ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3

DE BRUID DES KONINGS.

ocr page 4

Atgenicnc: .quot;ovi. .^ataioog

Minderbroeder s klooster Alverna Gld

ocr page 5

/5quot; r

DE BRUI

FAKAV-LK-JIOXIAL.

W. VAN NIEUWENHOFF s. j.

g. G)

VIERDE VERMEERDERDE DRUK,

AMSTERDAM O. B O R, Gr

1892.

EN DRIE HARER T1JDGEN00TEN

v STUD f mi is

MIHDtRBRQE-DERS']

■NIJMEGEN ,j


ocr page 6

' IMPRIMATUR:

Amstelodamj, F. T. H. VAN OGTROP,

die 8 Aprilis 1887. Lihr. Coin.

Amstelodami, die 25 Febr. 1892.

H. J. H. RU8CHEBLATT, Libr. Cens.


ocr page 7

Hoogst weihom was mij de tijding, dat de vraag naar dit hoekje bleef bestaan, toen de eerste voorraad was uitgeput. Ik heb mij daarom met dankbaren ijver aan 't werk gezet om er de noodzakelijke of gewenschte verbeteringen in te brengen. De Portretten uit Paray-le-Monial vroeger mede in de Maandrozen verschenen, voeg ik, ter voltooiing van het beeld der gelukzalige, hier achter. Mogen deze bladzijden er iets toe bijdragen, dat het aanbiddelijk Hart van onzen Heer Jezus Christus meer ivorde gekend, bemind en nagevolgd.

Den Haag, feestdag van den Z. Petrus daver 18S5.

W. V. N.

Met blijdschap bied ik het vierde duizendtal van dit boekje den geloovigen aan. Onder de noodige verbeteringen moge worden meegeteld, wat ik er over de beloften van onzen Heer aan de zalige Margareta-Maria heb ingevoegd. Waar ze in haar leven en brieven voorkomen, heb ik de aandacht der lezers er op gevestigd.

ocr page 8

Dat zij opwekken tot verspreiding dezer devotie, zoodal ons aller namen onuitwisclibaar geschreven ivorden in hel Goddelijk Hart van Jezus, is mijne oprechte bede.

Ben Haag, Isten Zondag van rto Vasten 1887.

W. v. N.

Eene aandachtige lezing der geschriften van de geluk-zalige Mar garela-Maria en hel merkwaardig hoek van P. E. Letieece s. j., onder den titel: Etude 'surleöacré Goeur. 1890 te Parijs verschenen, stelden mij in slaat aan deze schets belangrijke bijzonderheden toe te voegen en eenige verbeteringen er in te brengen.

Met blijdschap heb ik er bij deze nieuwe uitgave gebruik van gemaakt, in de hoop, dat dit boekje nu nog duidelijker doe uitkomen, hoe de Sociëteit van Jezus te gelijk met de orde der Visitatie van O. L. V. door Onzen Heer uitdrukkelijk met de vereerende taak is belast de devotie tot zijn aanbiddelijk Hart te verspreiden.

's-Gravenhage, 12 Febr. 1892.

W. van Nieuwenhukf s.

ocr page 9

INHOUD.

'■ Bladz. DE L IC XT 10 HAARS LEV KNS.......... 1

II.

liRTJIDSDAOEN ION' PROUFTI.in.........18

III.

DE VERTROrWEUNd VAN JEZUS' HART......3.5

IV.

XfETIWE OFFERS.............65

V.

DE NOVICEXMEESTERES...........il |

VI.

DE EERSTE 1CAPEI.............108

VII.

DE HlfUIDKHOiU KOMT...........125

VIII.

DRIE TIJDOENGOTEN............140

ocr page 10
ocr page 11

2)3 lente haars levens.

^!j tJoL aat mij u verhalen van het wonderbaar en aan-trekkelijk leven der maagdelijke Margareta Ala-coque, wie de tenige Zoon van den Koning des T hemels tot zijne lieve Bruid en de vertrouwelinge Zijns ^ harten heeft gekozen.

Zij zag het eerste levenslicht den 22st8n Juli 1647 — niet verre van de parochiekerk van Vérovres, waar zij drie dagen later van haar oom, den pastoor, het H. doopsel ontving. Naar Mevr. de Fautrières Corcheval. hare meter, werd zij Margareta genoemd. Claude Ala-coque, haar vader, sinds acht jaren met Philiberte Lamyn gehuwd, was notaris van Vérovres, gevestigd te Lau-thecourt, en vrederechter van Terreau. Margareta, zijn vijfde kind en tweede dochter, bleek wel op geheel bijzondere wijze voor God bestemd. »0 mijne eenige

1

ocr page 12

liefde,quot; schreef zij later, »Tan mijne teederste jeugd maaktet Gij u meester van mijn hartquot;.

Toen zij vier jaren oud was, nam haar peettante ze bij zich op het kasteel van Corcheval, eene mijl van 't ouderlijk huis gelegen. Daar gebeurde 't meermalen, dat ze vruchteloos in huis werd gezocht, en dan vond men het kind öf in de slotkapel biddend, of in de kerk voor het allerheiligst Sacrament. Zij lag dan geknield, de handjes gevouwen, onbewegelijk; want men had haar geleerd, dat Jezus Christus in het H. Tabernakel wezenlijk tegenwoordig is. Denkt u geen wonderkind, dat hare jaren in ontwikkeling ver vooruit, stil en afgetrokken van aard, een afkeer had van vermaak en spelen. Xeen, levendig was zij en speelsch, soms op het punt van ondeugend te zijn, — doch dan was een enkel woord; »foei! dat mag niet, dat wil Onze Lieve Heer niet hebben!quot; genoeg om haar aanstonds te doen laten, wat verboden werd. Immers, zij gevoelde zich toen reeds doordrongen van den diepsten afschrik voor alle zonde, ofschoon hare deugd nog meer in een onwillekeurig heengetrokken worden, dan in vrijwillige daden bestond. Dit verklaart ons, waarom zij toen reeds de liefkoozingen vluchtte van eene der huisge-nooten, welke haar lezen en den Catechismus moest leeren, terwijl ze eene andere met deze taak belast, doch die haar met zekere strengheid behandelde, altoos zocht. Later bleek het haar, dat ze onwetend de voorkeur aan de godsdienstigste gegeven had.

Nog in dezen teederen leeftijd voelde zij zich onop-delijk inwendig aangespoord om te zeggen: »mijn God,

ocr page 13

3

ik wijd u mijne zuiverheid, ik beloof u eeuwige zuiverheid.quot; Op zekeren dag, dat ze volgens hare gewoonte op de bloote knietjes liggend, bij 't H. Misoffer tegenwoordig was, sprak zij tusschen de beide opheffingen die woorden met groote vurigheid uit, zonder evenwel iets van den band eener gelofte of van de verplichtingen der maagdelijke zuiverheid te begrijpen. Dit involgen van den aandrang der genade was haar voortaan een bron van de rijkste zegeningen. De H. Maagd Maria stelde 't naïeve kind zich als eene zaciite, lieve moeder voor; en gelijk ze meer vertrouwen op hare moeder dan op vader had, zoo richtte zij al hare gebeden eerst tot de moeder Gods, alvorens zij tot Jezus zelf dorst naderen. Dagelijks bad zij haar rozenhoedje geknield, beloofde Zaterdags te vasten en iederen dag-de getijden te bidden, zoodra zij lezen kon, maar zij betuigde ook, dat Maria haar uit groote gevaren gered had.

Zij telde vijf jaren, haar broeder Chrjsostomus zeven, toen deze haar op een Vastenavond voorsloeg elkanders kleederen aan te trekken en zoo verkleed en met een stok gewapend op straat te gaan. »Neen!quot;' zei het kind, nadat zij eerst gretig had toegeluisterd, «misschien zou ik er kwaad mee doen,quot; en bleef weigeren.

Drie jaren later verloor zij haar godsdlenstigen vader. Zijne weduwe, nu met de zorg voor zeven jonge kinderen belast, woonde met de kleinen in het voorvaderlijk stamhuis der familie Alacoque te Lauthecourt, bij hare schoonmoeder en mans zuster. Kort daarop werd Mar-gareta, de tweede dochter, naar de dames Urbanlsten

ocr page 14

4

te Charolles gezonden, om onder de leiding dezer religieuzen volgens haar rang en vrome inborst te worden opgevoed. De nieuwe meesteressen bleken het kostbaar pand te waardeeren, dat aan hare opleiding was toevertrouwd, want nauwelijks had Margareta haar negende jaar bereikt, of zij mocht hare eerste H. Communie meedoen. Deze gebeurtenis werd een keerpunt in haar leven. »Die eerste Communie,quot; zoo schrijft ze zelf, »goot zooveel bitterheid over de spelen en genoegens van mijne jaren, daar ze mij, al bleef ik er aan gehecht, tegenstonden en hoogst onaangenaam werden. Telkens als ik mij met mijne gezellinnen aan het spel begaf, was het of een geheime invloed mij er aftrok; of een inwendige stem mij aanspoorde in de eenzaamheid te gaan en mij geen rust liet, voor ik er naar luisterde. Daar lag ik dan geknield of ter aarde gebogen, en dikwijls tot ik zóó biddend gevonden werd, wat mij altoos hinderde. Ik gevoelde toen eene groote neiging om te doen gelijk de religieuzen, want zij waren heilig in mijn oog, en ik meende, dat ik ook heilig zou worden, indien ik in 't klooster ging. Deze gedachten vervulden mijn geest; alleen zou ik gewenscht hebben, dat zij meer in afzondering leefden, maar ik kende geen andere orde en dacht dus daar te moeten blijven.quot;

Doch eene pijnlijke ziekte wierp het engelreine-kind op het krankbed neer, zoodat hare moeder zich verplicht zag, na een tweejarig verblijf op de kostschool, ze weer thuis te nemen. Vier jaren lang putt'en de geneesheeren alle natuurlijke middelen uit, tot er niets meer overbleef dan voor het opgegeven kind door eene

ocr page 15

5

gelofte te vragen, wat onmogelijk scheen. «Heilige Moeder Gods,quot; zoo bad de hopelooze moeder, sals dat kind geneest, sta ik ze u af!quot; Kort na dit gebed stond Mar-gareta genezen op en ondervond op de zichtbaarste wijze de bescherming der H. Maagd. Eens toen ze, tegen hare gewoonte in, zittende quot;t rozenhoedje bad, verscheen haar de Koningin des Hemels en zei op ern-stigen toon: »Hoe, mijn kind, dient gij mij aldus? zoo achteloos?quot; En de verschijning was heen; doch het woord liet een diepen indruk achter in het maagdelijk gemoed. Niettemin was Margareta op dien leeftijd gekomen, waarin do neiging naar genoegen, vermaak en vrijheid zich krachtig gelden doet. De goederen der fortuin ontbraken haar niet, de edelste gaven naar lichaam en geest evenmin; om hare onschuld en wonderbare genezing was zij van don kant harer moeder en broeders het voorwerp eener liefde en teederheid, die aan eerbiedige vereering grensde. Was het zoo wonder, dat de zestienjarige met gretigheid dronk van den beker der geoorloofde genietingen en van lieverlede tot behaagzucht verviel; dat ze een natuurlijken afkeer voelde van lijden en tegenspoed, waarvan zij de waarde nog niet had leeren kennen? Toch overschreed zij de palen der Christelijke zedigheid niet; want, dat ze in dien tijd te veel zorg voor haar opschik had, en ééne enkele maal mot hare vriendinnen gemaskerd op een Vastenavond-bal verschenen was, dat beweende zij heel haar leven als hare grootste misdaden. Maar Hij, die haar tot Zijne uitverkoren Bruid had bestemd, wilde haar losmaken van de genoegens der wereld: Zijne ge-

ocr page 16

6

zellin moest ze worden op het pad des lijdens, vooraleer zij de tolk Zijner versmade liefde voor den mensch mocht wezen. Daarom beschikte God het zoo, dat Margareta's moeder zich door onvoorziene omstandigheden gedwongen zag, geheel de regeling der huishoudelijke zaken op het landgoed van Lauthecourt over te laten aan do drie bloedverwanten, welke bij haar inwoonden. Doch met die zorg en dat bestuur bleek tevens de vrijheid van moeder en kinderen afgestaan, en eene harde dwingelandij werd nu jegens haar, vooral jegens Margareta geoefend. Alles was achter slot, zoodat deze kleederen en toilet bij haar geburen leenen moest om op passende wijze ter kerk te kunnen gaan. In deze bittere slavernij vond Margareta haar eenigen troost voor het Tabernakel; doch weldra mocht ze zonder voorweten barer bloedverwanten ook het huls niet meer verlaten: en als de eene haar dan toestond naar de kerk te gaan, hield eene andere haar terug. Brak zij dan uit in tranen, zoo verweet men haar met evenveel scherpte als onbillijkheid, dat zij heel wat anders zocht dan de kerk; dat ze een jonkman wilde ontmoeten, dien ze liefhad, en nu schreide, omdat zij haar woord niet houden kon.

Deze beschuldiging sneed Margareta door de ziel, dewijl ze nooit aan iets dergelijks gedacht had; en snikkend verborg zij zich in den tuin achter een groot blok graniet, van waar ze 't uitzicht had op de kerk; daar woonde haar Heer en Meester. »Hij is daar om mijnentwil,quot; herhaalde ze, en dan kwamen de tranen in hare oogen. Gansche dagen bleef ze daar soms zonder eten of drinken, tenzij de dorpelingen, die daar werkten.

ocr page 17

(

baar wat melk gaven of eene vrucht. Tegen den avond keerde zij naar huis, bevend en angstig, of ze kwaad had gedaan. En nauwelijks kwam zij tante of grootmoeder onder de oogen, of het regende scheldwoorden en verwijten: dat ze niet gewerkt had en niet voor de kinderen — een zusje en een broertje — zorgde. Zwijgend ging zij dan met de dienstboden aan 't werk, maar de nachten sleet zij in tranen voor haar kruisbeeld. Daar verscheen haar op zekeren nacht de Verlosser als de Ecce homo, en verklaarde haar, dat Hij al dit lijden toeliet om ze gelijkvormig te maken aan Hem; Hij had uit liefde tot haar geleden, zij moest lijden voor Hem. Die woorden daalden als een heelende balsem in Margareta's hart; zij begon haar lijden lief te krijgen, omdat ze er Jezus mee nabij kwam.

De verschijningen herhaalden zich, en zij zag den Zaligmaker bebloed, of met Zijn kruis beladen; van lieverlee werd ze sterk en edelmoedig. Soms had ze spijt, wanneer de hand, die haar dreigde te slaan, niet neerkwam. Ze had mishandeld willen worden voor Hem. De drie personen, die zoo onbillijk en wreed voor haar waren, beschouwde zij als hare beste vriendinnen.

Niet in staat haar groote blijken van liefde te geven, sprak ze met achting en lof over haar en bewees ze allerlei kleine diensten, waar zij vermocht. »Maar helaas!quot; schrijft ze, »ik was het niet, die dit alles deed, doch . mijn goddelijke Meester, die mij aandreef en niet toeliet, dat er een klacht over mijn lippen kwam, dat er een zweem van afkeer sprak uit mijn trekken, dat ik beklaagd wilde worden of getroost; Hij was het, die mij

ocr page 18

8

zeggen deed, dat zij recht hadden aldus te handelen, dewijl ik voor mijne zonden nog meer had verdiend.quot;

Het kruis, wat evenwel het zwaarste woog, was het lijden harer moeder, dat ze niet verzachten kon, die ze nauwelijks troosten of beklagen dorst, uit vrees van in eene vertrouwelijke ontboezeming de liefde te kwetsen of tot morren over te slaan. Toch was zij in de krankheden harer moeder, de eenige haast, die zorg voor haar droeg, en moest zij, daar alles weggesloten was, eieren en wat de zieke verder behoefde, bij de dorpelingen gaan bedelen, die haar niet altoos vriendelijk, soms met groote ruwheid ontvingen.

Eens dat de verlaten vrouw aan een gevaarlijk roosgezwel leed, stelde men zich tevreden met den dorps-chirurgijn te halen, die eene lating beproefde, maar oordeelde, dat er zonder mirakel geen redding mogelijk was: en niemand, die het zich aantrok dan Margareta, die nog in hare droefheid werd bespot en gegriefd. Op nieuwjaarsdag was zij ter Misse gegaan en had haar goddelijken Meester gesmeekt om zelf hare moeder te genezen. Toen ze thuis kwam, was 't gezwel door. De blijde dochter, die nooit zoo iets gezien had, verzamelde al haar moed om de noodige zorgen te kunnen bieden, doch bleef hopen op den bijstand der goddelijke hulp, die binnen weinige dagen de wonde geheel genas. Tijdens deze ziekte harer moeder kon Margareta des nachts met moeite eenige uren vinden voor onontbeerlijke rust; . dagen bracht ze door zonder voedsel; doch de Verlosser troostte en bemoedigde haar, en zij berustte volkomen in Zijn goddelijk welbehagen en herhaalde; »Heer,

ocr page 19

9

indien Gij dit alles niet toeliet, zou het niet gebeuren; nu dank ik TJ, dat het Mij overkomt, omdat ik er U gelijkvormig mee kan zijn.quot;

De overweging kende ze niet dan bij name, en niemand was er, die haar eenig onderricht daaromtrent gaf. Jarenlang had zij eigenlijk geen anderen leidsman dan Hem. »Van dat ik mijzelve begon te kennen,quot; verhaalde ze, »maakte Hij zich geheel meester van mijn wil, zoodat ik Hem in alles gehoorzamen moest, zonder me te kunnen weerhouden. Hij zelf berispte me zacht maar ernstig over mijne fouten, al schenen ze nog zoo klein. Sinds gevoelde ik zulk een afschrik voor de zonde, dat ik na de geringste overtreding de eenzaamheid zocht om uit te kunnen schreien.

»Ik gevoelde mij met geweld getrokken tot het overwegend gebed, en leed er onder, dat ik niet kon te weten komen, hoe ik het moest doen, want ik had niemand die 't me kon leeren; ik wist ook niet, waarin 't bestond, maar de naam alleen van overwegend gebed had iets heerlijks voor me.quot;' Zij vroeg dus haar god-delijken Meester, dat het Hem behagen mocht haar zelf te onderwijzen. Jezus gelastte haar zich neer te werpen ter aarde om Hem vergeving te vragen voor alles, wat zij had misdaan en Hem vervolgens hare overweging op te offeren. Dan had zij den Zaligmaker duidelijk voor den geest in 't geheim, waarin Hij zich aan haar voorstelde; al de krachten harer ziel verloren zich als het ware in God, zoodat alle verstrooiing verre bleef, doch haar hart brandde van verlangen naar de H. Communie en naar lijden. Al den tijd, dien ze

ocr page 20

10

beschikbaar had, bracht ze door in deze wijze van gebed, want de mondgebeden werden haar onmogelijk. In de kerk kon ze niet meer van verre blijven, doch ondanks hare verlegenheid ging ze zoo dicht mogelijk bij het altaar en had er dagen en nachten kunnen toeven zonder verveling of vermoeienis. Wat ze er deed, wist ze zelf niet, doch 't was haar, of ze haar hart gelijk een brandende waskaars verteren voelde van liefde voor Hem, die haar beminde. AVat zij jaloersch was op degenen, die lang voor het Allerheiligste konden bidden en dikwijls te Communie gaan; en wat ze bittere tranen schreide op dien Kerstdag, toen de pastoor daags te voren had afgekondigd, dat allen die 's nachts niet geslapen hadden 's morgens niet ten Hoogtijd mochten gaan! Het arme kind had niet kunnen slapen en meende nu, dat dit verbod ook haar betrof. Geen wonder ook, dat Margareta behoefte gevoelde aan het Brood der sterken; de strijd, dien ze te voeren had, nam met de jaren in hevigheid toe; al veranderden de wapenen, zij had voortaan eene teergeliefde moeder onder hare machtigste bestrijderessen te rekenen.

Sinds hare oudste broeders de zaken ter hand hadden genomen, kwam de vroegere welvaart terug. Margareta was eene dochter van goeden huize, beminnelijk van karakter en schoon van gelaat: jongelieden van aanzien dongen naar hare hand en herhaalden hun bezoek bij hare moeder. Dit alleen reeds wekte een strijd in haar gemoed. Gaf ze toe, en deed ze eene keus tusschen zoo schitterende partijen, als er zich opdeden, dan lachten haar de vrede en vrijheid tegen, die ze thuis niet

ocr page 21

11

vond. Rijkdom, overvloed en liefde waren toch geene beletselen om God te dienen, hier werd haar nauwelijks tijd tot het gebed gegund. Doch had ze geen belcfte van zuiverheid gedaan, en voelde zij zich niet gedurig getrokken tot den religieuzen staat? Mocht die roeping vrijwillig gemist, verwaarloosd worden ? Hare bloedverwanten drongen er echter met onbescheiden volharding op aan, dat zij huwen zou en haar fortuin niet roekeloos en lichtzinnig met voeten treden.

«Dierbaar kind,quot; herhaalde hare moeder, »gij weet wat ik hier te lijden heb. met en om u: kies u een gods-dienstigen echtgenoot, en laat me dan bij u mijn dagen slijten, dan verzoet ge mij de jaren van bitterheid in dit huis.quot; — En als de fel bestreden maagd daarna in de eenzaamheid keerde, was het, of ze hare moeder schreien zag, of zij haar smeekte om harentwil eene keuze te doen; en de gedachte drong zich bij haar op: als gij in 't klooster gaat, sterft uwe moeder van verdriet ; zij heeft recht op uwe zorgen: God zal u eens rekenschap vragen van uwe hardheid jegens haar. Te gelijkertijd rees de neiging voor den religieuzen staat, haar verlangen om Bruid van Hem te wezen, die haar het eerst had liefgehad. Voorwaar eene hevige worsteling voor de zwakke maagd en teerminnende dochter, een kamp, die op stroomen van tranen kwam te staan.

Lang bleef de zege onbeslist; eindelijk helde zij over naar den kant der natuur. De belofte van zuiverheid, die ze als kind gedaan had, kon — zoo meende ze niet ten onrechte — geen geldig beletsel wezen of was al

thans voor opheffing vatbaar, zij wist als

ocr page 22

12

immers niet, wat zij deed. Wel deinsde ze eerst nog terug voor de gedachte, dat ze in het huwelijk niet meer vasten of boete plegen kon, gelijk nu, maar de religieuze staat vorderde toch ook eene heiligheid, als zij nooit bij machte was te bereiken, en zou haar dus eene reden van veroordeeling zijn.

Alzoo begon Margareta zich in de wereld te vertoo-nen; zij tooide zich op om te behagen en zocht vermaak, doch zij vond het niet. In haar gemoed klonk eene stem: 't is u hard tegen den prikkel in te slaan — zij deed of ze 't niet hoorde, bezocht nieuwe vriendinnen, wilde zich verstrooien, den geest afleiding geven — vruchteloos: Eén was er, die haar volgde ongezien, doch de pijlen Zijner liefde doorwondden haar hart. Soms zat zij in de gezelschappen stil, afgetrokken, als wezenloos. Eens voelde ze zich door eene geheime kracht de eenzaamheid ingedreven; daar wachtte haar Jezus Christus met een streng verwijt; Hij bleek jaloersch op hare liefde. Met het aangezicht in het stof, bad zij om vergiffenis, en zij vernam het bevel haar lichaam door eene pijnlijke kastijding te tuchtigen. Zij deed het; maar toen de strijd van vroeger opnieuw begon, bezweek ze weer en bood geweldigen tegenstand aan 's Heeren liefde.

Op den avond, dat ze haar feestkleederen aflei, stond de Verlosser voor hare oogen, mishandeld en bebloed als bij de geeseling. »Ziehier,quot; sprak Hij, »wat uwe ijdelheid mij heeft gedaan. Gij verliest een kostbaren tijd, waarvan Ik u in het uur des doods rekenschap zal vragen. Mij wordt ga ontrouw. Mij vervolgt ge, nadat Ik u zoo duidelijke blijken Mijner liefde gaf en u aan Mij gelijkvormig wilde maken.quot;

ocr page 23

13

Deze verwijten en dit beeld van den lijdenden Jezus maakten indruk op haar onbedorven gemoed. In hare droefheid en berouw besloot zij op zichzelve te wreken, wat ze had misdaan, tot zij den goddelijken Lijder gelijkvormig was. Nu omgordde zij zich met een touw met knoopen, zoodat het haar schier onmogelijk werd adem te halen of spijze te nuttigen; en dit zoolang, tot de koord in het vleesch gedrongen was en er slechts met de hevigste smarten kon worden uitgescheurd. Haar armen folterde zij met scherpgepunte ijzeren ketentjes en wierp zich des nachts ter ruste neer op een plank of knoestige stokken, waarna ze haar lichaam tuchtigde met een geeselkoord. In dit lijden zocht zij rust voor hare geschokte ziel, want alwat ze aan vernedering en grievenden smaad van hare bloedverwanten had uit te staan, kon haar dorst naar lijden niet voldoen: zij verdroeg het zwijgend, zooals Jezus het haar leerde; toch al bleef de kalmte harer gelaatstrekken onverstoord, werd ze bleek en vermagerde zichtbaar.

Zoo leefde Margareta ongeveer vijf jaren achtereen, terwijl het verlangen naar het kloosterleven toenam in hevigheid, schoon de tegenstand harer huisgenooten niet verminderde. De goddelijke Verlosser vervulde hare ziel evenwel met de zoetste rust, en toonde haar gedurig de schoonheid en den glans der drie hoofddeugden van den religieuzen staat: gehoorzaamheid, armoede en zuiverheid. Op hare bede om heilig te worden, was Zijn antwoord : »wanneer gij deze drie beloften doet en onderhoudt, zoo wordt ge heilig.quot; De levens van Gods uitverkorenen waren de eenige lezing, welke zij zich veroorloofde. Als

ocr page 24

u

zij het boek opensloeg, zei ze bij zichzelve: »nu moet ik eene heilige zoeken, die gemakkelijk na te volgen is.quot; Doch als ze dan zag, dat deze heiligen of nooit zware zonden, of buitengewone boetvaardigheid hadden gedaan, werd ze bedroefd en besloot meer gestrengheden te oefenen. Maar de Zaligmaker boezemde haar eene groote vreeze in om haren wil te volgen. Zij kwam tot de overtuiging, dat Hem niets aangenamer was dan wat zij uit gehoorzaamheid en liefde deed. »Zeg U mij wat ik doen moet!quot; bad ze, en gevoelde op eens haar hart vol van de teederste liefde voor de armen en diep medelijden met hunne ellende. Zij gaf dus bet weinige geld. waarover zij beschikken kon, aan arme kinderen om ze bij zich te lokken, en als zij kwamen, leerde zij hen bidden en den Catechismus. »Zoo! gaat go nu schoolmeesteres worden, zusje?quot; lachte haar broeder Chrysos-tomus. »Neen,quot; sprak ze, »maar indien ik deze kleinen niet leer, wie zal het dan doen ?quot; en zij verzamelde 's winters de kinderen in eene groote kamer, tot zij daar werd uitgejaagd, en men haar verweet, dat zij geld stal om weg te geven: schoon zij nooit iets gaf zonder goedvinden harer moeder. Nu werd haar echter bevolen de toestemming harer bloedverwanten te vragen. Het stiet de maagd tegen de borst, maar ze onderwierp zich: om eens religieuze te kunnen zijn, moest zij nu leeren gehoorzamen, en ze vroeg telkens de vereischte toestemming, welke haar meermalen ruw geweigerd werd, terwijl dit gedurig vragen haar afhankelijker maakte dan de armste kloosterling. Het verlangen echter om aan God te behagen en hare neigingen in alles tegen te

ocr page 25

15

gaan, overwon den afkeer der natuur. Zij walgde van onreinheid eu wonden — daarom bezocht zij de kran-ken, verbond en kuste wat er meest afzichtelijk was, en liet daarna de genezing niet vruchteloos over aan God. Telkens wanneer zij lust gevoelde voor eenige uitspanning of vermaak, stond haar het beeld des bebloeden Zaligmakers voor den geest, en zij hoorde Hem vragen: »Zoekt gij uw vermaak? Ik heb er nooit een gehad. Ik heb alles geleden om uw hart te winnen, en gij betwist het Mij.quot;

Eens, dat ze haar fouten en zwakheden duidelijk inzag, zich eene groote zondares dacht, en niet begrijpen kon, hoe Jezus haar nog zooveel liefde toonde, antwoordde Hij: »dit komt, omdat Ik in u mijne liefde en barmhartigheid vereenigen wil.quot; En kort daarop klonk het haar toe: »Ik heb u tot mijne bruid gekozen, en wij hebben elkaar trouw beloofd, toen ge Mij gelofte van zuiverheid deedt; Ik had ti die ingegeven, vóór dat de wereld eenig deel aan u had, want Ik wilde uw hart vrij van aardsche banden; en om het zuiver voor Mij te bewaren, heb Ik uw wil van alle bedorvenheid ontdaan en u toen onder de hoede mijner heilige Moeder gesteld, opdat zij u naar mijne inzichten volmake.quot; Nu begreep Margareta, waarom de Koningin der Engelen haar zoo wondervol beschermde, en in het heilig Vormsel, hetwelk ze om dien tijd ontving, voegde zij den naam van Maria bij haar doopnaam.

Margareta-Maria telde nu bijna twee-en-twintig jaren, en hare moeder verweet haar zacht, dat een meisje van even twintig huwen kon. Op dit moederlijk verwijt volgde

ocr page 26

16

eene inblazing des duivels, die haar geen rast liet »Moet gij religieuze worden?quot; fluisterde hij haar in: »gij maakt u bespottelijk voor iedereen, want gij houdt het toch niet uit. Wat eene beschaming voor u, zoo ge dat kleed weer moet uittrekken en iu de wereld terugkee-ren! Waar zult ge u dan verbergen?quot; De liefde voor hare moeder deed het overige, en ondanks haar afkeer van 't huwelijk wilde Margareta-Maria daartoe besluiten. Maar de Bruidegom harer ziel kwam hier tegen op. Eens nadat zij Hem in de H. Communie ontvangen had, vertoonde Hij zich aan haar als de schoonste, rijkste, machtigste en beminlijkste aller minnaars, en verweet haar, dat zij er aan dacht nu een anderen bruidegom te kiezen. »Indien ge Mij dat onrecht doet,quot; zoo dreigde Hij, »verlaat Ik u voor altoos; maar zoo ge uw woord houdt, blijf Ik bij u en zal u over alle vijanden doen zegevieren, quot;t Is u nochtans te vergeven, omdat ge Mij nog niet kent; volg Mij, en Ik zal Mij aan u openbaren.quot; Met deze hemelsche belofte van den ijverzuchtigen Bruidegom keerde eene onverstoorbare kalmte in 't maagdelijk hart. Zij besloot nu liever te sterven dan ooit een huwelijk aan te gaan. Hare banden voelde ze voorgoed gebroken, zij vreesde niet meer. »Is het kloosterleven dan een vagevuur,quot; dacht ze, »'t is mij beter daar gereinigd te worden, dan eeuwig verloren te gaan.quot;

»Mag ik voortaan over uwe vrijheid beschikken ?quot; vroeg Hij minzaam, die haar besluit had gezien, »want gij zijr, zoo zwak.quot; »Ja, Heer, doe met mij naar Uw goddelijk welbehagen,quot; hernam ze en vernieuwde hare gelofte nu met volle bewustzijn en nieuwe vurigheid.

ocr page 27

17

Xu verzocht ze hare bloedverwanten verder van alle aanzoeken ten huwelijk verschoond te blijven, vermits zij vast besloten had in 't klooster te gaan. Sinds weende hare moeder niet meer, waar Margareta bij was.

2

ocr page 28

Bruidsdagen en proeftijd.

H oen het nieuws, dat Margareta-Maria bepaald de wereld verlaten wilde, bekend werd, ontbood haar oom en voogd ze voor eenigen tijd ten zijnent * in Macon. Het was een godsdienstig man, wiens dochter Claudia onlangs het Urslinenklooster te dier stede gekozen had. Hij meende haar eene nieuwe medezuster te brengen in hare nicht. Margareta-Maria sloeg de gelegenheid om derwaarts te gaan, niet af'; doch hoe stichtend de zusters ook bleken, haar was het of ze eene stem vernam, die haar zoo dikwijls zij hare nicht bezocht, inwendig herhaalde: »hier wil ik u niet, maar bij de dochters van Maria.quot;

Wel gaarne had ze een blik geworpen in het klooster, dat de orde der Visitatie te Macon bezat: zij had er ook bloedverwanten, doch het werd haar belet; men

ocr page 29

19

vermeed behoedzaam alles wat hare veronderstelde neiging- voor de tlrsulinen hinderen kon. Toch had zij onlangs in vervoering eene beeltenis van Franciscus de Sales beschouwd en ze had gemeend, dat deze vrome ordestichter haar vriendelijk aanzag en »dochterquot; noemde. Hoe vreemd! \ anwaar deze bepaalde voorkeur ? Kende zij die religieuzen wellicht? Neen, maar ze voelde zich er heen getrokken, evenals vroeger, toen zij nog niet wist, waar zij ging, naar het altaar: dat moest de stem zijn van den Meester. Doch het bericht, dat hare moeder in stervensgevaar verkeerde en Chrysostomus haar broeder bedlegerig was, doed haar in aller ijl terugkeeren naar Lauthecourt.

»Nu ziet ge 't, hoe uwe afwezigheid nadeelig voor uwe moeder werkt,quot; duwde men haar toe, »gij zult de oorzaak zijn van haar dood.quot; Hetzelfde herhaalden haar de aanwezige geestelijken.

Weenend, maar vol teedere zorg, hernam ze hare plaats aan het ziekbed der dierbare vrouw, die weer opleefde onder hare oogen. Doch in 't geheim verdubbelde zij hare gestrengheden om het oogenblik te verhaasten, dat hare wenschen vervullen zou; voor haar kruisbeeld geknield, riep zij uit: »o mijn beminde Zaligmaker, hoe zou ik wenschen, dat Ge mij deelgenoote van Uw bitter lijden maaktet!quot; — »Dat zal ik doen/' klonk het antwoord, »mits gij er u niet tegen verzet en er toe bijbrengt, wat ge kunt.quot; Xu doorstak ze hare vingers met naalden en tuchtigde heel de Vasten door haar lichaam dagelijks ten bloede toe. Toch beefde ze, dat het haar Meester misschien niet aangenaam ware, dewijl

ocr page 30

20

ze quot;t niet uit gehoorzaamheid deed. »Geef me toch iemand, Heer,quot; zoo bad ze, »die mij geleidt, en wien ik gehoorzamen moet!quot;

»Ben Ik u dan niet genoeg?quot; was de liefdevolle vraag des Beminden. »Kan een kind, zoo geliefd als gij, wel misdoen in de armen van een vader, die almachtig is?quot; —

Het Jubilé van 1670, door den nieuwen Paus Clemens X gegeven, werd te Vérovres gepredikt door een Franciscaner-kloosterling. Margareta-Maria bereidde zich veertien dagen lang voor tot eene algemeene biecht van geheel haar leven. Bladzijden had zij vol geschreven uit de biechtspiegels, welke zij machtig kon worden: de pater wilde niet, dat zij ze hem voorlas. Al sprekende openbaarde zij hem dus haar hart, en of ze ook slechts weinig van hare boetplegingen opgaf, het werd den priester duidelijk, dat deze bevoorrechte maagd door God tot hot kloosterleven was geroepen. Op haar verzoek drukte hij haar ouderen broeder Chrysostomus op het hart, dat hij haar veeleer behulpzaam moest zijn dan hinderpalen mocht stellen, vooral daar hij zelf reeds tot mannelijken leeftijd gekomen, voor hunne moeder zorgen kon.

De tegenstand, tot nog toe op Lauthecourt ondervonden, verflauwde nu. doch op aanraden van den oom uit Macon, werden er hier ook pogingen aangewend om Margareta-Maria nog tot de Ursulinen te doen besluiten, — vruchteloos. Tot de orde der Visitatie bepaalde zich hare onverzettelijke keuze; onder de huizen, welke men haar eindelijk opnoemde, verkoos ze Paray, als het verst van hare geboorteplaats verwijderd, zoodat ze

ocr page 31

21

daar minder verstrooiing van den kant harer familie te duchten had.

In de lente van 1671 vertrok ze met haar broeder Chrysostomus derwaarts om zich aan te bieden. Nauwelijks had zij den voet in de spreekkamer gezet, of de inwendige stem, welke haar niet meer vreemd was, riep haar toe: »hier wil ik, dat ge blijft,quot;' waarop ze haar broeder onverwijld verklaarde niet heen te gaan, alvorens de dag harer intrede bepaald was. Moeder Jéronime Hersant, de overste, zou haar wachten over een maand ongeveer, tegen het feest der H. Magdalena de Pazzis. De vreugde, welke op dit bericht haar hart vervulde, blonk zoo zichtbaar op haar gelaat, dat wie ze dien dag in wereldsche kleedij te Paray ontmoetten, elkander schertsend vroegen: »zou dat ook een kloosterlinge zijn?quot;

Alzoo keerde zij alleen naar Lauthecourt om afscheid te nemen. Dit kostte nog vele bittere tranen, doch aan de gelukkige Margareta-Maria niet; als ongevoelig voor de blijken van teedere gehechtheid, die ze ontving, geleek zij eene slavin, voor wie het uur der bevrijding sloeg. Toch was de vier en twintigjarige mensch gebleven. Toen zij op den lang gewenschten Zaterdag, 25 Mei, na een heldhaftig verlaten van de wereld, aan de poort van het klooster stond, gevoelde zij al den angst en de benauwdheid van het stervensuur, was het of haaide ziel uit het lichaam werd gescheurd. Zij trad binnen, en toen bleek het haar, dat de Heer het boetekleed harer gevangenschap tegen den mantel der vreugde had verwisseld. Margareta-Maria was novice van de orde der Visitatie, welker wapenschild, op uitdrukkelijk verlangen

ocr page 32

22

van den beminnelijken Franciscus de Sales, toen reeds een doorwond Harte droeg met een krans van doornen omgeven, gekroond met een kruis. Immers in 1611 schreef de'ie heilige aan Mevr. de Chantal zijne mede-stichteresse: gt;-gt;Onze kleine Congregatie is het loerk der H. H. Harten van Jezus en Maria.quot; En in het leven van den H. Stichter, ten jare 1657 door den bisschop van le Puy geschetst, vinden wij opgeteekend: »deze religieuzen zijn voornamelijk ingesteld om de navolgsters te wezen der twee liefste deugden van Jezus' Hart: zachtmoedigheid en ootmoed: dat zijn de grondslagen harer orde, daarom verdienen zij het voorrecht dochters van Jezus' Hart te zijn.quot;

Had Margareta-Maria daarom deze orde gekozen? Neen, want ze wist het niet; doch Hij wist het, die haar uitgekozen die er hare keuze op gevestigd had, die ze had getrokken van hare eerste kindsheid af; Hij, die ze ondanks hare natuurlijke neiging losgemaakt had van de wereld en met liefelijk geweld binnengedrongen in het klooster van Paray; haar Bruidegom wist het, die haar de belofte van eeuwige trouw had ontlokt, omdat zij de krachtigste en welsprekendste openbaring moest ontvangen van Zijne onuitputtelijke liefde voor den mensch, dewijl Hij ze voorbeschikte om de liefelijkste tolk Zijns harten te wezen. Een heerlijk heiligenbeeld moest er uit dit menschenkind gevormd worden, daarom had de Meester zoo geweldige slagen toegebracht aan deze eerst schier vormelooze stof. Lijden en tegenspoed hadden in nagenoeg twintig jaren de omtrekken geschetst, veel overbodigs was weggekapt, de

ocr page 33

23

eigenlijke vorm moest in het klooster gegeven worden.

Blijde, zonnige dagen beleefde Margareta-Maria in het noviciaat, onder de leiding van Anne-Framjoise ïhouvant. Wel had de zinnelijkheid offers te brengen en kwam de eigenliefde somtijds in opstand, doch wat mocht het heeten, bij hetgeen zij thuis gezocht en verdragen had ? Bovendien wat zaligend bewustzijn: hier ben ik, omdat Hij het wil. die mij liefheeft; die haar 's morgens bij het eerste ontwaken zoo vriendelijk toesprak : ulilexisti justitiam, gij hebt de deugd bemind en de zonde gehaatquot;, of »audi filia et vide, hoor, dochter, en zie toequot; of «gij hebt uw weg erkend en uw pad, mijn Jeruzalem, doch de Heer zal u geleiden en nooit verlaten.quot;

De ootmoedige maagd begreep den zin dezer woorden niet en rroeg er de verklaring van aan de novicen-meesteres, in wie zij het volste vertrouwen stelde, omdat ze haar en de overste beiden beschouwde als haar Jezus op aarde. Beiden werkten dan ook de plannen des Meesters met Margareta-Maria in de hand. Want toen zij haar novicen-meesteres verzocht om eene onderrichting over de wijze van overwegen, ontving ze ten antwoord : »kniel neder voor het Allerheiligste en wees daar als een uitgespannen doek voor een schilder.quot; Zij dorst niet te vragen, wat Zuster Anne-Franooise hiermee zeggen wilde, dit behoefde ook niet, want eene stem hoorde zij duidelijk spreken : »kom maar, Ik zal u onderwijzen.quot;

Nauwelijks zat zij in de kapel, of de goddelijke Meester deed haar zien, dat hare ziel als doek was, waarop Hij zelf de hoofdtrekken wilde schilderen van Zijn

ocr page 34

2-i

heilig leven, dat voorbij was gegaan in liefde en ontbering, in arbeid en stilzwijgen en voleindigd door het offer aan 't kruis. Dat hij haar alzoo reinigen wilde van alle aardsche gehechtheid, van alle eigenliefde en natuurlijke geneigdheid tot de schepselen, waartoe haar vriendelijke en lieftallige inborst zich altoos gedreven voelde. Terzelfder tijde ontstak Hij in heur hart zulk een gloed van liefde, zulk een dorst naar lijden, dat haar eenig streven was te lijden uit liefde tot Hem.

Niettemin hoe open ze anders jegens haar overste was en hoe stipt gehoorzaam in alles, een enkele maal ging zij er toe over zonder voorkennis eene oefening van boetvaardigheid te doen. Doch nauwelijks was zij er mede begonnen, of de H. Franciscus de Sales ver- ,

scheen haar en sprak: »meent gij Gode te behagen door ongehoorzaamheid? Neen, mijn kind, gehoorzaamheid en niet lijfkastijding is de grondslag en de steun onzer Congregratie.quot;

Den 25sten Augustus 1671 werd zij ingekleed. »Dat was de dag mijner verloving,quot; zoo schreef ze later,

»welke mijn Bruidegom een nieuwe heerschappij over mij verzekerde en mij de verplichting oplei Hem vuriger en Hem alleen lief te hebben. Hij beloofde, gelijk de teederste bruidegom, mij in den beginne alles te doen smaken, wat er zoets in Zijne liefde school/' Of Hij woord hield ? In zulk een mate, dat Margareta-Maria niet zelden door den overvloed der inwendige zaligheid in verrukking geraakte, niet meer wist, wat ze deed, en vreesde door den gloed harer wangen verraden te worden. Bijwijlen ondervond zij daarentegen groote dor-

ocr page 35

25

heid, gevoelde een leegte in haar hart: de welbeminde had zich verborgen. Bniten staat om de gedachte* ztlfs aan Gods tegenwoordigheid te bewaren, beklaagde zij zich dan over deze verlatenheid. Doch dan sprak Hij haar toe er., zei: »dat ze geen eigen oordeel, geen wil mocht hebben, en in haar hart geene liefde tenzij voor Hem. Als ik u doof, blind en stom quot;vóór ilij wilde zien, moest ge dan nog niet tevreden zijn ?quot; En zij was weer getroost, weer gelukkig: Hij vergat haar toch niet.

