ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

DER

OUDE GESCHIEDENIS

4,6-/ EN AARDRIJKSKUNDE, ax

NAAR HET HOOGDU1TSCH

VAN

quot;W_ IP XT T Z_

BEWEKKT DOOK

Dr. E. MEHLER.

ACHTSTE DRUK.

GORINCHEM.

J. NOORDUYN EN ZOON. 1 8 9 3.

ocr page 6
ocr page 7

V H a a gxW L i- E 11 D VOORREDE VAN DEN 5den DRUK^^' '

Bdangrljht veranderiagen heeft deze ode druk niet ondergaan; het is evenwel natuurlijk, dat men hij nauickeurige herziening steeds te wijzigen en te verbeteren vindt. De mij gemaakte aanmerking, dat ik in de geschiedenis der Israëlieten mij te veel aan de traditie gehouden en van de uitkomsten van het kritisch onderzoek te weinig partij had getrokken, noopte mij, tot Prof, Kuenen de vraag te richten, in hoeverre hij op het tegenwoordig standpunt der wetenschap het zaak en geraden achtte, in een leerboek den weg der overlevering te verlaten. Hij ontraadde mij, daar vele der verkregen resultaten nog problematisch, en op vele punten de beoefenaars van dit gedeelte der historie zeiven nog in het onzekere waren, dit voor als nog ten sterkste; ik kon, meende hij, met de korte v'ermelding , dut de kritiek aan de echtheid der traditie op goede gronden twijfelde, volstaan. Enkele verbeteringen en aanvullingen in het verhaal van de geschiedenis der Israëlieten ben ik insgelijks aan de goedheid van I'rof. Kuenen verschuldigd, dien ik voor een en ander openlijk mijn dank betuig,

Sneek, Aug. 1870.

E. M.

De zesde druk verschilt van den vijfden alleen door eene kleine wijziging, die ik ten opzichte der Aziatische volken in de verdeeling van de stof heb gebracht, _ en die enkele veranderingen en toevoegingen, die bij nauwkeurige herziening bijna onvermijdelijk zijn.

Zwolle, Dec. 1874.

ocr page 8

Bij de beicerking vnn dezen zevenden druk heb ik, behalve kleine wijzigingen, toevoegingen en uitlatingen, bij de behandeling der Romeimche geschiedenis een en ander omtrent de geschiedenis van den regeeringscorm. en het staatsbestuur ingelascht, dat in de vorige drukken ontbrak. Overigens hoop ik dat dit uitsluitend voor gymnasiaal onderwijs ingericht boekje hij voortduring door mijne amhtgenooten met wehoillendheid moge ontvangen worden.

Zwolle, Aug. 1879. E. M.

De uitnoodiging van den uitgever, otn de Schets der oude geschiedenis van Piitz ten behoeve van een achtsten di-itk nog eens nauwkeurig te willen nazien, was mij zeer aangenaam. Zij strekte mij ten bewijze, dat het hoekje, door mij, bewerkt in een tijd, toen er ten onzent nog alles behalve overvloed heerschte aan goede en verstandige leerboeken der oude geschiedenis voor ggm-nasiaal onderwijs, ook nu nog niet vergeten is. Veel heb ik er niet in veranderd, en dat teas ook onnoodig; echter heb ik toegevoegd, gesnoeid en gewijzigd, waar vorm. of inhoud mij dit schenen te eischen.

E. M.

Zwolle, Januari 1893.

ocr page 9

I HST HC O XJ ID.

Paar.

INLEIDING................1.

EERSTE AFBEELING. AZIË.

INLEIDING.......'I.........3.

A. A a r d r ij k 3 k u n d i ff overzicht van Azië. § 1. Grenzen. — § 3. Gebergten — § 3. Wateren. —

§ 4. Beivoners van het oude Azië.

B. De Semitische volken van W e s t-A z i ë.

I. De Israëlieten.........6.

§ 5. Aardrijksk. beschrijving- van Palaestina. — § 6.

Geschiedenis der Israëlieten. — § 7. Beschaving der Israëlieten. quot;

II. DePhoeniciërs.........30.

§ 8. Aardrijksk. beschrijving van l'hoenicië. — § 9. Volkplantingen. — § 10. Geschiedenis. — §11. Handel, scheepvaart, nijverheid en uitvindingen.

III. De Babylon iërs en Assyriërs. . 37. § 12. Aardrijksk. beschrijving van het land aan den

Euphraat en den Tigris. — § 13. Geschiedenis der Babyloniërs en Assyriërs. — § 14. Beschaving der Babyloniërs en Assyriërs

C. Arische volkeren.

IV. De Meden en Perzen......33.

§ 15. Het hoogland van Iran en zijne bewoners. —

§ 16. Het rijk der Meden. — § 17. Beschaving der Meden.

V. De Perzen.

§ 18. Geschiedenis der Perzen. — § 19. Beschaving der Perzen.

VI. De Indiërs..........45.

§ 20. Aardrijksk. beschrijving van Indië. § 21. Geschiedenis der Indiërs. — § 22. Beschaving der oude Indiërs.

ocr page 10

vi I N H O U D.

Pag.

VIII. De Staten in Klein -Azië . . . 48. § 23. Aardrijksk. beschrijving van Klein-Azië. — § 34. Het Lydische rijk.

TWEEDE AFDEEL ING, AFRICA.

Inleiding.................51

A. Aardrijksk. overzicht van Africa. . 52 § 25. Grenzen. — § 26 Gesteldheid van den bodem. —

§ 27. Wateren. — § 28. Verdeeling.

B. De b ij z o n d e r e volken van Africa.

I. De Aegyptenaren........53.

§ 29. Aardrijksk. beschrijving van Aegypte. — § 30.

Geschiedenis der Aegyptenaren. — § 31. Beschaving der Aegyptenaren.

II. DeCarthagers.........68.

§ 32. Aardrijksk. beschrijving van Carthago. — § 33.

Buitenlandsohe bezittingen en volkplantingen. — § 34. Geschiedenis der Carthagers. — § 35. Beschaving der Carthagers.

DERDE AF DEELING. EUROPA.

Inleiding............ .... 74.

A. A a r d r ij k s k. b e s c h r ij v i n g v a n E n r o p a. § 36. Grenzen. — § 37. Gebergten. — )gt; 38. Wateren. —

§ 39. Landen.

B. De Staten van Europa.

I. De grieken............78.

A. A a r d r ij k s k. b e s c h r ij v i n g van Griekenland.

§ 40. Aardrijksk. overzicht. — § 41. Noord-Griekenland. — § 42. Midden-Griekenland. — § 43. De Peloponnesus. — | 44. De eilanden.

B. De geschiedenis der Grieken.

Eerste t ij d v a k. Van de oudste tijden tot de verhuizingen der Grieksche stammen........89,

5 45. De oudste bevolking van Griekenland. — § 46. De tocht der Argonauten. — § 47. De twee oorlogen tegen ïhebe. — § 48. De oorlog tegen Troje.

Tweede tijdvak. Van de verhuizing der Doriërs tot de oorlogen met de Perzen..........100,

ocr page 11

I N H O U D. vu

Pag.

§ 49. De verhuizing der Doriërs. — § 50. De Grieksclie koloniën op de westkust van Klein-Azië. — § 51. Het ontstaan der Kepublieken. — § 53. Sparta. — § 53. De beide eerste Messenische oorlogen en de hervorming der staatsregeling van Lycurgus.— § 54. Athene.— § 55. De Grieksclie koloniën.

Derde' tijdvak. Van de Perzische oorlogen tot den

ondergang der onafhankelijkheid van Griekenland . . 118. § 56. De Perzische oorlogen. — § 57. De eeuw van Pericles. — § 58. De Peloponnesische oorlog. — § 59. De hegemonie van Sparta. — § 60. De oorlog tusschen Sparta en ïhebe. — § 61. De Macedoniërs mengen zicli in de Grieksche aangelegenheden. — § 62. De beschaving der Grieken.

De Macedoniërs............146.

§ 63. Aardrijkskundige beschrijving van Macedonië. — § 64. Geschiedenis van Macedonië tot Alexander den Groote.

— § 65. Alexander de Groote. — § 66. Yerdeeling van het rijk van Alexander den Groote. — § 67. Macedonië en Griekenland. — § 68. Het Syrische rijk onder de Seleuciden. — § 69. Aegypte. — § 70. Beschaving der Grieken gedurende het Macedonische tijdvak.

III. De Romeinen...........164.

A. A a r d r ij k s k. b e s c h r ij ving van Italië. § 71. Aardrijksk. overzicht van Italië. — § 72. Opper-

Italië. — § 73. Midden-Italië. — 74. Beneden-Italië. — § 75. De eilanden.

B. Geschiedenis der Romeinen.

Eerste tijdvak. Home onder koningen.....173.

§ 76. De overlevering van de stichting der stad. —

§ 77. De zeven koningen.

Tweede t ij d v a k. Home als gemoenebest.

a) Aristokratie..............184.

§ 78. Gevolgen van de verdrijving der Tarquinii. — § 79. De uitwijking van de Plebs. — § 80. Oorlogen met naburige volken. — § 81. Strijd tusschen de Plebejers eu de Patriciërs. — § 82. Oorlog tegen Etrurië.

— § 83. De inneming van Rome door de Galliërs. — § 84. Einde van den strijd tusschen de Patriciërs en de Plebejers.

b) Demokratie.............194.

ocr page 12

INHOUD.

aa) Oorlogen oin de heerschappij van Italië. . .19-1. § 85. De oorlogen met de Samniten. — § 86. De oorlog met Tarente. — § 87- Inwendige toestand van Home.

Ib) Buitenlandsche oorlogen tot aan de Gracchen. 200. § 88. De eerste Punische oorlog. — § 89. Oorlog met de Illyriërs. — § 90. De tweede Punische oorlog — § 91. Oorlogen met Macedonië, Syrië en Griekenland. — § 92. De derde Punische oorlog. — § 93. De oorlog in Spanje.

cc) Buitenlandsche en burgeroorlogen van de Gracchen tot op de alleenheerschappij van

Augustus............213.

§ 94. De beide Gracchen. -- (i 95. De oorlog met' lugurtha. — § 96. Oorlog met de Cimbren en Teutonen.

— § 97. De Marsische oorlog. — § 98. Burgeroorlog tusschen Marius en Sulla. — § 99. De drie oorlogen met Mithridates. — § 100. De overige oorlogen tot aan het driemanschap. — § 101. Samenzwering van Catilina. — § 102. Het eerste driemanschap. — § 103. Het tweede driemanschap.

Derde t ij d v a k. Eome ouder keizers...... 234.

§ 104. De dynastie van Octavianus. — § 105. Galba, Otho, Vitelïius en de drie Flavii. — § 106. De gelukkigste tijden van het Romeinsehe rijk. — § 107. Van Commodus tot Diocletianus. — § 108. Do tijden der verdeeling van het rijk tot Constantinus den Groote.

— § 109. Van Constantinus den Gr. tot de splitsing van het rijk door Theodosius. — § 110. Het Westersch Romeinsehe rijk tot zijn ondergang. — § 111. Aardrijkskundig overzicht van het Romeinsehe rijk. — § 112. Beschaving der Romeinen........... 250.

Chronologische tafel............ 254.

viii

ocr page 13

INLEIDING.

Begrip der geschiedenis.

De wereldgeschiedenis of algemeen e geschiedenis is het aaneengeschakeld verhaal van de ware en merkwaardige feiten, die den maatschappelijken toestand van het menschelijk geslacht gevormd en veranderd hebben.

Bronnen der geschiedenis.

1) Mondelinge: mvtlien en sagen, de oudste wijzen van historische overlevering.

3) S c h r i f t e 1 ij k e: a) opschriften op gebouwen, gedenkzuilen, steenen en andere gedenkteekenen. b) M u n t e n en medailles (gedenkpenningen), c) Oorkonden, als: verdragen, vredestraktaten, besluiten, handelingen van vero-a-■deringen, enz. d) Jaarboeken {fasti), d. z. boeken, waarin enkele merkwaardige gebeurtenissen (als veranderingen van regeering, oorlogen, veldslagen, vredestraktaten, pest, overstroomingen enz.) zonder samenhang opgeteekend zijn. De k r o-n ij k e n bevatten een samenhangend verhaal van het gebeurde; maar ook hier wordt evenmin op den vorm gelet, en het eenige doel is, dat de herinnering aan het gebeurde bewaard blijve.

e) Geschiedkundige geschriften, waarin de feiten verhaald worden door schrijvers, die of in den tijd leefden, waarin het door hen opgeteekende geschied is, of die te boek stelden hetgeen vóór hen gebeurd was.

3) Gedenkteekenen zonder opschriften; afbeeldingen , bouw- en kunstwerken van allerlei aard, vestingwerken, bouwvallen, gereedschappen, huisraad, wapenen, zegels, eiiz.

Hulpwetenschappen der geschiedenis.

1) Aardrijksk u n d e (geographie, oude, middeleeuwsche ■en nieuwe).

2) Tijdrekenkunde (chronologie), welke ons leert den duur en de opvolging der gebeurtenissen naar een vasten

Pütz, O. G. X

ocr page 14

3

maatstaf te bepalen. Deze maatstaf is óf aan de bewegingen van aarde en maan ontleend, óf willekeurig aangenomen. Op de eerste is gegrond: a) de n a t u u r 1 ij k e tijdrekening, welke de verdeeling van den tijd in jaren, maanden en dagen aangeeft; b) op willekeurige, door wetgevers bepaalde beginselen steunt de historische tijdrekening, welke zoowel de bepaling van het jaar bij de verschillende volken aanwijst, als ook diegebeurtenissen , die men gekozen heeft, om daarmede de verschillende tijdrekeningen of aer a e te beginnen.

De belangrijkste jaartellingen zijn: a) van de schepping der wereld, naar men aanneemt ongeveer 4000 jaren vóór de geboorte van Christus. 4) Jaren v ó ó r e n n a d e g e-b o o r t e van Christus, c) Olympiaden (een tijdsbestek van 4 jaren), sedert 776 v. Ch. (bij de Grieksche geschiedschrijvers in gebruik sedert 300 v. Ch.) d) Jaren n a d e stichting van Rome, 73.'J (752) v. Ch. e) De mra Seleucidarum, 312 v. Ch., het jaar, waarin Seleucus Nicator Demetrius Poliorcütes (bij Ga/.a) overwon, en Babylon bezette, ƒ) Hedschra, sedert de vlucht van Mohammed van Mekka naar Medina, 623 na Ch. g) Jaren sedert de vestiging der F r a n-sche republiek, 179 3—18 0 5 ; deze jaartelling geraakte reeds na 13 jaren weder in onbruik.

3) De genealogie of de kennis van den oorsprong, de uitbreiding en ile verwantschap der geslachten.

4) De vergel ij kende taalstudie, die vooral over den oorspronkelijken samenhang dor volkeren en de oudste volksverhuizingen een geheel nieuw licht verspreidt.

Verdeeling der geschiedenis naar tijdperken.

1) De geschiedenis der oudheid van de oudste tijden tot den ondergang van het Westersch-Eomeinsche rijk, 476 na Clu

3) Geschiedenis der middeleeuwen tot de ontdekking van Amerika, 1493 (of de inneming van Konstantinopel door de Turken, 1453).

3) Nieuwe geschiedenis tot het Congres van Weenen , 1S15.

4) Nieuwste geschiedenis tot onzen tijd.

ocr page 15

EERSTE AFOEELING.

AZIË.

Azië, de bakermat van het menschelijk geslacht, moet in het algemeen als het vaderland der beschaving beschouwd worden; daar toch hebben de voornaamste godsdiensten (zoowel de monotheïstische, b. v. de Joodsche, Christelijke en Mo-hammedaansche, als de polytheïstische diensten van Brahma, Zoroaster en Kon-foe-tse), de rijkste talen, de meeste kunsten, wetenschappen en uitvindingen, handel en nijverheid hun oorsprong; daar ook hebben de mensehen zich het eerst tot staten verbonden. Daarentegen ontwaart men later eene gedeeltelijke vernietiging der Europeesche beschaving door volksverhuizingen uit Azië (Hunnen, Seldschukken, Mongolen). Alleen de Arabieren oefenden een weldadigen invloed op de beschaving uit. Door zijn ontzaglijken omvang (vijf maal grooter dan Europa) en zijne ligging onder drie verschillende luchtstreken overtreft Azië in rijkdom, pracht en verscheidenheid van dier- en plantsoorten alle andere werelddeelen. De gemakkelijkheid van het verkeer door de groote zeeën, door den vorm der kust, door diep in het land dringende zeeboezems en daarin zich uitstortende groote rivieren, voornamelijk in het Zuiden (lioewel de meeste rivieren van het W. naar het Z. loopen, ging de groote handel van het O. naar het W.), de rijkdom en de kostbaarheid der voortbrengselen hadden ten gevolge, dat het zuidelijk gedeelte bij voortduring het middelpunt van den wereldhandel was.

A. Aardrijkskundig overzicht van Azië.

§ 1-

Grenzen van Azië.

Al bleef ook het noordelijkste en oostelijkste deel van Azië in de oudheid geheel onbekend, toch wist men dat dit wereld-

ocr page 16

4

deel aan drie kanten door drie verschillende groote zeeën, en in het W. door een meer, het belangrijkste der aarde, bespeeld werd (m. z. bl. 5); de grenzen aan den kant van Europa en Afrika worden zeer verschillend opgegeven (Aegypte werd door de oudste aardrijkskundigen, die slechts twee werelddeelen kenden, bij Azië gerekend), doch later nam men den Tauais (th. Don) en de landengte van Arsinöë (d. i. v. Suez) algemeen als grenzen aan.

§ 2.

Voornaamste gehergten van Azië.

Het zuidwestelijk gedeelte van Azië (tli. het Hoogland van Voor-Azië), dat aan de Oudeu vooral bekend was, bestaat grootendeels uit een bergland. Den zuidelijken rand hiervan vormt iu het Westen de Taurus, in het Oosten de I m a u s (de westelijke Himalaja en Beloertagh) met zijn oostelijken tak, de E m 5 d i m o n t e s (de oostelijke Himalaja); den noordwestelijken rand vormt de C a u c a s u s (tusschen de Cas-pische en Zwarte Zee). In het midden scheidt de P a r o p a-mïsus (th. Hindu-Kusch, d. i. Indisch gebergte), een tak van den Imaiis, de beide zich trapsgewijze verheffende vlakten van dit Bergland.

Behalve deze gebergten, welke het groote bergland omringen en vormen, was nog het grensgebergte van Azië aan den kant van Europa onder den algemeenen naam van Hyperborêisch gebergte (th. Ural) bekend.

§ 3.

De wateren van Azië.

I. Zeeën, zeeboezems en zeeëngten.

In het noorden de IJszee (Oceania Septentrionalh).

In het oosten deoostelijke wereldzee {Oceamm Eorns).

In het zuiden de Indische (aan de zuidkust van Indië) en de Erythraeische zee (tusschen Afrika, Arabië en Voor-Indië), met a) de Arabische golf of de Eoode zee en b) de Perzische golf.

ocr page 17

5

In het westen de Binnenzee (th. Middellandsche zee;. Hare deelen aan de kusten van Azië: de Aegaeische zee (th. Archipel), de Hellespontus (th. Straat der Dardanellen), de Propontis (Zee van Marmora), de Thracische Bosporus (Straat van Constantinopel), de P o n t u s E u x i n u s (de Zwarte zee), de Cimmerische Bosporus (Straat van Kaffa of Jenikale), de Maeötis (Zee van Azof).

II. Meren.

De Caspische zee, het grootste meer op aarde. Het Aralraeer was in de oudheid misschien een gedeelte van de Caspiscne zee.

III. Rivieren.

Van de groote rivieren van Azië waren in de oudbeid sleehls de volgende meer nauwkeurig bekend;

a) In de Indische zee uitmondende: de Ganges.

1) In de Erythra.eische zee: de Indus (Sind), en de evenwijdig stroomende rivieren de Enphraat en de Tigris; de beide laatste vallen in de Perzische golf.

c) In de Zwarte zee: de Halys (Kisil-Irmak).

d) In de Caspische zee: aan den noordwestkant de Rha (Wolga), aan den oostkant de 0\us (Amu) en de laxartes (Sirr); de beide laatste storten zich thans in het Aralmeer.

§ 4.

Vquot;rdtding der bewontrs van Azië volguns taalüammai.

Azië is het vaderland der beide groote taalstammen, waartoe nog heden ten dage de talen van meer dan twee derden van de geheele bevolking der aarde behooren:

]) de O o s t-A z i a t i s c h e, die China, Japan en het grootste gedeelte van Achter-Indië omvat;

2) de I n d i s c h-E aropeesche of de taalstam van het Caucasische (witte) ras, die zich in de oude wereld over alle landen van de monding van den Ganges tot aan de kusten van den Atlantischen Oceaan uitstrekte. Deze stam is gescheiden in twee groote takken:

ocr page 18

6

a) den Indo-Germaanschen, waarvan de Ariërs, gesclieiden in Irauiërs (Meden en Perzen) en Indiërs, in Azië bleven, terwijl andere stammen deels naar het zuiden van Europa verhuisden, zoo als de reeds vroeg in Grieken en Romeinen verdeelde Pelasgen, deels naar het Midden en Noorden van Europa trokken, zoo als de Celten, Germanen en Slaven.

/j) den A e g y p t i s c h-S e m i t i s o h e n, in het Westen van Azië, waartoe de Aegyptenaren, Israëlieten, Syriërs, Phoeniciërs, Babylouiërs en Assyriërs behoorden.

B. De Semitische volken van West-Azië.

I. DE ISRAËLIETEN.

§ 5.

Aardrijkskundige beschrijving van Talaestwa.

Namen en o m v a n g. In het oude Testament heet slechts het land van de Middellandsche zee tot aan den Jordaan K a-n a ii n, als vroegere woonplaats der Kanaiinieten. De naam Palaestina duidde oorspronkelijk alleen het land der Phi-listijnen op de zuidwestelijke kust van Kanaiin aan, maar werd allengs de gewone naam voor het geheele land van de Middellandsche zee tot aan de Syrisch-Arabische woestijn, en ten Zuiden van Syrië en Phoenicië. Later noemde men het ook vaak het Heilige land, als tooneel der heilige geschiedenis.

De naam ludaea werdt eerst na den terugkeer der Joden uit de ballingschap, voornamelijk bij de Grieksche en Romeinsche schrijvers, voor het geheele land gebruikt, daar zij, die uü; de ballingschap terugkeerden, grootendeels tot den stam en het rijk van Juda behoorden; later werd daardoor alleen de zuidelijkste der drie provinciën ten westen van den Jordaan san-gewezen.

Van den Libanon strekken zich van het N. naar het Z. twee evenwijdig loopende bergketenen uit, die het smalle en diepe dal van den Jordaan insluiten. Deze stroomt door

ocr page 19

het meer Merom en het meer Genezareth of de Galilaeische zee (th. meer van Tiberias) en stort zich uit in het Asphalt-meer of de Doode zee; de zuidelijke, zeer ondiepe kom van dit meer is ontstaan ten gevolge van door vulkanische krachten voortgebrachte vreeselijke omwentelingen in het vruchtbare dal Siddim, waarin voorheen Sodom en Gomorra lagen.

De sterke uitwaseming van het buitengewoon zoute water maakt dat alles, wat in zijne nabijheid komt, met een zout-korst overtrokken wordt. Op de oppervlakte van het met zout bezwangerde water drijven, vooral als er eene aardbeving is voorafgegaan of bij hevigen golfslag, groote stukken asphalt, die van den bodem of van de zijwanden zijn afgeslagen.

Het land ten W. van den Jordaan, dat uit eene smalle kuststrook in het W. en een in het O. zich terrasvormig verheffende 1) erg keten bestaat, bevat in de richting van het Z. naar het N. drie landschappen :

A. I u d a e a, het zuidelijke landschap, met Jeruzalem, de hoofdstad van ludaea en sedert David van het geheele land.

Jeruzalem ligt op een schiereiland, dat door twee ten Z. van de stad hare wateren vermengende beken (Kidron in 't O. en Gihon in 't W.) gevormd wordt, en is aan drie kanten (W., Z., O.) door de natuur zelve versterkt. Slechts in 't X. was eene uitbreiding mogelijk; de twee oudste gedeelten van de stad zijn op de zuidelijke helft gelegen, in het Z.W. de heuvel Zion, in het Z.O. de tempelberg Morïa. Dit oude Jeruzalem werd in 586 v. Chr. door Nebukadnezar verwoest; de na de ballingschap herstelde stad werd in 70 n. Chr. door Titus vernield , maar door Hadrianus als Eomeinsche kolonie, Aelia Capitolïna, op kleinere schaal weder opgebouwd en met Eo-meinen bevolkt. — Ten O. van Jeruzalem, aan gene zijde van de beek Kidron, verheft zich de O 1 ij f b e r g.

De tempel stond in het O. van de stad Jeruzalem op den berg Moria. Hij had twee voorhoven, waarvan de buitenste voor het volk, de binnenste voor de priesters bestemd was.

Ten Z. van Jeruzalem ligt Bethlehem, de geboortestad

ocr page 20

8

van David en Jezus, en op een oase, waar de Jordaan zich in de Doode zee uitstort, J e r ï c li o (door Jozua verwoest, door [onder?] Achab weder opgebouwd).

B. Samaria, het middelste der landschappen, met de eveneens Samaria geheeten hoofdstad van het rijk Israël (in 722 v. Chr. door Salmanassar verwoest en later als vesting weder opgebouwd).

C. Galïlaea, het noordelijke landschap, met K a n a (de bruiloft) en Nazareth (waar Jezus de jaren zijner jeugd doorbracht).

In het land ten O. van den Jordaan (Peraea) ontstonden eerst in den tijd na Alexander den Groote belangrijke steden, maar ten gevolge van de tochten der uit de woestijn opdringende volken worden zij spoedig weer verlaten.

§ 6.

Geschiedenis der Israëlieten.

Over de historische waarde der verhalen betreffende Israels vroegere geschiedenis wordt verschillend geoordeeld; hier zal alleen de hoofdinhoud dier verhalen worden medegedeeld.

i. van abraham tot de verovering van palaestina.

2000—1500 v. chr.

Abraham, de stamvader der Israëlieten, verhuisde uit Mesopotamië naar het Z. vau Kanaan, waar hij door de inboorlingen llebri genoemd werd, d. i. die van geene zijde gekomen is (daarom noemt men zijne nakomelingen Hebreeuwen?). Hij verwekte bij zijne slavin Hagar Ismaël, later bij zijne vrouw Sara Izaak, waarna Ismaël verstoeten werd en naar Arabië trok (Ismaëlieten). Abraham vereerde een eenigen God, en stond de beproeving zijner gehoorzaamheid aan God door, daar hij hem Izaak wilde ten offer brengen. Invoering der besnijdenis. — I z a a k verwekte bij Kebekka tweelingen: Ezau of Edom en Jacob, later Israël genoemd. Ezau verkocht aan zijn broec'er het recht der eerstgeboorte, trok naar het Zuiden, en werd de stamvader van de Edomieten (Idumaeers), een handeldrijvend volk. — Jacob werd na den dood van Izailk het hoofd der

ocr page 21

9

[sraëlieten en zette met zijne twaalf zonen het nomadische herdersleven voort. Zijn zoon Jozef, zijn lieveling, werd door diens ijverzuchtige broeders aan eene Isniaëlietische karavaan en door deze aan Potiphar (den bevelhebber der koninklijke lijfwacht in Aegypte) verkocht. Door diens vrouw valschelijk beschuldigd, kwam hij in de gevangenis en werd om de schranderheid, waarmede hij 's konings droomen had uitgelegd, tot aanzienlijke eereposten verheven. Een hongersnood in Kanaiin noodzaakte zijne broeders twee malen naar Aegypte te reizen, om daar koren te halen; doch eerst na hen aan vele beproevingen onderworpen te hebben, maakte Jozef zich aan hen bekend. Op Jozefs \iit-noodiging trok Jakob met zijn geheele huisgezin naar Beneden-Aegypte (naar hot land Gosen, ten O. van de Delta), waar de Israëlieten 430 jaren woonden. Tot een talrijken stam aangroeiende (bij den uittocht telde men volgens de overlevering 600,000 strijdbare mannen), ondervonden zij in den beginne, daar zij de grenzen tegen de invallen der Nomaden beschermden, eene goede behandeling, maar later, toen men vreesde dat zij bij het uitbarsten van een oorlog tot de vijanden der Aegypte-naren zotiden overgaan, werden zij door harden arbeid zwaar gedrukt. Toen zij ondanks deze verdrukking zich al meer en meer uitbreidden, trachtte men hen uit te roeien, door alle knapen terstond na hunne geboorte te dooden.

Mozcs, uit den stam van Levi, werd aan den Nijl te vondeling gelegd, maar door de dochter van Pharao gered (van daar zijn naam, de uit het water getogene'), door zijne moeder, die als min was aangenomen, gezoogd, aan het hof des konings opgevoed , en in de wetenschappen der Aegyptenaren onderwezen. Daar hij, verontwaardigd over de verdrukking van zijn volk, een Aegyptenaar gedood had, vluchtte hij naar de Midianieten op het schiereiland Sinai, tot dat hij, door Jehova {de brandende dorenstruik op den berg Horeb) aangespoord, om z ij n volk uit Aegypte naar Kanaiin terug te voeren, naar Aegypte terugkeerde. Met zijn broeder Ailron vroeg hij Pharao verlof tot eene reis van drie dagen in de woestijn, om daar

ocr page 22

10

aan hun God te offeren; doch deze liet hen eerst gaan, nadat de tien plagen het land hadden getroffen. Zij trokken door den Arabischen zeeboezem, waarin de hen achtervolgende Aegypte-naren verdronken, naar Arabië tot aan den berg Sinaï. Jehova gaf aan Mozes op Sinaï wetten voor zijn volk, dat zich intus-schen aan beeldendienst (het gouden kalf, stierdienst, vervalschte, zinnelijke Jehovadienst) overgaf. De tien geboden werden, op twee steenen tafelen gegrift, in de arke des verbonds bewaard. Na een tocht van veertig jaren door de woestijn, tot aan den Jordaan, stierven Mozes en Aaron.

De wetgeving van Mozes gebood de vereering van den eenigen God, Jehova (Javeh), den onzichtbaren koning van zijn uitverkoren volk, wiens tegenwoordigheid verzinnelijkt werd door den tabernakel, eene draagbare tent, in het binnenste waarvan (het heilige der heiligen) de arke des verbonds met de tafelen der wet bewaard werd. Alle mannelijke nakomelingen van Levi waren tot dienaren van het heiligdom bestemd, tot priesters alleen de nakomelingen van Aaron. De Levieten waren over het geheele land verspreid, en leefden van de tienden, het aandeel aan de offers en de eerstelingen. De priesters verrichtten niet alleen de godsdienstige handelingen, maar zij bewaarden en verklaarden ook de wetten, en waren rechters en geneeskundigen. Hun opperhoofd, de hopgepriester, had het voorrecht de godheid te mogen raadplegen, doch alleen in gewichtige zaken; eens in het jaar, op den grooten verzoendag, ging hij in het heilige der heiligen, om de zonden des volks te verzoenen. De feesten waren talrijk; behalve den wekelijkschen Sabbath vierde men ieder jaar drie algemeene feesten: Pascha, het Wekenfeest (Pinksteren) en het Loofhuttenfeest, vervolgens het Bazuinenfeest, den Verzoendag, het Sabbath- en het Jubeljaar (telkens het vijftigste jaar, het jaar der verlossing en vernieuwing).

Jozua voerde de Israëlieten over den Jordaan, veroverde en verwoestte Jericho, onderwierp na een vijfjarigen oorlog 31 vorsten der toen machtige Kanaanieten en zoodoende het grootste gedeelte van Palaestina, dat reeds in zijn geheel onder de

ocr page 23

11

12 stammen der Israëlieten verdeeld was, waarvan tien naar de zonen van Jacob (behalve Levi en Jozef), de beide overige naar de zonen van Jozef, Manasse en Efraïm, genoemd werden. De stam Jozef, die reeds lang boven de overige stammen had uitgemunt en waaruit ook Jozua gesproten was, verkreeg door deze verdeeling een dubbele stem in de vergadering der stammen. De Levieten, als onderwijzers, rechters des volks enz. werden zoo veel mogelijk gelijkmatig over het gansche land verdeeld» en vei kregen van iederen stam, door elkander gerekend, 4 steden met de daarbij behoorende landerijen, in het geheel 48 steden (?). Ieder der twaalf stammen werd door de oudsten of stamhoofden op aartsvaderlijke wijze geregeerd; maar allen waren zij ver-eenigd onder de heerschappij van den onzichtbaren koning Jehova, die het geheele volk volgens zijne wetten en openbaringen door zijn zichtbaren plaatsvervanger, den hoogepriester, met behulp der priesters en profeten bestuurde.

11. VAN DE VEROVERING VAN KANAÜN TOT DE VESTIGING DER MONAKCHIE ,

OF

HET TIJDVAK DER RICI1TEREN, 1500—10S0 V. CHR.

Het door de 12 stommen gevormde staten verbond had veelvuldige oorlogen te voeren, deels met de nog niet geheel onderworpen Kanaanieten, deels met de naburige volken, eerst met de oostelijke en zuidelijke (Ammonieten, Amalekieten en Moabieten, later ook de M/fdianieten), daarna met de P h i-listijnen in het zuidwesten. Het hevigst was de (meer dan honderdjarige) strijd met deze laatsten, die tot onder David hunne pogingen om Kanaan te veroveren steeds met de grootste hardnekkigheid vernieuwden, en in S i m s o n s tijd inderdaad de opperheerschappij verkregen hadden. In deze oorlogen traden enkele helden als aanvoerders op, welke Kichteren genoemd werden, daar zich het volk ook in vredestijd van hun aanzien en hunne wijsheid tot beslissing van rechtszaken en in alle andere belangrijke aangelegenheden bediende.

ocr page 24

12

Van de 14 richteren zijn bijzonder merkwaardig: Gideon, die met driehonderd jongelingen de Midianieten versloeg; Jephta, die de Ammonieten overwon en zijne dochter aan Jehova offerde; Simson, een held van buitengewone lichaamskracht, die de Philistijnen versloeg, maar door Delila verraden werd en een vrijwilligen dood stierf. Van nog grooter belang werd de riok-terlijke waardigheid, toen Eli, uit het geslacht van Aaron, haar met het hoogepriesterschap vereenigde. In een ongelukkiger, oorlog met de Philistijnen verloor hij zijne beide goddelooze zonen (Hophni en Pinehas) en de arke des verbonds; maar de vijanden, door wonderen en plagen verschrikt, zonden haar weldra terug. De beide hoogste waardigheden werden na E 1 i' s dood reeds weder van elkaar gescheiden. S a in u ë 1, die tot richter verkozen werd, was niet uit het geslacht van Aaron, en derhalve tot het hoogepriesterschap niet verkiesbaar. Hij trachtte het volk te beschaven, en bereikte dit doel voornamelijk door de regeling der zoogenaamde profetenscholen, waarin jonge Israëlieten in de wetten, den godsdienst en de muziek werden onderwezen. Op de Philistijnen behaalde hij eene schitterende overwinning. Maar toen het gedrag zijner zonen, die hij als ambtgenooten had aangenomen, aan het volk aanleiding tot klachten gaf, en toen tevens gevaar van buiten den staat bedreigde, kwam men tot het besef dat het richterlijk gezag onvoldoende was, om den staat te besturen, en wenschte men, even als andere volken, een koning te kiezen. Samuël verzette zich daartegen, doch vruchteloos. Eindelijk zalfde hij Saul, uit den stam Benjamin, die de Ammonieten had verslagen en dien het volk als den geschikten man beschouwde, om ook aan de aanvallen der Philistijnen een einde te maken, tot koning.

III. VAN DE VESTIGING DER MONARCHIE TOT HARE VERDEELING, 1080—975 V. CHR.

1) Saul (1080—1050?) rechtvaardigde het vertrouwen, dat men in hem gesteld had, terwijl hij in langdurige en hevige oorlogen de heerschappij der Philistijnen over Israël vernietigde.

ocr page 25

13

Daarop overwon hij ook lt;le overige (oostelijke) naburen (de Moa-bieten en Edomieten), roeide de Amalekieten uit, doch spaarde, tegen liet bevel van Sarauël, den koning en de beste der kudden. Daarom zalfde Samuël in het geheim David, uit Bethlehem in Juda, tot koning. Deze kwam als harpspeler en wapendrager aan het hof van Saul, maar werd door dezen, nadat hij den reusachtigen Philistijn Goliath verslagen had, verdacht en vervolgd; hij vluchtte naar de Fhüistijnen. In een nieuwen strijd met de Philistijnen sneuvelden drie van 's konings zonen, en hij zelf stortte zioli wanhopende in zijn zwaard. Op de tijding van de/.e gebeurtenissen keerde David naar zijn geteisterd vaderland terug, en werd aanvankelijk slechts door zijn eigen stam Juda en den stam Simeon als koning erkend, terwijl de overige stammen eerst na den dood van Sauls jongsten zoon, Isboseth, hiertoe overgingen.

2) David (1030—1015?), de psalmdichter, koos Jeruzalem, dat hij aan de Jebuzieten ontnam, tot zijne verblijfplaats, liet door Phoenicische werklieden een prachtig paleis op don berg Sion voor zich bouwen, en de arke plechtig van Kirjath-Jeanm naar Jeruzalem overbrengen. Den oorlog met de P h i 1 i s t ij n e n, die bijna 100 jaren had geduurd, bracht hij ten einde. Ook werden de M o a b i e t e n en de Ammonieten met hunne bondgenooten, de koningen van Zoba en Damascus, en de Edo-m i e t e n onderworpen. Door David waren de Israëlieten van verspreide stammen, die eeuwen lang, door hunne buren belaagd en verdrukt werden, tot een heerschend volk geworden. Zijn rijk strekte zich uit over het geheele land van de Middel-landsche zee tot aan den Euphraat, en van den Orontes tot aan de Arabische golf. Ook aan de regeling van het krijgswezen en het binnenlandsch bestuur wijdde hij zijne zorgen; Jeruzalem werd het middelpunt en de hoofdzetel van den Jehovadienst. Innige godsvrucht en onwankelbaar vertrouwen op God waren de grondtrekken van Davids beminnelijk karakter, en hoewel hij in enkele oogenblikken voor zijne hevigste hartstochten , toorn en liefde (de dood van Uria), bezweek, zoo heeft hij toch zijne misslagen door zwaar en oprecht berouw geboet.

ocr page 26

14

Zijn eerzuchtige zoon Absalom verdreef zijn vader, maar werd door diens veldheer Joab verslagen en gedood. Kort voor zijn dood gaf David de regeering over aan zijn tweeden zoon

3) Salomo (1015—973), van wiens beroemde wijsheid zijne rechterlijke uitspraken (b. v. in den strijd van twee moeders om een kind), spreuken en liederen (er worden 3000 spreuken en 1005 liederen vermeld) getuigen. Hij liet de krijgskundige plannen zijns vaders rusten en beschouwde als doel zijner veertigjarige regeering, den door groote overwinningen verkregen duur-zamen vrede wijs en nuttig te gebruiken. Hij versierde zijne hoofdstad met de prachtigste gebouwen (gewijde en koninklijke), en nam maatregelen voor de veiligheid en den voorspoed van het land. Zoo liet hij den prachtigen tempel op den Morla door Phoenicische bouwlieden (binnen 7 jaren) bouwen, en stelde een schitterenden eeredienst in. Buitendien bouwde hij een nieuw koninklijk paleis, en zorgde voor de veiligheid van het rijk door eene nieuwe versterking der hoofdstad en door eene reeks van grensvestingen. Vooral ook wijdde hij zijne zorgen aan de bevordering van den handel en het verkeer. Om den land handel tusschen Thapsacus aan den Euphraat en Aegypte te bevorderen, liet hij, in eene gelukkig gekozen ' oase der Syrische woestijn, Tliadmor (Palmyra) bouwen, dat meer dan duizend jaren bloeide. Gemeenschappelijk met Hiram, den koning van ïyrus, dreef hij uit de Arabische golf (de haven Ezion-geber) zeehandel met Indië (Ophir). Maar het optrekken der trotsche gebouwen maakte een harden slavendienst noodzakelijk, en de verkwistende hofhouding eischte drukkende belastingen. Daarom verlangde na den dood van Salomo de te Sichem saamgekomen landsvergadering van zijn zoon

4) R e h a b e a m vermindering der belastingen, die zij niet meer konden opbrengen, en toen dit geweigerd werd, kozen de 10 noordelijke stammen Jerobeam en vormden het rijk Israël. Slechts de zuidelijke stammen Simeon, Ju da (en een gedeelte van den stam Benjamin) bleven aan Rehabeara getrouw en vormden het rijk J u d a. Deze staatkundige schei-

ocr page 27

15

ding van het Israëlietische volk was tevens eene kerkelijke, daar de stam Levi bij het rijk J u d a bleef en voor den Jehovadienst in den tempel zorgde, terwijl de stammen van Israël niet alleen den koning afvielen, maar ook aan de vereering van Jehova in de gedaante van een jongen stier de voorkeur gaven en nu en dan zelfs tot de aanbidding van den Phoenicischen Baill vervielen.

Van de aan het volk Israël onderworpen vreemde volken kwamen de noordelijke en oostelijke bij het noordelijke, de Edomieten bij bet zuidelijke rijk.

IV. UE KIJKEN JUUA EN. ISRAËL, SEDEKÏ 975 V. CUB.

1) Het noordelijke rijk Israël met de hoofdstad (in den beginne Sichein, later) Samaria werd voortdurend door binnen-landsche twisten geschokt, en bleef (onder 19 koningen uit 9 verschillende huizen) slechts tot 722 bestaan. Het verschil in de wijze, waarop men in beide rijken Jehova vereerde, werkte het plan der koningen, om eene duurzame verwijdering te weeg te brengen, in de hand. Een gedeelte van het volk, dat aan den ouden Jehovadienst getrouw was gebleven, verzette zich tegen dit plan der koningen en de geheele afscheiding van Jeruzalem. Aan het hoofd dier partij stonden de profeten (Elia, Eliza e. a.), die met hartstochtelijken ijver tegen de vereering van vreemde afgoden te velde trokken en telkens de hereeniging met Juda trachtten te bewerkstelligen. De geschiedenis van dit rijk behelst bijna niets anders dan een onafgebroken s t r ij d tusschen de koningen en de profeten. Sommige koningen vervolgden de profeten; maar deze verhieven zich ondanks de zwaarste verdrukkingen telkens met nieuwe kracht, en hun woord was een sterker wapen dan 's konings trawanten en legers. Gedurige veranderingen van regeering waren het gevolg der binnenlandsche beroeringen, vooral sedert den afval van het geslacht van David. Alleen uit het huis J e h u, dat meestal in goede verstandhouding met de profeten leefde, regeerden

ocr page 28

16

5 koningen achter elkaar (885—770). Dikwijls wanneer eene dynastie door eene andere van den troon werd irestooten, trokken de buitenlandsclie vijanden hiervan partij om het rijk aan te vallen. De onlusten, die den val van het huis Jehu vergezelden en volgden, bewogen de koningen van As syrië, die hun rijk aan alle kanten trachtten uit te breiden, tot een inval in het land. In den beginne werden zij door geschenken en de belofte eener jaarlijksche schatting afgekocht, later namen zij bezit van de noordoostelijke helft van het rijk, en brachten de bewoners daarvan naar elders over. De laatste koning van Israël (Hosca), aangemoedigd door den gelukkigen uitslag, waarmede de Tyriërs tegen de Assyriërs streden, sloot een verbond met Aegypte. Gemeenschappelijk zouden zij S a 1 m a n a s s a r, den koning van Assyrië, beoorlogen; maar Hosëa werd door dezen gevangen genomen. Het volk bood nog lang heldhaftigen tegenstand , de vestingen moesten een voor een veroverd worden, Samaria viel eerst na een driejarig beleg, 723, in de handen der vijanden. De meeste en beste inwoners werden naar Assvrië en Medië in ballingschap gezonden, en van daar volkplanters naar Palaestina overgebracht. Uit de vermenging dier volkplanters met de in het land achtergebleven Israëlieten ontstonden de Samaritanen.

2) Het veel kleinere r ij k.In da met de hoofdstad Jeruzalem had door het bezit van het nationale heiligdom (den tempel), door de eenheid van godsdienst en door de bijna onafgebroken erfelijke regeering van koningen uit het huis van David belangrijke voorrechten boven het rijk Israël. Het bleef dan ook, na den val van het veel machtiger noordelijke rijk, nog bijna anderhalve eeuw voortbestaan (975—586). Maar ook hier deed zich, ondanks de krachtige pogingen der profeten, om den godsdienst in zijne oude reinheid te bewaren, de invloed van den zinnelijken Jehovadienst en van de vereerinsf van heideusche afgoden al meer en meer gevoelen.

De koningen van het rijk Israël trachtten ook het rijk Juda te bemachtigen, en er ontstond reeds dadelijk na de scheiding

ocr page 29

17

der beide rijken een oorlog, die langer dan vijftig jaren duurde. In den beginne was Juda ongelukkig en verloor het ten gevolge van zijne nederlaag ook het gezag over de naburige zuidelijke volken. De oorlog eindigde met een verbond; maar er werden nieuwe rampen geboren, toen de koning Josaphat zijn zoon Joram met A thai ia, de dochter van den konina; van Israël, in den echt deed treden; Athalia toch bracht niet slechts den Baüldienst n.-rar Jeruzalem, maar wilde ook de geheele familie van David uitroeien, en vermoordde derhalve haar eigen kleinkinderen; met moeite werd één afstammeling van het oude koninklijke geslacht, Joas, slechts weinige maanden oud, gered en in het geheim bij den tempel opgevoed. Toen het kind 6 jaren oud was, werd het door den hoogepriester (Jojada) tot koning verheven; Athalia werd vermoord. Zoo werd het geslacht van David opnieuw op den troon geplaatst, en na de verwoesting van den tempel van Baiil de vereering van Jehova krachtig bevorderd. — Terwijl dus het noordelijke rijk zijn ondergang te gemoet ging, nam het zuidelijke toe in macht en voorspoed; maar ten gevolge van dien voorspoed begon men pracht en weelde te beminnen, en wonnen vreemde zeden en vreemd bijgeloof veld. Men luisterde niet naar de voorspellingen en waarschuwingen van den profeet J e s a j a, en spoedig werd ook diens voorspelling vervuld, dat het rijk door de Assyriörs zou worden vernederd. Juda werd door zijne zuidelijke huren, door Syrië (Rezin, koning van Damascus) en door Israël, aangevallen en verkreeg hulp van de Assyriërs. Maar die hulp was duur gekocht; want zij kostte het rijk niet slechts de schatten van den tempel en het paleis, maar ook de onafhankelijkheid. Koning Hiskïa weigerde de bepaalde schatting te betalen, en omringde Jeruzalem met een tweeden muur; maar hij zou tegen den aanval der Assyriërs (711) niet bestand geweest zijn, wanneer niet eene sterfte (de slaande engel des Heeren) over het leger der vijanden gekomen was, die den Assyrischen koning Sanherib tot de vlucht noodzaakte.

Honderd jaren nadat het rijk Juda het van Assyrië dreigende Pütz, O. G. 2

ocr page 30

18

gevaar gelukkig was ontkomen, geraakte het eerst in afhankelijkheid van Aegypte, en later van Babylonië. Kort voor den ondergang van het Assyrische rijk ondernam Neeho, koning van Aegypte, de verovering der vroegere Assyrische bezittingen aan deze zijde van den Euphraat. In de vlakte van Megiddo (ten N. van Samaria) ontmoette Necho den Joodschen koning Josia, die in dien slag sneuvelde (608). Hiermede nam de verdrukking van het volk door vreemde geweldenaren een aanvang en het rijk ging nu, ondanks de pogingen van den profeet Jeremia om dit te voorkomen, zijn ondergang met rassche schreden te gemoet. Toen Nebukadnezar door den slag bij Karkemisch aan de nauwelijks gevestigde heerschappij der Aegyp-tenaren in Azië een einde had gemaakt, kwam ook Juda onder Babylonische heerschappij. Herhaalde pogingen, om het juk der overheersching af te werpen, mislukten. Maar juist de diepe vernedering, die zij ondergingen , en het onkreukbaar geloof aan de heiligheid en de onschendbaarheid van den tempel spoorden de bewoners tot een nieuwen opstand aan. De Aegyptische koning Hophra (Apriës) had hun zijne medewerking beloofd, ten einde aldus de Aegyptische heerschappij in Azië te herstellen. De zwakke koning Zedekia stond dus ondanks de waarschuwingen der profeten Jeremia en Ezechiël tegen de Babyloniërs op. Nebukadnezar belegerde de hoofdstad gedurende U jaar, dreef een Aegyptisch leger, dat tot hulp aansnelde, naar Africa terug, liet koning Zedekia, die op de vlucht gevangen genomen werd, de oogen uitsteken en hem geboeid naar Babyion brengen, verbrandde den tempel en de overige groote gebouwen, vernietigde de muren, en liet alleen een gedeelte van hei gemeene volk in het land achter, ten einde voor den land-en wijnbouw te zorgen, 586 v. Chr.

V, DE ISRAËLIETEN, ONDER BABYLONISCHE, LAÏE11 ONDER PERZISCHE HEERSCHAPPIJ.

Het lot van de naar Babyion en de landen aan gene zijde van den Euphraat in ballingschap gezonden Joden was niet voor

ocr page 31

19

allen hetzelfde; de gevangengenomen soldaten ec zij, door Tie de laatste opstand voornamelijk was aangestookt, werden aan de aanvoerders van het overwinnende leger als slaven weggeschonken: de overigen behielden hunne persoonlijke vrijheid en hielden zich met landbouw, veeteelt en de uitoefening van ambachten bezig; zij hadden zelfs hun eigen rechters. Maar altijd bleef hun de hoop bij, dat zij nog eens weer naar hun vaderland zouden terugkeeren, en de profeten (Ezechiël e. a.) sterkten hen in dit vertrouwen. Na de verovering van Babylon door de P e r z e n werd die hoop vervuld. Cyrus gaf op voorspraak van den door hem hoog geëerden profeet Daniël aan de Joden verlof naar hun vaderland terug te keereu (slechts een klein aantal hunner maakte van die vergunning gebruik), herstelde hen in het bezit van de schatten dos tempels, en verstrekte hun de middelen, om te Jeruzalem een nieuwen tempel te bouwen.

§ 7.

Bexchaniny der Israëlieten.

De letterkunde der Hebreeuwen bestaat uit geschiedkundige boeken (de vijf boeken van Mozes, het boek Jozua, het boek der Eichteren, de twee boekon van Samuel, het boek der Koningen en dat der Kronieken), en dichtwerken, deels lierzangen , zoo als de psalmen van David eu het hooglied van Salomo, deels lyrisch-didaktische gedichten, zoo als de spreuken van Salomo, het boek Job, de klaagliederen en voorspellingen ■der 4 groote (Jesaja, .leremia, Ezechiël, Daniël) en der 12 kleine profeten. De bouwkunst werd door buitenlandsche, voornamelijk Phoenicische, kunstenaren uitgeoefend, de overige beeldende kunsten waren aan de Hebreeuwen onbekend. De muziek daarentegen, waarvan men zich tot opluistering der godsvereering in den tempel bediende, moet vooral reeds sedert David een zekeren trap van volmaaktheid hebben bereikt.

De h a n d e 1 der Israëlieten werd zoowel door de wet van Mozes , om zich van iedere gemeenschap met vreemden te onthouden , als ook voornamelijk door da ligging van het land

ocr page 32

20

bemoeilijkt. De naaste buren der Israëlieten, de Phoeniciërs en Arabieren, waren in het bezit van den Aziatischen handel. Evenwel voorzag Palaestina verscheiden volken van graan, olie, honig en balsem. De zeehandel, welks zetel de door David veroverde haven Ezion-geber was, en dien Salomo gemeenschappelijk met koning Hirain van Tyrus dreef, verviel van zelf, toen de haven weder verloren ging. Van meer belang was de binnen-landsche handel, waarvan Jeruzalem het middelpunt was.

II. DE PHOENICTËRS.

§ 8.

Aardrijkskundige beschrijeing van Phoeniclit.

Naam en grenzen. De Grieken en Romeinen noemden de smalle strook, die het middelste gedeelte van de Syrische kust vormt en door de bewoners wegens hare ligging Kan aan, d. i. Nederland, genoemd werd, om haar rijkdom aan palm-bosschen P h o i n ï k e , Phoenicia. In het W. vormde de /ee de grens van het land; aan de andere kanten \\ aren de grenzen op verschillende tijden verschillend. — Het land was 50 aardrijkskundige mijlen lang, en op sommige plaatsen nauwelijks een half uur, op andere ruim een mijl breed.

Gesteldheid van den grond, klimaat en voortbrengselen. De smalle strook, die den naam Phoenicië draagt, vormt eene vlakte, die op verscheiden plaatsen door tot in zee zich uitstrekkende gebergten afgebroken wordt, zoo als den Karmel, het voorgebergte van Beiroet enz. Het kleine land vertoonde, naar gelang van de grootere verheffing of daling van den srroiid, eene groote verscheidenheid van klimaat en voortbrengselen (vooral wijn, ooft, olijven, enz.). Landbouw en veeteelt bloeiden voornamelijk bij de Carlhagei't. De Libanon leverde kopererts en ijzer: volgens het verhaal dagteekenen de steengroeven in dien berg reeds uit den tijd van Cadmus. Op het strand van de zee vond men het zand, waarvan men zich bij de vervaardiging van het glas bediende; de zee zelve voorzag, de bewoners van visschen en leverde hun de purperslakken.

ocr page 33

21

Steden. De belangrijkste steden , tevens staten , waren : 1) S I d o n. 3) T y r u s, uit de reeds vroeg gestichte en later door de Sidoniërs weder opgebouwde stad op het eiland, en «ene daartegenover op het vasteland gelegen stad bestaande. 8) Aradus, oorspronkelijk eene kleine kolonie op een rotsachtig eiland, later in het bezit van een uitgestrekt gebied op het vasteland. 4) Berytus en 5) By blus. De stad 6) Tripolis werd gemeenschappelijk gesticht door Sidon, Tyrus en Aradus.

§ 9-

Volkplantingen der Phoeniciërs.

Geen volk der oudheid heeft, bij zoo kleine uitgestrektheid van het moederland, zoo vele steden gesticht en zoo groote landen gekoloniseerd, als de Phoeniciërs.

De aanleidingen tot het stichten dier volkplantingen waren dezelfde als in andere staten der oude wereld: a) Om overbevolking, en ten gevolge daarvan onlusten ea omwentelingen te voorkomen, h) Bij binnenlandsche geschillen verliet de overwonnen partij soms vrijwillig of gedwongen het moederland.

c) De veroveringen der meer naar het Oosten wonende Aziatische volken, vooral van de Assyriërs, Aegyptenaren en Babyloniërs.

d) De zucht, om met verwijderde en voornamelijk met nog onbeschaafde volken in aanraking te komen en nieuwe wegen voor den handel te openen.

De Phoeniciërs vestigden zich meestal eerst op kleine eilanden in de nabijheid van het vasteland. Nam de bevolking toe, dan werd tegenover de eerste kolonie eene stad gesticht, die gewoonlijk weldra de moederstad in macht en rijkdom verre overtrof.

OVERZICHT VAN DE VOLKPLANTINGEN DER PHOENICIËRS.

1) Op het vasteland van Azië, vooral in de door den Euphraat besproeide landen (Edessa, Nisib), vervolgens in C i 1 i c i ë (Tarsus) en Syrië (Laodicêa).

Ten Z. van Phoenicië liggen langs de kust eene reeks van

ocr page 34

22

Phoenioische volkplantingen (Joppe, Ascalon), van waar zij westelijk naar A e g y p t e, en zuidelijk naar tleEoode zee kwamen; hier waren de Arabische havens Elath en Eziou-geber waarschijnlijk koloniën, maar in allen gevalle handels-faktorijen der Phoeniciërs, en dat reeds in overouden tijd. Ook op de eilanden in de Perzische golt' (de Bahrein-eilanden) stichtten de Phoenicicrs volkplantingen (Tylus en Aradus).

2) Op de eilanden in het oostelijk gedeelte der Middel-landsche zee lagen talrijke, maar reeds vroeg (omstreeks 1100) weder verlaten koloniën der Phoeniciërs: in de eerste plaats op het tegenover Phoeniciö gelegen eiland O y p rus, op R h o d u s reeds vóór de aankomst der Doriërs, die de Phoenicischo volkplanters verdreven, op sommige van de S p o r a d e n en C y-c 1 a d e n (ïhera, Melos), op C r e t a, op C y t h ê r a (de Phoenicischo Aphroditedienst), en noordelijk tot aan deu Hellespont, vooral op T h a sus (goudmijnen — handel op Thracië en den Pontus). Van zoo veel te langer duur waren hunne koloniën in het westelijk gedeelte van de M i d d e 1 lands che zee: op Sicilië (l'anormus, Motve), Malta, Sardinië (Caralis), Corsica, de B a 1 e a r i s c h e en Pityusische eilanden (stations op de vaart naar Spanje).

3) Spanje (Iberia), en wel voornamelijk het zuidwestelijk gedeelte (het land ïarsis) was niet slechts het land, waar de Phoeniciërs bij uitstek gaarne hunne volkplantingen vestigden, maar schijnt zelfs een hun onderworpen gewest te zijn geweest, van \vaar zij eeuwen lang andere volken verwijderd hielden. Iberië is, even als Sardinië, vooral uit Africa door de Phoeniciërs bevolkt geworden. Vandaar steden met dezelfde namen in Africa en in Spanje (Carthago, Gades, Hippo, Leptis, Malaca, Tunis).

4) De noordelijke en de noordwestelijke kust van Africa was bedekt met eene menigte van Phoenicische volkplantingen, die, bij de groote Syrte beginnende, zich op de Westkust tot het eiland Cerne, en langs de wegen, die de handel van oudsher placht te nemen, tot in het binnenland van Africa uitstrekten.

ocr page 35

23

Hier stichtten de Sidoniërs reeds in de twaalfde eeuw v. Ch. de Byrsa van het latere Carthago, en omtrent denzelfden tijd Hippo; de Tyriers omtrent 1100 Utïca en in hvui bloeitijd, de negende en achtste eeuw, een reeks van steden (in het latere Numidië en Mauretanië). Nog talrijker waren de volkplantingen op de Westkust van Africa; de Tyriërs stichtten hier, nar^r luid van het verhaal, 300 (?) koloniën.

§ 10.

Geschiedenis der Phoeniciêrs.

1. HET TIJDVAK DER ONAFHANKELIJKHETD.

Reeds ten tijde toen de Israëlieten Kanaan veroverden, werd van „het groote S i d o nquot; gewaagd als van de machtigste stad, die zekere meerderheid over de andere steden van Phoenicië had verworven en volkplantingen in het Oosten en het Westen begon te stichtten. Omtrent 1300 verhuisden de aanzienlijkste Sidonische geslachten ten gevolge van een ongelukkigen oorlog met de Philistijnen naar ï y rus (de stad op het eiland), dat weldra de eerste plaats onder de Phoenicische staten bekleedde. Ten tijde van David en Salomo had Tyrus, en Phoenicië over het algemeen, het toppunt zijner macht bereikt, üe koning Hi ram 11 (980—947?) verfraaide de in den beginne kleine stad en breidde haar aanmerkelijk uit. Tegelijk dreef hij, met de Israëlieten verbonden , een voordeeligen handel met het goudland Ophir. Langdurige binnenlaudsche twisten gaven onder zijne opvolgers herhaalde malen aanleiding tot verhuizingen. Toen het deinokratische beginsel te Tyrus begon te zegepralen , nam de aristokratische partij (de priesters) de vlucht. De rijke en edele familiën vestigden zich te Carthago (814 of 813?), waar reeds veel vroeger door de Sidoniërs eene volkplanting was gesticht. Deze uitwijking had voor Tyrus dezelfde gevolgen, die vroeger voor Sidon de verhuizing naar Tyrus had gehad. Naarmate Carthago in bloei toenam, geraakte Tyrus al meer en meer op den achtergrond. Ten tijde van Alexander den Groote was liet evenwel nog machtig, en de eigenlijke verwoester van

ocr page 36

Tvrus is Fakreddiu, de Emir van den Libanon, die de haven sloot en vernielde, uit vrees voor eene landing- der Turken.

11. HET TIJDVAK DER OVEEHEERSCHING.

Sedert het midden der 8ste eeuw trachtten de beheerschers van Midden-Azië (eerst de Assyricrs, later de Babylonicrs) hun gezag tot aan de Middellandscho zee uit te breiden, en zoodoende tevens zich meester te maken van den handel op het Oosten en Westen, waarvan die kust het middelpunt was. De onderlinge twisten der Phoeniciörs, Syriërs en Israëlieten maakten hun de bereiking van dit doel gemakkelijk; want het volk, dat bij dergelijke geschillen het onderspit had gedolven, wendde zich tot eene der grootere mogendheden (Assyrië, Babylonië, Aegypte), om van haar hulp te verkrijgen.

Zoo strekte de Assyrische koning Salraanassar zijne veroveringen over het grootste gedeelte van Phoenicië uit (m. z. § 13). Kort nadat de Phoenicische staten hunne politieke z?lf-standigheid verloren hadden, werden zij in den strijd gewikkeld, dien de Aegyptenaren en Babyloniërs om het bezit van het Westeu van Azië voerden. Zij verleenden aan Jfecho, den koning van Aegypte, hulp, om de hinden aan deze zijde van den Euphraat te veroveren, en werden deswege na de nederlaag van Xecho bij Karkemisch door de overwinnende Babyloniërs (m. z. § 13) onderworpen (604).

Bij de ontbinding van het Babylonische rijk door Cyrus (533) kwamen de landen aan de Middellandsche zee onder het onmiddellijke bestuur der Perzen. De Phoeniciërs, nog steeds in het bezit der belangrijkste zeemacht, werden in den beginne met zachtheid behandeld, en moesten slechts een geringe schatting opbrengen en een aantal schepen leveren. In don oorlog tegen de Grieken bewezen zij aan de Perzen hoogst belangrijke diensten. Maar de zware verliezen, die zij ter zee leden, en de hoe langer hoe hooger opgevoerde eischen der Perzen maakten hun toestand sedert Xerxes bijna ondragelijk.

De heldhaftige opstand der Sidoniërs onder hun koning Tenues

ocr page 37

25

had de verwoesting vair Sidon ten aevolge. De haat tegen de Perzen deed hen de M a c e d o n i ö r s bijna als verlossers beschouwen. Alleen Tyrus trachtte zijne oude onafhankelijkheid te herwinnen, maar werd, nadat het zeven maanden lang tegenstand had geboden, door Alexander den Groote veroverd. De stichting van Alexandria maakte een einde aan den handel en den voorspoed van Phoenicië.

De vijf groote staten van Phoenicië stonden van de oudste tijden tot aan het Macedonische tijdvak onder het bestuur van erfelijke koningen, wier gezag door twee senaten (de tweede senaat was als 't ware eene commissie van 30 leden uit den eersten, die 300 leden telde) beperkt was. Deze leidden, even als te Cartago, de gewichtigste aangelegenheden van den staat, en waren op hunne beurt rekenschap verschuldigd aan de volksvergadering, die somtijds weigerde hunne besluiten te bekrachtigen.

Tyrus, Sidon en Aradus vormden een bondgenootschap, aan welks hoofd eerst Sidon, later Tyrus (sedert het einde der llde eeuw), en ten tijde der Perzische heerschappij weder Sidon stond. Ieder staat zond zijn koning eu 100 senatoren naar het neutrale (door die drie steden gemeenschappelijk gestichte) Tripolis ter bondsvergadering, waar men ever aangelegenheden van algemeen belang beraadslaagde en vooral over oorlog en vrede besliste. Somtijds maakte de staat, die aan het hoofd stond, misbruik van zijne macht, om de mindere staten te onderdrukken , die ten gevolge daarvan bij de invallen van buitenlandsche vijanden gemeene zaak met deze maakten, o. a. met de Assyriërs tegen Tyrus, en met de Perzen tegen Sidon.

§ 11-

Havdd, scheepvanrt, nijverheid en uitvindingen der Phoeniciërs.

De Phoeniciërs waren gedurende verscheiden eeuwen de eerste handeldrijvende natie der wereld. Zij bemiddelden het verkeer tusschen het Oosten en het Westen (noordelijk tot Britannië), terwijl zij door handel ter zee en over land de voortbrengselen

ocr page 38

26

der meest verwijderde landen aanvoerden , en die, gedeeltelijk kunstig bewerkt en in veranderden vorm, door middel van talrijke koloniën overal heen verspreidden. Op uitnoodiging van Necho, den koning van Aegypte, deden de Plioeniciërs, naar men zegt, ook reeds eene poging tot het omvaren van Africa en wel in de richting van het Oosten naar het Westen. — Reeds de vroegste overleveringen uit de Oudheid gewagen van hen als van handelaars en kooplieden. Hun handel, eerst in het klein gedreven, won allengs in omvang en belangrijkheid, en leidde van lieverlede tot de ontwikkeling van een stelsel van volkplantingen en faktorijen op de meest uitgebreide schaal. Zij dreven handel niet zoo zeer met de voortbrengselen van hun eigen land en hun eigen nijverheid, als wel met de koopwaren, die zij of direkt uit de aan den Euphraat gelegen landen en A e g y p t e, of indirekt uit I n d i c en Aethiopië ontvingen. In ruil voor deze voortbrengselen van het Oosten brachten zij naar de oostelijke lauden de voortbrengselen hunner koloniën in het Westen, vooral metalen, in het bijzonder zilver. Het is zeker dat zij ook handel met slaven dreven.

Hun handel naar liet Oosten strekte zich uit: «) naar Aegypte, dat zij zoowel ter zee als over land bezochten; !gt;) naar Aethiopië en Indië (zeehandel), naar Arabië en de landen aan den Euphraat (landhandel). In het W. stevenden zij naar de kusten van de Middellandsche zee (ook van den Bosporus, den Pontus en de Maeotis) en de westkust van Africa en Europa, in het N. tot Britannië, (de Kassiterides, Tin-eilanden, Scilly-eilanden ten Z.W. van Engeland), in het Z. tot Cerne.

Dewijl de Phoeniciërs aldus de voortbrengselen en de beschaving van het Oosten naar het Westen en van het Westen naar het Oosten overbracuten, was men in de oudheid zoo veel te meer geneigd om, aan de verzekering der Phoeniciërs zei ven geloof hechtende, hun de eer der voornaamste uitvindingen toe te kennen, hoewel zij die voor het grootste gedeelte slechts van meer oostelijk wonende volken hadden overgenomen, zoo als maten, munten en gew ichten van de Babyloniërs, het letterschrift

ocr page 39

27

waarscliijnlijk van eeu Araraaeïscli volk, tie sterrekunde van de Chaldaeën, de purperververij van de Assyriërs, het vervaardigen van glas van de Aegyptenareu (?). Te recht wordt hun daarentegen de roem toegekend, dat zij zich reeds in overoude tijden met het gunstigste gevolg op hoogst gewichtige takken van nijverheid hebben toegelegd, en wel voornamelijk op den scheepsbouw, het winnen, zuiveren en bewerken der metalen, de w e v e r ij in verband met de purperverver ij (eene Phoeuicische uitvinding); ook dankt de scheepvaart hun vooral hare ontwikkeling en volmaking.

III. DE BABVLONIËRS EN ASSYRIËRS.

§ 12.

Aardrijkskundige heschrijvinf/ van het laud nan den Eujihraat en Tigris.

De E u p h r a at en de Tigris ontspringen beide op het hooggebergte van Armenië, loopeu grootendeels met elkaar evenwijdig , en sluiten in het midden van hun loop eene breede, gedeeltelijk woeste vlakte in, Mesopotamië genaamd. Bij Ctesiphon stroomen zij op slechts weinige mijlen afstands van elkaar, loepen echter nog eens uiteen, en omvatten dan de smallere, maar door kunstmatige beproeiing zeer vruchtbare vlakte van Babylonië. Men rekent evenwel ook den rechter oever van den Beneden-Euphraat (Chakkea) bij Babylonië (of Sinear, zoo als het bij de Semieten heette). In de oudheid vielen beide rivieren op verschillende plaatsen in zee; thans vereenigen zij zich, voor dat zij zich in de Perzische golf uitstorten, en heeten na die vereeniging Schat el Arab.

De Euphraat veroorzaakt in den winter en nog meer in het voorjaar, wanneer de sneeuw op de Armenische bergen smelt, overstroomingen; deze werden door dijken tegengehouden, of door talrijke kanalen, die het land tevens van water voorzagen, naar den lager gelegen Tigris of in moerassen afgeleid. Het land op den linker oever van den Midden-Tigris, op de helling van

ocr page 40

28

liet westelijk randgebergte van Iran, heette As syrië, met de hoofdstad N i n i r e, waarvan de bouwvallen (tegenover Mosul) omstreeks 1850 ontdekt en sedert herhaaldelijk onderzocht zijn. De groote menigte met spijkerschrift bedekte beeldwerken (vooral kolossale gevleugelde stieren en leeuwen met menschenhoofden), aldaar gevonden, zijn voor de kennis der oudste Assyrische geschiedenis even belangrijk als de hieroglyphen voor die der Aegyptische.

Op beide oevers van den Beneden-Euphraat lag Baby Ion of _ Babel, in een vierhoek gebouwd, 9 geographische mijlen in omvang, omringd door een muur, die 50 (?) el breed en 300 (?) el hoog was, met (250) torens en (100) metalen poorten. De stad was trouwens geenszins dicht bevolkt, maar bevatte groote velden, palmboschjes en tuinen binnen hare muren.

Gebouwen in Babyion: ») Het grootste was de tempel van Belus of de toren van Babylon, met acht verdiepingen, waarvan nog eenige behouden en over de 300 voet hoog zijn; h) twee k o n i n k 1 ij k e paleizen, waarvan het grootste op de oostzijde van den Euphraat eene geheels groep van gebouwen vormde, met c) de hangende tuinen, die op terrasvormig boven elkaar zich verheifende bogen rustten en zelfs boven den hoogen stadsmuur uitstaken.

In Babylonië lag ook Cunaxa (slag 401). Terwijl de oudste en volkrijkste nederzettingen in het dal van den Beneden-Euphraat lasren, zag de Tigris reeds in het midden van zijn loop eene reeks van bloeiende volkplantingen ontstaan.

§ 13.

Geschiedenis der Bahyloniïr* en Assyriërs.

1) Het oude rijk van Babyion, 2000—1250 v. Oh. (Wat van de oudste geschiedenis der Israëlieten gezegd is , is evenzeer van toepassing op die der Babyloniërs). Na den zondvloed werd de vlakte tusschen den Beneden-Euphraat en den Tcgris door de nakomelingen van Noach op nieuw bevolkt, terwijl Chaldaeërs,

ocr page 41

29

deu loop der rivier volgende (omstreeks 2000?), onder aanvoering van Nimrod, een achter-kleinzoon van Xoacli, in het vruchtbare land Sinear een staat stichtten. De Chaldeeuwsche koningen van Babylonië trachtten zich, even als de Pharao's van Aegypte, beroemd te maken door het oprichten van groote gebouwen en andere reusachtige werken van dien aard. Zij legden deels de groote kanalen aan, die tot besproeiing van het dorre land en tot bevordering van de scheepvaart dienden, deels richtten zij grootsche tempels en paleizen op. Later bezweek het door beschaving en handel bloeiende rijk voor de aanvallen der Assyriërs en bleef langer dan vijf eenwen onder Assy rise he heerschappij.

2) De Assyrische heerschappij, 1250—606.

De Assyriërs werden onder N i n u s en diens gemalin en opvolgster Semiramis (sedert 1230?) het heerschende volk in het dal van deu Kuphraat en den Tigris en over een gedeelte van het bergland van Iran, terwijl in het Zuiden Babylonië, in het Oosten Medië, in het Noorden Armenië aan hun gezag onderworpen waren, e'n hunne heerschappij zich in het Westen tot de Middellandsche zee en de rivier de Halys uitstrekte. In 't algemeen bevat de geschiedenis der Assyrische koningen, zoo als men haar uit de thaiis opgedolven en ontcijferde gedenk-teekenen heeft leeren kennen, een reeks van veroveringen van Aziatische landen en van herhaalde opstanden der onderworpen en door schattingen zwaar gedrukte volken.

Semiramis veroverde, naar men verhaald vindt, ook het grootste gedeelte van Libye en Aethiopië (?), en ondernam ten laatste met een groot leger (3,000,000 voetknechten, 500,000 ruiters en 100,000 wagens?), en eene vloot (van 2000 schepen?), waarmede zij den Indus opvoer, een tocht tegen een Indischen koning. Zij overwon eerst de nog grooter legermacht der Indiërs, maar werd later verslagen, zelve gewond en kort na hare terugkomst oader de goden opgenomen. Op de Assyrische gedenk-teekenen vindt men van Xinus noch Semiramis melding gemaakt.

Omstreeks het midden der 8ste eeuw schijnen alom opstanden

ocr page 42

30

te zijn uitgebarsten; zoowel de naburige Meden en Babyloniërs als liet verwijderde Syrië vielen af, maar koning T i g 1 a t P i 1 ë s a r herstelde het rijk (even als Darius I het Perzische , m. z. bl. 41), en dit verhief ziek onder Salmanassar op nieuw tot groote inaoht. Deze tooh veroverde het rijk Israël, legde aan het rijk Juda eene schatting op (m. z. bl. 16) en nam de rijke zeesteden van Phoenicië in. Zijn zoon

S a n h e r i b regeerde in den geest van zijn vader. Hij trok naar Klein-Azië en maakte zich het geschil, dat tusschen den in het Midden en het Noorden van Aegypte regeerenden priester Sethon en de kaste der krijgsliederen gerezen was, ten nutte, om een inval te doen in Aegypte, het uiterste doel van alle uit Midden-Azië ondernomen veroveringstochten. Door eene onvoorziene gebeurtenis (het verhaal van de veldmuizen, meer waarschijnlijk omdat Thirhaka van Aethiopië tegen hem was opgerukt) tot een schandelijken terugtocht gedwongen, begon hij de verovering van het rijk Juda, dat reeds lang geene schatting meer betaald en onderhandelingen met Aegypte aangeknoopt had. Maar toen hij met zijn leger voor Jeruzalem lag, ontstond er eene vernielende pestziekte, die hem noodzaakte in allerijl naar Ninive terug te keeren.

