hij stond, heeft Christus, alvorens deze wereld te verlaten, den volgenden last opgelegd: âGaat en onderwijst alle volken en leert hen onderhouden alles wat Ik u bevolen hebquot;1). De Kerk dus, door Christus gesticht, of juister gesproken, de overheden van die Kerk, de Apostelen en hunne wettige opvolgers, zij moeten, op last van Christus zeiven, de leer, door Christus gepredikt, aan alle geslachten der aarde verkondigen , en het is dus van hen, dat wij kunnen weten, welke waarheden Christus heeft geopenbaard.
Een kleine opmerking ten slotte. Ik heb wel eens anclersclenkenden ontmoet, die bezwaar maakten tegen het woord: «Kerkquot;. Van eene door Christus gestichte «Kerkquot; wilden zij niet hoeren; wèl van eene door Christus gevestigde «Gemeentequot;.
Nu, lezer, als wij elkander maar verstaan. Christus zelf heeft geen Hollandsch gesproken, en dus zoo min liet woord »ICerkquot;, als het woord «Gemeente'' gebruikt. In het Latijnsch en in het oorspronkelijk Grieksch Nieuw-Testament lezen wij het woord: «Ecclesiaquot;. Dat woord nu hebben onze katholieke voorvaderen ten allen tijde vertaald door het woord: «Kerkquot;. Hetzelfde deden en doen nog alle Katholieken van Duitschland. Engeland, Frankrijk, Italië en, als ik mij niet vergis, van geheel Europa, in zoover zij allen daarvoor hetzelfde woord gebruikten] en gebruiken, waarmede zij in hunne taal gewoon zijn een kerkgebouw aan te duiden.
Spreekt gij liever van «gemeente,quot; wilt gij zelfs de kerkgebouwen daarom «gemeentehuizenquot; noemen â ga vrij uw gang; maar welk
i) Matth. XVI, 18.
1
Matth. XXV1U, 19â20.
12
nut daarin ligt, vat ik niet wel. In ieder geval zult ge er wel niet tegen hebbenquot;; dat ik mij houd aan dien naam, welke ontegenzeggelijk de oudste brieven heeft en het minste gevaar oplevert, liet Kerkbestuur met het Gemeentebestuur te verwarren.
§ 3.
Is meu iu geweten verplicht, zich aan het gezag en aan de leer van Christus' Kerk te onderwerpen?
Zonder twijfel, en wel zóó, dat zij, die genoegzaam weten, welke Kerk de ware Kerk van Christus is, en zich toch niet aan die Kerk willen onderwerpen, zich daardoor plichtig maken aan een zware zonde.
Christus heeft zijne heilige leer verkondigd om aan alle menschen den weg ten hemel te toonen. Het was dus noodzakelijk, dat die goddelijke en zaligmakende leer ten allen tijde bewaard en overal verkondigd zou worden. Daarom nu legde Christus, alvorens deze wereld te verlaten, zijne Kerk den last op, om, in zijnen naam, zijne heilige leer overal te verspreiden: âGelijk de Vader Mij gezonden heeft, zoo ook zend Ik u.quot; (Joan. XX, 21.) âMij is alle macht gegeven in den hemel en op aarde; gaat dus en onderwijst alle volken, hen doopende in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes. Gaat over de geheele wereld en verkondigt het Evangelie aan alle schepselen, leert hen onderhouden al wat Ik u geboden heb.quot; (Matth. XXVIII, 19; Marc. XVI, 15.)
Maar als nu Christus aan zijne Kerk de verplichting oplegt, om zijne leer en zijne geboden aan ons en aan alle menschen te verkondigen, en haar met zijn goddelijk gezag
13
heeft bekleed (âgelijk de Vader Mij gezonden heeft, zoo ook zend Ik uquot;), ware het dan niet ongerijmd te veronderstellen , dat Christus ons vrijliet, om naar goedvinden het gezag zijner Kerk te erkennen of te versmaden, hare leer te omhelzen of te verwerpen?
Wat zoudt ge zeggen van een koning, die iemand aanstelde om in zijnen naam wetten af te kondigen, maar tegelijkertijd aan zijne onderdanen volle vrijheid liet zich aan die afkondiging al of niet te storen? Dat ware immers tegenspraak!
De mensch is dus wel degelijk verplicht, zich te onderwerpen aan het gezag en aan de leer van die Kerk, aan welke Christus de verkondiging zijner heilige leer heeft toevertrouwd.
Even duidelijk blijkt dit uit de woorden, welke Christus tot zijne apostelen sprak: âDie u hoort, hoort Mij; die u versmaadt, versmaadt Mij.quot; (Luc. X, 16.) Hiermede zeide Christus zoo bepaald mogelijk, dat wij het woord zijner Kerk als Zijn woord moeten eerbiedigen; zoodat zij, die niet naar de leer zijner Kerk willen luisteren, niet alleen de Kerk, maar Christus zeiven en zijn hemelschen Vader versmaden.
Uit dit alles volgt dus, dat zij, die genoegzaam weten, welke Kerk de ware Kerk van Christus is, en toch, hetzij uit gemakzucht, hetzij uit menschelijk opzicht of om welke reden ook, zich niet aan die Kerk willen onderwerpen, schuldig zijn aan een groote zonde, en als zij zich niet bekeeren, hun eeuwig ongeluk te gemoet gaan.
Ziedaar, waarom er ook volstrekt geene ongerijmdheid gelegen is in de leer, dat âbuiten de ware Kerk van Christus de zaligheid onmogelijk is.quot; Dit toch wil niets anders zeggen, dan dat zij, die wetens en willens de ware Kerk van Christus versmaden, Christus zeiven versmaden, en
14
door die groote zonde, zoolang zij moedwillig daarin blijven voortleven , zich zeiven alle aanspraak op den hemel ontnemen.
Is echter die zonde niet vrijwillig, m. a. w. leeft men geheel te goeder trouw buiten de ware Kerk, dan spreekt het vanzelf, dat ons door God die onvrijwillige zonde niet zal worden toegerekend; en dat men dus. indien men bij zijn dood geen andere groote zonde op het geweten heeft, om dat onvrijwillig ongeloof niet zal verloren gaan. Zoo leert de katholieke Kerk, en is dat niet hoogst redelijk?
§4.
Maar is hel geen schandelijke lafheid van godsdienst te veranderen
Dat ligt er aan. Immers we hebben zooeven gezien, dat alle menschen in geweten verplicht zijn, zich te onderwerpen aan die Kerk, welke door Christus werd gesticht, en bijgevolg ook die godsdienstleer te gelooven en te belijden, welke door die Kerk wordt voorgehouden. Leeft men dus in de ware, door Christus gestichte Kerk, dan zou het zeker eene groote zonde zijn van godsdienst te veranderen; doch is de Kerk, waartoe men behoort, de ware Kerk van Christus niet, dan mag men daarin niet blijven, dan moet men van godsdienst veranderen.
Veronderstellen we eerst eens, dat het Protestantisme de ware godsdienst is. Dan hebben zij die vóór 300 jaren de katholieke Kerk vaarwelzeiden en zich bij de leer van Luther aansloten, niet alleen groot gelijk gehad, maar dan was het eenvoudig hun plicht, dan moesten zij zoo handelen, en zijn alle Katholieken, ook nu nog, in geweten gehouden
15
dat voorbeeld te volgen. Denk eens aan: de protestantsche godsdienst leert, dat het met de eer van God in strijd, ja, een soort afgoderij is, de Heiligen te vereeren en aan te roepen; nu doe ik dat als Katholiek toch, met nog vele andere dingen, welke door de protestantsche leer als dwaas en zondig worden veroordeeld â zou ik nu met al die dwaasheden en verkeerdheden mogen doorgaan, als het Protestantisme de waarheid bezit ? Immers neen! Dan ben ik in geweten verplicht, daaraan een eind te maken en protestant te worden.
Doch laat ons nu omgekeerd eens onderstellen, dat de katholieke Kerk de ware Kerk van Christus zou zijn : mag dan een protestant of wie ook buiten de katholieke Kerk leeft, maar rustig blijven wat hij eenmaal is? Natuurlijk evenmin.
De katholieke Kerk leert bijv. dat de Paus van Rome, als wettige opvolger van Petrus, de plaatsvervanger van Christus en liet zichtbaar opperhoofd van Jezus' Kerk is: dat dus alle kinderen dier Kerk eerbied en gehoorzaamheid aan den Paus verschuldigd zijn. Zij leert, dat in het H, Sacrament des Altaars, onder den uitwendigen schijn van brood en wijn, Christus zelf, met zijn Godheid en mensch-heid werkelijk tegenwoordig is, en dat bijgevolg aan dat H, Sacrament goddelijke eer behoort bewezen te worden. Zij leert, dat er in het andere leven, behalve de hel en den hemel, nog eene derde plaats is, welke zij Zniverings-plaats of Vagevuur noemt, waar de zielen van hen, die niet schuldig genoeg zijn voor de hel en niet onschuldig genoeg voor den hemel, eerst aan Gods rechtvaardigheid moeten voldoen, en dat het goed en heilzaam is voor die zielen te bidden. De Protestant nu gelooft van dat alles 7iiets, ja spot er mee; maar mag hij dat doen en blijven doen, indien de katholieke Kerk de ware Kerk van Christus is? Immers zeker niet.
16
Iedereen is derhalve verpliclit den waren godsdienst te belijden, en dus, bezit hij dien niet, van godsdienst te veranderen, om den waren te omhelzen. Wel degelijk zou niet veranderen in dit geval eene groote zonde zijn, welke alleen dan niet toerekenbaar is, als zij onvrijwillig wordt bedreven, d. w. z. wanneer men blijft wat men is, omdat men, ofschoon ten onrechte, toch geheel te goeder trouw meent, in den waren godsdienst te leven.
Ziehier nog een paar voorbeelden ter verduidelijking. Het is een groote zonde, in het bezit te blijven eener aanmerkelijke som gelds, welke een ander toebehoort; en toch kan het gebeuren, dat ik hierdoor niet schuldig ben in de oogen van God; wanneer ik namelijk geheel te goeder trouw meen, dat dit geld mij eerlijk toekomt. Het uitspreken eener godslastering is op zich zelve eene groote zonde; meent echter iemand geheel te goeder trouw dat hetgeen hij zegt geen godslastering, maar bijv. een schietgebed is, dan zou hij met die woorden uit te spreken, zijn geweten niet bezwaren, ja zelfs verdienstelijk kunnen handelen.
Maar gelijk in deze gevallen alleen de goede trouw maakt dat, hetgeen in zichzelf groot kwaad is, zoo iemand niet als groot kwaad wordt toegerekend, zoo ook op het stuk van godsdienst. Als dus die goede trouw niet bestaat, als wij inzien, dat wij inderdaad niet in den waren godsdienst, niet in de ware Kerk van Christus leven, dan is het een dure plicht voor ons van godsdienst te veranderen, en wel verre van schande en lafheid, is dat een eervolle en moedige daad, om welke God ons loonen en ieder weldenkend mensch ons prijzen zal. In vrijwillige dwaling volharden, dat is schande, de erkende waarheid niet durven belijden, ziedaar lafheid; een godsdienstleer blijven aanhangen, terwijl men genoegzaam inziet, dat die leer de leer niet is, welke Christus ter verkondiging aan zijne Kerk heeft toevertrouwd, dat
17
is in strijd met het geweten, dat is zonde, dat is zich voor Christus schamen bij de menschen, en gij weet, dat volgens Jezus' eigen woord. Hij met ons zal handelen bij zijn he-melschen Vader, zooals wij met Hem gehandeld hebben bij de menschen. Dwalen, zegt een Kerkvader, is menschelijk, in de dwaling volharden is duivelsch.
Hieruit, lezer, zult gij begrepen hebben, hoe onnoo-zel het praatje is, dat men vaak moet hooren: âoch, ieder in het zijnequot;. âIeder moet maar blijven wat hij is.quot; Neen, men moet alleen dan blijven wat men is, als wat men is, goed is. Of moet een zieke maar ziek, een hongerige maar hongerig, een drenkeling maar in het water, een verdwaalde â en ziehier geene vergelijkingen meer, maar ons geval zelf â maar op den verkeerden weg blijven? Dat strijdt immers met het gezond verstand. Anders zou men waarlijk ook moeten beweren, dat onze eerste voorouders maar beter gedaan hadden met eenvoudig heidenen te blijven, en de zendelingen dwazen zijn, om met levensgevaar in onbekende streken een anderen godsdienst aan de ongeloovigen te gaan verkondigen.
§ 5.
Mag itieu nog van godsdienst veranderen, als inen ouder eed gezworen heeft in zyn godsdienst te zullen volharden?
Het antwoord op die vraag meen ik het best duidelijk te maken door het volgende voorbeeld.
Iemand, die wegens ziekelijkheid nooit de kerk kan bezoeken , heeft zich een, naar hij meent, zeer godvruchtig boek aangeschaft, en aan God onder eed beloofd, dat hij
18
tot zijn geestelijk nut daaruit iederen Zondag een hoofdstuk ]
lezen zal. Natuurlijk moet hij die belofte gestand doen. i
Maar wat gebeurt? Nadat hij eenige hoofdstukken tot zijne (
groote stichting gelezen heeft, ontmoet hij hier en daar i
gezegden en beweringen, welke bepaald in strijd zijn met de waarheid. Eenigszins ongerust geworden, onderzoekt hij verder en bevindt nu, dat er ook op godsdienstig gebied beginselen in voorkomen, welke onmogelijk verdedigd kunnen worden. Hij komt dus tot het besluit, dat, tegen zijne verwachting, de inhoud en de strekking van dat boek volstrekt niet deugen. Wat nu? Moet hij nu zijn onder eed gedane belofte toch houden ? Moet hij als gezond voedsel blijven gebruiken, wat hij bevonden heeft vergif te zijn?
Wel neen; dat begrijpt immers een kind. li
Welnu, zoo is het juist gelegen met iemand, die onder li
eed beloofd heeft te zullen volharden in een godsdienst, c
dien hij, wel is waar ten onrechte, maar toch te goeder a
trouw als den waren godsdienst beschouwde. Zoolang hij n
geheel te goeder trouw in die vaste meening blijft, moet hij k
zijne gedane belofte natuurlijk houden, en mag hij dus niet n
veranderen , want dit zou in strijd wezen met zijn geweten. o
Ziet hij echter later gegronde redenen om aan de waarheid s(
van dien godsdienst te twijfelen, dan is hij, wijl het bier ü
eene zaak geldt van het hoogste belang, verplicht te onder- sc
zoeken, althans in zoover hij daartoe in staat is, en zeer g(
zeker is hij ook verplicht voor dat gewichtig onderzoek de n
hulp en de verlichting van God af te smeeken. st
Wordt bet hem nu duidelijk, dat hij zich vergist heeft, g(
dat die godsdienst, welken hij voor den waren hield, toch st
werkelijk de ware godsdienst niet is, dan mag hij niet alleen, 01
maar dan moet hij veranderen. Hij heeft wel is waar ge- m
zworen in dien godsdienst te zullen volharden; doch, gij h(
begrijpt, nu hij duidelijk inziet, dat hetgeen hij beloofd et
19
heeft, aan God niet welgevallig is, hij dien eed niet langer mag houden. Men kan immers door niets ter wereld, ook door geen eed, in geweten verplicht zijn, iets te doen, wat men weet in strijd te zijn met Gods heiligen wil.
§ 6.
Is de ware Kerk van Christus zichtbaar?
Aanleiding tot deze vraag gaf mij de volgende ontmoeting.
Op zekeren dag moest ik naar de stad B . . .. Reeds had ik in een coupé 2e klas rustig plaats genomen en was het signaal voor her vertrek gegeven, toen door een der conducteuren mij nog een zwaarlijvig reiscompagnon in allerhaast werd toegeduwd. De man vatte recht tegenover mij post, en, na beide punten van zijn indrukwekkenden knevel zoo ver mogelijk uit elkaar gedraaid te hebben, nam hij mijn persoon tot twee- driemalen van top tot teen op, met een blik, die scheen te beteekenen, dat het zijne schuld niet was, van zoo nabij met een R. K. geestelyke in aanraking te komen. Nu, ik had er waarlijk ook geen schuld aan, en trachtte, gelijk weinig bereisde luidjes dat gewoon zjjn, door een alleronschadelijkst praatje over het mooie weer, mijn norschen overbuur wat vriendelijker te stemmen. Dit gelukte tamelijk wel, en we waren reeds gemoedelijk aan 't kouten, toen we een plaatsje voorbij-stoomden, waar dicht bij 't station een soort triomfboog-omhoogrees. âHé!quot; riep mijn reisgezel verwonderd uit, âwat moet dat beduiden?quot; â âOch,quot; hernam ik, âik meen gehoord te hebben, dat de bisschop dezer dagen aan dat dorp een bezoek heeft gebracht. Wat daar staat, zal waarschijn-
20
lijk het overblijfsel van een eereboog wezen.quot; Deze onschuldige opheldering trof echter een gevoelige plek. Mijn reisgezel begon hevig uit te varen tegen die dwaze paapse lie afgoderij, bijgeloovigheden en uiterlijkheden der Roomschen. âVan al dien rommelquot;, zoo besloot hij, âben ik hoegenaamd niet gediend. Meen daarom niet, dat ik ongeloovig ben. Ik ben Christen, zoo goed als iemand. Ik dien den Heer Christus in mijn hart, erken Hem als den Verlosser, en tracht volgens den geest van het zuivere Evangelie te leven. Daarom juist gruw ik van al die roomsche omhangselen en vertooningen.quot;
Ik liet den braven man op zijn gemak uitpraten, maar vroeg toen, of de roomsche Kerk vóór het ontstaan van het Protestantismus, zich ook al aan zoovele dwaasheden schuldig maakte? âWel zeker,quot; luidde het antwoord, âdat weet u zoo goed als ik; 't was toen nog wél zoo erg als tegenwoordig.quot; â âGoed,quot; hernam ik, âmaar waar moet dan destijds de ware Kerk van Christus wel geweest zijn? Of bestond ze in die dagen niet meer?quot; â âZeker bestond ze, evenals ze nog bestaat; maar door de ware Kerk versta ik niets anders dan de vereeniging van al degenen, die het rechte geloof aan den Heer Jezus Christus in hun hart bezitten, en dat geloof is iets geheel inwendigs, wat noch door u, noch door mij, noch door iemand, tenzij door God alleen kan worden gezien. De ware Kerk van Christus is onzichtbaar en het is eene dwaasheid te vragen, waar en bij wie ze juist te vinden is.quot;
De man blies hierop eene triomfantelijke rookwolk dooiden coupé, en zag mij aan, als wilde hij vragen, wat er op zulke redeneering wel kon worden afgedongen. En toch, lezer, daar viel ontzaglijk veel op af te dingen.
quot;Want, vooreerst: de H. Paulus of liever de H. Geest zelf is van een ander gevoelen. Immers, nadat de Apostel
21
tot de Romeinen gezegd heeft: âMet het hart wordt geloofd ter rechtvaardigheid,quot; voegt hij er aanstonds bij: âmaar met den mond geschiedt de belijdenis ter zaligheid(Kom. X, 10) m. a. w. men moet uitwendig belijden, wat men inwendig gelooft. En dat deed mijn reismakker immers zelf? Hijzelf toch voelde er behoefte aan uitwendig en openlijk te kennen te geven, wat hij inwendig geloofde. Bovendien als het geloof inwendig in het hart bewaard moet blijven en zich uitwendig niet behoeft te toonen, vraag ik u; hoe zal men dan de rechtgeloovigen van de niet rechtge-loovigen kunnen onderscheiden ? Hoe zullen de rechtgeloovigen elkander als dusdanig, hoe zulien zij hunne herders of overheden kennen? Hoe zullen zij in geloofs- of godsdienstzaken met elkander in overleg of gemeenschap kunnen treden ?
Maar gaan we verder. Christus heeft o. a. verschillende Sacramenten ingesteld. Hoeveel, laten we voor 't oogenblik daar; doch veronderstellen we eens, zeven. Dit moet een waar dienaar van Christus dus vooreerst vastelijk gelooven. Maar die Sacramenten zijn uiet ingesteld door Christus om alleen geloofd, maar vóór alles om toegediend en ontvangen te worden. Al gelooft gij inwendig onwrikbaar vast, dat er een Doopsel bestaat, door Christus ingesteld, als gij dat Doopsel niet hebt noch wilt ontvangen, zal u dat inwendige geloof alleen bitter weinig baten om zalig te worden: âDie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig wordenquot; (Marc. XVI, 16).
Nog meer: nadat Christus (gelijk we later zullen bespreken) tot Petrus gezegd had: âHoed mijne lammeren, hoed mijne schapenquot;, moest Petrus zeker vastelijk gelooven, dat de zorg over geheel de kudde aan hem was toevertrouwd , dat hij dus als de plaatsvervanger van Christus op aarde, als het zichtbaar opperhoofd van Christus' Kerk was
22
aangesteld. Dat geloof was weder geheel en al inwendig; maar moest het zich ook niet uitwendig toonen ? Moest Petrus soms inwendig de lammeren en de schapen van Christus hoeden?! Of moest hij, moesten de overige apostelen en herders Jezus den gekruiste niet prediken, de Sacramenten toedienen, opvolgers aanstellen, zich openlijk toonen en belijden als volgelingen van den Godmensch ? Maar zijn dit dan niet alle, hoezeer door het inwendige bezield, toch uiterlijke handelingen? Kon en moest dat niet uitwendig worden waargenomen ? En de gewone geloovigen, zouden zij, als ware leerlingen van Christus, kunnen volstaan met enkel en alleen inwendig te gelooven, dat Christus den TT. Petrus en zijne wettige opvolgers met het bestuur zijner Kerk heeft belast? Wol neen; van dat inwendig geloof moeten zij uitwendige blijken geven door hun bereidvaardige onderwerping en gehoorzaamheid , door te leven volgens de wetten, hun door Petrus en zijn opvolgers opgelegd.
Ts dus de Kerk van Christus op aarde de vereeniging van alle ware leerlingen van Christus, dan is zij de vereeniging van allen, die in- en uitwendig aan het door Christus gegrondveste gezag gehoorzamen, in- en uitwendig de door Christus gepredikte leer belijden, in- en uitwendig aan de door Christus ingestelde heiligingsmiddelen of Sacramenten deelnemen.
In- en uitwendig, want wij zijn menschen en geen zuivere geesten; in- en uitwendig, want de Kerk is eene maatschappij, die de menschen niet alleen met God, maar ook met elkander verbinden moet. Bijgevolg moet die Kerk zeker zichtbaar zijn, evenzeer als iedere goed geregelde staat, of welke vereeniging van menschen ook. Ik zou trouwens wel eens willen weten, hoe Christus zijne Kerk heeft kunnen vergelijken met eene stad op den berg, met een licht op den kandelaar,âhoe Christus iedereen de ver-
23
pliehting heeft kunnen opleggen, om naar de stem zijner Kerk te luisteren, als die Kerk niet zichtbaar, niet uitwendig kenbaar zou wezen.
Dit neemt echter niet weg, dat de Kerk van Christus ook onzichtbaar kan en moet genoemd worden onder zeker opzicht. Dienaangaande willen wij hier alleen zeggen, dat er immers menschen kunnen zijn, en stellig zijn er vele, die uit onschuldige onwetendheid van de ware leer van Christus afwijken, het wettig door Christus aangewezen gezag niet kennen, en daaraan dus ook niet gehoorzamen, verscheidene van de door Christus gewilde Sacramenten nooit ontvangen. Welnu, wanneer deze menschen, gelijk we veronderstellen, geheel te goeder trouw dwalen en daarbij den goeden God in oprechtheid des harten dienen , zijn zij zonder twijfel de vrienden van God, en ook wer. kelijk kinderen van Jezus' Kerk.
Doch, omdat men zulke menschen door geen enkel uitwendig teeken als ledematen der ware Kerk kan onderscheiden, omdat zij ook uitwendig natuurlijk niet volbrengen , wat een gewoon kind der Kerk volbrengen moet, daarom zijn wij, Katholieken, gewoon te zeggen, dat zij behooren niet tot het lichaam. nmar tot de ziel der Kerk, d. w. z. niet tot de Kerk in zooverre deze voor ons zichtbaar is, maar in zoover zij gezegd kan worden te bestaan uit allen, die God dienen naar de mate van het licht hun geschonken.
24
§ 7.
Is het inoeielijk te weten, welke Kerk tie ware Kerk van Christus is?
Zooeven hebben wij aangetoond, dat de ware Kerk van Christus zichtbaar is; maar iets wat zichtbaar is, laat zich daarom nog niet altijd gemakkelijk van andere soortgelijke zaken onderscheiden. Heeft men bijv. een echten diamant onder een tiental andere schitterende steenen vóór zich, dan is die echte diamant zeker evengoed zichtbaar als de andere steenen, maar er wordt heel wat kennis gevorderd, om hem aanstonds met zekerheid te kunnen aanwijzen.
Is het nu ook zoo gelegen met de ééne, ware, door Christus gestichte Kerk ? M. a. w. is het inoeielijk te achterhalen welke Kerk, onder alle, de ware Kerk van Christus is ?
Met zelden treft men menscheu aan, die hunne onverschilligheid op godsdienstig gebied op de volgende wijze trachten te verontschuldigen: âOch,quot; dus zeggen ze, â't moge waar zijn, dat de mensch verplicht is, zich aan de ware Kerk van Christus te onderwerpen, daarmee komen we toch niet verder; want er zijn tegenwoordig zoovele kerken en godsdiensten, en wij kunnen immers toch niet uitmaken, welke van die kerken de ware Kerk van Christus is.quot;
Zou dat waar zijn? Dan zou Christus toch waarlijk onredelijk hebben gehandeld. Immers Christus heeft zijne Kerk gesticht om aan alle menschen den weg naar den hemel te wijzen. Christus vordert, gelijk wij reeds zagen, dat alle menschen, geleerden en onwetenden, rijken en armen, luisteren naar de stem zijner Kerk, dat allen hare leer gelooven en eerbiedigen als Zijne leer. Maar hoe kan Christus dat vorderen, als Hij tevens niet zou zorgen, dat
25
zijne ware Kerk door iedereen behoorlijk van elke andere kan worden onderscheiden? Dan zou Christus ons eene verplichting opleggen, waaraan wij onmogelijk konden voldoen. Hij zou vorderen, dat we ons onderwierpen aan het leergezag zijner Kerk, zonder dat we in staat waren te i weten, welke zijne Kerk is. Mag men nu veronderstellen,
i dat Christus zich aa.n zulk eene onredelijkheid zou hebben
e plichtig gemaakt? Als dus Christus allen raenschen in ge-
t weten de verplichting oplegt te gehoorzamen aan de stem
. zijner Kerk, dan moet die Kerk ook noodwendig eenige
e kenmerkende eigenschappen of Icenteekenen bezitten, waaraan
1. ze door alle menschen van goeden wil gemakkelijk en zeker
van elke andere kan worden onderscheiden. Zij moet ge-ir makkelijk herkenbaar zijn. Dit was immers ook duidelijk
f. de bedoeling van Christus, toen Hij zijne Kerk vergeleek
? bij eene stad, die cp een hercj gebouwd , niet verborgen
igt; kan blijven; met een licht, dat op een kandelaar is ge-
ie plaatst, om allen te verlichten en dus door iedereen ge-
't makkelijk gezien en onderscheiden kan worden? (Matth. V,
le 14â15).
;n Welnu, waaraan kan men dan de ware Kerk van Chris-
le tus herkennen?
et is-
n-ne en
n,
3n, 3er :an iat
26
§ s.
Welke z\jii de keiiteekenen, waardoor men de ware Kerk van Christus met zekerheid van andere âkerkenquot; kan onderscheiden?
Vooral deze vier:
1°. De ware Kerk van Christus moet één zijn, d. w, z. zij moet staan onder een zichtbaar Opperhoofd, en altijd en overal een en dezelfde Geloofsleer belijden.
2°. De ware Kerk van Christus moet heilig zijn, d. w. z. zij moet eene leer, instellingen en genademiddelen bevatten, waardoor de menschen tot ware deugd en heiligheid gebracht worden; en deze heiligheid moet door mirakelen zijn bezegeld.
3°. De ware Kerk van Christus moet katholiek zijn, d. w. z. algemeen verspreid over de aarde.
4°. De ware Kerk van Christus moet apostolisch zijn, d. w. z. zij moet door de onafgebroken en wettige opeenvolging harer herders verbonden zijn met de eerste herders, de apostelen van Christus.
Wij zullen deze vier punten in 't kort uiteenzetten ? en aantoonen, waar die vier kenteekenen der ware Kerk van Christus alleen te vinden zijn.
TWEEDE GEDEELTE,
Over de kenteekenen of kenmerkende eigenschappen der ware Kerk van Christus.
EERSTE HOOFDSTUK.
DE WARE KERK VAX CHRISTUS MOET EEN ZIJN.
A. De ware Kerk van Christus moet één zijn in haar Opperhoofd.
§9-
Christus heeft een Kerk gesticht met een zichtbaar Opperhoofd, en dat Opperhoofd was de H. Petrus.
Wol heeft Christus aan alle apostelen zonder uitzondering den last opgedragen, zijne leer aan alle volken te verkondigen, maar toch, in rang en waardigheid zouden zij niet allen op gelijke lijn staan. Met duidelijke woorden werd door Christus één hunner, namelijk Petrus, tot hoofd aangesteld.
âGij zijt,quot; dus sprak de goddelijke Verlosser, âGij zijt
28
Petrus (d. i. steenrots) en op deze steenrots zal Ik mijne â1
Kerk bouwen en de poorten der hel zullen haar niet over- di
weldigen. (Matth. XVI, 18). Wat derhalve de grondslag of di
het fundament is voor een gebouw, dat zou Petrus zijn voor te
Christus' Kerk. Gelijk een gebouw met al zijn onderdeelen et
steunt op den grondslag, waarop het verrijst, en daaraan ge
zijne kracht en hechtheid ontleent, zoo zou de Kerk van vi
Christus steunen op Petrus. ar
Petrus zou met het hoogste gezag zijn bekleed, gelijk w
Christus nog duidelijker te kennen gaf door onmiddellijk pl
deze woorden te laten volgen : âEn u zal ik de sleutels geven ^
van het rijk der hemelenquot; (Aid. 19). De sleutels toch wer- IE den ten allen tijde beschouwd als het zinnebeeld der hoogste
macht. Vandaar het aloude gebruik om bijv. bij de over- klt;
gave eener vesting, de sleutels der poorten aan de nieuwe ki
beheerschers te overhandigen, ten teeken dat het bestuur, o\
de macht voortaan bij hen berustte. gt
Christus beloofde dus, dat Hij Petrus met het bestuur der Cl
Kerk zou belasten. Ik zeg: âbeloofdequot;; want merken wij to
hier wel op, dat deze woorden van Christus nog niets meer te
inhielden dan eene belofte. Christus had gezegd: âOp U Oj
zal Ik mijne Kerk bouwen; Ik zal U de sleutels van het wi
rijk der hemelen geven.quot; pl:
Eerst later zou die belofte worden vervuld en Chris- bl
tus in werkelijkheid de zorg over zijne Kerk aan Petrus hc toevertrouwen. Toen namelijk de dag naderde, waarop de
Zaligmaker ten hemel opklimmen en dus deze wereld ver- ge
laten zou, verscheen Hij op den oever van het meer Tiberias ba
aan zijne leerlingen, en na hen in 't algemeen te hebben ev
toegesproken, richtte Hij het woord tot Petrus alleen, noemde va hem bij zijn familienaam, en sprak: âSimon, Joannes'zoon,
bemint gij Mij meer dan dezen?quot; â âHeer,quot; dus klonk het antwoord, âGij weet, dat ik ü bemin.quot; Nu sprak Christus:
29
3 âhoed mijne lammeren.quot; Om echter Petrus goed te door
dringen van het hooge gewicht der taak, welke hem door f die woorden op de schouders werd gelegd, en hem tevens
r te overtuigen, dat tot het volbrengen dier verheven taak
i eene meer dan gewone, eene heldhaftige liefde zou worden
a gevorderd, herhaalde Christus tot driemalen toe dezelfde
i vraag: âSimon, Joannes' zoon, bemint gij Mij?quot; En Petrus antwoordde ten tweeden en ten derden male: âHeer, Gij
k weet dat ik U bemin,quot; En ook tot driewerf toe werd de
k plechtige opdracht aan Petrus door den Zoon Gods herhaald:
ii âWeid mijne lammeren! â quot;Weid mijne schapen!quot; (Jo. XXI, 15â17).
e Wie kan in gemoede ontkennen, dat met deze betee-
kenisvolle woorden aan Petrus het herderschap over de e kudde van Christus werd toevertrouwd; het herderschap
r, over de geheele kudde, âlammerenquot; en âschapenquot;, en bij
gevolg het Opperherderschap ? Petrus m. a. w. werd door sr Christus zei ven aangesteld tot zijn plaatsbekleeder op aarde,
ij tot zichtbaren bestuurder, tot zichtbaar Opperhoofd der Kerk,
;r terwijl Christus in den hemel haar onzichtbaar, goddelijk
U Opperhoofd zou blijven; daar Jezus mee zijne zichtbare tegen-
3t woordigheid de wereld ging verlaten, zou Petrus in zijne
plaats en onder Hem de zichtbare bestuurder der Kerk 3- blijven: het zichtbare lichaam der Kerk moest een zichtbaar
is hoofd behouden.
Ie Duidelijk is het derhalve, dat Christus eene Kerk heeft
r- gesticht, aan welke Hij een Opperhoofd, en wel een zicht-
is baar Opperhoofd heeft geschonken; zien we nu, hoe het
sn even duidelijk is, dat die Kerk ten allen tijde in het bezit
le van zulk een zichtbaar Opperhoofd moet blijven.
n,
et -
s:
30
§ 10.
De H. Petrus moet, als zichtbuar Opperhoofd der Kerk, uoodzakeljjk tot het einde der tjjden toe wettige opvolgers hebhen.
Petrus, we hebben het gezien, moest, natuurlijk niet als gewoon mensch , maar als plaatsvervanger van Christus, het fundament of de grondslag zijn, waarop Christus' Kerk zou rusten. âGij zijt Petrusquot;, had de Verlosser tot hem gezegd, âen op deze steenrots zal Ik mijne Kerk bouwen.quot;
Die Kerk nu zal blijven bestaan tot het einde der eeuwen, wijl Christus haar heeft ingesteld, met het doel om de menschen zalig te maken en zij derhalve zal bestaan , zoolang er menschen zalig moeten worden, d. i. zoolang er menschen op aarde leven.
Daarenboven heeft de Zoon Gods haar uitdrukkelijk en plechtig beloofd, dat de poorten der hel haar nimmer zullen overweldigen. Moet dus de Kerk van Christus tot het einde der eeuwen blijven bestaan, dan moet ook noodwendig tot het einde der eeuwen het fundament of de grondslag blijven, waarop zij door Christus gebouwd werd; een gebouw toch kan onmogelijk langer staan dan zijn grondslag, een gebouw zonder grondslag stort in. Was dus Petrus, als plaatsvervanger vau Christus, het fundament, waarop de Kerk van Christus zou rusten, dan moet Petrus als dusdauig ook noodwendig blijven voortleven. Petrus echter v/as sterfelijk, evenals wij; moet hij dus niettemin blijven voortleven, dan moet hij blijven voortleven in anderen, d. i. in zijne wettige opvolgers.
Bovendien, Christus wilde zijne kudde niet onbeheerd laten. Hij gaf haar een algemeenen herder, een opperherder, door al zijne schapen, al zijne lammeren, zonder uitzon-
31
dering aan de zorg en leiding van Petrus toe te vertrouwen. Zij dus, die tot den schaapstal van Christus behooren, moeten ten allen tijde naar de stem luisteren en de leiding ' volgen van dien opperherder, die hun door Christus werd
aangewezen. Doch ook hieruit volgt reeds vanzelf, dat het opperherderschap met den dood van Petrus niet mocht Is uitsterven, maar noodzakelijk op wettige opvolgers moest 3t overgaan. Evenmin toch als een gebouw zonder grond-iu slag, evenmin is eene kudde, zal zij haar verderf niet i, te gemoet gaan, zonder herder bestaanbaar. En daar dat geestelijk gebouw zoowel als die geestelijke kudde eene er menschelijke maatschappij uitmaken, die zichtbaar is, moet el die maatschappij ook een zichtbaar Opperhoofd bezitten en e- blijven bezitten, zoolang zij bestaat.
o- Vandaar dan ook, dat bij den dood van Petrus, zooals
de onwraakbaarste getuigenissen der kerkelijke geschiedenis 3n bewijzen, de Kerk het zich ten plicht rekende Petrus op en den stoel van Rome, en derhalve in zijne waardigheid van de Opperherder, onmiddellijk door een ander te doen vervangen. ;ot In de plaats van Petrus koos zij Linus; na dezes dood sn, werd Cletus en vervolgens Clemens gekozen, enz. enz. '); ch en telkens werd de nieuwgekozene. evenzeer als Petrus, iw als het zichtbaar hoofd der Kerk en als plaatsvervanger 3i- van Christus beschouwd en geëerbiedigd.
an Deze handelwijze der Kerk in de eerste eeuwen van haar
ok bestaan verdient daarom vooral onze aandacht, omdat de jk, niet-Katholieken, die beweren dat de Kerk van Christus
an _
ige
') Deze opeenvolging der eerste Pausen wordt hier gegeven volgens het meest algemeen en gezaghebbend gevoelen der geleerden. Men be-grijpt overigens, dat naam en aantal dier eerste opvolgers van Petrus 61') een punt is van ondergeschikt belang; het feit zelf der opvolging staat OU- onwrikbaar vast, en dat alleen is het, waarop wij hier wijzen.
32
later van het ware pad zou zijn afgeweken, nochtans gaarne toegeven, dat zij ten minste in de eerste eeuwen geheel aan de leer en de instellingen van het Evangelie is getrouw gebleven. Als dan die Kerk, welke volgens het getuigenis zelfs der niet-Katholieken, toen nog de ware Kerk van Christus was, door hare daden zoo duidelijk hare overtuiging uitsprak, dat het Opperherderschap van Petrus noodzakelijk in zijne opvolgers moest blijven voortbestaan, dan is het ook onbetwist zeker, dat zij toen in dat hoogst gewichtig punt zich niet heeft bedrogen.
De ware Kerk van Christus moet derhalve een zichtbaar Opperhoofd hebben, en dat Opperhoofd kan geen ander zijn dan de wettige opvolger van het eerste Opperhoofd, den H. Petrus.
§ 11-
Tu het Protestantisme vindt men zulk een zichtbaar opperhoofd niet.
Waar toch zou men bij de Protestanten dat zichtbaar opperhoofd moeten zoeken? Waar is de persoon, aan wien op godsdienstig gebied alle Protestanten van Nederland, Duitschland, Engeland, Frankrijk, Amerika, kortom van geheel de wereld, gehoorzaamheid betoonen of verschuldigd zijn?
Of wil men het Protestantisme in zijne verschillende sekten beschouwen: waar is het kerkelijk opperhoofd van alle Calvinisten ? waar is het kerkelijk opperhoofd van alle Lutheranen ? enz. Nergens ; zulk een opperhoofd bezitten zij niest; en toch, gelijk we zooeven duidelijk hebben aangetoond, de Kerk, welke door Christus werd gesticht, moet zulk een zichtbaar
33
opperhoofd hebben. Maar hoe dan kunnen de Protestanten, hetzij zij zich Lutheranen, Calvinisten of anders iioemeh , hoe kunnen zij beweren, de ware Kerk uit te maken van Christus ?
Toen ik vóór eenigen tijd een gemoedelijk Protestant deze gewichtige opmerking maakte, gaf hij mij ten antwoord ; âWel, wij Protestanten zijn er beter aan toe dan de Katho⢠lieken; want dezen hebben een mensch, namelijk den Paus tot opperhoofd; maar ons opperhoofd is niemand anders dan Onze Heer Jezus Christus.''
Nogal aardig gezegd. Maar vooreerst dat was geen antwoord op mijne opwerping, die luidt: Jezus Christus heeft, als zijn plaatsvervanger op aarde, aan zijne Kerk een zichtbaar opperhoofd gegeven; gij hebt geen zichtbaar opperhoofd; derhalve zijt gij de ware Kerk van Christus niet. Vervolgens: de Katholieke Kerk erkent den Paus alleen nis haar opperhoofd, omdat en in zooverre hij de zichtbare plaatsbekleeder is van haar onzichtbaar Opperhoofd, Jezus Christus. Men kan dus niet zeggen: De Protestanten bezitten Jezus Christus als Opperhoofd en de Katholieken alleen den Paus; neen, de Katholieken, zoowel als de reclit-zinnige Protestanten, erkennen Jezus Christus voor het Opperhoofd hunner Kerk, alleen met dit verschil, dat de Katholieken gelooven en belijden, dat Jezus Christus in den persoon van den Paus hun een zichtbaren plaatsbekleeder heeft geschonken, om de zichtbare Kerk op aarde in zijn naam te besturen; terwijl de Protestant, die meent, dat de Kerk onzichtbaar is, â hetgeen wij in § 6 weerlegd hebben â ook natuurlijk van geen zichtbaar Opperhoofd hooren wil en daarom zich beroept op het onzichtbare Opperhoofd, Jezus Christus in den hemel, alleen. De Protestant is er dus, om eens de woorden van mijn zegsman te gebruiken , niet beter, maar veel slechter aan toe dan de
34
Katholiek: deze toch geniet, behalve de onzichtbare, ook de zichtbare leiding van Jezus Christus in den persoon van dengene, tot wien Hijzelf gesproken heeft: âweid mijne lammeren, weid mijne schapen,quot; terwijl de Protestant deze uitwendige leiding geheel mist.