Lezer, vraagt ge, waarop die vermaning van den Bruidegom sloeg, dat Margareta-Maria niets zoeken, niets beminnen mocht buiten Hem? Maanden lang had zij in haar proeftijd te worstelen met eene natuurlijke, ofschoon reine liefde voor eene harei medenovicen. Dat het n niet ergere, maar trooste veeleer. Heeft de groote Ambrosius niet gezegd: »de heiligen waren niet van eene voortreffelijker natuur dan wij, doch zij bestreden ze beter.quot;

Ten bewijze zien wij hier eene bij uitstek door God bevoorrechte maagd, voor het uiteilijke een volmaakt toonbeeld harer medereligieuzen, inwendig lijdend aan eene kwaal, welke ook zonder onrustbarend karakter den toevoer van buitengewone genaden afsnijdt. Doch het menschelijke hart is te klein om tweederlei liefde te bergen; geschapen voor de goddelijke liefde, komt het niet tot rust, zoolang daar eene andere onder gemengd wordt. Het kwam zoo ver, dat de jaloersche Bruidegom haar op een avond toornig te kennen gaf, dat Hij geen verdeelde liefde wilde en haar verlaten zou, indien zij het schepsel niet verliet. En schreiend bad de rouw-

ocr page 36

26

moedige: -Heer belet me dan iets anders te beminnen dan rI !quot; Sinds scheen hare vereeniging met God onverbrekelijk, en schreef ze: »ons hart is alleen geschapen voor God. Wee hem, die zich met minder dan God vergenoegt, of zijn hart verteren laat van een anderen gloed dan dien der zuivere liefde.quot;

De oversten evenwel, die in hare onweerstaanbare neiging tot de oefeningen des geestes een beletsel meenden te zien voor de eenvoudige naleving van den heiligen regel, vreesden, dat zij voor de orde ongeschikt mocht worden of op dwaalwegen verleid. »Zuster,quot; luidde het, »de geest onzer orde heeft een afschrik van alwat naar het buitengewone zweemt in gebed of oefeningen van boetvaardigheid ; gij zult uwe geloften niet kunnen doen, zoo gij niet verandert.quot;' Doch hoe kon ze 't ? Moest ze minder gehoorzaam zijn, minder geduldig, wanneer zij werd berispt? Minder inschikkelijk of dienstvaardig? Neen, maar soms bleek ze buiten zichzelve te zijn, schier onbewust van 't geen rondom haar plaats greep; en als zij rekenschap van hare overweging moest geven, had zij 't nooit gedaan gelijk de anderen, nooit volgens de wijze, welke de regel aangaf. Daarom besloot men haar ter hulp te zenden aan eene werkzuster, die haar de gangen deed vegen op het uur des gebeds. Vroeg ze naderhand tijd om de geledene schade in te halen, zoo werd ze met eene weigering heengezonden. Toch baatte het niets. Gelijk een Aloysius, bad ze, was ze met God vereenigd tegen wil en dank: wat vermocht zij tegen den sterken arm des Beminden ? Hoor, zij zingt onder haar verstrooienden arbeid met zachte stem:

ocr page 37

27

Hoe meer mijn liefde wordt gewraakt,

Hoe meer ik moet beminnen;

Of 't lichaam lijd' — de boezem blaakt,

De liefde blijft verwinnen!

In 't lijden van de felste smart Sluit God zich dichter aan mijn hart.

Daarom, wel verre van het lijden te vluchten, gelijk hare teedere natuur het vroeg, zocht zij het veeleer en bad er dringend om bij hare meesteres. Doch meestal gaf deze haar een vernederend antwoord in plaats van de gevraagde toestemming om boete te doen, of legde haar iets op, waarvan zij grooten afkeer gevoelde. Zij gehoorzaamde, want ze wist. dat het van den Bruidegom kwam: de overste sprak immers uit Zijn naam? Maar onder het heengaan riep ze Hem vertrouwelijk toe; »Kom me dan toch helpen! U is er immers de schuld van?quot; — waarop Hij vriendelijk antwoordde: »Erken maar, dat ge zonder Mij niets kunt, doch Ik zal u niet verlaten, indien gij in uwe onmacht en zwakheid op Mijne kracht steunt.quot;

Toen haar broeder Chrjsostomus haar in 't klooster bracht, bad hij gemeend te moeten bedingen, dat men zijne zuster nooit zou dwingen kaas te eten, dewijl haar zwak gestel die niet verdragen kon. Zonder moeite was deze uitzondering toegestaan, doch gaf nu en dan ongezochte gelegenheid tot eene vernedering, wanneer men de anders voorbeeldige novice wilde beproeven. Op zekeren dag wordt haar aan tafel evenals den anderen de gevreesde spijze aangeboden: zij aarzelt. Is 't een

ocr page 38

28

vergissing der zuster, die dient, of een bevel der overste? Zij wil gehoorzamen, maar bij den reuk alleen komt de natuur in opstand — ze kan het niet. »Hoe zwak! Hoe wereldsch! Nu móógt gij ze niet eten, omdat gij te zinnelijk zijt,quot; sprak de novicen-meesteres, welke de worsteling had gadegeslagen. Margareta-Maria begaf zich naar de kapel en weende. »Waarom hebt Ge mij losgelaten, Heer? Nu blijft mijn offer onvolkomen!quot;

Na drie uren strijdens en gebed komt ze vragen, of ze 't nog eens beproeven mocht? — Goed.

Zij overweldigt haar tegenzin en eet van quot;t geen zij niet eten kon. Wat het haar natuur kostte, bleek uit de gevolgen. Toch at ze er van, al had het haar dood moeten zijn: overwinnen of sterven! riep ze; en schoon de walging aanhield, den strijd gaf ze niet op, acht jaren lang, tot het haar om wille der gezondheid voor goed verboden werd.

Van den eigen dag af, dat zij zich overwonnen had, verbreidde zich de stroom der hemelsche gunsten in die mate, dat zij bidden moest: »Heer mijn hart is overstelpt! vergroot het, of houd dien overvloed terug!quot; Meermalen ontsnapten er zuchten aan hare borst, die wel duidelijk spraken van 't geen zij voor haar medezusters zweeg; »wat is Hij schoon, de welbeminde mijner ziel! waarom kan ik Hem niet vuriger liefhebben?quot; De nachten sleet ze uit gehoorzaamheid op haar bed, doch slapen — wie kon het gebieden ? Soms ook bad zij haar Engelbewaarder haar op bepaalde uren te wekken of uit den slaap te houden; in zulke uren stond de Bruidegom voor haar oog en sprak met haar. Eens dwong

ocr page 39

29

haar de pijn, die ze in den linkerschouder leed. op de andere zij te gaan liggen; maar Jezus merkte aan, dat Hij Zijn kruis altoos op denzelfdeu schouder had gedragen, en Margareta-Maria begreep, dat zij dus haar gemak niet zoeken mocht,

Een andermaal dat zij de grootste moeite had om zich te onderwerpen, verscheen haar de ^ erlosser geheel overdekt met wonden, die Hij gedragen had om harentwil, en verweet haar, dat ze ondankbaar was en laf, nu zij zich niet overwon om Hem.

»Wat kan ik er aan doen!quot; snikte ze, »als mij de kracht ontbreekt?quot;'

Toen wees Hij haar de wonde zijner zijde; daar mocht zij kracht putten zooveel zij noodig had.

De tijd der professie of plechtige kloostergeloften naderde met spoed. Toch meenden de oversten in waarheid, dat zij niet geschikt was voor den eenvoudigen en gewonen regel der Congregatie, door Franciscus de Sales gesticht. Daarom werd zij geroepen en vernam, dat zij naar alle waarschijnlijkheid niet kon worden toegelaten en eene andere orde zou moeten kiezen. Er lag geen zweem van beproeving in dit ernstig gemeende woord: niettemin had Margareta-Maria nooit eene zwaardere gedragen. Geen wonder, dat zij haar nood klaagde, maar alleen bij Hem, die »de schuld was,quot;' dat ze weggestuurd zou worden! En de Bruidegom, die zoo gaarne de klachten der Zijnen hoort, gaf moed in het antwoord; »zeg aan de overste, dat zij niets te vreezen heeft en u gerust kan toelaten op Mijne verantwoording.quot;

Ze deed het met een verlicht hart; doch de overste

ocr page 40

30

zond ze terug om een teeken te vragen, dat zij geschikt zoude zijn voor eene stipte onderhouding aller regelen.

Het antwoord klonk: »Ik beloof het: Ik zal u nuttiger voor de orde maken dan zij denkt, maar op eene wijze, Mij nog alleen bekend; voortaan zal Ik Mijne genaden geven overeenkomstig den geest van uw regel, den wil uwer oversten en nvve zwakheid. Mistrouw dus veilig alles wat u van den regel verwijderen zou, dien Ik wil, dat gij boven alles stelt. Den wil uwer oversten moogt gij de voorkeur geven boven den Mijne en op haar bevel laten, wat Ik u gelast te doen. Laat ze in alles met u begaan. Ik zal wel zorgen, dat Mijne plannen toch worden vervuld, al moest Ik beletselen tot middelen maken. Maar over uw hart moet Ik vrijelijk kunnen beschikken, dat behoort Mij, dat sta ik niet af, aan niemand.quot;

Wie anders dan de Koning der harten kon zoo spreken ? De oversten bleken voldaan; meer zelfs: zij vatten onwillekeurig eerbied op voor eene novice, die zoo vertrouwelijk omging met God. Margareta-Maria bespeurde iets van dien eerbied en sidderde van angst: dit moest een straf voor hare zonden wezen; doch de Heer voorzag er in. De dagen van afzondering voor de beloften braken aan. Nu was den novicen opgedragen te zorgen, dat de ezelin met haar veulen, welke men overdag buiten liet, geen schade deden aan de veldvruchten in den moestuin, maar feitelijk kwam dit toezicht alleen op Margareta-Maria neer, ook in deze dagen van gebed. Zij liep er dus achter, wanneer ze te ver wilden, of zette zich neder bij een hazelarenboschje, als zij

ocr page 41

31

rustig graasden in den boomgaard. Daar zat ze somwijlen uren achtereen, maar vernam dan ook de stem van den Welbeminde en sprak met Hem. Doch op eens wil zij heen, weg van Jezus, zij moet immers? ze zijn al in den tuin! en angstig volgt haar blik de beide dieren. Dan spreekt de Bruidegom: «laat ze maar, zij zullen er geen kwaad doen.quot; Margareta-Maria blijft vol geloof, schoon tot verbazing van de zusters, die uit de vensters van het klooster veulen en ezelin rustig in den tuin zagen. Toen zij naar de aangerichte schade kwamen zien, was er geen spoor van hun doortocht te bemerken.

Eindelijk daagde de blijde morgen van ö November 1672. Margareta-Maria legde hare plechtige beloften af. Na de H. Communie sprak de Zaligmaker: »ziehier de wonde mijnér zijde! daarin moet gij voortdurend wonen, wilt gij het kleed der onschuld bewaren, dat Ik uwe ziel heb omgehangen, en het leven leven van den Godmensch.quot;

In hare cel gekomen, stak zij zich een vinger open en schreef met haar bloed : «Ik, ellendig en onbeduidend niet, verklaar mij aan mijn God te onderwerpen en op te offeren om alles te doen, wat Hij van mij vraagt, en me geheel over te geven aan Zijn goddelijk welbehagen. Ik vraag niets voor mij dan ijver voor Zijne hoogste glorie en Zijne zuivere liefde, waaraan ik mij voor altoos toewijd.

»Van nu af behoor ik aan mijn Welbeminde als Zijne slavin. Zijn dienstmaagd. Zijn schepsel, maar tevens Zijne onwaardige Bruid, zuster Margareta-Maria, gestorven voor

ocr page 42

32

de wereld. Alles van God, niets van mij: alles aan God niets aan mij; alles voor God, niets voor mij!quot;

De Bruidegom bleek tevreden en nam haar plechtig tot Zijne bruid in de zaligende vreugden van Thabor.

Zoet was het haar. doch den Bruidegom zag ze doorwond en bebloed als op Calvarië. »Ik ben zoo ongelijk aan IJ!quot; jammerde ze. »Laat mij begaan,quot; sprak Hij, »alles op zijn tijd. Geef u maar over aan Mijne liefde, aan Mijn welbehagen, gij zult er niets bij verliezen: Ik verlaat u niet meer.quot;

En Hij begunstigde haar met Zijne zichtbare tegenwoordigheid. maar zóó, als ze deze nooit ondervonden had. »Ik zag Hem.quot; schreef ze later — »gevoelde Hem bij me, ik hoorde Zijne stem, en dat alles duidelijker dan met de zintuigen, want geene verstrooiing-was mogelijk, mijne aandacht kon niet van Hem afgeleid worden. Dit bijzijn des Beminden bracht mij tot het innigst besef mijner nietigheid, dat ik sinds niet meer verloor. Uit een gevoel van diepen eerbied had ik gedurig op mijn aangezicht tor aarde of althans geknield willen liggen aan Zijn voet; en zooveel mijn werk en mijne zwakheid zulks gedoogden, nam ik deze houding aan. Ondanks mijn hoogmoedige inborst, verlangde ik maar vergeten en veracht te worden en vond mijn genoegen in vernederirrg en tegenspraak. Dat moest mijn geliefkoosde spijze worden, zei mijn Bruidegom: en wanneer ze mij niet gegeven werd door de menschen, zoo vulde Hij zelf dit gemis aan, doch op veel gevoeliger wijze.quot;

ocr page 43

2)e vertrouwelinge van ^ezus' Kart.

int

ypSI^ e lente van Margareta-Maria s leven was voorbij.

Ze had het gure voorjaarsweer gekend met fy* zijn buien en ongestadigheid, nu en dan afgewisseld door een schoonen, zonnigen dag. Milde bloesems : had ze open zien gaan in haren hof en weer afvallen en verstrooien door den adem der winden. Doch haar Meimaand kwam. De lang gewachte bloemen ontloken, en met een bruidskroon op het gesluierde hoofd had ze den Koning haars harten eeuwige trouw gezworen. Ku staat haar zomer voor de deur, met zijn heete zonnestralen en schier tot machteloosheid voerenden gloed, maar die de vrachten rijpt voor den herfst — want eer de winter haars levens komt, is zij de lente der onsterfelijkheid reeds ingetreden.

Kort voor Margareta-Maria hare gelofte deed, was

ocr page 44

34

Moeder Franchise de Saumaise tot overste benoemd te Paray-le-Monial. Zij was eene vrouw van beproefde deugd en reine godsvrucht, stipt op den regel en verklaarde vijandin van alle gevaarlijke nieuwigheden, hetgeen niet belette, dat zij van de eerste dagen reeds eene stille bewonderaarster werd van de pas geprofeste Margareta-Maria. Eene »stillequot; zeggen we, want voorzichtige en wijze overste, wist zij in de zes jaren van haar bestuur, waaronder de gewichtigste feiten van het leven der gelukzalige voorvielen, eerbied en bewondering te verbergen achter den dichten sluier van kalmen ernst en onderzoek naar de degelijkheid van ootmoed en zelfverloochening.

Op een morgen, niet lang na den bruiloftsdag der beloften, was zuster Margareta-Maria heengegaan naaide dierbare plek bij het hazelarenboschje, waar zij de stem van den Beminde zoo menigmaal vernomen had. Zij zag Hem weer, en Hij vroeg een vernieuwing van haar offer. Ze gehoorzaamde, maar voegde er eene voorwaarde bij: dat er in haar niets buitengewoons mocht uitschijnen, en zij altoos doorgaan voor de minste der zusters. »Want ik vrees, mijn God,quot; zoo sprak ze, »dat ik uwe andere gaven niet goed gebruiken zou; ze zijn mij niet toevertrouwd.quot; Het minzaam antwoord luidde: »Ge moet niet vreezen. Ik zal voor alles zorgen, over het Mijne waken en u geen gelegenheid laten om Mij te wederstaan.quot; Met schrik hernam zij: »Hoe, mijn God, zult Ge me dan laten leven zonder lijden ?quot; Toen wees de Bruidegom op een naast Hem liggend kruis, welks boveneind naar haar toegekeerd was, en zoo lang, dat het ondereinde zich verloor in de struiken; zoo ver ze

ocr page 45

35

zien kon, was het met bloemen overdekt, en Hij sprak: «Ziedaar nu het altaar, waarop het offer Mijner kuische bruiden moet volbracht worden. Deze bloemen verwelken, maar de doornen, die er onder schuilen, blijven en zullen u zoo pijnlijk steken, dat gij al de kracht Mijner liefde behoeft, om het er op uit te houden.quot;

Wederom kort nadien zag ze bij de H. Communie den Verlosser met een doornenkroon in de handen. Hij zette haar die op het hoofd met de woorden: »ontvang mijne dochter deze kroon tot een teeken van die andere, die u weldra aan Mij gelijkvormig zal maken.quot; Sinds blaakte er eene drievoudige begeerte in hare maagdelijke borst: lijden, te Communie gaan en sterven — drie vormen van liet ééne verlangen om met den Bruidegom haars harten vereenigd te worden. En waar ze kwam of ging, overal vond ze Hem met Zijn kruis. Op de ziekenzaal, waar zij eener sterke zuster, die zelve geen vermoeienis kende, ter hulpe was toegewezen, bood zich overvloedige gelegenheid tot lijden aan. Want het gebeurde wel ooit, dat Margareta-Maria door de werkzame zuster wat driftig werd toegesproken of onhandig en lomp genoemd, en niet zonder reden. De duivel, die jaloersch op hare liefde voor Jezus, gevraagd had, haar gelijk Job te mogen kwellen, stiet haar gedurig uit de handen wat ze droeg, en riep haar dan schaterend toe: »de zottin, ze zal nooit iets goeds uitrichten!quot; Eens, dat zij met een test met vuur naar beneden moest, wierp hij ze boven van de trap af. Doch geen kool was uit de ongeschonden test, en al dacht men, dat haar een ongeluk overkomen was, ze bleef vrij met den schrik, want

1

ocr page 46

36

haar goede engel had haar bewaard. Twee geweldige slagen evenwel, haar door den booze op het hoofd gegeven, herinnerden haar de belofte van Jezus' doornenkroon. Sinds voelde zij geheel haar leven door hevige steken rondom liet hoofd, zoodat zij niet zelden op het punt van bewusteloos neer te vallen, even naar buiten ging in de vrije lucht om verfrissching voor de brandende pijnen. Eene slechte ziekenzuster, meent ge ? Misschien, want ze bleef het niet lang. Toch had ze in den korten tijd harer bediening de wonderen vernieuwd van heldhaftige zelfverloochening, die ons in Franciscus Xaverius en andere heiligen verbazen. Meermalen had ze hare lippen aan wonden en onreinheid gezet, hoe de natuur ook terugschrok en walgde. »Cre zijt wel goed om zóó ver te gaan,quot; fluisterde Jezus haar bij die gelegenheid in. »Heer,quot; sprak ze, »ik doe het immers om U te behagen en Uw hart te winnen ? Wat hebt Ge voor mij niet gedaan?quot; Om hare verdiensten te vermeerderen vergrootte God hare gevoeligheid en tegenzin; »gij zult niets meer doen met lust, alles zal u hard, zwaar en moeielijk vallen.quot; Vandaar die voortdurende strijd, welken Margareta-Maria met zichzelve. te strijden had.

Van de ziekenzaal werd de jonge zuster naar den refter verplaatst. Hier zorgde zij, dat het geringste en slechtste aan tafel haar deel was, en dronk ze in den zomer ongemerkt lauw of warm water, tot haar de overste strengelijk hierover berispte; want door hare overdrijving-in liefde tot het lijden, kwam zij inderdaad wel eens tot ongehoorzaamheid. Eens dat zij de lijfstuchtiging langer aanhield dan ze mocht, hoorde zij Jezus tot haar

ocr page 47

37

zeggen : »Tot hier toe was het voor Mij, wat ge nu doet, is voor den duivelquot;, en met afschuw wierp zij het gee-selkoord van zich af. Lezer, hebt ge niet somtijds men-schen ontmoet, die met eene bewonderenswaardige bedrevenheid door oefening of handigheid verkregen, gelukkig slagen in alles wat zij aanvatten? Zulke bevoorrechten der natuur ziet men gaarne bezig; wat zij doen, doen zij van harte, en het gaat hun goed af, — terwijl anderen daarentegen, met minder overleg en opmerkingsgave bedeeld, veelal ongelukkig zijn en het voorwerp van schimp of bestraffing. Zuster Margareta-Maria had ijver en aanleg genoeg om het haar toevertrouwde werk met den besten uitslag te verrichten; niets was haar te veel, den zwaarsten arbeid nam ze met vreugd op zich; doch wat bij anderen uit onbedrevenheid of tegenzin voortkomt, dat was bij haar beproeving van God of plagerij van den duivel: en zoo vond ze in het dagelijksch leven ruime stof tot vernedering en lijden. Op zekeren dag haalt ze een emmer water op aan den kloosterput, maar het handvat van het wiel ontschiet haar en slaat bij het versnellend ronddraaien met zooveel kracht tegen haar mond, dat zij onder den kreet: »o God!quot; achterover slaat. Eenige kostleerlingen schieten toe, de voorste tanden waren weggeslagen, en het losgereten tandvleesch kwam bloedend te voorschijn. Xa eenige oogenblikken staat ze op en verzoekt den kinderen dat tandvleesch bij haar weg te snijden; doch zij weigeren met ontzetting. Dan neemt ze zelf de schaar van haar zijde, en of het een stuk linnen gegolden had, knipt ze het overtollige weg, haalt met den haak den emmer op en brengt hem bin-

ocr page 48

38

nen. De smarten, door dit ongeluk veroorzaakt, gevoegd bij de gedurige hoofdpijn, die ze leed, bezorgden haar menigen slapeloozen nacht. Dan vond ze 't zoo gelukkig zich met den Beminde te kunnen onderhouden: hare doornenkroon schatte ze boven konings- of keizerskronen, omdat niemand ze haar ontrooven kon. Was 't haar onmogelijk het hoofd neder te leggen, zoo dankte ze Hem, die ook voor het Zijne op het kruis geene rust vond. Niettemin volgde zij trouw de oefeningen van den regel, zonder eenige uitzonderingen te vragen. Daarop verloor zij hare stem en zag zich buiten staat om de getijden meê te zingen. Daags voor het feest van Maria-bezoeking beproefde ze 't nog, maar te vergeefs. Reeds was het Te Deum aangeheven, en daar stond ze sprakeloos met de armen in de mouwen van haar kleed, bedroefd, omdat zij in dit verlies barer stem eene straf meende te zien voor oneerbiedigheid in de getijden. Op eens gaat hare eene siddering door de leden, en te midden van stralend licht staat het goddelijk Kind Jezus op hare armen.

— »Mijn Heer en mijn God,quot; verzucht ze inwendig, door wat overmaat van liefde verlaagt Gij Uwe grootheid aldus?quot;

— »Ik kom u eens vragen,quot; was het liefelijk wederwoord, »waarom ge Mij zoo dikwijls verzoekt u niet te naderen ?quot;

— »Omdat Gij weet, dat ik niet waardig ben Heer, doch veel minder TJ aan te raken.quot;

— »Weet dan,quot; herneemt het Kind, »dat hoe dieper gij u in uw niet terugtrekt, hoe meer behagen Ik er in vind tot u af te dalen.quot;

ocr page 49

39

Maar was dit Jezus wel? en geene begoocheling van den vijand?

— »Heer, zoo Gij liet zijt,quot; bad ze stoutweg, »laat me dan de getijden nu mee kunnen zingen!quot; En op hetzelfde oogenblik weken pijn en zwakte van stem, en ze zong met de anderen zonder moeite, maar ook zonder zich door de tegenwoordigheid en liefkoozingen van het goddelijk Kind te laten afleiden van het voorgeschreven gebed. Toen liet ten einde was, sprak Hij: »Ik heb u willen beproeven: indien ge maar even verstrooid waart geweest in de getijden, had Ik mij verwijderd.quot;

De overste, wie zij ofschoon ongaarne, met de eenvoudigheid toch van een kind alles mededeelde, wat er in haar omging, berispte en vernederde haar gedurig en zei, dat deze buitengewoonheden strijdig waren met den geest der orde. Om haar afleiding te verschaffen, droeg ze haar mee de zorg voor de kostleerlingen des huizes op. De kinderen juichten van blijdschap, nu zij deze zuster — eene heilige in haar oog — tot meesteres ontvingen. Doch wat den diepsten indruk op de jeugdige harten maakte, dieper dan de voorspellingen, welke ze aangaande hare leerlingen deed — en wier vervulling, schoon ze letterlijk uitkwamen, nog in de toekomst lag — dat was niet zoozeer hare lieftallige wijze van spreken over God als haar engelachtig geduld in de vernedering. Want hetzij de overste zulks had bevolen, hetzij eene medezuster in een oogenblik van drift de liefde vergeten of kwetsen kon, de kinderen waren meermalen getuigen hoe Margareta-Maria op smadelijke wijze bejegend werd. Eens, dat Marie Chevalier hare onver-

ocr page 50

40

stoorbare kalmte zag, waagde zij de opmerking: »Zuster, u is wel goed, om dat zoo maar aan te hooren.quot; »Ivom! was het antwoord, laten we wat gaan bidden voor de goede zuster, die mij gelegenheid geeft om iets te lijden.quot; Een ander maal hoorde Catharina Billet haar »huiche-laarster en dweepsterquot; schelden, en toen zij de zachtzinnige verwonderd aanzag, fluisterde deze haar met een vriendelijken glimlach toe: »zij heeft gelijk, ze kent me!quot;

Den tijd, dien zij van hare bediening over had, sleet zij voor het Allerheilligste, in de cel kon zij het dan niet uithouden, 't was of ze geroepen, neen, getrokken werd tot het Tabernakel van den Welbeminde.

— »Waarom wilt ge toch vromer dan de anderen wezen en den ganschen dag bidden ?quot; herhaalde men; en zij besloot ter wille van de liefde te blijven waar ze was; • - onmogelijk. »Zoo gij van Mij weg blijft, als ge komen kunt,quot; sprak Jezus, »zal Ik het u doen gevoelen; en die u aan Mij willen onttrekken, zullen Mij vruchteloos zoeken en niet vinden.quot;

Waar de Bruidegom zulke bedreigingen deed, gold het echter de medezusters, nooit de overste. Haar moest Margareta-Maria in Zijnen naam boodschappen: »ik mag in niets buitengewoon zijn dan in het lijden, want Hij wil niet, dat ik een steen des aanstoots worde.quot; Op Paaschdag zag zij zich door hare bediening verhinderd de overweging met de anderen te doen: dit stemde haar eenigszins ontevreden, doch aanstonds vernam zij het woord van den Verlosser: »het gebed van offer en onderwerping is Mij aangenamer dan ieder ander.quot;

Toch kon de gehoorzaamheid zwaar vallen aan de

ocr page 51

41

ootmoedige maagd. De overste ontbiedt haar; kalm en ernstig als altoos, beveelt ze haar aanteekening te houden van al de bijzondere gunsten, «-elke zij van God meent te ontvangen. Margareta-Maria' ijlt naar de kapel en beklaagt er zich over dien last. «Waarom,quot; hoorde zij Jezus vragen, »waarom weigert gij te gehoorzamen aan Mijne stem? Waarom niet opschrijven, wat van Mij is en niet van u? Beschouw wie ge zijt, en wat ge verdient, en gij zult begrijpen, dat alles van Mij komt. Wat vreest ge toch? Ik heb u immers een toevluchtsoord gewezen, waar alles licht en gemakkelijk wordt?quot;

Zij gehoorzaamde en schreef al de blijken van Jezus' liefde jegens haar, soms wel sidderend en bevend, maar toch onderworpen aan Zijn H. wil en gelaten op. Hoe anders ook was het ons ter kennis gekomen, welke lief-koozingen de Koning der harten over had voor Zijne Bruid: hoe Hij haar eens een kruis gaf, dat ze dragen moest in haar hart, door in alles hare neigingen tegen te gaan; — dragen in hare armen, door al wat haar hinderlijks overkwam, gretig aan te nemen als een blijk Zijner liefde? Hoe Hij haar voorspelde, dat ze hongeren zou naar lijden en smaad, dorsten naar het zielenheil, gelijk Hij op het kruis. Hoe ze eindelijk, wanneer ze in hare pijnen en tegenspoed nog ééne vreugde ontwaarde, welke niet van hier beneden was, den moed nog had om te bidden; «Bewaar Uwe gunsten en liefdebewijzen voor heilige zielen, ik vraag slechts om Uw kruis!quot; Of deze bede haar ernst was ? De Bruidegom zal de proef nemen.

Daar staat Hij voor hare oogen dragende in de ééne hand de voorstelling van een hoogst gelukkig leven

ocr page 52

42

in den religieuzen staat, in de andere een leven vol zielelijden en lichaamssmart. Zij mocht kiezen tusschen het leven in stillen vrede en troost, gezondheid naar het lichaam, achting en genegenheid van den kant der men-schen, — of een langzaam sterven in verachting, tegenspraak en laster, in lijden naar het lichaam, angsten en bekoringen voor de ziel.

Zoo werd eens aan de maagdelijke Catharina van Siena de keuze gelaten tusschen eene kroon van rozen en eene van scherpe doornen: hier sprak de Bruidegom bovendien : »kies nu, welk dezer beide levens gij wilt, in beide zal Ik u met dezelfde genade voorkomen.quot; Mar-gareta-Maria knielde neer aan Jezus' voeten. — »Gij zijt mij genoeg, o Heer, U wil ik alleen, doe Gij eene keuze voor mij.quot; Doch de Zaligmaker drong aan dat ze kiezen zou.

— »Heer,quot; hernam ze, »geef me dan, wat het meest tot Uwe eer is. Let niet op mijne neigingen of mijne belangen, voldoe TJw eigen welbehagen, anders wil ik niets!quot; En Jezus gaf Margareta-Maria te kennen, dat zij het beste gekozen had, want Hij zelf zou haar deel wezen in eeuwigheid. »Ziehier dan,quot; sprak Hij, »dit kies Ik voor u, — en Hij bood haar het leven van smarten — zoo om Mijne plannen met u te vervullen, als om u aan Mij gelijkvormig te maken. Dat andere leven is stoorloos geluk, maar zonder verdienste, dat hierna.quot;

De bevoorrechte bruid nam het leven des doods van Jezus aan en kuste de hand, die 't haar gaf; en ofschoon haar eene huivering door de leden trilde, drukte ze 't kostbaar geschenk aan den boezem en vond zich op het

ocr page 53

43

eigen oogenblik geheel veranderd. Uit het volle hart steeg haar een lied op de lippen, dat zij ter gedachtenis aan hare keuze zong:

Het Kruis is mijne glorie:

De liefde leidt me er heen!

De liefde Gods heheerscht me.

Die liefde wil 'k alleen!

Toen ze daarna het lijden des Verlossers in den hof van Gethsemane overwoog, en de begeerte voelde deel aan deze smarten van den Bruidegom te nemen, zeide Hij: »Hier heb Ik inwendig meer uitgestaan dan in geheel Mijn lijden, want Ik voelde Mij verlaten en belast met de zonden der wereld. Deze smarten en doodsangst pijnigen iederen zondaar bij het zien van Gods heiligheid. De schaamte werpt zich op hem neer en verplettert hem. Zoo is Mijne gramschap gereed eenige zondaars te treffen. In hunne plaats zult gij echter voelen, wat Ik geleden heb in den hof.quot;

In de laatste dagen van October 1673, toen zij, voor de eerste maal sinds hare beloften, de geestelijke afzondering was ingetreden, gevoelde zij den angst, de benauwdheid en schaamte, door Jezus haar voorzegd. Bidden was haar onmogelijk. Ze had zich in den schoot der aarde willen verbergen voor den aanblik van den driemaal heiligen God — zij met hare zwakheden en gebreken. Duidelijk hoorde zij de hevigste bedreigingen voor sommige verborgen fouten, en al was zij onschuldig, zij sidderde, als gold het haar. Toen vertoonde de

ocr page 54

44

Zaligmaker haar Zijn minnend Hart, bloedend van slagen en steken. »Dit zijn de wonden, die Ik van Mijn uitverkoren volk ontvang. Anderen kwetsen Mijn lichaam, doch zij verscheuren Mijn hart.quot; — Zij smeekte om vergiffenis voor de schuldigen, toch hield haar lijden aan. De EL Communie werd haar eene foltering, want de blik des Beminden teekende verontwaardiging en smart. Zij had het H. Sacrament willen vluchten; ze mocht het niet, en overal was de lijdende Jezus aan haar zij; nu eens gewond van het hoofd tot de voeten, dan alleen met de scherpe doornen gekroond.

— »Waar zal ik gaan,quot; zuchtte ze, »o goddelijke gerechtigheid, Gij vervolgt me overal!quot; en Jezus sprak: — »Zoo ge wist, wie Mij in dezen toestand hebben gebracht, uw lijden zou nog grooter wezen. Vijf zielen, op wier liefde Ik een bijzonder recht heb, zijn de oorzaak van mijne smartenen Margareta-Maria kuste in den geest de bloedige wonden van haar Koning. Toen hernam Hij zacht: »Mijn kind, wilt ge Mij uw hart geven, opdat Mijne versmade liefde er eene rustplaats vinde?quot;

— »Heer,quot; was haar antwoord, »Gij weet, dat ik U toebehoor, doe met mij wat Ge wilt.quot;

— «Weet ge wel, waarom ik u zooveel genaden geef:1quot; vroeg Hij; »Uw hart moet een altaar worden, waarop het vuur der liefde gedurig brandt; niets, wat bevlekt is mag daar gevonden worden. U heb ik uitgekozen om Mijn eeuwigen Vader offers van liefde en verzoening te brengen, die Zijn toorn bedaren.quot;

Margareta-Maria bad haar overste om hare boetplegin-gen te mogen verdubbelen, — 't werd haar geweigerd.

ocr page 55

45

Beschaamd keerde ze tot haren Bruidegom, en Hij. alsof Hij behagen schepte in hare verlegenheid, wees nog op hare eigen fouten en gebreken, zoodat ze met schaamte werd overdekt. Hij verweet haar, dat ze onlangs in een onbewaakt oogenblik uit ij delheid van zichzelve had gesproken. — «Waarover hebt ge u te beroemen, stof en asch? zijt ge uit uzelve iets meer dan nietigheid en ellende? Zie, welke gunsten Ik u bewijs, en wat zijt ge van u zelve.quot; En de schilderij, die Hij haar voorhield, deed haar sidderend uitroepen: »o God, laat mij sterven, of neem dit gezicht weg! 't is mij onmogelijk mijn toestand te zien en te leven.quot;

Op het feest van Allerheiligen, na hare algemeene biecht, was de gemoedsrust gekeerd, en zij vernam deze geheimzinnige woorden:

Geen vlekken in de onschuld.

Geen vreeze in de kracht;

Xiets sterft — hier wordt alles In liefde volbracht.

quot;Wat mocht hier de zin van wezen ? Zij achterhaalde 't niet. Doch in de overweging werd haar duidelijk, dat het eerste woord: »geen vlekken in de onschuldquot; sloeg op de reinheid van het altaar haars harten, waarvan Jezus gesproken had. »Geen vreeze in de krachtquot; gaf te kennen, dat zij niet mocht vreezen aan den arm van haar quot;Welbeminde, dat zij zich maar over te geven had aan de leiding Zijner liefde. — Hij was sterk genoeg. Wat er volgde, gold het verblijf der Zaligen, waar

ocr page 56

46

alles eeuwig is, en de liefde haar zege viert. Deze opheldering deed haar den geheelen dag doorbrengen in de zoetste beschouwing van de glorie der heiligen; zij meende, dat hare ure geslagen was om er deel aan te gaan nemen, toen dezelfde stem, die de eerste woorden gesproken had, duidelijker hernam:

Wat zoekt uw hijgend harte De vreugden van Gods huis?

Verdien ze hier in smarte,

In quot;t dragen van uw kruis.

En de herinnering aan het leven, wat Jezus voor haar gekozen had, dat leven tusschen schier enkel doornen zonder ééne bloem, bracht haar in de werkelijkheid terug. Toch niet zonder weerzin, meent ge? De vastberadenheid, waarmee ze aan haar eerste keuze hield, pleit voor het tegendeel. Zie, op een dag, dat zij weer aan de hevigste zielesmarten leed, vertoont haar de Bruidegom zijn H. Hart als een perk vol uitgelezene, liefelijk geurende bloemen. In bewondering bleef zij er voor opgetogen, doch eerbied hield hare hand terug. — »Gij moogt er vrij van plukken,quot; klonk het zacht. Toen viel zij Jezus te voet met de woorden; »Goddelijke Zaligmaker, ik wil niets anders dan ü! Gij zijt mij een ruiker van myrrbe dien ik gedurig dragen wil aan mijn hart, dat U bemint.'quot;

— »Gij hebt wèl gekozen,'quot; sprak Hij toen, »alleen die myrrhe bewaart hare schoonheid en haar geur; zij bloeit hier op aarde, in de eeuwigheid niet of verandert er van naam.quot;

ocr page 57

47

Spoedig daarna lag zij krank te bed, doch het verlangen, om met de zusters tot de H. Tafel te naderen, kwelde haar meer dan het lijden des lichaams. Toch was het haar onmogelijk zich op de been te houden, al had ze op mogen staan. »Alleen,quot; dacht ze, »als Hij me hielp, die me inwendig roept, dan zou ik wel kunnen.quot; Daar voelt ze zich bij de hand genomen en Zijne stem luidt; »Wat vreest ge, kleingeloovige ? Sta op en kom;quot; en zij deed het, want alle pijn, alle zwakte waren weg. Doch de ziekenzuster, Catharina Marest, gebood haar aanstonds weer naar bed te gaan; en toen zij verklaarde geheel beter te zijn, liep de andere naar de overste, die kwam en Margareta-Maria strengelijk berispte over zulke eigenzinnigheid. Zij zweeg van de stem, die ze had gehoord, uit vreeze, dat de moeder het gelooven mocht en haar hoogachten ; bovendien wist zij immers, dat hare gehoorzaamheid Jezus aangenamer was dan eene Communie uit eigen wil. Daarom, zoo dikwijls zij voor het H. Tabernakel neergeknield, de bel hoorde, die haar elders riep, ging zij onverwijld en zei: s't is mij om het even. Heer, waar U me voor bezigen wilt. De tijd behoort U, niet mij, doch mijn hart blijft bier als eene lamp voor Uw troon.quot; Dat woord bleek Jezus te behagen. Hij beloofde haar Zelf de plaats van heur hart in te nemen, zoolang dit branden bleef voor het altaar. »Hebt ge verloren bij dien ruil?quot; vroeg Hij haar eens, »zorg maar, dat uwe lamp gedurig door lijden wordt gevoed, anders dooft de vlam.quot;

De overste had allen schijn van misnoegd te wezen over de gunsten, welke Margareta-Maria verklaarde te

ocr page 58

48

ontvangen. Soms spotte zij er mee, docli meestal sprak zij ernstig; »Ik wenschte maar, zuster, dat gij minder buitengewoon wildet zijn en den eenvoudigen geest dei-orde zocht te verkrijgen. Nu vrees ik voor u.quot; Met den eenvoud van een kind klaagde de bruid haren nood bij den Bruidegom. — «Waarom laat gij mij ook niet leven gelijk de anderen ? Heeft U me dan hier geroepen om mij te doen verdwalen? Geef Uwe gunsten aan zielen, die ze waardiger zijn; ik weersta u immers altoos? Geef mij Uw kruis maar en Uwe liefde, dat is genoeg om eene goede religieuze te zijn — meer verlang ik niet.quot;

— AVelnu, mijne dochter,quot; klonk het vriendelijk, »Ik neem het aan, laten wij elkaar bestrijden, wij zullen dan zien, wie beider overwint, de Schepper of het schepsel, de zwakheid of de kracht, de machteloosheid of de Almogende; maar wie van ons tweeën de overwinnaar is, blijft het voor altijd.quot;

Margareta-Maria huiverde; toen vervolgde Hij duidelijker: »denk toch niet, dat Ik Mij door uw tegenstand uit gehoorzaamheid beleedigd gevoel; doch Ik wil u leeren, dat Ik Heer en meester van Mijne gaven als van Mijne schepselen ben, en dat niets Mijne plannen kan storen. Daarom moet gij niet alleen alles doen, wat de overste u oplegt, maar gij moogt zelfs niets doen van hetgene Ik u gebied, zonder hare goedkeuring, want de gehoorzaamheid heb ik lief, en daar buiten kan Mij niets behagen.quot;

Zoo spreekt de geest der verleiding niet, dacht de overste, wie Margareta-Maria ijlings deze boodschap overbracht, en zij vergunde der blijde zuster voortaan

ocr page 59

49

te luisteren naar Jezus' stem. Toch klonk deze niet altoos liefelijk en zoet, somtijds — en dat zoo vaak zij Aveer in eene fout gevallen was — scherp en gestreng. Opwellingen van ijdelheid, nevenbedoelingen bij hetgeen zij deed, achteloosheden vooral in tegenwoordigheid van het Allerheiligste, werden door den goddelijken Zaligmaker zóó berispt, dat de maagd alle andere vernedering, hoe grievend en pijnlijk, ver de voorkeur gaf boven de harde woorden van den hemelschen Bruidegom. Of kon eene grievender kastijding de teerminnende treffen, dan het klaarblijkelijk misnoegen van den Geliefde, die haar met de hartelijkste gunstbewijzen en liefkoozingen placht te overladen?

Den 27sten December des jaars 1673, het feest van Sint-Jan Evangelist, naderde zij met de zusters tot de H. Tafel, en 't was haar, of ze gelijk Sinte Lutgardis de lippen mocht zetten aan Jezus' heilige Zijdewond. Met volle teugen dronk zij uit de fontein der zaligheid, terwijl haar zacht werd toegefluisterd: »ziet ge nu, dat er niets te vreezen is bij de bron der kracht, en dat alles opgaat in genieting?quot;

Dien dag had ze meer beschikbaren tijd dan anders, en zij keerde weer tot het Tabernakel om op de borst des Meesters te rusten, gelijk Joannes, de bevoorrechte leerling, had mogen doen. Doch het goddelijk Hart ging haar open, toen voor het eerst, en van geheimen, tot dan toe voor haar verborgen, week de sluier. Margareta-Maria lag daar in verrukking verloren bij het zien dezer wonderen van goedheid en ontferming, en Jezus sprak: »Mijn goddelijk hart is zoo vol van liefde voor de men-

4

ocr page 60

50

schen en in 't bijzonder voor u, dat het zijne vlammen moet uitslaan, om ze door u aan de menschen te openbaren en hen te verrijken met de schatten, welke gij ziet, waarin overvloedige, maar noodzakelijke genaden liggen om hen terug te houden van den afgrond des verderfs. U, onwaardige en onwetende, heb Ik uitgekozen ter vervulling van Mijne plannen, opdat het geheel en al Mijn werk blijke. Derhalve geef Mij uw hart.quot;

En Hij nam het op hare bede, doch gaf het haar brandend van Zijne liefde terug met de woorden: »Ziedaar, Beminde, een onderpand Mijner liefde! De gloed, dien Ik in uwe borst ontstoken heb, zal niet uitdooven, en verkoeling zult gij niet vinden dan een weinig in de aderlating, schoon dit middel u meer vernedering zal aanbrengen dan verlichting van pijn. Toch moet gij ze vragen; om zoo uw bloed te vergieten voor Mij en u te overtuigen, dat hier geene verbeelding in 't spel is, maar u de eerste der genaden geschonken wordt, welke Ik u heb voorbeschikt. De wonde uws harten heb Ik gesloten, de pijn zult gij houden; daarom, in plaats van slavin van Mijn Hart, gelijk gij u eerst hebt geheeten, zal voortaan uw titel zijn: leerling van Jezus' Hart.quot;

Margareta-Maria wist nauwelijks, waar ze was of wat ze deed: de vlam in hare borst veroorzaakte haar eene allerhevigste smart. Maar duidelijk zag zij het H. Hart van Jezus op een troon van vuur en vlammen, naar alle zijden stralen schietende gelijk de zon, maar doorschijnend als kristal. De wond der lans was zichtbaar, eene kroon van doornen omsloot het, en er boven op stond een kruis. Deze werktuigen van Jezus' lijden beteekenden.

ocr page 61

dat Zijne matelooze liefde voor den mensch de bron van al Zijne smarten en versmading was geweest, die Hij alzoo van het eerste oogenblik Zijner menschwording m Zijn heilig Hart gevoeld had en aangenomen, zoowel als de verguizing, waaraan Zijne liefde in het heilig Sacrament des Altaars bloot zoude staan. »Verder gaf Hij me,quot; zoo schrijft ze aan haren biechtvader, »te verstaan, hoe de begeerte naar wederliefde Hem bewogen had. Zijn Hart aan de menschen te openbaren, met al de schatten van liefde, barmhartigheid, genade en heiligmaking, die het besluit, opdat alwie wil, daar met volle hand uit putten kan. Hij verzekerde mij bovendien, dat Hij er bijzonder behagen in schepte, vereerd te worden in dit vleezen hart, welks beeltenis overal moest worden ten toon gesteld om het ongevoelig hart der menschen te treffen. Wie het vereerden, zou Hij overvloedig deel geven aan de grootste genaden, en waar dat beeld eene eere-plaats innam, zouden de ruimste zegeningen afdalen ^1), want deze godsvrucht was eene laatste poging Zijner liefde om den mensch tot Zich te trekken. »Ziedaar, mijne dochter,quot; besloot Hij, »tot welk een werk Ik u heb uitgekozen; daarom heb Ik u met zooveel genaden bedeeld van uwe eerste kindsheid af. Uw Meester en Leidsman heb Ik willen zijn, om u op Mijne genaden voor te bereiden; doch dat Ik u Mijn Hart getoond heb en gegeven, reken dat de allergrootste weldaad, die ge ontvangt.quot;

Hij had me,quot; schreef ze zestien jaren later aan Moeder

') 9de Belofte.

ocr page 62

52

de Saumaise, »op dien dag Zijn hart, Zijn kruis en Zijne »liefde gegeven. Zijn hart als eene toevlucht, een steun »en den hemel mijner rust in de stormen op deze woe-»lige zee der wereld. Zijn kruis om mijn troon van glorie »te worden; en dit is mij niet enkel eene reden van verheffing, maar van vreugde tevens, dewijl niets ter we-»reld waarde voor mij heeft dan Jezus, Zijn kruis en »Zijne liefde. Deze liefde gaf Hij me bovendien om mij »te louteren, te verteeren en geheel te vervormen in Hem.quot;

Ieder jaar, op den feestdag van Sint-Jan, herhaalde zich deze verschijning, wees de Verlosser op Zijn vlammend Hart en zeide ; »Ik brand van verlangen om in het heilig Sacrament des altaars vereerd te worden, en Ik vind bijna niemand, die Mij door wederliefde eenige lafenis geeft.-'

Hoe zulke ontboezeming den gloed in Margareta-Maria's hart vermeerderen moest! Kostbare smarte, doch die haar enkel dorsten deed en het gebruik van spijze en nachtrust onmogelijk maakte. Het pijnlijkst viel het der ootmoedige evenwel, dat ze alles bare overste moest openbaren en beschrijven op papier. Duizendmaal liever had zij openlijk voor al de zusters de zonden van heel haar leven blootgelegd, dan deze geheimen van den Bruidegom beurs harten. Toch moest zij, èn volgens Jezus' uitdrukkelijken wil tot lafenis in den gloed, die haar verteerde, èn uit gehoorzaamheid aan den kloosterregel. Tot haar troost dreef de overste den spot, met alwat zij verhaalde van Jezus' verschijning en hare ondragelijke smart. Of dit der moeder ernst was, of wel eene proefneming uit voorzichtigheid, om het even, Margareta-Maria

ocr page 63

53

bleek niet bestand tegen den afmattenden gloed dei-goddelijke liefde, zij sloeg aan liet kwijnen en verviel niet den dag. Eindelijk sprak ze van eene aderlating; men lachte er mee, vroeg het ten overvloede den geneesheer, die meende integendeel, dat niets haar meer na-deelig zoude zijn en versterkende middelen voorschreef. Eerst toen haar toestand zichtbaar verergerde, zij geen voedsel kon inhouden en aan de hevigste benauwdheden ten prooi bleef, beproefde men als hopeloos middel eene lating, welke haar aanstonds in staat stelde van de ziekenzaal henen te gaan.