De oostelijke volkereu trokken partij van de ongelukkige pogingen der Assyriërs tot verovering van Aegypte en Juda; de Meden en Babyloniërs trachtten het juk der Assyrische ovorheersching af te werpen. De Babyloniërs werden opnieuw onderworpen, de Meden voltooiden niet slechts hunne bevrijding door de vestiging van het koningschap (m. z. bl. 33), maar ondernamen ook onder hun koning Phraortes eeu oorlog tot vernietiging der Assyrische monarchie. Zij belegerden de hoofdstad, maar te vergeefs; Phraortes kwam op den terugtocht met hot grootste gedeelte van zijn leger om het leven. Zijn zoon Cyasares wilde den dood van zijn vader wreken. Eeeds had hij de Assyriërs in een slag overwonnen, en stond hij op het punt om voor de tweede maal het beleg voor Ninive te slaan, toeu hij door de Cimmeriërs (Scythen) werd overvallen. Zij noodzaakten hem

ocr page 43

31

niet slechts het beleg op te breken, maar onderwierpen ook bijna geheel Medic, dat zij gedurende 28 jaren verwoestten en uitzogen. Na hun vertrek vielen ook de tot nu toe getrouw gebleven Babyloniërs onder den Assyrischeu stadhouder Nabopo-lassar van Assyrië af en verbonden zich met de Meden tot een aanval op Xinive, dat na een beleg van twee jaren veroverd en verwoest werd (606). (Het verhaal van Sardanapalus).

•3) Het nieuwe rijk in Babylon, 606—538.

De overwinnaars verdeelden het veroverde rijk; de Assyrische bezittingen op den linker oever van den Tigris kwamen aan de Meden. die op den rechter oever aan Babyion. Eene poging van den Aegyptischeu koning Xecho, om de westelijke bezittingen der Assyriërs (Syric) buit te maken, mislukte, dewijl hij door Nebukadnezar, den zoon van Nabopolassar, bij Karkemisch (Circesium) aan den Midden-Euphraat overwonnen werd. Onder

Nebukadnezar 604—563) bereikte de macht der Chal-daeën haar toppunt. Hij trok partij van de roemrijke overwinning bij Karkemisch, om met zijne krijgsbenden in de landen tusschen den Kuphraat en Aegypte te vallen, en deze aan zich te onderwerpen. Phoenicië poogde wel, in gemeenschap met de Joden (Zedekia), van hem af te vallen, maar Jeruzalem viel na een beleg van H jaar (m. z. blz. 13) in zijn handen, en Phoenicië moest ondanks dapperen tegenstand insgelijks onder zijn schepter terugkeeren; Tyrus stond een dertienjarig beleg door, maar schijnt ten laatste, hoewel ouder billijke voorwaarden, insgelijks weder bij het Babylonische rijk te zijn ingelijfd. — Waarschijnlijk is Nebukadnezar de schepper van al de pracht in Babyion geweest, waarvan men aan Semiramis de eer toekende.

Na bone dus, de laatste koning, werd door den Perzischen koning Cyrus in Babyion belegerd, omdat hij Croesus, den koning van Lydie, ondersteund had. De stad werd, terwijl de inwoners een feest vierden (door den Euphraat in een meer (?) af te leiden), ingenomen en Babylonië bij het Perzische rijk ingelijfd (538 , m. z. bl. 39).

ocr page 44

32

§ 14-

Beschaving der Bdbylmivrt en Assi/riïrs.

1) De godsdienst der heidense he Semieten was natuurdienst, en bestond in de goddelijke vereering van die voorn-er-pen, waarin men meende dat de natuurkrachten gehuisvest en werkzaam waren (Bel, Mylitta ot Astarte). In het bijzonder vinden wij de vereering der sterren, uit welker stand , op- en ondergang de priesters den wil der goden en de lotgevallen der menschen meenden te kunnen voorspellen; zij verkregen hierdoor een grooten invloed op de regeering, terwijl zij door deze onderzoekingen tevens tot wetenschappelijke ontdekkingen geleid werden.

2) Staatsregeling. De als een god vereerde „koning der koningenquot; was met onbepaald gezag bekleed, en in zijn burg (Porte) van talrijke ambtenaren omgeven.

3) De werken der Assyrische bouwkunst waven groote nationale gedenkteekenen, hoogst waarschijnlijk tegelijk tempels en paleizen, versierd met reliefs, waarop zoowel goden en godsdienstige symbolen, als ook de daden van het volk en de koningen voorgesteld en gedeeltelijk door (voor een groot deel ontcijferde) opschriften in spijkerschrift toegelicht waren. De wijze van behandeling en voorstelling vertoont veel overeenkomst met die op de Aegyptische sculpturen, die ook gedeeltelijk o-odsdiensfee en ceremonieele handelingen, maar toch voorna-melijk historische feiten weergeven.

4) Nijverheid der Babyloniërs. Weverijen (kleederen van wol en katoen, tapijten), voorwerpen van weelde (welriekende wateren, fraai bewerkte stokken en gesneden steenen).

4) De handel was buitengewoon levendig, zoowel door de vruchtbaarheid van den grond, als voornamelijk door de hoogst gunstige ligging van het land, in het midden tusschen den Indus en de Middellandsche zee, in de nabijheid van de Perzische golf, en aan twee bevaarbare rivieren. Door dit alles

ocr page 45

werd Babylonië tot het middelpunt van het handelsverkeer tns-schen het zuidelijk en het westelijk gedeelte van Azië.

a) Landhandel door middel van karavanen: I) Oostwaarts niet Indië (van daar edelgesteenten, jachthonden en verfwaren), en met Bactrië (van daar goud). 2) Westwaarts naar Kleiu-Azië en Phoeuicië, waarheen de Arabische en Indische waren vervoerd werden.

5) Handel op den Euphraat, vooral tot invoering van palmwijn uit Armenië.

c) Zeehandel over de Perzische golf naar Arabië (van daar paarlen, katoen, reukwerk en scheepstimmerhout), en naar Indië (naar de westkust van Indië — van daar specerijen, ivoor, ebbenhout, edelgesteenten, paarlen; en naar Ceylon — van daar kaneel).

C. Arische Volkeren.

IV. BE MEDEN EN PERZEN.

§ 15.

Jfet hoogland can Iran tu zijne hetconers.

Tusschen het stroomgebied van den Indus en dat van den Tigris verheft zich het hoogland van Iran of de oostelijke helft van het Voor-Aziatische hoogland, in 't N. begrensd door de Caspische zee en de steppenlanden van den Oxus, in 't /. door de Erythraeïsche zee en de Perzische golf. Het is, even als het groote hoogland van Achter-Azië, waarmede het in t N.O. door den Paropamisus samenhangt, in zijn binnenste een woestijn met enkele oasen, doar randgebergten omgeven, die van het plateau een natuurlijke vesting maken, uitstekende boven drie laaglanden.

Op den westelijken rand van Iran, tusschen welks evenwijdig loopende bergketenen lange en smallj, rijkelijk besproeide valleien gelegen zijn, woonden twee in de historie belangrijke volken :

Piitz, O. G. 3

ocr page 46

34

op den noordwestelijken rand de Meden, op den zuidwestelijken de Perzen; ginds lag de Medische hoofdstad Ecbatana, hier vond men de vroegere residentiën der Perzische koningen , P e r s e p o 1 i s en Pasargadae; wegens haar grooten afstand van de westelijke landen werd de zetel der regeering van den Perzischen koning overgebracht naar S u s a, in de vlakte (Susiana) tusschen het westelijk randgebergte en den Tigris.

De zuidelijke rand, die naar den Oceaan gekeerd is, heeft in zijn aard veel overeenkomst met Arabic; in het Oosten vindt men een zandwoestijn, zonder den minsten plantengroei. Hier woofiden de K a r a m a n e n , en ten Oosten daarvan , in het meest woeste en eenzame van alle Perzische landen, leefden de weinig talrijke stammen der Gedrosicrs, die, evenals tegen-■woordig de Beludschen, als nomaden op kameelen rooftochten in de naburige landen ondernamen.

Onmiddellijk aan de kale kust van de zee tot aan den Indus woonden enkele van visch en het vleesch van schildpadden levende stammen, die hunne woningen uit de beenderen der door de zee aangespoelde visschen optrokken.

Op den oostelijken rand, die zich steil uit het Indusdal verheft , woonden (in Afghanistan) de Arachoten (aldus genaamd naar de rivier Arachotus).

Op den door de sneeuwvelden van den Elboers goed besproeiden noordelijken rand woonden naast de Meden de P a r t h e n en de Hyrkaniërs, in het door de wateren van den Hindoe-Kho rijkelijk besproeide Noordoosten de Baktriërs met de hoofdstad Baktra (th. Balk), aan eene bijrivier van den Oxus.

De vruchtbare streken in het midden van het hoogland, waar de van de binnenhellingen van den noordelijken en oostelijken rand afstroomende rivieren een groot meer (Arius) vormen, werden bewoond door de krijgshaftige Saraugers of Drangers.

Buiten het hoogland van Iran, op de westelijke helling van het groote hoogland van oostelijk Azië , in het alpenland tusschen den Boven-Oxus en den laxartes, woonden de S o g-d i a n e r s (met de hoofdstad Maracanda).

ocr page 47

35

§ 16.

Het rijk der Meden.

De Meden waren meer dan vijf eeuwen lang aan de Assyri-sche heerschappij onderworpen geweest. Het ongeluk dat den Assyrischen koning Sanherib voor Jeruzalem trof (m. z. bl. 30) bewoog hen tot den afval (712?), en sedert het einde van do 8ste eeuw hebben zij hun eigen, onafhankelijke koningen.

1) D e j ö c e s, die als rechter door rechtvaardige uitspraken ■een goeden naam verworven had, werd tot gemeenschappelijk

t koning der afzonderlijke stammen verkozen en liet eene nieuwe

5 hoofdstad, Ecbatana, met een koninklijken burg bouwen.

Nadat hij gedurende zijne lange en gelukkige regeering het be-

i stuur geregeld en het rijk beveiligd had, kon zijn zoon

2) Phraortes reeds als veroveraar optreden, de Perzen, 3 Parthen en Bactricrs onderwerpen, ja zelfs een aanval op de

ii Assyriërs wagen. Maar deze poging, om zich op de oude ,r onderdrukkers van Medië te wreken, kostte hem het leven; hij

sneuvelde tijdens een tocht tegen Ninive. Zijn zoon

3) C y a x a r e s (633—593) had, om het plan van zijn vader d ten uitvoer te leggen, een verbond met den Chaldaeër Nabopo-

lassar gesloten, maar nauwelijks was hij begonnen Ninive te i- belegeren, toen de Nomadische Scythen (zóó noemden de

ii Grieken al de nomadische volkeren, welke van den Donau tot

io aan de steppen van Siberië woonden), uit de steppen ten N.

:1- van de Zwarte zee tot Medië doorgedrongen, den koning over

wonnen, om daarna ongeveer 28 jaren lang het geheele Westen ar van Azië tot aan Klein-Azië en Syrië te overheerschen. Na de

en verdrijving der Scythen hernieuwde Cyaxares, geholpen door den

en Babylonischen koning Nabopolassar, den oorlog tegen Assyrië.

Zij verwoestten Ninive (606), en hij verkreeg de oostelijke landen an van Assyrië, van den Tigris tot aan den Boven-Indus (de wes-

is- telijke bezette zijn bondgenoot), zoo dat hij aan zijn zoon Astyages

g. het machtigste rijk van Azië (van den Halys tot aan den Boven

indus) kon nalaten.

ocr page 48

36

4) Astyages bezat niet denzelfden krijgshaftigen geest, waaraan de Meden linnne opkomst te danken hadden. Zijne lange, flauwe regeering eindigde met den ondergang van het rijk. De Perzen ouder C y rus (des konings kleinzoon ?) vielen af, en toen hij zelf tegen hem te velde trok, werd hij bij P a-sargadae verslagen en gevangen genomen, 558.

Verhaal van de jeugd van Cyrus (volgens de volkssage bij Herodotus). Droom van koning Astyages, do rivier. — Zijne dochter Mandane huwt een Pers Cambvses — uit dezen echt Agradatus, later Cyrus genoemd — tweede droom, de wijnstok — Cyrus door Harpagus te vondeling gelegd, maar door een herder gered, groeit ouder de herders op — koning bij het spel — door Astyages herkend — aan Harpagus worden de ledematen van zijn zoon voortgezet — do Magiërs verklaren den droom voor reeds vervuld — Cyrus naar zijne ouders in Perzië teruggezonden — aangezet door een in een haas verborgen brief van Harpagus, spoort hij de Perzen tot afval aan — de twee verschillende dagen — Cyrus met de Perzen tegen Astvages — Harpagus, tegen hem opgetrokken, gaat tot hem over — Astyages in een treffen bij Pasargadae verslagen en gevangen genomen.

§ 17.

Beschaving der Mcdru.

Godsdienst. Van de hun onderworpen Ariërs (een pries-terstaat) of het zoogenaauule Zendvolk hadden de Meden de leer van den grooten hervormer Zoroaster (Zarathustra, omstreeks 1800) overgenomen (het rijk van het licht, d. i, het goede, heilige, het rijk van de duisternis, d. i. het slechte, onheilige — Ormuzd eu Ahriman |quot;Ahuramasda en Agraimainjus, de veel-geveude en de slaande geest] — gedurige strijd tusschen die beide beginselen, maar eens zal het goede beginsel zegevieren). Door het algemeen verspreide geloof aan voorspellingen hadden de Magiërs, wier voornaamste taak de instandhouding van

ocr page 49

37

deze leer was, een grooten invloed op alle ondernemingen van den staat en van bijzondere personen verkregen. Het tusschen 800 en 600 opgestelde wetboek Vendidad is het werk der Magiërs.

Staatsregeling: Hun koning, door eene lijfwacht omringd, moeielijk te naderen eu als eene godheid vereerd, heerschte met een onbeperkt gezag.

§ 18.

Geschiedenis der Terzen.

A. GESCHIEDENIS DEIl PERZEN VOOR CYRUS.

De Perzen waren naar gelang van den grond, welken zij bewoonden , deels nomaden, deels landbouwers, en men onderscheidde : 4 nomadische herderstammen, 3 landbouwende en 3 stammen van krijgslieden, die over de minderen heerschten. De voornaamste van alle was die der Pasargaden, en van deze wederom do voornaamste familie die der Achaemenlden, die alleen tot de koninklijke waardigheid kon geraken. De Perzen werden door den Medischen koning Pliraortes (ongeveer 640) onderworpen, docli hadden hun eigen koningen, waarvan de eerste Achaemenes heette (1). Cambyses, een zijner nakomelingen, verwekte bij Mandane, de dochter van den Medischen koning Astvages, Cyrus (m. z. bl. 36).

(1) GESLACHTSLIJST Dl'.li ACHAEMENIDEN. Achaemenes.

I

Teïspes.

Cambyses. f

Cvrus.

Ariaramnes. i

Arsames. Darius.

I

X erxes.

Cambyses.

ocr page 50

38

B. GESCHIEDENIS DER PERZEN VAN CYRUS TOÏ DEN ONDERGANG VAN HET RIJK, 558-331.

1) Cyrus (558—529) had door zijne overwinning op Astyages niet slechts de Perzen vrij gemaakt, maar ook de heerschappij over de Meden, hunne vroegere meesters, verkregen. Van de drie rijken, die na den val van Ninive de landen van West-Azie onder elkander verdeeld hadden, bestonden, na den val van het Medische, nog het Lydische en het Babylonische;, beide zagen zich thans evenzeer bedreigd.

De verovering van Lydië (546).

Koning Croesus van Lydië wilde het naderende gevaar voorkomen en tevens wraak nemen over de nederlaag van zijn onttroonden zwager Astyages; daarom besloot hij, toen hij van het (vooraf op de proef gestelde) orakel to Delphi eene uitspraak verkregen had, die hij te zijnen gunste uitlegde, tot een aanvallenden oorlog. Hij trok over den Halys, maar week na een onbeslisten slag (bij Pteria) voor het veel sterker leger van Cyrus uaar zijne hoofdstad Sardes terug en liet zelfs de contingenten der onderworpen volken tot de volgende lente weer naar huis gaan. Op deze tijding trok Cyrüs ten spoedigste tegen Sardes op, versloeg de Lydiërs, die heldhaftig tegenstand boden, nam de stad na een kort beleg in en plunderde haar. (Het verhaal van Croesus op den brandstapel; Solon).

Terwijl Harpagus de westkust van Klein-Azië onderwierp, zette Cyrus zelf de reeds vóór den Lydischen oorlog begonnen verovering der landen ten O. van Iran voort. Hij bedwong de B a c t r i ë r s en de nomadische volken aan den noordelijken rand van het Iranische hoogland in de steppen van den Oxus (de Chorasmiërs en de Sacers) en breidde de grenzen van zijn rijk tot aan den laxartes uit, waar hij tot bescherming tegen de Massageten burgen en eene groote stad (Cyropclis of Cyr-eschata) bouwde.

De val van Babyion, 538.

De samenhang tusschen de oostelijke en de thans tot aan de Aegaeïsche zee zich uitstrekkende westelijke bezittingen des

ocr page 51

39

konings werd nog verbroken door de zelfstandige Babylonische monarchie in het dal van den Euphraat en den Tigris. Ook deze moest vernietigd worden. De Babylonische koninsr Nabo-nedus achtte zich veilig in zijne sterke hoofdstad, en inderdaad kon Cyrus haar slechts innemen door den Euphraat af te leiden en de juist feest vierende inwoners te overvallen.

De provinciën van het Babylonische rijk schijnen zich zonder tegenstand aan den overwinnaar te hebben onderworpen; daarom behielden ook b. v. de steden der Phoeniciërs haar eigen koningen. Om zijne heerschappij in Syrië te bevestigen, vergunde Cyrus aan de naar Babyion weggevoerde Joden in hun land terug te keeren en hun tempel weder op te bouwen (m. z. bl. 19); want hij hoopte zich daardoor dankbare en getrouwe bondge-nooten tegen elke poging tot vernieuwing der Babylonische monarchie te verschaffen.

Men verhaalt dat hij op een tocht tegen de Massagëten in een veldslag is omgekomen, en dat de koningin Tomyris zijn hoofd in een met menschenbloed gevulden zak gestoken heeft. (Waarschijnlijk is hij gestorven aan de wonden, die hij in een strijd mot in opstand gekomen volksstammen aan gene zijde van den laxartes ontvangen had).

3) Cambyses (539—533) volgde het voetspoor van zijn vader, en onderwierp (geholpen door Polycrates van Samos, weleer den vriend van Amasis) Aegyp te, de laatste der vier groote mogendheden, die sedert den val van Ninive nevens elkander hadden bestaan. Eeeds de Aegyptische koning Amasis had niet zonder bezorgdheid de plannen en vorderingen van Cyrus gadegeslagen en Croesus zijne hulp beloofd, maar niet slechts het Lydische, ook het Babylonische rijk, na welks val de Perzen zijne buren werden, aan zijn lot overgelaten. Inmiddels was hem zijn zoon Psammcnïtus (Psamtik) op den troon gevolgd. Deze werd bij P e 1 u s i u m verslagen, en Memphis viel na een kort beleg in handen van den overwinnaar, 535. De komst der Perzen in Aegypte verspreidde ook schrik onder de naburige volken; de Libysche stammen in het W. op de kust zonden schatting, en een Grieksche tyran te C y r ê n e

ocr page 52

40

handhaafde zich in zijn gezag- door zich aan de Perzen te onderwerpen, wier rijk zich thans tot aan het bergplateau van Barca uitstrekte.

De snelle en gemakkelijke onderwerping vau Aegypte prikkelde Cambyses tot verdere ondernemingen. Hij verzamelde zijn leger bij Thebe en zond eene afdeeling daarvan naar de oase Siva tot den tempel van Amnion, die tien dagreizen ten W. van Thebe in de woestijn gelegen was; met het overige leger voer hij den Nijl op tegen de Aethiopiërs. Maar uit gebrek aan levensmiddelen en na het verlies van een groot gedeelte zijner troepen moest hij naar Thebe terugkeeren en kreeg hier de tijding, dat het andere gedeelte van zijn leger in de woestijn onder het zand was bedolven. Ook zijn plan om Carthago te onderwerpen leed schipbreuk, daar de i'hoeniciërs weigerden tegen eene door hen zeiven gestichte stad onder zeil te gaan.

Toen bij zijne terugkomst te Memphis de bewoners juist het feest van Apis vierden, meende hij dat de rampen, die hem getroffen hadden, de eenige oorzaak van de vreugde en het gejuich der Aegyptenaren waren; daarom liet hij de priesters geeselen, bespotte de heiligdommen en pleegde de grootste wreedheden, niet slechts tegen do Aegyptenaren, maar weldra ook tegen de Perzen.

Uit angst dat gedurende zijne afwezigheid zijn broeder Smerdis den troon zou bemachtigen, had hij dezen reeds vroeger (door Prexaspes) doen ombrengen. Toen hij nu hoorde dat een op Smerdis gelijkende Magiër zich van de heerschappij had meester gemaakt, haastte hij zich om naar Perzië terug te keeren, maar stierf onderweg aan de gevolgen eener wond, die hij zich te paard stijgende zelf had toegebracht. Het bedrog van

3) den valschen Smerdis, 533, werd reeds na 6 maanden ontdekt, hij zelf met vele Magiërs door eene samenzwering van de 7 hoofden der Perzische stammen van den troon en het leven beroofd en de heerschappij der Achaemeniden hersteld, terwijl na het uitsterven der oudere linie uit de jongere

4) Darius I, de zoon van Hystaspes (531—485), den troon beklom.

ocr page 53

41

Herstelllnjï van het rijk. Slechts door buitengewone energie en inspanning gelukte het hem het rijk, dat zijn ondergang nabij was, in stand te houden. Babyion, dat het sein tot den afval gaf, werd door Darius belegerd en verleidde door zijn hardnekkigen tegenstand ook de oostelijke provinciën tot ongehoorzaamheid en opstand. Eerst na 20 maanden gelukte de herovering van Babyion (518), volgens het verhaal door de list (de zelfverminking) van Zopyrus (een der Perzische stamhoofden): 3000 der voornaamste Babvloniërs werden gekruisigd en de muren der stad gesloopt. Op hetzelfde tijdstip waren tnl van opstanden in het oostelijk en noordelijk gedeelte van het rijk uitgebarsten, maar Darius onderdrukte ze allen en stelde zich op nieuw in het veilige bezit van de geheele Perzische monarchie. Wel mocht hij dus tot herinnering aan zijne overwinning en de vestiging van de dynastie der Achaemeniden in liet Medische gewest Bagistana het gedenkteeken oprichten, dat ons thans nog van zijne daden verhaalt (het opschrift van Bisitoen).

De veroveringstochten van Darius.

Den tocht tegen de Scythen aan gene zijde van den Beneden-Donau (Ister) ondernam hij (513), niet omdat zij vroeger in Medië waren gevallen, maar om de grenzen van zijn rijk ook naar den kant van Europa uitte breiden, waartoe nog door geen der beheerschers van het Oosten pogingen waren gedaan. Met (700,000 ?) man trok hij over den Thraoischen Bosporus naar Europa, terwijl hij een door de Ionische steden bijeengebrachte vloot naar den Donau zond, om een brug over die rivier te slaan.

Na den overtocht over den Ister liet hij de Grieken daar achter, om de brug te bewaken. De Scythen weken al verder en verder (tot over den Tanais (Don), naar men vermeld vindt) voor hem terug en verwoestten het land, zoodat Darius uit gebrek aan levensmiddelen onverrichter zake moest terugkeeren. Wel noodigden de barbaren, hem voorkomende, de loniërs uit, de brug over den Ister af te breken, en gaf Miltiades den raad aan die uitnoodiging gehoor te geven en de voortreffelijke gelegenheid

ocr page 54

43

tot herwinning der vrijkeid niet ongebmikt te laten voorbijgaan; maar Histiaeus, de tyran van Milete, bracht hun onder het oog, dat dit in strijd was met de belangen der tyrannen, wier heerschappij van het bestaan der koninklijke macht afhing; de brug werd behouden en het overschot van het leger gered. Op den terugtocht onderwierp de Perzische veldheer Megabazus met het overschot van het leger het O. en Z. van Thracië en ontving zelfs van Amyntas, den koning van Macedonië, aarde en water als teekenen van onderwerping, zoodat het Perzische rijk zich thans in naam tot aan de grens van Thessalië uitstrekte.

Tocht naar Indië.

De pogingen om het Perzische rijk naar het rL. (onder Cam-byses) en het N. uit te breiden waren mislukt; Darius wendde zich thans naar het O. (Indië) en het W. (Griekenland). Eerst ondernam hij een tocht naar Indië en onderwierp de bewoners van den rechter oever van den Indus, die ook nog onder Xerxes aan de Perzen gehoorzaamden, maar onder de latere Achaemeniden hunne onafhankelijkheid herkregen. (De aardrijkskundige Scylax van Caryanda).

Over de oorlogen tegen Griekenland, 500—449, wordt gehandeld in de geschiedenis van Griekenland.

Darius heeft niet slechts het rijk van Cyrus van den ondergang gered en zoowel naar het W. als naar het O. uitgebreid, maar hij heeft daaraan ook een staatsregeling gegeven, die het mogelijk maakte dat eene zoo uitgestrekte wereldheerschappij, die de meest verschillende nationaliteiten tot één geheel verbond, twee eeuwen lang kon blijven bestaan. Het hoofddoel dier staatsregeling was, dat groote rijk in voortdurende afhankelijkheid te houden. Opdat vooral fle Perzen in de instandhouding der monarchie belang zouden blijven stellen, vormde hij uit hen zijn raad en zijne lijfwacht, stelde hen vrij van belasting en liet tot alle belangrijke burgerlijke en militaire betrekkingen geen ander zijner onderdanen toe behalve hen. Ten behoeve van het bestuur verdeelde hij het rijk in 20 satrapieën, ieder onder het beheer van een vertrouwd stadhouder, die vooral voor voort-

ocr page 55

43

; durende rust en gehoorzaamheid ia zijne provincie, maar ook

t voor de geregelde inning der belastingen te zorgen had. Deden

r zij dit, dan waren zij voor het overige bijna onbeperkte heer-

e schers in hun gewest. (Instelling der Angaren).

p Darius bereidde zich tot een nieuwen (derden) veldtocht tegen s _ Griekenland voor, die echter door een opstand der Aegypte-

n naren (486) vertraagd werd. Toen deze onderdrukt was, stierf

e de koning. Hij werd opgevolgd door zijn zoon

e 5) Xerxesl, 485—465. Nadat eerst Aegypte weder

3. onderworpen was, rustte hij tot een derden tocht tegen Griekenland een ontzaglijk leger uit. Over de veldtochten

i- van 480 en 479, en over den oorlog der Grieken tegen de

Le Perzen z. m. bij Griekenland. Xerxes werd door den aanvoerder

st zijner lijfwacht (Artabanus) vermoord.

Ie 6) ArtaxerxesILongimanus (465—424). Eene )g tweede poging der Aegyptenaren om zich, steunende op de le hulp van den Libyschen vorst Inarns en van de Atheners, vrij gt;o te maken, mislukte (460—454). Inarus werd vermoord. Over het einde van den oorlog met de Grieken en 9, de door dezen behaalde overwinning bij Salamis op Cyprus (449) z. m. § 56. Keeds onder zijne regeering nam het verval van het ig rijk een aanvang: a) door de opstanden der satrapen, ar te weeg gebracht door de groote macht dier stadhouders, die lie niet alleen dikwerf het opperbestuur in burgerlijke en krijgszaken ij, bezaten, maar zelfs somtijds over verscheidene satrapiecu tegelijk id, heerschten, b) door de vreemde huurtroepen, voorier namelijk Grieken, welke de verbastering der van natuur krijgs-jk- haftige Perzen veroorzaakten, die zich thans aan weelde en ng verwijfdheid overgaven.

len 7) Xerxes II (424), na 45 dagen door zijn broeder

iet Sogdianus vermoord.

jen 8) Sogdianus, na 6 maanden door een anderen broeder,

het Ochus, vermoord, die hem opvolgde onder den naam van

het 9) D a r i u s II N ö t h u s, 424—405. Hij liet zich ten

)rt- oenen male door zijne gemalin Parysatis beheerschen. Zijne

i

ocr page 56

44

regeering kenmerkte zich door een reeks van opstanden, nu eens van koninklijke prinsen, dan van machtige satrapen, dan weder van onderworpen volken; ook de Aegyptenaren (onder Amyrtaeus) vielen voor de derde maal af, en wisten onder eigen koningen gedurende 64 (?) jaren hunne onafhankelijkheid te handhaven.

10) Artaxerxes II Mnëmon, 405—362. Een oorlog met z ij n broeder Cyrus, die hein het bezit van den troon betwistte en door Grieksche huurtroepen onder aanvoering van den Spartaan Clearohus ondersteund werd, eindigde met de nederlaag en den dood van Cyrus in den slag bij Cunaxa, 401. De Grieken hadden op hun vleugel de overwinning behaald. De 10,000 Grieken, die na den slag nog in leven waren, werden, toen de Grieksche bevelhebbers op verraderlijke wijze waren vermoord , door X e n ö p h o n, na het overwinnen van ontzaglijke gevaren en moeielijkheden , naar Klein-Azië teruggevoerd (Anabasis). Over den 'oorlog met Sparta z. in. bij Griekenland. — Artaxerxes werd door zijn zoon Ochus vergiftigd.

11) Ochus onder den naam van Artaxerxes III, 363—338. Te vergeefs deden de Phoeniciërs eene poging om zich van de Perzische heerschappij te bevrijden; de stad Sidon werd door haar eigen koning (Tennes) verraden, en door de inwoners zeiven in brand gestoken. Artaxerxes overwon hierna, door Grieksche hulptroepen ondersteund, ook de Aegyptenaren bij Pelusium, en maakte het land na eene 64jarige onafhankelijkheid op nieuw tot eene Perzische provincie. Artaxerxes, wegens zijne ongeloofelijke wreedheid gehaat, was de speelbal van den Aegyptenaar Bagöas, die eindelijk hem en al zijne zonen door vergif om het leven bracht. Slechts den jongsten

12) Arses (338—336) spaarde hij en plaatste hem op den troon; doch na twee jaren vermoordde hij ook dezen en bestemde tot zijn opvolger

13) Darius Codom annus, den ^ohterkleinzoor van Darius Nothus (336—330). Ook hem wilde Bagöas door vergif om het leven brengen, doch hij werd genoodzaakt het zelf te

ocr page 57

45

te drinken. Darius was niet in staat, den val van het rijk, ■welks macht door de ürieksohe oorlogen gebroken was, tegen te houden. Zijne satrapen werden door Alexander den Groote bij den Granlcus 334, hij zelf bij Issus 333, en bij Gaugamêla 331 verslagen, en door zijn satraap Bessus vermoord, 330. M. z. bij Macedonië.

§ 19.

Beschaving dtr Perzen.

De Perzen, die in 't algemeen eene groote neiging tot het aannemen van vreemde zeden hadden, ontleenden aan de Meden het hofceremonieel, de kleeding, zelfs de leer van Zoroaster en de kaste der Magiërs; door deze was de overigens despotische heerschappij van den groote n koning beperkt. Hij was eigenaar van het land en zijne bewoners; do onderworpen volken betaalden hem schatting (die vóór Darius Hystaspis alleen iu geschenken bestond). De residentie was onder Cyrus in Pasar-gadae, de hoofdplaats van den stam der Pasargaden, gevestigd. Darius I bouwde een tweede koninklijk paleis te Persepolis; maar het gewone verblijf der koningen was Susa, waar zij dichter bij de westelijke landen waren.

V. DE INBIËES.

§ 20.

Aardrijkskundige, beschrijving van ludie.

Indië wordt voornamelijk genoemd het land, dat ten Noorden begrensd wordt door den Himalaja, ten Zuiden door de zee, en waartoe in het Oosten nog het dal van de rivier de Brahma-poetra behoort. Eerst door de Mohammedanen kwam de naam Hindostan in zwang.

Gesteldheid van den grond en rivieren. Het vasteland van Indië bestaat uit drie deelen: 1) het ten Noorden door het Himalajagebergte begrensde bergland, met den Dhawalagiri en den Tsjoemoelari, twee van de hoogste bergtoppen der aarde.

ocr page 58

46

2) De v 1 a k t e van den Bengaalschen tot den Perzisohen zeeboezem. Zij bevat:

a) Het dal van don Ganges en den Bralimapoetra.

V) Het dal van den Indus.

Van de vijf groote rivieren (Hvdaspes, Acesmes. Hydraötes, Hyphasis en Zadadres), die zich in den Indus uitstorten, heeft een gedeelte van het land den naam Pandsjaab (het land der vijf strooraen, gekregen.

3) Het bergland D e k h a n; de oostelijke en westelijke rand wordt gevormd door het Ghat-gebergte, de noordelijke door het Vindhja-gebergte. In het midden van het schiereiland ligt eene uitgebreide vlakte.

Voortbrengselen.

a) Uit het rijk der delfstoffen: verschillende metalen, edelgesteenten, paarlen en koralen.

h) Uit het plantenrijk: rijst, tarwe, graansoorten, katoen en verschillende houtsoorten, specerijen (peper, kaneel, wierook).

c) Uit het dierenrijk: wilde dieren, olifanten (getemde, voor den oorlog), zijdewormen.

Bewoners.

Deze worden in twee groote volksstammen verdeeld, den A r i s c h e u in de geheele noordelijke helft van Indië en op de kusten van Dekhan , en den Dekhanischen, die het overige gedeelte van Dekhan bewoont.

§ 21.

Geschiedenis der Indiërs.

Van de geschiedenis van Indië vóór Alexander den Groote is weinig bekend. Legenden en fabelachtige verhalen omtrent de tochten van Semiramis en Sesostris. De Perzische koning Darïus Hystaspes onderwierp eenige volken ten Westen en ten Noorden van den ludus.

Alexander de Groote veroverde verscheidene koninkrijken in Pandsjaab, die hij deels onder de heerschappij der inlandsche

ocr page 59

47

koningen (Taxilus en Porus) liet, deels onder het bestuur van Macedonische landvoogden stelde. Zijne opvolgers verloren hij hunne twisten de indische provinciën weder, maar het gerucht van den rijkdom des lands lokte bij voortduring vreemde veroveraars, zoodat de Grieksch-Bactrische koningen en later l'136) Toeranische stammen, Indoscythen genaamd, over een gedeelte van Indië de heerschappij voerden. Doch hieraan kwam een einde in 53 v. Ch., toen aan de Scythen door den Indische» koning Vikramaditya eene groote nederlaag werd toegebracht.

§ 22.

Beschaving der oude Indiërs.

1) G o d s d i e nst; De oudste god der Indiërs was Brahma; men vereerde in hem drie krachten (Trimurti), de lichtgevende (Brahma), de bevruchtende (Vischnu) en de vernielende (Ciwa). De godsdienstige plechtigheden waren voornamelijk: gebeden, reinigingen, ofters, bedevaarten, vasten enz.

In de vijfde eeuw vóór Christus werd in den godsdienst eene hervorming gebracht door Boeddha (d. i. de Verlichte, de Wijze). Deze verzachtte voornamelijk de zeden van het volk, en veranderde sommige der instellingen, die op de priesters betrekking hadden. Zijne leer, tot welker kennis aan iedereen de toegang werd geopend, werd later als dwaalleer vervolgd (omdat hij het kastenwezen afschafte en het priesterschap voor allen toegankelijk maakte), en naar China, Japan, Korea, Tibet en Mongolië overgebracht.

2) Staatsregeling. Vele van elkander onafhankelijke koninkrijken — de regeering was een onbeperkte alleenheerschappij met erfelijke opvolging —; het volk was in vier kasten verdeeld: Brahmanen of priesters, Kshatras (Kshatriyas) of krijgslieden (hieruit werd de koning gekozen), Vicas (Vaicyas) of landbouwers of kooplieden, Cüdras , die eigenlijk tot het bewijzen van diensten aan de drie bovengenoemde kasten verplicht waren.

3) Letterkunde. De heilige schriften zijn de Vêdas;

ocr page 60

48

sommigen rekenen de Vêdangas er toe, anderen uiet; de Purauas behooren niet tot de H. S. In de Sanskritlitteratuur vindt men allerlei soorten van gedichten , epische, dranuitische, lyrische, gnoraische, didaktische; het heldendicht eu het drama werden voornamelijk beoefend, en wij hebben daarvan nog de heerlijkste overblijfselen. De beroemdste heldendichten zijn de Samayana en de Mahabharata; het beroemdste drama is de Cakuntala. De regeering van Vikramaditja was de bloeitijd van handel en nijverheid zoowel als van weienschap en dichtkunst.

4) K u n s t. Bouwkunst en beeldhouwkunst bereikten bij de Indiërs een hoogen trap van volmaaktheid, zooals uit de deels nog bestaande tempels en andere monumenteu blijkt. De grootste eu beroemdste vindt men in de nabijheid van Bombay. Ook de muziek is hun niet vreemd geweest.

IK. DE STATEN IN KLEIN-AZIË.

§ 33.

Aardrijkskundige beschrijving van Klein-Azië.

Grenzen; in het N. de Pontus Euxinus, in het W. de ïhracische Bosporus, de Propontis, de Hellespont en de Aegaeï-sche zee, in het 'L. de Middellandsche zee, in het O. de Euphraat.

Gesteldheid van den bodem. Het binnenste gedeelte van het buitengewoon vruchtbare schiereiland vormt eene uitgestrekte, door hooge gebergten omringde vlakte, die men als eene westelijke voorzetting van het Armenische bergland kan beschouwen. De gebergten, die haar van de kuststreken scheiden, zijn in het Z. de Taurus, en meer naar het N. de Antitaurus; naar het W. daalt het land allengs door lagere bergketenen, zoo als den Tmölus, Sipylus, Ida en Olympus, naar de Aegaeïsche zee af.

Eivieren: a) in den Pontus Euxinus uitmondende: de Halys; 6) in de Propontis: de Granicus (slag 334); c) in de Aegaeïsche zee: de Hermus, met den goudrijken Pactölus; d) in de Middellandsche zee: de Eurymcdon (slag 469), de Cydnus (Alexander de Groote).

ocr page 61

49

Klein-Azic Leeft de ^roote rol, die het in de jreschicdenis ■der oudheid speelt, vooral te danken aan de Grieksche volkplantingen, die bij voorkeur gesticht werden in de nabijheid van de voortreffelijke havens, welke op de westkust van het land in menigte aanwezig waren. Tusschen het Oosten en het Westen gelegen, is het van oudsher het tooneel geweest van den strijd tusschen da volken van het Oosten en het Westen, die elkaar op hunne tochten hier ontmoetten. Van den anderen kant moest hier ook de beschaving van het Westen in aanraking komen met die van het Oosten.

Verdeeling en steden.

A. Aan de Noordkust: 1) Bilhynië, met de steden Ohalcëdon aan den Bosporus en Nica-a (eerste algemeene kerkvergadering, 335). 2) Paphlagonië met de stad Sinöpe (Dio-günes). 3) Pontus met de stad Trapëzus.

B. Aan de Westkust: 1) Tröas met de stad Troja of Tlïon, door de Grieken verwoest. 2) Mysië met de stad Cyzïcus, gelegen op liet insgelijks Cyzicus genaamde schiereiland (overwinning van Alcibiades, 410). 3) Lydië, met de steden Sardes, een middelpunt van handel en nijverheid, en Magnesia aan deu berg Sipylus (slag 190). 4) Carië, met vele voorgebergten, waaronder Mycille door de nederlaag der Perzen (479) bekend is. De verschillende in Carië wonende volkeren vormden een verbond, waarvan Labranda het middelpunt was.

C. Aan de Zuidkust: 1) Lycië, een, zoo als uit de overblijfselen van bouw- en beeldhouwkunst blijkt, reeds in zeer oude tijden beschaafd land. 2) Pamphylië. 3) Oilicië, met de stad Tarsus aan den Cydnus (geboorteplaats van den apostel Paulus) en Issus aan de golf van denzelfden naam (slag 333) (Koning Syennesis).

D. Berglanden op den T a u rus: 1) Pisidië, bewoond door een dapper volk, dat nimmer voor een vreemden veroveraar heeft behoeven te zwichten. 2) Isaurië, insgelijks door een vermetel bergvolk bewoond, dat aan de zeerooverijen der Ciliciërs deel nam.

Pütz, O. G. 4

ocr page 62

50

E. Het binnenland, uit berglanden bestaande: 1) Phrygië (dienst van Cybele. Midas). 2) Lycaonië. 3) Gap-padocië. 4) Galatië met de (vroeger Phrygische) stad Gordium (de knoop).

§ 24.

Het Lydisdie rijk.

Onder de verschillende volksstammen van Klein-Azië, zoo-verscheiden in oorsprong en beschaving, hebben ziek slechts lt;le Lydicrs tot eene aanzienlijke macht verheven (Atyaden, He-rakliden, Mermnaden; oorlog van Alyattes met Cyaxares van Medië), wier rijk onder

Croesus (560—546?) geheel Klein-Azië van de Aegaeïsche zee tot aan den Halys omvatte (behalve Lycië en Cilicië), en, zich zelfs over de Grieksche steden op de kust, Milete alleen uitgezonderd, uitstrekte. Maar toen Croesus den Halys overtrok en het aangrenzende Perzische rijk aantastte, werd er spoedig een einde aan zijne heerschappij gemaakt (546?).

(Zijn gesprek met Solon, die Tellus van Athene wegens de deugd zijner kindereu eu zijn dood in den strijd voor het vaderland den gelukkigste der meuschen noemde, en na dezen de broeders Cleobis en Biton, die hunne moeder te Argos naar den tempel van Hera trokken en toen ontsliepen).

Het verhaal van Herodotus over den ondergang van het Lydische rijk; Toen Cyrus naderde, ondervroeg Croesus de godspraak te Delphi gaf haar groote geschenken, en liet vragen, of hij de Perzen mocht aanvallen, eu of zijne regeering van langen duur zou zijn, — hij trok over den Halys, doch keerde na een onbeslisten veldslag (bij Pterïa) naar Sardes terug; Cyrus volgde hem, overwon in den tweeden veldslag, nam de stad in en verwoestte haar. ('roesus werd op den brandstapel door het uitroepen van den naam van Solon gered; zijne boeien zond hij naar Delphi. Cyrus raadde hij aan, de Lydiërs aan eenft ontzenuwende weelde te gewennen, om zich zoodoende van huuno onderwerping te verzekeren.

ocr page 63

Ier fip-nm

TWEEDE AFDEELING.

00 AFRICA.

de

.e-

^ INLEIDING.

be Africa wordt door de Grieken steeds Li bye (1) genoemd.

3n Dit werelddeel, zoowel door zijn vorm (kusten zonder aanmer-

gt;11 kelijke zeeboezems, landtongen of schiereilanden), als door zijn

ik innerlijke gesteldheid (eene groote, onafgebroken bergvlakte in het

'g Zuiden, en eene uitgestrekte woestijn in het Noorden, beiden slechts aan den rand door smalle, vruchtbare streken omgeven)

Ie het eentonigste van allen, ligt, van de overige werelddeelen als

d een eiland afgescheiden, grootendeels onder de heete lucht-

•s, streek, en wordt door den evenaar iu twee bijna gelijke deelen

il verdeeld, die zich tot dezelfde breedtegraden uitstrekken: van daar, even als in het leven der volkeren, ook weinig verschei-

t denheid in de voortbrengselen der natuur. Het verkeer 1) met

r het buitenland is bemoeielijkt door den ongunstigen vorm der

1 kusten en het gering aantal der meestal in het zand of in biu-r nenmereu uitloopende rivieren, die rijk aan watervallen en slechts i dicht bij hare monden bevaarbaar zijn; 3) met het binnenland ; is belemmerd door de groote woestijnen en het kleine aantal

bevaarbare rivieren. Voor de geschiedenis der oudheid is alleen de Noordkust van Africa, die in karakter van het overige gedeelte van het werelddeel ten eenen male versehilt en vlak tegenover beschaafde landen gelegen is, van belang.

(1) Libye in meer beperkten zin was het tussclien Aegypte en de Syrten gelegen gedeelte van Noord-Africa.

ocr page 64

52

A. Aardrijkskundig overzicht van Africa.

§ 35.

De grenzen van Africa.

Ten Westen de Atlantische Oceaan, ten Noorden de Middel-landsche zee, ten Oosten Azië , welks grenzen verschillend bepaald worden (m. z. bl. 4), de Arabische golf en de Ervthraeïsche zee; ten Zuiden stelden zich de Ouden vrij algemeen (Ptolemaeus was van het tegenovergestelde gevoelen) Africa voor als omringd door den oceaan, die de Erythraeïsche zee met de Atlantische verbond.

§ 26.

Gesteldheid van den bodem.

Gebergten: de Atlas, welks hooge westelijke rand, met zijne door eeuwige sneeuw bedekte toppen, aan de oude kustvaarders een tot in den hemel reikende zuil scheen te zijn; de Libysche en de Arabische gebergten, die het dal van den Nijl insluiten; het Ma an gebergte. — Zandwoes-t ij n e n: de groote zandwoestijn tusschen het Libysche gebergte, de Middellandsche zee, den Atlas, den Oceaan en Nigritië, tegenwoordig Sahara genoemd, de grootste woestijn der aarde (half zoo groot als Europa); hare kleinste, oostelijke helft bevat eenige hier en daar verspreide bronnen en oasen; de grootste, westelijke helft is eerst in den laatsten tijd wat nauwkeuriger bekend geworden, en blijkt niet zoo volslagen dor en verlaten te zijn, als men eertijds gewoon was te beweren.

§ 27.

De wateren van Africa.

Zeeën, golven, zeeën gten.

In het Noorden: de Middellandsche zee. — In het Oosten: de Erythraeische zee met de Arabische golf. — In het Zuiden: de Aethiopische zee. — In het Westen: de Atlantische oceaan, door de straat van Gibraltar (zuilen van Hercules) met de Middellandsche zee verbonden.

ocr page 65

53

Rivieren.

In de Middellandsche zee mondt de N ij 1 uit (ra. z. bl. 54) ; de Niger ontspringt op de noordzijde van het Konggebergte en stroomt als Djoliba in eene noordoostelijke richting tot aan den zuidrand der Sahara; tusschen Karaba en Fagona wendt hij zich naar het Z. O., vereenigt zinh met de Sokoto, en zuidelijker met den Binoewe, en vormt op de kust van Noord-Guinea, waar hij in zee (de bocht van Benin) valt, eene breede, moerassige, met dichte bosschen bedekte Delta.

§ 28.

Verdeelint/ van Africa.

In de oudheid verdeelde men Africa naar de natuurlijke gesteldheid van den bodem in drie deelen: 1) liet bewoonde Libye aan de kust der Middellandsche zee, waarin Aegypte en Carthago, later ook yumidu1 en Mauretanic, de aanzienlijkste staten waren; 2) het door wilde dieren bewoonde Libye, de streken aan het Atlasgebergte, 3) het woeste en zandige Libye. De inwoners waren deels inboorlingen, deels vreem-d e n. Tot de eersten behoorden de Libyers (d. i. de blanke, oorspronkelijke bewoners van Noord-Africa, de Numidiërs, Mau-retaniërs, Gaetuliërs) en de Aethiopiërs (d. i. de donkerkleurige oorspronkelijke bewoners van Centraal- of Hoog-Africa of de Negers). In Africa gevestigd waren Grieken en Phoeniciërs.

B. De bijzondere Staten van Afrika.

I. DE AEGYPÏENAUBN.

§ 29.

Aardrijkshmdige beschrijving van Aegypte.

De N ij 1 is niet slechts de belangrijkste der A frik a a n s c h e rivieren, maar hij bekleedt ook onder de grootste stroomen der aarde eene der eerste plaatsen. Van de reuzenstrooraen van Azië (en Amerika) onderscheidt hij zich daardoor, dat hij zijne wateren niet in den Oceaan uitstort, maar even als de grootst»

ocr page 66

54

rivieren van Europa in eene binnenzee valt; ook is hij aan beide kanten, van zijn oorsprong tot aan zijne monding, door woestijnen omgeven, die ter bebouwing volkomen ongeschikt zijn.

Bronnen en loop van den N ij 1. De Xijl ontstaat door de vereeniging van twee groote hoofdrivieren, die de wateren van een aantal bijrivieren in zich opnemen. De eerste, westelijke , komt uit het aan den Evenaar gelegen Victoria N v a n z a- (Nyanza == binnenmeer) of Oekerewe-meer, stroomt in noordwestelijke richting door het Ibrahim-Pascha-meer en valt bij Magungo in het Albert-Nyanza. Als B a h r-el-Gebel verlaat hij dit en stroomt dan noordwaarts, onderweg den Bahr-el-Arab, die uit het Westen, en den Sob at, die uit het Oosten komt, opnemend. Na het water van deze laatste rivier ontvangen te hebben, vloeit hij als Bahr-el-Abiad (Witte Nijl) door tot Khartoem, waar hij zich met de tweede hoofdrivier, den Bahr-el-Azrek (Blauwe Nijl) vereenigt. Deze laatste ontspringt op het Abessynisoh hoogland. Samen dragen zij nu den naam Nijl.

Een andere rivier, die eveneens van het Abessynisch hoogland in het natte jaargetijde veel water afvoert, maar in den zomer niet veel meer is dan een reeks poelen vol krokodillen, de, Atbara of Takassee, vereenigt zich een eindweegs noordelijker ' met den Nijl. Verderop biiigt deze zich plotseling Z.W.waarts, om niet verre van Oud-Donkola zijn noordelijke richting te hernemen. Door een lang uitgestrekte, smalle oase van hoogstens 4 uur breed, ingesloten door de Lybische en Arabische bergketens , vloeit hij dan naar de Middellandsche Zee.

Slechts het door deze beide bergketenen ingesloten, naar het Noorden ruimer wordende dal is vruchtbaar land, eene uitgestrekte oasis midden in de woestijn; het is zijne vruchtbaarheid verschuldigd aan de jaarlijksche overstroomingen van den Nijl. Ten gevolge der tropische regens wast namelijk het water in den Boven- (en gedeeltelijk ook nog in den Midden-) Nijl in den zomer (einde Juni tot einde September) langzamerhand dermate, dat het, als het zijn hoogsten stand (33 voet) bereikt heeft. het

ocr page 67

55

geheele dal tot aan de bergketenen , die het begrenzen , overstroomt ; in dat dal laat het dan eene laag vruchtbaar slijk achter i(de Aegyptenaren noemden daarom hun land Chemi of Kemi, het zwarte), waardoor het stroombed allengs wordt opgehoogd.

Om deze ontzettende watermassa behoorlijk over het land te verdeelen en tevens het verkeer binnen 's lands gemakkelijk te maken, had men reeds in de oudste tijden kunstmatige meren, zoo als het meer Moe r i s aan den westkant, en met sluizen en schepmachinea voorziene kanalen gegraven. Het grootste dier kanalen , het (45 mijlen lange) Jozefskanaal loopt evenwijdig met den Nijl, staat noordwestelijk met het meer Moeris in verband en stort zich in den Xijlarm van Rosette uit.

Beneden Memphis neemt het dal plotseling aanmerkelijk in breedte toe, en zijn de beide bergketenen door eene grootere ruimte van elkaar gescheiden. Hier begint de Nijl de Delta te vormen, terwijl hij zich in verscheidene armen verdeelt; eertijds stortte zich de noordwestelijke bij Canöpus. de noordoostelijke bij Pelusium in de Middellandsche zee. De Ouden noemden zeven monden van den Nijl. Door de tegenwoordige Nijldelta stroomen twee armen, die bij Rosette en Damiette de zee bereiken.

Het dal van den Beneden- N ij 1 of Agypte , «het geschenk van den Nijl,quot; werd in de oudheid verdeeld in Opper-, Midden- en B e n e d e n - A e g y p t e. Reeds in Midden- en Beneden-Nubië, maar nog meer in Opper-Aegypte is eene bijna onafgebroken reeks van gedenkteekenen der oude Aegyptische bouwkunst bewaard gebleven. Vooral was de oude koningstad T li e b e meor dan eenige andere stad met grootsche gebouwen versierd, waarvan de bouwvallen nog thans over eene uitgestrektheid van 2 mijlen de beide oevers bedekken. Ten W. van Thebe, op beide kanten van een nauw, in het Libysche gebergte zich uitstrekkend dal, lag de doodenstad met hare ontelbare graven, die in de rotsen waren uitgehouwen en een zeer rijken oogst van oudheden van verschillenden aard hebben opgeleverd.

ocr page 68

56

In Midden-Aegypte zijn de tempels en paleizen veel vroeger vernield geworden dan in Boven-Aegvpte, maar de grafmonumenten strekken ook daar nog tot bewijs van de grootheid der verdwenen steden. De grootste was Memphis, aan, de westzijde van den Nijl, waarvan de puinhopen de bouwstoffen leverden voor de moskeeën te Kaïro. Deels ten Z., deels ten N. van de oude stad vindt men zoowel de oudste graven der koningen in de pyramiden (m. ■/.. bl. 66), als ook ontelbare graven van bijzondere personen; deze graven zijn deels uit groote hardsteenen samengevoegd, deels in de rotsen uitgehouwen.

Ook Beneden -Aegvpte telde weleer eene menigte bloeiende steden, waarvan echter bijna geen spoor is overgebleven, omdat de bodem van de Delta, door verwaarloozing van het kanaalstelsel, in den loop der eeuwen deels- in moerassen is veranderd, deels met zand is bedekt geworden. In het noordwestelijk gedeelte van de Delta, op de rechterzijde van den Canopischen Nijlarm, lag Saïs, de residentie der latere koningen. Aan de oostelijke monding van den Nijl was, door moerassen omgeven, P e 1 u s ï u m gelegen, de sleutel van Aegvpte naar den kant van Azië. In het land ten O. van de Delta (waartoe ook het land Gosen behoorde) lag On of Heliopölis. de derde der beroemdste priestersteden. Onder de laatste Pharao's bloeide Naucratis, waar Amasis aan de Grieksche kooplieden vergunde eene faktorij te vestigen.

§ 30.

Geschiedenis der Aegyptenaren.

I. HET OUDE RIJK OF HET RIJK VAN MEMPHIS (3000-2100 V. OH.?).

Op de grens van Midden- en Beneden-Aegypte, daar waar de Nijl begint de Delta te vormen, ontstond de oudste staat, waarvan de geschiedenis gewaagt. Als eerste koning van dien staat wordt genoemd M e n e s, die de noordelijke hoofdstad Memphis op eene door indijking droog gemaakte plaats aan

ocr page 69

de rivier bouwde, haar met vestingwerken omgaf en met den tempel van Ptah versierde. Zijne opvolgers kozen de nieuwe stad tot residentie, in plaats van het reeds vóór Menes gestichte Thebe, en begonnen den bouw der pyramiden, d. z. de kolossale begraafplaatsen voor de koningen; want reeds in de oudste tijden koesterde men de grootste zorg voor de woningen der dooden. De traditie gewaagt vooral van drie op elkander volgende koningen (Chephren, Cheops en Mycerlnus) als van de stichters der grootste en schoonste pyramiden in de nabijheid der residentie, op het plateau van Memphis.

Tot de reeks dezer koningen behoort ook M o e r i s (een door de Grieken uit het Aegyptische ph. jom-nte-m-eri, d. i. het meer der overstrooming, gevormde naam; de koning heette bij zijn volk Amenemha III), die het aldus genoemde meer liet delven (pag. 55), cn om de overstroomingen van den Xijl te regelen, en om door het overvloedige water Fajoem, vroeger eene dorre, steenachtige streek, in een der vruchtbaarste landschappen te herscheppen. Hier bouwde hij (?) het Labyrinth, een prachtig paleis, dat later onder de Dodekarchie vernieuwd werd.

II. de mi1)den-eeuwe.\ van aegypte of de heerschappij der. hyksos, d. i. herderkoningen),

2100 tot omstreeks 1650 v. Ch.

Onverwachts vielen omstreeks 2100 v. Ch. (?) uit het Noord-Oosten naburige Semitische stammen (dus Kanaanieten), wellicht verbonden met de nomadische bewoners van het noordelijke Arabic, in Aegypte, en trokken, door den rijkdom van het land bekoord, vernielende en de grootste wreedheden plegende, tot Memphis door. Be koningen, bevreesd voor den vijand, weken naar Thebe terug, en door deze in Opper-Aegypte voortbestaande dynastie werd na een tachtigjarigen strijd ten laatste Aegypte van de vreemde' overheersching verlost, die ruim vier eeuwen geduurd had. Het versterkte kamp der Hyksos bij Avaris (Pelusium), waarheen zij hun buit brachten, werd (door Tliut-

ocr page 70

58

mösis III) belegerd, en aan de ovenvonnenen Hyksos vrije aftocht (naar Syrië) toegestaan.

Het schijnt dat dergelijke verhuizingen van nomadische stammen uit Azië naar Beneden-Aegypte bij herhaling plaats grepen; als eene dier verhuizingen moet men ook de aankomst der Israëlieten (m. z. bl. 9) in het land Gosen beschouwen, hoewel de l)etrekking, waarin zij tot de Aegyptenaren stonden, van eenigzins meer vriendschappelijke!! aard was.

III. HET NIEUWE BUK , 1650-525 V. CH.

Onder de eerste koningen van het nieuwe rijk werd Aegypte zoowel door beschaving en kunst, als ook ten gevolge zijner veroveringen de eerste staat der oude wereld.

Thebe, vanwaar de bevrijding van het land was uitgegaan, bleef residentie, en werd door de nieuwe Pharao's op dezelfde wijze verfraaid, als dit met Memphis onder de koningen van het oude rijk het geval was geweest. Tevens trachtten deze koningen, bemoedigd door den gelukkigen afloop van den strijd met de Hyksos, de grenzen van het rijk uit te breiden. In de eerste plaats keerden zij hunne wapenen naar het Zuiden, tegen Nubië, dat veroverd en insgelijks met Aegyptische tempels en heiligdommen bedekt werd; vervolgens naar Azië, waar Assyrië aangevallen en door een vloot eilanden en kustlanden aan de Middellandsche zee veroverd werden. Volgens de overleveringen der Grieken bereikte Aegypte het toppunt zijner staatkundige macht en zijner beschaving onder Ramses den groote (Sesostris). Hem schrijven zij de uitbreiding der buitenlandsche bezittingen, van Thracië tot aan den Ganges, toe; volgens de getuigenissen der gedenkteekenen evenwel voerde hij slechts verdedigingsoorlogen tot onderdrukking van opstanden, deels in Nubië, deels in westelijk Azië, zonder daardoor de grenzen van 't rijk uit te breiden.

Onder de opvolgers dier groote veroveraars deden de onderworpen molken herhaalde pogingen om het juk der Aegyptische

ocr page 71

59

overlieerschitig af te schudden, eu inderdaad gingen niet slechts de buitenlandsche (Aziatische) bezittingen der Pharao's allengs weder verloren, maar later drongen zelfs vreemde veroveraars, de Aethiopiërs, Aegypte binnen (omstreeks 7 40), die trouwens slechts gedurende eene halve eeuw over hunne voormalige overheerschers (waarschijnlijk niet over Beneden-Aegypte) regeerden. Maar de Aethiopiërs hadden reeds lang de Aegyptische beschaving aangenomen, en zoo had deze tweede overheersching geenszins verwoesting van het veroverde land ten gevolge; integendeel, de Aethiopisehe koningen worden als goede en wijze regenten geprezen (Sabakos, Thirhaka; opstand van Sethon; inval der Assyriërs).

De verdrijving der Aethiopiërs schijnt niet dan na zwaren en langen strijd gelukt te zijn. Allengs verhieven zich enkele landschappen onder kleine vorsten tegen de Aethiopisehe heerschappij, €n deze vereenigden zich na de verdrijving der vreemdelingen tot een gemeenschappelijk bestuur (herstelling van het Labyrinth). Dit is de zoogenaamde D o d e k a r c h i e. Een der twaalf verbonden vorsten was P s a m m ë t ï c h u s (Psamtik), een afstammeling van de door de Aethiopiërs van den troon gestooten Saïtische dynastie. Hij wilde zijne aanspraken op den troon lt;loen gelden, en maakte hierdoor, alsmede door zijn verkeer met Grieken en Phoeniciërs, voor wie hij de havens van zijn land open stelde, den naijver zijner mederegenten gaande. Hij werd naar de moerassen aan de zeekust verbannen, maar overwon, ondersteund door {quot;ariërs en loniërs («koperen, uit zee gekomen mannenquot;), zijne tegenstanders bij Momemphis, herstelde de monarchie in Aegypte en verdreef ook de Aethiopiërs uit Opper-Aegypte. (Al hetgeen over de Dodekarchie verhaald wordt, is zeer twijfelachtig; het schijnt o. a. dat reeds voor Psamme-tichus, sedert 684, drie koningen uit dezelfde Saïtische dynastie over Aegypte regeerden).

Psammetichus (656—617) trachtte zich in de heerschappij , die hij met vreemde hulp verkregen had, ook met vreemde hulp staande te houden. Aegypte, dat tot nu toe voor

ocr page 72

60

alle vreemdelingen met angstvallige zorg was gesloten gehouden, werd plotseling toegankelijk voor het buitenland (Grieken en Phoeniciërs). De koning wees aan de vreemde huurtroepen landerijen op de beide oevers van den oostelijken Nijl-arm aan {'Z.TpxTÓirs'êx), stelde voor de Grieken en Phoeniciërs alle havens van Aegypte open, en liet door de in het land gevestigde Grieken jonge Aegyptenaren in het Grieksch onderwijzen (de jongste kaste, die der tolken). Al deze nieuwigheden wekten de gramschap van het volk op; vooral achtte de kaste der krijgslieden zich door het begunstigen van vreemdelingen beleedigd, en een groot aantal hunner (240,000 ?) verhuisde naar Aethiopië. — Om Aegypte's gezag ook naar buiten te herstellen, wilde Psam-metichus van het verval der Assyrische macht partij trekken, ten einde de kust van Syrië te veroveren, dat dan een bolwerk zou zijn tegen de aanvallen der groote mogendheden van Azië. Maar de hardnekkige tegenstand der Philistijnen (de vestingen Asdod en Gaza werden eerst na een beleg van 30 jaren ingenomen), en het doordringen der Scythen (ra. z. bl. 3-i) tot in Syrië deden hem zijn doel slechts ten deele en zeer langzaam bereiken.

N e c li o (617—601) volgde het voorbeeld van zijn vader, en trachtte, deels door een levendiger verkeer met het buitenland, deels door veroveringstochten, den ouden luister van Aegypte te herstellen. Hij begon een verbindingskanaal tusschen de 'Roode en Middellandsche zee en den oostelijken arm van den Nijl te laten graven (volgens anderen herstelde hij slechts hetgeen reeds door een vorst der 19de dynastie in de 15de eeuw v. Ch. begonnen was), maar het werk bleef onvoltooid. Ook zegt men dat op zijn bevel Phoenicische zeelieden eene poging deden tot het omvaren van Africa (m. z. bl. 26), zonder dat evenwel ook deze onderneming eenige vrucht droeg. Het werk werd later voltooid door den Perzischeu koning Darius I. Toen hij de door zijn vader ondernomen verovering van Syrië ten einde wilde brengen, verzette zich daartegen de Joodsche koning Josia. Hij overwon dezen wel is waar bij Megiddo (Magdolus,

ocr page 73

61

m. z. bl. 18), maar toen hij verder naar den Euphraat doordrong, werd hij bij Circesiu m (Karkemisoh) door Nebukadnezar verslagen, en verloor ten gevolge van die nederlaag al zijne veroveringen in Syrië en Palaestina. Als opvolger van Necho wordt genoemd Ps a m m i s, 601—595 , van wien weinig merkwaardigs te berichten ia. Diens zoon (?)

Apriës (in den bijbel Hophra, 595—570) trachtte te vergeefs de uitbreiding der Babylonische heerschappij in Syrië te keer te gaan; hij toog uit tot ontzet der door Nebukadnezar belegerde stad Jeruzalem (m. z. bl. 18), maar moest terug-keeren, zonder aan de belegerden eenige hulp van belang te hebben verleend; evenmin vermocht hij de Phoeniciërs tegen Nebukadnezar te beschermen. Hopende in 't Westen vergoeding te vinden voor hetgeen hij in het Oosten verloren had, zond hij een leger tegen de spoedig tot hoogen bloei geraakte kolonie Cyrene, maar dit leger stond tegen hem op en koos deu tot demping van den opstand gezonden Amiisis tot koning. Apriës trok van Saïs met zijne Grieksohe huurtroepen den nieuwen koning te gemoet, maar werd bij Momemphis verslagen en gevangen genomen. Zoo verloor de Saïtische dynastie het bewind op dezelfde plaats, waar het 100 jaren vroeger door Psamme-tichus was verkregen geworden.

Amiisis (570—536) bracht den buitenlandsche handel op nieuw tot hoogen bloei, dewijl hij aan alle Grieken veroorloofde om zich te Naucratis, aan de Canöpische monding van den Nijl, te vestigen. Ook veroverde hij het aan hout voor den scheepsbouw en ijzer rijke eiland Cyprus. Onder zijne lange en vreedzame regeering werd Aegypte nog eens bloeiend en machtig (zijn verbond met Polycrates van Samos), maar hij verzuimde aan de Babyloniërs en Lydiërs te rechter tijd hulp tegen te Perzen te zenden; toen hij stierf, was zijn eigen rijk door de Perzen (de Aegyptische koningsdochter) bedreigd. Des konings zoon

Psammmënïtus (535) werd door Cambyses bij Pelusium overwonnen, Memphis ingenomen en Aegypte tot eene Perzische provincie gemaakt, 525 (m. z. bl. 40).

ocr page 74

63

IV. AEGYPTE ONDER DE HEERSCHAPPIJ DER PERZEN'.

525—332 v. chr.

Uit hoofde van de wreede behandeling, die de nog steeds-machtige priesterkaste door Cambysos ondervond, en de bespotting van den Aegyptischen godsdienst, ontstond er eene groote verbittering tegen de Ferzen, en hoewel Darius I den godsdienst, de gewoonten en de gebruiken van het land ontzag en de gunst van de priesters in hooge mate wist te verwerven, maakten de Aegyptenaren zich toch den tijd te nutte, dien Darius na de nederlaag bij Marathon aan nieuwe toerustingen voor een tweeden Griekschen veldtocht besteedde. Zij vielen af, maar werden terstond na de troonsbeklimming van Xerxes I door dieus broeder Achaemenes weder onderworpen. Toen na den dood van Xerxes het Perzische rijk in de grootste verwarring verkeerde, stonden de Aegyptenaren voor de tweede maal op, en verkozen den Libyer Inarus en Amyrtaeus van Saïs tot hunne koningen. Ondanks de hulp der Atheuers werden zij door de Perzische satrapen bedwongen; Inarus werd gekruisigd, terwijl Amyrtaeus naar de moerassen aan den Nijl terugweek. Van daar keerde hij (of zijn kleinzoon ?) eerst na 42 jaren terug en veroverde Memphis; de Perzen werden voor de derde maal uit Aegypte verdreven. Thatjs bleven de Aegyptenaren onder het bestuur van eigen koningen 64 (?) jaren lang onafhankelijk; eerst onder Artaxerxes III werden zij weder onderworpen (in 350 ; de laatste Aegyptische koning heette Nectanebus). Maar Artaxerxes maakte zich door zijne wreedheid en zijne honende bespotting van den godsdienst zoo gehaat, dat men de Perzen meer dan ooit verfoeide en Alexander den Groote als bevrijder van het Perzische juk met vreugde begroette, 332.

§ 31.

Beschaving der Aegyptenaren.

1) De godsdienst der Aegyptenaren was even als die der Grieken en der Germanen, oorspronkelijk monotheïstisch, d. i.

ocr page 75

63

zij vereerden een eenigen schepper der wereld ; dit monotheïsme ontaardde in polytheïsme, toen de verschillende eigenschappen van dien éénen God en de uitwerkingen van zijn invloed op den hemel, de natuur, en het menschelijk leven gepersonificeerd en als evenveel afzonderlijke goden vereerd werden. Bij dezen overgang van de vereering van den onzichtbaren schepper tot die van de zichtbare uitwerkselen zijner macht werd men het eerst gebracht tot de vereering van zon eu maan; hieraan sloot zich de vereering der overige planeten, en toen men opmerkte, dat de invloed der zon niet onder alle teekenen van den dierenriem even weldadig was, kende men aan de 12 teekenen van den dierenriem verschillende krachten en eigenschappen toe, die men tot personen verhief; zoo ontstonden de 12 Goden van den Z o d i a c u s. Terwijl vele goden slechts in sommige deelen van liet land vereerd werden, was de dienst van Osiris en Isis, den heer des levens en de door hem bevruchte godin der aarde, alom ingevoerd.

Bij geen volk der oudheid heeft de vereering der dieren eene zoo groote uitbreiding verkregen als bij de Aegyptenaren; want aan bijkans alle hun bekende of aan hun land eigenaardige dieren viel of overal of althans in enkele distrikten goddelijke vereering ten deel; enkele dier dieren werden in de tempels op liet zorgvuldigst verpleegd en na hun dood gebalsemd. Voor bijzonder heilig werd de (zwarte) stier te Memphis (de Apis) gehouden.

Eigenaardig waren ook de denkbeelden der Aegyptenaren omtrent het leven na den dood. Zoodra de overledene gebalsemd en in de sarcophaag bijgezet was, kwam hij in de onderwereld. Hier zat Osiris met zeven rechters, om over den lt;loode te oordeeleu. Zijn hart werd op eene weegschaal („de weegschaal der rechtvaardigheidquot;) gelegd. Wie rechtvaardig bevonden werd, kwam in het land der zaligen, waar hij, met Osiris vereenigd, een leven leidde gelijk aan het aardsche, tot dat hij na tal van eeuwen naar de bovenwereld terugkeerde. Van daar ook, dat men het lichaam met zoo veel zorg tegen

ocr page 76

64

ontbinding beveiligde (balsemen; pyramiden, rotsgraven). De onrechtvaardigen waren tot de zielsverhuizing gedoemd; hunne ziel moest tot straf en loutering door de lichamen van alle land- en waterdieren gaan, en keerde eerst na 3000 jaren in een menschelijk lichaam terug.

Men vereerde de goden door offeranden (vooral van bruine stieren en kalveren), plechtige optochten, waarbij de godenbeelden in prachtigen tooi werden rondgedragen, en vooral ook door bedevaarten naar de 6 voornaamste nationale feesten (van Bubastis te Bubastus, van Isis te Busiris, van de Zon te Heliopolis enz.). Bovendien bestonden er talrijke reinigings-en onthoudings-wetten, die het geheele leven als het ware met godsdienstige plichten vulden, zonder evenwel, gelijk uit talrijke afbeeldingen blijkt, de Aegyptenaren ongevoelig te maken voor aardsche genietingen.

3) De Staatsregeling was ten allen tijde eene erfelijke monarchie. Wanneer eene dynastie uitstierf of van den troon werd gestooten, werd de nieuwe koning (Pharao, d. i. zoon van Ba, den god der zon) uit eene der beide heerschende kasten , die der priesters of die der krijgslieden, gekozen; was de nieuw gekozene uit de kaste der krijgslieden, dan werd hij terstond in de priesterkaste opgenomen; want met het koningschap was niet slechts de wetgevende macht, het uitvoerend bewind en het opperbevel in den oorlog, maar ook het hoogste priesterlijk gezag verbonden. Daarentegen werd de rechterlijke macht uitgeoefend door een uit (31) leden der voornaamste priesterkollegiën samengesteld gerechtshof, dat zich bij zijne uitspraken streng aan het wetboek moest houden.

De vrije bevolking van Aegypte bestond uit twee stammen: den blanken heerschenden stam, die in de vroegste tijden het land had veroverd, en de donkerkleurige, oorspronkelijke bewoners, die door die vreemdelingen waren onderworpen. De heerschende stam bestond uit de beide kasten der (zeer invloedrijke) priesters en dor (vooral in Beneden-Aegypte gevestigde) krijgslieden; zij waren de eenige grondbezitters (elk een

ocr page 77

65

derde van het veroverde land; liet overige derde gedeelte behoorde aan den koning), en alle staatsbedieningen waren in hunne handen. Het andere gedeelte der bevolking werd nu eens als éene kaste beschouwd, dan weder naar gelang van het bedrijf, dat zij uitoefenden, in verschillende kasten (kunstenaars, ambachtslieden, kooplieden, Nijlschippers, landbouwers, d. i. pachters of herders) gescheiden. Allen, die tot eene dier kasten behoorden , waren burgers, maar het was niet geoorloofd uit de eene kaste in de andere over te gaan. Zoo kwam het dat ook de hoogste waardigheden en betrekkingen erfelijk werden.

De priesterkaste bekleedde den hoogsten rang n» den koning. De priesters bezaten als raadslieden van den koning, als uitleggers der godspraken en voorteekenen, en als eenig gerechtigde beoefenaars der wetenschappen een overwegenden staatkundigen invloed. De belangrijkste priesterkollegiën waren bij de hoofdtempels te Memphis, ïhebe en Heliopolis gevestigd; voor de geleerdste priesters hiekl raeu die van Heliopolis. Zij waren vooral uitnemende wiskunstenaren , sterrekundigen en chronologen. Niet slechts moesten de zonen der priesters bij denzelfden tempel en dus in den dienst derzelfde goden blijven, maar de bijzondere waardigheden gingen ook van den vader op den zoon over, die zorgvuldig onderwezen werd in de wetenschappen , de bijzondere bezigheden en verrichtingen der kaste.