§ 12.
Heeft de katholieke Kerk een zichtbaar opperhoofd en is dat opperhoofd werkelijk de wettige opvolger van Petrus i
Mij dunkt, lezer, dat ik op die vraag geen antwoord meer behoef te geven. Iedereen toch weet, dat alle Katholieken, zoovele millioenen als daar zijn. onder de gehoorzaamheid staan van den Paus van Rome, en hem als zichtbaar opperhoofd en als den stedehouder van Christus op aarde beschouwen en eerbiedigen.
En of de Paus, de bisschop van Rome, nu ook de wettige opvolger van den H. Petrus is? Welk verstandig mensch kan daaraan twijfelen ? Neem de geschiedenis in de hand, doorloop die lange rij der bisschoppen van Rome, aan wie wij den naam van Paus, d. i. Vader, geven, tel van den laatste geregeld terug, en gij zult uitkomen aan de voeten van Petrus, die het eerst door Christus zelf ais zichtbaar hoofd werd aangesteld. Overigens, welke andere bisschop dan de bisschop van Rome, heeft, in vroegeren of lateren tijd, er ooit aanspraak op gemaakt de opvolger van Petrus als hoofd der Kerk te zijn? En is het niet opmerkelijk , en ââ het zij in 't voorbijgaan gezegd â toont zich hier de vinger niet der goddelijke Voorzienigheid : de machtigste koninkrijken en keizerrijken werden door den
35
tijd omvergeworpen en gesloopt; de roemrijkste vorstenhuizen stierven uit en lieten geen spoor van zich achter: alles viel en verdween van het tooneel dezer wereld, Petrus alleen bleef. Hij, aan wien Christus het bestuur zyner Kerk had toevertrouwd, hij bleef voortleven in zijne opvolgers. De geschiedenis leert ons, hoe de Pausen steeds het mikpunt waren der felste vervolging; op hen hadden het ongeloof en de zedeloosheid hunne giftigste pijlen gericht; ruw geweld, snoode list en vuige laster, alles werd aangewend om den Pausen het voortbestaan onmogelijk te maken, en toch .... zjj bleven. Zij alleen hebben de stormen der eeuwen doorworsteld, en zie, na weldra negentien eeuwen, ontvangt de thans regeerende Paus Leo XIII van zijne millioenen kinderen dezelfde blijken van achting, van liefde en van onderwerping, welke de H. Petrus ontving van de eerste kinderen der Kerk. Wat dunkt u, lezer, z:ou het zoo vermetel zijn, in zulk een wonderbaar feit de bijzondere leiding te zien der goddelijke Voorzienigheid ?
B. De ware Kerk van Christus moet één zijn in hare Leer.
§ 13.
De ware Kerk moet één zjjn, wat hare leer betreft.
Dat wil zeggen, dat de Kerk in datgene, wat zij te ge-looven voorstelt, overal en altijd dezelfde leer moet belijden ; m. a. w. dat de leerstukken, welke zij als geloofspunten voorhoudt, overal dezelfde moeten zijn, en elkaar nooit of nimmer mogen tegenspreken.
36
Waarom dit? Omdat Christus zijne Kerk den last heeft opgelegd, niet om menscheljjke leerstellingen en meeningen, niet om hier dit en op eene andere plaats weder iets anders te verkondigen, maar om datgene te prediken, wat Hij zelf had geleerd. âGaat,quot; dus sprak Christus, âen onderwijst alle volken, hen leerende onderhouden, al wat Ik u bevolen hebquot; (Matth. XXVIII, 19). âPrediktquot; â niet wat gij verkiest, maar â het Evangelie aan alle schepselquot;. (Mare. XVI, 15.)
Als nu de ware Kerk van Christus alleen die leer mag verkondigen, welke Christus verkondigd heeft, en dus alleen die waarheden te gelooven mag voorstellen, welke door Christus zijn geopenbaard, dan volgt daaruit duidelijk, dat zij nergens of nimmer tegenstrijdige waarheden te gelooven kan voorstellen. Immers twee tegenstrijdige leeringen kunnen niet te gelijk waar zijn, en dus ook niet beide door Christus zijn geopenbaard. Is de ééne door Christus geopenbaard, dan is de andere, welke daarmee in strijd is, zeker eene dwaling en leugen.
§ 14.
Is in het Protestantisme die noodzakelijke eenheid vau leer te vinden?
Och, lezer, kunt gij die vraag wel ernstig meenen ?
Het Protestantisme is nog slechts drie eeuwen oud, en reeds is het in meer dan honderd verschillende sekten uiteengespat, die er ieder voor zich een bijzondere geloofsleer op nahoudt.
En dat was te voorzien, dat kon niet anders. Had Luther
37
liet recht, om, zonder zich aan eenig hooger kerkelijk leergezag te storen, met den Bijbel in de hand uit te maken, wat men op godsdienstig gebied al of niet moet gelooven , dan had Calvijn zeker even veel recht als hij. Luther nu verstond de woorden van den Bijbel zóó; Calvijn verstond ze anders. Wat door Luther, op gezag van den Bijbel, als geloofspunt werd geleerd, werd op gezag van denzelfden Bijbel door Calvijn als onwaarheid verworpen. En natuurlijk, hierbij bleef het niet. Wat Luther en Calvijn deden, dat deden, en met hetzelfde recht, hunne volgelingen ook. Iedereen verstond en verklaarde den Bijbel volgens zijne eigene opvatting en zienswijze. En waarom niet? Immers als hoofdbeginsel van het Protestantisme geldt vrijheid van onderzoek. Maar wat anders kon daaruit voortspruiten dan de grootste wanorde en godsdienstige verdeeldheid ? De meest uiteenloopende sekten stonden dan ook bij tientallen als uit den grond op. Wat door de ééne werd opgebouwd, werd door de andere afgebroken. En is het tegenwoordig niet zóóver gekomen, dat men in iedere stad van eenige beteekenis een aantal Protestantsche sekten vindt, van welke ieder eene afzonderlijke eu op zich zelve staande richting is toegedaan, ja zelfs, dat soms in hetzelfde huisgezin, de man dit, de vrouw weer iets anders, somtijds de kinderen alweder iets anders gelooven?
Maar heet dat nu eenheid van geloof? Is dat nu eenheid van godsdienstleer? Neen, dat is verdeeldheid en verwarring zonder einde.
38
I
§ 15. c1
v
Maar de Terschillende protestantsche sekten stemmen 0
toch, wat de voorname geloofspunten betreft, met elkaar h
overeen. 1(
Zoo zegt men soms; doch zou het waar zijn ? Laat ons zien. sj Luther leerde, dat men in het avond- of nachtmaal Christus d werkelijk met zijne godheid en menschheid ontvangt. Calvijn \\ beweerde juist het tegendeel en hield staande dat men eigenlijk niets anders ontvangt dan brood en dat dit brood eenvou- r( dig eene afbeelding is van Christus' lichaam. Ziedaar dus reeds vi twee hoofden van het Protestantisme lijnrecht tegenover elkau- ei der, en dat in een punt van het hoogste gewicht. Of zou k men beweren, dat het gelooven of niet gelooven aan de waarachtige tegenwoordigheid van Christus in de H. Com- g: munie of het ânachtmaalquot; een punt is van minder belang, ai waarmede men het zoo nauw niet behoeft te nemen? is Een ander voorbeeld. Luther leerde, dat het geloof alleen, le zonder de goede werken, voldoende is ter zaligheid. Vandaar dj dat hij den brief van den H. Jacobus, waarin de noodzake- te lijkheid der goede werken wordt aangetoond, een âstrooien v( briefquot; noemde en als leugenachtig verwierp. Of er nog vele Protestanten zijn, die zich die ongerijmde leer van Luther w laten welgevallen, weet ik niet, maar wel durf ik getuigen, bi dat ik zelf menig Protestant gesproken heb, die mij rond- In uit verklaarde het in dit punt met Luther volstrekt niet ni eens te zijn. Maar zou dat nu wederom een punt zijn van minder belang, of men aan de noodzakelijkheid der goede m werken al of niet gelooft? zi En wat zien we tegenwoordig met betrekking tot het b(
é
39
I
Doopsel ? 't Is waar, vele Protestanten gelooven nog, evenals de Katholieken, dat in liet H. Doopsel de menseh van de vlek der erfzonde wordt gezuiverd; doch overbekend is het }n ook, dat onder de jProtestanteu menig predikant aan geheel
ar het Doopsel weinig waarde hecht, en het beschouwt als een
loutere ceremonie of, zooals zij zich soms uitdrukken, eene âformaliteit.quot;
,at Dat in 't algemeen de moderne Protestanten openlijk den
spot drijven met die geloofspunten, welke door de ortho-us doxen als heilig worden beschouwd en geëerbiedigd, zal
jn wel geen bewijs noodig hebben.
n- Doch bovendien, het gaat volstrekt niet aan, te bewe-
u- ren, dat de volgelingen van Christus' Kerk alleen in de
ds voorname geloofspunten of grondwaarheden met elkaar over-
n- een moeten stemmee , en over de rest kunnen twisten en
ou krakeelen zooveel zij willen.
de 't Is wel waar, er zijn geloofswaarheden, welke men
n- grondwaarheden zou kunnen noemen, omdat zij dieper dan
ig, andere in 's menschen leven ingrijpen, bijv. dat er een God
is, dat er voor ons na den dood nog een ander, een eeuwig â n, leven volgen zal enz. Doch daaruit mag men niet besluiten ,
ar dat alleen zulke hoofdwaarheden door iedereen geloofd moe-
:e- ten worden, en de overige naar willekeur kunnen worden
en verworpen.
3le Neen. wij hebben volstrekt het recht niet, eene enkele
ler waarheid te verwerpen van die, welke ons door God geopen-
m, baard zijn, en de vraag of deze of gene geopenbaarde waar-
id- lieid dieper of minder diep ingrijpt, doet onder dit opzicht
iet niets ter zake.
an , Immers, al wat God zegt, is waar; al wat Hij openbaai-t, ide moet geloofd worden, omdat Hij, als oneindige Waarheid,
zich niet bedriegen, Hij, als oneindige Goedheid, ons niet iet bedriegen kan, en wij bovendien aan zijn goddelijk woord
40
den diepsten eerbied en volmaakste onderwerping schuldig zijn.
Hierbij komt nog iets anders, namelijk dit: hoevele waarheden zijn er, welke als hoofdwaarheden moeten worden beschouwd? Drie of' vijf of acht of tien ? Waarom niet meer ox niet minder? Waaraan kan men dat zien? Wie moet dat beslissen? Dat zal noodwendig moeten afhangen van ieders persoonlijke opvatting.
Als het dus, om één en dezelfde godsdienstleer te belijden, genoeg is dat men enkel omtrent de hoofdwaarheden met elkaar overeenstemt, dan kan men alle godsdienstige gezindten der wereld wel tot één godsdienst samensmelten. Daarmede wordt immers geheel de godsdienst aan een ieders willekeur overgelaten, daar A deze en B gene waarheid als eene grondwaarheid zal gelieven te beschouwen, en er welhaast geen enkele grondwaarheid zal overblijven.
Verbeeld u bijv., dat iemand goedvindt, alleen de volgende waarheden als grondwaarheden te beschouwen; dat er één God is, â dat er drie goddelijke Personen zijn, â dat de tweede persoon der H. Drievuldigheid voor ons is mensch geworden en gestorven â dat er na dit leven nog eene eeuwigheid volgt, waar het goede beloond en het kwade gestraft zal worden. Volgens deze opvatting zou men dan kunnen zeggen, dat niet alleen alle, nog eenigszins geloo-vige Protestanten , maar met hen ook alle Anglikanen , alle Jansenisten en alle Katholieken één en denzelfden godsdienstleer belijden; want wat die enkele hoofdpunten betreft, zijn ze 't immers allen eens. Waarlijk, dat zou een vreemdsoortig allegaartje wezen ! Mij dunkt, nog wel zoo eenvoudig ware 't, die verschillende waarheden tot één of hoogstens twee grondwaarheden terug te brengen, bijv. dat er een God is, die door ons gediend moet worden en dat er eene eeuwigheid bestaat, waar den mensch straf of belooning te
41
wachten staat, naar gelang hij dien Grod al of niet gediend zal hebben. Zie, dat gelooft iedereen, die ten minste nog een greintje godsdienst heeft, en zoo zou men niet alleen alle Protestanten, Katholieken, Jansenisten enz., maar ook nog alle Joden en alle Mohammedanen, zelfs nog de meeste Heidenen kunnen beschouwen als belijders van ééne en dezelfde godsdienstleer. Maar dan was alle Christendom verdwenen, ja zelfs elk gezond begrip van waren godsdienst, daar de waarheid onmogelijk allerlei tegenstrijdigheden kan insluiten, en God onmogelijk op twee tegen elkander indrui-schende wijzen wil gediend worden.
Ik meen dus genoegzaam te hebben aangetoond, dat de eenheid van geloofsleer, waardoor de ware Kerk van Christus zich noodwendig onderscheiden moet, in het Protestan-tismus niet te vinden is, ook niet, al neemt men aan, dat zijne verschillende sekten in eenige hoofdpunten met elkander overeenstemmen.
Doch hoe is het onder dit opzicht gelegen met de katholieke Kerk?
§
Kan men zeggen, dat de katholieke Kerk in alle stukken des geloofs slechts ééne leering volgt, m. a. w. dat zij overal dezelfde geloofsleer verkondigt?
Zeker kan men dit; en de bewijzen daarvoor behoeft men niet ver te zoeken. In onze groote Hollandsche steden, bijv. te Amsterdam, heeft men vele protestantsche kerken. Vraag daar nu eens aan een Protestant: waarom gaat gij naar die en niet naar eene andere protestantsche kerk?
42
En hij zal u antwoorden: omdat ik van de leer, welke in die andere protestantsche kerk gepredikt wordt, niet gediend ben; ik hen niet van dat geloof, en ik bezoek dus deze kerk, omdat de leer, welke hier wordt verkondigd, met mijne gevoelens overeenstemt.
Doch zie, in diezelfde stad heeft men ook vele katholieke kerken, welke zelfs door de meest verschillende geestelijken worden bediend. Men telt immers te Amsterdam, behalve wereldspriesters, Dominicanen, Franciscanen, Augustijnen, Redemptoristen, Jezuïeten. Al deze verschillende priesters verkondigen daar de leer der katholieke Kerk. Stel nu een katholiek Amsterdammer dezelfde vraag: waarom gaat gij geregeld naar die, en niet naar eene andere katholieke kerk? En hij zal u antwoorden: omdat deze kerk mijne parochiekerk is; of ook: omdat zij dichter bij, schooner of ruimer is; of misschien: omdat door dezen of genen priester wat sierlijker gepredikt wordt; maar nooit of nimmer zal hij als reden aanhalen, dat er in de andere katholieke kerken een ander geloof, eene andere leer wordt voorgedragen. De eene prediker kan hem soms beter bevallen , hem meer treffen dan een ander om de wijze waarop hij Gods woord verkondigt, maar allen prediken een en dezelfde waarheid, de eene, onveranderlijke, katholieke leer, daarvan is iedere Katholiek in merg en been overtuigd, dat kan zelfs iedereen getuigen, die wil gaan luisteren. Maar is dat niet zeer opmerkelijk en zou dat eenvoudige feit niet meer aandacht verdienen, dan er gewoonlijk aan geschonken wordt ?
Om u echter van de eenheid der katholieke geloofsleer nog beter te overtuigen, neem alle Catechismusboekjes, welke voor het onderricht der katholieke jeugd in de verschillende bisdommen van ons land worden gebruikt, vergelijk die nauwkeurig met elkander, en ik ben er zeker
43
van, ge zult de minste tegenspraak niet ontdekken. Of zijt ge misschien verschillende talen machtig, geef u dan eens de moeite een katholieken Catechismus aan te schaffen van al de volktin, met wier taal gij bekend zijt, en gij zult bevinden, dat, wel is waar, de eene meer uitvoerig is dan de andere, naar gelang ze voor meer of minder ontwikkelde kinderen zijn ingericht; doch nimmer zult gij bevinden, dat de eene den anderen tegenspreekt. Gij ontvangt waarschijnlijk ook wel brieven van uwe vrienden en bekenden in het buitenland; vreemde, wondere voorvallen hebben zij u wellicht gemeld, doch wisten zij u ooit te vertellen, dat daar de katholieke priester iets anders leert, of dat daar de Katholieken iets anders gelooven, dan hier ? Sommige kerkelijke gebruiken of plechtigheden mogen verschillen van de onze; maar de leer der katholieke Kerk is en blijft dezelfde over de gansche wereld.
Ik meen dan ook te mogen zeggen, dat voor iemand, die niet ziende blind wil zijn, de eenheid van geloofsleer in de katholieke Kerk even duidelijk is als de verdeeldheid en de verwarring in het Protestantisme. Maar welk zou nu het kenteeken der waarheid zijn: eenheid of verwarring?
§17.
Onder de katholieke godgeleerden bestaan er toch ook wel godsdienstige geschillen?
Zeker, lezer, bestaan die en zullen wel altijd bestaan. Doch waarover loopen die geschillen ? Over het al of niet aannemen van geloofspunten^ Neen, volstrekt niet.
Alle Katholieken zijn innig overtuigd, dat hunne Kerk
â
.
44
die is, tot welke Christus eens gezegd heeft: âGaat en ver- ,
kondigt mijne leer aan alle volken.âIk zal u mijnen Geest, x
den Geest der waarheid zenden, opdat Hij met u blijve in } eeuwigheid, en ook ik zal met u zijn tot het einde dei-
eeuwen.â Die u hoort, hoort Mij; die u versmaadt, ver- [
smaadt Mij.quot; 1:
Als dus de katholieke Kerk deze of gene waarheden, lt;]
als door Christus geleerde of geopenbaarde waarheden, te ij
gelooven voorstelt, dan begrijpt iedere Katholiek, dat hij in y
geweten verplicht is die waarheden vastelijk aan te nemen. ij
Over het al of niet gelooven van zulke waarheden, welke ^
men geloofspunten of geloofswaarheden noemt, bestaat dus f
onder de Katholieken niet de minste strijd, niet het minste ^
verschil. al
Wanneer derhalve katholieke godgeleerden op gods- n;
dienstig gebied het niet met elkander eens zijn, dan loopt [-]
dat verschil niet hierover, of men deze of gene, door bl
de Kerk als te gelooven voorgestelde waarheid moet aan- n,
nemen of verwerpen; ook niet hierover, of zulk eene waar- in
heid inderdaad door God geopenbaard is of niet: die ge- i0
schillen kunnen eene geloofsbeslissing der Kerk voorafgaan, aa
maar houden op, zoodra het kerkelijk leergezag zijne on- ni
feilbare uitspraak heeft gedaan. Zij kunnen nimmer loo- K
pen over iets, dat reeds geloofswaarheid «s, maar wel over al'
gevolgtrekkingen uit geloofswaarheden of ook over de vraag de of de eene of andere waarheid, nog niet door de Kerk als
zoodanig te gelooven voorgesteld, al dan niet in de godde- (Je
lijke Openbaring is vervat. ho
Een voorbeeld. God werkt door zijne genade in onze ]ij(
harten, om ons ten goede op te wekken: ziedaar een ge- wi
loofspunt omdat het door de Kerk als eene door God ge- Kf
openbaarde waarheid wordt voorgesteld. Doch over de wijze waarop die genade in ons hart werkt, heeft de H. Kerk
45
nog veel onbeslist gelatenâwat dus geen geloofspunt is en waarover de godgeleerden veilig met elkander van gevoelen mogen verschillen.
Een ander voorbeeld. Iedere raensch is vrij, zoodat hij het goede of het kwade kan doen, als hij wil, en toch is het even zeker, dat hij nooit iets anders zal doen, dan datgene wat God van alle eeuwigheid heeft voorzien. Ziedaar twee geloofspunten, welke door alle Katholieken vastelijk worden aangenomen, omdat zij door de katholieke Kerk als twee, door God geopenbaarde waarheden worden voorgesteld. Doch hoe of op wat wijze nu deze twee waarheden met elkander moeten worden overeengebracht, m. a. w. hoe het mogelijk is, dat God onfeilbaar alles voorziet, wat de raensch zal doen, en de mensch niettemin volkomen vrij blijft handelen, daarvan heeft de H. Kerk geene bepaalde verklaring gegeven, en daarin blijven dus de godgeleerden vrij, die verklaring aan te nemen, welke hun de redelijkste voorkomt. Eu al zouden hunne gevoelens hieromtrent nog zoozeer uit elkander loopen, dat doet, gelijk ge nu gemakkelijk begrijpen zult, aan de eenheid van het katholieke geloof hoegenaamd niets af; wijl alle waarheden, welke door de katholieke Kerk als geloofspunten worden voorgehouden, ook door alle Katholieken van de wereld vastelijk als zoodanig worden aangenomen en geloofd.
Verschil van meening kan dus bestaan vóór de uitspraak der Kerk; maar is die uitspraak eenmaal gevallen, dan houdt alle verschil van gevoelen op, dan omhelzen en belijden alle Katholieken vastelijk een zelfde waarheid, en wie die waarheid zou verwerpen, zou daardoor ophouden Katholiek te zijn.
46
§ 18.
Maar die verschillende voorschriften en gebruiken dan iu de katholieke Kerk?
't Is waar, in verschillende katholieke landen bestaan verschillende gebruiken; op de eene plaats bijv. is deze of gene dag Heiligendag of Vastendag, op de andere plaats niet. Is dat niet in strijd met de eenheid der katholieke leer? In geenen deele. Om dit goed te begrijpen, moet men behoorlijk onderscheid maken tusschen de geloofs-waarheden en tusschen de wetten der katholieke Kerk. De geloofswaarheden zijn overal eu voor alle personen dezelfde; en zoo is het ook met die wetten, welke de Kerk van God zeiven ontvangen heeft, en daarom den naam dragen van goddelijke wetten. Doch in de katholieke Kerk vindt men ook wetten en voorschriften, welke de Kerk krachtens haar eigen gezag heeft uitgevaardigd, bijv. betreffende het houden van feestdagen of vastendagen, of over de uitwendige plechtigheden bij het toedienen der H.H. Sacramenten. Deze zuiver kerkelijke wetten zijn niet overal en voor alle personen dezelfde, en kunnen dat ook niet zijn. Waarom niet? Omdat de Kerk, evenals elke goed geregelde Staat, bij het maken barer wetten en voorschriften rekening moet houden met plaatselijke en persoonlijke omstandigheden. Immers een voorschrift, dat zeer gemakkelijk onderhouden kan worden op de eene plaats, kan dikwijls zeer bezwaarlijk, soms zelfs in het geheel niet nageleefd worden op eene andere.
Stellen we een paar voorbeelden. Van oudsher heeft de katholieke Kerk haren kinderen voorgeschreven, zich uit versterving eiken Vrijdag en Zaterdag van vleeschspijzen te onthouden. Dat voorschrift nu brengt daar, waar veel
47
water en dus ook visch in overvloed gevonden wordt, veel minder bezwaren mee, dan op die plaatsen, waar de visch grootendeels van verre moet aangevoerd en dus ook duurder worden aangekocht. Dit is wel eene der redenen, waarom dat voorschrift voor ons waterrijk Holland nog van kracht is gebleven, terwijl het, ten minste wat den Zaterdag betreft, in verschillende andere streken, op aanvrage der bisschoppen, door den Paus is gewijzigd of afgeschaft. ').
Zoo ook zijn er verschillende feestdagen, welke bijv. in Noord-Brabant gevierd moeten worden als Zondagen, terwijl de Katholieken in Holland op diezelfde dagen volop mogen werken. Waarom dit? Ook hierom wijl de Katholieken in Holland, die niet zelden bij Protestanten in dienst zijn, zich niet zoo gemakkelijk van werken kunnen onthouden als in Noord-Brabant, waar bijna algemeen, zoo patroons als werklieden katholiek zijn, en derhalve door de patroons op die dagen geen werk wordt opgelegd. In het katholieke Limburg daarentegen zijn, om weder andere redenen, slechts enkele hooge feestdagen te vieren als Zondag enz.
Gij ziet dus, dat de katholieke Kerk zeer wijs en voorzichtig handelt, met niet overal aan al hare kinderen dezelfde wetten voor te schrijven, wijl de omstandigheden niet overal dezelfde zijn. Maar omdat nu de Katholieken niet overal voor het uitwendige hetzelfde moeten doen of laten, kan men daarom zeggen, dat zij ook een verschillend geloof belijden of eene verschillende zedenleer volgen? Immers neen; want dan zou men met evenveel recht be-
!â ! Men weet hoe onlangs ook voor ons vaderland eene wijziging in dit punt heeft plaats gehad, zoodat ieder, die aan een bevoegd priester dispensatie aanvraagt, op de gewone Zaterdagen vleeschspijzen mag gebruiken.
48
weren, dat alle Katholieken, die 21 jaren oud zijn, een ander geloof hebben, dan zij die dien leeftijd nog niet hebben bereikt; want â de eersten moeten, volgens de wetten der Kerk. op sommige dagen vasten, de laat-sten niet.
§ 19-
Komen er in de katholieke Kerk niet nu eu dan nieuwe geloofswaarheden bij, bijv. het leerstuk der Onbevlekte Ontvangenis van Maria of dat der Pauselijke Onfeilbaarheid?
Alvorens hierop te antwoorden, wil ik eerlijk bekennen, dat ik deze opwerping niet zoo licht tel, daar het mij niet verwondert, dat andersdenkenden zich daarvan bezwaarlijk goede rekenschap kunnen geven. En toch voor hen, die wel ingelicht zijn omtrent de wijze, waarop de katholieke Kerk hare leer pleegt te verkondigen , verdwijnt die moeielijkheid als sneeuw voor de zon.
Getrouw aan de taak, haar door Christus opgelegd : âGaat en onderwijst alle volken!quot; heeft de katholieke Kerk zich ten allen tijde beijverd de leer van haren goddelijken Stichter alom te verkondigen. Doch hoe deed zij dit?' Dat deed zij en doet zij nog door de gewone prediking harer priesters, onder het toezicht der Bisschoppen en het oppertoezicht van het Hoofd der Kerk, den Paus; met dien verstande, dat het leergezag der katholieke Kerk berust by de gezamenlijke bisschoppen, met den Paus aan 't hoofd; doch dezen deelen verder aan hunne onderhoorige priesters de volmacht en de zending mede om, onder hun wakend toezicht, het woord Gods of het Evangelie te verkondigen.
49
De gewone prediking harer priesters is dus in 't algemeen het middel, waarvan de Kerk zich bedient om de volken in de haar toevertrouwde leer te onderwijzen; en alleen om redenen van bijzonderen aard pleegt de Kerk het een of ander punt harer leer op eene plechtige wijze af te kondigen.
Zoo bijv. heeft in de 16e eeuw de katholieke Kerk in de kerkvergadering van Trente plechtig verklaard, dat voor hen, die tot de jaren van verstand zijn gekomen, niet alleen het geloof, maar ook de goede werken noodzakelijk zijn ter zaligheid. Was dat nu een nieuw leerstuk of geloofspunt ? Wel neen, de Kerk had nooit anders geleerd. Waarom dan die plechtige verklaring? Om de kinderen der Kerk met meer nadruk te waarschuwen tegen de zoo verleidelijke leer van Luther, die beweerde, dat het geloof alleen, zonder goede werken, ter zaligheid voldoende was.
Eveneens werd in dezelfde Kerkvergadering plechtig verklaard, dat Christus werkelijk tegenwoordig is in het H-Sacrament des Altaars. Was dat voor de Katholieken iets nieuws? Neen, geen Katholiek had er ooit aan getwijfeld. En toch had die verklaring hare bijzondere reden; omdat namelijk door Calvijn en zijne volgelingen de waarachtige tegenwoordigheid van Christus bij de H. Communie openlijk werd ontkend.
Hieruit ziet gij dus, dat de katholieke Kerk, wanneer zij in zulke gevallen het een of ander leerstuk plechtig afkondigt, dat niet doet om iets nieuws te leeren, maar om hetgeen zij steeds geleerd heeft, haren kinderen opnieuw op het hart te drukken, en hen daardoor des te zekerder tegen de eene of andere heerschende dwaling te behoeden.
Niettemin gebeurt het, dat de Kerk zulk eene plechtige verklaring geeft ook met een ander doel, om namelijk voorgoed een leerpunt vast te stellen, waarover tot dan toe, in den schoot der Kerk zelve verschil van gevoelen
4
50
bestond. Dit punt wer.1 reeds in de voorlaatste § aan- Vâ¬
geraakt, ik meen echter goed te doen het hier ietwat pj breeder uiteen te zetten.
Ziehier. Niemand heeft het recht een enkele der door v,( God geopenbaarde waarheden wetens en willens te verwerpen of ook maar in twijfel te trekken. Doch niet altoos ^ is het terstond duidelijk en zeker, of deze of gene waar- js heid al of niet in de goddelijke Openbaring is vervat. Zoo j^( lang die onzekerheid duurt, blijft iedereen vrij zulk eene waarheid al of niet te gelooven, naar gelang hij meent,
dat ze al of niet in de goddelijke Openbaring opgesloten ligt. ^e]
Wat echter in den beginne niet duidelijk, niet zeker is, (jal
kan in den loop der tijden duidelijk en zeker worden. Z.1C Wanneer nu door verloop van tijd alle of althans de meeste
en voornaamste godgeleerden in do Kerk door studie en Qn onderzoek tot het besluit komen, dat zulk eene waarheid
werkelijk in den schat der goddelijke Openbaring is vervat, ons
en hun gevoelen algemeen door de Bisschoppen, de herders ver
der Kerk, in overeenstemming met het Opperhoofd der ]on)
Kerk, wordt gedeeld, dan ligt de volgende redeneering ^ voor de hand: Christus, die aan zijn Kerk den Geest der
waarheid heeft toegezegd, kan krachtens zijne belofte niet jyja] toelaten, dat door zijne Kerk aan de geopenbaarde waar-heden eene uitlegging worde gegeven, welke met de Openbaring in strijd is. Wanneer dus, volgens het algemeen
gevoelen van de herders der Kerk, de goddelijke Openbaring ')
zoo te verklaren is, iat daarin deze of gene leer al of niet ^1quot;'1
ligt opgesloten. dan moet noodwendig die verklaring de ^ ^
ware verklaring zijn. i3evie
Langs dien weg kan dus de vroeger min of meer twijfel- Jezus
achtige vraag, of deze of gene leer werkelijk in de god- Marif
delijke openbaring is begrepen, na verloop van tijd tot vol- ^et 1
komen zekerheid worden gebracht, en is het eenmaal zoo ,
51
ver, dan heeft de Kerk zeker alle recht om door eene plechtige verklaring hare kinderen den plicht op te leggen die waarheid, als eene door God geopenbaarde waarheid, vastelijk te gelooven.
Zoo werd bijv. in 1854 door Pins IX plechtig verklaard, dat Maria, de moeder van Christus, onbevlekt ontvangen is :), en werd in 1870 door de algemeene Vaticaansche Kerkvergadering de plechtige verklaring afgelegd, dat de Paus in sommige gevallen onfeilbaar is 2).
Uit het bovengezegde zal het u nu duidelijk zijn. dat dergelijke plechtige verklaringen niets anders beteekenen, dan dat de H. Kerk, bij monde van haar hoogste leergezag, op plechtige wijze verklaart, dat deze of gene leer, byv. die der Onbevlekte Ontvangenis van Maria of dei-Onfeilbaarheid van den Paus, werkelijk vervat is in den schat der goddelijke Openbaring, m. a. w. dat die waarheid ons werkelijk door God is geopenbaard en daarom ook, op verbeurte der eeuwige zaligheid, door een ieder moet geloofd worden.
Maar, zult ge mogelijk zeggen, vóór de plechtige afkondiging van liet leerstuk der Onbevlekte Ontvangenis van Maria en der Pauselijke Onfeilbaarheid waren er toch in de katholieke Kerk goede geloovigen en zelfs geleerde man-
') D. w. z. lt;lat Maria, dooi- hare moeder (Anna) ontvangen werd , zonder met de erfzonde besmet te zijn, terwijl dit met de andere Adamskinderen wèl het geval is. Meermalen bleek ons, dat vele Protestanten en zelfs Jansenisten eigenlijk niet weten, wat de uitdrukking: »de on-. bevlekte ontvangenis van Mariaquot; beteekent of meenen, dat daarmede Jezus' ontvangenis door Maria bedoeld wordt, dat de Kerk wil zeggen: Maria heeft , niet; Maria is onbevlekt ontvangen. Het een zoowel als het ander is waarheid, doch spreekt de Kerk van Maria's Onbevlekte ; Ontvangenis, dan wordt alleen dit laatste bedoeld.
Verg. de volgende §.
52
nen, die niet aannamen dat Maria onbevlekt ontvangen of dat de Paus onfeilbaar is. Dezen moeten dan toch na die plechtige afkondiging iets gelooven, wat zij vroeger niet geloofden of althans betwijfelden.
Dat geef ik u toe; maar volgt daaruit, dat het geloof der Kerk veranderd is ? Neen, de Kerk gelooft onveranderlijk aan den geheelen inhoud der goddelijke Openbaring. Werd nu door die nieuwe verklaring de inhoud der goddelijke openbaring of het aantal door God geopenbaarde waarheden veranderd, vermeerderd? Volstrekt niet. Die plechtige verklaring der Kerk heeft eenvoudig voor gevolg, dat het van dit oogenblik af niet meer twijfelachtig, maar volkomen zeker is, dat ook deze of gene waarheid in den schat der goddelijke Openbaring opgesloten ligt. Hot eenige derhalve, waarin verandering komt, is noch de goddelijke Openbaring zelve, noch het geloof der Kerk aan die Openbaring, maar alleen de kennis dier Openbaring door dege-loovigen; daar dezen nu volkomen duidelijkheid en zekerheid bezitten omtrent een leerpunt, dat hun vroeger duister of twijfelachtig kon voorkomen, en daarom nu uitdrukkelijk gelooven iets wat vroeger niet uitdrukkelijk door hen geloofd werd, maar toch reeds in hun geloof lag opgesloten.
§ 20.
Eeu woord over de Pauselijke Onfeilbaarheid.
Het leerstuk der Pauselijke Onfeilbaarheid wordt tegenwoordig maar al te dikwijls besproken door allerlei lieden, die vaak niet eens weten wat zij bespreken en bestrijden.
53
Het kan daarom zijn nut hebben, dat wij bij dit punt der katholieke leer een oogenblik stilstaan.
Ik wil dan trachten duidelijk te maken:
1quot; wat die leer beteekent, welke de zin is van dit geloofspunt ;
2° op welken grond dit geloofspunt steunt;
3° waarom het nuttig was dit leerstuk juist in onze dagen plechtig af te kondigen.
Wat beteekent het leerstuk der Pauselijke Onfeilbaarheid?
Vooreerst hebben altijd alle Katholieken geloofd en beleden , dat de Kerk zeive onfeilbaar is in hare leer; vervolgens ook, dat een algemeen Concilie, met den Paus aan 't hoofd, onfeilbaar is in zijne plechtige, leerstellige uitspraken. Maar de vraag, nu door de Vaticaansche Kerkvergadering voorgoed uitgemaakt, was deze: of de Paus ook persoonlijk in sommige gevallen onfeilbaar is, en zoo ja, in welk geval?
Onfeilbaar â om dit eerst nog even aan te stippen â wil niet zeggen: onzondigbaar, beteekent dus niet, dat de Paus niet zondigen kan, maar beteekent, dat hij niet dwalen kan.
Wanneer nu kan de Paus, volgens de uitspraak van het Vaticaansch Concilie, niet dwalen? Als hij in het dagelijksch leven, bijv. op een audiëntie, gelijk men zegt, over koetjes en kalfjes spreekt? 't Is immers te dwaas om er op te antwoorden ! Of misschien als hij spreekt als wetenschappelijk man, als geleerde, over sterrenkunde, dichtkunst, geschiedenis of welk ander vak van kunst of wetenschap ook? Neen, dan kan hij zich evengoed vergissen als ieder ander geleerde. Maar dan, als hij over godsdienstige onderwerpen spreekt of schrijft? Met onderscheid. Spreekt de Paus eenvoudig als godgeleerde zijne meening uit, dan is hij evenmin onfeilbaar als andere godgeleerden en bezit zijne
54
meening geen grootere waarde dan de bewijzen, waarop zij gegrond is. Zoo heeft bijv. Paus Benedictus XIV verscheidene godgeleerde werken geschreven, maar daarin geldt zijn
gezag niet als Paus, maar als dat van een uitstekend ge- , leerde, wiens gevoelen echter door andere geleerden gerust bestreden mag worden, als zij daartoe goede gronden mee-nen te hebben. Maar wanneer is de Paus dan onfeilbaar?
In dit ééne geval: wanneer hij, optredend in zijne hoedanigheid van Opperhoofd der geheele Kerk, van Leer aar en i Herder aller geloovigen, uit kracht van zijn hoogste gezag, , aan alle kinderen der Kerk uitdrukkelijk en onder zivare J verplichting voorschrijft, wat zij op het stuk van geloof en i zeden hebben te g'êfooven. Alleen in dat geval, zoo belijden 1 wij, wordt hij door den bijzonderen bijstand van den H. Geest c voor dwaling behoed en is hij derhalve onfeilbaar. ]
En waarom? Waarop steunt dit punt der katholieke
leer? Het steunt hoofdzakelijk op deze waarheid, dat, t
indien de Paus in dit geval kon dwalen, de geheele o
Kerk door zijne uitspraak op liet dwaalspoor zou worden 1;
gebracht, en Gods Voorzienigheid dit niet kan toelaten. Tot v
Petrus heeft Christus gezegd: âGij zijt Petrus (d. i. steen- z
rots) en op deze steenrots zal Ik mijne Kerk bouwen, eu d
de poorten (d. i. de machten) der hel zullen haar niet over- d
weldigen.quot; â âHoed mijne schapen, hoed mijne lammeren.quot; C
Petrus dus moest als plaatsvervanger van Christus, als g
zichtbaar Opperherder der Kerk, de kinderen van Jezus' w
Kerk geleiden, en geleiden op den weg der waarheid. w
Hem en zijn wettigen opvolgers werd de taak opgelegd te k
zorgen, dat de Kerk niet zou afwijken van die leer, welke zi
Christus haar ter verkondiging had toevertrouwd. Maar a] verbeeld u nu, dat de Paus, de wettige opvolger van Petrus,
hij dus, die door Christus zeiven met het hoogste gezag is Q bekleed, eene valsche leer te gelooven voorstelle, wat zou
55
er clan gebeuren? Dan zouden alle kinderen der Kerk, die juist in dit punt aan hun Opperhoofd de meeste onderdanigheid verschuldigd zijn, in geweten verplicht worden eene valsche leer voor de leer van Christus te houden, te gelooven en te belijden. Maar wie ziet nu niet in, dat dan immers de geheele Kerk op het dwaalspoor zou geraken ? Eu dat kan niet, dat is onmogelijk. Waarom?
Omdat het in strijd zou zijn met de duidelijke belofte, welke Christus aan zijne Kerk heeft gegeven, toen Hij sprak: âZie, Ik ben met u tot aan de voleinding der eeuwen.quot; âIk zal mijn vader vragen, en Hij zal u een anderen vertrooster geven, den Geest der waarheid, opdat Hij met u blijve in eeuwigheid. Wanneer die Geest der waarheid zal gekomen zijn, zal Hij u alle waarheid leeren.quot; (Joan. XIV, 16â17, XVI, 13).
Vandaar dat in geloofszaken het woord van den Paus ten allen tijde feitelijk als een veilig richtsnoer werd aangezien. Had in twijfelingen of moeilijkheden de Paus krachtens zijn hoogste gezag eene beslissing gegeven, dan werd de zaak steeds als geëindigd beschouwd. Kooit werden zij van ketterij of valschheid verdacht, die zich hielden aan de leer der Pausen. In den loop der eeuwen werden dooide Pausen tallooze leeringen, als in strijd met de goddelijke Openbaring, veroordeeld, en altijd hebben de Katholieken gemeend, dat elke leering, welke door den Paus als valsch was veroordeeld, ook door iederen geloovige als valsch moest worden verworpen. Wol een bewijs, dat in geloofszaken de kinderen der Kerk, zoowel vroeger als nu, de leer van hun zichtbaar Opperhoofd als eene boven allen twijfel verheven, als eene onfeilbare leer hebben beschouwd en geëerbiedigd.
Maar waartoe was het dan noodig, dat de Pauselijke Onfeilbaarheid plechtig werd afgekondigd ?
Xoodig was dat juist niet; maar, met het oog op onze
56
tegenwoordige omstandigheden, werd het door de Kerk nuttig en dienstig geoordeeld. En ziehier eenige redenen.