Zoo geschiedde het herhaalde malen opnieuw; want de liefdeblijken van 27 Dec. 1673 vernieuwden zich nu den eersten Vrijdag van iedere maand; op deze dagen rees het goddelijk Hart van Jezus, eene schitterende zon gelijk, voor haar oog, en wierp gloeiende stralen in hare borst. Do kreten harer smart waren juichtonen als Fran-ciscus van Assise en Teresia er hadden geslaakt. Mar-gareta-ilaria zong:

»Ik ben als de dorstende hinde.

Wie 't staal in de lendenen haakt;

Ik smacht; want mij heeft de Beminde Met pijlen in 't harte geraakt.quot;

De medezusters kenden de geheime oorzaak niet van Margareta-Maria's lijden, en spott'en gedurig met die telkens wederkeerende verzwakking; deed de overste haar uit medelijden aderlaten in hare cel, dan viel zij onder de H. Mis in bezwijming, want de Bruidegom

ocr page 64

54

wilde, dat er niets van Zijne gunsten bleek, tenzij wat de begunstigde grieven en vernederen kon. Hierbij kwam de altoosdurende vreeze, ook door moeder de Saumaise gedeeld, dat zij lijden mocht aan zinsbedrog. »Wist ik maar,quot; herhaalde zij, »dat dit alles van God was, het zou mij licht te dragen zijn.quot; Bovendien had zij wel gemeend van Jezus te verstaan, dat Hij van haar en van allen eene bijzondere vereering Zijns Harten vroeg, doch hoe kon zij daartoe bijbrengen, en hoe moest deze vereering plaats vinden ?

Den 8sten Februari '74 ligt zij weer in aanbidding voor 't geopend Tabernakel, en de Verlosser verschijnt haar nu in Zijne verheerlijkte menschheid. Van de vijf heilige wonden gingen glanzende stralen uit, en de borst stond in laaien gloed. Daarbinnen vertoonde Hij haar Zijn Hart als den zetel van dit vuur, en andermaal sprak Hij van Zijne liefde voor de menschen, die Hem schier met enkel ondankbaarheid beloonden, hetgeen Hem pijnlijker aandeed dan de smarten, in Zijn bitter Lijden doorstaan.

— »Betoonden ze Mij wederliefde, ging Hij voort. Ik zou het niet tellen, wat Ik voor hen gedaan had, maar zij blijven ongevoelig en koud. (lij ten minste vul aan, wat zij te kort komen, zooveel gij kunt.quot;

— »Hoe kan ik het. Heer? Ik ben zoo nietig, zoo zwak.quot;

— »Ziedaar,quot; hernam Hij, »nu kunt gequot; ; en eene vlam sloeg uit Zijne borst in de hare over, dat zij meende te sterven en bad; »spaar mij Heer, ik ben sterveling!quot;

— »Ik zal uwe kracht zijn, vrees niets, maar luister en doe, wat Ik u vraag. Vooreerst moet ge Mij in de H. Communie ontvangen, zoo dikwijls de gehoorzaam-

ocr page 65

55

heid het u vergunt, zij het ook ten koste van vernedering en smaad, welke gij als blijken Mijner liefde omhelzen zult, en nader eiken eersten Vrijdag der maand tot de H. Tafel. Dan zal Ik u iedere week, in den nacht van Donderdag op Vrijdag, deel geven aan Mijne doodelijke droefheid in den hof van Olijven, zoodat gij zonder te weten hoe, al de smarten van een pijnlijken doodstrijd ondervindt. Daarom moet gij u in dien nacht van 11 tot 12 uren vereenigen met Mijn gebed in den Hof, met het aanschijn ter aarde barmhartigheid afsmeeken voor de zondaars en Mij troosten in Mijne verlatenheid van den kant Mijner slapende leerlingen.

ȟoch luister. Mijne dochter, geef niet lichtvaardig geloof aan iederen geest, want de duivel zoekt u te misleiden. Doe derhalve niets zonder de goedkeuring uwer oversten, opdat hij u niet bedriege, want op den gehoorzame vermag hij niets.quot;

Wederom was het H. Tabernakel gesloten; de zusters hadden de kapel verlaten, en Margareta-Maria lag daar nog altoos geknield, onbewust van hetgeen buiten haar omging. Men stoot ze aan, en roept ze; geen antwoord, geene beweging. Xu nemen twee zusters haar op en brengen ze bij de overste, waar zij beschaamd en bevend tot zich zelve komt. De moeder doet haar nederknielen en berispt ze gestreng; toen zij daarop verlegen en ontroerd openbaarde, wat er was geschied, vond de overste dit eene geschikte gelegenheid om haar opnieuw te vernederen ; alles was inbeelding geweest, eene begoocheling harer opgewekte ijdelheid, niets mocht zij doen van hetgeen haar was opgelegd.

ocr page 66

50

Onderworpen aan Gods wil, keerde M ar gare t a-Mari a tot hare bezigheden. Doch, dat de natuur bezweek onder den overmatigen gloed der goddelijke liefde; dat gebrek aan voedsel en rust, welke beide zij uit gehoorzaamheid beproefde te nemen, maar niet kon, nadeeligen invloed uitoefende op het lijdend gestel der acht-en-twintigjarige, wien zal het bevreemden ? Een hevige koorts greep haar aan, maar zij leed immers gewoonlijk, en leed met zooveel dankbare blijdschap, — waarom zou ze er over klagen of van spreken ? Hare machteloosheid openbaarde zich echter weldra te duidelijk, en onder het medelijdend schouderophalen der zusters, die haar sinds lang eene verbeeldingzieke geloofden, werd zij te bed gebracht.

»Eene verwaarloosde koorts,quot; zei de geneesheer. Zou ze er aan sterven? üe moeder dacht het en zat neder bij de sponde der zuster, die ze liefhad, maar beproeven moest, uit vreeze altijd voor zelfbedrog en misleiding.

Wanneer de kranke spreken kon, openbaarde zij haar overste als gewoonlijk vol overgeving en ootmoed de gunsten van den Bruidegom, die haar niet verliet. »De H. Drievuldigheid is mij verschenen,quot; sprak ze, »onder de gedaante van drie jongelingen in het wit gekleed, stralende van licht. God de Vader kwam tot mij mot een groot kruis vol stekelige doornen en de werktuigen des lijdens er op.quot;

sZiedaar, mijne dochter,quot; hoorde ik Hem zeggen, »Ik geef u hetzelfde geschenk als Mijn goddelijken Zoon »en Ik,quot; vulde Jezus Christus aan, »zal er u aan vasthechten, gelijk Ik er zelf aan genageld ben geweest, maar Ik zal u ook gezelschap houden;quot; waarop de H. Geest

ocr page 67

57

besloot: »Ik die enkel liefde ben, zal er n aan zuiveren en doen sterven.quot;

Was dit alles een spel der koortsige verbeelding of goddelijk gunstbewijs? De overste dorst niet beslissen. — sZuster.quot; hernam ze, »vraag Onzen lieven Heer uwe genezing, opdat gij met de andere de oefeningen van deïi regel volgen kunt. Als ge werkelijk plotseling geneest, sta ik u de H. Communie op den eersten Vrijdag toe en het opstaan Donderdag 's nachts.quot;

Margareta-Maria gehoorzaamde en bad om hare genezing, in de stille hoop niet verhoord te worden; ze had haar lijden, de vernederingen der overste en den spot der zusters lief.

Geen nood, leerling van Jezus' Hart, het lijden zal uw deel blijven, of ook de gezondheid keert. Daar verschijnt haar Maria, de onbevlekte Maagd. Na een lang onderhoud met de welbeminde Bruid van Haar godde-lijken Zoon, sprak zij: »Schep moed, dochter, in de gezondheid, die ik u hergeef in den naam van mijn Zoon. Gij hebt nog een langen weg af te leggen met uw kruis, gewond door nagels en doornen en door zweepslagen verscheurd, doch vrees niets, ik blijf met mijne bescherming bij u.quot;

De gestelde voorwaarde bleek vervuld; werden nu ook de beloofde gunsten geschonken? De overste bleef aarzelen, en ze deed wél. Zij raadpleegde onderscheidene priesters, mannen van ervaring in 't geestelijk leven; hun eenparig oordeel, zoo aan de moeder als aan de betrokkene zelf beteekend, luidde: geestdrijverij, inbeelding, dweepzucht; niet luisteren naar die gewaande in-

ocr page 68

58

spraken, het gebed verminderen. De veroordeelde zuster, door Jezus zelve tegen misleiding des duivels gewaarschuwd, week geen vingerbreed van deze harde voorschriften af en geloofde zelve, dat zij dwaalde. Nochtans wanneer het geweld van Gods liefde haar trok, haar overmeesterde, dan klaagde ze haar nood bij Jezus Christus, den Bruidegom harer ziel, en smeekte Hem een einde te maken aan deze worsteling. »Ik zal u Mijn dienaar zenden,quot; klonk het antwoord, »leg hem al de geheimen Mijns Harten bloot, hij zal u op den goeden weg bevestigen.quot;

In het laatst van 1674 werd pater Claudius de la Colombière tot overste benoemd van de paters der Sociëteit van Jezus, te 1'aray. Het wekte veler bevreemding: niet om zijne jeugd, want zijne diepe zedigheid en ervaring in de wegen van God, wonnen hem aller achting en vertrouwen; doch men vond het jammer, dat een man, wiens naam als welsprekend redenaar zoo goeden klank had, het veld zijns ijvers binnen zoo enge grenzen beperkt zag. Toen hij de eerste maal bij de zusters kwam, hoorde Margareta-Maria eene inwendige stem: »deze is het, dien Ik u zend.quot; Sinds dit oogen-blik voelde zij eerbied en vertrouwen voor hem, al kende ze hem nauwelijks van aanzien, al wist zij niet, dat deze jonge priester gedurende eene maandlange gees-stelijke afzondering, met goedvinden zijns oversten besloten had, de banden der eigenliefde voor goed te breken, en zich door eene bijzondere belofte aan God verbonden had: alle, ook de kleinste regelen zijner orde te onderhouden. Als overste der paters was hij buiten-

ocr page 69

59

gewoon biechtvader der zusters en omstreeks de quatertemper-dagen in de vasten van 1675 sprak Margareta-Maria hem voor het eerst in den biechtstoel. De pater hield haar een geruimen tijd en sprak, alsof hij kennis droeg, van wat er omging in haar gemoed. Maar de zuster zweeg volstrekt van alle buitengewone gunsten. Zij scheen gejaagd om weg te komen, ze mocht immers de anderen niet laten wachten. »Yindt u goed,quot; vroeg de pater, »dat ik later hier nog eens terugkom om verder met u te spreken?quot; Schuchter gaf zij ten antwoord, dat zij haar eigen meester niet was, en doen zou wat de overste gebood, waarop zij henenging. Niet lang daarna vroeg hij na eene onderrichting voor de zusters, toen de moeder hem uitliet: »wie is die jonge zuster, die daar zat?quot; En hij duidde haar uit. Toen haar naam hem genoemd werd, hernam hij; »dit is eene begenadigde ziel/' Dit woord van den pater deed de overste besluiten, Margareta-Maria aan zijne leiding toe te vertrouwen, en ze zond haar een volgenden keer bij hem. Het was der biechtelinge aan te zien, wat het haar kostte, tot eene openbaring des harten te komen, doch de biechtvader begon met de woorden: »Ik ben blij, dat ik u de gelegenheid geven kan. God een otfer te brengen.quot; Nu legde zij hem haar toestand bloot, en hij bemoedigde haar met de verzekering, dat zij niets te vreezen had in deze leiding van den H. Geest, vermits ze haar niet aan de gehoorzaamheid onttrok. Zij mocht en moest luisteren naar de stem, die in haar sprak en zich zelve geheel aan God overgeven. Toen zij klaagde, dat de Bruidegom altoos bij

ocr page 70

60

haar was en haar het mondgebed onmogelijk maakte, hernam hij; »doe u geen geweld daarmede aan, bid alleen de getijden en het rozenhoedje, zoo gij kunt.quot;

Verlicht en opgebeurd verliet Margareta-Maria den biechtvader en ging voort, zoo dikwijls hij kwam, hem raad te vragen en hare ziel open te leggen; want sinds hij zijne verbazing te kennen had gegeven, dat God zulke genaden mededeelde aan een zoo onvolmaakt schepsel als zij, dat Hem zoo gedurigen wederstand bood, — was hij nog in hare achting gestegen. Zij verklaarde hem dan zich opgewekt te gevoelen om aan sommige personen, haren oversten of anderen, mondeling of schriftelijk iets mee te deelen van hetgeen de Bruidegom haar bevolen had.

— »Doe het gerust, indien uwe overste het goedvindt,quot; luidde 't bescheid ; »met de zusters moet gij over uwe gewaarwordingen niet spreken, maar zeg alles aan de moeder, of schrijf haar, of anderen met hare toestemming, en houd voor mij afzonderlijk aanteekening van alwat er omgaat in uw gemoed.quot;

Het werd bekend, dat pater de la Colombière Margareta-Maria's leidsman geworden was. We mogen aannemen, dat hij zelf, bij wie hem naar »de dweepsterquot; vroegen, met den eerbied, welke hem voor Jezus' vertrouwelinge vervulde, gesproken had — hoe het zij, de roep ging, dat deze priester zich had laten bedriegen; dat hij voor echt hield, wat ouderen dan hij voor begoocheling en waanzin uitkreten, — en he? aanzien, dat hem sinds zijne komst omgeven had, nam chtbaar af. Doch P. de la Colombière, die geen aanzien bij de wereld

ocr page 71

01

zocht, veranderde daarom niet van oordeel, terwijl zijn1? beschaamdheid bij het vernemen, dat hij de gezondene des Heeren voor Margareta-Maria was, haar hooger dunk van zijn ootmoed deed opvatten dan de hoedanigheden, welke in hem uitblonken, hare verwachting hadden gestemd.

Intusschen ging de Bruidegom voort Zijne welbeminde voor te bereiden tot de groote openbaring Zijner miskende liefde. Op een schoonen dag, in 't begin van den zomer van 1675, waren de zusters gezamenlijk op de binnenplaats aan den arbeid. Margareta-Maria voelde zich aangedreven wat van de anderen af te gaan zitten, tegen den muur der kapel, waar het Allerheiligste rustte. Daar begunstigde haar de Yerlosser met groote genaden. Maar do zusters riepen haar en schertsten en plaagden zoo lang, tot zij opstond en zei: »goed, ik zal bij u blijven.quot; Nauw was dit woord echter gesproken, of de inwendige aandrang om er terug te keeren werd zoo sterk, dat zij naar de overste liep en vroeg, wat ze doen moest.

— »Welnu, ga er zitten,quot; sprak deze. Ondanks het gelach der zusters keerde zij er weder en verrichtte haar werk geknield, maar zoo ingetogen, of zij door niemand werd gadegeslagen. Op eens verschijnt haar het aanbiddelijk Hart des Zaligmakers, schitterend als de zon en van vlammen omgeven; een koor van Serafijnen daalt neder en zingt bij de tonen eener hemelsche muziek:

De liefde geniet en de liefde verwint:

o Zalig, wie 't Harte van Jezus bemint!

ocr page 72

60

haar was en haar het mondgebed onmogelijk maakte, hernam hij: »doe u geen geweld daarmede aan, bid alleen de getijden en het rozenhoedje, zoo gij kunt.quot;

Verlicht en opgebeurd verliet Margareta-Maria den biechtvader en ging voort, zoo dikwijls hij kwam, hem raad te vragen en hare ziel open te leggen; want sinds hij zijne verbazing te kennen had gegeven, dat God zulke genaden mededeelde aan een zoo onvolmaakt schepsel als zij, dat Hem zoo gedurigen wederstand bood, — was hij nog in hare achting gestegen. Zij verklaarde hem dan zich opgewekt te gevoelen om aan sommige personen, haren oversten of anderen, mondeling of schriftelijk iets mee te deelen van hetgeen de Bruidegom haar bevolen had.

— »Doe het gerust, indien uwe overste het goedvindt,quot; luidde quot;t bescheid ; »met de zusters moet gij over uwe gewaarwordingen niet spreken, maar zeg alles aan de moeder, of schrijf haar, of anderen met hare toestemming, en houd voor mij afzonderlijk aanteekening van alwat er omgaat in uw gemoed.quot;

Het werd bekend, dat pater de la Colombière Mar-gareta-Maria's leidsman geworden was. We mogen aannemen, dat hij zelf, bij wie hem naar »de dweepsterquot; vroegen, met den eerbied, welke hem voor Jezus' vertrouwelinge vervulde, gesproken had — hoe het zij, de roep ging, dat deze priester zich had laten bedriegen; dat hij voor echt hield, wat ouderen dan hij voor begoocheling en waanzin uitkreten, — en het aanzien, dat hem sinds zijne komst omgeven had, nam chtbaar af. Doch P. de la Colombière, die geen aanzien bij de wereld

ocr page 73

61

zocht, veranderde daarom niet van oordeel, terwijl zijne beschaamdheid bij het vernemen, dat hij de gezondene des Heeren voor Margareta-Maria was, haar hooger dunk van zijn ootmoed deed opvatten dan de hoedanigheden, welke in hem uitblonken, hare verwachting hadden gestemd.

Intusschen ging de Bruidegom voort Zijne welbeminde voor te bereiden tot de groote openbaring Zijner miskende liefde. Op een schoonen dag, in 't begin van den zomer van 1075, waren de zusters gezamenlijk op de binnenplaats aan den arbeid. Margareta-Maria voelde zich aangedreven wat van de anderen af te gaan zitten, tegen den muur der kapel, waar het Allerheiligste rustte. Daar begunstigde haar de Verlosser met groote genaden. Maar de zusters riepen haar en schertsten en plaagden zoo lang, tot zij opstond en zei: »goed, ik zal bij u blijven.quot; Nauw was dit woord echter gesproken, of de inwendige aandrang om er terug te keeren werd zoo sterk, dat zij naar de overste liep en vroeg, wat ze doen moest.

— »Welnu, ga er zitten,quot; sprak deze. Ondanks het gelach der zusters keerde zij er weder en verrichtte haar werk geknield, maar zoo ingetogen, of zij door niemand werd gadegeslagen. Op eens verschijnt haar het aanbiddelijk Hart des Zaligmakers, schitterend als de zon en van vlammen omgeven; een koor van Serafijnen daalt neder en zingt bij de tonen eener hemelsche muziek:

De nefde geniet en de liefde verwint:

o Zalig, wie 't Harte van Jezus bemint!

ocr page 74

62

Deze hemelsche geesten noodigden haar uit om mee den lof van dat beminnelijk Hart te zingen, maar ze dorst het niet. Toen zeiden ze haar, dat ze gekomen waren, om met haar aan Jezus' Hart hulde, aanbidding en liefde te brengen; dat zij hare plaats zouden innemen, als zij van het H. Sacrament afwezig moest zijn; zoo kon ze, door hunne tusschenkomst, onafgebroken bij Jezus zijn. Drie uren lang duurde dit visioen en liet eene onuitwischbare herinnering bij Margareta-Maria achter.

Doch een dieperen indruk zou op geheel de Katholieke wereld maken, wat er plaats vond op den 19den Juni van hetzelfde jaar, 1675. Het was in het Octaaf van H. Sacramentsdag, dat de uitverkoren Bruid des Heeren voor het H. Tabernakel nederknielde, rijkelijk de liefkoozingen des beminden genoot, en een hevig verlangen gevoelde om van haren kant Jezus een blijk van wederliefde te geven. Toen sprak Hij: »gij kunt Mij uwe liefde niet beter bewijzen dan door te doen, wat Ik u reeds zoo dikwijls gevraagd heb.quot; Bij deze woorden ontblootte Hij Zijn heilig Hart en ging voort; »Ziedaar het Hart, dat de menschen zóó heeft bemind, dat het niets heeft gespaard, om zich op te offeren en uit te putten in liefdebewijzen; — en voor dankbaarheid ontvang Ik van de meesten enkel verachting, oneerbiedigheden, heiligschennis en koelheid in dit Sacrament van liefde. Wat mij evenwel het meeste grieft is, dat harten, aan Mij toegewijd, Mij aldus bejegenen. Daarom vraag Ik van u, dat de eerste Vrijdag, na het Octaaf van Sacramentsdag een afzonderlijke feestdag worde om Mijn Hart te vereeren: dat men dan tot de H. Tafel nadere en eene

ocr page 75

63

eereboete doe, om de beleedigingen te herstellen, welke Mijn Hart, sinds het op de altaren tegenwoordig is, ondervonden heeft; en Ik beloof n, dat Mijn Hart in de ruimste mate den invloed Mijner liefde zal doen gevoelen aan ben, die het vereeren en zorgen, dat anderen desgelijks doen.quot;

— »Maar, Heer, tot wie richt Gij U?quot; waagde Mar-gareta-Maria te spreken, »tot een ellendig schepsel, eene arme zondares, wier onwaardigheid de vervulling van Uw wensch in den weg moet staan. Gij kent zoovele edelmoedige zielen, wie Gij niet deze taak belasten kunt.quot;

En Jezus vroeg: »weet gij dan niet, dat Ik Mij van het zwakke bedien om het sterke te beschamen? Dat Mijne almacht zich pleegt te openbaren in de kleinen en armen van geest, opdat zij zich zeiven niets hebben toe te schrijven?quot;

— »Geef mij dan,quot; hernam ze vol moed, »het middel aan de hand om te doen, wat Gij mij beveelt.quot; Toen antwoordde Hij; »Wend u tot mijn dienaar, pater Claudius de la Colombière van de Sociëteit, en gelast hem uit Mijnen naam alles te doen, wat in zijn vermogen is, om Mijn goddelijk Hart de gevraagde voldoening-te geven. De vele moeielijkheden, die hij ondervinden zal, mogen hem niet afschrikken, doch hij bedenke, dat alwie zichzelven mistrouwt, om geheel zijn vertrouwen op Mij te stellen, alvermogend is.quot;

Pater de la Colombière vernam van Margareta-Maria tot welke taak hij uitdrukkelijk was aangewezen. Hij wist te veel van de deugd dezer zuster en van de wegen Gods, om eenigen twijfel te durven voeden nopens

ocr page 76

64

de mededeeling, welke zij hem had gedaan. Daarom nam hij dankbaar dien zoeten last op zich, en op den aangewezen Vrijdag na het Octaaf — toen den 21sten Juni, het feest van den engelachtigen Alovsins Gonzaga — wijdde hij zich geheel en onverdeeld aan 't goddelijk Hart van Jezus toe, bereid om voor de eer en glorie van dit Hart te leven, te arbeiden en te sterven.

ocr page 77

Kieuwe offers.

| elijk eene kostbare plant uit verre gewesten, IpTquot; 5 was de godsvrucht tot liet H. Hart van Jezus ' uit den hemel overgebracht op onze aarde, en Margareta-Maria had niet zonder groote moeite een plekje gevonden, dat geschiktheid voor ontwikkeling en groei beloofde. Pater de la Colombière, de van God gezondene, vergat zijne opdracht van 21 Juni niet en leerde zijne biechtkinderen te Paray op den eersten Vrijdag eiker maand tot de H. Tafel te naderen, om den Verlosser eerherstelling aan te bieden voor den smaad en de onverschilligheid, in de vier laatste weken op de altaren verduurd. Bemoedigend vooruitzicht! Als de vertrouwelijke mededeelingen van dien pater omtrent de bevoorrechte leerling van Jezusquot; Hart bij menigeen alreeds bewondering voor haar op-

5

ocr page 78

66

wekten, hoe krachtige medewerking had Margareta-Maria dan van zijn welsprekend woord, ter verbreiding der ontluikende devotie, te wachten! Xochtans, »hoe meer een jonge boom door den wind heen en weêr wordt geslingerd, te dieper dringen de wortelen in den grondquot;' heeft zij later geschreven, en zij ondervond het hier. Jezus bereidde haar voor op het brengen van een ofi'er, dat Hij weldra vragen zou. P. de la Colombière mocht niet blijven te Paray, niet blijven zelfs in Frankrijk. Zij deelde hem deze tijding meê. Hij scheen er geen geloof aan te slaan: de brieven zijner Oversten openbaarden hem geheel andere plannen. »Toch gaat ge,quot; hernam zij, en in den loop van 1676 kwam er bevel: hij moest naar Parijs om van daar naar Engeland te vertrekken. Margareta-Maria gevoelde den slag, al had ze hem zien aankomen; deze man had haar gerustgesteld, toen zij, toen allen geloofden, dat zij misleid werd door den boozen geest; deze heilige priester was haar door Jezus zelf beloofd en toegezonden als een helper in haar moeizaam apostolaat; zij beklaagde zich over zijn verlies bij het Allerheiligste. — »Ben Ik u dan niet genoeg?quot; luidde 't verwijt, »Ik, die uw oorsprong en laatste einde ben?quot; En zij ging onderworpen henen. Bij zijn vertrek, gaf de pater haar schriftelijk eenige woorden ter overweging. »6edenk, dat God alles van u vraagt, en niets van u behoeft. Hij vraagt u alles, want heerschen wil Hij in en over u als over een goed, waar niemand buiten Hem eenige aanspraak op heeft, waarin alles Hem onderworpen is en op het eerste teeken van Zijn wil gehoorzaamt. Toch heeft Hij geen behoefte aan iets van

ocr page 79

67

het uwe, want alles wil Hij in u uitwerken, zonder dat gij er u mede moeit, tevreden dat gij de stof zijt, waarvan Hij zich bedient, opdat alle glorie aan Hem kome, en Hij alleen gekend, gezegend en bemind worde in eeuwigheid.quot;

Op zijne beurt vroeg nu de pater ook van haar een woord ter gedachtenis, en zij schreef onder meer: »P. de la Colombière is geroepen om de zielen tot God te brengen, daarom zal de duivel overal hinderpalen stellen op zijn weg; zelfs godvreezende personen zullen hem bemoeilijken en afkeuren, wat hij predikt. Doch indien hij op God vertrouwt, zal Diens goedheid hem steunen in het dragen van zijn kruis.

»Hij moet de zondaars behandelen met zachtheid en medelijden en geene krachtige middelen aanwenden, tenzij waar God het hem zal ingeven.quot;

Algemeene raadgevingen naar den schijn, maar die voor P. de la Colombière van geheel bijzondere toepassing bleken; immers sinds zijn vertrek uit Parijs spande Satan hem allerlei listen. Den 20sten November '76 schreef hij uit Londen aan moeder de Saumaise, Overste te Paray; »men vindt hier geene dochters van de Visitatie, nog veel minder eene zuster Alacoque, maar God vindt men overal, en Hij is even liefderijk en goed te Londen als te Paray. Hem dank ik, dat deze heilige religieuze mij niet vergeet; ongetwijfeld is het op haar gebed, dat mij zoo groote gunsten ten deele vallen.quot;

Onder deze genaden telt wel voornamelijk de religieuze geest van ingetogenheid en armoede, welke den

ocr page 80

68

jeugdigen priester bijbleef aan het Engelsche hof, waar hij de biechtvader en hofprediker was der vrome hertogin van York, Maria van Modena. De pracht, die hem zoodra hij den voet buiten zijn vertrekken zette, omgaf, trok zijne aandacht niet, zoomin als het gewoel der groote wereldstad, waarop hij het oog kon werpen uit zijne vensters. Zondaars tot God terugvoeren; aan het hof de grooten spreken van het heilig en aanbiddelijk Altaargeheim, door den Engelschen godsdienst geloochend; wijzen op de versmade liefde van den Zaligmaker; de vereering van het doorwonde Hart prediken, voor wie ze niet kenden, prediken door zijn heilig voorbeeld bovenal, •— dat waren de verrichtingen van P. de la Colombière in Engeland.

Dikwijls schreef hij naar Frankrijk, naar zijne broeders te Paray, om het aldaar begonnen werk voort te zetten, — schreef hij naar moeder de Saumaise, Mar-gareta-Maria's Overste, en voegde er nu en dan een woordje bij voor haar, »wat de moeder, al naar ze 't goed vond, haar geven kon of achterhouden/'

De leerling van Jezus' Hart ging altijd voort het leven te leiden, dat zij van haar Bruidegom had aangenomen; een leven van lichaamskwelling en zielsmart, van lijden en liefde. Op den feestdag van Maria-ten-Hemel-opneming verscheen haar de H. Maagd met eene kroon van zooveel bloemen, als er zich maagden aan haar hadden toegewijd: met dit tooisel wilde de Moeder des Heeren verschijnen voor den troon der H. Drievuldigheid. Bij het opgaan ten hemel bleken eenige bloemen echter nog aan de aarde gehecht: slechts vijftien

ocr page 81

69

bleven om het hoofd der opvarende Koningin, de anderen vielen er af.

Wat later wees de H. Maagd Maria hare dochter op het Hart van Jezus als eene bron van genade, die vijf stralen uitwierp in even zoovele bevoorrechte harten: daarbeneden zag zij vijf andere harten, die wel veel genade ontvingen, maar door hunne schuld ongebruikt lieten wegvloeien.

Soortgelijke verschijningen herhaalden zich telkens, als moest zij opmerkzaam worden gemaakt, dat er waren, die Jezus' liefde niet verdienden. Eens meende zij het van liefde blakende Hart des Verlossers geheel afkeerig te zien van vijf ontrouwe harten. Zij vroeg niet; »wie zijn het, Heer?quot; zelfs veroorloofde zij zich geene gissing omtrent minder vurige zusters in huis; integendeel bad zij onkundig te blijven van hare namen; maar liefde en ijver deden haar weenend verzuchten: »Heer, Gij kunt mij doen sterven voor Uw aanschijn, doch levend ga ik niet van hier, aleer Gij me de oprechte bekeering dier harten belooft.quot;

— »Xeem gij dan,quot; zoo klonk het, «dien last op u en proef de bitterheid mijns harten; besproei ze met uwe tranen, de onverschillige harten, die Ik voor Mij had uitgekozen, — of, laat ze over aan hun lot en geniet gij mijne vreugden.quot;

Doch vreugden kiezen voor zichzelve, en Jezus' Hart in bitterheid laten, en anderen in gevaar, de edelmoedige zuster kon het niet. Zij weende dan en bad, en welk inwendig lijden haar aangreep, blijkt niet onduidelijk uit haar eigen bekentenis: »de hel is niet vree'se-

ocr page 82

70

lijker dan de toestand eens harten, beroofd van de genade Gods.quot; Het was in Xovember 1677, dat de Bruidegom tot haar sprak; »Ik zal u Mijn hart geven, maar dan moet gij u eerst aanbieden als een slachtoffer om in vereeniging met Mij de kastijdende hand mijns Vaders te gevoelen, want in Zijn billijken toorn dreigt Hij een klooster strengelijk te straffen.quot;

Gold deze bedreiging het klooster der Visitatie te Para}7? Zuster Margareta-Maria heeft het antwoord op deze vraag waarschijnlijk, om der liefde niet te kort te doen, zelfs voor hare Overste verzwegen. Had de geschiedenis twee eeuwen later ook al recht, hieromtrent eene uitspraak te wagen, hoe kan ze 't zonder andere bescheiden dan waaruit blijkt, dat er in Margareta-Ma-ria's omgeving bij vele ijverige religieuzen een vijftal flauwen gevonden werden, die niet geheel en al volgens den geest des regels leefden, en daarom een zekeren afkeer van de begunstigde Bruid des Heeren gevoelden en te kennen gaven?

Doch om het even wie het gold, Jezus wilde, dat zijne Bruid de toorn des Vaders voelen zou, en Hij toonde haar, welk lijden haar wachtte, indien zij er zich toe aanbood. Het gezicht dezer smarten deed haar sidderen ; weg was de moed, en ter verontschuldiging bracht zij in, dat zij zonder oorlof barer Overste zich tot niets verbinden mocht. Maar ze vroeg niets, bevreesd, dat het haar wierd toegestaan. Sinds had ze geen oogen-blik rust noch duur, als werd ze onophoudelijk vervolgd. De moeder onderzocht ten laatste naar de reden harer tranen en ontsteltenis, en gaf bij het eerste woord van

ocr page 83

71

Margareta-Maria de gedachte toestemning. Xu mocht ze. maar aarzelde nog. Was het wonder, als zij den engel der gerechtigheid met opgeheven geesel gereed zag om haar te treffen, zoodra zij zich aanbood?

Aldus weifelend en vol angst knielde zij met de andere zusters neder voor het H. Sacrament op den vooravond van Maria-Presentatie. Toen hoorde zij Jezus' stem: »'t is n hard weerstand te bieden aan den eisch Mijner gerechtigheid, dewijl gij u echter hebt willen onttrekken aan de vernedering, die uw offer vergezellen moest, zult ge ze nu in dubbele mate gevoelen. Ik had slechts eer offer in het verborgene gevraagd, — gij wil-det niet, nu zult ge het tegen alle menschelijke berekening in, openlijk brengen onder de vernederendste omstandigheden, die u geheel uw leven, zoo voor u zelve als voor anderen, met schaamte zullen overdekken : gij zult weten, wat het inheeft, aan God te weerstaan.quot;' Zij gevoelde 't op het eigen oogenblik. want nooit had zij geleden als in dat uur. Stille tranen ver-zelden haar angstig gezucht: zij was in haar oog de misdadigste aller menscheu. De zusters verlieten de kapel. — zij kon niet, ze bleef zuchten en snikken in het koor. Eindelijk toen de bel voor het avondmaal ophield te luiden, sleepte zij zich naar den refter, alwaar zij zich gedrongen voelde om in 't bijzijn aller zusters te openbaren, wat God haar ingaf. Dat mocht zij echter niet zonder voorkennis der Overste, die krank te bed lag. Zij wil er heen, maar zijgt neder in den gang, hulpeloos of ze aan handen en voeten gebonden lag. 't Was of de hel zich opende aan haar voet, zij beefde

ocr page 84

72

over al haar ledematen, een koortsige gloed brandde in haar gebeente. »0 God, wees mij genadig om üwe groote barmhartigheid!quot; was alles wat ze vermocht uit te brengen. Omstreeks acht uren werd zij in dezen toestand gevonden door eene zuster, die ze in de kamer der Overste bracht.

— »Wat deert u, zuster?quot; vroeg de kranke verwonderd. Margareta-Maria zweeg. Zij dacht, dat ieder de oorzaak van haar lijden raden kon.

— »Spreek, ik gebied het u!quot; hernam de moeder, die wist dat de gehoorzaamheid alles op de zwijgende vermocht. Nu verklaarde zij, hoe Jezus Christus haar gedrongen had tot eene openlijke verklaring van de reden harer straf. Namen noemde ze uit kieschheid niet, maar voegde er wel bij, dat de Verlosser vertoornd was en voldoening eischte. Begreep de Overste genoeg? Althans zij zond de Assistente met bevel aan de zusters, om dien avond eene bijzondere lijfskastijding te nemen. De meesten togen gehoorzaam ter cel; eenigen, de schuldigen wellicht, tot ontevredenheid geprikkeld, twijfelden geen oogenblik of haar dit vanwege Margareta-Maria kwam, en zochten ze ter verantwoording. Zij vonden haar op de ziekenzaal, en gaven luide hare ontevredenheid lucht. Zij geleidden ze naar hare cel en noemden ze eene opgewondene dweepster, die aan zinsbegoocheling leed en voor echt hield, wat de kranke verbeelding haar voorstelde. Margareta-Maria bad en zweeg. Bleken de zusters hard voor haar, in de meening dat zij ze onrechtvaardig beschuldigd had — zij verdroeg alles met vreugde; want, zoo bekende zij later, de gedachte, dat

ocr page 85

73

zij op deze wijze deelen kon in den smaad en de smarten des Heeren gedurende den lijdensnacht, was haar een troost.

Den volgenden morgen, het feest van Maria's Opdracht in den tempel, had de gekwetste liefde reeds hare rechten doen gelden in het gemoed der zusters; zij knielden neer in den biechtstoel, alvorens hare beloften te vernieuwen en ter Communie te gaan. Ook Margareta-Maria naderde tot de H. Tafel, en zij mocht van Jezus het woord vernemen, dat balsem goot in haar gepijnigd hart. »De wonde is gesloten, Mijne gerechtigheid is voldaan. Ik heb uw offer vereenigd met het Mijne. Zoek voortaan in uw lijden niets dan Mijn welbehagen; lijd en werk in stilte ter eere Gods en ter uitbreiding van het rijk Mijns Harten onder de menschen, want daartoe heb Ik u gekozen.quot; Was nu de bekeering ook bewerkt voor wie er behoefte aan hadden — Margareta-Maria's lijden hield nog aan; zij bleef zich beschouwen als de verworpenste van allen. Spreken of slapen was haar onmogelijk, en als zij het voorgezette voedsel onaangeroerd liet en bevel ontving het te eten, dan verdroeg de verzwakte natuur het niet, en wierp alles terug. Sommige zusters geloofden werkelijk, dat zij van den booze bezeten was eu zegenden haar telkens met wijwater; »maar Hij, die zich van mij meester had gemaaktquot; — zoo bekende ze haar Overste — »vluchtte niet, doch fluisterde mij toe: Ik heb het wijwater lief en bemin zoozeer het kruis, dat ik de zielen, die het om Mijnentwille dragen, nog inniger aan Mij verbind.quot; Eindelijk beval de Overste haar eene H. Communie te doen om de genade te ver-

■

ocr page 86

74

krijgen van in haar voormaligen toestand terug te keeren. Zij gehoorzaamde, en Jezus sprak: »Mijn kind. Ik kom tot u als uw offeraar. Ik zal u nieuwe krachten geven, om nieuwe offers van u te vragen.quot;

Van toen af gevoelde zij zich veranderd en vrij als eene slavin, wier ketenen verbroken zijn. Niettemin bleef haar plotselinge terugkeer tot het gewone leven sommigen zusters even raadselachtig als hare telkens weder-keerende ziekelijkheden; zij mistrouwden haar, en de Verlosser scheen behagen te scheppen in alwat Zijne Bruid onaangenaams wedervoer. Doch vreesde zij in haar eenvoud zelve een speelbal des duivels te zijn, dan klonk het weer opbeurend: »wat vreest gij toch in de armen van den Almachtige? Zal Ik n dan overlaten aan uw vijanden ? Ik ben uw Vader en van uw teederste jeugd af, uw Meester en Leidsman. Ik heb u gedurig de duidelijkste blijken Mijner liefde gegeven — wat wilt ge meer?quot;

Beschaamd en aangemoedigd tevens zocht ze dan gretig naar de gelegenheid om vernederd en bespot te worden. Doch juist deze handelwijze boezemde den zusters wantrouwen in; zij geloofden wel aan hare deugd, doch er waren er ook, die de gedachte, dat zij aan zinsverbijstering leed, niet konden verzetten. Alleen de Overste misschien waardeerde den schat, in zuster Alacoque aan het klooster geschonken; en al deelden de zielzorgers des huizes haar gevoelen maar half, P. de la Colom-bière sprak in elk zijner brieven met zooveel eerbied en achting van haar, dat de moeder aan geen dwaling meer gelooven kon. »Ik verheug mijquot; —schreef hij haar onder

ocr page 87

15

meer — »orer de gunsten, welke God voortgaat uit te storten over de zuster, wier naam gij in uw brief hebt doorgesclirapt; ik verheug mij over het deel, wat gij er in gehad hebt; want voorwaar, het is eene gunst te mogen lijden voor de gerechtigheid en de eer van den goddelijken Meester. Voortreffelijke kruisen, wel zoet te dragen, voor degenen wie Gods liefde inwendig verteert.quot;

Margareta-Maria was het hieromtrent volkomen eens met den pater. Zij verzekerde toch, hoe hard het klonk, dat eene ziel meer voortgang in de deugd en heiligheid doet gedurende eene maand, ja in eene week van lijden en kwelling, dan in geheel een jaar van troost en geestelijke vreugde. Zoodat, indien de keuze vrijstond, elke getrouwe ziel zonder aarzelen bij voorkeur lijden en kruis omhelzen moest, ware 't ook alleen om den gekruisten Verlosser meer nabij te komen. Immers, wie waarlijk bemint, kan geen vreugde smaken in den troost des harten, als hij Jezus in verlatenheid en smarten ziet; wie het kruis niet bemint, kan Jezus niet liefhebben.

Dat P. de la Colombière op zulke wijze zijne liefde bewees, vernam zij van Jezus zelf, en tevens wat zij hem tot zijne opbeuring schrijven moest. Zoo bracht zij eens eenige regelen voor hem bij de Overste. Kort daarop kwam een brief uit Londen, waarin hij zoo dringend mogelijk om de hulp der gebeden schreef. De Overste laschte dus de regelen van Margareta-Maria bij haar antwoord in, toen de zuster, welke hier langs natuurlijken weg niets van weten kon, haar verzoeken kwam. bijaldien zij goedvond haar woordje aan den pater te

ocr page 88

76

sturen, er dan niets in te veranderen, omdat Jezus zelf het haar zóó en niet anders had ingegeven. Verbaasd vergeleek de moeder haar brief met het oorspronkelijk blaadje en bemerkte nu inderdaad, dat zij door omzetting en bijna gelijkluidende woorden den zin eenigermate veranderd had. Het antwoord van den pater hield in, dat deze regelen van zuster Alacoque hem in eene groote moeielijkheid licht en uitkomst hadden aangebracht.

In de maand Mei van 1678 was de tijd van M1quot;6 de Saumaise's bestuur verstreken; zij keerde naar Dijon terug, doch opende reeds in de volgende maand eene briefwisseling met hare voormalige dochter, wier achting en vriendschap zij behield, gelijk de vele brieven, welke zij van de gelukzalige ontving, overvloedig bewijzen.

Péronne Eosalie Greyffu' kwam van Annecy de Overste te Paray vervangen. Zij was eene vrouw van bijzondere deugd en diepen ootmoed, in wie Margareta-Maria van den eersten dag af het volste vertrouwen stelde. De nieuwe Overste, die uit de verdeelde gevoelens, welke er heerschten in Paray, geene bepaalde meening nopens de veel besproken zuster Alacoque vormen kon, vernam echter van haar zelve, dat God hare Overste zou doen handelen naar Zijn welbehagen. Daarom sloeg zij weinig of geen acht op het buitengewone in haar toestand, vertrouwde haar geen enkele zaak van eenig aanbelarg toe en nam elke gelegenheid te baat om ze te vernederen, want spoedig had zij begrepen, dat zulke handelwijze der zuster het aangenaamste was. »Als men haar hoorde — aldus berichtte zij van Margareta-Maria — dan had zij altoos ongelijk, dan deed zij alleen ver-

ocr page 89

77

keerd; dan was zij de oorzaak, waarom God anderen kastijdde; daarom bad ze mij gedurig om toestemming tot meer oefeningen van boetvaardigheid. Had ik ze laten begaan, zoo ware zij spoedig onder vasten, waken en lichaamstuchtigingen bezweken.quot;

Uit vreeze alzoo, dat zij hare gezondheid benadeelen mocht, verbood Moeder Greyfflé haar het uur van overweging Bonderdagsnachts met het aangezicht ter aarde en uitgestrekte armen te doen. Daarop, onbewust van de reden, die haar tot dit vreemde uur van gebed, tijdens de nachtrust der anderen aandreef, ontzeide ze 't haar geheel en al. Margareta-Maria gehoorzaamde en zweeg; spoedig evenwel boodschapte zij der moeder in naam van haren Bruidegom, dat Hij hierover ontevreden was en dit op eene gevoelige wijze zoude toonen. Niettemin volhardde de Overste in hare weigering. Doch toen niet lang daarna, den 14den Oct. 1678, eene der voornaamste zusters, na eene korte ziekte, in hare armen stierf, erkende zij in dit verlies toch eene kastijding en vergunde zuster Alacoque onverwijld hare wekelijksche oefening van godsvrucht te hervatten. In de geestelijke afzondering, die toen volgde, genoot de Bruid des Heeren weder in zoo ruime mate de liefdebewijzen van den Bruidegom, dat zij genoodzaakt werd met den H. Franciscus Xaverius uit te roepen: «Genoeg, Heer, het is genoeg !'quot; Doch Jezus antwoordde haar: »Eet en drink van de tafel mijner genoegens, gij hebt verfrissching en versterking noodig om met moed verder te gaan. Een lange en moeielijke weg ligt er voor u. Gij zult nu en dan eens adem moeten halen en ruste nemen in Mijn

ocr page 90

78

Hart, dat u steeds een veilig toevluchtsoord blijven zal.

sWanneer Ik u te kennen geef, dat Mijne gerechtigheid op de zondaars vertoornd is, nader gij dan tot de H. Tafel en aanbid Mij, zetelend op den troon van uw hart. Wedersta Mij dus niet, want gij moet Mij als werktuig dienen, om de harten der menschen voor Mij te winnen.quot;

— »Maar ik begrijp niet, mijn God, hoe dit kan geschieden,quot; hernam zij.