De kaste der krijgslieden had bij de verdeeling een derde van het land (vooral in Beneden-Aegypte, dat aan vijandelijke invallen het meest blootgesteld was) verkregen, en had er dus groot belang bij, dat geene vreemde veroveraars binnendrongen. Oefening in den wapenhandel was hare eenige bezigheid. In het Aegyptische leger was geen ruiterij; het bestond enkel uit voetknechten (boogschutters, lansdragers, slingeraars •en knodsdragers, strijdwagens met twee wielen).

3) K u n s t. Bouw-, beeldhouw'- en schilderkunst waren bij de Aegyptenaren ten nauwste met elkander verbonden; want alle voortbrengselen der bouwkunst waren als het ware met beeld-

Pütz, O. G. 5

ocr page 78

66

bouwwerk (of althans met liieroglyphen) overdekt, dat dan weder beschilderd was.

l)e voornaamste werken a) der bouwkunst waren: 1) De tempels. Zij vormden geen samenhangend geheel, maar bestonden dikwijls uit eene menigte op zich zeiven staande gebouwen, waarvan het uitwendige zeer eentonig was. De buitenmuren liepen schuin af, men zag kolommen noch openingen, alleen waren zij met beeldhouwwerk bedekt, dat met heldere kleuren beschilderd was. Zoo veel te rijker waren de architek-tonische versierselen van binnen; vooral ontwaarde men een overvloed van prachtig bewerkte kolommen. De meeste overblijfselen van tempels vindt men in de nabijheid van het oude Thebe. 2) De paleizen met beeldhouwwerk (voorstellingen van historische onderwerpen). 3) üe catacomben of bergplaatsen voor de mummies; zij werden gevonden in het Libysche gebergte, vooral in de nabijheid van Thebe. 4) De obelisken,, d. z. vierhoekige, naar boven spits toeloopende en meestal uit één granietblok gehouwen zuilen, 16—58 m. hoog. Zij werden in de gebergten van Opper-Aegypte bewerkt, aan den ingang van tempels en paleizen geplaatst, en van hieroglyphische-opschriften voorzien (verscheidene van deze obelisken werden later naar Rome, één naar Parijs en één naar Engeland gebracht). 5) De p y r a ra i d e n, die vooral in Midden-Aegypter op de grens van de vruchtbare, bewoonde wereld en de woestijn gevonden worden, waren vierhoekige, naar boven spits toeloopende, dikwijls in een plat vlak eindigende gebouwen uit kalksteen (sommige uit tichelsteenen), en met tie kanten nauwkeurig naar de vier hemelstreken gericht. Zij waren van zeer verschillende hoogte (7—145 m.); de schoonste en grootste staan bij Gizeh in een groep bij elkaar (3 groote en 7 kleinere). Van buiten waren zij met hardsteen bekleed, en hier en daar van opschriften voorzien; van binnen voerden somtijds gangen naar verschillende vertrekken of grafkelders. Na de nauwkeurige-nasporingen tot in het binnenste der pyramiden, waar men grafkelders en sarkophagen heeft gevonden, kan er niet meer

ocr page 79

67

aan getwijfeld worden, of zij dienden tot begraafplaatsen voor de koningen van het onde rijk, vooral voor de koningen van Memphis.

i) Beeldhouwkunst. Bij geen volk vindt men van de voortbrengselen der beeldhouwkunst een zoo kwistig gebruik gemaakt als bij de Aegyptenaren. In de talrijke gebouwen, die de oevers van den Nijl bedekken, is geen muur, geen kolom te vinden, of zij is met reliefs of ten minste met kiercglypheu versierd. De voortbrengselen der Aegyptische beeldhouwkunst bestonden : aa) uit standbeelden, die in grootte (zittende figuren tot 20 m. hoog) de reusachtige figureu van alle andere natiën overtreffen; men vindt goheele lanen van kolossalesphinxen (meestal het lichaam van een leeuw met het hoofd en de buste eener vrouw, soms ook met den kop van een ram) aan den ingang van tempels, paleizen en graven, ii) reliefs, waarin de kunstenaars deels godsdienstige, deels geschiedkundige onderwerpen behandelden.

c) Van eene eigenlijke schilderkunst kan bij de Aegyptenaren geen spraak zijn; zij bepaalde zich voornamelijk tot het beschilderen of liever het verven van tempelmuren, standbeelden en mummiekisten; van perspektief en verdeeling van licht en schaduw hadden zij hoegenaamd geen begrip.

Het schrift, dat de Aegyptenaren op hunne openbare gedenkteekenen bezigden, was drievoudig: 1) het eigenlijk hiero-glyphenschrift, afbeeldingen of zinnebeeldige aanwijzingen van voorwerpen; ook wees men letters aan door voorwerpen, waarvan de naam met die letter begon; 2) het hieratische schrift, een verkort hieroglyphen-schrift, vooral door de priesters bij het te boek stellen van godsdienstige geschriften gebezigd; 3) het demotische of volksschrift, ontstaan ten tijde van Psammetichus, onderscheidt zich van het vorige door nog meerdere verkorting en het geringer aantal der letterteekens.

De handel strekte zich, bij gebrek aan hout om schepen te bouwen en ten gevolge van de tegenwerking der priesterkaste, niet over zee uit, maar bleef lang tot het binnenland en de

ocr page 80

G8

scheepvaart op den Nijl beperkt. Aegypte, voornamelijk Opper-Aegypte, was zoowel door zijne ligging tussclien Azië en Africa in do nabijheid van liet goudrijke Aethiopië, als ook door den Nijl, de eenige bevaarbare rivier in geheel Noord-Africa, het middelpunt van den grooten handel met karavanen tusr,chen Indië (van daar katoen en specerijen), Arabië (van daar specerijen en reukwerk), Aethiopië, Aegypte, Libye en Carthago. De Aegyptische handel nam eene nieuwe vlucht, toen Psaui-metichus de havens van Aegypte voor Grieken en Phoeniciërs openstelde, waardoor de Aegyptische producten veel grooter aftrek kregen, hetgeen van zelf' eene uitbreiding van landbouw en nijverheid ten gevolge had.

De n ij verheid der Aegyptenaren, zoowel als de meeste verrichtingen van het dagelijksche leven, leeren wij vooral uit de overblijfselen der beeldhouwkunst kennen. De belangrijkste takken hunner nijverheid waren: weverijen (kleedingstukken, dekens, tapijten), ververijen, fraaie bewerking van metalen en aardewerk, dat zoowel tot huiselijk gebruik, als tot het bewaren der heilige dierenmummiën diende. Ook legden zij zich bijzonder toe op land- en tuinbouw.

II. DE CAllTHAGERS.

§ 32.

Aardrijkskundige beschrijving van Carthago.

Grenzen; het gebied van Carthago grensde ten tijde van den hoogsten bloei der stad ten N. aan de Middellandsche zee, ten O. aan Cyrëne (de grens bepaald door de a r a e Phi 1 a e-n o r u m) en ten W. aan Numidië.

Steden: l)Carth ïig o, op een landtong aan den uitersten hoek van een zeeboezem, met eene dubbele haven, de eene voor koopvaardijschepen, de andere voor oorlogsschepen. 2) Utïca, ouder dan Carthago. 3) Th a psu s (overwinning van Caesar op luba, 46 v. Chr.). 4) Z a m a (slag 201 v. Ch.).

ocr page 81

69

§ 33.

Buitenlandsche bezittingen en volkplantingen der Carthagers.

De veroveringen en volkplantingen der Carthagers dienden vooral, om den handel tusschen Europa en Africa in handen te krijgen. Dewijl nu de handel in het oostelijke gedeelte van de Middellandsche zee reeds in de handen der Phoeniciërs en Grieken was, bepaalden zij zich bijna uitsluitend tot het westelijk gedeelte dier zee, en hier vormden de eilanden met hunne voortreffelijke havens als het waren de bruggen, waarover zij naar Spanje, Italië en Gallic kwamen. Van de Baleariache en Pitvusisnhe eilanden kwamen zij in aanraking met' Spanje, van Sardinië en Corsica met het Xoorden van Italië en Gallië, van Sicilië en Malta met het Zuiden van Italië. Van lieverlede begonnen zij in die landen ook een staatkundig gezag uit te oefenen, hetgeen minder het doel, dan wel het gevolg hunner daarheen ondernomen tochten was.

A. Buitenlandsche wingewesten, door stadhouders bestuurd: 1) Sardinië, belangrijk deels om zijne voortbrengselen, deels omdat het tot stapelplaats voor den Car-thaagschen handel naar het westen van Europa diende. 2) Het W. van Sicilië, waar de Carthagers de volkplantingen der Phoeniciërs bezetten. 3) De kleine eilanden in het W. van de Middellandsche zee: de Balearen. Ebüsus (Iviza), Melite (Malta). 4) In Spanje hadden de Carthagers vroeger slechts enkele bezittingen op de zuid- en westkust; eerst na het verlies van Sicilië en Sardinië trachtten zij het geheele land te veroveren.

B. Buitenlandsche volkplantingen op de noord- en westkus t van Africa en de westkust van Spanje, welke de moederstad door hare ligging, bijkans in het midden van alle volkplantingen, en door eene groote land- en zeemacht in strenge afhankelijkheid wist te houden. De dienst van Melkarth (door de Grieken met Herakles vereenzelvigd) werd naar de koloniën overgebracht.

ocr page 82

70

5 34.

Geschiedenis der Curthagers.

[. VAX DE STICHTING VAN CARTHAGO TOT DE OORLOGEN MET SYRACUSE, 81-t-480 V. CH.

Nadat de Phoeniciërs op de noordkust van Africa reeds Utica en misscliien ook andere steden gesticht hadden, volgde omtrent het jaar 814 (?) de stichting van Carthago door eene ten gevolge van binnenlandsche twisten uit Tyrus verhuisde partij. (M. z. bl. 23.) — Verhaal van Dido. — Deze reeds terstond onafhankelijke staat breidde zich spoedig uit: 1) door de onderwerping van naburige volken, die door volkplantingen van Carthaagsche burgers, welke zich in hun midden vestigden, in afhankelijkheid gehouden werden, 2) door buitenlandsche veroveringen en volkplantingen (m. z. 5 33). Zoodoende werden allengs de bewoners van de kusten der Middellandsche zee van den Atlantischen Oceaan tot aan Cyrenaïca hun onderdanen of bondgenooteu (Mago).

II. VAN HET BEGIN DER OORLOGEN MET SYRACUSE TOT DE OORLOGEN MET DE ROMEINEN.

480—264 v. en.

De eerste schrede tot het verval van den in korten tijd tot hoogen bloei geraakten staat vertoont zich in de mislukte poging der Oarthagers, om Sicilië, waar zij reeds de vooimalige Phoe-nicische koloniën in bezit hadden genomen, geheel te veroveren. Dit wikkelde hen in een langdurigen oorlog met Syracuse, die, verscheiden malen afgebroken, twee honderd jaren duurde, meestal op Sicilië gevoerd, maar niet door de gewenschte uitkomst bekroond werd.

III. VAN HET BEGIN DER OORLOGEN MET DE ROMEINEN TOT DE VERWOESTING VAN CARTHAGO, 364-146 V. CHR.

Over den eersten oorlog met de_Rom ei nen , 364—341 z. m. bij Rome.

ocr page 83

71

De oorlog met de huurtroepen, 340—217. De •eerste oorlog met Home had niet alleen het verlies van geheel Sicilië, maar ook eene volkomen uitputting der Carthaagsche schatkist ten gevolge, zoodat men aan de huurtroepen de verschuldigde soldij niet kon betalen. Hierdoor ontstond een opstand van deze huurtroepen, die door Hamilcar Barcas gedempt werd. Gedurende dezen oorlog ontnamen de Eomeinen den Carthagers Sardinië en later ook Corsica.

Om zijne vaderstad voor het verlies van Sicilië en Sardinië, hare beste provinciën, schadeloos te stellen, en te gelijk de financiën wederom in beteren staat te brengen, ondernam H a-m i 1 c a r Barcas de verovering van Spanje. Hij, ■en na hem zijn schoonzoon Hasdrubal brachten het geheele .Zuiden van Spanje tot aan den Ibërus (Ebro) deels door onderhandelingen deels door oorlog onder de heerschappij der Carthagers, tot dat door eene overeenkomst van Hasdrubal met do Romeinen, volgens welke zij den Iberus niet mochten overtrekken en Saguntum als de bondgenoot der Romeinen moesten ontzien, een perk aan hunne veroveringen gesteld werd. Toen Hasdrubal verraderlijk was vermoord, nam de zesentwintigjarige Hannibal, de zoon van Hamilcar, het opperbevel op zich, veroverde Saguntum en veroorzaakte daardoor den tweeden oorlog met Rome, 218—201 (m. z. bij Rome).

Hannibal ontwierp het plan, om met Antiöchus den Groote, koning van Syrië, een nieuwen oorlog tegen Rome te beginnen, doch dit plan werd aan zijne tegenpartij verraden. Hij vluchtte naar Antiöchus, en later naar Prusias, koning van Bithvnië, waar hij vergif nam, om niet in de handen der Romeinen te vallen.

Masinissa, koning van Numidië en bondgenoot der Romeinen, ontrukte aan de Carthagers, die volgens het laatste vredestraktaat geen oorlog zonder toestemming der Romeinen mochten voeren, twee provinciën van hun gebied; te gelijk won hij door omkoo-ping eene partij in Carthago zelve, en toen deze uit de stad verdreven werd. brak de oorlog uit. Masinissa versloeg het

ocr page 84

72

leger der Carthagers, sloot het in eu dwong liet zicb. over te geven. Die oorlog, door de Carthagors zonder verlof der Romeinen ondernomen, gaf aan dezen een gewenscht voorwendsel tot hervatting der vijandelijkheden.

Over den derden oorlog met Rome, 150—146, en den ondergang der stad Carthago z. m. bij Rome.

§ 35.

Beschaving der Cathatjers.

Staatsregeling. De regeering was in handen van waarschijnlijk twee, uit de voornaamste en rijkste familiën voor hun leven gekozen suffeten of koaiugen, en van een senaat van 300 leden. Wanneer de koningen en de senaat van meening verschilden, dan werd aan het volk in zijne vergaderingen de beslissing opgedragen.

Handel, a) Handel ter zee: de Carthagers trachtten zich van het monopolie van den handel in het Westen te verzekeren, en openden daarom de havens hunner hoofdstad voor de schepen van vreemde volken; doch zij deden tevens hun best, om deze, waar zij konden, van de havens hunner koloniën verwijderd te houden, ten einde geene mededingers te krijgen. Hunne scheepvaart strekte zich uit tot bijkans alle kusten en eilanden van de Mid-dellandsche zee, maar voornamelijk tot haar westelijk gedeelte, Sicilië, Zuid-Italië (van daar: olie en wijn, daarheen: zwarte slaven uit de binnenlanden van Africa, edelgesteenten, goud, producten der Carthaagsche fabrieken), Melite (hoofdzetel der Cathaagsche nijverheid, voornamelijk der weverijen), Corsica (van daar honig, was, slaven), Aethalia of Elba (van daar ijzer), de Ealearen (daarheen vruchten en muilezels, in ruiling tegen wijn en slavinnen), maar vooral naar Spanje (van daar voornamelijk metalen, in ruiling tegen voortbrengselen van Cathaagscne fabrieken; ook wierven de Gathagers vooral in dit land hunne huurtroepen), waarschijnlijk ook naar Gallië. Buiten de zuilen van Hercules namen zij, uit Gades, deel aan den handel der

ocr page 85

73

Phoeniciera naar de Landen, waar Let tin en de barnsteen gevonden werd, en op de westkust van Africa was Lnn Landel niet alleen tot Lunne koloniën beperkt, maar zij stevenden ook naar de rijke goudlanden van Guinea.

h) Landhandel: door karavanen van nomaden tussoLen de beide Syrten :

1) Oostelijk naar Ammonium en Aegypte (m. z. bl. 68) en 3) z u i d e 1 ij k naar Let land der Garamanten (tegenwoordig Fezzan) en verder naar de binnenlanden van Africa (van daar zwarte slaven, zout uit de zoutmeren en zoutgroeven in de woestijn, dadels uit Biledulgerid, goud en edelgesteenten).

ocr page 86

DERDE AFDEELING.

EUROPA.

INLEIDING.

Europa is vrel is waar het kleinste, maar tevens het beschaafdste, volkrijkste en machtigste werelddeel. Door zijne ligging, grootendeels in de gematigde luchtstreek, en geheel zonder woestijnen en steppen, moet het wel in menigte, verscheidenheid en schoonheid van voortbrengselen der natuur voor Azië en Amerika onderdoen, maar het lokt door zijn gelukkig klimaat bijkans overal tot den landbouw uit, en noopt daardoor de bewoners tot geregelder! arbeid, terwijl het voor een nomadisch leven volkomen ongeschikt is. Door den gunstigen vorm der kusten, door de vele dicht bij het vasteland gelegen eilanden , door de talrijke zeeboezems en over zijne geheele oppervlakte vrij gelijkmatig verdeelde bevaarbare rivieren ontstaat eene groote gemakkelijkheid in het onderling verkeer. Bovendien overtreft het de overige werelddeelen verreweg in voortbrengselen van den geest; want hoewel de eerste geregelde staten , hoewel wetenschappen, schoone kunsten, nijverheid en handel hun oorsnronar aan het Oosten te danken hebben, zijn zij toch eerst op Euro-peeschen bodem (eerst in 't Zuiden, later in 't Noorden) tot hunne hoogste ontwikkeling en tot volmaaktheid gebracht. Door deze meerdere geestbeschaving en door eene volmaakter krijgskunde hebben de Europeanen niet alleen steeds aan alle vreemde veroveraars weerstand geboden, maar ook hunne heerschappij, en te gelijk met deze hunne beschaving, naar alle overige werelddeelen door middel van ontdekkingen, veroveringen, volkplantingen en handel overgebracht. — Door de Alpen was Europa in de

ocr page 87

75

oudheid in een kleinere beschaafde en een grootere onbeschaafde helft verdeeld.

A. Aardrijkskundige beschrijving van Europa.

§ 36.

De grenzen van Etirupa.

Ten Noorden de noordelijke of IJszee, ten Westen de Atlantische oceaan (Buitenzee), ten Zuiden de Middellandsche zee (Binnenzee), ten Oosten de Tauaïs (th. Don), de palus Maeötis, de Cimmerische Bosporus, de Pontus Euxïnus, de Thracische Bosporus, de Propontis. de Hellespontus en de Aegaeïsche zee. De Ouden hadden, bij hunne tot in de laatste tijden gebrekkige kennis van het Noorden van Europa, van de grootte van dit werelddeel slechts eene hoogst onvolledige voorstelling.

§ 37.

De voornaamste Gebergten van Europa.

De voornaamste gebergten van Europa, die zich allen slechts tot eene matige hoogte verheffen en meer de wateren dan de volken van elkaar scheiden, zijn :

1) De Pvrenaeën (P y r e u a e i m o n t e s). 2) De Alpen (A 1 p e s). 3) De Apennijnen (A p e n n ï n u s). 4) De H a e-mus (th. Balkan). 5) De Karpaten (CarpatesX 6) Het H y perboreïsche gebergte (th. Ural). Het is onzeker of de Ouden het Kjölen-gebergte gekend hebben. Het Hercynische woud was een algemeene naam voor de gebergten van Duitsch-land van de bronnen van deu Donau tot de Karpaten.

§ 38.

De wateren van Europa.

Zeeën, zeeboezems en straten.

De IJszee; de Atlantische Oceaan, met de Noordzee (Mare Germanïcu m) , de Suevische zee (Oostzee ?) en de Britannische zee (het Kanaal) , wordt door het f r e t u ra

ocr page 88

76

Herculis (straat van Gibraltar) met de Middellandsclie zee Mare Mediterraneum, nostrum) verbonden. Deelen van de in een westelijke en bijna dubbel zoo groote oostelijke kom verdeelde Middellandsclie zee zijn : de Tuscisclie of Tyrrlie-nisclie (mare infërum), de Adriatische (mare supërum), de Ionische en de Aegaeïsche zee (Arcliipel); uit de Aegaeïsche zee komt men door den Hellespontus, de Propontis en den Thra-cischen Bosporus in den Pontus Euxinus, en van bier door den Cimmerisohen Bosporus in de palus Maeotis. De voornaamste zeeboezems van de Middellandsclie zee zijn ; de Ligustische (de golf van Genua), de Tarentijnsche en de Tergestijnsche (golf van Triëst); van de louisclie zee : de Corintlusche (golf van Lepanto); van de Aegaeïsche zee; de Sarönische en de Thermaïsche golf (golf van Salonichi).

Meren :

In Italië: Verbiinus (Lago Maggiore), Larius (meer van Como), Benacns (Gardameer), Trasimënus (meer van Perngia). In het land der Helvetiërs ; Brigantïnus (meer van Constans), Lemanus (meer van Genève). In Griekenland; het meer Copais (in Boeotië).

Rivieren :

1) [n den Atlantischen Oceaan uitmondende: de Baetis (Guadalquivir), Anas (Gnadiaua), Tagus (de Taag), Durïus (Duero), Garumna (Garonne), Liger (Loire).

2) In de Britannische zee:

De Sequana (Seine).

3) In de N o o r d z e e :

Phênus (Pijn), Visurgis (Weser), Albis (Elbe), Tamesis (Theems) en Scaldis (Schelde).

4) In de S u e v i s c h e zee:

Viadus (Oder) en Vistula (Weichsel).

5) In de M i d d e 11 a n d s c h e zee:

Ibêrus (Ebro), Rhodanus (Phone), Arnus (A.rno) en Tibëris (Tiber).

6) In de Adriatische zee:

Athësis (Etsch) en Padus (Po).

ocr page 89

77

7) In den Pontus EuxIeus:

In deze zee storten zicli op neringen afstand van elkaar drie der grootste rivieren van Europa uit: de Ister of Danu-bius (Donau), de Tyras (Dniestr) en de Borysthënes (Duiepr).

8) In de Palus M a e o t i s:

Tanaïs (Don).

§ 39.

Landen van Europa.

A. Op liet vasteland:

1) Gallia, 2) Germania, 3) de landen ten Zuiden van den Donau (Vindelicia, Raeda, Norïeum, Pannonia), 4) Dacia, 6) het Europeesche Sarmatia.

B. De schiereilanden:

1) De vier zuidelijke: «) drie groote (even als in het Zuiden van Azië) Spanje (H i s p a n i a), Italië en het Grieksche schiereiland (Illyrië, Moesië, Macedonië, Thracië en Griekenland), het eerste den overgang van Europa naar Africa, het laatste den overgang naar Azië vormende, en ^) eeu kleiner schiereiland, de Taurische Chersonêsus (th. de Krim). 2) De beide noordelijke: het Cimbrische schiereiland (Jutland) en Scandinavia, ook Baltia (th. Zweden en Noorwegen); dit laatste of althans de zuidelijke punt daarvan heette ook wel Nerigos).

C. De eilanden:

1) In den Atlantischen Oceaan:

Britannia of Albion, Hibernia of lerne (Ierland), Thule (IJsland).

2) In de Middelland sc he zee:

De Pityusae, de Baleiires, Sardo of Sardinia, Gyrnos of Corsica , Aethalia (Elba), Trinacria of Sicilia, Melite (Malta).

3) In de Ionische zee:

Corcyra (Corfu), Leucadia (S. Maura), Ithaca (Theaki), Ce-phallënia (Cefalonia), Zakynthos (Zante) en Cythcra (Cerigo).

4) ]n de Aegaeïsche zee:

Creta (Candia), de Cycladen, de Sporaden, Euboea (Negropont).

ocr page 90

78

B. De Staten van Europa.

I. DE GKIEKEX.

A. AARDRIJKSKUNDIGE BESCHRIJVING VAN GRIEKENLAND.

§ 40.

Aardrijkskundig overzicht van Griekenland in 't algemeen.

Namen. De Grieken zei ven noemden bet door hen bewoonde land Hellas, een naam, die eigenlijk slechts aan een gedeelte van Thessalië, later aan Thessalië en Midden-Griekenland, gegeven, en eindelijk ook tot de Peloponnesus en in het Macedonisch tijdvak zelfs tot Macedonië en het Z. van Illyrië uitgestrekt werd. De naam G r a e c i a was bij de Grieken niet gebruikelijk, maar bij de .Romeinen de eenige, dien men voor Griekenland bezigde. Oorspronkelijk was Graeci de naam van een Helleenschen stam in Epïrus in de nabijheid van Dodona. Als Romeinsche provincie verkreeg Griekenland (d. i. voornamelijk het gebied van het Achaeïsch verbond) den naam A c h a i a.

Grenzen. Ten noorden de Cambunische en Ceraunische gebergten; ten oosten de Aegaeïsche en de Myrtoïsche zee; ten westen de Adriatische en ten zuiden de Ionische zee.

Griekenland bestaat uit drie op elkander volgende schiereilanden ; de beide eerste worden door de Ambracische en Malische, het tweede en derde door de Corinthische en Saronische golven van elkaar gescheiden. Het middelste dier schiereilanden, het eigenlijk Hellas, vormt weder twee (Acarnanië en Attica), en het zuidelijke, de Peloponnesus, (door de Messenische, Laconische en Argolische golven) zelfs vier schiereilanden, zoodat de ontwikkeling der kust naar het Z. toeneemt, en in de Peloponnesus het grootst is. Even gunstig is de vorm en de ligging der eilanden op de kusten van de Ionische en Aegaeïsche zee. Met uitzondering der grootste, Crëta (Candia) in het Z. en Euboea in het O., vormen deze eilanden groepen, in het W. de Ionische eilanden, in het O. de Cycladen en de verder van de Grieksche kust gelegen Sporaden.

ocr page 91

79

Het land was door den aard en de uitgestrektheid zijner kusten bij uitstek geschikt voor den handel. Met het grootste gemak konden volkplantingen van daar overal heen worden gezonden.

Gebergten.

d) In Noord-Griekenland vormde de naakte, bijna altijd met sneeuw bedekte P i n d u s de waterscheiding van de Ionische en de Aegaeïsche zee, tevens de grens tusschen Thes-salië en Epirus. Vertakkingen van dit gebergte zijn: 1) ten westen het Ceraunische gebergte, met de steile rots Acroceraunïa, de scheiding tusschen de Ionische en Adria-tische zee. 3) Ten oosten de Cambünische gebergten met tien Olympus (aan de Thennaïsche golf), welks hoogste top in de oudste tijden als de woonplaats der goden beschouwd werd. Van deze is de berg Os sa, waaraan de Pel ion (beide op het schiereiland Magnesia) zicli aansluit, door het dal Tempe en de rivier de Penêus gescheiden. In het zuiden wordt het door de bergen gevormde dal door den Othrys begrensd, die zich wederom aan den Pindus aansluit.

i) In Midden-Griekenland: 1) In het Noorden: vertakkingen van den Pindus, zooals de O e t a, in welks nabijheid de door de Malische golf (Sinus Maliacus) en eene voortzetting van den Oeta gevormde, eertijds zeer nauwe (1 mijl lange) bergpas Thermopylae lag (slag 4S0). 2) In het Zuiden : enkele, op zich zelf staande, meestal naakte en onherbergzame toppen en heuvels, zoo als de Parnassus, de boschrijke Helicon (de zetel der Musen), de ru\ve Cithaeron (hier werd Oedipus te vondeling gelegd), de Pentelicus (marmer), de Hymettus (honig), het gebergte Lanrium (zilvermijnen).

c) De Peloponnesus vormt een bergland. In het midden ligt Arcadië, aan alle kanten door hooge bergen omgeven, die in het N. en W. terrasvormig naar de smalle kust afdalen, terwijl zij in het Z. eu Z.O. door hunne vertakkingen de vier landtongen van het schiereiland vormen. Het steilst en hoogst zijn de noordelijke rand met het gebergte C y 11 ê n e en de

ocr page 92

80

Taygctus (7400 voet lioog), welks uiteinde het voorgebergte Taenarum (Kaap Matapan), de zuidpunt van Europa, vormt.

Voorgebergten: Artemisium op Euboea (slag 480); Sunium, de zuidelijke spits van Attica; Malea en Taenarum; Actium aan de A.mbraeiscke golf (slag 31).

Wateren:

a) Zeeën en zeeboezems: de Aegaeïsclie zee met de Thermaïsche en Maliselie golf; de Myrtoïsche zee, tuaschen de -zuidelijke punt van Euboea, de oostkust van de Peloponnesus en de eilanden, met de Saronisclie en Argolische golf; de Ionische zee met de Laoonische, Messenische, Corinthische en Am-bracische golf.

li) Van de meren was het belangrijkst het meer Copaïs in Boeotië. In den tijd van de herfstregens zwol het tot een groot meer aan, dat in het voorjaar gedeeltelijk weder uitdroogde. Door uitgestrekte onderaardsche, grootendeels door de natuur zelve gevormde kanalen stond het met de Euboeïsche zee in verband.

c) Rivieren: Er zijn wel is waar in Griekenland, even als in ieder bergland, talrijke rivieren, maar bij de geringe breedte van het land zijn ze onbeduidend en zoo ondiep, dat zij in den zomer voor het grootste gedeelte uitdrogen. Daarom zijn zij ook geen van alle voor de scheepvaart geschikt. 1) De Pene us in Thessalië stort zich uit in do Thermaïsche golf-3) De Achelöus (th. Aspropotamo), de grootste van alle Grieksche rivieren, tusschen Acarnanië en Aetolië, valt in de Ionische zee. 3) De Cephissus in Boeotië stroomt in het meer Copaïs. 4) De Alpheus in Arcadië en Elis mondt in de Ionische zee. 5) De Eurotas stort zich uit in de Jjaconische golf.

Klimaat.

Er is wellicht geen land, waarin zoo groote verscheidenheid van klimaat heerscht als in Griekenland. Bij verschillende gesteldheid van den bodem heerscht er de grootste verscheidenheid van temperatuur. In Maart b. v. vindt men in Griekenland tegelijk voorjaar (in Laconië), zomer (in Messenië) en winter (in

ocr page 93

81

Arcadië). De maanden Mei tot en met September waren meestal bnitengewoon droog; liet regende in dien tijd bijna nooit, maar de hitte werd getemperd door den wind, die wit zee en van de hooge gebergten kwam. Zoo veel te meer regende het in den winter, die de niet al te lioog gelegen streken door bijna onop-houdelijken storm, onweersbuien en hevige regenvlagen teisterde. Dan werden de in den zomer bijna opgedroogde rivieren zoo woest en onstuimig, daf zij door dijken en kanalen moesten worden beteugeld.

Verdeeling:

a) Noord- Griekenland bestond uit : 1) Thessalia,

2) Epïrus.

h) Midden-Griekenland of' het eigenlijke Hellas uit; 1) Acarnania, 2) Aetolia, 3) Döris, 4) Locris, 5) Phöcis, 6) Boeotia, 7) Attica, 8) Megaris.

c) Zuid-Griekenland of de P e 1 o p o n n e s u s (th. Morca) uit: 1) Gorinthus, 2) Sicyonia, 3) Achaia, 4) Elis, 5) Messënia, 6) Lacomca, 7) Argolis, 8) Arcadia.

d) De eilanden.

§ 41.

Noord-Griekenland.

1) Thessalia heeft aan alle vier kanten zeer bepaalde natuurlijke grenzen. Het bestaat voornamelijk uit twee groote, door den Othrys gescheiden dalbekkens. Het grootste daarvan zou eertijds een meer gevormd hebben, tot dat eene aardbeving den Ossa van den Olympus scheidde, aan den Pencus een uitweg door het nauwe, schilderachtige dal Tempe verschafte en het binnenland bewoonbaar maakte. Steden : 1) L a in i a aan de zuidelijke helling van den Othrys (de Lamische oorlog 323).

3) Pharsülus (overwinning van Caesar 48); in de nabijheid Scotussa en de steile heuvels Cynoscephalae (slag 179). 3) I o 1 c u s (aan de Pagasaeïsche golf) op het schiereiland Magnesia (de tocht der Argonauten). 4) Pherae (de tyrannen van Pherae).

Pütz, O. G. 6

ocr page 94

82

2) Epirus (cl. i. het vasteland) was door verschillende volksstammen bewoond, waarvan de Chaöners, Thespröters en Mo-lossers de belangrijkste waren. Dodo na was de zetel van het oudste Griekscbe orakel (van Zeus). In het Z. lag- A m b r a cï a, de residentie van Pvrrhus.

Midden-Grieken land.

1) Acarnania, inet de stad Strattus, aan den Achelöus.

2) A e t o 1 i a, met de stad T h e r m u m, den zetel van de Aetolisoke bondsvergadering (Panaetolium).

3) Doris, tusschen den Oeta en den Parnassus, met vier kleine steden (de zoogen. Dorische Tetrapölis).

4) Locris was de naam van twee landschappen, die door drie Locrische volksstammen bewoond werden, o) Het westelijk Locris aan de Corinthische golf bewoonden de O z o-1 i s c h e Li o c r i ë r s. Steden : A m p h i s s a , in den laatsten heiligen oorlog, 339, door Philippus II van Macedonië verwoest. Naupnctus (in de nabijheid van het tegenwoordige Lepanto), van waar de Doriërs naar de Peloponnesus voeren, later door de Atheners veroverd en aan de uit Ithome gevluchte Messeniers als woonplaats aangewezen, b) Het oostelijk Locris, een zeer vruchtbare kuststreek aan de Euboeïsche zee en de Malische golf, bewoond door de Opuntische Locriërs, aldus genoemd naar hunne hoofdstad Opus; ten Noorden van deze tot aan de Thermopylen woonden de Epicnemïdische Locriërs, die hun naam van het gebergte Cnêmis verkregen hadden.

5) P h o o i s strekte zich, aan weerszijden van den Parnassus, van de Corinthisclie golf tot aan de Euboeïsche zee uit, waar het de Epicneraidische Locriërs van de Opuntische scheidde. Steden: 1) Delphi, op de zuidwestelijke helling van den Parnassus, met den ook buiten 's lands beroemden tempel van Apollo Pytliius, wiens uitspraken door eene priesteres, de Pythia, verkondigd werden, die op een boven de profetische kloof geplaatsten drievoet gezeten was; in een der voorhoven, die den

ocr page 95

8;}

tempel omgaven, stonden de gebouwen, waarin de verschillende volken tunne tempelgeschenken neerlegden. Hier was ook de zetel van Ixet A inpliictionenverbond. Ter eere van Apollo werden hier de Pythische spelen gevierd. 3) C r ï s a (ook Crissa, ten y,.W. van Delphi), reeds vroegtijdig door zijne bewoners verlaten, met de havenstad C i r r h a, die ten tijde van Solon was verwoest en welker gebied later als «heilig landquot; aan den Delphischen god werd toegewijd. 3) El a tea, eene grensvesting in het dal van den Cephissus, aan den zuidelijken uitgang van den belangrijksten bergpas uit het noordelijke Locris naar Phocis, en daaramp;m de sleutel van Midden-Griekenland.

6) B o e o t i a. Dit vruchtbare land is aan alle kanten door gebergten (Cithaeron, Helicon, Parnassus, Parnes) omringd; de door deze omgeven, grootendeels vruchtbare en goed besproeide laagvlakte was bij uitnemendheid het tooneel der oorlogen in Hellas even als Arcadiö in de Peloponnesus. Steden; a) In het dal van den Cephissus. 1) Chaerouëa (slagen 338 en 86). 2) O r cli o in c n u s (tunnel van het meer Copais onder den Oeta door naar den Euripus. Overwinning van Sulla 85). //) Ten Z. van het meer Copais; 1) Coronëa (slagen 447 en 394). 2) Haliartus (slag 394). c) Aan zee; 1) Aulis (de eenige haven; van hier vertrok de Grieksche vloot naar Troje). 2) Delium (slag 424). 3) Tanagra (slag 457). d) In het z u i d e 1 ij k gedeelte van B o e o t i ë: 1) Thespïae, aan den voet van den Helicon (de Thespiërs in den slag bij Thermopylae). Tusschen Thespiae en Plataeae lag waarschijnlijk Lenctra (slag 371). 2) aan de noordelijke helling van den Cithaeron Plataea of Plataeae (slag 479). 3) Thëbe, Tvaarvan de Acropolis door Phocniciërs onder Cadmus werd gebouwd en daarom Cadmca heette (het verhaal van Amphïon; Phoebidas, 382). Alexander de Groote verwoestte de stad met uitzondering van de tempels eu het huis waarin de dichter Pindarus gewoond had (335). Zij werd weder opgebouwd door Cassander.

7) A 11 i c a is een rotsachtig schiereiland in het middelpunt der Grieksche wereld, van het overige vasteland door gebergten

ocr page 96

84

(Citliaeron, Parnes) gescheiden, maar over zee door eene reeks van veilige havens gemakkelijk te genaken. De slecht besproeide, steenachtige grond noodzaakte de inwoners ( millioen, waarvan § slaven) tot geregelden arbeid, maar beloonde dien ook door voortreffelijke boomvruchten (olijven, vijgen) en uitstekend materieel voor kunsten en nijverheid (marmer in den Pentelicus, zilverertsen in het Lauriumgebergte). De beste vlakten waren open tiaar de kust, en noodigdeii aldus tot landen en het stichten van volkplantingen uit; zoo vooral de aan drie kanten door gebergten omgeven vlakte van den Cephissus, waarin Athene ligt. In deze vlakte verheft zich de Acropolis van Athene, waarop slechts heiligdommen van den staat (zoo als het Parthenon) gebouwd waren. Hierom vormde zich allengs de benedenstad. Later (omstreeks 460, Cimon) verbond men haar door twee «lange murenquot; met het (door Themistocles versterkte) Piraeïsche schiereiland, dat drie voortreffelijke havens, Piraeus, Munychia en Phalêron, vormde.

Westelijk van de Cecropische of Atheensche vlakte lag de Eleusinische, insgelijks aan drie kanten door bergen ingesloten en naar het Z. open, met de stad Kleusis (de mysteriën van Deinëter en Persephone) aan de door het eiland Sal a m i s (slag in 480) gedekte golf van denzelfden naam. Aan de noordoostzijde van Attica bevond zich de kleinere, naar de Euboeïsche-zee geopende^ vlakte van M a r a t h o n (slag in 490).

8) Me gar is of het kleine gebied der stad Megara, wier bewoners door haar rotsachtigen grond en hare ligging aan twee-zeeën als het ware genoodzaakt werden, de zee als haar eigenlijk element te beschouwen. Zij stichtten koloniën zoowel in het W. (Selinus op Sicilië) als in het N.O. (Chalcedon en Byzantium aan den Thracischen Bosporus).

§ 43.

Dr Peloponnesus (fh. Morea).

1) Corinthia (in het X.O.) aan de Saronische en Corinthische golf, met de stad Corinthus, aan den voet van een

ocr page 97

85

«teilen bersf, op welks top Aorocorinthus, de sterkste vesting van Griekenland en de sleutel tot de Peloponnesus, laa;. Eocr hare ligging (aan de eenige straat tussohen Noord- en Zuid-Griekenland en tevens aan twee zeeën, himaris), was zij de natuurlijke stapelplaats voor den handel tusschen het Noorden en Zuiden van Griekenland , en nog meer voor den zeehandel met en tusschen Italië en Azië, terwijl de schepen over land uit de eene golf in de andere werden getrokken (twee havens, het Leehëum en Cenchrcum. — Diolcus). Ook was zij een hoofdzetel der Grieksche kunst en nijverheid (Corinthische zuilen. — Corinthisch erts. — Corinthisch aardewerk), en werd door dit alles de grootste, volkrijkste (600,000 inwoners), prachtigste, welvarendste, maar tevens ook weelderigste stad van Griekenland. Zij werd, met uitzondering van de citadel, in 146 door Mummius verwoest, doch door Caesar weder opgebouwd. Op den [sthmus was oen tempel, eene renbaan en een schouwburg van Poseidon; hier werden de Isthmische spelen gevierd.

3) S i c y o u i a (ten O. van Corinthia) met de hoofdstad S icy on, een der voornaamste zetels van Grieksohe nijverheid (ertsgieterijen).

3) A c h a i'a , het land op de noordkust van de Peloponnesus, het eenige Grieksche landschap, waarin alle belangrijke steden aan zee lagen, hoewel op de geheele kust geen enkele goede haven te vinden was. Steden: 1) Aegium, om zijne ligging vergaderplaats van het Achaeïsöh verbond. 3) Patrae (th. Patras), in het bezit van de eenige goede reede in dat gedeelte van de (Corinthische golf, en daarom de natuurlijke stapelplaats van de westelijke Peloponnesus; van alle Achaeïsche steden is zij bijna de eenige, die tot op onzen tijd is blijven voortbestaan.

De oude hoofdplaats Helïce werd (in :i73) tijdens eeno aardbeving door de zee verzwolgen.

•4) E l i s (in het N.W.) bestaat uit de westelijke helling van het Arcadische gebergte en een vlak kustland zonder havens. In het land, waar de Alpheus in zee valt of in het landschap Pisatis, lag de vlakte (niet stad) O I y m p i a; zij bevatte onder

ocr page 98

86

andore lieiligdoramen tien tempel van Zeus Olympius met het door Pliidias uit goud en ivoor vervaardigde, reusachtige standbeeld van den god, bovendien het stadium en de renbaan voor de Olympische spelen. De opgravingen te Olympia, in den laatsten tijd vooral onder de leiding van Duitsche geleerden gedaan, hebben hoogst belangrijke uitkomsten opgeleverd.

5) M e s s e u i c (in het Z.W.) met twee terrasvormig boven elkander gelegen, door hooge gebergten ingesloten vlakten, een der vruchtbaarste gedeelten van de Peloponnesus. Op de hoogste der beide vlakten lag de vesting I r a (onmiddellijk aan de noordelijke greus), die in den tweeden Messenischen oorlog tot schuilplaats strekte aan het overschot der vrije bevolking. Van deze hooger gelegen vlakte is de lagere gescheiden door den. berg Ithörae, dien de Messeniërs in den eersten oorlog versterkten, en aan welks voet later Epaminondas, toen hij de in ballingschap verstrooid levende Messeniers uitnoodigde in hun vaderland terug te keeren, de stad M e s s c n e stichtte. Damp; eenige haven op de eentonige westkust was P y 1 u s, het middelpunt van het door Neleus gestichte rijk, gedekt door het tegenover gelegen eiland S p h a c t e r i a.

6) Laconica, het zuidelijkste landschap, wordt door twee evenwijdig loopende bergketenen (Taygctus en Parnon) gevormd, die, beginnende in het Arcadische hoogland, het dal van den Eurotas en daarna door hare vertakkingen (als schiereilanden) de Laconische golf insluiten en in de zuidelijke punten van Europa (Taenarum en Malêa) eindigen. In het door vruchtbaarheid en veiligheid uitmuntende binnenland, aan den Eurotas, lag de zetel der heerschappij, het opene, eigenlijk uit t ot 5 vlekken bestaande Sparta. In de vruchtbare laaglanden aan de monding van den Eurotas lag Helos.

De Laconische golf wordt in het Z. gesloten door het eiland Cythëra, waar zich Phoeniciërs gevestigd hadden, deels om de uitnemende purperslakken te visschen, die er gevonden worden, deels om van daar verdere tochten naar het Westen te ondernemen.

7) Argölis, het noordoostelijk gedeelte van het schier-

ocr page 99

87

eiland, met zoer gelukkig gevormde kusten. Even als in Messenië en Laconic, vormde ook hier eene in 't Z. naar de zee geopende, maar naar alle andere kanten door' gebergten ingesloten vlakte (de vlakte van den niet zeer waterrijken Inaclms) het middelpunt van het landschap en droeg ook bij uitnemendlieid den naam van Argos.

Hier lagen in de richting van het N. naar het a) de Achaeïsche hoofdstad Mycëne, met de oudste overblijfselen, zoowel van de Grieksche bouwkunst (cyclopische muren en poorten, schatkamers en rotsgraven) als van architektonisch beeldhouwwerk (de leeuwenpoort) uit den heroëntijd. Op het oostelijk schiereiland van Argolis lagen Epidauros met den beroemden tempel van Asklepios en T r o e z e u. Het niet ver van de Arcadische grens gelegen Nemea was beroemd om ziju aan Zeus gewijden tempel en door de Xemeische spelen, h) de Dorische hoofdstad A r g o s. c) T i r y n s. rf) N a u p 1 i a, de eenige haven der Inachusvlakte, en daarom de natuurlijke stapelplaats van Argos en Oost-Arcadië. Zij was de residentie der Pelopiden; met den ondergang van dat geslacht verdween ook de luister van Mycene.

8) A r c a d i ë, het middelpunt en de kern van het schiereiland, vormt een door de menigvuldige vertakkingen van de het land omgevende grensgebergten zeer afwisselend bergland; het heeft in 't algemeen een ruw klimaat, maar voortreffelijke weiden. Steden: 1) Mant inca (veldslagen 418 en 363). 2) Megalopolis, de jongste en gedurende korten tijd grootste Arcadische stad, op raad van Epaminondas gesticht en door dezen met geweld door bewoners der rondom gelegen steden bevolkt (hier werden Philopoemen en Polybius geboren).

§ 44.

I)e eilanden .

De Grieksche eilanden liggen meest allen in de nabijheid van het vasteland, bij groepen naast of achter elkander. Men vermoedt dat zij oudtijds tot het vasteland behoord hebben, en

ocr page 100

88

door de werking van onderaardsch. vuur en van de zee daarvan zijn losgerukt. Het ineerendeel dier eilanden is bergachtig en munt uit door vruchtbaarlieid en voortreffelijke havens.

I. In de Ionische zee.

1) Corey ra (th. Corfu). Hoofdstad Corcyra, eene volkplanting van Corinthe, ten tijde der Perzische oorlogen naast Athene de belangrijkste zeemogendheid. 2) Leucadia (th. S. Maura). 3) Ithaca (th. Theaki) met eene stad van gelijken naam (Ulysses). 4) Cep hallen ia (th. Cefaloni a). 5) Z a c y n t h u s (th. Zante). 6) Sphacteria, tegenover Pylus. 7) Zuidelijker, voor de Laconische golf, Cythêra {th. Cerigo).

II. I ii de A e g a e ï s c h e zee.

a. In het westelijk gedeelte:

1) Calaurïa, waar Demosthenes stierf. 2) Aegïna. Dit kleine eiland was omtrent 500 v. Ch. in het bezit eener geduchte zeemacht (zelfstandige beoefening der beeldhouwkunst).

3) Sal a mis, tusschen Megara eu Athene en daarom een voorwerp van twist tusschen deze beide staten (slag 480), alle drie in de Saronische golf. 4) Euboea, (th. Negropont), door den E u r i p u s van het vasteland gescheiden, niet de steden C h a 1 c i s (de moederstad van talrijke volkplantingen) en E r e t r ï a (door de Perzen verwoest).

c) In het o o s t e 1 ij k gedeelte:

ad) De Sporaden (d. w. z. verstrooide eilanden): 1) Lesbos, bet grootste eiland op de Westkust van Klein-Azië, met de stad Mitylêne (Arion, Alcaeus, Sappho). 2) Chios. 3) Sam os met eene stad van denzelfden naam. (Pythagoras, Polycrates).

4) Cos (Hippocrates, Simonïdes). hit) Ehödus. De bronzen kolossus van Rhodus, 70 el hoog, was aan de haven der stad geplaatst. Toen Tyrus door Alexander den Groote was genomen, beheerschie dit eiland, ten gevolge zijner ligging aan den ingang van den Archipel, eene eeuw lang het oostelijk gedeelte der Middellandsche zee.

In het z u i d e 1 ij k gedeelte:

ocr page 101

89

o a) De (12) C vela den of Kringeilanden: i) Dolos (de geboorteplaats van Apollo en Artemis), en in een kring daarom heen: 2) Nquot;axos, de grootste der Cyoladen, wegens hare vruchtbaarheid ook Klein-Sicilië genaamd (Ariadne). 3) Paros {marmer) en anderen, hli) 0 r e t a (tli. ('andia), bijna een klein vasteland, dat als een groote grendel in het Z. voor de Aegaeïsche zee geschoven is. Eene door vulkanische werking verorokkelde bergketen, waarvan de Ida (2460 M.) de hoogste top is, doorsnijdt het eiland in de richting van het W. naar het O. Van de talrijke steden vras C n o s s u s in het midden van de aan havens rijke noordkust de belangrijkste (residentie van Minos). cc) Cyprus was reeds vroeg door Phoeniciërs bezocht, en werd ook later door de Grieken als de oostelijkste grens hunner vestigingen beschouwd (Salamis, Nieuw-Paphos).

B. De geschiedenis der Grieken.

HET EERSTE TIJDVAK.

VAN DE OUDSTE TIJDEN' TOT DE VERHUIZINGEN DER GRIEKSCHE STAMMEN OMSTREEKS 900 V. CH.

^ 4o.

Da oudste hmolkinfj van Griekenland.

Het tijdvak der Heroën.

1) De oudste bewoners van Griekenland waren de P e-lasgen, een tak van de groote Indo-Germaansche volkenfamilie, die op de kusten en de eilanden van het oostelijk gedeelte der Middellandsche zee woonden, en reeds vroeg een zekeren trap van beschaving bereikt hadden; want bij hen ontstonden de oudste Grieksche staten, Argos en Sicyon. Zij waren geen nomadisch herdersvolk, maar landbouwers, die in de vruchtbare vlakten steden met versterkte burgen (Larissa genaamd) en cyclopische muren bouwden; zij hadden een orakel van Zeus te Dodona, en verspreidden zich door volksverhuizingen, welke kennis van zeevaartkunde doen onderstellen, over Klein-Azië en Italië. In Griekenland werden zij Hellenen genoemd. Om

ocr page 102

90

voor de vier (eigenlijk drie) voornaamste stamraèn der Hellenen een gemeenschappelijken oorsprong te verkrijgen, plaatste men een lieros Hellen, den zoon van den uit de algetneene overstrooming geredden Deucalion, als stamvader aan de spits der Grieksclie volksstammen, en leidde men van zijne zonen, Aeolus en Dörus, en van zijne kleinzonen Ion en Achaeus, de Aeoliërs, üoriërs, Toniërs, en Achaeërs af (1).

3) De herinnering aan hetgeen het Europeesche Griekenland aan het Oosten verschuldigd is, bleef vooral bewaard in de sagen van vreemde volkplantingen uit Azië en Aegypte. Zoo is C a d m u s de personifikatie van den Phoenicischen invloed op de beschaving van Griekenland, terwijl hij op zijne reis naar Europa (volgens de sage was hij door zijn vader gezonden om zijne door Zeus geroofde zuster Europa te zoeken) steden stichtte (de Cadmea, de burcht van Thebe), en de bewoners in de knnsten van den vrede en den oorlog onderwees. — Eerst laat, toen de Grieken in levendiger verkeer met Aegypte traden en van Aegyptische priesters vernamen, dat naar hun gevoelen de Grieksche beschaving van Aegyptischen oorsprong was, begon men nu ook in der daad Aegypte voor de bakermat der Grieksche beschaving te houden. Sedert dien tijd werden C e c r o p s en D a n a n s als de verspreiders van Aegyptische beschaving beschouwd en begon men de sage van hunne komst naar Attica en Argos uit te werken. De eigenlijke overlevering weet niets van eene Aegyptische afstamming van Cecrops, den eenige der vier volkplanters, die niet geheel tot het gebied der mythologie behoort. De verhuizing van Grieken uit Klein-Azië naar Europa

(li Prometheus.

Deucalion en L'yrrha.

Hellen.

Aeolus. Dorus. Xutlius.

Ion. Achaeus.

ocr page 103

91

onder Pel ops, die nit Phrygic naar Pisatis trok, en van daar zijne lieerscliappij over een gedeelte van Zuid-Griekenland uitbreidde, verschafte die landstreek den naam van Peloponnesus. Zijne zonen Atreus eu Thyestes verhuisden naar Argolis; Atreus werd koning van Mycene. Zijn oudste zoon Agamemnon volgde hem in do regeering over Mycene op, terwijl zijn jongste zoon Menelaus door het huwelijk met Helena, de dochter van den koning van Sparta, de heerschappij over Laccdaemon verkreeg.

De Aeoliërs verspreidden zich van Thessalië voornamelijk over het westelijk gedeelte van Midden-Griekenland en de Peloponnesus. De Doriërs verhuisden gedeeltelijk naar Doris, gedeeltelijk naar Creta. De loniërs veroverden deels Attica, deels Aegialus (het latere Achaia). De Achaeërs trokken naar Laconië en Argolis.

God(M en helden.

1) Als hoogsten God vereerden de Grieken Z e u s (Jnppiter), den god des hemels, die als koning over do andere goden en de menschen heerschte en het familieleven, den staat, het geheele volk beschermde. Zijn gemalin was H era (Juno), de beschermster van den echt; zijn zuster D e m ê t e r (Ceres), de godin van de aarde en van den landbouw; hare dochter Persephone (Proserpina) heerschte met haar gemaal Hades of Pluto in de onderwereld. Als godin van den aether werd de dochter van Zens, Athena (Minerva), vereerd, die tevens als godin van het verstand en de wijsheid in vredestijd de kunsten, in oorlogstijd de haar gewijde steden en hare bewoners onder hare bescherming nam. Als god van de zee werd Poseidon (Neptunus) vereerd, de god van het vuur was Hephaestus (Vulcanus). De vereering van de zon en de maan leidde tot het geloof aan de godheden Ap o 11 o n (Apollo) en A.^ t e m i s (Diana), wier betrekkingen tot de menschen, evenals de werking van zon en maan, niet altijd zegenrijk waren (pest, besmettelijke ziekten). Als god van het licht schonk Apollon ook het geestelijk licht der poëzie en de gave der voorspelling. H e r m e s (Mercurius),

«quot;t -rs^-e, ^ ^ i-lt;~ v-

ocr page 104

93

Ares (Mars), Aphrodite (Venus), Dionysos (Bacchus) behoorden eveneens tot de «grootequot; anoden van den Olympus; behalve hen vereorden de Grieken nog een menigte gode.i van minderen rang: de nymphen, musen e. a.

3) Herhaaldelijk traden de goden, straffend en beloonend, ouder de mensehen op; sommigen mannen verleenden zij een buitengewone mate van kracht, dio deze op zoo verdienstelijke wijze ten bate van hun volk aanwendden, dat hun na hun dood als heroën of halfgoden een goddelijke vereering ten deel viel. Tot deze heroën behoorden, behalve de helden uit den oudsten tijd (Cadmus, Cecrops e. a.) de beroemde mannen uit het zoogenaamde heldentijdvak.

De sage van Heracles.

Zeus verwekte bij Alcmöne, de gade van koning Amphitryon (te Tiryus), een zoon, Heracles (Hercules). Reeds als kind toonde hij zijne goddelijke kracht, door, nog in de wieg, twee slangen te worgen, die door Hera op hem afgezonden waren. Opgevoed door de grootste heidon van zijn tijd, moest hij op bevel van Zeus in dienst van Eurystheus, den koning van Mycene, treden, die hem de twaalf bovenmenschelijke werken opdroeg, welke hij allen gelukkig ten uitvoer bracht.

Deze werken waren; 1) Hij versloeg en worgde den Nemeï-s c h e n leeuw. 2) Hij doodde de Lernaeïsche hydra met negen koppen 3) Hij ving in Achaja de hinde van Artëmis, een dier met gouden horens en koperen poten. 4) Een insgelijks aan Artemis toegewijd everzwijn, dat de omstreken van den berg Ery man thus onveilig maakte, bracht hij levend naar Mycene. 5) Van den schandelijken last, om den gedurende eene reeks van jaren niet weggeruimden most van 3000 rundereu uit de stallen van koning A u g ï a s in één dag te verwijderen, kweet hij zich op waardige wijze; hij leidde er twee rivieren door. 6) Door middel van twee koperen ratels, die hij van Athene ten geschenke had gekregen, verjoeg hij de gevaarlijke roofvogels, die zich in de nabijheid van het meer Stymphalis

ocr page 105

98

in Arcadië ophielden, en met hunne metalen vleugels, bekken en klauwen lt;froote verwoestingen onder menschen en dieren aanrichtten. 7) Hij temde een stier, die door koning Minos op Creta aan den god Poseidon ontroofd en dien ten gevolge woedend geworden was, en bracht hem naar het hof van E u-rystheus. 8) Insgelijks bedwong hij de wilde, met het vleesch der gevangen vreemdelingen gevoede paarden van den Thra-cischen koning D i o m v d e s. Hij wierp hun den wreeden vorst zeiven als spijs voor, en bracht ze insgelijks naar het hof van Eurystheus. 9) Hij keerde zegevierend terug uit een strijd met het krijgshaftige vrouwenvolk der Amazonen in 1'ontus, en maakte den gordel der koningin Hippolyta buit. 10) Eene kudde runderen, die de eigendom van Helios was en onder de hoede van den driehoofdigen reus Geryöneus stond, dreef hij van Spanje (het eiland Erythëa in de golf van Gades) over de Alpen naar Italië, waar hij den reus Cacus doodde. Van daar zwom hij met de runderen naar Sicilië en keerde naar Griekenland terug. 11) Na vele en wonderbaarlijke ontmoetingen (b. v. de verlossing van Prometheus enz.) bereikte hij het land, dat in eene westelijke richting aan den grooten Oceaan gelegen was, om er de gouden appels der Hesper iden te halen. Atlas bemachtigde deze, terwijl Heracles zoo lang in zijne plaats het hemelgewelf op zijne schouders nam. 13) Het laatste zijner roemrijke werken was de zegepralende terugkeer uit de Onderwereld, vanwaar hij den helhond, Cerberus, geboeid medebracht. — Terwijl hij aan den eenen kant voor koning Admëtus, die hem gastvrij had ontvangen, diens gade Alcestis, die zich vrijwillig voor haar echtgenoot had opgeofferd, aan den dood ontrukte, nam hij aan den anderen kant wraak op Laomédon, den koning van Troje, die hem het loon niet wilde betalen, dat hij hem voor de bevrijding van zijne door een zeemonster bedreigde dochter Hesiöne had beloofd, door hem met al zijne zonen te verslaan; alleen Priamus bleef in leven en werd koning van Troje. Op dezelfde wijze strafte hij Augias, die hem insgelijks ten opzicht©

ocr page 106

94

van de beloofde belooiüng wilde misleiden, en Hippocoon, koning van Sparta, die hem in vroegere tijden verongelijkt had. In Laconic maakte hij Tyndareus, den vader der Dioscuren, Castor en Polydeuces (Pollux), tot koning, terwijl hij zich de heerschappij over het veroverde rijk voor zijne nakomelingen voorbehield. Ook na zijn huwelijk met Deianira, de dochter van den Aetolischen koning Oeneus, welke hij aan den riviergod Achelous, die in den strijd gedurig van gedaante veranderde, ontworsteld had, ijlde hij van het eene avontuur in hot andere, totdat hij eindelijk door een kleed, dat met het bloed van den Centaur N e s s u s vergiftigd was, raxend geworden, op den berg üeta een brandstapel voor zich liet oprichten , en zijn vriend Philoctëtes bewoog, dien aan te steken. Daarom erfde deze de roemrijke wapenen van den held, die zich op den Olympus met Hera verzoende en hare dochter Hëbe, de godin der eeuwige jeugd, ten huwelijk kreeg.

De sage van Theseus.

Theseus, de zoon van den Atheenschen koning Aegeus, wordt even als Heracles, dien hij zich reeds in zijne jeugd tot voorbeeld had gekozen, als een weldoener van het menschdom en voornamelijk van zijn vaderland geschilderd. Even als Heracles zuiverde ook hij het land van beruchte roovers (Procrustes, Pityocamptes) en schadelijke dieren. Hij bevrijdde Athene van lt;le verplichting, aan die stad na een ongelukkigen oorlog opgelegd , om jaarlijks zeven knapen en zeven meisjes als schatting aan koning Minos tot zoenoffer voor diens vermoorden zoon naar (Jreta te zenden. Met een tooverzwaard, dat hij van des konings dochter Ariadne ontvangen had, doodde hij den Mino-taurus, die de ongelukkige slachtoffers worgde en opvrat, iu het Cretische labyrinth (bij Cnossus), en vond door middel van een draad, dien hij had gespannen, den terugweg uit dit doolhof. Bedroefd over het verlies van Ariadne, die hij op bevel van den god Dionysos (Bacchus) op Naxos achterliet, vergat hij bij zijr-e terugkomst uit Attica de aan zijn vader gedane belofte om de zwarte zeilen door witte te doen vervangen; dit had ten gevolge dat

ocr page 107

95

Aegeus zich in de zee stortte, die ter herinnering aan dit ongeluk den naam van de Aegaeïsche verkreeg. Als koning van Athene vereenigde hij de verstrooide gemeenten van Attica tot één staat, verdeelde de talrijke bevolking in adellijken, landbouwers en ambachtslieden, en voerde de vereering van Athena als beschermgodin van het land in. Zware droefheid berokkende hem zijne tweede gemalin Phaedra door de liefde, welke zij voor haar stiefzoon Hippolytus opvatte. Met zijn vriend Pirithöus, op wiens bruiloft hij aan een strijd van de Lapithen tegen de Centauren had deel genomen, giug hij naar de onderwereld, om van daar voor dezen Persephone, de gemalin van Pluto, te rooven, maar Pluto hield hen in du onderwereld gevangen , en alleen Theseus werd door Heracles gered. Toen er na zijne terugkomst te Athene herhaald? malen opstanden ontstaan waren, verliet hij zijn rijk en begaf hij zich naar het eiland Scyros (bij Euboea), welks koning hem verraderlijk van eene rots in zee stortte.

§ 46.

jDe tocht dtr Argonauten.

Athamas, koning van Orchomënus, had zijne eerste vrouw (Nephele) verstooten en zich met Ino, de dochter van Cadmus, in het huwelijk begeven. Deze bewoog door een verdicht orakel haar echtgenoot, zijne beide kinderen uit het eerste huwelijk, Phrixus en Helle, aan de goden te offeren; doch hunne moeder redde hen, door hun eeu ram met gouden vacht te brengen, waarop zij ontvluchtten. Helle verdronk in de golven van den naar haar genoemden Hellespontus; doch Phrixus bereikte Colchis, waar hij den ram offerde en diens gouden vacht aan den kouinir A eet es ten geschenke gaf, die haar in het heilige woud van Ares door een draak en twee vuurspuwende stieren liet bewaken.

I a s o n , een zoon van den koning van lolcus in Thessalië , kreeg, toen hij van zijn heerschzuchtigen oom en voogd Pelias de hem wederrechtelijk onthouden heerschappij over lolcus terug-

ocr page 108

96

eischte, bevel om eerst de gouden vacht uit Colchis te lialeu. Dientengevolge ondernam hij met de beroemdste Grieksche belden van zijn tijd, als Heracles, Theseus, Pirithoüs, Castor en Pollux, den zanger Orpheus en de vaders der helden, die voor Troje streden, op het schip Argo den tocht naar Colchis. Naar dit schip werden de deelnemers aan dezen tocht Argonauten (schepelingen van de Argo) genoemd. Uoor de hulp van de tooveres M e d ë a, de dochter van koning Aeëtes, bracht lason, die na tallooze avonturen Colchis bereikte, al de hem door den koning van dat land opgelegde werken (het temmen der stieren, het zaaien der drakentanden) ten uitvoer, roofde de vacht en schaakte Medea. Toen Aeëtes hen vervolgde, doodde Medea haar kleinen broeder (Absyrtus), dien zij medegenomen had, en sneed hem in kleine stukken, om den vader door het bijeenverzamelen dei-beenderen van zijn zoon op te houden (Tomi). Medea, die lason's vrouw was geworden, verliet later te Corinthe haar gemaal op een met draken bespannen wagen, en lason stortte zich in zijn zwaard.

§ 47.

De twee oorlogen teyeu Thehe.

1) De oorlog van de zeven (vorsten) tegen T h e b e.

Laius, koning van Thebe, een achterkleinzoon van Cadmus, had ten gevolge van eene uitspraak van het orakel zijn zoon Oedipus met doorboorde voeten op den berg Cithaeron te vondeling doen leggen; doch het kind werd gered en aan het hof van koning Polybus van Corinthe opgevoed. Oedipus doodde, zonder het te weten, zijn vader, huwde, nadat hij het raadsel van de Sphinx had opgelost, zijne moeder locaste, en werd koning van Thebe. Toen zijne dubbele misdaad hem bekend werd (Tiresias), stak hij zich de oogen uit, en doolde, door zijne dochter (Antigöne) geleid, als bedelaar rond (tot hij eindelijk rust vond te Colonus in Attica); locaste hing zich op.

ocr page 109

97

Zijne beide zonen, Eteöcles en Polynïces, geraakten in twist over de heerschappij, die zij volgens overeenkomst beurtelings ieder een jaar in handen zonden hebben; Polynioes, door zijn broeder van de heerschappij beroofd en uit de stad verdreven, voerde den tocht der zeven (Adrastus, Polynïces, Tydeus, Amphiaraus, Capanens, Hipporaëdon en Parthenöpaeus) vorsten tegen Phebe aan. De beide broeders doodden elkander in een tweegevecht, de overige Lelden sneuvelden allen, behalve Adrastus, bij de bestorming der stad. Na den dood van Eteocles regeerde zijn oom (Creon) als voogd over diens minderjarigen zoon (Laodamas).

2) De oorlog der Epigonen.

Tien jaar later ondernamen de zonen der gesneuvelde helden («de Epigonenquot;) een nieuwen oorlog tegen Thebe, om wraak te nemen over den dood hunner vaders. Zij veroverden do stad en droegen de heerschappij aan Thersander, den zoon van Polynices, op.

§ 4S.

De oorlog tef/en Troje, 119-t—1184 ?

Paris, de zoon van den ïrojaanschen koning Pr ia mus, kwam als gezant van zijn vader tot den Spartaanschen koning Menelaus, en schaakte diens vrouw Helena. M e n e 1 a u s en zijn broeder Agamemnon, de vorst van Mycene en de machtigste der Grieksche koningen, bewogen de meeste (xriek-sche vorsten (Nestor van Pylus, Odysseus [ülisses] van Ithaca, Achilles, vorst der Myrmidonen in Thessalië, Dio-mëdes van Argos, de beide Aiax e. a.) om een gemeenschap-pelijken tocht tegen ïroje te ondernemen. Toen de Grieksche vloot in de haven van Aulis bijeengekomen was, zond Artëmis, op Agamemnon vertoornd, omdat hij een haar gewijde hinde had gedood , windstilte. Agamemnon wilde op raad van Galchas zijne dochter iphigenïa aan de godin offeren; maar deze legde in hare plaats eene hinde op het altaar en ontvoerde het msisje Piitz, O. G. 7

ocr page 110

98

naar het schiereiland Tauris. De Trojanen hadden bij het naderen van de vijanden naar hulp bij hnnue naburen uitgezien, en die vooral verkregen van de Dardaniërs (onder Aenêas, den zoon van Aphrodite en koning Anchïses). Behalve talrijke strooptochten, door de Grieken in de omstreken der belegerde stad gedaan r bepaalde zich de tienjarige oorlog tot eenige pogingen om de stad te bestormen, en voornamelijk tot tweegevechten tusschea de aanvoeders der beide legers zonder een geregeld beleg of beslissende veldslagen. Nadat Hector, de voornaamste held en aanvoerder der Trojanen, door Achilles was gedood, en ook Achilles door een door Paris afgeschoten maar door Apollo bestuurden pijl het leven had verloren, toen Odysseus en Diomedes (die als bedelaars verkleed de stad waren binnengedrongen), het Palladium (het beeld der beschermgodin Pallas) hadden geroofd, werd Trojft door de dubbele list van den geveinsden terugtocht en het houten paard ingenomen en verbrand. De oude Priamus werd bij het altaar van Zeus door Neoptolömus, den zoon van Achilles, gedood; aan sommige Trojanen, b. v. aan Aeneas (die zijn vader Anchises op den rug door de vlammen droeg), gelukte het zicli door de vlucht te redden; maar de ineesten werden gevangen genomen en tot slaven gemaakt.

De terugtocht der Grieksche vorsten werd door menig avontuur vertraagd, en zij vonden bij hun terugkeer belangrijke veranderingen in hunne regeerings- en huiselijke aangelegenheden.

Agamemnon, die de priesteres Cassandra, eene dochter van Priamus, als krijgsgevangene naar huis medenam, werd door zijne echtgenoote Clytaemnestra en haar minnaar Aegisthus vermoord. Deze beiden vielen later door de hand van Orestes, Agamemnons zoon. Orestes, wegens dien moord door de Erinyen (Furiën, wraakgodinnen) vervolgd, begaf zich met zijn vriend Pylades op raad van het Delphische orakel naar den tempel van Artemis in Tauris; volgens aloud gebruik zou hij daar door de priesteres, zijne eigen zuster Iphigenia, aan de godin worden, geofferd, maar Iphigenia herkende hom en vluchtte met hem naar Griekenland, waar Orestes het door Diomedes verlaten Argos.

ocr page 111

99

met het rijk zijns vaders, Mycene (dat hij aan den zoon van Aegisthus ontrukte), vereenigde. Door een huwelijk niet de dochter van Menelaus werd hij ook koning van Sparta. Zijn zoon Tisamenus werd door de Doriërs verdreven.

Volgens Homerus werd Odysseus op de terugreis vau Troje door stormen op de Afrikaansche kust (bij de Lotophagen) geworpen. Van daar kwam hij op Sioilii1 bij de Cyclopen, waar de eenoogige reus Polyphiinus, de zoon van Poseidon, zes makkers van Odysseus opat, maar terwijl hij zijn roes uitsliep, door dezen van zijn eenig oog beroofd werd. Deze daad haalde Odysseus den on verzoenlijken haat vau Poseidon , den beheerscher der zee, op den hals. Nadat hij op het drijvende eiland van Aeolus, den god van den wind, een zak met wind verkregen had, welks opening een nieuwen storm veroorzaakte, kwam hij bij de Laestrygonen, een stam van menscheneters, die al zijne schepen op een na vernielden; met het eenig overgeblevene landde hij op Aeaea, het eiland van de tooveres Oirce, welke zijne vrienden in zwijnen veranderde, maar, door hein, op raad van Hermes, met den dood bedreigd, hun de menschelijke gedaante teruggaf. Xadat hij uit de ouderwereld, waar hij van Tiresias zijn toekomstig lot vernam, teruggekeerd was, ontsnapte hij gelukkig aan de Sirenen, kwam behouden uit de gevaarlijke draaikolken Scylla en Charybdis, verloor bij een schipbreuk al zijne makkers (die in strijd met zijn verbod, door honger gedreven, de runderen van Helios, den zonnegod, geslacht hadden), en bereikte zelf, nadat hij negen dagen op een vlot had rondgedreven, het eiland (Ogygia) van tie nimf Calypso, waar hij negen jaren bleef, dewijl zij hem door de belofte van onsterfelijkheid en eeuwige jeugd van den terugkeer naar zijn vaderland trachtte te weerhouden. Maar haar vleiende woorden waren niet in staat hem het vaderland en zijne echtgenoote te doen vergeten. Eindelijk op bevel van Zens vrijgelaten, bereikte hij na nieuwe, hem door den onverzoenlijken Poseidon toegezonden, stormen Schena (Corcyra), het eiland der Phaeaken, die hem naar Ithaca terugbrachten. Twintig jaren had Odysseus buiten zijn vaderland

ocr page 112

100

doorgebraclit, eu te huis wachtten hem nieuwe onheilen. Om hem daartegen te beschermen, veranderde Athena hem in een bedelaar. Als zoodanig- vernam hij door den zwijnenhoeder Eumeaus het onwaardige gedrag der vorsten, die naar de hand van Penelope, zijne gade, dongen, maakte zioh vervolgens bekend aan zijn zoon Telemachus, doodde met diens hulp en onder bijstand van Athena de overmoedige vrijers en nam zijn rijk weor in bezit.

TWEEDE TIJDVAK.

VAN DE VERHUIZING DEll DOLIIËRS TOT DE OORLOGEN MET DE PERZEN. 110-4-500.

§ 49.

Br verhuizing der Dorié'rs of chr HeracUden. 1104?

Toen de Illyrische Thessaliërs het naar hen genoemde Thes-salië in bezit namen, trokken de Doriërs uit de bergstreken in den omtrek van den Olympus naar het Zuiden.

In de legende wordt de verovering van de Peloponnesus door de Doriërs voorgesteld als ondernomen om oude, op recht van erfopvolging steunende, aanspraken der Heraclïden te doen gelden.

Amphitryon, de vader van Heracles, was door Sthenclus , koning van Mycene, uit de heerschappij van Tiryns verdreven, en de pogingen zijner afstammelingen, om deze heerschappij op nieuw te bemachtigen, waren vergeefsch geweest, tot dat 80 jaren na den Trojaanschen oorlog drie nakomelingen van Heracles (Heracliden): T e m S n u s , Cresphontes, en A r i s t o d c m u s, aan het hoofd der Doriërs (en vergezeld van Aetoliërs onder O x y 1 u s) bij Naupactus den Corinthischen zeeboezem overstaken, de toen in het Z. en O. van de Peloponnesus wonende Achaeërs (onder Tisamënus, den zoon van Orestes) overwonnen, en het veroverde land verdeelden. Temenus, de oudste der drie broeders, verkreeg het erfland der Heracliden, Argolis, Cresphontes Messenië, en Procles en Eurysthënes, de zonen van Aristodemus, die door den bliksem gedood was, Laconië

ocr page 113

101

(en de Aetoliërs Elis). Later werden ook in 't Noorden van liet schiereiland, in Argolis, in Corintlie, Sicyon en Megara, Dorische rijken gesticht; Attica verloor Megaris en handhaafde zicli in zijne onafhankelijkheid alleen door de vrijwillige opoffering van den laatsten koning Codrus (106S), die in de legerplaats der Doriërs den dood zocht en daardoor den vijand tot den attocht dwong. Attica was voortaan de hoofdzetel der loniërs. — De Achaeërs bleven deels als onderdanen der Doriërs in hnnne oude woonplaatsen, deels namen zij de door de loniërs bewoonde noordkust van de Peloponnesus in bezit, die thans den naam van Achaia verkreeg. De loniërs begaven zich naar Attica, Klein-Azië en de eilanden.