Meer dan ooit wordt in onze dagen de wereld door een vloed van boeken, tijdschriften en dagbladen overstroomd, waarin op godsdienstig gebied de meest ingrijpende dwalingen worden geleerd en verdedigd. Het Opperhoofd der Kerk ziet zich daarom telkens genoodzaakt dan deze, dan gene leer als in strijd met de leer van Christus, te veroordeelen, ten einde de kinderen van Jezus' Kerk voor elke misleiding te behoeden. Deze wijze maatregel was nimmer zoo noodzakelijk als thans.
Doch wat doet nu de ongeloovige wereld om dezen maatregel te verijdelen? Zij prikkelt en bevordert de zucht naar onafhankelijkheid. Van de daken wordt tegenwoordig verkondigd' dat de tijd voorbij is om zich door anderen den weg te laten aanwijzen; dat iedereen, niet alleen op zuiver wetenschappelijk, maar zelfs op godsdienstig gebied, gerechtigd is zijne eigene zienswijze te volgen en op eigen gezag mag gelooven of verworpen wat met zijne meening al of niet overeenstemt. Hoogst dienstig en nuttig was het dus de Katholieken met allen ernst te waarschuwen tegen die verderfelijke en steeds meer toenemende zucht naar onafhankelijkheid. En dit is het nu, wat de Kerk heeft willen doen door hun op eene plechtige wijze in herinnering te brengen, dat in zaken van geloof en zeden de uitspraken van het Opperhoofd der Kerk onfeilbaar zijn, en dat bijgevolg de kinderen der Kerk in geweten verplicht zijn, elke leer, welke door den Paus, als in strijd met de leer van Christus, is veroordeeld, als eene dwaling te veroordeelen en te verwerpen.
Voeg daarbij, dat, hoewel van den beginne af de leer der Pauselijke Onfeilbaarheid algemeen in de Kerk geloofd en beleden werd, er toch in de vijf laatste eeuwen, vooral
57
sedert de rampzalige âWestersche scheuringquot; (1378â1429) zich ook in de Kerk zelve en met name in den jongsten tijd, vóór het Concilie, stemmen verhieven tegen dat eeuwenoude geloof, en helaas! hier en daar maar al te gretig gehoor vonden. Ook om deze reden had het zijn nut, de kinderen der Kerk door deze plechtige uitspraak in de waarheid te versterken.
En aldus regelt Gods Voorzienigheid, die over zijne Kerk zoo bijzonder waakt en haar alles ten goede doet komen, ook de tijden en oogenblikken om niet door nieuwe geloofswaarheden, maar door nieuwe geloofsver klaring en de kinderen zijner Bruid voor elke dwaling te behoeden, het kaf van het koren te scheiden, in verschillende geestelijke behoeften van liet oogenblik te voorzien en de eenheid zijner Kerk te bevestigen.
TWEEDE HOOFDSTUK.
DE WARE KERK VAN CHRISTÃS MOET HEII.IG ZIJN,
§21.
Waarom moet de Kerk van Christus heilig zijn?
Laten wij, alvorens hierop te antwoorden, eerst duidelijk maken, waarin de heiligheid der Kerk moet bestaan.
De ware Kerk van Christus moet
10 eene heilige leer bezitten;
2quot; behalve hare leer nog andere heiligingmiiddelen hebben, waardoor 's menschen zwakheid geholpen wordt, om ook metterdaad volgens die heilige leer te leven;
3° leden tellen, die door hare leer en leiding tot ware heiligheid werden opgevoerd.
En wijl Christus (Marc. XVI, 17 â18) aan zijne Kerk de gave van wonderen uitdrukkelijk heeft beloofd, moet zijne Kerk zich ook op ware mirakelen kunnen beroemen, die als zoovele uitwendige, goddelijke zegelmerken zijn, waaraan de waarheid harer leer en de heiligheid harer kinderen in den hemel met volkomen zekerheid kan worden gekend. (Zie hierover §§ 55â59).
De ware Kerk van Christus moet dus heilig zijn in hare leer, in hare genademiddelen en instellingen en in hare leden.
59
En waarom nu moet de ware Kerk van Christus deze eigenschappen bezitten ?
Omdat zij het werk, de stichting is van Christus, den driewerf heiligen Zoon Gods. Hoe zou de leer, door Hem verkondigd, niet heilig zijn, daar zij goddelijk is? Hoe zouden de genademiddelen, door Hem ingesteld, niet heiligend werken? Hoe zouden de Christenen, geholpen door die middelen en levend volgens die leer, niet tot waarachtige heiligheid komen ?
En wanneer wij op het doel letten, waarmede Christus zijne Kerk heeft gesticht, welk is dit anders dan 's men-schen heiligmaking, daar de mensch immers alleen langs den weg van deugd, braafheid en heiligheid in den hemel kan komen en onze zaligheid hot eenige doel is, waartoe de Zaligmaker in de wereld kwam?
Zien wij nu, hoe het met dit kenteeken van heiligheid gesteld is, eerst in het Protestantisme , daarna in de katholieke Kerk.
§ 22.
Is de protestantse lie godsdienst eeu heilige godsdienst?
Dat er onder de Protestanten brave en godsdienstige menschen zijn, zal niemand betwijfelen. Ik, voor mij, ken er verschillenden, die om hunne rechtschapenheid en andere goede eigenschappen mijne volle achting genieten.
Doch daaruit volgt nog niet, dat het Protestantisme, waartoe zij behooren, een heilige godsdienst is. Er zijn mogelijk ook wel Joden en Mohammedanen, op wier gedrag niet veel valt af te wijzen; maar hieruit zal toch niemand
60
besluiten, dat de godsdienst der Joden, die onzen godde-lijken Heiland als een bedrieger beschouwen, een heilige godsdienst is, zoomin als de Mohammedaansche, waarin o. a. de zinnelijke wellust als 's menschen hoogste geluk wordt voorgesteld.
De vraag dus, welke wij hier te beantwoorden hebben, is niet deze; of er onder de Protestanten ook brave menschen gevonden worden; maar deze: of het Protestantisme als godsdienst, ra. a. w. of het Protestantsche kerkgenootschap, eene heilige kerk uitmaakt, gelijk de ware Kerk van Christus heilig moet zijn ? En op die vraag luidt het antwoord zeer beslist: neen. Ziehier waarom.
Tn de eerste plaats zet de protestantsche leer, d. i. de leer der Hervormers van de 16e eeuw, in hare kenmerkende hoofdpunten, de deur open voor alle ondeugden en zonden.
Om hier slechts een enkel punt aan te stippen. Luther leerde, dat, ook voor volwassenen, het geloof alleen voldoende is ter zaligheid.
âThans ziet gijquot;, dus schreef Luther1), âhoe rijk de Christen of de gedoopte is; want zelfs, wanneer hij wil, kan hij zijne zaligheid niet verliezen, hoe groot zijne zonden ook mogen zijn, tenzij hij niet wille gelooven. Geene zonde kan hem verdoemen dan alleen het ongeloof.quot;
ifaar, lezer, waar moet dat heen?
Men kan zich immers aan de schandelijkste zonden overgeven, zonder daarom zijn geloof te verliezen. Neemt men dus aan, dat het geloof alleen voldoende is ter zaligheid, dan stelt men de deur wagenwijd open voor de grootste losbandigheid. En toch deinsde Luther daar-
') Dc Caplivitale Babyl. Torn. II fol. '264. Verklaring van den Brief aan de Galaten.
61
voor niet terug. Hij durfde zelfs den raad geren, er maar dapper op aan te zondigen, mits men zorg drage neg sterker te gelooven. In 1521 schreef hij van den Wartburg aan zijn vriend Melanchton de bekende woorden: âwees zondaar en zondig krachtig, maar geloof nog krachtiger.quot;
Wat dunkt u, is dat eene heilige leer?
Kan dat de leer zijn, welke Christus op de wereld heeft gebracht, om den mensch van de zonde terug te houden, en hem den weg te banen naar den hemel ?
Hoe verder Luther over de heiligheid van het huwelijk dacht, moge blijken uit het volgende staaltje '). üe landgraaf Philips van Hessen had lust om, naast zijne eerste vrouw, nog eene tweede te huwen. De raad van Luther en ook van zijn vriend en mede-apostel Melanchton werd ingeroepen. Beiden gaven als hun gevoelen te kennen, dat het wel niet wensohelijk zou zijn'zulke praktijken algemeen bij het volk in te voeren, maar voor den Landgraaf, die zich voor het âzuivere Evangeliequot; zoo verdienstelijk had gemaakt en bleef volhouden, dat voor hem ééne vrouw niet voldoende was, kon het verzoek worden toegestaan. Melanchton was zelfs zoo gedienstig het sluiten van dat eerloos âhuwelijkquot; met zijne persoonlijke tegenwoordigheid op te luisteren. Maar als nu die apostelen der Hervorming in de door hen gepredikte leer geen bezwaar zagen om aan één man twee vrouwen te gelijk toe te staan, dan moet die leer waarlijk wel een heilige leer zijn geweest!
Wat de Sacramenten, gebruiken en instellingen betreft, het weinige wat de Protestanten daarvan hebben behouden, is hun bijgebleven uit de katholieke Kerk, als het Doopsel, de predikatie, pleegzusters, zendelinggenootschappen, enz.; maar daarentegen hebben zij de beoefening der deugd
') Janssen. Gesclnchte des Deutschen Volkes. Dl. III. Hoofdst: XU,
62
en der Christelijke volmaaktheid zeker niet bevorderd door tal van genademiddelen en heilige instellingen, als de Biecht, het heilig Misoffer, den ongehuwden staat der geestelijken, de kloostergeloften eenvoudig af te schaffen.
Op wonderen maakt het Protestantisme zelfs geen aanspraak; en hoewel wij gaarne de deugd erkennen en huldigen , waar zij inderdaad voorhanden is, kan het protes-tantsche kerkgenootschap, zelfs indien liet zou willen, geen van hare leden aanwijzen, wiens lieiligheid door een wonder zou bezegeld zijn, of die ter bevestiging van de waarheid der protestantsche leer ooit één wonder zou hebben gewrocht.
Maar beschouwen we van meer nabij de heiligheid van den vader der Hervorming zeiven. Het is toch een feit, dat God, om den geloofsijver in zijne Kerk te doen ontvlammen en de zuiverheid en heiligheid der zeden te herstellen, daartoe personen pleegt te kiezen, die door hun dengdzamen levenswandel, ja, door hun voorbeeldig gedrag toonen, werkelijk door Grod gezonden en met Gods geest bezield te zijn, zooals bijv. een Bernardus, een Dominicus, een Franciscus van Assisi, een Ignatius van Loyola, die in het hart van zoovele duizenden geloof en godsdienst deden herleven, maar dan ook zeiven mannen waren, wier stichtend en heilig leven door vriend en vijand werd bewonderd. Behoorde ook Luther tot het geslacht der Heiligen ?
§ 23.
Heeft Luther door heiligheid van leven getoond, dat hy door Uod was verkoren, om de ware heiligheid weder in de Kerk te doen bloeien?
Ik weet, dat vérschillende schrijvers Luther als een heilige, of ten minste als een toonbeeld van deugd hebben
63
voorgesteld. Of hun dat oprecht gemeend kan zij n, laat ik daar, ofschoon ik het zou betwijfelen. Doch in ieder geval, na al hetgeen in de laatste jaren over Luther's leven aan het licht is gebracht, en zelfs na hetgeen men op zoo vele bladzijden in zijne werken kan lezen, kan ik moeilijk aannemen, dat iemand, die eenigermate belezen is, met Luther's âheiligheidquot; hoog kan ophebben.
Lezer, misschien zijt gij zelf Protestant, en dan zou het u wellicht tegen de borst stooten, als ik hier alles optee-kende, wat de geloofwaardigste geschiedschrijvers van het leven van Luther hebben vermeld. Ik zal dat dus achterlaten, maar u liever eenige uitdrukkingen van Luther aanhalen , waaruit g|j dan zelf gemakkelijk zult kunnen opmaken , of iemand, die zóó schrijft en spreekt bezield is van ware heiligheid.
Ziehier eenige proefjes :
Zijn tegenstanders geeft Luther den eeretitel van âwolvenquot;, âbloedhondenquot;, âduivelsquot; , âbloeddorstige tirannenquot;. Muntzer, Carlstad, Campanus en andere sektehoofden, die, evenals hijzelf, zich op den Bijbel of het zuivere woord Gods beriepen en dat zuivere woord Gods op eigen gezag verklaarden , doch het ongeluk hadden, het bij die verklaring met Luther niet eens te zijn, worden door hem eenvoudig âvleeschgeworden duivelsquot; geheeten. Cochlaeus heet hij âeen zwijnquot; 1) Ook de keizer en andere vorsten worden door Luther âwaanzinnige, dwaze, razende gekkenquot; gescholden. Doch vooral moesten het de Paus, de bisschoppen, priesters en monniken misgelden. âDe monnikenquot;, dus lezen wij in zijne Tafelgesprekken, âzijn een lui volk, dienaars van hun buik en varkensquot;. âDe roomsche bis-
1
) Luther's Tafelgesprekken bl. 292â204. {Colloquia oder Ti schreden Doet. Martini Lutheri, getruckt zu Franckfurt am Mayn, in 1571).
62
en der Christelijke volmaaktheid zeker niet bevorderd door tal van genademiddelen en heilige instellingen, als de Biecht, het heilig Misoffer, den ongehuwden staat der geestelijken, de kloostergeloften eenvoudig af te schaffen.
Op wonderen maakt het Protestantisme zelfs geen aanspraak; en hoewel wij gaarne de deugd erkennen en huldigen, waar zij inderdaad voorhanden is, kan het protes-tantsche kerkgenootschap, zelfs indien het zou willen, geen van hare leden aanwijzen, wiens heiligheid door een wonder zou bezegeld zijn, of die ter bevestiging van de waarheid der protestantsche leer ooit één wonder zou hebben gewrocht.
Maar beschouwen we van meer nabij de heiligheid van den vader der Hervorming zeiven. Het is toch een feit, dat God, om den geloofsijver in zijne Kerk te doen ontvlammen en de zuiverheid en heiligheid der zeden te herstellen, daartoe personen pleegt te kiezen, die door hun deugdzamen levenswandel, ja, door hun voorbeeldig gedrag toonen, werkelijk door God gezonden en met Gods geest bezield te zijn, zooals bijv. een Bernardus, een Dominicus, een Pranciscus van Assisi, een Ignatius van Loyola, die in het hart van zoovele duizenden geloof en godsdienst deden herleven, maar dan ook zeiven mannen waren, wier stichtend en heilig leren door vriend en vijand werd bewonderd. Behoorde ook Luther tot het geslacht der Heiligen ?
§ 23.
Heeft Luther door heiligheid van leven getoond, datlijj door Uod was verkoren, om de ware heiligheid weder in de Kerk te doen bloeien?
Ik weet, dat verschillende schrijvers Luther als een heilige, of ten minste als een toonbeeld van deugd hebben
63
voorgesteld. Of hun dat oprecht gemeend kan zijn, laat ik daar, ofschoon ik het zou betwijfelen. Doch in ieder geval, na al hetgeen in de laatste jaren over Luther's leven aan het licht is gebracht, en zelfs na hetgeen men op zoo vele bladzijden in zijne werken kan lezen, kan ik moeilijk aannemen, dat iemand, die eenigermate belezen is, met Luther's âheiligheidquot; hoog kan ophebben.
Lezer, misschien zijt gij zelf Protestant, en dan zou het u wellicht tegen de borst stooten, als ik hier alles optee-kende, wat de geloofwaardigste geschiedschrijvers van het leven van Luther hebben vermeld. Ik zal dat dus achterlaten, maar u liever eenige uitdrukkingen van Luther aanhalen, waaruit gij dan zelf gemakkelijk zult kunnen opmaken , of iemand, die zóó schrijft en spreekt bezield is van ware heiligheid.
Ziehier eenige proefjes :
Zijn tegenstanders geeft Luther den eeretitel van âwolvenquot;, âbloedhondenquot;, âduivelsquot;, âbloeddorstige tirannenquot;. Muntzer, Carlstad, Campanus en andere sektehoofden, die, evenals hijzelf, zich op den Bijbel of het zuivere woord Gods beriepen en dat zuivere woord Grods op eigen gezag verklaarden, doch het ongeluk hadden, het bij die verklaring met Luther niet eens te zijn, worden door hem eenvoudig âvleeschgeworden duivelsquot; geheeten. Cochlaeus heet hij âeen zwijnquot; 1) Ook de keizer en andere vorsten worden door Luther âwaanzinnige, dwaze, razende gekkenquot; gescholden. Doch vooral moesten het de Paus, de bisschoppen, priesters en monniken misgelden. âDe monnikenquot;, dus lezen wij in zijne Tafelgesprekken, âzijn een lui volk, dienaars van hun buik en varkensquot;. âDe roomsche bis-
') Luther's Tafelgesprekken bl. 292â2''4. {Colloquia oder Tischreden Doet. Martini Lutheri, getruckt zu Franckfurt am Mayn, in 1571).
64
schoppenquot;, dus zegt Luther, âmoeten een eed doen van den duivel te dienen, en deze neemt aanstonds bezit van henquot; '). De kardinalen begroet hij met den naam van ârotten-gespuisquot;; den Paus noemt hij ârottenkoning, pausezel, duivelskop, den helschen vader te Romequot;.
âWij hier,quot; dus schreef hij, 18 Augustus 1520, âwij zijn overtuigd, dat het pausdom de zetel is van den waren Antichrist in levenden lijve, en wij gelooven, dat ter wille van het heil der zielen, tegen zijne valschheid en bedorvenheid ons alles geoorloofd is.quot;
âOm het pauselijk bestuur te durven aannemen,quot; zoo lezen wij,2) âmoet men een schelm en booswicht zijn, ja, de eerste booswicht na den duivel.quot;
Ja, Luther beschouwt den Paus zelfs als een âvermomden, een echten duivel, 3) en meent, dat er geen scheldwoord hatelijk genoeg is, om den Paus te betitelen gelijk hij verdient. âAl noemt men hem te gelijk gierig en goddeloos en afgodisch, dan is dat alles nog veel te weinig; zijne groote schelmstukken kan men begrijpen noch uitsprekenquot;. 4)
In 1545 gaf Luther een boek uit met den titel: âTegen het Pausdom, door den duivel gesticht.quot; In dat boek herhaalt hij den raad âom geheel het uitvaagsel van het
Roomsche Sodoma.....aan te grijpen, en zich de handen
te wasschen in het bloed der pausen.quot; Elders luidt het: âMen moet den Paus zeiven en de kardinalen, en allen, die zijne afgoderij en papistische heiligheid zijn toegedaan, grijpen en als godslasteraars de tong achter den hals omtrekken, en hen op een rij aan de galg nagelen.quot;
Nu wil ik nog niet vragen: Kon Luther dergelijke aantijgingen waar maken? Ik vraag alleen: zijn zulke
â ) Ibid. bl. 269. 2) ibid, bi. 338. 3) ibid. bl. 236. â *) Ibid. bi. 241
65
hartstochtelijke uitvallen en grove scheldwoorden de taal eens Heiligen?
Luther gaf zich uit voor een waar afgezant van God ; doch âGod,quot; gelijk we weten, âwil den dood des zondaars niet, maar zijne bekeering.quot; Vandaar dat de katholieke Kerk nooit ophoudt voor de bekeering ook der grootste en hardnekkigste zondaren te bidden, en dat zij het een gruwel noemt, het eeuwig ongeluk van welken zondaar ook te verlangen of van God te vi-agen.
Hoe nu dacht Luther hierover? Hoor hoe hij te velde trekt tegen den hertog George van Saxen : âDr. Martinus Luther verklaart voor zeker en gewis, dat hertog George niet alleen geestelijk, maar ook lichamelijk door den duivel is bezeten, en dat hij niet tot zijn (zalig) einde, maar tot zijn verderf, dat mi vast nadert, dol en razend is, zoodat het niet is te ho2Jen, dnt hij zich hekeere en boetvaardigheid doe. Derhalve moet men niet voor hem, maar tegen hem bidden, opdat God eindelijk die landplaag uit de wereld wegneme cn hem neerstorte in don afgrond der hel.quot; ')
Tegen gewetenswroegingen geeft Luther den volgenden raad: âIedereen, die zulke duivelsche gedachten door andere gedachten, bijv. aan een schoon meisje, door geldzucht, door dronkenschap enz. verdrijven kan, raad ik zulks aan.quot; Eene stichtende raadgeving, dunkt u niet? Vooral in den mond van iemand, die zich opwerpt als apostel en zedenmeester !
Hoe laag Luther neerzag op de schoone deugd van zuiverheid, welke wij gewoon zijn de deugd der engelen te noemen; met welke verregaande minachting hij sprak en schreef over de heiligheid en onverbreekbaarheid van het huwelijk, moge blijken uit eene preek, welke hij teWitten-
') «Luther's Boeken en Geschriftenquot;. Uitg. Jena, 6p Dl. hl. 5 en 6.
66
berg gehouden en ook in druk uitgegeven heeft. Deze preek vindt men opgenomen in Jans sen's â Geschichte des Deut-schen Volkes. An meine Kritikerquot;, bl. 199. Wie dus lust heeft, kan ze daar lezen. Ik voor mij meen de taal en de grondstellingen, welke daarin openlijk worden verkondigd, kieschheidshalve niet onder de oogen der lezers te mogen brengen, en ik geloof ook, lezer, dat gij, zoomin als ik, naar meer verlangt.
Zeker, neem ik in aanmerking, dat in die dagen de spreek-en schrijftrant niet zoo gepolijst was als thans. Dat Luther dus in zijne schriften en gesprekken zich hier en daar woorden en uitdrukkingen veroorloofde, welke wij tegenwoordig plat zouden noemen, mag niet al te zwaar wegen. Ook geef ik gaarne toe, dat zelfs de braafste zijne gebreken en zwakheden kan hebben, en daarom, vooral als hij een vurig karakter bezit, in een oogenblik van onberaden ijver of verontwaardiging allicht iets kan doen of zeggen, wat de grenzen eener gepaste bezadigdheid te buitep gaat. Docli, hoever ik mijne tegevendheid ook uit-strekke, ik zie met den besten wil geene mogelijkheid om in de taal van Luther de taal van een heilige te erkennen. Neen, nog eens, zoo spreekt een heilige niet! Zoo sprak niemand van Luther's waarlijk heilige tijdgeuooten ; een Franciscus Xaverius, een Petrus Canisius, een Carolus Borromeus, eene Teresia! Zulke hoogst ongepaste woorden, scheldnamen en ver wij tingen, zulke buitensporige en met alle zedenleer strijdige opwekkingen en raadgevingen komen niet op in het hart van een heilige, komen hem veelminder uit de pen of over de lippen. Integendeel, de raai dei-Heiligen munt in den regel uit door liefde en nederigheid, en wanneer de ijver voor de eeuwige goddelijke waarheid â niet voor eene persoonlijke meening â hen ontvlamt, dan kunnen zij wel hevig uitvaren tegen dwaling en zonde,
67
maar sparen den persoon, in wien die dwaling en zonde gevonden worden.
Lozer, oordeel nu zelf; kan men mij van overdrijving beschuldigen, als ik beweer, dat Luther niet alleen geen heilige was, maar daar ook in de verte niet op geleek? En een onderzoek van zijn leven, vergeleken met dat van waarlijk heilige personen, kan deze uitspraak slechts bevestigen.
§ 24.
Is de katholieke Kerk heilig in dien zin, dat zjj, die hare leer en leiding volgen, daardoor tot ware volmaaktheid en heiligheid geraken?
Vooraf merken wij op, dat er in de katholieke Kerk velen geweest zijn, nog zijn, en wel altijd helaas! zijn zullen, die volstrekt niet heilig leven, maar zich aan vele en groote zonden overgeven.
Doch de vraag is hier alleen, of zij dat doen omdat zij katholiek zijn, of' niettegenstaande dat zij katholiek zijn? Of zij zondigen door de leer der Kerk te volgen, of integendeel door die leer niet te volgen? Want dat iemand niet heilig wordt, die niet leeft zooals de Kerk wil, kan voorzeker nooit tegen de heiligheid der Kerk pleiten; maar het pleit integendeel ten sterkste voor de heiligheid der katholieke Kerk, indien iemand, die zich volgens hare leer, wetten en instellingen gedraagt, daardoor inderdaad heilig wordt. Of bewijst het iets tegen de heiligheid van Christus of zijne leer, dat Judas een verrader werd en verloren ging? Immers volstrekt niet, daar Judas goddeloos werd, door niet naar Christus, maar naar zijn eigen bedorven
68
hart, zijne geldzucht, te luisteren; niet door Christus te volgen, maar door Christus niet te volgen viel hij in den afgrond der zonde. Wij beweren dus en willen bewijzen, dat door de leer, de wetten, de inrichting, kortom door de geheele leiding der Kerk, ieder Katholiek ten sterkste tot heiligheid wordt aangedreven , en, mits hij die leiding volge, tot ware heiligheid komen zal.
De twee groote beletselen der deugd zijn â wij weten het â de hoovaardigheid van den geest en de zinnelijkheid van het lichaam. Daartegenover staan de nederigheid en de versterving. Vandaar het woord van den goddelijken Heiland: âLeert van Mij, dat Ik zachtmoedig en ootmoedig van harte ben.quot; En: âDie na Mij komen wil, verloochene zich zeiven, neme zijn kruis op en volge Mij.quot; (Matth. XI. 19 en XVI, 24).
Na het geloof zijn de nederigheid en de zelfverloochening of versterving, om mij zoo uit te drukken, de twee grondzuilen, waarop het gebouw onzer deugd behoort te rusten.
Zonder nederigheid immers geen ware gehoorzaamheid, geene kinderlijke onderwerping aan het wettig gezag, geen geduld, geen ware naastenliefde, geen vrede; en zonder versterving is het onmogelijk onze zinnelijke en gemakzieke natuur binnen de perken te houden van het geoorloofde, maar vervalt men in de grofste zonden en buitensporigheden.
Op wat wijze nu werkt de katholieke Kerk de beoefening dezer twee hoofddeugden in de hand ?
De nederigheid. â Terwijl het Protestantisme, door het vrije onderzoek in geloofszaken te huldigen, 's menschen ijdelheid en zucht naar onafhankelijkheid streelt, vordert de katholieke Kerk in zaken des geloofs volledige onderwerping aan haar wettig leergezag. De vraag, wat God geopenbaard heeft, en hoe die geopenbaarde waarheden
69
moeten worden verstaan en uitgelegd, de vraag dus, wat men op 'tgezag van God al of niet te gelooven heeft, laat de katholieke Kerk niet over aan het vrije onderzoek, aan het goeddunken van den eerste den beste. Neen zij wil, dat hare kinderen op godsdienstig gebied met onderworpenheid aannemen en gelooven, wat zij krachtens haar goddelijk gezag hun te gelooven voorstelt.
Het is waar, de onderwerping, welke de katholieke Kerk in geloofszaken vordert, is redelijk, hoogst redelijk zelfs. Een Katholiek begrijpt volkomen, dat hij verstandig handelt, door in alles, wat het geloof betreft, zich te laten leiden door de Kerk, en zijne eigene zienswijze, zijn eigen oordeel te onderwerpen aan het oordeel van Haar, aan wie Christus de verkondiging zijner leer heeft toevertrouwd en tot wie Hij gezegd heeft: âIk zal den Vader vragen, en Hij zal u een anderen Trooster geven, den Geest der waarheid, opdat Hij met u blijve in eeuwigheid. Als die Geest der waarheid zal gekomen zijn, zal Hij u alle waarheid leeren.7' Jo. XIV^ 16. 17; XVI, 13. âEn ziet Ik ben met u alle dagen tot het einde der eeuwen.quot; Matth. XXVIII, 20. âDie u hoort, hoort Mij, die u versmaadt, versmaadt Mij.quot; Luc. X, 16. Doch hoe redelijk die onderwerping ook zij, toch wordt daartoe ware nederigheid gevorderd. De mensch toch heeft gemeenlijk zoo hoog op met zijn verstand, hecht zooveel waarde aan zijne eigene zienswijze, oordeelt zoo gaarne geheel onafhankelijk, en moet daarom zijne eigenliefde altoos min of meer geweld aandoen, om zijne eigene opvatting, zijn eigen oordeel te laten varen en te onderwerpen aan het oordeel van anderen.
Maar daarom juist is ook de kinderlijke onderwerping, welke de Katholiek aan het leergezag der Kerk is verschuldigd , vrij wat meer geschikt om den geest van
70
nederigheid aan te kweeken dan het vrije onderzoek, dat door het Protestantisme werd ingevoerd, waardoor de eigenliefde wordt gevoed en gevleid, en waardoor aan iedereen op godsdienstig gebied een recht wordt toegekend, dat aan iedereen onmogelijk kan toekomen.
Wat doet de katholieke Kerk verder, om hare kinderen te oefenen in de zoo noodzakelijke deugd van zelfverloochening of versterving?
Zij leert hen niet alleen hunne driften beteugelen daar, waar het voldoen van die driften in strijd zou zijn met Gods heilige wetten; maar zij leert hen de neigingen der zinnelijke natuur bedwingen, ook zelfs daar, waar van zonde geen sprake is. Bijv. het gebruik van zekere spijzen, is op zichzelf geene zonde, en toch schrijft de katholieke Kerk verschillende vasten- en onthoudingsdagcn voor. Waarom dat? O. a. ook om hare kinderen te leeren zich te versterven, zich geweld aan te doen, hunne zinnelijkheid te beheerschen, en daardoor des te gemakkeljjker meester te blijven over de opwellingen hunner natuur, welke, indien zij ook in het geoorloofde niet in toom wordt gehouden, zoo licht de overhand krijgt op 's men-schen zwakken wil en hem heenvoert naar het verbodene.
Ja zelfs, de katholieke Kerk stelt zich niet tevreden met de geboden van haren Goddelijken Meester getrouw te handhaven en met allen ernst op het hart te drukken; maar zij moedigt hare kinderen aan, om door de beoefening der Evangelische raden zich toe te leggen op hoogere volmaaktheid. De vrijwillige armoede, de vrijwillige gehoorzaamheid, de vrijwillige zuiverheid of onthouding, welke Christus niet als verplichtend heeft voorgeschreven , doch zoozeer heeft geprezen en aanbevolen, waar bloeien en geuren die bloemen van verheven deugd zoo heerlijk als in de katholieke Kerk ? Zij, en zij alleen
71
immers mag met fierheid wijzen op duizenden en duizenden kloosterlingen, die zich vrijwillig tot het naleven dier Evangelische raden verplichten, en wier heldhaftige deugd en opofferend leven zelfs de ongeloovige wereld haars ondanks bewonderen moet.
De katholieke Kerk heeft met de meeste zorg de HH. Sacramenten bewaard, welke haar door den goddelijken Stichter werden geschonken.
Zeker, die HH. Sacramenten kunnen misbruikt, zij kunnen zonder genoegzame voorbereiding, zij kunnen onwaardig worden ontvangen; doch niet naar het misbruik, maar naar het goed gebruik moet de waarde, de geschiktheid van een middel worden berekend. Welnu, om van andere Sacramenten niet te spreken: ieder Katholiek â en hij kan het weten bij ondervinding â zal met mij moeten bekennen , dat alleen de H. Communie en de Biecht, indien zij waardig en, gelijk de Kerk verlangt, veelvuldig worden ontvangen, uiteraard reeds voldoende zouden zijn, om den braven Christen te midden der grootste moeilijkheden en gevaren op den weg der deugd staande te houden, en om den meest verstokten zondaar binnen weinig tijds in een voorbeeldig Christen te hervormen.
Voeg daarbij het bijwonen van de H. Offerande der Mis, waartoe alle Katholieken op Zon- en Feestdagen streng in geweten zijn verplicht en waartoe hun eiken dag de gelegenheid wordt geboden.
Ook de indrukwekkende luister, waarmede in de katholieke Kerk de heilige Sacramenten toegediend en de openbare godsdienstoefeningen verricht worden, is hij niet bijzonder geschikt om de harten der geloovigen hooger op te voeren, te onthechten van het aardsche, met een diepen eerbied te bezielen voor het hemelsche en het bovennatuurlijke, hen aan God en godsdienst inniger te verbinden ?
72
Wat doet de katholieke Kerk om hare kinderen te wapenen tegen de gevaren, waaraan zij in de wereld zijn blootgesteld ? Overal, waar dit geschikt kan geschieden, richt zij vereenigingen, broederschappen en congregaties op voor mannen en vrouwen, voor jongelingen en jongedochters, voor eiken leeftijd, voor iederen rang en stand. De leden dier vereenigingen â en ik wijs hier slechts op de St. Jozefs Gezellen-vereeniging, op de wijd en zijd vermaarde aartsbroederschap der H. Familie, op de tallooze congregaties der H. Maagd â verbinden zich om zei ven naar ware, hechte deugd en godsvrucht te streven, door onderlinge samenwerking een dam op te werpen tegen het voortwoekerende zedenbederf, en door hun stichtend woord en voorbeeld de beoefening der deugd te bevorderen.
Wat doet de katholieke Kerk niet voor het onderwijs, voor de opvoeding der jeugd, voor de verzorging van weezen, van verlaten kinderen, van hulpbehoevende grijsaards, voor de verpleging van arme zieken ? Lezer, zie eens om u heen. Nagenoeg overal vindt gij, om iets te noemen, de zoo heerlijk werkende vereeniging van den H. Vincentius a Paulo. Geen stad of dorp van eenige beteekenis, of gij vindt er scholen, gij vindt er ook een toevluchtsoord voor weezen, voor noodlijdenden of ongelukkigen, gij vindt er althans de eene of andere inrichting van weldadigheid, door de offers dei-Katholieken tot stand gebracht. Neem nu in aanmerking, dat hier te lande de Katholieken, niet alleen wat hun getalsterkte, maar ook wat hunne geldelijke middelen betreft, ver in de minderheid zijn, en gij zult erkennen, dat de katholieke Kerk met recht mag roemen op hare Christelijke liefdadigheid.
Nochtans erken ik ronduit en gaarne, dat het, vooral in onze grootere steden, ook bij andersdenkenden niet aan
73
inrichtingen van weldadigheid ontbreekt. Doch kunnen zij met die der katholieke Kerk op ééne lijn gesteld worden ? Ik meen dit met grond te mogen ontkennen. Wie toch zijn ze, die ge in onze katholieke scholen, ziekenhuizen, weeshuizen of andere inrichtingen van liefdadigheid werkzaam ziet? Bijna overal zijn het religieuzen, d. w. z. katholieke mannen of vrouwen van eiken stand en rang, die hunne ouders en bloedverwanten, de zoete genoegens van liet huiselijk familieleven, hunne bezittingen en alles wat zij in de wereld konden genieten, edelmoedig hebben vaarwelgezegd, om zich zonder voorbehoud te wijden aan den dienst van God en aan het welzijn van den evenmensch. Eu dit niet voor een korteren of langeren tijd, totdat hun de lust bekruipt in de wereld terug te keeren; neen, door de drievoudige belofte van gehoorzaamheid, armoede en onthouding hebben zij zich zeiven ten offer gebracht, zonder uitzicht op eene andere belooning, dan die, welke hen hierboven wacht. Geheel vrijwillig hebben zij zich in geweten willen verbinden en verplichten om levenslang ten dienste te staan van hun lijdenden evenmensch.
Waar vindt men zulk eene belanglooze, zulk eene opofferende liefde ? Is dat geene ware heldhaftigheid ? Eene heldhaftigheid, welke buiten de katholieke Kerk haars gelijke niet vindt, eene heldhaftigheid, welke door ongeloo-vigen en andersdenkenden zoo menigmaal openlijk wordt erkend, bewonderd, van verre nagebootst, doch nimmer ge-evenaard?
Wat doet de katholieke Kerk niet voor de godsdienstige vorming en opleiding harer toekomstige bedienaren of priesters? Zij outtrekt hen reeds op jeugdigen leeftijd aan de gevaren der wereld. Gedurende tien tot twaalf jaren stelt zij hen, binnen de muren harer bisschoppelijke seminaries
74
onder de leiding van bekwame en deugdzame priesters. Daar worden zij niet alleen met de noodige kennis en wetenschap verrijkt, maar wordt ook hun karakter gevormd, worden zij gewapend tegen de moeilijkheden, welke hen wachten in de priesterlijke bediening, wordt gedurende die lange reeks van jaren hunne deugd voortdurend beproefd, gelouterd en gesterkt. En waartoe dat alles ? Opdat zij later als bedienaren der Kerk des te geschikter zouden zijn, om door woord en voorbeeld de beoefening der deugd ook in de harten van hun evenmensch te bevorderen.
En later, wanneer zij reeds als priester werkzaam zyn, dan nog drukt de Kerk hun op het hart, zich dikwijls, zoo mogelijk ieder jaar, eenigen tijd aan de dagelijksche beslommeringen te onttrekken, ten einde in stille afzondering-hunne onverdeelde zorg te wijden aan de belangen hunner eigene ziel, zich ernstig voor God af te vragen, hoe zij zich kwijten van de heilige bediening, welke op hun schouderen rust.
Zeg mij nu eens: waar is eene kerk of sekte, welke aan de godsdienstige vorming harer bedienaren zooveel zorg en moeite besteedt? Is de opleiding, welke de katholieke Kerk haren toekomstigen priesters geeft, niet vrij wat meer geschikt om hunne harten tot voorbeeldige deugd en godsdienstigheid te vormen, dan de opleiding, welke de bedienaren van andere gezindten aan onze hoogescholen ontvangen , te midden eener, helaas, maar al te lichtzinnige omgeving?
Doch ten slotte â men kent den boom het best aan zijn vruchten â heeft de katholieke Kerk onder degenen, die hare leer en voorschriften getrouw hebben opgevolgd, ook waarlijk Heiligen voortgebracht? Zeker, en talloos vele. Maar beantwoorden we eerst de volgende vraag.
75
§ 25.
Hoe kan de katholieke Kerk iemand als Heilig kennen! m. a. w. hoe kan zy weten, of iemand na zijn dood door God onder het getal zjjner Heiligen in den hemel is opgenomen ?
Laat mij dit eens eenvoudig trachten op te helderen. De katholieke Kerk, de Paus of de bisschoppen kunnen, evenmin als gij of ik, een kijkje gaan nemen in den hemel. Maar veronderstellen we, dat ergens bijv. een priester sterft, die door een buitengewoon voorbeeldig leven heeft uitgemunt. Gingen nu de geloovigen dien overleden priester aanstonds openlijk als een heilige aanroepen of vereeren, door bijv. zijne beeltenis in de kerk te plaatsen, dan zou zoo iets door de kerkelijke overheden onmiddellijk streng worden verboden; want dat is met de kerkelijke voorschriften in strijd. Doch dit neemt niet weg, dat de een of ander voor zich in het bijzonder in de vaste meening kan en mag verkeeren, dat die voorbeeldige priester werkelijk als een heilige is gestorven. Onderstellen we nu verder: een blinde, als ge wilt een blindgeborene, heeft dien overleden priester van nabij gekend, heeft meermalen van zijne bewonderenswaardige deugd hooren gewagen, en in het volle vertrouwen, dat zulk een priester zeker in den hemel is opgenomen , en als bijzondere vriend van Grod door zijn gebed veel zal kunnen verkrijgen, roept hij zijne voorspraak in, ten einde door het gebed van dien priester genezing zijner blindheid te erlangen. En werkelijk, hij verkrijgt wat hij vraagt: tot groote verbazing van al zijne vrienden en kennissen, van geneeslieeren en professoren, ontvangt liij eensklaps het gezicht terug. en ziet nu zoo goed als iemand. Natuurlijk, dat feit wekt veel opspraak, iedereen wil den
76
plotseling geuezene zien en spreken ; geheel de plaats is er vol van.
Door die wonderbare gebeurtenis aangemoedigd komt ook een andere ongelukkige in de verzoeking om ten zijnen bate dezelfde proef te nemen. Een teringlijder bijv., die her allerlaatste tijdperk der ziekte is ingetreden en, volgens de verklaring der geneesheeren , zijn leven nog slechts weinige dagen kan rekken, vraagt van dienzelfden overleden priester de gunst van een gebed in den hemel voor zijne genezing, en zie, ook deze teringlijder gevoelt zich eensklaps volkomen hersteld.
Hierop, onderstellen we al verder, volgen nog verschillende andere, even plotselinge en zekere genezingen van ongelukkigen, die tot dienzelfden priester hunne toevlucht hebben genomen.
Hoe handelt nu de katholieke Kerk, wanneer dergelijke feiten zich voordoen ? Zij laat van harentwege die feiten door de bekwaamste en geloofwaardigste personen onderzoeken ; en met welk een voorbeeldige nauwgezetheid en gestrengheid de Kerk daarbij te werk gaat, daarover zullen we later nog een woord zeggen. Blijkt nu uit dit onderzoek , dat die verschillende genezingen eenigszins twijfelachtig zijn of aan louter natuurljjke oorzaken, bijv. aan de kracht der verbeelding, aan overprikkelde zenuwen, enz. moeten of kunnen worden toegeschreven, dan verbiedt de Kerk, dat de overleden priester, van wien hier sprake is, door de geloovigen als een heilige worde vereerd, om de eenvoudige reden, dat voor zijne heiligheid geen genoegzame bewijzen aanwezig zijn. Maar ook van den anderen kant, wanneer het na zulk grondig onderzoek duidelijk is, dat die wonderbare feiten onmogelijk aan iets anders dan aan de onmiddellijke inwerking van God toegeschreven kunnen worden, m. a. w. blijkt het, is het volkomen zeker,
77
dat men hier met ware, door God zeiven verrichte mirakelen te doen heeft, dan redeneert de katholieke Kerk volgenderwijze:
Door de mirakelen, welke God verricht heeft ten gunste van hen, die de voorspraak van dien overleden priester hebben ingeroepen, wordt het geloovig volk noodwendig in de meening gebracht of versterkt, dat die priester werkelijk in den hemel is, en door zijne voorspraak die gunsten van God heeft verkregen. Maar God kan, om zijne oneindige wijsheid en goedheid, onmogelijk mirakelen doen, door welke het volk noodwendig in eene valsche meening zou worden gebracht of versterkt. Bijgevolg moet die meening, waarin God zelf het volk gebracht of versterkt heeft, eene meening zijn, welke met de waarheid overeenkomt, en moet dus die overleden priester, op wiens voorspraak God zulke wonderen verrichtte, werkelijk in den hemel zijn.