— »Door Mijne almacht, die alles van niets heeft gemaakt. Gedenk, dat gij Mij behoort, zoodat u niets overblijft; daarentegen is Mijn Hart te uwer beschikking, en moogt gij de schatten daarin besloten vrijelijk uitdeden, aan wie gij wilt. Doch wees er niet karig mee, want zij zijn oneindig.

■Jk heb nog een groot en zwaar kruis op uwe schouders te leggen, doch vrees niets. Ik ben machtig genoeg om u te ondersteunen. De duivel wil uwe deugd beproeven, Ik zal hem evenwel alleen toelaten u lastig te vallen met die bekoringen, waarmede hij in de woestijn tot Mij kwam; Maar vertrouw op Mij, Ik blijf u beschermen.quot;

Wat later, toen de inwendige vreugde weer plaats had gemaakt voor bittere smart, kwam de Verlosser en sprak tot Zijne Bruid: »Wees getroost, mijn kind. Ik zal een trouwen wachter aan uwe zijde stellen, opdat de duivel niets tegen u vermogen zou.quot;

Sinds zag zij, wanneer Jezus haar niet met zijne tegenwoordigheid vereerde, een engel naast zich, die zich aldus bij haar bekend maakte; »opdat gij de liefde uws

ocr page 91

79

Bruidegoms begrijpen zoiult, heb ik u mee te cleelen, dat ik een der engelen ben, die het dichtste staan voor den troon des Allerhoogsten en het meest gewaar worden van den gloed uit Jezus' goddelijk Hart. Wees op uwe hoedequot; — ging hij voort — »dat Satan zich niet aan u voordoe onder mijne gedaante, en bid daarom bij elke verschijning: „Per signum: door het teeken des Kruises, o Heer! verlos ons van onze vijanden1 Zoo hebt gij nooit bedrog te vreezen.quot;

Wanneer de Bruidegom zelf haar verscheen, miste zij den engel aan hare zijde. Eens dat zij Jezus hiervan de reden vroeg, antwoordde Hij: »nu ligt hij in het stof gebogen en aanbidt Mijne goddelijke majesteit,quot; en zij zag hem in deze houding aan baars Konings voet.

Tegen het einde van ditzelfde jaar 1678 eischte de goddelijke Zaligmaker, dat zij een schriftelijk testament zou maken, waarbij ze Hem zichzelve, haar arbeid eu lijden afstond, benevens al datgene, wat ten haren voor-deele mocht worden geleden of verricht. Zij moest hare Overste, of zoo deze weigerde, P. de la Colombière te Londen, verzoeken dit testament voor haar te schrijven. Doch moeder Greyffie leende zich gewillig tot het opstellen der bedoelde akte, die ze ook onderteekende: 31 December 1678, Zuster Péronne Rosalie Grcijffié. De erfmaakster zelve schreef hieronder: Zuster Mar-(jareta-Maria, leerlimje van Jezus'' Hart. Daarna sneed zij met een pennemes den naam Jezus op hare borst en schreef met het bloed dezer wonde op woordelijke ingeving van haar hemelschen Bruidegom: »Ik maak u erfgename van Mijn Hart en al de schatten daarin ver-

ocr page 92

80

borgen, en dit voor tijd en eeuwigheid. Tevens beloof Ik u, dat het u nooit aan hulp ontbreken zal, zoolang het Mijn Hart niet ontbreekt aan macht. Gij blijft er de leerling van en de Welbeminde.quot;

Aan de Overste, die den uitersten wil had opgesteld, beloofde Hij, gelijk weleer aan de H. Clara van Monte-falco, dat elk barer daden verhoogd zoude worden door Zijne oneindige verdiensten.

Na zulke verzekeringen van des Bruidegoms liefde en bijstand, mocht de Bruid wel in staat geacht worden, om den aanvallen des duivels het hoofd te bieden.

»Zeg, dat deze steenen brood worden,quot; herhaalde hij en kwelde haar met een onuitstaanbaren honger; daarbij bracht hij haar alles voor den geest, wat den smaak prikkelt en eetlust wekt, zoodat zij schier op niets anders hare gedachten vestigen kon. Met onbeschrijfelijke moeite hield zij het uit, tot de huisklok haar met de zusters aan het middagmaal riep. Dan mocht zij voedsel nemen, maar 't was onmogelijk, alles walgde haar, en met tegenzin nuttigde zij eene enkele bete. Doch nauwelijks had zij met de anderen de eetzaal weer verlaten, of de vreeselijke honger van 's morgens begon opnieuw, en klom in hevigheid tot 's avonds, wanneer de walging van 's middags weer opkwam. Dit alles openbaarde de ootmoedige hare Overste. »Welnuquot; — klonk het bescheid — »kom mij telkens waarschuwen, wanneer gij behoefte gevoelt om te eten.quot; Zij gehoorzaamde, hoe pijnlijk dit bevel haar viel.

— »Eerwaarde moeder, ik verga van honger!quot;

— »Goed, zuster, eet dan van middag aan tafel gelijk

ocr page 93

81

de andere zusters, en zoek toch niet door zonderlingheid de aandacht te trekken.quot; Of wel de Overste sprak: »Als gij u dan niet voegen wilt naar den kloosterregel, ga dan aan de zuster in den refter een stuk brood vragen.quot; Zoo wist de Overste Margareta-Maria altoos te geven wat haar het liefst was: beschaming, smaad en vernedering.

Aan deze bekoring paarde zich het »werp u van boven neder,quot; ofschoon in anderen zin tot Jezus gezegd. De gedachte namelijk, dat zij verloren moest gaan, dat alles bedrog was, en Jezus' liefde verre van haar, pijnigde haar zonder ophouden. Alzoo tot wanhoop aangezet, vluchtte zij naar de Overste, die haar volgens den raad des wijzen mans met goedheid ontving en sprak of schreef, opdat ze het in de hitte van den strijd lezen en herlezen konde: »Ik bid onzen Heer Jezus Christus, den almachtigen Zaligmaker, den storm in uw gemoed te bezweren. In Zijnen naam zeg ik u: wees gerust, uwe ziel behoort den Heer, en Hij is het erfdeel uwer ziel; ondanks uwe vijanden zult gij Hem eeuwig aanschouwen en bezitten, wanneer gij hier voor Hem lijden wilt, wat Hij u overzendt.

»Eet wat u aanstaat, wanneer gij met de zusters aan tafel zijt, en verdraag buiten dien tijd den honger met geduld. Verneder u voor God in uwe bekoringen, vertrouw op Zijne hulp en genade, en Iaat uw vijand leven maken, zooveel hem lust.quot;

Bemoedigend woord uit den mond eener Overste, voorwaar! dat zij het had mogen hooren bevestigen door P. de la Colombière, die haar in meer hachelijke om-

6

ocr page 94

82

standigheden had getroost! Doch hij beantwoordde hare brieven niet eens: zijne gezondheid was door overmati-gen arbeid geknakt. Zij schreef hem, dat hij nog veel te lijden zou hebben voor den naam van Jezus, daarom rekende hij op een spoedig herstel en toenemenden arbeid, maar niet deze was de bedoeling Gods — gevoeliger lijden zou hem treffen. Haat en laster schoten hun giftigste pijlen op hem af. Men sprak van eene samenzwering tegen het leven van koning Karei II: de Jezuïeten — wie kon het anders verwachten? — hadden de draden in de hand. P. de la Colombière werd voor den rechter gedaagd. In onverstoorbare kalmte bad hij, onder de onbescheiden blikken eener nieuwsgierige menigte, zijne getijden vóór de gerechtszaal, tot hij werd binnengelaten. Even rustig nam hij op de bank der beschuldigden plaats. Toen hij de valsche aantijgingen eerst zwijgend had aangehoord, bekende hij het laatste wat hem als misdaad werd aangerekend: meerdere Protestanten te hebben bekeerd en een dezer aanmoedigend te hebben toegevoegd: »koning Karei II is zelf Katholiek in zijn hart.quot; Daarom werd de pater in den kerker geworpen en na twee maanden door tusschenkomst van 't Fransche hof wel ontslagen, maar als een gevaarlijk en verdacht persoon uit Engeland verbannen.

Den 28sten Januari 1697 bood hij in een schrijven uit Parijs, den Provinciaal van Lyon zijn dienst weder aan. sHet is mij leed,quot; dus eindigde hij het verhaal zijner jongste lotgevallen, »dat ik ten uwent terugkeer in een toestand, die mij niet zal veroorloven dit jaar veel te werken.quot; Hij mocht zoo spreken, want hij leed sinds

ocr page 95

83

lang aan een borstkwaal: de ontbering der gevangenis, de aandoeningen van het vertrek, het afscheid van Engeland, de overtocht in het barre wintergetij, maar bovenal de smart in zijn apostolischen boezem over het verlaten van hot veld zijns ij vers, waar bet eerste zaad door hem geworpen, begon te ontkiemen, hadden hem herhaalde bloedspuwingen veroorzaakt.

De Provinciaal riep hem naar Lyon, waar hij met de geestelijke leiding der jonge religieuzen zou worden belast. Op zijn reize derwaarts in Maart '79 vertoefde hij acht dagen te F a ray en zag met vreugde, dat zijn arbeid hier niet verwaarloosd was. Nauwelijks had hij den voet in het klooster der Visitatie gezet, of moeder Greyffié raadpleegde hem over Margareta-Maria. Jk voor mij,quot; was zijn antwoord, »tvvijfel geen oogenblik, of hetgeen in haar geschiedt, is het werk van God. Al was het ook inbeelding en bedrog, — vervolgde hij glimlachend, — »wat zou het nog, indien gelijk hier de gevolgen even goed zijn, als van hetgeen uit den hemel is? Doch hier kan geen inwerking des duivels wezen, of hij moest zich zeiven bedriegen, want ootmoed, eenvoudigheid, stipte gehoorzaamheid en liefde voor versterving zijn toch te zamen de vruchten van den geest der duisternissen niet.quot;

Als eene gunst verzocht nu de pater om zuster Ala-coque nog eens in den biechtstoel te spreken. Zij kwam; was het wonder, dat ze er een geruimen tijd bleef? Zij had zooveel raad te vragen; zooveel opbeuring noodig. De zusters hadden het bespeurd en vielen er haar hard om, zoodat de moeder 's anderendaags in het ka-

ocr page 96

84

pittel weer een schoone gelegenheid had om haar te berispen. »Elk anderquot;, getuigde Moeder Greyffié na den dood der gelukzalige, »zou mij in hare plaats herinnerd hebben, dat zij niet gevraagd had om den pater te spreken, dat ik haar zelf geroepen had, doch zij, eener goede huishoudster gelijk, beschouwde die vernedering als winst en zweeg vol geduld en zachtheid.quot; Was het dan ten onrechte, dat P. de la Colombière schreef: »Ik heb zuster Alacoque maar één bezoek kunnen brengen, doch het heeft mij uitermate getroost. Ik vond ze nederig en onderworpen als altijd, vol liefde voor kruis en verachting.'

]STa het vertrek van den pater verscheen de goddelijke Zaligmaker weer aan Zijne Beminde en noodigde haar uit in de eenzaamheid te gaan van Zijn H. Hart, daar zou ze nieuwe lessen en verlichtingen ontvangen. Ter eere van Zijne onthouding in de woestijn moest zij vijftig dagen vasten op water en brood. De Overste weigerde het haar. »Vraag dan,quot; hernam Jezus, »om ten minste in dien tijd niet te drinken, ter gedachtenis van den dorst Mijns Harten naar de bekeering der zondaren.quot; Deze versterving, veel zwaarder dan de vorige, uithoofde van den gloed, die haar binnenste verteerde, werd haar zonder moeite toegestaan. Na eenigen tijd gebood men haar te drinken, en toen zij gehoorzaamd had, liet de Overste haar de vijftig dagen ten einde brengen.

Het was November, en de insnijding van Jezus' naam op hare borst bleek sinds Januari bijna genezen. Zoodra ze dat bemerkt, neemt ze een brandende waskaars en vernieuwt met de vlam den indruk van het staal. Hieruit ontstonden evenwel zoo vreeselijke kwetsuren, dat de roe-

ocr page 97

kelooze den eersten dag harer afzondering zich verplicht rekende hare Overste te zeggen, wat zij gedaan had.

— »Ik zal er eens naar laten zien — dus besloot de Overste hare bestraffing, »het zou kwade gevolgen kunnen hebben.quot; Margareta-Maria huiverde bij dit woord. Zij vluchtte naar de kapel en bad: «O mijn eenige liefde, zult Gij toelaten, dat anderen zien, wat de liefde voor ü mij gedaan heeft? Zijt Gij niet machtig genoeg om mij zelf te genezen?quot; Jezus beloofde het en 's anderendaags was alle pijn geweken.

Doch vooraleer zij dit der Overste melden kon, kwam zuster Maria-Magdalena des Escures, met bevel van de moeder om hare wonden te laten zien. »Maar ik ben genezen!quot; juichte zij en weigerde wat haar gelast werd, om zelf kennis van het gebeurde te gaan geven. Hier ontving zij evenwel eene strenge berisping; eene heilige Communie werd haar ontzegd, en ze moest hare borst vertoonen aan de zuster, die er geene kwetsuren, maar Jezus' naam in droge korsten van oude wonden op geschreven vond. Eindeloos pijnlijker evenwel viel haar de kastijding, welke Jezus zelf Zijne Beminde gaf. Vijf dagen lang hield Hij zich voor haar verborgen, en geen spoor van Zijn naam bleef achter op hare borst.

Nu werd zij ten tweeden male bij de kinderen geplaatst als leermeesteres, en hoe hard en zwaar deze bediening haar viel, zij volbracht ze met geduld en volhardende liefde. Had zij weer minder tijd om in de kapel te vertoeven, Jezus wist hare offers zoo mild te be-loonen, dat zij tot alles even bereid was. Op Hemelvaartsdag zag zij boven het altaar een stroom van hemelsch

ocr page 98

86

licht; daaruit trad Jezus op haar toe met de woorden: »Mijn kind, Ik heb uwe ziel uitgekozen om Mij een hemel op aarde te zijn, en uw hart zij de troon Mijner goddelijke liefde,quot; Zalig bewustzijn voor Margareta-Maria, doch hoe vreemd naar menschelijke opvatting! een zware koorts hield haar wederom wekenlang aan het ziekbed gekluisterd. 28 Juni, daags voor H. Sacramentsdag, bezocht haar de Overste.

— »Mag ik morgen opstaan en naar de H. Mis komen?quot;'

De moeder zweeg een pooze nadenkend.

— »Och, als u het wil, hernam de zieke, dan wil Onze Lieve Heer het ook en zal mij wel krachten geven.quot;

De ziekenzuster ontving bevel haar den volgenden morgen te doen ontbijten en na afloop der getijden in de H. Mis te brengen. Zij deelde dit der kranke mee.

— »Maar ik zou gaarne tot de H. Tafel naderen, vraag dat eens voor me!quot;

De zuster beloofde — en vergat het; ze kon het ook morgen nog vragen vóór de Mis. 's Anderendaags is zuster Alacoque vroeg op en gekleed, om aanstonds naar de kapel te gaan : eerst moet de ziekenzuster nog toestemming aan de Overste vragen; terwijl zij de eene deur uitgaat, komt de moeder de andere binnen en vindt de zieke al gekleed en gereed. Geen wonder, dat een verwijt van eigenzin en ongehoorzaamheid volgde; de ootmoedige verdroeg het zwijgend, met neergeslagen oogen en kalm gelaat. »En nuquot;, besloot de Overste, »gaat gij naar de H. Mis en te Communie, en daarna brengt ge uw beddegoed weer op uwe cel en volgt weer in alles de orde met de zusters, vijf maanden lang, zonder

ocr page 99

87

in al dien tijd een voet bier te zetten, tenzij om anderen te verplegen.quot;

Onder bede om vergiffenis beloofde zij gehoorzaam te zullen zijn; de Bruidegom hechtte zijne goedkeuring aan dat bevel der moeder — doch reeds lag Margareta-Maria geknield in het koor de H. Mis te hooren, toen Mre. G-rej'ffié haar op schrift bevel deed brengen om onzen Heer met allen aandrang hare gezondheid te vragen ten einde zij niet op den duur het klooster tot last mocht zijn, maar al de oefeningen der gemeente zou kunnen volgen tot den 21sten Nov. 1680 ; »op dien dag zullen wij zien, wat ons verder te doen staat.quot;

»Bij de Opheffing gevoelde ik,quot; verklaarde Margareta-Maria, »dat al mijn lijden mij als een kleed werd afgenomen, en ik bevond me sterk en welvarend, gelijk iemand die nooit ziek is geweest.quot;

Vijf maanden later begon haar lijden opnieuw. Toen eindigde zij haar retraite om een dubbel hevig lijden met blijdschap te omhelzen. Xu schreef zij aan haar voormalige Overste, Mre. de Saumaise, hoe de Bruidegom haar in den laatsten tijd met buitengewone gunsten bevoorrecht had, ofschoon zij voor zich hier beneden de voorkeur gaf aan verachting, smarten en kwelling, welke de kostbaarste schatten van Jezus' Bruiden zijn. »Bid Hem, dierbare moeder, dat Hij mij er geen oogenblik van beroove in de vervulling van Zijn heiligen wil. Deze goddelijke wil blijkt ook uit het aanhoudend lijden van P. de la Colombière. Want toen ik hem laatst der goddelijke goedheid aanbeval, werd mij gezegd: de dienaar is niet boven zijn meester, en er is voor hem niets beters

ocr page 100

88

dan de gelijkenis met zijn Verlosser; schijnt zijne gezondheid ook tot Gods eere te zullen strekken, zoo doet zijne ziekte zulks nog meer, want er is een tijd van lijden en een tijd van werken, een tijd van zaaien en een tijd van besproeien en aankweeken.quot;

Daaarom bleef zuster Alocoque gelaten in het lijden van den man, die haar eens door God als hulpe was toegewezen. Omstreeks Augustus 1681 kwam de pater weer te Paray; niet als arbeider in 's Heeren wijngaard, niet als raadsman voor Margareta-Maria, doch als een kwijnende teringlijder, wien de geneesheeren verandering van lucht hadden voorgeschreven. Maar, kwam hij haar ook niet bezoeken in het klooster of troosten in haar strijd, de Bruidegom zelf was haar genoeg. Op een Vrijdag dat ze Hem in de H. Communie ontving, sprak Hij haar toe: »Mijn kind. Ik kom in het hart, dat Ik u gegeven heb, opdat de liefdegloed van het uwe Mij vergoeding geve voor de beleedigingen, die Ik van zoo vele koude en onverschillige harten in het H. Sacrament des Altaars te verduren heb.quot;

Toen in het najaar de tijd harer geestelijke afzondering daar was, lag zij weer ziek te bed. Xiettemin beval de Overste: »Sta op, zuster, begin uwe retraite, ik laat u over aan de behandeling van Jezus Christus, dat Hij u geleide, geneze en besture volgens Zijn heilig welbehagen.quot; Niettegenstaande haar felle koorts, verliet zij het bed op de ziekenzaal en keerde in hare cel, waar zij bibberend van koude, machteloos ter aarde zonk. Doch ziet. Jezus staat aan haar zijde, heft ze op van den grond en spreekt: »Zoo zijt ge dan aan Mijne zorgen toevertrouwd; welnu

ocr page 101

89

Ik zal u gezond teruggeven aan uwe Overste.quot; De zitkte had voor een volkomen welstand plaats gemaakt, en blijder afzondering dan deze, had zuster Alocoque nog nooit beleefd; Jezus, Maria en Franciscus de Sales hielden haar beurtelings gezelschap in hare eenzaamheid.

De toestand van P. de la Colombière verbeterde echter niet in de zes maanden, die hij te Paray verbleef. De geneesheeren spraken van de lucht zijner geboorteplaats, Vienne in Dauphiné; en de Oversten vonden er geen bezwaar in, dat de broeder des kranken hem te Paray zou komen afhalen om ten zijnent de uiterste middelen te beproeven. Het vertrek was al bepaald op 29 Januari 1682, toen een dame uit de stad die tijding aan Mar-gareta-Maria berichtte. »Zeg hem,quot; was haar antwoord, »dat hij blijve, indien zijne Oversten er nog vrede mee hebben.quot; Toen de pater dit vernam, zond hij dezelfde 3Iej. Bisefrand terug met een briefje, waarin hij de reden vroeg, waarom? Zuster Alacoque neemt een pen en schrijft op de keerzij deze woorden: »Hij heeft mij gezegd, dat Hij hier het offer van uw leven wil.quot; De pater veranderde zijn plan. Eenige dagen van ernstige ziekte volgden, en den IS11611 Februari 1682 had hij het offer zijns levens te Paray gebracht. Toen Margareta-Maria het hoorde, sprak zij tot haar berichtgeefster op droeven toon; »bid voor hem en laat voor hem bidden.-' Weinige uren later schreef zij haar: »droog uwe tranen, roep hem gerust aan, hij is machtiger dan ooit om u te helpen.quot;

Met nauwlettend oog sloeg de Overste de zuster gade, die haar besten vriend verloren had, — doch geen trek

ocr page 102

90

van leedwezen of smart teekende rouw op haar gelaat. — »Waarom vraagt ge mij niet — begon demoeder zelve — boetplegingen voor dien Pater te doen?quot;

— »Och! hij heeft bet niet noodig,quot; hernam ze blij. »hij kan beter voor ons bidden, want door de goedheid van het goddelijk Hart van Jezus, zit hij hoog in den hemel; alleen om te boeten voor kleine onachtzaamheden in de beoefening der liefde Gods, is zijne ziel verstoken geweest van Gods aanschouwing sinds zijn dood tot de begrafenis.quot;'

Nog rust het overschot van dien heiligen priester in de schaduw van het klooster, waar hij door Jezus zelf tot apostel van zijn H. Hart werd aangewezen, en talrijke mirakelen verheerlijken zijn nederig graf.

ocr page 103

2e Kovicenmeesteres.

r

i^n de Vastenavonddagen, die na den dood van 1^1 quot; pater de la Colombière spoedig volgden, ver-scheen de hemelsche Bruidegom aan Margareta-^ Maria in de gedaante van Ecce Homo, beladen met Zijn kruis, overdekt met wonden en kwetsuren, waaruit liet bloed langs alle kanten afdroop. »Is er dan niemand,quot; vroeg Hij, »die medelijden met Mij heeft en deel wil nemen aan Mijne smarten in den droevigen toestand, waarin de zondaars Mij vooral deze dagen brengen?quot; Weenend wierp de welbeminde bruid zich aan Zijne voeten en bood zich zelve aan. Toen was het of een zwaar kruis, bezet met scherpe punten, op hare schouders nederkwam. Meer dan ooit begreep zij nu de boosheid der zonde en had duizendmaal de hel verkozen boven het plegen van een enkele doodzonde met vrijen

ocr page 104

wil. Maar dit kruis te dragen, was niet genoeg, gaf Jezus haar te kennen: zij moest er aan gehecht worden als Hij, om Zijne gezellin te wezen en deel te hebben aan Zijne smarten, Zijn smaad en verguizing.

»Ik geef mij over. Heer, doe met mij naar Uw welbehagen,quot; bad zij en gevoelde op hetzelfde oogenblik de grievendste pijn in hare ledematen. Doch deze smart verminderde allengs, en van Asschewoensdag af, had zij weer kracht genoeg, om de kerkelijke vasten te onderhouden. Telkens wanneer de Bruidegrom haar nieuw lijden wilde overzenden, gaf Hij haar eerst zooveel troost en hemelsche zoetheid te smaken, dat zij uitriep: »o mijne liefde, ik offer U deze genoegens op, bewaar ze voor zielen, die er U beter mede verheerlijken; voor mij zijt Gij genoeg op Uw kruis, daar wil ik U beminnen om Uwe liefde alleen.quot;

Op Witten-Donderdag kwam zij hare Overste vragen den nacht te doorwaken voor het Allerheiligste. De Moeder dorst het niet toestaan uit vrees voor hare gezondheid. Om ze toch iets te geven, veroorloofde zij haar te gaan bidden des avonds van acht tot tien uren. In dank nam zij dit aan, maar bad er te mogen blijven: »een deel van den nacht zal voor u zijn, het andere voor mijne lijdende vriendinnen — de zielen in het vagevuur.quot; De Moeder gaf eindelijk toe. Om half negen knielde zij neder in het koor en bleef er ondanks de strenge kou, bewegingloos als een beeld, met saamge-vouwen handen. Eenige uren later komt zuster La Garde in de kapel en fluisterde de biddende in het oor: »Moe-der zegt, u moest wat bij het vuur gaan zitten.quot; On

ocr page 105

m

verwijld buigt Margareta-Maria zich ter aarde, staar op en gaat in de kamer, waar het vuur nog brandde; doch na een kwartier herneemt zij hare plaats in het koor tot s' morgens zeven uren.

Op het feest van St. Thomas, 21 December 1682, lag zij wederom op de ziekenzaal te bed, toen Mre. Grej'ffié opnieuw haar 't volgend briefje zond:

»In naam der h. gehoorzaamheid beveel ik u aan God te vragen, dat Hij me doe kennen, of hetgene in u plaats heeft en gebeurd is, sinds ik u onder mijne leiding heb, van den goeden geest voortkomt of van de natuur; en dat Hij ten bewijze, dat alles van Hem is gedurende vijf maanden uw lichaamslijden schorse, zonder dat gij al dien tijd eene uitzondering van den regel behoeft, indien het echter natuurlijke oorzaken heeft, dat Hij u dan late, zooals gij zijt, nu krank, dan weer beter. Zoo zullen wij in de waarheid blijven.quot;

Onverwijld verliet Margareta-Maria de ziekenzaal en ging met haar briefje naar de kapel, waar juist de H. Mis begonnen was. Ze legde den wensch harer overste bloot en hoorde Jezus spreken: »Ik beloof het u, ten bewijze dat de goede geest u leidt. Ik zou haar zelfs zooveel jaren hebben toegestaan als ze Mij maanden gevraagd heeft.quot;

Weer bij de Opheffing was ze volkomen gezond en bleef het vijf volle maanden op dag en uur af — toen herviel ze in hare vorige krankheid. In de maand April van 1683 had zij dit feit aan Mre. Saumaise geschreven maar er bij gevoegd, dat haar lichaamslijden door zulke zielesmarten vervangen was, dat zij ze onmogelijk had

ocr page 106

94:

kunnen dragen, indien niet de eigen hand, die haar sloeg, te gelijk haar staande had gehouden. Zij was als een, die in doodelijken angst, met koorden wordt voortgesleept; 't was of geheugen, wil, verstand en verbeelding verlamd waren; eene deelneming, naar 't haar voorkwam, aan het lijden onzes Heeren in den hof van Olijven.

Hoe ongelooflijk het ons schijnt, het lijden was en bleef haar dierbaar; lijden naar het lichaam, in telkens wederkeerende ziekte; lijden naar de ziel, in het besef van de verfoeielijkheid der zonde; doch wat haar het liefste bleek, was lijden in hare eer door vernedering en verachting. »Onbekend en vergeten zijn, of door wie mij kennen, veracht, daarin vind ik mijn lust en mijn troost,quot; zoo schreef ze aan haar biechtvader, die haar gelast had den toestand beurs harten op schrift te openbaren. Doch zij sloot haar brief met de betuiging der vrees, dat er in dezen dorst naar lijden misschien ijdelheid lag, dat zij de prooi was van listen des duivels : »zeg me toch oprecht, pater, wat u daarvan dunkt.quot;

Een gevolg van dit verlangen naar onbekendheid was haar bijna onoverkomelijke afkeer van brieven schrijven en bezoeken ontvangen. Geene plaats in huis, waar zij zoo ongaarne, zoo gedwongen binnentrad als de spreekkamer, en toch, zij werd er meer dan anderen geroepen. Men wist in het stadje Paray, meer dan zij vermoedde, van hare heiligheid; de heer Billet, geneesheer des huizes, had er het zijne toe bijgebracht, doch pater de la Colom-bière niet minder.

In de maand April van 1684 werd eene der kostleer-

ocr page 107

95

lingen Antoinette-Eosalie de Sennecé door een aanval van beroerte getroffen en lag daar buiten kennis, in doodsgevaar. Pas dertien jaren oud en een engel van reinheid en godsvrucht, scheen ze wel rijp voor den hemel. Doch wie haar liefhadden — en zij was de oogappel harer ouders en de vreugde van het huis — viel het hard haar zonder de H. Teerspijze te zien sterven, Zuster Margareta-Maria ontving bevel te gaan bidden, dat de kleine bij kennis komen mocht om ten minste den troost der laatste heilige Sacramenten te genieten. Zij gehoorzaamde, »en de Koning mijner zielquot;,dus verhaalt ze zelf, «beloofde mijn gebed te verhooren, op voorwaarde dat ik Hem eene drievoudige belofte deed. Vooreerst nooit eene bediening in het klooster te weigeren; ten tweede geen afkeer te toonen van de spreekkamer; eindelijk niet verzuimen te schrijven. Toen ik dit hoorde, ging er mij eene rilling door de leden, om den afkeer, dien ik te overwinnen had. »Heer!quot; riep ik uit, »wat kent Gij mijne zwakke zijde! doch ik zal toestemming vragen.quot; Mijne Overste gaf ze en liet mij aanstonds deze belofte doen. Helaas! hoe dikwijls ben ik er nog ontrouw aan geweest! want de belofte nam mijn tegenzin niet weg: deze duurde heel mijn leven.quot;

Niettemin werd de zoo duur gekochte gunst aanstonds ontvangen. Antoinette opende de oogen en ontving de genademiddelen der Kerk. Toen openbaarde zij, dat ze sinds haar zevende jaar belofte van maagdelijkheid gedaan had en verzocht nu vóór haar sterven de kloostergeloften uit te spreken. quot;Wie had deze bede kunnen weerstaan? De dertienjarige wijdde zich met stervende

ocr page 108

96

lippen toe aan den Beminde harer ziel en ontsliep in Zijne omhelzing. Zij werd begraven in het kloosterhabijt.

Geen wonder dat Mre Greyffié haar nu schreef: ^ooi-zoolang ik nog in de bediening blijf, sta ik u de H. Communie van rlen lsten Vrijdag' toe, overeenkomstig de bedoeling van het H. Hart van Jezus, maar bovendien op den laatsten Zaterdag der maand ter eere van de H. Maagd, opdat zij ons van God eene Overste volgens Zijn Hart verkrijge. Ik hoop dat men mij, zoolang ik leef, nooit weigeren zal op den ]sten Vrijdag tot de H. Tafel te naderen volgens de bedoeling van P. de la Colom-bière, z. g.quot;

In de volgende maand eindigde het zesjarig bestuur van Moeder Greyffié te Paray, en onmiddellijk werd zij gekozen tot Overste van Semur. Maria-Christina Melin volgde haar op en bekwam Margareta-Maria als Assistente. Deze had immers pas beloofd, geene enkele bediening in het klooster te weigeren? Niettegenstaande hare verheffing bleef zij vol dienstvaardigheid voor ieder, die hare hulp inriep, en niet zelden zag men haar met de werkzusters hout halen of in de keuken bezig. Eens dat ze het koor veegde, kwam eene zuster haar roepen. Zij gaat onverwijld, zonder zich den tijd te gunnen het veegsel op te nemen. Maar de kloosterklok luidde het uur der getijden, vóór ze had kunnen terugkeeren, en tot hare beschaming vonden de zusters het koor nauwelijks half gedaan. Zoo liet haar Bruidegom toe, dat zij met liefdediensten vernederingen won, hare kostbaarste belooning.

De geestelijke afzondering droeg dit jaar de blijken

ocr page 109

97

der zeldzaamste gunsten van den Welbeminde barer ziel. »Reeds den eersten dag — zoo schreef ze — vertoonde Hij mij Zijn hart als een brandend vuur, waar ik mij voelde ingeworpen en doordrongen van zoo hevigen gloed, dat ik meende tot asch te vergaan. Hij sprak: gt;gt;dit is het goddelijk vagevuur Mijner liefde, waar gij moet gelouterd worden, daarna zal Ik er u een verblijf van licht in doen vinden, en dan van vereeniging met Mij.'quot; Dit geschiedde in mijne eenzaamheid op zulk eene wijze, dat ik soms niet meer wist, of ik op aarde of in den hemel was. Zoo doordrong mij de tegenwoordigheid van mijn God. en aan mijne zonden kon ik niet denken Doch in den nacht vóór ik biechten moest, ontwaakte ik op eens en zag daar al mijn zonden als geschreven voor mij staan. Ik had ze maar te lezen in de biecht, maar deed het met zooveel tranen van berouw, dat mijn hart scheen te breken van leedwezen, dewijl ik de oneindige goedheid, die ik nu zoo duidelijk voor mij zag, bedroefd had door mijne zonden. Mijne smart nam toe in onuitsprekelijke hevigheid; geene boetpleging, geen foltering, die ik niet gewillig op mij had genomen; doch het allergrievendste was, dat ik na die drie dagen nog niet tot de H. tafel naderen mocht. Eindelijk ging mij het beloofde verblijf van glorie en licht open; daar werd ik, onwaardige, met zoovele gunsten overstelpt, dat één uur dezer vreugde mij voldoende scheen om al het lijden der martelaren te beloonen.

»Toen deed mij de Heer in de overmaat Zijner liefde gevoelen, dat Hij me bestenul had eene voortdurende hulde te brengen aan Zijn leven van offer in de H. Eu-

ocr page 110

98

charistie; mijn leven moest liefde, aanbidding, vernietiging en gelijkvormigheid zijn met het leven, dat Hij leidt op onze altaren; naar dit voorbeeld moest ik mijne beloften vervullen en onthecht zijn, niet alleen van de gemakken en genoegens des levens, maar los van elk vezeltje van zelfzucht; gehoorzaam aan alle Oversten in alles en zonder weerzin te toonen, in navolging van Hem, die op 't woord van iederen priester zich tegenwoordig stelt onder de nederige gedaanten, en zich brengen laat ook tot diegenen, wier hart door groote zonden is besmet.quot;

Zij maakte dan voornemens overeenkomstig dit verlangen van den Bruidegom, maar beefde voor de uitvoering. Doch op het oogenblik der H. Communie gaf Jezus haar te verstaan, dat Hij zijn verborgen leven van offer en vernietiging kwam afdrukken in heur hart, en haar krachten zou geven om te doen, wat Hij van haar verlangde. Dienzelfden dag verscheen haar de H. Maagd met het goddelijk Kind op den arm. »Ziedaar!quot; sprak de hemelsche Moeder met zoete stem, ;gt;Hij zal u leeren wat gij moet doen;quot; en zij reikte haren lieveling aan Margareta-Maria over. Deze waagde 't Hem te liefkoozen en te omhelzen — en Jezus liet het toe. Toen zij eindelijk ophield, A'roeg Hij: »Zijt ge nu tevreden? Dit diene u voor altoos tot eene les; zooals Ik Mij aan u gaf, moet gij u aan Mijne beschikking overlaten; of Ik u liefkooze of foltere, ge behoort aan Mij.quot;

Sinds gevoelde zij zich in eene gelukkige onmacht om weerstand te bieden aan de leiding van haar Beminde.

Toen zij nu hare geestelijke afzondering verliet, lag

ocr page 111

99

de novicen-meesteres ernstig ziek. Alier oogen waren op 'Ie Assistente gericht; de novicen schroomden zelfs niet haar verlangen te uiten en sommige geprofeste zusters hadden gezegd: als zij het wordt, vraag ik om weer in 't noviciaat te komen. De Overste zag in dezen algemeenen wensch den wil des Hemels, en Margareta-Maria, door buitengewone gunsten voorbereid, werd belast met de leiding der zeven, die novicen waren, of de oefeningen van het noviciaat nog zouden volgen.

De nieuwe meesteres begreep hare taak, begreep dat de toekomst van het klooster haar was toevertrouwd, maar bovenal, dat de Bruidegom haar in dezen werkkring geplaatst had om aan anderen in te boezemen, wat zij haar gelukkigst aandeel rekende: de kennis en vereering van het goddelijk Hart. Haar opgeruimd en innemend gelaat, hare zachte en vriendelijke manieren wonnen al aanstonds het vertrouwen der novicen, die ze toch ook voor meesteres hadden gevraagd, omdat zij eene beminnelijke heilige scheen. Wie om ongesteldheid de ziekenzaal moest houden, kon er op rekenen, dat de goede meesteres, wanneer ze niet met moederlijke tee-derheid bij de kranke zat, in eigen persoon dezer arbeid verrichtte.

Met den meesten ijver bestudeerde zij ieders aanleg en neigingen, om ze te leiden volgens hare behoefte. Allen zonder onderscheid trachtte zij eene groote liefde in te storten voor den religieuzen staat en te doordringen van de noodzakelijkheid der versterving van zintuigen, geest, oordeel, eigen wil, geaardheid en driften, ten einde ware dochters der Visitatie te worden. AVantquot;,

ocr page 112

100

zeide zij, »cle grondslag onzer Congregratie is de Calvarieberg; in navolging van den Gekruisigde, moeten de zusters zichzelve en al wat in haar is aan het kruis der zelfverloochening vasthechten.quot;

Twee jaren na den dood van P. de la Colombière gaven zijne medebroeders te Lyon diens Retraite Spi-rituelle in het licht, en een der eerste afdrukken werd naar het klooster der Visitatie te Paray-le-Monial gezonden. Moeder Melin dacht er niet aan het zelve eerst te lezen en gaf het aanstonds in den refter. De beurt was aan de novice, Sr. de la Farge, en zij las: »Ik heb ingezien, dat God mijne «medewerking wil aan de vervulling van Zijn wenschen aangaande de devotie, waartoe Hij de persoon, aan welke Hij zich vertrouwelijk openbaart, heeft opgewekt; Hij gewaardigt zich in die zaak ook mijne geringe hulp te vragen.

«Verschillende personen in Engeland heb ik die devotie reeds geleerd, en een mijner vrienden in Frankrijk opgewekt zich daaraan geheel te wijden.

»Die persoon, welke men om de groote genaden, die God haar bewijst, mag gelooven, dat volgens Zijn Hart is, heeft mij gesproken van de openbaringen door God haar gedaan, en ik heb haar gelast, al wat ze mij gezegd had, op te schrijven. Zelf heb ik het in het dagboek mijner retraite» opgeteekend, dewijl God zich van mijne geringe pogingen bedienen wil.quot;'

't Was wel niemand een geheim, wie in deze regelen bedoeld werd. ïoen de lezeres van haar boek een blik op Margareta-Maria wierp, zag ze haar verbleeken en de oogen nederslaan. Na tafel bleek het, dat velen aan

ocr page 113

101

haar hadden gedacht, en de luchthartige novice had den moed luid op te roepen; »nu, zuster, u heeft er van middag ook van gehad; de pater duidt u zoo uit, dat men niet behoeft te gissen, wie hij meent.quot;

Beschaamd en verlegen gaf Margareta-Maria eer;e wending aan 't gesprek, bevreesd meer van het geheim des Konings te openbaren dan voor zijne glorie noodig was.

Gedurig wekte zij hare novicen tot edelmoedigheid op: slaffe zielen zijn niet geschikt voor het klooster, want, wie daar geen onafgebroken strijd wil voeren tegen zich zeiven. houdt het er niet uit.quot; Xooit was het haar te veel de novicen te hooren, die om raad of troost tot haar kwamen, en voor elk had zij een woord overeenkomstig de behoefte van het oogenblik; immers, het bleek somwijlen overduidelijk, dat zij wist, wat er in de harten der aan hare zorg toevertrouwden omging. Doch van lieverlede zocht zij ze te brengen tot de kennis van het eenigst voorwerp harer liefde; want in anderen het vuur ontsteken, dat in haar eigen boezem blaakte, was hare taak en levensdoel. Hoe zij zuchtte naar het oogenblik, dat zij het liefderijke Hart van Jezus door anderen vereerd en bemind zoude zien! Welk een innig gebed haar voorbereidde er van te spreken! Zij ving aan bij het in God verborgen leven, waarvan de op het altaar wonende Verlosser het heerlijkste voorbeeld geeft. Zij spoorde aan tot ijver en zorg om alle oefeningen van den dag met stipte getrouwheid te vervullen en zóó aan Jezus welgevallig te zijn. Doch telkens kwam zij terug op Zijne liefde voor de menschen, welke zoo weinig dankbaarheid en wederliefde ontmoet.

ocr page 114

102

De novicen bespeurden aan den gloed harer woorden, dat het vuur der liefde in haar gemoed behoefte had zich te openbaren en mee te deelen; zij fluisterden tot elkaar: »zij doet als de H. Joannes, die ook altijd van liefde sprak/' Toch lag er niets buitengewoons, niets wat onbereikbaar scheen in hare lessen, niets ontmoe-digends vooral. »Onderhoudt met groote nauwkeurigheid al uwe regelen, tot de kleinste toe; zoo wint gij het hart van den Vader, die u zoo teeder bemint. Zoolang gij Hem trouw blijft, hebt gij niets te vreezen, Begaat nooit eene voorbedachte fout. Gedenkt, dat gij bruiden zijt van een gekruisigden God, en gij Hem dus geheel moet toebehooren, wil Hij Zijn rijk vestigen in uwe ziel. Zijn rijk is een rijk van vrede in het lijden.quot;

Eene andere kon er niet toe besluiten haar hart los te maken van de schepselen. »Vergeet niet, beminde zusterquot;, sprak zij, »dat gij een jaloerschen Bruidegom hebt. Geen verdeeling; Hij wil alles of niets. Maar Zijn hart is het uwe toch wel waard? Hoe durft ge Hem dan iets betwisten, wat Hem toekomt? Inderdaad, Hij moet u wel liefhebben, dat Hij uw weerstand nog niet moede is. Kom, verlaat alles, en gij zult alles vinden in het beminnelijk Hart van Jezus.quot;

Zóó verstond zij deze godsvrucht. Zij was haar geene ijdele oefening, maar de in daden sprekende uitdrukking der edelmoedigste liefde, welke aan Jezus Christus niets weigeren kan. Zóó volbracht zij den regel van St. Franciscus de Sales, die haar voorschreef den novicen moed in te spreken, en geene zwakke, vrouwelijke, overgevoelige, maar eene krachtige, degelijke, edelmoedige godsvrucht te leeren.

ocr page 115

103

De grootste lof, welken zij verdiende, was echter, dat zij tot geene enkele deugd opwekte, waarvan zij tevens niet het voorbeeld gaf. Omstreeks de Vasten van het jaar 1685 kreeg zij de fijt, leed al de smartelijke gevolgen, daaraan verbonden. — en niemand van allen, die met haar leefden, heeft eene klacht van hare lippen gehoord; in een brief uit die dagen aan Moeder Saumaise gericht, kon ze nog schrijven; »Gezegend zij de Heer, die zoo goed is, dat Hij mij begunstigt met het kruis, mijne glorie!'quot;

Bij dit woord en deze les voegde zij de beminnelijkste vertrouwelijkheid. Soms vertelde zij van de beproevingen harer jeugd om op te wekken tot geringschatting van de rampen des levens; nu en dan repte zij met een woord van de gunsten haars Bruidegoms. Kens, dat zij met Margareta Billet door den tuin wandelde, wees zij op eene laan in 't hazelarenboschje en zei: »Dit is een plekje van genade voor mij, want hier heeft God mij doen kennen, wat een voordeel er in het lijden schuilt.quot; Moet het nog opgemerkt, dat de novicen haar liefhadden als eene vriendin en eene moeder, al omgaven ze haar met de eerbiedige vereering, aan een heilige verschuldigd? Het feest van St. Margareta — 20 Juli — patroondag der beminde meesteres, was nabij. In de vervoering der kinderlijke blijdschap werd er van toebereidselen gesproken, dat Margareta-Maria het hoorde. Daar vatte zij aanstonds vuur op en zei: »als ge mijn feest wezenlijk plechtig wilt vieren, dan moet gij op dien dag — quot;t is juist een Vrijdag, van quot;t jaar — de eer, die gij mij anders woudt aandoen, aan 't goddelijk

ocr page 116

104

Hart van Jezus bewijzen.quot; Dat voorstel vond juichenden bijval. Sinds den Vrijdag na 't octaaf van H. Sacramentsdag had er in hare gemeenschappelijke kamer een met de pen geteekend prentje van 't H. Hart gehangen — dat zon het middelpunt uitmaken der versiering. 20 Juli kwam; vóór den dageraad waren de novicen al in de weer met het opslaan van een altaartje in het noviciaat. Daar werd de eenvoudige afbeelding vastgehecht en omgeven met al de bloemen en versieringen, die zij machtig konden worden. Om later vrij te zijn, deden zij juist den refter, toen de andere zusters opstonden. Was de feestelijke stemming, waarin zij verkeerden, of het vooruitzicht der verrassing eener gevierde meesteres de oorzaak, dat het niet in genoegzame stilte geschiedde? De Overste kwam zien, wat er al zoo vroeg gaande was; doch toen haar alles werd uitgelegd, had zij er vrede mee. Te zeven ure kwam Margareta-Maria in het noviciaat en bleek hoogelijk ingenomen met het altaar. Te midden harer novicen neergeknield, las zij nu eene akte van toewijding voor aan het H. Hart, waarna zij allen verzocht ook voor zich zelve eene dergelijke toewijding op te stellen, met belofte er voor ieder een woordje onder te zetten. Geheel dien dag zou aan de vereering van het H. Hart zijn toegeheiligd. In den loop van den morgen zendt zij Rosalie Verchère naar de andere zusters, met de nitnoodiging de versiering van 't H. Hart eens te quot;komen zien. De eerste, die zij ontmoette, zuster Maria Magdalena des Escures, nam het hoogst ernstig op en antwoordde: »Zeg aan uwe meesteres, dat de ware devotie in de stipte onderhouding

ocr page 117

105

der regelen bestaat; die moet zij u leeren, en gij beoefenen.quot; Anderen wezen de uitnoodiging scherp af; »'t is niet aan uwe meesteres en veel minder aan jonge novicen nieuwigheden in te voeren, die door de regels verboden zijn.quot; Verlegen en teleurgesteld keert de novice terug: nochtans om de feestvreugde niet te storen, vergenoegt zij zich enkel te zeggen: »ze zullen straks komen, maar eenigen kunnen niet.quot; »Zeg liever, dat zij niet willen,quot; hernam Margareta-Maria kalm, maar vast; »toch,quot; ging zij voort, »zal het Hart van Jezus ze doen komen. Die er nu het hevigst tegen zijn, zullen de ijverigsten er voor worden. Doch Jezus wil alles met liefde, niet met geweld; wij moeten den tijd afwachten, door Hem bepaald.quot;

Voor de tegenstrevende zusters is dit woord binnen datzelfde jaar vervuld; wie herhaalt ons deze voorspelling, nu er nog verstandigen en braven de ondoordachte tegenwerpingen van twee eeuwen herwaarts nazeggen?

