ocr page 1

Vcik 73

l wm-M cciie -iioeder

É , '-■lt; f§ h.aar kind

fés V^V

w amp;

'f

| de0 ^OTidag^' moet lecrcii-

jjni)i?i:nr|fii!§

den Christelijken godsdienst

©

(fe é

mi)

H

Vertaald uit het Duitsch, f!5

l®

$9

door een Moeder,

8

®)

— Roermond. — fg

M. Waterreus, Drukker en Uitgever.

■894. ^

494

ocr page 2

1—

ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

Boeder y

c

eene

HAAR

kii]cl des' %or\d.cig$ rqoet leefe

Pnbprirg-ingi-ü

den Christelijken godsdienst door een Moeder. ^ u- -j

VERTAALD

UIT HET DUITSCH

ROERMOND. M. WATERREUS, DRUKKER EN UITGËVÉR.

1894.

gt;\\ CtJr. 1:

ocr page 6
ocr page 7

V oofwoctf d.

pXÉJf redikaties voor kinderen zou ik deze on-derrichtingen willen noemen, want zij zijn inderdaad bestemd om des Zondags voor het kind datgene te zijn, wat het op den kansel gesproken woord Gods is voor volwassenen. Ik woon, evenals zoovele katholieke moeders, in een protestantsche stad, waar de eenige katholieke geestelijke zoodanig met zielearbeid overladen is, dat hij onmogelijk voor de kinderen nog een afzonderlijke predikatie kan houden. Voor mijn kind verlangde ik echter des Zondags ook iets, en vandaar dat ik zelf steeds een godsdienstige onderrichting, een soort predikatie opstelde. Die onderrichting, heb ik verzameld in de volgorde, waarin ik ze voor mijn kind heb gehouden van het oogenblik af, dat het Jeugdig hartje geschikt bleek te zijn

ocr page 8

om den zaadkorrel van het Woord Gods in zich op te nemen.

Men moet hier geen eigen 'ijk, systematisch onderwijs in den godsdienst venvachten. De eerste van deze korte Zondagsvoordrachten zijn bestemd voor kleinen die de school nog niet bezoeken, ik begon er mede toen mijn kind vier jaar oud was. Met het zesde jaar ving het eigenlijk godsdienstonderricht in den ka-techismus en de Bijbelsche Geschiedenis aan.

Daar ik steeds ondervond, dat mijn kind gewillig en gaarne zijn speelgoed liet liggen, zoo dikwijls het uur der onderrichting daar was, dat het aandachtig en godvruchtig luisterde en tot zelfstandig denken en vragen werd aangespoord — meem ik, den rechten toon en het woord te hebben gevonden om tot het kinderhart door te dringen, en vertrouw daarom ook dat moeders, die, evenals ik, geen gelegenheid hebben om hunne kinderen naar de predikaties te zenden welke door hen begrepen worden, en die daarenboven den tijd missen, om telkens voor hunne kinderen een passend onderricht voor te bereiden, in deze

ocr page 9

weinige bladzijden een welkome handleiding zullen vinden.

De eerste onderrichtingen brengen het kleine kind tot de eerste kennis van God en van zijn eigene ziel, verder behandelen zij de geschiedenis van de jeugd des Zaligmakers. Toch zullen ook grootere kinderen daarin nog veel behartigenswaardigs vinden. Bij afwisseling heb ik ze zoolang voor mijn kind herhaald, totdat het alles volkomen had begrepen wat er in vervat is, en genoegzame vorderingen had gemaakt, om in de volgende onderrichtingen voortdurend meer te leeren kennen van de leer des Ver lossers van zijne wonderen en zijne gelijkenissen.

M. v. P.

ocr page 10
ocr page 11

1. De Macht van God.

enk eens, mijn kind, hoe schoon het is, als wij bij helderen zonneschijn buiten gaan wandelen in het groene bosch — dat groene bosch met zijn hooge boomen, dat bosch waar de vogelen zingen en de bloemen in allerlei kleuren bloeien. Dat alles hebt gij reeds dikwijls met vreugde beschouwd, niet waar? Maar weet gij nu ook wie al die heerlijk schoone dingen gemaakt heeft? Wie de gouden zon aan den blauwen hemel heeft geplaatst, wie des -nachts die tallooze sterretjes laat schitteren en de maan haar glans laat verspreiden, wie de boomen bekleedt met hun groene bladeren, de schoone bloempjes laat groeien? — Dat is onze lieve Heer, die daarboven in den Hemel woont. Onze lieve Heer, die de groote menschen en de kinderen zoo liefheeft, Hij heeft dat alles gemaakt. Hij heeft den warmen zonnenschijn geschapen. Hij heeft voor het kind de bloemp-

ocr page 12

jes laten groeien, die het zoo gaarne plukt, en de steentjes gemaakt, welke het in het zand vindt. Onze lieve Heer laat de boomen zoo groot worden en hangt de appelen en peeren, de kersen en pruimen er aan. Hij laat het koren rijpen, opdat wij graankorrels zouden krijgen en daaruit meel en brood bereiden. Onze lieve Heer heeft ook de dieren geschapen; de koe, die ons goede melk geeft, de kippetjes, die eieren leggen, het paard dat den wagen trekt, en den trouwen hond, die het huis bewaakt.

En ook aan mijn lief kind heeft Onze lieve Heer die heldere oogjes gegeven, zoodat het al dat schoons kan xien, en Hij heeft gemaakt, dat het kan hooren, en Hij heeft het gezonde beentjes geschonken, zoodat het flink kan loopen. En daarbinnen in de borst heeft Hij mijn kind een hartje gegeven dat klopt en waarmede het Onzen lieven Heer zoo hartelijk kan beminnen, Onzen Lieven Heer, die steeds vol liefde naar beneden ziet en voor al zijn kinderen zorgt en zich verheugt als zij zoet en gehoorzaam zijn. — Zie eens goed om u heen; mijn lief kind, overal ziet

ocr page 13

— 9 —

t, gij iets schoons en wonderbaars, gemaakt

st door Onzen Lieven Heer; let eens goed op

n en denk eens dikwijls aan den goeden Vader

n daarboven. Hij denkt altijd aan u. lederen

ij morgen laat Hij opnieuw de lieve zon schij-

Is nen en doet het rondom u licht worden; en

i- als gij des avonds vermoeid zijt, laat Hij het

n stillen donkeren nacht worden, opdat gij

t, zacht zoudt kunnen rusten. Daarom, lief kind,

tt moet gij iederen morgen denken. »Onze Lieve

e Heer, ik dank u voor den schoonen, nieuwen dag, en ik zou ook gaarne een goed, braaf

e kind zijn en u niet bedroeven, wijl Gij mij

:t zooveel goeds schenkt en mij zoozeer be-

mint. Amen.

!t —

k; 2. Gods alomtegenwoordigheid.

rt

't ®Paar woont Onzen Lieve Heer? Daar-3 • WVM- boven in den hemel, nietwaar, mijn

■, kind, waar de engeltjes zijn, waar het zoo

i heerlijk schoon is, en waar ook de goede kin-

t deren komen, als zij sterven. Maar meent gij,

3 dat Onze Lieve Heer alleen daarboven in

t den Hemel is, evenals een koning in zijn

ocr page 14

paleis ? — Onze Lieve Heer is overal, overal, op iedere plaats; Zijn oog ziet alles! Als gij, mijn lief kind, in uw kamertje speelt en de deur toe is — al is er dan ook niemand bij u — dan toch ziet Onze Lieve Heer m en weet wat gij doet, of gij goed en braaf zijt, ofwel boos en ongehoorzaam. En als gij daarbuiten zijt in den tuin, in het veld en in het bosch, ook dan ziet Onze Lieve Heer u, ook dan slaat Hij u gade en beschermt Hij u. Voor Onzen Lieven Heer bestaan er geen muren en deuren. Hij ziet overal doorheen, en zelfs de duistere nacht is voor Hem helder als de dag. En ook het hart van mijn lief kind doorziet Hij geheel en al en weet altijd wat het denkt.

Gij weet — ik heb het u immers reeds gezegd — dat Onze Lieve Heer alles gemaakt heeft, wat gij kunt zien, de groene boomen en de veelkleurige bloemen, de vogels in de lucht en de dieren, de zon, de maan en de sterren, en ook u, mijn kind, en alle groote en kleine menschen. — En nu ziet zijn vriendelijk, beminnelijk Vaderoog overal rond, en maakt, dat alles zoo goed en schoon blijft,

ocr page 15

— II —

ral, als Hij het geschapen heeft. Want als de

gij, goede God zijne oogen van ons en van al

de het geschapene wilde afwenden, en dan zou

bij alles weer in het niet terugkeeren. Dan zou

en de gouden zon worden uitgedoofd, de boomen

ijt, en velden zouden verdorren en de menschen

ar- konden geen vreugde meer smaken! Daarom

iet is het schoon, dat Onze Lieve Heer over alles

ok zijn wakend oog Iaat gaan. En daarom mag

u. ook mijn lief kind niet bevreesd zijn, als het

en eens alleen is — geheel alleen is in het duis-

ïn, ' ter — gij weet immers, dat er voor Onzen

el- Lieven Heer geen macht bestaat, zijn Vader-

jn oog ziet u even goed in het donker als in

:et het licht en waakt altijd over u. — En van den anderen kant, als gij eens op klaarlich-

e- ten dag alleen zijt en bij u zeiven denkt:

kt Kijk, moeder is op dit oogenblik niet hier,

m nu zal ik eens klonteren, of snoepen, of met

le ' water plassen, of iets doen, wat ik anders

le niet mag doen, als er iemand in de kamer

te isquot; — waaraan zult gij u dan dadelijk her-

i- inneren ? — Nietwaar, mijn lieveling, dan zult

m gij denken; gt;Moeder is wel niet hier, maar

't, Onzen Lieve Heer ziet mij toch, ik zal het

J

ocr page 16

dus niet doen en Hem niet bedroeven.quot; Dan is Onze Lieve Heer over dat kind tevreden,

en het kind zelf is vroolijk en de ouders heb- r ben het eens zoo lief. moec __op d

. , mij

3. De ziel. :uWe

ïpj'.eg uw handje eens op uw borst, mijn

kindl C.ij voelt daar iets kloppen, niet- e

waar? Dat is uw hart en daarin leeft en werkt ^unt

uwe ziel. Weet gij wel, wat dat is: uw ziel? sPe'e

Gij kunt uwe ziel niet zien, gij kunt haar ;treul

ook niet aanvatten en toch voelt gij haar. geen

Als mijn kind braaf en gehoorzaam is, en êoe^

moeder neemt het dan op haren schoot kust, moe

het en zegt: »Gij zijt mijn lief kind,quot; dan 200

zijt gij blijde, nietwaar, en uw hartje klopt ^an

heviger. Zie, dat is dan uwe ziel, die zich w'j(^

verheugt. — En als gij over de straat gaat, ^

en er komt een arme man op krukken, of wat

een blinde die de lieve zon en al het overige ^

schoone niet kan zien; of gij ontmoet een ^arlt;

arm kind met een gescheurd kleedje, dat hon- uw

ger heeft en koud is, dan gevoelt mijn kind woc

medelijden, het wordt treurig en zegt: »Moe- ^en

ocr page 17

Dan der' ^unt: 8^] die arme kleine niet helpen ?quot; (jgj, Zie, dat is dan uwe ziel, die treurig is, en jjgj-,, die met anderen medelijden heeft. — En als moeder u een schoon versje leert, of, zooals op dit oogsnblik, tot u spreekt, dan ziet gij mij aan, en luistert met uwe ooren; maar uwe ziel alleen verstaat en onthoudt die woor-[nijn den. — En als gij eens ongehoorzaam, boos niet- eigenzinnig zijt geweest, mijn kind, dan erjjt kunt gij niet vröolijk zijn en niet vergenoegd del? spelen. En waarom niet? Omdat uwe zie] can laar ; treurig is, en als deze treurig is, hebt gij aar. geen plezier in uw schoonste poppen of speel-en goed; maar als gij dan vergiffenis vraagt en ust^ moeder weer goed is, dan zijt gij weer eens dan 200 verheugd. Ook dat is de ziel, die zich lopt dan weer verheugt, wijl het kwade er uit ver-5ich wijderd is.

aat. Datgene dus wat in u denkt en gevoelt, i 0f wat begrijpt als ik tot u spreek, wat vroolijk rige of bedroefd is, dat is uwe ziel, uwe onzicht-een bare ziel, die in u woont. De ziel woont in ion- uw geheele lichaam en zoolang zij daarin ind woont, leeft gij, kunt gij zien en hooren, voe-oe- len en gaan. Maar eens zal er een dag komen

ocr page 18

— 14 —

waarop Onze Lieve Heer uwe ziel zal roepen, dan verlaat zij het lichaam, en het engeltje dat haar bewaakt heeft, voert haar naar boven, verre boven de sterren, in den schoonen hemel van Onzen Lieven Heer. Het lichaam is dan evenals een kleed, dat men heeft uitgetrokken en niet meer gebruiken kan. Maar de ziel, dat zijt gij zelf, zij gaat naar Onzen Lieven Heer en leeft bij Hem altijd, altijd in den schoonen Hemel. De volgenden Zondag zal ik u leeren, hoe gij u moet gedragen, om uw onsterfelijke ziel zuiver te bewaren en eens bij Onzen Lieven Heer te kunnen komen. Amen.

4. De onschuld der ziel.

;^!3£ie met mij op naar den blauwen hemel, wEji mijn kind, en denk eens hoe sch'on het daar is, waar Onze Lieve Heer woont. Het is daa- zoo schoon, dat wij er ons volstrekt geen i enkbeeld van kunnen vormen. Ook gij zoudt gaarne daar eens komen, nietwaar? Als Onze Lieve Heer u roept, zoudt

ÉÊÊÈm

ocr page 19

— i5 —

)en, 00K gij gaarne een engelije worden in licht :ltje en heerlijkheid. Maar gij moet wèl onthouden, den, dat Onze Lieve Heer alleen de goede nen kinderen in den Hemel laat komen, die hunne lam zi®! schoon en zuiver hebben bewaard, en uit- haar niet door boosheid hebben bevlekt, aar Toen gij nog een klein kindje waart en nog zen in de windsds laagt, droegen wij u naar de tijd kerk, en mijnheer pastoor sprak gebeden over ;on- u uit en maakte over u het kruisteeken, op-Jra- dat gij van dat oogenbük af een goed braaf be- kind Gods zoudt worden. Op dien dag, mijn ■ te kind, ontving uwe ziel een glanzend wit kleed van onschuld. Uwe ouders en doopborgen nu beloofden aa i Onzen Lieven Heer, dat zij het kindje, het nieuwe Godskindje — dat waart gij — zouden leeren, braaf en vroom te zijn en altijd het kleed der ziel onbesmet iel, te bewaren. En — ziet ge —nuzijtgij groot on geworden en kunt het góed begiijpen, als ik int. u l2er) hoe gij het moet aanleggen, om het rol- kleed uwer ziel voortdurend zuiver en schoon en- te bewaren.

iet- Als mijn kind lief en vriendelijk is, altijd udt aanstonds doet wat v; der en moeder zeggen.

ocr page 20

— 16 —

als het gedienstig is en anderen gaarne van zijn speelgoed mededeelt, als het zijne zaken netjes wegruimt, als het 's morgens en 's avonds bij het gebed met innigheid aan Onzen Lieven Heer denkt, dan is het een goed kind, heeft een blij hart en dan straalt het witte kleed der ziel als een heldere zonneschijn het schittert letterlijk uit de oogen, zoo vroolijk zien deze rond. Maar evenals de vriendelijkheid en de gehoorzaamheid, het witte kleed doen glanzen, evenzoo wordt het door de ongehoorzaamheid, de onvriendelijkheid en de stijfhoofdigheid vuil en leelijk, zoodat Onze Lieve Heer het volstrekt niet meer wil aanzien. Gij houdt echter veel van Onzen Lieven Heer, niet waar, en wenscht toch dat Hij u altijd met vriendelijke oogen zal aanzien; want, mijn kind, waar Onze Lieve Heer zijne oogen afwendt, daar is het duister en droevig. Daarom ook kan een kind niet blij zijn, als het ondeugend is geweest; het kan zich volstrekt niet er over verheugen, dat het zijn boozen wil heeft opgevolgd; want, o wee, het witte kleed is besmeurd, Onze Lieve Heer kan het niet meer aanzien, en vandaar dat

ocr page 21

I7

die ziel bedroefd en beschaamd is. Nu moet gij deze geheel e week iederen dag bij het morgengebed er aan denken, dat gij het blanke kleed uwer ziel zuiver wilt houden en er geen vlekken van ondeugendheid op zult toelaten. O, dan heeft Onze Lieve Heer zijn welbehagen in uwe reine ziel en ziet u aan vol liefde. Amen.

I

5. De twee stemmen.

Ij^et eens goed op, mij^ kind! Zie, als ik u zoo van den lieven goeden God verhaal en van Zijn schoonen hemel, dan bemint gij Hem, nietwar.r? Dan denkt gij: »Ach, ik wil altijd, altijd braaf en goed zijn, en nimmer ondengend, opdat Onze Lieve Heer mij moge liefhebben.quot; — Dat is de stem van den Engel die zóó in uwe ziel spreekt, die maakt, dat gij denkt aan datgene wat uw plicht is; en naar die stem des Engels moet gij altijd luisteren.

Nu doet zich echter in uw binnenste nog een andere stem hooren, en deze wil altijd iets anders als de stem des Engels. Ja, dat Moeder. a

van aken □ads Lie-dnd, A'itte i het olijk Rijkleed r de en odat ■ wil izen i dat aanleer r en blij kan : het wee, leer dat

ocr page 22

— i8 —

verwondert u! Maar let nu eens verder op, Jn de ik zal u een geschiedenis verhalen, van een dus 01 kind, dat juist zoo oud was als mijn kind vond c en dat sprekend op u geleek. Dat kind girig liggen des zomers eens in den tuin en zijn moeder had gezegd: »Kind, blijf van de bessen af,

want zij zijn nog niet rijp. In het begin speelde het dan ook heel zoet met zand en de steentjes. Maar na eenigen tijd begon de booze stom in zijn hoofdje te spreken, zachtjes, heel mocht zachtjes. Die stemmen spreken zoo zacht, dat men ze slechts gevoelen kan, maar men verstaat ze toch zeer goed. De booze stem begon dan bij het kind en zeide: sHè, zoo'n verve] paar bessen waren toch prettig om mede te maar spelen.quot; Maar dan kwam de stem van den Engel tegen op: »Neen, gij moet het niet doen, want gij moogt niet!'' — En de booze stem hervatte: «Alleen maar eens probeeren,

of zij ook zacht zijn!quot; Tegelijkertijd ging het kind reeds langzaam naar de bessen toe. De stem van den Engel herhaalde voortdurend: ïNiet doen, niet doen!quot; De bessen zagen er echter zoo schoon uit, dat het kind er eenige van plukte, en toen het ze eenmaal

ocr page 23

n-

—19 —

op, in de hand had, at het er ook van en was

een dus ongehoorzaam en ondeugend. — Later

dnd vond de moeder de overblijfselen bij de struik

iing liggen en toen kwam de straf. Zou het niet

ïder yeel beter zijn geweest, als het kind naar de

af, ktem van den Engel had geluisterd ?

ïgin Een andere maal was datzelfde kind alleen

en in de kamer aan het spelen. Op de tafel lag

'Oze jeen schoon boek met kostbare platen; het

reel mocht daar volstrekt niet aankomen. Het

dat kind dacht er ook aan, want de Engel herin-

'er- nerde het daaraan. Doch daar kwam de booze

be- stem weer en fluisterde: »Het is hier zoo

o'n vervelend, ik zal heel voorzichtig zijn en er

te maar even eens in kijken.quot; En het kind luis-

len terde naar de booze stem en deed het boek

liet open, maar de kleine handen konden die

3ze groote bladen moeielijk omslaan, daarom had-

en, den de ouders het i ok vei boden. Op eens

ing scheurde het blad in, en wijl het kind te

De. voren den vinger in den mond had gestoken,

iu- kwam er nog een vlek op. ü wee! toen sloeg

en het haastig het boek dicht en liep weg, op-

nd dat niemand het zou bemerken. Maar wat

tal was nu het gevolg? — Alle vroolijkheid was

L

ocr page 24

20

verdwenen, het kind gevoelde voortdurend j,en

angst, dat er iemand zou komen en het ge- jg j

scheurde blad zou vinden. De ziel gevoelde ergSt

zich treurig en ongelukkig, wijl zij een lee- jjieec lijke vlek van ongehoorzaamheid op haar wit1 van

kleed had. O, hadde het kind geen gehoor toen

gegeven aan de booze stem 1 Deze verlokt j00fc slechts, om dan buiten angst en onrust te

verwekken. Toen de moeder het boek open eens

deed, toen zeide het kind; »Ik heb het niet y,

gedaan.quot; Dat woord was wederom het gevolg njet

van het luisteren naar die booze stem en het jgg

hart van het kind werd nu nog meer be- jgt;2w

zwaard. Het werd bang want de ziel was zjej

geheel zwart geworden van de leelijkste aller jjev

vlekken, den leugen. jjee]

De moeder zag echter aan de oogen van het kind, dat het gelogen had, en moest het hard bestraffen. Had het nu aanstonds naar de stem van den engel geluisterd, niets van dat alles zou voorgevallen zijn. En ook indien het kind aanstonds ware gekomen en onst( gezegd had: «Moeder, ik ben ondeugend ge- ster£ weest, ik heb het boek verscheurd,quot; dan zou ven. de moeder gaarne vergiffenis hebben geschon-

ocr page 25

renrï ken, wijl het kind de waarheid zeide. Maar Se' de leugen, dat is iets zóó slecht, dat is het e^e ergste wat een kind bedrijven kan, het witte kleed der ziel wordt er geheel zwart en leelijk W1,: van. Het kind kon eerst weer vroolijk zijn, loor toen jjgj. om vergiffenis iiaci gevraagd en be-loofd, nooit of nimmer meer te zullen liegen. t 1:6 Wat dunkt u, mijn kind, is het u ook wel 'Pf0 eens zoo gegaan, als ik zooeven verhaalde? met Yan nu a£ aan niaaii(- gij ^g,. voornemen, niet waar, gehoorzaam te zijn aan de stem . des Engels en tot de booze stem te zeggen: »Zwijg, ik luister niet naar u, ik wil mijne was ziel zoo zuiver en schoon bewaren, dat Onze dier Ljeve jjeer haar gaarne ziet.quot; En Onze Lieve Heer ziet u altijd en overal. Amen.

van

6. De dood.

iij weet nu, mijn kind, dat gij eene ziel hebt, die in uw lichaam woont, eene

net iaat van in-

en ; onsterfelijke ziel. — Wat wil dat zeggen, on-ëe' ! sterfelijk? Zie, ieder mensch moet eens ster-zou ven; dan roept Onze Lieve Heer de ziel tot onquot; «rzich, en wij zeggen: de mensch is dood. Wij

ocr page 26

hebben hem verloren, hij is niet meer in ons midden. Gij weet wel, dat de kleine N. geen moeder meer heeft. Waar is zij dan? Ja, Onze Lieve Heer heeft haar lot zich geroepen en daarom is zij niet meer bij de kleine (den kleinen) N. Maar zijn (haar) moeder is niet gestorven voor altijd, hare ziel en dat is zij zelf, is ten hemel gevlogen naar Onzen lieven Heer en van daaruit ziet zij naar beneden neer op haar geliefd dochtertje (zoontje) en verheugt zich reeds in het vooruitzicht, dat haar geliefd kind ook in den schoenen hemel zal komen. — Verder herinnert gij u nog wel, dat men op zekeren dag zeide: De kleine Jan van N. is gestorven. Zijn vader en zijn moeder waren zoo bedroefd en zijn zusjes weenden, omdat zij nu geen lieven, kleinen Jan meer hadden. En toen gingen allen te zamen met den grooten, zwarten wagen, dien gij reeds dikwijls gezien hebt, naar het kerkhof. In een schoone kist, versierd met blank zilver, hadden zij het levenlooze kleed, hetwelk de ziel van Jantje had afgeworpen, zijn lichaam, neergelegd. Dit werd nu in het graf neergelatei; en met schoone bloemen be-

ocr page 27

ons dekt, en boven op den grafhenvel kwamen

jeen ook bloemen en groen en een schoon kruis

)nze tot aandenken van den kleinen Jan. Het

i en was echter niet de kleine Jan zelf, dien zij

'den ' daar hadden begraven, het was slechts zijn

niet lichaam, en dit is, als de ziel het verlaten

; zij heeft, evenals een kleed, dat men heeft uit*

;ven getrokken. En — denk eens hoe wonderbaar

;den — dit levenlooze kleed wordt evenals de

) en schoone versierde kist in aarde veranderd,

dat en uit die aarde komen dan het groene gras

;mel en de geurige bloemen te voorschijn. De

nog ouders en de zusjes kussen nu de bloemen

eine en denken aan hun kleinen Jan en aan Onzen

zijn Lieven Heer, bij wien hij thans is. De ouders

isjes zijn bedroefd, wijl zij hun Jantje zoo gaarne

inen weer bij zich hadden zij hielden zooveel van

i ie hem en speelden zoo gaarne met hem. maar

dien toch weten zij, dat Jan thans veel geluk-

:erk- ' kiger is daarboven in den schoonen, heerlij-

lank ken hemel.

het- Wilt gij nu ook weten, wat er met Jantje

pen, gebeurde toen hij btierf r — Onze Lieve Heer

i het zond hem eene ziekte over, en de dokter kon

i be- . niet helpen, want Onze Lieve Heer wilde

ocr page 28

— 24 —

Jantje roepen. En toen Onze Lieve Heer riep, gingen de oogen van Jantje dicht en op datzelfde oogenblik, verliet zijne ziel, dat is hij-zelf, onzichtbaar het lichaam. Zijn beschermengel nam hem in zijne armen en droeg hem naar boven, midden in den gouden hemel, voor den troon van Onzen Lieven Heer. De ziel van het kind slaapt dan, maar Onze Lieve Heer kust haar en dan ontwaakt zij en ziet al de heerlijkheid en is zelf een engeltje geworden, dat met de andere engelen mag spelen en altijd mag leven in het licht en den luister des Hemels. Als wij nu weer eens naar het kerkhof gaan, zullen wij er eens aan denken, dat al die brave kinderen, welke Onze Lieve Heer tot zich heeft genomen, en voor wie men die schoone kruisen heeft opgericht, thans gelukzalig zijn in den Hemel, en dan zullen wij ons verheugen, dat ook wij eens door Onzen Lieven Heer in den schoonen Hemel zullen worden opgeroepen. Amen.

ocr page 29

7. De schepping der wereld.

iSKföoor langen, langen tijd was er nog geen Vw schoone aarde met boomen en bloemen, velden en bergen; er was nog niets, alles was leeg en duister. Toen zeide Onze Lieve Heer; gt;Het worde licht!quot; en toen werd het licht en God maakte den Hemel en plaatste er de lieve, gouden zon in, cpdat zij haar glans zou verspreiden des daags en de maan met de schitterende sterretjes, opdat zij zouden blinken in de nacht. Daarna maakte Onze Lieve Heer de aarde en sprak; »Dat er gras en boomen groeien en de boomen . schoone vruchten voortbrengen.quot; En daarna schiep Onze Lieve Heer de vele dieren, groote en kleine, de vogeltjes in de lucht en de visschen in het water. Toen nu de aarde groen werd en bloeide, en alle dieren zich vroolijk bewogen, toen schiep Onze Lieve Heer ook de eerste menschen, een man, genaamd Adam en eene vrouw. Eva geheeten. Hij gaf nu een prachtigen tuin om er in te wonen. In den tuin waren boomen met allerlei vruchten, heerlijk helder water, groene

ocr page 30

grasperken, en het was daar altijd zomer en nooit koud of duister. Die prachtige tuin heette «Paradijsquot;. In dien tuin bracht God Adam en Eva en zeide tot hen: »Ziet, gij moogt van alle boomen eten, alleen van den boom die in het midden staat, moogt gij geen appel plukken, dat verbied iku.quot; Onze Lieve Heer wilde namelijk Adam en Eva beproeven — of zij ook waardig waren in zijn schoonen tuin te wonen, of zij gehoorzaam zouden zijn, uit dankbaarheid voor al het goede en schoone, hetwelk hij hun had gegeven. De dieren waren destijds alle nog tam en vriendelijk, slechts een van de dieren was boos en wilde den menschen kwaad doen. Dat was de slang. Zij stelde zich zeer vriendelijk aan, kwam bij Eva en zeide; »Waarom eet gij niet van den boom, die midden in den tuin staat? Zie eens, welke heerlijke vruchtenlquot; .Maar Eva antwoordde: »DeHeer heeft het verboden.quot; De slang zeide echter: Toe, doe het maar, als gij van de vrucht eet zult gij aan God gelijk worden.quot; Toen werd Eva zeer nieuwsgierig, zij plukte een appel af, at er van en gaf er ook van aan Adam.

ocr page 31

— 27 —

Deze at eveneens. -— Zie, nu hadden zij toch Gods gebod overtreden, zij waren ongehoorzaam geweest. Wat denkt gij daar nu wel van mijn kind? Gij zijt boos op Eva, nietwaar, omdat zij zich aan zulk een klein verbod niet gestoord heeft; er waren toch zooveel boomen met zulke schoone vruchten, waarom kon zij zich dparmede niet tevreden stellen, waarom was zij ongehoorzaam tegenover Onzen Lieven Heer, die haar zooveel goed had geschonken? — Maar stel u nu eens ten kind voor, dat van zijne ouders alles kreeg wat goed was -— ook van alle lekkernijen aan tafel. Nu stond er nog een bord met zoetigheden op tafel. Maar mama had gezegd, dat het genoeg was, dat het kind niet meer mocht hebben, wijl het anders ziek zou worden. Toen het kind echter alleen in de kamer was, ging het toch naar de tafel. Eerst raakte het slechts met den vinger aan de koeken, vervolgens proefde het een kruimeltje, ten laatste nam het een heel stuk en at het op. En het had te voren toch reeds zooveel van zijn goede mama gehad. Let nu eens op, heeft mijn kind nu niet juist hetzelfde gedaan wat

ocr page 32

Eva deed? Zeer zeker, er. in plaats van de slang, had de booze stem, waarvan ik u onlangs verhaald heb, tot mijn kind gesproken en het tot ongehoorzaamheid verleid. Gij luis-terdet niet naar de stem van den engel in uw hart, die voortdurend zeide: »Neen niet, doen, het is verboden!quot; Gij gaaft gehoor aan de boozestem, die fluisterde : »Het smaakt zoo zoet en zoo lekker!quot; Denk daarom van nu af aan dikwijls aan Eva en aan de booze slang, mijn kind! En als de booze stem u wil verleiden om ongehoorzaam of ondeugend te zijn, zeg dan bij u zeiven: gt;Neen, ik wil niet doen zooals Eva, ik wil Onzen Lieven Heer en mijne ouders niet bedroeven — zwijg, booze stem Iquot; Amen.

8. Yerdrijving uit het Paradijs.

aten wij heden nu eens hooren, hoe het

Adam en Eva ging, nadat zij ongehoorzaam waren geweest. Toen zij den appel hadden gegeten scheen het hun toe alsof alles plotseling veranderd was. Zij waren zeer on-

ocr page 33

— 29 —

gerust en toen zij den Heer zagen komen, overviel hen een groote vrees en zij verborgen zich in het geboomte van den tuin. Te voren waren zij steeds zoo verheugd als Onze Lieve Heer bij hen kwam. Het was zeer dwaas van hen, dat zij zich wilden verbergen, niet waar ? Voor Onzen Lieven Heer kan niemand zich verbergen, Hij ziet alles en overal. God riep nu: «Adam, waar zijt gij?quot; Deze antwoordde: ïHier.quot; En de Heer zeide: »Adam, waarom verbergt gij u?quot; »Wij schaamden ons!quot; antwoordde Adam. Toen zeide Onze Lieve Heer: «Waarom schaamt gij u? Gij hebt van den boom gegeten, die midden in den tuin staat, en ik had het u verboden!quot; En Adam sprak: gt;Eva heeft mij er van gegeven en ik heb er van gegeten!quot; Toen riep de Heer Eva en deze zeide: gt;De slang heeft mij verleid!1' Toen werd Onze Lieve Heer boos op de slang en zeide tot haar: »Gij zult vervloekt zijn onder alle dieren des velds, op uwen buik zult gij kruipen en het stof der aarde eten.quot; En tot Adam en Eva sprak de Heer: »Gij hebt mijn gebod overtreden, gij zijt ongehoorzaam geweest en verdient nu

ocr page 34

— 3° —

niet meer in het Paradijs te blijven. Over de aarde zult gij ronddwalen en zij zal u niet zulke heerlijke vruchten opleveren als deze tuin; gij zult met moeite moeten graven en arbeiden in hitte en koude, en dikwijls slechts distelen en doornen op uw veld vinden. Vele ziekten en smarten zult gij moeten verduren.quot; — Daarna kwam een Engel met een vlammend zwaard en verjoeg de beide eerste merschen uit het Paradijs. — Zie, dat was nu het loon voor hunne ongehoorzaamheid ! Wat kan mijn kind nu uit deze treurige geschiedenis leeren ? Het leert daaruit, dat bij Onzen Lieven Heer niets kwaads geoorloofd is. Die in den schoonen hemel wil Icomen, moet' geheel zuiver en braaf zijn en gehoorzaam aan Onzen Lieven Heer. En verder leert mijn kind er uit, dat Adam en Eva, toen zij ongehoorzaam waren geweest, eensklaps angstig werden, zij vreesden en waren zeer bedroefd. Dat is de straf, die het kwaad vergezelt. Als mijn kind ondeugend of ongehoorzaam is, dan gevoelt het zich terneergeslagen; het zou zich gaarne voor zijn moeder verbergen, zijn hartje klopt onrustig en het

ocr page 35

schoone speelgoed heeft geen aantrekkelijkheid meer, totdat het kind vergiffenis heeft gekregen en weer braaf is. Dan ziet het vaderlijk oog van Onzen Liever. Heer weer vriendelijk neer op de ziel van het kind, die ziel is weer blij en gelukkig, alles is in haar oog heerlijk schoon en de ouders hebben hun kind lief. O, het is veel beter braaf en deugdzaam te zijn, niet waar? Daarom dan, mijn kind, denk altijd daaraan als de booze stem u wil verlokken, en volg liever de stem des Engels. Amen.