Die redeneering is eenvoudig, maar afdoend. Gij ziet dus, dat de Kerk, al kan zij nu juist geen kijkje in den hemel nemen, toch in sommige gevallen volkomen zeker kan zijn, dat dezen of genen harer overleden kinderen tot het getal van Gods Heiligen behooren.
Laat mij hier ten overvloede bijvoegen, dat het onderzoek der wonderen, op iemands voorspraak verricht, in de katholieke Kerk, altijd vooraf wordt gegaan door het onderzoek zijner deugden] of hij namelijk de Christelijke deugd in heldhaftigen graad heeft beoefend; of hij, wanneer hij als martelaar is gestorven, zijn bloed inderdaad gestort heeft om wille van het geloof of eene andere Christelijke deugd. Wordt nu zulke heldendeugd bovendien door God met ware mirakelen bezegeld, dan neemt de katholieke Kerk met alle veiligheid aan, dat die afgestorvene onder Gods Heiligen is opgenomen, en op deze wijze heeft zij de zekerheid, dat duizenden en nogmaals duizenden harer overleden
78
kinderen in den hemel tot het getal der Heiligen behooren.
Waar zijn nu de Heiligen, welke het Protestantisme heeft voortgebracht ? Dat er onder de Protestanten altijd personen geweest zijn en nog zijn, op wier zedelijk gedrag wellicht weinig valt aan te merken, hebben wij vroeger reeds toegegeven. Men vindt die, zou ik gelooven, in elke godsdienstige gezindte. Maar zeker is het, dat in het Protestantisme , zoolang het bestaat, nog nooit iemand is gestorven , wiens heiligheid door een enkel mirakel kan worden aangetoond.
§ 26.
Maar moeten de Heiligen der eerste eeuwen eigenlijk niet beschouwd worden als behoorende tot liet ProtestantismeJ
Lezer, deze vraag schijnt u misschien dwaas, mij zeker. Ik stel ze ook alleen, wijl tegen hetgeen ik zooeven gezegd heb, mij eens eene zwarigheid werd gemaakt, welke ik hier in 't voorbijgaan wil raededeelen. Zij was deze: âHet Protestantismus, zei mij een Protestant, âmoet men niet laten dagteekenen van de dagen van Luther en Calvijn. Neen, als godsdienst iieeft het van Christus' tijd af bestaan, want het Protestantisme is niets anders dan het zuivere Evangelie, ontdaan van alle omhangselen en bijgeloovigheden, waardoor in den loop der eeuwen de roomsche Kerk het heeft misvormd. Toen droegen die ware belijders van Christus' leer den naam nog niet van Protestanten, omdat zij zich nog niet van de katholieke Kerk hadden afgescheiden; maar al wat er heilig was in de Kerk, was toen reeds in den grond der zaak Protestant.
79
Bijgevolg, zoo besloot hij, kunnen de Heiligen van vroeger eeuwen, die de katholieke Kerk tot de haren rekent, ook evengoed, ja, raet meer recht, als Heiligen van het Protestantisme worden beschouwd.quot;
Ik stond verstomd, en kon mijn ooren nauwelijks geloo-ven. Ik vroeg mijn man daarom kalm en droogjesweg, of de protestantsche godsdienst ooit geleerd heeft, dat er een vagevuur bestaat, â dat de priester de macht heeft om in naam van Christus de zonden te vergeven, â dat de ware Kerk van Christus noodzakelijk staan moet onder de gehoorzaamheid van een zichtbaar opperhoofd, en dat zichtbaar opperhoofd niemand is dan de Paus van Rome, de wettige opvolger van Petrus?
âWel neen!quot; was het antwoord. âWelnu, hernam ik, al die Heiligen hebben toch dat alles vastelijk geloofd en openbaar beleden; velen hunner zelfs hebben voor die leerstellingen hun bloed ten offer gebracht, en nu zou de protestantsche Kerk zich op die Heiligen mogen beroemen, als hadden zij tot hare kinderen behoord! Dat is tocli al te kras; en ik betwijfel zeer, of die heilige martelaars en belijders zich met zulk eene eer gevleid zullen gevoelen. Doch,quot; ging ik voort, âzooeven hebt gij beweerd, dat, vóór den tijd van Luther, de volgelingen van den protes-tantschen godsdienst zich nog niet openlijk van de katholieke Kerk hadden losgerukt, en daarom nog niet met den naam van Protestanten werden bestempeld. In die dagen waren dus, volgens uw bewering, Katholieken en Protestanten als kaf en koren ondereengemengd. Eerst door de Hervorming van Luther werd het koren voorgoed van het kaf gescheiden, en het spreekt dus vanzelf, dat het van dien tijd af zich gemakkelijker kon en moest ontwikkelen. En wat zien we nu? Sedert den tijd van Luther zijn er raeer dan vierhonderd personen geweest, wier heiligheid
80
na huu dood door onbetwistbare mirakelen werd bevestigd; maar onder al die personen was geen enkel Protestant, allen waren met hart en ziel kinderen der 'katholieke Kerk. Als men dus de Katholieken als het kaf, en de Protestanten als het koren moet beschouwen, dan staan we hier voor het onverklaarbare feit, dat het kaf de heerlijkste vruühten heeft opgeleverd, terwijl het koren dor en onvruchtbaar bleef.quot;
Doch hierover genoeg. Alle Katholieken zijn niet heilig; dat scheelt veel. Maar toch heeft de katholieke Kerk in hare leer, in hare voorschriften en instellingen alles, wat gevorderd of verlangd kan worden, om degenen, die zich getrouw door haar laten leiden, op te voeren tot een hoo-gen trap van deugd en volmaaktheid, en de geschiedenis van bijna twintig eeuwen getuigt, dat zij inderdaad duizenden harer kinderen tot ware Heiligen gevormd heeft. Bijgevolg zal men moeten toegeven, dat zij ook die eigenschap bezit, welke de ware Kerk van Christus noodwendig bezitten moet: dat zij een heilige Kerk is.
DERDE HOOFDSTUK.
De ware Kerk van Christus moet katholiek
of algemeen zijn.
§ 27.
Waarom moet rte ware Kerk van Christus Katholiek of algemeen zijn? Kan men zeggen, dat andere kerkgenootschappen deze eigenschap bezitten?
Het woord âKatholiekquot;, aan de grieksche taal ontleend, beteekent âalgemeen'' of âoveral, over de geheele wereld verspreid.quot; Waaruit blijkt nu , dat de ware Kerk van Christus noodzakelijk, d. w. z. uit haren aard, katholiek of algemeen moet zijn?
Dit blijkt duidelijk uir, het doel, waarmede Christus zijne Kerk heeft gesticht. Christus toch heeft zijne Kerk uitsluitend gesticht om den menschen den weg naar den hemel te wijzen en hen zalig te maken, en âHij wil, dat alle menschen zalig worden en tot de kennis der waarheid komen.quot; (I Tim. II, 14). Vandaar dat Hij zijne Kerk den last oplegde, om zijne heilige leer over geheel de wereld te verkondigen. âGaat,quot; dus sprak Hij, âover de geheele wereld en predikt het Evangelie aan alle schepselen.quot; (Marc. XVI, 15). âGaat en onderwijst alle volken, hen doopend in den naam des Vaders en des Zoons en des
6
82
H. Greestes, hea leerend onderhouden alles, wat Ik u bevolen heb.quot; (Matth. XXVIII, 19).
Hieruit volgt dus, dat Christus geene nationale Kerk heeft gesticht, d. w. z. geene Kerk enkel en alleen voor de eene of andere natie, voor dit of dat volk; geene Kerk, die haren werkkring binnen de grenzen van het een of ander rijk of zelfs van een werelddeel zou beperken, maar eene Kerk, welke zich over geheel de wereld, onder alle volken, zou verspreiden, en dus een algemeen verspreide of katholieke Kerk zou wezen.
Laat ons nu eens eenige kerken of godsdiensten aan dit kenteeken toetsen, om te zien of zij met recht als de ware, door Christus gestichte Kerk kunnen worden beschouwd.
Daar wij hier alleen zoeken naar de ware Kerk van Christus, kunnen Jodendom, Heidendom en Mohammedanisme buiten bespreking blijven. Het bewijs toch dat deze godsdiensten, al waren zij nog zoo verspreid, de ware Kerk niet uitmaken, ligt vooral hierin, dat de ware Kerk de Kerk van Christus is, wat zij zeker niet zijn, zelfs niet eens voorgeven te zijn. Zij komen derhalve hier niet in aanmerking.
Ook den godsdienst der Jansenisten of Ãud-Roomschen kunnen wij gevoeglijk buiten rekening laten. Immers deze godsdienst telt slechts hier en daar een handvol belijders, en is verder geheel de wereld door nauwelijks met name bekend.
De Anglikaansche Kerk, in den loop der zestiende eeuw door den gewetenloozen en wulpschen koning van Engeland Hendrik VIII gesticht, telt hare volgelingen werkelijk bij millioenen. Is zij daarom katholiek of algemeen ? Neen, volstrekt niet. Die godsdienst toch draagt, gelijk zijn naam genoegzaam te kennen geeft, een bepaald nationaal karakter. Waar namelijk vindt men dien godsdienst noemenswaardig
83
vertegenwoordigd? Alleen in Engeland, in de Engelsche koloniën en in die plaatsen van het buitenland, waar men Engelschen aantreft. Bovendien is hijzelf weder in verschillende afdeelingen gesplitst, die elkander vijandig tegenoverstaan.
Eveneens ia het gelegen met de Schismatieke Russische Kerk. Dezen godsdienst heeft men alleen in Rusland en in eenige aangrenzende of onderhoorige landen, doch daarbuiten is van geheel die scheuring geen spoor te vinden.
Doch wat nu te zeggen van het overige Protestantisme ?
Het aantal van hen, die zich meer bepaald Protestant noemen, bedraagt , volgens de nieuwste opgaven, over de honderd millioen. Men moet dus toegeven, een waarlijk niet te versmaden getal. Doch mag men daarom dien godsdienst katholiek of algemeen noemen?
Neen, en waarom niet ? Omdat die millioenen mensehen zich allen wel Protestant noemen, maar volstrekt niet hetzelfde geloof aanhangen , niet dezelfde leer belijden. De eene volgt de leer van Luther, een ander die van Calvijn, een derde die van Zwingli, een vierde is Remonstrant, een vijfde is Doopsgezind, oen zesde weer iets anders, en zoo vindt men onder hen bijna zoovele sekten en verschillende geloofsleeringen als er hoofden zjjn. Als men dus onder den algemeenen naam van Protestanten al die personen te zamen telt, die na het Doopsel te hebben ontvangen , ieder voor zich gelooven, wat zij verkiezen, dan kan men natuurlijk zeer gemakkelijk opklimmen tot een vrij aanzienlijk getal; doch dan moet men niet beweren, dat al die personen te zamen ééne algemeene of katholieke Kerk uitmaken. Immers wijl onder hen de eene verwerpt, wat de ander als geloofspunt aanneemt, kunnen zij onmogelijk één en hetzelfde zedelijk lichaam, ééne en dezelfde godsdienstige maatschappij , ééne en dezelfde Kerk vormen.
84
Zij zijn niets anders dan een groote menigte van zeer uiteenloopende en met elkander strijdige sekten, de eene hier talrijker, de andere ginds, bijna alleen hierin overeenstemmend, dat zij het gezag der katholieke Kerk ontkennen, eene eigenschap, welke zij met Jood en Heiden gemeen hebben. (Zie hierover §§ 14 en 15).
Hoe is liet onder het opzicht der algemeenheid met de katholieke Kerk gelegen ?
§ 28.
Is de katholieke Kerk inderdaad âKatholiekquot; of algemeen verspreid?
Zonder twijfel. De katholieke Kerk toch bestaat niet uit eene vereeniging van verschillende sekten of geloofsbelijdenissen, maar â en dit is hoofdzaak â uit eene vereeniging van geloovigen, die allen zonder uitzondering volkomen dezelfde geloofsleer belijden, dezelj'de Saci-;ime111eti ontvangen en gehoorzamen aan één en hetzelfde Opperhoofd, den Paus van Rome. En die geloovigen zijn verspreid over geheel de wereld, zoo onmetelijk groot als zij is.
Zeker zijn er nog tallooze menschen en zelfs geheele volken, die het katholiek geloof niet belijden, maar toch geen wereldstreek, bijna geen land zoo afgelegen, of de katholieke Kerk telt er hare kinderen, bijna geen volk zoo woest noch barbaarsch, of het heeft de stem gehoord van den missionaris, die, door de katholieke Kerk gezonden, met opoffering van alles wat hem in zijn eigen vaderland nauw aan het hart lag, met opoffering vaak van ziine gezondheid en zijn leven, aan die verlaten kinderen dei-wildernis de leer van Jezus gaat verkondigen.
85
Ook andere godsdiensten hebben hunne zendelingen, hunne missionarissen; ik ontken dat niet, doch herinner u, wat ik boven omtrent het Protestantisme aanmerkte; hun ontbreekt de eenheid, ontbreekt de wettige zending en zoomin in aantal als in offervaardigheid kunnen zij met de apostelen der katholieke Kerk in vergelijking treden.
Christus heeft zijne Kerk de roeping toevertrouwd om zich over geheel de wereld te verspreiden en zijne zaligmakende leer te prediken aan alle geslachten der aarde. Van de katholieke Kerk kan men in waarheid zeggen, dat. zij ten allen tijde aan die roeping is getrouw gebleven. Zij alleen is het, die de woeste volken van ons weleer heidensch Europa tot het Christendom heeft opgevoerd, zij die, zonder ontberingen, zonder opofferingen, zonder zelfs den marteldood te ontzien, hare priesters uitzendt naar de verst afgelegen palen der aarde, en ofschoon zij â¢â wat hier vooral in aanmerking komt â om de gestrengheid barer leer, van den beginne af tot nu toe, al wat slecht is tot vijand had, telt zij alleen minstens honderd millioen kinderen meer dan al de verschillende, zich Protestantsch noemende sekten te zarnen.
Wat verder hare uitgestrektheid betreft, wil ik u slechts wijzen op hare meer dan 170 aartsbisdommen en meer dan 700 bisdommen, over geheel den bekenden aardbodem verspreid.
De katholieke Kerk is dus niet alleen in naam, maar ook metterdaad âkatholiekquot; of algemeen; en zoo toont zij dus ook feitelijk die eigenschap te bezitten, welke de ware, door Christus gestichte Kerk noodwendig bezitten moet, dat zij namelijk, krachtens hare roeping, zich moet uitstrekken over geheel de wereld en Jezus' heilige leer moet verkondigen aan alle schepselen.
86
§ 29.
De ware Kerk van Christus heeft zicli van de eerste eeuwen af onderscheiden door den naam van âKatholieke Kerkquot;.
De ware Kerk van Christus moet krachtens hare roeping niet alleen katholiek of algemeen zijn, maar zij heeft om hare snelle uitbreiding ook werkelijk den naam van nKa-thollekquot; reeds gedragen in de eerste eeuwen van haar bestaan. Die Kerk toch, waartoe de JT. martelaar Ignatius, de H. Justinus, de H. Cyrillus van Jeruzalem, de H. Ba-silins, de H. Joannes Chrysostomus, de H, Hieronymus, de H. Augustinns en andere Heiligen der eerste eeuwen behoorden, zal toch zeker wel de ware Kerk van Christus zijn geweest. quot;Welnu, die Kerk, waartoe zij behoorden, en welken den Paus van Rome, als den wettigen opvolger van Petrus, als den plaatsvervanger van Christus en als haar zichtbaar Opperhoofd erkende, die Kerk werd door hen en hunne tijdgenooten eenvoudig de âKatholieke Kerkquot; genoemd.
Wel beproefden van den beginne af de dwaalleeraars haar dien naam te ontnemen en daarmede hun eigen sekte te sieren, maar toen, zoowel als thans, tevergeefs. Die sekten ontvingen den naam van haar hoofd of stichter en werden daarom Donatisten, Valentinianen, Arianen, Sestorianen, enz. enz. genoemd, evenals men tegenwoordig aan de volgelingen van Luther, Calvijn of ilenno den naam geeft van Lutheranen, Calvinisten of Mennonieten ; alleen de ware Kerk van Christus werd door iedereen, door vriend en vijand, de Katholieke Kerk geheeten. âWij moeten,quot; dus zegt in de 4e eeuw o.a. de H. Augustinns {De vera Relic/. C. 7.), âwij moeten vasthouden aan die Kerk, welke de
87
Katholieke is en de Katholieke genoemd wordt, niet alleen door hare eigene kinderen, maar ook door hare tegenstanders. quot;Want ook wie zich van die Kerk hebben losgerukt, noemen, wanneer zij met anderen spreken, haar de katholieke Kerk. Zij zouden zelfs niet eens verstaan worden, als zij haar niet met dien naam aanduidden, waarmede zij genoemd wordt door geheel de wereld.quot;
Duidelijk is het dus, dat reeds in de eerste eeuwen de ware Kerk van Christus den naam droeg van âKatholiekequot; Kerk, en juist door dien naam van andere sekten of kerken werd onderscheiden.
Kan men zich nu voorstellen, dat de ware Kerk van Christus later dien naam zou verloren hebben, en dat deze op een valschen godsdienst zou zijn overgebracht? Mij dunkt die voorstelling zou al te gewaagd zijn. Immers als Christus zoo iets badde toegelaten, dan moesten de geloo-vigen, die eens gewoon waren zijne ware Kerk juist door dien naam te onderscheiden, door die verwisseling van naam noodwendig in de war en op het dwaalspoor zijn geraakt. Dat Christus nu zoo iets zou hebben geduld, laat zich bezwaarlijk gelooven.
Geeft men echter toe, dat de ware Kerk van Christus den naam, waarmede zij reeds in de eerste eeuwen genoemd en van andere kerken onderscheiden werd, niet heeft verloren, dan moet men ook toegeven , dat die Kerk, welke nog tegenwoordig dien naam draagt â dat dus de katholieke Kerk â dezelfde Kerk is, welke reeds in eerste eeuwen dien naam droeg, en dat zij dus nu, evenzeer als toen, de ware Kerk is, door Christus gesticht.
VIERDE HOOFDSTUK.
DE WARE KERK VAN CHRISTUS MOET APOSTOLISCH ZIJN.
§30.
Wat wil het zeggen, dat de ware Kerk van Christus apostolisch of apostoliek moet wezen?
Dat wil zeggen: zij moet 1° dezelfde leer verkondigen, welke de Apostelen hebben verkondigd, en 2° de overheden van die Kerk moeten door eene onafgebroken en wettige opvolging in verbinding staan met de Apostelen. In twee woorden: zoowel de leer als het yezay in de ware Kerk van Christus moet van de Apostelen en dus van Christus zeiven afkomstig zijn.
Zoowel het eene als het andere laat zich gemakkelijk bewijzen.
Immers, wat het eerste punt betreft, is het al zeer duidelijk en zal iedereen toegeven, dat die Kerk, welke beweert de ware Kerk te zijn van Christus, ook de ware leer van Christus moet bezitten. Welnu, de ware leer van Christus was zonder twijfel die, welke gepredikt werd coor de Apostelen; waaruit dus vanzelf volgt, dat die Kerk, welke inderdaad Christus' Kerk is, ook die leer moet verkondigen, welke de Apostelen hebben verkondigd.
Nochtans moet hierbij worden opgemerkt, dat het verkondigen van de ware leer der Apostelen of, gelijk de Protestanten zich gewoonlijk uitdrukken, van het zuiver Evangelie , wel een noodzakelijk vereischte is voor de ware Kerk, maar daarom nog niet een geschikt kenmerk of on-derscheidingsteeken, waaraan iedereen de ware Kerk van Christus gemakkelijk kan herkennen.
Waarom niet? Omdat het voor verreweg de meeste menschen ondoenlijk is door eigen onderzoek met zekerheid uit te maken, dat eene leer, welke hun door het een of ander kerkgenootschap wordt voorgehouden, werkelijk in alles overeenstemt met die leer, welke door de Apostelen werd verkondigd. Daartoe immers zou het noodig zijn, de leer van zulk een kerkgenootschap punt voor punt met de leer der Apostelen te vergelijken. Maar dan dient men natuurlijk eerst met volkomen juistheid en zekerheid te Aveten, wat de Apostelen hebben geleerd. En dit nu kunnen de gewone geloovigen door eigen onderzoek onmogelijk met genoegzame zekerheid achterhalen; daartoe toch wordt eene meer dan gewone geleerdheid gevorderd. Wat Christus en zijne Apostelen geleerd hebben, moeten zij daarom vernemen van de herders der Kerk, tot wie Christus gezegd heeft: âGaat over geheel de wereld en verkondigt het Evangelie aan alle schepselen.quot; (Marc. XVI, 15) âZie Ik ben met u al de dagen, tot het einde der eeuwen.quot; (Matth. XXVIII, 20).
Zij moeten dus eerst uit andere kenteekenen weten, welke die ware Kerk is, aan wie Christus de prediking zijner leer heeft toevertrouwd en aan wie Hij zijn eeuwigdurenden bijstand heeft toegezegd, en als zij dit eenmaal weten, dan eerst kunnen zij volkomen zeker zijn, dat de leer, welke door die Kerk wordt voorgehouden, onmogelijk in strijd kan zijn met de leer van Christus of van zijne Apostelen.
90
Doch, gelijk we reeds gezegd hebben, de ware Kerk van Christus moet ook nog onder een ander opzicht apos-toliek zijn: hare overheden namelijk moeten door eene onafgebroken en wettige opvolging in verbinding staan met de Apostelen. Deze eigenschap is te gelijker tijd een ken-teeken , wnardoor de ware Kerk van Christus gemakkelijk kan worden onderscheiden; ja, wie dit kenteeken goed begrijpt, ziet tevens duidelijk in, dat de eenstemmige leer, door de wettige opvolgers der Apostelen altijd en overal geleerd, onmogelijk eene andere dan de ware leer der Apostelen zijn kan. Wij willen dit hier echter niet verder aandringen en vestigen dus onze aandacht alleen op de apostolische opvolging der herders in de Kerk.
Zie, de Apostelen hadden van Christus den last ontvangen , om zijne Kerk voort te planten over de geheele aarde. Doch die Apostelen zouden reeds spoedig hun leven eindigen met den marteldood, en bovendien konden zij tijdens hun leven tocli niet op alle plaatsen te gelijk zijn. Zij moesten dus medehelpers hebben, die hun reeds tijdens hun leven krachtig zouden ter zijde staan en na hun dood den apostolischen arbeid voortzetten. Doch die medehelpers, die met en na de apostelen als priesters van Jezus' Kerk den last zouden volbrengen, door Jezus zijn Apostelen opgelegd, door wien moesten zij worden aangesteld ?
Door Christus zeiven ? Maar Christus verkeerde immers na zijne Hemelvaart niet meer op zichtbare wijze met de zijnen op aarde. Mocht dan misschien iedereen, die daartoe lust of neiging gevoelde, zich op eigen gezag het recht aanmatigen om als overheid op te treden, de Kerk te besturen, de Sacramenten toe te dienen, en Jezus' leer te verkondigen ?
^Natuurlijk nog veel minder: dit toch zou de grootste
91
verwarring teweeggebracht en het voortbestaan der Kerk geheel onmogelijk gemaakt hebben.
Die medewerkera dus der Apostelen , die evenals dezen wettige bedienaren zouden zijn van Jezus' Kerk, door wie moesten zij worden aangesteld? Door de Apostelen zeiven, onder toezicht van Petrus, hun zichtbaar Opperhoofd. Immers tot hen had Christus gezegd: âGelijk de Vader Mij gezonden heeft, zoo zend Ik u.quot; (Joan. XX, 21.)
Gelijk dus Christus in het volbrengen der taak. Hem door zijn hemelschen Vader opgelegd, de Apostelen tot medehelpers had gekozen, zoo moesten ook dezen op hunne beurt mannen kiezen, die hun behulpzaam zouden zijn in het volbrengen van den hun toevertrouwden last en door eene reeks van wettige opvolgers deze taak zouden voortzetten tot het einde der eeuwen.
Dezelfde waarheid kan men ook gemakkelijk aantoonen door eene eenvoudige vergelijking. Als een wettig vorst in een rijk de hoogste macht in handen heeft, dan bezit hij alleen ook het recht, om hetzij onmiddellijk door zichzelven, hetzij door tusschenkomst zijner staatsdienaren, diegenen te benoemen, die hij wil, dat hem in liet bestuur en verdere ambtsverrichtingen behulpzaam zijn, en te recht zou hij als een vreemde indringer worden beschouwd, die zich zonder toestemming van den vorst als wettig staatsbeambte zou durven voordoen. Welnu, de H. Petrus was door Christus zelf aangesteld als zijn plaatsvervanger op aarde, als zichtbaar hoofd der Kerk: âGij zijt Petrus, en op deze steenrots zal Ik mijne Kerk bouwen.quot; âHoed mijne lammeren , hoed mijne schapen.quot; Aan Petrus dus en onder zijn oppertoezicht en met zijne goedkeuring ook aan de andere Apostelen, aan hen en hen alleen kwam het recht toe de personen aan te stellen, door wie zij in het bestuur der Kerk, in het toedienen der heilige Sacramenten, in
92
liet verkondigen van Grods woord wenschten te worden bijgestaan.
En dat zij dat recht ook metterdaad hebben uitgeoefend , blijkt ten duidelijkste uit de kerkelijke geschiedenis. Immers van algemeene bekendheid is, dat o. a. de H. Timo-theus en de H. Titus door de Apostelen met de bisschoppelijke waardigheid bekleed en met een gedeelte van het bestuur der Kerk belast werden.
Deze bisschoppen nu, die van den H. Petrus, of met zijn goedvinden, van de andere apostelen hunne waardigheid en wettige zending hadden ontvangen, moesten in dat gedeelte der Kerk, dat aan hun zorg was toevertrouwd, op hunne beurt weder andere ondergeschikte priesters aanstellen, door wie zij in hun geestelijken arbeid werden geholpen. Een duidelijk bewijs hiervan levert de H. Paulus in een zijner brieven, waarin hij aan den door hem aangestelden bisschop Titus schrijft: âDaarom heb ik u te Creta achtergelaten, opdat gij datgene, wat nog niet is gelijk het behoort, in orde zoudt brengen en de verschillende steden van priesters voorzien, gelijk ik u ook (mondelings) gelast heb.quot; (Tit. I, 5).
Uit een en ander volgt dus, dat de ware Kerk van Christus eene Kerk is, welker wettige overheden allen middellijk of onmiddellijk in betrekking moeten staan met de Apostelen.
Bij Petrus en bij de Apostelen , in vereeniging met Petrus, berustte de hoogste macht in de Kerk, en alleen in zoover zij of hunne wettige opvolgers zulks verkozen, kon die macht aan anderen worden medegedeeld.
De door Christus gestichte Kerk moet dus apostolisch zijn onder tweevoudig opzicht:
1°. moet hare leer dezelfde zijn als die der Apostelen, en
2° moeten hare herders hunne macht ontleenen aan do
93
Apostelen af aan dezer wettige opvolgers en aldus door eene onafgebroken en wettige opvolging met de Apostelen in verbinding zijn. â Hoe staat het onder dit opzicht geschapen met het Protestantisme?
§ 31.
Is het Protestantisme apostolisch wat zjjue leer betreft, m. a. w. is de leer der Protestanten dezelfde als de leer der Apostelen ?
Zooeven hebben we gezegd, dat ongeletterde menschen onmogelijk in staat zijn in bijzonderheden uit te maken wat de Apostelen hebben geleerd, zonder eerst te weten, welke de ware Kerk is, aan welke Christus zijn voortdn-renden bijstand tegen afdwaling heeft toegezegd.
Evenwel zal iedereen dit gemakkelijk begrijpen, dat de Apostelen zich zeiven nooit hebben tegengesproken, en zoo iets zou men toch moeten aannemen om te gelooven, dat in de leerstellingen der Protestanten de ware leer dei-Apostelen gevonden wordt. Immers die tallooze sekten, welke men onder de Protestanten aantreft, hebben ieder hare eigene leer. Wat de eeue gelooft, gelooft de andere niet, wat de eene als uitgemaakte waarheid beschouwt, wordt door den ander als onwaarheid verworpen. Luther, gij weet het, hield staande, dat men in het avondmaal werkelijk het lichaam en bloed van Christus ontvangt en Calvijn beweerde , dat zulks volstrekt niet het geval is. Hoe nu zulke, met elkaar strijdige leeringen door de Apostelen gepredikt zouden zijn, beken ik gaarne niet te vatten.
Nochtans ontbreekt het bij de Protestanten niet aan spitsvondige redeneeringen, waarmede zij zich onder dit opzicht
94
trachten te verantwoorden. De Apostelen â dus zeggen zij â hielden zich zeker aan de H. Schrift. Welnu, wij Protestanten, houden ons ook aan de H. Schrift; dus is onze leer ook zeker de leer der Apostelen.
Uie redeneering moge sommigen een oogenblik toelachen; op de keper beschouwd, gaat zjj volstrekt niet op. De Apostelen, zegt gij, hielden zich in hunne prediking aan het woord der TT. Schrift Zeker is dat waar in dien zin, dat zij niets geleerd hebben, wat met het geschreven woord Gods in strijd was; maar dit belet niet, dat de Apostelen , behalve de waarheden, welke zij in de H. Schrift lazen, ook nog andere waarheden gepredikt hebben, welke in de TT. Schrift niet stonden, en welke ook zij daarin niet hebben opgeteekend. Immers wij hebben reeds gezien en zullen later uitvoeriger zien (§ 37), dat de Apostelen en Evangelisten niet de yeheele leer van Christus hebben opgeschreven , en toch hebben zij de geheele leer van Christus verkondigd en moeten verkondigen, volgens den hun opge-legden last: âOnderwijst alle volken, hen leerende al wat Tk u bevolen heb.quot; Derhalve hebben zij ook waarheden verkondigd, die niet in de Schriftuur staan. Trouwens Christus had tot zijne Apostelen ook niet gezegd; âgaat en schrijft het Evangelie,quot; maar âgaat en predikt het Evangelie aan alle schepselen.quot; (Marc. XVI, 15). Dat hebben de Apostelen gedaan. Zij hebben de waarheden, welke hun door Christus of door ingeving van den H. Geest waren geleerd, mondeling verkondigd en de meesten hunner namen alleen de pen op, om bij verschillende gelegenheden en om verschillende beweegredenen het woord te richten tot hen, die zij niet of niet meer mondeling konden onderrichten.
Het gaat dus niet aan te zeggen: ik geloof alles wat in de H, Schrift staat, dus geloof ik alles wat de Apostelen hebben geleerd. Want, wij zeiden het, opdat deze gevolgtrek-
95
king juist zij, zou moeten aangetoond worden, dat de Apostelen niets geleerd hebben dan wat in de Schriftuur staat opge-teekend. Dit nu is niet alleen onmogelijk te bewijzen, maar, zooals wij later zien zullen, het is bewezen, dat zij, behalve hetgeen in de Schrift staat, nog verscheidene punten geleerd hebben, welke daar niet in staan en daarom gewoonlijk apostolische overleveringen genoemd worden.
Ziehier dus in twee woorden de gemaakte opwerping wederlegd: De Apostelen hielden zich aan de Schrift en dat doen wy, Protestanten, ook.
Antw. Met onderscheid: de Apostelen hielden zich ook aan de Schrift, ja; alleen aan de Schrift, neen; zij hielden zich aan de leer van Christus. En daar gij. Protestanten, u aan de Schrift alleen houdt, houdt gij u niet aan de jeer der Apostelen.
Doch, behalve dit, valt er op bovenstaande rede-neering der Protestanten nog iets aan te merken. Zij zeggen: âWij houden ons aan de H. Schrift.quot; Wat de orthodoxe Protestanten betreft, wil ik dat gelooven; doch hoe houden zij zich aan de H. Schrift? Zij houden zich aan de letter, aan de letterlijke'uitdrukking, zooals zij in de H. Schrift gevonden wordt. Doch wat heeft men daaraan, als men aan de uitdrukking of het woord der H. Schrift eene geheel andere heteekenis hecht, dan door de H Schrift wordt bedoeld? Een voorbeeld ter verduidelijking. In de H. Schrift lezen wij, dat Christus in het laatste avondmaal het brood in zijne gezegende handen nam, en sprak : âNeemt en eet, dit is mijn lichaamquot; (Matth. XXVI, 26). Zoowel Luther als Calvijn hielden zich aan die woorden der H. Schrift, gelijk ze daar letterlijk staan. Maar hielden beiden zich nu ook aan de leer der H. Schrift? Onmogelijk;Luther toch, gelijk we reeds meermalen gezegd hebben, beweerde, dat men volgens die woorden in de H. Communie of het
96
avondmaal, werkelijk het goddelijk lichaam en bloed van Christus ontvangt; Calvijn daarentegen wilde van die leer niets weten en hield staande, dat diezelfde woorden van Christus : âdit is mijn lichaamquot; verstaan moesten worden in den zin van: âdit heteekent mijn lichaam;quot; zoodat men, volgens hem, in het avondmaal volstrekt niet het waarachtig lichaam van Christus, maar enkel brood ontvangt als eene afbeelding van Christus' lichaam. De leer van Calvijn was dus, en omtrent een geloofspunt van het grootste belang, regelrecht in strijd met de leer van Luther. Twee met elkaar strijdige leeringen nu kunnen onmogelijk beide te gelijk waar zijn. Het is dus onmogelijk, dat Luther en Calvijn beiden de waarheid verkondigden, en wijl de H. Schrift zeker de waarheid verkondigt, is het onmogelijk , dat beiden zich hielden aan de leer der H. Schrift. Gij ziet dus, hoe men zich houden kan aan de letter of aan het woord der H. Schrift, en toch, wat de zaak betreft, welke door dat woord wordt geleerd, geheel en al van de H. Schrift kan afwijken.
Dit wat de leer van het Protestantisme betreft. Zien we nu, hoe het staat met zijne bedienaren.
§ 32.
Staan de herders of Evangelie bedienaren van liet Protestantisme door eene wettige opvolging in verbinding met de Apostelen, de eerste wettige bedienaren van Jezus'' Kerk l
Van wie hebben de zoogenaamde âEvangeliebedienaarsquot; der Protestanten hunne zending, hunne macht of bevoegdheid ontvangen? Bepalen wij ons tot Luther.
97
Van wien ontving Luther den last of de zending om eene nieuwe leer te verkondigen ? Zeker niet onmiddellijk van de Apostelen: daartoe kwam hij 1500 jaar te laat. Ook niet van hunne wettige opvolgers; want die wettige opvolgers der Apostelen bij Luther's optreden waren ofwel de overheden der katholieke Kerk, ofwel zij bestonden niet. Een middelweg is hier niet te vinden. Want, zeg me eens in gemoede: waar zouden destijds, buiten de katholieke Kerk, de wettige opvolgers der Apostelen geweest zijn?
Wat nu de overheden der katholieke Kerk betreft, deze hebben Luther zeker niet met de taak belast om eene leer te prediken, welke met de katholieke leer in strijd en door diezelfde overheden in het Concilie van Trente en daarbuiten zoo uitdrukkelijk mogelijk veroordeeld is. Bovendien gaf hij zich ook volstrekt niet uit, als door den Paus of zijn wettigen Bisschop gezonden, hij wilde niets van hen weten en overlaadde de kerkelijke overheid (verg. § 22) met den smadelijksten hoon en laster. Luther had dus geen wettige zending ontvangen , noch van de Apostelen zeiven, noch van hunne wettige opvolgers. Dit was duidelijk.
Ook Luther zelf gevoelde het zeer wel, en daarom juist zag hij zich genoodzaakt te beweren, dat hij onmiddellijk door God zeiven geroepen en gezonden was.
Doch ge begrijpt, lezer, zoo iets valt gemakkelijk te zeggen, maar dient deugdelijk bewezen te worden. De Apostelen beweerden, en zeker terecht, dat zij onmiddellijk door God waren gezonden; doch zij heivezen die goddelijke zending, vooral door mirakelen. Hadden zij dat niet gedaan, dan zou men immers onredelijk en lichtvaardig gehandeld hebben met aan hunne woorden geloof te slaan. Maar welke bewijzen heeft Luther geleverd, dat hem door God zeiven de taak was opgelegd om eene nieuwe leer te verkon-
98
digen ? Volstrekt geene. Immers dat Luther nimmer een enkel mirakel heeft verricht, waaruit blijken kon, dat hij werkelijk door God zeiven was gezonden, is overbekend. En dat voor die goddelijke zending zeker geen bewijs te vinden is in de heiligheid van Luther's leven, hebben we boven reeds gezien (§ 23).
Als dus Luther, de vader van het Protestantisme, â en hetzelfde geldt voor Calvijn, Zwingli en andere sektehoofden â noch van God zelf, noch van de Apostelen, noch van dezer wettige opvolgers, eenige zending heeft ontvangen, maar eenvoudig op eigen gezag opstond om eene nieuwe leer te verkondigen, dan volgt daaruit, dat noch hijzelf, noch de latere, noch de tegenwoordige bedienaren van het Protestantisme door een wettige opvolging met de Apostelen in verbinding staan. Neem aan, als ge wilt, dat de tegenwoordige bedienaren hunne voorgangers geregeld hebben opgevolgd; welnu, dan zou men kunnen terugtellen tot Luther, maar niet verder. Daar toch wordt alle opvolging afgebroken; want Luther, wij
zagen het, was de wettige opvolger van.......niemand.
Doch is dit zóó, dan is de protestantsche godsdienst, ook zijne leer daargelaten, geen apostolische kerk, d. w. z. dan is zij niet die ware, door Christus gestichte Kerk, wier bedienaren en herders ten allen tijde de wettige opvolgers moeten zijn van hare eerste bedienaren en herders, de Apostelen.
99
§ 33.
Is de katholieke Kerk waarlijk â Apostoliekquot;, m. a. w. staan hare tegenwoordige bedienaren en herders door eene onafgebroken en wettige opvolging in verbinding met de Apostelen ?
Zonder twijfel. Alle bedienaren der katholieke Kerk zijn zeker niet heilig en verrichten ook geene mirakelen, evenmin als Luther: doch, gelukkig hebben zij noch het eene, noch het andere noodig om de wettigheid hunner zending te bewijzen. Vraag aan welk katholiek priester ook: wie heeft u de bevoegdheid gegeven de heilige Sacramenten toe te dienen en Gods woord te verkondigen? En hij zal u terstond den bisschop noemen, door wien hij tot priester gewijd en met de zielzorg belast werd. Vraag verder: van wien heefr die bisschop zijne macht ontvangen om u tot priester te wijden en als herder met de geestelijke zorg over anderen te belasten ? En men zal u onmiddellijk den Paus, bijv. Leo XIII, aanwijzen, aan wien die bisschop zijne benoeming en zijne wettige zending te danken heeft. Wie is verder Leo XIII? De wettig gekozen opvolger van Pius IX; deze de wettige opvolger van Gregorius XVI; deze van Pius VIII; deze van Leo XII, en zoo de reeks van Pausen vervolgend, komt men eindelijk bij den H. Petrus, die zijne waardigheid als zichtbaar Opperhoofd der Kerk van Christus zeiven ontving. Welnu, die wettig in de Kerk aangestelde Opperherders hebben op hunne beurt weder al de overige herders der kerk, bisschoppen en priesters, aangesteld en gezonden, hetzij middellijk of onmiddellijk.
En al zou nu ook een niet-kafcholiek kerkgenootschap , zooals misschien het een of ander in het Oosten, een rij van herders kunnen aanwijzen, opklimmend tot de Apostelen, het zou daarom nog geen recht hebben op den naam van apos-
100
toliek, in zijn ware en volle beteekenis. Waarom niet? Omdat de opvolging dier herders, ofschoon onafgebroken, toch niet wettig zou zijn, wijl zij zich tegen de leer of althans tegen het gezag van de ware opvolgers der Apostelen verzetten en men het tijdstip met al de omstandigheden kan aanwijzen, waarop zij zich van de wettige herders dei-Kerk hebben afgescheiden. Zeer juist zegt hierover de Grieksche Kerkvader Gregorius van Nazianze; âNiet hij, die met geweld is binnengedrongen, moet als opvolger beschouwd worden, maar hij wien 't geweld is aangedaan; niet die de wetten geschonden heeft, maar die volgens de wetten is aangesteld; niet hij, die tegenstrijdige leerstellingen aankleeft, maar hij, die met hetzelfde geloof is toegerust; of men moest van een opvolger spreken in denzelfden zin als wij zeggen, dat op gezondheid ziekte, op licht duisternis, op stil weder storm, op wijsheid verstandsverbijstering volgt.quot; {Lofrede op Athanasius, n0. 8).