Enkele zusters kwamen zien, niet uit godsvrucht, maar om den wille der meesteres. Deze vierde echter feest met de eenvoudigen van hart. In aller naam sprak zij eene eereboete uit benevens andere gebeden door haar opgesteld, en ze deed het met zooveel warmte en mee-sleependen gloed, dat zij allen vermeerdering van geloof en liefde inboezemde, 's Avonds zeide zij tot de novicen: »gij hadt me onmogelijk grooter genoegen kunnen doen, dan gij vandaag gedaan hebt. Wat zijt gij gelukkig, dat de Welbeminde zich van u bedient, om deze godsvrucht te beginnen! Xu moeten wij voortgaan met bidden, dat Hij heersche in aller harten. O laten wij Hem bemin-

ocr page 118

lOG

nen, maar zonder eenig' voorbehoud. W ij zullen alles bezitten in het aanbiddelijk Hart van Jezus, indien wij Hem liefhebben en voor Hem lijden.quot;

Middelerwijl hadden meer bejaarde en verstandige zusters zich ernstig bij de Overste beklaagd over het gedrag der novicen, en over de meesteres niet het minst.

Het gevolg hiervan was eene openlijke berisping van Margareta-Maria, die verbod ontving hare godsvrucht op zulke manier te uiten, en voor straf niet meer dan de anderen tot de H. Tafel mocht naderen.

Niettemin was de moeder, Maria-Christine Melin, eene ware dochter van den H. Franciscus de Sales en geheel doordrongen van zijn geest. Om zijne goedheid na te volgen, stond zij Margareta-Maria toe in het noviciaat den vrijen loop aan hare godsvrucht te laten, mits de andere zusters er niets van bemerkten. De beproefde bleek dankbaar voor deze toelating, doch haar hart was onvoldaan. Niet zelden ving zij toespelingen en woorden op, wel uit goede trouw en onwetendheid voortgekomen, maar die haar door de ziel gingen als een scherp zwaard. Zij had buiten Jezus niemand, wien zij haar leed konde klagen; op eens zag zij den gloed, waarvan de serafijnen blaken, en Jezus vroeg: »zoudt gij niet liever genieten, met hen, in plaats van te lijden, vernederd en veracht te worden, terwijl gij arbeidt aan de vestiging van Mijn rijk in de harten der menschen?quot;

»Zonder aarzelen nam ik,quot; schreef ze, »het kruis met de nagelen en doornen aan, dat mij werd voor gehouden, en herhaalde: »0, mijn eenige liefde, hoeveel zoeter is het mij te lijden om U te doen kennen en beminnen.

ocr page 119

107

nu Gij me die eere gunt, dan zonder smart te gloeien van de liefde der serafijnen.quot;

Jezus troostte haar gedurig met het woord: »wees gerust, Mijne dochter. Ik zal heerschen ondanks Mijne vijanden, en allen, die er zich tegen aankanten.quot; Vol vertrouwen sloeg ze dan de blikken op het H. Tabernakel en zuchtte: ^Wanneer, beminde Zaligmaker, zal het blijde uur slaan? In afwachting geef ik U, terwijl ik lijde en zwijge, uwe eigene zaak in handen.quot; Beiden kostten veel, want de H. Communie op den eersten Vrijdag der maand was haar ontzegd.

ocr page 120

2)e eerste Kapel.

einige weken na het gebeurde zat de novicen-Sfefo' meesteresse vol zorg aan het krankbed der jeug-dige Kosalie Yerchère, wier leven in gevaar was. v-y Er bleef geene hoop op behoud, hadden de ge-neesheeren gezegd; nochtans, de groote Geneesheer had de redding der zieke in Margareta- Maria's handen gesteld. Toen zij op zekeren dag met aandrang om genezing en behoud der novice vroeg, had de goddelijke Zaligmaker haar te kennen gegeven, dat er geen de minste beterschap komen zou, vooraleer de Overste haaide H. Communie op den eersten Vrijdag weer toestond. Wat moest zij doen? Gehoorzamen en ontberen in stilte? Maar de zieke leed zooveel, en Jezus spoorde haar gedurig aan de Overste te zeggen, dat haar verbod Hem wezenlijk mishaagd had. Eindelijk schreef zij een

ocr page 121

109

briefje aan Maria-Magdalena des Escures, in wie zij om hare deugd, het meest vertrouwen stelde. «Beminde zuster, het verwondere u niet, dat ik mij tot u richt in mijn lijden wegens zuster Eosalie. Vanmorgen bij het ontwaken, meende ik duidelijk een stem te hooren: »zeg aan uw Overste, dat ze Mij een groot ongenoegen heeft gedaan, toen zij, om aan de schepselen te behagen, niet gevreesd heeft. Mij te beleedigen en u de H. Communie te ontzeggen, die Ik u den eersten Vrijdag bevolen had, om door de verdiensten van Mijn Hart den Vader voldoening te geven voor de gebreken tegen de liefde. U had ik Mij uitgekozen dat zoenoffer te brengen, wanneer zij u belet naar Mijn wil te doen, dan kies ik de lijdende zuster tot slachtoffer.quot; Ziedaar, beminde zuster, wat mij onophoudelijk voor den geest staat en kwelt: vooral terwijl ik vrees, dat het maar eene begoocheling des duivels is, die mij door deze Communie tot eene uitzondering wil brengen; ofwel dat alles enkel inbeelding is, omdat onze Lieve Heer mij zulke genaden niet bewijzen zal. Ik bid u dus, zeg mij uw gevoelen: vraag gij Hem, wat ge mij antwoorden moet: of ik het de moeder moet zeggen, wat ik niet durf, — of dat het niet noodig is. Naar uw woord zal ik doen en trachten er niet meer aan te denken. Verbrand dit papier en bewaar het geheim.quot;

De geraadpleegde las het stuk en haalde Margareta-Maria over alles aan de moeder te openbaren. Zij deed het, wat moeite 't haar kostte, — en de Overste aarzelde niet haar de H. Communie te veroorloven, mits zij voor de genezing der zieke bad. Nu week het gevaar.

ocr page 122

no

en de pijnen, waar de geneesheeren geen middel voor wisten, namen af met den dag. Doch hetzij de moeder slechts eéne H. Communie had toegestaan, hetzij de zuster haar verlof niet langer dan voor ééne maand dorst laten gelden, de genezing bleef uit, en de goddelijke Zaligmaker herhaalde Zijne bedreiging. Zoo verliepen er vijf maanden, tot Margareta-Maria eindelijk, uit medelijden met de kranke, een tweede maal met de herhaling harer eerste boodschap uit naam van den Bruidegom naar de Overste ging. Toen de moeder de volste toestemming gegeven had, verliet Rosalie Verchère genezen de ziekenzaal. quot;Wie schetst nu de dubbele blijdschap der vrome maagd? Geen wonder, dat ze haar gevoel niet bedwong en hij de novicen uitriep; «Zusters, onze eenige taak hier beneden is, God te kennen en te dienen; uw deel is het. Zijn Hart lief te hebben. Dat is de voorwaarde, waarop ieder van ons zeggen mag; ik zal Hem beminnen en prijzen de gansche eeuwigheid. Doch dan moeten wij Hem beminnen met eene gelijke en standvastige liefde, in droefheid en vreugde en in al de wisselingen des levens.quot;

Somwijlen vroegen de novicen — als konden zij alles zoo niet onthouden — een paar wenken of een raad op schrift. Ondanks haar afkeer van schrijven antwoordde zij dan; »nu goed; ik zal het voor u op papier zetten, maar dan moet gij een blijk van liefde brengen aan het heilig Hart.quot; Andere belooning kende zij niet. Zij had ook niemand kunnen beminnen dan om den Bruidegom harer ziel, doch wie Hem geheel wilde toebehooren, kon rekenen op hare vriendschap en liefde.

ocr page 123

Ill

Van het eerste oogenljlik, dat de leiding der jonge religieuzen haar was opgedragen, had de duivel alles in het werk gesteld om haar uit deze bediening te verwijderen ; maar de goddelijke Zaligmaker had haar beloofd, dat deze novicen als het ware de eerste steenen zouden zijn van het heiligdom der vereering Zijns Harten. Op Kerstdag van 1685 gaf Hij ze aan de meesteresse, in eene geestvervoering, te zien onder het beeld van jonge lammetjes en richtte, gelijk eertijds tot Petrus, nu tot haar het woord: »weid Mijne lammeren.quot; Hieruit maakte zij op, dat zij dien post nog een jaar zou blijven waarnemen, en met vernieuwden moed ging zij voort op den ingeslagen weg. Deze moed steeg tot fierheid, toen zij kort daarop een brief van hare voormalige Overste, Mère Greyftié ontving, waarin een dozijn afbeeldingen van hare nieuwe schilderij van 't H. Hart. De prentjes waren spoedig uitgedeeld, en zij schreef terug: »LTw brief bracht mij in grooter vervoering van vreugde, dan wanneer ik alle schatten der aarde gewonnen had. Hoe zouden wij Hem ook niet liefhebben uit alle krachten onzer ziel, ondanks de moeielijkheden, die mij, zooals u weet. niet ontbreken, doch mijn besluit staat vast: sterven, of alle hinderpalen overwinnen door het aanbiddelijk Hart.quot;

Had Moeder Greyffié zelve in het klooster van Sémur het zaad gestrooid, zoodat zij nu reeds met Paray-le-Monial in eerbewijzingen voor het H. Hart mocht wedijveren? Zij had aan tafel het boek laten voorlezen, waarin P. de la Colombière het ontluiken dier devotie beschrijft; en deze schets, gevoegd bij de faam van heiligheid, welke dien naam omgaf, had de zusters opge-

ocr page 124

112

wekt en eene dezer bovendien de teekenpen in handen gegeven om het H. Hart van Jezus anderen aanschouwelijk te maken.

Op het feest van den H. Stichter, Franciscus de Sa-les, bleek het haar duidelijk, dat de godsvrucht tot het H. Hart van Jezus, waarvoor zij leefde, hoogst dierbaar aan dien heilige was. Hij toonde haar, hoe juist daarin het middel lag, om de Congregratie te bewaren en te doen bloeien: om ze te hoeden voor den geest van hoo-vaardij en eerzucht, die allen eenvoud en nederigheid ondermijnt. Deze openbaring kwam haar wel te goeder ure als eene stem van den hemel, die moed gaf en vastheid; immers, met minder bovennatuurlijken steun ware de novicenmeesteres geknakt en bezweken in het onweer, dat opkwam en losbrak boven haar hoofd. Eene der jonkvrouwen Yichy-C'hamron had zich, op raad haars vaders, bij de zusters van Paray-le-Monial aangeboden. Zij was er vroeger opgevoed en verbleef nu sinds eeni-gen tijd in het klooster, waar zich, zoo onder de religieuzen als kostleerlingen, een tiental barer bloedverwanten bevonden, opdat hare roeping beproefd zou worden. Niemand twijfelde aan hare spoedige opneming; alleen de novicen-meesteres, wie de beslissing overbleef, kon er niet toe besluiten. Zij bad tot God en ondervroeg de postulante, doch kwam eindelijk tot de vaste overtuiging: God heeft ze hier niet geroepen, hier wil Hij ze niet. Zij gaf de Overste kennis van dit besluit, opdat deze den vader zoude verwittigen. Maar klonk het niet vreemd, zoo vast te verklaren: zij heeft geene roeping ? Was het niet hard voor de religieuzen, hare bloedverwanten:

ocr page 125

113

hard voor de jonkvrouw zelve, die meende een Gode behagelijk werk te doen met den raad liaars vaders te volgen, en nu verklaarde, dat zij gaarne blijven wilde? Menschelijke redenen! niet doorslaande voor Margareta-Maria, die bovennatuurlijke vroeg om haar besluit te wijzigen. Door hare gemoedelijke overtuiging bracht zij het zoover, dat de postulante zelve in een brief haren vader verzocht ze terug te komen halen. Dit was eene teleurstelling voor den edelman, een beleedigende schok. Lette men dan op geen aanzien of stand? Was de kardinaal de Bouillon, zijn nabestaande, zijn vriend, geen wettig Heer van Paray? Zal men zijne dochter den toegang beletten tot het klooster zijner keuze, waar de aanzienlijkste leden zijner familie zijn? Goed! ze zal er vertrekken, maar zijne eer zal recht gedaan worden? Deze gevoelens van den toornigen heer Vichy-Chamron vonden in het klooster, zoo geen vollen, toch een goed verstaanbaren weerklank. »Die eigenzinnige dweepster! ze zal nog oorzaak zijn, dat zich niemand hier meer aanbiedt,quot; was de grondtoon van menig verwijt. Doch Margereta-Maria bleef kalm en rustig bij haar woord: »zij is voor ons niet geschikt: ik mag ze niet aannemen.quot;

Moeder Melin kende haar novicen-meesteres te goed om dezer besluit ongeldig te verklaren: maar toen de dag van het vertrek daar was, en de familie kwam om de jonkvrouw mede te nemen, wierp zuster Alacoque zich, volgens den last der Overste, ten aanzien van de religieuzen en bloedverwanten, voor de vertrekkende op de knieën, en bad luide om vergiffenis voor de onaangenaamheden. die zij in de vervulling van haren plicht

8

ocr page 126

114

haar berokkend had. Dit blijk van heldhaftigen oootmoed mocht de vrome dochter tot schreiens toe bewegen, mocht verbazing wekken bij de religieuzen — de vader was nog niet voldaan. Hij raadpleegde een geleerden en deugdzamen priester, en deze zag in de hardnekkige weigering der jonkvrouw louter geestdrijverij. Dit oordeel maakte opgang in de stad en hield de verbittering gaande, en van ééne enkele stem, welke zich ten gunste der veel besprokene verhief, maakt de geschiedenis geen gewag; alleen van een haar onbekenden pater, Antoine Gette S. J., ') die haar, zoo berichtte ze in Maart 1(586 aan M1quot;® Greyffié, geschreven had, dat hij zich gedrongen voelde eiken Zaterdag van dat jaar de H. Mis tot hare intentie te lezen. Vervolgens liepen er aangaande de novicen-meesteres te Paray allerlei geruchten: van moeten verschijnen voor den beschermheer der gekrenkte familie, den kardinaal de Bouillon; van verantwoording en rekenschap geven; van gevangenis en afzetting van haar post. Zoo verre kwam het evenwel niet, en Marga-reta-Maria bewaarde eene onverstoorbare kalmte des gemoeds. Geen trek op haar vriendelijk gelaat, geene zucht van hare lippen verried, dat zij gegriefd was of verongelijkt meende te worden: zij hoorde alles aan, of het haar niet gold. Alleen in hare vertrouwelijke briefwisseling klaagt zij over de zonden, die er mee zijn

') P. Antoine Gette was geboren te Lyon in 1653; in 1669 in de Sociëteit getreden, legde hij in 1686 te Embrun zijne professie af. Vermoedelijk had gedurende zijn derde proefjaar te Lyon de lezing van P. Colombièro's retraite spirituelle hem met de openbaring des Heeren aan Margareta-Maria bekend gemaakt. Zie; Letierce S. J. Etude sur le Sucre Coeur I.

ocr page 127

115

gebeurd; maar juicht omdat zij vernederd is; geeft geloof aan de beschuldigingen tegen haar ingebracht en verzoekt, dat men het H. Hart van Jezus voor hare bekeering bidde, doch telkens herhaalt zij niet de woorden, maar den volsten zin der woorden van Paulus; te midden van mijne wederwaardigheden vloei ik over van vreugd ; en als ik mij op iets beroemen mag, dan beroem ik mij alleen op het kruis van onzen lieer Jesus Christus. Dit bleek uit de strenge berisping, die zij haar novicen gaf, toen dezen zich ten haren gunste hadden uitgelaten en 't gedrag der andere zusters in deze aangelegenheid van harte afgekeurd. Geen voorbijgaand woord drukte de ontevredenheid der meesteres hierover uit, maar een geschreven stuk, dat zij, wie het gold, dikwijls moesten herlezen.

«Beminde zusters in het H. Hart van onzen Heer,quot; dus ving het aan, »ik kan u niet zeggen, welk leed ik gevoel over het slecht gebruik, dat wij maken van eene zoo schoone gelegenheid om blijken te geven van onze liefde en getrouwheid. Hij zelf heeft toegelaten, dat we dit kruis zouden vinden om ons voor te bereiden tot het feest (van Kruisvinding), en in plaats van het met liefde te omhelzen, trachten wij het met afkeer van ons te werpen; gelukt dit niet, dan vallen wij in tallooze fouten, die het Hart van Jezus met bitterheid en smart over ons vervullen. Wat anders is hier de reden van, dan dat wij te veel eigenliefde bezitten en daarom vreezen bij de menschen den goeden naam en de achting te verbeuren, waarop wij zoo jaloersch zijn?quot; Zij eindigt met de novicen, die geluisterd hadden naar eene natuurlijke geneigdheid voor hare meesteres, gebeden en

ocr page 128

116

boetplegingen op te leggen tot liet aanstaande feest van 't H. Hart van Jezus. »Draagt uw kruis.' dus besluit zij, »met blijdschap en met moed. of gij zult er eene strenge rekenschap van afleggen.quot;

Zóó verwierp zij den eenigen menschelijken troost, die haar werd aangeboden in het medelijden barer novicen, ofschoon het haar voorkwam, dat de hel dit gansche jaar tegen haar was losgelaten, en de bedreiging van gevangenis en terechtstaan nog niet was ingetrokken.

Doch de goddelijke Bruidegom oordeelde nu den tijd gekomen, dat er een zonnestraal boren moest door de sombere wolken, die maanden lang haren hemel verduisterd hadden. Zij schreef aan hare gewezen overste M1' Greyffié: »Indien gij wist, mijne goede moeder, hoe ik mij gedreven voel om het Heilig Hart van onzen Heer Jezus te beminnen! 't Is me, of ik daarvoor alleen nog leven mag en helaas! ik doe het niet: Hij bewijst me gedurig nieuwe gunsten, en ik betaal Hem met ondank. Hij heeft mij de eer van een bezoek bewezen, dat een allerdiepsten indruk op mijn hart heeft achtergelaten.'

Dan verhaalt ze, gelijk kort te voren aan Mre Saumaise hoe Hij haar heeft doen kennen het groot genoegen, dat Hij er in vindt door de menschen bemind te worden.

Den 24sten Augustus 1685, had zij aan Mre de Saumaise de volgende belangrijke mededeelingen gedaan: »al wat ik nog doen kan, is spreken over het H. Hart van onzen Heer Jezus Christus, en hierover zal dit onwaardig schepsel u iets zeggen, aangaande eenige bijzondere gunsten, die zij gelooft ervan ontvangen te hebben. Hij heeft haar dan opnieuw doen kennen het groot

ocr page 129

117

genoegen, dat Hij er in vindt door zijne schepselen vereerd te worden, en het scheen haar toen, dat Hij haar beloofde: dat allen, die zich toewijdden aan dit H. Hart, nooit verloren zouden gaan, en dat Hij, de bron aller zegeningen, deze in overvloed zou uitstorten over de plaatsen, waar het beeld van dit beminnelijk Hart ten toon is gesteld om bemind en vereerd te worden. 1) Door dit middel zou Hij de tweedracht in de huisgezinnen wegnemen en deze beschermen, die in eenicjen nood verkeer en.

Daarop ontving zij een brief van pater Rolin, den overste der leden van de Societeit van Jezus te Paray-le-Monial, die eerst niets van haar luid willen weten, doch nu de zaak beter had ingezien. Op zijn bevel had zij hem sinds geruimen tijd alreeds schriftelijk kennis van den toestand harer ziel gegeven en gedurig de vraag er bijgevoegd : »ben ik in dwaling, bedriegt mij de duivel ? Ik bid u, verheel het me niet!quot; Hij antwoordde nu: »neen, zuster, de geest, die u geleidt, is geen geest der duisternis: zijne leiding is goed, omdat zij u in de gehoorzaamheid en onderwerping houdt...

»De smaadwoorden u toegeworpen moeten in uw hart eene dankbetuiging aan God verwekken, en een gebed op uwe lippen voor hen, die u beleedigen. Heb geen berouw over hetgeen gij gezegd hebt. Eene zaak, waaruit zulke goede kruisjes voortkomen, kan niet kwaad zijn... A rees niets voor mij: ik heb een waarborg in den heiligen pater de la Colombière... De ondervinding

O Negende belofte: ik zal de huizen zegenen waar de beeltenis van

mijn hart zal uitgesteld en vereerd worden.

ocr page 130

lis

heeft mij geleerd, dat de zaken en woorden onder het overbrengen aan dt-ngene, dien zij gelden, altoos vergroot worden; en al werden de beschuldigingen tegen u ook bij iedereen bekend, zoo was het nog eene genade, die God u bewees... Derhalve gevangenis, afzetting van uw post, alles is blijk van Jezus' liefde voor u. Ik verlang van ii, dat gij u geheel aan God overgeeft, met een hart, bereid om alles te doen en te lijden. Nog eens: gij zijt de speelbal des duivels niet, maar van de liefde Gods.quot;

Deze troost, haar door den zielbestuurder, Gods plaats-beklemder, geschonken, mocht een zonnestraal in hare duisternissen heeten — een heldere dag vol licht en levenwekkenden gloed volgde hem op. Hij, »die der men-schen harten een voor éen gevormd heeft,quot; ging het woord vervullen, dat Hij zelf den 20sten Juli des vori-gen jaars 1685 Margareta-Maria in den mond had gelegd : de meest weerstrevende zusters zullen niet alleen voor het H. Hart gewonnen worden, maar de ijverigste blijken.

Mre. Greyfflé kon niet langer weerstaan; de beloften van onzen Heer waren te duidelijk. Zij laat een afbeeldsel maken van 't H. Hart, naar de aanduiding van Margareta-Maria en zendt als nieuwjaarsgeschenk twaalf kleine afbeeldingen in Januari 1686 naar Paray.

Dezelfde maand antwoordt Margareta-Maria: »Bij het zien der voorstelling, die u mij gezonden heelt van het eenig voorwerp onzer liefde, was het of ik mij voelde opleven. Ik was gedompeld in eene zee van bitterheid en lijden en op eens gevoel ik een allerzoetsten vrede en onderwerping aan al de beschikkingen van Gods

ocr page 131

119

voorzienigheid over mij, zoodat het mij nu voorkomt, dat niets me daarin storen kan. Mijn eenig verlangen is, eere aan het heilig Hart van Jezus te geven. Wat zou ik me gelukkig achten, indien ik vóór mijn dood

Hem eenig genoegen kon doen____ het scheen me toe,

dat Hij me vele namen in Zijn hart gesclireven toonde, dewijl zij verlangen Hem te vereeren; daarom zullen ze nooit daaruit worden gewischt. Doch Hij zegt mij niet, dat Zijne vrienden niets zullen te lijden hebben, want Hij wil, dat zij hun grootste geluk vinden in deelneming aan Zijne smarten____

Mre. Greyfüé's geschenk en hare devotie voor het H. Hart maakten Margareta-AIaria duizendmaal blijder en gelukkiger, schrijft ze, dan het bezit van alle schatten der aarde dit hadden kunnen doen. Het voorbeeld door Mre. Greyffié in haar Nieuwjaarsgeschenk gegeven, had indruk op de zusters van Paray gemaakt, 't meest echter op Sr. Maria Madeleine des Escures. Ze erkent eerlijk dat ze heeft gedwaald en wil, met goedkeuring dei-overste. hare fout edelmoedig herstellen.

Op het octaaf van H. Sacramentsdag komt zij, die op het feest van Sinte Margareta, de versiering der novicen zoo onverholen had afgekeurd, bij de novicen-meesteres en vraagt haar de afbeelding van 't H. Hart ter leen, die Mre. Greyffié voor de novicen gezonden had: »wantquot;, voegde zij er opgetogen bij, »ik ga ze morgen in het koor uitstellen om al de zusters tot die godsvrucht uit te noodigen!quot;

Een glans van verrukking tintte het gelaat van Mar-gareta-Maria: geen verwijt, geen kreet van verbazing

ocr page 132

120

ontsnapte haar, maar het hart juichte! »0 mijn God! de dag is dan gekomen, dat Gij over de weerstrevigsten heerschen zult!quot; Zij haastte zich het verzoek in te willigen, den gelukkigen uitslag in haar gebed en in die der novicen aanbevelende.

's Anderdaags, het feest van 't H. Hart (21 Juni 1(586) vonden de zusters voor het traliewerk van het koor een soort van altaartje met een tapijt overdekt, waarop in een vergulde lijst de afbeelding, omgeven van bloemen.

Daarvoor lag een briefje, door zuster des Escures onderteekend, waarbij al de Bruiden des Heeren werden uitgenoodigd hare hulde te brengen aan het Hart van den Bruidegom. Wie zich eenig geld van zijne bloedverwanten kon verschaffen, werd verzocht bij te dragen tot het doen vervaardigen eener schilderij. Biddend, maar met kloppend hart wachtte Margareta-Maria den uitslag af. Wat zij in stilte juichte, toen de uitnoodiging alge-meenen bijval vond; — toen al de zusters naar huis wilden schrijven om geld; toen alle verzet tegen deze devotie in het klooster door hartelijke ingenomenheid vervangen bleek. Den zusters zeiven ontging deze plot-selijke omkeer evenmin: »dit is Gods werk,quot; zeiden ze tot elkaar; »wèl is Hij de Koning der harten, en zuster Alacoque had gelijk, toen zij verleden jaar uitriep; Hij zal heerschen ondanks Zijne vijanden.quot;

Toch waren er nog enkele stemmen, die eene schilderij van Jezus, Maria en Jozef de voorkeur gaven, maar verre de meesten bleven bij het voorstel van zuster des Escures. 's Avonds deed de novicen-meesteres de haren

ocr page 133

121

het Te Denm bidden uit dankbaarheid en sprak. »na heb ik niets meer te wenschen of te verlangen: het H. Hart wordt gekend en begint in de harten te heerschen. Zorgt gij, beminde zusters, dat Hij voor altoos blijft in uwe harten als Koning en Bruidegom.quot; lt; De dag werd in het noviciaat geëindigd met de eere

boete en andere gebeden om vermeerdering van godsvrucht voor de zusters te vragen.

Xiet lang daarna stortte zuster Alacoque hare onbedwingbare blijdschap uit in een brief aan Mre. Greyflié: »nu kan ik tevreden sterven, want het H. Hart van mijn Zaligmaker begint gekend te worden, en ik ben vergeten. Door Zijne barmhartigheid ben ik in de achting der menschen gedaald tot het laagste punt, hetgeen mij meer troost, dan ik u zeggen kan... Wat een geluk voor mij te zien, hoe onze zusters zich beijveren om het H. Hart te vereeren en lief te hebben ? Zelfs zij, die er eerst iets tegen schenen te hebben, zijn nu de vurigsten geworden.quot;

Doch geheel het huis was er op verbeterd; de regel werd stipter onderhouden, de kloostertucht bloeide meer dan ooit. De koorzusters en novicen ontvingen geld van hare bloedverwanten, en de werkzusters arbeidden met dubbelen ijver in den moestuin om van de grootere opbrengst haar offer bij te dragen voor het H. Hart. Al dat geld werd bij de Overste gebracht voor de schilderij; zij vond het evenwel beter daarmee te wachten, tot men eerst in staat ware eene kapel te laten bouwen. De goddelijke Zaligmaker betuigde Zijne tevredenheid hierover i aan Margareta-Maria en beloofde haar, dat de Overste

ocr page 134

122

ter belooning sterven zou in eene akte van volmaakte liefde.

Op den feestdag van den H. Franciscus van Assisië verrichtte Zuster Alacoque haar gebed, toen de Bruidegom haar den Heilige te zien gaf, bekleed met een gewaad van glanzend licht en verheven boven vele andere Heiligen om zijne gelijkenis met den lijdenden Verlosser. Ter belooning van zijne liefde voor Jezus' bitter lijden, was hij met de teekenen der vijf wonden verheerlijkt en tevens een der teederste vrienden van Jezusquot; Hart geworden. Zij zag, hoe hij door de wonden en het lijden van den Gekruisigde in den hemel den rechtvaardigen God vaak tot barmhartigheid stemt, vooral ten gunste van religieuzen, die hun eersten ijver hebben verloren. Toen de Zaligmaker haar dit alles getoond bad, gaf Hij haar Franciscus tot beschermer en leidsman op den weg van smarten, dien zij nog te bewandelen had.

Deze openbaring van 1 October 1(386 bleef haar levendig bij en deed een voornemen tot rijpheid komen, waarover zij al geruimen tijd had nagedacht. Het was haar immers, of ze nog niets goeds gedaan had, of zij den naam en het kleed van religieuze wel het minst van allen verdiende. Xu echter, nu zij buitenshuis het voorwerp van laster en verguizing was, en daarbinnen zooveel stof tot juichen en danken vond, ging zij er op den vooravond van Allerheiligen toe over, de belofte af te leggen van in alles het volmaaktste te zoeken en te doen. De Overste en haar zielsbestuurder hadden e;1; evenwel de voorwaarde ingelascht, dat deze belofte, welke alleen dienen moest om haar inniger aan Christus te

ocr page 135

123

hechten, niet verplichten zou. wanneer zij aanleiding tot vreeze, angst of twijfel opleverde. Toch sidderde zij weer, toen het oogenblik kwam deze belofte uit te spreken ; zij was in haar geschrift tot zooveel bijzonderheden afgedaald — zou ze niet ontrouw worden ? Wederom klonk het woord des 'Welbeminden geruststellend in hare ziel: »wat vreest ge toch? Heb ik Mij dan niet als borg voor u gesteld ? Indien gij Mij bemint zonder voorbehoud of onderbreken, dan voldoet gij volkomen aan alwat gij hier belooft; Mijne liefde zal uwe tekortkomingen herstellen en er zich over wreken op u.quot; Deze woorden vervulden haar met zooveel vertrouwen en moed, dat zij bekende: »nu vrees ik niets meer ondanks mijne zwakheid, maar durf alles verwachten van Hem, die alles kan!quot;

Ja. Hij kan alles, en op hot gebed Zijner bevoorrechte Bruid weigert Hij niets. Daar meldt eene bode van haren broeder Chrysostomus, den burgemeester van Bois-Sainte-Marie, dat de pastoor dier plaats, hun beider jongere broeder Jacobus, doodelijk ziek ligt. Hij zag of hoorde niet meer en was niet in staat iets in te nemen, zoo vast sloten de tanden op elkaar.

»Ik kan 't niet gelooven,quot; antwoordde zij glimlachend, »maar wacht even.quot; Xa een gebed voor quot;t Allerheiligste kwam zij terug en herhaalde: »neen, zoo erg is het niet: hij zal er niet aan sterven.quot; Zij gaf een middel mee, waarvan zij heilzame uitwerking verwachtte, benevens een brief van hare hand voor den kranke. Met zusterlijke vertrouwelijkheid wekte zij hem daarin op. de plichten van zijn staat volmaakter na te komen. »Eene

ocr page 136

124

persoon, die u liefheeft,quot; schrijft ze verder, »heeft gebeden voor uw herstel en meende, dat haar geantwoord werd: Ik sta het u toe op deze voorwaarde; Ik zal een heilige van hem maken, indien hij wil medewerken met de genade.quot;

Het geneesmiddel werkte gunstig — 't was een gebedje ter eere van 't H. Hart — en de brief droeg de beste vruchten. Binnen acht dagen hervatte de genezene met waarlijk priesterlijken ijver zijne werkzaamheden.

Tegen het einde vaiL,het jaar besloot de Overste aan de familie Vichy-Chamron, wier jongste dochter Marie-Joseph de ledige plaats barer zuster in het klooster eerlang zoude innemen — eenige voldoening te schenken, en Margareta-Maria werd als novicen-meesteresse vervangen door zuster Lévy-Chateaumourand, eene aanverwante der Chamrons. De novicen, die tegelijk met zuster Alacoque het noviciaat verlieten, namen de bewuste afbeelding van 't H. Hart mee tot eene gedachtenis, die haar voortdurend zou troosten en opwekken. Op het portaal van de trap naar den toren vonden zij eene nis en bevestigden daar de dierbare afbeelding. Weldra was dit plekje in een verlaten hoek van 't huis in eene bidplaats veranderd, want zuster des Escures bracht er alle versierselen bij, die ze vinden kon, en .de de andere zusters kwamen, zoowel als Margareta-Maria, gaarne een oogenblik knielen in deze kleine, maar eerste kapel.

ocr page 137

Se Bruidegom komt.

Y,- .'.Vr.'a^y

i'lM/f: et nieuwe jaar 1(187 vond Margareta-Maria weer als medehulp van de ziekenzuster, Catharina ^ Marest. Viel deze bediening haar moeielijk, als j vroeger, en ontving zij menige berisping, onderdanig en gehoorzaam bleef ze, en vroeg geene verandering, al bleek zij voor dezen post onbekwaam. Van de ziekenzaal keerde zij terug in de school als meesteres der kostkinderen. Daar was hare grootste zorg de liefde tot Jezus Christus in de jeugdige harten te ontsteken door woorden en door voorbeelden van geduld het meest. Toen werd zij een tweede maal met de fijt bezocht, en weken lang zat zij den ganschen nacht bij het vuur, want slapen kon ze niet, om hare grievende pijn te verzachten. Hieraan, niet aan haar klagen, bespeurden de kinderen, dat zij leed, en de Overste werd

ocr page 138

126

gewaarschuwd. De geneesheer kwam en behandelde hare fijt; doch als hij zag, hoe zij het betasten, verbinden en opensnijden van den vinger verdroeg zonder een kreet, of een zucht, of zelfs eene trilling der ledematen, kon hij zich niet weerhouden den aanwezigen toe te fluisteren : »'t is wel gelukkig, als men zoo heilig is.quot; Maar geheel haar toestand teekent zij zelf in een brief van die dagen aan moeder Greyffié.

»Ik ben zoo gelukkig, dat ik van den kant der schepselen geen anderen troost of voldoening ontvang dan vernedering en lijden; nooit heb ik deze beide in zulken overvloed gehad als nu. Dit zij in het voorbijgaan gezegd om u op te wekken het H. Hart voor mij te bedanken, en te bidden, dat ik een goed gebruik moge maken van dezen kostbaren schat.quot;

Deed zij dit niet? Vanwaar dan die telkens weder-keerende gunsten van den Bruidegom als zoovele lichtpunten in haar, volgens de taal der wereld, vreugdeloos leven; opbeurende, verkwikkende zonnestralen in hare duisternissen van vernedering, mistroostigheid en smart?

Zie, op Góeden-Vrijdag ligt zij te weenen voor het verlaten Tabernakel, omdat zij niet naderen mocht tot de H. Tafel. »Mag ik U niet bezitten, Heer,quot; verzucht zij, »ik zal toch niet ophouden TJ te verlangen!quot; En gelijk weleer Magdalena bij het ledige graf, voelt Mar-gareta-Maria zich overstroomen door de vreugde van Jezus' tegenwoordigheid, en hoort Hem de ontboezeming van liefde herhalen, welke vroeger reeds eene ïeresia vernomen had: »Dochter, uw verlangen treft mijn Hart zoozeer, dat ik alleen om uw voedsel te zijn het H.

ocr page 139

127

Sacrament zoude instellen, indien Ik het nog niet had gedaan.quot;

Niet lang daarna — ze was immers de speelbal des duivels niet, maar van Gods liefde — sprak dezelfde stem: gt;Ik zal u zoo nietig, zoo arm en gering maken in uwe eigene oogen, dat geen besef van eigenwaarde Mij belet in u mijn werk te voltooien.quot; Dit woord maakte den diepsten indruk op haar gemoed, en zij getuigde: »geen smarten der hel vreesde ik zoo zeer als den lof der menschen. Deze stort een bedekt vergif in de ziel en doet ze langzamerhand sterven, indien God in zijne goedheid het geneesmiddel der vernedering niet aanwendt.quot;

Daarom was hare verheffing tot Assistente, die in Mei 1087 volgde, haar zoo pijnlijk, dat zij alle pogingen in het werk stelde om van deze waardigheid verschoond te blijven; haar brief aan den biechtvader openbaart haar inwendig lijden duidelijk genoeg. »Ik had gedacht u niet te kunnen schrijven, want zooals ik nu ben, zou ik alleen de woorden des Zaligmakers willen herhalen: mijne ziel is bedroefd tot den dood! of die andere: God, mijn God, waarom hebt ge mij verlaten!quot;

Het scheen zelfs, dat de booze geest macht over haar ontvangen had, want terwijl zij in het uur van ontspanning met de andere zusters te zamen was, zag men tot driemalen achtereen den stoel onder haar uittrekken en haar op den grond vallen. »Daar speelt de duivel mee!quot; riep zuster Lyonne — welker getuigenis hieromtrent benevens dat van nog twee, die er bij waren, in een der processtukken voorkomt — doch zuster Alacoque ant-

ocr page 140

128

woordde met een enkelen glimlach en vatte haar stoel weder op.

Deze pogingen des duivels en 't inwendig lijden, dat haar gedurig kwijnende hield, waren echter de voorboden van nieuwen troost.

Eerst schreef haar pater Gette, dat hij een onweer-staanbaren aandrang had gevoeld om eiken eersten rij-dag der maand de H. Mis voor haar op te dragen; gehoor gevend aan die stem, was hij begonnen en zou er mede voortgaan, dewijl hij bekennen moest, nooit zoo groote gunsten als sinds dien tijd ontvangen te hebben, Doch weinige maanden later verleende God haar een troost, als zij nog nooit had gesmaakt. Op het patroonfeest der Congregratie, 2 Juli 1688, lag zij voor het H. Sacrament neergeknield, toen op eens voor haar verbaasden blik een troon van vlammen rees, die het doorwonde Hart van Jezus droeg en een krans van zuo heldere stralen, dat de ruimte rondom schitterend werd verlicht. Ter rechterzijde stond de H. Maagd Maria, ter andere de H. Franciscus de Sales met P. de la Colom-bière; beneden voor den troon de religieuzen der A isita-tie, elk van haar goeden engel vergezeld. De moeder des Heeren begon: »Komt, mijne welbeminde dochters, nadert hier en ziet den goddelijken schat, u bijzonder geopenbaard, om de teedere liefde, die mijn Zoon uwe Congregatie toedraagt. Hij wil, dat gij er u zeiven niet alleen mede verrijkt, maar met volle handen uit dezen onuitputtelijken overvloed aan anderen meedeelt om allen

') Lettre 83 de la Bienheureuse Marguerite-Marie.

ocr page 141

129

rijk te maken, zonder vreeze dat gij dien ooit zult uitputten.quot; Daarop wendde zich onze goede Moeder tot P. de la Colombière en sprak : »en gij, trouwe dienaar van mijn goddelijken Zoon, gij hebt recht op een groot aandeel in dien schat; want behoort het bij de zusters der Visitatie hem te doen kennen en uit te deelen, — den paters dei-Sociëteit van Jezus is het tot taak gesteld er het nut en de waarde van te verkondigen, opdat hij alom ontvangen worde met eerbied en dankbaarheid. Naarmate zij aan deze taak met ijver zullen werken, zal liet goddelijke Hart als eene milde bron overvloedig zegeningen en genaden nederstorten over hunne geestelijke bediening; hun arbeid zal honderdvoudige, onverhoopte vruchten dragen, niet alleen voor het heil des naasten, maar ook voor hun eigen voortgang op de wegen der deugd.quot;

De medezusters van Margareta-Maria droegen geen kennis van dit visioen. Niettemin ijverden zij onder de goede zorgen der overste en de hulp van moeder de Saumaise van Dijon, voor de vervaardiging der schilderij van het H. Hart naar de bestaande afbeelding en tegelijk voor den opbouw der kapel in den tuin. Weldra was deze voltooid, en de 7de September 1688 werd bepaald voor de plechtige inzegening. Geheel de geestelijkheid van Paray-le-Monial en omstreken vereenigde zich in de parochiekerk en schaarde zich daar in optocht naar de nieuwe kapel, waar de eerste plechtigheden twee uren duurden. Het mede binnengedrongen volk wijdde schier alle aandacht aan zuster Alacoque — bij velen enkel als »de heiligequot; bekend — die onbewegelijk zat, als had zij geen oog voor hetgeen •er plaats greep. Na den afloop bleven enkele personen achter

9

ocr page 142

130

om zuster Alacoque, als zij opstond, een woord toe te spreken. Dan, of het wachten hun te lang viel, of dat de ingetogenheid der in het gebed verslondene te veel eerbied wekte, zij gingen heen en lieten de zuster alleen achter. Bad zij wellicht haar nunc dimittis: laat nu, o Heer, uwe dienares in vrede sterven ? Als zij voor twee jaren reeds zoo schreef, toen de zusters voor de eerste maal hare hulde brachten aan het hart van den Bruidegom, wat moet er op 7 September 1688 zijn omgegaan in hare ziel, toen Zijn eerste heiligdom plechtig was ingewijd? Toen juichtte zij in haar ootmoed: »Ik alleen ben een beletsel, o God, voor de vestiging van Uw rijk in de harten!