9. De Verlosser.

ij wilt nu zeker gaarne weten, mijn kind, 'quot;■tósi wat er met de eerste menschen gebeurde, nadat zij uit het schoone Paradijs verdreven waren. Ja, toen ging het hun slecht. Zij moesten nu eens bittere koude, dan weer drukkende warmte verduren, en met moeite arbeiden om te kunnen leven. Adam beploegde den akker opdat deze graan en vruchten zou voortbrengen. Eva moest zich inspannen en hard werken om kleederen te vervaardigen.

ocr page 36

— 32 —

Het was heel, heel anders als in het Paradijs. Adam en Eva hadden kinderen, en toen deze groot waren, hadden ook zij weer kinderen en zoo ging het voort en mettertijd kwamen er vele, zeer vele menschen. En de menschen werden voortdurend ook verstandiger, de een leerde van den ander. Zij vervaardigden werktuigen om te bouwen, bijlen en aksten, huisraad en kunstige muziekinstrumenten. Toen nu de inenschen het zoover hadden gebracht, dat zij vaste huizen konden bouwen van steen, kregen zij een groote verbeelding van zich zeiven en zeiden tot elkander: »Wij zullen een hoogen, sterken toren bouwen, zoo hoog, dat zijn spits tot den hemel reikt.quot; En zij begonnen te bouwen en bleven bouwen, altijd hooger en hooger. Denkt gij dat zij aan den hemel kwamen ? Ach, mijn kind, die menschen, welke meenden zoo wijs te zijn, waren eigenlijk door en door dwaas. Onze Lieve Heer is zoo groot en machtig. Hij heeft zijn hemel zoo hoog boven de aarde gesteld, dat niemand daarbij kan, en al zouden de menschen ook al de steenen der geheele wereld op elkaar stapelen, dan zouden zij er toch

ocr page 37

-33-

altijd nog verre van verwijderd blijven. Onze Lieve Heer laat zich daarenboven oo'c niets met geweld ontnemen, maar men moet godvruchtig tot hem bidden. Hij zag de trotsch-heid en de overmoed der menschen en werd op hen vertoornd en veroorzaakte onder hen eensklaps een groote verwarring. Ieder begon anders te spreken als zijn gebuur, ieder sprak een eigen taal. Nu zij elkander niet meer konden verstaan, moesten zij wel ophouden met bouwen, want de een wist niet, wat de ander van hem verlangde. Van dat oogen-blik af scheidden de menschen zich van elkander, sommigen trokken bier- anderen daarheen, zij verspreidden zich over de geheele aarde, en vandaar dat in ieder land de menschen hun afzonderlijke taal spreken. Zoo leefden de menschen geruimen tijd op aarde en zij begonnen te vergeten, van waar zij gekomen waren, en velen vergaten Onzen Lieven Heer geheel en al, ja ten laatste waren er in één land, Palestina genaamd, nog slechts eenige menschen, die aan Onzen Lieven Heer dachten en braaf en goed waren. De andere echter, in al de overige landen, waren slecht Moeder. 3

ocr page 38

— 34 —

geworden, zij hadden beelden gemaakt van zilver, goud of steen, noemden deze beelden goden en baden tot hen. Toen had Onze Lieve Heer medelijden met de menschen en sprak; »lk wil de arme menschen, die zoo dwaas zijn geworden, nog eens helpen, ik wil hen, zooals ik hun na den zondeval reeds beloofd heb, een Verlosser zenden, mijn eigen geliefden Zoon; Hij zal hen helpen en wederom den weg ten Hemel leeren vinden.quot; En wie is dan die Verlosser, dien Onze Lieve Heer naar de aarde wilde zenden? Dat is het Christus-Kindje, de Zaligmaker, Jesus Christus! Zie eens, daar op de schilderij het lieve, beminnelijk Christus-Kindje, bij Maria, zijne Moeder. Zie eens, hoe vriendelijk het u aanziet, het beste, het liefste Kind van alle kinderen der wereld. Als gij langs deze schilderij gaat, mijn kind, zie dan steeds naar boven en denk: «Lief Christus-kindje, maak mij zoo dan braaf als gij waart 1quot; Amen.

ocr page 39

/an

ien 10. De aankondiging van Christus' nze geboorte.

en weet:gt; mijn kind, dat; ik u verhaald heb,

zoo XlJir hoe de menschen over geheel de wijde vvl^ wereld slecht waren geworden en zich beelden elt;^s hadden gemaakt van steen en metaal, welke Sen zij goden noemden. Alleen in het land van we' Palestina waren nos vele menschen, die Onzen Lieven Heer kenden, en die alles hadden eve onthouden, wat God vroeger aan de menschen ^ 15 had bevolen. Deze goede menschen waren ïsiis er zeer bedroefd over, dat er zooveel booze ^et menschen waren en wenschten vurig, dat de inagt; goede God een Verlosser zou zenden, die ^et hen kon helpen. Onder dezen was een bij-a^e zonder brave en heilige Maagd, Maria ge-'bil- heeten. Zij had nooit iets kwaads gedaan, mar beminde God hartelijk en bad veel. Deze aak Maagd was eens in haar kamertje geknield aan het bidden. Plotseling werd het kamertje verlicht door een helderen glans en voor de heilige Maagd stond een Engel Gods, omstraald van hemelschen luister, en sprak tot haar: »Wees gegroet, Maria, gij zijt vol van

ocr page 40

— 36 —

genade, de Heer is me': u! Zie, gij zult een Kindje ontvangen, gezonden van den Hemel, dat zal de eigen Zoon zijn van den goeden i God. Hem zult gij verzorgen en opvoeden en zijn naam Jezus noemen.quot; Toen boog de heilige Maria nederig haar hoofd en zeide ; sZooals Onze Lieve Heer wil, moge het geschieden.quot; Denk toch eens, mijn kind, hoe de heilige Maria zich wel verheugd mag hebben in de komst van het hemelsche Kindje! Zij zal er zeker den ganschen dag aan gedacht hebben en voortdurend haar best hebben gedaan, om zoo braaf en godvruchtig mogelijk te zijn, ten einde het groote, heerlijke geschenk te verdienen, hetwelk de hemelsche Vader haar wilde geven, het Christuskindje. Hoe zal mijn lief kind het nu maken, als het Christuskindje bij hem (haar) komt? Op het heilig Kerstfeest — gij weet; dat is de geboortedag van het Christuskindje — komt het zachtjes de huizen binnenzweven en zien, waar goede kinderen zijn. Over de goeden verheugt het zich, maar waar het een ondeugend kind ziet, daar is het bedroefd, want het Christuskindje heeft alle kinderen

ocr page 41

een zoo hartelijk lief en zou hun zoo gaarne mei, vreugde verschaffen. Laten wij nu ook eens ;den denken, wat een kind moet doen, om aan ;den het lieve Christuskindje vreugde te verschaf-l de fen. — Als gij eens onvriendelijk en ondeu-ide; gend wilt zijn, omdat iets u niet naar den ge- zin is, denk dan aanstonds; het Christushoe kindje ziet door het venster,quot; en zet dan een heb- vriendelijk gezicht. En als gij niet gaarne dje! leert en liever traag zoudt zijn, denk dan: ge- het Christuskindje ziet het,quot; en wees dan heb- vlijtig bij uw arbeid. Dan zult gij eens zien, ;htig welk een heerlijke Kerstvreugde er in uw leer- hart komt wonen en dan zult gij met Kerst-he- mis groote, groote vreugde ondervinden! Amen. hris-

verhalen van uw hartje — van

iaar) 11. Het hart, een tuin Gods.

ag, mijn lief kind, zal ik u eens

zwe- uw hartje, dat daarbinnen klopt. Luister eens

Dver goed, mijn kind! Met uwe oogen ziet gij,

het wat ik u toon, met uwe ooren hoort gij, wat

)efd, ik tot u spreek, met uwe handen vat gij aan

eren en voelt gij, wat ik u geef. Maar met uw

ocr page 42

- 38 -

hart begrijpt gij, wat het is, hetgeen gij ziet; en wat de woorden beteekenen, die ik tot u spreek; en wat gij doen moet, met de dingen die ik U geef. In uw hart woont immers uwe ziel, die onsterfelijke ziel, welke eens een engeltje moet worden in den hemel. En opdat het witte kleed der onschuld hetwelk uwe ziel moet versieren, zuiver en glanzend blijve, daarom moet uw hartje gelijk zijn aan een zuiver, versierd kapelletje of aan een lief tuintje waarin voortdurend de schoonste bloemen bloeien ter eere van ónzen Lieven Heer. Zie, als men daarbuiten in den tuin schoone bloemen wil hebben, dan legt men de zaadkorreltjes in het zachte bed en dan komt weldra een klein plantje te voorschijn. Het wordt grooter en grooter, krijgt schoone bladeren en ten laatste prachtige bloesems, een lust om te zien. Als mijn kind dikwijls aan Onzen Lieven Heer denkt en goed oplet wat moeder of iemand anders van Onzen Lieven Heer verhaalt, dan is zijn (haar) hartje ook als een zacht bloembed; daarop vallen dan de zaadkorreltjes, d. w. z. de woorden van den goeden God. En als mijn lief kind dan

ocr page 43

— 39 —

!iet; het voornemen maakt: »Ik wil heden enden gt;t u geheele week gehoorzaam, vriendelijk en braaf din- zijn,quot; dan strooit het de zaadkorreltjes uit. lers En als het dan alle dagen daaraan denkt en !ens zijn best doet om aan dat voornemen ge-En trouw te zijn, dan is dat zoo goed als een reik verkwikkende regen en een warme zonnend schijn voor de plantjes. En dan groeit er in aan dat Godstuintje menige schoone bloem. Welke lief bloemen zou mijn kind nu het liefste daarin 'oe- laten groeien? — Vooreerst kunnen wij er in ser' planten de witte lelie der gehoorzaamheid; ane zij overtreft in glans al de bloemen van den ad- tuin en verspreidt een sterken geur; waar )mt deze bloem bloeit, daar bloeien ook al de andere bloemen Gods. Want als het kind jla- gehoorzaam is, doet het immers altijd wat -en de ouders zeggen, en dan is het altijd goed. lan — Naast de witte lelie der gehoorzaamheid planten wij de roode roos der liefde. Ja, dat' 'en is een heerlijke bloem; als die in het hart )ok bloeit en geurt, dan staren de oogen van lan het kind als twee vriendelijke sterren de we-'an reld in en hebben voor niemand een boozen lan blik, maar altijd zien zij vriendelijk in de

ocr page 44

— 4o —

oogen van ouders en huisgenooten en anderen en vragen: »Kan ik u soms niet in een of ander helpen, kan ik niets voor u doenfquot; En dan hebben de liefdevolle kinderoogen spoedig iets gevonden. Wat zou dat dan zijn?

Zie goe

Idede

wai

sch

En waar de roos der liefde in het hart bloeit, daar glimlacht de mond van het kind lief en vriendelijk en het heeft voorniemand een boos, onvriendelijk woord. Zulk een mondje antwoordt steeds vroolijk en blij, als men het iets vraagt; en zwijgt stil, als het geen tijd van spreken is. Maar nooit hoort men het luid en ondeugend schreien en sneenquot; zeggen en altijd anders willen als moeder heeft gesproken. Neen, waar de roos der liefde in het hartje bloeit, daar worden de handen van het kind, in plaats van twee onnutte grijpertjes die altijd aanvatten,quot; wat zij niet aanvatten mogen, en onder het spel gaarne eens op andere kinderen zouden toeslaan — in plaats van twee zulke onnutte grijpertjes, worden de handen twee kleine, nnttige arbeiderljes, die nooit iets bederven, die andere kinderen vriendelijk streelen en liefkozen, en die gaarne van alle mededeelen.

■HHM

ocr page 45

— 41 —

Zie, mijn kind, zulk een verandering ten goede heeft er plaats met een kind, als het de roos der liefde in zijn hait laat bloeien, want juist de liefde maakt, dat gij alle men-schen hartelijk bemint en niemand eenig leed zoudt willen veroorzaken, en dat gij altijd iemand genoegen wensch te doen. God zelf begrijpt gij, is de hoogste en grootste liefde. Hij bemint alle menschen zoo innig en geeft hun het schoonste en beste, wat Hij heeft. Hij geeft hun de geheele schoone groene aarde en den hemel en de zonneschijn, hij geeft hun spijs en drank en alles, wat zij noodig hebben. En toen de menschen slecht waren geworden en Onzen Lieven Heer vergeten hadden en zich gouden en zilveren afgodsbeelden hadden gemaakt, toen had de goede God hen toch nog lief en schonk aan die slechte dwaze menschen zijn eigen geliefden Zoon, Jezus Christus. Deze leed groote ontbering en stierf zelfs onder vele smarten aan het kruis voor de menschen — zoozeer beminde God ons. Daarom wil Hij, dat ook Zijne kinderen vol liefde zullen zijn en dat de een den ander vriendelijk bejegene. Nu

ocr page 46

— 42 —

moet gij, mijn lief kind, deze week eens veel denken aan de roos der liefde, met vriendelijke oogjes om u heenzien en met een vriendelijk mondje spreken. De volgende maal vertel ik u nog meer van dat tuintje van Onzen Lieven Heer en van de bloemen, die gij voor den goeden Verlosser daarin moet planten.

| 12. Andere bloemen uit Gods tuintje.

iJE^erleden Zondag hebben wij gesproken «W van uw hart. Weet gij nu nog, hoe gij dat hart als een tuintje van Onzen Lieven Heer moet beplanten? Mijn kind zou in zijn hartje de roode roos der liefde laten bloeien, maar deze is nog een klein plantje gebleven; wij moeten haar nog met veel zorg en ijver kweeken, niet waar?

Nu wilt gij echter zeker ook weten, welke bloemen wij nog meer kunnen planten; want er zijn in een tuin nog meer bloemen dan leliën en rozen. Luister eens: in het voorjaar bloeit er — geheel verborgen tusschen het

i

ocr page 47

gras onder groene blaadjes — een klein, lief bloempje, blauw van kleur, en dat een heerlijken geur verspreidt — juist — het viooltje. Ook in het tuintje van Onzen Lieven Heer willen wij een viooltje planten, het draagt daar den naam van «bescheidenheid.quot; Zie eens, het kleine viooltje dringt zich niet op den voorgrond; neen, het verbergt zich bescheiden en vervult toch den geheelen tuin met zijn geur. Ieder zoekt het op, gaat de bonte tulp, die alleen met haar opzichtelijk gewaad pronkt en geen geur verspreidt, voorbij, en houdt veel meer van het viooltje. Men noemt het viooltje het beeld der bescheidenheid. Wat moet mijn kind nu doen, om het viooltje der bescheidenheid in zijn hart te laten bloeien ? — Dan moet het zich eerst afwennen altijd te zeggen: tik zou dit of dat willen,quot; of: »geef mij dit,quot; of: s geef mij dat!quot; Dan zit het aan tafel heel stil en netjes en wacht af, wat er op zijn bord gelegd wordt. En als de ouders zeggen: nu is het genoeg, dan staat het tevreden op en zegt voor hetgeen het heeft gekregen: sDank u.'' Of, als het bescheiden kind eens niet krijgt hetgeen

ocr page 48

— 44 —

het gaarne had, als het eens thuis moet blijven, terwijl het gaarne meê zou zijn uitgegaan, dan is het niet lastig met vragen en aanhouden, maar is stil en tevreden. Als de soep eens niet smaakt, dan zet het geen leelijk gezicht, maar denkt: het Christus-kindje is op deze wereld arm geweest, het heeft groote ontbering geleden en was toch altijd vriendelijk en tevreden. Dan smaakt de soep veel beter en het kind blijft daarbij vroolijk en opgeruimd. Als meerdere kinderen met elkander spelen, dan wil een bescheiden kind niet altijd de schoonste pop of het grootste paardje, of het beste speelgoed hebben, maar het geeft dit gaarne aan anderen, en neemt zelf wat er overschiet. Zie, in het hart van zulk een kind bloeit het viooltje der bescheidenheid, het siert en doorgeurt heel het tuintje van Onzen Lieven Heer, en Deze en alle men-schen hebben zulk een kind lief. Ik weet nog een ander schoon bloempje voor Onzen Lieven Heer's tuintje, dat is namelijk het wintergroen »geduld.quot; Gij weet wel, hoe dikwijls zegt moeder niet: »Geduld, kind, geduld! Wacht een beetje.quot; Ach, dat is dan zoo

ocr page 49

moeielijk, dan zou het kind dikwijls zoo gaarne aanstonds stampvoeten en weenen van drift en ongeduld. Het heeft zich bijv. warm geloopen, komt binnen en wil aanstonds drinken. sGeduld, eerst afkoelen!quot; Als mijn kind dan gehoorzaam en geduldig wacht en den hevigen dorst eerst nog een weinigje bestrijdt, dan wast het wintergroen jgeduld,quot; in het tuintje van Onzen Lieven Heer. — Een ander maal komt mijn kind met groote haast binnen en heeft iets noodig voor zijn spel. Maar toevallig heeft niemand tijd, en het is dus weer: »Wachten, op het oogenblik gaat het niet!' O, hoe verdrietig is dat dan! Dan zou het kind wel boos willen worden, zoo mogelijk weenen en schreien, omdat het nu niet dadelijk door kan spelen. Maar dan moet het aanstonds denken aan het wintergroen van het sgeduldquot; en blijmoedig wachten. O, hoe verheugt zich dan het lieve Christuskindje, dat altijd zoo geduldig was als een lammetje, over het goede kind, dat blijmoedig kan wachten.

Ten slotte weet ik vandaag nog een heel lief bloempje, en dat heet: gt;vergeet-mij-nietquot;

ocr page 50

— de «ordelijkheid.quot; Hoe dikwijls ligt alles dooreen als mijn kind gespeeld heeft. En als het uit den tuin komt, dan vliegt zijn hoed in dezen hoek, en zijn manteltje in genen, dan ligt hier een schoon boek met platen op den grond, en daar een doos met speelgoed, in gevaar van stuk getrapt te worden. Weet gij wat al deze zaken zeggen ? Zij roepen u toe; gt;Vergeet mij niet! Leg mij op mijn plaats!quot; Het zuivere schortje, het nieuwe kleedje, zij zeggen ook; gt;Vergeet mij niet! Wees zuinig op mijlquot; Ja, mijn kind moet leeren letten op dat vergeet mij-nietje van ordelijkheid. Ik zal u daarbij helpen, want wij willen dat tuintje van Onzen Lieven Heer goed verzorgen en uwen goeden beschermengel hartelijk bidden, dat ook hij ons helpen gedenken en zeggen; sRuk het wintergroen van het «geduldquot; niet uit!quot; of. »Ver-geet-mij-niet 1 Vergeet-mij-nietlquot; of »Denk aan de lieve, geurige viooltjes!quot; O ja, ons tuintje zal bloeien u ter eere, lieve, goede God. Amen.

ocr page 51

13. Hog eens het tuintje van O. Ii. Heer.

S»3amp;k weet u vandaag nog iets zeer schoons van het Godstuintje te verhalen, mijn lief kind. Wij hebben bij de andere schoone bloemen nog een nieuwe bloem te planten. Kunt gij mij al de bloemen, weike wij willen planten, nog opnoemen? —

Nu ontbreekt er nog een heerlijke bloem, die glanst als een heldere ster, die bijna al de andere bloemen in schoonheid overtreft, dat is de bloem der jwaarheid.quot; Wat is dat: de waarheid? —

Waarheid is juist het tegenovergestelde van den leugen. Veronderstel pens, mijn kind, dat gij ongehoorzaam zijt geweest, of dat gij iets gebroken of bedorven hebt en er wordt gevraagd: gt;Wie heeft dat gedaan?quot; Dan is het eerste wat mijn kind zou willen antwoorden: »Ik nietlquot; Uit vrees van misschien gestraft te zullen worden, zoudt gij het liefst liegen. Maar liegen is zoo slecht, zoo erg slecht. Thans weet gij, mijn kind, dat de leugen het witte kleed der ziel geheel zwart maakt, zoo

ocr page 52

- 48 -

afschuwelijk, dat Onze Lieve Heer met Zijne heilige oogen zulk een ziel in het geheel niet meer kan aanzien, en dat de beschermengel zich treurig afwendt. O, nu mijn kind dit weet, zal het zeker niet meer liegen. Neen, als het iets gedaan heeft, wat het niet had moeten doen, en het wordt ondervraagd, dan dapper de waarheid gezegd ! Dan zijn de ouders inwendig zoo verheugd over hun kind, want de glans der waarheid schittert uit zijne oogen. En dan schenken de ouders het kind gaarne vergiffenis, wijl zij zien, dat het spijt heeft over zijn misstap en het dit kwaad zeker niet meer doen wil.

Altijd waar en oprecht moet mijn kind zijn, altijd alles zóó zeggen, als het gebeurd is en niet anders. Al volgt er ook straf op, daarvoor moet mijn kind niet bevreesd zijn, maar wèl voor de leelijke vlekken, welke de leugen op de ziel werpt, de leugen, die de ziel zoo bedrukt en beangstigt, dat gij volstrekt niet vroolijk kunt zijn en papa en mama niet recht in de oogen durft zien. De leugen is evenals de zwarte, donkere nacht, de waarheid als de heldere, lichte dag. Als de ouders

a J. OTM H W ■BWaWW^ai

ocr page 53

49 —

kunnen getuigen: gt;Mijn kind heeft het gezegd, daarom is het waar; mijn kind spreekt altijd de waarheid!quot; o, dan verheugen zich alle goede menschen en vooral Onze Lieve Heer in den hemel over dat kind, in welks zieletuintje de bloem der waarheid bloeit en glanst.

Weet gij nu ook wat Onze Lieve Heer, met die schoone bloemen, welke gij voor hem plant, doen zal ? Luister eens goed!

Daarboven in den hemel heeft de heilige Moeder Gods, die voor alle goede kinderen een hemelsche moeder is, voor ieder een bloembedje in den hemelschen tuin. En zoovele bloemen als het kind kweekt in den tuin zijns harten, zooveel hemelsche bloemen plant de Moeder Gods voor hem daarboven. Als dan het goede kind sterft en de engel zijn ziel naar Onzen Lieven Heer opvoert, dan vlecht de heilige Moeder Gods van de bloemen van het bedje een heerlijken, wonderbaren krans. Zij gaat den Engel tegemoet en zet het doode kindje den krans op, en alle Engelen vergezellen haar onder vreugdezangen en geleiden zoo het kind voor Gods

Moeder. 4

ocr page 54

— 5° —

troon. O, hoe vriendelijk en liefderijk ziet Onze Lieve Heer dan het slapende kind aan, dat zoo schoon versierd voor hem wordt gebracht. Dan kust Hij dat kind en het ontwaakt en ziet, dat het zelf een engeltje is geworden en medezingen en medezweven kan in het groote Engelenkoor, Wat denkt gij, mijn lief kind, wilt gij vlijtig arbeiden aan uw zieletuintje en altijd er op bedacht zijn om uw krans in den Hemel schoon en rijk té doen worden ? Ja, wij zullen zorgen dat mijn lief kind een krans ontvangt en daardoor de deur des hemels open vindt, als Onze Lieve Heer roept. Wij zullen vlijtig arbeiden en moeder zal er u dikwijls aan herinneren: Kind, lief kind, denk aan uwen krans. Amen.

14. De Advent.

SOplbans, mijn kind, begint een schoone, hei-lige tijd; men noemt dien sadvent,quot; d. w. z. aankomst. Wie moet dan aankomen ? Op wien wachten wij ? Wij wachten op niemand minder dan op het lieve Christus-kindje

ocr page 55

— S1 —

;iet zelf. Zie, het is thans winter; daarbuiten is an. het koud en guur en het wordt voortdurend ge- kouder, totdat de witte sneeuw op de st aten nt- ligt en op de daken glanst en de ijsbloemen is cp de vensters staan. En dan nadert het an steeds meer er. meer, het kooge feest, de ;ij, komst van het Christuskindje, dan vieren wij an weldra den schoonsten dag van het geheele ijn jaar, den gebcojtedag van Christus, het hooge ijk Kerstfeest. Kerstmis! o welk een heerlijke lat gedachte 1 Ik wil u heden eens verhalen waar ar- de kindertjes aan denken moeten als zij dat als schoone woord sKerstmisquot; hoeren. Kerstmis tig is het geboortefeest van het Christus-kindje — an lang, zeer lang geleden daalde het op dien en dag op aarde neder. In e;n armen stal te Bethlehem werd het geboren, als het heerlijkste geschenk voor de heilige maagd Maria en voor de geheele wereld. Toen zweefden geheelen scharen engelen van den hemel neder ei- en de, herders van het veld en koningen uit d. verre, vreemde landen kwamen naar den stal nf van Bethlehem. En zij waren allen zeer ver-ie- heugd, want zij wisten dat dit kleine kind in Ije de kribbe de lieve Heiland was, die van den

ocr page 56

Hooge was nedergedaald om voor de men- dooi

schen den hemel weer te openen. — Zooals jjeid

gij weet, werden Adam en Eva toen zij in VV

het Paradijs ongehoorzaam waren geweest, ]^er(

door Onzen Lieven Heer verstoeten en de wor,

hemel werd gesloten. Maar Onze Lieve Heer vjer

had toch medelijden met de menschen, hij aan]

beloofde hun een Verlosser, zijn eigen geliefden ]

Zoon, deze zou eens komen en den hemel ,

wederom openen. Maar er verliep, zeer langen nu •

tijd, vierduizend jaren. Dat is zoo lang, dat gen

gij het u m^t uw verstandje volstrekt niet myr

kunt verbeelden. En de tijden werden zeer tus.]

slecht en alle goede menschen zagen smach- Jag tend uit naar den Verlosser en smeekten, dat

Hij mocht komen. Van tijd tot tijd zond Ker

God vrome mannen, die zeer wijs waren, on- 2ou

der de menschen, deze mannen noemde men ]y[a;

propheten. Zij voorspelden namelijk, wat in zijn

de toekomst zou geschieden, en zij zeiden Spe(

tot de menschen, dat ile Heiland weldra zou geb

komen, en dat Hij te Bethlehem in een stal zich

zou geboren worden en in een kribbe zou ; kin( liggen. En toen nu eindelijk de vierduizend

jaar om waren, toen was de tijd gek----

ocr page 57

- 53 -

•Mi

door God bepaald en toen zond Hij zijn ge-

joals belden Zoon Jesus Christus.

ij in Wij zijn nu juist nog vier weken voor

eest, Kerstmis; viermaal moet het nog Zondag

1 worden, eer de heilige avond aanbreekt. Deze

ïeer vjer Weken noemen wij gt;Adventquot; d. w. z.

' aankomst. In die vier weken denken wij aan

fden jg lange vierduizend jaren, gedurende welke

imel (jg menschen op den Verlosser wachtten, en

'S611 nu wachten wij eveneèns op Hem en verheu-

dat gen ons jn zjjne komst. Ook gij nietwaar,

met; mijn kind, ziet met blijdschap het lieve Chris-

zeer tus-kindje tegemoet, want op zijn geboorte-

lch- dag gevoelen alle goede kinderen groote vreug-

de. Zoudt gij, van uwen kant, mijn kind, het

ond Kerstkindje niet gaarne vreugde bereiden?

on' Zoudt gij Hem niet iets willen schenken ?

Tien Maar wat zal dat voor een geschenk moeten

t ln zijn? Het Christuskindje komt onzichtbaar;

den speelgoed kunnen wij Hem niet geven, om

zou gebak en schoone kleederen bekommert het

s,:al zich ook niet, het let er niet eens op, of een

zou kind goed of slecht gekleed is.

end

ocr page 58

— 54 —

15. Nog eens de Advent.

■i^iru nadert het schoone Kerstfeest hoe mwJ- langer zoo meer. Nog een weinig tijds.' — en het is daar! Hoe staat het nu met de halmpjes in de kribbe ? Wij moeten nog ijverig verzamelen, want wij hebben nog lang niet genoeg voor het lieve Kerstkindje. Mijn kind vergeet het nog te dikwijls als het een vriendelijk gezicht moet zetten en aanstonds moet gehoorzamen. En het Kerstkindje heeft toch nooit — geen enkele maal een onvriendelijk gezicht gezet, maar altijd blonk zijn gelaat als de heldere zonneschijn. Zoo moet het ook met mijn kind zijn. (Hier moet men het kind ernstig wijzen op eenige hardnekkige gebreken.) ?

Nu moet mijn lief kind nog eens van gan scher harte een goed voornemen maken en zeggen; sLief Kerstkindje, ik heb u zoo lief, ik zal mij alle moeite geven om u vreugde; te verschaffen.

Vandaag wil ik u ook een schoon lied leeren; dat zullen wij met Kerstmis bij het kerstboompje zingen. Dan zingen wij van den

ocr page 59

— 55 —

stal te Bethlehem, van het armoedige kribje, waarin het Kindje Jesus lag, van deengelen, die van den hemel daalden en jubelliederen zongen, en van de arme herders, die kwamen aansnellen om het Christuskind te aanbidden. Luister eens:

O kindertjes nadert, gij kleinste vooral Bij 't liefelijk kribje van Bethlehem's stal, En zie hoe in dezen volzaligen nacht God zijne belofte met liefde volbracht.

Ziet, hoe in deez' stal en zoo hemels verlicht Hoe hier in dat kribje daar bibberend ligt In doekjes gewonden, vol armoe en pijn. Een Kindje, veel schooner dan de Engeltjes zijn.

Van stroo is het bedje, daar 't weenend op rust, Ach, ziet hoe Maria het teederlijk kust, Hoe herdertjes bidden, voor 't Kindje gebukt En zingen Hem liedjes van liefde verrukt.

Knielt hier dan, o kind'ren bij Jesuken neer Vouwt zedig uw handjes tot dank en tot eer. En zegt het vol vreugde: Ik min u, lief kind. Gij daalt hier op aarde omdat gij ons mint;

lederen dag zullen wij nu een versje van dit schoone lied van buiten leeren en het herhalen, totdat gij het goed kent. En lederen dag moet mijn lief kind er dan eens aan

ocr page 60

— 56 —

denken, dat het schoone feest voordurend naderbij komt.

Ik wil u ook nog iets heel schoons zeggen,

dat wij met het Kerstfeest zullen doen. Zie, de lieve Heiland heeft altijd een bijzondere liefde getoond voor de arme menschen, omdat het hun in de wereld niet zoo goed gaat. Daarom wilde de lieve Heiland niet als een prins op aarde komen, niet in een prachtig slot wonen, met goud en fluweel. Hij had dit zeer gemakkelijk kunnen doen, want Hij was immers de Heer van hemel en aarde, hij had in plaats van den armelijken stal het prachtigste marmeren kasteel kunnen hebben.

Maar neen, dat wilde de lieve Heiland niet. Hij wilde een heel arm Kindje zijn en altijd were bij de armen verblijven en hen helpen. En derb de lieve Heiland heelt ook tot de rijke men- heili schen gezegd, dat zij altijd aan de armen die moesten denken, die veel minder hebben, en zeer dat zij hun moesten mededeelen, van het kom vele hetwelk zij bezitten. Vooral met Kerst- daai mis moeten alle kinderen, die zulke schoone Jose en rijke zaken krijgen, goed aan de arme stal, kindertjes denken, die weinig of misschien in was

het

best

kind

zittei

goed

dan

scho

niet\

gen,

ocr page 61

— 57 —

rend

het geheel niets krijgen, en zij moeten hun best doen, dat met Kerstmis geen enkel arm gen, kind beproefd in zijn kamertje behoeft te Zie, zitten. Als ieder goed kind nu van zijn speel-dere goed iets schoons uitzocht en het wegschenkt om- dan komen er voor de arme kindertjes vele ;aat. schoone zaken bijeen. Gij zult ook iets geven, een nietwaar? Wij willen aanstonds eens overleg-htig gen, wat wij geven kunnen.

had

Hjj '

rde' 16. Kerstmis.

het

sen. iqyjfeden is het de dag, waarop lang — zeer liet, ïaM; lang geleden het Kerstkindje geboren Itijd werd; luister eens, het is een schoone won-En derbare geschiedenis. De heilige Maria en de len- heilige Joseph waren naar een stad gereisd nen die Bethlehem heette. Terzelfde tijd waren zeer vele vreemdelingen naar Bethlehem gekomen en alle huizen waren vol menschen; daarom hadden de heilige Maria en de heilige Joseph slechts plaats kunnen vinden in een stal, die niet verre van de stad verwijderd was. En juist gedurende dien nacht, waarin

, en het irst-one ■me i in

ocr page 62

- 58 -

zij een onderkomen vonden in den armoedi gen stal, werd het lieve Kerstkindje geboren, Zijn heilige moeder wikkelde het in doeken en legde het in eei: kribje op stroo. Dat was het eerste bedje van het hemelsche Kind Daarbuiten op het veld echter, voor den stal waren herders, die des nachts hunne kudden hoedden. En zie, plotseling verscheen hun een engel des hemels, omstraald van licht en sprak tot hen: »Vreest niet! want zie, ik ver kondig u een groote vreugde, die zijn zal voor alle volken. Heden is de Heiland geboren, de Heiland Jezus Christus, en liggende in een kribbe.quot; Toen de engel dit gezegd had, kwamen er nog vele andere engelen bij, jubelende en zingende; »Eere zij God in den Hooge en vrede op aarde aan de menschen van goeden wille.quot; Daarmede bedoelden de engelen alle menschen en ook alle kinderen, die in hun hart den lieven Heiland zf o gaarne gehoorzamen, en hun best doen. Hem na te volgen. Toen de engelen wederom ten Hamel waren opgevaren, spraken de herders tot elkan er: sLaat ons spoedig gaan zien wat God ons heelt laten verkondigen.quot; En

ocr page 63

— 59 —

loedi- zij kwamen en vonden Maria en Joseph en toren., daarbij het Kindje liggende in eene kribbe. Jeken En zij aanbaden het Kindje, gingen heen en verhaalden aan een ieder, welk een wonder er geschied was.