Niet zoo in de katholieke Kerk, wier herders door een onafgebroken en tevens wettige opvolging in verbinding staan met de Apostelen. De lange rij harer herders is gelijk aan een keten, waarvan de eene schakel in de andere sluit, en waarvan de eerste schakel Petrus, of, juister gezegd, Christus zelf is. De katholieke Kerk is gelijk aan een boom, die, zijne reusachtige takken steeds verder en voller uitspreidend, onveranderlijk en onverwrikt steunen blijft op denzelfden wortel, waaruit hij ontsproot.
101
§ 34.
Is de katholieke Kerk ook in dien zin apostoliek, dat zij de leer der Apostelen trouw en ongeschonden heeft bewaard ?
Voor een Katholiek is die vraag gemakkelijk op te lossen. Immers, wijl hij eenmaal uit andere gegevens innig overtuigd is, dat de katholieke Kerk de ware Kerk van Christus is, weet hij ook volkomen zeker, dat hetgene zij te geiooven voorstelt, onmogelijk met de leer der Apostelen in strijd kan zijn.
Wat echter diegenen betreft, die nog altoos naar de ware Kerk van Christus zoeken, hun meen ik in herinnering te moeten brengen, wat ik reeds gezegd heb; dat namelijk ongeletterden onmogelijk in staat zijn op eigen gezag en door eigen studie uit te maken, wat de Apostelen al hebben geleerd of niet. Zij kunnen zulks alleen weten door het onfeilbaar leergezag dier Kerk, aan welke Christus de verkondiging zijner leer toevertrouwd en daartoe zijn voort-durenden bijstand heeft toegezegd. Zoolang zij dus niet weten, welke de ware Kerk is van Christus, kunnen zij ook onmogelijk omtrent alle geloofspunten met genoegzame zekerheid inzien, welke leer door de Apostelen werd verkondigd, en weten zii dit niet, dan kan er bij hen ook geen spraak van zijn, de leer der katholieke Kerk, of van welk kerkgenootschap ook, met de leer der Apostelen te vergelijken, ten einde daaruit op te maken â of zij in alles wel met elkander overeenstemmen.
Nochtans is het hun niet onmogelijk langs een anderen weg zich innig te overtuigen, dat de leer der Apostelen, welke deze ook moge geweest zijn, door de katholieke Kerk trouw en ongeschonden wordt bewaard. Immers men zal moeten toegeven, dat de katholieke Kerk in de
102
eerste eeuwen van haar bestaan, toen zij een PI. Ignatius van Antiochië, een H. Irenaeus, een H. Athanasius, een H. Joannes Chrysostomus, een H. Hieronymus, een H. Augus-tinus onder hare zonen telde, toch zeker de ware leer dei-Apostelen nog verkondigde. Zeker is het ook, dat de katholieke Kerk zich altoos onderscheiden heeft door eene voorbeelde-looze zorg en waakzaamheid voor het ongekrenkt bewaren harer geloofsleer, welke zij immers te recht als den grondslag van alles, als de bron van haar leven beschouwt. En heeft zij 't, gelijk wij zagen, in den loop der tijden, om verschillende goede redenen , noodig of dienstig geoordeeld het een of ander punt der haar toevertrouwde leer meer openlijk en plechtig te gelooveu voor te stellen, nooit heeft de katholieke Kerk het minste geleerd of als geloofspunt voorgesteld, wat in strijd was met de leer, welke zij tot dan toe had verkondigd. Neen, wat de katholieke Kerk in de eerste eeuwen van haar bestaan leerde en geloofde, dat leert en gelooft zij nog. Immer stond haar het woord van den grooten Apostel tot zijn leerling Timotheus in het hart gegrift: »0 Timotheus, bewaar het u toevertrouwde pandquot;, den schat der waarheid, rein en ongeschonden! (1 Tim. VI, 20).
Een Protestant kan een geloofspunt, dat hij vandaag aanneemt, morgen openlijk verwerpen, zonder dat daartegen iemand in verzet komt. Zoo gaat het niet, en zoo ging het nooit in de katholieke Kerk. Wanneer ooit een Katholiek welk punt der katholieke geloofsleer ook durfde verwerpen, dan hield hij daardoor onmiddellijk op een kind der katholieke Kerk te zijn. Daarvan was men ten allen tijde zoo innig overtuigd, dat men aan zoo iemand den naam van Katholiek zelfs niet meer gaf, zooals overvloedig blijkt uit de geschiedenis zelve der verschillende ketterijen, welke in den loop der eeuwen aan de leer der
103
Kerk iets wilden veranderen. Hare volgelingen verloren den naam van Katholiek, en werden door de Kerk niet meer als kinderen erkend.
Vandaar zelfs het dwaze verwijt, tegen de katholieke Kerk zoo menigmaal ingebracht, dat zij een vijandin is van ontwikkeling en vooruitgang. Zeker is dit verwijt valsch , wanneer men daarmee bedoelt, dat de Kerk de ontwikkeling van het verstand, de bevordering der goede zeden of zelfs den vooruitgang op het gebied van kunst en nijverheid in den weg zou staan. De Kerk toch beoogt niet alleen het eeuwig, maar ook, ofschoon niet op de eerste plaats, het tijdelijk geluk van den mensch; zij wil immers den geheelen mensch gelukkig maken. Wil men echter door dat verwijt te kennen geven, dat de katholieke Kerk in hare geloofs- en zedenleer nooit of nimmer de minste verandering duldt, ja, dan heeft men het rechte voor, om de eenvoudige reden dat de â waarheid niet veranderen kan. Doch dan is dat geen verwijt, maar integendeel eene lofspraak, die toont met welk een onverbiddelijke gestrengheid de Kerk steeds vasthield aan de taak, haar door Christus opgelegd, toen
Hij sprak: âGraat en onderwijst alle volken ...... hen
leerend onderhouden alles wat Ik u bevolen hebquot; â dat alles, maar ook dat alleen, wat Christus zelf â niet een ander â geleerd heeft; en âzie, Ik ben met uquot; â gij kunt dus niet afdwalen â âtot aan de voleinding der eeuwenquot;. (Matth. XXVIII, 19â20.)
104
Besluit dezer Afdeeling.
Wij hebben dus gezien en begrepen, dat de door Christus gestichte Kerk eenige eigenschappen bezit, welke, als beken uit eene bron, uit den aard zelf dier Kerk voortvloeien, en dus ook onafscheidelijk met haar zijn vereenigd: waar de Kerk van Christus is, zijn die eigenschappen, en waar die eigenschappen zijn, is de ware Kerk; evenals wanneer ik zeg: waar een ziel en een lichaam tot een wezen vereenigd zijn, daar is een mensch, en waar een mensch is, daar is een ziel en een lichaam. En wijl de bedoelde eigenschappen voor iedereen zichtbaar zijn, zijn zij tevens zoovele kenmerken, waaraan de ware Kerk van Christus gemakkelijk en zeker herkend en van alle andere kerkgenootschappen onderscheiden kan worden.
Deze kenmerkende eigenschappen zijn, gelijk wij zagen, de vier volgende:
1°. De ware Kerk van Christus moet één zijn en wel onder tweevoudig opzicht. Zij moet namelijk staan onder de gehoorzaamheid van een zichtbaar Opperhoofd, welk Opperhoofd de wettige opvolger moet zijn van den H. Petrus, door Christus zelveu aangesteld om in zijne plaats, dus als stedehouder of plaatsvervanger van Christus zei ven, de Kerk te besturen. Bovendien moet zij ook één zijn wat hare Geloofsleer betreft en bijgevolg altijd en overal dezelfde leer te gelooven voorstellen.
2°. Moet de ware Kerk van Christus eene heiligt'. Kerk zijn; d. w. z. hare leer, hare instellingen en genademiddelen moeten van dien aard zijn, dat zij hen, die hare leer en leiding getrouw volgen, werkelijk opvoert tot meer dan gewone deugd, tot volmaaktheid en heiligheid: dit is immers het naaste doel, waartoe Christus zijne Kerk heeft
105
gesticht. En wijl er in Jezus' ware Kerk altijd gevonden zullen worden, die in alles hare leiding zoo trouw mogelijk volgen, spreekt het ook vanzelf, dat die Kerk zich ten allen tijde op ware Heiligen zal kunnen beroemen.
3°. Moet de ware Kerk van Christus Katholiek, d. w. z. over geheel de wereld verspreid zijn, omdat zij van haren goddelijken Stichter den last ontving zijne heilige leer te verkondigen aan alle volken der aarde, en zij, als ware Kerk van Christus, aan die roeping niet ontrouw kan worden.
4Ã. Moet zy Apostoliek of Apostolisch zijn, d. w. z. hare overheden, hare herders moeten niet slechts de leer der apostelen verkondigen, maar ook door eene onafgebroken en wettige opvolging met de eerste herders der Kerk. met de Apostelen, in verbinding staan.
In welk Christelijk kerkgenootschap nu vindt men deze vier onmisbare eigenschappen vereenigd? Ik meen duidelijk te hebben aangetoond, dat zij alle vier aanwezig zijn in de katholieke Kerk, en daarentegen ook even duidelijk in geen enkel ander Christelijk kerkgenootschap worden gevonden.
Om slechts eenige punten in het geheugen terug te roepen : waar is bij de Protestanten hun zichtbaar opperhoofd . de wettige opvolger van den H. Petrus ? Hoe staat het met hunne eenheid van geloofsleer? Ontbreekt in het Lutheranisme en het Calvinisme niet duidelijk het kentee-ken der apostoliciteit ? Of klimmen hunne herders of geestelijke overheden door eene onafgebroken opeenvolging tot de tijden der Apostelen op?
De Anglikaansche Kerk â daargelaten dat zij aan een wulpschen koning, Hendrik VIII, haar ontstaan te danken heeft â is zij waarlijk katholiek of algemeen verspreid? Ontbreekt deze noodzakelijke eigenschap ook niet evenzeer
106
bij de zoogenaamde Oud-Roomschen en bij de Grieksche Schismatieken ?
Maar, lezer, als dit alles nu zoo duidelijk is, kan of mag men dan beweren, dat de mensch, die oprecht de waarheid zoekt, een groot verstand behoeft te hebben of geleerd moet zijn, om zich te overtuigen, dat de katholieke Kerk, en zij alleen, de ware Kerk is, welke door Christus werd gesticht? Dat dunkt mij waarlijk niet.
De katholieke Kerk, ik beken het gaarne, bevat èn in hare leer èn in hare voorschriften zaken, welke voor de eigenliefde en gemakzucht van den mensch juist niet aangenaam zijn. Zij leert bijv., dat niet iedereen het recht toekomt de woorden der H. Schrift volgens zijne persoonlijke opvatting te verklaren en aldus op eigen gezag uit te maken, wat men al of niet te gelooven heeft; zij leert, dat de macht, welke Christus aan de priesters zijner Kerk geschonken heeft om de zonden te vergeven of te houden, ook de verplichting in zich sluit om zijne zonden aan den priester bekend te maken, te biechten; zij handhaaft de leer, dat het huwelijk, eens tusschen Christenen gesloten, alleen door den dood kan worden ontbonden en dat bijgevolg , zoolang de beide eerste echtgenooten leven, een tweede huwelijk in de oogen van God geene waarde heeft, niets anders dan eene ongeoorloofde samenleving is. Zij verplicht hare kinderen onder zware zonde, op alle Zon- en feestdagen de H. Mis bij te wonen; zij schrijft verschillende vastendagen en onthoudingsdagen voor. Dat alles is zeker niet âpleizierigquot; en ik begrijp zeer goed, dat iemand, die van jongs af daaraan niet gewend is, zich eenigszins kan laten afschrikken. Doch, niet waar? het geldt hier niet de vraag; in welke Kerk men het pleizierigst en gemakkelijkst kan leven; maar het geldt de vraag, welke Kerk door Christus, onzen goddelijken Heiland, werd gesticht;
107
welke de Kerk is, tot wie Christus gesproker) heeft: âGaat en predikt het Evangelie aan alle schepselenquot;; âIk ben met u tot het einde der eeuwenquot;; âDie u hoort, hoort Mij; die u versmaadt, versmaadt Mijquot;. (Marc. XVI, 15; Matth. XXVIII, 20; Luc. X, 16).
Welnu, op die vraag meen ik een even duidelijk als bezadigd antwoord te hebben gegeven. De ware Kerk is geen andere dan die, welke den wettigen opvolger van Petrus als haar zichtbaar Opperhoofd en als den stedehouder van Christus erkent en eerbiedigt, â is geen andere dan die, welke, na 1900 jaren de stormen der vervolging getrotseerd en den haat en smaad der goddeloozen gedragen te hebben, nog op dit oogenblik in jeugdige kracht en fierheid voor ons staat, â is geen andere dan de katholieke Kerk.
De bewijzen toch. welke de goddelijke Voorzienigheid ons voor de waarheid, voor de goddelijke stichting der katholieke Kerk in handen geeft, zij zijn â ik hoop het te hebben aangetoond â zoo handtastelijk, zoo doorslaand, dat we veilig het woord van den even geleerden als vromen Richard van St. Victor, kunnen herhalen: âZouden we ons bedriegen met de katholieke Kerk als de ware, door Christus gestichte Kerk te erkennen, dan zou die dwaling niet aan ons zijn te wijten, maar zouden wij door God zeiven bedrogen zijn.quot;
Mocht nochtans, lozer, dit alles u nog niet volkomen van de waarheid der katholieke Kerk liebben overtuigd, dan wil ik gaarne de schuld daarvan mij zei ven ten laste leggen; dan wil ik gelooven, dat ik in myn betoog niet zoo duidelijk geweest ben als ik wenschte en ook meende te zijn. Maar vergun mij dan, dat ik u, als vriend, die het oprecht goed met u meen, een praktischen raad geve. Herinner u, wat ik in mijne voorrede zeide, dat namelijk het geloof â ik bedoel het bovennatuurlijke, in de oogen
108
van Grod verdienstelijk geloof â eene gave Gods is, welke door redeneeringen alleen niet kan worden opgedrongen. Ja, zelfs, al zou het mij volkomen gelukt zijn u de waarheid der katholieke Kerk duidelijk te doen inzien, daarmee zou u de schat des geloofs nog niet zijn verzekerd. Dat geloof toch bestaat niet enkel in het inzien en begrijpen , maar in de kinderlijke en nederige onderwerping van ons verstand aan al de waarheden, welke God geopenbaard heeft en door zijne Kerk ons te gelooven voorstelt, onverschillig of die waarheden voor ons bekrompen verstand begrijpelijk zijn of niet. Wat dus gedaan? Bidden, lezer, goed en hartelijk bidden; want, nog eens, dat is hier hoofdzaak. Bid dus iederen morgen en avond, opdat God met zijne genade u helpe om de ware, door Christus gestichte Kerk te mogen kennen en na die Kerk herkend te hebben, u met eene kinderlijke bereidvaardigheid aan hare leer en leiding te onderworpen. Zulk een gebed kan niet anders dan hoogst welgevallig zijn aan God, kan ook onmogelijk worden verstooten. Dezelfde Christus immers, die wil, dat gij zijne Kerk eerbiedigt en gehoorzaamt, dus ook zeker wil, dat gij haar kent, heeft gezegd: âVraagt en gij zult verkrijgen, klopt en u zal worden opengedaan.quot; Hij zal dus uw vurig en volhardend gebed verhoeren; daar moogt gij niet aan twijfelen. Door het licht zijner genade bestraald, zult gij de waarheid in haar vollen glans aanschouwen, uwe pijnlijke onzekerheid zal plaats maken voor de meest onwrikbare overtuiging, en dankbaar voor Gods hulp, zult gij u in de armen werpen van Haar, aan wie Christus de groote taak toevertrouwde, door de verkondiging zijner goddelijke leer, de uitoefening van zijn goddelijk gezag en de uitdeeling zijner hemelsche genademiddelen allen menschen den eenigen en onfeilbaren weg ten hemel te wijzen en die, onafgebroken aan die heilige taak getrouw.
109
reeds aan zoovele duizenden barer kinderen in dit leven de zoetste tevredenheid en in het andere leven de kroon der heiligen heeft geschonken.
In het derde en laatste gedeelte willen wij nu trachten nog eenige nevelen te verdrijven, welke het erkende licht der waarheid zouden kunnen verduisteren, door te antwoorden op enkele bezwaren, welke uit het verschil van belijdenis tusschen Katholieken en Protestanten kunnen opkomen.
DERDE GEDEELTE.
Enkele hoofdpunten van verschil tusschen Katholieken en Protestanten.
Het is onze bedoeling niet hier alle punten te bespreken , waarin de leer der Protestanten in 't algemeen van die der katholieke Kerk afwijkt. quot;Wie het voorgaande met ernst heeft overdacht, moet overtuigd zijn, dat, onder alle zich noemende Christelijke kerken, de Katholieke de eenig ware is, en men bijgevolg met onderwerping en liefde moet aannemen, al wat Grod ons door hare bemiddeling te gelooven voorstelt: âWie u hoort, hoort Mij, wie u versmaadt, versmaadt Mij!quot; (Lucas X, 16).
Wij willen daarom hier alleen, ter krachtiger bevestiging der reeds verkregen overtuiging, of liever ter afwering van sommige opwerpingen, die daartegen op bijzondere punten kunnen rijzen, nog eene korte bespreking wijden aan eenige, meer algemeen bekende leerstukken en instellingen, om te doen uitkomen , hoe redelijk de leer der katholieke Kerk, hoe ongegrond daarentegen de protestantsche leer daaromtrent blijkt te zijn. Voor menigen niet-katholieken lezer moge
Ill
hierdoor tevens de ware leer der Kerk omtrent die leerstukken en gebruiken duidelijk worden.
Ziehier wat wij in 't kort willen beschouwen:
I. Den Bijbel.
II. Het Geloof en de goede werken.
III. De Biecht en de Aflaten.
IV. Het Vagevuur.
V. Het H. Sacramekt des Altaars.
VI. De vereering der Heiligen.
VII. De Mirakelen.
EERSTE HOOFDSTUK.
De Bijbel.
§ 35.
Het hoofdbeginsel der Protestanten, dat de Bijbel alleen genoeg is, om ons te leeren wat wij te gelooven hebben, is om vele redenen onhoudbaar.
De Hervormers verwierpen het leergezag der Kerk, verwierpen ook het gezag der apostolische Overlevering, als kenbron der geopenbaarde waarheid. En wat stelden zij daarvoor in plaats? Den Bijbel en het vrije onderzoek. Terwijl de Katholiek als geloofsregel aanneemt het woord Gods, vervat in de PI. Schrift en de apostolische Overlevering, en verkondigd door het onfeilbaar leergezag dei-Kerk, dus het geschreven en ongeschreven woord Gods, zooals het door de onfeilbare Kerk wordt voorgesteld, verwerpt de Protestant het ongeschreven woord Gods, zoodat hij alleen den Bijbel overhoudt, en stelt hij, in plaats van liet leergezag der onfeilbare Kerk, ieders persoonlijke opvatting of de persoonlijke rede van een ieder, voorgelicht door den H. Geest.
Hij stelt dus ieders persoonlijk of afzonderlijk gezag in plaats van het gezag der Kerk, en terwijl hij ontkent, dat de Kerk door den H. Geest voor dwaling wordt behoed,
113
kent hij een bijstand des IT. Geestes aan iedercn geloovigen Bijbellezer toe, waardoor deze wel niet juist onfeilbaar wordt, maar dan toch het woord Gods zóó verstaat, dat het hem zalig is.
Wij zullen bij dezen bijzonderen bijstand des H. Geestes niet lang stilstaan, maar ons bepalen tot de eenvoudige opmerking , dat die vooreerst niet bewezen wordt, niet noodzakelijk is en, indien hij bestond, tot de tegenstrijdigste meeningen aanleiding zou gegeven hebben, als uit de geschiedenis der Hervorming, reeds der eerste Hervormers, ten over-vloedigste blijkt. Gods Geest echter kan zich zeiven niet tegenspreken; waar bijgevolg tegenspraak is, daar spreekt Gods Geest niet.
Maar beschouwen wij een oogenblik dit beginsel: de Bijbel, de Bijbel alleen, is genoeg om den mensch te lee-ren, wat hij op Gods gezag al of niet moet gelooven. Wat moest uit dat beginsel noodzakelijk volgen? De Bijbel, die op menige plaats onduidelijk is, werd al spoedig, ook zelfs daar waar het de gewichtigste waarheden gold, door den eene in dezen zin, door den andere in tegenovergestelde!! zin verstaan en uitgelegd. Iedereen, die wat vlug wist te praten of te schrijven, won aanhangers voor zijn gevoelen en vormde eene sekte, en wat de eene verdedigde, werd straks door den andere bestreden. Wie had nu de waarheid? Allen te gelijk? Dat kon niet. Door wien of op wat wijze moest dan de zaak uitgemaakt, moesten die onderlinge geschillen worden beslecht? Door het gezag van Luther of Calvjjn ? Maar het stond nu eenmaal vast, dat het geschreven woord van den Bijbel alleen voldoende was, en dat iedereen het recht had, om dat geschreven woord volgens zijne eigene zienswijze te verklaren. Alle verplichtend leergezag had men als onnoodigen ballast over boord geworpen. Aan het gezag van Luther
8
114
had men zich dus evenmin te storen als aan dat van Calvijn of van een ander. ')
Het hoofdbeginsel dus van het Protestantisme, dat het geschreven woord van den Bijbel genoeg is om den mensch te leeren, wat hij al of niet te gelooven heeft, en dat iedereen bevoegd is, op eigen gezag uit den Bijbel zijne godsdienstleer te putten â is geen gezonde, noch heilige, maar eene heillooze leer; omdat zij uit haren aard leiden moet, tot de grootste verwarring op godsdienstig gebied , en zoo van den Bijbel, hoe heilig hij op zicli zelf ook zij, eene bron maakt van de noodlottigste verdeeldheden.
En ware het dit alleen; doch deze godsdienstige verdeeldheden moeten op hare beurt bijna noodzakelijk aanleiding geven tot iets, dat duizendmaal erger is, namelijk tot godsdienstige onverschilligheid. Immers als tegenwoordig een Protestant te midden van al die uiteenloopende sekten en leerstelsels, welke het Protestantisme heeft voortgebracht, de waarheid wil zoeken, dan ligt het voor de hand, dat hij het hoofd in den schoot laat zinken, en moedeloos zegt: âuit al dat geharrewar is niet meer wijs te worden. Ik neem met de meeste Protestanten aan, dat Christus werkelijk God is; doch wat ik voor de rest nog moet gelooven, dat is voor mij niet te achterhalen, en zal dus ook zoo nauw niet luisteren.quot;
Maar, lezer., wij hebben vroeger reeds gezien, dat zulke taal niet alleen uiterst dwaas, maar tevens goddeloos is. Want is Christus waarlijk God, dan luistert het immers wèl nauw wat wij gelooven, en of wij ons bij zijne Kerk
') In zijne Tafelgesprekken, (Uitg. v. 1566, bl. 5) beklaagt zicli Luther dan ook, dat «adellijken, burgers en boeren en haast ieder van hoogeren en lageren stand zich verbeeldde het Evangelie veel beter te kennen dan hij, doctor Luther of St. Paulus zelf.quot;quot; Verg. De Katholiek -1883 bl. 268.
115
aansluiten of niet; dan zijn wij immers streng verplicht die ware leer, welke Hij heeft verkondigd, te gelooven) en ons te onderwerpen aan het gezag dier Kerk, welke Hij gesticht heeft. Maar dan kan ook een beginsel, waaruit godsdienstige onverschilligheid volgt, het ware niet zijn.
Nog een paar vragen :
Als de Openbaring uitsluitend uit den Bijbel en wel door het bijbellezen gekend moet worden, hoe worden zij dan zalig, die niet lezen kunnen? Hebben die soms aan de Openbaring geene behoefte?
Als de Bijbel alleen moet uitmaken, wat men al of niet te gelooven heeft, waaraan moet men zich dan houden, als, gelijk meer dan eens het geval is, de woorden van den Bijbel niet duidelijk, of voor meer uitleggingen vatbaar zijn? Hoe moet men dan te weten komen, wat de Bijbel eigenlijk bedoelt? De Bijbel zelf toch maakt dat niet uit, evenmin als een wetboek zich zelf verklaart.
Denk daar eens over na, lezer, en zeg mij openhartig of het beginsel : âde Bijhei cMeenquot; niet inderdaad onhoudbaar blijkt ?
§ 36.
Uit den Bijbel alleen kunnen de Protestanten onmogelijk bewyzen, dat de geheele Bjjbel, zooals zg dien thuns hebben, Gods woord bevat. Hoe oordeelt de katholieke Kerk over het lezen van den Bijbel?
Omstreeks vier jaar geleden bracht ik een bezoek bij een goeden ouden heer, in de meening, dat de man katholiek was, en wellicht mijne diensten mocht behoeven. Bij mijn
116
binnentreden werd mij aanstonds, nochtans op zeer beleefde wijze, beduid, dat ik mij vergist had. Onze huisheer was protestant en zat met pnjzenswaardigen eerbied te lezen in den Bijbel.
âZoo,quot; dus luidde mijn eerste woord, âter tijdpasseering wat aan 't lezenquot;?
âExcuus, mijnheer, ik lees den Bijbel, het woord Gods, eii zoo iets leest men niet ter tijdpasseering. Ik zoek en vind daarin het voedsel voor mijne zielquot;.
âNu, in ieder geval, ik prijs uw eerbied voor het woord Gods.quot;
âMaar, mijnheer, hoe kunt gij dat zeggen? Ik meen in u toch een katholiek priester te zien, en terwijl u mij prijst om mijn eerbied voor het woord Gods, meent u datzelfde woord Gods aan uwe geloovigen te moeten onttrekken. De Katholieken mogen immers den Bijbel niet lezen?quot;
âWel zeker mogen de Katholieken den Bijbel lezen, maar niet eiken Bijbel, welke hun door den eerste den beste in de hand wordt gespeeld. Dat ware toch wat al te onvoorzichtig. De minder ontwikkelde Katholieken kunnen immers niet onderscheiden, of die Hollandsche, Fransche of Duitsche vertaling^ welke zij vóór zich hebben, getrouw is of niet, en zouden dus gevaar loopen een vervalsohten Bijbel onder de oogen te krijgen. Doch is de vertaling goedgekeurd door den Paus, of is zij onder goedkeuring van een katholieken Bisschop, voorzien van ophelderende aanteekeningeu, aan de H.H. Vaders of andere geleerde katholieke schrijvers ontleend _ dan mag zulk eene vertaling door eiken Katholiek worden gelezen. Die voorzorgen worden echter niet eens gevorderd voor meer ontwikkelde Katholieken, die in staat zijn den Bijbel in eene der zoogenaamde kerkelijke of geleerde talen, bijv. in het Latijn of Grieksch te lezen.quot;
117
âZie, dat wist ik werkelijk niet; ik meende atellig, dat het lezen van den Bijbel den Katholieken eenvoudig verboden was. Maar nu begrijp ik nog minder dan vroeger, waarom de Katholieken zoo weinig gebruik maken van den Bijbel!quot;
âMet uw verlof, dat de Katholieken weinig gebruik maken van den Bijbel, geef ik u zoo voetstoots volstrekt niet toe. Bedoelt men met â de Katholiekenquot; de katholieke Kerk in 't algemeen, dan is uw beweren volslagen valsch. Initners de katholieke godgeleerdheid ontleent al hare bewijsvoeringen en beschouwingen in de eerste plaats aan de H. Schrift; en door de Katholieken zijn geheele bibliotheken over de H. Schriften en hare verklaring volgeschreven; ook de officiëele, zoogenaamde liturgische gebeden en plechtigheden der katholieke Kerk zijn vol van de woorden der H. Schriftuur, niet minder dan de godsdienstige geschriften van hare kinderen, te beginnen met de oudste Kerkvaders en te eindigen met de eenvoudigste boekjes van geestelijke stichting, die dagelijks onze pers verlaten.quot;
âXecu. maar ik bedoel, dat de gewone geloovigen uwer Kerk zoo weinig de Schriftuur lezen en hooren lezen.quot;
âOok dit mag ik u zoo niet toegeven. Want, onze priesters nu daargelaten, die jaarlijks in hun getijden de geheele Schriftuur in hoofdzaak doorloopen : de gewone geloovigen , die hun kerkelijke plichten vervullen , hooren iederen Zon- en Feestdag een gedeelte van het H. Evangelie, voorafgegaan van een ander stuk uit het Oude- of Meuwe Testament voorlezen en gewoonlijk in de preek verklaren en toepassen En het is zeker de wensch der Kerk, dat, met inachtneming van het zoo straks gezegde, hare kinderen een goed en ruim gebruik maken van de lezing der H. Schrift â ruimer, dat wil ik u gewonnen geven, dan velen het plegen te doen. Dit is echter niet de schuld der
118
Kerk, maar van hen, die hare wenschen niet involgen.quot;
âZoo zult gij toch niet ontkennen, dat er bij de Protestanten veel meer werk wordt gemaakt van den Bijbel dan bij de Katholieken?quot;
âDat wil zeggen, de Protestanten, die geen geloofsregel buiten den Bijbel kennen, zijn er natuurlijk zeer op uit het Boek dat voor hen alles is, zooveel mogelijk onder hunne geloofsgenooten te verspreiden. Toegegeven nu, dat daardoor onder hen het gebruik van den Bijbel meer alye-meen is, durf ik beweren dat het gebruik, dat de katholieke Kerk van den Bijbel maakt, veel beter en verstandiger is. Als een goede moeder zoekt zij voor hare kinderen de geschiktste spijzen uit, en wil niet, dat deze, om zoo te spreken, ontoebereid door hen gebruikt worden; terwijl het Protestantisme den Bijbel, zonder verklaring, iedereen in handen geeft, ook aan den minst ontwikkelden en onwetendsten.quot;
âMaar de Bijbel zegt toch, dat alles, wat daar geschreven staat, ter onzer onderrichting is geschreven.quot;
âZeer waar; maar datgene, wat ter onzer onderrichting is geschreven, kan ophouden nuttig te zijn en zelfs zeer gevaarlijk worden voor hen, door wie het niet verstaan wordt; of herinnert gij u niet meer, wat Petrus zelf zegt in zijn tweeden brief: dat er in de brieven van Paulus âsommige dingen voorkomen, die moeilijk te verstaan zijnquot; en dientengevolge, even als de overige Schriften, door ongeleerde en lichtzinnige menschen verkeerd uitgelegd worden, tot hun eigen verderf?quot; (II Petrus III, 16).
âDat is zoo, en ik geef ook gaarne toe, dat vele plaatsen in den Bijbel voor gewone menschen niet verstaanbaar zijn; maar met dat al blijven er toch plaatsen genoeg over, welke door ieder gemakkelijk begrepen en dus ook met vrucht gelezen kunnen worden, en, mij dunkt, dat dit reden
119
genoeg is, om het lezen van den Bijbel iedereen als hoogst nuttig aan te bevelen.quot;
âMet dat gevoelen zou ik volkomen instemmen, als men maar zeker kon zijn, dat zij, wien men den Bijbel in handen geeft, daarin niets anders zouden lezen, dan wat zij begrijpen, en wat zij meenen te begrijpen, zóó begrijpen als het begrepen moet worden, dat wil zeggen, door den H. Geest bedoeld is. Maar, dat dit niet geschiedt, weten we immers allen. Zoo bijv. hoorde ik onlangs iemand beweren, dat alle kerkgebouwen dienden afgebroken te worden, want..... de man had in den Bijbel
gelezen, dat men den Heer âaanbidden moest in geest en waarheid.quot; De katholieke Kerk nu tracht â en wel uit eerbied voor de H. Schrift â zulke misbruiken te voorkomen , zonder nochtans den hoogst nuttigen inhoud der H. Schrift aan hare kinderen te onttrekken. Met datzelfde doel heeft zij bijv. ook ten allen tijde zorg gedragen, dat de verhalen en zedenlessen der H. Schrift meer beknopt en op eene voor het gewone volk verstaanbare wijze zouden worden saam-gevat in een boek, waaraan men gewoonlijk den naam geeft van âHistorie des Bijbelsquot; of âBijbelsche Geschiedenisquot; , gelijk die ook bij u bestaan : wel een bewijs ook van uw kant, dat de Bijbel, zooals hij daar ligt, niet door iedereen, oud en jong, geleerd en ongeleerd, met vrucht gelezen kan worden.quot;
âNu, ja, dat op dergelijke wijze het gevaar voor misverstand en voor dwaze toepassingen het best wordt voorkomen , zal ik niet ontkennen. Maar, nu we toch over deze zaken aan 't praten zijn, als u wil, nog een woordje.quot;
âEn dat is?quot;
âEen poosje geleden was ik hier in gesprek met een Katholiek, en een Katholiek van naam. We kwamen al spoedig op godsdienstig gebied. Natuurlijk waren we 't
120
niet eens. Maar toen ik ter mijner verdediging een beroep deed op den Bijbel, het geschreven woord van Gfod; had de .man de goedheid mij ronduit te zeggen, dat wij Protestanten eigenlijk niet eens het recht hebben, om onzen Bijbel als Grods woord te beschouwen. Vindt u dat niet verregaand?quot;
âDe toon, waarop u dat gezegd werd, kan wel wat onheusch zyn geweest; maar wat de zaak betreft, moet ik eerlijk bekennen, dat ik het eigenlijk met hem eens ben.quot;
âMaar, hoe dat nu?quot;
âWel, het is immers een bekend feit, dat reeds Luther den Bijbel, zooals hij dien uit de katholieke Kerk mede-nam, op meer dan eene plaats eigendunkelijk heeft ver-valscht; en nu geloof ik toch niet dat u een brief, ook al was hij door uwe eigen hand geschreven, nog als uw brief zoudt willen erkennen, wanneer een ander goedgevonden had, daarin verschillende wijzigingen te brengen, hier iets weg te laten, daar iets toe te voegen enz. Doch ook deze gewichtige bedenking terzijde gelaten, en dus ook verondersteld, dat uw Bijbel nergens vervalscht zou zijn, dan nog blijkt het waar, dat de Protestanten als zij zich gelijk willen blijven, onredelijk handelen met den Bybel, zooals zij dien bezitten, ontwijfelbaar zeker te beschouwen als het woord van God.quot;
âMaar is dan de Bijbel niet werkelijk op ingeving van God geschreven?quot;
âOngetwijfeld; maar hoe kunt ge, als Protestant, van die goddelijke ingeving omtrent alle boeken van den Bijbel zeker zij n ?''
âWel, uit den Bijbel zelf. Weet ge dan niet, dat èn Petrus èn Paulus ons getuigen, dat de Heilige Schriften geschreven zijn op ingeving van God? (Zie bijv. 11 Tim. III, 16; II Petr. I, 20, 21.quot;)
121
âZeker, weet ik dat, eu eens aangenomen, dat dit hun getuigenis slaat op al die boeken van het O. Testament, welke destijds door hot Joodsche volk als heilige boeken werden geëerd, alsook op die boeken van het JNquot;. Testament , welke toen reeds waren geschreven, en als var; gelijk gezag door de Apostelen aan de geloovigen werden medegedeeld, koevele en welke zijn dan die boeken, welke daartoe moeten gerekend worden? De Katholieken bijv. rekenen daaronder ook de twee boeken der Macehabeeën; de Protestanten daarentegen niet. Kunt ge nu met den Bijbel alleen in de hand uitmaken wie van beiden gelijk hebben? Bovendien toen de H.II. Petrus eu Paulus dat getuigenis gaven, waren alle boeken van het N. Testament, bijv. het Evangelie van Joannes, nog niet geschreven. Is bovengemeld getuigenis nu ook genoeg om te besluiten , dat ook dit later geschreven boek werkelijk Gods woord is?quot;
âMaar hoe kunt gij. Katholieken, dat dan met zekerheid weten ?quot;
âDat weten wij onfeilbaar zeker, steunend op het gezag der H. Kerk, die bij herhaling uitdrukkelijk heeft verklaard , welke boeken tot de H. Schrift behooren en welke alleen.quot;
âHoe kan uw Kerk dat weten? Kan hare uitspraak soms maken, dat het eene boek door God is ingegeven, het andere niet?quot;
âDat weet de Kerk uit de Overlevering; en daar gij die verwerpt, verwerpt ge tevens het eenige middel, om met volkomen zekerheid te weten, wat tot de H. Schrift behoort en wat niet. De uitspraak der Kerk maakt niet, dat een boek ingegeven is, maar maakt, dat wij zeker ie eten, welke de door God ingegeven boekeu zijn: ziedaar een hemelsbreed verschil.
122
âMaar al zoudt ge ook met zekerheid weten, welke boeken de H. Schrift behelst, dan bleven er immers nog twee punten over, waarvan gij u nooit met volkomen zekerheid vergewissen kunt, namelijk lo. of uwe vertaling den oor-sproukelijken tekst juist weergeeft, en 2o. welke op vele plaatsen de ware zin is der Tl. Schrift.quot;
âJa, maar wij hebben onze dominé's, die wij in twijfelingen kunnen raadplegen.quot;
âZijn die onfeilbaar?quot;
âDe Hemel beware ons! maar zij weten er toch allicht meer van dan een gewoon burgerman.quot;
âEn is dat genoeg, om met onfeilbare zekerheid te weten, wat gij op goddelijk gezag te gelooven hebt, wat ge moet doen en laten om zalig te worden? ....
âEn om nu tot ons punt van uitgang terug te keeren, een Protestant, die aan zijn beginsel getrouw wil blijven, is volkomen in zijn recht, wanneer hij aldus redeneert: Volgens mijne leer behoef ik op godsdienstig gebied niets te gelooven, wat niet in den Bijbel staat. Welnu, in den Bijbel staat niet dat elk der boeken, welke hij bevat, op ingeving van God geschreven is; dus behoef ik ook niet te gelooven, dat alles wat hij te lezen geeft op ingeving van God is geschreven; â bijgevolg geloof ik ook niet meer, dat het woord van den Bijbel werkelijk het woord is van God. En zoover is het dan ook reeds bij velen gekomen. Onder de moderne Protestanten toch zijn er velen, die er volstrekt geen geheim van maken, dat zij aan de goddelijke ingeving van den Bijbel niet meer gelooven. 't Is zeker droevig, en wel des te droeviger, omdat dit verschijnsel een natuurlijk gevolg is der protestantsche leer zelve.quot;
De oude heer beloofde mij, dat hij eens op zijn gemak en rijpelijk over dat alles na zou denken en wij scheidden
123
als beste vrienden. Kort daarop vernam ik tot mijn spijt, dat familieaangelegenheden hem genoodzaakt hadden zich elders metterwoon te vestigen.
Komen wij nu even op een paar punten van ons onderhoud terug.
§ 37.
Dat men alleen het woord van den Bijbel moet geioo-ven, is in strjjd met de waarheid. Wy moeten evenzeer de apostolische overleveringen gelooven. Wat verstaat men hieronder ?
De Apostelen moesten, gelijk wij weten, de waarheden verkondigen, welke Christus hen of in eigen persoon had geleerd, of hun later nog door tussehenkomst van den H. Geest zou openbaren. âIk zal mijn Vader bidden, en hy zal u een anderen Vertrooster geven, den Geest der waarheid. En als die Geest der waarheid tot u gekomen zal zijn, zal Hij u in alle waarheid leeren.quot; (Johan. XIV, 16, 17; XVI, 13).
Dat wij alle waarheden, door de Apostelen verkondigd, moeten gelooven, is voor iedereen allerduidelijkst. Nu komt echter de vraag: hebben de Apostelen al die waarheden opgeteekend of te boek gesteld ? Neen, en dit leeren ons zoowel de H. Schrift zelve als de Kerkvaders en de gebruiken der oorspronkelijke Kerk. Of zegt Paulus niet tot de geloovigen van Thessalonica : âOnderhoudt de overleveringen , welke gij geleerd hebt, hetzij door ons woord, hetzij door ons schrijven?quot; (2 Thess. II, 15). Blijkt niet uit de
124
Brieven der Apostelen zeiven zoowel als uit de Evangeliën) dat deze en met name de eerste, gelegenheidsschriften
waren, niet opgesteld met het doel juist de geheele leer van Christus te onderwijzen, maar slechts enkele, meer bepaalde punten, naar gelang der omstandigheden? Wij geven gaarne toe, dat al de hoofdpunten der Christelijke leer in het Nieuwe Testament staan uitgedrukt; maar waar bijv. leest men het voorschrift van den kinderdoop, toch sinds de eerste tijden der Kerk in zwang? Waar het gebod om, in plaats van den Sabbat, den Zondag te vieren, gelijk de Christenen van den aanvang af gedaan liebbeu ? Waar staat in geheel de H. Schrift deze hoofdleer van het Protestantisme : de Schriftuur alleen is genoeg ? Leest men er niet veeleer het tegendeel, bijv. in de bovenaangehaalde woorden? En al volgt uit de woorden : âGaat over geheel de aarde en predikt het Evangelie aan alle schepselquot; (Mare-XVI: 15) nu wel idet, dat Christus niet geboden heeft zijne leer te boeken, toch volgt uit die plechtige opdracht wel, dat prediken in den eigenlijken zin het hoofdmiddel moest zijn ter verspreiding van Christus' leer; gelijk dit even duidelijk blijkt uit de krachtige woorden van Paulus tot de Romeinen (X, 13â15); âAl wie den naam des Heeren aanroept, zal zalig worden. Maar hoe zullen zij Dengene aanroepen, in wien zij niet gelooven ? Of hoe zullen zij gelooven in Dengene, van wien zij niet gehoord hebben? Maar hoe zullen zij hooren zonder prediker? En hoe kunnen zij prediken, indien zij niet gezonden worden?quot; En hoe te verklaren, dat indien schrijven de hoofdtaak der Apostelen ware geweest, ternauwernood de helft van hen, en slechts naar aanleiding van bijzondere omstandig-heden, aan die taak zouden hebben voldaan ?