5 50.

De Grieksche koloniën op de westkust van Kleiu-Aziï.

Xa de volksverhuizing der Heracliden, die eene omwenteling in bijna alle staten van het vasteland (met uitzondering van Arcadië, dat moeielijk te genaken was), van den Olympus tot het voorgebergte Malöa, had te weeg gebracht, verliet een gedeelte der overwonnen stammen het moederland; van de overwinnaars verhuisden velen, daar de bevolking voor het kleine land te groot begon te worden, oostwaarts naar de eilanden der Aegaeïsche zee en de kusten van Klein-Azië, waar zij koloniën stichtten. Deze koloniën waren op staat- en rechtskundig gebied volkomen onafhankelijk van het moederland en daarmede slechts door banden van piëteit en gelijken godsdienst verbonden (een uitzondering op dezen regel maken de Cleruchiën).

1) A e o 1 i s c h e koloniën. Het vroegst schijnen Aeo-1 i c r s uit Boeotië, in welk land de verhuizende stammen uit het Noorden en het Zuiden elkaar ontmoetten, onder de aanvoering der verdreven Achaeïsche vorsten (nakomelingen van Agamemnon) naar de noordwestelijke kust van Klein-Azië overgestoken te zijn, waar de nieuwe volkplanters zich op Lesbos en te Cyme, een stad aan de kust, (allengs) vestigden en vandaar de

ocr page 114

102

inlieemsche staten der Dardaniërs veroverden (men vermoedt dat deze ajevechten aanleiding gaven tot de sa«e van den tienjarigen Trojaanschen oorlog, die later voor de Dorische verhuizing geplaatst en in het epos tot eeae gemeenschappelijke onderneming der Europeesche Grieken uitgebreid werd).

3) Ionische koloniën. Overbevolking was de reden, waarom een gedeelte der uit Aohaia en uit andere streken van Griekenland naar Attica gevluchte loniërs van daar naar de Cvcladen, Chios, Samos, en de westkust van Klein-Azië vertrok. Het waren de edelste en stoutmoedigste geslachten, die het vaderland verlieten, en ook in het nieuwe land overtroffen zij weldra alle Hellenen in beschaving. Hier zetten zij zich deels op de Cvcladen, deels zuidelijk van Aeolis in het zuidelijk gedeelte van L y d i ë en het noordelijk gedeelte van C a r i ë neder en vestigden zich daar in twaalt steden, waarvan de voornaamste waren: 1) M i 1 ë t u s (Thales), dat de moederstad van meer dan tachtig koloniën, voornamelijk aan den Pontus Euxinus en de Propontis, werd. 2) Ephësus (de tempel van Artemis, die in 356 door Herostrutus in brand werd gestoken), 3) P h o c a e a. De bewoners van deze stad verhuisden (reeds in de 7de eeuw) naar Gallia Narbonensis en stichtten daar Massilia. 4) S ra y r n a, door de Aeoliërs gesticht, maar sedert 688 tot het Ionische verbond behoorende, onder de Romeinen eene der bloeiendste steden van Azië (Homerus). 5) C o-löphon, beroemd om zijne voortreffelijke ruiterij {Colophonem impmeré). De tempel van Poseidon op het voorgebergte Mycale werd het middelpunt eener Ionische Amphictionie (Panionium).

3) D o r i s c h e k o 1 o n i ë n. Uit verschillende steden van de Peloponnesus en uit Megara verhuisden Doriërs, de alge-meene beweging volgende, naar de eilanden Hhodus, Cos en Thera, en naar het zuidelijke Carië. Daar stichtten zij een verbond van zes steden, de Dorische Hexapolis, waarvan de belangrijkste, Halicarnassus (de geboorteplaats van Herodotus en Dionysius) en Cnïdus (slag 394, geboortestad van Theopompus en Ctesias; dienst van Aphrodite), op het vasteland

ocr page 115

103

lagen; ook naar Creta verhuisden tal van Doriërs uit Argos en Laconië. Zij stichtten daar geeii nieuwe staten, maar werden tils eene soort van militaire adel in de reeds bestaande opgenomen. Van Thera vertrok in 630 eene kolonie naar Cyrene op de noordkust van Africa. Bij het voorgebergte Triopion bevond zich het • bondsheiligdom van Apollo.

§ 51.

Het uidstaan der republieken.

De politieke geschiedenis van Griekenland in het tijdvak van lt;le verhuizing der Herncliden tot de oorlogen met de Perzen vertoont ons voornamelijk die bewegingen, waardoor bijna alle staten van Griekenland republikeinsche staatsregequot; lingen verkregen, die zij naar gelang van omstandigheden en naar hunne behoeften op den meest verschillenden aard inrichtten en wijzigden. Met het heldentijdvak namelijk verdween ook de heerschappij der stamvorsten, deels door het uitsterven der koninklijke geslachten, deels door het beperken van de koninklijke macht of het verdrijven der koningen, deels ook door het ontstaan van zooveel nieuwe staten. In de plaats van de monarchischo kwamen in bijna alle Grieksche staten eerst aristocratische (oligarchische), later democratische staatsregelingen onder de meest verscheiden vormen in zwang. Behalve te Sparta» waar gestadig twee koningen, een Enysthenide en een Proclide, regeerden, bleef men tot de Perzische oorlogen ook nog in Argos (en in Epirus) aan de monarchische staatsregeling getrouw» Te Athene heerschten sedert den dood van Codrus archonten. In de meeste Grieksche staten, in het moederland zoowel als in de koloniën, deed do strijd van het volk tegen den trotschen adel gedurende de 7de en 8ste eeuw de meestal spoedig weder opgeheven t y r a n n i s ontstaan. De mannen namelijk, welke het volk of uit zijn eigen midden of uit eerzuchtige adellijke familiën gekozen had, om het in dien si rijd tegen de Oligarchen aan te voeren, trachtten, door een lijfwacht bijgestaan, zich zeiven

ocr page 116

104

liet hoogste staatsbestuur zonder eenige verantwoordelijkheid aan te matigen en deze macht door erfrecht op hunne nakomelingen te doen overgaan, hetgeen hun echter slechts zeer zelden, en in die weinige gevallen slechts voor korten tijd, gelukte. Meestal toch had het misbruik, dat hunne minder voorzichtige opvolger» van de verkregen macht maakten, den val der tyrannis ten gevolge; de macht kwam dan óf weder in handen der Oligarchen, die door het toegeven op enkele punten de gunst van het volk herwonnen', óf er werd een democratisch bestuur ingevoerd. Echter hadden de staten, waarin eene tyrannis gevestigd was, aan de tyrannen meestal eeu schitterende ontwikkeling van het burgerlijke leven, van knust, porzie en wetenschap te danken; zij begunstigden eu be/orderden de opkomst van den burgerstand en de armere volksklassen.

Tot vereeniging van die vele kleine staten , waarin Griekenland was verbrokkeld, dienden drie nationale instellingen van het grootste belang;

1) De Amphictioniën, d. z. vereenigingen van volken, die in de nabijheid van een tempel woonden, tot onderlinge bescherming en tot het vieren van gemeenschappelijke feesten.

De beroemdste was de Delphische amphictionie, die reeds in oude tijden twaalf Grieksche volken in Thessalië en Midden-Griekenland telde, welke tweemaal iu 't jaar hunne afgevaardigden naar de bondsvergadering (in het voorjaar naar Delphi en in den herfst naar Thermopylae) zonden. Deze bondsvergadering had het toezicht over den tempel te Delphi en de Pythische spelen, strafte schending van het volkenrecht, en besliste in twisten, die onder de verbonden staten ontstaan waren.

2) Ook de vier groote nationale spelen droegen veel er toe bij om het gevoel van een gemeenschappelijken oorsprong bij de Grieken in stand te houden en te verlevendigen, e) De Olympische, de beroemdste van allen, werden in het begin van ieder eerste jaar eener Olympiade (een tijdvak van vier jaren) te Olympia ter eere van Zeus gevierd, lx) D e Pythische werden gevierd ter eere van den Pythischen Apollo

ocr page 117

105

te Delphi (alle vier jaren), c) De Isthmische, itigestekl ter eere van Poseidon, op den Corirjtliischen Istkmus (om de twee jaren), d) de Nemeïsche te Nemëa, ter eere van Zeus (alle twee jaren). Deze spelen bestonden in gymnastische en ridderlijke oefeningen en gevechten. De wedstrijden bepaalden zich in den beginne tot den wedloop in de renbaan; spoedig kwamen daarbij springen, werpen met den discus, worstelen, vuistgevecht, wedrennen te paard en met wagens. Later gaf de aanwezigheid van zoo vele Grieken op eéne plaats ook gelegenheid, om de voortbrengselen van den geest (gedichten en geschriften; Herodotus) en de gewrochten der beeldende kunsten aan het volk bekend te maken. De overwinnaars ontvingen menigvuldige eerbewijzen, zoowel te Olympia (een olijfkrans en een standbeeld), als in nog hoogere mate bij den zegepralendeu intocht in hunne vaderstad (Pindarus).

3) Van den gróótstee zedelijken invloed op geheel Griekenland , tot in den laatsten tijd, was het orakel van Apollo te Delphi. In vele inoeielijke omstandigheden wees het orakel, soms onder den invloed van hooggeplaatste en schrandere mannen, den weg tot redding. (De thesauri der vorsten en volkeren te Delphi).

§ 52.

Sparta.

De Doriërs hadden de in groot aantal achtergebleven Achaeërs onderworpen (Lacedaemoniërs). Slechts weinige steden, voornamelijk Helos, verzetten zich hardnekkig tegen de overheersching der Spartanen, maar werden eindelijk overwonnen en hunne inwoners tot lijfeigenen gemaakt (Heloten). Aldus ontstonden er drie verschillende klassen van bewoners: 1) de lieerschende Doriërs of de Spart ilne n. Zij woonden niet slechts in de open stad Sparta, maar in de geheele vlakte van den Eurotas. Onder hen werd het land, dat bij de verovering als eigendom van den staat in bezit was genomen, in 9000 gelijke (?) deelen verdeeld; zij bezaten het echter niet in vrijen eigendom, want de eigenaar had niet het recht er bij

ocr page 118

106

te koopeu of er van te verkoopeu, het weg te scheuken of bij erfenis aan een ander over te dragen. Zoo zou het verschil tusscheu arm en rijk, eene bron van tweedracht in iedereu staat, worden opgeheven; allen zonden dezelfde rechten, maar ook dezelfde verplichtingen hebben. Aan elk aandeel was de verplichting verbonden, voor den staat te velde te trekken; het ging in zijn geheel (als majoraat) van den vader op den (oudsten?) zoon over; waren er geen mannelijke erfgenamen, dan nam de staat het weer tot zich, en de koningen gaven het aan een ander in bezit (eigenlijk als erfelijk leengoed). 2) L a c e d a e-m o n i ë r s of liever P e r i o e c i (want Grieksche schrijvers gebruiken beide namen, Lacedaemoniërs en Spartanen, door elkander) werden de overwonnen Achaeërs genoemd, omdat zij op het gebergte, rondom de landerijen der Spartanen, woonden. Zij behielden hunne persoonlijke vrijheid en het recht om grondeigendommen te bezitten en moesten met de overwinnaars de staatslasten dragen en in den oorlog dienen, echter zonder eenig aandeel in de regeering te hebben. 3) De Heloten waren de op de landerijen der Spartanen wonende lijfeigenen van den staat. Zij waren met de landerijen aan de Spartaansche familiën als knechten toegedeeld, en werden, evenals het land waarop zij werkten, als eigendom van den staat beschouwd. Zij mochten dus verkocht noch weggeschonken worden. De wet bepaalde eene zekere hoeveelheid graan, wijn en olie, die zij aan hun meester moesten afleveren; de rest van de opbrengst was hun eigendom. In later tijd werd aan enkele Heloten het burgerrecht , althans voor een deel, verleend (Neodamoden).

Omtrent 820 gaf Lycurgus, uit het geslacht der Procliden , als voogd van een minderjarigen opvolger op den troon (zijn neef Charilaus), met goedkeuring van het Delphische orakel aan zijne geboortestad wetten, welke voor een gedeelte niet nieuw waren, maar slechts aan aloude Dorische gebruiken en instellingen kracht: van wet gaven, en bij monde werden overgeleverd. Deze staatsregeling vereenigde in zich de drie grondvormen van bestuur: de monarchische (in het koningschap), de aristocratische (in de

ocr page 119

107

gerusia) en de democratische (in de volksvergadering). De drieledige verdeeling der bevolking bleef bestaan; evenzeer het erfelijk koningschap (telkens twee koningen, een Eurysthenide en een ï'roclide of, zoo als men ze ook wel naar den zoon van Eurysthenes en den kleinzoon van Procles noemde, «en Agide en een Eurypontide). Alleen de Spartanen, d. i. nakomelingen der overwinnende Doriërs, hadden het volle burgerrecht. Lycnrgus beperkte de macht der koningen, door hun de yspovïlx toe te voegen, een raad, uit de beide koningen en 28 mannen van ten minste zestigjarigen leeftijd samengesteld. Zij waren niet verantwoordelijk, werden voor hun leven gekozeü, behandelden de belangrijkste aangelegenheden, om die dan aan de beslissing der volksvergadering te onderwerpen, hadden het bestuur over de financiën, vormden het hoogste crimineele gerechtshof, en hadden (gemeenschappelijk met de Ephoren) het toezicht over de zeden. De volksvergadering, welke ieder Spartaan boven de dertig jaren mocht bijwonen, werd telkens bij volle maan in de open lucht gehouden, en besliste zonder voorafgaande beraadslaging, alleen door toestemmend of afkeurend geschreeuw, over hetgeen de raad haar voorlegde, vooral over wetten, oorlog en vrede; zij koos de geronten en andere ambtenaren.

De bepalingen van Lycurgus omtrent de opvoeding en het private leven hadden voornamelijk de vorming van alle vrijgeborenen tot den krijgsdienst, en de opoffering van alle bijzondere belangen aan die van den staat ten doel. De pasgeboren kinderen onderzocht — de zwakke of mismaakte te vondeling gelegd — zij blijven tot hun 7de jaar bij de moeders —• dan tot hun 20ste jaar gezamenlijk van staatswege opgevoed en onderwezen, vooral in hetgeen met den oorlog in verband staat — gemeenschappelijke maaltijden der mannen in afdeelingen van 15 personen — verbod om handel te drijven en te reizen, het weren van vreemdelingen (t-svyhxïloc) — ijzeren geld. — De vrije burger had van zijn 20—60ste jaar bijna geen andere bezigheid dan gedurige oefening in den krijgsdienst, slechts afge-

ocr page 120

108

wisseld door de jacht in de kloven en bossclieii van den Taygetus; de Heloten zorgden voor de akkers en verrichtten allen arbeid. Nadat Lycurgus de koningen, den raad en het volk onder eede had laten beloven, dat zij gednrende zijne afwezigheid niets aan zijne -wetten zouden veranderen, verliet hij de stad, en keerde nooit terug. Na te Delphi de verzekering van de heilzame gevolgen zijner instellingen te hebben verkregen, begaf hij zich naar Creta.

§ 53.

De heide eerste Messenisc/ie oorlogen en de hervorming der staatsregeling van Li/curgus.

1) DE EERSTE MESSENISCHE OORLOG. 743 — 724 (?).

Eeeds lang waren de Spartanen, in het gevoel. van hunne meerderheid en daar bij het klimmen der bevolking uitbreiding van grondgebied bijna noodzakelijk werd, er op belust geweest, liet naburige vruchtbare en goed bebouwde Messenië, dat in den Achaeïsche.i tijd bij Laconic had behoord, te heroveren. Eene toevallige aanleiding tot het begin der vijandelijkheden vonden zij in twisten, die bij een gemeenschappelijk feest der beide naburige volken in liet (tot beveiliging der grenzen) op den Taygetus opgerichte heiligdom van Artemis waren uitgebarsten, (Spartaansche meisjes werden door Messenische jongelingen geroofd, en de Spartaansche koning Telcclus, die ze terug vorderde, werd verslagen.) Spoedig daarop nam een edel Mes-seniër, Polychares, toen hij van den raad te Sparta voor den roof zijner kudden en den moord, door een Lacedaemoniër op zijn zoon gepleegd, geen voldoening kon verkrijgen, wraak op de Spartanen door hen te vermoorden, waar hij ze op zijn weg ontmoerte. De Spartanen eischten zijne uitlevering, doch de Messeniërs weigerden die. Door inwendige verdeeldheid maakten de Messeniërs aan de Spartanen de verovering der rijke vlakten gemakkelijk; zoo veel te hardnekkiger daarentegen verdedigden zij zich in de vesting op den berg Ithome. A ristode mus, uit het koninklijke geslacht gesproten (hij werd nog gedurende dezen

ocr page 121

109

oorlog, na deu dood van Euphaes, koning), overwon de Spartanen, nadat hij, ten gevolge van eene uitspraak van het orakel, zijne eigen dochter ten offer aangeboden en, niettegenstaande den tegenstand van haar bruidegom, doorstoken had. Dooh toen nieuwe voorteekenen ongeluk voorspelden, doodde Aristoderaus zich zei ven op het graf van zijne te vergeefs geofferde dochter, en Ithome viel (na een negentienjarig beleg). Messenië werd grootendeels met Laconic vereenigd, en uit het gedeelte der landerijen, dat verbeurd verklaard werd, vormde men nieuwe leengoederen voor de Spartanen; van de landerijen, die de tot Perioeci geworden Messeniërs behielden, moesten zij jaarlijks de helft van do opbrengst aan de Spartanen afleveren. Een gedeelte der bevolking verhuisde naar Rhegium.

3) DE TWEEDE MESSENISCHE OORLOG. 685-668 (?).

In de wellicht nog onafhankelijk gebleven bovenlanden van Messenië ontstond het plan tot een nationalen opstand tegen de Spartaansche overheersching. Aan het hoofd dier beweging stonden de zonen en kleinzonen der voor Ithome gesneuvelde helden, vooral de jonge, uit het geslacht der Messenische koningen gesproten, Aristomönes. De Messeniërs vonden wel is waar hulp bij de Argivers en Arcadiërs, die ook al ondervonden hadden, dat de Spartanen lastige en gevaarlijke buren waren, maar de belangen dier volken waren zoo verschillend van aard, dat het den Spartanen gelukte, den Arcadi-schen koning Aristocrates door oinkooping tot verraad in een beslissenden veldslag (bij Orchomenos) over te halen. Ook ditmaal konden zich de Messeniërs, evenmin als in den eersten oorlog, in het open veld staande houden; zij moesten zich tot de verdediging der bergvesting I r a bepalen. (Tyrtaeus in het leger der Spartanen). Aristomenes deed van hier stoutmoedige uitvallen in het land des vijands, en de volkssage weet van allerlei wonderbaarlijke avonturen te verhalen, die hij op deze strooptochten in Laconië zou hebben ondervonden (zijne vlucht uit het hol Caeadas). Toen na een beleg van 11 jaren eindelijk

ocr page 122

110

ook Ira (naar men zeide door verraad) gevallen, en eene poging van Aristomenes om uit Arcadië in Laeonië te vallen mislukt was, verhuisden de bewoners der kust over zee (gedeeltelijk naar Sicilië, waar zij Zancle innamen, dat sedert Messana heette, gedeeltelijk, en hierbij was Aristomenes, naar KLodus); de in het binnenland achtergeblevenen werden Heloten en moesten als knechten der Spartanen den grond hunner voorvaderen bewerken.

Xog vóór den eersten Messenischen oorlog had de stad A r g o s als hoofd van de Argolischen steden hare heerschappij over de geheele Peloponnesus trachten uit te breiden. Allereerst wilde Argos zich van de leiding der Olympische spelen te Elis verzekeren , doch het was niet in staat geweest den daar heerschenden invloed tier Spartanen te breken. Eene gedurende den tweeden Messenischen oorlog opnieuw aangewende poging mislukte eveneens; de Spartanen-bleven als beschermers der Olympische spelen ook de eigetdijke meesters van Elis en veroverden omstreeks het jaar 550 zelfs het zuidelijk deel van Argolis. De kleinere Dorische steden in Argolis sloten een verbond met Sparta, waarbij zich al spoedig Corinthe, Sicyon, Megara en Tegea (in het Zuiden van Arcadië) aansloten. Nu was Sparta de machtigste staat in Griekenland; het bezat het zuidelijk deel van de Peloponnesus en heerschte als hoofd van den Peloponnesischen bond ook over de noordelijke helft van het schiereiland, met uitzondering van Achaia en Argos.

Corinthe en Sicyon waren eerst na den val hunner tyraimen tot den Spartaanschen bond toegetreden. In beide steden hadden zich (omstreeks 650) leden van adellijke geslachten van de regeering meester gemaakt. Deze //tyrannenquot; (Orthagoras te Sicyon, Cypsëlus te Corinthe e. a.) maakten zich zeer verdienstelijk; later echter wekten zij door hun willekeur den algemeenen haat. Omdat zij door hun macht den Spartanen gevaarlijk schenen, werden zij omstreeks het jaar 550 ten val gebracht. Omstreeks dienzelfden tijd heerschte de tyran Polycrates over het eiland Samos.

ocr page 123

Ill

Hervorming der staatsregeling van Lycurgus. De Spartaansche adel vreesde, dat de koningen zich de beperking hnnner macht, zoo als die bij de staatsregeling van Lycurgus was vastgesteld, op den duur niet zouden laten welgevallen, en dat zij, wellicht geholpen dooi- de i'erioeci en de Heloten, de heerschappij van den adel zouden kunnen vernietigen, wanneer zij aan die beide standen gelijke rechten met hunne vroegere heeren beloofden. Om zich dus een overwegenden invloed te verzekeren, breidde de adel de macht der 5 Ephoren (;,opzichtersquot; van elk der vijf wijken van de stad) aanmerkelijk uit. Deze Ephoren, ingesteld tijdens den eersten Messenischeu oorlog, hielden zich oorspronkelijk alleen met rechts- en politiezaken onledig. Thans vormden zij eene soort van commissie, belast met het toezicht op de koningen en hunne handelingen. Zij hadden het recht de volksvergadering bijeen te roepen en haar wetsvoorstellen aan te bieden; zij onderhandelen met vreemde gezanten; zij hadden de bevoegdheid de koningen voor hun rechterstoel te dagen, ze te berispen en tot geldboeten te veroordeelen; bij zwaardere misdaden, waardoor de rust van den staat kon worden bedreigd, mochten zij ze bij de Gerusia aanklagen, en in bijzonder dringende gevallen zelfs in hechtenis laten nemen. Twee Ephoren werden den koningen op hun krijgstocliten als raadslieden toegevoegd.

§ 54.

Athene.

1) T ij d v a k der k o n i n g e n tot 10G8. Het volk was verdeeld in drie stammen, Enpatriden (adellijken), Geomoren (boerenstand) en Demiurgen (ambachtslieden en neringdoenden). Xa den vrijwilligeu dood van Codrus (ra. z. bl. 101) trokken de adellijken van een twist tusschen diens beide zonen over de opvolging partij, om de koninklijke waardigheid althans in naam af te schatten. Maar de overgang van het koningschap tot de aristocratie was hier een zeer langzame en geleidelijke. Het opperste gezag bleef zelfs nog langen tijd erfelijk in do familie

ocr page 124

113

van Codrus; slechts de waardigheid van opperpriester schijnt men daarvan te hebben afgescheiden.

2) Archonten voor hun leven (1068—752), allen uil het geslacht van Codrus (de eerste was Medon).

3) Archonten voor 10 jaar (752—683). Eerst drie eeuwen na de afschaffing der koninklijke waardigheid (752) had er eene verdere beperking van het hoogste gezag plaats; de erfelijkheid werd in beginsel afgeschaft, en de archonten werden niet meer voor hun leven, maar voor 10 jaar gekozen. Ook thans vestigde zich de keuze in 't eerst nog telkens op een der nakomelingen van Codrus.

4) Negen archonten tegel ij k voor één jaar {sedert 683). Nauwelijks hadden de adellijken het oude koninklijke huis in den steek gelaten, of zij veranderden ook den aard van het door die dynastie gedurende drie en een halve eeuw bekleede bestuur (683). Do duur van het oppergezag werd tot één jaar beperkt en de macht aan 9 verantwoordelijke ambtenaren opgedragen, evenwel zóó, dat de wezenlijke attributen van het koningschap onder de drie eerste archonten verdeeld waren.

Deze verandering in de staatsregeling was alleen in het belang van den adel voorgesteld, die daardoor de regeering en de rechtspraak in handen kreeg. (Do adellijken of Eupatriden bewoonden als grondeigenaren de vruchtbare vlakten des lauds, de overige burgers waren of schatplichtige landbouwers en bewerkten de schrale landerijen op do hellingen der bergen of leefden (de kustbewoners) van handel of vischvangst.) Geschreven wetten waren er niet, en dewijl zij, die recht spraken, dit alleen deden in het belang van hunne eigene partij en door willekeur de lagere standen verdrukten, ontstond er eene gevaarlijke misnoegdheid in de gemeente. Om de uitbarsting daarvan te voorkomen, liet de adel door den archont D r a c o (624) de tot hiertoe bij mondelinge overlevering overgebrachte rechtsbepalingen opteekenen, maar zonder de gestrengheid daarvan te temperen. Zoodoende bereikte men niet wat men verwacht had.

De Eupatride C y 1 o n trok van de hierdoor ontstane mis-

ocr page 125

113

noegdlieid partij, om met hulp van zijn schoonvader, den tyran Theagenes van Megara, de tvrannis te bemachtigen; hij bezette in 613 de Acropolis. Door het volk en den adel belegerd, ontsnapte hij zelf, maar zijne volgelingen werden, vooral op aansporen van den Alcmaeonide Megacles, bij de altaren der goden vermoord. Wegens deze gruweldaad werden de Alcmaeoniden uit de stad gebannen (Epimenïdes van Creta).

De drukkende heerschappij van den adel en de klimmende armoede van het door een wreed schuldrecht verdrukte volk moesten tot eene omwenteling leiden, wanneer de wet geen hulp verleende. De redder van Athene werd toen Solon.

De staatsregeling van Solon, 594. Solon, die reeds lang de ziel van alle openbare ondernemingen was geweest, kreeg de opdracht, door staatkundige hervormingen den vrede tusschen de partijen te herstellen.

Hij had reeds door vroegere daden het vertrouwen zijner medeburgers weten te winnen: 1) Door de herovering van Sal a m i s (omstreeks 604). De Atheners hadden Salamis aan de Megarensen verloren, en alle pogingen om het eiland te heroveren mislukten, zoodat men hem, die het zou wagen om in 't openbaar van de herovering te gewagen, met de doodstraf bedreigde. Door eene in geveinsde krankzinnigheid voorgedragen elegie bewoog Solon de Atheners tot de vernieuwing van den oorlog; hij zelf werd tot aanvoerder benoemd, lokte de Megarensen naar Attica, en liet hen door zijne als vrouwen verkleede soldaten dooden. Toen later de beslissing aan de Spartanen werd opgedragen, moet hij, volgens de overlevering, door het inlasschen van een vers in de Ilias (B. 558) aan zijne vaderstad het bezit van het eiland verschaft hebben. 2) Door den eersten heiligen oorlog (596—586). De (,'risaeërs hadden niet slechts van de door hun gebied naar Delphi trekkende kooplieden en bedevaartgangers hooge belastingen geëischt, maar ook den tempel van Apollo zeiven geplunderd en de vreemdelingen, die zich daar bevonden, vermoord. Solon bewoog de Amphictionen tot den oorlog tegen Crisa; de stad werd onder-

Pütz, O. G. 8

ocr page 126

114

worpen, haar haven Cirrha hield zich, door toevoer van den zeekant, langen tijd staande. Eindelijk werd Crisa genomen en verwoest, de inwoners werden als slaven verkocht en het grondgebied aan de Pythischen Apollo gewijd.

Eerst verzachtte hij den nood der armen door de ïsivxyjïsix (vermindering der schulden en verhooging der waarde van het geld; zij, die wegens schulden gevangen zaten, werden ontslagen en in de gelegenheid gesteld hunne schulden geleidelijk af te doen; geen Athener mocht voortaan wegens schulden als slaaf worden verkocht). Daarna begon hij het eigenlijk werk der hervorming.

De belangrijkste hervorming der Atheensche staatsregeling bestond daarin, dat Solon voor alle vrije burgers de deelneming aan het staatsbestuur mogelijk maakte, dewijl hij de inkomsten, en wel de zuivere opbrengst der grondbezittingen , als maatstaf bij de toekenning der staatsburgerlijke rechten koos. Hij verdeelde de vrije burgers in 4 klassen: 1) de WsvTxx.ouioyA'èiu.i/oi, die jaarlijks 500 fisèiuvai gerst of eene daarmede overeenkomstige hoeveelheid wijn en olie inoogstten. 2) De /TTTriJr, die 300 ftiliftvu oogstten en een paard voor den oorlog konden onderhouden. 3) De ^suyÏTxt, die 150 maten oogstten en een span ploegstieren hadden. 4) De iijrs:, die minder oogstten en dus geen grondbezit hadden, dat waarborg was voor hunne burgerlijke zelfstandigheid. De drie eerste klassen vormden de krijgsmacht; daarom waren ook zij alleen tot de staatsbedieningen en den Raad der vier

honderd (100 uit iedere der vier oud-Ionische phylen) verkiesbaar ; de hoogste waardigheid, het archontaat, bleef een privilege der eerste klasse. Alle klassen hadden toegang tot en stem in de volksvergadering, die het eigenlijk staatsgezag vertegenwoordigde; daarin toch werden de ambtenaren gekozen, besluiten genomen over wetten, vrede en oorlog, en de rechters {ykizvrxl) voor de lagere gerechtshoven gekozen.

Tegenover den Raad, die eigenlijk slechts eene commissie uit de volksvergadering was, meende Solon een conservatief element

ocr page 127

115

te moeten plaatsen; daarom stelde hij den Areopagus in, een uit gewezen archonten samengesteld gerechtshof, waarvan de voor hun leven gekozen leden met het oppertoezicht over het geheele beheer van den staat en de rechtspraak over moord en brandstichting belast waren. Ook konden zij door hun veto de 'besluiten van den Ha ad en de volksvergadering vernietigen.

Tot afkondiging en invoering van deze nieuwe staatsregeling werd Solon in 594 toe archont benoemd en als wetgever nog met eene bijzondere volmacht bekleed. Hij stelde de nieuwe, op houten tafelen geschreven wetten op de Acropolis voor een ieder ter inzage, en liet de Atheners beloven, dat zij in de eerste 10 jaren niets daaraan zouden veranderen. Daarna verliet hij Athene, om van verre de werking zijner wetten gade te slaan (zijne reizen naar Aegypte en Klein-Azië; Croesus). Hij stierf op Cyprus (omstreeks 559).

DE TYRANNIS VAN PISISTEA.TÜS (560-537).

De armere bewoners van Attica, die bij de nieuwe staatsregeling op eene gelijkmatige verdeeling der landerijen gerekend hadden, zagen zich in hunne verwachtingen bedrogen. Op nieuw vormden zich drie partijen, de onder Lycurgus, de

•zcipxï.ci onder Megacles, en de ontevreden üttssxxcici onder Pisistratus, een bloedverwant van Solon Pisistratus bezette met zijne lijfwacht (van knodsdragers) de Acropolis. De beide andere partijen verbonden zich wel is waar en verdreven hem, maar weldra geraakten zij in twist met elkander en maakten het hem mogelijk de heerschappij nog tweemaal te bemachtigen en zich ten laatste daarin te handhaven. Hij werd de schepper van de heilzaamste instellingen en bepalingen. Hij liet de wetten van Solon onaangeroerd, legde den grond tot den zeemacht van Athene, door de vloot te vergrooten, den handel uit te breiden en vriendschappelijke betrekkingen met buiten-landsche staten aan te knoopen. Zoo verzekerde hij bijv. den invloed der Atheners op de Ionische Grieken door het weder opbouwen van den Apollotempel op het eiland Delos; in Attica legde hij straatwegen aan; hij stelde volksfeesten in bij gelegenheid

ocr page 128

116

van de voornaamste feesten ter eere van de godin Athena (PanathenaeünJ en begon den bouw van een Zeustempel te Athene. Hij vergrootte die stad en maakte haar tot het middelpunt der Grieksche kunst en letterkunde (verzameling der gedichten van Homerus).

Zijne zonen H i p p i a s en 11 i p p a r c h u s regeerden (sedert 537) geenszins in den geest van huu vader; in het gevoel hunner macht veroorloofden zij zich menige willekeurige en onrechtvaardige handeling. Om wraak te nemen over eene beleediging, zijne zuster aangedaan (zij was door Hipparchus van de deelneming aan het feest der Panathenaeën uitgesloten), plaatste Llarmodms zich met Aristogïton aan het hoofd eener samenzwering, die ten doel had de tyrannen bij den plechtigen optocht der Panathenaëen te vermoorden. De jongste der beide broeders viel door het zwaard der samengezworenen, en Hippias, die nu zijne bedreigde-heerschappij door verbeurdverklaringen en terechtstellingen trachtte te bevestigen, werd door de Eupatriden onder aanvoering van den Alcmaeonide Clisthenes (bijgestaan door de tegen iedere tvrannis opkomende Spartanen) verdreven, 510, en vluchtte met zijne schatten tot den Perzisoheu koning Darius.

Clisthenes, de zoon van den Alcmaeonide Megacles r trachtte de bestaande staatsregeling, door volstrekte vernietiging van elk verschil van stand, in demokratischen zin te ontwikkelen. Ten behoeve van het staatsbestuur verdeelde hij de burgers in 10 lokale Phylen; iedere dezer l'hvlen zond elk jaar 50 door het lot gekozen leden in den Raad, die dus voortaan 500 leden telde. Om aan de kuiperijen en woelingen der partijen voorgoed eeu einde te maken, bepaalde hij dat de archonten en andere ambtenaren niet meer gekozen zouden worden, maar dat het lot tusscheu de daarnaar dingenden zou beslissen. Op de loting volgde het onderzoek naar de waardigheid van den bij het lot benoemde [cicxiutxïiix).

Om eene nieuwe tvrannis en het gevaar, dat uit den strijd van, twee partijhoofden kon ontstaan, te voorkomen, is waarschijnlijk ouder den invloed van Clisthenes het Ostracisme ingesteld ,

ocr page 129

117

waardoor mannen, die door buitengewoon grooten invloed en aanhang gevaarlijk voor den staat schenen te kunnen Torden, in den regel voor 10 jaren, evenwel zonder verlies van hunne burgerlijke eer en hun vermogen, uit de stad konden worden verwijderd.

§ 55.

De Grieksche koloniën.

In dit tijdvak (voornamelijk van 750—650) valt het stichten der talrijke Grieksche volkplantingen, die op de eilanden en de kusten van de Middellandsche zee, de Propontis en de Zwarte zee gevestigd werden, deels om overbevolking of staatkundige onlusten te voorkomen, deels om do bezittingen en de macht van de moederstad uit te breiden ot' haar handel te bevorderen.

In het eerste geval waren deze volkplantingen meestal onafhankelijk van de moederstad, in het laatste natuurlijk afhankelijk.

De Ionische steden overtroffen alle andere steden door de menigte der door haar gestichte koloniën; M i 1 e t e was de moederstad van meer dan 80 volkplantingen, voornamelijk aan den Hellespont, de Propontis (Cyzïcus) en den Pontus (Sinope, Trapezus); Chalcis op Euboea (aan den Euripus) stichtte niet slechts op het zoo gunstig gevormde schiereiland tusschen de Thermaïsche en Strymonische golf 32 steden (ülvnthus, Potidaea enz.), van waar het geheele schiereiland den naam Chalcidice ontving, maar werd ook de moederstad der oudste Grieksche koloniën in Beneden-ltalië (Cumoe, lüiegium) en later op Sicilië (Zancle, Catania, Leontini). — Ook de Aohaeërs, wier smalle kuststrook voor de aangroeiende bevolking weldra te nauw werd, 6n de D o r i ë r s, vooral Corinthe en Rhodus, stichtten koloniën in het westen, de Achaeërs in Beneden-ltalië (Sybaris, Groton), de Doriërs in het Zuidoosten (Syracuse) en het Zuiden van Sicilië (Gela, van daar Agrigentum). Zelfs tot naar Gallië (Massilia), Spanje (Saguntuin) en Africa (Cyrëne) strekte zich de Grieksche kolonisatie uit.

ocr page 130

IIS

BERDE TIJDVAK.

VAN DE PERZISCHE OORLOGEN TOT DEN ONDERGANG DEK ONAFHANKELIJKHEID VAN GRIEKENLAND, 500-338.

Het tijdvak der deinokratie. Hegemonie van Sparta, Athene en Thebe.

§ 56.

De Perzische oorlogen, 500—449.

De opstand der loniërs, 500—494.

De tyran Histiaeus van Milete had, omdat hij door het behoud van de brug over den Ister koning Darius I en zijn leger gered had, eene (aan edele metalen, timmerhout en goede havens rijke) strook land aan don lloueden-Strymon gekregen. Toen hij hier eene stad begon te bouwen, om van daar zijne heerscliappij verder uit te breiden, werd de koning door den satraap Megabazus voor zijne eerzuchtige plannen gewaarschuwd ; Darius ontbood hem aan zijn hof te Susa en hield hem daar,, hem met eerbewijzen overladende, bij zich. Histiaeus' schoonzoon Aristagöras, die hem in de tyrannis van Milete was opgevolgd , werd veroordeeld de kosten eener mislukte onderneming tegen Naxos te betalen, waartoe hij den Perzischen satraap van Sardes (Artaphernes, den broeder van Darius I) had overreed. Om zich aan de straf te onttrekken, vatte hij het plan op, de loniërs tot afval van de Perzische heerschappij over te halen. Toen ook zijn schoonvader Histiaeus hem hiertoe aanmoedigde (in de hoop, dat Darius hem zou opdragen dien opstand te dempen), ging hij zelf naar Griekenland, om hulp te zoeken, maar kreeg slechts van (de Ionische staten) Athene en Eretria een klein aantal schepen. Wel gelukte het aan het verbonden leger der loniërs en Atheners Sardes te verrassen en (behalve den burg) in te nemen, maar na het verbranden van deze siad werd het leger der loniërs op den terugtocht achterhaald en (bij Ephesus) verslagen; Aristagöras verliet het ongelukkige lon'ë, en begaf zich naar de goederen van zijn schoonvader aan den Strymon, om nieuwe pogingen tot de tenuitvoerlegging van diens

ocr page 131

119

plannen in 't werk te stellen, maar hij kwam in den strijd met de Thraciërs roemloos om. Nadat ook de laatste vloot, welke de loniërs vermochten uit te rusten, deels verstrooid, deels (bij Lade) verslagen was (194), werd het land op nieuw aan de Perzen onderworpen. Histiaeus, die werkelijk door Darius naar Milete was gezonden om den opstand te dempen, werd daar als //vriend der Perzenquot; geweerd; hij voerde daarop als zeeroover in het X. van de Aegaeïsche zee den oorlog op eigen hand, totdat hij door de Perzen werd gevangen genomen en Artaphernes hem liet ombrengen.

A. Verdedigingsoorlog tegen de Perzen,-t93—479.

Eerste veldtocht der Perzen onder Mardonius, 493. Door de deelneming aan den opstand der loniërs en de verwoesting van Sardes hadden de Atheners den toorn van Darius opgewekt. Hij zond in 493 zijn schoonzoon MarMonius naar Griekenland, maar diens leger werd reeds in Thracië door een Thracischen volksstam verslagen, en de vloot, die het leger volgde, leed schipbreuk bij het voorgebergte Athos.

De tweede veldtocht der Perzen, 490, onder de aanvoering van D a t i s en A r t a p h e r n e s (den zoon van den stadhouder van Sardes), was tegen het reeds vroeger te vergeefs aangevallen Naxos, en vandaar tegen Rretria en Athene gericht, die hulp aan de opstandelingen hadden verleend. De Grieken wapenden zich geenszins tot gemeenschappelijken tegenstand; integendeel, niet slechts de eilanden (behalve Naxos), maar ook de kleine staten van het vasteland onderwierpen zich aan de Perzen, terwijl men alleen te Athene en te Sparta de eischen van den koning (aarde en water) met de bespotting en terechtstelling zijner gezanten beantwoordde (die men te Sparta in eeu put, te Athene in een afgrond wierp). Artaphernes nam Naxos zonder moeite, maar van Eretria kon hij zich eerst na herhaalde aanvallen, en zelfs toen nog slechts door verraad, meester maken; de stad werd verbrand, de inwoners werden naar Susa gezonden en ontvingen van den koning woonplaatsen aan den Tigris. Hierop landde het Perzische leger (van minstens 100,000 voetknechten

ocr page 132

130

en 10,000 ruiters) in Attica en werd op raad van den Pisistratide Hippias, die van de overwinning der Perzen zijne lierstelling verwachtte, in de vlakte van M a r a t li o n in slagorde geschaard. Daar de Spartanen met de beloofde hnlp niet kwamen opdagen, moesten de (9,000) Atheners, slechts door 1000 Plataeërs bijgestaan, den strijd alleen aanvaarden. De slag, waarin Miltiades, die zijne bezittingen aan den Hellespont in den steek had moeten laten, de Atheners aanvoerde, en Aristides en Themistocles onder de eersten meestreden, werd voornamelijk gewonnen door de snelheid, waarmede de aanval geschiedde; de Perzen, naar hnnne schepen teruggedreven, deden nog eene poging, om tijdens de afwezigheid der burgers do stad (door om het voorgebergte Sunium te varen) van den zeekant te overvallen, maar Miltiades kwam over land voor hen te Athene aan, en de Perzische vloot keerde naar Azië terug.

Na den dood van Miltiades (hij stierf na het mislukte beleg van Paros in de gevangenis) vatte Themistocles, die begreep dat men alleen op zee den Perzen het hoofd kon bieden en die reeds vroeger den Piraeus tot eeu geduchte oorlogshaven had gemaakt, het plan op, aan Athene uit de opbrengst der zilvermijnen van Laurium eene zeemacht te verschaffen; de burgers der 4de klasse (de Thetes) zouden als soldaten op de vloot dienen en daarvoor uitgebreider staatsburgerlijke rechten verkrijgen. Aristides, van oordeel dat men deze (demo-kratische) nieuwigheden alleen aan zelfzuchtige bedoelingen van Themistocles te danken had, kantte zich daartegen aan. De strijd tusschen deze beide mannen werd beslist door het scherveugericht, dat Aristides tot ballingschap voor 10 jaar veroordeelde.

Derde veldtocht der Perzen, 480. Xerxes, de zoon en opvolger van Darius, besloot Griekenland, dat te vergeefs een gezantschap om hulp naar Syracuse had gezonden , even als Mardonius, tegelijk te land en ter zee aan te vallen. Twee jaar lang hield hij er zich mee bezig troepen nit alle deelen van het Perzische rijk samen te trekken en deze volkomen ten strijde toe te nisten. Terwijl door de Phoeniciërs

ocr page 133

121

en Aeiryptenareu twee schipbruggren over den Hellespont werden grelegd en dc landengte liij den Athos werd doorgestoken, rukten de contingenten van het Oosten (reeds in den herfst van 481) Cappadocië binnen, en Xerxes zelf voerde ze naar Sardes in de winterkwartieren. In de volgende lente trok het leger in 7 dagen over den Hellespont, waar ook de vloten der aan Perzië onderworpen kustbewoners verzameld waren. Bij eene monstering en, trouwens zeer onzekere, telling van het leger, bij Doriscus in Thracië, bleek de geheele Perzische legermacht uit 1,250,000 man en de vloot uit 1200 schepen te bestaan. Daarop trok het leger naar het Westen tot aan de Thermaïsche golf en kwam daar weer met de vloot samen, die door een, in den Oostelijken uitlooper van het schiereiland Chalcidice gegraven kanaal, den gevaarlijken tocht om het voorgebergte Athos vermeden had.

De dreigende nadering der Perzen had de Grieken niet tot eendrachtig optreden genoopt. Sommige staten, zooals Argos en Creta, wilden aan den strijd tegen Xerxes niet deelnemen, andere, zooals Boeotië en Thessalië, waren Perzisch gezind. Toch gelukte het Themistocles bij een bijeenkomst der staten op den Corinthischen Ishmus, Sparta en den Peloponnesischen bond over te halen, zich bij Athene aan te sluiten, door aan de Spartanen de leiding van den oorlog, de «hegemoniequot;, over te laten. Plataeae, Thespiae en Aegina sloten zich mede bij Athene aan. Eerst bezetten tienduizend zwaargewapende Grieken het dal Tempe, maar gaven dit spoedig weer prijs, omdat het door Macedonië tot aan den Olympus opgerukte Perzische leger hun legerplaats gemakkelijk kon omtrekken en de vloot ook in hun rug troepen aan land kon zetten. De Grieken trokken naar den Oeta, den tweeden natuurlijken wal van Griekenland, terug. De Spartaansche koning Leon id as aanvaardde met 7000 man (waaronder slechts 300 Spartanen) de verdediging van den bergpas Thermopylae; de vloot (van 262, waaronder 147 Atheensche, schepen), insgelijks onder het opperbevel van een Spartaan (Eurybiades), werd daartegenover aan de noordoostelijke

ocr page 134

122

punt van Euboea, bij het voorgebergte Artemisiuin, gestationeerd. Twee dagen streed Xerxes zonder gevolg in den bergpas bij Thermopylae; toen trok hij langs een smal pad, dat hem door Ephialtes verraden was, over den Oeta, en viel de Grieken in den rug aan. Nu liet Leonidas zijne bondgenooten (behalve de als gijzelaars medegenomen Thebauen) den terugtocht aannemen, dien hij met zijne 300 Spartanen en de vrijwillig zich bij hen aansluitende (700) Thespiers dekte, totdat zij allen bezweken waren. Ter zee waren drie ontmoetingen bij Artemisium onbeslist gebleven; op de tijding van de nederlaag van Leonidas trokken de Grieken over den Euripus terug, om de vaderlandsche kusten te verdedigen. Zoo was ook het tweede plan mislukt en -Midden-Griekenland aan de Perzen overgeleverd. Daarom bewoog Themistocles de Atheners, hunne stad prijs te geven en naar Salamis te stevenen, terwijl hij door de tijding van de ophanden zijnde vlucht der Grieken Xerxes tot een aanval op de Grieksche vloot bij Salamis overhaalde. t)e barbaren streden hier zonder plan en orde, en de Grieken behaalden een schitterende overwinning; de koning, door eene nieuwe list van Themistocles misleid, ijlde zelf met het grootste gedeelte van zijne troepen naar Azië terug, maar liet Mardon ins met de kern van het leger (300,000 man) in Thessalië achter, om de onderwerping van het vasteland van Griekenland te voltooien.

Het jaar 479. Mardonins trachtte eerst (door koning Alexander van Macedonië) de Atheners, aan wie de Grieken vooral de beslissing van het vorige jaar te danken hadden, van de Pelopounesiërs te scheiden. Toen dit mislukte, rukte- hij, zonder tegenstand te ontmoeten, tegen Athene op. De Atheners moesten voor de tweede maal hunne stad verlaten en zich naar Salamis begeven. Toen Attica andermaal door de Perzen was verwoest, besloten de Spartanen eindelijk tot het zenden van hulp; Mardonins trok naar het met hem verbonden Boeotië terug , maar werd door de Atheners onder (den teruggaroepen) Aristides en de Spartanen onder Pansanias, den voogd van den minderjarigen zoon van Leonidas, bij Plataeae (•179) verslagen en sneuvelde met het grootste gedeelte van zijn leger.

ocr page 135

123

Alleen dat gedeelte zijner troepen bleef gespaard, dat reeds gedurende den strijd het slagveld had verlaten. Dit was de belangrijkste overwinning in den geheelen oorlog. Hier streden 350000 Perzen tegen 100000 Grieken. Mardonius sneuvelde en zijn onderbevelhebber voerde de rest van het leger naar Thracië terng. De aanvoerders der Perzische partij in Thebe liet Pausanias ter dood brengen.

De Grieksche vloot, onder het opperbevel van den Spartaan-schen koning Leotyclüdes, had, daar zij voor groote ondernemingen te zwak was, zich in dit jaar alleen bezig gehouden met elke ondersteuning van Mardonius door de Perzische zeemacht te beletten. Maar toen de vlootvoogd door een gezantschap van Samos vernam, dat geheel lonië slechts op de komst dor Grieksche vloot wachtte, ora van de Perzen af te vallen, zeilde hij naar Samos. De Perzen hadden bij het voorgebergte Mycale hunne vloot aan wal getrokken en verschanst. Op den dag, waarop de slag bij Plataeae werd geleverd (?), landde Leoty-chides in het gezicht van het in slagorde geschaarde leger der vijanden; terstond geschiedde de aanval, en de Perzen werden, vooral door de dapperheid der Atheners onder Xanthippus en den afval der loniërs gedurende den strijd, volkomen verslagen; de vloot der Perzen werd verbrand. Door de legermacht van vele eilanden (Samos, Chios e. a.) versterkt, maakte Xanthippus zich het volgende jaar meester van de stad Sestus aan den Hellespont. Griekenland was nu geheel van de Perzen bevrijd en werd zelfs spoedig voor dit volk een gevaarlijke nabuur.

Athene werd (478) onder leiding van Theinistocles op grooter schaal weder opgebouwd en ondanks het verzet der ijverzuchtige Spartanen (die Themistocles door gezantschappen om den tuin leidde) met groote snelheid van vestingwerken voorzien; de havenstad van den Piraeus werd voltooid en versterkt. Aan de burgers der 4de klasse verschafte thans Aristides zelf, die nu in elk opzicht met Themistocles overeenstemde, tot belooning voor hunne dapperheid het volle burgerrecht, dus den toegang tot alle eer- en overheidsambten. Verder maakte Aristicles zich

ocr page 136

124

nog ten zeerste verdienstelijk, door het door te zetten dat de bijdragen werden vastgesteld, die de met Athene'verbonden zee-staten jaarlijks in de bondskast moesten storten. Hij stierf, door het volk als ,/de rechtvaardigequot; geëerd, in 468.

Volgens de overlevering behaalde de tyran G e 1 o n van Syracuse op denzelfden dag, waarop Xerxes bij Salamis werd verslagen, eene schitterende overwinning op de Carthagers bij H i in ë r a.

B. Aanvallende oorlog tegen de Perzen, onder de hegemonie van Athene, 477—449.

De Grieksche vloot onder Pansanias zette met goed gevolg den oorlog voort, om de Perzen ook uit Thracië, de Grieksche eilanden en de koloniën van Klein-Azië te verdrijven. Maar het trotsche gedrag van Pansanias vervreemdde de Ionische bond-genooten van Sparta en had ten gevolge, dat de hegemonie (d. i. het opperbevel over de bondgenooten) van Sparta op Athene overging. (Ionische symmachie; Del os het middelpunt daarvan). De Spartanen riepen Pausanias terug en onthielden zich van de verdere deelneming aan den oorlog tegen de Perzen, die door de Atheners en hunne bondgenooten onder C i m o n (den zoon van Miltiades) met veel geluk werd voortgezet. Hij verdreef de Perzen uit Thracië, Carië en Lycië, versloeg hunne vloot en hun leger aan den mond van de rivier Eurymëdon in Pamphylië, 469, verfraaide van den buit Athene en verbond door de lange muren den Piraeus met de stad.

Themistocles, dooi' de aristokratische partij te Athene verdacht gemaakt, werd door het ostracisme uit de stad verwijderd en ging, van deelneming aan het verraad van Pausanias beschuldigd, eerst naar Argos, dan naar Susa tot Artaxerxes I, die hem de inkomsten van eenige steden schonk. — Pausanifis, die met de hulp der Perzen te Sparta het ephoraat wilde afschaffen en het absolute koningschap wilde herstellen, ontkwam de inhechtenisneming door de vlucht in een tempel, waar men hem van honger liet omkomen.

Toen eene aardbeving Sparta vernield had, verbonden zicli

ocr page 137

125

de Heloten met de Messeniërs, om kunne vrijheid te herwinnen. Een aanval op Sparta werd afgeslagen , en zij bezetten nn Ithome. Zoo ontstond de derde Messen ische oorlog (465—456). Cimon (Pericles en Ephialtes hadden zich daartegen verzet) kwam met een Atheensch leger den Spartanen te hulp, maar werd, daar men hem te Sparta niet recht vertrouwde, na eene mislukte poging om Ithome te bestormen, teruggezonden. Aan de Messeniërs, die na een tienjarig beleg onder voorwaarde vau vrijen aftocht Ithome verlieten, schonken de Athenera hot kort te voren op de (Ozolisohe) Locriërs veroverde Naupaetus.

Eindelijk ondernam Cimon (die na zijne terugzending van Ithome met ballingschap was gestraft geworden) de verovering van het eiland Cyprus. Hij stierf bij het beleg van Citium, maar zijne vloot en zijn leger versloegen op den terugtocht de Perzische vloot bij S a 1 a in i s op Cyprus in 449. De Perzische oorlogen waren hiermede geëindigd, zonder dat een for-meele vrede gesloten werd. Sedert was Athene meesteres op de Aegaeïsche zee.

§ 57.

Ijc eewc rav, Ferides.

Ue Atheensche staat, die sedert de stichting van den Atheen-schen zeebond steeds in macht was toegenomen, bereikte het toppunt van zijn bloei onder Pericles (468—429). Deze, de zoon van Xanthippus, den overwinnaar vau Mycale, bestuurde, zonder archont te zijn, als hoofd der demokratische partij 40 jaren (468—429) lang de openbare aangelegenheden van zijne vaderstad. Zijn doel was de heeischappij van het volk te voltooien, om daarop (als bestuurder van lut volk) zijne eigene heerschappij te vestigen. Daarom trachtte hij de armeren onafhankelijk te maken van hunne rijkere medeburgers. Met dit doel liet hij hun presentiegelden voor hunne aanwezigheid in de volksvergadering en in de zittingen der recLtbankeu toewijzen, om hen tot levendiger deelneming aan de staatsaangelegenheden uit te lokken. Eveneens werden zij voor den krijgsdienst betaald en werd hun het bezoek

ocr page 138

126

der schouwlmriren mogelijk gemaakt, door hen van het betalen van een toegangsbewijs vrij te stellen. Aan den Areopagus , het eenige aristoknitische bestanddeel van den staat, werd, ondanks het door dit lichaam en door Cimon gevoerde verzet, het toezicht over de zeden en over het geheele beheer van den staat ontnomen; slechts de rechtspraak in crimineele zaken behield hij. Cimon werd diensvolgens gebannen. Tevens verzekerde Pericles aan Athene de heerschappij over de bondgenooten en zoodoende over alle landen op de kusten van den Archipel. Met dat doel werd de bondskas van Belos (waar zij, zoo als men beweerde, niet veilig was) naar Athene overgebracht; de bijdragen der bondgenooten werden als schattingen beschouwd, die men besteden kon, gelijk men wilde; zelfs de beslissing in twisten der bondgenooten onderling matigde men zich aan. De bondskas was nu in waarheid de schatkist van Attica geworden. Niet minder strekten Pericles' ijverige zorgen zich uit tot de bevordering van kunsten en wetenschappen. De geschiedschrijver Herodotus uit Halicarnassus was zijn vriend, beroemde redenaars (A n t i p h o n) en wijsgeeren (A naxagora s) gingen met hem om, de dichters Aeschylus, Sophocles, Euripides e. a. vonden in Athene levendigen bijval en hunne dichtwerken, die nog heden ten dage de algemeene bewondering opwekken, werden met geestdrift ontvangen. De prachtigste bouw- en beeldhouwwerken zijn onder den invloed van Pericles ontstaan, de tempel van Athena op het voorgebergte Sunium, de tempel van Deineter in Eleusis, het Parthenon met de schatkamer op den burcht te Athene, de Propylaeön of de voorgaanderij en de prachtige trap, die naar den burcht geleidde. Het Parthenon werd door Phidias en diens leerlingen met prachtig beeldhouwwerk versierd; deze meester vervaardigde ook voor hét burchtplein van Athene het 15 meter hooge standbeeld der godin Athena, voor den Zeustempel te Olympia het groote, in de oudheid als onovertroffen geprezen standbeeld van Zeus en andere werken. Athene was toen de prachtigste stad van geheel Griekenland „ de leerschool voor kunsten en wetenschappen.

ocr page 139

127

De naijver tusschen Sparta en Athene, die reeds in de Perzische oorlogen door den overgang der hegemonie op Athene en de versterking der stad ontstaan, en in den derden Messcnischen oorlog door het terugzenden van het Atheensche leger nog vermeerderd was, bleek reeds ten duidelijkste, toen de Spartanen aan de Thebanen de middelen verschaften om tot de opperheerschappij over de Boeotische steden te geraken (als tegenwicht tegen Athene's steeds klimmende macht). De Atheners verzetten zich daartegen mot geweld van wapenen; zij vielen (onder Myro-nides) de Spartanen op hun terugtocht uit Boeotië aan, maar werden door hen (door verraad) bij Tanagra (-157) overwonnen; daarentegen werden de Boeotiërs in een tweeden veldslag (bij Oenophyta op de Attisch-Boeotische grens) verslagen, en de meeste Boeotische steden gedwongen om tot een bondgenootschap met Athene toe te treden en demokratische staatsregelingen in te voeren. Een voor dertig jaren (in 445) gesloten vrede («de vrede van Periclesquot;) belette niet dat weldra een nieuwe, hoogst verderfelijke oorlog tusschen Athene en Sparta uitbrak. Echter had Athene zich den tijd van vrede ten nutte gemaakt om zijne macht door koloniëen uit te breiden (te Sinope eene kleruchie ; volkplantingen vertrekken naar de Chersonesus, naar Naxos, Amphipolis).

§ 58.

De Peloponnesische oorlog, 431—404.

Nadat de Atheners niet alleen de Corcyraeërs in een oorlog met Corinthe (wegens de hulp aan de demokraten van Epidamnus verleend) bijgestaan, maar ook de Corinthische kolonie Potidaea op Chalcidice, die op bedrijf der Corinthiërs het bondgenootschap der Atheners verlaten had, ondanks de hulp der Corinthiërs en Macedoniërs, van den land- en den zeekant hadden ingesloten, bewogen de Corinthiërs op eene door hen te Sparta bijeengeroepen vergadering de Peloponnesiërs, den wapenstilstand (den vrede van Pericles) voor verbroken te verklaren eu tot den oorlog tegen Athene te besluiten, ten einde Griekenland vau de

ocr page 140

Ï28

overgroote mackt der Atheners te bevrijden. De zijde van Sparta kozen de Peloponnesiscke steden en Boeotië (behalve Plataeae); met Athene streed het grootste gedeelte der eilanden en der op de kust van de Aegaeïsehe zee gelegen steden, als gedwongen bondgenooten, die slechts op de gelegenheid wachtten om het knellende juk af te werpen.

I. De tienjarige oorlog tot aan den v ij f t i g-jarigen vrede van Nicias, 431—Wl.

Nadat reeds vóór het einde der onderhandelingen de Thebauen een verraderlijken, hoewel mislukten aanval op Plataeae hadden gedaan, begon de eigeidijke oorlog met de verwoesting der weder-zijdsche landerijen : de Peloponnesiërs onder den Spartaanschen koning Archiditmus deden herhaaldelijk invallen in Attica, terwijl de Atheners met eene vloot de kusten van de Peloponnesus verontrustten. Maar dewijl de Atheners te land en de Spartanen ter zee eene ontmoeting met den vijand vermeden, kon geen der beide oorlogvoerende volken eene beslissende overwinning behalen , hetgeen noodzakelijk den oorlog moest rekken.

Do bewoners van Attica, die bij het naderen der Spartanen in de eerste plaats bedreigd werden, waren op raad van Pericles naar Athene gevlucht, waar de pest uitbrak, die onder talrijke slachtoffers ook Pericles zeiven wegrukte (429). Potidaea, dat ingesloten was, werd weder onderworpen, en Mitylene (op het eiland Lesbos), dat evenzeer van Athene was atgevallen, moest zich, voordat de Spartaansche hulp aankwam, op genade en ongenade overgeven; op Cleons raad spraken de Atheners over alle mannen in Mitylene liet doodvonnis uit, maar bepaalden den volgenden dag, dat dit vonnis slechts aan de hoofden der samenzwering zou voltrokken worden. Desniettegenstaande verdeelde men het eiland onder Atheensche burgers, en werden er te Athene meer dan 1000 voorname Lesbiërs ter dood gebracht (428).

Om in de slepende wijze, waarop de oorlog gevoerd werd, wat meer leven te brengen, ontwierp Demosthenes het plan om Sparta's macht op de gevoeligste plaats, in de Messenische provincie, aan te vallen. Daarom landde hij, terwijl de invallen der Pelopon-

ocr page 141

125).

Tiesiërs in Attica voortduurden, met een gedeelte der AtLeensclie vloot in de Messenische haven Pylus, en versterkte deze als'een uitmuntend uitgangspunt voor de ondernemingen der Atheners iu •de Peloponnesus. Maar ook de Spartanen zagen het gevaar in, dat hen van daar bedreigde; daarom vielen zij de plaats niet alleen van de landzijde aan, maar bezetten ook het tegenovergelegen eiland Sphacteria. De Atheensche bezetting werd echter (door Eury-mëdon) bevrijd, cn Cleon nam de (300) Spartanen op Sphacteria gevangen.

In 424 veroverden de Atheners nog het eiland Cythera, maar hun geluk had reeds zijn toppunt bereikt; door de tot dusver verkregen uitkomsten bemoedigd, besloot Demosthenes den eenigen nog gevaarlijken staat in Midden-Griekenland, Boeotië, aan te vallen, om ïhebe te verootmoedigen. Maar de Thebaansche phalanx behaalde bij Delium, 424, eene schitterende overwinning. Hierdoor bemoedigd, waagden ook de Spartanen onder E r a-sidas een nieuwen aanval, wel niet tegen Athene zelf, maar tegen de Atheensche koloniën op de Macedonische kust, die gaarne hare poorten voor hen openden. Om deze steden , die Brasidas binnen hare muren hadden opgenomen , te heroveren , voerde Cleon een leger naar Macedonië, maar werd door Brasidas tot den slag bij Amphipölis gedwongen en verslagen, 422. Dewijl echter Cleon op de vlucht omgekomen en Brasidas aan de wonde, die hij in den slag had ontvangen, gesueuveld was, gelukte het Nicias zoo veel te eerder een vrede voor 50 jaren tot stand te brengen, onder voorwaarde dat men aan beide kanten van alle veroveringen afstand zou doen en de gevangenen zou teruggeven.

II. Van do vernieuwing van den oorlog tot aan het einde der onderneming tegen Sicilië, 41S—413.

Daar eenige staten in de Peloponnesus den vrede van Nicias niet goedkeurden en gunstiger voorwaarden voor de overwinnaars verlangden, sloten Sparta en Atliene een bondgenootschap tot instandhouding van den vrede; daartegen vormde zich een ander verbond, aan welks hoofd Argos stond. Maar toen wederzijdsche

Pütz, O. (j. 9

ocr page 142

130

klachten over het niet vervullen van het bij den vrede bepaalde nieuwe geschillen tusschen Athene en Sparta deden geboren worden, wist de eergierige en oorlogzuchtige A 1 c i b i a d e s de Atheners over te halen, het bondgenootschap met Sparta te verlaten en tot het demokratische Argivische verbond toe te treden; de Lacedaeraoniërs maakten echter aan dit onnatuurlijk bondgenootschap een einde door de overwinning bij Mantinca(4l8). De stemming werd aan beide kanten weer vijandelijk, alom ontbrandde de strijd der partijen en ondanks de gesloten verdragen was nergens veiligheid en goede trouw (de ramp van Melos, 416).

De onderneming tegen Sicilië (415—413). De Atheners waren er reeds lang op uit geweest, hunne heerschappij ter zee door de verovering van Sicilië ook over het VV. der Middellandsche üee uit te breiden, en meenden daarvoor eene geschikte gelegenheid gevonden te hebben, toen de bewoners van Egesta (of Segesta) hunne hulp tegen Syracuse (en Selinus)-iuriepen. Het lichtgeloovige volk liet zich daarom door zijn leider Alcibiades overreden, om eene vloot van 134 schepen onder dezen, Nicias en Lamachus naar Sicilië te zenden. Doch Alcibiades werd reeds spoedig door het Salaminische (tot godsdienstige en politieke zendingen bestemde) schip naar Athene teruggeroepen, om zich wegens de schending der Hermesbeelden en de ontwijding der mysteriën te verantwoorden. Hij vluchtte naar Argos, en toen hij te Athene ter dood was veroordeeld, naar Sparta, waar hij den raad gaf de Syracusanen te ondersteunen en Decelca, een vlek in Attica, te bezetten, om van daar invallen in het Attische grondgebied te doen, en het daardoor den Atheners onmogelijk te maken om steeds versche hulptroepen naar Sicilië te zenden. In-tusschen behaalde Nicias in een slag onder de muren van Syracuse (waarin Lamachus sneuvelde) de overwinning, en belegerde de stad zoo fel, dat zij reeds op het punt stond zich over te geven, toen Gy lippus haar met Peloponnesische schepen te hulp kwam en de Atheners omsingelde. Ook de Atheners ontvingen wel is waar versterking, eerst onder Eurymëdon, clan onder Demos-

ocr page 143

131

theues; maar de Syracusanen overwonnen het kleine eskader vaa Eurymedon. Demosthenes trachtte to vergeefs zich een uitweg uit de haven te banen (413); bij den terugtocht over land werd hij met Nicias gevangen genomen en ter dood gebracht (volgons sommigen doodden zij zich zei ven); do overige gevangenen (meer dan 7000) worden in do steengroeven geworpen, on later (op de Atheners, Sicilianon en Italioten na) als slaven verkocht.

ITI. De Decoloïsche oorlog, 413—404quot;. De Perzen mengen zich in den oorlog.

Het ongeluk der Atheners op Sicilië bemoedigde niet slechts de bondgenooten tot don afval, maar bewoog ook de Spartanen tot do vernieuwing van den oorlog (414). Zij haddon, op raad van Alcibiades, bij een inval in Attica Decelca versterkt on van eene bezetting voorzien, die gedurig strooptochten naar de omliggende oorden ondernam. Maar om eene volledige overwinning te kunnen behalen, hadden zij behoefte aan eene vloot, en daartoe verschaften hun de Perzische |atrapen (ïissaphernos en Pharnabazus) aan de Propontis en den Bosporus (op aanraden van Alcibiades)) de middelen. Zoo konden zij den oorlog naar den Hellespont verplaatsen, om den Atheners den toevoor uit den Pontus af te snijden. Men weet te Athene allo onheil aan de demagogen; een oligarchische raad van 400 maakte zich van de heerschappij meester en beperkte de volksvergadering tot 5000 gegoede burgers, die geheel van hen afhankelijk waren. Op die wijze van alle kanten in het nauw gebracht, riep het leger op de Atheensche vloot Alcibiades als opperbevelhebber terug; deze vernielde bij Cyzïcus de Spartaanscho vloot (410), overwon het naar de kust gevluchte leger in een veldslag, koerde, nadat de oorlog in do wateren van den Pontus geëindigd was, met rijken buit naar Athene terug (408) en werd aldaar met groote vreugde ontvangen. Do domokratie was reeds vroeger gedeeltelijk weder ingevoerd, de oude raad van 500 werd hersteld, maar de beperking der volksvergadering duurde voort. Wel waagde Alcibiades niet Decelea aan te vallen, maar hij bracht toch, hetgeen sedert de bezetting van Doceloa niet gebeurd was, eene

ocr page 144

132

processie over laud naar Eleusis. Echter verloor hij liet opperbevel weder, toen zijn onderbevelhebber Antiöchus in zijne afwezigheid door den Spartaan L y sand er bij Notiura werd geslagen. Tien aanvoerders, waarvan C o n o n de voornaamste was, verkregen toen het bevel over de Atheensche vloot, die bij de Arginüsische eilanden (tegenover Lesbos) den Spartaan Callicratïdas overwon (406). Maar de Oligarchen te Athene dreven niet slechts door, dat de overwinnende (tot de demokratische partij behoorende) veldheeren werden ontslagen, omdat zij bij een storm de drenkelingen niet hadden opgevischt, maar ook, dat aan de 6 naar Athene teruggekeerde aanvoerders het doodvonnis werd voltrokken (verzet van Socrates). Terwijl Athene aldus zich zelf van zijne beste veldheeren beroofde, overviel Lysander de laatste Atheensche vloot in hare ongunstige positie in de Propoutis bij Aegospot:imos (tegenover Lampsacus), 405, terwijl bijna alle manschappen aan wal waren. Conon ontsnapte met slechts 9 schepen.

Athene moest na een kortstondig beleg, aan den zeekant ingesloten door Lysander, te land door de Spartaansche koningen Agis en Pausanias bestookt (het werd ongeveer 4 maanden lang geblokkeerd), door honger gedwongen, kapituleeren, zijne schepen op twaalf na uitleveren, de lange muren en de vestingwerken van den Piraeus slechten, eene aristokratische staatsregeling aannemen, den Spartanen hulp in alle oorlogen beloven, en zich aan hun opperbevel onderwerpen. De regeering werd aan de zoogenaamde dertig tyrannen opgedragen; maar deze werden, na een hoogst willekeurig en wreed bestuur van acht maanden (waarin zij alle burgers, op 3000 trouwe aanhangers der oligarchie na, ontwapend en hun tegenstanders deels gedood [men verhaalt van 1500 terechtstellingen], deels uit de stad verdreven hadden), door Thrasybülus, met hulp eener bende bamelingen en onder de bescherming van den Spartaanschen koning Pausanias, verdreven (Critias, het hoofd van het schrikbewind, viel in de worsteling). De demokratie (volgens de wetten van Solon) werd hersteld, en eene algemeene amnestie afgekondigd. — Alcibiades

ocr page 145

133

kwam op bedrijf der Spartanen in Phrygië door sluipmoord oro het leven, terwijl hij op reis was, om den Perzischen koning Artaxerxes II voor zijne plannen tot redding van Athene te winnen.

§

De Hegemonie van Sparta, 404—387.

De Spartanen voerden in alle aan hun gezag onderworpen, vooral in de vroegere Atheensclie steden een bestuur van 10 mannen der oligarchische partij in (dekarchiën); nevens en boven lien stonden Spartaansche har mosten, zoo noodig met Lacaedemonische troepen.

De Spartanen ondersteunden den jongeren Cyrus in den oorlog tegen zijn broeder Artaxerxes II (m. z. bl. 44), uit erkentelijkheid daarvoor, dat hij hun iu den Feloponnesischen oorlog rijkelijke geldelijke hulp had verleend. Na de nederlaag en den dood van Cyrus in den slag' bij Cunaxa, nam de Athener Xenophon met de (10,000) Grieken (meestal Peloponnesiërs), die op hun vleugel hadden overwonnen , midden door vijandelijke volksstammen en door raoeielijk toegankelijke, met sneeuw bedekte gebergten den terugtocht aan en bracht hen na het overwinnen van ontzaglijkquot; moeielijkheden en gevaren naar Klein-Azië.

Toen nu de Perzische satraap Tissaphernes de loniërs voor hunne deelneming aan dien oorlog met Cyrus wilde straffen, kregen deze hulp van Sparta (Thimbron, Derkyllidas), de voormalige bondgenoote van Cyrus. De gelukkige vorderingen der Spartanen in het bijna reeds ontbonden Perzische rijk, vooral onder do aanvoering van hun jongen koning Agesilaus (sedert 396), noopten de Perzen, om de Spartanen in Europa in

den Corinthischen oorlog (394—387) te wikkelen. Zij trokken namelijk partij van de ontevredenheid met Sparta's drukkende hegemonie en bewogen de demokraten in Thebe, Corinthe en Argos (terwijl zij hun geldelijke ondersteuning aanboden) tot den oorlog tegen Sparta's zegevierende macht (345); ook Athene nam aan dien oorlog deel. Terwijl nu de Perzen op raad van

ocr page 146

134

den Atliener Conon een groote vloot uitrustten , vielen de Tlielmnen in het jaar 395 het landschap Phocis binnen.

Toen Lysander door de Thebanen bij Haliartus verslagen en zelf gesneuveld was, en het Corinthisch verbond ook de overige staten tot den strijd voor hunne onafhankelijkheid uit-noodigde (ook Athene trad toe), keerde Agesilaüs uit Azië terug, daar de Spartanen liever hunne onzekere buitenlandsche bezittingen prijs wilden geven dan de hegemonie over Griekenland verliezen. De koning nam zijn weg door Thracië, drong tot Boeotië door, hield voor zijn leger de pas ontvangen tijding van de nederlaag der Spartaansche vloot onder Peisandros bij C n ï d u s (door de Perzische onder aanvoering van den uit Athene gevluchten Conon) geheim en overwon de bondgenooten bij Coronëa aan het meer Copaïs, 394. De gevolgen van deze met groote inspanning behaalde overwinning waren evenwel zoo onbeduidend, dat de Lacedaemoniërs zich in Boeotië niet konden staande houden. Conon daarentegen verloste de Grieksche steden in Klein-Azië van de heerschappij der Spartanen, herstelde met Perzisch geld de lange muren van Athene, en verschafte aan zijne vaderstad voor korten tijd op nieuw de opperheerschappij ter zee. Nog zes jaar word er met afwisselend geluk gestreden (in 392 werd een Spartaansche leger-afdeeling door de peltasten van Iphicrates vernietigd; in 3S8 werd de Piraeus door Teleutias, een broeder van Agesilaüs, overvallen.)