Alle jaren vieren wij met Kerstmis dit ge-dden boortefeest van den lieven Heiland, en daar i hun onder onzen Kerstboom is de sta! van Bethle-ht en.' hem afgebeeld. Daar ziet gij de lieve, heilige : ver- moeder Maria en den vromen heiligen Joseph i za! het hemelsche Kind bewaken vol bovenaard-i ge- sche vreugde. Zie welk een lichtglans er uitende gaat van dat Kind! Daar knielen de brave zegd herders en ook de dieren zijn verbaasd, dat i bij, alles heden in den donkere stal er zoo geheel i den anders uitziet. Daarboven, hoog in de lucht chen zweeft jubelend het engelkoor en ook wij ver-Iden heugen ons met hen en bidden; O, liefKerst-nde- kindje, blijf altijd bij ons en help ons, om zf o zoo braaf, zoo nederig, zoo bescheiden en zoo Jem vol liefde te worden als Gij geweest zijt. ten Amen.

Iers zien En

t was K.ind. i stal,

ocr page 64

_ 58 -

zij een onderkomen vonden in den armoedi-gen stal, werd het lieve Kerstkindje geboren. Zijn heilige moeder wikkelde het in doeken en legde het in eei: kribje op stroo. Dat was het eerste bedje van het hemelsche Kind. Daarbuiten op het veld echter, voor den stal, waren herders, die des nachts hunne kudden hoedden. En zie, plotseling verscheen hun een engel des hemels, omstraald van licht en sprak tot hen: »Vreest niet! want zie, ik verkondig u een groote vreugde, die zijn zal voor alle volken. Heden is de Heiland geboren, de Heiland Jezus Christus, en liggende in een kribbe.quot; Toen de engel dit gezegd had, kwamen er nog vele andere engelen bij, jubelende en zingende; rEere zij God in den Hooge en vrede op aarde aan de menschen van goeden wille.quot; Daarmede bedoelden de engelen alle menschen en ook alle kinderen, die in hun hart den lieven Heiland zf o gaarne gehoorzamen, en hun best doen, Hem na te volgen. Toen de engelen wederom ten Hamel waren opgevaren, spraken de herders tot elkan er: rLaat ons spoedig gaan zien wat God ons heeft laten verkondigen.quot; En

ocr page 65

- 59 -

zij kwamen en vonden Maria en Joseph en daarbij het Kindje liggende in eene kribbe. En zij aanbaden het Kindje, gingen heen en verhaalden aan een ieder, welk een wonder er geschied was.

Alle jaren vieren wij met Kerstmis dit geboortefeest van den lieven Heiland, en daar onder onzen Kerstboom is de stal van Bethlehem afgebeeld. Daar ziet gij de lieve, heilige moeder Maria en den vromen heiligen Joseph het hemelsche Kind bewaken vol bovenaard-sche vreugde. Zie welk een lichtglans er uitgaat van dat Kind! Daar knielen de brave herders en ook de dieren zijn verbaasd, dat alles heden in den donkere stal er zoo geheel anders uitziet. Daarboven, hoog in de lucht zweeft jubelend het engelkoor en ook wij verheugen ons met hen en bidden : O, lief Kerstkindje, blijf altijd bij ons en help ons, om zoo braaf, zoo nederig, zoo bescheiden en zoo vol liefde te worden als Gij geweest zijt. Amen.

ocr page 66

17. De heilige driekoningen. des '

ten t

Qamp;n een land, zeer verre van Bethlehem ver-wijderd, zoodat men vele dagen en nachten moest reizen, om er te komen, daar woonden drie godvreezende en wijze koningen. Onze Lieve Heer had tot hen gesproken en hun bevolen, dat zij zich op weg zouden begeven en naar het heilige land zouden trekken, want dat daar de Heiland der wereld was geboren, Jesus Christus. Een heldere ster zou voor de koningen uitgaan en hun den weg wijzen. Zij begaven zjch dan op weg en aan den hemel ging een heldere ster hun vooruit. Deze volgden zij. Eindelijk kwamen zij in de hoofdstad van het land der Joden, Jerusalem. Daar woonde koning Herodes. De drie koningen gingen tot hem en vroegen:

»Waar is de nieuwgeboren koning der Joden? Zij geloofden namelijk, dat de wonderbare Heiland ten minste toch een koning moest zijn. Koning Herodes werd door die vraag zeer verschrikt, want hij dacht, dat er nu een nieuwe koning der Joden komen en hem misschien verjagen zou. Toen liet koning Hero-

lezen

ocr page 67

des de heilige boeken halen, die in den groo-ten tempel bewaard werden, en hij liet voorver- lezen wat daarin geschreven stond door de ach- propheten. De propheten — ik heb het u iaar reeds vroeger gezegd — waren zeer wijze nin- mannen geweest, tot wie Onze Lieve Heer iken had gesproken en aan wie Hij voorspeld had, den dat Hij zijn geliefde Zoon op de wereld zou zenden, om de menschen te helpen. En in de heilige boeken der propheten stond geschreven, dat de lieve Heiland in het kleine stadje Bethlehem zou geboren worden, en dat zijne moeder de zuiverste en godvruchtigste Maagd der wereld zou zijn. Toen koning Herodes dit gelezen had, sprak hij tot de drie vreemde koningen: »Gaat naar Bethlehem en keert dan terug om mij alles te verhalen, zooals gij het daar bevonden hebt.quot; Toen volgden de koningen verder de ster, totdat deze ten laatste bleef staan boven den stal te Bethehem En de godvreezende koningen traden binnen, vielen op hunne knieën en aanbaden het kind. Ook brachten zij aan dat Kind kostbare geschenken: goud, wierrook, myrrhe. Maar des nachts verscheen hun

ocr page 68

in den droom een engel des Heeren en zeide hun, dat zij niet meer naar koning Herodes zouden terugkeeren, want deze was een boosaardig man en slechts daarom wilde weten, waar het Kind te vinden was, ten einde het te kunnen dooden. Toen gingen de heilige drie koningen langs een anderen weg naar hun land terug.

Zie, mijn kind, deze godvreezende mannen maakten zulk een verre, zeer verre reis, en dat was in dien tijd, toen er nog geen spoorwegen en geen rijtuigen bestonden, allermoeie-lijkst. Zij moesten groote hitte verdragen, dorst lijden, en dikwijls vermoeienis doorstaan, maar zij bleven trouw de ster volgen. Ook wij, mijn kind, ook wij zijn op reis; in dit leven moeten wij zonder ophouden voortreizen naar den hemel, en het Kindje Jesus dat op ons wacht, is onze heldere ster, welke wij altijd moeten volgen. Meermalen is dat zeer moeielijk, meermalen zou mijn kind liever niet volgen, niet gaarne vlijtig en braaf zijn en denkt dan bij zich zeiven; »Waarom toch mag ik niet altijd doen, wat ik gaarne wil!quot; Zie, als gij zulke gedachten hebt, dan

ocr page 69

— 63 —

■

is dat een moeielijke, een steile plaats op den weg ten Hemel. Maar mijn kind moet dan altijd opzien naar die heldere ster, naar het Kindje Jesus, dat in den hemel wacht, ;t te en dat u zoo gaarne een lief engeltje maakt, drie als gij de reis naar den hemel zult hebben hun afgelegd. Amen.

ïide ides oosten,

18. De vlucht naar Egypte.

Dor- g/P ij weet nog wel, mijn lief kind, hoe ik eie- «wUr ii de laatste maal verhaalde van de ^en, heilige drie Koningen die naar het Goddelijk aor- Kindje waren heengereisd, en van den booten. zen koning Herodes, die het Kindje wilde ; in dooden, wijl hij geloofde, dat het eens een ort- machtig koning zoude worden en hem van ;sus zijn troon zou afstooten. Maar het lieve, ;lke nederige kind Jesus wilde geen aardsch ko-dat jning zijn met gouden kroon en prachtige lie- kleederen, met groote paleizen van marmer raaf en vele soldaten. Het kindje Jesus wilde •om slechts koning des harten zijn, een hemelsche ,rne koning, en het wilde den menschen leeren, dan hoe zij den weg naar den hemel kunnen

ocr page 70

— 64 —

vinden. Maar de booze koning Herodes begreep dit niet; hij was te slecht om te begrijpen, hoe liefdevol en goed het kind Jesus was. Hij zond zijne soldaten naar Bethlehem om het Hemelsche Kindje te dooden. Daar hij echter niet wist, in wel.: huis het kind Jesus woonde — de heilige drie koningen hadden hem er niets van gezegd — daarom moesten de soldaten alle knaapjes in Bethlehem dooden. Het kind Jesus zou dan van zelf wel daaronder zijn, zoo dacht de booze koning. Maar God had het anders bepaald. Hij had den heiligen Joseph een engel gezonden, die hem in den droom toesprak: gt;Neem het Kind en zijne moeder en trek haastig met hen naar het land van Egypte, want hier dreigt u een gevaar!quot; En aanstonds zette de heilige Joseph het Kind en zijne moeder op een ezel en trok met hen naar Egypte. — Dat was een lange, moeielijke weg; de heilige Joseph beschermde getrouw de moeder en haar Kindje en men verhaalt omtrent deze reis allerliefelijkste legenden. Eens, zoo luidt het verhaal, terwijl de heilige familie door een woestijn trok, was het zoo

ocr page 71

brandend heet, dat zij van dorst en uitpuN ting bijna bezweken. Nergens ontdekten zij een bron. Maar langs den weg stond een hooge, slanke palmboom. Daaronder rustten zij uit. In den kruin van den palmboom hingen rijpe vruchten, maar zoo hoog, dat de heilige Joseph er met geen mogelijkheid bij kon. Nu zag het Kindje Jesus met zijne Goddelijke oogen naar den boom op, en zie, de boom boog zich met zijne vruchten diep voorover, zoodat allen zich konden verkwikken. Een andere maal — zoo verhaalt men — zou de Moeder Gods het kleedje van het kindje Jesus hebben gewasschen en het te drogen hebben gehangen op een dor doornbosch. Plotseling ontsproten aan de twijgen duizenden lelieblanke bloesems, en sinds dien tijd dragen de doornbosschen in het voorjaar zulk een rijkdom van schoone witte bloesems dat zij als met sneeuwwitte kleederen overdekt schijnen.

De heilige familie moest eenige jaren in Egypte blijven. Toen verscheen wederom een engel aan den heiligen Joseph en verkondigde hem, dat hij naar zijn land mocht terugkee-

Moeder. S

ocr page 72

ren. De booze koning Herodes was gestorven en een betere vorst regeerde in het land. Toen keerden zij terug en vestigde, hun woonplaats in de stad Nazareth. De volgende maal vertel ik meer van het Kindje Jesus. Zorg maar, dat gij het hartelijk lief hebt, het Kerstkindje, en denk er aan, ook zoo lieftallig vriendelijk te worden.

19. De kindsheid van Jesus.

heden eens verder hooren, hoe

ndje Jesus een achoon voorbeeld was voor alle de kinderen ter wereld. Het was het beste en het liefste Kind voor allen op aarde. De H. Joseph was naar het stadje Nazareth getrokken en leefde daar als een arme timmerman. Van het kind Jesus lezen wij in de heilige boeken, dat het zijn ouders steeds gehoorzaam was, en met hen arbeidde zooveel als slechts mogelijk was. En hce 1 ef en vriendelijk zal het Kerstkindje wel geweest zijn als het met andere kinderen speelde. Het had de kinderen altijd zoo lief en deed

ocr page 73

bun xoo gaarne goed. Als het Kind Jesus te midden van andere kinderen speelde, zooals wij dat dikwijls op schoone platen zien voorgesteld, en het zag hen dan met zijn lieve oogjes aan, zoo vriendelijk en hemelsch, dan zullen zij zeker wel gevoeld hebben, dat het geen gewoon kind was waarmede zij speelden, en zij waren allen lief en braaf, geen enkel maakte twist, het was alsof er engeltjes in den hemel speelden.

Zie, mijn lief kind, gij en uwe speelmakkertjes hebt niet meer het groot geluk, dat het kind Jesus met n speelt, maar denk er altijd aan, dat de Heiland aan ieder uwer een engel geeft gegeven, en dat die engelen beschermend en liefdevol achter u star.n en steeds onzichtbaar bij uwe spelen tegenwoordig zijn. Als een kind nu plaagt of zelfs slaat, o, dan verbergen de engelen hun gelaat en weenen over dat ondeugende kind. Maar als een kind lief en vriendelijk is en gaarne speelt om anderen genoegen te doen, als het met een vroolijk woord en een lachend gezichtje vrede sticht, wanneer er strijd is ontstaan, o, dan zijn de engelen verheugd en zij bood-

ocr page 74

schappen het Kindje Jesus, hoe dat brave kind zijn best doet om een goed kind Gods te zijn. Mijn kind, wat zal het Goddelijk Kindje u liefhebben, als uw beschermengel van u kan zeggen : sMijn beschermeling tracht altijd het Kindje Jesus na te volgen, het kweekt zulke schoone bloemen in het tuintje zijns harten.quot;

liet Kind Jesus groeide op en God en de menschen hadden in Hem hun welbehagen. Toen het twaalf jaren oud was, ging het met zijne ouders op naar Jerusalem. Toen deze na drie dagen naar huis wilden terugkeeren, was de knaap niet bij hen. Zij dachten echter, dat hij bij de andere reisgenooten zou zijn en trokken verder. Maar toen zij hem ook bij de bekenden niet vonden, keerden zij terug en zochten hem gedurende drie dagen in Jerusalem. Eindelijk vonden zij hem in den tempel onder de priesters en leeraars, terwijl Hij met hen sprak. Hij gaf antwoord op hunne vragen en verklaarde hun, wat er in de heilige boeken stond; zij waren echter allen zeer verbaasd, dat een kind zulk een groote wijsheid bezat. Nu naderde hem zijne

ocr page 75

— 69 —

moeder en zeide: sKind, waarom hebt gij zoo met ons gedaan ? Zie, uw vader en ik hebben u met smart gezocht, drie dagen lang!quot; En toen antwoordde Jesus; sWist gij dan niet, dat ik moest zijn in het huis mijns vaders.quot; Het Christuskind herinnerde zijn lieve moeder er aan, dat het geen aardsch kind was, maar het liefste verbleef in het huis zijns Vaders, het huis Gods, den tempel. Want zijn eigenlijke vader was immer in den Hemel en van Dezen sprak Het met de wijze mannen in den tempel. Dan ging het gehoorzaam met zijne ouders mede naar Nazareth en diende hen en deed niets dan goed, totdat Het den mannelijken leeftijd bereikte. De volgende maal verhaal ik u, hoe de Lieve Heiland het land en de steden doortrok en de menechen langs den weg des Hemels voerde.

Jesus' eerste leerlingen en het wonder te Kana.

SKIpöen de Goddelijke Zaligmaker een man was geworden, trok hij uit naar de ste-

ocr page 76

- 70 —

den en dorpen om de menschen te leeren en hun te toonen, hoe zij goed en braaf moesten zijn. En hij kwam bij een meer, waar twee armen visschers waren gezeten bij hunne netren. De Zaligmaker sprak tot hen: »Volgt mij!quot; Aanstonds lieten de mannen, alles liggen, stonden op en volgden hem. Hunne namen waren Jacobus en Joannes. En de Zaligmaker riep nog meer vrome mannen, die aanstonds aan zijn woord gehoor gaven en hem overal volgden. Dat waren de leerlingen des Heeren, zijne apostelen. Zij moeten hem helpen de menschen te leeren en ook al de woorden van den Heiland in hun harten bewaren, opdat ook zij de menschen later zouden kunnen onderwijzen. Terwijl Jesüs nu met zijne apostelen voorttrokken deden zij de stad Kana aan en kwamen daar in een huis, waar juist bruiloft werd gevierd. Men verzocht daar den Zaligmaker, dat Hij toch zou blijven en met hen zoude deelnemen aan de feesttafel. Hij voldeed aan dat verzoek. En de moeder des Zaligmakers was daar ook. Toen er na een poos gebrek aan wijn was, sprak de heilige Maagd Maria tot haar God-

ocr page 77

- 7i —

delijken Zoon: ïZij hebben geen wijn meer!quot; De Zaligmaker beval nu aan de dienaren, die rondom stonden, kruiken te brengen, en zij brachten groote kruiken, vol water. Vervolgens zeide de Zaligmaker; «Roept den hofmeester.quot; Deze kwam, proefde, en zei, het water was heerlijke wijn geworden. Toen riep de hofmeester den bruidegom en toonde hem dei; wijn er; allen waren verbaasd en verheugd.

Dat was het eerste wonder, hetwelk de Heiland verrichtte. Wat kan mijn kind nu uit deze liefelijke geschiedenis leeren: Let eens goed op — alles wat ik u van den lieven Heiland verhaal, zijn niet enkel vertelseltje welke men aanhoort voor plezier, o neen, het zijn heilige en groote zaken. En als mijn kind zijn hartje met oprechtheid verheft tot den lieven Heiland en hem hartelijk wil beminnen, dan kar, het ook reeds begrijpen, wat uit al die schoor,e verhalen te leeren valt. Vooreerst hebben wij gehoord van de apostelen, vrome mannen, tot welke de Heiland sprak; jVolgt mijlquot; En toen legden zij hunne netten weg, verlieten hun huis en alles

ocr page 78

— 72 —

wat zij hadden, en volgden hem. Wat leert gij van deze mannen? — Gehoorzaamheid? De Heiland roept en zij komen. Zij zeggen niet; »\vij hebben nog iets te doen!quot; of jwacht nog een weinig!quot; of swij verlaten fiiet gaarne ons huis!quot; Neen! Zij komen aanstonds. En de Heiland bood hun geen schoon huis aan, geen prachtige kleederen, geen uitgezocht eten. Neen, hij was zelf arm en leefde slechts van hetgeen medelijdende personen hem schonken; dikwijls moest hij honger, dorst en allerlei ongemakken verduren. Maar de Apostelen bleven hem volgen. Zie, mijn kind, aan die Apostelen moet gij denken, als gij geroepen wordt en liever nog zoudt spelen of daarbuiten rondspringen of iets anders doen. Dan moet gij denken; »Ook ik wil een kind en leerlingen zijn van mijn Verlosser, ook ik wil zoo spoedig gehoorzamen, dan laat de lieve Heiland ook mij hem volgen in zijn schoonen hemel.quot;

En wat kunnen wij wel leeren uit dit bruilofs-verhaal ? Ik geloof niet, dat gij het weet, maar ik weet iets zeer schoons. De Verlosser is wel is waar, niet meer bij ons, zooals hij eertijds

ocr page 79

— 73 —

het huis binnenging waar bruiloft werd gevierd, hij voegt zich niet meer bij ons en eet niet meer met ons onder zichtbare gedaante. Maar Hij is onzichtbaar bij ons, de Heiland is overal, want Hij is immers God, Hij is dus ook bij ons als wij eten en dankbaar aan hem denken. Als mijn kind zich altijd eens levendig voorstelde, dat het den lieven Heiland als gast had uitgenoodigd, dan zou u het voorzeker altijd tevreden en gehoorzaam aan tafel zitten en nooit een zuur gezicht zetten als iets hem (haar) niet smaakt. Nu denkt gij misschien; «Ja, als de Verlosser waarlijk hier was en mijn water in wijn en mijn brood in koek veranderde, dan zou ik wel tevreden zijn.quot; Zie, dat gebeurt nu niet, maar de lieve Heiland is toch tegenwoordig, en doet ook thans nog alle dagen hetzelfde wonder aan u, mijn lief kind, als gij maar wilt. Ja, gij ziet mij daarover verwonderd aan. Maar let eens op. Als bijvoorbeeld de soep u niet smaakt en gij eet haar toch tevreden en stil op, dan verandert de lieve Heiland uwe gehoorzaamheid in een kostbare hemelbloem. En die blijft voor u bewaard, totdat

ocr page 80

— 74 —

gij daarboven komt. En alle dagen als gij iets goeds doet, verandert de lieve Heiland het voor u, en dan hebt gij later den schoon-sten krans en dien behoud gij altijd, want in den hemel verwelken de bloemen niet zooals hier. Daarom, mijn kind, verzamel u zulke hemelsche bloemen bij den lieven wonder-dadigen Heiland. Amen.

21. Jssus als kindervriend.

zekeren keer quot; brachten godvreezende moeders hunne kinderen tot Jesus, opdat Hij hun de handen zou opleggen en over hen zou bidden. Maar wijl Hij vermoeid was door onderricht te geven aan het volk, wilden de leerlingen hen niet toi Hem laten naderen. Daarom werd Jesus ontevreden op de leerlingen en zeide: »Laat de kleinen tot mij komen en belet het hun niet, want hun behoort het rijk der hemelen.quot; Vervolgens sloot Hij de kinderen vol teedere liefde in zijne armen, legde hun de handen op en zegende hen. Daarna sprak hij tot de om-

ocr page 81

— 75 —

standers: jVoorwaar, ik zeg u, als gij u niet bekeert en wordt gelijk de kinderen, zult gij het hemelrijk niet binnengaan. Maar die nederig is, evenals een dezer kinderen, hij zal groot zijn in het rijk des hemels. Ziet toe, dat gij geen van deze kleinen ergert, want ik zeg u, hunne engelen in den hemel zien altijd het gelaat mijns vaders, die in den Hemel is.quot; —

«Laat de kleinen tot mij komen!quot; zeide de Heiland. O kind! als wij toen er ook bij hadden mogen zijn; als ik met mijn kind had mogen naderen en zeggen; »Beminnelijke, vrundelijke Heiland, hier is mijn kind, zegen het ook.quot; Stel het u dan eens goed voor, mijn kind, hoe liefdevol de Heiland u dan wel zou hibben aanschouwd, hoe gaarne gij voor zijn knie zoudt hebben gestaan en zijn zegenende hand op uw hoofdje zoudt hebben gevoeld! Wij kunnen wel niet meer zoo tot den Heiland naderen als de moeders en de kinderen van dien tijd, wij zien Onzen Lieven Heer niet met onzen lichamelijke oogen voor ons, maar wij zien Hem met de oogen onzer ziel. Sluit uwe oogen eens, dan

ocr page 82

hebt gij in uwe ziel, in uwe gedachten een schoon beeld, dan zult gij Hem duidelijk voor u zien, den lieven vriendelijken Heiland. En ook met open oogen kunt gij daar zijn beeltenis aanschouwen, daar hangt Hij aan het kruis, bloedend en lijdend uit liefde tot zijne kinderen, welke Hij zege t. Als gij medegenomen wordt naar het huis Gods, naar de hooge, heilige kerk en gij knielt neer voor het kruisbeeld, dat zich verheft boven het altaar, dan zijt gij zoo dicht bij uwen Heiland als de meuschen het waren, die met Hem leefden-, want onze Verlosser heeft gezegd: sWaar er twee of drie in mijnen naam vergaderd zijn, daar ben ik in hun midden,quot; en in hst huis Gods, in de kerk, daar zijn er meer dan twee of drie, daar komen vele menschen bij elkaar, allen in den naam van Jesus; zij allen bidden en zingen dan ter zijner eere, en daar is de lieve Heiland dan midden onder ons, wel onzichtbaar, maar wij gevoelen toch zijne heilige tegenwoordigheid. En wanneer gij dan, mijn kind, zoo innig aan Hem denkt en tot Hem bidt: »Lieve vriendelijke Heiland, die destijds tot de kin-

ocr page 83

— 77 —

deren gezegd hebt. »Laat hen tot mij komen!quot; ik bid u vurig, laat ook mij tot u

lief, ook ik wil een ge

hoorzaam, vriendelijk, nederig kind van u zijn!quot; darl verhoort Hij u ook. Bid hartelijk en stel u voor, dat de onzichtbare Heiland u aanziet, aanschouw zijn beeltenis aan het kruis en gij zult het gevoelen, dat de lieve Jesus, de vriend der kinderen, bij u is. Uwe ziel zal zoo blij en gelukkig zijn, gij zult een voorsmaak hebben van het geluk des hemels, want bij den lieven Heiland vindt de ziel rust en geluk.

»Aan de kinderen behoort het rijk der Hemelen,quot; sprak de Heiland; hij bedoelt daarmede de onschuldige, gehoorzame kinderen; die altijd stipt aan hunne ouders gehoorzamen, en daarom zegt Hij ook tot de volwassenen: »Gij moet worden als de kinderen,quot; d. w. z. gij moet zoo gehoorzaam zijn jegens uwen hemelschen Vader, als een goed kind het is jegens zijn aardschen Vader. Het is voor de kinderen zeer gemakkelijk om in den Hemel te komen, zij behoeven slechts te luisteren naar hetgeen de ouders hun zeg-

komen, heb ook mij

■ » -ü.

ocr page 84

-,s-

gen; goede ouders letten op hunne kinderen en als het kind verkeerd wil doen, dan leiden de ouders het spoedig op den goeden weg met vriendelijke woorden, of, als het

kird niet hooren wil, met straf. Telkens her-...

inneren zij het kind er aan: »Luister naar de stem Gods in uw binnenst^ en doe geen kwaad.quot; — Het kind behoeft slechts te gehoorzamen, dan gaat het steeds vooruit op den smallen weg die ten Hemel leidt. Voor de groote menschen is het moeielijker; zij worden niet zoo dikwijls door anderen vermaand, die moeten steeds voor zich zeiven zorgen en daarom als kinderen geleerd hebben trouw te luisteren naar de stem Gods; als zij dat niet willen leeren, verstaan zij als groote menschen de stem Gods niet en worden dan booswichten. Maar mijn kind wil goed en braaf worden, niet waar? mijn kind wil altijd Gods Kind blijven, ook als het groot is en daarom moet gij dan ook altijd trouw luisteren naar de stem van den lieven Heiland! Amen.

ocr page 85

— 79 —

22. Jesus de gosde herder.

•snj^ens toen zich in den tempel een menigte )SÜI volks om den Zaligmaker vereenigd had,

sprak hij aldus: »Ik ben de goede herder; een goede herder voert zijn schapen op een goede weide, hij gaat hun voor en de schapen volgen hem, wijl zij zijne stem kennen. Zoo volgen mijne schapen mij, want ik ken de mijne en de mijnen kennen mij. Ik ben de goede herder. De goede herder geeft zijn leven voor zijne schapen, maar de huurling laat ze in den steek en vlucht als hij den wolf ziet komen. Ik geef mijn leven voor mijne schapen. Ik heb echter nog andere schapen, die thans nog in een vreemden schaapsstal zijn (n.1. de arme heidenen, die den Heer ■ nog niet kennen) deze moet ik herwaarts voe-en zij zuil-in mijne stem hooren en het zal één schaapstal en één herder worden.quot; Een schaapherder, die zijne kudde liefheeft, zorgt goed voor al zijne schaapjes en ziet zorgvuldig toe, dat geen enkel verdwale, en als soms een wolf uit het bosch te voorschijn komt, i dan gaat hij niet laf op de vlucht om zijne

f

ocr page 86

— 80 —

r

schapen ten prooi te laten aan het gruwzame dier, neen, hij gaat hem onverschrokken te gemoet en tracht met alle kracht hem te bestrijden. Zie, de lieve Heiland vergelijkt zich zelvtn hier met zulk een goeden herder en de menschen met schaapjes. Een goede herder zegt hij, voert zijne schapen op een goede weide en gaat hun vooruit. Onze lieve Heiland nu, wil ons op een goede weide voeren, n.1. naar den hemel, want het rijk des Hemels is de gelukkige plaats, waar het ons aan niets ontbreekt. En evenals de herder zijn schapen voorgaat, zoo gaat ook de Heiland ons voor. Hij toont ons den weg, Hij heeft ons het voorbeeld gegeven, hoe wij moeten zijn; onschuldig, geduldig, vriendelijk weldadig en vol liefde voor alle menschen. Wij moeten ons zeiven altijd afvragen: hoe heeft onze Herder gehandeld ? en dan moeten wij als getrouwe schaapjes Hem volgen, want wij kennen de stem van den lieven Heiland zeer goed, even goed als ds schapen die van hun herder. Ook mijn kind kent de stem van den Heiland, nietwaar? Gij weet wel, Hij spreekt tot u door den mond van

I

i

ocr page 87

uwe ouders en leeraars; Hij spreekt tot u door de heilige boeken, waarin zijn woorden staan opgeteekend; Hij spreekt tot u in uw eigen hart door de stem des gewetens. O, mijn lief kind, wees gij altijd een gehoorzaam schaapje en volg uwen goeden herder, want Hij heeft u zoo lief. Zie, zelfs zijn leven heeft Hij voor u gegeven, geen martelingen en geen smart heeft Hij geweigerd te ondergaan en uit louter liefde lot zijn schaapjes heeft hij zich aan het kruis laten slaan, want hij wilde hen verlossen, hij wilde hen den weg bereiden naar de goede weide, en dat was veel moeielijker en zwaarder dan een wolfbestrij-den. De Zaligmaker was God, hij kon de booze menschen, die hem doodden, vernieti tigen; hij kon zich uit hunne handen bevrijden, als hij wilde. Maar hij deed het niet. sik ben de goede herder,quot; zegt hij, »en ik geef mijn leven voor mijne schapen.quot; Als hij niet gestorven ware, zou hij ons niet verlost hebben, en daarom verdroeg bij zoo zachtmoedig en geduldig al die verschrikkelijke pijn voor ons, zijne schaapjes. O, mijn kind wij zullen hem oprecht liefhebben, nietwaar,

Moeder. 6

■ :i! mltd

ocr page 88

— 82 —

onzen goeden Herder, wij zullen ook zachtmoedige en geduldige schaapjes zijn en onzen goeden herder volgen, ook al is de weg hobbelig en steenachtig en al wordt hij ons moeielijk; steeds moedig voorwaarts, de goede herder gaat ons voor en leidt ons naar den hemel.

Luister raar de stem van den goeden herder en niet naar de booze stem, als zij u verlokt en zegt: sKom, lief kind, zie eens welk een schoonen, gernakkelijken weg, hoeveel bloemen en veelkleurige steentjes, kom, verlaat uwen weg!quot; — Ja, het is dikwijls veel gemakkelijker slecht te zijn, het is veel gemakkelijker lui te zijn dan vlijtig, en soms veel aangenamer stijfhoofdig te zijn en neen te zeggen in plaats van ja! Maar kind, denk er altijd aan: de moeielijke weg, waarop de goede Herder ons voorgaat, leidt ten Hemel, en de aangename, met bloemen beplante weg welken de Booze ons toont, eindigt weldra met schrik en ongeluk. — En het is ook niet zoo moeielijk den goeden Herder te volgen, want het brave, vlijtige kind, dat dapper zijne fouten overwint, ontvangt daarvoor van

I

ocr page 89

- 83 -

den Heiland ook vreugde in zijn hart; het is dan in zijne ziel zoo gelukkig, dat hebt gij ook al reeds gevoeld, nietwaar? En hij is zulk een liefdevolle, vriendelijke Herder. Hebt gij het sc^oone plaatje al reeds gezien, waarop de lieve Heiland staat afgebeeld met den herderstaf, hoe hij op zijn schouder een lammetje draagt, hetwelk hij zoo pas uit een doornstruik heeft bevrijd ? Zie, een mensch is dikwijls evenals een onwillig lammetje; in uitgelatenheid springt het weg van den herder, het wil zijn eigen weg zoeken en klimt op de groene bergen; het vindt het daar heerlijk en wordt steeds overmoediger; plotseling springt het in een afgrond, dien het niet be merkt heeft en valt in een doornbosch en daar ligt het dan en berouwt duizendmaal zijn vermetelheid.

Zoo iets gebeurt ook het kind, dat stijfhoofdig zijn eigen wil verlangt; het zal spoedig veel kwaad hebben gedaan en dan is zijne ziel op eens zoo bedroefd en zoo ongelukkig en het denkt weer met weemoedig verlangen aan den goeden Herder. Maar deze heeft het niet vergeten. In zijn liefde en goedheid is

mM.

ocr page 90

_ 84 —

hij het verdwaalde schaapje nagegaan en roept voortdurend; eindelijk hoort het schaapje hem en antwoordt, en dan daalt hij tot het schaapje af, maakt het vrij en drukt het aan zijn hart. O, mijn kind ! als gij eens misdaan hebt, kom dan aanstonds tot andere gedachten, luister naar den goeden herder, hij is afltijd in uwe nabijheid en als gij tot hem roept en bidt; Lieve Heiland, neem mij weer op, ik zal niet meer moedwillig van u wegspringen, dan neemt hij u liefdevol en gaarne op; o, latesi wij dien goeden Herder dan hartelijk bemin nen. Amen.

23. Wonderbare spijziging.

gp zekeren dag was onze Goddelijke Verlosser met zijn leerlingen naar de woes lijn gegaan, een uitgestrekte ruimte die geheel leeg en verlaten is. In zulk een ruimte zijn geen huizen, geen boomen of struiken; Hij werd daarheen gevolgd door eene groote menigte volks, want zij wilden hem gaarne hooren spreken, en daarom zette Jesus zich neder op een berg, waar zij allen hem kon-

ocr page 91

- 85 -

den zien ^n hooren. Hij sprak tot hen en genas de zieken die tot hem kwamen. Het werd intusschen avond en de leerlingen naderden hem en zeiden; «Laat het volk thans gaan, opdat het zich in de naastbij gelegen dorpen spijs kunnen koopen.quot; — Jesus antwoordde: »Het is niet noodig, dat zij heengaan. Hoeveel brooden hebt gij? Andreas, een van de leerlingen, antwoordde: »Er is hier een knaap die vijf gerstebrooden en twee visschen heeft, maar wat is dat voor zoovele menschen!quot; Jesus beval: sLaat de menschen gaan zitten.quot; Zij deden dit ten getale van vijfduizend mannen en vele vrouwen en kinderen. Dat waren zoovele menschen bij elkaar, mijn kind, dat gij het u nauwelijks kunt voorstellen. Gij hebt wel eens een regiment soldaten zien voorbijmarcheeren, of op een marktdag vele menschen op de markt gezien; als ik nu eens een paar brooden opsneed en ieder van die vele menschen een stuk er van wilde geven, dan zouden zij volstrekt niet allen iets krijgen, het zou spoedig gedaan zijn. Nu zijn vijfduizend menschen nog veel meer dan een regiment soldaten of een markt

I

|J

ocr page 92

— 86 —

vol menschen, en toch zegt de lieve Heiland tot de leerlingen, dat zij maar gerust moeten zijn, en dat zij genoeg hadden aan de vijf brooden en de twee visschen. Jesus nam de spijzen, zag op naar den Hemel, zegende ze en gaf ze aan zijn leerlingen opdat deze ze aan het volk zouden voorzetten. Al die duizenden aten en werden verzadigd. Nu beval Jesus aan de leerlingen: «Verzamelt de overgeblevene brokken opdat zij niet verloren gaan,quot; En zij verzamelden deze en vulden er twaalf korven mede. Toen zeiden de menschen vol verbazing tot elkander; jWaarlijk, deze is de profeet, die in de wereld moet komen, om ons te verlossen.quot; — En zij wilden den Zaligmaker met alle geweld medenemen raar Jerusalem om hem koning te maken. Maar Jesus verwijderde zich en ging naar eene andere stad.