Welnu, die waarheden, welke of door Christus zei ven of door den H. Greest aan de Apostelen zijn geopenbaard,
125
en noch door hen, noch door de Evangelisten werden opgeschreven. maar eenvoudig door de Apostelen mondeling zijn gepredikt â die waarheden noemen wij apostolische overleveringen : en dat deze, evenzeer door God geopenbaarde waarheden ook evenzeer geloofd moeten worden als die, welke door de Apostelen werden opgeteekend of te boek gesteld, dat zal wel geen bewijs noodig hebben. Of wordt de waarheid eerst geloofwaardig, wanneer zij opgeschreven is ?
Het is dus niet waar, dat men enkel datgene behoeft te gelooven, wat in den Bijbel geschreven staat; want de Bijbel of H. Schrift is niet de eenige bron, waarin de door God geopenbaarde waarheden zijn vervat. Naast de H. Schrift staan de apostolische overleveringen, en deze laatste zijn voor ons onder zeker opzicht zelfs van grooter gewicht dan de H. Schrift zelve. Waarom? Omdat, gelijk aanstonds duidelijk zal blijken, de goddelijke ingeving der geheele H. Schrift en derhalve de grondwaarheid, dat dit Boek niets dan het woord Gods bevat, alleen uit de apostolische overlevering kan worden bewezen.
§ 38.
Dat de H. Schrift, zooals die thans in haar geheel is samengesteld, op ingeving van (iod geschreven is, weet de Katholiek niet uit de H. Schrift zelve, maar alleen nit de apostolische overlevering.
Uit de nagelaten geschriften der oudste Kerkvaders en Kerkvergaderingen blijkt ten duidelijkste, dat de Kerk van den tijd der Apostelen af de goddelijke ingeving der H.
126
Schrift als een geloofspunt, d. w. z. als een door God geopenbaarde waarheid, heeft voorgesteld. Een van beide dus: ofwel de Kerk moet toen reeds op het dwaalspoor zijn geweest ; maar waar blijft dan de waarheid van Christus' belofte : âZie, Ik ben met u tot het einde der eeuwenquot;? ofwel God moet werkelijk geopenbaard hebben, dat de H. Schrift op zijne ingeving werd geschreven. En van die openbaring moet de Kerk zekerheid hebben; anders toch kon zij die waarheid niet voorstellen als een geloofspunt. Maar vanwaar nu kon de Kerk die zekerheid bezitten ? Gelijk wij reeds zagen (§ 36), niet voor alle boeken uit de H. Schrift zelve; want dat bijv. het Evangelie van den H. Joannes op Gods ingeving is geschreven, dat staat in de H. Schrift stellig niet opgeteekend ; dus kon de Kerk die zekerheid enkel geput hebben uit de mondelinge prediking der Apostelen , m. a. w. uit de apostolische overlevering.
Ziedaar hoe het geloof aan de goddelijke ingeving der H. Schrift, althans in haar geheel en ieder barer deelen beschouwd, op de apostolische overlevering steunt, gelijk de tweede verdieping van een gebouw steunt op de eerste. Een Protestant dus, die met Luther en Calvijn de apostolische overlevering verwerpt, en beweert op godsdienstig gebied niets te gelooven, dan wat in de H. Schrift geschreven staat, graaft zich zeiven den grond onder de voeten weg; want hij maakt het zich volstrekt onmogelijk te bewijzen , dat zijn H. Schrift werkelijk het woord van God is. Hij breekt de eerste verdieping af, zonder te bedenken, dat door het afbreken der eerste, ook de tweede verdieping noodwendig in puin moet neerstorten.
127
§ 39.
De zekerheid evenwel, welke de gewone geloovigen omtrent de goddelijke ingeving der H. Schrift he!)ben, steunt hij hen niet onmiddellijk op de apostolische overlevering, maar op het onfeilbaar leergezag der katholieke Kerk.
Uit het voorgaande zon men wellicht de volgende opwerping kunnen afleiden: laat de katholieke Kerk of hare oversten uit de apostolische overlevering kunnen opmaken, dat, volgens de leer der Apostelen, die boeken, welke wij H. Schrift noemen, op Gods ingeving geschreven zijn, die overlevering is toch geen geschikt middel voor de gewone geloovigen. Dezen zijn immers niet in staat de geschriften der oudheid te doorsnuffelen, en daaruit te onderzoeken, wat de Apostelen al of niet hebben gepredikt.
Die opmerking, welke niet alleen voor deze waarheid, maar tevens voor zeer vele andere geldt, is volkomen juist. Want werkelijk, als de gewone geloovigen door eigen studie moesten onderzoeken en uitmaken, welke waarheden door de Apostelen mondeling aan de Kerk zijn overgeleverd, zou het er bedroefd uitzien. Doch, gelukkig is dat volstrekt niet noodig. Zij hebben daarvoor een ander middel, dat veel meer in hun bereik ligt en tevens voor hen veel veiliger is. En dat middel is het onfeilbaar leergezag der katholieke Kerk. Een Katholiek immers is in merg en been overtuigd, dat de katholieke Kerk de ware Kerk is, welke eens door Christus werd gesticht. Die innige overtuiging heeft hij, omdat hij, ook zonder veel geleerdheid, gemakkelijk inziet, dat de eigenschappen, welke de ware Kerk van Christus noodzakelijk hebben moet, alleen in de katholieke Kerk worden gevonden. Hij weet verder, dat Christus aan zijne Kerk zijn voortdurenden bijstand heeft toegezegd: âZie, Ik ben met u tot het einde
128
der eeuwen.quot; Hij weet ook, dat Christus tot zijne Kerk heeft gezegd: âDie u hoort, hoort Mij; die u versmaadt, versmaadt Mij,quot; daardoor alle menschen in geweten verplichtend de leer der Kerk als zijne leer te eerbiedigen. Bijgevolg is ook ieder Katholiek innig overtuigd, dat de katholieke Kerk, welke hij als de ware Kerk van Christus erkent, hem in geloofszaken nooit zal noch kan bedriegen. Immers als Christus met zijne Kerk is, kan Hij onmogelijk toelaten, dat zij door het verkondigen eener valsche leer, de menschen om den tuin zou leiden, en nog veel minder zou Christus ons in geweten kunnen verplichten om eene leer, welke met de waarheid in strijd is, als zijne leer te eerbiedigen. Welnu, de katholieke Kerk, welke zich zoo duidelijk als de ware Kerk van Christus toont, zij leert, dat volgens de apostolische overleveringen, die en die boeken op ingeving van God zijn geschreven , en dit is voor ieder kind dier Kerk meer dan genoeg, om van de waarheid dezer leer volkomen overtuigd te zijn.
Ofschoon dus, zoowel de Protestanten als de Katholieken gelooven, dat de H. Schrift op Gods ingeving geschreven is, bestaat er toch tusschen beiden een ontzettend verschil : de Katholiek weet waarom. Hij gelooft namelijk die waarheid, omdat de katholieke Kerk, van wier onfeilbaar leergezag hij volkomen overtuigd is, hem leert, dat die waarheid door de Apostelen mondeling is gepredikt en dus in de apostolische overlevering is vervat. De Katholiek kan zich dus verantwoorden, maar de Protestant kan dat niet. Hij toch houdt zich enkel aan hot woord van den Bijbel ; doch daaruit kan volstrekt niet worden opgemaakt, dat al die boeken, welke hij als boeken der H. Schrift beschouwt, werkelijk op ingeving van God geschreven, inderdaad het geschreven woord Gods zijn.
129
§ 40.
Korte samenvatting van hetgeen over de leer der Protestanten ten opzichte van den Bybel is gezegd.
Het Protestantisme heeft voor hoofdbeginsel, dat het geschreven woord van den Bijbel alleen volkomen genoeg is, om iedereen te leeren, wat hij op godsdienstig gebied al of niet heeft te gelooven en te doen.
Dat hoofdbeginsel is noodlottig:
1°. Omdat het uit zijn aard leiden moet en ook reeds geleid heeft, tot de grootste en rampzaligste geloofsver-deeldheden.
Immers de H. Schrift is op menige plaats veel te onduidelijk om door iedereen te worden verstaan. Er moet dus buiten de H. Schrift nog een levend gezag zijn, dat de bevoegdheid bezit om tusschen de uiteenloopende verklaringen, welke aan vele woorden der H. Schrift gegeven kunnen worden, uitspraak te doen en op wiens uitspraak iedereen met volkomen zekerheid vertrouwen kan. Dat levend gezag nu is geen ander dan het onfeilbaar leergezag der Kerk, aan wie de door God geopenbaarde waarheden ter bewaring zijn toevertrouwd.
Als men dus met Luther en Calvijn dat levend gezag der Kerk verwerpt, en aan iedereen het recht toekent, om op eigen gezag uit de H. Schrift op te maken, wat men al of niet te gelooven heeft, dan moet het woord der H. Schrift, eenerzijds door zijne mindere duidelijkheid, anderzijds door 'smenschen onwetendheid en hartstocht, noodwendig worden, wat het in de handen der Protestanten reeds lang geworden is: de bron der grootste verwarring en verdeeldheid op godsdienstig gebied.
2°. Is dat beginsel nog heilloos, omdat het den Protes-
9
130
tanten het middel uit de hand neemt, om zich met zekerheid te overtuigen, dat de geheele Bijbel, gelijk zij dien thans hebben, werkelijk het woord Gods is.
De goddelijke ingeving toch der geheele Schriftuur kan niet uit de H. Schrift zelve, maar alleen uit de apostolische overleveringen worden aangetoond. Houdt men dus vol, dat de inensch niets anders behoeft te gelooven, dan wat in den Bijbel geschreven staat, dan moet men ook toegeven, dat men geen degolijken grond heeft om te gelooven , dat alles wat de Bijbel leert, inderdaad het woord van God is. Wanneer er dus onder de moderne Protestanten zoovelen zijn, die het woord van den Bijbel niet meer als het woord Gods eerbiedigen, dan is dit een uitvloeisel dei-leer zelve van het Protestantisme.
TWEEDE HOOFDSTUK.
Het geloof en de goede werken.
§ 41.
Wat leerde Luther over het geloof en de goede werken?
Volgens de leer van Luther is onze menschehjke natuur ten gevolge der erfzonde zoozeer in haar diepste wezen ontaard en bedorven, dat we tot geen enkel goed werk meer in staat zijn, ja zelfs dat al onze werken, ook die, welke we gewoon zijn goede werken te noemen, slecht en zondig zijn. Alleen aan hen, die in Christus gelooven, worden zij niet als zondig toegeschreven.
Ziehier Luther's eigene woorden; âledergoed werk, al is het nog zoo goed verricht, is eene schandelijke zonde. Ja zelfs ieder werk van den rechtvaardige is vloekwaardig, is eene doodzonde.quot; ')
Daarom leerde Luther dan ook, dat goede werken volstrekt niet noodig zijn ter zaligheid, en dat de mensch
!) Assert, omn. Art. opp. Tom. 1[. (Cfr. Antilatom. (Confut. Luth. rat. Latom.) fol. 406, 407)..
132
door het geloof alleen zijn eeuwig heil kan en moet bewerken. âThans ziet gij,quot; dus lezen wij in zijne werken, âhoe rijk de Christen of de gedoopte is; want zelfs wanneer hij wil, kan hij zijne zaligheid niet verliezen, hoe groot zijne zonden ook zijn, tenzij hij niet wille gelooven. Geene zonde kan hem verdoemen, dan alleen het ongeloof.quot; 1).
Maar, ik vraag u, waar moet dat heen? Men kan zich immers aan de schandelijkste zonden overgeven, zonder daarom het geloof te verliezen. Als men dus aanneemt, dat het geloof alleen genoeg zou zijn ter zaligheid, dan stelt men den weg open tot de grootste losbandigheid. En toch, zonder daarvoor terug te schrikken, durfde Luther aan zijn vriend Melanchton schrijven : âZondig er maar op aan, maar geloof nog sterker. Zondigen moeten wij, zoolang we op aarde zijn. Het is genoeg, dat we vastehjk gelooven aan Christus, het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt. Van Christus zal ons de zonde niet scheiden, al zouden we ook duizendmaal daags de zwaarste zonde bedrijven.quot; 2)
Wat dunkt u, lezer, is dat eene heilige leer? Kan dat nu die leer zijn, welke Christus op deze wereld heeft gebracht, om den mensch van de zonde terug te houden en hem den weg te wijzen naar den hemel? Moest volgens zulk eene leer de Kerk, naar het heette, âhervormdquot; worden? Daardoor het âzuiverequot; Evangelie tot nieuwen bloei komen ? Is het bovendien geene ongerijmdheid den mensch van natuur zóó slecht en bedorven te onderstellen, dat hij bij alles, wat hij doet, noodzakelijk zondigt? Wie toch kan in ernst aannemen, dat de mensch, al is hij ook
1
') De Capt. Babyl. Tom. II, pag. 264. Verkl. v, d. Brief aan de Galaten.
2
) Episl. Dr. Mart. Luth. ed. a. Joh. Aurifabro. Coll. I, Jena quot;1536
133
een Turk of heiden, eene zonde zou bedrijven, als hij bijv. uit medelijden een aalmoes geeft aan een armen ongelukkige ?
§ 42.
Wat leert de katholieke Kerk omtrent het geloof en de goede werken ?
Zij leert, dat het geloof het eerste en noodzakelijkste vereischte is ter zaligheid.
âHet geloof,quot; dus zegt de Kerkvergadering van Trente, âis het begin van 's menschen heil, de grondslag en de wortel van alle rechtvaardigmaking.quot; âZonder het geloof is liet onmogelijk aan Grod te behagen.quot; (Hebr. XI, 6) De katholieke Kerk leert dus ook, dat de goede werken, welke niet uit het geloof voortkomen, ons niet de minste aanspraak geven op eene bovennatuurlijke belooning. Maar daaruit besluit de katholieke Kerk niet, dat het geloof alleen, zonder goede werken, ter zaligheid voldoende is. Integendeel, dit zou in strijd zijn met de leer van den Apostel: âAl had ik,quot; dus zegt hij, âeen geloof, groot genoeg om bergen te verzetten, als ik de liefde niet heb, ben ik niets.'' ')
Het geloof moet dus vergezeld gaan van de liefde. De katholieke Kerk leert verder, dat de mensch zich ook moet toeleggen op de beoefening van goede werken. Waarom? Omdat de liefde, welke ons geloof vergezellen moet, van
!) I Cor. XIII: 2.
134
ons vordert, dat wij Christus' geboden onderhouden. âAls gij Mij bemint, onderhoudt mijne gebodenquot;, zegt Christus (Joan. XIV, 15), en een weinig verder (v. 21): âDie mijne geboden heeft en ze onderhoudt, hij is 't, die Mij bemint.quot; Maar wat heeft Christus ons geboden ? Heeft Hij ons gezegd, dat de goede werken niet noodig zijn? Verre vandaar. Christus heeft ons wel degelijk op het hart gedrukt, dat wij moeten bidden zoo voor anderen als voor ons zeiven, dat we ons moeten verloochenen en versterven, dat we kwaad met goed moeten vergelden, dat we barmhartig en milddadig moeten zijn voor armen en ongelukkigen. Maar zijn dat geen goede werken ? Het is dus zonder twijfel de wil van Christus, dat we niet alleen gelooven, maar dat we ons ook op de beoefening der goede werken toeleggen; of, gelijk de Apostel het in drie woorden volmaakt uitdrukt, ITij vordert van ons: veen geloof, dat teer kt door de liefde-,'''' het geloof is de wortel, de liefde de stam, de werken zijn de vruchten, liet een moet uit het ander vanzelf voortkomen.
Ja, wat meer is, Christus verzekert ons, dat Hij aan de verdoemden in den jongsten oordeelsdag juist het gemis aan goede werken als de hoofdreden zal aanwijzen van hunne vervloeking. âIk was hongerig, en gij hebt Mij niet gespijzigd. Ik was naakt, en gij hebt Mij niet gekleed enz.... Weg van Mij, vervloekten, in het eeuwig vuurquot;! (Matth. XXV, 41 volgg.).
Is nu, lezer, de leer der katholieke Kerk ten opzichte van het geloof en de goede werken niet vrij wat redelijker dan die van Luther ? Is zij niet meer gelijkvormig ook aan de uitspraken der H. Schrift?
Maar misschien zult gij zeggen: ik heb altijd gehoord, dat de Katholieken hun eeuwig heil zoeken in hunne goede werken alleen, zonder de verdiensten van Christus, en het was juist hiertegen dat Luther in verzet kwam.
155
Maar, lezer, 1°. Dan is Luther al zeer ongelukkig geweest in de keuze zijner woorden, want zijne woorden drukken heel wat meer en heel wat anders uit.
Doch 2° dat de Katholieken meenen hunne zaligheid te kunnen bereiken door hunne goede werken alleen, zonder de verdiensten van Christus, is eenvoudig een lasterlijk verzinsel. De katholieke Kerk toch leert uitdrukkelijk, dat de bovennatuurlijke waarde onzer goede werken niet aan onze natuurlijke krachten, maar aan de goddelijke genade van Christus moet worden toegeschreven. Ziehier de eigen woorden der Kerkvergadering van Trente, waarin deze waarheid ons als een geloofspunt wordt voorgesteld:
âWanneer iemand zegt: de mensch kan door zijne werken, die óf uit kracht der menschelijke natuur, of ten gevolge van de leer der wet geschieden, zonder de goddelijke genade van Jezus Christus, voor God gerechtvaardigd worden , die zij in den ban.quot; (Sess. VI. Can. 1). Kan het klaarder en krachtiger?
Als Luther dus niets anders wilde beweren, dan dat de goede werken alleen, zonder de genade van Christus, ons niet baten ter zaligheid, dan leerde hij juist hetzelfde, wat de katholieke Kerk altijd heeft geleerd; en had hij bijgevolg niet de minste reden, zich wegens dit punt tegen de katholieke Kerk te verzetten. Bovendien begrijp ik dan ook niet, waarom hij den Brief van den H. Apostel Jacobus niet met zijne leer kon vereenigen en daarom de vermetelheid had, dien brief als onecht, als valsch, als een âstroobriefquot; te verwerpen, alleen wijl daarin herhaaldelijk staat te lezen, dat âhet geloof zonder de werken dood is.quot; (II, 17, 20, 24, 26). De Katholieke Kerk immers heeft tusschen de leer van den H. Jacobus en hare leer altijd volkomen overeenstemming gevonden.
DERDE HOOFDSTUK.
De Biecht en de Aflaten.
§ 43.
De Biecht is geene kerkelijke, maar eene goddelijke i ustelling.
Tot de vele, allerheiligste en allerheilzaamste instellingen , door de Hervormers afgeschaft, onder voorwendsel, dat die niet in de H. Schrift staan vermeld, doch gewoonlijk in den grond der zaak, omdat zij hinderlijk zijn voor den hoogmoed of de zinnelijkheid onzer bedorven natuur, behoort ook het H. Sacrament der Biecht.
De Biecht, zoo zegt men, is geene instelling van Christus en dus ook geen Sacrament. Zij is eenvoudig eene uitvinding van de katholieke Kerk, en werd zelfs eerst latei-door haar ingevoerd.
Best! maar in welke eeuw, in welke Kerkvergadering, onder welken Paus heeft de invoering der Biecht dan plaats gehad? â quot;Wel, zegt men, dat is zeer duidelijk: de Biecht is ingevoerd in de IVe Kerkvergadering van Lateranen in 1215, onder Paus Innocentius III.
137
Nu, als dat zoo duidelijk is, laat ons dan eens zien. Ziehier eene letterlijke vertaling van alles wat in genoemde Kerkvergadering over de Biecht wordt gezegd:
âAlle geloovigen van beider geslacht moeten, nadat z;j tot de jaren van onderscheid zijn gekomen, ten minste eens in het jaar hunne biecht spreken, de hun opgelegde boete naar behooren volbrengen en ten minste met Paschen het H. Sacrament des Altaars (d. i. de H. Communie) ontvangen ; anders zullen zij bij hun leven uit de Kerk worden gesloten, en na den dood verstoken blijven van de Christelijke begrafenis.quot;
In dit decreet wordt dus, onder bedreiging van strenge straffen bepaald, dat de geloovigen ten minste eenmaal in het jaar te biechten en te communie moeten gaan.
Volgt daar nu uit, dat de geloovigen vóór dien tijd niet behoefden te biechten, noch te communiceeren? Zoo iets kan alleen beweerd worden door iemand, die o. a. met de gebruiken en uitspraken der Kerk uit de voorafgaande eeuwen volstrekt onbekend is. Nu die echter overvloedig bekend zijn, komt alles, wat er redelijkerwijze uit besloten kan worden, hierop neer, dat er vóór dien tijd flauwe Christenen schijnen geweest te zijn â gelijk er na dien tijd helaas! nog zijn â die zelfs niet eens in 'tjaar tot de lïH. Sacramenten der Biecht en der Communie naderden. Doch, ziehier rechtstreeksche getuigenissen van vroegere eeuwen, waaruit de verplichting der Biecht ten duidelijkste volgt.
In April 742 hielden de Duitsche bisschoppen eene bijeenkomst of vergadering, in de Kerkelijke geschiedenis bekend onder den naam van het 1° Duitsche Concilie {Concilium Germanicum Is). In de tweede bepaling nu, welke door deze vergadering werd gemaakt, lezen we de volgende merkwaardige woorden: âIeder prefekt of overste
DERDE HOOFDSTUK.
De Biecht en de Aflaten.
§ 43.
De Biecht is geeue kerkelijke, maar eeue goddelyke instelling.
Tot de vele, allerheiligste en allerheilzaamste instellingen , door de Hervormers afgeschaft, onder voorwendsel, dat die niet in de H. Schrift staan vermeld, doch gewoonlijk in den grond der zaak, omdat zij hinderlijk zijn voor den hoogmoed of de zinnelijkheid onzer bedorven natuur, behoort ook het H. Sacrament der Biecht.
De Biecht, zoo zegt men, is geene instelling van Christus en dus ook geen Sacrament. Zij is eenvoudig eene uitvinding van de katholieke Kerk, en werd zelfs eerst latei-door haar ingevoerd.
Best! maar in welke eeuw, in welke Kerkvergadering, onder welken Paus heeft de invoering der Biecht dan plaats gehad? â Wel, zegt men, dat is zeer duidelijk: de Biecht is ingevoerd in de IV' Kerkvergadering van Lateranen in 1215, onder Paus Innocentius III.
137
Nu, als dat zoo duidelijk is, laat ons dan eens zien. Ziehier eene letterlijke vertaling van alles wat in genoemde Kerkvergadering over de Biecht wordt gezegd:
âAlle geloovigen van beider geslacht moeten, nadat zij tot de jaren van onderscheid zijn gekomen, ten minste eens in het jaar hunne biecht spreken, de hun opgelegde boete naar behooren volbrengen en ten minste met Paschen het H. Sacrament des Altaars (d. i. de H. Communie) ontvangen ; anders zullen zij bij hun leven uit de Kerk worden gesloten, en na den dood verstoken blijven van de Christelijke begrafenis.quot;
In dit decreet wordt dus, onder bedreiging van strenge straffen bepaald, dat de geloovigen ten minste eenmaal in het jaar te biechten en te communie moeten gaan.
Volgt daar nu uit, dat de geloovigen vóór dien tijd niet behoefden te biechten, noch te communiceeren? Zoo iets kan alleen beweerd worden door iemand, die o. a. met de gebruiken en uitspraken der Kerk uit de voorafgaande eeuwen volstrekt onbekend is. Nu die echter overvloedig bekend zijn, komt alles, wat er redelijkerwijze uit besloten kan worden, hierop neer, dat er vóór dien tijd flauwe Christenen schijnen geweest te zijn â gelijk er na dien tijd helaas! nog zijn â die zelfs niet eens in 'tjaar tot de HH. Sacramenten der Biecht en der Communie naderden. Doch, ziehier rechtstreeksche getuigenissen van vroegere eeuwen, waaruit de verplichting der Biecht ten duidelijkste volgt.
In April 742 hielden de Duitsche bisschoppen eene bijeenkomst of vergadering, in de Kerkelijke geschiedenis bekend onder den naam van het le Duitsche Concilie {Concilium Germanicum I). In de tweede bepaling nu, welke door deze vergadering werd gemaakt, lezen we de volgende merkwaardige woorden; âIeder prefekt of overste
138
der soldaten moet een priester bij zich hebben om de biecht te hooren en de boete op te leggen!quot; ^ Dezelfde bepaling werd nogmaals herhaald in eene latere bijeonkomst dei-bisschoppen, te Mainz in 813.
Hoe zulk eene bepaling nu te verklaren, als de verplichting om te biechten destijds niet eens bestond? Zouden de soldaten misschien louter uit liefhebberij hebben gebiecht ?
In een der brieven van den H. Leo, die als Paus van 440â461 regeerde, lezen wij, dat hij degenen berispt, die durfden vorderen, dat de geloovigen hunne zonden opschreven en in 't openbaar voorlazen; âwant,quot; dus voegt hij er bij, âhet is genoeg, dat zjj hunne zonden in het geheim alleen aan de priesters openbaren.quot; 1)
Van den H. Ambrosius (f 397) verhaalt zijn tijdgenoot en vertrouweling Paulinus de volgende merkwaardigheid: âZoo dikwijls iemand bij hem zijne zonden beleden had, werd Ambrosius zelf tot tranen bewogen, en wist door zijne eigene tranen ook den zondaar te bewegen, zijne zonden te betreuren.quot; 2)
De H. Basilius (f 379) zegt, dat men bij het belijden zijner zonden op dezelfde wijze te werk moet gaan als bij het openbaren van lichaamsgebreken. Gelijk men de gebreken des lichaams niet onverschillig aan iedereen blootlegt , maar alleen aan hen, die de kunst verstaan om ze te genezen, zoo ook moet men zijne zonden openbaren alleen aan hen, die ze genezen kunnen. En wie die personen zijn, geeft hij duidelijk te kennen, als hij zegt, âde zonden moeten noodwendig worden blootgelegd aan hen, aan wie de bediening van Gods geheimen is toevertrouwd.quot; ')
1
'') Epist, '148 ad. Episc. Campaniae.
2
) Paulinus in Vita Ambrosii n. 39.
'') De Regulis hrevioribus. Reg. 229, 288, 110.
139
Nog een aantal andere getuigenissen zou ik kunnen aanwijzen ; doch de aangehaalde zullen wel voldoende zijn om te toonen, dat de verplichting om zijne zonden aan den priester te belijden vóór de Kerkvergadering van Lateranen in 1215 evenzeer bestond als daarna, en dat er bijgevolg in die Kerkvergadering van het invoeren der Biecht onmogelijk sprake kon zijn.
Als ge 'tdus, wat ik nu durf vertrouwen, met mij eens zijt, dat de Biecht zeker niet ingevoerd is door de Kerkvergadering van Lateranen in 1215, wanneer zou ze dan door de Kerk zijn ingevoerd? Natuurlijk vroeger, zegt ge. Maar in welk jaar? Of ten minste in welke eeuw dan? In de 3de of 4de eeuw misschien? Goed, maar;
1°. Hoe komt het dan, dat in de verschillende boeken en geschriften, welke ons uit dien tijd zijn overgebleven, van die gebeurtenis volstrekt geen melding wordt gemaakt? De Biecht is toch waarlijk zoo'n kleinigheid niet, dat ze zoo maar kon worden binnengesmokkeld, zonder dat er een haan naar kraaide. Van andere voorschriften van veel minder beteekenis meldt ons de kerkelijke geschiedenis, wanneer en door wien ze werden uitgevaardigd, ook al dagteekenen zij uit de eerste eeuwen der Kerk, en, zie het invoeren der Biecht, welke (in de veronderstelling, dat zij niet altijd had bestaan) noodwendig veel opzien en opspraak verwekken moest, zou door de kerkelijke schrijvers van dien tijd onbesproken zijn gebleven! Mij dunkt, men moet een sterke verbeelding hebben, om zoo iets te kunnen onderstellen.
2°. De Biecht brengt voor de priesters, die ze moeten aanhooren en daarbij volgens plicht en geweten moeten handelen, een zeer vermoeienden last en eene zware verantwoording mede, gelijk iedereen vanzelf zal begrijpen.
Bovendien, de verplichting om zijne zonden te biechten
140
geldt, volgens de leer der Kerk, niet alleen voor de gewone geloovigen, maar ook evenzeer voor de overheden der Kerk zeiven. Want â ik weet niet, of dit bij andersdenkenden wel algemeen genoeg bekend is â ook de priesters, indien zij ooit het ongeluk mochten hebben in zware zonde te vallen, zijn tot biechten gehouden; en zoo diep zijn zij in hun hart overtuigd van de goddelijke kracht van dit Sacrament, dat zij, ook zonder noodzakelijkheid, alleen om van kleinere, dagelijksche gebreken en fouten, des te zekerder door middel van dit H. Sacrament vergiffenis te bekomen en aan de genade deelachtig te worden, welke het waardig ontvangen van dit Sacrament in de ziel stort, meer nog dan de gewone geloovigen daarvan gebruik maken.
Kan men nu in gemoede aannemen, dat de overheden der Kerk zich zulk een zwaren en tevens voor de natuur van den mensch zoo vernederenden last zouden hebben op den hals gebaald, als die last of die verplichting niet door Christus zelf ware opgelegd?
3° Doch ook al had de Kerk op eigen gezag de Biecht willen invoeren, dan nog zou zij in die poging nimmer zijn geslaagd. Immers verbeeld u eens, dat in de eerste tijden der Kerk van de Biecht volstrekt geen sprake ware geweest, maar dat de Kerk later, bijv. inde 3de of 4cle eeuw, daarmee te voorschijn ware gekomen. Wat moeten de geloovigen dan wel vreemd hebben opgezien, toen hun voor het eerst gezegd werd : âVroeger hebt gij wel is waar niet gebiecht, uwe voorouders deden het ook niet, tot heden was dat niet noodig, maar, weet wel! voortaan moet dat gebeuren. Iedereen, die vergiffenis van zijne zonden wil verkrijgen, zal voortaan verplicht zijn, zijne zonden aan den priester te belijden.quot; Zou zulk een nieuw en hard voorschrift er bij de geloovigen maar voetstoots zijn ingegaan? Dat laat zich toch waarlijk niet denken. Het ligt immers voor de hand.
141
dat zij zouden gezegd hebben : de H. Kerk heeft wel het recht ons verplichtingen op te leggen, bijv. vastendagen voor te schrijven en dergelijke zaken meer, maar zij heeft het recht niet, iets te veranderen in de leer, welke zij van Christus ontvangen heeft. Als nu volgens die leer van Christus onze voorouders zonder biechten vergiffenis van hunne zonden konden verkrijgen, dan kan de Kerk ons niet beduiden, dat dit niet meer gelden zou voor ons.quot; En zij zouden voor die ongehoorde en onaangename verplichting wijselijk en heuschelijk hebben bedankt, zooals later de Protestanten, doch zonder eenig recht, er zich van hebben afgemaakt.
Uit dit een en ander kunnen we dus veilig opmaken, dat de Biecht onmogelijk eene instelling kan zijn van de Kerk, en streng genomen zou dit ook reeds genoeg zijn om ons te overtuigen, dat de Biecht ingesteld moet zijn door Christus zeiven. Maar toch met dit bewijs behoeven we ons niet tevreden te stellen. Ik heb deze opmerkingen slechts vooraf willen maken, om eenige moeielijkheden uit den weg te ruimen, welke soms tegen de Biecht worden ingebracht. Het groote, doorslaande bewijs echter voor de goddelijke instelling van het H. Sacrament der Biecht vinden we in de H. Schrift, in de woorden van Christus zeiven. Hoe is dat mogelijk? vraagt ge; heeft Christus ooit gezegd, dat wij onze zonden aan den priester moeten belijden ? Het antwoord op deze vraag geeft u de volgende §.
§ 44.
Heeft Christus ooit gezegd, dat wjj onze zonden moeten biechten?
Met onderscheid: Christus heeft, voor zooveel wij uit de Schriftuur weten, wel is waar, niet met zooveel woorden
142
gezegd: âmenschen, ik wil, dat gij uwe zonden aan den priester belijdtquot;, maar toch heeft Christus ons die verplichting opgelegd. Hoe dat? Door aan zijne Kerk eene macht te schenken, welke zonder dat de mensch zijne zonden belijdt, onmogelijk naar behooren door haar kan uitgeoefend worden; eene macht derhalve, welke de verplichting om zijne zonden te belijden, noodzakelijk in zich sluit.
Hoe toch heeft Christus tot zijne Apostelen gesproken ? âOntvangt den H. Geest! Wier zonden gij zult vergeven hebben, dien zijn zij vergeven; wier zonden gij zult gehouden hebben, dien zijn zij gehoudenquot;. (Joan XX, 22â23.) Met deze woorden ontvingen dus de Apostelen en hunne wettige opvolgers de macht â niet om in alle mogelijke gevallen de zonden te vergeven, ook niet om altijd de zonden te houden, maar om één van beide te doen, óf te vergeven, of te houden, d. i. niet te vergeven. Maar mogen nu de Apostelen of hunne opvolgers, de priesters, bij het uitoefenen dier macht blindelings te werk gaan? Zou het de bedoeling van Christus geweest zyn, dat de verhevene macht, welke Hij hier aan zijne Kerk schonk, door de bedienaren der Kerk zonder oordeel en naar willekeur werd uitgeoefend? Veronderstel eens, lezer, dat H. M. de koningin u de macht zou geven, om in uwe woonplaats allen, die zich tegen de wetten vergrepen hebben, hunne verdiende straf kwijt te schelden of niet kwijt te schelden, met de belofte, dat uwe beslissing door haar koninklijk gezag zal worden bekrachtigd. Zoudt gij dan meenen daardoor het recht ontvangen te hebben om naar willekeur aan den ééne alles kwijt te schelden, en den andere niet, zonder te weten wat zij misdaan hadden en hoe zij thans gestemd zijn, zonder eenig onderzoek in te stellen ? Zoudt gij meenen, dat een verstandig vorst zich ooit kon verbinden, om zulk een lichtvaardig vonnis met zijn opperst gezag te
143
bekrachtigen? Dat ware al te dwaas! 't Spreekt immers vanzelf, dat gij bij de uitoefening dier macht, ook al heeft de vorstin dit niet uitdrukkelijk bevolen, met billijkheid en met onderscheiding te werk moet gaan, en dat gij dus, alvorens eene beslissing te nemen, eerst op de hoogte moet zijn van hetgeen de verschillende personen misdreven hebben, en of zij bereid zijn de wetten voortaan beter te onderhouden of niet? Welnu, Christus gaf aan zijne Apostelen de macht, om in zijnen naam en op zijn gezag de zonden te vergeven of te houden, onder belofte dat hunne beslissing in den hemel zou worden bekrachtigd. Alleen reeds de verhevenheid dezer macht vordert, dat zij door de bedienaren der Kerk worde uitgeoefend niet blindelings en naar willekeur, maar met de noodige voorzichtigheid , met oordeel en onderscheiding. Maar hoe kan nu de priester, de bedienaar der Kerk, bij het uitoefenen dier macht, met oordeel en beleid te werk gaan, als hij niet eens weet, wat hij al of niet te vergeven heeft ?
Om dit nog duidelijker te maken, stellen we een voorbeeld. Een honderdtal geloovigen bieden zich bij den priester aan om. volgens de macht, welke Christus aan zijne Kerk geschonken heeft, vergiffenis te verkrijgen van hunne zonden. Veronderstellen wij zelfs, hoewel dit, streng genomen, niet eens vereischt zou worden, dat allen eenparig zeggen: âwij hebben gezondigd en wij gevoelen daarover berouwquot;; maar zonder dat iemand zegt, wat hij misdaan heeft. Wat zou nu in zulk geval de priester moeten doen? Zonder eenig onderzoek, aan allen vergiffenis schenken, of die kortweg aan allen weigeren, of de eerste helft daarmede begunstigen, de andere niet ? Zou dat een waardig gebruik zijn van de macht, door Christus aan zijne Kerk geschonken? Neen. de priester moet de zonden vergeven of houden, maar hij moet weten waarom, hij moet voor zich
144
zeiven en voor Groei rekenschap kunnen afleggen van zijne beslissing; hij moet dus daarbij met de noodige onderscheiding , met verstand en oordeel handelen, en nog eens: dat kan hij niet, als hij niet eens weet wat de zondaar misdaan heeft, en dus niet weet wat hij te vergeven heeft. Kortom, de priester moet oovdeelen, hij is door Christus aangesteld tot rechter, en daarom moet hij, evenals elke andere rechter, beginnen met de zaak te kennen, waarin hij uitspraak heeft te doen.
Het biechten of de verplichting om zijne zonden aan den priester te belijden, is dus niet van kerkelijke, maar van goddelijke instelling, omdat die verplichting onmiddellijk voortvloeit uit de macht, welke Christus zelf aan zijne Kerk geschonken heeft, van de zonden te vergeven of te houden. Het Protestantisme nu heeft het biechten uit de rij der verplichtingen geschrapt. Dat is gemakkelijk. doch, lezer, is men daarmede verantwoord ?
45.
Van de Biecht kan toch misbruik worden gemaakt.
Zeker, gelijk van alle, zelfs van de heiligste zaken, zoo kan ook misbruik gemaakt worden van de Biecht. De priester bijv. zou het hem toevertrouwde geheim kunnen verraden. Maar zeg mij nu eens eerlijk, hoe dikwijls hebt ge daarover eenige klacht gehoord ? En toch er zijn zoovele duizenden priesters en er worden jaarlijks zoovele millioenen biechten gesproken.
De zondaar kan zijne zonden verzwijgen, hij kan biech-
145
ten zonder oprecht berouw, zonder vast voornemen om zijn zonden vaarwel te zeggen. Docli dan weet hij toch ook, en van zijne eerste jeugd af, dat zulk eene Biecht slechts dienen kan om het getal zijner zonden met eene heiligschennis te vermeerderen. En overigens, wat doet dit ter zake? Mag men bijv. een geneesmiddel afkeuren, omdat het ten nadeele der gezondheid gebruikt kan worden ? En wat dan wel te zeggen van het Bijbellezen, waarvan door honderden misbruik wordt gemaakt om het Christendom aan te vallen, ja den Bijbel zeiven alle goddelijk gezag te ontnemen ?
Wonder is het, dat zij, die zooveel tegen de Biecht weten in te brengen, altijd hetzij andersdenkenden, hetzij Katholieken zij n , die hun godsdienstplichten verwaarloozen, dus degenen, die er of bij eigen ondervinding niets van weten, of, gelijk meermalen gebeurt, dit Sacrament bestrijden , om zich zeiven te rechtvaardigen, m. a. w. door valsche schaamte zich van de Biecht laten terugschrikken, en om zich te verontschuldigen, liever een klad werpen op het Sacrament dan op zich zeiven.
Zou het, om de waarheid te a.chterhalen, niet beter en voorzichtiger zijn die Katholieken te raadplegen, die van de Biecht een veelvuldig gebruik maken en dus van ondervinding kunnen spreken? Welnu, vraag hun eens, hoe zij denken over de Biecht? En ik ben er zeker van, dat zij allen dit H. Sacrament zullen prijzen als een der zegen-rijkste instellingen, welke Christus aan zijne Kerk vermaakt heeft. En de ondervinding getuigt, dat zij daarin gelijk hebben. Zonder de minste vrees toch voor tegenspraak mag men zeggen, dat, in het algemeen gesproken, zij, die het veelvuldigst gebruik maken van de Biecht, ook de beste en voorbeeldigste Katholieken zijn. En geen wonder. Immers, de Biecht vordert reeds als voorbereiding
10
146
een oprecht berouw, met het vaste voornemen om voortaan de zonden en de naaste gelegenheden tot zonden, te vermijden. Eeeds dit alleen zou genoeg zijn, om de Biecht ala genademiddel hoog te waardeeren. Doch, behalve dit: wat is meer geschikt, om den gevallen en berouwvollen zondaar met moed te bezielen, en hem met een dankbaar en edelmoedig hart voortaan den weg der deugd te doen volgen, dan de troostvolle verzekering, dat zijne zonden zijn uitgewischt door Hem, die tot de bedienaren zijner Kerk heeft gezegd : âWier zonden gij zult vergeven hebben, dien zijn zij vergeven?quot; Ikzelf beu er in mijne priesterlijke bediening zoo menigmaal getuige van geweest, hoe een arme, ver afgedwaalde zondaar, na in eene goede Biecht zijn hart oprecht uitgestort en in naam van Christus de vergiffenis zijner zonden verkregen te hebben, tranen stortte van blijdschap en dankbaarheid. Werden zulke boetelingen daarom altoos heiligen? Neen, want 's raenschen zwakheid is zoo groot, dat ook na de edelmoedigste voornemens, men niet zelden in vroegere fouten terugvalt. Maar toch : laat een zondaar nog zoo diep zyn gevallen, laat hem nog zoo ver van den goeden weg zijn afgedwaald, laat zijne zondige gewoonten nog zoo diep zijn ingekankerd, als hij den moed heeft om dikwijls, bijv. iedere maand, een waardig gebruik te maken van de Biecht, dan durf ik volhouden, dat hij binnen den tijd van een jaar geheel en al veranderd, ja in een braaf, somtijds voorbeeldig Christen herschapen zal zijn. Wie mij hier van overdrijving mocht willen beschuldigen, geve zich eens de moeite en onder-vrage zijne katholieke kennissen, of ook zij, hetgeen ik hier zeg, overdreven durven noemen, en hij zal bevinden, dat zij het met mij eens zijn. Welnu zij, zoowel als ik, kunnen spreken van ondervinding.