Om de Perzen van het bondgenootschap met Athene af te trekken en een nieuw verbond tusschen Sparta en Perzië te sluiten, zonden de Spartanen den vlootvoogd Antalcidas met vredesvoorstellen aan het Perzische hof naar Sardes. De Grieken van Klein-Azie (benevens Cyprus) zouden onder den Perzischen koning (als overwinnaar bij Cnidus) komen, de Grieksche steden in Europa daarentegen en de eilanden (behalve Lemnos, Imbros en Scyros, die in het bezit der Atheners bleven) zouden vrij zijn. Alle staten, ook Thebe, namen met deze voorwaarden genoegen. De Spartanen, die met de uitvoering der tweede voorwaarde van den zoogeuaamden vrede van Antalcides, 387,

ocr page 147

135

■werden belast, hadden daardoor verkregen dat de macht der voornaamste staten in Griekenland geducht werd verzwakt. De Perzen hadden ten laatste toch nog het doel hunner tochten naar Europa bereikt; zij werden als de rechtmatige bezitters der kusten van Klein-Azië door alle Grieken plechtig erkend.

§ 60.

Be oorlog tmwhen Sparta en Thef je, 378—362.

Hegemonie van Thebe.

1. Verdedigingsoorlog van Thebe. Terwijl Sparta zelf zich niet hield aan de bepalingen van den vrede van Antalcidas, maakte het van zijn macht gebruik, om andere staten tot het bewaren van den vrede te dwingen en daardoor zijn invloed uit te breiden. In 't jaar 383 verlangden de steden Apollonia en Acanthus op het Chalcidische schiereiland in Macedonië hulp van Sparta tegen het machtige Olynthus, dat zijn gebied ten koste van zelfstandige gemeenten uitbreidde. De partij van Agesilaüs in Sparta beschouwde dit als eene gewenschtegelegenheid, om Sparta's oppergezag in liet noorden te herstellen. Phoebidas, die hulptroepen tegen Olynthus aanvoerde, wilde de heerschappij zijner vaderstad ook reeds in Midden-Griekenland uitbreiden en bezette, in verstandhouding met de aristokraten (Leontiades) in Thebe, de Cadmëa (383), om, bij gebrek van een vloot, voor de Spartanen den verren weg over land naar Macedonië veilig te maken. De uit Thebe verdreven (300—400) demokraten (hun leider Ismenias werd te Sparta terechtgesteld) vluchtten naar Athene, waar zij eene eervolle ontvangst vonden (even als in 403 de Atheners te Thebe). Bijna vier jaar later, toen ook na het einde van den Olynthischen oorlog (379) de Kadmea niet door de Spartanen werd ontruimd, keerde Pelopidas met elf' als jagers vermomde vrienden naar Thebe terug, waar toen reeds Epaminondas de ziel van alle pogingen tot herwinning der vrijheid was; zij verbonden zich met saamgezworenen te Thebe, vermoordden, als vrouwen verkleed, de hoofden der

ocr page 148

136

Oligarchie (de meesteu bij een feestelijken maaltijd), noodzaakte» de bezetting op den burg, die grootendeels uit bondgenooten der Spartanen bestond, door gebrek tot eene kapitulatie en herstelden het oude verbond der Boeotische steden. Vruchteloos waren de herbaalde invallen der Spartanen in Boeotië. Pelopidas bevestigde de heerschappij van Thebe over de Boeotische steden en werd door Athene ondersteund (Chabrias overwon bij Naxos de vloot der Spartanen, Timothëus, de zoon van Conon, bij het voorgebergte Leucas). De pogingen der Atheners, om een algeineenen vrede tot stand te brengen, leden schipbreuk op de weigering der Thebaneu, die alleen dan wilden toetreden, als men hun toestond in naam van geheel Boeotië te handelen. Daarom viel de Spavtaansche koning Cleombroius in Boeotië, doch werd met zijn viermaal sterker leger door Epaminondas (wigvormige slagorde) bij Leuctra, 371, verslagen. Thebe trad thans aan het hoofd van een verbond der staten van Midden-Griekenland (behalve Athene), om de herstelling der Spartaansche overheersching onmogelijk te maken.

2. Aanvallende oorlog van Thebe. Daar de nederlaag der Spartanen den afval hunner bondgenooten in de Peloponnesus (vooral van Arcadië) veroorzaakte, deden de The-banen, om deze te ondersteunen, en zoo mogelijk op de puin-hoopen van Sparta op hunne beurt eene heerschappij te vestigen. onder Epaminondas en Pelopidas (reeds 369) een inval in de Peloponnesus. Zij bedreigden het niet van vestingwerken voorziene Sparta, werden echter door 300 in een tempel verscholen Spartanen en de van haar geveinsde vlucht terugkeerende ruiterij tot den terugtocht genoodzaakt. Epaminondas herstelde Messenië als onafhankelijken staat en haalde de Arcadiërs over tot het bouwen van Megalopolis, dat eene bondsvesting moest worden, maar keerde terug, toen Sparta bij Athene hulp zocht.

Pelopidas streed intusschen, om de Thessaliërs te bevrijden, tegen den tyran Alexander van Pherae, en vertoonde zich zelfs in Macedonië als bemiddelaar bij een twist om de kroon (Phi-lippus van Macedonië gijzelaar in Thebe). Op een derden tocht

ocr page 149

137

tegen Alexander sneuvelde Pelopid.is in den slag bij Cynosco-phalae (364). Om zijn dood te wreken, zonden de Thebaueu een leger naar Thessalië en noodzaakten den tyran tot een vrede, waarbij zijne heerschappij tot Pherae beperkt werd.

Bij een vierden inval in de Peloponnesus (tot beslissing der twisten tnsschen de aristokraten en demokraten in Arcadië) word Epaminondas (na een tweeden, insgelijks mislukten aanval op Sparta) in den veldslag bij Mantinëa, 362, gewond, en stierf, nadat men hem de tijding van de overwinning had gebracht. Echter was die overwinning zoo weinig beslissend, dat beide partijen zegeteekeneu oprichtten. De algemeene uitputting bracht de Grieksche staten tot een vrede, waarbij de Spartanen na langen tegenstand de onafhankelijkheid van Mossenië erkenden, en leidde eindelijk tot een algemeen bondgenootschap. — Athene, dat door zijne zeemacht nog steeds eene soort van oppergezag over de eilanden en de steden op de kust had weten uit te oefenen, verloor dit een eenen male door den bondgenootenoorlog (357—355). De Atheners mishandelden namelijk huu bondgenooten, zoodat Chins, Ehodus, Cos en Byzantium afvielen. Het geheel uitgeputte Athene moest de onafhankelijkheid der afgevallen bondgenooten erkennen.

§ 61.

De Macedoniër» mengen zich in de Grieksche aangelegenheden.

Philip pus 11 had reeds verscheiden Grieksche steden op de Macedonische kust (Amphipolis, Pydna, Methöne) veroverd, de (voor de uitvoering zijner plannen onmisbare) Thracische goudmijnen in bezit gekregen, zijn rijk oostwaarts tot aan den Nestus uitgebreid, en ten laatste ook Thessalië bezet (om den Thessalischen adel tegen de tyrannen van Pherae te beschermen), toen hij gelegenheid vond, zich in Je zaken der ïhebanen te mengen, die hij tijdens zijn driejarig verblijf te Thebe had leeren kennen.

De Pliocische oorlog, (355—346). Na den dood van Epaminondas trachtten de Phociërs zich aan de hegemonie

ocr page 150

138

van Sparta te onttrekken. Daar de Thebanen Phocis niet door geweld van wapenen vermochten te bedwingen, beschuldigden zij de Phociërs er van, dat zij landerijen, die sedert Solon eigendom van den Delphischen tempel waren (het gebied van Cirrha) ten eigen bate gebruikt hadden. De staten van Midden-Griekenland, die reeds eeuwen her met Thessalië tot bescherming van den Delphischen tempel het zoogenaamde A m p h i -ctionenverbond hadden gesloten, veroordeelden nu de Phociërs tot een zoo zware geldboete, dat zij die onmogelijk konden opbrengen. Deze maakten zich nu meester van den tempel te Delphi, wierven van de daarin gevonden schatten huurtroepen en begonnen, gesteund door de Spartanen en de Athenors, den oorlog tegen de Thebanen, Locriërs en Thessa-liërs. In den beginne waren zij zeer gelukkig en versloegen zelfs onder Onomarchus den Macedonischen koning Philippus II, die den Thessaliërs in den gelijktijdig gevoerden oorlog tegen den tyran Lycophron van Pherae zijn bijstand verleende (352). Spoedig daarop echter moest genoemde tyran het onderspit delven, ook Onomarchus viel en nu trachtte Philippus, in het bezit van Thessalië, door den pas van Thermopylae Midden-Griekenland binnen te rukken. Daar de Atheners echter den pas bezetten, moest Philippus voorloopig van dat plan afzien en zich tot het veroveren der Grieksche steden op het schiereiland Ghalcidice bepalen; inmiddels wisten de Phociërs door herhaalde rooftochten in Hoootië de krachten der Thebanen geheel uit te putten. Deze riepen ten laatste den koning van Macedonië te hulp (346), en het binnenrukken der Macedoniërs in Phocis maakte terstond een einde aan den oorlog. De bestraffing der Phociërs droeg Philippus aan het Amphictionenverbond op. Dit besloot, dat de (22) Phocische steden verwoest zouden worden, en dat hare inwoners voortaan slechts in dorpen zouden mogen wonen; den geroofden tempelschat moesten zij vergoeden en hunne beide stemmen (die der Phociërs en der Pelphiërs) in het verbond der Amphictionen werden toegekend aan Philippus, die weer naar Thessalië terugkeerde.

ocr page 151

139

§ 62.

Ondergang nan de Grieksche onafhankelijJcJieid.

Demosthenes. 1) Tegen koning Pliilippns IT trad (sedert 351) te Athene de beroemde redenaar Demosthenes op. Door zijne welsprekendheid wist hij zijne medeburgers tot den strijd tegen Philippus te bewegen. Zij begonnen met onderstand te verleenen aan de door dezen vorst aangevallen steden op Chalcidiee. De verovering van Olynthns (348), de uitbreiding van Philippus' macht ten gevolge van den Phocischen oorlog (340) deden de bezorgdheid der Atheners toenemen, die op raad van Demosthenes een vloot te hulp zonden aan de door Philippus belegerde stad Byzantium (340). De koning moest het beleg opbreken en besloot nu, omdat, bij de zwakte van Thebe en de onverschilligheid van Sparta, Athene alleen het waagde voor de vrijheid der Grieken op te treden, den oorlog met de Atheners te aanvaarden. Om zijn doel verborgen te houden, zocht en vond Philippus nogmaals de gelegenheid zich in de aangelegenheden der Grieken te mengen.

2) De Macedonisch gezinde redenaar Aeschinus uit Athene haalde in 339 het Amphictionenverbond over den oorlog aan de L o c r i ë r s van A m p h i s s a te verklaren, omdat ook deze het aan Apollo gewijde gebied van Cirrha gebruikt hadden. De vergadering der Amphictionen, waarop Athene en Thebe niet door gezanten vertegenwoordigd waren, besloot de bestraffing der Locriërs aan deu koning van Macedonië in diens hoedanigheid van veldheer van het verbond op te dragen. Philippus trok met een aanzienlijke legermacht Midden-Griekenland binnen en bezette de gewichtige vesting Elatëa, den sleutel van Boeotië, in Phocis. Nu kon het voor niemand meer geheim zijn, welke plannen hij koesterde. Demosthenes ging terstond naar Thebe en wist daar te bewerken, dat de Boeotische steden zich bij Athene aansloten; ook Loeris, Phocis en eenige Peloponnesische staten (Achaja, Corinthe) zonden hulptroepen naar het Atheensche leger. Philippus nam in het jaar 338 eerst Amphissa in eu bracht daarna

ocr page 152

140

den verbonden staten bij Chaeronoa, 338, zulk een besliste nederlaag toe, dat er niet meer aan te denken viel, liem in het open veld weerstand te bieden. Thebe moest een Macedonische bezetting in de Cadmea opnemen; de Atheners, die druk bezig waren hunne stad in staat van verdediging te brengen, sloten een voordeeligen vrede; zij werden bondgenooten van de Mace-doniërs en behielden hunne vloot. Toen Demosthenes van zijn reis door de Aegaeïsche zee terugkeerde, waar hij in opdracht van den staat de met Athene bevriende eilanden voor de voortzetting van den strijd tegen Philippus had moeten winnen, was de vrede reeds gesloten. Hij ried zijn medeburgers aan, dien niet te schenden. Ook de Peleponnesische staten onderwierpen zich, met uitzondering van Sparta. De door Philippus in het jaar 337 te Corinthe bijeengeroepen vergadering van alle Hel-leensche staten erkende daardoor de hegemonie van Macedonië, dat zij den overwinnaar van Griekenland tot bondsveldheer voor den voorgenomen veldtocht tegen de Perzen benoemde. De Grieken hadden den door Philippus gewaarborgden vrede met het verlies hunner onafhankelijkheid gekocht; van de vroeger zoo machtige staten was Sparta tot het dal van den Eurotas beperkt, kon Athene geen gebruik meer van zijn vloot maken en werd Thebe door een Macedonische bezetting bewaakt.

Beschaving der Grielen.

1) De e e r e d i e u s t. De tempels waren geen vergaderplaatsen voor de dienaren der godheid, noch oorden voor heilige handelingen, maar alleen bergplaatsen voor het boel d der godheid, dus meestal klein, van binnen niet zelden versierd en gevuld met geschenken (als blijken van dankbaarheid voor verleende overwinningen, redding uit gevaren anz). De godsdienstplechtigheden bestonden voornamelijk in gebeden en offeranden. Het gebed was vervat in korte formulieren, ingericht naar den aard der aangelegenheid, waarmede men zich tot de godheid wendde, en werd staande, met luide stem en opgeheven handen, uitgesproken. Het eigenlijke middelpunt van den eeredienst waren de offers.

ocr page 153

141

Men offerde aan de goden van liet geringste tot liet kostbaarste, wat de metisch bezit, het leven van een evenmeusch. In de oudste tijden bracht men, vooral tot verzoening van een geheelen volksstam met de vertoornde godheid, menschenofters; maar op de meeste plaatsen werd die wreede gewoonte reeds vroegtijdig veivacht (men plengde menschenbloed, of verbond het offer aan de godheid met terechtstelling van misdadigers; in Sparta geeseling van knapen voor het altaar van Artemis; menschenofters te Tauris), of vervangen door dierenoffers (nu een enkel dier, dan weder in grooter aantal — hecatomben). Met het offeren van dieren verbond men dikwijls plengoffers (d. i. uitgieten van wijn, honig, melk, olie) eu reukoffers (van welriekend hout, later van wierook). Ook gingen de offeranden vergezeld van godsdienstige gezangen en dansen.

De voorspellingen. Geen volk der oudheid werd in zoo hooge mate beheerscht door de zucht om den wil der goden en de toekomst uit te vorschen, als de Grieken. Wel sloegen zij niet met dezelfde angstvallige zorg, als de Romeinen, de vlucht en de stemmen der vogels en de verschijnselen aan den hemel gade, zoo veel te grooter en uitgebreider was daarentegen de invloed der orakels. Het oudste Grieksche orakel was dat van Zeus te Dodo na. Hier voorspelden de priesteressen uit het ruischen der bladeren van een eikeboom, uit het gekabbel eener naburige beek, en uit de stemmen der duiven, die haar nest in de kruin van den eik hadden gemaakt, de toekomst. Het vermaardst evenwel was het orakel van Apollo te Delphi, die verondersteld werd het antwoord op de tot hem gerichte vragen aan de Pythia in te geven. In alle godsdienstige, staatkundige en bijzondere aangelegenheden van eenig belang wendde men zich tot deze godspraak, die dus een overwegenden en bijna onbeperkten invloed op geheel het Grieksche leven uitoefende. (Orakels te Patara, Claros, Didyina, droomorakels, vooral het droomorakel van Aesculapius te Epidanrus).

2) De staatsregeling der Grieksche staten was oorspronkelijk monarchisch, later (m. z. § 51) republikeinsch

ocr page 154

143

met de meest verschillende sehakecriugen. Een raad, eene volksvergadering, en de gewoonlijk voor een jaar benoemde overheidspersonen vormden gezamenlijk het uitvoerend bewind. In sommige staten had slechts eene bepaalde klasse van burgers, hetzij de adellijken, hetzij de rijken, zitting in den raad en aanspraak op de overheidsambten—aristokratische staatsregeling; in andere behoorde dat recht aan alle burgers, zonder dat daarbij op geboorte of vermogen werd gelet — d e m o-kratische regeeringsvorm. Tot deelneming aan de volksvergadering, die de voorstellen van den raad over wetten, keuze van overheden, oorlog en vrede kon aannemen of verwerpen, en tot zitting ia de volksrechtbanken waren alle burgers van een bepaalden leeftijd gerechtigd. De aristokratie en de demo-kratie ontaardden, te ver gedreven, de eene in oligarchie, de andere in ochlokratie. — In bijna alle Grieksche staten vinden wij tijdelijk zoogenaamde t y r a n n e n aan het bestuur, d. z. mannen die zich door geweld de hoogste macht in den staat aanmatigden, en die in hunne familicn zochten erfelijk te maken M. z. § 51.

3) Kunst. In de bouw- en beeldhouwkunst zijn de Grieken nog door geen ander volk overtroffen. De bouwkunst begon met zeer ruwe proeven; kolossale steenblokken, in den beginne volkomen onbewerkt, werden zonder kalk tot geweldige muren op elkander gestapeld; deze bouwtrant heette de cyclopische; overblijfselen daarvan (de leuwenpoort te Mycene, tevens de oudste proeve vau beeldhouwwerk, de muren van Argos, Mycene en Tiryns) bestaan tot den huidigen dag. Na de verhuizing dor Doriërs traden weldra drie verschillende bouworden op, de eenvoudige Dorische, de rijk versierde Corin-tische, en de tusschen beide staande Ionische. Gedurende dit geheele tweede tijdvak l)epaalde de bouwkunst zich bijna uitsluitend tot het bouwen van tempels voor de goden; eerst in het tijdvak van Pericles begon men ook de steden, en wel voornamelijk Athene, met bouwwerken te versieren, die voor andere doeleinden waren bestemd. Men bouwde

ocr page 155

143

schouwburgen, odëa, hippodrcinen, en ging voort met prachtige tempels, meestal in den bevalligen, vroolijken lonischen stijl, op te richten; alleen op Sicilië bleef men bij de deftige, ontzagwekkende bouworde der oude Doricrs volharden. — Het voornaamste onderwerp voor de beeldhouwkunst waren godenbeelden, in den beginne uit hout en met werkelijke kleederen getooid, later uit metaal en marmer, ten tijde van den hoogsten bloei, sedert de Perzische oorlogen, ook uit goud en ivoor vervaardigd. De beeldhouwers hielden zich ook onledig met het versieren en opsmukken der tempels. In den beginne gaf men aan de tempels kostbaar vaatwerk en gereedschappen met reliefs, gedeeltelijk van kolossale grootte, ten geschenke; later liet men geheele groepen van standbeelden vervaardigen, die mythologische tooneelen voorstelden, en voornamelijk tot versiering der gevels enz. dienden (Aegina, Olympia). De beroemdste meesters waren: Phidias, die aan het hoofd stond van alle publieke werken, welke ten tijde van Pericles werden ondernomen (zijn Zeus te Olympia, een kolossaal metalen standbeeld van Athena op de Acropolis te Athene), Polyclëtus (in Argos), Mvron, Scöpas, Praxiteles, Lysippus en anderen. — Veel later dan de beide genoemde kunsten bloeide de schilderkunst, die eerst na de Perzische oorlogen door Polygnötus, Zeuxis en Parrhasius een hoogere vlucht nam, en in den tijd van Alexander den Groote door Apelles tot den hoogsten trap van voortreffelijkheid werd opgevoerd. Men schilderde deels al fresco, deels op paneel.

4) Letterkunde. «) De dichtkunst, en wel in den beginne de epische, vervolgens de lyrische, bloeide het vroegst in de koloniën van het westelijk gedeelte van Klein-Azië; de dramatische ontwikkelde zich eerst sedert 500, voornamelijk in het moederland, en wel bij uitstek te Athene. Het heldendicht heeft reeds omstreeks 900 vóór Ch. het toppunt van volmaaktheid bereikt in de Ilias en de Odyssëa van H o in ë r u s. Het leerdicht werd het eerst beoefend door H e s i ó dus, de f a bel door A e s ö p u s. Don overgang

ocr page 156

144

van het heldendicht tot het lierdicht vormde de elegie, met eene versmaat, die weinig van de epische verschilde; in doze dichtsoort blonken uit Tyrtaens, Solon en Siraonïdes. Het lierdicht in meer beperkten zin moet in twee soorten verdeeld worden, het Aeolische en het Dorische lierdicht. De voortbrengselen der Aeolische dichters werden, begeleid door een snaren-instrument en onder toepasselijke bewegingen van het lichaam, door een enkelen persoon voorgedragen; dc liederen der Dorische dichters werden bij den reidans gezongen. In gene muntten uit A 1 c a e u s en Sappho, in deze I b y c u s, Simon ïdes, en het meest Pindarus (zegeliederen). In het treurspel wordt de hoogste lof toegekend aan Aeschylus, Sophocles en Euripides, in het b 1 ijspel aan Aristophanes, li) De welsprekendheid bloeide bijna uitsluitend te Athene door Pericles, Lysïas, Isoc rates, Aeschïnes, en den grootsten redenaar, die ooit geleefd heeft , Demosthenes, den on vermoeiden strijder tegen de intrigues van Philippus II. c) Van de wetenschappen werd het eerst de wijsbegeerte aangekweekt , wier omvang oudtijds veel grooter was, dan die thans is; want alle wetenschappelijke studie werd toen wijsbegeerte genoemd. T h a 1 e s , een der zoogenaamde zeven wijzen , en Pythagoras zijn bekend als stichters van philosophische scholen, en tevens als groote wis- en natuurkundigen. Socrates, volgens de uitspraak van het Delphische orakel de wijste aller menschen, zocht door leer en voorbeeld de verdorvenheid van zijn tijd te keer te gaan, en den menschen juister denkbeelden omtrent zich zeiven, hun kennis en hunne plichten bij te brengen ; maar hij was aan bespotting (de „Wolkenquot; van Aristophanes) en vijandelijke aanvallen (Anytus en Melëtus) blootgesteld, en werd voor liet gerecht gedaagd (omdat hij de jeugd bedierf en nieuwe godheden wilde Invoeren); ter dood veroordeeld, dronk hij den giftbeker, 39S. Onder •zijne leerlingen werden Plato en diens leerling A r i s t o t ë-1 e s stichters van beroemde philosophische scholen (Academici,

ocr page 157

145

Peripatetici). — Eene kuiistraati»-e behandeling der g e s c h i e-denis vinden wij het eerst hij Herodotus (vóór hem de zoogenaamde logographen) in het eenvoudige verhaal van den strijd der Grieken tegen de Perzen, vervolgens in hoogere mate in de geschiedenis van den Peloponnesischen oorlog van T h u c y-dïdes; Xenöphon, een leerling van Socrates, na hen de voortreffelijkste der Grieksche geschiedschrijvers, staat reeds niet meer op dezelfde hoogte. — Do geneeskunde verkreeg door Hippocrates, de n a t u u r 1 ij k e geschiedenis door A ristotëles eene wetenschappelijke behandeling.

5) De handel der Grieken was in het eerste tijdvak slechts passief; zij lieten zich het verkeer der Phoeniciërs op hunne kusten welgevallen. Maar na den Trojaanschen oorlog begonnen de Grieken , voornamelijk de bewoners van Corinthe, Aegïna, de steden in Ionii; en op de Cycladen, op eigen hand zeehandel te drijven, die door verbonden van gastvriendschap, feestelijke vereenigingen en stichting van koloniën werd bevorderd. Na de Perzische oorlogen werd Athene de machtigste handelstad van Griekenland.

De handel der Grieken werd gedreven; 1) Tusschen de verschillende staten van Griekenland onder elkander. 3) Tusschen het moederland en de koloniën. 3) Naar het buitenland en wel in de volgende hoofdrichtingen: a) Oostwaarts naar het binnenland van Klein-Azië tot Cappadocië en Pontus. h. Noord-oostwaarts naar Thracie , de Propontis , den Pontus Euxïnus, en van de steden op diens noordkust naar het binnenland van Sarmatic (van daar voornamelijk slaven, koren, pelterijen), c) Zuidwaarts naar Cyprus, Aegvptj, Cyrëne, en van daar naar de binnenlanden van Africa, d) Noord westwaarts naar de Ionische en de Adriatische zee, en uit Epidamnus naar het binnenland van Illyrië. e) Westwaarts naar Italië, Spanje en Gallië. Slechts de Atheners dreven handel langs al die wegen te gelijk.

Voornaamste voorwerpen: 1) van invoer: koren uit de koloniën aan den Cimmerischen Bosporus en uit Sicilië: timmer-

Pütz, O. G. 10

ocr page 158

146

en brandhout uit Thracië en Macedonië; ivoor uit Africa; slaven uit Phrygië, Thracië en Scythië; lijnwaad en papier uit Aegypte enz. 3) van uitvoer: wijn, olie, honig, was, bewerkte metalen enz.

II. ÜE MACEDONIERS.

§ 63.

Aardrijkshmdige beschrijving van Macedonii'.

Grenzen; Ten Z. de Cambunische gebergten en de Aegae-ische zee; ten O. de Strymou, sedert Philippus 11 de Nestus; ten N. de Scardische gebergten; ten W. Illyrië.

Gebergten: In het Z. de Cambunische gebergten met den Olympus, in het W., N. en O. verscheidene vertakkingen vau het Scardische gebergte.

Wateren: De Thracische zee met de Strymonische en de Thermüische golf, die het schiereiland Chalcidïce vormen, dat zelf wederom in drie kleinere schiereilanden uitloopt (Acte met het voorgebergte Athos, Sithonia en Pallcne, daavtusschen de Singitische en de Toronaeische golf). E i v i e r e n: de Nestus en de Strymon, die zich beide in de Strymonische golf uitstorten.

Steden: Pydna (slag 158), Pel la (residentie), Thes-s a 1 o n ï c e (th. Salonichi, waar Cicero in ballingschap leefde), Potidaea, Olynthus (door Philippus II verwoest), A ra-p hi polis aan den Strymon (kolonie van Athene, slag 423), P h i 1 i p p i (slag 43).

§ 64.

Be geschiedenis van Macedonië tot op Alexander den Groote.

Do stichting van het Macedonische rijk wordt door sommigen aan den Temenide Caranus uit Argos toegeschreven, die (omtrent 813) eene Dorische kolonie naar Emathia voerde; anderen noemen Perdiccas I, insgelijks een Temenide uit Argos, als den eersten koning. Het vorstenhuis brengt dus den oorsprong van zijn geslacht tot Heracles terug. — De bewoners waren Thracische en Illyrische, voor een deel ook half-Grieksche

ocr page 159

147

volksstammen; zij leidden een armoedig herdersleven; de landbouwende bevolking van Beneden-Macetlonië in de dalen van lt;len Haliacmon. Axins en Strymon was toegankelijk voor Griek-sclien invloed, die zich vooral uit Clialoidice deed gelden. Langen tijd spreekt dc geschiedenis van dat land van niets dan twisten met de naburige volken, die met hunne onderwerping eindigen. Eene geregelde geschiedenis van Macedonië begint eerst met de onderwerping door de Perzen onder Mardonius, 490.

Koning A m y n t a s 1 gaf na den veldtocht van Darius tegen de Scythen aan Megabazus, den Perzischen satraap van ïhracië, aarde en water als teeken van onderwerping, en bleef gedurende den overigen tijd zijner regeering Perzisch satraap. Zijn zoon Alexander (Philhellen) werd gedwongen aan den tocht van Xerxes deel te nomen, en onderhandelde als afgezant van Mardonius te vergeefs met de Atheners, aan wie hij op den avond voor den slag bij Plataeae het operatieplan der barbaren mededeelde. Van de roemvolle uitkomst van dien slag trok ook Alexander partij; hij voltooide de nederlaag der Perzen, toen zij door Macedonië vluchtten. Het vestigen van Atheensche koloniën (als Amphi-polis) op de Macedonische kust (tot bescherming tegen Macedonië, als ook tegen Thrncië) verwekte afgunst en naijver bij koning Perdiccas II, die deswege den afval der ontevreden Atheensche bondgenooten begunstigde en in den Peloponnesischeu oorlog aanleiding gaf tot den tocht van Brasidas naar Macedonië , waarvan de vernietiging van Athene's macht op die kusten het gevolg was. Zijn opvolger A r c h e 1 a u s (de stichter der nieuwe residentie Pella) herstelde door het stichten van steden, het maken van wegen en de organisatie van het leger orde en veiligheid in het land eu bracht Grieksche beschaving naar Macedonië over (Euripides, Zeuxis). Hij werd vermoord, en zijn dood gevolgd door eenige jaren van verwarring, tot dat Amyn-t a s II (393—369), een achterkleinzoon vau Alexander, den troon beklom. Na zijn dood ontstonden nieuwe twisten over de opvolging, die door Pelopidas werden bijgelegd.

ocr page 160

148

PniLlPPUS II, 359—336.

Pelopidas nam Pb i 1 ippus (1) , den jongsten zoon van koning Amyntas II, als gijzelaar met zich mede naar Tliebe, waar tleze gedurende zijn (minstens driejarig) verblijf (iu bet huis van Epa-minondas?) Grioksche beschaving en Tbebaansche krijgskunst en politiek leerde kennen , en tevens van nabij de vreeselijke spanning kon waarnemen, die tussohen de Grieksche staten bestond. Toen zijn oudere broeder Perdiccas III in een slag tegen de Illy-riërs gesneuveld was, kwam Pbilippus aan de regeering, aanvankelijk alleen als voogd van zijn neet'(Amyntas III), maar later voldeed hij aan het verzoek der Macedoniërs, en nam den titel van koning aan. Na zich tegenover mededingers en muitende barbaren, vooral de Illyriërs, roemrijk te hebben gehandhaafd, was hij eindelijk in 357 meester iu zijn eigen land en van een leger, dat hij tot het volbrengen der levenstaak, welke hij zich had gesteld, begon in te richten (phalanx) en te oefetien.

Reeds dadelijk toch schijnt de verovering van het Perzische rijk het voornaamste doel van zijn streven geweest te zijn. Daarom verbeterde hij niet alleen het krijgswezen door de invoering van de phalanx, die door de dicht gesloten gelederen , de lengte der lansen (sarissen) en de zwaarte der wapenrustingen schier onoverwinnelijk was, maar trachtte hij ook de kust van Thracië te bemachtigen, en eene hegemonie over Griekenland te verkrijgen , die de Grieksche strijdkrachten onder zijn bevel bracht. In den beginne wist hij het te doen voor-

(1) Amyntas II, 893—309.

Alexander II, P.3rdieoas III, Philippus II,

reg. 369—365. icg. 365—359. reg. 359—336.

gehuwd niet 1) Olympias. 2) Cleopatra.

Amyntas III,

tterft 336. 1. 2.

Alexander de Gr., Philippus Arrhi-reg. 336— 323. daeus leen

-----onechte zoon),

Alexander, Htorl't 317.

geb. 323, sterit 311.

ocr page 161

149

komen, als of hij de Grieksche vrijheid en zelfstandigheid, ja zelfs de heiligheid van den Griekschen godsdienst wilde beschermen , maar ondar de hand kooht bij enkelen voor zijne doeleinden om, en wist van do zwakheid, de ijverzucht en de onderlinge spanning der Grieksche staten op verschillende wijzen partij te trekken. Meer in het bijzonder is hierover in § 61 gehandeld. Doch nauwelijks had hij (na de overwinning bij Chaeronea) zich deze hegemonie verschaft, nauwelijks had hij zich tot den oorlog tegen Perzic voorbereid, en reeds de voorhoede van zijn leger naar Klein-Azië vooruitgezonden, toen hij door zekeren Pausanias, een officier zijner lijfwacht, werd vermoord (336), wiens klacht wegens mishandeling door een bloedverwant des konings onverhoord was gebleven. Echter rustte in de oudheid op de koningin Olympias de verdenking, dat zij haar echtgenoot had laten vermoorden, nadat deze Cleopatra, de nicht van zijn veldheer Attains, had gehuwd.

I 65.

Alexander de Groote, 336—323.

Alexander, geboren (31 .Tuli) 856, in denzelfden nacht, waarin Herostratus den tempel van Artemis te Ephësus in brand stak, leerling van Aristoteles, vriend der dichtkunst en bijzonder van de gezangen van Homerus, beklom, nauwelijks twintig jaar oud, den troon, strafte de moordenaars zijns vaders, verscheen, toen de door Demosthenes aangezette Grieken zijne hegemonie niet wilden erkennen, plotseling met een leger in Griekenland, en verkreeg op een vergadering te Corinthe van de spoedig vernederde Grieken, met uitzondering van de Spartanen, op nieuw het opperbevel tegen de Perzen.

Terwijl hij op een tocht tegen de noordelijk van Macedonië wonende barbaren, wier afval hij wilde voorkomen, tot over den Ister was doorgedrongen, en op den terugtocht met gelukkigen uitslag tegen de Illyriërs (Taulantiërs) had gestreden (335), was op de valsche tijding van zijn dood een nieuwe opstand uitgebarsten , aan welks hoofd Thebe stond; spoedig wendde hij zich

ocr page 162

150

flerlialve naar Boeotië, verwoeste Tliebe, alleen de tempels en het huis, waar weleer de dichter Pindarus had gewoond, sparende, en verkocht de (30,000) inwoners als slaven. In Athene werden alleen de leiders der anti-Macedouisclie partij gestraft, maar de stad word overigens gespaard.

Veldtocht tegen de Perzen. (334—331).

Hij stelde het bestuur over Griekenland en Macedonië in handen van Antipater, eu ondernam zelf met een uit Macedoniërs, Grieken en barbaren samengesteld leger van 35000 man de-verovering van het door inwendige zwakte (Cyrus de jongere; de terugtocht der Grieken; oorlogen der satrapen onderling; onafhankelijke vorsten midden in het rijk; opstanden in Klein-Azië, Cyprus, Phoenicië, Aegypte) reeds bijna ontbonden Perzische rijk. In het jaar 334 trok hij over den Hellespont en overwon de satrapen van Darius aan den Granicus, waar Clltus hem het leven redde. Op zijn verderen tocht langs de west- en zuidkust van Klein-Azië, waar slechts Miletus en Halicarnassus onder aanvoering van den Ehodiër Memnon, den opperbevelhebber der Grieksche troepenmacht in Klein-Azië, tegenstand boden, werd hij door de Grieken, die door zijne hulp hunne onafhankelijkheid hoopten te herwinnen, bijkans overal met vreugde ontvangen. De door Memnon aangewende pogingen, om na de verovering van de eilanden in de Aegaei-sche Zee, den oorlog naar Griekenland te verplaatsen, werden door diens dood verijdeld. Nadat hij in het vruchtbare, door zijn veldheer Parmeuïo veroverde, Phrygië had overwinterd (hij hakte te Gordium den beroemden knoop door), vertrok hij, 333, naar Cilicië; ten gevolge van een bad (in de rivier den Cydnus) werd hij te Tarsus ziek, maar zijn valschciij.i beschuldigde lijfarts Philippus gaf hem de gezondheid weder. Bij I s s u s, aan de Syrisch-Cilicische grens, overwon hij Darius zeiven; 100,000 Perzen sneuvelden in den slag; Darius ontkwam ternauwernood , de rijke legerplaats met de prachtige tent, en de nabestaanden van den koning vielen in handen van den overwinnaar, die de vorstelijke gevangenen met de hem eigen zachtheid behandelde.

ocr page 163

151

Darius vlood over den Eupliraat, en deed te vergeefs vredesvoorstellen, waarbij hij zicli verbond, aan den overwinnaar al liet land tot aan den Euphraat af te staan. Intusschen veroverde Alexander, 332, Syrië, Cyprns, Phoenicië (waar alleen de op een eiland gelegen stad Tyrus weigerde, eene Macedoniscliebezetting in te nemen, en eerst na een beleg van zeven maanden door middel van een van bet vasteland naar het eiland aangelegden dam werd ingenomen), Palaestina (slechts Gaza werd bestormd) en A e g y p t e; hier werd hij als bevrijder van het Perzische juk met vreugde begroet, en stichtte, om zijne heerschappij over dat land te bevestigen, Alexandria, eene versterkte havenstad nabij den westelijken mond van den Nijl. Van hier trok hij met een gedeelte van zijn leger door de Libysche woestijn naar den tempel van Zeus Ammon (welks priesters hem, zoo als men zegt, voor den zoon van Zeus verklaarden en hem van zijne verdere ondernemingen de gelukkigste uitkomst voorspelden).

Toen hij het bestuur in Aegypte geregeld en zoowel Aegyp-tenaren, als ook Grieken en Macedoniërs als hoogste ambtenaren had aangesteld, trok hij, zonder tegenstand te ontmoeten, over den Euphraat en over den Boven-Tigris: bij Gaugamëla, in de buurt van Arbëla (nabij het oude Ninive) overwon hij Darius, die naar het onherbergzame noordoosten van zijn rijk vluchtte, terwijl de overwinnaar ten spoedigste van de schooue en belangrijke provinciën in het Zuidoosten, Babylonië, Sus ia na en Persis, bezit nam. Nadat Alexander den koningsbureht te Persepolis gedeeltelijk in asch had gelegd, keerde hij door Medië terug, om het spoor van den gevluchten koning der Perzen te volgen, maar hij vond dezen in Parthië reeds vermoord door de satrapen van Bactrië (Bessus) en Aracbosië, (330). Darius was dus gestorven, en daarmede de laatste hinderpaal uit den weg geruimd, die de voorname Perzen nog had tegengehouden , zich aan de zijde van den overwinnaar te scharen, wien het nog meer door zijne slimme politiek dan door zijne schitterende overwinningen gelukte, in Azië een Perzisch-Macedonisch rijk te stichten.

ocr page 164

153

Tot de spoedige ondenverping van bet oostelijk gedeelte van het rijk bediende bij zicb voornamelijk van drie middelen; 1) Hij liet de satrapen, die bem als bebeerscber van bet Oosten erkenden, in bet bezit der door ben bestuurde satrapiën. 3) Hij volgde in kleeding, zeden en bot'bouding de gewoonten des voormaligen Perzisehen konings, om zijne nieuwe onderdanen zoo veel mogelijk te doen vergeten, dat bij een vreemde veroveraar was. 3) Hij bleet' bij bet door bem met zoo gelukkig gevolg toegepaste stelsel, om met zacbtmoedigbeid te regeeren en bet nationaal gevoel der vele tot eeu rijk verbonden volken minder te kwetsen dan vroeger bet geval geweest was. Ook het stichten van Grieksohe volkplantingen in de landen van den Eupbraat tot aan den Indus droeg veel bij tot de bevrediging van bet rijk. In 't algemeen bevorderde hij den bloei van den handel door bet maken van straatwegen en havens, het ondernemen van ontdekkingstochten, het stichten van steden, alsook door de onderwerping der bergvolken, die in het oude Perzische rijk liet verkeer hadden belemmerd.

Alexander trok door de oostelijke provinciën, vervolgde den moordenaar van Darius, den satraap Bessus, die intusschen den titel van koningen den naam Artaxerx.es IV had aangenomen, tot in Sogdiana, nam hem gevangen en liet hem ter dood brengen. Bij do noord-oostelijke grens van het Perzische rijk aangekomen gt; vatte hij het plan op, koning van geheel Azië te worden, welks uiterste grenzen hij reeds waande nabij te zijn. Dientengevolge werd de tocht tegen de zoogenaamde Scythen en tegen Indië ondernomen. Hij trok den laxartes over, maar de barbaren vermeden een slag, en bet land werd hoe langer zoo onherbergzamer ; daarom keerde de koning terug, na alleen de grens aan den laxartes versterkt te hebben (stichting van Alexandria escliata).

Intusschen openbaarde zich ouder de aanzienlijke Macedoniërs, die Alexander naar Azië gevolgd waren, ontevredenheid met zijne heerschappij; zij keurden het niet goed, dat hij den Perzischen adel met satrapiën begiftigde, en wilden hem evenmin de godde-

ocr page 165

153

lijke vereerinir bewijzen, die hij als opvolger der Pevsische koningen voor zijn persoon eischte. Uitstekende mannen, zoo als Parmenïo en zijn zoon Philötas, later ook Clilus en Call istliënes, moesten de rondborstige berisping van zijn gedrag, die zij zich veroorloofden, met hun leven betalen. Zoodoende waren er in des konings omgeving partijschappen ontstaan ; de eenen keurden zijne wijze van regeeren af , de anderen erkenden hare noodzakelijkheid. Als heilzame afleiding van die geschillen ondernam Alexander den

Tocht naar het westelijke Indië, 327 en 336.

Aan het hoofd van een uit de dapperste barbaren gevormd leger (van 30000 man), waarvan de Macedoniërs en Grieken slechts nog de kern vormden, trok Alexander in het voorjaar van 337 over de grens van Indië, en drong na eene overwinning op het geduchte, door twee olifanten versterkte leger van den Tndischen koning Porus, bij den Hydaspes, in de meening weldra de oostkust van Azië te zullen bereiken , onder gedurige, hardnekkige gevechten met de woeste en dappere volksstammen van het Peng'ab, tot aan den Hyphasis door. De gelukkige uitkomst had hij vooral aan de tweedracht der vorsten van het noordelijke Indië en aan de hulp der machtigste koningen, zoo als Taxilas en Porus, te danken, die, door groote voordeelen omgekocht, het oppergezag van den Macedoniër erkenden, en zich het bestuur van Macedonische satrapen (aan het hoofd van Macedonische bezettingen) lieten welgevallen, of zei ven satrapen werden. (Stichting van Bucephala en Nicaea). Hoe juister en helderder de denkbeelden van Alexander omtrent de uitgestrektheid van Indië werden, hoe meer zijn leger door de gevaarlijke en wanhopige gevechten verzwakt werd, en hoe verontrustender de tijdingen omtrent het gedrag der satrapen in het rijk luidden, des te meer begon Alexander van het plan eener wezenlijke onderwerping van Indië af te zien en zich tot het opsporen van een gemakkelijker weg voor eene latere onderneming te bepalen. Aan den Hyphasis gaf hij (naar men zegt, genoodzaakt door de ontevredenheid van zijn leger) aan den tocht eene zuidelijke richting in plaats van een oostelijke. Met een gedeelte van zijn leger zeilde hij op eene op

ocr page 166

154

den Hydaspes gebouwde en door Nearchus aangevoerde vloot (van 1800—3000 schepen) den Hydaspes en Acesïnes af, en bereikte na onderwerping der dappere Mailers (en der met ken verbonden Oxydraces of Oxythraoiërs, tusschea den Indus en den Hydaspes) langs den Indus, welks monden hij opspoorde en ten behoeve eener nieuwe onderneming versterkte, in den Indischen oceaan. Het land aan den Beneden-Iudus, waarin hij steden en vestingen gesticht had, kwam onder liet bestuur van een Macedonischen satraap. Nearchus voerde de vloot door de Erythraeïsche zee in de Perzische golf, en kwam tot aan de monden van den Enphraat en den Tigris ; Alexander nam met het grootste gedeelte van het leger over land door de Gedrosische woestijn en door Caramanië den terugtocht naar Babylon aan, waar, nadat het leger tal van moeielijkheden ondervonden en zware ontberingen had geleden , de behouden terugkomst door een reeks van feesten gevierd werd.

Door den tocht naar Indië was aan Alexander's zucht naar overwinningen nog niet voldaan; hij was van plan een tocht naar Arabië te ondernemen en hield zich reeds druk met de voorbereiding daarvan bezig. Daar echter zijn Macedonische veteranen wegens den langdurigen krijgsdienst en het vooruitzicht van een nieuwen veldtocht in opstand kwamen, ontsloeg hij (324) de ontevredenen, onderwierp met hen, die hem trouw waren gebleven , liet roofzuchtige bergvolk der Kossaeërs tusschen Susiana en Medië, en ging van daar naar Babyion. Hier huldigden hem de gezanten van tal van volkeren (uit Libyë, Italië, Spanje) en in een bijna onafgebroken reeks van feesten vierde men de tot nu behaalde overwinningen, totdat onverwacht de dood den grooten veroveraar wegrukte. Alexander stierf te Babyion (323) op tweeëndertigjarigen leeftijd.

§ 66.

Verdeeling van het rijk van Alexander den Groote.

Na den dood van Alexander werden zijn onnoozele halfbroeder Philippus Arrhidaeus en zijn eerst na het overlijden van den vader

ocr page 167

155

uit Roxüae geboren zoon Alexander (m. z. de geslacktslijst op bl. 148), onder de voogdij van Perdiccas (deze verkreeg zelf goen der landen van Alexander), dien de koning stervende zijn zegelring had gegeven, tot opvolgers benoemd, terwijl het bestuur over de provinciën in het Westen onder de veldheeren van Alexander verdeeld werd: Antipater bleef Macedonië en Griekenland behouden, Lysiraachus verkreeg Thracië, Ptolemaeus Lagi Aegypte, An tig önus Phrygië, Lycië en Paraphylië, Eumënes Cappadocië, Leonnatus Mysië, Cassander Carië. Het geheele oostelijke gedeelte van het rijk bleef bij de verdeeling der satrapiën onveranderd. ïoen het bleek dat Perdiccas het plan koesterde met de zuster van Alexander te huwen en zich dan van den troon meester te maken, sloten verscheiden der nieuw benoemde vorsten een verbond tegen hem. Op een tocht tegen Aegypte werd hij door zijn eigen troepen verslagen. Antipater werd tot bestuurder van het rijk benoemd. — Over den Lamischen oorlog z. m. § 67. — Antipater koos, zijn zoon Cass and er voorbijgaande, tot zijn opvolger den ouden Polvsperchon, die echter door Cas-san der (en Antigonus) verdreven werd. Het geheele geslacht van Alexander den Groote werd allengs door moord uit den weg geruimd.

Antigonus, die de Aziatische satrapiën naar eigen willekeur verdeelde (hij zelf kreeg bij zijne bezittingen nog die van Eumënes, den laatsten verdediger der koninklijke familie; Seleucua bezat Babylonië, Ptolemaeus veroverde Syrië en Phoenicië), toonde hoe langer hoe meer zijn streven naar alleenheerschappij. Hij overwon en doodde Eumënes, 314, verdreef Seleucus uit zijne bezittingen, en veroverde, door zijn zoon Demetrius Po-liorcëtes geholpen, Syrië, Phoenicië en Palaestina. Maar Seleucus stelde zich weder in het bezit van Babylonië, 312, en Antigonus sloot met Ptolemaeus, Lysimachus en Cassander vrede. Doch niet lang daarna barstte, na den dood van den jongen Mace-donischen koning, de oorlog op nieuw los. Demetrius Poliorcëtes bevrijdde Athene (Phocion) van de onderdrukking van Cassander,

ocr page 168

156

308, en overwon Ptolemaeus bij Cyprus, 307. Hij trachtte ook Aegypte te veroveren, maar te vergeefs. Evenmin slaagde hij in zijne pogingen om zich van Rhodus meester te maken.

In 304 ondernam hij op nienw een tocht naar Griekenland, om dit aan de heerschappij van Cassander te ontrukken, en het geluk zijner wapenen noopte Cassander, Ptolemaeus, Lysimachus en Seleucus (satraap van Babyion) tot het sluiten van een nieuw, groot verbond tegen hem en zijn vader. Beiden werden in den beslissenden slag bij Ipsus in Phrygië, 301, verslagen; Anti-gonus sneuvelde. De overwinnaars verdeelden zijne landen onderling; Lysimachus verkreeg Klein-A.zië aan deze zijde van den Taurus, de overige landen kwamen aan Seleucus, die reeds in 313 (Aera Seleucidarum), door de herovering van het hem door Antigonus ontrukte Babylonic, de grondslagen tot het Syrische rijk gelegd en dit tot aan de grenzen van Ipdië uitgebreid had. Na den dood van Lysimachus (381) verkreeg Seleucus ook nog diens bezittingen in Klein-Azië, zoodat uit het Parzisch-Macedo-nische rijk van Alexander den Groote drie monarchiën, eene in Azië, eene in Europa en eene in Africa ontstaan waren. In Pontus, dat. bij de verdeeling der provinciën aan Antigonus ten deel was gevallen, handhaafde zich tegen dezen Mithridates II, en de overwinnaars van Ipsus erkenden diens zoon Mithridates III als beheerscher van Pontus aan beide oevers van den Halys.

§ 67.

Macedonië en Griekenland, 333—146.

Eene poging der Atheners, om het Macedonische juk af te werpen, had den Lamischen oorlog met Antipater (333 en 333) ten gevolge, die, ua de vruchtelooze belegering van Antipater in de stad Lamïa, voor de Atheners een ongelukkig uiteinde nam. De overwinnaar eischte de uitlevering van Demosthenes, die echter op het eiland Calauria door vergif zich zelf van het leven beroofde. Hyperides, de medestander van Demosthenes, werd met vele anderen van de anti-macedonische partij terechtgesteld.

De koningen van het Nieuw-Macedonische rijk ge-

ocr page 169

157

voelden zeer goed, dat het uist mogelijk zou zijn Azië nog een» te veroveren, en beperkten zich derlialve tot het streven om Griekenland , dat nog steeds niet voor goed met Macedonië was verbonden, tot eene Macedonische provincie te maken. Maür met hoeveel volharding en ijver zij ook dit geliefkoosd denkbeeld van het Macedonische koningsgeslacht trachtten ten uitvoer te leggen, telkens werden zij door herhaalde twisten over de opvolging, door oorlogen met de barbaren in het Noorden, voornamelijk met de Galliërs, en later ook door de tusschenkomst der Romeinen belemmerd en weerhouden, hoe nabij zij menigmaal hun doel gekomen waren. Tevens beletten zoowel de naijver der koningen van de drie groote rijken, als het ontstaan van het Aetolische en de hernieuwing van het Achaeïsche verbond, de volkomene onderwerping van Griekenland. Thessalië alleen was een Macedonische provincie, de meeste andere staten waren slechts bondgenooten van Macedonië. In Kpirus vormde zich een onafhankelijke staat onder koning Pyrrhus.

In het jaar 280 verschenen de Galliërs onder Brennus in Macedonië, en drongen, plunderende en verwoestende, in Griekenland tot Delphi door, waar zij deels in den strijd, deels door honger omkwamen. Slechts enkele benden ontvluchtten en stichtten met hunne achtergebleven landgenooten in Thracië een Galli-schen staat, die GO jaren bestoud; een ander gedeelte ging naar Klein-Azië, en zette zich in Galatië neder.

Omtrent denzelfdeu tijd deed de drukkende en trotsche handelwijze der Macedonische koningen in Griekenland twee verbonden ontstaan: 1) Het Aetolische verbond, dat eene jaar-lijksche vergadering (het Panaetolium) te Thermum hield; 2) het wide verbond der Achaeïsche steden, dat, in den beginne door 4, later door 10 steden vernieuwd, eerst tot eene belangrijke macht geraakte, toen A r a t u s Sicyon, Corinthe, Argos en zelfs Athene bewoog, zich bij die vereeniging aan te sluiten. Maar juist deze toenemende bloei van het Achaeïsche verbond wekte den naijver der Aetolirrs op, die eene vereeniging van geheel Griekenland onder Aetolische leiding beoogden. Der-

ocr page 170

158

halve ontstond tusschen de twee verbonden een strijd over de nieuwe hegemonie in Griekenland, en tevens een strijd der Achaeërs tegen Sparta, dat zich, met de Aetoliërs verbonden, met goed gevolg tegen do hegemonie den Achaeërs verzette. In dien nood riep Aratus zelf, in strijd met het dool van het verbond , den koning van Macedonië, Antigönus II Doson, te hulp, die den Spartaauschen koning Cleomënes in 222 bij Sellasia versloeg.

Over de verhouding van Macedonië en Griekenland tot Rome z. m. de Romeinsche geschiedenis.

§ 68.

Het Syrkche rijk onder de Seleuciden, 312—64.

Hot door Seleucus I Niciïtor gestichte Syrische rijk (m. z. bl. 156) omvatte, toon na den slag bij Ipsus do voornaamste bezittingen van Antigönus, en na den dood van Lysimachus ook diens Aziatische landen daarbij gekomen waren, al do Aziatische provinciën der monarchie van Alexander den Groote (slechts Coo-lesyrië, Palaestina en Phoenicië kwamen weldra bij Aegypte). Maar het nieuwe rijk was eene vereeniging van de meest verschil-londe bestanddeolen onder één hoofd, en op den duur mooielijk in stand te houden Ook was de wijze, waarop de monarchie werd bestuurd, weinig geschikt om eenheid te weeg te brengen.

Terwijl het in het belang der Seleuciden zou geweest zijn, door eene geheel en al oostersche wijze van regeeren zich bij de volken van Azië bemind te maken, stichtten zij in nieuw gebouwde steden, aan de westelijke grens vau het rijk, eeue Macodonisch-Grieksche heerschappij, en omgaven zich mot Macedoniërs en Grieken, aan wie zij de hoogste staatsbetrekkingen wegschonken. Daardoor vervreemdden zij de volken van het Oosten van zich, het ver verwijderde Noordoosten (Parthië en Bactrië) viel weldra (250) af, de vorsten van liet noordelijke Klein-Azië (Bithynië, Paphlagonië, Pontus en Gappadocië), welke Alexander niet had kunnen ten onder brengen, handliaafden zich in hunne onafhankelijkheid en

ocr page 171

159

breidden hun gebied meer en meer uit; zelfs Grieksche satrapen, zoo als de satraap van Pergamum, weigerden aan de in weelde en zwelgerij gedompelde opvolgers van Seleucus te gehoorzamen, en veroverden die gedeelten van Klein-Azië, welke de Aegyptenaren niet reeds hadden weggenomen. — Slechts Antiöchus III of de Groote (224—187) hield den ondergang van het rijk nog een tijd lang tegen en deed zelfs hoewel vergeefsche pogingen, om het in zijn vroegeren omvang te herstellen, en aan de Ptole-maeën hunne véroveringen in Azië te ontrukken. Het schijnt dat hij slechts Coelesyrië, Phoenicië en Palaestina herwonnen heeft; want toen hij zijne aanspraken op de (aan Aegypte en aan Perga-mum) verloren gedeelten van Klein-Azië wilde doen gelden, traden hem de Romeinen, die na de vernedering van Philippus van Macedonië ook oorlog met Syrië zochten, in den weg. De oorlog met deze (z. § 91) kosite hein de helft van Klein-Azië, en gaf tevens aan de satrapen van Groot- en Klein-Armenië aanleiding, om van de Seleuciden af te vallen. Antiöchus IVEpiphanes verbood den Joden de uitoefening van hun godsdienst, en spoorde hen daardoor tot den afval van de Syrische heerschappij aan, 167. Onder zijne zwakke opvolgers werd het rijk door dikwijls herhaalde en door de quot;Romeinen gevoede twisten over de opvolging geteisterd, en door de veroveringen der Parthen tot het eigenlijke Syrië beperkt, dat Cn. Pompejus in 64 tot eene Romeinsche provincie maakte.

Al de rijken, welke deels van de Syrische heerschappij onafhankelijk gebleven, deels afgevallen waren [Pergamum, 283—130; Eumenes II, de vriend der Romeinen; Attalus III; Galatië (de tetrarch Deiotarus); Armenië; Pontus was slechts een korten tijd aan Alexander onderworpen geweest; ook' de koningen van Bithynië hadden zich in hunne onafhankelijkheid gehandhaafd; Cappadocië was aan Eumenes gegeven, om het te veroveren, maar het land bleef bij voortduring vrij], werden, met uitzondering van Parthië en Bactrië, die later één rijk vormden, insgelijks quot;Romeinsche wingewesten.

Palaestina stond : a) nu eens onder A e g y p t i s c h e, dan

ocr page 172

160

weder onder Syrische keerscliappij. Bij de verdeeling van het rijk van Alexander den Groote was het aan den stadhouder van Syrië te beurt gevallen, maar spoedig door Ptoleinaeus I veroverd. In den oorlog van Antiöchus den G route tegen Aegypte voegden /icli de Joden, de Aegyptische overheersching moede, uit eigen beweging bij den koning van Syrië, en bleven nu (sedert 203) onder de heerschappij der Seleuciden, totdat Antiöchus IV Epiphünes de waardigheid van hoogepriester aan eene onder de Joden ontstane (Hellenistische) partij, die de Grieksche zeden aankleefde, verkocht, en de rechtgeloovigen tot het aannemen van den üriekschen godsdienst trachtte te dwingen. Toen schudden zij, onder aanvoering van den priester Matathias en zijne vijf zonen (ludas Maccabaeus), het juk der Syrische overheersching af.

I. Onder de M a c c a b a e ë n, 167—39. In een bijna veertigjarigen kamp voor de vrijheid hielden de Joden, wier pogingen door de twisten over de opvolging, die in het huis der Seleuciden waren uitgebroken, werden ondersteund, hunne onafhankelijkheid staande (167—130). Aristobülus, de achterkleinzoon van Matathias, nam (107) den titel van koning aan. Onder zijne opvolgers onstonden inwendige twisten. Door den invloed van het Hellenisme op het Jodendom had zich eene zoogenaamde verlichte partij gevormd, de Sadducaeën, die aan den letterlijken zin der wet vasthielden en het gezag van de nieuwe leeraars der wet, de Pharisaeën, en hunne verklaringen (de traditie) verwierpen. Een derde godsdienstige partij vormden de in afzondering levende E s s a e ë r s. Uit den strijd der beide eerstgenoemde partijen werd een bloedige burgerkrijg en het begin der afhankelijkheid van Home geboren, daa;- Pompejus, door Hyrcanus II, den aanvoerder der Pharisaeïsche partij te hulp geroepen, Jeruzalem (63) aan de Sadducaeën ontnam, aan Hyrcanus de waardigheid van hoogepriester opdroeg, maar tevens den kleinen staat dwong, om voor de verleende hulp aan de Romeinen eene schatting te betalen.

Dewijl de door de llomeinen met de macht van hoogepriester

ocr page 173

161

bekleede Hyrcauus zich oin liet bestuur van ludaea bijna in het geheel niet bekommerde, kwam dit in de handen van Antipater, een door Caesar begunstigden Idumaeër, die hem in den Alexau-drijiischen oorlog diensten had bewezen. Antipater stelde zijn tweeden, eerst löjarigen zoon Her odes als bestuurder van Galilaea aan. Door de bescherming der Eomeinen hield deze zich tegen de aanvallen der Pharisaeën staande, en werd in het jaar 39 v. Ch. door de driemannen tot koning van ludaea benoemd ; maar hij moest zijn nieuw rijk eerst zelf veroveren , daar de Joden hem als een vreemde versmaadden; Jeruzalem werd na een beleg van 6 maanden met hulp der Eomeinen ingenomen.

c. Onder het huis van lier odes, 37 v. Ch.. — 70 n. Ch. Her odes de Groote had als een door eene bui-tenlandsche mogendheid opgedrongen geweldenaar natuurlijk alle rechtgeloovige Joden tot vijanden, en kon zich gedurende zijne 37jarige, hoogst wreede regeering alleen door nauwe aansluiting bij de Eomeinen en door vernietiging der oude Joodsche gewoonten en wetten staande houden. In het voorlaatste jaar zijner regeering, 4 j. (of 7?) vóór het begin van onze tijdrekening , werd te Bethlehem Jezus Christus, de verlosser der wereld, geboren. Na eene korte regeering der 3 zonen van Herodes werd ludaea bij de Eomeinsche provincie Syrië ingelijfd, maar door eigene procuratores of landvoogden bestuurd; de bekendste van hen is Pontius Pilatus, onder wiens regeering Christus leerde, leed en stierf, 33. Ten gevolge van de hebzucht en wreedheid der Eomeinsche landvoogden barstte in 66 een opstand der tot wanhoop gedreven Joden uit. Vespasianus onderwierp het grootste gedeelte van het land, maar liet, toen hij tot keizer werd uitgeroepen, het eindigen van den oorlog aan zijn zoon Titus over. Bij het beleg en de verwoesting der stad vonden 1,000,000 Joden, die daar tot de viering van het paschafeest vergaderd waren, den dood. De zetel der Eomeinsche regeering werd overgebracht naar Sainaria.

Toen keizer Hadrianus op de plaats, waar Jeruzalem gestaan Pütz, O. G. 11

ocr page 174

IC, 3

had, eene kolonie stichtte en een tempel van luppiter Capitolinus bouwde, barstte in 133 een nieuwe algemeene opstand uit, die aan meer dan 150,000 menschen het leven kostte; toch konden de Joden de stichting der s-tad Aelia Capitolina, op de plaats van het verwoeste Jeruzalem, niet te keer gaan. Verstrooiing der Joden.

§ 69.

Aegnpte, 333—30.

Aegypte verkeerde gedurende de eerste eeuw na den dood van Alexander (333—331), onder de regeering der drie eerste Pto-lemaei (die de bijnamen van Lagi ot' Soter, Philadelphus en Kuergctes hadden) , in een zeer gelukkigen toestand; de hoofdstad Alexandria werd het middelpunt van den wereldhandel en te gelijk de hoofdzetel van Grieksche kunst en wetenschap. Nadat reeds Ptolemaeus I het eiland Cyprus, dat om zijn rijkdom aan hout voor den scheepsbouw beroemd was, als ook Palaestina en Coelesyrië veroverd had, en Ptolemaeus II het door Necho begonnen en door Darius Hystaspis voortgezette kanaal uit de Roode Zee naar den Nijl voltooid had, bereikte de macht van Aegypte haar toppunt onder Ptolemaeus II f; want deze bezat in Africa Cyrene en een gedeelte van Aethiopië; in Azië het gedeelte van het Syrische kustland en de belangrijkste havens op de Zuid- en Westkust van Klein-Azië, in Europa sommige steden in Thracië, wellicht zelfs de Cycladen. Het geheele rijk dor Seleuciden stond onder zijn schepter (hij bracht de weleer door de Perzen geroofde Aegyptische godenbeelden naar Aegypte terug). Onder Ptolemaeus IV (Philopator) begon het verval van het rijk; de koningen lieten de leiding der staats-aangelegenheden aan hunne gunstelingen over, terwijl zij zeiven zich aan weelde en zwelgerij overgaven; de buiteulandsche bezittingen gingen verloren (ra. z. bl. 158); twisten over de opvolging teisterden het land en hadden de tusschenkomst der Romeinen ten gevolge, die ten laatste Cleopatra op den troon plaatsten, en na haar dood Aegypte tot eene Romeinsche provincie maakten, 30 (m. z. § 103 en 103).

ocr page 175

163

§ 70.

Beschaving tltr Grieken gedurende het Macedonische tijdvak.

Grieksche beschaving heersclite in Macedonië reeds voor Phi-lippus II, en had in Syrië en Aegypte, sedert de Macedonische heerschappij, insgelijks ingang gevonden. De beeldende kunsten (de Sicyonische, later de llhodische school; de schilderkunst was het diepst gezonken; nevens haar ontstond het mozaiek) zoowel als de dichtkunst (de nieuwe komedie, Menander, Philemon; de Alexandrijnsche dichters missen oorspronkelijkheid, verbeeldingskracht eu smaak; Callimachus; Apollonïns van Rhodus; de Siciliaansche idyllendichter Theocritus) namen in bloei geduriquot; af, terwijl de wetenschappen, vooral te Alexandria, groote uitbreiding en ontwikkeling vonden. Voor de wiskunde schiep Euclïdes eene wetenschappelijke methode; in de astronomie, chronologie en de mathematische geographie werden belangrijke ontdekkingen gedaan door Archiincdes en Eratosthenes, de grammatica werd door mannen als Aristophanes van Byzantium (de Alexandrijnsche canon), Zenodotus en vooral Aristarchus (hij gat' aan den tekst van Homerus zijn tegenwoordige gedaante) eerst in dit tijdvak tot eene op zich zelve staande wetenschap verheven (de school van Pergamum tegenover de school van Alexandria). De regeering van Ptolemaens II Philadelphus was de bloeitijd der Alexandrijnsche geleerdheid.

De stapelplaatsen van den handel waren in dit tijdperk Ehodus en Alexandria. Om den handel tusschen Indië en de Middel-landsche zee gemakkelijk te maken, werden door de Ptolemaeën aan de Arabische golf de steden Arsinöë, Berenice en Mvos Hormos gesticht. Het door Ptolemaens II herstelde of voltooide kanaal (van Necho) uit de lloode zee naar den Nijl schijnt daarentegen aan de verwachting niet te hebben beantwoord; misschien werden in het noordelijke gedeelte van de Arabische golf te veel klippen gevonden. Alen bracht liever de koopwaren van Berenice of Myos Hormos naar Koptos en van daar door een kanaal in den Nijl.

ocr page 176

164

III. DE KOMEINEN.

A. AAltDRIJKSKUNDIGE BESCHRIJVING VAN ITALIK.

§ 71.

Aardrijkskundig or.erzicJif, van htt oude Italiii iu het alyemeen-Grenzen. Ten N. de Alpen, ten O. lllyriii en de Adria-tische zee, ten Z. de Middellnndsehe zee, tea VV. de Tyrrhoensclie-zee eu Gallia Transalpina. ,--lt;y• • quot;wc-

Gebergten. Opper-Italie wordt in liet Westen en liet Noorden door het hooggebergte de Alpen omringd. Het westelijke gedeelte daarvan, van de Middellandsche zee tot aan den Montblanc (de West-Alnun') wordt weer verdeeld in: de «Zges maritimae of Zeealpen (tot den Monte Viso), de alp. Cottiae ol' Cottisclie alpen (tot den Mont Cenis) en de aly. Graiae of Graiïsche alpen (tot den Montblanc). liet middelste gedeelte (de Centraal- of Midden-Alpen) van den Montblanc tot de Dreiher-renspitze vormen: de alpes Foeiunae, de Penninische of Walliser Alpen (van den Montblanc tot den Simplonpas), de alp. Lepon-tiae of Ijepontische alpen (van den Simplonpas over den St. Bern hard tot den, Splügenpas) en de al//, llaeüae of Graubiinder en Tyroler Alpen (van den Splügenpas tot de JJreiherrenspitze). Tot het oostelijk gedeelte (Oost-Alpenquot;), van de Dreiherrenspitze tot de Adriatische zee, behooren; de aVpes Noricae of Xorisohe-alpen, de aly. Caruicae of Carnische alpen en de alp. Inliae of Julische alpen. — Het eigenlijke schiereiland wordt van het N.W. tot het Z.0. doorsneden door de Apennijnen {JpennViwi),. een tamelijk breede, niet steile bergketen; zij worden verdeeld in; de Noordelijke Apennijnen (van de Zee-Alpen tot de bronnen van den Tiber), de Middel-Apennijnen (tot de bronnen van den Vulturnus; in dit gedeelte de Abruzzeu tot 2920 M. hoog) en de Zuidelijke Apennijuen tot het frelum. Sicalum of de Straat van Messina. Op het eiland Sicilië treft men nog een voortzetting van de Apennijnen aan. (V u 1 k a n e n : de Vesuvius en de Aetna). De toppen van die naakte bergketen leveren slechts weideplaatsen op, terwijl hare hellingen met onmetelijke

ocr page 177

163

bossclien van kastaiiiebooinoii, ei; tie lagere gedeelten met wijngaarden, olijfboscbjes en tuinen van oranjeboomen bedekt zijn; Calabriö en Sioiliö hebben een bijna Afrikaansch klimaat. De westelijke rand der Apennijnen is van vulkanisohen aard (de Maremmen in liet Zuiden van Toskane; de Pomptijnsohe moerassen ; aardbevingen).

Wateren. «) Zeeën: de Tuseisclio of Tyrrheenscho zeegt; ook mare infërum; de Adriatische zee, ook mare supëru m; de Middellandsche zee. — h) / e e b o e z e m s: de Ligustisclie golf, (golf van Genua'), de Tarentijnsche en de Tergestijnsche golf. (golf van Triest). — c) Meren: Verbanus (Lago Maggiore), Larïus {meer van Como), Henacus (meer van Garda), Trasimenus (meer van Perugia, slag 317), het Mbaansche meer, het meer Regillus (slag 496). — Rivieren: 1) In de Adriatische zee storten zich de beide groote rivieren, die van de Alpen komen, de Athësis (Etsch) en de Padus (Po). De Pa dus ontspringt in de West-Alpen (op den Vesulus, th. M. Viso). Hij neemt op zijn weg naar zee het water van 30 rivieren in zich op, die van de Westelijke en Centraal-Alpen eu de Apennijnen afkomen; de bedding van de rivier is uithoofde van het slijk, dat op haar bodem is opgehoopt, 10—12 voet hooger dan de aangrenzende vlakte, welke om die reden door dijken tegen overstroomingen beschut wordt. De Po stort zich met zeven monden, die een moerassige, bijkans alleen tot den rijstbouw geschikte en wegens de ongezonde uitwasemingen vau den grond bijna onbewoonbare Delta vormen, in zee. De belangrijkste der rivieren, die haar water met dat van den Po vermengen, zijn: a) van de Alpen: de T i c T n u s (th. Tessino; eerste overwinning van Hannibal, 218), de Addua (th. Adda) en de Mincïus (Mincio), die allen, alvorens den Po te bereiken, door een der groote meren van Opper-Italië stroomen, de Ticinus door den Lacus Verbanus, de Addua door den Larius Lacus, de Mincius door den Lacus Benacus; b.) van de Apennijnen: de T r e b ï a (tweede overwinning van Hannibal, 218). De Athësis (Etsch) bereikt bij

ocr page 178

166

Verona de Lombardische vlakte en stroomt naar den Padus r bereikt hem echter niet, maar vloeit evenwijdig met hem naaide Adriatische zee. 2) In de Tyrrheensche zee; van den breeden westelijken rand der Apennijnen: de Arnus (Arno) en da T i b ë r i s , de belangrijkste rivier van het eigenlijke schiereiland; hij wordt eerst eenige mijlen boven Rome voor kleine vaartuigen bevaarbaar, eu valt bij Ostia met twee monden in zee; vervolgens de L i r i s (Garigliano). de Vu 11 n r n u s (Volturno) en de Silarns (Silaro, overwinning van Crassus, 71). In den Tiberis storten zich uit: de A 11 ï a (overwinning der Galliërs, 389), de A n ï o (Teverone) en de C r e m ë r a (de 300 Fabii).

Gesteldheid van den grond en klimaat: 1) De vlakte van den Po is in het W. en N. door de met eeuwige sneeuw bedekte Alpen, en in het Z. door de minder hooge en steile Apennijnen omgeven ; in het O. wordt zij door een druk bevaren zeeboezem begrensd. Door de groote rivier zelve, door de niet onbelangrijke rivieren op de Oostkust, en door 4 meren wordt zij overvloedig van water voorzien. Het zachte klimaat en de weelderige plantengroei (maïs, rijst, wijn, ooft, heerlijke weiden, enz.) maken deze vlakte tot eene der meest gezegende landstreken van Europa. 2) Het Italiaan sche schiereiland in meer beperkten zin is in een menigte kleine, door van de bergen neervallende rivieren besproeide vlakten en dalen gescheiden. Gelegen nagenoeg op de grens der gematigde en der verzengde luchtstreek, genieten zij de voordeelen van beide. De temperatuur is door gebergten, rivieren en de nabijheid der zee gematigd. Heeds Midden-Italië, maar vooral Be-neden-Italië, verheugt zich in eene voortdurende lente. Terwijl aan den westkant van het schiereiland groote landschappen om de ongezonde lucht verlaten en eenzaam zijn, belemmert aan de oostzijde gebrek aan besproeiing den bloei van geheele provinciën; dit is vooral het geval in Apulië, waar men behalve den Aufidus (Ofanto) enkel beken vindt, die zich onmiddellijk van de bergen in zee storten.

ocr page 179

167

De kusten van Italië waren voor eon levendig verkeer met andere volken veel minder gescliikt dan die van Griekenland. Zij hadden niet veel veilige havens, en de weinige, die men er vond (Ostia, Baiae, Brundisium), waren meer door de kunst dan door de natuur gevormd.

Verdeeling:

A. O p p e r-I talie bevatte die landschappen, welke de Eo-meinen vóór het einde der republiek niet bij Italië rekenden; li Liguria. 3) Gallïa Cisalpma. 3) Het land der Venëti, met het land der Carni en het schiereiland Istrïa.

B. M i d d e n-I talie wordt door den Apenninus in twee helften verdeeld, die elk drie landschappen omvatten:

a) Aan de westzijde: 1) Etruria. 2) Latïum. 3) Campania.

V) Aan de oostzijde: 1) Umbrïa. 3) Piccnum. 3) Samuium.

C. B e n e d e n-I t a 1 i^ omvatte:

d) Aan de westzijde: Lucanïa en Bruttïum.

h) Aan de oostzijde: Apulia en Calabria.

D. De eilanden: Sicilïa, Sardinia, Corsica en de kleinere eilanden.

§ 73.

Opper-Italir.

1) L i g u r i a of de kuststreek aan de Ligustische golf, noord-delijk tot aan den Padus, met de aan die golf gelegen hoofdstad Genua, de voornaamste handelstad der Liguriërs.