Bij deze schoone geschiedenis hoe de lieve Heiland den hongerigen menschen zoo liefderijk spijs verschafte, denkt mijn kind zeker aanstonds aan een andere geschiedenis, welke het reeds heeft gehoord. Ja, juist, ik bedoel toen de Heiland op de bruiloft van Kana

het

liefc

wan

wij

den

als

niet

lam

te

and

wa:

den

nog me: ma mo ren mij het om nie ver Lie en

ocr page 93

- 87 -

het water in wijn veranderde. Zoo zorgt Hij liefderijk en vriendelijk voor de menschen, want Hij wilde ons daardoor leeren, dat ook wij altijd aan de andere menschen moeten denken, dat wij gaarne iets moeten afgeven, als wij zelf iets hebben, aan anderen die niets hebben. Mijn kind kan den lieven Heiland daarin ook navolgen en als het iets goeds te eten heeft, daarvan iets geven aan een ander kind. Dat wilt gij gaarne doen, nietwaar, en daarbij aan den liefdevollen Jesus denken.

Maar mijn kind kan uit deze geschiedenis nog iets leeren. Let eens goed op. Toen de menschen gegeten hadden, beval de Zaligmaker aan de leerlingen, dat zij de brokjes moesten verzamelen, opdat deze niet verloren zouden gaan. Ziet gij, dat is het. Als mijn kind eet, moet het er altijd aan denken, dat het een gave Gods is, welke het heeft; daarom mag het de brokjes en kruimels volstrekt niet wegwerpen, nog veel minder het brood vertreden. Dat zou kwaad zijn, dat wil onze Lieve Heer niet; Hij laat het koren groeien en uit de aren het meel komen, en uit het

P

ocr page 94

— 88 —

meel wordt dan het brood gebakken voor alle menschen. En als mijn kind meer heeft, dan het eten kan, dan moet het dit niet verknoeien of verontreinigen, maar net en zuiver laten staan; er zijn vele hongerige menschen, of hongerige beestjes, die de overblijfsels nog gaarne opeten. En denk er wél aan: niet alleen met het brood en het andere eten moet gij zoo doen, maar met al uwe zaken. Zie eens goed rond als gij over de straat gaat. Dan zult gij menig arm kind bemerken, dat verscheurde kleedjes draagt en een beter rokje of jakje noodig heeft. Welnu, mijn kind, als gij zuinig zijt op uwe kleêren en oppast dat zij niet scheuren of dat er geen vlekken op komen, dan kunnen wij die, als gij nieuwe krijgt, nog zeer goed aan de arme kinderen schenken; maar als gij er slordig meê omgaat, uwe klèeren scheurt of vuil maakt, dan kan niemand die meer gebruiken. En zoo is het ook met de boeken en het speelgoed, dat gij hebt. Denk altijd bij u zeiven: als ik het niet meer gebruiken kan, is het misschien nog goed voor anderen daarom zal ik zorgen het niet te bederven. Dan hebt gij goed

i

II;

lil li'

ocr page 95

_ 89 -

begrepen, waarvan de Heiland het volk de brokjes leerde verzamelen. Amen.

24. De genezing van den lamme.

Goddelijke Zaligmaker trok van stad «^8 tot stad en overal, waar hij goede men-schen trof die naar hem luisterden, daar onderwees hij hen vriendelijk en liefderijk, en waar hij arme zieke vond, daar genas Hij hen door zijn Goddelijke kracht. Ik zal u daarvan nog vele schoone geschiedenissen verhalen. Onze Verlosser leerde eens in een huis van de stad Jericho, en er waren zoovele menschen in dat het geheel vol was. Toen kwamen er lieden die een zieke droegen; deze was verlamd, d. w. z. hij had geen kracht in zijn armen en beenen, hij kon niet staan of gaan. De dragers konden het huis niet binnengaan, wijl de menschen zoo dicht op elkander stonden gepakt. Daarom gingen zij naar het dak, want in het heilige land kan men op het dak komen langs een trap. Bovendien zijn de daken daar geheel plat en hebben een opening. Door deze opening nu

ocr page 96

— go —

lieten zij de draagbaar met touwen in het vertrek neer, juist vlak voor den Zaligmaker. Toen Jesus hun geloof zag, wendde hij zich vol liefde tot den armen zieke en sprak: ^Vertrouw, mijn zoon, uwe zonden worden u vergeven.quot; Maar nu waren er Phaiizeeën in huis, voorname, geleerde mannen, die bij zich zeiven dachten: »Wat doet deze mensch? Hij beleedigt God, want God alleen kan aan den mensch diens zonden vergeven.quot; Maar de lieve Heiland die m;t zijne Goddelijke oogen het binnenste van 's menschen hart doorziet, en onze gedachten kent, — al houden wij ze ook behoedzaam in ons besloten, — Hij zag ook de valsche gedachten dezer mannen. Hij wendde zich tot hen en zeide: «Waarom denkt gij kwaad in uwe harten? Wat is gemakkelijker, te zeggen: »Uwe zonden worden u vergevenquot; of: »3ta op en wandel?quot; Maar opdat gij weten moogt, dat de Zoon des menschen de macht heeft om de zonden te vergeven, daarom zeg ik uquot; — en hier wendde Hij zich wederom tot den zieke — »daarom zeg ik u: Sta op! Neem uw bed op en ga naar uw huis!quot; Aanstonds

ocr page 97

— 9i —

het stond de zieke op, nam zijn bed op en ging

ker. naar huis. En allen waren verbaasd en spraken:

zich gt;Zoo iets hebben wij nog^niet gezien!quot;

ak ; Heeft mijn kind deze schoone geschiede-

den nis nu wel begrepen ? — Gij denkt misschien

een van ja! Maar er zal toch nog veel over te

bij zeggen zijn, waaraan gij niet hebt gedacht,

ch? Let eens goed op. — De Heiland zegt tot

lan den zieke: sUwe zonden worden u vergeven!quot;

aar Waarom deed Hij dat? De arme zieke was

jke toch tot Hem gekomen om genezen te wor-

art den, en nu zegt de Heiland: »Uwe zonden

du- worden u vergeven!quot; Zijt gij daarover ook

,lo- verwonderd, evenals de geleerde mannen ?

en Zie eens, de Zaligmaker wilde ons daarmede

en een groote waarheid leeren, hij wilde ons

ir- doen begrijpen, dat een gezond, sterk lichaam

A'e voor een mensch niet de grootste schat is.

sn Zeker, het is een groot goed gezond te zijn,

at en wij wenschen het allen, maar de hoofd-

tn zaak is, dat de ziel gezond zij. De ziel is

— echter ziek en ellendig, en haar wit kleed is

:n met leelijke vlekken besmeurd, als de mensch

n misdaan heeft, als hij zonden heeft bedreven.

Is En daarom is het schoonste en het beste,

ocr page 98

— 92 —

hetwelk de goede God voor ons doen kan, dat Hij ons uit groote liefde en barmhartigheid onze zonden vergeeft, dat Hij de ziel gezond maakt en haar het stralende witte kleed teruggeeft. — Zie, mijn kind, het lichaam sterft eenmaal en wordt stof, maar de ziel — zij leeft langer, zij is onsterfelijk, zij gaat naar Onzen Lieven Heer. Nu weet gij, dat zij slechts dan den Hemel mag binnengaan, als zij zuiver en heilig is. En daarom is het schoonste en het beste wat de Zaligmaker geven kan, als hij zegt: »Uwe zonden worden u vergeven,quot; om wille van uw geloof, als loon, wijl gij u zoo gehaast hebt om tot mij te komen. Daarom genas de Zaligmaker eerst de ziel van den zieke, en daarna het lichaam, de ziel is meer dan het lichaam. — Thans gaat de Heer Jesus niet meer rond om de zieken aan te raden en hen gesond te maken. Maar nog altijd is Hij de onzichtbare Geneesheer der ziel, en als een mensch misdaan heeft, en het doet hem leed, en hij zegt in zijn hart met oprechte rouwmoedigheid: gt;0, lieve Heiland, ik ben slecht geweest, het spijt mij innig, ik zal het niet weer

ocr page 99

— 93 —

doen, maar ik wil zoo gaarne uw kind zijn!quot; dan vergeeft de Heiland, dan geneest Hij de ziel en de mensch is weer vroolijk en gelukkig, ook al heeft hij dan een ziek lichaam en al moet hij dan pijn verduren. Toen Jesus de ziel van den armen zieke had genezen, wendde hij zich tot dï menschen, die in hun hart kwaad van hem dachten. Gij weet, dat de goede God alwetend is, hij weet immers alles wat wij denken, en eveneens ziet hij wat wij doen, al hebben wij ook de deuren gesloten of al is het donkere nacht. De Heiland zeide dan tot de lieden: »Waarom denkt gij kwaad in uwe harten ? Wat is gemakkelijker te zeggen; »Uwe zonden worden u vergevenquot; of; »Sta op en wandel irquot; Maar gij zult zien, dat ik de ware Heiland ben en van den Vader in den Hemel macht heb ontvangen over de ziel en over het lichaam en daarom zeg ik tot u, o zieke: »Sta op en ga naar uw huislquot; En aanstonds stond hij op. Ja, nu moesten allen inzien dat de Heiland door God van den hemel was gezonden, dat hij Goddelijke kracht en macht had, en zij waren verbaasd en geloofden aan

ocr page 100

— 94 —

hem, En ook wij staan verbaasd en gelooven en bidden tot onzen lieven Heiland. O, lieve Jesus, al komt gij ook niet meer zichtbaar tot ons om onze ziekte te genezen, genees, wij smeeken het u onze zielen, vergeef ons onze misslagen en spreek eenmaal, als wij sterven tot onze ziel: »Sta op en kom naar uw huis,quot; want ons waarachtig tehuis is uw schoone hemel. Amen.

25. De hoofdman van Capharnaüm.

en andere maal kwam de Zaligmaker van den berg af, waar hij het Evangelie gepredikt had aan vele menschen, en er naderde hem een arme man, die melaatsch was. De melaatschheid was een verschrikkelijke krankheid, die het geheele lichaam ziek en pijnlijk maakt. Deze arme man viel voor den Zaligmaker neer en sprak: »Heer, als gij wilt kunt gij mij reinigen!quot; En Jesus strekte zijne hand uit en zeide: ilk wil, word gereinigd!quot; Daarna beval de Heiland den man, naar de priesters te gaan en hun te toonen, dat hij van zijne ziekte genezen was. Toen

ocr page 101

— 95 —

ging Jesus verder en kwam in een stad, die Capharnaüm genoemd werd. Daar was een hoofdman, die een doodzieken knecht had, welken hij een groote liefde toedroeg. Toen de hoofdman hoorde, dat Jesus naar Capharnaüm kwam, zond hij hem een bode tegemoet met de bede, dat hij zou komen en zijn knecht genezen. Toen ging Jesus met hen daarheen. Maar toen hij niet verre meer van het huis verwijderd was kwam de hoofdman zelf hem tegemoet zeggende: »0, Heer, ik ben niet waardig, dat gij komt onder mijn dak, maar spreek slechts een enkel woord en mijn knecht zal gezond worden.quot; Toen Jesus dit hoorde, wendde hij zich tot de schare die hem volgde en zeide hun: sVoorwaar, tot heden toe heb ik nog niemand gevonden die zulk een groot geloof bezat als deze hoofdman. Ik zeg u, dat al diegenen, die geloo-ven zooals hij, zullen ingaan in het rijk der 5 hemelen!quot; En tot den hoofdman sprak hij: »Ga; u geschiede gelijk gij geloofd hebt!quot; En de knecht werd gezónd op datzelfde uur. Heden, mijn lief kind, hebben wij Van twee genezingen gehoord welke Onze Zaligmaker

ocr page 102

— 96 —

II i

verrichtte. Vooral de tweede geschiedenis van ^ den hoofdman heeft u zeker goed bevallen; | niet waar? quot;Wij zullen er eens over nadenken, t 8 waarom deze geschiedenis ons zoo bevalt. Vooreerst hooren wij, dat de hoofdman een knecht had, die doodziek was en dien hij zeer liefhad. Zie, dat bevalt ons reeds! De hoofdman was voorzeker een goede, vriendelijke heer, hij beminde niet slechts zijn eigen kinderen en anderen, die even voornaam waren als hij, maar ook zijn knechts, die hem dienden. Hij zorgde voor hen en wae zeer bedroefd, als het hun slecht ging. De hoofdman had een goed, liefderijk hart, hij was voorzeker nooit toornig en zal tot zijn bedienden ook wel geen booze woorden hebben gesproken, hij gaf hun zijne bevelen zoo vriendelijk mogelijk. Toen de hoofdman vernam, dat de Zaligmaker naar zijne stad kwam, zond hij dezen boodschappen tegemoet en liet hem verzoeken, bij hem te komen. En terwijl de Heer zijn huis naderde, dacht de vrome krijgsman bij zich zeiven: »Ik ben slechts een arm, zondig mensch, ik durf den wonderdadigen Heiland niet verzoeken bij

ill ;.

I

ocr page 103

— 97 —

te komen, het zou een te groote genade en goedheid zijn.quot; Daarom ging hij den Verlosser tegemoet en sprak; »Heer, ik ben niet waardig, dat gij komt onder mi n dak, maar spreekt slechts een woord en mijn knecht zal gezond worden. Zie, dat bevalt ons wederom in den hoofdman, dat hij zoo nederig was en erkende, hoe verheven en heilig de Zaligmaker was, die in de eenvoudige gedaante eens menschen tot hem kwam. Wij moeten aan hem een voorbeeld nemen, mijn kind. De Verlosser komt niet meer zichtbaar tot ons in onze woning, maar wij mogen in zijn hiais komen, in zijn huis op deze aarde, de kerk. Als gij dus mede moogt gaan naar de kerk, vergeet dan niet, mijn kind, dat gij in Gods huis komt, waar de Heiland woont te midden van ons. Dan moeten ook wij zeggen: sHeer, ik ben niet waardig, dat ik ia uw huis kom, maak mij toch braaf en zuiver, opdat ik slechts aan u denke er\ innig godvruchtig zij in uw heilig huis. Want, mijn kind, de mensch, dis met slechte, gramstorige of andere booze gedachten in de kerk komt, zulk een mensch begaat een zonde;

Moeder. 7

van '

len; icen, /alt. een I hij S De quot; ide-gen lam die wae De hij zijn ieb-zoo ver-am,

: en En

: de ben den

bij

I

mtk

ocr page 104

98 -

hij moet zich eerst in een goede stemming brengen en godvruchtige, goede gedachten verwekken, eer hij in de kerk komt. lederen Zondag morgen als mijn kind ontwaakt moet het denken; sVandaag is een heilige dag, vandaag mag ik misschien meegaan naar het huis van God.quot; En dan moet gij bijzonder vriendelijk, gêwilllig en gehoorzaam zijn, uw morgengebed met godsvrucht verrichten, opdat gij u niet behoeft te schamen of te viee-zen, voor O. L. Heer te verschijnen. Dan verheugt zich de Heiland over zulk een braaf, nederig kind, evenals Hij zich verheugde over den braven, nederigen hoofdman en Hij maakt de ziel van het kind gezond, en sterk in het goede, zoodat het kind ijverig en voortgang maakt op den weg ten Hemel. Amen.

27. De jongeling van Naïm.

COplot nog toe heb ik u reeds meerdere öIK schoone geschiedenissen verhaald, hoe de Verlosser arma zieken gezond maakte; heden zal ik u verhalen, hoe hij den men-schen toonde, dat Hij de Heer is van leven

ocr page 105

— 99 —

en dood. Eens ging hij naar eene stad, Naïm geheeten, en met hem gingen zijne leerlingen en veel volk. En toen hij de poorten der stad naderde, zie, daar werd een doode uitgedragen. Het was de eenige zoon zijner moeder en deze was een weduwe, d. w. z. baar man was ook reeds gestorven. Weanend en jammerend ging zij achter de baar. Toen de Heer de moeder zag, werd zijn hart door medelijden bewogen eti vol liefde sprak hij tot haar: iWean niet!quot; Vervolgens trad hij nader, raakte de baar aan, ten teeken, dat de dragers moesten stilstaan. Hierop sprak de Heer tot den doode. iJongeling, ik zeg u, sta op!quot; En aanstonds stond de jongeling op en begon te spreken, en Jesus gaf hem terug aan zijne moeder. En groote vrees greep allen aan en zij zeiden; »Waarlijk, een groot profeet is tot ons gekomen. — O, mijn kind, denk toch eens welk een blijdschap die moeder zal gevoeld hebben! Zooeven nog ging zij weenend en klagend achter de baar, ge-hsel alleen — zij had in de wereld niemand meer, en men droeg haren eenigen zoon, dien zij zoo innig bad bemind, naar het graf.

A

rnètM

ocr page 106

- IOO -

En zie! Daar komt de Goddelijke Verlosser en spreekt zijn machtig Goddelijk woord: «Jongeling, ik zeg u, sta op!quot; — En hij staat op en is gezond en vroolijk, en zijne moeder kan hem weer vreugdevol medenemen naar haar huis. — Denk eens, hoe verheugd zij met hem naar huis zal zijn gegaan, zij, die zoo bedroefd was gekomen, en hoe zij onzen Heiland zal bedankt hebben. En allen waren zoozeer aangegrepen door verbazing, dat zij vreesden. Ja, zij begrepen wel, dat hij die kon zeggen: sjongeling sta op!quot; — geen gewoon mensch was, maar dat slechts de Zoon Gods zoo iets kon zeggen. Menig kundig dokter heeft met veel moeite en met behulp van geneesmiddelen een zieke gezond gemaakt, al deed hij het ook niet, evenals de Verlosser door den zieke alleen aan te raken. Maar de geleerdste en bekwaamste geneesheer kan met al zijn medicijnen geen doode in het leven terugroepen, dat kan alleen de almachtige God; hij geeft den men-schen het leven, hij stort het den kleinen kinderen in, hij gaf het ook aan Adam, den eersten mensch; en de lieve God neemt ook

ocr page 107

— 10 r —

het leven weer als hij wil. Als hij roept, bezwijkt het lichaam, en de ziel stijgt op naar God. Geen mensch kan haar weerhouden of in het doode lichaam terugroepen; dat kan alleen God zelf, zooals de Verlosser ons dat toont in onze schoone geschiedenis. En de omstanders werden bevreesd, want zij wisten zeer goed, dat hij, die tot den doode kon zeggen: gt;Jongeling, ik zeg u, sta op!quot; dat hij ook de macht had om tot ieder hunner te zeggen: »Ik wil, dat gij sterft.quot; En daarom waren zij vol vrees en verbazing. Maar later, toen zij den lieven Heiland beter leerden kennen en wisten, dat hij den hemel voor hen wilde openen, toen vreesden zij niet meer voor de stem Gods en ook wij vreezen die niet. God is immers onze Vader en zijn lieve Zoon, onze Verlosser, Jesus Christus, heeft ons den hemel weer geopend, die door de groote zonden der menschen gesloten was. O ! wij vreezen niet, als God roept: »Kom tot mij!quot; Wij gaan dan gaarne, wij weten immers, dat het daar veel schooner is dan hier op aarde. Wij moeten slechts daaraan steeds denken, dat het kleed der

3 er

d:

lat

De

en

gd

zij,

zij-

•

en

hij

en

de

in

te

nd

als

te

ste

ïen

al-

en-

len

[en

)ok

ocr page 108

ziel wit en onbevlekt moet zijn, want bij God is niets onreins, bij God mag niets bevlekt zijn. En als mijn kind lust gevoelt om ondeugend of ontevreden te zijn, dan moet het denken; Onze Lieve Heer kan mij iederen dag roepen, ik wil zorgen mijne z:el niet te bevlekken, warit dan zou h j mij niet kunnen opnemen in zijn schoonen hemel. Amen.

28. De acht-en-dertigjarige zieke en de dochter van Jaïrus.

igpFeden zult gij weer een schoone geschie-iagL denis hooren van den wonderdadigen Heiland. Die hoort gij gaarne, nietwaar, en gij bewaart die ook in uw geheugen en denkt er dikwijls aan, gedurende den dag en des avonds als gij in uw bedje ligt. Eens was de Zaligmaker in de groote stad Jerusalem; daar bevindt zich een vijver, dien men den'schaaps-vijver noemde. Rondom den vijver lag een groot gebouw met vijf galarijen en in deze galarijen lag een menigte lammen, blinden, dooven en andere zieken. Op een bepaalden tijd daalde namelijk een engel des Heeren

ocr page 109

— lc3 —

in den vijver af en bracht het water in beroering. Hij die na beroering het eerst in het water kwam, werd genezen, al was hij ook nog zoo ziek. Nu bevindt zich daar een • man die acht en dertig jaren ziek was; dat \ i

is een lange, zeer lange tijd, gij kunt het u nauwelijks voorstellen, want gij zijt een klein jongetje (meisje), maar gij kunt u toch voorstellen, dat gij eenmaal groot zult worden en steeds zult toenemen in jaren, totdat gij ten slotte zoo oud wordt als moeder en vader. Denk nu eens: die arme man was reeds zoo oud geworden en voortdurend ziek en ellendig geweest; hij steunde op twee krukken en kon zich nauwelijks bewegen.

Toen Jesus d-^zen man zag, sprak hij vol Kefde tot hem; »Wilt gij gezond worden fquot; De zieke antwoordde: igt;Heer, ik heb niemand die mij in het water dompelt, als het in beroering is, en voor dat ik er met mijn krukken in ben, is een ander mij reeds voor.quot;

Toen sprak Jesus tot hem: jSta op, neem uw bed op en ga.quot; En aanstonds, stond de zieke op, nam zijn bed en ging vol vreugde en dankbaarheid henen.

U

ocr page 110

O mijn kind, bemint ook gij deze liefdevollen Heiland, die de arme zieken zoo vriendelijk en liefdevol hielp? Nooit werd hij vermoeid, hij zag niet op tegen een langen weg, tegen slecht weer, tegen honger of dorst, hitte of koude; hij trok voortdurend verder, van de eene stad naar de andere, want hij wilde alle menschen in het geheele land deelachtig maken aan zijn leer en zijn Goddelijke hulp. Zoo was de Heiland op zekeren dag aan het meer, toen een man tot Hem kwam, met name Jaïrus. Deze viel Jesus te voet en smeekte hem dringend: iHeer, ga toch met mij mede, want mijne dochter is ziek; als gij niet komt om haar te helpen, zal zij zeker sterven.quot; En Jesus ging met hem mede, en veel volk vergezelde hen, zoodat er rondom de Verlosser een gedrang ontstond. Onder die menschen bevond zich een zieke vrouw, die sinds Vele jaren ziek was en door geen enkelen geneesheer geholpen kon worden; zij had reeds veel geld betaald aan de geneesheeren, maar was niet gezond geworden. De vrouw dacht bij zich zeiven: Als ik slechts den zoom van 's Hee-

ocr page 111

— 105 —

6

ren kleed aanraakt, zal ik genezen zijn. En inderdaad! zoodra zij zijn kleed aanraakte was zij gezond. De Zaligmaker wendde zich echter om en sprak; «Wie heeft mij aangeraakt?quot; — Sidderend kwam de vrouw nader, viel Jesus te voet en verklaarde ten aanhoore van geheel het volk, hoe zij gezond was geworden. De Verlosser sprak vol liefde tot haar: »Mijn dochter, uw geloof heeft u behouden, ga in vrede.quot; — Terwijl hij nog met de vrouw sprak, kwam een der dienaren van Jaitus, die den Heiland gebeden had, tot hem te komen en sprak tot dezen: s Uw dochter is zooeven gestorven, maak het den Meester dus niet langer lastig.quot; De arme vader verschrok ten zeerste, maar Jesus sprak tot hem: «Vries niet, geloof slechts en uwe dochter zal leven.quot; — Toen nu Jesus het huis binnentrad, vond hij daar eene menigte lieden, welke de doode beweenden en luid jammerden, en hij sprak tot hen: »Waarom weent gij lieden? Het dochtertje is niet dood, maar slaapt.quot; — Zij echter bespotten hem, want zij wisten, dat het kind gestorven was, en zij dachten niet, dat de Heiland gekomen

fde-ien-/er-reg, irst, Ier,

hij eel-1de-ren !em ; te

ga

r is ien, net oo-ing ich iek 10I-be-liet ich ee-

I

ocr page 112

— io6 —

was om het weer op te wekken. Jesus deed nu al de menschen verwijderen en ging met de ouders en eenige zijner leerlingen in het vertrek waar het meisje lag. Hij kwam bij het doodsbed, vatte het meisje bij de hand en sprak: sDochtertje, sta op!quot; En aanstonds stond het meisje op. En allen die tegenwoordig waren geloofden aan den Verlosser en loofden en beminden hem. En ook wij, nietwaar, ook wij hebben den lieven Jesus hartelijk lief, en mijn kind wil dezen liefderijken Heiland zeker gaarne vreugde verschaffen en ook zoo zachtzinnig en liefderijk zijn met allen, waarmede het omgaat. Een goed, vrien delijk, liefderijk kind, is een recht Godskind zooals de lieve Heiland wil dat het zijn zal.

28. De storm op zee.

Tfcp zekeren keer voer de Verlosser met zijn leerlingen over de zee. Jesus sliep. Plotseling ontstond een hevige storm en slin gerde het scheepje heen en weer. De leerlin gen worden bevreesd, wekten de Verlosser en zeiden: «Heer, help ons.quot; Jesus echter

ocr page 113

— 107 —

sprak tot hen: »Wat zijt gij bevreesd, klein-geloovigen!quot; — En hij gebood aan den wind en den storm en oogenblikkelijk ontstond er een diepe stilte. Hoe zien wij hier nu den lieven Heiland ? Heden zien wij hem niet als den wonderbaren geneesheer, die de zieken gezond maakt, of de dooden opwekt, of als 2r en den liefdevollen uitdeeler van brood en wijn; heden zien wij, hoe zijn goddelijke kracht ook gebiedt aan den storm en de zee. Zie, mijn kind, tegen de groote krachten der natuur, tegen storm, vuur, en water is de mensch dikwijls geheel hulpeloos en hij heeft geen macht om die te bestrijden. God alleen is

1 * J.'

Kina jjggj. over geijeeie natuur. Hij, die alles 1 heeft geschapen, voert ook over alles het beheer. Hij laat de zon schijnen op haar tijd en den regen; hij laat den donder rollen en den storm opsteken, en hij alleen kan ook »haltquot; gebieden, als het op aarde en in het water weer stil moet zijn. Daarom, mijn kind moet gij niet vreezen als het onweert, als het bliksemt en de donkere wolken langs den hemel jagen. In den donder hooren wij de stem Gods en in de bliksemstraal zien wij

deed met i het n bij hand tonds voor-

niet-har-■ijken in en met 'rien-

met sliep 1 slin erlin osser chter

ocr page 114

— io8 —

zijne heerlijkheid schitteren. Dan moeten wij tot hem bidden, maar geen vrees koesteren, want wij zijn in Gods hand en deze leidt de bliksemstralen. De bliksem is goed en zuivert de lucht als deze te heet en Ongezond is. En na het onweer is de aarde zoo ver-frischt, het gras ontspruit met nieuwe kracht, de bloemen geuren; en als gij dan in den tuin komt, bemerkt gij aanstonds, dat de lieve God niet gramstorig geweest is, maar zegen heeft verspreid. En als mijn kind des avonds alleen in zijn bedje ligt in het donkere- vertrek, en daarbuiten de storm huilt en in den schoorsteen giert en de blinden doet kloppen, dan moet gij ook niet vreezen omdat het zoo akelig klinkt. De lieve God zendt den storm, deze is zijn groote zuiveraar; deze veegt land en straten eens behoorlijk schoon en verdrijft uit de lucht en op den grond al wat ongezond en slecht was, en daarom moet de wind blazen in alle hoeken en tegen muren en vensters aanslaan, opdat geen plekje ongereinigd blijve. Mijn kind moet altijd denken: het is het werk van den lieven God. Hij zendt den storm. Ik

ocr page 115

* — 109 —

T

mag niet vreezen want hij houdt over mij altijd een wakend oog. Zie, evenals destijds op het meer, zoo gebiedt de Heiland ook thans aan den storm, als het tijd is. Hoe j groot en machtig is God toch! Overal —

waar wij onzen blik ook heenwenden, spreekt 'jr

de natuur ons daarvan; de vogels zingen vroo-lijk Gods lof, de geur der bloemen, het ge-ruisch van de boomen in het woud, het geklater van fonteinen en watervallen, de glans der zon, dat alles verkondigt ons dagelijks, hoe groot en goed de lieve God is! Maar de storm en de watervloed roepen ons toe; hoe machtig is God, hoe moeten wij, zwakke menschenkinderen hem dienen, tot hem bidden en ons best doen, om zijn almachtigen wil te volbrengen. Hoe gemakkelijk kan hij die den wilden storm gebiedt, ook mij, zwak menschenkind, vernietigen als hij wil! Maar hij is immers ook een goede en liefderijke Vader, hij beschermt zijne kinderen en die hem volgen, hebben niets te vreezen, want hij beschermt hen in alle gevaren. En als zijne gehoorzame kinderen evenals de leerlingen tot hem roep-en: » Heer, help ons,quot; dan

ocr page 116

— no -

helpt hij ons nog heden even liefderijk als toen in het schip. Mijn kind, ga nimmer rn Gods heerlijke schepping daarbuiten, in het groene bosch, op de bonte weide, in den helderen zonneschijn, in storm of regen, zonder te denken aan hem, die dit alles heeft geschapen! Al zijne werken spreken van hem gij moet echter goed opletten, dan zult gij het begrijpen. Amen.

iln

een z zijne was, ' tiendu groots had i beval te ve vrouv (dsn voor gedul — T knect heele zijn knecl dig. greef en z( Zijn hem aal i wild*

29. Yan den onbarmhartigen knecht. f

^lg^ens waren wederom vele menschen om den Zaligmaker vereenigd en hij verhaalde hun, volgens zijne gewoonten een geschiedenis; men noemt zulk een geschiedenis een gelijkenis. De Heiland vergelijkt in deze geschiedenis zijn hemelschen Vader met een koning en de menschen met de knechten van dezen koning. Zulk een gelijkenis nu verhaalde de Heiland aan de menschen niet louter voor hun genoegen, maar opdat zij daaruit ernstige en noodzakelijke leerlingen zouden putten, zooals ook wij zullen zien.

De lieve Heiland zeide dan:

ocr page 117

— Ill —

gt;In het hemelrijk gaat het, evenals met een zeker koning, die afrekening hield met zijne knechten. Terwijl hij daarmede bezig was, bracht men er een voor hem, die hem tienduizend talenten schuldig was, dat is een groote menigte zilver en goud. Maar de knecht had niets om zijn schuld te betalen. Toen beval zijn heer hem, heen te gaan en alles te verkoopen, wat hij bezat, zijn huis, zijn vrouw en kinderen en dan het goud aan hem (den heer) te geven. Toen viel de knecht j voor zijn heer op de knieën en sprak: «Heb geduld met mij en ik zal u alles betalen.quot; — Toen ontfermde de heer zich over den knecht, liet hem los en schold hem de ge-heele schuld kwijt. Maar toen de knecht van zijn heer wegging, trof hij een zijner medeknechten; deze was hem eveneens geld bchul-dig, maar slechts een zeer geringe som. Hij greep den armen man aanstonds bij de keel en zeide: «Betaal, wat gij schuldig zijt. — Zijn medeknecht viel hem te voet, en smeekte hem dringend: »Heb geduld met mij en ik zal u alles betalen. ' Maar de eerste knecht wilde niet, doch ging heen en liet hem in de

ocr page 118

gevangenis werpen, totdat hij de geheele Idn

schuld zou hebben betaald. Toen nu de zijl

overige knechten dit zagen, werden zij zeer zal

ontstemd en verhaalde het hunnen heer. Daar- de op riep de heer den onbarmhartigen knecht 1 de

bij zich en sprak: sBooze knecht, de geheele afi

schuld heb ik u kwijt gescholden, wijl gij scl

mij gesmeekt hebt; moest ook gij dan niet ca

barmhartig zijn jegens uwen medeknecht, ge- zij

lijk ik barmhartig was jegens u?quot; En vol Oi

toorn liet hij den onbarmhartigen knecht in He

een duisteren gevangenis werpen, totJat hij du

alles zou hebben betaald. de

Deze geschiedenis hebt gij nu goed be- ga

grepen, nietwaar, mijn kind ? en met de an- d«

dere knechten zijt gij bedroefd over het ge- vt drag van den onbarmhartigen knecht, die

zijn medeknecht in de gevangenis wierp, of- d(

schoon deze hem slechts een kleine som er schuldig was. Foei, zeggen wij, de koning gt; ki

was kort te voren zoo barmhartig geweest en sl

bad deze knecht zulk een groote som kwijt- o;

gescholden, en de knecht kon zoo onbarm- »quot;

hanig zijn jegens zijn medeknecht 1 Foei, t« welk een slecht menschl En dan denkt mijn _ g

ocr page 119

— ii3 —

kind verder; »Zoo slecht zou ik toch nooit zijn.quot; — Maar let nu eens goed op; thans zal ik u deze geschiedenis verklaren, zooals de Zaligmaker haar heeft bedoeld. Zie eens; de koning, van wien hij spreekt, is God; de afrekening, het oordeel Gods over de men-schen, en de schuld, welke de knecht had, cat zijn de zonden der menschen, want deze zijn een groote schuld, welke wij hebben bij Onzen lieven Heer. God is zulk een goede, liefdevolle Vader en toch doet mijn kind gedurende den dag dikwijls iets, wat den goeden God bedroeft, en als het 's avonds dan gaat slapen en eens goed overdenkt hoe het den geheelen dag is geweest, dan zal het veel vinden, waarvan het meet zeggen; »Ach lieve Heer, ik heb niet goed géhan-deld; ik ben grootelij ks schuldig in uw oog en verdien daarvoor straf.quot; — Maar als het kind dan oprecht leed heeft over zijn misslag en schuld en het bidt den goeden God om vergiffenis en het zegt evenals de knecht: »Lieve Heer, heb geduld met mij, ik zal beter oppassen,quot; dan vergeeft de goede God gaarne en grootmoedig al wat het kind mis-Moeder. 8

ocr page 120

daan heeft en ziet het wederom vriendelijk aan als zijn kind. Maar als het kind nM den volgenden morgen is opgestaan en met zijn speelmakkers te zamen is gekomen, dan begint er misschien spoedig een twist. Een ander kind is wellicht ondeugend, neemt u iets af, slaat u, of wil niet met u spelen. Aanstonds wordt gij boos en begint gij te twisten; misschien slaat gij zelfs terug, of gij gaat geheel vertoornd, het ander kind aanklagen: »Ket is ondeugend geweest, het heeft mij geplaagd en moet straf hebben.quot; — Zie, doet gij nu niet hetzelfde als de booze knecht? Hij vond het ook zeer aangenaasm, dat men hem vergiffenis schonk, maar hij zelf Wilde zijn medeknecht geen vergiffenis schenken. Maar toen dan ook zijn onbarmhartigheid den koning ter oore kwam, toen werd deze toornig en strafte den knecht zoo gestreng, als deze verdiend had. Zie, mijn kind, God, de liefdevolle vader, Jesus, de vriendelijke Heiland, zij schenken gaarne vergiftenis aan kinderen, die spijt heliben over hatgeen zij heb ben misdaan, maar zij willen ook vreedzame, vriendelijke, geduldige kinderen zijn, die ook

ocr page 121

— quot;5 —

gaarne aan anderen vergeven en meegaande zijn. Leer daarvan uit deze gelijkenis het volgende: God is oneindig goed en barmhartig, maar hij wil, dat ook wij zachtzinnig en vriendelijk zijn, want ook voor allen die zich overgeven aan toorn, drift en ongeduld blijft de deur des Hemels gesloten. Amen.