Sinds had zij den troost eiken eersten Vrijdag der maand al de leden des huizes in dubbele rij geschaard, onder het bidden der litanie van het H. Hart, naar de nieuwe kapel te zien trekken om daar de akte van eereboete en toewijding te herhalen. Het kan niemand bevreemding wekken, dat deze kapel een geliefkoosd plekje van Margareta-Maria werd; dat zij uren achtereen er kon danken en bidden, doch er tevens met bovennatuurlijke verschijningen begunstigd werd. Zoo schreef zij den 29sten Februari 1689 aan Mre. de Saumaise; »Ik hoop, dat het goddelijk Hart eene overvloedige bron van barmhartigheid en genaden zal blijken, zooals Hij zelf beloofd heeft0 aan P. de la Colombière op diens feestdag, 15 Februari, — ik bedoel zijn sterfdag — dien ik in onze nieuwe kapel was gaan vieren, van tien uren 's morgens tot na den middag vier; natuurlijk met bijzonder verlo , omdat ik toch niets doen kon van de pijnen, die mij sinds zes weken niet verlaten hebben.

ocr page 143

131

Vernam zij dien eigen dag in eene openbaring, dat P. de la Colombière voor de Sociëteit van Jezus de bijzondere gunsten en voorrechten verkregen had, welke aan de godsvrucht tot het H. Hart verbonden zijn, met de belofte, dat Jezus Zijne zegeningen in overvloedige mildheid zoude uitstorten over den arbeid der paters en over de zielen, aan wier heil ze werken ? »Mij dunkt,quot; gaat zij voort, »het heilig Hart verlangt we), met groote vurigheid door die paters vooral gekend, bemind en aanbeden te worden, daar Hij hun, indien ik mij niet bedrieg, belooft de zalving Zijner goddelijke liefde aan-hun woord te geven en het door Zijne genaden zoo machtig en sterk te maken, dat het als een tweesnijdend zwaard de harten der versteendste zondaars doordringt en er de tranen van boetvaardigheid aan ontweldigt, die de zielen zuiveren en heilig maken. Doch daartoe is het noodig, dat zij al hunne wetenschap putten uit de eindelooze bron van de wetenschap en de liefde der heiligen.quot;

Deze openbaring moest Margareta-Maria van het hart, moest den paters zeiven bekend gemaakt. »Waarom kan ik niet aan de geheele wereld verkondigen, wat ik van deze beminnelijke godsvrucht weet? zoo schrijft ze aan P. Rolin: »pater, ik bezweer het u, stel toch alle krachten in 't werk om deze devotie overal te verspreiden! Jezus Christus heeft mij onbetwijfelbaar duidelijk doen zien, dat Hij vooral door de medewerking der paters van de Sociëteit deze godsvrucht wilde vestigen en zich daardoor een aantal getrouwe dienaars, volmaakte vrienden en dankbare kinderen winnen. Ik ken in het gees-

ocr page 144

132

telijk leven geene oefening meer geschikt om eene ziel in korten tijd tot de hoogste heiligheid op te voeren en haar de ware zoetheid te doen smaken, die men vindt in den dienst van God. Ja, ik ben er van overtuigd, indien men wist, hoe aangenaam deze godsvrucht aan Jezus Christus is, dan werd er geen Christen gevonden, die hoe weinig liefde hij voor den Zaligmaker gevoelt, ze niet aanstonds zou beoefenen.

»Zorg, dat de aan God gewijde personen ze omhelzen, want zij zullen er zooveel vrucht uit trekken, dat er geen ander middel noodig is om den eersten ijver in de minst geregelde kloostergemeenten te herstellen, ') en om hen, die in stipte onderhouding der regelen leven, tot de hoogste volmaaktheid te brengen. 2)

Mijn goddelijke Zaligmaker heeft mij te kennen gegeven, dat zij, die aan het heil der zielen werken, de kunst zullen verstaan, om de versteendste harten te raken: hun arbeid zal met een verwonderlijken uitslag worden beloond, indien zij zeiven doordrongen zijn van een teedere godsvrucht voor Zijn goddelijk Hart.quot; 3) Een der sprekendste bewijzen hiervoor was de brief

') Van de twaalf verspreide beloften luidt de zevende: de lauwe, zielen zullen vurig worden] en spreekt zij hier bijzonder van religieuzen, eenige regelen vroeger had zij immers in denzelfden brief geschreven: ik weet niet dat er oenige oefening van godsvrucht in't geestelijke leven bestaat, die meer geschikt is om eene ziel in korten tijd tot de hoogste volmaaktheid te voeren.

-) Achtste belofte: de vurige zielen zullen snellen voortgang maken inde volmaakthei L

:') De tiende belofte zegt: Ik zal aan de priesters de gave schenken öm de ver stokt ste harten te treffen. Volgens Margareta-Maria geldt dit voor allen, die aan het heil der zielen werken.

ocr page 145

133

van P. Grette, die eerst de kleine getijden van 't H. Hart had opgesteld en daarna Margareta-Maria berichtte, dat hij voortaan, zoolang zij leefde, eiken Vrijdag de H. mis voor haar lezen zou. »De heerlijkste gunstenquot;, schreef hij, »beloonen dezen liefdedienst.quot; ^1)

Wat de mensohen in de wereld betreft, zij zullen door deze beminnelijke godsvrucht al de hulp vinden, die die zij in hun staat behoeven, 2) te weten: den vrede in hun huisgezin, de verkwikking in hun arbeid, de zegeningen des hemels over al hunne ondernemingen, vertroosting in hunne rampen. Juist in dit heilig Hart zullen zij een toevlucht pinden gedurende heel hun leven en voornamelijk in het uur des doods 3)

»Wat is het zoet te sterven, wanneer men het Hart van hem, die ons oordeelen moet, getrouw heeft vereerdquot; ! Zeker is het zichtbaar, dat alwie Jezus Christus eene dankbare liefde toedraagt, gelijk de vereering van Zijn Goddelijk Hart bedoelt, de reinste zegeningen des hemels zal ontvangen.quot;

De 83ste brief der verzameling, onder dagteekening van Mei 1688 aan Mre. de Saumaise gericht, bevat ondermeer deze regelen: »Het goddelijk Hart ontdekt mij

') Lettre 84.

2) Eerste belofte: Ik zal hun al de genade schenken, die zij in hun staat behoeven.

3) In clenzelfden brief, door de Zalige in 1689 aan P. Rolin geschreven, den 134sten der verzameling, komen nog bijna woordelijk de volgende beloften voor. De tweede: Ik zal vrede brengen in hun huisgezin; Ik zal ocervloedigen zegen uitstorten over al hunne ondernemingen, is de vijfde: IA; zal hen vertroosten in al hunne kwellingen, de derde, en de vierde :J/c2!aZ/mn eene veilige sehuilplaats ivezen gedurende het leven en vooral in het uur des doods.

ocr page 146

134

schatten van liefde en genade voor hen, die er zich met hart en ziel op zullen toeleggen tot eiken prijs Hem de meest mogelijke eer, liefde en glorie te bewijzen en door anderen te doen brengen, maar zoo groote schatten, dat ik er niets anders van zeggen kan, dan dat gij en uw huis gelukkig zijt, omdat gij er overvloedig deel aan hebt.

»Op een Vrijdag onder de H. Communie sprak hij deze woorden tot zijne onwaardige slavin, indien zij zich niet bedriegt: »Ik beloof u in de overmaat der goedheid van Mijn Hart, dat Mijne alvermogende liefde aan allen, die negen achtereenvolgende maanden op den eersten Vrijdag tot de H. Tafel zullen naderen, de genade zal ver-leenen der boetvaardigheid in het sterfuur, zoodat zij in mijne ongenade niet zullen sterven, maar hunne heilige Sacramenten zullen ontvangen en in dat laatste uur eene veilige wijkplaats vinden in mijn Hart.quot; ^1)

') 12de of groote belofte.

De zesde belofte: de zondaars zullen in mijn hart de bron en den onuit-puttelijken oceaan der 'barmhartigheid vinden, staat niet in dezen vorm in de verzamelde brieven der Zalige, doch meermalen komt de zin harer woorden er op neer. Zoo schrijft zij in den 94sten brief: „Dit goddelijk Hart is als eene versterking en een veilig schuiloord voor alle arme zondaars, welke daarheen zullen vluchten om te ontgaan de goddelijke rechtvaardigheid, die in billyken toorn, als een onbedwingbare stroom, de zondaars overstelpen zou met hunne zonden, die de goddelijke gramschap tergen.quot;

Eindelijk de elfde belofte: de namen van hen, welke deze devotie zullen verspreiden, staan in mijn hart geschreven en worden er nooit uitgewischt, komt voor in een brief aan Mre Greyffió van Januari 1686, doch in meer beperkten vorm; daar luidt zij: „het schijnt mij, dat Hij me heeft doen zien, dat meerdere namen in Zijn Hart geschreven staan, ter.oorzake van het verlangen, dat zij hebben om Hem te doen vereeren, en dat Hij nooit gedoogen zou, dat zij worden uitgewischt. Doch deze beperking wordt weggenomen door de telkens herhaalde stellige belofte, dat allen, die zich aan 't heilig Hart hebben toegewijd, nooit verloren zullen gaan. Vg. Brief 33 aan Mre. Saumaise.

ocr page 147

135

Al deze beloften bleken met hun smeekenden aandrang als zoovele kreten van dorst naar de liefde der menschen. »Ik verteer van een gloeienden dorst,'quot; had de Heer zijne Bruid gezegd, »door de menschen bemind te worden in het H. Sacrament, en ik vind bijna niemand, die zich beijvert mij naar mijn wensch te lav™ door eenig blijk van wederliefde.quot;

Tvvijfele nu wien het lust aan de ongekunstelde doch stellig uitgesprokene en waarachtig gemeende verzekeringen van zuster Alacoque nopens de vereering van het H. Hart; de toon waarop, de gelegenheid waarin, en de personen aan wie zij schrijft, bieden naar onze meening vasten grond genoeg om althans de proef te nemen en bij eigen ervaring te leeren, of zij — hoe onschuldig dan ook — zichzelve en ons bedrogen heeft. Haar broeders hadden deze proef genomen en, ten bewijze immers van de gunstige gevolgen, deed de burgemeester van Bois-Sainte-Marie aldaar eene kapel bouwen ter eere van 't H. Hart, waarvoor hij eene schilderij besteld had gelijk aan die van Paray-le-Monial. De genezen pastoor stichtte er eene vaste Mis op de'Vrijdagen, die hij lederen eersten Vrijdag der maand zich zeiven voorbehield te zingen.

Was dit blijk van dankbaarheid misschien opgedrongen of uitgelokt door den zusterlijken invloed van Mar-gareta-Maria ? »jSTeen!quot; schrijft ze bepaald aan Mre. de Saumaise, »ik had er hun geen woord van gesproken, hoe gaarne ik het ook had willen doen, maar ik had liever, dat het van henzelven uitging.quot; »Gij kunt niet geloovenquot;, zoo vervolgt zij in dien brief, »wat deze familie

ocr page 148

136

door de godsvrucht van het H. Hart veranderd is. Zij hebben mij verzekerd bereid te zijn tot den laatsten druppel van hun bloed te geven om deze heilige godsvrucht staande te houden en uit te breiden.quot;

Zoo spreken geen menschen in de wereld, die hunne verlangens of proefnemingen teleurgesteld zien.

Sinds de zusters van Paray het H. Hart des Verlossers hadden leeren kennen, liefhebben en vereeren, steeg hare achting voor Margareta-Maria met den dag. Zij raadpleegden haar in moeielijkheden, en bij menigeen vestigde zich allengs de overtuiging, dat zij eene uitmuntende Overste zou wezen. Het zesjarig bestuur van Moeder Melin liep ten einde, en weldra twijfelde niemand meer, of zuster Alacoque zou haar in de maand Mei met algemeene stemmen vervangen.

Op Witten Donderdag, 23 Maart 1690, bood de goddelijke Zaligmaker haar een kruis, dat zij aannam zonder de beteekenis er van te raden. Doch toen zij zich onderworpen en opgeofferd had, vernam zij, dat bij de volgende keuze haar naam op het stembriefje moest komen. In het hart gewond, beklaagde zij zich hierover bij den Bruidegom en vroeg: »is het mogelijk, o mijn God! zoudt Gij toelaten, dat een schepsel als ik aan het hoofd des kloosters wierd gesteld? Och, ik smeek IJ, neem dat kruis van mij weg; ik onderwerp mij aan ieder ander.quot;

De Bruidegom gaf toe aan haar verlangen, en zuster de Levy-Chateau-Morand, de novicen-meesteres, werd gekozen. Deze wilde zuster Alacoque in hare bediening van Assistente behouden, doch zoodra zij dit vernam.

ocr page 149

137

bad zij de nieuwe Overste haar toch te ontslaan. Dit mishaagde evenwel aan den Zaligmaker. In het avondgebed berispte Hij zijne Bruid hierover en sprak: »Hoe, Mijne dochter, Ik heb uw wil gedaan, en de liefde tot Mij zal u niet helpen om u zelve te overwinnen ?quot; Dier; eigen avond nog bad zij de Overste om vergeving, zich bereid verklarende tot alles, wat zij van haar verlangen zou. Dus bleef zij Assistente, maar tevens de vertrouwde vriendin zoo van overste als zusters, welke laatsten de toestemming bekwamen haren raad in te winnen, wanneer zij dien behoefden. Dan sprak zij zoo overtuigend en wegsleepend over God, dat de minst ijverigen zich gedwongen voelden Hem te beminnen. Gods liefde en de onderwerping aan Zijn welbehagen noemde zij de zekerste middelen om tot heiligheid te komen; andere stoffen roerde zij niet aan.

Toen zij de nieuwe Overste verzocht om, volgens gewoonte den nacht van Donderdag op Vrijdag in het gebed te doorwaken, ontving zij uithoofde harer zwakte en gedurige ziekelijkheid eene weigering. De Moeder verbood haar bovendien alle andere uiterlijke boetple-gingen, meenende — en te recht — dat zij ze niet kon dragen.

»Wel nu,quot; hernam ze met voorbeeldige onderwerping, »onze Heer wilde het van mij, doch indien de gehoorzaamheid het afkeurt, heb ik er vrede mee.

Dit antwoord stichtte de Overste, die gevreesd had dat zij er aan gehecht zou blijken. Doch toen zij bovendien de eenvoudige oprechtheid zag, waarmee deze begunstigde bruid des Heeren haar den toestand heurer

ocr page 150

138

ziel blootlei, toen geloofde zij meer dan ooit aan de hechte deugd van zuster Alacoque.

Deze kwam evenwel tot een geheel ander besluit: »nu leef ik niet lang meer,quot; zeide ze schertsend, »ik heb niets meer te lijden; onze moeder draagt te veel zorg voor me.quot; En tot een andere zuster: »Ik stierf zeker van dit jaar, want ik lijd niet meer, en mijn leven belet de vruchten, welke een boek over de vereering van het H. Hart kan voortbrengen.quot;

Had pater Croiset haar kennis gegeven van zijn werk over die godsvrucht, dat hij onder handen had, en eerst een jaar na haar dood in het licht gaf? Dan verklaart ons hare nederigheid genoegzaam, hoe ongaarne ze die uitgave beleven zou; hare liefde, hoe zij verlangen moest, dat het gekend en gelezen werd. Om het even hoe zij t wist, zuster Alacoque hield vol, dat zij niet lang meer leven zou. Daarom verzocht zij up haar 43sten verjaardag, 22 Juli 1690, eene geestelijke afzondering te houden van veertig dagen. Het werd haar toegestaan op voorwaarde, dat zij hare bediening van Assistente bleef waarnemen en niets meer deed dan haar nu was toegelaten. Zij begon dan zichzelve af te vragen, hoe zij aan dat verlangen kwam naar den dood, een verlangen, dat haar moest misstaan; en zij kwam tot het besluit deze vreugde en blijdschap te laten voor vurige en heilige zielen, welke eene groote belooning te wachten hebben. Zij schreef aan P. JRolin:

'Ik weet niet, wat ik denken moet van mijn toestand Tot nog toe was ik onophoudelijk gekweld door drie allerhevigste verlangens, die mij geen rust lieten en

ocr page 151

139

ggti gedurig lijdon veroorzüiikten. Het wcis een \erlcingen ■ ■ '■ Jezus Christus met volmaakte liefde te beminnen, uit liefde voor Hem veel te lijden, en in den gloed dezer liefde te sterven; en nu verlang ik tot mijne verbazing niets meer. Ik vrees, dat deze schijnbare vrede een gevolg is van de rust, waarin God somtijds de ongetrouwe zielen laat, en ik huiver bij de gedachte, dat mijne groote ongetrouwheid aan de genade mij dezen toestand veroorzaakt heeft, die wellicht een teeken mijner verwerping is. Want ik verklaar u niets meer te willen of te wenschen op de wereld, dewijl ik zie, dat alle deugd mij ontbreekt. Somwijlen zou ik er mij over willen bedroeven, doch dit kan ik evenmin. Ik gevoel niets dan eene volkomene berusting in den wil Gods en eene groote vreugde in mijne smarten. De eenige gedachte, die mij nu en dan opbeurt, is, dat het H. Hait \an Jezus, zoo ik Hem laat begaan, alles voor mij doen zal. Hij zal voor mij verlangen, voor mij beminnen en aanvullen, wat er aan mij ontbreekt.quot;'

P. Eolin schreef haar, zoover wij weten, niet meer terug, maar later dorst hij, wien zij het binnenste barer ziel zoo menigmaal geopenbaard had, zonder schroom voor overdrijving schriftelijk verklaren; »Zij was zeer getrouw aan God; wat Hij haar vroeg, hoe pijnlijk het offer ware, weigerde zij nooit. Waarlijk verstorven, vond zij in het lijden genot. Nooit heb ik iemand gekend ootmoediger, liefderijker of meer met God vereenigd dan zij, en hare gehoorzaamheid bereikte het toppunt.quot; Toen in de maand October haar beurt kwam om in de jaar-lijksche afzondering te gaan, was zij al ongesteld. »Hoe

ocr page 152

140

zal dat gaan?quot; vroeg haar eene zuster. »Goedquot;, antwoordde zij, »maar 't zal eene groote worden.quot;

Begreep men haar niet, Margareta-Maria wist, dat zij zich ging voorbereiden op de komst van den Bruidegom en hare versierde en gevulde lamp gereed moest houden. Den 8sten October begaf zij zich te bed; dokter Billet kwam haar bezoeken. Hij droeg haar de grootste achting toe; in hare vroegere ziekten had hij den Oversten zoo dikwijls gezegd: »die kwaal komt voort uit liefde tot God, daar hebben wij geen kruiden voorquot;; nu verklaarde hij, dat het niets ernstigs was. Toch stond zuster Alacoque niet op en hield vol, dat zij aan deze krankte sterven zou. »Weet u welquot; bracht hier de ziekenzuster tegen in, »dat de dokter juist het tegendeel beweert?quot;

»0!quot; hernam zij met een glimlach, s't is beter, dat een leek op een leugen wordt betrapt dan eene religieuze.quot; Weinige dagen hierna wilde zij de H. Teerspijze ontvangen ; »Dat mag niet, zuster, u is niet in gevaar.quot;— »Laat me dan,' bad ze, »de H. Communie brengen, ik ben nog nuchter.quot; Deze bede werd voldaan, en de kranke omhelsde den verborgen Bruidegom als haar reisgenoot, want zij wist, het zou de laatste maal zijn hier beneden. Immers zij leed de hevigste smarten, men zag het haar aan, maar de geneesheer vond niets zorgwekkends in dien toestand, zij was immers altoos lijdende, vermagerd en bleek.

— »Kan ik iets voor u doen om uwe smarten te verlichten?quot; vroeg de zuster.

— »Xeen, de oogenblikken, die mij nog te leven over-

ocr page 153

141

blijven, zijn te kort om ze te vervvaarloozen. Ik lijd, maar het lijden is zoo zoet; quot;t is zoo'n troost op het kruis te sterven!quot;

Al wie haar bezochten, stonden verbaasd over de kalme blijdschap, waarmee zij den dood te gemoet zag: bij wijlen betuigde zij, indien het Gods welbehagen was, bereid te zijn niet te sterven, en hare smarten te rekken tot den laatsten oordeelsdag. Dan op eens werd haar moed op de hevigste proef gesteld. De gedachte aan Gods oordeelen vervulde haar met siddering en vrees. Zij wrong haar kruisbeeld in de vingeren en drukte het onstuimig tegen hare borst, gedurig zuchtende: »barmhartigheid, mijn God! barmhartigheid!quot;

Niet lang daarna verhelderde haar blik, een blos van zalige blijdschap kleurde hare bleeke wangen, en zij riep uit: »de barmhartigheid des Heeren zal ik in eeuwigheid zingen! Wat is mij de hemel, en wat verlang ik op aarde, mijn God, buiten ü?quot;

Toen de dokter 's anderendaags wederkwam, vond hij ze buitengewoon zwak en benauwd.

Men sprak van de laatste H.H. Sacramenten. »Als het morgen niet beter is, kunnen wij zien. Maar het liggen benauwt haar, ze moet zitten in bed!quot; besloot de man der wetenschap; en toen zuster Rosalie Ver-chère en Péronne de Farges haar ondersteunden, zoodat zij in zittende houding bleef, verliet hij de ziekenzaal. De kranke lag niet onder het bereik der kunst.

- »Hoe gelukkig lquot; fluisterde zij Sr. de Farges in »dat ik in de voorbaat geweest ben; ik dacht wel, dat ze mij niet zoo ziek zouden gelooven; door Gods goedheid heb ik

ocr page 154

142

in de laatste Communie Ons-Heer bij wijze van Teerspijze ontvangen.quot;

— »0!quot; begon ze weer, »ik brand, ik brand van binnen! Wat een troost, indien het van liefde was! Maar ik heb mijn God nooit volmaakt bemind. Vraagt gij, zusters, Hem vergiffenis voor me en bemint Hem uit geheel uw hart om al die oogenblikkon te vergoeden, dat ik het niet gedaan heb. God beminnen, wat een geluk! o bemint Hem, bemint Hem!quot;

— »Zou het nog lang duren ?quot; hervatte zij na een poos.

— »De dokter ziet nog geen gevaar, zoo het schijnt.quot;

— »Heer!quot; riep zij toen, »wanneer komt Gij me halen uit dit ballingsoord? Ad te levaoi or.ulos meos: tot U heb ik mijn oogen opgeheven! Laetatus sum in his quae, dicta sunt nühi: ik ben verblijd, ja, door de goedheid van Jezus' Hart, hoop ik in te gaan in het huis des Heeren!quot;

Toen verzocht zij de aanwezige zusters de litanie van 't H. Hart te bidden en die van de Moeder Gods, dat zij haar voorspraak mocht wezen in het laatste uur. Den H. Franciscus de Sales, den engelbewaarder en St. Jozef moesten zij voor haar aanroepen om hulp.

Aan eene trilling, die door hare leden voer, meende de ziekenzuster, des Claines, dat haar doodstrijd begon. Zij ging de moeder roepen.

— »Och, 'tis nog zoo ver niet,quot; zei een andere; maaide kranke fluisterde: »Laat ze begaan, 't is tijd!quot;

De overste kwam en wilde den dokter doen ontbieden.

— «Moeder, »sprak de zieke,quot; ik heb niets meer noodig dan God en het Hart van mijn Verlosser om mij te ver-

ocr page 155

143

bergen. Maar beloof mij hier — vervolgde zij zachter — beloof mij, bid ik u, dat gij nooit zult spreken over iets, van hetgeen ik u in vertrouwen heb meegedeeld.quot;

De moeder gaf haar woord, en al de zusters kwamen op de zaal. ïoen riep zij zuster Péronne de Farges: »schrijf aanstonds aan P. Eolin met dringend verzoek mijne brieven te verbranden en het geheim, dat ik hem zoo dikwijls gevraagd heb. te bewaren. Nu is het tijd, Moeder, voor het heilig Oliesel.quot; De priester kwam en diende 't haar toe. Bij de vierde zalving opende zij nog eens de lippen, en »Jezus!quot; was haar laatste zucht,

't Was acht uren in den avond van 17 October 1690. Zuster Margareta-Maria Alacoque had drie en veertig jaren, waarvan negentien in het klooster, geleefd.

Het offer was ten einde, de zoete geur van den wierook bleef het heiligdom vervullen.

De zusters weenden: een heilige was van haar heengegaan, die lang miskend en verongelijkt, nooit op hare volle waarde was geschat. Nu hadden zij gezien, hoe zoet het sterven is, voor de vereerders van 't aanbiddelijk Hart van Jezus: Margareta-Maria zou hare voorspraak wezen om Hem te vereeren, gelijk zij 't had gedaan.

Margareta-Maria had de taak, haar door den hemel-schen Bruidegom opgelegd, ondanks alle bezwaren volbracht. Eene bijzondere vereering van 't aanbiddelijk Hart des Verlossers, brandende van liefde voor den mensch, was op haar voorbeeld begonnen, door haar woord en

ocr page 156

144

schriften voortgezet, en breidde zich uit. De hulp van boven was zichtbaar. Menschenwerk houdt geen stand, wat van God is, trotseert de tegenwerking der menschen, den duur der tijden en overwint. »Het hart van Jezus zal heerschen!quot; had ze meer dan eens voorspeld.

Toen de zaak harer zaligverklaring was ingeleid, moesten — zoo eischen de wetten der Kerk — hare brieven nauwkeurig worden onderzocht. Al de grondregelen, die zij voor de nieuwelingen des kloosters had opgesteld; al de brieven, waarin zij hare afwezige medereligieuzen en vooral de haar door Jezus Christus aangeduide medewerkers, de paters der Sociëteit van Jezus, had opgewekt tot vereering van het aanbiddelijk Hart onzes Heeren en tot verspreiding dezer bevoorrechte devotie; al de openbaringen, welke zij op last harer zielbestuurders had neergeschreven, en waarin zij, deels om den wil baars Bruidegoms, zoowel als den drang van haar eigen minnend hart te voldoen, deels uit gehoorzaamheid aan hare biechtvaders, de drijfveeren van haar apostolaat had blootgelegd, kwamen nu onder het oog van strenge godgeleerden en onmeedoogende beoordeelaars. Het gold toch niet maar éen enkel geloofspunt: van 't geheim der menschwording af tot de leer der genade en de uiteenloopende toestanden eener God minnende ziel toe, raakten de geschriften dezer ongeleerde kloosterzuster de teerste en moeilijkste punten der gewijde wetenschap. F. Bartoleschi, de pleitbezorger van het Consistorie, getuigt aan het eind van zijn verslag: gt;;Ik ben uitvoeriger geweest dan anders, want veler zaak heb ik behandeld, doch voor het pleit der Eerbiedwaardige

ocr page 157

145

Margareta-Maria moest ik bijna al de diepten der heilige godgeleerdheid doorvorschen.quot;

De uitslag was evenwel gunstig. Geen enkel woord viel in hare geschriften en brieven aan te wijzen eeni-germate in strijd met de gezonde en zuivere leer der Katholieke Kerk, en den 22sten September 1827 berichtten de kardinalen, met het onderzoek harer werken belast, aan Paus Leo XII, dat er in deze geschriften geen beletsel was om het proces der zaligverklaring door te zetten. Aan deze goed onderzochte en woord voor woord gewikte en gewogen geschriften van Margareta-Maria zijn, gelijk vroeger bleek, de twaalf beloften ontleend, die sinds jaren in alle talen der wereld den naklank harer prediking bewaren. De meesten heeft P. Croiset reeds bijeen geteld in zijn boekje over het H. Hart, waar de gelukzalige zoo vurig naar verlangde, doch dat eerst na haren dood tusschen 1691 en '93 in 't licht kwam. Langzamerhand zijn ze tot een twaalftal gebracht, ofschoon er in de brieven van Margareta-Maria nog andere voor de hand liggen; zelfs in de laatste jaren heeft de bisschop van Autun de verspreiding eeniger daaruit getrokken beloften goedgekeurd, waarbij deze uit den 82sten brief: »Schatten van genaden en liefde zijn weggelegd voor hen, die zich geheel en al toewijden aan de vereering van het H. Hart,quot; en eene, welke in vier brieven terugkomt : »Zij die zich opdragen en toewijden aan dit Goddelijk Hart, zullen nooit verloren gaan.quot;

10

ocr page 158

2)rie tijdgenooten.

nder het schetsen van Margareta-Maria's beeld als de Bruid des Konings bij uitstek, zagen wij hare oversten, medezusters, novicen en leer-'i'' lingen, doch alleen terloops, als in 't voorbijgaan.

i De hoofdfiguur vroeg al onze aandacht en onverdeeld. Toch scheen het wel, dat er in hetzelfde Paray nog andere bloemen geurden, welke nauwkeuriger beschouwing en bewondering verdienden.

Een drietal beknopte levensschetsen van religieuzen, die langer of korter tijd met de^zalige Margareta-Maria onder een dak hebben geleefd, laten wij hier — gelijk vroeger in de Maandrozen — volgen. Het liefelijk beeld van de bruid des Konings moge er te boter door uitkomen.

Zij, die de eerste vertrouwde werd van Margareta-Maria's openbaringen, was hare eerste overste:

ocr page 159

147

MAEIE-FRANgOISE DE SAUMAISE.

\ an hare vroegste jeugd droeg zij het zoete juk des Heeren. In het jaar 1621 te Dijon uit aanzienlijke ouders geboren, zag zij op tienjarigen leeftijd de zorg voor hare opvoeding aan de zusters der Visitatie in hare geboortestad toevertrouwd. Nauwelijks had zij den gevorderden ouderdom bereikt, of zij verwisselde het kleed der kostleerlingen tegen het kloosterhabyt. Hare jeugd, welke de zedigheid zoo goed stond, trok de opmerkzaamheid van Mre. J. F. do Chantal, die, stichteres van de orde der Visitatie, op het einde haar levens Dijon nog eens bezocht. Zij nam haar alleen en bewonderde in deze jonge maagd eene wijsheid en rijpheid van oordeel boven haar jaren; daarom voorspelde zij: »dat zal eene uitmuntende overste worden.quot; Alvorens dit woord in vervulling kwam, leefde zij zes en dertig jaren verborgen in het klooster; God dienende in de oprechtheid van een maagdelijk hart, tot alles gereed en bereid, wat de oversten van haar wenschten. Aan eene teedere godsvrucht paarde zij doorzicht en overleg in tijdelijke aangelegenheden, zoodat zij den kloosters harer orde groote diensten bewees. Eindelijk ten jare 1(172 werd zij als overste naar Paray gezonden en vond er de ons bekende Margareta-Maria aan 't einde van haar proeftijd. Dat zij eene voorzichtige dochter van den H. Franciscus de Sales was, bleek uit hare aarzeling om deze novice, die van zoo buitengewone gunsten sprak, tot de Professie toe te laten; zij raadpleegde daarom in zoo moeilijke zaak Mie. Boulier van Dijon, eene overste van erkende

ocr page 160

148

deugd en heiligen levenswandel. Deze stelde haar gerust en boezemde haar achting in voor de waarlijk bevoorrechte novice, in wie de werking der genade onmiskenbaar was. Doch twee jaren later stond M1L. de Saumaise weer voor geheimzinnige openbaringen en wonderen van liefde in Margareta-Maria gewrocht, waarover zij geen beslissing dorst wagen. De priesters, die zij om raad vroeg, waarschuwden zoo ernstig tegen bedrog, zinsbegoocheling en dweepzucht, dat de tusschenkomst van pater La Colombière met zijn kalm en bezadigd woord: »dat is eene begenadigde zielquot; en zijne geruststelling noodig waren om de twijfelingen en angsten der overste weg te nemen. Sinds dien tijd ontstond er een band van liefde, als de heiligen verbindt, tusschen de bevoorrechte zuster, P. La Colombière en de overste. In overvloed gaf deze der vrome Margareta-Maria wat zij wist, dat haar het liefste was, berispingen en blijken van ontevredenheid, want zij had haar innig lief en waardeerde hare bovenmenschelijke deugd.

Toen de zes jaren van haar bestuur te Paray verstreken waren, moest zij in Mei 1678 naar Dijon terug.

Zij gaf er kennis van aan P. La Colombière, die haar uit Londen schreef:

«Eerwaarde Moederquot;

»Ik ontvang met zooveel leed en tevens met zooveel onderwerping als mogelijk is, de tijding van uw vertrek uit Paray. Ik ben zeker, dat waar het God ook behage u heen te zenden, gij werken zult voor Zijne glorie, en dat Zijn wil in u zal worden vervuld. Dit moet ons in alles troosten...

ocr page 161

149

»Wat aangaat het belang uwer beminde dochters, voor wie uwe tegenwoordigheid zoo voordeelig was, ik stel ze in handen van Hem, wien zij toebehooren, en die dui-zende wegen heeft om haar de hulp te verschaffen, die Hij ze tot heden toe door uwen ijver gegeven heeft. Ik dank u duizendmalen voor de goedheid haar betoond en voor de berichten, die ge mij van haar zendt.

........ »Gij hebt mij volkomen bekeerd op het punt

der gezondheid; gij hebt mij het verlangen ingeboezemd om ze voor den dienst des naasten te bewaren. Ik zie, dat ik ze wezenlijk noodig heb om het werk te doen, dat God van mij vraagt. Tracht mij nu ook te be-keeren naar de ziel, 't zij door uwe woorden, 't zij door uwe gebeden; want gij weet wel, dat ik nog meer behoefte heb aan deugd in den omgang, waartoe ik verplicht ben met alle slag van menschen, terwijl mij haast geen tijd blijft om in mij zelve te keeren. Gij hebt gelijk, Eerw. Moeder, mij het voorrecht te benijden om anderen te kunnen opwekken tot de liefde Gods; doch gij weet, dat het hart vol liefde moet wezen, wil het zich uitstorten over hen, tot wie men spreekt, en dat 's menschen zonden groote beletselen zijn voor de plannen van God, die zich van zoo iemand wil bedienen. Niet, dat ik mij ongelukkig acht geroepen te zijn tot de taak, die op mij rust, maar ik vrees niet reden, dat mijne fouten meer bekeeringen tegenhouden, dan mijn ijver bewerken kan. Ik zal niettemin voortgaan met vertrouwen ondanks mijne billijke vreezen en de kleine moeilijkheden aan mijne bediening verbonden, want er komen meer zichtbare en onzichtbare kruisen voor, dan men vermoedt.

ocr page 162

150

........ »Ik bid Onzen Heer u voortdurend met Zijne

zegeningen te overladen en u de genade te verleenen bij uw vertrek Zijn geest zoo goed gevestigd te laten in uw klooster, dat deze er blijft tot aan het einde der eeuwen.quot;

La Colombiere.quot;

Mre. de Saumaise van haren kant kon eene dochter als Margareta-Maria niet vergeten. Zij schreef haar aanstonds, en het antwoord der erkentelijke liet zich niet wachten: .gt;'t Was niet uit versterving, noch uit gemis aan vriendschap, dat ik den troost ontberen wilde u te zeggen, dat ik altoos dezelfde voor u blijf; want gij weet, dat onze goede Meester mijn hart zoo innig met het uwe vereenigd heeft, dat ik niet vrees voor eene scheiding. Bovendien weet ik geen woorden om genoegzamen dank te brengen aan uwe moederlijke goedheid voor mij, dus moet ik volstaan met de belofte u in mijn gebed nooit te vergeten. Uw afwezen •— ofschoon enkel naar het lichaam, valt me zwaarder dan ik het u zeggen kan ; mijne troost of droefheid hebben echter weinig te betee-kenen, mits gij maar gelukkig zijt, waar ik niet aan twijfel.quot;

Zulk een brief van de hand eener religieuze als die hem schreef, weegt op tegen den hoogsten lof; te meer dewijl zich hieruit geheel eene briefwisseling ontwikkelde, en nagenoeg vijftig van de schoonste ontboezemingen der Gelukzalige aan Mre. de Saumaise gericht zijn. Haar vertrouwt ze lief en leed, openbaringen des Beminden en uitputting van krachten; hare angsten over het lot en de ziekte van P. La Colombière — en haar blijd-

ocr page 163

151

schap, hare juichende vreugd over de uitbreiding dei-devotie tot het H. Hart — haar levenstaak — want zij wist, dat Mre. de Saumaise, het hare er aan deed naar vermogen.

Een jaar had de afgetredene te Dijoi? weer de af-hankelijkste gehoorzaamheid beoefend, toen zij als overste gekozen werd in het klooster van Moulins, waar de heilige stichteresse, Joanna Francisca de Chantal, was komen sterven, waar de zoetste herinneringen nog leefden op de lippen der religieuzen, doch waar zij ondanks hare zwakke gezondheid weer besturen moest en geleiden en zorgen. Toch boog zij gewillig het hoofd onder het kruis, en omhelsde 't met onderwerping en liefde, »Ik ben blij, dat ge het zoo hebt opgemen,quot; schreef haar Margareta-Maria, maar onze Heer heeft uw kruis ook met rozen overdekt, opdat gij er niet bang voor zoudt wezen: nochtans in deze rozen moet gij uw vreugde niet vinden, maar wel in de doornen, die gij er onder zult voelen steken. Dan schept onze Heer Zijn welbehagen in u en zal u doen zien, dat Hij niet minder liefelijk is in de bitterheden van Calvarië, dan in de vreugden op Thabor.quot;

Hoe het bemoedigend woord der trouwe vriendin uitkwam! Ja de doornen staken pijnlijk en diep, want behalve den last des bestuurs had Mre de Saumaise sleepende kwalen te dragen, die meermalen voor haar leven deden vreezen. Toch moet haar de Bruidegom wel zijne beminnelijkheid hebben getoond in deze bitterheden van Calvarië, want al aanstonds begon zij in het klooster van Moulins de godsvrucht tot het H. Hart

ocr page 164

152

bekend te maken en te verbreiden. Ten gevolge hiervan ving er eene briefwisseling aan tusschen hare Novicen-meesteres, Zuster H. de Soudeilles, en Margareta-Maria, waaruit de heerlijkste vruchten voor later waren te hopen.

Voor later, want in den beginne vond de nieuwe devotie, zoo het heette, veel tegenkanting ook te Mou-lins, misschien wel zoo hevige, dat Mre. de Saumaise verbaasd en bedroefd, den moed dreigde te verliezen. Dat schreef zij naar Paray. Doch daar kwam spoedig een brief terug, waarin zij las; »Het verwondere u niet, waarde Moeder, dat gij zooveel tegenspraak ontmoet, waar gij het rijk wilt vestigen van dit beminnelijk Hart. Ik bid mijn Bruidegom uit al de vurigheid mijner ziel, dat gij uwe heilige onderneming toch niet moogt opgeven ; want de moeilijkheden zijn een zeker teeken, dat de zaak van God is en tot Zijne glorie strekken moet.quot;

Opgebeurd en sterk door dezen regelen vol troost, besloot de Overste haar zwaren en slechts in schijn ondankbaren arbeid voort te zetten; toen zij uithoofde barer ziekelijkheid, na de eerste drie jaren van haar bestuur moest aftreden, kon zij het klooster van Moulins veilig aan de nieuwe Overste, Mre. de Soudeilles, overlaten: het H. Hart van Jezus werd er geëerd en bemind.

Op hare terugreis te Dijon had zij het geluk te Paray Margareta-Maria weer te zien. Wie schetst ons de vreugde van dit onderhoud? Wat zij veel te vragen, en zuster Alacoque haar veel te vertellen had van P. de La Co-lombière, die in het voorjaar was heengegaan ter eeuwige

ocr page 165

153

rast; van hare blijde verwachtingen haar lijden en troost! Ongetwijfeld heeft ze haar nog eens mondelings verzocht al hare brieven en vertrouwelijke medeelingen te verbranden, zij was er wel bijna in iederen brief op teruggekomen, maar vreesde altoos, dat Mre. de Sau-maise iets bewaren zou. Gelukkig voor ons, dat hare genegenheid geen blinde, jaloersche was, en dat de oprechte vriendin toch in dezen den wensch niet nakwam der ootmoedige zuster!

Te Dij on vond zij Mre. Boulier terug, die zij voor jaren al geraadpleegd had over Margareta-Maria, en wie zij nu uit een schat van brieven en herinneringen toonen kon, hoe juist deze indertijd had gezien, en welk een weldaad zij der orde had bewezen met de aanneming van zulk een religieuze aan te raden. Een jaar later beweende 't klooster het verlies van Mre. Boulier, die waarlijk heilige Overste; maar wat men ook giste, Zuster de Saumaise nam hare plaats niet in: de Heer liet haar in de rust, volgens de uitdrukking van Margareta-Maria, om zich vrijer met Hem te kunnen onderhouden en onbezorgder het hoofd neer te leggen aan Zijn liefdevol Hart. sMij dunktquot; schreef hare vriendin, »gij zoudt een zeer behagelijk werk doen aan het H. Hart met den eersten Vrijdag der maand tot de heilige Tafel te naderen en u na de Communie geheel en voor altoos toe te wijden aan dit Hart, om u zelve zonder eenig voorbehoud te besteden tot Zijn dienst en Zijne glorie/' Zij aarzelde niet dien raad te volgen, maar verzocht van Margareta-Maria eene teekening, ten einde volgens dat model eene plaat te doen vervaardigen van het H.

ocr page 166

154

Hart. Dan hoe vurig zij 't wenschte, Zuster Alacoque vermocht dit verlangen niet te voldoen, maar droeg, namens haren Bruidegom de zorg hiervoor aan Zuster de Saumaise zelve op met deze woorden: »Ik voel mij gedrongen u van zijnen kant te zeggen, dat gij eene beeltenis van het H. Hart in steen moet laten snijden, opdat allen, die Hem bijzonder willen vereeren, zulk eene afbeelding in hunne woning kunnen hebben of dragen op hunne borst. Geene zaak ter wereld zou u dunkt me zoo groote belooning kunnen verdienen. Naarmate Zijne eer hierdoor bevorderd werd, zou Hij de glorie vermeerderen, die u in den hemel wacht. Uw naam zou bovendien onuitwischbaar geschreven staan in Zijn hart: gij moet het echter doen alleen om Hem, daarom mag ik u niet zeggen, welke belooning Hij u verder toedenkt. Zekere pater heeft het wel op zich genomen en eene plaat te Lyon besteld, maar ik geloof, dat er nog niets aan gedaan is, en weinig van komen zal, indien u weigeren mocht er voor te zorgen.quot;

Zuster de Saumaise zag te Dijon geen kans zonder voegzame teekening aan een gesneden plaat te komen; toen een tweede brief van Paray echter aandrong met al het ongeduld eener vurig beminnende ziel, zond zij Margareta-Maria twee gouden Louis, opdat zij daarmede het elders zoude beproeven. In het antwoord hierop wijt zuster Alacoque - hoe vreemd het naar men-schelijke opvatting klinke — het niet slagen der Missie te Paray aan de verwaarloozing der gravure, waarvoor de Missionaris beloofd had eerst te zullen zorgen. Mar e Francjoise Saumaise had — schreef zij — van hare

ocr page 167

155

aalmoes ter eere van 't H. Hart meer verdiensten, dan van alles wat zij tot nog toe deed, omdat er nooit groo-ter belooning voor eene geldelijke bijdrage geschonken is, dan zij nu te wachten heeft.

Xa zulke berichten, welke Margareta-Maria (wie haar kende, betwijfelde het niet) uit goede bron had, is het niet te verwonderen, dat Marie-Fran^oise de Saumaise haar raadpleegde over personen en zaken van gewicht; evenmin dat zij haar trachtte op zij te streven, indien zulks mogelijk ware, in vereering en liefde voor het H. Hart des Zaligmakers. Daarom ontving zij, na de eerste overbrenging van P. La Colombière's gebeente, de helft der reliquieën, welke Margareta-Maria machtig had kunnen worden, en bleef deze laatste haar alles mededeelen en toevertrouwen, gelijk eene dochter aan de moeder doet, omdat die moeder,quot;1 — zoo zegt zij — door haar grooten ijver de teederste genegenheid van het H. Hart voor zich gewonnen had.quot; Hare brieven te lezen, was voor Zuster Alacoque eene opwekking tot vuriger liefde.

Maria-Fran^.oise de Saumaise ging nog verder. Doortus-schenkomst van priesters, die hare godsvrucht deelden, zond zij een smeekschrift naar Rome om eene Mis en eigene getijden op het feest van het H. Hart. Wel mocht Margareta-Maria haar eene der vurigste vriendinnen van Jezus noemen, eene die P. La Colombière verving in het werk der verbreiding van deze heilrijke devotie. Immers al werden hare bemoeiingen niet steeds of zelden met den verhoopten uitslag gezegend, de inensch beoordeelt den uitslag alleen, maar God ziet in het hart, op den toeleg en het verlangen — en vond bij haar

ocr page 168

156

het eerste denkbeeld om de beeltenis van het H. Hart op steen te laten brengen, en allen ijver om dien feestdag met eene H. Mis, getijden en aflaten te verrijken. De moeilijkheden, waarmee zij te worstelen had, waarbij ze toch geen kamp gaf, verminderden zeker hare verdiensten niet.

Daar ontvangt zij op eens haar geld terug voor het graveeren der plaat gezonden, benevens eene teeke-ning, welke niet beviel. Zij beklaagt zich bij eene medezuster, die haar ijver deelde, beklaagt zich bij de overste, en ziet, deze gelast de zuster, die ondanks haar ijver en goeden wil niets van het teekenen verstond, eene betere afbeelding op papier te brengen. Zuster Joly gehoorzaamt in hare eenvoudigheid en vervaardigt een .teekening zoo schoon, dat Margareta-Maria zelve er over verrukt was, en de graveur ze onberispelijk vond.