2) Gallia Cisalpïna of togata, werd door den Padus verdeeld in: a) G a 11 i a C i s p adana, de kleinere zuidoostelijke helft, met Par ma, Mutïna (Modena, slag 43), B o-n o n i a (Bologna) en Raven n a, vroeger (even als Venetië) in de lagunen der Adriatische zee gelegen (residentie der keizers sedert Honorius). li) Gallia Transpad a n a (de groot ?re, noordwestelijke helft), met Augusta Tauri uor um (Turijn), Cremona, Ticinum (th. Pavia), Vercellae (slag 101), M e d i o 1 a n u m (Milaan), M a n t u a (in een door den Mincius gevormd meer) en V e r ö n a aan de Athesis (amphitheater).

ocr page 180

168

3) Het land der Illyrische V e n ë t i, ten O. van de Etsch, tusschen de Alpen, den Eeneden-Padus en de Adriatisclie zee , met P a t a v i u m (Padna ; geboorteplaats van Livins). Sedert Augustus werd voorts tot Opper-Italië gerekend: 1) liet land der C a r n i met A q u i 1 ê i a (bloeiende handelstad , verwoest door Attila) en 2) het schiereiland I s t r i a met T e r-geste (Triëst).

I 73.

Mïdden-Italir.

1) E t r u r i a, aan weerszijden van den Arnus, tusschen den Apenniims in het N. en 0., den Tiber en de zee, bewoond door de Etrnscers, een uit de Centraalalpen derwaarts verhuisd volk, dat door kunsten, wetenschappen en handel beroemd is geworden. Zij stichtten twaalf steden; iedere stad, met eenige open plaatsen daarbij gerekend, vormde een gebied , dat door een koning werd geregeerd (hoewel de koninklijke regeering geen vaste regel schijnt gweest te zijn). De voornaamste steden als : Lu ca, P i s a e, TMorentia, Faesülae (Fiesole), behoorden niet tot die verbonden steden, en werden eerst in de Middeleeuwen belangrijk. De steden van het verbond, waarvan V e i i de voornaamste was, lagen op de thans eenzame en verlaten voorloopers der Apennijnen en de zeekust. Bloeiende steden waren nog: A r r e t i u m (Arrezzo), P e r u s i a (Perugia, in de nabijheid van het trasiraeensche meer), C 1 u sï u m (Chiugi), C a e r e, Tarquinii enz.; de grond was van vulkanischen aard, zoo als blijkt uit de leeg gebrande kraters, die meren vormden (zoo als de L. Trasimenus, slag 217).

2) Latium (de «breedequot; vlakte) bevat, even als Etrurië, waarvan het door den Beneden-Tiber is gescheiden, zoowel voorloopers van den Apenninus (het Albaansche en Sabijnsche gebergte) met meren (zooals het Albaansche meer), als uitge-gestrekte moerasstreken (de Pomptijnsche moerassen).

Steden der Latijnen: 1) E o m e lag vroeger op den linker oever van den Tiber, op 7 heuvels, waarvan de Capi-

ocr page 181

169

tollnus. Aventïnus, Caelius en de tusschen deze gelegen Pa-latïnus geheel op zich zelve staande, door dalen van elkaar gescheiden bergen zijn, terwijl de Esquilïnus met der; Virainalis en Qiurmalis in het Oosten eene hoogvlakte vormen. Hierbij kwam sedert Aureliaims de collis horlorum fMonte Pincio'), en aan gene zijde van den Tiber het laniciilum en de Mons Vaticanus.

Op den Capitolinus, den kleinsten der 7 heuvels, lag de door Tarquinius Superbus gebouwde tempel van luppiter Capitolinus, die tot driemalen toe afbrandde (84 v. Ch., 69 en 80 n. Ch.). Domitianus liet hem voor de vierde maal met ongekende pracht weder opbouwen. Aan den westkant van het Capi-toliurn lag de Tarpejische rots. Aan den voet van den Capitolinus bevond zich het Forum Romanum (th. Campo Va«-cino), door het spreekgestoelte {roüra, zoo genaamd naar de snebben der Antiatische schepen) in het C o m i t i u m (de vergaderplaats voor de comitia curiata) en het aan beide kanten door gaanderijen en winkels omgeven Forum in meer beperkten zin (vergaderplaats der comitia trihuta) gescheiden. Het Forum was niet slechts de plaats voor de Comitia curiata en tributa en de rechtsgedingen van den praetor, maar ook de gewone schouwplaats voor de gevechten der gladiatoren. De Curia H osti 1 ia, aan de noordzijde van het Comitium, door Tullus Hostilius tot vergaderplaats voor den Senaat gebouwd , werd bij het verbranden van het lijk van Clodius in de asch gelegd; Octavianus bouwde de Curia lulia voor den Senaat. De P a 1 a t i n u s was sedert Augustus de residentie van den keizer. Het keizerlijk paleis werd onder zijne eerste opvolgers herhaalde malen vergroot, tot dat Nero na den brand met onzinnige verkwisting de domus anrëa bouwde, die niet slechts den geheelen Palatinus, maar zelfs een gedeelte van den Esquilinus besloeg. Vespasianus beperkte het paleis weder tot den Palatinus.

In het dal tusschen den Palatums en den Aventinus werd onder Tarquinius Priscus de oudste en beroemste renbaan gemaakt, de Circus maxim us, die vroeger zeer eenvoudig was en eerst onder de keizers prachtig ingericht werd. Aan den anderen

ocr page 182

170

kant van den Palatinus lag liet door Vespasianus begonnen en door Domitianns voltooide A in p h i t h e a t r u m F 1 a v_i ujn (Colosseum). De groote vlakte van de rivier tot aan de hellingen van den Capitolinus, Quirinalis en Pincius, de Campus Mar-ti u s , was tot aan het einde der republiek een open plein, zoowel voor gymnastische en [militaire oefeningen, alsook voor groote volksvergaderingen bestemd, doch sedert Caesar werd het dichtst bij de stad gelegen gedeelte met eene menigte prachtige gebouwen, als de Thermen van Agrippa en Nero, het Pantheon (th. S. Maria ad Martyres) van Agrippa, den Obeliscus, het Mausoléum van Augustus en den circus Flaminius, bedekt. Hier lagen ook de beide grootste schouwburgen, die van Pompeius (voor 10,000 toeschouwers) met de Curia Pompei, waar Caesar vermoord werd, en die van Marcellus. Bovendien was de stad versierd met triomfbogen (bewaard gebleven zijn die van Titus, Septimius Sevërus en Constantinus), thermen (badhuizen), vooral die van Diocle-tianus, Titus en Caracalla , gaanderijen, basiliken (oorspronkelijk voor den kleinhandel, later ook voor rechtsgedingen), obelisken, standbeelden, odëa, waterleidingen, cloacae enz. — De omstreken van de stad waren, vooral langs de 16 naar alle richtingen loopende straatwegen, met ontelbare villa's, graftomben en gebouwen van allerlei aard bedekt. — Zoowel onder de stad zelve, als langs de via Appia bevonden zich de catacomben.

li) Van de overige steden der L a t i n i lagen a) op de kust; 1) O s 11 a. havenstad van Rome aan den mond van den Tiber, reeds door Ancus Martins gesticht, 2) L a u r e n t u m, waar bij de komst van Aeneas koning Latinus regeerde , en !i) L a v i-n i u m ; b) op en bij het Al baan s c he g eb er g te; 1) Al ba L o n g a , de moederstad van Rome, 2) Tusculum (in de nabijheid van het tegenwoordige Frascati), 3) G ab i i; c) op den westelijken rand van het Sabijnsche gebergte; in het Noorden, waar de Anio de Romeinsche Campagna besproeit , T i b u r (th. Tivoli), het geliefkoosd verblijf der rijke Romeinen en daarom door talrijke villa's, b. v. van Maecenas,

ocr page 183

171

Hadrianus e. a., omgeven, en in liet Z. Praeneste (Palestrina). Tusschen Tibur en Rome lag Co 11 a t i a.

Ni et-L at ij nsehe volken in Latium: 1) De R u t ü 1 i, niet ver van de kust; in hun land lag de stad A r d ë a. 2) De H e r n i c i in het Z. van het Sabijnsche gebergte. 3) De A e q u i in het zuidoostelijk gedeelte van het Sabijnsche gebergte, het gebied van den boven-Arnus. 4) De V o 1 s c i aan beide kanten van de Poraptijnsohe moerassen ; op de westzijde lagen de kust-steden A n t^i u m en T e r r a c I n a (of Anxur), op de noordzijde S u e s s a P o in e t i a , op de oostzijde A r p ï n u m (geboorteplaats van Marius en Cicero). 5) De A u s 8 n e s of A u r u n c i, met de stad Minturnae bij den mond van den Liris.

3) Campania (zuidelijk van den Liris tot den Silarus). Aan den Beneden-Vulturnus en aan de golf van Napels strekt zich eene vlakte van onuitputtelijke vruchtbaarheid uit. Langs de kust van de golf lag stad bij stad: de badplaats li a i a e (in de nabijheid de Lacus Lucrlnus, uit welks midden in 1538 de Monte imovo oprees), Pu t e o 1 i (th. Pozzuoli), P a r t h e-n 6 p e of Palaepölis, de oude stad van Ne a pol i s, Herculaneum, Pompeii, Stabiae (de drie laatste in 79 na Chr. door eene uitbarsting van den Vesuvius vernield en bedolven; eerst in de 18de eeuw zijn zij teruggevonden en is men begonnen ze weder op te delven) en S u r r e n t u m (ch. Sorrento). In het binnenland lagen C a p u a (aan den Vulturnus) en N51 a, welke steden de Etruscers bezetten, toen zij zich in Campanië vestigden. maar aan de Samniten moesten afstaan.

4. U m b r i a. liet landschap (ten Z. van den Rnbico) op beide zijden van den Midden-Apenuinus, westelijk tot den boven-en raiddenloop van den Tiber, oostelijk tot aan de kust van de Adriatische zee, waaraan Arimïnum (th. Rimini) en Sena Gallia (th. Sinigaglia), de voormalige hoofdstad der Senonische Galliërs (in de nabijheid de nederlaag vau Hasdrubal bij den Metaurus, 207), lagen; in 't binnenland Se u tI n u in (overwinning der Romeinen op de Samniten, 295).

ocr page 184

173

5. Het kustland P i c ë n u ra met de havenstad A n c o n a.

6. S a m n ï u m (zuidelijk tot aan den Frento), insgelijks op beide zijden van den Apenninus, die hier (in de Abruzzen) zijne grootste hoogte (bijna 9000 voet) bereikt, met de steden Beneven t u m (vroeger Maleventum , slag 275) en C a u d i u m (slag 331), beide in het Z.W. van het landschap.

§ 74.

Bmeden-ltalië of Groot-Gi-ukeuland.

1) L u c a n i a, met H e r a c 1 e a (slag 280) ; S v b a r i s ; na de verwoesting dier stad (510) stichtten de Atheners in hare nabijheid T h u r i i; H e 1 i a (ook Velia of Elea, zetel der Elea-tische school).

3) B r u 11 i u m, met C r o t o n (school van Pythagoras; de athleet Milo); R h e g i u m (th. Reggio) eu Consent ia (graf van Alarik in den Busento).

3) Apulia bevat de belangrijkste kustvlakte op de oostzijde van den Apenninus en de grootste der aan dezen kant van den Apenninus afstroomende rivieren, den Aufidus. Steden: Lu-c, e r ï a, A a c it 1 ii rri A p ü 1 u m (slag 379), C a n n a e (slag 316) en de Romeinsche kolonie Vf e n u s i a (geboertéplaats van Horatius).

4) Calabria, het zuidoostelijke schiereiland (sedert de Byzantijnsche heerschappij heet het zuidwestelijke schiereiland Calabria) met B r u n d i s i u m . van waar men gewoonlijk naar Griekenland overvoer, en de groote handel- en fabriekstad T a r e n t ii m, gesticht door de Partheniërs uit Sparta.

§ 75.

Be eilanden.

1) Sicilië (Trinacrial. Dit eiland, in het midden der Middellandsche zee gelegen, in de oudheid uitmuntend bebouwd (de korenschuur van Italië) en buitengewoon sterk bevolkt, wordt

ocr page 185

173

van het schiereiland gescheiden door het fre htm Sic,Mm, (straaf. van Messina; Scylla en Charybdis). Op de noordkust bedekt eene voortzetting der Apennijnen het eiland. Eene vertakking daarvan strekt zich in eone zuidoostelijke richting uit, en geeft daardoor aan het eiland zijne driehoekige gedaante. Het vulkanische gedeelte aan de oostkust, waar de Aetna (Mongibello) zich 10,000 voet boven de zee verheft, is het vruchtbaarste. Steden: a) In het oosten; Mess a, n a (vóór de komst der Messeniërs Zancle, tli. Messina genaamd); Syracüsae (tegenw. Siragossa); C a t u n a (Catania) aan den voet van den Aetna. V) In het Zuiden: A k r a ga 8. latei- Agrigeutum (th. Girgenti). c) In het Westen en Noorden: Lilybaeum, S e g e s t e of E g e s t a, _P a n o r mus (th. Palermo), 11 i in ë r a (overwinning van Gelo, 450), M y 1 jie (eerste overwinning der Ko-meinen ter zee).

Sicilië is aan drie kanten door groepen van kleinere eilanden omgeven: in het N. door de 11 A eolische of V u 1 c a n i s c h e eilanden (th. Liparische eilanden, het grootste is Lipara), in het W. door de A e g a t e s (th. Aegadische eilanden), waarbij Lutatius Catulus de beslissende overwinning op de Carthagers beltaalde , 242, in het Z. door Melite (Malta) en twee kleinere eilanden.

2) Sardinia, van alle Italiaansche eilanden het verst van het vasteland verwijderd, waaraan het zijne eentonige, slecht toegankelijke en van geen enkele haven voorziene oostkust toekeert. Ondanks zijne zoo gunstige ligging heeft het nooit een rol van eenig belang in de historie gespeeld. Hoofdstad : C a r a 1 i s (th. Cagliari) op de zuidkust.

3) Corsica met Alalia (later Aleria) op de oostkust.

B. GESCHIEDENIS DEll ROMEINEN.

EERSTE TIJDVAK.

ROME ONDER KONINGEN, 753—509 V. ClIR.

§ 76.

De oudste hewoners van, Italië. De. (joihdieuzt. Dn overlevering van de stichting der stad.

1) Het middelste gedeelte van het schiereiland werd bewoond

ocr page 186

174

door twee volksstammen, don Latijnschen stam in het W., den UmbrkcU-Semfiifi*c/ie»i in het O. De Latijnen waren waarschijnlijk eerst in het Albaansche «rebergte gevestigd en stichtten daar Alha loiii/a, de latere hoofdstad van den Lafijiixchen houd. De Umbriërs waren in de vroegste tijden over geheel Noord-Italië verspreid, doch zagen door het opdringen der FAmscen hun gebied tot //Urabriëquot; beperkt. Van de Saraniten scheidde zich een stam, de Sabellers, af, die tot het hoogland der Abrnzzen doordrong. In zeer vele opzichten verschillend van de stammen van Midden-Italië waren de Etrnscen. Eerst woonden zij in de Po-vlakte, doch daaruit door de binnentrekkende Gelten en Galliërs verdreven, trokken zij de Noordelijke Apennijnen over en vestigden zij zich in „Etrnriëquot;; ook hadden zij langen tijd in Campania alle gezag in handen. De Etrnscen vormden in Etrnrië een bond van twaalf steden en onderscheidden zich reeds spoedig boven de overige volkeren van Italië door de beoefening van kunsten en wetenschappen, door handel en zeevaart.

Van over zee vestigden zich mede reeds spoedig Grieksche volkplanters in Italië.

2) De oudste Goden der Latijnen hadden of betrekking op den landbouw (Saturnus) óf op het herdersleven (Faunns). De llomeinen hebben de Latijnsche en Sabijnsche goden vereering overgenomen, hoewel de sage van koning Nuraa Pompilius als den stichter van den Eomeinschen godsdienst melding maakte. Als hoogsten God vereerden zij luj^itKr, deu god van den hemel en de luchtverschijnselen, den beschermer van den Latijnschen bond en den beschermheer van Eome (daarom zijn tempel op bet Gapitolium). Na hem kwam in de eerste plaats Mars,, de god van den oorlog. Een hooge vereering genoot ooi lanus, wien men een grooten invloed op de menscheu toekende. Men riep hem steeds aan, wanneer men zijn woning verliet of binnentrad. Als vrouwelijke godheden golden bij de Latijnen en llomeinen: Tellus, de godin van de aarde, Vesta, de beschermster van den huiselijken haard, in wier tempel het eeuwige

ocr page 187

175

vuur door de Vestnalscho maagden werd onderhouden, luno. Miner m. Diana, de sctutsgodin van den Latijnsclien bond, Vvmis, de stammoeder van het Roraeinschen volk. — Ook vereerde men vele goden van lageren rang.

Keeds vroeg deed zich in den Eomeinschen godsdienst de invloed der Etruriërs, en vooral der Grieken, bespeuren. Van Cnmae, de oudste Grieksche volksplanting in Italië, kwamen de Sibylliinsche boeken, Grieksche goden en godsdienstige gebruiken naar Rome. De verovering van Beneden-Italië en vooral later die van de Grieksche staten in het Oosten gaf aan den Romeinschen godsdienst een geheel Grieksche tint, waartoe vooral de kennismaking met en de toenemende beoefening van de Grieksche letterkunde en de tallooze godenbeelden, die uit de veroverde steden naar Rome kwamen, veel bijdroegen. De Grieksche mythen werden op Romeinsche godheden overgebracht. Het verval van de republiek sleepte ook het verval van den met den staat zoo nauw verbonden godsdienst na zich, die reeds lang tot een werktuig der staatkunde verlaagd was. In later tijd, vooral onder de keizers, werden ook Oostersche godsdiensten (vooral de Egyptische) naar Rome overgebracht.

Het doel van den Eomeinschen godsdienst was geenszins leering, opbouwing en heiliging van den mensch, maar gebeden, geloften, offeranden en feesten waren slechts middelen om de goden aan de bereiking van zelfzuchtige doeleinden dienstbaar te maken. Daarom kwam het bij het gebed geenszins aan op de bedoeling en gezindheid van den biddende, maar alleen op het juiste opzeggen der formulieren en het stipte opvolgen der voorgeschreven ceremonieën. In meer belangrijke gevallen trachtte men het gewenschte (overwinning en verovering) door geloften te verkrijgen, die men steeds met groote nauwgezetheid nakwam. De gebruiken bij het brengen van offeranden weken van de Grieksche slechts weinig af. De feesten namen, vooral sedert de Romeinen zich niet meer met landbouw bezig hielden, maar eene bij uitstek krijgszuchtige natie werden, in getal en pracht (spelen in den schouwburg, het

ocr page 188

176

amphitheatrum en tien circus) voortdurend toe (ongeveei 50, waarvan sommigen verscheiden dagen duurden)

De uitvorsching van den wil der goden en het lot der menschen geschiedde deels door de uitlegging der prodigia, die door gebeden en zoenoffers moesten worden afgewend, deels door het gadeslaan van de vlucht en de stemmen der vogels en het onderzoek naar de ingewanden der offerdieren. Deze kunsten waren van Etrurischen oorsprong; de laatste werd slechts door Etruscische harmpicta, de tweede en ook de derde uitsluitend door Komeinsche ancjum (zie § 77) beoefend. Slechts in buitengewone gevallen werden op bevel van den senaat door de daarvoor aangestelde priesters de S i b y 11 ij n s c h e boeken geraadpleegd, die gewoonlijk de instelling van een nieuw feest of van nieuwe godsdienstige ceremoniën, enkel ook wel een bepaald offer voorschreven. Over de voornaamste priesters zie men § 77. — Sedert Constantinus den Groote was het Christendom godsdienst van den staat.

3) Bij de verwoesting van Troje was Aeneas met zijn vader Anchlses, zijn zoon Ascanins en een kleine bende Trojanen ontsnapt, en na langdurige dwaaltochten in Italië aangeland, waar hij Lavinium, en waar na zijn dood Ascanins Alba Longa bouwde.

De legende van Aeneas (1). Aeneas en de met hem ontsnapte Trojaansche vluchtelingen beproefden eerst zich op Creta neder te zetten, gehoorzamende aan eene godspraak, die zij op Delos hadden ontvangen en die Anchises hun had uitgelegd. Doch weldra verlieten zij dat eiland, waar zij door hitte en ziekte gekweld werden, en stevenden, op eene aanwijzing, die Aeneas in een droom van de Penaten had ontvangen, naar Italië. Nadat stormen en dwaaltochten hunne reis hadden belemmerd, bereikten zij Sicilië, waar Anchises stierf. Nu zond luno, de oude vijandin der Trojanen, een nieuwen storm, die de vloot naar Car-

(1) Uitvoerig behandeld door G. Schwab, die schönsten Sagen des olnssischen Alterthums, 184ö. 3 deelen.

ocr page 189

177

thago dreef, waar Aeneas door de koningin Dido liefderijk werd ontvangen en zoo lang vertoefde, tot een bevel van luppiter hem gelastte naar Italië te zeilen. Hij landde in het gebied van Latinus, den koning van Laurentum, die hera, door eene voorspelling daartoe gedreven, zijne dochter Lavinia tot vrouw gaf. Maar Turnus, de koning der Eutuli te Ardëa, met wien Lavinia vroeger was verloofd geweest, beoorloogde, door luno aangehitst, den hom voorgetrokken vreemdeling en Latinus. Terwijl Aeneas bij Evander, een Arcadisch vorst, die zich aan den oever van den Tiber had nedergezet, hulp zocht en dus afwezig was, waagde Turnus een stonn op de legerplaats der Trojanen, die afgeslagen werd; zijne poging om de Trojaansche vloot te verbranden, verijdelde luppiter, door de schepen in nimfen te veranderen Na de terugkomst van Aeneas volgde een reeks van gevechten, tot ■dat ten laatste de Trojaansche held zijn vijand Turnus in een tweegevecht versloeg.

De veertiende Albaansche koning, Amu 1 iua, was door de verdrijving van zijn broeder yuinïtor tot de heerschappij geraakt, had diens zoon gedood en zijne dochter Ilea Silvia onder de Ves-taalsche maagden opgenomen. Mars verwekte bij haar tweelingen, R o m fi 1 u s en R e m u s, die bij den Tiber te vondeling gelegd, maar gered en door eene wolvin gezoogd werden, tot dat een herder (Faustulus) hen vond en aan zijne vrouw (Acca Larentin) bracht om ze op te voeden. Zij groeiden onder de herders op, doodden Amulius en verschaften aan Numitor de heerschappij over Alba. Het geschil tusschen de beide broeders over de stichting eener nieuwe stad werd door het verschijnen van 12 gieren ten voordeele van Romulus beslist; Remus werd verslagen, 753.

De oudere Romeinsche dichters (Xaevius en Enniujj) noemen de moeder van Romulus Ilia. en deze is bij hen de dochter van Aeneas. Aanvankelijk verbond men dus de stichting der stad onmiddellijk met de komst van Aeneas, en eerst later laschte men, om aan chronologische moeielijkheden te gemoet te komen, de koningen van Alba in.

Pütz, O. G. 12

ocr page 190

178

§ 77.

De zeven koningen. 753—510.

De Romeinsche schrijvers zei ven ontkennen niet dat de geschiedenis der eerste drie eeuwen, bij gebrek aan deugdelijke bronnen, hoogst onzeker is (Beaufort. — Niebuhr.—Mommsen).

1) Romulus (37 j., 753—716). Volgens de sage werd iedereen in de nieuwe stad opgenomen, ballingen, gevluchte moordenaars, ja zelfs weggeloopen slaven en misdadigers (amjlinn). Om aan zijne onderdanen vrouwen te versohaffen, verzocht Romulus de naburige volken, hem liet vim connubii toe te sinan; toen dit van de hand gewezen werd, noodigde hij de Latijnen en Sabijnen tot de bijwoning van een feest (Consualia) uit. Zij kwamen, en de Romeinen schaakten, terwijl de gasten hunne aandacht op de spelen gevestigd hielden, hunne dochters. Om die reden werd hij in oorlog gewikkeld met drie L a t ij n s c h e-steden, die na elkander werden overwonnen, en met de Sabijnen, wier koning Titns Tatius door het verraad van Tarpcia het capitolinm innam. Do geroofde maagden zelve bemiddelden den vrede, waarop de Romeinen en Sabijnen zich tot één staat vereenigden. De Romeinsche Senaat, door Romulus uit 100 voorname Romeinen van gevorderden leeftijd {p atre s) gevormd, werd nu op 200 gebracht, 100 Romeimen en 100 Sabijnen; de koninklijke waardigheid -wisselde tusschen de beide volken af. Verdeeling van het volk in 30 curiën. (Oorlogen tegen Fidenae en Veii.) Romulus werd bij eene zonsverduistering door Mars naar den hemel ontvoerd (volgens anderer meening door de senatoren vermoord); de Romeinen bewezen hem in 't vervolg goddelijke eer, eu noemden hem Qujrïnug.

Na eene tnsschenregeering (interrennniii) van één jaar kozen de Romeinen uit de Sabijnen deu schoonzoon van T. Tatius,

2) Numa Pompi 1 ius (43 j., 715—672). Volgens de sage door de nimf {camênd) Egeria ondiTwezeu, regelde hij gedurende zijne vreedzame regeering den Romcinschen godsdienst door de

ocr page 191

179

instelling der volgende priestercol leliën; 1) De P o n t i f ï c e s (5, 8, 15, 16), voor hun leven gekozen. Opengevallen plaatsen werden door het kollegie zelf aangevuld (coöptatió). Zij hadden het oppertoezicht over den godsdienst zoowel van den staat als van de bijzondere personen; over alle priesters oefenden zij eene soort van gezag uit, terwijl in alle twijfelachtige gevallen hunne uitspraak beslissend was. Zij moesten zorg dragen dat iedere godsdienstige en gerechtelijke handeling op den juisten dag werd verricht; daarom regelde de voorzitter van dit kollegie, fa pontifex maxïmws, de tijdrekening, bepaalde den tijd voor de te vieren feesten, en schreef de Annales maximi. 2) De A u g ü r e s (3 , 4, 9, 15), insgelijks bij coöptatie voor h\in leven gekozen, raadpleegden, op uitnood iging der bevoegde ambtenaren, bij alle openbare handelingen den wil der goden (ohnunüatio). Er waren vooral twee soorten van teekenen {amjncia), waardoor de goden hun wil te kennen gaven; a) luchtverschijnselen (e caeló), als donder, bliksem, vallende sterren; h) de vlucht en de stem van zekere vogels (ex avibun; oscines, praepetes\ 3) De 3 F1 a m i n e s of otterpriesters (Diiilis, Martialis, Quirinalis); zij brachten de brandoffers aan de 3 nationale goden. 4) De 20 F e t i iï 1 e s, door Numa of Ancus Martius aangesteld, om op plechtige wijze den oorlog te verklaren, en uit naam van het Tlomeinsche volk vrede en verbonden te sluiten. 5) De Vestaalsche maagden, 4, sedert Tarquinius Priscus 6, onder toezicht van den Pontifex Maximus, door hem op een leeftijd van 6—10 jaren gekozen. Zij moesten 30 jaren priesteressen blijven; in de eerste 10 jaren leerden, in de tweede dienden, eu in de laatste onderwezen zij (bewaking van het Palladium , eau volgens de sage uit Troje medegebracht , uit den hemel gevallen beeld van Pallas, en van het heilige vuur van Vesta). 6) De (12) Sa 1 ii, door Numa benoemd, om hot heilige schild {ancïle') van Mars, dat van den hemel was gevallen, en 11 andere schilden, die naar het voorbeeld daarvan waren vervaardigd, te bewaken. In plechtigen optocht trokken zij zingende en dansende (vandaar hun naam) door de stad.

Ook voerde hij in plaats van het door Romulus aangenomen

ocr page 192

180

jaar van 10 maanden (304 dagen) een maanjaar van 12 maanden of 355 dagen in. De tempel van lanus.

(Oudste Staatsregeling).

Eome ontstond, even als Sparta en Athene, uit de samenstelling van verscheiden (3) eertijds van elkaar onafhankelijke distriklen of stammen , E a ra n e s, T i t i e s en L u c ë r e s. Elke der drie gemeenten (tribus) \vas iu 10 curiae en elke curia in 10 gentes verdeeld, dus 30 c u r i a e en 300 g e n t e s. Uit iedere gens werd door den koning één tot lid van den senaat henoerad , een raad, welks werkkring in den eersten tijd alle aangelegenheden van niet zuiver militairen en rechterlijken aard omvatte. Het volk vergaderde in de c o m i t i a c u r i a t a, waarin vooral over wetgeving werd gehandeld (over de provocatio z. m. bij Tullus Hostilius).

De afstammelingen van de stichters der stad en de in rechten met hen gelijkstaande bewoners heetten P a t r i c i i; in zekere afhankelijkheid van deze verkeerden de C 1 i e n t e s, waarschijnlijk de oorspronkelijke, door de Latijnsche veroveraars onderworpen bewoners van het land. Een derde bestanddeel vormden de Plebejers (m. z. bij Ancus Martius). Zij woonden meestal op het land en waren vrije grondbezitters. Staatkundige rechten hadden zij niet: zij mochten noch in den senaat noch in de volksvergadering verschijnen, maar zij deelden in de lasten van den staat.

3) Tullus Hostilius (32 j.. 672—640), een Romein. Een oorlog met Alba Long a, het hoofd van het Latijnsche verbond, ontstaan door wederzijdsche plunderingen, werd (op voorstel van den Albaanschen dictator Mettius Eufetius) door den strijd der drie Horatiërs en der drie Curiatiërs, drielingen en zonen van twee zusters (?), ten voordeele der Romeinen beslist. Zustermoord van den overwinnenden Horatius, die door de voorspraak zijns vaders en een beroep op het volk aan het doodvonnis ontkwam [provocatio ad populuni). Mettius Eufetius zette de Vejenters en de Fidenaten tegen Rome op, en beloofde in den veldslag tot hen over te loopen, maar zijne trouweloos-

ocr page 193

181

lieid mislukte. Hij werd op wreede wijze gedood eu Alba verwoest; de inwoners werden naar Eome overgebracht. Sedert dien tijd treedt Rome in de rechten van Alba en staat het aan het hoofd der Latijnsche steden.

4) A neus Martius (2-t j., 640—-616) was een Sabijn en de kleinzoon van Numa. Invallen der L a l ij n e n in het Roraeinsclie gebied hadden een oorlog ten gevolge, waarin de Eoraeinen vier Latijnsche steden veroverden, en hare bewoners voor een deel naar Home overbrachten. Zij kregen den naam van Plebejers, en hadden mindere rechten («»e suffragio) dan de oude bewoners van Eome, de Patriciërs. Zij kregen woonplaatsen op den Aventinus en in het dal tusschen den Aventinus en den Palatinus. Ancus stichtte de havenstad Ostia, om zich de heerschappij over de (bevaarbare) monding van den Tiber te verzekeren. Hij verbond ook het door hem versterkte laniculum door een brug met de stad.

5) L. T a r q u i n i u s P r i s c u s (38 j., 616—578), volgens de overlevering een zoon van den uit Corinthe naar Tarquinii gevluchten Bacchlade Damaratus, kwam naar Eoine, werd voogd over de zonen van Ancus, maar na diens dood zelf tot koning gekozen (zijne gemalin Tauaquil). Met zijne verheffing hield de afwisseling van Eomeinsche en Sabijnsche koningen op. Hij voltooide de door Ancus begonnen onderwerping van Latium. Hij bouwde de Cloacae, maakte de moerassen in do nabijheid der stad droog, en vestigde op het aldus gewonnen terrein het Forum en den Circus Maximus (het groote ren perk); hij vermeerderde den senaat tot op 300 leden (Luceres), maar werd door sluipmoordenaars gedood, welke de zonen van Ancus, die zich voor verongelijkt hielden en de erfelijke regeering poogden te herstellen, op hein hadden afgezonden. Echter volgde des konings schoonzoon

6) Servius Tul li us (44 j., 578—534) hem op. (De sage van zijne geboorte uit eene slavin, en zijn verblijf aan het hof van Tarquinius). Hij verkreeg voor Eome niet slechts de opname in, maar zelfs eene soort van voorzitterschap van het Latijnsche verbond (stichting van een gemeenschappelijk heiligdom

ocr page 194

182

op den Aventinus), voegde den Viminalis en Esquilinus bij de stad, en omgaf de zeven heuvelen met een ringmuur. Hij verdeelde het Eomeinsche grondgebied in 30 tribus (4 urbanae en 26 r u s t i c a e) en voerde, om ook aan de Plebejers althans stemrecht te verschaffen, met het oog op de volksvergadering en het leger eene nieuwe verdeeling van alle vrije bewoners van Rome en van het gebied der stad in 193 Centuriën in; deze Centuriën bevatten dus de Patriciërs en de Plebejers. Zij bestonden uit drie deelen :

«) De Ridders met 18 Centuriën, waarin zoowel Patriciërs, als ook de rijkste en aanzienlijkste familiën van de Plebs waren opgenomen.

li) Het voetvolk, naar het vermogen onderscheiden in 5 klassen:

1) Die minstens 100,000 asses (20 imjera) bezaten met 80 centuriën.

2) a a 75,000 „ (12 iutjerd) n « 20 «

3) „ ii 50,000 a (10 iugera) n n 20 «

4) u I, 25,000 „ (5 iugera) n ;/ 20 //

5) ii ii 12,500 ii (2 int/era) i, n 30 „

c) Die minder vermogen bezaten dan de vijfde klasse, zoo als de speel- en timmerlieden (deze werden volgens Livius bij de eerste klasse gevoegd); zij hadden te zamen 5 centuriën.

Er waren dus in 't geheel 193 centuriën. Iedere centurie had in de vergadering van het geheele volk op het Marsveld (comitia centuridta) eene stem. De comitia centuriata hadden de bevoegdheid, om de voorstellen van den senaat over nieuwe wetten, keuze van ambtenaren en oorlogsverklaringen goed te keuren of te verwerpen. Met die verdeeling van het geheele volk in centuriën hing ook de regeling van het krijgswezen samen; de ridders dienden te paard, de burgers der 5 klassen te voet, en wel van hun 16de tot hun 45ste jaar in het veld, van hun 46ste tot 60ste jaar in de stad. De burgers der 1ste klasse waren zwaar gewapenden; met het vermogen nam ook de zwaarte (en kostbaarheid) der uitrusting af.

S e r v i u s werd vermoord (de beide Tulliae en de beide Tarquinü) door zijn schoonzoon

ocr page 195

183

7)L. Tarquinius Superb us (24 j., 534—510), dio, zonder lt;loor het volk verkozen of op den troon bevestigd te zijn, zich. van de regeering meester maakte en geheel willekeurig heerschte. Hij ontnam aan de Plebejers de rechten, die Servius hun had gegeven, en legde hun drukkende belastingen en zware heerendiensten op (zij moesten het Capitolium helpen bouwen); het getal leden van den senaat verminderde hij door den moord «n de verbanning van vele senatoren. Slechts zelden verwaardigde hij zich den raad van dit eerste staatslichaam in te winnen. De rechtspraak misbruikte hij, om zich zeiven te verrijken en zich van zijne vijanden te ontdoen. De Latijnen en Hernicers onderwierpen zich aan de Eomeinsche heerschappij. Hij veroverde Suessa Pometia, en bouwde van den rijken buit den Capitolijnschen tempel van luppiter, luno en Minerva, waarin de drie Sibyllijnsche boeken bewaard werden, die hij van eene oude vrouw gekocht had. Hij voltooide de hegemonie van Rome, door de contingenten van het Latijnsche verbond bij Let Eomeinsche leger te voegen. Gabii, dat weigerde toe te treden, heeft zijn zoon Sextus, volgens het verhaal door list, voor hem veroverd (de legende schijnt samengesteld te zijn uit hetgeen bij Herodotus over Zopyrus en Periander staat). Ook begon hij, tot uitbreiding van het Bomeinsche gebied naar het Zuiden, oorlogen met deVolscers enRutulers, veroverde Suessa Pometia en belegerde juist Ardea, toen een opstand uitbarstte , die met zijne verdrijving en de afschaffing van het koningschap eindigde. Volgens de sage ontstond bij de belegering van Ardea een strijd tusschen de zonen des konings en hun neef L. Tarquinius uit Collatia, over de deugd hunner vrouwen; zij vertrokken om dien twist te beslissen, naar Rome en Collatia. Sextus Tarquinius zag Lucretia, keerde later alleen ■naar Collatia terug, en onteerde haar. Zij doodde zich zelve. Dit verwekte een opstand van het volk, dat door L. Junius Brutus (de reis naar Delphi; zijn geschenk aan den God; de godspraak), een zoon van de zuster des konings, was bijeengeroepen. De Tarquinii werden verdreven, de koninklijke waar-

ocr page 196

184

digheid afgeschaft, de regeering aan twee Consuls, telkens voor een jaar, opgedragen, en de staatsregeling van Servius hersteld. De macht der consuls was beperkt door de tegenspraak van den ambtgenoot, door den beperkten duur van het gezag en door de verantwoordelijkheid na afloop van het dienstjaar. (Rex sacrificülus). Slechts in buitengewone omstandigheden kon (sedert 505) één man, de Dictator, aan het hoofd van den staat treden; hij was met het volle koninklijke gezag bekleed, maar moest na hoogstens zes maanden weder aftreden. De beide eerste Consuls waren L. I u n i u s Brutus en L. Tarquinius Collatinus, de echtgenoot van Lucretia.

GESLACHTSLIJST DER TAEOUINIT.

Deniaratus v. (Jorinthe.

Lucurao, Aruns.

later L. Tarquinius Priscus. 1

Tarquinia. Tarquinius Superb. Aruns. l.gei ih aMekt.

L, lunius Brutus. j' 1

-- --L. Tarquinius Colla-

Titus. Sextus. Aruns. tin us, dio echtgenoot

van Lucretia.

het tweede tijdvak.

rome als gemeenebest., 509-30 v. ch.

a) aristocratie, 509—366.

strijd der Patriciërs en Plebejers.

§ 78.

Gevolgen van de verdrijving der Tarqumii.

De naar Tarquinii gevluchte koning deed verscheidene pogingen om naar Eome terug te keeren, die echter allen mislukten. 1) Een door zijn gezanten en te Rome wonende aanhangers bewerkte s a in enz w e ring tegen de nieuwe regeling der zaken werd verraden, en de consul lunius Brutus liet zijne eigene zonen, die daaraan deel hadden genomen, terechtstellen. 2) In ■een oorlog met do Etruscische steden Veii en Tar-

ocr page 197

185

q u i n ij sneuvelde Brutus (rouw der Romeüiscbe matronea) , maar de stem van den boschgod, zoo verhaalde men , verklaarde, dat de Roineinen hadden overwonnen. 3) De oo rlo g met de Etruscers. Van de verwarring, welke na d« verdrijving der Tarquinii in den Boineinsohen staat heerschte „ troleken de Etruscers partij; zij deden eene poging om Latium te veroveren . dat hunne be/.itr.ingeti in Campauië va» Etrurië scheLdde. Koning P o r s e ii a van Clusium voerde liet leger van ket Etrurische verbond tegen Home aan; het werd — zoo verhaal t de sage — wel is waar door de dapperheid van Horatius Cocles, die alleen aan de vijanden tegenstand bood, terwijl de brug ov er den Tiber werd afgebroken, verhinderd, om de stad zelve binnen te dringen, maar eene poging van den moedigen Mucins Scaevola (hij doodt den schrijver van Porsena in plaats van den koning — verbrandt zijne rechterhand) om Porsena te doodamp;n, mislukte. De stad moest zich overgeven, hare wapenen uitleveren, iiaar gebied op den rechter Tiberoever afstaan en twin quot;tij; gijzelaars geven, waaronder Cloelia (zij zwom volgens de sage over den Tiber naar Kome terug, werd aan Porsena op diens eisch weder uitgeleverd, maar door hem teruggezonden). 4) In e«iioorlog met de Latijnen, dio gedurende den Etruscisclieii oorlog van Rome waren afgevallen, werd de negentigjarige Tarquinius, in den slag bij het meer Regillus (nabij Tusculum , 49 6), door den Romeinschen dictator Postmnius Albus gewon.d; hij stierf te Cumae 495 (?). De Latijnen werden door dezen oorlog vrij , en gingen (493) met Rome een bondgenootschap aein, Ook de Hernicers traden (in 486) tot dit verbond toe. Het verbond van Rome met 30 Latijnsche steden werd gesloten onder de volgende voorwaarden: 1) Connubiura. 2) Het recht om in eikaars gebied landerijen te bezitten en zaken te doen. 3) Het recht van deelneming aan offers en feesten. 4) Een aandeel in den gemeenschappelijk gemaakten buit.

§ 79.

De uitwijkinr/ van de plebs, 494.

De patriciërs waren niet slechts in het uitsluitend lgt;ezit van

ocr page 198

186

alle priesterlijke en burgerlijke betrekkingen en eereposten, maar hadden ook alleen het gebruik van het veroverde land [ager puhlicm); hierdoor, door het pachten der indirekte belastingen en het aannemen van leverantiën voor den staat werden zij rijk, terwijl de groote massa der Plebejers door de aanhoudende oorlogen verarmde en in schulden bij woekerdrijvende Patriciërs geraakte , aan wie zij niet slechts al hunne bezittingen, maar zelfs hunne persoonlijke vrijheid hadden verpand. Tegen dezen druk-kenden toestand werd hulp gevorderd en eerst door den consul Servilius, later door den dictator M. Valerius (tijdens een oorlog met de Volscers) ook beloofd, maar (nadat de oorlog door de hulp der Plebejers gelukkig ten einde was gebracht) niet verleend. Derhalve week de nog gewapende plebs uit naar den heiligen bersr in het Sabijnsche gebied, 494, met het voornemen om zich van den Romeinschen staat af te scheiden. Zij keerden van daar niet terug, voor dat de Patriciërs bij een, door de bemiddeling van Menenius Agrippa (zijne allegorie van de maag) gesloten vrede de onschendbaarheid der 5 (later 10) volkstribunen, ambtenaren, tot bescherming van de plebs aangesteld, erkenden, en vernietiging der schuldcontrakten van de on vermogenden, benevens de vrijlating inwilligden van hen, die wegens schulden in dienstbaarheid verkeerden.

De rechten der tribuni bepaalden zich oorspronkelijk tot de auxilii latio en de sacrosanctitas. Daaruit ontwikkelde zich later het ius intercedendi, het ius pren-sionis en als belangrijkste bevoegdheid het ius cum plebe agendi, het recht om in de waarschijnlijk eerst toen ontstane comitia tributa door de plebs besluiten te deen nemen. Er werd naar tribus gestemd (t r i b u t i m).

Aan den consul Spurius Cassius kostte de poging, om aan de plebs ook aandeel aan den ager puhlicm, (die slechts door de Patriciërs als pachters gebruikt mochten worden), te verschaffen (486), het leven; wel werd zijn voorstel, de eerste akkerwet (lex a gr ar ia), aangenomen, maar nauwelijks had hij zijne betrekking nedergelegd, of hij werd beschuldigd van naar de alleenheerschappij te streven, veroordeeld en onthoofd.

ocr page 199

187

§ 80.

Oorlogen met naburiqe volken.

1) Oorlog- met de Y o I s c e r s. M a r c i u s C o r i o-Ijiji u s (de veroveraar van de stad Corioli ?) gaf bij een hongersnood den raad, om koren onder de plebs te verdoelen, onder voorwaarde evenwel dat zij afstand deed van liét tribunaat; hierom in de vergadering der plebs (comitia tribnta) van hoogverraad beschuldigd en veroordeeld, begaf hij zich tot de Volscers, werd aan het hoofd hunner krijgsmacht geplaatst (389), veroverde volgens het verhaal in één zomer zonder tegenstand te ontmoeten, 12 (of 14) Latijnsche steden en bedreigde Rome. Slechts de beden van zijne moeder en zijne gade konden hem, volgens het verhaal der Eomeinsche schrijvers, tot den terugtocht bewegen. Dientengevolge werd hij door de verbitterde Volscers gedood.

Een belangrijke overwinning voor de Plebejers was de wet van Pnblilius Volëro, van 471, waarbij bepaald werd, dat de plebejische overheden in de comitia tributa zouden gekozen worden.

2) De oorlogen der Fabii tegen Veii (481—474). Om het aan de Etruscers verloren land op den rechter oever van den Tiber te herwinnen, en tegelijk de Plebejers bezig te houden, vernieuwden de Patriciërs, voornamelijk door de nens Fabia daartoe aangespoord, den oorlog met Veii, die, nadat het geslacht der Fabii bij de Cremëra was omgekomen (477, slechts één knaap werd gered), met een wapenstilstand voor veertig jaren eindigde.

3) De oorlog met de Volscers werd bijna ieder jaar vernieuwd en vooral om het bezit der stad Antium gevoerd. De Aequers, die als bondgenooten der Volscers aan den oorlog deel namen, sloten een Romeinsch leger op den berg Algïdus in het Albaansche gebergte in, dat door den (van den ploeg gehaalden) dictator L. Quinctius Cinciun a t u s gered werd (458).

ocr page 200

1SS § 81.

Strijd tmschen de Plebejers en Patriciërs om gelijkheid van burgerlijke rechten.

De volkstribunen, geroepen om zich tegen onwettige handelingen an besluiten der patricische ambtenaren te verzetten, gevoelden het gemis aan kennis van het bestaande recht, welke kennis tot dusver als een soort van geheime leer bij overlevering in de patricische geslachten van de eene generatie op de andere werd overgebracht. Daarom deed reeds in 463 de tribuun C. T e r e n t i 1 i u s H a r s a het voorstel, eene commissie te benoemen om bepaalde wetten te geven over den omvang van het ambtsgezag der consuls; later word het voorstel uitgestrekt tot het ontwerpen van een geschreven burgerlijk en crimineel wetboek voor beide standen, maar eerst na langen en hevigen tegenstand gaven de Patriciërs toe, dat tien senatoren voor éea jaar (451) met de macht van consuls bekleed, en tevens met die nieuwe wetgeving zouden belast worden. Deze stelden 10 tafelen met wetten op. Op de bepalingen der 10 tafelen berustte het geheele Romeinsche recht tot op den tijd der keizers. De inhoud der 10 tafelen is slechts zeer onvolledig bekend; eene der belangrijkste veranderingen was deze, dat de rechtspraak over halszaken uitsluitend aan de comitia centuriata werd opgedragen, zoodat dus geen Patriciër meer in de comitia tributa kon worden aangeklaagd, liet connubiura tusschen Patriciërs en Plebejers bleef verboden. De tienmannen van het volgende jaar, 430, (waaronder zich ook Plebejers bevonden) voegden nog twee tafelen bij die tien. Maar waren de eerste tienman-men bemind geweest, die van het tweede jaar hadden weldra den haat en de verbittering van het volk opgewekt. Zij belegden op het einde van hun dienstjaar geene vergadering tot verkiezing van nieuwe consuls, en veroorloofden zich de meest willekeurige handelingen en bepalingen, daartoe aangemoedigd vooral door hun leider Appïus Claudius. Een op een oud krijgsman (Siccius Dentatus), die tot uitwijking aanspoorde, gepleegde moord.

ocr page 201

189

en de dood van Virginia (die door haar eigen vader, een der hoofden der Plebejers, gedood werd, opdat zij nïet de prooi van Appius Cladius zou worden) gaven het sein tot den opstand; de Plebejers trokken op nieuw naar den heiligen berg en bleven daar, totdat het decernviraat afgeschaft en de oude staatsregeling hersteld was. Twee der tienmannen brachten zich in de gevangenis om het leven, de anderen verlieten Rome.

Kort daarna (448) deden de Consuls L. Valerius en M. Ho-ratius den eersten stap tot gelijkstelling der beide standen door eene wet, die het door de Plebs in de comitia tributa beslo-tene ook voor de Patriciërs verbindend verklaarde. De wetten ran Valerius en Horatius luidden: 1) na quis ullum magistratum sine provocatione crearct, qui creasset, emn ius fauqne esse occidi. 2) ut quod tributim plehes imisset, populum teneret. Een paar jaar later (444) eisohten de tribunen voor de Plebejers ook den toegang tot het consulaat. Om dien eisch te ontwijken, werd bepaald, dat het hoogste gezag aan krijgstribunen met de macht van consuls {trihun i militum consulari potestate, ten getale van 3, 4, 6, of S; 6 was het gewone getal), uit beide standen, zou mogen opgedragen worden. De wet van C a nu-1 e i u s over huwelijken van Plebejers met Patriciërs werd aangenomen {connubïum). De inschrijving der burgers naar hunne standen {prdtnei), waarmede het recht verbonden was, om iemand in den senaat, den ridderstand en de tribus op te nemen of daaruit te verwijderen, en het bestuur over de geldmiddelen van den staat werden van het krijgstribunaat afgescheiden, en alle vijf jaren aan twee Patriciërs, Censöres genaamd, opgedragen, wier ambtsduur weldra (434) tot 15 jaar werd beperkt. Zelfs dit verminderde consulaire gezag werd door den adel aan de Plebejers telkens slechts voor de eerstvolgende verkiezingen ingewilligd, en zoo ontstond alle jaar een hevige strijd over de vraag, of er patricische consuls of krijgstribunen uit de beide standen zouden worden verkozen. In den beginne was men meer voor het consulaat, later voor krijgstribunen. — De nieuw verkregen staatkundige rechten strekten alleen aan de voorname Plebejers tot

ocr page 202

190

voordeel, slechts enkelen dachten er aan, het lot der arme Plebejers te verbeteren. Bij een hongersnood (439) bezorgde en verdeelde S p. M a e 1 i u s, de rijkste onder de plebejische ridders {equïlen), koren; tevens verspreidde zich het gerucht, dat er ia zijn huis geheime bijeenkomsten gehouden en wapenen bijeenverzameld werden. Men maakte hieruit op, dat hij naar de alleenheerschappij streefde. L. Cincinnatus werd tot dictator benoemd. Zijn magister equitum, C. Servilius Ahala, versloeg op het forum den waarschijnlijk onschnldigen Maelius.

In 'tjaar 421, toen op verlangen der Patriciërs het getal der quaestoren tot vier werd gebracht, dreyen de tribunen door, dat ook de Plebejers voor dat ambt verkiesbaar werden verklaard {ut pars qucutüorum ex plehe jinrtf).

Over het einde van den strijd tusschen de beide partijen z. m. § 84 en 87.

§ 82.

Aanvallende oorlog der Romeinen tegen Etrarië, 450—396.

Toen de Etruscers in het Z. hunne Campanische bezittingen aan de Samniten en in het N. de vlakte aan gene zijde van den Po aan de over de Alpen gekomen Celten (m. z. bl. 191) hadden verloren, toen de vloten de Syracusanen de Tyrrheensche zee beheerschten, en daarenboven inwendige twisten het land teisterden, ondernam de weleer door Porsena verootmoedigde Eomeinsche burgerij een aanvallenden oorlog tegen Etrurië (405—396), om door verovering den ager publicus uit te breiden. In dien oorlog bleven de legioenen voor het eerst ook gedurende den winter in het veld en ontvingen zij soldij van staatswege. Hoewel Veii, het bolwerk van Etrurië, slechts van de zuidelijke, in het lot dier stad onmiddellijk betrokken, steden van Etrurië hulp ontving, daar de noordelijke door de aanvallen der Celten bedreigd werden, kon echter de groote en sterke stad volgens het verhaal (even als weleer Troja) eerst na een beleg van 10 jaar door den dictator M. Eurius Camillus worden ingenomen , en wel, volgens de sage, door middel van een

ocr page 203

191

onderaardsche, tot in den tempel van luno geleidende gang. (Afleiding van het Albaansche meer.)

Na zijne zegepraal werd Camillus, die zich verzette tegen den wensch der Plebejers, om naar het mooier gelegen en fraaier gebouwde Veii te verhuizen, wegens verduistering van een gedeelte van den Vejentischen buit tot eene geldboete veroordeeld, en begaf hij zich in ballingschap naar Ardëa.

§ 83.

Be inueming van Rome door de Galliërs, 389.

Ue C e 11 e n hadden zich uit Gallië, hunne voornaamste woonplaats sedert hunne komst iu het Westen, noordelijk naar de Britsche eilanden, zuidelijk naar Spanje (vandaar Celtiberiërs) verspreid. Andere bonden namen den terugtocht naar het Oosten aan en trokken deels over den llijn naar den Midden-Donau (I'annonie), deels over de Alpen naar de Po-vlakte. Tijdens den laatsten oorlog tegen Veii verscheen een Celtische stam, de Senonische Galliërs, reeds in Etrurië en belegerde Clusium, (394). De Etruscers wendden zich in dezen uitersten nood om hulp tot de Romeinen, die tot dusver hunne vijanden waren geweest. In plaats van een leger zonden de Romeinen gezanten (de 3 Fabii), die te vergeefs van de Galliërs eischten dat zij bet land der Romeinsche bondgenooten zouden verlaten, en toen (in strijd met het volkenrecht) in de gelederen der Clusiners mede-streden; een hunner doodde zelfs een Gallischen aanvoerder. Toen nu de door de Galliërs geëischte uitlevering der gezanten (door den senaat toegestaan, maar door de volksvergadering) werd geweigerd, en men deze zelfs tot krijgstribunen benoemde, braken 70,000 (?) Galliërs tegen Rome op en versloegen het 40,000 man sterke Eomeinsche leger bij de A11 ia (18 Juli 390), zoodat het in verwarde vlucht grootendeels naar Veii ontsnapte en de hoodstad prijs gaf (dita AUientis). De barbaren plunderden en verbrandden de verlaten stad, met uitzondering van het Capitolium, waar de senaat inet de nog overige patricische jongelingen was vergaderd. Een storm op den burg werd met

ocr page 204

192

groot verlies afgeslagen, maar de Galliërs rekenden er op, dat de lionger de bezetting ten laatste wol tot de overgave zou dwingen, verlieten derhalve de half verpeste en platgebrande plaatsen en doorkruisten inmiddels Latium.

De meeste Eomeinen, die den dood in den slag ontkomen waren, hadden de wijk naar het pas veroverde Veii genomen. Zij werden hier door de Etrnscers aangevallen, maar overwonnen hen, en namen hun hunne wapenen af. Toen een dapper jongeling met deze tijding tot het Capitool was doorgedrongen, bemerkten de Galliërs zijne voetstappen op de bergen, en beproefden des nachts langs denzelfden weg den burg binnen te dringen. Maar Marcus Manlius (Capitolïnus'), door het geschreeuw der aan luno gewijde ganzen gewekt, redde het Capitool. In hot begin van het volgende jaar verlieten de Galliërs, reeds lang door gebrek en besmettelijke ziekten geteisterd , op de tijding dat de Veneti in hun land waren gevallen, tegen betaling van 1000 pond gouds, Italië. — Het opnieuw opgevatte plan der Plebejers om naar Veii te verhuizen , werd door C a m i 11 u s , die uit zijne ballingschap was teruggekeerd (en wien de overlevering ook het ontzet van het Capitool en de verdrijving der Galliërs uit Rorae toeschrijft), verijdeld, waardoor hij zich den bijnaam van tweeden stichter der stad (alter Romulus) verwierf. Veii werd afgebroken en het verwoeste Eome binnen één jaar weder opgebouwd. De Galliërs hernieuwden nog vele malen hunne invallen in Latiuin. De overwinning der Romeinen wordt door de sage in de tweegevechten van Titus Manlius Torquatus en Marcus Valerius Corpus verheerlijkt.

§ 84.

Einde van. den strijd tuischen de Patriciërs en de Plebejers door de wetten van Licinius, 366.

Terwijl de voornamere Plebejers aandeel aan het krijgstribunaat hadden verkregen, was voor de verbetering van den toestand hunner arme medeburgers alweder niets gedaan. De toestand der

ocr page 205

193

Plebs was door den Vejeutisckeu en Gallisclien oorlog nog ondragelijker geworden, terwijl de door Spurius Cassius ter sprake gebrachte kwestie over de verdeeling van den ager publicus nog altijd hangende was. Ja Man li us, de redder van het Ca-pitolinm, had, toen hij den nood wilde lenigen door ann arme burgers uit eigen middelen rentelooze voorschotten te doen eu op verkoop van een gedeelte der staatsdomeinen ten behoeve dier armen aan te dringen, die edele poging met zijn leven moeten betalen. Hij werd, waarschijnlijk op onwettige wijze, door de comitia curiat;. ter dood veroordeeld. Onder de vierde dictatuur van Camillus (384) werd hij van het streven naar de alleenheerschappij beschuldigd en, toen hij aan het hoofd der in opstand gekomen Plebs het Capitolium bezette, op verraderlijke wijze van do Tarpejische rots gestort; zijn huis werd gesloopt. Groote gisting onder de Plebs was hiervan het gevolg, en het stichten van koloniën te Sutrium, Nepete en Setia baatte niet veel.

Toen daarom de volkstribunen C. L i c i u i u s S t o 1 o en L. Sextius La ter iin us in 376 verlangden, dat er geen krijgstribunen meer, maar consuls benoemd zouden worden, en wel telkens één uit de Plebejers, voegden zij hierbij ten behoeve der armere Plebejers nog twee andere voorstellen: 1) dat ieder Eomeinsch burger aan den ager publicus deel zou hebben, maar niemand meer dan 500 morgen (125 11.A.) (iugerd) zou mogen bezitten, 2) dat de schulden, na aftrek der reeds betaalde renten, in driejaarlijksche termijnen zouden worden afgelost. 1) Ne tribunorum militum, comitia per ent cou-mlumque ulique alter ex jilele crearetur, 2) ne quis plus qidnyeuta iugera agri publici possideret, 3) ut deducto eo de capite, quod wsuris pernumeratum, esset, id quod mperesset trieunio acquis portionihm persolveretur. Dewijl de Patriciërs zich tegen beide voorstellen verzetten, werden die twee mannen 9 jaar achtereenvolgens telkens weder tot tribunen verkozen, totdat eindelijk in 367 hunne voorstellen werden aangenomen en tot wetten verheven. Maar ook ditmaal werd de consulaire macht weer meer beperkt; men scheidde er

Pütz, O. G. 13

ocr page 206

194

liet rechterlijk gezag van af, en «droeg dat aan een patricisch. Praetor urban us op.

Met de verkiezing van L. Sextius Lateranus tot eersten ple-bejisohen consul (366) houdt de heerschappij der oude aristokratie op te bestaan. Maar eerst 35 jaar later kwam de Plebs in het rustige bezit van hare nieuwe rechten. Meermalen werd de verkiezing van een consul door de benoeming van een dictator verhinderd, of werden er, in strijd met de Liciuische wet, twee patricische consuls verkozen. Maar weldra verkregen de Plebejers zonder verderen strijd den toegang ook tot de overige patricische, zoowel burgerlijke als priesterlijke, betrekkingen (356 tot de dictatuur [C. Marcius Eutilus eerste plebejische dictator], 339 tot de censuur, 337 tot de praetuur [Q. Publilius Philo eerste plebejische praetor] en in 300 werd door de les Ogulnia [m. z. § 87] de gelijkstelling der beido standen voltooid). In 326 was ook nog bepaald, dat niemand meer wegens schulden in hechtenis mocht worden genomen.

h) DEMOKBATIB, 366—30 V. CH.

ad) OORLOG-EN OM DE HEEKSCHAPPIJ OVER ITALIË, TOT DE ONDERWERPING VAN HET GEHEELE SCHIEREILAND.

366—366.

§ 85.

Be oorlogen met de Samnitm, 343—390.

Na de beëindiging der binnenlandsche twisten wendde Kome zich met onverdeelde kracht tegen de bui tenia ndsche vijanden ; met den strijd om de heerschappij over Midden- en Zuid-Italië begint het heldentijdvak der Tlomeinsche geschiedenis.

De eerste oorlog metdeSamniten (343—341). De Saraniten, die toen van de Adriatische tot de Tyrrheensche zee woonden, en in grootte van gebied en in aantal de Eomeinen met hunne bondgenooten (de Latijnen en Hernicers) ver overtroffen, misten, toen zij den strijd tegen Rome begonnen, eenheid van bestuur en staatkunde. De Romeinen werden door de Cam-

ocr page 207

193

paniërs, die door de Sainniten tweemaal waren overwonnen, tegen deze te hulp geroepen, overwonnen onder den consul M. Valerius Corvns bij den berg G a u r u s (bij Cumae) en bij Snessula, maar sloten toen vrede met de Samniten, om een Oorlog tegen de Lat ij n en (340—338) te kunnen voeren, die het Eotneinsche burgerrecht en aandeel aan het consulaat verlangden. T. Manlius Torquatus, die zijn zoon, omdat hij tegen zijn verbod een Latijnsch bevelhebber tot den strijd had uitgedaagd en verslagen, met den dood strafte, overwon met hulp der Samniten de Latijnen bij den V osu vius, voornamelijk door de heldhaftige opoffering van P. Decius Mus, •en in een tweeden veldslag bij Trifan urn. De ondergang van het Latijnsche verbond was het gevolg-van deze overwinningen; de steden werden een voor een bestormd of zij capituleerden, namen llomeiusche bezetting in en kwamen, naar gelang van hare medeplichtigheid, in verschillende verhouding tot Rome. (Sommige steden kregen het volle burgerrecht, de meeste burgerrecht zonder stemrecht, de onderworpen steden hadden onderling connnhium noch commercium). Anti u m, de belangrijkste der Volscische steden, verloor zijne oorlogschepen , welker snebben voortaan het spreekgestoelte op het Komeinsche forum versierden (i-ostra; pro rostris dicere) en werd eene llomeinsche kolonie.

De tweede oorlog met de Samniten (326—30-t) begon eveneens in Campanië. Hij werd veroorzaakt door de hulp, welke de Samniten aan de stad Neapölis, de eenige nog niet onderworpen gemeente in Campanië, tegen Eome verleen-•den. De Samniten legden er, om de plannen der Eomeinen te voorkomen, eene sterke bezetting in. Maar deze sloegen het beleg voor de stad, en de bewoners gaven zich onder zeer gunstige voorwaarden over, daar men een verbond tusschen de Samniten en Grieken vreesde. De oorlog tegen Samnium werd in den beginne door L. Fapirius Cursor en den magister ■equitum Q Eabius Hullianus met zoo gelukkigen uitslag gevoerd , dat de Samniten reeds na eenige jaren een wapenstilstand

ocr page 208

196

verzochten. Maar de Romeinen verlangden geheele onderwerpingen de krijgshaftige Sumniten besloten liever in den oorlog te sterven dan dien eisch in te willigen. Op een inet opzet door hen verspreid gerucht, dat de Samniten de door de llomeineu bezette stad Luceria (den sleutel van Apulië) belegerden, zonden de Romeinen, gelijk de Samnitische veldheer C. Pontius voorzien had, een leger tot ontzet. Dit werd op den gevaarlijken tocht door de bergpassen bij C a u d i u m (furctUae Caudinaè) door de Samniten ingesloten en moest na eene niet onbillijke kapitnlatie, waardoor zij een einde aan den oorlog meenden te kunnen maken, onder het juk doorgaan, 321. Luceria viel in de handen der Samniten. Maar de kapitnlatie werd door den Romeinschen senaat verworpen, de veldheeren, die haar hadden gesloten, uitgeleverd eu de oorlog voortgezet (via Jppia tot-verbinding van Campanië met Latium), in den beginne met afwisselend geluk, later (sedert 314) bepaald voordeelig voorde Romeinen, ofschoon ook do Etrnscers, Umbriërs en Hernicers tegen hen opstonden; vooral voerde Q. T'abius (Inter Maxim us genaamd) met schitterenden uitslag oorlog in Etrurië, waar hij de belangrijke overwinning bij P e r u s i a beliaalde (309), terwijl de dictator L. P a p i r i u s Cursor de Samniten in hun eigen land (bij Longula) overwon. De overige volksstammen, welke tegen Rome in opstand waren gekomen, werden, elk afzonderlijk, verslagen en onderworpen (de Marsi en Peligni in. 308, de Hernici in 30(1, de Aeqni in 304). De Samniten verzochten op nieuw den vrede, maar de onderhandelingen bleven zonder resultaat, totdat eene nieuwe overwinning der Romeinen onder de muren der Samnitische hoofdstad B o v i a n u m (305) aan den 20jarigeii oorlog een einde maakte; bij den vrede moesten de Samniten Rome's oppergezag erkennen (304); zij behielden hun gebied, maar verloren de heerschappij over Lucanië, d;e zij tot hiertoe nog bezeten hadden, eu eene poging, om die te herkrijgen, gaf reeds spoedig aanleiding tot

den derden oorlog met de Samniten (298—290). De Samniten zonden een leger naar Etrurië en verbonden ziek

/

ocr page 209

197

met de Etruscers, Umbriërs en Galliërs; liet leger der bond-•renooten verzamelde zich in ümbrië, doch werd door Q, Fabins Maximns in zijn vijfde consulaat bij Sentïnum (395), waar P. Decius Mus, de zoon, voor de vierde maal consul, de Galliërs door zijn vrijwilligen dood tegenhield , volkomen verslagen. Samnium, door zijne bondgenooten verlaten , bood nog 5 jaar lang met wanhopige volharding tegenstand, tot dat eene nieuwe overwinning van Q. Fabius Maximus (als onderbevelhebber van zijn zoon) een vrede ten gevolge had, waarvan de voorwaarden niet nader bekend zijn. De Samnitische veldheer G. Pontius werd door den zegepralenden aanvoerder geboeid naar Kome gevoerd en ter dood gebracht. Sedert deden de Samniten nog slechts als bondgenooten van machtige vijanden van Home (Pyrrhus, Hannibal) pogingen om zich op hunne overwinnaars te wreken.

Tien jaren na den slag bij Sentinum vernietigde een Fïoraeinscli leger de in opstand gekomen Senouische Galliërs bijna geheel, üp die overwinning volgde de stichting der colonic Sena G a 11 i c a (283).

§ 86.

Da oorlog met Tarente e-n koning Pj/rrhns van Epirus.

Italië wordt geheel en al onderworpen.

Kort na het einde van den oorlog met de Samniten mengden de Komeinen zich ook in de aangelegenheden van Beneden-Italië, en begonnen den niet minder roemrijken strijd met de rijke en beschaafde Grieken in Italië en tegen de Macedonisch-Grieksche krijgskunst. Toen de Lucaniërs door de Eomeinen verhinderd werden de Grieksche steden (Thurii e. a.) in Lucanië te veroveren, plaatsten zij zich aan het lioofd eener nieuwe coalitie tegen Rome; niet slechts de Tarentijnen en Samniten in Beneden-Italië, maar ook- de Etruscers, Umbriërs en Galliërs in het Noorden hadden zich met hen verbonden. Door de bijna volslagen vernietiging der Senonische Galliërs en door eene overwinning op de verbonden Bojers en Etruscers brachten do Eomeinen den oorlog in het N. ten einde, voordat die in het 'A. nog recht begonnen was.

ocr page 210

198

Eene Iloineiusche vloot zeilde naar de Adriatische zee, om liet daar verkregen kustland der Senones te beschermen, maar zij werd, toen zij (in strijd met een bestaand verdrag) in de liaven van Tarente voor anker ging, door de Tarentijnen overvallen en gedeeltelijk verwoest; de bemanning werd dee'.s gedood, deels verkocht. De Eomeinen zonden gezanten naar Tarente, maar deze ontvingen niet slechts geen voldoening, maar werden uitgelachen en bespot. Toen een Komeinsch leger de gezanten op den voet volgde en het Tarentijnsche gebied binnenrukte, riepen de Tarentijnen koning P y r r h u s van Epirus te hulp. Deze landde met een leger en twintig olifanten in Italië, liet na eene (niet zonder zware verliezen behaalde) overwinning bij Heraclëa (380) door den Griokschju redenaar Cinëas aan de Eomeinen voorstellen over een te sluiten vrede doen, en ondernam, toen deze op raad van den blinden Appius Claudius verworpen waren, een tocht tot in de nabijheid van Kome, om zich met de Etruscera te vereenigen; maar de Eomeinen hadden met deze ten spoedigste een vrede op voor hen gunstige voorwaarden gesloten.

Toen Pyrrhus naar Tarente in de winterkwartieren was teruggekeerd, zonden de Eomeinen den onomkoopbaren en ornvankel-baren C. Fabricius tot hem, om over de vrijlating der gevangenen te onderhandelen. Zij keerden voor korten tijd (op hun eerewoord) naar Eome terug, maar moesten, daar de senaat van geen vrede wilde hooren, in de gevangenis terugkeereu.

Het groote verlies, waarmede Pyrrhus (279) een tweede overwinning bij Asculum Apulum (waar P. Decius Mus, de kleinzoon, volgens de overlevering, zich aan de onderaardsche goden wijdde) gekocht had, bewoog hem Italic te verlaten, en op verzoek der Syracusanen naar Sicilië te gaan, om in het belang en tot redding van de Grieken op dat eiland een oorlog tegen de Carthagers te voeren. Hij ontnam dezen hunne veroveringen (op Lilybaenm na) en stond reeds op het punt, om naar Africa over te steken, toen vele Siciliaansche steden wegens zijne gestrengheid en willekeur van hem afvielen. Hij volgde dus gaarne de uitnoodiging der Tarentijnen en keerde naar Italië terug.

ocr page 211

199

Hier werd hij door M' Curius Dentatus bij B e n e v e u t u in verslagen (275), en liet, nadat kij te vergeefs de vorsten van het Oosten (van Macedonië en Syrië) tot redding der Grieken van het Westen had opgeroepen, eene bezetting onder Milo in Tarente achter, waarschijnlijk met het doel om den oorlog in Italië te hernieuwen. Dit plan werd echter door zijn onverwachten dood (hij kwam in een gevecht in de straten van Argos om het leven) verijdeld (272). Milo gaf in dat zelfde jaar Tarente verraderlijk aan de Romeinen over, om zich en de zijnen te redden.

De Samniten hadden nog een laatste zwakke poging tegen de Komeinen gewaagd; maar toen M' Curius Dentatus hunne voorstellen tot omkooping met verontwaardiging van de hand had gewezen, bukten zij (als ook de Lucaniërs) insgelijks voor do meerderheid der Romeinen (272). Door het tenonderbrengen der volken in Zuid-Italië werd de onderwerping van het schiereila'nd (cot aan den Rubico?) voltooid, 266. De verhouding, waarin de onderworpen volken tot de Romeinen stonden, was zeer verschillend van aard. Sommige gemeenten (tusschen Formiae in Latium en zuidelijk Etrurië en tusschen do zee en de Apennijnen) kregen hot volle Remeinsche burgerrecht, andere waren op verschillende wijzen van Rome afhankelijk.

§ 87.

Inwendige foeatanrl van Rome gedurende dit tijdvak.

Toen de Plebejers eens den toegang tot het consulaat hadden verkregen, werden de voorrechten van den patricischen stand hoe langer zoo onbeduidender. Tot de volmaakte gelijkstelling van beide standen werkten vooral de volgende wetten mede: 1) De wetten van den plebejischen dictator Q,. Publilius Phïlo, 339, waarbij a) de besluiten van het volk kracht van wet verkregen, zonder dat de toestemming der curiën werd vereischt, en h) bepaald werd, dat de Plebejers ook tot de censuur verkiesbaar zouden zijn. 2) De wet van Ogulnius (zie § 84), 300, waarbij de Plebejers een aantal plaatsen onder de pontitices en

ocr page 212

200

augures verkregen (jtt, cmn quattuor augures, qnattnor pontifices ea tempestate eweut, plnceretqne augeri sacerclotum numerum, quattnor pontifices, quinqne augures de plebe omnes allegarentur). 3) De wet van Hortensius, 386, waarbij aan de besluiten van de plebs algemeen bindende kracht werd toegekend, ook zonder toestemming van den Senaat.

hV) BUITENLANDSCHE OOllLOGEN VAN DE ONDEBWEBPING VAN ITALIË TOT DE GIIACCIIEN. 364—133.

§ 88.

De eerste Punhche oorlog, 264—241.

Oartliago had na de vestiging der rijke en edele geslachten nit Tyrus zoowel de naburige volken op de knst van Africa, in het W. tot aan de «Znilen van Herkulesquot; (Straat van Gibraltar), in hot Oosten tot aan het landschap Cyrene, onderworpen , als ook door de stichting van koloniën op de eilanden en de kusten van het \V. der Middellandsche zee eene belangrijke zeemacht verkregen, en bezat langen tijd het monopolie van den handel in 't W. der oude wereld. De eerste stap tot het verval van den snel machtig geworden handelstaat was de mislukte poging om Sicilië te veroveren. Deze wikkelde Carthago in herhaaldelijke oorlogen met Syracuse, die met verscheiden groote tusschenpozingen moer dan 200 jaar duurden (480—264) en ten laatste de komst van koning Pyrrhus op Sicilië (m. z. bl. 198) veroorzaakten.

1. Oorlog te land op Sicilië (264—262).

Toen de Romeinen en de Carthagers zich in oneenigheden mengden tusschen Hiëro II van Syracuse en de Mamertijnen (ontslagen Campaansche huurtroepen van den tyran Agathöcles in Messana, de belangrijkste Carthaagsche vesting), gaf dit wel aanleiding tot eene verzoening tusschen de strijdende partijen, maar ook tot een oorlog tusschen de beide staten, die als bemiddelaars waren opgetreden. Aanvankelijk verzetten zich de Carthagers en Syracusanen gemeenschappelijk tegen de Romeinen,maar toen na de eerste overwinning der laatsten de meeste steden in het binnenland

ocr page 213

201

van Sicilië, de Carthaagache en Syracusaansche heerschappij moede, zich aan Rome onderwierpen, sloot ook Hiero II vrede, en de Eomeinen kregen in hem een getrouw bondgenoot voor den ge-heelen duur van den oorlog. Met zijne hulp werd een Car-thaagsch leger in Agrigentum (Akragas) ingesloten (263), en de poging om de stad te ontzetten mislukte; zij werd bestormd en geplunderd, maar het leger, dat de vesting had verdedigd, ontsnapte des nachts uit de stad, die nu in de handen der Romeinen viel. De onschuldige inwoners werden als slaven verkocht. Om nu ook de zeesteden van Sicilië (Panormus, Drepana, Lilybaemn), waarin zich de Carthagers door hunne vloten nog staande konden houden, te veroveren, en hunne vijanden aldus geheel en al van het eiland te verdrijven, besloten de Romeinen eene vloot te bouwen.