30. De gelijkenis der tien maagden.

SjlSyje lieve Heiland heeft ons zoovele para-beien oT gelijkenissei. verhaald, waaruit wij iets kunnen leeren. Heden zal ik u wederom een nieuwe en zeer schoone parabel verhalen. »Er waren eensquot; zoo sprak de Verlosser tot het volk, ïtien maagden; vijf daarvan waren wijs en vijf dwaas. De vijf dwazen namen wel hunne lampen mede, maar geen olie, de verstandigen daarentegen namen behalve hunne lampen, ook olie mede. De maagden gingen naar een vroolijk bruiloftsfeest. Toen de bruidegom lang uitbleef, werden zij slaperig en sliepen in. Te middernacht werden zij plotseling gewekt door het geroep: Zie, de bruidegom komt, gaat

ocr page 122

— 116 —

hem tegemoet. Toen stonden al de maagden ^ee' op en ontstaken hunne lampen. De dwaze

echter spraken tor de wijze; »Geeft ons van goe'

uwe olie, want onze lampen gaan uit.quot; Maar len de wijzen anrwoordden: »Neen, want dan hebben wij zelf misschien niet genoeg.quot; Gaat

liever wat olij koopen! Terwijl zij nu henen- aar'

gingen kwam de bruidegom; zij, die bereid ver

waren, gingen met hem de bruiloftszaal bin- ^et:

nen en de deur werd gesloten. Nu kwamen Pra

ook de andere maagden, kloppen en riepen: :ier

»Heir, Heer, doe ons open!quot; Maar hij ant- w0

woordde: jZoo waar, ik zeg u, ik ken u nietlquot; sc^

Waakt en bidt dus, zegt de Heiland aan het zl3

einde dezer geschiedenis, want gij kent dag 1113

noch uur.quot; — g6'

Hebt gij nu al eens bij u zeiven nagedacht 1116

wat deze gelijkenis zou kunnen beteekenen, Da mijn kind? Een klein weinigje hebt gij wel nagedacht, nietwaar? Maar gij weet niet juist

of gij goed hebt gedacht. Komaan, ik wil u zl3

helpen, als gij goed oplet; dan zult gij het vr

ook leeren begrijpen. De lieve Heiland spreekt c'v

van tien maagden, van weike vijf wijs en br

vijf dwaas waren. Deze tien maagden ver- m

ocr page 123

— li; —

beelden de menschen en de bruidegom op wien zij wachten is de Heiland zelf, die de goede en wijze menschen in den hemel willen binnenvoeren. De tijd, gedurende welken de maagden op den bruidegom wachten, is het leven. De goede God nu heeft ons op aarde geplaatst, opdat wij den hemel zouden verdienen, dat weet gij reeds. De hemel is het groote, heerlijke bruiloftsmaal, met een pracht en een glans, zooals wij ons niet kunnen voorstellen. Maar al deze heerlijkheid wordt slechts het deel van de goede menschen, van hen, die er altijd aan denken, dat zij haar moeten verdienen. Nu waren er vijf maagden, die hunne lampen met olie hadden gevuld, zoodat zij helder brandden, en daarmede den Bruidegom tegemoet wilden gaan. Dat zijn de goede menschen; de lamp, die helder brandt, is de ziel, die vervuld is van deugd en alle goede eigenschappen, zoodat zij schittert in het kleed der onschuld en een vreugde is voor den lieven God. De vijf dwaze maagden hadden wel hunne lampen bij zich, maar geen olie. Dat zijn de trage menschen, die het al te ongemakkelijk vin-

ocr page 124

— 118 —

den, altijd te doen, wat hun zwaar valt. Deze versieren hunne ziel met deugden en goede daden, zij planten geen bloemen in hun he-meltuintje, zij denken altijd: »Ach, vandaag zal ik nog maar eens doen, wat mij gemakkelijk valt, maar morgen begin ik, en dan zal ik vlijtig en gehoorzaam zijn, en den ge-heelen niet doen, wat ik wil, maar wat ik moet.quot; Maar als de morgen komt, stellen zij hun verbetering uit tot overmorgen, en zoo gaat he: voort, en de dagen worden weken, de weken maanden, de maanden jaren on het leven vervliegt, en zij komen er niet toe, hnnne ziel te versieren, deze blijft leeg en dwaas. — sHet duurde echter zeer lang voordat de bruidegom kwam,quot; zegt de Zaligmaker verder, »en zij werden allen slaperig en sliepen in,quot; d. w. z. het leven liep ten einde en zij stierven. »Daar werden zij plotseling gewekt door het geroep: ! de bruidegom komt; op, hem tegemoet!quot; Dat is de roepstem Gods tot de ziel, die voor hem moet verschijnen. »Toen ontstaken de wijze maagden hunne lampen en deze brandden helder.quot; — Gij weet: als wij sterven, kunnen wij onze schoone

ocr page 125

— lig —

kleederen, en al de sieraden van ons lichaam niet medenemen, want ons lichaam gaat niet mede naar God, alleen onze ziel; daarom kan alleen het sieraad van onze ziel ons dienen, namelijk het goede, dat wij hebben gedaan. — sOok de dwaze maagden namen hunne lampen, maar zie, zij brandden niet; nu hadden zij gaarne olie geleend van de wijzen, maar deze zeiden: sHet gaat niet, wij hebben geen olie genoeg voor ons en voor u, gij hadt olie moeten koopen.quot; Daarop wilden de dwaze maagden inderhaast olie gaan koopen. Ja dan, als Onze Lieve Heer roepf, dan zullen zij, wier lampen brandden, wier zielen vervuld zijn en versierd door een godvruchtig leven, vol vreugde komen toesnellen. En de dwazen, die niets hebben, die niets kunnen toonen, zij zullen jammeren en klagen en op eenmaal alles willen inhalen. Maar dat gaat niet, zij hebben den tijd verzuimd, den geheelen, langen levenstijd, die bestemd was, om braaf en godvruchtig te zijn, om olie in de lamp te doen. Zij loopen heen en weer en willen nog iets doen, en als zij dan terugkomen, is

;{

ocr page 126

— 120

de stem gesloten, en de bruidegom, de Hei- het d land, roept hun toe. gt;Ik ken u nietlquot; — O, maar mijn lief kind, denk toch recht dikwijls aan bed 1 deze ernstige geschiedenis. Het zal voor de de ir dwaze maagden, die daarbuiten staan te kla- Gij 1 gen, verschrikkelijk zijn, maar al hun geschrei • nietv helpt dan niets meer, de tijd, hun door God maa: gegeven, is voorbij. Kind, lief kind, gebruik wore den tijd, doe olie in uw lampje, versier uwe ^ ziel, zeg niet: ik zal morgen beginnen, maar hem begin op dit oogenblik en denk altijd aan lievi het woord van den Zaligmaker: »Waakt en »Gé bidt, want gij kent dag noch uur,quot; d. w, z. den wij weten niet wanneer Onze Lieve Heer ons eer1 roepen zal, of het nog lang zal duren of wel als spoedig tijd zal zijn. Wij moeten ons altijd gec bereid houden, anders gaat het ons, evenals Go de dwaze maagden. — Daarom, mijn kind, wii laat uw lampje altijd helder branden! Amen. Gc __ee

SC

31. Het onze Yader. I.

sp

mot nog toe, mijn kind, hebt gij altijd een zc

klein' gebed tot den goeden God ge- g'

richt en dat is een schoon gebed. Gij moet al

ocr page 127

Hei- het dan ook voortdurend nog blijven bidden, ~ O, maar gij moet nu ook het allerschoonste ge-aan bed leeren, dat onze lieve Heiland zelf aan Ir de de menschen geleerd heeft, het Onze Vader. : kla- Gij hebt het reeds meermalen hooren bidden, :hrei | nietwaar? maar gij kent het nog niet goed; God maar nu mijn kind zoo langzamerhand groot wordt, zal het dit ook van zelf leeren.

Wij bidden dan: »Onze Vader, die in de hemelen zijt!quot; — Dat begrijpt gij, onzen lieven Vader in den hemel kent gij goed. »Geheiligd zij uw naam,quot; d. w. z. als gij van den goeden God spreekt, moet gij altijd met eerbied aan hem denken; het is zeer leelijk ' als een kind zich aanwendt, ieder oogenblik gedachteloos uit te roepen: rAch, God!quot; — Gods naam is hoog en heilig daar moeten wij altijd aan denken. De engelen durven Gods naam nauwelijks noemen, alleen uit eerbied; hoeveel te meer moeten dan de menschen dien naam nederig en godvruchtig uitspreken. Alles wat God heeft geschapen, zon, maan en sterren, de groene boomen, het glinsterende water, de bloemen en het gras, alles roept ons Gods naam toe. In zijn naam

'i i

ocr page 128

122

worden de kleine kinderen gedoopt, en iemand sterft, zeggen zij, die bij hem biddi »Vertrek inden naam Gods naar een bet wereld. ^Geheiligd zij uw naam,quot; d. w. ieder spreke Gods naam slechts uit met vro gezindheid en met liefde tot den grooten Gi »Ons toekome uw rijk,quot; voegt dan ven in het Onze Vader. Wat is dat nu voor e rijk Gods, dat ons, volgens ons verlang aamp;l toekomen? Gij meent aanstonds, den hen; Ja, de hemel is ook het rijk Gods, maar ee moeten wij een ander rijk Gods betreden, is op aarde nog een rijk Gods, dat tot c komt. als wij er ons moeite toe geven. 1 rijk Gods op aarde is het goede. Al 1 goeds komt van God. God bemint het goe en haat het slechte. — Denk eens goed r als gij eens een dag braaf, gehoorzaam vriendelijk zijt geweest, zoodat uwe oud( zich over u verheugden, dan zijt gij blij uw hart, dan gevoelt gij u gelukkig. Gij 2 zoo vroolijk gestemd — Nietwaar? Dat schoon. Zie, dan hebt gij !:et rijk Gods u. Bid daarom altijd godvruchtig: gt;Ons tc kome uw rijk!quot; Als gij voor uw hemeltuin

ocr page 129

— 123 —

schoone bloemen kweekt, als gij het glanzende kleed uwer ziel onbevlekt bewaart, als gij den geheelen dag gehoorzaam zijt, dan, mijn kind, is het rijk Gods op aarde bij u, en die het rijk Gods op aarde bij zich heeft, die komt ook zonder twijfel in het rijk Gods, in den hemel.

Wij bidden verder; »Uw wil geschiede op aarde als in den Hemel.quot; — Wat is dat suw wil?quot; — Kent gij den wil Gods ? Ja zeker, kent gij hem, gij weet wel, daar in uw binnenste, daar is een stem, die altijd, wanneer gij iets verkeerds doet, zegt: gt;Laat dat, het is verkeerd; doe het goede, wat u bevolen is.quot; Zie, dat is Gods wil, welke de stem bedoelt. God wil, dat gij het goede doet. God wil, dat gij hem liefhebt; hij wil, dat gij zachtzinnig en liefdevol zult zijn, evenals de Heiland zelf het was. God wil, dat gij uwe ouders gehoorzamen zult, dat gij gaarne iets mededeelt van hetgeen gij hebt. Hij wil, dat gij vriendelijk en vreedzaam zult zijn jegens uwe medegezellen, en dat gij u nooit iets zult toeeigenen wat u niet toebehoort. Zie, dat is de wil Gods. En daar mijn kind

. en als n bidden: ;n betere d. w. z. et vrome ' ten God. i verder 'oor een erlangen, n hemel, ar eerst :den. Er tot ons n. Dat Al het t goede ed na : im en ouders Jlij in 'ij zijt Dat is ds in s toe-bintje

ocr page 130

nu zeker wel geleerd zal hebben, de sten zijn hart te verstaan, weet het ook altijd de wil Gods is. »Uw wil geschiede,quot; bid wij, »op aarde als in den Hemel.quot; —

In den hemel geschiedt Gods wil name altijd': de engelen en de heiligen doen n wat verkeerd is, zij vervullen altijd alles de goede God bevolen heelt, zoo volma mogelijk, en wij menschen moeter ons zei alle moeite geven, om den wil Gods op zelfde wijze te volbrengen, als de engeler den hemel. Dat beteekent; Uw wil geschi op aarde als in den hemel quot;

Verder bidden wij; »Geef ons heden dagelijksch brood.'' — »Ons dagelijk brood,quot; daarmede bedoelt de Verlosser i slechts het brood, dat wij eten, hij me daarmede spijs en drank, woning en kleedi alles wat wij noodig hebben om te le\ Misschien denkt gij nu bij u zeiven; moe heeft zooveel eten in huis en ik heb zoos kleederen, waarom moet ik er dan nog bidden? En toch, mijn kind, dat moet Zie, dat alles komt van den goeden God, God, die het gegeven heeft, kan het ook

ocr page 131

:tn in der nemen; hij kan de rijken arm maken,

i wat hij kan de veld- en boomvruchten verwoes-

dden ten, zoodat er niets groeit, want hij alleen geeft ieder jaar den wasdom, den regen en

lelijk de zonneschijn, hij schept en behoudt alles,

niets maar hij kan het ook nemen en vernietigen,

wat wij hebben niets zonder den wil Gods en

aakt daarom moeten wij iederen dag blijven bid-

Iven den: Geef ons heden ons dagelijksch brood,

de- En de Verlosser wil ons daarmede ook nog

n in leeren, dat wij het brood naar waarde moe-

iede ten schatten, het niet wegwerpen en verkwisten, want het is een gave Gods. Hiermede

o/is zullen wij vandaag eindigen, den volgenden

:sch Zondag zal ik u verdere verklaring geven van

niet het schoone gebed des Heeren, »het Onze

;ent Vader.quot;

ng,

en.

der 32. Het onze Yader. II.

eel ij weet nu reeds, mijn kind, wat gij den-om «ïigy ken moet, als gij het begin van het sU- Onze Vader uitspreekt; nu willen wij ook en zien of gij weet, wat het beteekent; »En verve- geef ons onze schulden.quot; — Onze schulden.

ocr page 132

126

dat is namelijk de zonde, het kwade, hetw de menschen doen. Onze Lieve Heer is : oneindig goed, mijn kind; alle dagen zc hij voor ons, hij laat de zon opgaan, op zij ons beschijne, hij Iaat den rsgt;gen vall opdat, de dorre velden verfrischt worden ons goede vruchten opleveren, hij geeft i een gezond lichaam ; hij maakt, dat gij vr lijk rond kunt springen, dat uwe oogen hel en scherp zien, dat uw oor kan hooren, gij kunt denken en begrijpen. Hij helpt lt; ook. als hij, om ons te beproeven, ziekte droefheid overzendt. Want als Onze Li Heer een gezond, vroölijk kind ziek 1 worden, dan wil hij zien, of dat kindje ( geduldig kan zijn, of het iets geleerd hlt; van den lieven Heiland, die zoo geduldig zachtmoedig was en alle smarten verdrc zonder te klagen. En dan wil 0;:ze Li Heer aan zulk een kindje toonen, dat de zondheid een schoon en kostbaar geschi is. Als gij zoo vroolijk aan het spelen en niets u pijn doet, dan denkt gij allicht u zeiven: dat behoort zoo, dat is volsti niets bijzonders. Maar als gij in uw be

ocr page 133

ligt en pijn hebt en zoo gloeiend heet en ziek zijt, dan denkt mijn kindje aanstonds: gt;Hoe gelukkig was ik toch toen ik gezond was!quot; en dan erkent gij, dat het iets zeer goed en schoon is, als Onze Lieve Heer u en gezond laat zijn. Zoo, mijn kind, is Onze ons Lieve Heer altijd onze goede, liefdevolle va-roo. der, die het zoo goed met ons meent, als Ider hij ons geluk en ook als hij ziekte of droefheid overzendt. En voor dezen goeden, liefdevollen vader zullen wij nu ook goede, dankbare kinderen zijn, nietwaar? Als wij dat niet zijn, als een kind eigenzinnig, ondeugend, lui, slordig, en onbeleefd is, dan gedraagt het zich tegenover Onzen Lieven Heer volstrekt niet zooals het behoort, dan beleedigt het hem en laadt daardoor schuld of zo;.de op zijne ziel. En daar de menschen voortdurend vergeten aan den goeden God te denken, en zoo dikwijls misdoen, heeft de lieve Heiland hen geleerd, alle dagen te bidden: gt;En ve.geef ons onze schulden.quot; Daarbij moeten wij goed nadenken over hetgeen wij hebben misdaan en er hartelijk spijt over gevoelen; het moet ons droefheid verooraa-

ocr page 134

128

ken en wij moeten ons zeiven uit ganse? harte voornemen, het den volgenden di welke God ons zal schenken, niet weer doen. En als wij dan zoo hartelijk bidde sVergeef ons onze schulden'' en het spijt c en wij willen ons zeiven, zoo gaarne verl teren, dan schenkt Onze Lieve Heer ook wlt; vergiffenis; hij vergeeft u evenals mama v giffenis schenkt, als gij haar braaf er ( vraagt, en neemt u dan weder aan als z lief kind.

Bij deze bede voegen wij nog de volgenc »gelijk ook wij vergeven onzen schuldenar( Dat begrijpt gij zeker niet goed. Let daarc eens goed op, dan zult gij het spoedig 1 grijpen. Wie »is onze schuldenaar?quot; Zie ee gij weet wat het zeggen wil, als gij schi hebt voor onzen Lieven Heer, nietwaar? Z gebeurt het ook, dat de eene mensch schi heeft jegens den anderen, het eene kind jeg£ het andere. Als gij bijv. braaf en vriendel waart en een ander kind was ondeugend genover u, zoodat het u sloeg of stootte, iets van u wegnam, dan is dat kind uw sch denaar, want het heeft schuld bij u, het he

ocr page 135

129 •—

tegen u misdaan. Als dat gebeurt, klopt aanstonds uw hartje, gij zijt boos, erg boos op het andere kind en gij zoudt het gaarne on-middelijk straffen en er misschien wel vermaak in scheppen als dat kind iets verdrie ' ! %t tig overkwam. Maar zie, dat moogt gij nu niet, gij moet het kwade, dat men tegenover u heeft bedreven, gaarne vergeven, gij moogt op dat kind niet boos zijn, gij moet hem zijn l| schuld vergeven. Want, zegt de goede God, »ik schenk u gaarne vergiffenis van uwe vele zonden, als gij op uwe beurt liefderijk en barmhartig zijt en vergiffenis schenkt aan allen, die misdoen tegen u. Het is niet noo-dig, dat gij zelf voor de bestraffing van het kwaad zorgt, laat dat over aan mij. Ik ben rechtvaardig en zorg voor alles, maar het is uw plicht barmhartig te zijn en gaarne vergiffenis te schenken.quot;

En daarom bidden wij iederen dag; »Vergeef ons onze schulden, gelijk wij vergeven onze schuldenaren.quot;— Als mijn kind dus eeo volgende maal op een ander kind boos wil worden, dan moet het denken aan hetgeen het iederen dag bidt en vriendelijk en ver-

Moeder. 9

ocr page 136

gevingsgezind zijn. Gij zijt immers zelf v tijd tot tijd boos en onvriendelijk tegenoi anderen en gij wilt dan ook gaarne, dat het spoedig vergeven en vergeten. Denk di deze week nu eens dikwijls aan, mijn kii dan houdt Onze Lieve Heer veel van u. V geet het niet! Toen de lieve Heiland in vreeselijkste pijnen aan het kruis hing, b hij, voor degenen, die hem pijnigden ; sVad vergeef het hun, want zij weten niet wat doen!quot; Amen.

33. Het Onze Yader III.

■S/P ij begrijpt het onze Vader nu bijna j heel, mijn lief kind; wij hebben n slechts de laatste woorden daarvan te l spreken. Deze luiden aldus: »En leid ons n in bekoring, maar verlos ons van den kwad — Door deze woorden smeeken wij den g( den God, dat hij ons helpe, ons bijsta kracht vetleene, als de lust tot het kwa zich in ons doet gevoelen. Ja, mijn lief kir daar moeten wij den goeden God dikwi en hartelijk om bidden.

ocr page 137

— i3i —

van Als een kind slechts levendig wilde denken )ver aan Gods tegenwoordigheid, o zeker, het zou ■ zij niet wagen kwaad te bedrijven, want het zou laar tot zich zei ven zeggen: »Er is een oog, dat ind, alles ziet, zelfs wat bij duisteren nacht ge-^er- schiedtquot; — ook al doet het kind iets, dat de voor de menschen geheel verborgen blijft. Jad Maar de kinderen denken meestal niet ten Ier, rechten tijde aan den goeden God, dat is de zij fout. Onze Lieve Heer is altijd in onze na-

I'bijheid, maar hij wil door de menschen opgezocht worden. Hij heeft ons geleerd, do^r zijn eigen lieven Zoon, onzen Heiland Jesus Christus, hij heeft ons den weg ten Hemel getoond; wij weten nu, dat hij met een liefdevol vaderhart op ons wacht, wij weten, hoeveel goeds God ons iederen dag bewijst. En daar wij ook weten, wat goed en wat kwaad is, moeten wij de hulp van God zelf )e- zoeken te verdienen. Nu is het gebed de Iaden der waarmede onze ziel opstijgt naar den ad goeden God. Hoe godvruchtiger wij bidden, d, hoe beter wij ons Gods tegenwoordigheid jls voorstellen, des te dichter is onze ziel bij hem. En hoe dichter onze ziel bij hem is,'bijheid, maar hij wil door de menschen opgezocht worden. Hij heeft ons geleerd, do^r zijn eigen lieven Zoon, onzen Heiland Jesus Christus, hij heeft ons den weg ten Hemel getoond; wij weten nu, dat hij met een liefdevol vaderhart op ons wacht, wij weten, hoeveel goeds God ons iederen dag bewijst. En daar wij ook weten, wat goed en wat kwaad is, moeten wij de hulp van God zelf )e- zoeken te verdienen. Nu is het gebed de Iaden der waarmede onze ziel opstijgt naar den ad goeden God. Hoe godvruchtiger wij bidden, d, hoe beter wij ons Gods tegenwoordigheid jls voorstellen, des te dichter is onze ziel bij hem. En hoe dichter onze ziel bij hem is,

-ifi ■ f

1

1}

ii

ocr page 138

des te meer bestraalt ons zijne genade. — ^

Gij kunt u voorstellen, dat iesmand zich in ye

een diep dal bevindt, dat omiingd is door ye

hooge bergen, die zoo hoog en steil op- jje

rijzen, dat de zon niet in het dal kan tchij- rt

nen. De mensch staart die bergen aan, zij ' de

zijn steil en het is moeielijk naar boven da

te klimmen, maar hij weet, dat hij, als hij m( zijn traagheid overwint en naar boven stijgt,

in het gouden zonlicht komt. Meent gij dan i te,

niet, dat hij het besluit zal nemen, om — ge

hoeveel moeite het hem ook mogen kosten [: zij

— naar boven te klimmen, om uit de duis- f|

ternis in het licht en de warmte te komen? |

Zoo is het ook met onze ziel. Hier op aarde sti

wandelen wij eveneens in een dal en al de gn

veie aardsche gedachten, de traagheid en ge- ha

makzucht, de lust tot ongehoorzaamheid en ste

verzet, het vele denken aan schoone kleede- jje

rsc, aan lakker eten, aan spel eai vermaak, j1' k0

dat zijn de bergen, die de zon, d. i. den de goeden God voor ons verbergen. Maar wij moeten over deze bergen heenklimmen, wij moeten onze ziel tot God verheffen door een

godvruchtig gebed en al die ijdele gedachten ,

ocr page 139

die onzen geest 'willen verstrooien, aanstonds verjagen. Wij moeten in het gebed aan den Heven Heiland denken, die zooveel voor ons heeft geleden, en wij moeten ons dat leven-' dig in den geest preüten. Als wij zoo bidden, voelen wij inderdaad de nabijheid Gock, dan woont hij in onze ziel en maakt haar moedig en blij, dan zijn wij verlost van het kwade, want een godvruchtige ziel is akijd tevreden en zelfs te midden van ziekte welgemoed, zij is niet bedroefd en wreveliig als , zij eenig genoegen moeten ontberen; de ziel, die zich de gewoonte heeft eigen gemaakt, met de ladder van het gebed tot God op te stijgen, die ziel lijdt gaarne iets voor hem, en doat gaarne alles voor hem, en het wordt haar gemakkelijk te strijden tegen de booze stem, die haar tot het kwaad verlokt. Ja, mijn lief kind, laten wij altijd goed bidden, dan '' komen wij niet in bekoring en dan verlost de goede God ons van het kwade. Amen.

ocr page 140

— 134 —

34. De groetenis des engels.

^ytojils wij het »Onze Vaderquot; bidden, voegen wij er altijd nog een gebed bij tot de heilige maagd en moeder Gods Maria, Dit gebed begint aldus: »Wees gegroet, Maria, gij zijt vol van genade, de heer is met u.quot; — Weet gij wel, mijn kind, wie deze woorden het eerst gesproken heeft? Het was een engel des Heeren, door God afgezonden naar de stad Nazareth tot een maagd, wier naam was Maria. Deze was juist in haar kamertje aar. het bidden, toen haar de engel verscheen en sprak: »Wees gegroet, Maria, gij zijt vol van genade, de Heer is met u, gezegend zijt gij onder de vrouwen. Vrees niet, want gij hebt genade gevonden bij God. Zie, gij zult een Zoon ontvangen en zijn naam Jezus noemen; deze zal groot zijn en de Zoon des Allerhoogste genoemd worden en aan zijn rijk zal geen einde zijn.

O, mijn kind, hoe gelukkig moet de H. Maagd zijn geweest, toen zij deze woorden var. den Engel vernam. Gij weet reeds, zooals ik u vroeger heb verhaald, dat de meeste

ocr page 141

menschtn in de wereld zoo slecht waren geworden, dat zij den goeden God gehee! hadden vergeten; de weinige braven die nog in het Joodsche land leefden en in de heilige boeken lazen, verwachtten met smachtend verlangen den tijd, dat de beloofde Verlosser, den Messias, door profeten voorspeld, zou komen. Die tijd was nu daar, de heilige Maria hoorde deze boodschap en, o geluk, o onuitsprekelijke zaligheid! zij zelf zou de moeder van den Verlosser zijn, zij zou het goddelijk Kind mogen verplegen, grootbrengen, aan haar hart drukken en kussen ! O, mijn kind! met hoeveel vreugde zal de heilige Maagd het eerste kerstfeest hebben tegemoet gezien; het eirs'.e kerstfeest, dat was de geboorte van Jezus, het schoonste, het heerlijkste kerstfeest van alle, e» de gedachtenis daaraan vieren wij nog ieder jaar op den 25en December.

Maar denk nu eens, mijn lief kind, hoe braaf en heilig, hoe zuiver en deugdzaam diegenen wel moest zijn, die waardig bevonden werd, de moeder te zijn van den Heiland. Reeds toen zij nog een zeer klein

ocr page 142

— i36 —

meisje was, strekte zij alle kinderen tot voorbeeld, toen zij nog slechts weinige jaren telde, stond hare moeder, de vrome Anna, de kleine Maria aan den tempel af en daar leerde het kind van jongs af aan den lieven God den geheelen dag dienen. Haar jeugdig hart was slechts vervuld van liefde tot God en daaj-om was zij ook het zachtzinnigste, liefderijkste kind voor iedereen; geen zonde heeft ooit baar jeugdig hart bevlekt. Gelijk een. kapel, die versierd is met goud, zilver en bloemen, zoo versierden de deugden van liefde, nederigheid, zachtmoedigheid, gehoorzaamheid en vlijt haar hart. En juist wijl zij zoo onschuldig was, een engel, in menschengedaante, daarom verkoos God haar tot moeder van zijn eeniggeboren Zoon, Jezus Christus, den lieven Heiland. En toen de lieve Heiland een kind was, hoe zorgzaam en liefdevol verpleegde zijn heilige Moeder hem toen, ofschoon zij arm was! Voor haar Goddelijk Kind ontzag zij geen arbeid. En toen de booze koning Herodes het kind Jezus wilde dooden, toen ondernamen Maria en Joseph aanstonds de moeielijke reis naar Egypte. Maria zat

ocr page 143

— i37 —

met het Kind op een ezel en de vrome Joseph schreed te voet naast haar voort. Zij schuwden geen vermoeienis, geen hitte, geen harde wegen. Van dez,e reis worden allerliefelijkste legenden verhaald. In het land van Egypte, woonden enkel heidenen, die afgodsbeelden aanbaden, en op vele wegen stonden groote afbeeldingen van valsche goden. Maar overal waar het Goddelijk Kind voorbijkwam, daar storten zij, getroffen door een onzichtbare macht, van hune hooge voetstukken af, en vielen in puin.

Wij weten uit de heilige Schrift, hoe de heilige Maagd zich later zeer beangst maakte, toen het Goddelijk kind eens in Jerusalem verdwenen was, hoe zij het drie dagen lang zocht en vol vreugde was, toen zij het eindelijk vond. En nog later, toen de Verlosser een man was geworden, door het land rondtrok, predikte en wonderen daed, toen vergezelde zijn heilige moeder hem dikwijls, want zij kon niet lang van haren god-delijken Zoon gescheiden blijven. En toen hij eindelijk in doodsbenauwdheid aan het vreeselijke kruis hing, van allen verlaten, die

ocr page 144

- 138 -

zich eens om hem hadden verdrongen, toen stond zijn lieve moeder bij hem onder het kruis en week niet van zijne zijde, voordat hij de oogen had gesloten. Na den dood van den Heiland woonde de heilige maagd bij den Apostel Joannes, den beminden leerling van haren gestorven zoon, en scheidde even vroom en zalig van deze wereld als zij geleefd had. Toen echter de apostelen haar heilig lichaam wilden begraven, zie, toen ontwaarden zij eensklaps, dat het verdwenen was, en de kist bevatte niet het doode lichaam, maar was geheel gevtld met rozen. Er bestaat een zeer schoone schilderij, waarop staat afgebeeld, hoe de apostelen vol heilige verbazing over het rozenwonder hunne oogen omhoog slaan en zien, hoe Gods moeder ten Hemel zweeft, naar haren Goddelijken Zson. En van den Hemel uit ziet zij vol liefde neder op de aarde; zij heeft de menschen : reeds zoozeer bemind, toen zij nog leefde, en bemint hen nog voortdurend, evenals de lieve Heiland. Zij is een heerlijk voorbeeld voor de kleine meisjes en de vrouwen, en tegelijk voor alle kinderen een liefderijke moe- I

ocr page 145

— 139 —

der in den Hemel. En evenals zij bij de bruiloft van Cana tot den Zaligmaker bad, dat hij den gasten wijn zou verschaffen, zoo bidt zij nog altijd gaarne voor de menschen en helpt degenen, die haar voorbeeld navolgen. Mijn kind, wees een kind van Maria! Wees zoo schuldeloos en vol liefde als uwe hemel-sche moeder, dan zijt gij een waar kind Gods, d*n verzamelt zij voor u de hemelsche bloemen, die gij in uwe ziel kweekt, dan vlecht zij voor u den krans, die u kronen zal als gij eenmaal de poort des hemels binnengaat. Tot deze liefderijke hemelsche Moeder bidden wij alle dagen: »Heilige Maria, Moeder Gods, bid voor ons, zondaars, nu en in het uur van onzen dood ! Amen.