Als nu, gelijk ik meen duidelijk genoeg te hebben aan-
147
getoond, de verplichting om zijne zonden te belijden noodzakelijk en onmiddellijk voortspruit uit de macht, welke Christus zelf aan zijne Kerk heeft geschonken van de zonden te vergeven of te houden â als bijgevolg de Biecht geen kerkelijke of menschelijke, maar eene goddelijke instelling is, â als bovendien, wat iedere Katholiek kan getuigen, de Biecht een der invloedrijkste en krachtigste middelen is om den mensch op den weg der deugd te bewaren of terug te voeren, is het dan niet duidelijk, dat het afschaffen der Biecht een onverantwoordelijke en hoogst noodlottige stap is geweest?
§ 46.
Is de katliolleke leer over de Allaten niet dwaas en ongerijmd !
Waarom? âWelquot;', zegt men, âomdat volgens die leer de Katholieken, als zij iets misdaan hebben, maar een gebed hebben te storten of eenig goed werk te verrichten, waaraan de Paus een aflaat heeft verbonden, en zie, alles is kant en klaar, alles is vergeven en vergeten.quot; Werkelijk, lezer. als dat zóó is, dan ben ik het volkomen met u eens, dat zulk een leer kortweg dwaas en onredelijk moet worden genoemd. Doch let wel, ik zeg: als dat zóó is, want â zou het werkelijk wel zoo zijn ? Nemen wij, om ons niet te vergissen, eens een katholieken Catechismus in de hand. Daar lees ik op de vraag: Wat is een aflaat? het volgende antwoord: âEen aflaat is de (geheele of gedeeltelijke) kwijtschelding van tijdelijke straffen, die door de H. Kerk aan sommige goede werken verbonden wordt.quot; En verder:
148
âWordt door de aflaten ook kwijtschelding van zonde gegeven? Antw. Neen, nooit; want de aflaat is kwijtschelding der tijdelijke straffen, die na de vergiffenis der zonde zijn overgebleven.quot;
Hieruit ziet ge dus aanstonds, dat er bij de aflaten hoegenaamd geen sprake is van kwijtschelding of vergiffenis der zonden, maar alleen der tijdelijke straffen, welke men, nadat de zonde en de eeuwige straf reeds vergeven is, nog bij God mocht schuldig zijn. Daardoor blijkt de zaak dus geheel anders te zijn, dan ze gewoonlijk door niet-Katholieken wordt voorgesteld.
Zie, wanneer de mensch, na door de zonde Gods vriendschap te hebben verloren , vergiffenis ontvangt van die zonde en weder in Gods vriendschap wordt hersteld, dan behoeft hij voor die zonde de eeuwige straffen der hel niet meer te vreezen, want de hel is niet voor hen, die Gods vrienden zijn; doch hieruit volgt nog niet, dat hem ook alle tijdelijke straffen zijn kwijtgescholden.
Dat leert ons duidelijk de geschiedenis van David. David had, gelijk gij weet, schandelijk gezondigd. De profeet Nathan kwam hem zijn misstap onder het oog brengen, en toen nu David zijne schuld bekende, en oprecht berouw toonde, gaf de profeet hem in naam van God de verzekering, dat de Heer zijne zonde had vergeven. En toch voorspelde de profeet hem tegelijkertijd, dat hij, tot straf dier zonde, nog met zware tijdelijke rampen en tegenspoeden zou worden bezocht. Hieruit blijkt dus, dpi de mensch, na gezondigd te hebben, vergiffenis kan verkrijgen van de beleediging, welke hij God heeft aangedaan en in Gods liefde en vriendschap hersteld worden, en toch te gelijker tijd, tot uitboeting dier zonde, nog aan eenige tijdelijke straffen bij God kan schuldig blijven. Welnu, die tijdelijke straffen, welke, nadat de zonde en de eeuwige straf reeds vergeven zijn, somtijds nog over-
149
blijven, worden, volgens de leer der Katholieke Kerk, ons geheel of gedeeltelijk kwijtgescholden door de aflaten.
Wanneer men dus zegt, dat een Katholiek het buitengewoon gemakkelijk heeft, wijl hij slechts een aflaat behoeft te verdienen, om vergiffenis zijner zonden te verkrijgen, dan stelt men de leer der Kerk geheel verkeerd voor. Neen, de Katholiek moet eerst zorgen, dat zijne zonde, d.i. de beleediging, welke hij God heeft aangedaan, door eene oprechte boetvaardigheid, door oprecht berouw en leedwezen des harten, zij uitgewischt, en als dit is geschied, eerst dan stelt de Kerk hem in de gelegenheid, om door het verdienen van aflaten geheel of gedeeltelijk kwijtschelding te verkrijgen van de tijdelijke straffen, welke hij voor zijne reeds vergevene zonden misschien nog schuldig mocht zijn.
âMaarquot;, dus vraagt ge, âvan waar heeft de katholieke Kerk de macht om tijdelijke straffen kwijt te schelden ?quot;
Die macht ontving de Kerk van Christus zeiven, die tot Petrus gezegd heeft: âIk zal u de sleutels van het rijk der hemelen geven, en alles wat gij gebonden zult hebben op aarde, zal ook gebonden zijn in den hemel, en alles wat gij ontbonden zult hebben op aarde, zal ook ontbonden zijn in den hemelquot;. (Matth. XVI, 19.)
Door deze woorden werd, zooals wij vroeger reeds zagen, aan Petrus de hoogste volmacht in de Kerk Gods geschonken, daar de sleutels het zinnebeeld zijn van de opperste macht. Bovendien voegt Christus er ter nadere bevestiging en verklaring bij: âalles wat gij zult ontbonden hebben, zal ook bij God ontbonden zijn.quot; Aan de Kerk is derhalve in den persoon van Petrus de macht gegeven alle banden te verbreken, welke den mensch kunnen beletten, zijn eeuwige bestemming te bereiken. Die banden nu zijn tweeërlei: de band der zonde of der schuld en de band der straf, welke straf eeuwig of tijdelijk kan zijn. Nu
150
vraag ik u: indien de Kerk, gelijk wij aantoonden, de macht bezit in het H. Sacrament der Biecht den band dei-zonde en der eeuwige straf te slaken, zou zij dan de macht niet hebben van den veel lichteren band der tijdelijke straffen te ontbinden, terwijl Christus bovendien uitdrukkelijk zegt: âal wat gij zult ontbonden hebben, zal ontbonden zijn?quot; Maar indien zij dus noodzakelijk die macht bezit, dan bezit zij ook de macht van aflaten te verleenen, die in niets anders bestaan dan in de geheele of gedeeltelijke kwijtschelding van tijdelijke straffen.
Hierbij zij nochtans opgemerkt, dat de Kerk bij het gebruik maken van deze macht gewoonlijk het een of ander werk, dikwijls zelfs verschillende goede werken, als noodzakelijke voorwaarde stelt.
Is dat alles nu zoo onbegrijpelijk, zoo dwaas, zoo onredelijk ?
Ik geloof niet, lezer, dat gij dit zult blijven volhouden. quot;Waarom dan blijft men niet ophouden in de katholieke leer over de aflaten een bewijs te zoeken tegen de heiligheid der katholieke Kerk? Omdat men â en ik geloof gewoonlijk uit onwetendheid, doch niet zelden ook tegen beter weten in â die leer belachelijk maakt, door ze geheel anders voor te stellen, dan ze werkelijk is. Doch ik durf u vragen: pleit het weder niet voor de katholieke Kerk, als zulke onedele kunstgrepen noodig zijn, om de heiligheid harer geloofsleer te bestrijden?
VIERDE HOOFDSTUK.
Het Vagevuur.
§ 47.
Is het Vagevuur, waaraan de Katholieken gelooven, geen louter verzinsel?
De katholieke Kerk leert, dat de zielen van hen, die in de liefde Gods zijn gestorven, maar toch bij den dood niet geheel gezuiverd waren van kleine fouten of van tydelijke straffen, eerst aan Gods rechtvaardigheid moeten voldoen, alvorens den hemel te kunnen binnengaan. De plaats, waar de zielen die straffen hebben te lijden, noemen wij in onze taal gewoonlijk âVagevuurquot;, d. i. zuiverings-, louteringsvuur, zooals nog duidelijker blijkt uit de taal der Kerk, waarin zij den naam draagt van âpurgatoriumquot;, d. i. zuiveringsplaats.
Hoe komt de katholieke Kerk aan die leer? Want somtijds wordt haar verweten, dat zij die eenvoudig verzonnen heeft en dat die leer volstrekt niet vervat is in de goddelijke Openbaring. Is dit verwijt gegrond ?
152
Laten wij zien. In de H. Schrift, namelijk in liet 12de Hoofdstuk van het 2de Boek der Macehabeeën, wordt verhaald, dat Judas, de veldheer van het Joodsche leger, twaalfduizend drachmen naar Jeruzalem zond, om offeranden te doen opdragen voor zijne gesneuvelde soldaten. Daarop nu laat de H. Schrift onmiddellijk deze merkwaardige woorden volgen: âHet is dus eene heilige en heilzame gedachte voor de overledenen te bidden, opdat zij van hunne zonden ontslagen worden.quot; De H. Schrift verklaart dus, dat het goed en nuttig is voor de overledenen te bidden. Maar wie zijn dan wel die overledenen, voor wie het goed is tc bidden, opdat zij van hunne zonden ontslagen worden ? Toch zeker niet de verdoemden in de hel. Zij kunnen immers door ons gebed niet worden geholpen. Uit de hel, âhet eeuwige vuurquot;, is geene redding mogelijk-Zijn het dan de Heiligen in den hemel? Evenmin; zij hebben geene schulden bij God en derhalve ook ons gebed volstrekt niet noodig. Ofschoon dus de H. Schrift het niet met even veel woorden zegt, geeft zij toch duidelijk te verstaan, dat er, behalve den hemel en de hel, nog eene derde plaats moet zijn, waar die zielen worden opgehouden , die, met kleinere schulden het andere leven ingetreden , door onze gebeden van die schulden kunnen ontslagen worden.
Mij dunkt, dat dit bewijs voor iederen Katholiek meer dan voldoende zal zjjn. Ik zeg: voor iederen Katholiek; want de Protestanten hebben, met verschillende andere boeken, ook de boeken der Macchabeeën verworpen. Zij erkennen ze niet als deel uitmakend van de H. Schrift, en voor hen dus hebben de daaruit aangehaalde woorden hunne bovennatuurlijke of goddelijke waarde en bewijskracht verloren. Enkel zouden ze bij hen voor de hooge oudheid der leer van het Vagevuur kunnen pleiten. Te
153
hunnen believe wil ik mij daarom nog op een paar andere bewijzen beroepen.
De H. Joannes in zijn boek der Openbaring (welk boek ook in den Statenbijbel is opgenomen) verzekert ons uitdrukkelijk , dat âniets wat besmet is den hemel kan binnengaanquot; (XXI, 27). En is dit ook niet duidelijk ? Want hoe zou onvoldane schuld of straf samen kunnen gaan met volkomen geluk ? .Moet, zelfs in het gewone leven, iedere rekening niet behoorlijk âgequitteerdquot; worden? Hoeveel te meer onze rekening bij God?
Wij zijn dus zeker, dat men geheel zuiver en vlekkeloos moet zijn, om tot het geluk des hemels te worden toegelaten. Maar nu zijn er ongetwijfeld zeer vele menschen, die bij hun afsterven, misschien geene groote, maar toch vele kleine zonden op hun geweten hebben. Ook kan het gebeuren, gelijk we in de voorgaande § 46 hebben aangetoond, dat iemand bij zijn dood voor reeds vergeven, kleine of zelfs groote zonden, nog eenige tijdelijke straf bij God schuldig is. Voor de zielen dus van zulke afgestorvenen blijft, zoolang zij met dien schuldenlast zijn beladen, de hemel gesloten.
Maar kunnen we onderstellen, dat die zielen om zulke kleine fouten, bijv. om eenige kleine leugens, om eene geringe onrechtvaardigheid of ongehoorzaamheid, voor immer van het geluk des hemels zullen verstoken blijven? Kunnen we onderstellen, dat God die zielen om zulke kleine misstappen voor eeuwig met de verdoemden naar de hel zal verwijzen? Immers neen. Zoo iets is onmogelijk overeen te brengen met Gods oneindige goedheid en wijsheid. Bijgevolg zegt ons ook het gezond verstand, dat er, behalve den hemel en de hel, noodwendig eene andere plaats moet zijn, waaide zielen, die na dit leven nog eenige schuld aan Gods rechtvaardigheid hebben te voldoen, volkomen gelouterd moeten worden, alvorens in de volle heerlijkheid des hemels te worden opgenomen.
152
Laton wij zien. In de H. Schrift, namelijk in het 12de Hoofdstuk van het 2de Boek der Macchabeeën, wordt verhaald, dat Judas, de veldheer van het Joodsche leger, twaalfduizend drachmen naar Jeruzalem zond, om offeranden te doen opdragen voor zijne gesneuvelde soldaten. Daarop nu laat de H. Schrift onmiddellijk deze merkwaardige woorden volgen: âHet is dus eene heilige en heilzame gedachte voor de overledenen te bidden, opdat zjj van hunne zonden ontslagen worden.quot; De H. Schrift verklaart dus, dat het goed en nuttig is voor de overledenen te bidden. Maar wie zijn dan wel die overledenen, voor wie hot goed is te bidden, opdat zjj van hunne zonden ontslagen worden? Toch zeker niet de verdoemden in de hel. Zij kunnen immers door ons gebed niet worden geholpen. Uit de hel, âhet eeuwige vuurquot;, is geene redding mogelijk-Zijn het dan de Heiligen in den liemel? Evenmin; zij hebben geene schulden bij God en derhalve ook ons gebed volstrekt niet noodig. Ofschoon dus de H. Schrift het niet met even veel woorden zegt, geeft zij toch duidelijk te verstaan, dat er, behalve den hemel en de hel, nog eene derde plaats moet zijn, waar die zielen worden opgehouden , die, met kleinere schulden het andere leven ingetreden , door onze gebeden van die schulden kunnen ontslagen worden.
Mij dunkt, dat dit bewijs voor iederen Katholiek meer dan voldoende zal zijn. Ik zeg: voor iederen Katholiek; want de Protestanten hebben, met verschillende andere boeken, ook de boeken der Macchabeeën verworpen. Zij erkennen ze niet als deel uitmakend van de H. Schrift, en voor hen dus hebben de daaruit aangehaalde woorden hunne bovennatuurlijke of goddelijke waarde en bewijskracht verloren. Enkel zouden ze bij hen voor de hooge oudheid der leer van het Vagevuur kunnen pleiten. Te
153
hunnen believe wil ik mij daarom nog op een paar andere bewijzen beroepen.
De H. Joannes in zijn boek der Openbaring (welk boek ook in den Statenbijbel is opgenomen) verzekert ons uitdrukkelijk , dat âniets wat besmet is den hemel kan binnengaanquot; (XXI, 27). En is dit ook niet duidelijk ? Want hoe zou onvoldane schuld of straf samen kunnen gaan mot volkomen geluk? .Moet, zelfs in het gewone leven, iedere rekening niet behoorlijk âgequitteerdquot; worden? Hoeveel te meer onze rekening bij God?
Wij zijn dus zeker, dat men geheel zuiver en vlekkeloos moet zijn, om tot het geluk des hemels te worden toegelaten. Maar nu zijn er ongetwijfeld zeer vele monsclien, die bij hun afsterven, misschien geene groote, maar toch vele kleine zonden op hun geweten hebben. Ook kan het gebeuren , gelijk we in de voorgaande § 4(i hebben aangetoond, dat iemand bij zijn dood voor reeds vergeven, kleine of zelfs groote zonden, nog eenige tijdelijke straf bij God schuldig is. Voor de zielen dus van zulke afgestorvenen blijft, zoolang zij met dien schuldenlast zijn beladen, de liemol gesloten.
Maar kunnen we onderstellen, dat die zielen om zulke kleine fouten, bijv. om eenige kleine leugens, om eene geringe onrechtvaardigheid of ongehoorzaamheid, voor immer van het geluk des hemels zullen verstoken blijven ? Kunnen we onderstellen, dat God die zielen om zulke kleine misstappen voor eeuwig met de verdoemden naar de hel zal verwijzen? Immers neen. Zoo iets is onmogelijk overeen te brengen met Gods oneindige goedheid en wijsheid. Bijgevolg-zegt ons ook liet gezond verstand, dat er, behalve den hemel en de hel, noodwendig eene andere plaats moet zijn, waar de zielen, die na dit leven nog eenige schuld aan Gods rechtvaardigheid hebben te voldoen, volkomen gelouterd moeten worden, alvorens in de volle heerlijkheid des hemels te worden opgenomen.
154
Een derde bewijs levert ons het algemeen gebruik, dat reeds van de eerste eeuwen af in de Kerk bestaan heeft, om voor de zielen der overledenen te bidden. âWij geloo-ven,quot; dus schrijft de H. Isidorus van Hispal âdat het opdragen van het Misoffer voor de zielerust der overledenen en het bidden voor hen ons door de Apostelen is overgeleverd, omdat dit gebruik overal in de Kerk wordt onderhouden.quot;
Niet minder duidelijk zijn de woorden van den H. Augus-tinus: âMen mag er niet aan twijfelen, dat door de gebeden der Kerk en door het heilig Misoffer, alsook door de aalmoezen, welke ter wille van de afgestorvenen aan God worden geofferd, de zielen der overledenen worden geholpen , opdat God haar met meer barmhartigheid bejegene dan zij om hare zonden hebben verdiend. Want, dit gebruik om voor de overledenen te bidden, dat ons door onze voorvaderen werd overgeleverd, zien we door de gansche Kerk onderhoudenquot; 2).
Hierbij zou ik nog de getuigenissen kunnen voegen van den H. Chrysostomus, van den H. Cyrillus en van vele anderen; doch voor eene zaak, welke zoo algemeen bekend is, zal dat wel niet noodig zijn.
Ten overvloede wil ik slechts in herinnering brengen, hoe de H. Augustinus zelf in zijne Belijdenissen verhaalt, dat zijne voorbeeldige moeder, Monica, op haar sterfbed hem verzocht haar aan 's Heeren altaar indachtig te zijn, en hoe hij ons tevens verzekert, dat hij na haar dood trouw voor hare zielerust heeft gebeden.
Nu zal de Kerk, waartoe de H. Augustinus, de H. Joannes Chrysostomus, de H. Cyrillus, de H. Isidorus behoor-
') De eccles. of de. 1 Cap. 18:11. ') Serm. 172. n. 2.
155
den, toch wel de ware Kerk van Christus geweest zijn. quot;Welnu, in die Kerk bestond het algemeen gebruik, om voor de overledenen te bidden. Maar zou de Kerk dat gedaan hebben, als zij geloofde, dat de zielen der overledenen altijd of naar de hel of recht naar den hemel gingen ? Neen, de Kerk wist en leerde openlijk, dat zij, die eens in den hemel zijn, ons gebed niet noodig hebben, en voor de verdoemden in de hel ons gebed volstrekt nutteloos is. Bijgevolg geloofde zij ook, dat er behalve den hemel en de hel nog eene andere plaats moet bestaan, waar de zielen van hen, die niet wegens zware zonden naar de hel verwezen konden worden, en toch niet zuiver genoeg waren om onmiddellijk in den hemel te worden toegelaten, van hare zonden en schulden gezuiverd en door onze gebeden verlicht en geholpen kunnen worden, en deze plaats noemt men de plaats van zuivering of het Vagevuur.
VIJFDE HOOFDSTUK.
Het H. Sacrament des altaars.
§ 48.
Is de eerbied, welken de Katholieken aan het Sacrament des Altaars bewijzen, geene verfoeilijke afgoderij ?
't Is volkomen waar, dat de Katholieken de H. Hostie of het Heilig Sacrament des Altaars aanbidden. Als dat nu afgoderij is, dan ziet het er inderdaad bedroefd met hen uit, want afgodendienaar zijn is waarlijk iets afschuwelijks.
Laat ons zien, of de Katholieken zich inderdaad aan dien gruwel schuldig maken.
In het laatste avondmaal nam Christus, gelijk men weet, het brood in zijne handen, zegende en brak het, zeggende : âNeemt en eet, dit is mijn lichaam. Eveneens nam Christus den kelk en sprak: Drinkt allen hieruit, dit is mijn bloed;. . doet dit ter mijner gedachtenis.quot; (Matth. XXVI, 26â27.)
Moeten die woorden verstaan worden, zooals zij luiden, d.i. in den eigenlijken zin, dan was datgene, wat Christus hier tot spijs en drank aanbood, werkelijk zijn eigen goddelijk Lichaam en Bloed. Moeten zjj echter verstaan worden in een figuurlijken of overdrachtelijken zin, bijv. heeft Christus
157
alleen willen zeggen : dit heteekent mijn Lichaam , dit bet eekent mijn Bloed, dat was datgene, wat Christus hier tot spijs en drank gaf, niet zijn waarachtig Lichaam en Bloed, maar eenvoudig brood en wijn.
Alles hangt dus af van de vraag, in welken zin die woorden van Christus moeten worden opgevat, in den eigenlijken of in den oneigenlijken ?
Merken we vooreerst op, lezer, dat die allergewichtigste woorden, in den eigenlijken zin verstaan, zeer duidelijk en eenvoudig zijn, en daarentegen, in oneigenlijken zin opgevat , tot zooveel verschillende verklaringen aanleiding geven, dat deze ten tijde van Luther zeiven reeds bij dozijnen in omloop waren.
Ten tweede, dat het een vaste regel van Schriftverklaring-of liever van alle uitlegging is: versta de woorden in den eigenlijken zin, zoolang het niet duidelijk blijkt, dat de oneigenlijke en figuurlijke zin bedoeld wordt. En waaruit zou dat hier blijken ? Immers uit niets.
Daarenboven zeg mij eens: welke woorden had Christus dan moeten gebruiken , indien Hij ons inderdaad zijn Lichaam en Bloed onder de gedaanten van brood en wijn had willen geven ? Hij kon dan immers niet eenvoudiger, niet klaarder, niet anders gesproken hebben.
Maar dit alles ter zijde gelaten; zoudt ge denken, lezer, dat Christus de beslissing der hoogst gewichtige vraag, of zijne woorden hier in dezen of genen zin verstaan moeten worden aan het oordeel van iedereen heeft overgelaten? Dat Christus, aan iedereen het recht heeft toegekend, om op eigen gezag uit te maken, welke beteekenis aan die woorden moet worden gehecht? Neen, zoo iets kunt ge redelijkerwijze niet onderstellen.
Zie eens: ofschoon Luther in zoo ver van de leer der katholieke Kerk afweek, dat hij niet geloofde, dat door die
158
woorden van Christus het brood en de wijn in het Lichaam en Bloed van Christus weiden veranderd, toch leerde Lutlier, dat Christus met en in het brood en den wijn werkelijk zijn goddelijk Lichaam en Bloed tot spijs en drank gaf.
Calvijn daarentegen beweerde, dat hetgeen Christus aan zijne Apostelen schonk, eigenlijk en in werkelijkheid niets was dan brood en wijn.
Die beide uitleggingen verschillen, zooals gij ziet, hemelsbreed. De een zegt: Christus zelf is er, maar met en in het brood; de ander zegt: Christus zelf is er niet, er is alleen brood. Moet men zelfs niet toegeven, dat Luther's opvatting nog meer van die van Calvijn verschilt, dan van die der katholieke Kerk zelve? Aan wien van beiden nu heefr men zich te houden ? Wie van hen kwam ten minste het dichtst bij de waarheid ? Of zou er dat niet op aan komen? Zou het Christus onverschillig zijn, welke beteekenis aan zijne woorden gegeven wordt? Onverschillig, of men gelooft, dat Hij in 't Sacrament tegenwoordig is of niet, en natuurlijk daarnaar handelt? Dit is immers de ongerijmdheid zelve.
Onmogelijk is het dus, dat Christus aan iedereen het recht zou hebben gelaten, om op eigen gezag te beslissen, wat Hij eigenlijk door zijne woorden heeft bedoeld. Neen, dat recht komt alleen toe aan de dragers van het leergezag zijner Kerk, tot wie Hij gezegd heeft: âGaat en verkondigt het Evangelie aan alle schepselen.quot; âOnderwijst alle volken . . . , hen leerend onderhouden alles, wat Ik u bevolen heb.quot; (Marc. XVI, 15; Matth. XXVIII, 19.)
Van de Kerk dus moeten wij vernemen, wat Christus heeft geleerd, zij moet beslissen, welke leer volgens de bedoeling van Christus, in zijne woorden ligt opgesloten. En op hare beslissing kunnen wij volkomen vertrouwen. Waarom? Omdat Christus beloofd heeft haar den Geest der waarheid
159
te zenden, die met haar blijven zou in eeuwigheid; en ook âIkdus sprak Hij, âIk ben met u tot het einde der eeuwen.quot;
Bovendien heeft Christus tot zijne Kerk gezegd: âWie u hoort, hoort Mij, Wie u versmaadt, versmaadt Mij.quot; Christus heeft ons dus streng in geweten verplicht, de leer zijner Kerk als zijne eigene leer te eerbiedigen en te ge-looven. Maar het is duidelijk, dat Christus ons die verplichting niet kon opleggen, als Hij ooit zou dulden, dat zijne Kerk iets zou leeren, wat met zijne leer in strijd is, zooals wij hierboven uitvoerig hebben aangetoond.
Hoe nu werden die gewichtige woorden , welke Christus in het laatste Avondmaal gesproken heeft, ten allen tijde door zijne Kerk opgevat en uitgelegd?
Zeker is het, dat tot aan den tijd der Hervorming, d. w. z. tot aan het begin der zestiende eeuw, geheel de Christenwereld die woorden van Christus opnam en verklaarde in den letterlijken, eigenlijken zin, waarin ze nog worden opgenomen en verklaard door de katholieke Kerk.
Alle kerken en godsdienstige sekten, welke destijds met eenigen schijn van reden zich de Kerk van Christus durfden noemen, geloofden en leerden toen, dat door de woorden van Christus; âdit is mijn Lichaam.... dit is mijn Bloed,quot; het brood en de wijn werkelijk in het lichaam en bloed van Christus werden veranderd, zoodat Christus geen brood noch wijn, maar in werkelijkheid zijn eigen Lichaam en Bloed tot spijs en drank schonk.
Eveneens geloofde toen iedereen, die den naam van Christen droeg, dat in de H. Mis, wanneer de priester diezelfde woorden herhaalt, wederom diezelfde wonderbare verandering plaats heeft, zoodat, na het uitspreken dezer woorden door den priester, Christus onder de uitwendige gedaanten van brood en wijn wezenlijk en werkelijk op het altaar tegenwoordig is.
160
Eerst in de elfde eeuw trad zekere Berengarius tegen dit geloofspunt op en trachtte eene andere leer te verspreiden. Docli zijne poging slaagde niet. Zijne leer werd algemeen veroordeeld en verworpen, en geheel de Christenwereld ging rustig voort met vastelijk te gelooven aan de waarachtige tegenwoordigheid van Christus in zijn H. Sacrament. En ziedaar de reden, waarom ook iedereen aan het H. Sacrament dezelfde eer bewees, welke men aan Christus verschuldigd is, namelijk de goddelijke eer en aanbidding.
Zoo, lezer, stonden de zaken nog in het begin der zestiende eeuw. Toen werd de katholieke leer over de waarachtige tegenwoordigheid van Christus in zijn EL Sacrament nog algemeen geloofd en beleden, niet alleen door Katholieken zei ven, maar ook zelfs door die sekten, welke zich reeds sedert lang van de katholieke. Kerk hadden losgescheurd.
Maar dan is het toch ook duidelijk, niet waar? dat die leer ook de leer moet zijn geweest van de ware Kerk van Christus. Immers welke Kerk, volgens uwe meening, destijds de ware Kerk van Christus geweest zij, zij moest toch in ieder geval een van die kerken zijn, welke destijds bestonden.
Of zoudt ge meenen, dat de ware Kerk toen niet meer bestond, dat ze spoorloos was verdwenen? Maar dat kan immers niet; dat zou rechtstreeks in strijd zijn met de belofte van Christus: âZie, Ik zal met u zijn tot het einde der eeuwen.quot;
Was ze destijds misschien onzichtbaar ? Maar dat is even onmogelijk. De ware Kerk van Christus, wij zagen het vroeger, moet noodzakelijk zichtbaar zijn, zij moet gezien en gekend kunnen worden. Immers, om slechts dit nog even aan te stippen, Christus wil uitdrukkelijk, dat
161
alle raensclien zich aan de leer en de leiding zijner Kerk onderwerpen, maar hoe zouden de raensclien dien wil van Christus kunnen volbrengen, als zijne Kerk niet eens zielit-baar zou zijn en zij die dus niet konden kennen? Wij moeten bijgevolg aldus redeneeren:
De leer, dat de woorden van Christus: âdit is mijn Lichaam .... dit is mijn Bloedquot; verstaan moeten worden in den letterlijken en eigenlijken zin, dat dus Christus in het Heilig Sacrament onder de uitwendige gedaanten van brood en wijn werkelijk tegenwoordig is, was de leer van alle Christen kerken , welke in het begin der zestiende eeuw bestonden; tot die Christen kerken, welke in het begin dei-zestiende eeuw bestonden, behoorde ook zeker de ware Kerk van Christus; bijgevolg was de leer, dat Christus waarlijk in zijn Heilig Sacrament tegenwoordig is, toen ook de leer der ware Kerk van Christus.
Maar is dit zoo, dan éen van beide: of die leer is valsch, en dan heeft de ware Kerk van Christus vijftien eeuwen lang gedwaald in een der voornaamste geloofspunten; of die leer is waar, en dan is de godsdienst, welke haar loochent, de ware Kerk van Christus niet. Kies wat ge wilt.
Toch zou ik hier nog gaarne eene andere opmerking maken, en wel deze:
Vijftienhonderd jaar werd de leer der katholieke Kerk over de waarachtige tegenwoordigheid van Christus in het H. Sacrament door geheel de Christenwereld geloofd en beleden. Zij werd geloofd en beleden, niet alleen door het gewone volk, maar geloofd en beleden ook door allen, die zoowel door hun talenten en geleerdheid als door hun heiligheid hebben uitgemunt, door al de kerkvaders en martelaren, door al de leeraren, die de H. Kerk had voortgebracht. En zie, daar staat in de zestiende eeuw een Luther en een Calvijn op, om aan de wereld de verras-
4-1
162
sende tijding te brengen, dat die leer toch eigenlijk in strijd is met de waarheid en dat de Katholieken , door aan het H. Sacrament eene goddelijke eer te bewijzen, zich plichtig maken aan schandelijke afgoderij.
De H. Thomas van Aquine, de H. Bernard us, de H. Anselmus, de H. Gregorius de Groote, de H. Leo, de li. Joannes Chrj sostomus, de H. Cyrillus en tallooze andoren, die niet alleen om hunne uitstekende deugd, maar ook om hunne buitengewone geleerdheid het sieraad waren van hun tijd, zij zijn dus öf zoo onnoozel geweest, om van die afgoderij niets in te zien, óf, wat nog erger is, zoo doortrapt slecht, dat zij zich wetens en willens aan afgoderij hebben plichtig gemaakt.
Neem mij niet kwalijk, lezer, dat wil er bij mij niet in. Om zoo iets te gelooven vorder ik doorslaande bewijzen, en daarvoor hecht ik niet genoeg aan de verklaring van een Luther of Calvijn, die â let wel â juist met betrekking tot de leer over het H. Sacrament elkander bovendien vierkant hebben tegengesproken.
§ 49.
Maar de roomsche Mis is toch klaarblijkciijk eene verloochening van het Krnisoffer en bijgevolg een duivelswerk.
Zacht wat, vriend, voorzichtig! Bedenk wel, dat de gansche katholieke Kerk de Offerande der Mis van den beginne af beschouwd heeft als het heiligste, het verhe-venste werk van geheel den Christen godsdienst.
Vijftienhonderd jaren waren er verloopen, eer de mannen
163
der zoogenaamde Hervorming ons kwamen vertellen, dat de Mis volstrekt moest worden afgeschaft, omdat, gelijk zij beweerden, de leer der katholieke Kerk over de H. Mis te kort deed aan de oneindige waarde van liet Kruisoffer. De Mis was dus niet meer noch minder dan eene verloochening-van het eenig bloedig Offer, dat Christus eens voor ons op den Calvarieberg heeft opgedragen.
Mij dunkt, lezer , bij eenig nadenken, moet u hier onwillekeurig de vraag op de lippen komen: hoe is het toch mogelijk, dat gedurende vijftien eeuwen van die verloochening van het Kruisoffer, dat wil zeggen van het eigenlijke Verlossingswerk zelf, door geen sterveling iets werd opgemerkt? In dat tijdsverloop waren er toch honderden katholieke geleerden geweest, wien het waarlijk niet ontbrak aan verstand en scherpzinnigheid. Zouden b.v. godgeleerden, als een H. Thomas van Aquine, een H. Bernardus, een H. Anselmus en zoovele andere uitstekende mannen, wier namen ik in de vorige § noemde, zouden zij misschien van de leer der katholieke Kerk niet genoegzaam op de hoogte zijn geweest? Zeker waren zij daarvan volkomen op de hoogte, en juist daarom konden zij van die verloochening des Kruisoffers niets bespeuren; en ik geloof, dat gij er ook niets van bespeuren zult, als ik u de katholieke leer blootleg, gelijk zij waarlijk is.
Ziehier dan. Volgens de leer der katholieke Kerk, is de H. Mis eene waarachtige, onbloedige offerande, waarin Christus zich onder de gedaanten van brood en wijn aan zijn hemelschen Vader voor ons opdraagt.
Maar leert de katholieke Kerk daarom, dat het bloedig offer van Christus aan het kruis voor onze verlossing niet voldoende is? Neen, dat leert zij volstrekt niet. Integendeel zij leert, evenals alle orthodoxe Protestanten , dat Christus door zijne bloedige offerande aan het kruis niet alleen eene
164
genoegznme, maar zelfs overvloedige voldoening, eene voldoening van oneindige waarde, heeft gegeven voor alle zonden van geheel de wereld.
Zij leert, dat de schat der genaden, welke Christus voor ons door zijn Kruisoffer heeft verdiend, oneindig groot, en dus meer dan voldoende is, om alle menschen tot hunne eeuwige zaligheid te brengen. De katholieke Kerk erkent dus, dat de losprijs voor onze zondenschuld aan het kruis door Christus geheel en al werd afbetaald. Door dat bloedig offer werd liet werk onzer verlossing in zoover geheel voltrokken, dat alle genaden, Avelke ons ooit worden geschonken , daar aan het kruis werden verdiend.
Doch aan de genaden en verdiensten van dat bloedig Kruisoffer moeten wij worden deelachtig gemaakt. Welnu, dit gebeurt door de heilmiddelen, welke Christus daartoe aan zijne Kerk heeft achtergelaten en hieronder behoort vooral de heilige, onbloedige offerande der Mis.
Wanneer dus, volgens de leer der katholieke Kerk, Christus in het H. Sacrificie der Mis zich voor ons opdraagt , dan is dat niet om bij de verdiensten van zijn Kruisoffer nog andere, nog weer nieuwe verdiensten te voegen; maar enkel en alleen, om dezelfde oneindige verdiensten van zijn kruisdood op ons toe te passen.
Ziedaar, met een enkel woord, de leer der katholieke Kerk over de waarde van het H. Sacrificie der Mis en ge ziet dus aanstonds, dat door die leer aan de oneindige waarde van het bloedig Kruisoffer hoegenaamd geen af breuk wordt gedaan, daar de H. Mis, zoowel als alle Sacramenten en genademiddelen der Kerk, al hare heiligende kracht alleen en uitsluitend aan de verdiensten van Christus' Kruisoffer verschuldigd is.
ZESDE HOOFDSTUK.
Heiligentereering.
§ 50.
De Katholieken vereeren de Heiligen: is dat niet iu strijd met het eerste gebod !
Het eerste gebod luidt: âIk ben de Heer, uw God, gij zult geen vreemde goden voor mijue oogen hebben.quot; Geen Katholiek nu beschouwt noch vereert de Heiligen als âgodenquot;; dus strijdt de Heiligenvereering niet niet het eerste gebod. Doch gaan wij verder. Veronderstelt eens, lezer, dat een koning tot zijn volk sprak : Ik alleen ben uw koning, en ik wil niet, dat gij andere koningen buiten mij erkent; zou daaruit dan volgen, dat het volk geen eerbied mocht betoonen aan degenen, die bij den koning zeiven hoog in eer en aanzien staan, bijv. aan zijne eigene moeder, zijne hovelingen of zijne vrienden? Volstrekt niet. Het volk zou aan den eerbied, welken liet den koning verschuldigd is, alleen dan te kort komen, wanneer het die vrienden en gunstelingen des konings in waardigheid met den koning op één en dezelfde lijn stelde. Welnu, sla een katholieken Catechismus open, en gij zult daar
166
zien, dat de katholieke Kerk de Heiligen in de verste verte niet in waardigheid met God op één en dezelfde lijn stelt; dat zij namelijk de Heiligen vereert niet als goden of godheden, maar eenvoudig als bijzondere dienaren en vrienden van God. Is dat niet hoogst billijk en redelijk ? Of zouden de Heiligen, die om hunne deugd en getrouwheid zoo hoog door God worden geëerd, door de menschen niet geëerd mogen worden ? Of zouden de Heiligen de bijzondere vrienden van God niet zijn? Mogen, neen, moeten wij hen niet eeren, die God eert ? En wanneer wij hen juist eeren omdat God hen eert, eeren wij dan in hen God zeiven niet? A.ls ik uw kinderen liefheb omdat gij mijn vriend zijt; als ik uw moeder eer omdat zij uw moeder is, komt dan de eer en liefde, welke ik dien personen toedraag, niet op u neder? Welnu, evènzoo hier. Was Maria, de bruid van Jozef, niet de Moeder van Christus, de Moeder dus van Hem, die waarlijk God en de Koning der koningen is? Ook aan haar, dus lezen wij, was Christus onderdanig, en zeker zal Hij, het goddelijk toonbeeld van deugd en heiligheid, zijne Moeder meer eerbied en liefde hebben toegedragen, dan ooit het meest rechtschapen kind zijne moeder toedragen kan.
Maar hoe kan men dan den Katholieken verwijten, dat zij achting en toegenegenheid toonen voor Haar, die Hij zelf op aarde zoo hoog geëerd en zoo innig bemind heeft en in den hemel blijft eeren en beminnen? Zie, men vindt het billijk, dat de moeder van een aardschen koning worde geëerd, maar waar blijft dan het gezond verstand, als men durft beweren, dat de Moeder van den Koning der koningen niet geëerd dient te worden? Ik weet het, niet alle Protestanten denken over dit punt der katholieke leer even onredelijk; maar toch meermalen heb ik er aangetroffen, die zelfs over Maria, de Moeder van Christus, laat staan
167
over de Heiligen in den hemel, met de grootste minachting durfden spreken. Maar nu vraag ik: Is dat redelijk of is het. . . . godlasterend ?
§ 51.
Maar de Katholieken eereu de Heiligen niet alleen; zij nemen tot hen ook hun toevlucht, zij roepen hen aan, en schijnen dus aan de Heiligen eeue goddelijke macht toe te schrijven.
Toch niet, lezer, maak u niet ongerust. Dat âdusquot; gaat hier volstrekt niet op. De Katholieken. dat is waar, roepen de Heiligen aan, nemen tot hen hunne toevlucht; maar om aan de Heiligen eene goddelijke macht toe te schrijven, daaraan heeft nooit een Katholiek ernstig gedacht. De katholieke Kerk leert, dat de Heiligen, hoezeer ook boven ons verheven, toch schepselen zijn en eeuwig zullen blijven, evenals wij. Zonder God hebben zij dus over niets te beschikken, bijgevolg kunnen zij uit zich zeiven ons niets geven. Doch, wat zij wel kunnen: zij kunnen datgene, wat zij ons wenschen te bezorgen, door hun gebed, door hunne voorspraak voor ons van God vragen. Welnu, gelijk men in de wereld, om iets van den koning te verkrijgen, de hulp, de tusschenkomst of voorspraak inroept van hen, die om hunne betrekking of verdiensten hoog bij den koning staan aangeschreven, zoo roepen de Katholieken, om iets van God te verkrijgen, de tusschenkomst en de voorspraak in van hen, die om hunne deugden en verdiensten in eer en aanzien staan bij God in den hemel.