2. Sicilië en Africa worden het tooneel van den oorlog ter zee en te land (260—241).

Naar het model van een gestrand Carthaagsch linieschip (zoo althans vindt men vermeld) werd (binnen 60 dagen) eene vloot gebouwd, waarmede C. Uuilius de eerste overwinning ter zee bij M y 1 a o behaalde (260), dewijl hij door de enterbruggen, die hij had uitgevonden, den strijd op de schepen in eene soort van veldslag veranderde. Daarop waagden de Romeinen ook de Carthaagsche bezittingen op Sardinië en Corsica aan te vallen, terwijl hun leger op Sicilië insgelijks gelukkig was , zonder evenwel duurzame uitkomsten te verkrijgen. M. Attilius Regülus beproefde zelfs den oorlog naar Africa over te brengen en daardoor den strijd spoedig ten voordeele der Romeinen te beslissen. Met eene talrijke vloot (van 330 schepen) naar Afiica stevenende, ontmoette hij bij het voorgebergte E c n ö m u s, op de zuidkust van Sicilië, de nog sterkere Carthaagsche vloot, sloeg en verstrooide haar, landde, bijna zonder tegenstand te ontlervinden, bij Clupea in Africa, bezette Tunes, en maakte zich gereed, de hoofdstad zelve te belegeren. De Carthagers smeekten om vrede, maar de voorwaarden, waarop Regulus dien wilde sluiten, konden zij niet aannemen; zij plaatsten den met

ocr page 214

202

Grieksche liuurtroepen gelanden Spartaan XantUppus aan het hoofd van hun leger, die de Eomeinen bij Tunes versloeg en Eegulus gevangen nam, 255. Wel behaalden de Romeinen nog twee schitterende overwinningen (ter zee bij het Hermaeïsche voorgebergte, te land bij Panormus), maar daar hunne vloot drie malen schipbreuk leed, besloten zij van den oorlog ter zee voor goed af te zien. (Het verhaal van Appius Claudius Pulchev ea zijne kippen). Eegulus werd door de Carthagers met vredesvoorstellen naar Rome gezonden, maar gaf zelf den raad die niet aan te nemen, en keerde, getrouw aan zijne belofte, inde Carthaagsche gevangenschap terug (verschillende verhalen over zijn dood).

Intusschen duurde de oorlog te land op Sicilië voort. Hier verdedigde Hamilcar 13 areas (de vader van Hannibal) de Carthaagsche bezittingen (hij veroverde de stad Eryx), tot dat de Romeinen van de vrijwillige bijdragen van vaderlandlievende mannen eene nieuwe vloot bouwden, waarmede de consul C. Lutatius Catulus door eene schitterende overwinning bij de Aegütische eilanden den oorlog besliste, 241. De' volslagen uitputting van beide staten bespoedigde den vrede, waarbij de Carthagers van de opperheerschappij over Sicilië en de omliggende eilanden afstand moesten doen, de Eomeiusche gevangenen zonder losgeld moesten uitleveren en 3200 talenten moesten betalen (241). Sicilië, met uitzondering van de Syra-cusaansche bezittingen, die Hiero als bondgenoot van Rome behield, werd het eerste Romei.nsche wingewest.

Weinige jaren later, toen de Carthagers door den ooorlog met hunne huurtroepen nog meer verzwakt waren (238), ontnamen de Romeinen hun ook Sardinië. Ook Corsica moesten zij omtrent denzelfden tijd aan de Romeinen afstaan. Beide eilanden vormden (sedert het jaar 227) het wingewest Sardinië.

§ 89.

Oorlog met de lllyriïrs en viet de Cisalpijnsche Galliërs.

De Romeinen hadden aan de koningin Teuta van 111 y r i ë door een gezant doen bevelen, dat zij hare zeerooverijen in

ocr page 215

203

en op de kusten van de Adriatische en Ionische zeeën moest staken (230). De gezant werd vermoord, en de Romeinen verklaarden aan de koningin den oorlog. Zij veroverden verscheidene Illyrische steden, en noodzaakten de Illyriërs tot het sluiten van een vrede, waarbij het gebied en de scheepvaart der Illyriërs binnen nauwe grenzen beperkt werd. De Romeinen trokken partij van deze gelegenheid, om zich op de kust en de eilanden dor Adriatische zee te vestigen, en alle van de heerschappij der Illyriërs ontslagen steden (Apollonia, Dyrrhachium e. a.) sloten verbonden met Rome.

Onderwerping der.Cisalp ij nsche Galliërs (225—222).

Na eene rust van bijna 50 jaren grepen de Gallische stammen in Opper-Italië opnieuw naar de wapenen. Dit verschafte aan de Romeinen de gelegenheid om hun gebied ook in het Noorden tot aan de natuurlijke grenzen van Italië uit te breiden. Met versterkingen, die zij van de Transalpijnsche Galliërs ontvingen , drongen de Cisalpijnsche Bojers en Insubiërs over den Apenninus Etrurië binnen, overwonnen een Romeinsch leger (bij Faesulae), maar werden op de kust bij Te lam on (225) verslagen. Na de onderwerping der Bojers zetten de Romeinen den oorlog aan gene zijde van den Padus aanvallender wijze voort, veroverden de belangrijkste steden der Insubriërs (Mediolannm, Comum), onderwierpen Gallia transpadana tot aan de Alpen, 222, en stichtten tot beveiliging van den overgang over den Padus op beide oevers van die rivier koloniën (Placentia en Cremöna, 218).

§ 90.

De ticeede Punische oorlog, 218—201.

Over de aanleiding tot dien oorlog z. m. bl. 71.

Hannibal liet, na de verovering van Sagunfnm (219), zijn broeder Hasdrubal als opperbevelhebber in Spanje achter, trok met een uitgelezen Afrikaansch-Spaansch leger over de Pyrenaeen naar Gallic, bevocht den overgang over den Rhodanus, ging (in 15 dagen) over de Alpen (den kleinen St. Bernard), en verscheen

ocr page 216

304

met slechts 26,000 man en eenige olifanten in 't begin van November 218 in Italië, waar Mj op den bijstand der pas onderworpen Bojers en Insubriërs rekende. Nog in hetzelfde jaar overwon hij de beide Komeinsche consuls, aan den T i c i n u s in een ruitergevecht P. Cornelius Scipio (1), en (door Galliërs versterkt) aan de T r e b i a in een groeten slag Ti. Serapronius Long\is, die zich met het overschot van Scipio's leger vereenigd had en door den vijand tot den overtocht over de gezwollen rivier was verleid geworden. Het eerste gevolg van deze overwinning was de opstand der Cisalpijnsche Galliërs en Liguriërs tegen de hun pas opgelegde Komeinsche heerschappij. In het volgende jaar (217) trok Hannibal over de Apennijnen en vervolgde, ondanks groote verliezen, zijn weg door de moerassen aan den Arnus (juist om de vnoeielijkheid van dien weg hadden de Romeinen niet vermoed dat hij hem zou kiezen), en behaalde eene derde overwinning aan het meer T r a s i m c n u s op de ongeoefende legioenen van den Consul C. Flamniius, die met het grootste gedeelte van het leger omkwam. Van hier ging hij met zijn gedund leger niet recht op Rome af, maar langs den oostkant der Apennijnen naar Apulië en van daar naar Campanië, om de bondgenooten en onderdanen der Romeinen tot den afval over te halen. Vooreerst evenwel werd deze hoop niet vervuld; de bondgenooten bleven Rome getrouw. De

(1) Uit de geslachtslijst der Scipio's:

L. Cornelius Scipio.

Cn. Cornelius Scipio. P. Cornelius Soipio.

| P. Corn. Scipio L. Corn. Scipio

1 At'ric. Maior. Asiaticus.

Zijn kleinzoon P. Corn. Scipio Nasica.

door zijn zoon werd I geadopteerd:

P. Corn. Scipio Nasica P. Corn. Scipio , de zoon Serapio. van Paullus Aemilius

(van daar Aemilianus),

Africanus Minor, Nuniantinus.

ocr page 217

205

dictator Q. Pabius Maximus Ounct.Ttor volgde hem met een nieuw gevormd leger naar Apnlië, en sloeg zijn tochten gade, zonder een slag te wagen, hoezeer Hannibal hem ook daartoe zocht te verleiden. Zijne taktiek kwam veeleer daarop neder, om zoowel Home door schrandere bewegingen en het innemen van sterke positiën bij voortduring te dekken, als ook aan zijn tegenstander, die midden in het land van den vijand geen vast punt had, den toevoer af te snijden, en hem zoo tot den terugtocht naar Galüë te dwingen. Maar Hannibal verschafte zich door een plunderings-tocht naar Campanië her, voor den winter benoodigde. Op de tijding, dat Hannibal naar Apulië was teruggekeerd, het versterkte Gannae ingenomen en aan het Eumeinsche leger den toevoer afgesneden had, leverden de consuls van het jaar 216, C. Terentius Varro en L. Aeinilius Paullus, bij Cannae aan den Autidus een beslissendeu slag, waarin llannibals genie op de overmacht der lloraeinen de sciiittere.idste overwinning behaalde (Aemilius Paullus sneuvelde met 4.0.000 Romeinen eu bondgenooten). Het gewichtigste gevolg van deze overwinning was, dat de meeste volken en steden van Beneden-Italië en in Midden-Italië, de Campaniërs en Samniten, zich nu bij Hannibal aansloten.

Maar de fortuin begon dezen in den steek te laten; hij wachtte de komst van zijn broeder Hasdrnbal uit Spanje af, en vermeed zoolang een beslissenden slag. De llomeinen, die thans Spanje tot het hoofdtooneel van den oorlog maakten, hadden niet slechts Hasdrnbal negen jaren van Italië verwijderd gehouden, maar ook Hannibal twee malen (bij X o i a door Marcellus) overwonnen; een tocht van dezen tegen Rome (Han-nïbal ante portas) bleef zonder gevolg; Capua, zijne voornaamste wapenplaats, werd door de Romeinen veroverd, en de buiten-landscbe hulp, die hij uit Macedonië, van Syracuse en van zijne beide in Spanje achtergelaten broeders verwachtte, tegengehouden. Want Philippus III, de jeugdige en stoute koning van Macedonië, die na den slag bij Cannae een verbond met Hannibal had gesloten, werd, toen Lij het Romeinsche Illyrië aanviel, door eene vloct tot sta1 ing der vijandelijkheden gedwongen,

ocr page 218

206

en door de in Rome's belang strijdende Aetoliërs bezig gehouden. Syracuse, dat na den dood van Hiero II (215) de zijde der Carthagers bad gekozen, werd, ofsclioon door Archimedes verdedigd, na een tweejarig beleg door M. Claudius Marcellus ingenomen (212), eu nadat twee jaar later ook de vesting Agri-gentum door verraad in de handen der Romeinen was gevallen, werd geheel Sicilië tot een Rorneinsch wingewest gemaakt. Has-drubal en Ma go, broeders van Hannibal, die den oorlog in Spanje tegen de beide broeders Cnaeus en Publius Cornelius Scipio, en na hun nederlaag en dood tegen den zoon van den laatste, insgelijks Publius geheeten, gevoerd hadden (deze bemachtigde het Carthaagsche Spanje tot Gades, en knoopte in Africa onderhandelingen met Syphax en Masinissa aan), kwamen wel is waar over de West-Pyreuaeeu naar Italië, maar werden nog voor dat zij het leger van Hannibal konden bereiken, verslagen, gene aan den Metauru.s (207), deze in Gallia Cisalpina. Deze nederlaag is het eigenlijk keerpunt van den oorlog. De Carthagers, tot dusver de aanvallende partij, moesten zich voortaan tot verdediging beperken.

Publius Cornelius Scipio keerde na de onderwerping van Spanje (206) naar Rome terug, werd consul, verkreeg Sicilië als provincie en stak van daar naar Africa over, waar Masinissa, de door Syphax, den beheerscher van West-Numidië, uit zijn rijk verdreven koning van Oost-Numidië, tot hem overging. Hij overwon Hannibal, die uit Italië naar Carthago was teruggeroepen, bij Z a in a, 202 (van daar ziju bijnaam African us), en dwong de Carthagers tot den vrede, tot welks spoedige sluiting ook Hannibal hen trachtte over te halen. Voorwaarden: 1) Betaling van 10,000 talenten in 50 jaren. 2) Uitlevering der oorlogschepen (op 10 na) en der olifanten, die in den oorlog dienden. 3) De belofte geen oorlog te voeren zonder de toestemming der Romeinen. Masinissa verkreeg do lieide Numidische koninkrijken, Scipio de eer van een sch. tte-rende zegepraal en deu bijnaam Africanus.

De Galliërs, die Hannibals zijde hadden gekozen, zetten den

ocr page 219

207

oorlog nog 10 jaar lang op eigen hand voort, raaar zij werden achter elkaar weder onderworpen en sommige (vooral do Bojers) voor hun verraad zwaar gestraft. (Stichting der koloniën Mutina, Bononia en Parma).

§ 91.

Oorlogen md Macedonië, Syrië en Griehenland.

Nadat de Eomeinen door den gelukkigen afloop van den tweeden Punischen oorlog hunne opperheerschappij in het Westen hadden gegrondvest, begon de strijd om het overwicht in het Oosten, waartoe de bescherming der Grieken tot voorwendsel strekte.

1) De oorlog met Philippus III van Macedonië (200—197). Deze was door zijne veroveringen (van de Aegyptische bezittingen) in Klein-Azië en op de Cycladen in een oorlog met koning Attulus van Pergamum en de republiek Ehodus, Home's bondgenooten, gewikkeld geworden. De Romeinen grepen een verzoek der Athenera (in wier land de door de Macedoniërs ondersteunde Acarnaniërs een inval hadden gedaan) om hulp als eene gewenschte gelegenheid aan, om wraak te nemen voor het verbond van Philippus met Hannibal (zie § 90), terwijl hunne behendige staatkunde de verlossing der Grieken van de heerschappij der Macedoniërs als het eigenlijk doel van den oorlog voorstelde. In 't eerst was Philippus gelukkig, en drong hij zelfs tot Epirus door. Maar Titus Quinctius Flaminïnus, door de Grieken bijgestaan, bracht door de schitterende overwinning bij O y n o s c e p h a 1 a e (197) den oorlog ten einde. Philippus moest van de hegemonie over Griekenland afstand doen, verloor al zijne buitenlandsche bezittingen (in Klein-Azië, Thracië, Griekenland en op de eilanden van de Aegaeïsche zee), moest zijne oorlogschepen uitleveren, zijn leger tot 5000 man verminderen en beloven, zonder toestemming der Romeinen geen buitenlandsche oorlogen te voeren. Plamininus verklaarde namens den Romeinschen senaat op de Isthmische spelen (196)

ocr page 220

208

de Grieksche staten vrij. Sleclits te Sparta handhaafde de tyran Nabis met goedkeuring van den Komeinschen senaat zijn gezag.

2) Oorlog met Antiochus den Groote vau Syrië (192—189). Toen Antiochus III, door Hannibal aangezet, om het Syrische rijk in zijn ouden omvang te herstellen, ook zijne rechten op de landen aan de zuid- en westkust van Klein-Azië, die deels aan Aegypte, deels aan het rijk van Pergamum gekomen waren, wilde doen gelden, en hunne onderwerping bijna voltooid had, wendden de bewoners van Rhodus en koning Eumenes van Pergamum zich tot de Romeinen, en deze stuitten zijne verdere veroveringen door de verklaring, dat de Grieken vrij moesten zijn. Om een groot bondgenootschap tnsschen Syrië, Macedonië en Griekenland, tegenover de veroveringsplannen van Rome in het Oosten, tot stand te brengen, kwam Antiochus, op uit-noodiging der Aetoliërs, naar Griekenland: maar hij vond hier geenszins de verwachtte algemeene ondersteuning; hij overwinterde op Euboea en trok zich voor de overmacht van het in Illyrië gelande Romeinsche leger, achter de Therraopylen terug, om de komst van zijn groot Aziatisch leger af te wachten. De consul Manius Acilius Glabrio trok met de hoofdmacht der Romeinen naar de T h e r m o p y 1 e n , en veroverde de verschansingen van den koning, terwijl de krijgstribuun M. Porcius Cato de op den bergpas van den Oeta (daar waar oudtijds Ephialtes den Perzen den weg had gewezen, om de Spartanen van achteren aan te vallen) gelegerde Aetoliërs overviel en na de overwinning van deze het Syrische leger in den rug kwam (191). Antiochus keerde naar Azië terug, werwaarts de Romeinen hem volgden. Het opperbevel in den Aziatischen oorlog (190) had de overwinnaar van Zama als legaat van zijn broeder, den consul L. Cornelius Scipio (Asiaticus). Echter overwon deze laatste gedurende eene afwezigheid van zijn zieken broeder het dubbel zoo groote (maar uit de meest verschillende bestanddeelen samengestelde) leger van Antiochus bij Magnesia aan den Sioy lus (nabij Smyrna), 190, en noodzaakte hem schatting te betalen, ziji-.e vloot en zijne olifanten, alsook Hannibal uit te leveren, en van

ocr page 221

209

Klein-Azië aan deze zijde van den Halys tot de grens van Cilicië, afstand te doen. Hannibal ontvluchtte naar koning Prusias van Bithynië, waar hij, om niet aan de llomeinen uitgeleverd te worden, door vergif een einde aan zijn leven maakte, 183. In hetzelfde jaar stierf de groote Scipio, door zijne vijanden van verduistering van staatsgelden beschuldigd, te Linternum. — De Romeinen verdeelden voorloopig het veroverde land onder hunne Aziatische bondgenooten, koning Eumenes van Pergamum en de republiek Rhodus, opdat deze Rome's vijanden in 't Oosten zouden kunnen beteugelen. — Reeds Acilius Glabrio had aan de Aetoliërs de hand ter verzoening geboden. Maar zij konden eerst na het einde van den Aziatischen oorlog overwonnen worden , en verkregen dan een dragelijken vrede; hun land werd wel aan de Romeinen onderhoorig, maar behield toch, uitgezonderd het recht om oorlog te voeren met ivie zij wilden, al de overige rechten van een onafhankelijken staat.

3) De derde Macedonische oorlog (171—168). Reeds Philippus III had wegens menigvuldige beleedigingen van den kant der Romeinen voorbereidselen tot een nieuwen oorlog gemaakt, om daardoor de oude grenzen van zijn rijk te herstellen, en hij zou dien stellig hebben ondernomen, indien hij langer geleefd had. Zijn oudste zoon en opvolger Perseus zette deze uitrustingen voort, en trachtte zich door het aanknoopen van menigvuldige betrekkingen (met Syrië, Bithynië, Illyrië en de Grieken) te versterken, waarbij hij echter niet zelden door wreedheid en gierigheid zich zei ven in den weg stond. Ook wisten de Romeinen door hunne agenten de weifelachtige en talmende bondgenooten van Perseus zoo beangst te maken, dat deze weldra door allen in den steek werd-gelaten. In het jaar 172 had hij Rome den oorlog verklaard en voerde dien in den beginne tegen onbekwame veldheeren in Thessalië met tamelijk goed gevolg. L. Aemilius Pa uil us (wiens vader bij Cannae gesneuveld was) besliste echter door den slag bij Pydna(l68), die slechts een uur duurde, het lot van Macedonië. Perseus vluchtte met het geld, dat hij bijeen verzameld had, naar Pütz, O. G. 14

ocr page 222

210

Samothrace, maar moest zich aan de Komeinen overgeven eu stierf in de gevangenis (te Alba). Macedonië en het met Perseus verbonden Illyrië werden, het laatste in 3, het eerste in 4 aau Eome cijnsbare republieken verdeeld, waardoor op afdoende wijze hunne vroegere macht gefnuikt werd (divide et impcra). Op de bewoners van Epirus, die de zijde van Perseus gekozen hadden, namen de llomeinen eene vreeselijke wraak. Zeventig steden werden op één dag verwoest en geplunderd, en 150,000 inwoners als slaven verkocht. — Na een korten oorlog met Andriscus, die zich voor den zoon van Perseus uitgaf, en de vier Macedonische republieken weer tot één rijk wilde vereenigen, maakte de praetor Caecilius Metellus (Macedonicus) Macedonië tot eene Komeinsche provincie (148).

4) De oorlog met Griekenland (146). Ongeveer 1000 voorname Achaeërs (waaronder de geschiedschrijver Poly-bius) werden door hun staatkundige tegenstanders valschelijk beschuldigd tot de aanhangers van Perseus te hebben behoord, en naar Po me gevoerd, om zich daar, zoo luidde het bevel, te rechtvaardigen. Maar zij werden, zonder dat men hun de gelegenheid daartoe gaf, in Italië geliouden, totdat na 17 jaren de 300 nog overigen (waaronder Critolaus en Diaeus) terugkeerden (151), en hunne landgenooten tot den oorlog tegen Rome aanzetten. De Eomeinsche senaat eischte dat alle steden, welke sedert den eersten Macedonischen oorlog tot het Achaeïsche verband waren toegetreden, dit weder zouden verlaten. Q,. Caecilius Metellus, die na de overwinning in Macedonië Griekenland was binnengerukt, overwon Critolaus en de consul Mummius Diaeus. Corinthe werd door Mummius (146) verwoest, en ten gevolge hiervan Griekenland (althans de staten, die tot het Achaeïsche verbond hadden behoord), onder het bevel van den Eomeinschen stadhouder van Macedonië gesteld. Eerst onder keizer Octavianus Augustus (27 v. Chr.) wordt melding gemaakt van een bijzonder wingewest A c h a i a, dat Midden-Griekenland en de Peleponnesus omvatte.

ocr page 223

311

§ 92-

De derde Panische oorlog, 149—146.

Een oorlog tegen Masinissa, dien de Carthagers zonder verlof der Romeinea gevoerd hadden, gaf aan den Romeinschen senaat, waar de meening van den ouden Cato (uceterum censeo Carthaginein esse delendamquot;} zegevierde, aanleiding om den vrede voor verbroken te verklaren. De Carthagers, van de gfoote voorbereidselen der Romeinen hoorende, boden hun eene onbepaalde onderwerping aan, maar werden door onderhandelingen misleid, tot dat het Romeinsche leger bij Utica was geland, en zijne legerplaats voor Carthago had opgeslagen. Eerst lieten zich de consuls alle schepen en wapenen uitleveren, en daarna verlangden zij van de weerloozen, dat zij hunne stad verlaten en twee mijlen van zee eene nieuwe zouden bouwen. De wanhoop dreef de Carthagers het uiterste te wagen; alle tempels en pleinen werden in werkplaatsen herschapen, waar mannen en vrouwen dag en nacht wapenen smeedden, terwijl men gelijktijdig in de binnenhaven eene uieuwe vloot bouwde. Nog twee jaren boden zij aan het slecht aangevoerde Romeinsche leger tegenstand, tot dat P. Cornelius S c i p i o Aemilianus (zijn vriend, de geschiedschrijver Polybius, vergezelde hem op dezen tocht) in 147 het opperbevel verkreeg, door eene verschanste legerplaats op de landengte de verbinding met bet vasteland afsneed, en de buitenhaven door een dijk versperde. Daarentegen groeven de Carthagers van de binnenhaven een kanaal tot in zee, brachten langs dezen weg hunne nieuwe vloot in zee, maar verzuimden de verraste Romeinen terstond aan te vallen. Drie dagen later werden zij in een laatsten zeeslag teruggedreven eu Scipio sloot ook dezen weg af. Evenwel kon hij eerst in de lente van het volgende jaar (146) de uitgehongerde stad, na een gevecht van zes dagen, innemen. Hasdrubal smeekte den overwinnaar om genade, terwijl zijne echtgenoote voor zijne oogen hare kinderen doodde en daarop zich zelve in de vlanrmerr stortte. Een brand, die 17 dagen duurde, verwoestte de stad. Het Carthaagsche

ocr page 224

212

gebied werd, voor zoo ver het niet reeds bij Numidië bekoorde, eene Komeinsclie provincie onder den naam van Africa (met-de hoofdstad Utica). Scipio verkreeg eene schitterende zegepraal en den bijnaam Africanus (Minor).

§ 93.

De oorlogen hi Spanje, 200—133.

Ofschoon de Romeinen reeds sedert 206 van het in het Zuiden en Oosten van Spanje veroverd land twee provinciën (Hispania ulterior en citerior, ten naaste bij de tegenwoordige provincies Valencia, Catalonië en Andalusië) hadden gemaakt, geraakten zij toch eerst 200 jaren na hun eersten inval in het volle en rustige bezit van dit schiereiland; want de laatste Can-tabriërs werden eerst ten tijde van Augustus (19 v. Ch.) onderworpen. Tot in 133 hadden zij met gedurige opstanden der Spaansche volkeren te worstelen. De oudere C a t o onderwierp door eene schitterende overwinning op do Oeltiberiërs, 179, Spanje aan deze zijde van den Ibërus, en beval aan alle steden van de Pyrenaeën tot aan den Anas (Guadalquivir) hare muren op denzelfden dag omver te halen. Sedert was de oorlog in Spanje vooral tegen de Celtiberiërs (in het tegenw. West-Arragonië en Oost-Castilië) gericht, die de praetor T. Sempronius Gracchus (179), de vader der beide beroemde volkstribunen , zoowel door tal van overwinningen, alsook en wel voornamelijk door gunstige verdragen, v erdeeling van landerijen en het opnemen van mannen uit de voornaamste geslachten in het Romeinsche leger, tot onderwerping bracht. De Lusitaniërs in het westelijk gedeelte van het schiereiland werden insgelijks eerst na een bijna tienjari^en oorlog (149—140) onderworpen, toen hun dappere en schrandere aanvoerder, de herder Viriathus, door sluipmoord was omgekomen. Gedurende dezen oorlog waren de Celtiberiërs weder afgevallen. Do Consul Q,. Caecilius Metellus, de overwinnaar van Andriscus, onderwierp ze op nieuw; slechts de Numantijnen boden nog aan de onbekwame veldheeren en de ongedisciplineerde legers dor Romeinen tegen-

ocr page 225

213

stand, totdat P. Cornelius Scipio Aemilianus Africa n u s Minor de krijgstucht in het leger herstelde en hunne vesting Numantia (aan den Boven-Duero) na een beleg van 15 maanden innam en verwoestte, 133. Sedert dien tijd schikte zich geheel Spanje, met uitzondering van de bergvolken in het Noorden, onder de Romeinsche heerschappij.

De Romeinen bezaten dus op dit tijdstip de volgende provinciën: Sicilië, sedert 241 gedeeltelijk, sedert 210 geheel; Sardinië en Corsica sedert 231; Hispania citerior en ulterior sedert 206, geheel Hispania, met uitzondering van de noordkust, sedert 133, Macedonië, Africa en Griekenland sedert 146, Azië sedert 133 (m. z. de volg. §).

De provinciën werden in den beginne door praetoren bestuurd, waarvan het getal allengs tot 6 aangroeide; later stonden pro-praetoren en proconsuls aan 't hoofd. De administratie der inkomsten hadden de aan de praetoren enz. toegevoegde quaestores, (Puhlicani, negotiator es).

De steden in de provinciën werden verdeeld in geprivilegieerde •en ii iet-geprivilegieerde.

Tot de eerste klasse behoorden: 1) de civitates liherae, onafhankelijk, maar verplicht tot het betalen van schatting. 3) de civitates liherae et Immunes, die onafhankelijk en vrij van schatting waren. 3) de civitates foedvratae, waarvan de betrekking tot Rome bij een verbond was geregeld. De niet-geprivilegieerde steden hadden wel haar eigen gemeentelijk bestuur, maar waren ten eenenmale afhankelijk van den stadhouder, die ook de rechtspraak had.

cc) BUITENLANDSCUE EN BURGEROORLOGEN VAN DE GRACCHEN TOT DE ALLEENHEERSCHAPPIJ VAN AUGUSTUS, 133 — 30.

Verval der republiek.

§ 94.

Be beide Gracchm.

Het verschil tusschen Patriciërs en Plebejers was verouderd; daarentegen was er nu een nieuwe adel ontstaan, gegrond op de afkomst van voorouders, die curulische waardigheden (consulaat.

ocr page 226

214

praetuur, quaestuur, aedilitas) bekleed hadden; men ondersclieidde dientengevolge beroemde of bekende {jiohiles of illuslres) en onberoemde of onbekende {igtwhiles of ohscuri) familiën. Eene familie werd beroemd door het bekleeden van staatsambten, en dewijl liet winstgevend bestuur eener provincie aan die ambten onafscheidelijk was verbonden, waren de beroemde familiën tevens in het bezit der groote rijkdommen. Het gevolg der nobilitas was eene door misbruiken van allerlei aard verkregen regeering van weinige bevoorrechte familicn {amhitus, omkoopbaarheid dei ambtenaren, ja zelfs van den senaat).

Daar bijna al de landerijen van den staat door de rijken gepacht waren en grootendeels door slaven (hoofd-slavenmarkt op Delos) werden bewerkt, dreef in 1 :gt;o de volkstribuun Tiberius Sempronius Gracchus de hernieuwing van de akkerwet van Licinius, die reeds lang in onbruik was geraakt, met eenige verzachtende bijvoegingen door, om daardoor den ondergang van den vrijen boerenstand in Italië te voorkomen. Om den toestand der lagere volksklasse nog meer te verbeteren en zijne eigene herkiezing te verzekeren, stelde hij voor, dat men de schatten van koning Attains III van Per-gamum, die de Romeinen tot erfgenamen van zijn rijk had benoemd, onder het volk zou verdeelen, ten einde het in staat te stellen, om zich gereedschappen voor het bebouwen der aan te wijzen landerijen aan te schaffen. Het dankbare volk wilde hem in het volgende jaar weder tot tribuun kiezen, maar de senatoren beletten de verkiezing en vermoordden hem met driehonderd zijner aanhangers (Scipio N a s i c a).

Aristonïcus, die zich voor een zoon van Eumenes uitgaf, maakte aanspraak op Pergamum, maar hij werd door den consul Perperna onderworpen, en de eerste Romeinsche bezitting in Azië verkreeg, even als de eerste Afrikaansche, den naam van het werelddeel, waarin zij gelegen was (Asia propria).

Tien jaren later dan Tiberius, 123, trad zijn jongere broeder, Caius Sempronius Gracchus, in twee jaren, waarin hij het tribunaat bekleedde, met eene reeks van voorstellen tot hervorming der staatsregeling (verbetering van den toe-

ocr page 227

215

^tand der Plebejers en beperking der macht van den senaat) op. Om de heerschappij van den nieuwen adel te ondermijnen en twist onder de aristokratie te stoken, onttrok hij aan den senaat de beslissing in de belangrijkste takken van het staatsbestuur, en om tweedracht onder de aristokraten welven te zaaien , droeg hij de rechtspraak, die hij aan den senaat onttrok, aan de ridders (de handels-aristokratie) op. Ook stelde hij voor, aan de Italiaansche bondgenooten het burgerrecht te verleenen , opdat deze zich niet langer tegen de verdeelingen der landerijen van den staat zouden verzetten; maar dit voorstel werd niet aangenomen. De senaat liet door een ander volkstribuun, M. Livius Drusus, voorstellen doen, die nog meer voordeelen aan het volk beloofden dan die van Gracchus; deze werd bovendien naar Oarthago gezonden , om daar eene kolonie te vestigen , en toen hij na zeven weken terugkeerde , was zijne zaak te Rome verloren en zijne herkiezing verijdeld. In een gevecht met de aristokraten (de consul L. Opi-mius, de bitterste vijand van Gracchus, stond aan hun hoofd), het gevolg van het vermoorden van een lictor door aanhangers van Gracchus, moest deze met zijn partij het onderspit delven. Hij zelf werd op zijn wensch door een zijner volgelingen gedood. Het getal der gesneuvelden bedroeg ongeveer 3000. De heerschappij der Optiraaten was hersteld.

De wetten der Gracchen werden buiten werking gesteld. Kene later (107) gegeven wet, de wet van Thorms, begunstigde uitsluitend de rijken.

§ 95.

De oorlog met lugurtha (1) in Numidiè, 111—105. Micipsa, de oudste zoon van Masinissa, had reeds bij zijn leven

Masinissa, 238—148.

Gulussa. Massiva, t 111.

Mastanabal.

Gauda.

lugurtha, t 104.

Hiêmpsal II.

Adherbal, Hiêmpsal. f 112. f 117.

(1)__

Micipsa, f 118.

luba I.

TSaTr

ocr page 228

316

aan zijn neef lugurtlia bijna het geheele bestuur over Nu-midië in handen gegeven, hem geadopteerd, en hem benevens zijne eigene zonen, Adherbal en Hiëmpsal, tot erfgenaam van het rijk benoemd. Maar de beide broeders konden het met hun neef noch over eene gemeenschappelijke regeering noch over eene verdeeling van het rijk eens worden. Hiëmpsal viel door de hand van een sluipmoordenaar, en Adherbal werd door lugurtha verdreven. De Romeinsche senaat zond op verzoek van Adherbal een gezantschap naar Africa, dat het rijk zóó verdeelde, dat lugurtha de beste, westelijke helft verkreeg. Desniettemin viel lugurtha in het land van Adherbal, nam hem gevangen en bracht hem op wreede wijze om het leven.

De quot;Romeinen verklaarden nu op bedrijf van den tribuun C. Memmius, die de schandelijke praktijken der omgekochte senatoren aan 't licht bracht, aan lugurtha den oorlog, die door de eveneens omgekochte Eomeinsche veldheeren smadelijk en zonder resultaat gevoerd werd (lugurtha in Rome), tot dat de consul Q. Caecilius Met el lus (Numidicus) het opperbevel verkreeg en C. Marius als onderbevelhebber medenam. Metellus wees de vredesvoorstellen van lugurtha van de hand, en noodzaakte hem zijn toevlucht tot zijn schoonvader Bocchus, den koning van Mauretanië, te nemen. Intusschen had Marius te Rome hot consulaat (107) en het opperbevel tegen lugurtha verkregen, maar de oorlog werd niet in het veld beslist; de quaestor L. Corn. Sulla bewoog Bocchus, lugurtha uit te leveren, 106. Deze werd door Marius in zegepraal naar Rome gebracht, en stierf in de gevangenis (van honger?). Het westelijk gedeelte van Numidië werd bij het rijk van Bocchus gevoegd en het overige waarschijnlijk aan den nog overgebleven kleinzoon van Masinissa (Gauda) gegeven.

§ 96.

Oorlog wet de Cimhreti en Teutonen, 113—101.

Kort voor den oorlog met lugurtha warende Cimbren, een Germaansche volksstam, uit hun vaderland (Jutland ?) over den

ocr page 229

217

Donau, het land der Taurlscers (Stiermarken) binnengedrongen, en hadden bij Noreia (Neumarkt in Karinthiö?) een Romeinsch leger onder den consul Cn. Papirius Carbo, dat hun den overtocht naar Italië wilde beletten, overwonnen, 113. Daarna drongen zij evenwel niet naar Italië op, maar wendden zich westwaarts, en trokken langs den noordelijken rand der Alpen over den Eijn en over het Juragebergte (of de vallei van den Donau volgende over de Vogesen) naar Gallic, waar zij, daar hun verzoek om aanwijzing van woonplaatsen werd geweigerd, twee raaien een Romeinsch leger overwonnen. Maar daar zij zich na hunne overwinning naar Spanje wendden , had C. M a r i u s, die (in strijd met de bestaande wet) het consulaat 5 jaren achtereenvolgens (104—100) bekleedde, den tijd, om zoowel hulp van de Gallische bondgenooten te verkrijgen, alsook de krijgstucht in het leger te herstellen. De Cimbren keerden uit Spanje, waar zij bij de Celtiberiërs dapperen tegenstand ontmoet hadden, door het westelijk Gallic terug, en verbonden zich aan de Seine met de stamverwante T e u t 5 n e n, die uit hun vaderland aan de Oostzijde daarheen waren verdwaald geraakt. Door de Belgen in hun tocht gestuit, wendden beide volken zich naar het Zuiden, maar verdeelden zich (om beter in hunne behoeften te kunnen voorzien?) in dier voege, dat de Teutonea over de West-, de Cimbren over de Oentraal-Alpen, die zij reeds van vroeger kenden, Italië zouden binnendringen. M a r i u s belette den Teutonen den overtocht over de Alpen, en versloeg ze aan den voet der West-Alpen bij Aquae Sext ia e, 102, waar hun koning Teutobod gevangen genomen werd. Middelerwijl waren de Cimbren (met de Tigurijnen, die aan de oostelijke helling van het Juragebergte woonden) over den Brennerpas in Italië gevallen, hadden den consul Catulus uit zijne verschansingen aan de Athesis verdreven, en in de Po vlakte hunne winterkwartieren opgeslagen. In het jaar 101 trokken zij den Padus op, om die rivier dicht bij hare bronnen over te trekken, en ontmoetten bij V e r c e 11 a e (in de Raudische vlakten) Marius. Zij werden overwonnen en het grootste gedeelte van hen sneuvelde in den

ocr page 230

218

veldslag. Marius hield een zegepraleuden intocht, werd voor de zesde maal tot consul verkozen, en verkreeg den bijnaam van derden stichter der stad.

§ 97.

De Marsische oorlog of de oorlog der hondgenooten, 91—88.

De meeste volken van Italië hadden niet het volle Romeinsche burgerrecht; zij vulden de Eomeinsche legers aan en betaalden belastingen, maar waren van de deelneming aan de regeering uitgesloten. Toen derhalve de volkstribuun M. Livius D r u s u s het voorstel van C. Gracchus, om aan de Italiaansche bondge-nooten het Romeinsche burgerrecht te schenken, vernieuwd had, en daarom, maar vooral ook omdat hij een wetsvoorstel had ingediend om de rechtspraak tusschen den senaat en de Ridders te verdeelen, was vermoord, besloten de meeste volken van Midden- en Zuid-Italië, zich van de Romeinsche heerschappij vrij te makeu. Italië zou eene republiek met Romeinsche staatsregeling (I t a 1 i c a) en Gorfinium (in het N. van Samnium) zon de hoofdstad daarvan worden.

De Latijnen en Etruscers, die getrouw waren gebleven, verkregen terstond het Romeinsche burgerrecht (90), opdat zij niet insgelijks zouden afvallen; ook aan de overige bondgenooten schonken de Romeinen na een tweejarigen, voornamelijk in Piceiuim door Cn. Pompeius Strabo en in Samnium door Sulla gevoerden oorlog het burgerrecht (bij de wet van Plautius en Papirius), om al hunne krachten tegen Mithridates (§ 99) te kunnen gebruiken.

De nieuwe burgers zouden slechts in 8 bepaalde tribus opgenomen worden; dit verwekte groote ontevredenheid. Daarom deed de volkstribuun P. Sulpicius het voorstel, dat de nieuwe burgers zoowel als de vrijgelatenen, op wie een soortgelijke beperking werd toegepast, tot al de 35 tribus toegang zouden hebben. Hierdoor nam het aantal der stemgerechtigden op verbazende wijze toe en was de deur geopend voor allerhande knoeierijen en kuiperijen. Ook in de organisatie van het leger

ocr page 231

219

kwam een groote verandering; in plaats van een leger vau burgers kwam een leger van cmikoopbare huurlingen, die uit de laagste klassen der maatschappij waren geworven.

§ 98.

De burgeroorlog tusscheri Marina en Sulla, 88—82.

Marius had met hulp van een volkstribuun (Sulpicïus Eufus) aan Sulla het opperbevel in den oorlog tegen Mithridates (§ 99) ontnomen en zich zeiven doen opdragen; daarom keerde Sulla met het hem voor den Aziatischen veldtocht toevertrouwde leger naar Rome terug, en verdreef Marius, die onder menigvuldige avonturen de wijk naar Afrika nam (Sulpicius vermoord— Marius te Minturnae en te Carthago). Maar terwijl Sulla den oorlog tegen Mithridates voerde, keerde Marius op de uitnoo-diging van zijn vriend, den insgelijks uit Rome verdreven consul Oinna, uit Afrika terug; beiden sloten Rome in, dwongen de stad door honger tot de overgave, verdreven en vermoordden de vrienden van Sulla, en benoemden zich eigenmachtig tot consuls voor het jaar 86; maar Marius stierf in de eerste dagen van zijn zevende consulaat; Cinna bleef op eigen gezag 4 jaar achtereenvolgens (87—84) consul, maar werd, toen hij troepen tegen Sulla wilde inschepen, door dezen (te Ancona) omgebracht. In Rome heerschte nu een tijd lang volslagen regeeringloosheid.

In het jaar 83 keerde Sulla met zijn overwinnend leger naar Italië terug, en van alle kanten stroomden de verstrooide overblijfselen van de partij der Optimaten naar hem toe. Hij overwon de legers zijner tegenstanders (bij Capüa en Sacriportns), die gedeeltelijk tot hem overliepen, liet door een zijner legaten den jongen Marius (waarschijnlijk een zoon van den ouden C. Marius) in Praeneste insluiten, nam en verwoestte die stad na eene vruchtelooze poging der Samniten om haar te ontzetten, en hield zijn intocht in Rome, zonder verderen tegenstand te ontmoeten. Op de aanhangers van Marius werd de bloedigste wraak genomen; 4700 Romeinsche burgers (waaronder 2000 senatoren en ridders) werden vogelvrij verklaard, 8000 in een bloe-

ocr page 232

220

digeu slag buiten de porta Collina gevangen Samniten op het Marsveld omgebraolit; 10,000 slaven der vogelvrij verklaarden verkregen de vrijheid en het burgerrecht en werden in de tribus ingedeeld. Om de heerschappij der Optimaten door verandering der staatsregeling op nieuw te vestigen, liet Sulla zich de dictatuur voor onbepaalden tijd opdragen, 82. Nadat hij door zijne (spoedig weder afgeschafte) gewijzigde staatsregeling de macht van den senaat, die onder anderen de rechtspraak herkreeg, vergroot en het gezag der volkstribunen vernietigd had, legde hij de dictatuur reeds in 79 vrijwillig neder en stierf op zijn landgoed bij Pnteöli, 78. — Cn. Pora-peius vernietigde het overschot der partij van Marius in Africa. Hij hield zijn eersten zegenpralenden intocht in Rome, en verkreeg den bijnaam van den Groote. Over den oorlog tegen de aanhangers van Marius in Spanje, z. m. § 100, 1.

5 99.

De drie oorlogen met Mithridates VI, koning van I'ontm.

Eerste oorlog (88—84). Mithridates (reg. 120—63) wilde door een algemeen verbond van het Oosten de uitbreiding der Romeinsche wereldheerschappij in Azië te keer gaan, en daartoe het tijdstip gebruiken, waarop Rome in Italië zelf door den oorlog tegen de bondgenooten werd bezig gehouden.

De uitvoering van dat groote plan begon hij met de onderwerping van het N.W. van Klein-Azië, en ook van de Romeinsche provincie Asia, en liet alle (80,000?) in Azië wonende Italianen op één dag dooden. Daarna zond hij zijn veldheer Archelaus met een leger en eene vloot naar Griekenland, waar de meeste Grieken zijne zijde kozen. Om zijne komst naar Italië en de mogelijke vereenig ing met de. Italiaansche bondgenooten te voorkomen, eindigde Rome den oorlog met de Italianen door inschikkelijkheid, en zond Sulla naar Griekenland. Door de verovering van Athene en de beide overwinningen bij Chaeronëa, 86, en Orchomënus, 85,

ocr page 233

221

dwong deze Mithridates tot den vrede te Dardanus. De koning; moest hetgeen hij in Azië veroverd had teruggeven, eene schatting (3000 talenten) betalen, en zijne oorlogschepen uitleveren.

Tweede oorlog (83—81). Daar Mithridates na den vrede Cappadocië niet geheel ontruimde, bezette L. Licinius Murëna, de (door Sulla achtergelaten) propraetor van Azië, Cappadocië en viel plunderend in het Pontische gebied, maar werd (bij den Halys) verslagen, en moest van de verovering vati Cappadocië afzien.

Derde oorlog. (74—64). Mithridates begon den oorlog opnieuw, toen Eome in een gevaarlijken burgeroorlog (ditmaal in Spanje, m. z. bl. 222) was gewikkeld. Hij bezette Bithynië, dat zijn zwager Nicomêdes III, die kinderloos gestorven was, bij uitersten wil aan de Romeinen had geschonken. Mithridates opende den oorlog met een aanval op de Komeinsche bezittingen in Azië, die hij te land en ter zee bestookte, en met het beleg van de stad Cyzicus. Maar het groote leger, dat voor deze stad lag, werd door den consul L. Licinius Lucullus gedurende den winter ingesloten en door honger en ziekten vernield; ook de vloot was tegen den vijand niet bestand. Reeds in het tweede jaar (73) kon Lucullus den oorlog aanvallender wijze voortzetten en het landschap Pontus binnenrukken. Door nieuwe overwinningen noodzaakte hij den koning naar Armenië te vluchten en in het rijk van zijn schoonzoon Tigranes eene schuilplaats te zoeken.

Toen deze weigerde aan den eisch der Romeinen te voldoen en zijn schoonvader uit te leveren, trok Lucullus slechts met de helft van zijn leger (de andere helft bleef Pontus bezetten) over den Euphraat en versloeg met 2 legioenen het twintig maal sterkere leger van Tigranes bij Tigranocerta, 57. Maar door eene muiterij zijner (over de buitengewone verlenging van hun diensttijd ontevreden soldaten) gingen de vruchten van een 8jarigen, roemrijken oorlog snel weder verloren, en Mithridates herkreeg na eene overwinning op de in Pontus achtergebleven legerafdeeling geheel zijn rijk. Lucullus werd teruggeroepen, en Cn. Pompeius Magnus, die juist den oorlog tegen de zeeroovers (m. z. § 100, 3) met verrassende snellieid ten einde had gebracht en nog mot zijn

ocr page 234

322

leger in Azië stond, verkreeg (tengevolge van de te Manïlia; Cicero's redevoering) het opperbevel in den Pontisch-Arme-nischen oorlog (66). Hij viel in Pontus, noodzaakte Mi-thridates door eene nachtelijke overwinning (op de plaats, waar hij later Nicopölis in Klein-Armenië stichtte) tot de vlucht naar Colchis en keerde zich toen tegen Tigranes, die zich onderwierp en weder tot het eigenlijk Armenië beperkt werd. Geheel Klein-Azië aan deze zijde van den Euphraat gehoorzaamde thans aan de Romeinen. Tot vervolging van Mithridates (deze was tot zijn zoon Pharnaces , koning van Bosporus, gevlucht, en maakte zich te Panticapaeum, op de Taurische Chersonesus, tot een avontuurlijken tocht tegen Italië gereed, maar bracht zich zelf om het leven, toen Pharnaces zich aan het hoofd eener samenzwering tegen zijn vader had geplaatst), ondernam hij een moeielijken tocht naar Colchis, waarop hij de bergvolken van den Caucasus (de Albanen en Iberiërs) onderwierp. Op den terugtocht van den Caucasus maakte hij in Syrië een einde aan de heerschappij der Seleuciden, 64 (m. z. bl. 161), besliste in Palaestina een twist tusschen de broeders Aristobulus en Hyrcanus II ten gunste van den laatste, het hoofd der Pharisaeïsche partij, en maakte Palaestina door eene schatting van Rome afhankelijk.

§ 100.

De overige oorlogen tot aan het eerste driemanschap.

1) Oorlog tegen Sertorïus (80—72). Toen Sulla te Tome zijn bloedigen zegepraal vierde, hield de praetor Q. Ser-torius, die door Sulla zijne provincie Spanje verloren had, zich daar met het overschot der partij van Marius, en geholpen door de Hispaniërs en Lusitaniërs, staande. Door zijn edel karakter en zijne rechtvaardigheid won hij de harten der Lusitaniërs. Maar hij moest de wijk naar Mauretanië nemen. Toen hij zich ook van daar wilde verwijderen, om op de Canarische eilanden in ballingschap te gaan leven, werd hij door de Lusitaniërs terug geroepen. Acht jaren hield hij zish in het voor

ocr page 235

223

lt;len guerilla-oorlog zoo bij uitstek geschikte land tegen de Romeinen onder Q. Caecilius MetellusPius en Pompei ns, de veldheeren der oligarchie, staande; onoverwonnen viel hij door de hand van zijn onderbevelhebber M. Perperna. Deze matigde zich na den moord van Sertorius het opperbevel aan, maar werd weldra door Pompeius overwonnen, gevangen genomen en gedood.

2) De oorlog der zwaardvechters en slaven (73—71). Sedert den tijd dat do kampspelen der gladiatoren het geliefkoosde volksvermaak der Italianen waren geworden , ■werden er, vooral in Campanië, talrijke scholen gesticht, om slaven (gewoonlijk dappere krijgsgevangenen) in de kunst der zwaardvechters te oefenen. Eene bende gladiatoren ontsnapte uit eene dergelijke zwaardvechtersschool te Capua, en groeide onder leiding van den Thracicr Spartacus, vooral door den toevloed der Zuid-ltaliaansche slaven , tot een groot leger aan , dat vier Eomeinsche veldheeren overwon. Maar door oneenig-heid onder de aanvoerders en vooral door gebrek aan een bepaald plan werden zij verhinderd om van die overwinningen partij te trekken. Daar de beste veldheeren elders streden, gaven de Komeinen het opperbevel aan den praetor M. Licinius Cr as sus, die in een grooten slag, aan den S i 1 a r u s, Spartacus overwon, die zelf sneuvelde (71). Het overschot van het, verslagen leger (5000 man), dat over de Alpen trachtte te ontkomen, ontmoette deu uit Spanje terugkeerenden Pompeius; deze vernietigde hen en matigde zich de eer der overwinning ook in dien oorlog aan.

3) Oorlog tegen de zeeroovers (78—67). Gedurende de burgeroorlogen had zich uit de onderdrukte en verarmde bewoners der provinciën, vooral in Azië, vervolgens uit de vluchtelingen van alle overwonnen partijen, uit ontslagen soldaten, vooral uit het overschot der tegen Mithridates bijeenverzamelde legers, een volkomen georganiseerde staat van zeeroovers gevormd. Zij maakten de geheele Middellandscae zee en hare kusten onveilig, plunderden en brandschatten meer dan 400 plaatsen, en brachten hun buit op het eiland Creta en de aan schuilhoeken zoo rijke zuidelijke kust van Klein-Azië

ocr page 236

224

(vooral van het westelijk Cilicië) in veiligheid. De proconsul P. Servilius had hun gedurende zijn driejarig stadhouderschap in Klein-Azië verscheidene vestingen op de zeekust ontrukt (78—76), was den Taurus overgetrokken en had Isaura veroverd (daarom Isauricus). Maar deze overwinningen verzwakten geenszins de macht der vrijbuiters op zee; in tegendeel , zij landden op de kusten, zelfs op die van Italië (zij overvielen Misenum, Caieta, zelfs Ostium en vernielden in de haven dier stad een tegen heu uitgeruste vloot), plunderden de steden en buitenverblijven, roofden de inwoners (Caesar geraakte op zee in hunne macht), en onderschepten de geldbezendingen en graanvloten. De hierdoor te Rome ontstane hongersnood noopte het volk, ondanks den tegenstand van den senaat, aan Cn. Pompei us voor 3 jaar het opperbevel over de geheele Middellandsche zee en hare kusten (dus ook die van Italië) op te dragen (bij de lex Gahinia), en de soldaten, schepen en geldmiddelen van den staat bijna zonder eenige beperking te zijner beschikking te stellen (67). Hij dreef de zeeroovers van de eene schuilplaats naar de andere, zuiverde in twee korte veldtochten (van 40 en 49 dagen) eerst het Westen, en vervolgens ook het Oosten dér Middellandsche zee bijna zonder strijd, vernielde hunne vestingen en schepen, en gaf aan de (meer dan 20000) gevangenen (in plaats van ze te kruisigen, zoo als zijne voorgangers gedaan hadden) steden en landerijen in Cilicië (Calabrië en Achaia).

Het met de zeeroovers verbonden eiland C r e t a werd door Q. Caecilins Metellus (Creticus) na een oorlog van twee jaren tot een Eotneinsche provincie gemaakt (66).

Veranderingen door Pompei us in de staatsregeling gebracht.

Pompeius koos, even als Crassus, de zijde van het volk, om zoodoende de partij van den senaat, die hem benijdde en haatte, te kunnen vernederen. Nadat reeds door de wet van den consul C. Anrelius Cotta (75) aan de tribunen weer toegang tot hoogere

ocr page 237

225

ambten was verleend, herstelde Pompeius (70) de macht der tribunen iu haar geheelen omvang {Pompeius trihuniciam potes-tatem restituit, cuius Sulla inmginem sine re reliqnerat). Ook stelde hij perken aan de schromelijke knevelarijen en afpersingen •der senaatspartij in de provinciën, door de op zijn bedrijf ingediende wet van den Praetor L. Aurelius Cotta, waarbij de rechtspraak tusschon den Senaat, de Ridders en de Quaestores aerarii werd verdeeld. Deze laatsten waren zeer rijke Plebejers, die zich nauw bij de Ridders aansloten; zoodoende hadden deze «en overwegenden invloed op de rechtspraak. Ook de censuur werd hersteld, vooral om den Senaat te zuiveren.

§ 101.

Samenzwering van Catilina, 66—62.

L. Sergius Catilina was een ijverig helper van Sulla bij de tenuitvoerlegging der talrijke proscriptiën geweest. Wegens afpersingen, die hij zich in 67 als propraetor in de provincie Africa had veroorloofd, aangeklaagd, mocht hij niet naar het consulaat dingen, zoolang hij in staat van beschuldiging verkeerde. ^Hierover vertoornd, plaatste hij zich aan het hoofd van een aantal door ondeugden bedorven en door schulden geplaagde jonge adellijke Romeinen en vormde het plan om met hen de gekozen consuls te vermoorden. Maar door de besluiteloosheid ■der medesaamgezworenon kwam dit plan niet tot uitvoering (65). Van de vroegere aanklacht vrijgesproken, dong hij in 64 naar het consulaat. Op dit tijdstip waren de demokraten, die bij de terugkomst van Pompeius voor de vestiging eener militaire heerschappij beducht waren, in de weer om vooraf de regeering te bemachtigen; zij steunden Catilina, maar hunne pogingen waren vruchteloos. Tot consuls voor het jaar 63 werden benoemd M. T u 11 i u s C i c e r o en C. Antonius (een demokraat en vriend van Catilina). Catilina bereidde eene nieuwe samenzwering voor, en vermeerderde zijn aanhang, om zich voor het volgende jaar het consulaat met geweld te verschaffen eu dan de staatsregeling overeenkomstig zijne bedoelingen en inzichten te

Pütz , O. G. 15

ocr page 238

226

veranderen. Maar het plan van Catilina, om Cicero in de kies vergaderingen te vermoorden, werd verraden. Cicero vertoonde zich met een zoo sterke lijfwacht, dat Catilina niet waagde hem aan te vallen. Cicero's waakzaamheid (Fulvia) verijdelde ook alle verdere ondernemingen der saamgezworenen, en zijne dreigende welprekendheid dwong Catilina de stad te verlaten. Hij begaf zich naar het leger, dat zijn handlanger Manlïus in Etrurie had verzameld, om het op de eerste tijding van een opstand in de hoofdstad daarheen te voeren. Zij werden beiden bniten de wet gesteld, de te Home achtergebleven aanhangers van Catilina door brieven, die zij aan de gezanten der Allobrögers-hadden medegegeven, verraden, en vier hunner gevangen genomen, door den Senaat veroordeeld en in den kerker op Cicero's bevel geworgd. (Cicero pater patriae). De tijding van het mislukken van deu opstand in Home deed ook het leger in Etrurië uiteengaan; het overschot trachtte zich naar Gallië te redden, maar werd bij Pistoria verslagen, 63, Catilina sneuvelde in den slag. Het is waarschijnlijk dat ook Caesar en Crassus deel namen aan de samenzwering, om in het beslissend oogenblik zich zeiven aan het hoofd der zaken te kunnen plaatsen.

§ 102.

Het eerste driemanschap, 60.

Toen P o m p e i u s de goedkeuring zijner beschikkingen in Azië en de belooning zijner soldaten door een akkerwet van den Senaat niet kou verkrijgen, verbond hij zich met C. I u li u s Caesar en M. Licinins Crassus, (het zoogenaamde eerste driemanschap), tot den strijd tegen de aristo-kratie, 60. Caesar bewerkte als Consul (59) de bekrachtiging der instellingen van Pompeius door een volksbesl lit, {gaf hem zijne dochter lulia tot vrouw en verkreeg de beide Galliae en Illyrië tot provinciën voor vijfjaren, doch verwijderde, voordat hij daarheen vertrok, de hoofden van den Senaat, Cato-en Cicero, uit Rome; gene werd naar Cyprus gezonden, om dat eiland, welks koning de zeeroovers zou begunstigd hebben.

ocr page 239

227

in bezit te nemen (Romeinsche provincie in 57); deze ging buiten 's lands, toen Clodius eene wet voorstelde, waarbij hij, die burgers zonder rechterlijk vonnis deed terechtstellen, met ballingschap zou gestraft worden, doch werd, na een verblijf van 16 maanden in Thessalonïce, naar Rome (Milo) teruggeroepen.

Caesars oorlogen in Gallië, 58 — 51. Nadat reeds vroeger (121—106) de Gallische volkeren tussclien de Pyrenaeen en de Alpen waren onderworpen, en hun land als Romeinsche provincie (Narbo) beheerd was, ondernam Caesar de verovering van het overige Gallië, welke zware taak hem door de ijverzucht en de verdeeldheid der Celtische stammen gemakkelijker werd gemaakt. Door de oorlogen in Gallië wilde Caesar zich een geoefend en aan zijn persoon verknocht leger verschaffen; de verovering van Gallië ontsloeg Rome van het telkens dreigend gevaar van een inval der Celtische volksstammen; tevens werd het veroverde land een schutsmnur tegen Germanië. Door de Galliërs te hulp geroepen, die door verhuizingen uit het Oosten in het nauw werden gebracht, dreef Caesar de Helvetiërs, die in het Oosten van Gallië (in het gebied der Aeduers, aan gene zijde van de Saone) waren gevallen, naar hun land terug (overwinning bij Bibracte) en drong de Germanen onder Ariovistns (na de overwinning bij Vesontio) weder over den Rijn terug (58). Xa de onderwerping der Belgen (57), die voor het dapperste volk tusschen den Rijn en de Pyrenaeën gehouden werden, en der volken in het westelijke Gallië was de verovering van Gallië reeds dooiden derden veldtocht (56) voltooid. In de drie volgende jaren (55—53) trok hij tweemalen over den Rijn naar Germanië (tegen de Sneven en de Katten), en landde hij tweemalen (55 en 54) in Britanië, maar zonder in een dezer landen veroveringen te maken. In de laatste jaren (5-1—51) deden de Galliërs, die niet alleen het verlies hunner vrijheid betreurden, maar ook door belastingen, overwintering der Romeinsche troepen en het plunderen hunner landerijen zwaar werden gedrukt, herhaalde pogingen om zich van de Romeinsche heerschappij te bevrijden.

ocr page 240

228

Nadat eenige opstanden van afzonderlijke volken waren mislukt (o. a. die der Eburonen in liet jaar 53), barstte (in het jaar 52) en algemeene opstand der Galliërs (ouder Vercingetorix) uit, dien Caesar door eene groote overwinning op de bij A1 e s ï a vereenigde macht der Galliërs dempte.

De burgeroorlog tusschen Caesar en Pompei u s, 49 en 48. De drie mannen wnren in 56 te Lucca bijeengekomen en hadden bepaald, dat zij elkander in alle opzichten zouden ondersteunen. Pompeius en Crassus werden consuls, Caesar bleef in Gallië. Crassus, vooral door geldzucht gedreven , trok op tegen de Parthen, een volk, dat nimmer door de Romeinen is bedwongen geworden, maar hij sneuvelde weldra (53) met zijn zoon (bij Carrae).

De kloof tusschen Pompeius en Caesar werd hoe langer hoe breeder. Pompeius had zich te Home aan het hoofd der aristo-kratische partij geplaatst (vooral nadat Milo, de leider der Senaatspartij , door Clodius vermoord was), de Senaat was geheel op zijne hand en had zelfs toegestaan dat hij een tijd lang alleen consul was. Caesar dong derhalve, hoewel hij buiten 's lands was, ook naar het consulaat, maar Pompeius verzette zich daartegen. Do oorlog tusschen hen barstte evenwel niet uit, zoo lang lulia, de echtgenoote van Pompeius, leefde. Maar na haar dood, in 49, trok Caesar , die den schijn aannam , alsof hij de zaak van het volk verdedigde (twee tribunen waren tot hem gevlucht), met het leger, dat de Senaat hem bevolen had te ontslaan (daartegenover de eisch van den door Caesar omge-kochten tribuun Curio dat ook Pompeius afstand zou doen van zijne provinciën), over de grenzen van zijne provincie (den Rubico), en dit was het sein tot den burgeroorlog {iacta esto alea!). Bij het naderen van Caesar vluchtte Pompeius met de consuls en vele senatoren naar Griekenland, Caesar veroverde Italië in 60 dagen, onderwierp eerst de onderbevelhebbers van Pompeius in Spanje (Afranïus en Petréius), landae vervolgens in het zuiden van lllyrië, doch werd in het eerste treffen met Pompeius (bij Dyrrhachium) verslagen en trok naar Thessalië

ocr page 241

239

terug. Maar Pompeius, in plaats van de overblijfselen van het verslagen leger terstond te vervolgen en te vernielen, bleef bij zijn plan om door het rekken van den oorlog den vijand te vermoeien en uit te putten. Hij verliet Epirus en vervolgde Caesar, die naar ïhessalië getrokken was en met zijn leger bij Pharsalus stond. Caesar overwon, vooral door de voortreffelijkheid van zijn operatieplan, het tweemaal sterkere leger van Pompeius, 48. Pompeius vluchtte naar Aegypte tot koning Ptolemaeus .Dionysus, wiens vader hem zijne herstelling op den troon had te danken; maar des koirings hovelingen lieten hem door sluipmoord (Septünius) ombrengen.

Alexandrijnsche oorlog (48—47). Caesar, die Pompeius naar Aegypte was gevolgd, besliste de geschillen over de opvolging tusschen Ptolemaeus Dionysus en diens zuster Cleopatra ten voor-deele der laatste, en verwekte daardoor een oproer te Alexandria. Caesar verschanste zich in het koninklijk paleis en in den schouwburg; om meester te blijven op zee en om zich den weg voor de komst van versterking open te houden, verbrandde hij de vloot der vijanden (het vuur vernielde ook de beroemde Alexandrijnsche bibliotheek). Nadat hij versterkingen uit Syrië en Klein-Azië had verkregen, overwon hij den jongen Ptolemaeus, die vluchtende in den Nijl verdronk; Cleopatra behield de regeering.

De oorlog met Pharnaces (47), den zoon van Mithri-dates, die van de verdeeldheid in de Romeinsche republiek tot uitbreiding van zijn klein rijk aan den Cimmerischen Bosporus wilde gebruik maken, werd in een veldtocht van vijf dagen {veni, vidi, vicï) door de overwinning bij Zela spoedig beslist; Pharnaces werd door een der opstandelingen vermoord en een andere zoon van Mithridates (Mithridates van Pergamum) kreeg het rijk. Van daar keerde Caesar naar Rome terug, waar hij in zijne afwezigheid tot dictator voor 1 jaar, tot consul voor 5 jaren en tot volkstribuun voor zijn leven benoemd was.

Den oorlog in Africa (47—46) tegen de nog overige hoofden der partij van Pompeius (zijne zonen Cnaeus en Sextus

ocr page 242

230

Pompeius, zijn schoonvader Metellus Scipio, Cato, enz.), die zich bij luba, koning van Numidië, aangesloten hadden en over een leger van 10 legioenen en 50000 man Afrikaansche hulptroepen beschikten, bracht Caesar ten einde door de overwinning bij Thapsus, 46. — Cato, Scipio en luba beroofden zich zei ven van het leven, de zonen van Pompeius ontvluchtten naar Spanje en brachten den burgeroorlog daarheen over. Het grootste gedeelte van Numidië werd met de Romeinsche provincie Africa vereenigd.

Naar Rome teruggekeerd, werd Caesar met nieuwe en ongewone eerbewijzen overladen (dankfeest van veertig dagen, oprichting van een standbeeld, benoeming tot dictator voor 10 jaren); hij hield een viervoudige zegepraal over Gallië, Aegypte, Pontus en Africa, verdeelde geld en landerijen onder zijne soldaten , gaf maaltijden en feesten aan het volk met te voren ongekende verkwisting en vermeerderde het aantal der Senatoren. Ten laatste voerde hij nog een

oorlog in Spanje (46—45) tegen de zonen van Pompeius, Cnaeus en Sextus, welke hij in den moorddadigen slag bij M a n d a (nabij Gibraltar) slechts met de grootste inspanning kon overwinnen. Daarna werd hem de vijfde triumf en de waardigheid van dictator voor zijn leven (met den titel van imperator') aangeboden.

Dood van Caesar, 44. Van de onbeperkte macht, hem verleend ,• maakte Caesar gebruik tot herschepping van den staat. Om de groote wanverhoudingen tusschen onmetelijken rijkdom en bittere armoede te wijzigen, gaf hij de lex numptuaria; door talrijke koloniën verschafte hij aan een deel der bevolking een bestaan; aan de achterblijvenden gaf hij gelegenheid om te werken. Hij verzachtte de bepalingen der wet aangaande de schulden, gaf wetten tegen omkooping, echtbreuk en echtscheiding, tegen het plegen van geweld en het stoken van onlusten. Vooral zorgde hij voor de provinciën, die hij tegen de roofzucht der stadhouders en de wreedheid der Romeinsche woekeraars beschermde; door het stichten van talrijke koloniën trachte hij ze te romaniseeren en

ocr page 243

231

met Italië tot één geheel te verbinden. Ook regelde hij met do hulp van den Alesandrijnschen geleerde Sosigënes de Romeinsche tijdrekening (de Juliaansche kalender). —

Behalve vele grootsche plannen voor de regeling en het bestuur van het rijk hield Caesar zich bezig met de voorbereidselen tot «en oorlog tegen de Parthen (om de rijksgrenzen in het Z. O. te beveiligen en tevens de nederlaag van Crassus te wreken), waarvoor hem volgens de Sibyllijnsche boeken de koninklijke waardigheid buiten Italië zou worden opgedragen. Dat was te veel voor de vijanden van Caesar (hij werd gehaat door de senaatspartij en de republikeinen). Er vormde zich eene samenzwering van 60 optimaten, aan welker hoofd de Prae-toren M. Brutus an C. Cassïus stonden, en Caesar werd op den 15den Maart 44 in de vergadering van den Senaat, waarheen hij zich ondanks alle waarschuwingen had begeven , door 23 dolksteken vermoord.

§ 103.

Het Uceede driemanschap, 43.

Na Caesars dood heerschte te Eome verwarring en vrees. Lepi-dus, Caesars magister equitum, verzamelde troepen op het Mars-veld. De moordenaars vonden bij het volk niet die sympathie, waarop zij hadden gerekend. In dien toestand van regeering-loosheid bemachtigde de Consul M. Antonïus het testament en alle papieren van Caesar, schonk ambten en betrekkingen weg en gaf wat hem maar goeddacht voor beschikkingen van den overledene uit. Hij zette het volk tegen de moordenaars op, maar op raad van Cicero werd eene algemeene amnestie afgekondigd. De samengezworenen hadden de stad verlaten eu waagden het niet daarheen terug te keeren. Antonius verbond zich met Lepidus en stelde een nieuwe verdeeling der provinciën voor, die vooral tegen de partij van Brutus en Cassius was gericht. Cicero, die eerst Rome had verlaten, keerde terug en kwam in zijne beroemde Philippische redevoeringen tegen de maatregelen van Antonius op.

ocr page 244

232

Kort na Caesars dood was zijn erfgenaam en aangenomen zoon, C. lulius Caesar Octavianus, de kleinzoon van Caesars zuster en door dezen geadopteerd, naar Rome overgekomen. Hij had door zijne slimme vrijgevigheid het volk, den Senaat en ook Cicero voor zich weten te winnen, üecïmns Brutus had intusschen geweigerd zijne door den Senaat hem aangewezen provincie, Gallia Cisalpina , volgens den eisch van Antonius, tegen Macedonië te ruilen. Antonius trok met een leger tegen hem op, om hem met geweld uit Gallië te verdrijven. De Senaat zond, vooral op aansporen van Cicero, een leger onder Hirtïus en Pansa tegen Antonius. Brutus werd door Antonius in Mutïna belegerd. Daarom heet deze oorlog de Mutinensische burgeroorlog (44—43). Pansa werd door Antonius aangevallen en in het gevecht doodelijk gewond. Bij een aanval op het leger van Antonius sneuvelde ook Hirtius. Octavianus plaatste zich nu aan het hoofd van het leger, terwijl Brutus den oorlog tegen Antonius voortzette. Antonius vluchtte over de Alpen en vereenigde zich met Lepidus. Octavianus keerde naar Eome terug, waar bij tot consul werd benoemd. Antonius hervatte den Oorlog tegen Brutus, die kort daarna te Aquilêia verinoord werd. Octavianus, die wel inzag , dat hij tegen de macht van de saamgezworenen en van Antonius te gelijk niet bestand was, ging Antonius en Lepidus te gemoet, en sloot met hen (op een eiland in den Ehenus bij Bononia), tot vernietiging van de partij van Brutus en Cassius, het

tweede driemanschap, (triumviri reipublicae con-Mituendae), voor 5 jaren. Octavianus verkreeg Africa, Sardinië en Sicilië, Antonius Opper-Italië en Gallië , Lepidus Spanje en Gallia Narbonnensis. Octavianus en Antonius zouden den oorlog tegen M. Brutus en Cassius voeren. In de eerste plaats trachtten zij zich alle drie door proscriptiën van hunne vijanden te ontdoen (meer dan 100 senatoren en 2000 ridders werden verbannen). Octavianus oiferde Cicero aan de wraak van Antoniua op; Cicero werd vermoord (door Popillius Laenas). Brutus en

ocr page 245

233

Cassius stonden met hunne legioenen in Macedonië, bij de stad P li i 1 i p p i (42). Antonius trok tegen hen op. Bij eene eerste ontmoeting bleef de overwinning onbeslist (Gassius liet zich dooden), maar in een tweeden slag overwon Antonius. Brutus wilde de nederlaag niet overleven. Vele zijner aanhangers vluchtten op de vloot van den republikein Sextus Pompeius.

Antonius ijlde naar het Oosten (Lepidus kreeg Africa), terwijl Octavianus in Italië bleef; met wreedheid en willekeur verdeelde hij landerijen, den eigendom van anderen, onder zijne veteranen. Van de menigvuldige klachten trokken de verwanten en vrienden van Antonius partij (L. Antonius, broeder van Marcus den consul. —- Pul via), om aan Octavianus den oorlog te verklaren. L. Antonius bezette Perusïa, waar Octavianus hem insloot. Zoo ontstond de

Perusijnsche burgeroorlog, 40. Octavianus nam de stad , plunderde en verwoeste haar.

Antonius , die middelerwijl te Alexandria bij en onder den invloed van Cleopatra was geweest, keerde terug, en verbond zich met S. Pompeius tegen Octavianus. Maar te Brundusium sloten zij (door bemiddeling van Maecenas en Asinius Pollïo) op nieuw vrede. Antonius kreeg de oostelijke, Octavianus de westelijke provinciën, Lepidus Africa. Een huwelijk tusschen Antonius en Octavïa , de zuster van Octavianus, zou nieuwe waarborgen voor den vrede geven. S. Pompeius verkreeg de drie groote eilanden en Achaia, maar daar men hem had misleid, verontrustte hij Italië op nieuw eu werd proconsul. Antonius rustte zich uit tot een tocht tegen de Parthen. Intusschen trok Octavianus, die Pompeius van zeerooverij beschuldigde, tegen hem op. Er werd met afwisselend geluk gestreden, maar reeds deze oorlog gaf aanleiding tot geschillen tusschen Antonius en Octavianus. Eene overwinning van M. Vipsanius Agrippa, den grootsten zeeheld der Romeinen, bij Mylae (36), besliste dea oorlog met S. Pompeius. Lepidus, die zich op Sicilië wilde handhaven, werd door Octavianus van zijn gebied beroofd en naar Rome teruggezonden (Pontifex Maximus tot aan zijn dood). Pompeius werd te Milete in het jaar 35 gedood.

ocr page 246

234

Antonius trok ia 36 tegen de Parthen; maar hij was ongelukkig. Van Alexandria ondernam hij tochten naar Armenië, en schonk het veroverde aan Cleopatra en hare kinderen weg. Intusschen oefende Octavianus zijne legioenen door oorlogen in Illyrië, Pannonië en Dalmatië. Het gedrag van Antonius verwekte te Rome verontwaardiging, vooral toen hij zijn edele gemalin Octavia had verstoeten. Aan Cleopatra werd door den senaat de oorlog verklaard. Bij A c t i u m ontmoetten de beide vlooten elkander, die van Octavianus werd gekommaudeerd door Agrippa. Cleopatra nam het eerst de vlucht; Antonius volgde haar, en de overwinning was aan den kant van Octavianus, die daardoor alleenheerscher werd (hij stichtte bij Actiura de stad Nicopölis). De vloot streed nog een tijd lang voort, maar bezweek spoedig. Het getrouwe en moedige leger wachtte nog zeven dagen te vergeefs op den terugkeer van Antonius en ging dan tot Octavianus over Antonius en Cleopatra vluchtten met 60 schepen naar Alexandria eu brachten zich beiden om het leven; Aegypte werd een Romeinsch wingewest. Octavianus regelde de aangelegenheden van Aegypte, en hield in het voorjaar van 29 een zegepralenden intocht (drievoudige triumf over Dalmatië, de overwinning bij Actium, eu Aegypte). De tempel van lanus werd voor de tweede maal gesloten.