36. De gelijkenis van den zaaier.

4|g^en zaaier ging uit om te zaaien. Ter-»^S!jwijl hij zaaide, vielen eenige korrels langs den weg en werden vertreden, en de vogelen des hemels kwamen en aten ze op. Andere korrels vielen op den rotsgrond- Deze schoten wel op, maar toen de zon heet be-

ocr page 146

gon te schijnen verdorden zij, wijl zij geen vocht hadden. Weer andere korrels vielen tusschen de doornen, en de doornen groeiden mede op en verstikten ze. Een vierde gedeelte eindelijk viel op goede aarde. Dit 'deel schoot op en droeg dertig- zestig- ja honderdvoudige vruchtea.quot;

Toen Jezus dit gezegd had, riep hij uit;

»Die ooren heeft om te hooren, dat hij hoore.quot;

Ook mijn kind moet zijn oortjes goed open doen en aandachtig opletten, want nu verklaart de lieve Heiland de gelijkenis; Het zaad is het woord Gods, de leer van den goeden God, door den Heiland bekend gemaakt aan de menschen, welke deze leer hooren. Ook uw hart, mijn kind, is zulk een bodem en gij kunt maken, dat het een goede bodem wordt; gij kunt echter ook oorzaak zijn, dat het een slechte bodem wonlt, die geen vrucht draagt. Vooreerst zegt de Zaligmaker :

sEenige korrels vielen langs den weg, en de vogelen des hemels aten ze op.quot; — Dat zijn namelijk de harten van zulke menschen,

ocr page 147

die wel is waar tegenwoordig zijn als het woord Gods gepredikt wordt, maar zij zijn niet oplettend, zij bekommeren zich er niet om, het is juist alsof zij het niet gehoord hadden. Er zijn, helaas, zoovele menschen, die, als zij in de Kerk over God hooren spreken en onderricht worden, wel toehooren, maar met hunne gedachten geheel ergens anders zijn, bij het spel, bij de ontspanning, bij hun mooie kleêren, en wie weet waarbij anders nog; de woorden klinken wel in hunne ooren, maar dringen niet door in hun hart. Hun hart blijft koud; Het is voortdurend zoozeer bezig met alles, wat het lichaam betreft, dat er geen tijd overblijft, ook aan de ziel en den lieven God te denken, geen tijd om te bidden. O, met zulk een bodem, met zulk een hart ziet het er slecht uit! Het zaad is er naast gevallen en geen hemelplant spruit er uit te voorschijn.

Andeïe korrels vielen op den rotsgrond; deze schoten wel op, maar toen de zon begon te schijnen, verdorden zij, wijl zij geen vocht hadden; dat zijn de harten van zulke menschen, die het woord met vreugde opne-

ocr page 148

142 —

mep, die, als zij nog pas de schoone leer van den godsdienst hsbben gehoord, denken: gt;0, ik wil dat alles opvolgen, ik wil alles opvolgen, ik wil alles doen, wat de lieve Heiland verlangt.quot; En een tijdlang doen zij het ook, zijn vlijtig en goed, maar op zekeren dag komt de beproeving. Misschien is het een vriend, die tot het kind spreekt: »Kom, laten wij buiten gaan spelen, uwe ouders hebben het wel verboden, maar zij zijn op dit oogenblik niet hier, zij bemerken het toch niet, kom mede.quot; Het kind vergeet zijn goede voornemens, loopt mede en doet dus kwaad. En als het dan later door de ouders ondervraagd wordt, naar hetgeen het in hunne afwezigheid gedaan heeft, of het vlijtig geweest en steeds thuis gebleven is, dan zegt het:ja, en liegt dus nog bovendien. Zulk een hart bedoelt de Heiland met den rotsgrond, waarin het zaad, het woord Gods, wortel had geschoten, maar toen de zon scheen, verdorde het plantje; toen de beproeving kwam, was al het goede vergeten.

Weer andere korreltjes vielen tusschen de doornen, en de doornen groeiden op en ver-

ocr page 149

— 143 —

stikten de ontkiemende zaden. Dat zijn zulke menschen, die het woord ook aanhooren, maar dan heengaan terwijl hunne goede ge-: dachten door andere, dwaze, verdrongen worden. Zulke menschen onderzoeken niet bij ' zich zeiven, of zij ook wel alles gedaan hebben, wat zij doen moesten, of er in hun hart hemelbloemen bloeien, ofwel onkruid, dat moet worden uitgeroeid. Ach, mijn kind, die I doornen, welke de teedere kiemen van het

I goede verstikken, zijn de ijdele gedachten en de nuttelooze gesprekken. goede verstikken, zijn de ijdele gedachten en de nuttelooze gesprekken.

sEen ander gedeelte,quot; zoo besluit de goddelijke Heiland, »viel echter op goeden grond en droeg honderdvoudige vruchten. De goede bodem, dat is een goed braaf hart, dat het woord Gods in zich opneemt en bewaart en er gedurende den dag dikwijls aan denkt; een hart, dat niet slechts hoort, maar ook doet, wat de lieve Heiland heeft gezegd. Zulk een hart moet ook het uwe worden, mijn kind. Wij willen alle dagen aan deze akker arbeiden en hoe meer mijn kind leert volgzaam |te zijn, hoe meer het de traagheid en driftig-1 heid overwint en zijn best doet, om altijd

s

ocr page 150

vlsjtig en liefderijk te zijn, des te schoo: schiet in zijn hart het zaad Gods op en bre honderdvoudige vrucht voort. Het hart wo rijk aan honderde goede daden, aan honc de liefdewerken, en als eens de How 1 den akker komt, om den oogst ih te zaï Ier, als eens de goede God uwe ziel ro en vraagt; wat hebt gij voor mij gedai O, hoe gelukkig zal mijn kind dan zijn, het zooveel rijke vruchten kan toonen! Am

38. Yan den smallen weg en d enge poort.

■sjl^ens waren vele menschen rondom i lieven Heiland vergaderd en hij ] dikte voor hen, terwijl hij op een berg sti ea tot hen sprak. En hij zeide hun vele al schoonste en ernstige zaken omtrent G Een kind kan al die zaken nog niet bej pen, maar eenige daarvan toch wel. Let e goed op, of gij de woorden van den lie Heiland kunt begrijpen, welke ik u nu zeggen: »Doet uw best,quot; zegt Jezus, »c uw best om door de enge poort in te g

ocr page 151

— I45 —

ten eeuwigen leven, want wijd is de poort en breed de weg, die ten verderve voert en velen zijn er, die dien weg bewandelen. Maar eng is de poort en smal de weg, die ten Hemel voert, en weinigen zijn, die hem bewandelen.quot;

Wat kan mijn kind uit deze woorden lee-ren? Laten wij ze eens goed overdenken. Gij weet wel, dat dlt; lieve Zaligmaker altijd tot het volk in gelijkenissen sprak d. w. z. hij verhaalde hun een geschiedenis en deze geschiedenis was een beeld van hetgeen zij moesten leeren. En zoo geeft de Zaligmaker ons ook hier een beeld en wij zullen nu zien, wat het beteekent.

»Doet uw best door de enge poort in te gaan ten eeuwigen leven. Eng is de poort en smal de weg die het leven voert.quot; Opeen smallen weg, mijn kind, die daarbij ongemakkelijk en vol steenen is, valt het gaan zeer lastig en komt men slecht vooruit. De voeten doen dikwijls pijn en dat smalle pad leidt, als men lang, zeer lang gegaan heeft, naar een klein, enge poortje, dat er zeer on-oogelijk uitziet en waardoor men zich slechts met moeite kan heendringen.

Moeder. 10

te schooner op en brengt st hart wordt aan hondar-■de Heer van : in te zame-■we ziel roept mij gedaan? dan zijn, als »onen! Amen.

reg en de

rondom den [ en hij preen berg stond hnn vele aller-)nitrent God. ig niet begrij-wel. Let eens in den lieven : ik u nu ga Jezus, »doeij), rt in te gaan

ocr page 152

— 146 —

Naast het smalle en steenharde pad strekt zich een groote, gemakkelijke, effen zandweg uit, aan beide zijden beplant met schaduwrijke boomen en omzoomd met veelkleurige bloemen, en aan het einde van dezen zandweg schittert ons een prachtige gouden poort toe. Hoe denkt gij, mijn kind, zou het niet dwaas zijn, den slechten weg te kiezen, die naar de duistere, enge poort voert? Gij denkt zeker bij u zeiven : Ik zal met zoo dom zijn, ik spring aanstonds op den breeden, schoo-nen zandweg.

Ja! maar als men een weg kiest, dan rnoet men eerst bedenken, waarheen deze weg voert. Zie eens; zoo verstandig zijt gij toch wel, dat gij aanstonds zoudt vragen; waar brengt deze weg ons heen? Luister dan: de breede met bloemen begroeide weg, die zoo verlokkend uitziet, schijnt aanvankelijk naar dezelfde richting te voeren, als het smalle pad; maar spoedig wijkt hij af en slaat een geheel andere richting in en als men zorgeloos en onbekommerd verder wandelt, o wee! dan vertoont zich plotseling een huiveringwekkende afgrond aan de voeten van den wan-

ocr page 153

— 147 —

delaar, hij stort daarin neer en is verloren. Deze breede weg, mijn kind, is het beeld van het leven eens menschen, die altijd doet, J wat hij gaarne wil, en nooit wat hij moet.

Daar is bijv. een kind, dat niet hoort, als i zijn moeder iets zegt, het zegt sneenquot; als ; het leeren moet en gaan spelen; het zegt sneenquot; als de moeder hem vermaant: kind, bedwing u zeiven toch, al valt het ook zwaar, | wees niet ondeugend, maar gehoorzaam en ji vlijtig, liefdevol en vriendelijk. »Neen,quot; zegt I het kind, sdat is mij te moeilijk.quot; Zoo gaat : het kind altijd verder voort op den breeden, ! gemakkelijken weg, nooit doet het iets wat j hem moeielijk valt, en zoo groeit uit het kind | een groot mensch, een ondeugend mensch, ^ want wat het niet heeft geleerd, dat leert ook de groote mensch niet meer. Het kwaad heeft | in dat hart de overhand en het goede is ge-| heel verstikt. Het eet en drinkt en is blijde, ' als het slechts al het noodige heeft; of an-I deren dorst of honger hebben, kommert hem : niet, hij denkt slechts aan zich zeiven en 1 doet alleen, hetgeen hij verkiest, hij vraagt gt; niet naar God of naar de andere menscben.

ocr page 154

üü

— 148 —

Maar op zekeren dag moet hij toch wel bemerken, dat God nog leeft, want hij wordt zwaar ziek en voor al zijn geld kan geen dokter hem helpen, hij moet sterven. Dat is de afgrond die zich aan hem vertoont : nu ziet hij plotseling allerduidelijkst in, dat hij op een dwaalweg is geweest, het einde van den weg ligt voor zijn oog, hij zou gaarne willen omkeeren, maar het is geen tijd meer, de loopbaan is ten einde. Waarom luisterde hij ook niet, toen men hem zoo herhaaldelijk waarschuwde? Het smalle pad, dat ten leven leidt, is hem dikwijls genoeg getoond geworden.

Geheel anders is het gesteld met het kind, hetwelk gaarne gehoorzaamt, en zijn ouders volgt, die hem het smalle, steenige maar zekere pad toonen. Zie, het kind, dat naar de goede stem luistert, dat zich zeiven kan bedwingen, en trouw en ijverig zijn werk verricht, ook al heeft het de grootste lust tot spelen, het kind, dat, als het berispt wordt, , niet mort, maar een vriendelijk gezicht zet en belooft zich te zullen verbeteren, dat in het spel gaarne toegeefelijk is, zulk een kind bewandelt het smalle pad. Meermalen is het

ocr page 155

149 —

aeer moeielijk daarop te blijven volharden. De breede weg met zijn bloemen, d. i. het spel en de ongehoorzaamheid, lokken menigmaal zoo machtig en het kind denkt: ach, het is quot;toch veel te moeielijk altijd en altijd te doen-hetgeen ik niet gaarne doe. Zie, dan zijt gij op een steenige, moeielijke plaats van den weg gekomen, maar dar, moedig er overheen géstapt! Als die moeielijkheid overwonnen is, ontwaart het kind in zijn hart zulk een heerlijk blij gevoel; clan ziet namelijk Gods oog liefderijk neer op de ziel van het kind en daarom is het zoo blij te moede. En hoe verder men op dat smalle pad voortgaat, des te gemakkelijker het begaanbaar wordt. Het kind dat reeds vroegtijdig'geleerd beeft zich zeiven te overwinnen, gehoorzaam te zijn en aan de booze lusten te weerstaan dat zal op lateren leeftijd een goed en braaf mensch zijn, dan zal het hem niet meer zwaar vallen, het kwaad te laten, en hij leert steeds meer goed doen en wordt een zegen voor alle andere menschen, en als hij eindelijk het einde van zijn loopbaan bereikt heeft o, dan ziet hij door de duisteren poort des

gt;.

:

i t

'i

X

ocr page 156

doofs reeds de schitterende heerlijkheid de hemels; hij voelt de nadering van den enge die hem tot God zal voeren en vol vrede e geluk ziet hij terug op den weg, dien hij hee: afgelegd; want al zijne goede werken zij hem gevolgd en zijn ziel treedt versierd me het bruiloftskleed voor God, die haar vc liefde zal ontvangen.

O mijn kind ! denk dikwijls aan den bre( den en den smallen weg; laat u niet nas den breeden weg vsrlokken door de vergi tigde bloemen, die alleen van verre schoo schijnen, want een verboden genot maal uw hart daarna zwaar en onrustig. Maar b iederen steen, over welken gij op den sma kn weg heenstapt, d. w. z. telkens als gij bedwingt en luistert naar de goede stem, zu gij geluk gevoelen in uw hart en een nieuw bloem hebben vergaard voor uwe hemelkrooi Amen.

ocr page 157

— IS1 —

37. Het gebod der liefde. Gelijkenis van den barmhartigen Samaritaan.

^Tp'oen de Zaligmaker op zekeren dag in de ï®'» groote stad Jerusalem kwam, naderde hem een leeraar, die zeer ervaren was in de heilige boeken en die tevens een groote gedachte van zich zeiven had. Deze vroeg den Zaligmaker: »Meester, wat moet ik doen, om het eeuwige leven te verwerven?quot; Jesus antwoordde hem: sWeet gij dan niet, wat er staat in de heilige Schrift ? Wat hebt gij daarin gelezen?quot; En de leeraar antwoordde: »GiJ zult den Heer, uwen God, liefhebben uit geheel uw hart, uit geheel uwe ziel, uit geheel uw verstand en uit al uwe krachten en uwen evennaaste gelijk u zeiven.quot; Toen sprak de Zaligmaker: sGij hebt goed geantwoord, doe dat, en gij zult in den hemel komen.quot; De andere vroeg verder: »\Vie is mijn naaste?quot; — Dat weet mijn kind ook nog niet, nietwaar? Wél weet gij, wat het beteekent den goeden God liefhebben uit geheel uw hartje, en gij hebt hem dan ook hartelijk lief, dien

=;rlijkheid des den engel, vol vrede en dien hij heeft werken zijn versierd met =die haar vol

™ian den bree-

_,t u niet naar

zroor de vergifverre schoon genot maakt =stig. Maar bij —op den smal-Hkens als gij u zzoede stem, zult en een nieuwe —ve hemelkroon.

ocr page 158

— 152 —

goeden, besten Vader in den Hemel. Maar wie is nu wel de naaste, dien gij moet liefhebben als u zeiven, en hoe moet gij dat doen ? Laten wij eerst eens hooren, welk een antwoord de Zaligmaker gaf. Als antwoord verhaalde hij een zeer schoone geschiedenis; »Een zeker man ging van de stad Jericho naar Jerusalem. Onder weg viel hij in de handen van roovers. Deze beroofden hem van zijne kleederen, ontstalen hem alles, sloegen en verwondden hem en lieten hem half dood liggen. Er kwam nu een priester langs dien weg, zag hem en ging voorbij. Daarna kwam een leviet, zag den gewonde en ging insgelijks voorbij. Maar ten laatste kwam er een Samaritaan, d. w. z. een geheel vreemde man uit een ander land, die op zijne doorreis was. Deze werd door medelijden bewogen, zoodra hij den ongelukkige zag liggen. Hij trad op hem toe, goot olie en wijn in zijne wonden en verbond die. Vervolgens hief hij hem op zijn lastdier, bracht hem naar een herberg en droeg zorg voor hem. Daar 'hij echter verder moest reizen, haalde hij twee geldstukken uit zijne tasch te voorschijn.

ocr page 159

— IS3 —

gaf ze den waard enzeide: »Draag zorg voor hem en wat gij nog meer noodig hebt dan dit geld, zal ik u bij mijn terugkomst betalen.quot;

— »Wie van deze drie,quot; vroeg Jesus nu, sschijnt u de naaste geweest te zijn van hem die onder de roovers viel ?quot; De leeraar antwoordde: sKij, die barmhartigheid bewees,quot;

— En Jesus sprak tot hem; ï Ga heen en doe gij eveneens.''

Die geschiedenis bevalt u, nietwaar; dat was een goede man, die Samaritaan. Toen hij den ongelukkige zag liggen, zeide hij niet; »Ach, wat gaat die man mij aan, ik heb haast, ik ken hem in het geheel niet, laten anderen hem helpen, die hem nader zijn.quot; — Neen ! hij steeg aanstonds af van zijn rijdier en hielp hem, zooveel hij kon. Deze geschiedenis verhaalde de Heiland aan den leeraar, die zoo wijs was in zijn eigen oogen en die dacht, dat hij met zijn verstand alleen wel in den hemel zou komen. Maar de Heiland toonde hem, dat het niet genoeg is, geleerd te zijn en vele boeken gelezen te hebben, hij leerde hem, dat de hoofdzaak bestaat in een hart vol innige liefde. En zulk een hait kan een

h

;

f

ocr page 160

i54 —

op, t totda kind mam te et

ieder hebben, de armste man even goed als de rijkste, het kind zoowel als de volwassen mensch. Ja, mijn kind, ook tot u zegt de Heiland: jGa heen en doe gij insgelijks.quot; — Daarover zijt gij verwonderd, nietwaar? Gij kunt nog wel geen verwonden opnemen en verplegen, maar gij kunt toch vele andere dingen die even goed zijn. Wilt gij weten wat ik bedoel ? Denk eens gij hebt uwen evennaaste altijd bij u, alle menschen zonder uitzondering moeten uwe naasten zijn, want alle menschen zijn kinderen van den goeden Vader daarboven, en daarom moeten wij alle elkander liefhebben als broeders en zusters. En wat moet mijn kind dan doen om zijn naaste lief te hebben als zich zdven ? Ach, dat is niet moeielijk; gij gaat bijv. over de straat, een arm kind in uwe nabijheid struikelt en valt op de steenen, het heeft zich bezeerd en weent. Zal nu een goed kind denken: sAch, wat kan mij dat vreemde, havelooze kind schelen!quot; — Neen, het denkt: »A1s ik gevallen ware, zou het mij aangenaam zijn, indien iemand mij vriendelijk hielp.quot; En haastig snelt het toe, helpt het arme kindje

ocr page 161

— i55 —

op, troost het en spreekt het vriendelijk toe, totdat het weder vroolijk is. Ofwel het goede kind gaat zijns weegs en heeft van zijn mama iets in zijn taschje gekregen om op te eten. Als het dan een kind of een arme vrouw ontmoet, die er armoedig uitziet, dan denkt het goede kind aanstonds: ïDie arme vrouw kan mijn eten zeker veel beter gebruiken dan ik; ik kan het voor een enkele maal wel eens zonder doen-' — en dan geeft het dit weg. Of er speler, bijv. meer kinderen met elkander. Op een hunner worden zij boos en jagen het weg; zij willen met dat kind niet meer te doen hebben. Aanstonds denkt nu het recht geaarde kind: sAch, wat zou het voor mij verdrietig zijn, als ik zoo eens behandeld werdquot; — en dan gaat het naar het verlaten kind, en troost het en zegt: »Kom, wees welgemoed, ik ga met u naar de anderen en zal alles weer goed maken, dan kunnen wij gezamenlijk vroolijk zijn. En zoo gebeurt.

Het kind kan ook zijn naasten, als zij reeds groot zijn, liefdediensten bewijzen. Vader of moeder is bijvoorbeeld niet wel, heeft

2d als 'assen gt de 3.quot; -Gij ti ver-j ingen k be-' altijd j moe-1 ichen Jaar-.nder | wat Jaste fit is raat, t en eerd {en; loze s ik ; lijn. En idje f

ocr page 162

— 156 —

hoofdpijn of is gedrukt door zorg; dan denkt een goed kind aanstonds: iHoe goed en bezorgd zijn vader en moeder toch voor mij, als ik niet wel ben, o, wat doet mij dat goed!'' en dan is het 'Stil en bedaard en geeft goed acht, of het niet iets halen of doen kan. Of het kind is aan het spelen geweest en heeft in de kamer veel wanorde gebracht, en nu mo:t er veel opgeruimd en zuiver gemaakt en weggesloten worden. Ach hoe vervelend! En het kind wil het dienstmeisje gaan roepen en het deze laten doen. »Neen!quot; denkt het eensklaps, »neen, het arme meisje heelt vandaag gewasschen en geschrobd; zij zal wel erg vermoeid zijn, ik wil haar niet nog meer vermoeien,quot; en aanstonds pakt het aan en daar het een goeden wil en een liefderijk hart heeft, gaat alles snel en vroolijk van de hand en is spoedig gedaan.

En zoo is er veel, zeer veel te doen voor een kind met een hart vol liefde. Nu zult gij deze week zeker wel eens dikwijls aan den Samaritaan denken nietwaar, mijn kind, en ook uw best doen om uwen naaste te leeren

ocr page 163

liefhebben r Dat is het grootste, het beste en het schoonste, dat wij voor den goeden God kunnen doen, en zelfs een' klein kind kan het reeds, als het maar steeds aan de spreuk denkt, die ons ook door den Heiland geleerd is; »Wat gij wilt dat de anderen u doen, doe dat ook aan hen.quot; Welaan, mijn kind, volg dan den Samaritaan na. Amen.

38'. De Pharizsër sn de tollenaar.

SjOoen de Zaligmaker op zekeren dag aan oyb» de scharen het evangelie verkondigde, zag hij, hoe eenigen hoovaardig en ijdel waren en zich in hun hart voor veel beter hielden dan de overigen. Toen sprak Hij tot hen aldus; jLuistert naar hetgeen ik u te zeggen heb. Er waren eens twee mannen die daar den tempel opgingen om te bidden. De een was een Pharizeer, de andere een tollenaar. De Pharizeer was een voornaam man, die veel geld had. Ook had hij veel boeken gelezen en meende, dat hij alles het beste wist. De tollenaar was echter een zeer eenvoudig man. De Pharizeer ging voor in

ocr page 164

— i58 —

den tempel staan en bad bij zich zeiven: »Mijn God, ik dank U, dat ik niet ben gelijk de overige menschen, roovers en on-rechtvaardigen, of ook zooals deze tollenaar. Ik vast tweemaal in de week en ik geef het tiende deel van alles wat ik bezit aan de armen.quot;

Maar de tollenaar bleef in de verte staan en durfde niet eens zijne oogen ten Hemel slaan. Hij sloeg op zijn borst en sprak; »God, wees mij zondaar genadig 1quot;

»Ik zeg u,quot; voegde de Zaligmaker er bij, aan dezen schonk God vergiffenis, maar aan dien hoovaardigen Pharizeër niet. Want een ieder, die zich verheft, hem zal God vernederen, maar die zich vernedert en zijne fouten bekent, hem zal God verheffen.

Laten wij eens nadenken, mijn kind, op wien van deze twee mannen de meeste kinderen wel gelijken, op den hoógmoedigen Pharizeër, of op den nederigen tollenaar.

Gij denkt misschien weer bij u zeiven; hoe kan een kind gelijken op zulke groote menschen, dat is tcch niet mogelijk. Maar vergeet niet, hetgeen gij in de geschiedenis van

ocr page 165

\ — 159 —

den barmhartigen Samaritaan geleerd hebt, dat ook kleine kinderen reeds iets dergelijks kunnen doen als de goede man, die den gewonden zoo liefderijk hulp verleende. En zoo kunnen kinderen ook gelijken op de mannen van welke ik u thans verhaal. Stel u eens voor dat gij tegenwoordig waart geweest, toen Jesus deze geschiedenis verhaalde en dat de Heiland uwe zie] geheel had doorschouwd, wat zou hij daar dan wel hebben gevonden? Let eens go^d op. Als meer kinderen bij elkander zijn en spelen en een van hen is ondeugend of koppig, heeft mijn kind dan niet dikwijls gezegd: »Hé, hoe ondeugend was dat kind, hoe is het mogelijk, ik ben toch niet zoo!quot; Mijn kind denkt op het oogen-blik alleen aan zijn speelmakkers, zijn hart is vol van het verkeerde, dat een ander gedaan heeft. Maar het vergeet daaibij geheel en al, dat het, weinige dagen geleden, juist hetzelfde heeft gedaan, dat het eveneens ondeugend is geweest en het spel geb.oken heeft. Ja, ziet gij, zoo is het dikwijls' wij vergeten het zoo gaarne als wij zelf misdoen, maar dat, wat anderen misdoen, dat onthouden wij goed.

»■; M

111.11 I mi

ocr page 166

—

— i6o —

Laten wij ook nog eens aan iets anders denken. Mijn kind bijv. heeft zijn les goed geleerd, maar een ander kind ken die niet zoo goed, maakt fouten en wordt berispt. Is het nu schoon, als mijn kind dan zegt: sik ben toch gelukkig niet zoo dom als dat andere kind maar veel beter en veel verstandiger. Bah! Hoe kan men zoo lui zijn!quot;

Is dat schoon ? Neen, mijn kind, dat is even liefdeloos spreken als de Pharissër, u valt het misschien gemakkelijk om te leeren en een ander kind valt het misschien moeielijk. Gij weet immers ook niet, of het misschien niet eenigszins ongesteld is geweest, of er misschien geen gedruisch of stoornis is geweest in de kamer, waar het moest arbeiden. Dat alles weet gij niet en gij behoeft er u ook niet om te bekommeren, het is volstrekt uw zaak niet. Zie eens : als gij vlijtig zijt geweest, hebt gij slechts gedaan wat gij moest doen; niets bijzonders, maar slechts wat uw plicht was, daarbij valt volstrekt niets te roemen. Zeker, Onze Lieve Heer verheiïgt zich over een vlijtig kind en het hemelsch bloemtje in uw hart zal door Hem niet worden vergeten,

ocr page 167

■ÈÉÈm

— i6i —

maar wanneer gij u zeiven prijst en groot gaat op het goed hetwelk gij doet, zie, dan beloont gij u zelf reeds, en dan doet Onze Lieve Heer het niet meer. Of als gij van uw lekkernij, uw speelgoed en uw geld iets aan anderen hebt geschonken en gij gaat dan |« rond en vertelt het aan eenieder: ik ben niet gierig, ik geef gaarne iets weg, ik heb dit of dat gedaan, o! dan heeft uw geschenk volstrekt geen waarde meer bij Onzen Lieven ! Heer, dan zijt gij evenals de Pharizeër, die hoogmoedig sprak: »Ik geef een tiende van alles wat ik bezit aan de armen.quot; — Onze goddelijke Verlosser heeft geheel zijn leven lang niets dan goed gsdaan en hij prees zich zeiven nooit, maar zeide: sAls gij goeddoet,

als gij geeft van hetgeen gij hebt, doet het dan stil, zoodat niemand het weet, want uw hemelsche Vader ziet het toch.

n; \ Maar — denken wij er aan — de arme :ht tollenaar stond van verre, sloeg op zijn borst -n. en sprak; sGod, wees mij zondaar genadig.quot; 'er De tollenaar deed misschien evenveel goed in als de rijke Pharizeën, maar het viel hem 2n, , niet in, zich daarop te beroemen. Hij denkt

Moeder. n

ocr page 168

102

aan den grooten, glorierijken God in den Hemel, aan diens liefde en getrouwheid en zsgt bij zich zeiven : hoe ellendig ben ik toch in vergelijking van den ontzaggelijk grooten God in den Hemel! hoeveel kwaad doe ik! En het spijt hem zoo innig, hij neemt zich zöo oprecht voor zich steeds meer en meer te verbeteren en roept smeekend: s God, wees mij, zondaar genadig!quot; -— sEnquot; sprak de Zaligmaker, ïdeze ontving vergiffenis.quot; — Zie, op dien tollenaar gelijkt een goed, braaf kind, dat, als het een fout begaan heeft, schuld bekent, zonder tegen te spreken of zich zeiven te willen rechtvaardigen. Een nederig kind, dat iederen avond in zijr. bedje nadenkt, hoe het zich gedurende den dag heeft gedragen, en Onzen Lieven Heer hartelijk om vergeving bidt voor het kwaad hetwelk het heeft bedreven; een kind, dat steeds denkt aan zijn eigene fouten en niet van anderen spreekt of met anderen spot.—Zulk een kind gelijkt op den tollenaar en aan zulk een kind schenkt God gaarne vergiffenis van het kwaad en geeft Hij dagelijks meer kracht en genade,om steeds sterker te. worden in het goede. Amen!

ocr page 169

— 163 —

39. Jesus voorspelt zijn lijden.

rie jaren lang trok de Zaligmaker door het Joodsche land, leerde het volk, is schuwde hitte noch koude, honger noch dorst, maar was altijd vol liefde bereid allen raad te geven, allen te helpen, die hem daarom verzochten. Hij deed vele wonderen, garden iblinden het gezicht en den dooven het gehoor terug; met zijn zeger.ende hand raakte hij de lammen aan en zij stonden op en hunne verlamde ledematen waren krachtig en sterk; hij genas de ongelukkigen, die de vreeselijke ziekte der melaatschheid hadden, en die met niemand omgang mochten hebben. Ja, hij wekte door de almacht van zijn heilig woord zelfs dooden tot het leven op, ..zooals den jongeling van Nairn, dien men naar het graf droeg. Gij herinnert u nog quot;wel, hoe zijne moeder, die een weduwe was, weende; maar de Heiland troostte haar en sprak: »Ween niet.quot; Daarna wendde Hij zich tot den doode en sprak: «Jongeling, ik zeg u, sta op,quot; en aanstonds stond hij op en ging naar buis met zijn gelukkige moeder.

ocr page 170

— 164 —

Een andermaal wekte hij het dochtertje op van Jaïrus, een meisje van twaalf jaren, en sprak tot de ouders, die haar kind bitter beweende: »Het dochtertje is niet dood maar slaapt.quot; Een aardsche dokter echter had het meisje niet kunnen opwekken, alleen de Zoon Gods vermocht dit. Wat voor wonderen kent mijn kind nog meer, door den Zaligmaker verricht gedurende de drie jaren van zijn omwandeling op aarde? Weet gij nog wel, wat zijn eerste wonder was ? Dat was de verandering van water in wijn op de bruiloft te Cana en daarbij komt ons tegelijkertijd voor den geest, hoe de goede Verlosser medelijden gevoelde met de hongerige schare en eenige weinige brooden en visschen zoo vermeerderde, dat vele duizenden menschen daaraan hun genoegen konden eten. En ook op het meer vertoonde hij eens dat hij macht had om te gebieden over de geheele natuur; met een enkelen wenk deed hij den woedenden storm en de wilde golven bedaren. En van de heerlijke lessen van den goddelijken Heiland hebt gij er nu reeds vele geleerd, mijn kind. Gij. kent de beteekenis der schoone

ocr page 171

— I65 —

gelijkenissen; gij kent de geschiedenis van het zaad, dat op verschillenden bodem viel, van de wijze en dwaze maagden en hun lampjes, van den breeden en den smallen weg, van den knecht, die zoo onbarmhartig was jegens zijn medeknecht, van den barm-hartigen Samaritaan, van den hoogmoedigen Pharizeër en den nederigen tollenaar. En welk een liefde betoonde de goddelijke Heiland steeds voor de kinderen,' hoe teeder verzamelde hij ze om zich heen en zegende Hij zei Ook vergelijkt hij zich zeiven met een goeden herder, die zijn schaapjes beschermt en met duizend moeiten zoekt, als zij verdwaald raken. Deze schoone gelijkenissen en nog vele andere heeft de Heiland gedurende de drie jaren van zijn leeraarschap tot het volk gesproken. Als gij ouder zijt en uw verstand meer ontwikkelt is, zult gij die nog beter leeren begrijpen. Thans zal ik u verhalen van het lijden, hetwelk onze Heer Jesus Christus voor ons doorstond, van zijn bitteren dood, dien hij uit liefde tot ons aan het kruis onderging.

Nietwaar, mijn kind, wij zouden recht ge-

ocr page 172

lukkig zijn geweest, als wij in dien tijd, hadden geleefd, als wij onzen lieven Heiland isadden mogen aanschouwen en getuigen hadden mogen zijn van zijne wonderen 1 Ach, hoe zouden wij hem hebben liefgehad en wij denken nu zeker, dat alle menschen hem wel moesten liefhebben, dat alle hem vol verbazing en eerbied aanzagen, dat allen in hun hart gevoelden, dat de wonderbare Heiland de Zoon Gods was. Maar denk eens aan! er waren in het Joodsche land een menigte booze lieden, Pharizeën en oversten des volks. Dezen waren zeer nijdig, dat zoovele men-schsn den Zaligmaker volgden, dat zij zooveel van hem spraken en hem zoo beminden. Ook waren zij naijverig, wijl de Zaligmaker met zooveel gezag leerde en zoo wonderschoon sprak, want zij wilden alleen wijs zijn, alles het beste weten, en dat de menschen alleen naar hen hoorden; en ten laatste waren zij nijdig om de wonderdaden des Verlossers, want zij konden iets dergelijks verrichtten, en daar zij zelf alleen machtig wilden zijn, konden zij het niet verdragen, dat er Eén was die veel meer vermocht dan

ocr page 173

— 167 —

aij. Deze lieden, wier verharde gemoederen voor al de liefdeblijken van den Heiland ontoegankelijk waren gebleven, haatten hem en spanden in 't geheim samen om hem ter dood te brengen.

Maar Jesus, de alwetende Zoon Gods, las in hunne harten en kende al de booze plan nen welke zij tegenover hem beraamden-Daarom zeide hij dan ook tot zijne leerlingen; «Ziet, wij gaan heden op naar de groote stad, naar Jerusalem en de Zoon des Menschen — zoo noemde de Heiland zich zei ven dikwijls — zal daar overgeleverd worden aan de Pha-rizeën en Hoogepriesters, er. zij zullen hem veroordeelen, en hij zal bespot, bespuwd, ge-geeseld en gekruisigd worden. Maar op den derden dag zal hij verrijzen.'' — Onthoud deze wonderbare voorspelling goed, mijn kind, want juist zooals de Heiland voorzeide, zoo gebeurde het later. Den volgenden Zondag zult gij hooren, hoe hij zijn intocht deed in de heilige stad, en in onze gedachten zullen wij den Zaligmaker volgen op zijn laatste wegen. Zie, binnen eenige weken hebben wij Paschen; in de dagen die aan dit hooge feest

1

ocr page 174

— i68 —

voorafgingen, werd onze lieve Heiland gedood, daarom is het thans een ernstige tijd voor ons. Wij moeten nooit vergeten wat Onze Lieve Heer uit liefde tot ons gedaan heeft, en gaarne ook iets voor hem doen, dat ons zwaar valt. Denk nu eens goed na, of gij misschien niet iets voor hem dosn kunt. Amen.