In Augustus 1688 kwaam het antwoord uit Rome, op de bede om de instelling van een feest van het H. Hart over de geheele wereld. Het hield in, dat zulk een feest eerst met verlof van den bisschop moest worden opgericht in een diocees; wanneer het eenigen tijd alzoo bestaan had, kon men van Rome uitbreiding en bevestiging verkrijgen. Gelukkig, wie bij pijnlijke teleurstellingen troostbrieven ontvangt als Marie-Fran^ise de Saumaise uit Paray. »Ik geloof,quot; schreef zuster Alacoque, »dat ik u in Zijnen naam troosten moet. Laat mij u zeggen, wat mij heeft opgebeurd. Toen ik uwen brief, die mij het hart doorsneed, gelezen had, knielde ik voor Zijn beeld en deed mijn beklag, doch Hij sprak: »Waarom bedroeft gij n over hetgeen tot Mijne grootere glorie

ocr page 169

157

is? Op dit oogenblik beijvert men zicli Mij te eeren en te beminnen, zonder anderen steun dan Mijne liefde, en dit is Mij aangenaam. Vermits deze ijver echter bekoelen kan — wat Mijn hart, gloeiend van het vuur dei-liefde, bitter grieven zou — zal ik dan de verkoelde harten ontsteken en opwekken door de nu gevraagde en nog vele andere gunsten. De moeite, welke men nu om ze te verkrijgen aanwendt, zal ik niet onder Mij laten. Dus blijf in vrede.quot;

Waar evenwel de vurigheid verflauwde, niet bij Marie de Saumaise of Margareta-Maria. »Mij dunktquot; schrijft laatstgenoemde in 1689, »ik zou gerust kunnen sterven, indien gij toestemming verkreegt voor de Mis van het H. Hart.quot; Deze tijding kwam nog dat eigen jaar. De bisschop, door ziekte verhinderd zich met de zaak in te laten, toen het rescript van Eome ontvangen was, had alles in handen gesteld van zijn Vicaris-Generaal, die nog datzelfde jaar in het geheele bisdom van Lan-gres, waar Dijon toen onder behoorde, het feest van het H. Hart met groote plechtigheid deed vieren op den door Christus aangewezen dag. Wie meldt ons de vreugde der religieuzen van Dijon, die zoo vurige vereerdsters waren: wie vooral schetst ons Marie-Frantjoise de Saumaise in de vervoering harer blijdschap onder deze eerste plechtige mis in de kloosterkerk, zoo lang gehoopt en uitgesteld, en toch eindelijk vergund? Kon ook zij als hare vriendin nu niet in vrede gaan? Maar kort is alle vreugde hier beneden; kort en voorbijgaande als een blijde droom, die weer plaats maakt voor de koude werkelijkheid, voor het leven zooals het is, vol moeielijk-

ocr page 170

158

heden en strijd: er komen oogenblikken als Petrus deden uitroepen : »Heer 't is ons goed hier te zijn! Laat ons liier drie tenten bouwen!quot; maar opeens worden ze vervangen door eene duidelijke heenwijzing naar de noodzakelijkheid van lijden en kruis.

Dit ondervond Marie-Fran^oise de Saumaise gelijk Mar-gareta-Maria. De eerste schreden ter openlijke vereering van het H. Hart waren juichende gezet, men zou voortgaan, veld winnen — en ziet! daar rezen moeilijkheden op, als een wilde storm, die het jonge plantje onmee-doogend heen en weer slingerde en dreigde uit te rukken met wortel en tak. Opwerpingen door de Jansenisten gemaakt, werden door aarzelachtige en te voorzichtige Katholieken niet alleen aangehoord, maar opgenomen verdedigd: deze devotie was gevaarlijk, was nieuw, moest afgekeurd. Xu sprak men van een rondgaanden brief aan de Pastoors, waarbij zij verbod ontvingen eenige nieuwe devotie in hunne kerken te dulden; die van 't H, Hart werd in sommige plaatsen met name geweerd. De boekhandelaren mochten niets meer drukken of uitgeven, wat er betrekking op had; kortom het was wel te zien, dat de duivel er geen voordeel in bespeurde en ze daarom met geweld tegenwerkte.

Marie-Fran^oise de Saumaise leed onder deze slagen het meest, zulk een storm had zij niet verwacht. Doel. weer kwam Margareta-Maria's brief haar opbeuren en bemoedigen.

^Ik heb zoo'n groot vertrouwen, dat onze Heer voltooien zal, wat Hij begonnen heeft, dat ik niet twijfelen zou, al deed men nog meer. Is het Zijn wil niet,

ocr page 171

159

dat de zaali vooruitgaat, dan blijven wij tevreden en onderworpen, want Zijn H. wil te volbrengen, is toch ons eenig doel. Daarom geven wij alles aan Hem over. Ik voor mij, waarde Moeder, wil u wel bekennen, dat niets ter wereld mij meer ter harte gaat, en dat deze tegenwerkingen mij pijn doen; ik onderwerp me en zeg maar aan Onzen Lieven Heer: »het is Uw werk. Ik weet, dat het onfeilbaar slagen zal, ondanks alle beletselen, indien Gij het wilt; wilt Gij het niet, wij arbeiden te vergeefs, en Gij stort al onze plannen in duigen. Doch strekt die devotie tot Uwe eer, beschik dan alles zoo, dat Uwe eer er door bevorderd wordt; heersch daarom als Koning over der menschen harten.quot;

Dit was Margareta-Maria's laatste woord aan Marie-Fran^oise de Saumaise ; zóó schreef ze nog in Mei 1(390; in October van hetzelfde jaar was hare taak hier beneden afgewerkt, en bad zij den Bruidegom in de glorie voor de vrienden en vereerdsters van zijn Hart.

Nauwelijks was de veel besprokene zuster Alacoque ter belooning opgeroepen, of hare geschiedde recht; hare deugd en buitengewone heiligheid werden alom geprezen en bewonderd, haar levensschets door meer dan éene bekwame hand te boek gesteld. Toen schreef Mre. de Saumaise op hare beurt: »In de zes jaren, dat ik [in de hoedanigheid van overste] onze zuster Alacoque gekend heb, durf ik verzekeren, nooit te hebben opgemerkt, dat zij ook maar een oogenblik afweek van haar besluit bij de religieuze beloften genomen om God voor alles, boven alles en in alles te doen heerschen in haar hart: want nooit veroorloofde zij zich eenig vermaak

ocr page 172

160

voor den geest of voor het lichaam. Deze getrouwheid verwierf haar van de goddelijke goedheid buitengemeene genaden en gunsten, die haar opvoerden tot een hevig verlangen naar kruisen, vernedering en lijden. Zoodat men zonder overdrijving zeggen kan, dat zij, ofschoon van eene uiterst fijnvoelende natuur, met meer vurigheid lijden en vernedering zocht, dan iemand ter wereld uit kan zijn op eer en vermaak... In de brieven, welke ik van haar ontvangen heb, spreekt zij op geheel bijzondere wijze over de godsvrucht tot het H. Hart. De personen van ervaring, die haar kenden, droegen haaide grootste achting toe en verklaren nog, dat hetgeen in haar geschiedde van den goeden geest kwam, hetwelk bleek uit de oprechte nederigheid, waarvan zij een toonbeeld was.quot; Zoover het getuigenis van Margareta-Maria's hartelijkste vriendin, wier deugd en vurige godsvrucht ons uit de brieven der zalige overtuigend gebleken is.

Op den 2den Juli, het feest der Visitatie van 1688, had Margareta den naam van Mre de Saumaise met gouden letters geschreven zien staan in het H. Hart des Verlossers; dit was de waarborg der eindelooze zaligheid, die haar wachtte bij den Bruidegom; op den 31sten Juli des jaars 1694 verliet de drie en zeventigjarige dit tranendal, om wie zij liefhad weer te vinden aan het hart van Jezus in de glorie.

ocr page 173

] 61

Mek. PÈRONNE-EOSALIE GEEYFFIÉ.

]STa Mre. de Saumaise heeft geene Overste dieperen blik in Margareta-Maria's zieleleven mogen slaan, clan zij, wier naam aan het hoofd staat van deze schets, wier beeltenis wij uit hier en daar verspreide mededeelingen en gegevens aanschouwelijk zullen beproeven voor te stellen.

Ten jare 1638 zag zij te Annecy het eerste levenslicht. Hare vrome ouders brachten haar, kort na de geboorte, bij de bewonderenswaardige Moeder de Chantal, die het kind in de armen nam en zegende Spoedig bleek het, dat de bede dezer heilige vrouw voor dit kind zou vervuld worden. Zij groeide op met al de aanvalligheden van den kinderlijken leeftijd, doch speelsch en onvoorzichtig, onttrok zij zich wel eens aan het oog, van wie voor haar waken moesten. Zoo was ze op zekeren dag in een weide, niet verre van haar ouders huis, toen op eens een woedende stier op haar aanliep, ze tusschen de horens vatte en met haar voortholde. Uit vreeze van den stier nog wilder te maken, durfden zij, die het van verre hadden gezien, haar niet volgen, maar twijfelden geen oogenblik, of zij was verloren. Aan het einde van de wei, welke de stier doorrende, stroomde eene rivier: daar zou hij, dacht men, zijne prooi in nederstorten. Doch in dit gevaar bleek de hulp van Rosalie's bewaarengel nabij: op eens vertraagt de stier zijn wilden loop en legt zich met uitgestrekte voorpooten op den grond. Toen liet hij het kind zachtjes nedervallen in het gras en verwijderde zich weder in dolle vaart. Xu snelde

11

ocr page 174

162

men toe, maar van verwonding geen spoor: zij was er met den schrik afgekomen. Niettemin begreep zij genoeg van het doorstane gevaar om God voor haar levensbehoud te bedanken.

Xa den vroegtijdigen dood harer ouders, kwam zij onder voogdij van een godvreezenden oom, die haar onder de kostleerlingen van liet klooster der Visitatie te Annecy deed opnemen. Daar werd zij met de hartelijkste liefde ontvangen door Zuster Blonay en 51re. de Chaugy, die bij haar de plaats barer overledene ouders beloofden te vervullen. Van toen af voelde het kind zich door eene geheime kracht aangetrokken tot de zusters, aangetrokken tevens tot godsvrucht en deugd.

Haar liefste spel was met hare gezellinnen tafereelen opvoeren uit de gewijde geschiedenis, waarbij zij dan veelal gekozen werd om de voornaamste persoon te verbeelden. Een enkele maal sloeg de kinderlijke ijver in groote onvoorzichtigheid over. Toen zij de kruisiging des Zaligmakers vertoonden, raakte Rosalie buiten kennis van pijn, zoo vast knelde liet koord, waarmee ze hare handen en voeten hadden vastgebonden aan den paal. De andere kinderen riepen nu verschrikt om hulp; de zusters sneden ze los, en eene welverdiende bestraffing benam den lust voor zulke spelen.

Maar de diep denkende H. Augustinus heeft opgemerkt, dat ieder kinderspel eene afbeelding is van iets grooters, van eene daad of een streven den rijperen leeftijd waardig. Was dit spel der nog geen vijftienjarige Rosalie eene voorafbeduiding van de onverbrekelijke geloften, waarmee zij heel haar leven aan het kruis des

ocr page 175

163

Verlossers wilde gebonden zijn ? Zij trad in de orde der A isitatie, waar zij was groot gebracht, en lei op St. Lau-rentiusdag van 1655 hare kloostergeloften af.

De woorden bij deze plechtigheid tot haar gericht: »nu zijt gij dood roor de wereldquot; en die andere »uw leven is verborgen in God met Jezus Christus,quot; maakten den diepsten indruk op haar gemoed. Zij overwoog ze lang en aandachtig, bereidvaardig luisterende naar des Bruidegoms stem. Wat later, teruggekeerd van de begrafenisplechtigheid eener werkzuster, dacht zij na over het stilzwijgen, dat de dood ons oplegt en meende eene stem te vernemen, die haar inwendig vroeg: »Is het mogelijk, dat de dood grootere macht uitoefent op een ledelijk schepsel, dan de vreeze Gods en zijne liefde? »Neen. jjaf zij ten ten antwoord »de liefde zal niet minder sterk wezen dan de dood. Koste wat liet wil, ik zal loeren zwijgen.quot; Een kloek besluit, maar held-haftigen moed had zij noodig om het te volbrengen. Zij schreef eene fraaie hand, daarom nam de Overste haar op onder het viertal zusters, die de processtukken ter heiligverklaring van Franciscus de Sales moesten schrijven. Eens ontving ze een pak brieven, om na te zien, welke een spoedig antwoord vorderden. Zij vond er een, die nog dicht was. Ijlings gaat ze er mee naar de Moeder, die op het oogenblik druk bezig, haar gelastte hem zelf te openen en te lezen gelijk de anderen. Zij gehoorzaamt, slaat er een blik in, en een gloeiend rood overdekte haai gelaat: zij stond er zelve met de hatelijkste kleuren in beschreven. De brief was van een invloedrijke persoon, wier oordeel de schaal der achting, welke de Overste

ocr page 176

164

haar toedroeg, ten haren nadeel moest doen overslaan. Werd er geloof gehecht aan de valsche en overdreven voorstellingen in dezen brief vervat, dan was haar goede naam verloren. Wie onzer zou niet met Zuster Grejffié geaarzeld hebben tusschen eene zelfverdediging bij de Moeder en een brief aan de schrijfster van dat stuk? Geen wonder zelfs, dat zij het laatste koos! Zou de religieus ophouden mensch te blijven; en worden eer en goede naam niet als de edelste goederen beschouwd ? Zij grijpt de pen en schrijft als altoos boven het antwoord; »Leve Jezus!quot; Daar schiet haar als een lichtstraal door het hoofd. »Indien ik dood ware, wat zou ik antwoorden? Niets, natuurlijk. Welnu, op den dag mijner belofte heeft men mij gezegd, dat ik dood was voor de wereld en voor mij zelve!quot; En met de blijdschap een er behaalde overwinning, wierp zij de pen weg en liet den brief onbeantwoord.

Toen de Overste hem eindelijk las en begreep, wat er in het hart der zuster moest zijn omgegaan, bracht zij de zaak opzettelijk te berde om haar gelegenheid te geven zich te verdedigen of te beklagen. Zuster Rosalie volhardde bij haar voornemen en zweeg.

Zulke blijken van zelfbeheersching deden haar ten jare 1670 overste kiezen in het klooster van Thonon. Doch de keuze der zusters was haar niet voldoende: zij weigerde volstrekt, tot een bevel der overste tusschen beide kwam en haar zond. Toen verliet zij Annecy de plek harer geboorte en harer roeping tot den kloosterlijken staat, en eerst na een zesjarig bestuur, dat haar aller harten gewonnen had en aller goedkeuring verdiend.

ocr page 177

165

keerde zij naar het moederhuis, waar liet overschot des H. Stichters rustte, terug. Nu werd zij met de leiding der nieuwelingen belast, tot in 1678 de zusters van Paray haar riejjen om Mre. de Saumaise op te volgen. Een brief van Mre de Monthoux, hare Overste, ging haar vooruit en hield in, dat het een pijnlijk offer was, haar af te staan; dat het zwaar viel eene vrouw te zien vertrekken, zoo uitmuntend geschikt voor hare taak, zoo zacht en krachtig tevens in het bestuur, zoo oprecht en rond, zoo nederig en stipt op den regel, doch over wie alle zusters van Paray volmaakt tevreden zouden zijn. \ oorwaar! hare juiste blik en vaste hand, bovenal haar moederljk hart kwamen haar wel bijzonder te stade in een huis, waar de uitverkorene bruid des Heeren, Margareta-Maria het voorwerp van velerlei gissingen en uiteenloopende meeningen was. Zij vond Paray, volgens haar eigen getuigenis, den Thabor der oversten om den geest der onderworpenheid en stipte regeltucht, die er heerschte; het meest gelijkende op dien van het klooster te Annecy, waar zij zelve was opgevoed en hare professie had gedaan. Juist daarom echter hadden de zusters er een afkeer van alwat naar 't buitengewone zweemde, en gaven zij aan den eenvoudigen geest van 1 ranciscus de Sales de voorkeur boven een onbetrouwbare zucht naar verhevene wegen en vreemde opvattingen. Dit verklaart wel den tegenstand, welken Margareta-Maria van de zusters ondervond. Reeds bij een eerste onderhoud ontdekte de nieuwe Moeder in Margareta-Maria een scherp oordeel, een helder verstand, een zachten aard, een gelukkige natuur, maar

ocr page 178

166

vooral een hart, geheel geschikt om lief te hebben en een machtig verlangen om het H. Hart van Jezus overal te doen kennen en beminnen. Sinds beschouwde zij haar als eene van diegenen, wier ondernemen slagen is, tenzij God, bijwijze van beproeving, den goeden uitslag belet. Namens den Bruidegom bracht zuster Alacoque haar Overste de belofte over, dat Hij haar zelf verlichten zou om Zijn H. wil met haar te volbrengen. Hierop steunende, volgde Mre Greyffu! onbekommerd hare neiging om rust en vrede in huis te bewaren. Daarom sloeg zij schijnbaar geen acht op de bevoorrechte religieuze en vertrouwde deze geene enkele zaak van gewicht toe. Wanneer zij ook op haar bevel of met toestemming iets deed, wat de anderen niet beviel, liet zij toe, dat men haar dit te kennen gaf, soms berispte zij er haar zelf over in het bijzijn van anderen. Zoo bewaarde zij don vrede onder de zusters, volbracht den wil van God, die haar aldus ingaf, maar won bovenal het vertrouwen en de innigste liefde van Margareta-Maria. Immers nog voor het einde der maand Juni van 1678, toen het bestuur in andere handen was overgegaan, schreef deze aan Mre de Saumaise de afgetredene overste: »Ik kan u niet zeggen, hoezeer ik onze geachte Moeder hoogschat en bemin. Ik stel het volste vertrouwen in hare liefde, die mij reeds meermalen gebleken is, en voed de vaste overtuiging, dat onze Lieve Heer in haar Zijne belofte vervult, door haar in te geven, hoe zij mij behandelen moet.quot;

Deze overtuiging moest in vastheid winnen, toen de Bruidegom in December van hetzelfde jaar Mre Greyffie

ocr page 179

167

deed vragen, of zij de akte wilde opstellen van Marga-reta-Maria's testament. Zij verklaarde zich bereid en schreef: »Leve Jezus in het hart van Zijne Bruid, mijne zuster Margareta-Maria, voor wie ik uit kracht van de macht, die God mij over haar geeft, aan het aanbiddelijk Hart van Jezus aanbied, opdraag en toeheilig al het goede, wat zij heel haar leven verrichten zal; alsmede wat er voor haar gedaan zal worden na haar dood ; opdat het goddelijk Hart over dit alles beschikke naar Zijn welbehagen, ten gunste van wie Hij het goed zal vinden, het zij van levenden of gestorvenen.

»Mijne zuster Margareta-Maria betuigt hier, dat zij gaarne en zonder eenig voorbehoud van alles afstand doet, behalve van het verlangen om geheel toe te be-hooren aan het hart van Jezus, en Hem te beminnen om Zijne liefde alleen.

»Ten bewijze hiervan teekenen wij beide op den laat-sten dag van December 1678, zuster Péronne Rosalie Greijffié tegenwoordig Overste, voor wier bekeering en boetvaardigheid in het sterfuur, mijne zuster, Margareta-Maria het H. Hart van Jezus dagelijks bidden zal.quot;

Dat dit stuk den Zaligmaker welgevallig was, bleek uit hetgeen Hij aan zijne Bruid voor de Overste beloofde: al hare goede werken zouden vereenigd worden met de verdiensten van Jezus Christus, en door de liefde van het H. Hart zou zij de kroon der heiligen verwerven. »Deze beloftequot;', zoo schreef Margareta-Maria, «vervulde mij met onuitsprekelijken troost, want ik had haar innig lief, omdat ze mijne ziel verkwikte met vernederingen, en versterving, waarin mijn Bruidegom Zijn welbehagen vond.quot;

ocr page 180

168

»In waarheidquot; Mre Greyffié erkende 't zelf, »ik gelastte haar, nooit van de buitengewone genaden, die zij ontving, te spreken, tenzij in twijfelachtige bewoordingen, als: mij dunkt, het scheen mij toe, het kwam mij voor, enz., en er nooit zoo vast aan te hechten, dat zij het geloof aan die gunsten niet bereid was op te geven, wanneer hare Oversten of personen, welke de zaak hadden onderzocht, er niets van aannamen. Dit bevel heeft zij trouw opgevolgd; — al hare brieven en openbaringen getuigen het luide — »maar deels om het verlangen dezer heilige dochter, die naar smaad en lijden haakte, te voldoen, deels om ze te beproeven, heb ik haar menigmaal gelegenheid tot versterving gegeven; zoo zelfs dat de achting, die ik haar toedroeg, en mijn eigen hart hare partij tegen mij opnamen. Doch hoe ik ze ook behandelde, en wat ik in haar afkeurde of berispte, nooit heb ik in haar een zweem bespeurd van gemis aan onderwerping of vermindering van die hartelijke liefde, welke zij mij dacht verschuldigd te zijn.quot;

Ten einde verlichting en opbeuring te vinden in hare velerlei beproevingen, in twijfel, angst en ziekelijkheid, was Margareta-Maria met Mre Greyffié overeengekomen, haar nu en dan schriftelijk raad te vragen, om zoodra de Overste gelegenheid irond, haar schrijven eveneens op papier beantwoord te zien; zoo kon zij deze raadgevingen en lessen, zoo vaak zij er behoefte aan gevoelde, herlezen. Enkele dier antwoorden vinden hier eene plaats, omdat zij ons Margareta-Maria's toestand schetsen, meer nog dewijl zij de schrijfster zelve teekenen, als eene Overste met een moederlijk hart en eene zeldzame ervaring in het leven des geestes.

ocr page 181

169

»Ik heb liever, dat ge mij schrijft, dan dat ge mij mondelings raadpleegt; zoo kan ik u beter antwoorden; want al sprekende, raak ik verstrooid, en komt mijn geheugen in de war.

»Ik zal u vernederen en beproeven, wanneer en zóó het mij goed dunkt; laat deze zorg over aan God, opdat

Hij het me ingeve, als het u nuttig is____ Is het Zijn

wil, dat uw dood een schrikwekkend voorbeeld voor anderen worde, welnu, onderwerp er u aan. Toch zal Hij u daarom niet verloren laten gaan, maar u zalig maken, volgens Zijne groote barmhartigheid. Daarom wil Hij, dat gij niets hoegenaamd voor u zelve doet, opdat gij in alle eeuwigheid gelukkig zijn zoudt, niet om uwe verdienste, maar Zijne oneindige goedheid en de verdiensten van Jezus Christus.

Men huichelt nooit zonder het te willen, en men bedriegt niemand, tenzij om eer of achting. Indien gij deze niet zoekt, vrees dan niet, dat ge onoprecht zult wezen. Het is geen kwaad iets te vragen, waarom een ander ons van gulzigheid of zinnelijkheid in het eten verdenken kan; doch ik oordeel het voor de dochters der Visitatie volmaakter, wanneer zij den raad van Franciscus de Sales volgen, die wilde, dat men het goede deed in eenvoudigheid, zonder voor dwaas of wijs te willen doorgaan, zonder eer of verachting te zoeken. Immers iets doen om door den naaste te worden veracht, is winst doen ten koste van anderen, dewijl men gelegenheid geeft om de liefde te kwetsen, waardoor God beleedigd wordt. Hecht ii in den regel aan God en niet aan zijne gunsten. Deze schenkt Hij zonder verdiensten van onzen kant.

ocr page 182

170

aan wien het Hem belieft, maar Zich zeiven zal Hij in eeuwigheid schenken aan het hart, dat Hem oprecht en belangloos bemint. Geef u over aan de leiding en zorg van hen, die u geneesmiddelen moeten bereiden of aanbieden ; 't is tegen de deugd bij zulke gelegenheden te laten merken, dat men een eigen wil, eene neiging, of zienswijze heeft. Indien men uw gevoelen vraagt, antwoord dan met eenvoudigheid, zooals gij 't meent: maar kort: en denk verder niet na, over hetgeen gij gezegd hebt, om te weten of het goed of kwalijk is opgenomen; zulke nagedachten zijn het voedsel der eigenliefde, die toch al zoolang leeft als wij. Zij beproeft allerlei kunsten om den eenvoud te rooven der zielen, die God beminnen moeten, met verloochening van zichzelven. Nochtans is er niets te vreezen, voor wie zich stipt aan den regel houdt. Beoefen dien dus lederen dag getrouwer, en God zal met u zijn, en gij met Hem. Of die vereeniging echter plaats vindt in ziekte of gezondheid, in lijden of vreugd, moet u hetzelfde wezen: gij moogt niets zoeken dan het welbehagen Gods. Dan overwint en geniet de liefde, dan verheugt zij zich in God, omdat Zijne goedheid van ons ontvangt, wat Hij vordert, en wij Hem schuldig zijn. quot;Wanneer God u groote inwendige moeielijk-heden, angsten en kwellingen overzendt, buig u dan ootmoedig, zachtzinnig en geduldig onder Zijne hand. ^ er-gunt dit lijden u niet te bidden, zooals gij het verlangen zoudt, leiden pijn of bekoring uwe aandacht af, zoo is het al veel, wanneer ge dit alles met onderwerping aanneemt van Gods hand. Hij zal toch niet gedoogen, dat gij beproefd wordt boven uwe krachten. Xu gij u evenwel

ocr page 183

171

sterk genoeg voelt om er nog eenige versterving bij te doen, veroorloof ik u tot het einde van 't octaaf van H. Sacramentsdag de volgende: Maandag, Woensdag en Vrijdag geen nagerecht gebruiken, als het op die dagen gegeven wordt; u tevreden stellen met aan iederen maaltijd slechts van een schotel te nemen, zooals het valt, zonder den beste of den slechtste te kiezen. Brood moet gij eten, zooveel gij noodig hebt, en altoos wat wijn met water drinken, 's Maandags moogt gij eene discipline nemen gedurende het de Profimdis, Woensdags onder het Miserere en Zaterdags den gordel dragen van het opstaan af tot een kwartier vóór tafel. Dan moet gij dagelijks voor het H. Sacrament, in het koor. of in 't kapittel, plat ter aarde vijf Onze Vaders met Wees Gegroet en eer zij den Vader bidden. Als uit-muntendste oefening van boetvaardigheid moet gij echter trachten uwe gemoedsstemming te regelen naar de omstandigheden, waarin gij verkeert, zonder uitwendig te laten doorschemeren, wat er omgaat in uw hart. Derhalve moet gij vroolijk zijn in de uren van uitspanning; hartelijk en spraakzaam met de menschen; ingetogen en godvruchtig in de geestelijke oefeningen. Of het onweert, of stormt, of hagelt in uw binnenste, gij zult God danken in ootmoed en vrede en geduld uw leven lang, dan zal Hij u de genade geven Hem te loven in alle eeuwigheid.

»Bekommer u om niets, wat u kan overkomen. Het is roemvol voor een soldaat en een teeken van zijn trouw, indien de vijanden des konings hem bijzonder haten. Doch de koningen der aarde zijn niet altoos in staat hun dapperen tegen de listen hunner vijanden te bevei-

ocr page 184

172

ligen. Onze God daarentegen kan nooit verrast worden of bedrogen; zoodra het hem behaagt, werpt hij onzen vijand ter aarde en laat ons over hem zegevieren ondanks diens woede en onze zwakheid; want door de genade worden wij sterk naar de mate van ons vertrouwen.quot;

Het kost moeite hier een eind te maken of onze aanhalingen in te korten, schoon plan en plaatsgebrek-het gebieden. Toch gaven we genoeg, om de gehechtheid en liefde te verklaren, welke Margareta-Maria Mre Greyffk' toedroeg. Te midden van al de zorgen des bestnurs, leed deze nog bijna voortdurend aan zware hoofdpijn. Toen zuster Alacoque dit bemerkt had, bad zij haar Bruidegom deze smart in de plaats der Overste te mogen lijden. »Want,quot; zelde zij, »de Overste is noodzakelijk en ik niet.'' Haar edelmoedig gebed werd verhoord: zij leed de zwaarste hoofdpijn, en de Moeder was vrij, drie maanden achtereen. Toen, van de vrome list onderricht, riep zij hare plaatsvervangster en sprak: sindien er voordeel in het lijden steekt, wat we niet betwijfelen, dan wil ik er mijn deel van zoo goed als gij.quot;

Kort daarop voelde zij de hoofdpijn met nieuwe hevigheid terug komen, en Margareta-Maria herstelde. Maar Moeder Greyffié vreesde niet zonder reden, dat deze gedurige ziekelijkheid weer aanleiding tot een ruil zouden geven; daarom schreef zij hare dochter; »mijne gezondheid is zóó, dat ik behalve mijne geestelijke oefeningen, niets kan doen; dus blijf ik zooals God het wil, in gedwongen rust; doch mits Hij me geleide, is alles goed van Zijne hand. Vraag niet om mijne gezondheid, noch om mijne kwaal over te nemen, ik verbied het u; bid

ocr page 185

173

Hem liever, dat Hij mij de barmhartigheid bewijze mij te stellen in een voortdurenden staat van volmaakt berouw, dat is van Zijne liefde en oprechte nederigheid; hiermede kan ik gelukkig leven en sterven, en neem ik in den geest van boetvaardigheid om God te behagen en mijne zonden af te boeten, alles aan, wat mij hindert en kwelt. Ziedaar, wat gij voor mij vragen moet aanstaanden Woensdag, wanneer gij een der Communies zult doen, die ik heb moeten overslaan in mijne ziekte.quot;

Geen wonder, dat Margareta-Maria deze Moeder kinderlijk lief had; dat zij in hare brieven aan Mre. de Saumaise in de hartelijkste bewoordingen van haar sprak. Ze mocht niet voor hare gezondheid bidden, maar de liefde is vindingrijk: het gebed van anderen voor haar vragen, was niet verboden. Zoo schreef ze dan in 1682 aan hare voormalige Overste.

»Gij zult wel gehoord hebben, hoe God ons bezoekt in de ziekte van onze zeer geachte Moeder, die nog lang niet hersteld is, ofschoon toch iets beter. Goddank! Bid onzen lieven Heer voor hare volkomen genezing en haar behoud; gij weet, hoe dierbaar zij ons is en mij vooral.quot;

In een anderen brief luidde het: »God heeft me eene zoo goede Moeder gegeven, dat er op de wereld geen betere is te vinden, die meer liefde voor mij heeft en meer geduld met mijne gebreken, maar zulk eene moeder mocht ik ook hebben, om mij te troosten over uw verlies.quot;

Het volgende jaar bleek deze liefde nog niet verkoeld. »Bedank God, die mij zulk eene moeder heeft geschonken, die onvermoeid is in hare liefde voor mij, het is eene ware moeder, dit zegt alles.quot;

ocr page 186

174

Xu wij de dochter kennen, en weten hoe de moeder haar behandelde, zijn deze woorden voor beiden een lofspraak. Inderdaad zij was eene moeder, dat spreekt overduidelijk uit den schriftelijken raad, welke zij kort voor haar aftreden aan hare dochter Margareta-Maria gaf.

»De Heer, die u beproeft naar lichaam en geest volgens Zijn welgevallen, zij door de genade en goedheid van Zijn Hart uw kracht en uw troost. Ziedaar, mijne lieve zuster en dierbaar kind, wat ik u heb te wenschen en te antwoorden.

»Ik zie niets onrustbarends in uw toestand. Behalve iederen eersten Vrijdag, moet gij tot mijn aftreden toe nog den laatsten Zaterdag der maand tot de H. Tafel naderen ter eere van de H. Maagd: ten einde Zij voor dit huis eene Overste verkrijge, die haar welgevallig is en voor mij eene diepe nederigheid, waardoor ik behagen moge aan het H. Hart, dat den hoogmoedigen weer-

O ~

staat en den nederigen genaden geeft.

»Wat de beproevingen aangaat, ik zou er u gaarne meer aandoen, indien uwe gezondheid het toeliet, doch uwe ziekelijkheden benemen mij den moed er toe. Vraag dus aan den Zaligmaker, dat Hij mij wat minder gevoelig maakt voor uw lijden, of u wat meer gezondheid geeft, of mij ontslaat van de verplichting u te behandelen, zoo als gij het verdient. Gij evenwel, mijn kind, moet u maar laten leiden door God. Ik heb er niets tegen, zoo ik om uwentwil lijden moet, verheug u met mij, wanneer God het toelaat. Leve Jesus! dien ik om uwe genezing bid, ten einde u meer te kunnen beproeven. Toen in Mei van 16S4 Mre. Greyffié's zesjarig bestuur

ocr page 187

175

van Paray ten einde iiep. werd zij in her klooster van Semur gekozen. Zij verliet dus Margareta-Maria, doch bleef haar als eene teerbeminde dochter liefhebben en schrijven. Deze van haren kant bejammerde haar afwezen, omdat zij nu minder werd vernederd en beproefd : omdat Mre. AI el in te goed en te zacht voor haar was. Zij klaagt haren nood bij de Overste van Sénuir, en zij ontving ten antwoord:

»Wees gerust beminde zuster, de plaats u door God en uwe deugd in mijn hart gegeven, behoudt gij altoos: ik vergeet u niet. Zie er de leiding in der Voorzienigheid, dat gij na eene harde moeder eene zachte en goedige hebt gekregen. Dat het u niet spijte; God heeft middelen genoeg; en of die zachte moeder u niet beproeft en vernedert, gelijk ik het deed, er zullen zich altoos gelegenheden genoeg van vernedering en lijden aanbieden volgens Gods welbehagen ; zoo zult gij van honger naar lijden en smaad niet sterven.quot;

Zij had gelijk. Reeds in December van het zelfde jaar 1684 vernam zij Margareta-Maria's ziekte en schreef, hoe zij in den geest altijd bij haar was; hoe ze nu eerst begreep, welke liefde zij haar toedroeg. gt;llet troost mequot; ging zij voort, »dat de goede Jezus u zoovele genaden meedeelt en voornamelijk die van Zijn Kruis te beminnen. Deze liefde ondersteunt de arme ziel op haren levensweg, anders bezweek zij onder den last des lijdens. Mijn dierbaar kind. laat ons trachten Hem in alles liefde te bewijzen en alles uit liefde voor Hem te lijden, wat ons hinderlijk en vernederend is; laat ons nooit den moed verliezen, want door lijden uit liefde komen wij

ocr page 188

176

tot het bezit van God. Ik weet wel, dat ik hier meer volgens mijne behoefte spreek dan naar de uwe, doch hebben wij niet alles samen gedeeld ? Ik meng hier mijn lijden door het uwe heen en doe u mijne nooden kennen, opdat gij die Jezus zoudt aanbevelen. Vaarwel, mijn kind, herinner u altoos in 't allerheiligst Hart uwer onwaardige zuster.quot;'

Zij begreep, dat de tijd van beproevingen voorbij was; had zij als voorzichtige Overste geen blijken van hooge ingenomenheid met M ar g a re ta-M aria's nieuwe devotie gegeven, nu deelde zij hare vereering en liefde voor het H. Hart. Daarom toen in Juli van 't volgend jaar het feest der novicenmeesteres volgens dezer vurigste wen-schen gevierd, een twistappel was geworden, troostte haar Mre. Greyffié; »Mij dunkt, in uwe plaats, zou ik me dichtbij of in het H. Hart van den goddelijken Meester verbergen, en mij er overgeven aan Zijn welbehagen. Ga voort dat goddelijk Hart voor mij te smeekeu : ik vergeet u in mijne gebeden nooit, want ge zijt mijne lieve zuster, mijne dochter en trouwe vriendin.quot;

Margareta Maria wilde echter meer. Mre. Greyffié vroeg wel gebeden bij het H. Hart, maar van eenige vereering te Sémur hoorde men niets. Daarom zond zij een afschrift van de voornaamste beloften — ons bekend — door Jezus gedaan, ten gunste van wie zijn H. Hart vereeren. Toen daar geen antwoord op kwam, volgde al spoedig een brief uit Paray van dezen inhoud:

»Ik kan mij met niets anders meer bezig houden dan met het H. Hart van mijn Jezus, en ik zou tevreden sterven, indien ik Hem eenige eer konde brengen, al

ocr page 189

177

moest ik met eeuwige straf worden beloond. Mits Hij bemind worde, vooral door mij en heersche over alltn. dan ben ik gelukkig. De tegenspraak, die ik ontmoet, heeft me al dikwijls op het punt gebracht van er over te zwijgen ; doch dan werd ik zoo streng berispt over de ijdele vrees, die satan mij aanjoeg, en later zoo bemoedigd en versterkt, dat ik besloten heb tegen eiken prijs ermee voort te gaan. Doch onze zusters beginnen er nu ook voor geneigd te worden. Evenwel indien de gehoorzaamheid het eischte, zou ik alles laten varen, want daaraan onderwerp ik mijne zienswijzen en bedoelingen beide.quot;

Eindelijk den lltlen Januari van 1686 nam Mro. Greyffié de onrust harer ijverige vriendin weg door de tijding: »mijn antwoord is u niet geworden, uwe brieven mij wel. Het schijnt, dat God ons aldus heeft willen beproeven. In den brief, dien ik aan de Communauteit schrijf, zult gij zien, hoe wij van 't jaar het feest van 't H. Hart hebben gevierd in onze kapel, waar wij eene prachtige voorstelling hebben van het Hart des Zaligmakers, van welke ik u hier eene kleine afbeelding zend. Hierbij voor de aangewezen zusters twaalf prentjes van 't H. Hart met de wonde, het kruis, de drie nagelen en de doornenkroon er om heen. Ik wenschte, dat ik ook altoos van 't H. Hart kon spreken zooals ü, onze zusters zouden het gaarne hooren.quot;

Wie Margareta-Maria ook maar eenigszins heeft leeren kennen, begrijpt iets. maar de volheid niet der blijdschap, waarmee deze brief haar overgoot. »Ik had verwacht, schreef ze. dat u mij zeggen zoudt, dat ik er niet meer aan denken moest deze devotie in te voeren,

12

ocr page 190

178

omdat het enkel inbeelding van mij was, en ik had er mij hij voorbaat aan onderworpen. Maar nu ik de voorstelling van het eenig voorwerp mijner liefde zie, nu heradem ik en leef weer op— Ik kan u niet zeggen, hoe blijde boodschap deze laatste brief mij bracht, daar ik verneem, dat gij met uw klooster ons helpt in de vereering van het H. Hart. Dit veroorzaakt mij duizendmaal meer vreugde, dan zoo ge mij in het bezit, steldet van al de schatten der aarde.quot;

In een later schrijven zond Mre. Greyffie nog een medaljon van 't H. Hart, wat Margareta-Maria op de borst moest dragen en voegde er de verzekering aan toe, dat zij al het mogelijke deed om het H. Hart des Zaligmakers alom geëerd en bemind te zien. »Ik doe mijn best,quot; vervolgde zij »maar gij zult er toch veel meer verdiensten van hebben, omdat gij met ootmoed en geduld alle tegenspraak verdraagt, en ik ontmoet er bij mijn weten geen. Al onze zusters zijn sterk met die devotie ingenomen sinds de lezing van P. de la Colom-bière's boek. hetwelk ze hier eigenlijk heeft ingevoerd.— Doch gij verlangt naar een kruis, en de Heer geeft het ii, niet zoo als gij het wenscht, maar zoo als Hij het voor u maakt uit de achting van wie u niet kennen en de verachting der anderen —

»De godsvrucht tot het Hart van Jezus is goed en heilig en zal de eere Gods vermeerderen. De beste bewijzen hiervoor zijn de moeielijkheden en de tegenspraak, welke zij ondervindt. Verlies dus geen moed, en spaar u niet om ze in te boezemen aan de personen, die op uw raad iets willen aannemen of doen.quot;

ocr page 191

179

Dit laatste woord beoefende zij zelf'; want gedurig bleef zij Margareta-Maria aanmoedigen en troosten en tevens aan den voortgang en bloei dier vereering arbeiden in haar eigen huis. Zij leerde hare zusters, — ze verhaalt het zelf aan hare vriendin bij het slaan der klok het oogenblik dankbaar gedenken, waarop Gods eenige Zoon de menschelijke natuur aannam en door de werking des H. Geestes, een hart gelijk aan het onze ontving.

Alzoo legde Mre. Grey ff ié in 1688 te Semur den grondslag der thans zoo verspreide en bloeiende Eere-wacht van het goddelijk Hart.

Een paar maanden na het aftreden als Overste van dat huis, vernam zij de ziekte en het heilig afsterven harer beminde zuster Alacoque, maar tevens het verzoek een uitvoerig verslag op te stellen van der overledene levenswandel en deugden.

Haar antwoord aan zuster des Escures, die het vroeg, geeft onverholen getuigenis van haren eerbied en haar liefde. »Twijfel niet, beminde Zuster, dat ik innig deel neem in het verlies, wat uw klooster komt te lijden in eene dochter, die ik altoos heb beschouwd als eene uitverkorene ziel, en een kanaal van hemelsche gunsten ten voordeele van alwie er mee geholpen wilden zijn. Ik acht mij gelukkig met de liefde, die God haar voor mij in het hart had gelegd. Voorwaar het was mijne zachtheid, zoo min als mijn geduld voor haar, die mij dien schat verdienden; maar ik zag, hoe onze Heer haar een oogst van myrrhe wilde doen inzamelen, en ik heb er haar de gelegenheid toe gegeven.

ocr page 192

180

«Nooit heb ik in haar een gevoelen bespeurd strijdig met de naastenliefde, hoe zij werd tegengewerkt en veracht; en gij weet, dat het haar aan vernedering niet ontbroken heeft, dewijl God deze tot hare heiliging toeliet.

»Nu geloof ik, dat zij zeer gelukkig is en hoog in den hemel verheven. — Al mijn beschikbaren tijd zal ik aan het gevraagde verslag besteden, want ik ben met onze Moeder van oordeel, dat men de nederighetd der ontslapene nü niet meer behoeft te ontzien, ten koste van wie uit haar voorbeeld lessen en vertroosting kunnen putten. Toch zal Mre. de Snumaise u veel meer kunnen leveren, daar zij waarschijnlijk verstandiger dan ik, hare brieven niet zal hebben verbrand. Ik heb er nagenoeg geene meer, dewijl ik altoos bevreesd onvoorziens te sterven, niet wilde dat haar schrift onder de oogen van anderen zou komen.

Sémur-en-Auxois 5 Nov. 1690,

Zuster Pék. Ros. Gryffie.quot;

Niettemmin schreef zij een merkwaardig verslag, waaruit wij vroeger de Bruid des Konings leerden kennen en hier nog hebben geput. Hoe zij te Rouaan, waar zij nu Overste werd, de Welbeminde van Jezus Hart, wier nederigheid zij niet meer behoefde te ontzien, dikwijls ten opwekkend voorbeeld zal hebben aangewezen! Hoe moesten ook hare eigen deugd en teedere godsvrucht aansporen tot navolging!

Toen haar tijd te Rouaan weer verstreken was, keerde

ocr page 193

181

zij eindelijk naar het dierbaar Annecy terug, dat zij voor negentien jaren verlaten had. Daar hervatte zij de taak met zoo voorbeeldigen uitslag te Sémur begonnen. De invloed van haar karakter, hare voorzichtigheid en de glans om haar hoofd van den vertrouwelijken omgang met Margareta-Maria waren oorzaak, dat al hare dochters de devotie tot het H. Hart, met de grootste vurigheid omhelsden. Dat zij er nu haar laatste dagen mocht slijten in ruste en gebed, luidde haar vvensch. God wilde het anders. Het volgende jaar 1700 moest zij daar het bestuur opnemen. Toen verzuchtte hare nederigheid: »God kon mij niet hooger verheffen dan door mij hier te plaatsen in de rij der zeer heilige Oversten, die mij zijn voorafgegaan, — doch Hij kon me ook niet dieper vernederen dan Hij nu doet, omdat ik mij zelve tot mijn schaamte gedurig moet verwijten, dat ik ze zoo weinig nabij kom.quot;

Toch bewerkte zij in 1704, dat er namens haar klooster, de bakermat der Visitatie, Z. H. Clemens XI een smeekschrift werd aangeboden om het feest van het H. Hart in die orde te mogen vieren.

Zoo voldaan bleken allen over haar bestuur, dat zij in 1712 er een tweede male gekozen werd. Drie jaren later in 1715 kwam de jongste Novice, Claudine Amedée Favier, die met haar 15de jaar was ingetreden, den dood nabij. In den angst haar te verliezen, ried Mre Greyffié het kind zich in de voorspraak van Margareta-Maria aan te bevelen. Zij bracht haar een linnen doek, welke Gods uitverkorene ten gebruike bad gediend, en nauwelijks raakte deze de kranke aan, of eene plot-

ocr page 194

182

i.

selinge genezing volgde. Het had den schijn of Marga-reta-Maria nog in den hemel even vaardig Mre Greyffié's wenschen voldeed, als toen zij haar onderdaan was in Paray.

De genezene zuster werd uit dankbaarheid eene der vurigste ijveraarsters voor de vereering van het goddelijk Hart van Jezus.

Ofschoon het hoofd zijne helderheid behield, bogen nu toch de schouders, en knikten de knieën der afgewerkte Mre Greyffié onder den last des bestuurs. Eindelijk had het lijden deze minnares des kruizes genoeg gelouterd, en den 26sten Februari van 1717 riep Jezus zijne moede Bruid ter eeuwige rust.

Van hare negen en zeventig levensjaren had zij er bijna twee en zestig in den dienst des Heeren doorgebracht. De jaarboeken der Visitatie prijzen haar als eene der uitmuntendste Oversten, innig doortrokken van den geest der heiligen Franciscus de Sales en Joanna de Chantal.

ZüSTEE MARIE ROSALIE DE LYONNE.

Omstreeks het jaar 1648 kwam eene bejaarde dame, met haar vierjarig kleindochtertje aan de hand, voorbij het klooster der Visitatie te Paray. Met kinderlijke

ocr page 195

183

verbazing zag het kind er tegen op en riep uit: «Grootma, wat een mooi huis! Daar wil ik in sterven.quot; De oude dame trok het kind glimlachend voort, wel overtuigd, dat zij niet wist wat ze zei, want nog kort te voren had zij met hare moeder de spreekkamer bezocht van een klooster, waar zich eene bloedverwante bevond, en op het zien der tralies — waarachter zich de religieuzen bij de vreemden vertoonen — was zij luidkeels gaan schreien; men had ze niet tot bedaren kunnen brengen, voor zij het vreeswekkend verblijf verlaten had.