DERDE TIJDVAK.

ROME ONDER KEIZERS, 30 V. CH.-476 NA CHR.

§ 104.

Be dynastie van Octavianus, 30 v. Chr.—68 na Chr.

1) C. lulius Caesar Octavianus Augustus (38 v. Chr. tot 14 n. Chr.). De nieuwe vorst trok van de uitputting en ontzenuwing van het volk partij, om zijne macht op hechte grondslagen te vestigen, terwijl hij de verschillende ambten en waardigheden in zijn persoon vereenigde, en voor het overige de namen en vormen der republiek liet voortbestaan. De nieuwe staatsregeling berustte in hoofdzaak op de instellingen van Caesar. In 29 werd Octavianus imperator perpetnus.

ocr page 247

335

P «2

H O

^ =

CD \ x

2..' c

oq

CD

3

-1-3-

CO® —-1 ^

5

lgt;C ^

cc ^ ^

CD

gtgt;g O-CR s

-quot;3 CD - _

S 5 £=-«■

ts 2

CD

s

O

-{- P

.

-i-r-

o

et-

3

Cn 3 Cn -•

OS ^ 00 •

P ■lt;

- O 3

quot; fe5

P*

cc

CD

'

-s

O

cd o p.®?

03 3 M O* »0

p 3: ^ 2 ^ =;

rr.sr.o'S.- t:

3 3 5 ^

p ? ^ p 2' P . . 3

? 3 S-3 S- S a— £■quot;

quot; oS

Cf! §2.

§■ 1.3

aq =quot; cd r5 2

a* ►5*

tz5

3

O g

3 S O «

cr

^ p

rquot; cc amp;-

. gt;• ^ S CD oquot; 0 § £

—J* TO O OS

n P ?-?

CfQ

B

f0 quot;

hjO o o —

quot;ö CO

-If

a P p •

w p

a*

i a ê

» - £.5 lt;!

^ S ^ CD quot;•

S O C 50 2.® ® (^-=■ amp;• P

S «

S 55

0=5 ® tr p 3

w- « ^•rs

•ns agt; 50

as ® ® 3 o £

C3 , ^3

c tc2

, 3 ^

EO|

3^2

p - n ogt;

{j-CTS

•-I 2.

* rs -ö

D-

- lt;0

oB--

3 p

.^o p

3

quot;3

aq

CD

sr ' gt;

3 tR (n 2.

fc®rquot;U

OOP pquot; r ^ c ^ Q- Oquot;

5'0 c a

CD =

c1quot; o 2

»•3

e*- •

CD ■■ gt;

lt; w gt;1'

r

mgt; — CK

TD P *

P

S* W2 •

3

CD

ciz--O-

G pquot;

-5 3*

cr 3 _ § 3

-U Mlt; 00 p gt;-

3

I ^

F 3- CO OD ^ 50 ' ^

23 c^c I N c'0'

quot;f-i5-s s^-

a-o-g'*quot;

CD «s:^. S -1

? O sr

0 cr?

gt;- o- £-= § ~c

O ^ 3 5

3.S Is

C 33

n lt;

g i S.-5-og-i.quot;

^ 3 p .

§ ^2Q £• 3. a-3quot; ? = § r-

3

-O

ocr page 248

236

eene waardigheid, die hem het opperbevel over alle legers en vloten verschafte, in 28 princeps, d. i. opperste leider van den staat; in 27 kreeg hij den titel van Augustus, in 23 het tribunaat voor zijn leven, in 19 de censuur voor 5 jaar, het consulaat voor zijn leven, in 12 de waardigheid van pontifex maximus. De praefectm urbi stond aan 't hoofd der politie en had de rechtspraak in krimineele zaken, de praefectm praetorio kommandeerde des keizers lijfwacht. Het concilium principis was eene commissie van senatoren; in zijn vergaderingen werd over de gewichtigste belangen van den staat beraadslaagd. Senaat en volksvergaderingen bleven bestaan, maar werden de werktuigen van des keizers wil; de nobiliteit, die gedeeltelijk door de burgeroorlogen was uitgeroeid, werd machteloos. Het volk werd door uitdeeling van geld en graan gewonnen. Augustus trachtte door wetten tegen de weelde en tot bevordering van het sluiten van huwelijken (leges sumptuariae , de adulteriis, de maritandis ordinibui) de zeden te verbeteren.

Tot verdediging van de grenzen van het Roraeinsche rijk voerde hij de staande legers in de grensprovinciën aan den Eijn, den Douau en den Euphraat in; tot bescherming van zijn persoon nam hij eene lijfwacht van 10 cohorte» praetorianae aan, en tot behoud der rust in de stad richtte hij 3 cohorte* urbanae op.

De oorlogen, die Augustus en zijne opvolgers uit het lulische huis voerden, werden ondernomen minder met het doel om nieuwe veroveringen te maken, dan wel om reeds gemaakte te handhaven. Zoo werden , om Spanje tot rust te brengen, de nog niet overwonnen Cantabriërs en Asturiërs door Agrippa geheel ten onder gebracht; de oostelijke grens van het rijk werd door een veldtocht tegen de Parthen beveiligd, wier koning Phraates op de tijding van de komst van Augustus in Syrië de gevangenen en vaandels teruggaf, die op het leger van Crassus waren buit gemaakt; maar de belangrijkste verovering was die der landen ten zuiden van den Donau, waarvan hij

ocr page 249

237

zich tot beveiliging der noordelijke grens wilde meester maken, van Kaetië, \'indelicië en Noricum, welke Drusus en Tiberius, de stiefzonen van Augustus ten onder hadden gebraolit; Pannonië was reeds in 33 door Octavianus onderworpen. Daarentegen leidden de veldtochten naar het binnenland van Germanië, door Drusus en later door Tiberius ondernomen , niettegenstaande men tot de Elbe doordrong, tot geen duurzame veroveringen, en de poging om een Romeinsch stadhouderschap in dat land te vestigen, werd door den vorst der Cheruscers, Herman (Artninius), verijdeld, die den stadhouder Quinotilius Varus in het Teutoburgsche woud overwon, 9 na Chr. De Rijn bleef ook voortaan in 't W. de grens van Germanië tegen de heerschappij der Romeinen. Augustus stierf te Nola, 14, nadat bij zijn stiefzoon Tiberius had geadopteerd.

In zijn huis en zijn gezia was Augustus zeer ongelukkig. Zijne echtgenoote Livia wilde haar zoon Tiberius de opvolging verzekeren en wordt verdacht den edelen Marcellus (-(- 23 v. Chr.), den zoon van des keizers zuster Octavia en don echtgenoot zijner dochter lulia, als ook de zonen van deze laatste en haar tweeden echtgenoot Agrippa, Caius en Lucius Caesar, te hebben vermoord. Zijne dochter lulia werd om haar onzedelijk gedrag uit de stad verbannen (2 na Chr.). Echter mocht de keizer zich in het bezit van voortreffelijke vrienden verheugen (Agrippa, Maecenas, Asinius Pollio en Messala Corvinus).

Tiberius (14 — 37) kwam eerst op rijpen mannelijken leeftijd (toen hij 56 jaren oud was) aan de regeering, en maakte den door Augustus aangenomen stelregel, om het Romeinsche rijk niet door nieuwe veroveringen uit te breiden, ook tot den zijnen. Daarom riep hij zijn (door hem geadopteerden) neef Germanicus uit Germanië terug, toen deze na eene overwinning op Arminius (bij Isdistavisus) op liet punt stond, om de door zijn vader Drusus gegrondveste heerschappij der Romeineu in Germanië te herstellen. Daar zijne arglistige moeder Livia zijn neef onophoudelijk als een gevaarlijk mededinger bij hem trachtte

ocr page 250

238

in verdenking te brengen, zond hij dezen naar het Oostea , waar hij Cappadocië en Commagene, in welke landen de koningen gestorven waren, tot Eomeinsche provinciën maakte, maar -weldra stierf (19, door vergif?). Reeds toen vertoonden zich de onvermijdelijke nadeelen der militaire monarchie en nam de heerschappij der praetorianen een aanvang; want Tiberius liet gedurende elf jaren de regeering aan Seianus, den bevelhebber- zijner lijfwacht, over, terwijl hij zelf op het eiland Caprëae zijtaken in weelde en wellust doorbracht. Door treurige voo*vallen in zijne familie was zijn karakter allengs verbasterd. Seiaims berokkende zich zeiven zijn val door zijne wreedheid Qiéicia maiestatis, ddatores) en het plan om zich meester van damp; regöe-ring te maken, en werd vermoord ; Tiberius vierde tharrs door de vervolging der vrienden van Seianus zijne wreedhei«l bot, totdat hij ten laatste door eene aan krankzinnigheid gre nzencle wanhoop aangetast en vermoord werd, op bedrijf van

8) Caius Caesar, door zijne soldaten bijgenaamd dal i-güla (37—41), die zich spilziek (in 9 maanden verspilde Liij de door Tiberius vergaderde schatten) en vooral tegen de rijken uiterst wreed betoonde (pderint dun/ metuanf). Wegens can toe lit naar Britannië, van waar hij als eenigen buit schelpen medegebracht had, verlangde hij een triumf en goddelijke eer. Nadat Caligula vermoord was, wilde de Senaat de republiek herstelion, maar de lijfwacht (Praetorianen) verhief den oom van den ver-mooiden keizer, den broeder van Germanicus, den geleerden

4) Claudius (41—54) op den troon, die weldra ra een goed begin (opheffing der indicia maiestatis, amnestie enz.) de regeering aan zijne schandelijke vrouwen (Messalina, •terechtgesteld in 48 , en Agrippïna) en snoode vrijgelatenen overliet. Onder hem begonnen de veroveringen der Eomeinen in Br£taanië; Mauretanië en Thracië werden Romeinsche provinciën. Agrip-pina doodde Claudius door vergif, en verhief haar zoon (uit een vroeger huwelijk)

5) Nero (54—68) op den troon. Deze regeerde in den beginne , onder de leiding van zijn leermeester Senëca en den

ocr page 251

239

praefect Burrus, goed, tot dat Poppaea Sabïna hem verleidde zijne moeder en zijne gade te vermoorden en haar te huwen. Men verdenkt hem te recht dat hij den grooten brand in Rome, door welken van de 14 deelen (regiones) der stad 3 geheel werden vernield, terwijl slechts 4 onbeschadigd bleven, gesticht heeft, om zich een schoonere residentie (Neronia) te kunnen bouwen; maar hij wist de schuld op de Christenen te schuiven, door wier wreede vervolging hij meende zich te kunnen rechtvaardigen. De stad werd, met van alle kanten atgeperst geld, op grooter schaal hersteld, en voor den keizer het zoogenaamde gouden huis (domus a u r e a) gebouwd. Italië en Griekenland moesten hem als tooneelspeler, zanger en held in de wedspelen bewonderen, totdat de legioenen in Spanje G a I b a tot keizer uitriepen, die ook door den Senaat werd erkend. Nero vluchtte verkleed naar het landgoed van een zijner vrijgelatenen, en liet zich, toen /Jjne vervolgers hem bijna bereikt hadden, door een zijner dienaren dooden.

§ 105.

Galha, Otho, Vitellius en de drie Flavii, 68—96.

De ondergang van het lulische geslacht had den eersten strijd der Praetoriani over de verheffing van een door hen gekozen keizer ten gevolge.

G a l b a werd na eene regeering van zeven maanden door Otho, deze na drie maanden door den gulzigen Vitellius, en deze wederom na acht maanden door

T. F l a v i u s Vespasianus (69—79) van den troon ge-stooten. Vespasianus deed alle mogelijke moeite om door een geregeld en zuinig bestuur rust en orde in het door de tyrannen geteisterde rijk te herstellen. Hij verbeterde de krijgstucht, voltooide de herstelling der stad, die hij met prachtige gebouwen (het colossënm) versierde, bevorderde het onderwijs door het aanstellen van bezoldigde leeraars der welsprekendheid, vulde den Senaat aan en verbeterde den staat der iinantiën. Een opstand der Germanen (Civïlis en Cerealis), reeds onder Vitellius uitgebarsten, werd gedempt. Een onder Nero ontstane

ocr page 252

310

opstand der Jodou had de verwoesting van Jeruzalem door Titus, den zoon van Vespasianus (70), ten gevolge. lui. Agricola hernieuwde don o o r 1 og in Britannië, en het gelukte hem door zachtheid en rechtvaardigheid de Britten tot het aannemen van Komeinsche beschaving over te halen.

Titus (met den bijnaam mnor et, deliciae gentris humani, 79—81). Gedurende zijne voortreffelijke en slechts al te korte regeering werden door eene plotselinge en daarom des te verschrikkelijker uitbarsting van den Vesuvius de steden Hercula-nëum, Pompëii en Stabiae onder de asch bedolven; te Rome woedde de pest, en een brand, die drie dagen duurde , legde een gedeelte der stad in de asch. Zijn jongere broeder

Domitianus (81—96) deed na een goed begin zijner regeering de tijden van Nero herleven. Hij verbond met een bespottelijken trots en eene kinderachtige verwaandheid eene ontzaglijke zucht tot verkwisting, die hem tot verdrukking en wreedheid niet slechts tegen enkelen, maar tegen geheele klassen der bevolking (Joden, Christenen) dwong. Inlius Agricola voltooide de verovering van Britannië en beveiligde het tegen de invallen der Pieten door eene lijn van forten van de eene 'zee tot aan de andere. Hij drong zelfs lot in de Schotsche hooglanden door en overwon in een slag tegen de Oaledonicrs. Domitianus riep hem uit wantrouwen terug. De keizer zelf ondernam een krijgstocht naar Germanic, in het gebied der Katten, op welken hij misschien den grooten wal aanlegde, die de grens tusscheu den Rijn en den Donau vormde {Limes Transrlieuanua, Linies Transdanuhianus). Hij voerde een onge-lukkigen oorlog tegen de Daciërs en was gedwongen door eene schatting den vrede van hen te koopen; desniettemin hield hij een triumftocht en liet hij zich Dacicns noemen. Door zijn vrouw, welke hij ter dood wilde laten brengen, werd hem zijn ondergang berokkend. Zijn eigjn hovelingen vermoordden hem, en volgens een senaats-')esluit moest zijri naam van alle openbare gedenkteekenen verdwijnen.

ocr page 253

241

§ 106.

Be r/elnkkif/sta tijden van het Romeinsche rijk,

99—180.

M. Cocceius Nerva (96—98), een oud senator, werd door de moordenaars van Domitianus met de keizerskroon begiftigd. Hij verminderde de belastingen, verdeelde landerijen onder arme familiën en adopteerde den bij het leger zeer beminden Hispaniër

T ra i an us (98—117), die het rijk nog meer trachtte uit te breiden , de stad door heerlijke gebouwen verfraaide en op voortreffelijke wijze voor de provinciën zorgde door hot maken van kanalen, straatwegen en bruggen.

Hij weigerde aan de Daciërs de schatting, die Domitianus hun had toegestaan; toen zij voortgingen de Homeinsche landen door hunne strooptochten over den Donau te verontrusten, onderwierp hij na een tweemaal hernieuwden oorlog 1) a c i ë. Op een tocht tegen de Part hen, wier koning zijn broeder met de heerschappij over Armenië had begiftigd, dat de Romeinen als hun eigendom beschouwden, maakte hij Armenië, Mesopotamië en Assyrië tot Romeinsche provinciën, terwijl de stadhouder van Syrië in Arabia Petraea veroveringen maakte, zoodat onder zijne regeering het Romeinsche r ij k z ij n grootsten omvang bereikte. Zelfs Nubië kwam onder de heerschappij van Rome, en bleef daaraan tot in het midden der derde eeuw onderworpen. Hij stierf te Selinus op Sicilië.

Hadrian us (117—138), de geleerde landgenoot en neef van Traianus, die de opvolging op den troon aan de gunst der keizerin te danken had, gaf bij een vrede met de Parthen do veroveringen aan gene zijde van den Euphraat, waarin men zich slechts met zeer veel moeite kon staande houden, terug, en wijdde zijne geheele kracht en zijn ganschen ijver aan de verbetering van het inwendige bestuur des rijks. Hij was de eerste, die besefte dat de Romeinsche keizer

Piitz, O. G. 16

ocr page 254

242

de lieer der wereld was, en zijne zorg niet tot Rome en Italië-mocht bepalen. Hij reisde zelf, meestal te voet, door al de provinciën van zijn rijk, verfraaide de voornaamste steden (Atliene door een nieuw gedeelte bij de stad te voegen. Home door zijn familiegraf, de zoogenaamde Molen Uadriani), liet in Britannië een muur (in plaats van de forten van Agricola) tegen de Pieten oprichten, en voltooide waarschijnlijk in (iermanië den grenswal tusschen den Boven-Donau en den Beneden-Rijn. Door het edictum perpetuum, een uit de edikten der praetoren samengesteld burgerlijk wetboek, verbeterde hij de rechtspleging. Gedurende zijn bestuur verbrak bijkans geen oorlog de rust, waarin de staat verkeerde: alleen de stichting eener Romeinsche volksplanting (Aelia Capitolina) op de puinhopen van Jeruzalem met een tempel van luppiter Capitolinus gaf aanleiding tof een vreeselijken opstand der Joden, die eerst na een driejarigen,, zeer hardnekkigen oorlog (133—135) kou gedempt worden.

Antoninus Pius (138—161), die door eene vreedzame, zachte en rechtvaardige regeoring (hij verbood de Christenen te vervolgen) zich den bijnaam van den tweeden Numa verwierf. Zijn geadopteerde zoon, de Stoïcijnsche wijsgeer.

Marcus A u r e 1 i u s Antoninus P h i 1 o s ö p h u s (161—180) voerde, terwijl Italië door pest, aardbevingen en overstroomingen werd geteisterd, een 13jarigen oorlog met de Marco m a n n e n en Q u a den, die, verbonden met andere (rennaansche en Gothische volken, in de bezittingen der Romeinen ten Zuiden van den Donau waren gevallen, daar alles verwoest hadden, en vervolgens op een tijd, dat de meeste legioenen in het Oosten tegen de Parthen streden, op hunne strooptochten tot in Italië gekomen waren. Marcus Aurclius trok negenmaal tegen hen te velde, en siierf na een langen, met afwisselend geluk gevoerden oorlog, waarvan Pannonië het hoofdtooneel geweest was, te Vindoböna (Weenen), voordat hij er in geslaagd was om de grens van het rijk aan deze zijJe volkomen tegen de invallen der barbaren te beveiligen. Onder zijne regeering !gt;tondeii de Christenen op nieuw aan vervolgingen bloot, vooral

ocr page 255

243

in Klein-Azië en Gallië. (Begin van het opdringen der Germanen naar het Romeinsche gebied.)

§ 107.

liet verval van het rijk ouder de heerschappij der Fruetorianen, van Commodus tot Diocletian us, 180—284.

Com mod us (180—192), de zwakke lOjarige zoon van Marcus Aurelius, maakte, door den vrede te koopen, een einde aan den oorlog met de Marcomannen, en liet de regeering aan den hevelhebber zijner lijfwacht over, om des te ongestoorder zelf als Komeinsche Hercules in kampspelen en diere nare vechten op te kunnen treden en zich aan de laagste zinnelijke genietingen te kunnen overgeven.

Gedurende de 91 jaren, die tusschen den dood van Com-modus en de heerschappij van Diocletianus verliepen, regeerden 24 keizers, die meestal in het leger door de legioenen werden benoemd, en voor het grootste gedeelte den troon door moord verkregen en verloren; slechts 5 van hen stierven een natuurlijken dood.

Reeds terstond in het eerste jaar nadat Commodus vermoord was, ging het bewind driemaal in andere handen over, terwijl eerst P e r t i n a x, vervolgens D i d i u s I u 1 i a n u s, die het hoogste bod had gedaan, en eindelijk Septiinius Sevcrus (193—211) den troon bemachtigden. Behalve twee krijgstochten naar Azië, tegen de Parthen, ondernam deze, reeds hoogbejaard, nog een oorlog tegen Britannië, dewijl de Schotten den door Hadrianus aangelegden wal vernield hadden; hij drong tot de meest verwijderde streken van het bergland door, en legde verder noordwaarts een nieuwen wal aan. Zijn zoon en opvolger, de wreede Caracal la (211—317), liet zijn broeder en deelgenoot in de regeering, Geta, met 20,000 man, die zijne partij aanhingen, verinoorden, schonk aan de bewoners van alle provinciën het Romeinsche burgerrecht, om hen des te beter tot het betalen der bovenmatige belastingen te kunnen dwingen (coustitutio Autoniniaua de civitate), en reisde de provinciën door.

ocr page 256

244

met het eeuige doel om aan de bewoners nog meer geld af te persen. Zijn zoon (?) en tweede opvolger, de jeugdige H e-liogabalus, gaf zicli aan de schandelijkste uitspattingen, ondeugden eu dwaasheden over, terwijl zijne moeder en grootmoeder den staat regeerden eu zelfs in den senaat verschenen. Beter regeerde zijn neef en opvolger Alexander Severn s (222—235), onder de leiding van zijne edele moeder Mammaea en van eenige senatoren. Hij voerde niet zonder gunstigen uitslag een oorlog tegen Artaxerxes, den stichter van het Nieuw-Perzische rijk (der Sassaniden), die de oude Perzische monarchie in haar geheelen omvang trachtte te herstellen. Onder zijne opvolgers werd het rijk niet alleen door de steeds menigvuldiger invallen van G e r m a a n s c h e volksstammen, maar ook door inwendige tweedracht al meer en meer verzwakt, ïearen Galliênus (260—268) stonden 19 tegenkeizers op, de zoogenaamde 30 (20?) tyrannen, die allen werden vermoord, met uitzondering alleen van Oden a thus van Palmyra, die het bewind over het Oosten verkreeg en op zijne gemalin Z e n o b i a overdroeg. A u r e 1 i iï n u s (270—375) maakte aan dit Palmyreensche rijk eeu einde door de gevangenneming van Zeuobia en de verwoesting van Palmyra (Longïnus); maar aan den anderen kant moest hij Dacië aan de Gothen inruimen. Ken inval van de Allemannen in Italië bewoog hem Eome door een nieuwen muur tegen de barbaren te beschermen. De Germanen ontmoetten op hunne herhaalde invallen den krachtigsten tegenstand onder Pr obus (276—282), die de barbaren niet alleen uit Gallië verjaagde en over den Rijn terugdreef, maar ook bij de volken aan den Beneden-Donau de rust herstelde. Maar eindelijk moest hij, om de grenzen van zijn i-ijk te beveiligen , Germaansche stammen naar den Rijn en den Donan als bewakers der grenzen overplaatsen en Germaansche huurlingen iu de Romeiusche legioenen opnemen (terugkeer der Franken, de oude Sigambri, Bructeri en Chamavi onder een nieuwen, gemeenschappelijken naam, naar den Rijn?). Gedurende den vrede hield hij zijne soldaten met het maken van straatwegen,

ocr page 257

245

kanalen, wijnbergen, het droogmaken van moerassen enz. bezig. Hierover vertoornd, vermoordden zij hem.

I 108.

De tijden der verdeeling van het rijk tot de alleeuheerschappij van Comtantijn den Groote, 284 — 324.

Diocletian us (284—305) deelde, om de verdediging der grenzen gemakkelijker te maken, de regeering met M a x i-m i ii n u s en liet aan dezen het bestuur der westelijke provinciën over. Toen de invallen der Germanen aan den Kijn en den Donau hoe langer zoo menigvuldiger en heviger werden, benoemden beiden een Caesar (zoo noemde men den vermoe-delijken opvolger op den troon), G a 1 e r i u s en C o n s t a n-tius Chlörus, en onder deze vier regenten was nu het rijk verdeeld. Zoo was men in staat om de invallen der aan de grenzen wonende volken af te weren, en Galerhis veroverde zelfs in een oorlog tegen de Perzen 5 provinciën aan gene zijde van den Tigris. Diocletianns verbood de uitoefening van den Christelijken godsdienst (christelijke gemeenten te Antiochia, Jeruzalem, Philippi, Ephesus, Colossae, Athene, Corinthe, Rome enz.), die hij in strijd achtte met de door hein ondernomen reorganisatie van het rijk, en gaf aanleiding tot eene wreede vervolging der Christenen in het geheele rijk. Aan zijn hof te Nicomedia voerde hij üostersch ceremonieel in, maar na eene ziekte legde hij uit eigen beweging de regeering neder, en overreedde Maximianus hetzelfde te doen (üiocletianus stierf op zijn landgoed te Salöua in Dalmatië).

Het rijk bleef desniettemin onder vier heerschers verdeeld; want de beide Caesars, Galerius en Constantius, werden keizers, en benoemden op hunne beurt twee Caesars. Toen Constantius op een tocht tegen Britanuië was gestorven (306), werd daar zijn zoon Constantinus tot keizer uitgeroepen. Deze wist zich van alle mederegenten (hun getal was tot 5 gestegen en er waren dus 6 keizers) te ontdoen, en werd in het jaar 324 alleenheerscher van het geheele Romeinsche rijk.

ocr page 258

242

de lieer der wereld was, en zijne zorg niet tot Eome en Italië-mocht bepalen. Hij reisde zelf, meestal te voet, door al de provinciën van zijn rijk, verfraaide de voornaamste steden (Athene door een nieuw gedeelte bij de stad te voegen, Kome door zijn familiegraf, de zoogenaamde Muhs Uadrianï), liet in Britannië een muur (in plaats van de forten van Agricola) tegen de Pieten oprioliten, en voltooide waarschijnlijk in Germanië den gTenswal tusschen den Boven-Donau en den Beneden-Rijn. Door het edictum perpetuum, een uit de edikten der praetoren samengesteld burgerlijk wetboek, verbeterde hij de rechtspleging. Gedurende zijn bestuur verbrak bijkans geen oorlog de rust, waarin de staat verkeerde: alleen de stichting eeuer Romeinsche volksplanting (Aelia Capitolina) op de puinhopen van Jeruzalem met een tempel yan luppiter Capitolinus gaf aanleiding tot een vreeselijken opstand der Joden, die eerst na een driejarigen,, zeer hardnekkigen oorlog (132—135) kon gedempt worden-

Antoninus Pius (138—161), die door eene vreedzame, zachte en rechtvaardige regeering (hij verbood de Christenen te vervolgen) zich den bijnaam van den tweeden Numa verwierf, /iju geadopteerde zoon, de Stoïcijnsche wijsgeer.

Marcus A u r e 1 i u s Antoninus P li i 1 o s 8 p h u s (161—180) voerde, terwijl Italië door pest, aardbevingen en overstroomingeu werd geteisterd, een 13jarigen oorlog met de-Ma r c o m a u n e n en Q u a den, die, verbonden met andere (iermaansche en Gothische volken, in de bezittingen der Romeinen ten Zuiden van den Donau waren gevallen, daar alles verwoest hadden, en vervolgens op een tijd, dat de meeste legioenen in het Oosten tegen de Parthen streden, op hunne strooptochten tot in Italië gekomen waren. Marcus Aurolius trok negenmaal tegen hen te velde, en stierf na een langen, met afwisselend geluk gevoerden oorlog, waarvan Pannonië het hoofdtooneel geweest was, te Vindoböna (Weenen), voordat hij er in geslaagd was om de grens van het rijk aan deze zijde volkomen tegen de invallen der barbaren te beveiligen. Onder zijne regeering stonden de Christenen op nieuw aan vervolgingen bloot, vooraï

ocr page 259

243

in Klein-Azië en Gallië. (Begin van het opdringen der Germanen naar het Romeinsche gebied.)

§ 107.

Het verval van het rijk ouder de heerschappij der 1'rai torianen, van Commodus tot Biocletianm, 180—384.

Com modus (180—192), de zwakke lüjarige zoon van Marcus Aurelius, maakte, door den vrede te koopen, een einde aan den oorlog met de Marcomannen, en liet de regeering aan den bevelhebber zijner lijfwacht over, om des te ongestoorder zelf als Romeinsche Hercules in kampspelen en dierensevechten op te kunnen treden en zich aan de laagste zinnelijke genietingen te kunnen overgeven.

Gedurende de 91 jaren, die tusschen den dood van Com-modus en de heerschappij van Diocletianus verliepen, regeerden 24 keizers, die meestal in het leger door de legioenen werden benoemd, en voor het grootste gedeelte den troon door moord verkregen en verloren; slechts 5 van hen stierven een natuurlijken dood.

Reeds terstond in het eerste jaar nadat Commodus vermoord was, ging het bewind driemaal in andere handen over, terwijl eerst P e r t i n a x, vervolgens D i d i n s T n 1 i a n u s, die het hoogste bod had gedaan, en eindelijk Sep ti mi us Se ver us (193—211) den troon bemachtigden. Behalve twee krijgstochten naar Azië, tegen de Parthen, ondernam deze, reeds hoogbejaard, nog een oorlog tegen Britannië, dewijl de Schotten den door Hadrianus aangelegden wal vernield hadden; hij drong tot de meest verwijderde streken van het bergland door, en legde verder noordwaarts een nieuwen wal aan. Zijn zoon en opvolger, de wreede Caracalla (211—217), liet zijn broeder en deelgenoot in de regeering, Geta, met 20,000 man, die zijne partij aanhingen, vermoorden, schonk aan de bewoners van alle provinciën het Romeinsche burgerrecht, om hen dea te beter tot het betalen der bovenmatige belastingen te kunnen dwingen {coustitutio Antoniniana de civitate), en reisde de provinciën door.

ocr page 260

Mi

met het eetilge doel om aan de bewoners nog meer geld af te persen. Zijn zoon (?) en tweede opvolger, de jeugdige H e-liogabalus, gaf zicli aan de schandelijkste uitspattingen, ondeugden en dwaasheden over, terwijl zijne moeder en grootmoeder den staat regeerden en zelfs in den senaat verschenen. Beter regeerde zijn neef en opvolger Alexander Sever us (323—335), onder de leiding van zijne edele moeder Mammaea en van eenige senatoren. Hij voerde niet zonder gunstigen uitslag een oorlog tegen Artaxerxes, den stichter van het Nieuw-Perzische rijk (der Sassaniden), die de oude Perzische monarchie in haar geheelen omvang trachtte te herstellen. Onder zijne opvolgers werd het rijk niet alleen door de steeds menigvuldiger invallen van G e r m a a n s c h e volksstammen, maar ook door inwendige tweedracht al meer en meer verzwakt. Tearen G a 11 i ê n u s (360—388) stonden 19 tegenkeizers op, de zoogenaamde 30 (30?) tyrannen, die allen werden vermoord, met uitzondering alleen van O d e n a t h u s van Palmyra, die het bewind over het Oosten verkreeg en op zijne gemalin Ze nob ia overdroeg. Au r el i anus (370—375) maakte aan dit Palmyreensche rijk een einde door de gevangenneming van Zenobia en de verwoesting van Palmyra (Longmus); maar aan den anderen kant moest hij Dacië aan de Gothen inruimen. Een inval van de Alletnannen in Italië bewoog hem Pome door een nieuwen muur tegen de barbaren te beschermen. De Germanen ontmoetten op hunne herhaalde invallen den. krachtigsten tegenstand onder Probus (370—383), die de. barbaren niet alleen uit Gallië verjaagde en over den Eijn terugdreef, maar ook bij de volken aan den Beneden-Donau de rust herstelde. Maar eindelijk moest hij, om de grenzen van zijn rijk te beveiligen, Germaansche stammen naar den Eijn en den Donau als bewakers der grenzen overplaatsen en Germaansche huurlingen in de Romeinsche legioenen opnemen (terugkeer der Franken, de oude Sigambri, Bructeri en Chamavi onder een nieuwen, gemeenschappelijken naam, naar den Rijn?). Gedurende den vrede hield hij zijne soldaten met het maken van straatwegen,

ocr page 261

245

kanalen, wijnbergen, het droogmaken van moerassen enz. bezig. Hierover vertoornd, vermoordden zij kern.

§ 108.

De tijden der verdeeling van het rijk tot de alleenheer.schappij van Constant jn den Groote, 384—324.

Diocletianus (384—305) deelde, om de verdediging der grenzen gemakkelijker te maken, de regeering met M a x i-m i ïi n u s en liet aan dezen het bestuur der westelijke provinciën over. Toen de invallen der Germanen aan den Rijn en den üonau hoe langer zoo menigvuldiger en heviger werden, benoemden beiden een Caesar (zoo noemde men den vermoe-delijken opvolger op den troon), Galerius en C o n s t a n-t i u s C h 1 ö r u s, en onder deze vier regenten was nu het rijk verdeeld. Zoo was men in staat om de invallen der aan de grenzen wonende volken af te weren, en Galerius veroverde zelfs in een oorlog tegen de Perzen 5 provinciën aan gene zijde van den Tigris. Diocletianus verbood de uitoefening van den Christelijken godsdienst (christelijke gemeenten te Antiochia, Jeruzalem, Philippi, Ephesus, Colossae, Athene, Corinthe, Rome enz.), die hij in strijd achtte met de door hem ondernomen reorganisatie van het rijk, en gaf aanleiding tot eene wreede vervolging der Christenen in het geheele rijk. Aan zijn hof te Nicomedia voerde hij Oostersch ceremonieel in, maar na eene ziekte legde hij uit eigen beweging de regeering neder, en overreedde Maximianus hetzelfde te doen (Diocletianus stierf op zijn landgoed te Salona in Dalmatië).

Het rijk bleef desniettemin onder vier heerschers verdeeld; want de beide Caesars, Galerius en Constantius, werden keizers, en benoemden op hunne beurt twee Caesars. Toen Constantius op een tocht tegen Britannië was gestorven (306), werd daar zijn zoon Constant! n us tot keizer uitgeroepen. Deze wist zich van alle mederegenten (hun getal was tot 5 gestegen en er waren dus 6 keizers) te ontdoen, en werd in het jaar 324 alleenheerscher van het geheele Romeinsche rijk.

ocr page 262

246

I 109.

Fan de alleenheerschappij van Conslantinus tot de splitsing van het rijk door Theodosiiis, 324 — 393.

Cons tan tïuus de Groote, alleenheerscher (324—337) stelde (e.ikel om staatkundige redenen) den Christel ij ken godsdienst, die zioli snol van ludaea over de geheele Eoineinsche wereld verspreid en reeds sedert de Iste eeuw de bezorgdheid der keizers opgewekt had (vandaar de tien vervolgingen der Christenen door Romeinsche keizers), geheel en al gelijk met den heidenschen, zonder evenwel dezen te onder-drukken. Zijde moeder Helena was Christin; op het einde van zijn leven ontving hij zelf den doop. Üok riep hij de eerste algemeene kerkvergadering te Nicaea bijeen (325), waarop de stellingen van den bisschop Arins omtrent de natuur van Christus voor kettersch werden verklaard. Hij verplaatste de regeering (in 330 ?) tiaar het (volgens een plan, dat met dat van Rome groote overeenkomst had) herbouwde C o n-stantinopel (Nieuw-Rome), ontwierp eene nieuwe verdeeling van het rijk (in 13 dioecesen en 116 provinciën), bracht een geheel nieuwe organisatie in de staats- en hofambten, scheidde het burgerlijk bestuur ten eenenmale van het militaire gezag en schiep een nieuw belastingstelsel. Aera indictionmn, de eerste beginnende met 1 September 312. Toen hij te Nicomedia gestorven was, verdeelden zijne drie hem overlevende zouen

Constantinus II, Constantius en Constans het rijk onder elkander; maar Constantius werd weldra alleenheerscher. Zijn neef lui ia n us {ApostMa) werd, tengevolge zijner overwinningen op de Franken en Allemannen, door de legioenen tot keizer uitgeroepen (te Parijs), en Constantius stierf op een tocht, dien hij tegen hem had ondernomen, terwijl hij hem nog stervende tot zijn opvolger had benoemd. Hij was in den Christelijke (Ariaanschen) godsdienst opgevoed, maar de hevige godsdiensttwisten vervreemdden hem van die leer; daarenboven had hij door den omgang met heidensche (Nieuw-Platonische)

ocr page 263

247

wijsgeeren en de inwijding in de GrieTcsche mysteriën het heidendom lief gekregen; daarom trachtte hij dit te herstellen en te verbeteren. Uit iiaat tegen de Christenen nam hij ook de Joden onder zijne bescherming, en gaf hun verlof tot het herbouwen van den tempel te Jeruzalem, waarin zij echter (naar men zegt door aardbevingen en door vuur, dat uit den grond opsteeg) niet konden slagen. Hij overwon de Xieuw-I'erzen bij Ctesïplion, maar werd op den terugtocht, waarschijnlijk door den pijl van een (Christen, gewond. Zijn opvolger lovianus gaf aan de Perzen 5 provinciën aan gene zijde van den Tigris terug, en trok de bepalingen van Julianus tegen de Christenen weder in. Diens opvolger

V a 1 e n t i n i a n u s I deelde het bewind met zijn broeder V a 1 e n s, en gaf hem de oostelijke provinciën. Sedert dezen tijd bleef het rijk bij voortduring in een oostersch en een westersch rijk verdeeld; slechts Theodostus (379—395) vereeuigde nog esris beide deelen in het laatste jaar zijner regeering, maar verdeelde het rijk bij zijn dood in 395 op nieuw onder zijne beide zonen: Honorïus verkreeg liet Westen en Arcadïus het Oosten. Het oostersche rijk werd verontrust door de Hunnen, die in 375 uit het Oosten van Azië naar Europa waren gekomen, en door de Alanen, Oost- en Westgothen, die voor de Hunnen de vlucht hadden genomen; keizer Valens werd door hen bij Adrianopel verslagen (378), en verbrandde in eene hut. Zijn opvolger Theodosius nam de Gothen in het Tlomeinsche leger op.

§ 110.

Het Weatench Romeimche rijk tot zijn ondergang.

395—476.

T)e zwakke Ho nor i us, die de residentie van Home naar Eavenna overbracht, kon uiet beletten dat verschillende provinciën van zijn rijk aan vreemde, derwaarts verhuisde volken •verloren gingen. De Burgundiërs vestigden zich in Gallic

4

ocr page 264

248

(407), de Vandalen, AlanenenSuevenin Spanje (409), de Westgothen vielen onder Alarik tweemaal in Italië, belegerden, veroverden en plunderden Home (410), maar werden onder Alariks opvolgers Athaulf naar Gallic en Spanje gevoerd (412) (tn. z. Schets van de Aardr. en gesch. der Middeleeuwen, 5de druk, p. 24).

Onder den zoon en tweeden opvolger van Honorius, Vale n-tininanus III (425—455), werd den Romeinen ook de noordelijke kust van Africa ontnomen door de Vandalen,, die, uit Spanje verdreven, zich in 429 onder Genserik daar hadden nedergezet; Britannië, dat do Romeinen reeds vroeger (426) uit eigen beweging hadden verlaten, bemachtigden de A n g 1 e n en Saksen onder Hengist cu Horsa (445 ?). Daarentegen werden de Hunnen, die onder hun koning Attila in Gallië waren gevallen, door den Romeinschen veldheer Aëtius, die zich met Theodorik I, den koning der Westgothen, had verbonden, in de Catalaunische velden (bij Chalons sur Marne) verslagen, 451. Attila ondernam nog één verwoestenden tocht naar Italië (omtrent dezen tijd wordt Venetië gesticht), maar liet zich door geschenken tot den terugtocht bewegen, en stierf kort daarna. Met zijn dood ging ook het rijk der Hunnen te niet.

Nog 9 keizers volgden in het bijkans tot Italië beperkte rijk snel op elkander. De eerste van hen, M a x ï m u s, wilde de weduwe (Eudoxia) van den door hem vermoorden keizer Valenti-nianns III tot een huwelijk dwingen; zij riep Genserik, den koning der Vandalen, te hulp die met eene vloot den Tiber opvoer; Maximus werd vermoord, Rome 14 dagen lang door de Vandalen geplunderd en Eudoxia naar Carthago gebracht (455). De 5 volgende keizers leefden in afhankelijkheid van den Go-thischen vorst Ricïmer, den bevelhebber der in Romeinschen dienst staande vreemde huurtroepen; allen konden zij hun gezag slechts daar doen gelden, waar zij zich juist bevonden, en werden of gedood of door geweld gedwongen afstand van den troon te doen. Ten laatste was niet eens Italië meer onder ééne heerschappij

ocr page 265

249

vereenigd, terwijl twee aanvoerders vau Germaansche troepen, Odoacer en Orestes, elk over de door hunne troepen bezette landstreken regeerden. De laatste keizer Romulus A u g u s t ü 1 u s, de zoon van Orestes, werd door Odoacer, den aanvoerder van Hei uiers, Eugiërs en andere Germaansclie huurtroepen, in Pavia belegerd en na de bestorming dier stad gevangen genomen; Odoacer schonk den knaap, die sidderende om zijn leven smeekte, een landgoed bij Misenum en een jaargeld van 6000 goudstukken. Orestes werd terechtgesteld, Romulus van den troon gestooten en in Italië ontstond op de puinhopen van de westersch Ro-meinsche monarchie een Germaansch rijk, 476 (ra. z. Schets van de Aardr. en Gesch. der Middeleeuwen, pag. 26).

§ 111.

Aardrijkskundiff overzicht van het Romeimche rijk.

A. Bezittingen in Europa.

1) Italië tot aan den Rubico sedert 266. Het reeds in 222 onderworpen Gallia Cisalpina werd ten tijde van Caesar, Ligurië en het gebied der Garni, Istri en Veneti eerst onder Augustus bij Italië gerekend. Sici 1 ië benevens de in de nabijheid gelegen eilanden (het Carthaagsche gedeelte sedert 241, het geheele eiland sedert 310), Sardinië (238) en Corsica (231). 2) Hi span ia (sints 206 een dubbele Roraeinsche provincie; maar eerst sedert het jaar 25 volkomen onderworpen). 3) Gallia T r a n s a 1 p i n a tot aan den Rijn (het zuidelijk gedeelte, Provincia Hom una genaamd, reeds sedert 121, het geheel 51). 4) Britannia (geheel 85 na Chr.) 5) Het zuidwestelijk G e r m a n i a. 6) De provinciën ten Zuiden van den D o n a u: a) Eaetia benevens Vindelicia (15); Ji) Noricum (15); c) Pannonia (33); d) Moesia (29). 7) Illyricum (gedeeltelijk 228, geheel 167). S) Dacia (106—270 na Chr.). 9) Macedonia (148). 10) Thracia (46 na Chr.). 11) Achaia of Griekenland (146). (12) Creta (66 tot céne provincie vereenigd met het in 96 door erfenis verkregen rijk van Cyrene).

ocr page 266

250

B) Bezittingen in Azië.

1) Asia Proconsular is (sedert 130; liet bevatte de landen aan de westkust van Kloin-A.zië en het grootste gedeelte van Phrygië). 3) C11 icia (102) benevens Patnpliylia en Isauria. 3) Bithynia (74). 4) Syrië met Phoenicië (64) en Pa-laestina (44 na Clir.). 5) Cyprus (58). 6) Galatia (25).

7) Cappadocia(17naChr.) benevens Pontus en Klein-Arraenië.

8) G r o o t-A r m enië (144—117 na Clir.). 9) Mesopotaraië (115—117 na Chr.). 10) Assyrië (115—117 na Chr.). 11) De provincia imularum (sedert Vespasianus?).

C. Bezittingen in Africa.

1) Aegypte (30),quot; benevens de woeste landstreek aan de kust, westelijk tot aan Cyrene. 2) Jfrica propria (146), benevens Numidia (46). 3) Mauretania (40 na Clir.). 4) Nubia (sedert Traianus).

§ 112-

Beschavivg der Eoweinen.

Bijkans in alle takken van beschaving waren de (irieken de leermeesters der Eomeinen.

1) De 11 o mei n sc he staatsregeling was in den beginne een mengsel van mouarcliale,, aristokratische en demokratisclie elementen; de demokratie behaalde na langdurige en zware worstelingen de overwinning, hoewol de Senaat, die tot aan het einde der republiek bleef voortbestaan, eigenlijk toch altijd een aristokratisch element was. Aan het bestuur van den staat namen deel; 1) de koningen, sedert 509 de consüles, die den senaat en de volksvergaderingen bijeenriepen, offerpriesters en opperste aanvoerders in den oorlog, en tot het ontstaan der praetuur ook hoogste rechters waren. 2) de Senaat (bestaande uit 100, 200, 300, 600 tot 1000 leden), die over alle openbare aangelegenheden in zijne vergaderingen beraadslaagde en besluiten nam; op zijn voorstel besliste 3) het volk over wetgeving, keuze van ambtenaren, oorlog en vrede. Dit geschiedde in den beginne slechts door de Patriciërs iu de comiüa curiala, sedert Servius Tullins door het geheele volk in de comiüa centu-

ocr page 267

251

riaia, en toen de tribus tot de eigenlijke en wetttge verdeeling van de natie werden verheven, ook in de comitia tribnta, hoewel langen tijd slechts onder goedkeurig der comitia curiata. De hoogste ambtenaren van den staat waren behalve de consuls; de dictator (m. z. « 77); de 2 cvmöres (m. z. \ 81); de prudore* (in den beginne slechts 1 [m. z. § 84], later 2, 4, 6, 8); de 3 aedrdes curnles, die de politie bestuurden en de leiding der openbare spelen iiadden; de quaestores of betaalmeesters (2, 4, 20); de volkstribunen (4, 10), die in den beginne slechts onschendbare beschermers van do Plebs waren, maar later het recht verkregen om wetten voor te stellen en (door hun veto) te verwerpen (Sulla-Pompeius). Al deze ambtenaren werden jaarlijks, alleen de censoren (althans in 't eerst) om de 5 jaren verkozen; dictatoren werden slechts in buitengewone gevallen benoemd. Onder de keizers was de staatsregeling eene despotische. — De bewoners van Italië, Rome natuurlijk uitgezonderd , stonden in zeer verschillende betrekking tct den staat, tot zij na den oorlog met de bond-genooten (m. z. § 97) allen het Romeinsche burgerrecht verkregen; de veroverde provinciën werden eerst door praetoren, later door oud-consuls en oud-praetoren bestuurd [proconsutes, propraetores).

2) Het krijgswezen had hij de Romeinen een hoogeren trap van volmaaktheid bereikt dan bij eenig ander volk der oudheid. Tot den krijgsdienst in het veld was ieder Romeinsch burger van den ouderdom van 16 tot dien van 45 jaren verplicht, of, zoo als de Romeinen uit den beteren tijd het beschouwden , gerechtigd. De inrichting van het Romeinsche legioen berustte op de door Servius ingestelde verdeeling van het volk in Centuriën (m. z. § 77).

Het legioen bestond gewoonlijk uit 300 ruiters en 4200 voetknechten, deels licht, deels zwaar gewapend, dus in het geheel uit 4500, later uit 6000 man, waarbij nog ten minste een even groot aantal bondgenooten kwam. Twee legioenen vormden in den regel een consulair leger. Sedert de vestiging van het keizerrijk vormde de armee een staand leger, dat ook in vredestijd bijeenbleef en door zijn eed slechts jegens den keizer

ocr page 268

253

tot gehoorzaamheid verplicht was. Geregelde soldij verkregen de troepen eerst kort voor den laatsten oorlog met Veii (m. z. § 82); belooningen van anderen aard waren aandeel in den buit, burgerkronen, eerewapenen enz.; voor den Eomeinschen veldheer bestond de grootste eer in een zegepralenden intocht. — Over het ontstaan der Eomeinsche zeemacht z. na. § 88. 2.

4) Van de beeldende kunsten kenden de Romeinen vóór de verovering van Sicilië en Griekenland slechts de bouwkunst, die zij van de Etruscers hadden geleerd, en waarvan zij zich tot het bouwen van tempels, cloaken, den circus en het capitolium, waterleidingen en straatwegen bedienden.

Hoe men het beginsel van schoonheid op de werken der bouwkunst moest toepassen , leerden zij evenwel eerst van hunne onderdanen, de Grieken, en niet vroeger dan in de laatste tijden der republiek en onder de kiezers zag men talrijke gebouwen in den Griekschen stijl verrijzen, zoo als tempels, schouwburgen, amphitheaters, baden en triumfbogen. De meeste en beste voortbrengselen der Grieksche beeldhouwkunst en vele schilderstukken werden uit de veroverde Grieksche steden, vooral uit de steden op Sicilië en uit Corinthe, naar Home overgebracht; dientengevolge ontstond er bij de Romeinen eene soort van liefhebberij om voorwepen van kunst bijeen te verzamelen, zonder dat Rome zelf ooit groote kunstenaren heeft voortgebracht.

4) Letterkunde, d) Ee ontwikkeling Ier Romeinsche poëzie besron na den eersten Punischeu oorlog, door de vertaling van Grieksclie kunstgewrochten (vooral van dramatische stukken); zelfs in de zoogenaamde gouden eeuw onder Augustus verhief zij zich streng genomen niet boven eene kunstmatige navolging der Grieken; de satire is de eenige dichtsoort, die door de Romeinen uitgevonden en tot groote hoogte gebracht is.

De bekendste Romeinsche dichters, gerangschikt volgens den tijd waarin zij leefden , zijn : E n n ï u s (annalen in hexameters'!, Plautus en Terentïus (comoediën), Catullus (elegieën). Pub li us Vergilius Maro (Edogae, Georgïca, Aenëis), Tibullus en Propertius (elegieën) Quintus Hora-

ocr page 269

253

tins Flacons (oden, epoden, satiren en brieven), P u b 1 i n s Ovidius Naso (Metamorphosen, elegieën, Fasti, enz.), Phae-d r u s (fabelen), Persius en luvenalis (satiren).

5) Proza. Reeds vroeg en dikwijls hadden Eomeinsche veldheeren en staatslieden, zooals Brutus, Camillus, Cato, de beide Gracchen e. a., door de kracht eener natuurlijke welsprekendheid een grooten invloed op hunne tijdgeiiooteu uitgeoefend, nog voordat Grieksche rhetoren, niettegenstaande een tegen hen uitgevaardigd senaatsbesluit, te Rome de kunstmatige welsprekendheid onderwezen. Eene reeks van uitstekende redenaars (Antonius, Hortensius, Cotta) verscheen thans op het forum; onder hen verwierf Marcus Tullius Cicero (106—43) den grootsten roem. Hij was ook de beroemdste der Romeinsche wijsgeeren, hoewel hij geen nieuw wijsgeerig stelsel schiep, maar er zich bij bepaalde, zijne medeburgers met de verschillende stelsels der Griekscihe wijsbegeerte bekend te maken. Zijne groote heerschappij over de taal stelde hem in staat, voor zijn volk eene wijsgeerige terminologie te scheppen. Met meer ijver en zelfstandigheid legde men er zich op toe om de geschiedenis des vaderlands te boek te stellen. Dit deden in den beginne de annalisten, later, in meer kunstmatigen vorm, de eigenlijke geschiedschrij vers.

De voornaamste Romeinsche geschiedschrijvers waren: Gains I 1 i u s Caesar {de hello Gallico, de hello civilï), Sallustius [helium Catïlinarium , helium lugurthinum), Cornelius Nepos (vitae eTcellentium imperator urn), Titus Li v ins (ah urhe condita lihrï), Velleius Patercülus {hütoria Rom.), C.Cornelius Tacitus {Agricola, Germania, kutoriae, annales), Suetonius {vitae duodecim imperatorum) , I u s tï n u s (uittreksel uit Trogus Pompeius), Velleius Paterculus, Eutropius {breviarium Mstoriae Romanaé), enz.

Van de overige wetenschappen werd voornamelijk de rechtsgeleerd heid door een aantal voortreffelijke juristen (Popinianus, Ulpianns enz.) beoefend, én het Romeinsche recht bleef steeds den grootsten invloed op alle latere wetgevingen uitoefenen.

ocr page 270

CHRONOLOGISCHE TAFEL

E EES TE TIJDVAK.

VAN HET ONTSTAAN DER OUDSTE STATEN TOT CYRUS,

558 V. CHR.

Voor CHRISTUS.

Voor 2000? Het oude rijk der Aegyptenaren. Inval der Hvksos in Aegypte.

Omtrent 2000. A b r a h. a ra komt in Kanaan.

2000-1250. Het oude Babylonische rijk.

Oratr. 1600. Verdrijving der Hyksos uit Aegypte, en begin van het nieuwe rijk.

;/ 1500. Mozes. Verovering van Palaestina door de uit Aegypte terugkeorende Israëlieten.

1250-606. Ass3'rische heerschappij.

Omtr. 1200 ? De tocht der Argonau ton naar Colchis. De beide oorlogen tegen The be.

1194-1184? De oorlog tegen Troje. Aeneas komt naar Latium.

1104? De volksverhuizing der Doriërs of der H e r a c 1 i d e n naar de Peloponnesus.

1095-975. Monarchie in Palaestina. Saul.

1068. Te Athene Archonten na den dood van Codrus.

1035-1015. David. Jeruzalem residentie. Einde van den oorlog tegen de Philistijnen. Grootste uitbreiding van het Rijk. Opstand van Absalom.

1025-975. Salomo. Prachtige gebouwen. Handelsverdragen met Hiram van Tyrus. Weelde.

ocr page 271

255

975. Splitsing der Israëlietische monarchie in de rijken van J u d a en Israël.

810? Lyourgus, wetgever te Sparta. Saad, volksvergadering. Ephoren ? Gelijkmatige verdeeling der grondeigendommen.

776. Begin der rekening volgens Olympiaden.

753. Stichting van Rome. Nuraitor en Amu-lins. Romulus en R e m u s.

753-716. Romulus. Oorlog met drie Latijnsche steden en met de Sabijnen. Vereeniging der Romeinen en Sabijnen tot één staat.

743—734. Eerste Messenische oorlog. Aristodemus in Ithome.

733. Het rijk Israël door Salmanassar veroverd.

715-672. Numa Pompilius. Instelling van priester-collegiën.

685-668. Tweede Messenische oorlog. Aristomenes in Ira.

673-640. Tullus Hostilius. Oorlog met Alba Longa;

de Horatii en de Curiatii. Vernieuwing van den oorlog tegen Rome; Alba sluit verbonden met de Vejenters en Fidenaten. Alba verwoest.

lt;540-616. Ancus Marti us. Verovering van 4 Latijnsche steden. Plebejers.

624. Draco, wetgever te Athene.

616-578. Tarquinius Priscus. Groote gebouwen. Vermeerdering van het getal der senatoren.

606-538. Het nieuwe rijk in Babyion.

606. Ondergang van het Assyrische rijk.

594. Solon, wetgever le Athene. Verdeeling van het volk volgens het vermogen.

586. Jeruzalem door Nebukadnezar verwoest. Ondergang van het rijk Juda. Babylonische ballingschap.

378-534. Servius Tullius. Plebejische trilms. Centuriën.

560. Pisistratus , tyran van Athene.

ocr page 272

256

558^ Cyrus legt den grondslag tot het Perzische rijk door de overwinning op As-tyages bij Pasargadae.

TWEEDE TIJDVAK.

VAN CYRUS TOT 1)EN DOOD VAN ALEXANDER DEN CKOOTE,

558-323 V. CUlt..

558-529. Cyrus. Verovering van het Lydische rijk, de-Grieksche steden op de kust van Klein-Azië en van Opper-Azië tot aan den laxartes.

546? Ondergang van het Lydische rijk.

588. Ondergang van het Babylonische rijk.

534-509. Tarquini us Superbus. Willekeurige regeering. Verovering van Suessa Pometia en van Gabii. Oorlog met Ardea. Verdrijving.

529-522. Cambyses. Verovering van Aegypte. Ongelukkige tocht tegen Aethiopië en Ammonium.

525-332. Aegypte onder de heerschappij der Perzen.

522. Pseudo-Smerdis.

521-485. Darius I Hystaspis. Herstelling van het rijk en verdeeling in 20 satrapieën. Ongelukkige tocht tegen de Scythen.

510. Verdrijving der Pisistratiden uit Athene.

509-30. E, o m e e e n e Republiek.

509. Consuls. Samenzwering der zonen van Brutus. Oorlogen niet Veii en Tarquinii, met Porsena en met de Latijnen.

500-449. De Perzische oorlogen.

500. Opstand der I o n i ë r s.

494. Uitwijking der Plebs uit Rome. De volkstribunen»

493-479. Verdedigingsoorlog der Grieken t e ge n de P e r z e n.

492. Eerste veldtocht der Perzen naar Griekenland. Macedonië onderworpen.

ocr page 273

257

490. Tweede veldtocht der Perzen onder Datis en Ar-taphernes. Nederlaag der Perzen bij Marathon.

485-465. Xerxes I.

480. Tocht van Xerxes naar Griekenland. Slagen bij Thermopylae, A r t e-misium, Salamis.

479. Slagen bij P 1 a t a e a e en M y c a 1 e.

478-449. Aanvallende oorlog der Grieken tegen de Perzen.

469. Overwinning van Cimon bij den Eurymedou.

465-456. Derde Messenische oorlog.

451 en 450. De wetgeving der decemviri. Appius Claudius, Virginia.

449. Slag bij Salamis op Cyprus.

444. Te Rome «tribuni militum eonsulari potestate,quot; Censoren.

431-404. De P e 1 o p o n n e s i s c h e oorlog.

429. Dood van Pericles.

422. Slag bij Amphipolis. Cleon en Brasidas sneuvelen.

421. Vijftigjarige vrede van Nicias,

415-413. De onderneming der Atheners tegen Sicilië.

410. Overwinning van Alcibiades bij Cyzicus.

406. Callicratidas bij de Arginusen geslagen.

405. Overwinning van Lysander bij Aegospotamos.

404. Athene door Lysander veroverd. De dertig tyrannen tot 403.

405-396. De laatste oorlog der Romeinen tegen Veii; Veü verwoest.

401. Slag bij Cunaxa. Dood van den jongeren Cyrus.

394-387. Corinthische oorlog. Lysander sneuvelt bij Haliartus.

394. Conon overwint bij Cnidus, Agesilaüs bij Coronea.

389. De Romeinen bij de Allia verslagen. Rome door de Galliërs ingenomen. M. Manlius verdedigt het capitolium.

ocr page 274

266

558^ Cyrus legt den grondslag tot het Perzisclie rijk door de ovenvinning op As-tyages bij Pasargadae.

TWEED V) T IJ D V A K.

VAN CYRUS TOT BEN DOOD VAN ALEX AND EU DEN GllOOÏE,

558-323 V. CHR.

558-529. Cyrus. Verovering van liet Lydisclie rijk, de-Grieksche steden op de kust van Klein-Azië en van Opper-Azië tot aan den laxartes.

546? Ondergang van liet Lydisclie rijk.

538. Ondergang van het Babylonische rijk.

534-509. Tarquinius Superbus. Willekeurige regeering. Verovering van Suessa Pometia en van Gabii. Oorlog met Ardea. Verdrijving.

529-522. Cambyses. Verovering van Aegypte. Ongelukkige tocht tegen Aethiopië en Ammonium.

525-332. Aegypte o n d e r d e heerschappij der Perzen.

522. Pseudo-Smerdis.

521-485. Darius I Hystaspis. Herstelling van het rijk en verdeeling in 20 satrapieën. Ongelukkige tocht tegen de Scythen.

510. Verdrijving der Pisistratiden uit Athene.

509-30. E o m e e e n e Republiek.

509. Consuls. Samenzwering der zonen van Brutus. Oorlogen met Veii en Tarquiuii, met Porsena en met de Latijnen.

500-449. De Perzische oorlogen.

500. Opstand der I o u i ë r s.

494. Uitwijking der Plebs uit Rome. De volkstribunen..

493-479. Verdedigingsoorlog der Grieken te ge n de Perzen.

492. Eerste veldtocht der Perzen naar Griekenland-Macedonië onderworpen.

ocr page 275

257

490. Tweede veldtocht der Perzen onder Dalit en Ar-taphernes. Nederlaag der Perzen bij Mara thon.

485-465. Xerxes I.

480, Tocht van Xerxes naar Griekenland. Slagen bij Thermopylae, Arte-misium, Salamis.

479. Slagen bij Plataeae en My ca le.

47 8-449. Aanvallende oorlog der Grieken tegen de Perzen.

469. Overwinning van Cimon bij den Eurvraedon.

465-456. Derde Messenische oorlog.

451 en 450. De wetgeving der decemviri. Appius Claudius, Virginia.

449. Slag bij Salamis op Cyprus.

444. Te Rome «tribuni militum consulari potestate.quot; Censoren.

431-404. De Peloponnesische oorlog.

429. Dood van Pericles.

422. Slag bij Ainphipolis. Cleon en Brasidas sneuvelen.

421. Vijftigjarige vrede van Nicias,

415-413. De onderneming der Atheners tegen Sicilië.

410. Overwinning van Alcibiades bij Cyzicus.

406. Callicratidas bij de Arginusen geslagen.

405. Overwinning van Lysander bij Aegospotamos.

404. Athene door Lysander veroverd. De dertig tyrannen tot 403.

405-396. De laatste oorlog der Romeinen tegen Veii; Veii verwoest.

401. Slag bij Cunaxa. Dood van den jongeren Cyrus.

394-387. Corinthische oorlog. Lysander sneuvelt bij Haliartus,

394. Conon overwint bij Cnidus, Agesilaüs bij Coronea.

389. De Romeinen bij de Allia verslagen. Rome door de Galliërs ingenomen. M. Manlius verdedigt het capitolium.

ocr page 276

285

387. Vrede van Antalcidas.

378-362. Oorlog tusschen Sparta en The be.

376. De wetten van Licinius (aangenomen 366). De Plebejers verkrijgen aandeel aan het consulaat en den ager publicus. Praetoren.

371. Epaminondas overwint bij Lenctra.

362. Epaminondas sneuvelt bij Mantinea.

359-336. Philippus II, koning van Macedonië.

355-346. De Phocische oorlog, door Philippus ten einde gebracht.

343-341. Eerste oorlog der Uomeinen met de Samniten.

Overwinningen aan den Gaurus en bij Suessula.

339. De heilige oorlog tegen Araphissa.

340-338. Oorlog der Romeinen met de Latijnen. Overwinningen aan den Vesuvius en bij Trifanum.

338. Philippus II overwint de Grieken bij Chaeronea.

336-323. Alexander de G r o o t e.

334. Alexander overwint de Perzen aan den Gra-n i c u s.

333. Alexander overwint de Perzen bij I s s u s.

331. a u a ii ii Gauga-

m e 1 a.

330. Alexander vervolgt Bessus en komt tot aan den laxartes.

327-336. Alexander trekt naar het Westen van Indië.

326-304. Tweede ooorlog der Romeinen met de Samniteu.

DERDE TIJDVAK.

VAN DEN DOOD VAN ALEXANDER DEN GR.OOTE TOT DE ALLEEN-

HEE11SOHAPPIJ VAN AUGUSTUS, 323-30 V. CHR.

323-30. Aegypte onder de Ptolemaeön.

331. Nederlaag der Romeinen bij Caudium.

ocr page 277

259

312-64. Het Syrische rijk onder de Seleuciden. Aura Seleucida rum, 312.

301. Antigonus sneuvelt in den slag bij lp sus.

29S-290. Derde oorlog der Romeinen met de Samnireu.

295. Q. Fabius Maximus overwint de Samniten bij Sentinum.

282-272. Oorlog der Romeinen met Tarente en met P y r-r h u s. Overwinningen van Pyrrhus bij Heraclea (280) en Asculum (279); zijne nederlaag bij Bene-ventum (275).

280. Inval der Galliërs in Griekenland. Het Aetoli-sche en Achaeïsclie verbond.

2fi6. De Romeinen voltooien de onderwerping van Italië.

264-241. De eerste Punische oorlog.

260. De Romeinen behalen bij Mylae hunne eerste overwinning ter zee.

256. Regulus brengt na de overwinning bij Ecnoraus den oorlog naar Africa over.

254. Hij wordt door Xanthippus verslagen en gevangen genomen.

242. Overwinning van Lutatius Catulus bij de Aega-tische eilanden. Sicilië de eerste Romeinsche provincie (241).

240-237. Oorlog der Carthagers met hunne huurtroepen.

Sardinië en Corsica worden Romeinsche provinciën.

222. Onderwerping van Gallia Cisalpina.

218-201. De tweede Punische oorlog.

218. Hannibal trekt over de Alpen en overwint aan den Ticinus en de ïrebia.

217. Hannibal overwint aan het meer Trasimenus.

216. // ,/ bij Cannae.

212. Marcellus verovert Syracuse.

207. Hasdrubal sneuvelt aan den Metaurus.

206. P. Corn.Scipio voltooit de onderwerping van Spanje.

202. Hij overwint Hannibal bij Z a m a.

ocr page 278

285

387. Vrede van Antalcidas.

378-363. Oorlog tusschen Sparta en The be.

376. De wetten van Licinius (aangenomen 366). De Plebejers verkrijgen aandeel aan het consulaat en den ager puhlicus. Praetoren.

371. Eparainondas overwint bij Leuotra.

362. Epatninondas sneuvelt bij Mantinea.

359-336. Philippus II, koning van Macedonië.

355-346. De Phocische oorlog, door Philippus ten einde gebracht.

343-341. Eerste oorlog der Eomeinen met de Samniten.

Overwinningen aan den öaurus en bij Suessula.

339. De heilige oorlog tegen Amphissa.

340-338. Oorlog der Romeinen met de Latijnen. Overwinningen aan den Vesuvius en bij Trifanum.

338. Philippus II overwint de Grieken bij Chaeronea.

336-323. Alexander de G r o o t e.

334. Alexander overwint de Perzen aan den G r a-n i c u s.

333. Alexander overwint de Perzen bij I s s u s.

331. // „ n a n Gauga-

in e 1 a.

330. Alexander vervolgt Bessus en komt tot aan den laxartes.

327-326. Alexander trekt naar het Westen van Indië.

326-304. Tweede ooorlog der Eomeinen met de Samniten.

DE EDE TIJDVAK.

VAK BEN' DOOD VAN ALEXANDER DEN GROOTE TOT DE ALLEENHEERSCHAPPIJ VAN AUGUSTUS, 323-30 V. CHK.

323-30. Aegypte onder de Ptolemaeën.

321. Nederlaag der Eomeinen bij Caudium.

ocr page 279

339

312-64. Het Syrische rijk onder de Seleuciden. Aera Selmcida rum., 312.

301. Antigonus sneuvelt in den slag bij I p s u s.

39S-290. Derde oorlog der Romeinen met deSamniten.

393. Q. Fabius Maximus overwint de Samniteu bij Sentinum.

383-372. Oorlog der Romeinen met Tarente en met P y r-r h u s. Overwinningen van Pyrrhus bij Heraclea (380) en Asculum (379); zijne nederlaag bij Bene-ventum (373).

280. Inval der Galliërs in Griekenland. Het Aetoli-sche en Achaeische verbond.

306. De Romeinen voltooien de onderwerping van Italië.

264-241. De eerste Punische oorlog.

360. De Romeinen behalen bij M viae hunne eerste overwinning ter zee.

356. Regains brengt na de overwinning bij Ecnomus den oorlog naar Africa over.

334. Hij wordt door Xanthippus verslagen en gevangen genomen.

242. Overwinning van Lutatius Catulus bij de Aega-tische eilanden. Sicilië de eerste Romeinsche provincie (341).

340-337. Oorlog der Carthagers met hunne huurtroepen.

Sardinië en Corsica worden Romeinsche provinciën.

333. Onderwerping van Gallia Cisalpina.

218-201. De tweede Punische oorlog.

318. Hannibal trekt over de Alpen en overwint aan den Ticinus eu de Trebia.

217. Hannibal overwint aan het meer Trasimenus.

316. n n bij Cannae.

213. Marcellus verovert Syracuse.

307. Hasdrubal sneuvelt aan den Metaurus.

306. P. Corn.Scipio voltooit de onderwerping van Spanje.

302. Hij overwint Hannibal bij Z a ra a.

ocr page 280

260

200-133. Oorlogen der Romeinen in Spanje.

200-197. Oorlog met Philippus III van Macedonië. Overwinning bij Cynoscephalae (197).

192-189. Oorlog der Romeinen met Antiochus den Groote van Syrië. Overwinningen bij Thermopylae en bij Magnesia.

171-168. Oorlog der Romeinen met Perseus van Macedonië.

Overwinningen bij Pydna (168). Macedonië, Illyrië en Epirus onderworpen.

167-39. Palaestina onder de Maccabaeën.

149-146. De derde Punische oorlog.

148. Macedonië eene Romeinsche provincie.

146. Carthago door den jongeren Scipio, Corinthe door Mum mins verwoest.

133. Numantia door den jongeren Scipio verwoest.

133. Akkerwet van Tiberius Sempronius Gracchus.

123. Caius Sempronius Gracchus.

113. Inval der Cimbren in Illyrië.

111-106. Oorlog met lugurtha. — Metellus, Marius, Sulla.

102. Marius overwint de Teutonen bij Aquae Sextiae.

101. Marius overwint de Cimbren bij Vercellae.

91-88. De Marsische oorlog of de oorlog met de bond-genooten.

88-82. De burgeroorlog tusschen Marius en Sulla.

88-84. De eerste oorlog tegen Mithridates. Overwinningen van Sulla bij Chaeronea en Orchomenus.

83. Sulla keert naar Rome terug. Proscriptielijsten.

.82-79. Sulla dictator.

80-72. Oorlog tegen Sertorius. Metellus Pius en Pompeius.

78-67. Oorlog tegen de zeeroovers. Pompeius.

74-64. De derde oorlog tegen Mithridates. Lucullus en Pompeius.

73-71. De oorlog tegen de zwaardvechters en slaven. Overwinning van Crassus aan den Silarus.

ocr page 281

261

63. De consul Cicero onderdrukt de samenzwering van Catilina.

60. Caesar, Pompeius en Crassus sluiten het eerste triumviraat.

58-51. Caesar verovert Gallië, en gaat tweemaal naar Germanië en naar Britannië.

53. Dood van Crassus.

49-48. Burgeroorlog tusschen Caesar en Pompeius. Overwinning van Caesar bij Phar-salus.

4-8-47. Alexandrijnsche oorlog.

47. Caesai; overwint Pharnaces.

46. Oorlog van Caesar in Africa en overwinning op de partij van Pompeius bij Thapsus.

45. Caesar overwint de zonen van Pompeius bij Munda.

44. Caesar wordt vermoord.

44-43. De Mutinensische burgeroorlog tegen M. Anto-nius. Pansa en Uirtius sneuvelen. 43. H et tweede triumviraat tusschen Oct avian us, Antonius enLepidus.

43. De oorlog tegen Brutus en Cassius. Slag bij Philippi.

39 v. Chr. —70 n. Chr. Palaestina onder het huis van Herodes.

31. Agrippa overwint Antonius bij Actium.

30. Octavianus wordt alleenheerscher.

VIERDE TIJDVAK.

VAX AUGUSTUS TOT DE ONTBINDING VAN HET WESTERSCll ROMEINSCHE KIJK, 30 V. CHR. - 476 N. CHR.

30 v. Chr. — 14 na Chr. lulius Caesar Octavianus August u s. Veroveringen in het zuidelijke en westelijke Duitschland.

15 v. Chr. Verovering van Rhaetië, Vindelicië en Noricura.

7 (of 4) u. Clir. Geboorte van Christus.

ocr page 282

262

9 na Chr. Arminius overwint Varus in het Teutoburgsche woud.

14-37. Tiberius. Gertnanicus in Germanië. Seianus.

37-41. Caligula. Zijne bespottelijke ondernemingen tegen Britannië.

41-54. Claudius. Begin der veroveringen in Britannië.

54_68. Nero. Brand van Rome. Eerste vervolging der Christenen.

68-69. Galba, ütho en Vitellius door de legioenen tot keizers benoemd.

69-79. Vespasianus. Nieuwe oorlog in Britannië.

70. Jeruzalem door Tit us verwoest.

79-81. Titus. Herculaiieum, Pompei en Stabiae bedolven.

81-96. Domitianus. Tocht tegen de Daciërs.

96-98. Nerva.

98-117. Traianus. Dacië, Armenië, Assyrië en Me-sopotamië worden Komeinsche provinciën. Grootste uitbreiding van het rijk.

117-138. Hadrian us. I)e veroveringen van Traianus in Azië gaan weder verloren.

138-161. Antoninus Pius.

161-180. Marcus Aurelius. Oorlog met de Mareo-mannen en Quaden.

180-192. Commodus.

193-211. Septimius Severus. Tocht naar Britannië.

222-235. Alexander Severus. Oorlog tegen Artaxerxes, den stichter van het Nieuw-Perzische rijk.

260-268. Galliënus. Verwoesting van Palmyra. Dacië gaat weder verloren.

284-305. Diocletianus deelt het rijk met Maximianus en twee Caesars. Verovering van Mesopotamië en van 5 provinciën aan gene zijde van den Tigris.

324-337. Constantinus de Groote alleenheer-scher. Het Christendom wordt godsdienst van den staat. Eerste algemeene

ocr page 283

268

kerkvergadering te Nicaea (Arius). C o n s t a n-tinopel wordt residentie. Nieuwe organisatie van ket rijk.

375. Inval der Hunnen in Europa. Begin der volksverhuizing.

378. Nederlaag en dood van Valens bij Adrianopel.

395. Theodosius verdeelt het rijk onder zijne zonen Arcadius en Honorius.

407. De Vandalen, Alanen en Sueven komen naar Spanje.

410. Alarik plundert Rome.

412. De Westgothen komen naar Gallië en Spanje.

428. Stichting van het rijk dor Vandalen op de noordkust van Africa.

445? De Anglen en Saksen komen naar Britannië.

451. Attila in de Catalaunische velden door Aëtius en Theoderik I verslagen.

455. Rome door de Vandalen geplunderd.

476. Romulus Augustulus door O d oacer van den troon gestooten.

ocr page 284
ocr page 285
ocr page 286
ocr page 287

■ ■

m

■I

i I

■

1

: ■ f :f

'

_

ocr page 288