40. Intccht in Jerusalem.

®Jpöen de Heiland in de nabijheid der stad »2^ Jerusalem was gekomen, bij den Olijfberg, — zoo is de naam van dien berg — zond hij twee zijner leerlingen uit en sprak tot hen: »Gaat naar het dorp Bethphage, dat voor ons ligt, en zoodra gij daar gekomen zijt, zult gij een ezelin vastgebonden vinden en een veulen bij haar; bindt haar los en brengt haar bij mij, en als iemand u vraagt, antwoordt dan: sde Heer heeft ze noodigquot; en men zal u laten gaan. De leerlingen gingen heen en vonden alles, zooals de Heer hun gezegd had. Zij bonden het veulen los

ocr page 175

en brachten het, legden hunne kleederen er over en deden Jesus er op zitten. Terwijl hij nu verder trok, verzamelde zich veel volk om hem heen en jubelde luid. Eenigen spreidden hunne kleederen voor hem op den weg, anderen hieuwen takken van de boomen en strooiden die langs den weg. En de scharen die vooruitgingen en die volgden, riepen : »Hozanna den Zoon van David! Gezegend hij die komt in den naam des Heeren!quot; — Er waren echter onder de menigte eenige Pharizeën, die uit nijd en haat Jesus overal op zijne schreden volgden. Dezen ergerden zich zoozeer over den luisterrijken intocht des Zaligmakers, dat zij zelfs tot hem zeiden : sMeester, verbied toch aan uwe leerlingen die luidruchtigheid.quot; Maar de Zaligmaker antwoordde hun; »Ik zeg u, als dezen zwijgen, zullen de steenen roepen.quot;

Hoe meer Jesus de stad naderde, des te grooter werd het gejubel. Alles geschiedde gelijk reeds voor vele honderden jaren een der wijze profeten, welke God van tijd tot tijd op de wereld zond, voorspeld had, en zooals het in de heilige boeken te lezen stond:

ocr page 176

— 170 —

«Verheug u, Jerusalem! Zie, uw Koning komt tot u als uw Heiland, Hij is arm en rijdt op het veulen eener ezelin.

De Zaligmaker nu trok door de straten van Jerusalem recht naar den tempel. Daar kwamen van alle zijden zieken, blinden en lammen tot hem en hij genas hen allen. Bij dit gezicht begonnen de kinderen wederom vol vreugde te roepen: gt;Hozanna den Zoon van David. — Nu werden de Pharizeën vertoornd en zeiden tot Jesus; »Hoort gij dan niet, wat deze zeggen?quot; Maar de Heiland antwoordde: »Voorzeker hoor ik het, weet gij dan niet wat er in de H. Schrift staat; gt;Uit den mond van kleine kinderkens heb ik mij lof bereid.quot;

Mijn kind, ook gij zijt nog klein, maar gij kunt toch ook reeds uwen Heiland loven met uwen mond en met de gedachten van uw hart. Vergeet hem nooit, lof en prijs hem en denk, dat ook gij zeker zoudt hebben mede-gejubeld; jHozanca, voor u, geliefde Zaligmaker!'' en bid hem dan, dat hij u eens in den hemel opneme en dat gij daar met alle engelen moogt medejubelen; »Hozanna den

ocr page 177

— i7i —

Zoon Gods, Onzen Verlosser, Jesus Christus.quot; Toen men den Zaligmaker eens de heerlijke bouwwerken van Jerusalem toonde dacht hij er aan, dat die stad veel kwaad zou doen, en hij weende over haar en riep uit; O Jerusalem, Jerusalem, mocht gij toch erkennen wat tot uw geluk strekt 1 Maar gij ziet het niet, en daarom zal God dagen van groote ellende over u doen komen. Er zullen vijanden komen, die u van alle zijden zullen omsingelen en beangstigen; zij zullen u verstoren en in u geen steen op den anderen laten.quot; — O mijn kind, zoo straft God de verharde gemoederen, die volstrekts niets hooren willen, die alle liefdeblijken en vermaningen verachten en hunne boosheid niet opgeven. Kindl luister naar de lessen die u worden gegeven. Volg uwen lieven Heiland en wacht niet, totdat Gods straf over u neerkomt. Amen.

41. Hst Paaschlam en de ' Yoetwassching.

ggpgTSet was bij het Joodsche volk het gebruik, •dtl. dat ter gelegenheid van het Paasch-

' f

yawafea I ■ lllli'lWMWilllMiaMieMMMMKl

ocr page 178

feest in iedere familie een lam werd geslacht en dat daarvan een feestelijke maaltijd werd bereid. Ook de lieve Heiland wilde met zijne leerlingen dit feest vieren; daarom vroegen zij hem: sWaar wilt gij dat wij het Paasch-lam zullen bereiden?quot; Toen sprak hij tot Petrus en Joannes; sGaat naar de stad; daar zult gij iemand ontmoeten die een waterkruik draagt, volgt hem waar hij ingaat, en zegt aan den heer des huizes, j De Meester laat u zeggen: waar is de zaal, waar ik met mijne leerlingen het Paaschlam kan eten? En hij zal u een groote zaal toonen; maakt daar alles voor ons gereed.quot; Zij gingen heen, en vonden alles zooals Jesus hun gezegd had. Toen het nu avond geworden was, kwam Jesus, zette zich met de twaalf aan de tafel sprak: »Ik heb een groot verlangen gehad, om dit Paaschlam met u te eten, alvorens ik lijde, want ik zeg u: ik zal het niet meer eten, totdat alles in vervulling zal zijn gegaan. De Zaligmaker bedoelde met die woorden, dat hij nu weldra den bitteren kruisdood zou moeten sterven. Nadat het Paaschlam genuttigd was, stond hij op, ontdeed zich

ocr page 179

— 173 —

van zijn opperkleed, bond zicli een linnen doek om en goot het water in een bekken, om de voeten zijner leerlingen te wasschen en met den linnen doek af te drogen. Toen hij nu met Petrus een aanvang wilde maken, zeide deze geheel verbaasd; »Heer, wilt gij mij de voeten wasschen?quot; Jesus antwoordde hem; sWat ik doe, begrijpt gij nu nog niet, ■maar later zult gij het begrijpen.quot; Petrus ging echter voort en zeide; »In eeuwigheid zult gij mij de voeten niet wasschen.quot; Maar Jesus antwoordde hem; »Ais gij u niet door mij laat wasschen, zult gij geen deel met mij hebben.quot; Toen riep Petrus uit: «Heer, als het zoo is, wasch mij dan niet alkn de voeten maar ook de handen en het hoofd.quot; -—-Nadat Jesus al zijn Apostelen de voeten had gewasschen, trok hij zijn opperkleed weder aan, zette zich aan tafel en sprak; »Als ik, de Heer en Meester uwe voeten heb gewasschen, dan moet ook gij elkander de voeten wasschen, want ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat ook gij doen zoudt, zooals ik gedaan heb.quot; — Kunt gij het gissen, mijn kind, waarom de Heiland dit deed, waarom

-1 ■

- r ?

■w»

WW

_

ocr page 180

— 174 —

hij zijn apostelen de voeten wiesch? Let eens op; de voeten zijn het benedenste lichaamsdeel van den mensch, zij treden in stof en onreinheid en worden daardoor besmeurd, vooral in warme landen, waar de mcnschen, geen schoenen dragen, en daarom is het geen schoone of aangename bezigheid, anderen de voeten te wasschen, geen werk voor varlijn-de handen, die liefst alleen zuivere en schoone zaken aanraken. Het is een dienst, welken men aan een ander bewijst, en wel een zeer nederige dienst, want men moet zich voor een ander op den grond Werpen en diep gebogen dien arbeid verrichten. Daarom dan ook riep Petrus, toen de Heiland, die de Zoon Gods was, voor hem nederknielde om hem de voeten te wasschen: »Heer, gij zult mijne voeten niet wasschen in eeuwigheid.quot; Hij bedoelde daarmede: hoe zal ik arme vis-scher, mij door den Goddelijken Meester zulk een knechtendienst laten bewijzen! Maar de Heiland antwoordde hem : gt;Doe, wat ik u zeg, anders zult gij geen deel aan mij hebben.quot; O, toen wilde Petrus wel, want hij verlangde deel te hebben aan zijn Heer,

ocr page 181

— i7S —

ü

r, ooi 1

,

hij wilde bij hem blijven, overal hier op aarde en ook eenmaal in den Hemel. En toen de Heer aan allen de voeten had ge-wasschen, stond hij op en sprak tot hen: Als ik, de Heer en Meester, u de voeten heb gewasschen, moet ook gij elkander de voeten wasschen, want ik heb u een voori'.eeld gegeven, opdat gij ook doen zoudt, zooals ik u gedaan heb. Dit voorbeeld is nu weer zulk een beeld en gelijkenis, zooals Jesus die steeds gaf, want hij wilde daarmede niet al-lesn zeggen, dat de apostelen elkander de voeten moeten wasschen, hij wilde hun daarmede leeren, dat zij alle menschen moesten beschouwen als hunne broeders en aan allen, ook aan den armste, gaarne liefdediensten zouden bewijzen. • Zij moesten na den dood des Heeren uitgaan over de geheele wereld, aan de menschen de leer des heils verkondi-g9n en hen helpen niet alleen naar de ziel, maar ook naar het lichaam, zoo dikwijls het noodig was; nooit moesten zij zich zeiven te groot achten, nooit iets als te moeielijk of te vernederend beschouwen. En zoo moeten ook alle ware kinderen Gods, allen, die deel

ocr page 182

— 176 —

willen hebben met den lieven Heiland, gestemd zijn. Wij moeten gaarne de armen helpen, mijn kind, wij moeten vriendelijk en goed jegens hen zijn, en ons zeiven niet voor beter houden dan zijn; want ook zij zijn kinderen van den hemelschen Vader. En zoo doet ook de plaatsbekleeder van den lieven Heiland, de eerste, hoogste priester in de Kerk, onze heilige Vader, de paus van Rome. Donderdags voor Paschen, den dag dien wij ook Witten-Donderdag noemen, laat de Paus twaalf arme bedelaars in zijn prachtig paleis komen, en hij. in wiens tegenwoordigheid groote vorsten slechts met eerbied verschijnen, knielt voor deze arme menschen neer en wascht hunne voeten. Hij doet het volgens het voorbeeld van den nederigen Heiland, en geeft daarmede aan alle Christenen de les: dat niemand hoogmoedig mag zijn, maar een ieder er aan denken moet, dat onze Lieve Heer gezegd heeft; »Alles wat gij aan den geringste uwer broeders gedaan hebt, dat hebt gij aan mij gedaan, iedere goede daad, iedere daad van Christelijke liefde, die gij jegens de armen doet, zal de

ocr page 183

— 177 —

Hemelsche Vader U niet onbeloond laten. Amen.

42. Het heilig avondmaal.

Êe laatste maal, mijn kind, hebt gij gehoord, hoe de Heiland de voeten wiesch zijner leerlingen, om hen te leeren, dat zij nederig moesten zijn en gaarne alle armen en geringe menschen moesten dienen. Daarna zette hij zich weder aan tafel en de apostelen namen plaats rondom hem heen. De Heiland zag hen vol liefde aan, nam het brood, dat op tafel lag in zijne heilige handen, sloeg zijne oogen ten hemel, tot God, zijn almachtigen Vader, dankte hem, zegende het brood en gaf het aan zijne leerlingen met de woorden; «Neemt en eet allen daarvan, want dit is mijn lichaam, dat voor u zal worden overgeleverd.quot; Insgelijks nam hij ook den kelk met wijn, dankte wederom en sprak: Neemt en drinkt allen hieruit, want dit is mijn bloed, dat voor u zal vergoten worden tot vergiftenis der zonden: sDoet dit ter mijner gedachtenis.quot; — Zie, mijn kind, Moeder. 12

Moede

I

KS!

'g-'

w*

ocr page 184

- 178 -

dit was een zeer heilige en plechtige handeling, welke wij bet laatste Avondmaal noemen; heden vieren wij die plechtigheid nog juist op dezelfde wijze, als de Heiland op den dag, waarvan ik u verhaal, haar vierde met de apostelen. Nog altijd vieren wij het heilige avondmaal en zullen het blijven vieren tot aan het einde der wereld, tot aandenken aan onzen lieven Heiland, aan het offer, dat hij voor ons bracht, door aan het kruis een bitteren dood te ondergaan voor onze zonden. Gij zijt wel eens mede geweest naar de Kerk, nietwaar, en hebt daar wel eens de godsdienstoefening bijgewoond, waarbij de priester voor het altaar staat en de menigte godvruchtige gezangen aanheft. De godsdienstoefening, welke wij de heilige Mis noemen, is de gedachtenisviering van het avondmaal waarvan ik u zooeven heb verhaald. De priester verricht aan het altaar vele schoone, heerlijke gebeden, welke de groote menschen in hunne gebedenboeken hebben staan en mede-bidden, en als dan te midden van die godsdienstoefening de koorknaap, die onder aan het altaar knielt, met de bel klingelt, dan

ocr page 185

buigen wij allen diep het hoofd vol eerbied en nederigheid, dan neemt de priester het brood, in zijne handen en spreekt de woorden van den Zaligmaker: jDit is mijn lichaam dat voor u zal worden overgeleverd,quot; — En dan neemt hij den gouden kelk met wijn en spreekt daarbij ook de woorden des Zaligmakers: »Dit is mijn Moed, dat voor u al vergoten worden.quot; En op datzelfde heilige oogenblik daalt de Zaligmaker persoonlijk op het altaar neder. Hij is daar, zooals hij was aar bij zijne leerlingen, maar onzichtbaar; zijne ens Godheid en zijne menschheid zijn geheel ver-de borgen onder de nederige gedaante van brood gte en wijn; maar toch is hij daar wezenlijk en waarachtig en daarom liggen wij allen, diep gebogen op onze knietin en aanbidden hem. Dan moogt ook gij tot hem bidden, dan moogt gij hem smeeken, dat hij u een goed kind doe worden, evenals de kinderen tot hem mochten bidden, welke hij eens om zich heen verzamelde en zegende. En dan hebben wij zulk een goede gelegenheid om te overdenken, hoe onze Verlosser was, hoevele smarten hij stil en geduldig voor ons heeft gele-

ocr page 186

— i8o —

uit,

linglt;

gene

hooj

heef

ver

ook

konr

der

dat

telij

de

met

mei

Goc

woc

ook

zag

en

alti

zijn

bin

har

sch

var

den en hoe hij nog voortdurend tot ons komt. Dan bidden wij tot den Hemelschen Vader, en de groote, heilige God ziet barmhartig op ons neder, aanschouwt het offer, hetwelk zijn geliefde Zoon Jesus voor ons heeft gebracht, en ziet hoe hij zich nog altijd in de gedaante van brood en wijn voor ons laat opofferen. O Hemelsche Vader, om de liefde, waarmede uw geliefde Zoon ons bemind heeft, om al het lijden, hetwelk hij voor ons heeft doorstaan, schenk ons vergiffenis van het kwaad, dat wij hebben bedreven, wij aanbidden u en Onzen lieven Heiland en het doet ons zoo leed, dat wij zoo dikwijls boos zijn geweest. O zeker, wij willen ons telkens en telkens het voornemen vernieuwen om ons te verbeteren en zoo te worden, dat wij de liefde waardig zijn van onzen Heiland. — En de priester nuttigt het heilig Brood en den wijn en al diegenen in de kerk, die met bijzonderen ijver hunne zielen hebben geheiligd en gezuiverd van zon-denvlekken, zij allen mogen ook tot het altaar naderen, want het altaar is de tafel des Hee-ren, en de priester deelt hun het heilig Brood

ocr page 187

— i8i —

uit, gelijk Jesus dit eens deed aan zijne leerlingen. Als mijn kind eenmaal groot is en genoegzame kennis genoeg heeft om zulke hooge en heilige zaken te begrijpen, en het heeft dan geleerd, het kleed zijner ziel zuiver en onbevlekt te bewaren, dan mag het ook naderen tot de tafel des Heeren, dan komt de Zaligmaker ook tot hem (haar) onder de gedaante van brood. En als wij aan dat alles eens goed hebben gedacht en hartelijk hebben gebeden, zie, dan verlaten wij de kerk met een vroolijk, gelukkig hart en met versterkten wil en vernieuwde voornemens, om braaf te zijn, want in het huis Gods zijn wij inderdaad in zijn heilige tegenwoordigheid geweest, en al hebben wij hem ook niet gezien, zooals de apostelen hem zagen en hoorden, toch was het ons zoo goed en zalig daar te zijn. O mijn kind, doe toch altijd uw best om een waar Kind Gods te zijn, doe altijd uw best om het huis Gods binnen te treden met een vroom en goed hart, dan moogt gij eenmaal ook de hemel-sche woning Gods binnengaan, om hen daar van aanschijn tot aanschijn te zien in zijne

ocr page 188

- i82 -

heerlijkheid, en in die aanschouwing onze eeuwige zaligheid te vinden. Amen.

43. Jesus neemt afscheid van zijn Apostelen. Zijn laatste gebed.

Snze Zaligmaker had met zijne Apostelen

het laatste Avondmaal gehouden, hij Miji had brood en wijn gezegend en hun gezegd,

dat zij dit tot zijne gedachtenis moesten herhalen. Dat heb ik u de laatste maal verhaald.

Thans zullen wij den Zaligmaker vergezellen op het einde van zijn lijdensweg, want hij sprak nu tot zijn leerlingen; komt met mij mede, en ging vervolgens met hen naar den Olijfberg. Onderweg zeide hij hun, dat het nu tijd was om afscheid te nemen, en hij vermaande hen hartelijk, om elkander oprecht lief te hebben, zóó als hij, de Heiland zelf, hen had liefgehad. Toen de leerlingen hoorden, dat de Heer van hen heen zou gaan werden zij zeer treurig. Daarom troostte hij hen en sprak: »Weest niet bedroefd, want ik keer thans terug tot mijnen vader in den Hemel. In het huis mijns Vaders zijn echter

ocr page 189

— i83 —

Pi

vele woningen en ik ga heen, om u daar een plaats te bereiden. Later zal ik terugkomen en u tot mij nemen, want waar ik ben, daar |j moet ook gij zijn. Den weg daarheen kent'gij.quot;

Dien weg kent ook mijn kind reeds, niet-waar? Den weg naar den Hemel, het smalle pad, dat dikwijls zoo moeielijk te begaan is.

Mijn kind weet reeds zeer goed, naar welke stem in zijn hart het moest luisteren en wat

i! - 'i

het moet doen om den weg te bewandelen,

nietwaar, mijn kind r Want ook voor ons heelt de Heiland zulk een schoone plaats bereid,

en wij willen van dien weg niet afwijken,

al is het ook dikwijls moeielijk, altijd braaf en gehoorzaam te zijn. Hoor slechts, welke vreeselijke pijnen onze lieve Zaligmaker heeft geleden, hij heeft voor ons alles moedig verdragen ; als gij goed toeluistert, zal het u niet zwaar zijn u zeiven in kleine zaken te overwinnen.

In een tuin, Gethsemane geheeten, en gelegen bij den Olijfberg, ging Jesus met zijn leerlingen binnen en sprak tot hen: iWacht hier, terwijl ik ga en bid. Slechts Petrus, Ja.

cobus en Joannes nam hij dieper met zich

ter ■] co

X

i'l

rS

lm

amp;

ocr page 190

— 184 —

den tuin in. Toen begon hij bedroefd en ontsteld te worden en te sidderen en sprak; gt;Mijne ziel is bedroefd tot den dood toe, blijft hier, waakt en bidt met mij.quot; Daarop ging hij een weinig verder, viel op zijn aangezicht, bad en sprak: «Mijn vader 1 indien het mogelijk is, neem dan deze kelk van mij weg, doch niet mijn, maar uw wil geschiede.quot; Met den kelk bedoelde de Zaligmaker het bittere lijden, dat hij zou moeten verduren, want zie, mijn kind, wijl hij de Zoon Gods was, daarom wist hij te voren alles, wat de booze menschen hem zouden aandoen; hij wist, dat zij hem het zware kruis op de schouders zouden leggen en hem daaraan met ijzeren nagelen zouden vastklinken.

O mijn kind, denk eens, dat alles zag hij duidelijk voor zich, en al was ook zijn hart voor ons, zondige menschen, zóó vol van liefde, dat hij alles wilde verdragen om ons te verlossen, toch sidderde zijn lichaam er voor en het was hem alsof hij de scherpe doornenkroon reeds in zijn heilig hoofd voelde 1 dringen, alsof de puntige nagelen zijn heilige handen en voeten doorboorden, en daarom

ocr page 191

- i8s -

overviel hem een groote, schrikkelijke angst en bad hij; »Vader, als het mogelijk is, neem dan deze kelk van mij weg, maar toch uw wil geschiede.quot; — Denk eens aan, mijn kind, als gij een zeere vinger hadt, en gij wist vooruit, dat de dokter met een scherp mes daarin zou moeten snijden, dan zoudt gij daarvoor zeer bevreesd zijn, nietwaar? want het lichaam schuwt de smart, het vleesch huivert er voor, zelf al is de ziel moedig. En de Zaligmaker wist, dat de schrikkelijkste folteringen en pijnen hem te wachten stonden. Toen hij opstond, ging hij naar zijne leerlingen en vond hen slapende. Hij wekte hen en sprak tot Petrus; «Hoe, slaapt gij? Kunt gij dan niet één uur met mij waken? Waakt en bidtlquot; Daarna verwijderde hij zich ten tweeden male en sprak evenals te voren: »Vader, indien het niet mogelijk is, dat deze kelk mij voorbij ga, dan geschiede uw wil.quot; — Na een korte poos keerde hij wederom tot zijne leerlingen terug en vond hen opnieuw slapende, want het was nacht en zij waren zeer vermoeid. Toen verliet hij hen voor de derde maal en hervatte zijn gebed. En doods-

miiiinn i

ocr page 192

— i86 —

angst overviel hem, zoodat hij sidderde en zijn zweet als druppelen bloed op den grond bevochtigde, en hij bad lang en dringend; op dat gebed daalde een Engel van den hemel neder om hem te versterken; toen begaf hij zich weer tot zijne leerlingen en sprak tot hen: slaapt nu en rust. Het uur is gekomen, waarop de Zoon des Menschen — zoo noemde de Zaligmaker zich zeiven — overgeleverd zal worden in de handen der zondaren. Staat op, laat ons gaan. Hij, die mij verraden zal, is nabij.quot; — Deze verrader, die aan de vijanden van Jesus had gezegd waar zij den Zaligmaker konden vinden, was een van de twaalf apostelen, die den Heer gevolgd waren. Denk eens, welk een smart voor den liefdevollen Heiland, te ondervinden dat een van zijne leerlingen zoo slecht was geworden! Dat was Judas; hij had zoo gaarne blinkend geld en daar de booze Pharizeërs en Schriftgeleerden, die nijdig waren op den Zaligmaker en hem wilden dooden, hem dat blinkend geld hadden aangeboden, had hij geen weerstand geboden, maar het aangenomen. Dertig zilverlingen gaven zij hem en

ocr page 193

- I87 -

daarvoor toonde Judas aan deze vijanden, waar de Zaligmaker verborgen was, en voerde een groote schaar, voorzien van fakkels en lantaarns naar den tuin van Gethsemane, want hij wist, dat Jesus zich daar ophield. Hoe slecht, hoe ondankbaar was dat van Judas, nietwaar, mijn kind? Gij denkt bij u zeiven: hoe is het mogelijk, dat hij zoo slecht kon zijn ?

Mijn kind, laten wij in dezen ernstigen tijd, waarin wij wederom de dagen vieren, gedurende welke onze Heiland voor ons heeft geleden, laten wij er nu bijzonder aan denken, welken nood en angst hij voor ons heeft uitgestaan en laten wij bidden: O, gij lieve, goede Heiland, die ter wille van onze zonden met bloedig zweet zijt overdekt geworden, ik zal altijd aan U denken, opdat het niet vruchteloos voor mij geweest zij, ik zal uw kind blijven altijd en zonder ophouden. Amen.

44. Degevangenneming van Jesus.

1 ij weet, mijn kind, dat de Zaligmaker M met zijne leerlingen in den tuin van

ocr page 194

— 188 —

Gethsemane was aan den voet van den Olijfberg. Hij wekte hen en zeide; iZie, hij die mij verraden zal, is nabij!quot; En terwijl hij nog sprak, kwam Judas en met hem een groote schaar, voorzien van fakkels en zwaarden. Judas had tot zijn begeleiders gezegd: Hij, dien ik zal kussen, is het; grijpt hem.quot; Zoodra hij nu Jesus zag, trad hij op hem toe en sprak: »Wees gegroet, Meester!'' — en hij kuste hem. Jesus antwoordde hem: »Vriend, waartoe zijt gij gekomen? Judas, verraad gij den Zoon des Menschen met een kus ?quot; Daarop trad Jesus toe op de bende en vroeg: »Wien zoekt gij?quot; Zij antwoordden: »Jesus van Nazareth.quot; — Vol goddelijke waardigheid antwoordde Jesus: »Ik ben het.quot; — Bij dat woord weken zij terug en stortte ter aarde. Toen zij van hun schrik hersteld waren, vroeg hij hen wederom: »Wien zoekt gij?quot; en zij antwoordden; ijesus van Naza-reht.quot; Jesus sprak: »Ik heb u gezegd, dat ik het ben; als gij dus mij zoekt, laat dezen dan gaan.quot; Jesus bedoelde daarmede zijn leerlingen. Nu namen de soldaten hem in hun midden. — Toen de leerlingen dit zagen.

T

ocr page 195

— 189 —

spraken zij tot Jesus: »Heer, zullen wij er met het zwaard op inslaan ?quot; En Petrus trok werkelijk zijn zwaard en hieuw den knecht van den hoogegriester, Malchus geheeten, een oor af. Maar Jesus sprak tot Petrus: gt;Steek uw zwaard in de scheede. Of meent gij, dat mijn Vader, als ik hem er om smeek, mij niet een geheel legioen engelen zenden zalP Hoe zou anders alles' geschieden, zooals het in de H. Schriften voorspeld is?quot; Daarna genas hij wederom het oor van Malchus, den knecht en bood zijn heilige handen vrijwillig aan zijne vijanden om gebonden te worden. Toen verlieten zijne leerlingen hem en vluchtten weg. — Hebt gij het nu wel goed begrepen, mijn kind, hoe zachtmoedig en geduldig onze Heer en Heiland is? Hij wist zeer goed, dat hij slechts tot zijn hemelschen Vader behoefde te zeggen: »Ik bid u: zend uwe engelen om mij te helpen,quot; en aanstonds zou hij omgeven zijn geweest door een he-melsch heirleger. Maar hij wilde dat niet, hij wilde veel liever lijden, bitter lijden. Hij wilde alles verduren wat hem overkwam; hij wilde zich ten bloede toe laten slaan en be-

ocr page 196

— 190 —

spotten, hij wilde het zware kruis dragen en zich daaraan laten vasthechten, enkel en alleen uit liefde tot de menschen; hij wilde toonen, dat niets hem te zwaar was.

O mijn kind, wilt ook gij niet gaarne iets doen voor dezen liefdevollen Heiland, in dezen tijd. nu wij de gedachtenis vieren van zijn lijden en de heilige dag van zijn dood, de goede Vrijdag, steeds nader komt? Denk eens ernstig na, onderzoek eens bij u zeiven, wat het wel is, dat u zwaar valt om te doen en wat gij toch moet doen. Vraag u zeiven af: gt;Zijn mijne woorden wel altijd zoo vriendelijk en vreedzaam, als die van mijn Verlosser, of spreek ik niet dikwijls woorden, die verkeerd zijn ? Verricht ik wel altijd gaarne en vlijtig het weinige dat ik te verrichten heb? Denk ik niet altijd eerst aan mijzelven, in plaats van aan anderen ?quot;' — Bepaal u nu tot een van deze fouten of als gij nog een andere fout vindt, neem dan ook die er bij en zeg ernstig: »Lieve Heiland, ik wil uit liefde tot u er voortdurend aan denken en dit leelijke gebrek geheel afleggen.quot; —

De vijanden die onzen Zaligmaker mede-

ocr page 197

— 191 —

voerden, brachten hem nu voor de rechters, en op de eerste plaats voor den Hoogepries-ter. Daar brachten slechte lieden vele leugenachtige beschuldigingen in tegen Jesus, want zij konden hem van niets naar waarheid beschuldigen. Maar de Heer zweeg bij al die leugens en sprak geen enkel woord. Slechts toen de Hoogepriester hem vroeg: »Ik bezweer nu bij den levenden God, dat gij ons zegt, of gij de Christus, de Zoon Gods zijt?quot; toen antwoordde de Heiland met plechtigen ernst: gt;Ja, ik ben het.quot; —

fv-fj

lt;r .quot;tiü

; ;m

ll

li1

% ■•j

Nu begonnen zij een luid geschreeuw tegen hem aan te heffen en riepen: »Hij is des doods schuldig, wij zullen hem voor den landvoogd brengen, daar moet hij veroordeeld worden.quot; En zoo werd de beminnelijke, geduldige Heiland voor den anderen rechter gebracht, voor den landvoogd Pilatus en den volgenden Zondag zullen wij hooren, hoe hij daar mishandeld en veroordeeld werd tot den bitteren üood des kruises. Denk in-tusschen deze week aan hetgeen gij u nu hebt voorgenomen, mijn kind; dan kunt gij aanstaanden Zondag in uw haitje tot den lieven

TT-

ocr page 198

— 192 —.

Heiland zeggen: »Ik heb mijzelven ook een weinig bestreden, uit liefde tot u, o beminnelijke Heer Jesuslquot; Amen.

45. Jesus voor zijne rechters.

ge opperste rechter in het Joodsche land e was Pilatus, de Romeinsche landvoogd;

voor dezen brachten de hoogepriesters en Pharizeën vergezeld van een groote menigte volks, den lieven Heiland, en schreeuwden voortdurend voor het huis van Pilatus: sKru-sig hem, kruisig hemlquot; Want het volk was geheel bedrogen door de leugens welke slech te menschen tegen den Heiland hadden uitgestrooid, en velen, die nog kort geleden,

toen de Zaligmaker zijn intocht deed binnen Jerusalem, geroepen hadden: »Hosanna den Zoon van David!quot; riepen thans: sKruisig den

verd

krijg

ontd hem seis besj

Mlt;

de L

gevai

als h

in df

roovi

rabai

wilt

— F

vrijh

eens

door

hun

daan

zoud

ons

wat

schu

daar

hem!quot; Maar Pilatus was verstandiger dan het dwaze volk, hij zag zeer goed, dat de Pharizeën uit louter nijd tegen den Zaligmaker hadden gelogen, en daaiom antwoordde hi; aan de Joden: »Ik vind geen schuld in Hem.' Nu was het in dat land de gewoonte, da

ocr page 199

— 193 —

de landvoogd omtrent Paschen een van de gevangenen die in den kerker zaten, vrijliet als het volk voor deze genade vroeg. Er was in de gevangenis een zeer slecht mensch, een roover en moordenaar, en deze heette Bar-rabas. Pilatus sprak nu tot de Joden; »Wien wilt gij, dat ik u loslate, Jesus of Barrabas?quot; — Hij dacht zeker, dat zij voor Jesus de vrijheid zouden vragen. Maar neen! Denk eens aan, zoo verblind waren deze Joden door de leugens der Pharizeen en wijl deze hun geld gegeven en schoone beloften gedaan hadden, als zij tegen den Zaligmaker zouden getuigen, dat zij allen riepen; »Laat ons Barrabas los.quot; — Pilatus hernam: »Maar wat moet ik dan met Jesus doen; ik vind geen schuld in hem, ik zal hem laten geeselen en daarna in vrijheid stellen.quot; — Nu liet hij den geduldigen Heiland, die alles stilzwijgend verdroeg naar het gerechtshuis voeren. De krijgsknechten kwamen nu haastig naderbij, ontdeden Jesus van zijne kleederen, bonden hem aan een kolom en sloegen hem met gee-sels ten bloede toe. Daarna wierpen zij hem als bespotting een pulperen mantel om zijn door-Moeder. 13

: een ïmin-

'.'M

'S. land

Jögd;

s en nigte wden Kru-wasj ilech-1 uit-; eden, innen den ruisig in het Pha-naker. Ie hijj [em.' dai

i ;i

I

• V5 f

I

1' ••gt;:j

■p

ifo

'iË

T

ocr page 200

— 192 —

Heiland zeggen: «Ik heb mijzelven ook een weinig bestreden, uit liefde tot u, o beminnelijke Heer Jesus 1quot; Amen.