Hare moeder. Mevrouw de Lyonne, behoorde tot den aanzienlijksten stand en bezat zeer vele goederen in de omstreken van Pa ray; de kleine Rosalie was het jongste der vier kinderen, welke haar echtgenoot haar had nagelaten, en daarom het voorwerp van de teederste zorg en de hartelijkste liefde. De godsdienstige weduwe prentte haar van jongs af de gevoelens van deugd en godsvrucht in, die haar zelf bezielden en bovenal eene groote liefde voor de armen. Aan hare opvoeding mocht niets ontbreken, wat tot de eischen van haar stand behoorde, en van gunstigen aanleg bleek Rosalie niet misdeeld. Met de jaren nam zij in schoonheid toe en deed eindelijk hare intree in de wereld als eene koningin. Haar rijzige leest en fiere houding benevens dat ongezocht en ongedwongen deftige, wat van goeden toon en opvoeding getuigt, hielden op een afstand, indien hare vriendelijke en minzame manieren eenige toenadering schenen uit te lokken. In de stad harer nwoning trok zij de bewondering van grooten en min-

ocr page 196

184

deren, en Lyon, waar zij zeer dikwijls met hare familie verbleef, juichte hare verschijning met ingenomenheid toe. Dat zij zelve van dit alles onkundig bleef, wie kon het eischen? Doch zij ging te ver in haar besef van eigenwaarde en achtte zich boven het menschelijke verheven : zij zou eene vorstelijke hand hebben afgewezen, overtuigd dat niemand barer waardig kon zijn.

quot;Wie, die haar kende, herinnerde zich anders dan schertsend haar uitroep bij het klooster der Visitan-dinen; daar wil ik sterven! Wie vermoedde, dat de Koning der koningen haar voor Zich had bestemd ? Zelfs zag niemand er de zachte werking der genade in, dat de schitterendste feesten Rosalie de Lyonne onvoldaan, onbevredigd lieten. »Is het anders niet!quot; zuchtte zij terugkeerend van een partij ter harer eer aan de Saöne gegeven, »ik had er mij veel meer van voorgesteld ; wat valt dat tegen!quot;

Mevrouw de Lyonne, hare moeder, ging te biechten bij de paters Jezuiëten. Pater Papon wist dat hij op haar rekenen mocht, zoo dikwijls hij iets voor zijne armen behoefde. Deze omstandigheid belette echter niet, dat de pater in zijne bezoeken bij deze familie zich nu en dan eene gevoelige aanmerking veroorloofde op de wereldsche kleeding van de dochters des huizes. Wie zich over die vrijheid gestoord voelde, Rosalie nooit. Zelf oprecht, eerbiedigde zij den priester te meer om zijne vrije en onafhankelijke manier van spreken en koos juist hem tot haar geestelijken leidsman. Al aanstonds vroeg hij haar, welke boeken zij las. Dit was zonder moeite op te maken uit haar karakter; zij moest behagen vin-

ocr page 197

185

den in romanlektuur, zich zelve verbeelden eene romanheldin te wezen, die alles beheerscht en aan hare voeten wil zien. Rekenend op hare natuurlijke edelmoedigheid en nog onbedorven hart, verving de priester hare ijdele romans door eene dagelijksehe lezing van Thomas a Kempis. Ofschoon het baar veel kostte, zij liet zich rader; en legde zieh van toen af met meer ijver toe op de liefde voor de armen, welke deugd haar de gemakkelijkste en aangenaamste was. Tegenover dienstboden en minderen was zij goed en vriendelijk, maar hooghartig en fier in tegenwoordigheid van haars gelijken of meerderen. Zij had volstrekt nog geen vaarwel gezegd aan de ijdelheden der wereld; eene zekere terughouding beveiligde echter hare deugd, en zonder ootmoedig te wezen, bleek zij met al hare gaven en schoonheid vreemd aan behaagzucht of verlangen om de aandacht te trekken.

Intusschen zette de genade langzaam haar werk voort. Rosalie begon te verlangen naar eene volmaaktere kennis van God. Eens dat zij in de paterskerk zat te bidden, was het of haar inwendig werd gezegd, dat God weldra iemand zenden zou, om haar te leeren, wat zij zocht. Die verzekering vervulde haar met troost. Niet lang daarna, in 1(374, werd P. La Colombière benoemd tot overste te Paray. Zijn eerste preek op Pinksterdag verrukte al zijne hoorders maar vooral Rosalie de Lyonne. Het was, of de H. Geest haar de omtrekken had geschetst, van hetgeen Zijne genade in haar werken zou. Den 28sten Augustus daaraanvolgende, het feest van den H. Augustinus, moest dezelfde pater preeken in de kapel der Ursulinen te Paray.

ocr page 198

186

Rosalie bevond zich 's avonds in een gezelschap van vriendinnen, toen zij de klok hoorde luiden. Op eens staat zij op en zegt: »We zouden beter doen pater La Colombière te gaan hooren dan hier te blijven zitten.quot; Zij ging, en allen volgden haar voorbeeld. Het was, of de priester voor haar alleen gesproken had, zoo diep getroffen verliet zij de kerk. Het woord van Augustinus: o, altijd oude en altijd nieuwe schoonheid, wat heb ik u laat leeren kennen, laat bemind! scheen de ware uitdrukking van 't geen zij gevoelde in haar hart. Wel had zij zich Augustinusquot; misstappen en afdwalingen niet te verwijten, niettemin zijne klacht, begreep zij, mocht de hare wezen.

Op zekeren dag ontmoette zij den prefekt van 't College te Pa ray, pater Forest, bij een harer bloedverwanten. Deze gaf zijne verwondering te kennen, dat pater La Colombière naar Paray gezonden was en niet veeleer bestemd voor het predikambt in de groote steden. »Dit is geschied, antwoordde de pater, ten behoeve eener bevoorrechte religieuze bij de Visitandinen alhier, die zijne leiding noodig heeft.quot;' Mej. de Lyonne wist nog niet, dat Margareta-Maria Alacoque de bedoelde zuster was; toch schoot haar als een lichtstraal de gedachte door het hoofd: zou hij ook niet de mij beloofde leidsman wezen? Zij hield het er voor en schonk hem aanstonds haar volle vertrouwen.

Hij van zijnen kant begreep, dat God deze ziel had uitverkoren en voor het bederf der wereld bewaard om haar door Zijne liefde te overwinnen. Daarom legde hij er zich op toe de leiding der Voorzienigheid met haar

ocr page 199

187

in de hand te werken, zonder nochthans hare fijnvoelende natuur geweld aan te doen. Hij maakte haar de beoefening der deugd zoo gemakkelijk, dat zij lachen moest met de schrikbeelden, die zij er vroeger van gevormd had. Toch bekende zij later, dat ware haar biechtvader minder zacht en voorzichtig geweest, zij waarschijnlijk den moed er bij had opgegeven. Xu gevoelde zij zich gelukkig onder zijne leiding en volgde zonder tegenbe-denkingen zijne raad en voorschriften. Hare kleeding werd ernstiger, hare deugd degelijker, hare godsvrucht gezonder, en bij dat alles was het, of zij in beminnelijkheid won. Had men haar vroeger bewonderd om hare uiterlijke begaafdheden, nu eerbiedigde men bovendien hare deugd. Zij deinsde zelfs niet meer terug voor gestrengheden, welker naam alleen haar eertijds deed sidderen.

Kwam zij te Lyon, zoo vond ze haar grootste genoegen in de kerk en in het bezoeken der gasthuizen. De pater had haar de manier van overwegen geleerd en ried er een zandkoker bij te nemen om den duur van haar gebed te bepalen. »God bewaar me, pater, riep zij uit, zou ik voor Hem den tijd afmeten,quot; en zij bleef zoo lang in gebed, als zij de werking der genade voelde.

Reeds was zij goed op weg naar de volmaaktheid en had zich door de belofte van zuiverheid aan God toe-geheiligd, toen P. La Colombière op eens naar Engeland vertrok. Toch hield zij zich goed, geholpen door de genade, die haar niet losliet; zij schreef den pater alwat haar aanging; en ontving zijn raad en vermaningen nu op schrift. »Ik twijfelde er geenszins aan. Mejuffrouwquot;

ocr page 200

188

dus luidt zijn eerste brief van 29 Juni 1676 uit Londen, »of gij zoudt wel volharden in den dienst van God, en onze Heer, in wiens handen ik u bij mijn vertrek heb aanbevolen, zou voor u zorgen. Niettemin is het aangenaam, dit van u zelf te vernemen, vermits gij alleen dienaangaande zekere getuigenis geven kunt. Ik verheug mij dus met u, dat gij altijd aan Hem blijft toebehooren, dien gij tot uw Heer en Bruidegom gekozen hebt. Ik dank Hem duizend en duizend malen voor de goedheid en barmhartigheid, die Hij u bewijst, en ik smeek Hem uit al de innigheid mijns harten, dat Hij u altoos meer gelieve te beminnen en altijd meer tot Zich te trekken, 't Is zeker eene genade van God, dat gij zoo gerust en kalm zijt; een duidelijk teeken, dat de God van vrede in u woont. Doe al wat gij kunt om Hem bij u te bewaren.

»Evenwel moet ik u bekennen, dat ik mij in uwe plaats vernederen zou voor God en mij als zeer zwak beschouwen, indien Hij mij met zooveel liefdevolle teederheid behandelde, want zóo pleegt God met zijne groote dienaren niet te doen. Ik zeg, ik zou mij er over vernederen, doch niet verontrusten; integendeel de ootmoed vermeerdert de kalmte en maakt ze onverstoorbaar. Bovendien raad ik u, zich zonder inspanning zooveel mogelijk los te maken van die vertroostingen, welke God u aanbiedt, en er uw hart niet aan te hechten als aan een zinnelijk goed, waardoor de zuiverheid uwer liefde zou kunnen verminderen. God alleen moet het voorwerp uwer liefde wezen, niet Zijne gunsten of genaden. Ik wenschte, dat gij onderwerping noodig hadt om in die

ocr page 201

189

zoete rust te blijven, en dat gij jaloersch waart op degenen, die sterk genoeg zijn om een kruis te dragen. Eindelijk moet gij wel weten, dat God u aldus behandelt, opdat gij zelf door innerlijke versterving zoudt aanvullen, wat er aan uw kruis ontbreekt, en dat gij u te meer tijdelijke genoegens ontzegt, naarmate Hij u met geestelijke genoegens overstroomt.

sLTwe inschikkelijkheid voor Mevrouw, uwe moeder, keur ik bijzonder goed. Ge doet wel haar in alles te gehoorzamen, wat niet tegen Gods wil strijdt. Is dat afleggen van bezoeken, waarbij gij haar vergezellen moet, een kruis voor u, des te beter. Ik bid God, dat de wereld u altoos een kruis blijft, dan zal zij u nooit schaden.quot;

Door zulke brieven bereidde P. La Colombière de zijnen voor tot het offer, dat God. naar hij meende, van haar vroeg.

Intusschen werd de oudste dochter van Mevr. de Lyonne in den bloei der jaren door een kwaadaardige ziekte aangetast; zij leed vreeselijke pijnen, en weldra bleef er geen hoop op behoud. Kosalie liet hare oefeningen van godsvrucht en armenbezoek achter om zich met de hartelijkste liefde toe te wijden aan den dienst barer kranke zuster; onvermoeid was zij in hare zorgen, opdat hare bedroefde moeder zich zoo min mogelijk afmatten en overspannen zou. Mevrouw de Lyonne waardeerde deze liefde barer dierbare Eosalie, doch juist omdat zij zich zoo gelukkig voelde in haar bezit, kon zij bij het sterfbed harer oudste dochter de pijnlijke gedachte niet van zich verzetten, dat zij hare jongste misschien al te spoedig verliezen zou. Want de verandering van

ocr page 202

190

leven, die zij sinds eenigen tijd bij haar bespeurd had : dat ernstiger toilet, die afkeer van de vermaken der wereld, waren het geen al te duidelijke teekenen van neiging voor het kloosterleven? Wel mocht Eosalie verklaren, dat er geen spraak van was, dat zij haar nooit verlaten zou, - het beangstigde moederhart werd door zulke betuigingen niet gerust gesteld.

Na den dood harer zuster, stortte Rosalie geheel haar hart uit in een schrijven aan pater La Colombière. Zijn antwoord kwam niet terecht. Toen schreef zij eene tweede maal en ontving uit Londen den volgenden brief:

»Ik heb u geschreven. Mejuffrouw, sinds den dood uwer goede zusters. Onze Heer heeft toegelaten, dat mijn brief verloren is geraakt, — Zijn heilige wil zij gezegend in eeuwigheid. TJ kan wel begrijpen, dat ik een deel van mijn plicht jegens de overledene vervuld heb, en ik zal nog zoo spoedig niet ophouden voor haar te bidden. Over hare zaligheid ben ik echter in 't minst niet bekommerd. Ik heb alle redenen om te gelooven, dat zij gelukkig is, want zij heeft bij haar leven zeer veel geleden, en is in al haar lijden getrouw gebleven aan God.

»Maar nu wat u betreft. Ik geloof, dat de vrees uwer moeder, te uwen opzichte, tijdens die ziekte niet zonder grond was; maar tevens dunkt het mij, dat gij uwe teederheid voor haar te ver drijft, en dat gij zoowel haar als uwe andere bloedverwanten de voorkeur geeft boven God. Na hetgeen zij u gezegd heeft, verwondert het mij, dat gij nog geen besluit hebt genomen. Gij houdt u op met allerlei ongerustheden over de diensten aan uwe kranke zuster bewezen, en gij let er niet op, dat de tijd

ocr page 203

191

voorbij gaat om God een offer te brengen, wat al uwe vorige gebreken zou uitboeten. Kom, Mejuffrouw, wij moeten naar het kruis! Vergeten wij nooit, dat wij Jezus Christus meer dan al het overige moeten beminnen. Als gij hier komt, zult gij welkom zijn, maar ik zag u veel liever bij de Visitandinen.

»Stel verder al uw vertrouwen op God; verwacht alles van Hem en niet van eenig schepsel, zelfs niet van geestelijke leidslieden; om het even wie zij zijn, zij kunnen niets zonder God, en Hij kan alles zonder hen. Wees nu voortaan meer op uwe hoede voor die zekere hooghartigheid, welke in strijd met de ware ootmoedigheid is, en meer tot toorn stemt, dan wanneer gij u opzettelijk kwaad zoudt maken. Zwijgen is goed, maar indien uw stilzwijgen stooten zou, is het beter te spreken. Kom, Mejuffrouw, gij moet geduldig wezen, meer te goeder trouw en door en door zachtzinnig gelijk Jezus Christus. Ik beveel u boven alles zachtzinnigheid aan. Dat is eene kostbare deugd in Gods oogen. Uwe bezoeken bij de armen keur ik goed, maar houd er maat en regel in en zorg, dat gij er uwe huiselijke zaken niet mee verwaarloost, alsook, dat gij u in die werken van liefde niet te veel verstrooit. Onderhoud u nu en dan met uwe vriendinnen over geestelijke zaken; men spreekt gaarne, over hetgeen men liefheeft; maar spreek vooral veel met Jezus Christus in uw hart. Vaarwel, Mejuffrouw, bid God voor mij om de genade geheel aan mij zeiven te sterven.quot;

La Colombièee.

ocr page 204

192

Het lag zeker niet aan de onduidelijkheid van dezen brief, dat Rosalie niet besluiten kon. Zij begreep zeer goed, waar de pater heen wilde; geloofde ook wel, dat alleen zijn ijver voor Gods welbehagen en haar geluk zijne pen hadden geleid, maar iets inzien en er naar handelen, zijn twee. Zij bleef dus verdeeld tusschen God en de wereld.

Zoodra de rouw het haar toeliet, begaf zij zich neer naar Lyon. Daar ziet zij op een morgen in hare kamer de lijdende ziel van een Lyoneesch edelman, die herhaaldelijk aanzoek om hare hand had gedaan en nu kortelings overleden was. Hij lag geknield met gevouwen handen, alle teekenen dragend van droefheid en smart. Toen zij het waagde hem aan te spreken, antwoordde hij met een zucht: »God is zoo groot, zoo heilig, zoo rechtvaardig; niets is klein voor Zijne oogen, alles wordt gewogen gestraft of belooond.quot;

»Heeft God u toch barmhartigheid bewezen? vroeg zij weer.

»Ja! luidde quot;t zacht, »mijne liefde voor de armen heeft mij gered.quot; De verschijning verdween, doch Rosalie was diep geschokt. Hare moeder vond haar wel tien jaar verouderd. De frissche blos was van haar gelaat geweken en keerde nooit terug. Vruchteloos hield men bij haar aan om eene verklaring van wat er was voorgevallen. Tot een besluit kwam het met haar echter niet: hare vrijheid had ze te lief, ze kon, meende ze, ook meer goed doen in de wereld. — Bij God was het anders beschikt.

Margareta-Maria Alacoque, de bevoorrechte religieuze

ocr page 205

193

der Visitatie, wier naam alleen bij Rosalie nog maar bekend was, schreef op zekeren dag op dien toon van hemelsche ingeving, welke haar nooit bedroog, aan P. La Colombière: »Onze Heer wil mej. de Lyonne in het klooster.quot; Hierop ried de pater haar zuster Alacoqae eens te gaan spreken, »dat was,quot; schreef hij, »de heiligste religieuze,quot; welke hij ooit had gekend. Eosalie gehoorzaamde, schoon ongaarne, en toen zij Margareta-Maria in de spreekkamer zag komen, zoo zedig en geheel in God verloren, had ze al spijt haar te hebben gevraagd. »Wat ziet zij er stijf uitquot; dacht zij bij zichzelve, »ze zal me zeker zeggen, dat ik religieuze moet worden, maar ik doe het niet.quot;

Het onderhoud met de zuster viel evenwel mee, en Rosalie verliet haar met de belofte, in alles wat niet op het kloosterleven sloeg, haren raad te zullen volgen. Haar afkeer voor het klooster verminderderde er niet op. Eens ontving zij weer een brief van P. La Colombière, die aanving met de woorden: »Mijne dochter, gij moet aan u zelve sterven.quot; Verder las zij niet, maar begon luid te weenen, denkend, dat de pater den religieuzen staat bedoelde. Zoo bleef zij troosteloos, zonder dat iemand de reden weten mocht van hare tranen. Eindelijk komt eene vriendin haar bezoeken, en op haar aandringen gaf ze den noodlottigen brief. Toen deze haar nu overtuigd had, dat er geen spraak was, van hetgeen zij vreesde, was zij weer gerust en getroost. Dit alles be-A-estigde P. La Colombière in de overtuiging, dat zij wel bepaaldelijk voor den religieuzen staat geroepen was. de neiging, welke vereischt wordt, behoeft toch geene

13

ocr page 206

194

natuurlijke te wezen, aangezien het kloosterleven voor de natuur weinig aantrekkelijks biedt. Zij was eene van die zielen, welke zouden wenscben geene roeping van God te gevoelen; die niet durven bidden om de keuze van een levensstaat, bevreesd tot de overtuiging te komen, dat God haar roept om de wereld te verlaten, of althans om offers te brengen, welke zwaar vallen aan 't men-schelijk hart. Toen P. La Colombière in 1679 uit Londen terug naar Paray kwam, vond hij haar nog in dienzelfden strijd met de genade en vermaande haar zacht den raad van zuster Alacoque te volgen. Zij beloofde het hem.

Kort nadien liet Margareta-Maria haar bij zich ontbieden. Zij ging, maar of ze van de tralies huiverde, bleef zij aan de deur van de spreekkamer staan en vroeg van daar zuster Alacoque, wat zij van haar verlangde. — »Dat gij het gebed van dertig dagen met mij begint tot mijne intentie/' sprak deze. Tot dit gebed placht zij haar toevlucht te nemen, waar het verlichting in religieuze roepingen gold.

»Ik beloof het u, zuster, gij kunt er op rekenen!quot; zei Rosalie en spoedde zich henen. »Dat is om mij religieuze te laten wordenquot; dacht ze, »maar ik zal wel oppassen: ik maak er de intentie voor mezelve bij, om er nooit eenige roeping voor te gevoelen/' Toen de dertig dagen ten einde waren, ontving Margareta-Maria van haar Bruidegom de verzekering, dat Hij deze ziel geheel voor zich wilde. Zij zweeg het voor Mej. de Lyonne, doch gaf er P. La Colombière kennis van. Hij scheen het echter reeds te weten, want vóór de tijd van het gebed verstreken was, schreef hij haar zelf een brief, die juist

ocr page 207

195

den een en dertigsten dag in hare handen kwam, waarin deze woorden haar verbaasden; »Ik ben van oordee), dat gij u gereed moet maken om eerstdaags Gode een offer te brengen, waarmee gij begonnen zijt, doch waarvan Hij de voltooiing verlangt. Het valt licht te voorzien, dat de duivel zicb met de wereld vereenigen zal om hinderpalen op te werpen tegen zoo eene gewichtige onderneming, eene bron van glorie voor God en van genaden voor u. Maar de Heer, aan wien gij uw offer opdraagt, zal u bijstaan, en ik hoop, dat gij met Zijne genade alles te boven zult komen. Strijd met edelmoedigheid, Mejuffrouw, er wacht u eene heerlijke kroon, die wel waardig is, dat gij u beijvert om ze te verdienen. Het geldt het laatste blijk van liefde aan uw Bruidegom of liever het eerste, want, in waarheid, men bemint Jezus Christus niet voor goed, wanneer men Hem nog niet alles geeft, wat men geven kon.quot;

Zij antwoordde den pater, dat zijn brief haar bevreemd en verwonderd had: dat zij dertig dagen lang gebeden had, maar de gedachte alleen van hare moeder te moeten verlaten, verscheurde haar hart en deed haar bittere tranen storten.

Xn schreef hij aldus: »'tVerwondert mij. Mejuffrouw, dat mijn brief n verrast heeft. Mij dunkt, als gij toch, zonder dat ik er iets van wist, dertig dagen achtereen de genade hebt gevraagd om Zijn heiligen wil te kennen, en als mijn brief u dan juist daags er op gewordt, dan heeft dat toch iets van verhooring, vooral daar God u alzoo te kennen geeft, wat gij wenschtet te weten. Wat de moeielijkheden betreft, die zich bij de uitvoering

ocr page 208

196

opdoen, zij verwonderen mij niet; de duivel kan niet dan met leede oogen zien, wat wij doen om ons zeiven te heiligen en God te behagen. Indien gij echter moed hebt en kordaat zijt, zal Hij die u roept, uwe wegen efien maken en de kracht geven om alles te overwinnen. Uwe tranen en teederheid voor uwe moeder neem ik niet kwalijk, maar zie daar toch juist eene reden voor u in, om het offer te brengen, dat klaarblijkelijk nog niet is gebracht, want behoordet gij inderdaad aan God, zooals gij het verlangt, dan zou de gedachte aan eene scheiding u zooveel pijn niet doen. Ik kan onmogelijk bij u komen; over twee of drie dagen ga ik voor een maand naar buiten, dan kom ik ten minste voor een jaar te Lyon, als onze Lieve Heer me zoolang het leven spaart. Neem dus uwe maatregelen hiernaar, doch wat er ook gebeure, doe toch niets, wat de barmhartigheid, welke God u bewijst, onwaardig is?quot;

Na ontvangst van deze regelen, besloot Rosalie den pater zeiven te gaan bezoeken op het landgoed zijner familie te Saint-Symphorien; een barer broeders zou haar vergezellen; ze was gejaagd, of ze haar vonnis moest gaan vernemen. De pater was verrast door bare plotselinge komst — zoodra zij bij hem werd toegelaten, viel ze op de knieën en verklaarde zich al bevende bereid tot elk offer, wat hij haar op zou leggen. Toen vroeg hij met hemelsche kalmte: »indien Jezus Christus u onder zijne Bruiden riep, zoudt gij weigeren te gaan, mijne dochter?

— »0, pater!...quot; was alles wat zij uit kon brengen.

— »Zoudt gij deze eer weigeren,mijn kind, Jezus afwijzen?

ocr page 209

197

Op hetzelfde oogenblik week haar afkeer, de zoetste blijdschap vervulde hare ziel; zij beloofde den pater zich den Heer toe te wijden, en vertrok met den heme! in het hart weer naar huis. Onderweg kon ze haar vreugde niet bedwingen; »is het al zoo zoet,quot; riep zij uit, »iemarid te hooren spreken, die TJ bemint, o mijn God, wat moet het zijn, 11 te hooren, U te zien, TJ eeuwig te bezitten I'1 In hare vervoering nam zij afscheid van de beekjes en de velden, alsof zij naar den hemel ging. Eer zij het wist, was zij in Paray terug.

Doch Mevrouw de Lyonne deelde volstrekt het gevoelen barer dochter niet en verklaarde kort en goed, dat zij nooit hare toestemming gaf. Rosalie had hare moeder te lief om door te zetten; eigenlijk was zij ook blij, dat het zoo uitviel, nu kon ze niet naar 't klooster, en ze had er toch geen lust meer in.

Zoo verliep er nog een vol jaar. Zuster Alacoque verloor haar echter niet uit het oog. Op een ochtend komt zij als in verrukking bij Mre. Greyffié en zegt: »Moeder, onze Heer wil Mej. de Lyonne bepaald voor Zich; Hij heeft me gezegd: »Ik wil haar tegen eiken prijs!quot; De Overste deed nu Mej. Rosalie boodschappen, dat zij haar een enkel woord had te spreken. Slechts half met deze tijding ingenomen, ging Mej. de Lyonne de H. Mis bijwonen in de kerk van het klooster, en begaf zich van daar met een barer vriendinnen naar de spreekkamer.

Toen vernam zij van Mre Greyffié en zuster Alacoque, dat God haar bepaaldelijk religieuze wilde; het eenige middel om aan dat gedurig weerstand bieden een eind te maken, was nu maar onverwijld in 't klooster te

ocr page 210

198

gaan, zonder hare moeder vooraf weer kennis te geven.

— Jlet zal gebeuren!quot; sprak Rosalie, en zonder eenige tegenbedenking ging zij naar de kloosterpoort. Met de hand aan den klopper, bekende zij bare verbaasde vriendin : »indien nu hiernaast het vagevuur openstond, dan sprong ik er even lief in, als hier den voet binnen te zetten. »Ziedaar!quot; en zij reikte hare beurs over - »geef dat geld, aan wie gij wilt. Ze zullen hier al blij genoeg zijn, dat ze mij hebben, ofschoon ik niet geloof, dat het langer dan veertien dagen duren zal.quot; Dus sprak de zes en dertigjarige, toen zij, in Mei 1(380, eindelijk den drempel van het klooster overschreed. Hare moeder zwoer, dat zij de ontrouwe dochter nooit meer terug wilde zien en schreef, naar het schijnt, een brief vol bittere klachten aan pater La Colombière. Opmerking verdienen in zijn antwoord onder meer deze regelen: »u vindt het vreemd. Mevrouw, dat zij een staat omhelst, voor welken zij volstrekt geene neiging gevoelde, — doch mij dunkt, dat men nooit neiging kan gevoelen voor het kruis. Ik weet wel, dat ik een vreeselijken afkeer had van het leven, waartoe ik mij verbond bij mijne intrede in den religieuzen staat, en ik heb nog bijna niemand ontmoet, die niet met hevigen tegenzin overging tot dien stap; of het moesten jonge kinderen wezen, die God uit de wereld roept, vóór zij goed w7eten wat zij doen; dewijl, indien zij de moeielijkheden zagen, zij geen moed genoeg zouden bezitten om ze te boven te komen. Mevrouw, mij dunkt, dat God u een groote eer bewijst met uwe dochter te vragen: gij zondt haar hebben afgestaan aan een edelman -— en gij zult den moed hebben haar te weigeren

ocr page 211

199

aan Hem. die u schiep, en die u oordeelen moet, wellicht eer dan gij denkt?'quot;

Intusschen kwelde de ontevredenheid harer moeder Eosalie aanvankelijk het meest; nochtans zij liield zich goed en vleide zich met de gedachte, dat zij in het klooster schitteren zou gelijk in de wereld; dat de zusters veel van haar konden leeren. want zij meende, dat allen, behalve de Overste, in afkomst, bekwaamheid en ontwikkeling ver beneden haar stonden. Spoedig bleek het haar echter, dat zij zich hierin bedroog, en dat geen der toenmalige koorzusters in eenig opzicht voor haar behoefde te wijken.

Aan eene harer vriendinnen, misschien wel die getuige van Rosalie's intree was geweest, schreef pater La Colombière: »met vreugde heb ik vernomen, dat zij het huis des Heeren is binnengegaan. Die vreugde is niet verminderd door uw bericht omtrent de moeielijk-heden, welke zij ondervindt. Haar offer zal er te kostbaarder om wezen aan don Bruidegom, Wien zij zich toewijdt. Hoe eerder men haar proeftijd kan laten beginnen, hoe beter; zij heeft al veel te lang uitgesteld geheel aan God te behooren, en elke vertraging is hinderlijk voor de liefde, welke van aard ongeduldig is: vooral de liefde van God, die weet, wat beminnen is, en volmaakt bemint.quot;

Had Rosalie de Lyonne zelf uit hare vrijwillige gevangenschap aan dv _ pater geschreven? Het blijkt geenszins; toch begreep hij, dat ze nu vooral een woord van bemoediging noodig had, en hij schreef in den zomer van 17^0 uit Lyon: »Indien er niets bijzonders tusschenbeide

ocr page 212

200

is gekomen, zijt gij nu bekleed met de liverei van uw Bruidegom, en ik twijfel geenszins, ot' deze verandering voor het uiterlijke heeft eene zeer voordeelige teweeggebracht in uwe ziel. Ik draag al uwe kruisen met u mede, en ik zou gaarne vragen om er geheel alleen den last van op mij te nemen, indien ik niet vreesde u te kort te doen, of niet verzekerd was, dat het de kostbaarste kleinooden zijn, die gij van Jezus Christus in de verbintenis met hem aangegaan ontvangen hebt. Wat zijt gij welgevallig, mijne waarde zuster in de oogen van God en zijne engelen, met dit kleed van genade en onschnld, waarmede quot;t uw Welbeminde heeft behaagd u te tooien! Moogt gij het dragen tot uw dood, met al de heiligheid, welke Hij vraagt van alle. dezen, die er mede zijn bekleed ! Wat uwe moeder aangaat, heb nog een weinig geduld. God zal alles ten beste keeren. De smart, die zij gevoelt, zal haar niet doen bezwijken, zij zal er gezuiverd en geheiligd uit opstaan; doch bedenk, dat gij geene moeder of bloedverwanten meer in de wereld hebt: Jezus Christus is u dit alles en nog meer. In hem ben ik

La Colombièek.quot;

Dit opbeurend schrijven van den man, wien zij een onbepaalden eerbied toedroeg, versterkte de worstelende novice. Van lieverlede werd haar het klooster minder somber. Wanneer zij deel nam aan het gezellig en vroo-lijk onderhoud der uren van uitspanning en dan de gulste blijheid des harten op de gelaatstrekken barer nieuwe

ocr page 213

201

zusters las, begon zij te begrijpen, dat men in het kloos-ster niet altoos wegkwijnt van verdiet.

Mre Grejffié verzachtte haar zooveel mogelijk de eerste hardheden des religieuzen levens, rekening houdend nnt haar karakter en zwakke gezondheid. Ten gevolge dezer voorzichtige behandeling, maakte hare natuurlijke fierheid plaats voor eene zachte eenvoudigheid, en openbaarde zij zich aan de moeder, met de natuurlijke openhartigheid van een kind, zoodat Mre Greyffié, die haar altijd vriendelijk ontving, wel eens met moeite een glimlach verborg, als zuster Marie Rosalie zoo rond en open met haar bezwaren voor den dag kwam. Naast de Overste bracht Margareta-Maria al het hare bij om de novice in haar heilige roeping te doen volharden.

»Ik beveel ze (benevens de arme zuster N.) in uw gebeden,quot; schreef zij aan hare voormalige overste Mr6 de Saumaise; »de vijand levert haar ook menigen harden strijd. Moge God haar beiden doen overwinnen; 't zijn twee zielen, welke onze Heer mij dagelijks dierbaarder maakt____quot;

In 1681 was haar proeftijd verstreken, en de dag der professie of plechtige beloften aanstaande. »Indien gij maar moed houdt,quot; had pater La Colombière geschreven, »zal voor u en uwe moeder alles ten beste keeren; ik gedenk uw beiden in mijn gebed.quot; Alles keerde ten beste; de dag der beloften was de kalmte, die na den storm volgt. Mevr. de Lyoniie had een jaar lang haar moederhart geweld aangedaan: nu gaf zij het op en snelde toe, om tegenwoordig te zijn bij de geestelijke bruiloft van haar kind. Bij deze zegepraal der genade gevoelde

ocr page 214

202

zuster Marie Rosalie ten volle, dat zij op hare plaats in 't klooster was ; luide gaf zij hare dankbaarheid lucht, kuste in vervoering van blijdschap de muren harer eenzame cel. Sinds was de zwaarste strijd doorstreden; naarmate het religieuze leven hare liefde en gehechtheid won, verloor de wereld hare achting. Toen pater la Co-lombière haar een veertien dagen na hare beloften bezocht, riep hij uit: »Wat ben ik blij. mijn kind, u eindelijk bruid van Jezus te zien!quot;

— »0, pater, wat is God toch goed!quot; was haar wederwoord.

Na eenige oogenblikken zwijgens, alsof beiden waren opgetogen van dankbaarheid aan God, sprak de pater met haar over het geluk en den geest van den religieuzen staat. Op eens geeft de kloosterklok een teeken, dat de zusters samenriep; op hetzelfde ooogenblik laat zuster Marie-Rosalie den pater alleen, die over dit blijk van stipte gehoorzaamheid hoogelijk gesticht was.

Doch de weg der heiligen is een lijdensweg. Weinige maanden later, in Februari 1682, ging P. La Colombière de glorie der zaligen in, en kort na hem verloor zuster de Lyonne harer moeder. Vraag niet, of dit dubbel verlies haar pijnlijk viel: indien de religieus ophield mensch te blijven, ware de altijd springende bron zijnor verdiensten gestopt. Zuster Margareta-Maria verzekerde haar echter, dat de pater reeds in den hemel was; daarom sprak Rosalie van hem, of hij nog onder de levenden was, en verkreeg meer dan eene gunst op zijne voorbede bij God.

In hare edelmoedigheid wilde zuster de Lyonne een

ocr page 215

203

derde offer brengen. In de moeielijkheden. die haar nu en dan verontrustten, placht zij den raad in te winnen van Margareta-Maria en vond hij haar altoos opbeuring en troost. Xu besloot zij voortaan zich ook hiervan te onthouden, om alles over te laten aan God. Doch weidra daalde er duisternis in hare ziel: angst en droefenis bevingen haar, en zij openbaarde zich niet. Indien haar uiterlijk haar niet verried, moest zuster Alacoque in haar binnenste hebben gelezen, toen zij op vasten toon tot haar zei: »zuster, uwe geheimhouding is Gode niet aangenaam, vandaar de onrust in uw hart.quot;

Aanstonds gaf zij haar voornemen op, nam raad met Gods vriendin, en het licht verrees, de vrede woonde weer bij haar in. Eens zaten zij beiden op de ziekenzaal, toen er in de kerk gepreekt zou worden. Zuster de Lyonne gevoelde zich zeer geneigd er heen te gaan, zij had het ook kunnen doen. Toch bleef zij om de zwakkere Margareta-Maria gezelschap te houden. Wat zij mildelijk werd beloond! De uitverkorene lieveling des Heeren sprak haar in dien tijd met zooveel geestdrift over het aanbiddelijk Hart des Verlossers, over Zijne liefde tot den mensch en over onzen plicht van wederliefde, dat zij door dit ééne onderhoud meer werd gesticht dan door vele preeken.

Dit was evenwel niet de eenige keer, dat Margareta-Maria haar stichtte. »Ik heb haar eensquot; — getuigde zij later — «gadegeslagen en waargenomen van 's avonds zeven uren tot middernacht, en de andere zusters met mij van middernacht tot 's morgens zeven uren: al dien tijd bleef zij geknield, met gevouwen handen, als onbe-

ocr page 216

204

wegelijk. Toen ik haar 's anderendaags vroeg, hoe zij zoo lang kon blijven in dezelfde houding, en waaraan zij dacht, antwoordde zij mij: »Ik ben zoo bezig met het lijden van onzen Heer, dat ik in dien tijd niet weet, of ik een lichaam heb; tenminste ik voel het niet.'

In de maand Mei van 1683 verliet Mre Greyffié, de moederlijke vriendin en getuige van haar strijd en overwinning, het klooster van Pa ray voor dat van Semur. Haar vertrek was een gevoelige slag voor zuster de Ly-onne. Het briefje, dat zij met dagteekening van 5 Juni 1864 van haar ontving, moet een antwoord zijn op hare betuiging van leedwezen en vrees.

»Mijne lieve zuster en petekind!quot; zoo luidde het,«wijlen Mgr. van Genève (de H. Franciscus van Sales) placht altooos te zeggen : Laat ons gerust zijn: God heeft het roer in handen. Datzelfde zeg ik u ook, mijn land; en dit is even waar, als dat gij zuster Marie-Rosalie de Lyonne zijt en ik Péronne-Rosalie Greyffié. Het nieuwe bestuur, dat uw beminde Meester begonnen heeft, zal duizendmaal gelukkiger zijn, dan ik het u kan zeggen, tan minste voor die zielen, welke zachtzinnig, ootmoedig en eenvoudig zich er aan onderwerpen. Ik zeg, eenvoudig, mijn beste, want gij moet u als een kind door God laten geleiden. De gewichtige zaken, die Hij te regelen heeft, beletten hem niet te denken aan de haren op het hoofd van hen, die, gelijk wij tweeën, geheel onderworpen en overgegeven trachten te zijn aan Zijn H. wil.quot;

Onder de leiding dezer moeder was zuster de Lyonne een geheel ander mensch geworden. Een aanzienlijk heer,

ocr page 217

205

die in jaren Paray niet had bezocht, vroeg, toen, hij er wederkwam; hoe maakt het toch Mejuffrouw de Lyonne? Zij is zuster geworden bij de Visitandinen, zei men hem. Hij geloofde het niet, voor hij zich met eigen oogen had overtuigd. Bij het verlaten van de spreekkamer, wist hij geen woorden om zijne verbazing te uiten. »Ik heb eene heilige gesproken! riep hij. Xu ik Mejuffrouw de Lyonne zoo veranderd heb gezien, geloof ik, dat alle meisjes religieuze kunnen worden.quot; Inderdaad, in plaats van trotsch 311 fier, was zij nu goed en zacht als een engel. De dagelijksche omgang met Margareta-Maria bleek aan dien omkeer niet vreemd. Van haar leerde zij de hartelijkste gemeenzaamheid met haren Bruidegom, Jezus Christus. Verborg Hij zijne tegenwoordigheid voor haar, dan scheen ze een hulpeloos kind, door haar vader verlaten. Somtijds liet Hij haar in dorheid op de hoogste feestdagen, wanneer zij een groot gedeelte van den dag in de kapel mocht doorbrengen; dan bad zij; »Heer, wees zoo goed, mij een enkel woord toe te spreken.quot;

Bleef dat gebed onverhoord, zoo voegde zij er bij: »Als U niet komt, mijn God, ga ik hier weg lquot; Eindelijk stond zij werkelijk op en verliet de kapel, zeggende: »Ik ga Heer, want Gij verwaardigt U nog nieteens mij aan te zien of toe te spreken!quot; In de volgende overweging liet de Bruidegom Zich evenwel verbidden en toonde haar de liefde van Zijn Heilig Hart.

Soms deed hare ziekelijkheid vreezen, dat zij eene heilige Communie zou moeten overslaan. Dan bad ze in allen eenvoud: »Heer, geef mij toch de kracht om U te te ontvangen, want zoo ik niet tot de H. tafel nader.

ocr page 218

206

verliezen wij er alle twee bij.quot; Had zij uit hoofde liarer ongesteldheden een slapeloozen nacht, zoo was het: »Heer, als ik nu niet slaap, doe ik het morgenochtend, en dan kan ik mij niet met u bezig houden.quot; Dit kinderlijk vertrouwen bleek den hemelschen Bruidegom aangenaam, zuster de Lyonne sliep in en kon 's morgens hare overweging doen.

Haar geloof was zoo levendig, of zij met eigen oogen zag. Hare hoop bereikte dien graad van vastheid, dat zij meende God onrecht aan te doen door maar een oogenblik te twijfelen, of ze wel zalig zou worden. Zij ging zelfs zoover, dat ze dacht nooit in 't vagevuur te komen. »God geeft Zijne genade, zeide ze, naar de mate van ons vertrouwen, welnu, mijn vertrouwen reikt over het vagevuur heen.quot; Haar hart klopte alleen voor den Bruidegom harer ziel, en zij kon niet gelooven, dat iemand voor Zijne liefde ongevoelig kon blijven. Daarom als zij Gods bedreigingen hoorde lezen in de Schriftuur, of als de donder ratelde, sprak zij in stilte: »roep toch zoo hard niet, mijn God, men zal U geene liefde weigeren, neen, neen, men zal U beminnen, dat zweer ik IJ!quot;

Van zuster de Lyonne weten wij bijzonderheden uit het leven der gelukzalige Margareta-Maria, welke hier eene plaats verdienen. Toen in 1715 het proces der Zaligverklaring begon, verklaarde zij schriftelijk: Zij was ooggetuige van Margareta-Maria's plotselinge genezing den 20sten Juni 1680, die tot 20 Nov. aanhield, en van hare hervalling na de vijf maanden door de overste bepaald; en haar zelve had Margareta-Maria in vertrouwen gezegd: indien de overste vijf jaren in plaats van vijf maanden

ocr page 219

207

had gevraagd, zou zij die zonder twijfel van mijn be-minnelijken Zaligmaker verkregen liebben.quot;

»Zij bad een grooten eerbied en buitengewoon vertrouwen in de heilige engelen, welke zij gedurig aanriep en deed aanroepen voor de zielen in het Vagevuur. Een gedeelte harer strenge boetvaardigheden droeg zij te hunner eere op.

Bij haar kwamen vele menschen uit Paray en omstreken naar hunne overledene bloedverwanten vernemen. »'t Is of u denkt, dat ik weet, wat er in 't Vagevuur omgaat,quot; zeide ze dan verlegen. Niettemin wat later berichtte zij den eene : »God heeft de bewuste persoon eene groote genade bewezen, hij is in den hemel en heeft maar zóólang in het Vagevuur geboet.quot; Anderen gaf zij den raad vurig te blijven bidden; hunne dierbaren zouden nog slechts korten tijd te lijden hebben'quot; Haar zelve had de Zalige voorspeld, dat zij voor haar dood nog een zwaar kruis zou dragen. In waarheid, behalve, dat zij inwendige bitterheden en lichaamssmarten verduren moest, werd zij doof en blind. »Ziedaar nu de vervulling van Margareta-Maria's woord,quot; placht zij vroolijk te zeggen; »toen wilde ik er niets van gelooven, nu zie ik, dat zij gelijk had.quot;

Twintig jaren voor haar dood werd de voorspelling van haar toekomstig lijden nog eens vernieuwd. Eene harer oude vriendinnen te Paray stierf als een heilige en deed aan zuster de Lyonne een kruisje bezorgen, dat zij gekregen had van pater de Villette, haar beider zielbestuurder. Een begeleidend briefje hield in, dat de Heer haar zijn kruis toezond, en dat zij haar verzocht

ocr page 220

208

het van Zijne aanbiddelijke handen aan te nemen als een kostbaar geschenk, dat zij altijd bij zich moest dragen. — Deze tijding trof zuster de Lyonne: zij durfde het kruisje haast niet aanraken, dat haar zoo gevoelige smarten voorspelde. Toch schaamde zij zich weldra, dat , zij Jezus' kruis was ontvlucht. Zij ging hot weer halen en drukte 't, ondanks haar weerzin, aan het hart. Zes maanden later voelde zij er al de zwaarte van wegen, en het lijden vergezelde haar tot op éen en tachtigjarigen ouderdom.

Naarmate haar einde naderde, nam het verlangen naar de H. Communie toe. »A1 mijne levenskracht,quot; zeide zij, »ligt in dat hemelsch brood; zoodra ik dit niet meer nuttigen kan, sterf ik.quot;

In hare laatste levensdagen was het voor de zusters eene opwekking tot ijver en godsvrucht haar te bezoeken, zulk een glans van heiligheid lag op haar gelaat. Zij had een rijmpje gemaakt, dat hare vurigste beden tot God behelsde: gedurig moest men het haar voorzeggen:

»Moet ik leven. Heer, of sterven.

Laat mij nooit Uw liefde derven!quot;

Zelve sprak zij bijwijlen zoo roerend over Gods liefde, die haren langen wederstand eindelijk overwonnen had, dat men aan haar sterfbed van aandoening weende. Eindelijk vroeg zij haar biechtvader, of het nu tijd 'van sterven was ? Zij wilde ook den laatsten snik geven uit gehoorzaamheid. Toen de priester haar bevestigend antwoordde, gaf zij den 16den Augustus 1725 na vijf en veertig jaren kloosterlevens, hare ziel in de handen van den eenig beminden Bruidegom.

ocr page 221
ocr page 222