168
Ziet ge daarin nu iets onredelijks? Wij zei ven, wij bidden reeds hier voor elkander, eu ofschoon we geen Heiligen zijn, toch meenen we door een ootmoedig gebed Gods zegeningen ook over anderen te kunnen aftrekken. Daarom bidden brave ouders voor hunne kinderen, daarom bidden rechtschapen kinderen voor hunne ouders. En kennen wij onder onze vrienden en bloedverwanten iemand, die zich door buitengewone deugd onderscheidt, dan stellen wij er prijs op, ons in zijn gebed aan te bevelen; want wij vertrouwen, dat zulk een bijzondere vriend van God door zijn gebed veel voor ons zal kunnen verkrijgen. En dit met alle recht; de H. Schrift toch verzekert ons, dat âhet volhardend gebed van den rechtvaardige veel bij God vermagquot; (Jac. Y, 16). Maar als we nu verstandig doen, met ons in de gebeden aan te bevelen van hen, die nog op deze wereld leven, vooral van hen, die om hunne uitstekende deugd meer bijzonder door God worden bemind, en toch te gelijker tijd nog zeer goed hunne fouten en zwakheden kunnen hebben, wat kan er dan tegen zijn, dat we ons aanbevelen in het gebed en de voorspraak van hen, die reeds om hunne deugd en getrouwheid door God in den hemel worden beloond; van hen, die aan geene mensche-lijke fouten en zwakheden meer onderhevig zijn; van hen, die God nimmer meer zullen, noch kunnen beleedigen, en dus in eeuwigheid Gods bijzondere vrienden zullen blijven? 't Is waar, de Heiligen in den hemel kunnen voor zich zeiven niets meer verdienen, want bij den dood houdt de tijd der verdiensten op; maar dat belet immers niet, dat zij kunnen bidden voor anderen, voor hen, in wier geluk zij innig belang stellen. Zou bijv. eeue brave moeder, die tijdens haar leven dagelijks vurig bad voor het geluk harer kinderen, wanneer zij eenmaal in den hemel is, hare kinderen moeten vergeten? Of zoudt gij meenen, dat zulk eene moeder
169
onverschillig zal blij ven, wanneer zij ziet, dat hare achtergelaten kinderen haar gebed en hare tusschenkomst bij God vurig afsmeeken ?
Maar, dus vraagt gij wellicht, hoe kunnen de Heiligen in den hemel weten, of wij hunne tusschenkomst inroepen ? Ik meen die vraag het best te beantwoorden met eene andere vraag: gelooft ge dat God alwetend, al wijs en almachtig is? Zoo Ja, dan zult gij er toch wel gerust opzijn, dat God duizend middelen voor één heeft, om zijne Heiligen te doen weten, wat wij ten hunnen opzichte doen.
Doch ziehier een ander bezwaar.
§ 52.
Het aanroepen der Heiligen is in tegenspraak met de goddelijke Openbaring, welke ons leert, dat er tusschen God en de mensclien slechts één Middelaar is, Jezus Christus.
Ik weet, dat dit bezwaar dikwijls tegen de Katholieke Kerk wordt ingebracht, en toch, lezer, als we elkander goed verstaan, zult ge aanstonds inzien, dat het niets te beteekenen heeft.
't Is volkomen waar, onze Heer -Fezus Christus is de eenige Middelaar, die door zijn lijden en dood voor de zonden van geheel hot menschelijk geslacht heeft voldaan, en allen menschen van goeden wil den hemel heeft heropend.
Hij, de menschgeworden God, is de eenige Middelaar, zonder wiens verdiensten niemand zalig wordt, zonder wiens verdiensten niemand iets goeds, iets nuttigs ter zaligheid kan verrichten; want daartoe wordt de hulp dei-goddelijke genade gevorderd, welke niets anders is dan de vrucht van Christus' verdiensten.
170
Zoo, niet waar ? leeren de Protestanten; maar zóó leeren en gelooven de Katholieken ook, en wij zijn het dus tot zoover volkomen eens. Maar volgt daaruit, dat anderen onmogelijk iets kunnen bijbrengen, om op hunne wijze ons in het bewerken onzer zaligheid te helpen en te steunen? quot;We lezen, dat de H. Monica, de voorbeeldige moeder van Augustinus, jarenlang voor de bekeering van haar afgedwaalden zoon heeft gebeden en dat Augustinus zelf de genade zijner bekeering dankbaar toeschrijft aan het volhardend gebed zijner brave moeder. Moeten wij dat eenvoudig en zoo gemakkelijk te verklaren feit nu als onmogelijk en dus als leugenachtig verwerpen , omdat Christus de eenige Middelaar is, zonder wiens verdiensten niemand zijne zaligheid kan bewerken? Maar kan Christus, ofschoon Hij eigenmachtig over zijne verdiensten beschikt, zich dan niet door het gebed van een trouwen dienaar of dienares laten bewegen, om zijne genaden, de vruchten zijner verdiensten, in ruimere mate aan dezen of genen mede te deelen ? Dat zulks gebeuren kan, en ook werkelijk gebeurt, daarvan zijn we allen overtuigd. Immers omdat we daarvan overtuigd zijn, daarom bidden we voor elkander, en stellen we er prijs op, ons zeiven in de gebeden van anderen aan te bevelen.
De leer der katholieke Kerk komt dus eenvoudig hierop neer: de Heiligen in den hemel, en ook zelfs de rechtvaardigen op deze wereld, kortom de trouwe vrienden van God, kunnen door hunne tusschenkomst, d. w. z. door hun gebed Gods genaden en zegeningen, over ons afsmeeken, en wanneer zij dat doen, dan treden zij op als onze beschermers en verdedigers, en in zoover kan men hun den naam geven van tusschenpersonen of middelaars tusschen ons en Christus, wiens goedheid en barmhartigheid zij voor ons inroepen. Doch middelaar in dien zin, waarin wij Christus
171
onzen Middelaar noemen , zijn zij volgens de leer der Katholieke Kerk volstrekt niet. Waarom niet? Omdat zij niet, gelijk Christus, de macht hebben, om uit zichzelven iets te geven, maar enkel kunnen vragen; en ook omdat alle bovennatuurlijke gaven, welke zij door hun gebed voor ons verkrijgen, ons alleen krachtens de oneindige verdiensten van Christus worden geschonken.
De leer der katholieke Kerk over het aanroepen der Heiligen doet dus in het minst geen afbreuk aan de waardigheid of aan de verdiensten van den éénen Middelaar, Jezus Christus. Want dat de Heiligen door hunne voorspraak veel bij God vermogen, dat schrijven wij toe aan hunne deugd en heiligheid, waardoor zij de bijzondere vrienden zijn geworden van God. Doch die uitstekende deugd en heiligheid danken zij op de eerste plaats aan de oneindige verdiensten van den éénen Middelaar, Jezus Christus, zonder wiens genade zij, evenmin als wij, iets ter zaligheid vermochten. En wanneer God zoo goed is, het gebed zijner Heiligen ten onzen gunste te verhoeren, dan zijn het niet die Heiligen, maar dan is het Christus zelf, die op liet gebed zijner trouwe dienaren zich gewaardigt den onuitputtelijken schat zijner verdiensten in ruimere mate op ons toe te passen. Hoe kan men dan beweren, dat daardoor de verdiensten van den éénen Middelaar, Jezus Christus, worden verkleind? Zou men niet veeleer mogen zeggen, dat juist door die leer de oneindige verdiensten en de grootheid van dien Middelaar zoo duidelijk mogelijk in het licht worden gesteld?
Overigens â want de moeilijkheid is te nietig om er langer bij stil te staan, â lees de kerkelijke geschiedenis. Wat vindt ge daar? Dat reeds in de allereerste eeuwen der Kerk de voorspraak der Heiligen evenzeer werd ingeroepen als tegenwoordig. Maar zou dan, vraag ik nog
172
eens, de Kerk reeds van haar eerste begin af op het dwaalspoor zijn geweest? Dan zou men wel moeten zeggen , dat (vergeef mij de uitdrukking) Cluistus weinig eer vau zijn werk heeft gehad.
§ 53.
Maar de Katholieken maken beelden ter eere der Heiligen. Is dat niet een soort afgoderij, en in strijd met het eerste gebod, waarin het maken van beelden verboden wordt?
Toen God op den berg Sinaï ten aanhooren van het Joodsche volk zijne tien geboden afkondigde, sprak Hij, wel is waar: âGij zult u geen gesneden beeld noch gelijkenis maken, gij zult die niet aanbidden noch eer bewijzenquot;. Doch welke was de beteekenis, de bedoeling dezer woorden ? Wilde God daarmede te kennen geven , dat het maken van beelden altijd en in elk geval ongeoorloofd is? Neen. Immers God zelf gaf aan de Joden den last, twee gouden Cherubijnen te vervaardigen, om die op de Ark des Verbonds te plaatsen.
Wat bedoelde God dan met het maken van beelden te verbieden ? God wilde de Joden terughouden var. afgoderij. De Joden keerden in die dagen juist terug uit de slavernij van Egypte. Daar hadden ze gezien, hoe de Egyptenaren verschillende beelden als afgoden veresrden; zij leefden buitendien te midden van heidensche volkoren; die afgoden aanbaden; en wijl de Joden eene groove geneigdheid aan den dag legden, om de schandelijke gewoonten der heidenen over te nemen â getuige hun dienst van het gouden kalfâ daarom werd hun op het hart gedrukt,
173
dat zij zich geene beelden zouden maken, om die, in navol, ging der heidenen, als afgoden te aanbidden. Dat dit de bedoeling was, toen God sprak; âgij zult u geen gesneden beeld of gelijkenis makenquot;, blijkt ook duidellijk uit de woorden, welke God onmiddellijk liet volgen : âGij zult die niet aanbidden noch dienen; want Ik ben de Heer uw Godquot;. Door deze woorden gaf God dus duidelijk tekennen^ dat men zioh geene afgodsbeelden mocht maken. d. w. z. dat men zich geene beelden mocht maken, met het doel om die, gelijk de heidenen deden, als afgoden te vereeren. Doch iedereen weet genoeg, dat de Katholieken zulks volstrekt niet doen. Zij maken wol beelden, doch niet gelijk de heidenen, ter eere van dezen of genen afgod , maar ter eere van den waren God en ter verheerlijking zijner Heiligen.
Bovendien â en ziehier eene opmerking,welke ook hier weder niet genoeg in het oog kan worden gehouden â de andersdenkenden beweren immers, dat de katholieke Kerk, niet in de eerste eeuwen, maar eerst in lateren tijd van den waren weg is afgeweken. Zij geven dus toe, dat zij in de eerste eeuwen nog de ware Kerk van Christus was. Bijgevolg waren toen ook hare leer en hare gebruiken nog goed en heilig en zeker niet in strijd met Gods geboden. Welnu, het gebruik van de Heiligen in beelden voor te stellen bestond in de katholieke Kerk in de eerste eeuwen evenals tegenwoordig. De catacomben van Rome zijn daar om het te getuigen. Als dat gebruik toen niet in strijd was met Gods geboden, waarom zou men het tegenwoordig dan moeten afkeuren en veroordeelen ?
Nog eene andere opmerking. Zij, die het maken van Heiligenbeelden veroordeelen, beroepen zich, gelijk we reeds gezien hebben, op de woorden van het eerste gebod âgij zult u geen gesneden beeld maken.quot; Maar als die woorden zoo letterlijk moeten worden verstaan, dat daar-
] 74
door niet alleen afgodsbeelden, maar ook alle andere beelden worden verboden, dan diende men toch, om zich gelijk blijven, ook de beelden af te keuren, welke worden opgericht ter eere van koningen, helden , vvijsgeeren , dichters enz.
Zie, in den Haag bijv. heeft men een standbeeld geplaatst voor Spinoza, die wegens zijn volslagen ongeloof en zijne goddelooze geschriften al bitter weinig aanspraak kan maken op eerbied en bewondering van het nageslacht. Togen zulk een beeld maakt niemand bezwaar, en rnen zou er wel bezwaar uit maken, men zou meenen God te beleedigen, door beelden op te richten ter eere van hen, die waarlijk groot zijn in de oogen van God, ter eere bijv. van Jezus' Moeder of van zijne Heiligen in den hemel. Zulk eene redeneering houdt waarlijk geen steek.
Ja, maar de Katholieken, dus zegt men, maken niet alleen beelden, maar zij vereereu ook die beelden, door ze met licht en bloemen te versieren.
Zeker, en waarom niet?
Ziet men op den verjaardag onzer beminde Koningin op tallooze plaatsen haar portret of haar borstbeeld ook niet met licht en bloemen en andere eereblijken getooid? Vindt ge dat zoo onzinnig en dwaas? Zijt ge daarin zoo geërgerd? Ik geloof het niet. Want iedereen begrijpt te wel, dat men die eer bewijst niet juist aan dat papieren portret, of aan dat houten of steenen borstbeeld, maar aan de persoon der Koningin zelve, die door dat portret of dat beeld wordt voorgesteld; m. a. w. stelde dat beeld, in plaats van onze Koningin, bijv. de beruchte âmillioenen-juffrouwquot; voor, dan zou men dat beeld niet eeren â integendeel. Zoowel eer als smaad geldt dus het beeld, alleen in zooverre het iemand voorstelt, dien wij eer of smaad waardig keuren. Als nu de Katholieken de beelden van Gods vrienden vereeren om diezelfde reden, is het dan
175
niet zeer onredelijk hun daarvan een verwijt te maken?
't Is waar, de Katholieken gaan verder. Men ziet ze soms biddend voor de beelden nederknielen. Maar, lezer, ge begrijpt toch wel, dat zij ook dit niet doen uit eerbied voor hout of steen, of om iets van of door dat beeld te verkrijgen, maar om hen te eeren, of als voorsprekers in te roepen, aan wier deugd en heiligheid dat beeld ons herinnert.
§ 54.
De Katholieken toonen eerlned voor de reliquieën of overblijfselen der Heiligen. Is diit niet onnoozel?
Ook hierover hoort men niet zelden spreken, alsof het de grootste ongerijmdheid ware der wereld. Wat zullen we daarop zeggen ? Een eenvoudige vraag ; wat doet men in het gewone leven? Ook daar, niet waar, wordt iets, dat aan een dierbaren overledene heeft toebehoord, hoe nietig het op zicli zelf ook zij, bijv. een ring, een haarlok enz., als een kostbaar kleinood beschouwd, bewaard en in eere gehouden, en wat men ook wil afstaan, dat kleinood, zulk een âsouvenirquot;, is voor geen geld te krijgen. Hecht men bijv. niet veel meer waarde aan den haarlok van een overleden vader , kind , echtgenoot, dan aan het gouden medaillon , waardoor die zorgvuldig wordt ingesloten ? Aan kleedingstukken, wapenen en andere nagelaten voorwerpen van onze groote mannen wordt eene eervolle plaats ingeruimd in onze museums. En als ge in den Haag een bezoek brengt aan de zoogenaamde âGevangenpoortquot;, dan zult ge van uw geleider kunnen vernemen , dat een Engelschman eens duizend gulden geboden heeft.... waarvoor? Voor een plankje, waarop Cornelis
176
de Witt, broeder van den raadpensionaris Johan de AVitt, in de dagen zijner gevangenschap den voorgevel van zijn woonhuis heeft ingekrast. Of die som nn inderdaad is geboden of niet, doet hier niets ter zake. dit alleen wil ik opmerken: als men ook in de burgerlijke maatschappij datgene, wat aan dierbare overledenen of aan groote en verdienstelijke mannen herinnert, zoo hoog op prijs stelt en in eere houdt, klinkt het dan niet al te dwaas de Katholieken van ongerijmdheid te beschuldigen, omdat zij hetzelfde doen op godsdienstig gebied? omdat zij eerbied toonen voor de reliquieën der Heiligen, voor de overblijfselen van hen, die, als door God zeiven zoo hoog geëerd, meer dan iemand ter wereld onze achting en onzen eerbied verdienen ?
De beschuldiging, dat de Katholieken door den eerbied, welken zij voor de Heiligen betoonen, zich plichtig maken aan afgoderij en daarom zondigen tegen het eerste gebod, is dus eenvoudig kinderachtig.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Mirakelen.
§ 55.
Wat is eeu mirakel? Eu waaraan kan, ten minste in sommige gevallen, de echtheid van een mirakel worden erkend i
Door een mirakel verstaan we hier een buitengewoon feit, dat de krachten der natuur te boven gaat en alleen aan de bijzondere werking van God moet worden toegeschreven. Let wel op, ik zeg: een buitengewoon feit, dat de krachten der natuur te boven gaat, â en alleen aan de bijzondere werking van God moet worden toegeschreven. Dit laatste toch behoort er volstrekt by , wil men iets een mirakel noemen; want er kunnen soms wondervolle dingen gebeuren, waartoe geen enkele mensch, zoomin als eenige natuurkracht, uit zich zelf in staat is, zonder dat het daarom ware mirakelen zijn. Wanneer bijv. iemand op eens vlug eene vreemde taal begint te spreken, welke hij nooit geleerd heeft, of met juistheid weet te vertellen, wat op het eigen oogenblik op duizend uren afstands plaats heeft, dan is dat zeker een feit, dat de krachten van den mensch te boven gaat, en langs natuurlijken weg ook niet
â 12
178
te verklaren valt, en toch kan men maar niet aanstonds zeggen, dat zoo iets een waar mirakel is. Waarom niet? Omdat het zeer goed kan gebeuren, dat men zulke wonderbare feiten moet toeschrijven, niet aan de bijzondere tus-schenkomst van God, maar van den duivel. De duivel toch is wel slecht, maar in ieder geval is hij engel gebleven. Hij is derhalve met een veel grooter verstand en grootere kracht begaafd dan wij. Bovendien kan hij, wijl hij een geest is en dus geen lichaam heeft, zich in een oogwenk van de eene plaats naar de andere begeven, zonder door iets te worden weerhouden.
Hieruit volgt dus, dat de duivel, als God het wil toelaten, iets vreemds, iets wonderbaars kan verrichten of te weeg brengen, waartoe de mensch niet in staat is; doch dit is dan geen mirakel, maar duivelswerk.
Maar hoe kan men nu onderscheiden, of het een of ander wonderbaar feit aan de tusschenkomst van God of van den duivel moet worden toegeschreven ? Hoe kan men weten, of zoo iets een waar mirakel of slechts duivelswerk is? Dat is niet altijd even gemakkelijk, en daarom moet men bij het beoordeelen van dergelijke feiten altijd zeer voorzichtig te werk gaan; maar toch zijn er vele gevallen, waar de inwerking van God duidelijk en met zekerheid kan worden onderscheiden.
Wanneer er namelijk iets gebeurt, dat niet alleen de krachten van den mensch, maar ook de krachten van alle schepselen, dus ook van den duivel, te boven gaat, dan is het duidelijk, dat zoo iets geschiedt door bijzondere tusschenkomst van God; bijv. iemand, die zeker dood is, tot het leven terugroepen, dat vermag geen enkel schepsel, dat kan God alleen, de eenige Meester van leven en dood. Wanneer er dus zoo iets geschiedt, dan is men zeker, dat men te doen heeft met een waar mirakel.
179
Zoo ook wanneer de wondervolle en bovenmensclielijke gebeurtenissen, welke Lier of daar geschieden of geschied zijn, voor noodzakelijk gevolg hebben, dat daardoor de eer van God en de uitbreiding van den godsdienst worden bevorderd, ook dan kan men zeker zijn, dat zulke feiten niet aan de tusschenkomst van den duivel, maar aan de tus-schenkomst van God moeten worden toegekend. Om dit met een voorbeeld duidelijk te maken: Onderstel eens, dat, gelijk dikwijls gebeurd is en nog gebeurt, een voorbeeldig en heilig priester, die onder de Heidenen het geloof verkondigt, door het enkele teeken des kruises of door het storten van een klein gebed vele zieken plotseling geneest, aan verschillende dooven het gehoor, aan blinden het gezicht terugschenkt, en dat bij het zien van die wonderteekenen de heidenen bij honderdtallen tot het geloof bekeerd worden, hun vroeger zedeloos leven vaarwel zeggen en zich met hart en ziel gaan toeleggen op godsdienstigheid, deugd en braafheid. Men zou toch zijn verstand verloren moeten hebben, om in zulke gevallen te durven onderstellen, dat die wonderbare plotselinge genezingen het werk zijn van den duivel. De duivel zal zich immers de moeite niet geven om zijn eigen rijk te vernietigen, de menschen tot deugd en godsdienst op te wekken en hen daardoor in den hemel te brengen. In deze en dergelijke gevallen is het dus duidelijk, dat men met ware, door God verrichte mirakelen te doen heeft.
180
§ 56.
Kan (jrod mirakelen doen ten gunste eener valsche godsdienstleer ?
Neen, dat, kan God niet; want daardoor zou God de onwaarheid bevestigen; God zou daardoor de menschen noodwendig in dwaling brengen, en dit strijdt met zijne oneindige goedheid, wijsheid en heiligheid. Ik zeg: ten gunste van een valsche godsdienstleer; hieruit volgt dus niet, dat God geen mirakelen zou kunnen doen ten gunste van een persoon, die buiten den waren godsdienst leeft. Zoo bijv. wordt verhaald, dat er zelfs heidenen zijn geweest, die valschelijk van een groote misdaad beschuldigd, om hunne onschuld te bewijzen barrevoets en ongedeerd over gloeiende kolen gingen. Of die feiten nu werkelijk zijn geschied, daarvoor kan ik niet instaan; doch volstrekt onmogelijk zijn ze niet. Immers het verrichten van zulk een mirakel zou niet in strijd zijn met Gods wijsheid of heiligheid. God zou daardoor niemand bedriegen noch misleiden. De toeschouwers zouden daaruit alleen besluiten, dat die persoon aan de hem ten laste gelegde misdaad onschuldig is; doch niemand zou in dit geval zulk een mirakel als een bewijs beschouwen voor de waarheid van den heidenschen godsdienst, wijl het klaarblijkelijk niet als getuigenis voor den godsdienst, maar enkel voor de onschuld van dien persoon zou geschied zjjn.
Geheel anders echter wordt de zaak , wanneer een mirakel duidelijk in verband staat met de eene of andere godsdienstleer. Stellen we een voorbeeld. De katholieke Kerk leert, dat men de Heiligen, bijzonder de Moeder van Christus, behoort te eeren en dat het goed en heilzaam is hunne voorspraak in te roepen. Verbeeld u nu, dat een Katholiek, die sedert vele jaren het gezicht reddeloos heeft verloren,
181
met een kinderlijk vertrouwen zijn toevlucht neemt tot de H. Maagd om door hare voorspraak het gebruik zijner oogen terug te krijgen. Zou Grod nu dat gebed kunnen verhoeren en dien blinde door een mirakel kunnen genezen? Zeker wel, als de leer der katholieke Kerk ten opzichte van de vereering der Heiligen eene ware leer is; maar anders ook zeker niet. Waarom niet? Omdat God door zulk een mirakel iedereen tot de overtuiging zou brengen, dat die Katholiek goed heeft gedaan met de H. Maagd te eeren en hare voorspraak in te roepen; maar, ge begrijpt het, tot die overtuiging zou God den mensch niet kunnen brengen, wanneer de katholieke leer over de vereering en aanroeping der Heiligen werkelijk valsch ware en in strijd met de leer van Christus. Met één woord: door een mirakel kan God alleen de waarheid bevestigen. Wanneer dus God een mirakel verricht ten gunste van de eeue of andere godsdienstleer, d. w. z, wanneer God een mirakel doet onder zulke omstandigheden , dat iedereen rederlijkerwijze gedwongen wordt dat mirakel als bewijs voor de waarheid van die godsdienstleer te beschouwen, dan kan men ook zeker zijn, dat die godsdienstleer de ware godsdienstleer is; anders zou God zelf ons door zulke mirakelen op het dwaalspoor brengen, en dit is onmogelijk, zoo iets te denken is godlasterlijk.
§ 57.
Zijn do Katholieken niot te haastig om iets als een echt mirakel uit te bazuinen?
Men hoort soms beweren: de Katholieken hebben er natuurlijk belang bij, dat zij voor de waarheid van hun godsdienst kunnen wijzen op mirakelen, en daarom zijn ze
182
in liet beoordeelen van mirakelen niet onpartijdig en er altijd op uit om alles, wat er wondervols onder hen gebeurt, aanstonds als een waar mirakel uit te roepen.
Dat er werkelijk onnoozele Katholieken zijn, die te spoedig aan mirakelen gelooven , wil ik wel toegeven. Licht-geloovigen vindt men overal. Ik voeg er bij, dat er zelfs ongeloovigen gevonden worden, die er vermaak in schijnen te nemen aan eenvoudige Katholieken het een of ander mirakel op den mouw te spelden, met geen ander doel dan om, een paar dagen later, diezelfde Katholieken om hunne lichtgeloovigheid te bespotten.
Doch, lezer, alle Katholieken zijn nu juist nietonnoozel. Welnu, Katholieken, die waarlijk voorzichtig zijn, zullen er, juist uit eerbied voor bun godsdienst, volstrekt nie op uit zijn om alles wat er in de katholieke Kerk wonder-vols gebeurt, aanstonds als een mirakel uit te bazuinen. De Katholieken moeten er natuurlijk prijs op stellen, voor de waarheid van hun godsdienst te kunnen wijzen op ware mirakelen, maar zij begrijpen ook zeer goed, dat zij zich bespottelijk maken en hun godsdienst volstrekt geene eer aan doen door zich te beroepen op mirakelen, waarvan de echtheid met grond betwist of betwijfeld kan worden.
Een voorbeeld ter opheldering. Onderstel, hier of daar heeft eene bijzondere gebeurtenis plaats gehad. Men zegt b.v., dat een Katholiek bij het ontvangen der H. Communie plotseling van een volslagen doofstomheid zou genezen zijn. Nadat er over dat feit veel gepraat en geschreven is, word ik door mijne geestelijke overheden verzocht de ge-heele zaak zoo grondig mogelijk te onderzoeken en verder verslag te geven van mijne bevindingen.
Goed, ik doe dat. Ik ga den genezene persoonlijk spreken en stel hem de noodige vragen over zijne vroegere doof-en stomheid, over zijne genezing, over zijn tegenwoordigen
183
toestand. Ik ondervraag een ruim aantal geloofwaardige personen, die hem vroeger van nabij hebben gekend; ook hen, die van zijne genezing getuigen zijn geweest. Ik raadpleeg ook verschillende geneesheeren, wier inlichtingen mij zonder twijfel hoogst dienstig kunnen zijn. Onderstel nu, dat de slotsom mijner bevindingen hierop neerkomt: de man schijnt vroeger niet zoo volslagen doofstom, zijne genezing ook niet zoo plotseling te zijn geweest, als men voorgaf; of wel: volgens verklaring van kundige en vertrouwbare geneesheeren, schijnt het niet onmogelijk, dat zijne genezing ook aan natuurlijke oorzaken kan toegeschreven worden. In dit geval zou dus de aanwezigheid van een mirakel mij niet duidelijk bewezen zijn. Nu vraag ik u: welk belang kan ik, als Katholiek, er bij hebben, om niettegenstaande al die twijfelachtigheden , van daken en huizen te gaan verkondigen, dat er werkelijk met dien man een waar mirakel heeft plaats gehad? Wat mijn persoon betreft, ik zou er zeker geen eer bij inleggen, want ieder verstandig mensch zou mijn oordeel minstens zeer voorbarig noemen en bij nader onderzoek zou het wel eens kunnen blijken, dat ik leelijk in den fuik geloopeu was. Maar zou ik mischien meenen, dat ik daardoor een dienst bewees aan de katholieke Kerk ? Wel neen; immers ik heb bevonden, dat de zaak twijfelachtig is; 'tis dus mogelijk, dat men morgen of overmorgen duidelijk zal aantoonen, dat er hier van een waar mirakel volstrekt geen sprake is. En dan? Wel, dan zullen de niet-Katholieken zeker niet in gebreke blijven er eens hartelijk mee te lachen en zij zullen de katholieke Kerk verwijten, dat deze door zulke schijnmirakelen verdedigd moet worden. En de Katholieken zeiven zullen er niet door gesticht, sommigen zelfs door geërgerd zijn.
Ziedaar, waarom een Katholiek, wien de eer zijner Kerk
184
ter harte gaat, zich juist verplicht ziet bij het onderzoeken van dergelijke buitengewone voorvallen, uiterst voorzichtig, onpartijdig en zonder eenig vooroordeel te werk te gaan. En daartoe behoeft hij zich hoegenaamd geen geweld aan te doen. Iedereen toch ziet gemakkelijk in, dat de katholieke Kerk volstrekt niet ten gronde zal gaan, omdat met dezen of genen persoon geen mirakel is geschied, zoomin als zij er iets onder lijdt, dat er tot heden met u of met mij nog geen mirakel heeft plaats gehad.
Als er bij het beoordeelen van mirakelen sprake kan zijn van partijdigheid en vooringenomenheid, dan is die veeleer te zoeken bij de vijanden der katholieke Kerk, bij hen, voor wie het eenmaal vaststaat, dat de katholieke Kerk de ware Kerk van Christus niet kan of liever niet mag zijn. Want om dat beginsel getrouw te blijven, moeten zij, of zij willen of niet, elk mirakel, dat Grod ten gunste der katholieke Kerk verricht, ook al zou het door honderd geloofwaardigen onder eed worden bevestigd, halsstarig als onwaarheid verwerpen. En dat doen zij dan ook trouw, al slaan ze zoodoende de geschiedenis in het aangezicht.
§ 58.
Waarom gebeurden er vroeger, in de dagen der Apostelen en in de eerste eeuwen der Kerk, veel meer mirakelen dan tegenwoordig?
Hiervoor bestaat eene zeer verklaarbare reden, namelijk deze, dat die vele mirakelen vroeger volstrekt noodig waren, tegenwoordig niet.
De Apostelen begonnen, na op het Pinksterfeest den H. Greest ontvangen te hebben , den verheven last der Evan-
185
gelieverkondiging, hun door Christus toevertrouwd, ten uitvoer te brengen. Met alleen in Judea, maar in alle omliggendei ja in de verst afgelegen streken traden zij moedig op om overal te verkondigen, dat die Jezus van Nazareth, die door het Joodsche volk aan een kruis was vastgeklonken, werkelijk God was, en dat zij door Hem waren gezonden om zijne goddelijke leer te prediken aan alle volken der aarde. Doch vooral die meer afgelegen volken hadden van de wonderen, waarmede Christus zijne goddelijke zending had bevestigd, nog wellicht niets vernomen; bovendien was de leer, welke de Apostelen als eene goddelijke en verplichtende leer voorstelden, rechtstreeks in strijd metdeheiden-sche en zedelooze gebruiken dier diep bedorven maatschappij. Hoe dus zouden die zoo laag gezonken en verblinde volken aan de leer der Apostelen geloof hebben geslagen, als God zich niet gewaardigd hadde de waarheid dier nieuwe leer door schitterende mirakelen te bevestigen? Vandaar dat Christus aan zijne Apostelen de macht schonk om door het verrichten van mirakelen het bewijs te leveren, dat zij werkelijk eene goddelijke zending hadden ontvangen en dus ook hunne leer als eene goddelijke leer moest worden geloofd en geëerbiedigd. Vandaar ook, dat de dood dei-eerste Christen martelaren dikwijls van de schitterendste mirakelen vergezeld ging. Deze moesten, als zoovele stemmen Gods, der heidensche wereld toeroepen; de leer, door die predikers verkondigd, door die martelaren met bloed bezegeld, is de ware, de alleen zaligmakende leer! Hier is zichtbaar de vinger Gods!
Doch bestaat die noodzakelijkheid thans nog? m. a. w. is het noodig, dat God ook nog in onze dagen weder nieuwe mirakelen verrichte, om de wereld van de goddelijke stichting zijner Kerk te overtuigen? Neen, volstrekt niet; wijl het volstrekt niet noodig is eene en dezelfde waarheid,
186
als zij eenmaal duidelijk genoeg bewezen is, voortdurend opnieuw te bewijzen. De veelvuldige wonderen, waarvan de wereld in de eerste tijden na Christus getuige mocht zijn, waren het onoinstootelijk bewijs, dat die Kerk, in welker midden en te wier gunste God die wonderen verrichtte, werkelijk de ware Kerk van Christus was, en die Kerk â om het nog eens ten slotte te herhalen â was die, aan welker hoofd Petrus stond als Opperherder, Petrus in eigen persoon of in den persoon zijner opvolgers, die Kerk was de katholieke Kerk. Maar waartoe zou het dan noodig zijn, dat God nu nog aanhoudend nieuwe mirakelen bleef doen om de waarheid dierzelfde Kerk opnieuw te bevestigen? Nu het voortbestaan dier Kerk zelve, trots zoovele en woedende vervolgingen van alle menschelijke en belsche machten, een voortdurend mirakel mag heeten; nu een ieder, die de oogen wil openen voor de schoonheid en den glans dier in alle werelddeelen verspreide Kerk, met een weinig goeden wil gemakkelijk in haar de stichting Gods kan erkennen?
Zeer verklaarbaar is het dus, dat de mirakelen in onze dagen zeldzamer zijn dan in de dagen der Apostelen en in de eerste eeuwen na Christus.
§ 59.
Kau de katholieke Kerk zich in onze dagen nog op ware mirakelen beroemen ?
Ongetwijfeld kan zij dat. Natuurlijk is men volstrekt niet verplicht maar aanstonds geloof te hechten aan alle mirakelen, welke door den eerste den beste worden verteld.
187
Integendeel, men moet daarbij, gelijk wij zagen en het gezond verstand vordert, zeer voorzichtig te werk gaan.
Doch, moet men in dit punt omzichtig en dus niet lichtgeloovig handelen, het is ook waar, dat men zich kinderachtig en belachelijk aanstelt, met eenvoudig alle mirakelen als onnoozele vertelseltjes te willen wegcijferen, of, gelijk men soms hoort, te zeggen: ik geloof aan geene mirakelen of ik zou ze zelf moeten zien. Zulke taal is kortweg bespottelijk. Waarom? Omdat er tallooze mirakelen zijn, waarvan de waarheid op de grondigste wijze onderzocht en door de geloofwaardigste getuigen onder eed is bevestigd; en dan te zeggen: ik geloof ze niet, omdat ik ze zelf niet gezien heb, is even redelijk als wanneer iemand spreken zou: ik geloof niet, dat Napoleon den slag
van Waterloo heeft verloren, want ......ik ben er zelf
niet bij geweest, ik heb het zelf niet gezien. Dat is immers kinderachtig. Verbeeldt u: gij A. hebt met eigen oogen een mirakel gezien, dus gij gelooft het. Best, maar B. heeft het niet gezien, en C. evenmin enz. Waar zou het nu heen, indien ook zij niet wilden gelooven, alvorens gezien te hebben, kortom, als men geen waarde meer ging hechten aan het goed gewaarborgd getuigenis van anderen? Wat zou er overblijven van de geheele geschiedenis, indien men alleen datgene wilde gelooven, wat men zelf gezien had? Er hebben immers voortdurend, dag en nacht, millioenen en nogmaals millioenen feiten plaats, waarvan men, vooral des nachts, al bitter weinig met eigen oogen te zien krijgt. Is het nu redelijk, is het mogelijk dat alles te loochenen of te betwijfelen? â Wij moeten dus wel in tallooze gevallen steunen op het getuigenis van anderen; en even redelijk als het is op dit getuigenis te steunen, zoo dikwijls het inderdaad geloofwaardig is, even onzinnig is het in hetzelfde geval zulk getuigenis te verwerpen.
188
Ten bewijze nu dat er in de katholieke Kerk door alle eeuwen heen ware mirakelen zijn geschied en nog van tijd tot tijd geschieden, moge de volgende opmerking voldoende zijn. Gij weet, de katholieke Kerk telt hare Heiligen bij duizenden en hun getal neemt nog voortdurend toe. Geen jaar bijna gaat er voorbij, waarin door de Kerk niet een of meer harer kinderen worden heilig verklaard, en als dusdanig aan de vereering der geloovigen voorgesteld. Welnu, volgens de sinds eeuwen in de Kerk vastgestelde wetten en gebruiken, wordt niemand door de Kerk heilig verklaard, zonder dat zijne heiligheid uit verschillende mirakelen duidelijk zij gebleken. En hoe gaat de Kerk bij het onderzoek naar die mirakelen te werk? Met eene voorzichtigheid en gestrengheid, welke de scherpste kritiek beschaamt. Ja, ik durf zeggen, dat er geen enkel gerechtshof in de wereld is, dat om zeker van zijne beslissingen te zijn, zoovele voorzorgsmaatregelen neemt als de Kerk bij haar onderzoek naar de waarheid dezer feiten. Met dat onderzoek worden steeds zeer bekwame en geleerde mannen belast. Hunne beslissing wordt nogmaals aan het oordeel van andere geleerden onderworpen. Bovendien wordt daarbij altijd iemand aangesteld, met den uitdrukkelijken last om alle moeilijkheden uit te denken en op te werpen, welke tegen de echtheid dier mirakelen met eenigen schijn van reden kunnen worden ingebracht, zoodat aan zulk een onderzoek niet alleen dagen en weken, maar dikwijls jaren en jaren worden besteed.
Als een voorbeeld dier groote zorg en behoedzaamheid, waarmede de Katholieke Kerk bij het beoordeelen van mirakelen te werk gaat, diene het volgende.
De kardinaal Lambertini, die later als Paus onder den naam Benedictus XIV de Kerk bestuurde, ontving eens het bezoek van een geleerden Engelschen Protestant. Het
189
was juist ten tijde dat men te Rome zich met de voorbereiding eener heiligverklaring bezig hield. De mirakelen, waarop die heiligverklaring steunen moest, waren behoorlijk onderzocht en in een lijvig boekdeel uiteengezet. Dat boek had de kardinaal voor zich op tafel en bood het den Engelschman aan, om 't, als hij wilde, eens in te zien. Deze nam het mede naar huis en doorlas het met de grootste aandacht. Toen hij het boek teruggaf, vroeg hem do kardinaal : âWat dunkt u van de mirakelen, welke gij daarin gelezen hebt?quot; â âWel,quot; sprak de Engelschman , âalsalle mirakelen, welke de katholieke Kerk aanneemt, zoo degelijk onderzocht en zoo duidelijk bewezen werden als deze, dan konden we ze gerust aannemen en dan had men waarlijk geen recht met de wonderen in de katholieke Kerk te spotten.quot; â âWelnu,quot; hernam de kardinaal, âdan moet ik u zeggen, dat de Kerk in hare beoordeeling veel strenger te werk gaat dan gij Van al de mirakelen, welke in dat boek worden vermeld, is er geen enkel door de kerkelijke rechtbank als genoegzaam bewezen beschouwd. Zij heeft ze alle als min of meer twijfelachtig verworpen, en als er dus geene andere en meer duidelijke mirakelen geschieden, zal de persoon, op wien zij betrekking hebben, door de Kerk nooit of nimmer worden heilig verklaard.quot; De Protestant stond bij dat antwoord verslagen en bekende openhartig, dat hij alleen uit blind vooroordeel tot dusverre had durven twijfelen aan de waarheid der mirakelen, waarop de katholieke Kerk zich beroemt.
De katholieke Kerk dus, en ook zij alleen, heeft ware mirakelen, onder welke er duizenden zijn, waarvan de echtheid door zulke onomstootehjke bewijzen kan worden aangetoond, dat men ze niet betwijfelen kan, zonder zich hoogst onredelijk, ja bespottelijk aan te stellen. Welnu, God kan (gelijk we in § 56 gezien hebben) onmogelijk
190
mirakelen verrichten ten gunste van een valschen godsdienst; want dan zouden de menschen door God zeiven tot het omhelzen van zulk een valschen godsdienst uitgelokt en dus door God zeiven bedrogen worden. Bijgevolg ligt in de mirakelen, welke ten gunste der katholieke Kerk geschied zijn en nog geschieden, een doorslaand bewijs, dat die Kerk de ware Kerk is, door Christus, den Zoon Gods, gesticht.
S L O T W O O R D.
En nu ten slotte, lezer, zij 't mij vergund nog eenmaal te herhalen, wat ik in den aanvang van dit werkje zeide : hebt ge waarlijk de zaligheid uwer onsterfelijke ziel lief, bewandel dan den weg om tot die zaligheid te komen. Die weg is het leven in de ware Kerk van Christus. Hebt ge gegronde reden om te twijfelen of gij in die ware Kerk leeft, zoek dan, onderzoek met oprechtheid, ernst en volharding, totdat ge omtrent dit alles beslissend punt volkomen zekerheid hebt verkregen. Doe uw onderzoek naar de waarheid echter gepaard gaan van een ootmoedig en volhardend geheel, dat God uw verstand verlichte om de waarheid te mogen erkennen, uw wil sterke om de gevonden waarheid te omhelzen en te belijden en tot richtsnoer te nemen van uw leven. Aldus zult ge de rust en het geluk vinden, welke alleen in het bezit der waarheid, zoo hier als hiernamaals, genoten kunnen worden.
VERBETEEIN G.
151. 54 reg. 13 v. b. staat; te yelooven - lees: te houden.