45. Jesus voor zijne rechters.

JÉe opperste rechter in het Joodsche land was Pilatus, de Romeinsche landvoogd; voor dezen brachten de hoogepriesters en Pharizeën vergezeld van een groote menigte volks, den lieven Heiland, en schreeuwden voortdurend voor het huis van Pilatus: sKru-sig hem, kruisig hem!quot; Want het volk was geheel bedrogen door de leugens welke slechte menschen tegen den Heiland hadden uitgestrooid, en velen, die nog kort geleden, toen de Zaligmaker zijn intocht deed binnen Jerusalem, geroepen hadden: »Hosanna den Zoon van David!quot; riepen thans: »Kruisig hem!quot; Maar Pilatus was verstandiger dan het dwaze volk, hij zag zeer goed, dat de Pharizeën uit louter nijd tegen den Zaligmaker hadden gelogen, en daaiom antwoordde hij aan de Joden: »Ik vind geen schuld in Hem.quot; Nu was het in dat land de gewoonte, dat

ocr page 201

een ; de landvoogd omtrent Paschen een van de min- gevangenen die in den kerker zaten, vrijliet ' als het volk voor deze genade vroeg. Er was j in de gevangenis een zeer slecht mensch, een roover en moordenaar, en deze heette Bar-rabas. Pilatus sprak nu tot de Joden; »Wien wilt gij, dat ik u loslate, Jesus ofBarrabas?quot; — Hij dacht zeker, dat zij voor Jesus de vrijheid zouden vragen. Maar neen! Denk eens aan, zoo verblind waren deze Joden door de leugens der Pharizeen en wijl deze hun geld gegeven en schoone beloften gedaan hadden, als zij tegen den Zaligmaker zouden getuigen, dat zij allen riepen: »Laat ons Barrabas los.quot; — Pilatus hernam: »Maar wat moet ik dan met Jesus doen; ik vind geen schuld in hem, ik zal hem laten geeselen en daarna in vrijheid stellen.quot; — Nu liet hij den geduldigen Heiland, die alles stilzwijgend verdroeg naar het gerechtshuis voeren. De krijgsknechten kwamen nu haastig naderbij, ontdeden Jesus van zijne kleederen, bonden hem aan een kolom en sloegen hem met gee-sels ten bloede toe. Daarna wierpen zij hem als bespotting een pulperen mantel om zijn door-

Moeder. 13

ocr page 202

wondde ledematen, vlochten een kroon van doornen en drukten hem die op het hoofd. In de rechterhand gaven zij hem in plaats van een scepter, een riet; vervolgens bogen zij voor hem hunne knie en zeiden: sWees gegroet, koning der Joden 1quot;

Anderen spuwden hem in het gelaat, gaven hem kaakslagen, rukten hem het riet uit de hand en sloegen daarmede op zijn heilig hoofd, zoodat de doornen nog dieper daarin drongen. Toen nu Jesus zoo verschrikkelijk mishandeld was, meende Filatus, dat zijn aanblik de Joden tot medelijden zou stemmen ; daarom liet hij den Heer wederom voor het volk voeren en sprak, terwijl hij op hem wees: „Ziet, welk een mensch!quot; Maar de woeste bende riep: „Kruisig hem, kruisig hem!quot; En de hoogepriester en oudsten bedreigden hem: „Als gij dezen loslaat, zijt gij de vriend des keizers niet meer, want hij heeft gezegd, dat hij koning der Joden was, en die zich zelf tot koning maakt, weerstaat den keizer.quot; — Toen Pilatus dit hoorde, verschrok hij, want hij was zeer bevreesd, de gunst van den machtigen keizer te zullen

ocr page 203

— I95 —

verliezen. Ach! Pilatus en al deze booze men-schen begrepen den Zaligmaker niet, of wilden hem niet begrijpen, toen hij zeide: „Ik ben Koning, maar mijn rijk is niet van deze wereld.quot; De nederige Heiland wilde geen aardsche koning zijn, omgeven door grootheid en rijkdom, hij wilde op deze aarde geen land bezitten, hij wilde zijn rijk hebben in de harten der menschen en in den Hemel, waarheen hij de goede inenschen wilde voeren. Maar Pilatus begreep dit niet' en zoo kwam het dat hij vreesde voor den toorn des keizers, wijl hij dacht, dat de joden hem zouden aanklagen. Daarom nam hij water, wiesch zijn handen in tegenwoordigheid van het volk en sprak: »lk ben onschuldig aan het liloed van deze rechtvaardige, gij moogt toezien.quot; Maar het volk riep: »Wij willen z'jn bloed, kruisig hem 1quot; — En toen gaf Pilatus Jesus over om gekruisigd te worden.

O, mijn lief kind, deuk altijd aan hetgeen de Heiland heeft geleden voor u, voor ons allen, die aan smartvolle geeselslagen, die hem het bloed uit het lichaam deden springen, aan die scherpe doornenkroon, welke die ruwe

r hi

* !

'I

- 'jS

: .;i ■ ■\

li lil

l i

: / ;■

ocr page 204

— 196 —

krijgsknechten hen in het hoofd drukten, aan al den spot en den hoon, die over hem kwam terwijl er niemand, niemand was, die hem een vriendelijk woord van troost toesprak. O, mijn kind! als gij eens pijn hebt, als een of ander u lastig valt, dan denkt gij aanstonds, dat het onmogelijk is, een oogenblik geduldig te zijn, een onaangenamen arbeid met lust en opgewektheid te verrichten. Maar als gij dan denkt aan den Zaligmaker overdekt met bloed, en zijn purperen mantel en met zijn doornenkroon, dan zult gij u schamen om te klagen. O, geliefde, lijdende Zaligmaker! uw aanblik moge ons leeren gaarne en geduldig te lijden, alles wat de Hemel-sche Vader ons zal overzenden.

46. De Kruisiging.

e soldaten grepen nu den Zaligmaker, namen hem zijn mantel af, en legden hem het zware kruis op de schouders. Met den schrikkelijken last beladen, sleepte hij zich voort door de staten van Jerusalem naar de strafplaats, welke Golgotha, Calvarië ofwel

ocr page 205

— 197 —

Schedelberg heette. Met hem werden twee roovers en moordenaars ter kruisiging gevoerd. Denk eens aan, mijn kind, de Heiland, het j, onschuldige Lam Gods, tusschen twee boos- ^ wichten, alsof ook hij een schandelijke, slechte roover ware geweest. De geeseling, de mis- « handelingen, welke de krijgsknechten hem gedurende den nacht hadden aangedaan, hadden den Zaligmaker zoozeer uitgeput, dat hij onder het zware kruis meermalen bezweek. De krijgs- i' knechten dwongen daarom een voorbijganger, Simon van Cyrene, Jesus het kruis te helpen dragen. ■

Onder de groote volksmenigte, welke Jesus volgde, bevonden zich ook eenige vrome vrouwen, die hem beklaagden en over hem weenden. Jesus wendde zich tot hen, troostte hen en sprak; sWeent niet over mij, maar weent veel meer over de hardnekkigheid en het ongeloof van hen, die niet naar mij willen luisteren.quot; — Toen Jesus ten laatste op den Calvarieberg was aangekomen, reikten de soldaten hem een met myrrhe en gal ge-mengden wijn toe; deze moest dienen om hem te bedwelmen, zoodat hij de pijn min-

ocr page 206

— 198 —

der gevoelde, ma£.r Jesus wilde dien drank niet, hij wilde alles lijden zonder eenige verzachting. Daarop rukten zij hem de kleederen van het lichaam, en nagelden hem aan het kruis. Met hem kruisigden zij ook de beide misdadigers.

Daar hing nu de Zoon Gods, naakt en gewond tjsschen hemel en aarde, en zijn bloed stroomde neder op den grond. Zijne kleederen verdeelden de soldaten onder elkander; over zijn rok wierpen zij het lot, want deze was geweven en uit één stuk. De goede Zaligmaker dacht echter — ock terwijl hij daar hing in de grootste smarten — alleen aan de menschen, die hij zoo liefhad, en hij bad tot zijn hemelschen Vader voor zijne vijanden, die aan den voet van het kruis stonden en hem hoonden en beschimpten: iVader, vergeef het hun, want zij weten niet, wat zij doen.quot; — De Zaligmaker kende in zijn hart geen ander gevoel dan dat van liefde, liefde voor zijn wreede beulen, hij wilde niet, dat God hen zou strafien, want, zeide hij, zij zijn dwaas en blind, zij begrijpen hun eigen werk niet; anders zouden zij zoo gruwzaam niet

ocr page 207

L——;'' ^

— 199 —

zijn tegenover dengene, die voor de menschen louter liefde gevoelt. — Naast het kruis stonden twee personen, die diep bedroefd waren; dezen wierpen een blik vol liefde en innig medelijden omhoog naar den Heiland. Dat was zijne heilige Moeder en zijn leerling Joannes. En de Zaligmaker zag zijne heilige Moeder aan, wiens hart van de bitterste droefheid vervuld was, en hij wilde haar nog troosten en beschermen en haar een bewijs geven zijner liefde; daarom sprak hij tot haar, terwijl hij een blik wierp op den heiligen Joannes: «Moeder, dat is uw zoonquot; en tot Joannes: »Dat is uwe moeder.quot; En van dat oogenblik af nam Joannes de heilige Maria tot zich en beschermde haar en bleef bij haar als een liefhebbende Zoon, om haar te troosten over den dood van haar inniggeliefd Goddelijk Kind.

Toen het nu middag was geworden, werd plotseling de zon verduisterd en een zwarte nacht omhulde de geheele aarde, drie uren lang. Toen de duisternis begon te verdwijnen, riep de Zaligmaker; sik heb dorstquot; en op dit woord reikte een soldaat hem een in azijn

T m ê

■ 1

r if

rv. I

fff 'ê*

l:

ocr page 208

— 200

gedoopte spons toe aan een langen rietstengel. Jesus proefde van den azijn en sprak: »Het is volbracht.quot; Vervolgens riep hij met luider stemme: »Vader in uwe handen beveel ik mijnen geest.quot; — Na deze woorden boog hij het hoofd en stierf.

Op datzelfde oogenblik scheurde het voorhangsel van den tempel van boven tot beneden, de aarde beefde en de rotsen spleten vaneen. Toen werden cle hoofdman en de soldaten, die Jesus bewaakten door groote schrik bevangen, zij sloegen op hunne borst en riepen uit: «Waarlijk, deze mensch was een rechtvaardige, hij was inderdaad de zoon Gods.quot; En zwijgend en sidderend keerde het volk terug naar Jeruselem. De vrienden en leerlingen van den Zaligmaker namen nu het gestorven lichaam van het kruis, wikkelden het in zuiver lijnwaad, dat doortrokken was van geringe geurige specerijen, en legden het in een nieuw graf, dat in een rots was uitgehouwen. Den toegang tot het graf sloten zij af met een grooten steen.

Denk er nu den geheele dag aan, mijn kind, welk een heiligen dag wij heden vieren;

ocr page 209

201

het is de sterfdag des Heeren, de dag van zijn onbeschrijfelijke pijnen en verschrikke-lijken dood! Wees braaf en-' stil, opdat gij dezen heiligen treurdag niet ontheiligt door ondeugend of luidruchtig te zijn. Denk, hoe de Zaligmaker aan het kruis heeft gehangen, en klaag niet, als gij een kleine smart moet verduren, maar bedank hem, bedank hem den geheelen dag in de stilte van uw hart voor zijn overgroote liefde tot ons menschen. Amen.

i

47. Faschen.

JgTfrFeden is het een blijde, een heerlijke dag, ^3® mijn kind! In steden en dorpen, overal luiden de kerkklokken; het zwarte rouwkleed, waarmede de altaren waren omhuld op den dag van 's Heeren dood, is weggenomen en alles is schoon en feestelijk versierd. Ook de menschen dragen hun beste kleederen en spoeden zich naar de kerk, het orgelspel jubelt door de gewelven en de menschen zingen, vereenigen daarmede hun blijden zang: jDe Heer is opgestaan, Christus

ocr page 210

202

is uit den dood verrezen 1quot; Het is immers Paschen, het vreugdevolle feest, de dag, waarop de lieve Heiland zich openbaarde, zich toonde als den Zoon Gods in zijne heerlijkheid, zooals hij ook voorspeld had. »Op den derden dag zal ik verrijzen!quot; En dit was nu de derde dag na dien smartvollen Goeden Vrijdag, den droevigen sterfdag des Heeren.

Toen de morgen van dien derden dag was aangebroken, ontstond eensklaps een hevige aardbeving. Op datzelfde oogenblik kwam Jesus levend en glorievol uit het graf te voorschijn. En een engel daalde af van den Hemel. Zijn aangezicht glansde en zijn kleederen waren wit als sneeuw; hij wentelde den steen af van het ledige graf. De wachters, welke Pilatus, de landvoogd, bij het graf had opgesteld, sidderden en vielen als dood van schrik neder. Zoodra zij eenigszins tot zich zeiven waren gekomen, vluchtten zij in aller, ijl de stad in. Er waren echter in Jerusalem eenige vrome vrouwen, die zich zeer vroeg in den morgen op weg begaven, om bij het graf van Jesus te weenen en te bidden. Onderweg spraken zij vol droefheid tot elkan-

ocr page 211

— 203 —

der: »Wie zal ons den steen van het g:af afwentelen?quot; Maar toen zij naderbij kwamen, zagen zij, dat de steen reeds afgewenteld was. Zij gingen het graf binnen, maar vonden tot hun droefheid het lichaam des Heeren daar niet meer. Plotseling ontwaarden zij twee engelen in glanzend witte kleederen. Zij verschrokken, maar de engel, die aan hun rechterzijde was gezeten sprak: »Vreest niet; gij zoekt Jesus van Nazareth, den gekruisigde. Hij is verrezen en niet meer hier. Gaat en boodschapt het aan zijne leerlingen.quot;

En haastig gingen zij heen en verkondigden het. O, mijn kind! hoe blijde zullen zij allen geweest zijn, die godvruchtige vrouwen en de leerlingen, die zoo bedroefd waren, wijl zij den lieven Heiland onder zulke vree-, selijke smarten hadden zien sterven, en thans ! was hij verrezen. Vol majesteit en Godde-; lijke schoonheid was hij te voorschijn getreden uit het graf. Thans wisten zij allen het onfeilbaar zeker, dat hij de Zoon Gods was, want niemand, niemand anders kan zijn eigen graf ontsluiten en daaruit te voorschijn treden. Dat kan alleen Onze Lieve Heer zelf,

ocr page 212

— 204 —-

Hij is de Heer van leven en dood. — En wij, mijn kind, wij verheugen ons met de leerlingen, want ook voor ons is de Verrijzenis des Heeren een groote blijdschap. Want, gij moet wel acht geven; evenals de Zaligmaker ons alles heeft geleerd, wat wij moeten gelooven en doen om den Hemel te verdienen; evenals hij ons getoond heeft, dat wij zelfs liever groot lijden moeten doorstaan en sterven, dan kwaad doen, evenals hij ons dat alles heeft getoond door zijn voorbeeld, zoo toont hij ons door zijne Verrijzenis, hoe het met ons gaan zal na onzen dood. Wij weten dat nu met zekerheid: de dood is niet verschrikkelijk, maar alleen een verandering. Wij moeten sterven en ons lichaam wordt verborgen in de zwarte aarde, evenals een zaadkorrel in de vore wordt gelegd. Maar onze onsterfelijke ziel heelt dan het lichaam reeds verlaten, evenals wij een kleed uittrekken en wegleggen. Onze ziel gaat aanstonds naar Onzen Lieven Heer, want zij sterft niet met het lichaam, en eens als het einde der wereld daar zal zijn, als de Zaligmaker voor de tweede maal van den hemel zal afdalen,

ocr page 213

^ ■ .to ; • v;

— 205 —

dan ontvangt onze ziel wederom een lichaam en wel een glansrijk, onsterfelijk lichaam, schooner dan wij het ons thans kunnen voorstellen.

En daarom verheugen wij ons zoozeer op het feest van Paschen, daarom is het zulk een jubelfeest, daarom rospen wij: «Alleluja, Christus is verrezen!quot; En als de menschen blijds zijn, dan verschaffen zij elkander gaarne vreugde en daarom worden met Paschen eieren en andere schoone zaken geschonken en dan weten ook de heele kleine kindertjes reeds dat Pascken een blij feest is. Maar de grooteren, die reeds meer begrip hebben, verheugen zich nog veel meer over de Verrijzenis des Zaligmakers en bidden tot Hem met godsvrucht: »0 Gij, geliefde verrezen Heer en Heiland 1 help mij toch om een braaf kind te worden, dat eens in vreugde en heerlijkheid opstaat, even als gij. Amen.quot;

48. De verschijningen des Heeren na de Yerrijzenis.

Sjfien vorigen Zondag vierden wij het schoone ■b® feest van Paschen. Thans zult gij hooren,

Si

ocr page 214

- 2o6 -

rr

hoe onze lieve Heiland aan de godvruchtige vrouwen en de leerlingen verscheen en hen troostte en verblijdde. Er was in die dagen te Jerusalem een zeer godvruchtige vrouw, Maria Magdalena geheeten. Zij had den Za ligmaker zeer liefgehad, en toen hij eens in de stad harer inwoning was gekomen, had zij alles laten staan en liggen, en was zich aanstonds aan zijne voeten komen werpen om naar zijn woord te luisteren. Evenals de andere vrouwen, was nu ook Maria Magda lena diep bedroefd naar het graf gekomen, en daar zij zag, dat de steen was afgewenteld, ging zij weenende heen. Zij zag echter ook de twee engelen, en deze spraken tot haar: „Vrouw, waarom weent gij?quot; — Daar zij nog niet wist, dat de Heer opgestaan was, antwoordde zij: „Ach, zij hebben mijnen Heer weggenomen en ik weet niet, waar zij hem gelegd hebben. Zij meende namelijk dat de soldaten het lichaam des Heeren uit het graf hadden weggenomen. Toen zij dit gezegd had en zich omwendde, stond Jesus voor haar: zij herkende hem echter niet en dacht, dat het de tuinman was. Daarom vroeg zij hem:

ocr page 215

„Heer, weet 'gij niet, waar zij hem heengedragen hebben?quot; — En toen sprak Jesus met zijn goddelijke, beminnelijke stem tot haar dit ééne woord: „Maria!quot; Daaraan herkende zij hem, viel voor zijne voeten neer en riep: „O, geliefde Meester!quot; Maar hij sprak wederom : Ga en boodschap het aan de leerlingen. Ik vaar nu spoedig op tot mijnen en uwen Vader, tot mijnen en uwen God.quot; En na dit gezegd te hebben, verdween hij.

Op denzelfden dag gingen twee van de leerlingen naar een stadje, Emmaüs geheeten. Zij hadden echter nog niets van de verrijzenis gehoord, want zij waren vroeg van huis gegaan. Plotseling kwam Jesus tot hen in de gedaante van 'een vreemdeling en zij herkenden hem niet. De vreemdeling sprak: „Wat bespreekt gij met elkander en waarom zijt gij zoo treurig?quot; Zij verhaalden nu, wat de reden was van hun droefheid, dat n. 1. hun Heer en Meester aan het Kruis was geslagen. De Zaligmaker ging met hen mede, troostte hen en verklaarde hun alles wat in de heilige boeken over Jesus Christus was geschreven; hoe alles reeds door de profeten voorspeld was

ocr page 216

208

geworden, dat hij zou lijden en eindelijk een smartelijken en schandelijken dood sterven. De leerlingen luisterden aandachtig en toen zij bij het stadje Emmaüs kwamen, deed Jesus, alsof hij verder wilde gaan. Doch nu baden de twee hem, zeggende: „Heer, blijf bij ons, want het wordt avond en de dag is reeds aan het vallen,quot; Toen ging hij met de leerlingen binnen en zette zich met hen aan tafel. Daarop gingen hunne oogen open en zij herkenden hem. Hij echter verdween uit hunne oogen. En vol vreugde en verbazing spraken de leerlingen tot elkander: »Ach, hoe wonderbaar was het ons reeds te moede, toen hij tot ons sprak op den weg, hoe is het mogelijk, dat wij hem niet aanstonds herkend hebben ? En zij snelden naar Jerusalem terug, om het aan de overige leerlingen te verhalen. Maar de Zaligmaker kwam ook zelf bij de leerlingen te Jerusalem. Terwijl zij allen vergaderd waren in een grooten zaal met gesloten deuren, stond hij plotseling voor hen, zoodat zij allen groote vreugde en nieuwen moed gevoelden. Slechts een van de apostelen, Thomas, was niet bij hen toen Jesus verscheen.

ocr page 217

■ ■■iléai--ff'

— 209 —

Toen de anderen hem nu verhaalden: »Wij hebben den Heer gezien,quot; toen wilden hij hen niet gelooven en zeide: »Als ik in zijn handen niet de teekenen der nagelen zie en mijn vinger daarin leg en mijn hand in zijn zijde, zal ik het niet gelooven.quot; — Acht dagen later waren de leerlingen weer bijeen en Thomas met hen. Wederom kwam Jesus met gesloten deuren binnen, stond plotseling in hun midden en sprak: »Vrede zij u!quot; vervolgens zeide hij tot Thomas: »Zie mijne handen en steek uwe vingers daarin. Leg ook uwe hand in mijne zijde en wees niet ongeloovig, maar geloovig.quot; Toen viel Thomas voor hem neer en riep: «Mijn heer en mijn Godlquot; Maar Jesus sprak tot hem: »Wijl gij mij gezien hebt, Thomas, gelooft gij; zalig degenen, die niet zien en toch gelooven.quot;

ik

En zie, mijn kind, dit laatste woord is voor ons een schoon woord. Zalig degenen, die niet zien en toch gelooven. Wij zien niet, het is ons niet gegeven onzen Heiland hier te aanschouwen in zijn heerlijkheid, maar wij gelooven aan hem, wij beminnen hem, wijl Moeder. 14

I

—1?:

ocr page 218

- 2IO -

wij door hem de kennis hebben gekregen van al wat goed en schoon is. En als wij nu ook goed leven en alles doen wat wij van den Zaligmaker leeren, dan worden wij zalig dan hebben wij geloofd, zonder hem te zien. Amen.

49. De Hemelvaart.

den veertigsten dag na zijne verrijzenis verscheen Jesus aan al zijn apostelen te Jerusalem voor de laatste maal. Hij beval hun, daar te blijven en te wachten, totdat de H. Geest over hen zou nederdalen.

»Na weinige dagen,quot; zoo sprak hij, »zal de H. Geest over u komen en dan zult gij bekleed worden met groote kracht en groo-ten moed en gij zult uitgaan in de wereld , en aan alle menschen leeren en verkondigen wat ik u gezegd heb.quot; — En na deze woorden, leidde hij zijne leerlingen naar den Olijfberg en sprak daar tot hen: »Mij is door dan Hemelschen Vader groote macht gegeven; gaat daarom en leert alle volkeren en

ocr page 219

doopt hen in den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes en leert hen onderhouden, alles wat ik u bevolen heb. En zie, ik ben met u alle dagen tot am de voleinding der wereld.quot;

O mijn kind, als wij de lessen van den Zaligmaker volgen, zijn ook wij zijne leerlingen, en hij blijft ook bij ons en zal bij alle goede menschen blijven tot aan de voleinding der wereld. Op een ander keer zeide hij ook tot zijne leerlingen: iWaar twee of drie in mijne naam vergaderd zijn, daar ben ik in hun midden. Dus, mijn kind, als wij god vruchtig met elkander nederknielen en bidden, dan is de Zaligmaker bij ons, onzichtbaar, gelijk hij zichtbaar midden onder de apostelen verscheen. Denk daar altijd aan, mijn kind, als mij elkander bidden 's morgens en 's avonds en ook 's middags. En in de groote kerk, waar niet slechts twee of drie, maar veel meer menschen in den naam des Heeren te zamen komen om te bidden, te prijzen en te danken, ook daar is hij midden onder ons. Op het altaar toont hij zich aan ons onder de onaanzienlijke gedaante van

ocr page 220

212 —

brood en wijn, maar hij de liefdevollen Heiland, is daar, en wij gelooven, ofschoon wij niet zien, want gij weet dat de Zaligmaker tot den ongeloovigen Thomas zeide: »Zalig, degenen, die niet zien en toch gelooven.quot;

En op den Olijfberg sprak de Zaligmaker nog meer afscheidswoorden tot de apostelen. Hij zeide verder: ïDie gelooft zal hebben en gedoopt zal zijn, hij zal zalig worden. Zij nu die gelooven, zullen werken kunnen verrichten; zij zullen zieken genezen, slangen verdrijven, en nieuwe talen spreken, en als zij iets doodelijks mochten gedronken hebben, zal het hun niet schaden.quot;

Onthoud deze voorspellingen des Heeren, mijn kind, want later zult gij hooren, hoe alles juist overeenkomstig die voorspellingen geschiedde. £n nadat de Zaligmaker deze woorden gesproken had, hief hij zijne handen op en zegende zijn leerlingen. Op dat oogenblik werd hij voor hunne oogen verheven en voer op ten Hemel, waar hij gezeten is aan de rechterhand Gods.

De leerlingen staarden hem na, zelfs nog toen een wolk hem aan hunne blikken ont-

ocr page 221

.. ......... -

— 213 —

trokken had. Toen verschenen hun twee engelen in sneeuwwit gewaad en spraken: »Mannen van Galilea, wat staart nog steeds naar den Hemel? Deze Jesus die voor uwe oogen is opgeklommen, zal eenmaal op dezelfde wijze wederkomen.quot; Toen vielen de Apostelen op hunne knieën en aanbaden Jesus; daarna keerden zij naar Jerusalem terug, verheerlijkten en prezen God en wachtten totdat de H. Geest over hen zou nederdalen.

Dat was de dag van 's Heeren hemelvaart, mijn kind, en zoo dikwijls gij heden opziet naar den hemel, moet gij daar aan denken en bij u zeiven bidden: »0, geliefde Zaligmaker, gij, die met grooten luister en heerlijkheid naar den hemel zijt teruggekeerd, help mij, opdat ik een waar leerling, een goed kind van u zij, en mijne ziel bij mijn dood ook vol vreugde opstijge tot uwe Goddelijke heerlijkheid! Amen.

■ ■■ - • - ■

quot;'V —

ocr page 222

214

50 Pinksteren.

®Ip!oen de Apostelen na de hemelvaart des Heeren naar Jerusalem waren teruggekeerd, kwamen zij te zamen in de opperzaal van het huis, waar zij gewoonlijk verblijf hielden. Hier bleven zij met Maria, de moeder van Jesus, en meerdere andere godvruchtige vrouwen en leerlingen tien dagen in het gebed vereenigd. Op den tienden dag echter — terwijl zij allen in de zaal bijeen zaten, ontstond plotseling een gedruisch van den hemel, evenals een opstekende geweldige storm en vervulde het geheel huis. En boven ieders hoofd zetten zich vurige tongen neder. Toen werden allen vervuld van den H. Geest en begonnen verschillende talen te spreken. Zie! dat is het eerste wonder, hetwelk onze lieve Heiland op den leestelijken Hemelvaartsdag voorspeld had. Er waren nu op dien dag zeer vele menschen in Jerusalem, want het was voor de Joden het Pinksterfeest en uit alle landen waren vreemdelingen daarheen gekomen. Toen zij het sterke windgedruisch vernamen, liepen zij met vele bewoners van

ocr page 223

Jerusalem verschrikt voor het huis der Apostelen te zamen. Groot was hunne verbazing toen zij de leerlingen van Jesus verschillende talen hoorden spreken; ieder van al de vreemdelingen die daar waren, kon hen verstaan. Zij begrepen dit verschijnsel volstrekt niet en zeiden: »Zijn al deze mannen geen Gali-leërs? Hoe komt het dan, dat wij hen verstaan, wij, die van verschillenden landaard zijn, die allerlei verschillende talen spreken, Grieksch, Arabisch, Perzisch en Armeensch, en toch verstaan wij aller, wat zij zeggen 1quot; Toen trad Petrus met de andere apostelen uit het huis te voorschijn en sprak: »Ziet, mannen, hier is in vervulling gegaan wat Jesus Christus heeft voorzegd. Gij hebt hem gedood en aan het kruis geslagen, maar God heeft hem weer opgewekt, dat hebben wij allen gezien. Vervolgens is hij opgevaren aan de rechterhand Gods en heeft hij den H. Geest uitgestort over ons, gelijk gij allen zelf ziet en hoort. En zoo is het onfeilbaar zeker, dat God Jesus Christus tot Verlosser en Heer van de geheele wereld heeft aangesteld.quot; — Deze rede van den Apostel Petrus trof de

ocr page 224

- 2 16 —

harten van vele menschen en zij kwamen tot de apostelen en zeiden: »Broeders, wat moeten wij doen fquot; Petrus nu sprak: «Doetboetvaardigheid en laat u doopen in den naam van Jesus Christus, dan worden uwe zonden u vergeven en dan zal ook over u de H. Geest nederdalen.quot; En ongeveer drie duizend men-schen lieten zich doopen en geloofden aan den Zaligmaker en vierden met elkander het heilig avondmaal en baden tot God. Dat, mijn kind, was het wonder van Pinksteren, dat was de kracht des H. Geestes, die de apostelen met groote macht tot het volk leerde spreken. En van dezen dag af gevoelden zij grooten moed in hunne ziel en leerden met luider stemme op de marktplaats van Jerusalem en togen de wereld in en verkondigden de leer des Zaligmakers aan alle men-schen, en zooals de Zaligmaker het had voorspeld, konden zij in zijnen naam ook wonderen verrichten.

Niet lang daarna vroeg een lamme bedelaar, die voor den tempel te Jerusalem was gezeten, den Apostel Petrus om een aalmoes. Deze antwoordde: «Zilver en goud heb ik

ocr page 225

217 —

niet, maar wat ik heb, dat geef ik u. In den naam van Jesus Christus, sta op en wandel.quot; En aanstonds sprong de bedelaar vol vreugde op. En zoo genazen ook de andere apostelen vele zieken in den naam van Jesus, door het opleggen der handen en door het gebed. Toen de apostel Paulus eens gebeten werd door een vergiftigde slang, meenden zij die om hem heen stonden en het met ontzetting zagen, dat hij aanstonds dood neer zou vallen. Maar zie! het schaadde hem volstrekt niet. En toen den apostel Joannes door een vijand een beker met vergiftigden wijn werd aangeboden, toen bad hij eer hij dronk, en zie! het vergift schaadde hem niet. Ja zelf, toen een wreede heidensche koning dezen heiligen apostel wilden dooden en hem daarom in een ketel met ziedende olie liet werpen, toen bleef hij ongedeerd, wijl God hem een hoogen leeftijd wilde laten bereiken, opdat hij vele menschen zou kunnen bekee-ren. En waar de apostelen ook kwamen, overal verkondigden zij de leer en de wonderdaden des Zaligmaker en overal lieten vele menschen zich doopen en bewaarden de leer

r'

ocr page 226

- 2 l ö -

van Jesus in hunne harten. En zoo hebben de eerste Christenen de heilige leer aan hunne kinderen verkondigd en deze wederom aan hunne kinderen en zoo verder, tot in onze dagen en zoo zal het zijn aan tot aan het einde der wereld. De heilige apostelen verkozen de meest godvreezende mannen tot hun opvolgers en wijdden hen tot het heilig ambt, om de leer van Jesus verder te verspreiden, te prediken, te doopen en in de kerk de heilige godsdienstoefeningen te houden. De priesters, die gij in de kerk aan het altaar de heilige handelingen ziet verrichten, de priesters, die brood en wijn veranderen in het lichaam en bloed des Heeren, door de woorden van den Heiland zei ven, die priesters zijn de plaatsbekleeders der apostelen op aarde. En evenals een moeder haar kleine kinderen leert, zoo leeren de priesters de groote kinderen en de groote menschen en zorgen, dat de woorden des Zaligmakers niet in vergetelheid geraken. Als gij grooter zijt zult gij van deze door God uitverkoren mannen nog veel meer leeren hetgeen de Zaligmaker heeft bevolen. Gij zult ook nog beter

ocr page 227

219 —

leeren, wat de heilige apostelen hebben gedaan en hoe zij bijna allen voor hun Verlosser den marteldood zijn gestorven. Tot hunne vijanden spraken zij: »Ons lichaam kunt gij wel dooden, maar onze ziel brengt gij slechts des te eerder toe tot de hemelsche heerlijkheid. Amen.

•«É M

m

'

;-U

*s.

m

■ • 'V

v

ocr page 228
ocr page 229

i gt;f S 0 U f).

BJadz.

Voorwoord . . , i j

3

i

De Macht van God . . .

7

2

Gods alomtegenwoordigheid

9

3

De ziel.....

12

4

De onschuld der ziel . i

14

5

De twee stemmen . . .

17

6

De dood .....

21

7

De schepping der wereld .

25

8

Verdrijving uit het Paradijs

28

9

De Verlosser ....

31

IO

De aankondiging van Christus'

geboorte ....

35

ii

Het hart, een tuin Gods .

37

12

Andere bloemen uit Gods tuintje

42

13

Nog eens het tuintje van O. L.

Heer.....

47

14

De Advent ....

5°

15

Nog eens de Advent

54

-V. L.-' ^ ggM

ocr page 230

— 222 —

Black.

i6

Kerstmis.....

57

37

17

De heilige driekoningen

60

18

De vlucht naar Egypte

63

19

De kindsheid van Jesus

66

38

20

Jesus' eerste leerlingen en het won

39

der te Kana ....

69

40

21

Jesus als .kindervriend

74

41

22

Jesus de goede herder

79

23

Wonderbare spijziging

84

42

24

De genezing van den lamme

89

43

25

De hoofdman van Capharnaüm

94

26

De jongeling van Naïm

98

44

27

De acht-en-dertigjarige zieke en

45

de dochter van Jaïrus ,

102

4(

28

De storm op zee

106

4'

29

Van den onbarmhartigen knecht

IIO

4S

3°

De gelijkenis der tien maagden

US

31

Het onze Vader. I .

120

4

32

Het onze Vader. II .

125

5

33

Het onze Vader. III .

130

34

De groetenis des engels

134

35

De gelijkenis van den zaaier

139

36

Van den smallen weg en de enge

poort.....

144

ocr page 231

•; ■ - - --— 223 —

Bladz.

37 Het gebod der liefde. Gelijkenis

van den barrnharttigen Samaritaan . . . . . 151

38 De Pharizeër en de tollenaar . 157

39 Jesus voo'-spelt zijn lijden . 163

40 Intocht in Jerusalem . , . 168

41 Het Paaschlam en de voetwas-

sching . . . . . 171

42 Het heilig avondmaal . . 177

43 Jesus neemt afscheid van zijn

Apostelen. Zijn laatste gebed 182

44 De gevargenneming van Jesus . 187

45 Jesus voor zijne rechters . . 192

46 De Kruisiging . . , . 196

47 Paschen ..... 209

48 De verschijningen des Heeren na

de Verrijzenis . . . 205

49 De Hemelvaart . . . . 210

n if1

i$#i

■M

i

m

50 Pinksteren . . . . 214

- - -.....

ocr page 232
ocr page 233
ocr page 234
ocr page 235
ocr page 236

Verschenen bij M. Waterreus, Roermond ;

JOi'ivvoudiye JAtafii ixchc verklaring der H. MIS

voor Kerk-, School- en Huisgebruik; vooral voor kinderen, die zich voorbereiden tot de eerste H. Communie door A.B.Leijser, Pastoor te Zeddam. Kerkelijk Goedgekeurd.

Prijs per ex. 15 ct.

OeGsteÜjk Lietjerenboekje,

Deze uitgave is geheel herzien en verbeterd door den heer HENRI TIJSSETTj Directeur van Boor-niOiids Mannenkoor.

Prijs in cartonnen band 45 ct.